,
é\'t / U \'J f f
LEEEEEDE
OVKR
het vierde Hoofdstuk van den Profeet Z ACH ARIA,
UITGESPROKEN
in fle Domkerk te lltrecM den Pquot; Decemlier 1863,
Dr. H. F. KOHLBRÜGGE,
in leoeti Predikant der Nederlandsch-Gerefor meerde Gemeente te Etberfeld.
TWEEDK DKl K.
JVEBBUM JEKOVftï\' MANETIN [C gt;CTfRNUM.
AMSTERDAM,
SC HE FF ER amp; C0.
IS\'JO.
blBUOTHEEK. DER ^UKSUNtVERSITElT U T R EC H T
U
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
03
90 9904
Uitgegeven vanwege de „Maatschappij tot uitgave van Gereformeerde geschriftenquot;.
Voorzang: Psalm 145. ; 6.
De Heer is reclil in al Zijn\' weg en werk;
Zijn goedheid kent in \'t ganscli heelal geen perk.
Hij is nabij de ziel, die lot Hem zucht;
Hij troost het hart. dat schreiend tot Hem vlucht;
Dat, ongeveinsd, in \'t midden der ellenden.
Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden.
Hij geeft den wensch van allen, die Hem vreezen;
Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.
Sol justitiae, illustra nos! Zon der gerechtigheid, verlicht Gij ons! — Deze bede, aandachtige toehoorders, gaven onze vrome vaderen Utrechts hoogeschool mede. toen zij de wereld zoude intreden als een kind des lichts, om eene moeder te worden van vele zonen des lichts, wien zij den strijd zoude leeren voor Kerk en Land en Vorst, en voor het behoud van liet broze lijf. In den mensch is het licht niet, — dachten zij, — de verlichting komt alleen van Boven, maar zij komt, waar het gebed is. Die vrome vaderen dachten aan de beloftenis Gods: U lie den, die den Naam des He er en vreest, zal opgaan de Zon der gerechtigheid. Die beloftenis geloofden zij, aan de vervulling twijfelden zij niet door ongeloof; zij gaven God de eer, en leerden het nageslacht God om de vervulling te bidden. Wie is die Zon der gerechtigheid, zoo niet Hij, Die van Zichzelven getuigt: „Ik ben het, Licht der wereldquot;; zoo niet die Christus, Die ons van God gegeven is tot onzen hoogsten Profeet en eenigen Leeraar?
Zon der gerechtigheid, verlicht G ij ons! —-Welk eene bede, die als reukwerk opgaat tot God ! Wat is liefelijker dan die Zon, Die ons gemaakt heeft, aan Wier goedertierenheid wij ons bestaan te danken hebben. Die al onze duisternissen doet opklaren, en een einde maakt aan onzen nacht van duizend zorgen, duizend nooden, duizend dooden ?
4
Wie zou niet liefhebben en om Zijn liclit vragen Hem, Die de weg, de waarheid en het leven is, en de banier draagt boven tien duizend ? Alles is dwaling, tenzij die groote Christus, dat eeuwig Licht, ons verlichte; — en, Hij wil ons verlichten. Wat onze hoogeschool als bede ontving, dat het onzer aller bede worde: .Zon der gerechtigheid, verlicht Gij ons!quot; Zoo die bede ons gegeven werd, kunnen wij, dewijl zij op eene beloftenis rust, van de verhooring verzekerd zijn. Waarom ? Omdat des Heeren goedertierenheid tot in eeuwigheid is; omdat onze allergoedertierenste Vader in den hemel het gaarne ziet, dat wij van Zijnen lieven Zoon, die eenige Zon der gerechtigheid voor Hem, alles verwachten. De Zon der gerechtigheid is er, Zij schijnt aan den hemel van Gods genade. Zij schijnt voor u ; en ik treed voor u op, opdat ik u allen opwekke, om voor uzelven, voor Kerk en Land en Troon hare verlichting in te roepen.
Ik treed voor u op, om te getuigen, dat de belofte van den opgang van deze Zon der gerechtigheid ulieden aangaat; dat die u aangaat, als het volk van den God van Nederland, omdat Zijne goedertierenheid eeuwiglijk gebouwd wordt. (Ps. 89 : 3.) Ik treed voor u op, opdat gij, bij de belijdenis van uwe eigene blindheid, behoefte gevoelende aan de verlichting van dien grooten Christus, Die alleen weet, wat in God den Vader is
O \'
ons ten goede, in dien Christus gelooft, — gelooft voor uzelven, voor Kerk en Vaderland en Oranje. Ik spreek, omdat ik geloof ; ik spreek, als geloovende, en zoo als geboren Nederlander, als een, die mede zeggen mag : -Snijdt mij het hart vrij op, gij zult er Holland vinden!quot; als een, die wenscht en bidt, dat hetgeen van Gods Woord bij de bijzondere personen vervuld wordt, ook geheel aan onze natie vervuld worde; als een, die vasthoudt aan het drievoudig snoer: Kerk, Oranje en Vaderland. Waar beloften zijn, daar heeft men van die beloften te getuigen, opdat de zucht en wensch om vervulling zooveel mogelijk algemeen worde. Er waren beloften Gods voor dat drievoudig snoer, zij zijn vervuld, vervuld zooals God het verstaat Zijne beloften te vervullen. Zullen die nog verder vervuld worden ? Dat hangt alleen van Gods vrije goedheid af.
Maai- was het niet die vrije goedheid, die onze natie in deze dagen een feest te vieren gat\' van in vijftig jaren niet zóó gekende blijdschap over de verlossing van een juk, gelijk aan dat, hetwelk eens Egypte\'s koningen Israël oplegden ? Was het niet door vrije goedheid, dat millioenen stemmen tot ééne stem werden, om te betuigen : .God heeft groote dingen aan ons gedaanquot; ? dat millioenen harten tot één hart te zamen smolten, om het dankbaar te erkennen : Nederland en Oranje zjjn één! ? — dat er in de gemoederen van duizenden niet zoo zeer gedacht werd aan de verlossing op zichzelve, als aan het bekende loflied :
Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht,
Tot in het laatste nageslacht!
Maar zullen wij daarin berusten? De milde goedheid geeft, om te geven, 0111 nog meer te geven, dan zij gaf. Maar ligt in het onlangs gegevene grond van hoop voor de toekomst? Neen, en nogmaals neen, als wij op onszei ven zien; en toch, gegronde hoop, als wij op de vrije goedheid Gods zien. Geene hoop, zoo het van ons menschen moet komen: alle hoop, zoo wij genade ontvangen, om te bidden om des Heeren Geest.
Om u tot zulk bidden, tot bidden zonder ophouden, in uwe binnenkameren en in het openbaar, op te wekken, houden wij u voor, wat des Heeren Geest doet en bijgevolg nog doen kan. Wij bepalen u daartoe bij een profetisch gezicht, hetwelk Gods eeuwig blijvend Woord ons mededeelt in het vierde Hoofdstuk van den Profeet Zacharia. Wij geven hiervan eene nadere verklaring naar de meening des Geestes met dat gezicht, en zeggen op grond van die verklaring, wat daarin tot onze leering, vermaning, troost en bemoediging dient.
Tekst: Zacharia IV.
En de Engel, Die met mij sprak, kwam weder; en Hij wekte mij op, gelijk eenen man, die van zijnen slaap opgewekt wordt. En Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide; Ik zie. en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelf\'s hoofd, en zijne zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren ; en twee olijf boomen daarnevens, een ter rechterzijde van het oliekruikje, en een tot
deszelfs linkerzijde. En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, Die met mij. sprak, zeggende: Mijn Heere! wat zijn deze dingen? Toen antwoordde de Engel, Die met mij sprak, en zeide tot mij: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere! Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord des Heeren tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijnen Geest zal het ge-chieden, zegt de Heere der heirscharen. Wie zijt gij, o groote berg? Voor het aangezicht van Zernbbabel zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen, met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven! Het woord des Heeren geschiedde verder tot mij, zeggende: De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijne handen zullen hel ook voleinden; opdat gij weet, dat de Heere der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft. Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich tot die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de oogen des Heeren, die het gansche land doortrekken. Verder antwoordde ik, en zeide tot Hem: Wat zijn die twee olijfboomen, ter rechterzijde des kandelaars, en aan zijne linkerzijde? En andermaal antwoordende, zoo zeide ik tot Hem: Wat zijn die twee takjes der olijf boomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die goud van zich gieten? En Hij sprak tot mij, zeggende^ Weet gij niel, wat deze zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere! Toen zeide Hij: Deze zijn de twee olietakken, welke voor den Heere der gansche aarde staan.
Tusschenzang: Gezang 13: 1, 2, 6, 7.
God sprak (men steil\' op berg en rots Zijn woord in eeuwig schrift;
En ieder, die dat schrift aanschouwt,
Die leze, wat Hij sprak):
„Eens wordt de sterkste rots vergruisd,
„En \'t hoogst gebergt\' stort in;
„Maar Mijn Genaverbond met u,
„Oprechten! wankelt niet.quot;
Elk leez\' dit als het woord van God,
En neem\' \'t geloovig aan:
Want eeuwig en onwankelbaar Is, wat Jehova spreekt.
Ja, Zijn Verbond staat eeuwig vast.
Zoo staat geen berg, geen rots;
En toeft Hij al. Hij kent Zijn\' tijd.
Hij komt, Hij komt gewis.
7
In het jaar 519 vóór de geboorte van onzen Heere en Zaligmaker, nadat liet volk Israël uit Babels gevangenschap was teruggekeerd, leefde ouder hetzelve een Profeet, genaamd Zacharia. Deze zag in een gezicht eenen geheel gouden kandelaar. Deze kandelaar had den vorm van eene kandelaber of armluchter. Uit zijne schacht gingen drie pijpen, rieten of armen aan de eene zijde en drie armen aan de andere zijde. Boven aan die schacht en aan de pijpen waren lampen. Hij zag dus zeven lampen aan den luchter, die zonder twijfel brandende waren. Waarschijnlijk had deze luchter alle overeenkomst met den kandelaar, dien Mozes voor den tabernakel Gods maakte, zoo als de Heere hem op den berg getoond had. (Ex. 25.) Maar, die luchter in den tabernakel werd door eene menschenhand brandende gehouden, en deszelfs lampen door inenschenhanden gevuld. In het gezicht daarentegen zag de Profeet geene menschenhand, die de lampen aanvulde. Boven de zeven lampen zag hij iets, dat onze vertaling een oliekruikje noemt, maar hetgeen wij ons moeten voorstellen als eene ovale schaal van de gedaante eener linze. Deze langwerpig ronde schaal had zeven openingen, en uit elk der zeven lampen gingen zeven pijpen of buizen \') in eene dier openingen, zoodat elke lamp voor zich door zeven buizen de noodige olie ontving uit eene der openingen van de schaal. Zoo vloot de olie van boven af, onzichtbaar, uit de schaal in de lampen. Maar, hoe kwam de olie in de schaal? Boven de schaal waren twee gouden kruiken, dat is, twee trechter-of hoornvormige pijpen : die goten de olie in de schaal: dat geschiedde zichtbaar, zoodat het scheen, alsof zij „goud van zich gotenquot;. Boven die twee gouden trechtervormige pijpen, en deels in dezelve, hingen twee takken vol olijven. Deze takken lieten hunne olijven in de beide pijpen vallen, zoodat de olijven in de pijpen door eigene persing uitgedrukt werden. De twee takken waren takken aan twee olijfboomen, van welke een ter rechterzijde van den kandelaar en een ter linkerzijde stond.
Dat was het gezicht, hetwelk de Profeet zag. Het kwam
1) Vers 2; „zeven en zeven pijpenquot;.
niet uit zijnen eigenen geest, verbeelding of phantasie voort. De Profeet had eenen trouwen vriend, eenen Engel, — deze liet liet hem zien. -— en wel die Engel, die Hoofdstuk 3 : 2 de Heere, in het Hebreeuwsch Jehova, genoemd wordt. Deze had dus dit gezicht gevormd, om er den Profeet mede aan te toonen, hoe de zaak van het huis Gods en van het volk bij God stond.
Naar het zichtbare stond het met die zaak niet goed. Toen Israël uit Babel teruggekeerd was, dacht elk spoedig aan zijn eigen huis, en men verzuimde den bouw van het huis Gods. Toen zond God Zijn woord; „Keert weder tot Mij, spreekt de Heere der heirscharen, zoo zal Ik weder tot ulieden keerenquot;. (Zach. 1 : o.) Dat woord des Profeten deed, waartoe het gezonden werd: vorst en volk begaven zich met ijver aan het werk, om \'s Heeren tempel te bouwen. Maar, weldra werden de handen weder slap. Er deden zich menschen van vermogen en invloed op, welke deel wilden hebben aan den bouw, maar die, daar zij geene Joden waren, bijoogmerken hadden, iets anders zochten dan de eer van den Naam van Israels God; de vorst Zerubbabel wees daarom hunne medewerking van de
O
hand. Het gevolg daarvan was. dat zij de geheele onderneming als eene rebellische daad bij den machtigen koning der Perzen voorstelden, en er ook in slaagden dien koning zulks te doen gelooven. Toen hield het werk op van het huis Gods, Die te Jerusalem woont. (Ezra 4 : 24.) Dat kon, dat moest zoo niet blijven; maar van waar hulp? O, zij komt van Boven: zij werkt bekommering, en komt op bekommering en op droefheid naar God, met het Woord. Dat Woord werkt geloof; dat geloof sterkt de moede handen, zoodat men de handen aan liet werk slaat; en dan komt daarbij ook wel hulp van beneden. (Vergel. Ezra 5 en 6.)
De Engel des Heeren had een- en andermaal met den Profeet, dat is in den Profeet, gesproken, had zijne ziel woorden laten vernemen, om ze aan vorst en volk te brengen. Doch nu, bij zooveel bekommering, waar zooveel ternederlag, nu lag ook de gave der profetie, die in den Profeet was, als onder de assche: hij was als een slapende. Die gave werd weder
opgewekt: hij werd gewekt, „als een man, die van z ij n e n slaap opgewekt wordtquot;; en zoo toonde de Engel aan den Profeet dit gezicht.
De Profeet verstond zelf dit gezicht niet. zoo weinig\' was
O O
het in zijnen eigenen geest opgekomen; daarom vraagt hij bij het gezicht van den kandelaar ; „Mij n H e e r e, wat zij n deze dingen?quot; en bij het gezicht van de olijfboomen: „Wat zijn die twee olijfboomen? Wat zijn die twee takjes der olijfboomen ?quot; De Engel antwoordde hem tweemalen: .Weet gij niet, wat deze zijn ?quot; alsof de Profeet het gezicht had moeten begrijpen; thans moest hij zeggen en belijden, wat hij zag, en vragen? en uitsluitsel ontvangen.
De kandelaar dan beteekende datgene, wat van Gods wege tot Zerubbabel moest gezegd worden. De verdere opbouw van des Heeren huis zoude niet door kracht noch door geweld, maar door des Heeren Geest geschieden; dat zeide de Heere, Die over alles gebiedt Alles wat zich daartegen verhief, zoude voor Zerubbabel vlak gemaakt worden, want zijne handen zouden liet werk voleindigen, gelijk zij het begonnen hadden. Hij had den hoeksteen, dat is, den eersten steen, gelegd; hij zoude ook den hoofdsteen, dat is, den sluitsteen, voortbrengen, en dit zoude geschieden met luide en uitbundige toewenschingen, dat Gods genade en zegen op dezen steen mochten rusten en van denzelven tot het volk afdalen. De Engel geeft nadere verzekering, dat, gelijk Zerubbabel het huis Gods gegrondvest had, hij het ook zou voleindigen, en dat men daaraan zoude erkennen, dat het des Heeren woord was. Tot moedgevino-
O o
wijst de Heere op den aanvang van het werk; dit behoorde men niet gering te achten, immers zouden zich die zeven, dat zijn de zeven oogen des Heeren, die over de geheele aarde voor alles waakten en in alles voorzagen \'), zich verblijden, als zij het paslood zagen in de hand van Zerubbabel, als zij dus zagen, dat hij het werk weder .opnam. Door die twee takken en hoornen geeft de Heere te verstaan, dat Hij de midde-
1) Openb. 5 : G, vergel. 1 Cor. 1 ; 24. (Zeven hoornen; volkomene kracht; zeven oogen: volle wijsheid eu alwetendheid.)
10
len in Zijne hand luid, orn liet werk niet alleen gaande, maar ook in stand te houden en dus te voleindigen.
Doch, hoe lag nu dit alles in dat gezicht V
\'O O
Had dan Zeruhhabel kracht of geweld? Al was hij ook voor God de grootste der aardsche vorsten, toch was hij tegenover den machtigen koning der Perzen ach zoo klein, zoo machteloos! De tegenstand tegen den verderen opbouw van den tempel was als een groote berg tegenover eenen nederigen heuvel. Ook meende elkeen in zijn ongeloof te zien, dat er bij zulke geringe beginselen onoverkomelijke zwarigheden in den weg waren, zoodat het niet wel mogelijk was, evenwel het werk voort te zetten. En van waar zouden bij een onge-loovig en uitgeput volk de krachten en de middelen komen, om zonder stoornis zulk een werk voort te zetten en te voleindigen ? Op al die bedenkingen en zwarigheden geeft het gezicht van den kandelaar antwoord.
„In den beginne schiep God den hemel en de aarde, — en duisternis was o p den afgr ond ; en de Geest Gods zweefde op de wateren. En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.quot; Hier voor de oogen van Zacharia was op eens het licht, dat God in Zijnen tempel hebben wilde. Er brandden zeven lampen, zeven naar het heilig getal van Gods Genadeverbond, (vergel. Gen. 21 : 28 — 32; Hoofdst. 15 : 9—18), van de onveranderlijkheid van Zijnen raad, waarbij Hij met eenen eed beloofd heeft Zijn volk te zullen zegenen. Die lampen rustten op de zeven pijpen of armen; zij rustten op des Heeren Gemeenten, wier aanwezen en getal Hij volgens Zijn Verbond bepaald heeft. Zoo zijn des Heeren Gemeenten begaafd niet des Heeren Geest en gaan o]) uit des kandelaars voetstuk, dat is uit het Woord van den Messias, ja uit den Messias Zeiven, gelijk de ranken uit den wijnstok, gelijk de takken uit den boom, zooals van onzen Heere geschreven staat: „Hij draagt alle dingen door het Woord Zijner krachtquot;, en gelijk Hij Zelf zegt: „Ik ben de Wijnstok, gij zijt de rankenquot;.
Dat die zeven lampen de zeven Geesten Gods, dat is. den Heiligen Geest in Zijne zevenvoudige of volle werking, betee-
11
kenen, zegt ons onze tekst: „Door Mijnen Geest z a 1 het geschiedenquot;; chit zegt ons verder Johannes in zijn boek der Openbaring van Jesus Christus, Hoofdstuk 4:5: „Eu zeven vurige lampen waren brandende voor den troon, welke zijn de zeven Geesten Godsquot;. \')
Zoo kon de Profeet, toen hij den kandelaar zag, na de nadere verklaring, die de Engel er van gaf, den Geest Gods rustende zien op de Gemeente, en werkzaam in de Gemeente, verdrijvende de duisternis, en het licht verspreidende naar alle kanten; verspreidende dus de kennisse Gods en de daarmede verbondene heiligmaking des volks, en blijdschap zaaiende voor alle oprechten van harte.
Maar er was nog meer. Van waar nam de Geest die olie? van waar die gaven, waarmede Hij de Gemeente in hare bestemming, om overeenkomstig het Verbond der genade te zijn, bestraalde en versierde ? Hij nam ze zevenmaal, zevenvoudig, dus in alle volheid, uit die ovale schaal, die boven de lampen zweefde.
Zien wij wèl, zoo beteekende die schaal de heerlijkheid van Vorst Messias, en beteekenden die zeven openingen, in elke waarvan zeven pijpen lagen, om elke lamp te vullen. Zijne zevenvoudige verwonding en al de heilverdiensten, die na Zijne verheerlijking uit Hem voortkomen, gelijk de Heere Zelf zegt van den Geest: „Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigenquot;, en gelijk wij in het Evangelie lezen: „Uit Zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genadequot;.
In die ovale schaal zag dus de Profeet de verheerlijking van den aan de vaderen beloofden Messias na Zijn lijden en en dood; alzoo werd hij versterkt, om later den volke te prediken. wat wij Hoofdstuk G : 12, 13 lezen: „Ziet, een Man, Wiens Naam is Spruite, Die zal uit Zijne plaats spruiten, en Hij zal des Heeren tempel bouwen,-—-en Hij zal het sieraad dragen, en Hij zal zitten en
1) Vergel. Openb. 1 : -i en de zonder grond bestredene opnoeming dier zeven Geesten, Jes. 11 : 2.
lieersclien op Zijnen troon; en Hij zal Priester zijn op Zijnen troon, en de raad des vredes zal tusschen die beiden wezenquot;. Een nieuw onderpand dus voor de voleindiging van het huis Gods was hem het gezicht van die ovale schaal boven de lampen.
Maar zoude dit gezicht een gezicht van blijvende werking wezen? Zou die ovale schaal van de volheid der heerlijkheid van den Messias niet ophouden te vloeien? Zoude Gods toorn vanwege de zonden des volks die volheid niet inhouden? — O, bet gezicht toont den Profeet, dat die schaal voortdurend niet olie gevuld zal blijven Tot onderpand daarvan worden hem twee olijfboomen getoond, vol van olijven, een ter rechterhand en een ter linkerhand van den kandelaar. Deze olijfboomen laten elk eenen tak, vol met vruchten, af hangen boven en in eene trechtervormige buis. Die twee buizen aan weerszijden van de schaal vangen de olijven op, en de eene olijf verdringt en perst de andere in de buizen; zoo vloeit de olie gedurig door, alsof het goud was, dat er vloeide. Wat zijn, wat beteekenen die twee olijfboomen en die twee takken? Sommige uitleggers hebben daaronder den vorst Zerubbabel en den hoogepriester Josua verstaan, anderen de Profeten Zacharia en Haggaï. Het is zoo, dat God doorgaans twee gelijkgezinde mannen in Zijne Kerk verwekt heeft, die voor anderen als olijfboomen waren, zooals eens voor Israël Mozes en Aiiron, Elia en Eliza, en gelijk ook later in de tijden dei-gezegende Reformatie steeds twee getuigen bij uitnemendheid te zamen waren: zoo zien wij in Zwitserland Zwingli en Oecolampadius, in Duitschland Luther en Melanchthon, in Frankrijk Calvijn en Farel, — bij het opstellen van den Heidel-bergschen Catechismus ürsinus en Olevianus. Evenwel waren deze allen niet van die volmaaktheid of duur, om de volheid van Christus in eeuwige vloeiing te houden. En waar wij in Openb. 11 van twee getuigen lezen eu van hen hooren zeggen : „Deze zijn de twee olijfboomen, — die voor den God der aarde staanquot;, daar zijn die getuigen niet men-schen, maar zinnebeelden; zinnebeelden van een tweevoudig getuigenis.
13
Aldus denken wij, Openb. 11 van twee getuigen lezende, aan het lt;retuilt;;enis van de Wet van Mozes, zooals dezelve den
fj Vj 7
menscli tot zondaar en met zijnen roem te niet maakt, en ons dat eenige Lam voorhoudt, dat de zonden der wereld draagt: ons dus Christus voorhoudt als onzen eenigen Hoogepriester. Tevens denken wij aan het andere getuigenis, dat ons Christus voorhoudt als onzen eeuwigen Koning, als den Heer, Die God is. Die ons regeert, ons heiligt en ons bij de verworvene zaligheid tegen alle vijanden beschut en behoudt. Onze Profeet spreekt Hoofdstuk G : 13 nader van den Messias als Hoogepriester en als Heerscher of Koning. Gelijk wij dan in den voet van den kandelaar het Woord van Christus \'), en dus Zijn Profetisch ambt, zagen, alzoo zien wij in die twee boomen Zijn Hoogepriesterlijk en Zijn Koninklijk ambt. De daadzaak, dat Christus de Vervuiler van de Wet en Zijns volks Hoogepriester is in eeuwigheid, en de daadzaak, dat Hij onze eeuwige Koning is, Wien alle macht gegeven is in den hemel en op aarde, — die beide daadzaken zijn gelijk twee olijf boomen. Zij dragen allen voorraad van olie, dat is, den eeuwigen Geest, aan zich en in zich. Aan de beide takken wordt het gezien, hoe de Heere als Priester en Koning den Geest heeft zonder mate. Zoo zijn dan die beide takken of oliekinderen (de tak is een kind des booms) het dubbele getuigenis van het Evangelie, zooals het ons verkondigt onze rechtvaardigmaking door dien eeuwigen Hoogepriester. en onze heiligmaking door dien eeuwigen Koning, — met andere woorden, zooals het ons openbaart, hoe wij in den Heere Heere deze twee weldaden hebben :vol-komene gerechtigheid en sterkte. De twee persbuizen zijn de middelen en wegen, van welke Zich de Geest bedient, opdat Christus in de Gemeente verheerlijkt blijve.
En dat wij alles van goud zien, dat predikt ons Christus als den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, en dus het wezen Gods in Zijne goedertierenheid en trouw, in Zijne genade en waarheid.
Zoo had de Profeet in het gezicht van de twee olijf boomen
1) Vergel. Biihr, Symbolik I, 445.
14
een onderpand, dat het van blijvende werking zoude zijn, wat de Heere voorgenomen had te doen door Zijnen Geest. Niet dat de Geest Zich daarbij niet van middelen bedienen zoude ; maar Hij bedient Zich niet van die middelen, welke de mensch, aan zichzelven overgelaten, ter hand neemt, waarbij hij dan moedeloos wordt, als die hem niet gelukken. De aarde kwam liet volk wel te hulp, nadat zij, geloovende, de handen weder aan het werk luidden geslagen.
Het gezicht moest den Profeet daarom troosten en opbeuren, omdat hij daarin alles voortgebracht zag zonder menschen-handen. Of, van waar kwam die kandelaar ? van waar die brandende lampen ? van waar die ovale schaal, die buizen, die boomen en vruchtdragende takken? Was het niet alles van hooger Hand ? Stond die kandelaar niet met zooveel eeuwige lampen voor den Troon Gods ; en zoo als hij daar stond voor de oogen van den Profeet, was dat niet eene stem tot Zacharia: .Dezen kandelaar zet Ik in het midden van Mijn volk, zet Ik op de aarde: Ik ben Heere der geheele aarde, en voor Mij, als voor den Heere der gansche aarde, blijven die olijf boomen staan. Mij ter eere, opdat Ik Mijne genade verheerlijke en Mijne macht bekendmakequot; ? Zoo min een mensch dien kandelaar daar gezet had, zoo min kon menschelijke macht dien kandelaar of brandende houden, of uitblusschen, of wegnemen. Zoo de Hoeksteen er lag (Zach. 3 : 9), dat is Christus, dan moest Christus ook als de Sluitsteen openbaar worden ; en daalde kandelaar aanwezig was, zoo moest ook het geheele heilig-
O 7 O O
dom tot stand komen, want daarin alleen moest de kandelaar zijne plaats hebben.
Maken wij nu de toepassing van dit alles op ons. — Oud-Nederlands volk heeft in zoo menig opzicht gelijkheid met het aloude volk Gods. Israels geschiedenis en Nederlands geschiedenis, zij smelten inéén. Daar hemeltergende zonden en zware straffen, — geloof en bekeering, en wonderen op wonderen van onmiddellijke uitkomst. Hier hetzelfde: ook Nederland
mag op zijnen Zerubbabel bogen, dien grondlegger van des Heeren huis in ons midden. Was het wonder, dat oud-Nederland in de boeken der koningen en Profeten zijne geschiedenis las, en dat alle oprechten in den lande er nog hunne geschiedenis in vinden ? Dat alles, wat de profetische kandelaar eens aan den Profeet en zoodoende aan Israël voorhield, dat staat alsnog vast voor den Grenadetroon des Heeren, daarvoor is ons het eeuwig Woord, daarvoor het geheele Evangelie borg. Nog is Christus voor den Troon als Profeet en Leeraar ; nog rusten op Hem de uitverkorene Gemeenten, over ons land verspreid. Nog zijn de zeven Geesten Gods als vurige lampen voor den Troon en verlichten de uitverkorenen in den hinde, versieren ze met kennisse Gods en daaruit voortvloeiende heiligheid van leven en wandel. Nog deelt die Geest aan een iegelijk, die gelooft, zooveel mede, dat niemand te kort komt: die olie zal niet stilstaan, zoolang er ledige vaten zijn. Uit de volheid van Christus neemt de Geest ook thans nog alles, om alle armen van geest tequot; vervullen. Christus heeft een onvergankelijk priesterschap, en Hij moet tevens als Koning heerschen, totdat al Zijne vijanden tot eene voetbank Zijner voeten gezet zullen zijn. En wat is ons nu van noode, zoo niet een lieven voor Gods heilig Woord V zoo niet eene waarachtige vrees
o ~
voor Hem, Die niet ongestraft laat wie Zijnen Naam ijdellijk gebruikt, en Wiens onkreukbare Wet ons om elke overtreding met den vloek slaat? Wat is ons van noode, zoo niet geloof en bekeering? — Laat ons gelooven aan dien grooten Christus, Die voor ons een vloek werd, opdat wij, geloovende, de ge-zegenden des Vaders worden zouden in Hem; Die voor ons tot zonde gemaakt werd, opdat wij. geloovende, in Hem rechtvaardigheid Gods zouden worden. Wat is ons van noode, zoo niet bekommering, een iegelijk over zijne zonde, over zijne eigene voor God gemaakte schuld ? Is er bekommering, dan is er gebed, dan is er een toevlucht nemen tot God. Zoo wij de toevlucht nemen tot God, om God, als ons hoogste Goed, zoo wij de toevlucht nemen tot dien eenigen Naam, die ons gegeven is, opdat wij daardoor zouden zalig worden, zoo is er ongeveinsd geloof, eene oprechte, gestadige bekeering, eene
16
heiligmaking zonder huichelachtig vertoon. Wat ons van noode is en wat wij ontvangen, het komt alles van \'s Heeren Geest: onze Zaligmaker zegt, dat de Vader Dien geven wil aan een iegelijk, die er om bidt. O, als die Greest ons vertroost met den kandelaar, met de zeven lampen, met Christus als de onuitputtelijke fontein des heils voor Huis en Kerk, voor Land en Vorst, — waartoe dan kracht en geweld van menschelijke wijsheid, van eenen zichtbaren arm? Dan mogen wij zeggen en zingen:
Dat Bazans hemelliooge berg Met al zijn heuv\'len Zion terg\'!
Dan mogen wij verzekerd zijn, dat de Heere niet zal laten varen de werken Zijner handen. Dan zijn wij dankbaar voorden dag der kleine dingen, voor den geringsten aanvang van liet werk Gods, omdat de Geest er Zich over verheugt. Zoo maar het tinnen gewicht, het paslood, waaronder elke steen recht komt te liggen, zoo maar de Wet des Heeren in den lande als eenig richtsnoer voor handel en wandel gezien wordt, zoo blijven Kerk en Land en Troon wel boven door die Hand, die van een iegelijk, die tot Hem met waar berouw komt, die van een geheel land, dat zich tot Hem wendt, om Zijns lieven Zoons wille, op grond van Zijn trouwverbond, de schuld wegneemt op éénen dag.
Sol justitiae, i 11 u s t r a n o s ! Zon der gerechtigheid, verlicht Gij ons! zoo wandelen wij in Uw licht. A m e n.
Nazang: Psalm 89 : 7.
Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!
Zij wand\'len, Heer! in \'t licht van \'t Godlijk aanschijn voort.
Zij zullen in Uw\' Naam zich al den dag verblijden.
Uw goedheid straalt hun toe, Uw macht schraagt hen in\'t lijden;
Uw onbezweken trouw zal nooit hun\' val gedoogen,
Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhoogen.
O