-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

- - , -\'-J,,

i \' .v

■ \' c\' -

■V\'7 -

- V- \'V

Squot;

V\'\' 7 ^

\' \' \' .4, 1 \'^-quot;^

s\' ^\':i. 1?

-\'

v - .tr

-i\' - ■ quot; ■\':; ^ :;\' - —..

.....

■y^lt; ■ ■\'

- J ..^ /■• ;

h--( ;.:^-

, F :quot;r^r-^: :■■ ■ :-i •?lt;

•quot;ïSvS; , ,

:v-7V

r}~ ■; ■ \' _v f ^ ■y^..

\' \' quot;X0^.■■

A-^- ■quot; : - v: , -C^ \' ■ 1. ^ x v ,

.....-•■--•■ — v -\' ^\'. .-.. ■ \'\' \'

quot; M\' :ïv quot;.; ^ quot; ■ ■ \' aV - -•■ -

\';•gt; = - ^ . k ■ : 1 1 ^ \' -

■ ■ v~quot;-^ ^ ^

- . ■ i Jigt; ^ z -\'• \' (-

*-; y r. ^ \' . __________^ .

! - ^ - :.;;■ : d

• ■.\';, •-• -ftl —- .-J . ■■gt; \'

- ~ quot;-■ • r ^

■•c; ■ •- f • .T , , lt;r. -No^- ; \'-. -i: - , \'• ■■—■.. v - ^

■--y;^,re •\' ; -\' \'■ \' W^te--:J- 7- v -\' ■ -•■ C . ~ .

-r; \' \' : \'quot;U gt; ■\' ;a,gt;-.

1 -* *■- ^ quot; 1 y ■ ■■ -_ -V. \'^ • - .-- ■ *J f \'

amp;

r-, -.V -

^L- . : ■- i - O-

.gt;quot; -

ft ^ ^ .-__. \' quot;■- ■ • quot;v \'W

* -

^r.: ;: --v;^ ■; ^ gt;

•vgt;-gt;

■gt;\'

: J

v.r

\'amp;£■:

/i- ■ -

T -\' % -

■^J\'.

üquot; gt; - T • • quot;■ . - - V.

v;;, v ^ ^ ■ -\'7. ■- -■;7

t-S^^ a-.

: ^ C \'

. \'X.....- -

~ . - ■ v. ^ gt; : i\'5.^

7-:-: \'^C-

„ v - .•■\' Ac ■ quot;lt; - vU ^ quot;■ ■ ;

N ..1 \' . ■ .. \\ -

V

n;

mrn^r^^m ■ quot; -

\' - i

4S

y quot; ^ gt; 7 ;-

\' \'- . — -\' f-h ■ ;■■gt;;lt;?- , . gt;- r ■.

V-

V

\'V

mÊm

mim

-ocr page 5-

f

NEDERLANDSCHE

SIAiTSREUELlNUEN EN GRONDWETTEN.

-ocr page 6-

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2301 418 0

-ocr page 7-

Ir. quot;W. J. 0. van Hasselt.

VERZAMELING

i

VAN

NEDERLANDSOHE

Staaisreplinpn u Mwellen.

H

Vijfde Druk,

HERZIEN EN VERMEERDEED DOOR

Mr. L. DE HARTOG,

Hoogleeraar aan de Universiteit van Amsterdam.

SC HOONHOVEN,

S. amp; W. N. VAN NOOTEX. 1895.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

VOORBERICHT.

De derde uitgaaf onderscheidde zicli van de beide

vorige hierin:

1 . De ofjiciëelc uitgaven van ieder der Staatsregelingen enz. zijn geheel en al gevolgd: de lezing, spelling en interpunctie zijn getrouw weergegeven. In de vroegere uitgaven is hiernaar, dit schijnt althans, aanvankelijk ook gestreefd: doch zóó inconsequent of zóó slordig is deze richting in het oog gehouden, dat het stelsel dikwijls geheel verloochend blijkt te zijn. Het denkbeeld, om in deze uitgave eenerlei orthographie voor alle opgenomen Staatsregelingen enz. aan te nemen, werd, na eenig nadenken. verworpen. Behalve in den zinbouw en de woordenkeus, spiegelt ook in de spelling en de interpunctie het karakter van den tijd, zij het ook slechts in bescheiden glans, zich toch altijd eeni-germate af. Bovendien is men met de zaak verlegen, zoolang de zoogenoemde nieuwe, spelling niet officieel gehuldigd is, of althans algemeen in de offlciëele staatsstukken gebruikt wordt.

2quot;. Behalve m de stelsellooze afwijkingen van de officiëele schrijfwijze, zondigden de vorige uitgaven in onverklaarbare lezingen (b. v. het hardnekkig voortgezette Bevensie) en allerlei andere fouten. Zij zijn, naar gelang zij ontdekt zijn, weggenomen. Zoo is ook het karakteristieke a. 60, dat uit de Grondregels dei-Staatsregeling van 1798 was zoek geraakt, weer hersteld ; en daarentegen het raadselachtige slot, dat aan

-ocr page 10-

VOORBERICHT.

die van \'1805 was gegeven, weggenomen en door een ophelderende aanteekening vervangen. 3quot;. Om het betrekkelijke belang voor de interpretatie der Grondwet van 1815, en dus ook der thans geldende, is van eerstgenoemde de officiëele Fransche vertaling, la Lol Fondamentale, opgenomen. 4quot;. De door de herziening van \'40 in de nummering der artikelen te weeg gebrachte verandering is aangewezen. 5quot;. De verwijzingen, achter (in de vroegere uitgaven onder) de artikelen der tegenwoordige Grondwet, zijn op nieuw, zelfstandig, bewerkt.

6quot;. Eenige geschiedkundige data zijn aan het hoofd

van iedere Staatsregeling enz. toegevoegd. 1quot;. Een uitvoerige inhoudsopgaaf, ook van de Hoofdstukken en de Afdeelingen, is toen voor het eerst gegeven. Terwijl ten slotte — als op een behagelijke hervorming,— op het geschikter formaat en de fraaiere typographische uitvoering mag gewezen worden.

VI

In dezen nieuwen druk zijn zooveel mogelijk fouten verbeterd en omissies hersteld; met bijzondere zorg zijn de verwijzingen, achter de artt. der thans geldende Grondwet, nagezien en aangevuld.

L. DE HARTOG.

Amsterdam, Maart 1895.

-ocr page 11-

INHOUD.

Bladz.

STAATSREGELING VAN7 1798.

Algemeene beginselen........... l.

Burgerlijke en Staatkundige Grondregels. ... 2. Acte van Staatsregeling.

Titul I. Van de verdeeling der Republiek. . 11. Titul II. Van de uitoefening van liet Stemvermo-gen der Burgeren in Grond- en Distriets-

Vergaderingen......................12.

Aid. -1. Van de Stemhevocgdheidder Burg eren. 12. Atd. 2. Van de Grond-en Districts-Vergade-

ringen............15.

Titul UI. De drie voorname Magten.

Van de Vertegenwoordigende Hoogste

Magt............. 17.

A fd. 1. Van het vertegenwoordigend Lichaam

in het algemeen........17.

» 2. Van de vorming des Vertege.)iwoordi-

genden Lichaams in twee Kamers. 22. » 3. Van de raadpleeg ingen des Vertegenwoordig enden Lichaams. . . . . 23. » 4. Van de Vrijwaaring der Leden van

het Vertegemvoordigend Lichaam. 24. Titul IV. Van het Uitvoerend Bewind. ... 26. Titul V. \\ an de Departementaale en Gemeente-

Bestuuren.............. 34_

Afd. 1. Algemeene Bepaalingen......34.

» 2. Van de Departementaale Beètuuren. 35. » 3. Van de Gemeente-Bestuuren. ... 39. \'I itul VI. Van de Financiën........ 40.

-ocr page 12-

vm INHOUD.

Bladz.

Afd. 1. AUjemeene Bepaalingen om trend het

Financiewezen der Republiek. . . 40. » 2. Van de Begrooting der Staats-Uit-

gaveii...........44.

» 3. Van de Commissarissen der Natio-

naale Tresorie........45.

» 4. Van de Commissarissen der Natio-

naale Reekening.......48.

Titul VII. Van de Buitenlandsche Bezittingen en Coloniën der Republiek, en van derzei ver

bestuur hier te Lande......... 49.

Over de Asiatische Bezittingen en Etablissementen............ BI.

Over de West-Indische Bezittingen en Coloniën in Amerika, en op de Kust van Guinéa. 52.

Titul VIII. Van de Regterlijke Magt..... 53.

Afd. 1. Algemeene Bepaalingen......53.

» 2. Van de Vrederegters en der zelve r Bijzitters, van de Burg er l. Regtbanken,

van de Departementaale Geregtslio-ven, van de Vierschaar over de misdrijven der Reg Iers, van het Hoog Nationaal Geregtshof, en van de Regts-pleging over het Volk van Oorlog. 54. Titul IX. Over den Staatkundigen invloed des

Volks op de Staatsregeling........ 59.

Reglementen beboerende tot de Acte van Staatsregeling :

Bijlage, Reglement letter A, behoorende tot Titul II. 00. Afd. i. Over de wijze van Stemming in de

Grond- Verg aderingen......ö0,

» 2. Van de Kiezers, ter Districts-Vergadering...........63.

-ocr page 13-

INHOUD. ix

Bladz.

Bijlage, Reglement letter B, behoorende totTitul III. 65.

Afd. 1. Van de Vervulling der jaarlijks openvallende Plaatsen in het Vertegenwoordigend Lichaam. ... 65. » 2. Van de verplaatsing van het Vertegenwoordigend Lichaam. ... 67. » 3. Van de farm van Raadpleeging,

en de Formulieren, daarbij in

acht te nemen........68.

Bijlage, Reglement letter C, behoorende totTitul IV. 72.

Van de wijze van aftreding en verkiezing der Leden van het Uitvoerend Bewind, het Voorzitterschap, de wijze van Raadpleeg ing, den post van Secretaris, en het Formulier wegens de afkondiging der Wetten of het terugzenden eener Wet. . 72. Bijlage, Reglement letter D, behoorende totTitul YI. 75.

Afd. 1. Van de Begrootingen der Staatsuitgaven............

2. Van de Commissarissen der Natio-naale Tresorie en Nationaale

Reekening..........7(5

Bijlage, Reglement letter E, behoorende tot Titul IX. 77.

Van. de wijze van Herziening der Staatsregeling...............

Additioneele Artikelen........... g3

Aanhangsel. (Publicatie van 7 Mei 1799.) ... 86.

STAATSREGELING VAN 1801.

Algemeene beginzelen en bepalingen..........88.

Territoriale Verdeeling en Stemrecht..........90.

Van het Staats-Bewind....................92

Van de Wetgeving......................97

Van de Finantiën........................gg

m

-ocr page 14-

X. I N H O U D.

Bladz.

Van de Departementale Bestüuren...... 100.

Van de Gemeente-Bestnuren.........102.

Van de Rechterlyke Magt..........103.

Van het Nationaal Gerechtshof........104.

Belofte voor ile Leden van het Wetg. Lichaam. . 108.

» » » i) » » Staats-Bewind. . . 109. Aanhangsel. Besluit tot interpretatie van art. 12

der Staatsreg..............H0.

STAATSREGELING VAX 1805.

Algemeene Bepalingen...........111.

Territoriale Verdeeling der Republiek, en Stemregt. 112.

Het Wetgevend Ligchaara..........113.

De Raadpensionaris............116.

Departementale en Gemeente-Besturen.....120.

Regterlijke Magt.............121.

Eeden voor de Leden van liet Wetgevend Ligchaam en voor den Raadpensionaris........124.

VOORBEREIDING TOT DE CONSTITUTIE VAN HET KONINGRIJK HOLLAND.

Decreet van 5 Juni 1800.......... 120.

Tractaat van 24 Mei 1806.......... 127.

Constitutionele Wetten...........132.

CONSTITUTIE VAN HET KONINGRIJK HOLLAND.

Afd. I. Algemeene bepalingen........136.

gt;) II. Van den Koning..................138.

» III. Van de Wet............142.

» IV. Van de Departementale- en Gem.-Besturen. 143.

» V. Van de Regterlijke Magt.......144.

Wet van 7 Augustus 1806..................146.

-ocr page 15-

INHOUD. \\ r

Bladz.

GRONDWET VOOR DE VEREEXIGDE NEDERLANDEN\'.

Hoofdst. I. Van den Souvereinen Vorst.....148.

» II. Van de Staten-Generaal. . . . , . 155, » III. Van de Staten der Provinciën of

Landschappen................160.

» IV. Van de Justitie................164.

» V. Van de Financie................167.

» VI. Van de Defensie................168,

» VIL Van den Waterstaat............169.

» Vllf. Van den Godsdienst, het Openbaar

Onderwijs en het Arm-Bestuur. . 170, » Xf. Van bijvoegselen, veranderingen en

uitleggingen..................17\'2.

GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DER

NEDERLANDEN. (1815—1840,). . 173,

Hoofdst. 1. Van het Rijk en deszelfs Inwoners. 174.

» II. Van den Koning........ 177

Afd. 1. Van da Troonopvolging......177.

» 2. Van het inkomen der Kroon. . . .179.

» 3. Van de Voogdij des Koning,i. . . . 180.

» 4. Van het Regentschap.......181.

» 5. Van de inhuldiging des Konings. . 183.

» 6. Van de magt des Konings.....185.

» 7. Van den Raad van State en de ministeriële departementen.....187.

Hoofdst. III. Van de Staten-Generaal..... 189.

Afd. I. Van de zamemtelling der Staten-Generaal............189,

» 2. Van de tweede/kamer der Staten-Ge-

neraal............190.

» 3. Van de eerste kamer der Staten-Generaal................

-ocr page 16-

XII INHOUD.

Bladz.

Afd. 4. Beschikkingen aan heide kamers gemeen............192.

» 5. Van de wetgevende magt.....194.

» 6. Van de begrooting der uitgaven van

het Rijk...........197.

Hoofdst IV. Van de Staten der Provinciën. . . 199. Afd. 1. Van de zamenstelling der Staten van

de Provinciën.........199.

» 2. Van de magt der Staten Provinciaal. 202. d 3. Van de plaatselijke, besturen. . . . 203.

» 4. Algemeene beschikking...... 205.

Hoofdst. V. Van de Justitie........ 205.

Afd. 1. Algemeene beschikkingen..... 205.

» 2. Van den Hoog en Raad, de Hoven en

Regtbanken..........2C6.

Hoofdst. VI. Van den Godsdienst...... 209.

» VII. Van de Financiën....... 209.

» VIII. Van de Defensie....... 211.

» IX. Van den Waterstaat...... 213.

» X. Van het Onderwijs en het Armbestuur. ......... 215.

» XI. Van Verandei-in^en en Bijvoegselen. 210. Additionele Artikelen........... 217.

LOI FONDAMENT ALE DU ROYAUME DES PAYS-BAS.

Chap. I. Du Royaume et des Regnicoles.. . . 218.

» II. Du Ro\'i............ 220.

Section 1. De la Succession au Tröne. . . ■ 220. » 2. Des Revenus de la Couronne. . . 222.

» 3. De la Tutelle du Rui..... 223.

» 4. De la Régence........ 223.

» 5. De VInauguration du Roi. . . . 225. » 6. De la Prerogative Royale. . . . 226.

-ocr page 17-

228.

INHOUD.

Section 7. Du Conseil d\'Etat et des Départe

mem Ministériels......

Chap. III. Des États Généraux.......

Section i. Be la composition des États Gén

raux..........

» 2. De la seconde Chamhre des Eta

Généraux.........

» 3. Be la première Chamhre des Éta

Généraux.........

» 4. Bispositions communes aux deu

Chambres.........

» 5. Bu Pouvoir Législatif. ....

6. Bu Budget de V État.....

IV. Des États Provinciaux.....

Section 1. Be la composition des Etats Pro

vinciaux.........

» 2. Bes Attributions des États. . . » 3. Bes Administrations Locales. .

» 4. Bisposition générale.....

Chap. V. De la Justice.........

Section I. Bispositions Générales. . . » 2. T)e la Haute Cour et des TribiiHaux

Chap. VI. Du Culte.........

» VII. Des Finances.......

» VIII. De la Defense de 1\' État.....

» IX. De la direction des Eaux, Fonts e

Chaussées........

» X. De l\'Instruction publique et des éta

blissetnens de bienfaisance. . » XI. Des changemens et additions. Articles Additionnels.......

XIII

Bladz.

c

229.

230. 232.

232.

233. 236.

229..

Chap.

237-

237.

239.

240.

241.

242. 242. 243

245.

245.

246.

248.

250. 250. 254.

-ocr page 18-

XIV I N II O U IJ.

Bladz.

GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DER NEDERLANDEN. (-1848.)

Hoofdst I. Van het Rijk en zijn Inwoners. . . 25\'i.

ygt; II. Van den Koning........ 254.

Afd i. Van de Troonopvolging...... 254.

» 2 Van het inkomen \'Ier Kroon. . . . 25G. » 3 Fan de Voogdij des Koning.-i. . . . 257.

» 4. Van het Regentschap.......258

» 5. Van de Inhuldiging des Konings. . 260.

» 6 Van de Magt des Konings.....261.

» 7. Van den Raad van State en de Ministeriële Departementen. . . . 263.

Hoofdst. III. Van de Staten-Generaal..... 264.

Afd. \'1 Van de zamenstelling der Staten-

Generaal.......... 264.

» 2. Van de Tweede Kamer der Staten-

Generaal.......... 266,

» 3. Van de Eerste Kamer der Staten-

Generaal. . . .... . 267. » 4. Beschikkingen aan beide Kamers

gemeen...... ... . 268.

» 5. Van de Wetgevende Magt..... 270.

» 6. Van de Begrooting........ 273.

Hoofdst. IV. Van de Provinciale Staten en de

Gemeentebesturen....... 274.

Afd. 1. Van de zamenstelling der Provinciale

Staten........... 274.

» 2. Van de magt der Provinciale Staten. 275.

» 3. Van de Gemeentebesturen..... 277.

Hoofdst. V. Van de Justitie........ 278.

Afd. i. Algemeene beschikkingen..... 278.

» 2. Fan, den Hoog en Raad en de Heg ter-

lij ke Collegiën......... 280.

Hoofdst. VI. Van de Godsdienst...... 281.

-ocr page 19-

I N H O U D. XV

Bladz.

Hoofdst. VII. Van de Financiën..............282.

» VIII. Van de Defensie..............283.

» IX. Van den Waterstaat............285.

» X. Van het Onderwijs en het Armbestuur....................286.

» XI. Van Veranderingen............286.

Additionele Artikelen......................287.

GRONDWET VOOR HET KONINGRIJK DER

NEDERLANDEN. (1887.) . . . 289.

Hoofst. I. Van het Rijk en zijn Inwoners. . 290.

» II. Van den Koning........ 292.

Atd. 1. Van de Troonopvolging. . ... 292. » 2. Van het inkomen der Kroon. . . 295. » 3. Van de Voogdij des Konings. . . . 296.

» 4. Van het Regentschap....... 297.

» 5. Van de Inhuldiging des Konings. . 300.

» 6. Van de Magt des Konings.....301.

» 7. Van den Raad van State en de

Ministeriële Departementen. . . 304. Hoofdst. III. Van de Staten-Generaal..... 305.

Afd. 1. Van de zamenstelling der Staten-

Generaal.......... 305.

» 2. Van de Tweede Kamer der Staten-

Generaal.......... 307.

» 3. Van de Eerste Kamer der Staten-

Generaal..........30gi

» 4. Beschikkingen aan heide Kamers

gemeen........... 309.

» 5. Van de Wetgevende Magt.....312.

» 6. Van de Begrooting........315.

Hoofdst.IV. Van de Provinciale Staten en de

Gemeentebesturen....... Hl 6.

-ocr page 20-

XVl INHOUD.

Bladz.

Afd. 1. Van de zamenstelling der Provinciale

Staten...........31C

» 2. Van de magt der Provinciale Staten. 317.

» 3. Van de Gemeentebesturen.....SIQ.

Hoofdst. V. Van de Justitie........ 321.

Afd. i. Algemeene bepalingen.......321.

» 2. Van de Reg ter lij ke magt..... 323.

Hoofdst. VI. Van de Godsdienst...... 325.

» VII. Van de Financiën....... 326.

» VIII. Van de Defensie....... 327.

» IX. Van den Waterstaat...... 329.

» X. Van het Onderwijs en het Armbestuur.......... 330.

» XI. Van Veranderingen...... 330.

Additionele Artikelen..............332.

-ocr page 21-

Staatsregeling van 1798.

(Het ontwerp dezer Staatsregelmg voor het Bataaf-sche Volk is namens de Constitneerende Vergadering-bekend gemaakt 23 Maart; door de Volkstemming is zij goedgekeurd 23 April; geproclameerd als zoodanig -1 Mei; in werking getreden 4 Mei 1798.)

Het Bataafsche Volk, zig vormende tot eenen ondeel-baaren Staat, en bezeffende, dat het voornaaine bederf van alle Regeeringen gelegen is in de miskenning der natuurlijke en geheiligde regten van den Mensch in maatschappij , verklaart de navolgende stellingen als den wettigen grondslag waarop Het zijne Staatsregeling vestigt, en als zoo veele regels, waarnaar Het zijne burgerlijke en staatkundige betrekkingen wil hebben gewijzigd.

Algenieene beginselen.

Art. 1. Het oogmerk der maatschappijlijke vereeni-ging is beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, i en beschaaving van verstand en zeden.

2. Het Maatschappijlijk Verdrag wijzigt, noch beperkt, de natuurlijke regten van den Mensch, dan in zoo verre zulks, ter bereikinge van dat oogmerk, noodzaaklijk is.

3. Alle Leden der Maatschappij hebben, zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand, of rang, eene gelijke aanspraak op derzei ver voordeelen.

-t. Ieder Burger is volkomen vrij, om te beschikken over zijne goederen, inkomsten, en de vruchten van zijn vernuft en arbeid, en voords, om alles te doen, wat de regten van eenen ander niet schend.

5. De Wet is de wil van het geheele maatschappijlijk Lichaam, uitgedrukt door de meerderheid, of der Burgeren, of van Derzelver Vertegenwoordigers. Zij is, hetzij beschermende, of straffende, (lelijk i-oor allen. Zij strekt zig alleen uit tot daaden, nimmer tot gevoelens. Alles, wat overeenkomt met de onvervreemdbare regten

1

-ocr page 22-

STAATSREGELING VAN 1798.

van de.i Mensch in Maatschappij, kan door geene Wet verboden worden. Zij beveelt, noch laat toe, hetgeen daarmede strijdig is.

6. Alle de pligten van den Mensch in maatschappij hebben hunnen grondslag in deze heilige Wet: Doe een en ander niet, hetgeen gij niet wenttcht dat aan 11 geschiede. — Doe aan anderen, ten allen tijde, zoo veel goeds, als gij, in gelijke omstandigheden, van hun zoudt wenschen te ontvangen.

7. Niemand is een goed Burger; dan die de huislijke pligten, in den onderscheiden stand, waarin hij moge gesteld zijn, zorgvuldiglijk uitoefent, en voords, in alle opzigten, aan zijne maatschappijlijke betrekkingen voldoet.

8. Do eerbiedige erkentenis van een Albestuurend Opperwezen versterkt de banden der maatschappij, en blijft iederen Burger ten duursten aanbevolen.

Burgerlijke en Staatkundige Grondregels.

9. Het Opper-gezag is het regt der gantsche Maatschappij over elk haarer Leden, over het grondgebied, dat zij beslaan, en over alle voorwerpen, waarin hunne belangen betrokken zijn. Hetzelve is één, ondeelbaar, onvervreemdbaar. Geen Lid, geen gedeelte der Maatschappij, kan zich het opper-gezag aanmaatigen. Hetzelve is de bron van alle openbaare Magten.

10. Het Bataafsche Volk, zijne belangen in persoon niet kunnende waarnemen, verkiest daartoe, bij onderlinge overeenkomst, eene geregelde Staats-form, en wel eene V\'o l ks-r eg sering hij Vertegenwoordiging.

11. Het verkiest, ten dien einde, zijne Vertegenwoordigers, die, in Deszelfs naam, voor de gemeenschaplijke belangen waaken, en, ten allen tijde, aan Hetzelve vérand woord I ij k zij n.

12. Aan deze Vertegenwoordigende Magt zijn alle be-windvoerende Lichaamen ondergeschikt en verandwoordlijk.

13. Buiten de wettig aangestelde Magten, kan geen Burger, noch ook eenig gedeelte des Volks, eenig openbaar gezag uitoefenen. Het is alleen ir. de Grond-Vergaderingen , dat alle Staatkundige Regien door de Burgeren worden geoefend.

14. Alle magt of gezag, door het Volk aan zijne

2

-ocr page 23-

Burgerlijke en Staatkundige Grondregels. 3

Vertegenwoordigers verleend, is slechts bij volnSagt. De uitoefening van dat gezag word gewijzigd door de Staatsregeling.

15. Ambten en Bedieningtin zijn lastgevingen der Maatschappij voor eenen bepaalden tijd. Zij zijn noch erflijk, noch vervreemdbaar, noch bijzondere voorregten van hun, die ze waarnemen. De keus van den eenen Burger, boven den ander, is alleenlijk gegrond op meerdere deugd en bekwaamheden.

16. Ieder Burger mag zijne gevoelens uiten en verspreiden, op zoodanige wijze, als hij goedvind, des niet strijdig met het oogmerk der Maatschappij. De vrijheid der Druk-pers is heilig, mids de Geschriften met den naam van Uitgever, Drukker, of Schrijver, voorzien zijn. Dezen allen zijn, ten allen tijde, aanspraaklijk voor alle zoodanige bedrijven, door middel der Drukpers, ten aanzien van afzonderlijke Persoonen, of der gantsche Maatschappij, begaan, die door de Wet als misdaadig erkend zijn.

17. Elk Ingezeten kan zig, bij Request, Addrès, of met anderen Vóórdragt, vervoegen bij zoodanige Magten, waar hij zal geraaden oordeelen. Alle vóórdragten zullen persoonlijk, en niet gezamenlijk, geschieden: tenzij door Lichaamen, wettig zaamgesteld, en als zoodanigen erkend, en wel alsdan over onderwerpen, die tot derzelver erkende werkzaamheden behooren.

18. Ieder Burger heeft regt, om met zijne Medeburgers te vergaderen, ter onderlinge vóórlichting, ter opwekking van vaderlands-liefde, en ter naamver verbindtenis aan de Staatsregeling, zonder dat, nogthands de Consti-tutioneele Gezeluchappen, als zoodanigen, met eikanderen over Staats-zaken briefwisseling houden, geschreven aan-klagten ontvangen, bij stemming besluiten, of, bij wijze van Corporatie, eenige openbaare daad zullen verrigten.

19. Elk Burger heeft vrijheid, om God te dienen naar ¥ de overtuiging van zijn hart. De Maatschappij verleent,

ten dezen opzigte, aan allen gelijke zekerheid en bescherming, mids de openbaare orde, door de Wet gevestigd, door hunnen uiterlijken eerdienst nimmer gestoord worde.

20. Geene burgerlijke voordeelen, of nadeelen, zijn aan de belijdenis van eenig Kerklijk Leerstelsel gehegt.

21. Elk Kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen Eerdienst, deszelfs Bedienaaren en Gestigten.

\\iuSLJ

-ocr page 24-

STAATSREGELING VAN 1798.

. 22. De gemeenschaplijke Godsdienst-oefening word verrigt binnen de daartoe bestemde Gebouwen, en wel met ontsloten deuren.

23. Niemand zal met eenig orde\'s-kleed, of teeken, Tan een Kerkliik Genootschap, buiten zijn Kerkgebouw verschijnen.

24. Alle eigenlijk gezegde Heerlijke Regten en Tituls, waardoor aan een bijzonder Persoon of Lichaam zou worden toegekend eenig gezag omtrend het Bestuur van zaken in eenige Stad, Dorp, of Plaats, of de aanstelling van deze of gene Ambtenaaren binnen dezelve, worden, voor zoo verr\' die niet reeds met do daad zijn afgeschaft, bij de aanneming der Staatsregeling, zonder eenige schaévergoeding, voor altijd vernietigd.

25. Alle Tiend-, Chijns-, of Thijns-, Nakoops-, Afster-vings-, en Naastings-Regten, van welken aard, midsgaders alle andere Regten of Verpligtingen, hoe ook genoemd, uit het Leenstelsel of Leenregt afkomstig, en die hunnen oorsprong niet hebben uit een wederzijdsch vrijwillig en wettig verdrag, worden, met alle de gevolgen van dien, als strijdig met der Burgeren gelijkheid en vrijheid, voor altijd vervallen verklaard.

Het Vertegenwoordigend Lichaam zal, binnen agt-tien Maanden, na Deszelfs eerste zitting, bepaalen den voet en de wijze van afkoop van alle zoodanige regten en renten , welke als vruchten van wezenlijken eigendom kunnen beschouwd worden. Geene aanspraak op pecunieele vergoeding, uit de vernietiging van gemelde Regten voordvloeijende, zal gelden, dan welke, binnen zes Maanden na de aanneming der Staatsregeling, zal zijn ingeleverd.

26. Insgelijks word vernietigd het zoogenoemd regt van Exuë, met opzigt tot verhuising, of verval van Erfenissen, binnen de Republiek.

27. Alle Burgers hebben, ten alle tijde, het regt, om, met uitsluiting van anderen, op hunnen eigen, of gebruikten, grond te Jagen, te Vogelen en te Visschen.

Het Vertegenwoordigend Lichaam maakt, binnen zes Maanden na Deszelfs eerste zitting, bij Reglement, de nodige bepaalingen, om, ten dezen opzigte, deopenbaare veiligheid en eigendommen der Ingezetenen te verzekeren , en zorgt, dat noch de Visscherijen bedorven,

4

-ocr page 25-

Burgerlijke en Staatkundige Grondregeh. 5

noch de Landgebruiker, bij eenige Wet of Beding, belet worde, allen Wild op zijnen gebruikten grond te vangen, noch ook, dat een ander daarop zal mogen Jagen of Visschen, zonder zijne bewilliging.

28. \'Er zal een Wetboek gemaakt worden, zoo wel van Burgerlijke, als van Lijfstraflijke Wetten, te gelijk met de wijze van Regtsvordering, op gronden, door de Staatsregeling verzekerd, en algemeen voor de gantsche Republiek.

Deszelfs invoering zal zijn, uiterlijk binnen fiüflc jaaren , na de invoering dér Staatsregeling.

29. Niemand mag beschuldigd of in verzekering genomen worden, dan uit kragt der Wet, in de gevallen, en volgends de wijze, door Haar voorgeschreven. Niemand kan gevonnisd worden, dan na alvoorens wettig te zijn geroepen, en alle de middelen van verdediging te hebben kunnen bezigen, die bij de Wet bepaald zijn. Elk Burger, alzoo opgeroepen, of in verzekering wordende genomen, is verpligt te gehoorzaamen.

30. Alle gestrengheid oratrend Gevangenen, buiten hetgeen de Wet bepaalt, gelijk mede alle willekeurig verwijl van derzelver teregtstelling, en van de uitvoering hunner straf, is misdaadig.

31. Zij, die, buiten den Regter, in geval van nood-zaaklijkheid. gevat worden, zullen, uiterlijk binnen vier-en-twintig Uuren daarna, aan hunnen bevoegden Regter worden overgebrasct.

32. Allen, die in verzekering genomen worden, zullen , uiterlijk binnen één Dag daarna, kennis ontvangen van de redenen hunner gevangenneming.

33. In alle gevallen, waarin de Wet geene Lijfstraffen vordert, zal de Gevangene, onder voldoenenden IJorgtogt, ontslagen worden.

34. Niemand kan, tegen zijnen wil worden afgetrokken .van den Regter, dien de Staatsregeling, of de Wet, hem toekent.

35. Nimmer zal er eene verbeurdverklaring der Goederen van eenig Ingezeten der Bataafsche Republiek plaats hebben, dan alleen in het geval, hieronder uit-druklijk bepaald:

Het Bataafsche volk verklaart, voor altijd, van het grondgebied der Republiek gebannen te zijn alle de openbaare Voorstanders van het gewezen Stadhouderlijk

-ocr page 26-

STAATSREGELING VAN 1798.

liestuur, binnen deze Republiek gewoond hebbende, en daaruit geweken zedeid den i Januarij 1795.

Het verklaart, tevens, alle derzelver goederen en bezittingen, welke zullen blijken, op den 1 Januarij 1798, hun persoonlijk eigendom te zijn geweest, vervallen aan de Natie; zullende dezelven, van haaren wege, onder behoorlijke sequestratie gebragt, en ten behoeve der Republiek verkogt worden.

Het Vertegenwoordigend Lichaam zorgt, dat de uitvoering dezer laatste Wet, met betrekking tot agter-gelaten ongelukkige Kinderen en Huisgezinnen, de onschuld niet met en om den schuldigen treffe.

3(5. De pijnbank word afgeschaft door de gantsche Republiek.

37. Alle Sententiën en Vonnissen moeten in het openbaar worden uitgesproken.

387\'\'Er zal, door de gantsche Republiek, alleen regt worden gesproken in naam en van wege het Bataafsche Volk.

30. Ieder Burger is onschendbaar in zijne Wooning. Zijns ondanks, mag men nimmer in dezelve trBden, ten zij uit kragt van een order, bevel, of decreet van gijzeling, eener daartoe bevoegde Magt.

40. Niemand kan van het geringst gedeelte van zijn Eigendom, buiten zijne toestemming, beroofd worden, dan alleen, wanneer de openbaare noodzaaklijkheid, door de Vertegenwoordigende Magt erkend, zulks vordert, en alleenlijk op voorwaarde eener billijke schaévergoeding.

41. De Wet zal geene andere straffen opleggen, dan die welke volstrekt noodzaaklijk zijn voor de algemeene zekerheid.

42. Ieder Burger heeft het onvervreemdbaar regt, om eene schriftlijke en eigenhandig onderteekende aanklagt te doen tegen zoodanigen zijner Medeburgers, het zij Ambtelozen of Ambtenaars, Geconstitueerde Magten, of bijzondere Leden van dien, door welken hij oordeelt dat de Wetten, hetzij ten zijnen bijzonderen nadeele, often nadeele der Maatschappij, geschonden zijn, mids bij zoodanige Magt, als in dezen bevoegd zal zijn, en overeenkomstig de wijze, door de Burgerlijke Wet voorgeschreven. In geval van laster, zal hij onderworpen zijn aan de straffen, door de Wet ten dezen opzigte bepaald.

6

-ocr page 27-

Burgerlijke en Staatkundige. Grondregels. 7

43. Het Bataafsche Volk wil eene Gewaapende Bur-gerniagt, (de Nationaale Troepen daaronder begrepen) ter verdediging zijner vr-ijheid en onafhanglijkheid, zoo naar binnen, als naar buiten. De regeling dezer Magt zal geschieden door de Wet.

44. Ieder Bataafsch Burger is verpligt. tot dat einde de Waapenen te dragen, en zig op de rol van VVaapen-voerende Burgeren te doen inschrijven.

45. De gewaapende Magt is ten alle tijde een ondergeschikt Lichaam. Zij kan. als zoodanig, nimmer raadpleegen.

46. Geen gedeelte Derzelve kan immer in werking komen, dan op schriftlijken last eener Wettige Magt, op zoodanige wijze, als bij de Wet is uitgedrukt.

47. De Maatschappij, bedoelende in alles de welvaart van alle haare Leden, verschaft arbeid aan den Nijveren, onderstand aan den Onvermogenden. Moedwillige ledig-gangers hebben daarop geene aanspraak. De Maatschappij vordert de volstrekte weering van Bedelarij.

48. Het Vertegenwoordigend Lichaam regelt, binnen zes Maanden na Deszelfs eerste zitting, bij eene uitdruk-lijke Wet, het Armen-bestuur over de geheele Republiek.

Deze Wet bepaalt de algemeene voorschriften en plaatslijke beschikkingen, hiertoe vereischt.

49. \'Er zal gezorgd worden voor de opvoeding van verworpen Kinders.

50. De Maatschappij ontvangt alle Vreemdelingen, die de weldaaden der vrijheid vreedzaam wenschen te genieten, in haar midden, verleenende denzelven alle zekerheid en bescherming.

51. Zij moedigt alle Konstenaars en Handwerkslieden aan, en wil de spoedigste en kragtdaadigste inrigtingen, waardoor de bloeij van alle Inlandsche Fabrieken en Trafieken, Koophandel, Zeevaart, en Visscherijen, en daardoor van Ambagten, Neeringen en Handteeringen, bijzonderlijk de Handel met de Buitenlandsche bezittingen en Coloniiin van den Staat, zal worden bevorderd.

52. Van de aanneming der Constitutie af, zal er aan den doorvoer, koop en verkoop, van alle voordbrengselen van den vaderlandschen grond, gelijk mede van alle goederen binnen deze Republiek bewerkt of vervaardigd , door en in alle Departementen en Plaatsen, geenerlei belemmering, hoe ook genoemd, worden toegebragt.

-ocr page 28-

STAATSREGELING VAN 1798.

53. Bij He aanneming der Staatsregeling, worden vervallen verklaard alle Gilden, Corporatiën of Broederschappen van Neeringen, Ttmbagten, of Fabrieken.

Ook heeft ieder Burger, in welke Plaats woonachtig, het regt zoodanige Fabriek of Trafiek opterigten, of zoodanig eerlijk bedrijf aantevangen als hij verkiezen zal.

Het Vertegenwoordigend Lichaam zorgt, dat de goede orde, hot gemak en gerief der Ingezetenen, ten dezen opzigte, worden verzekerd.

54. Do Maatschappij beveelt, insgelijksj de meeste bevordering van den Landbouw, en deszelfs bloeij, bijzonderlijk ten aanzien der nog ledige en woeste gronden, door de gantsche Republiek.

55. Alle openbaare Inrigtingen, ter bevordering of staaving van het openbaar crediet, inzonderheid alle Wisselbanken, worden aangemerkt als afzonderlijke be-moeijingen der daarbij onmiddelijk belang hebbende E!ur-gers. De openbaare Magt oefent daaromtrent geene andere, dan toeziende, beschikking. De gantsche Natie waarborgt allen binnen- en biiitenlandschen eigendom, in die Wisselbanken geplaatst.

56. Alle zoogenoemde Provinciaale Beleenbanken worden Nationaal verklaard.

Het Vertegenwoordigend Lichaam doet dezelven ten spoedigsten brengen onder eene Nationale Beheering.

Ook dit laatste word, binnen den korstmooglijken tijd, toegepast op de gewoone plaatslijke Beleenbanken.

57. De Maatschappij verbied, in alle gevallen, dat eenig uitsluitend Voorregt verleend worde.

Zij beloont de verdiensten door bewijzen van eer, of door praemiën. Alle vergeldingen worden, in geval van voordduuring, jaarlijks vernieuwd, en, op geenerlei wijze, erflijk gemaakt tot Kinderen of Nakoomlingen.

58. De Maatschappij verleent nimmer eenig Pensioen, dan voor zoo verr\', na het gestrengst onderzoek, gebleken zij, zoo van de getrouwe diensten, aan de Republiek bewezen door hun, die daarop aanspraak niaaken, als van derzelver volstrekt onvermogen, om, hetzij door ouderdom . of door eenig lichaamlij k gebrek den Lande langer van dienst te zijn, en van hunne eigen middelen te bestaan.

59. Alle Maaten en Gewigten worden, door de gantsche

8

-ocr page 29-

Burgerlijke en Staatkundige Grondregels. 9

Republiek, zoo spoedig doenlijk naar eene zekere onveranderlijke grootheid, tiendeelig gelijk gemaakt.

Ook zal \'er, ten aanzien van alle Muntspeciën, een gelijke Muntslag, door de gantsche Republiek, worden ingevoerd. ■

60. De Maatschappij wil, dat de verlichting en beschaa-ving onder haare Leden zoo veel mooglijk bevorderd worde.

61. De Vertegenwoordigende Magt maakt zoodanige inrigtingen, waardoor het Nationaal Charakter ten goede gewijzigd, en de goede zeden bevorderd worden.

62. Zij strekt, insgelijks, door heilzaame wetten, haare zorg uit tot alles, wat in het algemeen de gezondheid der Ingezetenen kan bevorderen, met wegruiming, zooveel mooglijk, van alle belemmeringen.

63. \'Er zullen Nationaale Feesten worden vastgesteld, om de Bataafsche Omwending, en andere merkwaardige gebeurdtenissen, jaarlijks te herinneren; voords, om de broederschap onder de Burgers aantekweeken, en hen aan de Staatsregeling, aan de Wetten, aan het Vaderland en de Vrijheid, te verbinden.

64. De onderstand tot de noodwendige behoeften van den Staat is eene geheiligde schuld van ieder Burger, ter vergoeding derbescherminge, welke hij geniet. Deze toelage, met de meest mogelijke bezuiniging ingezameld, word door alle Burgers, naar evenredigheid hunner vermogens, gedragen. Hij, die dezelve opzetlijk ontduikt, of verkort, is eeijoos.

65. Het Bestuur is verpligt tot eene verstandige be-zuiniging in alle opzigten. liet schaft onnodige Ambten en Uitgaven af, en evenrcdigt do belooning van Arabte-naaren en Bedienden naar het gewigt van derzelver werkzaamheden. Alle Administrative Lichaamen zullen, jaarlijks, voorslagen doen van die huishoudenlljkheid, welke onder hun bereik valt.

66. Het gebruik der penningen, door deNatie opgebragt, word, op gezette tijden, door den druk bekend gemaakt.

67. Het Bataafsche Volk vat nimmer de waapenen op, dan ter handhavinge zijner vrijheid, ter bewaaringe van zijn grondgebied, en ter verdediging zijner Bondgenoolen. Het beveelt, tot dat einde, eene zorgvuldige inrigting zijner Krijgsmagt, bovenal ter Zee, als het bolwerk van den nationaalen voorspoed. Het gelast de stipste onzijdigheid van het Bestuur ten aanzien der Mogendheden. Het bewaart, zooveel mooglijk, den vrede met alle Volken, en

-ocr page 30-

STAATSREGELING VAN 1798.

koomt zijne verbindtenissen met denzelven heiliglijk na. Het eerbiedigt derzelver regten, en wil, dat, in tijd van Oorlog, de rampen der menschheid, bij wederzijdsch verdrag, zoo veel doenlijk, verzagt worden.

68. Het Bataafsche Volk, overtuigd, dat de belangen der vereenigde Fransche en Bataafsche Republieken, door derzelver onderlinge zamensteraming, altijd, het gelukkigst zullen bevorderd worden, wil, van zijne zijde, nimmer eenige afzonderlijke verbindtenis met die Volken, wier staatkundig belang in tweestrijd is met den voorspoed der beide Natiën.

69. Alle overeenkomst, of verdrag, met andere Volken, of Mogendheden, geschied alleenlijk m naam des liataafschen Volks.

70. Geene verandering, noch vermeerdering, dezer Grondregelen, noch ook der Staatsregeling, zal piaats grijpen, dan gestaafd door den wil des Volks, en naar derzelver voorschrift.

71. Geen Genootschap, of verzameling van afzonderlijke Persoonen, van welken aard ook, heeft of maakt Reglementen, strijdig met deze Grondbeginselen, of met de Acte van Staatsregeling.

72. Alle besluiten der Vertegenwoordigende Magt, met deze Grondregelen, en met de daarop gebouwde Staatsregeling overeenkomstig, hebben, ten allen tiide, de kragt van Wet.

Het Bataafsche Volk geeft dit heiligst Pand zijner aangenomen Grondstellingen van het Maatschappijlijk Verdrag ter bewaaringe over aan de getrouwheid der Vertegenwoordigende Hoogste Magt, van het Uitvoerend Bewind, van de Regters, en van alle Bewindslieden: voords aan de werkzaamheid dei-Huisvaders en Moeders, aan de verlichting der jonge Burgers, aan de deugd der Burgeressen, en aan den moed van alle Bataafsche Ingezetenen: Willende denzelven bestendiglijk hebben herinnerd, dat van de egte waardeering hunner vrijheid, en van de verstandige en eerlijke beoefening hunner afzonderlijke en algemeene Regten en Pligten, voornaaralijk, de duurzaamheid, het behoud en geluk, afhangt van het Vaderland, dat zij behooren te beminnen.

10

-ocr page 31-

Acte van Staatsregeling.

T I T U L I.

Van de vcrdceling der Republiek.

Art. 1. De Bataafscho Republiek is Eén en Ondeelbaar.

2. Do Oppernaagt berust in de gezamenlijke Leden der Maatschappij, Burgers genoemd.

3. Het tegenwoordig Grondgebied der Bataafsche Republiek is verdeeld in Agt Departementen, met naame:

Het Eerste Departement: van de Earns.

Tweede Departement: van den ouden Yssel. Derde Departement: van den Rhijn.

Vierde Departement: van den Ainstel.

Vijfde Departement: van Texel.

Zesde Departement: van de Delf.

Zevende Departement: van de Dommel.

Agtste Departement: van de Schelde en Maas.

4. De Departeraentaale Administratiën vergaderen in do volgende Hoofdplaatsen:

Die van liet Eerste Departement, te Leeuwarden. van het Tweede, te Zwolle.

van bet Derde, te Arnhem.

van het Vierde, te Amsteldam.

van het Vijfde, te Alkmaar.

van het Zesde, te Delft.

van het Zevende, in den Bosch.

van het Agtste, te Middelburg.

5. Ieder Departement wordt ten spoedigsten verdeeld in zeven, zoo na mogelijk, gelijk bevolkte Ringen, en elke Ring in \\erscbillende Gemeenten.

6. Behalven deze onderscheiding in Departementen, Ringen en Gemeenten, tot. daarstelling der Departe-mentaale en Gemeente-Bestuuren ingerigt, word de geheele Republiek nog verdeeld in Grond- Vergaderingen

-ocr page 32-

staatsregeling van 1798.

■en Districten, geschikt tot algeraeene verkiezingen en werkzaamheden des Volks.

7. Het Vertegenwoordigend Lichaam regelt, ten spoe-digsten, de bijzondere- bepaalingen der verschillende Departemcntaale Omtrekken, Ringen en Gemeenten, in ieder Departement, en der Hoofdplaatsen in de onderscheiden Ringen. Het doet daarvan eene Algemeene Kaart vervaardigen, en door den Druk gemeen maaken.

8. Deze verdeelingen en bepaalingen kunnen niet veranderd worden, dan na verloop van vijf jaaren, en dan nog alleenlijk tot vereffening van aanmerkelijke ongelijkheid der bevolking, of uit hoofde van eenig bijkomend Grondgebied.

TI TUL II.

Van de uitocruning\' van het Steiiiverinogcn der Burgeren, in Grond- en Districts-Vergaderingen.

Eerste Afdeeling.

Van de Stem-Bevoegdheicl der Burgeren.

9. Ieder Ingezeten der Bataafsche Republiek heeft, overeenkomstig het oogmerk, waartoe de Maatschappij gevormd is, aanspraak op de bescherming van persoon en goederen.

10. Niemand echter kan, als Bataafscb Burger, eenen daadlijken invloed op het bestuur der Maatschappij oefenen, tenzij hij in het openbaar Stemregister der Gemeente, waartoe hij behoort, zig hebbe doen inschrijven. Deze Inschrijving word bepaaldlijk vereischt,

a. Om zijne Stem in de Grond-Vergaderingen te kunnen uitbrengen.

h. Om eenigen Post van Bestuur, eenig Ambt of Bediening, in de Maatschappij te kunnen waarnemen.

c. Om eenig Ambt, Bediening of Pensioen, te blijven behouden.

-ocr page 33-

TiTUL II. Van de Uitoefening van het Stemverm. enz. 13

11. Zij, die zig rnogen doen inschrijven in zoodanig Stemregister, moeten hebben de navolgende vereischten:

a. Dat zij den vollen ouderdom van twintig jaaren hebben bereikt, in de lasten der Maatschappij hun aandeel dragen, en. Inboorlingen zijnde, ten minsten gedurende de laatste toeé Jaaren, doch, Vreemdelingen zijnde, ten minsten geduurende de laatste tien Jaaren, in deze Republiek hunne vaste woonplaats gehouden hebben, en in staat zijn de Neder-duitsche Taal te lezen en te schrijven.

Dit laatste vereischte zal, onmiddelijk na de aanneming der Staatsregeling, gelden ten aanzien van allen, die door het Volk tot eenige openbaare daad, post, of ambt, geroepen worden, doch voor het overige, één jaar na de invoering dezer Staatsregeling, ten aanzien van alle stembevoegden, die alsdan in het Stemregister worden ingeschreven.

Ook kunnen Vreemdelingen, die de Republiek te Water of te Lande gediend hebben, volstaan met eene inwooning van zeven jaaren.

h. Dat zij in handen van den Voorzitter van het Plaatsüjk Bestuur, hebben afgelegd, en geteekend de navolgende Verklaaring:

»Ik houde het Bataafsche Volk voor een vrij en onafhanglijk Volk, en beloof aan Hetzelve trouw. Ik verklaar mijnen on veranderlijken afkeer van bet Stadhouderlijk Bestuur, het Feederalis-muH, de Aristocratie en Regeeringloosheid. Ik beloof, dat ik, in alle mijne verrigtingen, hetzij als stemoefenend Burger, hetzij als Kiezer, alle de voorschriften der Staatsregeling getrouwlijk zal opvolgen, en nimmer mijne Stem geven aan iemand, wien ik houde te zijn een voorstander van het Stadhouderlijk of Foederatief Bestuur,. van de Aristocratie of Regeeringloosheid.quot;

ygt;.Dit verklaar ik op mijne Burgertrouw Jquot;

12. Aan ieder zoodanig Burger zal, door het Plaats-lijk Bestuur, eene uitdruklijke Acte van Burgerschap, door den Voorzitter en Secretaris onderteekend, om niet worden afgegeven.

13. Van de Stemming zijn uitgesloten:

a. Allen, die zig, zonder uitdruklijken last of toestem-

-ocr page 34-

STAATSREGELING VAN 1798.

ming van het Gouvernement, buiten \'s Lands met de woon hebbende begeven, na hunne terugkeering, nog geene twee volle Jaaren, in deze Republiek, hunne vaste woonplaats weder persoonlijk gehad hebben.

b. Allen , die in eed of bediening zijn van eenige vreemde Mogendheid, of daarvan eenig pensioen genieten.

c. Alle leden van eenige buitenlandsche Corporatiën tot welker Lidmaatschap, hetzij onderscheiding van geboorte, hetzij de aflegging van eenige godsdienstige gelofte, vereischt word.

d. Alle Lijf- en Huisbedienden, die tot persoonlijken dienst behooren, en inwoonen bij hen, welken zij dienen.

e. Allen, die in Wees-, Diaconie-, Arm-Huisen, of andere Gestigten, als behoeftigen onderhouden worden.

f. Allen, die, in het laatst afgelopen half jaar, tot den dag der oproeping te reekenen, uit de Armen-Kassen zijn bedeeld geworden.

lt;]. Die om verkwisting, wangedrag, of gebrek aan verstandlijke vermogens, onder Curateele staan.

h. Bankbreukigen, mitsgaders diegenen, wier boedel insolvent verklaard is, die hunnen Crediteuren der-zelver agterwezen niet ten genoegen zullen hebben voldaan, niettegenstaande zij het Beneficie van Cessie mogten hebben verkregen.

i. Die door een Regterlijk Decreet in staat van beschul-difi.iiig gesteld zijn, mitsgaders die, welken in regten voor eerloos worden gehouden.

li. Allen, die overtuigd worden, voor geld of geldswaarde, één of meer stemmen bekomen, of verkogt te hebben.

14. Zij, die in het Stemregister zijn ingeschreven, en geduurende drie agtereenvolgende Jaaren, de Grond-Vergaderingen , waartoe zij behooren, niet hebben bijgewoond, zonder voldoende redenen, staande ter beoordeeling van gezegde Grond-Vergaderingen, worden, voor de daarop volgende drie Jaaren, ontzet van hunne Stembevoegdheid, en van alle publieke Ambten, Bedieningen en Pensioenen.

Dezelfde uitsluiting, voor den tijd van wj\'ƒ jaaren, heeft plaats ten opzigte van allen, die eenigen, hun opgedragen, Post van Bestuur, zonder wettige redenen, te beoordeelen

u

-ocr page 35-

titulII. Van de Uitoefening van het Stemverm. enz. 15

rtoor het Lichaam, waartoe zij geroepen waren, weigeren aantenemen.

üe laatste bepaaling zal niet langer kragt hebben, dan tot 1 Januari) quot;1803, tenzij de Wet dezelve alsdan vernieuwe.

15. Geduurende den tijd van ten minsten tien volgende Jaaren, na de aanneming der Staatsregeling, worden tot de inschrijving in het Stemregister niet toegelaten de openbare aanhangers van het Stad houder lij k en Poeder atief Bestuur, noch ook alle bekende wederstreevers van de groote beginselen der Omwending van 1795.

16. Iemand, vermeenende, dat de inschrijving in het Stemregister hem, uit hoofde van Art. 15, ten onregte geweigerd is, kan zig daarover vervoegen bij het Vertegenwoordigend Lichaam.

17. Over alle geschillen, in eene Grond-Vergadering ontstaande, nopens de bevoegdheid van eenig Burger, om zijne Stem uittebrengen, doet die Grond-Vergadering zelve uitspraak, waaraan de beklaagde zig voor dien tijd moet onderwerpen; doch hij kan zig daarna, ter dier zake, tot het Vertegenwoordigend Lichaam wenden.

Tweede Ai-\'deemng.

Van de Grond- en Districts-Vergaderinaen.

18. Tot het geregeld uitbrengen van de Stem der Burgeren, is de geheele Republiek verdeeld in Grond-Vergaderingen , uit do naast bij elkander gelegene Huisen, Buurten of Wijken, zamengesteld, waarin de Stemmende Burgers uit iedere vijf honderd Zielen, en in Districts-Verg ader ine/en, waarin de Kiezers uit veertig Grond-Vergaderingen bijeenkomen.

19. Indien \'er na de afdeeling der Grond-Vergaderingen, hier of daar, een overschot is van minder dan 500 Zielen, word dat getal, zo het beneden de \'250 is, gevoegd bij de naastgelegen Grond-quot;Vei-gaderingen, en. indien het daarboven is, aangemerkt als eene Grond-Vergadering op zig zelve.

Van dit een en ander doet het Vertegenwoordigend Lichaam ten spoedigsten een Rooster vervaardigen.

-ocr page 36-

staatsregeling van 1798.

20. Ieder Stembevoegd Burger, na vertoon van het bewijs zijner Stembevoegdheid, brengt zijne stem uit in eigen Persoon, en alleen in do Grond-Vergadering, tot welke hij behoort.

21. Krijgslieden stemmen niet, dan ter Plaatse hunner vaste wooning, afgescheiden van hunne Garnisoenen.

22. In de Grond-Vergaderingen word niet alleen niemand, of regtstreeks, of van terzijde, aanbevolen, maar ook de stipste geheimhouding om trend de stemming aldaar in acht genomen.

23. Niemand verschijnt aldaar gewaapend, noch met eenige uniform, of teeken van ambt, bediening of waardigheid.

24. Tot het bekomen van Leden voor het Vertegenwoordigend Lichaam van het Bataafsche Volk, word in elke Grond-Vergadering van hot benoemend District, bij meerderheid van stemmen, benoemd cén, persoon, als Vertegenwoordiger, en één als deszelfs Plaatsvervanger, beide stembevoegd, en geene leden derzelve zijnde, en hebbende de vereischten, bij Art. 32, omtrend de Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam bepaald.

De wijs van stemming geschied volgens het Reglement, lett. A.

25. Op gelijke wijze, word gekozen een Kiezer te,? _Dii(n\'cf.s-Vergadering, als mede een Plaatsvervanger var den Kiezer. (Volgends Reglement, lett. A.)

26. De benoemde Kiezer en Plaatsvervanger leggen , onverwijld en openlijk, in hunne Grond-Vergadering, af de navolgende belofte;

»Ik beloof, dat ik nimmer mijne stem zal geven, dan aan bekwaame en deugdzaame Mannen, die de vereischten, bij de Staatsregeling bepaald bezitten; en dat ik, als Kiezer, niemand zal benoemen, wien ik houde te zijneen aanhanger van hat Stadhouderlij k of Foederafie/ Bestuur, of voorstander van Aristocratie of Begeeringlooshcid.quot;

dBU verklaar Ik.quot;

27. Staande dezelfde Vergadering, en daadlijk na het aflopen der verkiezing, word aan den Kiezer en Plaatsvervanger een lastbrief gegeven, geteekend door den Voorzitter en drie Leden der Grond-Vergadering, van den navolgenden inhoud:

IC

-ocr page 37-

titul III. Verlegenwoordigcnde Hoogste Magt. 17

»De Grond-vergadering ■van......stemt tot Vertegenwoordiger des Bataafschen Volks......, en,

ten einde deze stemming volgends de Staatsregeling

van kragt zij, ontbied zij den Burger......, om

als Kiezer, en den Burger...... des noods als

Plaatsvervanger, van haaren wege, op de Districts-Vergadering te......te verschijnen.quot;

28. De Grond- en Districts-Vergaderingen verrigten nimmer eenige daad, dan die, waartoe zij, hetzij door do- Staatsregeling, hetzij door eene bijzondere Wet van het Vertegenwoordigend Lichaam, zijn opgeroepen en zaamgekomen.

29. Zoodra deze werkzaamheid is afgelopen, gaan dezelven onverwijld uit één.

TITUL III.

De drie voornaame Magten in eene welgeregelde Republiek zijn;

1. De vertegenwoordigende hoogste magt.

2. De uitvoerende magt. \' ...............

3. De regterluke magt.

Van de Vertegcnwooriligciide hoogste Magt.

Eerste Afdeeling.

Van het Vertegenwoordigend Lichaam in het algemeen.

30. Het Vertegenwoordigend Lichaam is datgene, welk het geheele Volk vertegenwoordigt, en, in deszelfs naam, wetten geeft, overeenkomstig het voorschrift der Staatsregeling.

31. Geen Lid van dit Lichaam vertegenwoordigt, immer, eenig afzonderlijk gedeelte des Volks, noch ontvangt eenen bijzonderen Lastbrief.

2

-ocr page 38-

STAATSREGELING VAN 1798.

32. Tot Leden van dit Lichaam zijn verkiesbaar allen, die in zig verëenigen de navolgende verëischten:

a. Dat zij zijn stembevoegde Burgers.

h. Dat zij den ouderdom van dertig jaaren ten vollen bereikt hebben.

c. Dat zij binnen deze Republiek. zoo als die vóór den Jaare 1795 bestond, of na dezen bestaan zal, geboren zijn, en aldaar, geduurende de laatste tien jaaren, of, zo elders geboren, geduurende de laatste vijjtien jaaren, hunne vaste woonplaats gehad hebben.

Dit laatste sluit geenszins uit die Burgers, die,iji. en na den Jaare 1787, om politieke vervolgingen, uit hun Vaderland geweken zijnde, vóór den Jaare 1796 daarin zijn wedergekeerd.

33. Tot Leden van dit Lichaam zijn niet verkiesbaar:

a. Leden van het Uitvoerend Bewind, dan drie jaaren na hunne aftreding uit hetzelve.

b. Allen, die zig aan eenigen Kerküjken Eerdienst verbonden, of aan eenig openbaar Onderwijs toegewijd hebben; tenzij dezelven, alvoorens, vrijwillig afstand doen van deze hunne bedieningen.

34. Zij, die Ambten of Bedieningen van \'s Lands wege bekjeeden, worden daarvan ontslagen, zoodra zij als Leden van dit Lichaam zitting nemen. Geduurende den tijd hunner zittinge, word een ander in hunne plaats aangesteld door diegenen, aan welken de begeving staat dier Ambten of Bedieningen.

35. Aan geen\' der Leden van dit Lichaam word, geduurende den tijd zijner zitting, eenig Ambt of Bediening opgedragen.

36. Niemand kan, als Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam, zitting nemen, dan na, alvoorens, in handen van den Vóórzitter der algemeene Vergadering, of, deze reeds uitééngegaan zijnde, in handen van den Voorzitter dier Kamer, van welke hij als Lid door de algemeene Vergadering verkozen is, te hebben afgelegd de volgende verklaaring:

«Ik beloof op mijne Burger-trouw, dat ik, als Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafscheu Volks, de Staatsregeling met all\' mijn vermogen zal handhaven, en nimmer, op eenigerlei wijze, medewerken, of zal helpen besluiten tot eenig ontwerp, strek-

18

-ocr page 39-

titul III. Vertegenwoordigende Hoogste Magt. 19

konde tot wederinvoering van het Stadhouderlijk of Foederatief Bestuur, of ter begunstiging van cratie en Regeeringloosheid, maar, met alle mijne magt, dit alles zal tegenwerken.quot;

»Zgt;tlt; verklaar Ik.quot;

37. Jaarlijks treed een derde gedeelte (of hetgeen daarbij het naaste komt) van het volle getal der Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam af, en word vervangen door een gelijk getal nieuwe Leden, gekozoh op den, bij het Reglement Letter B, bepaalden, tijd en wijze, door die Districten, voor welken de in dat jaar aftredenden opgekomen waren.

88. Ter bepaalinge van de orde, volgends welke deze aftreding zal plaats hebben, word in de eerste algemeene Vergadering bij loting beslist, welke Leden het eerste, tweede en derde jaar zullen aftreden. En zal deze, door het Lot daargestelde, Orde de tourbeurten der Districten, tot verkiezing van Leden voor het Vertegenwoordigend Lichaam, voor de volgende jaaren bepaalen.

39. De aftredende Leden ziju andermaal weder verkiesbaar, doch voor de derde maal niet, dan na een tijdverloop van drie jaaren.

40. Eene plaats in het Vertegenwoordigend Lichaam tusschentijds openvallende, word de. Plaatsvervanger des Uitgevallenen, onverwijld, door het Uitvoerend Bewind opgeroepen, om den nog overigen tijd van dezen laatsten, in de Kamer, waarin dezelve zitting had, te vervullen.

Deze oproeping heeft geene plaats, indien de te vervullen tijd niet langer is, dan van zes Maanden; blijvende in dit geval de Vacature onvervuld tot de eerstvolgende Verkiezing.

41. De Leden van dit Lichaam genieten ieder vier duizend Guldens in het jaar, onder korting van tien Guldens voor eiken dag, dien zij, zonder verlof van den Voorzitter der Kamer, waartoe zij behooren , afwezig zijn.

42. Bij hunne eerste aankomst, en eindelijke aftreding, ontvangen zij, voor Reiskosten en Transport, drie Guldens, voor ieder uur afstands.

43. Nimmer word uit het Vertegenwoordigend Lichaam eene Commissie benoemd, om het gezag aan het geheele Lichaam toevertrouwd uitteoefenen, noch ook, om hetzel ve in of huiten de Residentie-plaats te vertegenwoordigen.

-ocr page 40-

staatsregeling van 1798.

44. Hetzelve woont nimmer, hetzij geheel, hetzij door ecne Commissie uit deszelfs midden, eenige openbaare Feesten of Plegtigheden bij.

45. Het Vertegenwoordigend Lichaam heeft, in de plaats zijner Residentie, eene vaste, en alleen ten zijnen bijzonderen dienste staande. Lijf-Wacht van ten minsten zeven-honderd Man, zoo Voet- als Paarden-Volk, welke hi] Reglement, door hetzelve Lichaam te maaken, onmid-delijk, en bij uitsluiting, onder de beurtelingscheorders der tijdlijke Voorzitters van de beide Kamers staan.

Hetzelve bepaalt het Costuum voor zijne Leden.

•46. Het houd zijne gewoone residentie in den Haage.

47. Het verplaatst zig, des noods, naar elders, op een beredeneerd besluit der Eerste Kamer, bekragtigd door de Tweede Kamer.

Dit Decreet is onherroeplijk, en, na eene onverwijlde kennisgeving van hetzelve aan het Uitvoerend Bewind, gaan beide de Kamers uit één.

Zie de verdere bopaalingen bij het lieglernenl, i.ett. B,, tweede Afdeeling.

48. In alle andere gevallen, gaat Hetzelve nimmer uit één. Alleenlijk kan de eene, of andere Kamer, voor zekeren korten tijd, haare zittingen verschuiven.

49. Wanneer dit voor langer, dan drie dagen, mogt zijn, word vooraf eene onderlinge overeenkomst der ■Voorzitters van beide de Kamers verëischt.

50. Aan dit Lichaam behoort, uitsluitender wijze:

a. De Magt van Wetgeving, benevens het verklaren, verbeteren, opschorten en afschaffen der Wetten, alles naar en behoudens het voorschrift der Staatsregeling.

b. Het besluiten tot Oorlog.

c. Het ratificeeren en bekragtigen van alle Tractaaten en Alliantiën met vreemde Mogendheden.

d. Het bepaalen der sterkte, aanwerving, afdanking en bezoldiging der Armeën te Lande, van den aanbouw, het equipeeren dei\' Schepen, en liet afdanken der Equipagien, alsmede het in dienstnemen en licentieeren van vreemde Troepen.

e. Het toestaan van verblijf of doortogt aan vreemde Troepen op of over het grondgebied der Republiek benevens de toelating van vreemde Zeemagt of ge-

20

-ocr page 41-

TiTUL III. Vertegenwoordigende Hoogste Magt. 21

waapende Scheepen in derzelver Havens, beiden op voord ragt van het Uitvoerend Bewind.

f. Het kennis nemen van den Staat van \'s Lands Fortificatiën , Magazijnen, Arsenaalen, Werven enz., jaarlijks intezenden door het Uitvoerend Bewind.

g. Het kennis nemen van den staat van \'s Lands Financiën, van zes tot zes Maanden, mede. door het Uitvoerend Bewind inteleveren.

h. Het beöordeelen en vaststellen der jaarlijksche begrootingen van Staats-uitgaven, zoo gewoone als buitengewoone, en het aan zig doen verilndwoorden van zoodanige sommen, als het Uitvoerend Bewind, geduurende het afgelopen jaar uit \'s Lands Kas ontvangen en uitgegeven heeft.

i. Het arresteeren der nodige Reglementen, betreklijk de Algemeene Gewaapende Burgermagt.

k. Het bepaalen der Tractementen, Defroijementen, en andere toelagen van alle Ambtenaren, zoo Burgerlijke als Militaire, op voordragt van het Uitvoerend Bewind, voor zoo veel dezelven bij de Staatsregeling-niet bepaald zijn.

I. De aanstelling der Leden van het Uitvoerend Bewind.

m. Het, des nodig, maaken van nieuwe Ambten, zoo Burgerlijke als Militaire, met bepaaling van derzelver Tractementen en Voordeelen, op voordragt van het Uitvoerend Bewind.

n. Het maaken van de nodige wetten en bepaalingen omtrend den Muntslag en het generaale Muntwezen.

o. Het vaststellen van algemeene, zoo gewoone als buitengewoone, belastingen, naar het voorschrift der Staatsregeling, en het maaken van Financiëele Inrigtingen.

p. Het vaststellen van eenen algemeenen voet op het werk der Posterijen, door de geheele Republiek, en het bepaalen van algemeene voorzieningen dien aangaande.

q. Het verleenen van gratie, na ingenomen considera-tiën, en op gunstig berigt van den Regter, aan wien de zaak behoort.

r. Het toestaan van remissie van gratie aan Schul-denaaren van den Staat.

s. Het toeleggen van belooningen, en verleenen van

-ocr page 42-

staatsregeling van 1798.

Pensioenen, op voord ragt van het Uitvoerend Bewind , mids volgende het voorschrift van Art. 57 en 58 der Burgerlijke en Staatkundige Grondregelen, t. Eindelijk, het bepaalen en regelen van alles, waarin door de Staatsregeling, en de voorhanden zijnde Wetten, niet mogt voorzien zijn.

Tweede Afdeeung.

Van de vorming des Vertegenwoordig enden Lichaams in twee Kamers.

51. Het geheel Vertegenwoordigend Lichaam bestaat uit zooveele Leden, als \'er twintig duisend tallen Zielen in de Bataafsche Republiek gevonden worden.

52. Dit Lichaam verdeelt zig in twee Kamers, genaamd de Eerste Kamer en Tweede Kamer.

53. Ter daarstellinge dezer verdeeling in twee Kamers, houden alle de Leden van dit Lichaam, jaarlijks, op den laatsten Dingsdag der maand Julij, eene algemeene Vergadering, kiezen alsdan, uit het volle getal van alle de verkozenen tot het Vertegenwoordigend Lichaam, dertig Leden, welke de Tweede Kamer uitmaken; vormende de overige Leden te zamen de Eerste Kamer.

54. Zoodra deze schifting volbragt is, constituëeren zich de beide Kamers gelijktijdig, en geven daarvan, onverwijld, kennis aan eikanderen, en aan het Uitvoerend Bewind. De zich dus geconstitueerd hebbende Kamers vergaderen nimmer in dezelfde Vergaderzaal.

55. Elke Kamer stelt haare eigen Ministers en Bedienden aan. \' —

56. Elke Kamer heeft, buiten zig, eenen vasten Secretaris, en eenen Boodschapper van Staat.

57. De Voorzitters, en de Secretarissen, der beide Kamers, zijn altijd in de Resideniie-Plaats tegenwoordig.

58. Elke Kamer heeft het regt van politie in de plaats haarer zittinge.

59. Elke der beide Kamers ontwerpt voor zig \'zelve een Reglement van Orde, hetgeen, na door dezelve goedgekeurd, en door de andere Kamer bekragtigd te

22

-ocr page 43-

titul III. Vertegenwoordigende Hoogste Magt. 23

zijn, het gezag van Wet heeft, en niet, dan op dezelfde wijze, kan veranderd worden.

Derde Afdeeling.

Van de raadpleeg ing en des Vertegenwoordig enden Lichaams.

60. Het ontwerpen en voorstellen van alle wetten en besluiten behoort alleen, en bij uitsluiting, aan de Eerste Kamer, en het al of niet bekragtigen van dezelven, aan de Tweede Kamer.

61. Geene der beide Kamers kan wettiglijk raadplee-gen, tenzij de volstrekte meerderheid van allo derzelver Leden in de. Vergadering tegenwoordig zij.

Alleen in geval van verplaatsing van het Vertegenwoordigend Lichaam naar eene andere Residentieplaats, kan Hetzelve, geduurende vier Weeken, na den bepaalden dag der zamenkomst. raadpleegen, schoon de meerderheid van alle de Leden, in de beide Kamers, of in ééne derzelven, niet tegenwoordig zij.

62. Ook word in elke derzelven, tot het opmaaken van een besluit, ten minsten de volstrekte meerderheid van alle de tegenwoordig zijnde Leden vereischt.

63. Geene der beide Kamers benoemt, immer, uit derzelver midden, eenige aanblijvende Commissie. Elke Kamer kan, tot een voorloopig onderzoek van zekere zaken, persooneele Commissiën, uit haare Leden, benoemen; doch deze Commissiën zijn ontbonden, zoodra op derzelver Rapport een besluit gevallen is.

61. Beide de Kamers houden haare zittingen in het openbaar, en doen derzelver Notulen in druk uitgeven.

65. De Toehoorers mengen zig, op geenerlei wijze, in de raadpleegingen, en geven nimmer eenig teeken van goedkeuring of afkeuring; gelijk ook de Leden der Vergadering zig, in geen geval, op hen mogen beroepen.

66. De Voorzitter van elke der beide Kamers kan de open Vergadering in een Generaal Commit té veranderen, en is verpligt dit te doen, zoodra een vierde der tegenwoordig zijnde Leden zulks begeert.

Tot een Generaal Committé worden geene Toehoorers toegelaten.

-ocr page 44-

staatsregeling van 1798.

67. In een Generaal Committé word wel geraadpleegd , maar geen besluit, kragt van wet hebbende, vastgesteld.

68. Alle Besluiten van het Vertegenwoordigend Lichaam moeten, om kragt van Wet te hebben, in de form, bij het Reglement (Lett. B. Art. 18—32) voorgeschreven, door de Eerste Kamer voorgesteld, en dooide Tweede Kamer bekragtigd zijn.

69 De alzoo bekragtigde besluiten en wetten worden door de Tweede Kamer, na gedaane registratie, onverwijld verzonden aan het Uitvoerend Bewind, ten einde naar eisch van zaken te handelen, en word tevens daarvan een afschrift, in behoorlijke form, aan de Eerste Kamer toegezonden.

70. Eene Wet, ten gevolge van een onverwijld besluit vastgesteld, behoud, in geen geval, haare kragt langer, dan één jaar, en moet alsdan, om in werking te blijven, op nieuw, en in de gewoone orde, door het Vertegenwoordigend Lichaam overwogen en bekragtigd worden.

Vierde Akdeeling.

Van de Vrijwaaring der Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam.

71. De Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam kunnen nimmer agterhaald, beschuldigd, of geoordeeld worden, over hetgeen zij, in de. uitoefening van hunnen Post, gezegd of geschreven hebben.

72. Zij kunnen, geduurende hunne Zitting in de Vertegenwoordigende Vergadering, niet in verzekering genomen, beschuldigd, of te regt gesteld worden, dan overeenkomstig de form, bij de volgende Artikelen bepaald.

73. Wegens lijfstraflijke misdaaden op de daad agterhaald , kunnen zij in verzekering worden genomen. Doch word daarvan, onverwijld, kennis gegeven aan het Vertegenwoordigend Lichaam.

7é. Zo de Eerste Kamer, na daarover in de gewoone form geraadpleegd te hebben, niet, bij de meerderheid van twee derden der tegenwoordig zijnde Leden, ver-klaart, dat \'er redenen tot beschuldiging zijn, word de,

24

-ocr page 45-

TiTUL III. Vertegenwoordigende Hoogste Magt. 25

in verzekering genomen, Persoon in vrijheid gesteld, en herneemt zijnen post.

75. Zo de Eerste Kamer verklaart, dat \'er redenen van beschuldiging zijn, word dat besluit verzonden aan de Tweede Kamer, en, zoo deze, na de derde Lezing dit Besluit niet bekragtigt, word de in verzekering genomene in vrijheid gesteld, en herneemt zijnen post.

76. Zo, in tegendeel, de Tweede Kamer hot Besluit bekragtigt, word de beschuldigde vooreen Hoog Nationaal Geregtshof te regt gesteld.

77. Elke Kamer, alvoorens te raadpleegen, ontbied den beschuldigden voor zich, en geeft hem het woord ter zijner verdediging.

78. Buiten het geval, van op de daad agterhaald te zijn, kan de teregtstelling van een Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam niet worden gevorderd, dan op eene aanklagt, gedaan aan de Eerste Kamer, en getee-kend ten minsten door drie Burgers, met overlegging van schriftlijk bewijs hunner Stembevoegdheid.

79. De Eerste Kamer kan terstond , en zonder eenig-zins in de zaak te treden, bij meerderheid van stemmen, verklaaren, dat er geene reden is, om over de aanklagt te raadplegen.

80. Indien de meerderheid oordeelt, dat de aanklagt nader onderzoek vereischt, raadpleegt de Eerste Kamer, en des noods de Tweede Kamer, over de aanklagt, met in achtneming der gewoone drie Lezingen, en na den beklaagden gelegenheid gegeven te hebben ter zijner verdediging.

81. Indien het Vertegenwoordigend Lichaam verklaart dat \'er reden tot beschuldiging is, word de beschuldigde te regt gesteld voor een Hoog Nationaal Geregtshof. Zo de beschuldigde door dat Hof word vrijgesproken, herneemt dezelve zijne Zitting.

82. Alle Raadpleegingen, in beide de Kamers, over aanklagt of beschuldiging tegen een Lid van het Vertegenwoordigend Lichaam, geschieden in een Generaal Committé, en word het besluit bij geheime stemming opgemaakt.

-ocr page 46-

staatsregeling van 1798.

TI TUL IV.

Van liet Uitvoerend Bewind.

83. Het Uitvoerend Bewind word toevertrouwd aan een afzonderlijk Lichaam, bestaande uit vijf Leden.

84. Deszelts Leden worden door het Lichaam der quot;Vertegenwoordigende, Hoogste Magt, btiiten zig gekozen.

De wijze word bij het Reglement fierf. C bepaald.

85. Het Uitvoerend Bewind houd deszeifs verblijf, ten allen tijde, in dezelfde plaats, als het Vertegenwoordigend Lichaam.

86. Jaarlijks, treed één Lid van het Uitvoerend Bewind af.

De wijze word bepaald bij het Reglement, letter C.

87. Zij, die eikanderen bestaan tot in den vierden graad van Maagschap, hetzij door Bloedverwantschap, of door Huwelijk, kunnen niet. te gelijk. Leden zijn van het Uitvoerend Bewind, noch ook eikanderen daarin opvolgen, dan na een tnsschentijd van twee jaaren.

88. Op den tweeden Dingsdag der Maand Junij, neemt het nieuw-gekozen Lid zitting, en legt, in handen van den tijdelijken Voorzitter, de navolgende belofte af:

»Ik verbind mij plegtig, mijnen post, als Lid van het Uitvoerend Bewind, met all\' mijn vermogen, overeenkomstig de Staatsregeling, getrouw en ijverig te zullen waarnemen, voor de veiligheid, de welvaart en het geluk des Bataafschen Volks tewaaken, met alle magt tegen te gaan de pogingen tot herstel van een Stadhouderlijk of Bondgenootschaptijk Bestuur, onder welke benaming of form ook. en tot dat einde stiptlijk te zullen volgen alles, wat mij in mijne voornoemde betrekking bij de Staatsregeling is voorgeschreven , en door de Wet zal worden gelast.quot;

„Dit beloof Ik, op mijne Burgertrouw.quot;

Aan de beide Kamers van het Vertegenwoordigend Lichaam word een afschrift van deze belofte, door hem eigenhandig geschreven en geteekend, ingezonden.

89. De Voorzitter van het Uitvoerend Bewind is de bewaarer van het groot Nationaal Zegel, en heeft de

26

-ocr page 47-

TITUL IV. Van het Uitvoerend Bewind.

paraphnre. Alle aftevaardigen orders en besluiten van liet Uitvoerend Bewind worden door hem geteekend.

90. Alle Besluiten van het Uitvoerend Bewind worden genomen, bij meerderheid der tegenwoordig zijnde Loden, mids zijnde ten minste drie in getal.

91. Dit Lichaam heeft, ten zijnen dienste, éénen algemeenen Secretaris buiten deszelfs Leden, die, zoo ten aanzien van alle bmnenlandsche, als buitenlandsche Zaken, aan hetzelve alleen verbonden is; voords een bepaald getal van Agenten, de benodigde Commissarissen, eenen Boodschapper van Staat, en een vereischt getal van Boden. (Zie Reglement, Letter C.)

92. Het Uitvoerend Bewind bedient zig, ter volbrenging zijner verschillende werkzaamheden, van de volgende agt Agenten, als:

Eén van buitenlandsche Betrekkingen;

Eén van Marine;

Eén van Oorlog:

Eén van Financie;

Eén van Justitie:

Eén van inwendige Policie en toezigt op den staat van Dijken, Wegen en Wateren;

Eén van Nationaale Opvoeding, waaronder begrepen is de Geneeskundige Staatsregeling, de vorming der Nationaale Zeden, en de bevordering van het openbaar Onderwijs, en van Konsten en Wetenschappen;

Eén van Nationaale Oeconomie, zig uitstrekkende tot Koophandel, Zeevaart, Visscherijën, Fabrieken, Trafieken, Landbouw, en alle andere middelen van bestaan.

93. Deze Agenten worden aangesteld door het Uitvoerend Bewind, op Instruction, vasttestellen door het quot;Vertegenwoordigend Lichaam, en op eene jaarwedde van negen duisend Guldens ieder.

94. Ieder Agent benoemt voor zich eenen vasten Secretaris, en verdere Bedienden, tot zijne verschillende Bureaux vereischt wordende, op Instruction, en onder goedkeuring van het Uitvoerend Bewind.

Op voordragt van het Uitvoerend Bewind, bepaalt het Vertegenwoordigend Lichaam de Jaarwedden voor de Secretarissen, onverdere Bedienden, der Agenten.

95. Ieder Agent is aan het Uitvoerend Bewind alleen verand woordelijk voor all\' het verzuim of nadeel, hetgeen

27

-ocr page 48-

STAATSREGELING VAN -1798.

uit wanbestuur, in zijn bijzonder vak, voor den Lande mogt voordspruiten.

96. De Agenten vormen nimmer onder eikanderen, «enen afzonderlijken Raad, maar zijn bepaaldelijk, ieder, aan zijne persoonlijke werkzaamheden, verbonden.

97. Behalve de Agenten, benoemt het Uitvoerend Bewind, buiten zig, Commissarissen, zoo bij de Depar-tementaale Bestuuren en Geregtshoven, als ook voor de Gemeente-Bestunren, gelijk mede, in tijd van Oorlog, bij de Krijgsmagt ter Zee en te Lande.

Deze Commissarissen, bestemd om de spoedige en stipte nakoming der Wetten en Besluiten te verzekeren, ontvangen, voor een bepaalden tijd, hunnen last en instructie van het Uitvoerend Bewind, en zijn aan hetzelve alleen verandwoordelijk.

98. De beide Raaden van Administratie, over de bui-tenlandsche Etablissementen, Bezittingen en Coloniën der Republiek, zoo ook Commissarissen van de Nationaale Tresorie, worden aangesteld door het Uitvoerend Bewind, en zijn aan hetzelve ondergeschikt, en yerandwoordlijk.

99. Het Uitvoerend Bewind, word bij alle openbaare optogten, verzeld van eene Eere-Wacht.

100. Hetzelve bepaalt het Costuum voor zijne Leden.

Het Uitvoerend Bewind, of eenig Lid van hetzelve in het openbaar verschijnende in deszelfs aangenomen Costume, geniet van alle Posten der Gewaapende Magt de hoogste militaire eerbetooning.

101. Deszelfs Leden worden gehuisvest in éénzelfde Gebouw, op kosten der Natie.

102. Ieder Lid van het Uitvoerend Bewind geniet eene Jaarwedde van twaalf duisend Guldens.

103. Het Uitvoeren(T~Bewind doet de Wetten, aan hetzelve door het Vertegenwoordigend Lichaam in de gewone form toegezonden, binnen drie Dagen, en, in geval van onverwijlde noodzaaklijkheid, binnen vier en twintig Uuren, na derzelver ontvangst, registreeren, parapheeren, teekenen, in de Residentie-Plaats afkondigen, en-voords verzenden aan de Departementaale Bestuuren, ter verdere bekendmaking, en aan de Nationaa\'e Commissarissen of Ambtenaaren, tot derzelver narigt.

104. Indien de form, door de Staatsregeling voorga-schreven, bij de toegezonden Wet niet blijkt te zijn in

■28

-ocr page 49-

titul IV. Van het Uitvoerend Bewind. 29

acht genomen, zend het Uitvoerend Bewind dezelve, onverwijld, terug aan de tweede Kamer, met redengeving, waarom het die niet kan afkondigen.

De Formulieren, in beide gevallen Art. 103 en \'104,. te gebruiken, zijn vervat in het Reglement letter C.

105. Het Uitvoerend Bewind is voornaamlijk belast met het toezigt op de stipte uitvoering van alle Wetten en Besluiten des Vertegenwoordigenden Lichaams. Het regelt de wijze dier uitvoering, voor zoo verre die bij de Wet zelve niet bepaald is, en ziet naauwkeurig toe, dat ieder ten dien opzigte tot zijnen pligt gehouden worde.

106. Het draagt, overeenkomstig de Wetten, zorg voor de inwendige en uitwendige veiligheid van den Staat, en doet, ingeval van aanslag tegen denzei ven. de verdagte Persoonen in verzekering nemen, en onverwijld ondervragen; doch levert dezelven, binnen vier en twintig Uuren daarna, aan den Regter over.

107. Het heeft toezigt over de handelingen der Departementaale en Geme\'ente-Bestuuren, gelijk mede der Geregtshoven en Regtbanken. Het kan derzelver Acten, zo die met de Wetten strijdig zijn, in haare werking, gelijk ook derzelver Leden in hunne bedieningen, schorsen, en de laatsten daadlijk afzetten, mids zoodanig besluit met redenen bekleed zij, blijvende aan de voornoemde Bestuuren, Geregtshoven en Regtbanken, of aan de bijzondere Leden van dien, ten allen tijde, onverlet hunne bijzondere veriindwoording of aanklagt bij het Vertegenwoordigend Lichaam.

108. Het organiseert de Gewaapende Burgermagt, de Nationaale Troepen daaronder begrepen, overeenkomstig de Reglementen, door Hetzelve aan het Vertegenwoordigend Lichaam , binnen zes Maanden , na deszelfs eerste Zitting, ter beslissinge voorgedragen.

109. Het beschikt over de Krijgsmagt te Water en te Lande, en bepaalt derzelver bijzondere bestemmingen.

110. Het doet aan dat Lichaam, jaarlijks, voordragt ter voorddmiring, vermeerdering of afdanking, der Nationaale Krijgsmagt te Water en te Lande,

111. Het benoemt uit de Officieren, in dienst of soldij der Republiek, wanneer dezelve met vijandlijkheden bedreigd word, de Bevelhebbers der Vloot of Armee, of van eenig gedeelte derzelve, op Instructiën, door het

-ocr page 50-

STAATSREGELING VAN ITOS.

Vertegenwoordigend Lichaam goedgekeurd, en met onvei-■wij 1de kennisgeving aan hetzelve.

Dit Bevelhebberschap word opgedragen vooreenen bepaalden tijd, en kan de last daartoe, zelfs binnen dien tijd, worden ingetrokken.

Het algemeen Bevél over de Vloot en Armee woid nimmer aan denzelfden Persoon, noch ook immer, één van beiden, aan één, of meer. of aan alle de Leden van het Uitvoerend Bewind, en even weinig aan een aftredend Lid van hetzelve, dan na verloop van twee jaaren zederd deszelfs aftreding, opgedragen.

De benoemde Generaals en Admiraals mogen aan de Leden van het Uitvoerend Bewind niet vermaagschapt zijn, tot in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.

112. Het Uitvoerend Bewind heeft de aanstelling van alle hooge Officieren, in dienst van den Staat, te Water en te Lande, bepaaldlijk boven den rang van Kapitein ter Zee, of van Colonel te Lande, overeenkomstig de regelen, door de Wet vastgesteld.

113. Op Deszelfs voordragt, bepaalt het Vertegenwoordigend Lichaam, binnen zes Maanden na Deszelfs eerste zitting, bij eene Wet, de wijze van benoeming en bevordering der Officieren van minderen rang.

114. Het Uitvoerend Bewind bestemt, in tijd van Vrede, vaste Garnisoens-Plaatsen voor de Troepen van den Staat.

115. In deze Garnisoens-Plaatsen, stelt Hetzelve de tijdlijke Militaire Commandanten en andere Militaire Beambten aan.

116. In tijd van Vrede, doet Hetzelve geene Staats Troepen heen- en wedertrekken, dan voor zoo veel de nood, of eene goede Krijgstugt, zulks vordert, of ook op verzoek van eenig Binnenlandsch Bestuur, ter bewaa-ling of herstelling der openbaare veiligheid.

117. Het draagt zorg, dat de Krijgstugt bij de. Militie van den Staat, volgends de Wetten, door het Vertegenwoordigend Lichaam vastgesteld, naauwkeuriggehandhaafd worde.

118. Het doet geene gewaapende Manschap in de Verblijfplaats van het Vertegenwoordigend Lichaam, zelfs niet binnen drie uuren afstands van dezelve, bijeenkomen, noch doortrekken, dan met toestemming, of op vordering, van dat Lichaam.

30

-ocr page 51-

titül IV. Van het Uitvoerend Bewind.

119. Het vergunt geen verblijf, noch doortogt, aan vreemde Troepen, op of over het grondgebied der Republiek, noch laat eenige vreemde Zeemagt of Gewaapende Schepen in de Havens toe, dan met bewilliging van het Vertegenwoordigend Lichaam

120. Het kan, in tijd van nood, alleen voor zekeren bepaalden tijd, het vertrek der Nationaale en Vreemde Schepen, uit de Havens of van de Rheeden der Republiek verhinderen.

121. Het bevordert, in tijd van Oorlog, de Kaap-va,art.

122. Het heeft opzigt over alle Fortificatiën, Magazijnen, Werven, Tuighuizen, en over alles, wat ter verdediging van den Staat te Water en te Lande behoort.

Het zend, jaarlijks, daarvan een gemotiveerd verslag aan het Vertegenwoordigend Lichaam, en stelt alle daartoe betreklijke Ambtenaars aan.

123. Het verleent Paspoorten, en andere soortgelijke Acten, naar buiten \'s Lands, doch kan dit vermogen, tot gerief der Ingezetenen, overdragen aan de onderscheiden Departementaale Bestuuren, onder derzelver bijzondere verandwoordlij kheid.

124. Het zend, jaarlijks, aan het Vertegenwoordigend Lichaam de gewoone, of ook buitengewoone, begrootingen van Staats-Uitgaven, gelijk ook eene verandwoording der Penningen, geduurende hot voorig jaar door hetzelve uit de Nationaale Kas ontvangen en uitgegeven; beiden op den tijd en wijze, in Titul VI, Afd. II, bepaald.

125. Ook zend Hetzelve, van zen tot zes Maanden, aan dat Lichaam eenen naauwkeurigen staat van de Nationaale Kas. Het stelt daarbij alle verbeteringen en bezuinigingen in het Financiëele voor, die hetzelve nodig oordeelt.

126. Het draagt naauwkeurig zorg, dat de belastingen overal behoorlijk ingevorderd, de Geldmiddelen rigtig geadministreerd, en in de Nationaale Kas overgebragt worden.

127. Het ziet toe, dat de Financiëele Wetten, en Ordonnantiën, van het Vertegenwoordigend Lichaam, door de geheele Republiek, getrouwlijk worden gehandhaafd en nagekomen.

128. Het stelt alle de Ontvangers, en andere Financiëele Beambten, in de Departementen aan, op instructiën, door het Vertegenwoordigend Lichaam goedgekeurd. Het

31

-ocr page 52-

STAATSREGELING VAN 1798.

houd dezelven tot hunnen pligt, en kan hen, wegens pligtverzuim, van hunne posten ontzetten.

129. Het heeft de beheering over alle de Goederen en Bezittingen der Republiek, gelijk mede over haare buitenlandsche Etablissementen en Coloniën, en derzelver inwendig bestuur. Het draagt zorg, dat de jaarlijksche inkomsten van alle dezelve verzekerd, en in de Natio-naale kas gestort worden.

In geen geval, kan het Uitvoerend Bewind die Goederen, Bezittingen, Etablissementen, of Coloniën, afstaan, vervreemden, of bezwaaren.

130. Het heeft toezigt op de uitvoering der Wetten , betreklijk het algemeene Muntwezen en den Muntslag, door het Vertegenwoordigend Lichaam vastgesteld.

131. Het heeft mede toezigt op het bestuur en de inkomsten der Posterijen.

132. ■ Indien het Uitvoerend Bewind nodig oordeelt, eeni-gen nieuwen Post, Ambt, of Bediening te vormen, zend het een voorstel daartoe aan het Vertegenwoordigend Lichaam.

133. Het kan, ten alle tijde, aan het Vertegenwoordigend Lichaam een voorstel doen, en maatregelen voordragen tot heil van den Lande, doch het doet zulks, nimmer, in de form van eene Wet.

134. Hetzelve dient, aan beide de Kamers van het Vertegenwoordigend Lichaam, van consideratiën en advies, of ook van berigt, in alle gevallen, waarin zulks van hetzelve gevorderd word.

135. Het geeft, tweemaalen in ieder jaar, een schrift-lijk algemeen verslag, van den staat der binnenlandsche en buitenlandsche Zaken, aan de beide Kamers van het Vertegenwoordigend Lichaam, in een geheim Committé daartoe vergaderd.

136. Het heeft de aanstelling van alle buitenlandsche Gezanten, Gezantschaps-Secretarissen , Consuls en andere Ministers, hoe ook genoemd, die, vanwege dezer Republiek, bij andere Mogendheden resideeren, op de Tracte-menten en Defroijementen, door het Vertegenwoordigend Lichaam bepaald. Het kan dezelven terug roepen. Het geeft van derzelver aanstellingen en afstellingen aan het Vertegenwoordigend Lichaam kennis.

137. Alle diplomatieke verrigtingen zijn, bij uitsluiting, aan hetzelve opgedragen.

32

-ocr page 53-

TiTUL IV. Van het Uitvoerend Bewind.

138. Het verleent, in liet openbaar of afzonderlijk, geliooraan alle Gevolmagtigden van buitenlandsche Hoven.

139. Het ontvangt alle openingen tot onderhandeling met dezelven.

140. Het zal de onderhandelingen over Vrede, het maaken van Traetaaten van Vriendschap of Koophandel, en het aangaan van Alliantiën met vreemde Mogendheden, voorbereiden, voordzetten en sluiten, mids onder de opvolgende ratificatie, en hekragtiging van het Vertegenwoordigend Lichaam.

141. Het zal, echter, niet eene vreemde Mogendheid, eenige geheime Articulen van verdrag mogen vaststellen, mids dezelven niet strijdig zijn met de bekende Articulen, of met plaatsgrijpende Traetaaten, noch ook strekken tot afstand van eenig Grondgebied der Republiek.

142. Ten aanzien van het aangaan van Oorlog, zal Hetzelve mogen treden in onderhandelingen, doch geen Besluit nemen; zijnde in dat geval verpligt tot het doen van een met redenen bekleed Voorstel aan het Vertegenwoordigend Lichaam

143. In geval van gedreigde of daadlijke vijandlijk-heden geeft Hetzelve daarvan ten spoedigsten, kennis aan het Vertegenwoordigend Lichaam. Intusschen, kan Hetzelve voorlopige bedingen tot onzijdigheid van eenige Plaatsen, of wel van de geheele Republiek, gelijk ook overeenkomsten tot stilstand van wapenen aangaan, teekenen of doen teekenen: alles onder nadere goedkeuring van het Vertegenwoordigend Lichaam.

144. Hetzelve teekent, of doet teekenen, in naam der Bataafsche Republiek, alle Traetaaten of Overeenkomsten met andere Mogendheden, die door het Vertegenwoordigend Lichaam zijn geratificeerd.

145. De wijze van vrijwaaring en regtspleeging, omtrent de Leden van het Uitvoerend Bewind, is dezelfde als die, welke, bij tit. III. Ai d. IV, omtrend de Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam is bepaald.

140. Een afgetreden Lid van het Uitvoerend Bewind blijft, gedurende twee Jaaren, na deszelfs aftreding, ver-ïindwoordlijk wegens zijne handelingen, in die betrekking verrigt: en mag, geduurende dien tijd, het grondgebied der Republiek niet verlaten, dan op last, of met bewilliging, van het Vertegenwoordigend Lichaam.

33

3

-ocr page 54-

staatsregeling van -1798.

TI TUL V.

Van de Dcpartementaalc en Geinceiite-Bestunreii.

Eerste Afdeeling.

Algemeene Bepalingen.

147. De Departeraentaale en Gemeente-Bestuuren zijn Administrative Lichaamen, ondergeschikt en verand-woordlij k aan het Uitvoerend Bewind.

In geval van pligt-verzuim, kunnen derzelver Leden door het Uitvoerend Bewind van hunne Posten ontzet worden, raids in acht nemende het bepaalde bij Titul IV, Art. 107.

148. Zij zijn gehouden, ieder in zijne betrekking, alle de wetten én bevelen van het Uitvoerend Bewind, hun toegezonden, zonder verwijl te doen afkondigen, en stiptlljk natekomen of\' te doen nakomen.

149. Zij vermogen, in geen geval, de uitvoering dier wetten en bevelen zoo min als der Decreeten van Ge-regtshoven in hun Departement, te vertraagen of te schorsen, noch ook aan hunne Ingezetenen iet, met de-zelven strijdig, te gebieden.

150. Zij kunnen, echter, aan het Uitvoerend Bewind, en door hetzelve aan het Vertegenwoordigend Lichaam, Vertoogen inzenden, hetzij tot voordragt van bezwaar, of tot voorstel van nuttige inrigtingen, elk voor zijn bijzonder Departement of Gemeente.

151. Zij mogen met eikanderen in onderhandeling zijn over zaken, die aan hun opzigt zijn toevertrouwd: maar nimmer over de algemeene belangen der Republiek.

152. Elk derzelven doet de gehouden Registers van deszelfs handelingen , iedere zes maanden, veertien dagen lang, op eene vertrouwde plaats, openlijk, ter lezing der Ingezetenen voorleggen.

153. Geen Lid van een Departementaal of Gemeente-Bestuur woont deszelfs raadpleeging bij over zaken , hem zeiven of iemand zijner Nabestaanden, tot in den derden graad, betreffende.

154. Hij mag geen belang hebben in eenige Pagt, of Collecte van \'s Lands belastingen, of in Leverantiën

34

-ocr page 55-

TiTUL V. Departementaale en Gemeente-Besinuren. 35

of in Aannemingen, ten behoeve der Republiek, of van derzelver Gedeelten. Hij mag niet kopen eenige Ordonnantiën, Actiën of Credieten, ten haaren Jaste.

155. Het Uitvoerend Bewind benoemt bij ieder Departementaal Bestuur, éénen Commissaris, en ten hoogsten drie voor de gezamenlijke Gemeente-Bestuuren , in elk Departement, om toetezien en te zorgen, dat de Wetten behoorlijk worden uitgevoerd.

Tweede Afdeeling.

Van de Departementanle Bestuur en.

156. Ieder Departement heeft zijn eigen Bestuur, bestaande uit zeven Leden. Dezen moeten zijn Stembevoegde Burgers, ten vollen vijf en twintig Jaaren oud, en zederd de laatste zes Jaaren, Inwooners van het Departement, waarin zij gekozen zijn.

^ 157. Tot dit Bestuur, echter, worden niet gekozen Burgers, die aan eenigen Kerklijken Eerdienst verbonden, of aan eenig openbaar onderwijs zijn toegewijd: tenzij dezelven, alvoorens, vrijwillig afstand doen vau deze hunne Bedieningen.

158. Uit elk der zeven Ringen, waarin (volgends Tmir, 1 Art. 5) een Departement verdeeld is, wordt één Lid tot dat Bestuur gekozen. Voor de eerste maal, kiezen de zeven Ringen, allen te gelijk, ieder, één Lid.

159. Van de zeven Leden, treden telkens, de twee eerste Jaaren, tivee, en, het derde Jaar, de drie overigen af. Voor de eerste maal beslist het lot, één maand na derzelver eerste zitting, welke leden het eerste, tweede en derde Jaar zullen aftreden. Vervolgends,geschied ditnaarouderdom van dienst.

160. Het aftredend Lid is andermaal verkiesbaar, doch voor de derde maal niet, dan na een tusschen-tijd van drie Jaaren.

161. Ieder Jaar worden de nieuwe Leden gekozen door die Ringen aan wien zulks, naar de orde van aftreding, toekomt.

162. Tot dat einde, komen de Grond-Vergaderingen in zoodanigen Ring bijéén, op den laatsten Dingsdag in Junij van ieder Jaar.

163. Elke Grond-Vergadering benoemt, alsdan, één

-ocr page 56-

staatsregeling van -1798.

Persoon tot Lid van het Departementaal Bestuur, benevens eenen Kiezer en deszelfs Plaatsvervanger.

De wijze is dezelfde, als Tit. II, Reglement. Letter A, bepaald is omtrend de Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam.

164. Op den tweeden Dag daarna, vergaderen alle de Kiezers ter Rings-Vergadering, in de daartoe bestemde Hoofdplaats, tot het verkiezen van één Lid tot het Departementaal Bestuur voor hunnen Ring.

De wijze is dezelfde, als bij Tit. II, Reglement Letter A, bepaald word.

165. Na de gedane keus word, mede op de wijze, aldaar bepaald, een Geloofsbrief aan den gekozenen, en van het gebeurde aan het Uitvoerend Bewind, en Departementaal Bestuur, berigt gezonden.

166. De gekozene zend binnen agt Dagen, zijnen Geloofsbrief aan het Departementaal Bestuur ter bekragtiging.

167. Zo Hetzelve dien afkeurt, of den gekozenen, om aangevoerde redenen, zijn ontslag verleent, geeft het daarvan ten spoedigsten kennis aan het Uitvoerend Bewind; hetgeen alsdan een ander Lid, de vereischten van Art 156 hebbende in zijne plaats doet benoemen.

168. De Geloofsbrief bekragtigd zijnde, word het gekozen Lid door het Departementaal Bestuur opgeroepen, en neemt, binnen veertien Dagen daarna zitting, met aflegging der gewoone Verklaaring.

169. Alle tussehentijds openvallende Plaatsen worden, volgends de vooraf bepaalde wijze, vervuld.

170. De Departementaale Bestuuren zorgen, dat alle Wetten en Bevelen, hun door het Uitvoerend Bewind toegezonden, spoedig bekend gemaakt, aangeplakt, en, ter verdere afkondiging en aanplakking, alomme, waar zulks behoort, verzonden worden

171. Zij ontvangen van de Ingezetenen, alsmede door de verschillende Gemeente-Bestuuren, zoodanige indivi-dueele Addressen. als dezelven hun ter verdere bezorging toezenden, en verzenden die ten spoedigsten aan het Uitvoerend Bewind, om daarop te disponeeren, of, zo die aan het Vertegenwoordigend Lichaam gerigt zijn, dezelven aan de eerste Kamer te doen toekomen.

172. Op gelijke wijze, ontvangen zij van het Uitvoerend Bewind de gemelde Addressen, met het daarop ge-

36

-ocr page 57-

TiTUL V. Departementaale en Gemeente-Bestuuren. 37

vallen besluit, tenig, en verzenden die, zonder uitstel, aan het Gemeente-Bestuur, wefk hun die had toegezonden, of doen dezelven, kosteloos, uitleveren aan hun, die ze, als Onderteekenaars, terug vorderen.

173. Zij zien toe, dat de goede orde en policie in hun Departement alomme bewaard blijven.

174 Zij beschikken, des nodig, op hunne verand-woordlijkheid, en met daadlijke kennisgeving aan het Uitvoerend Bewind, over de naastbijgelegen Garnisoenen of Troepen van den Staat, tot bewaaring of herstelling der openbaare veiligheid.

175. De Huislijke Departementaale Kosten, voor ieder Departement, worden, jaarlijks, door het Vertegenwoordigend Lichaam bepaald.

176. Ten dien einde, zend elk Departementaal Bestuur, jaarlijks, met den aanvang der Maand September, aan het Uitvoerend Bewind eene specifieke begrooting der kosten voor het volgend Jaar

177. Bij deze begrooting voegt Hetzelve eene specifieke vurandwoording der sommen, in het afgelopen Jaar aan het Departement toegestaan, en alzoo besteed. Hetbaatig Slot strekt in mindering der nieuwe begrooting.

178. In onvoorziene gevallen, kan een Departementaal Bestuur eene buitengewoone begrooting inzenden. Het Uitvoerend Bewind doet dezelve, alsdan, zonder uitstel, aan het Vertegenwoordigend Lichaam ter beoordeeling toekomen

179. De Departementaale Bestuuren zien toe, ieder in zijn Departement, dat de invordering der Nationaale Belastingen rigtig en zonder knevelarij geschiede, en dat de overmaaking der ontvangen gelden niet vertraagd worde Van allen misbruik, of verzuim in dezen, geven zij aan het Uitvoerend Bewind kennis.

180. Zij ontvangen van de Gemeente-Bestuuren, in hun Departement, Memoriën van derzelver Ontvang en Uitgave, voor reekening der Republiek, en verzenden die, met hunne bedenkingen, des nodig, aan het Uitvoerend Bewind.

181. Zij vernietigen, na ingekomen berigt der Ge-meente-Bestuuren, of andere ondergeschikte Collegiën, in hun Departement, alle zoodanige besluiten van dezelven, als strijdig met de Staatsregeling of met de Wetten

-ocr page 58-

STAATSREGEUNG VAN 1798.

genomen zijn, met onverwijlde kennisgeving aan het Uitvoerend Bewind.

182. Zij schorsen de Leden van een Gemeente-Bestuur in de waarneming van hunnen post, wanneer dezelven, daarin volhardende, de openbaare veiligheid in gevaar zouden brengen, en geven van zoodanige schorsing aan het Uitvoerend Bewind onverwijld kennis.

183. Zij nemen kennis van zoodanige geschillen, als tusschen onderscheiden Gemeente-Bestuuren, of andere ondergeschikte Collegiën, in hun Departement mogten ontstaan, en vereffenen dezelven, na verhoor van beklaagden, onverminderd ieders regt, om zijne grieven en bezwaaren te brengen bij het Vertegenwoordigend Lichaam, bij het Uitvoerend Bewind, of voor hot Geregts-hof, daaromtrent bevoegd, naar gelang der zake.

184. Het Uitvoerend Bewind roept, in geenerlei geval de Leden van eenig Departementaal Bestuur, ter verand-woording, persoonlijk vóór zig.

185. De Leden worden, in geval van misdrijf, door het Uitvoerend Bewind, bij uitspraak van het Vertegenwoordigend Lichaam, teregt gesteld, voor een Hoog Nationaal Geregtshof.

186. Zij genieten een Daggeld van zeven Guldens ieder, zonder boven dien iet meer,quot; dan zuiver verschot in reeke-ning te mogen brengen. Ieder Lid in Commissie zijnde, kan zijne reiskosten en verteeringen als verschot be-reekenen, mids niet hooger, dan tot zeven Guldens daags.

187. Bij het aanvaarden hunner posten, leggen zij, gelijk mede hunne Secretarissen en verdere Bedienden, de gevorderde Verklaaring af, en onderteekenen dezelve.

188. De Kiezers-Vergadering van iederen Ring benoemt, jaarlijks, op eenen dag, door de Wet bepaald, eenen Opnemer der Reekeningen van het Departementaal Bestuur. De zeven alzoo benoemde Opnemers vergaderen, mede op eenen tijd, bij de Wet vastgesteld, in de Depar-tementaale Stad, om te hooren en te sluiten de Reekeningen van het afgelopen Jaar, of hunne bedenkingen daarop voortedragen. Zij doen het verslag van dit hun verrigtte drukken, en zenden hetzelve, nevens de reekeningen, aan het Uitvoerend Bewind, hetgeen beslissende uitspraak doet.

Zij blijven, jaarlijks, niet langer, dan veertien Dagen, tot het opnemen der Reekeningen, vergaderd.

38

-ocr page 59-

titul V. Departementaale en Gemeente-Bestuuren. 39

189. De Departementaale Brtstuuren worden georganiseerd door den tijdlijken Voorzitter.

Derde Afdeeling.

Van de Gemeente-Bestuur en.

190. Over elke Gemeente is een Gemeente-Bestuur.

191. Het getal en de jaarwedden der Leden, de tijd en wijze hunner Verkiezing door de stembevoegde Burgers, tot iedere Gemeente behoorende, en de tijd der zittingneming, zoo van allen voor de eerste maal, als ten aanzien der nieuwe Leden jaarlijks, word door het Vertegenwoordigend Lichaam, bij een Bec/lemen.t, op voor-dragt van het Uitvoerend Bewind, bepaald.

192. Jaarlijks treed een derde gedeelte af van ieder Gemeente-Bestuur, of een getal van Leden, dat het naast daarbij komt. De orde van aftreding word, voor de eerste maal, door het lot bepaald, en geschied verder naar ouderdom van dienst.

Een aftredend Lid is weder verkiesbaar, doch voor de derde maal niet, dan na een tijdsverloop van drie Jaaren.

193. De Leden van een Gemeente-Bestuur moeten zijn stembevoegd , ten vollen vijf-en-twintig Jaaren oud, en, ten minsten zederd de laatste vijf Jaaren, gewoond hebbende in die Gemeente, tot welker Bestuur zij geroepen zijn.

191. Geen Gemeente-Bestuur mag eenige nieuwe plaats-lijke Belasting vaststellen, dan na alvorens daaromtrend te hebben gehandeld, en te zijn overeengekomen met gevolmagtigden uit de Stembevoegde Burgeren binnen deszelfs Gemeente, tot dat einde, op de wijze, bij het Reglement voorgeschreven, door dezelven benoemd, en onder opvolgende goedkeuring van het Vertegenwoordigend Lichaam.

195. Ieder Gemeente-Bestuur maakt deszelfs jaarlijk-sche reekeningen van den plaatslijken Ontvang en Uitgave openbaar, op de wijze, bij het Reglement bepaald.

196. Het zend, jaarlijks, met den aanvang der Maand Augustus, aan dat Departementaal Bestuur, waaronder deszelfs Gemeente behoort, specifieke Memoriën van Ontvang en Uitgave voor Nationaale Reekening.

197. Het ontvangt alle zoodanige individueele Addres-

-ocr page 60-

staatsregeling van 1798.

sen, als deszelfs Ingezetenen, door hnn Gemeente-Bestuur, aan het Departementaal Bestuur, aan het Uitvoerend Bewind , of het Vertegenwoordigend Lichaam, mogten willen inzenden. Het verzend dezelven ten spoedigsten aan het Departementaal Bestuur, ter verdere verzending, of om daarop te besluiten, en ontvangt die van daar terug, met het daarop gevallen besluit, waarna het dezelven, op aanvrage der Teekenaars, kosteloos, doet uitleveren.

198. De Leden van eenig Gemeente-Bestuur kunnen, nimmer, voor een Departementaal-Bestuur, persoonlijk, ter veriindwoording geroepen, noch van hunne Posten ontzet worden.

199. Zij worden, in geval van eenig door hun begaan misdrijf, te regt gesteld voor het Crimineel Departementaal Geregtshof, waartoe derzelver Gemeente behoort.

TIT U L VI.

Van «le Financiën.

Ekrste Afdeeung.

Algemeene Bepaalingen om trend het Financiewezen der Republiek.

200. Alle Geldmiddelen van de Republiek, hetzij dezelve bestaan in belastingen, hetzij in bezittingen, hoe ook genaamd, waarvan de inkomsten, vóór de invoering der Staatsregeling, gekomen zijn ten voordeele van de Kas der Generaliteit, midsgaders van de Kassen der onderscheiden Provinciën, van de drie Kwartieren van Gelderland, vaii het Landschap Drenthe, en van BataafschBraband, worden verklaard, en van nu voortaan gehouden, voor nationaale inkomsten en bezittingen van het geheele Bataafsche Volk.

201. De Schulden en Verbindtenissen, vóór de invoe-ring\'der Staatsregeling gemaakt, en aangegaan niet alleen door of van wege der Generaliteit, maar ook van wege der onderscheiden Provinciën, de drie Kwartieren van Gelderland, het Landschap Drenthe en Bataafsch Era-

40

-ocr page 61-

TiTUL quot;VI, Van de Financiën. 41

band, worden verklaard en gebonden voor nationaaie schulden en verbindtenissen van bet geheele Bataafscbe Volk.

202. Alle daarvan afgegeven Renten-Brieven, Obli-gatien, Recepissen, of andere Acten van verbindtenis, zullen tegen Nationaaie Scbuldbrieven verwisseld, en op eenen eenparigen voet gebragt worden.

Het Vertegenwoordigend Licbaam bepaalt, ten spoedig-sten, den tijd en de wijze dezer verwisseling; zoodanig echter, dat dezelve, binnen drie Maanden na de eerste zitting van het Vertegenwoordigend Lichaam, zal aangevangen, en voleindigd moeten zijn vóór het einde van het derde Jaar, na de aanneming der Staatsregeling.

203 \'Er zal geene vermindering plaats hebben, noch van de Hoofdsom der Schuldbrieven zeiven, noch der Interessen en jaarlijUsche Renten.

Uezelven zullen, nimmer, met eenige belastingen worden bezwaard, dan alleen met zoodanigen, welke, bij de invoering der Staatsregeling, daadlijk plaats zullen hebben.

204. Bij de Obligatiën zullen worden afgegeven jaar-lijksche Coupons, die in alle betaalingen aan den Lande aangenomen, óf, ter keuze der Houders, bij de Nationaaie Tresorie worden voldaan.

205. De Renten en Interessen van de voormelde Nationaaie Schuld, jaarlijks te betaalen, worden gevonden uit zoodanige algemeene belastingen, als, overeenkomstig zekere hierna te melden bepaalingen, door bet Vertegenwoordigend Lichaam, jaarlijks, zullen worden vastgesteld.

206. Insgelijks, worden door het Vertegenwoordigend Lichaam bepaald zekere afzonderlijke Fondsen, tot het fortneeren eener Kas van vermindering of aflossing der nationaaie Schuld, welke fondsen alleen tot het voorsz. einde zullen worden geaffecteerd.

Bij dezelve worden, t\'elken jaare, ten zelfden einde, gevoegd de penningen, voortkomende uit de vermindering der interessen, zoo door vernietiging van Effecten, als versterving van Lijfrenten, afloop der Dertig-jaarige en andere tijdlijke Renten, waarvan, jaarlijks, bij gedrukte Reekening, aan de Natie zul moeten blijken; terwijl de vernietigde Effecten openlijk zullen verbrand worden.

207. Deze, alzoo ter betaaling der Interessen en Aflossingen bestemde. Fondsen zullen worden gebragt

-ocr page 62-

STAATSREGELING VAN 1798.

•onder een afzonderlijk bestuur, afgescheiden van alle .andere betaalingen. Dit Bestuur is voor de getrouwe ■waarneming dezer wet verandwoordlijk.

208. Het Vertegenwoordigend Lichaam beslist, jaarlijks, na ontvang der vereisclite openingen van het Uitvoerend Bewind, en van de Commissarissen der Natio-

■^naale Reekening, bij het vaststellen dei\' algemeene begrooting van Staats-Uitgaven, of de algemeene belastingen •op denzelfden voetbehooren te blijven, dan wel vermeerderd, of verminderd, te worden. Het voorstel hiertoe word in de eerste Kamer in overweging gebragt, uiterlijk eetie Maand, nadat die begrooting zal bekragtigd zijn.

Geene Wet. waarbij eene nieuwe belasting word ingevoerd, heeft langer kragt, dan een Jaar, indien zij niet uitdrukkelijk vernieuwd word.

209. Indien de omstandigheden der Republiek eenige \'buitengewoone uitgaven noodzakelijk maaken, vind het ■Vertegenwoordigend Lichaam die, bij voorkeur, zoo veel •mooglijk, uit eene buitengewoone heffing, en wel als dun ■gratuit, bij wijze van Quotisatie over de relative inkomsten en verteeringen van alle Ingezetenen der Bataafsche Republiek.

Dan, wanneer Hetzelve oordeelt, te moeten overgaan tot het zoeken van Penningen, bij wijze van vrij willige Negotiatie, bepaalt het den korstmooglijken termijn van aflossing, en eene behoorlijke geëvenredigde belasting, voldoende tot het bekomen der nodige fondsen, zoo tot betaaling der jaarlijksche aflossingen, als interessen.

Deze belasting zal niet verder mogen geheven worden, dan toereikende tot de jaarlijksche aflossingen en interessen, noch worden verlengd, nadat dezelve Negotiatie zal zijn afgelost; alles onder de bepaalingen, bij Art. 205 vermeld.

210. Het Uitvoerend Bewind levert, binnen cén Jaar na de eerste Zitting van het Vertegenwoordigend Lichaam, aan Hetzelve een nieuw stelsel van algemeene belastingen, zoo ter goedmaakinge der Staatsbehoeften, als in \'t bijzonder tot het betaalen der jaarlijksche interessen en aflossingen voor de geheele Republiek.

Hetzelve word zoodanig ingerigt, dat alle de belastingen, en ieder derzelven, zooveel mooglijk, geevenredigd zijn aan het betreklijk vermogen der Ingezetenen, en op-

42

-ocr page 63-

TiTUL VI. Van de Financiën.

gemaakt uit de vergelijking van derzelver bezittingen, inkomsten, en bekende verteeringen, met inachtneming der volgende grondbeginselen;

a. De belastingen op de Onroerende Goederen, in de geheele Republiek, op eenen evenredigen voet, naar derzelver bet rek lijk e waarde gebragt, met vernieuwing en aanvulling der oude Quohieren, blijven bestaan.

b. Omtrent alle belastingen, zoo gewoone als buiten-gewoone, hetzij die gelegd worden op bezittingen, of op inkomsten en bekende verteeringen, word zoo veel mooglijk gezorgd, aan don eenen kant, dat ieder zig, opregt en ter goeder trouwe, van zijnen pligt kwijte, en, aan de andere zijde, dat noodelose openbaarmakingen van iemands bezittingen en inkomsten worden vóórgekomen.

c. Dat alle belastingen op het consumtive, indien en zoo verr\' die plaats zullen hebben, alzoo worden inge-rigt, dat dezelve geheven worden van dat gedeelte van elks verteering, hetgeen hij, na genot van het volstrekt nodige, uit zijne inkomsten verkiest te bekostigen.

d. Er kan geenerlei belasting gelegd worden op levensmiddelen van de eerste noodzakelijkheid.

Het Vertegenwoordigend Lichaam ontheft zoodanige middelen, die daarmede bezwaard zijn, van dien last, zoodra Hetzelve bevind, dat de opbrengst van andere belastingen zulks toelaat.

e. \'Er kan geen Hoofdgeld, ieder Ingezeten, zonder onderscheid van vermogen, drukkende, worden ingevoerd.

Met het einde van het eerste Jaar na de aanneming der Staatsregeling, zal hetzelve ophouden, overal, waar zulks nog op die wijze geheven word.

f. \'Er zal, over de geheele Republiek, worden ingevoerd eene algemeene en billijk geregelde belasting van het Collateraal op de Saldo\'s der Boedels, als mede op het Nationaal Klein Zegel.

Voor beide die belastingen, maakt het Vertegenwoordigend Lichaam, ten spoedigsten, eene nieuwe Ordonnantie.

g. De afzonderlijke administratie over de Middelen te Water, of inkomende en uitgaande Regten, zal daadlij k ophouden, en begrepen worden onder het algemeen zamenstel van Financie.

43

-ocr page 64-

staatsregeling van \'1798.

211. Naar maate liet Nieuwe Stelsel van algcmeene belastingen, volgends Art. 210, in werking gebragt, en genoegzaam word bevonden, schaft het Vertegenwoordigend Lichaam de vorige belastingen af.

Het nieuwe Stelsel zal, uiterlijk binnen twee Jaaren na de aanneming der Staatsregeling, alomme ingevoerd, en in werking moeten zijn, als wanneer het Vertegenwoordigend Lichaam alle voorige Belastingen, tot hiertoe geheven, zoo verre dezelven, in gevolge der hiervoor gemaakte bepaalingen, niet gecontinueerd zijn, zal doen ophouden.

212. De uitgaven zullen, in tijd van Vrede, zooveel mooglijk verminderd, en zoodanig worden geregeld, dat zij de bekende en vastgestelde inkomsten niet moeten overtreffen.

In gewoone tijden, zal het overschot, ofwel eene jaar-lijksche som, door het Vertegenwoordigend Lichaam te bepalen, worden overgebragt in eene afzonderlijke Kas van Reserve, ten einde te kunnen voorzien in de behoeften van den Staat, bij opkomende Oorlogen, of andere natio-naale rampspoeden.

213. Het Vertegenwoordigend Lichaam maakt, ten spoedigsten, op voord ragt van het Uitvoerend Bewind een Reglement, waardoor, aan den eenen kant, de rigtige betaaling van alle gemeene middelen, hoe ook genoemd, bewaakt, en. aan de andere zijde, gezorgd word, dat op dit stuk aan eenen ieder, zonder knevelarij, kort en onvertogen regt geschiede.

Tweede Akdeeling.

Van de Begrootingen der Staats- Uitgaven.

214. In den aanvang der Maand October van ieder jaar, zend het Uitvoerend Bewind, aan het Vertegenwoordigend Lichaam, eene algemeene begrooting van alle zoodanige sommen, als hetzelve oordeelt, dat, voor het volgend jaar ten dienste der Republiek zullen vereischt worden, met bijvoeging\' der bijzondere begrootingen van de Departe-inentaale Bestuuren, daartoe betrekkelijk, en van zijne consideratiën, zoo noodig. op dezelven.

215. Deze algemeene jaarlijksche begrooting houd in de afzonderlijke Soms-bepaaling van eiken bijzonderen post,

44

-ocr page 65-

TiTür, VI. Van de Financiën

is gemotiveerd, en geeft tevens bedenkingen op, aangaande de geschiktste middelen, om het benodigde voor een volgend jaar, door gevvoone of buitengewoone belastingen, te vinden.

216. \'Er zal, op die begrootin;;, een bijzondere Post gesteld worden voor onvoorziene Uitgaven, of ongespecificeerde Zaken.

217. Op dezelve word, echter, niet gebragt zoodanige Som, als het Vertegenwoordigend Lichaam, jaarlijks, tot geheime uitgaven, aan het Uitvoerend Bewind zal toestaan, noch ook zoodanige Som, als het Vertegenwoordigend Lichaam zal besluiten, te doen overbrengen in de Kas van Reserve, bij Art. 212 bepaald.

218. Het Vertegenwoordigend Lichaam raadpleegt, en besluit, over de jaarlijksche algemeene begrooting van Staats-Uitgaven.

De wijze word bij het Reglement, Letter D., Eerste Afdeeling, bepaald.

219. Het Uitvoerend Rewind verandwoord jaarlijks, vóór het einde van Jul ij, aan het Vertegenwoordigend Lichaam, de Sommen, door hetzelve, geduurende het voorig jaar. uit de Xationaale Kas ontvangen en uitgegeven.

Alle de Leden van voorn. Bewind verklaaren. bij deze gelegenheid, plegtig, op hunne gedane belofte bij het aanvaarden van hunnen Post, dat zij van de Penningen, tot geheime Uitgaven hun toegestaan, geen ander gebruik hebben gemaakt, dan ten dienste der Republiek.

Deze schriftlijke, door alle de Leden geteekende, Verklaaring word aan de beide Kamers van het Vertegenwoordigend Lichaam gezonden.

Deze Reekening word jaarlijks gedrukt en publiek gemaakt.

In tijd van Oorlog, met eenige Europeesche Mogendheid, word deze openbaarmaking uitgesteld tot zes Maanden na den Vrede.

Derde Afdeeling.

Van de Commissarissen der Nationaale Tresorie.

220. Het bestuur over den Ontvang der Nationaale inkomsten, en de beheering der betaalingen, word toe-

45

-ocr page 66-

STAATSREGELING VAX 1798.

vertrouwd aan vijf Commissarissen der Nationaale Tresorie, allen aan en af te stellen door het Uitvoerend Bewind.

221. Derzelver Jaarwedden zijn, voor ieder hunner, vierduisend Guldens.

222. Deze Commissarissen ontvangen, bij hunne aanstelling, elk eene Instructie, inhoudende een duidlijke aanwijzing van derzelver onderscheiden werkzaamheden, voorgedragen door het Uitvoerend Bewind, en goedgekeurd door het Vertegenwoordigend Lichaam.

Dit Lichaam hepaalt den Borgtogt, door elk hunner, hij de aanvaarding van zijnen post, te stellen, en jaarlijks te vernieuwen.

223. Hunne werkzaamheden zijn:

a. De algemeene ontvang der Nationaale Geldmiddelen.

b. Het doen overstorten van Penningen uit de bijzondere Kassen der Ontvangers, hetzij uit de eene in de andere, of in de algemeene Kas.

c. Het betaalen der Ordonnantiën, op hen afgegeven door liet Uitvoerend Bewind of de Departementaale Administratiën.

d. Het houden van de nodige correspondentiën met de Ontvangers en andere Comptabelen.

e. Het houden der Nationaale Registers van alle inkomsten en uitgaven, en der Contra-boeken over de ontvangsten en uitgaven der Ontvangers.

f. Het doen toekomen, van drie tot drie Maanden, aan de Commissarissen der Nationaale Reekening, van de Algemeene Reekening van ontvang en uitgave der Nationaale Kas, gesterkt met de, daartoe beboerende bijzondere reekeningen en bewijsstukken ten fine van bekragtiging; alsmede van alle Ordonnantiën van betaalingen, door het Uitvoerend Bewind of Departementaale Bestuuren op hen afgegeven.

g. Commissarissen ontvangen en beheeren msde de inkomsten, bij Art. 206, afzonderlijk bestemd, tot de. betaaling der Interessen en Aflossingen der Nationaale Schuld.

Zij houden daarvan afzonderlijke Boeken, en zorgen, dat, de Fondsen bij den eenen Nationaalen Ontvanger niet toereikende zijnde voor de in betaaling\' ontvangen .Coupons, dezelven uit die der andere Ontvangers worden overgestort, zoodanig, dat dezelven.

46

-ocr page 67-

TiTUL VI. Van de Financiën.

op geenerlei wijze met de andere ontvangsten en uitgaven vermengd worden.

Zij stellen, in handen van Commissarissen der Nationaale Reekening, de ingetrokken en geroijeerde Coupons, als mede de ingetrokken Schuldbrievenr ten einde, in gevolge Art. 206 te worden verbrand.

224:. Zij nemen stiptlijk, en op hunne verandwoord-lijkheid, zoo gezamenlijk, als ieder in het bijzonder, in. acht de volgende bepaalingen;

a. Dat zij nimmer betaalen zoodanige Ordonnantiën, als door eenig Departement van Bestuur op hen mogten worden afgegeven, te boven gaande zoodanige Sommen, als door het Vertegenwoordigend Lichaam, op de begrooting der Staats-Uitgaven, of bij eene bijzondere Wet, daarvoor uitdrukkelijk zijn. ingewilligd.

b. Dat zij nimmer voldoen eénige Ordonnantiën, waarbij, niet het volgende in acht is genomen.

a. Eene specifieke opgave aan wicn, benevens de post, tut welken, de uitgave behoort, of het einde waartoe zij bestemd is, benevens de Dagtee-kening der Wet, die deze uitgave wettigt. h. De teekening van het Uitvoerend Bewind, van den Agent, of van het Departementaal Bestuur, dat de te doene betaaling vordert. c. De Contrasignature van Commissarissen der Nationaale Reekening, ten blijke, dat de betaaling geschied volgends de wet, en bij dezelvenaccoord is bevonden.

225. Zij geven aan het Vertegenwoordigend Lichaam opening van den staat der Nationaale Kas.

Elke Kamer zend, zulks nodig oordeelende, drie haarer l.cden bij de Commissarissen der Financie, om zig de Nationaale Reekenboeken te doen voorleggen, ten einde aan de Kamer daarvan verslag te geven.

Deze zending kan, echter, niet langer zijn, dan voor drie Dagen, en, geduurende dat Jaar. aan dezelfde Leden niet andermaal, worden opgedragen.

Zoodanige Afgevaardigden uit het Vertegenwoordigend Lichaam geven geenerlei bevelen aan de Commissarissen van Financie, noch oefenen eenige daaden van gezag omtrend hen uit.

47

-ocr page 68-

staatsregeling van \'1798.

Commissarissen geven, ten allen tijde, zoodanige he-rio-ten en elucidatiën, als door liet Vertegenwoordigend Lichaam, en Uitvoerend Bewind, van hun worden gevraagd, en doen mede. Maandelijks, aan het Uitvoerend Bewind toekomen den staat van ontvang en uitgave lt;ler Nationaale Kas.

Vierde Afdeeling.

Van de Commissarissen der Nationaale Beehening.

226. Het getal dezer Commissarissen word bepaald ■op zeven en éénen Secretaris, aantestellen en aftezetten door het Vertegenwoordigend Lichaam, en aan geene Uitvoerende Magt verbonden, noch verandwoordlijk.

227. Zij ontvangen, bij hunne aanstelling, van liet Vertegenwoordigend Lichaam, eene Instructie, inhoudende cene aanwijzing van derzelver onderscheiden werkzaamheden, onder de behoorlijke venindwoordlijkheid aan Hetzelve.

228. Tot derzelver werkzaamheden behoort:

a Het houden van algemeene boeken, zoo van alle \'sLands Inkomsten, uit de Maandstaaten en Boeken der Ontvangers en andere Comptabelen, als van alle de Uitgaven, waarvan de Ordonnantiën door hen moeten worden geregistreerd. en geapprobeerd.

b. Het nagaan en sluiten van alle de Reekeningen, zoo der Nationaale Tresorie, als der Nationaale Ontvangers en financiëele Ambtenaaren en C omptabelen, en het onderzoeken van alle bescheiden, daartoe be-treklijk.

c. Het onderzoeken en liquideeren van alle Declaration. welke ten laste der Republiek worden ingezonden.

d. De zorg, dat, omtrend dezelven, de vastgestelde oi-ders eiTwetten stiptlijk worden nagekomen, en, door quot;een Departement van Uitvoerend Bestuur, meerdere Ordonnantiën worden afgegeven, dan de Sommen bedragen, aan elk derzelven, bij de Wet en bij goedgekeurde begrootingen, toegestaan, als mede, dat de form bij Art. 224 bepaald, behoorlijk worde in

acht genomen. .

Het een of ander vereischte aan eemge Ordonnantie ontbrekende, zenden Commissarissen der Nationaale

48

-ocr page 69-

TiTUL VI. Van de Financiën.

Reek en in ii- dezelve, onverwijld, aan het Departement, van waar dezelve komt, te rug.

Zij, die niet berusten in de loquaturs of roije-menten dezer Commissarissen, vervoegen zig bij het Vertegenwoordigend Lichaam.

e. Het kennis geven aan het Vertegenwoordigend Lichaam van alle misslagen, wangedragingen, en andere verandwoording vorderende omstandigheden, welke ter hunner kennisse komen.

/. Het voordragen van nuttige financiëele verbeteringen ot bezuinigingen aan het Vertegenwoordigend Lichaam en het geven op deszelfs vordering van nodige berigten of consideration, ten aanzien van alle onderwerpen, tot hunnen post betreklijk.

229. Zij kunnen, echter, ten aanzien van Art. 228, Lelt. h en c, zoodanige uitzondering maaken, als zij, uit hoofde der kleene aangelegenheid van de Reekeningen der Comptabelen, of uit hoofde van het gering beloop der Declaratiën, zullen nodig oordeelen.

230. De aard en sommen der door hen gesloten Reekeningen, en geliquideerde Declaratiën, worden, jaarlijks, door den druk gemeen gemaakt, benevens zoodanige aan-merkingen, aanklagten en voorstellen, als, zonder nadeel der Nationaale belangen, kunnen worden bekend gemaakt.

TITUL Vil.

Van de Buitciilandsclic Bexittingon en (.\'oloniën tier Kepiihliek, en van derzelver bestuur hier te Lande.

231. De betrekkingen der Buitenlandsehe Bezittingen en Coloniën van de Bataafsche Republiek, in de beide Indien, tot het Moederland, zullen op den thands nog plaats hebbende voet blijven, totdat de Vertegenwoordigende Vergadering, op voorstel van het Uitvoerend Bewind daaromtrend zoodanige schikkingen zal hebben gemaakt, als zij ter bevordering van het algemeen belang oordeelen zal te behooren.

49

4

-ocr page 70-

STAATSREGELING VAN \'1798.

232. Het Bestuur over de Bezittingen in Asia, mids-o-aders over de Coloniën in Amerika en de Bezittingen op de Kust van Guinea, zal worden opgedragen aan twee onderscheiden Raaden. welken, ieder geheel afzonderlijk, zullen werken. Het eene zal worden genoemd de Raad van Asiatische Bezittingen en Etahlissementen; het andere de Raad der Amerikaansche Coloniën en Bezittingen.

233. De Raad der Asiatische Bezittingen en Etablissementen zal uit negen, en die der Amerikaansche Coloniën en Bezittingen uit vijf Leden bestaan.

234. Beide Raaden zullen verandwoordlijk en onder-o-eschikt zijn aan het Uitvoerend Bewind. De aanstelling en afstelling der Leden zal door hetzelve geschieden.

235. Ieder Lid van een der beide Raaden geniet eene Jaarwedde van vierduisend Guldens.

230. De Vertegenwoordigende Vergadering zal, op voorstel van het Uitvoerend Bewind, voor de beide Raaden vaststellen eene uitgebreide Instructie, naar welke zij moeten handelen, en de .laarwedden dei-Secretarissen. Ontvangers, en Fiskaals. bepaalen.

237. Ieder der Raaden zal aanstellen eenen Secretaris. Ontvanger en Fiskaal, en wel onder eene bepaalde Instructie, vóór derzelver benoeming aan het Uitvoerend Bewind ter goedkeuringe voortedragen.

238. De Leden. Secretarissen, Ontvangers en Fis-kaals. van beide Raaden, mogen aan eikanderen niet bestaan tot in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.

239. De Leden, Secretarissen, Ontvangers en fis-kaals, mogen, noch rechtstreeks, noch van ter zijde, op eenigerhande wijze, in eenigen Koophandel betrokken. geene eigenaars van Plantagiën of Gronden in de Coloniën zijn, noch ook eenige andere Ambten of Bedieningen, hoe ook genoemd, waarnemen.

240. Het Uitvoerend Bewind zal, op voorstel van .eder der beide Raaden, in de verdediging der Coloniën voorzien. door de nodige Oorlogsschepen en andere noodwendigheden derwaards te zenden, en een benodigd getal Troepen aldaar te onderhouden. Het zorgt, insgalijks. voor de rust in de Bezittingen en Coloniën, en voor de verbetering van derzelver Koophandel en Landbouw.

241. Het Uitvoerend Bewind zal, ieder Jaar, na de

50

-ocr page 71-

titül VII. Buitenlandsche Bezittingen.

specifieke opgave, die aan hetzelve door ieder der Raaden zal moeten gedaan worden, van de Vertegenwoordigende Vergadering de nodige gelden vragen, zoo wel voor het onderhoud der gezegde Bezittingen en Coloniën, als om in de Soldijen, Renten, Pensioenen en andere noodwendigheden. te voorzien.

242. Het Uitvoerend Bewind zal, alle .laaren. na van ieder der Raaden reekening en veiandwoording, met overlegging van alle stukken en bescheiden, daartoe behoo-rende, ontvangen te hebben, aan de Vertegenwoordigende Vergadering verslag doen van zoodanige sommen, als tot waarneming van de belangen der Buitenlandsche Bezittingen en Coloniën. geduurende liet afgelopen jaar, ontvangen en uitgegeven zijn, alsmede van den staat der zaken aldaar.

Bij aldien \'er een zuiver overschot, na aftrek van hetgeen voor het volgend jaar nodig zal zijn. plaats heeft, zal hetzelve in de Nationale Kas gestort worden.

De Rapporten, Reekeningen en Begrootingen, in dit en het voorig Artikel gemeld, zullen door den druk worden bekend gemaakt.

243. Het uitvoerend Bewind zal. op voordragt van ieder der Raaden. de aanstelling hebben der hooger Ambtenaars, in de Buitenlandsche Bezittingen en Coloniën, tot derzslver bestuur behoorende.

244. Ieder der Raaden zal zorgen, dat de Troepen, die zich in de Coloniën bevinden, wel behandeld, betaald en gekleed worden, en voltallig blijven.

245. Ieder der Raaden, en de bijzondere Leden van dien, zullen, in geval van misdrijf, in derzei ver Bediening begaan, voor een Hoog Nationaal Geregtshof te regt gesteld worden.

246. De wijze, waarop de Republikeinsche beginselen, in de Bezittingen en Coloniën der Republiek, geregeld zullen worden ingevoerd, word door de Wet bepaald.

Over dc Asintisclic Bezittingen cit Etablissciiientcn.

247. De Bataafsche Republiek neemt tot zich alle de Bezittingen en Eigendommen der gewezen Oost-Indische Compagnie, benevens alle derzelver schulden.

51

-ocr page 72-

STAATSREGELING VAN 1798.

De Octrooijen, voormaals aan die Compagnie verleend, worden vernietigd.

248. De Geïnteresseerden hij en Houders van Actiën, in de gewezen Oost-Indische Compagnie, worden dooide Natie, bij wijze van afkoop, schadeloos gesteld.

245). De Bataafsche Republ iek, behoud, vooralsnog, aan zich het vervoeren van allerlei Goederen naar de Oost-Indiën. die niet aan de handeldrijvende Ingezetenen zijn afgestaan, als mede den aanbreng der voordbreng-selen van den grond aldaar herwaards, het aanvoeren van Thée, uit het Rijk van China, daaronder begrepen. De Raad, zulks uitvoerende, zal, bij voorraad, handelen volgends den inhoud van het laatste Octrooij, aan het Cummilté tol de zaken van den Oosl-Indischen Handel en Bezittingen verleend, met zoodanige verdere bepaalingen, als bij deze Acte van Staatsregeling zijn uitgedrukt, tot zoo lang, dat, door het Uitvoerend Bewind, op voorstel van den Raad der Astatische Bezittingen, aan het A er-tegenwoordigend Lichaam, een nieuw Charter aangeboden, en door het laatste zal zijn bekragtigd.

De Wet zal dit Artikel kunnen veranderen of vernietigen, naar maate het belang der Bataafsche Republiek zulks zal vorderen.

250. De Wet zal de inwendige Staatsinrigting, en de wijze van bediening der Policie en Justitie, in elk dezer Bezittingen en Etablissementen, regelen.

Over de West-Indische Bezittingen en Coloniën, in Amerika, en op de Knst van («iiiiiéa.

251. Aan ieder der Coloniën zal een nieuw Const i-tutioneel Charter gegeven worden. Dit Charter zal de tegenwoordige belastingen doen ophouden, en eene nieuwe wijze van vergoeding aan de Republiek, voor derzelver verleende bescherming, vaststellen.

252. Het ontwerp van dat nieuwe Charter zal door het Uitvoerend Bewind, op voorstel van den Raad der Amerikaansche Coloniën, aan de Vertegenwoordigende Vergadering ter bekragtiging aangeboden worden.

253. De kosten, voor het huishoudenlijk Bestuur der Coloniën, zullen door de Inwooners zeiven geregeld en betaald worden.

52

-ocr page 73-

titül VIL Buitenlandsche Bezittingen enz. 53

354. De Wet zal bepaalen het getal en de magt der Commissarissen, welken het Uitvoerend Bewind in iedere Colonie of bezitting zal kunnen zenden.

255. Alle onderscheiden Kamers en Departementen van den West-Indischen Handel, of hoe ook genoemd, zijn vernietigd. Alle afzonderlijke Coloniën worden, terstond, onder één algemeen bestuur gebragt, en zij, die zullen bewijzen door deze vereeniging benadeeld te zijn, afgekogt.

TITUL VIII.

Van de Regturlijkc Magt.

Eerste Afdeelixg.

Algemeene Bepaalingen.

256. Geene regterlijke bediening word waargenomen, dan door Bataafsche burgers, die den vollen ouderdom van dertig jaaren bereikt hebben.

Buiten deze voorwaarde, kan de Wet nog andere bepaalingen in de keuse maaken.

257. In geene Regtbank hebben Leden, of openbaare Aanklaagers, te gelijk zitting, die aan eikanderen bestaan in de opklimmende of nederdaalende linie, noch ook als Broeders, of als Oom en Neef, hetzij door bloedver-wandtschap, of Huwelijk.

258. De Leden van alle Regtbanken zijn, bij hunne aftreding volgends de Wet, wederom, ten zelfden tijde verkiesbaar.

259. Geen Lid word afgezet, dan om misdrijf, in zijnen Post begaan, noch ook geschorst, noch gevonnisd, dan na een voorafgegaan Decreet van beschuldiging.

260. Geen Lid mengt zich in de uitoefening van Wetgevende of Uitvoerende Magt, of van Policie. Het verhindert nimmer de uitvoering van eenige Wet, noch roept eenig ander Lid van Bewind vóór zig ter ver-andwoording.

Het gezag der Regtbanken word door de Wet bepaald.

In geval van geschil tusschen Bewindvoerend of Reg-

-ocr page 74-

staatsregeling van \'1798.

torlijk Gezag, tot welk van beiden de eene of andere zaak ter beslissing behoore, geschied de uitspraak door het Vertegenwoordigend Lichaam.

261. In Civile zaken, is het regt van partijen, om haare geschillen door bemiddeling van, door haar zeiven gekozen. Scheidsmannen aftedoen, onschendbaar, en der-zelver uitspraak zonder hooger beroep, tenzij partijen zig zulks uitdruklijk voorbehouden.

262. In Crimineele Vonnissen, ten nadeele van den beschuldigden gewezen, word de misdaad naauwkeuriglijk uitgedrukt, op poene van nulliteit.

263. Geen Regter oi\' Regtbank bereekent, ondereenig voorwendsel, of benaaming, eenige kosten, ten behoeve van zich zeiven. aan de geschilvoerende Partijen.

Tweede Afdeei.ing.

Van de Vrederigters, en derzelver Bijzitters, — Van de Burgerlijke Regt banken,—

Van de Departementaale Geregtshoven,— Van de Vierschaar over de misdrijven der Regters,—

Van het Hoog Nationaal Geregtshof, —-En van de lleytspleging over het Volk van Oorlog.

264. In elke Gemeente is of zijn een of meer Vrede-regters. Derzelver getal is evenredig aan de bevolking.

265. Elke Grond-Vergadering benoemt, ten dien einde, één Persoon buiten zig, bij meerderheid van stemmen en geeft berigt van hare keus, bij billet, dooiden Voorzitter en Secretaris geteekend, en verzegeld, aan den Raad der Gemeente.

266. De Raad der Gemeente doet eene Lijst dei-benoemde Persoenen drukken, vermindert die, bij herhaalde stemming, tot een Drietal, en volbrengt daaruit agt Dagen daarna, de gevorderde keus.

267. Wanneer eenig benoemd Persoon de volstrekte meerderheid van stemmen der Grond-Vergaderingen heeft, word deze keus door den Raad bekragtigd.

268. Aan ieder Vrederegter worden, op vordering van Wederzijdsche Partijen, twee Bijzitters toegevoegd.

54

-ocr page 75-

TiTur, VIII. Van de Reg terlij l;e Magt. 55

269. De Bijzitters worden benoemd door de Grond-Vergadering, en wel door ieder Eun. De lijst derzelven word door den Raad der Gemeente, ten spoedigsten, openlijk bekend gemaakt.

270. Vrederegters en Bijzitters worden, voor den tijd van twee Jaaren, gekozen; doch zijn wederom ver-li iesbaar.

271. Uit de algemeene Lijst der Bijzitters zijn Partijen bevoegd, ieder, één, naar hun welgevallen, te kiezen.

272. De Wet bepaalt de voorwerpen, waarover de Vrederegters, hetzij met of zonder hunne Bijzitters, ook met of zunder hooger beroep, uitspraak doen.

273. Het staat niemand vrij. eenig twistgeding aan-tevangen, zonder zig, alvoorens, tot den Vrederegter to hebben vervoegd.

Zo de Vrederegter hen niet kan bevredigen, verwijst bij ben, bij sehriftlijke acte, naar de Burgerlijke Regt-bank, met overlegging der daartoe behoorende Stukken, door beide Partijen onderteekend.

274. Geene Practisijns, noch derzelver instructoire Schriftuuren, voor zoo verr\' zij geene bewijs-stukken behelzen, worden door den Vrederegter, met of zonder Bijzitters gezeten zijnde, toegelaten.

275. De Wet bepaalt de ambtsverrigtingen en de jaarwedden der Vrederegters, als mede, op welke wijze zij de zaken, voor ben gebragt, hebben te instruëeren.

276. In elk Departement bestaan Burgerlijke Regt-hanken.

277. Derzelver aantal en werkzaamheden, zoodanig, als het gerief der Ingezetenen, ter bekominge van goed regt, vordert, gelijk mede het aantal van Leden, en de wijze van keus door de flrond-Vergaderingen, worden dooi\' de Wet bepaald.

278. Ieder Departementaal Bestuur benoemt, op instructie van het Uitvoerend Bewind, in de verschillende Gemeenten van deszelfs Departement, het benoodigd aantal van Schouten Crimineel met derzelver Dienaars.

279. Voor elk Departement bestaat een Departenien-tnal Geregtshof, ter behandeling zoowel van Crimbieele, als van Civile zaken, volgends Instructie, door het Vertegenwoordigend Lichaam vervaardigd.

280. Hetzelve is zaamgesteld uit tien Leden, waarvan

-ocr page 76-

STAATSREGELING VAN 1798.

vijf tot de crimineele, en vijf tot de civile Zaken, bijzonderlijk werkzaam zijn.

281. Het Uitvoerend Bewind stelt, bij elk dier Geregts-lioven, eenen Commissaris, gelast, om te waaken voor de uitvoering der Wetten, en derzelver form, gelijk mede, eenen openbaaren Aanklaager in crimineele gevallen.

282. Bij deze Geregtshoven dienen de Civile Zaken, alleen in geval van hooger beroep.

283. Ieder dezer Geregtshoven vonnist, bij uitsluiting, over alle misdaaden, in derzelver Departement begaan, over welken de Wet. hetzij infamie of\' lijfstraf bepaalt, waaronder bijzonderlijk behooren alle fraudes en contravention, door Ingezetenen van het Departement ten nadeele van \'s Lands Middelen gepleegd.

284. Dezelven doen. al mede, uitspraak over alle misdrijven, door alle Leden van eenig Administratief Bestuur, of ook door de ondergeschikte Financiëele Ambtenaars in de Departementen en Gemeenten, in derzelver posten begaan.

285. In geval eener gevorderde Revisie van een Vonnis, door zoodanig Geregtshof gewezen, word dezelve opgedragen aan Adjunclen Reviseurs, uit de naastbij gelegen Departementaale Geregtshoven te benoemen.

Derzelver getal zal evenredig zijn aan dat van hun, die het Vonnis hebben uitgebragt.

286. De Wet bepaalt de wijze van benoeming, den tijd van aftreding, de werkzaamheden, met derzelver splitsing, en de jaarwedden van alle Leden, tot de Departementaale Geregtshoven behoorende.

287. De Wet bepaalt insgelijks, de aanstelling dei-nodige Ministers bij ieder dezer Hoven, onder bepaalde Instrue.tiën.

288. Ingeval van verzuim, of misdrijf, dooreen Regter of Regtbank in de uitvoering dei- Wetten, of derzelver form begaan, geeft de Commissaris bij dat Departementaal Geregtshof, waaronder die Regter of Regtbank behoort, daarvan terstond kennis aan den Agent van Justitie.

289. In het eerste geval, poogt de Agent van Justitie denzelven Regter, of Regtbank, door nadrukkelijke In-stantiën, tot derzelver pligt te overreeden.

290. In geval van misdrijf, schorst de voornoemde Agent het Vonnis, en draagt zijne aanklagt voor aan het

56

-ocr page 77-

TITUL VIII. Van de Reg terlij ke Macjt. 57

Vertegenwoordigend Lichaam, met eiscli van regtsver-volging.

291. Het Vertegenwoordigend Lichaam \\olmagtigt, alsdan, den gemelden Agent, om, ten dien einde, bij-éénteroepen de Vierschaar over de misdrijven der Reg Iers, in liunnen post begaan.

292. Deze Vierschaar is zaamgesteld uit den voorn. Agent, als Aanklaager, en vijf Leden uit de vijf Depar-tementaale Geregtshoven, daartoe, bij tourbeurt \'lier Hoven, en bij loting van derzelver Leden, te verkiezen.

Bij de daarstelling der Departementaale Geregtshoven zal daartoe een Rooster gemaakt worden.

293. De gedaane aanklagt tegen den Regter, of Regtbank, door dezelve Vierschaar wordende bekragtigd. vernietigd Zij alsdan het Vonnis, tegen de Wet of derzelver form geveld, en verwijst den Regter tot do straf, bij de Wet bepaald.

294. Het Hoog Nationaal Geregtshof bestaat, alleenlijk, in de gevallen, bij de Wet bepaald, bijzonderlijk, om uitspraak te doen over misdrijven, door de Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam, of van het Uitvoerend Bewind, deszelfs Agenten. Commissarissen der Nationaale Reekening, door de Ministers dezer Republiek en derzelver Secretarissen bij Buitenlandsphe Mogendheden, of door de Secretarissen van Ambassade, in de waarneming hunner Posten begaan.

Deszelfs zamenroeping geschied door het Uitvoerend Bewind, op last van het Vertegenwoordigend Lichaam.

295. Hetzelve is zaamgesteld uit Leden der Departementaale Geregtshoven.

Uit ieder dezer Hoven worden, bij loting drie Leden gekozen, om als Regters te handelen.

Uit deze, aldus gekozen, vier-en-tivintig Regters, kan zoo wel de besahuldigde, als beschuldiger, agl derzelven weigeren, zonder redengeving.

De redenen van weigering, tegen de overige Regters aangevoerd, worden beoordeeld door zoodanig Departementaal Geregtshof, als beschuldigde of beschuldiger zal benoemen. Aan deszelfs uitspraak zullen zij zig onderwerpen. De re lenen gegrond wordende geoordeeld, worden de Plaatsen dier geweigerde Leden, bij loting, vervuld, zonder de weigering te herhaalen.

-ocr page 78-

STAATSREGELING VAN \'1798.

Onder de zestien Regters, die alzoo zijn toegelaten, geschied eene uitloting van vier Leden.

De overige twaalf Regters vormen alzoo het Hooy Nationaal Geregtshof\'.

Uit dit getal word, bij loting, Kén derzelven tot open baar en Aanklaager benoemd.

De overige elf\' Regters verkiezen uit hun midden ecnen Voorzitter.

De Wet bepaalt de Belofte, en andere voorbereidselen, tot deze Zitting behoorende.

296. Dit Geregtshof vergadert niet, dan nadat het Vertegenwoordigend Lichaam een Decreet van beschuldiging genomen heeft.

297. Het Vertegenwoordigend Lichaam bepaalt almede de Plaats, alwaar dit Geregtshof zijne zitting zal houden.

Deze Plaats moet, ten minsten, tien uuren van het verblijf des Vertegenwoordigenden Lichaams verwijderd zijn.

298. Het Volk van Oorlog blijft, zonder onderscheiding van rang, in alle civile zaken, en voords in commune delicten, alleenlijk onderworpen aan den Burgerlijken Regter.

299. Zoodanige feiten, echter, die in den Dienst, en door den Krijgsman alleen, kunnen worden bedreven, worden aan Garnisoens-Krijgsraaden verwezen, die, op confessie, vonnis wijzen, zonder hooger beroep.

De Wet zal nader bepaalen de gevallen, op welke deze regel toepaslijk zij.

Het Reglement van Krijgs-Tugt (Art. 117) bepaalt derzelver zamenstelling, vooral ten aanzien der Auditeuren Militair, en Fiskaals.

300. In tijd van Vrede, kan, in crimineele gevallen, eene herziening der Vonnissen van genoemde Garnisoens-Krijgsraaden gevorderd worden, om te beöordeelen, of de straf, bij de Wet bepaald. naar behooren is toegepast.

In dat geval, dienen de uy/\'oudste Hoofd-Officieren van de Brigade, en de naastbijzijnde Auditeur-Militair, mids niet in dezelfde zaak bij den Krijgsraad gediend hebbende.

301. In militaire Vonnissen, door Garnisoens-Krijgs-raaden zonder confessie geslagen, zal een hooger beroep zijn op eene Hvoge Vierschaar.

Dezelve zal bestaan uit vijf Hoofd-Officieren, en een Fiskaal.

58

-ocr page 79-

TiTUi, VIII. Van de Reg terlij ke Magt. 59

De Wet bepaalt, in dit geval, de werkzaamheden \\an den Agent van Oorlog, en de betrekkingen van den Fiskaal en der Auditeurs-Militair, gelijk mede de wijze van zamenstelling dezer Vierschaar.

302. Eene gelijksoortige vorming en werking van Krijgsraaden heeft plaats, ten aanzien der Mariniers, zoodia zij zig aan boord van \'s Lands Schepen bevinden.

De Wet maakt ook, ten dezen opzigte, zoortgelijke bepaalingen, als in Art. 300 tot :i02 zijn uitgedrukt.

303. De nieuwe vorming der, in dezen Titul omschreven, Regterlijke Magt zal haaren aanvang nemen, binnen ééne Maand na de eerste zitting van het Vertegenwoordigend Lichaam.

Het Wetboek van Burgerlijke en Lijfstraflijke Wetten (Art. 28, Blndz. 5) zal echter, in de form dezer inrigtingén, zoodanige veranderingen mogen maken, als tot veiligheid van den Staat, en gerief der Ingezetenen. in den tijd, zal nodig geoordeeld worden.

TITUL IX.

Over dvu 8taiitkiiiidigeii invloed des Volks op de Staatsregeling.

304. Tot op het einde van het jaar 1803 der gemeene Tijdreekening, kan \'er geenerlei verandering in de Staatsregeling gemaakt worden.

305. Met den aanvang van het jaar 1804 zal er eene herziening van dezelve plaats hebben.

306. Tot dat einde, zal werkzaam zijn eene Commissie van Herziening, bestaande uit zooveele Leden, als \'er tag tig duisendtallen Zielen in de Rataafsche Republiek gevonden worden, en gekozen door de Gronden Districts-Vergaderingen, op den tijd en de wijze, bepaald bij het Reglement, letter E.

307. Vervolgends, kan \'er, van vijf tot vijf Jaaren, eene nieuwe Herziening der Staatsregeling plaats hebben, op de wijze, bij hetzelfde Reglement vastgesteld.

-ocr page 80-

staatsregeling van 1798.

308. Behalven op deze, bij de Staatsregeling vastgestelde, tijdstippen en wijze, en zonder den uitgedrukten wil des Volks, kan dezelve, nimmer, wettiglijk worden veranderd.

REGLEMENTEN,

behoorende tot de

ACTE VAX S T AATSREGELIN G.

B IJ L AG E.

REGLEMENT, LETTER A. lielioorcntli\' tot Titul II.

Eerste Afdeeling.

Over de wijze van Stemming in de Grond-Vergaderingen.

Art. 1. In elke Grond-Vergadering, is de Oudste in jaaren provisioneel Voorzitter, en de Jongste neemt den post van Secretaris op zich, waarvan zij, nogthands, om redenen, door de Vergadering voldoende geoordeeld, verschoond kunnen worden, en opgevolgd door den Naastvolgenden in jaaren.

2. In elke Grond-Vergadering, worden door dlt;n Secretaris de naamen der stemhebbende Burgers, daartoe behoorende, volgends eene Lijst, door het Gemeente-Bestuur aan den Voorzitter toegezonden, gelezen, die der agtergeblevenen aangeteekend, en liet getal der aanwezenden opgemaakt.

3. Bij geheime stemming, worden vijf Stemöpnemers bij meerderheid benoemd, en uit dezelven één tot Voor-

60

-ocr page 81-

Reglement, Letter A.

zitter, en één tot Secretaris verkozen, terwijl één der drie anderen de Contra-Lijst van stemming zal houden.

i. Dezen benoemd zijnde, word niemand, onder welk voorwendsel ook, in de vergadering meer toegelaten, noch kan zich iemand daaruit verwijderen, dan met toestemming van den Voorzitter.

5. De Voorzitter opent de Vergadering in dezer voege: «Het werk. Medeburgers, waartoe wij thands gesroepen zijn, vordert de plegtige herinnering van ))het belang, dat \'er voor ons en voor alle onze «Medeburgers, wier zaak wij alhier waarnemen, ligt »in de gelukkige keuse van eenen Man, op wiens «schouders, benevens anderen, met hem in het Be-»stuur te plaatsen, deszelfs gewigtige last zal rusten. «Dat dan het besef van dit belang, en van onze «duure verpligting, ons alles doe ter zijde zetten, «wat ons beletten zou, zoodanig eenen te benoemen, «toegedaan aan de heilige beginselen en voorschriften «onzer Staatsregeling, dien elk onzer in gemoede, «als den braafsten en kundigsten tot zulk eenen «aanmerkelijken post, beschouwt, ten einde elk onzer «een gerust geweten hebbe voor God en het Vaderland!quot;

«Ik maak dus geene zwaarigheid, om, op nieuw, «de volgende Verklaaring afteleggen

»«//c verklaar, eenen onverander lij ken afkeer te ygt;ygt;lcebben van het Sladhouderschap, Foederalisme, de dtgt;Aristocratie, en de Regeeriny loosheid. — Ik beloof\', ai)dat ik, in alle de benoemingen, die ik heden zal Dvdoen, niemand stemmen zal, dien ik in waarheid DDgeloove een aanhanger van het stadhouderlijk of nFoederatief Bestuur, of voorstander van Aristo-DDcratie en regeeringloosheid te zijn.

ddDH verI;laar ik op mijne Burgertrouw.quot;quot;

6. Deze Verklaaring ligt geschreven op de tafel, aan welke de Voorzitter geplaatst is. en ieder der Stembe-voegden legt, bij den aanvang der werkzaamheden, zijne hand op dit geschrift, en zegt, terwijl dezelve daarop rust, overluid:

«Dtï verklaar ik.quot;

7. De Voorzitter, Secretaris, en drie Stemöpnemers, brengen het eerst hunne stem uit, zonder deswege onder elkander eenige raadpleegingen te houden.

61

-ocr page 82-

STAATSREGELING VAN \'1798.

8. De Secretaris, na alvoorens aan ieder der Stembevoegden een Nummer te hebben doen trekken, teekent hetzelve onder het oo^ van hem. die het getrokken heeft, op den hoek van een Brief,jen, vouwt den hoek, •en verzegelt denzelven naar behooren.

9. Ieder schrijft, in tegenwoordigheid der Stemopne-mers, den Persoon, dien hij stemt, met uitdrukking van ■deszelfs naam en toenaam, of met zoodanige andere aanduiding, als denzelven kenbaar maakt, op het gezegde Briefjen, steekt het in eene daartoe bestemde Busse, die behoorlijk gesloten is, en waarvan de sleutel, gedurende de stemming, bij den Voorzitter bewaard blijft.

10. Hij. die niet kan lezen en schrijven, meld den Persoon, dien hij wil stemmen, met uitdrukking van des-zelfs naam en toenaam, of met andere voegzame aanduiding, aan den Secretaris, en aan hem, die de Contra-Lijst houd. De Secretaris schrijft zulks voor hem op het Stem-briefjen. vertoont dit aan hem, die de Contra-Lijst houd, •en laat het door den Stemmer zelf in de Busse steken.

11. Na het inkomen van alle de Brief jens, opent de Voorzitter, in tegenwoordigheid der Stemmers, de Busse. neemt de Briefjens één voor één daar uit, en stelt dezelven ter hand aan den derden Stemöpnemer, die tot het oplezen der naamen benoemd is.

12. Deze is gehouden, den naam, op ieder Briefjen geschreven, overluid op te lezen, en aan den Secretaris en hem, die de Contra-Lijst houd, te vertoonen, welke beiden, ieder op zijne Stern-Lijst, de naamen aanteekenen.

13. In geval bij het oplezen van eenig Briefjen blijkt, dat iemand in de aanduiding van den Persoon een misslag had begaan, word het Nummer door den Voorzitter ontzegeld, en de Stemmer opgeroepen, om zich nader te verklaaren.

14. Hij, die de volstrekte meerderheid van Stemmen {dat is, ten minste, ééne meer, dan de helft, van alle de Stemmen) heeft, is de Benoemde. gt;

15. Wanneer niemand de volstrekte meerderheid heeft, zullen alle de Gestemden op nieuw worden voorgelezen. ten einde daaruit één benoemd worde.

16. Bij de tweede stemming, zulk eene meerderheid geene plaats hebbende, worden de drie, die de meeste stemmen hebben, tot eene derde stemming voorgedragen.

62

-ocr page 83-

Reglement, Letter A.

17. Bij de derde stemming is hij, die do meeste stemmen heeft, schoon geene volstrekte meerderheid hebbende, benoemd. In pevai de stemmen staken, beslist het Lot.

18. Bij elke herstemming worden, alvorens, de voori^e Sterabrietjens in een Omsla,n\' verzegeld, en. na afloop dei-Zitting, verbrand.

19. Zoodra de benoeming van eenen Vertelt;reriwoordi^ei\' en, op dezelfde wijze, die van eenen Kiezer der Grondvergadering en deszelfs Plaatsvervanger, igt;f iquot;ik lt;le stemming volbragt is ovei\' zoodanige zaak. waartoe de Cirond-Vergadering, bij de Staatsregeling, ofdooreene bijzondere Wet van het Verte,iienwoordigeml I.ii-haam. was opgeroepen, word het verhandelde in geschrift gesteld, en door den Voorzitter, Secretaris, en de d/vV Stemopneiners onderteekend: waarna de Vergadering door den Voorzitter oogenblikkelijk gescheiden word.

20. Be Wet bepaalt de wijze van stemming, bij het verkiezen van onderscheiden openbaare Ambtenaaren voor zooveel bij de Staatsregeling daarin niet Is voorzien.

Tweede Afdeki.ixg.

Van de Kiezers, ter Districts-Vergadering.

21. Be Kiezers bedanken nimmer voor den him opgelegden last, dan om redenen, welke bij de Grondvergaderingen, waardoor zij benoemd zijn. worden aangenomen.

22. Zij bevinden zig. op den derden dag na de benoeming, op do plaats hunner bestemming. Ter goedmaakinge der reiskosten, wordt hun, voor ieder uur afstands, toegelegd één Gulden.

23. Zij geven hunnen Lastbrief aan eene daartoe benoemde Commissie van het Plaatslijk Bestuur, alwaar, de Districts-Vergadering gehouden wordt, ter naarziening over, en voords in de Vergadering aan den Voorzitter.

24. Wanneer de Kiezer verhinderd word, ter Dixtriets-Verg adering te verschijnen, draagt hij dien post op aan zijnen Plaatsvervanger.

25. Ook deze wordende verhinderd, draagt hij zorg. dat de door zijne Grond-Vergadering benoemde Persoon aan de Vergadering van Kiezers kenbaar worde, en zend, tot bewijs der egtheid, zijnen lastbrief.

-ocr page 84-

STAATSREGELING VAN \'1798.

26. De Vergadering van Kiezers constitueert zig op denzelfden voet, als de Grond-Vergaderingen. {Art. i enz.)

27. De Voorzitter doet alle de. door de onderscheiden Gr rond-Vergaderingen van dat District benoemde, Persoonen, op eene Lijst brengen, en der Vergadering voorlezen.

28. Zo iemand door eene volstrekte meerderheid (dat is, door ééne stem meer, dan de helft) der Grond-Vergaderingen is benoemd, is de keus gedaan.

29. Zo niemand door de volstrekte meerderheid is benoemd, worden de drie, door de meesten van alle Grond-Vergaderingen benoemd, op eene Lijst gebragt.

30. Zo \'er geene drie Persoonen door meer dan ééne Grond-Vergadering benoemd zijn, worden uit de andere benoemde Persoonen, bij besloten Briefjens, één of tivee tot het Drietal, bij eene betrekkelijke meerderheid van stemmen, benoemd.

31. Zo niemand der voorgedragenen, door meer dan ééne Grond-Vergadering, ware benoemd , word uit alle de benoemde Persoonen een Drietal op dezelfde wijze daargesteld.

32. Uit het gemaakte Drietal word het Lid der Vertegenwoordigende Vergadering gekozen.

33. De wijze van benoeming geschied, overeenkomstig Art. 7, 8, 9, li. 12 en 13, voor de stemming in Grondvergaderingen bepaald.

34. Op gelijke wijze, als bij Art. 9. 10, 11, 12, 13 en 14, van dit Reglement bepaald is, word één Plaatsvervanger van het Lid der Vertegenwoordigende Vergadering gekozen.

35. Zo iemand der Kiezers door zijne Mede-Kiezers op het Drietal geplaatst word, begeeft hij zich, bij de stemming daarover, buiten de Vergadering.

36. De benoeming geschied zijnde, doet de Voorzitter een Credentiaal voor den Benoemden door den Secretaris opmaaken, van den navolgenden inhoud:

»De Vergadering van Kiezers uit veertig G-ond-

»Vergaderingen van het District........ der Bataaf-

ssche Republiek, ontbied, in gevolge der Acte van

«Staatsregeling, den Burger......, wonende........

»ten einde zig te vervoegen, als Lid, bij het Verte-»genwoordlgend Lichaam der Bataafsche Republiek.quot;

Dit Credentiaal word, onverwijld, aan het gekozen Lid,

64

-ocr page 85-

Jteglament. Letter A.

en een zoortgelijk aan deszelfs Plaatsvervanger, toegezonden.

37. Hetzelve wordt door den Voorzitter geteekend, en door den Secretaris met twee Leden gecontrasigneerd.

38. Van deze benoeming, en van het verhandelde ter Districts-Vergadering, word met eenen Brief kennis gegeven aan het Vertegenwoordigend Lichaam, en aan het Uitvoerend Bewind, op gelijke wijze onderteekend, als in het naastvoorgaande Artikel is gemeld.

39. De Voorzitter verklaart alsdan, dat de werkzaamheden der Vergadering geëindigd zijn, en scheid dezelve.

BIJ LAG E.

REGLEMENT, LETTER B.

Beliooreude tot Titul III.

Eerste Afdeeling.

Van de Vervulling der jaarlijks openvallende Plaatsen in het Vertegenwoordigend Lichaam.

Art. 1. Het Uitvoerend Bewind roept, volgends de orde, door de loting, hij Art. 38 van de Acte der Staatsregeling bepaald, jaarlijks, tijdig op alle de Grond-Vergaderingen van de Districten, wier tourbeurt het alsdan is, tegen den laatsten Dingsdag der Maand May, met herinnering van tijd en plaats van zamenkoinst der Dtstn\'cf.s-Vergaderingen, ten einde nieuwe Leden te benoemen voor het \\ ertegenwoordigend Lichaam.

2. De aldus verkozen Leden tot het Vertegenwoordigend Lichaam. en derzelver Plaatsvervangers, zenden, binnen veertien Dagen na de gedane keuse. hunne Geloofsbrieven aan het Uitvoerend Bewind, welk dezelven oogenbliklijk zend aan eene Commissie, tot dat einde benoemd, en zaamgesteld uit Vier Leden der Eerste Kamer, en Twee der Tweede Kamer, ter beöordeelinge.

3. Deze Commissie beoordeelt, binnen de drie naast-volgende Weeken, alle de ingekomen Geloofsbrieven,

65

-ocr page 86-

66 STAATSREGELING VAN 1798.

geduurende welken tijd een gekozene aan dezelve redenen kan inzenden, waarom hij meent zig te moeten verschoo-nen: gelijk ook, in dien tusschentijd, andere Burgers aan dezelve kunnen voordragen zoodanige schriftlijke bezwaa-ren, als zij tegen de wettigheid der verkiezing, of de bevoegdheid des gekozenen, oordeelen te hebben.

4. Indien de Commissie noch in de keuse, noch in den gekozenen, eenig gebrek bevind, hetgeen hem onbevoegd maakt, volgends de Staatsregeling, om zitting te nemen; en. indien \'er geene gegronde bezwaren tegen zijn persoon of verkiezing zijn ingekomen, bekragtigt de Commissie deszelfs Geloofsbrief, en geeft daarvan aan de beide Kamers kennis.

5. Indien zij in de keuse, of in den gekozenen, zoodanig een gebrek bevind, of gegronde bezwaaren daaromtrend aan dezelve zijn voorgekomen, maakt zij zwaarigheid, den Geloofsbrief te bekragtigen, en geeft daarvan, met voordragt van redenen, kennis aan de Eerste Kamer, die alsdan beslist.

6. Indien de Eerste Kamer meent, den Geloofsbrief, om redenen. door de Commissie aangevoerd, niet te moeten bekragtigen. vernietigt zij de gedane keus, en selast het Uitvoerend Bewind, om. zonder uitstel, den Plaatsvervanger van hem, wiens keus vernietigd is, opteroepen, of zoo ook de keus van dezen is vernietigd, alsdan om te zorgen, dat ten spoedigsten eene nieuwe verkiezing voor beiden plaats hebbe.

7. Indien de Commissie de redenen van verschooning, door eenen gekozenen ingezonden, niet voldoende oordeelt, maakt zij zwaarigheid, denzelven te ontslaan, en geeft daarvan kennis en redenen aan de Eerste Kamer, die in dat geval beslist.

8. Zo de Eerste Kamer de redenen van verschooning onvoldoende keurt, en de gekozene niettemin blijft weigeren . zitting te nemen, verklaart zij, openlijk , denzelven vervallen van zijne stembevoegdheid, met alle de gevolgen, daaraan bij de Acte der Staatsregeling (Art. 10) verbonden, en gelast het Uitvoerend Bewind, om, onverwijld, deszelfs Plaatsvervanger op te roepen, om zitting te nemen.

Deze oproeping geschied ook, wanneer de Eerste Kamer, op voordragt der Commissie, den gekozenen, om aangevoerde dugtige redenen, zijn ontslag verleent.

-ocr page 87-

Reglement, Letter B.

9. Indien dezelfde persoon in meer dan één District gekozen most zijn, beslist de Commissie, bij lotinu;, voor welk District bij zal optreden, en het Uitvoerend Bewind roept zijnen Plaatsvervanger op, uit dat District, waarin bij mede gekozen was.

10. Dit zelfde beeft plaats omtrend zijnen Plaatsvervanger, indien bij op meer plaatsen gekozen mogt zijn; en, in bet District, welks Eerste gekozene en Plaatsvervanger beiden voor een ander District moeten optreden, geschied ten spoedigsten eene nieuwe keus.

Alles, wat, bij Art. 2—10 van dit Rec/lcment, aan de gecombineerde Commissie, en aan de Eerste Kamer, is aanbevolen, geschied, voor de eerste, maal, door eene Commissie uit de Constitueenende Vergadering, en door die vergadering zelve.

11. Terstond na de goedkeuring der Geloofsbrieven van de nieuwbenoemde Leden, roept bet Uitvoerend Bewind dezelven op, om, binnen veertien Dagen, zich te vervoegen in de Residentie-Plaats.

12. De nieuw verkozen Leden, alsdan in de Residentieplaats tegenwoordig, komen, met de zitting hebbende Leden van bet Vertegenwoordigend Lichaam, te zamen op den daartoe bestemden dag in eene algemeene Vergadering, ten einde, na de Verklaring {Acte der Staatsregeling Art 30) te hebben afgelegd, de verdeeling van het Vertegenwoordigend Lichaam in twee Kamers mede daar te stellen, en daarop, oogenblililijk, zitting te nemen in die Kamer, tot welke zij door de Algemeene Vergadering benoemd worden.

13. Tot op den dag, ter zittingneming der nieuwe Leden bepaald, blijven de aftredende Leden hunne plaats in elke der beide Kamers behouden.

Tweede Afdeeung.

Van de verplaatsing van het Vertegenwoordigend Lichaam.

14. Het Uitvoerend Bewind, zoodra het kennis ontvangt van een gevallen Decreet ter verplaatsinge van

67

-ocr page 88-

STAATSREGELING VAN 1798.

het Vertegenwoordigend Lichaam naar elders, geeft van hetzelve, liij Proclamatie, kennis aan den Volke, en zorgt, zonder uitstel, dat ui les in gereedneid zij, om het Vertegenwoordigend Lichaam ten bestemden tijde en plaatse te ontvangen.

Alle tegenstand en vertraging, aan dit Decreet toege-bragt, is een aanslag tegen de veiligheid van den Staat.

15. Datzeive Bewind zorgt tevens, dat daarvan, onverwijld, aanschrijving geschiede aan die Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam, welken afwezig mog-ten zijn, met oproeping, om, ten bestemden tijde en plaatse, ter Vergadering tegenwoordig te zijn.

16. Indien eenig Lid, op dien tijd, aldaar niet tegenwoordig is, en, binnen nyt Dagen na ontvang der gedane aanschrijving, geene redenen voor zijne afwezigheid heeft ingezonden, of, indien de gegeven redenen door de Kamer, waartoe hij behoort, niet voldoende gekeurd zijn, word hij door die Kamer verklaard, vervallen te zijn van zijnen post, en het Uitvoerend Bewind gelast, onverwijld te zorgen voor de oproeping van zijnen Plaatsvervanger, of voor eene nieuwe verkiezing in zijne plaats.

Zoodanig agtergebleven Lid word, daarenboven, als schuldig aan aanslag op de veiligheid van den Staat, voor dat Departemer^aal Geregtshof, waartoe hij als Ingezeten behoort, te regt gesteld.

17. Aan dezelfde misdaad zijn ook schuldig allen, die zig, in eenlgerlei opzigt, tegen het verkiezen van nieuwe Leden in liet Vertegenwoordigend Lichaam verzetten.

Dehde Akdeemng.

Van de form van Raadpleeging, en de Formulieren, daarbij in acht te nemen.

18. De Eerste Kamer neemt, in het raad pleegen over eenig voorstel barer Leden of Commissiën, de volgende form in acht:

a. liij ieder voorstel, of rapport, moet worden voorgedragen het Ontwerp van de Wet, of van het Besluit, waartoe Hetzelve strekt.

h. \'Er geschieden drie lezingen van elk zoodanig voor-

68

-ocr page 89-

Reglement, Letter B.

stel, alvoorens daarop te besluiten. De tussehenstand van de eene lezing tot de andere is, telkens, ten minsten van drie dagen.

c. Na de eerste of tweede lezing, kan een voorstel verworpen, of de raadpleeging daarover uitgesteld worden. Het besluit kan niet eerder, dan na de derde lezing, plaats hebben.

d. De tweede lezing beeft geene plaats, dan wanneer in de eerste lezing, vijf Leden dezelve vorderen; wordende, in dat geval, de dag tot die tweede lezing, bepaald. Ditzelfde word, bij eene tweede lezing in acht genomen omtrend de derde lezing.

e. De bijvoegselen, of bepaalingen van eenig voorstel, kunnen wel, bij de eerste of tweede lezing, voorgedragen, doch niet, dan na de derde lezing, in overweging worden genomen.

19. Deze form, echter, word niet in acht genomen omtrend besluiten van onverwijlde noodzaaklijkbeid. Alleen moet, vóór dezelven, eene stellige verklaaring van die noodzaaklijkbeid, door de volstrekte meerderheid van alle de Leden der Eerste Kamer erkend, voorafgaan.

20. De Voorstellen, door de Eerste Kamer aangenomen, en in besluiten veranderd zijnde, worden onverwijld gezonden aan de Tweede Kamer; zijnde aan het hoofd derzelven uitgedrukt, of de dagteekening der drie agtereenvolgende lezingen, of wel de beredeneerde verklaaring van onverwijlde noodzaaklijkbeid.

21. Indien, uit het hoofd van eenig toegezonden Besluit aan de Tweede Kamer, niet blijkt, dat de voorgeschreven form in acht genomen, of de onverwijlde noodzaaklijkbeid door de Eerste Kamer verklaard is, weigert dezelve haare bekragtiging, zonder den inhoud van het besluit zelf in overweging te nemen, en zend dat aan de Eerste Kamer terug.

22. Indien, aan liet hoofd van een Besluit, de verklaaring van onverwijlde noodzaaklijkbeid door de Eerste Kamer is uitgedrukt, raadpleegt de Tweede Kamer, terstond, over die verklaaring.

a. Zoo de Tweede Kamer die verklaaring bekragtigt, raadpleegt Dezelve, zonder uitstel, over het Besluit zelve.

h. Zoo deze Kamer die verklaaring verwerpt, neemt

69

-ocr page 90-

STAATSREGELING VAN 1798.

Dezelve liet daarbij ingezonden Besluit niet in overweging, maar zend hetzelve oogenbliklijk, met haar Decreet van weigering, terng aan de Eerste Kamer.

23. Indien een Besluit der Eerste Kamer, aan de Tweede Kamer voorgesteld, wel de vereischten heeft, in Art. 18, gevorderd, en, zo de Twee/te Kamer wel bekragtigt de verklaaring van onverwijlde noodzaak-lijkheid, maar de zaak zelve, of den maatregel, in het Besluit voorgedragen, niet bekragtigt, zend zij hetzelve, met haar Decreet van weigering aan de Eerste Kamer terug.

24. Alle voorgestelde Besluiten der Eerste Kamer, aan welker hoofd niet geplaatst is de verklaaring van onverwijlde noodzaaklijkheid, moeten om door de Tweede Kamer te kunnen bekragtigd of verworpen worden, alvoorens, drie lezingen in dezelve ondergaan. Het tijdsverloop, tusschen de eene lezing en de andere, is ten minsten van drie dagen telkens. Zo het Besluit word bekragtigd, worden de drie dagen der onderscheiden lezingen, in de Tweede Kamer, aan het hoofd daarvan uitgedrukt.

25. In alle gevallen, waarin de Tweede Kamer een Besluit, haar door de Eerste Kamer voorgesteld, op de wijze, bij Art. 23, bepaald, verwerpt, voegt zij, bij haar Decreet van weigering, de redenen, welke haar daartoe bewogen hebben.

26. De Eerste Kamer neemt deze redenen, na een tussehentijd van ten minsten twee dagen, in overweging.

«. Indien Zij in dezelve berust, is het Decreet der Tweede Kamer onveranderlijk,, en het voorgesteld Besluit blijft verworpen.

h. Zo de Eerste Kamer niet berust in de aangevoerde redenen van weigering, zend Zij haare tegenbeden-kingen daarop aan de Tweede Kamer.

27. De Tweede Kamer neemt, in zoodanig geval, de nadere bedenkingen der Eerste Kamer, op den tweeden dag, na die te hebben ontvangen, in overweging.

28. Indien dezelve de bedenkingen der Eerste Kamer gegrond vind, vernietigt zij haar Decreet van weigering, en bekragtigt het voorgesteld Besluit van de Eerste Kamer.

70

-ocr page 91-

Reglement, Letter B.

29. Indien zij die bedenkingen niet gegrond vind, volhard Zij bij haar Decreet van weigering: doch hiertoe word, bij hoofdlijke stemming, eene meerderheid van twee Derden van alle haare tegenwoordig zijnde Leden vereischt. De naamen van alle, die in dit geval voor of tegen gestemd hebben, worden in de Notulen aangetee-kent. Van dit Besluit word, onverwijld, aan de Eerste Kamer kennis gegeven.

30. Een zoodanig afgekeurd Voorstel kan, bij geene der beide Kamers, wederom in overweging worden gebragt, dan na verloop van een Jaar.

31. De Tweede Kamer bekragtigt of verwerpt, nimmer, eenig bijzonder Artikel van het voorgesteld Besluit. De Eerste Kamer kan het een of ander gedeelte van hetzelve in geval van verwerping, op nieuw, aan de Tweede Kamer ter bekragtiging inzenden.

32. De Formulieren, waarvan de Tweede Kamer in de onderscheiden gevallen, boven uitgedrukt, zig bedient, zijn de volgende:

a. In het geval, bepaald bij Art. 21.

De Staatsregeling verbied, dit Besluit in overwe-ging te nemen.

h. In het geval. Art. 22, letter a.

De Tweede Kamer, overwegende, dat____ hek rag ligt

de Verklaaring van onverwijlde noodzaakt ij khe id, door de Eerste Kamer geplaatst aan het hoofd van het volgend Besluit.

e. In het geval. Art. 22, Letter h, bepaald.

De Tweede Kamer erkent de noodzaaklijkheid van een onverwijld Besluit niet.

d. In het geval. Art. 23, bepaald.

De Tweede Kamer, overwegende, dat...... bekragtigt het nevensgaande Besluit niet.

e. In het geval van bekragtiging van een voorgesteld Besluit.

De Tweede Kamer bekragtigt het voorgesteld Besluit, en verandert hetzelve in een Decreet.

71

-ocr page 92-

STAATSREGELING VAN 1798.

BIJ LAG E.

REGLEMENT, LETTER C.

Behooreiulc tot Titiil IV.

Van de wijze van aftreding en verkiezing der Leden van het Uitvoerend Bewind, het Vóórzitterschap, de wijze van Raadpleeging, den post van Secretaris, en het Formulier wegens de afkondiging der Wetten, of het terugzenden eener Wet.

Art. 1. Jaarlijks treed een Lid van liet Uitvoerend Bewind af, de eerste vier Jaaren bij loting, en, vervolgends, naar ouderdom van dienst.

2. Ter vervullinge der openvallende plaats, stelt ds Eerste Kamer drie Persoonen voor.

üezelven moeten zijn Bataafsche Burgers, oud veertig jaaren, geboren binnen de Republiek, hebbende binnen dezelve, geduurende de laatste twintig jaaren, hunne vaste woonplaats gehad, en geene Leden zijnde van liet Vertegenwoordigend Lichaam.

De voorwaarde van vaste inwooning heeft geene betrekking tot die Bataven, die, inden Jaare 1787. genoodzaakt geweest zijn, wegens politieke vervolgingen, hun Vaderland te verlaten, mids daarin vóór den Jaare 179ü zijnde wedergekeerd.

Uit de drie voorgestelde Persoonen, verkiest de Tweede Kamer één Lid tot hot Uitvoerend Bewind, binnen drie Dagen na ontvangst der benoeming.

De voorstelling word jaarlijks volbragt op 1 Junij.

Voorstelling en keus worden gedaan bij geheime stemming, en bij eene volstrekte meerderheid van stemmen der tegenwoordig zijnde Leden in iedere Kamer.

3. Indien ééne of twee plaatsen openvallen tussehen den i Maart en den 4 Junij, worden dezelve niet eerder vervuld, dan op den gewoonen tijd der verkiezing. In dat .geval, nemen de overblijvende Leden tot zich één of meer

72

-ocr page 93-

Reglement, Letter C.

hunner agenten, als provisoneele Mjuncten, tot op den tijd der vervulling.

Indien de vacature invalt in eenige andere Maand van het jaar, heeft er eene buitengewoone en onverwijlde vervulling plaats.

4. Hij , die tusschentijds benoemd word tot vervulling eener plaats, welke, naar de gewoone wijze, nog langer, dan één jaar, had moeten bekleed worden, treedt wederom af, zoodra deze tijd door hem vervuld is. Doch, indien zijn Voorganger zoude afgetreden zijn bij de eerstvolgende gewoone verkiezing, vervult bij, nevens den tijd van zijnen Voorganger, ook de vijf\' daaraan volgende jaaren, alsof hij ten gewoonen tijde gekozen ware.

5. Niemand zal zig aan de op hem gevallen keus mogen onttrekken, dan om wettige redenen, staande ter beoordeelinge der Eerste Kamer, of eene Commissie uit dezelve, aan welker uitspraak de gekozene zig zal moeten onderwerpen.

6. Een aftredend Lid is niet weder verkiesbaar, dan na een tussc.hentijd van vijf Jaaren.

7. Ieder Lid van bet Uitvoerend Bewind zal. bij beurte, Voorzitter zijn, geduurende ééne Maand. Bij de eerste zitting, bepaalt bet Lot de tourbeurten der Leden.

8. Bij het Uitvoerend Bewind worden geene besluiten genomen, noch eenige orders afgevaardigd, dan in de gewoone, of ook in zoodanige buitengewoone Vergaderingen, waartoe het blijkt, dat de Leden geroepen zijn.

Alle Notulen, zoo van gewoone als buitengewoone Vergaderingen, moeten ten minsten door drie Leden onderteekend zijn.

9. Ieder Lid is bevoegd, zijnen bereedeneerden voordragt in de Notulen te doen inschrijven: gelijk mede te doen aanteekenen, waarom hij tot een genomen besluit niet hebbe gestemd. Geene protesten worden aangenomen.

10. Het Uitvoerend Bewind, des nodig oordeelende, raadpleegt, in afwezigheid van den Secretaris, mids, in zoodanig geval, de besluiten, door één der Leden, in een afzonderlijk geheim Register geschreven, en door allen, t\'elken reize, onderteekend worden.

11. De bijzondere Leden van het Uitvoerend Bewind zijn verpligt, alle berigten, betreffende den Staat, of des-zelfs betrekkingen, welken zij van de buitenlandsche

73

-ocr page 94-

staatsregeling van 1798.

Ministers dezer Ifepuhliek ontvangen, ter kennisse te brengen van het geheele Lichaam, om daarop het noodige regard te slaan, zonder immer eene afzonderlijke politieke of ministeriëele correspondentie te mogen houden.

12. Niemand der Leden begeeft zich buiten de Residentie-Plaats. dan op last. of met uitdruklijke toestemming van het Bewind zeil\'. Dit, echter, word nimmer aan meer, dan één Lid te gelijk, vergund.

13. Niemand, Lid geweest zijnde van het Uitvoerend Bewind, kan zonder toestemming van het Vertegenwoordigend Lichaam, bet grondgebied der Republiek verlaten, binnen twee .Taaren na deszelfs aftreding.

14. Tot Secrclnris van het Uitvoerend Rewind, gelijk mede tot deszelfs Agenten, tot Commissarissen, Leden van de Raaden der Oost- en West-Indische Bezittingen, of ook tot huitenlandsche Gezanten, of derzei ver Secretarissen, is niet benoembaareenig Lid van het Uitvoerend Rewind, dan na verloop van ^m- jaaren zederd zijne aftreding, noch ook iemand, die aan één van deszelfs in dienst zijnde Leden, tot in den dei-den graad ingesloten, vermaagschapt is door bloed vei\'wantschap of huwelijk, noch ook iemand, tenzij dertici jaaren oud . en de verdere vereischten, bij titul II van de Staatsregeling bepaald, bezittende.

15. De aanstelling van den gameiden Secretaris geschied door het Uitvoerend Rewind, volgends Instructie, door het Vertegenwoordigend Lichaam goedgekeurd.

16. Het Uitvoerend Rewind, noch ook deszelfs Leden, als zoodanigen, verschijnen immer in de Vergaderingen van het Vertegenwoordigend Lichaam. De mededeeling van voordragten aan het laatste geschied door eenen Roodschapper van Staat.

17. Het Formulier^ voor de afkondiging van ontvangen Wetten of Besluiten (Acte van Staatsregeling, Art. 103), is. als volgt:

»Het Uitvoerend Rewind dor Rataafsche Republiek »doet te weten: Dat het Vertegenwoordigend Lichaam , sop de wijze, bij de Staatsregeling vastgesteld, over-»wogen hebbende, dat enz.

(Hier volgen de gronden, waarop het Besluit berust) «besloten en verordend heeft:

{Uier volgt het Besluit zei/.)

«Dienvolgends gelast het voorn. Bewind, in naam

74

-ocr page 95-

Reglement, Letter C.

«des Vertegenwoordigenden Lichaams, dat deze zal »worden afgekondigd en aangeplakt alömme, waar «zulks behoort.quot;

18. Het Formulier, waarvan zich het Uitvoerend Bewind bedient, bij het terug zenden van eene Wet aan de Tweede Kamer {Acte van Staatsrerieliny, Art. 104), is dit:

«Dewijl deform, bij (Ie Staatsregeling voorgesehre-»ven. aan deze Wet ontbreekt, vermag het Uitvoerend «Bewind dezelve niet te doen afkondigen.quot;

BIJ L AG E.

REGLEMENT, LETTER D.

UchooiTiulc tot Titnl VI.

Eerste Afdeeling.

Van de Begrootingen der Staats-Uitgaven.

Art. 1. Zoodra de begrooting van Staats-Uitgaven, door het Uitvoerend Bewind, aan de Eerste Kamer is ingezonden, doet Deze, door eene daartoe benoemde Commissie, onderzoeken, of dezelve zoodanig zij inge-rigt, als bij Art. 214 en 215 is bepaald. Daarin eenig gebrek bevindende, geelt dezelve Kamer hiervan aan het Uitvoerend Bewind kennis, met opgave der verlangde ophelderingen of bijvoegingen.

2. Het Uitvoerend Bewind voldoet, ten spoedigsten, aan de begeerte der Eerste Kamer.

3. De begrooting van Staats-Uitgaven in de behoorlijke form gebragt zijnde, zend de Eerste Kamer die, onverwijld, aan de Commissarissen der Nationaale Reekening, die dezelve naauwkeurig onderzoeken, en daarop, van post tot post, uiterlijk binnen ééne Maand daarna, hunne consideratiën aan dezelfde Kamer doen toekomen.

4. Het Vertegenwoordigend Lichaam raadpleegt en besluit alsdan, in de gewoone form, omtrent deze begrooting, vóór het einde van het Jaar.

75

-ocr page 96-

staatsregeling van 1798.

5. Het Uitvoerend Bewind zend. in geval van nood-zaaklijkheid, eene buitengewoone begrooting, ingerigt, als bij Art. 215 is bepaald, waaromtrent alsdan gehandeld word, volgends Art. 1 tot 4 hier vooren.

Tweede Afdeei.ing.

Van de Commissarissen der Nationaale Tresorie en Nationaale Beekening.

6. Tot Commissarissen, der Nationaale Tresorie en Reekening, zijn alleen verkiesbaar stembevoegde Burgers, ten vollen dertig jaaren oud, en, geduurende de tien laatste Jaaren, inwooners der Bataafsche Republiek.

7. De Commissarissen en Secretaris der Tresorie, benevens de Commissarissen en Secretaris der Nationaale Reekening, mogen aan eikanderen onderling, gelijk ook aan de Leden van het Uitvoerend Bewind, en derzelver Agenten, niet bestaan tot in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.

8. Van de vijf Commissarissen der Tresorie, zal jaarlijks één, en, van de zeven der Nationaale Reekening, de eerste drie Jaaren, twee. en, in het vierde Jaar, één aftreden. Het Uitvoerend Bewind bepaalt, ten aanzien der Eersten, en de Eerste Kamer, ten op-zigte van de Laatsten, terstond na hunne aanstelling, de orde, waarin deze aftreding zal plaats hebben.

9. Het aftredend Lid is wederom verkiesbaar.

10. Bij vacature van een Lid, zenden Commissarissen der Tresorie aan het Uitvoerend Bewind, en die der Reekening aan de Eerste Kamer, een Brietal van Per-soonen, waaruit dezelven eene keuse doen.

11. De Commissarissen der Tresorie, en der Nationaale Reekening, benoemen, ieder, hunnen eigen Secretaris en Bedienden, op eene Jaarwedde, door het Vertegenwoordigend Lichaam te bepaalen. en stellen dezelven af.

12. Geen hunner, noch ook derzelver Secretarissen, mogen deelen, hetzij regtstreeks of van ter zijde, in eenige leverancier!, aannemingen of verpagtingen, ten behoeve der Republiek.

13. De Nationaale Ontvangers, en verdere Financiëele beambten (wier getal en jaarwedden het VertegenW\'oord i-

76

-ocr page 97-

Jteglement, Letter D.

gemI Lichaam bepaalt), door het Uitvoerend Bewind, op eene bijzondere Instructie, aan te stellen, moeten, de laatste vijf jaaren, gewoond hebben in het Departement, waarvoor zij bestemd zijn, en zijn verpligt, eene Cautie te stellen, bij het aanvaarden hunner bedieningen, geëven-redigd aan derzelver gewigt, welke om de drie jaaren vernieuwd word, en waarin de Leden van het Uitvoerend Rewind zeiven geenerlei aandeel mogen hebben.

Ook mogen zij aan de Leden van het Uitvoerend Bewind niet bestaan in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.

14. Deze Ontvangers, en verdere Financiëele beambten, stellen derzelver eigen Suppoosten en Bedienden aan, en zijn voor dezelven, in persoon, verand woordlij k.

15. Zij zijn verpligt, van alle hun bekend wordende benadeelingen der Financiën, en van alle bedrog en overtredingen, daaromtrend gepleegd, ten spoedigsten aan het Uitvoerend Bewind kennis te geven.

16. Het Uitvoerend Bewind schorst dezelve Ontvangers en beambten, in geval van pligt-verzuim, in hunne bedieningen , en doet de klagten tegen dezelven inbrengen door den openbaaren Aanklaager, van en voor dat Departementaal Geregtshof, waaronder de beschuldigden behooren.

17. Geen Nationaal Ontvanger doet immer eenige betaaling, dan op Ordonnantie van Commissarissen der Tresorie, door dezelven behoorlijk geteekend, en bij die der Nationaale Reekening geregistreerd.

B IJ L AG E.

REGLEMENT, LETTER E. Bchoorcndc tot titul IX.

Van de wijze van Herziening der Staatsregeling.

Art. 1. Tot het daarstellen, der Commissie van Herziening der Staatsregeling, zijn werkzaam alle de Grond-Vergaderingen In de geheele Republiek, welke ten dien einde worden opgeroepen, tegen den gewoonen dag der

77

-ocr page 98-

staatsregeling van \'1798.

benoeniinge van de Lerlen des Vertegenwoordigenden Lichaams, in den .Taare 1803.

2. Elk Viertal van naast aan elkander liggende Districten kiest één Lid, en éénen Plaatsvervanger, tot deze Commissie.

Zo er een overschot inogt zijn van meer dan één District, word daardoor mede een Lid en Plaatsvervanger benoemd, doc.li, slechts één District overschietende, word hetzelve gevoegd hij liet naastgelegen Viertal.

3. Elke Grond-Vergadering henoemt éénen Reviseur, en vervolgends eewew Kiezer ter Districts-Vergadering, en deszelfs Plaatsvervanger, alles op dezelfde wijze, als, om-trend de Leden van liet Vertegenwoordigend Lichaam (titul II, en Reglement, lett. A.) is bepaald.

4. De vereischten van eenen Reviseur, en deszelfs Plaatsvervanger, zijn, dat hij stembevoegd Burger, ten vollen dertig jaaren oud zij. zederd de laatste tien jaaren Inwooner der Republiek, of, elders geboren, zederd de laatste vijftien jaaren; en bovendien geene ambten, noch posten van eenig bestuur, bekleedende.

5. Op den tweeden dag, na de gedane verkiezing, komen de gezamenlijke Kiezers der Grond-Vergaderingen, in de daartoe vastgestelde Hoofdplaatsen, bijéén, tot het houden eener Districts-Vergadering.

6. In deze Districts-Vergadering, welke mede gehouden word volgends het Iteglement, letter A, word;

a. Uit alle Geloofsbrieven der Kiezers, opgemaakt eene Lijst van de tot Reviseurs in dat District benoemde Persoenen, en agter ieders naam aangeteekend, door hoeveele Grond-Vergaderingen hij benoemd is geworden.

h. En worden, bij loting, uit de aldaar aanwezige Kiezers, drie Persoonen benoemd, ten einde, op tijd en plaats, dooi- de Wet vooraf bepaald, met een gelijk getal van Kiezers, uit elk der drie. naastgelegen Dis-tricts-Vergaderingen, op dezelfde wijze gekozen, verder werkzaam te zijn tot het kiezen van éénen Reviseur en Plaatsvervanger, uit de gezamenlijke en vereenigde Lijsten der vier zaamgevoegde Districten, op de wijze, ten aanzien der verkiezing van Leden tot het Vertegenwoordigend Lichaam (bij het Reglement, letter A) voorgeschreven.

78

-ocr page 99-

Reglement, Letter E.

7. Ten dien einde, ontvangen alle deze Gelastigden tot die vereenigde Vergadering eenen behoorlijken Lastbrief, met de Lijst van alle de benoemde Leden, volgends Art. 6, Lett, a, opgemaakt, beiden onderteekend door den Voorzitter en Secretaris van hunne bijzondere Districts-Vergaderingen.

8. Ten aanzien van de alzoo gekozen wordende Revi-seurs en Plaatsvervangers, is alles toepaslijk, wat bij het Reglement {Letter A, Tweede Afdeeling), omtrent de gekozenen tot het Vertegenwoordigend Lichaam is bepaald.

9. Van de gedaane keus word. door den Voorzitter dezer vereenigde Kiezers-Vergadering, aan het Uitvoerend Rewind, ten spoedigsten kennis gegeven.

Alle de berigten ingekomen, en de Geloofsbrieven van allo de gekozen Reviseurs en Plaatsvervangers door het Uitvoerend Bewind gewettigd zijnde (ten welken einde zij dezelven aan dat Bewind, binnen veertien Dagen na de gedaane verkiezing, inzenden) geeft Hetzelve van de benoeming der Commissie van Herziening, bij Publicatie, aan den Volke kennis, en bepaalt daarbij tevens den dag, op welken de Leden derzelve zig zullen moeten bevinden ter bestemde plaatse, om aldaar zitting te nemen.

Hiervan word aan elk der gekozen Reviseurs, of daarvoor optredende Plaatsvervangers, door dat Bewind mede aanschrijving gedaan.

10. De Commissie van Herziening vergadert binnen de Stad Utrecht.

11. Uiterlijk zes Weeken, na de gedane verkiezing, vangt de Commissie hare werkzaamheden aan. na, in handen van eenen Commissaris van het Uitvoerende Bewind, de gewoone Verklaaring, hoofd voor hoofd, te hebben afgelegd. Zij verkiest den Oudsten haarer Leden tot Voorzitter, en eenen Secretaris uit haar midden.

12. De Commissie van Herziening ontvangt, geduu-rende den tijd haarer zitting, geene orders of bevelen van eenige Magt, hoegenoemd, betreklijk het onderwerp of de wijze haarer raadpleegingen.

Derzelver Leden zijn nimmer aanspraaklijk wegens hunne uitgebragte adviesen of besluiten. Zij kunnen op geene andere wijze, geduurende den tijd hunner zitting, in regten betrokken worden, dan de Leden van het Vertegenwoordigend Lichaam.

79

-ocr page 100-

STAATSREGELING VAN 1798.

De Commissie woont, nimmer, eenige openljaare pleg-tigheden bij.

13. Ieder stembevoegd Burger heeft hetregt, geduu-rende de eerste Maand harer zitting, aan dezelve in te zenden zoodanige individueele, schriftlijk beredeneerde, en door hem eigenhandig onderteekende voordragten en bedenkingen, tot verbetering der Staatsregeling, als hij oordeelt nodig te zijn.

14. De Commissie slaat behoorlijk acht op alle deze bedenkingen, zoo wel als op die, welke haar door de Leden van eenige openbaare Magt of Bewindvoerend Lichaam, binnen denzelfden tijd, worden toegezonden.

15. Zij strekt haar onderzoek en besluit niet verder uit, dan tot zoodanig Gedeelte, Artikel, of Artikelen der Staatsregeling, waaromtrend haar eenige bedenkingen of voordragten, volgends Art. 13 en 14, zijn toegezonden.

16. Binnen vier Maanden, na haare eerste zitting, eindigt de Commissie derzei ver raadpleegingen, en zend, onverwijld, haar verslag, schriftlijk, en door haren Voorzitter en Secretaris onderteekend, aan het Uitvoerend Bewind.

17. Terstond, na deze verzending, gaat de Commissie van Herziening uit één.

18. leder Lid van dezelve geniet, geduurende den tijd zijner zitting, een Dag-geld van tien Guldens, en, bij zijne aankomst en vertrek, drie Guldens, voor ieder Uur afstands zijner woonplaats van Utrecht, voor reiskosten en transport.

19. Het verslag der Commissie aan het Uitvoerend Bewind toegezonden, volgends Art. 16, bevat eene duidlijke redactie van het door haar veranderd Gedeelte, Artikel, of Artikelen der Staatsregeling, ofwel de redenen, waarom zij de voorgeslagen veranderingen niet goedkeurt.

20. Het Uitvoerend Bewind doet dit verslag door den Druk gemeen maken, en vervaardigt, eene Publicatie, daartoe betreklijk.

21. Hierna roept Hetzelve alle de Grond-Vergaderingen in de geheele Republiek op, om, op eenen bepaalden dag, ten minsten vier Weeken na de afkondiging, in Art. 20 gemeld, bij Ja of Neen, de door de Commissie van Herziening ontworpen veranderingen in de Staatsregeling, artikel voor artikel. goedtekeuren of aftekeuren.

22. De uitslag der stemming, bij meerderheid, nevens

80

-ocr page 101-

Reglement, Letter E.

liet getal der vuor en tegen gestemd hebbenden, in elke Grond-Vergadering, word behoorlijk in geschrifte gesteld, door den Voorzitter en Secretaris onderteekend, en onverwijld toegezonden aan het Uitvoerend Bewind.

23. Alle deze inkomende berigten zend het Uitvoerend Bewind aan het Vertegenwoordigend Lichaam.

24. Het Vertegenwoordigend Lichaam doet, door het Uitvoerend Bewind, ten spoedigsten, bij Proclamatie, aan den Volke bekend maaken den uitslag der stemming, bij meerderheid, van alle de Grond-Vergaderingen.

25. De alzoo goedgekeurde Artikelen der Staatsregeling hebben, oogenbliklijk, na derzelver afkondiging, kragt van Wet.

26. Alle, de voorgestelde veranderingen verworpen zijnde, blijft de Staatsregeling, voor den tijd van vijf volgende Jaaren, bekragtigd.

27. Na verloop van dien tijd, en vervolgends van vijf tot vijf jaaren, kan \'er eene nieuwe Herziening der Staatsregeling plaats hebben, doch alleenlijk in deze twee gevallen:

a. Dat het Vertegenwoordigend Lichaam, op een beredeneerd voorstel van de Eerste Kamer, door de Tweede Kamer goedgekeurd, verklaart de noodzaak-lijkheid der herziening van één of meer Artikelen der Staatsregeling.

De drie lezingen van zoodanig voorstel geschieden, in elke der beide Kamers, van tien tot tien dagen, telkens. Tot het opmaaken van een besluit dienaangaande, word in iedere Kamer vereischt de volstrekte meerderheid van stemmen van alle derzelver Leden, daartoe vooraf nitdruklijk opgeroepen.

Een zoodanig voorstel der Eerste Kamer kan dooide Tweede Kamer niet verworpen worden, dan met eene meerderheid van twee derden van het volle getal harer Leden.

h. Of wel, dat vijftien duisend stembevoegde Burgers, binnen de zes laatste Maanden van het tiende, vijftiende, of twintigste Jaar enz., zich, met individueele en geteekende voordragten, tot verandering van hetzelfde Artikel of Artikelen der Staatsregeling, hebben vervoegd bij het Vertegenwoordigend Lichaam. Deze voordragten moeten duidlijk aanwijzen liet Artikel

81

6

-ocr page 102-

STAATSREGELING VAN 1798.

of de Artikelen, waarin men verandering begeert, en de voorgeslagen verandering zelve. Voords, moeten dezehen bekragtigd zijn met een getuigenis der Gemeente-Bestuuren, aangaande de stembevoegdheid van derzelver Teekenaaren.

28. Eén van beiden, of ook beide deze gevallen plaats hebbende, doet liet Vertegenwoordigend Lichaam, door het Uitvoerend Bewind, daarvan, bij Publicatie, aan den quot;Volke kennis geven, en alle de Grond-Vergade-ringen in de Republiek, tegen zekeren bepaalden dag, oproepen, om van artikel tot artikel te beslissen, of de Herziening al of niet zal plaats hebben.

29. De uitslag der stemming word, wederom, door den Voorzitter van elke Grond-Vergadering, aan het Uitvoerend Bewind toegezonden, en uit alle de ingekomen berigten. door hetzelve opgemaakt de beslissende uitspraak des Volks, waarvan aan het Vertegenwoordigend Lichaam, en aan het Volk. bij Publicatie, ten spoedig-sten word kennis gegeven.

30. Zoo de meerderheid der Grond-Vergaderingen verklaart. dat \'er gecne Herziening zal plaats hebben, blijft de Staatsregeling voor vijf volgende jaaren vastgesteld.

31. Zoo die meerderheid eene Herziening begeert, worden de Grond-Vergaderingen opgeroepen, om, op den dag, jaarlijks tot het verkiezen van nieuwe Leden voor het Vertegenwoordigend Lichaam bepaald, tevens Reviseurs te benoemen. op de wijze, hierboven Art. 18 voorgeschreven.

32. Voords word. in dit geval, naauwkeurig in acht genomen alles, wat boven (Art. 9—24) is verordend; alleen met dit onderscheid, dat de Commissie van Herziening, als nu. geene andere Artikelen dei-Staatsregeling mag in overweging nemen, dan die. welken, volgends Art. 20. bij Publicatie, aan den Volke zijn voorgedragen.

82

-ocr page 103-

Additioneele Artikelen

TOT DE

ACTE VAN STAATSREGELING.

Van het hetaalen der Tractarnenten van de Predikanten der voormaals Heerschende Kerk, — de Pensioenen van der zeiver Emeriti en Weduwen, — de Nationaal-verklaaring der Geestelijke Goederen, — de Verdeeling der Kerk-Gebouwen, en Pastorij-Ruisen, — de Voordduuring der openbaare Inrig-tingen van Onderwijs, — de Verbetering van Woeste Gronden, en van zomrnige thands on-bruikbaare Rivieren, ter bevordering van Landbouw en Koophandel, — en de Voordduuring der Administrative Bestuuren.

Art. 1. De Gemeenten der voormaals Heerschende Kerk blijven geduurende de eerstkomende drie Jaaren na de aanneming\' der Staatsregeling, de gewoone Traetamenten van derzelver Leeraaren en Hoogleeraaren, bij wijze van Pensioen, uit \'s Lands Kas, genieten, ten einde dezel-ven, in dien tussehentijd, de nodige schikkingen maaken tot derzelver verdere besoldiging.

2. Ook tot zoo lang, word aan dezelve Gemeenten het zoogenoemde Kindergeld voor derzelver Leeraaren toegewezen.

3. Alle Leeraars. Hoogleeraars, en derzelver Weduwen. op 1 Januarij 1798, gepensioneerd geweest zijnde, blijven de hun toegelegde Pensioenen. geduurende hun leven . genieten, mids zij aan liet Bewind ter Plaatse, alwaar zij woonen, doen blijken, geene zes-honderd Guldens jaar-lijksch inkomen te hebben buiten het gemelde Pensioen, en bewijzen toonen van hunne verknogtheid aan de tegenwoordige orde van zaken.

4. Alle Geestelijke Goederen en Fondsen, waaruit te vooren de Traetamenten. of Pensioenen, van Leeraren of

Hoogleeraaren der voormaals Heerschende Kerk, betaald

*

-ocr page 104-

STAATSREGELING VAN 1798.

werden, worden Nationaal verklaard, om daaruit, eerstlijk, de nog blijvende Tractamenten en Pensioenen te voldoen, en, daarna, tot een vast Fonds te worden aangelegd voor de Nationaale Opvoeding, en ter bezorging der Behoefti-gen; blijvende nogthands onverlet de aanspraak, welke eenig Lichaam of Gemeente daarop mogt maaken, en, met de nodige bewijzen voorzien, aan bet Vertegenwoordigend Lichaam ter beslissing zal moeten inleveren.

5. Alle andere Kerklijke Goederen. door vrijwillige gift, erfmaaking, inzameling of aankoop bij eenig Kerkgenootschap verkregen, worden als het Wettig eigendom der Bezitteren erkend, en als zoodanigen, aan hun verzekerd.

6. Alle Kerk-Gebouwen en Pastorij-Huij sen der voor-maals Heerschende Kerk, voor zoo ver\' zij , door aanbouw uit de afzonderlijke Kas der Gemeente, geene bijzondere en wettige eigendommen zijn, worden overgelaten aan de beschikking van ieder Plaatslijk Bewind, om deswege tusschen alle Kerkgenootschappen eenig vergelijk te treffen, en wel binnen de eerstkomende zes Maanden na de aanneming der Staatsregeling.

De grondslag van dit vergelijk is. in iedere Plaats, bet grootst aantal van Leden der onderscheiden Kerklijke Genootschappen. hetgeen alzoo de relative meerderheid van Zielen zal uitmaaken.

Hetzelve zal de voorkeus hebben omtrend de naasting eener Plaatslijke Kerk en Pastorij, onder bepaaling echter, na gedaane begrooting van de waarde dier Gebouwen, van eene maatige uitkeering, hetzij in eens, of bij termijnen, aan de andere Kerk-Gemeenten, naar evenredigheid van derzelver Leden, welke allen, door deze bepaaling, worden gehouden, voor altijd afstand gedaan te hebben van de gemeene aanspraak.

De alzoo genaaste Kerken en Pastorijen blijven, ten allen tijde, onder de bezitting, beheering, en het speciaal onderhoud dier Kerk-Gemeenten, aan welke dezelven, volgends het hier voorgaand onderling contract, zijn toegewezen.

De geschillen, over dit een en ander ontstaande, worden ten spoedigsten beslist door het Vertegenwoordigend Lichaam.

De torens, aan de Kerkgebouwen gehegt, benevens de

84

-ocr page 105-

Additioneele Artikelen.

Klokken, met derzelver huisingen, worden verklaard, eigendommen te zijn en te blijven der Burgerlijke Gemeenten, staande ten allen tijde onder derzelver beheering en onderhoud.

7. Alle openbaare Instituuten, ter bevordering der Wetenschappen, in deze Republiek bij de aanneming dezer Staatsregeling aanwezig, blijven op denzelfden voet voordduuren, tot dat daaromtrend, door het Uitvoerend Bewind. eeni^r voorstel van verandering aan het Vertegenwoordigend Lichaam gedaan, en door Hetzelve zal worden goedgekeurd.

8. Ter bevordering van den Landbouw en Koophandel, zorgt het Vertegenwoordigend Lichaam, dat zoodanige Rivieren, Vaarten en Doorsnijdingen gemaakt worden, als zullen dienen, om de woeste Gronden ten voordeele der Republiek te bereiden.

Bijzonderlijk zal zulks plaats grijpen, ten opzigte van de Rivieren de Dommel en de Aa; zullende die bevaarbaar gemaakt worden, opwaards de eerste van den Bunch tot Eindhoven, en de laatste van den Bosch tot Helmond, als mede de lihun of de Lij tot Oosterwijk.

Ter volvoering van dit ontwerp, zal, uit \'s Lands Kas, jaarlijks, besteed worden eene som van ten minsten vierhonderd-duisend Guldens, tot zoo lang de gemelde Rivieren bevaarbaar zullen wezen.

9. De Administrative Bestuuren der voormaals aanwezige Gewesten blijven voordduuren, totdat zij vervangen worden door de Departementaale Administratiën, en zijn inmiddels verpligt, in alles te handelen, overeenkomstig de Staatsregeling, zoo als daarin omtrend de Departementaale Bestuuren is vastgesteld.

Het Bataafsche Volk beveelt de getrouwe handhaving der Acte van Staatsregeling, niet de Reglementen, en Additioneele Artikelen tot dezelve Acte beboerende, aan het Vertegenwoordigend Lichaam, aanbot Uitvoerend Bewind, aan de Regterlijke Magt, en aan de verdere Administrative Lichamen, en verklaart,\'dat alle inbreuk op dezelven is een aanslag op de veiligheid van den Staat.

85

-ocr page 106-

AANHANGSEL.

PUBLICATIE VAN 7 MEI 1799.

Het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek, doet te ■weeten: dat het Vertegenwoordigend Lichaam, oji de Avyze, by de Staatsregeling vastgesteld, overwogen hebbende: dat hoe zeer by het 25 Art. der Algemeene beginzelen, vóór de Staatsregeling geplaatst, alle Rechten en verplichtingen, hoe ook genaamd, uit liet Leenstelsel of Leenrecht afkomstig, zyn vervallen verklaard, de voorzichtigheid echter vordert, dat men de eindelyke bepaalingen des Vertegenwoordigenden Lichaams, wegens dit moeilyk en belangryk onderwerp niet te zeer vooruitloope, ten einde door overhaasting, geene aanleiding tot verwarring en veelvuldige Procedures te geven: doch dat aan den anderen kant het belang der Ingezetenen vereischt, dat zy vryelyk over hunne Eigendommen kunnen beschikken, en dat dus aan het doen van transporten en het passeeren van Hypotheecq-, Kisting- en andere Brieven, zoo min mogelyk eenig hindere worden toegebragt; besloten en verordend heeft:

Dat tot tyd en wyle de eindelyke beschikkingen, betreklyk het werk der Leenen, by hot Vertegenwoordigend Lichaam zullen zyn bepaald, en dus, zonder by dezen op dezelve eenigzins te anticipeeren, inmiddels op alle zoodanige gedeeltens en plaatsen der Republiek, alwaar, tot nog toe, deswegens geene intermediaire schikkingen zyn gemaakt, alle Leenroerige Goederen, van Leenkamers hinnen deze Republiek releveerende, op de gewoone en gebruikelyke wyze volgends Lands-en Stadsrechten van de plaatsen alwaar die gelegen zyn, even als allodiaale en vrye Goederen zullen kunnen en mogen worden vervreemd of bezwaard, zonder betaaling van eenig andere, dan alleen de gewoone Lasten en Leges, op het passeeren van Actens in de onderscheidene Plaatsen dezer Republiek bepaald; zullende echter, alvoorens zoodanige acte te passeeren.

-ocr page 107-

Publicatie van 7 Mei 1799.

aan het Gerecht, of zoodanige Gequalificeerden, voor het welk hetzelve zoude moeten of kunnen geschieden, bewys moeten worden geëxhibeerd van de Hypotheecq-, Kisting- of andere Brieven, of het laatst gedaan transport, welke ten opzichte der te transporteerene of op nieuw te belastene Goederen, hebben plaats gehad. of wel een certificaat geproduceerd, ten bewyze dat de gemelde Goederen, niet zyn belast of bezwaard: gelyk mede door ofte van wege zoodanig Gerecht, als waarvoor, ingevolge dit Besluit, Leenroerige Goederen zullen worden overgedragen of bezwaard, kennis zal moeten worden gegeven aan zoodanige Leenkamers, waarvan gemelde goederen zyn releveerende, ter voorkoming van verwarring en ter verzeekering der eigendommen, ten einde de registrature der Gepasseerde Acten mede geschiede in de Prothocollen of Registers der voornoemde Leenkamer, welke Prothocollen of Registers, provisio-neellyk, en tot dieswegens nader zal zyn gedisponeerd, onder de respective Griffiers of Secretarissen der Leen-of andere Kamers, zullen moeten blyven berusten.

Diensvolgens gelast het voorn. Bewind, in naam des Vertegenwoordigenden Lichaams, dat deeze zal worden afgekondigd en aangeplakt, alörnme waar zulks behoort.

87

-ocr page 108-

Staatsregeling van 1801.

(Het Ontwerp werd door het Uitv. Bew. bekend gemaakt 14 Sept.: de Volksstemming had plaats van 1 tot 6 October; de aldus goedgekeurde Staatn-regelinq des Bataafschen Volks werd door het Uitv. Bewind afgekondigd 10 October 1801, om onmiddelijk in werking te treden.)

Algemeene beginzelen en bepalingen.

Art. 1. Het geluk van allen is de hoogste Wet; geen Lid, noch eenig deel der Maatschappy kan uit dien hoofde door eenige byzondere wet ten nadeele der overigen bevoordeeld worden.

2. Alle Leden dor Maatschappy zyn gelyk voor de Wet zonder eenig onderscheid van rang of geboorte.

3. Een iegelyk kan doen en verrichten alles wat hem behaagt, maar Uyft wegens alle zyne daden, zoo wel al.s wegens het verspreiden zyner gevoelens, ver-antwoordelyk volgens de Wet.

4. De Wet maakt de nodige bepalingen tot het verzekeren aan iederen Burger van deszelfs eerlyk bestaan; doch alle Gilden, of uitsluitende Broeder-schappen , bly ven afgeschaft.

5. Ieder Ingezeten wordt gehandhaafd by de vreedzame bezittingen liet genot zyner eigendommen. Niemand kan van eenig gedeelte derzelven worden ontzet, dan wanneer het algemeen welzyn zulks volstrekt vordert, en in zodanig geval niet anders, dan tegen eene billyke schadevergoeding,

6. Ieder Ingezeten is onschendbaar in zyne woning; zyns ondanks mag men nimmer in dezelve treden, ten zy nit krachte van eene ordre of bevel der daartoe bevoegde Magt.

7. Geen Ingezeten kan in hegtenis genomen worden, dan volgens de Wet; niemand kan veroordeeld worden dan door den Rechter, dien de Staatsregeling of de quot;Wet

-ocr page 109-

Algemeene beginselen en bepalingen.

hem toekent, en na alvorens behoorlyk opgeroepen te zyn, mitsgaders alle middelen van verdediging. bv de Wet bepaald, gehad te hebben.

8. leder Ingezeten moet binnen driemaal vier en twintig uuren, na dat hy aan den Rechter is overgegeven , verhoord, en aan hem opgave gedaan worden van de reden zyner gevangenneming. De Wet bepaalt de straf tegen de Rechters, die hierin nalatig zyn. De verhooren en opgave van de redenen der gevangen neming, binnen den bovengemelden tyd, niet geschiedende, wordt de Gevangene dadelijk ontslagen.

9. By de bewaring en behandeling van Gevangenen, wordtalle nuttelooze strengheid verboden : alle middelen van geweld,om dezelven tot bekentenis te brengen, zyn afgeschaft.

10. Ieder Ingezeten heeft het recht om verzoeken of yoordragten aan de daar toe bevoegde Magt schriftelyk in te dienen, mits die persoonlyk en niet uit naam van meerderen worden onderteekend, welk laatste alleen zal kunnen geschieden door of van wegen Lichamen, wettig samengesteld, en als zodanig erkend, midsgaders over onderwerpen, tot derzelver bepaalde werkzaamheden behooremie.

11. Allo Kerkgenootschappen, welke ter bevordering van deugd en goede zeden een Hoogst Wezen eerbiedigen en hulde doen, genieten eene gelyke bescherming der Wetten. Ieder Kerkgenootschap belydt zyne gevoelens openlyk, en vergunt aan een iegeiyk den vryen toegang tot zyne Byëenkomsten.

12. Elk hoofd eens lluisgezins , en op zich zelf _staand Persoon van beiderlei Kunne mits den ouderdom

...yaM.veertien jaar bereikt hebbende, doet zich inschryven by een of ander Kerkgenootschap, hetwelk \'Trywiïligquot; kari verlaten worden,, om tot een ander over te gaan Voor ieder Kerkgenootschap wordt van de alzo ingeschreven Leden tot onderhoud van deszelfs Dienaren en Eigendommen, eene Jaarlyksche gift gevorderd, niet te boven gaande een zekere bepaalde Som, achtei een volgens het gene aangaande dit een en ander nader by de Wet zal worden vastgesteld.

13. Ieder Kerkgenootschap blyft onherroepelyk in het bezit van hetgeen met den aanvang dezer Eeuw door hetzelve wierd bezeten.

89

-ocr page 110-

STAATSREGELING VAN 1801.

14. Geene uitsluitende Burgerlyke voorrechten zyn aan eonige Godsdienstige Geloofsbelydenis verbonden. De Hoogleeraren , Leeraren, en Kerkelyke Bedienden der voormaals bevoorrechte Kerkblyven, zoo verre die by de aanneming dezer Staatsregeling in dienst zyn gesteld , en uit eenige Politieke Kassen worden gesalarieerd of gepensioneerd, hunne Tractementen of Pensioenen genieten tot dat het bepaalde by Art. \'12 in werking zal zyn gebragt,

15. Alle algemeene Wetten en bepalingen, welke sedert het begin van den Jare 1795 gederogeerd hebben aan de waarde van Eigendommen of wettig verkregen Bezittingen, zyn aan herziening onderworpen. — Een ieder die dooi\' dezelve benadeeld is geworden, kan zich deswegens aan het Staats-Bewind vervoegen, het welk, naar bevind van zaken de afschaffing of verbetering van die Wetten, alsmede eene billyke schadeloosstelling, voordraagt aan het Wetgevend Lichaam.

16. Het Leenrecht wordt geheel afgeschaft, en alls Leenroerige Goederen gebonden voor Allodiaal. De Wei zorgt voor de schadeloosstelling der Leenheeren.

17. liet Bataafsche Volk wil, rlat de Burgerwapening-tot verdediging der vryheid en handhaving der Nationale Onafhanglykheid , zoo veel mogelyk , en door alle gepaste middelen en wegen worde aangemoedigd.

Geen gewapend Burger wordt immer genoodzaakt tot den dienst buiten het grondgebied van het Gemeenebest. Hij wordt niet verplicht tot den dienst buiten zyn Departement, zonder een Decreet van het Wetgevend Lichaam, en niet dan by eenen vyandelyken aanval. De active dienst der Gewapende Burgermagt binnen ieder Departement woi\'dt by een nader Reglement door de Wet bepaald.

18. Er zullen eenerlei Munten geslagen worden door de geheele Republiek, op den voet, zoo als door de Wet nader zal worden bepaald.

19. Er zullen eenerlei, in de Republiek reeds bekende, Maten en Gewigten, alom worden ingevoerd, op zodanigen tyd en wyze, als de Wet nader zal bepalen.

Territoriale Verdeeling en Stemrecht.

20. Het Bataafsche Gemeenebest is Één en Ondeelbaar.

21. Deszelfs grondgebied in Europa blyft verdeeld in

90

-ocr page 111-

Territoriale Verdeeling en Stemrecht.

agt Departementen, welker grensscheidingen zullen zijn, die der voormalige Gewesten, zullende het Landschap Drenthe vereenigd blyven met het voormalig Gewest Over-yssel, en Bataafsch Braband het af/.onderlyk agste Departement uitmaken; terwyl Ameland wordt verklaard te behooren onder het Departement Friesland, Wedde en VV\'est-woldingerland onder Groningen, Ysselstein onder Holland, Vianen onder Utrecht, en Kuilenburgen Buren onder Gelderland. En zal nader door de Wet worden bepaald, aan welk Departement of Departementen de Landen zullen worden toegevoegd met welke de Republiek reeds is of verder mogt worden vergroot.

22. Ieder Departement zal, volgens de boven opgegeven Grensscheiding, verdeeld worden in zoo veele Ringen als de Wet nader zal bepalen, ten einde dienvolgens eene regtmatige keuze van Leden voor het Departementaal Bestuur te doen geschieden.

23. De thans plaats hebbende verdeeling in Grondvergaderingen zal blyven stand houden, om achtervolgens dezelve eene regelmatige keuze van Leden voor het Wetgevend Lichaam te doen plaats hebben.

24. Om Stemgerechtigd Burger te zyn wordt vereischt:

1. De inschryving in het Nationaal Stemregister van elks woonplaats;

2. De volle ouderdom van twintig Jaren of Lidmaatschap der Gewapende Burgermagt:

3. Bestendige inwoning binnen de Republiek, geduu-rende het laatste Jaar voor Inboorlingen, en geduu-rende de laatste zes Jaren voor Vreemdelingen:

4. Het kunnen lezen en schryven van het Nederduitsch, hetwelk echter niet toepasselyk is op Burgers vóór den 23 April 1799 in het Stemregister ingeschreven;

5. Het afleggen van de volgende belofte:

sik belove trouw aan de Constitutie, en onderwerping aan de Wetquot;

25. Van het Stemrecht zyn uitgesloten:

1. Alle die in Eed of bediening zyn van eenige vreemde Mogendheid of daar van eenig Pensioen genieten;

2. Alle Lyf-en Huisbedienden, die tot persoonlyken dienst behooren en inwonen by hen, welke zy bedienen;

3. Alle die in Wees-, Diaconie-Armhuizen of andere Gestigten, als Behoeftigen onderhouden worden ;

91

-ocr page 112-

STAATSREGELING VAN \'1801.

4. Alle die in het laatst afgeloopcn half jaar vóór de oproeping uit de Armen-Kassen zyn bedeeld geworden:

5. Die om verkwisting, wangedrag, of gebrek aan ver-standelyke vermogens onder Curateele staan;

6. Bankbreukigen, mitsgaders zy die Cessie van Goederen hebben gedaan, zoo lang hunne Crediteuren niet ten genoegen zyn voldaan:

7. Die door een Rechterlyk Decreet in staat van be-sclmldiging gesteld zyn, of in rechten voor eerloos worden gehouden.

26. De Wet bepaalt de wyze, waarop het Stemrecht wordt nitgeoefl\'end, alsmede de gegoedheid der Kiezers.

27. Leeraars van eenige Godsdienstige Gezindheid zijn niet verkiesbaar tot eenige Posten van politiek Bestuur.

28. Krygslieden stemmen niet, dan ter plaatse hunner vaste wooning, afgescheiden van de plaats hunner Gaar-nisoenen.

Van het Staats-Bewind.

29. Hetzelve zal berusten by eene Vergadering van twaalf Personen, in welke vereischt worden Stenig er ech-tigheid, vuile ouderdom van 35 Jaren, geboorte binnen dit Gcmeenebest, inwoning in hetzelve geduurende. de laatste zes Jaren, en elkander niet le beslaan tot in den vierden graad, van Bloedverwantschap o/ Zwagerschap. Dezelve genieten eene Jaarwedde van /\'10.000.

30. Voor de eerstemaal zullen zeven Leden van hetzelve dadelyk benoemd worden door het tegenwoordig Uitvoerend Bewind. Deze zeven Leden benoemen voor de eerstemaal de vyf overigen. De twaalf Leden verkiezen terstond eenen Pi aesident, welke het Praesidiumgeduurende drie achtereenvolgende maanden zal waarnemen. Byaldien, geduurende de zes eerste Maanden na de installatie van het Staats-Bewind, een of meerder plaatsen openvallen, zullen dezelve door de overige Leden, binnen den tyrt van agt dagen worden vervuld.

31. Het Staats-Bewind maakt voor zyne Vergadering een Reglement van orde, en verdeelt zich by hetzelve in de nodige Com missiën, naar gelang der onderscheidene vakken van bestuur, welke zich meer bepaaldelyk bezig houden met het onderzoek van zodanige zaken, als door de Vergadering ten dien einde aan dezelve worden aanbevolen.

92

-ocr page 113-

Yan het Staats-Bewind.

32. Behalven eenen Algemecnen Secretaris, worden aan het Staats-Bewind toegevoegd een Secretaris van Staat voor du Buitenlandsche zaken, drie Secretarissen van Staat voor de zaken van de Marine, van den Oorlog te Lande, en voor de Binnenlandsche, ofte wel voor ieder der drie laatst-gemelden, ter keuze van het Staats-Bewind, een Raad, uit niet meer dan drie Leden bestaande, en eindelyk een Raad van Finantie van drie Leden met een Thesaurier Generaal.

33. Dezelve zyn belast met de administratie der zaken tot elks vak behorende, mitsgaders met de uitvoei\'ing der bevelen, welken zy daaromtrent van het Staats-Bewind ontvangen; alles op Instructie van en onder verantwoorde-lykheid aan hetzelve. Zy worden aangesteld door het Staats-Bewind uit eene nominatie van drie personen, geformeerd door de Commissie, tot welker vak zy behoren.

34. Alle Jaren zal één Lid van het Staats-Bewind aftreden, het welk voor de eerstemaal plaats zal hebben op den eersten November 1802, vóór welken tyd by loting de rang zal worden bepaald, volgens welken de jaarlyksche aftreding der Leden zal geschieden Tot vervulling der openvallende plaatsen, zullen de Departementale Bestuuren volgens derzelver na te melden rang en tourbeurten, eene nominatie van vier personen aan het Staats-Bewind inzenden, uit welke hetzelve \'er ttvee aan het Wetgevend Lichaam zal voordragen, om uit dezelven de aanstelling van een nieuw Lid te doen.

Ten einde de keuze der Leden van het Staats-Bewind, zo veel mogel3\'k, op eenen geëvenredigden voet uit de geheele Natie te doen geschieden, worden de tourbeurten der Departementale Bestuuren tot het inzenden der bovengemelde Nominatie in cas van vacature, bepaald op de volgende wyze: als 1) het Departement van Holland, 2) van Zeeland, 3) van Friesland, 4) van Braband, 5) van Holland, 6) van Groningen, 7) van Utrecht, 8) van Overyssel, 9) van Gelderland, 10) van Holland, 11) van Zeeland en 12) van Gelderland; met dien verstande, echter, dat de elfde en twaalfde beurten telkens uit nomination van twee andere Departementen zullen worden vervuld, als: 1) van Zeeland en Gelderland, 2) van Friesland en Overyssel, 8) van Braband en Utrecht, en 4) van Groningen en Holland en zoo vervolgens.

Alle tusschentyds openvallende Plaatsen, welke reeds

93

-ocr page 114-

STAATSREGELING VAN quot;1 801.

eenmaal achtervolgens de bovenstaande tourbeurten vervuld zyn geworden, zullen o)) nieuw vervuld worden uit nominatiën van dezelfde Departementen, welke de uitvallende Leden hebben voorgedragen; doch de tus-schentyds openvallende Plaatsen van de eerste Leden zullen vervuld worden door het Wetgevend Lichaam uit eene nominatie van het Staats-Bewind van drie personen: en zullen de nieuw benoemden in beide gevallen zitting hebben voor den tyd, geduurende welken de uitgevallene Leden nog zouden hebben moeten zitten.

35. Alle Buitenlandsche Ministers, alsmede alle Zee-en Land-Officieren, worden door het Staats-Bewind aangesteld.

36. Van alle vaceerende politieke Bedieningen, voor zoo verre dezelve by de Staatsregeling hier van niet worden uitgezonderd, zal eene nominatie van drie personen door de Collegiën of geconstitueerde Autoriteiten, aan welke dezelve ondergeschikt zyn, aan het Staats-Bewind worden toegezonden, het welk uit dezelve de benoeming zal doen; zullende echter het Staats-Bewind de geheele nominatie kunnen afkeuren, en eene nieuwe vorderen. Mindere Amptenaren worden door de respective Collegiën of Geconstitueerde Autoriteiten, aan welke dezelve ondergeschikt zyn, zelve aangesteld, en derzelver vaste tracteraenten aan het Staats-Bewind voorgedragen.

37. Het Staats-Bewind zal gehouden zyn, het ontwerp van alle Wetten aan het Wetgevend Lichaam voortedragen ; dezelve, goedgekeurd zynde, worden door het Staats-Bewind afgekondigd.

38. Het Staats-Bewind oefTent nimmer, in welk geval ook, eenige Wetgevende Magt uit: en bezit geen vermogen, hoegenaamd, tot het verleenen van dispensatie van eenige bestaande Wet.

39. Het Staats-Bewind sluit alle Tractaten, het zij van Vrede, Alliantie, Neutraliteit, Kuuphandel o( andere, doch niet dan onder opvolgende bekrachtiging van het Wetgevend Lichaam, met uitzondering echter van zodanige geheime Articulen , als bij dezelve Tractaten gevoegd zouden mogen worden, mits dezelve niet strydig zyn, met de openbare Articulen of plaatshebbende Tractaten, en niet strekken tot afstand van eenig Grondgebied der Republiek. Ten aanzien van het verklaren van Oorlog

94

-ocr page 115-

Van het Staats-Bewincl.

mag hetzelve geen Besluit nemen, zonder Decreet van het Wetgevend Lichaam.

40. Het Staats-Bewind heeft het Bestuur der Nationaaie Geldmiddelen; hetzelve regelt de vaste Jaarwedden der Nationaaie Amptenaren, en onderzoekt het gene ieder Jaar voor den dienst der Republiek gewoon of buitengewoo)!-gevorderd wordt. Hetzelve legt de kosten van dien in Algemeene Begrootingen aan het Wetgevend Lichaam voor, en vraagt de inwilliging der daartoe benodigde Geldmiddelen.

Ingevalle de gewone inkomsten niet toereikende zyn tot goedmaking der gewone kosten, draagt het Staats-Bewind nieuwe Algemeene Belastingen aan het Wetgevend Lichaam voor; doch tot goedmaking der buitengewone kosten, draagt hetzelve of buitengewone belastingen voor den tyd van één Jaar, of vrywillige of onvrywillige Negotiatiën aan het Wetgevend Lichaam voor, en ingeval van het laatste tevens het fonds tot betaling van de Interessen en aflossing der genegotieerde Capitalen.

41. Het Staats-Bewind draagt een algemeen Reglement aan het Wetgevend Lichaam voor, het welk door het Staats-Bewind in het verleenen van pensioenen in acht genomen zal worden.

42. Het Staats-Bewind beschikt over de quot;Vloten en Legers der Republiek, doch aan geen van deszelfs Leden vermag immer in Persoon het Opperbevel over dezelve worden toevertrouwd.

43. Het Staats-Bewind heeft het Oppertoezigt over de Politie door de geheele Republiek; doch die der plaats van deszelfs Residentie en de aanstelling der daartoe beho-renden Amptenaren is aan hetzelve alleen aanbevolen.

44. Er zal een Zeeraad zyn, door het Staats-Bewind te benoemen, bestaande uit zeven Personen, belast met de Administratie en Judicature over alle Zaken, rakende den ophef der middelen te Water of zoogenaamde Convoyen en Licenten, voorzien van de nodige Amptenaren daartoe behorende, en wegens deszelfs Administratie ondergeschikt en verantwoordelyk aan het Staats-Bewind; dezelve zal mede belast zyn met de Judicature over alle zaken, rakende de Commissie-Yaarders, en derzelver Pryzen, mitsgaders de zaken, rakende de Pilotage, alles achtervolgens zoodanige Instructie, als door het Staats-Bewind

95

-ocr page 116-

STAATSREGELING VAN 1801.

aan het Wetgevend Lichaam ter bekrachtiging zal worden voorgedragen.

45. Het Staats-Bewind zorgt door eene daartoe geschikte inrichting voor de bevordering van Kunsten, Wetenschappen, Opvoeding, Koophandel, Landbouw en Fabrieken.

46. Er zal eene Nationale Rekenkamer zyn, bestaande uit negen Leden, door het Wetgevend Lichaam te benoemen en wel by vacature uit eene nominatie van vyf Personen door de Rekenkamer geformeerd en door het Staats-Bewind op drie verminderd, ten einde Jaarlyks de Rekeningen der verschillende Departementen van Staat optenemen, en te liquideeren; mitsgaders behoorlyke rekening en verantwoording te vorderen van alle byzon-dere Comptabelen, welker rekeningen, onmiddelyk aan dezelve zullen worden gebragt: achtervolgens zoodanig Instructie, als door het Staats-Bewind aan het Wetgevend Lichaam ter bekrachtiging zal worden voorgedragen; zullende Jaarlyks één der Leden afgaan, volgens den rang, welke door het Lot zal worden bepaald.

47. Er zullen twee afzonderlyke Raden van Bestuur zyn, over den Oost- en West-Indischen Handel en Bezittingen der Republiek, waar van de eerste uit negen en de laatste uit vyf Leden zal bestaan: beide zullen onmiddelyk ondergeschikt zyn aan het Staats-Bewind. Zy hebben ten behoeve der gemelde Bezittingen de afzonderlyke administratie hunner inkomsten; ingevalle dezelve niet toereikende zyn, worden zy uit de Nationale Kas gesub-siniëerd, in welke aan den anderen kant ook het overschot zal worden gestort.

Zy dragen zorg voor de administratie der Politie en Justitie in do gemelde Bezittingen; als mede voor der-zei ver verdediging, voor zo verre daaromtrent door het Staats-Bewind niet onmiddelyk wordt beschikt; zy zyn wegens hun gehouden Bestuur aan het Staats-Bewind verantwoordelyk, en doen van hunne ontvangsten en uitgaven jaarlyks Rekening en Verantwoording.

48. liet inwendig Bestuur en de Wetten voor de Coloniën worden by de respective Chartres voor dezelve vastgesteld; dezelve blyven vereenigd onder een en het zelfde, algemeen Bestuur hier te Lande: wordende alle afzonderlyke Octroyen dienaangaande gehouden voor vernietigd.

96

-ocr page 117-

Van de Wetgeving.

Van de Wetgeving.

49. Het Wetgevend Lichaam bestaat uit vijf en dertig Personen, welke voor de eerstemaal dadelyk worden benoemd door het Staats-Bewind, geduurende de eerste agt dagen na deszelfs installatie.

50. Twaalf uit dezelven disculiëeren de voorgedragen Wetten, en worden bier toe by meerderheid van stemmen voor den tyd van elke gewone of buitengewone Byeen-komst verkozen. De discussiën over alle voorstellen, welke in de eerste week van elke gewone Byëenkomst zyn ingekomen, moeten zyn afgelopen en de zaken tot conclusie gebracht, uiterlyk op den laatsten dag van elke Byëenkomst, dat is den 30 Mey of den 15 December respectivelyk. In buitengewone Byëenkomsten moeten de voorstellen, waarom die zyn samengeroepen, vóór het scheiden van dezelve en uiterlyk binnen den tyd van eene Maand worden afgedaan.

Tot de stemming overgegaan zynde, brengen alle vyf en dertig Leden hunne stem uit by ja en neen. Het voorstel kan altoos geduurende de discussiën terug genomen worden.

51. Een voorstel verworpen zynde, zendt het Staats-Bewind, zulks noodzakelyk vindende, drie Leden uit deszelfs midden in het Wetgevend Lichaam, om hetzelve nader te adstruëeren: nogmaals verworpen zynde, vervalt het geheel.

52. Het Wetgevend Lichaam maakt de redenen van deszelfs weigering aan het Staats-Bewind bekend, hetwelk dienvolgens het recht heeft, eene nadere voor-dragt aan het Wetgevend Lichaam te doen.

53. Het Wetgevend Lichaam verleent by uitsluiting dispensatie van Wetten, als mede, na ingenomen te hebben het advis van het Nationaal Gerechtshof, abolitie en remissie van straffen, by Rechterlyke Sententiën opgelegd.

54. Het Wetgevend Lichaam vergadert gewoonlyk tweemaal in het Jaar, en wel bepaaldelyk van den 45 April tot den \\ Juny, en van den 15 October tot den 15 December; en buitengewoon zoo dikwyls hetzelve zulks nodig oordeelt of door het Staats-Bewind wordt samengeroepen. Hetzelve houdt zyne zittingen in de residentie van het

97

7

-ocr page 118-

STAATSREGELING VAN 1801.

Staats-Bewind. Jaarlyks op den 1 Juny gaat een derde gedeelte van deszelfs \'Leden af, te beginnen met den jaare 1802. De Leden van het Wetgevend Lichaam genieten eene jaarwedde van /\'4000 : 0:0 zonder meer, moeten den ouderdom van dertig jaaren bereikt hebben, en voords alle vereischten bezitten, welke bij Art. 29 voor de Leden van het Staats-Bewind zijn vastgesteld.

55. De wyze van derzelver aftreding en verkiezing zal door de Wet worden bepaald.

Van de Finantiën.

56. De schulden en verbintenissen, gemaakt en aangegaan niet alleen door of van wege de Generaliteit en de Bataafsche Republiek, maar ook van wege de onderscheiden Provintiën, de drie quartieren van Gelderland, het Landschap Drenthe, en Bataafsch Braband , mitsga-ders de Oost-Indische Maatsehappy, worden verklaard te blyven Nationale Schulden en Verbintenissen van het Bataafsche Volk. De verwisseling der daar voor afgege-vene. Rentebrieven, Obligation , Recepissen of andere Acten van Verbintenissen, in Nationale Schuldbrieven, wordt zoo veel mogelyk bespoedigd. — Er zal geen vermindering plaats hebben, noch van do Hoofdsommen dor Schuldbrieven zelve, noch der Interessen en Jaarlijksche Renten.

57. De tegenwoordige Belastingen zullen blyven op den voet zoo als dezelve thans in ieder der voormalige gewesten plaats hebben: zynde echter alle Wetten en Ordonnantiën dienaangaande aan herziening onderworpen, en kunnen dezelve Belastingen by het opleggen van soortgelyke algemeene worden afgeschaft of veranderd; of voor zoo verre die tot bestryding der Departementale Uitgaven ivn aangewezen, naar gelang van derzelver vermeerdering of vermindering, dooi\' de Departementale Bestuuren, worden verhoogd of verlaagd.

58. De Wet bepaalt, welke der invoege voorsz plaatshebbende Belastingen in de Nationale Kas tot goedmaking der kosten van het Nationaal Bestuur, en welke in de respective Departementale Kassen tot goedmaking der huishoudelijke lasten van ieder Departement gestort zullen worden: zoo dikwyls de laatstgemelde niet toereikende

98

-ocr page 119-

Van de Finantiën.

bevonden mogten worden, zal ieder Departement het recht hebben, om, tot sty ving van deszelts Kas, zodanige Departementale Belasting te heffen, als hetzelve Departement voor het belang van de Ingezetenen meest raadzaam zal oordeelen. Doch alvorens zodanige Belasting zal kunnen worden ingevoerd, zal het Departementaal Bestuur gehouden zyn, dezelve aan het Staats-Bewind voortedra-gen . ten einde die door het Wetgevend Lichaam te doen bekrachtigen; welke bekrachtiging niet geweigerd zal mogen worden, dan om redenen, dat de Belasting of wyze van Heffing voor de algemeene Belastingen schadelyk zouden zyn, of strydig bevonden worden met de bepalingen in Art. 66 vervat. De Inkomsten der Nationale Kas niet genoegzaam zynde tot goedmaking der gewone Jaarlyksche Uitgaven, legt de Wet, achtereenvolgens Art. 40, nieuwe Belastingen op, welke gelykelyk door alle de Ingezetenen der Republiek naar gelang van der-zelver Inkomsten gedragen zullen worden.

59. Uiterlijk op den eersten November van ieder Jaar, draagt het Staats-Bewind volgens Art. 40 de Begrooting der benodigde Uitgaven en de middelen tot goedmaking derzei ve voor het volgende Jaar aan het Wetgevend Lichaam voor. Op deze Begrooting wordt echter niet gebragt zodanige Somme, als het Wetgevend Lichaam Jaarlyks tot geheime Uitgaven aan het Staats-Bewind zal toestaan. Deze voordragt wordt door hetzelve in besloten Vergadering den tyd van vier weken, in overweging genomen, gedurende welken tyd hetzelve de nodige conferentiën deswegens houdt inet het Staats-Bewind. Do publieke discussion vervolgens begonnen zynde, moeten uiterlyk binnen veertien dagen geëindigd cn de voordragt vóór of op den 15 December finaal ter Conclusie worden gebragt

60. Ingeval eener buitengewone Petitie kan het Wetgevend Lichaam de voordragt van het Staats-Bewind op dezelfde wijze gedurende veertien dagen in overweging nemen. — De discussiën deswegens begonnen zynde worden binnen agt dagen ten einde gebragt.

61. Bij het overgeven der Begrooting, Art. 59 vermeld , wordt tevens eene algemeene Staat van alle Ontvangsten en Uitgaven der Nationale Kas gedurende het afgelopen voorgaande jaar, door het Staats-Bewind aan het Wetge-

99

-ocr page 120-

STAATSREGELING VAN 1801.

vend Lichaam overgelegd, met bijvoeging eener schrifte-lyke verklaring, door alle de Leden onderteekend, dat van de Ponningen tot geheime Uitgaven aan het Staats-Bewind toegestaan, geen ander gebruik gemaakt is dan ten algemeenen nut der Republiek.

Van de Departementale Bestuuren.

62. Ieder Departementaal Bestuur bestaat, naargelang der talrykheid van deszelfs Ingezetenen, uit niet minder dan zeven en niet meer dan vyftien Personen, binnen hetzelve woonachtig en voorts alle de vereischten bezittende, welke by Art. 54 in de Leden van het Wetgevend Lichaam vereischt worden. Dezelve treden op eene regelmatige wyze jaarlijks at\', en worden verkozen op zoodanige wyze als de Wet, overeenkomstig Art. 22 nader zal bepalen; tot welken tyd toe en tot dat de keuze der nieuwe Leden dienvolgens zal zijn geschied, het thans plaats hebbend Bestuur der tegenwoordige Departementen zal blyven voortduren.

63. Het Staats-Bewind zal voor ieder Departement eene Commissie uit deszelfs Ingezetenen benoemen, en den voet en inrichting van het Bestuur voor ieder Departement achtereenvolgens het bepaalde in het voorgaande Art. te ontwerpen. Deze ontwerpen zullen door de gemelde Commissién binnen den tyd van agt weken na derzelver benoeming, aan het Staats-Bewind worden toegezonden, hetwelk bepaaldelyk zal onderzoeken, of in de gemelde ontwerpen ook iets gevonden wordt strydig met de Acte van Staatsregeling of met het belang der Departementen onderling, waar na hetzelve ter goad-keuring aan de Stemgerechtigden der respective Departementen zal worden aangeboden.

64. Het Staats-Bewind beslist alle geschillen, zoo tusschen de onderscheidene Departementen als tusschen derzelver Leden, en Gemeenten onderling, over en omtrent alle zaken derzelver bestuur betreffende.

65. Ieder Departement regelt de kosten van deszelfs eigen huishoudelyk Bestuur, zoo ter administratie van Politie en Justitie, voor zoo verre dezelve niet uit de Kas van byzondere flemeenten of Districten moeten worden

100

-ocr page 121-

Van de Departementale Bustuuren. 101

betaald, als tot het onderhoud der Departementale Gebouwen, Dy ken, Waterwerken en dergelyke. Bij buitengewone rampen geven zy daarvan onraiddelyk kennis aan het Staats-Bewind, en verzoeken den nodigen onderstand uit de Nationale Kas.

66. Tot goedmaking der bovengemelde gewone kosten, zal ten spoedigsten door ieder Departementaal Bestuur eene begrooting derzelve aan het Staats-Bewind worden voorgedragen, alsmede welke Artikelen der thans in hetzelve Departement geheven wordende Belastingen voortaan tot styving van dezelve kosten in de Kas van het zelve zouden behoren te worden gestort, en in het vervolg als Departementale Belastingen aangemerkt. In-gevalle deze in vervolg van tyd niet toereikende gevonden mogten worden, draagt het Departement, achtervolgens Art. 58, nieuwe Departementale Belastingen voor, welke echter niet zullen mogen gelegd worden op den doorvoer door, den uitvoer naar of den invoer uit eenig Departement. Zullende mede de voortbrengzelen van den grond of de nyverheid van andere Departementen nimmer mogen worden bezwaard, boven die van het Departement zelve, alwaar de belasting geheven wordt.

67. Het Departement raadzaam oordeelende tot goedmaking van buitengewone kosten, zekere Penningen te negotiéeren, zal gehouden zyn het beloop derzelve, als mede een afzonderlyk fonds tot aflossing en betaling der Interessen van dezelve, het zy uit reeds bestaande, hetzy uit nieuwe Belastingen aan het Staats-Bewind voor te dragen om door het Wetgevend Lichaam te worden goedgekeurd.

68. De Departementale Bestuuren hebben de aanstelling der Leden van derzelver Gerechtshoven, en voorts van alle Amptenaren en Bedienden tot de huishoudelyke Administratie der Departementen benodigd; zij hebben mede het toeverzigt over het behoorlyk onderhoud van alle Dyken, Waterwerken, Wegen, Bruggen en derge-lyken, welke door onderscheidene gemeenten, Collegien of Particulieren onderhouden of bekostigd moeten worden.

60. Dezelve zorgen dat de aan te leggen Werken, noch het bevaren der Rivieren of Zeegaten, noch ook de belangen der Ingezetenen van eenig ander Departement benadeelen of hinderlyk zyn, en gedragen zich daar-

-ocr page 122-

STAATSREGELING VAN i 801.

omtrent naar de bevelen van het Staats-Bewind. Zij zenden dadelyk na liet arresteeren van eenig werk, de opgave van het zelve aan het Staats-Bewind, en zorgen, dat zulks mede geschiede door alle Collegiën, opzigt hebbende over eenige Zee-, Bivier- of Dijk-Wcrken.

70. De Departementale Bestnuren dragen zorg voor de nauwkeurige uitvoering van alle bevelen, door of van wegen het Staats-Bewind uitgevaardigd, en zyn deswegens aan hetzelve verantwoordelyk.

71. Dezelve hebben de beschikking over alles, wat tot de gewone Inwendige Politie, Occonomie en Finantie van het Departement behoort, en vermogen daaromtrent Statuten , Keuren, Reglementen en Ordonnantiën te arresteeren, mits dezelve niet strydig zyn met de algemeene Wetten. Dezelve verleenen ook, naar bevind van zaken, aan minderjarigen, brieven van Venia JEtalis.

72. Dezelve drsgen zorg dat de natemelden Gemeente-Bestuuren zoo spoedig mogelyk behoorlyk en op eenen vasten voet worden geregeld.

Van de Gemeente-Bestuur en.

73. Er zal geene nieuwe verdeeling der Departementen of Ringen in Gemeenten plaats hebben, dan op onderlinge toestemmingen daartoe gedaan verzoek der belanghebbende. Tedere Stad, District of Dorp heeft zyn eigen Gemeente-Bestuur ingerigt op zoodanigen voet, als door iedere Gemeente ter goed- of afkeuring aan het Departementaal Bestuur zal worden voorgedragen; mits gegrond zyn de op het beginzel van Volkskeuze en eene geregelde afwisseling.

74. Iedere Gemeente heeft de vrye beschikking over deszelfs huishoudelyke belangen en bestuur, en maakt daaromtrent alle de vereischte Plaatselyke bepalingen

75. Hetzelve legt geene Plaatselyke Belastingen op, dan met overleg van de Gecommitteerden uit de Gemeenten , gekozen volgens een Reglement, goed te keuren door het Departementaal Bestuur, aan het welke mede alle plaatselyke Belastingen ter goed- of afkeuring zullen moeten gezonden word en. Ten aanzien deezer Belastingen moet worden in acht genomen, dat noch de doorvoer, noch de uit- of de invoer, naar of van andere Steden of Plaatsen worde belast, noch ook de voortbrengselen van den grond

102

-ocr page 123-

Van de Gemeente-Bestuur en.

of nyverheid van andere Steden of Plaatsen bezwaard boven die van de Plaats zelve, waar de Belasting gelegd wordt.

76. Leden van het Gemeente-Bestuur kunnen onder geen voorwendsel immer in Persoon door de Departementale Bestuuren tot verantwoording worden opgeroepen, veel min gesuspendeerd of afgezet. Zy kunnen alleen wegens verzuim in hunne plaatselyke bediening te recht gesteld worden voor het Departementaal Gerechtshof.

Van de liediterhjke Magt.

77. De rechterlyke Magt wordt alleen uitgeoefend door Rechters, welke by of ingevolge de Staatsregeling vastgesteld zyn of zullen worden.

78. In geene Rechtbanken zullen de Leden by der-zelver aanstelling elkander onderling of ook den publieken Aanklager by dezelve, bestaan tot in den derden graad van Bloedverwantschap of Zwagerschap. Niemand kan de functie van Rechter waarnemen, die niet is stemgerechtigd Burger en den vollen ouderdom van vyf en twintig jaren niet heeft bereikt.

79. Alle Rechters zyn gehouden, des verzogt, de Sen-tentiiin en Vonnissen van elkander, welke in kragt van gewysde gaan, ter executie te helpen stellen, mitsgaders over en weder de zoogenaamde Letters Requisitoriaal te respecteren. Ingeval van geschil dienaangaande, staat de beslissing deswegens, gelyk mede van alle Jurisdictieques-tiën, wanneer partyen onder hetzelfde Departementaal Gerechtshof behooren, aan het laatstgemolde en anders aan het Nationaal Gerechtshof.

80. In Criminele Zaken wordt by definitive Sententiën en Vonnissen ten nadeele van eenen Beschuldigden, het gepleegde misdryf uitgedrukt, op poene van nulliteit. Alle Sententiën en Vonnissen moeten met open deuren worden gepronunciëerd. Nimmer heeft eenige verbeurdverklaring van goederen plaats. Er wordt overal recht gedaan in naam en. van wege het Bataafsche Volh.

81. De Gerechtshoven dei- voormalige Gewesten blyven derzelver plaatshebbende Jurisdictiën behouden. Zodanige Departementen, alwaar geen Gerechtshof aanwezig is, kunnen hetzelve aanstellen, op zodanigen voet, als door hun

-103

-ocr page 124-

STAATSREGELING VAN 1801.

aan liet Staats-Bewind zal worden voorgedragen, om door het Wetgevend Lichaam bekrachtigd te worden.

82. De voet en wyze van de inrichting der Rechtbanken in de onderscheidene Gemeenten zal door derzelver Bestuuren aan het Departementaal Bestuur worden voorgedragen , het welk zorg zal dragen, dat dezelve zoo veel mo-gelyk op eenen gelyken voet worden ingericht en geregeld.

83. De wyze van Procederen zoo voor het Nationaal Gerechtshof, de natemeldene Hooge Militaire quot;Vierschaar, den Zeeraad, de Departementale Gerechtshoven, als alle mindere Rechtbanken wordt door de Wet bepaald.

84. Het Staats-liewind zorgt, dat een algemeen Civiel en Crimineel Wetboek, na dat op de daar van gemaakte ontwerpen de consideratiën van het Nationaal Gerechtshof zullen zyn ingenomen , ten spoedigsten aan het Wetgevend Lichaam ter bekrachtiging worde aangeboden.

85. Indien by de invoering van hetzelve eene andere organisatie der Rechterlyke Magt mogt worden vereischt, zal het Staats-Bewind, na ingekomene consideratiën der respective Departementale Bestuuren deswegens de nodige voordragt aan het Wetgevend Lichaam inzenden.

86. Het Krygsvolk te Water en te Lande blyft, met betrekking tot alle Civile Zaken en commune delicten, onderworpen aan den Burgerlyken Rechter.

87. Er zal eene Hooge Militaire Vierschaar zyn, voor welke het Krygsvolk te Water en te Lande, op aanklagt van twee afzonderlyke Fiscaals zal worden terechtgesteld. Dezelve zal bestaan uit een gelyk getal Zee-Officieren, Land-Officieren en Rechtsgeleerden , waar omtrent zoo wel, als omtrent de geheele te rechtstelling van het Oorlogsvolk de Wet nadere bepalingen en verordeningen vaststelt. De Leden dezer Vierschaar, benevens de Fiscaals worden door het Staats-Bewind benoemd.

88. De Wet bepaalt de Judicature in cas van fraude of contraventie der Gemeene Middelen en Belastingen.

Van het Nationaal Gerechtshof.

89. Hetzelve zal bestaan uit negen Leden, welke dadelyk na de benoeming van het Wetgevend Lichaam, door vyf Leden uit deszelfs midden te committeeren,

104

-ocr page 125-

Van het Nationaal Gerechtshof.

als mede door vyf Leden van het Staats-Bewind, insge-lyks uit deszelfs midden te committeeren, mitsgaders deszelfs President, by volstrekte meerderheid zullen ■worden benoemd en aangesteld.

90. Dezelve zitten gedurende hun leven, en moeten alle de vereischten bezitten, welke in de Leden van het Staats-Bewind Art. 29 gevorderd worden. In cas van vacature formeren dezelve een dubbeltal, bij het welk door het Staats-Bewind insgelyks twee Personen gevoegd worden, uit welk viertal de electie geschiedt door het Wetgevend Lichaam.

91. Hetzelve neemt cognitie van, en oordeelt over alle misdryven door de Leden van het Wetgevend Lichaam, van het Staats-Bewind en alle hooge Nationale Amptenaren, begaan in de waarneming hunner bedieningen, zelfs na het eindigen derzei vei en voorts van alle andere misdaden, door dezelve gedurende den tyd hunner bediening bedreven wordende.

92. Hetzelve oordeelt over alle actiën, waarin het Gemeenebest als gedaagde wordt aangesproken.

93. Hetzelve heeft het speciaal toezigt over de Gerechtshoven en Rechtbanken in de Bataafsche Republiek. Het kan derzei ver Vonnissen en handelingen voorzoo verre deze met de Wetten aangaande de administratie van Justitie en de form van Rechtspleging strydig zyn, schorsen en vernietigen; en reden tot aan klagt vindende., den publieken Aanklager gelasten, het recht van het Bataafsche Volk waar te nemen: hetzelve zal echter nimmer bevoegd zijn, zich in de beoordeelina der zaak zelve in te laten.

94 Aan hetzelve valt hooger beroep van alle gewysden in zaken, welke ter eerster instantie gediend hebben voor de Departementale Gerechtshoven en zulks achtervolgens hetgeen de Wet bij de algemeene wyze van Procederen dien aangaande zal hebben vastgesteld.

95. Hetzelve velt geene definitive Vonnissen, ten zy er ten minsten zeven Leden tegenwoordig zyn.

96. Hetzelve alleen verleent Surcheance van Betaling, Brieven van Sureté du Corps, en voorts zodanige dispen-satiën als door het Wetgevend Lichaam aan hetzelve zullen worden gedemandeerd, uitgezonderd het verleenen van Brieven van Ven in jEtatin, welke, achtervolgens Art. 71 aan de Departementale Bestuuren is verbleven.

105

-ocr page 126-

STAATSREGELING VAN 1801.

97. Er zal herziening of revisie der Vonnissen by hetzelve gewezen, kunnen plaats hebben, uitgezonderd in Criminele Zaken, wanneer aan den Aanklager zyn eisch is ontzegd.

De Adjuncten Reviseurs zullen genomen worden uit de Departementale Gerechtshoven : in welke gevallen al of niet herziening zal plaats hebben, benevens het getal der Adjunct Reviseurs, en de generale orde op dit stuk wordt door de Wet bepaald.

98. De Publieke Aanklager of Procureur-Generaal by het Nationale Gerechtshof, alsmede de Procureurs-Generaal by de Departementale Gerechtshoven, worden door het Staats-Bewind aangesteld, uit eene nominatie van drie Personen, te formeeren door het Nationaal Gerechtshof en de Departementale Bestuuren respectivelyk.

99. Behalven den gewonen Publieken Aanklager worden by dit Gerechtshof aangesteld drie Nationale Procureurs of Syndici, voor de eerstemaal te benoemen op dezelfde wyze, als omtrent de verkiezing der Leden van het Gerechtshof by Art. 89 is bepaald; dezelve zullen moeten zyn Meesters in de hechten, en voorts de vereischten bezitten, by Art. 29 voorgeschreven.

Deze drie Personen zullen te samen uitmaken het Nationaal Syndicaat.— Ingeval van vacature zal door het Nationaal Gerechtshof eene nominatie worden gemaakt van drie Personen, uit welk de keuze van een nieuw Lid door het Wetgevend Lichaam zal geschieden.

Het Nationaal Syndicaat surveilleert alle Collegiën en Magistraten, Nationale en Departementale of andere Geconstitueerde Autoriteiten, Rechtbanken of Amptenaren, en ziet toe of dezelve ook iets verrichten, strydig met de Constitutie of vastgestelde Wetten, en neemt alle klagten deswegens aan om op dezelve te inquirearen. Zo er reden van beschuldiging door hetzelve wordt geoordeeld te zijn, institueert hetzelve zijne aanklagt, bepleit dezelve voorliet Nationaal Gerechtshof, hetwelk uitspraak doet zonder hooger beroep, ingeval van vryspraak; doch by condemnatie wordt, op begeerte van den Aangeklaagden, het vonnis gerevideerd door het Nationaal Gerechtshof, met adjunctie van vier Leden uit de Gerechtshoven door den Gecondemneerden zeiven te benoemen. De Aangeklaagden kunnen hunne zaak laten verdedigen,

-J06

-ocr page 127-

Fan het Nationaal Gerechtshof. 107

zoo ter eerster instantie als in revisie door zodanige Pleit-bezorgeren, als zy zei ven verkiezen. Alle raagt en gezag van den Aangeklaagden word door de aanklagt dadelyk gesuspendeerd, uitgezonderd der Vergadering van het Wetgevend Lichaam of van het Staats-Bewind.

100. Die de bevelen van een Aangeklaagden, het zy Magistraat, Collegieof Amptenaar, met uitzondering alleen iler beide bovengenoemde Vergaderingen, gehoorzaamt is schuldig aan misdaad van hoon verraad.

101. Het Syndicaat oeffen geene magt uit hoegenaamd, en vermag niemand te laten arresteren, dan na verleende autorisatie van het Gerechtshof, uitgezonderd alleen in liet enkel geval, dat eenige autoriteit of amptenaar, of ook particuliere Personen ontdekt wierden, dadelyk iets te ondernemen tegen de veiligheid van den Staat en deszelfs Constitutie, of onmiddelijk gereed te zijn, om zulks te doen; doch in dit geval moet de reden van liet arrest onmiddelyk aan het Nationaal Gerechtshof worden bekend gemaakt, hetwelk dezelve beoordeelt en de arrestatie dienvolgens bekrachtigt of annulleert.

Van zodanig arrest zyn echter uitgezonderd de Vergaderingen van het Wetgevend Lichaam en van het Staats-Bewind.

102. Het syndicaat kan zyne eigen Leden aanklagen.

103. Het Nationaal Gerechtshof surveilleert het Syndicaat en deszelfs Leden, en ingeval van eenig misdryf het zy van concussie of van andere delicten in Officio, het produceeren van valsche bewvzen, omkoping van getuigen, verdonkeringen of verwaarlozing van gefundeerde aanklagten of middelen van verdediging enz. kiest het Nationaal Gerechtshof een Rechtbank van negen Leden uit de onderscheidene Departementale Gerechtshoven, voor welke hetzelve zyne aanklagten door by hetzelve hiertoe benoemde Pleitbezorgers doet institueeren.

104. Het Nationaal Gerechtshof houdt zyn verblyf in de Residentie van het Staats-Bewind.

105. Ingeval van twyffeling of verschil omtrent het recht verstand van eenig Artikel der Acte van Staatsregeling, zal hetzelve door het daarby belanghebbend Collegie ter kennis gebragt worden van het Nationaal Gerechtshof, hetwelk den Letter der Staatsregeling niet volkomen, duidelyk oordeelende. hier van aanschryving zal doen aan

-ocr page 128-

STAATSREGELING VAN 1801.

het Wetgevend Lichaam, als mede aan het Staats-Bewind, ten einde ieder uit den hunnen te benoemen negen Leden, welke gezamentlyk met de Leden van het Gerechtshof zelve, eene Vergadering zullen uitmaken van zevenen-twintig Personen, welke Zitting zullen nemen naar den rang van derzelver ouderdom, onder het Praesidium van den Praesident van het Hof, die den staat van het geschil duidelyk zal voordragen, en by meerderheid doen beslissen. En indien dezelve bevindt dat die duisterheid niet opgehelderd kan worden, zonder authentique interpretatie, zal het voorstel door het Staats-Bewind ter beslissing van de Stemgerechtigde Burgers worden gebragt.

106. Zodra dese Staatsregeling door het Bataafsche Volk is aangenomen en geproclameerd, benoemt het Uitvoerend Bewind de zeven Leden van het Staats-Bewind, en roept dezelven binnen veertien dagen, tegen een bepaalden dag binnen de Residentie: deze verkiezen dadelyk hunne Medeleden, en geven daarvan kennis aan het Uitvoerend Bewind, om dezelven insgelyks binnen den kortsmogelyken tyd opteroepen; ten einde alsdan het Staats-Bewind te installeeren.

Het Staats-Bewind geconstitueerd zynde, geeft hiervan kennis aan het Vertegenwoordigend Lichaam en het Uitvoerend Bewind, welke beide Collegiën zich daarop onmiddelyk dissolveeren.

Belofte voor de Leden van het Wetgevend Lichaam.

sik belove plechtiglyk, dat ik als Lid van het Wet-sgevend Lichaam, achtervolgens de Staatsregeling, het «belang des Bataafschen Volks met al myn vermogen »zal helpen bevorderen, desselfs rechten zal helpen «handhaven, my oprechtelyk en naarstiglyk zal kwyten »van alle plichten, my in mijne betrekking, opgelegd; szonder my daar van immer te laten wederhourlen, om »lief en leed, gunst of ongunst, beloften of geschenken, «noch eenige andere zaken; en dat ik, op geenerlei swyze, zal medewerken of helpen besluiten tot eenig «ontwerp, strekkende ter invoering van Erllijke waar-«digheden, of afwykende van de gronden eener Volks-«regeering bij Vertegenwoordiging.quot;

108

-ocr page 129-

Van het Nationaal Gerechtshof.

Belofte voor de Leden van het Staats-Bewind.

»Ik belove plechtiglj\'k, dat ik als Lid van het sStaats-Bewind, aclitcrvolgens de Staatsregeling, en de smacht my by dezelve opgedragen, de belangen des »Bataafschen Volks met al myn vermogen zal helpen «bevorderen: deszelfs Rechten, Hoogheid en Waardig-ïiheid zal helpen voorstaan: de Onafhangelykheid van ))het Gemeenebest, en de Vrylieid der Ingezetenen, »door alle gepaste middelen en wegen, zal helpen be-ïvestigen, handhaven en verzekeren: dat ik my oprech-»telijk en naarstiglyk zal kwyten van alle de \'plichten, «my in rayne betrekking opgelegd, zonder my daarvan simmer te laten wederhouden, om lief of leed, gunst »of ongunst, beloften of geschenken, noch door eenige «andere zaken; en dat ik, op geenerlei wyze, zal «helpen beramen of besluiten, noch gedogen, dat be-«raaiiid of besloten worde eenig ontwerp, afwykende )gt;van de Staatsregeling, of strekkende ter invoering «van Erflyke Waardigheden, of strydende met eene «Volksregeering by Vertegenwoordiging: maar integen-«deel, dat ik, wanneer eenige dergelyke onderneming «ter myner kennis mogt komen, dezelve, met alle de «macht, welke my is aanvertrouwd, zal tegengaan en «trachten te verhinderen.

109

-ocr page 130-

AANHANGSEL.

BESLUIT

van het Uitvoerend Bewind des Bataafschen Republiek, van Maandag den 28 September 1801.

Oji het geproponeerde ter quot;Vergadering, en in aanmerking genomen zynde, dat aan het 1\'2 en \'14 Artieul van het Ontwerp van Staatsregeling, door veelen, het zy dan uit misvatting of kvvalykgezinde oogmerken, eene verkeerde meening wordt toegeschreven: is goedgevonden, de respective Commissarissen van het Bewind hij de Departemen-taale Bestunren aanteschryven en te kennen te geeven.

1quot;. Bat met de woorden van het 42 Art.,ac/itervvlgens het gene aangaande dit een en ander hy de Wet nader zal \'worden vastgesteld, niets anders of meerder wordt bedoeld, dan dat bij eene Wet zal worden vastgesteld de hoeveelheid der Contributie voor de Leden van elk Kerkgenootschap, hot welk buiten staat zal zyn om buiten dien voor zyn bestaan te zorgen; mitsgaders, dat de Wet zal bepalen de wyze, waarop de Contributie in ieder Kerkgenootschap onder de respective Gemeenten znl worden verdeeld, en geenzins dat de Wet zich verder met de Godsdienstige schikkingen en inrichtingen van elk Kerkgenootschap zoude bemoeyen; en

2quot;. Bat hot 15 Art. geene de minste bedoeling heeft, om in het bezit van eenige genaaste Kerk wederom verandering te maken, gelvk dit uit de vergelyking met Art. 13 bovendien zonneklaar blijkt.

En zal Extract dezes worden gezonden aan de respective Commissarissen van het bewind by de Beparternentaale Bestuuren, met last om daarvan het nodig gebruik te maken.

-ocr page 131-

Staatsregeling van 1805.

(Het ontwerp dezer Staatsregeling werd door het Staats-Bewind bekend gemaakt bij Publicatie \\an \'25 Maart; de Volksstemming bad plaats van 9 tot 16 April: na de goedkeuring werd deze Staatsregelinfi des Bataafse he Volks door het Staats-Bewind 2ü April geproclameerd. Zij trad in werking 29 April -1805.)

Algemeene Bepalingen.

Art. 1. liet geluk van een Volk wordt voornamelijk bevorderd door de wijsheid der Wetten, welke hetzichgeeft.

2. De Wetten moeten altijd gegrond zijn op de Ondervinding, en, zoo veel mogelijk, zijn ingerigt naar den Geest en de Zeden der Natie, en de bijzondere omstandigheden des Lands.

3. Het groote beginsel der Maatschappelijke Vrijheid bestaat daarin, dat de Wet gelijke Regten verzekere en gelijke Pligten oplegge aan alle Burgers, zonder onderscheid van rang of geboorte.

4. Er bestaat geene heerschende Kerk. Het Gouvernement verleent gelijke bescherming aan alle Kerkgenootschappen, binnen dit Gemeenebest bestaande. Het handhaaft dezelve bij de ongestoorde uitoefening van hunne kerkelijke Instellingen, geschikt ter verbreiding van Godsdienstige beginselen en goede zeden, mitsgaders tot handhaving der goede orde. Het neemt de nodige maatregelen, welke de bijzondere omstandigheden van deze Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene welvaart, vereischen.

5. leder is onschendbaar in zijne woning; zijns ondanks mag niemand in dezelve treden, ten zij uit krach te van een bevel der daartoe bevoegde Ma\'jt. ■

fi. Niemand kan in hechtenis genomen worden, dan volgens de Wet; niemand kan veroordeeld worden, dan door den Regter, dien de Wet hem toekent, en na alle middelen van verdediging, bij de Wet bepaald, te hebben gehad.

-ocr page 132-

STAATSREGELING VAN 1805.

7. Ieder Burger heeft het regt, om verzoeken of voordragten aan de daartoe bevoegde Magt schriftelijk intedienen, mits die persoonlijk, en niet uit naam van meerderen, worden onderteekend, welk laatste alleen zal kunnen geschieden door of van wegens Ligchamen, wettig zamengesteld en als zodanig erkend, en dan nog niet anders dan over onderwerpen, tot derzei ver bepaalde werkzaamheden behorende.

8. Alle algemeene Wetten en Bepalingen, welke sedert den jare 1795 hebben gederogeerd aan de pecuniele waarde van Eigendommen of wettig verkregene Bezittingen, zijn aan herziening onderworpen. De vertogen, uit dit Artikel voortvloeijende, kunnen geen onderwerp van regterlijk onderzoek uitmaken. Ieder, die door dezelve Wetten is benadeeld geworden, kan zich deswegens aan den Wetgever vervoegen, die, naar bevind van zaken en op de meest billijke wijze, op de bovengemelde verzoeken zal disponeren.

9. Het Leenregt blijft afgeschaft. Alle Goederen worden gehouden voor Allodiaal. De Wet zorgt voor de billijke en regtmatige schadeloosstelling der grondeigenaren, welke door deze afschaffing blijkbaar zijn benadeeld geworden.

Territoriale Verdeeling der Bepubliek, en Sternregt.

10. Het Grondgebied van het Bataafsch Gemeenebest in Europa blijft verdeeld in Acht Departementen, welker Grensscheidingen zullen zijn die der voormalige Gewesten. Het Landschap Drenthe blijft provisioneel vereenigd met het voormalige Gewest Overijssel, zullende door de Wet daaromtrent nadere bepalingen kunnen worden gemaakt; en Bataafsch Braband een afzonderlijk Achtste Departement.

Ameland behoort onder het Departement Vriesland.

Wedde en West-Woldinterland , onder Groningen.

IJsselstein, mitsgaders de Schout-ambten van Benschop, en Noord-Polsbroek, als mede Jaarsveld, onder Utrecht.

Vianen, Ameiden, Leerdam en Sommelsdijk. onder Holland.

Kuilenburg en Buren, onder Gelderland.

De Wet bepaalt, aan welk Departement of Departementen de Landen zullen worden toegevoegd, met welke het

112

-ocr page 133-

Territoriale Verd. der Republiek, en Stemregt. li3

Gemeenebest reeds is, of verder als eene. aan hetzelve verschuldigde Schadevergoeding, mogt worden vergroot, mitsgaders zoodanige voormalige Heerlijkheden of Districten, welke tot geen der vorige Gewesten of Departementen behoord hebben; zullende de Wet mede bepalingen kunnen maken omtrent zulke Districten er. Plaatsen, wier Jurisdictie tusschen onderscheidene Gewesten verdeeld of quaestieus is.

11. Ieder Departement wordt verdeeld in Ringen of Districten, welke door de Wet worden bepaald.

12. De vereischten tot de uitoefening van het Stemregt blijven, bij provisie, bepaald op den tegenwoordigen voet. De thans bestaande Voorschriften deswegens kunnen gewijzigd worden overeenkomstig het algemeen belang; deze wijzigingen, echter, kunnen nimmer strijdig zijn met de beginselen van Persoonlijke Onafhankelijkheid en Eigendom.

13. I leraren van eenige Godsdienstige Gezindheid zijn niet verkiesbaar tot eenige Posten van Politiek Bestuur.

14. Krijgslieden stemmen niet, dan ter plaatse hunner vaste woning, afgescheiden van de plaats hunner Garni-soenen.

Het Wetgevend Lichaam.

15. De titul van het Wetgevend Ligchaam is Hun Hoog Mogenden, vertegenwoordigende het Bataafsch Gemeenebest; zullende de Vergadering onder den titul van Hoog Mogende Heeren worden geadiëerd.

16. De Oppermagt van het Bataafsche Volk wordt vertegenwoordigd door de Vergadering van Hun Hoog Mogenden met den Raadpensionaris.

17. Het vaststellen van Wetten behoort aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden.

18. De Vergadering van Hun Hoog Mogenden bestaat uit Negentien Leden, voor den tijd van drie Jaren verkozen, en benoemd dooi\' de Leden van de Departementale Besturen in de volgende evenredigheid, te weten:

Door het Departement Holland, Zeven Leden; » » Departement Zeeland, Een Lid: » » Departement Utrecht, Een Lid;

en door ieder der overige Departementen, Twee Leden.

19. De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden

8

-ocr page 134-

STAATSREGELING VAX 1805.

moeten zijn Stemgeregtigde Burgers, bereikt hebbende den vollen ouderdom van 30 jaren, geboren binnen een der acht Departementen van het Geraeenebest of in de Coloniën of Bezittingen van den Staat: en binnen dat Departement, van wegens het welke zij benoemd worden, gedurende de laatste zes jaren vóór hunne benoeming hebben gewoond : zij mogen eikanderen niet bestaan tot in den vierden graad van bloedverwantschap of zwagerschap. Het vereischte van inwoning sluit niet uit de zoodanigen, die Reipublicae causa zijn afwezig geweest.

20. Ter benoeming van een Lid der Vergadering van Hun Hoog Mogenden, zendt het Departementaal Bestuur aan den Raadpensionaris eene Nominatie van vier Personen, binnen het Departement woonachtig. De Raadpensionaris vermindert deze Nominatie tot op twee Personen, waar uit dan vervolgens het Departementaal Bestuur de keuze doet.

21. Dadelijk na dat de zitting der Vergadering van Hun Hoog Mogenden zal geopend zijn. het geen door den Raadpensionaris verrigt wordt, gaat dezelve Vergadering over tot benoeming van een President voor die zitting, welke uit haar midden gekozen wordt.

22. De Vergadering van Hun Hoog Mogenden wordt geadsisteert door een Griffier. De Raadpensionaris heeft de benoeming van den Griffier van Hun Hoog Mogenden. uit eene Nominatie van twee, buiten de Vergadering genomene Personen, welke Nominatie door dezelve Vergadering aan den Raadpensionaris wordt ingezonden.

23. Alle besluiten van de Vergadering van Hun Hoog Mogenden worden geteekend door den President, en gecontrasigneerd door den Griffier hunner Vergadering.

24. De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden brengen hoofdelijk hunne stem uit, zonder eenigen last te ontvangen van, of ruggespraak te houden met hun Departement. Zij zijn wegens hun gedrag, in de Vergadering van Hun Hoog Mogenden gehouden, aan de Departementale Besturen geene verantwoording schuldig.

26. De Leden van de Departementale Besturen, de Secretarissen van Staat, de Leden van den Staatsraad, van den Raad van Financiën en van de Geregtshoven. vermogen geene zitting te nemen in de Vergadering van Hun Hooa- Mosenden. dan na alvorens afstand te hebben

414

-ocr page 135-

Het Wetgevend Ligchaam. -H5

gedaan van de Posten, welke zij bij hunne benoeming bekleedden.

26. De Vergadering van Hnn Hoog Mogenden beraadslaagt over geene andere onderwerpen. dan over de zoodanige, welke Haar door den Raadpensionaris worden voorgedragen. Dezelve vereenigt zich met de Voordragt of verwerpt dezelve, zonder daarin eenige verandering of wijziging te maken.

27. Hun Hoog Mogenden,de voorgedragene Wet hebbende goedgekeurd, geven daarvan onmiddelijk kennis aan den Raadpensionaris: welke met de promulgatie en executie daar van belast is. Wanneer Hun Hoog Mogenden do voorgedragene Wet verwerpen, geven zij daarvan, met opgave der redenen van weigering, kennis aan den Raadpensionaris, welke als dan hetzelfde Ontwerp, nader gemotiveerd. of met eenige verandering, andermaal kan voordragen.

28. Aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden is uitsluitend opgedragen het raadplegen over de Algeraeene Begrooting van Staatsbehoeften, en alle Augmentatiën van dezelve, welke Haar door (lenj Raadpensionaris worden voorgedragen.

29. De Vergaderins van Hun Hoog Mogenden verleent, op Voordragt van den Raadpensionaris, na ingenomen advis van het Nationaal Geregtshof, Gratie, Abolitie, of Remissie van Straffen, bij regterlijke vonnissen opgelegd.

30. Hun Hoog Mogenden niet vergaderd zijnde, is de Raadpensionaris bevoegd om surchéance van executie van een Vonnis te verleenen. Hij is echter verpligt de zaak zelve te brengen ter kennis van de Vergadering van Hnn Hoo^ Mogenden, bij hare eerstvolgende bijeenkomst.

31. Het regt van bekrachtiging van Tractaten van Vrede, Aliantie en Koophandel, behoort bij uitsluiting aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden. De geheime Artikelen, tot zoodanig een tractaat behoorende, zijn aan deze bekrachtiging niet onderworpen. Deze geheime Artikelen mogen echter niet strijdig zijn met de openbare Artikelen, niet strekken tot afstand van eenig grondgebied van het Bataafsch Gemeenebest.

32. Er kan geene Ont-lors-verklaring plaats hebben, dan na een voorafgaand Besluit van Hun Hoog Mogenden, op voordragt van den Raadpensionaris genomen.

33. De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden

-ocr page 136-

STAATSREGELING VAN \'1805.

vergaderen gewoonlijk tweemaal in het jaar, en wel bepaaldelijk van den 15 April tot den eersten .Tunij, en van den eersten December tot den 15 Januarij. Dezelve kunnen door den Raadpensionaris buitengewoon worden zamengeroepen, zoo dikwerf als Hij zulks zal goedvinden.

34. Op den eersten December van elk jaar gaat een derde gedeelte af der Leden van de Vergadering van Hun Hoog Mogenden. De eerste aftreding wordt door het lot en op den dag van derzelver eerste bijeenkomst bepaald: welke eerste aftreding op den eersten December 1800 zal plaats hebben.

35. De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden genieten, tot schadeloosstelling voor reiskosten en van het verblijf in de Residentie, jaarlijks eene somrae van drie duizend Guldens.

36. De aftredende Leden zijn altijd weder verkiesbaar.

37. Bij het atloopen van elke Zitting, wordt de Vergadering van Hun Hoog Mogenden gescheiden door den Raad pensionaris.

De Raadpensionaris.

38. De Raadpensionaris vertegenwoordigt, uit krachte der Staatsregeling, de Vergadering van Hun Hoog Mogenden in alle zaken, het Gouvernement van den Staat betreflende, en oefent de Uitvoerende Magt uit in naam van Hun Hoog Mogenden, vertegenwoordigende het Bataafsch Gemeenebest.

39. De Raadpensionaris wordt verkozen door de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, bij volstrekte meerderheid van Stemmen der Negentien Leden. Hij wordt benoemd voor den tijd van vijfjaren, en is altijd weder verkiesbaar.

40. De eerste Raadpensionaris echter zal zijnen Post bekleeden van de invoering dezer Staatsregeling af tot aan het einde der vijf eerste Jaren na den Vrede met Engeland; zullende het eerste dier vijf Jaren gerekend worden aanvang te nemen met den eersten Januarij na dien Vrede.

41. De Raadpensionaris heeft het regt, om ten allen tijde, en dus ook vóór het einde der vijfjaren, zijn Post nederteleggen. In dat geval legt hij denzelven neder in den schoot der Vergadering van Hun Hoog Mogenden. De President der Vergadering van Hun Hoog Mogenden

116

-ocr page 137-

Dc Raadpensionaris.

vervangt den Raadpensionaris, in geval van afstand of overlijden, ad interim, en zorgt, dat ten spoedigsten zijn Opvolger worde benoemd: zijnde dezelve verpligt, ten dien einde dadelijk de Vergadering van Hun Hoog Mogenden zamen te roepen.

42. De Raadpensionaris moet zijn Stemgerechtigd Burger, bereikt hebbende den ouderdom van vijf en dertig jaren, geboren binnen het Bataafsch Geineenebest, en gedurende de laatste zes jaren vóór zijne verkiezing in het zelve hebben gewoond, üe Raadpensionaris mag zijnen onmiddelijken Voorganger niet bestaan in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap. Het ver-eisc.hte van inwoning sluit niet uit de zoodanigen, die Reipuhlicae causa afwezig zijn geweest.

43. In geen geval oefent de Raadpensionaris eenige Wetgevende Magt uit. Ook vermag hij zich niet bemoeijen met eenige zaken, welke zijn opgedragen aan het onderzoek van Regtbanken, bij de Wet vastgesteld, noch over de Geldmiddelen van den Staat beschikken anders dan overeenkomstig de Wet.

44. De Raadpensionaris benoemt een Staatsraad, bestaande uit niet minder dan Vijf, en niet meer dan Negen Leden. De Leden van den Staatsraad moeten dezelfde vereischten bezitten als de Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden.

45. De Raadpensionaris vraagt van den Staatsraad hunne consideratiën en advis over alle zoodanige zaken, als hij zal goedvinden. Hij neemt geen Besluit tot Voor-dragt eener Wet aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, dan na alvorens den Staatsraad omtrent het Ontwerp dier Wet te hebben gehoord.

46. De Raadpensionaris kan in Persoon de door hem ontworpene en voorgestelde Wetten in de Vergadering van Hun Hoog Mogenden komen adstrueeren, of zulks in zijn naam laten doen door Leden van den Staatsraad.

47. De Raadpensionaris benoemt eenen Algemeenen \\Secretaris van Staat, belast met het contrasigneren van

alle Acten, door hem uitgevaardigd.

48. De Raadpensionaris benoemt voorts een Secretaris van Staat voor de Buitenlandsche Zaken; een Secretaris van Staat voor de Zaken der Marine: een Secretaris van Staat voor de Zaken van Oorlog; een Secretaris van Staat

117

-ocr page 138-

STAATSREGELING VAN 1805.

voor de Binnenlandsche Zaken, en een Secretaris van Staat voor de Finantiën, met een Raad \\an Finantiën, bestaande uit drie adviserende Leden.

49. Alle Buitenlandsche Ministers, alle Zee- en Land-Officieren, alle Nationale Ambtenaren van den Staat, en alle Leden van Regtbanken, tot de Zaken van het Algemeen Bestuur behorende, worden dooi\' den Raadpensionaris aangesteld, met uitzondering der Leden van het Nationaal Geregtshof, waaromtrent, bij Art. 79, bepalingen zijn gemaakt.

50. De Raadpensionaris beschikt over de Moten en Legers van het liataal\'sch Gemeenebest. Ue Militaire Rangen worden door hem bepaald en toegewezen.

51. De Raadpensionaris zorgt voor de veiligheid en de waardigheid van den Staat, voor de ongestoorde administratie der Justitie, en voor de handhaving en uitvoering der Wetten, en is belast met de Hooge Politie in de geheele Republiek, zoo wel In burgerlijke als kerkelijke Zaken.

52. De Raadpensionaris heeft de bestelling van de Regering der Plaats, alwaar het Gouveinement resideert.

53. Alle Acten van het Gouvernement worden uitge-vaardigd in naam van Hun Iloog Mugenden, vertegenwoordigende het Bataafxch Gemeenebest; dezelve Acten zijn geteekend door den Raadpensionaris. en door den Algemeenen Secretaris van Staat gecontrasigneerd.

54. In alle zijne betrekkingen en handelingen tot en met de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, komt hij voor onder den Individueelen naam van Raadpensionaris. De Yoordragten, door hem aan de Vergadering gedaan, beginnen met het navolgend formulier:

De Raadpensionaris aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, vertegenwoordigende het Ba-taafsch Gemeenebest.

55. De Acten, door de Vergadering van Hun Hoog Mogenden geadresseerd aan den Raadpensionaris, dragen het navolgende formulier;

I)e Vergadering van Hun Hoog Mogenden, vertegenwoordigende het Bataafsch Gemeenebest, aan Zijne Excellentie, den Heere Raadpensionaris.

56. De Raadpensionaris heeft het Opperbestuur der Nationale Geldmiddelen. Hij bepaalt de vaste Jaarwedden der Nationale Ambtenaren van den Staat.

118

-ocr page 139-

De Raadpensionaris.

57. Insgelijks verleent hij de Pensioenen, volgens de bepalingen, daaromtrent door de Wet gemaakt.

58. Op den eersten dag der Najaarszitting van hun Hoog Mogenden, levert de Raadpensionaris aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden in, eene algeiueene gedetailleerde Begrooting van Staats-behoeften over het volgende jaar. De Vergadering van Hun Hoog Mogenden kan daarin geene verandering maken. Dezelve bewilligt daarin, of verwerpt deze Algemeene Begrooting.

59. Op deze Algemeene Begrooting wordt eene Post uitgetrokken, gedestineerd voor objecten, welke uit haren aard voor geene specificatie vatbaar zijn; over de bedragen van dezelve beschikt de Raadpensionaris ten dienste van den Staat, ook tot goedmaking der kosten welke worden vereischt, om den Post, welke hem is toevertrouwd, op eene waardige en betamelijke wijze te bekleeden, mitsgaders ter betaling der onkosten voor zijne particuliere Bureaux, en van de Personen daarop geëm-ploijerd; zullende tot justificatie van liet gebruik der gemelde Somme, alleen worden vereischt eene plegtige Verklaring, door den Raadpensionaris eigenhandig onderteekend, dat dezelve, uitsluitend gestrekt hehhe voorden dienst en het helany van den Staat, en geenszins tol verrijking van Hem of de zijnen.

60. De middelen van Financiën zullen aanvankelijk blijven voortduren op den voet, zoo als dezelve in ieder der Departementen tegenwoordig bestaan. Het behoort echter onder de eerste en voornaamste zorgen van den Raadpensionaris, zich onledig te houden met de overweging van alles, wat strekken kan, om de Inkomsten van den Staat te vermeerderen, alle takken van Bestuur en Administratie te vereenvoudigen, en overal de strengste bezuiniging intevoeren, mitsgaders ontwerpen van Wetten voortedragen, het zij om de tegenwoordige Belastingen te verbeteren, het zij om een algemeen Systema van Financiën te doen aannemen, waar door de tegenwoordig bestaande Departementale Belastingen zouden kunnen worden vervangen.

61. Er zal eene Nationale Rekenkamer zijn, bestaande uit niet minder dan Vijf, en niet meer dan Negen Leden. Bij vacature zendt de Vergadering van Hun Hoog Mogenden aan den Raadpensionaris eene

119

-ocr page 140-

STAATSREGELING VAN 1805.

nominatie van zes Personen, welke door den Raadpensionaris tot op de helft wordt verminderd, waar uit de Vergadering van Hun Hoog Mogenden de verkiezing doet.

Departementale en Gemeente-Besturen.

62. De Departementale Besturen behouden bij provisie hunne tegenwoordige organisatie. Deze organisatie echter zal aan herziening onderworpen zijn. voornamelijk ten oogmerk hebbende de juiste -bepaling van derzelver gezag, vooral met betrekking tot de \'nagt van het Nationaal Gouvernement, de vereenvoudiging der Administratie, en de invoering van de hoogstmogelijke bezuiniging in alle deelen van dezelve. De maatregelen, daartoe strekkende, zullen door den Raadpensionaris aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden worden voorgedragen.

63. De Departementale Besturen vermogen geene Hesluiten te nemen, strijdig met de Algemeene Wetten of het Algemeen Belang van het Gemeenebest. Ingevalle zulks mogt plaats grijpen, is de Raadpensionaris bevoegd, dezelve Besluiten te schorsen en te doen intrekken.

64. De Departementale Besturen zijn niet bevoegd tot het heffen van Departementale Belastingen, dan na alvorens daartoe te zijn geautoriseerd door een Besluit van Hun Hoog Mogenden, genomen op eene stellige en uitdrukkelijke Voordragt van den Raadpensionaris.

65. De Departementale Belastingen, door de Vergadering van Hun Hoog Mogenden op den voet van het voorgaand Artikel vastgesteld, zullen niet mogen betreffen den Doorvoer door, den Uitnoer naar of den Invoer uit eenig ander Departement; zullende mede de voortbrengselen van den grond of de nijverheid van andere Departementen nimmer mogen worden bezwaard boven die van het Departement zelve, alwaar de Belasting geheven wordt.

66. Iedere Stad, District of Dorp heeft zijn eigen Gemeente-Bestuur, ingerigt op zoodanigen voet, als met de plaatselijke omstandigheden het meest overeenkomstig zal worden bevonden. De gemelde Gemeente-Besturen kunnen te dien einde aan de Departementale Besturen de noodige Voordragten doen, mits gegrond zijnde op het beginsel van Volkskeuze en van eene geregelde afwisseling.

120

-ocr page 141-

Departementale en Gemeente-Besturen. \'121

67. Iedere Gemeente heeft de beschikking over hare huishoudelijke belangen: zij legt geene Plaatselijke Belastingen op, dan ingevolge de algemeene bepalingen bij de Wet vasttestellen, en niet anders dan met overleg van Gecommitteerden uit de Gemeente, gekozen door de Stem-geregtigde Burgers, na bekomene autorisatie van het Departementaal Bestuur, aan het welk alle plaatselijke Belastingen of Geldligtingen ter goed- of afkeuring, moeten gezonden worden. Ten aanzien dezer Belastingen moet worden in acht genomen, dat noch de Doorvoer door, noch de Uit- of Inuoer naai- of van andere Steden of Plaatsen worde belast; noch ook de voortbrengselen van den grond of de nijverheid van andere Steden of Plaatsen bezwaard, boven die van de Plaats zelve. waar de Belasting gelegd wordt. Ook zullen deze plaatselijke Belastingen aan de middelen van de Nationale Finantiën niet mogen hinderlijk zijn. In zulk een geval is dé Raadpensionaris gehouden de invoering daar van tegentegaan: en wordt, ter bevordering van dit oogmerk, door de Departementale besturen van alle. door hun goedgekeurde. Plaatselijke Belastingen onverwijld geïnformeerd.

68. Leden van het Gemeente-Bestuur kunnen onder geen voorwendsel in Persoon, dooi\' de Departementale Besturen, tot verantwoording worden opgeroepen. Zij kunnen alleen, wegens verzuim in hunne Plaatselijke Bediening, te regt gesteld worden voor het Departementaal Geregtshof.

Beg ter lijke Magt.

\\

69. De Regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door Regters, ingevolge de Staatsregeling aangesteld. Geene Politieke Magt oefent eenigen invloed op de Regterlijke Magt uit.

70. In geene Regtbanken zullen de Leden, bij derzei ver aanstelling, elkander onderling, of ook den Publieken Aanklager bij dezelve, bestaan tot in den vierden graad van bloedverwantschap of zwagerschap. Niemand kan den post van Regter of Publieken Aanklager waarnemen, die niet is Stemgeregtigd Burger, en den vollen ouderdom van 25 jaren niet bereikt heeft.

-ocr page 142-

STAATSREGELING VAX 1800.

71. Alle Regters zijn gehouden, des verzogt, de Vonnissen van elkander, welke in kracht van gewijsde gaan, ter executie te helpen stellen, mitsgaders over en weder de zoogenaamde Letteren Requisitoriaal te doen respecteren. In geval van geschil dienaangaande staat de beslissing deswegens, gelijk mede van alle Jurisdictie-quaestiën, wanneer Partijen onder hetzelfde Departementaal Geregtshof\' behoren, aan het laatstgemelde, en anders aan het Nationaal Geregtshof.

72. In alle criminele Vonnissen wordt het misdrijf van den veroordeelden uitgedrukt, op poene van nullkeit.

73. Alle Vonnissen moeten met open deuren worden gepronuntiëerd. Nimmer heeft eenige verbeurdverklaring van goederen plaats. Er wordt overal Regt gesproken in naam en van wegens liet Bataafsche Volk.

74. De manier van procedeeren, zoo voor het Nationaal Geregtshof, de Hooge Militaire Vierschaar, en de Departementale Geregtshoven, als mede voor alle andere Regtbanken, wordt door de Wet bepaald.

75. liet Krijgsvolk te Water en te Lande blijft, met betrekking tot alle civiele zaken en commune delicten, onderworpen aan den Burgerlijken Regter.

76. Er zal eene Hooge Militaire Vierschaar zijn, voor welke het Krijgsvolk te Water en te Lande, mitsgaders de Commissievaarders, wegens militaire delicten, zal worden te regt gesteld.

77. De Wet bepaalt de Judicature in cas van fraude of contraventie der Gemeene Middelen en Belastingen.

78. Het Nationaal Geregtshof zal bestaan uit Neqen Leden. De Leden van dit Geregtshof zullen dezelfde vereischten bezitten als de Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden.

79. Bij vacature zenden de overige Leden eene nominatie van drie Personen aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, welke daar uit de verkiezing doet.

De Raadpensionaris heeft de aanstelling van den Publie-ken Aanklager bij het Nationaal Geregtshof, en van de Publieke Aanklagers bij de Departementale Geregtshoven, uit eene Nominatie van drie Personen, door het Hof, bij hetwelk de vacature voorvalt, te formeren.

80. Het Nationaal Geregtshof neemt kennis van, en oordeelt over alle misdrijven, door de Leden der Ver-

•122

-ocr page 143-

Itegterlijke Maijt.

gadering van Hun Hoog Mogenden en de Hooge Ambtenaren van Staat begaan.

De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden en de Hooge Ambtenaren van Staat zullen ten allen tijde voor het gemelde Geregtshof te regt staan wegens de misdrijven, welke met betrekking tot de waarneming hunner functiën aan hun worden te laste gelegd. Het zelfde zal plaats heliben wegens gewone misdaden, in den loop hunner functiën begaan: doch, tot het burgerlijk leven terug gekeerd, zullen zij, wegens alle commune delicten, voor den gewonen burgerlijken Regter te regt gesteld worden.

81. Het Nationaal Geregtshof oordeelt over alle actiën waarin het Gemeenebest als Gedaagde wordt aangesproken.

82. Wanneer het Gemeenebest, of wel eenige Gemeene Lands Collegiën, Ontvangers, Rentmeesters of andere Agendarissen, in derzelver qualiteit, voor het Nationaal Geregtshof in regten betrokken worden, zullen Hun Hoog Mogenden, op quot;Voordragt van den Raadpensionaris, het algemeen belang zulks vorderende, hetzelve Hof kunnen aanschrijven, om, met de cognitie der zaak, het zij voor een bepaalden, het zij voor een onbepaal-den tijd, te supersederen; en is het Nationaal Geregtshof verpligt, aan zoodanige aanschrijving te defereren; zullende de Raadpensionaris, Hun Hoog Mogenden niet vergaderd zijnde, tot het doen van eene provisionele aanschrijving tot dat oogmerk bevoegd zijn.

83. Het Nationaal Geregtshof heeft het speciaal toezigt over de Geregtshoven en Regtbanken in het Bataafsch Gemeenebest. Het kan derzelver vonnissen en handelingen, voorzoo verre deze mot de Wetten aangaande de administratie der Justitie, en de form van Regtspleging strijdig zijn, schorsen en vernietigen; hetzelve zal echter nimmer bevoegd zijn zich in de beoordeeling der zaak zelve intelaten.

84. Aan het Nationaal Geregtshof valt hooger beroep van alle gewijsden in zaken, welke ter eerster instantie gediend hebben voor de Departementale Geregtshoven.

De Wet bepaalt de manier van procederen ten dezen opzigte.

85. Het Nationaal Geregtshof velt geene definitive Vonnissen , ten zij er ten minste zeven Leden tegenwoordig zijn.

86. Het Nationaal Geregtshof verleent Surchéance

123

-ocr page 144-

STAATSREGELING VAX 1805.

van Betaling. Brieven van Sureté de Corps, en voorts zoodanige dispensatiën, als, dooi- de Wet, aan hetzelve zullen worden opgedragen.

87. Met betrekking tot alles, wat tot de Regterlijko Magt behoort, het getal en de organisatie van Geregtshoven en Regtbanken, het zij burgerlijke, het zij militaire, wordt aan het Gouvernement overgelaten, om daaromtrent aan de vergadering van Hun Hoog Mogenden zoodanige veranderingen en verbeteringen voortedragen, als in vervolg van tijd wenschelijk zal bevonden worden.

Eed voor de Leden van het Wetgevend Ligchaam.

»Ik belove en zware, dat ik, als Lid van het Wet-Dgevend Ligchaam, aehtervolgens de Staatsregeling, «het belang des Bataafschen Volks met al mijn ver-»mogen zal helpen bevorderen, deszelfs regten zal «helpen handhaven, mij opregtelijk en naarste!ijk zal skwijten van alle pligten, mij in voormelde betrekking «opgelegd, zonder mij daar van immer te laten weer-shouden, om lief of leed. gunst of ongunst, beloften sof geschenken, noch eenige andere zaken.quot;

Zoo waarlijk helpe mij God Ahnagtig!

Eed voor den Raadpensionaris.

»Ik belove en zwere, dat ik, als Raadpensionaris, «aehtervolgens de Staatsregeling, en de magt, mij «bij dezelve opgedragen, de belangen des Bataafschen «Volks, met al mijn vermogen, zal bevorderen, des-«zelfs regten, hoogheid en waardigheid zal voorstaan, «de onafhankelijkheid van het Gemeenebest en de «vrijheid der Ingezetenen, door alle gepaste middelen «en wegen, zal bevestigen, handhaven en verzekeren; «dat ik mij opregtelijk en naarstelijk zal kwijten van «alle de pligten, mij in voormelde betrekking opge-«legd, zonder mij daar van immer te laten weerhou-«den, om lief of leed, gunst of ongunst, beloften «of geschenken, of andere zaken.quot;

Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!

424

-ocr page 145-

Aanstelling van den eersten Raadpensionaris. \'125

(In de proclamatie van liet Staats-Bewind van \'25 Maart volgde, na het ontwerp der Staatsregeling, ook nog het voorstel: »dat tevens, aan het Bataafsche Volk, zal worden voorgesteld, om, hij de eventueele aanneming der Staatsregeling, tot Eersten Raadpensionaris te henoemen Rutger Jan Schimmelpenninck , met magt en bevoegdheid, om de alzoo aangenomen Staatsregeling in werking te brengen, mitsgaders om de eerste benoeming van de Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden, en alle zoodanige verdere eerste aanstellingen te doen. als tot invoering dezer Staatsregeling, zullen worden vereischt.quot;)

-ocr page 146-

Yoorbereiding tot de Constitutie

van het

KONINKRIJK HOLLAND.

Decreet van 5 Junij 1806.

LOUIS NAPOLEON, door de Gratie Gods en de Constitutioneele Wetten van den Staat, Koning van Holland, aan allen die genen, welke deze zullen zien en lezen, Saint!

Doen te weten aan allen, dat Wij, met goedkeuring van zijne Majesteit den Keizer en Koning Napoleon. onzen üoorluchtigen Broeder, hebben aangenomen en aannemen de Koninklijke waardigheid van Halland. overeenkomstig met de wensch van het Land, met do Constitutioneele Wetten, en met het Tractaat, op heden met de weder/ijdscbe Ratifieatiën door de Gedeputeerden van de I lollandsche Natie aan ons aangeboden.

Bij onze komst op den Troon zal onze dierbaarste zorge zijn voor de belangen van ons Volk te waken. Wij zullen steeds ter harte nemen om aan hetzelve gedurige en menigvuldige blijken te geven van onze liefde en van onze bezorgdheid; handhavende te dien einde de vrijheid van alle onze Onderdanen, mitsgaders hunne Regten. en ons geduriglijk met hun welzijn bezig houdende.

De onafhankelijkheid van het Koninkrijk is gewaarborgd door zijne Majesteit den Keizer en Koning.—-De Constitutioneele Wetten, mitsgaders onze vaste wil. strekken niet minder aan een iegelijk, ten waarborge voor zijne Schuldeischen op den Staat, voor zijne Persoonlijke veiligheid, en voor zijne gewetens vrijheid.

Het is na deze verklaring, dat wij gedecreteerd hebben en deereteeren bij deze.

Art. 1, Onze Ministers van de Marine en Financiën, benoemd bij ons Decreet van heden, zullen dadelijk hunne

-ocr page 147-

Decreet van 5 Juni J 1806.

functiën aanvaarden. Do overige Ministers zullen voortgaan met hunne functiën tot naderen last waar te nemen.

2. Alle de Geconstitueerde Autoriteiten hoegenaamd, Burgerlijke en Militaire, zullen voortgaan hunne functiën waartenemen, tot dat daarin nader of anders zal zijn voorzien.

3. Dadelijk worden op de meest volledige wijze openbaar gemaakt, de Constitntioneele Wetten van Staat, met het Tractaat, den 24 Mei dezes .Taars te Parijs gesloten, tusschen Zijne Majesteit den Keizer en Koning, en de Bataafsche Republiek, zoo als dezelve hier achter zijn uitgedrukt, mitsgaders het tegenwoordig Decreet.

Dienvolgens gelasten en bevelen Wij, dat deze zal worden afgekondigd en aangeplakt, alomme daar zulks behoort, met last aan allen dien het aangaat, om te zorgen, dat aan den inhoud dezes stiptelijk worde voldaan.

Tractaat van 24 Mei 1806.

Zijne Keizerlijke en Koninklijke Majesteit Napoleon. Keizer der Franschen en Koning van Italiën, en de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, vertegenwoordigende de Bataafsche Republiek, gepresideerd door Zijne Excellentie den Heer Raadpensionaris, vergezeld van denStaats-Raad, van den Algemeenen Secretaris van Staat en van de Ministers, Secretr.rissen van Staat *): overwegende:

In de eerste plaats: Dat in de tegenwoordige alge-meene gesteldheid van zaken en betrekkingen in Europa, eene Regering, welke zich van eene voortdurende klem niet kan verzekerd honden, aan \'t oogmerk van zijne instelling niet kan beantwoorden.

127

In de tweede plaats: Dat eene afwisselende vernieuwing van het hoofd van den Staat steeds in Holland zal

\') Eene bultengewone vergadering, samougesteld uit de hier opgenoemde autoriteiten, had als Groot-Besogne, de hoofdpunten voor het te sluiten verdrag, 10 April, bevorens onzerzijds ontworpen; en evenzoo, 28 Mei daaraanvolgende, hot hier meegedeelde Tractaat, alsmede het Project der Constltutioneele quot;Wetten voor het nieuwe Koninkrijk geratificeerd. N. v. d. U.

-ocr page 148-

TR ACTA AT VAN 24 MEI 1800.

opleveren eene bron van oneenigheden, en Buitenlandscli een gedurig onderwerp van bewegingen en geschil tusschen de Mogendheden, het zij in vriendschap, het zij in vijandschap, zich met Holland bevindende.

In de derde plaats: Dat eene Erfelijke Regering alleen kan waarborgen, de geruste bezitting van al \'t geen \'t welk aan \'t Volk van Holland dierbaar is, met name de vrije uitoefening van zijne Godsdienst, de bewaring van zijne Wetten, zijne staatkundige Onafhankelijkheid en zijne burgerlijke Vrijheid.

In de vierde plaats: Dat zijne voornaamste belangen gelegen zijn zich te verzekeren van eene magtige bescherming, onder dewelke Hetzelve vrijelijk zijne nijverheid moge uitoefenen, en zich handhaven in \'t bezit van zijn Grondgebied, van zijn Koophandel, en van zijn Volkplantingen.

In de vijfde plaats: Dat het Fransche Keizerrijk een zeer wezentlijk belang heeft in \'t geluk van \'t Volk van Holland, in de voorspoed van dezen Staat, en in de duurzaamheid van zijne instellingen, zoo wel uit aanmerking, dat de noordelijke Grenzen van dit Keizerrijk zijn open liggende, en van sterke Vestingen ontbloot, ais met betrekking tot deszelfs algemeene staatkundige grondbeginselen en belangen.

Hebben tot derzelver Ministers Plenipotentiarissen benoemd, te weten:

Zijne Majesteit de Keizer der Franschen en Koning van Italiën, den Heer Charles Maurice Talleyrand, Groot-Kamerheer, Minister van Buitenlandsche Zaken, Groot Kruis van het Legioen van Eer, Ridder van de Orde van den Zwarten en Rooden Adelaar van Pruissen, van de Orde van St. Hubert, enz. enz.

En Zijne Excellentie de Heer Raadpensionaris, de Heeren Caret Hendrik Verhuell, Vice-Admiraal en Minister van de Marine der Bataafsche Republiek, Lid van het Legioen van Eer.

Isaac Jan Alexander Gog el, Minister van Finantiën.

•128

-ocr page 149-

Tractaat van 24 Mei 1806.

Jan van Styrurn, Lid der Vergadering van Hun Hoog Mogenden.

Willem Six, Lid van den Staatsraad, en

Gerard Brandsen, Minister Plenipotentiaris der Bataaf-sche Republiek bij Zijne Keizerlijke en Koninklijke Majesteit, Lid van het Legioen van Eer.

Dewelke, na hunne Volmagten te hebben uitgewisseld, zijn overeengekomen van het navolgende;

Art. 1. Zijne Majesteit de Keizer der Fransehen, Koning van Italiën, zoo voor hem, als voor zijne Erfgenamen en Opvolgers voor altijd, guarandeert aan het Volk van Holland de handhaving zijner Constitutionele Wetten, zijne onafhankelijkheid, de integriteit van zijne Bezittingen in de beide Werelden, zijne Staatkundige, Burgerlijke en Godsdienstige Vrijheid, zoo als dezelve bij de thans vigerende Wetten zijn verzekerd, mitsgaders de vernietiging van alle Privilegiën in het Stuk van Belastingen.

2. Op de plegtige Aanvrage van Hun Hoog Mogenden, vertegenwoordigende de Bataafsche Republiek, dat de Prins Louis Napoleon, moge worden benoemd en gekroond tot Erfelijken en Constitutionelen Koning van Holland, zoo voldoet Zijne Majesteit aan dat verlangen, autoriserende dienvolgens den Puinse LodewukNapoleon, om de Kroon van Holland aantenemen, ten einde bekleed te worden door hem, en door\'zijne Natuurlijke, Wettige en mannelijke Afkomelingen, bij orde van eerstgeboorte, met altoosdurende uitsluiting der Vrouwen, en van der-zelver Afkomelingen.

Ingevolge van deze autorisatie, zoo zal de Prins Lodewijk Napoleon , deze Kroon bezitten met den Titel van Koning van Holland, en met alle de magt en het gezag, welke bepaald zullen zijn door de Constitutionele Wetten bij den Keizer Napoleon, in het vorige Artikel geguarandeerd.

Niettemin is hier mede bedongen, dat de Kronen van Frankrijk en van Holland nimmer op hetzelfde Hoofd vereenigd zullen kunnen worden.

3. Het Domein van de Kroon zal bestaan:

129

9

-ocr page 150-

Til ACTA AT VAN 24 MEI 1806.

In lt;Ie eerste plaats, uit een Paleis in den Haag, hetgeen tot verblijf van het Koninklijke Huis bestemd zal zijn.

In de tweede plaats, uit het Paleis in het Bosch in \'s Gravenhage.

In de derde plaats, uit het Domein van Soestdijk.

In de vierde plaats, uit een Inkomst van vijfmaal honderd duizend Guldens in vaste Goederen.

De Wet voor den Staat verzekert daarenboven aan den Koning eene jaarlijksehe Somme van vijftien maal honderd duizend Guldens, Hollandseh contant Geld, ieder maand bij twaalfde gedeelten, maandelijks te betalen.

4. Ingeval van minderjarigheid, zoo behoort het Regentschap van regtswegen aan de Koningin. Bij ontstentenis van Hoogstdezelve, zoo wordt de Regent van het Koningrijk door den Keizer der Fransehen, in hoedanigheid van altoosdurend opperhoofd der Keizerlijke Familie, benoemd uit de Prinsen van den Bloede, en, bij ontstentenis, uit de Nationalen van het Land.

De minderjarigheid der Koningen eindigt met den volkomen ouderdom van achttien jaren.

5. Het Lijftogtgoed van de Koningin zal bij Hmve-lijksche Voorwaarden bepaald worden. quot;Voor ditmaal is overeengekomen, dat hetzelve zijn zal van eene jaarlijksehe Somme van tweemaal honderd en vijftig duizend Guldens, dewelke uit het Domein van de Kroon opgebragt zal worden. Deze Somme afgetrokken zijnde, zal de helft van de overblijvende inkomsten van de Kroon duren tot bekostiging van het onderhoud van bet Huis van den minderjarigen Koning, terwijl de andere helft voor de onkosten van het Regentschap zullen zijn.

6. De Koning van Holland zal altoosdurend Groot Dignitaris van het Keizerrijk zijn, onder den Titel van Groot-Connetable.

De Func.tiën van deze Hooge Waardigheid, zullen niettemin ter keuze van Zijne Majesteit den Keizer der Franschen door eenen Prins Vice Connetable vervuld kunnen worden, wanneer Zijne Majesteit goed ir.ogte vinden deze Waardigheid daartestellen.

130

-ocr page 151-

Traclaat van 24 Mei 1806.

7. De Leden van liet Regerend Huis in Holland, zullen persoonlijk ondergeschikt blij ven aan de instelling van het Constitutioneel Statut van Frankrijk, van den 30 Maart jongstleden, uitmakende de Wet, betreffende de Keizerlijke Familie van Frankrijk.

8. De Ambten en Bedieningen van Staat, buiten diegene , welke behooren tnt den persoonlijken dienst van het Huis des Konings, zullen aan geene anderen dan aan Nationalen, kunnen worden toevertrouwd.

9. De Koninklijke Wapens zullen zijn de oude Wapenen van den Staat, gecarteleerd met den Fransehen Keizerlijken Adelaar en gekroond met de Koninklijke Kroon.

10. Er zal onmiddelijk tussehen de contracterende Mogendheden een Tractaat van Commercie worden gesloten, volgens hetwelk de Ilollandsche Onderdanen in de Havens van Frankrijk en op deszelfs Grondgebied, ten allen tijde zullen behandeld worden, even als de Natie, welke het meest bijzonderlijk begunstigd zal zijn.

Zijne Majesteit de Keizer en Koning, verbindt zich bij de Barbarijsche Mogendheden te intervenieeren, op dat de Hollandsche Vlag door dezelve even gelijk de Fransche Keizerlijke Vlag, worde geëerbiedigd.

De Bekrachtigingen van het tegenwoordig Tractaat, zullen binnen den tijd van tien dagen geteekend en uitgewisseld worden, enz.

131

Mb

-ocr page 152-

Constitutionele Wetten.

Eerste Afdeeling.

Algemeene Bepalingen.

Art. 1. De Constitutionele Wetten thans vigerende, inzonderheid de Constitutie van den Jare 1805. gelijk mede de Burgerlijke, Staatkundige en Godsdienstige Wetten, tegenwoordig in de Bataafsclie Republiek in gebruik, waarvan de uitoefening overeenkomstig is met de bepa-in-gen van \'t Tractaat, op den 24 Mei dezes jaars, tusschen Zijne Majesteit den Keizer der Franschen en Koning van Italiën, en de Bataafsclie Republiek, gesloten, zullen in hun geheel bewaard blijven, met uitzondering alleenlijk van zoodanige, welke uitdrukkelijk door de tegenwoordige Constitutionele Wetten zullen vernietigd zijn.

2. De Regering der Hollandsehe Koloniën wordt door bijzondere Wetten bepaald, de Ontvangst en Uitgave der Koloniën, zullen beschouwd worden, als uitmakende een gedeelte der Ontvangst en Uitgaven van den Staat.

3. De publieke Schuld van den Staat wordt hier mede gewaarborgd.

4. De Hollandsehe Taal zal bij voortduring, uitsl ui tender wijze, gebruikt worden voor de Wetten, Publicatiën, Ordonnantiën, Vonnissen, en voor alle andere publieke Documenten, zonder eenige uitzondering.

5. Geene verandering zal in het gehalte of gewigt der Munt-Speciën gemaakt worden, ten zij uit krachte van eene bijzondere Wet.

6. De voormalige Vlag van den Staat zal behouden worden.

7. De Staatsraad zal bestaan uit dertien Leden; de Ministers zullen Rang, Zitting, en delibererende Stem in den Staatsraad hebben.

-ocr page 153-

II. Afd. Van den Godsdienst enz.

Tweede Afdeeling.

Van den Godsdienst.

1. De Koning en de Wet verleenen gelijke bescherming aan alle de Godsdiensten, welke in den Staat worden uitgeoefend; door hun gezag wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt, betreffende de Organisatie , de Bescherming, en de uitoefening van alle Eerediensten.

Alle uitoefening van Godsdienst, wordt binnen de Muren der Kerken van alle de verschillende gezindheden bepaald.

2. De Koning geniet in zijne Paleizen, mitsgaders in alle Plaatsen, alwaar hij resideren zal de vrije en openbare uitoefening van zijnen Godsdienst.

Derde Afdeeling.

Van den Koning.

1. De Koning heeft bij uitsluiting, en zonder bepaling, de volle uitoefening der Regering, en van alle de magt, benoodigd, om de uitvoering der Wetten te verzekeren, en dezelve te doen eerbiedigen. Hij begeeft de Burgerlijke en Militaire Ambten en Bedieningen, waarvan de benoeming bij de vorige Wetten aan den Raadpensionaris is toegekend. Hij heeft het volstrekt genot der Preëminentiën en Voorregten, tot nu toe aan deze Waardigheid verknocht.

De Munten van den Staat worden met zijn beeldtenis geslagen.

Het regt wordt in zijn naam uitgeoefend.

Hij heeft \'t regt van gratie, abolitie, of remissie van straffen, bij Regterlijke Vonnissen opgelegd, te verlenen: niettemin vermag Hij dat regt niet uitteoefenen, dan na alvorens in geheimen Rade de Leden van \'t Nationaal Geregtshof te hebben gehoord.

2. Bij den dood des Konings zal de bewaring van den minderjarigen Koning steeds toebetrouwd zijn aan de Koninginne Moeder, en bij ontstentenis aan zoodanig Persoon, als daartoe door den Keizer der Franschen zal worden aangewezen.

133

-ocr page 154-

constitutionele wetten van \'1806.

3. De Regent zal voorzien zijn van eenen Raad van Nationalen, waarvan de zamenstelling en attributiën bij eens bijzondere Wet zullen worden bepaald.

De Regent zal niet Persoonlijk verantwoordelijk zijn voor de daden zijner bestiering.

4:. De bestiering der Koloniën, en van alles wat derzelver innerlijke Regering betreft, behoort bij uitsluiting aan den Koning.

5. De Algemeene bestiering des Koningrijks is, onder \'t onmiddelijk beleid van vier Ministers van Staat, door den Koning te benoemen, te weten:

Een Minister van Buitenlandsche Zaken;

Een Minister der Zee- en Landmagt;

Een Minister der Finantiën: en

Een Minister der Binnenlandsche Zaken.

Vierde Afdeeling.

Van de Wet.

1. De Wet wordt in Holland vastgesteld door de vér-eeniging van \'t Wetgevend Ligchaam, zijnde de quot;Vergadering van Hun Hoog Mogenden, en van den Koning.

Het Wetgevend Ligchaam zal bestaan uit 38 Loden, gekozen voor vijf jaren, en benoemd in de volgende evenredigheid, te weten:

Van \'t Departement van Holland 17 Leden.

Van Gelderland 4 » Van Braband 4 » Van Vriesland 3 » Van Overijssel 3 » Van Zeeland 2 » Van Groningen 2 » Van Utrecht 2 » Van Drenthe 1 Lid.

Het getal van de Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden zal door de Wet kunnen worden vermeerderd, in geval van vergrooting van Grondgebied.

2. Ten einde voor ditmaal overtegaan tot de benoeming der negentien Leden van de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, door dewelke het getal in het voorgaande Artikel bepaald, tot voltalligheid zal gebragt worden,

•134

-ocr page 155-

IV Afd. Van de Wet. 135

«al de Vergadering van Hun Hoog Mogenden aan den Koning eene Nominatie aanbieden van twee Personen Toor iedere der te vervullene plaatsen.

De Departementale Vergadering van ieder Departement zal op gelijke wijze eene Nominatie van twee Personen aanbieden: de Koning zal uit de aangebodene Personen de keuze doen.

3. De tegenwoordige Raadpensionaris zal den Titel nemen van President van Hun Hoog Mogenden, en aldus zijn leven lang blijven fungeeren.

De keuze van zijne Opvolgers zal geschieden op de wijze bij de Constitutie van di^n jare 1805 vastgesteld.

4. Het Wetgevend Ligchaam zal buiten deszelfs midden een Griffier met meerderheid van stemmen benoemen.

5. Het Wetgevend Ligchaam zal gewoonlijk vergaderen tweemaal in \'t jaar, te weten van den 15 April tot den 1 .lunij, en van den 15 November tot den 15 .lanuarij; hetzelve kan buitengewoon door den Koning worden zamen geroepen.

Op den 15 November van ieder Jaar, zal \'t oudste vijfde gedeelte der Leden, \'t Wetgevend Ligchaam uitmakende, aftreden; de eerste aftreding zal plaats hebben den 15 November \'1807, en voor ditmaal zal \'t Lot de eerste aftredingen bepalen; de aftredende Leden zijn altijd weder verkiesbaar.

Vijfde Afdeeung.

Van de Regterlijke Magt.

1. De Regterlijke inrigtingen, zoo als dezelve bij de Constitutie van den jare 1805 zijn vastgesteld, zullen bewaard blijven.

2. De Koning, zal, niet betrekking tot de regterlijke magt, uitoefenen alle de Regten, en alle de magt welke aan den Raadpensionaris zijn toegekend bij \'t 49ste, 51ste, 5Csto, 79stè, Siste en 87ste Artikelen van de Constitutie van den jare 1805.

3. Alles wat betrekking heeft tot de uitoefening der Crimineele Justitie en Militaire zaken, zal bijzonderlijk door eene nadere Wet bepaald worden.

-ocr page 156-

Constitutie voor liet Koningrijk Holland.

(Deze Constitutie is, overeenkomstig het voorste! van den Koning, door liet Wetgevend Ligchaarr. gearresteerd, en door den Koning afgekondigd bij publicatie van 7 Augustus 1806.)

Eerste Afdeei.ing.

Algemeene Bepalingen.

Art. 1. De Regeering van Holland is Monarchaal, gewijzigd en geregeld door de Constitutie.

2. Het groot beginzel der Maatschappelijke Vrijheid bestaat daarin, dat de Wet gelijke Regten verzekere en gelijke Pligten oplegge aan alle Burgers, zonder onderscheid van rang of geboorte.

Alle Privilegiën in het Stuk van Belastingen blijven vernietigd.

3. Ieder is onschendbaar in zijne Woning: zijnes ondanks mag niemand in dezelve treden, ten zij uit krachte van een bevel der daar toe bevoegde Magt.

4. Niemand kan in hechtenis genomen worden, dan volgens de Wet: niemand kan veroordeeld worden, dan dooiden Regter, dien de Wet hem toekent, en na alle middelen van verdediging, bij de Wet bepaald, te hebben gehad

5. Ieder Burger heeft het regt, om Verzoeken of Voordragten aan de daar toe bevoegde Magt schriftelijk intedienen; mits die persoonlijk, en niet uit naam van meerderen worden onderteekend; welk laatste alleen zal kunnen geschieden door of van wegens Ligehamen, wettig zamengesteld, en als zoodanig erkend, en dan nog niet anders dan over onderwerpen. tot derzelver bepaalde werkzaamheden behoorende.

6. De Koning en de Wet verlenen gelijke bescherming aan alle Godsdiensten, welke in den Staat worden uitgeoefend : door hun gezag wordt bepaald al het geen noodzakelijk geoordeeld wordt, betreffende de organisatie, de bescherming en de uitoefening van alle Eerdiensten.

-ocr page 157-

I. Afd. Algemeene Bepalingen. 137

Alle uitoefening van Godsdienst wordt binnen de Muren van de Kerken der verschillende Gezindheden bepaald.

7. De Burgerlijke, Staatkundige en Godsdienstige Wetten, tegenwoordig in Holland in gebruik, waar van de uitoefening overeenkomstig is met de bepalingen van het Tractaat, op den 24 Mei dezes jaars tussehen Zijne Majesteit den Keizer der Franschen en Koning van Italiën en de Bataafsehe Republiek gesloten, zijn in haar geheel bewaard: zij kunnen niet worden veranderd dan door de Wet.

8. Geene verandering zal in het gehalte of gewigt der Muntspeciën gemaakt worden, ten zij uit krachte van eene bijzondere Wet.

9. De publieke Schuld van den Staat wordt bij dezen gewaarborgd.

10. De Hollandsehe Taal zal bij voortduring, uit-sluitender wijze, gebruikt worden voor de Wetten, Publioatiën, Ordonnantiën, Vonnissen, en voor alle andere publieke Documenten, zonder eenige uitzondering.

11. De Ambten en Bedieningen van den Staat, buiten die gene, welke behooren tot den Persoonlijken dienst van het Huis des Konings, zullen aan geene anderen dan aan Nationalen kunnen worden toevertrouwd.

12. De Regering \'der Hollandsehe Koloniën wordt door bijzondere Wetten bepaald: de ontvangst en uitgave der Koloniën zullen beschouwd worden, als uitmakende een gedeelte der ontvangst en uitgave van den Staat.

13. Het Rijk is één, en blijft verdeeld in Departementen, Ringen en Gemeenten.

De Wet bepaalt de inrigting van de Departementale en Gemeente-Besturen.

14. De Wet bepaalt de vereischten tot de uitoefening van het Stemregt, en de wijze, waar op hetzelve zal worden uitgeoefend.

Deze Wet zal echter nimmer kunnen strijdig zijn met de beginzelen van persoonlijke onafhankelijkheid en eigendom.

15. De Wet bepaalt de wijze, waarop de Leden dei-Vergadering van Hun Hoog Mogenden, van de Departementale- en Gemeente-Besturen verkozen worden.

Het Gemeente-Bestuur van de Residentie wordt benoemd, volgens de bepaling bij Art. 46 gemaakt.

-ocr page 158-

constitutie van 1800.

16. 1 neeraren van eenige Godsdienstige Gezindheid zijn niet verkiesbaar tot eenige Posten van politiek Bestuur.

17. Krijgslieden stemmen niet, dan ter plaatse hunner vaste woning, afgescheiden van de plaats hunner Guar-nisoenen.

18. De Ked van Getrouwheid is van den volgenden inhoud:

»Ik zwere gehoorzaamheid aan de Constitutie van sliet Koningrijk, en getrouwheid aan den Koning.quot;

Tweede Afdeemng.

Van den Koning.

19. De Kroon van Holland behoort aan Zijne Majesteit Lodewi.ik Napoleon, ten einde bekleed te worden door hein, en door zijne natuurlijke, wettige en mannelijke afstammelingen, bij orde van eerstgeboorte, bij altoosdu-rende uitsluiting fier Vrouwen en van derzelver afstammelingen,

20. De persoon des Konings is onschendbaar.

21. De Kronen van Frankrijk cn Holland kunnen nimmer op hetzelfde Hoofd vereenigd worden.

22. De Koning van Holland zal altoosdurend Groot Dignitaris van het Keizerrijk zijn, onder den titel van Connetable.

23. Ingeval van minderjarigheid, behoort het Regentschap van regtswege aan de Koningin. Bij oustentenis van Hoogstdezelve, wordt de Regent van het Koningrijk door den Keizer der Franschen, in hoedanigheid van altoosdurend Opperhoofd der Keizerlijke Familie benoemd, uit de Prinsen van den Bloede, en bij ontstentenis uit de National en.

De minderjarigheid der Koningen eindigt met den vollen ouderdom van achttien jaren.

21. De Regent zal voorzien zijn van eenen Raad van Nationalen, waarvan de zamenstelling en attributen bij eene bijzondere Wet zullen worden bepaald.

De Regent zal niet persoonlijk verantwoordelijk zijn voor de daden van zijn Bestuur.

25. Bij den dood des Konings zal bet toevoorzicht over de Persoon van den minderjarigen Koning steeds

•138

-ocr page 159-

II Afd. Van den Koning.

toebetrouwcl zijn aan de Koninginne Moeder, en bij ontstentenis aan zoodanige Persoon, als daartoe dooiden Keizer der Franschen zal worden aangewezen.

2fi. De Koning heeft, bij uitsluiting en zonder restrictie, de volle uitoefening der Regering en van alle de Magt, benoodigd om de uitvoering der Wetten van den Staat te verzekeren, en dezelve te doen eerbiedigen.

27. Het Generaal Bestuur des Koningrijks is onder het onmiddelijk toevoorzigt van Ministers van Staat: de Koning benoemt dezelve, en bepaalt hun getal en werkzaamheden.

28. De Koning heeft de aanstelling en benoeming dei-Groot Officieren van het Rijk: Hij regelt hun rang, getal en attributen.

29. De Koning benoemt oen Staatsraad; de Ministers hebben rang, zittingen delibererende stem in den Staatsraad.

30. De Ministers van Staat en Leden van den Staatsraad moeten zijn Stemgeregtigde Burgers, den vollen ouderdom van dertig jaren bereikt hebbende, geboren in het Rijk, of in een der Koloniën van den Staat, en in het Rijk gedurende de laatste zes jaren vóór de verkiezing hebben gewoond: het vereischte van inwoning sluit niet uit de zoodanigen, die Reipuhlicae causa zijn afwezig geweest.

31. De Koning vraagt van den Staatsraad deszelfs consideratiën eu advis over zoodanige zaken, als hij zal goedvinden.

Hij neemt geen Besluit tot Voordragt eener Wet aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, dan na alvorens den Staatsraad, omtrent het ontwerp dier Wet, te hebben gehoord.

32. De Koning is het Opperhoofd van de Vloten en Legers.

De militaire rangen- worden door Hem bepaald en toegewezen.

33. De Koning heeft de aanstelling van alle Buiten-landsche Ministers, alle Zee- en Land-Officieren, alle Nationale Ambtenaren van den Staat, alle de Officieren van Justitie, en eindelijk van alle de Leden van Regtban-ken, tot de zaken van het Algemeen Bestuur behoorende.

De Leden van de Nationale Rekenkamer en van het Nationaal Geregtshof, mitsgaders de Procureurs-Generaal bij dit Geregtshof en bij de Departementale Geregtshoven, worden gekozen op den voet, bij Art. 45 en 72 bepaald.

139

-ocr page 160-

CONSTITUTIE VAN 1806.

34. De Koning zorgt voor cle veiligheid en de waardigheid van den Staat, voor de handhaving en naarkoming der Wetten, voor de ongestoorde administratie der Justitie, als mode voor de Ilooge Politie, zoo wel in Burgerlijke als Kerkelijke Zaken.

35. De Koning bekrachtigt alle Tractaten en Overeenkomsten met vreemde Mogendheden. — Dezelve worden als Wetten afgekondigd, na door den Koning aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden to zijn mede gedeeld.

De geheime Artikelen zijn onder deze mededeling niet begrepen: zij mogen echter niet strijdig zijn met de openbare Artikelen.

36. De Bestiering der Koloniën, en van alles wat der-zelver innerlijke Regering betreft, behoort bij uitsluiting aan den Koning.

37. De Munten van Staat worden met de Beeldtenis van den Koning geslagen.

38. De Koning heeft het regt van gratie, abolitie of remissie van straffen, bij Uogterlijke Vonnissen opgelegd. Niet te min vermag hij dat regt niet oefenen, dan na alvorens de Leden van het Nationaal Geregtshof in geheimen Rade te hebben gehoord.

39. De Koning opent en sluit de zittingen van het Wetgevend Ligchaam.

40. De Koning begeeft zich in Persoon naar de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, zoo dikwijls hij zulks zal goedvinden.

De Functiën van President der Vergadering houden op gedurende den tijd, dat do Koning zich in dezelve bevindt.

De Vergadering van Hun Hoog Mogenden raadpleegt nimmer in tegenwoordigheid des Konings.

De Concept-Wetten worden namens den Koning bij deze Vergadering ingediend, door eene Commissie uit den Staatsraad.

41. De Koning heeft het opperbestuur van de Nationale Geldmiddelen. Hij bepaalt de vaste Jaarwedden der Nationale Ambtenaren.

42. De Koning beschikt niet anders over de Geldmiddelen van den Staat, dan overeenkomstig de Wet.

43. De Koning verleent Pensioenen, volgens de bepalingen daar omtrent door de Wet gemaakt.

44. In het begin van elke gewone Zitting, levert de

■140

-ocr page 161-

II. Afd. Van den Koning.

Koning aan het Wetgevend Ligchaam in, eene alge-meene en uitgewerkte Begrooting van Staatsbehoeften over hot volgend Jaar.

De Vergadering van Hun Hoog Mogenden kan daarin geene verandering maken; dezelve bewilligt daar in, of verwerpt deze algemeene Begrooting.

45. Er zal eene Nationale Rekenkamer zijn; bij vacature zendt de Vergadering van Hun Hoog Mogenden aan den Koning eene Nominatie van zes Personen, welke door den Koning tot op de helft wordt verminderd, waaruit de Vergadering van Hun Hoog Mogenden de verkiezing doet.

46. De Koning heeft de bestelling van de Regering der Plaats, alwaar liet Gouvernement resideert.

47. Het Domein van de Kroon zal bestaan:

In de eerste plaats: uit een Paleis in den Haag, het geen tot verblijf van het Koninklijke Huis bestemd zal zijn.

In de tweede plaats: uit het Paleis in het Haagsche Bosch.

In de derde plaats: uit liet Domein van Soestdijk.

In de vierde plaats: uit een Inkomen van vijfmaal honderd duizend Guldens in vaste Goederen.

De Wet van den Staat verzekert daar en boven aan den Koning, eene Jaarlijksche Somme van vijftien maal honderd duizend Guldens Hollandsch Courant Geld, iedere Maand bij twaalfde gedeelte te betalen.

48. Het Lijftogtgoed der Koningin zal bij Huwelijksche Voorwaarden bepaald worden; voor ditmaal is overeengekomen, dat het zelve eene Jaarlijksche Somme van tweemaal honderd en vijftig duizend Guldens zal bedragen, welke uit het Domein van de Kroon opge-bragt zal worden. Na aftrek van deze Somme, zal de helft van de overblijvende inkomsten van de Kroon dienen tot bekostiging van het onderhoud van het Huis van den minderjarigen Koning, terwijl de andere helft voor de onkosten van het Regentschap zal bestemd zijn.

45). De Koning geniet in zijne Paleizen, mitsgaders in alle Plaatsen alwaar Hij resideren zal, de vrije en openbare uitoefening van zijnen Godsdienst.

50. De Eed des Konings luidt aldus:

»Ik zweer, dat ik de Constitutie van het Koningrijk «zal achtervolgen; dat ik de integriteit -van deszelfs »G rond gebied zal handhaven; dat ik zal eerbiedigen en sdoen eerbiedigen de Vrijheid van Godsdienst en gelijk-

-141

-ocr page 162-

442 constitutie quot;van 1800.

))heid van Regtfin, en de Staatkundige en Burgerlijke «Vrijheid ; dat ik geene Belastingen zal opleggen, clan »uit krachte der Wet, en dat ik in mijne Regering geen «ander doel zal hebben, dan eeniglijk de bevordering de Welvaart, en de Roem der Natie.quot;

Derde Afdeeling.

Van de Wet.

51. De Wet wordt in Holland vastgesteld door zamen-stemming van den Koning en het Wetgevend Ligehaam.

De Koning kan in sommige gevallen door de Wet speciaal worden geautoriseerd, om het Wetgevend gezag, zonder de medewerking der Vergadering van Hun Hoog Mogenden uitteoefenen.

52. De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden moeten zijn Stemgeregtigde Burgers, den vollen ouderdom van dertig jaren bereikt hebbende, geboren binnen het Koningrijk, of in de Koloniën of Bezittingen van den Staat, en binnen dat Departement, van wegens het welk zij benoemd worden, gedurende de laatste zes jaren vóór hunne benoeming hebbende gewoond: zij mogen eikanderen niet bestaan tot in den derden graad van Bloedverwantschap of Zwagerschap, dat is de betrekking tusschen den Man en zijner Vrouwe Bloedverwanten.

Het vereischte van inwoning sluit niet uit de zooda-nigen, die Reipuhlicae causa zijn afwezig geweest.

63. De Leden van Hun Hoog Mogenden mogen te gelijker tijd, noch Ministers van Staat, noch effective Leden van den Staatsraad, noch van eenig Nationaal Collegie, noch Leden van een Departementaal Bestuur, Raad van Finantiën of eenig Geregtshof zijn, noch te gelijker tijd een der voorname comptabele of andere hooge Ambten bekleeden.

64. Dadelijk na de opening van elke Zitting, zal de Vergadering van Hun Hoog Mogenden overgaan tot de benoeming van een President, gekozen uit de Leden der Vergadering.

55. Het Wetgevend Ligehaam vergadert gewoonlijk ■eenmaal in het jaar, en wel bepaaldelijk op den derden

-ocr page 163-

III. Aiquot;D. Van de Wet. 143

Dinsdag in de maand November: de Vergadering blijft twee maanden bij elkander.

De Vergadering kan door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen, zoo dikwerf Zijne Majesteit zulks zal goedvinden.

Op den eersten dag van iedere gewone Zitting treedt het oudste vijfde gedeelte der Leden van de Vergadering van Hun Hoog Mogenden af.

De eerste aftreding zal in 1807 plaats hebben, en wordt door het Lot bepaald

De aftredende Leden zijn altijd weder verkiesbaar.

50. De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden brengen hoofdelijk hunne stem uit, en stemmen zonder eenigen last, van wie het ook zij, te ontvangen.

57. De Vergadering van Hun Hoog Mogenden beraadslaagt over geene andere onderwerpen, dan over de zoodanige , welke haar door den Koning worden voorgedragen.

Dezelve vereenigt zich met de Voordracht, of verwerpt dezelve, zonder daarin eenige verandering of wijziging te maken.

58. Hun Hoog Mogenden, de voorgedragene Wet hebbende goedgekeurd, geven daarvan onmiddelijk kennis aan den Koning, welke met de promujgatie en executie daarvan belast is. — Wanneer Hun Hoog Mogenden de voorgedragene Wet verwerpen, geven zij daarvan, met opgave der redenen van weigering, kennis aan den Koning, welke alsdan hetzelfde Onderwerp, nader gemotiveerd of met eenige verandering, andermaal kan voordragen.

59. Alle Besluiten van de Vergadering van Hun Hoog Mogenden worden geteekend door den President, en gecontrasigneerd door den Griffier hunner Vergadering.

60. Het Wetgevend Ligchaam zal buiten deszelfs midden een Griffier met meerderheid van stemmen benoemen.

BI. \'Er kan geene oorlogsverklaring plaats hebben, dan na een voorafgaand Besluit van Hun Hoog Mogenden, op Voordragt van den Koning genomen.

Vierde Afdeeling.

Van de Departementale- en Gemeente-Besturen.

62. De Departementale Besturen zijn belast met het

-ocr page 164-

\'144 constitutie van 1806.

doen uitoefenen der Wetten en bevelen, welke aan hun van wegens het Gouvernement worden gegeven.

63. De Gemeente-Besturen zijn bevoegd tot het regelen van hunne huishoudelijke belangen, op den voeten wijze bij de Wet bepaald.

(54. Leden van Gemeente-Besturen kunnen onder geen voorwendzel in Persoon voor het Departementaal Bestuur tot verantwoording worden opgeroepen: zij kunnen alleen wegens misdrijf of verzuim in hunne Bediening, voor het Departementaal Geregtshof worden te regt gesteld.

Vijfde Afdeeling.

Van de liegterlijke Magt.

65. Het Regt wordt in naam en van wegens den Koning uitgeoefend.

66. De Regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend ó.oor Regters, ingevolge de Wet aangesteld. Geene Politieke Magt vermag de onafhankelijkheid der Regters in de uitoefening van eenig gedeelte van hunne werkzaamheden te belemmeren.

67. In geene Regtbanken zullen de Loden bij derzelver aanstelling elkander onderling, of ook de publieke Aanklagers bij dezelve, bestaan, tot in don vierden graad van Bloedverwantschap of Zwagerschap. — Niemand kan dsn Post van Regter of Publieken Aanklager waarnemen, die niet is Stemgeregtigd Burger, en den vollen ouderdom van 25 jaren bereikt heeft.

68. In alle Criminele Vonnissen wordt het misdrijf van den Veroordeelden uitgedrukt, op poene en nulliteit.

69. Alle Vonnissen moeten mot opene deuren worden gepronuntiëerd. — Nimmer heeft eenige verbeurdverklaring van goederen plaats.

70. Het Krijgsvolk te Water en te Lande blijft, met betrekking tot alle civile zaken en commune delicten, onderworpen aan den Burgerlijken Regter.

71. \'Er zal een Hoog Nationaal Geregtshof zijn; de Leden zullen ten aanzien van ouderdom en inwoning dezelfde vereischten moeten bezitten, als bij Art. 52 voor de Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden zijn bepaald, en zich, overeenkomstig het gestatueerde bij Art. 67, niet

-ocr page 165-

V. Akd. Van de Reg terlij ke Magt. 143

mogen bestaan in of binnen den vierden graad van Bloedvenvantschap of Zwagerschap.

72. Bij vacature zenden de overige Leden eene Nominatie van drie Personen aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden, welke daar uit de verkiezing doet.

De Koning heeft de aanstelling van den publieken Aanklager bij het Nationaal Geregtshof, en van de publieke Aanklagers bij de Departementale Geregtshoven, uit eene Nominatie van drie Personen, door het Hof, bij hetwelk de vacature voorvalt, te formeren.

7S. De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden en van den Staatsraad zijn nimmer verantwoordelijk voor de door hun uitgebragte advisen.

De Ministers van Staat en Leden van alle Administrative Raden zijn alle aan den Koning verantwoording schuldig; ingevalle zij deswegens in regten rnogten betrokken worden, zullen zij voor het Hoog Nationaal Geregtshof worden aangesproken.

De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden, de Ministers van Staat, de Leden van den Staatsraad, en de Hooge Ambtenaren van Staat, zullen voor het Hoog Nationaal Geregtshof ten allen tijde te regt staan wegens misdrijven, welke zij in de waarneming van hunne Posten mogten hebben begaan; alsmede wegens misdaden, welke zij mogten hebben bedreven, gedurende den tijd dat zij deze Posten bekleeden: doch tot het gewone leven terug gekeerd, zullen zij wegens laatstgemelde, voor hunnen gewonen Burgerlijken Regter worden teregt gesteld.

74. Het Nationaal Geregtshof oordeelt over alle Actiën, waar in de Staat als Gedaagde wordt aangesproken.

75. Wanneer de Staat, of wel eenige Gemeenelands Collegiën, Ontvangers, Rentmeesters of andere Agenda-rissen, in derzei ver qualiteit voor het Nationaal Geregtshof in regten betrokken worden, zullen Hun Hoog Mogenden op , voord ragt van den Koning, het algemeen belang zulks vorderende, hetzelve Hof kunnen aanschrijven, om met de cognitie der zaak, het zij voor eenen bepaalden, het zij voor eenen onbopaalden tijd te supersederen, en is het Nationaal Geregtshof verpligt, aan zoodanige aanschrijving te defereren: zullende de Koning, Hun Hoog Mogenden niet vergaderd zijnde, tot het doen van eene provisionele aanschrijving tot dat oogmerk, bevoegd zijn.

10

-ocr page 166-

-146 CONSTITUTIE VAN 1800.

76. Het Nationaal Geregtshof heeft speciaal toezigt over de Gercgtshovcn en Regtbanken in het Koningrijk: het kan derzei ver Vonnissen en Handelingen, voor zoo verre deze met de Wetten, aangaande de administratie der Justitie, en de form van Regtspleging strijdig zijn. schorsen en vernietigen: hetzelve zal echter nimmer bevoegd zijn, zich in de beoordeeling der zaak zelve intelaten.

77. Aan het Nationaal Geregtshof valt hooger beroep van alle gewijsden in zaken, welke ter eerster instantie gediend hebben voor de Departementale Geregtshoven.

78. Het Nationaal Geregtshof verleent surchéance van betaling. Blieven van Sureté de Corps, en voorts zoodanige dispensatiën, als door de Wet aan hetzelve ziillen worden opgedragen.

79. Met betrekking tot alles wat tot de Regterlijke Magt behoort, het getal en de organisatie van Geregtshoven en Regtbanken, het zij Burgerlijke, hetzij Militaire, wordt aan den Koning overgelaten, om daaromtrent aan de Vergadering van Hun Hoog Mogenden zoodanige veranderingen en verbeteringen voortedragen, als in vervolg van tijd wenschelijk zullen bevonden worden.

Wet van 7 Augustus 1806.

Art. 1. De Koninklijke Wapens zullen zijn de oude Wapenen van den Staat, gecarteleerd met den Franschen Keizerlijken Adelaar, en gekroond met de Koninklijke Kroon.

2. De voormalige Vlag van den _Staat zal behouden blijven.

3. De Koning bepaalt het getal der Leden van den Staatsraad; hetzelve zal echter niet minder zijn dan Negen.

4. De Rekenkamer bestaat uit Negen Leden.

5. Het wetgevend Ligchaam zal bestaan uit Negen-en-dertig Leden, gekozen voor vijf Jaren, en benoemd in de volgende evenredigheid:

-ocr page 167-

Wet van 7 Augustus 1806.

Van het Departement Holland, 17 Leden. » » » Gelderland, 4 »

» » » Braband, 4 »

» » » Vriesland, 3 »

» » » Overijssel, 3 »

» » » Groningen, 3 »

» » » Zeeland, 2 »

» » » Utrecht, 2 »

Van het Landschap Drenthe, 1 Lid.

Het getal der Leden van de Vergadering van Hun Hoog Mogenden zal worden vermeerderd, ingeval van vergrooting van Grondgebied.

6. De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden genieten, tot schadeloosstelling van Reiskosten en van het verblijf in de Residentie, jaarlijks eene somme van drie duizend Guldens.

7. De Departementale en Gemeente-Besturen kunnen geene Belastingen opleggen, dan ingevolge de Wet, en na bekomene autorisatie van den Koning, op Rapport van de Departementale Besturen.

8. Alle verschillen omtrent Jurisdictie-Quaestiën zullen, zoo de Partijen onder hetzelve Departementaal Geregtshof behooren, aan de beslissing van hetzelve Geregtshof, en anders aan die van het Nationaal Geregtshof, onderworpen zijn.

9. De manier van Procederen, zoo voor het Xationaal Geregtshof, als voor de Departementale Geregtshoven en andere Regtbanken, wordt door de Wet bepaald.

10. Alles wat betrekking heeft tot de uitoefening der Criminele Justitie in Militaire Zaken, zal door eene bijzondere \\\\ et nader worden bepaald.

11. De Wet bepaalt de Judicature in cas van Fraude of Contraventie over de Middelen te Water en te Lande.

12. Het Nationaal Geregtshof zal bestaan uit Negen Leden.

147

13. Het Nationaal Geregtshof velt geene definitive Vonnissen, ten zij er ten minsten twee derden der Leden tegenwoordig zijn.

*

-ocr page 168-

(rrondwet

voor de

VEEEENIGDE NEDERLANDEN.

(Op 2 Maart 1814, den dag waarop de bij besluit van den S. V. van 21 Dec. 1813 benoemde Commissie, het ontwerp eener Grondwet den S. V. aanbood, nam deze het besluit, waarbij de samenkomst der inmiddels gekozen Notabelen op 28 Maart te Amsterdam werd vastgesteld, ten einde als »de Groote Vergadering representerende de Vereenigde Nederlandenquot;, hierover uitspraak te doen. In haar zitting van 29 Maart bekrachtigde deze Vergadering het Ontwerp; en denzelfden dag werd het door den S. V. bij proclamatie verklaard te zijn »de Grondwet van den Staat der Vereenigde Nederlandenquot;.)

Eerste Hoofdstuk.

Van den Souvereinen Vorst.

Art. 1. De Souvereiniteit der Vereenigde Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Koninklijke Hoogheid Willem Frederik Prins van Oranjc-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig do na te melden bepalingen.

2. Voor wettige nakomelingen van den Souvereinen Vorst worden gehouden alle de zoodanige, welke gesproten zijn uit een huwelijk, aangegaan met onderling goedvinden van Denzelven en de Staten-Generaal.

3. De Souvereiniteit versterft bij regt van eerstgeboorte, des dat de oudste zoon van den overleden Vorst, of wel het mannelijk oir van den oudsten zoon bij representatie opvolgt.

4. Bij ontstentenis van mannelijk oir uit den oudsten zoon gesproten, vervalt de Souvereiniteit aan diens broe-

üh

-ocr page 169-

I. Hoofdst. Van den Souvereinen Vorst. 149

ders of hun mannelijk oir, insgelijks bij regt van eerst-geboorte en representatie.

5. Bij geheele ontstentenis van mannelijk oir wordt de Souvereiniteit geërfd bij de dochters of derzelver nakomelingen, op gelijke wijze als voren.

6. Bij ontstentenis van nakomelingschap uit den tegenwoordigen Souvereinen Vorst, Prins Willem Fre-derik van Oranje-Nassau, vervalt de Souvereiniteit aan Deszelfs Zuster, Prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Oranje, Douariere van wijlen Carl George August, Erfprins van Brunswijk Lunenburg of Hare wettige nakomelingen uit zoodanig nader huwelijk, als door Dezelve ingevolge art. 2 mogt worden aangegaan.

7. Indien ook de wettige nakomelingschap van deze Vorstin ontbreekt, zal het erfregt overgaan op het wettig mannelijk oir van Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfden en Gema-linne van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie.

8. Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in de Erfopvolging mogten noodzakelijk maken, is de Souvereine Vorst bevoegd daaromtrent eene wet aan de Staten-Generaal voor te dragen.

9. Ingévalle er geen bevoegde Erfopvolger volgens het tot nu voorgestelde mogt bestaan, zal de regerende Vorst verpligt zijn een opvolger aan de Staten-Generaal voor te dragen.

10. De Staten-Generaal, deze voordragt goedgekeurd hebbende, zal de Souvereine Vorst als dan dien opvolger ter kennisse van den volke brengen, op de wijze waarop alle andere wetten worden gepromulgeerd.

11. Indien door onvoorziene omstandigheden zulk een opvolger niet mogt benoemd zijn vóór het overlijden van den regerenden Vorst, zullen de Staten-Generaal eenen opvolger benoemen, uitroepen en aan den Volke bekend maken.

12. De Souvereine Vorst geniet een jaarlij ksch inkomen van vijftien maal honderd duizend gulden, op de wijze bij de twee volgende artikelen bepaald: en er wordt wijders een behoorlijk zomer- en winter verblijf voor Hem in gereedheid gebragt en onderhouden.

13. Bij de wet kan worden bepaald, dat aan den Souvereinen Vorst, des verkiezende, tot gedeeltelijke

-ocr page 170-

GRONDWET VAN 1814.

voldoening van het gemelde jaarlijkscb inkomen, in vollen eigendom, als patrimoniëel goed, zal worden overgegeven zoo veel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf tonnen gouds of daaromtrent opbrengen.

14. Het overige gedeelte van het jaarlijksch inkomen wordt gevonden uit het vruchtgebruik van daartoe nader te bestemmen goederen, of uit de eerste en gereedste penningen van den Lande.

15. De Souvereine Vorst en de Prinsen en Prinsessen van den Huize genieten vrijdom van alle personele lasten en beschreven middelen, met uitzondering van de verponding.

De gebouwen echter tot Derzelver gebruik of woning bestemd, blijven ontheven van alle reële lasten. Geene exemptiön van consumtive middelen zullen door Hem noch Hunne hofhoudingen genoten worden.

16. De Souvereine Vorst rigt Zijn Huis naar eigen goedvinden in.

17. De oudste zoon van den Souvereinen Vorst is de eerste onderdaan van zijnen vader.

Als Erfprins wordt Hem gegeven den titel van Koninklijke Hoogheid.

De overige Prinsen en Prinsessen van den Huize blijven voeren den titel van Doorluchtige Hoogheid.

18. De Erfprins ontvangt in deze hoedanigheid uit \'s Lands kas eenc jaarlijksche som van honderd duizend gulden, te rekenen van den tijd, dat Hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben bereikt.

19. De Souvereine Vorst is meerderjarig als Zijn achttiende jaar vervuld is.

20. Ingevalle van minderjarigheid, staat de Souvereine Vorst onder de voogdij van personen uit het Vorstelijk Huis en eenige aanzienlijke inboorlingen van den Lande. Deze voogdij wordt vooraf beraamd door zijnen voorganger en de Staten-Generaal.

21. Indien de schikking, betreffende de voogdij, door onvoorziene omstandigheden te voren niet mogt gemaakt zijn, wordt daarin door de Staten-Generaal op dezelfde wijze, als in het vorige artikel, voorzien, met overleg, zooveel mogelijk, van eenige der naaste bloedverwanten uit den Vorstelijke Huize.

22. Bij het overlijden van den Souvereinen Vorst vergaderen de Staten-Generaal zonder eenige oproeping.

150

-ocr page 171-

I. Hoofdst. Van den Souvereinen Vorst. 131

De leden, welke zich, na verloop van acht dagen na den sterfdag, in de residentie bevinden, openen de buitengewone vergadering.

23. Gedurende de minderjarigheid van den Souvereinen Vorst wordt het regt der Souvereiniteit waargenomen door één Regent.

Deze Regent wordt door den Souvereinen Vorst en de Staten-Generaal te voren benoemd. Op gelijke wijze mag worden vastgesteld de opvolging in het regentschap tot de meerderjarigheid van don Erfopvolger toe.

24. Wanneer door onvoorziene omstandigheden bij het leven van den overleden Vorst geene schikking omtrent het regentschap zelve gemaakt is, wordt daarin door de Staten-Generaal voorzien.

Ingevalle de bepaling omtrent de opvolging in het regentschap niet mogt gemaakt zijn , wordt die opvolger door den Regent en de Staten-Generaal gezamenlijk benoemd.

25. De gemelde schikkingen omtrent een regentschap hebben mede plaats, ingevalle de Souvereine Vorsl buiten staat geraakt de regering waartenemen.

Wanneer aan den Raad van State, zamengesteld uit do leden, daarin gewone zitting hebbende, en de hoofden der ministeriele departementen, na een naauwkeurig gemeenschappelijk onderzoek gebleken is, dat zulk een geval bestaat, roept dezelve Raad de Staten-Generaal bijeen , ten einde daarin achtervolgens de vastgestelde bepalingen, gedurende het bestaande geval, te voorzien.

26. Wanneer de Erfprins in zoodanig geval meerder-jarig is, zoo is Hij van regtswege Regent.

Indien Hij als dan nog minderjarig is, zal het souve-rein gezag, in dit en de andere gevallen, bij art. 11 en 24 omschreven, worden uitgeoefend door den Raad van State, zamengesteld op dezelfde wijze, als bij art. 25 is vermeld, tot dat daaromtrent door de Staten-Generaal zal zijn voorzien.

27. Indiende SouvereineVorstgeene der schikkingen, bij art. 9, 20 en 23 vermeld, met de Staten-Generaal beraamd heeft, verklaren deze plegtiglijk, welk geval er bestaat, en voorzien daarin vervolgens op de gronden hier voren gelegd.

28. De Souvereine Vorst legt, bij het aannemen dei-regering, in de vergadering der Staten-Generaal den volgenden eed af;

-ocr page 172-

•152 GRONDWET VAN 1814.

»Ik zweer, dat Ik eerst en bovenal de grondwet »van de Vereenigde Nederlanden zal onderhouden en «handhaven, en dat Ik wijders de onafhankelijkheid «van den Staat, de vrijheid en welvaart van deszelfs «ingezetenen, met alle mijne krachten bevorderen zal. »/?oo waarlijk helpe mij God Almagtig.quot;

29. Na het afleggen van den voormelden Eed wordt de Souvereine Vorst ingehuldigd bij de Staten-Generaal met de volgende plegtige verklaring;

»Wij zweren, dat wij, krachtens de grondwet van «dezen Staat, U hulden en ontvangen als Souvereinen «Vorst der Vereenigde Nederlanden; dat wij Uwe «hooge en souvereine regten zullen bewaren en «onderhouden, U getrouw en gedienstig zullen wezen «in de bescherming van Uwen persoon en staat, en «voorts alles doen, wat goede en getrouwe Staten-«Generaal schuldig zijn en behooren te doen.

«Zoo waarlijk helpe ons God Almagtig.quot;

30. De beëediging van den Souvereinen Vorst en de inhuldiging bij de Staten-Generaal zullen plaats hebben in de stad Amsterdam, als de hoofdstad.

31. Na dat deze beëediging en inhuldiging door den Souvereinen Vorst zullen zijn ter kennis gebragt van de Staten der Provinciën of Landschappen, brengen deze aan Hem hunne hulde toe, in raaniere als volgt:

«Wij zweren, dat wij U, den wettigen Souve-«reinen Vorst der Vereenigde Nederlanden, steeds «gehouw en getrouw zullen zijn in de bescherming «van Uwen persoon en staat: dat wij, achtervolgens «de verpligtingen ons bij de grondwet opgelegd, de «bevelen door U ofte Uwentwege aan ons gegeven, «zullen gehoorzamen; voorts alle Uwe dienaren en «raden, in de nakoming van dezelve, zullen helpen «en bijstaan, en wijders alles doen, wat getrouwe «onderzaten aan hunnen Souvereinen Vorst schuldig «zijn en behooren te doen.

nZuo waarlijk helpe ons God Almagtig.quot;

32. De Souvereine Vorst pleegt alle de daden van de Souvereine waardigheid, na de zaak in overweging te hebben gebragt bij den Raad van State.

Hij alleen beslist en geeft telkens van Zijn genomen besluit kennis aan den Raad.

-ocr page 173-

I. Hooi\'dst. Van den Souvereinen Vorst. 153

Aan het hoofd der stukken wordt gesteld:

))De Souvereine Vorst der Vereenigde Nederlanden, den Raad van State gehoordenz.

De leden van dezen Raad worden zoo veel mogelijk gekozen uit alle de Provinciën of Landschappen. De Souvereine Vorst benoemt dezelve ten getale van niet meer dan twaalf en ontslaat hen naar goedvinden. Zulks noodig oordeelende, stolt Hij eenen Secretaris van Staat, Vice-President van den Raad van State, aan.

83. De Erfprins is van regtswege lid van den Raad van State, en neemt zitting in denzelven, wanneer Zijn achttiende jaar vervuld is.

Het staat den Souvereinen Vorst vrij aan de Prinsen van den Huize zitting in den Raad te verleenen. Het getal der gewone leden ondergaat daardoor geene vermindering.

34. De Souvereine Vorst benoemt (des verkiezende) buitengewone Staatsraden in gelijke getale met de gewone, zonder tractement, en roept hen in den Raad of neemt hunne gedachten in bulten denzelven, naar Zijn goedvinden,

35. De Souvereine Vorst stelt ministeriële Departementen in, benoemt derzelver hoofden en ontslaat die naar goedvinden.

roept, zulks geraden oordeelende, een of meer derzel-ven tot bijwoning der deliberation van den Raad van State.

Hij vermag wijders eenen Raad van koophandel en koloniën in te stellen.

36. De Souvereine Vorst heeft, bij uitsluiting, het opperbestuur over de koloniën en bezittingen van den Staat in andere werelddeelen

37. De Souvereine Vorst verklaart Oorlog en maakt Vrede. Hij geeft daarvan kennis aan de Staten-Generaal.

38. Aan Hem alleen is, behoudens de kennisgeving daarvan aan de Staten-Generaal, opgedragen het regt, om allo verbonden en verdragen te doen sluiten en te bekrachtigen: aan Hem behoort dienvolgens liet bestuur der buitenlandsche betrekkingen, mitsgaders het benoemen en herroepen van Gezanten en Consuls.

39. De Souvereine Vorst beschikt over de Vloten en Legers. Alle de militaire Officieren worden door Hem benoemd en, daartoe termen zijnde, op pensioen gesteld of, des noods, ontslagen.

40. De Souvereine Vorst heeft het opperbestuur der

-ocr page 174-

GRONDWET VAN 1814.

algemeene geldmiddelen. Hij regelt de tractementen van alle Kollegiën en Ambtenaren, welke uit \'s Lands kassa betaald worden , en brengt deze op de begrooting der staalsbehoeften.

41. De Souvereine Vorst beeft het regt van de Munt en het opperbestuur over dezelve.

Hij vermag Zijne beeldtenis op de Muntspeciën te doen stellen.

42. De Souvereine Vorst verheft in den adelstand. Al, wie door den Souvereinen Vorst in den adelstand verheven wordt, brengt het bewijs daarvan ter kennis van de Staten zijnor Provincie of Landschap en deelt aanstonds in alle de voorregten daaraan verbonden, bijzonderlijk in de bevoegdheid om beschreven te worden in de ridderschap, mits voldoende aan de vereischten voor dezelve bepaald.

43. De Souvereine Vorst, eene Ridder-Orde willende instellen, draagt daaromtrent aan de Staten-Generaal eene wet voor.

44. Vreemde orden, waaraan geene verpligtingen verbonden zijn, mogen aangenomen worden door den Souvereinen Vorst en de Prinsen van Zijn Huis.

In geen geval mogen de Ingezetenen vreemde orden aannemen, zonder een bijzonder verlof van den Souvereinen Vorst.

45. Insgelijks wordt tot het aannemen van vreemdo titels, waardigheden en charges, het bijzonder verlof van den Souvereinen Vorst vereischt. Het is geenen Nederlander geoorloofd in het vervolg vreemden adeldom aan te nemen.

46. De Souvereine Vorst heeft het regt. om aan de Staten-Generaal wetten voor te dragen en andere voorstellen te doen, alsmede om de voordragten door de Staten-Generaal Hem gedaan, al of niet goed te keuren.

De goedkeuring wordt op deze wijze uitgedrukt:

»De Souvereine Vorst bewilligt in het voorstel.quot;

Ingevalle Hij meent het voorstel niet te kunnen goed;-keuren, wordt zulks dezer voege te kennen gegeven:

»De Souvereine Vorst houdt het gedaan voorstel in «overweging.quot;

47. De Souvereine Vorst kondigt de wetten af bij het volgende formulier:

i)Wij enz.

«Souvereine Vorst der Vereenigde Nederlanden, den

sRaad van State gehoord, aan alle de genen, die deze

154

-ocr page 175-

I. Hoofdst. Vagt;i den Souvereinen Vorst. 155

«zullon zien of hooren lezen, Salut: doen te weten:

sAlzoo Wij in overweging genomen hebben, dat enz. Hier de beweegredenen in te lasschen.

»Zoo is het dat Wij, met gemeen overleg van de

«Staten-Generaal dezer landen, hebben goedgevonden en

«verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze.

))Dat enz.

De inhoud der wet.

«Gegeven enz.quot;

48. De Souvereine Vorst beslist alle geschillen, welke tusschen twee of meer Provinciën of Landschappen /.ouden mogen ontstaan, wanneer Hij dezelve niet in der minne kan bijleggen.

49. De Souvereine Vorst verleent gratie, abolitie en remissie van straf, na ingenomen advies van den Hoogen Raad der Vereenigde Nederlanden.

50. Behalve de gevallen, waarin het regt van dispensatie aan den Souvereinen Vorst, bij de wet. zal worden toegekend, verleent Dezelve ook in zoodanige bijzondere gevallen, welke niet gevoegelijk uitstel kunnen lijden, wanneer de Staten-Generaal niet vergaderd zijn, dispensatie van wetten, na ingenomen advies van den Hoogen Raad der Vereenigde Nederlanden, en geeft daarvan bij de eerste vergadering opening.

51. In de gevallen, bij art. 8, 10,\'li en 24 omschreven, wordt de vergadering dei- Staten-Generaal in dubbelden getale bijeen geroepen, overeenkomstig hetgeen daar-omtr.ent bij het negende hoofdstuk zal worden bepaald.

Tweede Hoofdstuk.

Van de Staten-Generaal.

52. De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandse,lie Volk.

53. Het\' Nederlandsche Volk bestaat uit de Ingezetenen der volgende negen Provinciën of Landschappen, welke te zamen het tegenwoordige grondgebied der Vereenigde Nederlanden in Europa uitmaken, als:

Gelderland,

Holland,

Zeeland,

-ocr page 176-

GRONDWET VAN 1814.

Utrecht,

Vriesland,

Overijssel,

Groningen,

Braband en Drenthe.

64. Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Vriesland Overijssel, Groningen en Drenthe behouden hunne oude grensscheidingen, onder de volgende bepalingen:

Kuilenburg en Buren behooren onder Gelderland.

Vianen, Ameiden, Leerdam, Langerak, Somraelsdijk behooren onder Holland.

IJsselstein, mitsgaders Benschop, Noordpolsbroek en Jaarsveld behooren onder Utrecht.

Ameland en Schiermonikoog behooren onder Vriesland.

Wedde en Westwoldingerland behooren onder Groningen.

Braband bestaat provisioneel uit alle de Landen en Steden, voorrnaals bekend onder den naam van Genera-liteits-Landen, en uit zoodanige andere, als in lateren tijd verkregen en daarbij gevoegd zijn.

55. De wet bepaalt de verdere grensscheidingen tusschen de Provinciën of Landschappen, gelijk mede aan welke van deze zullen worden toegevoegd zoodanige andere districten en plaatsen, welke bevorens tot gsen derzelver hebben behoord, welke nader verkregen1), of welker jurisdictie tusschen onderscheidene Provinciën of Landschappen is verdeeld of in verschil geweest.\'

56. De vergadering der Staten-Generaal bestaat uit vijf en vijftig Leden. Deze worden benoemd door de Staten der bovengemelde Provinciën of Landschappen in de volgende evenredigheid: ■

Uit Gelderland 6.

» Holland 22.

» Zeeland 3.

» Utrecht 3.

» Vriesland 5.

» Overijssel 4.

» Groningen 4.

» Braband 7.

» Drenthe 1.

-156

1

Het woord worden, dat hier te verwachten is, ontbreekt in alle uitgaven.

-ocr page 177-

II. Hoofdst. Van de Slaten-Generaal. 157

57. Zij hebben zitting gedurende driejaren. Eenderde ■van hen valt jaarlijks uit volgens een daarvan te maken rooster. De eerste aftreding zal plaats hebben met den 1 November 1817.

De uitvallende zijn dadelijk weder verkiesbaar.

68. Het blijft aan den Souvereinen Vorst voorbehouden, om in het vervolg eene wet voor te dragen, waardoor aan de Edelen of Ridderschappen uit elke Provincie of Landschap een zeker evenredig aandeel onder het getal der leden van de Staten-Generaal wordt verzekerd, ten minste een vierde van het geheele getal.

59. Tot leden der vergadering van de Staten-Generaal zijn alleenlijk verkiesbaar Nederlanders, bereikt hebbende den vollen ouderdom van dertig jaren en daar te boven, zijnde Ingezetenen van de Provincie of Landschap waaruit zij worden genoemd. Zij mogen eikanderen niet nader bestaan dan in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap.

60. De Leden der Staten-Generaal kunnen niet te gelijk zijn leden van eenig regterlijk Kollegie of van de Rekenkamer, noch ook eenige aan den Lande comptabelen post bekleeden.

De Leden der Staten-Provinciaal, in de Staten-Generaal geroepen wordende, houden op Leden der Staten-Provinciaal te zijn.

Voorts kunnen tot de Staten-Generaal niet benoemd worden Zee- of Land-Officieren, welke eenen minderen rang dan dien van Hoofdofficier hebben.

Geene der andere hooge ambtenaren zijn van die benoeming uitgesloten.

61. De titel van de vergadering der Staten-Generaal is, Edel Mogende Heeren.

De Leden der vergadering genieten \'sjaars /\'2500.

62. Alle de Leden der Staten-Generaal stemmen voor zich zeiven en zonder last van of ruggespraak met de vergadering, door welke zij benoemd zijn.

Bij het aanvaarden hunner functiën doen zij, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den navolgenden eed; ïlk zweer (belove), dat ik eerst en boven al de «grondwet der Vereenigde Nederlanden zal onder-»houden en handhaven; dat ik wijders de onafhan-ïkelijkheid van den Staat, de vrijheid en de welvaart »van deszelfs Ingezetenen, met alle mijne krachten,

-ocr page 178-

GRONDWET VAX \'1814.

»bevoi\'deren zal, zonder aanzien van provinciale of »van eenige andere dan algemeene belangen. 1)7.00 waarlijk helpe mij God Almagtig.quot;

Zij worden tot dien eed toegelaten, na alvorens te hebben afgelegd den navolgenden eed van zuivering.

»Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid van »de vergadering der Staten-Generaal te worden sbenoeind, directelijk of indirectelijk, aan geenc «personen \'t zij in of buiten het bestuur, onder wat «naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven heb «beloofd of gegeven, noehte beloven of geven zal.

«Ik zweer (belove), dat ik mij exaetelijk zal «gedragen naar den inhoud van het plakkaat bij «de Staten-Generaal op den \'10 December 1715. «tegen het geven en nemen van verboden giften, «gaven en geschenken, gearresteerd.

dZuo waarlijk hclpu mij God Almagtig!quot;

63. Deze eeden worden afgelegd in handen van den Souvereinen Vorst in den Raad van State, ofte, bij Deszelfs afwezendheid, in handen van den Raad zei ven, welke die in zijnen naam ontvangt

Van deze beëediging wordt door of van wegen den Souvereinen Vorst aan de vergadering der Staten-Generaal behoorlijk kennis gegeven, waarna het nieuw verkoren lid dadelijk zitting neemt.

64. De Staten-Generaal vergaderen ten minste eens in het jaar, en wijders op beschrijving van den Souvereinen Vorst, zoo dikwijls, als Hij zulks noodig oordeelt. Hunne gewone vergadering wordt geopend op den eersten maandag in November.

66. De vergadering van de Staten-Generaal wordt door den Souvereinen Vorst of door eene commissie Zijnentwege geopend, en op dezelfde wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt, dat het belang van den Lande niet vordert de vergadering langer bijeen te houden.

66. Het beleid van de vergadering der Staten-Generaal wordt opgedragen aan eenen President, die door den Souvereinen Vorst benoemd wordt uit eene nominatie van drie leden, door hen te maken, en zulks gedurende den tijd van het openen tot het sluiten dier vergadering.

De Staten-Generaal hebben de aanstelling van hunnen Griffier.

458

-ocr page 179-

11. Hoofdst. Van de Slalcn-Generaa I. -159

67. De vergadering der Staten-Generaal doet alle zaken af bij meerderheid van stemmen.

68. De Staten-Generaal raadplegen over alle voorstellen hun door den Souvereinen Vorst gedaan, en zenden aan Denzelven hun besluit door eene commissie.

De toestemming wordt in het volgende formulier vervat; ))De Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden »betuigen den Souvereinen Vorst hunnen dank voor «Deszelfs ijver in het bevorderen van \'s Lands be-»langen, en vereenigen zic.h met het voorstel.quot;

Wanneer eenig voorstel niet mogt worden aangenomen, wordt daarvan bij het volgende formulier aan den Souvereinen Vorst kennis gegeven:

»De Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden «betuigen den Souvereinen Vorst hunnen dank voor »üeszelfs ijver in het bevorderen van \'s Lands be-»langen, doi;h verzoeken Denzelven eerbiediglijk ))het ontwerp van het gedane voorstel in nadere «overweging te willen nemen.quot;

69. De Staten-Generaal hebben het regt om aan den Souvereinen Vorst voordragten te doen, en zenden Hem dezelve door eene commissie.

70. De inwilliging der Staten-Generaal wordt ver-eiseht op de jaarlijksche begrooting der uitgaven van den Staat, welke hun door den Souvereinen Vorst wordt ingezonden.

Zij raadplegen vervolgens over de voorgeslagen middelen tot vinding van dezelve.

71. De voordragt, welke door den Souvereinen Vorst opzigtelijk de financiën in het begin der eerste gewone vergadering van de Staten-Generaal wordt ingeleverd, is gesplitst in twee hoofddoelen.

Het eene bevat alle zoodanige zekere en bepaalde uitgaven, welke, uit den gewonen loop van zaken voortvloeijende, in hot bijzonder tot den staat van vrede betrekking hebben, en alzoo op eenen duurzamen voet dienen vastgesteld te worden.

Het tweede hoofddeel bevat die buitengewone en onzekere uitgaven, welke, inzonderheid in tijden van oorlog, naar voorkomende omstandigheden moeten worden geregeld.

Het eerste, door de Staten-Generaal goedgekeurd zijnde, wordt toegestaan, om geen verandering te ondergaan,

-ocr page 180-

grondwet van 1814.

dan wanneer eenig deel der uitgaven mogt komen te veranderen of geheel te vervallen.

Het tweede wordt slechts ingewilligd voor een jaar.

72. Alle de ingewilligde penningen worden gebruikt tot de vastgestelde posten, en geene anderen.

De Souvereine Vorst doet van dat gebruik, gedurende het vorige jaar, aan de Staten-Generaal een uitvoerig verslag geven.

Derde Hoofdstuk.

Van de Staten der Provinciën of Landschappen.

73. Er zullen zijn Staten van de Provinciën of Landschappen.

74. Derzelver zarnenstelling wordt, naar aanleiding van deze grondwet, geregeld door den Souvereinen Vorst, die uit elke Provincie of Landschap eene commissie benoemt, om Hem dienaangaande te dienen van advies.

75. De werkzaamheden der Staten worden, behoudens de voorschriften daaromtrent bij deze grondwet vastgesteld, geregeld door zoodanige bepalingen, als zij noodig oordeelen, en door den Souvereinen Vorst, in geval van goedkeuring, bekrachtigd worden. Zij maken huneerste werk van het ontwerpen dezer reglementen.

76. Er zullen zijn in alle Provinciën of Landschappen Commissarissen van den Souvereinen Vorst, onder zulke benaming, als Hij zal goedvinden Hij geeft aan dezelven zoodanige instructie, als Hij ter uitvoering van het gezag, Hem bij deze grondwet toegekend, zal vermeenen te behooren.

Deze Commissarissen zullen voorzitten in de vergadering der Staten, alsmede in zoodanige kollegiën, als door hen, ingevolge het bepaalde bij art. 93, zouden mogen benoemd worden.

77. Er zullen zijn in de Provinciën of Landschappen Edelen of Ridderschappen, welker instellingen geregeld worden op zoodanige wijze, als door hen, behondens deze grondwet, noodig geoordeeld en door den Souvereinen Vorst, ingevalle van goedkeuring, bekrachtigd wordt.

De eerste bijeenroeping van en admissie tot dezelve zal door den Souvereinen Vorst, overeenkomstig de omstandig-

160

-ocr page 181-

III. Hoofdst. Van dc Staten der Provinciën enz. i61

lieden, gedaan en verleend worden. Zij ontwerpen hunne reglementen dadelijk, na hunne eerste bijeenkomst.

78. De stedelijke Regeringen zullen zijn zaraengesteld op zoodanige wijze en belast met zulke werkzaamheden, als noodig geoordeeld wordt bij de reglementen , welke de bestaande Regeringen , of bijzondere daartoe door den Souvereinen Vorst te benoemen Gommissien, behoudens deze grondwet, zullen ontwerpen.

Deze reglementen worden door de Regeringen of Com-missiën aan de Staten der Provinciën of Landschappen ter overweging toegezonden, en door deze aan de bekrachtiging van den Souvereinen Vorst onderworpen.

79. In alle Steden worden ingevoerd Kiezers-koliegiën , gelijk van oud in vele Steden bestonden. Zij worden eenmaal in het jaar door de Regering bijeen geroepen, alleenlijk tot het bedoelde einde, om de Raadplaatsen, in dien tusschentijd open gevallen, door bevoegde personen te vervullen.

80. De open vallende plaatsen in de Kiezers-koliegiën worden vervuld bij meerderheid van stemmen der gezeten burgeren, eene zekere, in elke stad bij het stedelijk reglement te bepalen, som betalende in de beschreven middelen. Daarover brengt elk dier burgeren eens in het jaar zijne stem uit bij behoorlijk geteekende en gesloten briefjes, die aan de huizen opgehaald worden van wege de Regering.

81. De besturen van Heerlijkheden, Districten en Dorpen zullen worden ingerigt op zoodanigen voet, als met de bijzondere omstandigheden van elk derzelve, met de belangen der ingezetenen en het verkregen regt der belanghebbenden onderling bestaanbaar geoordeeld zal worden, alles in overeenstemming met deze grondwet en volgens nadere reglementen op last van de Staten te maken, welke dezelve, in gevalle van goedkeuring, aan de bekrachtiging van den Souvereinen Vorst onderwerpen.

82. De leden der provinciale of landschappelijke vergaderingen leggen bij het aanvaarden hunner functiën, elk op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den volgenden eed af:

»Ik zweer (belove), dat ik eerst en bovenal do «grondwet der Vereenigde Nederlanden zal onder-shouden, en dat ik wijders de reglementen, voor

11

-ocr page 182-

GRONDWET VAK 1814.

«deze Provincie of Landschap gemaakt of nog te smaken, zal achtervolgen of nakomen, en voorts de «welvaart van deze Provincie of Landschap, met salie mijne krachten, bevorderen.

»Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!quot;

Zij worden tot dien eed toegelaten na alvorens te hebben afgelegd den volgenden Eed van Zuivering;

sik zweer (verklare), dat ik, om tot lid van de sstaten dezer Provincie of Landschap te worden be-snoemd, directelijk of indirectelijk, aan geene per-ssonen, het zij in of buiten het bestuur, onder wat snaam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven sheb beloofd of gegeven , noch te beloven of geven zal.quot;

sik zweer (belove), dat ik mij exactelijk zal gedra-sgen naar den inhoud van het plakkaat bij de Staten-sGeneraal op den 10 December 1715 tegen het geven sen nemen van verboden giften, gaven en geschen-sken gearresteerd.quot;

sZoo waarlijk helpe mij God Almagtig!quot;

Deze eeden worden afgelegd in handen van den Commissaris van den Souvereinen Vorst.

83. De Staten der Provinciën of Landschappen vergaderen ten minste eens in het jaar, en vervolgens zoo dikwijls als zij door den Souvereinen Vorst worden bijeen geroepen.

84. Zij dragen de kosten van hun bestuur voor aan den Souvereinen Vorst, die dezelve, ingevalle van goedkeuring, op de begrooting der staatsbehoeften brengt.

85. Aan de Staten der Provinciën of Landschappen wordt opgedragen het verkiezen der Leden van de vergadering der Staten-Generaal, in of buiten hun midden, en zoo veel doenlijk, uit alle de oorden van hunne Provincie of Landschap.

86. Dezelve Staten worden belast met de uitvoering der wetten en bevelen omtrent de bevordering van godsdienst, openbaar onderwijs en armbestuur, de aanmoediging van den landbouw, den koophandel, de fabrieken en trafieken, en voorts omtrent alle andere zaken, welke aan hen , te dien einde, door den Souvereinen Vorst worden toegezonden.

87. Het gezag en toezigt der Staten betreffende den Waterstaat hunner Provinciën of Landschapperi, wordt bij het zevende hoofdstuk bepaald.

88. Aan gemelde Staten wordt geheel en al overgelaten

162

-ocr page 183-

III. Hoofdsï. Van de Staten der Provinciën enz. 163

de beschikking en beslissing van alles, wat tot de gewone inwendige politie en oeconumie behoort.

Zij maken hieromtrent, als mede ten aanzien van het aanstellen van ambtenaren of het inleveren van nominatiën tot ambten, zoodanige ordonnantiën en reglementen, als zij ten meesten nutte hunner Ingezetenen oorbaar achten, behoudens deze grondwet, en onder goedkeuring van den Souvereinen Vorst.

89. Zij zorgen, dat de doorvoer door, deuitvoernaar, of de invoer uit eenige andere Provinciën of Landschappen geene belemmering ondergaan, voor zoo verre bij de algemeene wetten dien aangaande geene bijzondere voorzieningen gemaakt zijn.

90. Zij trachten alle verschillen tnsschen Steden. Districten, Heerlijkheden en Dorpen in der minne bij te leggen. Indien zij daarin niet kunnen slagen, dragen zij het geval ter beslissing op aan den Souvereinen Vorst.

91. Zij mogen geene besluiten nemen strijdig met de algemeene wetten of het algemeen belang der Vereenigde Nederlanden. In geval zulks mogt gebeuren, heeft de Sou-vereine Vorst het vermogen die besluiten te schorsen en buiten effect te stellen.

92. Zij mogen de belangen van hunne Provinciën of Landschappen en derzelver Ingezetenen bij den Souvereinen Vorst en de Staten-Generaal voorstaan.

93. Zij noemen, indien zij dit noodig oordeelen, uit hun midden, een of meer kollegiën van eenige leden, tot beleid van zaken, zoo gedurende den tijd hunner vergadering als van hunne afwezendheid.

94. De besturen van Steden, Districten, Heerlijkheden en Dorpen hebben, overeenkomstig den inhoud hunner reglementen, de vrije beschikking over hunne huishoudelijke belangen en maken daaromtrent de vereischte plaatselijke bepalingen.

Deze bepalingen echter mogen niet strijdig zijn met de algemeene wetten of het algemeen belang der Ingezetenen.

95. Het regelen der plaatselijke belangen ingevolge het voorgaande artikel aan de gemelde plaatselijke besturen zijnde overgelaten, blijven deze nogtans gehouden en ver-pligt de begrooting hunner inkomsten en uitgaven aan de Staten overteleggen, en gedragen zich naar het geen dienaangaande doorgemelde Staten zal worden noodig geoordeeld.

-ocr page 184-

grondwet van 1814.

96. Voor zoo verre, tot goedmaking der plaatselijke uitgaven, boven de gewone inkomsten, eenige belastingen mogten noodig zijn, gedragen dezelve besturen zich stip-telijk naar hetgeen deswege bij de algemeene financiële wetten, ordonnantiën en bepalingen is vastgesteld.

Alvorens dezelve belastingen intevoeren, zenden zij de daaromtrent gemaakte ontwerpen ter goedkeuring aan de Staten der Provinciën of Landschappen, met overlegging tevens van eenen juisten staat hnnner behoeften.

Bij het onderzoek daarvan houden de Staten ook bijzonderlijk in het oog, dat de voorgedragen belastingen nimmer bezwaren den vrijen invoer en doorvoer van producten van den grond of voortbrengselen van industrie van andere Provinciën, Steden of Plaatsen boven die van de Plaats zelve, waar de belasting gelegd wordt.

97. De Staten zenden alle, door hen goedgekeurde, begrootingen van inkomsten en uitgaven aan den Souve-reinen Vorst, welke, zulks goedvindende, zoo ten aanzien van gemelde begrootingen, als omtrent alle verdere handelingen der plaatselij ke Regeringen, zoodanige inzage kan vorderen, als Hij vermeent te behooren, en dezelve handelingen, des noods, kan schorsen en buiten effect stellen.

Ten aanzien van het openen en sluiten der plaatselijke rekeningen worden door denSouvereinen Vorst de vereischte voorzieningen voorgeschreven.

98. De gemelde besturen mogen de belangen van hunne plaatsen en derzelver Ingezetenen bij den Souvereinen Vorst en de Staten hunner Provinciën of Landschappen voorstaan.

Vierde Hoofdstuk.

Van de Justitie.

99. Er zal alomme in de Vereenigde Nederlanden regt gesproken worden uit naam en van wege den Souversinen Vorst.

100. Er zal worden ingevoerd een algemeen Wetboek van burgerlijk regt, lijfstraffelijk regt, van den koophandel, en van de zamenstelling der regterlijke magt en de manier van procederen.

101. Ten einde aan de Ingezetenen dezer Landen te waarborgen de onschatbare voorregten van burgerlijke

•164

-ocr page 185-

IV. Hoofdst. Van de Justitie.

vrijheid, zullen de volgende regelen de grondslagen dei-wettelijke beschikkingen uitmaken.

a. Wanneer een Ingezeten in buitengewone omstandigheden door het politiek gezag mogt worden gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie heeft plaats gehad, gehouden daarvan terstond aan den plaatselijken regter kennis te geven, en voorts den gearresteerden binnen den tijd van drie dagen aan deszelfs competenten regter overteleveren.

De criminele regtbanken zijn bevoegd en verpligt, elk in haar ressort, te zorgen, dat zulks stiptelijk worde nagekomen.

h. De regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regtbanken, welke bij of ten gevolge dezer grondwet worden ingesteld.

c. Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter dien de wet hem toekent.

d. Op geene misdaad mag ten straf gesteld worden de verbeurdverklaring der goederen aan den schuldigen toebehoorende.

e. Bij criminele vonnissen,.ten laste van eenen beschuldigden gewezen, moet de misdaad worden uitgedrukt.

f. Alle vonnissen moeten met opene deuren worden uitgesproken.

102. Er zal een opperste Geregtshof worden ingesteld onder den naam van Hoogen Raad der Vereenigde Nederlanden. Deszelfs leden worden, zoo veel mogelijk, uit alle de Provinciën of Landschappen genomen.

103. Van eene voorgevallene vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Staten-Generaal kennis gegeven, die ter vervulling van dezelve, eene nominatie van drie personen aan den Souvereinen Vorst aanbieden, ten einde daaruit eene keuze te doen. De Souvereine Vorst heeft de directe aanstelling van den Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad.

104. De leden van de vergadering der Staten-Generaal, de Hoofden der ministeriële departementen, de leden van den Raad van State, de Commissarissen van den Souvereinen Vorst in de Provinciën of Landschappen staan te regt voor den Hoogen Raad, wegens alle misdrijven in de waarneming hunner functiën begaan. Zij mogen echter deswegens nimmer in regten betrokken worden, dan

165

-ocr page 186-

grondwet van 1814.

tementen optenemen en te liquideren, mitsgaders behoorlijke rekening en verantwoording te vorderen van alle bijzondere Lands comptabelen, alles achtervolgens zoodanige in-structiën, als bij de wet zullen worden vastgesteld.

De Leden van deze Rekenkamer worden, zoo veel mogelijk, uit alle Provinciën genomen.

Bij vacature zenden de Staten-Generaal eene nominatie van drie personen aan den Souvereinen Vorst, welke daaruit de verkiezing doet.

Zesde Hoofdstuk.

Van de Defensie.

121. Het dragen der wapenen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat en de beveiliging van deszelfs grondgebied blijft, overeenkomstig\'s Lands oude gewoonte en het grondbeginsel bij de Unie van Utrecht aangenomen, een der eerste plichten van alle Ingezetenen dezer landen.

122. Diensvolgens is het ook ten allen tijde eene der eerste zorgen van den Souvereinen Vorst, dat er eene toereikende Zee- en Landmagt onderhouden worde, aangeworven uit vrijwilligers, het zij inboorlingen of vreemden, ten einde te dienen in of buiten Europa naar de omstandigheden.

123. Behalve do vaste Zee- en Landmagt zal er steeds zijn eene Nationale Militie, waarvan in vredenstijd jaarlijks een vijfde gedeelte wordt ontslagen en door anderen, ten gelijken getale, vervangen, zoo veel mogelijk te nemen uit vrijwilligers, en anders bij loting, uit de ongetrouwde Ingezetenen van IS tot 22 jaren. Die, welke hun ontslag zullen bekomen, kunnen onder geen voorwendsel, tot eenigen anderen dienst, dan voor de hierna te melden Schutterijen worden opgeroepen.

124. De Militie komt in gewone tijden jaarlijks eenmaal te zamen, om, gedurende eene maand of daaromtrent, in den wapenhandel geoefend te worden; blij vende het nog-tans aan den Souvereinen Vorst voorbehouden, om, wanneer Hij zulks voor \'s Lands belangen mogt geraden oordeelen, een vierde van het geheele getal te doen zamen blijven.

Ingevalle het, bij buitengewone omstandigheden of dreigend oorlogs gevaar, noodig zijn mogt de geheele Militie bijeen te roepen en te doen zamen blijven, zal zulks, indien de Staten-Generaal niet vergaderd zijn, gepaard gaan

168

-ocr page 187-

VI. Hoofdst. Van de Defensie. 169

met de buitengewone bijeenroeping van dezelven, ten einde van het verrigte opening te geven en de verdere daartoe betrekkelij ke maatregelen met de vergadering te beramen.

125. In alle de Steden worden, als van ouds, Schutterijen opgerigt lot behoud der inwendige rust. Deze Schutterijen dienen in tijden van oorlog en gevaar tegen de aanvallen van den vijand. In dit geval worden er ook Schutterijen ten platten lande ingesteld, welke gezamenlijk met die der Steden dienen als een Landstorm tot verdediging des Vaderlands.

126. De bepalingen, welke door den Souvereinen Vorst, zoo omtrent het getal en de inrigting der Militie, als opzigtelijk het geen den Landstorm betreft , noodig geoordeeld worden, zullen het voorwerp eenei\', door Den-zelven voortedragen, wet uitmaken.

Zevende Hoofdstuk.

Van den Waterstaat.

127. De Waterstaat blijft een der eerste nationale belangen en wordt bestuurd door eene bijzondere administratie, ter benoeming en onder het opzigt van den Souvereinen Vorst.

128. Dienvolgens behooren bij uitsluiting tot de beheering der Directie van den algemeenen Waterstaat allo zoodanige Zee- of Rivier-waterkeerende Dijk-, Sluis- en andere Waterwerken, als uit de algemeene Schatkist betaald en onderhouden worden.

Voor zoo verre soortgelijke werken door eenige kol-legien, gemeenten of particulieren bekostigd worden, staan dezelve onder het onmiddelijk toezigt der Directie van den algemeenen Waterstaat, welke zorg draagt, dat de aanteleggen werken aan de algemeene belangen geen nadeel toebrengen en aan dezelve kollegiën, gemeenten of particulieren daaromtrent de noodige voorschriften geeft.

129. Onder de beheering der Directie van den algemeenen Waterstaat zijn mede, bij uitsluiting, begrepen alle zoodanige wegen en bruggen, waarvan het onderhoud door \'s Lands kas gedragen wordt, of waarvan de zorge, om redenen van algemeen belang, door den Souvereinen Vorst aan gemelde Directie wordt opgedragen.

130. De Staten der Provinciën of Landschappen hebben

-ocr page 188-

grondwet van 1814.

de beheering van alle zoodanige Dijk-, Sluis- en andere Waterwerken, mitsgaders van alle zoodanige bruggen en wegen binnen hunne Provincie of Landschap, als niet vallen in de termen van art. 128 en 129, ofte wel daarin vallende door den Souvereinen Vorst, om het nut der zaak, mede aan hunne administratie mogten worden opgedragen. Voor zooverre de hier bedoelde werken door eenige kollegiën, gemeenten of particulieren moeten worden aangelegd en onderhouden, zorgen dezelve Staten, dat hier aan naar behooren voldaan worde.

131. De gemelde Staten hebben het toezigt en gezag over alle Hooge en andere Heemraadschappen, Waterschappen, Dijks- en Polderbesturen en andere dergelijke kollegiën, hoe ook genaamd, binnen hunne Provincie of Landschap, onverminderd nogtans de bepaling bij het tweede gedeelte van art. 128 voorkomende.

De laatst goedgekeurde reglementen dezer kollegiën maken don voet van derzelver inrigting uit, behoudens nogtans het regt der Staten, om daarin, onder goedkeuring van den Souvereinen Vorst, verandering te maken en onverminderd de bevoegdheid dier kollegiën, om aan de Staten zoodanige veranderingen daaromtrent voortedragen, als zij, voor het belang der Ingelanden, zullen vermeenen te behooren. Wat de benoeming en het maken van nominatiën voor gemelde kollegiën aangaat, zal daaromtrent dooi\' de Staten der Provinciën of Landschappen eene voordragt aan den Souvereinen Vorst gedaan worden.

132. Ten aanzien van de beheering of het toezigt, hetwelk bij art. \'130 aan de Staten is of in het vervolg zal worden opgedragen, blijven de daar bedoelde werken onderworpen aan het oppertoezigt van den Souvereinen Vorst, welke, te dien aanzien, naar bevind van zaken handelen kan, even als bij art. 91 omtrent alle andere zaken is vastgesteld.

Achtste Hoofdstuk.

Van den Godsdienst, het Openhaar Onderwijs en het Arm-Bestuur.

133. De christelijke hervormde Godsdienst is die van den Souvereinen Vorst.

134. Aan alle bestaande Godsdiensten wordt gelijke be-

470

-ocr page 189-

VIII. Hoofdst. Van den Godsdienst: enz. 171

scherming verleend; de bel ijders van deze) ve genieten dezelfde burgerlijke voorregtén en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.

135. Alle openbare uitoefening van Godsdienst wordt toegelaten, voor zoo verre dezelve niet kan gerekend worden eenige stoornis aan de publieke orde en rust te zullen toebrengen.

136. Aan de christelijke hervormde kerk wordt bij voortduring verzekerd de voldoening uit \'s Lands kasse van alle zoodanigfi traïtem^ntén, pensioenen, weduwe-, kinder-, school- en academie-gelden, als voprmaalsaau derzei ver leeraren, het zij directelijk uit \'s Lands kas of uit de daartoe bestemde inkomsten van geestelijke en kerkelijke goederen of eenige plaatselijke inkomsten, zijn betaald geworden.

137. Van alle toelagen, welke laatstelijk aan de andere gezindheden uit\'s Lands kas zijn toegestaan geweest, wordt almede het genot, bij voortduring, aan gemelde gezindheden toegekend.

138. In de behoeften van die gezindheden, welke tot hiertoe geene of min toereikende toelage van \'s Lands wege genoten hebben, zal op aanvrage daartoe te doen, in billijkheid door den Souvereinen Vorst, met overleg Van de Staten-Generaal, kunnen voorzien worden.

139. Onverminderd het regt en de gehoudenis van den Souvereinen Vorst, om zoodanig toezigt over alle de godsdienstige gezindheden uitteoefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden, heeft Dezelve bovendien in het bijzonder het regt van inzage en beschikking omtrent do inrigtingen van die gezindheden, welke, volgens een der voorgaande artikelen, eenige betaling of toelage uit \'s Lands kas genieten.

140. Ter bevordering van Godsdienst, als een vaste steun van.den Staat en ter uitbreiding van kennis, is het openbaar onderwijs op de hooge, middelbare en lage scholen een aanhoudend voorwerp van de zorge der Regering. DeSou-vereine Vorst doet van den staat dier scholen jaarlijks aan de Staten-Generaal een uitvoerig verslag geven.

141. Als eene zaak van hoog belang wordt ook het armbestuur en de opvoeding der arm-kinderen deraanhoudende zorg der Regering aanbevolen. De Souvereine Vorst doet insgelijks van de inrigtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.

-ocr page 190-

grondwet van 1814.

Negende Hoofdstuk.

Van bijvoegselen, veranderingen en uitleggingen.

142. Ingevalle, in het vervolg, eenige verandering of bijvoeging in de grondwet noodig zoude mogen zijn, zal deze noodzakelijkheid bij eene wet moeten verklaard en de verandering of bijvoeging zelve duidelijk aangewezen en uitgedrukt worden.

143. Deze wet, door den Sonvereinen Vorst en de Staten-Generaal vastgesteld zijnde, wordt vervolgens op de gewone wijze, aan de Staten der Provinciën of Landschappen gezonden, welke, binnen den tijd daartoe telkens bij zoodanige wet bepaald, aan de gewone leden der Staten-Generaal een gelijk getal buitengewone toevoegen , die op dezelfde wijze als de gewone benoemd worden.

144. De Souvereine Vorst en de alzoo in dubbelden getale zamengestelde vergadering van de Staten-Generaal beslissen voorts in dezen op dezelfde wijze, als omtrent het vaststellen van gewonë wetten hier voren is bepaald, met uitzondering alleen, dat er eene meerderheid van stemmen moet zijn, uitmakende ten minste twee derde der presente leden.

145. De veranderingen of bijvoegselen in de grondwet worden op dezelfde wijze afgekondigd als de gewone wetten, en plegtiglijk bij de algemeene grondwet gevoegd.

146. De authentieke uitlegging en verklaring der twijfelingen, welke in de toepassing van een of ander gedeelte dezer grondwet mogten gevonden worden, wordt gedurende de drie eerste jaren na derzelver aanneming opgedragen aan de Commissie tot het ontwerpen dezer grondwet benoemd geweest.

Indien, na verloop van gemelde drie jaren, zulk eene uitlegging of verklaring noodig ware, wordt daartoe door den Sonvereinen Vorst eene vergadering beschreven, bestaande in een getal van leden, gelijk aan die van de vergadering van de Staten-Generaal, en benoemd op dezelfde wijze door de Staten der Provinciën of Landschappen.

472

-ocr page 191-

Orondwet

VOOU HET

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN. 1)

(De op 24 April 1813, na de vereeniging der Belgische provinciën met den staat der Vereenigde Nederlanden, tot het ontwerpen eener herziene Grondwet benoemde Commissie, bood den Koning haar ontwerp 13 Juli aan. Overeenkomstig art. 144 der Grondw. van 1814, vergaderden de Staten-Generaal der Vereen. Nederl. in dubbelen getale 8 Augustus, en vereenigden zij zich met het ontwerp 18 Aug. Op denzeliden dag had plaats het opnemen der stemregisters van dfv Notabelen in de Belgische provinciën; en bij Publicatie van 24 Aug. 1815, Stbl. no. 45, werd het ontwerp door den Koning bekrachtigd en verklaard uit te maken »de Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden.quot;

Herziening van 1840. De wijzigingen, waartoe de voorstellen van den Koning 30 Dec. 1839, 18 Maart en 16 Mei 1840 bij de Staten-Generaal quot;waren ingekomen, zijn voor zooverre zij ook door de Staten-Generaal noodig geoordeeld werden, overeenkomstig art. 229 Grondw. van 1815, afgekondigd bij 13 wetten van 13 Juni 1840, Stbl. nis. 27-39. Nadat zij, op één na, mede door de dubbele Tweede en wederom door de Eerste Kamer waren bekrachtigd, werden zij als wetten van 4 September 1840, Stbl. nis. 48-59 afgekondigd. Op denzelfden datum werden alle veranderingen bekend gemaakt in een Koninklijke Publicatie, Stbl. no. 47, die ook »de plegtige afkondiging,quot; overeenkomstig art. 234 Grondw. regelde.)

1

tgt;e nummering der artikelen, zoo als die door de herziening van 1840 gewijzigd is, wordt aangewezen door tusschen () ge-stelae cyfers.

-ocr page 192-

GRONDWET VAN ISIS (1840).

Eerste Hoofdstuk.

Van het Rijk en «leszclfs liiwouors.

Art. 1. Het Koningrijk der Nederlanden (zoo als hetzelve omschreven is bij het tractaat tusschen de Mogendheden van Europa, op het congres van Weenen vergaderd, gesloten en geteekend op den 9den Junij 1815), bestaat uit de volgende Provinciën:

Braband (Noord-), Holland,

Braband (Zuid-), Zeeland,

Limburg, Namen,

Gelderland. Antwerpen,

Luik, Utrecht,

Vlaanderen (Oost-), Vriesland, Vlaanderen (West-), \' Overijssel, Henegouwen, Groningen, en

Drenthe.

Het Groot-Hertogdom van Luxemburg, in de grenzen quot;bij het gemelde tractaat bepaald, onder dezelfde Scuve-reiniteit als het Koningrijk dei1 Nederlanden geplaatst zijnde, zal dezelfde grondwet hebben, behoudens deszelfs betrekkingen tot het duitsch verbond. 1)

2. De Provinciën van Gelderland, Holland, Zeeland. Utrecht, Vriesland, Overijssel, Groningen en Drenthe, behouden hare tegenwoordige grenzen.

Noocd-Braband, bestaat uit de Provincie die tegenwoordig den naam van Braband draagt, met uitzondering van dat gedeelte, hetwelk tot het departement der Beneden-Maas heeft behoord.

174

De Provinciën van Zuid-Braband (Departement van de Dijle), van Oost-Vlaanderen (Departement van de Schelde), van West-Vlaanderen (Departement van de Lijs), van Henegouwen (Departement van Jemmapes),

1

Artikel 1 is by de herziening van 1840 veranderd als volgt: „Het Koningryk der Nederlanden bestaat uit de volgende provinciën: Noord-Braband, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Utrecht, Vriesland, Over^ssel, Groningen en Drenthe, mitsgaders het Hertogdom Limburg; behoudens de betrekkingen van dat Hertogdom, met uitzondering der vestingen Maastricht en Venlo en van derzei ver kringen, tot het Duitsche Verbond.quot;

-ocr page 193-

I. Hoofdst. Van het Rijk en deszelfa Inw. 175

en van Antwerpen (Departement der beide Xethen), behouden de grenzen van die departementen.

De Provincie van Limburg is zamengesteld uit het ge-lieele Departement van de Beneden-Maas, en die gedeelten van het Departement van de Roer, die volgens het traetaat van Weenen tot het Rijk behooren.

De Provincie van Luik bevat het Departement der Ourthe, met uitzondering van dat gedeelte, hetwelk bij hetzelfde traetaat daarvan afgescheiden is.

De Provincie van Namen bestaat uit dat gedeelte van het Departement der Sambre en Maas, dat niet tot het Groot-Hertogdom Luxemburg behoort.

De grenzen van het Groot-Hertogdom Luxemburg, zijn bij het gemelde traetaat bepaald. 1)

3. De meer juiste bepalingen, welke, nader omtrent de grensscheidingen der Provinciën onderling mogten noodig en dienstig worden geoordeeld, zullen bij eene wet worden geregeld, met in achtneming, zoo wel van de belangen der ingezetenen als van het gerief der algemeene administratie.

4. Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hetzij ingezetenen of vreemdelingen, hebben gelijke aanspraak op bescherming van personen en goederen.

5. De oefening der burgerlijke regten wordt bij de wet bepaald.

6. De oefening van het stemregt in de steden en ten platten lande, zoo wel als de bevoegdheid om deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke besturen, wordt bij de provinciale en plaatselijke reglementen geregeld, f)

7. De beschikkingen dezer reglementen, het regt en de bevoegdheid in het vorig artikel gemeld betreffende, zoo als dezelve op het einde van het tiende jaar na

1

Artikfil 2 is by de herziening van 1840 veranderd als volgt;

„De provinciën van Noord-Braband, Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Utrecht, Vriesland, Overijssel, Groningen en Drenthe, behouden hare tegenwoordige grenzen.

„Het Hertogdom Liraburg bestaat uit dat gedeelte der voormalige provincie van dien naam, hetwelk bij de tractaton van den 19den April 1839, daarvan niet is afgescheiden.quot;

t) Artikel 6 is bü de herziening van 1840 veranderd als volgt;

„De oefening van het stemregt in de steden en ten platten lande, zoo wel als de bevoegdheid, ora deel te nemen aan de provinciale en plaatselijke Besturen, wordt by de wet geregeld.quot;

-ocr page 194-

GRONDWET VAN 1815 (1840).

de afkondiging dezer grondwet in werking zijn, zullen beschouwd worden een deel van deze Grondwet uit te maken. 1)

8 (7). Tot leden der Staten-Oeneraal, hoofden of leden van departementen van algemeen bestuur, leden van den Raad van State, Commissarissen des Konings in de Provinciën, en leden van den Hoogen Raad, kunnen alleenlijk benoemd worden Nederlandsche ingezetenen, geboren binnen het Rijk of deszelfs buitenlandsehe bezittingen, uit ouders aldaar gevestigd.

Die uit zoodanige ouders, ter oorzake van \'s Lands dienst afwezend, of anderzins op reis zijnde, buiten het Rijk geboren zijn, worden met de vorigen gelijk gesteld.

{) (8). Tot alle andere bedieningen zijn alle de ingezetenen, zonder onderscheid, benoembaar, welke geboren Nederlanders zijn, of hetzij door wetduiding, hetzij door naturalisatie daarvoor gehouden worden

10 (9). Gedurende een jaar na de invoering dezer grondwet, staat het den Koning vrij , aan personen buiten \'slands geboren, doch binnen het Rijk gevestigd, het volle regt van inboorlingschap en de verkiesbaarheid tot alle ambten, zonder onderscheid te vergunnen.

11 (10). Ieder is, zonder onderscheid van rang en geboorte, tot alle ambten en bedieningen benoembaar, behoudens het gene betrekkelijk de zamenstelling der Provinciale Staten, bij de reglementen, ingevolge het 4de hoofdstuk is bepaald, f)

176

1

Artikel 7 is by de herziening van 1840 vervallen.

t) Dit artikel is by de herziening van 18i0 veranderd als volgt: „Ieder is, zonder onderscheid van rang en geboorte, tot alle ariibten en bedieningen benoembaar, behoudens hetgeen betrekkelijk de zamenstelling der provinciale Staten, by botvierde hoofdstuk is bepaald.quot;

-ocr page 195-

II. Hoofdst. Van den Koning.

Tweede Hoofdstuk.

Van den Koning.

Eerste Akdeeling.

Van de Troonopvolging.

12 (11). De kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen:

13 (12). De wettige nakomelingen van den regerenden Koning, zijn de kinderen reeds geboren, of die nog mogten geboren worden, uit Zijn tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Frederika Louisa Wilhelmina. Prinses van Pruis-sen: en voorts in het algemeen alle afstammelingen, welke geboren zullen worden uit een huwelijk door den Koning, met gemeen overleg der Staten-Generaal aangegaan , of toegestemd.

14 (13). De kroon gaat over bij regt van eerstgeboorte, des dat de oudste zoon van den Koning, of wel het mannelijk oir van den oudsten zoon, bij representatie opvolgt.

. 15 (14). Bij ontstentenis van mannelijk oir uit den oudstan zoon gesproten, gaat de kroon over aan diens broeders of hun mannelijk oir, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie.

16 (15). Bij geheele ontstentenis van mannelijk oir uit het huis van Oranje-Nassau, gaat de kroon over op de dochters van den Koning, bij regt van eerstgeboorte.

17 (16). Ook dochters van den Koning ontbrekende, brengt de oudste dochter van de oudste nedergaande mannelijke lijn uit den laatsten Koning, de Koninklijke waardigheid in haar huis over en wordt bij vooroverlijden door hare afstammelingen gerepresenteerd.

177

18 (17). Zoo er geene mannelijke nedergaande lijn uit den laatsten Koning bestaat, erft de oudste nedergaande vrouwelijke lijn, des dat de mannelijke tak vóór de *) vrouwelijke tak, en de oudste vóór de jongere, en in

\'I Aldus in de O. E.

12

-ocr page 196-

GRONDWET VAN 1815 (1840).

iedere tak mannen vóór vrouwen, en ouder vóór jonger den voorrang hebben.

19 (18). Wanneer de Koning zonder nakomelingscha|i sterft, en er geen mannelijk oir uit het huis van Oranje-Nassau overig is, volgt hem zijne naaste bloedverwante, mits van den Koninklijke huize zijnde, op, en wordt mede bij vooroverlijden, door hare afstammelingen gere-presenteerd.

20 (19). Wanneer eene vrouw de kroon in een ander Huis heeft overgebragt, treedt dit Huis in alle de regten van het oorspronkelijk stamhuis, en de vorige artikelen zijn op hetzelve toepasselijk, met dat gevolg, dat haar mannelijk oir vóór alle ^vrouwen of vrouwelijke afstammelingen erft. en geene andere lijn geroepen wordt, zoo lang iemand van hare nakomelingen in loven is.

21 (20). Eene Prinses, buiten toestemming der Staten-Generaal, een huwelijk hebbende aangegaan, heeft geen regt tot de Kroon.

Eene Koningin, buiten die toestemming een huwelijk aangaande, doet afstand van de Kroon.

22 (21). Bij ontstentenis van nakomelingschap uit den tegen woord igen Koning Willem Freclerik van Oranje-Nassau, gaat de Kroon over aan deszelfs Zuster, Prinses Frederika Louisa Wilhelmina van Oranje, Douairiere van wijlen Caret Georc/c August, Erfprins van Bruns-wijk-Lunenburg, of hare wettige nakomelingen, uit zoodanig nader huwelijk, als door dezelve, overeenkomstig art. 13 mogt worden aangegaan.

23 (22). Indien ook de wettige nakomelingschap van deze Vorstin ontbreekt, gaat het erfregt over op het wettig mannelijk oir van Prinses Carolina van Oranje, Zuster van wijlen Prins Willem den Vijfden, en Gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, insgelijks bij regt van eerstgeboorte en representatie,

24 (23). Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in de opvolging van den troon mogten noodzakelijk maken, is de Koning bevoegd, daaromtrent eene voordragt te doen aan de Staten-Generaal in eene ver-eenigde zitting van de beide kamers. Tn dat geval wordt de Tweede Kamer opgeroepen in dubbele getale.

26 (24). Ingeval er geen bevoegde Troonopvolger volgens deze Grondwet mogt bestaan, draagt de Koning aan

178

-ocr page 197-

II. Hoofdst. Van den Koning.

de Staten-Generaal, vergaderd en zamengesteld in voege als bij het vorige artikel is aangewezen, eenen Opvolger voor.

26 (25). De Staten-Generaal deze voord ragt hebbende goedgekeurd, brengt de Koning dien Opvolger ter kennis van den volke, op de wijze waarop de wetten worden afgekondigd, en doet denzelven plegtiglijk uitroepen.

27 (26). Indien zulk een Opvolger niet mogt benoemd zijn vóór het overlijden van den Koning, zullen de Staten-Generaal, vergaderd en zamengesteld als bij art. 24, eenen Opvolger benoemen en plegtiglijk uitroepen.

28 (27). In de gevallen, bij art. 22, 23, 24, 25 en 27 omschreven, wordt de troonopvolging geregeld naar de bepalingen van art. 13, 14, 15, -10, 17, 18, 19 en 20.

29 (28). De Koning der Nederlanden kan geene vreemde kroon dragen.

In geen geval kan de zetel van de regering buiten het rijk worden verplaatst.

Tweede Afdeeling.

Van het inkomen der Kroon.

30 (29). De Koning geniet uit \'s Lands kas een jaar-lijksch inkomen van f 2.400.000. *)

31 (30). Bij de wet kan worden bepaald, dat aan den tegenwoordigen Koning Willem Frederik van Oranje-Nassau, des verkiezende, tot gedeeltelijke voldoening van het gemelde jaarlijksch inkomen, in vollen eigendom als patrimoniëel goed zullen worden overgegeven zoo veel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf tonnen gouds opbrengen.

32 (31). Den Koning worden tot deszelfs gebruik zomer- en winterverblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan /\'100.000 jaarlijks, ten laste van den lande kunnen worden gebragt. f)

*) Dit artikel is by de herziening van 1S40 veranderd als volgt;

„De Koning geniet uit \'s Lands kas een jaariyksch inkomen van f 1.500.000.quot;

t) Dit artikel is by de herziening van 18-R) veranderd als volgt;

„Den Koning worden, tot deszelfs gebruik, zomer- en winterverblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan f óO.OOO jaarlflksch ten laste van den Lande kunnen worden gebragt.quot;

-179

-ocr page 198-

grondwet van 1815 (1840).

33 (32). De Koning, mitsgaders de Prinsen en Prinsessen van zijn huis, zijn vrij van alle personele lasten en beschreven middelen, met uitzonderinquot;; van de verponding. De gebouwen, tot hunne woning of gebruik bestemd, zijn van de verponding ontheven.

Geene vrijdom van eenige andere belasting wordt door hen genoten.

34 (33). De Koning rigt zijn huis naar eigen goedvinden in.

35 (34). Eene Koningin-weduwe geniet, gedurende haren weduwelijken staat, uit \'s Lands kas, een jaar-lijksch inkomen van f 150.000.

36 (35). De oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan, en voert den titel van Prins van Oranje.

37 (36). De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit \'s Lands kas een jaarlijksch inkomen van /\'100.000, te rekenen van den tijd dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld: dit inkomen wordt gebragt op /\' 200.000 na het voltrekken van een huwelijk, overeenkomstig art. 13 dezer grondwet.

Derde Akdeeling.

Van de voogdij des Konings.

38 (37). De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is.

39 (38). Ingevalle van minderjarigheid staat de Koning onder de voogdij van eenige leden van het Koninklijk Huis, en eenige aanzienlijke inboorlingen van het Rijk.

40 (39). Deze voogdij wordt vooraf beraamd door den regerenden Koning en de Staten-Generaal, in eene vereenigde zitting der beide kamers.

41 (40). Indien de schikking, betreffende de voogdij, niet mogt gemaakt zijn vóór het overlijden van den regerenden Koning, wordt daarin door de Staten-Generaal in eene vereenigde zitting der beide kamers voorzien, met overleg, zoo veel mogelijk, van eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning.

42 (41). Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elk der

•180

-ocr page 199-

II. Hoofdst._ Yan den Koning.

voogden in eelre vereenigde zitting der beide kamers van de Staten-Generaal, in handen van den President af den volgenden eed;

»Ik zweer trouw aan den Koning, en dat ik -wijders »alle de pligten, welke de voogdij mij oplegt, heiliglijk »zal vervullen, en mij bijzonderlijk zal toeleggen, om »den Koning gehechtheid aan de grondwet en liefde ))voor zijn volk in te boezemen.quot;

dZoo waarlijk hclpe mij God Alma;/tig

Vierde Afdeeling.

Van het Regentschap.

43 (42). Gedurende de minderjarigheid van den Koning, wordt het Koninklijk gezag waargenomen door eenen Regent.

Deze Regent wordt door den regerenden Koning en de Staten-Generaal in eene vereenigde zitting der beide kamers te voren benoemd

Op gelijke wijze kan worden vastgesteld de opvolging in het regentschap, tot des Konings meerderjarigheid to;gt;.

44 (43). Wanneer bij het leven van den overleden Konin ; geene schikking omtrent het regentschap is gemaakt, wordt daarin door de Staten-Generaal, volgens de bepalingen in art. 24 vergaderd en zamengesteld, voorzien.

Ingevalle de opvolging in het regentschap niet is geregeld, kan dezelve door den Regent en de Staten-Generaal als voren gezamenlijk worden beraamd.

45 (44). De Regent legt in eene vereenigde zitting van de beide kamers der Staten-Generaal in handen van den voorzitter den navolgenden eed af:

»Ik zweer trouw aan den Koning; dat ik voorts in de waarneming van liet Koninklijk gezag, zoo lange de Koning minderjarig is (zoo lange de Koning buiten staat blijft de regering waar te nemen) de grondwet van het Rijk steeds zal onderhouden en handhaven, en dat ik daarvan bij geene gelegenheid of onder geen voorwendsel hoegenaamd, zal afwijken of ge-doogen dat daarvan afgeweken worde.

»Ik zweer wijders, dat ik de onafhankelijkheid van het Rijk, en de algeheele uitgestrektheid van deszelfs grondgebied, met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid,

181

-ocr page 200-

GRONDWET VAN \'1815 (1840).

en de regten van alle des Konings onderdanen, en van een ieder derzelven zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van den algemeenen 1) en bijzonderen welvaart, alle middelen aanwenden, welke de wetten ter mijner beschikkingstellen, gelijk een goed en getrouw Regent schuldig is en behoort te doen.quot; ygt;Zoo ivaarlijh helpe mij God Almagtig!quot;

46 (45). Het Koninklijk gezag wordt mede waargenomen door een Regent, ingevalle do Koning buiten staat geraakt de Regering waar te nemen.

Wanneer aan den Raad van State, zamengesteld uit de leden daarin gewone zitting hebbende, en de hoofden der ministeriële Departementen, na een naauwkeurig onderzoek gebleken is, dat zulk een geval bestaat, roept dezelve de Staten-Generaal, en wel de tweede kamer in dubbelen getale bijeen, ten einde daarin gedurende het bestaande beletsel te voorzien.

De leden der Staten-Generaal die zich op den een-en-twintigsten dag na deze oproeping ter plaatse bevinden, waar de zetel van het Gouvernement gevestigd is, openen de vergadering.

47 (46). Indien er eenig toezigt op den persoon des Konings, die zich in de omstandigheden,quot; bij het vorig artikel bedoeld, bevindt, noodig is, wordt daarin voorzien, naar de beginselen omtrent de voogdij van eenen minderjarigen Koning, bij art. 39 en 41 bepaald.

48 (47). Wanneer de Prins van Oranje in dat geval zijn achttiende jaar vervuld heeft, is hij van regtswege Regent.

49 (48). Wanneer de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet heeft vervuld, gelijk mede in de gevallen bij art. 27 en 44 voorzien, wordt het Koninklijk gezag uitgeoefend door den Raad van State, zamengesteld op dezelfde wijze als bij art. 46, tot dat daaromtrent door de Staten-Generaal is voorzien.

De leden van dien Raad leggen in handen van den voorzitter, en deze, in tegenwoordigheid der vergadering af den navolgenden eed ;

182

»Ik zweer, dat ik als lid (voorzitter) van den Raad van State, de grondwet van het Rijk zal

1

Aldus In do O. E.

-ocr page 201-

II. Hoofdst. Van den. Koning.

helpen onderhonden en handhaven, in de waarneming van het Koninklijk gezag, tot dat daarin door de Staten-Generaal zal zijn voorzien.quot;

«Zoo waarlijk helpe mij Gud Almagtig!quot;

50 (49). Bij de benoeming van den Regent wordt tevens bepaald de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen, voor de kosten van liet regentschap. Deze bepaling kan gedurende het regentschap niet worden veranderd.

51 (50). Indien de Koning aan de Staten-Generaal geen Troonopvolger heeft voorgedragen (art. 25); indien gezamenlijk met dezelve geene voogdij over den minderjarigen Koning is beraamd (art. 40): indien er geen Regent is benoemd (art. 43), verklaren de Staten-Generaal plegtiglijk welk geval bestaat, en voorzien daarin vervolgens op de gronden hier voren gelegd bij art. 27, 41 en 44.

Vijfde Afdeeung.

Van de inhuldiging des Konings.

52 (51). De Koning wordt bij het aanvaarden der Regering plegtiglijk beiicdigd en ingehuldigd, in eene openbare en vereenigde zitting der beide kamers van de Staten-Generaal, welke te dien einde onder den blooten Hemel gehouden wordt: in tijden van vrede heeft deze plegtigheid plaats beurtelings te Amsterdam en in eene der steden van de zuidelijke Provinciën, ter keuze des Konings. 1)

53 (52). In deze openbare vergadering wordt aan den Koning de gehcele Grondwet voorgelezen, en daarna door denzei ven de volgende eed afgelegd :

183

sik zweer aan het Xederlandsche Volk, dat ik de grondwet des Rijks steeds zal onderhouden en handhaven, en dat ik daarvan bij geene gelegenheid en onder geen voorwendsel hoegenaamd, zal afwijken, of gedoogen dat daarvan afgeweken worde.

1

Dit artikel is bij de herziening van 1840 veranderd als volgt: „De Koning wordt, by hot aanvaarden der Regering plogtiglflk beëedigd en ingehuldigd, binnen de stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde zitting dor beide Kamers vau de Staton-Generaal.quot;

-ocr page 202-

GRONDWET VAX 1815 (1840).

»Ik zweer wijders, dat ik de onafhankelijkheid van het Rijk en de algeheele uitgestrektheid van deszelfs grondgebied met al mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid en de regten van alle mijne onderdanen en van ieder derzelven zal beschermen en beveiligen, en tot instandhouding en bevordering van den alge-meenen en bijzonderen welvaart, alle middelen zal aanwenden, welke de wetten ter mijner beschikking stellen, zoo als een goed Koning schuldig is en behoort te doen.quot;

ygt;Zou waarlijk helpe mij God Almagtig!quot;

Ö4 (53). Na het afleggen van den voormelden eed wordt de Koning in dezelfde openbare vergadering ingehuldigd bij de Staten-Generaal, welker Voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden hoofd voor hoofd beëedigd wordt;

«Wij zweren in den naam van het Volk der Nederlanden, dat wij, krachtens de grondwet van dezen Staat, U als Koning hulden en ontvangen: dat wij de regten Uwer Kroon zullen bewaren en onderhouden, U getrouw en gedienstig zidlen zijn in de bescherming van Uwen persoon en van Uwe Koninklijke waardigheid; wij zweren voorts alles te zullen doen, wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn en behooren te doen.quot;

yiZou waarlijk Iwlpa ons (iod Almagtig!quot;

55 (54). Nadat deze beëediging en inhuldiging dooiden Koning zijn gebragt ter kennisse van de Staten dei-Provinciën brengen deze aan Hem hunne hulde toe, in maniere als volgt;

»Wij zweren dat wij U, den wettigen Koning dei-Nederlanden, steeds gebouw en getrouw zullen zijn, in de bescherming van Uwen persoon, en van Uwe Koninklijke waardigheid; dat wij achtervolgens de ver-pligtingen ons bij de grondwet opgelegd, de bevelen door U, of van Uwentwege aan ons gegeven, zullen gehoorzamen; voorts alle Uwe dienaren en raden in de nakoming van dezelve zullen helpen en bijstaan, en wijders alles zullen doen wat getrouwe order-danen schuldig zijn en behooren te doen.quot;

»Zoo waarlijk helpe ons God Almagtig!quot;

184

-ocr page 203-

II. Hoofdst. Van den Koning.

De Staten der Provinciën brengen deze schriftelijke verklaring aan den Koning over, door eene plegtige bezending van eenige leden uit hun midden.

Zesde Akdeeling.

Van de magt des Konings.

56 (55). De Koning heeft het bestuur der buitenland-sche betrekkingen. Hij benoemt en herroept de Gezanten en Consuls.

57 (56). De Koning verklaart oorlog, en maakt vrede; Hij geeft daarvan kennis aan de beide kamers der Staten-Generaal, met bijvoeging van alle de openingen, welke Hij met het belang en de zekerheid van het Rijk bestaanbaar oordeelt.

58 (57). Insgelijks wordt aan den Koning opgedragen het regt om alle andere verbonden en verdragen te doen sluiten en te bekrachtigen.

Hij geeft daarvan kennis aan de beide kamers der Staten-Generaal, zoo dra Hij oordeelt dat het belang en de zekerheid van het Rijk zulks toelaten.

Ingevalle de verbonden en verdragen, in tijd van vrede gesloten, mogten inhouden eenige afstand of ruiling van een gedeelte van het grondgebied des Rijks of van des-zelfs bezittingen in andere vverelddeelen, worden dezelve door den Koning niet bekrachtigd, dan na dat de Staten-Generaal op dezelve hunne goedkeuring hebben gegeven.

59 (58). De Koning heelt het oppergezag over do vloten en legers. De Militaire-Officieren worden door Hem benoemd en ontslagen, of, daartoe termen zijnde, op pensioen gesteld.

60 (59). De Koning heeft bij uitsluiting het opperbestuur over de volkplantingen en bezittingen van het Rijk in andere vverelddeelen. 1)

185

1

Dit artikel is bü de herziening- van 1840 met (Je volgende slotbepaling vermeerderd:

„Aan de Staten-Generaal zullen, in don aanvang van elke gewone zitting, worden medegedeeld de laatst ingekomene staten van ontvangsten en uitgaven van opgomelde volkplantingen en bezittingen.quot;

„Het gebruik van het batig slot, beschikbaar ten behoeve van het moederland, wordt bij de wet geregeld.quot;

-ocr page 204-

GRONDWET VAN 1815 (1840).

61 (60;. De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle kollegiën en ambtenaren die uit \'s Lands kas betaald worden, en brengt dezelve op de begrooting der s taatsbehoeften.

De bezoldiging\' der ambtenaren van de regterlijke magt wordt door de wet geregeld.

62 (61). De Koning heeft het regt van de munt. Hij vermag zijne beeldtenis op de muntspeciën te doen stellen.

63 (62). De Koning verheft in den adelstand; al wie door den Koning in den adelstand verheven wordt, brengt de brieven van adeldom ter kennis van de Staten zijner Provincie, en deelt aanstonds in alle de voorregten daaraan verbonden, bijzonderlijk in de bevoegdheid, om beschreven te worden in de ridderschap. mits voldoende aan de vereischten voor dezelve bepaald.

64 (63). Ridder-orden worden door eene wet, op het voorstel des Kouings, ingesteld.

65 (64). Vreemde orden, waaraan geene verpligtin-gen verbonden zijn, mogen worden aangenomen door den Koning en met zijne toestemming door de Prinsen van zijn huis.

In geen geval mogen de overige onderdanen des Konings vreemde orden aannemen, zonder deszelfs bijzonder verlof.

66 (65). Insgelijks wordt tot het aannemen van vreemde titels, waardigheden en charges, het bijzonder verlof van den Koning vereischt.

Het is in het vervolg geen Nederlander geoorloofd, vreemden adeldom aan te nemen.

67 (66). De Koning heeft het regt van gratie, na ingenomen advies van den Hoogen Raad der Nederlanden.

68 (67). Behalve de gevallen waarin het regt van dispensatie aan den Koning bij de wet zelve wordt toegekend, verleent dezelve ook , wanneer de Staten-Generaal niet vergaderd zijn, en de zaken niet gevoegelijk uitstel kunnen lijden, na den Raad van State gehoord te hebben, dispensatiën op bepaalde verzoeken van bijzondere personen, wier belangen, na ingenomen advies van den Hoogen Raad in materie van justitie, en na behoorlijk onderzoek der zaken bij de overige departementen van

-186

-ocr page 205-

II. Hoofdst. Van den Koning.

algemeen bestuur, welke zulks aangaat, gebleken zijn zoodanige vrijstelling van wettelijke bepalingen in billijkheid te vereischen.

Bij de eerst volgende vergadering der Staten-Generaal, wordt door den Koning opening gegeven, van alle de dispensation door Hem alzoo verleend.

69 (68). De Koning beslist alle geschillen, welketus-schen twee of meer Provinciën zouden mogen ontstaan, wanneer Hij dezelve in der minne niet kan bijleggen.

70 (ö9). De Koning draagt aan de Staten-Generaal wetten voor, en doet zoodanige andere voorstellen, als Hij noodig oordeelt.

quot;ij heeft het regt om de voordragten, aan Hem door de Staten-Generaal gedaan, al of niet goed te keuren.

Zevende Afdeeling.

Van den Raad van State en de ministeriële - departementen.

71 (70). Er is een Raad van State.

De Koning benoemt deszelfs leden, ten getale van niet meer dan vierentwintig, zoo veel mogelijk uit de verschillende Provinciën van het Rijk. Hij ontslaat dezelve naar welgevallen.

De Koning zelve is voorzitter van den Raad; zulks noodig oordeelende, stelt hij eenen Secretaris van Staat, Vice-President aan. 1)

72 (71). De Prins van Oranje is van regtswege lid van den Raad van State, en neemt zitting in denzelven wanneer zijn achttiende jaar vervuld is.

Het staat aan den Koning vrij de Prinsen van den Huize, die tot meerderjarigheid gekomen zijn, zitting in den Raad van State te verleenen.

Het getal der gewone leden ondergaat daardoor geene vermindering.

187

1

De tweede zinsnede van dit art. is quot;bij de herziening van 1840 veranderd als volgt:

„De Koning benoemt deszelfs leden, ten getale van niet meer dan twaalf, zoo veel mogeiUk uit do verschillende provinciën van het Rijk. Hy ontslaat dezelve naar welgevallen.quot;

-ocr page 206-

GRONDWET VAN 1815 (1840).

73 (72). De Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen door Hem aan de Staten-Generaal te doen, of door dezen aan Hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat en van deszelfs bezittingen in andere werelddeelen.

Aan het hoofd der uittevaardigen wetten en bevelen, wordt melding gemaakt, dat de Raad van State deswegens gehoord is.

De Koning neemt wijders de gedachten van den Raad van State in, over alle zaken van algemeen of bijzonder belang, waarin Hij zulks noodig oordeelt.

De Koning alleen besluit, en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den Raad.

74 (73). De Koning kan buitengewone Staatsraden benoemen; zij genieten geen traktement.

Hij roept dezelven in den Raad wanneer hij zulks noodig oordeelt.

75 (74). De Koning stelt ministeriële departementen in, benoemt derzelver hoofden, en ontslaat die naar welgevallen.

Hij roept, zulks geraden oordeelende, een of meer derzelven, tot bijwoning der deliberatiën in den Raad van State. 1)

76 (78). Onverminderd den verderen inhoud van den eed, welken de Koning goedvindt aan de hoofden van ministeriële departementen en gewone of buitengewone Staatsraden voorteschrijven, wordt hun daarbij opgelegd getrouwheid aan de grondwet te zweren.

488

1

Achter dit art. z(jn b(i de herziening van 1840 de volgende drie nieuwe art. ingelascht;

75. De Hoofden der Ministeriële Departementen zijn verantwoordelijk voor alle daden door hen als zoodanig verrigt, of tot welker daarstelling of uitvoering zy zullen hebben medegewerkt, waardoor de Grondwet of de wetten mogten geschonden of niet opgevolgd zyn.

76. Ten einde van deze medewerking te doen blijken, zullen alle Koninklijke besluiten en beschikkingen moeten voorzien zijn van de mede-onderteekening van het Hoofd van het Ministerieel Departement waartoe dezelve behooren.

77. Over de aanklagten ter zake van deze verantwoordelijkheid, oordeelt de Hooge Raad der Nederlanden, naar de voorschriften der wet.

-ocr page 207-

III. Hookdst. Van de Staten-Generaal. 189

Derde Hoofdstuk.

Van dc Staten-GencraaL

Eerste Afdeeling.

Van de zamenstelling der Staten-Generaal.

77 (79). De Staten-Generaal vertegenwoordigen het ïcheele Nederlandsche Volk.

78 (80). De Staten-Generaal bestaan uit twee kamers.

79 (81). Eene dier kamers bestaat uit WO leden, be

inciën, te weten: voor

noemd door de Staten der Pro\\

Noord-Braband . .

. 7.

Zuid-Braband. . .

. 8.

Limburg . . . .

. -4.

Gelderland....

. 6.

Luik......

6.

Oost-Vl aanderen

. 10.

West-Vlaanderen .

. 8.

Henegouwen . . .

. 8.

Holland.....

. 22.

Zeeland.....

. 3.

Namen.....

. 2.

Antwerpen . . \' .

. 5,

Utrecht.....

. 3.

Vriesland . . . .

. 5.

Overijssel . . . .

. 4.

Groningen ....

4.

Drenthe.....

. 1.

Luxemburg . . .

. 4.

\'HO leden. ♦)

*) Dit artikel is 14) de herziening van 1840 veranderd als volgt: .jEeno dier Kamers liestaat uit achtenvijftig leden, benoemd door de Staten der provinciën, te weten voor:

Noord-Braband.......7.

Gelderland.........6.

-ocr page 208-

GRONDWET VAN 1815 (-1840).

80 (82). De andere kamer, welke den naam van eerste draagt, is zaraengesteld uit niet minder dan veertig en niet meerder dan zestig leden, den vollen ouderdom van veertig jaren bereikt hebbende, welke door den Koning voor hun leven benoemd worden, en gekozen uit hen die door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte of gegoedheid onder de aanzienlijksten van den lande behooren. 1)

Tweede Aideeling.

Van de tweede kamer der Staten-Generaal.

81 (83). Tot leden der tweede kamer, zijn verkiesbaar ingezetenen der Provincie, waaruit zij genoemu worden, bereikt hebbende den vollen ouderdom va dertig jaren.

De leden uit dezelfde Provincie gekozen, mogen elkander niet nader dan in den derden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan; geen zee-of land-officieren zijn daartoe verkiesbaar, welke eenen minderen rang dan dien van hoofd-officier hebben.

490

1

Dit artikel Is by de herziening van 1840 veranderd als volgt: „De andere Kamer, welke den naam van Eerste draagt, is zamengesteld uit niet minder dan twintig en niet meer dan dertig leden, den vollen ouderdom van veertig jaren bereikt hebbende, welke door den Koning voor hun lever, benoemd worden, en gekozen uit hen, die, door diensten aan den Staat bewezen, door hunne geboorte of gegoedheid onder de aanzien-lyksten van den Lande behooren.quot;

-ocr page 209-

III. Hoofdst. Van de Staten-Generaal. 191

82 (84). De letlen dezer kamer lieljbcn zitting gedurende drie jaren.

Een derde van hen valt jaarlijks uit, volgens een daarvan te maken rooster.

De uitvallende zijn dadelijk weder verkiesbaar.

83 (85). De leden dezer kamer stemmen voor zich zeiven. en zonder last van, of ruggespraak met de vergadering, door welke zij benoemd zijn.

84 (86). Rij het aanvaarden hunner waardigheid, doen zij ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid den navolgenden eed:

ïlk zweer (belove), dat ik de grondwet der Nederlanden zal onderhouden en handhaven: dat ik bij geene gelegenheid en onder geen voorwendsel, hoe ook genaamd, daarvan zal afwijken, of toestemmen dat daarvan afgeweken worde: dat ik voorts de onafhankelijkheid van den Staat, de algemeene en bijzondere !■ vrijheid der ingezetenen bewaren en beschermen, en het algemeen belang met al mijn vermogen bevorderen zal, zonder mij daarvan door eenige provinciale of andere bijzondere belangen te laten aftrekken.quot;

»Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!quot;

Zij zullen alvorens tot dien eed te worden toegelaten, doen den volgenden eed van zuivering:

sik zweer (verklare), dat ik, om tot lid van de tweede kamer der Staten-Generaal te worden benoemd, diree-telijk of indirectelijk, aan geene personen, het zij in of buiten het bestuur, onder wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of gaven beloofd of gegeven heb. noch te beloven of geven zal.

sik zweer (belove). dat ik om iets hoegenaamd in deze betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken aannemen zal. directelijk of indirectelijk.quot;

»Zoo waarlijk hclpu mij God almayliq!quot;

Dezeeeden worden afgelegd in handen van den Koning, ofte wel in de vergadering der tweede kamer, in handen van den President, daartoe door den Koning gemagtigd.

85 (87). De Koning benoemt uit eene opgave van drie leden. Hem door de kamer aangeboden, één om het voorzitterschap gedurende den tijd van het openen tot het sluiten der zitting waar te nemen.

-ocr page 210-

grondwet van 1815 (1840).

192

J ,

86 (88). De leden dezer kamer genieten voor reiskosten, zoodanige som als in evenredigheid der afstanden, bij de wet zal worden geregeld.

Tot goedmaking der verblijfkosten in de plaats der bijeenkomst, wordt hun toegelegd eene som van /2500 \'s jaars.

Deze verblijfkosten, die maandelijks betaald worden, worden in het tijdvak van de eene zitting tot de andere niet genoten, door de leden, die bij de laatste zitting niet zijn tegenwoordig geweest, ten ware zij bewezen door ziekte belet te zijn geworden.

Derde Afdeeling.

Van de eerste kamer der Staten-Generaal.

87 (89). De leden der eerste kamer genieten voor reis-en verblijfkosten \'s jaarlijks eene som van ƒ3000.

88 (90). Bij het aanvaarden hunner waardigheid, leggen zij in handen van den Koning af dezelfde eeden, als voor de leden der tweede kamer zijn bepaald, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid.

89 (91). De voorzitter van de eerste kamer wordt dooiden Koning benoemd, om het voorzitterschap gedurende den tijd van het openen tot het sluiten der zitting waar te nemen.

Vierde Akdeeung.

Beschikkingen aan heide kamers gemeen.

90 (92). Niemand kan te gelijk lid der beide kamers zijn.

91 (93). De hoofden der departementen van algemeen bestuur hebben zitting in de beide kamers.

Zij hebben alleenlijk eene raadgevende stem, tenware zij tot leden der vergadering mogten benoemd zijn.

92 (94). De leden der Staten-Generaal kunnen niet te gelijk zijn, leden van de Rekenkamer, nochte eenigen aan den lande comptabelen post bekleeden.

93 (95). Leden van provinciale Staten, in eene der kamers van de Staten-Generaal zitting nemende, houden op tot de provinciale Staten te behooren.

-ocr page 211-

III. Hoofdst. Van de Slaten-Generaal. 193

94 (96). Iedere kamer in den haren, onderzoekt de geloofsbrieven der nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen, welke dien aangaande mogten oprijzen.

95 (97). Elke kamer benoemt haren griffier.

96 (98). De beide kamers der Staten-Generaal voeren den titel van Echd Mogende Heeren.

97 (99). De Staten-Generaal vergaderen ten minste eenmaal \'s jaars.

Hunne gewone vergadering wordt geopend op den derden maandag in October.

De Koning roept de buitengewone vergadering bijeen, zoo dikwijls Hij zulks noodig oordeelt.

98. In tijd van vrede worden de zittingen der Staten-Generaal beurtelings om het andere jaar in eene stad der noordelijke, en in eene der zuidelijke provinciën gehouden. 1)

99 (100). De Staten-Generaal vergaderen zonder voorafgaande oproeping, bij overlijden des Konings. De leden, die zich op den vijftienden dag na dit overlijden bevinden op de plaats waar de zetel van het gouvernement gevestigd is, openen de buitengewone vergadering.

100 (101). De vergadering der Staten-Generaal wordt in eene vereenigde zitting der beide kamers, door den Koning ofte wel door eene commissie van Zijnentwege geopend, en op dezelfde wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt dat het belang van het Rijk niet vordert, de vergadering langer bijeen te houden.

De gewone jaarlijksche vergadering blijft ten minste twintig dagen bijeen.

101 (102). Geene der beide kamers vermógen eenige zaak te beslissen, zoo niet moer dan de helft van hare leden tegenwoordig is.

102 (103). Alle besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen opgemaakt.

103 (104). Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd; doch bij het doen van keuze of voordragten van personen, bij besloten en ongeteekende briefjes.

104 (105). Wanneer volgens deze grondwet, de beide kamers eene vereenigde zitting houden, hetzij de tweede

13

1

Bit artikel is by de herziening van 1840 vervallen.

-ocr page 212-

grondwet van 1815 (1840).

kamer in enkelen of in dubbelen getale zij, zitten de leden zonder onderscheid, tot welke kamer zij behooren.

De voorzitter der eerste kamer heeft het beleid dei-vergadering.

Vijfde Aedeeung.

Van de wetgevende rnagt.

105 (100). De wetgevende magt wordt gezamenlijk door den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend.

106 (107). De Koning zendt zijne voorstellen aan do tweede kamer, hetzij bij eene schriftelijke boodschap, welke de redenen van het voorstel inhoudt, of door eene commissie.

107 (10S). Over eenig ingekomen voorstel des Konings . wordt bij de volle kamer niet geraadpleegd, dan na dat hetzelve is overwogen in de onderscheidene afdeelingen waarin alle de leden der kamer zich verdoelen, en welke op gezette tijden bij loting vernieuwd worden.

108 (109). De zittingen der tweede kamer van de Staten-Generaal worden in het openbaar gehouden. De Kamer raadpleegt met gesloten deuren, wanneer een tiende gedeelte der tegenwoordige leden het vordert, of de president het noodig oordeelt.

Over de punten, die in de besloten kamer zijn behandeld, kan ook in dezelve een besluit genomen worden.

109 (110). Wan neei\' de tweede kamer, na geraadpleegd te hebben over het algemeen verslag, uit naam der onderscheidene afdeelingen uitgebragt, tot het aannemen van het voorstel besluit, zendt zij hetzelve aan de eerste kamer met het volgend formulier van goedkeuring;

»De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste. Kamer het hier nevensgaande voorstel des Konings, en is van oordeel, dat de Staten-Generaal zich met hetzelve behooren te vereenigen.quot;

110 (111). Zoo de tweede kamer vermeent het gedane voorstel niet te moeten aannemen, geeft zij daarvan kennis aan den Koning, in de volgende bewoordingen:

«De Tweede Kamer van de Staten-Generaal betuigt

194

-ocr page 213-

III. Hoofdst. Fan de Statoi-Generaal. 195

den Koning haren dank voor deszelfs ijver in het bevorderen van \'s Rijks belangen en verzoekt denzei ven eerbiediglijk het gedane voorstel in nadere overweging te nemen.quot;

111 (112). Zoo de eerste kamer eenig voorstel des Konings, door de tweede kamer aangenomen, ontvangt, verzendt zij hetzelve naar de verschillende afdeelingen waarin zij verdeeld is.

Zoo zij, na geraadpleegd te hebben overliet algemeen verslag uit naam der onderscheiden afdeelingen uitge-bragt, het voorstel aanneemt, geeft zij daarvan kennis aan den Koning, in de volgende bewoordingen:

))De Staten-Generaal betuigen den Koning hunnen dank voor deszelfs ijver in het bevorderen van \'s Rijks belangen, en vereenigen zich met het voorstel:quot; mitsgaders aan de tweede kamer in de volgende bewoordingen :

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede Kanier kennis, dat zij zich met het voorstel des Konings aan haar door de Tweede Kamer op den ...... betrekkelijk ...... toegezonden, heeft vereenigd.quot;

112 (113). Zoo fle eerste kamer vermeent het voorstel niet te moeten aannemen, drukt zij zich op dezelfde wijze uit, als in art. 110

Zij geeft daarvan kennis aan de tweede kamer in de volgende bewoordingen:

»De Eerste Kamer van de Staten-Generaal, geeft aan de Tweede Kamer kennis, dat zij den Koning eerbiediglijk verzocht heeft, deszelfs voorstel van

den ...... betrekkelijk ...... in nadere overweging te

nemen.quot;

113 (114). De Staten-Generaal hebben het regt, om aan den Koning voorstellen te doen, met inachtneming-dei\' volgende voorschriften.

114 (115), De voordragt daartoe behoort bij uitsluiting aan de tweede kamer, die dezelve overweegt, op gelijke wijze als zulks ten aanzien van des Konings voorstellen is bepaald.

115 (116). Zoo zij het gedane voorstel goedkeurt, zendt zij hetzelve aan de eerste kamer, bij het volgende formulier j

»De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt

-ocr page 214-

Grondwet van 1815 (1840).

aan de Eerste Kamer het hierbijgaand voorstel, en is van oordeel, dat hetzelve aan den Koning zoude behooren te worden aangeboden.quot;

116 (117). Wanneer de eerste kamer, na daarover op de gewone wijze geraadpleegd te hebben, het voorstel goedkeurt, zendt zij hetzelve ter bekrachtiging aan den Koning in defeer voege;

))De Staten-Generaal oordeelende, dat het nevensgaande voorstel tot bevordering van \'s lands belangen zoude kunnen strekken, verzoeken eerbiediglijk des Konings bewilliging op hetzelve.quot;

Zij geeft daarvan kennis aan de tweede kamer op deze wijze:

))De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis aan de Tweede Kamer, dat zij zich met

haar voorstel van den ...... betrekkelijk ......

heeft vereenigd, en hetzelve namens de Staten-Generaal aan den Koning ter bekrachtiging heeft gezonden.quot;

117 (148). Ingeval van afkeuring geeft zij daarvan aan de tweede kamer kennis in deze woorden;

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft geene genoegzame reden gevonden, om het hiernevens teruggaande voorstel den Koning aan te bieden.quot;

118 (119). Wanneer de Koning het voorstel van de Staten-Generaal aanneemt, wordt zulks in de volgende bewoordingen uitgedrukt:

))be Koning bewilligt in het voorstel.quot;

Zoo de Koning het niet aanneemt, wordt zulks op deze wijze te kennen gegeven;

))De Koning houdt het voorstel in overweging.quot;

119 (120). Alle voorstellen van wet, door den Koning en de beide kamers der Staten-Generaal aangenomen, verkrijgen kracht van wet, en worden door den Koning afgekondigd.

120 (121). De wijze van afkondiging der wetten, en de tijd wanneer zij verbindende zijn, worden door de wet geregeld.

Het formulier van afkondiging is het volgende;

)gt;Wij, enz...... Koning der Nederlanden, enz......

allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten.

196

-ocr page 215-

III. Hoofdst. Van de Staten-Genemal. 197

»Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat enz. (de beweegredenen der wet.)

«Zoo is het dat Wij den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden én verstaan bij deze, enz.

(De inhoud der Wet.)

«Gegeven, enz.quot;

Zesde Ai-deeling.

Van de hegrooting der uitgaven van het Rijk.

121 (122). De inwilliging der Staten-Generaal wordt vereischt op de begrooting van de uitgaven van het Rijk, welke aan de tweede kamer door den Koning in de gewone vergadering wordt ingezonden. 1)

122. Do gemelde begrooting wordt in twee afdeelin-gen gesplitst; deze splitsing zal moeten plaats hebben bij de begrooting over den jare 1820, of zoo veel vroeger als de omstandigheden het toelaten, f)

123. De eerste afdeeling bevat alle zoodanige gewone, zekere en steeds voortdurende uitgaven, welke uit den gewonen loop der zaken voortvloeijende, in het bijzonder tot den staat van vrede betrekking hebben.

Deze uitgaven, door de Staten-Generaal goedgekeurd zijnde, zijn gedurende de tien daaropvolgende jaren aan geene jaarlijksche toestemming onderworpen.

Er kan over die uitgaven geene nadere beraadslaging vallen, ten zij de Koning in dien tusschentijd te kennen geve, dat een gedeelte dier uitgaven veranderd is, of geheel opgehouden heeft, f)

1

Achter dit artikel is bü de herziening van 1840 dit nieuwe artikel geplaatst;

123. De gemelde hegrooting wordt telkens voor den tijd van twee jaren vastgesteld, en één jaar vóór den afloop van dien termijn worden de nieuwe staatsuitgaven door den Koning voorgedragen, welke, aldus eenmaal vastgesteld zijnde, gedurende dien tijd blijven voortduren, ten ware inmiddels in dezelve door eene nieuwe wet veranderingen gemaakt mogten worden.

t) Deze artikelen (122 en 123) zijn bij de herziening van 1840 vervallen.

-ocr page 216-

GRONDWET VAN ISIS (1840).

124. Bij de goedkeuring van deze afdeeling worden tevens voor gelijken tijd vastgesteld, de middelen- tot de vinding dier uitgaven bestemd.

Deze middelen, eens bepaald zijnde, blijven vastgesteld gedurende dien tijd, ten zij de Koning noodig oor-deelende, dat een dier middelen gewijzigd, of door een ander vervangen wierd, daaromtrent een voorstel doet. 1)

125. Een jaar vóór den afloop van den termijn, voor welken deze vaste uitgaven geregeld zijn, wordt door den Koning de nieuwe staat voor de tien jaren, die op dien termijn volgen, voorgesteld, f)

126. De tweede afdeeling der begrooting bevat die buitengewone, onvoorziene en onzekere uitgaven, welke inzonderheid in tijden van oorlog, naar voorkomende omstandigheden, moeten worden geregeld.

Deze uitgaven, en de middelen tot bestrijding der-zelve, worden slechts voör een jaar vastgesteld, f)

127 (125). Do uitgaven van ieder departement van algemeen bestnur maken een afzonderlijk hoofdstuk der algemeene begrooting uit.

De penningen, voor een departement toegestaan, kunnen .alleenlijk en bij uitsluiting worden gebruikt voor uitgaven tot dat departement behoorende, zoodat geene som kan worden overgeschreven van het eene hoofdstuk van algemeen bestuur op een ander, dan met gemeen overleg der Staten-Generaal. §)

J 98

1

Dit artikel is bij de herziening van 1840 veranderd als / volgt:

-ocr page 217-

IV. Hoofdst. Van de Stalen der Provinciën. 199

128 (126). De Koning • doet jaarlijks aan de Staten-Cieneraal een uitvoerig verslag geven van het gebruik der geldmiddelen *)

Vierde Hoofdstuk.

Van de Staten der Provinciën.

Eerste Afdeei.inö.

Van de zamenstelling der Staten van de Provinciën.

129 (127). De Staten der Provinciën zijn zamenge-steld uit leden, gekozen c^oor de volgende drie standen, namelijk:

Dooi\' de Edelen of Ridderschappen,

Dooi\' de Steden,

Door den Landelijken Stand.

130 {128). Het getal van de leden der provinciale Staten-vergadering en de evenredigheid der verschillende standen, wordt geregeld door den Koning, die uit elke provincie eene commissie benoemt, om Hem dienaangaande te dienen van advies, f)

dat Departement behoorende, zoo dat geene som kan worden overgeschreven van het eene hooldstuk van Algemeen Bestuur op een ander, dan met gemeen overleg der Sta ten-Gene raai.quot; \') Dit artikel is bij de herziening van 18i0 veranderd als volgt: „De Koning doet jaariyksch aan de Staten-Generaal een uitvoerig verslag geven van liet gebruik der geldmiddelen.

„De ontvangsten en uitgaven van ieder afgeloopen diensljaar door de Algemeenc Rekenkamer afgesloten zijnde, wordt de alzoo afgeslotene rekening, welke zoowel de ontvangsten als ile uitgaven moet bevatten, jaarlijks aan de Staten-Gencrar.l medegedeeld.quot;

■|-) Dit artikel is bij de herziening van 1840 met deze slotbepaling vermeerderd:

„Wijzigingen of veranderingen in de eenmaal bestaande regeling worden, na ingenomen advies van de Staten der provincie, door do wet vastgesteld.quot;

-ocr page 218-

GRONDWET VAN 1815 (1840).

131 (129). In elke provincie maken de edelen of een ligchaara van ridderschap uit of niet, naar mate zulks het voegelijkst geoordeeld wordt.

De eerste bijeenroeping der edelen of ridderschappen en de eerste admissie tot dezelve, wordt door den Koning gedaan en verleend.

Zij ontwerpen zoodanige regiementen als zij, behoudens deze grondwet, noodig oordeel en, en zenden dezelve aan den Koning ter bekrachtiging.

132 (ISO). De stedelijke regeringen zijn zamenge-steld op zoodanige wijze als noodig wordt geoordeeld bij de reglementen, door de bestaande regeringen of bijzondere commission, door den Koning te benoemen, ontworpen.

De alzoo ontworpen reglementen worden aan de provinciale Staten toegezonden, die dezelve met hunne bedenkingen aan den Koning ter bekrachtiging aanbieden.

Bij deze reglementen wordt bepaald de wijze, op welke de leden der provinciale Staten, die ter benoeming van dien stand staan, zullen gekozen worden.

133 (131). In alle steden worden ingevoerd kiezers-kollegiën. Zij worden eenmaal in het jaar door de regering bijeengeroepen, alleenlijk tot het bedoelde einde, om de raadplaatsen in dien tusschentijd opengevallen, door bevoegde personen te vervullen.

200

134 (132). De openvallende plaatsen in de kiezers-kollegiën, worden vervuld bij meerderheid van stemmen der gezeten burgeren, eene zekere, in iedere stad, bij het stedelijk reglement te bepalen som betalende in de beschrevene middelen. Daar over brengt elk dier burgeren eens in het jaar zijne stem uit, bij behoorlijk geteekende en gesloten briefjes, die aan de huizen opgehaald worden \' van wege de regering. 1)

1

Dit artikel is bij do herziening van 1840 veranderd als volgt: „De openvallende plaatsen in de kiezers-kollegiën worden vervuld bij meerderheid van stemmen der gezeten burgeren, eene zekere, in iedere stad by de wet te bepalen, som betalende in de beschrevene middelen. Daarover brengt elk dier burgeren eens in het jaar ziine stem uit, bij behoorlijk geteekende en gesloten briefjes, die aan de huizen opgehaald worden van,wege de Regering.quot;

-ocr page 219-

IV. Hoofdst. Van de Statun der Provinciën. 201

135 (133). Tot de verkiezing door den landelijken stand ter provinciale vergadering, wordt elke Provincie verdeeld in districten.

136 (134). Niemand kan te gelijk lid zijn der Staten van meer dan eene Provincie.

137 (135). De Koning stelt in alle Provinciën commissarissen aan, onder zulke benaming als Hij goedvindt, en op zoodanige instruction, als Hij tot de rigtige uitvoering der wetten, tot de waarneming van liet belang van den lande en van de Provincie noodig oordeelt.

Deze commissarissen zitten vóór in de vergaderingen der Staten en in die der Gedeputeerde Staten, volgens art. 153 te benoemen.

Zij doen bij liunne aanstelling den eed van getrouwheid aan de grondwet.

138 (136). De leden der provinciale Staten leggen bij het aanvaarden hunner functiën, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid den volgenden eed af;

»Ik zweer (belove), dat ik de grondwet van het Rijk zal onderhouden, zonder daarvan op eenigerlei wijze of onder eenig voorwendsel hoe ook genaamd aftewij ken: dat ik de reglementen dezer Provincie zal achtervolgen en nakomen, en voorts de welvaart van deze Provincie met alle mijne krachten zal bevorderen.\'\'

ygt;Zuo waarlijk hel pc mij God Almagtig.quot;

Zij worden tot dien eed toegelaten na alvorens te hebben afgelegd den eed van zuivering en tegen verboden giften en gaven, hierboven art. 84 voor de leden der Staten-Generaal bepaald.

139 (137). De Staten der Provinciën vergaderen ten minste eens in het jaar, en vervolgens zoo dikwijls als zij door den Koning worden bijeengeroepen.

140 (138). De leden der Staten stémmen ieder voor zich zeiven en zonder ruggespraak met de vergadering die hen benoemd heeft.

141 (139). Tot het nemen van eenig besluit wordt de tegenwoordigheid van meer dan de helft der leden vereischt.

De besluiten worden bij volstrekte meerderheid van stemmen opgemaakt.

142 (140). Over alle zaken wordt mondeling en bij

-ocr page 220-

GRONDWET VAX \'1815 (IS^l-O).

hoofdelijke oproeping gestemd: doch bij het doen van keuzen of voordragten van personen, bij besloten en ongeteekende briefjes.

Tweede Afdeeunh.

Van de magt der Staten Provinciaal.

143 (141). De Staten dragen de kosten van hun bestuur voor aan den Koning, die dezelve in gevallen van goedkeuring op de begrooting der staatsbehoeften brengt.

1M (I4\'2). Aan de Staten der Provinciën wordt opgedragen het verkiezen van leden voor de tweede kamer der Staten-Generaal in of buiten hun midden, en zoo veel doenlijk uit alle oorden van hunne Provincie..

115 (143). De Staten worden belast met de uitvoering der wetten opzigtelijk de bescherming der verschillende godsdienstige gezindheden, en derzelver uitwendigen eeredienst, het openbaar onderwijs en armbestuur, de aanmoediging van den landbouw, den koophandel, de labrijken en tralijken, en voorts omtrent alle andere zaken tot de aIgemeene belangen betrekkelijk, welke aan hen te dien einde dooi- den Koning worden toegezonden.

116 (144). Aan de Staten wordt geheel en al overgelaten de beschikking en beslissing van,alles wat tot de gewone inwendige politie en oeconomie behoort. Alle zoodanige reglementen en ordonnantiën, als zij voor het algemeen provinciaal belang noodig oordeelen te maken, moeten alvorens hun beslag te hebben, aan de goedkeuring van den Koning worden onderworpen.-

117 (145). Zij zorgen dat de doorvoer door, de uitvoer naar, of de invoer uit eenige andere Provinciën geene belemmering ondergaan, voor zoo verre bij de algemeene wetten dienaangaande geene bijzondere voorzieningen mogten zijn gemaakt.

148 (146). Zij trachten alle verschillen tusschen plaatselijke besturen in der minne bij te leggen. Indien zij daarin niet kunnen slagen, dragen zij het geval ter beslissing voor aan den Koning.

149 (147). De Koning heeft het vermogen de besluiten der Staten, die met de algemeene wetten of het

202

-ocr page 221-

IV. Hoofdst. Van de Staten der Provinciën. 203

algemeen belang strijdig mogten zijn-, te schorsen en buiten effect te stellen.

15^ (quot;148). De Staten dragen aan den Koning voor bet onderhouden en aanleggen van zoodanige werken, als zij voor het belang van hunne Provincie nuttig oor-deelen. Zij kunnen de middelen daarbij voordragen, om daarin geheel of ten deele ten koste der Provincie te voorzien. In geval van goedkeuring, wordt aan hun het bestuur der werken en de beheering der penningen opgedragen, onder de verpligting tot rekening en verantwoording.

151 (149). Zij mogen de belangen van hunne Provinciën en derzelver ingezetenen bij den IConing en de Staten-Generaal voorstaan.

152 (150). De wijze waarop het gezag en de magt, aan de Provinciale Staten bij en ten gevolge van deze grondwet gegeven, wordt geoefend, wordt geregeld bij zoodanige reglementen, als door de Staten der Provinciën gemaakt en door den Koning goedgekeurd worden.

153 (151). De Staten benoemen uit hun midden een kollegie van Gedeputeerde Staten, aan hetwelk moet worden opgedragen in het algemeen alles wat tot het dagelijksch beleid der zaken en de uitvoering der alge-meene wetten betrekking heeft, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet.

In de Provincie Holland vermogen, wegens derzelver uitgestrektheid en bevolking, twee kollegiën van Gedeputeerden Staten te worden aangesteld, 1)

Derde Afdeeling.

Van de plaatselijke besturen.

154 (152). De besturen ten platte lande, hetzij van heerlijkheden, districten of dorpen, worden ingerigt op zoodanigen voet, als met de bijzondere omstandigheden van elk derzelven, met de belangen der ingezetenen en het wettig verkregen regt der belanghebbenden onderling bestaanbaar geoordeeld wordt, alles in overeenstemming

1

De laatste alinea is by de herziening van 18i0 vervallen.

-ocr page 222-

GRONDWET VAN quot;1815 (1840).

met deze grondwet, en volgens nadere reglementen op last der Staten te maken, welke dezelve met hunne consideratiën aan de bekrachtiging van den Koning onderwerpen.

155 (•153). De plaatselijke besturen hebben overeenkomstig den inhoud hunner reglementen, de vrije beschikking over hunne huishoudelijke belangen, en maken daaromtrent de vereischte plaatselijke verordeningen, welke echter in geen geval met de algumeene wetten of het algemeen belang strijdig mogen zijn.

Zij zenden afschriften van dezelve aan de Staten der Provinciën, blijvende het voorst den Koning onverlet, om ten allen tijden inzage te vorderen, en zoodanige bevelen te geven, als hij vermeent te behooren.

156 (154). De plaatselijke besturen zijn gehouden en verpligt de begrooting hunner inkomsten en uitgaven aan de Staten over te leggen en gedragen zich naar hetgeen dienaangaande door gemelde Staten noodig geoordeeld wordt.

157 (155). Voor zoo verre tot goedmaking der plaatselijke uitgaven eenige belastingen mogten noodig zijn, gedragen dezelve besturen zich stiptelijk naar hetgeen deswege bij de algemeene financiële wetten, ordonnantiën en bepalingen is vastgesteld.

Alvorens deze belastingen in te voeren, zenden zij de daaromtrent gemaakte ontwerpen, ter goedkeuring aan de Staten dei- Provinciën, met overlegging tevens van eenen juisten staat hunner behoeften.

Bij het onderzoek daarvan, houden de Staten ook bijzonderlijk in het oog, dat de voorgedragene belastingen nimmer bezwaren den vrijen invoer en doorvoer van producten van den grond of voortbrengsels van nijverheid van andere Provinciën, steden of plaatsen, boven die van de plaats zelve waar de belasting gelegd wordt.

158 (156). Geene nieuwe plaatselijke belastingen kunnen worden ingevoerd, zonder voorafgaande goedkeuring des Konings.

159 (157). De Staten zenden aan den Koning alle de be-grootingen van inkomsten en uitgaven, welke Hij vordert.

Ten aanzien van het opnemen en sluiten der plaatselijke rekeningen, worden door den Koning de vereischte voorzieningen voorgeschreven.

204

-ocr page 223-

IV. Hoofdst. Van de Staten der Provinciën. 205

160 (158). De gemelde besturen mogen de belangen van hunne plaatsen, en derzelver ingezetenen, bij den Koning en do Staten hunner Provinciën voorstaan.

Vierde Afdeeling.

Algemeene beschikking.

161 (159). Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meerderen worden onderteekend, welk laatste alleen zal kunnen geschiederr door of van wege ligchamen wettiglijk zamengesteld en als zoodanig erkend, en in dat geval niet anders dan over onderwerpen tot derzelver bepaalde werkzaamheden behooronde.

Vijfde Hoofdstuk.

Van dc Justitie.

Eerste Afdeeling.

Algemeene heschikkingen.

162 (ICO). Er wordt alomme in de Nederlanden regt gesproken in naam en van wege den Koning.

163 (161). Er zal worden ingevoerd een algemeen wetboek van burgerlijk regt, van koophandel, van lijfstraffelijk regt, van de zamenstelling der regterlijke magt en van de manier van procederen.

164 (162). Ieder ingezeten wordt gehandhaafd bij het, vreedzaam bezit en genot zijner eigendommen. Niemand

kan van eenig gedeelte derzelve worden ontzet, dan ten } algemëenen nuttequot;Tn de gevallen en op de wijze bij de wet te bepalen, en tegen behoorlijke schadeloosstelling.

165 (163). Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering of burgerlijke regten, behooren bij uitsluiting tot quot;cTcT kennis van de regterlijke magt.

-ocr page 224-

grondwet van \'1815 (1840).

166 (\'I()4). De rcgterlijke raagt wordt alleen geoefend door regtbanken, welke bij of ten gevolge dezer grondwet worden ingesteld.

167 (465). Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent.

168 (106). Behalve liet geval, dat iemand op heeter daad wordt betrapt, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding, en welk bevel bij, of onmiddelijk na de aanhouding moet beteekend worden aan dengenen tegen wien hetzelve is gerigt.

De wet bepaalt den form van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangeklaagden moeten worden verhoord.

169 (167). Wanneer een ingezeten in buitengewone omstandigheden, door het politiek gezag mogt worden gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie heeft plaats gehad, gehouden daarvan terstond kennis te geven aan den plaatselijken regter, en hem voorts den gearresteerden binnen den tijd van drie dagen over te leveren.

De criminele regtbanken zijn verpligt, elk in haar ressort te zorgen, dat zulks stiptelijk worde nagekomen.

170 (168). Niemand mag in de woning van eenen ingezetenen zijns ondanks treden, dan op last van eene inagt, daartoe bij de wet bevoegd verklaard, en volgens de formen daarbij bepaald.

171 (169). Op geene misdaad mag ten straf gesteld worden de verbeurdverklaring der goederen, den schuldigen toebehoorende.

172 (170). In alle criminele vonnissen, ten laste, van eenen beschuldigden gewezen, moet de misdaad worden uitgedrukt en omschreven, met aanhaling van de artikelen der wet. waarop de uitspraak is gegrond.

173 (171). Alle civiele vonnissen moeten de gronden inhouden, waarop dezelve zijn gewezen.

171 (172). Alle vonnissen worden met opene deuren uitgesproken.

Tweede Afdeeung.

20G

Van den Hoog en Raad, de Hoven en Regtbanken.

175 (173). Er bestaat voor het geheele Rijk^eei) Op-

-ocr page 225-

V. Hoofdst. Van de Justitie. 207

perste Geregtshof, onder den naam van Hoogen Raad der Nederlanden.

Deszelfs leden worden zoo veel mogelijk uit alle de Provinciën genomen.

17fi (174-). Van eene voorgevallen vacature, wordt dooiden Hoogen Raad aan de tweede kamer der Staten-Generaal kennis gegeven, die, ter vervulling van dezelve, eene nominatie van drie personen aan den Koning zal aanbieden , ten einde daaruit eene keuze te doen. De Koning\' benoemt den President uit de leden van den Hoogen Raad en heeft de directe aanstelling van den Prokureur-Generaal.

177 (175). Deleden van de Staten-Generaal, de hoofden der departementen van algemeen bestuur, de leden van den Raad van State, de Commissarissen van den Koning in de Provinciën, staan te regt voor den Hoogen Raad, wegens alle misdrijven, gedurende den tijd hunner functiën begaan. Wegens misdrijven in het uitoefenen van derzelver functiën begaan, worden zij nimmer in regtcn betrokken, dan nadat door de vergadering der Staten-Generaal daartoe uitdrukkelijk verlof is verleend.

178 (170). Bij de wet wordt nader bepaald welke andere ambtenaren en leden van hooge kollegiën, wegens misdaden door hen gedurende den tijd hunner functiën begaan, voor den Hoogen Raad te regt staan,

179 (177). De Hooge Raad oordeelt over alle actiën, waarin de Koning, de leden van het Koninklijk Huis, of den Staat, als gedaagden worden aangesproken, met uitzondering der reële actiën, die voor den gewonen regter worden behandeld.

180 (178). De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, mitsgaders op de nakoming der wetten bij alle hoven en regtbanken, en kan derzelver handelingen, dispósitiën en vonnissen, daarmede strijdig, vernietigen en buiten ell\'ect stellen, volgens de bepalingen door de wet daaromtrent te maken.

181 (179). Aan den Hoogen Raad valt beroep van alle gewijsden,\' welke ter eerster instantie gediend hebben voor de Provinciale Hoven, naar de bepalingen hiervan bij de wet te maken.

182 (180). In elke Provincie is een Geregtshof, ten ware bij de wet een hof over meer dan eene Provincie

-ocr page 226-

GRONDWET VAX 1815 (1840).

iuogt worden gesteld. Bij eene voorgevallene vacature wordt door de Provinciale Staten oene nominatie van drie personen ter vervulling van dezelve den Koning aangeboden, ten einde daaruit de keuze te doen.

De Koning benoemt de Presidenten dier hoven uit de leden en heeft de directe aanstelling van den Prokureur-Generaal.

183 (181). Het beleid der criminele justitie wordtbij nitshiiting aan de Provinciale Hoven en de Regtbanken, welker oprigting daartoe zal noodig worden bevonden, toebetrouwd.

184 (182). De civiele justitie wordt uitgeoefend door de provinciale Geregtshoven en civiele Regtbanken.

185 (183). De zamenstelling der provinciale Geregtshoven, der criminele en civiele Regtbanken, derzelver benaming, inagt en regtsgebied, zoo wel als het gezag der Prokureurs-Generaal, Hoofdofficieren en Baljuwen wordt door de wet bepaald.

186 (184), De leden en ministers van den Hoogen Raad, de provinciale Geregtshoven en criminele Regtbanken, benevens de Prokureurs-Generaal, en Hootd-officieren bij dezelve, worden voor hun leven aangesteld.

De wet regelt den tijd der bediening van andere reg-ters en regterlijke ambtenaren.

Geen regter mag gedurende den bepaalden tijd zijner bediening, van zijnen post worden ontslagen, dan op eigen verzoek of bij regterlijk vonnis.

187 (185). De wet regelt de judicature wegens verschillen en overtredingen op het stuk van alle belastingen zonder onderscheid.

188 (186). Het krijgsvolk te water en te lande, wordt wegens alle delicten door hen gepleegd teregt gesteld voor krijgsraden en een Hoog Militair Geregtshof, volgens de bepalingen bij de wet vast te stellen.

Dit Geregtshof zal uit een gelijk getal Regtsgeleerden, Zee-Officieren, en Land-Officieren bestaan, die voor hun leven door den Koning worden benoemd.

De President zal altijd een regtsgeleerde zijn.

189 (187). Het krijgsvolk te water en te lande is, met betrekking tot alle civiele zaken, aan den burgerlijken regter onderworpen.

208

-ocr page 227-

VI. Hoofdst. Van den Godsdienst.

Zesde Hoofdstuk.

Van den iiodsdienst.

190 (188). De volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen wordt aan elk gewaarborgd.

101 (189). Aan alle godsdienstige gezindheden in het Koningrijk bestaande, wordt gelijke bescherming verleend.

102 (190). De belijders der onderscheiden Godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en politieke vooi-regten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.

103 (191). Geene openbare oefening van Godsdienst kan worden belemmerd, dan ingevalle dezelve de openbare orde of veiligheid zoude kunnen storen.

104 (ig^). De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans door de onderscheiden godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.

Aan de leeraars, welke tot nog toe uit \'s lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten. kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.

105 (193). De Koning zorgt dat de toegestane penningen , die voor den openbaren Godsdienst uit \'s lands kas worden betaald, tot geene andere einden besteed worden, dan waartoe dezelve bestemd zijn.

106 (194). De Koning zorgt dat geen Godsdienst gestoord worde in de vrijheid van uitoefening die de grondwet waarborgt.

Hij zorgt tevens dat alle godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat.

Zevende Hoofdstuk.

Van de Finaneii\'n.

107 (195). Geene belastingen kunnen ten behoeve van \'s lands kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet.

108 (196). Geene privilegiën kunnen in het stuk van belastingen worden verleend.

100 (197). De schuld wordt jaarlijks in overweging

209

14

-ocr page 228-

GRONDWET VAN 1815 (1840).

prenomen ter bevordering der belangen van de sehukl-eischers van den Staat.

200 (198). Het gewigt en gehalte der muntspeciën zoowel als derzei vei\' waarde, wordt door de wet geregeld.

201 (199). Het toezigt en de zorg over de zaken van de munt met den aankleve van dien en de beslissing der questiën over het allooi, essai en wat dies meer is, wordt opgedragen aan een kollegie, onder den titel van Raden en Generaal-Meesters van de Munt, achtervolgens zoodanige instructiën als bij de wet zullen worden vastgesteld.

Bij vacature zendt de tweede kamer van de Staten-Generaal eene nominatie van drie personen aan den Koning, welke daar uit de verkiezing doet.

202 (200). Er zal eene Algemeene Rekenkamer zijn, ten einde jaarlijks de rekeningen der verschillende departementen van algemeen bestuur optenemen en te liquideren, mitsgaders behoorlijke rekening en verantwoording te vorderen van alle bijzondere lands comptabelen en andere, alles achtervolgens zoodanige instructiën, als bij de wet zullen worden vastgesteld.

De leden dezer Rekenkamer worden zoo veel mogelijk uit alle de Provinciën genomen.

Bij vacature zendt de tweede kamer van de Staten-Generaal eene nominatie van drie personen aan don Koning, welke daaruit de verkiezing doet. 1)

210

1

Dit Artikel is by de herziening van 1840 veranderd als volgt;

..Er zal eene Algemeene Rekenkamer zijn, ten einde jaarlijks de\' rekeningen van ontvangst en uitgaven der verschillende Departementen van Algemeen Bestuur op te nemen en te liquideren, mitsgaders Ijehoorlijke rekening en verantwoording te vorderen van alle bijzondere landscomptabelen on andoren, alles achtervolgons zoodanige instructiën, als by de wet zullen worden vastgesteld.

De leden dezer Eekenkamer, welker bezoldiging door de wet. geregeld wordt, worden zoo voel mogelijk uit alle :1e provinciën genomen on vóór hun leven aangesteld.

Bij vacature zendt do Tweede Kamer der Staten-Generaal, eene nominatie van drie personen aan den Koning, welke daaruit de verkiezing doet.quot;

-ocr page 229-

VIII. HoofdST. Van dc Defensie. 211

Achtste Hoofdstuk.

Van «Ie Drlrnsio.

203 (201). Het dragen der wapenen tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat en de beveiliging van deszei I\'s grondgebied blijft, overeenkomstig \'s lands oude gewoonte, den geest van de pacificatie van Gent, en de grondbeginselen bij de Unie van Utrecht aangenomen, een der eerste pligten van alle ingezetenen van het Rijk.

204 (202). De Koning zorgt, dat er ten alle tijde eene toereikende zee- en landmagt onderhonden worde, aangeworven uit vrijwilligers, het zij inboorlingen of vreemdelingen, om te dienen in of buiten Europa, naar de omstandigheden.

205 (203). Vreemde troepen worden niet dan met gemeen overleg des Konings en der Sta ten-Generaal in dienst genomen: de capitulatiën dienaangaande door den Koning gemaakt, worden aan dc Staten-Generaal medegedeeld, zoodra hij zulks geraden oordeelt.

206 (204). Behalve de vaste zee- en landmagt. is er steeds eene Nationale Militie, waarvan in vredestijd jaarlijks een vijfde gedeelte wordt ontslagen.

207 (205). De militie wordt zoo veel mogelijk genomen uit vrijwilligers, op de wijze als bij de wet bepaald wordt.

Bij gebrek van genoegzame vrijwilligers, wordt de militie voltallig gemaakt bij loting uit de ingezetenen die op den Isten Januarij van elk jaar ongehuwd zijn. hun 19de jaar ingetreden zijn en hun 23ste jaar nog niet hebben volbragt: zij, die hun ontslag bekomen hebben, kunnen onder geen voorwendsel tot eenigen anderen dienst, dan de hierna te melden Schutterijen, worden opgeroepen.

208 (205). De militie komt in gewone tijden jaarlijks eenmaal te zamen, om gedurende eene maand of daaromtrent in den wapenhandel te worden geoefend: blijvende het nogtans aan den Koning voorbehouden, om, wanneer Hij zulks voor \'s Rijks belangen mogt geraden oordeelen, een vierde van het geheele getal te doen zamen blijven.

209 (207). Indien het bij dreigend oorlogsgevaar, of andere buitengewone omstandigheden noodig mogt zijn, de geheele militie bijeen te roepen en te doen zamen blijven, zal zulks, indien de Staten-Generaal niet ver-

-ocr page 230-

GRONDWET VAN 1815 (1840).

gaderd zijn, gepaard gaan met oene buitengewone bijeenroeping van dezelven, ten einde van het verrigtte opening te geven en de verdere daartoe betrekkelijke maatregelen met de vergadering te beramen.

210 (208). De militie mag nimmer en in geen geval naar de Koloniën worden gezonden.

211 (209). De militie kan nimmer zonder bijzondere toestemming der Staten-Generaal buiten de grenzen van het Rijk worden gezonden, ten zij in een oogenblikkelijk dringend gevaar, of ook wanneer bij garnizoens-veran-dering de kortste marschroute over vreemden bodem loopt. In beide deze gevallen geeft de Koning van de door hem deswegen gestelde orders, zoodra mogelijk kennis aan de Staten-Generaal.

212 (210). Alle de kosten voor de legers van het Rijk, worden uit \'slands kas voldaan.

De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten en leveranciën van welken aard ook, aan \'s Konings legers of vestingen, kunnen niet ten laste van een of meerdere inwoners of gemeenten worden gebragt. Zoo door onvoorziene omstandigheden zoodanige transporten of leveranciën van bijzondere personen of gemeenten worden gevorderd, zal het Rijk dezelve te gemoet komen en op den voet bij de reglementen bepaald, schadeloos stellen.

213(211), In alle gemeenten , welker bevolking binnen den besloten kring of omtrek der gebouwen, 2500 zielen en daarboven bedraagt, worden als van ouds schutterijen opgerigt, tot behoud der inwendige rust. Deze schutterijen dienen in tijden van oorlog en gevaar, tegen de aanvallen van den vijand. In andere gemeenten worden in tijd van vrede, rustende schutterijen ingesteld, welke in geval van oorlog, gezamenlijk met de voorengemelde dienen als een landstorm, tot verdediging des Vaderlands.

214 (212). De bepalingen, welke door den Koning, zoo omtrent het getal en de inrigting der militie, als opzigtelijk hetgeen de Schutterijen en den landstorm betreft, noodig geoordeeld worden, zijn het voorwerp eener door hem voortedragen wet.

212

-ocr page 231-

IX. Hoofdst. Van den Waterstaat. 213

Negende Hoofdstuk.

Van den Waterstaat.

215 (2\'13). De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat betreft den waterstaat van het Koningrijk, de wegen en bruggen daaronder begrepen, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit \'s lands kas of op eene andere wijze gevonden.

216 (214). De Koning doet het algemeene bestuur van den waterstaat, wegen en bruggen, uitoefenen op zoodanige wijze als hij meest geschikt zal oordeelen.

217 (215). Het gemelde algemeen bestuur zal, behalve de uitoefening van zoodanig algemeen oppertoezigt als de Koning goedvindt aan hetzelve op te dragen over de werken die door kollegiën, gemeenten of particulieren bekostigd worden, meer bepaaldelijk en aehtervolgens de instructie, door den Koning te geven, belast zijn met alle zoodanige waterwerken,, zeehavens, reeden, rivieren, schorren, duinen, dijken, sluizen als anderzins, mitsgaders van alle zoodanige wegen en bruggen, waarvan de kosten van aanleg en onderhoud hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, zijn tot laste van \'s lands kas.

218 (216). Voor zoo verre nogtans onder de werken, wegen en bruggen, in het slot van het voorgaande artikel vermeld, de zulke gevonden worden, waarvan de beheering, hetzij uit hoofde dat dezelve niet van een zoodanig algemeen belang voor den Staat zijn, hetzij om andere redenen uit het nut der zaak ontleend, beter en gevoeg-lijker door de Staten der Provincie, waarin zij gelegen zijn, zouden kunnen worden uitgeoefend, zal dezelve beheering aan gemelde Staten, hetzij afzonderlijk, hetzij gezamenlijk met de algemeene directie worden opgedragen.

219 (217). De Koning na de Staten der Provincie gehoord, en het advies van den Kaad van State ingenomen te hebben, bepaalt welke de werken zijn die uit hoofde van gemelde onderscheiding onder de beheering der Staten zullen worden gesteld, zoo wel als de wijze op welke in de betaling der onkosten van die werken zal worden voorzien.

220 (218). Zoodanige zee- of rivierwater-keerende dijk-, sluis- en andere waterwerken, als door kollegiën.

-ocr page 232-

GRÜNDWF.T VAN 1815 {1840).

gemeentel) of particulieren bekostigd en beheerd worden, staan onder bet onmiddelijk toezigt van de algemeene directie van den waterstaat, welke zorgt dat bij het aanleggen of herstellen dier werken niets geschiede, hetwelk nadeel aan do algemeene belangen zoude kunnen toebrengen, en aan dezelve kollegiën, gemeenten of particulieren daaromtrent de noodige voorschriften geeft.

Het onmiddelijk toezigt over de in dit artikel vermelde werken, zal almede door den Koning aan de Staten der Provincie in welke de werken zich bevinden, kunnen worden opgedragen. voor zoo veel omtrent eenige. van dezelve redenen van nuttigheid bestaan.

221 (219). De Provinciale Staten hebben het toezigt over alle, andere in het vorig artikel niet bedoelde waterwerken, mitsgaders de kanalen, vaarten, meren, plassen, wegen en bruggen binnen hunne Provincie, welke worden beheerd en bekostigd door kollegiën, gemeenten of particulieren Zij zorgen dat die werken behoorlijk worden gemaakt en onderhouden.

222 (220). Ue Staten hebben het toezigt en gezag over alle Hooge en andere Heemraadschappen, Wateringen, Waterschappen, Dijk- en Polderbesturen en andere dergelijke kollegiën, hoe ook genaamd, binnen hunne Provinciën, onverminderd nogtans hetgeen in artikel 220 omtrent het onmiddelijk toezigt van de algemeene directie van den waterstaat over de daarbij genoemde zee- of rivier-waterkeerende werken is bepaald.

De laatst goedgekeurde reglementen dezer kollegiën maken den voet van derzelver inrigting uit, behoudens nogtans het regt der Staten, om daarin, onder goedkeuring van den Koning, verandering temaken, en onverminderd de bevoegdheid dier kollegiën, om aan de Staten zoodanige veranderingen daaromtrent voor te stellen, als zij voor het belang der ingelanden vermeenen te behooren. Wat de benoeming en het maken van nominatiën voor gemelde kollegiën aangaat, zal daaromtrent door de Staten der Provinciën eene voordraagt aan den Koning gedaan worden.

223 (221). De Staten hebben het toezigt over alle ver-veenigingen, ontgrondingen, indijkingen, droogmakerijen, mijnwerken en steengroeven binnen hunne Provincie.

De Koning kan, uithoofde van het grooter en algemeen belang van zoodanige ondernemingen het onmid-

214

-ocr page 233-

IX. Hoofdst. Van den Waterstaat.

delijk toPüigt over dezelve aan de algemeene directie van den waterstaat, wegen en bruggen opdragen.

224 (222). Wanneer bij vervolg eenig subsidie uit de algemeene schatkist van het Rijk wordt verleend, ter zake van eenige in dit hoofdstuk bedoelde werken, zal tevens , worden bepaald op welke wijze het beheer of het toezigt over zoodanig werk zal worden uitgeoefend.

225 (223). De opbrengst van weg-, brug- en sluisgelden is uitsluitend bestemd tot het onderhoud en de verbetering van die wegen, bruggen, vaarten en bevaarbare rivieren, waarop dezelve betaald worden; het geen boven dit onderhoud mogt overschieten, wordt tot de uitgave van denzelfden aard in dezelfde provincie besteed, met uitzondering der gelden, ontvangen op de groote communicatiën van het Rijk, waarvan het overschot tot gelijke einden kan worden besteed, daar, waar de Koning zal goedvinden.

Tiende Hoofdstuk.

Van liet Onderwijs en het Armbestuur.

226 (224). Het openbaar onderwijs is een aanhoudend voorwerp van de zorg der Regering. De Koning doet van den staat der hooge, middelbare, en lage scholen, jaarlijks aan de Staten-Generaal een uitvoerig verslag geven.

227 (225)- Het is aan elk geoorloofd om zijne gedachten en gevoelens door do drukpers, als een doelmatig middel tot uitbreiding van kennis en voortgang van verlichting te openbaren, zonder eenig voorafgaand verlof daartoe noodig te hebben, blijvende nogtans elk voor hetgeen hij schrijft, drukt, uitgeeft of verspreidt, verantwoordelijk aan de maatschappij of bijzondere personen, voor zoo verre dezer regten mogten zijn beleedigd.

228 (226). Als eene zaak van hoog belang wordt ook het armbestuur en de opvoeding der arme kinderen aan de aanhoudende zorg der Regering bevolen. De Koning-doet insgelijks, van de inrigtingen dien aangaande, jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.

215

-ocr page 234-

GRONDWET VAN \'1815 (1840).

Elfde Hoofdstuk.

Van Vcraiidcringcn en Rijvoeg\'selen.

229 (227). Ingeval in het vervolg eenige verandering of bijvoeging in de grondwet noodig mogte zijn, moet deze noodzakelijkheid bij eene wet verklaard, en de verandering of bijvoeging zelve, duidelijk aangewezen, en uitgedrukt worden.

230 (\'228). Deze wet wordt aan de Staten der provinciën gezonden, welke binnen den tijd daartoe telkens bij de wet bepaald, aan de gewone leden der tweede kamer van de Staten-Generaal een gelijk getal buitengewone toevoegen, die op dezelfde wijze als de gewone benoemd worden.

231 (229). In gevallen, waarin, volgens art. 27, 44 en 46, de tweede kamer der Staten-Generaal, volgens deze grondwet in dubbele getale moet bijeenkomen, wordt deze benoeming door de Staten der provinciën gedaan, op last van den genen die het koninklijk gezag uitoefent.

232 (230). De tweede kamer der Staten-Generaal, mag over geene voorstellen tot verandering of bijvoeging in de grondwet eenig besluit nemen, ten zij twee derde gedeelten der leden, die de vergadering uitmaken, tegenwoordig zijn.

De besluiten worden bij eene meerderheid van drie vierde gedeelte der tegenwoordige leden opgemaakt.

Voor het overige wordt in alles gevolgd hetgeen over het maken der wetten is bepaald.

233 (231). Geene verandering in de grondwet of in de erf-opvolging, mag gedurende een regentschap worden gemaakt.

216

234 (232). De veranderingen of bijvoegselen in de grondwet, door den Koning en de Staten-Generaal vastgesteld , worden plegtig afgekondigd, en bij de algemeene grondwet gevoegd. 1)

1

In eenige artt. wordt naar andere artt. dezer Grondwet verwezen. Om verwarring te voorkomen, is het beter toegeschenen, daarby de oorspronkelyke nummering, nl. die der Grondwet van 1815 te behouden; terwijl het gemakkelijk valt op te merken, welke artikelen naar den tekst van ISéO bedoeld worden. N. v. d. U.

-ocr page 235-

Additionele artikelen.

ADDITIONELE ARTIKELEN.

Art, 1. De Koning is bevoegd alle die maatregelen te nemen, welke vereischt worden, om de vorenstaande grondwet in alle hare deelen op eene geregelde wijze, en zoo spoedig als de aard der zaken zulks zal toelaten, in werking te brengen; te dien einde zal hij voor de eerste reize benoemen en aanstellen alle kollegiën en ambtenaren, van welke anderzins de aanstelling of voordragt bij de grondwet aan anderen is toegekend.

2. Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, en alle thans in werking zijnde wetten behouden kracht, tot dat daarin op eene andere wijze zal zijn voorzien.

3. De eerste aftreding der leden van de tweede kamer der Staten-Generaal zal plaats hebben met den derden maandag in October van het jaar 1817.

\'2-17

-ocr page 236-

Loi Eondamentale

DU ROY A.UME DES PAYS-BAS.

TR ADUCTION OFFICIELLE.

Chapiïue Premier.

Dn itoyaiinic ui «les Re^nieoles.

1. Le Royaume fles Pays-Bas, dont les limites sont fixóes par le traité conclu entre les Puissances de l\'Europe assemblées au Congres de Vienna, signé le 9 .liün ISIS, est compose des Provinces suivantes;

Brabant Septentrional, Brabant Meridional, Limbourg, Guelclre, Liège, Flandre Orientale, Flandre Occidentale, Hainaut, Hollande, Zélande, Namur, Anvers, Utrecht, Frise, Overyssel, Groningue, Drenthe.

Le Grand-Duchó de Luxembourg, tel qu\'il est limité par le traité de Vienne, étant placé sous ja méme souveralneté que le Royaume des Pays-Bas, sera régi par la mérne Loi fondamentale, sauf ses relations avec la Confédération Germanique.

2. Les Provinces de Gueldre, Hollande, Zélande, Utrecht, Frise, Overyssel, Groningue et Drenthe con-, servent leurs liraites actuelles.

Lo Brabant Septentrional conslste dans le terrltoire de la Province qui porte actuellement le nom de Brabant, a 1\'exception de la partie qui a appartenu au département de la Meuse inférieure.

Les Provinces de Brabant Meridional (département de la Dyle), de Flandre Orientale (département de l\'Escaut), de Flandre Occidentale (département de la Lys), de Hainaut (département de Jemmapes) et d\'Anvers (département des deux Nethes) conservent les limites actuelles de ces départemens.

La Province de Limbourg est composée du département de la Meuse inférieure en entier, et des parties du département de la Roer qui appartiennent au Royaume par le traité de Vienne.

-ocr page 237-

Chapitre I. Du Royaume et des Regnicoles. 219

La Province de Liège comprend le territoire du département de l\'Ourthe, a l\'exception de la partie qui en a été séparée par le même traité.

La Province de Namur contient la partie du département de Sambre et Meuse qui n\'appartient pas au Grand-Duché de Luxembourg.

Les limites du Grand-Duché de Luxembourg sont fixées par le traité de Vienne.

3. Les rectifications des limites entre les Provinces, Jugées utiles ou nécessaires, seront fixées par une loi, qui aura égard tant a Fintérét des habitans qu\'aux convenances de l\'adrainistration générale.

4. Tout individu qui se trouve sur le territoire du Royaume, soit regnicole soit étranger, jouit de la protection accordée aux personnes et aux biens.

5. L\'exercice des droits civils est déterminé par la loi.

6. Le droit de voter dans les villes et les campagnes, ainsi que 1\'adinissibilité dans les ad ministrations provinciales ou locales est réglé par les statuts provinciaux et locaux.

7. Les dispositions de ces statuts relatives au droit et a l\'admissibilité mentionnés au précédent article, telles qu\'elles seront en vigueur a 1\'expiration de la dixième année qui suivra la promulgation de la Loi fondamentale, seront censées faire partie de cette loi.

8. Nul ne peut étre nonimé membre des Etats Géné-raux , chef ou membre des départemens d\'administration générale, C\'onseiller d\'Etat, Commissaire du Roi dans les Provinces ou membre de la Haute Cour, s\'il n\'est habitant des Pays-Bas, né soit dans le Royaume, soit dans ses Colonies, de parens qui y sont domiciliés.

S\'il est né a 1\'étranger pendant une absence de ses parens, momentanée ou pour service public, il jouit des mémes droits.

9. Les naturels du Royaume, ou réputés tels, soit par une fiction de la loi, soit par la naturalisation, sont indistinctement admissibles a toutes autres fonctions.

10. Pendant une année aprés la promulgation de la présente Loi fondamentale, le Roi pourra accorder a des personnes nées a l\'étranger et doiniciliées dans le Royaume, les droits d\'indigénat et l\'admissibilité a tous emplois quelconques.

11. Toute personne est également admissible aux

-ocr page 238-

loi fondamentale.

eraplois, sans distinction de rang et de naissance, sauf ce qui est déterminé par les régiemens des Provinces en consequence du Chap. 4 de la Loi fondamentale, relativement a la formation des Etats Provinciaux.

Chapitre II.

Du Hoi.

Section Première.

De la Succession au Tróne.

12. La Couronne du Royaume des Pays-Eas est et demeure déférée a S. M. Giiillaione Frederic, Prince d\'Orange-Nassau, et héréditairement a ses descendans legitimes, conformément aux dispositions suivantes.

13. Les descendans legitimes du Roi regnant, sont les enfans nés et a naitre de son mariage avec S. M. Frédérique Louise Wilhelmine, princesse de Prusse: et en general les descendans issiis d\'un mariage contracté ou consenti par le Roi, d\'un commun accord avec les Etats Généraux.

14. La Couronne est héréditaire par droit de primo-géniture, de sorte que le fils ainé du Roi, ou son descendant male par male, succède par réprésentation.

15. A déi\'aut de descendance male par male du fils ainé, la Couronne passe a ses frères, ou a leurs descendans males par males, également par droit de primo-géniture et de representation.

16. A défaut total de descendance male par male de la maison d\'Orange-Nassau, les filles du Roi sont appelées par ordre de primogéniture.

17. Si le Roi n\'a pas laissé de filles, la princesse ainée de la ligne masculine descendante ainée du dernier Roi, fait passer la Couronne dans sa maison, et en cas de prédécès, elle est représentée par ses descendans.

18. S\'il n\'existe pas de ligne masculine descendante du dernier Roi, la ligne féminine ainée descendante de ce Roi succède, en préférant toujours la branche mascu-

220

-ocr page 239-

Chapitre II.

Du RnL

221

line a la feminine, et l\'ainée a la piiinée, et dans chaque branche le male a la femme, et Fainé au puiné.

19. Si le Roi meurt sans laisser de postérité et s\'ü n\'y a pas de descendance male par male de la Maison d\'Orange-Nassau, la plus jiroche parente du dernier Roi, de la Maison Royale, et en cas de prédécès, ses descendans succèdent a la Couronne.

20. Lorsqu\'une femme a fait passer la Couronne dans une autre Maison, cette Maison est subrogee a tous les droits de la Maison actuellement regnante, et les articles précédens lui sont applicables, de sorte que ses descendans males par males succèdent, a l\'exclusion des femmes ou de la descendance feminine, et qu\'aucune autre ligne ne peut être aigt;|)elée au trone, tant que cette descendance n\'est pas entièrement éteinte.

21. Une Princesse qui se serait mariée sans le consen-tement des Etats Généraux, n\'a point de droits au tróne.

Une Reine abdique, en contractant raariage sans le consentement des Etats Généraux.

22. A défaut de postérité du Roi Guillautne Frédéric d\'Orange-Nassau actuellement regnant, la Couronne est dé vol ii e ii sa sceur, la Pii ncesse FrcdérUjiie Louise Wilhel-mine d\'Orange, Douairière de feu Charles George Auyuste, Prince héréditaire de Brunswic-Lunebourg, ou a ses descendans légitimes, nés d\'un mariage contracté con-formément aux dispositions de l\'article 13, ci-dessus.

23. A défaut de descendans légitimes de cette Prin-cesse, la Couronne passé aux descendans males légitimes tie la Princesse Caroline d\'Orange, soeur de feu le prince Guillaume F, épouse de feu le Prince de Nassau-VVeilbourg, toujours par droit de primogeniture et de représentation.

24. Si des circonstances particulières rendaient nécessaire quelque changement dans l\'ordre de succession a la Royauté,_le Roi pourra présenter a ce sujet un ])ro,jet de loi aux Etats Généraux, Chambres réunies; dans cecas, la seconde Chambre sera convoquée en nombre double.

25. Le Roi qui n\'a pas de successeur appelé a la Couronne par la Loi fondamentale, en propose un aux Etats Généraux, assemblés et compos\'-s coin me a l\'article précédent.

26. Si la proposition est agréée par les Etats Géné-

-ocr page 240-

loi fondamentale.

raux, le Roi fait connaitre son suecesseur a la Nation dans les formes prescrites pour ia promulgation des lois, et le fait proclamer solennellement.

, 27. S\'il n\'a pas été noramé un successeur au Roi avant sa mort, les États Généraux assemblés et composes corame a Partiele 24, le nomunent et le proclament solennellement.

28. Dans les cas mentionnés aux articles 22, 23, 24, 25 et 27, la succession reste réglée comine elle Test par les articles 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19 et 20.

29. Le Roi des Pays-Bas ne peut porter line autre Coiironne.

En aucuii cas, le siège du gouvernement ne peut 6tre placé hors du Royaume.

Section II.

Des Revenus de la Couronne.

30. Le Roi jouit d\'un revenu annuel de 2.400.000 florir.s, payables par le trésor public.

31. Si le Uoi Guillaume Frédéric d\'Orange-Nassau, actuellement regnant, en fait la proposition, 11 peut lui être assigné, par une loi, des domaines en toute propriété a concurrence de 500.000 florins de produit, lesqnels seront déduits des revenus determines a l\'article précédent.

32. Des palais d\'été et d\'hiver convenablement meublés sont affectés a l\'habitation du Roi, avec une somme annuelle qui n\'excédera pas 100.000 florins, pour l\'entretien de ces palais.

33. Le Roi, les Princes, et les Princesses de sa Maison, sont exempts de toute imposition personnelle et directe; ils ne sont exempts de l\'impót foncier, que pour les habitations qui leur sont assignées: ils sont soumis a toutes les autres impositions.

34. Le Roi règle sa maison, corame bon \'ui serable.

35. Une Reine Douairière jouit pendant son veuvage, d\'un revenu annuel de 150.000 florins sur le trésor public.

36. Le Fils ainé du Roi, ou son descendant raale, héritier présomptif de la Couronne, est le premier sujet du Roi; il porte le titre de Prince d\'Orange.

37. Le Prince d\'Orange, en cette qualité, a l\'^ge de 18 ans accomplis, jouit sur le trésor public d\'un

222

-ocr page 241-

Chapitre II. Du Roi.

revenu annuel de 100.000 florins, qui sera porté 200.000 florins, lorsqu\'il aura contracté un mariage, en se conformant a Far tide 43.

Section III.

..u

De la Tut die du Roi.

38. Le Roi est majeur a I\'age de 18 ans aixomplis.

39. En can de minorité, le Roi est sous la tutelle de quelques jnembres de la Maison Royale, et de quelques personnes notables et indigenes.

40. Cette tutelle est déférée d\'avance par le Roi regnant. de concert avec les Etats Généraux. Cham bres ren nies.

41. Si elle n\'a pas été déferée par son prédéc.esseur, il y est pourvu par les États Généraux, (\'hambres réu-nies, qui se concertent, s\'il est possible, avec quelques proches parens du Roi mineur.

42. Chacun des tuteurs. avant d\'entrer en fonctions, préte dans l\'assemblée des Etats Généraux, Chambres reünies, et entre les mains du President, Ie serment qui suit:

s.Te jure lidélité au Roi: je jure de remplir réli-ïgieusement tous les devoirs que sa tutelle m\'impose, set nommément de lui inspirer I\'attachement a la »Loi fondamentale de son Royaume, et 1\'amour de »son Peuple.quot;

Dieu me noil, en aide.quot;

223

311

es

nt □e it.

!4,

ist

re lit

X)

ui te it

it ie

s,

?a

Section- IV.

De la Béc/ence.

43. Pendant la minorité du Roi, le pouvoir royal est exercé par un Régent; il est nommé d\'avance par le Roi regnant, de conceit avec les Etats Généraux, Chambres réunies. La succession a la regence pendant la minorité du Roi, peut être réglée de la même manière.

44. Si le Régent n\'s pas été nommé pendant la vie du Roi. il Test par les Etats Généraux assemblés et composés comme il est dit a l\'article 24.

)e n

-ocr page 242-

1.01 FONDAMENTALE.

Si la succession a la régence n\'a pas eté réglée, elle peut l\'être par Ie Régent, de concert avec les Etats Gene-i\'aux. composes comme dessus.

45. Le Régent prête dans une assemblee des Etats-Généraux, Chambres réunies, et entre les mains du Président, le serment suivant:

»Je jure obéissance au Roi; je jure que dans l\'exer-scice du pouvoir Royal pendant la minorité du Roi »(pendant que le Roi se trouvera hors d\'état de régner), sj\'observerai et maintiendrai la Loi fondaraentale du «Royaurae, et qu\'en aucune occasion et sous aucun sprétexte, quel qu\'il puisse étre, je ne m\'en écar-sterai. ni ne permettra qu\'on s\'en écarté.

s.le jure de ])lus, de défendre et de conserver de stout mon pouvoir l\'indepéndance du Royaurae et sl\'intégrité de son territoire, ainsi que ia liberté spublique et individuelle, de maintenir les droits de »tous et chacun des sujets du Roi, et d\'emplóyer a sla conservation de la prospérité générale et particu-»lière, ainsi ([ue le doit un bon et fidéle Régent, ))tous les moyens que les lois rnettent a ma disposition. vAinsi Bieu me noil en aide.quot;

46. Le pouvoir Royal est également exercé par un Régent, lorsque le Roi se trouve hors d\'état de régner.

Le Conseil d\'Etat, composé des membres ordinaires, et des chefs des départemens ministériels, après avoir con-staté par un examen exact, que ce cas existe, convoque les États Généraux (la seconde Charabre en nombre double) afin d\'y pourvoir pour la durée de l\'empêchement.

Les membres des Etats Généraux, qui le vingt-unième jour après la convocation se trouvent dans le lieu oil siège le gouvernement, ouvrent la session.

47. S\'il y a lieu a pourvoir a la garde de la per-sonne du Roi, qui se trouve dans le cas de Partiele précédent, on suit les principes établis aux art. 39 et 41 pour la tutelle d\'un Roi mineur.

48. Si dans ce cas le Prince d\'Orange a 18 ans accomplis, il est Régent de droit.

49. Si le Prince d\'Orange n\'a pas quot;18 ans accomplis, et ,dans les cas prévus aux articles 27 et 44, le Conseil d\'État, composé comme a l\'article 36, exerce l\'autorité Royale, jusqu\'a ce qu\'il y soit pourvu par les États Généraux.

224

-ocr page 243-

Chapitre II. Du Rot.

Les membres de ce Con.seil prêtent entre les mains du Président, et celui-ei en presence de l\'assemblée, le serment suivant:

»Je .jure comme membre (Président) du Con-«seil d\'État, de coneourir au maintien et a l\'obser-))vation de la Loi fondamentale du Royaume dans »rexereice du pouvoir Royal, jusqu\'a ce qu\'il y »soit pourvu par les États Généraux.quot;

nAinsi Dieu me soit en aide.quot;

50. L\'acte qui établit la Ré»\'enee flxera le prélèvement qui sera fait sur les revenus de la Couronne, pour les dépenses de la Régence. Ce prélèvement ne sera pas change, pendant toute la durée Je la Régence.

61. Si le Roi n\'a pas proposé aux États Généraux un successeur a la Couronne (Art. 25), s\'il n\'a pas concerté avec eux la tutelle du Roi mineur (Art. 40), s\'il n\'a pas désigné avec eux le Régent du Royaume (Art. 43), les États Généraux déclarent solennellement le cas qui existe, et ils y pourvoient ainsi qu\'il est prescrit aux Articles 27, 41 et 44.

Section V.

De VInauguration du Roi.

52. Le Roi, lorsqu\'il prend les rênes du gouvernement, est inauguré solennellement dans une séance publique des États Généraux, Chambres réunies. Cette séance est tenue en plein air.

En tems de paix, l\'inauguration a lieu alternativement a Amsterdam et dans une Ville des Provinces Méridi-onales, au choix du Roi

53. Dans cette séance publique, après qu\'il a été donné au Roi lecture de la Loi fondamentale en entier, il préte le serment suivant:

».Te jure au Peuple des Pays-Bas, de maintenir Tiet d\'observer la Loi fondamentale du Royaume, »et qu\'en aucune\'occasion ou sous aucun prétexte, »quel qu\'il puisse être, je ne m\'en écarterai, ni ne ssonffrirai qu\'on s\'en écarté.

))Je jure de plus, de défendre et de conserver de tout ))mon pouvoir, l\'indépendance du Royaume etl\'intégrité

225

15

-ocr page 244-

loi fondamentale.

»de son territoire, ainsi que la liberte publiqiie et «individuelle; de maintenir les droits de tous et ïchacun de mes sujets, et d\'employer a la conserva-»tion et a 1\'accroissement de la prospérité générale et sparticulière, ainsi \'que le doit im bon Roi, tous ))les moyens que les lois rnrfttent k ma disposition.quot; »Ainsi Dieu me soit en aide.quot;

64. Apres la prestation de c.e serment, le Roiestinau-guré dans la même séance par les Etats Généraux.

Le Président prononce a eet efl\'et la declaration solen-nelle qui suit, que lui et tous les membres confirment par un serment individuel:

»Nous jurons, au nom du Peuple des Pays-Bas, xqu\'en vertu de la Loi fondamentale de, eet Etat, nous »Vous recevons et inaugurons comma Roi; que «nous maintiendrons les droits de Votre Couronne , »que nous Vous serons obéissans £t fidèles dans la «défense de Voire Personne et de Votre dignité «Royale; et,nous jnrons de faire tout ce que de bons »et tidèles États Généraux sont tenus de faire.quot; dAinsi Dieu nous soit en aide.quot;

55. Le Roi donne connaissance de son inauguration aux États Provinciaux, qui lui rendent hommage dans les termes suivans;

))Nous jurons que nous Vous serons fidèles, comme «Roi legitime des Pays-Bas, dans la defense de Votre «Personne et dignité Royale: et qu\'en conformité de »la Loi fondamentale, nous obéirons aux ordonnances, sqiii nous seront transmises de Votre part; que nous «donnerons aide et assistance dans leur exécution è. «Vos serviteurs etconseillers,\'et qu\'en outre nous ferons »ce que de fidèles sujets sont tenus de faire.quot;

ygt;Ainsi Dieu nous soit en aide.quot;

Une- deputation solennelle de quelques uns de leurs membres porte cette déclaration au Roi.

Section VI.

De la Prerogative Royale.

56. Le Roi a Ia direction des affaires étrangères; il nomme et il rappelle les Ministres et les Consuls.

226

-ocr page 245-

Chapitre II. Du Rot.

57. Le Roi declare la guerre et fait la paix; il en donne connaissance aux deux Chambres des Etats Géné-raux. II y joint les communications qu\'il croit compatibles avec les intéréts et la sv\'ireté de l\'État.

58. Au Roi appartient le droit de condure et de ratifier tous autres traités et conventions.

r 11 en donne connaissance aux deux Chambres des Etats Généraux, aussitót qu\'il croit que l\'intérêt et la süreté de l\'État le permettent.

Si des traités, conclus en tems de paix, contiennent une cession ou un échange d\'une partie du territoire du Royaume ou de ses possessions dans les autres parties du Monde, ils ne sont ratifies par le Roi qu\'aprés qu\'ils ont éte approuvés par les États Généraux.

59. Le Roi dispose des forces de tnrre et de mer; il en nomme les Officiers, et les révoque, avec pension, s\'il y a lieu.

60. La direction suprème des Colonies et des possessions du Royaume dans les autres parties du Monde appartient exdusivement au Roi.

61. Le Roi a la direction suprème des finances: il regie et fixe les traitemens des Colléges et des Fonction-naires, qui sont acquittés par le Trésor public; il les porte sur le Budget des dépenses de l\'État.

Les traitemens des fonctionnaires de 1\'ordre judiciaire sont fixes par la loi.

62. Le Roi a le droit de battre monnaie; il peut la frapper a son effigie.

63. Le Roi confère la Noblesse: ceux qu\'il anoblit, présentent leurs diplomes aux États de lèurs Provin-ces : ils participent de suite aux prerogatives attachées a la Noblesse, et nommément au droit d\'etre inscrit dans le Corps Équestre, s\'ilsréunissent les conditions requises.

64. Tout Ordre de Chevalerie est établi par une loi, sur la proposition du Roi.

65. Des Ordres étrangers, qui n\'imposent aucune obligation, peuvent étre acceptés par le Roi et par les Princes de sa Maison, de son consenternent.

Aucun Ordre étranger. quelqu\'il soit, ne peut ètre ac-cepté par un autre sujet du Roi, sanssa permission expresse.

66. Cette permission est également requise pour l\'accep-tation de tous titres, dignités ou charges étrangères.

227

-ocr page 246-

loi fondamentale.

A l\'avenir, des lettres de Noblesse conférces par un Prince étranger ne peuvent être acceptées par aucun sujet du Roi.

67. Le Roi a le droit de faire grace, après avoir pris l\'avis de la Haute Cour du Royaume.

68. Outre le droit de dispenser dans les cas déter-minés par la loi raême, le Roi, lorsqu\'il y a urgence, et que les États Généraux ne sont pas assemblés, accorde des dispenses a des particuliers dans leur intérêt privé et sur leur deraande, après avoir entendu le Conseil d\'État; ces dispenses ne sont accordées eu inatière de Justice, qu\'après avoir pris l\'avis de la Haute Cour, et dans les autres matières celui des départeraens d\'administration qu\'elles concernent.

Le Roi donne connaissance aux États Généraux, de toutes les dispenses qu\'il a accordées dans l\'intervalle d\'une session a l\'autre.

69. Le Roi décide toutes les contestations qui s\'élèvent entre deux ou plusieurs Provinces, s\'il ne peut les terminer a l\'amiable.

70. Le Roi présente aux États Généraux les projets de lois, et leur fait telles autres propositions qu\'il juge convenables.

II sanctionne ou il rejette les propositions que lui font les Etats Généraux.

Section VII.

Du Conseil d\'État et des Departemens Ministériels.

71. II y a un Conseil d\'État. Ce Conseil est composé de vingt-quatre membres au plus, choisis autant que possible, dans toutes les Provinces du Ro3\'aume; le Roi les nomme et les révoque a volonté,

Le Roi préside le Conseil d\'État: il nomme, s\'il le juge convenable, un Secrétaire d\'État Vice-Président.

72. Le Prince d\'Orange est de droit membre du Conseil d\'État; il y prend séance a 18 ans accomplis.

Les autres Princes de la Maison Royale peuvent y être appelés par le Roi, a leur majorité.

lis ne sont pas compris dans le nornbre déterminé des membres ordinaires.

228

-ocr page 247-

Chapitre II. Dit Roi.

73. Le Roi soumet a la délibération du Conseil d\'État les propositions qu\'il fait aux Etats Généraux, et celles qui lui sont faites par eux, ainsi que toutes les mesures générales d\'adrainistration intérieure du Royaume, et de ses possessions dans les autres parties du Monde.

En téte des lois et des dispositions Royales, il est fait mention que le Conseil d\'État a été entendu.

Le Roi prend de plus l\'avis du Conseil d\'État dans toutes les matières d\'intórêt general ou particulier, qu\'il juge a propos de lui soumettre.

Le Roi decide seul, et il porte chacune de sesdécisions a la connaissance du Conseil d\'État.

74. Le Roi peut nommer des Conseillers d\'État extra-ordinaires, sans traitement: il les appelle au Conseil quand il le juge convenable.

75. Le Roi établit des Départeraens Ministériels; il en nomme les Chefs et les révoque a volonté: il peut appe-ler un ou plusieurs d\'entr\'eux, pour assister aux déli-bérations du Conseil d\'État.

76. Le serment que prêtent les Chefs des Départemens Ministériels, etlesConseillers d\'État, ordinaires et extra-ordinaires, contient, indépendamment de ce que le Roi trouve a propos d\'y insérer, l\'obligation d\'etre fidele a la Loi fondamentale.

Chapitre III.

Des Klats Généraux.

Section I.

De la composition des Etats Généraux.

77. Les États Généraux représentent la Nation. 78 Les États Généraux sont formés de deux Chambres. 79. Une de ces Chambres est composée de cent dix membres nommés par les États des Provinces, ainsi qu\'il suit:

Brabant Septentrional. ... 7.

Brabant Méridional.....8.

Limbourg.........4.

229

-ocr page 248-

loi fondamentale.

Gueldre.........6.

Liège..........6.

Flandre Orientale......-10.

Flandre Occidentale .... 8.

Hainaut..........8.

Hollande.........22.

Zélande..........3.

Namur..........2.

Anvers..........5.

Utrecht..........3.

Frise...........5.

Overj\'ssel.........4.

Groningue.........4.

Drenthe.........i.

Luxembourg........4.

110 membres.

80. L\'a utre Chambre, qui porta le nom de première Chambre, est composée de quarante membres au moins et soixante au plus, agés de quarante ans aecomplis, nommés a vie par le Roi, parmi les personnes les plus distinguées par des services rendus a l\'État, par leur naissanoe ou leur fortune.

Section II.

De la seconde Chambre des Etats Généraux.

81. Sent éligibles a la seconde Chambre, des personnes domiciliées dans la Province par laquelle elles sont nominees, et agées de trente ans accomplis.

Les membres élus dans la même Province ne peuvent étre parens ou^ allies plus proches qu\'au troisième dégré.

Des officiers de terre ou nier ne sont élijibles quo lorsqu\'ils ont un rang au-dessus de celui de Capitaine.

82. Les membres de cette Chambre sont élus pour trois ans. La Chambre est renouvelée annuellement par tiers, conformément au tableau qui sera dressó a eet effet.

Les membres sortans sont immédiatement rééligibles.

83. Les membres de cette Chambre votent individuel-lement, sans mandat et sans en référer a l\'assemblée qui les a nommés.

230

-ocr page 249-

Chapitre III. Das États Généraux. 231

84. A leur entree en fonctions, ils prêtent ehacun suivant le rit de son culte, le serment qui suit:

»Je jure (promets) d\'observer et de maintenir la Loi «fondamentale du Royaume; et qu\'en aucune occasion »ou sous aucun prétexte quelconque, je ne m\'en écar-«terai, ni ne consentirai a ce qu\'on s\'en écarté; que ))je eonserverai et protégerai de tout mon pouvoir sl\'indépendance du Royaume et la liberté publique »et individuelle; que je concourrai, autant qu\'il sera sen moi, a l\'accroissement de la prospérité générale, »sans m\'en éloigner pour aucun intérét particulier »ou provincial.quot;

»Ainsi Dieu me soit an aide.quot;

lis sout admis a ce serment, après avoir prêté celui qui suit:

»Je jure (déclare) que pour être nommé membre ))de la seconde Chambre des États Généraux, je n\'ai sdonné ni promis, ne donnerai ni promettrai aucuns «dons ou présens, directement ou indirectement, ni »sous un prétexte quelconque, a aucune personne »en charge ou hors de fonctions.

»Je jure (promets) que jamais je ne recevrai de qui que ce soit, ni sous aucun prétexte, directement ou indirectement, aucuns dons ou présens pour faire ou ne pas faire une chose quelconque dans l\'exercice de mes fonctions.quot;

Ainsi Dieu me soit en aide.quot;

Ces sermens sont prêtés entre les mains du Roi, ou dans la seconde Chambre entre les mains de son Président autorisé par le Roi.

85. Le Président de la seconde Chambre est nommé par le Roi, pour la durée d\'une session, sur une liste triple que la Chambre lui présente.

86. Les membres de cette Chambre recoivent une indemmité de déplacement réglée par la loi, a raison des distances.

lis recoivent de plus pour fraix de séjour une somme de 2500 florins par an; cette indemmité, qui sera payée mensuellement, ne sera pas touehée dans l\'intervalle d\'une session a l\'autre par les membres qui n\'auront pas été présens a la dernière session, a moins qu\'ils ne prouvent en avoir été empêchés par maladie.

-ocr page 250-

loi kondamentale

Section hi.

De la première Chamhre des États Généraux.

87. Les membres de la première Chambre recoivent pour toute indemnité de déplacement et de séjour une somme de 3000 flurins par an.

88. A leur entire en fonctlons, ils prêtent, ehacun selon le rit de son eulte, entre les mains du Roi les sermens prescrits pour les membres de la seconde Chambre.

89. Le Rol nomme le Président de la première Chambre, pour la duré d\'une session.

Section IV.

Dispositions communes mix deux Chambres.

90. On ne peut être en méme tams, membre des deux Chambres.

91. Les Chefs des départemens d\'administration générale, ont séance dans les deux Chambres

Leur voix n\'est délibérative, que lorsqu\'ils sont membres de la Chambre dans laquelle ils siègent.

92. Les membres des États Généraux ne peuvent être en même tems membres de la Chambre des comptes, ni avoir des places comptables._

93. Un membre des États Provinciaux nommé aux États Généraux perd, en prenant séance, sa première qualité.

94. Chaque Chambre vérifie les pouvoirs de ses membres et juge les contestations qui s\'élèvent a ce sujet.

95. Chaque Chambre nomme son Greffier.

96. Chacune des deux Chambres porte le titre de Nobles ct Puissam _ Seigneurs.

97. Les Etats Généraux s\'assemblent au moins une fois par an; la session ordinaire commence le troisième lundi du mois d\'Octobre.

Le Roi les convoque extraordinairement, quand il le juge a propos.

98. Én tems de paix , les sessions sont tenues alternati-vement, d\'année en année, dans une ville des Provinces Septentrionales et dans une ville des Provinces Méridionales.

232

-ocr page 251-

Chapitre III. Des États Généraux.

99. Au deces du Rui, les États Généraux s\'assemblent sans convocation prealable. Les membres qui au quinzième jour, après ce décès, se trouvent dans Ie lieu oü estflxé le siège du Gouvernement, ouvrent la séance extraordinaire.

100. La session des États Généraux est ouverte dans une séance des deux Chambres réunies, par le Roi ou ses Com-missaires; elle est close de la móme manière, qtiand le Roi jugequel\'intérêtdu Royaume n\'enexige pas la continuation.

La session ordinaire sera de vingt jours au moins.

101. Aucune des deux Chambres ne peut prendre une resolution, si plus de la moitié de ses membres ne se trouve réunie.

102. Toute résolution est prise a la majorité absolue des suffrages.

103. Les membres des États Généraux votent par appel nominal et a haute voix.

Les élections et les propositions de candidats se font seules au scrutin secret.

104. Dans les difTérens cas, oü en vertu de la Loi fondamentale les deux Chambres (la seconde doublée ou en nombre ordinaire) sont réunies, les membres siègent sans distinction de Chambres.

Le Président de la première Chambre dirige les déli-bérations.

Section* V.

Du Pouvoir Législatif.

105. Le Pouvoir Législatif est exercé concurrem-ment par le Roi et les Etats Généraux.

106. Le Roi adresse a la seconde Chambre les propositions qu\'il vent faire aux Etats Généraux, soit par un message qui en contient les motifs, soit par des Commissaires.

107. La Chambre ne délibère en assemblée générale sur aucune proposition du Roi, qu\'après 1\'avoir examinée dans les dilférentes sections dans lesquelles tous les membres de la Chambre se partagent, et qui sont renou-velées périodiquement par la voie du sort.

108. Les séances de la seconde Chambre des États Gé-

233

-ocr page 252-

loi kondamentale.

Section tij.

De la première Chambre des Etats Généraux.

87. Los membres de la première Chambre recoivent pour teute indemnité de dóplacement et de séjour une somme de 3000 florins par an.

88. A leur entrée en fonctions, ils prétent, chacun salon le rjt de son culte, entre les mains du Roi les sermens prescrits pour les membres de la seconde Chambre.

89. Le Roi nomine le Président de la première Chambre, pour la dure d\'une session.

Section IV.

Dispositions communes aux deux Chamhres.

90. On ne peut étre en même tems, membre des deux Chamhres.

91. Les Chefs des départemens d\'administration générale ont séance dans les deux Chamhres

Leur voix n\'est délibérative, que lorsqu\'ils sent membres de la Chambre dans laquolle ils siègent.

92. Les membres des Etats Généraux ne peuvent étre en même tems mombres de la Chambre des comptes, ni avoir des places cornptables._

93. Un membre des Etats Provineiaux nommé aux Etats Généraux perd, en prenant séance, sa première qualité.

94. Chaque Chambre vérifie les pouvoirs de ses membres et juge les contestations qui s\'élèvent a ce sujet.

95. Chaque Chambre nomme son Greffier.

96. Chacune des deux Chamhres porte le titre de Nobles et Puissan» Seigneurs.

97. Les Etats Généraux s\'assemblent au moins une ibis par an; la session ordinaire commence le troisième lundi du mois d\'Octobre.

Le Roi les convoque extraordinairement, quand il le juge a propos.

98. En tems de paix, les sessions sont tenues alternati-vement, d\'année en année, dans une ville des Provinces Septentrionales et dans une ville des Provinces Méridionales.

232

-ocr page 253-

Chapitre III. Des États Génémux.

99. Au décès du Roi, les États Génóraux s\'assemblent sans convocation préalable. Les membres qui au quinzième jour, après ce décès, se trouvent dans le lieu oü estflxé le siè^e du Gouvernement, ouvrent la séance extraordinaire.

100. La session des États Généraux est ouverte dans une séance des deux Chambres réunies, par le Roi ou ses Com-raissaires; elle est close de la même manière, quand le Roi jugequel\'intérêtdu Royaume n\'enexige pas la continuation.

La session ordinaire sera de vingt jours au moins.

101. Aucune des deux Chambres ne peut prendre une résolution, si plus de la moitié de ses membres ne se trouve réunie.

102. Toute résolution est prise a la majorité absolue des suffrages.

103. Les membres des Etats Généraux votent par appel nominal et a haute voix.

Les élections et les propositions de candidats se font seules au scrutin secret.

104. Dans les différens cas, oü en vertu de la Loi fondanientale les deux Chambres (la seconde doublée ou en nombre ordinaire) sont réunies, les membres siègent sans distinction de Chambres.

Le Président de la première Chambre dirige les déli-bérations.

Section V.

Du Pouvoir Législatif.

105. Le Pouvoir Législatif est exercé concurrem-ment par le Roi et les Etats Généraux.

106. Le Roi adresse a la seconde Chambre les propositions qu\'il veut faire aux Etats Généraux, soit par un message qui en contient les motifs, soit par des Commissaires.

107. La Chambre ne délibère en assemblée générale sur aucune proposition du Roi, qu\'après l\'avoir examinée dans les différentes sections dans lesquelles tous les membres de la Chambre se partagent, et qui sont renou-velées périodiquement par la voie du sort.

108. Les séances de la seconde Chambre des États Gé-

233

-ocr page 254-

LOI FONDAMENTALE.

néraux sont publiques: la Chambre se forme néanmoins en comité, lorsque Ie dixieme des membres présens le demands ou que le Président le juge convenable.

11 peut être pris dans le comité des resolutions sulles objets qui y ont étè traités.

109. Si la seconde Chambre, après avoir délibéré sur le rapport général qui lui est fait de Topinion de ses sections, adopte le projet, elle l\'envoie a la première Chambre avec la formule suivante;

«La seconde Chambre des États Généraux en-»voie a la première Chambre la proposition du Roi »ci-jointe; elle pense qu\'il y a lieu d\'y adherer.quot;

110. Si la seconde Chambre croit ne pouvoir pas adopter la proposition, elle en donne connaissanee au Roi dans les termes suivans:

»La seconde Chambre des États Généraux »témoigne au Roi sa reconnaissance du zèle qu\'il »met a veiller aux intéréts du Royaume, et le ssupplie respectueusement de prende sa proposition »en considération ultérieure.quot;

111. La première Chambre, lorsqu\'elle refoit une proposition du Roi adoptée par la seconde Chambre, la renvoie aux sections, et après en avoir délibéré en séance générale, si elle adopte la proposition, elle en donne connaissance _au Roi dans les termes suivans:

»Les États Généraux témoignent au Roi leur «reconnaissance du zèle qu\'il met a veiller aux «intéréts du Royaume, et adhèrent a sa proposition.quot;

Et a la seconde Chambre en ces termes;

«La première Chambre des États Généraux porte »a la connaissance de la seconde Chambre, qu\'elle »a adhéré a la proposition du Roi, qui lui a été «transmise le ..... relative a .....quot;

112. Si la première Chambre croit ne pouvoir pas adopter la proposition, elle l\'exprime comme a l\'art. IIO.

Elle en donne connaissance a la seconde Chambre dans les termes suivans:

»La première Chambre des États Généraux porte »a la connaissance de la seconde Chambre, qu\'elle sa supplié respectueusement le Roi de prendre sa

«proposition du ...... relative a...... en considé-

»ration ultérieure.quot;

234

-ocr page 255-

Chapitre III. Bes États Généraux.

113. Les États Généraux ont le droit de faire des propositions au Roi, de la manière qui suit.

114. Le droit de provoquer une délibération des États Généraux sur une proposition a faire au Roi, appartient exclusivement aux membres de la seconde Chambre. Elle l\'exaraine dans la forme prescrite pour les projets de lois.

115. Si elle approuve la proposition, elle la transmet a la première Chambre, avec la formule suivante:

»La seconde Chambre des États Généraux envoie a »la première Chambre la proposition ei-jointe, et pense squ\'il y a lieu a demander la sanction du Roi.quot;

116. La première Chambre, aprés avoir délibéré de la manière ordinaire, l\'adresse, en cas d\'approbation, au Roi avec la formule qui suit;

«Les États Généraux adressent au Roi la propo-ssition _ ei-jointe qu\'ils croient aventageuse et utile »a l\'État. Ils supplient S. M. de vouloir y donner »la sanction Royale.quot;

Elle en informe la seconde Chambre dans ces termes:

»La première Chambre des États Généraux donne »connaissance a la seconde Chambre qu\'elle a adopté

»sa proposition du ..... relative a ..... et qu\'elle

sl\'a adressée a S. M. pour demander sa sanction »Royale.quot;

117. Si la première Chambre n\'approuve pas la proposition, elle en informe la seconde Chambre dans les termes suivans;

»La première Chambre des États Généraux ren-)gt;voie a la seconde Chambre la proposition ci-jointe, »a laquelle elle a cru ne pouvoir pas donner son sassentimentquot;

118. Lorsque le Roi adopte une proposition des États Généraux, il s\'exprime en ces termes;

))Le Roi consent.quot;

S\'il le rejette, en ceux-ci;

»Le Roi délibérera quot;

119. Les projets _ de lois, adoptés par le Roi et los deux Chambres des États Généraux, deviennent lois du Royaume et sont promulguées par le Roi.

120. La loi règle le mode de promulgation et le terme après lequel les lois deviennent obligatoires.

La formule de promulgation est concue en ces tenues;

235

-ocr page 256-

loi fondamentale.

»Noiis..... Roi des Pays-Bas etc. etc., a tous eeux

squi les présentes verront, Sal ut! Savoir faisons.

))A5\'ant pris en consideration etc. (insérer les motifs). ))A ces causes, notre Conseil d\'Etat entendu, et «de couunun accord avec les Ktats Généraux, avons sstatué, comme nous statuons par les présentes.quot;

(Le texte de la loi.)

Donné, etc.

Section IV.

Du Budget de VÉtat.

121. Le Budget des dépenses du Royaume duit avoir l\'assentiment des Etats Généraux: il est présenté par le Roi a la seconde Chanibre dans la session ordinaire.

122. Le Budget est divisé en deux parties. Cette division devra être faite pour l\'an -18\'20, et plutót, si les circonstances le permettent.

123. La première partie contient toutes les dépenses ordinal res fixes et eonstantes, qui resultant du cours haliituel des choses et se rapportent plus particulièrement a l\'état de paix.

Ces dépenses étant approuvées par les Etats Généraux, ne sont pas soumises pendant les dix premières années a un consentement idtérleur et annuel.

Elles ne deviennent, pendant ce période, le sujet d\'une nouvelle deliberation que lorsque le Roi fait connaitre qu\'nn olijet de dépenses a cessé on varié.

124. En arrêtant cette partie du Budget, on determine en niéme teras les moyens d\'y faire face.

lis sont également arrêtés pour dix ans; etdemeurent invariables, a rnoins que le Roi ne fasse connaitre qu\'il est nécessaire de retnplacer on de modifier un de ces moyens.

125. Un an avant l\'expiration dn terme pour lequel ces dépenses fixes sont arrêtées, le Roi propose nn nouveau budget pour les dix années qui suivent ce terme.

126. La seconde ])artie dn budget contient les dépenses extraordinalres, imprévues et incertaines, quisurtouten tems de guerre doivent être réglées d\'après les circonstances.

Ces dépenses ainsi que les moyens de les couvrir, ne sont arrêtées que pour un an.

236

-ocr page 257-

Chapitre III. Des Elats Généraux.

127. Les dépenses de ehaque département d\'administra-tion générale sont l\'objet d\'un Chapitre séparé du budget.

Les fonds alloués pour un département doivent être exclusivement employés pour des dépenses qui lui appartiennent, de sorte qu\'aucune. somme ne peut être transferee d\'un Chapitre d\'administration générale a un autre, sans le concours des Etats Généraux.

128. Le Roi fait inettre annuelleraent sous les yeux des États Généraux un compte détaillé de remploi des deniers publics.

Chapitre IV.

Des Klats Provinciaux,

Section I.

De la composition des Etats Provinciaux.

129. Les Etats des Provinces sont composés de membres clus par les trois Ordres suivans:

Les Nobles ou Corps Equestres.

Les Villes.

Les Campagnes.

130. Le nombre total des membres dont les États Provinciaux sont composés et le nombre a élire par chaque ordre, sont fixés par le Roi, d\'aprèsl\'avis d\'unecommission, qu\'il nomme dans chaque Province.

131. Dans chaque Province, les Nobles sontréunisen Corps Équestres ou ne le sont pas, selon qu\'il sera jugé convenable.

La première convocation des Nobles ou Corps Equestres et la première admission dans ces Corps appartiennent au Roi. — lis soumettent leurs régiemens a l\'approbation du Roi, et ne s\'écartent pas dans leur redaction des principes de la Loi fondamentale.

132. Les Régences des Villes sont organisées de la manière qui sera adoptée par les régiemens que proposent les Régences existantes, ou des commissions spéciales nommées par le Roi.

Ces régiemens sont adressés aux Etats Procinciaux, qui les soumettent, avee leurs observations, a l\'approbation du Roi.

237

-ocr page 258-

LOI FONDAMENTALE.

lis Héterminent le mode d\'éleetion des membres des États Provinciaux, attribnés aehaque_ ordre.

133. Chaque Villa a un Collége Électoral: ilestcon-voqué chaque année, uniquement pour nommer aux places vaeantes dans le Conseil de la Ville.

134. Les habitans de chaque Ville, habiles a voter, nomment aux places vaeantes dans les Colleges Electo-raux, Les nominations se font chaque année a la majorité des voix par billets cachetés et signés, qui sout recueillis a domicile par les soins de l\'administration municipale.

Les régiemens de chaque Ville déterrninent la quotité de l\'impót direct qn\'il faut payer, et les autres qualités qu\'il faut réunir, pour étre habile a voter.

135. Pour l\'exercice de leur droit d\'éleetion, les Campagnes sont divisées en Districts.

136. On ne peut étre en même tems membre des États de plus d\'une Province.

137. Le Roi nomme dans toutes les Provinces des coramissaires, sous telle dénomination qu\'il juge conve-nable, et leur donne les instructions nécessaires pour assurer l\'exécution des lois et veiller aux intéréts du Royaume et de la Province.

lis président l\'assemblée des États et celle des dépu-tations a nommer d\'après la disposition de l\'Art. 153.

A leur nomination, ils prétent le serrnent d\'etre fidèles a la Loi fondamentale.

138. Les membres des États Provinciaux prêlentavant d\'entrer en fonctions, chacun d\'après le rit desonculte, le serment suivant:

»Je jure (promets) d\'observer la Loi fondamentale »du Royaume sans m\'en écarter en aucune manière, »ni sous quelque prétexte que ce soit; — de me eon-«former au reglement de la Province, et de faire «tout ce qui sera en moi ponr accroitre sa prospérité.quot; yiAinsi Dien me soit en aide.quot;

lis sont admis a ce serment après avoir prête celui de n\'avoir rien donné ni promis, et de ne recevoir aucuns dons ou présens prohibés, conformément a ce quia éte present pour les membres des États Généraux, a l\'Art. 84.

139. Les États des Provinces s\'assemblent au moins une fois par an et chaque fois qu\'ils sont convoqués par le Roi.

238

-ocr page 259-

Chapitre IV. Bes Etats Provinciaux.

140. Les membres des États Provinciaux votent indivi-duellement, sans mandat et sans en référer a l\'assemblée qui les a nomtnés.

141. Les Etats Provinciaux ne peuvent prendre aucnne resolution, si plus de la moitié des membres ne se trouve réunie.

Toute resolution est prise a Ia majoritó absolue des voix.

142. Les membres des Etats Pi ovinciaux votent a haute voix et par appel nominal; les élections et la presentation de candidats se font seules au serutin secret.

Section II.

Des Attributions des Etats.

143. Les Etats soumettent les fraix de leur administration au Roi, qui, en cas d\'approbation, les comprend dans le budget general des dépenses de I\'État.

144. Les Etats des Provinces nomment dans ou hors leur sein les membres de la seconde Chambre des États Géné-raux. — lis les choisissent, autant que possible, dans les diverses parties de la Province.

145. Les Etats sont chargés de l\'exécution des leis relatives a la protection des différens cultes, et a leur exercice extérieur, a l\'insti uction publique, aux administrations de bienfaisance, a l\'encouragement de 1\'agricul-ture, du commerce et des manufactures; ainsi que de toutes autres lois, que le Roi leur adresse a eet effet.

146. Les Etats sont chargés de tout ce qui tient a l\'ad-ministration et a l\'économie intérieure de leur Province. Les ordonnances et régiemens que dans l\'intérêt général de la Province ils jugent nécessaires ou utiles, doivent, avant d\'etre mis en execution, avoir recu l\'approbation du Roi.

147. lis veillent h ce qu\'il ne soit mis è. la libre importation, exportation et transit des denrées et marchandises, d\'autres restrictions, que celles qui pourraient étre établies par les lois.

148. Ils concilient les différends des autorités locales. S\'ils ne peuvent y parvenir, ils les soumettent k la decision du Roi.

149. Le Roi peut suspendre ou annuller les actes des Etats Provinciaux qui seraient contraires aux lois ou iV l\'intérêt général.

239

-ocr page 260-

loi fondamentale.

150. Les États Provinciaux proposent au Roi l\'entre-tien ou la confection des travaux ou établissomens, qu\'ils croient utiles a leur Province. lis peuvent proposer en mérae tems les moyens de pourvoir a la dépense en tout ou en partie, aux fraix de la Province.

En cas d\'approbation, ils ont la direction des travaux et réconomie des moyens, a charge d\'en rendre compte.

151. Ils peuvent appuyer les intéréts de leurs Provinces et de leurs administrés pres du Roi et des États Généraux.

152. Des régiemens faits par les Ktats Provinciaux; sanctionnés par le Roi, déterminent le mode d\'exercer le pouvoir qui leur est attribué par la Loi fondamen-tale et en consequence d\'icelle.

153. Les Etats nomment dans leur sein une deputation chargée généralement, tant pendant la durée de leurs sessions que lorsqu\'ils ne sont pas réunis, de tout ce qui appartient a l\'adniinistration journalière et a l\'exécution des lois.

La Province de Hollande, a raison de son étendue et de sa population, peut avoir deux deputations.

Section III. Des Administrations Locales.

154. Les administrations rurales des Seigneuries, Districts ou Villages sont organisées de la manière qui sera trouvée la plus convenahle aux circonstances et aux intéréts locaux et jugée compatible avec les droits legalement acquis.

Les Etats Provinciaux font faire a eet égard et en se conformant a la Loi fondamentale, des régiemens, qu\'ils soumettent avec leurs observations a I\'approbation du Roi.

155. Les administrations locales ont la direction pleine et entière, telle qu\'elle est déterminée par les régiemens, de leurs intéréts particuliers et domestiques; les ordonnances _ qu\'elles font amp; ce sujet sont adressées par copie aux Etats de la Province, et ne peuvent être contraires aux lois ou a Tintérêt général.

Le Roi a, en touttems, le droit de requérir sur l\'ad-ministration des autorités locales telles informations et do faire keet égard telles dispositions qu\'il trouvera nécessaires.

240

-ocr page 261-

Chapitre IV. Des Etahs Provinciaux. 241

156. Les administrations locales sont tenues de sou-mettre aux Etats Provinciaux leur budget de recette et de dépense, et de se conformer a ee que les États pres-crivent a eet égard.

157. Lorsque les charges coramunales exigent quelque imposition, les administrations locales observent scrnpu-leuseraent les dispositions des lois, ordonnances et régiemens généraux en matière de finances.

xVvant que ces impositions soient percnes, elles doivent avoir l\'agrément des États Provinciaux, auxquels les projets sont adressés avee un état exact des besoins de la commune.

En examinant ces projets, les États veillent a ce que I\'impot proposé ne gêne point le transit, et n\'éta-blisse pas sur [\'importation des produits du sol ou de l\'industrie d\'autres Provinces, villes ou communes rurales des droits plus élevés que ceux percus sur les produits du lieu même oü l\'impót est établi.

158. Aucune nouvelle imposition communale ne peut être établie _ sans le consentement du Roi.

159. Les États adressent au Roi tous les budgets des communes dont il requiert l\'envoi.

Le Roi donne les instructions nécessaires pour l\'apure-ment des comptes a rendre par les administrations locales.

160. Les administrations locales peuvent appuyer les intéréts de leurs administrés prés du Roi et des États de leur Province.

ai

Section IV.

Disposition générale.

161. Tout habitant du Royaume a le droit d\'adresser des pétitions écrites aux autorités compétentes, pourvu qu\'il le fasse individuellement et pas en nom collectif, ce qui n\'est permis qu\'aux corps légalement constitués et reeonnus comme tels, seulernent pour des objets qui entrent dans leurs attributions.

16

-ocr page 262-

I.OI KONDAMENTAl.E.

Chapitre V.

Dc la Justice.

Section I.

Dispositions Générales.

162. La Justice est rendue dans toute l\'étendue du Royaume, au nom du Roi.

iö3. 11 y aura pour tout lo Royaume un méme Code Civil, Pénal, de Commerce, d\'organisation du Pouvoir .Tudiciaire et de Procédure Civile et Criminelle.

164. La paisible possession et jouissance de ses pro-priétés sont garanties a chaque habitant.

Personne ne peut en être privé que pour cause d\'utilité publique dans les cas et de la manière a établir pai1 la loi et moj\'ennant une juste indemnité.

165. Les contestations qui ont pour objet la propriété ou les droits qui en dérivent, des créances ou des droits civils sont exclusivement du ressort des Tribunaux.

166. Le pouvoir judiciaire ne peut être exercé que par les Tribunaux établis par la Loi fondamentale, ou en conséquence d\'icelle.

167. Personne ne peut être distrait, eontre son gré. du juge que la loi lui assigne.

168. Hors le cas de flagrant délit, nul ne peut être arrêté qn\'en vertu de l\'ordonnance du juge, qui doit être motivée et signifiée a la personne arrêtée, au moment de l\'arrestation, ou immédiatement après.

La loi determine la forme de cette ordonnance, ainsi que le délai dans lequel tout prévenu doit être interrogé.

169. Si, dans dos circonstancesextraordinaires, l\'auto-rité publique fait arrêter un habitant du Royaume, celui par ordre de qui l\'arrestation aura été faite, sera tenu d\'en donner connaissance dans les vingt-quatre heures au juge du lieu, et de lui livrer au plus tard dans les trois jours, la personne arrétée.

Les Tribunaux Criminels sont tenus de veiller, chaeun dans leur ressort, a l\'exécution de cette disposition,

170. II n\'est permis a personne d\'entrer dans le domicile

242

-ocr page 263-

Chapitre V. De. la Justice.

d\'un habitant contre son p;ré, si ce n\'est en vertu de 1\'ordre d\'un fonctionnaire déclaré compétent a eet effet par la loi, et en observant les formes établies par elle.

171. La confiscation des biens ne peut avoir lieu pour quelque crime que ce soit.

172. Tout jugement criminel portant condamnation, doit énoncer le crime avec toutes les circonstances qui Tétablissent, et eontenir les articles de la loi qui pro-noneent la peine.

173. Les jugemens civils sont motives.

174. Tout jugement est prononcé en audience publique.

Section II.

De la Haute Cour et des Tribunaux.

175. II y a pour tont le Royaurae un tribunal suprème qui porte le nom de Haute Cour et dont les membres sont choisis, autant que possible, dans toutes les Provinces.

176. La Haute Cour informe la seconde Chambre des Etats Généraux des places qui viennent a vaquer dans son sein. Le Roi nomme a ces places sur une liste triple que cette Chambre lui présente.

II nomine le Président de la Haute Cour parmi ses membres.

II nomme le Procureur Général.

177. Les membres des Etats Généraux, les Chefs des départemens d\'administration générale, les Conseillers d\'État, et les Commissaires du Roi dans les Provinces, sont justiciables de la Hauxe Cour, pour tous délits, commis pendant la durée de leurs fonctions.

Pour délits commis dans l\'exercice de Ieurs_ fonctions, ils ne peuveut ètre poursuivis qu\'après que les Etats Généraux ont autorisé la poursuite.

178. La loi désigne les autres fonctionnaires qui sont justiciables de la Haute Cour pour tous délits commis pendant la durée de leurs fonctions.

179. Les actions dirigées contre le Roi, les membres de sa Maison et l\'Etat, ne peuvent être intentées que devant la Haute Cour. Sont exceptées les actions réelles, qui sont portées devant les juges ordinaires.

180. La Haute Cour surveille l\'administration de la

*

243

-ocr page 264-

LOI FONDAMENTALE.

justice dans toute l\'étendue du Royaume. Elle veille a ee que les Cours et Tribunaux fassent une juste application des lois: elle annulle leurs actes et jugemens qui y sont contraires, le tout en conformité des attributions qui lui sont données par le Code de procédure.

181. L\'appel des causes qui, d\'après les lois, sont jügées en premier ressort par les Cours Provinciales, est porté devant la Haute Cour.

182. II y a une Cour de justice pour une ou pour plusieurs provinces.

Le Roi nomnie aux places vacantes dans , les Cours, sur une liste triple qui lui sera présentée par les Etats Pro-vinciaux.

II notnme les Présidens de ces Cours parmi leurs membres.

II nomme les Procureurs Généraux.

183. La justice criminelle est exclusivement administrée par les Cours Provinciales et les autres Tribunaux cri-minels, dont l\'établissement sera trouvé nécessaire.

184. L\'administration de la Justice Civile est conliée aux Cours Provinciales est aux Tribunaux Civils.

185. L\'organisation des Cours Provinciales, des Tribunaux civils et criminels, leur denomination, leur ressort, leurs attributions, celles des Procureurs Généraux et autres Officiers Ministériels, sont determines par la loi.

186. Les membres de la Haute Cour, des Cours Provin-ciales et des Tribunaux criminels, ainsi que les Procureurs Généraux et autres Officiers Ministériels prés ces Cours et Tribunaux sont nommés a vie.

La durée des fonctions des autres Juges et Officiers Ministériels est fixée par la loi.

Aucun Juge ne peut étre privée de sa place pendant la durée légale de ses fonctions, que sur sa demande ou par un jugement.

187. La loi régie Ia manière de juger les contestations et les contraventions en matière d\'impositions.

188. Des Conseils de guerre et une Haute Cour militaire, connaissent de tous les délits commis par des militaires de terre ou de rner.

Cette Cour sera composée d\'un nombre égal de juris-consultes, d\'officiers de terre et d\'officiers de marine, nommés a vie par Ie Roi. Elle sera toujours présidée par un jurisconsulte.

244

-ocr page 265-

Chapitre V. De la Justice.

189. Les Tribunaux ordinaires connaissent des actions civiles intentées contra un militaire.

Chapitke VI.

Du Ciilie.

190. La liherté des opinions religieuses est garantie a tons.

191. Protection égale est aceordée a toutes les Communions religieuses qui existent dans le Royaume.

192. Tous les sujets du Roi, sans distinction de croyance religieuse, jouissent des mêmes droits civils et politiques, et sont habiles a toutes dignités et ernplois quelconques.

193. L \'exercice public d\'aucun culte ne peut être empêché, si ce n\'est dans le cas ou il pourrait troubler l\'ordre. et la tranquilité publique.

194. Les traitemens, pensions et autres avantages, de quelque nature que ce soit, dont Jouissent actuellement les différens cultes et leurs ministres, leur sont garantis.

II pourra être alloué un traitement aux ministres qui n\'en ont point, ou un supplément a ceux dont le traitement est insufflsant.

quot;195. Le Roi veille a ce que les sommes allouées pour les cultes, qui sont acquittées par le Trésor public ne soient pas détournées de l\'emploi auquel elles sont spéc.ialement affectées.

196. Le Roi veille a ce qu\'aucun culte ne soit trouble dans la liberté d\'exercice, que la Loi fondamentale lui assure.

II veille de méme a ce que tous les cultes se contien-nent dans 1\'obéissance qu\'ils doivent aux lois de l\'Etat.

Chapitre VII.

Des Finances.

197. Aucune imposition ne peut être établie au pro-fit du Trésor public qu\'en vcrtu d\'une loi.

245

-ocr page 266-

loi fonda.mentale.

198. II ne peut fitre accordé aucun privilege en matière de contributions.

199. Tous les ans, la dette publique est prise en consideration, dans l\'intérêt des créanciers de l\'Etat.

200. La loi règle le poids et titre des monnaies; elle en determine la valeur.

201. Un Collége sous le nom de Conseillers et Mattres Généraux des monnaies, dirige et surveille tout ce qui concerne la monnaie, en se conformant aux instructions qui leur sont données par la loi.

Le Roi norame aux places vacantes dans ce College, sur une liste triple qui lui est présentée par la seconde Chambre des États Généraux.

202. 11 y a pour tout le Royaume, une Chambre des Comptes, chargée de l\'exaraen et de la liquidation des Comptes annuelsdesdépartemens d\'administrat ion générale, de ceux de tons comptablesde l\'État et autres, conformé-ment aux instructions données par la loi.

Les membres de la Chambre des Comptes sont choisis, autant que possible, dans toutes les Provinces.

Le Roi nommc aux places vacantes sur une liste triple, que la seconde Chambre des États Généraux lui présente.

Chapitre VIII.

De la Defense de l\'État.

203. Conformément aux anciennes coutumes, a l\'esprit de la Pacification de Gand, et aux principes de l\'Union d\'Utrecht, l\'un des premiers devoirs des habitans du Royaume est de porter les artnes pour le maintien de l\'indé-pendance et la defense du territoire de l\'Etat.

204. Le Roi veille a ce que des forces suffisantes de terre et de mer, formées par enrólement volontaire de nationaux ou d\'étrangers, soient constamment entre-tenues pour servir soit en Europe, soit hors de l\'Europe, selon que les circonstances l\'exigent.

205. Des troupes étrangères ne peuvent être prises au service du Royaume que du commun accord du Roi et des États Généraux. Le Roi communique les capitulations

246

-ocr page 267-

Chapitre VIII. De la Defense de VÉtat. 247

qu\'il fait a ce sujet aux Etats Génóraux, aussitót qu\'il le peut convenablement.

206. Indépendamment de l\'Armée permanente de terre et de mer, il y a une Milice Nationale, dont en tems de paix un cinquième est lie ene ié tons les ans.

207. Cette Milice est formée, autant que possible, par enrólement volontaire, de la manière, déterminée par la loi: a défaut d\'un nombre suffisant d\'enrólés volontaires, elle est conipletée par la voie du sort. Tous les habitans non mariés au premier Janvier de chaque année, qui, a cette époque, auront atteint leur dix-neuvième année, sans avoir terminé leur vingt-troisièrne, eoncourent au tirage. Cenx qui ont regu leur congé ne peuvent sous ancun prétexte être appelés a un autre service qu\'a celui de la Garde Cotn-inunale, dont il sera parlé ci-après.

208. Dans les terns ordinaires, la Milice est exercée tous les ans pendant un mois on environ: le Hoi peutnéanmoins, si l\'intérét de l\'Etat l\'exige, tenir réunis un quart des miliciens.

209. En cas de guerre ou dans d\'autres circonstances extraordinaires, le Roi peut appeler et tenir réunie la Milice entière. Si les Etats Généraux nu sont pas assemblés, il les convoque en mêrae tems; il leur fait connaitre l\'état des choses et concerto avec eux les inesures ultérieures.

210. Dans ancun cas, la Milice ne peut étre employée dans les Colonies.

211. La Milice ne peut dépasser les frontlères du Roy-aume sans le consentement des Etats Généraux, a raoins d\'un péril imminent, ou qu\'en changeant de garnison, la route la plus courte ne passé sur le territoire étranger. Dans ces deux cas, le Roi informe, Ie plutót possible, les Etats Généraux des ordres qu\'il a donnés.

212. Toutes les dépenses relatives aux armées de l\'Etat, sont supportées par le Trésor public.

Le logement et la nourriture des gens de guerre, les prestations de quelque nature qu\'elles soient a faire aux troupes du Roi ou aux forteresses, ne peuvent étre a la charge d\'un ou de plusieurs habitans, d\'une ou de plu-sieurs communes. Si, par des circonstances imprévues, de semblables prestations sont faites par des individus ou. des communes, l\'Etat en tient compte, et il est pnyé une indemnité, d\'après le tarif flxé par les régiemens.

213. Dans les communes qui ont une population agglo-

-ocr page 268-

loi foxdamentale.

merée de 2500 liabitans, et au dela, il y a, comme pai\' le passé, des Gardes Communales qui sont employées au maintien de la tranquilité publique; elles peuvent être employées, en cas de guerre, a repousser les attaques de l\'ennemi.

Dans les autres communes, il y a des Gardes Communales qui, non-actives en tems de paix, forment en tems de guerre, avec les Gardes des autres communes, la levée en masse, pour la défense du pays.

214. Les dispositions que le Roi juge nécessaires, pour fixer l\'organisation de la Milice, et le nombre des miliciens, ainsi que les Gardes Communales et la levée en masse, font l\'objet d\'une loi.

Chapitre IX.

De la direction des Eaux, Ponts ct Cliavissées.

215. Le Roi a Ia surveillance suprème des ouvrages hydrauliques, ponts et chaussées, sans distinction, si la dépense se fait par le Trésor public ou de touce autre manière.

216. Le Roi fait exercer la Direction Générale des Eaux, Ponts et Chaussées, de la manière qu\'il croit la plus convenable,

217. Indépendamment de la surveillance que le Roi peut attribuer a la Direction Générale sur des ouvrages entre-tenus aux fraix de Colleges, de Communes ou de particu-liers, cette Direction est chargée, d\'après des instructions que le Roi lui donne, de tous travaux hydrauliques aux ports de mer, rades, rivières, schorren, dunes, digues, écluses et autres ouvrages, ainsi que de tous ponts et chaussées, dont les fraix de construction sont, en tout ou en partie, a la charge du Trésor public.

218. Si parmi les ouvrages mentionnés a la fin de 1\'ar-ticle précédent,,il s\'en trouve dont la direction peut être conflée aux Etats de la Province, soit a cause d\'un inté-rêt moinsgénéral, soit pourraison d\'utilitéou deconvenance, tirée de la chose même, elle leur est attribuée, soit exclusi-vement, soit concurremment avec la Direction Générale.

219. Le Roi, après avoir entendu les États des Pro-

248

-ocr page 269-

Chapitre IX. De la direction des Eaux, etc. 249

vinces, et sur 1\'avis du Conseil d\'État, détermine quels travaux sont remis sous la direction des États et fixe en même tems le mode de pour voir aux fraix de leur enretien.

220. Lorsque des travaux hydrauliques, digues ou écluses, destinées a contenir les eaux de la mer ou des rivières, sont entretenus aux fraix de Colléges, de Communes ou de particuliers, et dirigés par eux, la Direction Générale exerce sur ces travaux une surveillance im-médiate, et veille a ce que leur construction ou refection ne nuise pas aux intéréts généraux: elle donne a ce sujet les instructions nécessaires aux Colléges, Communes ou particuliers.

La surveillance immédiate de ces travaux peut aussi, pour des raisons d\'utilité ou de convenance, étre attribuée par le Roi aux Etats des Provinces.

221. Les États des Provinces ont la surveillance sur tous travaux hydrauliques non compris dans 1\'article precedent, ainsi que surles canaux, navigations, lacs, eaux, pontset chaussées qui sont aux fraix de Colléges, de Communes ou de Particuliers. lis veillent a ce que ces travaux soient bien et düment construits et entretenus.

222. Les États surveillent tous les Colléges dits Hooij-heemraadschappen, Heemraadschappen, Wateringen, Waterschappen, Directions des digues ou desPoldres, sous quelque dénomination qu\'elles puissent exister dans leur Province: sauf ce qui a été dit a l\'article 220 sur les attributions de la Direction Générale, au sujet des travaux servant a contenir les eaux de la mer et des riviéres.

Les régiemens de ces Colléges approuvés en dernier lieu servant debase a leur institution, les États des Provinces peuvent, sous Pap probation du Roi, modifier ces régiemens: les Colléges leur proposent les modifications que l\'avantage des intéressés leur paraitra exiger.

Les États soumettent de même au Roi le mode de nom-mer ou de proposer aux places vacantes dans ces Colléges.

223. Les États ont dans leur Province la surveillance sur Texploitation des tourbières, carrières, houilléres, autres mines et miniéres ainsi que sur toutes irrigations, endigue-mens et desséchemens.

Le Roi peut a raison de l\'ntilité générale ou majeure de ces ouvrages en attribuer la surveillance a la Direction Générale des Eaux, Ponts et Chaussées.

-ocr page 270-

i.oi l\'ondamentale.

224. Lorsqu\'a 1\'avenir, il sera accordé des subsides par le Trésor public pour quelqiies travaux comprisau présent Chapitre, il sera en même tems régie de quelle manière la direction ou la surveillance sur ces ouvrages sera exercée.

225. Les droits payés anx barrières, ponts et éclu-ses, sont affectés a l\'entretien et a 1\'amélioration des chaussées, ponts, canaux et rivières navigables. L\'excé-dent, s\'il y en a. demeure réservé pour des dépenses de même nature, dans la même Province; a la seule exception des droits petrus sur les grandes coininunica-tions du Royaume, dont l\'excedent peut être employe aux mêmes fins. la ou le Roi l\'ordonne.

Chapitre X.

Dn rinstriiction pnbliquc ct des ctablisscmcns «Ie Itieiiraisance.

226. L\'instrnction publique est nn objet constant des soins du Gouvernement Le Roi fait rendre compte tous les ans aux États Généraux, de l\'état des Écoles supérieures, moyennes et inférieures.

227. La presse étant le moyen le plus propre a répandre les lumières, cbacun pent s\'en servir pour cotnmuniquer ses pensees, sans avoir besoin d\'une permission préalable. Néanmoins tout auteui\', imprimeur, éditeur, ou distributeur, est responsable des écrits qui blesseraient les droits soit de la société soit d\'un individu.

228. Les administrations de bienfaisance et 1\'éducation des pauvres sont envisages comme un objet non moins important des soins du Gouvernement. II en est également rendu aux États Généraux un compte annuel.

Chapitre XI.

Des ehangciiiciis ct additions.

229. Si l\'expérience faisait conuaitre que des cbange-mens ou des additions a la Loi fondamentale sont néces-

250

-ocr page 271-

Chapitre XI. Des changemens et additions. 251

saires, une loi les désignera avec precision, en mé me tems qu\'elle déclarera cette nécessité.

230. Cette loi est envoyée aux Etats Provinciaux ([ui adjoignent, dans le délai qu\'elle Jixe, aux membres ordinaires de la seconde Chambre des Etats Généraux un nombre égal de membres extraordinaires, choisis de la méme manière que les premiers.

231. Lorsqu\'en vei\'tu _ des articles 27, 44 et 46, la seconde Chambre des Etats Généraux doit se réunir en nombre double, la nomination est faite par les Etats Provinciaux, convoqués par les fonctionnaires qui exer-cent l\'autorité Royale.

232. La seconde Chambre des États Généraux ne peut prendre une resolution sur un changement ou une addition a la Loi fondamentale, si deux tiers des membres dont se compose l\'assemblée ne sont présens. Les resolutions sont prises a la majorité des trois quarts des voix. Toutes les régies prescrites pour la confection d\'une loi sont exactement observées.

233. Aucun changement a la Loi fondamentale ou a l\'ordre de succession ne peut être fait pendant une régence.

234. Les changemens ou additions adoptés sont joints a la Lói fondamentale et solennellement promulgués.

ARTICLES ADD1TIONNELS.

1. Le Hoi est autorisé a prendre les mesures nécessaires ponr mettre en exécution, dans toutes ses parties, régulièrement et avec la célérité que l\'état des choses permettra, la Loi fondamentale dont le projet precede. 11 fera la première nomination de tous les Fonctionnaires et de tous les Colléges, quel que soit le mode de nomination que la Loi fondamentale adopte.

2. Toutes les autorités restent en place et toutes les lois deineurent obligatoires, jusqu\'a ce qu\'il y soit autre-ment pourvu.

3. La première sortie des membres de la seconde Chambre des États Généraux aura lieu le troisième Lundi du mois d\'Octobre 1817.

-ocr page 272-

Grondwet

voor het

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

(Herziening van quot;1848. De op 17 Maart benoemde Staatscommissie bood i2 April den Koning een volledig ontwerp van grondwetsherziening aan. Op den grondslag hiervan rustten de herzieningsvoorstellen door de Regeering den Staten-Generaal 19 Juni aangeboden en nog nader gewijzigd bij nota\'s van 31 Juli, 12 en 15 Augustus. Nadat dè beide Kamers met deze voorstellen zich vereenigd hadden, werd, overeenkomstig a. 227 der Grondwet (1840) »de noodzakelijkheidquot; tot verandering van de verschillende hoofdstukken der Grondwet verklaard bij 12 wetten van 7 Sept. Stbl. Nis. 42—53. Nadat deze veranderingen ook door de dubbele Tweede Kamer en wederom door de Eerste Kamer waren goedgekeurd, werden zij door den Koning als wetten van 11 Oct. Stbl. Nis. 59—70 bekrachtigd. Bij publicatie van 14 Oct. Stbl. Nquot;. 71, werd van deze wetten, op dien datum in het Staatsblad opgenomen, »de plechtige afkondigingquot; geregeld, die plaats greep op 3 Nov., den dag waarop de Grondwet in werking trad.)

Eerste Hoofdstuk.

Vau het Rijk en zijn Inwoners.

Artikel 1. (1) ♦)

Het Koningrijk der Nederlanden bestaat in Europa uit de tegenwoordige provinciën:

Noordbrabant, Gelderland, Zuidholland, Noordholland,

-ocr page 273-

I. Hoofdst. Van het Rijk en zijn inwoners. 253

Zeeland, Utrecht, Friesland, Overijssel, Groningen, Drenthe en het Hertogdom Limburg, behoudens debetrekkingen van het Hertogdom Limburg, met uitzondering der vestingen Maastricht en Venlo en van hare kringen, tot het Duitsche verbond.

2. De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en splitsen.

De grenzen van den Staat, van de provinciën en gemeenten kunnen door de wet worden veranderd.

3 (4). Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hetzij ingezetenen of vreemdelingen, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen.

De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen , en de algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien van hunne uitlevering verdragen met vreemde mogendheden kunnen worden gesloten.

4 (5*). De uitoefening der burgerlijke regten wordt door de wet bepaald.

5. Om eenig burgerschapsregt te hebben moet men Nederlander zijn.

6 (7, 8, 10). Ieder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar.

Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet.

7. De wet verklaart wie Nederlanders zijn.

Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet genaturaliseerd.

8 (225). Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantv/oordelijkheid volgens de wet.

9 (159*). Ieder ingezeten heeft het regt om verzoeken aan de bevoegde magt schriftelijk in te dienen, mits die persoonlijk en niet uit naam van meer worden onderteekend, welk laatste alleen kan geschieden door of van wege lig-chamen, wettelijk zamengesteld of als zoodanig erkend , en in dat geval niet anders dan over onderwerpen tot hunne bepaalde werkzaamheden behoorende.

10. Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend.

De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde.

-ocr page 274-

grondwet van \'1848.

Tweede Hoofdstuk.

Van den Koning\'.

Eerste Afdeeling.

Van de Troonopvolging.

11 (quot;H*). De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne -wettige nakomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen.

12 (\'12*). De wettige nakomelingen van den regerenden Koning, zij i de kinderen reeds geboren, of die nog mogten geboren worden, uit zijn tegenwoordig huwelijk met Hare Majesteit Frederika Louisa Wilhelmina, Prinses van Pruissen; en voorts in het algemeen alle afstammelingen, welke geboren zullen worden uit een huwelijk door den Koning, met gemeen overleg der Staten-Generaal aangegaan, of toegestemd.

IS (13*). De Kroon gaat over door regt van eerstgeboorte, des dat de oudste zoon van den Koning, of wel liet mannelijk oir van den oudsten zoon bij representatie, opvolgt.

14 (14*). Bij ontstentenis van mannelijk oir uit den oudsten zoon gesproten, gaat de Kroon over op diens broeders of hun mannelijk oir, insgelijks door regt van eerstgeboorte en representatie.

15 (15*). Bij geheele ontstentenis van mannelijk oir uit het Huis van Oranje-Nassau, gaat de Kroon over op de dochters van den Koning door regt van eerstgeboorte.

16 (10*). Ook dochters van den Koning ontbrekende, brengt de oudste dochter van de oudste nedergaande mannelijke lijn uit den laatsten Koning, de koninklijke waardigheid in haar Huis over, en wordt bij voor-overlijden door hare afstammelingen gerepresenteerd.

17 (17*). Zoo er geene mannelijke nedergaande lijn uit den laatsten Koning bestaat, erft de oudste nedergaande

254

-ocr page 275-

II. Hoofdsï. Van den Koning.

vrouwelijke lijn, des dat de mannelijke tak vóór de vrouwelijke tak, en de oudste vóór de jongere, en in iedere tak mannen vóór vrouwen, en ouder vóór jonger den voorrang hebben.

18 (18*). Wanneer de Koning zonder nakomelingschap sterft, en er geen mannelijk oir uit het Huis van Oranje-Nassau overig is. volgt hem zijne naaste bloedverwante, mits van den Koninklijke Huize zijnde, op, en wordt mede bij voor-overlijden, door hare afstammelingen gerepresenteerd.

19 (19*). Wanneer eene vrouw de Kroon in een ander Huis heeft overgebragt, treedt dit Huis in alle de regten van het oorspronkelijk Stamhuis, en de vorige artikelen zijn op hetzelve toepasselijk, met dat gevolg, dat haar mannelijk oir vóór alle vrouwen of vrouwelijke afstammelingen erft, en geene andere lijn geroepen wordt, zoolang iemand van hare nakomelingen in leven is.

20 (20*). Eene Prinses, buiten toestemming der Staten-Generaal, een huwelijk hebbende aangegaan, heeft geen regt tot de Kroon.

Eene Koningin, buiten die toestemming een huwelijk aangaande, doet afstand van de Kroon.

21 (21*). Bij ontstentenis van nakomelingschap uit den tegenwoordigen Koning Willem Frederik van Oranje-Nassau, gaat de Kroon over op deszelfs zuster, Prinses Frederika Louisa Wilhelmina vnn Oranje. douairière van wijlen Garel George August, Erfprins van Brunswijk-Lunenburg, of hare wetüge nakomelingen, uit zoodanig nader huwelijk, als door dezelve, overeenkomstig art. 12, mogt worden aangegaan.

22 (22*). Indien ook de wettige nakomelingschap van deze Vorstin ontbreekt, gaat het erfregt over op het wettig mannelijk oir van Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfden en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weil-burg, insgelijks door regt van eerstgeboorte en representatie.

23 (23, 25). Wanneer bijzondere omstandigheden eenige veranderingen in de opvolging van den troon noodzakelijk maken, is de Koning bevoegd, daaromtrent «ene voordragt te doen, te behandelen op de wijze.

255

-ocr page 276-

grondwet van \'1848.

ten aanzien van verandering in de Grondwet, in art 196, -197 en 199 voorgeschreven.

24 (24 , 26). Hetzelfde vindt plaats, wanneer er geen bevoegde opvolger naar deze Grondwet bestaat.

Is de opvolger niet benoemd of ontbreekt hij bij overlijden des Konings, dan geschiedt de benoeming door de Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, in vereenigde zitting.

25 (27*). In de gevallen in art. 21, 22, 23 en 24 omschreven, wordt de troonopvolging geregeld naar de bepalingen van art. 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18 en 19.

26 (28). De Koning kan geene vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg.

In geen geval kan de zetel der regering buiten het Rijk worden verplaatst.

Tweede Afdeemng.

Van het inkomen der Kroon.

27 (29). Behalve het inkomen uit de domeinen, door de wet van den 26sten Augustus 1822 afgestaan, en in 1848 door den Koning tot kroondomeinen aan den Staat teruggegeven, geniet Koning Willem II een jaarlijksch inkomen van één millioen gulden uit \'s Lands kas.

Bij elke nieuwe troonsbeklimming wordt het inkomen der Kroon door de wet geregeld.

28 (31*). Den Koning worden tot deszelfs gebruik zomer- en winter-verblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan /\'50.000 jaarlijks, ten laste van den Lande kunnen worden gebragt.

29 (32). De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle personele lasten.

Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door hen genoten.

30 (33*). De Koning rigt zijn Huis naar eigen goedvinden in.

256

-ocr page 277-

II. Hoofdst. Van den Koning.

31 (34*). Het jaarlijksch inkomen eener Koningin-weduwe, gedurende haren weduwelijken staat, uit\'sLands kas is ƒ150.000.

32 (35*). De oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan, en voert den titel van Prins van Oranje.

33 (36*). De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit \'s Lands kas een jaarlijksch inkomen van /\'100.000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebragt op /\'200.000, na het voltrekken van een huwelijk overeenkomstig art. 12 dezer Grondwet.

Derde Afdeeling.

Van de Voogdij des Konings.

34 (37*). De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is.

35 (38*). Zoolang de Koning minderjarig is, staat hij onder de voogdij van eenige leden van het koninklijk Huis en eenige aanzienlijke Nederlanders.

36 (39). De voogdij wordt geregeld en de voogden worden benoemd door eene wet.

Over het ontwerp dier wet nemen de Staten-Generaal hun besluit in eene vereenigde zitting der beide Kamers.

37 (40*). Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, zoo worden, is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning over de regeling der voogdij gehoord.

38 (41). Alvorens de voogdij te aanvaarden, legt elk der voogden, in eene vereenigde zitting van de beide Kamers der Staten-Generaal, in handen van den voorzitter, den volgenden eed of belofte af:

»Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer «(beloof ) al de pligten, welke de voogdij mij oplegt, «heilig te vervullen, en er mij bijzonder op te zullen

257

17

-ocr page 278-

grondwet van 1848.

«toeleggen, om den Koning gehechtheid aan de Grond-»wet en liefde voor zijn volk in te boezemen.quot;

»Zoo waarlijk Iwlpe mij Gud almagtig!\'\' {»Dcil ygt;beloof ik!quot;)

39 (40*). Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen, wordt in het noodige toezigt over zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. 36 en volgende bepaald.

Vierde Afdeeling.

Van het Eegentschap.

40 (42*). Gedurende de minderjarigheid van den Koning wordt het koninklijk gezag waargenomen door eenen Regent.

41 (42). De Regent wordt benoemd door eene wet, die tevens de opvolging in het regentschap, tot \'sKonings meerderjarigheid toe, kan regelen. Over het ontwerp dier wet nemen de Staten-Generaal hun besluit in eene ver-eenigde zitting der beide Kamers.

De wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt.

42 (45). Het Koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen.

Wanneer dit aan den Raad van State, vereenigd met de hoofden der ministeriële departementen, na een naauw-keurig onderzoek, is gebleken, roept deze vergadering onverwij ld de Staten-Generaal in dubbelen getale bijeen, om hun van het voorhanden geval verslag te doen.

43. De Staten-Generaal onderzoeken het verslag, en. zoo zij in een besluit, in eene vereenigde zitting der beide Kamers in dubbelen getale genomen, er de juistheid van erkend hebben, wordt in den vorm eener plegtig af te kondigen wet verklaard, dat het geval, in het vorig artikel bedoeld, aanwezig is.

44. Wanneer de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet heeft vervuld, wordt in het regentschap, gelijk in art. 40 en 41 is bepaald, voorzien voor zoolang de Koning tot het waarnemen der regering buiten staat blijft en de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet heeft vervuld.

258

-ocr page 279-

II. Hoofdst. Van den Koning. 259

45 (44). De Regent legt, in eene vereenigde zitting van de beide Kamers der Staten-Generaal, in handen van den voorzitter den volgenden eed of belofte af;

»Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik «zweer (beloof), dat ik in de waarneming van het «koninklijk gezag, zoo lang de Koning minderjarig «is (zoo lang de Koning buiten staat blijft de rege-»ring waaiquot; te nemen), de Grondwet van het Rijk «steeds zal onderhouden en handhaven.

«Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en «het grondgebied des Rijks metal mijn vermogen zal «verdedigen en bewaren; dat ik de algemeene en bij-«zondere vrijheid, en de regten van alle des Konings «onderdanen, en van elk hunner zal beschermen, en «tot instandhouding en bevordering van de algemeene «en bijzondere welvaart alle middelen aanwenden, «welke de wetten ter mijner beschikking stellen , gelijk «een goed en getrouw Regent schuldig is te doen.quot;

tgt;Zi)o waarlijk helpe mij Go\'l almagtig!quot; (t Da! y,beloof ik!quot;)

46 (47*). Wanneer de Prins van Oranje zijn achttiende jaar vervuld heeft, is hij, in het geval van art. 42, van regtswege Regent.

47 (48). Tó\'.dnt in het geval, in art. 42 aangewezen, de Prins van Oranje of de benoemde Regent het regentschap heeft aanvaard, wordt het koninklijk gezag waargenomen door de vergadering, zamengesteld als in art. 42 is voorgeschreven.

Hetzelfde vindt plaats, zoo, bij overlijden des Konings, een Regent voor den minderjarigen opvolger of ook de bevoegde opvolger ontbreekt, totdat de benoemde Regent of opvolger de regering heeft aanvaard.

De leden van deze vergadering leggen in handen van den door hen gekozen voorzitter, en deze in eene vereenigde zitting van beide Kamers der Staten-Generaal, den volgenden eed of belofte af:

«Ik zweer (beloof) dat ik, als lid (voorzitter) van «dezen regeringsraad, in de waarneming van het «koninklijk gezag de Grondwet zal helpen onder-«houden en handhaven.quot;

«Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; (jgt;I)at vbeloof ik!quot;)

-ocr page 280-

grondwet van 1848.

48 (49*). Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van het regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op het jaar-lijkseh inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het regentschap.

Deze bepaling kan gedurende het regentschap niet worden veranderd.

49. De Koning, op wien art. 43 is toegepast, herneemt zoodra mogelijk de waarneming der regering, krachtens eene wet, waarin die, welke in het genoemde artikel is bedoeld, wordt afgeschaft.

Tot aan deze afschaffing zijn de hoofden der ministeriële departementen, gelijk de voogden, persoonlijk gehouden, aan de Kamers der Sta ten-Generaal, zoo dikwerf het wordt gevraagd, van des Konings toestand verslag te doen.

Vijfde Afdeeling.

Van de Inhuldiging des Konings.

50 (51). De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodra mogelijk plegtig beëedigd en ingehuldigd binnen de stad Amsterdam, in eene openbare en vereenigde zitting der beide Kamers van de Staten-Generaal.

51 (52). In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd:

»lk zweer (beloof) aan het Nederlandsche volk »dat ik de Grondwet van het Rijk steeds zal onder-«houden en handhaven.

))Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en het «grondgebied des Rijks met al mijn vermogen zal verde-sdigen en bewaren; dat ik de algemeens en bijzondere «vrijheid en de regten van al mijne onderdanen zal be-«scherrnen, en tot instandhouding en bevordering van «de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen zal «aanwenden, welke de wetten ter mijner beschikking «stellen, zoo als een goed Koning schuldig is te doen.quot;

«Zoo waarlijk helpe mij God almagl ig{jgt;üat vheloof ih!quot;)

52 (53). Na het afleggen van dezen eed of belofte wordt \'de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-

260

-ocr page 281-

II. Hoofdst. Yan den Koning.

Generaal, wier voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëedigd of bevestigd wordt:

»Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Ne-sderlandsche volk en krachtens de Grondwet, U als «Koning; wij zweren (beloven), dat wij uwe onschend-»baarheid en deregten uwer Kroon zullen handhaven : »wij zweren (beloven) alles te zullen doen, wat goede sen getrouwe Staten-Generaal schuldig zijn te doen.quot;

dZvo waarlijk helpe onn God alrnaglig!quot; (ygt;Dat ytbeloven wij!quot;)

Zesde Afdeeling.

Van de Mugt des Konings.

53. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

54. De uitvoerende magt berust bij den Koning.

55 (55). De Koning heeft het opperbestuur der buiten-landsche betrekkingen.

56 (56*). De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, met bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als hij met het belang en de zekerheid van het Kijk bestaanbaar acht.

57 (57). De Koning maakt en bekrachtigt vredes-en alle andere verdragen met vreemde mogendheden.

Hij deelt den inhoud dier verdragen mede aan de beide Kamers der Staten-Generaal, zoodra hij oordeelt, dat het belang en de zekerheid van het Rijk zulks toelaten.

Verdragen, welke, hetzij afstand of ruiling van eenig grondgebied des Rijks in Europa of in andere werelddeelen, hetzij eenig andere bepaling of verandering, wettelijke regten betreffende, inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd, dan nadat de Staten-Generaal die bepaling of verandering hebben goedgekeurd.

58 (58). De Koning heeft het oppergezag over zee-en landmagt.

2öl

-ocr page 282-

GRONDWET VAN 1848.

De militaire officieren worden door hem benoemd. Zij worden door hem bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld, volgens de regels door de wet te bepalen.

De pensioenen worden door de wet geregeld.

59 (59). De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en bezittingen van het Rijk in andere wereld-deelen.

De reglementen op het beleid der regering aldaar worden door de wet vastgesteld.

Het muntstelsel wordt door de wet geregeld.

Andere onderwerpen, deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan.

60 (59). De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een omstandig verslag geven van het beheer dier koloniën en bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden.

De wet regelt de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen.

61 (60). De Koning heeft het opperbestuur van de algeraeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegiën en ambtenaren, die uit \'s Lands kas worden betaald.

De wet regelt de bezoldiging van de ambtenaren der regterlijke raagt.

De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting der staatsbehoeften.

De pensioenen der ambtenaren worden door de wet geregeld.

62 (61*). De Koning heeft het regt van de munt. Hij vermag zijne beeldtenis op de muntspeciën te doen stellen.

63 (62 , 65). De Koning verleent adeldom.

Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden

aangenomen.

64 (63*). Ridder-orden worden door eene wet, op het voorstel des Konings, ingesteld.

65 (64*, 65). Vreemde orden, waaraan geene verplig-tingen verbonden zijn, mogen worden aangenomen door den Koning en, met zijne toestemming, door de Prinsen van zijn Huis.

262

-ocr page 283-

II. Hoofdst. Van den Koning.

In geen geval mogen de onderdanen des Konings vreemde ordesteekenen, titels, rang of waardigheid aannemen, zonder zijn bijzonder verlof.

66 (66). De Koning heeft het regt van gratie van straffen, door regterlijke vonnissen opgelegd.

Wanneer het veroordeelingen betreft tot drie jaren gevangenis en daar beneden en tot geldboete, hetzij te zamen, hetzij afzonderlijk, oefent de Koning dat regt uit, na gehoord advijs van den regter, die het vonnis heeft gewezen; in de overige zaken, na gehoord advijs van den Hoogen Raad.

Amnestie en abolitie worden niet dan door eene wet toegestaan.

67 (67). Dispensatie wordt door den Koning slechts verleend van eene bepaalde wet, in de gevallen door de wet omschreven.

68 (68). De Koning beslist alle geschillen van bestuur, welke tusschen twee of meer provinciën ontstaan, wanneer hij die niet in der minne kan doen bijleggen.

69 (69*). De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet voor, en doet zoodanige andere voorstellen, als hij noodig oordeelt.

Hij heeft het regt, om de voorstellen, hem door de Staten-Generaal gedaan, al of niet goed te keuren.

70. De Koning heeft het regt, om de Kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk of beide te zamen, te ontbinden.

Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken , houdt tevens den last in tot het verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertig dagen, en tot het zamenkomen der nieuw verkozen Kamers binnen twee maanden.

Zevende Akdeeung.

Van den Raad van State en de Ministeriële Departementen.

71 (70, 71). Er is een Raad van State, welks zamenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet.

203

-ocr page 284-

grondwet van 1848.

De Koning is voorzitter van den Raad, en benoemt de leden.

De Prins van Oranje heeft echter, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, zitting van regtswege en eene raadgevende stem.

72 (72*). De Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen, door hem aan de Staten-Generaal te doen, of door deze aan hem gedaan. alsmede alle algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

Aan het hoofd der uit te vaardigen wetten en bevelen wordt melding gemaakt, dat de Raad van State deswege gehoord is.

De Koning neemt wijders de gedachten van den Raad van State in over alle zaken van algemeen of bijzonder belang waarin hij zulks noodig oordeelt.

De Koning alleen besluit, en geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den Raad.

73 (74—76). De Koning stelt ministeriële departementen in, benoemt er de hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.

De hoofden der ministeriële departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt.

Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet.

Alle Koninklijke besluiten en beschikkingen worden door een der hoofden van de ministeriële departementen mede onderteekend.

Derde Hoofdstuk.

Van de Staten-Generaal.

Eehste Ai deeling.

Van de Zamenstelling der Staten-Generaal.

74 (79*). De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche volk.

264

-ocr page 285-

III. Hoofdst. Van den Koning.

75 (80*). De Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer.

76 (81). De leden der Tweede Kamer worden in de kiesdistricten, waarin het Rijk verdeeld wordt, gekozen door de meerderjarige ingezetenen, Nederlanders, in het volle genot der burgerlijke en burgerschaps-regten, en betalende in de directe belastingen eene som, die, overeenkomstig met de plaatselijke gesteldheid, doch niet beneden het bedrag van f 20, noch boven dat van f\' 160, in de kieswet zal worden vereischt.

77 (81). Het getal van de leden der Tweede Kamer wordt bepaald naar de bevolking, voor ieder 45.000 één.

De verdere regels ten aanzien van het kiesregt stelt de kieswet.

78 (82). De Eerste Kamer bestaat uit 39 leden.

Zij moeten behooren tot de hoogst aangeslagenen in de rijks-directe belastingen.

Het getal dezer hoogst aangeslagenen, waaruit zij worden gekozen, wordt in elke provincie zoo bepaald, dat op iedere drie duizend zielen één, die tevens de overige vereischten bezit om lid dezer Kamer te zijn, verkiesbaar is.

Deze overige vereischten zijn dezelfde, welke voor de leden der Tweede Kamer worden gevorderd.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten, in de

volgende verhouding:

Noordbrabant......5.

Gelderland.......5.

Zuidholland......7.

Noordholland......6.

Zeeland........2.

Utrecht........2.

Friesland.......3.

Overijssel.......3.

Groningen.......2,

Drenthe........i.

Limburg..............3.

39.

Ingeval van vereeniging of splitsing van provinciën

265

-ocr page 286-

grondwet van ^848.

voorziet dezelfde wet, die dit beveelt, in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden.

Tweede Afdeeling.

Van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

79 (83). Om tot lid der Tweede Kamer verkiesbaar te zijn, wordt alleen vereischt, dat men Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschaps-regten zij en den ouderdom van dertig jaren hebbe vervuld.

80. Die te gelijk of op meer dan ééne plaats tot lid van de Eerste of van de Tweede of van beide Kamers is gekozen, verklaart welke dier benoemingen hij aanneemt.

81 (84). De leden der Tweede Kamer hebben zitting gedurende vier jaren.

De helft van hen valt om de twee jaren uit, volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende zijn dadelijk weder verkiesbaar.

82 (85*). De leden stemmen, elk volgens eed en geweten, zonder last van of ruggespraak met hen, die benoemen.

83 (86). Bij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den volgenden eed of belofte af:

)gt;Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet.quot; ttZoo waarlijk helpe mij Gvd almagtig /quot; (»Dat ytheloof ik/quot;)

Alvorens tot dien eed of belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af:

»Ik zweer (verklaar), dat ik. om tct lid van »de Tweede Kamer der Sta ten-Generaal te worden ))benoemd, direetelijk of indirectelijk, aan geene «personen, hetzij in of buiten het bestuur, onder »wat naam of voorwendsel ook, eenige giften of «gaven beloofd of gegeven heb, noch beloven of »ge ven zal.

206

-ocr page 287-

III. Hooidst. Van de Statcn-Generaal. 267

sik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd »in deze betrekking te doen of te laten, van «niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken «aannemen zal, directelijk of indirectelijk.quot;

tgt;Zoo waarlijk hclpe mij God almagticj!quot; {oDal Dverklaar en heluof ik!quot;)

Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning, of in de vergadering der Tweede Kamer, in bandon van den voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd.

84 (87). De voorzitter wordt door den Koning benoemd voor het tijdperk eener zitting, uit eene door de Kamer aangeboden opgave van drie leden.

85 (88). De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal worden geregeld.

Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som van /quot;2000 \'s jaars.

Deze schadeloosstelling wordt, voor den tijd dei-zitting, niet genoten door hen, die gednrende do geheele zitting afwezig bleven.

Derde Akdeelixg.

Van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

86 (82 , 89 , 90). De leden der Eerste Kamer hebben zitting gedurende negen jaren.

Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af, volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende leden zijn dadelijk weder verkiesbaar. Art. 82 is op hen van toepassing.

Zij leggen, bij het aanvaarden hunner betrekking, in handen van den Koning gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald.

Zij genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet.

87 (91*). De voorzitter wordt door den Koning benoemd voor het tijdperk eener zitting.

-ocr page 288-

grondwet van 1848.

Vierde Afdeeling.

Beschikkingen aan heide Kamers gemeen.

88 (92*). Niemand kan te gelijk lid der beide Kamers zijn.

89 (93). De hoofden der ministeriële departementen hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben alleen eene raadgevende stem, ten ware zij tot leden dei-vergadering mogten benoemd zijn.

Zij geven aan de Kamers, het zij mondeling, het zij,, schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang en de zekerheid van het Rijk, de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen.

Zij kunnen door elke der Kamers worden mtgenoodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn.

90. De Tweede Kamer heeft het regt van onderzoek {enquête) te regelen door de wet.

91 (94). De leden der Staten-Generaal kunnen niet te gelijk zijn leden of procureur-generaal van den Hoogen Raad, noch leden van de Rekenkamer, noch commissaris des Konings in de provinciën, noch geestelijken, noch bedienaren van de godsdienst.

Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van eene der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van regtswege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn, keeren zij tot de werkelijke dienst terug.

De ambtenaren, die ter verkiezing voorzitten, zijn binnen het district, waarin zij voorzitten, niet benoembaar.

Leden der Staten-Generaal een bezoldigd staats-ambt aannemende, of bevordering in de staats-dienst verwervende, houden op leden der Kamers te zijn, maar zijn dadelijk weder verkiesbaar.

92. De leden der Kamers zijn niet geregtelijk vervolgbaar wegens de advijzen, door hen in de vergadering uitgebragt.

93 (96). Elke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven harer nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen,

268

-ocr page 289-

III. Hoofdst. Van cle Staten-Gencraal. 2G!gt;

welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen.

9é (97). Elke Kamer benoemt haren griffier buiten haar midden.

95 (99). De Staten-Generaal vergaderen ten minste eenmaal \'s jaars.

Hunne gewone vergadering wordt geopend op den derden Maandag in September.

De Koning roept de buitengewone vergadering bijeen, zoo dikwijls hij zulks noodig oordeelt.

96 (109). De afzonderlijke zittingen der beide Kamers, en even zoo de vereenigde zittingen, worden in het openbaar gehouden.

De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der aanwezige leden het vordert of de voorzitter het noodig keurt.

De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen. ■

97 (100). De Staten-Generaal bij overlijden des Ko-nings of bij afstand van de Kroon niet vergaderd zijnde, vergaderen zonder voorafgaande oproeping.

Deze buitengewone vergadering wordt op den vijftienden dag na het overlijden of na rien afstand geopend. Zijn de Kamers ontbonden, dan vangt deze termijn aan van den afloop der nieuwe verkiezingen.

98 (101). De vergadering der Staten-Generaal wordt, in vereenigde zitting der beide Kamers, door den Koning of door eene commissie van zijnentwege, geopend. Zij wordt op dezelfde wijze gesloten, wanneer hij oordeelt, dat het belang van het Rijk niet vordert de vergadering langer bijeen te houden.

De gewone jaarlijksehe vergadering blijft ten minste twintig dagen bijeen, tenzij de Koning gebruik make van het regt in art. 70 omschreven.

99. Bij ontbinding van eene der Kamers of van beide, sluit de Koning tevens de vergadering der Staten-Generaal.

100 (102). De Kamers mogen, noch afzonderlijk, noch in vereenigde zitting, beraadslagen of besluiten,, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is.

-ocr page 290-

grondwet van -1848.

101 (103). Alle besluiten worden door volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt.

Bij staken van stemmen wordt het nemen van het hesluit tot eene volgende vergaderino; uitgesteld.

In deze, en even zoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

102 (104*). Over alle zaken wordt mondeling en bij hoofdelijke oproeping gestemd, doch bij het doen van keuzen of voordragten van personen, bij besloten en ongeteekende briefjes.

103 (105*). Bij eene vereenigde zitting worden de beide Kamers als slechts ééne beschouwd en nemen hare leden naar willekeur door elkander plaats.

De voorzitter der Eerste Kamer heeft de leiding der vergadering.

Vijfde Afdeeling.

Van de Wetgevende Magt.

104 (106*). De wetgevende magt wordt gezamenlijk door den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend.

105 (107*). De Koning zendt zijne voorstellen, hetzij van wet, hetzij andere, aan de Tweede Kamer, bij eene schriftelijke boodschap, welke de redenen -van het voorstel inhoudt, of door eene commissie.\'

106 (108*). Over eenig ingekomen voorstel des.Ko-nings wordt door de volle Kamer niet beraadslaagd, dan0 nadat het is overwogen in de onderscheidene af-deelingen, waarin al de leden der Kamer zich verdeeleu en welke op gezette tijden bij loting vernieuwd worden.

gt; \\ ■ \\I07. De Tweede Kamer heeft het regt wijzigingen in \\ ^yeen voorstel des Konings te maken.

lt; ■ 108 (110, 111). Wanneer de Tweede Kamer tot aan

neming van het voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij het aan de Eerste Kamer met het volgende formulier: , \'

«De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan \' «de Eerste Kamer het hier nevensgaande voorstel «des Konings, en is van oordeel, dat het, zoo als

270

-ocr page 291-

III. Hoofdst. Van de Staten-Generaal. 271

»het daar ligt, door de Staten-Generaal behoort te «worden aangenomen.quot;

Wanneer de Tweede Kamer tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met het volgende formulier:

»üe Tweede Kamer der Staten-Generaal betuigt »den Koning haren dank voor zijnen ijver in het «bevorderen van \'s Rijks belangen, en verzoekt hem «eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging »te nemen.quot;

109 (112, 113). De Eerste Kamer overweegt, met inachtneming van art. 106, het voorstel zoodanig als het door de Tweede Kamer is aangenomen.

Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer, met de volgende formulieren:

))Aan den Koning!

»De Staten-Generaal betuigen den Koning hunnen «dank voor zijnen ijver in het bevorderen van \'s Rijks «belangen en vereenigen zich met het voorstel zoo «als het daar ligt.quot;

■»Aan de Tweede Kamer!

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft «aan de Tweede Kamer kennis, dat zij zich heeft

«vereenigd met het voorstel betrekkelijk......, op

«den......, aan haar door de Tweede Kamer toe-

«gezondenV-i\'

Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer, met de volgende formulieren:

uAaa den Kon ine/!

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal betuigt «den Koning haren dank voor zijnen ijver in het «bevorderen van \'s Rijks belangen, en verzoekt hem «eerbiedig het gedane voorstel in nadere overwe-«ging te nemen.quot;

dAcdi de Tweede Kamer!

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan »de Tweede Kamer kennis, dat zij den Koning «eerbiedig heeft verzocht het voorstel betrekkelijk......, op den...... aan haar door de Tweede

-ocr page 292-

GRONDWET VAN 1848.

»Kamer toegezonden, in nadere overweging te »nenien.quot;

110 (114). De Staten-Generaal hebben het regt voorstellen van wet aan den Koning te doen.

111 (115*, 110*). De voordragt daartoe behoort uitsluitend aan de Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ton aanzien van \'s Konings voorstellen is bepaald, en, na aanneming, aan de Eerste Kamer verzendt met het volgende formulier:

»De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan »de Eerste Kamer het hiernevens gaande voorstel, sen is van oordeel, dat de Staten-Generaal daarop s\'s Konings bewilliging behooren te verzoeken.quot;

112 (117*, 118*). Wanneer do Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij het aan den Koning met het volgende formulier:

))De Staten-Generaal oordeelende, dat het nevens-sgaande voorstel zon kunnen strekken tot bevordering »van \'s Rijks belangen, verzoeken eerbiedig daarop »\'s Konings bewilliging.quot;

Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier:

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft «kennis aan de Tweede Kamer, dat zij zich heeft

svereenigd met het van haar op den...... ontvan-

»gen voorstel betrekkelijk......, en daarop namens

»de Staten-Generaal \'s Konings bewilliging heeft «verzocht.quot;

• Wanneer de Eerste Kamer het voorstel niet goedkeurt, zoo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier:

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft geene «genoegzame reden gevonden om op het hiernevens «teruggaande voorstel \'s Konings bewilliging te ver-«zoeken.quot;

113. Andere \'voordragten, dan voorstellen van wet, kunnen door elke Kamer afzonderlijk aan den Koning worden gedaan.

114 (119). De Koning doet den Staten-Generaal zoo spoedig mogelijk kennis dragen, of hij een voorstel van wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die

272

-ocr page 293-

III. Hoofdst. Van de Uta ten-Gene mal. \' 273

kennisgeving geschiedt met een der volgende formulieren ;

»De Koning bewilligt in het voorstel.quot;

of: »De Koning houdt het voorstel in overweging.quot;

115 (120). Alle voorstellen van wet, door den Koningen de beide Kamers der Sta ten-Generaal aangenomen, verkrijgen kracht van wet en worden door den Koning afgekondigd.

De wetten zijn onschendbaar.

11\'fi (121*). De wijze van afkondiging der wetten, en de tijd wanneer zij verbindende zijn, worden door de wet geregeld.

Het formulier van afkondiging is het volgende:

«Wij, enz..... Koning der Nederlanden, enz.... «allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! «doen te weten:

«Alzoo Wij in overweging genomen hebben, «dat enz.

(De beweegredenen der wet.)

«Zoo is het, dat Wij, den Raad van State ge-«hoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, «hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goed-«vinden en verstaan bij deze, enz.

(De inhoud der wet.)

«Gegeven, enzquot;

117. Ten aanzien der algemecne maatregelen van inwendig bestuur van den Staat, bepaalt de wet insgelijks de wijze van afkondiging en het tijdstip, .waarna zij zullen werken.

118. De Grondwet en andere wetten zijn alleen voor het Rijk in Europa verbindende, tenzij het tegendeel daarin wordt uitgedrukt.

Zesde Afdeei.ing.

Van de Begrooting.

119 (122). Dooi- de wet worden de begrootingen van alle uitgaven des Rijks vastgesteld, en de middelen tot dekking aangewezen.

120 (122). De ontwerpen der algemeene begrootings-

■18

-ocr page 294-

grondwet van 1848.

wetten worden jaarlijks van wege den Koning aan de Tweede Kamer aangeboden, dadelijk na het openen der gewone vergadering van de Staten-Generaal, vóór den aanvang van het jaar waarvoor de begrootingen moeten dienen.

121 (125). Geen hoofdstuk der begrooting van uitgaven kan meer dan die voor één departement van algemeen bestuur behelzen.

leder hoofdstuk wordt in een of meer ontwerpen van wet vervat.

Door zoodanige wet kan overschrijving worden toegestaan.

122 (126). De verantwoording van de staats-uitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de door de Rekenkamer goedgekeurde rekening, aan de wetgevende magt gedaan.

Het slot der rekening wordt door de wet vastgesteld

Vierde Hoofdstuk.

Van dc Provinciale Staten en de Gemeente-besturen.

Eerste Akdeeling.

Van de samenstelling der Provinciale Staten.

123 (\'127—129). De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren, onmiddellijk door de ingezetenen, bezittende de vereischten in art. 76 vermeld, naar de bepalingen der wet gekozen.

De helft dier leden treedt om de drie jaren af.

124 (95, 134). Niemand kan te gelijk zijn lid der Eerste Kamer van de Staten-Generaal en lid der Staten eener provincie, noch ook lid der Staten van meer dan ééne provincie.

27-4

-ocr page 295-

IV. Hoofdst. Van de Provinciale Staten, enz. 275

125 (136). De leden der Provinciale Staten leggen, bij het aanvaarden hunner- betrekking, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den volgenden eed of belofte af:

»Ik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en saan de wetten des Rijks.

jgt;Zou waarlijk helpe mij God almagtig(nDat vheloof ik!quot;)

Zij worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd den eed (verklaring en belofte) van zuivering, hierboven in art. 83 voor de leden der Staten-Generaal bepaald.

120 (137). De Staten vergaderen zoo dikwerf in het jaar als de wet bepaalt, en bovendien wanneer zij dooiden Koning buitengewoon worden bijeengeroepen.

De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kamers van de Staten-Generaal is bepaald in art, 96.

127 (138). De leden der Staten stemmen, elk volgens eed en geweten, zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen.

128 (quot;139, 140). Omtrent het beraadslagen en stemmen gelden de regels in de art. 100, 101 en 102 ten aanzien van de Kamers der Staten-Generaal voorgeschreven.

Tweede Afdeelixg.

Van de magt der Provinciale Staten.

129 (141). De Staten dragen jaarlijks de kosten van hun bestuur, voor zooveel het rijks-bestuur is, aan den Koning voor, die ze, ingeval van goedkeuring, op de begrooting der staatsbehoeften brengt.

De begrooting der enkel provinciale en huishoudelijke inkomsten en uitgaven, door de Staten mede jaarlijks opgemaakt, vereischt \'s Konings goedkeuring.

Provinciale belastingen tot dekking dezer uitgaven, door de Staten aan den Koning voorgedragen, verei-schen bekrachtiging door de wet.

-ocr page 296-

GRONDWET VAN 1848.

130 (143). De Staten worden belast met de uitvoering der wetten en koninklijke bevelen , betrekkelijk tot die takken van algemeen binnenlandsch bestuur, welke de wet zal aanwijzen, en zoodanige alndere bovendien, welke de Koning goedvindt hun op te d ragen.

131 (144. 145). Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van het provinciaal huishouden dooi\' de wet overgelaten.

Behoudens de voorschriften in art. 129 moeten alle zoodanige reglementen en verordeningen, als zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen te maken, aan de goedkeuring van den Koning worden onderworpen.

Zij zorgen dat de doorvoer, en de uitvoer naaien invoer uit andere provinciën geene belemmering ondergaan.

132 (146). Zij trachten alle geschillen tusschen gemeentebesturen in der minne te doen bijleggen. Indien zij daarin niet slagen, dragen zij het geval, zoo het een geschil van bestuur betreft, aan den Koning ter beslissing voor

133 (147). De Koning heeft het vermogen de besluiten der Staten, die met de wetten of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen of te vernietigen. De wet regelt de gevolgen.

134 (149). De Staten kunnen de belangen van hunne provinciën en van hare ingezetenen bij den Koning en bij de Staten-Generaal voorstaan.

135 (150). De wijze waarop het gezag en de magt, aan de Provinciale Staten opgedragen, worden uitgeoefend , wordt door de wet geregeld.

13G (151). De Staten benoemen uit hun midden een collegie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels, door de wet te stellen, de dagelijiische leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet.

137 (135). De Koning stelt in alle provinciën commissarissen aan. met de uitvoering zijner bevelen en met het toezigt op de verrigtingen der Staten belast.

Deze commissarissen zitten voor in de vergadering der Staten, en in die der Gedeputeerde Staten, en hebben stem in laatstgenoemd collegie.

\'270

-ocr page 297-

I V. HoofdsT, Van de Provinciale Stalen, enz. 277

Derde Afdeemng.

Van de Gemeentebesturen.

138 (130, 152). De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen worden, nadat de Provinciale Staten zijn gehoord, door de wet geregeld, met inachtneming der voorschriften, in de volgende artikelen vervat.

139 (131, quot;132). Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden onmiddellijk door de ingezetenen, op de wijze door de wet te regelen, voor een bepaald aantal jaren worden verkozen.

De voorzitter wordt door den Koning ook buiten de leden van den raad benoemd, en ook dooi\' hem ontslagen.

Om kiezer in eene gemeente te zijn, moet men de vereischten bezitten, in art. 76 gevorderd; de belastingsom, daar bepaald, wordt echter op de helft gebragt.

140 (153). Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten. Op de verordeningen, welke hij te dien aanzien maakt en aan de Provinciale Staten moet mededeelen, is art. 133 van toepassing

141. De besluiten der gemeentebesturen, rakende de beschikking over gemeente-eigendom en zoodanige andere burgerlijke regtshandelingen welke de wet aanwijst, alsmede de begrootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan de goedkeuring der Provinciale Staten onderworpen.

142 (155. 150*). Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen aan de Staten zijner provincie, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen gevolg worden gegeven

wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen

Zij mogen den doorvoer, en den uitvoer naar en invoer uit andere gemeenten niet belemmeren.

-ocr page 298-

GRONDWET VAN \'1848.

143 (154). De wet regelt ook het opmaken der begrootingen en het opnemen en sluiten der plaatselijke rekeningen.

144 (158). De gemelde besturen kunnen de belangen van hunne gemeenten en van hare ingezetenen voorstaan bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij de Staten der provincie waartoe zij behooren.

Vijfde Hoofdstuk.

Van de Justitie.

Eerste Akdeeling.

Algemeene beschikkingen.

145 (1(30). Er wordt alom in de Nederlanden regt gesproken in naam des Konings.

146 (161, 186, 187). Er is een algemeen wetboek van burgerlijk regt, van koophandel, van strafregt, van burgerlijke regts- en van strafvordering en van de zamenstelling der regterlijke magt.

De wet regelt insgelijks het regtsgebied over het krijgsvolk en de schutterijen.

Zij regelt ook de regtspraak over geschillen en overtredingen in zake aller belastingen.

147 (162). Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet, dan ten algemeenen nutte en tegen voorat-gaande schadeloosstelling.

De wet verklaart vooraf dat het algemeen nut de onteigening vordert.

Eene algemeene wet regelt de uitzondering op het vereischte van zoodanige verklaring ten behoeve -van vestingbouw en den aanleg, het herstel of onderhoud van dijken, bij besmetting en andere dringende omstandigheden.

278

-ocr page 299-

V. Hoofdst. Van de Justitie.

De , bovengenoemde vereischten van voorafgaande verklaring door eene wet, en van voorafgaande schadeloosstelling kunnen niet worden ingeroepen, wanneer oorlog, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneming vorderen. Het regt van den onteigende op schadeloosstelling wordt hierdoor echter niet verkort.

148 (-103). Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering £n andere burgerlijke regten. behooren bij uitsluiting tot S*

ieTTennis van de regterlijke magt.

Aan haar behoort insgelijks, behoudens de uitzonderingen door de wet te bepalen, de beslissing over bu rgerschapsregten.

149(164). De\' regterlijke magt wordt alleen uitgeoefend door regters, welke de wet aanwijst.

150 (105). Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent.

Do wet regelt de wijze, waarop geschillen over bevoegdheid, tusschen de administrative en regterlijke magt ontstaan, worden beslist,

151 (166). Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding. Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.

De wet bepaalt den vorm van dit bevel, en den tijd, binnen welken alle aangeklaagden moeten worden verhoord.

152 (167*). Wanneer een ingezeten, in buitengewone omstandigheden, door het politiek gezag is gearresteerd, is hij, op wiens bevel zoodanige arrestatie plaats heeft gehad, gehouden daarvan terstond kennis te geven aan den plaatselijken regter, en hem voorts den gearresteerde binnen den tijd van drie dagen over te leveren.

De criminele regtbanken zijn verpligt, elk in haar ressort, te zorgen dat zulks stiptelijk worde nagekomen.

153 (168). Niemand mag de woning eens ingezeten diens ondanks binnentreden, dan op last eener magt.

door de wet bevoegd verklaard dien last te geven, cn volgens de vormen in de wet bepaald.

279

-ocr page 300-

GRONDWET VAN \'1848.

154. Het geheim rler aan de post of andere openbare instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen in de wet omschreven.

155 (169*). Op geene misdaad mag als straf gesteld worden de verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebehoorende

150 (170—172). Alle vonnissen moeten de gronden, waarop zij rusten, en in strafzaken de artikelen der wet, waarop de veroordeeling rust, vermelden, en-met fTpeh deuren worden uitgesproken.

De teregtzittingen zijn openbaar, behoudens de uitzonderingen in het belang der openbare orde en zedelijkheid, door de wet vast te stellen.

Twekde Aideeling.

Van den Hnocjen Raad en de Beg ter lij ke Collegiën.

157 (173). Er bestaat voor het gelieele Rijk een opperste geregtshof, onder den naam van Hooge Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning, uit eene nominatie, volgens art. 158, worden benoemd.

158 (174). Van eene voorgevallene vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennis gegeven, die, ter vervulling daarvan, eene nominatie van vijf personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen. De Koning benoemt den president uit de leden van den Hoogen Raad en heeft de regtstreeksche aanste\' ; van den procureur-generaal.

159 (175). De leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriële departementen, de gouverneurs-generaal of de hooge ambtenaren onder een anderen naam met gelijke magt bekleed in de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad. van State en de commissarissen des Konings in dé provinciën staan, wegens ambtsmisdrijven, ter vervolging hetzij van Koningswege, hetzij van wege de Tweede Kamer, te regt voor den Hoogen Raad.

160 (176). De wet bepaalt welke andere ambtenaren

280

-ocr page 301-

V. Hoofdst. Van de Justitie.

en leden van hooge collegiën. wegens ambtsmisdrijven, vooi- den Hoogen Raad te regt staan.

101 (177*). De Hooge Raad oordeelt over alle actiën, waarin de Koning, de leden van het Koninklijk Huis of de Staat als gedaagden worden . aangesproken, met uitzondering der reële actiën, die voor den gewonen regter worden behandeld.

162 (178*). De Hooge Raad heeft het toezigt op den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten hij alle regterlijke collegiën. Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen, volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken.

163 (184). De leden en de [irorureur-generaal bij den Hoogen Raad, de leden van de geregtshoven. zoo die er zijn, en van de regtbanken van eersten aanleg worden voor hun leven aangesteld.

Al dezen en de zoodanigen, die voor een bepaalden tijd zijn aangesteld, kunnen worden afgezet of ontslagen door regterlijke uitspraak. in de gevallen in de wet te bepalen. Zij kunnen op eigen verzoek. door den Koning worden ontslagen.

Zesde Hoofdstuk.

Van de («(nlsdicnsf.

\'4 (188). Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen n.v-i, volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en barer leden tegen de overtreding dei-strafwet.

165 (189). Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend.

166 (190). De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.

167 (191). Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, bebou-

281

-ocr page 302-

GRONDWET VAN 1848.

dens de noodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust.

Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten.

168 (122*). De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.

Aan de leeraars, welke tot nog toe uit \'s Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.

169 (-194). De Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat.

170. De tusschenkomst der Regering wordt niet ver-eischt bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen, noch, behoudens verantwoordelijkheid volgens de wet, bij de afkon liging van kerkelijke voorschriften.

Zevende Hoofdstuk.

Van de l\'iiianciëii.

171 (195*). Geene belastingen kunnen ten behoeve van \'s Lands kas worden geheven, dan uit krachte van eene wet.

172 (196*). Geene privilegiën kunnen in het stuk van belastingen worden verleend.

173 (197). De verbindtenissen van den Staat jegens zijne schuldeischers worden gewaarborgd. De schuld wordt jaarlijks in overweging genomen ter bevordering der belangen van de schuldeischers van den Staat.

174 (198*). Het gewigt, de gehalte en de waarde dei-Muntspeciën worden door de wet geregeld.

282

-ocr page 303-

VII. Hookdst. Van de Financiën.

175 (quot;199). Het toezigt en de zorquot;\' over de zaken van de Munt, en de beslissing der geschillen over het allooi, essai en wat dies meer zij . worden door de wet geregeld.

176 (200). Er is eene Algeraeene Rekenkamer, welker zamenstelling en taak door de wet worden geregeld.

Bij het openvallen eener plaats in deze Kamer zendt de Tweede Kamer der Sta ten-Generaal eene opgave van drie personen aan den Koning, die daaruit kiest.

De leden der Rekenkamer worden voor hun leven aangesteld. Hunne bezoldiging wordt door de wet geregeld.

Het 2de lid van art. 103 is op hen van toepassing.

Achtste Hoofdstuk.

Van «le Defensie. •

177 (201). Het dragen der wapenen tot handhaving dor onafhankelijkheid van den Staat en tot beveiliging van zijn grondgebied-, blijft een der eerste pligten van alle ingezetenen.

178 (202*). De Koning zorgt, dat er ten allen tijde eene toereikende Zee- en Landinagt onderhouden worde, aangeworven uit vrijwilligers, hetzij inboorlingen of vreemdelingen, om te dienen in of buiten Europa, naar de omstandigheden.

179 (203). Vreemde troepen worden niet dan met gemeen overleg des Konings en der Staten-Generaal in dienst genomen.

180 (204). Er is steeds eene nationale militie, zooveel mogelijk zamen te stellen uit vrijwilligers, om te dienen op de wijze in de wet bepaald.

181 (205). Bij gebrek aan genoegzame vrijwilligers, wordt de militie voltallig gemaakt door loting uit de ingezetenen, die op den eersten .lanuarij van elk jaar hun twintigste jaar zijn ingetreden. De inschrijving geschiedt een jaar te voren.

182 (204). Zij, die aldus in de militie te land zijn ingelijfd, worden, in vredestijd, na eene vijfjarige dienst ontslagen.

283

-ocr page 304-

GRONDWET VAN 1848.

Is de Staat in oorlog of in andere buitengewone omstandigheden, zoo kan eene wet, jaarlijks te vernieuwen, hen tot langere dienst verpligten.

183 (206). De militie te land komt, in gewone tijden, jaarlijks eenmaal te zamen, om, gedurende niet langer dan zes weken, in den wapenhandel te worden geoefend, tenzij de Koning het raadzaam niogt oordeelen, dat za-menkomen geheel of gedeeltelijk achterwege te laten.

De Koning kan een deel der militie, door de wet te bepalen, doen zamenblijven

De ligting van het loopende jaar kan tot eerste oefening hoogstens twaalf maanden Onder de wapenen gehouden worden.

184 (\'207). Ingeval van oorlog of andere buitengewone omstandigheden, kan de Koning de militie te land, hetzij geheel, hetzij ten deele. buitengewoon bijeenroepen.

Ten zelfden tijd roept de Koning de Staten-Generaal bijeen, opdat eene wet het zamenblijven der militie, zooveel noodig, bepale. ,

185 (208). De lotelingen bij de militie te land mogen niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen worden gezonden.

180. Een gedeelte der militie kan voor de dienst ter zee worden bestemd op de wijze door de wet te bepalen.

Voor dat gedeelte wordt, behalve andere door de wet toe te kennen voordeelen, een korter diensttijd bepaald.

Het voorgaande artikel is op deze zeemilitie niet van toepassing. lt;

187 (2-10). Al de kosten voor de legers van het Rijk worden uit \'s Lands kas voldaan.

De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten en leverantiën, van welken aard ook, voor \'s Konings legere of vestingen gevorderd, kunnen niet dan tegen schadeloosstelling, op den voet in de reglementen bepaald, \'ten laste van één of, meer inwoners of gemeenten worden gebragt.

De uitzondering voor tijden van oorlog regelt de wet.

188 (\'21i). In de gemeenten worden schutterijen op-gerigt.

Zij dienen in tijd van gevaar en ooMog Lot verdediging

\'284

-ocr page 305-

VIII. Hooi nsT. Van de Defensie. 285

des vaderlands, en ten allen tijde tot behoud der inwendige rust.

189 (212). De sterkte en inrigting der militie en der schutterijen worden geregeld donr de wet.

Negexde Hoofdstuk.

Van dvn Waterstaat.

190 (213*). De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat betreft den waterstaat, de wegen en bruggen daaronder begrepen, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit \'s Lands kas of op eene andere lt;vijze gevanden.

.191 (214—218). De wet regelt het algemeene en het bijzondere bestuur van don waterstaat in don bovenge-melden omvang.

192 (219 , 220). De Provinciale Staten hebben binnen hunne provinciën het toe/.lgt op alle wateren, bruggen, wegen, waterwerken en waterschappen ; zij zijn bevoegd. onder goedkeuring des Konings, in de bestaande jnrig- ■ tingen en reglementen der waterschappen, behoudens quot;de bepalingen der twee voorgaande artikelen, veranderingen te maken en nieuwe vast te stellen. De besturen dezer waterschappen kunnen aan de Staten daartoe voordragten doen.

193 (221). De Staten hebbea het toezigt over alle verveeningen, ontgrondingen, indijkingen, droogmakerijen, mijnwerken en steengroeven binnen hunne provincie, -behoudens de bevoegdheid des Konings, om het onmiddellijk toezigt, daarover te voeren, aan anderen op te dragen.

-ocr page 306-

GRONDWET VAN 1848.

Tiende Hoofdstuk.

Van het Onderwijs t\'n het Annbestiinr.

15)4 (224). Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering.

De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld.

Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven.

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen.

De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.

195 (226). Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regeling, en wordt door de wet geregeld. De Koning doet van de verrigtingen dienaangaande jaarlijks, een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven.

Elfde Hoofdstuk.

Van Veranderingeiu

15)6 (227). Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. De wet verklaart dat er grond bestaat om ïiet voorstel, zoo als zij het vaststelt, in overweging te nemen.

197 (228, 230). Na de afkondiging dezer wet worden de Kamers ontbonden. De nieuwe Kamers ovrwegen dat voorstel en kunnen niet dan met twee derden der uitgebragte\' stemmen de aan haar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering aannemen.

198 (231*). Geene verandering in de Grondwet

28G

-ocr page 307-

XL Hoofdst. Van Veranderingen. 287

in de erfopvolging, mag gedurende een Regentschap worden gemaakt.

199 (232). De veranderingen in de Grondwet, door den Koning en de Staten-Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd en bij de Grondwet gevoegd.

ADDITIONNELE ARTIKELEN.

1 (2). Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, totdat /ij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen.

2. De wet regelt de schadevergoeding, toe te kennen aan hen, die door of ten gevolge van de herziening der Grondwet, betrekkingen verliezen, hun voor hun leven opgedragen.

3 (2). Alle op het oogenblik der afkondiging van de veranderingen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en besluiten worden gehandhaafd, totdat zij achtervolgens door andere worden vervangen.

4. De heerlijke regten betreffende voord ragt of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft.

De opheffing der overige heerlijke regten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld.

5. De voorstellen:

1quot;. der wet regelende het kiesregt en de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer,

2quot;. van provinciale en gemeente-wet,

worden voorgedragen in de eerste zitting der Staten-Generaal , volgende op de afkondiging der veranderingen in de Grondwet.

De ontwerpen van wet, betreffende de verantwoordelijkheid der ministers, de nieuwe regterlijke inrigting, het onderwijs en armbestuur, en tot uitoefening van het re^t van vereeniging en vergadering, worden zoo mogelijk in diezelfde zitting, en in allen geval niet later dan in de daarop volgende, voorgesteld.

De wetten op het beleid der regering in de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddelen

-ocr page 308-

GRONDWET VAN 1848.

worden binnen drie jaren na de afkondiging dezer veranderingen in de Grondwet voorgedragen.

6. De eerste aftreding van een derde der leden van do Eerste Kamer der Staten-Generaal zal plaats hebben met den derden Maandag in September 1851; die van de helft der leden van de Tweede Kamer met den derden Maandag in September 1850: beide volgens een rooster, te regelen door de wet, in art. 5, no. i, vermeld.

7 bevat het voorloopig kiesreglement. 1)

288

1

Daar slit „Voorl. Kiesregl.quot; sloclits was een overgangsmaatregel, strekkende, om aanstonds nieuwe Kamers te doen kiezen, die het allereerst zich konden bezig houden met do voor te stellen kieswet; daar het Voorl. Kiesregl. maar eenmaal behoefde te werken en ook gewerkt heeft, is het nutteloos, het hierop ta nemen. Het bevatte bepalingen omtrent de verdeeling des rijks in kiesdistricten, den census, de wyze van stemming enz. enz. Vermeldingwaard is alleen, dat in ieder der 08 districten twee candicaten voor de Eerste Kamer door de kiezers zouden worden verkozen en uit de aldus verkregen 130 candidaten , de Koning de 39 loden der Eerste Kamer zou kiezen. Deze afwijking van art. 78 der Grondwet moost wel gemaakt worden, omdat do Prov. Staten nog niet konden ingericht zijn overeenkomstig de nieuwe Grondwet,

N. v. d. U.

-ocr page 309-

Grondwet

VOOR HET

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

18 87.

(Herziening van 1887. De Commissie, benoemd 11 Mei 1883, om te onderzoeken, van welke bepalingen der Grondwet herziening noodzakelijk en thans raadzaam was, en om voorstellen tot die herziening aan den Koning te doen, bracht 25 Juni •1884 hieromtrent verslaguit. Naar aanleiding hiervan en in aansluiting eraan diende de Regeering op 18 Maart 1885 twaalf voorstellen van wet, inhoudende veranderingen in onderscheiden hoofdstukken der Grondwet, bij dc Staten-Generaal in. Ten gevolge der opmerkingen, meegedeeld in het Voorloopig Verslag dei-Tweede Kamer, diende de Regeering hierop 14 Nov. 1885, wijzigingen in : en naar aanleiding der nadere overwegingen in de afdeelingen der T. K. stelde de Regeering, 28 Jan. 1886, nog nadere wijzigingen in de bepalingen op het Kiesrecht en 30 Maart daaraanvolgende in die betreffende de Troonopvolging voor. Inmiddels had de Regeering, hiertoe door de T. K. aangezocht, nog een dertiende wetsvoorstel, ter herziening van het tiende hoofdstuk der Grondwet betreffende het Onderwijs, 1 Nov. 1885, ingediend. Dit voorstel, vóór alle andere in behandeling genomen, werd 9 April 1886 door de T. K. verworpen; en dientengevolge werd de T. K. 11 Mei daarop ontbonden.

De twaalf nog niet behandelde regeeringsvoorstellen werden, nu wederom eenigszins gewijzigd, nadat de nieuw gekozen T. K. bijeen was gekomen, weder ingediend; en hierin, naar aanleiding van het hernieuwde afdeelingsonderzoek en de daarover uitgebrachte verslagen, wederom 25 Nov, 1886 wijzigingen meegedeeld.

Nadat nu, 27 Nov. 1886, op het initiatief van één van de leden der T. K. een voorstel tot herziening van Hoofdstuk X der Grondwet was gedaan, vingen de openbare beraadslagingen over de Herziening in de T. K. 14 Febr. 1ö87 aan,

19

-ocr page 310-

grondwet van 1887.

om te eindigen 17 Juni daaraanvolgende. De uitslag wa.-. dat het voorstel betreffende Hoofdstuk X thans met elf van de regeeringsvoorstellen, niet zonder vele en belangrijke amendementen werd aangenomen; terwijl he\' voorstel tot herziening van Hoofdst. VI der Grondw. (Gods dienst) op den wensch der Kamer door de Regeering wa teruggenomen. De Eerste Kamer beraadslaagde over de aangenomen voorstellen van 4 tot 9 Aug. en vereenigde zich wel met de elf Regeeringsvoorstellen, maar niet met dat betreffende Hoofdst. X. Op de aangenomen voorstellen volgde de Koninklijke bekrachtiging en de uitvaardiging-der wetten van -10 Aug. 1887 (Stbl. Nis. 144—154); waarna, krachtens art. quot;197 der toen geldende Grondwet, de ontbinding der Kamers volgde. De nieuw gekozen Kamers werden op den derden Maandag van Sept. daaraanvolg. geopend. De T. K. beraadslaagde over de herzienings-voorstellen van 10 tot 14 October, nam ze ook thans weer aan; terwijl de Eerste Kamer in de zitting va 5 Nov. insgelijks met alle voorstellen zich vereenigdt Daags daarna bekrachtigde de Koning de aangenomen wetsvoorstellen en deed ze in de Staatsbladen van 6 Nov. (Nis. ISI?—193) afkondigen. De pleytige afkondigin;/■ waardoor de wijzigingen verbindend werden, greep krachtens proclamatie van \'15 Nov., den 30 daaraanv. plaats.)

Eerste Hoofdstuk.

Van het Rijk i-n zijn Inwoners.

Artikel 1. (1) *)

Het Koningrijk der Nederlanden omvat het grondgebied in Europa, benevens de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. (S. 1798, a. 1; S. 1801, a. 21; S. 1805, a. 10: G. 1814, a. 53; G. 1815, a. 1, 2.)

2 (118). De Grondwet is alleen voor het Rijk in Europa verbindende, voor zoover niet het tegendeel daaruit blijkt.

De tusschen (1 geplaatste cijfers wijzen de overeenkomstige artt. der Grondw. van 1848 aan, met een * zoo zij onveranderd of enkel met. een redactiewijziging zyn behouden. N. v. d. L.

290

-ocr page 311-

I. Hoofdst. Van het Rijk en zijn Inwoners. 291

Waar in de volgende artikelen liet Rijk wordt genoemd, wordt alleen het Rijk in Europa bedoeld. (S. 1798, a. 246: S. 1801, a 48; C. 1800, a. 12 )

3 (2). De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en splitsen en nieuwe vormen.

De grenzen van het Rijk, van de provinciën en van de gemeenten kunnen door de wet worden veranderd. (S. \'1798. a. 8: S. 1801, a. 73: S. 1805, a. 10 i.f.: G, 1814, a. 55: G. 1815, a. 3.)

4 (3*). Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hebben gelijke aanspraak op bescherming van persoon en goederen.

De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen, en de algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien van hunne uitlevering verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden gesloten. (S. 1798, Grondr. a. 50, Strg. a. 9; S. 1801, a. 2; S.1805, a. 3: C. 1806. a. 2; G. 1815, a. 4.)

5 (6*). leder Nederlander is tot elke landsbediening benoembaar.

Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet. (S. 1798, Grondr. a. 15: Strg. a. l\'h C. 1806, a. 11, 30: G. 1815, a. 8, 9, 11.)

6 (7). De wet verklaart wie Nederlanders en wie in gezetenen zijn.

Een vreemdeling wordt niet dan door eene wet gena-tural iseerd.

De wet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde. (S. 1798, a. 11a: G. 1815, a. 9, 10.)

7 (8*). Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. (S. 1798, Grondr. a. 16: G. 1815, a. 227.)

8 (9). Ieder heeft het regt om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde magt in te dienen.

Élk verzoek moet door den verzoeker onderteekend zijn.

Onderteekening uit naam van anderen kan alleen geschieden krachtens schriftelijke, bij het verzoek overgelegde volmagt.-

Wettig bestaande ligchamen kunnen aan de bevoegde magt verzoekschriften indienen, doch alleen over onder-

-ocr page 312-

292 grondwet van 1887.

werpen tot hunne bepaalden werkkring behoorende. (S. •1798, Grondr. a. 17; S. 1801, a. 10; S. 1805, a. 7: C. 1806, a. 5; G. 1815, a. 161.)

9 (10*). Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend.

De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde (S. 1798, Grondr. a. 18).

Tweede Hoofdstuk.

Van den Koning.

Eerste Afdeeling.

Van de Troonopvolging.

10 (11*). De Kroon der Nederlanden is en blijft opgedragen aan Zijne Majesteit Willem £ reder ik, Prins van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige nakomelingen te worden bezeten erfelij k, overeenkomstig de navolgende bepalingen. (C. 1806, a. 19; G. 1814, a. 1 ; G. 1815, a. 12.)

11 (1 2*—14*). De Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere mannelijke, uit mannen gekomen nakomelingen bij regt van eerstgeboorte, met dien verstande, dat bij vóór-overlijden van een regthebbende diens zonen of verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen op gelijke wijze in Zijne plaats treden en de Kroon nooit in eene jongere lijn of een jongeren tak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden. (C. 1806, a. 19; G. 1814, a. 2—4; G. 1815, a. 13—15.)

12 (15*). Bij ontstentenis van opvolgers in het voorgaande artikel aangewezen, gaat de Kroon over op de in leven zijnde dochters van den laatstoverleden Koning, bij regt van eerstgeboorte. (G. 1814, a. 5; G. 1815, a. 16.)

13 (16*, 17*). Bij ontstentenis ook van de dochters, in het voorgaand artikel bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters van de nedergaande mannelijke lijnen uit den laatstoverleden Koning en, bij gebreke ook van deze en

-ocr page 313-

II. Hoofdst. Van den Koning.

van hare nakomelingen, gaat de Kroon over in de neder-gaande vrouwelijke lijnen.

In deze gevallen heeft steeds de oudere lijn vóór de jongere, de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en hebben in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang. (G. ISIS, a. quot;17, 18.)

14 (18*). Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot het Huis van Oranje-Nassau behoorende, die den laatstoverleden Koning, in de lijn der afstamming van wijlen Koning Willem Freder ik, Prins van Oranje-Nassau, het naast bestaat.

Bij gelijken graad van verwantschap heeft de eerstgeborene den voorrang.

Is de bedoelde bloedverwante des Konings vóór hem overleden, dan treden hare nakomelingen in hare plaats, des dat de mannelijke lijn vóór de vrouwelijke en de oudere vóór de jongere en in iedere lijn de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jongeren en in iederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen voor jongeren gaan. (G. \'1815, a. 19.)

15 (22*). Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der vier voorgaande artikelen tot de Kroon geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijlen Prins Willem den Vijfde en gemalin van wijlen den Prins van Nassau-Weilburg, op gelijke wijze als in art. 11 ten opzigte van de nakomelingen van wijlen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau, is bepaald (G. 1814, a. 7; G. 1815, a. 23.)

16. Afstand van de Kroon heeft ten opzigte van de opvolging hetzelfde gevolg als overlijden.

17. Het kind, waarvan eene vrouw zwanger is op het oogenblik van het overlijden des Konings, wordt ten opzigte van het regt op de Kroon als reeds geboren aangemerkt. Dood ter wereld komende wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

18 (H*, 20:5). Van de erfopvolging, zoowel voor zich zelve als voor hunne nakomelingen, zijn uitgesloten alle kinderen, geboren uit een huwelijk aangegaan door een

293

-ocr page 314-

GRONDWET VA.N 1887.

Koning of eene Koningin huiten gemeen overleg met de Staten-Generaal, of door een Prins of Prinses van het regerend stamhuis buiten de bij de wet verleende toestemming.

Zoodanig huwelijk aangaande, doet eene Koningin afstand van, en verliest eene Prinses haar regt op de Kroon.

Wanneer de Kroon, hetzij door erfopvolging, hetzij ingevolge artt 15, 49, \'20 of 21 in een ander stamhuis is\'quot;overgegaan, gelden deze bepalingen alleen voor de huwelijken, na \'het tijdstip van dien overgang gesloten. (G. 1814, a. 2; G. 1815, a. 13, 21.)

19 (23). Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in of eenige voorziening omtrent de orde van erfopvolging raadzaam maken, is de Koning bevoegd daaromtrent een voorstel te doen.

De Staten-Generaal. daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarc\\er in ver-eenigde vergadering. (G. 1814, a. 8, 51; G. 1815, a. 24.)

20 (24). Wanneer geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen.

De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover iii \\eieenigde vergadering. (G. 1814, a. 9, 10, 51; G. 1815, a. 25, 26.)

21 (24*)^ Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, geschiedt de benoeming regtstreeks door de Staten^Geneiaal in vereenifde vergadering. Zij worden daartoe in dubbelen quot;etale binnen eene maand na het overlijden bijeengeroepen (G. 1814, a. II: G. 1815, a. 27, 51.)

22 (19*, 25*). Al de bepalingen omtrent de erfopvolging-worden oy) de nakomelingen van den eersten Koning, op wien krachtens een der twee voorgaande artikelen de Kroon overgaat, toepasselijk, in dier voege, dat het nieuwe stamhuis ten opzigte van die opvolging van hem zijnen oor-sprong neemt op gelijke wijze en met dezelfde gevolgen als het Huis van Oranje-Nassau dit volgens art 10 doet uit wiilen Koning Willem Frederik, Prins van Oranje-Nassau.

\'Ditzelfde geldt in het geval van art. 15 ten opzigte van de aldaar bedoelde nakomelingen van wijlen Prinses

Carolina van Oranje. ..

Het geldt evenzeer ten aanzien van de nakomelingen der vrouw, die bij opvolging tot de Kroon is geroepen,

294

-ocr page 315-

II. Hoofdst. Van dan Koning.

met dien verstande, dat de Kroon eerst bij geheele ontstentenis van die nakomelingen in de volgende lijn van het stamhuis, waartoe die vrouw door geboorte behoorde, overgaat. (G. 1815, a. 28.)

23 (26*). Do Koning kan geene vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg.

In geen geval kan de zetel der regering buiten het Rijk worden verplaatst. (C. 1806, a. 21: G. i815, a. 29.)

Tweede Afdeeling.

Van het inkomen der Kroon.

24 (27*). Behalve het inkomen uit de domeinen, dooide wet van 26 Augustus 1822 afgestaan, en in 1848 door wijlen Koning Willem II tot Kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijksch inkomen uit \'s Lands kas, waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming door de wet wordt vastgesteld. (C. 1806, a. 47; G. 1814, a. 12—14; G. 1815, a. 30, 31.)

25 (28*), Den Koning worden tot deszelfs gebruik, zomer- en winter-verblijven in gereedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan ƒ 50.000 jaarlijks, ten laste van den Lande kunnen worden gebragt. (C. 1806, a. 47: G. 1814, a. 12; G. 1815, a. 32.)

26 (29*). De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle personele lasten.

Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door hen genoten. (G. 1814, a. 15; G. 1815, a. 33.)

27 (30*). De Koning rigt zijn Huis naar eigen goedvinden in. (G. 1814, a. 16: G. 1815, a 34.)

28 (31*). Het jaarlijkseh inkomen eener Koningin-weduwe, gedurende haren weduwelijken staat, uit \'s Lands kas is /150.000. (C 1806, a. 48: G. 1815, a. 35.)

29 (32*). De oudste van des Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan, en voert den titel van Prins van Oranje. (G. 1814, a. 17; G. 1815, a. 36 )

30 (33*). De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit \'sLands kas een jaarlijkseh inkomen van /\'100 000. te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien

295

-ocr page 316-

grondwet van \'1887.

jaren zal hebben vervuld: dit inkomen wordt gebragt op /\'200.000, na het voltrekken van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend. (G. 1814. a. 18: G. 1815, a. 37.)

Dkrde Afdeeling.

Van de voogdij des Konings.

31 (34). De Koning is meerderjarig als zijn achttiende jaar vervuld is.

Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje, ingeval deze Regent wordt. (C. 1806, a. 23; G. 1814, a. 19 ; G. 1815, a. 38.)

32 (36*). De voogdij van den minderjarigen Koning wordt geregeld en de voogd of voogden worden benoemd bij eene wet.

Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. (C. 1806. a. 25; G. 1814, a. 20: G. 1815, a. 40.)

33 (37*). Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, zoo worden , is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den minderjarigen Koning over de regeling der voogdij gehoord. (G. 1814, a. 20, 21: G. 1815, a. 41, 51.)

34 (38*). Alvorens de voogdij te aanvaarden legt elke voogd, in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal, in handen van den voorzitter, den volgenden eed of belofte af:

))lk zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer «(beloof) al de pligten, welke de voogdij mij oplegt , «heilig te vervullen, en er mij bijzonder op te zullen «toeleggen, om den Koning gehechtheid aan de Grond-«wet en liefde voor zijn volk in te boezemen.quot;

dZuo waarlijk helpe mij God Alrnagtig!quot; («Da/ »beloof ik.\'quot;) (G. 1815, a. 42.)

35 (39). Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen, wordt in het noodige toezigt over zijn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art 32 bepaald.

De wet bepaalt den eed of de belofte door de hiertoe benoemde voogd of voogden afteleggen. (G. 1815, a. 47.)

296

-ocr page 317-

II. Hoofdst. Van den Koning.

Vierde Afdeeling.

Van het Regentschap.

36 (40*). Gedurende de minderjarigheid van den Koning\' wordt het Koninklijk gezag waargenomen door eenen Regent. (C. 1806, a. 23; G. 1814, a. 23; G. 1815, a. 43.)

37 (41*). De Regent wordt benoemd bij eene wet, die tevens de opvolging in het regentschap, tot\'sKonings meerderjarigheid toe, kan regelen. Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in vereenigde vergadering.

De wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid zijns opvolgers, gemaakt. (C. 1806, a. 23; G. 1814, a. 23, 24, 27; G 1815, a. 43, 44, 51.)

38 (42). Het Koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen.

Wanneer de hoofden der ministeriële departementen, in rade vereenigd, oordeelen dat dit geval aanwezig is, geven zij van hunne bevinding kennis aan den Raad van State, met uitnoodiging om binnen een bepaalden termijn advies uit te brengen. (G. 1814, a. 25; G. 1815, a. 46.)

39 (42). Blijven zij na afloop van den gestelden termijn bij hun oordeel, dan roepen zij de Staten-Generaal in vereenigde vergadering bijeen, om hun, onder overlegging van het advies van den Raad van State, zoo dit is ingekomen, van het voorhanden geval verslag te doen. (G. 1815, a. 46.)

40 (43). Zijn de Staten-Generaal in vereenigde vergadering van oordeel, dat het in art. 38, 1ste lid, omschreven geval aanwezig is, dan verklaren zij dit bij een besluit, dat op last van den in art. 108, 2de lid, aangewezen voorzitter wordt afgekondigd en dat op den dag der afkondiging in werking treedt.

Bij ontstentenis van dezen voorzitter wordt door de vergadering een voorzitter benoemd. (G. 1815, a. 46.)

41 (46*). In het geval van art. 40, is de Prins van Oranje, wanneer hij zijn achttiende jaar vervuld heeft, van regtswege Regent. (G. 1814, a. 26; G. 1815, a. 48.)

42 (44*). Ontbreekt een Prins van Oranje of heeft de Prins van Oranje zijn achttiende jaar niet vervuld, dan

297

-ocr page 318-

GRONDWET VAN 1887.

wordt in het regentschap voorzien op de wijze in art. 37 bepaald; in het\' laatste geval tot aan het tijdstip waarop hij zijn achttiende jaar vervuld heeft. (G. 1814, a. -6; G. 1815, a. 46.)

43 (45*). Bij het aanvaarden van het regentschap legt de Regent in eene vereenigde vergadering van de Staten-Generaal in handen van den voorzitter den volgenden eed of belofte af:

»Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik «zweer (beloof), dat ik in de waarneming van het «Koninklijk gezag, zoolang de Koning minderjarig sis (zoolang de Koning buiten staat blijft de rege-»ring waar te nemen), de Grondwet steeds zal «onderhonden en handhaven.

«Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid en «het grondgebied des Tlijks met al mijn vermogen zal «verdedigen en bewaren: dat ik de algemeene en bij-«zondere vrijheid, en de regten van alle des Konings «onderdanen en van elk hunner zal beschermen en »tot instandhouding en bevordering van de. algemeene »en bijzondere welvaart alle middelen aanwenden, «welke de wetten te mijner beschikking stellen, gelijk «een goed en getrouw Regent schuldig is te^doen.

«Zoo waarlijk helpu mij God Almagtigl {Dat ^beloof Ui.\'quot;) (G. 1815, a. 45 )

44. Wanneer een Regent buiten staat geraakt net regentschap waar te nemen, zijn do artt. 38, 2de lid, 39 en 40 toepasselijk.

Is de opvolging in het regentschap niet geregeld, dan wordt art. 37, Iste lid, toegepast. (G. 1815, a. 51.)

45 (47). Het Koninklijk gezag wordt waargenomen door den Raad van State;

1°. bij liet overlijden des Konings, zoolang met in de troonopvolging volgens art. 21 is voorzien, voor den minderjarigen Troonopvolger geen Regent benoemd is, of de troonopvolger of Regent afwezig is:

2quot;. in de gevallen van artt. 40 en 44, zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is; en bij overlijden van den Regent, zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het regentschap aanvaard heeft:

3°. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Ke-gent ontbreekt of afwezig is.

298

-ocr page 319-

II. Hooi\'dst. Van den Koning.

Deze waarneming houdt van regtswege op, zoodra de bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid heeft aanvaard.

Wanneer in het regentschap moet worden voorzien, dient de Raad van State het daartoe strekkend ontwerp van wet in:

in de gevallen, onder 1quot;. en 2quot;. vermeld, binnen den tijd van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het Koninklijk gezag;

in het geval, onder 3quot;. vermeld, binnen den tijd van eene maand nadat de troonopvolging heeft opgehouden onzeker te zijn. (G. 1814, a. 26, 2\'.: G. 1815, a. 49.)

46 (48*). Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regent of bij de aanvaarding van het regentschap door den Prins van Oranje, de som, die op het jaar-lijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het regentschap.

Deze bepaling kan gedurende het regentschap niet worden veranderd. (C. 1806, a. 48; G. 1815, a. 50.)

47 (^9). Zoodra het in art. 38 omschreven geval heeft opgehouden te bestaan, wordt dit door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering verklaard bij een besluit, dat op last van den voorzitter, in art. 40 vermeld, wordt afgekondigd.

48. Dit besluit wordt genomen op voorstel van den llegent of van ten minste twintig leden der Staten-Generaal.

Deze leden dienen hun voorstel in bij den voorzitter der Eerste Kamer, die de beide Kamers onmiddellijk in vereenigde vergadering bijeenroept.

Is de zitting der Kamers gesloten, dan zijn die leden bevoegd de oproeping zeiven te doen.

49 (49). De hoofden der ministeriële departementen en de voogd of voogden zijn persoonlijk gehouden aan de Kamers der Staten-Generaal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den toestand van den Koning of van den Regent verslag te doen.

Art. 94, 3de lid, is ten deze ook op de voogden toepasselijk.

50 (49). Onmiddellijk na afkondiging van het in art. 47 omschreven besluit herneemt de Koning de waarneming der regering.

299

-ocr page 320-

grondwet van 1887.

Vijfde Afdeeling.

Van de inhuldiging des Konings.

51 (50*). De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodra mogelijk plegtig beëedigd en ingehuldigd binnen de stad Amsterdam, in eene openbare en ver-eenigde vergadering der Staten-Generaal. (G. 1814. a. 30: G. iSló, a. 52.)

62 (51*). In deze vergadering wordt door den Koning de volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd:

sik zweer (beloof) aan het Nederlandsche volk Mlat ik de Grondwet steeds zal onderhouden en «handhaven.

»Ik zweer (beloof), dat ik de onafhankelijkheid iien het grondgebied des Rijks met al mijn vermo-»gen zal verdedigen en bewaren; dat ik de alge-smeene en bijzondere vrijheid en de regten van »alle mijne onderdanen zal beschermen, en tot «instandhouding en bevordering van de algemeene »en bijzondere welvaart alle middelen zal ^ aan-»wenden, welke de wetten te mijner beschikking «stellen, zooals een goed Koning schuldig is te doen.

ygt;Zuo waarlijk helpe mij Gud almagtig! (»/gt;«£ Dheloof ik!quot;) \'(S. 1805, i. f.; C. 1806, a.50; G. 1814, a. 28: G. 1815, a. 53.) , , , ,

53 (52*). Na het afleggen van dezen eed ot belofte wordt de Koning in dezelfde vergadering gehuldigd door de Staten-Generaal, wier voorzitter de volgende plegtige verklaring uitspreekt, die vervolgens door hem en elk der leden, hoofd voor hoofd, beëedigd of bevestigd wordt: .

»Wij ontvangen en huldigen, in naam van liet «Nederlandsche volk en krachtens de Grondwet, «U als Koning; wij zweren (beloven), dat wij uwe «onschendbaarheid en de regten uwer kroon zul en «handhaven; wij zweren (beloven) alles te zullen «doen wat goede en getrouwe Staten-Generaal «schuldig zijn te doen.quot; , ,

«Zoo waarlijk helpe ons God almagtig! (IJat bc-Dloven wij!quot;) (G. 1814, a. 29: G. 18i5, a. 54.)

300

-ocr page 321-

II. Hoofdst. Van den Koning. 301

Zesde Afdeeung.

Van de Magt des Konings.

54 (53*). De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk. (C. 1806, a. 20, 24, 2\'\'.)

55 (54*). De uitvoerende raagt berust bij den Koning. (S. 1798, a. 83, 105; S. 1805, a. 38; C. 1806, a.26,34)

56. Door den Koning worden algenieene maatregelen van bestuur vastgesteld.

Bepalingen, door straffen te handhaven, worden in die maatregelen niet gemaakt, dan krachtens de wet.

De wet regelt de op te leggen straffen. (S. 1798, a. 105; S. 1801, a. 38: S. 1805, a. 43.)

57 (55*). De Koning heeft het opperbestuur der bui-tenlandsche betrekkingen. (S. 1798, a. 136—139; S. 1801, a. 35; S. 1805, a. 49; C. 1806, a. 33; G. 1815, a. 56)

58 (56*). De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan de beide Kamers der Staten-Generaal, met bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als Hij met het belang van den Staat bestaanbaar acht. (S. 1798, a. 506, 142; S. 1805, a. 32: C. 1806, a. 61; G. 1814, a. 37; G. 1815, a. 57.)

59 (57). De Koning sluit en bekrachtigt alle verdragen met vreemde Mogendheden. Hij deelt den inhoud dier verdragen mede aan de beide Kamers der Staten-Generaal, zoodra Hij oordeelt dat het belang van den Staat dit toelaat.

Verdragen die wijziging van het grondgebied van den Staat inhouden, die aan het Rijk geldelijke verpligtingen opleggen of die eenige andere bepaling, wettelijke regten betreffende inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd dan na door de Staten-Generaal te zijn goedgekeurd.

Deze goedkeuring wordt niet vereischt, indien de Koning zich de bevoegdheid tot het sluiten van het verdrag bij de wet heelt voorbehouden. (S. 1798, a. 50c, 140, 144; S. 1801: a. 39: S. 1805, a. 31: C. 1806, a. 35: G. 1814, a. 37, 38; G. 1815, a. 5S.)

60 (58*). De Koning heeft het oppergezag over zee-en landmagt.

De militaire officieren worden door Hem benoemd. Zij worden door Hem bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld, volgens de regels door de wet te bepalen.\'

-ocr page 322-

GRONDWET VAN 4887.

De uensioenen worden door de wet geregeld. (S. \'1798. a. 109—113; S. 1801, a. 35. 42: S. 1805, a. 49. 50; C. 1800, a. 32 , 33; G. 1814, a 39: G. 1815, a. 59.)

61 (59*). De Koning lieeft liet opperbestuur dei\' koloniën en bezittingen van het Kijk in andere werelddeelen.

De reglementen op het beleid der regering aldaar worden door de wet vastgesteld.

Het muntstelsel wordt door de wet geregeld.

Andere onderwerpen deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan. (S. 1798, a. 129 , 232. 241 vlgg. 250, 254: S. 1801. a. 47, 48: C. 1806, a. 12. 30: G. 1814, a. 30: G. 1815, a. 60.)

62 (60*). De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een omstandig verslag geven van het beheer dier koloniën en bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden.

\' De wet regelt de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen. (S. 1798, a. 242: G. 1840, a. 59.)

63 (64). De Koning heeft het opperbestuur van de algemeene geldmiddelen.

Hij regelt de bezoldiging van alle collegiën en ambtenaren, die uit \'s Rijks kas worden betaald.

De wet regelt de bezoldiging van den Raad van State. van de Algemeene Rekenkamer en van de regterlijke magt.

De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting der Rijksuitgaven.

De pensioenen der ambtenaren worden dooi\' de wet geregeld. (S. 1798, a. 50/,\', «, 126—129; S. 1801, a. 40. 41; S. 1805, a. 56, 57: O. 1806, a 41, 43; G. 1814, a. 40; G. 1815, a. 61.)

64 (62*). De Koning heeft het regt van de munt. Hij vermag zijne beeldtenis op de muntspeciën te doen stellen. (C. 1806, a. 37; G. 1814, a 41: G. 1815, a. 62.)

65 (63*). De Koning verleent adeldom.

Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden aangenomen. (G. 1814, a. 42, 45: G. 1815, a. 65, 66, 2quot;.)

66 (64*). Ridderorden worden door eene wet, op het voorstel des Konings, ingesteld. (C. 1806, a. 28, G. 1814. a. 43: G. 1815, a. 64.)

67 (65). Vreemde orden, waaraan geen verpligtingen verbonden zijn, mogen worden aangenomen door den

302

-ocr page 323-

II. Hoofdst. Van den Koning.

Koning en, met Zijne toestemming, door de Prinsen van Zijn Huis.

In geen geval mogen andere Nederlanders, of de vreemdelingen, die in Nederlandsche Staatsdienst zijn, vreemde ordeteekenen, titels, rang of waardigheid aannemen, zonder bijzonder verlof van den Koning. (G. \'1814, a. 44; G. 1815, a. 05, GO.)

68 (60). De Koning heeft het regt van gratie van straffen, door regterlijk vonnis opgelegd.

Hij oefent dat regt uit na het advies te hebben ingewonnen van den regter daartoe bij algemeenen maatregel van bestuur aangewezen.

Amnestie of abolitie worden niet dan bij eene wet toegestaan. (S. 1798, a. 50(/: S. 1801, a. 53: S. -1805, a. 29, 30; C. 1806, a. 38; G. 1814, a. 49; G. 1815, a. 67.)

69 (67). Dispensatie van wetsbepalingen kan door den Koning slechts worden verleend met inagtiging van de wet.

De wet, welke deze magtiging verleent, noemt de bepalingen, waarover de bevoegdheid tot dispensatie zich uitstrekt.

Dispensatie van bepalingen van algemeene maatregelen van bestuur is toegelaten voor zoover de Koning zich de bevoegdheid daartoe bij den maatregel uitdrukkelijk heeft voorbehouden. (S. ISÓl. a. 38, 53, 96; S. \'1805. a. 86; S. \'1806, a. 78; G. 1814, a. 50; G. 1815, a. 68.)

70 (68, 132). De geschillen tusschen provinciën onderling; provinciën en gemeenten; gemeenten onderling; alsmede tusschen provinciën of gemeenten en waterschappen, veenschappen en veenpolders, niet behoorende tot die, vermeld in art 153 of tot die, waarvan de beslissing krachtens art. 154 is opgedragen aan den gewonen regter of aaneen collegie, met administrative regtspraak belast, worden door den Koning beslist. (S. 1798. a. 183; S. 1801. a. 04-G. 1814. a. 48, 90; G. 1815, a. 69. 148.)

71 (69). De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet voor en doet, hun zoodanige andere voorstellen als Hij noodig acht.

Hij beeft het regt de door do Staten-Generaalquot; aangenomen wetsontwerpen al of niet goed te keuren. (S. 1798. a. 133; S 1801. a. 37; S. 1805. a. 26; C. 1806, a. 40; G. 1814, a. 46; G. 1815, a. 70.)

72 (116, 117). De wijze van afkondiging der wetten en der algemeene maatregelen van bestuur en het tijdstip

303

-ocr page 324-

grondwet van 1887.

waarop zij aanvangen verbindende te zijn, worden door de wet geregeld.

Het formulier van afkondigingder wetten is het volgende: «Wij enz. Koning der Nederlanden enz.;

«Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! «doen te weten:

»Al zoo Wij in overweging genomen hebben, dat enz.;

(De beweegreden der wet.)

»Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, sen niet gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben «goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en »verstaan bij deze enz.quot;

(De inhoud der wet.)

sGegeven enz.quot;

Ingeval eene Koningin regeert of het Koninklijk gezag door een Regent of door den Raad van State wordt waar-o-enomen. wordt de daardoor noodige wijziging in dit formulier gebragt. (S. IVnS, Rgi. C. a. \'17: S. 1805, a. 53; G. 1814, a. 47: G. 1815, a. 120.)

73 (70). De Koning heeft het regt om de Kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk of beide tezamen, te ontbinden.

Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken . houdt tevens den last in tot het verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertig dagen, en tot het zamenkoraen der nieuw verkozen Kamers binnen twee maanden.

De Rand van State, het Koninklijk gezag waarnemende, oefent het regt van ontbinding niet uit.

Zevende Afdeeling.

Van den Baad van State en de Ministeriële Departementen.

74 (71), Er is een Raad van State, welks zamenstel-ling en bevoegdheid worden geregeld docr de wet.

De Koning is voorzitter van den Raad, en benoemt de leden. De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regtswege zitting in den Raad, (S. 1805, a. 44: C. 1806, a.\'29; G. 1814, a. 32,33; G.1815, a.71.)

76 (72*). De Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen, door hem aan de Staten-

304

-ocr page 325-

II. Hoofdst. Van den Koning.

Generaal te doen, of door deze aan hem gedaan, alsmede alle. algemeene maatregelen van bestuur van het Rijk, en van zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen.

Aan het hoofd der uit te vaardigen besluiten wordt mel-ding gemaakt, dat de Raad van State deswege gehoord is.

De Koning hoort wijders den Raad van State over alle zaken, waarin hij dat noodig oordeelt.

De Koning alleen besluit, en ^geeft telkens van zijn genomen besluit kennis aan den Raad van State. (S. 1805, a. 45; C. 1806, a. 31; G. 1814, a. 32; G. 1815, a. 72.)

76. De wet kan aan den Raad van State of aan eene af-deeling van dien Raad de uitspraak overgeschillen opdragen.

77 (73*). De Koning stelt ministeriële departementen in, benoemt er de hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.

De hoofden der ministeriële departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt.

Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet.

Alle Koninklijke besluiten en beschikkingen worden door een der hoofden van de ministeriële departementen mede-onderteekend. (S. 1798, a. 92, 95, 294; S. 1801, a. 32; S. 1805, a. 47,48, 54; C. 1806, a. 27 ; G. 1814, a. 35; G. 1815, a. 73.)

Derde Hoofdstuk.

Van de Statcn-Generaal.

Eehste Afdeeling.

Van de zamenstelling der Staten-Generaal.

78 (74*). De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsehe volk. (S. 1798, a. 30; S. 1805 a. 16 • G. 1814, a. 52; G. 1815, a. 77.)

79 (75*). De Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste ^en Tweede Kamer. (S. 1798, a. 52; G. 1815, a. 78.)

80 (76). De leden der Tweede Kamer worden regt-streeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, tevens Nederlanders, die de door de kieswet te bepalen kenteeke-nen van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten, en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.

305

20

-ocr page 326-

306 GRONDWET VAN 1887.

De wet bepaalt, in hoeverre de uitoefening van het kiesregt wordt geschorst voor de militairen beneden den rang van officier bij de zee- en de landniagt voor den tijd , gedurende welken zij zich onder de wapenen bevinden.

quot;Van de uitoefening van het kiesregt zijn uitgesloten zij , wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd; zij die in gevangenschap of hechtenis zijn ; zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren; zij die in het burgerlijk jaar, voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten en . voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van den aanslag in eene of meer Rijks directe belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanslag als vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan. (S. 4798, a 10—13: Regl. A: S. 1801, a. 24. 25, 55: S. 1805. a. 12: C. 1806, a 14. 15: G. 1814, a. 56, 85; G. 1815, a. 79.)

81 (76, 77). De Tweede Kamer bestaat uit honderd \' leden, die gekozen worden in kiesdistricten.

De verdeeling van het Rijk in kiesdistricten en alles wat verder het kiesregt en de wijze van verkiezing betreft, wordt door de wet geregeld. (S 1798, a. 18—24,51: S. 1801. i a. 26, 49: S. 1805, a 18: Wet 7 Aug. 1806, a. 5: G. 1814. a. 56, 85: G. 1815, a. 79; G. 1840, a. 79)

82 (78). De Eerste Kamer bestaat uit vijftig leden.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten, in de

volgende verhouding:

Noordbrabant......6.

Gelderland.......6.

Zuidholland......10.

Noordholland......9.

Zeeland........2.

Utrecht........2.

Friesland.......4.

Overijssel.......3.

Groningen.......3.

Drenthe........2.

Limburg........3.

50.

Ingeval van vereeniging, splitsing of grensverandering

-ocr page 327-

III. Hoofdst. Van de Staten-Generaal. 307

van provinciën of vorming van nieuwe, voorziet de wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden bevonden. (S. 1798, a. 53; S. 1805, a \'18; Wet 7 Aug. 1806, a. 5; G. 1814, a, 85; G. 1815, a. 80.)

83. Wanneer de Staten-Generaal in dubbelen getale worden bijeengeroepen, wordt aan de gewone leden van elke Kamer een gelijk getal buitengewone leden toegevoegd op dezelfde wijze als de gewone te verkiezen.

Het besluit der bijeenroeping wijst tevens den dag dei-verkiezing aan. (G. 1814, a, 51, 143; G. 1815, a. \'230.)

Tweede Afdeeling.

Van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

84 (79). Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen vereiseht dat men mannelijk Nederlander zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe. (S. 1798, a. 32; S 1801, a. 24; S. 1805 a. 19; C. 1808, a. 52; G. 1814, a. 59; G. 1815, a. 8, 81.)

85 (81). De leden der Tweede Kamer worden gekozen voor vier jaren.

Zij treden te gelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar. (S. 1798, a. 87, 39; S. 1805, a. 34; C. 1806, a. 55; G. 1814, a. 57; G. 1815, a. 82.)

86 (821). De leden stemmen zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen. (S. 1798, a.31; S. 1805 a. 24; C. 1806, a. 56; G. 1814, a. 62; G. 1815, a. 83.)

87 (83). Bij het aanvaarden hunner betrekking-leggen zij den volgenden eed of belofte af:

»Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet.quot;

dZoo waarlij!: helpe mij God almagtig!quot; (»Dat nheloof ik!quot;)

Alvorens tot dien eed of belofte te worden toegelaten, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van zuivering af;

»Ik zweer (verklaar), dat ik, om tot lid der «Staten-Generaal te worden benoemd, directelijk of

»indirectelijk, aan geen persoon, onder wat naam

1

-ocr page 328-

grondwet van 1887.

«of voorwendsel ook, eenige giften of gaven be-«loofd of gegeven heb.

»Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd »in deze betrekking te doen of te laten, van «niemand hoegenaamd eenige beloften of geschenken «aannemen zal, directelijk of indirectelijk.quot;

«Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; {»Dat Dverklaar cn beloof ik!quot;)

Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning, of in de vergadering der Tweede Kamer, in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd. (S. 1798, a. 36; S. 1805 i. f.: C. )800, a. 18; G. 1814, a. 62 , 63; G. 1815, a. 84.)

88 (84*). De Voorzitter wordt door den Koning benoemd voor het tijdperk eener zitting, uit eene door de Kamer aangeboden opgave van drie leden. (S. 1798, a. 55; S. 1805, a. \'21; C. 1806\', a. 84; G. 1814, a. 06; G, 1815, a. 85.)

89 (85). De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal worden geregeld.

Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som van /\'2000 \'s jaars.

Deze schadeloosstelling wordt niet genoten door de leden, die het ambt van Minister bekleeden, noch ook, voor den tijd der zitting, door hen, die gedurende de geheele zitting afwezig bleven. (S. 1798. a. 41, 42; S. 1801, a. 54; S. 1805, a. 35; Wet 7 Aug. 1800, a.6: G. 1814, a. 61; G. 1815, a. 86.)

Derde Afdeelixg.

Van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

90 (78). Om lid der Eerste Kamer te kunnen zijn moet men voldoen aan de vereischten voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer gesteld en bovendien óf behooren tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen of eene of meer hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bij de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben.

308

-ocr page 329-

III. Hoofdst. Van de Sta ten-Generaal. 309

Het getal der hierboven bedoelde hoogstaangeslagenen ■wordt in elke provincie bepaald tot één, die tevens de algemeene vereischten bezit om lid der Staten-Generaal te zijn, op iedere vijftien honderd zielen. (G. \'1815, a. 80.)

91 (86). De leden der Eerste Kamer worden gekozen voor negen jaren.

Art. 86 is op hen van toepassing. Zij leggen bij het aanvaarden hunner betrekking gelijke eeden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der Tweede Kamer zijn bepaald, hetzij in handen van den Koning, hetzij in de vergadering der Eerste Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd.

Zij genieten reis- en verblijfkosten volgens de wet.

Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af, volgens een daarvan te maken rooster. De uitvallende leden zijn dadelijk herkiesbaar. (G. 1814, a. 57; G. \'1815, a. 80, 87, 88.)

92 (87*). De Voorzitter wordt door den Koning uit de ledenbenoemd, voor het tijdperk eener zitting. (G. 1815, a. 89.)

Vierde Afdeeling.

Beschikkingen aan heide Kamers gemeen.

93 (80*, 88*). Niemand kan te gelijk lid der beide Kamers zijn.

Die te gelijk of op meer dan ééne plaats tot lid van de Eerste of van de Tweede Kamer of van beide Kamers is gekozen, verklaart welke dier benoemingen hij aanneemt. (S. 1798, Regl. B, a. 9; G. 1815, a. 90.)

94 (89*). De hoofden der ministeriële departementen hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben alleen eene raadgevende stem, ten ware zij tot leden dei-vergadering mogten benoemd zijn.

Zij geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van den Staat.

Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn. (S. 1798, a. 134; G. 1815, a. 91.)

95 (90). Beide Kamers hebben, zoowel ieder afzonderlijk als in vereenigde vergadering het regt van onderzoek (enquête) te regelen door de wet.

-ocr page 330-

GRONDWET VAN 1887.

96 (91). Een lid van de Staten-Generaal kan niet te gelijker tijd zijn vice-president of lid van den Raad van State, president, vice-president of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij den Hoogen Raad, noch president of lid van de Algemeene Rekenkamer, noch Comraissaris des Konings in eene provincie.

De wet regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de vereeniging van het lidmaatschap van eene der beide Kamers met andere dan de in het eerste lid uitgesloten , uit \'s Lands kas bezoldigde ambten.

Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van eene der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van regtswege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn, keeren zij tot de werkelijke dienst terug.

Zij, die na hunne verkiezing tot lid van de Staten-Generaal een bezoldigd Staatsambt, dat zij niet reeds tijdens die verkiezing vervulden, aannemen, verliezen van regtswege het lidmaatschap, maar zijn herkiesbaar. (S. 1798, a. 33, 34; S. 1805, a. \'iö: C. 1800. a. 53; G. 1814, a. 60: G. 1815, a. 92.)

97 (92). De leden der Staten-Generaal zijn niet gereg-telijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of aanhaar schriftelijk hebben overgelegd. (S. 1798, a. 7; C. 1806, a. 73.)

98 (93*). Elke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven harer nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen. (S. 1798, Regl. B, a. 2; G. 4815, a. 94.)

99 (94*). Elke Kamer benoemt haren griffier. Deze mag niet tegelijk lid van eene der Kamers zijn. (S. 1798, a. 56: S. 1805, a. 22; C. 1806, a. 60; G. 1814, a. 66; G. 1815, a. 95.)

100 (95). De Staten-Generaal komen ten minste eenmaal \'s jaars te zamen.

Hunne gewone zitting wordt geopend op den derden Dingsdag in September.

De Koning roept eene buitengewone zitting bijeen, zoo dikwijls Hij zulks noodig oordeelt. (S. 1801, a. 54; S. 1805, a. 33: C. 1806, a. 55; G. 1814, a. 64: G. 1815, a. 97.)

101 (96*). De afzonderlijke vergaderingen der beide Kamers en evenzoo de vereenigde vergaderingen worden in het openbaar gehouden.

De deuren worden gesloten, wanneer een tiende ge-

310

-ocr page 331-

III. Hoofdst. Van, de Slaten-Generaal. 311

ileelte der aanwezige leden het vordert of de Voorzitter liet noodig keurt.

De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen. (S. *1798, a. 64—67; G. 1815, a. 108.)

103 (97). Is bij overlijden des Konings of bij afstand van de Kroon de zitting gesloten, dan vergaderen de Staten-Generaal zonder voorafgaande oproeping.

Deze buitengewone zitting wordt op den vijfden dag na het overlijden of na den afstand geopend.

Zijn de. Kamers ontbonden, dan vangt deze termijn aan van den afloop der nieuwe verkiezingen. (G. 1814, a. 22; G. 1815, a, 99.)

103 (98*). De zitting der Staten-Generaal wordt in ver-eenigdo vergadering der beide Kamers door den Koning of door eene Commissie van Zijnentwege geopend. Zij wordt op dezelfde wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt dat het belang van den Staat niet vordert haar te doen voortduren.

De gewone jaarlijksche zitting duurt ten minste twintig dagen, tenzij de Koning gebruik make van het regt in art. 73 omschreven. (S. 1801, a. 54; S. 1805, a. 21, 33,37; C. 1806, a. 39, 58: G. 1814, a. 65; G. 1815, a. 100.)

104 (99*). Bij ontbinding van eene der Kamers of van beide sluit de Koning tevens de zitting der Staten-Generaal.

105 (100*). De Kamers mogen noch afzonderlijk noch in vereenigde vergadering beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is. (S. 1798, a. 61 ; G. 1815, a. 101.)

106 (101, 102). Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte meerderheid der stemmende leden opgemaakt.

Bij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld.

In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt, bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

De stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproeping, wanneer een der leden dit verlangt en alsdan mondeling. (S. 1798, a. 62; G. 1814, a. 67; G. 1815, a. 102, 103.)

107 (102). De stemming over personen voor de benoe-

-ocr page 332-

grondwet van 1887.

rningen of voordragten in de Grondwet vermeld, geschiedt bij gesloten en ongeteekende briefjes.

De volstrekte meerderheid der stemmende leden beslist; bij staken van stemmen beslist het lot. (G. 1815, a 103.)

108 (103*). Bij eene vereenigde vergadering worden de beide Kamers als slechts ééne beschouwd en nemen hare leden naar willekeur door elkander plaats.

De Voorzitter der Eerste Kamer heeft de leiding der vergadering. (G. 1815, a. 104.)

Vijfde Afdeeling.

Van de Wetgevende Magt.

109 (104*). De wetgevende magt wordt gezamenlijk door den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend. (S. 1798, a. 30, 50a, 00: S. 1801, a. 37,38; S. 1805, a, 17; C. 1806, a. 51; G. 1814, a. 46; G. 1815, a. 105.)

110 (105). De Koning zendt Zijne voorstellen, hetzij van wet, hetzij andere, aan de Tweede Kamer bij eene schriftelijke boodschap of door eene commissie.

Hij kan aan bijzondere door Hem aangewezen Commissarissen opdragen de Ministers bij het behandelen van die voorstellen in de vergaderingen der Staten-Generaal bij te staan. (S. 1798, a. 133; S. 1801, a. 37: S. 1805, a. 46; C. 1806, a.40: G. 1814, a. 46: G. 1815, a. 106.)

111 (106). Aan de openbare beraadslaging over eenig ingekomen voorstel des Konings gaat altijd een onderzoek van dat voorstel vooraf.

De Kamer bepaalt in haar Reglement van Orde de wijze, waarop dit onderzoek zal worden ingesteld. (S. 1798. a. 59: Regl. B, a. 18 vlgg.; S. 1801, a. 50; G. 1815, a. 107.)

112 (107). De Tweede Kamer, alsmede de vereenigde vergadering der Staten-Generaal, heeft het regt wijzigingen in een voorstel des Konings te. maken. (S. 1798, Regl. B. a. 18e, 31; S.1801, a. 50; S. 1805, a. 26; O. 1806, a. 57.)

113 (108*). Wanneer de Tweede Kamer tot aanneming-van het voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij het aan de Eerste Kamer met het volgende formulier:

«De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan »de Eerste Kamer het hier nevensgaande voorstel des

312

-ocr page 333-

III. Hoofdst. Van de Staten-Gcneraa1. 313

»Konings en is van oordeel, dat het, zoo als het »daar ligt, door de Staten-Generaal behoort te worden «aangenomen.quot;

Wanneer de Tweede Kamer tot het niet-aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met het volgende formulier;

«De Tweede Kamer der Staten-Generaal betuigt den «Koning haren dank voor Zijnen ijver in het bevorderen «van de belangen van den Staat en verzoekt Hem «eerbiedig het gedane voorstel in nadere overweging »te nemen.quot; (S. -1798, Regl. B, a. 20; S. 1801, a. 51, 52; S. 1805, a. 27; C. 1800, a. 58; G. 1814, a. 68; G. 1815, a. 109, 110.)

114 (109*). De Eerste Kamer overweegt, met inachtneming van art. 111, het voorstel zoodanig als het dooide Tweede Kamer is aangenomen.

Wanneer zij tot aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer, met de volgende formulieren:

vAan den Kon ing!

»De Staten-Generaal betuigen den Koning hunnen «dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de «belangen van den Staat en vereenigen zich met het «voorstel zooals het daar ligt.quot;

»Aan du Tweede Kamer!

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft «aan de Tweede Kamer kennis, dat zij zich heeft

«vereenigd met het voorstel betrekkelijk......, op

»den......, aan haar door de Tweede Kamer toe-

«gezonden.quot;

Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aanneming van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer, met de volgende formulieren: ïgt;Aa)i den Koning!

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal betuigt «den Koning haren dank voor Zijnen ijver in het «bevorderen van de belangen van den Staat en ver-«zoekt Hem eerbiedig het gedane voorstel in nadere «overweging te nemen.quot;

DAan de Tweede Kamer!

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan «de Tweede Kamer kennis, dat zij den Koning eer-

-ocr page 334-

GRONDWET VAN \'1887.

«biedig heeft verzocht het voorstel betrekke-

»lijk......, op den...... aan haar door de Tweede

«Kamer toegezonden, in nadere overweging te «nemen.quot; (S. 1798, a. 09; Regl. B, a. 32; G. 1815, a. 111, 112.)

115. Zoolang de Eerste Kamer nog niet heeft beslist, blijft de Koning bevoegd het door Hem gedaan voorstel weder in te trekken. (S, 1801, a. 50 i. /\'.)

116 (110*). De Staten-Generaal hebben het regt voorstellen van wet aan den Koning te doen. (S. 1798, a. 50. 133: S. 1801, a. 37: S. 1805, a. 20: C. 1806, a. 57; G. 1814, a. 69; G. 1815, a. 113.)

117 (111). De voordragt daartoe behoort uitsluitend aan de Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van \'s Konings voorstellen is bepaald, en, na aanneming, aan de Eerste Kamer verzendt met het volgende formulier:

«De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan »de Eerste Kamer het hiernevens gaande voorstel, »en is van oordeel, dat de Staten-Generaal daarop »\'s Konings bewilliging behooren te verzoeken.quot;

Zij is bevoegd aan een of meer van hare leden de schriftelijke en mondelinge verdediging van haar voorstel in de Eerste Kamer op te dragen. (S. 1198, a. 00; G. 1815, a. 114.)

118 (112*). Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze te hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij het aan den Koning met het volgende formulier:

»De Staten-Generaal oordeelende, dat het nevens-«gaande voorstel zou kunnen strekken tot bevordering «van de belangen van den Staat, verzoeken eerbiedig «daarop \'s Konings bewilliging.quot;

Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier:

«De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft «kennis aan de Tweede Kamer, dat zij zich heeft

«vereenigd met het van haar op den...... ontvan-

«gen voorstel betrekkelijk......, en daarop namens

»de Staten-Generaal \'s Konings bewilliging heeft « verzocht.quot;

Wanneer de Eerste Kamer het voorstel niet goedkeurt.

314

-ocr page 335-

III. Hoofdst. Van de Staten-Generaal. 315

zoo geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het volgende formulier:

»De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft geene Bgenoegzame reden gevonden om op het hiernevens «teruggaande voorstel \'s Konings bewilliging te verzoe-»ken.quot; (S. 1798, Regl. B. a. 25, \'26; G. 1815, a 116, 117.)

119 (113*). Andere voordragten. dan voorstellen van wet, kunnen door elke Kamer afzonderlijk aan den Koning worden gedaan. (S. 1798, a. 60.)

120 (114*). De Koning doét de Staten-Generaal zoo spoedig mogelijk kennis dragen, of hij een voorstel van ■wet, door hen aangenomen, al dan niet goedkeurt. Die kennisgeving geschiedt met een der volgende formulieren:

»De Koning bewilligt in het voorstel.quot;

of:

«De Koning houdt het voorstel in overweging.quot; (S. 1798, a. 104; G. 1814, a. 46: G. 1815, a, 118)

121 (115*), Alle voorstellen van wet, door de Staten-Generaal aangenomen en door den Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht van wet en worden door den Koning afgekondigd.

De wetten zijn onschendbaar. (S. 1798, Grondr., a. 72: Str., a. 103: S. 1801, a. 37; S. 1805, a. 27: C. 1806, a. 58: G. 1815, a. 119.)

122 (118). De wetten zijn alleen voor het Kijk verbindende voor zoover daarin niet is uitgedrukt dat zij voor de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen verbindend zijn. (S. 1798, a.246; S.1801, a. 48; 0.1806, a.12.)

Zesde Afdeeling.

Van de begrooting.

123 (119*). Door de wet worden de begrootingen van alle uitgaven des Rijks vastgesteld, en de middelen tot dekking aangewezen. (S. 1798, a. 50/j, 214, 218; S. 1801, a. 40; S. 1805, a. 28; C. 1806, a. 42; G. 1814, a. 70; G. 1815, a. 121, 124, 126; G. 1840, a. 124.)

124 (120*). De ontwerpen der algemeene begrootings-wetten worden jaarlijks van wege den Koning aan de Tweede Kamer aangeboden, dadelijk na het openen dei-gewone zitting van de Staten-Generaal, vóór den aanvang

-ocr page 336-

grondwet van 1887.

van het jaar, waarvoor de begrootingen moeten dienen. lt;S. 1798, a. 124, 214; S. 1801, a. 59: S. 1805, a. 58; C. 1806, a. 44; G. 1814, a. 70; G. 1815, a 122—126; G. 1840. a, 123.)

125 (121*). Geen hoofdstuk der begrooting van uitgaven kan meer dan die voor één departement van algemeen bestuur behelzen.

Ieder hoofdstuk wordt in één of meer ontwerpen van wet vervat.

Door zoodanige wet kan overschrijving worden toegestaan. (S. 1798, a. 215, 216; G. 1814, a. 72; G. 1815, a. 127; G. 1840, a. 125.)

126(122). De verantwoording van de Rij ksuitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de door de Rekenkamer goedgekeurde rekening, aan de wetgevende magt gedaan naar de voorschriften van de wet. (S. 1798, Grondr. a. 66; Strg. a, 50f/, li. 124, 219,225; S. 1801, a. 61; G. 1814, a. 72: G. 1815, a. 128; G. 1840, a. 126.)

Vierde Hoofdstuk.

Van dé Provinciale Staten cn de Gemeentebesturen.

Eerste Afdeeling.

Van de zamenstelling der Provinciale Staten.

127 (123). De leden der Provinciale Staten worden voor zes jaren regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijk en welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.

Het tweede en derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing.

De helft dier leden treedt om de drie jaren af.

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt ver-eischt, dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der

316

-ocr page 337-

IV. Hoofdst. Van de Provinciale Staten enz. 317

provincie zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren r noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen, (S. 1798, a. 156; S. 1801, a 62, 63; C. 1806, a. 13,15; G. 1814, a. 73, 74; G. 1815, a. 6, 129, 130, 135.)

128 (124*). Niemand kan te gelijk zijn lid der Eerste Kamer van de Staten-Generaal en lid der Staten eener provincie, noch ook lid der Staten van meer dan ééne provincie. (G. 1814, a. 60; G. 1815, a. 93, 136.)

129(125). De leden der Staten leggen, bij het aanvaarden hunner betrekking, den volgenden eed of belofte af: sik zweer (beloof) trouw aan de Grondwet en »aan de wetten des Rijks.quot;

»Zod waarlijk helpe mij God almagtig!\'\' (»Dat v beloof ik!quot;)

Zij worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvorens te hebben afgelegd gelijken eed (verklaring en belofte) van zuivering als hierboven in art. 87 voor de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal is bepaald. (S. 1798, a. 168, 187: G. 1814, a. 82: G. 1815, a. 138.)

130 (126*). De Staten vergaderen zoo dikwerf in het jaar als de wet bepaalt, en bovendien wanneer zij door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen.

De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kamers van de Staten-Generaal is bepaald in art. 101. (S. 1798, a. 152; G. 1814, a. 89: G. 1815, a. 139.)

131 (127*). De leden der Staten stemmen zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen. (G. 1815, a. 140.)

132 (128*). Omtrent het beraadsla gen en stemmen gelden de regels, in de artt. 105, 106 en 107 ten aanzien van de Kamers der Staten-Generaal voorgeschreven. (S. 1798, a. 152; G. 1815, a. 141, 142.) J

Tweede Afdeelixg.

Van de magt der Provinciale Staten.

133 (135). Het gezag en de magt van de Staten worden

-ocr page 338-

GRONDWET VAN 1887.

door de wet geregeld met inachtneming van de voor-.schriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat. lt;S. 1798, a. 147; S. 1801, a 63; S. 1805, a. 62: (1. 1814, a. 75; G. 1815, a. 152.)

134 (131). Aan de Staten wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der provincie overgelaten.

Zij maken de verordeningen die zij voor het provinciaal belang noodig oordeelen.

Die verordeningen behoeven de goedkeuring desKonings: deze kan niet worden geweigerd dan bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord. (S. 1798. a. 147; S. 1801, a. 71; G. 1814, a. 88; G. 1815, a. 146.)

135 (130). Wanneer de wetten of de algemeene maatregelen van bestuur het vorderen, verleenen de Staten hunne medewerking tot uitvoering daarvan. (S. 1798, a. 148. 170: S. 1801, a. 70; C. 1806, a. 62; G. 1814, a. 86: G. 1815, a. 145.)

136 (129, 131, 3quot;.*). Elk besluit der Staten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van eene provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings. quot;X-fcX

De wet geeft algeTFfêïfhe regels teïf aaffzfëh vaïi dutifi provinciale belastingen.

Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere provinciën niet belemmeren. (S. 1798. Grondr. a. 52; S. 1801, a. 66; S. 1805. a. 64, 65: Wet 7 Aug. 1806, a. 7.)

137 (129. 2°.). De begrooting der provinciale inkomsten en uitgaven, jaarlijks door de Staten op te maken, behoeft de goedkeuring des Konings.

De wet regelt het vaststellen van de provinciale rekening. (S. 1798, a. 175—178, 188; S. 1801, a. 65, 67; G. 1814. a. 84; G. 1815, a. 143.)

138 (134*). De Staten kunnen de belangen van hunne provinciën en van hare ingezetenen bij den Koningen bij de Staten-Generaal voorstaan. (S. 1798, a. 150; G. 1814, a. 92; G. 1815, a. 151.)

139 (136*). De Staten benoemen uit hun midden een collegie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet te stellen, de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks betzij de Staten zijn vergaderd of niet. (S. 1798, a 156; G. 1814, a. 95; G. 1815, a. 153.)

348

-ocr page 339-

IV. Hoofdst. Van de Provinciale Staten enz. 319

140 (133). Demagt des Konings om de besluiten van Provinciale Staten of van Gedeputeerde Staten, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn te schorsen en te vernietigen, wordt bij de wet geregeld. (S. 1798. a. 107: S. 1801 a. 71; S.1805,a. 63: G. 1814, a. 91: G. 1815, a. 149.)

141 (137*, 129, 1quot;). De Koning stelt in elke provincie oen Commissaris aan met de uitvoering Zijner bevelen en inet het toezigt op de verrigtingen der Staten belast.

Deze Commissaris is voorzitter van de vergadering der Provinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten en heeft in laatstgenoemd collegie stem.

Zijne jaarwedde en de kosten zijner woning worden op de begrooting der Rijksuitgaven gebragt. De wet beslist of andere uitgaven van hét provinciaal bestuur ten laste van het Rijk komen. (S. 1798, a. 97, 155: G. 1814, a. 76: G. 1815, a. 137.)

Derde Afdeeling.

Van de Gemeentebesturen.

142 (138). De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der gemeentebesturen worden door de wet geregeld met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat. (S. 1798, a. 191: S. 1801, a. 79: S. 1805, a.66: C. 1806, a. 13; G. 1814, a. 78,81; G. 1815, a. 132, 154.)

143 (139). Aan het hoofd der gemeente staat een raad. welks leden regtstreeks voor een bepaald aantal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeente, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kentee-kenen van geschiktheid en inaatschappelij ken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt.

Het tweede en het derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing.

Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt dat men mannelijk Nedérlander en ingezeten der gemeente zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch ■van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe.

-ocr page 340-

GRONDWET VAN 1887.

De verkiezing van den raad heeft plaats op de wijze door de wet te regelen.

De voorzitter wordt door den Koning, ook bniten de leden van den raad benoemd en door hem ontslagen. (S. 1798, a. 97,190-193; C. 1806, a. 15, 46; G. 1814, a. 79; G. 1815, a. 133, 134.)

144 (140). Aan den raad wordt de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten. Hij maakt de verordeningen, die hij in het belang der gemeente noodig oordeelt,

Wanneer de wetten, algemeene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen het vorderen, verleenen de gemeentebesturen hunne medewerking tot uitvoering daarvan.

Wanneer de regeling en het bestuur van de huishouding eener gemeente door den gemeenteraad grovelijk worden verwaarloosd, kan eene wet de wijze bepalen, waarop in het bestuur dier gemeente, met afwijking van de beide eerste zinsneden van dit artikel, wordt voorzien.

De wet bepaalt, welk gezag het gemeentebestuur vervangt, wanneer dit in gebreke blijft in de uitvoering der wetten, der algemeene maatregelen van bestuur of der provinciale verordeningen te voorzien. (S. 1798, a. 147, •197; S. 1801, a. 74; S. 1805, a. 67; C. 1806, a. 63; G. 1814, a. 94; G. 1815, a. 155)

145 (140). De magt des Konings om de besluiten van gemeentebesturen, die met de wet of het algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen wordt bij de wet geregeld.

Die magt is onbeperkt ten aanzien van de plaatselijke verordeningen en reglementen. (S. 1798, a. 81, 107; G. 1814, a. 94, 2°.; G. 1815, a. 155, 2°.)

146 (141, 143). De besluiten der gemeentebesturen, rakende zoodanige beschikking over gemeente-eigendom en zoodanige andere burgerlijke regtshandeiingen welke de wet aanwijst, alsmede de begrootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan de goedkeuring der Gedeputeerde Staten onderworpen.

Het opmaken der begrootingen en het vaststellen der rekeningen wordt door de wet geregeld. (S, 1798, a. 194, 196; G. 1814, a. 95, 97; G. 1815, a. 156, 159.)

147 (142*), Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting.

320

-ocr page 341-

IV. Hoofdst. Van de Provincial!: Staten enz. 321

wordt voorgedragen aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven.

De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen.

Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naaien den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren. (S. 1798, Grondr. a. 52, Staatsr. a. quot;194; S. \'1801, a. 75; S. 1805, a. 67; Wet 7 Aug. 1806, a. 7; G. 1814, a. 96; G. 1815, a. 158.)

148 (144*). De gemelde besturen kunnen de belangen van hunne gemeenten en van hare ingezetenen voorstaan bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij de Staten der provincie waartoe zij behooren (S. 1798, a. 150, 197; G. 1814, a. 98; G. 1815, a. 160.)

Vijfde Hoofdstuk.

Van de Justitie.

Eerste Akdeeling.

Algemeene bepalingen.

149 (145*). Er wordt alom inliet Rijk regt gesproken in naam des Konings. (S. 1798, Grondr. a. 38; S. 1801, a. 80 i. /•.; S. 1805, a. 73 i. f.: C. 1806, a. 65: G. 1814. a. 99; G. 1815, a. 162.)

150 (146). Het burgerlijk en handelsregt, het burgerlijk en militair strafregt, de regtspleging en de inrigting der regterlijke magt worden bij de wet geregeld in algemeene wetboeken, behoudens de bevoegdheid der wetgevende magt om enkele onderwerpen in afzonderlijke wetten te regelen. (S. 1798, Grondr. a. 28; Staatsr. a. 117, 303; S. 1801, a. 83—85; S. 1805, a. 74: Wet 7 Aug. 1806, a. 9; G. 1814, a. 100; G. 1815, a. 163.)

151 (147). , Niemand kan van zijn eigendom worden mtzet dan na voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut dts onteigening vordert en tegen vooraf ge-

21

-ocr page 342-

GRONDWET VAN 4887.

noten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander volgens de voorschriften van eene algemeene wet.

Deze algemeene wet bepaalt ook de gevallen in welke de voorafgaande verklaring bij de wet niet wordt vereischt.

Het vereischte, dat de verschuldigde schadeloosstelling-vooraf betaald of verzekerd zij, geldt niet, wanneer oorlog, oorlogsgevaar, oproer, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneming vordert. (S. 1798, Grondr. a. 40: S. 1801, a 5; G. 1815, a. 164.)

152. Waar in het algemeen belang eigendom door het openbaar gezag moet worden vernietigd of, hetzij voortdurend, hetzij tijdelijk moet worden onbruikbaar gemaakt, geschiedt dit tegen schadeloosstelling, tenzij de wet het tegendeel bepaalt.

Het gebruik van eigendom tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, wordt bij de wet geregeld.

153 (\'i48, 1quot;.*). Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvordering en andere burgerlijke regten behooren bij uitsluiting tot de kennisneming van de regterlijke magt. (G. 1815, a. 105.)

154 (146, 3quot;.) De wet kan de beslissing van twistgedingen, niet behoorende tot die, vermeld in art. 153. hetzij aan den gewonen regter, hetzij aan een collegie met administrative regtspraak belast, opdragen; zij regelt de wijze van behandeling en de gevolgen der beslissingen. (S. 1798, Grondr. a, 42: Staatsr. a. 231, a. 260. 3quot;: C. 1806, a. 75.)

155 (149quot;). De regterlijke magt wordt alleen uitge-\' oefend door regters, welke de wet aanwijst (S. 1801, a. 77: S. 1805. a. 69; C, 1806, a. 66: G. 1814, a, 1016: G. 1815, a. 166.)

156 (154*). Niemand kan tegen zijnen wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent.

De wet regelt de wijze, waarop geschillen over bevoegdheid, tusschen de administrative en regterl.jke magt ontstaan, worden beslist. (S. 1798, Grondr. a. 34, Str. a. 260: S. 1801, a. 7; S.1805, a 6: G.1814, a.lOlc: G. 1815, a. 107.)

157 (151*). Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag niemand in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der gedane aanhouding.

3\'22

-ocr page 343-

V. Hoofdst. Van de Justitie. 323

Dit bevel moet bij, of zoo spoedig mogelijk na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.

De wet bepaalt den vorm van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord. (S. 1798,Grondr. a. 29, 31, 32; Str. a. 106; S. 1801. a. 7, 8; S. -1805, a. 6; C. 1806, a. 4; G. 1814, a. 101a: G 1815, a. 168, 169)

158 (153). Het binnentreden in eene woning tegen den wil van den bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens eenen bijzonderen of alge-iiicenen last van eene magt door de wet aangewezen.

De wet regelt de vormen, waaraan de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden is. (S. 1798, Grondr. a. 39: S. 1801,a. 6; S. 1805. a. 5; C. 1806,a, 3; G. 1815,a. 170.)

15!) (154*) liet geheim der aan de post of andere openbare instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen in de wet omschreven.

160 (155*) Op geen misdrijf mag als straf gesteld worden de algemeene verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebehoorende. (S. 1798, Grondr. a. 35: S. 1801, a. 80; S. 1805. a. 79: C. 1806, a. 69; G. 1814, a. 10W; G. 1815, a. 171 )

161 (156). Alle vonnissen moeten do gronden, waarop zij rusten, inhouden en in strafzaken de wettelijke voorschriften, waarop de veroordeeling rust,quot; aamVijzefT.

quot; De uitspraak geschiedt met open deuren.

Behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald zijn de teregtzittingen openbaar.

De regter kan in het belang der openbare orde en zedelijkheid van dezen regel afwijken. (S. 1798, Grondr. a. 37: Str. a. 262: S. 1801, a. 80: S. 1805, a. 72, 73; C. 1806, a. 68, 69; G. 1814, a. 101 e, /\'; G. 1815, a. 172—174.)

Tweede Afdeeung.

Van de regterlijke magt.

162 (157*). Er bestaat een opperste geregtshof onder den naam van Hooge Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning, overeenkomstig het volgende

m

-ocr page 344-

GRONDWET VAN 1887.

artikel worden benoemd. (S. 1801, a. 89: S. 1805, a. 78; C. 1806, a. 71; G. 1814, a. 102: G. 1815, a. 175.)

163 (158). Van eene voorgevallen vacature wordt door I den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal kennis gegeven, die ter vervulling daarvan

eene voordragt van drie personen aan den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen. f

De Koning benoemt den presidenten den vice-president,

uit de leden van den Hoogen Raad. (S. 1805, a. 79: C. i 1806, a._72: G. 1814, a. 103: G. 1815, a. 176.)

164 (159). De leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriële departementen, de gouverneurs-generaal en de hooge ambtenaren onder anderen naam met gelijke magt bekleed in de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan, wegens

;^üoambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding te fegt voor den Hoogen Raad ter vervolging hetzij van \'s Konings wege, hetzij van wege de Tweede Kamer. ^

De wet kan bepalen dat nog andere ambtenaren en leden van hooge collegiën wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad te regt staan. (S. 1798, a. 71 v]g., 185, 245, 294 vlg.: S. 1801, a. 91, 99; S. 1805, a. 80; C. 1806, a. 73; G. 1814, a. 104, 105; G. 1815, a. 177, 178.)

165 (162). De Hooge Raad heeft het toezigt op den ge-regelden loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten door de leden der regterlijke magt.

Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissenT wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens de bepaling door de wet daaromtrent te maken en behoudens de door de wet te stellen uitzonderingen.

De overige bevoegdheden van den Hoogen Raad worden geregeld bij de wet. (S. 1798, a. 107, 288, 280; S. 1801, a. 93; S. 1805, a. 83; C. 1806, a. 76; G. 1814, a. 107; G. 1815, a. 180.)

166 (163). De leden van de regterlijke magt worden door den Koning aangesteld.

De leden van de regterlijke magt, met regtspraak belast, en de procureur-generaal bij den Hoogen Raad worden voor hun leven aangesteld.

324

-ocr page 345-

V. Hoofdst. Van de Justitie. 325

Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen.

Op eigen verzoek kunnen zij door den Koning worden ontslagen.

Indien een collegie belast wordt met administrative regtspraak in het hoogste ressort voor het Rijk, zijn de eerste, tweede en vierde zinsnede van dit artikel op de leden daarvan toepasselijk.

Zij kunnen worden afgezet of ontslagen op de wijze en in de gevallen, bij de wet aangewezen.

Dit artikel is niet toepasselijk op hen die uitsluitend belast zijn met regtspraak over personen, behoorendo tot de zee- of landmagt of tot eenige andere gewapende magt of met de beslissing van disciplinaire zaken. (S. 1798, a. 259, 265, 277, 286; S. 1801, a. 68, 81; G. 1814, a. 109, 113; G. 1815, a. 186.)

Zesde Hoofdstuk.

Van de Godsdienst.

167 (164*). Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming-der maatschappij en harer leden tegen de overtreding-der strafwet. (S. 1798, Grondr. a. 19; G. 1815, a. 190.)

168 (165*). Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend, (S. 1801, a. 11; S. 1805, a. 4; C. 1806, a. 6; G. 1814, a. 134; G. 1815, a. 191.)

169 (166*). De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschaps-regten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen. (S. 1798, Grondr. a, 20; S. 1801, a. 14; G 1814, a. 134; G.1815, a. 192.)

170 (167*). Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de noodige maatregelen ter verzekering dei-openbare orde. en rust.

Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoor-

-ocr page 346-

GRONDWET VAN 1887.

loofd, waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten. (S. quot;1798, Grondr. a. 22, 23: S. quot;1801, a. \'H; C. 1806, a. 6, 49; G. 1814, a 135; G. 1815, a. 193.)

171 (168*). De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.

Aan de leeraars, welke tot nog toe uit \'s Lands kas geen, of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden. (S. 1798. Grondr.a. 21: add. artt. 1 5; b. 1801 , a. 14; G. 1814, a. 136—138; G. 1815, a. 194.)

172 (169*). De Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat. (S. 1798, Grondi\'. a. 23 ; S. 1805, ii. 4; C. 1806. a. 34; G. 1814, a. 139; G. 1815. a. 195.)

173 (170*). De tnsschenkomst der Regering wordt niet vereiseht bij de briefwisseling met de hoofden der onderscheidene kerkgenootschappen, noch, behoudens verantwoordelijkheid volgens de wet, bij do afkondiging van kerkelijke voorschriften.

Zevende Hoofdstuk.

Viin de Financiën.

174 (171). Geene belastingen kunnen ten behoeve van quot;s Rijks kas worden geheven, dan uit krachte var, eene wet.

Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen voor het gebruik van Rijks-werken en inrigtingen, voor zooveel de regeling van die heffingen niet aan den Koning is voo\'\'~ behouden. (S. 1798, a. 50o, 208; S. 1801, a- 40, 2.; S. 1805, a. 60; G. 1814, a. 117; G. 1815, a 197, 22;^)

175 (172*). Geene privilegiën kunnen Jn het stuk van belastingen worden verleend. (S. 1798, Grondr. a. 57, 64; C. 1806, a. 2; G. 1815, a, 198.)

176 (173*). De verbindtenissen van den Staat jegens zijne schuldeischers worden gewaarborgd. De schuld woidt

326

-ocr page 347-

VII. Hoofdst. Van de Financiën.

jaarlijks in overweging genomen ter bevordering der belangen van de schaldeischers van den Staat. (S. 1798, a. 203; S. 1801, a. 56; C. 1806, a. 9; G. 1814, a. 118; G. 1815, a. 199.)

177 (174*). Het gewigt, de gehalte en de waarde der muntspeciën worden door de wet geregeld. (S. 1798, Grondr. a. 59, 2quot;.: Staatsr. a. 50/1; S. 1801, a. 19; C. 1806, a. 8; G. 1815, a 200.)

178 (175*). Het toczigt en de zorg over de zaken van de Munt en de beslissing der geschillen over het allooi, essai en wat dies meer zij, worden door de wet geregeld. (S. 1798, a. 130; G. 1814, a. 119; G. 1815, a. 201.)

179 (176*). Er is eene Algemeene Rekenkamer, welker zaïrienstelling en taak door de wet worden geregeld.

Bij het openvallen eener plaats in deze Kamer zendt de Tweede Kamer der Staten-Generaal eene voordragt van drie personen aan den Koning, die daaruit benoemt.

De leden der Rekenkamer worden voor hun leven aangesteld.

Het 3de en 4de lid van art. 166 is op hen van toepassing, (S. 1798, 226 vlg.; S. 1801, a. 46; S. 1805, a. 61; C. 1806. a. 45; G. 1814, a. 120; G. 1815, a. 202.)

Achtste Hoofdstuk.

Van de Defensie.

180 (177). Alle Nederlanders daartoe instaat, zijn vcr-pligt mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied.

Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn, kan die pligt worden opgelegd. (S. 1798, Grondr. a. 44: G. 1814, a. 121; G. 1815, a. 203)

181 (178, 180, 181, 189). Tot bescherming der belangen van den Staat is er eene zee- en eene landraagt, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstpligtigen.

De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij regelt ook de verpligtingen die aan hen, die niet tot de zee-of land-magt behooren, ten aanzien van \'s Lands verdediging

327

-ocr page 348-

GRONDWET VAN 1887.

opgelegd kunnen worden. (S. 1798, Grondr. a. 43: Staatsr. a. 50 d, t: G. 1814, a. 122, 123: G. 1815, a. 202, 206, 207, 214.)

182 (179*). Vreemde troepen worden niet dan krachtens eene wet in dienst genomen. (S. 1798, a. 50c?: G. 1815. a. 205.)

183 (186). De dienstpligtigen ter zee zijn bestemd om te dienen in en buiten Europa. Aan de dienst, door hen in de koloniën en bezittingen in andere werelddeelen te vervullen , worden door de wet voordeelen verbonden.

184 (185*). De dienstpligtigen te land mogen niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen worden gezonden. (G. 1815, a. 210.)

185 (184). Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de dienstpligtigen die niet in werkelijke dienst zijn, door den Koning geheel of ten deele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Sta,ten-Ge-neraal gedaan, om het onder de wapenen blijven der dienstpligtigen zooveel noodig te bepalen. (G. 1815, a. 206.)

186 (187). Al de kosten voor de legers van het Rijk worden uit \'s Rijks kas voldaan.

De inkwartieringen en het onderhoud van het krijgs-v volk, de transporten en leverantiën van welken aan.: ook voor de legers of verdedigingswerken van het Rijk gevorderd, kunnen niet dan volgens algemeene regels bij de wet te stellen en tegen schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners of gemeenten worden gebragt.

De uitzonderingen op die algemeene regels voor het geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden worden bij de wet vastgesteld.

Of er oorlogsgevaar, in den zin waarin dat woord in \'s Lands wetten voorkomt, aanwezig is, beslist de Koning. (G. 1815. a. 212.)

187. Ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid kan door of van wege den Koning elk gedeelte van het grondgebied des Rijks in staat van oorlog of in staat van beleg verklaard worden. De wet bepaalt de wijze waarop en de gevallen waarin zulks geschieden kan en regelt de gevolgen.

Bij die regeling kan worden bepaald, dat de grondwet-

328

-ocr page 349-

VIIl. Hoofdst. Van de Defensie.

telijke bevoegdheden van het burgerlijk gezag ten opzigte van de openbare orde en de politie geheel of ten deele op het militair gezag overgaan; en dat de burgerlijke overheden aan de militaire ondergeschikt worden.

Daarbij kan wijders afgeweken worden van de art. 7, 9, 458 en 159 der Grondwet

Voor het geval van oorlog kan ook van art. 456, 4ste lid, worden afgeweken. (S. 4798. a. 50a, 403.)

Negende Hoofdstuk.

Van den Waterstaat.

188 (498). De wet geeft regels omtrent het waterstaatsbestuur, het oppertoezigt en toezigt daaronder begrepen. met inachtneming der voorschriften in de vólgende artikelen van dit hoofdstuk vervat. (G 4815, a. 216—220).

189 (490*). De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat den waterstaat betreft, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit \'s Rijks kas of op eene andere wijze gevonden. (S. 1801, a. 69: G. 4844, a. 427: G. 4845, a. 215.)

190 (192, 493). De Staten der provinciën hebben het toezigt op alle waterstaatswerken, waterschappen, veen-schappen en veenpolders Nogtans kan de wet het toezigt over bepaalde werken aan anderen opdragen.

De Staten zijn bevoegd, met goedkeuring des Konings,

in de bestaande inrigtingen en reglementen der water- ~ amp; schappen, veenschappen en veenpolders veranderingen te^-e-w maken, waterschappen, veenschappen en veenpolders op te heffen, nieuwe op te rigten en nieuwe reglementen voor zoodanige instellingen vast te stellen. Tot verandering van de inrigtingen of reglementen kunnen de besturen van die instellingen voorstellen aan de Staten dier provincie doen. (S. 4801, a. 68, 69: G. 4814, a. 434: G. 4815, a. 224 —223.)

191. De besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders kunnen volgens regels, door de wet te stellen, in het huishoudelijk belang van die instellingen verordeningen maken.

329

-ocr page 350-

GRONDWET VAN 1887.

Tiende Hoofdstuk.

Van het Onderwijs »\'ii liet Arnibestiiiir.

15)2 (194*). Het openhaal- onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering.

De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld.

Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven.

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen.

De Koning doet van den staat der hooge-, middelbare-en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven. (S. 1798, Grondr. a. 60, 61 . Str. 92. add. art. 4; G. 1814, a. 140: G. 1815, a. 226.)

15)3 (195*). Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regering, en wordt door de wet geregeld. De Koning doet van de verrigtingen dianaan-gaande jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven. (S. 1798, Grondr. a. 48; G. 1814, a. 141: G. 1815, a. 228.)

Elfde Hoofdstuk. Van Veranderingen.

194 (196*). Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. De wet verklaart dat er grond bestaat om het voorstel, zoo als zij het vaststelt, in overweging te nemen. (S. 1798, Grondr. a. 70: Str. a. 307, Reiil. E: G. 1814, a. 142; G. 1815, a. 229.)

330

-ocr page 351-

XI. Hoofdst. Van Veranderingen. 331

195 (1971) Na de afkondiging dezer wet worden de Kamers ontbonden. De nieuwe Kamers overwegen dat voorstel en kunnen niet dan met twee derden der uitge-bragte stemmen de aan haar overeenkomstig voornoemde wet vooraestelde verandei-ing aannemen. (G. \'1814. a. 149; G. 1815, a. 230—232.)

l!)fgt; (198). Gedurende een regentschap kan in de troonopvolging geene verandering worden gebragt. (G. 1815, a. 233.) *)

197 (199*). De veranderingen in de Grondwet, door den Koning en de Staten-Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd en bij de Grondwet gevoegd. (S. 1798, Regl. E, a. 24, 25; G. 1815, a. 234.)

1

Art. 193 der Grondw. van \'48 was reeds veranderd, op do wijze als thans gelezen wordt, bij do herz\'ening afgekondigd 5 Doe. 1884: (S. NTo. 229).

-ocr page 352-

ADDITIONELE ARTIKELEN.

Artikel I (I*). Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, tot dat zij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen. (G. 1815, add. art. 2.)

II (3*). Alle op het oogenblik der afkondiging van de veranderingen in de Grondwet verbindende wetten. reglementen en besluiten worden gehandhaafd, i;ot dat zij achtereenvolgens door andere worden vervangen. (G. 4815, add. art. 2.)

III (4*). De heerlijke regten betreffende voordragt of aanstelling van personen tot openbare betrekkinKon zijn afgeschaft.

De opheffing der overige heerlijke regten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld. (S. 1798, Grondr. a. 24, 25: S. 1801, a. -15; S. -1805, a. 8, 9; G. 1815, a. 154.)

IV. Art. 151 der Grondwet\' is niet toepasselijk ten aanzien van aardhaling, ingeval de specie wordt genomen van gronden, waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, in -1886 rustte. (A. 68, Wet van 28 Aug. 185-1, Stsb. Nquot;. 125.)

V. Het eerste lid van art. 152 der Grondwet blijft buiten toepassing, tot dat de wettelijke regeling omtrent de gevallen waarin geene schadeloosstelling in geval van vernietiging of voortdurende of tijdelijke onbruikbaarma-king van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden.

-ocr page 353-

Additionele artikelen.

VI (6).................1)

VII (7). Met afwijking\' van bovenstaand art. II worden in de wet van 4 Julij \'1850 f) (Staatsblad Nquot;. 37), tot dat de wet daaromtrent nader zal hebben beschikt, de volgende veranderingen gebragt:

Art. quot;1 wordt gelezen als volgt:

De leden van de Tweede Kamer der Sraten-Generaal worden gekozen door de mannelijke meerderjarige ingezetenen des Rijks, tevens Nederlanders, die;

a. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar ter zake van het door hem ter bewoning gebruikte huis of afgezonderd gedeelte van een woonhuis in de personele belasting\' zijn aangeslagen naar eene hoogere huurwaarde dan die, welke volgens art. 1, litt. a en b, van de wet van 24 April 1843 (Staatsblad Nquot;. 15) aanspraak geeft op vermindering tot een derde of twee derde gedeelten der belasting naar de drie eerste grondslagen en dien aanslag ten volle hebben betaald:

h. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar in de grondbelasting zijn aangeslagen tot een bedrag van ten minste tien gulden en dien aanslag ten volle hebben betaald;

c. hetzij, hoofden van gezinnen of alleen wonende personen zijnde, van den inwonenden eigenaar of eersten huurder van een woonhuis of afgezonderd gedeelte van een woonhuis, waarvan de huurwaarde voor de personele belasting ten minste op het dubbele gesteld is van het laagste in de gemeente voor den vollen aanslag ver-eischte bedrag, gedurende negen maanden, voorafgaande aan den \'15den Februarij, een gedeelte in huur hebben gehad en bewoond, waarvoor geen afzonderlijke aanslag in de personele belasting geschiedt, maar waarvan de jaarlijksche huurwaarde, ongestoffeerd, in verhouding tot de belastbare huurwaarde van het woonhuis of

333

1

De artt. VI. VIII, IX en XI bevatten voorscliriften, die fOochts eenmaal behoefden te worden nageleefd. De vermelding is dus hier overbodig.

t) De Kieswet.

-ocr page 354-

GRONDWET VAN -1887.

afgezonderd gedeelte van het woonhuis geschat, het sub a. bedoelde bedrag van den vollen aanslag bereikt;

niet dien verstande, dat op de lijsten van kiezers niet worden geplaatst:

zij wien het kiesregt ontzegd is bij eene regterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan:

zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren:

en zij die in het burgerlijk jaar voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten onderstand van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur hebben genoten.

Het kiesrecht wordt niet uitgeoefend door degenen die in gevangenschap of hechtenis zijn.

Voor het kiezen van leden der Provinciale Staten en van leden van den gemeenteraad gelden dezelfde regelen als die, welke in dit artikel voor het kiezen van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn gesteld, met dien verstande, dat men bovendien ingezeten der provincie moet zijn om kiezer van leden der Provinciale Staten, en ingezeten der gemeente om kiezer van leden van den gemeenteraad te wezen..........

VII I...................

I.X....................

334

X. Het tweede lid van art. 5 der wet van 29 Juni 4851 {Staatsblad N \'. 83) vervalt. 1)

1

Art. 5, al. 2 der Gemeentewet luidde: Om kiezer vau leden van don gemeenteraad te zyn moet men in de directe belastingen de helft betalen van de som in de kiezers van leden der Tweede Kamer der Staten-Generaal gevorderd.

-ocr page 355-

Additionele artikelen: 335 ................■......

iaM

XIT. De Koning is bevoegd den tekst der herziene Grondwet bekend te doen maken en daarbij in de artikelen welke naar een ander artikel verwijzen de veranderingen en nummers aan te brengen, welke noodig blijken te zijn. *).

\') Dit is geschied by K. B. 30 Uov. 1837, S. Ho. 212.

Q. m/.

-ocr page 356-
-ocr page 357-

■ .-•■ ,\'■;, lt; ■\'.- \'- r-\' ;gt;gt;■,■: gt;■

gt;gt; ..4^.^ \', . gt; .-\'i- K-~ .- \' r^i ■ w

•; ^ :

■■ ■ c ■ ^ . ■ y ] \' quot;TC- -L ■- ■ --v-i

^ .-gt; ■

: -/, gt; -i

-s/\'. gt;.

^ v ■ .• t.-/-;!.. s,^ .--

\' . S..gt;----- •.), v ^ --•\' gt;»;-gt;■ , •- gt;«4fe2 • lt;■ V -S

:. V~ . quot;- • , ■.tv\' . ••- r lt;=*- \'-. \' J -

■ .5 .^. ^--■. \'■•■ :\': \'

\' %Xk

quot;fv . -V

- ^ -- V

i;

V-^quot;\' \'

-ocr page 358-
-ocr page 359-
-ocr page 360-