-ocr page 1-

i

.A

J* \'

: i

j i J \'

v

J

. \'M gt;\\

gt; !:-£ u

A

r-

■- gt;•£

; -t*

•fw

„•9^. • i \' -vs.quot;».;

-3«

-ocr page 2-

Kast 2!24 PI. O NO.4 2

-ocr page 3-
-ocr page 4-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2958 303 0

-ocr page 5-

.t/L

^ CJ -

WET

van den 2dcn October 1893,

{Staatsblad Xquot;. 149.)

tot heffing eenee

BEMM AiERE MflMSM.

In naam van Hake Majesteit WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden , Prinses van Oranje-Nassau , enz. enz. , enz.

Wij E M M A, Koningin- Weduwe, Regentes van het Koninkrijk ;

Allen, die deze zullen zien of hoeren lezen , saluut! doen te weten :

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig is, in verband met de vermogensbelasting het recht van patent door eene belasting op bedrijfs- en andere inkomsten te vervangen:

Zoo is hot, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1.

Belastingpliciitigheid. Aard, voorwerp en bedrag der belasting. V ertegenwoordiging.

Artikel 1.

Onder den naam van belasting op „bedrijfs- en andere inkomstenquot; wordt eene directe belasting geheven;

1

-ocr page 6-

2

a. van ieder die binnen het Rijk woont of diQ zich in don loop Tan-het jaar binnen het Rijk metterwoon vestigt ;

b. van hier te lande gevestigde naamlooze vennootschappen, com-raanditaire vennootschappon op aandeden, coöperatieve of andere ver-cenigingen en onderlinge verzekeringmaatscliappijen;

c. van hier te lande gevestigde reedenjen, en van hier te lande gevestigde stichtingen die een bedrijf of beroep uitoefenen;

d. van allen, niet begrepen onder a, die een Nederlandsch Staatsambt

uitoefenen buiten het Rijk, zonder daar aan persoonlijke lasten onderworpen te zijn en voor zoover zij geen dienst doen in dc koloniën of bezittingen van hot Rijk in andere werelddeelen;

e. van buitenlandsche vennooten in Nederlandsche vennootschappon, daaronder niet begrepen buitenlandsche aandeelhouders, en van buitenlandsche vennooten in Nederlandsche maatschappon betrekking hebbende tot de uitoefening van eenig bedrijf of beroep;

f. van spoorwegondernemingen in het buitenland gevestigd , welker exploitatie zich op Nederlandsch grondgebied uitstrekt ;

g. van in het buitenland gevestigden, die hier te lande door tusschen-komst van gemachtigden, hier gevestigd, overeenkomsten aangaan tot brand-, zee-, levens- of andere verzekering;

h. van andere in het buitenland gevestigden, die hier to lande persoonlijk of door gemachtigden een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid , bediening of betrekking geregeld uitoefenen, of minstens drie maanden achtereen uitgeoefend hebben, of van wie op grond van overeonkorasten of andere gegevens is aan te nemen dat zij dit gedurende minstens drie maanden achtereen zullen doen;

i. van in het buitenland gevestigden, die herhaaldelijk sto\'fen of kleedingstukken , sieraden, meubelen, speelgoed, voedings- en genotmiddelen en andere dergelijke artikelen in koop toezenden aan niet daarin handeldrij venden hier te lande door bemiddeling van hier te lande gevestigde tusschenpersonen ;

k. van in het buitenland gevestigden, die hier te lande rondreizen, met of zonder stalen of monsters, om bestellingen op te nemen.

Of en waar iemand binnen het Rijk woont of gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

-ocr page 7-

3

Artikel 2.

§ 1. Zij, die binnen hot Rijk wonen of zich in den loop van het belastingjaar binnen het Rijk vestigen, zijn belastingplichtig naar de som hunner jaarlijksche inkomsten, voor zoover bestaande:

a. uit winsten en belooningen;

h) uit wachtgelden on pensioenen, lijfronton on andere vorschuldigde periodieke uitkoeringen, niet bedoeld in artikel 3, derde lid, der wet van 27 September 1892 (Staatsblad n°. 223), verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud, huisvesting en andere zaken , on vorschuldigde of onverschuldigde toelagen van buitenslands gevestigden , niet belastingplichtig ingevolge artikel 1 d.

Onder do som dor jaarlijkscho inkomsten wordt verstaan het zuiver bedrag daarvan, na aftrek dor geleden verliezen, een cn ander opgevat en berekend naar de bepalingen dezer wet.

§ 2. Voor hen die niet in de vermogensbelasting zijn aangeslagen , omdat hun vermogen geacht wordt minder te zijn dan ƒ 13000, wordt do in § 1 bedoelde som verhoogd met jTiO van elke f 1000, waaruit hun vermogen, opgevat en berekend naar do bepalingen dor wet van 27 September 1892 {Staatsblad n. 223), bestaat.

Daarentegen wordt die som voor hen verlaagd met het volgende , voor zooverre het niet reeds bij do toepassing van het vorig lid in aanmerking werd genomen :

a) hot jaarljjksch bedrag dor verschuldigde lijfrenten, pensioenen, gevestigde of altijddurende renten;

h) het jaarlijkseh bedrag der uitgaven van den belastingplichtige voor verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud, huisvesting of andere zaken; de uitgaven bedoeld bij art 3 § 3, daaronder niet begrepen.

Is bet bedrag van dit een en ander afwisselend, dan wordt daarvoor het gemiddelde per jaar over do drie laatste belastingjaren gerekend, of indien de schuld nog geen drie jaren bestaat, het gemiddelde per jaar over den tijd van haar bestaan.

gt;5 3. Indien bij het begin van hot vorig belastingjaar de waarde van het vermogen tegenover het bedrag der schulden een tekort

-ocr page 8-

4

aanwees, of wol de belastingplichtige op dat tijdstip geen vermogen doch wel schulden had, wordt de in § 1 bedoelde som verlaagd met het bedrag waarmede het totaal zijner schulden op het eind van dat jaar verminderd is; voor zooverre de belastingplichtige die vermindering op geen andere wijze heeft kunnen bewerkstelligen dan uit

bespaarde inkomsten.

§ 4. Doet gelijk geval zich voor bij het begin van het belastingjaar, dan wordt de in § 1 bedoelde som verminderd met de in dat jaar te betalen rente van schulden, die niet door vermogen zijn gedekt. Bij toepassing van deze en do vorige paragraaf wordt het vermogen opgevat en berekend naar de bepalingen dor wet van 27 September 1892 {Staatsblad n0. 223) artt. 2, 3, 4, 6 en 7.

§ 5. De binnen het Rijk wonende man is, behoudens verhaal, uit eigen hoofde belastingplichtig voor het inkomen naar deze wet van zijne vrouw, tenzij in de gevallen van scheiding van tafel en bed, van scheiding van goederen en in het geval dat de vrouw, krachtens art. 195 van het Burgerlijk Wetboek, zich het beheer van hare roerende en onroerende goederen en het vrije genot van hare inkomsten heeft bedongen; in welke gevallen de vrouw zelve belastingplichtig is.

Niettemin wordt in de twee laatste gevallen bij de berekening van de verschuldigde belasting geene splitsing van de inkomsten van man en vrouw toegelaten maar de uitkomst der beiekening in evenredigheid tot het bedrag van ieders inkomen over beide omgeslagen.

Artikfl 3.

§ 1. Bij toepassing van artikel 2 wordt, behoudens hec hierna bepaalde, als winst of belooning beschouwd de som van al hetgeen in geld of geldswaarde genoten wordt uit bedrijf, beroep, onderneming, ambt, waardigheid, bediening of betrekking, tydeljk of voor eens verrichte wei\'kzaamheid, van welken aard ook, aandeel in winst of overwinst, bedongen of niet bedongen, met uitzondering van:

a. uitdeelingen op aandeelen in naamlooze vennootschappen en in commanditaire vennootschappen op aandeelen, in onderlinge ^ ei -

-ocr page 9-

5

zekeringmaatschappijen, in reederijen en op bewijzen van lidmaatschap van coöperatieve en andere vereenigingen;

h. winstuitkeeringen als verzekerde genoten.

Winsten of verliezen ontstaan enkel uit belegging van kapitaal in fondsen of goederen, anders dan in de uitoefening van bedrijf of beroep, komen niet in aanmerking.

§ 2. Ter berekening van haar zuiver bedrag, en in daartoe leidende gevallen van het geleden verlies wordt, voor zoover bij hare berekening te dier zake nog geen aftrek heeft plaats gehad, de winst of belooning verminderd met:

a. de rente der kapitalen, aangewend in het bedrijf of beroep, voor zoover do vruchten dezer kapitalen zijn opgenomen onder de inkomsten bedoeld bij artikel 2.

Deze rente wordt berekend: voor kapitalen, waarvan de belastingplichtige eigendom of vruchtgenot heeft, naar den maatstaf van 4 ten honderd in het jaar over de geldswaarde, becijferd volgens art. 7 der wet van 27 September 1892 {Staatsblad n0. 223); voor andere kapitalen, naar den bedongen rentevoet.

Gebouwde eigendommen, voor bedrijf of beroep aangewend, maken van die kapitalen geen deel uit, wanneer zij door den belastingplichtige of zijn gezin worden bewoond;

h. kosten van onderhoud en herstelling in haren vorigen staat van uitsluitend ten behoeve van het bedrijf, beroep of ambt gebezigde zaken;

c. loonen, vrachten , assuranticpenningen , pakhuis- , kantoor-, werkplaats- of andere huren en alle verdere kosten, noodzakelijk ter verwerving van het inkomen of ter uitoefening van het bedrijf, beroep of ambt, waaruit dat inkomen wordt verkregen.

Uitgaven, bedoeld in b cn c, niet uitsluitend voor het genoemde oogmerk noodzakelijk, maar ook ten deele voor persoonlyk genot of andere oogmerken gedaan, worden voor de helft als kosten aangemerkt;

cl. de als onverhaalbaar afgeschreven schuldvorderingen of gedeelten van schuldvorderingen;

e. de afschrijvingen noodzakelijk tegenover vermoedelijke waardevermindering van eigendommen uitsluitend voor bedrijf, beroep of ambt aangewend;

-ocr page 10-

6

f. bijdragen aan fondsen tot ondersteuning van personen bij den belastingplichtige in dienst voor zijn bedrijf of beroep, premiën door hem uitbetaald tot verzekering van die personen tegen ongelukken, toelagen aan hunne nagelaten betrekkingen of aan ouden en gebrek-kigen, vroeger tot die personen behoord hebbende;

g. winstuitkeeringen aan personeel bij den belastingplichtige in dienst voor zijn bedrijf of beroep en ter zake daarvan:

/t. retributiën en belastingen, directe daaronder niet begrepen, drukkende op het bedrijf;

i. kortingen van traktementen en andere belooningen wegens verplichte bijdragen voor pensioenen of fondsen;

j. premiën voor levensverzekering, voor pensioen of voor lijfrenten, doch tot geen hoogere som dan vijf ten honderd van het bedrag der inkomsten, bedoeld in art. 2, g 1, en in geen geval meer dan /quot;100.

§ 3. Uitgaven voor woning en huishouden van den belastingplichtige of zijn gezin of voor onderhoud en opvoeding van kinderen, onverschuldigde uitkeeringen, niet begrepen onder de vorige paragraaf en andere uitgaven, die niet rechtstreeks tot de uitoefening van het bedrijf of beroep betrekking hebben, worden niet als kosten aangemerkt.

§ 4. quot;Wanneer vertrekken die als kantoor, winkel, magazijn, lokaal voor onderwijs, atelier of werkplaats worden gebezigd, tevens tot woning dienen van den belastingplichtige of zijn gezin, of wel wanneer zoodanige vertrekken een gedeelte uitmaken van het perceel, waarin zich die woning bevindt, dan geldt als kosten het door den belastingplichtige te begroeten aandeel der huur, of wanneer hij eigenaar is, der kadastrale huurwaarde, van het deel dat geheel of gedeeltelijk voor zijn bedrijf, beroep of ambt wordt gebezigd. Wordt door de commissie van aanslag die begrooting te hoog geacht, dan wordt dat bedrag door deskundigen, door haar aan te wijzen, geschat.

De kosten der schatting, volgens een door Ons vast te stellen tarief, komen ten laste van den belastingplichtige, indien zijne begrooting het geschat bedrag met tien ten honderd of meer overtreft en worden met de belasting van hem ingevorderd.

g 5. Winstuitkeeringen genoten door commanditaire vennooten uit andere commanditaire vennootschappen dan die bedoeld bij art. 1 h

-ocr page 11-

7

worden, ter berekening van liaar zuiver bedrag, verminderd met eene rente op don voet van vier ten honderd in het jaar van het kapitaal, waarvoor deze vennooten dcelgerechtigd zijn in de vennootschap.

§ G. Van pensioenen, wachtgelden en lijfrenten, mits deze laatste niet bij huwelijksche voorwaarden of ter zake van huwelijk door bloedverwanten cf aangchuwden in de rechte opgaande linie ten behoeve van kinderen en andere afstammelingen zijn gevestigd, worden de eerste flOuO van hun bedrag voor vijftig ten honderd in rekening gebracht.

§ 7. Inkomsten uit hier te lande gedreven land-, tuin- of bosch-bouw , boom- of bloembollenkweekerij, onverschillig of daarbij eenige bloemisterij op kleine schaal wordt gedreven, veehouderij of veenderij, met inbegrip der daarmede gewoonlijk samengaande bereidingen van het voortgebrachte door de voortbrengers zeiven, alsook winsten uit steengroeven en uit groeven of mijnen van andere delfstoften hier te lande, voorzoover zij voortkomen uit verkoop in natura der uitgegraven stoften, worden geacht, na aftrek van alle kosten, vier ten honderd in het jaar van het daartoe aangewende kapitaal te bedragen, of, voor zoover daartoe opgenomen kapitaal is gebezigd, zooveel ten honderd als bedongen is.

Deze bepaling is niet van toepassing :

1°. wanneer hot in bovenbedoelde bedrijven aangewende kapitaal, tengevolge van de vereeniging dier bedrijven met andere, niet afzonderlijk te bcgrooten is;

2°. op winsten uit bloemisterij, onverschillig of daarbij eenige bloembollenkweekerij op kleine schaal wordt gedreven.

Artikel 4.

Voor de toepassing van het in de artt. 2 en 3 bepaalde gelden de volgende regelen :

§ 1. Vaste traktementen en alle andere voor bepaalden of onbe-paalden tijd vastgestelde inkomsten uit bedrijven, beroepen, ambten, waardigheden , bedieningen of betrekkingen , benevens wachtgelden, pensioenen, lijfrenten en andere periodieke uitkeeringen belastbaar volgens deze wet, als ook vaste toelagen van buitenslands gevestigden,

-ocr page 12-

8

worden berekend naar het jaarlijksch bedrag bij den aanvang va» het belastingjaar, of bij lateren aanvang van belastingplichtigheid op het tijdstip van dien aanvang; een en ander verminderd, voor-zoover dit pas geeft, met het bedrag der vermoedelijke rente , kosten, afschrijvingen , bijdragen , retribution , kortingen en premiön , berekend overeenkomstig art. 3 §§ 2—4.

Andere toelagen van buitenslands gevestigden worden bereiend. naar het vermoedelijk bedrag.

§ 2. Inkomsten wegens tijdelijke werkzaamheden worden gebracht onder de inkomsten van het belastingjaar, volgend op dat waarin zij zijn ontvangen.

§ 3. Alle overige inkomsten bedoeld bij art. 2 § 1, daaron dei-begrepen dag- en weekloonen, worden berekend naar het gemiddeld per jaar over de drie laatste kalenderjaren ontvangen bedrag.

Is een bedrijt, beroep, ambt, waardigheid, bediening of betrekking nog geen drie jaar door den belastingplichtige hier te lande uitgeoefend , dan worden de daaruit verkregen inkomsten berekend over het tijdsverloop tusschen den aanvang of do aanvaarding van dat bedrijf, beroep of ambt of die waardigheid, bediening of betrekking en het einde van het laatste kalenderjaar, de maand van aanvang voor eene geheele gerekend.

Is het bedrijf, beroep of ambt of de waardigheid, bediening of betrekking nog geen jaar door den belastingplichtige hier te lande uitgeoefend, dan wordt de jaarljjksche winst of belooning begroot.

Valt het boekjaar van eene onderneming of bedrijf niet samen met het kalenderjaar, dan treedt het boekjaar daarvoor in de plaats.

Door bloote verandering in den vorm, den omvang of den naam van een bedrijf of beroep , of door bevordering of benoeming tot een ander ambt of eene andere waardigheid, betrekking of bediening in militairen, kerkelijken of openbaren burgerlijken dienst of wel in dienst van handel of nijverheid, wordt niet geacht aanvang of aanvaarding plaats te grijpen; tenzij de maatstaf van belooning of de toepassing daarvan geheel of gedeeltelijk verandering heeft ondergaan, eene bestaande winstverdeeling vervalt of gewijzigd wordt, of eene nieuwe ontstaat.

-ocr page 13-

9

De aanslag voor het loopende belastingjaar, door de commissievan aanslag bedoeld in art. 19 vastgesteld, blijft echter ook c\'an ongewijzigd.

Artikel 5.

§ 1. De vennootschappen, vereenigingen en maatschappijen bedoeld bij art. 1amp; zijn belastingplichtig naar het bedrag van hare gewone en buitengewone uitdeelingen, van welken aard ook, gedurende het belastingjaar aan oprichters, concessionarissen, preferente en gewone aandeelhouders, leden en andere deelgerechtigden in de winst, daaronder niet begrepen :

o. uitdeelingen aan beheerende vennooten, bestuurders, commissarissen , gecommitteerden en verder personeel als zoodanig ;

h. uitdeelingen of uitkeeringen aan onderstand genietenden in dezehunne eigenschap en aan verzekerden, voor zooveel de bedragen betreft, waarvoor verzekerd is;

c. uitdeelingen bestaande in teruggave van betaalde contributiën,. voor zoover deze niet geschieden door vereenigingen, die eene winkelnering of eene fabriek of handwerk drijven.

Kan worden aangetoond, dat in de uitdeeling tevens aflossing van kapitaal is begrepen en zoo ja, tot welk bedrag, dan wordt dat bedrag van die uitdeeling afgetrokken, totdat bet geheele bedrag van het gestorte kapitaal is afgelost of afgeschreven.

Bijschrijving op en uitreiking van aandeelen of obligatiën, voor zoover daarvoor geen storting plaats heeft, en uitkeering van het batig saldo in geval van liquidatie, voor zoover dit saldo het gestorte, doch nog niet afgeloste of afgeschreven kapitaal overtreft, worden als uitdeelingen aangemerkt.

Het bedrag, dat in een boekjaar, waarover de uitdeeling geschiedt, door in art. \\h genoemde vennootschappen, vereenigingen en maatschappijen is ontvangen ter zake van het bezit van aandeelen op naam in andere zoodanige vennootschappen , vereenigingen of maatschappijen, wordt van de uitdeeling afgetrokken.

§ 2. De reederijen bedoeld bij art. 1c zijn belastingplichtig naar het gemiddeld bedrag der uitkeeringen aan deelhebbers in de laatste

-ocr page 14-

10

drie jaren of, indien de reederij nog geen drie jaar heeft bestaan, sedert zij een aanvang nam, verminderd met eene rente op den voet van zeven ten honderd in het jaar over het aan de deelhebbers toebehoorend in de onderneming aangewend kapitaal.

Bij liquidatie geldt als winst wat meer wordt uitgekeerd dan het gestorte kapitaal.

§ 3. Met afwijking van het bepaalde bij § 1 zijn sociëteiten belastingplichtig naar het bedrag over het vorige boekjaar der contri-butiën, entreegelden en ontvangsten wegens de levering van eet- en drinkwaren, verpacht of niet verpacht, en het verschaffen van uitspanning aan leden of geïntroduceerden, een en ander na aftrek van de rante, kosten, afschrijvingen, bijdragen, winstuitkeeringen en retributiën, bedoeld bij artikel 3 § 2; alles onverminderd de belastingplichtigheid van den pachter, kastelein of buffethouder.

§ 4. Do stichtingen, bedoeld bij art. 1 c, zijn belastingplichtig naar het zuiver bedrag van de som der inkomsten, berekend volgens artikel 3 , uit de door haar uitgeoefende bedrijven en beroepen, met uitzondering, dat hierbij geen aftrek voor rente van eigen kapitalen wordt toegestaan.

Artikel O.

g 1. Personen, bedoeld bij artikel 1 d, zijn belastingplichtig naar het bedrag van hun jaarlijksch traktement, toelagen en emolumenten daaronder begrepen, verminderd met het bedrag der beroepskosten, bepaald volgens door Ons te stellen regelen, en der kortingen van traktementen en andere belooningen wegens verplichte bijdragen voor pensioenen en fondsen. Een en ander onverminderd hunne belastingplichtigheid ingevolge artikel 1 e en li.

§ 2. De in art. 1 « bedoelde buitenlandsche vennooten in Neder-landsche vennootschappen en maatschappen zijn belastingplichtig naar het bedrag der door hen gedurende het belastingjaar ontvangen winstuitkeeringen.

Voor de toepassing dezer wet gelden als Nederlandsche vennootschappen en maatschappen alleen dezulke, welker zetel in Nederland gevestigd is.

-ocr page 15-

11

§ 3. Dc spoorwegondernemingen bedoeld bij art. 1 /\' zijn belastingplichtig naar de halve jaarlijksehe bruto ontvangst por kilometer, zoo noodig berekend in verhouding tot die van de geheele lijn, ra aftrek eener rente ten bedrage voor gewone spoorwegen van f 3200 por kilometer, voor lokaalspoorwegen van f^OO en voor stoomtramwegen van /SOO per kilometer.

§ 4. In het buitenland gevestigden, die door tusschenkomst van gemachtigden hier te lande overeenkomsten aangaan tot brand-, zee-, levens- of andere verzekeringen, zijn belastingplichtig naar tien ten honderd van het in het vorige boekjaar aan premiën of kapitaal van in Nederland gevestigde verzekerden ontvangen bedrag, na aftrek dtr ■courtages, provisiën en rabatten , welke in mindering van dat bedrag komen.

§ 5. In het buitenland gevestigden, niet reeds begrepen onder §§ 3 en 4, die hier te lande persoonlijk of door gemachtigden een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, bediening of betrekking geregeld uitoefenen, zijn belastingplichtig naar hunne hier te lande verkregen winsten en belooningen, opgevat en berekend naar de bepalingen van artt. 3 en 4 dezer wet voor binnen het Kijk wonenden, met uitzonde ring, dat hierbij geen aftrek voor rente van eigen kapitalen wordt toegestaan.

Andere bij artikel 1 h bedoelden, die geacht worden hier te lande een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, bediening of betrekking slechts tijdelijk uit te oefenen of te zullen uitoefenen, zijn belastingplichtig , behoudens latere verrekening, indien noodig:

a. naar het zuiver bedrag hunner vermoedelijke winsten en belooningen hier te lande in het loopende belastingjaar, geschat bij billijke vergelijking met dat van personen hier te lande , die hetzelfde bedrijf of beroep uitoefenen en zonder aftrek voor rente van eigen kapitalen;

h. wanneer zij hier te lande in eene bezoldigde betrekking getreden zijn of treden, naar liet zuiver bedrag hunner bezoldiging in het loopende belastingjaar.

Het vervoeren van personen en goederen tusschen buitenlandsche en iSTederlaiidsche havens door of voor rekening van buitenslands gevestigden en werkzaamheid van in het buitenland gevestigd bezoldigd

-ocr page 16-

12

personeel op vervoermiddelen, die het verkeer met het buitenland onderhouden, worden niet aangemerkt als de uitoefening van een bedrijf of beroep hier te lande.

_§ 6. In het buitenland gevestigden bedoeld bij art. 1 i zijn belastingplichtig voor tien ten honderd van de verkoopwaarde der goederen in het voorafgaande belastingjaar door hen naar Nederland gezonden.

Artikel 1.

§ 1. De belasting van reederijen hier te lande gevestigd is verschuldigd in de persoon van den boekhouder, behoudens verhaal op de reeders.

§ 2. De belasting der buitenlandsche vennooten bedoeld bij artikel 1 e, is verschuldigd in de persoon van de voor deze schuld ieder voor het geheel aansprakelijke hier te lande wonende beheerende vesnooten, behoudens verhaal op de belastingplichtigen.

§ 3. De belasting der in het buitenland gevestigden bedoeld bij art. 1 y en h, hier te lande vertegenwoordigd door personen tot de-uitoefening van het bedrijf of beroep gemachtigd, is, behoudens verhaal op de belastingplichtigen, verschuldigd in de persoon dier vertegenwoordigers.

Zijn er twee of moer vertegenwoordigers, doch is aan eenen de algemeene leiding van het bedrijf hier te lande toevertrouwd, dan is-de belasting verschuldigd in zijn persoon.

§ 4. De belasting van ondernemers bedoeld bij artikel 1 i is, behoudens verhaal op de belastingplichtigen, verschuldigd in de persoon van de hier te lande gevestigde tusschenpersonen.

§ 5. Indien minderjarigen, voor zoover zij niet ingevolge artikel 480 van het Burgerlijk quot;Wetboek handlichting bekomen hebben, onder eurateele gestelden, krankzinnigen of afwezigen een binnen het Kijk wonenden wettelijken vertegenwoordiger hebben, is de belasting, behoudens verhaal op den belastingplichtige , verschuldigd in de persoon van dien vertegenwoordiger. Woont de vertegenwoordiger in het buitenland , dan is zij , mede behoudens verhaal, verschuldigd in de persoon van den gemachtigde of anderen, die hier te lande voor hem

-ocr page 17-

13

optreedt. Ontbreekt ook deze\', zoo is de belasting verschuldigd in de persoon van den belastingplichtige zelf.

Artikel 8.

Vrijgesteld van belasting zijn;

a. winsten van stichtingen, voortspruitende uit of verband houdende met het geven van onderwijs, het voorkomen of lenigen van armoede, verpleging, verzorging of zedelijke verbetering en het verstrekken aan minvermogenden van kost, inwoning of kost en inwoning, geneeskundige hulp, geneesmiddelen en begrafenis of begrafenisgelden;

h inkomsten van spoorwegondernemingen in liet buitenland gevestigd, welker exploitatie op Nederlandsch grondgebied zich niet verder uitstrekt dan tot het naast bij de grens gelegen station, mits J^ederlandsche spoorwegondernemingen in het land waar eerstgenoemde gevestigd zijn gelijke vrijstelling genieten;

c. inkomsten van gezanten en andere vertegenwoordigers of diplomatieke ambtenaren van vreemde Mogendheden, die naar de regelen van het volkenrecht of krachtens verdragsbepalingen op vrijdom van persoonlijke lasten aanspraak hebben. Deze vrijstelling kan onder voorwaarde van wederkeerigheid worden uitgestrekt tot consuls of consulaire ambtenaren van vreemde Mogendheden, mits zij vreemdelingen zijn en hier te lande overigens geen bedrijf of beroep uitoefenen.

Artikel 9.

De belasting bedraagt:

A. voor binnen het Rijk wonenden, die niet in de vermogensbelasting zijn aangeslagen ;

voor hen, die buiten het Rijk in Europa een Nederlandsch Staatsambt uitoefenen ;

en voor de in het buitenland gevestigden, bedoeld bij art. 1 h , die hier te lande persoonlijk of door gemachtigden een bedrijf, beroep ambt, waardigheid, bediening of betrekking geregeld uitoefenen-,

-ocr page 18-

14

■wanneer de zuivere inkomsten bedraaen :

f 050

tot beneden f 700 . .

. . . r 1,00

700

»

750 .

. . . 2,00

750

»

»

800 . .

. . . 2,75

800

»

»

850 . .

850

»

900 . . .

. . 4,25

900

»

»

950 . . ,

950

»

1 000 . . .

. . 5,75

i 000

1 050 . . .

, . . 0,50

1 050

»

»

1 100 . . .

. . * 7,25

1 100

»

»

1 150 . . ,

. . . 8,00

1 150

»

»

1 200 . . ,

1 200

»

»

1 250 . . ,

i 250

»

»

1 300 . . .

, . . 10,25

1 aoo

»

»

1 350 . . ,

. . . 11,00

1 350

»

»

1 400 . . ,

, . . 11,75

1 400

»

»

1 450 . . ,

. . . 12,50

1 450

»

»

1 500 . . ,

. . . 13,25

1 500

1 000 . . .

. . . 14,00

Bedraden z:j moer dan f 1500, docli niet meer dan ƒ 8200, zoo is verschuldigd oeno vaste som van f 14 , benevens f 2 voor elko gelieele som van f 100, waarmede zij het bedrag van f 1500 te boven gaan.

Bedragen zij meer dan f 8200, zoo is verschuldigd eene vaste som van f 148, benevens f 3,20 voor elke geheele som van /quot;100, waarmede zij het bedrag van f 8200 te boven gaan.

15. voor hen, die in de vermogenshelasting zijn aangeslagen: a. indijn het belastbaar vermogen f 13 000 of f 14 000 bedraagt: wanneer de zuivere inkomsten bedragen:

/\' 250 tot beneden f 300 .

300 350 400 450 500

350 400 450 500 550

f 2,00 2,75 3,50 4,25 5,00 5,75

-ocr page 19-

15

f 550 tot beneden f

O O

... ƒ 6.50

600

»

050

. . . 7/25

C50

700

. . . 8,00

700

)gt;

750

8.7o

750

))

»

800

. . . 9,50

800

850

. . . 10,25

850

»

»

900

. . . 11,00

900

»

»

950

. . . 11,75

950

»

»

1 000

. . . 12,50

1 000

»

))

1 050

. . . 13,25

1 050

»

1 150

. . . 14,00

zij meer

dan f 1050,

zoo is

verschuldigd eene vaste som

van /\' 14, benevens f 2 voor elke geheele som van f 100, waarmede zij het bedrag van f 1050 te boven gaan.

Bedragen echter de zuivere inkomsten , gevoegd bij vier ten honderd van het belastbaar vermogen, meer dan /quot;8150, dan is over dat meerdere nog f 1,20 voor elke geheele som van ƒ 100 verschuldigd;

h. indien het belastbaar vermogen f 15 000, doch niet meer dan f 200 000 bedraagt:

wanneer de zuivere inkomsten bedragen;

250

tot beneden /\'

300 . .

• /\' 1,25

300

»

D

350 .

2,00

350

»

)gt;

400 .

2,75

400

»

»

450 .

3,50

450

»

»

500 .

4,25

500

»

»

550 .

5,00

550

B

))

600 .

5,75

600

»

»

650 .

6,50

050

»

700 .

7,25

700

»

»

750 .

8,00

750

»

»

800 .

8,75

800

»

))

850 .

9,50

850

»

»

900 .

. 10,25

900

Tgt;

»

950 .

•14,00

950

D

»

1 000 .

11,75

-ocr page 20-

16

/\'1000 tot beneden/■ 1050 . . . ƒ12,50 1050 » » 1100 . . . 13,25 1100 » » 1200 . . . 14,00 Bodragen zij meer dan f 1100, zoo is verscliuldigd eene vaste som van f 14, benevens f 2 voor elke geheele som van f 100, waarmede zij het bedrag van f 1100 te boven gaan.

Bedragen echter do zuivere inkomsten , gevoegd bij vier ten honderd van het belastbaar vermogen, meer dan f 8200, dan is over dat meerdere nog f 1,20 over elke geheele som van f 100 verschuldigd.

c. indien het belastbaar vermogen meer dan ƒ 200 000 bedraagt: f 3,20 voor elke geheele som van /quot;100 der zuivere inkomsten, waarmede zij het bedrag van ƒ 200 te boven gaan.

C. voor de in het buitenland gevestigden, die hier te lande rondreizen om hestellingen op tc nemen:

f 15 in ieder belastingjaar , onverminderd de belasting uit anderen hoofde krachtens deze wet door hen verschuldigd;

I). voor alle overige belastingplichtigen:

f 2,50 van elke geheele som van f 100.

Voor de in het buitenland gevestigden, bedoeld bij art. 1/t, die hier te lande slechts tijdelijk een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, bediening of betrekking uitoefenen, wordt echter de belasting berekend op f 0,50 van elke geheele som van ( 25, waarmede in elke drie kalendermaanden hunne inkomsten het bedrag van f 150 te boven gaan.

Artikel 10.

Voor de toepassing van artt. 21 en 24 v^,n het tractaat van handel en scheepvaart met Pruisen en de verdere Staten van het Duitsche Tolverbond van 24 December 1851 {Staatsblad 1852 n0. 104) en van art. 5 der overeenkomst met Duitschland, tot regeling van de uitoefening der geneeskunst in de grensgemeenten, van 11 December J 873 {Staatsblad 1874 n0. 71), wordt de belasting op bednjfs- en andere inkomsten ten hoogste tot het daar bepaalde bedrag geheven.

-ocr page 21-

17

HOOFDSTUK II.

Belastingjaar. Besciirijvixg.

Artikel II.

§ 1. Het belastingjaar begint met 1 Mei en eindigt met 30 April.

§ 2. Bij aanvang van belastingpliclitigheid in den loop van het quot;belastingjaar is de belasting, indien zjj over het jaar is berekend en niet slechts over een deel daarvan, noch over do uitdeelingen en uit-keeringen bedoeld bij art. 5 § § 1 en 2 nn art. G § 2, slechts verschuldigd over zooveel twaalfde gedeelten van het belastingjaar als het aantal geheele maanden beloopt, die nog niet zijn ingetreden.

§ 3. Aanvang van belastingplichtiglieid in den loop van het belastingjaar heeft plaats:

a. voor hen, die op 1 Mei wel binnen het Rijk wonen, doch volgons de bepalingen dezer wet geen belasting verschuldigd zijn: wanneer zij in den loop van het belastingjaar inkomsten verwerven als bedoeld bij art. 4, § 1 ten bedrage van f 650 of meer per jaar, of wanneer zij een bedrijf of beroep aanvangen of een ambt, waardigheid , bediening of betrekking aanvaarden, waarvan do jaarhjksche inkomsten, berekend naar de bepalingen dezer wet, blijkens overeenkomsten of andere gegevens op f G50 of meer kunnen worden begroot;

h. voor hen die zich na 1 Mei metterwoon binnen het Rijk vestigen: wanneer zij tijdens die vestiging reeds in het genot zijn van inkomsten, begrepen in art. 2 § 1 en waarvan het bedrag op minstens zooveel kan worden begroot als belastbaar is volgens de bepalingen dezer wet, en voorts in de hierboven genoemde gevallen;

c. voor de personen bedoeld bij art. 1 d, wanneer zij in den loop van het belastingjaar een Nederlandsch Staatsambt buiten het Rijk aanvaarden: op den dag van ingang hunner bezoldiging;

d. voor de spoorwegondernemingen bedoeld bij art. 1 f: bij den aanvang van haren dienst op Xederlandsch grondgebied;

e. voor stichtingen en voor de buitenslands govestigden, bedoeld bij art. 1 h; bij den aanvang der uitoefening van het bedrijf, beroep, ambt of de waardigheid , bediening of betrekking hier te lande, indien

2

-ocr page 22-

18

hot inkomen daaruit op minstens zooveel kan worden begroot, als belastbaar is volgens de bepalingen dezer wet;

f. voor de buitenslands gevestigden, bedoeld bij art. 1 k: bij den aanvang hunner werkzaamheid hier te lande.

§ 4. Het bepaalde in § 2 is niet van toepassing op belastingplichtigen bedoeld bij art. 1 k.

Artikel 12.

§ 1. De belasting wordt geheven ingevolge aangiften der belastingplichtigen of hunne vertegenwoordigers op beschrijvingsbiljetten.

Er zijn beschrijvingsbiljetten A, B en C.

Biljet A is bestemd tot aangifte:

I. van den naam, de voornamen en de woonplaats of plaats van vestiging van hen, door wie de aangifte geschiedt; voorts van den naam, de voornamen en de woonplaats of plaats van vestiging van hen, op wie de aangifte betrekking heeft, alsmede van hunne bedrijven,, beroepen, bezoldigde ambten . waardigheden , bedieningen , betrekkingen en verdere bronnen van inkomsten bedoeld bij art. 2 § 1, art. 5 §§ 3 en 4 en art. 6 § 5;

II. van bijzonderheden , niet ontleend aan kasboeken, balansen of winst-en-verliesrekeningen, waarvan de kennis gevorderd wordt tot beoordeeling van den aard en den omvang der bedrijven, beroepen, bezoldigde ambten , waardigheden , bedieningen en betrekkingen hierboven bedoeld;

III. wanneer een beroep of bedrijf wordt uitgeoefend in vennootschap of maatschap met anderen, van den naam en de woonplaats dezer personen , voor zooverre zij beheerende of hoofdelijk aansprakelijke-vennooten zijn. Wanneer er commanditaire vennooten zijn , wordt daarvan melding gemaakt;

IV. voor hen , die tevens biljet B ontvangen , van het percentsgewijamp; bedrag der afschrijvingen bedoeld bij art. 3 § 2« en van het bedrag der als kosten ingevolge art. 3 § 4 berekende huur of huurwaarde;

V. in de gevallen bedoeld bij art. 2 § 2 , van het vermogen van den belastingplichtige opgevat en berekend volgens de wet van 27 September 1892 {Staatsblad nquot;. 223).

-ocr page 23-

19

Biljet B is uitsluitend bestemd tot aangifte van inkomsten of ontvangsten, belastbaar volgens deze wet.

Biljet C is bestemd tot aangifte van de uitkeeringen of uitdeelingen waarover ingevolge art. 5 §§ 1 en 2 en art. 6 § 2 belasting verschuldigd is.

De formulieren voor de biljetten worden bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld.

§ 2. Biljet A wordt uitgereikt:

1quot;. aan alle binnen het Kijk wonende of gevestigde personen of lichamen , die geacht worden hetzij uit eigen hoofde, hetzij als gemachtigde , vertegenwoordiger of tusschenpersoon voor anderen, op 1 Mei belastingplichtig te zijn.

Wordt eene onderneming door meer dan een in Nederland wonenden hoofdelijk aansprakeljjken vennoot onder eene firma gedreven, zoo geschiedt de uitreiking van biljet A ook aan die firma, ter vermelding der bijzonderheden bedoeld bij § 1 I—IV van dit artikel, voor zooveel zij de door die firma gedreven onderneming betreften. Ten blijke dat zij met den inhoud instemmen zijn alle in Nederland gevestigde hoofdelijk aansprakelijke vennooten gehouden do aangifte met hun eigen naam te onderteekenen. Bij hunne individueele aangifte op biljet kunnen zij naar deze aangifte verwijzen;

2 \'. aan de in het buitenland gevestigden , die op 1 Mei persoonlijk of als gemachtigde hier te lande een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid , bediening of betrekking uitoefenen en geacht worden belastingplichtig te zijn.

De uitreiking van biljet A geschiedt echter niet aan dezulken die alleen belastingplichtig zijn naar uitkeeringen of uitdeelingen , noch aan hen voor wie , ingevolge art. 7 §§ 3 , 4 en 5, de belasting verschuldigd is in de persoon van een ander.

Biljet B wordt uitgereikt:

1°. aan alle in het Rijk wonenden aan wie biljet A wordt uitgereikt, voor zooverre :

a. zij geacht worden in de vermogensbelasting belastingplichtig te zijn ;

h. hunne inkomsten , ongerekend die uit vermogen , hoofdzakelijk

-ocr page 24-

20

quot;oaclit wonion te bestaan uit vaste traktementen eu andere inkorastei!

O

bedoeld bij art. 4 § 1 ;

c. zij in het vorige belastingjaar naar een bedrag van ƒ 2000 of meer in deze belasting waren aangeslagen ;

d. zij den ontvanger der directe belastingen uiterlijk op 15 Mei hunnen wenscli om een biljet B te ontvangen schriftelijk hebben kenbaar gemaakt;

2°. aan hier te lande gevestigde stichtingen en sociëteiten aan wie een biljet A wordt uitgereikt;

Squot;. aan allen die een Nederlandsch Staatsambt uitoefenen buiten het Rijk zonder daar aan persoonlijke lasten onderworpen te zijn ,

4°. aan spoorwegondernemingen in het buitenland gevestigd, wier exploitatie zich op Nederlandsch grondgebied uitstrekt;

öo. aan in het buitenland gevestigden, die hier te lande door tusschenkomst van gemachtigden hier gevestigd, overeenkomsten aangaan tot brand-, zee-, levens- of andere verzekering;

Oquot;, aan andere in het buitenland gevestigden die op 1 Mei hier te lande een bedrijf, beroep, ambt, waardigheid, betrekking of bediening uitoefenen, waarvoor zij kantoren of andere vaste inrichtingen bezigen of waaraan vaste inkomsten, niet bestaande uit dag- of weekloonen, verbonden zijn ;

7°. aan in het buitenland gevestigden , die herhaaldelijk stoffen of kleedingstukken, sieraden, meubelen, speelgoed, voedings- en genotmiddelen en andere dergelijke artikelen in koop toezenden aan niet daarin handeldrijvenden hier te lande door bemiddeling van hier te lande gevestigde tusschenpersonen.

Aan de onder 3quot;., 5°., 6°. en 7°. bedoelden worden slechts dan biljetten uitgereikt, wanneer zij geacht worden op 1 Mei belastingplichtig te zijn.

De biljetten bestemd voor de sub 4°. bedoelden worden uitgereikt aan hunne vertegenwoordigers bij de Xedorlandscho Regeering; die voor de sub 5°. en 7°. bedoelden, aan hen in wier perjoou de belasting verschuldigd is. Oefenen de sub 6\\ genoemden hun bedrijf of beroep door hier te lande gevestigde gemachtigden uit, dan geschiedt do uitreiking aan die gemachtigden.

-ocr page 25-

21

De biljetten worden uiterlijk in Juli door of vanwege den ontvanger der dirceto belastingen uitgereikt.

Of een biljet of biljetten zullen worden uitgereikt beoordeelt de hoofdambtenaar der directe belastingen bedoelu in art. 1!J. Over de vraag of iemand geacht moet worden in de vermogensbelasting belastingplichtig te zijn raadpleegt hij den inspecteur der registratie, wiens advies door hem wordt gevolgd.

Biljet C wordt uitgereikt:

1quot;. aan do vennootschappen, vereenigingen en maatschappijen bedoeld bij art. 1 h;

2quot;. aan de boekhouders van reederijon bedoeld bij art. 7 § 1;

3quot;. aan de hier te lande wonende beheerende vennooten bedoeld bij art. 7 § 2;

tot aangifte te zijner tijd van de uitkeeringen of uitdeelingen, voor welke naar deze wet de belasting verschuldigd is.

De uitreiking geschiedt bij het begin van het belastingjaar, des-gevorderd in meer dan één exemplaar.

§ 3. Ieder aan wien een beschrijvingsbiljet is uitgereikt, hetzij voor hem persoonlijk of als belastingplichtig voor anderen, is gehouden de daarin gestelde vragen duidelijk, stellig en zonder voorbehoud naar waarheid te beantwoorden en het met zijne naamteekening te bekrachtigen.

Hij aan wien een biljet is gezonden, en die over het loopend belastingjaar in eene andere gemeente van het Kijk is aangeslagen of daar reeds aangifte heeft gedaan, vermeldt dit op het biljet, met opgaaf van den naam dier gemeente, onverminderd zijne verplichting tot aangifte in het geval, bedoeld bij art. 1-4 § 4.

De aangifte voor bier te lande gevestigde naamlooze vennootschappen, commanditaire vennootschappen op aandeden, coöperatieve of andere vereenigingen, onderlinge verzekeringmaatschappijen, sociëteiten en stichtingen, geschiedt door de hier te lande gevestigde bestuurders of beheerende vennooten; die van spoorwegondernemingen bedoeld bij art. 1 f, door haren vertegenwoordiger bij de Xeder-landsche Kegeering.

-ocr page 26-

22

§ 4. De beschrijvingsbiljetten worden uitgereikt ter plaatse waar ingevolge art. 17 de aanslag geschiedt.

De voor eene firma bestemde biljetten A worden echter uitgereikt ter plaatse, waar deze haren zetel heeft.

Voor belastingplichtigen aan wie geen biljetten worden uitgereikt, alsmede voor alle belastingplichtigen die geen biljetten hebben ontvangen of wier biljetten in het ongercede zijn geraakt, worden biljetten kosteloos verkrijgbaar gesteld , zoowel bij de ontvangers der directe belastingen als op de secretariën der gemeenten.

Artikel 13.

§ 1. De dag waarop met de uitreiking van de beschrijvingsbiljetten zal worden begonnen, wordt door den Commissaris der Koningin in de provincie bepaald en door het gemeentebestuur ter algemeene kennis gebracht.

De biljetten A en B worden na twintig dagen door of vanwege den ontvanger teruggehaald, indien zij niet reeds terstond na de uitreiking ingevuld en onderteekend aan dezen of zijn gemachtigde zijn teruggegeven of vóór het verstrijken van den hierboven bedoelden termijn ten kantore van den ontvanger zijn bezorgd. Zij kunnen worden afgegeven in gesloten omslag en een ontvangbewijs kan worden geëischt.

De hierboven bedoelde termijn kan door don hoofd-ambtenaar dei-direct\'! belastingen bedoeld bij art. 19 worden verlengd.

§ 2. Indien hij, aan wien biljetten zijn uitgereikt, of die, ook zonder dat hem biljetten zijn uitgereikt, tot het doen van aangifte verplicht is, niet in staat mocht zijn om aangifte te doen, kan dit door een ander, namens hem, worden gedaan, hetzij krachtens schriftelijke volmacht, hetzij op schriftelijke vergunning van den hoofdambtenaar der directe belastingen bedoeld bij art. 19. Volmacht ot vergunning worden in die gevallen aan de aangifte gehecht.

g 3. Indien iemand verklaart niet te kunnen schrijven, geschiedt de invulling der biljetten op zijn verlangen en met vermelding dei-reden kosteloos door don ontvanger of zijn gemachtigde, die daarna do aangifte, na voorlezing, namens den belastingplichtige in tegen-

-ocr page 27-

23

quot;vvoordiglieid van een getuige onderteekent. De getuige onderteekent mede.

Artikel 14.

§ 1. Allen die op 1 Mei uit eigen hoofde of als gemachtigde, vertegenwoordiger of tussohenpcrsoon belastingplichtig zijn, zijn gehouden uiterlijk binnen twee maanden na den dag, door den Commissaris der Koningin in de provincie voor het begin van de uitreiking der beschrijvingsbiljetten bepaald, hunne aangifte in den voorgeschreven vorm op biljet A in te dienen , bijaldien zij dit biljet A niet hebben ontvangen of het niet is teruggehaald.

Dit voorschrift is niet van toepassing op hen die een Nederlandsch Staatsambt uitoefenen buiten het Eijk, op de spoorwegondernemingen bedoeld bij art. 1 f, op dezulken die alleen belastingplichtig zijn naar uitkeeringen en uitdeclingen, noch op hen voor wie ingevolge art. 7 § § 3 , 4 en 5 de belasting verschuldigd is in de persoon van een ander.

De indiening geschiedt ten kantore van den ontvanger der directe belastingen, ter plaatse waar zij ingevolge art. 17 moeten worden aangeslagen ; of indien aldaar geen zoodanig ontvanger gevestigd is, fe\'J het bestuur der gemeente.

Het gemeentebestuur zendt de aangiften onverwijld aan den ontvanger der directe belastingen tot wiens kantoor de gemeente behoort.

§ 2. De hierboven bedoelde termijn kan door den hoofd-ambtenaar der directe belastingen bedoeld bij art. 19 worden verlengd.

§ 3. Belastingplichtigen, wier winstaangifte afhangt van de nog vast te stellen balans der onderneming, kunnen voorloopig volstaan met de beantwoording van het beschrijvingsbiljet A, en biljet B, indien hun dit is uitgereikt, voor memorie invullen. In dit geval zal echter die aangifte moeten volgen binnen acht dagen na den termijn ■voor die vaststelling bepaald, waartoe hun desverlangd de vereisohte formulieren kosteloos worden verstrekt.

§ 4. Bij aanvang van belastingplichtigheid in den loop van het belastingjaar doet hij, die uit eigen hoofde of voor anderen belastingplichtig is, binnen vier weken daarvan onder vermelding van .zijn adres en den grond zijner belastingplichtigheid schriftelijk aan-

-ocr page 28-

24

gifte ten kantore van den ontvanger der directe belastingen in de gemeente, waar hij ingevolge artikel 17 zal worden aangeslagen, of\', indien aldaar geen zoodanig ontvanger gevestigd is, bij het bestuur der gemeente.

Het bestuur der gemeente zendt in het laatste geval die aangifte onverwijld aan den ontvanger der directe belastingen, tor wiens-kantoor de gemeente behoort.

Daarop worden hem aangeteekend per post het biljet of de biljetten toegezonden, die hij ingevolge artikel 12 § 2 zou ontvangen hebben, bijaldien zijn belastingplicht reeds op 1 Mei had bestaan. Behoort hij tot de belastingplichtigen bedoeld bij artikel la of tot de gemachtigden van belastingplichtigen bedoeld bij art. 17/, aan wie het biljet B niet wordt uitgereikt, doch wenscht hij dit biljet niettemin te ontvangen, zoo maakt hij dezen wensch schriftelijk kenbaar aan den ontvanger of het gemeentebestuur vermeld in het eerste lid dezer paragraaf, te gelijk met zijne daarbedoelde aangifte.

Hij bezorgt het biljet of de biljetten, desgevorderd tegen ontvangbewijs, binnen drie weken na den dag der toezending ter plaatse waar hij de aangifte, vermeld in het eerste lid, heeft gedaan.

Het gemeentebestuur, dat het biljet of de biljetten ontving, zendt deze onverwijld aan den ontvanger.

Voorts is artikel 12 § 3 eerste en § 4 laatste lid hier van toepassing.

De in deze paragraaf genoemde termijnen kunnen door den hoofdambtenaar der directe belastingen , bedoeld bij art. 19, verlengd worden.

Artikel 15.

§ 1. Bij verandering van de bijzonderheden in biljet A ■vermeldr binnen twee maanden nadat het biljet is ingeleverd, wordt daarvan binnen veertien dagen door den aangever schriftelijk kennis gegeven aan den ontvanger der directe belastingen in do gemeente waar de aanslag zal geschieden, of zoo daar geen zoodanig ontvanger ge-quot;vestigd is, bij het bestuur der gemeente.

Het gemeentebestuur zendt deze kennisgeving onverwijld aan den ontvanger der directe belastingen, tot wiens kantoor de gemeente behoort.

§ 2. Ieder die optreedt als bestuurder of beheerend vennoot van

-ocr page 29-

25

eene hier te lande gevestigde vennootschap, onderlinge verzekering-maatschappij, coöperatieve vereeniging, of van eene vereeniging ot stichting die een bedrijf of beroep uitoefent, of als boekhouder eener hier te lande gevestigde reedery , is gehouden daarvan schrittohjk binnen eene maand kennis to geven bij het bestuur der gemeente waar hij .woont.

Het gemeentebestuur handelt met deze kennisgeving op de wijze voorgeschreven in de laatste zinsnede der vorige paragraaf.

Artikel 16.

Hier te lande wonende beheerende vennooten van Nederlandsche vennootschappen en maatschappen, als bedoeld in art. 6 § 2, en van de in art. \\h bedoelde commanditaire vennootschappen op aan-deelen, bestuurders van hier te lande gevestigde naamlooze vennootschappen , coöperatieve en andere vereenigingen en onderlinge verzekeringmaatschappijen, als ook boekhouders van hier te lande gevestigde reederijen mogen niet tot het doen van uitdeelingen ot uitkeeringen, waarover volgens art. 5 §§ 1 en 2 en art. 6 § 2 belasting verschuldigd is, overgaan, alvorens daarvan aangifte gedaan en de over vroegere uitdeelingen of uitkeeringen verschuldigde belasting betaald te hebben.

Bij liquidatie mogen do hier bedoelde uitdeelingen of uitkeeringen niet geschieden , alvorens de daarover verschuldigde belasting is voldaan.

HOOFDSTUK III.

Aanslag. Beuoep.

Artikel 17.

De aanslag der belastingplichtigen geschiedt ter plaatse als volgt:

1°. Belastingplichtigen bedoeld bij artikel la : in de gemeente waar zij wonen op 1 Mei of bij het begin van hunne belastingplichtigheid in het loopend belastingjaar.

De woonplaats van den binnen het Rijk wonendeu man wordt geacht ook de woonplaats te zijn van zijne vrouw, van wie hij niet van tafel en bed gescheiden is.

-ocr page 30-

26

Minderjarigen die geene handlichting hebben bekomen ingevolge art. 480 van het Burgerlijk Wetboek, onder curateele gestelden, krankzinnigen en afwezigen, voor wie de belasting verschuldigd is in de persoon van een ander, worden, indien hun een aanslag moet worden opgelegd, aangeslagen in do gemeente waar hunne wettelijke vertegenwoordigers wonen, en zoo deze in het buitenland wonen, in de gemeente waar de gemachtigden dier vertegenwoordigers wonen , of. de personen die hier te lande voor hen optreden.

Voor rondreizende of rondtrekkende personen zonder vaste woonplaats, wordt de plaats van het werkelijk verblijf daarvoor gehouden ;

2quot;. Belastingplichtigen bedoeld in artikel \\h en c: ter plaatse waar lt;le zetel dier lichamen of do boekhouder der reederij gevestigd is ;

3°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel ld: te \'s Gravenhage;

4°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel le: ter plaatse waar de zetel der vennootschap of maatschap gevestigd is ;

5°. Belastingplichtigen bedoeld in artikel 1 ƒ, ff, h, i en k: ter plaatse waar hunne vertegenwoordigers, gemachtigden of agenten, expediteurs of andere personen die voor hen optreden gevestigd zijn of, bij gebreke van zoodanigen , de gemeente waar het bedrijf, beroep of ambt of de waardigheid, bediening of betrekking hier te lande wordt of zal worden uitgeoefend.

Strekt zich in het laatstbedoelde geval dat bedrijf, beroep of ambt of die waardigheid, bediening of betrekking uit over verschillende gemeenten, dan geldt als zoodanig de gemeente waar de uitoefening in het belastingjaar begint.

Bij verschil van gevoelen over de plaats waar een belastingplichtige moet worden aangeslagen, beslist de Minister van Financiën.

Artikel 18.

Aan art. 2, 1ste lid, der wet van 5 April 1870 {Staatsblad n0. 63) wordt het volgende toegevoegd :

„Wij behouden Ons echter voor in eene gemeente meer dan een collegie van zetters in te stellen, in zoodanig geval het aantal leden

-ocr page 31-

27

v m elk collegie, behoudens het bovenbedoelde maximum, te bepalen en do werkzaamheden onder die eollegiën te verdeelen.quot;

Aan art. 2, 2e lid, der evengenoemde wet wordt het volgende toegevoegd :

„Voor werkzaamheden echter betreffende de belasting op bedrijfs-en andere inkomsten is, met afwijking van het bepaalde bij art. 5, tweede lid, een hoofdambtenaar dor directe belastingen, aan te wijzen door den Minister van Financiën ambtshalve lid en voorzitter. Art. 14 en art. 16 zijn bij het verrichten dezer werkzaamheden niet van toepassing.quot;

Aan art. 3 der evengenoemde wet wordt het volgende toegevoegd:

„ Bij instelling van meer dan een collegie van zetters in eeno gemeente geschiedt de benoeming der niet ambtelijke leden de eerste maal uit eene opgave door den Gemeenteraad binnen twee maanden na het instellen van het collegrie of do colleniön in te zenden aan

O O

den Commissaris der Koningin in de provincie , die het tijdstip van het optreden der benoemden bepaalt.

„ De helft der aldus benoemde leden treedt af met het einde van het volgend jaar, de overigen twee jaar later, overeenkomstig de r ;gelen bij art. 4 , 3de en 4do lid, dezer wet bepaald.quot;

Artikel 19.

§ 1. De aanslag wordt in elke gemeente vastgesteld:

a. voor de belastingplichtigen bedoeld bij art. 1 a, indien zij niet behooren tot dezulken aan wie ingevolge art. 12 § 2 hot biljet B wordt uitgereikt: door een der eollegiën van zetters bedoeld bij de wet van van 5 April 1870 (Staatsblad nquot;. 63);

b. vour alle overige belastingplichtigen : door eene commissie bestaande uit een hoofdambtenaar der directe belastingen , aan te wijzen dooiden Minister van Financiën , een lid benoemd door Gedeputeerde Staten , oen lid benoemd door den Gemeenteraad en een lid benoemd door den Kantonrechter in wiens rechtsgebied de commissie volgens Onze aanwijzing is gevestigd.

Bij het regelen van aanslagen van hen, die belastingplichtig zijn naar de vermogensbelasting , maakt een door den Minister van Financiën

-ocr page 32-

28

aan te wijzen inspecteur der registratie deel uit der commissie.

Yoor elk der leden wordt op dezelfde wijze een plaatsvervanger benoemd.

Voorzitter der commissie is de hierboven bedoelde hoofdambtenaar der directe belastingen.

§ 2. Wij behouden Ons voor om in eéne gemeente meerdere com-missiën bedoeld bij § 1 i, of voor meerdere gemeenten te zamen , gelegen in dezelfde provincie , slechts eéne zoodanige commissie in te stellen. Geschiedt dit laatste, zoo bestaat de commissie uiteen hoofdambtenaar der directe belastingen, aan te wijzen door den Minister van Financiën , twee leden benoemd door Gedeputeerde Staten en een lid benoemd door den Kantonrechter in wiens rechtsgebied do door Ons aangewezen standplaats der commissie is gevestigd.

quot;Verder zijn de drie laatste zinsneden der vorige paragraaf van toepassing.

§ 3. Waar in deze wet gesproken wordt van de commissie van aanslag wordt daaronder verstaan, zoowel het collegia van zetters belast met den aanslag, als de commissiën bedoeld bij § 1 i en § 2.

S 4. De commissiën van aanslag zijn gehouden elkander de vereischte inlichtingen te verschaffen, die zij geven kunnen.

Daarenboven kan de Minister van Financiën voor een bepaalde gemeente of groep van gemeenten Adviseurs benoemen , wier taak het is , om ieder afzonderlijk of vergaderd onder voorzitterschap van den door genoemden Minister aan te wijzen hoofdambtenaar der directe belastingen , de inlichtingen te verschaffen, waartoe zij in staat en bevoegd zijn omtrent aanslagen van belastingplichtigen»

§ a. Op de commissiën bedoeld bij § 1 6 en § 2 en de bij § 4 bedoelde Adviseurs is van toepassing het bepaalde bij art. 1 , 2de lid , art. 5 , 1ste, 4de, 5de en 6de lid, art. 8, 1ste lid, art. 10, 1ste lid, art. 11 en art. 12 der wet van 5 April 1870 (Staatsblad nquot;. 03).

Mede is van toepassing het bepaalde bij art. 5 , 2de lid, voor zoover daarvan niet bij §§ 1 en 2 is afgeweken.

De kosten van het lokaal, daaronder begrepen die van meubeleering, verlichting, verwarming en schoonhouden daarvan , ten behoeve van meer dan een collegie van zetters in dezelfde gemeente, van de com-

-ocr page 33-

29

missiën als bedoeld in § 1 i en van de Adviseurs bedoeld bij § 4 , komen ten laste van het llijk.

§ (5. Do niet ambtelijke leden van de commissiën van aanslag en hunne plaatsvervangers leggen , alvorens hunne werkzaamheden tot uitvoering dezer wet aan te vangen, ten overstaan van den voorzitter den volgenden eed of belofte af;

„ Ik zweer (beloof), dat ik, als lid (plaatsvervangend lid) van de commissie van aanslag voor de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten, overeenkomstig de bepalingen der wet met nauwgezetheid en onpartijdigheid en volgens mijn geweten zal handelen en dat ik hetgeen mij in mijn ambt nopens aanslagen in de genoemde belasting, vermogens, inkomsten , uitkeeringen of uitdeelingen, bedrijven, beroepen, \'ambten, waardigheden, bedieningen, betrekkingen of werkzaamheden blijkt of medegedeeld wordt, zal geheim houden. Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat beloof ik).quot;

Van deze handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.

Wegens het afleggen van den eed of belofte en liet opmaken van het proces-verbaal zijn geen kosten verschuldigd.

Bij herbenoeming wordt geene nieuwe eed of belofte gevorderd, doch wordt van de vroeger afgelegde verklaring door den voorzitter op do nieuwe akte van aanstelling melding gemaakt.

§ 7. Do commissie van aanslag brengt de aanslagsregeling ten einde binnen den tijd door den Commissaris der Koningin in de provincie te bepalen. Is dat werk niet binnen dien tijd gereed, dan wordt het door het ambtelijk lid of de ambtelijke leden van elke commissie met den burgemeester der gemeente, waar de aanslag ingevolge art. 17 mo-\'t geschieden, ten spoedigste volbracht. In dit geval wordt bij verschil van meening tussehen den burgemeester en een ambtelijk lid beslist door den Provincialen Inspecteur der directe belastingen , invoerrechten en accijnzen, in wiens inspectie de gemeente gelegen is.

§ 8. De benoeming van de leden der commissiën bedoeld bij § ly en § 2 en der Adviseurs bedoeld bij § 4 geschiedt telkens voor vier jaren. De aftredenden zijn herbenoembaar.

De diensttijd der niet ambtelijke leden en hunne plaals ver vangers gaat in met den eersten Januari. Vóór den eersten November van het

-ocr page 34-

30

voorafgaande jaar worden zij benoemd. Zij kunnen tusschentijds bij een met redenen omkleed besluit worden ontslagen door de autoriteit die hou benoemd heeft.

Bij tussehentijdsch. ontslag of overlijden van een niet ambtelijk lid of plaatsvervanger wordt onverwijld door de autoriteit, die dat lid of dien plaatsvervanger benoemd heeft, een ander in zijne plaats benoemd. De tusschentijds benoemde treedt af op het tijdstip waarop degene, in wiens plaats hjj benoemd is, zou hebben moeten aftreden.

Artikel \'20.

Indien de commissie van aanslag nadere toelichting eener aangifte noodig acht, kan zij den aangever daartoe in de gelegenheid stellen. Tenzij de aangever schriftelijk zijn verlangen te kennen geeft om dooide commissie zelve gehoord te worden , geschiedt deze nadere toelichting aan den voorzitter.

Artikel 21.

§ 1. Indien de commissie van aanslag geen bedenking heeft tegen de aangifte van het bedrag, naar hetwelk de aanslag ingevolge deze wet moet geschieden, wordt de aanslag door haar, behoudens de bepalingen van § 3, in overeenstemming met die aangifte vastgesteld.

De commissie is bevoegd den aanslag vast te stellen naar een hooger dan het aangegeven bedrag, indien dit laatste, om welke reden ook, haar te laag voorkomt.

§ 2. De aanslag van hem, die van het in § 1 bedoelde bedrag geen aangifte heeft gedaan, wordt ambtshalve geregeld.

§ 3. Aan de aangifte van hem, wien naar de meening van de commissie van aanslag geen aanslag moet worden opgelegd, wordt, behoudens het bepaalde in het tweede lid dezer paragraaf, geen verdere behandeling gegeven.

Indien in de commissie van aanslag verschil van meening ontstaat tusschen de meerderheid van de commissie en den voorzitter over do vraag of aan iemand uit eigen hoofde of als belastingplichtige voor anderen een aanslag moet worden opgelegd, wordt deze vraag onderworpen aan het oordcel van den Provincialen Inspecteur der directe

-ocr page 35-

31

belastingen, invoerrechten en accijnzen, in wiens inspectie de standplaats der commissie gelegen is, die haar, bijaldien het geschil do toepassing van art. 1, art. 2 § 5 en art. 7 betreft na raadpleging van den Eijksadvoaaat, beslist. Deze beslissing is voor dc commissie van aanslag verbindend.

Indien in de commissie van aanslag verschil van meening ontstaat tusschen de meorderhoiu van de commissie en den voorzitter over het bedrag naar hetwelk de aanslag moet geregeld worden, dan wordt dat geschil onderworpen aan het oordeel van den hierboven genoemden Provincialen Inspecteur, die in dat geval het bedrag vaststelt, doch tot geen hoogere som dan hot hoogste en geen lagere dan het laagste der bedragen waarover het geschil loopt. Ook deze beslissing is voor de commissie van aanslag verbindend.

§ 4 Indien eene uitspraak op een bezwaarschrift krachtens de wet van 22 September 1892 {Staatsblad n0. 223) wijziging brengt in de bepaling van het vermogen, naar hetwelk de aanslag in deze belasting is geregeld, wordt deze aanslag, zoodra de uitspraak niet meer voor beroep vatbaar is, herzien.

Artikel 22.

§ 1. De aanslagen worden ten kohiere gebracht.

Die van reederijen worden gesteld ton name van den boekhouder, onder vermelding van diens hoedanigheid.

Die van de in § 2 van artikel 7 bedoelden worden gesteld ten name der voor deze schuld ieder voor het geheel aansprakelijke hier te lande wonende beheerende vennooten, met toevoeging der woorden • voor buitenlandsche vennooten.

Die van de onder §§ 3, 4 en 5 van artikel 7 genoemde belastingplichtigen worden gesteld te hunnen name, onder hij voeging van den naam en de hoedanigheid van hen, in wier persoon zij krachtens dat artikel belastingplichtig zijn. Voor de toepassing van artt. 21, 25, 27, 29, 30 en 32 wordt deze persoon als de belanghebbende of aangeslagene beschouwd.

§ 2. In de kohieren wordt hot bedrag der inkomsten niet vermeld.

-ocr page 36-

32

§ 3. Aan hen, die aangiften in gesloten omslag hebben ingeleverd, wordt het aanslagbiljet mode in gesloten omslag uitgereikt.

Aanslagbiljetten, welke voor geheele of gedeeltelijke aanzuivering in gesloten omslag worden aangeboden , worden , na voldaanteekening, in gesloten omslag teruggegeven.

§ 4. Do aanslagbiljetten worden uiterlijk binnen veertien dagen na de afkondiging van hot kohier uitgereikt.

Artikel 23.

Hij, die bezwaar hoeft tegen den aanslag, hem uit eigen hoofde of als belastingplichtige voor anderen opgelegd, kan, tenzij hij de aangifte niet dood, waartoe hij gehouden was, zelf of door een ge-machtigdo, binnen zes weken na de afkondiging van het kohier, of in het geval bedoeld in § 4 van art. 21, binnen zes weken na de dagtcekening der daarbedoclde uitspraak, een gemotiveerd bezwaarschrift bezorgen bij den voorzitter der commissie van aanslag, die hem den aanslag heeft opgelegd, en wel togen gedagteekend ontvangbewijs of aangeteokend por post.

Yoor zoover het bezwaar gegrond is op de bepalingen van art. 1, art. 2 § 5 cn art. 7, wordt gehandeld, gelijk in art. 21 § 3,2\'lelid, is voorgeschreven. Ook dan is de beslissing van den Provincialen Inspecteur voor de commissie van aanslag verbindend.

Heeft dc Provinciale Inspecteur reeds vroeger in die zaak eene beslissing genomen, zoo wordt hem, onder mcdedeeling van het bezwaarschrift, eene nadere beslissing gevraagd.

Indien hij, die een bezwaarschrift heeft ingediend , of zijn gemachtigde , hot verlangen daartoe heeft te kennen gegeven , wordt hij te zijner keuze door do commissie van aanslag of haren voorzitter en, in het geval bedoeld bij het tweede lid, door den Provincialen Inspecteur gehoord.

Artikel 24.

Op de bezwaarschriften wordt uitspraak gedaan door de commissie van aanslag, die daarvan den - aangeslagene kosteloos kennis geeft hetzij tegen gedagteekend ontvangbewijs of wel aangeteekend per post.

-ocr page 37-

33

Artikel 25.

§ 1. Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak der commissie op zijn bezwaarschrift omtrent zijn aanslag, kan, binnen dertig dagen na de dagteekening van het ontvangbewijs of van de aanteekening per post, in beroep komen bij den Eaad, ingesteld bij art. 29 dor wet van 27 September 1892 {Staatsblad nquot;. 223).

§ 2. Hij, die bezwaar heeft tegen den aanslag hem ambtshalve opgelegd wegens het nalaten eener aangifte, waartoe hij gehouden was, kan bij dien Raad in beroep komen binnen zes weken na den dag van afkondiging van het kohier.

§ 3. Beroep op den Raad staat mede open binnen veertien dagen nadat die uitspraken zijn gedaan aan den voorzitter der commissie van aanslag tegen uitspraken der commissie op bezwaarschriften omquot; trent den aanslag of de inkomsten.

Maakt de voorzitter van dat beroep gebruik, dan geeft hij binnen drie dagen hiervan den belanghebbende kennis op de wijze bij art. 24 voorgeschreven.

§ 4. Het beroep geschiedt door toezending van een met redenen omkleede memorie aan den voorzitter van don Raad op de wijze bepaald bij art. 23 lsle zinsnede.

Bij de memorie wordt in het geval bedoeld bij § 1 van dit artikel een afschrift van do uitspraak der commissie, in dat bedoeld bij ^ 2 hot aanslagbiljet overgelegd.

§ 5. Het beroep van den voorzitter op don Raad van beroep wordt door dezen niet in behandeling genomen alvorens dertig dagen zijn verstreken nadat de kennisgeving bedoeld bij § 3 is uitgereikt of verzonden.

Artikel 20.

De voorzitter, de leden en do plaatsvervangende leden van den Raad leggen, alvorens werkzaamheden hun bij deze wet opgedragen aan te vangen, ten overstaan van den Commissaris der Koningin in de provincie den volgenden eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof), dat ik als voorzitter (lid), (plaatsvervangend lid) van don Eaad van beroep ingesteld bij do wet van 27 September

3

-ocr page 38-

34

1892 {Staatsblad n0. 223), overeenkomstig de bepalingen der wet tot heffing eener belasting op bedrijfs- en andere inkomsten met nauwgezetheid en onpartijdigheid en volgens mijn geweten zal handelen, en dat ik hetgeen mij in mijn ambt nopens aanslagen in die belasting , inkomsten, vermogens, uitdeelingen of uitkeeringen, bedrijven, beroepen, ambten, waardigheden , bedieningen , betrekkingen of werkzaamheden blijkt of medegedeeld wordt, zal geheim houden. Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat beloof ik).quot;

Van deze handeling wordt proces-verbaal opgemaakt.

Wegens het afleggen van den eed of belofte en het opmaken van het proces-verbaal zijn geen kosten verschuldigd.

Artikel 27.

Alvorens op een beroep uitspraak te doen stelt de Eaad den belanghebbende die het mocht verlangen, in de gelegenheid om zijne bezwaren mondeling toe te lichten. Dit verlangen geeft de belanghebbende te kennen in de memoi\'ie bedoeld bij art. 25 § 4. Is bet beroep ingesteld door den voorzitter der commissie van aanslag, zoo doet de belanghebbende die kennisgeving binnen acht dagen, nadat hem van dat beroep bericht is gezonden. De voorzitter der commissie van aanslag of zijn plaatsvervanger wordt steeds door den Raad gehoord.

Elke memorie wordt ten minste twintig dagen vóór de behandeling aan den voorzitter der commissie ter beoordeeling gezonden.

Zoowel de belanghebbende als de voorzitter der commissie van aanslag of zijn plaatsvervanger worden door den voorzitter ten minste vijf dagen vóór de vergadering schriftelijk opgeroepen.

Bij verhindering van den belanghebbende om zelf in de vergadering van den Raad te verschijnen kan diens gemachtigde worden toegelaten, indien de redenen van verhindering aan den voorzitter gegrond voorkomen.

De behandeling der zaak wordt, zoo noodig, door den voorzitter verdaagd.

De belanghebbende en de commissie van aanslag en haar voorzitter kunnen schriftelijke toelichtingen aan den Raad overleggen.

-ocr page 39-

35

Artikel 28.

De voorzitter der commissie van aanslag of zijn plaatsvervanger is bevoegd zoowel zjjn advies op de memorie als zijn beroep toe te lichten uit gegevens, waaromtrent hem geheimhouding is opgelegd.

Artike] 29.

De Raad is bevoegd bij zijne uitspraak een aanslag op te leggen, afwijkende zoowel van de aangifte als van den ambtshalve opgelegden aanslag en van het advies van de commissie van aanslag of haren voorzitter.

De raad is echter onbevoegd tot verlaging van den aanslag, opgelegd aan hem, die de aangifte, waartoe hij gehouden was, niet heeft gedaan, tenzij do aangeslagene hebbe aangetoond, dat de aanslag te hoog was.

Bij de behandeling zijner zaak kan den aangeslagene worden toegestaan om zijne aangifte te verbeteren.

Indien omtrent de juistheid der aangifte naar biljet B of C twijfel overblijft en bezwaar is tegen toepassing van het eerste lid van dit artikel, of indien twijfel overblijft omtrent de juistheid der aangifte in biljet A omtrent vermogen, kan de Eaad hem, die bij zijne aangifte volhardt, uitnoodigen om die in de vergadering van den Raad door een der volgende verklaringen te bevestigen:

„Ik verklaar, dat de inkomsten (het vermogen) (de uitdeeling, de uitkeering) bij de aangifte, die hier voor mij ligt, te goeder trouw, naar mijn beste weten, zonder iets te verzwijgen, is (zijn) opgegeven, en die inkomsten (de waarde van dat vermogen) (die uitdeeling, die uitkeering) overeenkomstig de wet, te goeder trouw, naar mijn beste weten, berekend is (zijn).quot;

„ Ik verklaar, dat ik te goeder trouw vermeen , dat ik geen inkomsten (vermogen), (uitdeeling of uitkeering) had aan te geven, waarvoor naar de wet belasting verschuldigd is.quot;

V an de handeling wordt proces-verbaal opgemaakt, waarin de .verklaring opgenomen en door den aangever onderteekend wordt.

-ocr page 40-

3G

Hot proces-verbaal wordt door den voorzitter en de loden van den Raad onderteekend.

In do bevestigde aangifte wordt berust.

De aanslag van hem, die weigort of, daartoe overeenkomstig liet in hot 3de lid van art. 27 bepaalde opgeroepen, in gebreke blijft de verklaring af te leggen en te onderteokenen, wordt niet verlaagd of opgeheven.

In geval van ziekte, afwezigheid buiten hot Rijk of andere wettige reden van verhindering, kan de verklaring, mot toelating van den Minister van Financiën, krachtens eene bijzondere volmacht, worden afgelegd.

Hot verzoekschrift om toelating wordt door tusschenkomst van den voorzitter van den Raad aan don Minister gezonden.

Artikel 30.

Do aanslag bij de uitspraak van den Raad op een beroep van den aangeslagene vastgesteld of gehandhaafd, wordt verhoogd mot:

vijf on twintig ten honderd van de hoofdsom van don aanslag, indien de aangeslagene de aangiften, waartoe hij gehouden was, niet heeft gedaan ;

vijf en twintig ten honderd van de verhooging der belasting in hoofdsom, indien de aangifte van het bedrag, naar hetwelk de aanslag moet geschieden, te laag is gedaan.

Artikel 31.

Do Raad kan do commissie van aanslag hooren nopens de berektning van inkomsten, uitdeelingen , uitkeeringen of vermogen en deskundigen raadplegen omtrent waardebepalingen en afschrijvingen.

Artikfl 32.

Do uitspraak van den Raad, door den voorzitter en don secretaris onderteekend, wordt aan den belanghebbende gezonden en in afschrift medegedeeld aan den Provincialen Inspecteur dor directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, die voor zooveel noodig voor de uitvoering zorgt.

-ocr page 41-

37

Artikel 33.

De bepalingen van art. 37 der wet van 27 September 1892 (Stauts-hlad n*. 223) gelden ook voor de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten.

H OOFDSTUK IV.

Bijzondere bepalixgen.

Artikel 34.

Handelsreizigers , kramers en allo verdere personen, die hun bedrijf of beroep rondtrekkende uitoefenen, voor zoover zij behooren tot de bedoelden bij art. 1 a, li en zijn gehouden, onverminderd hunne verplichtingen omschreven bij artt. 12 en 14, zich ter plaatse binnen het Rijk, waar zij zich na het begin van het belastingjaar hot eerst bevinden, bij het gemeentebestuur schriftelijk aan te melden, met opgaaf van hun naam, hunne woonplaats en hun bedrijf of beroep. Ten blijke dat zij hieraan voldaan hebben, ontvangen zij kosteloos een door of vanwege hot hoofd van dat bestuur onderteekend Bewijs, dat zij gehouden zijn mede te onderteekenen en op aanvraag aan ambtenaren der directe belastingen te vertoonen.

Yan de hierbedoelde opgaaf wordt door het gemeentebestuur onverwijld afschrift gezonden aan den ontvanger der directe belastingen, onder wiens kantoor de plaats gelegen is, waar ingevolge art. 17 de aanslag moet geschieden.

Buitenslands gevestigden, indien zij hier te lande geen kantoren of vaste inrichtingen hebben , bekomen het Bewijs slechts op verklaring van den ontvanger, dat zij niet door hem belastingplichtig worden geacht of wel den door hem voorloopig naar deze wet geregelden aanslag betaald of voor het bedrag daarvan, ten zijnen geuoege, borg gesteld hebben; een en ander behoudens hunne verplichting tot bijbetaling en hun recht op teruggave ten gevolge van de definitieve vaststelling van hun aanslag.

-ocr page 42-

38

De ontvanger geeft, onder overlegging der aangifte, van den doop hem geregeldeu aanslag onverwijld kennis aan den voorzitter der commissie van aanslag, die den aanslag\' moet regelen.

Artikel 35.

Het is aan ieder verboden om hetgeen hem uithoofde van zijn, hetzij tegenwoordig, hetzij vroeger ambt nopens aanslag in deze belasting, inkomsten, vermogen, uitkeeringen of uitdeelingen, bedrijf, beroep, waardigheid, bediening, betrekking of werkzaamheden van anderen gebleken of medegedeeld is, verder bekend te maken dan voor de uitoefening van zijn ambt of betrokking in dienst van het Kijk gevorderd wordt.

Artikel 30.

De gemeentebesturen zijn gehouden aan de hoofdambtenaren der directe belastingen op hun verzoek kosteloos inzage van de kohieren der hoofdelijke omslagen naar het inkomen te geven en toe te laten, dat zij daarvan uittreksel of afschrift nemen of doen nemen.

De ambtenaren ressorteerende onder het Departement van Financiën geven aan de hoofdambtenaren der directe belastingen, voor zooveel noodig, inlichtingen volgens regelen door den Minister van Financiën te stellen.

Artikel 37.

Aan belastingplichtigen bedoeld in art. 1 a, i en c, die in de koloniën of bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen wegens door hen uitgeoefende bedrijven , beroepen of ondernemingen in het patentrecht of eene belasting naar de inkomsten zijn aangeslagen, wordt op hun veraoekschrift ontheffing van belasting verleend voor de som, gedurende het voorafgaand belastingjaar uit dien hoofde in die koloniën of bezittingen door hen betaald.

De ontheffing kan echter voor belastingplichtigen bedoeld bij art. 1 a en c de hoofdsom, voor belastingplichtigen bedoeld bij art. 1 b

-ocr page 43-

39

quot;twee derden dor hoofdsom naar deze wet door hen in het loopend belastingjaar verschuldigd niet te boven gaan.

Bijaldien de belasting in die koloniën of bezittingen is berekend naar inkomsten of uitdeelingcn, kan de ontheffing niet meer bedragen dan twee ten honderd van het bedrag daarvan.

De verzoekschriften moeten uiterlijk binnen zes maanden na de afkondiging van het kohier, waarop de aanslag hier te lande voorkomt, aangeteekend per post toegezonden of tegen ontvangbewijs worden uitgereikt aan den Provincialen Inspecteur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, in wiens inspectie de gemeente gelegen is, waar de belastingplichtige is aangeslagen.

Het verzoekschrift moet vergezeld gaan van bewijsstukken of gewaarmerkte afschriften daarvan.

De Provinciale Inspecteur doet uitspraak na de commissie van aanslag, die den aanslag heeft vastgesteld, gehoord te hebben. Hij ■zendt de uitspraak aangeteekend per post of tegen gedagteekend ontvangbewijs kosteloos aan dengeen die het verzoek heeft gedaan.

Artikel 38.

Bij overlijden van een belastingplichtige, bedoeld bij art. 1 a m d, en van een belastingplichtige, bedoeld bij art. 1 h, die hier te lande persoonlijk werkzaam is , wordt aan de erfgenamen op hun verzoekschrift ontheffing verleend van den aanslag van den overledene over de maanden van het belastingjaar, of, bij aanslag voor korteren tijd, over die, waarover de aanslag loopt, die tijdens dat overlijden nog Ti iet zijn ingetreden.

Gelijke ontheffing wordt op zijn verzoekschrift verleend aan den belastingplichtige, bedoeld in art. 1 a, die in den loop van het belastingjaar het Rijk metterwoon verlaat, voor zijn aanslag over de maanden van het jaar, die tijdens zijn vertrek, of indien het verzoekschrift eerst na het vertrek is ingediend, tijdens de indiening nog niet zijn ingetreden.

De verzoekschriften moeten uiterlijk binnen zes weken na het overlijden of vertrek, aangeteekend per post, toegezonden, of tegen ont-

-ocr page 44-

40

vangbowijs uitgereikt worden aan den Provincialen Inspecteur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen, in wiens inspectie de gemeente is gelegen, waar de belastingpliclitige is aangeslagen.

Verlenging van dezen termijn tot uiterlijk zes maanden kan door den Minister van Financiën worden toegestaan.

De Provinciale Inspecteur doet uitspraak na de commissie van aanslag, die den aanslag heeft vastgesteld, gehoord te hebben. Hij zendt de uitspraak in gesloten omslag, aangeteekend per post, of tegen gedagteekend ontvangbewijs, kosteloos aan dengeen, die het verzoek heeft gedaan.

Artikel 3».

Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den Provincialen Inspecteur op zijn verzoekschrift krachtens artt. 37 en 38 dezer wet ingediend, kan binnen dertig dagen, nadat zij hem is toegezonden, daarvan bij Ons in beroep komen. Als datum van toezending geldt die der aanteekening per post of die van het gedagteekend ontvangbewijs.

Door Ons wordt beslist den liaad van State gehoord.

Artikel 40.

Wanneer het inkomen naar hetwelk de aanslag van een belastingplichtige, bedoeld bij art. 1 a, d en h is geregeld, door het staken van eenig bedrijf of beroep of ontslag uit een ambt, waardigheid, bediening of betrekking, of, voor zooveel de belastingplichtigen bedoeld bij art. la betreft, door hot ophouden van inkomsten als bedoeld bij art. 2 § 1 h in den loop van het belastingjaar met meer dan één vierde is verminderd, kan aan don belastingplichtige geheele of gedeeltelijke ontheffing van nog niet vervallen termijnen van belasting worden verleend door den Provincialen Inspecteur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen; in wiens inspectie do gemeente is gelegen, waar de belastingplichtige is aangeslagen.

De Provinciale Inspecteur doet uitspraak, na de commissie van-aanslag , die den aanslag heeft vastgesteld, gehoord te hebben. Hij

-ocr page 45-

41

zendt de uitspraak in gesloten omslag aangeteekend per post of tegen gedagteekend ontvangbewijs, kosteloos aan dengeen, die het verzoek heeft gedaan.

Hij, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van den Provincialen Inspecteur op zijn verzoekschrift kan binnen dertig dagen in beroep komen bij den Minister van Financiën.

Als datum van toezending geldt die der aanteekening per post of die van het gedagteekend ontvangbewijs.

Artikel 41.

Bij overlijden van den aangeslagene zijn de erven in al hunne goederen voor het niet aangezuiverde gedeelte van diens aanslag aansprakelijk, voor zooveel schulden van den boedel van den overledene ten hunnen laste komen.

Artikel 42.

Ieder erfgenaam, de executeur-testamentair of do bewindvoerder over de nalatensehap is bevoegd de aangifte te doen, bezwaarschriften in te dienen en in beroep te komen omtrent den aanslag van een overledene, alsof hij zelf de belastingplichtige ware.

Artikel 43.

De Provinciale Inspecteur der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen kan, onverschillig of al dan niet een bezwaarschrift is ingediend , op voorstel van de commissie van aanslag ontheffing van belasting verleenen, indien hem in don loop van het belastingjaar of van hot volgend belastingjaar blijkt, dat de aanslag van een belastingplichtige te hoog is bepaald.

Daarenboven behouden Wij Ons voor om in bijzondere gevallen vanwege dwaling of onwillig verzuim kwijtschelding of vermindering of teruggaaf van de hoofdsom en van de ingevolge artikel 30 opgelegde verhooging te verleenen.

-ocr page 46-

42

Artikel 44,

De ambtenaren der directe belastingen zijn bevoegd om, op schriftelijke lastgeving van den voorzitter der commissie van aanslag, welke desgevordcrd moet worden vertoond, met machtiging van den kantonrechter en vergezeld van een door dezen aangewezen persoon bij dag en op de gewone voor den arbeid bestemde uren in de fabrieken, werkplaatsen en andere vaste inrichtingen en op de vaartuigen van de belastingplichtigen en van hen, die vermoed worden belastingplichtig te zijn , de bijzonderheden op te nomen bedoeld in art. 12 § 1 II, zonder nochtans inzage van boeken of schrifturen te kunnen nemen, tenzij de belastingplichtige dit verlangt.

Deze bevoegdheid strekt zich niet uit tot de fabrieken, werkplaatsen , andere vaste inrichtingen en vaartuigen van hen, wier aanslag voor het loopend belastingjaar reeds door de commissie van aanslag of, in geval van beroep van den aangeslagene, door den Raad van beroep is vastgesteld.

Zij betreden geen woning, tenzij dit noodzakelijk is om de bovengenoemde lokalen te betreden.

Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt en binnen vier en twintig uren aan dengenen, wiens woning is binnengetreden, in afschrift medegedeeld.

Artikel 45.

Bestuurders van de bij art. 1 J en c bedoelde naamlooze vennootschappen , coöperatieve vereenigingen-, andere vereenigingen en stichtingen , die een bedrijf of beroep uitoefenen , onderlinge verzekering-maatsehappijen en sociëteiten , alsook beheerende vennooten van hier te lande gevestigde commanditaire vennootschappen op aandeelen en boekhouders van hier te lande gevestigde reederijen, zijn gehouden binnen veertien dagen na de vaststelling van balans of rekening een zoodanig uittreksel als noodig is tot toelichting der winst, uitkeeringen of uitdeelingen te doen toekomen aan den voorzitter der commissie van aanslag, bedoeld bij art. 19 § 1 i of § 2, die den aanslag moet regelen.

-ocr page 47-

43

Artikel 4(gt;.

De stukken kraclitens deze wet op te maken en uit te vaardigen, quitantiën van betaalde belasting, zoomede de processtukken, daaronder begrepen vonnissen en afschriften van vonnissen betreffende de toepassing van deze wet, zijn vrij van zegel en worden, voor zoover aan de formaliteit van registratie onderworpen, kosteloos geregistreerd.

HOOFDSTUK V.

Bepalingen van strafrechteiilijkex aard.

Artikel 47.

§ 1. Hij, die persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemaclitigde opzettelijk eene valsche verklaring , als bedoeld bij art. 29, atiegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ton hoogste zes jaren.

Ontzetting van de in artikel 28 n». 1—4 van het quot;Wetboek van Strafrecht vermelde rechten kan worden uitgesproken.

§ 2. Hij, die opzettelijk de bij art. 35 opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden. met of zonder ontzetting van het recht om ambten te bekleeden.

Hij, aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Geen vervolging wordt ingesteld dan op klachte van hem , ten aanzien van wien de geheimhouding is geschonden.

§ 3. Ieder die, daartoe gehouden, nalaat de vragen, betreffende de bijzonderheden, bedoeld bij art. 12 § 1,1, III en IV in het hem, aan zijne firma of aan de stichting of sociëteit, waarvan hij bestuurder is, uitgereikte of toegezonden beschrijvingsbiljet A stellig, duidelijk en zonder voorbehoud naar waarheid te beantwoorden en dit antwoord te onderteekenen, of wel nalaat dit biljet tijdig ter voorgeschreven plaatse in te dienen, wanneer het niet reeds vroeger is teruggehaald, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste f 100.

-ocr page 48-

u

§ 4. De belastingplichtige, die, ook zonder dat hem een biljet is uitgereikt, niet voldoet aan de hem in art. 14 § 1 eerste lid en art. 14 § 4 eerste lid opgelegde verplichtingen, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste f 50.

§ 5. Hij, die daartoe gehouden, nalaat de verplichtingen na te komen bedoeld bij art. 15 § 1 eerste lid, en art. 15 § 2 eerste lid, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste / 25.

Gelijke straf wordt opgelegd in geval van overtreding van art. 45.

§ G. Overtreding van art. 1G wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste f 400.

§ 7. Personen, die van een bewijs voorzien moeten zijn als bedoeld in art. 34 en die in gebreke blijven dit bewijs op aanvrage aan bevoegde ambtenaren te vertoonen, worden gestraft met eene geldboete van ten hoogste / 25.

Geven zij ter bekoming van dat bewijs aan het bevoegd gezag een valschen naam, woonplaats , bedrijf of beroep op, of maken zij gebruik van het aan een ander afgegeven bewijs , dan worden zij gestraft met eene geldboete van ten hoogste f 156-.

Artikel 48.

Do feiten strafbaar volgens art. 47 § 1 en § 2 dezer wet, worden beschouwd als misdrijven , behalve voor de toepassing van art. 57 en en 58 van hot Wetboek van Strafrecht, in de plaats waarvan wordt toegepast art. G2 1ste en 2de lid van dat wetboek.

De feiten strafbaar volgens art. 47 §§ 3—7 dezer wet, worden beschouwd als overtredingen.

Artikel 49.

Met het opsporen van overtredingen dezer wet zijn, behalve de in artikel 8 u0. I0.—4°. en G0. van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de ambtenaren der directe belastingen.

/ij maken van hunne bevinding proces-verbaal op , dat den bekeurde

-ocr page 49-

45

wordt beteekend op de wijze voorgeselireven bij artikel 144 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 50.

De feiten strafbaar volgens de bepalingen van art. 47 §§ 3—-7 dezer wet worden vanwege den Minister van Financiën vervolgd op de wijze bedoeld bij art. 141 2°. van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 51.

Wanneer in de gevallen bedoeld bij art. 47 §§ 3—7 is aan te nemen, dat by den bekeurde geen opzet tot ontduiking van belasting heeft bestaan, kan hij, mits vóór de dagvaarding, door of vanwege den Minister van Financiën tot transactie over de geldboete worden toegelaten.

Artikel 53.

AVanneer eene bekeuring wegens overtreding van art. 47 § 3 of § 4 bij transactie is beëindigd of eene veroordeeling te dier zake onherroepelijk is geworden, slaat de commissie van aanslag, indien dit noodig is, den bekeurde of veroordeelde alsnog ambtshalve aan of herziet zij zijn reeds vastgesteldon aanslag. Is do vroegere aanslag door den Eaad van beroep vastgesteld, dan wordt deze door dien Raad herzien.

De commissie van aanslag en do Raad gedragen zich naar de uitspraak des rechters.

Art. 23 is hier niet van toepassing. De aanslag wordt ook in het geval van herziening aangemerkt als een aanslag ambtshalve.

De aanslag of verhooging van aanslag wordt alsnog ten kohicro gebracht.

Is de vorhooging van aanslag door den Eaad van beroep vastgesteld, dan kunnen daartegen geen bezwaarschriften worden ingediend en staat daartegen geen beroep open.

-ocr page 50-

46

Artikel 53.

Zijn bestuurders van sticlitingcn of sociëteiten in hunne betrekking als zoodanig wegens overtreding van art. 47 § 3 of § 4 onherroepelijk veroordeeld of is eene tegen hen te dier zake ingestelde bekeuring bij transactie beëindigd, dan wordt, met inachtneming van het in art. 52 bepaalde, aan die lichamen, zoo dit noodig is, alsnog een aanslag opgelegd of de reeds vastgestelde aanslag herzien.

HOOFDSTUK VI.

OVERGANGS- ES SLOTBEPALINGEN.

Arfikel 54

In afwachting van nadere -wettelijke regeling worden op deze belasting geene opcenten ten behoeve van gemeenten of provinciën geheven.

Artikel 55.

Bepalingen omtrent meting van Rijkswege van binnen-vaartuigen en de daarvoor in rekening tc brengen kosten, worden vastgesteld hij algemeenen maatregel van bestuur.

Artikel 56.

Do inkomsten in art. 4 § 2 bedoeld, blijven bij den aanslag van het belastingjaar 1894—1895 buiten aanmerking.

Artikel 57.

Voor belastingplichtigen, wier inkomsten volgens artikel 4 § 3 1ste en 2de lid, zouden moeten worden berekend naar de uitkomsten van aan den aanvang van de heffing dezer belasting voorafgaande jaren, doch die bij hunne aangifte met redenen aantoonen, dat die uitkomsteti geen betrouwbaren maatstaf opleveren voor de berekening van vermoedelijke inkomsten in het eerste belastingjaar, wordt in dat jaar de jaarlijksche winst of belooning begroot, naar de ontvangen

-ocr page 51-

47

bedragen welke volgens artikel 4 als grondslag zouden moeten gelden, doch met inachtneming der redenen, die erkend worden eene afwijking noodig te maken , en geschiedt in de twee volgende belastingjaren de berekening naar de inkomsten , verkregen sedert den aanvang van het kalender- of boekjaar waarin de heffing dezer belasting aanvangt.

Artikel 38.

§ 1. In art. 4, 1°. en art. 24 der wet van 22 Mei 1845 (Staatsblad n 22) vervallen de woorden: „van beschrijvingquot;.

In art. 4, 2°. vervallen de woorden: „en der acton van patentquot;.

Art. 8, derde lid, wordt vervangen door :

„ Met afwijking van het in de beide voorafgaande leden bepaalde, zijn de aanslagen wegens belasting op bedrijfs- en andere inkomsten op de voljaarskohieren invorderbaar in vijf gelijke termijnen; voor zooveel de betaling bij termijnen niet geheel of gedeeltelijk is verboden en behoudens de uitzonderingen bij het volgend artikel gemaakt. De eerste termijn vervalt den laatsten Augustus, de tweede den laatsten October, de derde den laatsten December, de vierde den laatsten Februari en de vijfde den laatsten April van het belastingjaar.quot;

Aan het slot van art. 8 wordt het volgende toegevoegd :

„Met afwijking van het in het vierde lid van dit artikel bepaalde is voor aanslagen op kohieren welke na den laatsten Augustus zijn afgekondigd, de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten invorderbaar in zooveel gelijke termijnen als er na de maand, waarin do afkondiging plaats had, nog tijdvakken van twee maanden als bovenbedoeld in het dienstjaar overblijven. Blijft zulk een tijdvak niet over, dan is de belasting dadelijk in haar geheel invorderbaar. „

In art. 9 2°. dier wet vervallen de woorden: „ en het regt van patentquot;, 3n wordt in de plaats van: „die middelenquot;: gelezen „dar middel.quot;

Art. 9 3°. wordt vervangen door:

„ 3°. voor zooveel de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten aangaat, wanneer de aanslagen betreffen uitdeelingen van naamlooze vennootschappen, commanditaire vennootschappen op aandeden , coöperatieve en andere vereenigingen, onderlinge verzekeringmaatschappijen

-ocr page 52-

48

en reederijen of uitdcoling van winstaaudcolon aan buitenslands gevestigde vennooten, ofwel buitenslands gevestigden, die hier te lande goene vaste inrichtingen, kantoren of in Nederland gevestigde vertegenwoordigers hebben; voorts wanneer blijkt, dat de belastingschuldige het Rijk met der woon wil verlaten, met wegvoering der meubelen.quot;

Aan het slot van art. 15 worden de volgende leden toegevoegd:

„Met afwijking van het in het tweede lid van dit artikel bepaalde kunnen voor zooveel de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten betreft, verzet en terugvordering nimmer de hoegrootheid van den aanslag of de bepaling van inkomsten, vermogen, uitkeeringen of uitdeelingen van den aangeslagene betreffen, noch gegrond zijn op het niet ontvangen van aanslagbiljet, waarschuwing of aanmaning.

„Terugvordering van betaalde belasting op bedrijfs- en andere inkomsten heeft plaats bij dagvaarding van den Minister van Financiën voor de arrondissements-rechtbank, tot welker gebied hot ontvangkantoor behoort. De dagvaarding wordt beteekend aan den ontvanger van dit kantoor.quot;

Art. 17 is ten deze niet van toepassing.

§ 2. In de considerans en in de artt. 1 en 2 der wet van 18 September 1852 {Staatsblad n0. 177), wordt in plaats van: „en het regt van patentquot; en „ en hot: patentregtquot; gelezen: „ en do belasting op bedrijfs- en andere inkomsten.quot;

§ 3. In do wet van 4 April 1870 (Staatsllad n0. 60) vervallen in de considerans en in de artt. 2 en 3 de woorden: „ of het regt van patentquot;, in art. 1 de woorden: „en art. 28, eerste zinsnede, der wet op het regt van patent van 21 Mei 1819 (Staatsblad nquot;. 34) \'.

§ 4. Voor aanslagen betreffende het recht van patent over het dienstjaar 1893—1894 en vroeger, blijven echter de in dit artikel gewijzigde bepalingen van kracht.

Artikel 50.

Onder vroegere belastingjaren worden in deze wet ook verstaan tijdperken van twaalf maanden, beginnende 1 Mei en eindigende 30 April, voorafgegaan aan 1 Mei 1891.

-ocr page 53-

49

Artikel 60.

De heffing dezer belasting vangt aan op 1 Mei 1894.

Behoudens het bepaalde bij § 4 van art. 58, vervalt cp dat tijdstip -de wet van 21 Mei 1819 {Staatsblad nquot;. 34), gewijzigd bij die van: 6 April 1323 {Staatsblad n0. 14),

16 Juni 1832 ( n „ 30),

24 April 1843 ( „ „ 16),

22 April 1852 ( „ b 61),

8 Mei 1869 ( „ „77),

17 April 1887 ( „ „ 64).

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den 2dequot; October 1893.

{(/et.) E M M A.

De Minister van Financiën, {get.) Pieksox.

Uitgegeven den zevenden October 1893.

De Minister van Justitie, {get.) Smidt.

4

-ocr page 54-

A ANTE EKEJSTINGEN

op de ivet van den 2den October 1893, {Staatshl. n0. 149),

TOT HEFFING EENER

BELASTING OP BEDRUPS- eu ANDERE INKOMSTEN.

Patentrecht. Op 30 April 1894 zal het rcclit van patent ophouden

te hestaan.

Voor de meesten die tot nu toe daaraan onderworpen waren, wordt het met i Mei 1894 vervangen door de Bedrijfsbelasting. Belasting op bednjfs- en andere inkomsten (1); doch ook personen, die tot 1 Mei 1894 niet door het Patentrecht, noch door de Yermogenshelasting getroffen werden, zullen, mot genoemden datum te beginnen, onder de nieuwe wet belastingplichtig zijn, althans voor zoover hun inkomen, volgens de regelen dezer wet berekend, ƒ 650.— of meer bedraagt.

1 ermogensielasting. jfon denke echter niet dat allo aangeslagenen in de Vermogensbelasting, buiten de nieuwe belasting vallen. Zoodra zij bovendien inkomen uit andere bronnen dan uit vermogen trekken, zijn ook zij belastingplichtig.

Over den naam der nieuwe belasting is veel getobd. Het ligt echter voor de hand dat zij aldra kortweg Inkomstenhelasting, Jnlcomstenbelasting zal worden genoemd, al is ook deze naam niet geheel juist, daar de inkomsten uit vermogens van f 13000.— en hooger niet door deze belasting^ doch door de Vermogensbelasting getroffen worden. Wie zijn belasting- In de eerste plaats dient ieder bij het in werking pUchtig. treden der wet op 1 Mei 1894 te weten of hij belasting

plichtig is.

1

Echter zullen er velen zijn die patentrecht betalen, doch niet door de belasting op bedrijfs- en andere inkomsten getroffen worden.

-ocr page 55-

51

Art. 1 (biz. 1 en 2) wijst duidelijk genoeg de belastingplichtigen aan.

Onder a wordt eenvoudig ieder begrepen die in Nederland woont, enz.

Men lette wel op dat de wet niet eisclit, dat men, om belastingplichtig te zijn, een bedrijf of beroep moet uitoefenen. Leeft men b. v. van een pensioen of van eene lijfrente, toelage van iemand buitenslands etc., dan is men ook belastingplichtig.

De wet vraagt als kenmerk van belastingplicht naar inkomsten uit zekere bronnen verkregen.

De officicele titel der wet duidt genoegzaam aan dat ook andere inkomsten dan die uit bedrijf belastbaar zijn.

Wanneer belasting- Indien men inkomsten trekt uit: winsten, belooniiigen, jpUchtiy ? wachtgelden, pensioenen, lijfrenten en andere cerschul-

cligde (1) periodieke uitkeeringen, (voor zoover zij niet door de Vermogensbelasting getroffen zijn) , verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud, huisvesting en andere zaken, en verschuldigde of onverschuldigde toelagen van buitenslands gcvestigden, indien deze laatstgenoemden niet belastingplichtig zijn ingevolge art. ld, is men belastingplichtig en wel naar het zuiver bedrag der jaarlijksche inkomsten, na aftrek der geleden verliezen , een en ander berekend volgens de wijze als door de wet wordt aangegeven. (Art. 2. § 1, blz. 3.) (Zie ook Art. 11 blz. 17.)

Inkomsten uit ver- De aldus verkregen inkomsten worden voor hen, die mogen. niet in de Vermogensbelasting zijn aangeslagen , omdat

hun vermogen geacht wordt minder dan /quot;13000.— te

1

Wij cursiveeren dit woord. Uit liet antwoord der Eegeeriug op het voorloopig verslag der commissie van rapporteurs der Eerste Kamer over de Vermogensbelasting, blijkt, dat eene nitkeering slechts dan verschuldigd is, wanneer men zich op wettige wijze dtartoe heeft verbonden.

-ocr page 56-

52

bedragen, verhoogd met /\'40.— van elke /quot;1000 van hun vermogen, berekend volgens de wet van 27 September 1892 (Art. 2 § 2 blz. 3). Zie verder op blz. 56 bij

Minimum-Inkomen.

Winsten , Beloonin- Wat de wet onder winsten en belooningen verstaat, 9en- vindt men vermeld in Art. 3 § 1. (blz. 4). Men denke

niet dat de aldaar onder a genoemde uitzonderingen de belasting ontloopen, doch zie hierover Art. 5 (blz. 9).

Winst als verzekerde. De winsten als verzekerde genoten worden echter niet belast.

Aftrek. Art. 3 § 2 geeft aan wat men ter berekening van

het zuiver bedrag van de winst of belooning mag aftrekken.

De wet laat aftrek toe voor rente van kapitalen, waarvan de vruchten onder de inkomsten zijn opgenomen., doch niet voor rente van kapitalen in gebouwde eigendommen , wanneer deze door den belastingplichtige, voor bedrijf of beroep, ambt enz. aangewend wordend, tevens door hem of zijn gezin worden bewoond. Art. 3 § 2a (blz. 5).

De wet laat echter wel aftrek toe van Uur en van het perceel of dat gedeelte van een perceel, dat voor de uitoefening van beroep of bedrijf dient. In dat geval geldt als kosten het door den belastingplichtige te begroeten aandeel der huur of , wanneer hij eigenaar is, der kadastrale huurwaarde van het deel dat geheel of gedeeltelijk voor zijn bedrijf, beroep of ambt wordt gebezigd. (1) Art. 3 § 4 (blz. 6).

Art. 3 § 2 /t (blz. 6) geeft bevoegdheid tot aftrek van retrihutiën en belastingen, directe daaronder niet

1

Aan de kantoren van de bewaring van hypotheken en van het kadaster, zoomede aan de secretariëa der gemeenten, kan kosteloos inzage genomen worden van de kadastrale leggers of de atschriften daarvan, waaruit de kadastrale huurwaarde blijkt.

-ocr page 57-

53

begrepen, (1) drukkende op het bedrijf. De definitie der belastingen, welke hier mogen worden afgetrokken is eenigszins moeielijk. In de meeste gevallen zal men deze echter wel rangschikken onder de bij art. 3 § 2 e bedoelde „ alle verdere kosten.quot;

Art. 3 § 2 / (blz. 6) bepaalt dat i pet. van het bedrag der inkomsten bedoeld in art. 2 § 1 (het zuiver bedrag dus) mag worden afgetrokken voor premiën van levensverzekering , voor pensioen of voor lijfrenten, doch in geen geval meer dan f 100. Evenwel mogen premiën door den belastingplichtige betaald ter verzekering tegen ongelukken van bij hem in dienst zijnde personen, voor het volle bedrag worden afgetrokken. Art. 3 § 2/(blz. 6.)

Betaalt echter iemand premie voor eene levensverzekering, welke hij genoodzaakt was te sluiten ter verwerving van zijn inkomen, dan mag hij, naar onze opvatting, de volle door hem betaalde premie aftrekken, vallende deze onder n alle verdere kostenquot;, bedoeld bij art. 3 § 2 c. (2)

Art. 3 § 3 wijst aan welke uitgaven niet mogen worden afgetrokken.

De kosten voor voeding en huisvesting van inwonend personeel, noodig ter verwerving van het inkomen, mogen wel worden afgetrokken, evenals de loonen.

Buitenlanders bedoeld bij Art. 6 § § 2 en 5, (blz. 10 en 11) mogen van hunne hier te lande verkregen inkomsten geen renten van eigen kapitalen aftrekken, zooals aan binnen het Rijk wonenden is toegestaan bij art. 3 § 2 ct (blz. 5) en art. 3 § 5 (blz. 6), dus wel van geleende kapitalen.

1

Directe belastingen zijn o. a. groud-, personeele-, vermogens-bedrijfs-belasting, hoofdei, omslag, vergunningsrecht.

2

Een geval als het hierbedoelde komt voor bij den directeur eener naamlooze vennootschap (zie bijvoegsel Staatscourant 14/15 Mei 1893 Naaml. Venn. N0. 112.)

-ocr page 58-

54

Vennootschappen enz. mogen gcene rente van kapitalen aftrekken, Reederijcn wel (zie Art. 5 blz. 9).

Pensioenen, Art. 3 § 6 (blz. 7) bevat eene milde bepaling voor •

WwUgMm hen die

pensioen, wachtgeld of lijfrente genieten. De eerste ƒ1000.— wordt slechts voor 50 pet., dus ƒ 500.—, in rekening gebracht, zoodat personen , die een pensioen, wachtgeld of lijfrente van /\'1149.99 of minder genieten, belastingvrij zijn, althans wanneer zij niet tevens eenig vermogen bezitten, of andere inkomsten trekken of reeds in de vermogensbelasting zijn aangeslagen.

Volgens de bewoordingen van deze § is iemand die een pensioen van /quot;1000, een wachtgeld van ƒ1000 en eene lijfrente van /quot;lOOO trekt, slechts belastingplichtig, voor 3 x ƒ 500.— =: /\'1500.—. De bedoeling zal echter wel zijn, dat de eerste ƒ1000.— van het gezamenlijk bedrag voor 50 pet. wordt gerekend. Wij worden in deze opvatting versterkt door de grondgedachte, welke bij de redactie van deze bepaling gevolgd werd, n. 1. om de ouden en gebrekkigen met kleine inkomens zooveel mogelijk te sparen. Dit doel wordt door de eerste ƒ1000.— van het gezamenlijk bedrag voor 50 pet. te berekenen, bereikt.

Landhouic enz. De van het patentrecht vrijgestelde landbouwersstand is ook in deze wet vrijgesteld.

De vrijstelling is echter niet rechtstreeks, zooals uit Art. 3 § 7 (blz. 7) blijkt. Daar toch wordt gezegd, dat de inkomsten uit landbouwbedrijf enz., „ worden geacht, na aftrek van alle kosten, vier ten honderd in het jaar van het daartoe aangewende kapitaal te bedragen, of, voor zoover daartoe opgenomen kapitaal is gebezigd, zooveel ten honderd als bedongen is.quot;

Daar nu Art. 3 § 2a (blz. 5) toelaat de rente van kapitalen in eigendom en in vruchtgenot a 4 pet, per jaar en de rente der geleende kapitalen naar don be-

-ocr page 59-

55

dongen rentevoet af te trekken, volgt hieruit dat het zuiver bedrag der inkomsten uit landbouwbedrijf enz. steeds voor de wet nihil zal zijn en dus hiervan geen belasting kan worden geheven.

In vele gevallen is het landbouwbedrijf vereenigd met een of moer andere bedrijven of beroepen, waarop de uitzonderingsbepaling niet van toepassing is. Zoo zijn er b. v. ten platten lande: burgemeesters, winkeliers, herbergiers, enz. die tevens landbouwers zijn. Men zal begrijpen, dat die burgemeesters, winkeliers, herbergiers, enz. als zoodanig wèl belastingplichtig zijn.

Bij vereeniging van de in § 7 bedoelde bedrijven met andere, zal in do meeste gevallen het onder de vrijstellende bepaling vallende kapitaal wel begroot kunnen worden.

Bloembollenkweekerij. Zooals uit Art. 3 § 7 blijkt, vallen de bloembollen-kweekerijen onder do boven besproken vrijstelling; dit

Bloemisterij. is echter niet het geval met do bloemisterijen (zie

Art. 3 § 7. 2quot;).

Vaste inkomsten. Voor de berekening van alle voor bepaalden of onbe-paalden tijd vastgestelde inkomsten, belastbaar volgens deze wet, geeft Art. 4 § 1 (bl. 7) inlichting.

Tijdelijke inkomsten. Inkomsten wegens tijdelijke werkzaamheden, worden gebracht op rekening van het belastingjaar, ingaande op 1 Mei na het ontvangen dezer inkomsten.

Afwisselende inkom- Art. 4 § 3 (blz. 8) geeft de wijze van berekening aan

sten. Dag- en (( eek- van aye 0vel.jcre inkomsten, dag- en weekloonen daar-

loonen. , ,

onder begrepen.

Buitenlanders. Art. 1. d-k wijst aan welke in het buitenland geves-

tigden belastingplichtig zijn. Art. G geeft aan naar welke bedrage\'n de belasting gerekend wordt. (Zie voor de belastingplichtigen, bedoeld bij art. 1 k het tarief C. volgens art. 9 blz. 1G.)

Aftrek van rente van eigen kapitalen is hier niet

-ocr page 60-

56

geoorloofd, behalve bij spoorwegondernemingen (Art. (gt; § 3 blz. 11.)

Vrijgesteld van do belasting zijn: buitenlandsche ondernemingen voor het vervoer van personen en goederen tusschen buitenlandsche en Nederlandsche havens en werkzaamheid van buitenslands gevestigd bezoldigd personeel op vervoermiddelen, die het verkeer met het buitenland onderhouden. Art. 6 § 5, slotalinea.

Belastingschnldigen. Met be 1 as11 ngsr/i«W/e» bedoelt de wet hen, die voor de betaling der belasting aansprakelijk zijn, behoudens hun verhaal op de helastingjjlichtigen, zie Art. 7 (blz. 12).

Vrijstellingen. Behalve de landbouw c. a., die langs een omweg

vrijgesteld is (zie blz. 54), en de bovengenoemde vrijstelling van buitenlanders, bevat art. 8 (blz. 13) nog eenige bepaalde vrijstellingen.

Stichtingen. Er wordt daar gesproken van stichtingen met eer,;

bepaald doel van onderwijs of liefdadigheid. Oefent de stichting echter een beroep of bedrijf uit (Art. 1 c) ^ waarmede niet een uitsluitend lietdadig doel of het geven van onderwijs beoogd wordt, dan is zij belastingplichtig; zie Art. 5 § 4 (blz. 10).

(„ Het doel van de stichting blijkt uit een of ander authentiek stuk, een testament of eene akte van oprichtingquot;.

Minister Pier son. Zie Handelingen Tweeder Kamer, 13 Juni 1893, bladz. 1437.)

Minimum-Inkomen. Uit de wet blijkt, dat zij die binnen het Rijk wonen en niet in de Vermogensbelasting zijn aangeslagen, de bedoelden onder Art. 1 d en die onder Art. 1 li, die hier te lande geregeld een bedrijf enz. persoonlijk ofquot; door gemachtigden uitoefenen en wier inkomen minder dan f C50 bedraagt, niets in deze belasting betalen^ Ter berekening van het inkomen van de binnenslands-wonenden, die een vermogen van minder dan f 13000-

-ocr page 61-

57

bezitten en dus niet in de Vermogensbelasting zijn aangeslagen , moeten de inkomsten uit bedrijf, beroep, ambt, waardigheid , bediening of betrekking, vermeerderd worden met 4 pet. van het bedrag van het vermogen, berekend volgens de wet van 27 Sept. 1892. (1)

B. v. iemand die ƒ 10,000.— vermogen bezit, wordt geacht daarvan ƒ400. - inkomen te trekken. Wanneer hij nu bovendien niet meer dan ƒ249.99 andere inkomsten , volgens deze wet heeft, dan is hij niet belastingplichtig.

Bij overschrijding van hèt minimum in den loop van het belastingjaar, door het verwerven van inkomsten bedoeld bij Art. 4 § 1 (blz. 7) , wordt men nog in dat belastingjaar belastingplichtig; zie Art. 11 § 3 a.

Bedrag der De inkomsten van hen, die niet in de Vermogens-

Belasting. belasting zijn aangeslagen, worden minder zwaar belast

dan die van hen, die reeds door genoemde belasting getroffen werden, zooals uit Artikel 9 (blz. 13) blijkt.

Een paar voorbeelden zullen het verschil duidelijk doen uitkomen:

1. Stel: iemand die geen vermogen heeft, geniet uit anderen hoofde een jaarlijksch zuiver inkomen van ƒ1000.—. Hij betaalt dan ƒ 6.50 belasting.

2. Een ander, die ƒ13000.— vermogen heeft, en nog ƒ480.— zuiver inkomen uit andere bronnen, betaalt 1°. ƒ2.— in de Vermogensbelasting en 2°. ƒ5.— in de Inkomsten- of Bedrijfsbelasting. Volgens het beginsel der wet stellende, dat zijn vermogen 4 pet. rente, dus ƒ520.— inkomen afwerpt, bedraagt dus zijn totaal-inkomen ƒ 1000.—, waarvan hij ƒ 7.— belasting betaalt.

1

Men zie voor deze berekening den „Gids bij het invullen van het biljet van aangifte voor de Vermogensbelastingquot; uitgegeven bij Blanket aardt amp; Schoonhoven te \'s Gravenhage.

-ocr page 62-

58

Of wel:

1. Iemand heeft, naar de wet, geen vermogen, doch een zuiver inkomen van ƒ8000.— per jaar. Hij betaalt dan flU.— belasting.

2. Een ander lieeft ook ƒ8000.— jaarlijksch inkomen, waarvan ƒ4000.— uit vermogen en ƒ4000.—• uit andere bronnen. Hij betaalt over ƒ100,000.— in de Vermogensbelasting ƒ 112.50 en over ƒ4000.— in de Inkomstenbelasting /\'72—, totaal ƒ184.50.

Zooals wij reeds bij Minimum-Inkomen opgemerkt hebben, worden de inkomsten van hen die wel vermogen, doch minder dan ƒ13000.— bezitten en dus niet in de Vermogensbelasting zijn aangeslagen, met 4 pet. van dat vermogen vermeerderd. Het aldus verkregen bedrag vormt, na aftrek van verliezên en kosten, waar deze is toegelaten, het zuivere inkomen.

13. v. iemand heeft volgens de wet ƒ 10,000.— vermogen , dan is zijn zuiver inkomen daaruit ƒ 400.—. Bovendien heeft hij ƒ 400.— zuiver inkomen uit andere bronnen. Hij is dus belastingplichtig naar een zuiver inkomen van ƒ 800.— volgens Art. 9 A en betaalt daarover ƒ 3.50 belasting.

Indien dezelfde persoon alleen inkomsten uit vermogen had en dus uitsluitend in de Vermogensbelasting werd aangeslagen, dan zou hij, in het stelsel der wet weder aannemende, dat ƒ800.— inkomen uit vermogen een kapitaal van ƒ20,000 onderstelt, eene belasting van ƒ 12.50 hebben te betalen.

Art. 9 B bevat de tarieven voor belastingplichtigen, die ook reeds in de Vermogensbelasting zijn aangeslagen.

Iemand die een vermogen van ƒ13,000.— tot beneden /\' 14,000.— bezit, betaalt in de Vermogensbelasting ƒ 2.—. Wanneer zijne overige zuivere inkomsten ƒ1000.— be-loopen, dan betaalt hij in de Inkomstenbelasting ƒ 13.25 ,

-ocr page 63-

59

totaal dus ƒ 15.25. Bedraagt zijn vermogen /quot;15,000.— , dan betaalt hij in de Vermogensbelasting {6.25 en voo.quot; /quot;1000.— andere zuivere inkomsten /12.50 totaal ƒ 18.75.

Tarief A heeft betrekking op hen die binnen het Rijk wonen en niet in de vermogensbelasting betalen, op hen die buiten het Rijk in Europa een Nederlandsch staatsambt uitoefenen en op de in Art. 1 h bedoelde buitenlanders, die hier te lande geregeld een bedrijf enz. uitoefenen of doen uitoefenen.

Yoor laatstgenoemden, wanneer zij hier te lande slechts tijdelijk een bedrijf, beroep, enz. uitoefenen, bevat art. 9 nog eene slotbepaling, waarbij de belasting op /0.50 van elke / 25 bepaald wordt, waarmede hunne inkomsten in elke drie kalendermaanden het bedrag van /150 te boven gaan.

Tarief B betreft hen, die ook reeds in de vermogensbelasting zijn aangeslagen.

Tarief C betreft buitenlandsche reizigers, die in Nederland bestellingen opnemen. Deze betalen uit dien hoofde /15 per jaar, doch kunnen natuurlijk ook uit anderen hoofde belastingplichtig zijn; zie Art. 6 (blz. 10).

Vennootschappen, Tarief D. betreft alle overige belastingplichtigen, dat

Coöpe) atieve T\' er- zjjn. naaml00ze vennootschappen, commanditaire ven-eemgmgen ens.

nootschappen op aandeelen, coöperatieve of andere ver-eenigingen, (waaronder sociëteiten), onderlinge verzekeringmaatschappijen, reederijen, stichtingen en vorder de belastingplichtigen bedoeld in Art. 1 e,/\',(/ en i.

Deze categorie is onderworpen aan eene belasting van /2.50 van elke geheele som van ƒ100.— van het belastbaar bedrag.

Echtgenooten. Wanneer echtgenooten onder huwelijksche voorwaarden

gehuwd of van goederen gescheiden zijn, is ieder hunner persoonlijk belastingplichtig, doch worden niettemin bij de berekening van de verschuldigde belasting , de inkom-

-ocr page 64-

60

sten van beiden bijeengevoegd en het door ieder verschuldigd bedrag in evenredigheid tot het bedrag van ieders inkomen omgeslagen.

In het geval van scheiding van tafel en bed heeft deze bijeenvoeging niet plaats.

Aangifte. Er zijn drie soorten beschrijvingsbiljetten A. B. en C.

(Art. 12. blz. 18).

Biljet A. wordt aan ieder uitgereikt die geacht wordt belastingplichtig te zijn, uitgezonderd: aan diegenen, die alleen belastingplichtig zijn naar uitkeeringen of uitdeelingen , aan hen voor wie de belasting in de persoon van een ander verschuldigd is en aan de in Art. 1 d bedoelden.

Biljet B. wordt niet aan ieder uitgereikt. Zij, die een biljet A ontvangen hebben en ook een biljet B verlangen , of zij, die geen enkel biljet ontvangen hebben, kunnen kosteloos bij den ontvanger der directe belastingen of op de secretariën der gemeenten biljetten bekomen.

Biljet C is uitsluitend bestemd tot aangifte van uitdeelingen ot uitkeeringen door vennootschappen, ver-eenigingen en maatschappijen, bedoeld bij art. 16, voor de boekhouders van reedenjen en voor de beheerende vennooten bedoeld bij art. 7 § 2.

Het niet ontvangen van een biljet ontslaat niet van de verplichting tot het doen van aangifte (Art. 14 blz. 23).

Aanslag. Omtrent de wijze waarop de aanslagen geregeld wor

den, raadplege men artt. 19, 20 en 21 (blz. 27—31).

Bezwaar tegen den Bezwaren tegen de aanslagen kunnen binnen zes weken aanslag na jg afkondiging van het kohier ingediend worden

bij den voorzitter van de commissie van aanslag. (Art. 23 blz. 32). z

Van de uitspraak dezer commissie kan men in beroep komen bij den Eaad van beroep voor de Vermogens-

-ocr page 65-

61

belasting (Art. 25 biz. 33). Van dit recht kan ook de ambtshalve (wegens hot nalaten van aangifte) aangeslagene gebruik maken. (Art. 25 § 2.)

De Eaad van beroep kan de aangifte van biljet B of C doen bevestigen door eene verklaring volgens Art. 29 Iblz. 35). Deze verklaring kan ook , na verlof door den Minister van Financiën daartoe te verleenen, worden afgelegd door een gemachtigde.

Beroept men zich zonder gunstig gevolg op den Raad van beroep, dan wordt de belasting bij wijze van boete verhoogd. Art. 30 (blz. 36).

Het opzettelijk afleggen eener valsche verklaring, als bedoeld bij art. 29. wordt gestraft met eene gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Art 47, blz. 43).

Geheimhouding. In de kohieren wordt het bedrag der inkomsten niet

vermeld (Art. 22 § 2 blz. 31).

Aan de niet ambtelijke ledeii van de commissiën van aanslag en aan de leden van den Raad van beroep is geheimhouding opgelegd. (Art. 19 § 6 blz. 29 en art. 26 blz. 33), terwijl aan de ambtenaren bij art. 35 verboden is iets omtrent de aanslagen enz. verder bekend te maken dan voor hun ambt noodig is.

Belziyers, Handelsreizigers, kramers en alle verdere personen,

die hun bedrijf of beroep rondtrekkende uitoefenen, ook voor zoover zij behooren onder art. 1 h \'en k (buitenlanders), moeten zich aanmelden bij hot gemeentebestuur ter plaatse waar zij zich op 1 Mei het eerst bevinden. Art. 34 (blz. 37). Van deze aangifte ontvangen zij kosteloos een bewijs, dat zij gehouden zijn op aanvrage aan de ambtenaren van de directe belastingen te ver-toonen.

Ontheffing. Ontheffing van belasting wordt verleend aan personen,

vennootschappen, vereenigingen, enz. die in de koloniën of bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen in

-ocr page 66-

*62

het patentroclit of eene belasting naar de inkomsten zijn aangeslagen.

Omtrent het bedrag der ontheffing en de formaliteiten aan het verzoek daartoe verbonden, geeft Art. 37 (blz. 38) inlichting.

Art. 38 (blz. 39) geeft inlichting over de ontheffingen tij vertrek naar het buitenland en bij overlijden.

Uitzicht op ontheffing bij vermindering van inkomsten, ■\\vordt gegeven in Art. 40 (blz. 40).

Ook Art. 43 (blz. 41) handelt over ontheffingen.

Do Avet bevat twee misstellingen n. 1. ééne in art. 10 (zie blz. 1G), waar de datum van 24 December 1851,. moet luiden: 31 December 1851 en ééne in art. 21 §4 (blz. 31), waar de datum van 22 September 1892 gesteld is in plaats van 27 September 1892.

.SIJo.

-ocr page 67-

EEGISTER

©3p Aa.aquot;be©kea,iiigea,B

Blz.

Aangifte.......60

Aanslag.......60

Aftrek........52

Afwisselende inkomsten . . 55 Bedrag der belasting . . .57

Bedrijfsbelasting.....50

Belastingplichtig ? (Wie zijn) 50

id. ? (Wanneer) 51

Belastingschuldigen ... 56

Belooningen......52

Bezwaar tegen den aanslag . 60

Bloembollenkweekerij ... 55

Bloemisterij......55

Buitenlanders......55

Coöper. Vereenigingen . . 59

Dagloonen.......55

Echtgenooten......59

Geheimhouding.....61

Inkomsten (Afwisselende) . 55

id. (Tijdelijke). . 55

id. (Vaste) .... 55

Inkomstenbelasting.... 50

Blz.

Inkomsten uit vermogen . 51

Kramers......61

Landbouw, enz.....54

Lijfronten......54

Minimum-Inkomen ... 56

Ontheffing ......61

Patentrecht.....50

Pensioenen......54

Reizigers......61

Societeiten......59

Stichtingen......56

Toelagen......51

Tijdelijke inkomsten . . 55

Vaste „ . . 55

Vennootschappen ... 59 Vereenigingen ... .59

Vermogensbelasting . . 50

Verzekerden. (Winst als). 52

Vrijstellingen.....56

Wachtgelden.....54

Weekloonen.....55

Winsten.......52


-ocr page 68-
-ocr page 69-
-ocr page 70-
-ocr page 71-
-ocr page 72-