-ocr page 1-

RORA LETGH,

T

ELIZABETH EAlMiET BROWING,

x \\ [gt; i| 1, \'l\' i \\ G I. L S C if li 1\' W i It K 1

HEL. MEBCIEE.

T weodo. lici\'zionc druk.

11 A A 1! LE M. H, 1). T J E !\'1 N K W 1 M. I X

-ocr page 2-

Kast 205

PI. B No.29

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

quot;

-ocr page 6-

|

-ocr page 7-

AURORA LEIGH.

-ocr page 8-

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2302 177 1

-ocr page 9-

los, S. amp; f

AURORA LEIGH,

DOOR

ELIZABETH BARRET BROWNING.

H A A E L E M H. D. T JE ENK WILLINK.

NAAK HET ENKEL SCH BEWERKT DllOR

HEL. MERCIER.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

VOORBERICHT VOOR DEN EERSTEN DRUK.

Mocht ik op mijzelve toepassen, wat de heer Busken Huet van El. *8. Browning verklaart: dat „het rhythme in waarheid haar dienaar isquot;, ik zou het grootsche poëem van Engelands grootste dichteres niet in Hollandsch proza mijn iandgenooten ter lezing bieden.

Waarom ik, den dichtvorm niet meester, het dichtstuk niet onvertaald liet?

Wijl ik wenschte, is mijn antwoord, dat het, ook in Nederland, door velen mocht worden gekend, en ik van het feit, dat „Aurora Leighquot; — reeds in 1856 verschenen - tot dusverre in ons land weinig lezers heeft gevonden, geene andere verklaring weet te geven dan deze; dat het werk in het oorspronkelijke , ook wegens de verzen, waarin het werd geschreven , dooi menigeen niet ten volle kan worden genoten.

Daar alle leven zich van binnen uit ontwikkelt, moet ook elke vernieuwing van het sociale leven uit geest en hart der individuen voortkomen, en de bearbeiding van dezen akker waaruit zeden en wetten behooren te spruiten, moet het schoone

-ocr page 12-

VI

en grootsche werk van den dichter zijn, — ziedaar het hoofddenkbeeld van dit met beelden wel wat weelderig prijkend, van klassieke rust wat te weinig doortrokken gedicht.

Trachtte ik elders reeds de aandacht van dezen en genen op dit hoofddenkbeeld te vestigen, door de vertaling van het geheele boek hoop ik bovendien velen te doen deelen in mijn bewondering van het starrenheir, waarvan deze zon het middelpunt uitmaakt.

De meening, die ik ben toegedaan, dat de inhoud van een poëtisch werk, hoe nauw ook verwant, niet onvoorwaardelijk gebonden is aan den kunstvorm, waarin hij door den dichter werd gegoten, heeft mij moed gegeven tot een arbeid, dien ik met geestdrift ondernomen en daarom zoo goed als ik vermocht ten uitvoer heb gebracht.

HEL. MEKCIER.

1883.

-ocr page 13-

EEESTE HOOFDSTUK.

„Van vele boeken te maken is geen einde.quot; Thans ga ik, die in dicht en ondicht, reeds veel voor anderen heb geschreven, wederom, maar ditmaal voor mij zelve schrijven. Ik ga aan beter ik myn levensloop verhalen. Zoo maakt men zijn eigen portret wel eens voor een vriend, die het in een lade wegsluit en het nu en dan, lang nadat zijn liefde voor u is gestorven, te voorschijn haalt en aanziet, om wat hij was en is nog weer eens samen te knoopen.

Ik, die zoo schrijft, ben nog wat men gewoon is jong te noemen. Zóó ver ligt de levenskust nog niet achter my, zóó diep ben ik het land nog niet ingetrokken, dat ik het geruisch niet meer zou hooren van die oneindigheid daar buiten, waartegen \'t sluimerend wichtje glimlacht; — onbegrepen lachje, dat wij mijmerend aanzien. — Zóó ver ben ik nog niet op weg, dat ik myn moeder niet meer zou zien, daar, naast de deur der kinderkamer, mij schertsend met den vinger dreigend: —- „Stil, stil, niet zoo veel leven maken, hoor,quot;—terwijl hare lachende oogen hare woorden weerspreken en meestemmen in het kinderlijk gedruisch. Nog voel ik, nadat zij ons beiden had verlaten, vader\'s hand mij de lokken streelen. Nog hoor ik Assunta schertsend

1

-ocr page 14-

— 2 —

vragen (zij wist hoe lief die scherts mijn vader was) hoeveel gouden scudi wel aan zulke krullen zouden gaan. O vaderhand, streel, streel mijn arm hoofdje, druk het vaster aan uw knieën; te jong, te jong nog hen ik om alleen te zijn.

Mijn moeder was een Florentijnsche. Ik was nauwelijks vier jaar oud, toen hare wonderschoone blauwe oogen zich sloten, om mij nooit meer aan te zien. Een schemerend vonkje was mijn leven, aan een kwijnende lamp ontroofd-—■ en deze ging uit. Zij was zoo zwak en teer; de vreugde van \'t levenschenken was haar te machtig; de moederweelde doodde haar. Had haar kus mijn mondje langer mogen drukken, ik had wellicht forscher leeren ademen, mijn ziel had hechter hand met dit bestaan geknoopt. Maar nu — nu miste ik overal in de wereld een moeder. Nu liep ik zoeken als het blatend lam, dat \'s avonds bij liet sluiten van de schaapskooi buitenbleef. Ik was onrustig als de jonge vogel, in het nest alleen gelaten, die koud wordt.... koud, omdat hij iets mist.... hij weet zelf niet wat.

Ik, Aurora Leigh, werd geboren om mijn vader droeviger en mij zelve waarlijk niet al te vroolijk te maken. Een vrovw alleen weet wat een kind noodig heeft. Zij alleen weet op zulk een eenvoudige, vriendelijke, prettige manier het hoedje vast te strikken, de schoentjes aan te trekken en woordjes samen te rijgen, die zoo aardig klinken; woordjes zonder zin, maar die zij vol van zin weet te kussen. Dit alles doet het leven naar buiten komen. Op die wyze leert het kind onder het dartele spel, dat liefde heilige ernst is. Zoo krijgt het niet te vroeg een strakke plooi, maar leert het zien, dat liefde goddelijk is, in \'t brandend braambosch, dat geen bloesem schaadt; dat gloeit maar niet verteert. Zoo wordt het zich bewust van liefde, zonder vrees. Dat is het werk van moeders. Vaders hebben even lief — de mijne althans— maar toch veel zwaarmoediger, met veel meer ernst en overleg; niet half zoo wijs, wijl minder dwaas.. . Daarom kan God niet wraken, dat een moeder wordt gemist.

Mijn vader was een deftige Engelschman, die, na een

-ocr page 15-

— 3 —

eentonige jeugd in de ouderlijke woning gesleten, na rechtsstudie , reclitspraktyk en dorpspraatjes, op eens als overstroomd werd door een hartstocht, die heel zyn kalm en welbewaakt verleden in één oogwenk overdekte en verzwolg, \'t Was in Florence, waar hij voor een maand was heengegaan om Da Vinci\'s waterkeering te bestudeeren. In Engeland met zijn gedachten — misschien wel peinzend over de vraag of men die gehate maar noodzakelijke inkomstenbelasting met linker-of rechterhand heeft te betalen — stond hy , door de vreemde zon beschenen, op \'t groote plein van de Santissima, toen hem, zonder dat hij met zijn engelsch phlegma er veel acht op sloeg, een processie voorbijtrok, met banieren, kruizen, psalmgezang. Jonge meisjes, witgesluierd en met rozen om de slapen, hielden groote brandende waskaarsen — te zwaar schier voor de tengere pols — schuin tegen de helblauwe trillende lucht; de witte was afdruppelend onder het gaan. De stoet toog naar \'t kerkgebouw om het heilig avondmaal te gaan gebruiken. — Daar, op eens, in die lange ry van zingende priesters en jonkvrouwen, ontmoette zijn oog een gelaat, dat — hem treffend als een toon van hemelsche muziek — in zijn ziel een echo wakker riep, die hoofd en hart vervulde en herschiep. Zoo, zoo ontving ook hy in die eigen ure het heilig Sacrement der liefde.

En zoo geliefd zonk zij ten grave. O, \'t was hartverscheurend, zeide men, om hem na den eersten schok gade te slaan, den jongen weduwnaar en vader, die in stomme smart zijn moederloos vierjarig dochtertje verzorgde. Hoe, als vreesde hij hun gouden glans te doen verbleeken, hy ter nauwernood mijn lokken met zyn groote mannenhand durfde streelen; hoe zij n lippen zich plooiden tot een lach, die bijna de steenen zou doen schreien. Zijn kind had lachjes noodig, dat wist hy, hoe zwaar het hem ook vallen mocht. Het woord, dat hij in der gade gedenksteen in Santa Croce liet griffelen: — „Ween om een kind te jong om veel te weenen, toen deze moeder stierfquot; — dat woord verdry ft nog heden de lach uit het heldere oog der moeders, die, met kinders aan de hand, wat koelte en schaduw in het kerkgebouw komen zoeken. Kort daarna verliet hij ons

-ocr page 16-

Florence en ging zich met zijn zwijgend leed en keuvelend kind in liet gebergte boven Pelago verschuilen. Wantmoeder-looze kleinen, dacht hij, hebben meer dan anderen moeder natuur van noode. Pan\'s vlekkeloos witte geiten, door het Alleven gevoed, bieden haar volle warme uiers aan de dorstige lippen van een kind, verweesd als het zijne. In zulke geleerde beeUen sprak hij, verhaalden mij later zijn vrienden. Want zelfs prozaïsche naturen dragen een smart van langen duur ten laatste als een hoed, waarop een bloempje is gestoken. Zoo leefden vader en kind jaren achtereen in de bergen. Rondom het huis Gods stilte; daarbinnen drie zachte stemmen. Oude Assunta had het huisbestier en sloeg een kruis zoo vaak, bij het stoken van den haard, de rosse vlam van het houtvuur moeders portret aan den wand deed leven.

Dit was na haar dood geschilderd. Toen het gelaat, de buste en de handen voltooid waren, bracht moeders came-riera, die van het engelsche lijkgewaad gruwde, den schilder het zijden kleed, dat hare meesteres de laatste maal in het Pittipaleis had gedragen. „Foei, die doodsche kleuren pasten niet bij haar Signora!quot;

Het werd op deze wijze een vreemd geheel. Ik zat soms uren achtereen op den grond met opgetrokken knieën en keek half schuw, half in aanbidding naar dat sneeuwwitte, bovenaardsche gelaat, dat als een geest omhoog rees uit de styve roode zyde, die de macht niet scheen te hebben hem in haar plooien te weerhouden. Uren lang zat ik aldus. As-sunta\'s huiverend ontzag en vaders droeve blik, zij wezen steeds daarheen. Daarheen ook trok mijn droomen en myn denken. Toen ik ouder werd, verbond ik onwillekeurig, ja schier onbewust, al wat ik hoorde of las, \'t zij grootsch of liefelijk, aandoenlijk of verschrikkelijk, schoon of dwaas, altyd met dat gelaat. Het nam daarom voor mij geen andere vormen aan, maar leende zich tot alle vormen. Beurtelings was het engel, spook, fee, tooverheks, godin; een onverschrokken Muse, die het noodlot tart, een minnende Psyche, die den geliefde uit het oog heeft verloren, een zwijgende Medusa met het zachte bleeke voorhoofd, waarom zich slangen kronkelen, wier gif als zweetdroppelen nedervalt. Of wel het

-ocr page 17-

— 5 —

was de moedermaagd, de borst, waaraan het goddelijk kindje eens rustte, met zwaarden doorstoken; of Lamia in haar eerste schrik, voordat zij sidderend ging samenkronkelen en voort-schuifelen in het stof. Maar ook mijn eigen moeder, mij kussend met haar laatsten glimlach, toen vader mijn mondje daartoe op haar stervend aangezicht drukte. En ook mijn doode moeder zonder lach of kus, daar ginds in haar graf te Florence. Al die beelden te gader versmolten in dat ééne beeld, dat mij verzelde Joor mijn droomerige kindsheid , gelijk ook het heerlijk, liefelijk mysterie van eeuwig leven de strijdige begrippen van dood en leven, zijn en wisselen, in zich opneemt.

Terwijl mijn kinderlijke geest aldus gestadig bij moeders beeltenis verwijlde, vloden vaders dagen stil daarhenen. Wel had de liefde hem de oude banden doen verbreken, wel had hij, als Lazarus, den zweetdoek van zijn ziel gerukt, maar zijn geluk duurde te kort, om hem van nieuws af aan te leeren leven. De nieuwe zon bracht hem geen nieuwen dag. Hij leefde als een die droomt, wel denkend, maar doelloos; tot vrijheid, maar niet tot handelen gebracht. Eros\' kracht vermocht wel den gewonen mensch in hem te breken, maar tot ongewoonheid hem volmaken kon hij niet. Voordat de dood hem van mij wegrukte, leerde ik van hem, wat hij zelf het best had geleerd —■ liefde en smart. En daar wij in onze bergen ook boeken bezaten, het krachtig en verlichtend woord van groote geesten, samenstemmend met de rijke taal van woud en stroom, leerde vader mij uit boeken ook — hoe groot de onwetendheid van menschen is, en hoe Grod daarboven glimlacht, wanneer de mensch hier op aarde verklaart; „Hierin ben ik geleerd; dit begrijp, dit versta ik; in dit mijn systeem valt geen feil te ontdekken.quot; Hij zond de scholen school, my uitleggend dat de een een dwaas wordt genoemd om een enkele dwaling en de ander een wijsgeer om tal van zulke dwalingen, die hij tot een stelsel opeenstapelt, en daarna driest der menigte als waarheid aanbiedt.

Men zegt dat ik op mijn dierbren vader gelijk. Toch heb ik breeder voorhoofd, smaller, fijner trekken en ben ik nog bleeker dan hij. Daarbij al even ernstig van gelaat, totdat

-ocr page 18-

moeders glimlacli er over heen komt spelen en my schooner doet schijnen, dan ik werkelijk ben.

Zoo leefden wij met Grod in onze bergen negen jaren lang. Ik was juist dertien jaar geworden, schier onmerkbaar opgegroeid, als de plant in een gure, zwijgende lente — toen ik plotseling tot het volle leven en al zyn nood en leed ontwaakte en met een krachtig, onstuimig bonzend hart naast vaders lijkbaar stond. Verblindend is de straal, als het leven met den dood zóó plotseling en zóó fel in botsing komt. Zijn

laatste woord was: „Liefde, mijn kind, liefde____liefdequot; —

met de smart had hij afgedaan — „beminnen mijn kindquot;. Voor ik kon spreken, had hij den stryd volstreden en had zijn kind niemand meer om op aarde te beminnen.

Zijn kind! Ik was geen kind meer na die ure. De dagen, die volgden, staan mij verward voor den geest, zooals men zich het ylen in eene koorts herinnert.... Geen uitgang hier... die deur gesloten... terug... den ganschen weg terug. Eindelooze dagen vol pijn en onrust, lange, lange nachten vol duisternis en angst, terwijl daarbinnen vuur brandt, vuur dat ons wil verteren. Maar eindelijk toch verrijst met volle helderheid de dag, waarop een vreemdeling, op hoogen toon (zonder er recht toe te hebben naar ik meende) ons zyn bevelen kwam geven. Hij nam my op, terwijl ik aan As-sunta\'s hals hing en met een kreet liet zij mij gaan. Ik gaf geen geluid; mijn ziel was nog te veel vervuld van het zwijgen mijns vaders. Verbijsterd door het leed, zooals een kind gewoonlijk is, stond ik op het dek van de stoomboot te staren naar den wal, waar ik Assunta zag staan jammeren en klagen, alsof het oude, trouwe hart haar breken zou. Ik zag, hoe de witte muren en de blauwe heuvelen van mijn dierbaar land al meer en meer begonnen te wijken; hoe mijn Italië de plooien van haar kleed te zamen nam, als eene, die zich toornig terugtrekt van den smeekeling, die de slippen zoekt vast te grypen. Daarop kwam de zee, de booze zee ons onverbiddelijk scheiden en wierp de boot en mij, met al mijn angst en leed den starren als ten prooi. Tien dagen en tien nachten waren wij in open zee; tien dagen en tien nachten, die op nacht noch dag geleken. Het was, alsof zon en maan

-ocr page 19-

— 7 —

van de groene, verzoenende aarde afgesneden, met hongerigen blik, in blinden wrok, onnatuurlijk op mij nederzagen. En die hemel, die de gansehe zee als in een net omsloot, alsof geen schepsel levend aan haar macht mocht ontglippen, die hemel telkens op nieuw door het zoute schuim bespat, was dat de heilige hemel, waar mijn vader was heengegaan ? Alles was zoo vreemd en nieuw; het heelal een vreemdeling geworden voor zijn verlaten kind.

Eindelijk land, eindelijk Engeland. Hu, wat staarden mij die koude, witte klippen ijzig aan! Moest een dier schamele, roode huizen, daar ginds in den nevel, een tehuis voor mij gaan worden ? En hoe vreemd klonk vaders taal van vreemde lippen, zonder welkomstkus voor vaders kind! Ik schreide luidkeels, toen die welbekende klanken voor het eerst mijn oor weer troffen. Ik schreide zoo hartstochtelijk , dat ik iemand naast mij hoorde zeggen: „Ik geloof, dat de zeeziekte dat kind in het hoofd is geslagen.quot; — Een oogenblik later kwam de trein ons verder voeren. Was dit nu Engeland, vaders Engeland? Het groote eiland? \'t Was alsof de grond geen deel uitmaakte van de gemeenschappelijke groene moederaarde: het eene veld was scherp gescheideu van het andere, evenals de menschen van elkaar. De lucht zelfs zag onvriendelijk, hard en laag. Men kon de wolken bijna aanraken en zou dit durven ook, zóó ver waren zij van Gods kristallen hemel af. Alles was als overgoten met een dof, onzeker waas. Had Shakespeare en de zijnen al het licht hier opgeslorpt? Ik zag geen heuveltje of steen, waar ziel genoeg in zat, om met een frissche kleur of scherpe lijn zich tegen het grauwe zwerk af te teekenen.

Nog zie ik myn vaders zuster in de vestibule van haar landhuis staan, om mij welkom te heeten. Daar stond zy, statig, kalm, een stijve vlecht om het ietwat smalle voorhoofd gewonden, als om de al te vurige gedachten, die soms mochten oprijzen, goed in bedwang te houden. Zij had bruin haar, waardoor een grijze ader liep, want ofschoon slechts één jaar ouder dan mijn vader, had eeu leven zonder warmte haar vroeg oud gemaakt. Haar neus was scherp, maar fijn gevormd; de mond zacht, maar vast gesloten en met een

-ocr page 20-

— 8 —

wreveligen trek aan de hoeken, alsof hij veel liefs had betuigd , dat nooit weerklank had gevonden, of misschien niets dan halve waarheden ten beste had gegeven. Zij had kleur-looze oogen, waarin misschien eens een lach had geblonken, maar die zich toch zeker nooit aan lachen hadden te buiten gegaan; wangen, waarop nog een enkel roosje van vervlogen zomers getuigde, een roosje, zooals men het ter gedachtenis in een boek bewaart, dat, indien het al niet meer bloeien, toch ook niet meer verwelken kan.

Zij had — laten wij zeggen — een onschadelijk, zij noemde het een deugdzaam leven geleid; een stil leven, dat in het geheel geen leven was; maar zij had niet genoeg geleefd om dit te weten — altijd in eigen, engen kring, bestaande uit den geestelijke en de landheeren van het plaatsje, terwijl de gouverneur der provincie nu en dan uit zyn hooge sfeer nederdaalde, om hun aristocratisch gemoed voor mogelijke ontaarding te bewaren en daar in de laagte aan den apotheker eenmaal \'s jaars het bezoek werd gebracht, dat van de nederigheid huns harten moest getuigen.

Het liefdadigheidsgenootschap bood haar gelegenheid tot het openbaren van haar ehristelijken zin, door haar kousen te breien en hemden te naaien te geven. Want wij menschen zijn toch eigenlijk van één maaksel en hebben dezelfde hemden noodig — behoorlijk acht gevende dat de kwaliteit van het flanel moet verschillen. De leeskring, zuiver gehouden van alle moderne kunstgrepen, om gevaarlijke kwestiën overal tusschen de bladen te schuiven, hield haar geest wakker en frisch. Zoo had zij het leven geleid van een vogel, die, in een kooi geboren, volmaakt tevreden is met van het eene stokje op het andere te springen. Mijn hemel, wat een dwaze dieren, die op de boomen en struiken leven en boschbessen eten!

En zoo werd ik, arme, wilde vogel met nauw half volgroeide pennen naar diezelfde kooi gebracht en daar stond zij mij op te wachten... o zoo vriendelijk. Hier, breng frisch water, geef nieuw zaad en zand. — Daar stond zij op den drempel van haar woning, rustig, in het zwart gekleed. Ik sloeg mijn armen om haar hals; ... och het onnoozel wichtje ,

-ocr page 21-

— 9 —

dat naar den bontgekleurden bal de beide handjes uitsteekt, om het nieuwe licht van naderbij te zien, grijpt en tast niet half zoo blindelings. Als het golfgeruisch in de schelp suisde iu miju ooren nog altijd vaders woord: „Mijn kind, liefde, beminnen.quot; Zij daar, die rouwde om mijne smart, zij zou mijn liefde voelen; zij was toch eenmaal vaders zuster; — ik klemde mij aan haar vast. — Een oogenblik scheen zij aangedaan; zij kuste mij met koude lippen, weerde mijn liefkoozing niet af, maar leidde mij zachtkens, het voorhuis door, haar woonvertrek binnen.

Daar, als in een aanval van pijn of hartstocht, maakte zij met een heftige beweging mijn handen los en hield mij op armslengte van zich af. Twee gryze oogen, flikkerend als staal, doorzochten, doorboorden mijn gelaat, alsof hier of daar in mijn onschuldig gezichtje, op voorhoofd, wang of kin, een sluwe booswicht te ontdekken viel. Toen haalde zij diep adem, als om weer tot zich zelve te komen, wat echter niet goed gelukte en zeide op een toon, alsof zij mij verbood te liegen en te vloeken, dat ik niet bang behoefde te zijn; zij had mijn vader lief gehad, zij zou ook my lief hebben, zoo lang ik het verdiende. O zoo teeder!

Later heb ik haar bedoeling verstaan. Zij dacht in myn gelaat mijn moeder te vinden en daarom doorzocht zij het zoo. Want zij, mijn tante, had myn vader waarlijk op hare wijze lief gehad en met al de bitterheid van teedere zielen myn Toscaansche moeder gehaat; mijn moeder, die een verstandig man van den hem aangewezen weg, een deugdzaam man van stellige plichten had weggelokt, die haar, zyn zuster, de eerste plaats in zyn huis had ontroofd, diè zyn pachters benadeeld, zijn vaderland bestolen had en hem voor altijd, zoowel door te leven als door te sterven, door liefde en door smart het verstand had doen verliezen. Jaren lang had zy getracht zich een voorstelling te maken van de vrouw, die aan haar haat telkens nieuw voedsel zou kunnen geven, en zoo was eindelijk zelfs haar nieuwsgierigheid tot haat geworden en het weinigje idealisme, dat haar leven had gekleurd, in haat omgezet, totdat ten laatste deze haat, aldus gevoed, de liefde, waaruit hij zyn oorsprong had ge-

-ocr page 22-

— 10 —

nomen, in kracht en gloed te boven ging en zij des Zondags, onder de prediking der christelijke moraal, ter neder zat met het pijnlyk besef, dat haar spiegelglad geweten ontsierd werd door een deugd — geen ondeugd — van zeer twyfelachtig gehalte.

En zoo was voor my mijns vaders zuster moeders vijand. Van dien nag af Jeed zij haar plicht aan my ; — ik spreek zooals zij tot zich zelve sprak — haar plicht, breed opgevat en ruim gemeten, maar toch altijd gemeten. Zij was mild, vriendelijk, te hoffelijk om teeder te zyn, zij gaf mij de plaats, die mij toekwam. Het was, als vreesde zij door haar gebrek aan liefde in Gods oog ook maar in een enkel punt te kort te schieten. Och, een moeder ziet zoo nauw niet, een moeder is zoo bang niet voor een enkel toornig woord tot haar kind; de liefde, dit weet zij, wordt door de liefde niet misverstaan.

Ik was over het geheel een goed, gedwee en handelbaar kind. Waarom zou ik niet? Ik leefde niet en behoefde de fouten van het leven dus niet te hebben. Voor mij was er meer waarachtig leven in vaders graf dan in geheel Engeland. Sedert dat graf my van zich had gestooten, sedert zyn laatste wil mij, naar men zeide, naar zijn geboorteland had gezonden, lag ik stil, als zeewier op de rotsen, op de plek, waar men mij had neergeworpen. Ik liet haar rustig myn teedere, fijngeaderde blaadjes, vezeltje voor vezeltje, naar haar model uitprikken en het weinigje zeezout, dat in mijn vochtig overschot was achtergebleven, verdampen. Mijn weelderige krullen verdeelde ik tot vlechten — omdat zy van glad, net opgemaakt haar hield. Myn zachte Toscaansche woordjes, die by de minste aandoening als leliën op mijn Engelsche zinnen kwamen dry ven; mijn „Benequot; of „Che che\'quot; liet ik achterwege —- omdat zy gaarne had, dat vaders kind vaders taal sprak. Ik leerde de gebeden, de catechismus en de formulieren, van Athanasius terug tot Nicea, las de 39 artikelen, tractaatjes tegen den tijdgeest (vooral niet Buenaventura\'s „christelijke liefdequot;) en het kort begrip van allerlei onmenschelyke dogmen, nooit door Johannes verkondigd — omdat zy van een goed onderwezen geloof hield. Ik maakte

-ocr page 23-

— 11 —

kennis met een paar fransche klassieken (natuurlijk niet met Balzac en Voltaire) en leerde wat Duitsch op den koop toe — omdat, zeide zij, kennis van talen (niet van boeken) tot een ontwikkelde opvoeding behoorde. Ik leerde een weinig Algebra en Mathesis, ik fladderde den cirkel der wetenschappen rond — omdat zij in vrouwen geen oppervlakkigheid kon dulden. Ik leerde het koninklijk stamhuis van Oviedo van buiten, even als de wetten van het Birmaansche rijk; wist hoeveel voet de Chimborazo zich boven Teneriffe verheft, welke bevaarbare rivier met Lara samenvloeit, welke census van het jaar vijf te Klagenfurt werd genomen — omdat zij een algemeen overzicht van belangrijke feiten nuttig en noodig achtte. Ik speelde veel piano (onmogelijk spel in de dagen van Johnson en het ware te wenschen in de onze evenzeer) kunstige handgrepen en ongeloofelijke vingeroefeningen, die den toehoorder met een stortvloed van nooten overstelpten en hem van het helsch rumoer deden suizebollen. Ook teekende ik elegante poppen naar Fransche gravures, netgekleede najaden met gemaakte goddelijke lachjes, bootste, of liever knoeide het landschap in waterverf na, danste de Polka en Cellarius, spon glas, zette vogels op en boetseerde bloemen in was — omdat zij van talentvolle meisjes hield. Ik las een aantal boeken over de vrouw, om te bewijzen dat, al denken vrouwen niet, zij toch stof tot denken genoeg geven, althans aan een ongetrouwde tante en de schrijfster; boeken, die stoutweg verklaarden, dat zij het recht hebben het gesprek van haar echtgenooten te begrepen, als dit niet te diep gaat, en er zelfs nu en dan een woordje, een „waarlijk?quot; of „ja zeker!quot; mogen tusschen voegen; boeken die haar vlug begrip en ryken aanleg prezen, even als haar geheel eenige waarde en de hervormende kracht, die van de vrouw uitgaat, zoo lang zij rustig aan den haard blijft gezeten en nooit — want dit ware haar ongeluk — „neenquot; zegt als de wereld „jaquot; zegt; boeken, die haar engelendeugd, hoofdzakelijk verstelgoed en hongerige magen ten goede komende, hemelhoog verhieven; in één woord, die de haar aangeboren bekwaamheid tot alles, haar slechts geschonken om van dat „allesquot; afstand te doen, die hare bijzondere geschiktheid tot al wat haar ondergeschikt

-ocr page 24-

— 12 —

maakt, in het helderst daglicht stelden. „Vrouwen moeten vrouwelijk zijnquot;, zeide mijn tante en Engelsche vrouwen, zij dankte er God voor en zuchtte (sommige menschen zuchten altijd als zij God danken) waren een toonbeeld voor de wereld. Eindelijk leerde ik ook nog den kruissteek, omdat zij mij \'s avonds niet met ledige handen wilde zien zitten en bracht ik een smachtende herderin te voorschijn, met oogen even rood als haar schoenen, omdat ik mij in de zyde vergiste, en met een hoofddeksel, dat veel had van den schildpad, die den dichter der oudheid doodde.

Een zinnebeeld van ons leven is het handwerk van ons vrouwen! Wij naaien, borduren , prikken ons de vingers stuk, bederven onze oogen om voort te brengen — wat? Een paar pantoffels, edele heer, die gij aantrekt, als gij vermoeid zyt, of een voetenbankje, waarover gij struikelt en dat gij hartig verwenscht. Of wel een kussen, waarop gij gaat liggen slapen en droomen van iets, wat wij niet zijn, maar om uwentwille wezen wilden. En dit is, helaas, nog het grie-vendst van de zaak: dat ons werk misschien geen beter loon waard is.

Als ik die jaren van mijn jeugd overzie, vraag ik menigmaal mijzelve af, of Brinvilliers wel meer heeft kunnen lijden dan ik, gefolterd als zij werd door het water, dat straal op straal haar verlamde keel overstelpte en haar gezwollen aderen deed barsten. Sommige zwakke zielen gaan te gronde onder zulk een systeem; velen kwijnen weg tot een droevig, geurloos bestaan. Ik hield het uit; mijn ziel stond in verbinding met de onzienlijke wereld en trok voeding en warmte uit de natuur, even als de aarde bij nacht den invloed van de zon gevoelt en de zuigeling in donker de moederborst weet te vinden. Ik hield het leven, dat my werd opgedrongen, aan de buitenzijde van dat innerlijk leven, dat met al zijn ruimte voor hart en longen, voor wil en verstand, door stelsel noch vorm was aan te tasten. God, wees gedankt voor deze uwe genade!

In het eerst was myn leven enkel lijdelykheid. Ik deed, wat zij mij gebood — verder niet. Ik zat op de plaats, die zij mij aanwees, met den rug naar het raam, om niet te

-ocr page 25-

— 13 —

worden afgeleid door den grooten lindeboom op het grasveld die daar opzettelijk scheen gekomen om liet huis een groet van liet woud te brengen. Ik liep schier onhoorbaar over het tapijt van hare laaggewelfde kamers, alsof het geluid van myn eigen voetstappen mij niet in den waan mocht brengen, dat ik leefde. Ik \'as hare boeken, was beleefd tegen haar neef, Romney Leigh, luisterde naar haar geestelijke, schonk thee voor haar gasten en bloosde van vreugde, wanneer ik hen, bij het aanreiken der kopjes, onder elkander hoorde fluisteren: „met haar blauwe oogen en rustige manieren kan het Italiaansche kind toch niet aarden in de Engelsche lucht. Zij is alweer bleeker dan laatst; zij zal sterven.quot;

„Zij zal sterven.quot; Mijn neef Romney Leigh bloosde ook, maar van toorn op dat woord. Hij kwam bij mij staan en zei op fluisterenden toon: „Is het waar, ben je zoo slecht? Zou je willen sterven en de wereld donkerder maken voor anderen, als dat ondeugende lichtje is uitgedoofd?quot; Ik keek hem uitdagend aan; hij althans moest begrijpen, dat het heel natuurlijk van mij was, ver, ver weg te willen gaan, zoover als doode menschen maar gaan kunnen. En dan ... sommigen zijn niet meer tot last als zij sterven.

Hij keerde zich driftig van mij af, sloeg met de deur en sloot zyn hond er buiten.

Ik lieb tot dusverre mijn neef, Romney Leigh, niet genoemd en toch had ik in hem een soort van vriend. Hy was een paar jaar ouder dan ik, maar stroef, bedeesd en afgetrokken; vriendelijk, als hy er aan dacht het te zijn — doch dat was eigenlijk niet noodig — reeds vroeg hoog ernstig, want het besef, dat hij zoo jong reeds heer en meester van Leigh Hall was, drukte als een nachtmerrie op zijn jeugd en ontroofde hein al haar zorgelooze vreugde, \'t Was of het benauwend gevoel van al de afschuwelijke ellende en al het onrecht dezer wereld hem beklemde en dit zich dreigend en beschuldigend tegen zijn bezit verhief. Zoo vaak hij van de hoogeschool thuis kwam, stak hij de heuvels over, om mijn tante te bezoeken; trossen blauwe druiven uit de kassen in de eene, een boek in de andere hand — niets dan statistiek, ■wanneer ik er in gluurde; telling van de bokken, die tegen

I

. 5

-ocr page 26-

— 14 —

den oordeelsdag voor de hel opgroeien. — En zij , mijn tante, zij had hem waarlijk bijna lief; zij duldde zelfs, dat hg zich nu en dan meewarig tot mij wendde — het maakte hem on-gedwongener, als hy meelijdend kon zyn en zuchten was zijn element. Zij liet toe, dat hg mijn muziekboek sloot, of mg mijn werk uit handen nam, om mij onder een of ander voorwendsel mee naar buiten te tronen en aan de zuidzijde van het huis de vijgen te wijzen, zich donker tintend, als werden zij door een Toscaansche rots overschaduwd. Een andermaal wendde zij het hoofd af, of ging de kamer uit, om mij vrij met hem te laten spreken — natuurlijk om hem, genoegen te geven. En dan was het mij , of ik in zijn blik en houding de vurige begeerte las, om mij geheel uit mijn slavernij te verlossen. Eens, dat ik over myn handwerk zat heengebogen en hg vlak naast mij stond, legde hg zgn hand zacht als eeu zomerregen, op mijn hoofd. Ik sprong op en schudde haar van mij af, als ware zij van vuur. Hoe durfde de hand van een vreemde doen, wat mijn vader deed en toch voor mijn gevoel zacht en teeder zgn?

En toch ging ik met hem om als met een vriend, ook zonder nog te weten, dat hij waarlijk mgn vriend was. Dit werd later beter en erger tegelijk. Wg kwamen elkaar zoo na, dat het verschil in ons beider karakter ons telkens eu scherp in het oog moest springen. Eomney Leigh zag altijd omlaag naar de wormen; ik altgd omhoog naar de goden. Een ware godennatuur had hij, want de goden zien neer, omdat zij zich zeiven geen belang inboezemen. En, aardworm als ik was in die dagen, zag Romney dus op mij ook ter neder.

Half door zgn toedoen, geloof ik, maar meer nog door iets daarbinnen in mg, ik stierf niet, hoe gaarne ik ook wilde. Als een, die uit een diepe onmacht ontwakend zich eer voelt sterven dan herleven en het bewustzijn voelt op-rgzen met een pgnlijk, duister besef van scheiding en van een drukkende last, die zich niet laat afwentelen, terwijl het in de ooren gonst en dreunt, alsof by het lichten van den dag onzichtbare wagens zich verwijderen, zoo kwam ook ik, langzaam en van lieverlede tot mg zelve en sloeg

-ocr page 27-

— 15 —

de oogen op en zag rond... Waar was ik?... In de wereld en daarin dan ook met een doel, dat mij het leven moest doen in waarde houden.

Ik had een kleine kamer, hoog in huis, groen als de li-gusterhaag, waarin de vogel liefst zijn nestje bouwt; zijn nestje van doode takjes en stroohalmpjes. Het behangsel was groen, het kleed was groen, de gordijnen van het kleine, smalle bed waren groen, groene plooien hingen voor het venster en daardoor keek het landschap met al zijn groene boomen naar binnen. Men kon zijn hoofd niet buiten steken, zonder door de ochtenddauw van de kamperfoelie te worden bespat en zoo gedoopt te worden tot de genade en het voorrecht om rond te mogen zien.

Daar was allereerst de lindeboom. Hier voorzeker kon ik hem geheel en volop genieten; het gegons der by en in zijn loof joeg zelfs menigmaal mijn morgendroom op de vlucht. Na de linde kwam het grasveld, dat zich met een breede zwaai om het huis slingerde, om daarna als een lichtgroene beek tusschen de heesters weg te vloeien en in zich de ac-cacias te verliezen. Over deze heen zag men de onregelmatige lijn der olmen, die langs de omheining, die de plaats omgaf en den al te weelderigen groei van het struikgewas tegenhield, omhoog rezen. Die omheining was zóó ver weg en ging zóó diep schuil in het groen, dat noch de vreemde landlooper, noch de drijver, die met wilde ponies uit Wales kwam, kon raden of de geuren, die de lucht vervulden , van landgoed of boerenhofstede kwamen, al had ook de kromme haak van hun stok de laagste ranken kunnen bereiken van de bloeiende braamstruik, die van den muur afhing.

Over en door de toppen dier olmen, zag men de golvende heuvelenrij, waarlangs de hagen als strepen op en neder liepen en waarachter de zware eiken te voorschyn traden, uit wier midden de rook uit Romney\'s schoorsteenen rustig omhoog steeg, als de adem eens menschen op een konden winterdag. Want daar in het bosch lag Leigh Hall verscholen.

En nog weer verder en hooger strekte zich langs den horizont een tafelland, een zandig voorgebergte uit. Bij donkere

-ocr page 28-

— 16 —

dagen was het scliier onzichtbaar, of meende men eene wolk te zien; maar dan kwam de avondzon en beurde het met haar volle kracht omhoog en maakte het tot haar aambeeld, van waar zy de gloeiende flitsen omhoog zond, die de hemelen in vuur zetten, alsof zij luide wilde verkondigen, dat het uur van haar ruste nog niet nabij behoefde te zijn. En als dan al de schittering en beweging van haar ondergaande glorie ging versmelten tot een stillen, zachten gloed, zag men tegen de gouden avondlucht die fijne, heldere lijn afsteken , waar langs de schapen zich bewogen, klein als muizen, die op en neder loopen langs een rooden feeëndraad.

Het was geen grootsche natuur. Het waren niet myn kastanjewouden van Vallombrosa, hangend en zich klemmend aan den rand van den afgrond. Niet mijn tuimelende watervallen met hun angst- of vreugdekreten, terwijl zij zich afstorten langs de sidderende pijnboomen, als rustzoekende geesten naar de eeuwigheid geslingerd. Niet mijn dicht opeengedrongen bergen in een tooverkring neergezeten die, door eenzelfden electrieken stroom beroerd, met zwoegend, bonzend hart de aanraking en lastbrief der hemelen verbeiden. Neen voorwaar, Engeland is geen Italië.

Op Engelschen grond leert ge naar de letter verstaan, dat Adam vóór zijn val in een hof leefde. Al de velden zijn, als ruikers, met hagen omstrikt. De heuvels zijn gerimpelde vlakten , de vlakten parterres, de ronde, gevulde, wollige boomen staan als voor het snoeimes gereed en zoekt ge naar een wildernis, ge vindt op zen best een park. Een getemde natuur, mak geworden als het gevogelt op de hofstee, dat u geen schrik aanjaagt met snavel en klauwen, noch u mee-troont naar een schier onbereikbaar adelaarsnest; integendeel welks gekakel u uit hooger sfeer omlaag roept en u aan Je eieren doet denken, die gij morgen op uw ontbijttafel vindt.

Zeg liever, een liefelijke, huiselijke natuur, die ongemerkt, met een liefkozend gebaar, u aan haar bijzijn herinnert, even als een hond, die u bij het kleed trekt, of een kind, dat zachtkens zijn handje in de uwe laat glijden. Een natuur, die eenvoudig en bescheiden, u haar genegenheid toont en haar diensten aanbiedt.

-ocr page 29-

V

— 17 —

Ik kon haar niet terugstooten, ik kon niet ondankbaar zijn, terwijl zij aldus ook my tot zich trok en steunde. Lang voordat men beneden in huis ontwaakte, en lang nadat alles ter ruste was, zat ik vaak eenzaam in mijn hooge, groene kamer, wachtend, dat zy mij zegenen zou. Daar ritselde het loover, daar suisde een windje, daar flonkerde een lichtstraal, daar trad zij nader met onhoorbaren tred en de engelen begroetten haar en boden haar een plaats aan mijn zyde. Dan kwam de maan en verjoeg alle dwaze gedachten met haar reinen, stillen glans. Dan kwam de zon en zeide: „Hoe, ik dooj) de linde met myn stralen en gij slaat er geen acht op, en luister, ik leer den vogels hun morgenlied, maar gij... gy zingt npoit; Grod hoort alleen uw stem, wanneer gy \'s nachts in uw bed ligt te weenen.quot;

Dan was het of daarbinnen zich iets bewoog; de doffe sluimering ging wijken en langzaam, maar eindelijk ten volle ontwaakt, opende ik mijn venster en mijn ziel zoo wyd ik maar kon, en liet hemel en aarde hun blyde boodschap verkondigen en mijn binnenste vernieuwen.

O Leven, hoe vaak zyn wy u moede, hoe vaak zouden wij uw last ter zyde willen werpen, hoe menigmaal achten wy het onzer onwaardig, dat wij uw banden niet slaken, misbruikt, verminkt, verlamd als wij zijn, aan alle verheffing vreemd geworden. Dan verbergen wij ons gelaat, als pruilende kinderen en zeggen het leven vaarwel en meenen dat alles voorby is. .. en dan op eens, .. hoor, daar klinkt uit den hoogen, van omlaag, rondom ons, de roepstem des levens opnieuw; maar veranderd van toon, met ongekenden klank, als een nieuwe openbaring . . . Dat is de stem der Natuur of der Liefde zeggen wij en bedriegen ons zeiven, omdat het ons lichter valt onze nooden te klagen dan te erkennen, dat ons vergoeding wordt geschonken. Maar neen, het is de stem des Levens en wij sluiten vrede met den vijand, wy weten zeiven niet hoe.

Ook was ik in die dagen te jong, om neerslachtig te blijven. Al spoedig maakte ik mij vroeg opstaan tot gewoonte, enkel om het grauwen van den morgen te bespieden en naar de stilte te luisteren, die als een bloemkelk blad voorblad open-

2

-ocr page 30-

— 18 —

ging. Daar zat ik dan voor mijn open venster en streelde in gedachte de kamperfoelie, die het omgaf, totdat ik dit hoe langer hoe teederder deed en er eindelijk zelve om moest glimlachen — half weemoedig, omdat ik mij op een vrexigde-lach betrapte.

Opgewektheid brengt verzoeking mee. Toen ik zoover was, scheen het mij wel der moeite waard een poging te wagen tot ontduiking van het zwaard, dat altoos over mijn leven de wacht hield. Ik sloop de trappen af, het slapende huis door, zwijgend als de droomen, die er gedroomd werden, ontsnapte door de deur, als een ziel, die het lichaam ontvliedt, liep de boschjes door, bereikte de omheining, doolde een paar uur langs de heuvels en keerde terug, voordat het huis in beweging kwam.

Of wel ik zat in myn hooge, groene nestje en leefde mijn leven en droomde mijn droomen en zond mijn ongewijde gebeden ten hemel. Ik las mijn boeken, zonder er by te denken of ik er wat goeds uit leeren kon, of niet. Want zie, zelfs tegenover een boek, brengt inhalig te zijn en winst te berekenen — zooveel ontwikkeling door zooveel lectuur — nooit voordeel aan. Eerst wanneer wij ons met de ziel vooruit, hals over hoofd in de diepte van een boek storten, met vurig verlangen naar het schoone en ware er in neergezonken, eerst dan trekken wij het ware profijt van een boek.

Ik las veel. Wat mijn vader mij vroeger uit menig boekdeel had geleerd, herhaalde de liefde thans met nog meer klem en kracht. Theophrastus werd zacht en teer voor mij, omdat hij mij vaders oogen voor den geest riep en Aelian deed de mijne vochtig worden. Vader had mij wat grieksch en Latijn geleerd, zooals hij mij het worstelen en het balspel zou geleerd hebben als hij beide maar gekend had; den schipbreukeling gelijk, die op den eenigen houten schotel, die hem rest, geitenkaas en roode bessen bijeenhoopt; of den mensch gelijk, die slechts één wezen heeft om lief te hebben en dien éénen alles biedt wat hij bezit; niet omdat hy er waarde aan hecht, maar omdat het het zijne is. Evenals voorheen die vrouwen die haar sluier om het fiere hoofd van den jongen Achilles wonden, terwijl haar zilveren lach langs

-ocr page 31-

— 19 —

de glinsterende rotsen weerklonk, zoo sloeg ook mijn vader zijn wijden overjas om zijn dochtertje heen, niet bedenkend, dat hy haar onmogelijk kon passen.

Maar nadat ik ter wille van het verleden had gelezen, las ik met den blik vooruit gericht ook. Het pad my door vaders voetstap gebaand, maar plotseling afbrekende, toen hy zyn aardsch omkleedsel liet zinken en uit myn oogen verzwond, ging ik thans eenzaam verder banen. Als een der „kinderen in het boschquot;, maar zonder lotgenootje, stapte ik met mijn kinderhart moedig op de struiken en brandnetels in, om het lommerrijk geboomte te bereiken, dat my een schuilplaats zou bieden. Ach, myn deernis met dat arm, jong eigen ik vliegt even als het roodborstje heel den langen weg terug, om dat verleen met bladeren te overdekken.

Groot en verheven gevaar, door niemand geacht, als een jonge, onbesmette ziel, onbewust van wat haar dreigt op haren tocht en terwijl de volle middagzon haar in de heldere oogen straalt, zich opmaakt, om, vreemdeling en alleen, haren weg door de wereld der boeken te gaan zoeken. O, gy bewondert haar, gij juicht haar toe, gij moedigt haar aan, gij roept haar een vroolijk vaarwel toe, als ware wat lang toevens by een bron het ergste wat haar treffen kon. Maar weet — de boekenwereld is ook de wereld en de wereldlingen daar hebben minder mededoogen en meer macht. Want daar zyn de boozen gevleugeld als engelen, daar wordt elke dolk in het aardvuur geslepen en op een geestelijk leven gericht. Daar vertoont zich het schoone als recht, door de macht der schoonheid alleen en het zwakke als onrecht, omdat het geen kracht bezit; daar wordt de macht verheer-lykt, al wapent zy zich tegen St. Michaël, daar dekt menige kroon een kalen schedel, \'t Is waar, in de boekenwereld ontbreken ook Gods heiligen en koningen niet, die het stof der graven van de lokken schudden en onverschrokken eeuwige waarheden voorhouden aan het veranderlijk masker van den tijd. \'t Is waar, ook daar doet menig profeet zyn roepstem hooren; menig ziener met martelaarsmoed het vuur des hemels op eigen hoofd nederdalen, om één oogwenk slechts het duister

-ocr page 32-

pad der menschheid te verlichten. Maar wie is het, die oor-deelen moet; die op het eerste gezicht onderscheiden moet tusschen Saul en Nahash en koning Saul juist op het oogen-hlik van zijn zonde moet verlaten, om koning David te volgen? Wie moet het geschetter der trompetten onderkennen , als deze zoowel voor Alaric als voor Karei den Grooten worden gestoken. Wie moet profeten heoordeelen en weten wat ware zieners, wat waarzeggers zijn?... Dat kind daar?... Zoudt ge een kind over een slagveld laten dwalen en het met zijn vroolijk, onschuldig gezichtje den geweren in den mond laten loopen? Zoudt ge het in de catacomben zenden met een dwalmende toorts in de tochtige lucht en niets dan mompelende duisternis om zich henen? — Neen waarlijk, dat zoudt ge niet!

Ik las goede en kwade boeken; eenige goed en kwaad tegelijk. Goede bedoelingen maken niet altijd goede boeken; deugdzame spaden werpen vaak kwalijk riekende aarde omhoog, zelfs bij het omspitten van een wijngaard. Ik las boeken, die het bestaan van God met zoo veel bewijzen staafden, dat de twijfel er zich zelf door bewust en mede verklaard werd, dat men door inblazing atheist werd; zede-lyke boeken tot onzedelijkheid prikkelend, geniale boeken, die de menschelijke waardigheid te kort deden; vroolijke boeken, die u in den helderen zonneschijn tranen ontlokten en treurige boeken, die een glimlach te voorschijn riepen, omdat er in een wereld, die zoozeer uit haar voegen is, nog iemand wordt gevonden, die een enkel onrecht meer beweent.

Nochtans is ook de boekenwereld de wereld, zeg ik, maar Godlof, Gods voorzienigheid neemt beide in zijn hoede. Wel worstelde ik met de branding, wel voelde ik nu en dan bij het klieven der golven de krachten mij ontzinken, wel hijg.Ie myn ziel soms naar adem en kreet zij in haar angst: „Zoo er een God is, dat hij mij helpequot;.... maar toch.... God hielp mij en zoo van dwaling op dwaling gedreven, bracht elke golfslag mij het wezen der waarheid meer nabij.

Want deze overtuiging is diep in mijn ziel geworteld: dat in al het gedrang en gewoel der meeningen, waardoor hij nu hier dan daar wordt gestooten, nu schier onder den voet

-ocr page 33-

— 21 —

geraakt en dan het hoofd weer boven heft, de menseh ten slotte op zich zeiven wordt teruggeworpen en in waardig zelfvertrouwen zich aan eigen instinct leert overgeven. En wat hewijst dit anders, dan dat de kracht der zuivere rede, die van elke bewijsvoering te boven gaat? Beproef het, richt de stormladders uwer schoolsche logika naar den hemel en bestijg ze, sport voor sport. De blik gaat sneller; die stille straal, die uw binnenste ontschiet, al weet gij hoe, noch waartoe, onmachtig tot zelfontleding als gij zyt, die straal gaat snel als het licht en recht naar den hoogen tot de bron van alle licht.

De jonge zwaan gaat te water, maar de menseh treedt onbewust van zijn element het leven in en tast blindelings in het ronde, verbasterd als hij is door het aangeboren kwade, dof en flauw als zijn geestesoog is door de overmacht der zinnen. Maar zoo gij slechts eerbiedig acht geeft en volgzaam u laat leiden, zult gij straks in het duister de onzekere beweging van een nieuw, nog onvolkomen leven gevoelen en dit zal openbaring en profetie van een levende Godheid en een eindeloos bestaan voor u zijn.

Zeg niet, de ziel is een onbeschreven blad wit papier; zeg veeleer, de ziel is een palimpsest, het laatste handschrift van een profeet, bevlekt en uitgewischt door een monnik, die er over heen heeft geschreven; de Openbaring door een Longus beklad. Turend op den onzedelijken tekst, bespeurt ge wellicht hier of daar een enkele fraaie pennestreek van het aloude schrift, een enkelen op- of nederhaal, die van een alpha of omega der heilige oorkonde spreekt.

Wat tal van boeken, boeken!

Ik had een zolderkamertje ontdekt, vol kasten en kisten, waarin vaders boeken lagen opgestapeld. In deze reuzenfos-sielen van myn voorwereld snuffelde ik rond, als een kleine, vlugge muis, die tusschen de ribben van een mastodon heen en weer trippelt. Ik knaagde hier en daar aan de planken, om een opening te maken en sleepte gejaagd, angstig, maar toch vol heimelijke vreugde over myn triomf, het eerste boek het beste mee. \'t Was of ik het in de grauwe schemering onder mijn kussen voelde kloppen, lang voordat

-ocr page 34-

— 22 —

de zon mij vergunde te lezen. O mijn dierbare boeken!

Eindelijk toen de tijd daar was, werd ik tot de dichters geleid.

Even als de aarde donderend losbreekt, wanneer het inwendig vuur haar naar het hart stroomt en zij alles ter neder werpt, tempel, triomfboog noch sterrewacht sparend, om hare oorspronkelijke vrijheid te herwinnen, zoo sprong ook mijn ziel by de eerste, goddelijke aanraking der dichtkunst omhoog, verbrak hare banden en stond daar, voor het aangezicht van hemel en aarde, sidderend van ontroering tegenover een nieuwe wereld, een nieuwe oneindigheid!

Hoe nu, Aurora Leigh, is het u ernst met aldus van de dichters te spreken? Die deugdzame leugenaars, die maanzieke droomers, die kortzichtige waarzeggers en pralende grootsprekers, voor wie zon en maan in glans te kort schieten? — Ik spreek aldus van de eenige getuigen der waarheid, die God op aarde zijn overgebleven; de eenige, die met het Ware zelve gevoed, het tegen elke betrekkelijke, toevallige, tijdelijke waarheid durven overstellen. De eenige, die in onze kunstmatige schemering, de slippen van Grods lichtkleed vatten; der menschheid in een schaduw op den vleesohe-lijken muur haar ware gedaante, haar edele, hooge gestalte toonen, haar leeren, dat de ware maat eens menschen, die eens engels is. Terwijl de groote menigte daar ginds telegraafdraden spant, spoorwegen afbakent, regeert, maait, eet, drinkt en het stof veegt van de bonte tapijten door de vorsten en grooten der aarde betreden, verheft de dichter zijn donderende stem en spreekt: „Hier, dit is geest, dit is leven, dit is een woord, dat uit den hemel klinkt, dit is de Godheid, die tot ons neerdaaltquot;... . Dan schrikt die bezige schare op; zij ziet om — zij ziet rond — zij ziet naar den hoogen. .. en beseft voor een oogwenk, dat stof omhoog jagen niet juist de verhevenste of dringendste levenstaak mag heeten.

Mijn aangebeden dichters, heb ik u zoo lief, omdat ik een der uwen ben, of ben ik slechts één met u door mijn liefde? Getuigt al deze geur van thym hier aan mijne voeten, dat ik tot uwe heilige hoogten ben opgestegen, of enkel dat gij tot mij zyt nedergedaald, dat ik het ruischen van uw welriekend gewaad in mijn droomen heb gehoord? Mijn

-ocr page 35-

— 23 —

vreugde en mijn smart, myn denken en hopen zijn als de snaren en kleppen van een speeltuig, die zwijgen, indien zij niet zingen. Maar is het mo hand, mijn dichters, die de snaren tokkelt; zou geen toon weerklinken, indien uw adem de kleppen niet vulde, of is de melodie mijn, zooals ik myn stem en den levensadem mij ingeblazen het mijne mag noemen? O bange twyfel van zoo menig donkren dag.

Maar helder scheen de zon, toen ik voor het eerst den maatslag in mijn polsen gevoelde, toen al de rhythmische beweging van hoofd en hart in woorden van mijn lippen ging ruischen, als de wind, die door het elzenloof spelend, het doet ritselen en popelen, zijn zilveren onderkant naar boven keerend. O weelde en triomf van den dichter, als hij het eenvoudige „jaquot; van een man, het onbeduidende „neenquot; van een vrouw, de geringste menschelijke aandoening in woorden weet te kleeden, die u als met bovenaardschen gloed doortintelen, die het hart van alle mannen en vrouwen op aarde in beweging brengen, alsof oen afgestorvene wederkeerde en met oogen, stralend van hemelvreugde, aan het alledaagsche en overbekende een goddelyke uitdrukking gaf. Hoe zwelt hierbij ook \'s dichters eigen hart van zaligheid; \'t is of de engel daarbinnen onrustig met de vleugels klept en op wil varen tot de zynen, tot dat talloos geestenheir, dat zich koestert in de stralen van de eeuwige zon.

O leven, o poezie, dat is leven van dit leven, inniger leven dan mijn hartader ontwelt, vurige drang naar een waarheid, die deze zinnenwereld te boven gaat; poezie mijn leven, mijn adelaar, die mij uit het midden der herders en van achter de kudde hebt weggeroofd en my in uw klauwen, nog gloeiend van den bliksem uws Zeus, ten Olymp hebt gedragen, midden in den kring der jubelende, schaterende goden. Wat straalden die aangezichten als ik, als schenker, den beker hun reikte, opdat de lach van hun godenlippen niet wyken mocht; hoe bedwelmde my schier de blik dier godenoogen!

Genoeg Ganymedes. Een, tweemaal den kring in het rond gegaan, dan u den gouden beker aan Here\'s voeten laten ontglijden en in bewusteloozen sluimer naar de aarde terug-

-ocr page 36-

— 24 —

gezonken, om, voorover in de pijnappels, huiverend van den dauw te ontwaken, terwijl de lionden bassen en de herders grommen: „wat is er nu met den jongen gebeurd?quot; Zulk rijzen en dalen valt den dichters ten deel.

Behoor ik waarlyk tot hen? \'t Is een koninklijke naam en haar als vorstin te onderteekenen is... wat ik niet wagen durf — al voel ik nu en dan ook de tinteling van het koninklijk bloed in myn aderen, met al het besef van kracht en pijn en overprikkeling er doorgaans mee gepaard. Maar toch... neen de moed ontbreekt my ; het valt zoo licht het verstand te verliezen en voor Bourbon te spelen met een kroon van stroo. \'t Is waarlijk al te gewoon.

Menige vurige geest laat rymwoord op rijmwoord klinken, zooals hij staal op staal zou doen klinken, indien staal voorhanden ware, in een rusteloozen aandrang om iets te doen. Menige teedere ziel rijgt hare tranen aan een rijmenden draad, zooals kinderen met sleutelbloemen doen — hoe meer moeite zij zich geven, hoe meer het werk verflenst. Jonge mannen, ja en jonge vrouwen ook, schudden maar al te vaak hun wilde haren in tamme verzen uit, voordat zij onder hun eigen vijgeboom gaan nederzitten en nuttige menscben worden. Helaas, schier elke vogel zingt bij het morgenkrieken, maar daarom ziet ge den tjilpenden zwaluw niet voor den heiligen leeuwrik aan.

Maar van dit alles gaf ik mij nog geen rekenschap in die dagen. Alle zelfontleding komt laat. Daar staat gij voor de eerste maal tegenover de natuur en staart haar in de volheid van haar lichtglans, vlak in het aangezicht. Het schemert u voor de oogen; gy slaat ze neer voor het wonder, dat gy aanschouwt. Een vorm onderscheidt gy niet; gij ziet niets dan licht. Ik leefde in die dagen en schreef, omdat ik leefde, niet omdat ik er recht toe had. Mijn hart klopte in mijn hoofd. De onstuimige levensstroom joeg over dammen en dijken heen, zich niet bekommerend wat eigen, wat buur-mans grond moest heeten. Zoo gaat het in de jeugd. Wij spelen haasje over met eiken grenspaal. De liefde in ons en buiten ons vloeien samen, smelten ineen — wy weten ter nauwernood of wij liefde geven of ontvangen. Evenzoo met

-ocr page 37-

— 25 —

andere krachten. Gaat de werking van ons op anderen, of omgekeerd uit? Vliegen de boomen ons, of wij de boomen voorbij, op dien eersten, snellen tocht in onzen levenswagen V

Ik deed alzoo wat de meeste jonge dicliters doen, bij de eerste levendige opwelling hunner individualiteit: ik stortte mij zelf in de aderen van anderen uit en maakte levenlooze navolgingen van levende gedichten, de levende aansprakelijk stellende voor de doode, my aan de natuur vergrijpend. „Raak niet, smaak niet, roer niet aan.quot; Wij jonge schrijvers binden ons veel te slaafs aan de oude regels. Wij tokkelen den cither, tot de vingers ons zeer doen, als wisten wij van geen contrapunt af. Wij roepen de Muse aan: „Muse goedertieren Musequot;, als ware de aanblik harer schitterende oogen en purperlokkig hoofd ons gemeenzaam, als die van een hert tusschen het geboomte. Wat een ernst by ons kinderspel! Wat povere vrucht van de krachtigste pogingen! Wat koude, langgerekte oden op het heetste vuur gestookt! herderszangen, terwijl de koeien, die in de modder plassen, om de vliegen te verdrijven, den schrijver van schrik op de vlucht zouden jagen; leerdichten, niets dan slaafsche navolgingen van den meester; nagemaakte heldenzangen vol schetterende klanken, alsof een kind ze voortbracht, terwijl het de rozenwangen opblaast, om zijn moeder aan het lachen te maken; treurliederen en minnezangen aan weggeworpen en weer opgeraapte ruikers gelijk, niet frisscher, omdat een menschen-hand ze haar warmte meedeelde; dit alles geschreven in de vroolijke morgenzon met een morgenhart, bonsend van liefde, hunkerend naar daden, zwak slechts wat de kunst betreft. Menigmaal trillen de oude vormen als het jonge bloed er door heen gudst. De ietwat gerimpelde wijnzakken kraken zelfs bij wijlen, als de nieuwe wyn naar binnen klokt. Spaar de oude vaten, verspil den nieuwen wyn toch niet.

Bij de schim van Keats, de man die niet, als ieder ander, stap voor stap voorwaarts ging, maar in stille majesteit om eigen middelpunt wentelend zich zeiven en twintig volmaakte jaren omcirkelde, en toen ging sterven — niet jong voorwaar, het leven van een lang leven gedistilleerd tot één droppel.

-ocr page 38-

die als een heete traan op liet koude aangezicht der wereld is gevallen, om dit voor altijd te doen gloeien; — bij die krachtige, eenige persoonlijkheid noem ik het vreemd en moeilijk te verklaren, dat schier alle jonge dichters oud schrijven, dat Pope een zestiger was op zijn zestiende jaar en baardlooze Byron academisch als zoo velen. Misschien verkeerden zy niet lang en diep genoeg in geestvervoering om tot helderziendheid te geraken, terwijl nog de herinnering door het visioen henen speelt en dit zijn klaarheid en frischheid doet derven.

Of misschien moet ook heden nog de droeve zandwoestijn zich zoowel achter ons, als vóór ons uitstrekken, eer wij de Muse-Sphinx ontdekken mogen.

Wat mij betreft, ik schreef onware gedichten, evenals de anderen en hield ze voor ware, omdat ik waar was, toen ik ze schreef. Misschien zijn later ware verzen met minder zelfvoldoening uit mijn pen gevloeid.

Maar ik kon mijn bezielend innerlijk leven niet ontrekken aan de oogen, die mij bewaakten. Zij zagen nu en dan een licht voor het venster, dat zij er niet hadden geplaatst. Wie had het daar geplaatst? Mijn vader\'s zuster verschrikte, toen zij mijn ziel uit miju oogen zag lichten. Zy kon mij niet verbieden een ziel te hebben, maar toch had zij er klaarblijkelijk op tegen en achtte zij zielen gevaarlijke dingen, om veilig mee te dragen door al de ontvlambare stoffen, die op ons aardsche pad zijn uitgestort.

Zy zeide nu en dan: „Aurora, hebt gij van morgen uw taak afgemaakt; hebt gij dat boek gelezen; zijt gij gereed om aan het haken te gaan?quot; -— alsof zy zeggen wilde; „ik weet dat er iets aan hapert; ik weet dat ik u nog niet fijn genoeg heb gemalen om voedzaam, huisbakken brood van u te maken, en dat nu de regen in myn schuur is gedrongen en het graan heeft doen uitschieten. Of welke andere macht daarbuiten kan het zijn, die u doet groenen en groeien?quot; — Dan vroeg ik heel bedaard of zij mijn les wilde overhooren, of myn uittreksel van het boek wilde nazien en of zij goed vond, dat ik aan het haken ging? En dan zat ik daar uren lang neder, en liet het geduldige haakje op en neer gaan.

-ocr page 39-

— 27 —

tot al liet garen er als krinkelende kant was afgevloeid. Maar treurig was ik daarom niet, o neen! Mijn ziel spon onderwijl vroolijk zingend aan liaar eigen taak, rustig verscholen achter den licharaelijken muur, vrij en veilig als de leeuwrik, wiens lied ons tegenklinkt, hoog uit de blauwe luclitzee, waarin hij is opgestegen en waarin ons oog hem niet volgen kan.

En zoo hielp onder gedwongen en vrywilligen arbeid mijn inwendig leven mijn uitwendig leven voort, noopte myn onstuimig jagend bloed tot geregelden maatslag, verkoelde mijn voorhoofd door frissche droomen, gaf ronding aan de smalle, kwijnende gedaante, die de ziel omsloot en riep een teeder blosje op de bleeke wangen te voorschijn. Ik fronste de wenkbrauwen boven de groote, blauwe oogen, die itiy uit den spiegel aanstaarden en zeide: „Moed gehouden. Aurora; wij willen leven, wij willen sterk zijn; de honden zijn ons op de hielen, maar sterven zullen wij niet.quot;

Wie een waar leven heeft, heeft ware liefde lief. Ik leerde Engeland liefhebben. Voor het aanbreken van den dag, maar ook wel heimelijk in het namiddaguur, ontkwam ik menigmaal aan mijn drijvers en storte mij midden in de heuvels, als een gejaagd hert, dat zich in het water stort, trillend en hijgend van het angstige rennen. En als ik mij dan eindelijk veilig voelde, als ik de eene groene helling na de andere zag oprijzen tusschen mij en het vijandelijke huis daar ginds, dan vlijde ik my neder, of — liefelijker ruste nog — dan trad ik langzaam voort over het veerkrachtige gras en liet den blik rondom mij weiden. En als ik dan dien grond met zijn lichte golving overzag — alsof Grod in het scheppingsuur hem slechts even met den vinger had aangeraakt — dien grond met al zyn groene hoogjes en laagjes, met die kleine, kleine heuvels, waarover de hemel zich zoo teeder ter nederboog en waarlangs de korenvelden zoo vroolijk omhoog klommen, die schaduwrijke hoekjes, valleitjes met orchideën omzoomd, waar onzichtbare beekjes hun blij gemurmel deden hooren, die frissche weiden met witte madeliefjes en zilveren dauw bestrooid, afgewisseld door aartsvaderlijke eiken en olmen, die zich rustig ten hemel hieven, door hun eigen, onmete-

-ocr page 40-

— 28 —

lyke Rcliaduw gedragen — dan, ja dan moest de bekentenis mij van de lippen, dat ik den geboortegrond mijns vaders waardig achtte het vaderland van myn Shakespeare te zijn.

Deze tochten deed ik meestal alleen en ter sluik, maar soms ook kreeg ik vergunning om mede te gaan, als Rom-ney met zijn vriend Vincent Carrington uit wandelen ging. Deze was een jonge schilder, wien de menschen niet recht bij zijn zinnen noemden, omdat hij beweerde, dat wie goed een lichaam schildert bijgevolg ook de ziel schildert, even als ons aller Meester deed. Dat waren heerlijke wandelingen, want als hij zeide: „Toen ik laatst in Italië was,quot; klonk dit als muziek uit de verte, waarvan men de melodie niet onderscheiden kan, maar toch zoo mooi vindt om naar te luisteren. Vaker echter wandelde ik met Romney alleen, als het hem behaagde mij mede te nemen. Dan lazen, spraken, of redetwistten wij, al naar het uitviel. Gelieven waren wy niet; zelfs geen goedgepaarde vrienden, veeleer scholierei in verschillende vakken, denkers die het oneens zijn; hij overvol van hetgeen is, ik misschien overmoedig omtrent hetgeen zou kunnen zyn.

Maar dan zongen de lijsters zoo luid, dat zij myn polsen sneller jagen en de jonge olmblaadjes trillen deden. Dan hield ik stil en zag Romney aan, als wilde ik zeggen: „Hoor, in die wereld, waarin het zoo treurig is gesteld als gij zegt, zingen de lijsters toch.quot; Dan gleed er een glimlach over zijn ernstig gelaat en hij liet my vriendelyk, geduldig , half weemoedig begaan, als ik met al het vuur van den dichter heel mijn schoone aarde ging loven en prijzen ; — de lucht, de wolken, de velden, de blijde viooltjes, die ver van den heirweg zich verscholen, waar de primula veris zich heenspoedt met haar levend goud; de dichtbegroeide hagen, waardoor de koeien haar horens staken, terwy 1 haar hei-kauwende bekken de takken bevochtigden; de hagen vol vogels en insekten en groote witte vlinders, die als levence leliën heenzweefden op den wind; de heuvels, de dalen, de wouden, als met een zilveren nevel omhangen; de hoeven, de schuren daar tusschen de heuvels gestrooid; het vee dat daar weidde in de grazige vlakte; de rook die omhoog steeg

-ocr page 41-

— 29 —

uit de nederige schouwen; de bloemengeur der tuinen met die der boomgaarden zich mengelend — „o zie tochquot;, zei ik, „zie, is God niet met ons op aarde en zou de mensch door zgn daden hem kunnen verlagen of verkleinen? Wie durft beweren, dat er voor boozen en armen niet dan zonde en ellende zou bestaan? Sla den blik toch in het rond en ziequot; .... En met een sprong stond ik tot aan de enkels in het hooge engelsche gras en klapte juichend in de handen en noemde alles heerlijk schoon.

In den beginne, toen God alles goed noemde, ook toen was het kwade naby, zegt de Schrift. Maar ons, ja ons omgeeft het in de eigen ure, waarin wij alles schoon en goed noemen. Wil van het kwade ons verlossen, o God, bidden wij.

-ocr page 42-

iSVQKO\'itt))

•. if

TWEEDE HOOFDSTUK.

De jaren vloden lieen. Daar rees aan de kimmen de morgen van mijn twintigste jaar. En — beurtelings acliter en voorwaarts blikkend — daar stond ik, vrouw en kunstenares, beide onvolkomen, beide vol geloof aan volmaking. Grehsel de schepping hield ik omvat in den kleinen beker, dien ik met een glimlach aan mijn dorstige lippen bracht. „Op uw welzyn, mijn goede buurman, op het uwe en het mijne en dat van alle volkeren op het wereldrond.quot;

Ik was blijde dien morgen. Het was Juni ook daarbinnen en een nachtegalenkoor sloeg vroolyk in het duister, terwijl de rozenknoppen blozend haar kelken ontplooiden. Ik voelde mij zoo jong, zoo krachtig, zoo zeker van God! Zoo blijde, zoo tot allerlei dwaasheid geneigd en — al twintig jaar oud! Nog even mijn kindsheid met de armen omstrengeld en dan haar voor altijd vaarwel gekust. In die stemming ijlde, ik heen, de frissche morgenlucht in. Ik gunde my den tyd niet om naar mijn hoed te grijpen; ik liet mijn kleed sleepen en zwieren over het vochtige gras, terwijl ik mij voortspoedde naar de acacciaboschjes. Hoog den blauwen hemel in moesten zij zweven — mijn hersenschimmen; in de vrije, open lucht wilde ik hem vieren — niijn geboortedag, voordat mijn tante

I

-ocr page 43-

— 31 —

ontwaakte en alle sclioone droomen verjoeg. En inmiddels neuriede ik bij mij zelve, als de bij, die gonzende honig vergaart: „Den grootsten dichters viel geen krans ten deel, voordat de dood hun schedel had gebleekt. Dat wacht ook mij, tenzij ik mij onwaardig toone, om te deelen in hun grootschen tegenspoed. En dat verhoed\' de hemel! . . . . Maar indien ik onderwijl mij zelf eens kroonde, niet uit ijdelheid of eerzucht, neen, alleeu maar om te weten, hoe het voelt, voordat mijn voorhoofd, als de kruin van Dante, niets van de prikkeling dier blaadren meer bespeurt. Dier blaadren, welke blaadren?quot;

Ik trok de takken naar omlaag, om er een keus uit te doen.

„\'tLaurierblad niet, ik kies geen lauwerkrans; de goden kunnen overmoed niet dulden. Ook geen myrth, want myrth beduidt hoofdzaaklijk liefde en de liefde is te heilig, om zoo vroeg reeds in den morgen aan te raken. Die verbena geurt te sterk en die balroos strooit bij \'t minste zuchtje van den wind haar bloesems rond... Daar is mijn keus — dat klimop langs den muur, dat dapper klimop als geschapen voor een krans, met blaadren groot en glad, getand als \'tvvyngaard-loof en by na even groen, \'k Houd van dat klimop, want het durft zich slingeren van een hoogte, die veerkrachtig het beklom; het tooit een graf zoo welig als een thyrsus en wat ook my lykt, het staat heel aardig, vastgestoken aan een kam eri om het hoofd gelegd.quot;

Zoo, half sprekend, half zingend — sommige gedachten worden bij de minste aanraking zang — vlocht ik een krans, wond hem, blinkend van dauw, om de slapen, hechtte hem met beide handen aan mijn achterhoofd vast, wendde mij om en stond... tegenover myn publiek —- tegenover neef Romney, die zijn lippen tot ernst zocht te plooien, terwijl er een lach in zijn oogen blonk.

Daar stond ik, als versteend, met mijn armen in de hoogte, een caryatide, voetstuk in een verwoesten tempel gelyk, hulpeloos volhardend in een houding, die myn vorig opzet verried en belachelijk maakte. Maar mijn blos was levend vuur, niet van steen voorwaar.

„Aurora Leigh, vroegste der Auroras!quot;

I

-ocr page 44-

— 32 —

Hij stak een hand uit, die ik greep, zooals de schipbreukeling elke hand grijpt, die hem wordt toegestoken. De vloed had mij verrast bij mijn kinderspel, mijn onbeduidende naam in het zand schrijvend, vlak aan zee, en deze overstelpte my nu met een even dwazen blos. — Gij hier neef Romney?quot;

De lach daalde uit zyn oogen naar zijn lippen en scheen daar te versteenen. „Hier is een boek, dat ik gevonden heb. Er staat geen naam op — gedichten zijn het, zag ik, met grieksche kantteekeningen, damesgrieksch zonder accenten. Of ik het gelezen heb? Neen, geen woord er van. Ik zag aanstonds, dat er tooverkracht in schuilde en het lezen gevaarlijke geesten zou oproepen; daarom breng ik het liever aan de toovernimf zelve.quot;

„Myn boek, gy hebt myn boek gevonden?...quot;

„In den hollen weg bij de rivier, daar waar die beuk zich over het water buigt, waarvan gij eens hebt gezegd, dat de Oreade, die er in huist, het hart heeft van een Najade en wegkwijnt van verlangen naar den stroom.quot;

„Ik dank u.quot;

„Neen, ik heb veeleer u te danken, Aurora, dat ik in de fee, de dichteres, de geleerde, de droomster, ook de vrouw heb mogen zien.quot;

De glimlach rees weer naar zijn oogen en verlichtte heel even het klimop op mijn voorhoofd.

Ik antwoordde hoog ernstig: „Dichters moeten óf mannen of vrouwen zij n, daar valt niets aan te verhelpen.quot;

„Dat is waar, maar mannen — en vrouwen nog minder — behoeven niet juist dichters te zijn. Houd u aan den groenen krans, nichtjelief, want van marmer of brons te droomen geeft hoofdpijn en bezoedelt een rein, wit morgenkleed.quot;

„Gij meent dus dat, wyl ik het schoone bemin, ik hoofdzakelijk genot en gemak en lichte kleuren moet liefhebben en zoeken? Nu, dan kent gij de wereld, maar uw nicht kent gij niet. Daar verliest gij niet veel bij, zult gij zeggen. Maar dit toch moet gy weten Eomney; Liever zou ik onder Gods dooden worden geteld, de eenigen wien het gegeven

-ocr page 45-

— 33 —

is in vlekkeloos witte kleederen zyn glorie te verkondigen, dan hier rustig neder te zitten en mijn voet van een enkele schrede terug te liouden, uit vrees dat het stof der aarde mijn kleederen bezoedelen zou. Ik wil loopen ten koste van wat het ook zij , en moeten dichterlijke gedachten noodwendig met hoofdpijn gepaard gaan, welaan, dan kies ik hoofdpijn voor mijn deel en kiezen mag ik heden, want het is myn geboortedag.quot;

„Liefste Aurora, kies veeleer hoofdpijn te genezen; gij hebt balsem er voor!quot;

„O, ik zie het al; gij acht hoofdpijn te edel voor mijn sekse. Pijn in het hart zou ons beter voegen; die pyn is eigenaardig vrouwelijk en veel beter uit te staan — behalve voor de vrouw zelve.quot;

Zoo sprekend maakte ik den krans los, nam hem in de hand en liet hem onder het gaan, half uit moedwil, half uit speelschheid heen en weder slingeren. Onderwijl zag ik Romney steelswijs van ter zyde aan, om zijn gedachten li: raden; als de valk op de hand van een valkenier, die met zijn kopje op zij en met zijn verschrikte, tartende oogeu schijnt te zeggen: „Gij zult het zien, gij zult het zien, zoo aanstonds neem ik toch mijn vlucht naar de hoogte; weerhouden zult gij mij niet.quot; Romney maakte even een beweging met de hand, alsof hij antwoordde: „Welnu dan, vlieg henen,quot; maar hij sprak geen enkel woord. Zoo stapten wij zwijgend naast elkander voort, tot hij, in het gezicht van het huis gekomen, plotseling het andere einde van den zwaaienden krans greep en — „Auroraquot; — zeide op een toon, die my deed stilstaan en mij n adem deed stokken.

„Aurora, laten wij ernstig zijn en aan dit spel van hoofd en hart een einde maken. Leven beteekent gewis beide, hart en hoofd, beide werkzaam, beide geheel, in vollen ernst. Mannen en vrouwen maken te zamen de wereld uit, even als hoofd en hart vereenigd het menschelijk leven vormen. Laat dan de man en laat de vrouw arbeiden, daar er op deze benarde aarde werk is voor hoofd en hart en de gedachte nooit het werk der liefde kan volbrengen. Maar laten zij arbeiden voor een doel; ik meen voor een nuttig doel —

3

-ocr page 46-

— 34 —

het opsieren en borduren van de baldakijnen, die wij tus-schen ons en de zon stellen, mag toch waarlijk geen doel, veel minder verheerlijking Gods heeten. — Aurora, van dat boek dat gij geschreven hebt, heb ik geen enkele bladzijde gelezen, maar zie... ik werp een roos in de hoogte... daar valt zij, met haar bloemkelk naar onderen. De kans is even groot dat gij, een jonge, reine vrouw, met dat paar groote, peinzende oogen, over het geheel niet minder goed en niet minder slecht schrijft dan andere vrouwen. Schrijft gij niet minder goed.. . wat dan ? Zelfs iets beter... evenzeer wat dan? Wij hebben heden ten dage het hoogste in de kunst, of in het geheel geen kunst noodig. De dagen der gladde verzen met hun liefdegoodjes, hun nimfen hier, hun tritons daar zijn voorbij. Het polytheïsme heeft zich opgelost in Grod, die eenheid van het hoogste Goede. Geen God meer, tenzij liij het hoogste Goede zij. Zoo is het ook met de kunst. Geef ons een kunst die goddelijk, oorspronkelijk, die werkelijk en waarachtig is als de smart, of laat ons met onze smart alleen, met haar worstelend, leerend haar t? beheerschen als een God, met niets dan onze eenvoudige menschelijke hoop en ons alledaagsch, prozaisch geduld gewapend. Gij zijt jong. Aurora, jong als Eva in \'saardrijks ochtendstond, maar deze wereld, liefste nicht, waarop gij zoo pas zijt verschenen, viert geen geboortedagen meer; zij bewaart haar kransen om ze aan haar bouwvallen te hangen en vergeet naar een rijmwoord te zoeken op de kreet, waarmee zij de woeste; hongerige honden van zich zoekt af te houden, die haar naar het ledige graf van Christus drijven. De nood dezer wereld is hoog gestegen. De paradysvloek is verscherpt in deze zes duizend jaar; het zweet van den arbeid is het zweet van de marteling geworden. Wie heeft tijd, een enkel uur tijd. om zich neder te vlijen en naar den klank der cymbalen te luisteren, door blanke vrouwenhanden bespeeld ? Laat Miriam zingen, als het Egyptenheir verslagen is, maar tot zoolang — waar is Mozes?quot;

„Ja juist, waar is Mozes? — is er een Mozes te vinden? Gij zoekt hem te vergeefs in de biezen, terwijl ik ts vergeefs cymbalen laat klinken. Toch Eomney, zult gij mij toe-

-ocr page 47-

— 35 —

geven, dat dit klinkend metaal wei eens — misscliien zelfs in een vrouwenhand — van practisch nut is geweest — om bijenkorven te bevolken.quot;

„Daar, zoo gaat het altijd; gij speelt als een kind naast een sterfbed en toch werpt gij u tot profeten op en meent de levenden te kunnen onderrichten. Niets van dit alles kunt gij vrouwen begrijpen. Gij kunt niets als een geheel overzien — niet eenmaal de smart, üw lichtbewogen hart, zoo gevoelvol, zoo meelijdend, waar het persoonlijk leed geldt, sluit zich na iedere afzonderlijke ramp, put by elke op zich zelf staande wond zijn gansche levenskracht uit. Gij zijt niet bij machte het leven zoo breed en zoo diep op te vatten, dat het het leed eener wereld omsluiten kan. Het mensche-lijk geslacht beteekent voor u dit of dat kind, dezen of genen man, dien gij op zekeren morgen verkleumd misschien wel aan gindsche poort hebt gevonden. Gij voegt eenige van zulke gevallen bij elkaar en dan, aan een krachtige opwelling gehoor gevend, schrijft gij over slaven en fabriekskinderen, alsof uw vader een neger en uw zoon een katoenspinner ware. Alles moet tot u zelve in betrekking staan, of het bestaat niet voor u. Wel, ik noem u hardvochtig voor het lijden van het algemeen. Hier is een wereld, half blind van oververlichting, half verdierlijkt door overbeschaving, die in zijde van Tarsus de pest tot zich lokte, langs een duizendtal spoorwegen van het Oosten naar het Westen wordt gezweept, razend van pijn en zonde tegelyk... Is er eene onder u, vrouwen, die zoo gemakkelyk tranen stort, eene, wier wang verbleekt bij het zien van dezen tijger, die zyn kooi doet schudden? Eene, die het dansen of het paarlenrygen staakt om weg te kwijnen van verdriet over de onmetelijke som van menschelyke ellende? Toon mij in vrouwenoogen, helder als het uwe, een traan als van Cordelia, omdat de wereld krankzinnig is. Gij, die niet tellen kunt, gij zoudt weenen om zulk een som? Neen waarlijk niet gij! Gij weent om dat wat gij begrypen kunt. Een blondlokkig kinderhoofdje, gloeiend van koortshitte, dat gij even met den vinger aanraakt, roept uw tranen te voorschyn; maar millioenen op het ziekbed versmachtend... wel, gy zoudt even goed om den regel

-ocr page 48-

— SB-

van drieën, of om saamgestelcle breuken kunnen ween en. Maar daarom kan dan ook deze wereld , die door n niet wordt begrepen, uw invloed niet ondergaan. Vrouwen als gij zijt, niets dan vrouwen, eenzydig en hartstochtelijk, schenkt gij ons teedere moeders, volmaakte echtgenooten, verheven Madonna\'s, duldende heiligen — maar een Christus hebben wij van u niet te wachten — en een dichter evenmin, naar mijne overtuiging.quot;

„En uit dit alles trekt gij het besluit....quot;

„Dat gij, Aurora, met dat open, zielvol voorhoofd, met dien rustigen, vasten blik u niet kunt vernederen, om met de kunst te spelen, zooals een kind met een sabel; alleen om een vaardigheid te toonen, die hoofdzakelijk wordt bewonderd , omdat er van heusch toestooten geen sprake kan zijn. Gij kunt u niet tevreden stellen met den lof, dien de man aan de vrouw toezwaait, als hij een boek beoordeelt, niet als kunst, maar als vrouwenwerk; er zijn betrekkelijke waardeering, liever gezegd zyn volkomen minachting voor uitsprekend: „O uitmuntend, wat een bevalligheid, wat een gemakkelijkheid, wat sierlijke wendingen, wat fijne opmerkingen; het zgn waarlijk by na gedachten. Dit boek is een eer voor het vrouwelijk geslacht. Plaats in de rei onzer vrouwelijke auteurs voor deze schoone schrijfster hier! Wij wenschen ons vaderland geluk, dat het heden ten dage op vrouwen mag bogen, die tot spellen in staat zyn.quot;

„Genoegquot;, riep ik uit, den draad van zijn betoog door den gloed mijner verontwaardiging verterend. „Gij hebt in mijn ziel gelezen, al liet gy mijn boek ongelezen en gij weet juist uwe woorden te kiezen. Xeen, ik zou mij niet verlagen -— ik zeg niet om zulk een lof in te oogsten — elke nagejaagde lof is armzalig— maar om zulk een misbruik van de heilige kunst en het rijke leven te maken. Ik ben jong en misschien zwak •— gij zegt het — omdat ik vrouw ben, maar liever zou ik in een kermistent op de koord dansen tot de kleine kinderen hun peperkoek van opgetogenheid op den grond lieten vallen, dan dragelyke verzen saam te lijmen, ondragelijk voor den man, die handelt en lydt. Liever een nietswaardig bedrijf met ernst uitgeoefend, dan met de goddelyke kunst gebeuzeld!quot;

-ocr page 49-

— 37 —

Maar gij wilt noch het een noch het ander, gij kiest edeler taak, niet waar? Dat zeggen mij die vochtige oogen, die trillende lippen, dat zwoegende hart. Wij zijn jong. Aurora, gy en ik beiden; wy zijn laat gekomen op een aarde, die overdekt is met gestorven geslachten en al hun zonden. De spade des hervormers stoot knarsend op doodsbeenderen en werpt niets dan rottende aarde omhoog. Elk slagen is half falen; elke vooruitgang sluit iets dat achter blijft in; elke triomf iets dat onder de wielen van den zegekar wordt verpletterd ; elke regeering iets kwaads dat beteugeld moet worden... De rijken maken de armen, die de rijken vervloeken en beiden, rijken en armen op en over elkander geworpen, versmachten gelijkelijk in deze sociale benauwdheid, deze crisis der eeuwen. Ziehier een eeuw, die zich hare eigen roeping heeft geschapen. Wij hebben de grenzen van den tijd overschreden; niets geeft de aarde meer te aanschouwen dan den rijken man en Lazarus, beiden in hellepijn en daartusschen een onmetelijke kloof, maar geen zweem van Abraham\'s schoot. Wie, die een menschenhart daar binnen draagt, kan rustig daarnevens staan en nooit zijn ziel kwellen en pijnigen, om één krachtig geneesmiddel te vinden? Is er dan geen heulsap voor dit leed in hemel noch op aarde ?....quot;

„Maar gij gelooft immers in God? Gij gelooft dat Hij, de Schepper, het goede uit het kwade, het beste uit het slechtste kan doen voortkomen, even als men tulpen op een mestvaalt plant, om ze het heerlijkst te doen bloeien?quot;

„\'t Is waar, de warmte door den dood ontwikkeld, is volmaakt aan de levenswarmte gelijk. In geheel de natuur bestaat niet dat, wat wij dood noemen; althans niet zoolang God God, dat is eeuwigdurend Zijn is. Dat is abstracte waarheid, ik weet het, dat is philosophie, of medegevoel met God. Maar ik, ik voel met den mensch mee, niet met God — daarvoor ben ik mensch zou ik meenen — en als ik naast een sterfbed sta, dan is het sterven voor my. Denkt gij dat het geslacht der mastodons veel troost zou hebben gevonden in de gedachte, dat, fossielen geworden, hun plaats door den olifant zou worden ingenomen? Zy waren geen olifan-

-ocr page 50-

— 38 —

ten, maar mastodons. En ik, ik ben een menscli, zooals de menschen heden zijn, niet zooals zy misschien eenmaal worden zullen, en daarom lijd ik met hen mede in het zieltogend heden.quot;

Maar is het waarlijk zoo, neef,quot; vroeg ik, „is het werkelijk zóó slecht met de wereld gesteld en hoor ik daarvan niets door deze boomen ruischen? Er was altijd boosheid in de wereld, maar zóó slecht!....quot;

„Zoo slecht, Aurora. Liefste, myn ziel is vergrijsd door het turen op de onmetolyke som van menschelijke ellende. Zooveel voor de zonde, zooveel voor de ontevredenheid, zooveel voor de handhaving der macht, zooveel voor het stillen en bedekken van de vrees, saamgevoegd in statistische vertwijfelingen, met een totaal van zooveel verwoest, verloren leven. O, dit alles in cijfers te zien neergeschreven, eenvoudig, zwijgend, klaar, zooals Grod door de aarde heen de beteekenis van alle graven ziet, dat is vreeselijk, voor wie geen God is en het onrecht, waarop hij staart, niet tot recht kan maken. Blijft mij een andere keus, dan myn jaren, mijn vermogen, mijn streven te wijden aan het werk van hen, die zoeken te helpen, indien er ten minste hulp te vinden is voor dezen socialen nood? Het menschelijk bloed, dat mij in de aderen vloeit, is krachtig genoeg, om mij tot dezen plicht te dry ven.quot;

Toen sprak ik op mijn beurt.

„Ik heb nog niet lang aan \'s levens strand gestaan. De zilte wateren konden mij nog ter nauwernood de voeten besproeien ; ik ken de golvingen en stroomingen der wereldzee nog niet. Later zal ik ze wellicht leeren beoordeelen. Een vrouw is altijd jonger dan een man van denzelfden leeftyd, omdat zy zich niet in de vrye lucht en het volle zonnelicht ontwikkelen mag en lange kleêren moet dragen, lang nadat zij loopen kan. — O ik weet het, gy mannen denkt anders daarover; gy acht dat de vrouw, als de perzik, hoofdzakelijk in de wangen tot rijpheid komt. Maar geef het mij voor ditmaal toe. Ik ben jong in jaren en jonger nog, omdat ik vrouw ben. Maar een kind kan „amenquot; zeggen op \'s priesters gebed en voelen waar het heenstijgt. Zoo kan ik, niet

-ocr page 51-

— Se

in staat den knoop der sociale quaestien te ontwarren, toch mijn goedkeuring en toejuiching schenken aan verheven mede-doogen, aan christelijke gedachten, die verre het gewone doelwit van het measchelyk, persoonlijk streven voorby snellen. Neem mijn eerbiedige hulde aan.quot;

„Hoe nu,quot; riep hij met gloeiende wangen en vonkelende oogen. „Geen andere hulp, niets anders dan dat?quot;

„Welke andere hulp?quot; was mijn wedervraag. „Gry zoudt mijn hulp versmaden, zooals moeder natuur, naar gij zegt, versmaad heeft hare melodie op mijn lippen te leggen, omdat het vrouwenlippen zyn. Spreekt gij uzelven nu tegen en vraagt gij dat, wat een vrouw niet geven kan?quot;

„Ik vraag haar dat, wat zy alleen vermag te geven,quot; klonk het antwoord, terwijl hy myn handen greep en ze in de zijne sloot en het gansche gewicht zyner ziel van zyn hoog gewelfd voorhoofd op my deed nederdalen. „Ik vraag liefde en die vermag zij te schenken. Ik vraag haar een leven in gemeenschap van zware plichten en daartoe, dit weet ik, is zij bij machte. Ik vraag een gade — wil zij ?quot;

„Nu zij God tusschen ons getuige,quot; barstte ik uit, en het was of ik met dat woord mij op eens, in hellen glans, hoog boven zijn gestalte verhief — „ben ik te zwak gebleken, om alleen te staan en toch sterk genoeg, dat zulk een op myu schouder zou leunen; te arm om te denken en toch ryk genoeg om voor anderer gedachten te ontgloeien? Onbevoegd tot zingen, zooals het onnoozelste vogeltje en toch bevoegd tot liefhebben, zooals God ?quot;

Ik zweeg; misschien verflauwde mijn glans, als \'tlicht van den vuurtoren doet. „\'t Is altyd zooquot;, voegde ik er neerslachtig bij, „voor een gade is alles goed genoeg.quot;

„Aurora, liefste en innig vereerde,quot; riep hy met vuur, „gij verstaat mij verkeerd! Er is geen enkele gedachte in mij, die met mijn hooge gedachte omtrent u in tegenspraak zou zijn. Is de vrouw zwak als kunstenares — en dit uitsprekend meende ik u te eeren door waar te zyn in myn liefdebetoon — zy is krachtig, waar het op leven en plichtsbetrachting aankomt. Plaats uw\'vruchtbaar hart in het myne en laten wij vereenigd bloeien voor de wereld, die waarlijk in deze

-ocr page 52-

— 40 —

grauwe, sombere dagen de tinten der liefde noodig heeft. Mijn woorden klinken n rauw in de ooren, omdat al wat ik zeg, u liet arena slechts van boven af doet zien, u dien vorme-loozen hoop onthoofde, verminkte lijken onzeker, onduidelijk voor oogen stelt. Zelfs de Engel der Vergelding zou op zulk een onmetelijk veld van algemeene ellende ter nauwernood den weg weten te vinden naar den enkelen mensch, met menschelijke wezenstrekken. En hoeveel minder Aurora dan! O liefste, daal met my neder en laat ons hand aan hand gaan, tot waar gij de uwe één voor één op ieder slachtoffer kimt doen rasten, zoolang tot elke vormelooze, namelooze romp een u welbekend hoofd schijnt te dragen, tot elke vrouw voor u de gelaatstrekken uwer moeder aanneemt, om uw hart van deernis te doen overvloeien.quot;

„Ik ben een vrouw; gij doet wel mijn moeders gelaat te noemenquot;, klonk het langzaam van mijn lippen. „Al heeft God, helaas, het veel te vroeg aan mijn blik onttrokken, toch weet ik zooveel van liefde, als ik van dat en van nog een ander aangezicht heb zien stralen. Zooveel — meer niet. Later heb ik nooit meer liefde genoeg gezien, om zelfs in dit koude Engeland een huwelijk van te maken. Wat gij bemint Eomney, is niet een vrouw, maar een zaak. Gij hebt een helpster, geen beminde van noode; een vrouw, die gij aan uw doel kunt dienstbaar maken; zij zelve is geen doel voor u. Uw streven is edel, uw doel voortreffelijk, maar ik, zoowel het een als het ander onwaardig, heb een andere opvatting van de liefde — vaarwel!quot;

„Vaarwel, Aurora? gij verwerpt mijn aanzoek aldus?quot;

„Ja Eomney, want gij zijt voor lang reeds gehuwd. Gij hebt reeds een vrouw, die gij lief hebt: uwe sociale theorie. TJ beiden geef ik mijn zegen. Wat mij betreft, ik ben niet onderworpen genoeg, om de dienstmaagd zelfs van uwe wettige gade te zijn. Zie ik er als een Hagar uit misschien?quot;

„O, gij schertst!quot;

„Xeen, waarlijk ik scherts niet,quot; was mijn antwoord. „Gij beschouwt het huwelijk te veel gelijk zekere apostel het doet. Gy zoudt een vrouw, een zuster — zal ik het uitspreken? — een liefdezuster naast u dulden, meer niet.quot;

-ocr page 53-

„Moet het dan waarlijk vaarwel zijn ? En heeft my n hoop, myn verwachting mij zóó wreed bedrogen, toen ik meende, dat de vrouw edeler is dan de man en gij zelve de edelste onder de vronwen, om te gevoelen, te verstaan wat liefde is? Liefde, die door heldhaftige plichtsbetrachting haar eigen gelijkenis voortplant? Heb ik zoozeer misgetast, toen ik, wagende waar in myn liefde te zijn, kortaf zeide: „Kom, mensch gelijk ik zelf bsn, kom en werk met my,quot; in stede van: „Jonkvrouw, gij zijt wonderschoon; waar de gratiën voorgaan, zal de Muse gewis volgen en slechts kruipende mag de minnaar de voetstappen der Muse drukken. O, buig u tot my neder of ik sterf van minnepyn.quot;

Met kalme verontwaardiging viel ik in: „Gij vat de zaak op als een man, die in de vrouw niet anders dan de aanvulling van zijn eigen sekse ziet. Grij vergeet te veel, dat elk menschelijk wezen, hetzij man of vrouw, even als by het geboren worden en het sterven, zoo ook in denken en doen alleen staat en aan zich zelf verantwoording schuldig is. Hij, die tot een eerlyke vrouw spreekt: „Bemin en werk met mij,quot; zal een gunstig antwoord bekomen, indien het werk en de liefde, goed in zich zeiven, ook goed zijn voor haar, het beste, waartoe zij zich geroepen kan voelen. Tee-dere, zachte vrouwen, nog nauwelijks tot het leven ontwaakt, plotseling het woord liefde van mannenlippen vernemende, luisteren soms alleen naar dat eerste woord en aanvaarden gretig elke taak, zij moge wezen wat zij wil, zoo slechts de dierbare liefde er mee samen gaat. Ik zal haar niet veroor-deelen, zelfs niet al pluizen zij heel wat touw ter wille der liefde. Aardsche dwepers worden maar al te vaak \'s hemels heiligen. Maar voor my is uw werk niet het beste, evenmin als uwe liefde de beste, of voldoende is, om mij, alleen ter wille van haar, vrede met uw werk te doen hebben. O Romney, gij dwingt mij op overmoedigen toon van mijzelve te spreken. Ik heb ook eene roeping, ook een werk te verrichten ; een taak mij door hemel en aarde opgelegd, sedert ik mijn vaders aangezicht voor het hunne heb verwisseld; een taak even ernstig, even gewichtig als die der economisten maar zyn kan; zelfs al ware uwe wereld nog tweemaal

-ocr page 54-

— 42 —

rampzaliger, dan gij haar schetst. Hervorm, maak den handel eene christelijke mogelijkheid en het recht van den enkele niet het onrecht van velen; wisch uit de grenslijnen van het Myn en Dijn en maak van de aarde één groene weide, een speelplaats voor de menschheid, waarop een ieder zijn leeftocht vindt. Wat zal het u baten, indien de mensch zich geen hoofd boven zijn voorspoed verheft; wat geeft het n, tenzij de dichter den weg tussehen het zienlijke en onzienlijke openhoudt en de beste uwer instellingen doordringt met het beste, wat zijn verbeelding hem te aanschouwen geeft, wat zijn lippen hem op Gods bevel doen verkondigen; afschijnsel en weerklank van dat onbereikbare, dat geen woorden vermogen uit te drukken, geen verbeelding vermag te omvatten. Een uitgehongerd mensch is meer dan een gemest dier. Wij ruilen het schoone voor geen koorn, voorwaar! En evenmin zult gij uwe plannen tot voeding, tot vermeerdering van stoffelijke welvaart verwezenlijken, zonder het individualisme van den dichter, dat op uw universalistisch streven inwerkt. Er wordt een ziel vereischt om een lichaam in beweging te brengen; er is een hoog bezielde persoonlijkheid noodig, om de massa\'s zelfs naar reiner stal te drijven. Zonder het ideale vaagt gij geen haarbreedte het stof van de werkelijkheid af. O, uwe Eouriers hebben gefaald , omdat zij geen dichters genoeg waren, om te beseffen, dat het leven zich van binnen uit ontwikkelt. Wat mij betreft, misschien ben ik — gelijk gij zegt — een taak als deze onwaardig; misschien kan een vrouwenziel slechts pogen, niet scheppen. Maar toch... wij pogen; toch wil ik beproeven uw twijfel te beschamen en slaag ik niet... verbrand mijn werk met ander kaf. Ik zal u niet om genade smeeken; uw minachting is my liever, neef Eomney. Ik, die myn kunst bemin, ik zou haar niet willen verlaagd zien, opdat zij zich naar mijn gestalte voegde. Ik mag mijn kunst beminnen, niet waar?.... Grij zult mij toestemmen, dat een vrouw de kunst mag beminnen, daar ware liefde aan wat dan ook te verspillen ontegenzeggelijk vrouwelijk is.quot;

Ik hoor nog het laatste woord dien dag door mij gesproken, zoo als men jaren later nog het kraken hoort van de

-ocr page 55-

— 43 —

deur, door welke een smart werd binnengeleid, die ons voor altijd onze blijmoedigheid roofde. Eomney\'s oogen, liet trillen zijner zwijgende lippen, het waren vurige spitsen, waarop mijn woorden werden opgevangen en die ze voor altijd in mijn herinnering boorden — niet om hun eigen, maar om zijnentwille. En toch, ik weet het... ik beminde hem niet... en hij mij evenmin... En mijn woorden berouwen mij niet; dat doet de waarheid nooit. Maar... wat een koninklijk man! Hoe hard ook tegen mij, een held tegenover zich zeiven. De herinnering aan hem achtervolgt en overheerscht mij dooide wegglijdende jaren heen, te sterker naarmate de afstand grooter wordt. Had hij mij lief gehad, ja lief gehad met dat bestraffend gelaat, ik zou thans wellicht een alledaagsche vrouw zyn, gelukkiger, minder bekend en minder alleen gelaten. Misschien ook een betere vrouw, door mollige kinderarmpjes gestrengeld om mijn hals, laag bij den grond en verstandig gehouden. Och, de wijnstok, die zulke vruchten mag dragen, bukt, o zoo fier, onder zijn last. Rechtop staat de palmboom in een dorre zandwoestijn.

Zoo sta ook ik in mijn eenzaamheid in het rustig besef dien dag waarheid te hebben geproken en nog steeds vrede met die waarheid te hebben, al plaatste zij hem daar — mij hier. — O dwaas vrouwenhart, te hunkeren naar wat slechts een naam, een schijn, een waan, een mogelijke liefde was! Wordt elke man, die in ons leven het woord liefde alleen maar noemt, daarom een macht voor ons? Is waarachtige liefde zoozeer het beste voor ons, dat wat voorgeeft liefde te zijn, het naast bij dat beste komt? Een mogelijke liefde voorwaar! — Neen, neen, zoo laag ben ik niet! — Hij blijft zich maar aan mijn ziel vasthechten, deze man, deze indruk, van wege den schok, dien hij aan mijn leven heeft gegeven, het kwaad dat hij mij gedaan heeft, mij juist aantreffende daar, waar de engel der verleiding mijn jonkheid had heen-getroond, op een dier bergtoppen der hoop, glinsterend van morgendauw en naar den middag versmachtend. O, dat ik hem juist in die ure, waarin ik daar, hoog verheven, naar macht en glorie uitzag, moest hooren uitroepen: „Kom, ik heb hier beneden een waardige taak voor u; kom, veeg mijn schuren

-ocr page 56-

— 44 —

aan en verpleeg in mijn hospitalen en ik zal u het gewone loon uitbetalen, waarmee mannen vrouwen tevreden stellen.quot;

Terwijl wy nog spraken, klonk er een haastige voetstap ter zyde van ons over het grasveld en daar stond mijn tante, met een vertrokken lachje op haar door de zon beschenen gelaat — aangezicht en stem al evenzeer in harmonie met den zomerdag, alsof men een kaarslicht buiten bracht.

„Gij hier, Romney?quot; viel zij in. — „Kindlief, verzoek uw neef binnen te komen en praat daar met uw beiden, zoolang gij wilt; ten minste als jarige meisjes op haar feestdag praten moeten. Kom.quot;

Hij antwoordde voor mij, kalm, maar met witte lippen, die zich te vergeefs tot een glimlach zochten te plooien. „Ons gesprek is ten einde, mevrouw, juist op dit oogenblik ten einde. Uw broeders dochter heeft mij mijn afscheid gegeven en wat ik te antwoorden heb, kan beter hier onder de boomen, dan onder uw gastvrij dak worden gezegd: Vaarwel.quot;

Daarmee was hij verdwenen. Ik hoorde hem de laan doorijlen met zwaren, gejaagden tred. Daarop klonk het mij op afgemeten toon in de ooren:

„Wat beteekent dat, Aurora Leigh? Zendt mijn broeders dochter mijn gasten weg?quot;

De leeuwin daar binnen sidderde op de stem van den wachter. Ik was plotseling getemd, gedwee, als het kind, dat ik altijd voor haar was geweest. Ik bad haar om vergeving; ik zeide dat ik er geen oogenblik aan gedacht had een harer gasten weg te zenden, toen ik een vriend van my terug wees, die mij als zijn vrouw in dienst kwam nemen. Dat was alles, waarlijk niets meer dan dat.

Niets meer, niets meer. De hemel gave, dat ik niet krankzinnig was. Het kon immers myn bedoeling niet zijn haar te zeggen, dat Romney my ten huwelijk had gevraagd en dat ik hem had afgewezen ?

„Heeft hy gevraagd?quot; zeide ik. Ik meen veeleer, dat hy zich gebukt heeft, om mij op te rapen, ten einde my te gebruiken voor een of ander werk, dat hij geschikt acht voor iets, dat gade wordt genoemd. Hy heeft niets gevraagd.quot;

-ocr page 57-

— 45 —

„Wat een dwaasheid,quot; was liaar antwoord. „Zijn zy vorstinnen, die meisjes? Moet een koningsmantel op den grond worden gespreid, eer zij zich verwaardigen den edelsten minnaar ook maar ééne schrede te gemoet te gaan

„Maar tantelief,\'\' zei ik op vasten toon, „ik voel my geroepen een anderen weg dan den zynen te gaan.quot;

„Een anderen weg te gaan, een anderen wegquot;, riep zij toornig. „Wel, een kind van dertien maanden zou zonder steun, even goed gy, zijn eigen weg kunnen gaan. De hemel beware u, kind; gy tast rond in het duister, hoe helder de zon ook schijnt. Gry denkt misschien dat gij , eenig kind van een rijken vader, vermogend en vrij zyt om te gaan en te doen wat gij wilt. Dat bovendien — en er zou grond zyn voor die gedachte — ik, niet onbemiddeld zijnde, het mijne in mijn nichtjes hand zal laten, wanneer de dood deze vingers verstijven gaat. Bid God, kind, alsof gij my lief hadt — al weet ik maar al te goed het tegendeel — dat ik niet spoedig sterve. Want bij myn dood — daar staat gij zonder voedsel, zonder dak, tenzij ik u in myn graf een plaats ruime. Gy hebt geen recht op één enkel grasscheutje onder deze boo-nien; voor uw kleine schaduw is geen plaats op dit grasveld, arm lam van myn broeder, zonder voeder of schaapskooi. O mijn broeder, ziedaar de vrucht, die gy in uwe buitenlandsche liefde hebt geplant; ziedaar uw werk. Staar mij zoo verwonderd niet aan, met de oogen uwer moeder. Het waren die oogen, die u maakten tot wat gij zijt: een wees zonder huwelyksgift. Kind, door u deze moeder te geven, heeft uw vader zyn dochter onterfd, zijn dochter en de hare. De mannen denken aan geen zoons en dochters, als de hartstocht der liefde hen overvalt — ten minste niet meer dan aan zusters. Anders had hij gewis een oogenblik nagedacht en ware teruggedeinsd voor de hem bekende bepaling in het testament, die elke nakomeling van een vreemde vrouw buiten de erfenis sluit. Deze bepaling is reeds voor honderd jaar gemaakt door een Leigh, die een Fransche danseres had gehuwd en tot belooning door haar op het hart werd getreden. Maar deze man deinsde voor niets terug; hij dacht evenmin aan u, als aan mij. Aurora. — Waarlijk, hoe

-ocr page 58-

— 46 —

donker ook, uwe Italiaansche moeder moet een schoonheid zijn geweest, dat zij een goed man, gelijk mijn broeder was, zoo onachtzaam omtrent de plichten tegenover zijn familie wist te maken. Maar zoo is het nu eenmaal. Onze neef Vane, Vane Leigh, de vader van dezen Romney, schreef dadelijk na uwe geboorte naar Italië: „Ik vraag de hand van uw doch-terke voor mijn zoon, aan wien het erfgoed nu wettig toebehoort. Verloof haar aan ons uit liefde, uit liefde alleen en zy zal voortaan zich door liefde noch wet benadeeld zien.quot; Een edelmoedige neef was Vane. Weet gij nog wel, hoe hij u aan zijn knie trok, het eerste jaar dat gij hier waart, kort voor zijn dood? Hoe hij uw gezichtje tusschen zijn handen nam en wat meer blos op uw wangen wou zien? Herinnert gij u neef Vane nog? — En nu deze zoon hier, vertegenwoordiger van ons geslacht, in zijn plaats heer en erfgenaam van alle goederen, aan wien ook — wat kleeren en boeken uitgezonderd — het mij toegewezene na mijn dood vervalt; de jongen is edelmoedig als zijn vader, bereid gestand te doen wat deze u liefdevol had toegedacht en toegezegd, Aurora. Ja waarlyk, Romney Leigh is een edel jong mensch, al heeft de zon der jeugd wat loodrecht op zijn hoofd gesehenen en hem koortsachtig doen droomen van allerlei goeds , dat hij aan nietswaardig volk wil doen. Maar een vrouw zal dit alles wel in evenwicht brengen; zij zal door haar gezonde aanraking zyn slapen wel koel streelen.

Tot dusverre had mijn beklemd hart ter nauwernood kunnen ademhalen, maar nu stortte ik het uit., in gebroken woorden en klanken uit. De zaak was afgedaan. De droom van goed te doen — althans van goed te doen aan mij — was voorbij. Er viel niet langer op een vrouw te wachten, die zyn koortshitte zou temperen. Dat gevaar zijn wij ontkomen — den Hemel zij dank!

„Gij gloeit van koortshitte,quot; riep zij uit. „Hoe, ik spreek, spreek een uur achtereen; ik maak u duidelijk, dat gij zonder uw neef eten noch drinken, staan noch zitten, ja zelfs niet fatsoenlijk sterven kunt in deze wereld zonder dak of huisraad, en gij houdt vol, dat er plaats is tusschen u en hem voor coquette grillen en dwaze lichtgeraaktheid? Gij

-ocr page 59-

— 47 —

moet een modelminnaar liebben, die zuchtend voor u op de knieën ligt? Een edel hart is u niet genoeg, dat zich heden morgen in naam van twee dierbare vaders voor u heeft opengelegd; dat uw leven, eenzame wees, aan het zijne wil ver-Linden? foei, foei!... Maar wacht, ik zal schrijven en dit onrecht weer goed makenquot;.

Zij wendde zich van my af, om heen te gaan, maar ik hield haar terug. „O liefste zuster mijns vadersquot;, kreet ik, „hoor mij aan, vóórdat gij schrijven gaat. Neef Vane heeft wel gedaan en neef Romney heeft wel gedaan en ik evenzeer, toen ik het goede, dat zij mij toedachten met alle macht van my stiet. O mijn God, mijn God! Gij ook meendet het wel met mij, toen gij dezen morgen het „jaquot; op mijn lippen weerhieldt. Schrijft gij, zoo schrijf neen. Ik zeg neen... neen... ik hecht mijn neen aan de hoornen van Gods altaar, waar geen meineed het bereiken kan. Bij God, mijn ziel is geen bedelares. Ik kan myn zieleleven zonder aalmoezen leven en moet het in den hemel in stee van op aarde zijn, dat is \'s hemels zaak; ik vrees den dood niet.quot;

Zy greep mijne handen en drukte ze vast, terwyl haar onbarmhartig vorschende blik mij ziel en lichaam doorboorde. „Maar dwaas kind, gij hebt dezen man lief. Ik heb acht op u geslagen by zijn komen en zijn gaan en zoo vaak wy over hem spraken. Ik ben niet voor niets oud geworden. Ik ken de teekenen der liefde; gij bemint dezen man.quot;

Meisjes blozen by wijlen, omdat zy vol leven zyn, half wenschende dood te zijn, om de schande te ontgaan van dien blos, die plotseling hals en gelaat overdekt. Even als muggen vliegen zij te dicht by de levensvlam en deze verslindt haar met vleugels en al. Maar wat zegt dit; wie beklaagt een mug.. . of een meisje?

Ik bloosde. Nog voel ik het brandmerk op mijn voorhoofd fel en diep schroeien, zooals de onschuldig veroordeelde het ijzer van den misdadiger voelt en toch het teeken veracht, dat hem stempelt, tot wat hy niet is. Onlogische, dwaze vrouwennatuur, die in deze richting bloost, in gene gevoelt en misschien in een derde haar gebeden opzendt. Neen voorwaar, wij kunnen \'s mans gelijken niet zyn, wij die ons

-ocr page 60-

— 48 —

bloed niet in bedwang hebben. Want al bloosde ik, als of ik hem beminde; al begroette zij met snijdenden lach dat verraad van een valschen getuige in mijn blos en boog die lach mij ter aarde als het gras onder den zeis van den maaier — toch neem ik de hemelen en al hun zonnen tot getuigen, dat ik meende hem niet Ie beminnen, noch toen, noch later, noch ooit te voren. Beminnen \\vy den schoolmeester, als wij zwerven door het bosch, of liever nog den armbezoeker van het kerspel, als wij tot de bedeelden behooren? Grebruiken wij onze liefde, om er onze schulden mee te betalen?

De blos maakte plaats voor een doodelijk wit. \'t Was of mijn bloed terugkromp voor die smadelijke beschuldiging en mijn hart deed zwellen van verontwaardiging. Toen ten laatste wist ik woorden te vinden, ware, maar hartstochtelijke woorden — te hartstochtelijk misschien — door snikken afgebroken en onverstaanbaar gemaakt. Zij liet mijn handen los, terwijl haar glimlach in een trek van stillen afkeer overging, alsof zy bij ongeluk een dooden adder had aangeraakt. Zich van mij afwendende sprak zij: „Italiaansche manieren laten wij achterwege wil ik hopen; mij dunkt, gij hadt een Engelschen vader, kind, en daarom moet gy als Engelsche meisjes bedaard „jaquot; of „neenquot; weten te zeggen, zonder het op de zenuwen te krijgen. Over een maand zal ik nogmaals uw antwoord vragen, uw „neenquot; of uw „jaquot;. Met die woorden verdween zij en liet my alleen in de laan.

Eens had ik een vader, ja, maar lang geleden — hoe eindeloos lang scheen het mij op dat oogenblik toe. Ach hoe ver, hoe ver en veilig, o Grod, bewaart gij de heiligen, die van ons zijn heengegaan. Al stijgen onze kreten naar de helder verlichte vensters van uw schoonen Junihemel, naar dien hemel, waar alle zielen zalig zijn, toch ziet niet één van haar — neen zelfs mijn vader niet — op van arbeid of spel, om luisterend te vragen: „Wie roept daar tot ons uit het duister daar beneên?quot; En toch, hoe snel wendde hij eertijds het hoofd om, als ik „vaderquot; zei. Nu mag ik roepen en krijten, zoo luid ik maar kan, de zang van den leeuwrik stijgt hooger dan mijn klacht. Alleen, alleen, niemands deernis wekkend in hemel noch op aarde, stond ik daar sn

-ocr page 61-

— 49 —

staarde naar den dooven, blauwen liemel, die de rozen op dien Junimorgen ontluiken deed.

Gij, die rekening houdt met de keerpunten en overgangen in het leven, gedenk de ure, waarin de schepping „neenquot; zegt op een „jaquot; in uw binnenste en, in stille majesteit haar ■weg vervolgend, u als een nietswaardige onder den voet treedt. Wij allen vangen aan met de vogelen te zingen en te dartelen met den zomerdag hand aan hand. Maar eens komt de lire, waarin der vogelen lied zich tegen ons keert, waarin de zon op ons neerschiet, als het zwaard van een vriend, door een vijandige hand tegen ons opgeheven en dat ons in het hart treft op het eigen oogenblik, dat wij den dierbaren naam op het lemmer zien blinken. Dat is bitter en overtuigend voorwaar; daarna twijfelen wij er zelden meer aan dat er in het grootsche, schoone wereldplan iets — slechts een mannenvoetstap misschien — buiten het spoor is geraakt.

Een paar tranen vloeiden mij langs de wangen en daarop volgde een glimlach, de glimlach van hen, die weten, dat zij in geen enkel gelaat op aarde den weerglans van dien lach zullen zien. Ik had in Romney Leigh een vriend verloren— ja waarlijk een vriend, die mij nu en dan zoo vrien-delijk had aangezien en van mijn lievelingsboeken „onze boekenquot; had gesproken met zulk een stem ! Ach, ik voelde het, blik en stem waren thans nog volkomener, dan die van mijn vader, uit mijn leven gewischt. Romney Leigh was herschapen in een weldoener, een edelmoedig man, die zich verbonden had my te huwen . .. mij, in plaats van die andere, die hy eens door een woord de neergeslagen oogen schuchter had doen opslaan en misschien wel om mijnentwille den rug had toegekeerd. Mannelijke Iphigena, door een contract aan een noodlottig Aulis gebonden, wachtend of de wind ook keeren mocht. Maak zijn banden los; de wind zal niet keeren. — Geen wonder, dat hij mij koud en gebiedend in zijn liefde leek. Hij had het recht meesterachtig te zijn, die arme, goede Romney. Liefde was voor hem eenvoudig tot een wetsbepaling gemaakt. Huwde ik hem, ik zou mijn ziel myn eigendom niet durven noemen, hij immers had haar

4

-ocr page 62-

— 50 —

gekoolrt en betaald! Elke gedachte, elke liarteklop was liem wettig toegewezen. Niet een er van zou ik mogen onttrekken aan wat zijn welbeliagen eischte. Hij mocht mijn lichaam tot munten slaan en er zijn overige armen mee bedeelen; myn zonen tegen negers of vondelingen verruilen; en zwijgend als Grriseldis zou ik er bij moeten staan. En terwijl mijn genius van het Ideale vruchteloos beide handen naar mij uitstrekte, mocht hij myn rechterhand in de havelooze school, myn linker in het volksbadhuis aan het werk stellen. Ik had het recht niet tot schreeuwen als een dier in den val, het recht niet tot deernis met arm eigen ik.

Vaarwel mijn goede Eomney; zelfs indien ik u beminde, zou het my moeilijk vallen u zoozeer mijn weldoener te weten. Vaarwel vriend, nu dat vriend tussehen ons een zoo zwaar beladen woord moet zijn. En daar ik slechts hulp heb te wachten van wie mij niet liefhebben, vaarwel allen helpers; mij zeiven moet ik helpen, alleen staan is myn lot voortaan.

Daarop bukte ik naar den bezoedelden, op den grond gevallen krans en drukte hem op het hoofd, zoo bitter als de Spaansche monarch eens zijn doode geliefde bekroonde. Nog altijd bewaar ik dien krans. Het was de eerste; de overigen zyn aan dien eersten gelijk, die Olympische kransen, waar wij om loopen en rennen, tot wij de zon niet meer zien kunnen door de stofwolken van de wedrennende wagens heen.

Vóór dat de avond viel, ontving ik een briefje van den volgenden inhoud :

„Aurora, lieve Chaldeesche, gij hebt mijn bedoeling van achteren naar voren gelezen, evenals gij uwe Oostersche schriften doet. Maar ik, liefste, ben uit het westen; tracht mij thans beter te verstaan. Gisteren haattet gij mij niet, is het wel? Ik voor my had u lief, zooals ik u ook thans bemin. Klonken myn woorden niet teeder dezen morgen, o liefste wil vergeven en wil gelooven, neen zeker zijn, dat ik uit liefde, uit vurige liefde alleen, u op één lijn met mijn eigen ziel plaatste en u daardoor overgoot met de bittere wateren van mijn eigen, dagelijksche gedachten. Groei voortaan, mijn bloem, hoog boven dit alles verheven en buig u

-ocr page 63-

— 51 —

met al uwe bladeren naar welke zijde gij wilt. Droom vrouwendroomen, schrijf vrouwengedichten, maar gun mij uw geur in mijn woning, gun dat ik in haar, na het sloven en zwoegen der week, myn Sabbathsweelde vind. Kom, bloei aan mijn zijde den vollen bloei uwer jeugd, kom — wil myne gade zyn.quot;

Ik schreef terug: „Wij Chaldeërs weten ook tusschen de regels te lezen. Ik ken uw hart en sluit dat heilige boek, alleen waardig door de zachte oogen. van heiligen in den tempel te worden gelezen, (jij hebt gelijk; ik haatte u gisteren niet, maar ik bemin u heden niet genoeg, om u te huwen, neef Romney. Beschouw dit als miju laatste woord en laat het u als edelmoedig man van verder aandringen • weerhouden. O zeker, gij kunt mg kwellen en een snerpenden adem over myn gevoelens of mijn bladeren doen gaan en tante zal u gewis helpen met guren oostewind. Op die wijze kunt gij wellicht een stengel knakken, maar sommige bloemen, Eomney, groeien als boomen zoo diep in den grond en mijn wortel zult gij niet bereiken, niet loswoelen, met al uwe vereende orkanen niet. Daarom laat mij groeien onder den haag aan den weg en ga rustig uws weegs. Deze bloem heeft u niets te zeggen, niet eens: „sta stilquot;: „Siste Viator\'\', zooals de tombe in de oudheid tot den wandelaar sprak.quot;

De week, die daarop volgde, ging in stilte voorbij en evenzoo verscheidene weken na deze. Eomney kwam niet en myn tante verweet mij niets. Ik leefde voort, alsof mijn hart onder een stelp was gezet, terwijl een ieder oog en oor was, om het te zien en te hooren tikken. Of ik zat of stond, of ik een boek opnam of neerlei, ijverig door naaide, of een steek liet vallen en een zucht meteen, altyd voelde ik haar blik aan mij kleven, als de adder aan Cleopatra\'s boezem, voortzuigend, voortzuigend het hartebloed , onder het al zwak-ker en flauwer kloppen van dat hart. Wanneer het geen deelneming of genegenheid is, die u door een wakend oog doet volgen, dan is dat gageslagen worden een marteling, anders niet. Elk woord dat zy sprak, elk „ik dank uquot; of „lieve, wees zoo goedquot; was niets dan een bedreiging, of minstens een

-ocr page 64-

bezwering van den duivel, die my in zijn macht hield. En met de overige huisgenooten ging het evenzoo. Susanna kon mijn haar niet opmaken, of zij keek onder het vlechten in den spiegel om mij aan te zien en ik kon \'s middags mijn soep niet aannemen of weigeren, zonder dat die gekke John in stilte overlegde, wat er achter mocht steken, dat men soep koos of aan visch de voorkeur gaf. Buren, die een morgenbezoek kwamen brengen, voelden dat er iets niet in den haak was, schoven onrustig op hun stoel, deden een vermanend kuchje hooren en bespraken de\' dorpnieuwtjes op afgemeten, terughoudenden toon; maar toch met een zekeren nadruk,, zooals een dokter tot een zieke spreekt, die hem niet heeft laten roepen, maar wien hij niettemin wel iets zou te zeggen hebben, indien hij er vergunning toe kreeg. Ja zelfs de hond, hield van zyn zonnig plekje op den vloer beurtelings mij en de groote vlieg in het oog, die hij zoo aanstonds naar binnen zou happen.

Zoo leefde ik — en zoo stierf een Romein, besmeerd met honig, gepijnigd door insecten, gefolterd door de felle middagzon. Menig Engelsch dak heeft geduldige zielen zien sterven als die Romein. Ik voor mij, op die dagen terugziende, gevoel slechts moed tot de verzuchting: „Och, dat ik de beproeving my opgelegd, wat zachtmoediger, wat minder als romeinsche had gedragen.quot;

Want in de zesde week — daar kwam de doode zee in in beroering, onder den machtigen hiel van Hem, die staat op de aarde en op de zee en zweert dat er geen tijd meer wezen zal. De klok sloeg negen dien morgen, als altijd. Green leeuwerik ontbrak in het koor; de hoeven tusschen de heuvels verborgen zonden hun rook rechtstandig omhoog naaide blauwe lucht; de linde stond schier roerloos onder het gewicht van den wolkenloozen hemel. Toch suisde de Ju\'.i-lucht door mijn kamperfoelie en stroomde mijn venster binnen, mijn gebogen hoofd streelend met geurige vingeren.

Daar zat ik en kon den wensch niet weerhouden, dat deze morgenruste Gods heel den langen dag en nog veel langer mocht duren. „Slaapt,quot; dacht ik, „lange slapers, slaapt en onthef mij nog een poos van de drukking uwer oogen.quot;

-ocr page 65-

Op eens, daar klonk een gil, een gzige gil van beneden naar boven. Als een, die in een graf ontwakend met een gil tot zich zelf komt, zoo was bet alsof bet stille buis zicb zelf wakker gilde, of er een rilling langs zyn trappen en gangen liep, die de deuren deed slaan en de schellen in beweging bracht. — Met een sprong stond ik midden in de kamer tegenover een doodsbleek gelaat, dat met bevende, sprakelooze lippen zich in mijn deurpost vertoonde.

„Kom, komquot;, trachtten die lippen uit te brengen en ik volgde. Alsof een geest mij in het duister met vurigen vingerspits wenkend, voorging, zoo daalde ik, met knikkende knieën zwijgend de trap af.

Daar zat zy, mijn tante, rechtop in de stoel naast haar bed, waarop het kussen onaangeroerd lag. Voor deze haar nachtrust had zij geen bed noodig gehad en toch rustig geslapen. Mijn Grod, wat zwijgende beschimping van het heldere zonlicht, sprak uit die grauwe, vermagerde trekken! In haar vollen glans was de Julizon naar binnen gestroomd, toen Suzanna de blinden opende, niet vermoedende, wie daar met wijd geopende oogen achter haar zat. Daar zat zij — daar zat het, van zij spraken wij gisteren —- een brief haar \'s avonds door Suzanna gegeven met onverbroken zegel in de hand. Den gansehen nacht had zij hem vastgehouden. Of er nieuws in stond van een hertogdom of van een mestvaalt , het was baar om het even; zij zou geen vinger verroeren voor zulk een nietswaardig verschil. Neen, al werden de starren tot zonnen, die baar banen overschreden en het azuren gewelf overstroomden met hun licht, met al haar gloed zouden zij niet in staat zyn die open oogleden te doen knippen. Wat hadden die strakke, doffe pupillen het laatst aanschouwd? Wat aanblik had het gezichtsvermogen uitgerukt, alsof er na dezen niets meer waardig te zien overbleef?

Waren dit de oogen, die mij bewaakten, mij kwelden en pijnigden, mij voortjoegen uur aan uur en dag op dag, een ademlooze, geslagen, rampzalige ziel? En was het geen half uur geleden, dat de wensch mij ontsnapte: „Och dat ik de drukking dier oogen mocht ontgaan?quot; Had ik „slaapt langquot; gezegd? Wel, nu sliepen ze en voor goed. God ant-

-ocr page 66-

— 54 —

woordt forscli en snel op sommige gebeden. Hij slaat ons in het aangezicht met de afgesmeekte gift en het is een ijzeren handschoen, die haar omsloten houdt. Elke wensch is voor God een gebed.

Nu had ik dan wat ik begeerde. Nu kon ik lezen en mijmeren naar hartelust, naar eigen overtuiging leven, trouwen of niet trouwen naar welbehagen. Nu was er voortaan niemand meer, om mij te berispen, aan banden te leggen, of te ontstemmen; nu had ik ruimte, meer dan ruimte in de woestijn, die mij omgaf, om een Babel of een Balbeo te stichten, als de lust en kracht tot stichten mocht wederkeeren, als dc adem weer vrij werd, thans nog door het woestijnzand gesmoord.

De erfgenaam kwam over op den dag der begrafenis en twee bleeke gezichten ontmoetten elkander by de doode. Was onze ontroering aan den dood of aan het leven te wijten? Toen het testament gelezen was en de officieele gasten en getuigen vertrokken waren, rezen wij beiden, onder drukkend zwijgen op en zagen elkander aan. „Vaarwel neefquot;, sprak ik.

Maar hij raakte de linten van mijn hoed, reeds vastge-strikt om heen te gaan — het rijtuig wachtte mij aan de deur — even met den vinger aan en zei op zachten toon, alsof er tranen in zijn stem klonken: „Siste Viator.quot;

„Is er,quot; vroeg ik „in deze dagen van spoorwegen wel tijd, om als Caesar op den Via Appia stil te houden en te moraliseeren ?quot;

„Er is tijd, klonk het ernstig antwoord, „tot het bespreken van noodige zaken, zonder er, dit beloof ik u, het grafschrift van wien of wat ook bij te halen. Wij hebben een testament gelezen, nicht, dat u erfgenaam maakt van al wat tante aan lijfgoed en effecten bezat.quot;

„Daarvoor dank ik haar nagedachtenis. Met driehonderd pond kan men zich zelfs in Engeland een plaatsje verschaffen waarop men staan en werken kan. Twee uur geleden meende ik arm te zijn.quot;

„En toch zyt gij rijker dan gij denkt. Het testament zegt; drie honderd pond en elke andere som, die hij haar dood in het

-ocr page 67-

— 55 —

bezit der testatrice wordt gevonden. Ik zeg, dat zij nog ander geld bezat.quot;

„IBeste Romney, wij behoeven de stuivers niet te tellen. Ik ben rijker dan ik dacht; laat u dat voldoende zijn.quot;

„Neen, luister. Gij hebt met zaken en een neef te doen, i en ik vrees dat beiden uw geduld op den proef zullen moeten

stellen. Ziehier wat het geval is. Die andere som (er is een andere som, niet in het testament genoemd, omdat zij eerst later in uw tante\'s bezit is gekomen, maar niettemin even stellig u vermaakt als die driehonderd pond), die som is dertig duizend pond. Wanneer en waar wilt gij haar in ontvangst nemen? Het is mijn plicht u met dat alles lastig te vallen.quot;

Hij sloeg op het ijzer, terwijl de staaf gloeiend was. Geen wonder dat mijn oogen vonken schoten.

„Genoegquot;, zei ik, „ik dank u; gij weet zeer kiesch uwe giften te bemantelen, maar ik, die uw eigen bloed in de aderen heb, kan, even als gij, beter geven, dan ontvangen t als een uwer beweldadigden. Vaarwel.quot;

Hij hield mij terug met een fier en kalm gebaar. „Een Leigh,quot; sprak hij, „geeft giften en geeft liefde, maar nooit bemantelt hij iets. En deed hij het, luj zou het niet willen doen tegenover een Leigh met bloed in de aderen, dat negen eeuwen lang elke leugen heeft leeren haten en vervolgen. — En nu zullen wij het overige even duidelijk maken. Uwe tante bezat dit geld.quot;

„Gij zult het duidelijk maken, neef, zuiver als ons beider eer, of wat een onzer spreekt is nutteloos, volkomen nutteloos. Mijne tante, zegt gij, bezat deze som, erfde haar — van wien? —wanneer? — geef bewijzen, noem een datum.quot;

„Daar, nu werpt gij uw hoed ter zijde, alsof gij tijd ge-* noeg hadt voor een logarithme. Vertrouwen is al wat ik

noodig heb. Lieve nicht, schenk mij vertrouwen en met zijden schoeisel zult gij dezen weg ten einde wandelen, even onbesmet als eenige edelvrouw van ons geslacht, de hooghar-tigste niet uitgezonderd. O, van uw standpunt gezien, begrip ik den toestand volkomen. Ik beroof u van tiws vaders goed en maak u arm door rijk te worden —- omdat de wet

-ocr page 68-

— 56 —

dit bepaalt. In elk ander geval zoudt gij onder deze omstan-difrheden niet aarzelen eenige vergoeding, eenig inkomen van mij aan te nemen; dit immers zou niets dan recht zijn. Maar helaas, ik heb u lief — en dat is maar natuur. Gij beantwoordt mijn liefde niet — dat is ook natuur — en nu op eens kunt gij, uit de hand van een afgewezen minnaar, uit een hand terugstooten als de mijne, geen penning meer aannemen ; neen, voor alles ter wereld niet. Dit is étiquette in de vrouwenwereld en deze, dat spreekt, gaat zoowel natuur als wet en recht te boven. Grij ziet, ik vat de zaak van uw standpunt op; ik laat volle ruimte voor den langen sleep van het u passend vrouwengewaad, terwijl ik mij nederig terugtrek in een hoek en ootmoedig beken, dat ik het recht heb verbeurd rechtvaardig te zijn, dat ik veroordeeld ben onloochenbare schulden onafgedaan te laten, wijl ik u mijn ziel niet heb mogen geven. Ik onderwerp my aan dit alles, alsoi\' het in een minder onredelijke eeuw niet minder onvermijdelijk ware. Genoeg; gij vertrouwt toch, niet waar, dat ik als gentleman, wat gij als uw eer beschouwt, onbevlekt zal bewaren, uwe bedenkingen zal eerbiedigen, alsof ik ze verstandig en juist achtte, u niet door een gift van mijn hand verlagen zal?quot;

Ik antwoordde zacht, maar met nadruk: „Ik geloof in niemands eer, hetzy van man of vrouw, wanneer zij door een ander onbevlekt moet worden gehouden. Even als ik voor mij zelve beslis, wat ik geloof en voor waar houd, zoo ook gun ik niemand — noch mijn vader, indien hij nog leefde, noch mijn broeders, al waren zij twintig in getal en u nog veel minder, al waart gij tweemaal mijn neef en eens Romney Leigh — mijn eer zuiver voor mij te houden. Gij staat vandaag tegenover een man, die inlichtingen vraagt, niet tegenover een vrouw, die bescherming behoeft. Spreek als man tot man, eenvoudig en kort en wees stipt met feiten en datums. Mijn tante heeft, zegt gy, deze som geërfd?quot;

„Ik zeg, dat die som by haar sterven in haar bezit was.quot;

„Dus niet geërfd — ik dank u. Zoo komen wij van lieverlede tot feiten. Misschien heeft zij handel gedreven met een schip, dat met Australisch goud bevracht, is binnengeloopen.

-ocr page 69-

— 57 —

Of wel zij heeft in een loterij gespeeld en een of ander landgoed aan den Eijn getrokken. Of missoliieu had zij aandeelen in een onderzeeschen spoorweg, die vooruit winst afwerpt, zooals hij vooruit in de verbeelding bestaat; of mogelijk is haar een verjaarde familieschuld na een paar eeuwen onvoorziens afgedaan. Gij schudt het hoofd? raad ik niet goed, neef?quot;

„Gij behoeft niet te raden. Aurora en niet te spotten ook. De waarheid zal u niet kwetsen, wees daar zeker van. Bij al uwe nauwgezetheid kunt gij toch geen reden aanvoeren, waarom uwe tante zich zou hebben moeten verzetten tegen een gift tusschen haar en mij.quot;

„Ik dacht het — een gift alzoo.quot;

„Natuurlijk dacht gij dat, een zeer natuurlijke gift!quot;

„Een gift, een gift! Zij die niet wist wat behoefte was, veeleer in overdaad leefde en die te trotsch was, om zonder bepaald doel, een gift aan te nemen! O, ik doorzie het. \'t Was een gift voor haar erfgename bestemd en daarom aanvaard... indien aanvaard. Ja, dat is mogelijk en op die wijze zou ik toch bedrogen zijn. Maar meent gij, neef, dat ik het u ooit zal vergeven, indien gy mij aldus in het net hebt gekregen?quot;

Hij antwoordde op zachten toon: „Grij behoeft niet te sidderen en te hijgen, als een gevangen leeuwin. Is het mijn schuld, dat gij een fier, wild wouddier zijt, en den stal, dien men u bouwde, ondraaglijk vindt? Al waart gij driemaal in den val geloopen, moet gy mij daarom aldus aanzien? Ik houd de koorden niet vast van het net dat u omstrikt. Van my zijt gy vrij, Aurora.quot;

„Dat God mij verlosse uit deze moeilijkheid!quot; riep ik uit. „Wanneer werd die gift door u geschonken, wanneer?... en aangenomen, wanneer?... Een maand, een halve maand geleden?... Voor zes weken nog niet, dat weet ik door een woord, dat haar ontviel. Toen was zij geschonken noch aangenomen. Wanneer was het? noem den datum.quot;

„Wat doet het wanneer er toe? Of het een half uur of een half jaar voor haar dood was, de gift is er niet minder zeker om en behoort tot de erfenis, bekrachtigd door de wet. Men zou evengoed de starren van den hemel kunnen pluk-

-ocr page 70-

— 58 —

ken en ze op de aarde kunnen vasthechten, als u weer arm maken, Goddank!quot;

„Niet arm en niet rein meer voortaan en gy dankt God! Welnu, indien het niet anders kan, dan smeek ik u, wil mij den juisten datum noemen.quot;

„Den dag voor haar doodquot; hernam hij, „bevond de gift zich in haar hand. Wij zullen er het bewijs van vinden en u alzoo den juisten datum kunnen aantoonen.quot;

Als een, die een berg heeft beklommen, onder het klimmen gevoeld heeft, dat hij een hart, bonsend in de keel, mee naar boven draagt en eindelek stilstaat om adem te scheppen en zegevierend om te zien, zoo stond ik op dat oogenblik daar.

„Beste Eomney, eindelijk hebben wij den top dezer steile vraag bereikt en mogen nu uitrusten, niet waar? Maar laat ik u vooraf vergeving vragen, dat de schok, de schrik, de aandoening door mij ondervonden, my hebben doen vergeten u mede te deelen, dat deze brief — ongeopend, ziet gij wel, nog goed verzegeld — in de hand der doode is gevonden. Haar geest was reeds verre, niet meer te vinden aan het adres zoo duidelyk door u geschreven. Ik ken uw flink gebouwde A, den lossen zwaai van uw G. Nu, luister verder, laten wij elkander goed verstaan. Gij zult van het groote feit, het schenken van deze gift niets ontdekken, tenzij er iets van in dezen brief is te vinden, dien ik, als mij niet toebehoorende, u ter hand stel. — Gij wilt hem niet aannemen?... Dan zullen gij en ik, gy als schrijver, ik als erfgename, hem samen, met uw verlof openen... Juist zoo... De vorm is edeler nog dan het edel aanbod zelf, en ik stem u toe, Eomney, dat het meest trotsche en fijngevoelige hart een gift, op zoo kiesche wijze aangeboden, zou kunnen aannemen, zonder er zich meer door te voelen bezwaard dan Salomo, den met heilige teekenen gegraveerden ring aan den vinger stekend, zich bekommerde om de hoeveelheid en het karaat van het fijne goud, dat tot de vervaardiging had gediend. Zóó alleen schenkt een Leigh aan een Leigh. Of liever, zoo zou hij het hebben kunnen doen, want — let wel — hier is het bewijs van de gift, naar

-ocr page 71-

niet het bewys, dat ze is aangenomen — integendeel. Het zwarte stof van den dood, door het noodlot in iederen vouw van dezen gesloten brief geblazen, heeft de versch geschreven inkt voor altijd doen opdrogen, heeft de gift vernietigd, de kieschheid overbodig gemaakt en laat niets dan deze fragmenten achter.quot;

Zoo sprekende, scheurde ik het papier van boven naar beneden en van beneden naar boven, nogmaals en nogmaals, dat de snippers dwarlend neervielen, als bladeren in het bosch door een wervelwind op Valderno\'s heuvelen afgerukt en meegevoerd, langzaam dalend en de donkere, droeve aarde bestrooiend. Och kom, ik schrijf als een dichter, wiens beelden te stout zgn; ik maak een kleine zaak tot een groote. Maar ik kan ook Eomney\'s blik in dien stond niet vergeten, dien verschrikten, wanhopigen, verwijtenden blik, die oogen waarin ik, geloof ik, tranen zag blinken, die mannelijke lippen, die ik beven zag.quot;

Eindelijk verbrak hij het zwijgen.

„Is het mij vergund, hoewel ik geen vreemde, hoewel ik slechts Eomney Leigh ben — wat nog minder beteekent dan — Vincent Carrington — is het mij vergund te vragen, wat uw plannen zijn; waar gij henen gaat? Dat toch is zeker geen geheim?quot;

„Geheel mijn leven ligt voor u open, neef. Ik ga naar Londen, naar de verzamelplaats der geesten, om ook mijn geestesstem in het koor te mengen. Om mijn ziel harmonisch voor anderen uit te storten, indien althans de ziel eener vrouw, even als die van een man, het geheele octaaf kan omvatten. En kan zij dit niet, dan toch om zuiver voor mij zelve te zingen. Bid God, dat hij met mij zij , Eomney.quot;

„Arm kind, arm kind, dat de moederhand van zich stoot, om die van den beul te vatten. Moge God zijn wereld om uwentwille vervormen; o dierste, moge hij haar voor u liefelijk als zijn hemel en rechtvaardiger maken dan ik u heb gevonden.quot;

„En gij Eomney?quot; was mijn wedervraag.

„Ik,quot; sprak hy, „ik? Gy bekommert u om mij? Och, meisjes zyn nieuwsgierig en willen van alles het fijne weten

-ocr page 72-

— dus van neven ook. Ik, Aurora, ik heb mijn werk; gij kent het. En daar ik mij dit jaar persoonlijk in een hoop zie teleurgesteld, moet ik zorg dragen dat ik mij zeiven, wat mijn plicht betreft, niet teleurstel. Terwijl gij uwe herderszangen dicht, van weiden en wouden zingt, ga ik trachten aan verdoofde, verstompte geesten, verdoofd en neergedrukt door zorg en smart, duidelijk te maken en te bewijzen, dat de natuur haar eigen lied zingt, geen dichter, luit of stem tot middelaar noodig heeft, om haar melodie verstaanbaar te maken. Terwijl gij bij uw publiek gehoor vraagt, ga ik misschien voor hongerige weezen vergunning erlangen, om duidelijk te zeggen: „Ziet gij wel dat wij honger lijden?quot; of voor gescholden , mishandelde vrouwen om hare zuigelingen — nog geen weezen helaas — omhoog in het volle daglicht te heffen; vergunning ja, voor een ieder om zijn deel te vragen — niet van den grond .. . o neen ... maar van het zweet om hem te bebouwen; dit toch is heden ten dage reeds een gunst: onder Gods vloek alleen te mogen buigen.

— Ziedaar mijn werk; tot aan de ellebogen in sociale problemen. Terwijl gij uwe rijmwoorden samenvoegt, ga ik trachten mijn diensten aan behoeften vast te knoopen en de wereld op nieuw in hare voegen te brengen; of gelukt mij dit niet, dan toch de eene of andere diepe kloof, die het inwendig, het twistvuur tusschen menschen en menschen op aarde doet gapen, te dempen, althans te overbruggen en zoo een uitweg te vinden naar liefelijker oord. Ik ga mijn toe-vlucht nemen tot mijne armzalige middelen, tot hospitalen, armenhuizen, kinderbewaarplaatsen, tot al die practische, half goede maatregelen , welke gij , minnaars van het schoone en volkomene, stelselmatig verachtelijk keurt.quot;

„Ik verachtelijk keur? Gij, Romney, veracht. Dichter wordt men alleen door niets te verachten. Gij maakt het hem tot verwijt, dat hij het goede van het schoone bezingt en verkondigt, en hij eert uw practisch, eenzijdig goede, als een deel van het schoone zelf. Vaarwel! Als God al zijn medewerkers op aarde zijn zegen geeft, zullen de dichters de laatsten onder de gezegenden niet zijn.quot;

Hij glimlachte, zooals men glimlacht, wanneer men een

-ocr page 73-

bittere gedachte niet wil uitspreken. Nog voel ik het stil verwijt in zyn droevigen blik. Het is thans zeven jaar geleden. Was het medelijden of minachting, wat dien blik zoo onvergetelijk maakt? Zegt gij het, die meer van medelijden dan van liefde, meer van minachting dan van haat weet te spreken. Ik vcor my ben later door mannen, die myn geleken waren, op andere wijze bejegend. —■ Zoo scheidden wij, mijn neef en ik, en tusschen ons stortte zich bruischend de wereldzee, ons aangezicht verbleekend als vaneengescheurde rotsen, terwijl ons nog slechts nu en dan, door de bulderende, schuimende baren heen, een enkele aanraking, een enkele blik op elkander werd gegund.

-ocr page 74-

DERDE HOOFDSTUK.

„Heden gordt gij u zeiven en wandelt alwaar gij wilt, maar de ure komt, waarin een ander u gorden en brengen zal, waar gij niet wilt.quot; Zoo sprak de Heer tot Petrus, be-teekenende hoedanigen dood bij sterven zou, gekruisigd met het hoofd naar beneden.

Sprak hij aldus tot Petrus, hij spreekt tot ons evenzoo. Die woorden gelden voor velerlei martelaarschap en doelen op velerlei doodstrijd, al sterven wij niet juist als apostelen en al zyn wij de sleutels van hemel en aarde kwijt.

quot;Want de mensoh sterft niet alleen en niet het meest by den dood. Nadat wij ons zeiven hebben omgord met het fijne lynwaad en het fraaie borduursel der jeugd, om, aldus getooid, naar de heuvelen te snellen en de rijzende zon te begroeten, volgt er een ure, waarin wij afgemat nederzitten en lijdzaam als dwazen ons laten binden met de geweldige koorden van sociale verzinselen, geveinsdheden en formaliteiten; een ure, waarin wij onze rechtstandige natuur ten onderste boven laten keeren, onze lage begeerten laten omhoog heffen, onze verheven gedachten laten neerdrukken en ons met het hoofd naar beneden aan de kruishouten dezer wereld laten slaan.

-ocr page 75-

— 63 —

Maar God kan van dat sdiandhout ons verlossen. Hij die onzen voet naar de aarde, ons hoofd naar den hemel richtte, die ons aanwijst tot welken gang Hij den mensch heeft geschapen.

„Laat de lamp staan, Susanna en ga naar bed. De kamer , is voldoende in orde; ik heb te schrijven tot na middernacht.

Ga, uw rondloopen hindert mij, als het gegons van insecten. O, zyn daar brieven? wel, leg ze neer. Het schijnt wel dat ik ze moet aannemen, want hoe menigmaal heb ik u al verzocht ze mij op een ander uur te brengen, tenzij ik er om vraag. Och verontschuldig u maar niet. Gij wenseht ze my te brengen, zooals ik ze misschien in het vuur wensch te werpen. Kom nu, ga naar bed en droom, indien gij kunt, dat ik niet uit mijn humeur ben.quot;

Welk een gemelijk, kleingeestig schepsel word ik toch. Een vrouw, niets dan een vrouw met verslapte zenuwen. Een zakdoek doorweekt, omdat hij den ganschen nacht buiten in den regen heeft gelegen; overwerkt en overspannen * en overleefd in dit benauwde Londensche leven! Foei, ik

moest sterker zijn.

Verbrand uwe brieven niet, Aurora, want zij staren u met hun roode zegels aan, en elke er van zegt: „Hier is iets dat gij niet weet.quot; — Niet, dat de wereld sedert gisterenavcnd beter, of wijzer, of rechtschapener of wat minder onredelijk zal zijn geworden, maar zoo één Engel slechts zich van den Ararat deed hooren, zou het mij innig spijten dit niet te vernemen. Open gaan dus alle brieven... laat me ze doorzien.

Blanche Ord, schrijfster in de „Dameswaaierquot; vraagt mijn oordeel omtrent. . . dat is voor later. ■—• Kate Ward vraagt my om het model van mijn mantel en teekent zich: Uwe Eliza. — Pringle Sharpe biedt my zijn werk over „Sociaal gt; Gedragquot; aan en vraagt mij een kleine som gelds voor zijn

dringendste schulden, mij, die ter nauwernood in myn eigen behoeften kan voorzien. De vurige wagen, waarin de kunst ons omhoog voert, zengt maar al te vaak gaten in ons zangersgewaad; al vraagt ge mij ook om mijn mantel, Kate Ward. — Dat weet deze Rudgely hier, uitgever en schrijver. Hy is „genoodzaakt te huwen, terwijl zyn hart verre is,

-ocr page 76-

— 64 —

wyl de beurs ontbreekt daar, waar hij zyn hart heeft verloren.quot; Ja verloren, omdat het niet werd opgeraapt; dat is wel een verlies en een onbeschaamdheid bovendien. —• Mijn criticus Hammond verstaat de kunst van vleien en vraagt nog een werk aan het vorige gelijk. — Mijn criticus Belfair verlangt er een geheel ongelijk aan het voorgaande; een werk dat opgang maken — en leven zal? Een opvallend boek, dat toch het publiek niet verschrikt. Want „menquot; veroordeelt wat buiten de platgetreden paden gaat. Gij moet een welwillend , teergevoelig publiek niet onverhoeds een stortbad toedienen. Een boek vol goede gedachten, zonder spitsvondigheden; nieuw en toch in behoudenden geest, een werk, dat zich even gemakkelijk laat lezen, als de beduimelde bladzijden door datzelfde publiek reeds meer dan vijftig jaar gespeld en dat toch in zijn soort een openbaring mag heeten: Dat is wat veel gevergd criticus Belfair. — Wat verder? — Criticus Smith is geen liefhebber van afgetrokken denkbeelden. „Noem een man Jan, een vrouw Jannetjequot;, zegt hij , „en houd al die geleerdheid achterwegequot;. Ik noem dezen mijn criticus dus kortweg: Smith.-—Mijn criticus Jobson wil een v rooi ijker geschrift, omdat de tijdgeest een blijmoedig genie verlangt en alle ware dichters, evenals Shakespeare en de goden, homerisch lachen. ■ Dat is een zeer zware eisch. De goden en Shakespeare mochten schateren, maar Dante glimlachte slechts, zoo vreugdeloos, met zulke bleeke lippen, dat wij den uitroep niet weerhouden kunnen: „Ween liever, Dante, ween.quot; Dichtwerken zijn menschen, indien zij ware dichtwerken zijn. Wie zou zich vermeten aan iemands deur te roepen: „De bliksem, dat weet ik, heeft hier verleden week een vrouw getroffen en een ziekelijken man van schrik doen verstijven, wat nood! Wees vroolijk, juich en klap in de handen, want een blijmoedig genie past in dezen onzen tyd!quot; Zoo spreekt men tot geen mensch; waarom zou men dan tot een dichtwerk aldus spreken? — Zegel nommer negen. —■ De openbaring spoedt ten einde. Ha, deze is van Vincent Carrington: — „Lieve vriendin, ik heb goeden raad noodig. Wilt gij mij vleugels leenen, om mij op te heffen tot een onderwerp, waarvan ik morgen de schets zal meebrengen ? Mag ik r\' morgen

-ocr page 77-

— 65 —

om elf uur? Een dichter wordt slechts geboren om anderen te dienen. Behoed u zelf dus voor de wereld on — Carrington.quot;

Naschrift. „Hebt gij ook iets van Eomney Leigh gehoord, behalve wat men van hem door de nieuwsbladen hoort, van zijn phalansteriën, toespraken, brochures, pleitredenen, verslagen, enz.? 11 ij heeft mij al lang laten glippen, maar een gouden appel laat men niet glippen, al beweerdet gij ook eens schertsend het tegendeel. Nu, in elk geval kent gij Lord Howe, die hem ziet, dien hij ziet, dien //ij ziet en dien ik niet zien wil. Want Howe staat hoog en droog op theoretischen grond, slaat de zwemmers ga en roept: „Prachtig ! voortreffelijk!quot; terwijl geen draad van zijn eigen linnengoed vochtig wordt. Juist het tegenovergestelde van dien Romney, die zoo moedig de golven klieft. Hoe verwonderlijk toch die onzinnige aandrang in dezen jongen man, om de wereld te herscheppen, terwijl ik tevreden ben, als ik maar schilderen kan. — Mag ik de schets brengen? Een Danae overmoedig en hartstochtelijk, beide armen reikhalzend uitgestrekt naaiden van liefde gloeienden Zeus; gelaat en boezem in vurig verlangen opwaarts geheven, het loshangend haar reeds in gloed gezet door den glans van het haar genakende goud. Of hier hebt gij een andere schets van hetzelfde onderwerp: Daar ligt zij in haar gevangenis gebogen ter aarde, terwijl haar weelderige lokken haar als zeewier omstrengelen. Onzeker ziet gij haar vormen heenschijnen door het glinsterend waas van den neerdalenden wonderregen, half vernietigd is zij door een liefde, drukkend als het noodlot. Ik zal beide schetsen brengen. Ik voor my vind dat in de tweede meer hartstocht ligt.quot;

O zeker, het eigen ik zwijgt, is tot rust gebracht, door afstand van zich zelf te doen. Zy is Zeus, niet langer Danaë — grooter aldus. Misschien heeft de schilder onbewust twee phasen in een kunstenaarsziel in beeld gebracht; de eene, waarin zy zich vermetel op den voorgrond dringt, eigenwillig is, geen eerbied kent; omdat zij nog slechts strevend is. Wij weten dat, als de godheid werkelijk tot ons nederdaalt, wij allen stiller worden, dan wij ooit te voren waren.

Goede Vincent Carrington! Ik zal hem laten komen. Hij

5

-ocr page 78-

— 64 —

wijl de beurs ontbreekt daar, waar hij zijn hart heeft verloren.quot; Ja verloren, omdat het niet werd opgeraapt; dat is wel een verlies en een onbeschaamdheid bovendien. — Mijn criticus Hammond verstaat de kunst van vleien en vraagt nog een werk aan het vorige gelijk. — Mijn criticus Belfair verlangt er een geheel ongelijk aan het voorgaande; een werk dat opgang maken — en leven zal ? Een opvallend boek, dat toch het publiek niet verschrikt. Want „menquot; veroordeelt wat buiten de platgetreden paden gaat. Grij moet een welwillend , teergevoelig publiek niet onverhoeds een stortbad toedienen. Een boek vol goede gedachten, zonder spitsvondigheden; nieuw en toch in behoudenden geest, een werk, dat zich even gemakkelijk laat lezen, als de beduimelde blad-zijden door datzelfde publiek reeds meer dan vijftig jaar gespeld en dat toch in zyn soort een openbaring mag heeten; Dat is wat veel gevergd criticus Belfair. — Wat verder? — Criticus Smith is geen liefhebber van afgetrokken denkbeelden. „Noem een man Jan, een vrouw Jannetjequot;, zegt hij, „en houd al die geleerdheid achterwegequot;. Ik noem dezen mijn criticus dus kortweg: Smith. — Mijn criticus Jobson wil een vroolijker geschrift, omdat de tijdgeest een blijmoedig genie verlangt en alle ware dichters, evenals Shakespeare en de goden, homerisch lachen. Dat is een zeer zware eisch. De goden en Shakespeare mochten schateren, maar Dante glimlachte slechts, zoo vreugdeloos, met zulke bleeke lippen, dat wij den uitroep niet weerhouden kunnen: „Ween liever, Dante, ween.quot; Dichtwerken zyn menschen, indien zy ware dichtwerken zijn. Wie zou zich vermeten aan iemands deur te roepen: „De bliksem, dat weet ik, heeft hier verleden week een vrouw getroffen en een ziekelijken man van schrik doen versteven, wat nood! Wees vroolijk, juich en klap in de handen, want een blijmoedig genie past in dezen onzen tijd!quot; Zoo spreekt men tot geen mensch; waarom zou men dan tot een dichtwerk aldus spreken? — Zegel nommer negen. — De openbaring spoedt ten einde. Ha, deze is van Vincent Carrington; — „Lieve vriendin, ik heb goeden raad noodig. Wilt gij mij vleugels leenen, om mij op te heffen tot een onderwerp, waarvan ik morgen de schets zal meebrengen ? Mag ik ? morgen

-ocr page 79-

— 65 —

om elf uur? Een dichter wordt slechts geboren om anderen te dienen. Behoed u zelf dus voor de wereld en — Carrington.quot;

Naschrift. „Hebt gij ook iets van Romney Leigh gehoord, behalve wat men. van hem door de nieuwsbladen hoort, van zijn phalansteriën, toespraken, brochures, pleitredenen, verslagen, enz.? Hij heeft mij al lang laten glippen, maar een gouden appel laat men niet glippen, al beweerdet gij ook eens schertsend het tegendeel. Nu, in elk geval kent gij Lord Howe, die hem ziet, dien hij ziet, dien yij ziet en dien ik niet zien wil. Want Howe staat hoog en droog op theoretischen grond, slaat de zwemmers ga en roept: „Prachtig ! voortreffelijk!quot; terwijl geen draad van zijn eigen linnengoed vochtig wordt. Juist het tegenovergestelde van dien Eomney, die zoo moedig de golven klieft. Hoe verwonderlijk toch die onzinnige aandrang in dezen jongen man, om de wereld te herscheppen, terwijl ik tevreden ben, als ik maar schilderen kan. — Mag ik de schets brengen? Een Danaë overmoedig en hartstochtelijk, beide armen reikhalzend uitgestrekt naaiden van liefde gloeienden Zeus; gelaat en boezem in vurig verlangen opwaarts geheven, het loshangend haar reeds in gloed gezet door den glans van het haar genakende goud. Of hier hebt gij een andere schets van hetzelfde onderwerp: Daar ligt zij in haar gevangenis gebogen ter aarde, terwijl haar weelderige lokken haar als zeewier omstrengelen. Onzeker ziet gij haar vormen heenschijnen door het glinsterend waas van den neerdalenden wonderregen, half vernietigd is zij door een liefde, drukkend als het noodlot. Ik zal beide schetsen brengen. Ik voor my vind dat in de tweede meer hartstocht ligt.quot;

O zeker, het eigen ik zwijgt, is tot rust gebracht, door afstand van zich zelf te doen. Zij is Zeus, niet langer Danaë — grooter aldus. Misschien heeft de schilder onbewust twee phasen in een kunstenaarsziel in beeld gebracht; de eene, waarin zij zich vermetel op den voorgrond dringt, eigenwillig is, geen eerbied kent; omdat zij nog slechts strevend is. Wij weten dat, als de godheid werkelijk tot ons nederdaalt, wij allen stiller worden, dan wij ooit te voren waren.

Goede Vincent Carrington! Ik zal hem laten komen. Hij

5

-ocr page 80-

— 66 —

spreekt over Florence en misschien ook wel over het een of ander een jaar of zeven geleden, over een egel of een gekwetsten vogel op ons pad, als wij door veld en boscli dwaalden — in dien goeden ouden tijd, waarin ik—o zeker — heel ongelukkig was.... ik, die sedert altijd een gemis in mijn leven heb gevoeld.

Het lied stijgt in den leeuwrik op, terwijl de leeuwrik omhoog stijgt. De mensch niet alzoo. Wij zeiven blijven achter, terwijl onze zang naar den hoogen stggt, alleen achter op aarde in stee van in den hemel. Het zij zoo. Laat mij voortgaan met mijn verhaal:

Toen Eomney Leigh en ik aldus van elkander waren gegaan, huurde ik een kamer in Londen, drie 1 rappen hoog, bijna even steil als sommige leeuwrikken sty gen en daar in dat huis in Kensington leefde en werkte ik drie jaren achtereen. Vergunning om te werken is het best wat gij in deze wereld verkrijgen kunt. God schenkt ons beter dingen in zijn vloek dan menschen in hun zegen. God zegt: „een voorhoofd badend in het zweet;quot; de menschen zeggen: „een voorhoofd met een kroon getooidquot;, en zoo worden wij gekroond , neen gewond door een stalen band, die met een verborgen springveer ons om het hoofd sluit. Verschaf uzel-ven werk , het is beter dan wat gij u door dat werk verschaft.

Tevreden en de eenzaamheid niet duchtend, arbeidde ik heel den korten dag. Op menigen donkeren morgen en nóg donkerder achtermiddag zag ik de zon met haar groote schijf uit den nevel te voorschijn dringen en de schuine daken en schoorsteenen in rossen gloed zetten, als ware zij een ger-maansch afgodsbeeld, zichtbaar door den onbewegelijken glans van het gloeiend koper en den hemel bleekrood tintend door het neersijpelend bloed der slachtoffers, in zijn afschuwelijke holte opeengeperst. Of wel ik zag niets dan nevel, bruin-rooden rollenden nevel, die de weerlooze stad verzwolg, haar levend smoorde, die torens, bruggen, straten, pleinen, in het niet deed verzinken, alsof een spons geheel Londen had uitgewischt, of wel middag en middernacht plotseling te zamen vielen, den tusschenliggenden tijd opslorpten en zich-zelven door die daad vernietigden. Uwe stadsdichters zien

-ocr page 81-

— 67 —

dit alles met geen onverscHllig oog aan. Welliclit brengen de bergen van het zuiden, wanneer zij, dronken van hun wijn, zich naakt opheffen uit den onafzienbaren nevel, dien zy verscheurden, minder dichters voort. Wie den Sinaï afdaalt , doet geen lofzang hooren. Om den Parnassus te bestijgen, neemt gij een muildier, geen Muze, tenzij in fabel of zinnebeeld. Het woud zingt zichzelf zijn loflied en maakt u sprakeloos. Maar zit in Londen in het schemeruur en zie de stad in den nevel verzinken, gelijk Pharao\'s leger in de diepe Roode zee: wagens, ruiters, voetknechten, heel het heir verzwolgen en tot stilte gesmoord — dan, door een machtige gewaarwording in de ziel gegrepen, is het u, als hadt gij zonder strijd een zege behaald en met Israëls zangsters — ja Miriam niet te vergeten — zingt gij het lied, dat u op de lippen wordt gelegd.

Ik werkte met geduld, dat is by na met macht. Ik deed eenige voortreffelijke dingen middelmatig goed, eenige nietswaardige voortreffelijk. Beiden werden geprezen, de laatste het meest. En toen ik zoo ver was, dat ik zelve ze als nietswaardig veroordeelde, werden my door de ijverige post week aan week brieven gebracht, gelyk en toch ook weer ongelijk aan die, zooeven door my gelezen. Brieven met mooie jonge dameszegels, door elkander gevlochten leliën, die initialen vormden, of een hart met Emilie er in gestempeld, te kennen gevend, dat Emilie enkel hart was. Ook wel epistels van jonge academieburgers; wellicht tot afleiding na het zakken voor een examen geschreven en op de eerste bladzijde met een of ander motto van Horatius prijkend. Menige geteekende of ongeteekende brief gaf duidelijk te kennen, dat de achttienjarige schrijver reeds te lang had geleefd, al mocht ook een Muse zijn duisteren morgen met haar licht hebben bestraald — complimenten, die mij een glimlach of een zucht ontlokten. Zij golden bij mij al even weinig als Russische munten te Parijs. Kan men op den boulevard voor tien roebels een voddig lint, dat ééne sou waard is, koopen? Ik moest er om lachen, dat al die jonkheid mij haar liefde bood; ik moest er om zuchten, dat al die liefde ter nauwernood in staat was, haar tot waardiger liefde op te voeren. En

-ocr page 82-

— 68 —

daarop volgde een zucht van bitterder gehalte. Die liefde, zoo kwistig geschonken, bewees maar al te klaar mijn eigen minderheid. Krachtige geesten hadden mij niet lief en hy... mijn neef Eomney... schreef mij niet. Ik voelde, hoe zyn zwijgende minachting, als met den vinger, eiken zeepbel van myn onbeduidende vermaardheid deed uiteenspatten, haar verstuiven deed in het niet, waartoe zij behoorde, zoodra mijn adem haar voortbracht. O zeker, ik rechtvaardigde de maat, die hij van mijn hoogte had genomen; hij had gelijk, volkomen gelijk, ik speelde met de kunst, als een kind met een houten sabel, ik was een stuk speelgoed voor knapen en meisjes — meer niet.

Weer een zucht; kort, diep, vol van een krachtig besluit. Ik wilde tot beter uitkomst werken of in allen ernst spelen. „Mijn hemel, als dit zoo voortging, zou ik bijna populair worden.quot; — Ik stak myn verzen door en door, maar vond geen spoor van bloed op de punt van het rapier. Zij hadden het hart van een embryo, dat nog nooit had geklopt en dus ook niet sterven kon. Het leven in hen was een schijnleven, door een galvanischen schok gewekt. Het waren klanken, nog niet tot melodie bezield.

Toch voelde ik het daar binnen branden, gelijk de gloeiende scheppingszaden in Zeus\' vastgesloten vingeren, voordat de werelden door hem in het heelal werden rondgestrooid. Maar ik, ik was zelfs Here niet. Mijn hand — echte vrouwenhand — was krampachtig saamgetrokken en trachtte ik één vinger te ontsluiten, dan weigerde de zenuw mij haar dienst. Het is heden nog aldus. Nooit misschien zal deze hand zich geheel en vrijelijk openen, voordat de vonken zijn uitgedoofd, of de palm is verteerd; de pijn alleen zal van de scheppingskracht getuigen.

Het brandde — het brandt — het doorgloeide geheel mijn zijn. Van myn voetstappen op den langen, moeitevollen. weg straalde licht uit — geen zonlicht en geen toortslicht. Ik had geleerd een al te vroege lente te mistrouwen; ik had de boeken van den dag — droevig, waarschuwend teeken — rondom my zien vallen. Frissche boeken ? De esch heeft fris-scher groen dan de taxis, maar het taxisloof duurt langer

-ocr page 83-

— 69 —

en mag het heilige Kerstfeest sieren. Wij willen, kan het zijn, meer taxis planten, zij het ook, dat wij er de graven mee vervroolijken.

Nacht en dag bewerkte ik mijn rhythmische gedachten en doorploegde ik mijn waken en mijn droomen met diepe levensvoren, die niet voegden in het jaargetij. De rozen verdwenen van mijn wangen; hel straalden myn oogen uit diepe, blauwe kringen; als een getroffen vogel schokte mijn pols in de doorschijnende aderen. Onwrikbaar ernstig is de jeugd, als zij der jonkheid ideaal in het aangezicht staart, en wanneer de menschen kwamen en zeiden: „gij werkt te hard, gij ziet er niets goed uit,quot; dan had ik slechts een meelijdenden glimlach voor dat medelij leu ten beste; dan dacht ik, dat ik door dat slechte uitzien weldra beter zou varen. Want „ik,quot; beteekent in de jeugd niets dan het „ik;quot; de bewuste, eeuwige ziel met al haar streven; niet het uitwendige leven, de gedeeltelijke mensch, het vleeschelijk bekleedsel, het zooveel lever, long en huid, dat later de som van het „ikquot; uitmaakt als „menquot; van wel of niet wel zijn spreekt. Ih vaar wel, als ik één stap vooruit kom, al dringt mij daarbij ook een spijker in den voet. Ik vaar wel, al zyn mijn hersenen verstijfd of verlamd by het omvatten eener waarheid. Ik verander alleen maar van werktuig. Breek ik de spade by het diepe delven naar goud, welnu, dan grijp ik naar het houweel.

Ik arbeidde voort, voort. Op doornen noch stronken acht gevende in myn vaart, werkte ik mij door de heggen en struiken, de nachten en dagen heen — perken, die den tyd van de eeuwigheid scheiden. De lampolie stonk somwijlen in het middernachtelyk uur; eenige alledaagsche nooden riepen luide om bevrediging. Ik moest leven om te kunnen werken en, arm zijnde, moest ik, om te kunnen leven, met de eene hand voor de boekverkoopers arbeiden, terwijl de andere in dienst van mij zelve en de kunst werd gesteld. Wilt gij vooruitkomen, dan moet gij zwemmen met handen en voeten tegelijk. In Engeland, dit ondervond ik, kan niemand bij levende dichtkunst alleen het leven houden, en deze ondervinding deed mij besluiten door proza ruim baan voor

-ocr page 84-

mijn levend vers te maken. Ik schreef voor enoyolopediën, magazijnen , voor maand en weekbladen, mijn naam ophotidend om hem niet te beslijken. Ik leerde met het gewichtige „wijquot; der Revues, als salondames met haar sleep, manoeuvreeren en liet het statig door de open deuren achter mij aan zwieren, alsof binnentreden zonder zulk een omslachtig aanhangsel een onmogelijkheid ware. Ook schreef ik novellen en krabbelde stukjes op een kersepit tot vermaak van het groote lezerspubliek. Hier en daar tusschen de regels, zeide men, liet de gepantserde hand zich gevoelen, maar daar ben ik niet zeker van. Wat gij om den broode doet, smaakt naar graan, niet naar druiven, al waart gy ook een wijnberg in Champagne rijk. Hoe veel minder nog als gij, zoo als ik, er misschien slechts een in Nephelokokkugia bezit.

Voor een aantal dagen brood, lucht en ruimte voor lichaam en vers verworven hebbende, greep ik mijn eigen, mijn ware taak aan. En evenals de ziel, groeiend in het kind, het kind doet groeien, evenals de vurige sappen in den boom omhoog gedreven, de schors doen zwellen en haar met knobbels en knoppen overdekken, vóórdat het lenteloof als een groene vlam naar buiten slaat, zoo ook deelde het leven, dat in mijn binnenste aan krachten won, zijn kracht aan al mijn denken en doen, mijn werken en streven mee. \'t Is waar, ho.t hoog gezag sprak een afkeurend oordeel uit; de kritiek betreurde het verlaten van den ingeslagen weg, maar ik voelde, dat het leven van mijn hart in mijn verzen begon te kloppen en dat dit ze levend maakte; — een onvolkomen leven, o ja, het onrustig bloed van alle kinderen Adams deelachtig, maar dat toch zelfs in gezwel en uitwas van werkzame, scheppende levenskracht getuigde.

Op een dier dagen, meldde zich eene dame by mij aan. Zij had de zachte stem van onze Engelsche ladies, die, naar het schijnt, niet luid behoeven te spreken, om de aandacht te trekken. Ook hare rustige manieren, alsof zij te hoog boven de aarde leven, om door iets ondermaansch ontstemd te kunnen worden. Zoo minzaam, omdat zij in werke-lijkheid zoo trotsch zijn; zoo omzichtig, zoo bevreesd u te kwetsen, niet omdat gij niet verachtelijk zijt in haar oog,

-ocr page 85-

— 71 —

maar omdat zij u niet met den voet zouden willen aanraken, om u naar uwe plaats te dringen; zoo kalm en tegelijk zoo neerbuigend en innemend, dat het moeite kost in haar bgzyn waarheid te spreken. De soort is welbekend; schitterend, onnatuurlijk goedje.

„Lady Waldemar.\'quot;

Zij sprak haar naam met den grootsten eenvoud uit, als had hij niet veel, maar toch iets te beteekenen, nam mijn handen in de hare en glimlachte, alsof zy my met haar glimlach van dienst kon zijn. Daarop liet zy hare oogen, die een zachte uitdrukking aannamen, op mij rusten en zeide ;

„Is dit nu de Muse?quot;

„Zelfs geen Sybille,quot; was myn antwoord, „want zij kan niet raden, waartoe gij u de moeite van dit bezoek getroost, mevrouw.quot;

„Groed zoo,quot; zeide zy, „ik weet openhartigheid te waar-deeren. Misschien zou dit bezoek mij werkelijk moeilijk zyn gevallen, als ik een echte Muse had aangetroffen. Maar mijn schoone Aurora, gy draagt het blauw zoo hoofdzakelijk en zoo rond en open in de oogen, dat uw roem my zoo min als het stijgen naar dezen Olymp bezwaart.quot; Een zilveren lachje klonk door haar versnelde ademhaling heen; de steilte van de trap deed zich gelden.

„Maar nog altijd laat uwe edelheid mij in het onzekere , waarom zij zich heeft gewaagd aan de kans die Muse aan te treffen?quot;

„Ha, gij houdt voet bij stuk als de beste geleerde. Zou het blauw in de oogen dan al even verschrikkelijk als in de kousen zyn? Hoe kunt gij verwachten, dat ik met de zaak voor den dag kom, voordat ik op adem ben; den epischen aanhef eischen van wie een flauwte naby is? — Gij denkt natuurlijk, dat ik hier ben gekomen, zooals de leeuwenjager naar de woestijn gaat, om u in den val te lokken, opdat ik u op de eene of andere zoölogische soiree in mijn salon zou kunnen vertoonen? — Neen, niets daarvan; al ben ik niet minder dwaas dan anderen en al heb ik, als deze en gene van mijn stand, ook het myne aan die wildedierenvertooningen gedaan. Maar op dit oogenblik sta ik tegenover myne leeuwin,

-ocr page 86-

zooals Androkles tegenover de zijne — toen tij in hare macht was.quot; Daarmee boog zij haar hoofd als een vorstin, die zich een scherts veroorlooft. Na een paar seconden sloeg zy de oogen op met een ernstigen, echt koninklijken hlik, die niemand en zich zelve niet sparen wilde en zeide:

„Ik meen gij hebt een neef, Eomney Leigh.quot;

„Komt gij uit zyn naam?quot; — myn blik was niet minder Loog dan de hare — „uit zijn naam?quot;

„Ik heb niets uit zyn naam, maar toch iets van hem te zeggen. Maar voorafquot; — haar dringende oogen dwongen om antwoord — „gij bemint hem niet — gy ?quot;

„In het vragen durft ook gij openhartig te zijn, mevrouw,quot; was mijn antwoord. „Ik heb mijn neef lief als nicht — meer niet.quot;

„Ik dacht het. Ik zal openhartig zijn in het antwoorden ook, wanneer gij mij ondervragen wilt en zelfs ook zonder dat. Gy kunstenaressen staat buiten uwe sekse; gy deelt niet in het onze. Gij zijt onze meerdere door de boete, die gij betaalt; het hart honger latende lijden ter wille van het hoofd. Zoo althans getuigt de traditie van u. Daarom kan ik vrijuit spreken, zonder de natuurlijke schaamte, die de mensch gevoelt, wanneer hij op gelijken grond met zyn gelyken spreekt. Menige katholieke zou liever sterven, dan aan haar kamenier bekennen, dat zij een lint in het haar strikt, om de aandacht van dezen of genen man te trekken, terwyl zij voor het altaar der heilige Moedermaagd zonder blozen, met de kralen van haar rozenkrans, hare mispassen optelt. Dit komt doordat de heiligen zóó ver van ons af zyn, dat wij alle zedigheid tegenover hen verliezen. Zoo gaat het ook mij van daag. — Ilc ben het, die Romney bemin.quot;

„Houd op,quot; riep ik, „zoo hier geen Muse is, nog minder is er een heilige; zelfs geen vriendin, dat Lady Waldemar bekentenissen zou doen.quot;

„Dat klinkt onvriendelijk. Wat verhindert vriendin te worden, wie het nog niet wezen mocht, eer onze biecht ter. einde is gebracht? Ik heb uw neef lief. Schijnt het onverstandig dit uit te spreken, nog dwazer is, ik beken het, dit te gevoelen. Mijn eerste man heeft mij jong en met uw verlof

-ocr page 87-

— 73 —

schoon en rijk genoeg achtergelaten, om met goed gevolg, evenals de anderen, mijn kraam in Mayfair op te zetten. Er zijn markiezen, die zeven jaar zouden willen dienen, om mij hun vrouw te kunnen noemen en misschien zou ik na zeven jaar er wel toe over kunnen gaan, want als alles voorbij is, is een markiezaat nog zoo kwaad niet —ja, maar na zeven jaar. Nu heb ik Eomney lief. Gij trekt de lip omhoog, sprekend als een Leigh — als hij. Maar gij stemt toch toe, niet waar, dat ik mij niet verneder door Eomney Leigh te beminnen ? De naam is goed, het vermogen groot, maar de man •— de man! De hemel helpe ons beiden — ik ben byna even gek als liy, dat ik zulk een man bemin.quot;

Zij schudde de zware krullen, tot zij den glimlach op haar wangen streelden, alsof zy alle recht had met zich zelve begaan te zijn en vervolgde:

„Waarlijk, Miss Leigh, ik ben niet zonder strijd hiertoe gekomen. Ik heb een meester in het Duitsoh genomen; ik heb een weinig aan het spel gedaan; ik ben tweemaal naar Parijs geweest, maar ondanks alles.. . deze liefde! Gij proeft van de liefde en het is voorwaar niet beter dan of gij knoflook aat; al wat gij gebruikt heeft denzelfden scherpen smaak, zoodat uw perzik u aan uw ui doet denken. Ben ik grof? Wel, de liefde is ook niet gepolijst, evenmin als de natuur. Ja juist, daar is de moeilijkheid; wy fraaie, fijn beschaafde dames, die van ons leven een park ver van den gemeenen weg af maken, wy kunnen toch niet verhinderen, dat de kraaien er boven vliegen; wij zyn nog altijd niet minder natuuurlyk dan de eerste de beste boerendeern. Kleed ons zoo rijk gij wilt in Lyonsch fluweel, daarom zyn wij nog de ledepoppen van den kleermaker niet. Wij hebben een hart hier binnen, een warm, levend, roekeloos, schaamteloos hart, even bereid buitensporige dingen te doen, als een der arme naaistertjes, waaraan Eomney zijn zuchten en krachten wijdt. De liefde valt, met andere kwalen, niet anders ons, dan de massa op het lijf. Wij verschalken haar niet met onze geestigheden , wij snellen haar in onze equipages niet voorbij. De mijne hield stand, tegen alle middelen in. Ik speelde al mijn kaarten uit, behalve Eomney Leigh; mijn Duitsch bleef bij

-ocr page 88-

(luitsch Wertherisme steken, van myn Parysche tochten naar de Champs Elyseés kwam ik, bleek als een geest en zuchtend als Dido, terug. Ongenezen kwam ik thuis, veeleer zelve overtuigd, dat ik verliefd was... verliefd! Dat klinkt grof niet waar; dat riekt naar knoflook!quot;

Ik antwoordde op koelen toon:

„Verontschuldig u over atheïsme, niet over liefde. Ik voor mij geloof in Liefde en in God. Ik ken myn neef; Lady Wal-demar ken ik niet, maar dit durf ik zeggen: Wie Eomney Leigh bemint, verontschuldige zich niet, maar reinige zich, opdat zij dezen man niet zulk een onwaardige liefde wyde, dat zich te bukken om haar aan te nemen, hem onmogelyk zou zijn.quot;

„Dat is streng gesproken, zooals het eener jeugdige pro-fetesse betaamt, die de wenkbrauwen boven de mooie oogen fronst, opdat deze der blanke duiven vlucht niet volgen, langs de zuilenrij des tempels heen. Lieve, wees niet zoo hard voor my, laten wij vriendinnen zijn. Ik ben slechts een vrouw, te zwakker misschien, doordat ik zoo trotsch ben. Gij zijt beter dan ik en hij.. . hij is de beste. Waarlgk, hij bouwt zyn goedheid zoo hemelhoog op, dat zij topzwaar wordt, naar de andere zijde neervalt en tot een soort van slechtheid wordt. Ziedaar het ergste, wat ik tegen het beste van uw neef heb in te brengen. Wees dan ook toegevend, voor mijne slechtheid. Aurora, zoo niet om mij, dan om hem.quot;

„Ik erken niet te kunnen gelooven, dat deze bekentenissen hem of u kunnen baten.quot;

„En ik, dat ik zijner niet waardig ben, welke ook de liefde zij, die ik hem wijde. Welnu laat het zijn; naar uwe opvatting ben ik het zeker niet. Toch zou ik hem redden, indien ik hem huwde. Dit moet ge ook niet voorbijzien.quot;

„Niet voorbijzien, niet voorbijzien ? wat hebben wij over het leven van mijn neef den rechter te spelen en te beoor-deelen wat wel en wat niet mag worden voorbijgezien? Hij weet wat zijner waardig is; de keus staat aan hem en wat of wie hij kieze, hetzij daad of vrouw, ik zal het zyner niet onwaardig noemen.quot;

„Dat is ietwat ondoordacht gesproken,quot; zeide zij langzaam.

-ocr page 89-

„Kom, laten wij verstandig redeneeren, al spreken wij over liefde. Uw neef Romney Leigh is een monster.— Daar, ik heb liet gezegd; laat het mij bewijzen ook. Nemen wij een der heerlijkste antieken, de Grenius van het Vaticaan bijv. (te volmaakt schoon zou men zeggen om zich zeiven in deze onvolmaakte, wereld te kunnen dulden) en laten wy dien, in stee van Buonarroti\'s masker, op het torso van den dansenden Faun plaatsen, die zeker mank zou gaan als hij niet danste. Welnu, ziedaar een soort van monster zoo als Romney te aanschouwen geeft. Goddelijke deugden en heldenzin verbonden aan kreupele mogelijkheden der mismaakte men-schelyke natuur. De man moge tweemaal een God, tweemaal een held zijn, toch gaat hij mank en ziedaar my aan het punt in kwestie aangeland.quot;

„Vergeef mij, Lady Waldemar, het punt in kwestie is juist het punt, waar wij niet schynen te komen.quot;

„Scherp, heleedigend als het zijn moet! Wel, ik houd van uquot; — zij greep mijne handen—„en nu mijne leeuwin, help Androkles, hoe hard gij ook brullen moogt. Voor mij zelve zou ik dit niet vragen, maar voor hem. Hij gaat zóó kreupel, dat hy zeker binnen een week in den afgrond valt; verlies ik hem, dan is hy verloren! Want is hy eenmaal gehuwd, hij, een Leigh, met een meisje van onzeker gedrag en maar al te zekere geboorte, gebrek lijdende in Londen tot hare ruwe handen blanker dan haar zeden zyn, dan zult zelfs gij zijn keus zyner onwaardig moeten noemen.quot;

„Gehuwd! Verloren! Hij, Romn\'ey?quot;

„Ha, ten laatste zijt gij getroffen. Plaats monsters in het volle licht en zy werpen monsterachtige schaduwen. Zy, die averechts denken, kunnen niet richtig handelen. Wie anders dan hij ? En wie anders dan gy zou er zich over verwonderen? Iedereen weet, dat hy krankzinnig is geweest van het oogenblik af, dat hy als aankomend man zoowel professoren als studenten tegen zich in het harnas joeg, door geleerdheid en genot gelijkelijk te minachten, door eeretitels van de hand te wijzen en toch eervol te zijn. Men zal u vertellen, dat hij het aantal schepen in den Ilias vergat, omdat hij zich te veel in Melbourne\'s armen- en Ashley\'s

-ocr page 90-

— 76 —

fabriekswetten verdiepte; dat hij de Aspasias, die wij allen durven roemen, voorbij zag voor vrouwen, die wij fatsoenlijke vrouwen zelfs niet noemen kunnen. Het kan zijn, dat hij in dit alles niet geheel en al ongeluk had. Mannen, die onmogelijke dwaasheden begaan, hebben dat nooit. De levende boer, die uw bier brouwt, is zeker voor het leven meer waard, dan een doode Cesar, die het spongat in een biervat vult. Zoo ook is goed te doen, zelfs aan boeren, voortreffelijk, voor wie een inkomen heeft als hy. Ik kan voor dit alles sympathie voelen. Maar hij ging hoe langer hoe verder; na zijn collegietijd handelde hij hoe langer hoe dwazer, zooals men, van een heuvel dalend, hoe langer hoe harder gaat loopen. Gij kent uw neef zeker door en door. Hy heeft zyn zwarte lokken doen vergrijzen, door ze met de zorgen van een half millioen menschen te bestrooien. Indien gij niet verhongert of zondigt, zijt gij niets in zyn oog. Betaal de inkomstenbelasting en breek er uw hart bij, het raakt hem ter nauwernood. Maar verval aan het armbestuur in een toestand om in het blok te worden gesloten en gij zult er Eomney vinden, om u als broeder, zuster, ja misschien met nog teederder naam welkom te heeten. Had ik kans by den heer Leigh, ik, die Lady Waldemar ben en nooit een misdaad heb gepleegd?quot;

„Grij spreekt te bitter om de letterlijke waarheid te spreken.quot;

„De waarheid is bitter. Deze man hier ziet altyd naar beneden. Zoo gij niet laag bij den grond leeft, is een geschilderd plafond boven uw hoofd verloren moeite en kunst. Wat my betreft, ik heb gedaan wat ik kon. Wij fatsoenlijke vrouwen zijn ietwat beperkt, maar toch heb ik mijn best gedaan. Wat liegen de mannen, als zij onze „sprekendequot; oogen roemen! Zij zijn blauw of bruin, anders niet en wij kunnen ze, als het pas geeft, een weinig ter neer slaan. Toch hebben de mijne meer gedaan, want ik las Fourier, Proudhon, Considerant, Louis Blanc en nog een aantal zyner socialisten half door en ware ik een grein minder verliefd geweest, ik zou my zelve door geeuwen genezen hebben. Nu ik dit niet was, kon ik, zoo vaak ik met hem redeneerde (en daartoe wist ik gelegenheden op te sporen) hen

-ocr page 91-

— 77 —

geschikt genoeg aanhalen, om hen, zelfs in de ooren van mannen met gezonder hersenen dan hg, niet onverstandig te doen klinken. Ik leerde zijn redevoeringen over de sociale quaestie, in het Lagerhuis en elders gehouden, uit het hoofd. Stapels brochures en verslagen over gevallen vrouwen en verbeterhuizen vonden naast Sue een plaats op myn tafel. Ik teekende op lijsten om de zon \'s nachts aan den hemel te houden en andere mogelijkheden meer. Ik deed alles —- behalve het onmogelyke: ik droeg geen japonnen door de Tien-urenbeweging verschaft. Daar was de grens voor mij — hij moest toch ergens zijn. Ondertusschen liet hy , onbewogen als de schildpad der Indiërs, die de aarde draagt, al dit rumoer boven op zijn rug rustig zyn gang gaan. Hij wilde mij niet afschrikken en ter zijde schuiven. Het was zoo kwaad niet, dat een vrouw van mijn stand een schemering van geweten toonde. Wat het hart betreft, dat ter wille van hem tot brandstof werd en tot voor zijn aangezicht opvlamde, hij warmde er ter nauwernood de voeten aan. Hij liet toe, dat mijn rijtuig hem in straat of park even staande hield en leunde op het portier, om mij het laatste nieuws van het Comité voor zakkenrollende zuigelingen mee te deelen.quot;

„Gij schertst, gij schertst.quot;

„Zooals de martelaar op de pijnbank, lieve. Vraag hem, nadat ik alles voor hem heb gedaan, welke de kleur is van mijn haar, hij weet het niet, of zegt „donkerquot;, op den gis. Vraag hem hoeveel ik op de laatste lijst heb ingeschreven, hij weet het op een cent. Is het om te dulden en dat voor mij — een vrouw?quot;

„Is er iets aan te verhelpen, gesteld dat ik een man ware ?quot;

„Ik weet het niet; dat zal moeten blijken. Maar vóór alles dit schandelijke huwelijk ...quot;

„Wat,quot; riep ik, „is er werkelijk een huwelijk?quot;

„Gisteren onderhield ik hem er ernstig over. „Mijnheer Leigh,quot; zeide ik, „hoe bedekter gij iets houdt, hoe meer beweging het maakt. De praatzieke stad bewaart slecht geheimen. Sedert verleden week ben ik in het uwe ingewijd. Die ontdekking is buiten myn schuld. Gij gevoelt toch wel.

-ocr page 92-

— 78 —

dat ik de vrouw van de wereld niet ben, waarvoor de wereld mij houdt. Grij hebt mij te voren niet teruggestooten, maar mij in uw edel werk, ons werk, laten deelen; wijs mijn hulp ook thans niet af, nu gij aan het moeilijkste, aan het verbindingspunt zijt gekomen, \'tls waar, zelfs ik kan ter nauwernood de noodzakelijkheid van zulk een huwelijk erkennen... trouwen waar gij niet, althans niet dan den stand bemint en uw naam in de goot werpen tot een redmiddel uit den brand voor volgende geslachten, \'t Is grootsch, een verheven voorbeeld, een ware genesis van het sociale tijdperk, dat wij intreden. Maar let wel, de nobele daad moet gerucht maken, of ze beantwoordt maar half aan haar doel. Laat haar rondbazuinen, verklaar haar, plaats haar in het volle licht, moffel haar niet weg onder uw winterjas, als ware zij een alledaagsch schandaaltje, als hadde, op zen best, een Leigh een mésalliance aangegaan, waarover hij zich tegenover een Howard schaamde.quot;—Ik drong nog verder aan. Hij zou, zeide ik, toch niet wenschen, dat zelfs zijn eigen verwanten, dat zelfs Aurora Leigh zijn daad minder als offer dan als gril beschouwde ? — Hij werd zoo bleek, lieve, toen ik dit zeide... zoo bleek... zelfs zijn lippen werden wit. Ik zag dat ik indruk had gemaakt. — „Kent gij mijn nicht Aurora?quot; vroeg hij. Ik zei „jaquot; en loog. (Maar, niet waar, wij kennen u allen door uwe boeken). Daarop bood ik hem aan tot u te gaan, u de zaak uiteen te zetten, de drijfveeren te verklaren en u met my naar St. Margaret\'s Court te nemen, om dit wonder, deze voermans-dochter, deze Marian Erie, (zij is niet mooi, zegt hij) te gaan zien. Aan haar met naaldenprikken bezaaiden vinger zal de band worden vastgehecht, die in Engeland stand aan stand gaat knoopen en nu zouden wy, gij en ik, door onze tegenwoordigheid aan het vreemdsoortig huwelijk zyn juiste plaats aanwyzen. Hij dankte my met een zucht, prevelde bij zich zeiven: „Zij zal het doen misschien; zy heeft een edel hartquot;, dankte mij nogmaals en beloofde tot mijn belooning zijn huwelyk nog een maand uit te stellen.quot;

„Uw bedoeling is my niet volkomen helder,quot; was mijn antwoord. ,.Gy wilt my naar mijn neefs verloofde leiden,

-ocr page 93-

om haar de hand te drukken, indien zij dit waard is en haar hand vast te houden, indien zij zwak mocht zijn, om daarmee myn instemming met zijn huwelijk te toonen. Welnu, dit zij zoo. Maar hoe dit moe plannen kan dienen en -wat die vreemde bekentenis uwer liefde hiermee te maken heeft, dat wil mij niet duidelijk worden.quot;

Zy fronste haar rusteloos voorhoofd. „Dan, Aurora, zy t gij, uw helderen dageraadsnaam ten spyt,\'dof en suf als een Londensche achtermiddag. Ik moest tijd winnen en dat deed ik; ik moest u winnen en dat deed ik evenzeer. Grij zult het meisje zien, in wier roekelooze oogen, die erfelyke paarl, de glorie van uw trotsch Leigh geslacht, zich dreigt te gaan oplossen. Op grond van waf gy zaagt en hoorde t, zult gij dan uw gevoelen uitspreken; op de u eigen schitterende wyze zult gy Romney bewyzen, dat hy de volksklasse en het nageslacht (spreekt gy van u of van my, dan bereikt gij niets) kwaad met dezen afschuwelyken echt zoude doen. Verstoor dien echt, ontwortel hem, misschien planten wij spoedig iets beters in zijn plaats. Wees my ter wille, Aurora. Veracht my niet, omdat ik gezegd heb, wat ik had moeten verzwy-gen. Ja, ik weet het, ik had moeten zwijgen. Ik heb even als anderen de yzeren wet, die der vrouw zedigheid gebiedt, tot heden door woord noch daad geschonden. Ik heb een week lang geweend, eer ik hier kwam.quot;

Zy was bleek, toen zy dit zeide. Haar stem trilde by de laatste woorden, hoe hooghartig ook uitgesproken. Het vurig ros steigerde in het gareel; het kromde den nek en slechts aan het schuim op het gebit werd men het onrustig by ten gewaar.

Daarop stond ik op. „Ik heb de liefde lief; de waarheid is niet reiner dan de liefde. Ik kan my een liefde denken zoo vurig, zoo allesbeheerschend, dat zij haar natuurlyken sluier van trotsche schaamte verteert en in reine naaktheid, kuisch als de Venus van Medicis, voor onze oogen staat. Maar een liefde, die haren sluier verteert, verteert elk masker ook en duldt de geringste onwaarheid niet. Hoe beminnen en liegen! Gra naar de opera, uw liefde is niet ongeneeslijk.quot;

-ocr page 94-

— 80 —

„Ik bemin en lieg?quot; sprak zij. „Gij beweert dat ik lieg?quot; Zij stampte met den spitsen voet op den grond en keek glimlachend naar de punt van haar schoen. Gij zijt onbedreven in het gebruik van geijkte beleefdheidsvormen, Miss Leigh. Het bosschage van den dichter is frisscher dan de straatwegen der groote wereld zijn. Vergeef mij, dat ik het stof, dat zelfs onze heggen bedekt, u wat onvoorziens in de oogen blies en u daarmee vertoornde. Misschien is dit huwelijk nog zoo kwaad niet in uw oog; in zijn onschuld niet ongeschikt, om stof tot een herderszang te leveren. Misschien zult gij in het contract, onder het kruisje der bruid, uwe handteekening zetten, onverschillig of Romney\'s keus al of niet zij gevallen op een vrouw, die haar naam kan schrijven, wanneer zij getuigenis van zijne liefde aflegt.quot;

„Van zijn liefde? AVie zegt u, dat er van liefde sprake is, waar liomney een vrouw noodig heeft? Hij neemt een paard om het te laten werken, niet om het lief te hebben, denk ik. Ook voor een vrouw is er werk en later stroo, als de mannen goedgunstig zijn. Wat mij betreft, gij dwaalt, als gij meent, dat het in mijne macht zou staan dit huwelijk tegen te houden. Ik zou het niet kunnen, al kon ik er Eomney\'s leven door redden ; ik zou het niet willen, al hing er het mijne aan.quot;

„Denkt gij er zoo over?quot; sprak zij, „welnu dan, vaarwel. Schrijf in vrede uwe boeken, misschien wel door zekeren geheimen prikkel gedreven, die mij nu duidelijk wordt. Want dat ik, hier komende mij in den weg vergiste, het is mij thans maar al te klaar.quot; Daarop raakte zij even mijn hand aan, boog tot afscheid en dreef heen, als een donderwolk op een zomerdag.

Ik haalde diep adem, vrij en toch nog door een looden last gedrukt. Deze vrouw breekt met de sociale wetten, waaronder zij leeft, ter wille van wat zij liefde noemt — de eenige, waartoe eene, als zij, in staat is. Maar leliën blijven leliën, al wordt hare blankheid ook door morsige handen bevlekt. Zou zij in hare soort niet beter zijn dan Romney, die naar een geteekend plan leeft en door elke vrye opwelling van zijn eigen individueele leven met een algemeene

-ocr page 95-

— 81 —

formule een streep heeft gehaald ? Alsof de mensch, hoog boven den medemensch verheven, Grods rekening had op te maken en bij raillioenen te gelyk moest voelen! Hoe, indien zelfs God hoofdzakelijk God ware, omdat hij zijn eigen leven leeft, het individualisme van het oneindige, eeuwig, alles doordringend, alles omvattend? Hoe, indien hij de tallooze wereldbollen, als vlokken vonkelend schuim in het rond strooide, enkel om aan den drang zijner eigen innerlijke natuur te gehoorzamen; indien het geschapen liefdewerk slechts bewijs en uitvloeisel van ingeschapen leven ware? Zoo leef dan ook gij, Aurora!

Twee uur later stond ik alleen, dicht gesluierd in St. Margaret\'s Court. Een ziekelijk, huiverend kind, dat met een oude koperen knoop in de magere handjes op een plekje waar wat zon scheen zat te spelen, riep mij in het voorbijgaan een schimpwoord toe. Een vrouw met blanketsel op de hoekige kaken en een gemeenen trek om den mond, zat, een gescheurde halsdoek, waarop dunne lokken zwierden, om de schouders, aan een open venster, beurtelings naar buiten en naar binnen te vloeken; nu tegen de eene of andere bedlegerige stumper, dan tegen my, die over het hobbelige plaveisel mijn weg zocht.— „Lig toch stil moeder, als de dooie hond, dien je morgen wezen zult. — Wel mooie dame, weet je niet waar je loopen zult met die vervloekte kleine voeten? Wel zeker, wij stoppen ons gezicht weg, alsof het onze beurs ware! Wat moet je hier? Kom je dien heer opsporen, die zijn tamme duifje in de hanebalken bezoekt? Kryg onze cholera met a! zen krampen en stuipen en laat die je mooie kleeren en de voile er bij bederven, en je blanke vel blauw als een lijk maken.quot;-—Ik zag naar boven; ik zou dien dag, geloof ik, zonder beven door de hel zijn gegaan. „Moge Christus zich uwer erbarmen,quot; zeide ik, „gij moet wel diep rampzalig wezen, dat ge zoo wreed kant zyn.quot; Daarop schudde ik myn beurs op de steenen uit. Toen de laatste droppel van dien tooverdrank neerviel, ging de geheele steeg aan het koken en borrelen, kwamen de bewoners uit alle deuren en gaten tierend, scheldend, vechtend misschien naar buiten tuimelen. Ik stapte snel, zonder omzien voort, stootte een kleine deur,

6

-ocr page 96-

— 82 —

•lie op één hengsel hing, open, trad liet duister in en klom tastend een langen, steilen, smallen trap op tusschen een gebroken leuning en een vochtigen muur, waarvan het pleister losliet en tot mijn schrik in het donker op mij neerviel. Ik klom al hooger en hooger! Zoo hoog leefde Eomney\'s bruid. Eindelijk hield ik stil voor een lage deur onder het dak en klopte aan. Ik hoorde een stem als het kirren van een duif. —-„Zoo vroeg, kan dat reeds mijnheer Leigh zyn, zoo vroeg?quot; — Ik trad binnen; een onvergeetlijk gelaat ontmoette het mijne op den drempel. „O zyt gij het niet?quot; het dalen van de stem zeide maar al te duidelijk: „Indien gij het niet zijt, dan is het niemand voor mij.quot; Ik zag haar in de oogen, greep hare handen en sprak: „Ik ben zyn nicht — liomney Leigh\'s nicht en ik kom hier om ook my n nicht te zien.quot; Met haar gelaat en haar stem won zij mijn hart in een oogwenk, deze dochter des volks. Ontspruiten zulke bloemen aan zulke grove wortels ? Het volk daar beneden doet zoo laag, vloekt zoo hard, ziet en ruikt zoo vuil. .. en heeft het toch zulke dochters ? Een schoonheid was zij niet, deze Marian Erie. Haar tint was blank noch bruin, maar leek nu het een dan het ander, zooals de nevel, al naar lüj meer of minder door de zon wordt beschenen. Ook hare weelderige krullen waren tusschen blond en bruin in; de kleur viel niet te bepalen. Te veel haar misschien voor een hoofd zoo klein als het hare, dat telkens naar de eene of de andere zijde overhelde, als een roos in vollen bloei, die door haar eigen zwaarte op den stengel wiegelt, ook zonder dat een windje zucht. Ook het kuiltje in de koon had beter gestaan bij voller, blozender wangen en de mond was wat groot, hoewel de kleine, melkwitte tanden er een lachenden, kinderlyken trek aan gaven. Want een glimlach zag ik spoedig; de oogen lachten mede, maar als konden zy hun tranen nog niet vergeten en als wisten zy, dat zy eens van nieuws af aan zouden weenen.

Wij praatten samen. Zij deelde mij hare levensloop mede, dien ik hier verhaal, zooals ik haar later van haar zelve en van anderen meer volledig en in alle kleuren te weten kwam.

Marian Erie was aan de oostelyke helling van Malvern Hill geboren in een hut van klei en plaggen, die hare

-ocr page 97-

— 83 —

ouders, opdat zij aan \'s landheers oog mocht ontgaan, \'s nachts in alle stilte hadden opgetrokken. Want zag hy haar, dan werd zij in een oogwenk met den grond gelijk gemaakt, omgewoeld met den voet, als elke andere mierenhoop. Geboren, zeg ik. Grod zond haar in deze wereld naar behooren toegerust, een volledig getuigenis barer menschelijkheid met zich voerend: niet misdeeld van ziel, niet mismaakt van lichaam. Toch moest men met list een plaatsje voor haar bemachtigen, om in te kryten, want er was geen plaats voor haar naar der mannen wet. \'tWas buiten de wet geboren, het arme wicht. Onder hevige smarten den schokkenden moederschoot uitgeworpen, was haar eerste kreet in onzen vreemden, drukkenden dampkring een overtreding van het wetboek der maatschappij, een euveldaad hoe gedwongen ook. Wat had het schaap daar te kryten?

Ik verhaal haar geschiedenis op hartstochtelijken toon, maar zij, Marian, gebruikte veel zachter woorden. Zy maakte geen ophef van haar ongeluk. „Mijnheer Leigh zegt terecht, dat dit alles veranderen moet. Dat zal het in den hemel, ja, maar inmiddels zal op aarde wel niemand, behalve hy, een brandnetel met een anjelier gelyk stellen. Velen van ons zyn brandnetels en geven reeds aanstoot door te ontluiken. Verlaten wij den vochtigen kant van den muur, dan weet de schoffel ons te vinden.quot; Haar vader verdiende den kost met allerlei werk, dat door arbeiders van geregelder leven van de hand werd gewezen. Hij hoedde de varkens in de gemeenteweide, plukte hop, hielp den oogst binnen halen, als de regen tot haast drong, en stond nu en dan de drijvers uit Wales by, wanneer een drift paarden, door het ruwe weêr schichtig geworden, zich luid hinnikend rechts en links in den mist verstrooiden. ïusschen dat ongeregelde werk door dronk en sliep hij, zijn vrouw mishandelend, als zy by gebrek aan geld geen drank meer kon koopen. En dan — dan sloeg het arme schepsel met haar gebroken hart het kind op hare beurt. Er is geen schuld op aarde, die, eens in omloop gebracht, niet tegen schuld wordt ingewisseld. Mocht elk die zondigt hieraan gedachtig zyn.

Toch leefde en groeide het arme, verstoeten kind, dat

-ocr page 98-

— 84 —

zelfs by moeder geen moederlijk geduld vond. Het leerde reeds vroeg zacht schreien en alleen loopen met die aandoenlijke, wankelende beweging van het kleine lichaam op de onzekere kindervoetjes (men vindt de aarde al zoo ras on-vasten grond) die schier iedere vrouw, als door een onweerstaanbare aandrift gedreven, terstond de armen doet uitstrekken. Ter nauwernood drie jaar oud, liep het van de moeder gescheiden lam uit de kooi, sloop het kind weg van moeders stoel en door den gouden muur der bremstruiken kruipend, vond het hier of daar een opening, waardoor het den blauwen hemel ontdekte. Daar, in een verborgen hoekje neergehurkt, keek het en tuurde het omhoog. O, niet om de engelen bij hun spelen te bespieden — zij had nooit van engelen gehoord — maar om uit te zien, zij wist niet naar wat, zij wist niet waartoe. Het was een hongeren naar iets buiten deze dorre aarde, naar iets dat op vreugde geleek. jSTaar den hemel op te zien, tot het haar zwart voor de oogen werd, dat was een genot voor haar, zeide zij, want dan was het, alsof een machtige, blinde liefde nederdaalde en tastend naar haar zocht en haar met een kus in de armen sloot. Op die wgze leerde zij God kennen en kreeg er klappen voor als zij thuis kwam. Toch ging zij weer en nogmaals weer, zoo zeker als de gevangen haas, den strik ontloopen, tot zyn leger terugkeert. Deze machtige, blinde liefdequot;, zeide zij, deze vader en moeder in de lucht, leerde en ontwikkelde haar meer nog, dan de zondagschool later deed, waarheen zij door een dame werd gezonden, om er lezen te leeren en met andere kinderen op een lange bank te zitten. Wel, zij lachte daar soms, als zij de anderen zag lachen en schertsen en hen hun teksten hoorde aframmelen. Maar vaker maakte het rumoer haar bedroefd en vroeg zij zich zelve, of deze, kinderen wel hard door hun moeders werden geslagen, dat zij maar zoo altijd konden lachen. Er was een meisje, waarvan zij veel hield, Eose Bell, zeven jaar oud en zoo mooi en zoo knap! Zij was al aan het spellen toen zij, Marian, de letters nog leerde. Wat kon die lachen om niemendal! Zij lachte als men den vinger maar opstak en schudde dan haar krullen over haar gezichtje heen, opdat meester haar

-ocr page 99-

— 85 —

gekheid niet zien zou. En Rose\'s uitbundige vroolijkheid, mild als regen op meibloesems, vroolijkte Marian op; het maakte haar gelukkig eene, die zij liefhad, zoo vroolijk te zien. Eens, met de armen om elkanders hals geslagen, aan liet babbelen met elkaar, vroeg Marian fluisterend: „Zeg Rose, laat je moeder je maar altijd zoo lachen?quot; „Jaquot;, zei Rose, „dat doet zij. Zes jaar geleden werd zij begraven in den grond toen ik pas één jaar oud was. Zulke moeders laten ons spelen en pret hebben en knorren en slaan nooit. Wou je niet, dat je ook zulk een moeder hadt?quot; — Terwijl Marian my dit vertelde, hield zij plotseling op en zag my in het gelaat — „Arme Rose,quot; zeide zij, „gisteren avond hoorde ik haar lach in Oxford Street. Ik had mijn halve leven willen geven, om aan dien lach een einde te maken. Arme Róse, arme Rose.quot;

Zij ging voort:

Het deed haar zeer in de zondagschool te hooren, wie God was en wat Hij van ons eischte en hoe wij, het kwade doende, Christus bedroefden, en dan thuis te komen en zich door haar vader den heiligen naam donderend naar het hoofd te hooren slingeren en te zien hoe hij zijn ziel door den drank verduisterde en verstompte. Vader — Moeder—thuis \'t was voor haar het tegenovergestelde van Grod en hemel. Hoe meer zij het goede leerde kennen, hoe meer zij van het kwade, dat zij zag, begreep. De verdorvenheid harer ouders te verstaan, dat was de prijs, dien zij voor hare kennis betaalde. Van dien dag af, ging elke slag, door hen der deugd toegebracht, door haar arm, gepijnigd kinderhart heen. O het is hard, een vader in den hemel te leeren kennen, door het telkens klaarder besef, dat men op aarde meer dan weeze is. Te zwaar een leed voorwaar, Grod voor zulk een vreugd te moeten danken.

Zoo ging Marian\'s leven jaar op jaar voorbij. Hare ouders namen haar mede, wanneer zij als landloopers aan het zwerven gingen, de groote wegen en open vlakten vermijdend, steden en jaarmarkten bezoekend. Eens gingen zij verder dan gewoonlijk en zagen zij Manchester; en eens de zee, die blauwe wereldgrens, die heerlijke laatste bladzijde van een

-ocr page 100-

— 86 —

onwaardig boek; — twee maal de gevangenis -— en dan nu en dan weer terug naar hun heuvels. Heuvels trekken als de hemel, ja sterker soms; zij strekken de handen uit, om unit de laagte op te heffen. En al mocht het dan zijn, dat deze zwervers slechts als schapen instinctmatig den ouden, welbekenden weg weer insloegen, toch voelden zij, uit het vuil der steden komend, gewis onbewust, dat het hun goed deed zich door het grastapeet hunner bergen het slijk van de voeten te laten wisschen. Op deze tochten leefde en leerde en leed en leerde Marian. Onderweg vroeg deze en gene haar bij wijlen, waarom hare oogen grooter dan hare wangen werden en of zij de vogels in haar lokken wilde laten nestelen; en dan werd zij voor een mijl of twee door den molenaar op zijn kar, of door den slachter op zijn paard getild. Vaak ook hield de marskramer haar staande, tikte haar op het hoofd met zyn bruinen, met ringen bedekten voorvinger en vroeg hf.ar of zij misschien lezen kon. Zeide zij „jaquot; dan wierp hij haar uit zyn pak een of ander daarin verdwaald, loshangend boekdeeltje toe — Thomson\'s „Jaargetijdenquot; bijv. beroofd van de Lente, of een halve tragedie van Shakespeare, dwars doorgescheurd , zoodat zij menigmaal naar de bovenste helft van het blad de onderste moest raden ; een taak , al even licht ongeveer, als, op de maan gezeten, te raden wat de aarde is. Ook kreeg zij wel eens een handvol losse bladen, midden uit een boek gescheurd, een dun schoofje aren voor deze kleine Ruth; fragmenten van het „Verloren Paradesquot; of der „Kerkhof-elegiënquot;, of uit Burns, Bunyan, Selkirk, of Tom Jones. Het viel niet altijd gernakkelyk de zaken helder uit elkander te houden en menigmaal oefenden de wanklanken, die zij opving , hun storenden invloed op haar uit, alsof zy, door het venster van een kroeg, de zon in stille majesteit zag ondergaan, terwijl vloeken en scheldwoorden achter haar klonken. Maar zy wiedde vlijtig in haar boekenveld en wierp de schadelijke bladen weg, na ze eerst zoo tot snippers te hebben gescheurd, dat er geen woord meer van te lezen viel. Van het schoone en goede dat haar restte, maakte zij een ruiker, dien zij by zich stak en waarmee zij zich nu en dan verkwikte, als zy, in het heete middaguur, haar mantel

-ocr page 101-

— 87 —

moclit loshaken en op een bestoven bank aan den weg een wijle moclit rusten van het zwoegen door zand en stof. Ook werd zij een enkele maal, aan het einde der reis in de stad aangeland, door een vriendenhand naar een of andere volksvoordracht geleid. Op deze wyze had onze Marian — geen boeken-geleerdheid opgedaan, o neen; zij kende geen schrijvers; wat boven de hoofden der menigte uit den mond van hen, die niet tot de menigte behooren, weerklinkt, kon haar oor niet bereiken — den zangerigen nagalm alleen ving zij op. Enkele losse gezegden, enkele heerlijke tonen werden op den adem des winds tot haar voortgedragen en haar als gevleugelde zaden in de ziel gestrooid, om daar een nieuw leven te wekken, dat zich in woord en blik naar buiten ging openbaren.

Van dit alles getuigende, zeide ziy. „Wanneer u nu en dan een bloem uit den hemel wordt toegeworpen, maakt gij u van lieverlede omhoog zien tot gewoontequot; — en zoo was het haar ook gegaan. Zij telde mij hare jaren voor, tot ik my zelve oud begon te voelen; zij telde my hare schamele genoegens op, tot ik mij voor de mijne schaamde. Bij tijd en wijle had zij zich kalm en gelukkig gevoeld, als zy rustig kon zitten naaien zonder iemand om zich heen, om haar heldere gedachten te verstoren en zij, wiegelend op het maatgeluid harer lievelingszangen, zich als omweven voelde van tonen en klanken, die haar aan zich zelve en aan den tyd en de werkelijkheid ontvoerden. Hare ouders noemden haar een vreemd, ziekelijk, tamelijk onbruikbaar kind, dat maar pruilde en staarde, boomen en wolken toelachte en beefde als een blad zoo vaak men haar met een woord of een klap uit hare droomen riep. Ruw werk buitenshuis ging haar niet goed af, en rustig huiswerk verrichten bracht haar leven niet mee. Waren zy in het Noorden gebleven, hare ouders zouden — evenals zoovele andere — als fabriekskind voordeel van haar getrokken hebben, (want kinderen werken voor de ouders — niet omgekeerd; anders mocht hun eerste ademtocht wel tevens hun laatste zyn) maar wat viel er bij hun zwervend leven met zulk een kind aan te vangen; wat anders dan haar mee en nogmaals mee te laten zwerven?

-ocr page 102-

— 88 —

Toch breide zij niet kwaad en kon goed met de naald terecht en al liet landvolk liet haar stuivers verdienen voor liet stoppen van kousen, nauwelijks het stoppen meerwaard, en het verstellen van allerlei oud goed, dat, ten gerieve van zuinige huismoeders, als nieuw uit hare handen te voor-tchyn kwam.

Eens, vervolgde Marian, — het was een zonnige dag — had haar moeder weer zoo geducht slaag gehad, dat het haar gewis zeer deed in hare rampzalige ziel. Zij kwam althans ademloos en als in woede binnenstuiven, rukte aan de kam, die het haar barer dochter bijeenhield, zoodat dit als een waterval naar beneden viel en trok haar aldus bij den arm, tot buiten de hut waar zij woonden, weerloos met zich voort. Toen het kind den stroom van haren, die haar oogen bedekte, naar achteren had geschud, zag zij een man vóór zich, met oogen zoo dierlijk, alsof deze haar met lichaam en ziel, met haar en al wilden verslinden, terwijl zij zijn heeten adem op haar wangen voelde, toen dat afschuwelyke gelaat vlak bij het hare kwam. Haar moeder hield haar styf vast en prevelde ruw tusschen de tanden: „Wel meid, wel meid, onze landheer spreekt tegen je; hij is waarlijk al te goed; hij wil een dame van je maken en ons helpen ook.— Kom, wees ten minste beleefd.quot; — Het kind zag met een jammer-vollen blik de moeder in het gelaat geen duivel zal dier moeder den doodstrijd banger kunnen maken dan die blik — „Moederquot;! kreet zij en daarop de oogen vol vertwijfeling naar den hemel: „O trod, verlos mij van mijn moeder! Zij zyn zoo verschrikkelijk die moeders!quot; Toen, met de woeste kracht door den angst haar geschonken zich uit beider ijzeren greep losrukkend, rende zij met alle macht den heuvel af, yer, ver weg van beiden, zoover als God, als het zijn kon! Zij zetten haar na, als hongerige honden het wild. Zij hoorde hen schreeuwen, zij hoorde haar naam, als de schoten van een geweer, haar over de heuvels achtervolgen... Voort voort... Het hoogland over... voort.. . Zij hoort geen stemmen meer... De doodsangst geeft vleugelen aan haar voeten, de wegen kronkelen samen, de velden verzwinden, de boo men deinzen af om ruim baan voor haar te maken... Het wordt

-ocr page 103-

— 89 —

zoo wonderlijk in haar hoofd .. . boomen en velden keeren zich om en rennen haar na. Zij hoort de heuvels achter haar hygen en jagen, de lucht prikkelt haar in den hals. . . zij heeft geen voeten meer, zij kan niet meer loopen .. toch vliegt zij voort; de gloeiende horizont daar ginds in het oosten trekt haar naar zich toe . .. voort... terwijl het hart haar zwelt en zwelt, tot het haar gansche lichaam schijnt te vullen. Daarop barst het en vloeit weg over de aarde en dooft het zonlicht uit. — „En nu ben ik dood en veiligquot;, denkt Marian Erie, terwijl zij in onmacht neerzinkt.

Toen zij tot zich zelve kwam, was de nacht — niet haar levensnacht voorbij. Zij werd een zware, stootende beweging en het kraken van wielen gewaar. Zij hoorde de stem van den voerman zgn traag tweespan aansporen, welks rinkelende bellen haar als tegen het hoofd sloegen. Door de reten en den huif van den wagen heen, voelde zij hoe de wreede, gele dageraad haar, die daar half dood, half levend op het stroo lag, in het aangezicht staarde en het was, alsof haar ziel by die gewaarwording in het duister terug kromp en van geen nieuwen morgen meer wilde weten. Een vracht-r ij der had haar by het schijnsel der maan in een greppel gevonden, bleek als het maanlicht zelf, maar hier en daar met bloed bevlekt. Eerst dacht hy dat zij dood was, maar toen hij haar het bloed van den mond had gewischt en een zucht had opgevangen, had hij haar opgenomen en in zijn kar op stroo gelegd, haar voerend naar een afgelegen stad, waarheen zijn zaken hem riepen en waar hy zijn rampzalig vrachtje in een hospitaal achterliet.

Daar was zij wat meer tot zich zelve gekomen. Het was alles rondom haar nieuw en vreemd als de dood. Haar eigen smalle witte krib, met al die smalle, witte kribben in het rond, het leek haar een kerkhof, waar graf naast graf was gedolven. Eustige gedaanten gingen uit en in, spraken met wonderzachte stemmen, liepen met nauw hoorbaren tred, schynbaar aan ieder gelijke zorg wydend. Het was alles orde, stilte, regel om haar heen en als een zachte hand haar drinken bood, nam zy het aan met dankbaar ontzag, zooals men den beker aan het heilig avondmaal aanneemt. Zy kende geen liefde

-ocr page 104-

— 90 —

genoeg, om zelfs maar den uitwendigen vorm van liefde en vriendelijke manieren te kennen. Frissche dranken, lijn wittebrood, waarop zij hier en daar een stervenden blik zag rusten — mijn Grod, wat moet een mensch ellendig zijn, eer hij van den evenmensch goedheid en rechtvaardigheid ondervindt. Mij dunkt het moet de heiligen in den hemel vertoornen, dat zoo menig verlaten schepsel op aarde, even als Marian, eerst in het hospitaal een rechtmatig deel menschlievendheid en een weinig maatschappelijk welzijn vindt.

Zij lag daar, verdoofd, half bewusteloos, in heldere oogen-blikken nog zieker wenschende te zijn, als ziekte de wereld zoo verwonderlijk goed, alles rondom haar zoo stil en haar waken even rustig als haar slapen kon maken. Nu toch begreep zij, dat ziekte menigmaal in den hemel en in onuitsprekelijke zaligheid eindigde — nog zieker om nog zekerder gelukkig te zijn. En dan sloot zij de oogen en vouwde de handen, zooals bloemen zich in het avonduur sluiten en trachtte geen enkel oogenblik van dien gezegenden tijd te doen verloren gaan.

Weken lang lag zij in eene brandende koorts, maar de veerkracht der jeugd bestond de proef; ziel en lichaam sloten vrede met elkaar en werden tot het leven en zijn eischen teruggebracht. Zij kon een weinig door de lange, kale zalen op en neer gaan en droomerig naar buiten staren, toen eene, die haar als vriendin had verpleegd, koel en onverschillig als een vreemde tot haar zeide, dat zy nu zij wel genoeg was (haar hart alleen deed nog pijn) en de volgende week mocht heen gaan. „De volgende week heengaan!quot; dacht zij. ,.de volgende week!quot; Wat moest zij beginnen, alleen daar buiten op die vreeselijke straat, tusschen al die elkander verdringende menschen ! heengaan ... waar moest zij heen ?...

Den laatsten dag vóór dien gevreesden allerlaatsten zat zij zwijgend te midden der herstellenden, die even als zy den volgenden morgen zouden vertrekken. Zonder te luisteren , hoorde zij het praten der vrouwen onder elkander. Eene smachtte naar haar jongste — „de kleine deugniet zou haar kennen; pas één jaar oud en levendig als zijn vader!quot; Een tweede was vol ongeduld om weer aan het werk te gaan,

-ocr page 105-

— 91 —

ten einde een paar hongerige magen te vullen. Een andere had met haar besten man te doen, die haar bedroefd zou hebben gemist en nog een andere zei snibbig, dat zij haar buren wel krijgen zou, die haar al voor dood hadden verklaard. Nog eene was hooghartig en als haar vrijer haar ^ voor een blozender gezichtje had in den steek gelaten, (zij

zou wel dadelijk zien of het praatje waar was), dan zou zij er zich geen zier om bekreunen. Hij mocht rondloopen; \'t was maar goed ziek te zgn geweest, om van hem af te komen.

En terwijl zij aldus aan het praten waren en Marian al het gemis voelde van niets te hebben gemist, werd een vreemdeling de ziekenzalen rondgeleid, die daarna bij de babbelende vrouwen stilhield. „Als hij rondzag was het, alsof hij sprak en als hij sprak, zong hij misschienquot;, zeide Marian; zij wist het niet, zij wist alleen — zooveel was tot haar besef gekomen — dat hij, die daar stond en sprak, Romney Leigh heette en dat zij hem daar en toen voor de eerste maal zag. En toen de beurt aan haar was, om zijn aangezicht te ontmoeten, nadat al die bewegelijke, bleeke lippen met troost waren gelaafd, toen hij zich tot Marian wendde: „En gij, waar gaat gij henen?quot; kromp zij samen als een worm voor het daglicht, wanneer de steen, waaronder hij roerloos wegschuilt, door een voorbijganger ter zijde wordt geschopt. In snikken losbarstende kreet zij: „Waar ik heen ga? Niemand heeft het mij gevraagd. Kan ik zeggen, waar ik heen ga, als zelfs God, die om iedereen denkt, het dei-moeite niet waard acht, aan mij te denken en te beslissen, waar ik heen zal gaan?quot;

„Zoo jong reedsquot;, vroeg hij op zachten toon, „hebt gij vader en moeder verloren?quot;

„Beidenquot;, was haar antwoord. „Myn vader verdronk zich • in jenever en is dus verloren. Myn moeder verkocht mij een

maand geleden aan een man —■ en is dus evenzeer verloren, dat spreekt. En ik, die haar mylen en mijlen ver ontvlood, alsof ik een blik in de hel had geworpen — zij was mijn moeder, mijnheer — ik zal weldra ook verloren zyn en dan is het met ons gedaan, ons alle drie gedaan.quot;

„Arm kindquot;, sprak hij met zooveel deernis in zijn stem.

-ocr page 106-

— 92 —

dat het haar nog meer tot rust bracht dan haar eigen tranen, „arm kind, geen wonder, dat gij aldus door uwe moeder bejegend, ook aan God vertwyfelt. Maar weet, God zorgt beter voor ons dan menige moeder en geen kind kan uit zijn oog verdwalen. Houd u aan hem vast en weent ge, ween als Johannes, de discipel dien de Heer liefhad, aan Jezus\'borst.quot;

Zij kon de woorden herhalen, zeide zy, juist zooals hij ze een jaar geleden had uitgesproken, want in elke bange ure waren ze voor haar verrezen, als starren in het duister, om haar te troosten met hun licht. Het waren misschien gewone woorden, dezelfde die de leeraren in de kerk gebruiken, maar //y — hij maakte zelf de kerk met wat hij sprak — daarin lag het verschil en dat maakte het wonder uit.

En toen met een verrukkelijken glimlach: „Ik herhaal zijue woordenquot;, zeide zij snel, „maar niet zijn toon. Kan men de tonen van een orgel buiten de kerk weergeven? En toen hij zeide „arm kindquot; sloot ik de oogen, om al de teederheid van die zachte stem op my te voelen nedervlieten, als de kostbare nardus uit de vaas, die op de heilige voeten werd uitgestort.quot;

Zij verhaalde my verder, hoe hij haar had opgeheven en bevrijd met eerbiedig erbarmen, alsof hij in haar leed de wonden van Christus aanraakte en hoe hy haar daardoor in eigen oog had opgericht. Hoop, noemde hy, geloof in God, arbeiden, aanbidden — daarom moesten wij arbeiden. En om aldus haar ziel tot God terug te voeren en haar voor hare moeder te beveiligen, had hy haar naar een bekende modiste in Londen gezonden , om hoopvol aan het werk te gaan.

Daarop waren zij gescheiden. Zij verloor niet den hemel, maar wel Romney uit het oog. Hij had goed aan anderen te doen. Dagen en nachten naaide zij en naaide. Soms ontzonk haar de kracht en als zij in het vale licht weder en alweder een nieuwen draad in den naald stak, verwonderde zij zich er wel eens over, hoe men het stadsleven kon verkiezen, als men geen moeder op de heuvels had. Dan, den draad op en neder halend, dacht zy hoe Romney\'s gelaat er op dat oogenblik zou uitzien en of hij haar herkennen zou, als zij elkander in de eeuwigheid ontmoetten.

-ocr page 107-

T

1

VIERDE HOOFDSTUK.

4

Zij ontmoetten elkander reeds vroeger. Het was een jaar daarna, dat Lucy Gresham, het zieke naaistertje, dat stil en vlijtig naast Marian zat te naaien en met haar hoofd tegen Marian\'s stoel leunde, om beter te kunnen uithoesten, zoodra de juffrouw een oogenblik afwezig was en de anderen vrijelijk uitlachten, eindelek in het geheel niet meer voort kon. „Hebt gij het nieuwtje gehoord?quot; vroeg een der naaimeisjes, een gezonde deerne met zwarte wenkbrauwen en roode lippen. „Baad eens, wie op sterven ligt? Onze Lucy Gresham. Ik had het evenmin verwacht, als ik de bruiloft van Nell Hard verwacht. Krijg maar geen kleur, Nell; uw krullen zgn rood genoeg zonder dat en de dag zal komen, dat deze of gene verzot op roode krullen zal zyn. Lucy Gresham is gisteren avond op straat flauw gevallen en de bakker, die haar opnam en haar naast haar grootmoeder in bed lei, zegt dat hij haar geen week meer geeft. -— Eeik de zijde eens aan. — \'t Is te hopen, dat hij er een brood heeft naast gelegd, anders sterven zij van honger nog vóór hun dood, dat wonderlijke paar bedgenooten. Miss Bell, leen mij even iiw schaar, wilt ge? — De oude vrouw is lam; daarom ging Lucy\'s draad nog sneller dan haar borst op en neer en die ging veel te snel, dat weten wij. Marian Erie — wel

-ocr page 108-

— 94 —

kind, gij zijt toch niet dwaas genoeg om te schreien? uwe tranen zullen Lady Waldemar\'s nieuwe kleed bederven, teerhartige ziel!quot;

Marian stond op, liet hen praten en naaien en verliet tot hun verbazing het huis, om Lucy te gaan verplegen tot aan haar beterschap, of haar dood. Zij wist, dat zij door die daad haar betrekking voor altijd verloor. De modiste (\'t was geen ongevoeligheid) zou zich gedwongen zien haar aanstonds te doen vervangen. Maar ook het medelijden heeft verplichtingen. Zy kon een eenzame ziel niet in het duister laten te gronde gaan, terwijl zij rustig aan een dameskleed zat te stikken, alsof er op dat oogenblik geen dringender werk viel te verrichten. „Wel, dacht Marian, ook God heeft op het oogenblik een ledige plaats, die noodzakelijk vervuld moet worden. Lucy heeft drinken noodig misschien. Laat anderen mij missen, maar God nooit.quot;

Zoo zat zij by Lucy\'s bed, tevreden haar plicht betrachtend , zich sterk en beloond gevoelende, als zij den fakkel der menschlievendheid in de hoogte mocht houden en daarmee troost en verkwikking op die stervende oogen mocht doen dalen, totdat aan de andere, de lichtzyde van den dood, de engelen met den hunne gereed waren. Het was haar, zeide zij, soms wonderlyk te moede, als Lucy haar dankte en haar „zoo goedquot; noemde. Zy, Marian Erie, goed genoemd; zy, die geslagen en verkocht niet eens sterven kon! \'t Is waarlijk een geluk, om goed te kunnen zyn! „O gyquot;, zeide zy, „door uwe geboorte tot dat voorrecht geroepen, beklaag den arme, die zich reeds meer dan gelukkig acht, wanneer anderen louter maar goed voor Aem zijn.quot;

Nadat Lucy kalm, schier ongemerkt, als het licht dat wegsterft op de heuvelen, was ontslapen, trad er een man binnen en stond voor het bed. De oude simpele ziel riep met flauwe stem, als een kind, dat bang is gesmoord te worden: Zie mij toch niet aan voor het lijk, mynheer; kom mij niet begraven. Al lig ik hier, ik ben even levend als TJ, behalve myn armen en myn beenen. Ik eet en drink, en begrijp heel goed, dat TJ voor de begrafenis komt. God zy u genadig, mynheer, ik zou nog veel meer levend zyn, als

-ocr page 109-

— 95 —

Lucy — hier, Lucy is het lijk, mynheer — harder gewerkt had, om wijn voor my te koopen. Maar Lucy werkte nooit hard; ik zal niet veel aan haar verliezen. Spreek toch, Marian Erie, en wijs mijnheer het lijk.

Daarop klonk een stem: „Marian Eriequot; ■■■ Zij trad naar voren — het was de ure der goede geesten — daar stond de hare. Het verwonderde haar ter nauwernood Eomney Leigh te zien. Hij kwam ongeroepen, overal waar geleden werd, als Novembersneeuw in het verlaten nest, als het gras op de graven, het mos op den verweerden steen, de Julizon in de spleten der bouwvallen, als de engel der vertroosting tot wie in rouw is gedompeld, als de hemel zelf tot den mensch in stervensnood. „En zoo ontmoetten wij elkander op nieuw,quot; zei Marian, er fluisterend bijvoegend: „om niet weer te scheidenquot;.

Hij keurde niet af, dat zij de betrekking had verlaten, waarin hij haar had geplaatst. Wel, zij was bang geweest, dat hij er boos om zou zijn. Ook scheen hij goed te vinden, dat zij, nadat de doode was begraven, de half doode bleef verplegen. Men kon die rampzalige, bedlegerige stumper, bedorven naar lichaam en ziel, die voor het goed, dat men haar deed, slechts schimpwoorden overhad, zoo arm aan vreugde, dat zij zelfs God niet dankte, toch niet aan haar lot overlaten. Hij zeide wel niet, dat hij het goedkeurde, maar hij veroordeelde het niet, want hij kwam dag aan dag en met eiken dag voelde zy meer innigheid en teederheid in zyn blik en toon, totdat hij ten laatste tot haar zeide; „Wij zullen niet meer scheidenquot;.

Op dien dag was Marian\'s taak volbracht. Zij had het ledige bed in orde gebracht, het zaagsel der kist van den vloer geveegd, de stoel der grommende oude te recht gezet en stond nu met den sleutel der deur in de hand, gereed om heen te gaan als die beide — al was ook hun weg nog niet de hare.

„Marianquot;, sprak hij, „Grod heeft ons allen uit ééne klei gemaakt, al hebben de menschen er ook in gekneed en geknoeid, zooals kinderen met nat zand doen, en daarna hun maaksel tot feiten verheven; rangen, titels en privilegiën

-ocr page 110-

— 96 —

scheppend, waar niets dan klinkklare modder is. Ten laatste keeren wy toch allen tot de oude eenheid terug; de doodgraver is daar om het te bewijzen, als hij met zijn spade alles effent. Waarom zouden wij daarop wachten; gij, Marian en ik, Romney?quot;

Zij zag hem onzeker, vragend in het gelaat, zooals men, door de najaarsbuien heen, den hemel zoekt. Hy ging voort:

„Marian, al heeft het zwaard, dat het hart van Christus doorboorde, de wereld in tweeën gescheiden; klasse tegenover klasse, rijken tegenover armen gesteld, waarom zullen wij, ik van geboorte, wat men een edelman noemt, gij uit het edele volk gesproten, waarom zullen wij gescheiden blijven? Neen, laten wij samen gaan. samen werken, samen de roode lippen van deze gapende wond trachten te sluiten, zoover dit twee menschenzielen gegeven is; ja laten wij ons tot elkander buigen, ik van uit myn overvloed, gij van uit uw armoede; ons vereenigend in een protest tegen het onrecht, dat aan beide zijden bestaat.

Wat hg verder zeide, wist zij niet recht, want hij nam hare hand onder het spreken in de zgne en daardoor bonsde haar hart zoo hevig tegen zijn woorden in, dat hij ze even goed in het stof had kunnen schrijven, waarin een vogel, aan \'s haviks greep ontkomen, met trillende vlerken neder ligt. Daardoor werden de lynen uitgewischt, maar toch... het klonk ongeveer aldus:

Zij beiden, aan de twee uitersten op den maatschappelijken ladder geplaatst droegen één stempel; beiden waren tot zelfverloochening, tot menschlievend erbarmen gewijd en gedreven, hij door wat hij wist, zij door wat zij voelde; hij door zijn mannengeweten, zij door haar vrouwenhart geleid; beiden hun bevoorrechte positie, hij zijn weelderige vrijheid, zij haar eervollen handenarbeid prijs gevend, om met God liefdewerk te verrichten. En nu Grod gewild had, dat hij, deze arke aanrakend, een vrouwenhand ontmoette, zou hij dit teeken eerbiedigen, de teedere vingers omknellen en spreken: „Mijne medehelpster, wees mijne gade.quot;

Zy verhaalde mij dit alles in allen eenvoud; de glans en gloed in haar oogen vulden hare onvolledige zinnen aan. Wat

-ocr page 111-

— 97 —

ik schrijf, is wat ik begreep, niet wat ik hoorde. En wat mij niet mogelijk zou zijn weer te geven dat zijn hare gebaren, vurig, maar toch zacht, als opschrikkend uit hare gewone, half droevige, half kwynende wijze van spreken, zooals men in de stilte van het woud plotseling het geritsel hoort van een vcgel, het wegsnellen van een hert, of het roodbruine kopje van een eekhoorn — vrij natuurkind als zij — langs den donkeren eikestam ziet schieten. Het plechtig zwijgen in den groenen tempel wordt er slechts te dieper, te heiliger door. \'t Is of natuur voor een oogwenk een levensteeken geeft, om zich daarna op nieuw ter ruste te vlijen.

Ik kuste de lippen, die het spreken staakten. — „Dus heeft hij u lief, Marian?quot;

„Of hij mij lief heeft?quot; Zij zag op met den verwonderden blik van het kind, waaraan gij voor de eerste maal vraagt, wie de zon heeft gemaakt. Daarop volgde een verlegen blos, die in een zonnigen lach vol rustige zekerheid overging. „Of hij mij lief heeft? Wel, hy heeft iedereen lief, dus mij ook! Anders had hij mij voorzeker niet gevraagd, om voor altijd in zijn werk te deelen en zyn vrouw te worden.quot;

Hare woorden waren een verwijt voor mij. Dit was liefde misschien: de handen zóó vol van gaven te hebben, dat men geen hand kan uitstrekken om een gift aan te nemen; zoo vol van liefde te zyn, dat geliefd worden van zelf in dezen volmaakten liefdecirkel is begrepen, even als Eden\'s dauw omhoog rees en weer nederdaalde, voldoende om Eden te drenken. Blijkbaar had zy over zijne liefde niet nagedacht. De wateren van haar ziel hadden zich uitgestort en droegen nu een regenboog tot diadeem. Waartoe zich af te vragen, wie haar aldus had gekroond? Genoeg, dat zy een kroon mocht dragen. Met vrouwen van myn stand is het anders gesteld. Wij dingen by het inwisselen van ons goud; wij geven slechts zooveel liefde, voor zooveel liefde; wy eischen woekerwinst. Hebben wij ongelijk? Is het huwelyk een contract, dan zy strikte gelijkheid in rechten tnsschen de partyen de leuze. Is het niets dan een huldebewijs, een aanbidding aan ééne zyde, dan is recht tot geven aan die zijde

7

-ocr page 112-

— 98 —

het al en de wenscli van sommige Europeesche vrouwen, om even als de llindoesche weduwen den brandstapel te beklimmen, nog zoo dwaas niet. Welk een vreugde, welk een eer, de paarlen van bare liefelijke deugden by een te mogen voegen en met het welriekend offer van haar levenslente voor een levenden echtgenoot te doen verbranden! En daalde man levend, niet dood is, gaat de daad der Engelsche gade die der Hindoesche verre te boven.

Ik zat in gedachten verzonken, totdat zij zachtkens hare hand op de iuijuc legde, als ware deze een vreemde, witte vogel, die zij door de minste beweging kon verschrikken. „Gij zijt goed,quot; zeide zij, „maar voelt ge u ook soms gegriefd, dat uw neef my tot vrouw neemt? Ik ben het niet waardig; ik weet het — neen waarlijk niet —■ maar daar ben ik bly om, wijl hy juist daarom my kiest. Hij houdt het meest van wat arm en nederig is; daarom zou ik niet rijk willen zijn, al kon ik het wezen. Hij bukt zich gaarne om madeliefjes te plukken; daarom zou ik geen roos willen zijn; zelfs niet eene, waarvoor een vorstin zou blijven stilstaan en waarvan zij tegen een hoveling zou zeggen: „Pluk die roos voor mij, want ze is mooier dan de andere.quot; O Eomney Leigh! Ik zou liever door zijn voet worden vertreden, dan een koninginneborst versieren!quot;

Zy zweeg ademloos.

„Marian lief, verloochent gy de rozen met dat gelaat?quot; Zij boog het hoofd, alsof de wind die bloem op den stengel deed buigen, maar hief het terstond weer met rustigen ernst op.

„Gij vindt mij overmoedig misschien... wel, dat zyn we allen, als wij tot God bidden, en ben ik al overmoedig, geloot mij, Lady, ik die mij zelve maar al te goed ken, die my meer geschikt voel, om zyn dienstmaagd dan om zyn gade te zyn, ik zal dienstmaagd en gade tegelijk voor hem wezen, hem met teederheid dienen en met gehoorzaamheid liefhebben, ja misschien geschikter hulpe voor hem zijn, dan zij, die, in zijde en fluweel, zich te midden van haar geleerde boeken het hof laten maken. Ik zal in zijn oogen trachten ie lezen, tot ik daar meer van versta dan de wijste dames van het fransch. Meent gy dat ik een letter zal overslaan

-ocr page 113-

— 99 —

by het spellen van zijn geest? Niet meer dan zij, die met hare blinkende veeren pennen hare fladderende woorden neerschrijven, zonder een oogenblik na te denken — zij weten het te goed — of er een d of een t een y of een ei moet staan. Ik heb haar zien schrijven, als ik een japon thuis bracht en wachtte; ik heb hare zachte, blanke handen over het satijnen papier zien zweven. Maar met al hare zachte handen zijn zij hardvochtig by wijlen. Wij hebben menigen nacht opgezeten en daarna weer de laatste schemering van het gele daglicht in onze vermoeide oogen opgevangen, enkel en alleen om mooie dames nog wat mooier te maken. En dan heette het ten slotte, dat wy lui waren, dat de modiste, voor wie wij werkten, lang niet vlug was met het thuis bezorgen van het goed, dat men er bijna een uur op had gewacht. Vergeef my , mevrouw, ik veroordeel haar niet; zij zijn schoon en bevallig, maar niet zoo als gij; gy alleen hebt mijnheer Leigh\'s eigen bloed in de aderen, edel en liefderijk tegelyk — wel, wie dat niet heeft... Zij zyn schoon, zeg ik, zóó schoon, dat, waar haar uit iederen spiegel haar vorstelyk gelaat en schitterend blanken boezem tegenstralen, zij — hoe kan het anders — by dit heerlijk schouwspel vergeten om te zien en op te merken, hoe bleek wy geworden zijn, wij armzalig overschot van het menschdom. En daarom, had mynheer Leigh zich een vrouw uit dezen gekozen, dan zou het kunnen gebeuren dat, hoe hoog hy boven haar sta en hoe diep zij dit besetfe, het spiegelglas tegenover haar hem nu en dan een blik, een gedachte ontroofde, die aan de paarl van haar eigen schoonheid werd gewijd — terwyl ik . .. lieve mevrouw, serge is zwaarder en warmer dan zijde en daarom beter voor de guurheid van den winter geschikt — ik zal een goede vrouw voor uw neef zijn.quot;

Vóór dat ik kon antwoorden, daar was hij zelf. Hij had, denk ik, al lang in de deur gestaan, teruggehouden, versteend als het ware door wat hij hoorde, wit als marmer. Kunnen teedere woorden de mannen aldus doen verbleeken ? Hij heeft haar dan wel innig lief.

„Gij hier. Aurora? Ontmoet ik u hier?quot; —Wij drukten elkander de hand.

-ocr page 114-

— 100 —

„Ja, hier, beste Eomney. Lady Waldemar heeft mij hier heen gezonden, om mijn aanstaande nicht te zien.quot;

„Lady quot;Waldemar is wel goed.quot;

„Hier is ten minste eene, die goed is.quot; Ik zuchtte, terwijl ik Marian\'s lokken streelde. Arme, gelukkige Marian, als een trouwe hond stond zij, vol hartstochtelijk ongeduld, hare heurt voor een vriendelijk woord af te wachten. „Ik heb meer dan een uur by uwe Marian Erie gezeten en haar als uit het het hoofd geleerd, zoodat ik u met heel myn hart kan danken voor zulk eene nicht.quot;

„Eindelijk dus versmaadt gij een gift van mij niet! Eindelek weet ik u genoegen te geven?quot; Hoe was zijn stem veranderd!

„Gij kunt een vrouw niet tegen haar wil genoegen doen. en eens hebt gij my gegriefd. Maar waartoe hiervan te spreken? Laten wy erkennen, dat gij in alles edel hebt gehandeld, maar dat ik niet blind, niet onwetend was. Doch dit alles zy nu voorbij. Xu Eomney, doet gij mij genoegen door u zeiven genoegen te geven. Zoek dus voldoening in een dweepzieke liefde en ook ik ben voldaan. O neef, in de galerij van uw oud kasteel kunnen wij, onder de portretten onzer Leighs, geen schooner adeldom aanwijzen, dan op dit reine voorhoofd te lezen staat.quot;

Hij sprak geen woord. Wat zyn de mannen toch aanmatigend. Zelfs philanthropen, die eene vrouw zouden willen nemen op de wijze, waarop men een aandeel in de eene of andere liefdadige instelling neemt, voelen zich gekrenkt, indien hun liefdegift door haar van de hand wordt gewezen. Het schijnt wel, dat wy, vrouwen, niet mogen vergeten wie wij zijn en geen obolus, die Cesar\'s beeltenis draagt, lichtvaardig mogen verwerpen. Ik hervatte;

„Mij dunkt, sommige van die trotsche van Dyken waren niet te trotsch, om goede heiligen in den hemel te zyn, en zoo zullen zij ook heden niet te trotsch zijn, om zich neer te buigen en deze goede, ware, edele Marian, als eene der hunnen te erkennen, gelijk zy reeds de uwe en de mijne is, niet waar? Want dichters — vergeef het woord — halve dichters zelfs, zyn volkomen demokraten — niet dat wij niet

-ocr page 115-

— 101 —

eeven wat hoog is, maar wij eeren ook wat laag is; wij weten ook minder naspeurlijk adeldom te erkennen. Wat my betreft, ik begrijp uwe keuze, en billyk baar.

„Xeen, neen, neen,quot; zuchtte hij, met de weemoedige ergernis van den man, die nooit een kind heeft gehad, tegenover een kind, dat voor man speelt, „gy hebt my nooit begrepen en kunt my ook thans niet verstaan, mij, mijn keus, mijn doel, noch mijn drijfveeren. Doch dit zij zoo; laat het rusten, gelijk gij zegt. Ik dank u voor uwe edelmoedigheid als nicht, waardoor gy mij in het heden van dienst zijt; ik neem voor haar uwe goede gedachten aan. Wij beiden, die geen dichters zijn, beleven een tijd, waarin het huwelijk minder wederkeerige, dan gemeenschappelijke liefde vordert; twee harten verbonden in liefde voor de velen, die geen liefde kennen. Werk gepaard in galeiboeien of huwelijksringen, het verschil ligt in het eervolle, niet in het werk. Tot zulk werk hebben wij ons verbonden, zij en ik. Maar liefde! Gry poëten zijt in deze eeuw door de duisternis overvallen; het is zelfs reeds te laat om motten te vangen; er zyn muggen voor in plaats. Liefde! — Liefde\'s Utopia is verouderd, als Adam\'s paradijs. Eer doet gij een zwaan den Trenton overzwemmen, eer ware liefde met haar wondren vederdos veilig de overzijde van dezen bruischenden tijdstroom bereikt, wiens bulderende wateren vcortaan alle muziek voor mij moeten doen verstommen.quot;

Ik keerde mij van hem af en kuste de arme Marian vol bittere teleurstelling. De man maakte my verlegen, boos, tot ik by de vrouw mijn toevlucht zocht. Zoo openen wy het venster, wanneer het ons te benauwd wordt in een kamer vol menschenlucht en leunen naar buiten, ademen diep de vochtige nachtlucht in en verkoelen ons met haar het gloeiende, toornige voorhoofd. Zij ten minste was niet, gelyk een muur, steen voor steen opgetrokken; elke vrije opwelling vierkant gemaakt, elk natuurlijk gevoel in de rij geplaatst, de gloed der jeugd tot cement tusschen vorm en systeem verhard. Kostelyk metselwerk, een voortreffelijke muur, die u den weg verspert en alle uitzicht beneemt, al bonst gij er ook met uw hoofd tegen aan.

-ocr page 116-

— 102 —

„Voor het oogenblik,quot; sprak ik, „vaarwel neef en nicht. Wees gelukkig Romney — vergeef mij, ik meen gelukkig in den een of anderen afgetrokken zin — ik bedoel geen kwaad met u het goede te wenschen. Vaarwel, Marian. Mag zij bij ray komen, Eomney, om uit mijn huis te trouwen? Uwe philosophic brengt toch niet mee, dat gij uw vogel op den bladcrloozen sleedoorn moet laten voortleven?quot;

„Ja, dat doet zy,quot; was zijn antwoord. „Ik neem inyn vrouw rechtstreeks uit het volk en zij komt van uit haar zolderkamertje in Margaret\'s Court, om mij op den trouwdag in St. James te ontmoeten; zooals Oostenryksch dochter omringd van hare adelaren tot het keizerlijk Frankrijk kwam. Zij zal haar afkomst niet verloochenen, haar sergekleed zal haar bruidsjapon zijn. Wat wij doen, dat doen wij: wij zullen geen maskers voorbinden, alsof wij van schaamte bloosden.quot;

„Beste Eomney, (jij zijt de dichter,quot; sprak ik met een droeven lach en wendde my naar de deur, om heen te gaan. Maskers, dacht ik, wacht u voor de maskers der tragedie, de kothurnen, waarop wij ons een half el boven onze natuurlijke lengte verheffen. Wij zouden voor ons zeiven een heldenrol willen spelen en eindigen misschien, onmachtig als de Atheensche vrouwen, die bij de Eumeniden in zwijm vielen.

Hy volgde my de trap af. „ Gij staat my toe u door deze afschuwelijke straten te geleiden, deze graven waar de men-schen, levend met de wormen opeengehoopt, onbewust de ziekte verspreiden, die hen doodt. De vrouwen zelfs werpen hier de modder, om haar ziel gekneed, naar elke vrouw, die alleen loopt. Ik mag meegaan, niet waar? Hoe kwaamt gij hier alleen? Grij wist niet wat gy deedt.quot; — Welk een vreemde, droeve wandeling. De avond daalde en met hem viel een fijnen, doordringenden regen neer. En daar in het duister, met mijn arm in den zyuen voorttredend, kwam mij alles, zyn bijzijn, zijn stem in myn oor, ja mijn eigen stem my vreemd en onnatuurlijk voor. Wy spraken over de nieuwste boeken en het laatste courantennieuws, over Spaan-sche huwelyksplannen en Engelsch klimaat. Was het ver-

-ocr page 117-

— 103 —

leden jaar even koud? -— Zal de wind morgen om zyu? — Kan Gruizot het houden ? — Is Londen vol ? — Kan de handel met het buitenland blijven concurreeren ? — Heeft Dickens den rijken de duimschroeven nog wat aangezet? — Graat de aardappel een mythe worden als moly en sterft ook de appel uit? — Hoe is de wind van avond? Oost? Zuidoost? — Wij spraken snel, terwijl elk doodgewoon woord bliksemzwanger scheen, ons met onzichtbare jammeren dreigend. Toch ware zwijgen nog doodelijker gevaar geweest. Wij vernietigden gretig elke stilte, elke gaping in het gesprek, alsof wij bleeke samenzweerders waren en gejaagd alle papieren verscheurden, die, onze handteekening dragend, schande of dood over ons hoofd konden brengen.

Ik weet niet waarom. Er was bij ons liefde noch haat in het spel geweest; waarom duchtten wij kruit te doen vallen op een grond, zóó vrij van vuur? Misschien hadden wij te dicht bijeengeleefd om zoo geheel iiit elkander te gaan. Plaats, zegt men, twee uurwerken, op verschillend uur aan den gang gemaakt, op denzelfden schoorsteenmantel en van lieverlee zal in beider inwendig raderwerk de blinde mechanische beweging één worden, tot zij ten laatste hetzelfde uur aanwijzen. Het was met ons niet aldus. Hij bleef middernacht slaan, als ik zes uur in den morgen sloeg. Hij wees den oordeelsdag, ik den dag der verlossing aan. En dat wij aldus een uitzondering waren op een regel, die zelfs de levenlooze materie beheerscht, dat moest ons wel een gevoel van onveiligheid tegenover elkander geven, ons voor elkaar een verborgenheid, een punt van onrust en vrees doen zijn.

Ik herinner mij, hoe vreemd zijn „goeden nachtquot; mij toe-klonk, toen wij aan mijn woning scheidden. Het geleek een „goeden nachtquot; naast een sterfbed gesproken, waar de morgenzon geen nieuwen goeden dag meer brengen zal. Dien ganschen nacht herhaalde ik by my zelve: ... „goeden nacht, zeide hij.quot;

Zoo verliep eene maand. Laat ik het rondweg bekennen: ik heb verkeerd gedaan, verkeerd. Wij doen altoos verkeerd, als wij te veel denken, aan wat wij denken en zijn. Onze gedachten mogen bitter zijn, als zelfopoffering, wij zijn er

-ocr page 118-

— 104 —

niettemin zelfzuchtig om. Of wij op een rots, of een rozenbed slapen, wij zijn luiaards zoo wij den dag verslapen. Ik li eb sclmld; ik erken bet. \'t Is waar, ik had mij u plicht gedaan door Marian te bezoeken en ik was bereid bij het huwelyk tegenwoordig en getuige te zyn; dit, meende ik, was voldoende. Ik had in deze zaak zelfs meer gedaan dan strikte rechtvaardigheid eischte: Lady Waldemar had geen dienst gehad van haar werktuig; \'t was niet krom genoeg gebleken voor het slot, dat zij er mee open wilde breken en voor arme Marian Erie kon ik verder niets doen. Over het geheel was ik niet onedelmoedig, niet onhartelijk geweest. Zoo was het genoeg. Ik voelde me vermoeid, overwerkt. Dit huwelijk ontstemde mij, of deed bet dit al niet... wel, wat had ik met al de drukte der bruidsdagen te maken? Wat raakten mij hun plannen, al het overleggen waar men heen zal gaan en waar men zich vestigen zal en hoe gelukkig men overal zal zijn? Dit alles was hun zaak; de mijne niet. Ik wendde mij naar de andere zijde, als eene, wier taak is afgedaan en de oogen sluit om heter te kunnen rusten. Ik, die het ongeluk had kunnen, had moeten voorzien! Waar wij ontkennen \'s broeders hoeder te zijn, daar zyn wij zyn Cain.

Ik had het arme kind wat langer aan mijn hart kunnen houden, al zou het mij pijnlijk hebben aangedaan, zoo ik daardoor den trouwdag verhaastte. Ik zou haar daarmee voor listen en valstrikken hebben behoed. Wat weerhield mij Eom-ney mede te deelen, hetgeen Lady Waldemar mij omtrent hare bedoelingen had gezegd? Maar had ik recht tot spreken? Geboden vrouwelijk mededoogen en kieschheid mij niet, vrouwelijke onbescbaamheid te bedekken? En toch.. . er kalm bij te staan, wetende wat ik wist, en te hooren, dat hij haar yoed noemde!

Mistrouw dat woord. Niemand is goed dan God, zegt Jezus. Heeft Hij eenmaal in de eerste scheppingsweek het schepsel goed genoemd — daarna heeft slechts de duivel met zijn volgelingen dit gedaan; de schurken, die erdoor winnen en de gekken, die er door verliezen. Het is een gevaarlijk woord geworden. In de middeleeuwen noemde men, geloof

-ocr page 119-

— 105 —

ik, booze feeën en kabouters goed. In deze eeuw is zelfs een goede buurvrouw soms gevaarlijk. Zij versnippert uwe morgenuren met de flauwste praatjes en dient \'s avonds uwe omstandigheden op liaar theesalet met de suiker rond. Ik heb goede vrouwen gekend, ongeveer zoo kuisch als die van Poti-phar; goede moeders, die door haar kindereu intrigeerden; goede, beste vrienden, die zich aan uw hals klemden en uw adem opzogen, zooals, naar het heet, katten met slapende kinderen doen. Wij allen hebben goede r.riticussen gekend, die in een dichterhart alle hoop vertraden, goede staatslieden , die staten te gronde richtten, goede patriotten, die een zaak aan een theorie ten offer brachten , goede vorsten, die hun volk uitzogen, goede pausen, die al wat goed is in gevaar brachten, goede christenen, die rustig in hun armstoel neerzaten en de wereld vloekten, die opstaan boven zitten verkiest. Dat de goede God alle goede menschen vergeve!

Wat een bittere, bittere woorden! Hoe verzuurt in ons de zuivere witte melk, als ze lang achtereen door de zon wordt beschenen. Meng het zoetste in ons lang genoeg met menschen dooreen, gij kunt zeker zijn dat het stremt en te wrang wordt, om zelfs het minst teedere van Christus\' lammeren tot voedsel te verstrekken.

Ik had moeten bedenken, dat een vrouw van de wereld als zij, die ik op het oog heb, zich zelve tot middelpunt heeft, haar halve leven zelfzuchtig en eigenwillig om eigen spil heeft gedraaid. Van verre lijkt zij een windmolen, wiens fijne, witte wieken, zacht, onhoorbaar, rein en schoon, blinkend tegen de blauwe lucht wentelen. Van nabij , — wat een geraas en gekraak, wat een stampen en kneuzen! Heeft zij eindelijk waarlijk lief, dan is hare liefde niets dan een versterking van haar eigenliefde; het voelen van behoefte aan een ander tot eigen voordeel, even als de molen graan, het vuur brandstof, de wolf prooi behoeft. En geen van deze zoo gewetenloos als zulk een bevallige vrouw, die bemint! Meent gij, dat zy zich door een hinderpaal, zoo onbeduidend als haar ziel, zal laten weerhouden? En door de uwe nog minder gewis! Zou Grod een bezwaar voor haar zijn? Wel, zij bemint u, niet God. Zij zal voor Hem niet wijken, zij

-ocr page 120-

— 106 —

heeft liet zelfs voor de markiezin van Perth niet gedaan, toen zy kaartjes voor het fancyball verlangde. Zij heeft u lief, Mijnheer, hartstochtelijk, onzinnig lief; bijna zoo lief als haar juweelen.

Zoo verliep een maand, en toen kwam het bericht, dat op dien en dien dag het huwelijk in de kerk zou voltrokken worden. Half St. Griles in baai en katoen was uitgenoodigd, om St. James in zyde en goud te ontmoeten en zich na de huwelijksinzegening aan een bruidsmaal op Hampstead Heath te vereenigen. Het volk liet zich niet bidden. Het kwam in groote getale; lammen, blinden, zieken en zwakken, bedroefden en ellendigen. De sociale wond drukte al haar boosaardige sappen uit en vergiftigde de aristocratische atmospheer met haar afschuwelijke uitwasemingen. Het was, of een aan de pest gestorven geslacht by klaarlichten dag uit het gr;if werd gedreven met de vlekken van den dood overdekt. Welk een aanblik! Een feestdag van het arme volk is droeviger dan de begrafenis van een vorst! \'t Leek een bloedstroom traag en zwart, die de straten vulde en langzaam de kerk kwam binnensijpelen. Al de dames stonden op in de banken, om er naar te zien. Sommige bleek van angst, andere rood van toorn, eenige louter nieuwsgierig, enkele tartend brutaal, verscheidene innig verontwaardigd en met diepe verachting vragend, wat men nog meer had te wachten? Er waren er, die haar geparfumeerden zakdoek voor den mond hielden, om den glimlach te bedekken, die niet voegde op deze heilige plaats; terwijl anderen elkaar met een beteekenisvollen blik en ritselend met hare moiré zyden japonnen haar vlugzout reikten. En inmiddels trok die lange, donkere streep vol menschenhoofden, langzaam de zygangen door naar het altaar. Het was, of een gewonde slang, sissend uit haar schuilhoek verdreven, met sidderende kronkelingen nu naar rechts dan naar links zwaaiend en telkens stilhoudend, zich voortbewoog. Wat een leelijke tronies rezen van alle zyden uit die opeengepakte menschenmassa voor u op! Men is niet gewoon zulke aangezichten in het volle daglicht te zien. Meestal schuilen zy weg in kelders en holen, opdat gy niet, even als Eomney Leigh, het verstand moogt verliezen. Aangezich-

-ocr page 121-

— 107 —

ten... mijn God, noemen wij dat aangezichten van mannen en vrouwen, ja en van kinderen ook? Kinderen, zuigelingen, die als een vergeten vod op moeders schouder hangen; arme mondjes, waarvan moeders klappen de moedermelk wisschen, voordat ze leeren vloeken als zij. Aangezichten? bah! wij zouden het even goed ondeugden kunnen noemen, die tot stille wanhoop zyn verkankerd, of smarten, die tot ondeugden versteenden. Geen spoor van hun Maker is er op achtergebleven. Verdorven, verloren; het gelaat versleten als het kleed, de wil losbandig als de daad, de hartstochten ontketend en in het slyk woelend, opdat de voet bij de eerste vrije schrede struikele. Het was alsof de hel haar vuil bezinksel naar boven had gedreven, zulke dierlijke blikken, zulke stugge, lage trekken ontmoetten telkens de uwe, als om u uw menschzijn voor de voeten te werpen. Ja om u ziek te maken, om als schrikgestalten in uw droomen te dringen, zoo vaak gij, bij het ruischen van een zilveren beek in sluimer gezonken, Rafiuil\'s liefelijke Madonna u voor den geest mocht zien rijzen.

Ik heb sedert gewaakt en geslapen zoo menigen dag en nacht, maar nog altijd drukt de herinnering aan dien dag mij als een nachtmerrie de borst. Er zijn van die noodlottige dagen, waarin het leven met al zyn vezels zóó diep wortel schiet, dat het trilt tot in den top, zoo vaak er in het stof van dien dag wordt gewoeld.

Mijn neef kwam een oogenblik bij my , gaf mij de hand en zeide , dat Marian Erie zoo aanstonds met hare bruidsmeisjes verschijnen zou. Daarop wees hij my een plaats aan bij het altaar, waar hij met andere adellyke heeren en dames op de bruid zat te wachten.

Het was nog vroeg. Er was lyd tot allerlei praatjes en plichtplegingen. Men hoorde het gemurmel van vrouwenstemmen , hoe zacht ook, toch even verstaanbaar als de enkele zinnen er hier en daar door een mannenstem tusschen gevoegd. „Ja, als wij in de kerk moeten wachten, moeten wij er praten ook.quot; — «Hie daar? dat is Lady Air — in het blauw — niet in het purper; dat is de weduwe.quot; — „Wat ziet die nog jong!quot; — „Wat coquetteert zy nog jong,

-ocr page 122-

— 108 —

meent gij. Wel, als gij haar Dinsdag avond hadt gezien, zoudt gy Miss Noris zedig hebben genoemd.quot; — «Zyt gy daar al weer? Het is drie unr geleden, dat ik met u walste! Op om zes en nóg op om tien uur. Ter nauwernood tijd om van schoeisel te veranderen. Ik ben uit mijn humeur en zie wit als een geest. Ik verzoek u dus maar niet tegen mij te spreken. Lord Belcher.quot; — „Niet? Xu dan zal ik naar u kijken, dat is mij voldoende in uw geval.quot; — „Foei Mylord, wij zyn in de kerk!quot; — „Adair, hebt gy de stemming afgewacht?quot; •— „Gevallen met één stem.quot; — „Verduiveld, dat spijt mij, en als ik niet aan mevrouw Grove had beloofd...quot; „Hadt gij uw woord aan Liverpool kunnen houden.quot; — „Onze kiezers moeten bedenken dat wij stervelingen zijn.quot; — „Nu, wij zorgen wel, dat zij dit niet vergeten.quot; — „Luister, daar komt de bruid — daar is zij in een melk-witten stroom.quot; — „Daar? och kom, gy slaapt nog. — Kent gij de vijf Miss Granvilles niet? Altijd in het wit om te toonen, dat zij nog a prendre zijn.quot; — «Stil; haar tante zit vlak achter u.quot; — „Lady Maud, heeft Lady Waldemar u verteld, dat zij Leigh\'s meisje heeft gezien?quot;—■ Neen, \'t was mevrouw Brookes die mij zeide, dat Lady Waldemar het haar had verteld.quot; —„Is zij mooi?quot; — „Wie, mevrouw Brookes? Lady Waldemar?quot; •—„Wat is het hier benauwd! Mogen wy van daag niet ademhalen? — Gij trapt op mijn shawl — dank u, mijnheer.quot; — Men zegt dat de bruid een kind is, dat lezen noch schrijven kan, maar met haar groote kijkers toch dingen weet, die zy niet weten moest. Ik zou door een vuur gaan, om haar te zien.quot;—-„Dat doet ge al, dunkt me.quot; — „En Lady Waldemar (daar zit zij , vlak bij Romney Leigh. Wat is zij mooi, maar wat hoog van kleur) heeft zich het meisje aangetrokken en getracht aan Leigh\'s dwaasheid een goeden glimp te geven. Denkt gy, dat ik hier zou zijn, als zy het my niet had gevraagd?quot; — „Zy zou hem meer van dienst zijn geweest, indien zij zelve hem had genomen.quot; •—- „Ha, eindelijk daar komt zij, daar is de bruid !quot;

„Neen, nog niet. Over elven. Zij trekt van daag haar katoentje uit, om Mayfair manieren aan te trekken en ons

-ocr page 123-

— 109 —

te laten wachten.\'\' — „Ja ja, die Leigh is altijd vreemd geweest. Het zit in het bloed, geloof ik; de tweede zoon van den neef van zijn vader\'s oom was... gy begrijpt my ... en wat hem betreft, hij is gek op het punt van de armen-kwestie. Een voortreffelijke zaak, maar gij moet haar niet overdrijven. Hebt gij Prins Albert\'s arbeiderswoningen gezien? Zij strekken zijn koninklijke hoogheid tot eer. Goed, maar zou hij zyn rytuig in Cheapside laten stil houden, om den eersten den besten de hand te schudden, al heette deze ook Shakespeare? Neen, wy moeten een lijn trekken en ons bij onzen eigen stand houden, anders raken wij er, vooral in Engeland, spoedig onder. Zie mij dit schouwspel eens aan. \'t Is afschuwelijk, onfatsoenlijk. Mijn vrouw wilde gaan, anders had ik haar tegengehouden. Waarachtig mijnheer, toen de arme Damiëns gevierendeeld werd, zaten er hofdames met mooie, verschrikte gezichten naar te kyken, even als zy van daag naar dit uit elkander rukken der maatschappij gaan zien.quot;

„Daar komt ze!quot;

„Waar? Wie ziet haar? \'t Is onwellevend zoo te dringen, mijnheer.quot; — „Mevrouw, gij zet uw voet op mijn strook. Ik bid u.quot; — „Neen, \'t is de bruid niet. Half twaalf; wat wordt het laat. Zie, de bruidegom wordt ongerust en gaat naar buiten.quot;— „Zooals ik zeide, die Leighs! \'t Is verschrikkelijk; ons beste bloed gaat op die wijze te gronde.quot; — Een eenvoudige mésalliance ter wille van een paar hemelsblauwe oogen zou vergeeflijk zyn geweest. Het Hoogerhuis heeft al meer zoo iets door de vingers gezien en wij zijn allen jong geweest. Maar dit onderling huwelijk hier wordt opzettelijk gesloten, om de aandacht te trekken, om een groot voorbeeld en den stoot aan een nieuwe orde van zaken te geven, \'t Is een contract tusschen de twee uitersten der lijdende maatschappij aangegaan, om de gegoeden ter linker en de laagste volksklasse ter rechter zijde als gelijken te behandelen, \'t Is zuivere anarchie; er zit meer achter dan men denkt, \'t Is verfoeilijk! Wel, men kan zelfs geen goede koffie drinken, tenzij men haar filtreert.quot;

„Grij hier, Miss Leigh!quot;

-ocr page 124-

— 110 —

„Lord Howe! Gij zyt Roraney\'s vriencl. Waar dient toch al dit wachten voor?quot;

„Ik weet het niet. De bruid schijnt haar hoofd (en den weg ook) kwijt te zijn, om haar sympathie met den bruidegom te toonen.quot;

„Hoe, ook gy aan het afkeuren?quot;

„O, ik keur niets ter wereld goed. U niet, mij zeiven nog minder, en zelfs Eomney niet, al is hij meer waard dan wij beiden. Alles gaat verkeerd. Wij zijn van de wijs geraakt en het baat niet, of wij al in de maneschijn loopeu te fluiten, om er weer in te komen.quot;

Laat mij Lord Howe teekenen:

Een geboren aristocraat, radicaal opgevoed, socialistisch ontwikkeld en nog steeds, op de traditiën van zy n eigen stand, in den theoretischen vloed, die uit Frankrijk komt, omdrijvende. Een half verdronken Xoach op een half vergaan schip — geen al te veilige plaats voorwaar. Hij weet dan ook, dat hij ten minste nooit op Ararat zal landen, om de wereld volgens een nieuw plan te beginnen. Het zou beter zijn, meent hij, zoo die wereld een einde name. Hij heeft meer sympathie voor de visschen daarbuiten, dan voor de half verongelukte dieren daarbinnen, die niet meer kunnen paren of zich vermenigvuldigen. — Ziedaar de soort van Noach, die Lord Howe wordt genoemd. Hij heeft nooit iets ten volle kunnen zyn, behalve een loyal, oprecht gentleman, een vrijgevig landheer, een aangename gast en nog aangenamer gastheer, aan wiens disch, waaraan zich de élite van den geest vereenigt, men door het discours den wijn vergeet. Wat hij ook gelooft — en dat is niet weinig en wisselt nog al eens — toch zijn zijn sympathiën nog sterker dan zijn geloof en dat weerhoudt hem van handelen. In het Parlement wordt door geen der party en op hem gereke .id, terwijl toch zyn redevoeringen voor alle partyen van gewicht zyn. Zyn boeken (hij heeft boeken geschreven, die zeer gezocht zyn) kunnen veilig aan een bisschop worden voorgelegd, maar sprankelen toch hier en daar van een vuur, waaraan de meest geavanceerde in het voorbijgaan de vermetele handen kan warmen. Hij is van meer dan gewone

-ocr page 125-

— Ill —

lengte en heeft een aclitelooze houding, blond haar, waardoor de wind schijnt te spelen en oogen, die u zóó afgetrokken maar tegelijk zoo grenzeloos welwillend door en door zien, dat ge niet weet, of gy hem ontwijken of danken zult. Ziedaar Lord Howe. — «Wij zijn allen op den verkeerden weg,quot; zeide hij, „en Eomney, die beste kerel, niet het minst. Er is één echt goed ding op aarde: dat is liefde. IIy neemt het op, trekt het een costuum aan en maakt er, zooals Hamlet, een tooneelvertooning van. Hij wil ons doen zien, welke booze ooms wy zijn geweest en wat wij op ons geweten hebben, terwijl hij, prins Hamlet, als zinnebeeld en tot onze stichting, een mooi meisje trouwt, dat ons, ik beken het, wat te lang laat wachten. Hij wil ons leeren, hoe wy de kloof tusschen de standen kunnen dempen en samen i» phalansteriën wonen. Welnu, hy is gek, onze Hamlet; applaudiseer zyn stuk en bind hem stevig vast.quot;

„O Lord Howe, dit schouwspel is aangrypender dan dat van den Deen! Zie die stampvolle gangen met die woelende, zwoegende, gistende menigte. Mijn God, wat een wezens!quot;

„Nu ja, het oog van den dichter ziet anders dan dat van gewone mensehen. Ik ook zie meer dan een ander, al kan ik niet zingen. Ik zou zeker een dichter zijn, zoo mijn moeder niet van dit leelijke ondertniansohe ware geschrikt en mij daardoor stoiu ter wereld had gebracht. Geeft gij mij toe, dat Eomney ons op zyn trouwdag op een tooneelvertooning onthaalt, dan geef ik u toe, dat de fabel indrukwekkender is, dan die van Hamlet. Dat afschuwelijke volk, oud en arm en blind, dat door ziekte en ellende het gezicht voor al wat schoon en liefelijk is heeft verloren, zullen wij bij een vertrapten koning Lear vergelyken, hierheen gevoerd — niet om de rekening van al het onrecht hem aangedaan te vereffen (dat alles is hij vergeten; het ligt ver achter hem als de jeugd) maar eenvoudig om als getuige bij een contract op te treden — hij ter eener, Eegan en haar zuster Goneril met de bonte groep hovelingen en narren ter anderer zijde. Meen niet, dat een van deze laatsten berouw zullen toonen. Wat gebeurd is, is gebeurd. Het geweld van gisteren is het privilegie van heden geworden, zooals room kaas wordt, als

-ocr page 126-

— 112 —

liij lang genoeg staat. Wat hebben die mooie dames met den ouden man en zijn vuile lompen te maken? Zij kunnen liem en zijn onwelriekendheid alleen maar uit den weg gaan. Lear is suf en stil als liet graf. Hij vloekt zijn dochters in het geheel niet. Zijn dit zyn dochters? Lear denkt hoofd-zakelijk aan het maal, dat te Hampstead koud wordt. Zou het bier bij kruiken worden gegeven? Arme Lear, arme dochters! Bravo voor Eomney\'s stuk!quot;

Er kwam beweging. Er liep een gemompel door de rijen. Men hoorde fluisteren, dat er iets niet in orde was. — Wat was er? — De donkere massa sidderde als een te sterk gespannen koord en ik zag. . . was dat zijn, was dat Eomney\'s gelaat, dat plotseling verschrikking op aller aangezicht bracht? Daar stord hy, doodsbleek, boven op den hoogsten trap van het altaar, vruchteloos trachtende te spreken, en als een drenkeling een arm in de hoogte stekend, om een brief tc toonen, dien hij in de hand hield.

„Mijn broeders hebt geduld met mij.... ik ben my zelf niet. Toch bedoelde ik niets dan goed. Misschien was mijn pogen te vermetel en verydelde Grod daarom mijn voornemen. Er is geen huwelijk.... er zal geen huwelyk plaats hebben. Zij verlaat mij, zij vertrekt, zij verdwijnt; ik heb haar verloren. En toch heb ik nooit haar „jaquot; afgedwongen, om mij haar „neenquot; aldus, als een beschuldiging, naar het hoofd te zien werpen... . Mijn vrienden, gy kunt gaan. Gaat eten en drinken, zooals afgesproken is. .. . vaarwel.quot;

Hij zweeg. Een doodsche stilte vervulde de kerk. Heel in de verte hoorde men het zuigen van een slapend kind. Daarop klonk een mannenstem: „Nu vrienden, laten wij zorgen, dat het vleesch en het bier ons niet ontgaat, als de andere pret. Want bier verdwynt nog gemakkelijker dan een vrouw. De groote heeren gaan niet eerlyk met het volk om. Zy bemoeien zich met ons, om ons te bedriegen.quot; — „Neen Jim,quot; schreeuwde een vrouw terug, „ik ben een teerhartige ziel, ik heb nooit een klein kind hard geslagen, of ik had er een oogenblik later spyt van en ik heb er toch zeven tot myn last. Ik heb geen trek, zelfs niet in vleesch, zoolang ik niet weet, wat er van het meisje is geworden. Ik heb de.delijk

-ocr page 127-

— 113 —

gedacht, dat dia mooie mynheer het niet eerlijk met haar en ons meende. Hij is haar misschien de baas geworden, door haar een trouwring voor te houden en daarna... van nacht wie weet... een paar vingers op haar keel. . . en van morgen een mooi verhaal, om ons te doen zwijgen, evenals zij, het arme, verloren schaap. Yerdwenen! wie verdwijnt er, als hij geen geest is? En wie gelooft er aan geesten? Ik vraag maar, loopt een meisje liever weg, dan dat zij blijft om te trouwen ? Een mooi verhaal! De man is een schurk zeg ik, een schurk! Wat mij betreft, ik zou liever bij jenever verhongeren, dan my aan zyn vleesch en bier te goed te doen.quot; Daarop klonk het van alle kanten: „Wij eischen recht! Wij willen het meisje hebben, het meisje! Die dames daar trouwen rustig en veilig eiken dag; zy zal niet verdonkeremaand worden, omdat zy arm en een kind van het volk is. \'t Is een schande. Wij dulden de streken van de groote lui niet langer. Wy eischen recht, recht voor het meisje.quot;

Door het verwoed rumoer heen, hoorde ik de afgebroken woorden, die Eomney met zyn bleek, mannelyk gelaat van de plaats, waar hij stond, tusschen de tierende menigte wierp. Gelijk jachthonden het hun toegeworpen rantsoen, onder woest gebrul en geblaf, vechtend vaneen scheuren en verslinden, zoo werden zijn smeekende, zyn dreigende, zyn hartroerende woorden, waarvan ik hier en daar door zijn gebaren den zin opving, als van één gereten en door het rumoer verzwolgen. Van het eene einde der kerk tot liet andere golfde het rondom ons, als een stormachtige zee; het was alsof een aardbeving de pilaren deed schudden. Mannen riepen om de politie, vrouwen gilden, vielen flauw of vloden in radeloozen angst rechts en links, als herten in het woud door het jachtrumoer o[(geschrikt. Zij drongen tegen elkander in, zy vielen in het gedrang de een over de ander, terwijl van alle zijden rauwe kreten omhoog stegen.

Het laatste wat ik zag, was Eomney\'s gelaat met zijn ijzingwekkende kalmte, hoog boven het tumult zich verheffende. Het laatste wat ik hoorde, was: „Haal hem naar beneden, sla hem dood, sla hem dood!quot; Ik strekte myne mach-telooze armen uit, als een, die in den droom zich vruchteloos

8

-ocr page 128-

— 114 —

tiieschen de Goden en hun vernielingswerk zoekt te stellen en wierp mij met een kreet te midden van het gedrang, om mijn ziel daar in dat doodsbleek gelaat ter hulpe te snellen... Een mannenhand greep my aan en trok my terug en daarop was alles voorbij... ik voelde niets meer.

Wat er volgde, hoorde ik later van Lord Howe, die mij buiten kennis, uit het gedrang in kerk en straat had gedragen en daarna alleen was teruggekeerd, om het tumult bedwongen te vinden. De mannen der wet waren als een donderbui op het loeiend vuur neergevallen en hadden alles tot stilte teruggebracht, terwijl de rook van het volk langzaam wegtrok uit de ontruimde gangen.

Ziehier Marian\'s brief, waarmee een haveloos kind was komen aanloopen, juist op het oogenblik, dat Romney in het kerkportaal naar de bruid stond uit te zien. Hij zond mij den brief twee uur later door Lord Howe, met een enkel woord er door hemzelven met zijn welbekende hand bijgevoegd.

De brief luidde aldus:

„Edele vriend, dierbare heilige, wees niet boos op mij, denk niet laag van mij, die morgen uwe vrouw zou kunnen zyn, als ik niet nog meer liefde voor u had, dan dit woord in zich sluit. Vaarwel mijn Romney. Laat het mij één enkele maal neerschrijven — Mijn llomney.

„\'t Is zulk een heerlijk woord, die twee verbonden! Ik heb den moed niet, het door een vlek weg te maken. Wij zeggen ook wel op onze knieën „Mijn God\'\'\'\' en Hy is er niet toornig om. Gy ook niet, niet waar? Ik weet, dat ik kinderachtig, zwak, ijdel ben, maar het meest nog verwijt ik my zelve, dat ik gisteren, bij uw laatst bezoek, uw laat-sten voetstap op de trap heb gemist. Dat was voor het eerst. Ik heb hem zoo lief — by na zoo lief als den klank van uw stem, maar gisteren ging door mijn snikken die muziek voor mij verloren.

„Mijnheer Leigh, gy zult mij veroordeelen, ik weet het; gij hebt myn waarheidsliefde geprezen en nu zult gy zien, dat ik den moed niet heb gehad, om ten volle waar te zijn. Eens ben ik begonnen u te zeggen, dat zy, die vrouw, bij mij was geweest en toen staardet gij op den grond in diepe

-ocr page 129-

— 115 —

gedachten, zooals gij wel meer doet... en dat maakte mij onrustig dien ganschen dag. Daarna sprak iemand met zóóveel wijsheid over my en met zóóveel teederheid over u en overreedde mij, dat ik, ter wille van n, het zwijgen moest bewaren... wel, ik geloof thans, dat ik niet had moeten zwijgen. Er had waarheid kunnen zijn tusschen u en mij. al bleef er ook niets anders bestaan. Toch was spreken gevaarlijk. Denk eens, dat een wezenlyke engel uit den hemel daalde, om met menschen te verkeeren; hij zou het verstand verliezen, zoo geen bedachtzame hand hem een blinddoek voor de doordringende oogen bond. Zoo is het ook met u. Engel; gij ziet ons te veel in uw hemelsch licht! Dat heb ik altyd gedacht. Door uw goddelijk, uw hartstochtelijk medelijden zult gij uzelven verbrijzelen tegen de scherpe kanten dezer vijandige wereld.

„Ja, het zou voor een, die u liefheeft, verschrikkelijk zyn, zoo gansch Engeland u de deur wees, om u daarna uit het venster te bespotten, (lij zoudt kunnen zeggen, of denken — dat ware nog erger: „Er is iemand in dat huis, die ik mis en die ik nog liefheb.quot; Ja, dat zou verschrikkelijk zijn.

„Zij, Lady Waldemar, was heel vriendelijk, laat mij u dat verzekeren. Zij kwam negen, neen tienmaal bij mij. Zij is zóó schoon, dat het iemand pijn doet, als het volle daglicht aan zieke oogen.

„Maar \'t vriendelijkst was uwe nicht, o meer zooals gij. Vóór dat gij kwaamt, kuste zij mij van mond tot mond. Ik voelde het heilig vuur harer ziel op hare ernstige lippen. Grod helpe mij, dat maakte mij overmoedig; ik zeide haar, dat gij er niets by verliezen zoudt, met mij tot uwe vrouw te nemen. En toch heb ik later altijd aan een woord van haar gedacht. „Heeft hij u lief, Marian?quot; vroeg zy zacht, met weemoedigen twijfel, gelyk een moeder aan haar kind vraagt: „Dacht ge, dat ge die ster zoudt kunnen aanraken?quot; -—Vaarwel, ik weet, dat ik haar nooit heb aangeraakt. Het ergste is, dat kinderen groot worden en de hoop verhezen op wat boven ze is. Zy springen hoog naar een geldstukje — niet meer naar sterren.

-ocr page 130-

— 116 —

„Ik heb den ganschen nacht geschreven en u nog niets gezegd. God, kon ik sterven en dezen brief hier laten eindigen. Maar neen, dat mag niet, ter wille van u.

„Ziehier het laatste:

„Ik zou nooit gelukkig kunnen zijn, als uwe vrouw. Ik zou nooit onschadelijk kunnen zijn, als uwe vriendin. Ik wil u nooit meer in \'t gelaat zien, voordat God zegt: „Zie.quot; Ik bezweer u, zoek my niet, noch kwel u met pijnlijke gedachten, dat ik misschien in het ongeluk ben geraakt. Geloof, dat ik wel en voorspoedig en blij te moede ben. Maar zóó, zóó ver van u weg, dat gij mij lichter in mijn graf zoudt kunnen vinden; en ... let wel, dat begeer ik aldus. In het overige zal een al te edelmoedige kennis voorzien en mij gelukkig maken, gelukkiger ...

„Daar is een vlek — de inkt is wat dik — wij schreien zoo licht, wij luchthartige schepsels... Gelukkiger, wilde ik zeggen, dan ik als uwe vrouw zou kunnen zijn. O mijn Ster, mijn Heilige, mijn ziel, want ja, gij zijt mijn ziel; door u heeft God mij aangeraakt! Zoo gansch verloren ben ik niet, dat ik u niet zou kunnen danken voor al het goede, dat gij aan my hebt gedaan; voor de tranen, die gij droogdet toen ik bitter weende als nu; voor de keeren, dat gy my van vreugde hebt doen schreien bij de gedachte, dat ik eenmaal \'s avonds wat schryfwerk voor u zou kunnen doen en daardoor uwe dierbare oogen zou kunnen sparen. En het meest nog dank ik u voor die driemaal, dat gy mij op de lippen hebt gekust en my uwe „lieve Marianquot; hebt genoemd.

„Deze brief moet bijna onleesbaar zyn voor ieder ander dan gij. Maar gij zult er uit wys worden, daar ben ik zeker van. Myn hand beeft; ik kan niet goed zien en ik ben nooit vlug met schryven; toch heb ik heusch mijn best gedaan , om mijne g\'s te maken, zooals gy het my hebt geleerd. Yaarwel! Dat Christus u liefhebbe. Noem mij: „Arme Marianquot; thans.quot;

Arme Marian, — lichtzinnige Marian — was het het eerste — was het het laatste? Dagen lang lazen en overdachten wy hare aandoenlijke, hare onverklaarbare woorden.

-ocr page 131-

— 117 —

vruchteloos naar den zin van het raadsel zoekend. Wij putten onze verbeelding uit, alsof haar brief een zomerwolk ware, waarin men de meest tegenstrijdige figuren zoekt te zien: nu een gevlekte Hydrahuid, dan een scherm van uitgesneden ivoor, dat de geheimnissen des hemels aan der stervelingen vermetel oog onttrekt.

Hare liefde voor hem was misschien zóó groot, dat men haar met listige, valsche praatjes (ik dacht aan Lady Wal-demar) had kunnen overhalen hem te verlaten, opdat zij geen hinderpaal op zyn weg mocht zijn. Of misschien beminde zij iemand van haar eigen stand — of wel, zij beminde in het geheel niet, maar het oude vrije zwerversleven lokte haar met zooveel kracht, dat het roggebrood aan een haag op den stoffigen straatweg genuttigd, haar verkieselijker scheen, dan de leerschool van philanthropische zelfverloochening, waarin zij zich door Eomney onherroepelijk zou zien geplaatst.

En daarbij — dacht ik — meisjes zijn meisjes; zij willen allen op dezelfde wijze gevrijd worden — men vangt deze vogels doorgaans alleen met lokvinken; zij schamen zich bijna in het volle daglicht te trouwen, zoo men haar niet met zoete vleitaal heeft zoeken te winnen... „Niemand weet het haar te scheiden, zooals gy ; \'t is een zilveren streep, een maanlichtstraal, van het voorhoofd tot de kruin!quot; Of... „gij bijt op uw lip •— geen glimlach die voor mij er by haalt!quot; En daarbij dan nog af en toe een enkel tastbaar liefdeteeken; een sieraad, hoe waardeloos ook, een lint voor om den hals, een glazen doekspeld — dit alles is voor meisjes van gewicht.

Eomney zocht haar dagen en weken lang. Hij doorzocht de achterhoeken van de groote stad, deed navraag op treinen en schepen, ja strekte zyn onderzoek tot geheel den omtrek uit. Er was geen Marian te vinden. Ik gaf te kennen, wat ik wist: dat een vriendin van hem hare redenen had, om het huwelijk te doen afbreken — hij wilde er niet van hooren; die dame was lijdende sedert dien dag; de schok had haar ziek gemaakt. Er was iets in zijn toon, dat myn woorden terug drong; ik schaamde mij bijna over mijn lee-

-ocr page 132-

— 118 —

lijk vermoeden. Hij deelde mij mede, dat hij aan Marian\'s woning navraag naar haar had gedaan en gehoord had, dat zij, huiten hem en Lady Waldemar en dien éénen keer mij, nog nu en dan een opzichtig gekleede vrouw had ontvangen, met ringen aan de vingers, die de bewondering der kindereu gaande maakte, zoo vaak zij centen onder hen strooide en met een hoed vol roode rozen, dien zij — zeiden ze — droeg alsof zij eene vorstin was.

Toen Romney my dit vertelde — want hij kwam nu en dan mij den uitslag van zijn onderzoek mededeelen — werd zijn stem hoe langer hoe zachter, zoodat ik my tot hem moest overbuigen, om \'t overige te verstaan. Aanvankelyk was deze vrouw eenmaal \'s weeks, maar later eiken dag gekomen , totdat eindelyk. . ..

Ik keek naar den grond, om zijn angstig vragenden blik te ontgaan, en vroeg op gedempten toon, zooals men van een pas gestorvene tot de treurende betrekkingen spreekt, of Marian hem wel eens gesproken had van een zekere Rose, een vriendinnetje uit haar kinderjaren, thans een verloren schepsel ?

„Nooit.quot; — Hij sprong op en liep de kamer op en neer, als een gevangen leeuw, wien de herinnering aan de woes-tyn te machtig wordt. Wat was ik voor haar dat zy mij iets in vertrouwen zou zeggen? Een vriendin. Was ik een vriend ? O nu doorzie ik alles! Die duivelinnen, zij zouden de engelen uit den hemel halen, als zy er de macht toe hadden. Dat is haar glorie. Hierin ligt het verschil tusschen de besmetting van het lichaam en die van de ziel! De ellendigste slaaf, die in Cairo\'s straten neerzinkt, roept den voorbijgangers toe: „raak my niet aan;quot; terwyl deze verpeste zielen er naar hunkeren haar besmetting aan anderen mee te deelen en, als bracht dit haar zei ven verlichting aan, haren dooce-lyken adem een zuster in het aangezicht blazen.quot;

Ik viel hem in de rede: „Sommige naturen zyn onvatbaar voor besmetting. Ik heb van kinderen gelezen, gezond en slapend gevonden aan de gevlekte borst der moeder, den vorigen dag reeds gestorven. Ik, die vrouw ben en weet wat het is, vrouw te zyn, ik ben er zeker van, dat Marian

-ocr page 133-

— 119 —

Erie, zij moge weggelokt en bedrogen zyn, rein is in bedoeling en gezindheid, als de sneeuw, die van de tuinbank naar den open weg wordt gedreven.quot;

\'t Deed pijn hem te hooren lachen. „Een gelukkig gevonden beeld, voorwaar. Wel, een dozyn karren en paarden zullen wel zorg dragen voor uwe reine, witte sneeuw. Vóór dat de avond valt, zal men haar voor roet kunnen houden. Eein in bedoeling! O zeker, zoo als ik zelf, die de wereld op mijn schouders wilde nemen, om haar over een afgrond van socialen nood te dragen en die ten slotte één enkele, een kinderziel uit mijn machtelooze armen laat glippen en ter helle doe varen! Ja, zij en ik, wij hebben wel reden, om trotsch te zyn op de reinheid onzer bedoelingen.quot; En toen zachter, als de laatste .regendroppelen van een onweersbui; „Arm kind, arme Marian, \'t was een ongeluksdag voor haar, toen zij voor het eerst met myn philanthropie in aanraking kwam.quot;

Hij schoof zijn stoel naast den myne en zette zich neer. En ik deed instinctmatig, wat de vrouw gewoonlyk doet, tegenover de smart van een vriend: ik sprak op zachten, deelnemenden toon — troostwoorden waren het niet, want ik wist niet, waarmee hem te troosten; het waren eenvoudige gezegden, van weinig beteekenis, als men ze geschreven zou zien. Toch brachten zy hem tot bedaren; zij sterkten hem en gaven hem tyd en kracht, om tot zich zeiven te zeggen, wat in die woorden lag opgesloten, maar er niet door werd uitgelrukt; ja zy hielpen hem meer misschien, dan wanneer zij minder eenvoudig waren geweest.

Ik heb de groote denkers onzer eeuw gekend en ademloos aan hun lippen gehangen, wanneer de eene schoone gedachte na de andere zich kunstvol in woordenmuziek uitend, een waarheid in nog ongekende harmonie openbaarde. Toch ben ik vaak meer geroerd geworden, meer gesterkt en opgeheven door een eenvoudig woord, dat een driejarig kind zou kunnen herhalen, door een blik, een zucht, een handdruk, een niets, dat schier niets beteekende, dan door de krachtigste, meest welsprekende rede, aan de lippen dier meesters in het spreken ontrold.

-ocr page 134-

— 120 —

„Aurora lief,quot; sprak hij ten laatste met een flauwen glim-lacli op de bleeke lippen, „gelukkig liebben de drukkers met hun duivelskunsten uw hart niet kunnen bederven. En wie weet, of gij niet een weinig in uw recht waart, toen gij u, jaren geleden, by dat gesprek, dat wij voerden, zoo geraakt toondet. Gij ten minste hebt niemand door uwe droo-men te gronde gericht. Integendeel, gij hebt de zorgelooze jeugd een onschuldig vermaak verschaft, haar wellicht opgewekt tot dingen van hooger waarde dan uwe verzen. Het herderinnetje, dat ik op de bergen van Vaucluse, met het hoofd op de knieën, in de zon vond zitten slapen, haar kudde naar alle zyden verstrooid, doet minder kwaad dan de slecht gedresseerde herdershond, die uit overgrooten ijver de jonge geiten bijt.quot;

„Ik zie er dus uit, alsof ik geslapen had?

Hy scheen plotseling getroffen door iets in mijn gelaat. En gewis, in weerwii der enkele jaren, die ik jonger was dan hij, in weerwil van de reuzentaak door hem aanvaard, de uren lange redevoeringen in het Parlement, de vergaderingen, brochures, pamfletten, als stroo voor de woning eens zieken gestrooid — dienstig alleen om te toonen, dat er een zieke is en dan tot modder vertreden te worden; in weerwil van al het onderaardsch wroeten, kruipen en werken, waarbij hart en arm worden verwond, was het duidelijk, dat hij en ik, in den grond der zaak, niet even afgemat door het leven waren. Hij stond daar in zijn volle mannenkracht, slechts een weinig door den gloed van \'s levens zon gebronsd, terwijl ik... het was alsof geen zon mij had beschenen, zooveel jaren reeds was het geen lente voor mij geweest! Mijn wangen waren verwelkt en ingevallen; het warme, jonge bloed was er in verbleekt, wit geworden, als dauw op najaarscyclamen. Mijne oogen en mijn voorhoofd alleen herinnerden aan mijn oude gelaat.

„Aurora,quot; sprak hij, „gij zijt veranderd; gy zijt ziek!quot;

„Neen Eomney, alleen maar niet ingeslapen,quot; antwoordde ik met een zachten glimlach. „Ik denk, dat gij den dichter van Yaucluse minder slaperig dan de herders zoudt gevonden hebben. quot;Wat is de kunst anders, dan het leven op

-ocr page 135-

— 121 —

grooter, hooger schaal; het in telkens wijder cirkel al hoo-ger en hooger stijgen, hongerend naar het oneindige, naar het wezen der dingen, het ware zijn! Kunst is leven en waar geleefd wordt, wordt geleden en gewerkt.quot;

\'t Was of hij mij met zijn smartvolle oogen door en door wilde zien. „Grij neemt de zaak ernstig op, nicht; gij wijst het recht, dat gij in uw droomenland op rust in groene weiden hebt, van de hand; gij drijft de ploegschaar van het werkelyke leven door de geurige velden, waarop de nimfen dansten; gy velt de boomen in het woud der legende, om de personeele belasting te betalen. Waarlijk het zijn kwade dagen voor u, dichters, als gij zeiven uwe kunst niet op andere wijze prijzen kunt. En kunt gij het niet, waarom dan geen handwerk geleerd en der maatschappij tot nut geweest? \'t Zou uw jeugd minder duur te staan komen.quot;

,.Tot nutquot;, herhaalde ik op zachten toon, „ziedaar het punt, waarom wij altijd in zwarte kringen zweven, als zwaluwen gereed tot den tocht naar verre landen, over onbekende zeeën. En wij, waarheen gaan wij ?quot;

„Ja waarheen,quot; sprak hij met een zucht. „De geheele schepping verbijstert ons met vragen van het uur onzer geboorte af. Waarheen, waarheen? roept iedere steen ons na bij eiken stap op onzen vermoeienden weg. Ik laat steenen aan steenen antwoord geven; genoeg voor my met mijn menschenhart, dat ik acht geef op de roepstem van mijn geslacht, dat ik my niet afwend als menschen den hangen kreet doen hoeren, die al mijn zenuwen doet trillen: „Waar is hulp, waar is hoop, waar is brood voor \'t gezin, waar is brandstof voor den haard te vinden?quot; Daar moet een antwoord zijn, al faalt ook het mijne geheel. Deze sociale sphinx, die tusschen de graven en bordeelen zit, zyn schimpwoorden naar den kristallen hemel slingert en zelfs God tartend hoont, vereischt een antwoord van eiken man, die aan de zyde van God staat, zy het ook, dat hy er een sphinxprijs voor betaalt. Wij betalen dien immers ook, waar wy zwygen, in al de kwellingen van het medelijden? Laat my dan liever spreken en sterven. — Helaas, gij zult zeggen, dat ik spreek en dood.quot;

„Neen, neen,quot; viel ik in, „de besten weten, bij hun beste

-ocr page 136-

— 122 —

pogingen, mifischien zeiven het minst van het werk, dat zij tot stand brengen. Zelfs de nuttigste menseh op aarde is niets dan een ■werktuig. De spijker, die de plank bevestigt, moet het hout eerst doorboren en slechts Hij , die den hamer hanteert , ziet het werk ook door den eersten slag vorderen. Laat uw hart niet versagen.quot;

„O, dat ik het uwe had mogen verwerven,quot; zeide hij, „maar dat is thans voorbij.quot; En oprijzend voegde hij er bij : „Ik neem ten minste uwe goedheid, uwe bemoediging dankbaar aan. Lieve, wees gelukkig; zing uwe liederen, indien gij u daartoe gedrongen gevoelt, maar vergeet niet ook nu en dan te slapen en vermoei u niet te veel met ademloos naar de bergtoppen der poëzie te stygen. Bedenk, dat indien de kunst in waarheid het hoogere leven is, gij het lagere als steunpunt behoeft, om naar het hoogere te reiken. Niemand kan op de teenen gaan staan op een plek, die te klein is, om beide voeten op te zetten. Draag zorg voor u zelve ter wille der kunst.quot;

Zoo scheidden wij andermaal. Ik eerde en eerbiedigde hem, omdat ik hem verstond, de grootheid kende van zijn hart, de kracht zgner zelfverloochenende liefde. Maar hij — hj achtte mij te klein om zich te verwaardigen mij te leeren kennen. Hij blies mij van den smeltkroes, als een nietig, lastig insect, de moeite van zijn onderzoek niet waard, ter-wijl hij aan edeler voorwerp zijn aandacht wijdde. Zou hij een vlieg kwaad doen? Voor niets ter wereld! Hij was mee-doogend zelfs voor vliegen. „Gons,quot; zeide hij, „en ga voort mij te kwellen, arm insect, indien gij u daartoe gedrongen \'gevoelt.quot;

-ocr page 137-

gt;. A A A A f .f A A A .f A A AA A ^ A Agt; A * A A *,,*,, * * Ai.j. 4.f A.,^

N

VIJFDE HOOFDSTUK.

Wees nederig, Aurora Leigh. Hoe zou ik durven hopen, dat mijn lied zal samenstemmen met den mensch en de natuur? — Met het lavavocht, uit onnaspeurlijke melkwegen, dat van Gods vingeren druppend, zich tot nieuwe werelden condenseert; — met de ademlooze rust van den weelderigen zomerdag; de eerste levensteekenen der lente, als de sappen in beweging komen, de crocussen met haar gouden kokertjes door de aardkorst horen: liefelijke boden van den bloemen-schat, die volgen gaat; — met winterkou en herfstgetij en meer nog, met die grootere jaargetijden in het menschen-hart, als dit hoopt en vreest, juicht, lijdt en bemint; — met den gloeienden hartstocht der liefde, die het lichaam verslindt, terwyl hij der ziel een hooger wijding geeft; — met de glanzende moederborst, die zich in hare zuivere ron-. ding zwellend welft over het jonggeboren wicht; — met het

leven in al zyn volheid en bovenal —- met de heilige verrukking der ziel, wanneer zij, als een lang bedwongen vlam, in vurigen gloed omhoog stijgt en het stoffelijk omhulsel verteert, terwyl zij zich tot de onstoifelijke wereld opheft. — Zal ik tonen weten te vinden, die dit alles vertolken, zoodat de mensch zich met macht voelt aangegrepen en aan

-ocr page 138-

zich zeiven ontvoerd; zicii tegen wil en dank overmeesterd gevoelt? Neen, ik zal gewisselijk falen, ik, die reeds aanstonds tegenover één man in kracht ben te kort geschoten! En die man nog wel mijn neef en vriend en daarbij teeder van hart en helder van geest, niet gewoon bij de oppervlakte der dingen te blijven staan, maar tot den bodem der moeilykste kwestien doordringend. Tegenover mij echter is hij stompzinnig van geest, waar het mij geldt zonder belangstelling, zonder lust tot onderzoek! Hij is mij genegen, hy wenscht mij alles goeds, eene goede gezondheid, goede verdiensten, goede digestie, maar voor het overige ontwijkt hij mij, schuift mij — niet ongeduldg — neen zacht en vriendelijk op zijde. Het boek is te onbeduidend; een ernstig man leest het niet. — Wel, wees nederig Aurora Leigh!

Ziedaar, zoo gaat het altijd. Wij vrouwen zyn te veel geneigd naar het oordeel van één enkelen te vragen; dat doet de ware kunstenaar niet. Wij streven met alle macht om iets grootsch te volbrengen, minder omdat het groot is, dan omdat wij een zeker vriend willen toonen, dat wij niet klein, niet waardeloos zijn. Wij moeten een middelaar hebben tusschen ons hoogste geweten en den rechter. Het bloed van dezen of genen geliefden heilige moet leven brengen in onze aderen, of het hoogste leven zelfs mist gloed en beweging voor ons. Het Groede ter wille van het Goede en Gode alleen te behagen, dat komt ons te klein, te gering een voldoening voor. Ik herinner mij, dat Romney mij eens heeft gezegd, dat wij het abstracte niet vatten, zoodra wij begrijpen; wij vatten het nog veel minder, als wy er ons toe opheffen en te kort schieten.

Maar neen, niet aldus. Ik wil niet struikelen, omdat ik als vrouwen van min alooi mijn kleed in het stof laat slapen. Ik wil geen gedachte aan eigen ik dulden in den heiligen tempel der kunst. Moet myn arbeid vruchteloos zijn, omdat één man mij zijn goedkeuring onthoudt? Dat kan, dat zal niet. De roem zelfs, die goedkeuring van velen, is als doelwit armzalig, al treft ook de pyl, door een krachtige hand afgeschoten, het wit terstond in het hart. Ook wordt de hoogste roem slechts behaald, door naar iets, wat hooger

-ocr page 139-

— 125 —

dan roem is, te streven. De kunst ter wille van de kunst en het goede ter wille van God. het hoogste Goede, dat zij onze leuze. Naar het hoogste willen wij streven, het hoogste in het oog vatten, al blijkt ook onze vrouwenhand te krachteloos voor hare taak. En slagen wij niet... maar moeten wij ... zal ik niet slagen ?... De Grieken zeiden grootsch in hun tragisch woord: „Noem niemand gelukkig vóór zijn dood.quot; Noem niemand cwgelukkig vóór zijn dood, voeg ik er bij. Schat het werk niet, voordat de dag verstreken en de arbeid volbracht is, en breng dan uw maten en gewichten aan. Is het dagwerk klein, wel noem het klein; vergoelijk niet. Maar wyl ons streven eervol was, behandel ons eervol, al zyn wij vrouwen. Eer ons door waar te zijn, al kunt gij niet prijzen.

Mijne balladen waren voorspoedig, maar met balladen heeft een dichter, die gedachten en beelden met zich voert, spoedig afgedaan. In het sonnet kan hij, als Atlas, zyn eigen hemelgewelf met al zijn starren torsohen, maar dan moet hy roerloos stilstaan, geen voet verzetten.

In dat beschrijvende gedicht. „De Heuvelsquot; genaamd, waren de vergezichten te ver en te flauw, \'t Is waar, de kritiek prees het uitzicht, maar het publiek ging voor het fraaiste landschap niet aan het beklimmen van mijn boek. En het publiek heeft gelijk; een boom is brandhout, ten zij men hem beziele. Dat wisten de Grieken, toen zij zyn schors vervroolijkten met tal van nimfen, boezem tegen boezem geleund en den woud-stroom deden weerklinken van het babbelen en snappen der goden.

Wat ons betreft, wy zyn geroepen, om een nog inniger menschelijkheid in de lagere natuur aan het licht te brengen, indien wy niet door ware kunstenaars, als dorre bladeren znllen worden vertreden. De aarde door Adam\'s schuld als een Fakir in een kist gesloten, bleef verstijfd en verdroogd, een dood lichaam, niets meer, totdat Christus nederdaalde, het deksel oplichtte, de gesloten oogleden openwrong en met zijn koninklijke zalf de als leder geworden tong ontrolde en in beweging bracht. Sedert die ure leeft zy, heeft heugenis van het verleden, voelt al hare polsen kloppen, drinkt met

-ocr page 140-

— 126 —

eiken ademtocht nieuwe bezieling in, staat met het Al in eindelooze verbindingen. Thans hebben wg geen halfgoden geen Faunen, Najaden, Tritons en Oreaden meer van noode, om een bewustelooze wereld in bezit te nemen en als vampyrs uit te zuigen. Zie deze groene aarde, vleesch van ons vleeseh, even onloochenbaar menschelijk als dit ons lichaam, als deze doorschijnende aderen, waardoor ons hartebloed stroomt. Er is geen bloem nog vóór den zomer verwelkt, die er geen roem op draagt, dat zij, als symbool, door oorsprong, be-teekenis en overeenstemming, tot die geestelijke wereld behoort, die, buiten de grenzen van tijd en ruimte gelegen, het einddoel van onzen aardschen levensweg is.

Laat de dichter dit in menschelijke woorden kleeden, of, kan hij de gedachte niet vatten, zich zeiven op lager standpunt stellen; zich een onbekwamen tolk verklaren, die door de eenvoudigste sleutelbloem wordt beschaamd.

Zoo slaagde dan ook myn herderszang niet; het was een boek dat niets dan de oppervlakte schilderde, fraai, koud, onwaar, een letterlijke oopie — niet slecht geschreven, maar juist daarom, geloof ik, nog minder goed. Laat ik terstond mijn afkeuring van zulk werk uitspreken, en voortaan betere dingen doen. — Wat zou het publiek mijn nederigheid prezen , indien het deze mijne bekentenis hoorde, en toch, hoe hooghartig zyn wij, als wij op ons zeiven durven nederzien!

De kritiek zegt, dat het heldendicht met Agamemnon en de Olympische goden gestorven is. Ik wil het niet gelooven. Ik heb nooit kunnen toegeven dat de Homerische helden twaalf voet lang waren. Zij waren slechts menschen. Helena\'s haar vergrijsde zoo goed als dat van Miss Smith , die een tour draagt, en Hector\'s zoontje was bang voor een vederbos, zooals laatst bet uwe voor een kalkoenschen haan. Alle ware helden zijn bovenal menschen en alle menschen mogelijke helden. Iedere eeuw, heroïsch van afmetingen, met dubbel aangezicht naar achteren en naar voren gericht, verwacht een morgen en eischt een heldenzang.

Ja, maar iedere eeuw komt aan hem, die er in leeft (vraag het Carlyle maar) zeer onheroïsch voor. Daar hebt ge de onze: De denkers verachten haar en er zyn dichters, die haar met

-ocr page 141-

— 127 —

geen vinger zouden willen aanraken. Een eeuw van tin, met zilver bfistreken; een eeuw van schuim, van rijker verleden afgeschept; een eeuw van lappen op oude feestgewaden; een eeuw van overgang zonder beteekenis, tenzij om, als Grod wil, door een volgende beschaamd te worden gemaakt! Dat is onwaar gedacht in mijn oog, en onware gedachten maken zwakke gedichten.

Iedere eeuw wordt slecht gekend door wie er toe behooren, omdat deze haar op te korten afstand beschouwen. Denk u den berg Athos naar het plan van Alexander tot het beeld van een kolos uitgehouwen; meent ge, dat de landlieden, die hout kwamen sprokkelen in zijn oor, daar omhoog meer, dan de knabbelende geiten, van een menschelijke gedaante zouden hebben bespeurd? Neen, zy zouden uren ver hebben moeten gaan, om het reusachtig beeld te herkennen, om het menschelijk profiel, den neus en de kin te onderscheiden, den mond te zien, hymnen van stilte ten hemel zendend en door het bloed der avondzon gedrenkt; grootsch torso, wiens hand eeuwigdurend een zilveren rivier nederzendt, die den ganschen omtrek besproeit en verkwikt. Niet anders is het met den tijd, waarin wij leven: te grootsch om van nabij omvademd te kunnen worden.

Maar dichters behoorden dubbelzieners te zijn; oogen te hebben om het naastbijgelegene even breed op te vatten, alsof zij het van verre beschouwden, en het verwijderde even scherp te onderscheiden, alsof zy het met de hand konden bereiken. Ik stel geen vertrouwen in den dichter, die in zyn eigen eeuw karakter noch glorie weet op te merken, die zijn ziel vijfhonderd jaar doet terugrollen , door slotgracht en over ophaalbrug heen, om op het voorplein van het kasteel — o, niet een hagedis of kikvorsch, levende in de sloot daar, te bezingen; dat ware vergeeflijk — maar den een of anderen norschen hoofdman, half ridder, half schapendief, of de eene of andere schoone slotbewoonster, half lijfeigene, half koningin, beiden al even levenloos als de voor :t meeren-deel dood geboren gedichten aan hun ridderlijk gebeente gewijd. Green wonder, de erfenis van den dood is de dood.

Neen, zoo er in deze overbevolkte wereld nog plaats is

-ocr page 142-

— 128 —

voor dichters (en dat geloof ik vast), dan is de eenige, hun aangewezen taak vertegenwoordigers te zijn — niet van de eeuw van Karei den Grooten — maar van hun eigen, hun van leven trillende eeuw, die raast en snoeft en tot waanzin voert, die berekent en naar het hoogste smacht; tusschen de spiegels van wier gezelschapszalen meer hartstocht, meer heldenvuur gloeit, dan Roland met zijne ridders te Roncevaux ten toon spreidde. Zich van het moderne vernis, van overjas en overrok af te keeren, en slechts van middeleeuwsche kleurenpracht of van toga en tunica te willen weten, is doodend voor de kunst en belachelijk tevens. Koning Arthur in persoon was voor Lady Grenoveva alledaagsch, en Camelot kwam den troubadours al even eentonig voor, als Fleetstreet in het oog onzer dichters is.

Niet teruggedeinsd dus, maar in de gloeiende lava van een lied aan de eeuw een gestalte geschonken, de volheid van haar leven, haar onstuimig bonzend hart, haar zwellende borsten in beeld gebracht. Dan zal een volgend geslacht met eerbiedige hand dat afgietsel betasten en spreken: „Ziehier de bronnen der moedermelk, die wij allen gezogen hebben; \'t is of deze boezem nog klopt, zoo doet hij den onzen kloppen; voorwaar dit is levende-kunst, want het ware leven beeldt zij af en vereeuwigt zij.quot;

Welke is de beste vorm voor een gedicht?—-laat ik minder aan vormen en uitwendigheden denken. Laat ik aan den geest overlaten, om, evenals de koninklijke natuur, zich zeiven vormen te scheppen. Doe ik het niet, dan kerker ik hem, maar belichaam hem niet. Van het inwendige tot het uitr wendige, zoo is het in het leven; zoo is het ook in de kunst, die evenzeer leven is.

Vijf bedry ven om een treurspel te maken ... En waarom geen vijftien, geen tien, geen zeven? Wie vraagt naar het aantal bladeren, zoo de boom maar leeft en groeit? Welk een dwaasheid, letterlijke eenheid van tijd en plaats te eischen, waar het juist het wezen is van den hartstocht, om zich van tijd noch plaats bewust te zijn. Onderhoud het vuur en laat de vlammen haar eigen gedaante kiezen.

\'t Is waar, het tooneel eischt onderwerping aan enkele

-ocr page 143-

— 129 —

aangenomen gebruiken. Men moet laten op- en aftreden; men moet zorg dragen voor punten, waar liet handgeklap kan invallen, de krullen eener levendige verbeelding doen vallen als de wol van Jacob\'s lammeren onder de schaar van den scheerder. Verzuim de bovenste gaanderijen, met het vierde bedrijf in het hart te treffen, zet één bedrijf meer op den top uwer vijf bedrijven hooge pyramide — gij zijt verloren , uw vonnis is geveld. Shakespeare\'s schim zelfs zou vruchteloos voor u pleiten. — Welaan dan, laten wij het opgeven en ons troosten met de gedachte, dat in de vorige eeuw, op ditzelfde tooneel, in deze zelfde tragedie, waarin wij zijn tekortgeschoten, een Hamlet zonder pruik even zeker gevallen zou zijn.

Wie waarachtig dichter is, bekommert zich om niets, dan om de kunst. Hij schryft niet voor u, of voor my, voor Londen of Edinburg; hij duldt niet, dat zelfs de beste criticus de zonnestralen van zijn vrije gedachten, zijn inwendig aanschouwen onderscheppe en hem dwinge één vingerbreedte van de geheiligde paden af te wijken. Is deugd, om populariteit betracht, onteerend als de zonde, hoe zou de kunst, om lof of loon gediend, hare reinheid en heerlykheid kunnen bewaren ? Wacht u voor zulk een dienstbaarheid. Wat de dichter schrijft, dat schrijft hij. Valt liet in den smaak, dan wordt het door het menschdom aanvaard en geprezen; dat is succes. Voldoet het niet, dan gaat het zwijgend van hand tot hand en nogmaals van hand tot :hand, totdat de nakomeling het bemachtigt en een kreet van meelijdende verwondering doet hooren, omdat het voorgeslacht zóó blind, zóó stompzinnig is geweest: ook dat is succes.

Ik wil geen drama\'s schrijven, want het drama kan dit liooge standpunt niet innemen. Het moet zich naar minder eisclien voegen, tot huiselijker diensten leenen, den smaak van liet publiek tot maatstaf nemen voor de hoogte, waartoe het zich verheffen zal. Het draagt een hondeketting om den fleren nek, het moet zich tot dienaar der heerschende mode laten dresseeren. Het vleit de loges en het parterre, die in de handen klappen en het meest van al de gedweeheid roemen, waarmee het zich weet te schikken naar de kunstgre-

9

-ocr page 144-

— 130 —

pen van liet tooneel. Mist het die volgzaamheid, dan wordt het uitgefloten, gejouwd, gestampt; getrapt als een hond of nog erger. Want een hond, die onrechtvaardig geschopt wordt, kan bijten des noods. Niet aldus de dramaticus. Wordt hij door vijfhonderd nullen, wier brein natuurlijk te grof is, om de fijnheid van zijn geest te waardeeren, verongelijkt en laat hij maar even de tanden zien, een enkel hoffelijk woord van tegenspraak hooren, dan kan hij er zeker van zijn, dat hij behalve de vijfhonderd nog vijf, nog tienduizend nullen tegen zich in het harnas jaagt, ja, zich weldra door al de ezels van koning Saul\'s vader op de hielen zal zien zitten. En dat heeft hy verdiend. Hij heeft zich dezen tot rechters gekozen, hun blaam is niet dwazer dan hun lof. Ween mijn Aeschylos, maar ween zacht en ver op Sicilie\'s kust. Want daar het Athene is geweest, —zoo althans vat ik de mythe op, — dat het noodlottig gewicht op u heeft doen nederdalen, dat u door de schildpad, koud en hard, heeft doen verpletteren, zal het doof zijn voor uw krachtigst protest, terwijl het gewillig het oor leent aan het zachtst gegons van Hyblan\'s bijenzwerm. Ween Aeschylos, buig het hoofd, bedek uw kalen schedel met uw mantel.

En op het moderne tooneel waagt men nog meer. Het succes is er mij de moeite van het behalen niet waard, en voor meer tastbare, winst waagt men, in myn oog, te veel rust en gemak. Wie deze prijzen begeert, hij jage er naar; ik ding niet mede.

En toch, de hemel verhoede, dat men oneerbiedig of met onreine verbeelding de troonzaal van het drama betrede, waar de koningen der kunst, wien het doorluchtig bloed van een glorierijk voorgeslacht door de aderen stroomt, in hoogheid gezeten zijn, en hun vorstelijk werk verrichten. Waar zij ontwerpen, gebieden en hun gloeiende verbeelding mannen vol daadkracht, vrouwen vol levenswarmte in het aanzijn roept; menschen, zoo gedrongen zich in hart en brein en zenuw uit te leven, dat zy der menschheid het getuigenis afdwingen: „Dit zijn menschen als wij zijn; eere aan Imo-geen en Julia, liefsten onzer bloedverwanten van de zijde der kunst.quot;

-ocr page 145-

— 131 —

\'tis dat ik, de volle waarde van het drama erkennende, het niet gaarne gelyk met het voetlicht zie blyven. Van het Baechusoffer is geen sprake meer; voor de brekende oogen van den in zyn bloed badenden bok dwarlen de witte gewaden der koorzangers niet langer; de schetterende tonen van den dithyrambus stijgen niet langer met de altaarvlam naar den tintelenden blauwen hemel. Het wassen masker, dat het fier en kalm gelaat van Themis\' zoon voor het be-weeglijk aangezicht van den tooneelspeler bond, de cothurn, waarop hij zich verhief en bewoog, gelijk een schip, dat bij de eerste bries, die het zeil doet zwellen, langzaam en statig zeewaarts dry ft, het mondstuk, dat de menschelijke stem met al haar horten en haperen in een metalen koker sloot en de volzinnen met gelijkmatige kracht als verstaanbare donder door de ruimte deed rollen — dat alles wat eenmaal bestond heeft uitgediend. Heeft het drama in zyn ontwikkeling die hulpmiddelen ter zyde gesteld, van een voorgewende gestalte, een gemaakt gelaat en geluid niet meer willen weten, wat weerhoudt my de mogelykheid te stellen, dat liet gaandeweg ook aan geschilderde wanden en coulissen, aan acteurs, souffleur, aan voetlicht en costuum zal ontgroeien ? Dat het de ziel zelve met haar wisselende beelden en haar hemelsch licht tot waardiger tooneel zal kiezen? Dat het grootsche zwijgen, op hare rhythmische ontboezemingen volgend, de muziek zal worden, die de pauzen vult?

Helaas, ik zie wel wat gedaan zou kunnen worden, maar, al put ik mijn krachten uit, mijn kunstwerk blyft verre beneden mijn innerlijk visioen. Lange, groene zomerdagen, voor mij even arm aan lommer als aan zonneschijn, lange, stille nachten, waaruit de zoete slaap werd geweerd, weest getuigen voor mij, dat mijn arbeiden op kunstgebied noch het oneerbiedig haasten, noch het bezig beuzelen van den dilletant mag worden genoemd. Welnu, wat is gewrocht; wat is eindelijk voortgebracht?

Een boek — ten laatste een boek! Is er hartebloed toe noodig — en ja, bij den blauwen, zwellenden ader op Ma-homets voorhoofd, het werk van eiken dichter-profeet moet van dat bloed de sporen dragen — bezit hartebloed vrucht-

-ocr page 146-

— 132 —

Waarmakende kracht, welnu, ik heb het mijne op elke bladzij doen druppelen... ten zij de zware droppels ter zijde zijn gerold en het blad is droog gebleven. Dat gebeurt wel meer. Menige vurige geest schryft boeken, glad en koud als een grafzerk, waarvan het mos is geschrapt, en had Saint-Preux zijn eigen brieven zelf geschreven, wij zouden nooit in de gelegenheid zyn gesteld, om te weenen bij de gedachte aan het kleine vlekje onder Julia\'s neergeslagen ooglid. Hartstocht is iets wat wordt ondergaan en geleden.

\'t Is de taak der kunst om de daad op den top van het lijden te zetten. Des kunstenaars deel is beiden te lijden en te handelen; door een hem eigen, inwendige kracht de meest alledaagsche levenservaring van den gewonen mensch tot op den bodem te doorwoelen en met forschen greep, half in vertwijfeling, half in vervoering, dat, wat hij het innigst gevoelt, uit het diepst zijner ziel naar buiten te rukken. Meen niet, dat hij het minder doorleeft, omdat hij het bezingt. Brandt een fakkel met minder gloed, omdat hij tus-schen stalen reflectors brandt? En zou hij dan kouder zijn, omdat hij zich tusschen twee nooit geblusohte vuren ziet gesteld — het vuur van zyn eigen persoonlijk leven en de gloeiende stralen, welke die vurig lichtende bol, het bewustzijn eens dichters, onophoudelyk op hem afzendt? O droevig grootsche gave van een tweevoudig leven, den dichter geschonken, als één leven reeds zwaar, reeds pijnlijk genoeg blijkt te zijn! Geroepen om als halfgoden onwrikbaar recht te staan, maar als sterfelijke wezens waggelend en gebogen onder onzen reuzenlast, torschen wij het ondragelijk gewicht van al het woelen en streven en lijden der mensehheid, en zenden met een door mensehelijke snikken afgebroken stem onze dichterzangen naar den hooge, om rijmen te vinden by het starrenheir.

Maar stil — „een dichterquot; dat is spoedig gezegd, evenals een boek spoedig geschreven is. En waarlijk, hoe minder zeker men dichter is, hoe zekerder men een boek het licht doet zien.

En het mijne hier? — Al kan ik niet ontkennen, dat er genoeg hartstocht uit spreekt, om het niet geheel vlak en

-ocr page 147-

— 133 —

kleurloos te doen zijn, toch kan hartstocht alleen een boek, de inkt en het papier, er aan verbruikt, niet waard maken. Waterbellen rondom een kiel, bewezen alleen, dat het schip in beweging is. Er is meer noödig dan hartstocht, om een mensch en om een boek — dat ook een mensch is — te maken.

Ik hen mismoedig gestemd. Ik vraag mijzelve af, of Pygmalion deze twijfeling heeft gekend; of hij , toen hij het harde marmer warm en week voelde worden onder zijn vurige omhelzing, voelde tintelen en prikkelen onder zijn gloeiende kussen, zich door zijn zintuigen bedrogen waande. Meende hij, dat de bovenmenschelijke inspanning om een eeuwige, ongekende schoonheid in het leven te roepen, zyn hart snel en krachtig genoeg voor twee deed kloppen, hem met de schittering van zijn eigen leven verblindde? Neen, Pygmalion beminde, en wie bemint, twijfelt aan het onmogelijke niet.

Maar ik ben mismoedig; ik kan mijn eigen werk niet hartgrondig beminnen. Het bleef zooverre beneden mijn inwendige schepping; ik had myn denken en droomen zooveel waardiger gepaard. Daar storten zij neder, mijn geschriften, door mijn Phoebus Apollo in het hart getroffen, hij, de ziel mijner ziel, de rechter, die het beoogde tot maatstaf van het volbrachte neemt. Van uit zijn hoogte heeft hij ze voor mijn oogen met zijn zilveren pijl doorschoten, terwijl ik zwijgend daarnevens stond. Waarom zou ik niet zwijgen ? Ik heb den kunstenaar niets dan een grooter mensch genoemd; hij kan ook kinderloos zijn als een mensch.

Ik arbeidde in mijn eenzaamheid voort. Wind, stof en zpn verschroeiden mij het gelaat; de hoop nu vóór, dan tegen mij, sleepte mijn geest als een gevallen luchtballon mede, door dorre en bloeiende struiken gelijkelijk gehavend. Soms scheen ik mijn doel schier te bereiken, en edelmoedige zielen vuurden my aan en riepen: „Wees sterk, verlies den moed niet, dra zijt ge op onze hoogte; nog één stap en gij zyt gered.quot; De lof dreef mij voort, maar een oogwenk slechts rustend om adem te scheppen, kon ik toch de verzuchting niet weerhouden: „Is dit al wat volbracht en al wat ver-

-ocr page 148-

— 134 —

worven is? Is dit nu succes? dan is het droeviger nog dan falen!quot;

O! mijn God, mijn God, o hoogste kunstenaar, die voor het grootsche wonderwerk uwer schepping van ons niets dan een woord. . . een naam... den vaiernaam vraagt; mijn vader, gij, gij alleen beseft, hoe vreugdeloos de vrouw kan zijn, die in het winteravonduur aan haar eenzamen liaard gezeten, zich van verre door de volkeren hoort pry zen. Te verre helaas! Hoort prijzen om den gloed, waarmee zy de liefde weet te schilderen, om dat vurig beminnend vrouwenhart, dat zoo niet kloppen kon in haar lied, als het niet daar was op hare ongekuste lippen, in hare oogen, waaruit de traan niet werd gewischt, omdat er niemand is, die haar vraagt, wat haar weenen doet.

Alleen te zitten en zich tot opbeuring voor te stellen, hoe in datzelfde avonduur een minnend paar, wang tegen wang geleund en naar elkanders ademhaling luisterende als naar de zachtste muziek, samen lezen in het boek, dat wy hebben geschreven en nu en dan elkander getroffen in de oogen zien, als zy uit een of ander vers hun eigen gedachte hooren spreken, hun eigen stemming voelen vloeien: — „Dat voel ik voor uquot;. — „En ik voor u; deze dichter weet wat onvergankelijke liefde is!quot; — Of hoe een vader, van den donkeren, guren buitenweg zijn vroolijk verlichte huiskamer binnentredend, uit de juichende kinderschaar eerst het jongste in de hoogte tilt en met zyn besneeuwden baard de warme, weerstrevende kinderlippen kust, en daarna zijn oudste, onder wier fluweelen wimpers sedert kort een nieuw, nog zachter, dieper licht zoekt weg te schuilen, ons boek in den schoot werpt en zegt: „Daar,, gij houdt van gedichten; daar hebt gy gedichten om, als April in het land is, onder een boom te gaan liggen lezen. Ik hoor, zy zyn beter dan anderen; zy doen de harten snel, maar niet onrein kloppen. Het boek is voor u; ik zal er uw naam in schrijven, dan vergeet ge, hoe ver ook door den dichter in het droomenland gelokt, niet hoe uw vader ook u niet vergat, toen hy uit stad komend in het donker huiswaarts reed.quot;

Onze boeken, aldus door de liefde geprezen, met de liefde

-ocr page 149-

— 135 —

verbonden te weten en zelf vreemd aan liefde te zijn! Dat is hard, meent ge? — Vroolijk is liet zeker niet. Men heeft gezegd, dat ook roem niets dan liefde is, maar het was een man, die het zeide. En dan, daar is liefde — en liefde. De liefde van allen (om op mijne beurt eens een vrouwenparadox te wagen) is klein bij de liefde van éénen. Zeg aan een hongerig kind, dat het tevreden moet zijn met de erfenis van een aantal korenvelden; wat baat het! het blijft krijten dat het honger heeft. Het heeft liever dat gerstenkoekje, dat gij in de hand houdt, terwijl gij zyn oogsten optelt. Zoo gaat het ons ook; (ook hier, Eomney, kunnen wij het geheel niet omvatten!) wij hebben honger.

Honger.... maar dat is armzalig, dat is laf, als ongespeende kinderen te schreien en op onze duimen te zuigen, omdat wij voedsel verlangen. Wie heeft nooit honger geleden in deze wereld, waarin wij misschien juist zijn geplaatst, om te bidden en te vasten en te leeren wat goed is, door het tegenovergestelde te ondervinden. Wee hem, die zich door het maal bevredigd gevoelt. Is Ugolino verzadigd, dan heeft hij in iets afschuwelijks, iets onnatuurlijks de tanden gezet. Want verzadigd zijn bewijst hier, dat men gebrek lijdt aan iets wat onherstelbaar verloren is. En daar het geschreven staat, dat wij honger lijden moeten, welnu, dan liever de liefde eens mans dan de waarheid Giods, liever dierbare metgezellen dan een heilige overtuiging ontbeerd. Dragen wij onzen last en laten wij een ongezelligen haard boven een ledige ziel verkiezen.

Men zegt, dat wij, die dichten, afgunstig op onze kunstbroeders zijn, maar — misschien omdat ik vrouw en dus idet sterk in het dichten ben — ik ben in het benijden niet sterk. Ik heb nooit Graham om zijn forschen stijl benijd, die u het fraaiste perspectief van het volle leven geeft, maar dit onbesuisd met een paar vlekken bekladt, (een by-ziende critiek ontleedt om te bekladden). Ook Belmore niet, om de eenheid van het doel, waarnaar hij, fijn , als een teekenaar zyn potlood, het cederhout van zyn gedichten punt — noch Mark Grage om die zachte, streelende tinten en dat klankgetoover, waardoor ge u, op de golven der zinnelykheid

-ocr page 150-

— 136 —

wiegelend, voelt meevoeren, tot een hooger golf n opheft in reiner element en u by Plotinus doet aanlanden. Geen dezer heb ik om de gaven hun geschonken, of om de toejuiching der schare, die hun deel mocht zijn, benijd. Maar wel daarom, dat, als deze of gene bij toeval zegt: „Zie, daar gaat Belmore, een groot man, die afgewerkte kunststukken nalaat; geen ander noodig heeft om zijn spaanders en krullen bijtevegenquot;... ik in de bruine oogen van een meisje, dat ik ken, een antwoord lees, door de lippen niet uitgesproken, een glimlach zie rijzen, alsof een schutsengel daar binnen lacht. Maar wel daarom, dat, als Mark Gage thuis komt, hij de revisie-bladen van zijn laatste werk zijn moeder op den schoot kan leggen, denzelfden schoot, waaraan hij jaren géleden heeft leeren spellen, als een vogeltje de letters tjilpend van haar lippen pikkend. „Goed zoo, jongen,quot; klonk het in die dagen en klinkt het ook thans op denzelfden toon. Maar toch dit laatste „goed zooquot; treft hem dieper gewis, omdat het heden en gisteren tot een volmaakt liefde-accoord verbindt. En daarom Mark Gage benijd ik u uwe moeder! — En u Graham benijd ik, omdat gy eene vrouw hebt, die u zoo liefheeft, dat zij soms bijna vergeet er trotsch op te zijn Graham\'s vrouw te worden genoemd, totdat een vriend komt en de opmerking maakt: „Die jongen daar heeft het massieve voorhoofd zijns vaders verkleind in was geboetseerd. .. zie maar, als ge zijn krullen naar achteren strijkt.quot;

Wie bemint mij? „Dierbare vader — liefste moederquot; — ik spreek die woorden nu en dan in myn eenzaamheid uit en doe de stilte huiveren. Zij klinken vreemd als Hindostansch in het oor van een Indiër, die sedert jaren niets dan En-gelsch heeft gehoord, of als een lievelingslied uit onzen jeugd dat, hoe verouderd ook, voor ons zijn zangerigheid behoudt. Daar boven in een glans van hemelsch licht heb ik een vader en een moeder, maar voor het gezellig, huiselijk, da-gelijksch gebruik niet meer, neen niet meer. Het beste gedicht van deze hand kan hen niet meer bereiken, kan niet „goed zooquot; zijn voor hm. De dood vervreemdt, richt een onoverkomelijken slagboom tusschen levenden en dooden op, doet ons uiteengaan als bij Babel\'s torenbouw, omdat wij

-ocr page 151-

— 137 —

plotseling elkanders taal niet langer verstaan. Een levende Cesar zou den moed niet liebben, om te kegelen met éénen, die aan mijn dooden vader gelijk is.

En toch is deze scheiding en verandering misschien minder groot dan men denkt. Vijf muschjes voor twee pennings-kens, en God neemt ze elk in zijn hoede. Is God niet te groot voor het kleine, zou een schepsel het dan zijn, omdat hij tot God is gegaan. Ik ken mannen ernstig, waarheidlievend, volkomen hij hun verstand, die gedacht of gedroomd, verklaard en gestaafd hebben, dat zij met hun eigen ooren de dooden hebben hooren tikken, als een klok, die de uren van de eeuwigheid aanwijst. Mannen , die volkomen overtuigd zyn, dat menschelijke geesten in het menschelijke blijven deelen en lyden onder de onzinnige vrees, die zy inboezemen en waardoor zij zich teruggestooten zien, zoo vaak zij met de levenden in verbinding zouden willen treden.

\'t Is mogelijk. In elk geval scheidt de aarde ons even goed als de hemel, \'t Is bijvoorbeeld nu reeds volle achttien maanden geleden, sedert ik Kom ney Leigh heb gezien; nog zes en het is twee jaar. Men zegt dat hij de handen vol heeft met goede werken; dat liij van Leigh Hall armenhuizen heeft gemaakt. Op zekeren dag heeft hij van zijn eigen hart een armenhuis gemaakt, waarvan de deur nu altijd aanstaat; men belioeft de klink slechts op te lichten. Ik heb\'dit nooit gedaan. — —

Uitgaan ontstemt mij altijd. Dat heeft het heden avond ook gedaan; al het licht en gepraat bij lord Howe heeft my vermoeid. Zijn vrouw met haar glanzige vlechten, haar gelijkmatige stem en groote kalme oogen is een bevallige verschoning. Een weinig koud en hoog, maar haar bloed heeft ook zoo lang reeds in het hertogelijk reservoir gestaan, dat zy zonder aanmatiging haar geslacht noemt! Zij is niet trotsch; niet trotscher dan de zwaan op den vijver, waarin hy altijd heeft gezwommen; deze is haar element; zy beweegt er zich met een natuurlijke gratie in, als onbewust van de kikvor-schen aan den kant. Zij weet misschien wel dat er menschen zijn, die zonder koerier reizen, maar dat kan zij niet helpen. Het is merkwaardig haar gade te slaan, wanneer die goede

-ocr page 152-

— 138 —

Lord Howe zijn theoriën omtrent gelijkheid en sociale recht-vaardigheid ontvouwt. Met welk een teedere verdraagzaamheid luistert zij toe! Want zij heeft hem lief, zij hoort hem gaarne spreken. „Hij is zoo knap, die beste, die wonderlijke Algernon.quot; \'t Is of hij een Xoorselie mythe vertelt, te aardig en te onzinnig om weersproken te worden.

Zy is vriendelijk tegen mij , omdat ik tot de vrienden van haar man behoor. Zij zou even vriendelijk zyn, als ik geen Leigh was, want zij heeft denzelfden stereotypen glimlach voor Joseph Strangways, de magnetiseur uit Leeds eu voor Delia Dobbs, de Amerikaansche, die lezingen over de vrouwenkwestie komt houden. Wat haar echtgenoot betreft. .. ik houd van hem; hij is myn vriend. En al de zalen waren vol ruischende zijden slepen, die het fijne stof van de fijnste buigingen deden omhoog rijzen. Wat verder ? — Verder niets; niets, dan dat wij thuis gekomen ons droefgeestig gestemd voelen.

Wat liefelyke verschijning was hedenavond eene, die ik niet lief heb. Zij is zoo mooi Lady Waldemar! Haarkamenier heeft beide handen noodig, om de zware tressen bijeer. te voegen en toe te zien dat geen dier kronkelende bronzen ringen kan ontglippen. Toch heeft zij een enkel grijs haar over het hoofd gezien; — ik zag het; voor het overige ziet zij er onsterfelijk uit, deze vrouw! Wat vielen zij in het oamp;g, die albasten schouders, die melkwitte boezem, waarin de parelen als verdronken, slechts de aandacht trekkend door hun robijnen sluiting. Tot op het middel schier spleten ze het purper fluweelen keurslijf van één, onder het rijzen en dalen dier volle, weelderige vormen. Ware het hart daarbinnen maar half zoo blank. Maar dan ware de boezem misschien minder zichtbaar en de aanblik minder treffend, — Een jongen man met het voorkomen van een Dnitseh student — scherpe trekken, die een voortzetting schenen van de lijn, welke het lange haar midden op het hoofd in tweeën kliefde, hoorde ik zacht tot zyn buurman — een veertiger en vol midden-eeuwsche begrippen, zeggen: „Zie naar die zijde Sir Blaise; dat is Lady Waldemar — daar, links... in het rood... Zij gaat trouwen met Rotnney Leigh, den knapsten man, dien wij op het oogenblik bezitten.quot;

-ocr page 153-

— 139 —

Sir Blaise Delorme antwoordde afgemeten en plechtig, alsof hij op zijn veroordeelend standpunt een natuurlijke wijze van spreken beneden zich achtte: „Is Leigh uw knapste man? Dezelfde niet waar, die een paar jaar geleden door een trouweloos jong meisje, dat hij uit de volksklasse had opgenomen, bedrogen en verlaten is? Thans schijnt hy voor de verandering een bloem aan de andere zyde van de sociale doornhaag te hebben geplukt.quot;

„Een bloem! een bloem!quot; riep myn Duitsche student haar met de oogen schier verslindend. Hij was twintig, dat zag men.

Sir Blaise vervolgde op vriendelijk aanmatigenden toon, alsof hij een aalmoes in een hoed had geworpen en daar nu nog wel een goeden raad aan toe mocht voegen: „Mijn jonge vriend, ik twijfel of uw knapste man knap genoeg zal zijn, om voor zyn heidensch phalansterie of zijn christelijk tehuis iets wat naar hulp of steun gelijkt van zulk een opgetooid schepsel te erlangen.quot;

„Heerlijk schoon,quot; murmelde mijn opgetogen student. „Zie die houding eens! Zij buigt het hoofd een weinig, alsof zij werkelijk een bloem ware en een zuchtje van ons spreken haar van verre bereikte.quot;

Waarop die heftige Grimwald, (dezelfde die in de „Dageraadquot; schrijft), oogenschijnlijk in een album met autogra-fiën verdiept en zeker bezig in zedelijken zin het gebeente van al die schrijvers met het grootste welgevallen te vermorzelen, zich met een korten, ruwen lach omkeerde: „Een bloem? Wel zeker! Zij naait niet, zij spint niet, noch bekommert zich om haar kleêren — die afvallen,quot;

De student keerde zich van hem af, als van een stekend insect. Sir Blaise evenzoo en daarop vervolgden beiden hun gesprek, zonder den criticus verder met een woord te verwaardigen.

Die goede Sir Blaise heeft een opmerkelijk hoog voorhoofd, maar verbazend smal. Een rukwind zou hem, meent ge, plotseling van dak kunnen berooven en de bovenste verdieping van zijn hoofd, dat pakhuis vol middeleeuwsche reli-quien, doen wegwaaien. Gij bewondert den neus in profiel,

-ocr page 154-

— 140 —

ofschoon ge de kin voorbijziet. Maar al let ge deze niet op, liet ebbenhouten kruis, door een heiligen monnik als boetedoening voor aanvechtingen des vleesches gesneden, ontgaat n zelden. Hij draagt het, naar het heet, op de bloote borst, maar toevallig kruipt het altijd hier of daar door eei^ kleine opening heen. Hij zat er als in gedachten mee te spelen, terwijl hij op zachten toon sprak — op de sofa, waar ik zat, kon ik hem woord voor woord verstaan;

„Mijn beste jonge vriend, als wij, gelijk de gezegende heilige Lucy, onze oogen op een schotel konden dragen, zouden zij ons niet verlokken, om een vrouw te kiezen, alsof wij ter wille van de kleur een kleedingstuk uitkozen. Onze vaders deden niet alzoo en daarom, als zij eenmaal den sleutelring aan het voorschoot hunner uitverkoorne hadden bevestigd, was het aan de trouwe vervulling harer plichten, dat deze hare waardigheid dankte. Haar moederborst was het heiligdom van haar kroost en als een moralist iets in haar kleedij vond te berispen, dan heette het: „Te veel stijfselquot; en niet; „Te weinig kamerdoek.quot;

„Bah,quot; hernam de ander op verachtelijken toon — hij scheen een weinig verstoord, omdat hij „jonge vriendquot; werd genoemd — „in naam der heilige Lucy — zoo dit ten minste de heilige is om by te zweren — laten wij onze vaders met rust; onze zonen maken het ons lastig genoegquot; —hij streelde zijn baardelooze kin —„ja, lastig genoeg, mijnheer. De komende geslachten liggen ons als een nachtmerrie op de borst. Al ons doen en laten, ja ons eten en drinken wordt tot een pijnlijke profetie. Ik bid u, waar zouden wij, al wilden wij, tijd kunnen vinden om onze vermoeide handen voor uw flikkerend nachtlicht van het verleden te houden, ten einde den tocht af te weren, die uit het voorportaal komt? Moraliteitsbegrippen, huwelijkswetten ! ... Niets dan vooroordeel! Terwijl wij spreken, brandt dat alles in de pijp van uw kandelaar, al protesteeren reukorganen, overfijn als de uwe, ook tegen den stank, die daardoor wordt verspreid.quot;

„Gij zijt jong,quot; was Sir Blaise\'s tegenwerping.

„Dat mag zijn,quot; hernam de ander met vuur — „hoewel minder dan het schijnt — maar in elk geval zyn het de

-ocr page 155-

— 141 —

jeugdigen, die vooruitloopen en de dingen zien, die komende zijn. Eerbied voor de jeugd is mijn leuze. In die nieuwe kerk, waarvoor de wereld bijna rijp is, zult gij de jonkheid op het gestoelte der oudsten zien, met het ivoren voorhoofd der hoop het voorzitterschap bekleedend over de doorploegde aangezichten, door de klauwen van den roofvogel, dien men levenservaring noemt, geteekend.quot;

„Geef mij uw zegen, mijnheer,quot; sprak Sir Blaise schertsend. „Ik heb van morgen een grijs haar uit mijn baard geplukt en dat maakt mij uwe mindere. Was ik maar achttien en dus waardig u de les te lezen. Indien jonge mannen, zooals gy, vooruitloopen, om dingen te zien als de ontbinding van alle moraliteits- en huwelijkswetten, met andere woorden, om den lust zonder teugel en de ontucht ten troon te zien, dan acht ik dat fraais de moeite van het harde loopen niet waard en zoudt gij er meer bij gewonnen hebben, indien ge met de ouderen waart achter gebleven.quot;

„Och,quot; was het antwoord, „wie, die de hoogte van Pisga heeft bereikt, kan de zaak duidelijk maken aan hen, die aan den voet is blyven staan en niets van het vergezicht bespeurt ? Zelfs Leigh, onze knapste man naar ik zeide, staat niet hoog genoeg om zoo ver te zien als eenigen van ons; hij vat de sociale kwestie verkeerd — aan één handvatsel op en laat de rest nog slepen. Eomney Leigh is een Christensocialist; begrijpt gij wat ik bedoel?quot;

„Neen, dat begrijp ik niet. Ik geloof in christelijke heidenen even weinig als gij in meerminnen. Meng twee kleuren, gij verliest beiden en maakt een derde. Let wel, zich in een kleur te vergissen is een teeken van zieke hersenen; de mijne —dank zij allen heiligen — zijn koel en gezond. Van een onzydige tint kan hier geen sprake zijn. De kerk —en met de kerk bedoel ik natuurlek de katholieke, apostolische moederkerk — trekt lijnen recht en duidelijk als haar eigen muur. Daarbinnen zijn Christenen; daarbuiten.... honden.quot;

„Dank u. Ik wist wel, dat de oude moederkerk nog gaarne zou willen bijten, hoe tandeloos zij ook is. En zoo zou Leigh ook nog gaarne een Christen zijn, in weerwil van al zijn verstand. Nu, dat moet gij samen uitmaken, \'t Is myn zaak

-ocr page 156-

— 142 —

niet. Men is niet ving in Engeland. Ik heb te Göttingen in ééne maand philosofie genoeg geleerd, om er de Engelsche hoogescholen vijftig jaar van te voorzien. Maar dat daargelaten. Op één punt echter moet ik u tegenspreken. Grij veronderstelt dat een man, waar als Leigh, in zijn levensgedrag beneden zijn overtuiging zou kunnen blyven: een vrouw zou kunnen nemen, ter wille van haar blanke vel. Onmogelijk! Hij zou Venus zelf om hare krakende schoenen bestraffen, tenzy zij het pad van zijn gerechtigheid betrad. Neemt hij een Venus Meretrix — ik bedoel hiermee geen beleediging van de dame hier — dan kunt gy er zeker van zijn, dat hij haar, door de eene of andere christelijke kunstgreep, tot een Heilige Maagd heeft omgeschapen.quot;

„Stil!quot; Sir Blaise haalde diep adem, alsof men hem pijn deed. „Stil, geen godslastering, bid ik u!quot;

„De eerste Christenen hebben gedaan wat ik zeide, waarom zouden de laatsten het niet doen?quot; vroeg myn Gröttinger met een soort van meer, die het gemis van een baard een weinig vergoedde. „En zoo is het werkelijk. Spreekt men van deze schoonste onder de schoonen, als van Leigh\'s toekomstige vrouw, men spreekt met niet minder zekerheid van haar als van Leigh\'s discipelinne. Gij kunt haar naam vinden op de lijsten van al zijn vereenigingen, zendingsgenootschappen, scholen, asyleu en hospitalen. Met andere dames, die zij, blinkende sterre, uit hare banen heeft gelokt, is zij naar zijn landgoed in Shropshire gegaan, en heeft zijn beroemde phalansterie in Leigh Hall, eene christelijke navolging van Fourier\'s schepping, bezocht. Daar in die sociale kweekerij, waarin hij de stekken van zijn kennis heeft geplant, heeft zij, zegt men, een halve week vertoefd, de koeien gemelkt, gekarnd, boter gemaakt, „zusterquot; gezegd tegen de laagst gezonkene van al dat bijeen geraapte uitvaagsel, ja, met die schepsels aan dezelfde waschtobbe gestaan. Denk eens. Sir Blaise, die prachtige, ronde, blanke, blinkende armen tot aan de ellebogen in het zeepsop, als wilde zwanen, die zich tusschen de waterleliën verbergen..

Lord Howe trad op ons toe. „Hoe nu, wordt er dichtertaal gesproken, zoo dicht bij het beeld der weinig gunstig

-ocr page 157-

— 143 —

gestemde Muze? Dat zijt gij, Miss Leigh. Ik heb u een half uur gade geslagen, zooals ik in het Vaticaan een Pallas heb bestudeerd. Herinnert gij u het gelaat, Sir Blaise? onuitsprekelijk kalm en droevig als een, die door de wijsheid van allen omgang met den evenmensch is uitgesloten. Maar dat sprak luider; gij, geen enkel woord en het verwonderde mij, dat deze twee heeren zich door uw stilzwijgen niet van hun stuk lieten brengen.quot;

„Mijn beste Lord Howe, verspil aan eene schrijfster, die hare plaats, het veilige hoekje aan den huiselijken haard achter de krullebollen harer kleinen, heeft verspeeld, geen complimenten als ware zij een vrouw. Wij, die de lokken, die ons voor de oogen hingen, hebben afgeknipt, wij mogen ten minste zoo helder zien als de mannen. Spreek als man tot man, maak geen complimenten, bid ik u.quot;

„Als vriend tot vriend; daar heb ik vrede mee. Wij zijn niet vroolijk gestemd van jvond, dat zag ik;—goeden nacht Sir Blaise! ha. Smith — hij is al weg; — ik zag u van verre en bleef waar ik was, Miss Leigh, om een troep leeuwenjagers, die uwe schuilplaats ontdekt hadden, van u af te houden. Daar waren er drie. Allereerst een enorme dame; vijf voet, tien — en dik! Zij heeft een duivel daarbinnen, (er is plaats genoeg voor hem) die haar van het eene einde der aarde naar het andere, van Chipewa naar China drijft. Zij had gaarne uwe autographie op een gekleurd blad, tusschen die van koningin Pomare en keizer Soulouque in. Geef haar haar zin, want hoe zwaarlijvig ook, zachtzinnig is zij niet, en ik voor mij zou liever een hooischelf zien branden, dan zulk een vrouw in een booze bui zien. Vervolgens was er een Jonkman, kersversch uit de provincie, groen als gras. Hij smeekt. Miss Leigh, ootmoedig u den schoen te mogen kussen, en voegt er bij , dat hij een epos in twaalf zangen heeft, en dat gij het zijn laars zult doen, zoodra gij het gelezen hebt. Voor dit alles heb ik u bewaard; in de volgende week zal ik man en manuscript beiden voor mijn rekening nemen, want een lord geldt by een rooden republikein altijd nog meer dan een dichteres. Ha, eindelijk glimlacht gij toch!quot;

-ocr page 158-

— 144 —

„Ik dank u.quot;

„Laat de glimlach blijven; ik schenk er u den dank voor, en geef u op den koop toe mijn transatlantisoli meisje met haar glinsterende oogen, die u, als de goudkleurige stamper van een waterlelie, tot haar schitterende blankheid heentrekken. Die meisjes van over den oceaan zijn onweerstaanbaar mooi, en ik heb gezworen , (zij scheen my een openhartig, eenvoudig kind) dat ik haar bij u zou brengen, om u een hartelijken kus te geven, niet nu, maar op een anderen dag van de een of andere week. \'t Is meineed, dat weet ik, maar ik zal haar laten loopen.quot;

„O neen, breng haar gerust.quot;

„Ziedaar nu, gij maakt het moeilijk zooveel goedheid met een morsige hand aan te raken. Ik meende u te kwellen en duchtig boos te maken, en als ik dan zelf met alle recht ook boos op u geworden was, zou ik, dacht ik, moed genoeg verzameld hebben, om u iets te zeggen, wat u nog meer zal ergeren.quot;

„Van Romney?quot;

„Neen, neen, van hem valt niets slimmers te zeggen dan wat overal gemompeld wordt; dat ook hij zich heeft laten vangen, als zoo vel en, die heel wat minder wijs zijn da.n hij. De zaak, waarover ik spreken wilde, betreft u, niet hem.quot;

„Betreft mij ?quot;

„Mij?quot; herhaalde hij. „Dat klinkt alsof men een steen in een uitgedroogden put hoort vallen, lusteloos er in geworpen door een, die zich niet bekommert om de pad, die op den bodem leeft. Aanstonds zal dat „mijquot; misschien zoo hoog en trotsch klinken, dat ik er van beef.quot;

„Is Lord Howe dan de pad in dit geval?quot;

„Kom, wij zullen de zaak ernstig behandelen. Maak wat plaats voor my naast u op de sofa en luister rustig toe. Grij kent John Eglinton van Eglinton in Kent?quot;

„Is hij de pad? — hij heeft meer van een slak, voornamelijk bekend door het huis, dat hij op den rug draagt. Scheidt den man van het huis, gij doodt den man; dat is Eglinton van Eglinton, Lord Howe.quot;

-ocr page 159-

— 145 —

Hij antwoordde op ernstigen toon: „Een geacht man, een voortreffelijk landheer van den ouden stempel, al is hij wat achterlijk in nieuwerwetsche philanthropie. Op zijn verjaardag geeft hij zijn pachters een bal, maakt het hen lastig, als zij niet naar de kerk gaan, of hun kinderen van de catechisatie houden, maar is goedhartig voor de arme oudjes als zij hout sprokkelen langs den weg; ja, ik heb hem hooren zeggen: „dat moedertje heeft pijn in den rug van het bukken; dat is straf genoeg voor haar dieverij.quot;

„Welk een teerhartig landheer! Mocht ik ook tot zijn pachters gerekend worden, als het tijd is om brandhout voor den winter te garen!quot;

„Hij houdt van kunst, koopt boeken en schilderijen... van een bepaalde soort... verzuimt geen enkele openbare plicht, is een goed zoon ...quot;

„Van eene allergehoorzaamste moeder. Geboren om in de schoenen zijns vaders te staan, draagt hij die van haar echtgenoot ook. \'t Moet aandoenlijk zijn, naar ik hoor. Myn beste Lord Howe, gij moogt mij nooit aldus tegen uw hart in prijzen, zelfs niet als ik aan lof en brandhout gebrek lijd.quot;

„Wees niet zoo bitter tegen mij, want.. . om kort te gaan ... ik heb een brief, dien hij mij zoo dringend verzocht u te geven, dat ik moeilijk weigeren kon. Hij beweerde, dat een nieuwe liefde door de hand van een oude vriendschap gaande, aan deze een aantrekkelijken geur ontleent.quot;

„Liefde, zegt gij ? Daar weet ik niet van, Mylord; ik kan slechts het rijmwoord van liefde vinden en dat is geen liefde, waarde Lord. Daar, neem uw brief terug.quot;

„Stil, lees hem eerst.quot;

„Ik wil hem niet lezen; \'t is niets dan een exemplaar van zijn soort. Hij heeft hetzelfde aan weet ik wie al geschreven: — aan Anna Blythe, de actrice, toen zij zoo natuurlyk dood ging, dat een hertogin in haar loge flauw viel; — aan Pauline de danseuse na de beroemde pas, waarin men haar kleine voeten, tot verbazing van het parterre als glimwormen boven haar hoofd zag flikkeren; — of aan Baldinacci toen

10

-ocr page 160-

— 146

haar F in alt als een vlijmend schicht het luchtruim kliefde, zoodat de koningin met een zucht van verrukking hare witte glacé handschoenen tegen elkander drukte; of wel aan Aurora Leigh, wanneer een paar onbeduidende coupletten, zooals ter eere van den heiligen os langs Memphis straten werden gezongen, misschien ons Apis-publiek aan het loeien maken. Begeert hij in plaats van een waardige levensgezellin een star om te Eglinton vertooning mee te maken? Zeg hem dan, dat zijn aanmatiging dom is en hem duur genoeg kan te staan komen: een gevallen ster maakt bittere wateren, zegt een boek, dat ik ken — en ziehier zijn ongelezen brief.quot;

„Myn beste...quot; begon Lord Howe. — Ik viel hem haastig in de rede:

„Bedoelt gij uw vriend Eglinton, of mij?quot;

„Ik bedoel u, u,quot; antwoordde hij met vuur. „Om gelukkig te leven moet men weten te geven en te nemen. De boer heeft onkruid tusschen zijn schoven, maar toch achten wij de korenraapster armer dan hem, al heeft zij ook zuiver koren in haar voorschoot. By het koren moet onkruid, bij het goede afval zijn, dat kan niet anders. Wat u betreft, gij hebt uwe kunst lief en zeker van uwe roeping, zoekt gij uiting te geven aan wat daar binnen leeft. Maar in deze wereld, die wij gemaakt hebben, — men zegt dat Grod haar eerst heeft gemaakt, maar deed hij het, dan is h^t zóó lang geleden, en hebben wij haar zóó bedorven, dat Hij haar, als Hij naar deze zijde ziet, voor de hel moet houden, waarover wij preeken, — in deze slechte, verwarde, ten onderste boven gekeerde wereld, waar het zwaarste onrecht boven drijft, in dit ruwe, onvriendelijke Engeland, waar slagen, op de beurs of op het slagveld toegebracht, doel tretfen, maar de ziel, die de wapenen hanteert, zich zelve slechts wondt — valt het moeilijk vertegenwoordiger te zijn van de kunst, tenzij een gouden drievoet door Apollo\'s goddelijke gunst uit zee worde opgevischt, om voeten als de uwe, myne Delfische profetesse, tot troon te verstrekken. Bedenk, de god daalt neer met onstuimig geweld, als twintig bloedhonden zoo grimmig; hy schudt u, hij grijpt u bij de keel,

-ocr page 161-

— 147 —

tot gij den orakelkreet uitstoot, terwijl u het schuim op de lippen komt. Dat alles valt niet licht voorwaar, en daarom is het reeds iets gewonnen, als men een plaats heeft om op te staan; een drievoet, zooals u hier wordt aangeboden. Zonder beeldspraak, lieve vriendin: gij zyt arm, uitgenomen in dat, wat gij rijkelijk schenkt; gij arbeidt met moeite voor uw eigen brood, alvorens gij voor ons iiwen wijn plengt. Bedenk u ter wille der kunst.quot;

Ik antwoordde langzaam, zooals een zwerver, ver van huis in den guren nacht gelaten den snerpenden wind trotseert. „Staat de kunst zooveel lager dan de deugd, dat de kunstenaar voor zijn eigen gemak moet zorgen, alvorens hij zich zeiven voor een grootmoedig doel voorbij mag streven? En mogen wij, die gaarne in reinheid leven en daartoe den weg, dien wij betreden, met onze eigen handen moeten schoon vegen, niet eenmaal, helaas, op den steun van een vriend rekenen, om ons te versterken met de edele woorden: „Laat de uitkomst over aan God; gij echter wees rein?quot; Moet gij, gij Lord Howe, in plaats daarvan spreken van een geven en nemen, dat het leven dragelijk maakt? In nietswaardige dingen mag dit zyn. Men ruile witte-voor roggebrood, vleesch voor linzen, zijde voor serge, een bed van dons voor een bed van stroo des noods, maar daarbij houde elk verdrag op. Zoo min op stroo als op dons zal ik één enkele kunstenaarsdroom er aangeven; hoe arm ook, ik zal mijn vrije ziel in geen banden knellen, noch ophouden grootsch in mijn liefde te zyn, hoe weinig grootsch mijn leefwijze ook zij.quot;

Met deze woorden, die veeleer droevig dan toornig klonken , stond ik snel op om heen te gaan, terwijl hij, met de edele schaamte, welke die wankelende naturen terstond gevoelen, verontschuldigende, verzoenende woorden prevelde. De man is niet kwaad, maar zóó vol van onmogelijke plannen voor een bovenmenschelyke samenleving, hij zet zijn deugden zóó hoog boven zijn bereik, om ze op gelijke hoogte met het duizendjarig ryk te houden, dat hij een stoel noodig heeft om er bij te klimmen, en inmiddels, dood eenvoudig, met de beginselen en zeden van den eersten den besten, daar heen leeft.

-ocr page 162-

— 148

A m den arm van Lord Howe voortgaande — liij stond er op my door den schitterenden mensclienstroom, die door de zalen golfde, naar den uitgang te roeien — trad Lady Waldemar ons in den weg. „Miss Leighquot;, zeide zij en zag mij aan met een lach zoo koud en zegevierend, alsof zij hem voor den spiegel had bestudeerd en goed bevonden „den gan-schen avond heb ik vergeefs getracht u te bereiken, zooals een kind, dat naar een stuk speelgoed grijpt, door zijn honne plagend in de hoogte gehouden. Daar zat gij, volkomen ingesloten door dien goeden Sir Blaise en dien knappen Mr. Smith, en later door onzen besten Lord Howe geheel in beslag genomen. Eindelijk is het nu myne beurt. Ik heb u eindeloos veel te vertellen van het landgoed uws neefs in Shropshire, waar ik geweest ben om zijn werk — ons werk — te zien. Hebt gy gehoord dat ik er ben heengegaan? Toch zeker niet, dat ik gisteren een brief heb ontvangen, waarin gy, hoe verdiept ook in litterarischen arbeid, ongetwyfeld belang zoudt stellen. Het zal u aangenaam zyn te hooren, dat uw laatste boek aan de phalansterie ter lezing ligt , onschadelyke lectuur geacht voor de oudere meisjes en de jonge vrouwen, die nog lust in lezen hebben. Wij moeten allen lezen, niet waar, voordat wij gaan leven: voordat het onbeschrijfelyke licht voor ons opgaat en, naarmate het hooger stygt, het geschreven woord doet verzinken.—Dat zeide uw neef, terwijl wy onder een beuk op zyn lievelingsplek den zonsondergang zaten te genieten. Hij had dichter kunnen zyn, indien hij gewild had, maar hij zag het hoogere terstond, en hief er zich toe op. Ik vind, dat hy er goed uitziet; hy schynt die ongelukkige zaak geheel te boven. . . ach ja. . . ik weet, gij hebt u dat erg aangetrokken. Gij zijt zoo teeder van hart, en gij voeldet u tot dat arme schepsel aangetrokken, niet waar? Ge vondt dat huwelijk misschien niet ongeschikt; een dichterhart haakt altijd naar het romantische. Wat Romnej^ Leigh betreft, dit staat vast, dat hij haar nooit heeft bemind____nooit. Apropos, hebt gij niets van haar gehoord?

Is zij spoorloos verdwenen, — reddeloos en in elk opzicht verloren ?quot;

Zij had nog wel een half uur voort kunnen gaan, zonder

-ocr page 163-

— 149 —

dat ik mij verroerde. Ik stond daar, koud, bleek en strak als een standbeeld, dat een kind tot tijdverdrijf met sneeuwballen gooit. Nu en dan zeide ik „jaquot;, of „neenquot;, zonder te weten waarom. Ik antwoordde, zooals de blindeman loopt, al naar zijn hond liem trekt. Eindelijk kwam Lord Howe er tusschen: „Welke boete beloopt de ongelukkige, die het gesprek van twee lieftallige vrouwen onderbreekt? Ik zal er mij desnoods aan onderwerpen. Vergeef mij. Lady Waldemar. De dame hier aan mijn arm is vermoeid, onwel, en ik heb haar als eerlek man beloofd, dat zij van avond nog maar alleen „goeden nachtquot; zal zeggen. Het overige zegt haar gelaat voor haar.quot; — Daarmee gingen wij heen.

En tbans ben ik thuis en haal ruimer adem! Ik laat myu mantel vallen, haak myn ceintuur los, ontknoop den band die mijn haar bijeen houdt... kon ik nu mijn ziel ook van hare banden bevrijden! Wij zijn levend begraven in deze bedompte wereld; wij hebben meer ruimte noodig!

Die bevallige vrouw daar — dat herdenken en opschreven van wat zij gesproken heeft, doet my zonderling aan. Hoe was al, wat zy zeide, er op aangelegd om mij te kwetsen! Boosaardig als slechts een vrouw kan zijn. Gij moogt een stalen pantser dragen, een vrouw plukt als ware \'t een roos, de fijnste naald van haar kussen, en prikt u onder uwe nagels, onder uw oogleden, in uw neusgaten, — een dier zou het uitbrullen bij zulk een marteling; maar een mensch, een menschelyk wezen, mag, zal zich niet verroeren, geen geluid geven; neen voor alles ter wereld niet!

Wat my het meeste grieft, is, dat eene als zy zoo goed weet, hoe eene als my te kwellen. Mijn hemel, zy doorziet mij, alsof zij mij jaar en dag heeft zitten beduimelen en spellen! Zij kent mijn eigenaardigheden, myn zwakke zijden;— welnu, de kennis van een zaak bewyst haar bestaan. Zy moet dat in mij gevonden en dat in mij gezien en deze fout met haar potlood onderstreept hebben, en ik, ik wist het zelve niet. Sla het boek dicht... dicht.. . vermorzel dat leelyk insect tusschen de bladen.

O myn hart, wy zullen eindelijk wel meedoogenloos wor-

-ocr page 164-

— 150 —

den als alles om ons heen, en dan zullen wij het zelfverdediging noemen, omdat wij zoo gevoelig zijn.

En eigenlijk, waarom zou het mij zeer doen, dat Romney Leigh, mijn neef, deze Lady Waldemar tot vrouw gaat nemen. En al hield zij de pas ontloken bloesems harer vreugde voor mijn aangezicht, wel, was dat niet natuurlijk, al was het niet edelmoedig? Ik heb immers, toen het voor haar winter was, de koude, die zy leed, nog aangewakkerd en haar meer pyn gedaan, dan zij my kan doen. My pijn doen!... maar waarom pijn? \'t Is duidelijk, dat mijn neef Romney een vrouw noodig heeft — daar moet ik vrede mee hebben. Een man heeft meer behoefte aan een vrouw dan omgekeerd, en is lichter te voldoen. Want waar de man een sekse ziet (de man kan het geheel omvatten, zeide hy) zien wij slechts een enkel individu, als ideaal en in de werkelijkheid; waar wy er naar smachten ons zeiven te verliezen en als paarlen in eens anders wijn te worden opgelost, zoekt hy zich zeiven door wie hy liefheeft te verdubbelen en zijn wijn kos-telyker te maken door onze paarlen. Aan zijn disch, op zijn sponde, by zijn werken en zijn rusten, nergens is het den man goed alleen te zyn. Dat is zijne wyze van de zaak te beschouwen; dat was het, dat is het en zal het blijven en alzoo heeft mijn neef Romney een vrouw van noode.

Maar daarby stelt mijn neef er eer in zelf edelaardig te zijn. Zoekt hy, evenals anderen, in de liefde slechts vergrooting van het eigen ik, dan is het, dat hij waarachtig groot moge zyn in rechtvaardigheid en goedheid. Eens heeft hij een godgevallig liefdewerk zoeken te doen door eene — wij zullen haar, hoe veranderd ook. Aurora Leigh blijven noemen — tot vrouw te nemen, en eens heeft hij voor een sociaal doel mijn arme zuster, mijn vrij natuurkind, mijn bloeiend maagdelijn, Marian Erie willen huwen. Zy, wier herinnering in my blijft doorklagen als de wind door luiken , die niet goed gesloten zijn; mij droeviger stemmend dan ik er redenen voor kan vinden. Arm, lief, droevig gezichtje, belichaamde geest! Het valt hem dus licht u af te weren, zoo vaak gy naast hem gaat zitten, als hij aan het lezen of schrijven is? Hij kan u in koude en duisternis naar buiten

-ocr page 165-

— 151 —

jagen, als gij met uwe strakke oogen tegen zijn kristallen droomen stoot? Hoe zou het hem anders mogelijk zijn, alweder te beminnen? Hoe zou Lady Waldemar mijn Marian kunnen opvolgen?

Maar aan den anderen kant, waarom zou zij het niet kunnen? Hij heeft Marian niet liefgehad, evenmin als hij Aurora Leigh heeft bemind. Bemint hij ten laatste deze derde — moge zij ook al niet meer te vertrouwen zijn dan een marmeren vloer, waarop olie werd gestort, — het zal hem geen ongeluk aanbrengen, daar ben ik zeker van. Ware liefde, hoe onwaardig haar voorwerp, is weldadiger voor de men-schelyke ziel, dan niet van harte te beminnen, wat ware liefde verdient. Een heiden, die het spoor kust van de hoef der wilde geit, omdat hij er den afdruk van Pan\'s voet in meent te zien, staat hooger dan de denker van heden, die de aardlagen omwoelt; graniet, kalk, steenkool en klei doorzoekt, om op ijskotiden toon te besluiten: „Hier is natuurwet — waar is God?quot; En gesteld eens, dat Romney haar niet beminde — erger nog, dat hij onvatbaar voor liefde ware — dan waarlijk zou zij goed genoeg zijn voor zulk een man, tot beminnen onbekwaam. Want zij ten minste is eene vrouw, en heeft hem lief, met de liefde waartoe vrouwen van hare soort in staat zyn.

Myn lange, losse vlechten begonnen te flikkeren en te kronkelen, vol leven, tot waar zij mijn knieën bereikten. Met een hartstochtelijk gebaar wierp ik ze naar achteren, zooals de wind de vlammen terug drijft. Eomney lachte eens: (wat leven al de oude herinneringen weer op!) „uw Floren-tijnsche lichtvliegen leven voort in uw haar,quot; zeide hij, „het vonkelt zóó.quot; Wel, ik wrong ze er uit, mijn lichtvliegen ; ik maakte een knoop, hard als het leven, van die losse, zachte, onhandelbare tressen en ging toen zitten denken ... Zij zal niet van mij denken wat zy denkt... Ik kreeg mijn schrijfgereedschap en schreef:

„Lieve Lady Waldemar. Ik kon niet spieken met al die menschen om my heen en evenmin kan ik, na het groote nieuws, dat ik van u en van mijn neef heb gehoord, gaan slapen zonder te spreken. Moogt gy volkomen gelukkig zyn

-ocr page 166-

— 152 —

en moge zijn leven overvloeien van al het goede, dat hij der tnenschheid heeft toegedacht. Zeg hem dit uit mijnen naam. Uit uw mond zullen mijne woorden liefelijker klinken, want gij zijt gij ... Ik slechts — Aurora Leigh.quot;

Dat is kalm en bedekt. Zij moge het tegen het licht houden, zij zal niet meer zien dan er staat. Daarmee is mijn trots bevredigd; nu nog iets voor myn rust. Laat ik zorgen, dat zij niet in dezer voege antwoorde;

„Mijn besten dank, liefste vriendin; gy hebt mijn groote vreugde nog grooter gemaakt!quot; — Xeen dat is te eenvoudig; zij zou er dit van maken: „Mijn vreugd, zou reeds geurig zijn als verdroogde thijm in een lade gesloten, maar violieren beschenen en gedrenkt door een liefde als de uwe, zijn oneindig welriekender. Thijm legt men tusschen zijn kleeren, maar violieren dragen wij op het hart, totdat zij geuren alsquot;... o ik zie haar op dien toon terugschrijven, een ruiker maken van haar woorden en ze samen strikken met een lint, om zich aangenaam te maken bij een dichteres — bah...

En dan volgt de ceremonie in de kerk, de gestoorde, droeve, bange droom ten laatste uitgedroomd, de trouwgelofte, zoo aanstonds door een huwelijksmaal bezegeld, de witte handschoenen tot het gebed saamgevouwen, om een oogwenk later te worden uitgetrokken bij de heidensche toasten, beklonken met een wijn, vuriger dan ooit den goden werd bereid, toen Bacchus nog over den wijnstok regeerde.

Een postscriptum verlost mij van dit alles: —„Gij behoeft niet te schrijven. Ik ben overwerkt en denk Londen, ja Engeland, te verlaten om, dichter bij de zon, naar een land te gaan, waar de mensch beter slaapt. Vaarwel dus.quot; —Ik vouw mijn brief dicht, verzegel hem en daarmee ben ik van al deze drukte bevrijd. Thans haal ik ruimer adem, ik spring omhoog, als de tak door een schooljongen, die noten zoekt, met een krommen stok naar beneden getrokken. Een oogen-blik kan hij ons omlaag houden, maar daarna zwiepen wy terug, tot onze eigen hoogte, in onzen eigen stand, terug naar den blauwen hemel! Hoe kon ik mij zelve ook aldus verongelijken? Wij dichters zijn altijd onrustig, vol zelf-

-ocr page 167-

— 153 —

kwelling; ons hart, de wereldbol gelijk, kan altijd slechts eene zijde tegelijk naar de zon keeren. Wij doopen onze kunstenaarshanden in gal en potasch, om nieuwe kleurscha-keeringen te voorschijn te roepen, tot wij ten laatste in verwarring geraken en niet meer weten hoe moeder natuur oorspronkelijk onze huid heeft getint. Wel... dit hier is de ware, goede vleeschkleur; thans herken ik mijn hand weer. Daar Romney, gij kunt haar drukken als die van een vriend, zonder de uwe te bezoedelen.

En nu tot u, mijn Italië! Helaas, konden wij reizen met niets dan onze ziel, zonder beweging, zonder kosten te maken! Ik zou u dan reeds lang hebben weergezien, mijn geboorteland! Ik heb uw doordringende roepstem wel vernomen; ik heb u wel hooren lokken, mijn dierbare, mijn zwijgende graven.

Maar heden ten dage kan zelfs een heks niet ryden, tenzij zij goudstukken in nardus smelt, om er haar bezemsteel mee te zalven. £n bij dichters is goud ten allen tijde schaarsch; vinden zij bij toeval een goudstuk, dan verkeert het in een verdord blad, voordat de avond valt. De duivel zelfs vertrouwt noode zyn gepatenteerde goudmakerskunst aan verzenmakende handen toe. Hij kiest zyn Faust uit philosophen, niet uit dichters. „Laat mijn Job het leven,quot; zeide God, en zoo liet de duivel hem het leven, zonder een enkelen penning en zoo is armoede klaarblykelijk een zeer bizondere genade. In deze nieuwe tijden van rechtvaardig en nauwgezet beheer roept men luide om een orde van verdienste. Waartoe? Ziehier: roggebrood op tafel en geen wijn!

In arm te zyn ben ik ten minste dichter, Gode zij dank. Zou het manuscript van mijn lang gedicht, indien het onmiddellijk werd verkocht, geld genoeg opbrengen om schoenen te koopen, die, behoorlijk versteld op hun tyd, mij te voet aan de andere zijde der Alpen zouden brengen? Ik geloof het niet. Ik vrees, dat ik het overschot van mijn vaders boeken zal moeten verkoopen, al zyn ook de schutbladen dier Elzeviers met aanteekeningen van zijn hand beschreven, dicht en fijn als spinnewebben, die een verweerd Grieksch monument bedekken. Het zijn de gewone oordeelvellingen

-ocr page 168-

— 154 —

van den geleerde, op hoogen toon verkondigd, alsof hij als rechter op de twaalf tronen Israëls gezeten ware. Helaas, ik moet boeken en aanteekeningen te zamen zien heengaan. En deze Proclus ook, met zijn dierbare, zonderling aaneengeschakelde letters, fantastisch door elkander geslingerd evenals zijn gedachten, die hij, geloof ik, met opzet onduidelijk maakt. Gij draait tweemaal rond, om één stap voorwaarts te doen; dan doet gij weer een schrede terug, omdat het u duizelt... dat is regel bij Proclus. Ha, op deze bladzij, hier midden in het boek, heb ik een vlek gemaakt, door er mijn Flo-rentijnsche lelie, kelk en stengel in plat te drukken. Mijn vader beknorde mij om die vlek van dat blauwe bloed; ik herinner mij, hoe boos hij sprak: „Dwaze meisjes, die onze philosophic zoeken te verfraaien door er haar bloemen in te planten — het boek bederven, is al wat zij doen. Dat moet niet meer gebeuren, Aurora.quot; Ja—niet meer! O, berispend woord door de liefde gesproken, hoe veel liefelijker klinkt gij dan de lof van wie ons niet bemint. Neen, neen, ik kan mijn Proclus niet afstaan — zelfs voor heel mijn Florence niet. Daartoe is myn leven te arm aan liefde.

Deze huichelende Judas, deze Wolff zal in zijne plaats gaan, hij , die ter eere van een groot dichter zulk een prachtig boek opstelt en er dan boven schrijft: „Dit is het huis van Niemand.quot; Hij doet de breede Homerische verzen in een melk drijven krachtig en zwaar, alsof Here\'s moederborst er de bron van ware, en terwijl zij, als echte godenkinderen, met hun spondaëische wondervolle lippen gretig den room van den blinkenden kant likken, verklaart hij, dat zij bastaarden zyn. Wolff is een atheïst, en is, zooals hij zegt, de Ilias door toevallige samenvoeging van oude zangen ontstaan , dan kan men omtrent het heelal tot dezelfde slotsom geraken.

Deze Wolff, die Platos... Ziedaar, ledig zijn al de bovenste planken en ik —ik ben bijna rijk; dat wil zeggen niet gedwongen te denken, dat ik te arm ben voor mijn doel. Morgen vertrek ik. Ik zal in Parijs blijven, totdat die goede Carrington dit alles heeft verkocht, met mijn uitgever over den prijs van mijn boek heeft onderhandeld, en mij de op-

-ocr page 169-

brengst van het een en ander heeft toegezonden. Een enkel woord om zijne hulp te vragen.

En dan kom ik tot u, mijn Italië, mijn eigen dierbare heuvelen. Beseft gij het, heuvels, hoe vurig ik naar u verlang? Gevoelt ge dezen nacht het smachten en hunkeren van mijn ziel, zoof.ls de sluimerende moeder het zuigen van haar lieveling voelt en glimlacht in haar slaap? Neen, minder nog dan de bliksemflitsen, die uwe onkwetsbare kruinen beroeren en sidderen, terwijl gij roerloos staat. Kalm, onverstoorbaar , onbewogen gaat ge uw weg, nu in het zonlicht, dan uit de schaduw het hoofd beurend, terwijl er geen enkele uit uw grootsche reeks ontbreekt. Ja waarlijk, om u zelfs wille heeft God u gemaakt. Uw leven mag door het onze niet gestoord worden.

-ocr page 170-

ZESDE HOOFDSTUK.

Als echte eilandbewoners spreken de Engelsclien op ver-achtelijken toon van de „lichtzinnige\'quot; Franschen. De lichtzinnigheid schuilt enkel in het oordeel, dat tot heden nog altijd stand houdt. Want herhaal een dwaasheid slechts vaak genoeg — en ziehier het geheim van een aantal godsdiensten; men verwerft zich een overtuiging, zooals men spellen leert, hoofdzakelijk door repeteeren — dan zal zij ten laatste voor wysheid gehouden worden en waarlijk niet door domooren alleen. Zoo zeggen wij dan, dat de Franschen lichtzinnig zijn, alsof wij zeiden, dat de kat miauwt en de koe melk geeft. Zeg liever dat de kat gemolken wordt en de koe miauwt. Want wat is lichtzinnigheid anders, dan onvastheid, onzeker wankelen tusschen gevolg en oorzaak, door geen van beider, tot een besliste keuze gebracht? Is de kogel lichtzinnig, die wegsnelt uit het geweer, om, terwijl uw ooglid trilt er. uw hart één bons geeft, zich op honderd schreden afstands, plat als een ouwel, tegen die kleine witte plek op den muur te vertoonen? Even zoo snel, zoo onwrikbaar ernstig en ve.st gaat het Fransche volk recht op zijn doel af.

Zij zyn allen idealisten; te onvoorwaardelijk en te vurig; voor hen allen is de idee van een mes voldoende, om werkelijk vleesch te snijden, en steeds den veiligen afstand.

-ocr page 171-

door de Natuur tussclien gedachte en daad gesteld, met te heftig ongeduld vernietigend, bedreigen zij de wereld met ondergang en stormen zij voort, om met de meeste drieste logika het onmogelijke in praktijk te brengen.

Zet uwe breedsprakige Engelsohe redenaars met hunne holle, geijkte phrasen, hun grappen en sentimentaliteiten, waardoor onze logge, ruwe menigte zich in elke richting laat drijven, eens tegenover dit lichtzinnige Fransohe volk. Dat laat zich niet aldus naar willekeur driven! Het draait rond, ja, maar rondom de een of andere spil van eigen keus en gedachte en schiet dan uit door de kracht, waarmee het zich aan dat middelpunt klemde. Dat begrijpt een Engelsch-man niet licht. Hij is niet gewoon aan abstracte kwestiën; hij heeft niet geleerd den wortel van een algemeene waarheid vezel voor vezel los te wikkelen en op het ragfijne weefsel, dat de verschillende onderdeelen scheidt, nauwkeurig acht te slaan. Zelfs de vrijheid; wil zij door ons worden begrepen, dan moet zij concreet en in een feudalen vorm gegoten, tot ons worden gebracht; dan moet zij strooken met onze wijze van zien, met dat, wat eerwaardig is in ons oog. Want de vorm, de eenmaal bepaalde vorm, dat is by ons maar de zaak. Bij ons, zeg ik, hoewel ik van Italië ben, door moeders wieg en graf, door vaders graf en nagedachtenis. Maar wat nood? een dichterhart is groot genoeg voor twee nationaliteiten, hoe bezwaarlijk het ook woont in een vrouwenborst.

Zoo gevoel ik mij dan sterk in mijne liefde tot dit nobele Frankrijk, dezen dichter onder de volkeren, die (terwijl de huishouding te gronde gaat) maar voortdroomt en zucht en hunkert naar het een of ander ideale goede — een zuiverder evenwicht tusschen de seksen, een liefdebond, die geen gelofte vereischt, om onschendbaar en onverbrekelijk te zyn, een broedermin, die uit het binnenste welt, een weelde, die gebrek noch zatheid duldt, een vrijheid van de velen, die zich voor de wijsheid van enkelen buigt. Heroïsche droomen! Heerlijk aldus te droomen; natuurlijk uit dien droom te worden wakker geschud en droevig, dat een getimmerte zoo hoog opgetrokken, om een tempel te bouwen, tot het op-

-ocr page 172-

— 158 —

richten van een bordeel of een gevangenis wordt aangewend. Moge God Frankryk behoeden!

En zoo zij ten laatste haar groote ziel aan een groot man heeft overgegeven en zijn slapen gekroond heeft met een lichtglans, die bijna het schimpen op Cesar\'s kalen schedel doet verstommen — wat nood? Deze Cesar vertegenwoordigt, maar heerscht niet. Hij is geen despoot, al is hij tweemaal absoluut. Dit Hoofd heeft geheel het volk tot hart; zyn purper is met democratie omzoomd. — Daarom neme hij zich in acht, want een enkele scheur daarbinnen zou daarbuiten alles reddeloos aan flarden rijten. — Een ernstig raadsel! Slechts denkbaar in Frankryk en zoo het door Frankrijk wordt opgelost, nog bezwaarlijk te verstaan!

Zoo mymerde ik bij mij zelve, terwijl ik door de breede straten, langs de schitterende boulevards, onder de witte arcades van het wonderschoone Parijs op en neder stapte. De stad draagt haar boomen als een tooisel door menschen-hand vervaardigd en haar torens en tinnen, alsof zij uit den bodem zijn gegroeid. Zij doet haar fonteinen fonkelend omhoog schieten op haar zonnige pleinen, alsof zij de zilveren distel wol van haar droomen in de hoogte blies, om voor den dag van morgen het zaad van nieuwe denkbeelden rond te strooien en hare voorbijsnellende feestelijke uren te tellen.

Gr el ijk Venetië, de zeezwaan, op de wateren, drijft Parijs des zomers in het groen. Wat lommerry ke tuinen verrassen u achter de hooge muren der binnenpleinen, als vruchten eener lachende schoone in den schoot geworpen! Wat einde-looze straten met onafzienbare rijen boomen beplant, te gelijk prijksnd met winkels, die u tegenschitteren als juweelen in een geopend écrin. Te Parys is de handel kunst en de kunst philosofie. Zie die zyden stoffen daar; een schilder zou van die plooien een studie kunnen maken, even goed als van die bronzen aan de overzijde. — Neen, die bronzen zijn niet volmaakt; de kunst is hier tè gekunsteld, behaagziek als een jonkvrouw, die onder het gaan haar eigen schaduw op den muur bespiedt, en daardoor schade doet aan haar elastischen gang. Echte kunst daarentegen vervolgt zonder omzien haren weg. Ook de kunstenaren zijn in Frankrijk idea-

-ocr page 173-

— 159 —

listen, te absoluut voor de natuur, te streng logisch, te uitsluitend in de toepassing hunner theorie. Niet een van hen zou een ezel of een kromgegroeiden boom willen schilderen, zooals de Engelschen doen, omdat zij zoo vóór zich zien en het niet leelyk vinden ook. — Daar is de oude Tuileriën! Hij trekt zijn hooge kap over de oogen, in verwarring gebracht , beschaamd, verschrikt by het zien van een nieuw en schoon gelaat, dat door die alles verslindende spiegels wordt weerkaatst. Welk een kinderschaar in dien tuin, achter het vergulde traliehek! De wind, die hier wat al te lustig blaast, was wellicht de genius, die hen uit alle straten en hoeken der groote stad, als bladeren onder de kastanjeboomen heeft bijeengedreven. Aanvallige, dierbare kleinen, ik hoop dat gij uw balspel ten einde moogt hebben gebracht, voor dat een nieuwe revolutie u komt storen. Het wemelt er van standbeelden, die zich op hun voetstuk verheffen, als zweefden zij in die heldere, blauwe lucht. Wat een pleinen, wat een ruimte voor een volk, dat niet langzaam loopen kan — dat zich voortspoedt, tot het aan gind-schen hoek in zijn vaart wordt gestuit door de gebitten van den dentist, die in spookachtige rijen tegen allen vooruitgang schijnen te grynzen.

Ik zwierf den ganschen dag rond, luisterend naar het rammelen van \'s eersten Napoleon\'s gebeente, dat in zyn tweede graf door Victoriën wordt bewaakt, onder den vergulden koepel, die zich boven Parys als een waterbel boven het meer verheft. „Zullen deze verdorde beenderen leven?quot; vroeg Louis Philippe zich zeiven af en leefde lang genoeg om het te weten. Welk een onderwerp tot bespiegeling voor vorsten en staatslieden en meer nog voor dichters, die water scheppen uit dieper, rijker bron!

Zulke volle straten zijn zeer geschikt tot mijmeren en peinzen, voor wie ten minste op een goede dosis physieke kracht mag bogen. Onze schoonheidszin echter maakt ons teruggetrokken, afkeerig van het ruwe straatrumoer. Hij drijft ons naar buiten, om op de bonte weide de madeliefjes te tellen en naar het murmelen der beken te luisteren, ter-wijl wij, in behaaglijke rust neergevlijd, in een dichterdroom

-ocr page 174-

— 160 —

de ons storende wereld daarbuiten vergeten en ons zeiven tot een pop maken, waaruit misschien niets dan een bruine mot te voorschy n komt. Ik zou liever den moed willen hebben, om het leelijkste in het aangezicht te staren, ter wille van de Grodheid, die het schiep.

Het werk van zes dagen; de laatste tusschen morgenkrieken en avondrood het werk der vijf vorige tot volkomenheid brengend. Want op dien zesden dag werd uitspansel en aardkorst, licht en vuur, visch en vogel, roofdier en insect, door God in den mensch te zamen gevat; werd het leven in al zgn vormen door Hem in een enkelen nieuwen vorm gegoten; werd dien microcosmos, die quintessence van het geschapene, die mensch wordt genoemd, het aanzijn geschonken! Gelijk de overwinnaar in den wedloop aan het einde der baan diep ademhalend stilstaat, zoo blies ook de Schepper by het voleindigen zijner taak zijn adem in de trillende neusgaten van het laatste werk zijner handen.

Het menschelijke is groot. Noem het zwakheid — geen kracht, zoo gij liever tot de zilveren bronnen van den ouden Kyl opklimt, of het maangeglans op Thessalie\'s heuvelen bespiedt, dan uwe aandacht te wijden aan een handvol lee-lijke menschelijke stof, aan den palm van den ambachtsman of het gegroefde voorhoofd van den daglooner — ruw en onedel behalve in het oog van God. — Hoe komt het, dat \'de mannen der wetenschap, dat osteologen en chirurgen in eerbied voor de natuur menig dichter overtreffen? Dat zy niets gemeen of onrein achten? Dat zy door een zeldzame verharding in de bloedvaten, een buitengewone ontwrichting, een nog niet voorgekomen kromming in den ruggegraat in verrukking worden gebracht, terwijl wij ons ergeren aan elke afwyking der natuur, ons met walging durven afkeeren van haar blaren en uitwassen, en niet eenmaal voor haar niezen een „God zegen uquot; ten beste hebben? Tot onze schade en schande, want daarom acht zij ons meestal een dieper blik in het geheim harer schoonheid of harer begeerten onwaardig , en bindt ons met een draad aan een roos of een lelie vast, ons slechts voedend met den honig en den dauw in dien bloemkelk besloten.

-ocr page 175-

— 161 —

En zoo leven wij dan daarheen, onwetend, onbewust, dat de hongerige knaap, die ons met zijn groote, verwonderde oogen nastaart, omdat wij zijn sinaasappelen zoo achteloos, zoo afgetrokken voorbijgaan, in zijn borst een deel draagt van een wereld aan deze onze zinnenwereld verwant, maar onbezoedeld, ongeschonden, omdat geen menschenhand haar heeft aangeraakt. Terwijl wij hem met minachting voorbijgaan, omdat wij hem — God helpe ons — minder poëtisch achten dan een bloem of twee op ons pad, draagt hg bloemen en boomen en wouden en velden, de zee met al haar baren, den hemel met zyn zonnen, ja heel die schepping in zich om, die wij zoo oplettend beschouwen, en waarvoor wij ons ongeduldig van hem afwenden. God zy ons genadig, en doe ons Zijn beeltenis in eere houden! Dan toch kunnen dichter en menschenvriend (ja zelfs Eomney en ik) nevens elkander hun levensweg gaan. Want dan staan wij beiden van aangezicht tot aangezicht tegenover den mensch, tegenover het volk, waaraan wij onze aandacht wijden, al volgt daarby ook elk zyn eigen roeping — hij de zijne — ik de myne.

Ik doolde verder, my merend over het Leven en de Kunst, myzelve afvragend, of een beter begrepen metapliysica onze physica niet te stade zou kunnen komen, of een breeder en voller poëzie ons dagelyksch leven, onze lagere behoeften niet beter zou kunnen regelen, dan de plannen, die slechts het uitwendig bestaan raken, dan de materieele hulpmiddelen, de phalansterien, de burgerlyke lichtingen, de leekenkloos-ters, dan al datgene, waaraan onze denkers van heden de voorkeur geven. Meenen zij werkelijk, dat het leven van den mensch slechts een broodkwestie is en dat zij het volk van zyn melaatschlieid kunnen genezen, door het zevenmaal in de Openbare Badinrichting onder te dompelen, zonder dat daarbij het machtwoord van een profeet weerklinkt ? Dat doet ons in toorn ontsteken, ons dichters en profeten; voor ons ligt in het woord alleen heil en kracht. De Schepper heeft met het Zyne het duister verdreven en een vocaal leven ingewijd. Plant het woord eens dichters slechts diep genoeg in een menschenhart, en laat het daar rustig wortel

11

-ocr page 176-

— 162 —

schieten, gij zult den mensch grooter weldaad bewijzen, dan wanneer gij hem een zondagskleed schenkt, of zyn zondags-maal aan uw eigen haard bereidt.... En toch.... Romney laat mij ...

Mijn God, wat was dat ? Romney! Marian !. ..

De kade op en neer gaande, rustig mijn gedachten aan snippers scheurend, alsof ik in het veld grasjes liep te plukken en langzaam met de tanden vanéén reet.. . Wat was dat voor een gelaat, voor een blik, voor een gelykenis, die ik daar zag ? Het rees zoo plotseling voor mij op, dat ik duizelde! Het bloed gudste mij naar de ooren... het dwarrelde mij voor de oogen ... Een oogwenk slechts, toen nam ik een sprong...

Denk u iemand, die op een zomeravond droomerig naaide muggen op den waterspiegel van een vijver tuurt en op eens iets boven ziet drijven; het keert... het wendt zich tot hem... een dood gelaat, eens levend gezien, zoo welbekend en toch.. . zoo nieuw . .. zoo vreemd! Het zou afschuwelijk zijn, indien het weer in de diepte verdween en hem in die kwellende onzekerheid liet! Hij springt het na — hij plast in \'t water, \'t is weg. — Ik stortte mij in de menigte, die ik rechts en links verscheurde. Ik stormde voort, voort... haar achterna. — Haar ? wie ?

Een vrouw kwam my langzaam te gemoet, bezig een appel te eten. Zij hield op met een verschrikt gezicht, alsof ik haar den appel ontnam. — Zij is het niet; dat is zeker. — Een heer wandelde gearmd met een gesluierde dame, de beide hoofden tot elkaar overgebogen, alsof zij het deden om elkander beter te verstaan. Mijn gelaat deed hem het hare een oogwenk vergeten, en zy vergat zich zelve en klemde zich aan hem vast, als dreigde er gevaar in mijn blik. Zulk een stroom van menschen en ieder met zijn eigen zorgen en belangen! Ik rende de geheele kade af, tegen al die oogen in. Geen Marian ; nergens Marian! Ik kon my bijna niet weerhouden luidkeels „Marian, Marian!quot; te roepen, gelijk een wanhopig schepsel dat om zyn dooden roept. — Waar is zij, waar was zij? Was zy het werkelijk geweest? — Ik stond stil, buiten adem, rondblikkend, turend naar alle zijden.

-ocr page 177-

— 163 —

totdat eindelijk een heer, even afgetrokken als ik, mij tegen het lijf liep, en terstond daarop den schok in een vloed van verontschuldigingen deed uiteenspatten. Het was klaarblijkelijk een Academielid, die voor zyn gezondheid aan het wandelen was, en over het laatste „discoursquot; liep te denken. Door den stoot strooide hg de snuif, die hij tusschen vinger en duim hield, over het hagelwitte vest, dat naar behooren met het eervolle rood in het knoopsgat prijkte. — „ Var clou Madamequot;, — hg deed een paar stappen terug, niet minder verschrikt, dan wanneer hij vernomen had, dat Dumas voor den eerst volgenden ledigen academiezetel was gekozen. Want wanneer wordt genie door de deftige heeren voornaam geacht ? Het komt terecht op de plaats waar het behoort — dat wil zeggen op de achterkamer van een zevende verdieping, of in een hospitaal. Revolvers zijn vernuftige dingen, maar voorzichtige lieden (en dat zijn de academieleden) zullen ze niet licht in hun provisiekast bewaren.

En zoo, droevig en bitter gestemd in weerwil van myn schertsen, keerde ik schoorvoetend naar mgn hotel terug. O menschenwereld, juristen, poëten, droomers of wat gij ook wezen moogt. aan welk een afmattend blindemansspel nemen wij allen deel. Onze fantasie schept zich een beeld en dat niets, dat wij iets noemen, rennen wij achterna, trachten wij te grijpen, tot het ons ontgaat en wij ons zeiven verliezen in het gedrang. Eindelijk bonsen wij tegen een lotgenoot aan, die eveneens zoekt en het gezochte tegelijk met zich zeiven verliest — philosoof tegen philanthroop — academist tegen poëet — man tegen vrouw — doode tegen levende — en daarna naar huis met een bitteren lach en door zware hoofdpijn gekweld.--

Ik geef frisch water aan mijn bloemen, mgn gele rozen en mijn heliotropen, \'t Is te Parijs, dat men zulke bloemen vindt. Maar toch in Engeland ook. Het was eene gele roos, die Romney gewoonlijk op mijn jaardag aan de zuidzijde van het huis voor mij plukte. Behalve op dien laatsten. Toen had ik den boom te hardhandig geschud; er bleef geen enkele bloem meer aan.

Nu de kaart nagezien. Ik moet niet te lang van Italië weg-

-ocr page 178-

— 164 —

blijven, anders staakt de laatste nachtegaal zyn zang en sterft de laatste lichtvlieg in de maïs. Mijn ziel heeft behoefte aan heeter, zonniger lucht; — zy moet versmolten, vervormd worden. In dit kille Noorden bleef zij te lang in de oude vormen verstijfd.

Dat gelaat blijft my vervolgen, telkens drijft het weer boven in mijn herinnering. Het gelijkt Marian, zooals de doode de levende gelijkt. Want het was het gelaat van een mensch, \'t was geen geest, hoe plotseling het ook weer verdween. Het smalle gezichtje tusschen het donkere haar, dat ik, toen ik het voor de eerste maal zag, bij door de maan beschenen water in een wel vergeleek. Het lage, maar open voorhoofd, de bruine oogen met die aandoenlijke lijdende uitdrukking van een geplaagd, geslagen dier, — o, nu herinner ik mij duidelijk, hoe groot mij vandaag die oogen voorkwamen, \'t Was alsof een hartstochtelijke maar stille wanhoop hen al wyder en wijder had uitgebrand, zooals een gloeiende kool, op een tapijt gevallen onmerkbaar een gat brandt, dat al grooter en grooter wordt. En die oogen — ik weet het zeker — zagen ook mij, herkenden mij met volle bewustheid, zooals ik hen herkende. Een schepping nu van onze fantasie, een zinsbegoocheling, is passief, reageert niet; wordt gezien, maar ziet zelve niet.

\'t Was een wezenlijk gezicht, misschien een wezenlijke Marian.

Maar in dat geval ben ik verplicht aan Eomney te schrijven: „Marian is hier; gij behoeft over haar niet langer ongerust te zijn.quot;

Ik liet de pen vallen en drukte de handen tegen elkaar, in pijnlyke gejaagdheid. Kon ik /iem de halve waarheid schrijven? Kon ik mij zelve diets maken, dat ik de andere, de noodlottigste niet had gezien ? Moeten wij, om bedaard recht voor ons uit te kunnen gaan, zonder van ieder kiezelsteentje of dor blaadje te schrikken, oogkleppen dragen, feiten loochenen, zes tienden van den weg bedekken? — Durf de waarheid onder de oogen zien, mijn ziel, en erken: Zoo waarachtig als dit Marian\'s gelaat was, zoo waarachtig klemde deze Marian iets in de armen vast, dat zóó niet door haar

-ocr page 179-

— 165 —

armoedige shawl werd bedekt, of ik kan zeggen wat het was.

Een kind. quot;Wat heeft een verworpeling als zij, met die kroon van gelukkige vrouwen te maken, die de eenvoudigste onder haar vol zelfgevoel doet spreken van „Mijn kind?quot; Wie vindt een diamanten ring aan den vinger eens bedelaars en twijfelt of hij een dief voor zich heeft? Een kind is te kostbaar een schat voor zulk een arm schepsel, om het niet op oneerlijke wijze verkregen te hebben. By haar getuigt het niet van eer en van zegen — het spreekt van schande alleen.

Ik kan niet aan Eomney schrijven: „Marian is hier; zij is gevonden; ik zag haar hier te Parijs... met haar kind. Twee jaar geleden verwierp zij uwe liefde, maar blijkbaar niet om van honger te sterven. Gij hebt toen om harentwil geleden, maar thans, nu ge even weinig meer aan haar denkt, als aan de maandroos den vorigen zomer verwelkt, nu ge in haar plaats een krachtig bloeiende taxis hebt geplant, deel ik, om u alle ongerustheid te benemen, u uit loutere goedheid mede, dat zij niet dood — alleen maar te gronde is gegaan.quot;

Maar neen, dat gaat te ver. Ik ben wreed, als zoovelen. Bij \'t minste geritsel denk ik aan ratten en verdelg hen reeds in gedachten. — Een kind. Wat zou dat? — Haar buurvrouw kan wel ziek zijn en haar verzocht hebben er mee in de lucht te gaan. Zou ik haar daarom te schande maken ? Ook kan het kind zich om de een of andere licht verklaarbare reden aan haar gehecht hebben; — zij heeft, dunkt mij , iets aan-trekkelyks voor kinderen — en heeft zij het daarom tot zich genomen. Staat het mij vrij haar deswege te brandmerken?

Ik zal Eomney niet schrijven. Hij is op het oogenblik gelukkig — en. . . het zou kunnen zyn, dat zy schuldig ware —-en dat zou mogelijk een schaduw werpen over zyn geluk. Wat mij betreft, ik kan beter dan hij tegen den regen, omdat ik door geen zonneschijn ben verwend. En bovendien, ik heb haar gezien en ik zal, ik toil haar weder zien, zoo stellig als ik eenmaal den hemel hoop te aanschouwen. Ik zal de politie om hulp vragen; die zal haar opsporen, haar eigen terrein geheel doorzoeken. Wy zullen dit Parijs tot in zijn catacomben ten onderste boven keeren; wij zullen haar schuil-

-ocr page 180-

— 166 —

plaats ontdekken, haar te voorschijn brengen, haar redden, \'t zij met, \'t zij tegen haar wil; \'t zij met of zonder kind. Is er een kind, welnu dan zijn er twee, die gered moeten worden!

De weken gingen in vruchteloos zoeken voorbij, \'t Ware lichter een voetstap aan het zeestrand weer te vinden, i;a-dat de vloed er over henen is gegaan, dan Marian\'s voetspoor in de rustelooze branding van deze menschenzee. Misschien is zij dezen weg gegaan, maar een sterreviscli heeft dezelfde richting gekozen en den indruk van haar kleine voeten nitgewischt. — De ontmoedigde politie liet mij in den steek. Het was onmogelyk een meisje en een kind te vinden, waarvan niets viel te zeggen, dan dat het eerste opvallende oogen en zulk zwaar haar had, dat het haar als een ijzeren kroon op het voorhoofd drukte; — vrienden ver-grooten algemeenheden, zich verbeeldende bizonderheden aan te wijzen. Wel, het krielde te Parijs van meisjes met oogen en haren. Zij spoorden geen Marian Erie, maar Mathilde\'s, Justine\'s, Victoire\'s of onder de Engelsche, Betsy\'s en Sara\'s in menigte voor mij op. „Zij konden even goed naar buiten in het veld gaan, om in de peulen een gespikkelde boon, zus of zoo gespikkeld, te zoeken.quot; — Daarmee lieten zij my over aan mijn lot. Maar kon ?\'/■ haar aan het hare overlaten? Heb ik dan gedroomd toen ik haar zag? — —

— God zij gedankt, ik heb haar gevonden! Ik zeg, „Goddank,quot; hoewel dit vinden de wereld boozer, rampzaliger voor mij heeft gemaakt. Maar toch, ik dank hem om harentwille. Want zij...

Ik kan niet voortgaan — mijn hand beeft, alsof ik mijn hart had genomen om mee te schrij ven. Men zou meenen dat deze letters op zee, in een storm, zijn neergeschreven. Laat ik een oogenblik wachten.. .

Aan een toeval is alles te danken. Ik kon niet slapen gisteren nacht, en moede van het rusteloos woelen endenken, ging ik vroeg in den morgen, terwijl het daarbuiten nog koel en rustig was, naar de bloemmarkt, het liefelijkste plekje, dat Parijs heeft aan te wijzen. Ik wilde mg overtuigen, dat er toch nog altijd rozen zijn op aarde. In gedachten verzonken, maar toch

-ocr page 181-

— 167 —

alles rondom mij waarnemend met liet oog van den kunstenaar, dat, van uit de schaduw het beminde voorwerp gaslaat, wandelde ik rond, te midden van al die jonge, levendige, zwartoogige vrouwen, die vlug als vinken in de bloeiende heesters, tusschen de ruikers heen en weer trippelden en dongen en keuvelden in het radste , vrooly kste Eransch. — Plotseling trilde ik van het hoofd tot de voeten. Vlak bij mij hoorde ik een stem, die toonloos, langzaam en afgebroken, met een vreemden tongval naar den prijs van een bloeiende bremstruik vroeg. — „Zooveel? Dat is my te duur.quot; — Ik hoorde, ja voelde de zucht waarmee de spreekster zich omkeerde en stond vlak tegenover haar . ..

„Marian, Marian. .. eindelijk zijt gij daar. .. eindelijk heb ik u gevonden..Ik hield haar beide polsen met myn handen omklemd. „Neen, ik kan, ik wil u niet laten gaan.quot; — Zy trachtte zich los te wringen, wit als een cyclamen door een rukwind gegrepen en tegen het rasterwerk geslagen. — „Laat my voorby,quot; zeide zij eindelijk. „Ik wil niet,quot; was mijn antwoord. „Voor dagen en weken heb ik mijn zuster Marian verloren en haar overal gezocht. Thans heb ik haar gevonden. Werpen wy het brood weg, waarvoor wij gezwoegd en gebeden hebben; verkruimelen we het en laten wy het ons ontglippen? Kan ik u dan laten ontglippen, u naar wie ik heb gehongerd, meer dan men naar brood kan doen? Wantrouw my toch niet, myn zuster Marian, beef toch zoo niet; ik zal u niet deren. Kom mee met my, waar wy ongestoord kunnen spreken en samenzyn en niemand ons zal hinderen. Ik heb een te huis voor u en voor mij en voor niemand, niemand anders.quot; — Zy schudde het hoofd: „Een tehuis voor u en voor my en voor niemand anders, zou voor een van ons beiden niet passen. Liefst had ik een graszode tot dak, waarop een bloem kan ontluiken, minder kostbaar voor my dan de goedkoopste van deze, maar ook dat te huis mag ik my thans niet gunnen. Ik dank u dat gy het uwe my biedt. Grij zijt goed en liefderyk als de Hemel, als een, dien ik weleer heb gekend... Vaarwel!quot;

Ik liet haar handen los: „In zijn naam geen vaarwel.quot; (Zy stond roerloos, alsof ik haar vasthield). „Ter wille vau

-ocr page 182-

— 168 —

hem, ter wille van het goede dat hij altyd, altijd bedoelde, ter wille van de liefde, waarop hij eenmaal heeft gehoopt, en -waarvoor grieven, verwijten, smart in plaats zijn gekomen. .

„Hij? Romney? Wie had het hart hem te grieven? Wie durfde hem iets verwijten? O, ik smeek u zeg het my!quot;

„Kom dan met mij,quot; sprak ik op een toon van gezag; „dit zijn geen dingen en namen, om in de straten van Parijs te worden besproken.quot;

Zij antwoordde niets, maar als een die voelt, dat zij zich door haar smart heeft laten vervoeren, volgde zij mij gedwee en onderworpen, \'t Was alsof ik haar over een smalle plank, voet voor voet, een bruisenden bergstroom overvoerde. Zoo gingen wij een tijdlang zwijgend voort.

Op eens stond zij stil met een marmerbleek gezicht. „Moeten wij nog veel verder gaan?quot;

„Waarom? Zijt gij ongesteld of vermoeid?quot;

Zij glimlachte en scheen mij door dien lach nog bleeker toe. „Bij mij thuis,quot; zeide zij, „is een, die mij noodig heeft om dezen tijd en dien ik niet mag laten wachten.quot;

„Zelfs niet om van Romney Leigh te hooren?quot; was mijn vraag.

„Zelfs niet om van mijnheer Leigh te hooren,quot; klonk het antwoord.

„In dat geval zal ik met u gaan,quot; hernam ik. „Bij u kunnen wij even goed oproken, als bij mij. Mij wacht niemand en ik heb den dag voor mijzelve.quot;

Haar lippen bewogen zich krampachtig, maar zonder geluid te geven. Eindelijk sprak zij: „Welnu, zooals gij verkiest, \'tls beter zelfs, \'tis spoediger gezien dan gezegd, en al zult gij mij de moeite, die gij u geeft, niet waard vinden, \'t is misschien de moeite waard dit te weten, voor eene, die zoo goed is als gy.quot;

Daarop ging zy mij op hare beurt voor en ik volgde als over een smalle plank, Jwars den bruisenden bergstroom over, tredend in haar voetstappen, mij aan haar vastklemmend met de oogen. Zoo gingen wij zwijgend voort, een mijl ongeveer en nog eens een mijl.

-ocr page 183-

— 169 —

Eindelijk hadden wij de dichtbevolkte buurten achter ons. Slechts hier en daar waren groepen huizen als kleine kudden verspreid. De open groene plaatsen vermenigvuldigen en daar achter strekten lange, witte muren, als de buitendraden van een spinnenweb, zich tastend naar de velden uit. Men zag half voltooide huizen of ten halve uitgegraven fondamenten, verbonden door hobbelige, met gras bewassen plekken, vol vergruisde kalk, waarop hier en daar een geit stond, die kauwend op een enkel nieuw, jong wingerdblaadje, met groote, starende oogen Bacchus komst scheen te verbeiden. De geheele plaats geleek meer op een woestenij, dan op een in aanbouw zij ud terrein. De mensch werkt hier, maar woont er nog bijna niet. \'t Heeft alles een droefgeestig aanzien. Het land verzet zich nog tegen de stad, gelyk een ongetemde valk zich aan de sterke vuist van den jager zoekt te ontwringen. Hij slaat met de vleugels, hij tracht te ontkomen — \'t valt niet licht met vastgeklonken rechterpoot rustig in den hof te leeren hinken, terwijl de wijnbergen en de groene heuvels zoo dicht in de nabijheid zijn.

Wij stonden stil voor een huis, dat te hoog en te rank was om alleen te blijven staan. Het wachtte dan ook blijkbaar tot aan weerszijden een paar andere uit de tweede verdieping, waarbij zij waren blyven steken, zouden zijn opgegroeid. De ramen der bovenste verdieping waren daarom nog ten deele zonder glas. \'t Was een mager, onrijp huis. Een ry armzalige populieren begrensde het van achteren, maar van voren rees ter zijde van het door steenen en kalk vernielde gras, dat zich tot den weg uitstrekte, een groote, slanke acoacia omhoog met een looverdak, een bladerenkroon zoo rijk en zwaar, dat hij een vergoeding mocht heeten voor het groen en de schaduw, die aan zijn naaste omgeving ontbraken. — Ik volgde haar de trap op. Zij liep haastig naar boven, een vrouw, die op een portaal stond, voorby. —-„Wel, wel, is dat uitblyven; gij neemt het er van. Gij spreekt van één uur en blijft drie uur weg en laat Julie hier maar wachten, alsof zij niets beters te doen had. Ik voor mij had hem laten wakker worden, als hij wou.quot; Marian murmelde een woord van verontschuldiging en trad met my

-ocr page 184-

— 170 —

haar eigen kamer binnen, daarmee alle verdere aanmerkingen buitensluitend.

\'t Was een kamertje niet veel grooter dan een graf en schier even naakt. Twee stoelen en een schamel bed, niets meer. Een muis zou er zich niet hebben kunnen verschuilen en een grooter geheim nog veel minder. Het venster, waarvoor geen gordijn hing, staarde u met zijn,schrille oogen aan, u tartend een stap te doen, om iets te verbergen. Ik overzag het vertrek in een oogwenk, terwijl ik daar alleen met Marian stond. Alleen? Zij wierp haar hoed af, en trad met een zucht, alsof \'t haar laatste was, naar het bed. Stil, behoedzaam, als raakte zij aan de schil eener fijne vrucht, die zij vreesde te kneuzen, lichtte zij een shawl op •— geen granaatappel heeft warmer, donziger blos dan wat zich aan mijn oogen vertoonde.

Daar lag het op den rug, het eenjarig wicht, gekoesterd, gestoofd, vol levenswarmte tot in de kuiltjes van zijn mollige ledematen, tot in de vochtige, kleine krullen, die om zgn gezichtje hingen. quot;Want daar de doek hem geheel had bedekt, om het felle licht af te weren, waren zijn wangen gloeiend en rood, als de eerste levende roos, waarin het hartebloed van den herder ging wegvloeien, te sneller door zijn liefde. En ook hier was het liefde, die men speurde in het aardige kleine mondje, dat blykbaar in den droom zich tot zuigen had geplooid, in de lieve bloote voetjes, als vogeltjes in het nest bij elkander gekropen, in de kleine knuistjes, die nog den indruk bewaarden van den vinger, waarom zy zich bij het inslapen hadden gesloten, \'t Was alles even mollig en teeder.

Terwijl wij hem daar zwijgend stonden gade te slaan — want o, dat zooveel onschuld van zooveel schuld moest getuigen, dat drong de woorden op mijn lippen terug — maakte het licht, dat op zyn oogleden viel, hem wakker. Hij keek ons aan met groote, blauwe kijkers, niet recht wetende, wat hij zag — wij stervelingen geleken zoo weinig op de engelen, die hij in den droom had bezocht. Maar van lieverlede herkende hij zijn moeder en heette haar welkom met een lach, dien hij in den hemel, welken hy gaarne voor haar

-ocr page 185-

— 171 —

prijs gaf, scheen te hebben geleerd. Toch verroerde hy zich niet, maar ging voort met lachen in slaperige verrukking, zóó gelukkig, zóó zalig, dat hij niet begeerde te worden gestoord. Hij lag daar als een roos, zeide ik, ja, blozend en roerloos als een roos, die in alle stilte zijn bladeren ontplooit, volkomen tevreden zoo zij maar bloeien en geuren en leven mag.

Zij boog zich over hem heen, hem. drinkend als wijn, met die vurige, onuitsprekelijke liefde, die zoowel smart als wellust mag worden genoemd. Want liefde, waarachtige liefde sluit de volheid van het leven in. Zij, de alles omvattende, wat zou er nevens of boven haar bestaan? Zelfvergeten, aan zich zelve onttogen, stond zij daar, als opgelost in haar kind. Zij zag op hem neer, niet met de oogen alleen, neen, mond en voorhoofd, heel het bleeke, hartstochtelijke gelaat was één blik. Eindelijk kwam daar een glimlach op, een flauwe weerschijn van den zijnen; als of zij voor een vuur stond en de vlam haar bescheen, „Hoe schoon is hijquot;, zeide zij.

Ik trachtte op koelen toon te antwoorden. Moet, dacht ik, het kwade vergoeding vinden, als ware het heilig als de smart; moet een vrouw zich tot zonde laten verlokken door dat meest geliefde speelgoed der vrouw — een kind? — „O ja,quot; was myn antwoord, „het kind ziet er lief uit; is de moeder rein, dan mag zij zich verheugen in zulk een schat. Is zij het niet — wel, ik zou liever de gloeiende koopren staven van Gods altaar, waarop het lam ten brandoffer ligt, met beide handen omvatten, dan dit heilige kinderhoofdje met één vinger slechts aanraken.quot;

Zij woelde met al haar vingers door zijn dicht krullende haren, als een, die, voor geen vuur zou terugdeinzen. Daarop sprak zij met ingehouden, maar vaste stem: „Mijn lam, mijn lam, het was een aanu gelijk, die eenmaal de meest onreine, de diepst gezonkene moed gaf om tot Grod te gaan. Thans vindt men zelfs bij den evenmensch geen erbarmen genoeg, om op een woord van zachtmoedig medeleden te mogen hopen.quot;

„Marian,quot; sprak ik ernstig, maar droevig, „de priester, die een lam stal, om het Grode te offeren, was daarom toch een dief. En wanneer een vrouw, door de omheining, waarmee Grod ware liefde voor ontucht beveiligt, de hand steekt

-ocr page 186-

— 172 —

om een \'kind, een lief, lachend kind te stelen, dan is zij geen moeder, maar een kinderdief; dan is hij een wees, maar geen zoon. Al haar kussen kunnen hem in later leven het reine tehuis niet vergoeden, noch het reine hart om tegen te leunen, de onbevlekte moedernaam, de dierbare, heilige nagedachtenis, waaraan hij zich kan vastklemmen, als aan een anker der hope, wanneer hij in den levensstorm dreigt te gronde te gaan.quot;

„Oquot;, zeide zij met een bitteren lach, „het kind zal er zooveel slechter niet by varen, omdat hij vaderloos is. Wat baatte mij de mijne? Hij zal misschien zeggen, dat zyn moeder het droevigste schepsel op aarde was, zoo vreemd aan vreugde, dat zelfs de liefderykste onder de vrouwen somtijds hard en wreed by haar aanblik werd. Maar hij zal niet zeggen, dat zij met haar zonden God in het aangezicht is gevlogen. Myn kind gestolen, mijn bloem, mijn eenige bloem op aarde, myn lieveling, mijn beeldschoone lieveling!quot;... Zy greep haar jonkske met beide banden en brak onder hartstochtelijk snikken in een vloed van tranen uit. Het kind zag het aan. voor spel en trappelde met de voetjes en sloeg met de armpjes en kraaide en gierde van de pret.

„Myn kind, mijn eigen kind,quot; snikte zij. „Ik heb er recht op, zoo goed als de gelukkigste, de trotschte moeder op aarde, die haar trouwring neemt om er zijn tandje mee door het tandvleesch te boren. Spreekt zy van een wet, welnu, ik doe het ook! Ik eisch mijn moederrecht krachtens een wet, die heden ten dage zich boven elke andere doet gelden; de wet, waardoor armen en zwakken door de boozen vertrapt en daarna voor altyd door de goeden gevloekt worden. Grenoeg. Ik heb niet gestolen — ik heb het kind gevonden.quot;

„Gevonden, Marian?quot;

„Ja gevonden, waar ik mijn vloek vond — in de goot, bij mijn schande. Wat hebt gy allen, die gelukkig en veilig en hoog zijt gezeten en tot dusverre nooit my mijn recht op smart en lijden hebt betwist, daartegen in te brengen? Wat? Een meisje, half vertrapt onder de hoeven varr dolle stieren en meer dood dan levend in een sloot te recht gekomen, vindt, uit hare onmacht ontwakend, een kleinood.

-ocr page 187-

— 173 —

dat door den geweldigen soliok diep in haar vleesch is gedrongen, en een goed man — dat is God — de beste man is niet half zoo goed — komt en zegt tot haar: „ik heb dat kleinood daar doen rederzinken; neem het, behoud het, het zal een vergoeding zyn voor uw verliesquot; .. . moet gij, gij allen dan den vinger gaan opsteken en roepen: „Houd de dief, zie eens wat kostbaar sieraad zij heeft geroofd; wat zijn die meisjes toch slecht, toch diep gezonken?quot; O mijn bloempje, mijn lieveling, hoe durf ik vergeten, dat ik u in de armen heb, en my boos maken op de menschen en u verschrikken door mijn heftigheid, zoodat gij uw lipje tot schreien plooit! Lat, dat is slecht, een ondeugende moeder te wezen.quot;

„Grij vergistu, Marianquot;, viel ik in; „had ik u niet lief, ik zou zeker niet hier zijn gekomen.quot;

„Helaas, zeide zij, „gij zijt zoo goed, zoo goed. En toch wenschte ik dat gij niet waart gekomen, om mij aan het snikken te maken, tot ik mijn kind bedroef. Het is niet goed voor die teedere plantjes, om reeds zoo vroeg in den morgen door onze zilte tranen te worden besproeid. En daarbij, wie weet, of hij nog wel zoo veel van my houdt, als voordat hy mij boos heeft gezien. Men ziet er zoo leelijk uit, als men huilt en zich driftig maakt. Hij heeft de oogen, die de engelen hebben, maar de zyne zien minder diep en daarom houd ik altijd een soort van glimlach voor hem gereed, zooals men een takje in een vaas zet, om te doen of het daar groeide. — Zie, mijn schat, myn hartedief, moeder kijkt niet meer boos; daar is het gezicht weer dat ge altijd graag ziet... ha, hij lacht weer, hij houdt weer van my als te voren. O miss Leigh, gy zyt groot en rein, maar al waart gy nog reiner, al zoudt gy zelfs niet dulden, dat een blinkend, wit stofje van het Nieuwe Jeruzalem zich ooit aan uw kleederen hechtte, het kind zou toch bij my willen blijven, toch zijn arme, verloren Marian verkiezen boven u; zich toch aan mij vastklemmen, zich in mijn armen verschuilen, als ge de tiwe naar hem uitstrektet. Hy zou tegen u doen, wat wij tegen Grod doen, wanneer Hy zegt dat het tijd is om te sterven en wij naar hooger plaats moeten stijgen. Laat ons beiden

-ocr page 188-

— 174 —

dan met rust. Wij zijn samen gelukkig. Denkt gij dat hij mij verstoot? quot;Wel, hij is even volkomen tevreden met mij, als ik het ben met hem.quot;

„Zoo zacht voor eene, zoo hard voor anderen. Zie,quot; riep ik, te meer ontstemd, omdat ik mij verteederd begon te gevoelen, „wij maken een kussen van onze fouten, om er deugden op uit te oefenen, die niet zwaar te volbrengen zgn. Ik meende, dat een kind aan een vrouw tot haar heiliging werd geschonken, dat zy er voor het alziend oog der Hemelen door werd gesteld als eene, die werd uitverkoren om het werk Gods, de vorming en de opleiding eener men-schenziel, te volbrengen. Wordt een vrouw door moeder te zijn niet beter, niet reiner, niet tot al wat waar en goed is, bezield.., dan is zij geen moeder, al bedekt zij de wangen van haar kind ook met de vurigste kussen. Zoo doen wij rozen sterven ook.quot;

„Sterven! O Christus,quot; kreet zy, met een angstigen en wanhopigen blik, „wat hebt gij toch allen in uw ziel tegen mij? Wat heb ik misdaan? Waarom denkt gij zoo slecht van mij ? Grod kent mij en vertrouwt mij een kind toe en gij, gij denkt dat ik zondig, diep bedorven ben ?quot;

„Neen,quot; sprak ik op zachten toon, „maar toegevend voor een kwaad, ter wille van een of ander voordeel door u bedreven, en die toegevendheid maakt het gepleegde onrecht nog grooter, Marian. Toen gij het reine tehuis en het edele hart u aangeboden verstiet, om de hand van een verleider te vatten ...quot;

Wie? wiens hand? Ik vatte de hand van...quot;

Zij sprong recht, en het kind als een oriflam met beide handen omhoog beurend: „Bij hemquot; sprak zy, „bij het hoofd, bij de lokken van mijn zoon, bij deze blauwe oogen, waarvoor geen vrouw op aarde een meineed zou durven doen, zweer ik mijn moedereed, dat, toen ik dat hart verliet , om het niet langer te bezwaren, het smart, niets dan smart was, wat het mijne verteerde. Green reiner maagd dan ik was, deed ooit een stap, die tot rampzaliger uitkomst leidde. Geen gehuwde moeder kan met rustiger polsen dan ik de dagen harer jonkheid herdenken. Zie, ik spreek op vasten

-ocr page 189-

— 175 —

toon. Indien ik loog, indien ik, door eigen duivelsclien lust vervoerd, dezen engel tot getuige en voorspraak durfde nemen, zou God in den Hemel mij door zijn donder niet het zwijgen opleggen? En zie, ik spreek. . . Hij acht mij dus rein! Yer-leid, zeidet gij? Verleiden wolven in Frankrijk een dolend hert? Wordt het lam verleid, dat door de klauwen van den gier gegrepen en daarna aan stukken wordt gescheurd? Zoo ging het mij; ik werd niet verleid, maar vermoord.quot;

Zij hield op met een zucht, de zucht der wanhoop, die tot uitputting komt. Daarop liet zij den kleine uit haar armen op haar borst glijden, terwijl de gloed op haar gelaat verbleekte als een toorts, die uitdooft in den val. Al dieper het hoofd buigend, zonk zij met haar kind op den rand van haar bed ter neer. Maar ik, beschaamd, gebroken, geen zweem van twijfel meer voedend, ik wierp mij hartstochte-lijk by haar neer en sloeg my n armen om haar heen. „Marian,quot; riep ik onder een vloed van tranen, haar oogen en lokken met kussen bedekkend, „liefste, heilige Marian, ik heb u onrecht gedaan, onrecht. Ik, ik maak uw eed tot den mijnen, hoe hardvochtig ook mijn lippen zijn: bij het kind , het kind, myn Marian, zweer ik, dat zijn moeder onschuldig is voor myn geweten, zooals zij het is in het open Boek van Hem, die er op den oordeelsdag het vonnis uit velt. Onschuldig, mijn zuster. Hoe donker de nacht moge zijn, toch staat de maan aan den hemel; even zeker zal uw blinkende reinheid door de zwartste feiten heen te ontdekken zijn. Maar schenk mij vergiffenis, vergiffenis, Marian en glimlach eens even — even slechts om uw kind, ai doet ge het om mij niet, mijn zuster.quot;

De arme mond vertrok zich tot een glimlach en daarop strak als of een standbeeld de klanken uit de marmeren lippen stootte — „ik ben blijzeide zy, „zeer bly , dat gij mij vrij spreekt. Het zou mij leed doen, door u met publieke vrouwen of zelfs met iets minder ergs, maar dat zijn moeder tot schande zou strekken, op één lijn te worden gesteld. Yoor het overige sta ik niet hoog genoeg voor uwe liefde; ik was haar nooit waardig en thans ben ik het minder dan ooit. Want die wereld van u heeft mij meedoogenloos be-

-ocr page 190-

— 176 —

jegend; mg vergruisd en vernield, zooals de golven op het strand de steenen tot gruis schuren. Van die kleine steen, Marian Erie genaamd, eens door u en een ander vriend opgeraapt, maar spoedig weer aan uw hand ontgleden, is niets, niets meer over; de rustelooze golven hebben haar werk verricht. Zij is vernield, vernietigd — vermoord. Marian is vermoord, zooals ik u zeide; Marian is dood. Wat kan men doen aan iemand die dood is? Wat anders dan, als men vroom is, een psalm zingen en heengaan en, als men teerhartig is, een traan storten en heengaan en het gras laten omhoogschieten op een vergeten graf. tra dus heen en laat mij met rust. Ik ben dood, zeg ik u. Heeft, ter wille van het kind, de moeder in mij al het andere overleefd, wel, dat is een wonder Gods, dat uwe bevatting te boven gaat. Ik ben er niet minder dood om. Ik ben niets, niets dan een moeder. Voor het kind slechts ben ik warm en koud, en hongerig en bevreesd , ruik ik de bloemen een weinig, zie ik de zon, spreek ik nog en zwijg ik — alleen maar voor mijn kind. Daarom, ik bid u, vergis u in my niet; behandel mij niet, alsof ik nog leefde. Want al staakt gij spelden door mijn ziel, ik zou het niet voelen, het zou mij niet deren. Wil ik er u een bewijs van geven? Van morgen, op de bloemmarkt beloofdet gij mij iets omtrent een vriend mee te deelen, die jaren geleden Gods plaats voor mij bekleedde, de God, die niet toornt, maar zich vol liefde nederbuigt. Ik verliet hem, zooals wij allen God verlaten — en nu dacht gij zeker, dat ik verlangen zou iets van dien vriend te hooren? Welnu, zie hier. Meer dan een uur reeds zijn wij hier samen en spreken van mij en het kind en ik heb nog niet eens gevraagd: Wat hebt gij mij te zeggen van dien vriend... dien vriend? Zeidet ge niet dat hij bedroefd is... lijdt hij. .. is hij ziek?. .. AVat gaat het Marian aan, of hij bedroefd of lijdende is? Een ander zou aan uw voeten zijn gekropen en u gesmeekt hebben haar alles te zeggen. Ja, een dier, een hond, een kat, die hij eens met melk had gevoed, zou meer gehechtheid, meer dankbaarheid toonen. Maar ik ben dood, ziet ge, en dat verklaart mijn ongevoeligheid.quot;

Arm kind, arm kind! Zij sprak en schudde het hoofd,

-ocr page 191-

— 177 —

quot;bleek en kalm als een winterdag zonder zon. Maar toch met een gelaat zoo levend dat ik mij niet weerhouden kon het tegen mij aan te drukken, en die matte, bleeke wangen te streelen en haar op zachten toon van Romney Leigh te verhalen: hoe hij haar verloren, gezocht en droevig gemist had, ja nog altijd miste; hoe hij een tijdlang, om eigen en harentwille ter neergebogen, zich geheel van de wereld had teruggetrokken, alsof hij met het leven had afgedaan. — Hier hield ik een oogenblik stil, want toen zij, mij met dringende oogen aanziende, op gejaagden toon vroeg: „Enthans, hoe is het thans met hem?... zeg het mij...quot; voelde ik mij verlegen, beschaamd, dat ik van een smart moest gewagen, die vergoeding had gevonden; ik koos mijn woorden zorgvuldig, ik trad voorzichtig op de glibberige steenen in den vlietenden stroom; ik sprak van een morgen, die tot avond werd, een avond, die tot nacht verduisterde, maar om opnieuw een morgen uit de kim te zien rijzen; aldus, niet waar? had een wijze Voorzienigheid het beschikt — en hoewel hij nog altijd aan haar dacht —

Ja, zij verstond, zij begreep, zij had wel gedacht, dat het zoo wezen zou; drukt men den vinger op één opening in een fluit, dan komt een nieuwe noot de melodie vervolgen; zij had reeds voor langen tijd geweten, dat een, die waardiger was dan zij, in hare plaats zou komen; dat die Lady Waldemar, die hij zoo liefhad...

„Liefhad!quot; riep ik met vuur. „Zoo liefhad! Zeg mij...quot;

„Ik zal u alles zeggen,quot; was haar antwoord, „maar vooraf. . . Wij zijn aan het afleggen van eeden; zweer mij, dat hij in Engeland nooit zal vernemen in welk een afschuwelijke hinderlaag het arme schepsel, dat hij met zyn naam wilde vereeren, werd gelokt en ten val gebracht. Want ik ken hem; hij die het leed van elke vreemde ter harte neemt, hij zou het mijne niet van zich af kunnen zetten en daardoor niet zóó gelukkig zyn, als ik met hart en ziel wensch. Thans zal hij gaandeweg verleeren te denken aan mij, die, naar hij meent, eigenzinnig, ondankbaar, van hem ben heengegaan , maar wist hij. .. o, de scherpe nagel van het gruwzaam onrecht, mij aangedaan, zou mij voor altijd in zijn herinne-

12

-ocr page 192-

— 178 —

ring hechten. Ik zou hem voor oogen blijven, als een arme, vastgespijkerde vogel hoven het vuur van een ruwen jager, wiens aanblik den meer teergevoeligen gast den eetlust beneemt. Xeen, uwe Marian is dood; hang haar niet aan een spijker; maak een kuil en begraaf haar in stilte, zonder klokkengelui.quot;

Ik antwoordde vroolijk, hoewel tranen mijn stem verstikten: „Wij zullen de feestklok, niet de doodsklok luiden, omdat wij haar weergevonden hebben, \'tzij dan levend of dood.quot;

Zij gaf geen antwoord, maar schudde het hoofd en daarop als eene die, veilig in den hemel, boven toorn en schaamte verheven, de geschiedenis van zijn aardsche omwandeling verhaalt, deelde zij mij hare laatste lotgevallen mede.

Zij zeide my, hoe zy knielend bemind had; hoe haar liefde louter aanbidding was geweest; hoe zij zich de zijne, neen het zyne, niets dan het zijne had gevoeld, zijn werktuig, zijn voetbank; den beker, dien hij naar welgevallen met wijn of azijn mocht vullen. Zij kon slechts genieten, wat hem begeerlijk scheen. Wilde hij zijn naam op haar schrijven en haar op zyn boekenplank zetten, welk een voorrecht te mogen staan wachten, tot hij de hand naar haar uitstrekte. Ik had haar gezien in die dagen; brandde haar levensvlam niet helder door de liefde, die haar voedde; niet als het nachtlicht, dat door de olie, waarop het drijft, den ganschen nacht licht verspreidt?

Goed te doen scheen zoozeer zyn element te zijn, dat het gedaan te hebben — vleide zij zich —• geheel zijn vatbaarheid voor vreugde uitmaakte. In \'t eerst vroeg zij dan ook zichzelve niet af, of /tij gelukkig was; —• hij maakte het haar immers. Evenmin of hij haar beminde — zij voelda zich slechts bemind. Wie vraagt of de zon licht is, terwijl hij ziet, dat zij licht geeft? Meer nog, wie durft aan Gods gelukzaligheid twijfelen? En zoo nam zij als iets, dat van zelf sprak, aan, wat zij vóór alles had moeten onderzoeken en door bewijzen had moeten zien gestaafd. Daarin had zij zich tegen hem bezondigd, maar ook daarin alleen. Maar wat kon men van een als zij ook verwachten? Gij laat een geitje

-ocr page 193-

— 179 —

vrij rondloopen in een sierlijk aangelegden tuin; het is een lief en zacht dier, maar toch zal het in de bloemperken springen en de tulpen vertrappen en de jonge boompjes vernielen, \'t Zou een wonder zijn als zooveel onnoozelheid minder kwaad uitrichtte. Een tuin is geen plaats voor geiten.

Maar van lieverlee, nadat hij , die haar had uitverkoren, zijn beleefde, minzame vrienden tot haar had geleid en zij hun goedheid vol vreugd, als een deel van het zijne had aangenomen, was het langzamerhand tot haar traag bewust-zyn gekomen, dat ook zij niet op hare plaats was in dit Eden van zaligheid; dat ook zij juist schade aanrichtte daar, waar zij niets dan liefdebetoon bedoelde, \'t Was een gedachte, om een vrouw — ja zelfs om een dier — krankzinnig te maken; de gedachte, dat men een besmettelijke ziekte brengt aan den man, voor wien men in den dood zou willen gaan; dat men, de armen om zijn hals slaande, hem naar beneden trekt en doet verdrinken; dat men, door zijn ziel op hem uittestorten, verderf over zijn hoofd brengt. En die afschu-welijke gedachte, eenmaal opgerezen...

„Wie mij tot zulke gedachten bracht, vraagt gij mij ? Wiens schuld het was, dat ik ze voeden ging? Wel, nieraands schuld. Het licht gaat op en wij zien, wat wij niet zagen. Als wy zeiven geen oogen hadden, zouden wy niets waarnemen, al scheen ook het licht; zoo is het Marian Erie ook gegaan. Zag zij ten laatste, \'t was omdat het vermogen er toe in haar zelve was — zonder dat, zouden Lady Waldemar\'s woorden ijdel zijn geweest. .

O mijn hart, o waarschuwende stem in mijn hart. „\'t Was dus Lady Waldemar, die sprak!quot; riep ik uit.

„Sprak zij?quot; hernam Marian vragend en als in zich zelve, „of gaf zij alleen maar te kennen; legde zij de woorden in haar gelaat, in haar blik, in de plooien van haar kleed, waaruit ze bij de minste beweging tot mij oprezen, als de geur van een of ander welriekend vocht? Wie zal het zeggen, wie kan het nagaan?quot; — Eén ding was zeker: van het oogen-blik af, dat de edele dame haar eerste bezoek had gebracht, was Marian de zaken apders gaan inzien, zich minder zeker gaan voelen onder het beschuttend dak, dat de omstandig-

-ocr page 194-

heden haar hadden aangewezen, en waaronder de hoop haar reeds vol vertrouwen haar nestje had doen houwen. Haar hart werd onrustig, fladderde gejaagd heen en weer, gelijk de vogel, wanneer een storm in aantocht is, niet wetende, wat het zoo angstig te moede deed zijn.

„En de dame kwam wederquot;, zei Marian, „en nogmaals weder, veel vaker dan mijnheer Leigh ooit vermoedde. Want zij verbood mij hem te zeggen, dat zij kwam; zij wilde, zeide zij, niet pronken met haar liefde voor zijn hrnid, die goede Lady Waldemar! En met elk bezoek, dat zij bracht, werd alles klaarder —• en ook klaar de smart.. . Wel, daar mocht men haar geen verwijt van maken. Zoo zou het immers ook zyn, als een engel neerdaalde, wiens reinheid ons van zonde overtuigde. En telkenmale, als zij kwam, leek zij schooner dan te voren en klonk haar stem nog meer als fluitspel tusschen het loover, totdat ik eindelijk, als eene, wier hart volschiet onder het luisteren naar gevoelvolle muziek, in tranen uitbarstte en haar schreiend smeekte mij te raden en te helpen. Had ik gedwaald met zoo overgelukkig te zijn? Wilde zij my op den rechten weg brengen? —• Want zij, die wijs was en goed en door haar geboorte op een hoogte stond, die ik nooit had beklommen, zij kon be-oordeelen, of ik op die verhevenheid op myne plaats zoude zyn, of ik er groeien en bloeien kon, of lioraney Leigh zou kunnen teren op het schrale gras, dat ik hem te bieden had, of hij geen honger zou lijden en kwijnen en sterven misschien? Zij sloot mij in hare armen en deed mij een oogenblik droo-men, wat eene zaligheid het moet zijn een echte moeder te bezitten. Maar toen ik haar aanzag, waren hare trekken te jong — de jeugd is te schitterend, om niet een weinig hard en koud te zyn, en schoonheid voelt zichzelf altijd te veel. Hoe vriendelijk Lady Waldemar ook was, toch deed zij mij pjjn, pijn als de morgenzon, die op onze slapende oogleden valt en ons met hoofdpijn doet wakker worden.

„Helaas, het licht was weldra fel genoeg, om ook het hart van pijn te doen krimpen. Zij bracht mij waarheden onder het oog, waar ik zelve haar om vroeg — \'twas dus mijn eigen schuld, dat ik leed. Zij zeide mij, dat Romney,

-ocr page 195-

— 181 —

al wilde hij, my niet kon beminnen, zooals een man een vrouw bemint; er zijn naturen aan sommige rivieren gelijk, wier wateren naast elkander stroomen, zonder samen te vloeien; dat ligt aan aangeboren tegenstrijdigheden, dat schuilt in het. bloed, \'t Was waar, hij begeerde mij te huwen, maar dat was om mijn stand te huwen, een ondoordachte theorie tot daad te maken. Eens getrouwd, zou zulk een rechtvaardig en zachtmoedig man gewis mijn leven effen en glad als een trouwring maken; slechts vriendelijke woorden voor mij ten beste hebben, mij een vroolijk te huis bereiden, mij dienstboden, juweelen en bloemen schenken, en zijden japonnen in overvloed ... Ik viel haar in de rede. Dat wat mij betrof. Maar thans — wat stond hem te wachten? Zij aarzelde — de waarheid werd zoo wreed en hard. Zij moest erkennen, dat een man, als Eomney Leigh, een vrouw van zijn eigen stand en ontwikkeling behoefde. Zou hij dag aan dag moeten bukken, om al datgene wat een man tot steun in het leven strekt, om sympathie, gevoelens, denkbeelden, de dagelijksche wisseling van gedachten als van den grond op te rapen, dan mocht zijn dagtaak voorwaar niet licht worden genoemd. Wie koopt tot steun van de hand een staf die slechts tot aan de knieën reikt? Bitterlijk zou hij ondervinden, wat het zegt, die reinste huwelijksweelde te derven, die twee welgepaarde, gelijkgestemde wezens , welke ook hunne persoonlijke belangen zijn, door de eenheid hunner liefde doet spreken van onze meening, ons gevoelen, van: dit hopen , dit gelooven wij. — Toen ik daarop vroeg of een ernstige wil, een onvoorwaardelijke toewijding, geholpen door een jeugd als de mijne, mij niet zouden kunnen opheffen, gelijk twee sterke armen een kind kunnen beuren naar een vrucht, die boven zijn bereik hangt, schudde zij zuchtend het hoofd. Dat kon niet, vreesde zij. Doe wat ge kunt, om een anjelier te verfijnen, toch blijft het een anjelier; een heliotrope wordt het nooit. De soort blijft bestaan. En toen volgde een nog harder waarheid. Deze Eomney Leigh, zoo onstuimig alle perken overschrijdend, niets ontziende, waar het geweten sprak, zoo bereid de martelaarskroon te dragen, zou lijden zonder te wankelen of te wijken, maar daarom niet minder

-ocr page 196-

— 182 —

zeker en hevig lijden, als zijn vrienden en bekenden liem wegens zijn schandelijk huwelijk den rug toekeerden en hem tot mikpunt hunner praatjes en aardigheden maakten. Zij zweeg en daarop opperde ik schoorvoetend de bedenking, of wij Mr. Leigh geen onrecht deden met deze vrees; of hij, met zijn hoog gevoel, door dit alles wel meer zou kunnen worden getroffen, dan de koningin in hare zalen door de modder der straten kon worden bespat?... Eén oogwenk flikkerde de hoop weer op in mijn hart, maar de dame sloot ook deze deur en voor goed met de wijze opmerking, dat het teedere hart, dat hem zoo overgevoelig maakte voor het lijden der mindere klasse, hem bezwaarlijk ongevoelig kon doen blijven voor wat de hoogere standen dachten en voelden.

„Helaas, helaas,quot; zuchtte Marian — het lieve kind, dat, al by na in slaap, de blauwe kijkers al meer en meer sloot, zachtkens op en neder wiegend — „zij maakte het zoo helder. . . te helder — ik zag hoe het wezen zou! En toch, wie weet of dit zien alleen mij tot handelen zou hebben gedreven, had de edelmoedige dame, die dit begreep, niet haar eigen woning in brand gestoken, om mij voor te lichten op den weg, dien ik had in te slaan. Tot my overbuigende met die koude, drukkende oogen, die mijn wil verlamden, deelde zij mij op meewarigen toon mede (zoo zegt men tot een zieke, dat er geen hoop meer voor hem is) hoe zy zeker —ja zeker wist, dat Romney Leigh te voren haar had bemind. En zij had hem bemind — waartoe het te verhelen, nu de kans toch voorbij was — maar dat had hij nooit zelfs maar vermoed ; want er was iets tusschen hen gerezen, een niets, een spinrag, maar waarin allerlei was blijven hangen, genoeg om \'t vóór \'t vensterglas het daglicht te doen verduisteren. Wat zou wel grooter zyn, de trots van den man, of van de vrouw? Wie van beiden zou het meer kosten, om een spinrag te verscheuren? Genoeg — zij waren vrienden gebleven; voor het uiterlyke niet meer dan dat, daar hij zich de handen had gebonden en, man van eer als hij was bij al zyn onberadenheid, geen poging zou doen om zich te bevrijden. En zij. . . zelfs niet om Romney\'s wille zou zy een vlekje, zij \'took niet grooter dan een traan, op zijn trouw-

-ocr page 197-

— 183 —

acte, doen vallen — neen, al kon zij er een beter geluk voor twee mensclien door winnen, — daartoe liad zij mij veel, veel te lief, mij, die tusschen haar hart en haar hemel stond.quot;

Lachteik^ of vloekte ik? Ik geloof, dat ik roerloos neder-zat. Mij klonk onder dit alles nog iets anders in de ooren. Ik hoorde Marian\'s verhaal en tegelijk Romney\'s huwelijks-gelofte „ ƒ/■ zweer trouw aan haar\'\'\'\' en die haar was deze vrouwelijke slang. Is het niet kerktijd op dit uur?

„Lady Waldemar sprak nog langen tijd,quot; vervolgde Marian, „maar ik hoorde niet meer wat zij zeide. Gelijk bij een aangrijpende melodie de ziel hooger stijgt dan het lied, zoo dwaalde ook de myne van wat ik hoorde, naar wat ik leed. Eerst later gaf ik een vorm aan mijn besluit. Wij spraken uren achtereen. Waartoe zoolang? Mijn lot stond helder voor mij; ik moest het wel onder de oogen zien. Maar de edelmoedige dame liet niet af. Zij bleef de zaak bespreken en nogmaals bespreken; zij plaatste zich geheel op mijn, niet op Romney\'s standpunt. En toch wist zij niet — hoe kon zij weten — welk afschuwelijk monster ik eindelijk ten prooi zou vallen, wat ondier mij, arme zinkende, grypen, mijn doodstrijd voltooien zou.quot;

Ik dacht: „in dezen stond misschien, doet hij den trouwring aan den vinger dezer vrouw glijden.quot;

Zij ging voort:

„De dame, mij niet kunnende overreden, raapte mijn verscheurde wenschen van den grond en voegde ze met weldadige hand aan elkander. Daar ik ver van Engeland vrijer meende te kunnen ademhalen, onmiddellijk zonder vaarwel vertrekken wilde, met één ruk den eenigen bloeienden tak van mijn doornigen levensboom wilde scheuren, beloofde zij goedertieren mij hiertoe de middelen te verschaffen: terstond voor my een passage naar de koloniën te nemen. Daarbij zou zij mij aan de zorg toevertrouwen van iemand, die eenigen tijd geleden haar kamenier was geweest, goed op de hoogte van alles was en juist op het punt stond naar Australië te gaan, om daar haar fortuin te maken. — Ik dankte Lady Waldemar. zooals men op zyn sterfbed den vriend dankt.

-ocr page 198-

— 184 —

die nog eens voor \'t laatst onze peluw schudt —• veel is het niet, maar \'t is al wat men vermag: rustig neer te gaan liggen om te sterven.quot;

„En zoo was dan alles vastgesteld en zoo kwam die vrouw, waarvan zij gesproken had, dag aan dag my bezoeken...quot;

Hier hield Marian op met spreken en staarde mij stokstijf aan met oogen vol afgrijzen, alsof zij een spooksel voor zich zag. (Was ik wit als een geest misschien?) — „Zou God waarlijk,quot; sprak zij, „alle schepselen maken? Of weet de duivel hen zóó met zijn gif te bezwadderen, dat wij twijfelen gaan wie machtiger is, de Maker of de Bederver? Het gelaat, de stem, de manieren dier vrouw stuitten mij van het eerste oogenblik tegen de borst. Ik bloosde als ik haar aanzag, ik beefde als zij mij aanraakte. En sprak zij mij lief-koozend toe, dan huiverde ik terug, alsof ik wist dat zij mij haatte en de macht had mij kwaad te doen. Zoo vaak zij kwam, rilde ik, alsof er iemand over mijn graf ging. Ein-delijk sprak ik er Lady Waldemar over. Was dat wel iemand om te vertrouwen, vroeg ik haar? De dame streelde mij de wang en lachte haar zilveren lach. (Men moet geboren zijn tot lachen, om er die muziek in te kunnen leggen). „Dwaas kind,quot; zeide zij, „uw overspannen zenuwen doen u overal quot;sclirikbeelden zien; laat die zaak gerust aan mij over.quot; „En zoo, half gerustgesteld, half mij zelve verachtend, omdat ik in mijn hopelooze rampzaligheid nog hart, nog vrees voor iets anders had, liet ik de zaak op haar beloop.

„Het overige is spoedig gezegd. Ik was gehoorzaam; ik schreef den brief, die hem van Marian bevrijdde en aan zijn eigen gelukster overliet, en volgde die verfoeilijke leidsvrouw. De dame — neen stil — haar beschuldig ik niet —• dames, die zoo hoog zijn gezeten, zien zelden lager dan haar eigen kleine voeten, hoe zij haar best. ook doen om naar beneden te zien. Lady Waldemar zag minder duidelijk dan ik met welk een duivelin ik den weg der zwynen opging, om in een afgrond, een helschen poel vol onreinheid te verzinken en te smoren. Een poel zóó diep, dat geen wanhoopskreet der ziel er naar de menschenwereld uit op kan stijgen. Men zegt: de Hemel snelt ter hulpe op zulk een kreet. Maar hoe,

-ocr page 199-

— 185 —

als men uit de hel roept? Naar die zijde neigt immers geen Hemel het oor?

„Een vrouw... luister, laat ik het duidelijk maken... een vrouw.. . geen monster. .. beide haar borsten zouden een kind kunnen zogen... nam mij, ook een vrouw, eene jonge, onwetende vrouw met zich mede. Daar zat ik in den trein, verzonken in mijn smart, mijn arme oogen schier uitgeweend, zoodat zij blindelings staarden op de boomen, de dierbare, zoo lang ontbeerde boomen en velden, die als vreemde honden naast mijn raampje draafden. Verdoofd, verblind, maar half levend — wat wist ik waarheen, of op wat schip, of naar wat plaats en bestemming ik werd heengevoerd? Zoo draagt men een lijk ter deure uit; den bloemtuin door, der kinderen speelplaats langs, de groene laan ten einde en laat het daar achter in het graf, om te slapen en te rotten, zij aan zij met een, die sedert vrijdag stinkt.

„Maar met een ziel, half dood, half levend in het graf te gaan en te ontwaken, midden in verrotting te ontwaken, wang tegen wang met een, die sedert vrijdag stinkt... dat is afschuwelijk, afgrijselijk. Miss Leigh! Voelt gij, verstaat gij mij? — neen, zie mij niet aan — begrijp maar alleen. De lange, bange, droeve weg, die mij voerde — die mij //euenvoerde, ziedaar al wat ik wist.. . Wat ging het mij aan of het vertrekkende schip naar Frankrijk of naar Sidney voer; het voer naar een ander land, dat was zeker. Eerst zeeziek tot flauw wordens toe, daarop de vreemde kust, het schandelijke huis, de nacht, het zwakke, trage bloed, het doffe, door de smart versufte hoofd. .. wat behoefden zij my nog hun verfoeilijken slaapdrank te brengen. En toch brachten zij hem; de hel is zoo kwistig met duivelsgaven, het lust haar niet jacht op een arm onnoozel wouddier te maken, zonder dat vijftig bloedroode kelen het met hun heeten adem vervolgen.. . zooals de zijne mij... toen ik eindelijk tot mij-zelve kwam — ik heb u reeds gezegd dat ik in het graf ontwaakte. Genoeg — genoeg. Ik weet het, wij rampzalige schepsels kunnen al het onrecht ons aangelaan niet mede-deelen, zonder fatsoenlijke, gelukkige lieden een blos van schaamte naar het aangezicht te jagen. Wij moeten omzich-

-ocr page 200-

— 186 —

tig, in bedekte termen, met halve woorden noemen, wat men zicli niet ontzag ons geheel en ten volle te doen ondervinden. Laat het overige dan daar; alleen, hoor den eed, dien ik zweer bij dit slapende kind: \'twas geweld, geen verleiding , die mij maakte tot wat ik ben — verloren als . .. ik hem zeide, dat ik wezen zou. Hoe kunnen wij den val ontgaan, waarin onze eigen moeder ons lokken wilde ? Aan zulk een noodlot ontkomt men niet.

„En ja, wel mag het verloren zijn heeten, dat \'s anderdaags de middag mij daar vond, half waanzinnig, wartaal prevelend, op den grond liggend. Wat gebeurde er dan toch in den Hemel, dat de zon durfde schijnen, terwijl toch zeker God zelf van den troon was gestooten?

„Ja, ik was krankzinnig. Hoe lang? ik weet het niet; weken en weken achtereen. Ik geloof, dat zij my daarom lieten gaan. Zij waren bang voor mijne oogen en lieten mij vry, zooals knapen een hond vrij laten, dien zij tot dolheid hebben gesard. Ik doolde voort en voort, de vreemde wegen langs, dorpen en vlekken door, nu en dan een open vlakte overstekend, die door lange, dunne rijen populieren werd doorsneden. Zij schenen my de dorre, reusachtige vingers van een onzichtbare hand, die zich dag en nacht uit de hel naar mij uitstrekte, om mij op nieuw en voor altijd vast te grijpen. En ter zijde van al die wegen hing een Christus aan het kruis, \'t Was of zijn bloedige wonden nog rooder werden, als ik nader kwam; of hij toornig aan de nagels rukte en afkwam van het kruis, om mij mijlen ver door de lage wijnstruiken en de groene tarwe te achtervolgen en te roepen: „Grijp haar, de deerne, houd haar; zij behoort tot de mynen niet meer voortaan.quot;

„Daarna weet ik — maar dat staat mij minder helder voor — dat goedhartige landlieden mij brood gaven en mij in het stroo lieten slapen. Tweemaal strikten zij bij het afscheid mij een Maria-beeldje om den hals. Het leek my zwaar als lood, \'t was of het my worgen zou. Ik wierp het in een sloot, om het niet te verontreinigen. Niemand zag het en ik ademde vrijer — dat was geen schutsengel voor mij! — E,uwe kerels lieten van my af. Miss Leigh, zoodra zy my

-ocr page 201-

— 187 —

in de oogen zagen; mijn blik moet vreeselijk zijn geweest. Zoo leefde ik voort, terwijl de weken vloden, \'t Was het oude zwerversleven van voorheen, maar ditmaal in een droom doorleefd; een droom, waarin een ontzettende angst mij rusteloos vervolgde. Eindelijk was hij uitgedroomd. \'t quot;Werd helder in myn geest en daar zat ik, op zekeren avond aan den weg, ik, Marian Erie, mijzelve, alleen, onherroepelijk verloren, starend naar de zon, die als een roode bal op den horizont daalde. Het was, of zij aan het einde der dagen, als een steen op myn graf zonk, terwijl geen engel kracht genoeg bezat, om haar op zijde te wentelen.quot;

-ocr page 202-

A,A AAAAA-i, A A | A A A, A A

ZEVENDE HOOFDSTUK.

„Wat de vrouw beoogde? Laten wij onze vingers niet bezoedelen met naar de wortels van brandnetels te wroeten. Die weeke klei is spoedig doorzoclit. Lady Waldemar had haar met milde hand de middelen voor haar Australisch plan verschaft en tegelijk de gelden voor mijn onderhoud toevertrouwd. Om beide sommen voor zichzelve te kunnen houden, behandelde zy mij op zoo duivelsche wijze. Het was zoo vreemd niet, myne moeder zou hetzelfde hebben gedaan. Laat ik verder gaan; brandnetels vindt men overal, maar het zachte groene gras groeit toch nog weliger. Het blauw aan den hemel is grooter dan de wolk. Een molenaarsvrouw te Clichy nam mij meedoogend onder haar dak. Haar goedheid bracht inij tot kalmte; mijn smart werd stille droefheid. Zij vond een plaats als kamenier voor my te Parijs, en daar trachtte ik de afgeworpen levenslast weer op te nemen , gedwee als een ezel, die, neergevallen onder de vracht hem opgeladen, toch weer opstaat, om aan die vracht nog een ander pak te zien toevoegen.

„Zoo gingen eenige maanden voorbij. Mijn meesteres, jong, dartel en luchthartig, maakte het mij niet moeilyk; minder uit goedheid, dan omdat zy het te druk had met haar min-

-ocr page 203-

— 189 —

naar en haar spiegel, die haar om strijd vleiden en prezen. Lastig, of onaangenaam te zijn? Wel, daar zag zij veel te lief voor uit en daar had zij veel te veel schik voor, den langen, lieven dag. Alleen nu en dan, als ik bukte om haar schoen vast te strikken, gaf zij mij een tikje met haar kleinen beweeglijken voet, waarin het dansen nog niet tot rust kon komen, na het bal van den nacht. „Foei,quot; sprak zij dan, „wat een bleek gezichtje. Zijn alle Engelsche meisjes zoo ernstig en zoo stil? Denken zij aan niets dan aan kerk en gebedenboek? Altyd even vroom als in de week van de eerste communie? Kleine zottin, wees toch vroolijk.quot; En weg snelde zij als een fee, terwijl haar zilveren lach haar achterna klonk.

„Maar er kwam een dag, dat alles veranderde. Zij sprak niet, maar fronste de wenkbrauwen en nam mij op met een blik, alsof zij met een tang een adder opnam, het kronkelend dier ver van zich afhoudend. „Sta stil, Marian! Bij de heilige moedermaagd, gij zijt geen fatsoenlijk meisje, hoe ingetogen ge u ook voordoet. Gij hebt rny bedrogen; gij maakt myn huis te schande. Beken het maar, dat ge binnen een maand moeder zult zyn, gij huichelaarster met uw uitgestreken gezicht.quot;

„Wat kon ik haar antwoorden? Zij deed een licht voor mij opgaan. Het was dat dan.. . dat? Daaraan had mijn arm, dof, afgetobd hoofd niet gedacht, als ik schier tot stervens toe leed onder het onrustig woelen van het ongeduldige leven daarbinnen; als door het zwellen van den regenvloed de sluizen van mijn hart openbraken. Kon het dat beteekenen, dat? Maar maakt Grod dan moeders uit slachtoffers? Doet hij zulk een rein amen op zulk een afschuwelijke daad volgen? Waarom niet? Hij overdekt een 1 eel ijk graf met violen, die bloeien en geuren als de lente komt. Zou ik een moeder kunnen zijn binnen een maand? — \'t Was, hoop ik, niet slecht van my blijde te zijn. Ik hief mijn stem op. en weende, en weende en lachte, — tot den hemel, niet tot haar — totdat snikken mij de keel prangden. „Beken, beken,quot; wat viel er te bekennen? Wat anders dan de wreedheid van den man, dan het onrecht my aangedaan? Wat, dan deze vertwijfeling, of deze verrukking, deze schande, of deze eer? Maar hoe kon

-ocr page 204-

— 190 —

ik die onbeduidende vrouw daar vóór mij, liiervan iets doen bevatten? Eer zou een notendop de zee kunnen bevatten.

„Goed zoo,quot; riep zij, „ongehuwd en moeder en zij lacht. Die gemeene deernen zijn altijd onbeschaamd. Ga heen, bedriegster, verlaat aanstonds mijn huis! Hoe durft gij my nog aanzien met dit schandelyke geheim bevlekt?quot;

„Daarop rolde ik mijn schamel bundeltje bijeen en ging, hartstochtelijk schreiend, bevend van het hoofd tot de voeten haar deur uit. \'t Sprak van zelf, dat zij my niet vroeg, waar ik dacht te slapen. Waarom zou ik niet onder de wateren der Seine een slaapstee zoeken, zooals andere van mijn soort ? Ziedaar het bed, dat voor ons lag gespreid. Toch zou elke vrouw met een vrouwenhart aan het onschuldig wicht hebben gedacht, dat binnen een maand in het leven zou zijn en dat de koesterende warmte, die het behoefde, niet vinden zou onder dat kille, druipende dak.quot;

Hier viel ik Marian in- de rede: „Maar die vrouw was gehuwd niet waar en zelve niet zonder zonde? Gij spraakt van een minnaar, die immers haar echtgenoot niet was?quot;

„Neen,quot; was haar antwoord, „maar goud en meel worden verschillend gewogen, dat heb ik reeds op school geleerd.

„O wereld,quot; riep ik uit, „belachelijk indien ge niet zoo ellendig waart! Zoo doen zij , Marian, die lichtzinnige vrouwen, voor wie de zonde een voordeel is — altijd hard, waar zij een scheur in der zusteren deugd ontdekken, terwijl zij haar eigen deugd lappen en stoppen met logen en bedrog, tot het gescheurde vod een fonkelnieuwe stof lijkt, waarmee ze op balcon en boulevard kunnen pronken. Wat mij betreft, ik zou liever myn weg tusschen bordeelen nemen, dan strijkelings langs deze vrouwen gaan. Juist omdat zij zich zooveel beter voordoen, zyn die wandelende logens erger dan de verloren schepsels, die onze straten op cn neer gaan. De duivel is nooit duivelscher dan wanneer hij fatsoenlijk is. — Maar ga voort, lieve, met uw verhaal.quot;

„Het overige is hier,quot; sprak zij en wees op haar kind. „Ik vond een modiste goedhartig genoeg, om mij in rust en vrede met haar werksters te laten naaien. Wat kon ik beter doen dan voor hem, voor hem, dagen en halve nach-

-ocr page 205-

— 191 —

ten den draad op en neer te halen ? Zoo leefde ik voor hem, en zoo leeft ook hij, en zoo weet ik thans, dat ook Grod niet te gronde is gegaan.quot;

Zij eindigde, terwijl een glimlach als zonneglans over haar aangezicht gleed. En heel mijn ziel koos haar zijde tegenover der wereld eer en deugd en aanzien, en myn armen naar haar uitstrekkend sprak ik; „Kom met my , liefste zuster, deel met mij mijn tehuis; gij zult mij goed doen, gij en wat het uwe is; gij zyt de mijne voortaan. Ik ben eenzaam in de wereld, gij evenzoo en het kind is half een wees. Kom, voortaan zullen wy elkander tot vriendin en beiden het kind tot moeder zijn; dat zal hem het gemis van een vader vergoeden. Ik ben op reis naar het Zuiden en in mijn Toscaansche woning zal ik zekerlijk eene nis vinden, waarin ik u, myn heilige, u en uw kind zal plaatsen. Nacht en dag zal ik de lampen der liefde voor uw aangezicht branden; een kruis slaan, zoo vaak ik, kind eener onwaardige wereld, uw zachten blik ontmoet. Kom, laat ons samen in stillen ernst, in heiligen vrede, een beter leven tegengaan.quot;

Zij zag mij in het gelaat, maar sprak geen woord. Zij noemde zich niet onwaardig, zij heette my geen dank, maar het slapende kind tot my opheffend, bood zy het my aan tot een kas. En zoo, dit teeken axnvaardend van haar dank en vertrouwen, nam ik moeder en kind met my mede naar mijn hotel.

Daar rust zy thans in de kleine kamer naast de myne; daar rust zij met haar kind, wiens zachte ademhaling ik hooren kan. Morgen bij het ochtendkrieken gaan wij henen, huiswaarts, naar ons Italië. O Romney Lsigh, ik heb uwe schulden te betalen; ik zal ze eerlyk voldoen.

Helaas, het zegt weinig uw schulden te voldoen! U zeiven vrij te koopen, ziedaar wat schier onmogelijk is, verkocht als gij zyt aan deze vrouw, deze Lamia. Mijn hoofd gloeit... ik weet in dit duister mijn weg niet te vinden; ik kan niet kruipen en gluipen, zooals het voegt in dezen nacht. Ik kan niet, wijl ik een vrouw ben; mijn voet raakt in mijn vrouwenkleed verward. Een man misschien zou hier met vasten tred voortgaan... maar ik! — Hy bemint haar, deze Lamia —

-ocr page 206-

— 192 —

kan ik, ik hem gaan schrijven, wat zijn huwelijk onmogelijk maakt, zijn levensgeluk verwoest? •— of wat hem wellicht slechts een oogenblik doet ontstellen, daar aanstonds een blanke hand op zijn arm wordt gelegd, zeggende: „Ah, — Aurora Leigh! — een aardige vertelling, een aardige dichteres; ik kan raden wat haar drijft!quot; — Daarop, zijn blik opvangend, de verzekering, dat het haar volstrekt, o volstrekt niet verwondert — een lach, waarin hij meestemt, en die al luider en luider klinkt als het ruischen der golven tegen een sombere kust, terwijl het wier en schuim hunner noodlottige liefde nog krachtiger wordt opgestuwd. Hunner noodlottige liefde ja!

En wie zegt mij, dat het lot niet reeds is geworpen; dat mijn brief van heden nacht niet éen nacht te laat zou komen, niet een pijl zou /ij n, die een doode ging treffen. Zal ik de laagheid der gade aantoonen, om den echtgenoot krankzinnig te maken? Neen, Lamia, sluit uwe blinden, grendel uwe deur, laat geen lichtstraal op uw slangenhuid schemeren. Ik zal uw afschuwelijk geheim niet openbaar maken ; ik wil den man, dien ik liefheb, niet tot wanhoop drijven — den vriend, meen ik — dien ik liefheb, zooals men vrienden bemint.

\'t Is vreemd. Dezen morgen toen Marian haar verhaal deed, een verhaal, waarin ieder ander geheel zou zijn verzonken, was het niet hare stem, waarnaar ik luisterde, ook niet die der vijandige vrouw, ook niet die van God in zijn toorn — \'twas een stem, die jaren geleden onder de boomen in den tuin met de mijne had saamgeklonken en die eens ook tot mij, ja tot mij had gezegd: „Wees mijn gade. Aurora.quot; Vreemd, vreemd, dat hartstochtelijk verlangen, die name-looze smart, die mij de ziel verscheurden, terwijl ik daar als een verstootene voor de gesloten deur van mijn hemel stond. Ware ik een vrouw geweest, dacht ik, zooals God de vrouw heeft geschapen, den man tot hulpe en redding door hare liefde alleen, ik zou dezen man door mijn liefde hebben kunnen behouden; ik zou der wereld een edeler poëem hebben geschonken dan de vele, waarin ik heb gefaald. Maar nu heb ik ook in dit gefaald en nu is hij verloren, door my alleen verloren, \'t Is mijne, myne schuld alleen, dat in

-ocr page 207-

— 193 —

dit zelfde uur een kille, verpestende windvlaag door zy:i woning vaart, er liet haardvuur dooft, haar met een nooit weer tot zwijgen te brengen klaagtoon van zonde en jammer vervult. 0, Romney, Romney, vriend en makker myner jeugd! Mijn helper indien ik gewild had, mijn liefde, de mijne, indien ik. ..

Mijn God, wat schreit men, als men niet meer kan van vermoeidheid. Zoo een vreemde het zag, hij zou een dwaasheid zeggen; misschien beweren, dat ik dezen man heb bemind , en dan zou ik lachen, verachtelijk lachen...quot;

Wat zijn de vrouwen, zelfs die het krachtigst van ziel zijn, lichamelijk zwak! Zoo zwak als de lafste, laagste mannen in zedelijken zin zijn. Daarom valt het de vrouw zoo zwaar gelijken tred te houden met den man. Laat zij het maar aanstonds opgeven en neerzitten en schreien — zooals ik op dit oogenblik doe. — Tranen, tranen! — Vraagt ge waarom wij schreien? Omdat wij een leven hebben verwoest, of een liefde verloren, of een koninkrijk ons ontging? Volstrekt niet! Alleen maar, omdat wij te ver hebben geloopen, of te veel hebben gepraat, of den wind in het Oosten voelen. Daarom schreien wij, alsof lichaam en ziel zich in een watervloed gaan oplossen... zoo. .. zoo.. . op deze wijze...

Van wat armzalige stof zijn wij vrouwen gemaakt. Niet beter dan poppen, die met mooie gezichtjes achter de winkelruiten staan, \'t Is of ik een man daar binnen heb, die zulk een vrouw in mij veracht!

En toch... kunnen wij onrecht en lijden aanzien, zonder ons gedrongen te voelen om een poging tot herstel te wagen, zelfs al zouden wij daarbij ons zeiven te gronde richten? Ja, dit te doen juist als, en omdat wij er ons zeiven bij ten offer brengen, ziedaar wat echt vrouwelijk moet worden genoemd. Zoo is het dan ook niet meer dan natuurlijk, dat ik mijn neef uit de handen eener duivelin zou willen redden en daartoe de plaats zijner vrouw bekleeden. Wij zyn allen aldus gemaakt, \'t Is het werk van ons vrouwen eens anders lasten te dragen. Het geslacht der mannelijke ridders moge zijn uitgestorven, de vrouw zal ridderdienst tot het einde der dagen doen. Ware Cervantes tegelijk een Shakespeare

13

-ocr page 208-

— 194 —

geweest, voorzeker had hij zijn Don tot een Donna gemaakt. Zie dit geeft lucht.. . zoo regenen wij onzen hemel blauw.

Kom, genoeg van deze zwakheid. Leeft er, zooals ikzeide, een man daarbinnen, dat hy handele zonder acht te slaan op het arme onrustige bloed, dat in vrouwenaderen vloeit. Ik zal zonder omwegen, met ronde woorden naar Engeland schrijven — is het te laat, dan te laat — wordt het verkeerd opgevat, dan verkeerd opgevat. Dit laat ik aan den Hemel over.

„Waarde Lord Howe,

„Op de volgende bladzijde zult gij de geschiedenis van Marian Erie lezen — welk een edele vriendin van u zij haar vertrouwen heeft geschonken, welke lage middelen daartoe zijn aangewend, tot welke rampzalige uitkomst het heeft geleid. — \'t Is alles waar, daar kunt gij zeker van zijn. Ik vond haar in de straten van Parijs, een zuigeling in de armen — ontijdig, hinderlijk voorwerp op een sneeuw, die niet smelten wil. Mag ik, vriend, van uw vriendschap vergen hem dit alles mede te deelen, indien die misdadige vrouw zijn gade nog niet is? Werd zij het reeds — dan, laat het op nieuw in het duister schuilen; zeg dan alleen aan mijn neef: „Marian leeft, is gevonden, deelt het tehnis van een vriendin, van Aurora Leigh.quot; Dit heugelyke nieuws, „zij is gevondenquot;, zal hem nog rijker aan vreugde maken. Ik zend het hem, zeg hem dit, tot een huwelijksgift. \'tZal hem goed doen als oranjewater voor de zenuwen , als geparfumeerde handschoenen voor pyn in het hoofd. Maar kom... hy is immers niet ziek; alleen maar verliefd. Zyn laatste verliefdheid bedoel ik — die van dit jaar. Wat de mannen toch spoedig vergeten kunnen! Geeft het winst telkens een nog handiger zet met de kaarten te doen? Hoe gaat het toch in zijn werk? Eerst is het klaveren en terwijl gij er naar kijkt, is het schoppen. — Dat is tooveren zou men zeggen. De bliksem treft een man... wij denken hem dood en verkoold te vinden en zie, daar staat hij fluit te spelen onder den olm, die aan splinters werd geslagen. Misdaad en schande, met al hun onreinheid en bedrog wandelen rond door uw

-ocr page 209-

— 195 —

fijne, beschaafde wereld en laten niet meer sporen na dan de hoeven van Apollo\'s runderen, die door den stelenden God met myrthe en tamariskbladeren werden bedekt. Ik ben zoo droevig gestemd en zoo moe van avond; dat maakt mij bitter, myn vriend. Een geleerde en een booze vrouw tegelijk te zyn, dat is al te erg, niet waar? Onvergeeflijk voor wie niet eindeloos lankmoedig is als gij. Vaarwel! Morgen vertrekken wij naar Italië. Zeg uw lieve vrouw dat ik, hoe verre ook, haar nochtans met mijn beste wenschen nabij ben.quot;

Ik teeken mijn naam en nu ga ik myn hart op een ander blad uitstorten:

„Lady Waldemar,

„Het verheugt my, dat ik nooit van u heb gehouden. Dat gy dit maar al te wel wist, heeft mij, den hemel zy dank, ook voor uwe genegenheid gespaard. Want zij zou mij meer dan uw afkeer geschaad hebben, hoe weinig deze laatste zich ook ontziet, waar zij kwetsen en deren kan. Thans is er ruimte tusschen uw gelaat en het mijne; ik sta op een afstand en beoordeel het uwe, als een vreemde, wien het onverschillig is, of het type goed of slecht moet worden genoemd. quot;Wat gaat het mij aan dat de trekken valsch zijn? Heb ik ooit mijn lippen bezoedeld met uw naam als dien eener vriendin uit te spreken? Heb ik ooit liefkoozend uw hand gedrukt? Gode zij dank, nooit! Want nu uw laagheid zoo duidelijk aan het licht treedt — gij zult aanstonds zien, dat ik recht heb tot dit woord — heb ik geen vriendin in u te ontzien, heb ik myn eigen vlekken niet uit te wisschen by het optellen der uwe, noch my te verontschuldigen tegenover reine zielen, die mijn lippen zoeken te kussen, mijn handen drukken willen: — „Laat my. Lady Waldemar was u vóór!quot; — \'t Is waar helaas, op dit oogenblik zijt gy mij misschien nader gekomen, als de echtgenoote van mijn neef. Dan hebt gy door te dobbelen als Lucifer de morgenster gewonnen en moet het edele huis Leigh u herbergen voortaan onder zyn aloud en waardig dak. Ik, die een Leigh geboren ben, ik kan door mijn mededeeling het niet boven uw hoofd in brand steken; ik kan myn neef en vriend, ikkanEomney

-ocr page 210-

— 196 —

het hart niet doorboren, door het uwe te treffen. Dies zijt gij veilig. Gij moet te zaraen opwassen, als de tarwe en het onkruid, tot den oordeelsdag Gods. Draag zorg, dat ge u dien tijd te nutte maakt.

„En verberg dezen brief; laat hij niet luider dan ik zelve getuigen, hoe gy de arme Marian Erie in den val hebt gelokt; hare liefde zich zelve een graf hebt doen graven, in den groenenden hof van haar bloeiende hoop. Hoe gij haar met eene van uwe soort naar een bordeel in Frankryk hebt gezonden; spelonk, waaruit zij gevlucht is, vervloekingen in de oogen, de ooreu, de keel, haar gansche ziel vol vervloeking — krankzinnig in één woord; als krankzinnige weken achtereen dolend door de vreemde landstreek, verloren en verlaten, zoo onschuldig en tegelijk zoo afschuwelijk onteerd, dat mannelijke duivels op haar aanblik zich zouden hebben teruggetrokken tot in den diepsten schuilhoek der hel. Maar gij zijt een vrouw en niet zoo lichtelijk vervaard; gij zoudt zelfs, ik weet het, niet terugdeinzen voor het hulpelooze jonge leven in de kamer hier naast mij; dat leven, dat gij, bij het onder den voet treden van Gods koorn, aan al de honden en jagers ten prooi hebt gegeven. Ja, Marian\'s kind, haar lief, aanvallig kind, haar armen vaderloozen kleine. Gij zoudt hem durven aanzien, als hij bij het ontwaken de groote, blauwe kijkers opslaat; gij zoudt die oogen ontmoeten en de uwe niet neerslaan, sidderend voor het Godsgericht, dat er uit spreekt, voor die hemelsche onschuld, waarmee God eens de weegschaal Zijner wereld in evenwicht brengt, die weegschaal, door u zoo diep als de hel omlaag getrokken.

„Wat mij betreft, die minder vermetel beu, ik beken, dat die oogen mij op de knieën hebben gebracht.

„En daarom — zoolang zij naar den hemel zien — geen aanklacht meer van mijne zijde tegen de plaats, die gij hen hier beneden hebt bereid. Hun blik doet uw zaak bij den hemel af, daar kunt gij zeker van zijn. — ik kan u mijn doemvonnis sparen.

„Maar bedenk dit; Mocht gij reeds Romney\'s vrouw zijn (onrechtmatig verkregen eerstgeboorterecht, waarvoor ge die vergiftigde spijs, uw ziel, hebt verkocht) dan, zie toe, dat

-ocr page 211-

— 197 —

ge hem een trouwe, ware gade zijt. Houd warm zijn haard en rein zijn diseh. Laat zijn woord u tot wet zijn. Treed uwe lage wenschen, uwe beuzelachtige behoeften tot gruis en stof onder zyn voet, al zal ook nog op dien grond elke schrede hem pijn doen. „Gij zult het rund en den ezel, het edele en het gemeene, niet samenspannen voor den ploegquot;, staat van ouds reeds geschreven. Niettemin, doe uw plicht, zoo goed als iets dat slecht is, iets goeds vermag te doen.

„Gij zult hem niet ergeren, niet bedroeven. Niet verbitteren, als hij ter neer gedrukt, niet ontstemmen, als hij vol geestdrift is. Leer hem, door schijnbaar meegevoel, aan uw deelneming gelooven. Draag zorg, dat hij u niet te diep in de oogen zie en daardoor ook het genot van uwen schoonen schijn zou derven. Betaal den prijs der leugen, door voort te gaan met liegen. Dat kan eene van uwe soort niet moeilyk vallen; een millioen leugens meer kan ter nauwernood uw schuld verzwaren.

„Aan dit alles gehoorzamende, zijt gij veilig voor Marian en my. Wij zullen ons niet luider doen hooren, dan het slapende kind hier; wij zullen onuitgedoofde sintels niet aanblazen. Schiet ook maar op één punt te kort, toon ons onzen Romney gegriefd, onvoldaan, ongelukkig in zyn huiselijk leven — wij spreken, wij verheffen onze stem met een kracht, dat zelfs het laatst bazuingeschal er u minder schrikwekkend bij in de ooren zal klinken. En daarna — geen lofzang ter uwer eere meer, dat verzeker ik u. Romney zal (ik ken hem) u van zich stooten, alsof gy nooit de zijne waart. En de mannen zullen hem toejuichen en de vrouwen, de slechtste zelfs, de meest aan u gehyke — zullen haar kleed by één nemen, wanneer zij rakelings langs a gaan. Wees dus gewaarschuwd. — Ik ben

Aurora Leigh.quot;

Door het schrijven van den brief, voelde ik mij tot rust gebracht. Ik had de smeulende asch uit myn binnenste bij handenvol naar buiten geworpen; ik had mijn hart uitgestort, myn tranen uitgeweend. Thans was het koelte en kalmte daarbinnen. Ik rees op en de aangrenzende kamer binnentredend lichtte ik behoedzaam het bedgordijn op. Daar lag

-ocr page 212-

— 198 —

Marian Erie met haar kind in den arm; de twee lieve kopjes tegen elkander geleund, te zamen liet volmaakte beeld der reinste onschuld te aanschouwen gevend. Zij sliepen en schenen in hun sluimer elkanders glimlach te drinken. Niets, niets sprak van zonde of schande, van wraak of smart. Ook zy, dit gevoelde ik, had dezen avond woorden gesproken, minder harde gewis dan de mijne; zij had haar hart voor God uitgestort, die wellicht in den hemel met een meelijdenden lach mijne bemoeiingen voor haar gadesloeg. Behoefde eene als ik, eene als zij te verdedigen? Onteerd had ik geschreven? Ont-eerd had ik haar gedacht? Op de knieën. Aurora, buig dieper het hoofd, vraag den engelen ootmoedig vergunning binnen den smetteloozen kring te mogen treden, waarmee zij de verworpelingen der aarde, de uitverkoornen des Hemels, omsluiten.

Den volgenden dag namen wy den trein naar Italië en lieten ons op den wervelwind van den stoom zuidwaarts dryven. Het klokkengelui voor Romney\'s huwelyksfeest moet wel luid hebben geklonken, dat ik het door al het geraas henen hoorde. Ik voelde mij ziek. \'t Was een dwaze inbeelding, dat weet ik, maar \'t was mij onder het voortratelen langs dien eindeloozen weg, alsof ik geheel alleen in den klokketoren stond en vyftig ijzeren klokken, in dolle uitgelatenheid, als schaterden zij het uit van den lach, boven my, in my , rondom my aan het klingelen en beieren gingen, tot ik een schreeuw gaf, dien ik niet hoorei» kon en van het geraas bezwymde. En te midden van myn onmacht hooide ik nog altijd, hoe de klepels in toornige verwarring rechtsomkeer aan het bengelen sloegen, gereed om het oplevend bewustzijn aanstonds weer door hun schel rumoer te verbrijzelen.

Ik was zwak en flauw; ik worstelde om mij zelve te blijven , in het innig besef van wat tijd en plaats van mij eischten. Toch voelde ik half wakend, half slapend, dat ik mij zelve ging ontzinken, zocht wankelend weer overeind te komen, ontmoette Marian\'s blik — \'t is zoo goed voor onze kracht, te weten, dat wij sterk moeten zijn voor een ander en herwon op die wyze van lieverlede wat ik myn eigen ik noemde.

-ocr page 213-

— 199 —

Ik herinner mij flauw, dat wij over de oude daken van Dyon heenstoomden. Lyon wierp een schijnsel in den nacht — een oogwenk; toen was het weer uitgedoofd. Een oogen-blik later zag ik hoe de Ehone het maanlicht over zyn rimpelende golven deed vloeien, waar hij kronkelend voortspoedde tusschen de bochtige oevers, die de armen als uitstrekten om hem tegen te houden, tewijl stad en kasteel hun zwarte schaduw op het watervlak wierpen. Zulk een verfrisschende luchtstroom •— half lucht, half water — verkoelde mij het voorhoofd, dat ik naar buiten leunde en rondkeek; daarop mij naar Marian omwendend, zag ik met een glimlach, hoe zij slechts oogen had voor haar kind, dat met zyn gezichtje naar de maan gekeerd, rustig voortsluimerde.

Zoo snelden wij voort, vlekken en steden langs. Als een bliksemende wigge, door Thor\'s hamer in de rots gedreven, schoten wy door tunnels heen, wier trillende inwendige donkerheid van één spleet by dien slag. De trein slingerde er binnen, dreunend en hygend, zijn schril gefluit als een jammerkreet uitgalmend, tot de sidderende duisternis het smoorde en tot zwijgen bracht. Wij zaten angstig, beklemd, Ier nauwernood ademhalend, gelijk Titans, door de reuzen-last van het gebergte als door een nachtmerrie gedrukt. Eindelijk de opening — en zie, daar grauwde de dageraad over de vredige landouw.

Wijd en zyd spreidden zich onbelemmerd de wijn- en korendragende heuvels uit, u in naam van Frankrijk als tot een gastmaal noodend, terwijl van hun flanken, tot wijding van al dat groen in het rond, een grond, rood als grooten Ka-rel\'s ridderlyk bloed nederwaarts vloeide. Iemand zeide „Marseillequot; en zie, de stad Marseille met het mastbosch harer schepen tot achtergrond, en de eeuwig glanzende zee als een kromzwaard aan haar rechterzij , teekende zich af tegen de blauwe lucht.

Den volgenden nacht brachten wij tusschen den purperen hemel en het purpere water door. Marian sliep, geloof ik, maar ik, waakznam als eeu hond , die niet kan eten of slapen vóórdat hij \'s meesters voetstap heeft gehoord , zat op het dek en staarde in den nacht, acht gevend of ik mijn Italië ook nader hoorde

-ocr page 214-

— 200 —

komen. Het klokkengelui, waarvan ik sprak, klonk flauwer en verder, gelijk het rollen van een kinderwagen beneden op straat in het oor van den man, die het stervensuur beidt, een geliefde hand in de zijne hondend. Ook ik zat daar roerloos, zwijgend, als met vrede den dood wachtend; ik kon mijn eigen ziel hooren spreken. Ook ik had mijn vriend; de natuur komt somwijlen en zegt: „God heeft mij tot u gezonden.quot; Ik voelde de zachte koelte, die uit het land dei-zielen tot mij over kwam suizen. Van lieverlee doemden de oude, sagenrijke bergen op langs de kust, den weg der grootsche Oduseessche helden. Zij drongen boven elkander uit, reikhalzend naar een teug van den koelen, blauwen wijn der zee en begeerig de reizigers aan te staren. Spits boven spits rijzend, verhieven zij zich. Over de uitgestrekte watervlakte der ïhyrheensche zee, die het schip van hen scheidde, zag ik de nevelige olijfwouden, die langs hun zijden nederdaalden, om in het even bleeke maanlicht te vervloeien, waartusschen zich hier en daar een bruine kloostertoren beurde, die als uit de bruine rots scheen te groeien. Kleine dorpen, zichtbaar door de lichtjes, die er flikkerden, hingen als gevallen sterren aan de glooiing. Men vroeg zich onwillekeurig af, hoe zij niet gleden van de helling, meegevoerd door de watervallen, wier schuimvlokken de myrthe-en oranjeboschjes met zilver bestoven.

Zoo schreed mijn Italië al nader en nader. Genua daagde niet den morgen. Het lange, bleeke paleis der Doria\'s kwam uit de groene heuvelrij, die de stad vooraf gaat, te voorschijn treden. Als een marmeren vinger, de schepen wenkend, rees het in de vale uchtendschemering omhoog.

In die ure dacht ik niet; „Mijn Italië;quot; ik dacht: „Mijn vader! O, mijn vaderhuis zonder vader!quot; — Plekjes op aarde zy n te veelof te weinig voor den onsterfelijken menscli. Te weinig, wanneer de Meimaand der liefde den grond met al haar bloeiende ranken bedekt; te veel wanneer dat welige groene kleed als dorre bladeren ons om de enkels ritselt. Waarom is het ons goed hier of daar te zijn? Om den droom , dien wij op gindschen steen droomden, om dit of dat wat er ons de ziel verrukte. Komen wij later, ten volle ontwaakt,

-ocr page 215-

— 201

tot den steen zonder droom terug, dan kwetst hij ons, zoodra wij den voet op hem zetten. Erger nog, hy valt op ons en verplettert ons, zwaarste grafsteen op deze graven delvende aarde.

Terwijl ik daar stond in gepeins verloren, voelde ik een hand zacht op myn arm en mij omwendend, zag ik een paar vochtige oogen, die de mijne betrapten. „Hoe, Marian, is de kleine al zóó vroeg wakker?quot; „Hij slaapt,quot; was haar antwoord; „driemaal ben ik naar boven geslopen en heb u zien zitten, zien staan, altyd, altijd maar op wacht. Eerst dacht ik, dat het u goed zou doen, maar nu .. . nu...quot; „Maar nu,quot; zeide ik, „laat gij uw kind alleen.quot; „Ja, maar gij zijt ook alleensprak zij zacht en zag mij aan, alsof ook ik iets voor haar was. Grezegend de hulp van wie wij tot hulp waren! Heb dank, Marian, voor uw steun!quot;

Te Florence vond ik een woning op den heuvel van Bellos-guardo. \'t Is een wachttoren met dubbele observatiepost. Ter eener zijde ziet men over de vallei van den Arno, waarin de stad als een open hand ligt uitgespreid, recht naar Fiesole, Mont Morello en het avondrood. Ter anderer zijde ligt het gebergte Vallombrosa, door iederen zonsopgang, als een kristallen beker, boordevol rooden wijn geschonken. Green zon kan dagen of verscheiden, zonder door de bewoners mijner villa te worden gezien. Al de heerlijkheid van morgen en avond werd ons door dat onbegrensde, onbewogen luchtruim geopenbaard; door dien hemel, die zich als een engelengewaad, blinkend van Gods glorie, meer stralend nog dan blauw, voor ons uitspande. Langs den buitenmuur van den tuin vloeide het mystieke, grauwe olyvengroen neer, door mais en wingerdloof afgewisseld en plotseling stuitend op een ry donkere cipressen, die den weg naar Florence wezen. Heerlijk schoon ligt de stad in de ruime vlakte. Kathedralen , galerijen , burchten, paleizen, straten, en door dat alles heen de rivier zich als een zilveren lint windend, om verder naar alle zijden vroolijk door het landschap te kronkelen, dat witte hoeven en villa\'s op al zijn glooiingen draagt.

Er gingen weken voorbij, zonder dat ik taal of teeken

-ocr page 216-

— 202 —

uit Engeland ontving. Eindelijk kwam er een brief van Vincent Carrington:

„Waarde Miss Leigh,

„Gij hebt gezwegen als een poëet, waar elk ander sterveling zeker zou gesproken hebben. Ziek, boos of stom, een zilverstuk maakt elke menschentong los — aanstonds zegt hy, „ik heb die en die cheque ontvangen.quot; Maar gy !.. . ik zend uw geld naar Parijs en gij geeft geen enkel teeken van ontvangst. Bedenk dat ik er verantwoordelijk voor ben en dus naar bericht van n uitzie.

„Intusschen is uw boek welsprekend, alsof gij niet stom waart. Zelfs de gewone recensenten, die doorgaans zoo iets uitstekends niet verstaan, maar als alle dooven hun gebrek niet erkennen willen en daarom maar op den gis af laken of prijzen (het hardst schreeuwend, waar zij het minst overtuigd zijn) hebben ditmaal eens juist geoordeeld. Men zou zeggen, dat zij werkelijk hebben gehoord — en dat hebben zij ook. De oorschelp van drie of vier, die voortreifelijk hooren en uw boek op de rechte wijze prijzen, ja de kleinste trompet der faam is een kostelijke hoorn zelfs voor stokdoo-ven, die met geen ander instrument te helpen zijn. Wees dus zonder zorg, Miss Leigh. Een ieder hier erkent, dat gij een goed boek hebt geschreven, gij • • • een vrouw! Ja, het lag in u verscholen — ik heb het altijd gevoeld. Toch twijfelde ik nog, of die vreemde kracht van den Duitscher Reichenbach, die van vrouwelijke vingertoppen nog steeds een blauw licht doet afstralen, een vonk zou kunnen doen ontspringen, om een mannenborst in vlam te zetten, het witte licht kon evenaren door ons mannen voortgebracht. Vergeef mij; heel mijn hart is vol van uwe bezieling, sedert ik een paar weken geleden uw boek heb gelezen en lief gekregen.

„Wilt gij op uw beurt mijn vrouw liefhebben? Ziedaar een geheim, dat ik een maand langer voor u behoorde verborgen te houden, maar dat ik u mededeel, omdat gij er te eer door schrijven zult. De meeste vrouwen (zelfs die uwe hoogte hebben bereikt) rekenen toch liefde de eenige ernstige zaak in het leven. Wie de vrouw is, die binnen een maand

-ocr page 217-

— 203 —

de mijne zal zyn, vraagt gij? Kunt gij liet niet raden? Herinnert gij u niet een oogenpaar, twee topazen, die ge op zekeren morgen, naar den muur gekeerd, in mijn atelier hebt ontdekt? Het gezicht pas half geschetst en voor een groot deel weer uitgevvischt; de oogen alleen! Maar gij • • ■ gij doorzaagt ze terstond met de uwe: „De oogen van Kate Ward,quot; zeidet gij. Welnu, ik zal u de waarheid zeggen: ik had ze daar neergeworpen om ze voor Zeus te beveiligen. Onophoudelijk kwamen ze in het hoofd mijner beide Danaës terecht en het maakte mij dol ze daar te zien. Die oogen! Ik kon geen andere scheppen of schilderen. Daarom wierp ik ze eens en voor goed op het doek en gaf ze den muur te bewaren. Ja, maar nu heb ik ze de vrijheid gegeven, de oogen van mijn Kate. Ik heb haar uitgeschilderd, (ik verander van genre en laat de mythologie daar), haar lieve gezichtje heel en al. Het blikt in mijn ziel als in een waterspiegel en brengt zoo zich zelf voort, \'t Is een portret tot aan de knieën, met een loshangenden mantel om, juist een zooals gij eens gedragen hebt; hij is wel wat versleten. Ik stond er op, den fraaien, blooten arm te hebben, maar zij wilde er niet van hooren; zij nweHt haar mantel om hebben! Daarmee alleen, zeide zy, kon zy op u gelyken en dat voorrecht wilde zy niet missen. Niet waar, vriendin, gy zult haar schrijven en haar zeggen, dat zy uwe liefde niet zal derven door de mijne te winnen? Waarlijk, het zou haar niet aanstaan te moeten ruilen. Zij kent uwe boeken van buiten, beter dan myne woorden. Zy haalt u tegen mij aan, tot ik mij in den hoek voel gedreven, waar hare oogen zich drie maanden geleden bevonden. Neen waarlijk, zij was niet tevreden, voordat ik haar met uw laatste boek in de aardige, kleine handen had uitgeschilderd. Ik had er liever myn bruin palet in gezien. Dat zou, ge geeft het my toe, origi-neeler zijn geweest. Maar zij, zy geeft my niets toe. Alleen heb ik er haar, o vreugd, toe gekregen in de volgende maand den huwelyksdag te bepalen. — \'t Is aardig om te zien, hoe vrouwen, vrouwen van uwe soort kunnen liefhebben en haar hart als aan uwe voeten vaststrikken. Zij stuiven op bij het minste woord, dat wy mannen tegen u te zeggen

-ocr page 218-

— 204 -

hebben en zetten ons op onze plaats met een gezicht, alsof een man — er zyn er toch die niet kwaad schrijven, zou ik meenen — maar een man blijft, arme sukkel, terwijl gij! — Schrijf minder goed dan Aurora Leigh, er zullen altijd vrouwen zijn (buiten Kate) die gelooven, dat gij over een zandgrond kunt gaan, zonder den indruk van uw voet na te laten!

„Zijt gij even verwonderd over mijn huwelijk als de arme Leigh? „Kate Ward?quot; riep hij. „Kate Ward!quot; herhaalde hij; „ik meendequot;.. . hij hield op -— „ik dacht nietquot; — hierop zweeg hij geheel.

„Helaas hij is wèl veranderd. Gij moet weten, ik had hem in lang niet gezien, maar ging hem natuurlijk een bezoek brengen. Ik heb er in dezen brief niet van gewaagd, omdat ik uw hart maar al te goed ken; ik schreef maar opgewekt voort juist van wege deze drukkende zaak, zooals uurwerken beter loopen, als ze met lood zijn bezwaard.quot;

Hoe klein van mij, te zeggen: „arme Leigh!quot; Goede, beste Leigh. In de dagen van weleer in Shropshire, toen gij en hij menigen strijd streden over de vraag wat ge doen of niet doen zoudt, brood of verzen maken, (daar kwam het op neer), dacht ik, dat gy eens door een gouden ring heen een zijden vredelint zoudt halen, \'t Was dwaas gedacht, dat bleek maar al te duidelijk, want gij beiden gingt hoe langer hoe verder uiteen, maand op maand, van jaar tot jaar, totdat het eindelijk hierop uitliep. God weet best wat goed is, zeggen wy, maar wij zeggen het met een diepen zucht. Toen de koorts hem de eerste maal overviel, kort nadat ik u in Frankrijk geschreven had, paste Lady Waldemar hem op, naar ik hoor, bereidde zijn dranken, telde hem pillen en droppels voor, als de beste pleegzuster, behalve dat zij er tranen bij stortte. — En dan Lord Howe; gij hebt goed gezien. Lord Howe is een ferme kerel. En toch, met zulke troeven in zijn hand kan een man als Leigh nog verliezen, zooals hy heeft gedaan. — Maar aan alles komt een einde, ja zelfs aan dezen brief, hoewel dit tweede velletje u misschien nog in onzekerheid laat. Schrijf een woord voor Kate; zij leest mijn brieven, alsof zy reeds mijn vrouwtje ware, en als zy haar naam ziet, zal ik haar glimlach zien en dat

-ocr page 219-

— 205 —

buitenkansje nog op den koop toe hebben. En hiermee van harte alles goeds, vriendin van ons tweeën. Ik wil u niet vragen wat ge van myn stukken te Florence denkt. Ik voel uw warme belangstelling over de sneeuwtoppen heen en zon morgen een half uur van mij n wandeling met Kate geven, om ééns de Pitti met u op en neer te kunnen gaan. Wees gegroet.

„Vincent Carrington.quot;

De middag was brandend heet; de lucht schroeide als zonnegloed en was daarom buitengesloten. De neergelaten jalou-zieën wierpen hun schaduw als zwarte strepen op den vloeien trokken rechte, vaste lijnen in de gouden atmosfeer; langs de schilderyen aan den wand, langs de groep op de console (Amor en Psyche tot één marmer gemaakt door een kus), langs de sofa, waarop ik lag, de kleine tafel, die er voor stond, de vaas met leliën door Marian den vorigen avond geplukt— elk groen en wit blad zwart gelijnd, als om er het lot een nieuw schrift op te doen schrijven — langs den open brief op mijn knieën rustend . . . maar daar werden de lijnen onzeker, warrelend, hoewel ik , naar ik dacht, volmaakt rustig neerzat, den brief ten derdemale overlezend.— Wel, hij is getrouwd, dat is duidelijk. Geen wonder, dat hij getrouwd is en ook niet onmogelijk dat Vincent het betreurt. Het sprak van zelf, dat de bruid hem verpleegde toen hij onwel was, zyn dranken bereidde — de moeite van het vertellen niet waard, tenzij de drank van nepenthekruid was gestookt. Maar een verliefd man ziet de geheele sekse onder het fraaie rose kapje van zijn geliefde, al trekt hij eindelijk ook terug en zegt; „Arme Leigh.quot; En ja. Lady Waldemar, hoe lief zij er onder dat kapje ook uitzie, en al wordt zij niet beschenen door het licht, dat ik voor haar gelaat zou kunnen houden om tot haar schande afschuwelijke rimpels te voorschijn te doen komen, is toch geen geschikte vrouw voor Romney Leigh in het oog van zijn vrienden, van Aurora Leigh en Vincent Carrington. — Dat is duidelijk. En al is de uitdrukking wat sterk, dat hij „mijn hart maar al te goed kent,quot; wel, verliefde menschen gebruiken altijd sterke uitdrukkingen. Zelfs die gekheid van een „gouden ringquot; en van „wat hy

-ocr page 220-

— 206 —

geclaclit hadquot;, dwaze Vincent, „wat hij gedacht hadquot; is de moeite van het boos worden niet waard. — Men stikt in deze kamer! Beter te verschroeien dan te smoren! Beter lucht, lucht, al is ze ook vuur. — Liat ik blinden en vensters openwerpen en een blaar op mijn voorhoofd krijgen, liever dan dezen drukkenden last. Liever versuft en verdoofd dooide onuitstaanbare cikade, die zich ziek en schor maakt van opgetogenheid over de zomerhitte; die zingt en zingt als een dichter, tot het hart hem breekt; tot de menschen zeggen: „\'t is niet uit te houden van verveling!quot;

Boeken slagen; levens falen. Gevoel ik dit eindelijk ten volle? Kate houdt een versleten matei in waarde, omdat hij op den mijnen gelijkt, terwijl ik vol zelfverachting daarheen leef, omdat ik my zelf maar ben en mij smachtend uitstrek naar een ander dan ik, die op zijn beurt weer hunkert, naar wat hij zelf niet is. Is dit dan ons aller bestaan? — altijd vooruit te willen en nooit een stap verder te komen? Met onze vurigste bewondering, ons krachtigst streven niet eenmaal te kunnen reiken tot wat boven ons is? Of is alles één droeve, eentonige vlakte, waar boven alleen de godheid zich verheft als een zon, die over lagunen schynt, om hen te doen blinken en stinken? Zendt Hij zyn gloeiende stralen loodrecht op ons neer en hebben wij Hem in ruil daarvoor niets dan een met miasmen bezwangerden nevel te bieden, stoffend dat wij hooger rijzen, omdat wij in verhoogde mate verderf aanbrengen ?

Stil, Aurora Leigh! Grij hult u in uw linnen zak vol gaten, als Cesar in zijn mantel, (xy snoeft op uwe tekortkomingen, alsof zij die van het geheele menschdom zyn. Er is in deze wereld, wat hooger is dan gij verwezenlijken, gij bereiken kunt. Ga ter zyde en zie op naar uw meerderen — by voorbeeld naar kleine Kate! Zij zal een volmaakte vrouw voor Carrington zyn. Met haar zacht-gewiekt oogenpaar heeft zij altyd rondgezien op aarde naar een liefelijk, groen plekje, om op neer te strijken en haar nestje in te bouwen. Nu is zij tot rust gekomen onder zijn mannelijke hand en sluit de trillende oogleden vol onuitsprekelijke zaligheid. Waarom zou ik haar minder achten, omdat zij zooveel van

-ocr page 221-

— 207 —

mij houdt? een wijs man kan leering trekken zelfs uit een blad, dat hij plukt langs den weg. Ook ik ben immers een schepsel Gods; ik heb een hart tot loven en lieven en lijden bekwaam. Mogen wij ditzelfde niet van Shakespeare getuigen ? Laat ik dan niet toornen tegen mij zelve, maar eerbied leeren gevoelen zelfs voor dit arme eigen ik.

Ook het boek laat ik aan zijn plaats. „Een goed boek,quot; zegt hij, „en gij — een vrouw!quot; Jaren geleden had ik gelachen by dit woord. Ik beu een vrouw — \'tis waar. Wee onzer, zoo wij dit maar al te diep gevoelen. Wat baten ons dan de kronen en kransen, die wij wonnen; wat raakt ons de lof, ons voor onze boeken toegezwaaid.

Er is waarheid in het boek, daar ben ik zeker van. En de waarheid overleeft de smart, zooals de ziel het lichaam overleeft. Ik weet het, wij brengen onzen Phaedon ten einde, hoe verwrongen ons gelaat ook zij, hoe wij ook krimpen onder de krampen en pijnen van het ons doodend vergif. Ik heb waarheid geschreven — ik een vrouw; zwak, onvolkomen, gebrekkig voorgesteld, Romney zou er bijvoegen: omdat ik vrouw ben. — Omdat de waarheid mannelijk noch vrouwe-lijk, alleen goddelijk is. Buiten God heeft niemand het recht zich op de waarheid te verhoovaardigen. \'t Is Hij , die zorg draagt, dat haar schatkameren doorzocht, haar banden geslaakt worden, dat zij hoog in het volle licht worde gesteld, dat zij om haar zelfs wille en om haar zelfs wille alleen worde gediend. Want nu hemel en aarde, bloemen en schepselen niet langer door Hem „zeer goedquot; worden genoemd, noemt H^ dit de waarheid, zijn onvervreemdbaar eigendom, nog steeds.

Zoo is er dan waarheid in mijn boek, de waarheid, die door al het bestaande heen opwaarts voert, dat, tot een volmaakte kosmos, een dubbele wereld wordt vereischt. Het Xatuurlijke en het Geestelijke, — wie in de kunst, de zeden, de maatschappij scheiding maakt tusschen deze beide, schendt het natuurverband en brengt den dood. Geen kracht in zijn penseel, geen waarheid in zijn lied, geen verheffing in zijn leven. Hij kan den evenmensch niet verstaan; hij is tot machteloosheid gedoemd. Wij deelen den appel des levens in tweeën, hem snijdend door het hart — zoo is zijn volmaakte

-ocr page 222-

— 208 —

ronding, als voor Venus hand geschapen, te loor gegaan, alsof wij beide helften hadden opgegeten. Bedenk, dat zonder het Geestelijke het Natuurlijke niet mogelijk is, vorm noch beweging bezit; dat zonder het Zinnelijke het Geestelijke niet te waardeeren is, alle schoonheid en kracht derft. In deze tweevoudige wereld wijkt de tweevoudige mensch (want mensch is de dichter by uitnemendheid) niet van den bodem der natuur, waar hij zich naar het onstoffelijke zoekt uit te strekken. Met sterfelijke oogen blikt hij op het vergankelijk beeld, tot een onsterfelijk gezichtsorgaan hem daarin het oorspronkelijk type doet aanschouwen; hem tot de werkelijkheid — door sommigen verkeerdelijk het ideaal genoemd — doet doordringen. Tot de werkelijkheid ja, die eens, als alles bij zijn waren naam wordt genoemd, het alleen we-zenlijke zal heeten. Sla het ruwe, gegroefde gelaat van den eersten den besten landman hier slechts lang genoeg gade, en ge zult hier of daar uit de klei een Antinous u zien tegenstralen, even volmaakt van trekken als die, welke u te Rome uit het bleeke, van schoonheid verzadigde marmer tegensmacht. Zet uwe waarneming voort en faalt het u niet aan blik, dan zult ge achter dezen een nog heerlijker gedaante, een hemelsche verschijning zien oprijzen, hem in schoonheid voorbijstrevend, zooals hij den boer overtreft, hem met bovenaardsche meerderheid voor altijd in de schaduw stellend. Vincent Carrington heeft deze leer met hart en ziel omhelsd. Hoe kan hij anders? Een kunstenaar als hij, die een boom, een blad, een steen zonder waarde op het doek brengt, om plotseling dat alledaagsche voorwerp verwant te voelen aan, deel te voelen uitmaken van het onsterfelyk beginsel, dat het wezen van zijn eigen wezen is. Waarom zou een blad, een steen hem anders in verrukking brengen? De vogel, die het donzen, nauw ontloken blaadje met zijn harden bek van één rijt, kent zijn zielsgenot niet. De merrie evenmin, waar zij graast aan der steengroeve rand. Maar de mensch , het tweevoudig schepsel, hy kan een tweevoudig zyn, het inwendige en het uitwendige, omvatten. Niets ter wereld komt als een enkelvoud, als op zich zelf staande tot hem. Beker, kolom, reukschaal en kandelaar, het zijn allen

-ocr page 223-

— 209 —

voor hem slechts modellen van wat in den tabernakel tc huis behoort. Al het tijdelijke, geheel deze voorbijgaande verschijning is van koninklijke maagschap en tot een eeuwige beteekenis te voorschijn geroepen. „Daar is niets wat groot is of klein,quot; heeft een dichter onzer dagen gezegd, wiens stem door vesperklok noch morgengelui zal worden overstemd. En ja, ook ik herhaal: „er is niets wat klein is.quot; Het zachtste bij gegons in het hart der lelie reit zich aan der starren loop. Elke zandkorrel aan mijn voet staaft een wereldbol, elke vlasvink sluit een cherub in, en zie ik op myn eigen tengere, blauw geaderde pols, dan spreekt in die kleine trilling van mijn bloed zich al de kracht en hartstocht eener onstuimige ziel uit. De aarde is vol van den hemel; elk braambosch brandend van God. Maar hy alleen, wiens zielsoog ziet, ontschoeit zich de voeten; de overigen zitten in het rond en plukken de beziën en bevlekken zich liet gelaat, niet bedenkend, dat zij daarmede de oorspronkelijke gelijkenis in hun natuurlijke trekken wegmaken.

Zoo is er dan waarheid in mijn boek; een waarheid, die uit al het aardsche opwaarts voert. Ik, Aurora, heb mij door haar over de dorre levensvlakte, als lo door Here, voelen voortdrijven en ik zal niet tot rust komen, eer Zeus\' hand my heeft ingehaald en op mijn hoofd haar oneindigen, onverstoorbaren vrede doet nederdalen.

Het kan niet anders. De Kunst vertegenwoordigt wat Is en zich achter wat Schijnt te Zijn verbergt. Ware deze aardsche schijn het al, dan ware nabootsing het al in de Kunst. Maar zie — Zeus\' hand heeft ons gegrepen! — hier staan wij; zoo wij waarachtige kunstenaars zijn, als getuigen van het voleindigde, volkomene, ondeelbare werk Gods; stavend, dat elke bloem op aarde in hooger orde een volmaakte bloem tot aartsbeeltenis heeft — niet zóóver buiten ons bereik, dat wy, wier geestelyke zintuigen een weinig zyn gescherpt, geen zweem van haar geur en kleur zouden kunnen opvangen. Een zweem — helaas! meer niet! Maar hoe vaag ook onze gewaarwording en hoe weinig soms ons zelve er van bewust, toch brengen wij haar in kleuren, tonen, dichtmaat over; toch weten wij haar door teekenen, der ziel alleen

14

-ocr page 224-

— 210 —

bekend, voor intens luisterende en in aanschouwing verloren zielen begrijpelijk te maken. Hoe? Waarom door hen begrepen? Zij weten het niet, zij kunnen het niet verklaren. Daarom brengen zij hulde aan het genie en spreken: „Zie, het wonderwerk door dezen mensch gewrocht.quot; Niet alzoo. Het werk bestond, maar verborgen; hij zag het.

Zoo verheerlijkt dan de Kunst zich zelve door een waarheid ten troon te heffen, die algemeen en ten volle erkend, de gedaante der dingen veranderen, de zedelyke wereld herscheppen zou. Kon de mensch — niet nu en dan in een ure van dichterlijke verrukking ■— maar dag aan dag, onder vasten en sloven, bij feestvreugd en Sabbathsrust, de geestelijke beteekenis door het stoffelijk beeldschrift voelen heen-gloeien , bij zou voor altijd de aarde bevleugeld zien. Visch en vogel, rund en boom, ja zelfs zijn eigen lichaam zou hij eeren, dit lichaam thans zoo innig door den man veracht, dat alle steden er het uitschot harer dochteren voor bijeengaren in zomernachten, als Gods harte bedroefd is om wat er voorvalt op deze zijn heerlijke, zgn zoo snood van hem afvallig geworden wereld; als de maan, die Hij over den eersten liefdebond deed lichten, aan den hemel staat te blinken, beschuldigend als een trouwring, aan overspelige oogen voorgehouden.

Hoe zeker is het, dat wij, zoodra wij een ware gedachte hebben geuit, terstond gevoelen dat zij Godes is, niet ons zeiven toebehoort. Wij reiken haar den evenmensch, als het brood aan den nachtmaalsdisch, dat wij proeven en doorgeven , het ter nauwernood aanrakend. Wie zijn wij, dat wij het heilige ons eigendom zouden durven noemen?

Wat mijn dichtstuk als kunstwerk betreft — laat mijn lezers zeggen wat zij willen, ik, die het meer van nabij ken dan zij, zeg met Eomney, dat het boek zwak, hier en daar duister, onregelmatig van samenstelling, bij wijlen onwelluidend is.

Het zij zoo ! Wat is een boek in het leven van een vrouw. . . of van een man? Helaas, zelfs het voortreffelijkste boek is niets dan een woord in de Kunst; een woord, dat spoedig verstijft, inkrimpt onder het wicht der jaren, tot het

-ocr page 225-

— 211 —

als een enkele lettergreep in de een of andere bodemlooze spleet des tyds zinkt, waar geen kritiek meer reiken kan. Zelfs de Kunst, die wij het hoogere leven hebben genoemd, moet gevoelen, dat het leven der ziel haar te boven gaat. Want wij gevoelen meer, dan wij waarnemen en wij nemen meer waar, dan wy onder woorden kunnen brengen, en de vlam der Liefde stijgt hooger, dan de Kunst haar brandstapel bouwen kan.

Hoe nu? Noemt lo het ten slotte geen Waarheid maar Liefde, als zij eindelijk tot rust is gekomen onder Zeus\' bedarende hand?.. . Wel, mijn vader was een Engelschman; zoo krachtig vloeit myn moeders bloed mij niet door de aderen, dat ik den gloed van dezen Toseaanschen middag straffeloos verduren kan. \'t Is of de stad in een kookpan van Medea ligt te zieden en de heuvels in het rond als luchtbellen opborrelen, om uit een te spatten, zoodra ik een vinger naar hen uitsteek. Houdt de hemel zich op een afstand, om ons niet in laaien gloed te zetten? Waartoe? Laat uwe vurige zoomen slepen, o hemel, en verteer ons tot roerlooze asch. Wij weten hier te veel, om niet te weten wat ons het best tot rust zou brengen. Wy hebben te veel licht, dat wij niet nog meer vuur zouden behoeven, om gelouterd onder te kunnen gaan. Wy spreken, spreken, trekken eeuwige waarheden binnen onzen gedachtenkring, worden om onze hoopvolle boeken dankend geprezen — slaan een blik op ons eigen leven en. . . bah! Kunnen wij het niet met eens anders leven opknappen , niet een el zyde aan ons kamerdoek toevoegen, dan kan ik even goed verwachten, dat mijn kleine zakdoek, hier, ver over de cypressen heengeworpen, geheel Samminiato, kerk en al, bedekken zal, — als dat ik in dit mijn versleten, bekrompen bestaan mijn eigen conclusiën omvatten zal.

Maar laten wij ten minste de zonneblinden weer sluiten en gaan rusten. Straks als de hoofdpijn wat bedaard is en de avond wat koelte brengt, zal ik Kate en Carrington een woordje schrijven. Moge vreugde hun deel zijn, zij hebben beiden een goede keuze gedaan.

O zeker, ik zou my hartelijk verheugen, als het niet om Eomney ware. Had hij Kate getrouwd — ik zou stellig,

-ocr page 226-

— 212 —

stellig gelukkig zijn. Dit Florence is mij lief; ik voel er mij thuis. Mijne graven zijn kalm, doen niet al te veel meer zeer. Marian is goed, vriendelijk en hartelijk. Zij laat mij nu en dan haar kind houden, of draagt het naar de heuvels, om bloemen voor mij te zoeken, die zy vóór mijn ontwaken in deze vazen hier schikt. Prachtige roode wilde tulpen, of Dante\'s purperen leliën, die zich onder zijn profetenadem tot nog weelderiger kelk ontplooiden. Of wel een van die lange, bloeiende stengels, die in de Arno staan, gelijk een bundel scepters, die, door een dynastie van gestorven goden achtergelaten, eeuw aan eeuw uit den stroom hun voedsel trekken, bloem en blad uitspruitend, op elke plek weleer door een goddelijke hand met godenbloed verwarmd.

Ik vind ze \'s morgens op mijn bed, als het juichend lachen van een kind mij wakker roept, dat door Marian\'s zacht: „Stil, stil!quot; niet tot zwijgen kan worden gebracht. Ik glimlach met gesloten oogen en vraag met de lippen om een kus. Dan — ik ben er zeker van — dan regenen mij de kussen van dat lieve mondje toe, dan drukt zich dat poezele gezichtje tegen het mijne aan, alsof een roos al haar geurige, bedauwde blaadjes over mij ging uitstrooien. O ja, ik zou wel gelukkig zijn! Het kind houdt al van mij; het noemt mij Alola, de ?•\'« van mijn naam als doornen afstroopend, opdat hij zacht genoeg klinke, om over die kleine, met melk gevoede lippen te gaan. God zegene hem! O zeker, zeker zou ik gelukkig zijn, als ik — God helpe mij — niet ongelukkig om Eomney\'s wille ware!

Eomney! Eomney! Maar dit wordt onzinnige dwaasheid, \'t Is als een wijs, die ons door het hoofd maalt, totdat alles, regen en wind, het gegons van een vlieg, het gesjilp van een krekel, hetzelfde tergende deuntje zingt; misschien wel een, waarvan wij nooit hebben gehouden: „C\'est l\'amour, 1\'amourquot; of zoo iets. — Zoo bestaan wij: tirannen voor ons zeiven misschien, en niettemin slaven der natuur.

Sommigen van ons hebben veel van een draaiorgel; dezelfde dreun komt onophoudelijk terug.

„Het doet Vincent Carrington leed,\'\' en het doet mij leed, maar hij kan uit de vlakte van zijn leed onmiddellijk naar

-ocr page 227-

— 213 —

den hemel van zijn liefde stijgen, en al zegt hij nu en dan: „Arme Leigh, die nooit zulk een trouw hart, zulk een lieftallig gelaat het zijne mag noemen —quot; de smart van het medelijden lost zich aanstonds op in den blos, dien zyn meewarige blik te voorschijn roept. Voor hem is de sneeuw in de Meimaand op een warme aarde neergevallen; zij smelt bij de eerste aanraking van het groene gras.

Maar Eomney — heeft in elk geval toch zelf zijn lot gekozen. Hij heeft een even kostelyke zon om by te zien, als anderen, en alles te zamen genomen ook misschien zoo veel minder goed nog niet gezien dan sommigen van ons. — Ik wil er niet langer over denken. Zoo geheel ben ik niet vrouw, om niet eens één enkele maal man te zyn, en als Alaric al mijn dooden te begraven; de schatten van mijn ziel in deze droge bedding te doen nederzinken, en daarna, den levensstroom er weer over heen te laten gaan met zyn speeljachten en ïijn handelskielen. Wind, steek op en help ons voort.

Wij spotten met ons zeiven, als wij spreken van den wind en van wat onze voornemens zijn. Hoe drukkend is deze heete, verstikkende lucht, hoe uitlokkend der dooden deel op den bodem der rivier, de zilveren gordijnen ruischend over hen dichtgeschoven! Hoe vredig hun rust in den schoot van het graf, van hitte en gedruisch bevrijd — niet langer gekweld door die vermoeiende cikade en dit nog afmattender kloppen van het hart.

Helaas, wij begeeren voor de ziel, wat voor het lichaam is weggelegd: te sterven en te vergaan. Ziedaar, Aurora, het einde van ons grootsch streven; wij, die zoo ver in het Oosten het doelwit zagen van onzen tocht. Maar zou daarom dit vlakke Westen ons meer hebben geschonken? Klommen wij tot waar alle plantengroei zwijmt en vragen wij thans der dieren deel? Zijn wij het deel eens engels moede? —Men noemt den mensch het wezen, dat opziet naar de sterren en in eigen binnenste nederblikt, dat werktuigen schept en tot lachen bekwaam is. Men zou met nog meer recht kunnen spreken van het wezen, dat met zich zelf in tweestrijd is, want dit maakt \'s menschen hoofdkenmerk uit. Welk ander schepsel op aarde denkt zich den cirkel en treedt dan voort in het vierkant;

-ocr page 228-

— 214 —

hangt aan wat hem verderfelijk bleek, stoot af wat hem weldadig is V Meent ge dat de hij den ganschen zomer honig gaart, om in den wintertijd de korf te gaan vloeken en naar mierenkost te hunkeren? Maar de mensch—ja mannen ook; daarin zijn zij slechts vrouwen, zooals vrouwen maar Aurora\'s zyn! — daar zijn menschen, zoo gevoelig van aard, dat een platgetreden worm hen doet verbleeken, en die toch tot tijdverdrijf in hun lievelingsdroom autodafégewaden schilderen, met crocusvlammen bezaaid. Daar zijn er, die in de hel ge-looven en liegen; die in een hemel gelooven en vreezen; die midden in den wereldoceaan op deze zandbank neergeworpen, aan de oplossing van het levensraadsel hun hartebloed geven — om ten slotte zich een oesterbestaan te achten weggelegd.

Helaas, eindeloos duldende en dragende Grod, hoe straalt ons uw goddelijkheid tegen, wijl gij het ontaarde schepsel uwer handen in wezen iaat. Kom mij ter hulpe met uwe verheffende kracht. Gij, die dit vleeschelijk omhulsel hebt gedragen, gij weet, hoe het ons lijden doet, hoe het als een doorweekt gewaad zich aan ons vastzuigt, ons al dieper en dieper kan omlaag trekken, ons reddeloos in het droefgeestig Diep kan doen verzinken. Steun mij, opdat ik, weerstand biedend, met u wandele op dezen vloed. Beziel mij, verhef mij, drijf mij door uw goddelijkeu adem omhoog, gij , die de weg, de waarheid en het leven zijt. Dat voortaan geen waarheid mij onverschillig, geen weg, die er heenvoert, mij zwaar, geen leven — neen zelfs dit leven niet dat ik leid — mij ondragelijk schijne.

De dagen gingen voorbij. Ik vatte het leven van mijn kinderjaren weer op, maar met al zijn geneugten van geur en van kleur beroofd, \'t Was alsof ik een boek, waarin ik met een dierbaren vriend op een zonnigen zomermorgen had zitten lezen, en dat ik in het hooge gras had verloren, op een najaarsdag terugvond — de vriend verdwenen, het gras gemaaid, de lucht betrokken. Wat schiet het hart ons vol, als wij het opnemen en bedenken, hoe eens twee handen het vasthielden en hoe wij glimlachten, toen in vurige geestdrift hier met den nagel dit fijne streepje werd gedrukt,

-ocr page 229-

— 215 —

waardoor dit couplet voor altijd in gloed schijnt te staan!

Ik leefde stil en weemoedig daarheen. Ik kende de vogels en de insecten, die de kinderen der bloemen en naijverig op liun kleurenpracht schenen. Ik zag de juffers weer met haar reusachtig wiekenpaar, dat niet saam te plooien schijnt; de kapellen, die op haar blauwe vleugels zulke gloeiend roode kringen dragen, dat men haar, als zij vliegen, gaten in het blauwe hemeldak meent te zien zengen; de lichtvliegen, die haar vonken in de tintelende duisternis strooien, terwijl daar in den hooge de rustige eeuwige sterren die flikkerende liefdelichtjes overschijnen; de klagende uilen (bestond muziek uit één droef klinkende noot, zy zou dien toon doen hooren); het zwijgend zwermen van vleermuizen, die in de lucht een wijden kring beschrijven rondom een voor ons onzichtbaren dom; de nachtegalen, die met hun zwellend lied ons hart in het dichte loof der amandelboomen trekken, zóó hoog dat de pilaren der aarde ons schijnen weg te zinken in den gouden vloed, dien het maanlicht uitgiet. Ook herkende ik de kleine onschadelijke opalen slangen; de vorschen met hun breede gezwollen kaken, kwakende bluffers op hun ondiepen vyver; de hagedissen, die als groene bliksemvonken langs den muur schieten. Als gy roerloos nederzit en den adem inhoudt, doen zy u de eer aan u voor een steen te houden en flikkeren rustig om u heen, met die ongeloofelijk groote oogen in dat verwonderlijk kleine kopje. Ik herkende hen, hoewel zij kleiner waren geworden, dan zy in myn kindei\'oogen waren; ik herdacht, hoe ik mij hun kameraadje had gevoeld, zooals een kind zich dit tegenover heel de dierenwereld voelt, voor dat de mensch in hem alle recht op Eden heeft verbeurd. Ik herinnerde mij, hoe ik een vogel, een geit tot vrienden had; hoe ik een cikade, die ik gevangen had, in een rieten kooitje naar buiten bracht en vrij liet op een boom, zeggende: „Lieve grillino, had je het te benauwd by mij en ben je bly met de eikenblaadjes en hou je van mij, omdat ik je de vrijheid geef? Zeg ja, als je zingt; ik zal het zeker verstaan.quot;

Nu schenen alle dieren verder van mij af, niet langer de mijne, of mijns gelyken. Aanwezig ja, maar door een kloof

-ocr page 230-

— 216 —

van mij gescheiden. Vruchteloos smachtte ik in het heete middaguur naar een enkelen droppel van dien koelen morgendauw, de onherroepelijke onschuld van het kind, dat de speelnoot der vogelen mag zijn. Is eenmaal het hart ontbrand, dan doet \'t het leven verdorren en daarna voelen de vogels zich te trotsch voor ons en gunt de zon ons geen dauwdrup meer.

Ik was naar een ledig nest teruggekeerd, iets waar elke vogel zich voor wacht. Hoe klonk mij op dien verlaten grond voortdurend vaders voetstap in de ooren, hoe hoorde ik nog zyn stem in die stilte, als hij my de namen der vogels en insecten, der boomen en bloemen noemde, de sterrebeelden aanwees, die boven Valdarno verschenen. „Mijn kindquot;, klonk het telkens; „mijn kindquot;. Als een vader „mijn kincV zegt, valt het niet moeilijk het heelal te begrijpen, de wetten te verstaan, die \'s levens overgangen beheerschen.

Eens reed ik naar ons landhuisje in de bergen met een vaart, alsof ik mijn vader er vinden zou; maar reeds op vijftig el afstands, bij den eersten blik op het huis, wierp ik den teugel op den nek van mijn paard, dat geen stap verder deed. Het huis was aan de voorzijde ruitsgewyze geheel met rijpe maïs overtrokken; een en al goudkleur. Geen steen was meer vry , geen plekje waar een wingerdblad groeien kon. De oude ingang was verdwenen; in de open deur zat een meisje stroo te vlechten. Haar zwarte lokken waren onder een rooden doek weggestreken, die naar Toscaanschen trant onder de kin was vastgestrikt. Loom hief zij de groote, dofzwarte oogen tot den moerbezienboom op, waarin jongens, met stokken gewapend, onder gelach en gepraat bezig waren alle takken van de bladeren te ontdoen; die malsche, groene bladeren, die mijn vader niet tegen al de zyde, waarin de leelijke zydewormen zich hullen, zou hebben willen ruilen.— Genoeg! Myn paard was mijn hart nog vóór geweest. Ik wendde ylings den teugel, en terug joegen wy naar Florence, niet minder snel dan wij waren heengegaan.

Dit grafbezoek was mij voldoende. Ik wilde vaders nocli moeders graf meer zien; ik wilde niet onderzoeken of het mos het werk van den steenhouwer reeds had uitgewischt,

-ocr page 231-

— 217 —

ik wilde mijn bloemen er niet op strooien; zij konden de lucht toch niet geuriger, de aarde niet bloeiender maken. Mijn dooden leefden te hoog, om zoo laag naar hen te zien. De gedachte was my liever, dat zij nu en dan mijn graf hier, dit leven, dit wordende leven bezochten, en tot mijn troost en bemoediging een enkele der minst welriekende paradijsbloemen op rn ij deden nederdalen. Want ware de bloem te rijk aan geur, zij zou mij gewis van vreugde hebben doen sterven.

Ook mijn oude Assunta was dood, was dood. O, land van ieders verleden, voor mij alleen kondt gij uw tijden niet doen samenvloeien! Ook ik was verleden, als de anderen — alleen maar niet in den hemel. Menige avond zag mij door de cypressenlaan dwalen, als een rustelooze geest, die met zwakken adem vergeefs zijn eigen, half verkoolde, te vroeg gebluschte grafmijt zoekt aan te blazen. — Zwart en stijf rezen de boomen tegen de vermillioene lucht. Welk een lucht! — alle wolken als weggevaagd door één verblindende zwaai van den zoom van Gods kleed! Ik daalde af naar de rivier, om op de brug nog even dien schitterenden rand mijn avondgroet te brengen, voordat hij achter Lucca\'s bergtoppen werd weggetrokken. Daar omlaag, niet langer door het wicht dier glorie gedrukt, vloeide de rivier, zacht murmelend, in rustige schaduw voort. Langs zijn oevers golfde de vroolijke menigte. Ik hoorde het geruisch van hun waaiers en voetstappen, dat aan het geluid hunner stemmen zich paarde, al die zachte klinkers, die hun gebabbel tot muziek maakten. Zij keerden van de hertogelyke landhoeve terug, vóór dat met het slaan van achten de boomen gevaarlyk werden. „Wantquot;, zegt de Toscaner: „vertrouw de boomen bij maanlicht niet.quot; Daar trokken zij heen, al die minnende paren, om bij Donay ijs te gaan eten. Lieftallige schoonen, door bewonderende cavaliers begeleid, die den dierbaren waaier vasthouden, terwijl zy haar vanilleroom lepelen, luisterend naar liefdesverklaringen, gloeiend genoeg om haar ijs te ontdooien en zijn baard te zengen. Wat gingen die allen my aan? Ik kon strijkelings langs hen gaan, zonder vrees herkend te zullen worden. Er bestond niet het minste gevaar, dat ik

-ocr page 232-

— 218 —

op een vriend zou stranden en een ijsberg voor een eiland moest liouden. Zelfs de Engelschen moeten hier met taai geduld leeren de webben van hun praatjes uit te hangen, om een enkele vlieg te kunnen vangen. Daar geniet ik met volle teugen van. Heerlijk die volmaakte eenzaamheid in het vreemde land! Te zijn, alsof ge tot heden niet waart en bestaat enkel omdat het u lust te bestaan. Van den grond op te springen, niet er uit voortgebracht te zyn; zooals de Atheensche sprinkhaan, die driemaal omhoog wipt vóór een vrouwenhand hem grijpen kan, om hem in beur haar te planten! Een nieuwe wereld vol nieuwe schepselen, een nieuwe zon, een nieuwe maan, nieuwe bloemen, nieuwe menschen te bezitten en zelf aan geen van die allen toe te behooren! Niemand gerechtigd uw naam te noemen, uw gangen na te gaan, uw oordeel te vragen omtrent het boek van Mijnheer Zus of het huwelijk van Mijnheer Zoo, of om te willen weten, hoe het met uw hoofdpijn van verleden week is gesteld en waarom gij zoo bleek ziet, als deze gansch en al voorbij is. Zulk een wonderlijk onttogen zijn aan iemands eigen bestaan gelijkt veel op den dood. \'t Is bevryding van het lichaam zonder strijd of smart. Ik verwonder mij altijd waarom zoo velen, als Fakirs, stokstijf stil blijven staan, tot zij geheel met mos zijn overdekt en dan zegevierend uitroepen: „Zie eens hoe groen en hoe deugdzaam ik ben!quot; quot;Wel, ik ben tevreden hier, of liever, ik zou het zyn, kon ik my zelve maar even vreemd worden, als ik anderen ben.

Aldus in myn gedachten verzonken, wandelde ik de nauwe, vreemde straten op en neer, waar de oude paleizen — vreemdsoortige verblijven, zoowel gast als vijand , minnaar als slachtoffer herbergend — door hun steenen getralied venster somber op mij nederzagen. Myne tochten voerden mij menigmaal een kerk binnen, door wier geopende deur de klagende ves-pertonen tot een wijle toevens noodden. Hier en daar was de vloer met knielende, biddende gestalten (meestal vrouwen) besprenkeld, wier aangezichten naar de zilveren glorie van het altaar waren gekeerd. Nu en dan trilde een lichtstraal op een meer omhoog geheven gelaat, dat om hulp in haar nood scheen te smeeken — natuurlijk een vrouwenge-

-ocr page 233-

— 219 —

laat. — Stil in een hoekje gedoken, zat ik het gade te slaan, allerlei verzinnend, dat paste bij wat ik daar voor mij zag. Eéne was er die er uitzag, alsof de aarde plotseling veel te groot was geworden voor een arm, klein, misvormd schepseltje als zij. Alleen de zwarte doek om haar schouders bewees, dat zy een moeder had gehad. Een andere zag er ziek van verliefdheid ait; zij scheen den een of anderen heilige te smeeken, die mooie zijden sjerp, om wier bezit zij veertien dagen honger had geleden, toch aan zyn doel te doen beantwoorden en er die wreede Gigi\'s oogen van Giuliani door af te trekken. Eéne was er zoo stok-, stokoud, dat het knielen haar minder zwaar dan het staan moest vallen; zóó eenzaam en alleen gelaten, dat zy eindelijk maar Onze Lieve Vrouwe voor een gezellig praatje gebruikte. Zij gromde tegen die booze wereld, die maar voortging met minnen en trouwen, als toen zij nog lang zoo kwaad niet was en recht had het te doen, [toen //nar Gian nog leefde en zy zelve achttien zomers telde.] En toch — zelfs nu nog zou alles wel beter gaan, als Madonna maar helpen wou en haar Donderdag een prys in de lotery wou doen winnen. Zy had immers voor niets niet gedroomd, dat de kool, die zy voor haar soep op vastendag kookte naar gezegende ingewanden rook? — Zulk een droom voor niemendal? Zou zoete Maria haar zóó bedriegen? Maar dan kreeg zij ook waarlijk die mooie, lange, witte waskaars niet, die anders hier binnen een week zou staan branden. Tienujna sis, glorierijke Hemelkoningin!

Zoo zat ik te droomen en mij te verbeelden wat die gezichten te vragen hadden. Arme blinde zielen, die langs het voetpad van den duivel naar den hemel kruipen. Wie weet, dacht ik, of Hij de hand niet naar hen zal uitstrekken en hen tot zich heft. Staat er niet geschreven, dat Hij het geschreeuw der jonge raven hoort en toch schreeuwen zy om aas. En zijn wij, o God, wij, die de anderen verontschuldigen, beter; doen wy op onze wijze niet als zy ? Toen knielde ik op myne beurt neder en boog het hoofd op de steenen, biddend dat, wijl ik als andere dwazen begeerde wat mij niet voegde, naar onreine spijze bleef hunkeren, Hij het oor niet mocht neigen naar mijn smeeken, alleen

-ocr page 234-

— 220 —

maar mocht gedenken hoe arm en hulpeloos de zwakke, hartstochtelijke mensch in ons is.

Ik lag zwijgend ter aarde, maar Hij verstond mij in den hemel.

Avond aan avond ging op die wijze voorbij. Ik verzuimde niet gaarne een zonsondergang op de brug, evenmin als mijn wacht in de kerk. Ook bewoog ik mij graag onder die vreemde, vroolyke menigte, die in het geheel niet op my lette. Men-schen, die men niet kent, zijn even goed als boomen. Eenmaal slechts liep ik in de Santissima tegen een kennis, Sir Blaise Delorme aan. Hij zag mij, want hij sloeg een kruis veel haastiger dan gewoonlijk en boog even tegen mijn schaduw — ik was aanstonds achter een porphyrenzuil getreden, hem in de onzekerheid latende, of hij mij in eigen persoor. had gezien, of dat hem weer, op zijn weg tot heiligverklaring , door Satan een valstrik werd gelegd. Hij was veilig voor ditmaal en ik evenzeer. Een oogenblik later hadden de zilveren engelen op het stralend altaar geheel zijn ziel ingenomen.

Die goede Sir Blaise! In Engeland kenden wij elkander zóó weinig, dat hier in Florence de gedachte aan hem mij niet behoefde te vervolgen. En toch deed zy dit, want daarna bleef ik vaker te huis en zag toe, hoe de avond zich tot nacht ging louteren, totdat de maan, reeds tot een kromme lijn weggeslonken, als een sikkel aan het uitspansel kwam rusten, gereed voor de hand van Hem, die eenmaal zal nederdalen, om de oogst der aarde in te zamelen. In die uren was het met mijn dichterberoep gedaan. Voor het viervoudig aangezicht van dien zwijgenden Cherub durfde ik met mijn bellen niet rinkinken. Hoe kon ik de godheid bezingen, terwijl God zoo nabij my was? Ik schreef niet, ik las niet, en dacht evenmin; roerloos zat ik, in mij zelve verzonken, in het toenemend duister ter neder, een zoutklompje gelyk, dat, onvoorziens in een beker oenomel gevallen, langzaam, langzaam wegsmelt, tot het geheel in den geurigen drank is opgelost.

-ocr page 235-

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Eens op een avond zat ik weer alleen op het terras van mijn hooge burcht met een boek op de knieën, om te doen alsof ik las, terwijl Marian beneden in den tuin, ter zijde van de fontein, wier gemurmel ik in de dommelige stilte van den uitgeputten dag duidelijk hooren kon, op het gras lag neergeknield en de eene purpere vijg na de andei-e schilde, die aanstonds door haar gulzig kind met begeerige lippen werd intgezogen. Daar stond de kleine vlak tegenover haar, lokken en wangen door den laatsten zonnestraal in gloed gezet, trappelend met de kleine voeten, terwyl hij telkens zijn ongeduldig, bevelend: „nog meer, nog meer,quot; deed hooren; — prinsen worden wij allen geboren. Op eens — daar hoorde ik een lach, de lach van bedroefde, onschuldige zielen, die onmiddellijk wordt gestaakt , alsof zij van zich zelve verschrikt. \'t Was Marian, die lachte. Ik zag haar een blik slaan naar de plaats, waar ik zat, als schaamde zij zich, dat ik het had kunnen hooren; dadelijk waren mijn oogen in mijn boek en zag ik voor het eerst, dat het Boccaccio\'s Valk was; het verhaal van den minnaar, die uit liefde het beste, wat hem liefheeft, doodt. Sommigen van ons doen nog heden hetzelfde en zitten dan neer en lachen niet langer. Lach gij

-ocr page 236-

— 222 —

gerust, Marian, gij hebt recht tot lachen, wijl God zelf vóór u is — en een kind. Ik die minder bevoorrecht ben — ik zucht.

De hemelen maakten ruimte om den nacht te omvatten, de zevenvoudige hemelen, die al hun poorten ontsloten, om de starren naar buiten te doen treden. Daar naderden zij, de duizendtallen, zich aankondigend, maar nog niet te onderscheiden. ïlog altijd klonk de roep der uilen uit de hooge cypressen, als telden zij eiken polsslag van het ontwakend leven daar omhoog; purpere, doorzichtige schaduwen hadden van lieverlee geheel de vallei gevuld, zich over de stad als het ware uitgegoten, zoodat deze van de overige schepping afgesneden, in een tooverzee scheen weg te zinken. Op haar nederblikkend overviel u een hartstochtelijk verlangen, om een sprong te nemen en u in dien vloed te dompelen, een zeekoning tegemoet met een stem van vele wateren en verraderlijk zachte oogen en glibberige lokken, die gij niet kussen kunt of ge draagt hun zout op uwe lippen mee. .. De domtoren slaat tien, alsof hy tien vademen diep zich doet hooren; twintig kerken antwoorden hem, elk in haar eigen toon. Enkele gaslichten flikkeren langs straten en pleinen. De voorzijde van het Pitti-paleis straalt vurig in den nacht; evenzoo over de kaden heen het Maria Xovella-plein, waar de mystieke obelisken, door de vier bronzen schildpadden gedragen, driehoekig, pyramidaal omhoog rijzen, als wachters van die heerlijk schoone kerk, die Buonarrotis bruid mag worden genoemd. Zij staart met haar groote blinde oogen, haar kringvormige wijzerplaten, door zonneglans en maan-geglim verweerd, in het rond, vruchteloos vragend waar nog een geest, rijk als de zijne, moge schuilen. — Het is my, als had ik den sprong reeds genomen, ik zie het alles zoo klaar.. . en. . . o mijn hart... de zeekoning!

In mijn ooren het ruischen van water. Daar stond hij, myn koning!...

Ik voelde hem meer dan dat ik hem zag. Op rees ik, of hij werkelijk mijn koning ware, maar zat aanstonds in verwarring weer neder, worstelend om my zelve meester te blijven, \'t Is armzalig, maar zoo zijn wij vrouwen gemaakt.

-ocr page 237-

— 223 —

Wy zouden voor u in den dood willen gaan, o zeker, maar u een vingerbreedte van onze volle lengte sparen — dat nooit.\' Vijf voet vier duim, ziedaar de ware maat, waarop wij recht hebben, zij het ook, wanneer wy in onze kist worden gelegd. — \'t Is belachelyk.

„Gij Romney? — Is lady Waldemar hier?quot;

Hy antwoordde met een vreemde stem: „Ik heb een brief van haar, dien ge aanstonds zult lezen, maar vooraf vraag ik voor mij zeiven gehoor, ik, die daarop lang heb gewacht en daartoe van ver ben gekomen. Gij meendet een vervelend boek voor goed te hebben dichtgeslagen? Wel, ge hebt ergens een vouw gelegd en zie, daar vindt ge mij terug.quot;

Eaakte hy mijn hand aan of enkel myn mouw? Ik beefde van het hoofd tot de voeten —- hij moet mij hebben aangeraakt. — „Wilt ge niet gaan zitten,quot; vroeg ik en wees op een stoel. Hy nam — hoewel wat langzaam en onzeker — onmiddellijk plaats aan myn zijde op de sofa, waarop ik gezeten was— ik had sofa en stoel op het terras laten brengen.

„Hoe verwonderlijk u hier te zien, neef Romney!quot; sprak ik. „En toch — wat is een wonder in een zomernacht als dezen, met zulk een schouwspel voor oogen. Zie!quot;

Ik wees naar den hemel, waar thans alle sterren flonkerden, alsof een sterke hitte plotseling op een donkere blad-zyde de schitterende letters van een geheim schrift aan deu dag had gebracht.

„Gij weet dus niet...quot; prevelde hy.

„Ja, ik weet,quot; was mijn antwoord. „Ik heb het door Vincent Carrington gehoord. Maar ik dacht niet, dat zelfs dit u van uw taak in Engeland zou kunnen doen scheiden, \'t Is waar, gy zult uw vryen dag tot een werkdag weten te maken, hem tot welzijn van onze Toscaners besteden. Nu, zy hebben uw hulp wel noodig, nu het Oostenryksche wilde zwijn, dat met zijn ruwen kop zoo driest eri onbeschaamd tegen de sneeuwtoppen der Lombardische Alpen, dat schild door God zelf omhoog geheven, heeft gebonsd, ook hier heen kwam, onze wijn- en olijfgaarden met zijn slagtanden omwoelt , zich met geheel de kudde, die hem volgt, in onze maïsvelden rolt.quot;

-ocr page 238-

— 224 —

„Gij hebt liet van Vincent gehoord,quot; herhaalde hij, slechts acht slaande op mijn eerste woorden, als wist hij maar al te wel, dat het overige maar dienen moest om een reet te stoppen, waar de wind door blaast. „Hebt ge het nieuws van Vincent zeiven, persoonlijk?quot;

„Van hem zeiven,quot; was myn antwoord. „Het schijnt wel dat die geheele onderminde wereld van n bezig is in het huwelijk in elkander te vallen. Carrington heeft een goede keus gedaan.quot;

„Meent ge dat?quot; riep hij. „Is het eindelijk dan mogelijk.. .quot; Hij hield op — en daarop als tot zich zeiven: „Te laat, helaas, te laat. — En tochquot; — hier beefde zijn stem, als de plank over een bruischenden bergstroom gelegd — „al had ik dit van den aanvang af geweten, voor mij had het niets veranderd en voor haar — is het thans beter, oneindig beter aldus.quot;

Hoe, dacht ik, bemint hij nu Kate Ward; misschien wel omdat hij Lady\'s Waldemar\'s echtgenoot is? Vincent schreef, hoe Leigh ontroerde, toen hij hem zeide, dat hij met Kate was verloofd. — Met welke gebarsten kruiken gaan wij tot diepe wellen in deze wereld! — „Ik wist niet neef,quot; sprak ik, „dat ge Kate Ward ooit hadt gekend.quot;

„Neen, dat deed ik ook niet. \'t. Is voldoende dat Vincent haar kende en dus zijn vrouw nog om iets anders heeft gekozen , dan om die twee topazen oogen, waarvan wij hebben gehoord. Niet om hun waarde te verkleinen! Met oogen neemt men de wereld in bezit.quot;

Eomney Leigh er onder begrepen, dacht ik, al kent hij ze alleen bij overlevering. Hoe laag moeten alle mannen zij n, wijl ook hij een man is.

Met een diepe, ontroerde stem vervolgde hy :

„Hebt ge een maand geleden geen brief van lord Howe ontvangen, lieve Aurora?quot;

„Neen,quot; was mijn antwoord.

„Ik voelde het,quot; hernam hij, „\'tis vreemd! Weet ge ook, of sir Blaise Delorme te Florence is geweest?quot;

„Ja, ik zag hem bij toeval in de kerk Santissima. Ik zag hem, maar —■ let wel —■ hij zag mij niet; het wijwater

-ocr page 239-

— 225 —

had hem van al het aardsche — brieven incluis — rein-gewasschen. Hij had, door het heilig kruis, dat hij sloeg even goed met ons, als met zyn zonden, afgedaan, \'t Is vreemd, ja, maar vooral dat Lord Howe hem meer dan de post vertrouwde. Ik voor mij heb my voorgenomen nooit iemand te vertrouwen — althans met het overbrengen van brieven.quot;

„Daar waren feiten mee te deelen, waarop men door toon en blik zachtkens kon worden voorbereid. Howe meende. . . nu, dit doet niets ter zake; \'twas overbodig; gij wist het reeds door Vincent Carrington. Toch zoudt gij, mij ziende, misschien minder ontsteld zijn geweest, beste Aurora, als ge lt;lien brief hadt gelezen.quot;

Hy denkt, dat ik gegriefd ben; \'t schynt me al bijzonder goed gelukt te zijn mij in mijn vrouwentrots te hullen! O ik schijn gegriefd! Mijn vriend Lord Howe draagt zijn vriend sir Blaise op, om mij teeder en behoedzaam, opdat het my zoo weinig mogelijk dere, Romney\'s huwelijk met zekere heilige bekend te maken; het feit door toon er. blik te verzachten; mij op zyn mogelijke komst voor te bereiden. Gy hebt uwe rol voortreffelyk gespeeld, Lady Waldemar — evenals ik de mijne.

„Beste Romney,quot; begon ik, „voorheen was het uwe gewoonte niet, als een van Troye komend grieksch vorst een voorlooper noodig te achten, die tapijten op uwen weg spreidt, om het geluid uwer voetstappen te dempen. Ten opzichte van my was die voorzorg overbodig; ik kan het kraken van uw voet op het kiezelzand hier best verdragen. Alleen spijt het my , dat mij die belangrijke brief is ontgaan, waarmee sir Blaise zeker bij vergissing een gewijde waskaars heeft aangestoken. De brieven van dien besten Lord Howe zyn te goed om verloren te gaan, en met het breken van dien stengel is zeker menige bloem van het Londensche nieuws afgevallen. Geen wonder, d?vt ik gevoelig ben voor dat verlies, ik die hier, eenzaam by myn wynstok gezeten, van niets dan van verongelukte oogsten hoor. Maar de brief als voorbereiding... ontstelde ik inderdaad? Gisteren avond schrikte ik van een meikever en beefde een half uur lang. Kent ge de vrouwen nog zoo weinig, gy, die zoo hoog staat in haar gunst, dat ge in allen ernst

15

-ocr page 240-

— 226 —

notitie van onze zenuwachtigheid neemt? Wel, wij houden haar in waaide; zij is het geheim van onze macht en van den indruk, dien wij maken. Bij winterdag, als het vriest en de wind niet blaast, staan de boomen styf en stil, maar laat de blijde zomer voor hen komen en ge zult by het minste zuchtje al die millioenen bladeren hooren ritselen en popelen van weelde en genot. Niet meer is er noodig om een vrouw te doen ontroeren. Laat haar schrikken en beven, zooveel als ze wil; denk daarom niet dat haar winter guur, veeleer dat haar zomer groen is.quot;

„Dat uw zomer altijd groen zij. Aurora,quot; klonk het antwoord, „al zweept gij van de hoogte, waarop ge leeft, uwe sekse met wel wat guren windvlaag weg, daarbij uw eigen pijnappels minachtend naar omlaag werpend, om het even in welken moerassigen grond zij te land komen. Zoo hoog en koud tegenover anderen en uzelven, zoii het onbillijk wezen dit minder tegenover Tiomney te zijn. Dat zou ik trouwens ook niet willen; ik begeer u niet anders dan ge zijt. Gij kunt het inderdaad verdragen, dat gij onverwachts het geluid van mijn voetstap vlak bij u hoort... maar ik — hot zou mij tot in de ziel ontroeren, als ik uw stem, Aurora\'s stem, plotseling van aandoening hoorde trillen, uit deernis met dat, wat ik ben.quot;

„Helaas ja, mijn vriend,quot; dacht ik, „als echtgenoot van Lady Waldemar zijt gij diep beklagenswaard, en toch moet Aurora Leigh zich tegenover u zorgvuldig voor elk teeken van medelijden wachten. Eer zal zy tegenover leugen en ontucht, tegenover al het slyk der aarde zacht en verdraagzaam leeren zijn, eer haar stem u meewarig in de ooren zal klinken.quot;

Ik onderdrukte mijn gedachten en sprak op kalmen toon; „Bedenk vriend, dat wij den toestand, waarin wij verkeerea, zeiven moeten hebben voorbereid; en al behaagt hij ons ook niet, ja al mishaagt hij ons met alle recht, toch mogen wij niet vergeten, dat een ander lot, eens in onze hand gelegd, maar toen door het instinct van ons leven verworpen, ons thans nog minder bevredigen zou dan dat, waarin onze keus, onze wil, onze liefde openlijk, voor geheel de wereld hun

-ocr page 241-

— 227 —

stempel hebben gedrukt. Wat wij kozen, moge niet goed zijn, maar dat wij het kozen, dat het ons wakend en droo-inend onwederstaanbaar tot zich trok, bewijst dat het goed is voor ons, veel beter, dan \'tgeen wij voor het grijpen hadden , maar niet kiezen wilden. Muggen laten niet af zich de vleugels te zengen; dat bewyst dat licht goed voor muggen is. Ware het anders, zij zouden de doodende vlam wel vermijden.quot;

„Ja, licht is goed,quot; herhaalde hij en zweeg. Daarop kortaf .. . Marian, is Marian wel?— Ik boog toestemmend het hoofd, maar sprak geen woord. Hoe kon ik spreken van haar tegen Lady Waldemars nieuwen echtgenoot. Hoe veel of hoe weinig was hem bekend? — Hij sloeg geen acht op mijn beweging, maar herhaalde: „Is Marian wel?quot;

„Zij is wel,quot; was mijn antwoord.

Een uur geleden was zij daar beneden in den tuin geweest , maar het vallen van den avond had haar naar binnen doen gaan, en nu hoorde ik haar in een bovenkamer met zachte stem haar kind in slaap zingen. Ongedurig als het knaapje was van de warmte en het spelen en een wat te lang gerekt middagslaapje, had moeder vaak heel wat te zingen en te sussen eer de kleine woelwater de oogen sloot.

„Zij is wel,quot; sprak ik.

„Hier?quot; vroeg hij.

„Ja hier.quot;

Hij zweeg en zuchtte. „Dat is voor straks,quot; vervolgde liij, „eerst heb ik iets anders af te doen. Ik heb u iets te zeggen en zou gaarne daartoe alleen met u zijn zonder door een derde te worden gestoord.

„Spreek,quot; hernam ik, „zij zal u niet hinderen.quot;

Hij wendde plotseling, met een glimlach, die my door alles heenging, zijn gelaat naar my toe: „Ik heb uw boek gelezen, Aurora.quot;

„Gij hebt het gelezen en ik heb het geschreven — laat het daarmee afgedaan zyn. Wat hebt ge my verder te zeggen?quot;

„Het overige is aan het eerste gelijk,quot; was zyn antwoord. „Het boek is hier in mijn hart; het leeft in mij; het waakt en droomt in mij. Elke bete broods is er van doortrokken

-ocr page 242-

— 228 —

en als mijn wijn er niet naar smaakt, dan werp ik hem weg, als een onnatuurlijken drank voor mij.quot;

Bitter viel ik hem in de rede: „Waartoe uw wijn te verspillen? Het boek heeft in mij geleefd, voordat het in u leefde; ik ken het beter dan ieder ander, weet beter hoeveel zwaks en lafs en onbeduidens er in wordt gevonden, en dat het zooveel lof te eenemale onwaardig is. Behoud uw wijn, bid ik u en wensch onder \'t drinken aan hen, die gij uw vrienden noemt, betere dingen toe dan een boek te hebben geschreven, oneindig voortreffelijker dan dat, waarvan gij spreekt.quot;

„0 ja,quot; hernam hij op zachten toon, „dat wist ik wel. De dichter blikt hooger dan het boek, dat hij schrijft; anders had hij het niet geschreven. Kon de mensch een mensch formeeren, hij zou voortaan een God zijn in het voelen, hoe klein en nietig een wezen de mensch is. Maar in dat geval ben ik niet. Ik heb dit boek niet geschreven en behoef er dus niet op neer te zien. Het staat boven mij; het trekt mij omhoog. Misschien wel omdat ik zoo laag sta. Dat zal wel zoo zijn. In elk geval, hoog of niet, het boek staat hoog voor mij, dat is zeker. Ik denk aan geen vleien. Ik zeg niet, dat er geen schrijvers of schrijfsters zijn, die in staat zijn rijker. of meer afgewerkte boeken te schryven. Een man kan een vrouw beminnen en niettemin erkennen, dat er duizende vrouwen zgn, die grooter oogen hebben dan zij. \'t Is hein genoeg, dat zij alleen hem heeft aangezien met oogen, groot of klein, die hem de ziel hebben bemachtigd. Zoo is het met dit boek van u gegaan. Aurora, evenzoo.quot;

„Helaas,quot; was mijn antwoord, „is het waarlijk zoo?quot;

„Is het waarlijk zoo?quot; herhaalde hij. „Is dat helaas al wat gij te zeggen hebt?quot;

„Ik dacht,quot; zeide ik, „aan een verren, verren Junimor-gen — mijn geboortedag — toen gij en ik over het leven en de kunst spraken, waarvan wij beiden nog zoo weinig ervaring hadden. Ik dacht er aan, Eomney, hoe het toen morgen was — en thans nacht is.quot;

„En thans nacht is,quot; herhaalde hg.

„Ik dacht er met een droevig hart aanvervolgde ik,

-ocr page 243-

— 229 —

„dat zoo ik dien morgen had geweten, op welk een toon eens, na lange jaren, (nadat de morgen- tot avonddauw werd) mijn neef Romney over een toekomstig boek van mij zou spreken, dit te weten mij als hoop oneindig gelukkiger zou hebben gemaakt, dan het mij thans, als tegenwoordige werkelijkheid vermag te doen. Dat is droevig, helaas.quot;

„Ja,quot; zeide hij, „het is nacht.quot;

„En daar zijn de sterren,quot; voegde ik er op luchtigen toon bij. Kom, spreken wij van sterren en niet langer van boeken.quot;

„Zij lichten voor u,quot; sprak bij dof. „Wees hen gelijk. Aurora. Bestraal myn duisternis met uw licht, zij het ook hoog en ver en koud als zy; zij het voor dezen nacht alleen. Gij zijt en blijft dezelfde Aurora van dien schoonen Junimorgen, die de bloemen voor myn aangezicht deedt verwelken en mij als een onwaardige voor altijd uit den hof dreeft. O, verdiend, verdiend! Dat ik, die Grods les nog niet half kende, als een eigenzinnige domoor, blind voor den samenhang, de andere helft ongeduldig moest zoeken uit te vegen; dat i/r met de ruwe onbeschaamdheid van den man, de Aurora dezer wereld moest van mij stooten; baar die aan de andere zijde der bladzijde haar aandacht wijdde! Haar voorbij moest zien, omdat zij vrouw was en vorstin, en de basstem van denman niet in haar lied kon doen klinken! Mijn leerares, die my met een boek hebt onderwezen! Mijn Miriam, wier liefelijk gezang mij, toen ik schier wegzonk in de golven, nog altijd van den oever tegenklonk! O, verdiend, verdiend, dat ik hier sta en opzie naar de sterren en hun glans en glorie derven moet. .

„Eomney Leigh,quot; viel ik hem in de reden, „wat dwaze taal is dat? Gij spot en overdrijft, of ik versta u verkeerd. In die morgenure, waarvan wij spreken, waren de rozen zóó rood en de boomen zóó groen, en een verwijt zoo natuurlijk, wanneer de een niet wilde zien, wat den ander klaar bleek als de dag! Maar bedenk, dat het nu nacht is en wij schaduwen in steê van kleuren hebben; dat wij oud en koel en kalm zijn geworden. Ik ben blij, dat mijn boek u bevalt, en het spyt mij, dat ik dwaas genoeg was, om

-ocr page 244-

— 230 —

op een verjaardag van tien jaar geleden terug te komen. Dat moest een vrouw niet doen. \'t Verbaast mij niet, dat gij het voor een uiting van gekrenkte ijdelheid houdt, die een stortvloed van verontschuldigingen noodig maakt.quot;

„Denk wat ge wilt,quot; sprak hij op droeven toon, „alleen dat niet, Aurora. Deze Italiaansche naoht is zachter dan een Engelsche dag. Men moet hierheen komen, als men ziek is, om in deze milde lucht gemakkelijker adem te halen. Zoo kom ook ik tot u, mijn Italië onder de vrouwen, om één enkele maal mijn ziel voor u lucht te geven. Dan ga ik heen, ver uit uw en aller menschen oog, ootmoedig als ik. God lof, ten laatste heb leeren zijn; mij stil in myn hoek terugtrekkend, als een stout en huilend kind, dat straf heeft gekregen. Ik ben hier gekomen lieve, om. .

„Verstandig en waardig van ons beiden te spreken, neef Leigh.quot;

„Ja waardig. Aurora, want ditmaal moet ik het uitspreken en belijden, dat ik, eens zoo niets ontziende in mijn aanmatiging, zoo absoluut in mijn dograen, zoo hoogmoedig in myn streven, zoo onstuimig in myn hopen, dat ik, die de geheele wereld zich om hulp aan mij voelde vastklemmen, alsof er, buiten mij geen man op aarde tot helpen in staat ware, geen vrouw of ik moest haar by de hand vatten, thans mij zeiven ken voor wat ik op dien Junimorgen was. Arqie heerlijke zomerdag, die mij zijn beste gaven — een vrouw en een bloem — wilde schenken, maar dien ik met domme, scherpe woorden in het aangezicht sloeg, tot hij zich tegen my keerde en mij aanviel en verscheurde. .Gij waart jong op dien geboortedag, mijn dichteres, maar uwe woorden waren waarheid, terwijl ik... de eene dwaasheid op de andere stapelde tot een muur, om het licht der zon en uw gelaat te onderscheppen. Uw gelaat, dat is het ergste.quot;

„Spreek verstandig, neef Leigh.quot;

„Ja verstandig, beste Aurora, al is het te laat. Maar toen was ik niet verstandig. Ik was dom en onbevattelijk, verbijsterd door de kreten van al de gemartelde gevangenen, opgestapeld in het glimmend koper van dien Phalarischen stier, die men

-ocr page 245-

— 231 —

de maatschappij noemt. Van verre meent gij het loeien van runderen te hooren, maar als ge toeluistert, hoort ge jammeren en steunen als van slachtoffers, die onder hun hoeven vertreden worden. Ik hoorde de kreten van te nabij; ik kon daardoor het ruischen van engelenvleugelen niet vernemen, de troostwoorden, die hun lippen ontvielen, niet verstaan. De wereld was voor mij niets dan een groote hongerige muil, een reusachtig, vederloos, blind vogel gedrocht, dat in zyn verlatenheid met gapenden bek jammerlijk om voedsel schreeuwde. Ik kon het niet aanhooren, mijn hart kromp samen van wee; ik wierp mij op den beslijkten grond en rukte de viooltjes uit de aarde om naar wormen, niets dan wormen te zoeken. Een open mond, een ledige maag, brood, brood om den honger te stillen — ik hoorde en zag niet anders, ik wilde aan niets anders mijn aandacht wyden. Het was recht, meende ik, het was deugd, dat de arme niets begeerde, niets eischte dan dit. O, ik beschouwde de zaak van een erbarmelijk laag standpunt; ik dacht er niet aan, wat het wezen zou, als de rijke voor zichzelven dienzelfden kreet aanhief; op zyn beurt verklaarde; „Een open mond, stoffelijke behoeften, voedsel om het dier in ons te bevredigen, ziedaar het al.quot; Een fraaie deugd, die alleen door de ondeugd verdedigd kan worden! Dat is het, wat onze lichtmissen voortbrengt en op onze wreede straten het slijk brengt van tachtigduizend geblankette vrouwen, wier lonk alleen door gaslicht wordt beschenen. Het lichaam en zijn eischen wordt ook hier tegen de ziel en haar nooden ingebracht; ook hier ligt in de behoefte het recht opgesloten. In welk een duisternis staarde ik op dien zonnigen morgen, hoewel ik u, myn beste Aurora, in de oogen zag. O, nog klinkt my uw stem in de ooren, nog zie ik uw gestalte tegen den stillen blauwen hemel, het witte kleedje, de glanzige lokken, die u als een glorie omgaven terwijl gy, als door een inwendige bezieling aangeblazen, de kleine hand op-hieft en spraakt, „ Grij zult uw plannen tot voeding, tot vermeerdering van stoffelijke welvaart niet verwezenlijken , zonder het individualisme van den dichter, die uw universalistisch streven zijn invloed doet ondergaan. Er wordt een ziel vereischt,

-ocr page 246-

— 232 —

om een lichaam in beweging te brengen; er is een hoog bezielde persoonlijkheid van noode, om de massa\'s zelfs maar naar reiner stal te drijven. Zonder het ideale blaast gij geen haarbreedte het stof van de werkelijkheid af. O, uwe Fouriers hebben gefaald, omdat zy geen dichters genoeg waren om te beseffen, dat het leven zich van binnen uit ontwikkelt.quot; — Ik herhaal uw woorden —• ik zou het nog andere van kunnen doen, want geen enkel uwer woorden wil mij uit het geheugen gaan. Zij zijn als verbena-kruid, waarvan de genr zich uren lang aan ons vasthecht, al strekken wij onze wandeling, over winderige heuvels, ook nog zoo ver uit. Maar deze uwe woorden gaven een scherper geur van zich. Zij kwelden mij in mijn droomen; over elk mijner handelingen spraken zy telkens en telkens weer hun doemvonnis uit. Dat ik faalde is onloochenbaar. Stal of geen stal, de kudde zwijnen naar den afgrond te drijven ging gemakkelijk genoeg. Ik maakte plannen en bestekken, ik bouwde mijn kaartenhuis al hooger en hooger, totdat, bij den eersten krachtigen ademtocht, alles weer met den grond gelijk viel. Het leven is zulk een noodlottige macht, waar men maatschappelijk kwaad zoekt te bestryden. Zoo faalde ik niet eens, maar herhaaldelijk, terwijl ik door de scheuren van mijn onverzettelijk pogen heen, voortdurend die woorden van u hoorde: „Gy zuU uw armzalige plannen niet verioezenlvken, niet gij!\'\'\'\' Zij klonken al harder en harder, telkens minder aan uwe stem gelijk — eindelijk overschreeuwden zij mij als een minachtenden triomfkreet, en dat prikkelde mij tot toornigen wederstand, \'t Was niet langer verblindheid — dat weet ik — maar schuldig verzet. Met de koppigheid van den man, zette ik mijn daad door en streed ik tegen mijn twijfel — want ik twyfelde ten laatste — totdat eindelijk mijn schepping wankelde en met één slag in elkander zonk. Het scherm viel, mijn rol was gespeeld, het voetlicht werd uitgedoofd, de vertooning was ten einde. Daar stond ik, verlaten, in het duister, door mijn eigen ziel uitgefloten. En daar sta ik thans en leg myn needrige bekentenis af: ik heb gedwaald, ik heb jammerlijk gefaald,

-ocr page 247-

— 233 —

ik heb mijn levensdoel laten glippen; aan mij de nederlaag, Aurora , aan u de overwinning.quot;

„Blijf,quot; riep ik, „ik heb op mijn beurt aan u iets te zeggen : — ik heb evenzeer gefaald.quot;

„Grij,quot; sprak hij, „gij zijt groot. Der grootheid voegt een trek van stille droefheid wel. \'t Is als de schaduw, die de helmpluim op het aangezicht van den overwinnaar doet wuiven.quot;

Ik viel hem met gestrengheid in de rede: „Gij hebt mijn boek, maar niet mijn hart gelezen, want gij weet, dat is in een sanskriet geschreven, waar gij niet in thuis zijt. Ik heb ontegenzeggelijk gefaald, als falen beteekent, droef en moedeloos terug te zien op een arbeid, vol hoop en vreugde ondernomen; afgemat langs de bergtoppen der Poëzie te dwalen ■— ziet ge, Ilomney, ik kan de woorden van een vriend onthouden, even goed als gij — hunkerend naar het eerste het beste smalle, effen paadje op den beganen grond en met een bitter hart gedenkend . . . wel, dit doet niets ter zake. Ik zeg dit alleen maar, Eomney, om u te weerhouden van nog meer te zeggen, en u te doen gevoelen, dat ik waarlijk niet hoog genoeg sta, om u aan mijn voeten te kunnen dulden , noch veilig genoeg ben, om u de helpende hand te kunnen bieden. Op dien Junidag thans zoo diep in den krater des tijds neergezonken, dat wij hem voor het oog dier vermanende sterren niet levend, niet met ongeschonden wortel uit het aardvuur kunnen opdelven, op dien armen , verloren zomerdag hebt gij woorden gesproken even waar, als die van mij, welke gij het onthouden hebt waard geacht. Ik weet thans maar al te goed, dat, jong en onervaren meisje als ik was, wat meer zachtheid en bescheidenheid, wat minder aanmatiging mij niet \\ot oneer zouden hebben gestrekt. Gij begrij pt wat ik bedoel, niet waar? Ik meen alleen, dat ik, thans juister, dat is minder hoog van mij zelve denk, dan toen ik een krans om myn haren wond, en my verbeeldde... ja lach maar, Eomney, ik zal thans van harte met u lachen — in de jaren, die op dien geboortedag zijn gevolgd, heb ik, helaas, elke gelegenheid om my vroolijk over iets te kunnen maken wel op prijs leeren stellen. Waart gij het, die zeidet, dat

-ocr page 248-

— 234 —

ik niet was veranderd, altijd dezelfde Aurora Ibleef? Wel, dat is ook om te lachen. Ulysses\' hond herkende hem en kwispelstaartte en stierf, maar als ik, ook ik vóór mijn Troye een hond had gehad en ge hem thans hier bracht... ik verzeker u, hij zou mij aankijken en lustig tegen mij blaffen en welgedaan voortleven, zooals schepselen doen, die niets van de onrust eener jarenlange liefde weten. Ik ben zoo veranderd — een hond zou mij niet herkennen en een vriend nog veel minder. .. \'t is de kleur van het haar, die u misleidt ; \'t is de klank van de stem, die u aan Aurora Leigh doet denken.quot;

„Zoete klank van de stem! ik zou een hond willen zijn om haar te herkennen en op het hooren van die muziek te sterven! O, beste Aurora, zijt ge zoo droevig gestemd? Gij kondt schier niet droeviger zijn, als ge mijne vrouw waart geworden.quot;

„Uwe vrouw! O, ik moet wel veranderd wezen, als ik. Aurora, iets zoo lichtzinnigs kan hebben gezegd, dat het aan de ridderlijke sporen van een edelman als Eomney Leigh blijft haken en hem wegrukt van zijn hoog gevoel voor wat betaamt!quot; . ..

„Gry verstaat mij verkeerd. Aurora, ten eenemale verkeerd!quot; was zijn antwoord.

„Daar ben ik blij om,quot; hernam ik, „maar wacht u dan op uwe beurt, om mij verkeerd te verstaan. Zóó diep voel ik my niet vernederd, zóó droevig gestemd ben ik niet. Indien ik niet blijmoedig ben, wel, een tiental verjaardagen, op een vrouwenhoofd gelegd, is voldoende, om de joligheid van het meisje te doen versteenen, al was zij ock nog zoo vroolyk. Ik ben uitteraard wijzer en dat wil dan tevens zeggen droeviger geworden. Over het geheel, Romney, had ik gelijk op dien Junimorgen. Grij kunt de menscheu niet in uw macht krijgen, tenzij ge hun zielen bemachtigt; neen, zelfs den uitgehongerden schooier niet. De dichter nu gaat meer rechtstreeks op de ziel af dan „een van uwe economisten. Daarom moet ge het werk van den dichter niet voorbijzien, waar gij de nooden der maatschappij zoekt te lenigen. De ziel is de weg. Christus zelfs kan den mensch

-ocr page 249-

— 235 —

niet verlossen, tenzij Hij \'s mensclien ziel bemacLtigt. Daarom is hij in liet vleesoli gekomen, is liij als een verstandig jager, met een fakkel, op de knieën in een hol gekropen, om in die enge ruimte het roofdier te bedwingen, de ziel te overmeesteren en zoo den geheelen mensoh, lichaam en ziel in bezit te nemen. In zooverre had ik gelyk —verder niet. Wij hadden beiden ongelijk op dien zonnigen morgen, wij vergisten ons beiden, zooals een snerpende ooste-wind zich zou hebben vergist. Ik, die van de kunst sprak, gy , die leedt om aller menschen leed. Wij dachten te weinig aan Grods invloed bij dit alles. Wat wij zijn, beteekent meer dan wat wij eten, en het leven, dit stemt gij my toe, ontwikkelt zich van binnen uit. Maar de diepste grond van het binnenste, het innerlijkste van ons innerlijke is het eigendom Gods. Daar zetelt het goddelijke, dat het menschelijke herscheppen moet, of het vurigst gezang van den rijkstbe-gaafden dichter raakt slechts de oppervlakte van den mensch, even als de beker, waaraan hy de lippen zet. En dan — maar van het overige kan ik niet spreken. Misschien twyfel ik er thans meer aan dan gy op dien morgen deedt, of ik het teeken van den waarachtigen dichter wel aan het voorhoofd heb gedragen. Deed ik het, dan zou het voor mijn ge voel, dunkt mij, meer op een krans, ja zelfs op dien dwazen groenen gelijken. Helaas, ik geloof — en het meest als ik in het volle daglicht sta — dat ik volkomen heb gefaald. Maar wat doet dit ter zake, Romney? Al falen wij — gy, ik... en nog zoo veel andere, zwakke arbeiders daarenboven... Hij faalt nooit. Kan hij zijn doel niet door ons, dan zal hy het over ons heen bereiken. Voor zijn werk heeft Hy geen man en nog veel minder een vrouw van noode. Bij elke flonkering van gindsche ster wordt een ziel geboren, die op hare beurt zal arbeiden. Dit brenge de onze tot rust. Wij moesten er ons over schamen, dat wij onder dien sterrenhemel durven nederzitten, vol ergernis dat wy niets zyn.

„Konden wij maar voor altyd zoo zitten, liefste, ik zou myn falen nog beter dan slagen achten. En toch is uw boek toegevender voor mij geweest, dan gij immer zult zyn. Uw boek heeft mij dien helderen Junidag geheel hergeven, mij

-ocr page 250-

— 236 —

doen dwalen door de lanen, mijn oog doen rusten op den krans — wat bloosdet gij. .. o vergeef my, trek u niet terug—^ik zeg alleen maar, dat ik uw boek dank weet voor wat het mij leerde en vergunde bovendien. Dicliteresse, gij moogt twijfelen aan u zelve, maar twijfel voortaan nooit meer, dat gij dichter zijt voor mij. Grij hebt zangen geschreven, lieve, die mij in stilte in beroering brachten, zooals in Maart het sap in de twijgen in beweging komt, al schijnen deze levenloos als een steen. Maar dit laatste boek van u was me als zachte, milde regen, des nachts neergevallen, die de zwellende schors op eens in duizende knoppen doet uitbotten en luide de lente verkondigen doet. In al uw andere boeken zag ik slechts u, zooals een man de maan in een vijver kan zien schynen, zonder haar daarom een stap nader te ziju, of door dien aanblik iets te winnen — tenzy een graf in de diepte. Daarom wendde ik mij af van de zijde, waar mijn hart mij heentrok; wat had i\'A, dacht ik, met haar te maken? Aurora met Romney? Maar in dit laatste boek toondet gij mij iets buiten, iets boven u zelve aan en ik liet het op my inwerken en mij er door omhoog heffen. Grij hebt mij waarheden doen aanschouwen , o vriendin van dien Junidag, die mij thans, nu Juni voorbij is, het nachtelijk duister verlichten; waarheden die uw eigendom niet zijn, maar die door u binnen mijn bereik werden gebracht, mij het best door uw stem, uw lied verstaanbaar konden worden gemaakt. Ik heb gedwaald, dat is zeker, zooals vele denkers dezer eeuw, ja zooals vele christenleeraars, die half in den hemel leven, in gelijken zin dwalen; ik heb onze natuurlijke wereld te veel als iets op zichzelf staande beschouwd, alsof geen geestelijke wereld haar wederhelft mocht heeten, alsof zij niet door deze werd aangevuld en verklaard, niet tot een rechtvaardig, volmaakt geheel afgerond. Lyn by lyn, vorm bij vorm, niets enkelvoud, niets alleen; het groote omlaag door het groote omhoog vastgegrepen, de schaduw hier substantie ginds, het lichaam de ziel bewijzend, zooals het gevolg de oorzaak bewijst. —Wy intusschen, wij klemmen ons aan het natuurlijke vast zoo koppig, als honden aan een been; al slaan rede en natuur ons

-ocr page 251-

— 237 —

in het aangezicht, wij laten ons eer de tanden breken, dan onzen prooi te laten gaan. Allerwege zit het materialisme ten troon — wij eten klei als de volksstammen in het Westen, in plaats van ons met Adam\'s koren en Noach\'s wyn te voeden; klei bij handenvol, klei, niets dan klei, tot wij er tot berstens toe mee gevuld zyn en den valen kleur dragen van den grond, dien wij tot ons voeder verkozen. Ja, materialiste is de naam dezer eeuw. God zelf is voor sommigen niets dan de slotsom van de materie, die Hij schiep, uitgedrukt in een algebraïsche formule, die Grod wordt genoemd, — anders gezegd — zij trekken de natuur op bij een nul, die zij Grod noemen, en halen dan een streep door het quotient. Daar zijn er zelfs, wier namen in de christelijke kerk met eere worden genoemd, die nog altijd op slyk teren en er de altaren mee bespatten. Men zou zeggen, dat de klei, waarmee Christus eens hun oogleden heeft bestreken , toen zij, nog blinden, door hem tot het gebruik van het gezichtsorgaan werden geroepen, nog altijd daar is blijven kleven, om hun het zien te bemoeilijken. Hoe dicht ook bij den hemel, toch zien zij rookwolken, die uit grove aarden vaten stijgen , voor heilige mysteriën aan, en zouden, als hun tijd zal zijn gekomen, den hemel willen binnengaan met een gansch ander lichaam dan hun door den Apostel Paulus is toegezegd. — Stroo en kaf, ziedaar heel den oogst. Wat blijft er op die wijze van de opstanding over!quot;

„Zoo is het,quot; sprak ik met een zucht en daarop vervolgde liij met een droeven blik: „Aldus aanvangende, aldus slijk drukkende in de openingen van dien grooten sleutel, de na-tuurlijke wereld, en daardoor vruchteloos pogende het slot der geestelyke wereld te doen oiiengaan, voelen wij ons in het worstelperk van het leven, midden onder het brullend gedierte met al onze wroeging en angst opgesloten. Daar staan wij, als heilige martelaren tegenover leeuwen, wij, die geen heiligen zijn en geen godskracht in onzen blik hebben, om onze aanvallers te doen afdeinzen. Hoe zouden wy, aldus in een beperkte ruimte opéén gehoopt, onpartijdig over het geheel kunnen oordeelen, juist in onze gevolgtrekkingen zijn? Is de volzin te begrijpen, waarvan alleen het bijwoord wordt

-ocr page 252-

— 238 —

gehoord, werk- en voornaamwoord achterwege blijven? En toch... zoo gaat het ons. Verbijsterd door het levensrumoer, vangen wij Grods by woord op en slingeren het hem voor de voeten met de kreet: Dat is onzin, daar schuilt gedachte noch beteekenis in. Allerwege ontglippen hem de teugels van het bestuur, tenzij een andere Christus (zeg Eomney Leigh) versclüjne en slove en drave en de wereld ten onderste boven keere. De eerste door Zijn hand geschapen is immers onvoldoende gebleken, hoe uitbundig wij haar ook roemen, hoe eerbiedig wy \'s Makers naam ook op de lippen nemen. — En zoo sluit ten laatste onze lofzang met een Grodslastering en eindigen wij met te wanhopen op die aarde, waarvoor Christus het leven liet.quot;

„Zoo hebt ge thans meer hoop op de menschheid?quot; was mijn vraag.

„Ik hoopquot;, gaf hy ten antwoord. „Ik heb eindelijk leereu gelooven, dat Grod, zooals ge zegt, zyn werk zal weten te voltooien en wij ons niet behoeven te verontrusten, al falen ook de kwakzalversmiddelen van Eomney Leigh en zijns gelijken;— de recepten, die hy geeft, om de hoogten te sparen door de diepten te vullen, om in feestgewaad te worstelen en heldendaden te verrichten zonder een schram te beloopen. Wij falen — welnu\'? Aurora, indien het mij al dien morgen een glimlach ontlokte, dat gy op uw liefelyken levensmorgen u vol overmoed met den dichterkrans tooidet, die eerst den middag des levens voegt, (liefste nicht, de muur moet verweerd zyn, alvorens het klimop er zich hechten wil,) — wel, ik had meer reden mij zeiven te belachen, ik die daar vol eigenwaan, vol noodlottige aanmatiging mij bevoegd achtte te treuren om aller menschen leed; my voor al het onrecht op aarde in de bres meende te moeten stellen. Geen wonder, dat men leert wanhopen, wanneer men zich zóó onontbeerlijk acht. Ik heb gefaald; ik laat het redmiddel aan God over en zit, ja, hier aan uw zyde neer met goede hoop.quot;

„Toch moeten wij zorg dragen,quot; was mijn antwoord, „dat wy niet te veel naar de andere zijde overhellen en zoo ten tweedemale falen. Geen ernstige taak, in een oprechten geest

-ocr page 253-

— 239 —

ondernomen, hoe zwak, onvolkomen, ongeschikt ook ten uitvoer gebraclit, mag gelieel vruchteloos worden genoemd. Ook zij draagt een zandkorrel bij tot de som van alle daden door mensohen verricht, om Gods bedoelingen te verwezenlijken. Geen sterveling arbeidt zoo slecht, dat hij daarom van arbeiden zou worden ontslagen. Werken is de roeping van den eerlijken, ernstigen man, en ja van de vrouw evenzeer — anders daalt zij in waarde beneden den man en maakt zichzelve tot zijn lijfeigene. De vrijgeboren mensch moet werken als een vrije. Wie God vreest, durft niet lui en gemakkelijk daarheen leven.\'quot;

„Dat is waarquot; riep hij uit. „Na Adam was werken vloek; de natuurlijke mensch wordt door het zweet van den arbeid verlaagd. Maar na Christus werd werken voorrecht. Eén niet ons, menschen, geworden, roept van die ure af aan de zes-daagsche Arbeider ons door zijn bezielenden geest tot vrij deelgenootschap aan zijn verheven taak. Dat alleen kan ons waarlijk gelukkig maken. De hemel — ik ben er zeker van — zal niets zijn dan arbeiden tot zekerder uitkomst dan hier. Ja, werken moeten wij, maar niet langer, zooals Adam—, of zooals Leigh heeft gedaan — ons inbeeldende de eenige mensch op aarde te zijn, die verantwoordelijk is voor al de doornen en distelen, welke hier groeien, voor al de tijgers, die hun prooi beloeren; wanhopig worstelend tegen ziekte en koude, tegen honger en gebrek; altijd morrend, omdat de aarde geen paradijs mag heeten. Aurora, laten wij tevreden zijn met te doen wat wij kunnen en niet bitter worden, omdat wij zoo weinig vermogen. Zeven man, zegt men, zijn noodig om één speld te maken; wie de kop maakt, bekommert zich over de punt niet; wie de punt maakt laat de verbinding aan anderen over. Wie nu een speld verlangt en daarom meent haar zelf van kop tot punt te moeten gaan maken, is een dwaas en al zijn wijsheid de speld niet waard, die hy noodig heeft. Zeven man voor ééne speld en geen enkele man te veel! Zeven geslachten misschien, om deze wereld één haarbreedte meer in evenwicht te brengen en hare reten en scheuren een weinig te voegen. Onzin, on-vergeeflijke dwaasheid al dat uitvaren en roepen; Deze

-ocr page 254-

— 240 —

wereld is ondragelijk; ik wil dit brood niet eten, dezen wijn niet drinken, deze vrouw niet beminnen, mijn ziel niet onvoorwaardelijk aan hare voeten leggen, zooals de ware minnaar doet; ik wil de gaven niet aanvaarden, die het geluk zoo mild mij biedt; ik wil niet erkennen, dat vreugde tot deugd prikkelt, zooals bij de aanraking van een vrouwenhand der mannen wang zich kleurt; zooals God — wie weet — op een dankgebed rekent van elk hart dat Hij verblijdt. Onzin, dwaasheid een leven te eischen, dat de grenzen van den individueelen mensch te buiten gaat; alle stille heiligdommen der ziel te sloopen en er niets dan pakhuizen en magazijnen voor in de plaats stellen; Gods schepselen en zich zeiven verloren te achten, als men op andere wijze te werk mocht gaan; te denken: „hier heb ik een plan op mijn nageLuitgewerkt; daar zal ik de wereld van den grond af naar hervormen en alzoo deze moeilijke sociale vraagstukken tot oplossing brengen.quot; Deze onoplosbare vraagstukken, mocht men wel zeggen, wijl zy diep in het wezen van het kwade wortelen en dit door God wordt geduld, omdat hij niet weten zou, hoe het kwade te vernietigen, zonder de vrijheid van den wil verloren te doen gaan. Maar wat moeilijk is voor God, is Eomney Leigh niet te machtig! Wat ook in den Tabernakel ontbreke, hij heeft een nieuw wereldplan bedacht en niet al te nauwkeurig in het onderscheiden van wat grondstof en bijvoegsel is, trekt hij haastig de eene lijn na de andere en schetst u een wereld zonder iemands hulp, tenzy dat gij zijn juk op de schouders neemt en van hem leeren wilt, al wat hij te onderwijzen heeft. Zulk een prachtstuk van een wereld! Dezelfde, waar geheel de schepping naar smacht! Geen armen, geen rijken, geen winst, verlies of gebrek! Geen linzenschotel bij machte eens broeders eerstgeboorterecht te winnen, geen eerstgeboorterecht in staat een schotel linzen te rooven; beiden aan een ieder persoonlek verzekerd en volmaakte deugd nog daarenboven, gelijk al het overige, met de porties soep van zessen gratis uitgedeeld aan allen, die er niet van gediend willen zijn.quot;

„Zacht wat, Romney,quot; viel ik hem in de rede. „Eens had ik een neef, dien ik hoog vereerde. Zocht hij te veel

-ocr page 255-

— 241 —

te omvatten, liet was niet om voor zich zeiven naar een «eretitel te grijpen; \'twas om aan anderen hulp te kunnen bieden. Het gebaar was heroïsch. Mocht zijn hand al niets wrochten. .. (wat geenszins bewezen is) toch zal, ik ben er zeker van, die ledige hand, machteloos uitgestrekt, eer door Hem in den hemel worden gegrepen, dan menige palm, die een ganschen oogst heeft gemaaid, maar den gloeienden indruk van de zeis voor altijd meedraagt. Daarom bid ik u, om mijnentwille, spreek op minder bitteren toon, wanneer gij van mijn neef gewaagt.quot;

„Aurora,quot; sprak hy, „als de profeet den ezel slaat, komt de engel tusschenbeide.quot; Hij schudde het hoofd. „En toch. . . het zóó goed te meenen en zóó schandelik te falen, dat doet onder de dieren de mensch alleen. De tegenstelling is een menschelijke. Luister, lieve: er wordtin deze arme wereld veel te veel abstract gedacht en gewild. Wij spreken bij hoeveelheden, wij denken by systemen en gewoon onze noo-den in de statistiek te zien uitgedrukt, zijn wij geneigd er hersenschimmige geneesmiddelen tegenover te stellen, die wij in der haast aan de andere zijde van de lei opschrijven.quot;

„Dat is waar,quot; viel ik in, door een schertsend woord zyu bittere gedachten zoekende af te leiden. „Ja, wij generaliseeren genoeg, om het zelfs u naar den zin te maken. Bidden wij al, dan bidden wy niet langer om ons dagelijksoh brood, maar om den oogst van een volgend jaarhonderd. Greven wij, dan reiken wy ons glas water niet aan, alvorens een waterleiding-maatschappij te hebben opgericht en de buizen in den grond te hebben gelegd. Ezel of engel, \'t is by allen hetzelfde. Geen vrouw kan haar plicht doen; dat wil zeggen , kan in het leven, in de kunst, in de wetenschap het beste voortbrengen, waartoe zy by machte is en dan rustig neerzitten om haar werk voor haar te laten getuigen. Neen, zij moet bewijzen, wat zy vermag, alvorens het te volbrengen; over vrouwenrechten, vrouwenroeping, vrouwentaak zwetsen , totdat eindelijk de mannen, die van hun kant niet minder zwetsen, wrevelig uitroepen: „De roeping van de vrouw is klaarblijkelyk — praten.quot; Arme zielen, geen wonder, dat zij ontstemd zijn: een ander te hooren praten is onuitstaanbaar.quot;

16

-ocr page 256-

— 242 —

„En gij, een artiste, oordeelt aldus?quot;

„Ik een artiste, ja —juist omdat ik artiste en — vrouw ben. Ware er een andere vrouw hier, ik zou haar toefluisteren: „Stil zuster! geen woord! Door te spreken bewijzen wij alleen, dat wij spreken kunnen en daaraan heeft die man «laar nooit getwijfeld. Waar hij aan twijfelt, is of wij doen. kunnen, behoorlijk en geschikt doen kunnen, wat wij tot heden niet deden. Welnu, doe het; breng het beeld, dat ge boetseerdet — er is ruimte genoeg! Hij zal het zien — zelfs bij dit starrelicht zien, en zoo het ook maar in het minst den god gelijke, die door de schemering der eeuwen heen, langs het spoor van zijn eigen lichtenden pijl, zwijgend uit het marmer blikt, dan is al uw spreken overbodig. Het heelal zal voortaan het woord voor u nemen en verklaren : „Zij, die dit kunstwerk schiep, is geschapen om het voort te brengen ; haar recht ligt in haar werk besloten.quot; Met ander werk gaat het evenzoo. Wie van ziekte geneest, hoewel tweemaal een vrouw, mag arts worden genoemd; wie \'s rijks flnantiën regelt, mag kopergeld hanteren, hoe lelieblank hare handen ook zijn. Maar wij — wij pratenquot;.. .

„Het is de geest der eeuw,quot; hernam hy , „wij pochen maar handelen niet. Wij hangen een uithangbord aan elke herberg, waarin wij een enkelen dag vertoeven, eene of andere kolossus van een roode koe, wier reusachtige uiers door geen cyclopen vingers zouden kunnen worden gemolken. En waarmee komen wij daarna aandragen? Een lepelvol geronnen melk misschien. Wij moeten meer in stilte werken; beter de grenzen leeren kennen, waarbinnen wy arbeiden; léeren verstaan dat elk mensch persoonlijk een Adam voor de menschheid is, zijn eigen individueel bestaan in eere moet honden, wil zijn streven om de wereld ter. hulpe te komen niet ij del zijn. Want die wereld moet zich uit den enkele ontwikkelen, wil zi; in de velen verbeterd worden. Wij, die haar nieuw, als een park willen aanleggen, wij nemen een taak op ons, die \'s menschen macht te boven gaat. God alleen is hoog genoeg gezeten om zóó breed van blik, zóó grootsch in zy n ontwerpen te zijn. Niemand onzer, ook Eomney Leigh niet, is dwaas genoeg te zeggen : „wij willen een eikenboschje langs

-ocr page 257-

— 243 —

gindsche glooiing hebben en zullen de eikels daartoe benoo-digd verloren laten gaan. Geen ware, wettige regeering wordt een vreemde hand opgedrongen, noch gekozen uit een boek met voorbeelden, door den eersten den besten ideoloog te zamengesteld, wien het om het even is of hij tot het Keizerry k of tot de Eepubliek besluit. Een echte regeering is niets dan de uitdrukking van een natie — zij moge dan goed of minder goed zijn. Zoo is ook de maatschappij, hoe onrechtvaardig, monsterachtig, waanzinnig en vloekwaardig zij wezen moge, niets dan de uitdrukking van aller menschen individueele leven, de sprekende som der zwijgende eenheden. Beweren wij de uitkomst te kunnen veranderen, tenvyl wij elk afzonderlijk cijfer laten blijven, zooals het is? Geen sterveling (thans zelfs Eomney niet) wien zulk een sofisme misleiden kan.quot;

„Gij zijt droevig gestemd, neef. Is uw sociale arbeid te Leigh Hall en elders dan op niets uitgeloopen ?quot;

„Hij was nietsquot;, sprak hij op zachten toon. „Ja, er is plaats voor standbeelden in deze wijde wereld Gods, maar niet voor een ledige ruimte. Daarom ben ik niet droevig — niet droeviger althans dan goed is voor wat ik ben. Mijn dwaze phalansterie heeft zich zelve ontbonden. Myn losbandige mannen en vrouwen, die ik ordelijk wilde leeren wonen en eten en slapen, rukten de wassen maskers, die ik hun voorbond, van hun natuurlyk gelaat, waarop de woede te lezen stond. Zij vloekten mij, om den dwang, dien ik hun aandeed ; omdat ik kromme schepsels tot een rechten stand wilde dwingen; zij hitsten de dorpshonden op my aan en deze gromden kwaadaardig en beten naar mij, omdat ik, o gruweldaad, goed zocht te doen, buiten de kerk en zelfs buiten de landheeren om. Herinnert gij u uwe oude buren. Aurora? De groote leeskring vloeit over van brochures, pamfletten, tractaatjes tegen socialistische onruststokers, die den hechten band tusschen milde rijken en dankbare armen zoeken te verbreken. De dominé preekte uit de Openbaring, tot de dokter er van wakker werd, drie zondagen achtereen. Hij jammerde met tranen in de oogen (de man wordt oud) dat iemand met zulk een prachtige bezitting en nog wel tot het kersspel behoorende, zoo diep zinken kon. Hij liet zijn preeken

-ocr page 258-

— 244 —

drukken „op algemeen verlangenen als uw boek verkocht zal worden als het zijne, dan zijn uwe verzen minder goed dan ik geloof. De dames uit den omtrek teekenden er op in en zonden mij een exemplaar, gebonden in roode zijde, met op de gedreven hoeken het wapenschild der Leighs. Ik moet zeggen, dat trof mij.quot;

„Wat, die mooie gezichtjes? Arme Romney!quot;

„Voor het overige was de uitwerking gering. Tweemaal werden mijn ruiten ingeworpen door vrijzinnige boeren, die zulk een verstoorder van arcadische rust niet dulden konden. Wat had hij hun te zeggen, dat hun vrouwen hun eigendom niet waren, dat zij ze niet mochten trappen en schoppen naar Brittenaard? Wat had hij spaken in het wiel te steken, als alles, rustig als een zuigeling, die een slaapdrankje kreeg, den weg naar vrijheid en verhongering opging? Wat had hij zijn verfoeilijke londensche boeven en hoeren hierheen te brengen, om de lieftallige landelijke ditos met verbeterde zeden, zegge met een fraaie nieuwe levenswijze, te ergeren en te beleedigen? Mijn vensters moesten het ontgelden. Eens werd er op mij geschoten door een wakkeren stroo-per, die even te voren, iiit den anderen loop van zijn geweer, op een haas had gemikt — hij was het ongestoord strikken van wild op mijn akkers moede en vol bezorgdheid voor de landelijke deugd; —■ hij trof mij echter niet. Herhaaldelijk werd ik met steenen geworpen, als ik door het dorp reed. „Daar gaat hij, die onzen christelijken adel verjagen wil en ons met vergiftigde kaas weerloos in de val zoekt te lokken, in die vervloekte gevangenis, in Leigh Hall met al zijn geboefte zoekt op te sluiten. Greef het een anderen naam, zeg Leigh Hel en steek er den brand in!quot; En zoo deden zij ten laatste. Aurora.quot;

„Deden zij?...quot;

„Hebt gij het niet gehoord, nicht? Heeft Vincent dan niet alles geschreven?quot;

„Deden zij? Hebben zij Leigh Hall verbrand?quot;

„Doet het u leed. Aurora? Ja, en zij hebben het goed gedaan ook. Geen half werk ditmaal, dat verzeker ik u. \'t Is waar, \'t valt lichter een huis te verbranden dan een

-ocr page 259-

— 245 —

systeem op te bouwen. Ofschoon ook dat niet moeilijk is —-in den droom. Boeken, scliilderijen—-ja de schilderijen ook. Meent ge dat uw geliefde van Dycken hen terug hielden, dat zij ontzag hadden voor onze trotsche voorvaderlijke Leighs met hun puntbaarden, met haar boezems, wit als schuimvlokken door een verzwonden golf op de rots achtergelaten? Hoe kalm en fier gingen zij in de vlammen op! ïhans zullen zij nimmer meer het gebeente in ons familiegraf hun leelijke doodsvormen verwijten. Geen hunner werd gespaard, uitgenomen Lady Maud, die u den morgen , dat gij het levenslicht zaagt, dien onmiskenbaar erfelijken familietrek om mond en kin tot pillegift schonk, opdat ge hem, haar ter eere, levenslang dragen mocht. Ik redde haar ter wille dier goedgunstige daad — al de overigen verbrandden. — Doet het u waarlijk leed, Aurora? Wel, ik voor mij — toen ik al mij n phalansteriers veilig naar buiten had gebracht (arme schepsels, men zegt, dat zij de brandstichters hielpen en zeker is het, dat sommigen van hen in de handen klapten en gilden en juichten) voelde ik minder diep wat verloren was gegaan, dan toen ik op zekeren dag een brief zag vernietigen. En toch ... die grootsche huizing in laaien gloed te zien, al die eikenhouten vloeren, door onze voorvaders zoo fraai met riet belegd, voordat onze moeders ze met haar sleepen polijstten, die gebeeldhouwde wanden, die paneelen. dat welbekende poortje, waardoor zoo menig martelaar of schurk den weg naar een graf in de diepte vond, die gangen vol echo\'s, meer dan een kwart mijl lang, dat doolhof van trappen, op wier gladde duisternis men naar boven, naar beneden, in het rond en nogmaals in het rond werd gevoerd — dat alles u uit een vuurzee te zien tegenflikkeren, de vlammen uit alle vensters te zien kronkelen, alsof het duivels waren, in gloeiende slangen verkeerd, die sarrend sisten: „Ziet ge, Eomney, wij redden hier op onze wijs het volk uit uwe reddende hand en maken een fraaie vertooning bovendien; dat is immers ook het beste, wat gij ooit hebt gewrochtquot; — dit alles te zien — ik kon het niet helpen, het deed mij bijna op mijne beurt in de handen klappen. Het „vale et plaudequot; drong zich onweerstaanbaar aan mij

-ocr page 260-

— 246 —

op, toen het dak instortte en het vuur, een oogwenk door de neervallende pannen bedwelmd en bedwongen, op eens weer loeiend losbrak, nog eenmaal het huis met reuzenarmen omvatte en daarop, nadat dit in een dwarrelwind van opstijgende vlammen verdwenen was, statig en rechtstandig naar den hooge rees, zijn vuurvlokken het hemelgewelf toezendend, dat verbleekte en als terugweek voor dien gloed.quot;

„Arme Eomney!quot;

„Soms hoor ik nog in den droom de stilte, die toen volgde. Want plotseling en vijf tellen lang verving een ademloos zwijgen het gillen en tieren der razende menigte. Het was zóó stil, dat men een jongen vogel, zich te driftig naar het licht rekkend, uit een kraaiennest in de nabijheid hoorde vallen. De oude kraaien waren reeds te ver, om het gekras Ie kunnen hooren, waarmee zij henen vlogen. Toch zag men nog enkelen van hen de vleugels reppen, dorre najaarsbladeren gelyk, die als donkere vlekjes in de lucht dwarrelen. Zij vloden allen, van hun bezitting beroofd, gelijk het Huis Leigh.quot;

„Beste Eomney!quot;

„Het zou ontegenzeggelijk een prachtig gezicht zyn geweest voor een dichteres als gij, lieve; het zou u tot een gloeiend lied hebben ontvonkt. Zelfs ik voelde iets voor die eerwaardige boomen, die daar als Druïdengoden in stomme ontzetting aan den rand van den puinhoop stonden, waarin, als in een zwartgebrande pijp, het groote vuur was ineengezonken, nu en dan nog door de eeuwen vergrauwde spaanders omhoog werpend, die thans, als zwijgende getuigen van den val van het huis, in het rond liggen vespreid.quot;

„Helaas!quot;

„Vijf tellen lang voelde ik een weinig, dat ik een Leigh was, maar toen was liet voorbij. Een kind schreeuwde en ik had te bedenken, wat ik daar in het donker met al die van dak beroofde schepsels had aan te vangen. Ook vroeg ik mijzelven af, waar zij den volgenden keer zouden dansen, zy, die de vedel hadden verbrand.quot;

Dacht gij daaraan? Wie zijn vedel verbrandt, danst, dit weet ik, bij geen cymbalen meer, Eomney.quot;

-ocr page 261-

— 247 —

„O zachte, droeve stem,quot; riep hy uit. „Stem, die mg de ziel ontroert. De zon zwijgt, maar Aurora spreekt.quot;

„Helaas,quot; zeide ik, „ik weet niet, wat ik zeg. Ik voel mij , ik ben weer een kind; ik denk er aan — \'t is een dwaze gedachte; gij zult er om lachen — dat ik nooit meer, uit liet raam van myn kleine bovenkamer, die oude schoorsteenen tusschen het geboomte zal zien.quot;

„Nooit meer,quot; was zijn antwoord. „Zoo ge ooit over de groene heuvels uwe schreden naar het huis onzer vaderen richt, zult ge op een wijden verkoolden cirkel stuiten, waar binnen de grond geheel verschroeid is. In het midden daarvan zult ge een steenen trap zien — mijn levenssymbool—zich wentelend en windend naar omboog, maar nergens henen-voerend. \'t Is waard, dat een dichter het zie. Zult ge er heengaan ?quot;

Ik gaf geen antwoord. Hoe had ik durven spreken; ik bad immers het recht niet met dezen man te weenen. Een vrouw stond tusschen zijn ziel en de mijne en scheidde ons van een, met hare onreine, blanke handen. Genoeg; ook wij hadden onze speeltuigen verbrand en zwegen.

Ons zwijgen werd drukkend. Üm vrijer te ademen sprak ik: „Later waart ge ziek, niet waar?quot;

„Zieker nog, ware ik niet meer ziek geweest. Ik hoopte, dat myn futselen aan de levensknoop kort en goed tot een einde zou komen, maar ik faalde in sterven, zooals ik in leven had gefaald. Zoo leerde ik, na alle andere wegen te quot;zijn ingeslagen, eindelijk den weg door God gewezen opgaan. Ootmoed is zoo goed, als hoogmoed onmogelijk is. Zie nicht, zoo maken wy deugden uit onze versleten ondeugden, waarvan zy nu voortaan den bijsmaak behouden. Mag men bijvoorbeeld huwen hier, terwijl men ginds bemint? En toch — omdat een man eenmaal zondigt, blijft de zonde aan hem vastkleven en dwingt hem andermaal tot kwaad; want laat hij dit tweede kwaad na, om zijn eigen ziel te redden, dan bezondigt hij zich jegens anderen en verderft hun ziel met de zijne. En zoo kan het dan plicht worden, te huwen hier, terwijl gij ginds bemint, \'t Is een twijfelachtige bladeren-kroon , die de deugd om \'s menschen slapen vlecht; uw klimop

-ocr page 262-

— 248 —

is beter, lieve. — En toch. .. geen schaduw van twijfel, dat zij mijne vrouw, waarachtig mijn vrouw is, het lam door de wolven schier verscheurd, omdat ik een achtelooze herder was. Moet ik het niet op de schouders nemen en door deze ruwe wildernis dragen, het arme lam, het arme, arme kind? Aurora, geliefde, ik heb uitgesproken, wat ik u zeggen wilde, het overige zal u niet onwelkom zijn, niet vertoornen. Wat ik haar aan bescherming, aan teedere genegenheid te bieden heb, de vrijheid en rust, die ik haar verzekeren kan, zullen haar en het hare in ruime mate geschonken worden. Het zal, dit weet ik, een armzalige vergoeding wezen voor het afschuwelijk onrecht, dat, zonder mij, haar niet zou zijn aangedaan en voor het onherstelbaar verlies van het byzyn cener voortreffelijke vriendin. Want ja, dat bijzijn moet zij derven om mijnentwille. Ik. . . leg uw hand een oogenblik in de mijne, liefste — wij gaan scheiden! — O dierbare, welk een aanraking! \'t is of een windvlaag haar aanstonds weer wegvaagt! wilt ge mij niet één seconde den zachten , ijskouden druk uwer vingeren gunnen? Zijt ge boos op mij, wijl ik u. .. u niet kan laten ademen en spreken en leven, zij aan zij met eene, die mijn vrouw wordt genoemd... wijl te leven mij op die wijs onmogelijk zou zijn? Neen, wees niet wreed — gij moet mij verstaan! Uw zachtste tred op mijn vloer zou mijn wanden doen schudden, mijn drempel is door geen kruis tegen engelen beschut. Voor mij is het nacht voortaan; ik heb de blinden te sluiten; geen Aurora mag komen en mijn duisternis verstoren.quot;

Hij glimlachte zoo flauw, met zijn ledige hand zijdelings langs mij uitgestrekt, alsof hij hulp en steun zocht bij ieder ander dan mij. En terwyl de maan — onze weelderige Itr.-liaansche maan — opeens, in haar vollen luister aan den hemel rees, de starren verstomden en in die gouden glorie als vervloeiden, de bergen kwijnend wegzonken in een goddelijk nevelwaas, scheen hij, de man, die daar zoo bleek, zoo lijdelijk nederzat, mij zoo gelijk aan een marmeren beeld, waarin de kunstenaar zijn eigen smart aan de grootschheid van zijn ideale conceptie huwt, dat ik, als door een slag van zijn hamer van het voetstuk mijner hartstochtelijke ver-

-ocr page 263-

— 249 —

ontwaardiging gestooten, dat ik, die doodsbleek was opgestaan, twijfelend waohtte.. . Was Komney krankzinnig geworden? Had al dit hartzeer hem van het verstand beroofd?

Daarop rustig, hoog, maar toch met een trilling in de stem : „ga neef,quot; sprak ik, „in de dagen van ouds achttet gij tot een vaarwel tussehen een vriendenpaar zulk een woordenpraal niet noodig. Wat mij betreft, al heb ik sedert dien tijd een paar boeken geschreven, toch voel ik mij onbedreven in de mannelijke kunst van phrasenmakerij. Wel, iedere man kan van sneeuw een aantal Amors boetseeren, zooals Buonarrotti in mijn Florence daar heeft gedaan, en kan ze hier of daar in een veilig schaduwrijk hoekje plaatsen — even veilig als uw huwelijk. Nam echter een vrouw er één van tot een gedachtenis en zotte zij het tussehen haar bloemen op haar tafel neer, dan zou het fraaie voorwerp aanstonds aan het smelten gaan, haar zachtsten vingerdruk niet weerstaan. Ik voor mij zal mij wel wachten het broze ding aan te raken, en het misschien te bederven, een half uur voor de zon komt en het doet smelten. — Ik ben gewoon zonder omwegen mijn meening te zeggen; gij hebt naar mijne bedoeling niet te raden; ik weet mijn zijde niet handig met fijne steken in allerlei plooien te leggen — ziet gij, neef, ik ben een vrouw en verval dus natuurlijk in de beeldspraak der vrouw, zooals gij in die van den man. — Zoo wensch ik u dan in allen eenvoud het beste; ik betreur van harte het leed u aangedaan, niet alleen om uwentwille, maar om dien van het menschdom evenzeer. Dit geslacht was altyd ondankbaar; gij vult aan het avondmaal hun beker met zuivren wijn en zij geven u dien in de ure der kruisiging op een spons, in edik en gal gedoopt, terug.quot;

„Ware de mensch minder ondankbaar,quot; sprak hij dof, „dan ware hij minder deerniswaard. Grod zou niet zijn neergedaald om te sterven, als de mensch hem had kunnen danken voor die daad.quot;

„Gelukkig staat het vast,quot; hernam ik, „dat wat de men-schen u ook hebben doen lijden, gij evenmin zinken kunt als het biezenkistje van den last van Mozes bevrijd. Want gij zyt licht, neef, en dat is u goed, dat is mannelijk. Wat

-ocr page 264-

— 250

mij aangaat, luister: — zij hebben Leigh Hall verbrand, maar waren zij volkomen tot duivels, ja meer dan Lucifer geworden, hadden zij, in stee van uw huis, een paar van die sterren, daar straks, vóórdat de maan kwam, aan het flonkeren, vernield en als asch over \'t geschokt heelal uitgestrooid, het zou, indien wij beiden bleven wie wij waren, geen verandering in onze vriendschap kunnen brengen en evenmin n het recht geven woorden te spreken, die veel meer zeggen, dan ge op dit oogenblik gevoelt. — Neen, val my niet iu de rede. Zooals gij zegt — wij gaan scheiden. Meer dan eens hebt ge heden avond met mij, of met u zeiven den spot gedreven, en ik voor mij heb dit te weinig verdiend, om er niet pynlijk door aangedaan te zijn. Maar thans genoeg; wij gaan scheiden — scheiden. Neef Leigh, moge het u wel gaan in handel en wandel, in elke levensbetrekking, het huwelijk niet het minst. Het is mij welkom, zooals ge zegt, te hoeren, dat ge uwe vrouw bescherming, vrijheid, rust en teedere genegenheid hebt te bieden. Leef dermate gelukkig met haar, Romney, dat uwe vrienden haar deswege pryzen. Intusschen zijn eenigen van ons ten eenemale onbekend met het leed, haar door uw toedoen weervaren; met de smart, waarvoor uwe rijke liefde haar vergoeding moet schenken. Maar is het der liefde behoefte hare schuld te voldoen, nog zoeter is het haar vrijelijk hare gaven te geven. Wees mild in het geven, neef Eomney; gij kunt het, ik ben er zeker van. In elk geval zyt ge haar, wat mijn persoon betreft, niet de minste vergoeding schuldig. Zy is niet gewoon my bij een slip van mijn kleed vast te houden; dies hebt ge haar niet te smeeken dit van nu af aan los te laten. Zij is nooit mijn vriendin geweest, en alzoo niet in staat •— ik dacht dat gy dit wist — om uwentwil iets zóó gerings als zulk een waardelooze vriendschap te verliezen. Wees zonder zorg voor haar en u zelven. Ik zal niet komen om uw duister te verstoren, uw middag te verdonkeren, u niet verbitteren, als gy rustig en bly daarheen leeft.. . gij behoeft uwe blinden niet te sluiten, om deze Aurora af te weren — al verbeeldde ik mij, dat uw Noorden Aurora\'s kan maken, die niemand deren, ter nauwernood van den nacht te onderscheiden zijn.

-ocr page 265-

— 251 —

Daarenboven, mijn leeuwerikken vliegen hooger dan sommige vensters. Wel, gij kent uwe Leigli\'s door en door. Ook ik meen, dat het uw wanden zou doen schudden, wanneer eene als ik uw drempel overschreed, en met uitgestrekte hand — een hand nog warm en trillend van de aanraking van eene. .. die wij kennen. .. aldaar Lady Waldemar als meesteresse te gemoet kwam treden en begroette.quot;

„God helpe mij,quot; barstte hij uit, „wat zegt gij daar? gij noemdet een naam. Aurora?quot;

„Vergeef mg Eomney; ik wenschte, dat ik uwe vrouw kon noemen, zonder u te kwetsen.quot;

„Zijn wij krankzinnig?quot; riep hy. „Myne vrouw! De mijne! Lady Waldemar! Ik meende, dat gij mijn vrouw zeidet.quot; Hij sprong overeind en wierp zijn edel hoofd iu de hoogte, als een drenkeling, die tegen een stormachtige zee inzwemt. Daarop stiet hij een lach uit, zoo hopeloos bitter, dat ik sidderend .te zamenkromp.

Bij Grod,quot; zeide hij eindelijk, „ik kwam hier, van schuld overtuigd, diep vernederd in eigen oog, hoewel niet diep genoeg misschien. Ik kwam hier, omdat deze vrouw mij uit haar kristallen ziel een licht had doen opgaan en ook omdat ik voorheen my jegens haar had bezondigd, zooals ik het in mijn aanmatiging voortdurend jegens God heb gedaan; bezondigd, hoewel ik beminde —wie behoef ik niet te zeggen — hét staat te duidelijk in het boek mijner feilen geschreven. — Ik kwam hier om ootmoedig voor haar in het stof te knielen, en om haar vorstelijk hoofd den krans te leggen, dien ik haar eens, in haar heerlyke levenslente, had afgerukt. Maar op nieuw zie ik mijn pogen verydeld, faal in myn zelfvernedering, zooals ik in mijn zelfverheffing heb gefaald. Er is geen plaats voor my aan de voeten ecner vrouw, die zich in mijn karakter, mijn streven, mijn mogelijke daden zoo hopeloos vergist. Hoe, zijtgij de Aurora, die mijn droomen kwaamt bezielen, opdat daarin plaats voor uwe grootheid mocht zijn ? Kunt (jij zoo klein van opvatting wezen? Zooveel minder zijn dan vrouw, doordat gij meer zijt dan een vrouw? Door het ontwikkelen van uw verstand uw natuurlijk instinct verliezen? Want geen gewone, geen

-ocr page 266-

— 252 —

ware vrouw zou geloof slaan aan zulk een monsterachtige leugen, waar liet een man als ik —met al mijn fouten, al mijn fouten — geldt. Eindelijk dan zijn wij gelijk, mijn onvergelijkelijke niclit; gy zijt mijn meerdere niet langer. Afgedaald van uwe hoogte staat ge hier op den effen grond met mij en reik ik u de hand, om u vergiffenis te schenken. Dat is een val voor u, Aurora. Langen tijd geleden verstondt gij my zelden, maar tevoren kon ik u hiervan geen venvyt maken. Gij stondt toen, meende ik, te hoog, om naar beneden te kunnen zien. Maar thans haal ik ruimer adem, thans mag ik vergeven — neen, vrees niet, wy gaan scheiden. Dierste, menschen hebben mijn huis verbrand, mijn bedoelingen gelasterd, maar niet\'een heeft, dit zweer ik, my zoo schromelijk verongelijkt, als deze Aurora, die Lady Waldemar myne vrouw heeft genoemd.quot;

„Dus niet met haar gehuwd?. .. En gij zeidet toch..quot;

„Xog eens? Daar, lees dit...quot; Hij haalde een brief uit.. . „Dit zendt zij u door mij.quot;

Bij het schijnsel der maan, rukte ik, meer dan dat ik las, met hartstochtelyke gejaagdheid, den inhoud uit de regelen die ik voor mij had.

-ocr page 267-

r-TTTTTTTTyTTTTTTTyrTyrTTTTTTTTTTTTTTTTTTT^

NEGENDE HOOFDSTUK.

Ziehier wat zij inhielden. Ik schrijf Lady Waldemars brief woordelijk over.

„Ik heb uw neef Leigh verzocht u deze letteren te overhandigen. Hij heeft mij beloofd dit te doen. Na jaren van liefde — of van wat aldus wordt genoemd, wanneer een vrouw uit den treure dezelfde snaar tegenover een man aanslaat, haar tokkelt totdat ze breekt, is het niet meer dan billijk, dat hij haar deze kleine dienst bewijst en kan zy dit veilig aannemen, ook al mocht zij hem niet langer beminnen. Ik bemin hem niet — noch n, Aurora — maar ik wil u uw hatelijken brief doen berouwen, u op grond van zijne overtuiging (want hem heb ik overtuigd) dwingen uwe leelijke woorden terug te trekken; ik wil, dat gij voor hem zult erkennen, hoe schandelijk gij mg hebt verongelijkt. Zijt gij — een vrouw — zoo slecht van nature, dat gij my zulk een laagheid toedichten kunt? Wij hadden beiden eene moeder, hebben beiden aan haar borst gerust. — En niettemin heb ik u dank te zeggen. Aurora Leigh. Gij hebt mij bewezen, dat er dingen zijn, die ik niet zou willen doen, neen, al gold het mijn leven, al geldt het ook Aem. Er ziju dinjxen, dat weet ik, waarin ik te ver ben gegaan, bijvoorbeeld

-ocr page 268-

— 254 —

toen ik op zekeren morgen den Olymp beklom, om de goden te bezoeken en myn forsclie tred den donder uit zekere wolk te voorschijn riep, waardoor ik my zelve bloot gaf en vernederde. Hoe kon ik ook denken, dat de Muze, die ik verteederen wilde, door mijn hart uit den boezem te rukken, zelve een soort van hart bezat en mijn sterveling beminde? Hij beminde haar ten minste; -— ik heb het hem hooren zeggen, \'t Was myn loon voor mijn trouwe verpleging, veertien dagen lang, hem telkens als de hitte der koorts de vlam naar buiten deed slaan te hooren zeggen: „Zijt gij daar? kom dichter bij , laat mij uw adem voelen.quot; En toen eindelijk de koorts voorbij, de gloed op het vervallen gelaat gedoofd was, zeide hij op een toon, alsof het hem hinderde mij daar te weten, dat het meer dan goed en vriendelijk en vrouwelijk was, (complimenten, die men bijeen rakelt, als men geen. liefde heeft aan te bieden) maar of de schilderij wel in veiligheid was, waarvoor hij zijn leven had gewaagd? Daarop weer half ijlend: „Ik heb haar zoo liefgehad, al kon zy mij niet beminnen.quot; — «Zeg liever,quot; was myn antwoord, „dat. zy u wel bemint.quot; — \'t Was thans mijne beurt, om te raaskallen. Ik zou hem getrouwd hebben, hoe veranderd hij ook was, hoe de wereld ook met myn vergrijsden, verongelukten Cupido den spot mocht hebben gedreven. — „Neen , neen,quot; prevelde hij, „zy heeft mij niet lief; Aurora Leigh doet beter dan minnen. Xeem haar boek. Lady Waldemar, en lees het mij op zachten toon voor; ik zal er uwe vriendschap meer dank voor weten, dan voor menige dienst, die u zwaarder moet vallen.quot; — Zoo las ik uw boek Aurora, een uur lang dien dag; ik las het met nadruk, ik lette op rust en maat, mijn stem beefde noch haperde; kalm las ik voort, kalm legde ik het neer en sprak: „Er is wel eenige verdienste in dat gedicht, maar het is een weggeworpen schat. Dat gaat wel meer zoo met ons, vrouwen, als wij schryven of niet schrijven; wy hebben band noodig, om onze bloemen byeen te houden, anders laten wij ze vallen onder het gaan, en dienen ze alleen om den weg aan te wijzen, dien wy hebben afgelegd. Ik wensch u goeden morgen Mr. Leigh; een andermaal zult gy een andere lezeres moeten

-ocr page 269-

— 255 —

zoeken. Ik kan de vrouw niet uitstaan, die beter doet dan minnen; zij zal niets voortreffelijk doen. Ik geef aan mannelijke dichters de voorkeur. Zij trachten naar minder en bereiken meer.quot; Zoo zegevierde ik over u beiden en liet hem alleen.

„Toen ik hem later ontmoette, had ik uw schandelijkeu brief en mijn eigen hart gelezen. Hij kwam tot mij met herstelde gezondheid; krachtig, maar bleek. Hij kwam met Lord Howe — een hoffelijk vriendenpaar — om te zeggen, wat de man de vrouw durft zeggen, als hij haar schuldenaar is. Maar ik legde hun aanstonds het zwijgen op, hun bewijzende, dat ik nimmer zulk een pad had betreden eu dus zooveel slijk niet aan de voeten kon hebben. Daarop vroeg ik ietwat hoog en minachtend hem en myzelveu vergiffenis, dat ik eens —• lang geleden — niet beter had weten te doen dan beminnen, onverstandig beminnen, zij het ook, dat er geen spoor meer van over was. Ik deelde hem mede — zooals ik u thans mededeel. Miss Leigh — dat ik, wetende dat hij het meisje niet liefhad, my om zijnentwille eenige moeite had getroost, mijn handen had bedorven, door ze in die troebele bron te steken en dat zij teu laatste was heengegaan met een vrouw, die ik vertrouwde, die vyf maanden lang als kamenier in mijn huis was geweest en prachtig kappen kon. Dat ik dit mensch veel geld had meegegeven, omdat zij, naar zy zeide, naar Australië wilde gaan, waar zij een man in leven had. Loog het schepsel, mislukte de toeleg — wel, meer of minder is ons aller leven leugen en mislukking. Het doet mij leed, ziedaar al wat ik zeggen kan. Dat zeggen wy immers ook in de kerk, by het leelijkste kwaad, dat wij hebben gepleegd en dat is al, wat men van ons verwacht. Ik bedoelde het beste voor hem, voor my zelve en voor haar, ja ook het beste voor Marian. Het doet mij leed, van harte leed. Wel zeide mij die vrouw, dat zij haar in Oxfordstreet had zien spreken, met eene die .... maar ik zou liever myn hand afhouwen (al ware ze zoo even door een hertog gekust en verworven), dan het arme schaap zulk een beschuldiging naar het hoofd werpen. Veeleer zou ik dat hoofd met goud hebben willen overdekken, tot het glinsterde als het koepeldak der Sofia-

-ocr page 270-

— 256 —

kerk in de ure van liet morgengebed; maar met dien lioog-hartigen Leighblik, die mij eens zoo bekoorde, stuitte hy deze gedachte in de geboorte door te zeggen: Van nu af aan moest zy als zijne vrouw worden beschouwd. Zijne vrouw had geen ondersteuning noodig. Hij ging naar Florence om de verbroken verbintenis weer aan te knoopen. Dit zou mij voldoende zijn. Beiden, hij en Lord Howe, waren blijde mij van de zwaarste beschuldiging te kunnen vrijspreken. — Op dat woord viel ik op scherpen toon in: Zou hij, die van recht en billijkheid hield, voor mij een brief aan Aurora Leigh willen geven, en mijn antwoord op hare beschuldiging met zijn eigen verklaring willen bezegelen? — Ja indien de brief in tijds gereed ware. -— Hij is rechtvaardig, uw neef — ja, afschuwelijk rechtvaardig. Hij zou zijn handen in bloed wasschen om ze rein te houden. — Aldus koel, beleefd, gentlemanlike, boog hij en scheidden wij.

„Scheidden wij. Geen blik, geen woord, geen liefde meer! Weggevaagd, uitgevlakt — als het geklad van een schooljongen, die op zijn lei spuwt en met zijn grove handen aan het uitvegen gaat. Ook ik ben te grof, te menschelijk geweest. Wat hebben wij vrouwen van de groote wereld met bloed in de aderen te maken? Ik wil er voortaan mee hebben afgedaan; mijn lippen zelfs behoeven er niet door te worden gekleurd. Een roos is blozend en fraai zonder bloed. Waarom zou een vrouw /het niet zijn? Als wij tevergeefs de rol van aanbidderessei/ hebben gespeeld, blijven ons nog hulpmiddelen genoeg ovet. Wy kunnen ons laten aanbidden naar hartelust. Hier is Smith reeds aan mij u voeten, zwerend dat ik de volmaakte type der vrouw ben. Weg met Smith! Hij smaakt naar Leigh en voortaan hebben alle socialisten mijlen ver van mij vandaan te blijven. Neem gij hem, ik gun hem u in weerwil van uw onbeschaamden brief en hoe hartelijk ik u ook haat. Want hebt gij dit pronkstuk van een huwelijk zien sluiten : een vlekkelooze Erie met een edelen Leigh; zyn liefde zien weggeworpen aan eene, die hy niet beminnen moest, dan zult ge wel iets tot opbeuring behoeven, al begeert gij zijn liefde ook voor u zelve niet. Daarom schenk ik u Smith; neem hem, hij bespreekt dezelfde onder-

-ocr page 271-

— 257 —

werpen ala Leigli — alleen wat minder goed; — hij vat een van Leigh\'s denkbeelden op en verminkt of verwatert het; gaat mijlen verder om geen duimbreedte achter te blyven; zal u Leigh voor den geest roepen, zooals een schoenriem aan een man kan doen denken. Vrouwen van uwe soort voelen zich verteederd op het zien van een schoenriem, ja van den afdruk van een voet; dwepen met een afgewende gestalte in een spiegel, met de herinnering aan datgene, wat zij verfoeiden, toen het in werkelykheid binnen haar bereik was. En toch hebt gij Romney niet verfoeid, al speeldet gii ten zijnen opzichte ook wolf en schaap met uwe ziel. Ga om den wolf heen — hij heeft afgedaan. Wil van een gevoel niet weten — gij rukt het uit; \'t is volmaakt hetzelfde.

„Ik feliciteer u, Miss Leigh; gij hebt voor uw vriend een gelukkig huwelijk tot stand gebracht. Al de eer, al de zaligheid van dezen echt is te danken aan u, die hem lief-hebt, die door hem wordt bemind. Mij behoeft gij met de gedachte hieraan niet te feliciteren , dat zou overbodige moeite zijn. Bedenk Aurora Leigh, dat gij de oogen neerslaat als bij, dat, zonder u, ik zijn liefde had kunnen winnen, dat voor u ik het binnenste van mijn hart heb blootgelegd en dat ik u om deze drie dingen haat, haat, haat. — Stil, er is nog een vierde. Met hem, ik ben er zeker van zou ik deugdzamer zijn geweest, dan gij zonder hem; daarom haat ik u iiit deze donkere, ledige diepte mijner ziel, die uitloopt op wat zonder u een hemel had kunnen zijn, maar nu een plaats is, om bij te vloeken. Liefde.quot;

Daar stond ik, beladen met den vloek, ontsteld, verward, verblind schier. Eén oogenblik was voldoende geweest, om de beteekenis van haar schrijven te vatten, al haar slangenbeten te voelen. „O, niet gehuwd!...quot;

„Gij vergist u,quot; sprak hij. „Ik ben gehuwd. Is Marian Erie mijne vrouw niet? Zooals God de dingen ziet, heb ik een vrouw en een kind en ik, die eerbied heb voor God, beu hier gekomen om hen als mijn vrouw en mijn kind op te vorderen.quot;

Ik kon ter nauwernood adem halen, hoe had ik kunnen

17

-ocr page 272-

— 258 —

ppreken? Maar ik behoefde niet te spreken. Daar was een andere, die het woord voor mij nam. „Romneyquot; klonk het,

„mijn groote, goede Romney, mijn engel uit den hemel.quot;

Toen voor het eerst wist ik, dat Marian Erie schoon was.

Zij stond daar, roerloos, bleek als een heilige. Door het vloeiend maanlicht van de aarde als opgeheven, scheen zij met een gloriekrans omgeven. „Ik heb mijn kind te slapen gelegd,quot; zeide zij, „en hierheen komend, hoorde ik u spreken. .. vriend! — Herhaal nog eenmaal wat gij zeidet. Gij neemt deze Marian, zooals booze menschen haar hebben gemaakt, tot uwe wettige vrouw?quot;

De trillende, diepe, fiere, gevoelvolle stem! Hij strekte er de armen naar uit, als om haar aan zijn borst te sluiten. — „Ik neem haar, zooals God haar heeft gemaakt, —

geen menschenhand, die zijn werk heeft kunnen schenden —■

tot mijn wettige, geëerde vrouw.quot;

Zij sloeg de oogen niet op, zij kwam geen schrede nader,

maar stond daar roerloos en vervolgde: „gij neemt het kind van deze Marian, in het oog der gansche wereld het teeken gt;

van haar schande, tot het uwe, waarover gij u nimmer schamen zult?quot;

De trillende, zachte, fiere, gevoelvolle stem! Hij trad er op toe, nog steeds met uitgestrekte armen, alsof hij haar aan zijn hart tot zwijgen wilde brengen. — „Dat God mij tot Vader zij, zoo als ik dit hem zal wezen; dat God mij verlate, indien hij zich ooit by my verweesd gevoelt. Ik neem het kind in mijn vaderarmen; het zal drinken uit mijn glas en slapen op mijn knie en spelen aan mijn voeten; het zal op straat zyn handje in de mijne leggen en niemand zal vragen; „wiens kind is dit?quot; Het teedere gebaar zal duidelijk genoeg zeggen: „het mijne.quot;— Zij bleef een oogenblik zwijgend staan en daarop zich langzaam en koel tot mij \\ven- L dend: „En gij, wat zegt gij ? Zult gij my veroordeelen als ik, uit deernis met mijn uitgeworpen kind, de hand aangryp,

die hem en mij wordt toegestoken ? Den moed niet heb, hem zonder steun of vriend in een wereld te laten, die zijn moeder gesteenigd heeft? Heb ik het recht niet op dit najaars-groen van een leven, dat niets dan dorheid voor mr, was?

_

-ocr page 273-

— 259 —

Of is het slecht van my gebruik te maken van de edelmoedigheid uvvs neefs en toe te laten, dat hij zijn onbedekte hand in een doornenstruik steekt om een gevallen nestje weer overeind te zetten? Gij durft hem niet verzekeren, niet waar, dat wij onschadelijk zijn, al zijn wij ook onschuldig; dat het onrecht ons aangedaan, niet aan zijn edel, rein leven zal blijven vastkleven, wat pogingen hij ook doe, om het af te schudden? Gij zyt my tot vriendin geweest, wilt ge dit thans hem niet zyn? Gij weet, dat hij uwe vriendschap waardig is. Daarenboven gij zyt zyne nicht, gij behoort tot zijn stand; gij hebt daarom meer recht dan een ander, om zijne party te kiezen. Gij moogt hem duidelyk maken, dat wyl het nestje bedorven en Marian is, wat gij weet dat zy is, de wereld — al wordt zij zijne vrouw — haar geval niet zal begrijpen; niet dat zij onteerd en toch eerbaar kan zyn; neen, hem levenslang voor de voeten zal werpen: „gy zijt een bastaard tot vader, een gevallen vrouw tot echtgenoot.quot; Spreek, terwyl het nog tyd is. Gij zoudt niet rustig toezien, dat een goed man door zyn eigen hond, het edel rasdier, dat hy heeft opgefokt, werd aangevallen en verscheurd. Kunt gy hem dan door zyn eigen daad doen verscheuren, hoe edel die ook wezen moge ? Spreek, ik heb verplichting aan u; aan uw uitspraak alleen wil ik my in deze onderwerpen.quot; — De trillende, plechtige stem, zacht maar onbewogen, niet rijzend en niet dalend, alsof zij Marian niet toebehoorde, maar op hoog gezag een bevelschrift las. — Ik sloeg den blik naar omhoog, om my God meer nabij te voelen en zag den hemel blauw als Aaron\'s priestergewaad in de ure, dat hy het terzyde legde om te sterven. Daarop sprak ik: „Aanvaard wat u geboden wordt, mijn zuster Marian, aarzel niet. Bij de hand, die geeft, behoort een ziel, die zal weifelen noch versagen, hoe het oordeel eener dwaze, onwetende wereld ook luiden moge. Romney is krachtig genoeg voor de taak, die hij aanvaardt. Wees gy dan ook krachtig in uw geloof aan zyn kracht. Hy staat aan de zyde van het Recht; wat beangstigt gy u voor hem, als stond hij aan den anderen kant? Gij wilt u aan myn uitspraak onderwerpen? Ik ben een vrouw zonder blaam; geen lastertong

-ocr page 274-

— 260 —

heeft ooit de minste smet op mij durven werpen. Mijn naam is rein en open als deze hand, waarvan geen man zou durven beweren, dat hij haar ooit oneerbiedig heeft aangeraakt. En die hand leg ik in de uwe, mijn Marian; de uwe, niet minder rein dan de mijne — smetteloos, zoo waarachtig als ik een vrouw en een Leigh ben. En wyl ik beide ben, zal ik openlijk voor de wereld getuigen: „Eomney Leigh heeft een eervolle keuze gedaan, toen hij deze Marian tot zijne wettige, geëerde gade koos.quot;

Er straalde een licht uit haar wijde, verschrikte gazellen-oogen, haar zielvolle glimlach was verrukkelijk om te aau-Fchouwen. „Dank, dank mijn groote Aurora.quot; Toen sprong zij naar voren en zich met een hartstochteiyk gebaar op de knieën werpend, terwijl zij haar kopje met al zijn rijkdom van lokken aan Romney\'s voeten boog, hoorden wij hare door snikken afgebroken kussen op zyn voeten, op den grond nederdalen... „O Eomney, mijn engel uit den hemel, onveranderlijk dezelfde, al ben ik, na ons scheiden, ook door het graf heengegaan! Maar de Dood zelfs kan u niet veranderen, u alleen nog volkomener maken misschien. U breng ik mijn dank niet; neen ik dank God, die u maakte, tot wat gy zyt, zoo goddelijk goed en groot.quot;

Hij zocht te vergeefs haar op te heffen en in zijn armen te sluiten. Zij ontweek hem als een hinde, die den jager ontspringt. Zij sprong van hem weg, maar bleef op een paar schreden afstands met de rustig uitdagende beweging, de edele houding van het hert tegenover hem staan, \'t Was als wist zij, dat hij haar niet kon bereiken, maar zijn poging hiertoe waardeerde. Zij stond daar met hare groote, zwemmende oogen, hare met tranen bedauwde wangen en verwonderlijk zachten glimlach, die door alles heen blonk, als een licht, dat schynt boven de wateren, die het land hebben verzwolgen. Zij schudde het hoofd, alsof er gedachten oprezen, die zij diep in haar ziel zocht terug te dringen, en daarop bleek en rustig, een zomerwolk gelijk, die na een onweersbui aan den azuren hemel troont — „edelmoedige vriendquot; sprak zij, „al zijt gij na ons scheiden onveranderd gebleven en, eenmaal trouw aan Marian gezworen hebbende, bereid uwe

-ocr page 275-

— 261 —

gelofte gestand te doen, alsof ook zij nog dezelfde ware; al mag dit groot en edel heeten en vol vertroosting zijn voor, elke vrouw, die u eenmaal heeft liefgehad, zooals ik n beminde — toch kan dit haar, indien zij gestorven is, indien zij is heengegaan naar de groeve, waar men huwt noch ten huwelijk geeft, niet in het leven terug roepen, niet in staat stellen uwe gade te worden, Kornney — is het wel? Hierin ligt de moeilijkheid mijn vriend, dat zal ons hoe langer hoe duidelijker worden: gij en ik moeten nooit, nooit, nooit op die wijze onze handen ineenleggen.— Neen, laat het my herhalen, ik heb het te voren reeds tot Grod gezegd; ik heb het, afgerond tot een eed, daar hoog boven maan en sterren aan Zyne voeten neergelegd, zoo zeker als ik daar even aan de uwe heb geweend. Nooit, nooit, nooit, mogen gy en ik op die wijze onze handen ineenleggen. Wees niet boos op my, veroordeel mij niet, denk niet dat het valsche ootmoed is, die mij aldus doet spreken. De waarheid is, dat ik trotsch ben geworden op mijn smart. God heeft in de stilte van den nacht, de schemering van den morgen zóó vaak tot mij gezegd: „Ween nog wat dwaze Marian, want vrouwen moeten weenen, maar bloos niet, tenzy gij over zonde hebt te blozenquot; — dat ten laatste ik, die eens myzelve onwaardig achtte, om my aan Komney en zijn adelijk geslacht te verbinden, heb leeren inzien en verstaan: elke vrouw, zij moge arm zijn of rijk, veracht of geëerd, is een menschelijke ziel en wat hare ziel is, is zyzelve, al mogen de menschen ook op haar spuwen, zooals zij op het plaveisel onzer kerken doen, waarop men toch nederknielt om te bidden. Ik heb leeren gevoelen, dat ik, die kuisch en eerlijk en tot het goede geneigd ben, die de waarheid liefheb en nederig en stil aan zyn voeten zou voortleven, niet behoef te vreezen, dat ik hem minder gelukkig zou maken, dan gelukkiger vrouwen zouden doen. (iij ziet wel hoe trotsch ik geworden ben. Vergeef mij, dat ik een list beraamde, om uit uw beider mond de bevestiging van deze mijn overtuiging te hooren. Het is zoo goed te weten, dat het waarlijk God was, die mij te voren hetzelfde verzekerde. Zoo gaat het ook in den hemel: de

-ocr page 276-

— 262 —

godheid spreekt, de engelen herhalen het. O het doet mij goed, het wascht mij schoon van \'s duivels slijk, dat Romney mij nog waardig acht zijn wettige, geëerde gade te zijn. Voortaan behoef ik niet te zeggen, dat ik mijn deel aan aardsche glorie niet had. Voor het overige — meester, engel, vriend, wees niet verstoord op mij — voor het overige is het maar al te duidelijk, waarom wy — gij en ik — onze handen nooit, nooit, nooit in elkander mogen leggen. Ik weet, gij zult niet toornig worden als een man — want dat zijt gij niet — wanneer ik u de waarheid zeg, u beken, dat ik u niet lief heb, Romney Leigh — u niet bemin. — ISeen gij behoeft mijn handen niet vast te grijpen, mij niet zoo door en door te zien met dien vlammenden blik. Miss Leigh; ik zweer, dat ik hem niet bemin. Deed ik het eenmaal? — Men zegt dat men vrouwen heeft doodgetrapt en -geslagen en toch, indien zij eens hadden liefgehad, hare liefde niet vermocht te doen sterven, niet kon doen wegvloeien met haar bloed. Ik heb dat gehoord en het heeft mij aan het denken gebracht. Heb ik waarlijk eens bemind, of heb ik slechts aangebeden? Ja mijn vriend, misschien heb ik u zoo hoog boven al het goede, al wat ik hoopte of vreesde, boven al wat het mijne was gesteld, dat ik n ook boven de liefde, buiten bereik van deze mijn vrouwenarmen stelde! Wat leefde in myn gedachten? Uwe slavin, uwe hulp, uw werk- en speeltuig te zyn. Uwe liefde te wezen!... daar dacht ik geen oogenblik aan. U liefde te geven !... veel minder nog. Graf ik u liefde?— Ik geloof niet, dat ik u iets heb gegeven. Ik was alleen maar het uwe, op myne knieën gebogen geheel het uwe, naar lichaam en ziel, met hoofd en hart. Een schepsel, dat gij van den grond hadt opgeraapt, maar dat door uwe \'vingers heen weer aan uwe voeten gleed, om zich op nieuw met het stof te vermengen, waaruit zij was voortgekomen. Beminde ik of aanbad ik? oordeel gij Aurora Leigh. — Maar indien ik werkelijk beminde, is het lang, o zoo lang geleden; voordat zon en maan gemaakt werden, voordat de hel apen ging;—ja voordat ik mijn kind in mijn eenzame duisternis hoorde krijten en wist dat het geen vader had. Het kan zijn, dat ik niet zoo sterk ben als andere vrouwen, die,

-ocr page 277-

— 263 —

vertrapt en gebroken, toch nog tot beminnen in staat zijn. Het kan zijn. dat ik kouder ben dan de dooden, wier liefde in het graf nog in leven blijft. Maar ik — eens gedood, kan deze schim van Marian niet langer beminnen -— niet langer... het kind alleen... niets meer, niets buiten dat. Ik heb uwe nicht gezegd dat ik dood ben, Romney. Hoe kan zij nu denken, dat ik uit mijn graf zal komen, mijn doodshemd tot een sluier plooien en als bruid over het kerkhof zal waren? \'t Is of ik het gemompel der dooden door de wilgentakken hoor: „Zij deed beter in ons midden te blijven, het arme, reeds half vergane lijkquot;. By de gedachte alleen voel ik de doodsdampen uit mij breken, hoe rein ik ook wezen moge. Ja, rein als Marian Erie, maarniet als Marian Leigh. Ook rest mij zooveel leven niet, dat ik nog iets zou kunnen liefhebben buiten mijn kind. O God, het zou mij tot vertwijfeling brengen, als ik mijn lieveling op de knieën van een edelen man zag en in blik, of zucht, of zwijgen de gedachte meende te raden: „dat kind heeft een vervloekte ellendeling tot vaderquot;.. . Want Eomney -— engelen zyn minder teeder verstandig, dan God en dan moeders zijn. Zelfs gij zoudt denken, wat wij nooit denken kunnen. Het is het onze, het kind. Eer zouden wij een ziel in den hemel vertoornen, door haar in onze gedachten met het doode lichaam, dat zij een maand geleden in het graf achterliet, samen te voegen, dan in mijn kind iets anders zien dan... mijn kind. Wij alleen zullen hem nooit vaderloos noemen, die God en zijn moeder bezit. O mijn jonkske, lief bloempje mij door een verpeste windvlaag aan het hart gedreven , hoe kan men meenen, dat ik buiten u nog een kind zou begeeren, een, dat de mensehen gelukkiger zouden noemen, een kind, dat een vader heeft met vader\'s liefde en naam! Een naam, vrij en open als een glimlach gedragen, tot beschaming van mijn lieveling als men hem den zijne vraagt en hij geen antwoord heeft. Hoe! een gelukkiger kind dan het mijne. .. mijn beste.. . dat van avond van het lachen niet slapen kon? Neen, ik zweer by het leven en de liefde dat, zoo ik al mocht leven als anderen, en mocht liefhebben als... sommigen, ja u mocht liefhebben Eomney,

-ocr page 278-

— 264 —

zooals sommigen doen (oogen, die veel geschreid hebben zien helder) — ik toch in mijn armen geen plaats zou hebben voor een ander kind dan het mijne. Al mijn kussen zyn op één mondje saamgesmolten; ik zou myn jonkske niet van myn schoot willen zetten om er een zuigeling op te wiegen. Hier is een hand, die zonder trouwring rein zal blijven, die mijn zoon zal leiden, tot hij geen vinger meer er van tot steun behoeft; tot hij moeders schoot gaat verlaten, om onder mannen neer te zitten. En als ik dan hem — niet bij mij — missen zal, dan kom ik weer en spreek: „Laat mij thans in Romney\'s levenstaak deelen; geef mij thans iets van zijn werk te doen, wat van zijn arme, door de wereld verstootenen om op te beuren en te helpen, om smart door smart te vertroosten.quot; — Gij inmiddels, edele Eomney, neem eene edele vrouw tot gade en leg uwe groote zielen voor elkander open. Ik behoef geen anderen zegen voor u af te bidden. Durfde ik haar slechts naderen, slechts aanraken in de hooge sfeer, waar zij troont! „Daal neder tot Eomneyquot; zou ik spreken „en betaal myne schuld!quot; O dit zou een stroom van vreugde door myn ziel doen gaan. Maar de maan schijnt mij in het aangezicht — ik durf niet — al zou ik den naam kunnen noemen van de vrouw, die hij bemint. Ik ben niet te vergeefs in dagen van ouds zijn leerlinge geweest; ik weet nog hoe by zijn lippen op elkander kon klemmen, als zeker iemand was gekomen, of niet wederkwam. Aurora ik zou haar kunnen bereiken met mijn hand, maar ik vlucht, omdat ik niet durf.quot;

Zij was verdwenen. Hij glimlachte zoo bitter, dat ik my haastte te spreken: „Vergeef haar, zij ziet klaar en juist voor zich zelve, heilig is haar instinct.quot;

„Ik vergeven!quot; sprak hij, „ik verwonder mij alleen hoe zij zoo juist kan zien, terwijl anderen...quot; hy hield op; — daarop kortaf eu met heesche stem: „Aurora vergeef gij ons, haar en mij beiden ? Wat haar betreft, arm, oprecht kind, had zij geweten wat ik weet, zij zou hare ontdekking vsr-zwegen hebben, want zy heeft u lief — zij mag u beminnen — terwijl ik, helaas! — Ben ik heden avond myzelf niet altoos meester geweest, bedenk, als men een hart laat glippen en

-ocr page 279-

— 265 —

vallen dan breekt het meteen. — Wij gaan scheiden — scheiden. O gij weet niet wat liefde is, of gij zoudt gevoelen wat dit zeggen wil. Vergeef mij, heb geduld met mij. Het zou niet hebben plaats gehad, indien ik mij niet veilig in mijn hopelooze onmacht had gevoeld. Ik wist, dat ik u niet kon deren, al strekte ik de armen ook uit, al zocht ik mijn ziel ook in zuchten lucht te geven. De armste kerel mag sterven in de houding die hem voegt, zelfs in tegenwoordigheid eener vorstin. Vergeef my enkele onbetamelijke stuiptrekkingen, die alleen maar het teeken van den doodstrijd waren. Meent gy, dat ik ooit met gezonde zinnen hierheen zou zijn gekomen, indien mijn besluit niet onwrikbaar had vastgestaan, om mijn verbintenis met Marian gestand te doen en haar mijn naam, mijn tehuis, myn hand, al het mijne aan te bieden? Want dit had zelfs een als ik nog aan te bieden; zelfs ik — haar groote ziel miskennend door te meenen, dat zij dit alles behoefde, — kon den rol van echtgenoot spelen, althans diens jas en hoed tot een vogelverschrikker maken, die de kraaien uit haar levenstuin weren zou. Stroo kan een opening vullen en zoo het ongedierte buiten houden. Doch nu eindelijk erken ik, dat de engelen een kring om haar leven sluiten, die zonder Eomney\'s hulp de ratten onzer maatschappij terug zal drijven. Eindelijk zijn mij ook in dit opzicht de oogen opengegaan en hiermee is een ondernemen ten einde, dat meer dan elk ander van mijn verwatenheid getuigde. Belachelijk trotsch tot het laatste toe! — Maar toch zóó dom. .. zóó blind ben ik niet, dat ik, die door den grooten Werkgever der wereld, met mijn droevig gelaat tegen een blinden muur ben gezet, om verder levenslang over mijn broddelwerk na te denken, zou durven wanen of wenschen.. . o liefste, ik heb u liefgehad! o myn ziel, ik heb u verloren — maar ik zweer u bij al wat gy zijt, bij al wat gij voor my hadt kunnen wezen, zoo die Junimorgen myn hoop niet met voeten had getreden, dat ik niet dierlijk zelfzuchtig genoeg ben om thans in dezen nacht dien zomerdag Ie betreuren — dezen nacht, die voor u nog zooveel heerlykheid heeft. Neen zoo blind ben ik niet. Aurora. Ik roep de starren daar omhoog, die ik niet meer zien kan, tot getuigen...

-ocr page 280-

— 266 —

„Gij kuntquot; ...

„Dat zoo de hemel zich nederboog, de loten dooreen wierp en mij nogmaals een kans hood, ik zijn aanbod zou afwijzen en mij tot mijn niet zou bepalen. Nooit zou Aurora mijn gade worden.quot;

„De starren niet zien? ..

„Erger nog, uw hand niet zien te vinden en dat hoewel wij scheiden gaan, liefste. Laat mij haar, voor ik heen ga, een oogenblik vasthouden, en hoor wat ik u nog zeggen moet. Ik kan, ik wil u niet in den waan laten, dat Eomney in gedachte of verbeelding naar uwe liefde zou blijven hunkeren, zelfs al kon hy haar thans verwerven, terwijl zij tot heden onbereikbaar voor hem was. Dat hij zich van haar zou willen bedienen, als van een hond, die den blindeman helpt voortstrompelen. De hemel beware mij. Ik weet thans, dat het Grods hand was, die u terughield, die u de oogen voor al mijn fouten deed openhouden, opdat gij ten laatste zulk een droevig lot niet mocht tegengaan. Geloof mij, had ik als Hy geweten, welk een ramp mij eenmaal treffen zou, ik had in deze gehandeld als Hij. —- En thans vaarwel, gy die nog steeds mijn licht zijt,— vaarwel. Ik weet, het is laat, meer dan laat; uw geduld, lieve, is eindeloos geweest. Ik zal een teeken geven en dan komt van de laan de persoon, die my hierheen heeft geleid. Ga gij naar binnen. Aurora — goeden nacht.quot;

„Een oogenblik, groote God... een oogenblik! Eomney spreek ... zeg dat het niet waar is . .. Ik omklem uwe handen — ik zie u in het gelaat — gij ziet my, niet waar?quot;

„Evenmin als die gezegende sterren. Aurora wees gezegend als zy. Neen lieveling, gy behoeft niet te beven. Ik weet het, gij waart altijd zoo teergevoelig. Weet ge nog we1., dat ge de muizen uit de val liet loopen en oude John zich maar niet genoeg kon verbazen over de schrandere diertjes, die de kaas wisten te kapen en weg te loopen? Nog altyd hetzelfde gevoelige hart. Het was daarom, dat het mij Ised deed, dat Howe\'s brief u niet in handen kwam. Gy hebt dus gehoord, dat ik ziek was, maar niet hoe erg en wat het gevolg er van was. Eeeds lang uitgeput van vermoeienis,

-ocr page 281-

— 267 —

daarop de plotselinge beroering in het brandende huis, de schok, de overspanning van lichaam en ziel, waardoor het bloed my tot vuur in de aderen werd — er behoefde waarlijk de donderslag van dien neerstortenden balk niet bij te komen, die mij aan het voorhoofd trof, terwijl ik, zwoegend onder een last, de galery uittrad. Zeg dat het de hemel was, die hem op mij nederzond, niet William Erie, niet Marian\'s vader, landlooper en strooper, dien ik om harentwille zocht te redden en uit het stof van \'s werelds open landweg raapte, tot hij als het wilde zwijn, dat van geen temmen wil weten, my met zijn slagtanden nederstootte. Laat Marian het niet hooren. Trouwens ik geloof niet, dat hij den balk opzettelyk naar mijne zyde deed kantelen. Lachte hij , het arme schepsel, zooals men my verzekerde dat hij deed, wel, hy noch ik vermoedde dat de wond zoo diep zou zijn. Laten wy hopen, dat hij een volgenden keer om heter reden vroolijker zal lachen.quot;

„Blind Romney?quot;

„O lieve, gij zult dit op blijmoediger toon leeren zeggen. Ook ik was er in den aanvang geheel door ter neer geslagen. Blind te zijn, zich als een onwaardige buiten de natuur gezet te voelen, zich het licht der zon, die gave dagelijks den arm-sten geschonken, ontzegd te zien. Toen de hitte der koorts, even als het vuur in mijn woning, aan het uitdooven ging en mij, gelijk deze, als een bouwval achterliet, van al wat kleur en vorm aan ons zienlijk bestaan geeft, beroofd; niets dan een kalen, blinden steenklomp, door den middaggloed geblakerd, niets dan een man, aan de oppervlakte der aarde rondwarend in oen duister, alsof hij tien voet er onder in het graf lag, wel . . .het kwam mij hard, ondragelijk voor.quot;

„Geen hoop meer?quot; . ..

„Een traan! gij weent mijn aangebeden Aurora? Ik voel tranen op mijn hand? Ik heb u zien weenen om een muis, een vogel — weent ge thans om mij? Ja, daar is hoop. Geen hoop wat mijn gezicht betreft. — Ik zou in geleerde termen kunnen spreken, en u met een grieksch of latijnsch woord kunnen zeggen, dat de gezichtszenuw tot in den wortel is vergaan, al dragen de uitwendige oogen er ook geen

-ocr page 282-

— 268 —

sporen van, al is hun kristal ook vlekkeloos gebleven. Maar loch is er hoop. Achter dit onttroonde zintuig leeft een geest, die ziet en gelaten wacht tot de muur, waarvan basrelief en fresco zijn verdwenen, geheel in puin zal zijn gestort. Daar is hoop. Deze man hier, eens zoo vol aanmatiging en onrust, zoo eerzuchtig in zijn bemoeiingen met statistisch opeengehoopte euvelen, die hij gansch anders opeen wilde hoopen, is eindelijk tot rust gekomen. Zijn eigen verlies heeft hem leeren hopen voor anderen, wanneer ook zy een verlies te betreuren hehben, heeft hem met blijder vertrouwen naar vergoeding doen uitzien, die juist door bittere ervaring ons deel wordt — heerlijke vergoeding, zooals die traan, liefste, voor mij is. Mijn onrust is ten einde. O zeker, nog altijd ben ik vol mededoogen met de lijdende menschheid, maar in myn hoek aan den muur gezeten, leer ik tevreden volbrengen wat mij te doen overblijft. Want hoewel machteloos als een steen zooals ik zeide, toch kan een steen nog een worm tot schuilplaats strekken, en het is de moeite wel waard, om daarvoor een steen te zyn. Er is dus hoop, ziet ge Aurora .. .quot;

„Is er hoop voor mij ? voor mij ? — is er plaats onder den steen voor een worm als ik ben? En als ik tot u kwam en zeide wat ik door het schreien by na niet zeggen kan en wat de vrouw toch alleen maar kan zeggen, terwijl zij bitterlijk weent... (de hoogmoed houdt vol, tot dat het hart er onder breekt).. . Ik bemin u, Eomney, ik bemin u, ik heb u lief.quot;

„Zwijgquot;, riep hij. „Het medelijden maakt een vrouw soms waanzinnig. Laaghartig de man, die zich zou laten vervoeren er gebruik van te maken. .. En toch is het hard.. . vaarwel Aurora.quot;

„Maar ik bemin u, Eomney, en als een vrouw zegt, dat zy een man bemint, dan moet hij haar aanhooren, al bemint hy haar niet, hetgeen hij ... stil.. . recht heeft haar op zyne beurt te zeggen. Zy zal, zij mag het hem niet verwii-ten. Wat mij betreft, gy noemt het medelyden, denkt dat ik grootmoedig ben. \'t Zou gemakkelijker zyn voor een vrouw trotsch als ik — ja verachtelyk trotsch als ik — zich dit aan te laten leunen en u een liefde op te dringen, die uit

-ocr page 283-

— 269 —

medelijden geboren is. \'t Is iirmers vaak een rijke, innige liefde, die aldus ontstaat en zij sterft er niet eerder om. Maar al zou zulk een liefde mij ook in uw schatting doen ryzen, \'t is de waarheid; die hoog most staan; Aurora moet zich op lager standpunt stellen. Neen, mijne liefde is geen medelijden. Klaarblijkelijk ben ik geen edelmoedige vrouw en was ik het nooit; anders had ik weleer niet zoo angstvallig gewogen en gemeten en u de macht tot geven misgund , zooals ik u reeds te voren lt;ie macht had ontzegd voor mij, Aurora, een oordeel te vellen. Ik wilde geen giften aannemen, tenzij van God en de Zyne zelfs wilde ik naar eigen keus en lust gebruiken. Want Hij en ik waren gelijken; gij daar beneden uitgesloten van een omgang, die het wisselen van weldaden vergunt. Gij hebt, zegt gij, in menig opzicht gedwaald; ik heb schier in alles misgetast, in alles. Gij zocht de menschen door halve maatregelen halverwege te bevrijden, slechts aan de helft hunner behoeften uwe aandacht wijdend, maar inmiddels geen oogwenk uw eigen voordeel gedenkend. Doch ik, die de menschelijke natuur breeder opvatte, beide zijden van haar wezen gedacht, de nooden der ziel, de hooge eischen der kunst niet voorbij zag, ik verried de zaak, die ik dienen wilde, en verongelijkte myn eigen leven, dat ik te verdedigen zocht. Hartstochtelijk strevend myn kunstenaarsaandrift hooger op te voeren, al werd het vrouwelijk instinct er ook door ten onder gebracht, vergat ik, dat geen volkomen kunstenares zich hier op aarde uit een onvolkomen vrouw kan ontwikkelen. De bloem uit den wortel, het geestelijke uit het natuurlijke, vezel voor vezel ontspruitend — ziedaar de levenswet. Een handvol aarde, om den beelddrager Gods te formeeren; de arme verachte, —• de gezonde, welriekende aardel — Met haar dierf ik den goddelijken adem, die in de neusvleugels een oneindige levenskracht blaast, ja, den ademtocht der liefde. Kunst is veel, maar Liefde is meer. O Kunst, mijn Kunst, gij zijt veel, maar Liefde is meer. De kunst beeldt den hemel af, maaide liefde is godheid en schept een hemel. Ik, Aurora, heb den mijne van my gestooten. Ik wilde geen vrouw zijn aan andere vrouwen gelijk, een eenvoudige vrouw, die gelooft

-ocr page 284-

— 270 —

in de liefde en het reclit der liefde erkent, omdat zij bemint; die hoorende, dat men haar liefheeft, zich bevredigd gevoelt met wat de godheid voldoet. Ik moest ontleden, vergelijken, onderzoeken; — als een vlieg, die weigeren zou zich in de zon te koesteren, zoolang deze niet in het teeken van den leeuw stond! Ik moest pruilen, omdat het nog maar Meimaand was! Geen geloof slaan aan de liefde, zooals zij mij geboden werd; lichtgeraakt en kleingeestig mijn waardigheid zoeken op te houden, mij beleedigd gevoelen, omdat mijn minnaar een vrouw zocht, die hij tot zijn werk gebruiken kon... O Romney, o zielsbeminde, wel ben ik veranderd, gansch veranderd! Want zoo ge thans laag genoeg wildet bukken om mijn liefde op te rapen en haar voor \'t eerste het beste doel gebruiktet, zooals men de meest alledaag-sche dingen gebruikt, ze ontziende noch sparend, omdat ze altyd opnieuw te bekomen zijn (en ja deze mijn liefde zou nimmer zijn uitgeput) dan zou de vreugd en de glorie mij als een star daar aan den hemel doen flonkeren. In één opzicht echter,;geliefde, ben ik in het geheel niet veranderd: ik bemin u, ik beminde u, ik zal u in eeuwigheid minnen; thans weet ik, dat ik u altijd heb liefgehad. Zij, die gestorven is, wist het en zeide het mg. Lady Waldemar weet het... en Marian. Ik had het geweten even als zy.,. maar ik was trotscher dan ik wist en minder oprecht. En ja, zooals ik leefde zou ik gestorven zijn; ik zou deze liefderoos, met wesp en al er in, in mijn hand hebben vermorzeld, bloem en pijn aan u en mijn eigen ziel ontveinzend, ware dit groot verlies, deze wanhopige smart niet gekomen; ware het niet, dat ik hier voor u stond en u in het aangezicht zag, wetend dat gij niet zien kunt, waar ik sta. Gij denkt misschien, dat mijn trots nog niet is gebroken, dat het my mogelijk is dit alles te zeggen, wijl uwe oogen de mijne niet van schaamte kunnen doen neerslaan? O kalme, edele oogen, door een stormvlaag uitgebluscht, gedoofd als het licht op de baren, waarnaar de schipbreukeling zich jammerend uitstrekt — o mijn Duister, mijn Wolk, die dag aan dag voor mij zult uitgaan, terwijl ik de wildernis tegenga — hoe wenschte ik dat gij tot op den bodem my ner ziel kondet lezen. Is dit medelijden,

-ocr page 285-

— 271 —

dan is het deernis met mij zelve — geen medely met Rom-ney! Hij kan alleen staan, een man als hij wordt door liet lot niet gebroken; geen vrouw als ik zou beklagenswaardig durven noemen, wie door Gods heiligen wordt toegejuicht. Hij begreep de wereld niet, maar ik mijn eigen hart niet en die misvatting was noodlottig. Eomney, wilt gij mij hier achterlaten, zoo dwalend, zoo trotsch, zoo zwak, zoo troosteloos? Zoo niets, niets dan een vrouw — en ik heb u zoo lief — ik bemin u zoo, Romney!quot;

Kon ik zijn aangezicht zien? Ik schreide zoo... Zonk ik aan zijn borst, of waren het zijn armen, die mij omstrengelden? Waren het mijn tranen of de zijne, die mij gloeiend langs de wangen stroomden en welk van onze twee bonzende harten was het, dat my zoo schudden deed? Ik weet bet niet. Er klonken woorden, die als wegsmolten in het vuur eener onstuimige omhelzing, in een kus, lang en zwijgend als de nacht, die ons met haar glorie omgaf; — daarop diep, diep zwoegend ademhalen, waarin zich alles uitstortte, wat in woord noch kus een uitweg vinden kon.

Wat bij zeide?.... Ik heb geschreven, van dag tot dag voortgeschreven, weinig vermoedend, dat zulk een bruisende vloed deze laatste bladzy zou overstelpen. Hoe zou ik wen-zchen zijn woorden hier bij al het overige te kunnen neder-schrijven, om ze met de oogen te zien, zooals ik ze in mij ii ooren hoor klinken! Om dat liefelyk heilig harteschrift \'s avonds als ik moe ben te lezen, of er in de morgenschemering de zorg door op de vlucht te jagen! Om er mijn duursten eed op te zweren, dat als alles voorbij en alles beproefd en alles genoten is, als de kunst en de wys-begeerte haar beste gaven hebben geschonken, deze liefde hare hand slechts behoeft uit te strekken, om ver, ver over dit alles henen te reiken!

Hoe wenschte ik te kunnen neerschrijven, wat hij sprat! Maar wanneer een engel zich in een donderslag deed hooren, zouden wij iets anders weten dan dat het donderde ? En wanneer een wolk nederdaalde en ons gansch en al omhulde, zouden wy haar vorm kunnen afteekenen, alsof wij haar in het luchtruim zagen dryven? Zoo was het met zijn spreken.

-ocr page 286-

— 272 —

/ijn adem op mijn wangen deed zijn woorden ineen vloeien, maar ze daardoor nog inniger en vuriger zijn. \'t Was als een windvlaag, die langs de straatlantaarns heenstrijkt en ze allen tot één reinen, witten, vlammenden liclitstreep verbindt, door hun uitwissching te heller glanzend. Gelijk do ziel gewaar wordt, wanneer geen lichaam het aanschouwen belemmert, zoo deed de innigheid zijner aanraking mij hem eerst volkomen verstaan. Aldus werd het mij geopenbaard, dat hij mij beminde met de diepte en de volheid dier groot-sche naturen, voor wie de zon der liefde in al haar heerlijkheid opgaat, omdat hun horizont met dien gloed en luister niet in tegenspraak is. Een kleine cirkel kan slechts een klein vuur omperken, maar de liefde van dezen man was groot gelijk zyn wezen. Teleurgesteld in zijn liefde, had hij den moed gehad te leven, zijn hart te geven aan wat (rod bemint en de banier, die hij had vastgegrepen, geen oogwenk te doen zinken.

Van den dag af, dat de weeze, die men zelfs van vaders graf had beroofd, haar droevig, smachtend gezichtje naar Engeland had gebracht, had hij haar liefgehad en als in haar geleefd. Hij had zijn eigen ziel in mij zien ontluiken en groeien, en zich tot liefde zien ontwikkelen, want als kind reeds had men hem verhaald van de Italiaansche bruid, die eens, met oleandergeur in \'t golvend haar, hem van uit de wij ngaarddreven te gemoet zou komen om hare hand in de zyne te leggen. Hoe had het bloed van den knaap getinteld bij dit verhaal! En toen ik eindelijk verscheen en stil en weemoedig voor zyn aangezicht daarheen leefde, had hij mij — zooals ik was — met innige teederheid liefge-kregen. Liefgekregen, als alle kinderen de eerste lentebloem, niet omdat zij de mooiste is, maar omdat in haar het heele jaar schijnt te bloeien. Hij beminde het arme, droeve sneeuwklokje onder de Maartsche buien oplevend, geheimzinnige schakel tusschen plant en vorst, kwijnend door de winterkou en toch vol van lentes levenskracht; niet zeker, of het maar niet weg zou gaan dooien met al die sneeuw om zich heen. \'t Was daarom niet koel of kalm, dat Romney Leigh my beminde. Mocht ik dit eens hebben gedacht, dan was het

-ocr page 287-

— 273 —

of ik mijn hand in het vuur had gehouden en toch trilde van de kou. Thans werd het mij duidelijk, dat het juist het louterend vuur en de gloed van zijn hartstocht waren, die op zijn woorden en daden een voor mij zoo onzeker stempel hadden gedrukt. Dat, wijl hij mij eindeloos meer dan schatten en goederen, dan den maatschappelijken rang, hem onverwachts, met al het overige ten erfdeel gevallen, beminde en, door geweten en rechtsgevoel genoopt, al dit mindere aan Grods voeten had neergelegd, zwerend het der lijdende menschheid ten offer te brengen, hij gemeend had met zijn liefde hetzelfde te moeten doen. Hij minde zoo vurig, zoo hartstochtelijk —• welnu, hij zou het hoogste, het beste wat hij bezat, juist wijl \'t het beste was, in zijn offerande opnemen. Hij zou zijn liefde, zijn leven, de bruid zijner droomen doen afdalen van hare hoogte; haar uit de bloemrijke velden der poëzie, waar zij, het stofgoud der lelien op de voeten, stil en statig voortschreed, aan zijne zijde roepen en haar nevens hem over de rotsen doen gaan, terwijl hij het harde graniet tot menschen zocht uit te houwen. Zij zou hem tot hulpe zijn in het helpen, dat zijn levenstaak was. Zij zou het levend bewijs zijn, dat hij niets, niets, zelfs zijn eigen ziel niet had achtergehouden. En toen ik hem teleurstelde, hem begaf— want ja, dat deed ik!... toen hij mijn liefde niet mocht verwerven naar het scheen, had hij tot zichzelven gesproken: „Aurora begeeft mij; de middag van den arbeid is daar.quot; Daarop zich omgordend met de flarden zijner hoop en zich nog slechts tot één wanhopige heldendaad in staat gevoelend, had hij zyn leven genomen en het in \'s werelds sterkste branding geslingerd. De menschen hadden gelachen, alsof hij een hond had verdronken. Green wonder — Aurora had hem immers ook niet verstaan! En zoo dan hadden morgen en avond voor hem den levensdag uitgemaakt.

O nacht, die ons omgaf, droef en liefelyk tegelijk. Duister door maan en starrelicht geheiligd, glorierijke duisternis! O diep mysterie der liefde, die door verlies, vertwijfeling, meineed zelfs, haar zaligheid nog verhoogen voelt — den steen gelijk, die in een boordevollen beker geworpen, den wijn naar alle zijden doet overvloeien.

18

-ocr page 288-

— 274 —

Terwijl wij daar zaten, dicht tegen elkander geleund, zóó dicht, dat ik als een electrieken stroom door mijn kleederen voelde gaan, myn wangen voelde blozen en bleeken , zoo vaak ze gestreeld werden door mijn lokken, waarin zijn adem hing, bleef mijn oog op de gouden maan rusten, die daar vóór ons aan den hemel stond, als het teeken eener verheven, blijvende smart — teeken voortaan slechts door één van ons aanschouwd. — Maar hoor, daar klonk een stem, zacht als het gefluister eener zucht en toch — ik voelde het — uit een glimlach geboren: „Geloofd zy God, die mij blind maakte, opdat mij de oogen mochten opengaan. Schyn voort. Aurora, dierbaarst licht myner ziel, van nu af aan zon-, maan- en starreglans voor mij. —Ik ben volkomen gelukkig.quot;

Ik wierp my nog dichter aan zijn borst, als het zwaard dat na den slag de scheede zoekt. En in die vurige samen-strengeling onzer zielen ging dat mystieke leven des heelals ons open, waarvan onze zinnen in gewone stemming zijn buitengesloten. Wij voelden, waar wij zaten, het wentelen onzer oude moederaarde, het onstuimig ommezwieren van al die flonkerende wereldbollen in hun hoorbare sferen... tot wij ten leste niet meer wisten of diezelfde gouden maan ons boven het hoofd of aan de voeten stond.

Daarop kalm, klaar, zwellend van zielevreugd verhief zich andermaal zijn stem als het lied voor den opperzangmeester, na het Sela weer aangeheven: „Zie, zong zy,quot; op deze in maanlicht badende hoogte zijn wij dan eindelyk tot elkander gekomen, om beiden afstand te doen van veel en daarna alles te gewinnen. Wij moeten werken, geliefde, en de mensch kan sléchts werken voor den medemensch, maar wil hij vrucht zien van zijn arbeid, dan moet hij de menschelijke natuur begrijpen en op menschelyke wijze te werk gaan; het lichaam uit het stof beuren, doordat hij de ziel omhoog drijft, zooals God in den aanvang heeft gedaan.quot;

„Maar de aarde tot steunpunt nemen, terwijl wij zielen omhoog heffen,quot; viel ik in. „Ook dit is menschelijk en ook dit heeft de godheid in het eind gedaan; niets is hoog wat niet aanving met laag te zijn. „Myn vernedering heeft my groot gemaakt,quot; sprak de Heer.quot;

-ocr page 289-

— 275 —

„En in stillen eenvoud arbeiden.quot; hervatte hij, „even als Grod alles doet. Ter wille van onze taak onze natuur niet verkrachten; onze rechterhand niet sterker achten, zoo ze in een hoef mocht verkeeren. De mensch, die het meest mensch is, de zachtste, teederste menschenhand bezit, is de beste arbeider voor menschen — zooals God was in Nazareth.quot; — Hij zweeg, maar hernam na een wijle: „Minder programma\'s, wij die niet vooruit kunnen zien. Minder systemen, wij die slechts werktuigen zijn. Minder plannen tot bevrijding der massa\'s by natiën of seksen tegelyk. Fourier is een herschenschim, Comte een ongerijmdheid, Cabet een kinderachtige dwaasheid. Er bestaan geen levenswetten buiten het leven om, geen volmaakte zeden zonder ehristeiyke zielen. Christus zelf ware geen wetgever geweest, zoo hij met de wet niet het leven had gegeven.quot;

Ik herhaalde als in gedachten: „De mensch, die het meest mensch is, is de beste arbeider voor menschen en het is de ziel, die hem ten volle mensch doet zijn. Maar de ziel, de smachtende ziel zelve, gehoorzaamt aan de aloude wet van ontwikkeling. De Geest getuigt in onzen geest; de Liefde, ziel onzer ziel, brengt, in haar levend, haar tot volie ontplooiing. Allereerst de liefde van trod. ..quot;

„En daarna,quot; sprak hij met een glimlach, „de liefde van gehuwde zielen, wederhelft van dit goddelijk mysterie, liefelijke geestesroos op de wateren des levens drijvend, wonderbloem, waaraan Sharon een naam heeft geschonken, men-schelijke, levende, vruchtdragende roos, wier bloemkelk alle bladeren der liefde omsluit: kinder-, broeder-, naastenliefde, liefde tot den medeburger — altegaar kleurige, geurige petalen uit één middenpunt, uit het Hart der bloem heur sappen trekkend.quot;

„Toch hebt gij,quot; riep ik, „niet lang geleden verklaard, dat deze sociale roos zeer verre van welriekend was.quot;

„Helaas,quot; was zijn antwoord. „Is zij in het geheel wel een roos? Het kinderhart is ondankbaar, het broederhart onmeedoogend... en de overigen ? — Heenblikkend over den troebelen levensstroom, waar deze Bloem des Hemels zich zoo vruchteloos over buigt, denk ik hoe volmaakt het spiegel-

-ocr page 290-

— 276 —

beeld zou zijn, indien het water klaarder ware. Laten wij de buizen reinigen en op regen wachten. Mijn dichteres, mijn liefde, nu ik te eerzuchtig in mijn streven was, nu ik, die meer dan alle anderen meende te zullen wrochten, mij door God binnen een engen, nederigen kring zie terug gewezen, kom ik tot u, die mijn vergoeding, mijn dierbaar oogenlicht zijt. Mijn morgenstar, mijn dageraad, rijs boven mijn heuvelen en bestraal ze met een licht, dat ze aan mij niet ontleenen kunnen. Schijn gij voor ons beiden , Aurora; vul aan wat ik slechts ten halve kan volbrengen; werk voor twee, zooals ik, hoe ook aan banden gelegd, voor twee zal beminnen. Staar met uw zielsoog in de zon, tot gij den wortel des lichts uit de kern van haar gloed rukt. De kunst is een dienst, vergeet het niet. Een zilveren sleutel is in uwe hand gelegd, opdat gij onvermoeid nacht en dag trachten moogt hem in het stroeve, knarsende slot rond te draaien, en zoo de poort te ontsluiten, die de zichtbare wereld van de onzienlijke scheidt. TJwe helpende hand zegenend, zullen zij, die lager staan, tastend uit gene tot deze leeren ingaan. De wereld is wachtende op hulp. Liefste, laat onze liefde ons werk bezielen, ons werk onze liefde nog zaliger maken; opdat al wie waarachtig werkt en waarachtig bemint in ons werk onze liefde, in onze liefde ons werk waardeere. Kom, breng thans de bazuin aan uw vrouwenlippen, die door der liefde heilige kus zijn gewijd! Dryf uw fijnen, doordringenden adem met kracht door het koper heen en doe door uw geschal den Jerichomuur in puin storten, die klassen en standen van elkander scheidt. Van den bergtop des geestes klinke uwe roepstem tot de geesten in de aardsche vlakte bijeen en doe hen opgaan tot heiliger hoogten, dan de spitsen, waarin zij tot dusverre slechts wolkgevaarten zagen. Welke hoogten? — Wij weten het niet, maar wy kennen den weg, die er henen leidt. Wij weten, dat stijgen ons hooger voert en klimmen dus goedsmoeds voort. De ure der zielen is daar. \'t Is de Wil en de Liefde, die de stof zullen bevrijden. De wereld is afgeleefd, maar de oude wereld wacht den dag der vernieuwing. Een nieuw leven moet het hart der enkelen gaan bezielen, en die enkelen moeten velen, en die velen legio worden onder nieuwe dy-

-ocr page 291-

— 277 —

nastiën van het menschelijk geslacht. Dan eerst zal zich van zelf een nieuwe kerk, een nieuwe staatsleer ontwikkelen, zal een nieuwe wet, die vrijheid insluit, een nieiiwe maatschappij, die leugen buitensluit, op natuurlijke wijze in het leven treden. „Hij zal alle dingen nieuw maken.quot;

„Mijn Komuey!quot; — Mijne hand in de zijne omhoog heffend, wendde hij zich instinctmatig, alsof ziende geesten hem naar het oosten trokken, naar dien horizont, waar, ver en flauw achter den heuvelkring, in jaspis klaar als bergkristal, de eerste grondslagen werden gelegd van den nieuwen, nabij-zijnden Dag, die uit de hemelen tot God ging omhoog rijzen. Een oogenblik stond hij zwijgend, met opgeheven hoofd, alsof hij werkelijk aanscliouwde. Kalm stond hij daar en voedde zijn edele, blinde oogen met het visioen van den vollen, den volkomen dag. En toen ik zag, dat zijn zielsoog zag — „eerst Jaspis,quot; zeide ik, „daarna Saffier, het derde Chalcédon, de overige naar hun rangen — het laatst een Amethyst.quot;

-ocr page 292-
-ocr page 293-
-ocr page 294-

ÉÉiÉS^^iè:

g:f:

\'

;i||l|p ; ■I

■ ■ H I lm :

Hl

Él

MMtM gM ^

biubwbbmmI MjaaBBi

Üi

S \'-\';=i f D

Jil

-ocr page 295-

\'mmmm

1

-ocr page 296-
-ocr page 297-
-ocr page 298-

;• ■■ ■ 1