-ocr page 1-

it?^:

s

r

lllilllialllllllillMilHllilillllllllllliillllllllllllllHllllllilillimillll||ilH;illill|llll!lll!lllHHl|(|IIIIHllllilllllililUllilHllllHl|l|iliiHi|ll!illlillllH!lllil.SHHI,\'llll^lllll|||

\'6^,- w ,

AAGT EKERKE

DOOR

H. M. KESTELOO

SECRETARIS DER GEMEENTE.

JC

fi

MIDDELBURG, J. C, amp; W. ALTORFFER.

V.

ilL

1893

y.-

ae©c®lt;©(De©®eo€elt;©€c^€€o©elt;ac®egt;®®lt;©®clt;©€elt;©€€lt;©®eilt;©€eo€co€€oeclt;s€\'£0€elt;S€elt;©€@

\'lllllllëlllllllllil\'ütiliiilllllll llMIIIII|IIIIIIIMIIlllllllMIII|lll|lllllllllllllllllll|||l|||llllll||l|||l|illll|IHIlllll|l|ll!lllilllllllIlllll!llllllllllliM i {iliülillllllllieilllllll

HIST. GEK.

jfë MC 3

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

11

r ykoz

AAGTEKERKE

DOOR

H. M. KESTELOO,

SECRETARIS DER GEMEENTE.

I .

,

M IDDELBÜRG. J. G. amp; W. ALTORFFER.

1 8 9 3.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

Aav

de ingezetenen der gemeente Aagtekerke.

Twintig jaar is het geleden, dat ik in dienst trad als secretaris en ontvanger der gemeente eu — het is mij aangenaam dit te kunnen verklaren —, met genoegen ben ik steeds als zoodanig werkzaam geweest. Ik diende de gemeente alzoö op gelijke wijze als reeds mijn vader en grootvader deden.

Belangstellende in al wat de gemeente betreft, heb ik mij ook hare geschiedenis eigen gemaakt. Van velen mocht ik bij mijne nasporingen hulp ontvangen, niet het minst van den heer Burgemeester, die zich steeds bereidvaardig betoonde om mij de verlangde inlichtingen te geven of in de gelegenheid te stellen die te verkrijgen. Daardoor is het mij gelukt dit boekje samen te stellen.

Aan allen, die mij daarbij de behulpzame hand boden, mijn hartelijke dank!

-ocr page 8-

En U, Ingezetenen der gemeente! bied ik het geschrift aan, als bewijs van belangstelling.

Ontvangt het met den wensch , dat liet de gemeente welga tot in lengte van dagen!

De Schrijver

Domburg, 21 Juni 1893.

-ocr page 9-

AAGT E K E R K E.

O U 1) S T E T O E S T A N ü.

Het is bekend dat Walcheren in overoude tijden door verscheiden stroomen en kreken doorsneden werd, waardoor de zee er op veel plaatsen als liet ware vrijen toegang had en het land bij hoogen vloed gedeeltelijk onder water zette. Ten einde zoo voor zich zeiven als voor Imn vee eene schuilplaats bij overstroomingen te kunnen vinden, wierpen de denkelijk weinige bewoners der lage gedeelten heuvelen op, nog- als vliedbergen bekend. Een dier oude gedenkteekens vindt men nog in deze gemeente aan den weg, die er den naam van Bergweg aan ontleend heeft. De overlevering zegt, dat daaronder een man begraven ligt. Wanneer de eigenaar dus met afgraving voortgaat, zal hier, na verloop van tijd, kunnen worden ontdekt of de, trouwens elders nog weinig bevestigde meening van sommigen, dat deze bergjes grafheuvels zijn, op waarheid gegrond is. Een andere lag weleer bij den Zuiverschen weg en vermoedelijk een derde bij den Koekoeksweg, aan welke beide laatsten de herinnering nog bewaard blijft door de benamingen Bergmeet en Hoogmeet, gegeven aan de perceelen land, waar die bergjes eenmaal gevonden werden. De beide eerstgenoemde

1

-ocr page 10-

2

vindt men beschreven in; Vliedbergen in II nlcheren, door Dr. J. C. de Man, in Archief, uitgegeven door het Zeeuwsch genootschap der // etenschappen, VI, en aangeduid op de daarbij behoorende kaart.

Voor een overblijfsel der straks genoemde kreken wordt de Dotnburgselie watergang gehouden, die, deels als middel tot gemeenschap en ten dienste der afwatering gegraven, deels door aaneenschakeling en uitdieping van bestaande kreken gevormd, het grondgebied dezer gemeente doorloopt, ten deele door de streek, als de Pekelinge bekend. Ook deze benaming, evenals die van de Plompert, voor de lage, drassige, ziltige gronden, kunnen veilig als herinneringen worden beschouwd aan den toestand van het land in vroegere tijden. Hoelang het geleden is, dat de genoemde kreken Walcheren in tal van kleine eilanden verdeelden, is niet na te gaan, maar dat wij eeuwen van dien tijd verwijderd zijn, is ook daaruit op te maken, dat volgens eene in liet provinciaal archief bewaarde oorkonde van 1201, (Inventaris No. 67), eene overeenkomst gesloten werd over de tienden in Pekelinge, een bewijs aldus, dat het land in die streek toen reeds geregeld als bouwland gebruikt werd.

HEERLIJKHEID. NAAM. GROOTTE. GRENZEN, GEMEENTE.

De heerlijkheid Aagtekerke maakte met die van Domburg-buiten weleer een geheel uit en staat dan ook in de steen-rollen — dat zijn de registers der heerlijklieden — bekend als een deel uitmakende van het Domburger ambacht. Bovendien blijkt dit ook uit de oudst aanwezige rekening vf.n den Rentmeester van Zeeland bewester Schelde van 1331/33.

Dit gedeelte van liet ambacht ontleende zijn naam aan de beschermheilige der daarin gestichte kerk, Sint-Agatha. Oak

-ocr page 11-

3

zijn wapen, later dat der treineente, zal daaraan wel zijn oorsprong te danken hebben. Bij den «brief van creatiequot; van den Hoogen llaad van Adel van 20 Februari 1838, waarbij aan de gemeente het recht wordt toegekend om het van ouds gevoerde wapen te blijven gebruiken, wordt het aldus omschreven: //van zilver, beladen met de buste eener vrouw, van goud, gekeerd ter regterzijde.quot;

Het ambacht behoorde in verschillende gedeelten aan het zeer oude geslacht van Domburg, behalve 16 \'/o geniet en 44gt; roeden, die aan Anna van Ravesïeijn gekomen waren, doch naar het schijnt, met het overige vereenigd, in het bezit kwamen van Jacob van Domburg. Deze was wel het meest bekend gebleven lid van zijn geslacht, schoon niet altoos met eervolle herinnering. Hij was ridder, gedurende verscheiden jaren lid van het stadsbestuur en van 1513 tot 1516 burgemeester van Middelburg. In deze laatste betrekking maakte hij zich, blijkens tal van bescheiden in het stads-archief, schuldig aan verregaand misbruik van gezay, waarvoor hij gerechtelijk vervolgd werd en hetgeen vermoedelijk zijn vertrek naar Gelderland teweeggebracht zal hebben. In Middelburg bewoonde hij een huis aan de groote markt, hij de Gortstraat, dat, schoon geheel afgebroken, zijn naam — het huis van Domburg — toch aan het in de plaats gebouwde heeft overgedragen, maar lang als eene voorname herberg een openbaar gebouw is gebleven.

Eene der blokken, waarin vóór de invoering van het kadaster, de parochie en ambachtsheerlijkheid, later de gemeente , verdeeld was, staat op den zoogenaamden overlooper, het eigendomsregister, bekend als // Heer Jacob van Dom-burgh\'s huis.quot; Het is de blok, waarin het dorp gelegen is en die begrensd wordt door den geoctrooieerden weg, het Bergwegje en den Domburgschen weg. Aan laatstgenoemden weg vindt men nog een overblijfsel van een gracht of vijver

-ocr page 12-

4

in een perceel weiland, sectie A no. 370, als het hofsteedje bekend, toebehoorende aan Joh. du Visser, waar bij het doen van ingravingen steeds steenpuin gevonden wordt en is het alzoo niet onwaarschijnlijk, dat aldaar het huis van Heer Jacob van Domburg gestaan heeft.

Na zijn overlijden in Mei 1553, kwam de heerlijkheid in het bezit zijner eenige dochter Maria, gehuwd met Jo-han van Eyll, terwijl ze na haar overlijden, in 1560 of lófil, overging op haar zoon Jacob van Eyll, die in 1592 kinderloos .overleden zijnde, zijne tweede vrouw, Helena Türchi, tot erfgenaam gemaakt had, van wie de bezitting overging op haar neef Augustijn Türchi en vervolgens op Nicolaas, Steven en Herman Türchi (of ïurck.)

Don 18 October 1629 ging de heerlijkheid bij koop over op Mr. Job Porrenaer, oud 53 jaar, in twee partijen, ieder groot 405 gemeten 193 roeden 9 voet. of te samen 811 M., 87 r., 6 vt., de eene toebehoord hebbende aan Nicolaas Turck en de andere aan Steven en Herman Turck.

Deze Job Porrenaer huwde Johanna Coolen , die te voren gehuwd geweest was met J acob de Waert . burgemeester van Middelburg en liet bij zijn overlijden de bezitting aan zijne weduwe na.

Den 2 September 1643 ging 3/4, na het overlijden van gezegde Johanna Coolen, over op hare dochter Isabella Porrenaer, oud 21 jaar, gehuwd met Hendrik Thïbaut en 1/4 op Jacomina de Waert , eene dochter uit haar vorig huwelijk, oud 38 jaar. weduwe van Johan van Reigeks-berg , rentmeester-generaal van Zeeland bewesten Schelde. 1)

Door het hier vermelde is alzoo opgehelderd hoe de verschillende overgangen der heerlijkheid in de eerste helft der I7de eeuw hebben

-ocr page 13-

5

Eerstgenoemde partij, of 3/4 gedeelten, is op 12 April 16fi8 overgegaan op Johanna Thibauï , dochter van genoemden Hendrik Thibaut, gehuwd met Fkeoemk Hüijssen, op 23 Augustus 1669 op hun zoon Jon an Huijssen.

De andere partij , het 1/4 gedeelte, werd na den dood van Jacojuna de Waeht, gehuwd geweest met Johan van Reigeksberg, in twee gelijke partijen gesplitst, overgedragen voor de eene helft op hunne dochter Maria van Reigersberg, gehuwd met Willem baron van Liere, Heer van de beide Katwijken, en op 22 Maart 1675 op den zoon uit dit huwelijk, ook Willem geheeten; voor de andere helft op Jacob, zoon van Jühan van Reigersberg en Jacomina de Waert, en van dezen op 25 September 1675 op hun zoon Johan.

Deze beide partijen en dus het 1/4 gedeelte gingen 18 November 1676 bij koop over aan frangoxs Velters, gehuwd met Henriette Thibaut, dochter van Hendrik en

plaats gehad en een einde gemaakt aan de daaromtrent bestaande onzekerheid, die steeds geweten werd aan het ontbreken der 3® steenrol in het Provinciaal archief. Ten einde de noodige gegevens te verkrijgen, heb ik de zoogenaamde gele registers der Rekenkamer (aldus genoemd naar de kleur der banden en waarin de overdrachtsbrieven van heerlijkheden geregistreerd werden) geraadpleegd. Tegelijk worden daardoor de verkeerde opgaven omtrent de familie Porrenaer hersteld, die voorkomen in Zelandia 1 Ibis t rat a 1, 760.

Wat het huwelijk van bovengenoemden Mr. Job Porrenaer en Johanna Coolen betreft, komt in het Trouwboek der Ned. Herv. Gemeente te Middelburg voor: »Mr. Job Porrenaer j. g. van Vlissinghe , Janne-ken Jans van Vlissinghe, We. Jacob de Weert. Testes (getuigen) Corn. Porrenaer en Digne Jobs, vader ende moeder van den bruidegom, consenteren in dit houwelick. Jan Lambrechtsen Cool, vader van de bruyd ghetuicht dat de bruijt We. is ende consenteert in dit houwelick.quot; Trouwden 31 Maart 1617.

-ocr page 14-

6

isabelle PoiiKENAEii voornoemd. 1) Aan genoemden Vel-ters ging ook het 3/4 gedeelte van Johan Huijssen , op 30 Mei 1679 bij koop over en van liem op 31 Mei 1680 de geheele heerlijkheid op zijn zoon Hendrik Velteus.

Van laatstgenoemden kwam ze, bij erfenis, 30 December 1732, aan Mr. Johan Willem Thibaut. Deze was geboren te Middelburg in 1700, zoon van Mr. Willem, burgemeester van Middelburg en waterbaljuw van Zeeland, en van Süzanna Eadeumacher; kleinzoou van Johan, Griffier van de Rekenkamer van Zeeland, en van Christina Bartolotti , en achterkleinzoon van Hendmk Thibaut voornoemd. Hij huwde Suzanna Maria Boddaerï (overleden 18 Juli 1757), is raad en burgemeester van Middelburg geweest en op zijne buitenplaats Het Huis ten Duine overleden, 4 November 1759.

Daarna ging de heerlijkheid achtereenvolgens over aan de navolgende personen;

I. Mr. Willem ïhibaüt , zoon van den vorigen, geboren 11 September 1732. Hij huwde te Aagtekerke., 7 Juli 1762 Baubaua Adriana van de Perue (1742— 1768), 2°, 17 Juli 1770, Maria Magdalena van Hoorn (1735—1772), 3°, 3 September 1775 Cornelia Wilhel-

1

) Het is bekend dat deze Henriette Thibaut zich liet schaken door Mr. Alexander de Muinck, burgemeester van Middelbuvg en dat zij het kantoor van Velters opengebroken en daaruit de geldswaardige papieren van diens vrouw hadden medegenomen. De Muinck weid krachtens machtiging van Burgemeesters en Schepenen van Middelburg van 14 Augustus 1679, bij openbare afkondiging, door den baljuw ingedaagd. Uit dit stuk blijkt, dat eene waarde van dertien a veertien duizend pond vlaamsch aan obligatiën en rentebrieven vermist werd. Eene gedrukte verantwoording van de Muinck doet zien, dat genoemde vrouw uit eigen beweging had gehandeld en dat hij de obligatiën had gekocht op grond eener akte, waarbij Velters zijne vrouw had gemachtigd om die te gelde te maken. Hij zegt daarin ook alleen in het kantoor van

-ocr page 15-

7

Mina van Hoorn van Bukgh (1747—1822). Hij is geweest griffier en later secretaris der Admiraliteit van Zeeland, alsmede kiesheer der stad Middelburg. Hij overleed 5 Juli 1790. Op hem en zijne tweede vrouw heeft dus het wapenbord (Thibaüt gedeeld met van\' Hoorn) betrekking, dat nog bewaard wordt in het gemeentehuis te Aagtekerke.

II. Jhr. Mr. Jon ax Willem Thibaüt, zoon van den voor-gaanden uit zijn laatste huwelijk. Hij werd 28 Augustus 1814\' in de Ridderschap van Zeeland geadmitteerd, was gehuwd met Sara Johanna gravin van Hogendorp en overleed op 38-jarigen leeftijd in 1815. Zijne weduwe hertrouwde in 1823 met Jhr, Hendrik Bernard Martini.

III. WlLHELMINA CüRNELIA JaCOBA ThIBAUT , dochter van den voorgaanden, gehuwd met Frederir Govert graaf van Limburg Stirum.

IY. Hunne dochter Albeutina Maria Otteline , gehuwd met Joseph graaf van Bojeza Miaskowski en overleden te Brussel, 27 Augustus 1876.

V. Anne Adriaan graaf van Limburg Stirum, ritmeester der Huzaren te VGravenhage, tegenwoordig eigenaar.

Het eenige geldelijke voordeel. dat het bezit der heer-

Velters te zijn geweest om er, op verzoek zijner vrouw, een aan haar gerichten brief te halen. De Muinck, de regeering van Middelburg geen onzijdige rechters achtende, verzocht van het Hof van Holland een man-dament van purge en stelde zich vrijwillig in arrest. Op grond, dat meergemelde vrouw vrijwillig was medegegaan, kreeg hij in 1681 van den Prins van Oranje brieven van abolitie en huwde na den dood van Velters, diens weduwe, genoemde Henriette Thibaüt.

Over het veelbewogen leven van dezen de Muinck komen tal van bijzonderheden voor, o. a. in F Nagtglas , Levensberichten van Zeeuwen ^ III, 241. De indaging door den baljuw van Middelburg en de verant-woording van de Muinck vindt men in de pamfletten-verzameling in de provinciale bibliotheek van Zeeland, catalogus I no. 1408 en 1411.

-ocr page 16-

lijke rechten van Aagtekerke thans oplevert, is behalve de pacht van de jacht en visscherij, de grondcijns op den molen.

De heerlijkheid Aagtekerke staat op de steenrollen bekend als eene grootte hebbende van 811 gemeten, 871/,2 roede en op den overlooper van 2401 gemeten, 286 roeden. Dit groote verschil is daaraan toe te schrijven, dat een gedeelte van de heerlijkheid Aagtekerke op de steenrollen onder die van Domburg—buiten begrepen is, alzoo deze volgens de steenrollen groot is 20\'J4 gemeten, 203 roeden, 9 voeten en volgens den overlooper slechts 1607 gemeten, 38 roeden. Volgens de kadastrale registers heeft de gemeente Aagtekerke eene uitgestrektheid van 837 hectaren.

Over de grenzen der heerlijkheid en later van de gemeente was meer dan eens geschil. Zoo ontstond tusschen de ambachtsgerechtigden van Domburg—buiten en J. W. ïhibatjt. als heer van Aagtekerke, een rechtsgeding over de vraag, onder welke der beide heerlijkheden de hofstede de Brood-kist behoorde. Bij uitspraak van den Hoogen raad van 27 September 1740 werd beslist in het voordeel van ambachtsgerechtigden van Domburg -buiten. Betrekkelijk deze procedure berusten een aantal stukken in het gemeente-archief van Domburg. Zie mijn Domburg en zijn geschiedenis blz. 166, uitgave van 1890.

Ten einde mogelijke geschillen te voorkomen omtrent de grensscheiding der heerlijkheden Aagtekerke en Oostkapelle, lieten de wederzijdsche bezitters deze in 1765 met genom-merde arduinsteenen afpalen en bevestigden deze regeling bij akte, op den 28 December 1768 verleden door den Notaris S. M. van beu Heijden Sinclaie te Middelburg. Misschien heeft aan deze overeenkomst ook wel zijne plaatsing te danken de steen, die men nog vindt ten oosten der bui-

-ocr page 17-

9

tenplaats Duin vliet aan den straatweg naar Domburg, ofschoon ze aan de west- in plaats van aan de oostzijde der laan naar de boerderij staat. Deze steen heeft aan de eene zijde het oude wapen van Oostkapelle, eene kerk, en aan de andere dat van Aagtekerke, eene vrouwenbuste.

Ten gevolge der kadastrale opmetingen in den Frausclien tijd, ontstond er geschil over de grensbepaling tusschen Aagtekerke en Grijpskerke. Een gedeelte van den Coppe-gooisblok (ongeveer 150 H. A.) welke blok vroeger in zijn geheel tot Aagtekerke schijnt behoord te hebben, was toen bij Grijpskerke genoegd. Veel is daarover door het Gemeentebestuur van Aagtekerke gecorrespondeerd en eindelijk werd in 1833 een adres aan den Koning aangeboden , om dit gedeelte weder bij Aagtekerke te voegen, echter zonder gevolg, zoodat de grensregeling met de verschillende gemeenten nog bestaat, zooals die in 1818 is vastgesteld.

De grens tusschen Aagtekerke eu Grijpskerke is misschien daardoor in het onzekere geraakt, dewijl zooals in een onder den tegenwoordigen ambachtsheer berustend stuk van 1616, door Jan Cannoy (die zich, namens zijne vrouw, daarin heer van Aagtekerke noemt) wordt te kennen. gegeven, //dat in de parochie van Aagtekerke gelegen is een deel van am-bagts geseijt Molenbaeys-ambagt en dat hoewel dit ambacht toen gedurende langen tijd gescheiden geweest was van het ambacht van Aagtekerke, de bewoners van het Molenbaix-ambacht, altijd geressorteerd hadden onder de vierschaar en parochie van Sint-Aagtekerke en helpen bedienen de ambten van schout, klerk en schepenen; zulks dat in \'t frequen-teeren van de kerk, in quot;t kiezen van diakenen, in \'t maken van schepenen en andere officiën tusschen de parochianen van Sint-Aagtekerke en Molenbaix nooit onderscheid geweest is.quot;

Opmerking verdient het ook, dat de zuidelijke grens met Grijpskerke, volgens eene kaart van Walcheren, in het

-ocr page 18-

10

laatst der 17e eeuw door C. Lottee vervaardigd eu op eeue kaart van de blokken, auders is voorgesteld dan die nu is, alzoo daarop het gedeelte, begrensd door den Zoutelandschen en den Domburgschen watergang, den Groenen- en den Kloosterweg, wordt aangeduid als tot Grijpskerke te be-liooren. Op de kaart van Walcheren, door de ingenieurs Hattinga in 1753 vervaardigd, is de grensscheiding dezelfde als thans.

In 1827 en 1846 werden door de Gedeputeerde staten voorstellen gedaan om Aagtekerke met Domburg tot éene gemeente te vereenigen. Tn beide gemeenten waren, zoowel de besturen als de gehoorde ingezetenen, het plan van vereenigen niet toegedaan; te Domburg vooral omdat de gemeentefondsen daar zoo veel beter waren dan te Aagtekerke eu hier, omdat er niets dan ongerief voor de ingezetenen van te verwachten was.

Men heeft hier steeds zeer veel prijsgesteld op zelfstandigheid en de bewering in den mond des volks, dat Aagtekerke slechts het afat van Domburg is, zooveel mogelijk willen logenstraften. Alleen bij onvermijdelijke noodzakelijkheid zijn dan ook door de beide gemeenten zaken gemeenschappelijk behandeld Zoo werd in 1811, door den Prefect, een gemeenschappelijke veldwachtersdienst voor de beide gemeenten ingesteld, doch daar de titularis steeds te Domburg woonde, sprak het vanzelf, dat die gemeente er den meesten dienst van had en daarom werd in 1855, op aandringen dezerzijds, een afzonderlijke veldwachter voor Aagtekerke aangesteld.

Tal van jaren moest men zich ook bedienen van den geneesheer te Domburg, doch toen tij deus het bestaan der klinische school te Middelburg, het aantal der bevoegden zoo groot werd, dat de meeste gemeenten van een geneesheer voorzien waren, is er ook te Aagtekerke gedurende

-ocr page 19-

11

vele jaren een gevestigd geweest, zooals van 1844 tot 1845 l1. M. Westfaal Qüadekker,; van 1849 tot Juli 1850 H. W van Boven; van 1851 tot 1856 S. J. Beiitel; van 4 April 1857 tot 1 Juli 1876 J. J. Pltjgge; van 1 Juli 1876 tot 1 Januari 1879 A.. A. J. Haman. Dewijl na de opheffing der genoemde school gedurende geruimen tijd de geneesheeren hoe langer hoe schaarscher geworden zijn, zijn de pogingen om er hier een gevestigd te krijgen niet meer gelukt en is dientengevolge de gemeente-geneesheer van Domburg in 1889 ook alhier met die taak belast,

BEVOLKING.

Omtrent het bevolkingscijfer in vorige eeuwen, is zoo min hier als elders, bij gemis aan nauwkeurige telling, eenige zekerheid te verkrijgen. Alleen bij benadering kan men daaromtrent iets te weten komen Voor zoodanige beraming kan het getal der gedoopten tot grondslag strekken. Naar aanleiding der berekeningen, aangegeven door Mr. G. A. Eokker in; leis over de bevolking van Middelburg, in Archief, uitgegeven door het Zeeuwsch genootschap der wetenschappen dl. Il l blz 81, ben ik tot de overtuiging gekomen, dat de bevolking gedurende de 17e en 18e eeuw weinig in omvang heeft afgewisseld en het cijfer steeds ongeveer 320 is geweest.

Ongetwijfeld is deze grondslag meer betrouwbaar, dan het getal lidmaten der gemeente, dat in het daarvan gehouden register is aangeteekend, en wel op de jaren :

1624

67,

1678

105,

1754

100,

1638

117,

1681

100,

1777

109,

1646

106,

1686

94,

1785

136,

1667

134,

1721

70,

1791

144,

want het is

wel denkelijk, dat door het

aannemen

van meer

-ocr page 20-

12

lidmaten gedurende den dienst van den eenen predikant dan van den anderen er geen verband bestaat tussclien liet bevolkingscijfer en dat der lidmaten.

Eene andere bijdrage tot de bevolkingsstatistiek levert ook nog liet doopboek, waarin van 1721 tot 1736. bij het einde van ieder jaar, nevens liet getal gedoopten, ook dat der overledenen is aangeteekend, als volgt:

1721

gedoopt

10

overleden

15

1722

n

11

ff

14

1723

//

13

ff

7

1724

//

11

ff

9

1725

//

9

ff

8

1726

//

11

\'f

4

1727

//

13

ff

9

1728

quot;

7

ff

10

1729

//

12

//

19

1730

//

15

ff

11

1731

//

13

ff

11

1732

//

16

ft

15

1733

//

13

//

21

1734

H

16

ff

9

1735

U

14

//

17

1736

//

12 196

ff

8

187

Hieruit blijkt, dat in verscheiden jaren het sterftecijfer dat der geboorten overtrof en in dat zestienjarig tijdvak slechts negen geboorten meer dan sterfgevallen plaats hadden. Bovendien leeren de aanteekeningen in het doopboek, dat in 1732, 1752 en 1753 verscheiden personen aan kinderpokken zijn gestorven.

In de akten van den Kerkeraad van 1805 vindt men aangeteekend, dat de gemeente 330 zielen telde, waaronder 153 lidmaten. Dit bevolkingscijfer geloof ik dat als juist

-ocr page 21-

13

kan worden aangenomen, omdat eene telling, vanwege het Gemeentebestuur, in Maart 1809 gedaan, en dus slechts vier jaren later, het cijfer 315 aangeeft, dat dus een gering verschil oplevert. Dat de opgaaf van den Kerkeraad al de inwoners omvat, is gerust aan te nemen, daar die destijds ongetwijfeld uitsluitend tot het Hervormd kerkgenootschap behoord hebben.

De volkstelling op last der Bataafsche Republiek in 1796 geschied, gaf 277 inwoners aan, blijkens de in 1799 bij C. Govens te Amsterdam uitgegeven Naamlijst.

Voor de kennis van liet bevolkingscijfer in later tijd liggen de gegevens voor de hand. Dit cijfer was op 31 December 1819, 324.; 1829, 336; 1839, 355; 1849, 424; 1859, 421; 1869, 444; 1879, 525; 1889, 585, en op 31 December 1892 tot 617 gestegen.

Schoon niet het bevolkingscijfer daaruit gekend wordt, bestaan er een paar stukken uit ouden tijd, waardoor men de verhouding van de bevolking te Aagtekerke tot die van andere plaatsen leert. Het eerste stuk is van 8 Augustus 1474 in het stadsarchief van Middelburg, waarbij wordt aangewezen hoeveel manschappen uit iedere parochie moesten geleverd worden tot bewaking van het land van Walcheren, zooals; Serooskerke 80, Oostkapelle 80, Westkapelle met Poppekerke 40, Domburg 40, Zoutelande met Werendijke en Sint Janskerke 78, Meliskerke en Mariekerke 30, Grijps-kerke met Poppendamme, Buttinge en Hoogelande 56, Aagtekerke 30. Het andere stuk is van 8 Juli 1572, waarbij eene verdeeling wordt gemaakt van de 188 arbeiders die uit de verschillende plaatsen van Walcheren moesten worden gezonden om te werken aan de vestingswerking van Arne-rauiden, in voege als volgt; Serooskerke 16, Oostkapelle 16, Westkapelle c. a. 10, Domburg c. a. 14, Zoutelande c. a 11, Meliskerke c. a. !2, Grijpskerke c. a. 14, Aagtekerke 14.

-ocr page 22-

14

PLAATSELIJK BESTUUR.

Het plaatselijk bestuur bestonfl voorlieen uit een schout en vijf schepenen, bijgestaan door een secretaris, tevens vendumeester. De schout werd voor onbepaalden tijd benoemd , evenals de secretaris en deze betrekkingen waren veelal in denzell\'den persoon vereenigd. De schepenen traden jaarlijks op den tweeden pinksterdag af en zullen dan wel in den regel opnieuw benoemd geworden zijn . daar er, wegens het niet groote zielental, weinig gelegenheid tot afwisseling bestond. Zij waren niets anders dan werktuigen in de hand van den ambachtsheer, die hen naar goedvinden benoemde en ontsloeg. Hun werkkring was bovendien al zeer onbeduidend. Aagtekerke behoorde onder het rechtsgebied van Veere, waarvan het stadsbestuur de zaken van lijfstraffelijken aard behandelde. Eigendommen en fondsen om te beheeren waren er niet, ja zelfs geen plaatselijke inkomsten, zooals hierna blijken zal. Het weinige dat het college van schout en schepenen te doen had, bestond in het staan over verkoop of bezwaring van vaste eigendommen, het opmaken van testamenten en andere akten, het optreden als beheerders in insolvente boedels en over de goederen van enkele weezen, doch het is te begrijpen, dat deze zaken zich op eene kleine plaats tot een gering getal bepaalden en de secretaris, als de penvoerder, eigenlijk de hoofdpersoon was, terwijl de leden van het bestuur (de wet of regeering zooals men gewoonlijk zeide) niet veel meer te doen hadden dan tegeu-icüordig te zijn.

De leden van het gemeentebestuur van Domburg, die in April 1798 door eene commissie uit het Intermediair administratief bestuur van Zeeland benoemd werden, traden ook als zoodanig te Aagtekerke op en bleven in dienst tot 1 October 1 803, toen Aagtekerke weder een eigen bestuur kreeg.

-ocr page 23-

15

Ten gevolge van de inlijving van ons Vaderland bij Frankrijk , traden op 27 December 1810 in functie een Maire, een adjunct-maire en een Municipale raad.

Het Gemeentebestuur onderging, evenals in de andere gemeenten, de veranderingen, die het gevolg waren van de invoering der reglementen op liet bestuur der gemeenten te platten lande in 18i.5 en 1825 en van de Gemeentewet in 1851.

fk laat bier naamlijsten volgen van hen, die als hoofd van het plaatselijk bestuur en als secretaris werkzaam zijn geweest, voor zoover ik die te weten ben gekomen, alsook van de leden van dat bestuur, sedert 1810 tot lieden.

SCHOUTEN, ENZ.

Pibteu .Janszone, 2 t Mei 1442.

P iet eu Hoenszoon , 22 November 1152.

PietEii. Simonsz., 17 Maart 1461 ,

blijkens aanteekeningeu in het rijks-archief, mij welwillend medegedeeld door den rijks-archivaris.

Jan Bernaertsz. Werrebroek, was tevens secretaris en ook schout en secretaris van Domburg-buiten, huwde te Aagtekerke, 16 Juni 1624 als jonkman van Middelburg.

A-NDRIEs Jansz. Heijpe, 1663, overleed 10 Januari 1673.

Hugo Andries, 1674, met attestatie van Grijpskerke. Hij was ook schout van Domburg-buiten en overleed in 1688.

Jan Stoppels, overleed, 23 April 1711 te Middelburg.

Leun Floris Ingelsz. 1717, overleed voor April 1721.

Abraham Prancke, 1723 en in 1748 overleden.

Jan Schiettekatte, 1748, overleed voor 9 October 1769.

Adriaan Schiettekatte, 1769, zoon van den voor-gaanden. Hij bleef in functie tot in 1798, toen het Gemeentebestuur van Domburg ook hier als zoodanig optrad.

-ocr page 24-

16

Doch toen Aagtekerke weder een eigen bestuur bekwam, diende hij andeTmaal van 1803 tot 1811.

Mr. Johan Willem Thibatjt kwam 27 December 1810 in functie als Maire en werd 4. Juni 1812 op zijn verzoek eervol ontslagen. Zijn opvolger Gehard Valerius Meij-ners werd reeds 15 December 1812 op zijn verzoek eervol ontslagen. Hij was tevens Maire van Domburg-binnen en adjunct-maire van Middelburg.

Laurens Verhage. Benoemd 15 December 1812. Na het einde van het Fransche bestuur, werd hij provisioneel schout en als zoodanig beëedigd 16 Mei 1814, daarna benoemd tot schout bij Z. M. besluit van 12 October 1817 en tot Burgemeester bij gelijk besluit van 9 Augustus 1825. Hij overleed 10 Februari 1831.

Hij werd met den predikant Jongeneel en andere ingezetenen van \\V aleheren gevangen genomen na den opstand tegen het Fransch bestuur door de landlieden te Brigdamme op 11 Februari 1814, doch reeds den volgenden dag ontslagen. Ds. Jongeneel liet men te Oostkapelle al los. Zie; Be laatste maanden der Fransche heerschappij in Walcheren, door F. Nagtglas , blz. 61.

Klaais Maljaars , benoemd tot Burgemeester bij Z. M. besluit van 28 December 1831. Overleed 22 October 1853.

Jan de Visser, als zoodanig benoemd, bij Z. M. besluit van 22 December 1853, overleed 4 Februari 1878.

Jan Peper, als zoodanig benoemd bij Z. M. besluit van 1 Maart 1878.

0

SECRETARISSEN.

J. B. Werrebroeck. Zie de lijst der schouten.

Cornelis Stoppelsen, 1663, overleed 25 Februari 1670.

Jan Gounelisz. Stoppels, 1072. Ook secretaris van Domburg-buiten.

-ocr page 25-

17

Abraham Fuancxe, 1732 tot 1748. Zie de lijst der schouten.

Jan ScniETTEKATTE, 1748 tot 1769. Zie de lijst der schouten.

Adriaan Schieïtekaïïe , 1769 tot 1796. Zie de Irjst der Schouten.

Willem Bernakd van Deinse, 1796,

Aduiaan Schiettekatïe , 1797.

Hendrik Lente. 1798 tot 1803, toen het Gemeentebestuur van Domburg ook als zoodanig te Aagtekcrke fungeerde. Toen dit een einde nam, trad Aduiaan Schiette-katte andermaal in dienst en werd in 1806 vervangen door

Daniël Janse, die in 1808 overleed. Toen trad andermaal in dienst Hendrik Lente, die provisioneel benoemd werd den 2 April en definitief bij Koninklijk besluit van 21 April 1808. Hij bleef in dienst tot de aftreding van het oude bestuur in 1811.

Den 3 Juli 1812 werd tot secretaris van den Municipalen raad benoemd. alleen evenwel voor den vorm, Jacob Coiuu; , daar van toen af de administrative werkzaamheden tot in 1832 verricht werden door H. M. Kesïeloo , onderwijzer te Domburg.

Jacobus Heumanus Holscher , beëedigd 27 Maart 1819. Aan hem werd, op zijn verzoek eervol ontslag verleend bij Z. M. besluit van 13 Juli 1824. Deze, zoowel als zijn opvolgers waren tevens gemeente-ontvangers.

Klaais M al ja ars , benoemd bij Z. M. besluit van 13 Juli 1824. Bedankte ten gevolge van zijne benoeming tot Burgemeester.

Zacharias Jacobüs van Ginhoven , benoemd bij Z. M. besluit van 4 Augustus 1832 en in het volgende jaar reeds op zijn verzoek eervol ontslagen.

Gillis Adriaan Kesteloo, benoemd bij Z. M. besluit van 27 Mei 1834. Overleed 19 Augustus 1847.

2

-ocr page 26-

18

Pieter Paul Slegï, benoemd bij Z. M. besluit van 4 December 1847, tot 21 December 1864, ten gevolge van zijne benoeming tot Notaris te Middelburg.

Willem Fredekik Slegt, van 23 December 1865 tot 3 Juli 1868.

Hendrik Pieter van de Graft, van 3 Juli 1868 tot 17 Mei 1873.

Huibbrt Maktin Kesteloo. Benoemd 21 Juni 1873.

LEDEN VAN HET GEMEENTEBESTUUR.

Jan Jacobse Louws, 27 December 1810 tot 17 Januari 1811. Wisse Pieterse Wisse, 27 December 1810 tot 17 Januari 1811. Pieter Verliage, 27 December 1810 tot October 1818. Pieter Maljaars, 27 December 1810, overl. 2 November 1824. Jacob Corré, 27 December 1810 tot 13 December 1833. Jan Bosselaar, 27 December 1810 tot 15 April 1856.

Janis Melse, 17 Januari 1811 tot October 1818.

Leijn Erancke, 17 Januari 1811, vertrokken 1815.

Gillis van Maldegem, 2 2 December 1817, overl. 28 Februari 1828 Gillis Louwerse, 22 December 1817 tot 10 Januari 1818. Simon Simonse, 25 Mei 1818, vertrokken 1840.

Simon Wisse, 22 Januari 1825 tot 1848.

Jan Maljaars, 27 Augustus 1825 tot 1832.

Geert Wisse, 17 September 1828 tot 1845.

Jan de Visser, 3 Juli 1832, overleden 4 Februari 1878. Abraham Gillis Peper, 26 April 1834, overl. 16 Juli 1858. Laurens Hugense, 6 April 1840, overleden 30 April 1878. Leijn Corré, 1 October 1845 , overleden 18 October 1857. Jacobus Simonse, 15 September 1848 tot 15 Juli 1878. Klaais Maljaars, 18 October 1851, overleden 22 October 1853. Pieter Kodde, 11 Maart 1854 tot 6 September 1881. Cornelis Dekker, 21 Juni 1856 tot 1871.

Pieter de Groot, 11 Maart 1858, vertrokken 1860.

-ocr page 27-

19

Pieter Wisse Sz., 16 October 1858 tot 5 October 1888.

Adriaan van der Vate, 23 Juni 1860.

Pieter Wisse Gz., 5 September 1871 tot 3 September 1889.

Jan Peper, 19 April 1878 tot 6 September 1881.

Jozias Hugense, 15 Juli 1878, overleden 12 April 1882.

Pieter Jacobus Arents, 10 Augustus 1878 tot 6 September 1887.

Pieter de quot;Visser, 6 September 1881, overl. 27 Februari 1889.

Willem Dekker, 14 October 1881.

Jacobus Wisse, 17 Juni 1882.

Klaas Melis, 6 September 1887.

Jan Bosselaar, 14 December 1888.

Joliannes de Visser, 18 Mei 1889.

Simon Bosselaar, 15 November 1889.

ASSESSOREN.

Jacob Corn;, 23 Augustus 1S25 tot 13 December 1833. Simon Wisse, 23 Augustus 1825 tot 15 Januari 1848. Jan Bosselaar, 1 Januari 1834, vervolgens Wethouder. Jan de Visser, 1 Februrri 1848, vervolgens Wethouder.

WETHOUDERS.

Jan Bosselaar, 18 October 1851 tot 5 November 1853. Jan de Visser, 18 October 1851 , vervolgens burgemeester. Abraham Gillis Peper, 5 November 1853, overleden 1858. Laurens Hugense. 11 Maart 1854, overleden 1878. Jacobus Simonse, 10 October 1858 tot 15 Juli 1878. Pieter Wisse Sz., 15 Juli 1878 tot 5 October 1888.

Pieter Kodde, 10 Augustus 1878 tot 6 September 1881. Adriaan van der Vate, 6 September 1881.

Klaas Melis, 14 December 1888

-ocr page 28-

20

ARCHIEYEN.

Het spreekt van zelf, dat van een college als dat van schout en schepenen, in eene kleine plaats, de archieven niet omvangrijk kunnen zijn, zoodat menigeen zich dienaangaande eene verkeerde voorstelling maakt. Wat daarvan aanwezig is, berust in het provinciaal archief van Zeeland en bestaat in: een register der vierschaar, van 24 December 1791 tot 10 Juli 1810 en zes registers van transporten en verbanden, van 1676 tot 1811. In deze laatste registers werden de akten van overdracht van eigendommen (koopbrieven) en van hypothecaire schuldbekentenissen overgeschreven. Voor 1676 zullen geen dergelijke registers gehouden zijn, want in het oudste is een transportbrief van 1666 gehecht, waarop geen bewijs van inschrijving staat, zooals steeds gebruikelijk was, maar deze aanteekening: n A.en ge Li jast folio, mij bekend Corn3. Stoffelsen,quot; zoodat de secretaris afschrift schijnt bewaard te hebben aan eene lias. Het oudste register bevat ook akten die tot Domburg-buiten betrekking hebben, denkelijk omdat dezelfde persoon secretaris der beide heerlijkheden was. Voorin vindt men een klapper en met 1661 , een quot; Nieuw alfabeth of folio van Atekke,quot; dat niet door doelmatigheid uitmunt, want zoo vindt men de armengoe-deren onder letter D vermeld, omdat er steeds gesproken wordt van den armen. Onder dezelfde letter staan ook de namen van allen, die heer genoemd werden, insgelijks omdat er in de akten steeds van den heer wordt melding gemaakt. Men moet het maar weten! Maar geen wonder, dat ook dit gedeelte der administratie gebrekkig was, als men nagaat hoe slecht de administrateurs op de hoogte waren van taal, stijl en spelling, vooral wanneer zij zich, zooals destijds veel plaats had, van vreemde woorden bedienden en iemand, die een koop aanvaardde, geregeld den exeptant,

-ocr page 29-

21

in plaats van acceptant noemden, en dus zoo wat het tegenovergestelde zeiden van hetgeen zij bedoelden.

De doop- en trouwboeken, benevens een register van overledenen, gehouden volgens eene ordonnantie op het recht van successie, van 1806 tot 1810 uitgezonderd, bevat het gemeentearchief geen bescheiden, ouder dan 1808.

GELDMIDDELEN.

Hiervoren blz. 14 merkte ik op, dat er geen plaatselijke inkomsten te beheeren waren. Dit blijkt uit het navolgende, ontleend aan de akten van den Kerkeraad: 23 Februari 1806 \'/Stelde zich voor onze vergadering de schepen Daniël Janse , vragende of onze kerkeraad zich verbinden wilde om voortaan, zooals altijd te voren plaats gehad heeft, hetgeen noodig is tot onderhoud der parochie, te fourneeren, wijl anders zij naar een fonds tot dat einde, volgens aanschrijving van het Departementaal bestuur moeten omzien. De vergadering heeft gezegd, dat zij die propositie in rijpe deliberatie zouden nemen en van hare resolutie kennisgeven.quot;quot; 25 Februari 1806. // Op het voorstel van den schepen .Tanse, is in rijpe deliberatie genomen en zeer vele leden maakten groote zwarigheid om zulk een last, die door den tijd zeer zwaar konde worden, op ons te nemen, dat er nu goede gelegenheid was om er ons van te ontdoen, dan de vergadering heeft de finale resolutie tot aanstaanden Zondag uitgesteld, verzoekende dat elk der leden zijne gedachten daarover bedaardelijk gelieve te laten gaan.quot;\' 3 Maart 1806. \'/Voorts is geresolveerd om het verzoek door den schepen Jansp. gedaan, van de hand te wijzen en daarvan aan ZHd. kennis te geven.quot;\'

Eerst na dien tijd had men dus plaatselijke uitgaven, zooals uit de notulen van het gemeentebestuur, die met 2

-ocr page 30-

22

April 1808 aanvangen, blijkt, hoewel de rekeningen zelf eerst van 1811 af voorhanden zijn.

De gemeente had, evenals andere, in het vervolg van tijd, tot bestrijding liarer uitgaven, de noodige inkomsten uit de heffing van zoodanige belastingen, als verschillende wetten toestonden.

Den 23 April 1847 besloot de Gemeenteraad tot het aanleggen van een fonds ten behoeve der gemeente // dat haar zeker en duurzaam revenuen zou kunnen verschaffen\'quot; en werd daartoe in dat en de beide volgende jaren telkens f 200 inschrijving op het Grootboek der 21/2 pCt. N. W. S. aangekocht.

Het overgangstijdvak na de invoering der Gemeentewet van 1851, waarin de in Zeeland geheven wordende alge-meene plaatselijke belastingen werden afgeschaft, deden de inkomsten der gemeente dermate verminderen, dat niet alleen niet meer kon gedacht worden aan uitbreiding van het fonds, maar de Raad zich in 1851 en 1852 genoodzaakt zag tot verkoop van het verkregen kapitaal.

GEMEENTEKAMER.

Het is niet bekend, dat de zetel van het bestuur elders gevestigd is geweest dan in het huis, waar het Gemeentebestuur nu nog vergadert, de dorpsherberg of het parochiehuis , zooals men vroeger veelal zeide.

Deze herberg werd 24 Augustus 1753 door Admana van \'t Leven , wed. van den schoolmeester Adkiaan van •Nooiiden verkocht aan diens opvolger Willem de Laxd-meteu , wiens erfgenamen ze den 28 September 1790 in het openbaar verkochten aan Leendert Maljees gehuwd met Janna de Landmeter, voor £ 142 (ƒ 852). Bij deze ver-koopingen wordt telkens vermeld, dat er ook in begrepen

-ocr page 31-

23

was de helft in eene bakkeet, waarvan de wederhelft aan de Diakonie behoort, welk gebouwtje, evenwel niet tot versiering , nog tegenwoordig achter het erf der herberg staat. Opmerkelijk is het, dat deze herberg nu reeds meer dan eene eeuw aan de familie Maljeks behoort.

In de sombere achterkamer — de schepenskamer — met haar grooten schoorsteen, vergaderde het gemeentebestuur, gezeten aan de zware eikenhouten tafel, op dito in den grond bevestigde banken gezeten, tot in het jaar 1842 , toen volgens de notulen van Burgemeester en assessoren van 30 April, de bode F. Maljees het aanbod had gedaan om de vertimmerde voorkamer zijner woning tot gemeentekamer in te richten. Dit aanbod werd, omdat de oude kamer veel te wenschen overliet, aangenomen en alzoo vergadert het gemeentebestuur tot nog toe in dat vertrek. Als trouwkamer werd de oude schepenskamer nog jaren daarna gebruikt.

In 1882 werd het plan gevormd een eigen gemeentehuis te stichten, met het oog op de svet op den kleinhandel in sterken drank. De volvoering is evenwel afgestuit op de belangrijke kosten, en de bestaande kamer zoodanig ingericht, dat die, zonder in strijd te zijn met gezegde wet, kan gebezigd worden.

KERKELIJKE GESCHIEDENIS.

KERKGEBOUW.

Omtrent de stichting van het eerste kerkgebouw te dezer plaatse is niets bekend, maar wij weten, dat het thans bestaande niet het eerste is, want 23 Juni 1320 verleende de Bisschop van Utrecht aan den Abt van Middelburg vergunning om de parochiekerk te Oost-Domburg naar eene meer geschikte ilaats over te brengen. Nu is onder Oost-Domburg het tegenwoordige Domburg te verstaan. Men zou

-ocr page 32-

24

dus denken, dat deze vergunning niets te maken heeft met Aagtekerke Dit is evenwel zoo niet, want in bescheiden van 1325 wordt gesproken van de begraafplaats te West-Domburg, daar eertijds de kerk van Oost-Domburg had gestaan. Ik meen dit dus zoo te moeten opvatten, dat er in 1320 in het tegenwoordige Domburg nog geen kerk was en de bewoners gebruik moesten maken van die in West-Domburg , het tegenwoordige Aagtekerke, wat te lastig zal geweest zijn, waarom tiet beslnit werd genomen en de bisschop zijne noodige toestemming verleende om de kerk van Aagtekerke naar Domburg over te brengen.

Laag zal Aagtekerke evenwel niet zonder kerk gebleven zijn, want in eene oorkonde van 21 September 1327 is reeds sprake van de kerk van Sint-Agata bij Domburg. Al in -1325 was door een Doeujjn Hendbiksz van Zoetelincks-kerke en zijne moeder land beschikbaar gesteld voor de stichting van eene kapellerij of een altaar ter eere der heilige Maagd op de zooeven genoemde begraafplaats. Toen werd er nog niet van eene kerk gesproken, maar twee jaar later wel en werd de bediening van de kapel geschonken aan genoemden Doedijn .

Wie die kerk gesticht hebben, — niet eigenhandig gebouwd —, maar wie er de noodige middelen voor verstrekt hebben, leert een grafelijke brief van 20 December 1352, waarbij de Graaf van Zeeland in aanmerking nam, dat Hen-duik W ouTERszooN en Gillis zijn broeder te kennen hadden gegeven, dat de kerk van Sint Aagten te Domburg in hun ambacht stond en door hunne ouders gesticht was. Hier-voren hebben wij gezien, dat de ambachtsheerlijkheid Aagtekerke oudtijds aan leden van het geslacht van Dombuug toebehoord heeft en nu leert ons gezegde grafelijke brief, dat de kerk in dat ambacht gesticht is door de ouders van Hendrik en Gillis en alzoo door Wouter van Domburg

-ocr page 33-

25

en diens vrouw. Immers spreken zij daarin van hun am-baclit en is het bovendien uit oorkonden in het provinciaal archief, alwaar ook de hier aangehaalde berusten, bekend, dat er in de eerste helft der 14e eeuw een Wouter van Domburg geleefd heeft.

Voor de opdracht der kerk aan Sint-Agatha worden verschillende redenen gezocht. De een brengt die in verband met de overbrenging van het klooster te Noorddijk in Noord-Beveland naar de plaats waar Waterlooswerve ligt en waarvan de abdis toen Agatha heette. Anderen meenen, dat de oorzaak te zoeken is in het Agatha-klooster in Rijnland, of in het voorvallen op den Sint-Aagtendag van eene der zware overstroomingen van Noord-Beveland, die de reden zijn geweest van de verplaatsing des kloosters. [Zdan dia lllu-drata I, 759).

De in 1888 afgeschafte kermis te Aagtekerke werd dus niet gehouden op den feestdag die zijn oorsprong aan de herinnering der kerkwijding dankte, daar ze niet op den Sint Aagtendag (5 Pebruari) gehouden werd, maar tegelijk met de kermis te Domburg, die op Sint-Jansdag (24 Juni) inviel. Zij was dus, of in later tijd ingesteld, of verzet op een tijd van het jaar, meer tot feestvieren in de open lucht geschikt, zooals hier met ringrijden en andere volksvermaken plaats had.

Verder is mij uit de kerkelijke geschiedenis dezer gemeente, voor de kerkhervorming, alleen bekend, dat tijdens de aanstelling van Nicola as de Castuo tot eersten bisschop van Middelburg, in het jaar 1561, alhier pastoor was Ha-drianus Beecke , zooals in het van die aanstelling uitgegeven Nauwkeurig verhaal bladz. 10 vermeld wordt, waarin hij pastoor van Sint Aechten wordt genoemd.

Het kerkgebouw heeft in 1625 eene verbouwing of her-

-ocr page 34-

26

stelling ondergaan, want in de rekening van den Algemeenen armen te Domburg van dat jaar wordt verantwoord hetgeen verdiend was door een bedeelde, die de metselaars geholpen had, //die de kerk van Aagtekerke gemaakt had den.1\' Misschien is toen wel het koor weggebroken, dat er onge-twijfeld voor de Hervorming geweest is.

Tegen den oostelijken muur vindt men in de kerk het gedenkteeken der familie Ïhibaut, dat in de beschrijvingen van Zeeland om zijne sierlijkheid, en te recht, geroemd wordt. Op een medaillon van zwarten steen, in het midden, is een latijnsch opschrift uitgehouwen, dat vertaald aldus luidt: Heil den stervelingen!

Wie gij ook zijt, die bij het beschouwen van deze uitstekende door kunstvaardige hand uit marmer vervaardigde gelaatstrekken, begeerig zijt te weten, wie onder dezen steen hun sterfelijk omhulsel hebben afgelegd, verneem in weinige woorden;

Hier ligt de door allerlei deugden niet minder dan door zijne ridderlijke waardigheid en altijd gedenkwaardige verdiensten jegens het Vaderland aanzienlijke en Hoog Edele Heer

HENDRIK THTBAUT,

Heer van Aagtekerke, Domburg-buiten, den Burg Grave-stein, Tholensbrugge, Steenewalle, in Oud- en Nieuw Vosmeer, Hoog-baljuw en Rentmeester-Generaal van Zeeland bewesten Schelde, achtmaal burgemeester van de bloeiende stad Middelburg, lid van den Raad van Vlaanderen en bewindhebber der Oost-Indische Compagnie; die bij het vervullen van daden van oprechte vroomheid, kunde, kloekmoedigheid , menschlievendheid en buitengewone goedgunstigheid jegens alle door deugd en geleerdheid uitmuntende mannen, zijn vaderland in zeer vele ambten ten hoogste tot

-ocr page 35-

27

eer heeft verstrekt en tot droefheid, niet slechts van zijne zeer Edele, hoogst aanzienlijke familie, maar ook van den ganschen staat, op 63-jarigen leeftijd den 25 December 1666 overleden is. 1)

Nevens hem ligt zijne zeer geliefde echtgenoote, de uitmuntende en zeer voortreffelijke vrouwe

ISABELLA PORRENAER,

die met haren getrouwen echtgenoot, door de doodelijke ziekte aangetast, acht dagen voor hem overleden is.

De asch van beide ouders wordt verzeld door hunne in alle geestes- en lichaamsgaven uitstekende dochter Jacoba Thibaut, die de door het noodlot haastige dood, in den bloei harer jeugd, van het huwelijksbed van den Edel Geboren Doorluchtigen Heere David van Reigersberg , wien zij onder de gunstigste vooruitzichten gehuwd had, tot zijn groote smart heeft weggerukt.

De treurende erfgenamen hebben dit gedenkteeken doen oprichten in het jaar 1669 der christelijke jaartelling.

Daarboven zijn de wapens aangebracht van Thibaut en Thibaut, gedeeld met Porrenaer, voorts de borstbeelden van Hendrik Thibaut en van zijne vrouw, vastgehouden door engeltjes, terzijde de wapens van: (rechts) Thibaut , Heuvé, van Nispen, Vaillant, (links) Porrenaer, Coolen, Smidïs , Gung , onder het medaillon het borstbeeld van Jacoba Thibaut en het wapen van Reigersberg, gedeeld met Thibaut, boven het medaillon eene lamp, op wier

1

) In het opschrift staat »VIII Kal. Jan. LDCLXVII.quot; Alzoo zou hij overleden zijn den 25 December 1666, dat evenwel niet mogelijk is, daar ik in het stads-archief van Middelburg een door hem geteekend stuk zag van 1 Augustus 1667. En daar de akte van verweezing zijner kinderen, mede in dat archief voorhanden, op 24 Januari 1668 is opgemaakt, is hij vermoedelijk op 25 December 1667 gestorven en alzoo in het opschrift een verkeerd jaartal gesteld.

-ocr page 36-

28

voetstuk // Splendet post funera virtusquot; (Zijn deugd schittert na zijn dood) en daarboven het zinnebeeld des doods, alles van wit marmer.

Het werd vervaardigd door den bekenden beeldhouwer Eojibout Veehulst, wiens naam er ook op voorkomt, met het jaartal 1669.

Toen in 1798 de wapenborden en eeregestoelten, onder de leus van vrijheid, gelijkheid en broederschap, uit de kerken moesten worden verwijderd, werd dit gedenkteeken met hout betimmerd, waardoor het aan de schendende hand der vrijheidskraaiers werd onttrokken en tot op den huldigen dag is bewaard gebleven.

In 1883, toen het eenigszins beschadigd was geraakt, ten gevolge van het roesten der ijzeren bouten, waarmede het in den muur is bevestigd, is het door de zorg van het Zeeuwsch genootschap der wetenschappen door den Mid-delburgschen beeldhouwer den Hollander hersteld, waarvan de kosten, ten bedrage van f 250 zijn gedragen, zoo door genoemd genootschap als door den ambachtsheer en het kerkbestuur.

Toen voor eenige jaren de grafkelder in\' de kerk geopend werd, vond men daarin eene groote kist waarin onderscheiden geraamten geborgen waren, zonder eenige aanwijzing wie er eenmaal begraven werden.

Hendrik Thibaut was, vooral ten gevolge van zijne betrekkingen en uitgebreide bezittingen, voornamelijk in Staats-Vlaanderen, een man van veel gezag. Hij was in 1633 in het stadsbestuur van Middelburg gekomen, doch moest in 1651 die stad, ten gevolge van de regeeringsgeschillen verlaten. In 1654 aangesteld tot de gewichtige betrekking van Rentmeester-generaal van Zeeland bewesten Schelde, kwam hij weder in Middelburg wonen en werd in 1662 andermaal lid der stedelijke regeering. Hij was de zoon van Ohuis-

-ocr page 37-

29

tiaan Tfiibaüt (zoon van Henduik en van Maugauttha van Nispen) en van Jacoba Hervé (wier moeder Vaillant heette) zijne vrouw Isabella Pouuenaee was de dochter van Job Porrexaeii (wiens moeder Smidts heette) en van Johanna Coolen (dochter van Jan Lambrechtsen Coole n en van Cling). Daar van daan vindt men de

wapens der acht genoemde familiester zijde van het medaillon. Zie Zelandia Illustrata T, 761 en omtrent de familie Tm-baut ook hiervoren blz. 4 v v

Van een drietal andere grafschriften in de kerk is in dit boekje melding gemaakt bij de behandeling der personen, waarop ze betrekking hebben.

De predikstoel draagt op het achterstuk, onder het klankbord , het jaartal 1625 en zou ongetwijfeld tot versiering der kerk verstrekken, ware hij niet zoodanig met verf beklad, — de laatste maal nog wel met zwarte en verguldsel bovendien —, dat het snijwerk nauwelijks meer te vinden is Eenmaal waarschijnlijk een fraai werkstuk van blank eikenhout, gelijkt deze kansel nu meer op eene groote theestoof, die veel van het vuur te lijden heeft gehad.

De metalen lichtkroon, die in de kerk hangt, is misschien wel afkomstig uit eene der Middelburgsche kerken, te oor-deelen naar den daarop geplaatsten adelaar. Als versiering zijn er bovendien beeldjes van geharnaste personen in aangebracht.

Het orgel werd , ook blijkens het opschrift op het oxaal //Ten geschenke gegeven door den H. E. H. Geb. Heer F. G. graaf van Limburg Sïieum en de H. E. H. Geb. vrouwe W. E. J. gravinne van Limburg Sïieum geb. Thibaüt van Aagtekerkequot; en is ingewijd den 14 April 1844 door den predikant der gemeente S. F. Kruijt.

-ocr page 38-

30

Zilveren voorwerpen, zoo ten gebruike bij de bediening-van het avondmaal als van den doop, bezit deze gemeente niet.

Naar aanleiding van de additioneele artikels der staatsregeling van 1798. besloot de kerkeraad 6 October van dat jaar eene commissie te benoemen tot overneming der kerk en maakte een dubbeltal, bestaande uit twee ouderlingen, twee diakenen en vier gemeenteleden, die aan de gemeente werden voorgesteld. Deze benoemde 10 October als commissie een ouderling, een diaken en twee gemeenteleden, welke laatsten evenwel bedankten. De commissie vervoegde zich 3 Maart 1799 bij de Municipaliteit (het gemeentebestuur) \'/ten einde het kerkgebouw met den aankleeven van dien overteneemen, met dat gevolg, dat hetzelve aan hunne gemeente als een privaat eigendom is toegewezen, waarvan zij extract tot hun naricht en tot bewijs van eigendommen verzocht hebben.quot; (Akten kerkeraad.) Verzet was er natuurlijk niet, daar alle gemeentenaren tot het Hervormd kerkgenootschap behoorden.

Tot onderhoud van de kerk en de kosten van den eere-dienst werd destijds een fonds gesticht, waartoe, volgens eene opgaaf in de akten van den Kerkeraad van 9 September 1808, behoorden het kerkgebouw niet de school, een boschje van 3 gemeten 180 roeden, een stuk land van ï\' gemeten 123 roeien, dat in kleine perceelen aan behoeftigen en dikwijls niet betalenden, verhuurd werd, de stoelen en banken in de kerk, die jaarlijks door elkander £ 17 (/quot; 102) opbrachten, een schepen-schuldbrief van ƒ 4.00 rentende 4 pCt. Van dit fonds, dat door den Ke.rkeraad beheerd werd, werd jaarlijks rekening gedaan.

Het werd echter opgeheven, want in de akten van den Kerkeraad van 28 Januari 1815 leest men, dat de predi-

-ocr page 39-

31

kant voorstelde quot; na voorgaand ingewonnen gevoelen van de Hoog Ed. Ambachtsvrouw dezer plaats, om overeenkomstig den wil van den Souvereinen Vorst, het goed bestuurd wordende onder den naam van kerkgoed, wederom tot zijn eersten oorsprong (ter voorkoming van alle bezwaren en na-deelen, welke op dit goed als kerkgoed kunnen gelegd worden), dat is tot het armwezen te doen wederkeeren.1\'

Dienovereenkomstig werd besloten, ouder goedkeuring van het Gemeentebestuur (3 Februari 1815). Waar de Souve-reine Vorst zijn wil heeft geuit is mij niet gebleken, maar wel, dat de opheffing met 1° Mei 1815 plaats had. De kosten van onderhoud van het kerkgebouw en wat tot instandhouding van den openbaren eeredienst betrekking had, werden daarna weder uit de fondsen der Diakonie bestreden totdat in 1821 andermaal een gedeelte dier fondsen voor louter kerkelijke doeleinden werd afgezonderd en gesteld onder beheer van Kerkmeesters en Notabelen. Dit had plaats ten gevolge van de invoering van het Eeglement op de administratie der kerkelijke fondsen en de kosten van den eeredienst bij de Hervormde gemeenten in de provincie Zeeland. De afscheiding had evenwel meer in naam dan inderdaad plaats, daar de eigendommen gemeenschappelijk bleven en uitgaven van belang steeds uit de Diakonie-kas plaats hadden.

Ten gevolge van de in werking treding met 1 October 1870 van het Algemeen reglement op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen der Hervormde gemeenten in Nederland en de opheffing der geschillen met het Gemeentebestuur over de armenfondsen (zie hierna afdeeling Armwezen) werd besloten eene volkomen scheiding te maken, die tot stand kwam bij eene overeenkomst, op den 16 Juli 1873, door den Kerkeraad met Kerkvoogden en Notabelen ten overstaan van den Notaris Wouters en aangegaan. Tot grondslag-der scheiding werd aangenomen de toestand der bezitting op

-ocr page 40-

32

30 April 1821, toen de gemeenschappelijke administratie, zij het ook gedeeltelijk in naam, had opgehouden, die volgens onderlinge schatting eene waarde bezat van f 63734,76 en gelijk verdeeld werd. Zie hierna op Pastorie en op Armwezen.

Naar aanleiding van het in werking treden van het zooeven genoemde Algemeen reglement, werden Kerkvoogden en Notabelen benoemd, welke colleges voor het eerst op 15 Mei 1871 eene vereenigde vergadering hielden.

HERVORMDE GEMEENTE.

De stichting der Hervormde gemeente alhier kan gerekend worden in 1589 te hebben plaats gehad, alzoo ze in dat jaar in de Classis van Walcheren is gekomen. Aanvankelijk was Aagtekerke met Domburg vereenigd en werd bediend door den predikant Gabuikl Appaeet, eerst alleen, doch vervolgens bijgestaan door deze hulppredikers:

1°. Leoxaudus Moyaeut , 1590 of 1591 tot 1604.

2°. Couneliüs Regiüs, (de Koning) 1604 tot 1614.

3°. Jacobus Walaeus, 1614 tot 1620.

4°. Ephuaim Wante, 1620 tot 1624.

Nadat Ds. Appaert in 1624 na vijftigjarigen dienst emeritus geworden was, verzocht de gemeente van Aagtekerke een eigen predikant te mogen beroepen, die aldaar zou wonen, want vroeger woonden de predikanten te Domburg , volgens eene overeenkomst tusschen de beide plaatsen, hetgeen evenwel op den duur te lastig werd gevonden. De classis willigde het verzoek in, met bepaling, dat het traktement van den te Aagtekerke te beroepen predikant met 1° Januari 1625 zou ingaan.

De gemeente van Aagtekerke is daarop door de volgende predikanten bediend geworden. Omtrent hen, die er tijdens

-ocr page 41-

33

de vereenigincr met Domburg den dienst verrichtten . vindt men meer bijzonderheden in mijn Domburg en zijn geschiedenis , blz. 95 v v.

PREDIKANTEN.

1. Daniel de Swaef. Als proponent, 10 November 1624 bevestigd tot predikant. Beroepen naar Middelburg 21 Februari 1638. aldaar bevestigd 11 Juli daarna en ei-overleden in Januari 1654. Hij huwde te Middelburg 1 Juli 1626 Mahgaeita Coene en 2 Mei 1635 Sa ha Tack. Te Aagtekerke werden van hein gedoopt; 11 April 1627 Elizabeth, 3 December 1628 Daniël, 1 Januari 1631 Josina, 17 November 1632 Joanna, 3 September 1634 maugarita.

2. Arnoldus de Rijcke. Als proponent in 1638 alhier beroepen tot predikant. Hij werd van hier beroepen naar Serooskerke in Walcheren in 1645, vervolgens naar Veere 31 Januari 1649 en naar Middelburg 25 Juli 1655, waar hij in Juli 1665 overleed.

Hij was gehuwd met Elizabeth Blom. Van hem werden te Aagtekerke gedoopt: 13 Eebruari 1639 Arnold, 18 Maart 1640 Abraham, 3 Januari 1644 Elizabeth. Eerstgenoemde zoon was achtereenvolgens predikant te Burgh op Schouwen, 1661, te Zierikzee in 1672, waar hij in 1698 emeritus werd en overleed.

3 Nicolaas van Hoorn, werd als proponent 23 Februari 1642 als predikant te Retranchement bevestigd en kwam van daar in 1646 hier in dienst en bleef hier tot hij in 1666 zijn emeritaat bekwam, ten gevolge van een gebrek in zijne stem, waarover reeds in 1664 door den Kerkeraad bij de Classis was geklaagd. Hij was gehuwd met Maria Hoornbeeck. Van hem zijn te Aagtekerke gedoopt: 5 Juli

3

-ocr page 42-

34

1648 Pieteunella, 2 December 1652 Jacobus, 21 Maart 1655 Johannes.

4. Ewaldtis Reijnvaan. Hij werd als proponent 22 Mei 1667 alhier tot predikant bevestigd en 10 Januari 1677 naar Brouwershaven beroepen, waar zijne overkomst echter tien maanden vertraagd werd door het niet goedkeuren van het beroep naar hier van Beiinabdtjs Massingh , predikant te Kats, alzoo hij door de Classis niet zuiver in de leer bevonden werd. Aan Ds. Reijnvaan weigerde dc Classis van Walcheren een bewijs van ontslag, omdat hij niet behoorlijk gehandeld had in het beroep van Ds. Massingh en dus kon hij geen zitting krijgen in de Classis van Schouwen c. a. Eerst in 1681 werd hem dat bewijs verleend.

Hij was geboortig van Middelburg en huwde 13 October 1671 te Vlissingen als jm. Anna Pelleïier jd. van Oost-Souburg. Te Aagtekerke werden van hem gedoopt: 21 Augustus 1672 Wilhelmus, 22 October 1673 Jozina, 13 Januari 1675 Ad in aan . 5 Februari 1676 Dina, 28 Maart 1677 Ewout. Hij overleed te Brouwershaven 6 Maart 1691.

5. Petrus Pollion. Als proponent hij de Classis van Utrecht, in 1674 predikant geworden te Sint Kruis, vertrok hij van daar in 1676 naar Kadzand en werd hier beroepen 14 Juli 1678. In 1680 overleed hij te dezer plaatse.

6. Johannes Duvelaeh. Als predikant alhier beroepen 19 Juni 1681, zijnde proponent der Classis van Walcheren. Den 14 Februari 1686 keurde de Classis zijn ontslag goed ten gevolge van voortdurende ongesteldheid.

Den 7 April 1682 besloten de Staten van Zeeland om sommige gemeenten, zoodra er eene predikants-vacature kwam, met eene andere te vereenigen, althans slechts een predikant te bezoldigen. Daardoor zou Aagtekerke bij Dom-burt; gevoegd geworden zijn, maar het besluit werd S Maart 1686 ingetrokken.

-ocr page 43-

35

7. Johannes Ami.ts. Als proponent bij rle Classis van Walcheren, hier beroepen 2 Juni 1686. Hij was te Middelburg geboren uit Servatius Amus , koopman, en Fran-cina Hoeveks. Hij huwde 13 Juni 1696 te Aagtekerke Pieïernella Aubebt j. d. van Middelburg en overleed te Aagtekerke, 9 Mei 1719. Zijne moeder overleed mede te Aagtekerke, 6 Januari 1697 en werd in de kerk begraven. blijkens een zeer uitgebreid grafschrift, waarin o. a. vermeld wordt, dat drie barer zoons predikanten waren nl. te Aagtekerke, Cortgene en Ter Neuzen.

8. Johannes Abels. Als proponent 26 Juli 1721 alhier tot predikant beroepen. Hij huwde als jm. van Wezel, te Middelburg 27 October 1722 met Jannetta van den Ham, van \'s-Gravenhage, weduwe van den muntsnijder Willem du Pré, uit welk huwelijk geboren werd Elizabetha Johanna, gedoopt 27 Februari 1724, die alhier, 22 Februari 1746, huwde met Isaacus Lingius jm. van Eotterdam, predikant te Aardenburg. In 1749 verzocht Ds. Abels aan de Classis hulp tot bekoming van ontslag wegens lichaamskwalen. In 1750 werd hem dit door liet collegium quali-ficatum verleend en niettemin bleef hij in dienst. In 1751 vertrok hij tot herstel van gezondheid naar Aken en in 1753 naar Kleef, waar hij 24 Juni 1758 overleed.

9. Paulus Willems. Als proponent der Classis van Leiden en Nederrimland, alhier tot predikant beroepen 7 November 1753, deed hij 17 Maart 1754 zijne intrede. Hij was te Middelburg geboren uit Adhiaan Willems en Johanna Veeschuure 23 Januari 1728 en overleed te Aagtekerke ongehuwd, 21 Februari 1777. Volgens zijne eigene aanteekening, predikte hij te Aagtekerke 2260 maal en elders 135 maal.

10. Johannes van Juchem. Hij werd als proponent, 3 November 1769 te Zuilichem c. a. tot predikant beroepen.

-ocr page 44-

36

stond aldaar van 11 Februari 1770 tot 9 November 1777, alhier van 23 November 1777 tot 21 November 1784, toen hij afscheid predikte, als beroepen naar Brakel. Hij was ^ehuwd met Anna Cathaeina Coets.

11. Abraham Lankhoust. Hij was predikant te Hoede-kenskerke van 5 December 1762 tot 6 December 1778 , te Renesse en Noord-W elle van 20 December 1778 tot 23 October 1785, alhier van 6 November 1785 tot 27 Juni 1790 , te lerseke van 4 Juli 1790 tot 27 Augustus 1797, te Ovezande en Driewegen van 3 September 1797 tot zijn overlijden op 3 Mei 1801. Hij was in 1732 te Arasterdam ireboren uit Chuistiaan Lankhorst en Anna Margaretha van Beest. Hij was gehuwd met Cornelia den Appel.

12. Bertrand Philip Sigisjiund Albert Vriesekolk. Hij was predikant te Oosterleek bij Enkhuizen van 17 Augustus 1788 tot 27 Maart 1791, alhier van 17 April 1791 tot 27 Augustus 1797 , te quot;s-IIeerenhoek van 3 September 1797 tot 28 Juni 1829 toen hij afscheid predikte, als emeritus verklaard. Hij was te Naarden geboren en overleed ongehuwd te Middelburg 21 Januari 1832. De overlevering zegt, dat liet eene bepaalde studie eischte om hem te kunnen verstaan, daar hij verscheiden letters niet of niet behoorlijk kon uitspreken en b. v. zeide; ewik, enik on tie-enik kok. (Eeuwig, eenig en drieëenig God).

13. Bodewijk Anthonie de Roche fort. Hij was predikant te Soest van 6 Januari 1771 tot 12 Mei 1776, te Sluis van 19 Mei 1776 tot 31 Maart 1799, alhier van 21 April 1799 tot zijn overlijden op 1 October 1811. Hij was geboren te \'s-Gravenhage 4 December 1746 en gehuwd met Margaretha Johanna Hosteijn. Er komt eene geslachtslijst der familie ue Roohefort voor in Navorschc.r 1893 blz. 146. e* Tit J TV dl. - U//ff - tf l8l-

Den 9 November 1799 besloot de Kerkeraad, dat hij de

-ocr page 45-

37

pastorie kosteloos kon bewonen, als lüj langer dan drie jaar hier bleef en ƒ 50 per jaar als huur moest betalen, zoo hij binnen dien tijd vertrok.

Den 31 Maart 1805 werd goedgevonden hem een tuinhuisje aan te bieden, omdat hij voor een beroep naar Grijps-kerke had bedankt. T)it tuinhuisje werd voor 27 rijksdaalders gekocht op het Hof te Domburg. Het is te hopen, dat de mate van achting der gemeentenaren voor hun leeraar de sierlijkheid van het stoffelijk bewijs verre zal hebben overtroffen.

li. Johannes Pieteii Jongeneel. Als proponent der Classis van Woerden c a. alhier beroepen tot predikant •25 September 1812, stond hij hier van 28 Februari 1813 tot September 1815, vervolgens te Eetranchement van 24 September 1815 tot 18 Februari 1821, te Sas van Geut van 11 Maart 1821 tot 4 April 1824 en te Hoodokono- u \'-jl-Pd »i kerke van 19 April 1824 tot zijn overlijden in November 1842.

15. Arend Mensma van Willes. Als proponent bij de Classis van Bolsward c. a. beroepen tot predikant te Grosthuizen, waar hij stond van 30 April 1809 tot 16 Mei 1813, vervolgens te Beets van 23 Mei 1813 tot 25 Augustus 1816, alhier van 7 September 1816 tot September 1818, te Kapelle in Zuidbeveland van 4 October 1818 tot zijn overlijden op 14 April 1845.

Hij was gehuwd met Trijntje Buvvalda. Zijn zoon Nicola as, geboren te Aagtekerke 27 October 1817, trad in 1834 in militairen dienst, werd in 1876 generaal-majoor en gouverneur der militaire academie, in 1879 luitenant-generaal en inspecteur der infanterie. In 1884 als zoodanig gepensiouneerd, overleed hij reeds 6 Augustus van dat jaar, te VGravenhage.

Zijne dochter Alida Staalstka huwde Pietee Eeniek ,

-ocr page 46-

38

geneesheer te Sluis, en was direetrice der aldaar van 1854 tot 1870 bestaan hebbende kantwerkschool.

Ifi. Johannes Meerburg Snarenberg. Werd, als proponent der Classis van Gorinchem, predikant te Vrouwepolder. Hij stond daar van 7 Maart 1815 tot 25 April 1819, alhier van 6 Juni 1819 tot 25 Maart 1827 , te Kattendijke van 1 April 1827 totdat hij 13 December 1846 genoodzaakt was zijne betrekking door een candidaat te laten waarnemen, wegens lichaamszwakte en gebrekkig gezicht. Hij was geboren te Leiden, 11 October 1790, was gehuwd met Johanna Bloemendaal en overleed 30 Januari 1847 ten huize van zijn zoon Petros, predikant te Kruiningen, te Aagtekerke geboren 17 Augustus 1819.

17. Sebastiaan Vierman Kruijt. Als candidaat bij het Provinciaal kerkbestuur van Zeeland, tot predikant alhier beroepen 13 Mei 1827, stond hij hier van 12 Augustus 1827 totdat hij met 1 October 1874 emeritus werd verklaard. Hij was geboren te Katwijk, den 29 October 1803, huwde 22 Juli 1827 Suzanna Adeiana Huijpe, die 30 Juni 1879 overleed te Rotterdam. Hij overleed te \'s Gra-venhage 3 Maart 1889.

Zijn zoon Johannes Adrianus, geboren 29 December 1841, is in dienst geweest als officier van administratie bij de Kon. Marine en werd later consul te Djeddah, Hij heeft uitgegeven ; Atjeh en de Atjehers. Twee jaxen hloJckad? op Sumatra s oostkust en (met A. Werumeus Bunino) Met de Hollandsche mail naar Indië en terug. Gids voor reizigers met de stoomschepen der Maatschappij Nederland.

Zijn zoon Sebastiaan Fierman, geboren 16 Augustus 1844, werd eerst officier van gezondheid en later geneesheer te Voorschoten, waar hij 30 Juli 1883 overleden is.

18. Lambertus Kan de Beer. Hij was predikant te Hiaure c. u. van 3 October 1852 totdat hij 1 Juli 1862

-ocr page 47-

39

zijn dienst nederlegde; vervolgens te Vrouwepolder van 22

November 1868 tot 16 Januari 1870, te Arnemuiden van

23 Januari tot 25 September 1870, te Scheveningeii van

2 October 1870 tot 5 November 1871, te Westmaas van

12 November 1871 tot 4« April 1875, alhier van 11 April

1875 tot 28 October 1877 , te Poederoijen c. a. van -i

November 1877 tot 24 September 1882, te Heikop c. a.

van 1 October 1882 tot 27 Maart 1892 en sedert 3 April

1892 te Herkingen. Hij is geboren te Groningen, 6 April 2\'J\' Sfi1

1828 en gehuwd met Lolkje Hukstka, geboren te Kollum,

7 April 1830.

19. Dr. Gornelis Giieistiaan Schot. Werd als candi-daat bij het Provinciaal Kerkbestuur van Noord Holland,

alhier beroepen en stond hier van 8 September 1878 tot 8 Januari 1882. Hij was vervolgens predikant te Tholen van 15 Januari 1882 tot 30 Mei 1887, te Hardenberg van 12 Juni 1887 tot 8 December van dat jaar, toen hij als predikant bij de doleerende gemeente aldaar overging.

Hij is geboren te Timor, N. O. Tndië, 16 Mei 1852 en huwde 16 September 1SS6 Christina Hermina Piersson ,

overleden 1 September 1887.

20. Hermantjs Johannes Leonardtjs Poort. Werd,

als candidaat bij het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen,

alhier beroepen en stond hier van 11 Maart 1883 tot 19 Juli 1885, vervolgens te Hendrik-Ido-ambacht van 26 Juli

1885ftot 15 Pebruari 1891 en sedert 22 Februari 1891 te \' A fu w ■ Middelburg. Hij werd geboren te Rotterdam, 3 Maart 1857 en huwde. Februari 1883, Aletta Maria Antoinetta van Wijk Werneke, geboren te Dokkum, 27 Maart 1860.

21. Goenraad Willem Anton Nonhebel. Alhier beroepen als candidaat bij het Provinciaal Kerkbestuur van Utrecht, stond liij hier van 21 October 1888 tot 10 Mei 1891, toen hij afscheid nam, als beroepen naar zijne tegen-

-ocr page 48-

40

woordige standplaats Harmelen. Hij werd géboren teVaas-sen, 4 Maart 1861 en is gehuwd met Helena Wilhel-mina Boomek.

22. Pieteii Snoep. Werd. als eandidaat bij het Provinciaal Kerkbestuur van Zeeland, beroepen te Linschoten; waar hij stond van 12 Augustus 1S8S tot 2 Augustus 1891. Van daar herwaarts beroepen, is hij hier sedert 9 Augustus 1S91 in dienst. Hij werd geboren te Goes, 22 November 1861 en is gehuwd met Pieteiinella Magielse.

Voor de samenstelling dezer naamlijst van predikanten, ontleende ik, behalve aan het kerkelijke archief, vele gegevens aan eene uitgebreide verzameling aanteekeningen uit de akten der Classis van Walcheren, bijeengebracht door den vroegeren Vlissingschen onderwijzer P. F het. Ook de heer J. van dek Baan te Wolfaartsdijk bood mij, met zijne bekende welwillendheid, de behulpzame hand.

Reeds in de 17e eeuw bestond de Kerkeraad uit vier ouderlingen en vier diakenen, waarvan jaarlijks de helft aftrad. Tot vervulling der openvallende plaatsen, werden den tweeden pinksterdag dubbeltallen opgemaakt, waartoe de ambachtsheer en afgevaardigden van het stedelijk bestuur van Veere, als halsheeren, medewerkten. Den 10 Juni 1691 verzette zich de afgevaardigde van Veere tegen den ambachtsheer die, zooals de notulen van den Kerkeraad vermelden , n weijnige jaeren herrewaerts sonder eenigh het minste recht hem heeft ingedrongen tot dquot; eerste rangh in het vermaecken van den Kerkeraet.quot; Het duurde tot 1721 eer dit geschil werd vereffend en de ambachtsheer aan de afgevaardigden van Veere de voorzitting gunde. in iedere jaarlijksclie vergadering protesteerde hij evenwel daartegen.

In 1750 werd een sedert 1742 hangend geschil vereffend

-ocr page 49-

41

over het weigeren van verschillende leden van den Kerke-raad, om hunne betrekkingen te vervullen, ten gevolge van grieven tegen den predikant Abels.

Na de omwenteling van 1795, door de Representanten van het volk van Zeeland bepaald zijnde, dat ook de leden der kerkeraden een eed op de toenmalige orde van zaken zouden doen, weigerden de leden van den kerkeraad dezer gemeente dien, en werden daarom bij besluit van den Uitvoerenden raad van 11 Juli 1796 uit hunne posten ontzet. Den 30 October 1797 werden door de zorg van het Clas-sikaal bestuur opnieuw ouderlingen en diakenen gekozen, die, nadat de bepaling omtrent den eed was ingetrokken, in het begin van 1798 bevestigd werden.

De invoering der Evangelische gezangen, die met 1 Januari 1807 had moeten plaats hebben, ging hier met veel moeite gepaard, ten gevolge van het verzet van den Kerkeraad. Eerst 30 Juli 1809 geschiedde de invoering, ondanks het tegenstreven van den Kerkeraad en nadat zelfs de Landdrost van Zeeland er bevel toe had moeten geven. Het had evenwel meer in naam dan inderdaad plaats. Ue Kerkeraad verbood den predikant een order van de Synode tot invoering voor te lezen, doch deze stoorde zich daaraan niet en, zoo leest men in de akten van den Kerkeraad, //a-af.

quot; o *

dientengevolge een zeer klein gedeelte van een lied af, hetgeen ook door den voorlezer gezongen is, hoewel bijna niemand der gemeente, tot groote ergernis, goedvond mede te zingen, ja zelfs twee voorname leden met veel onstuimigheid de kerk zijn uitgeloopen, terwijl de Kerkeraad zijn ongenoegen tegen den predikant na het eindigen van den godsdienst op zeer onbescheiden wijze goedvond te kennen te geven.quot; Dit was evenwel nog niet fraai genoeg, want 2 Augustus daarna gaf de Kerkeraad te kennen //dat zij bij verderen voortgang maatregelen wilde nemen, die de out-

-ocr page 50-

42

stichting in de gemeente nog vermeerderen zonden. quot; Dit is evenwel niet noodig geweest, want, zeggen de notulen quot;in aanmerking genomen hebbende, dat door den inval der Engelschen de weg van klachten merkelijk gesloten was, heeft hij (de predikant) wel willen die toegevendheid. gebruiken, dat hij bij provisie supercedeeren zou met het afgeven van de liederen.quot; De kerkelijke overheid berustte daarin niet en gelastte den predikant in het volgende jaar weder een Evangelisch gezang af te geven en eindigde met de kerke-raadsleden te censureeren. Af en toe onderwierpen zicli de leden, een zelfs eerst in 1817, en werden daarna van de censuur ontslagen.

De scheuring in het Hervormd kerkgenootschap deed zich ook hier gevoelen en sloten zich eenige leden bij de afgescheidenen aan, die in 1835 een aanvang maakten met hunne godsdienstoefeningen op de buitenplaats Sint J an ten Heere onder Domburg.

De geschillen, die sedert 1887 op sommige plaatsen de gemeente in beroering brachten, noopten ook hier enkelen om zich bij de doleerende partij te voegen. Een tiental leden der gemeente wendde zich in Juni van dat jaar tot den Kerkeraad om toegang te krijgen tot eene door dezen uit te schrijven vergadering //ten einde met elkander de reformatie der kerke Christi te bespreken, die naar den Woorde Gods en naar onze dierbare belijdenis hoogst noodzakelijk is.\'quot; Daar de Kerkeraad op dit schrijven geen antwoord gaf, richtten de verzoekers // een vermanend en waarschuwend woordquot; tot dat college. En ook daarop geen bescheid krijgende, lieten zij hunne geschriften met een //kort woord aan de leden der Ned. Herv. Kerk te Aagtekerkequot; drukken en verspreiden en gaven de verzekering, dat het vergezeld

-ocr page 51-

43

ging van // de stille verzuchting en de stamelende bede, dat de Koning der Kerke dit zwakke en alleszins gebrekkige woord in zijne almachtige handen mocht gebruiken om de oogen der leden te openen.quot; Evenmin slaagde deze poging. De ondernemers schijnen dus wel gelijk gehad te hebben, toen zij beweerden, dat hun woord alleszins gebrekkig was. Hunne opstellen zijn dan ook in den eigen-aardigen stijl van een boerenbegrafenisgebed gesteld en hunne bede wellicht daarom niet verhoord geworden, althans de //Kerke Christiquot; werd niet gereformeerd en de zaak eindigde daarmede, dat het tiental de Ned. Herv. kerk verliet en zich bij eene der vele reeds bestaande secten aansloot.

KEEKELIJK ARCHIE E.

Veel der in deze af deeling medegedeelde bijzonderheden zijn ontleend aan de aktenboeken van den Kerkeraad, die inij bereidvaardig ten onderzoek zijn verstrekt. Jammer dat het oudste dier boeken, van 1634 tot 1686 loopende, niet meer aanwezig is. Het moet, een aantal jaren geleden, bij gelegenheid eener kerkvisitatie, door een der daarmede belaste predikanten zijn medegenomen doch ... . nooit teruggebracht. Ik maak daarvan hier opzettelijk melding, in de hoop, dat het er misschien toe leiden zal om het vermiste terecht te brengen.

De nu nog aanwezige aktenboeken, die door mij werden onderzocht, loopen; a. van 1686 tot 1733, h. van 1734 tot 1770, c. van 1778 tot 1796 (misschien oorspronkelijk van 1770, doch aan het begin ontbreken bladen), d. van 1796 tot 1807 , e. van 1807 tot 1820. Bovendien werd mij verstrekt een register van de lidmaten, beginnende met 1624 en loopende tot in het begin dezer eeuw, waarin staat: //Getal van de leeden der gemeijnte tot Aegtekerk so als

-ocr page 52-

44

hetselve bevonden is bij de aenvaerding van den H. dienst der successive predikanten in die gemeijnte van den 5 September 1624, wanneer Aagtekke van Domb. gesepareerd is en van een eijgen predikant voorsien werd ende een bij solidere gemeijnte geworden is.quot; Het getal der lidmaten op versohillende tijdstippen is hiervoren, afdeeling Bevolking, medegedeeld.

De doopboeken, aanvangende 16 November 1614 en de trouwboeken met 1615 , zijn bij de invoering der wetgeving omtrent den burgerlijken stand, met liet begin van 1811, overgebraelit bij bet gemeentebestuur en berusten dientengevolge nog iu liet gemeente-archief. Hierin vindt men bij vele doopelingen de dagteekeningen van overlijden vermeld.

TORE N.

in bet muurwerk, aau de buitenzijde, zijn naar liet schijnt alleen tot versiering, op verscheiden plaatsen, kruisen, ruitvormige en andere llguren aangebracht met de bekende met glazuur bedekte metselsteenen.

In den loop dezer eeuw werden, voor rekening der gemeente , verschillende buitengewone herstellingen aan den toren verricht. In 1817 was de stang met den haan afgewaaid. Herstel daarvan en van de kap kostte f 250. In 1827 woei een gedeelte van den koning met de stang en het kruis er af. In 1843, in 1850 en ook in het vorige jaar werd de kap hersteld en in 1826 en 1842 het muur_ werk.

De hoofdingang tot de kerk is naar den vroegeren bouwtrant en de Roomsche kerkgebruiken door den toren geweest, hetgeen men zicK ook zeer goed kan voorstellen, wanneer men het beschot wegdenkt, dat nu de scheiding tusschen kerk en toren vormt. Het portaal, waardoor nu de toe-

-ocr page 53-

45

gang aan de zuidzijde plaats heeft, en dat meer doelmatig tot wering van tocht dan sierlijk van vorm is, is kennelijk een uitbouwsel van later tijd, getuige ook het toegemetselde raam daarboven, van binnen in de kerk nog duidelijk zichtbaar.

Het ondergedeelte van den toren heeft weleer tot consistorie gediend, en hoewel men zich bezwaarlijk een ongeschikter lokaal daarvoor kan denken, had men toch een nog ondoeltreffender gevonden, — waar en wanneer is mij evenwel niet bekend, — maar den 3 October 1817 besloot de Kerkeraad de plaats onder den toren weder daarvoor te laten inrichten.

Was dit lokaal al ongeschikt voor vergadering voor den Kerkeraad, evenmin deugde het voor bewaarplaats van het kerkelijk archief, daar er in de akten van den Kerkeraad gedurig klachten werden geuit over de vochtigheid. Geen wonder alzoo, dat er weinig bescheiden van vóór deze eeuw te vinden zijn; rekeningen van de armeufondsen b. v. ontbreken zoo goed als geheel en de aktenboeken van den Kerkeraad dragen de duidelijke sporen, dat ze al zeer slecht zijn verzorgd geweest Eene veilige bergplaats was het ook niet, want in de Middelburgsche courant leest men: // In den nacht van 31 op 22 April 1794. Enorme en schandelijke diefstal met braak. Ontvreemd uit het kerkgebouw van Aagtekerke eene ijzeren kist, waarin verscheidene effecten en contante penningen, eene houten kist met verscheiden papieren mitsgaders een zoogenaamd armblok. welke goederen vervolgens in den omtrek van het dor]) in vruchten en slooten zijn wederge vonden, behalve dat in de opengebroken ijzeren kist zijn vermist circa f 750 in contant. Burgemeesters en schepenen der stad Veere, onder wier vierschaar Aagtekerke is ressorteerende, loven eene premie uit van £ 50 aan diegenen, die de schuldigen of medeplichtigen in handen

-ocr page 54-

46

der justitie leveren, zullende de naam des aanbrengers des-begeerende worden gesecreteerd.quot;quot;

De bestemming van consistorie bleef deze localiteit behouden totdat een gedeelte der school in 1835 daarvoor werd ingericht en deed, bij eene vroegere herstelling der school, tijdelijk ook daarvoor dienst, waarvoor ze, zoo mogelijk , nog ongeschikter was.

Over het recht van eigendom van den toren en het kerkhof, met hetgeen zich daarop bevindt, of er toe behoort, was tusschen het gemeente- en het kerkbestuur geschil ontstaan. Dit werd bij eene op 8 Februari 1873 aangegane dading uit den weg geruimd. Hierbij is bepaald, dat de burgerlijke gemeente afstand doet van de rechten, die zij als eigenares zou kunnen doen gelden op het kerkhof en de daartoe behoorende aschbakken en welputten; — de kerkelijke gemeente om niet in bruikleen geeft den grond , waarop de school is gebouwd en de genoemde aschbakken en welputten; afstand doet van de rechten, die zij op den kerktoren zou kunnen doen gelden, daartoe te allen tijde aan de burgerlijke gemeente toegang verleenende door de kerk; — de burgerlijke — aan de kerkelijke gemeente te allen tijde het gebruik der klok vergunt en deze aan gene eene jaarlijksche toelage van vijftien gulden moet betalen als bijdrage in de kosten van herstel van den toren en van de klok of bel met het luitouw.

Deze dading werd .langegaan bij onderhandsche akte, welk stuk bewaard wordt bij de minuten van den Notaris P. P. Slegt te Middelburg, volgens eene op 10 Juli 1871 opgemaakte akte van bewaargeving.

De klok, die thans in den toren hangt, heeft tot opschritt: Anno 1634. Soü Ben gloria. Michael Buegekhuijs me

-ocr page 55-

47

fecit. De Heer Mr. Hiob Pourenare amhachtsheet van Aechtekercke en in Domburch h uijlen; waaruit dus blijkt, dat ze vervaardigd is door den Middelburgsclien klokgieter Michaël Burgeeiiuus , in 1634, toen Job Porrenaeu ambachtsheer van Aagtekerke was.

Ongetwijfeld is de kerk ook vroeger in het bezit eener klok geweest en zal deze wel in de onrustige jaren 1572 en 1573 zijn verloren gegaan.

Het uurwerk is misschien ook wel uit dien tijd, althans in het begin dezer eeuw stond het reeds als oud en versleten bekend en besloot daarom de Kerkeraad, 31 October 1801 aan het Gemeentebestuur vergunning te vragen om de gemeente met klokgeklep van den aanvang der godsdienstoefeningen te verwittigen (dat anders destijds verboden was) tot het uurwerk zou hersteld zijn. Gelukkig vond men toen in den koster A. van Velsen (tevens onderwijzer) iemand, die zich bereid verklaarde om voor twee rijksdaalders //goed of geen geld,quot; de herstelling op zich te nemen, mits de smid, op zijne aanwijzing, liet benoodigde zou vervaardigen. En waarlijk, de kuur slaagde gelukkig. want de Kerkeraad besloot den 18 April 1802 tot betaling //also het zeer wel voldoet quot;

Ondanks het uurwerk nu hersteld was, bleef men toch voortgaan met het luiden der klok bij iederen kerktijd en daarom besloot het Gemeentebestuur aan den Kerkeraad zijn ongenoegen te kennen te geven, daar // zij zich grootelijks hebben te buiten gegaanquot; met de klok //openbaarquot; te luiden. (Notulen Gemeentebestuur van Domburg, 20 Mei 1802).

Vijf jaar later was het uurwerk weder van streek en nu nam Mr. van Velsen voor vijf rijksdaalders aan om het in orde te maken, ook weder buiten het smidswerk.

De notulen van den Raad van 20 October 1849 en 23 Juni 1806 maken melding van buitengewone herstellingen,

-ocr page 56-

48

docli deze buitengewone, gevoegd bij de gewone, beletten toch niet, dat bet uurwerk gewoonlijk buitengewoon ongeregeld loopt en meer en meer de behoefte aan een nieuw gevoeld wordt.

Sedert het ondergedeelte van den toren zijne bestemming tot consistorie verloren heeft, doet het dienst als bergplaats van de brandspuit. De eerste brandspuit, die men hier gehad heeft was, naar de overlevering zegt, een geschenk van de familie Thibaut en te voren gebezigd op hare buitenplaats Het huis ten Duine. Deze was echter niet langer meer bruikbaar, zoodat 2 December 1854 door den Raad tot aankoop eener nieuwe besloten werd voor eene som van ƒ 550, waarvan ƒ 487 uit vrijwillige bijdragen werd gevonden.

De eenige branden van beteekenis, die hier in deze eeuw voorvielen, waren op 7 November 1800 van een huis er schuur van Pieteu Verttage (thans de hofstede van P. J. Arents) en in den nacht van 8/9 Augustus 1839 op de hofstede van den toenmaligen burgemeester Mal.taars , waardoor de schuur met hetgeen er zich in bevond eene prooi der vlammen werd.

Eerstgenoemde brand, die ontstaan was door liet vuur vatten van waschgoed, dat op eene vuurmand werd gedroogd, heeft de gemeente misschien wel in het bezit barer eerste brandspuit doen geraken, dewijl zij er destijds nog geen sclüjnt gehad te hebben, daar in een kort daarna uitgegeven geschriftje alleen melding wordt gemaakt van de hulp door de brandspruit van Domburg verleend. (Catalogus Provinciale bibliotheek bladz. 586). Een bijzonder zwaar onweder, dat nog in de herinnering der bejaarde inwoners voortleeft , was de oorzaak van den tweeden brand.

Voor andere algeraeene rampen bleef de gemeente sedert

-ocr page 57-

49

tal van jaren bewaard, Een zware hagelslag op 11 Juli 1832, waardoor veel veldgewassen vernield werden, is het eenige, wat men zich dienaangaande weet te herinneren.

BEGRAAFPLAATSEN.

Even als in andera gemeenten, diende ook hier weleer het terrein rond de kerk, het kerkhof, tot begraafplaats.

Ten gevolge der wet van 10 April 1869 verklaarden de Gedeputeerde Staten het den 7 October 1S70 daarvoor ongeschikt , naar aanleiding van een advies van den Inspecteur voor het geneeskundig staatstoezicht. Zij gaven echter, volgens hun schrijven van 12/19 April 1873, toestemming om het westelijke gedeelte nog gedurende vijf jaar te blijven gebruiken. Vooruit ziende, dat dit terrein onvoldoende zou zijn, trachtte het gemeentebestuur in 1873 gedaan te krijgen, dat die beperkende bepaling wicrd opgeheven, daarbij aanvoerende, dat het sterftecijfer in deze gemeente, volgens de vergelijkende tabellen in de Provinciale verslagen van 1862 tot 1871, zeer gunstig was, bedragende gemiddeld 1 op 90 inwoners, terwijl dat van de geheele provincie 1 op 36 was en het over vier jaren in deze gemeente de gunstigste verhouding opleverde.

De Gedeputeerde Staten gaven echter te kennen, dat er vooral met het oog op de school, geen termen bestonden om op hun vroeger besluit terug te komen en raadden den aanleg eener nieuwe begraafplaats aan. De Gemeenteraad gaf daaraan gehoor en besloot, 23 Augustus 1873, den noodigen grond aan te koopen aan den weg naar Westka-pelle. Deze grond, ter groote van 26 aren 16 centiaren, werd met f 2000 betaald. De bouw van een lijkenhuis , de kosten van aanleg, enz. eischten eene uitgaaf van /\'569,365. Tot dekking van hetgeen niet uit de gewone middelen der

4

-ocr page 58-

50

gemeente kon worden bestreden, werd f 2200 te gelde gemaakt van liet kapitaal op het Grootboek der 4 pCt. N. W. S., tegen 92^ pCt., waarvoor / 204.5,12 ontvangen werd.

De nieuwe begraafplaats werd 1 April 1874\' geopend en dientengevolge de oude — het kerkhof — met dien dag gesloten.

PASTORIE.

Den 30 Juli 1678 verkocht Ewaldus Reijnvaan, destijds predikant te Brouwershaven, doch vroeger alhier, voor £ 233 :6 ; 8 of ƒ 1400 een huis aan de westzijde van het dorp, met 200 roeden boomgaard, aan zijn opvolger Petrus Pollion.

Deze koop schijnt vernietigd geworden te zijn, misschien ten gevolge van liet spoedige overlijden van Ds. Polliok. Althans Ds. Reijnvaan kwam weder in het bezit van het huis en droe? het 31 Januari 1687 over aan Ds. Johan-nes Amijs. Diens weduwe Pieternella Aubert, destijds hertrouwd met Pieter de Timmerman, verkocht het 15 April 1727, ook niet de 200 roeden boomgaard, voor £ 200 aan Wisse Simonse Wisse, in wiens familie het steeds gebleven is en thans toebehoort aan Simon Wisse.

De predikant Johannes Abels en zijne vrouw Jannetta van den Ham kochten 15 Januari 1724 van Leendert Bomme , Directeur in de Assurantie-compagnie te Middelburg, een huis aan de noordoostzijde van het dorp met de schuur daar tegenover aan het kerkhof, vroeger toebehoord hebbende aan den secretaris Jan Stoffelsen. Genoemde J. van den Ham, toen weduwe van Ds. Abels, verkocht dit huis met 208 roeden hof en boomgaard en de helft in eene bakkeet (de wederhelft behoorde aan den schoolmeester de

-ocr page 59-

51

Landmeter) op den 2i Januari 1754 aan den predikant Paulus Willems. De executeurs in diens boedel droegen deze bezitting voor £ 291:13:4 of / 1750 op den 4 Maart 1778 over aan den Armen van Aagtekerke. De daarvan opgemaakte koopakte spreekt van //een huijs met zijn sclmere, stallinge en de (h)elft in de backeete met zijn hovenierbof en boomgaerdt en bosje, samen groot de nomb. van 1 ge-met 15 ^ roede quot;

Dit gebouw bleef in liet bezit van de Diakonie tot in 1873, toen het, ten gevolge van de hiervoren vermelde scheiding der bezittingen van den armen en de kerk , werd overgedragen en ten name der Ned, Hervormde gemeente gesteld. Het heeft van 1734 steeds tot woning van den predikant gediend tot dat het in 1875 gesloopt werd, toen ter zelfde plaatse de tegenwoordige pastorie gesticht werd, naar het plan van den architect H. J. IIannink te Goes, waarvan de bouw in Maart 1875 voor f 4543 werd\' aanbesteed aan A. Baart en J. Melis, timmerlieden te Aagtekerke.

Op een steen, ter zijde der voordeur, leest men: De. eerste deen is gelegd den 16 April 1875, door L. Kan de Beeu, Predikant, onder de kerkvoogdij van P. J. Aiievj^; , Voorzitter, P. Wisse Sz., Kerkvoogd, A. v. d. Vate, Secretaris.

GEREFORMEERDE GEMEENTE.

Tn 1876 werd aan den weg naar Westkapelle een zeer eenvoudig gebouw gesticht, om te dienen voor de godsdienstoefeningen van de leden der Gereformeerde gemeente. De bouw had plaats voor f 3300, door de timmerlieden J. Melis te Aagtekerke en Joos Passenier te Domburg.

De leden dezer gemeente, oorspronkelijk als Afgescheidenen bekend, hadden hunne godsdienstige samenkomsten

-ocr page 60-

52

sedert 1835 geliouden op de buitenplaats Sint-Jan-ten-Heere onder Domburg, eerst in eene kamer van liet heerenliuis en later in het koetshuis. Zij moesten dit gebouw evenwel ontruimen, toen het na den dood van den eigenaar Jlir. Willem Vf.rsluijs met de geheele buitenplaats werd gesloopt.

De kosten der stichting van genoemd kerkgebouw werden bestreden uit de fondsen van de // Gereformeerde gemeente te Middelburg,quot; waartoe ook de hier wonende leden be-hooren, en aan welke gemeente door genoemden heer Veu-sluijs een legaat was bemaakt, geschat op eene waarde van f 18000. (Provinciaal verslag van Zeeland, 1876). Zie ook Domburg en zijn geschiedenis blz. 19 en 61.

Er is geen afzonderlijk leeraar, maar de godsdienstoefeningen worden geleid, hetzij door een predikant van elders, hetzij door een lid der gemeente.

SCHOLEN. OiNDEEAVIJZERS.

Voorheen stond tegen den oostelijken gevel der kerk een zeer klein schoolgebouw, dat in 1836 evenwel werd vergroot, toen tegelijk eene consistorie werd ingericht, gelijk hiervoren blz. 46 is vermeld.

«Het lokaal voldeed, wegens het toenemend getal leerlingen niet meer aan de behoefte, kon zelfs, door vergrooting niet zoodanig worden ingericht, dat het beantwoordde aan de eischen, die voor een schoolgebouw worden gesteld en daarom besloot de Gemeenteraad , 29 April 1871, tot het stichten van een nieuw gebouw, waarvoor liet Diakonie-arm-bestuur op zich nam de uoodige fondsen te verstrekken. Naar het plan, daartoe vervaardigd door den timmerman L. Bosselaar Jtt. te Grijpskerke, werd het werk, 30 Mei 1871, in het openbaar aanbesteed, tegelijk met den bouw eener consistorie, voor ƒ 4674, aan L. Francke, timmerman te Oostkapelle, terwijl met het kerkbestuur overeengekomen

-ocr page 61-

53

werd dat voor de school ƒ 3074 zou worden gerekend. Deze kosten werden nog vermeerderd met f 550 voor het noodige ameublement. Na verschillende onderhandelingen kwam het Gemeentebestuur met het Diakonie-Armbestuur overeen, dat dit laatste eene som van / 3300 tegen 4 pCt ter leen zou verstrekken. Deze leening is evenwel nooit aangegaan, maar het door het Diakonie-Armbestuur voor-geschotene in mindering gebracht van de som, die aan de gemeente moest worden uitgekeerd, volgens de dading, waarvan hierna, bij Armwezen, melding is gemaakt.

Op een steen in den voorgevel leest men: De eerste steen loerd gelegd door den Burgemeester J. de Visser, 28 Juni 1871. De school werd nog in dat jaar in gebruik genomen.

De gemeente was alzoo in het bezit gekomen van een naar de eischen des tijds ingericht schoolgebouw. Eene onderwijzerswoning ontbrak evenwel nog. Spoedig kwam daaraan behoefte, daar de onderwijzer de voor hem gehuurde woning met 1 Mei 1875 moest verlaten. De Gemeenteraad besloot daarom voor rekening der gemeente eene woning te bouwen, op een gedeelte van den tuin der pastorie, daartoe voor f 423 aangekocht. De aanbesteding had, naar het plan van L. Bosselaar Jr., timmerman te Grijpskerke, plaats op 7 November 1874 aan J. Melis, timmerman te Aagtekerke, voor ƒ 4033.

Tot dekking der kosten, die f 1504,265 hebben beloopen, werd de toen nog bestaande inschrijving van ƒ 700 op het Grootboek der 4 pCt. N. W. S. te gelde gemaakt, tegen 98 pCt. en eene leening van f 3500 tegen 4 ^ pCt. aangegaan. Het laatste gedeelte dezer leening werd in 1891 afgelost.

In 1878 werd door eenige ingezetenen eene volksbibliotheek opgericht. Deze werd in de openbare school geplaatst,

-ocr page 62-

54

telt thans ongeveer MJO dealen en verschaft aan menigeen gedurende de winteravonden eene nuttige en aangename tijdkorting. De schoolbibliotheek telt ongeveer 350 deeltjes.

Ook in de bijzondere school is eene boekverzameling van 150 deelen, ten dienste van volwassenen, geplaatst.

Sedert liet begin der 17e eeuw, was het onderwijs der jeugd hier toevertrouwd aan de navolgende personen, hetzij onder den titel van schoolmeester, onderwijzer ot\' hoofd der school.

Stephanus van Loo. Werd 3 April 1617 toegelaten als schoolmeester te Buttinge en 7 Juni daarna te dezer plaatse.

IzAaK van Latom. Werd toegelaten 16 Juni 1630.

Jan Aaiinoutsen CJooede. Zijne toelating ging in 1 October 1623.

Adriaan Janssen Schietekatte. Weïd 32 Juli 1636 toegelaten en overleed alhier.

Aarnout Hendkicx, Werd 20 April 1634 toegelaten. In 1660 bracht de kerkeraad klachten tegen hem in bij het Klassikaal bestuur wegens nalatigheid in het schoolhouden en onbehoorlijk levensgedrag. Hij zelf klaagde, dat hij tt onderkropenquot; werd door een Pietee Ponce , misschien dezelfde, die in 1661 te Domburg schoolmeester werd. Mr. A. Hendiucx werd eindelijk wegens aanhoudende dronkenschap in 1675 van zijn post ontzet.

Jacob Leünissbn. Werd 19 December 1675 toegelaten en vertrok naar Serooskerke.

Willem Adbiaansen Deurwaakdee. Toegelaten 1 Februari 1680.

Willem de Vos. Toegelaten 3 November 1684. Overleed in 1689.

-ocr page 63-

55

CoiiNELis Pleijti. Werd 6 October 1689 toegelaten, kwam met attestatie van Koudekerke en vertrok naar Big-gekerke.

Abraham Feancke. Werd 25 Augustus 1695 toegelaten, kwam met attestatie van Grijpskerke en werd met 1 October 1738 op zijn verzoek ontslagen. Hij was tevens schout en secretaris van Aagtekerke (zie de naamlijsten hiervoren) alsmede dijkgraaf van de Vijf ambachten van Walcheren.

Volgens zijn grafschrift in de kerk overleed hij 12 October 1748. Hij liet drie kinderen na: Jan, Pietek en Hendrik. Deze laatste trouwde te Aagtekerke 11 Juli 1749 als jm. van Aagtekerke met Johanna Lingius jd. van Rotterdam en wonende te Aardenburg. (Denkelijk eene zuster van den predikant Izaük Lingius aldaar.)

Gillis Hoevenagel. Werd 2 October 1738 toegelaten en kwam met kerkelijke attestatie van Koudekerke. Hij genoot als voorlezer f 100 uit het kantoor der geestelijke goederen; als koster ƒ 62, het vrije gebruik der school benevens het schoolgeld, terwijl hem beloofd werd, dat de gemeente gemoedelijk verzocht zou worden om dit met een dubbeltje in de maand te verhoogen. Gedurende den tijd van het koolzaaddorschen en den tarweoogst behoefde hij geen school te houden. Of hij daaraan behulpzaam mocht zijn tot stijving zijner inkomsten, wordt niet vermeld.

Hij vertrok naar Sint Laurens, waar hij 26 December 1743 beroepen was.

Marinus Gornelisse, Den 1 Juli 1745 werd zijne benoeming ingebracht bij het Klassikaal bestuur, naar het schijnt alleen door den ambachtsheer, dewijl de zaken destijds, ten gevolge der hiervoren blz. 40 vermelde geschillen, niet geregeld behandeld werden.

Adriaan van Noorden. Hij werd 2 Juli 1750 door de Classis toegelaten, in wier akten vermeld wordt, dat hij

-ocr page 64-

54

telt thans ongeveer 40ü dealen en verschaft aan menigeen gedurende de winteravonden eene nuttige en aangename tijdkorting. De schoolbibliotheek telt ongeveer 250 deeltjes.

Ook in de bijzondere school is eene boekverzameling van 150 deelen, ten dienste van volwassenen, geplaatst.

Sedert het begin der 17e eeuw, was het onderwijs der jeugd hier toevertrouwd aan de navolgende personen, hetzij onder den titel van schoolmeester, onderwijzer of hoofd der school.

Stephanus van Loo. Werd 3 April 1617 toegelaten als schoolmeester te Buttinge en 7 Juni daarna te dezer plaatse.

Izaük van Latom. Werd toegelaten 16 Juni 1630.

Jan Aaunoutsen Goorde. Zijne toelating ging in 1 October 1623.

Adhiaan Janssen Schieïekatte. Wetd 22 Juli 1626 toegelaten en overleed alhier.

Aabnout Henduicx. Werd 20 April 1634 toegelaten. In 1660 bracht de kerkeraad klachten tegen hem in bij het Klassikaal bestuur wegens nalatigheid in het schoolhouden en onbehoorlijk levensgedrag. Hij zelf klaagde, dat hij // onderkropenquot; werd door een Pietee Ponce , misschien dezelfde, die in 1661 te Domburg schoolmeester werd. Mr. A. Henduicx werd eindelijk wegens aanhoudende dronkenschap in 1675 van zijn post ontzet.

Jacob Leunissen. Werd 19 December 1675 toegelaten en vertrok naar Serooskerke.

Willem Adriaansen Deurwaardee. Toegelaten 1 Februari 1680.

Willem de Vos. Toegelaten 2 November 1684. Overleed in 1689.

-ocr page 65-

55

Coknelis Pleijte. Werd 6 October 1689 toegelaten, kwam met attestatie van Koudekerke en vertrok naar Big-gekerke.

Abraham Fkancke. Werd 25 Augustus 1695 toegelaten, kwam met attestatie van Grijpskerke en werd met 1 October 1738 op zijn verzoek ontslagen. Hij was tevens schout en secretaris van Aagtekerke (zie de naamlijsten hiervoren) alsmede dijkgraaf van de Vijf ambachten van Walcheren.

Volgens zijn grafschrift in de kerk overleed hij 12 October 1748. Hij liet drie kinderen na: Jan, Pieïeii en Hendrik. Deze laatste trouwde te Aagtekerke 11 Juli 1749 als jm. van Aagtekerke met Johanna Lingius jd. van Rotterdam en wonende te Aardenburg. (Denkelijk eene zuster van den predikant IzaêLk Lingius aldaar.)

Gillis Hoevenagel. Werd 2 October 1738 toegelaten en kwam met kerkelijke attestatie van Koudekerke. Hij genoot als voorlezer / 100 uit het kantoor der geestelijke goederen; als koster ƒ 62, het vrije gebruik der school benevens het schoolgeld, terwijl hem beloofd werd, dat de gemeente gemoedelijk verzocht zou worden om dit met een dubbeltje in de maand te verhoogen. Gedurende den tijd van het koolzaaddorschen en den tarweoogst behoefde hij geen school te houden. Of hij daaraan behulpzaam mocht zijn tot stijving zijner inkomsten, wordt niet vermeld.

Hij vertrok naar Sint Laurens, waar hij 26 December 1743 beroepen was.

Marinus Counelisse. Den 1 Juli 1745 werd zijne benoeming ingebracht bij het Klassikaal bestuur, naar het schijnt alleen door den ambachtsheer, dewijl de zaken destijds , ten gevolge der hiervoren blz. 40 vermelde geschillen , niet geregeld behandeld werden.

Adriaan van Noorden. Hij werd 2 Juli 1750 door de Classis toegelaten, in wier akten vermeld wordt, dat hij

-ocr page 66-

56

in plaats van Hoevenagel kwam. Hij overleed en werd vervangen door

Willem de Landmeïeu, die 5 Juli 1753 werd toegelaten na reeds eenigen tijd de betrekking te hebben waargenomen. Hij overleed 8 Mei 1790.

Admaan van Velsen. Den 2 September 1790 werd zijn beroep door de Classis goedgekeurd. Vroeger was liij schoolmeester te VHeer Hendrikskinderen. Hij overleed 30 October 1827 en werd opgevolgd door zijn zoon, die volgt.

Het vorenstaande is ontleend, ten deele aan de akten van den Kerkeraad en ten deele aan de aanteekeningen uit het Klassikaal archief, waarvan hiervoren blz. 40 melding wordt gemaakt.

Admaan van Velsen. Werd 4 Juni 1828 benoemd en, op zijn verzoek, met 1 Juli 1870 eervol ontslagen. Als aandenken kreeg hij, na zijn ontslag, van den Gemeenteraad een zilveren inktstel.

Jan Pieïer van Kamer. Hij werd 10 September 1870 benoemd, trad 17 October daarna in dienst en overleed te Middelburg den 22 Maart 1883.

Ten gevolge der opening met 1 Mei 1881 van eene uit de fondsen der Hervormde Diakonie gestichte school, verlieten verreweg de meeste kinderen de openbare school en was die bij het overlijden van den onderwijzer van Kamer zoo goed als ontvolkt. Een dertigtal ingezetenen dienden daarom aan den Raad een adres in tot het onvervuld laten van de betrekking van hoofd der openbare school. De Raad, daaraan gehoor gevende, besloot 17 Juli 1883 tot sluiting der school. Dit besluit kon, als onwettig, de goedkeuring van de Gedeputeerde Staten niet verwerven. De Raad kwam van dat besluit in beroep, doch \'s Konings uitspraak bevestigde de beslissing van Gedeputeerde Staten. Desniettemin stelde de Raad de benoeming van een hoofd der school uit, zoodat

-ocr page 67-

57

Jacob van den Ende benoemd werd bij besluit van de Gedeputeerde Staten van 23 November 1883. Hij trad 1 December van dat jaar in dienst.

B LT Z O N D E E E SCHOOL.

De Keikeraad der Hervormde Gemeente scheen het zoogenaamde godsdienstlooze onderwijs, dat op de openbare school der gemeente gegeven wordt, niet langer voldoende te achten voor de \'/opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden,quot; van de kinderen, zooals art. 33 dei-wet op het lager onderwijs dat wil. Hij besloot daarom in 1880, uit de fondsen der Hervormde Diakonie, eene bijzondere school te stichten, die zooals hiervoren is vermeld, den 1 Mei 1881 werd geopend.

Het schoolgebouw met eene woning voor den onderwijzer werd gesticht op een aan de Diakonie toebehoorend stuk bouwland aan den weg naar Westkapelle. Een en ander werd onderhandsch aanbesteed aan K. Melis, timmerman te Aagtekerke, voor f 4!986, behalve het schilderwerk; zoodat de bouw ruim f 5000 gekost heeft. Op een in den voorgevel der onder wijzers woning geplaatsten steen staat: iJe eerste steen gelegd door Dr. C. C. Schot Cz., predikant, 23 Februari 1881.

Vooral ook ten gevolge der toelating van kinderen uit naburige gemeenten, werd de school te klein, en is daarom in 1890 aanmerkelijk vergroot, welk werk uitgevoerd werd door J. Dekeeu, timmerman te Aagtekerke, voor ƒ 880. De toeneming van leerlingen had ook ten gevolge \\ dat het hoofd der school, Geiiardus Egbeiitus Ovekweg, als zoodanig sedert de opening werkzaam, door een onderwijzer moest worden bijgestaan, cfie in Februari 1884 in dienst kwam.

-ocr page 68-

58

ARMWEZEN.

De armenfondsen waren hier in de 17e eeuw reeds meer dan voldoende om de kosten van ondersteuning der armen te kunnen dekken, hetgeen daaruit blijkt, dat in de beide vorige eeuwen gedurig landerijen werden aangekocht. Waarom er in 1693 verschillende kleine partijen land verkocht werden, is onbekend; wel leeren de notulen van den Ker-keraad, dat daarover geschil ontstaan was en schijnt men, tusschen de regels door, zoowat te kunnen lezen, dat sommige personen daarbij hun persoonlijk belang bepaald op het oog hebben gehad.

Deze fondsen werden steeds door den Kerkeraad beheerd, onder toezicht van den ambachtsheer, terwijl de jaarlijksclie rekening ten overstaan van het plaatselijk bestuur (schout en schepenen) werd gedaan.

Den 7 Februari 1770 werd met den ambachtsheer een reglement vastgesteld // op het stuk der administratie van de kerk- en armengoederendat in de akten van den Kerkeraad is opgenomen.

Later bleef ook het Gemeentebestuur zich, misschien volkomen te onrechte, af en toe met de zaken van het Armbestuur bemoeien.

Op grond daarvan, verklaarden Burgemeester en Wethouders, ten gevolge van een onderzoek, ten jare 1860 gedaan //dat alhier in vroegeren tijd een afzonderlijke of zoogenaamde groote of buiten-armen heeft bestaan, uit wier fondsen vermoedelijk met het jaar 1718 de kerkelijke armen werden ondersteund.quot; Ik zal dit onderzoek laten voor hetgeen het is, maar veroorloof mij toch de opmerking, dat er moeilijk sprake kan zijn van verschil in armen in vroeger tijd, daar allen ongetwijfeld tot het Hervormd kerkgenootschap behoord hebben. Hoe dit dan ook zij, ten gevolge

-ocr page 69-

59

vau dit onderzoek rangschikte het Gemeentebestuur, 22 December 1860 , de hier bestaande instelling van weldadigheid (de Hervormde Diakonie) onder die, bedoeld bij letter d van art. 2 der wet op het Armbestuur, n. 1. die van gemengden aard, d. w. z. wier beheer door de burgerlijke overheid en vanwege eene kerkelijke gemeente wordt geregeld.

De Kerkeraad verklaarde zich met die rangschikking niet te kunnen vereenigen en gaf ook geen gehoor aan eene oproeping van het Gemeentebestuur tot eene gemeenschappelijke vergadering voor de vaststelling van een reglement op het beheer.

De zaak bleef daarop rusten, totdat den 11 Juli 1871 bij den Raad een schrijven inkwam van het Klassikaal bestuur, waarbij in overweging werd gegeven, dat de burgerlijke gemeente voor goed afstand zou doen van alle aanspraak op de goederen en fondsen van den armen en de instelling van weldadigheid dan ook gerangschikt zou worden onder die, bedoeld bij letter b van art 2 der wet, dat zijn die, welke vanwege eene kerkelijke gemeente worden beheerd , met aanbod, dat de kosten van den bouw eener school (zie hiervoren blz. 52) door de diakonie zouden worden gedragen. De Raad nam dit voorstel niet aan, maar verklaarde niettemin in eene billijke schikking te willen treden.

De zaak bleef daarop andermaal rusten en wel tot in 1873. Nadat de Gedeputeerde Staten met Burgemeester en Wethouders en den Kerkeraad eene bijeenkomst hadden gehouden, kwam 8 Februari van dat jaar een uader voorstel bij den Raad in tot vereffening, zooals hierboven is bedoeld, doch tegen uitbetaling aan de burgerlijke gemeente van eene som van f 5700. Dit voorstel werd aangenomen en dientengevolge den 17 Mei 1873 besloten met het Arm- en Kerkbestuur eene dading aau te gaan, welke den 27 dier maand

-ocr page 70-

60

werd opgemaakt bij akte, verleden door den Notaris Wou-tebsen, te Middelburg.

De bezittingen van het Arm- en Kerkbestuur bestonden destijds in: a. 21.55.98 H. A. bouw- en weiland, gelegen in Aagtekerke en Oostkapelle; h. twee huizen, tot inwoning van behoeftigen dienende; c. de pastorie, d. f 58700 ingeschreven op het pCt. Grootboek der N. W. S. en ƒ 29000 ingeschreven op het 4 pCt. Grootboek der N. W. S.

Van de hiervoren bedoelde f 5700 is f 3074 in mindering gekomen voor kosten van den bouw eener school. Het overige is belegd door aankoop van f 2900 inschrijving op het Grootboek der 4 pCt. N. W. S. (:\\ 89 ljlpCt.) welk kapitaal later weder te gelde is gemaakt voor den aanleg eener openbare begraafplaats en voor gedeeltelijke bestrijding der kosten van den bouw eener onderwijzerswoning.

Den 10 October 1877 besloot de Gemeenteraad aan den Kerkeraad eene aanvraag te doen om uit de fondsen der Diakonie jaarlijks gedurende zeven jaar eene bijdrage van drie honderd gulden te verleenen aan de gemeente, ten einde haar te gemoet te komen in de belangrijke uitgaven, die zij jaarlijks te doen had, waaronder ruim /\' 900 voor het onderwijs (na aftrek der inkomsten uit de schoolgelden). De Kerkeraad wees dit verzoek evenwel van de hand.

In 1867 werd uit de Diakonie-fonsden een nieuw gebouw gesticht voor inwoning van behoeftigen, naar een plan, ontworpen door J. Sonius , bouwkundige te Middelburg, ter plaatse, waar vroeger een tweetal huisjes der Diakonie hadden gestaan. De aanbesteding had op 25 April 1867 plaats aan L. Bosselaaii Jr., timmerman te Grijpskerke, voor ƒ 4600.

Op een in den voorgevel geplaatsten steen leest men : De eerste steen is gelegd door den predikant S. F. Kbuijt, 29 Juni 1867.

-ocr page 71-

61

Nadat het nieuwe gebouw in gebruik is genomen, wordt het oude armhuis voor bergplaats enz. gebezigd.

HET KLOOSTER WATERLOOSWEEVB.

Het klooster, dat weleer, onder genoemden naam, te Aagtekerke bestaan heeft, had zijn oorsprong te danken aan een klooster, Onze lieve vrouwekamcr genoemd. te Noord-dijk in Noordbeveland, waarvan reeds in eene oorkonde vau het jaar 12 11 melding gemaakt wordt. Ten gevolge van de overstroomingen, waaraan het eiland Noordbeveland in het laatst der 13° eeuw blootstond, zagen de bewoonsters van het klooster zich genoodzaakt dit onveilige oord te verlaten en vestigden zich op hare bezittingen in het eiland Walcheren, waar hunne woonstede nog voortdurend in herinnering wordt gehouden door den naam Waterlooswerve en de aanduiding Het Klooster, die de boerderij draagt, welke er thans gevonden wordt, en welke naam aanwijst dat het verblijf der kloosterlingen daar beveiligd was tegen het water, welke veiligheid te danken was aan de nog in het oog loopende hooge ligging van het terrein, die denkelijk verkregen is met den grond uit de nog gedeeltelijk aanwezige vijvers, die eenmaal de gansche bezitting, ter grootte van ongeveer dertien gemeten, omringden.

De juiste tijd van overbrenging naar Walcheren is niet bekend, maar uit eene in het stads-archief van Middelburg aanwezige oorkonde (Inventaris no. 13) blijkt, dat die reeds voor het jaar 1300 moet hebben plaats gehad.

Het klooster werd bewoond door vrouwen, die behoorden tot de Cistercienser-orde, aldus genoemd naar de Eransche stad Giteaux, oudtijds Cistertium, die haren naam ontleende aan eenige waterbronnen (Cisterna) in eene woeste streek, alwaar zich, nu omtrent acht eeuwen geleden, eenige men-

-ocr page 72-

62

schen vestigden en eene kloosterorde voor mannen en vrouwen stichtten.

In 1302 bezat het klooster 152 gemeten land in Walcheren, en 146 in Noordbeveland, welke bezitting in 1500 tot 450 gemeten in Walcheren was aangegroeid, \'s Lands graven hadden de goederen, die het klooster in 1302 bezat, vrijgesteld van bede- en heervaart, dat is van belasting en van de verplichting tot het leveren van gewapende manschappen voor de oorlogen en krijgstochten, die de graven ondernamen. Deze gunst, ook aan zoo menig ander klooster verleend, werd met andere rechten en vrijheden meermalen bevestigd, zooals in 1390 door Hertog Albrecht en in 1417 door Gravin Jaooba van Beijeren , blijkens de in het Groot Charterhoek van van Mieris afgedrukte oorkonden (dl. Til; 549 en dl. IV, 411) in welk laatstgenoemd stuk het klooster vermeld wordt als het quot; convent van onzer vrouwenkamer te Waterlooswerve in Walcheren.quot;

Ook van een tweetal andere gunstbewijzen aan de kloosterlingen wordt nog de herinnering bewaard. Zoo schonk hertog Willem van Beijeeen op Sint-Clementsavond (22 November) 1356 aan de non Jane, dochter van Nicola as-van Cats , eene som van veertig pond zwarte Tournois (zoodanig pond had eene waarde van vijftig cent) die zijn grootvader weleer aan haar met twee andere nonnen te samen gegeven had, terwijl Zweder van Abcoude, heer van Putten aan liet klooster 24 goede zware gouden schilden (eene munt ter waarde van ongeveer een gulden) schonk, in plaats van zeker uitgors (schor) dat het van zijne voorouders gekregen had en waarmede mogelijk wel bedoeld wordt de weide voor 300 schapen, die Nicola as van Putten , benevens de tienden in 1241 geschonken had.

De zooeven genoemde oorkonde van 1356, die den naam van eene der kloosterlingen vermeldt, bewijst dat er onder

-ocr page 73-

63

haar uit de voornaamste sreslachten des lands voorkwamen.

Een ander stuk, van 18 Januari 1559 (1560) weleer ter Rekenkamer van Zeeland berustende, leert ons als abdis Margaeetha de Bourbon en als priorin Barbel Rasen-dochter (de opperste van het klooster en hare plaatsvervangster) kennen. Van het zegel van het klooster en van genoemde abdis worden afteekeningen bewaard in de verzamelingen van het Zeeuwsch genootschap der wetenschappen.

Dit klooster trof ook het lot der vernieling, dat de beruchte beeldstormerij in 1566 zoo menigvuldige kerken eu andere geestelijke gestichten deed ondergaan. Een woeste hoop, die een gedeelte van het platteland van Walcheren doortrok, onder aanvoering van Pieter Cornelissen , een droogscheerder (lakenbereider) uit Middelburg kwam te Water-looswerve, waar deze n met zijn complicen heeft gheholpen de brekynghe, ruynerende ende violeerende alle de aultaeren, beelden en andere representatien van heijlighen, martelaers en professoors ende voorts profaneerende alle geconsacreerde dynghen, ende dat hij als oock heeft helpen afdoen ende langhen de beelden ende taefreelen die in den reefter (gemeenschappelijke eetzaal) hynghen, werpende deselve in den pant (gaanderij) neder alwaer die al in stucken zijn gebroken ende ghesmeten,quot; gelijk dit misdrijf in de eigenaardige taal van dien tijd omschreven wordt in het tegen hem door het stadsbestuur van Middelburg, den 9 Februari 1568 (1569) uitgesproken vonnis, waarbij hij tot den strop werd veroordeeld en dat op denzelfden dag ook werd ten uitvoer gelegd. {Archief a. w. 11, 307).

De kloosterlingen zullen daarna hunne bezitting niet lang meer bewoond hebben, want als zij die niet tijdens de meergenoemde insluiting van Middelburg in 1573 reeds verlaten hadden, dan zijn ze zeker in 1574, met de overige Roomsche geestelijkheid naar elders vertrokken. Dat het

-ocr page 74-

64

klooster in dien tijd, evenals zoo veel andere dergelijke gestichten in Walcheren, door het onbezonnen krijgsvolk aan de vlammen is prijsgegeven. is wel waarschijnlijk, want toen het op den 31 Maart 1576 verkocht werd met andere klooster- en geestelijke goederen, die van landswege in beslag genomen waren en ten algemeenen bate te gelde gemaakt werden, wordt het aldus omschreven //1 Convent van Waterlooswerve; gelegen in de Vijf ambachten in de prochie van St, Aechtekerke, met zijne steenhoopen en bo-gaerden, gelegen binnen zijne grachten.quot; Die steenhoopen zullen wel te kennen geven, dat de gebouwen in puin lagen. Het werd met 1251/2 gemet boomgaarden, zaai- en weilanden , tegen f 4: 5 (ƒ 25,50) het gemet en alzoo in het geheel voor £ 512:2:6 [f 3073,75) verkocht aan Jan Jansz. Cooman , schepen te Vlissingen, een van de gemachtigden tot de verkooping, die evenwel den koop overdroeg aan Basïiaan Pieussen , koopman te Vlissingen. In vergelijking met andere toen verkochte goederen, werd voor Water-looswerve een goede prijs bedongen, want Sint Jan ten Heere werd voor £3:1, Duno voor £ 3:10, Soetendale voor £4 :1 het gemet te gelde gemaakt. [Register van de ver cooping p van de geestelicke vervallen Cloosters, hdjsen, erven ende hoómgaerden, vercocht binnen der Yere. Anno 1576 in het provinciaal archief van Zeeland en Rekening van Pieteii van der Baeuse wegens de verkooping van geestelijke goederen, aanwezig in het stads-archief van Middelburg^.

Waarschijnlijk was de zooeven genoemde Basttaan Pieussen of Pieteesen en Bastiaan Pietersen Smidts , die men op de regeeringslijsten van Vlissingen aantreft, dezelfde persoon en dan is het denkelijk, dat het klooster van hem is overgegaan op Jan Lambuectttsen Coolen, wiens tweede vrouw Elizabeth Pieïeese Smidts heette. Zeker is het dat deze in liet bezit van het klooster is geweest. Hij was

-ocr page 75-

65

Burgemeester van Vlissingen, een der voornaamste kooplieden van zijn tijd en mede-oprichter der Oost-Indische compagnie. In een steen toch, die nog boven een der ingangen van het gebouw staat. vindt men deze inscriptie ; T is al q (eene wereldbol) anno 1626, de bekende spreuk; \'t Is al wereld van genoemden Jan Lambr. Coglen weergevende. Deze steen moet dus geplaatst zijn na zijn overlijden, dat 9 Maart 1619 voorviel, blijkens zijn grafschrift in de groote kerk te Vlissingen. {Zei an dia Illustrata dl. I, blz 542).

De bezitting is lang in die en aanverwante families en hare zijtakken gebleven, zooals uit het navolgende blijken kan. Toen Smallegange zijne kroniek van Zeeland in 1696 uitgaf, behoorde ze aan Johan Hdijssen, heer van Ravels, zoon van Frederik en van Johanna Thibaut (dochter van Hendrik en Isabella Porrenaer , kleindochter van genoemden J. L. Coolen.)

Van gezegden Johan Huijssen zal het klooster overgegaan zijn op zijn zoon Willem Frederik Huijssen van Kattendijke, gehuwd met Johanna Cornelia de Muijnok (dochter van Alexander en van Johanna Cornelia de Jonge gezegd Steengracht.) De voogden van hun eenigen zoon Alexander Johan Hieronimus Huijssen van Kattendijke verkochten het in het openbaar, 24 December 1722, aan Maria Nachtegaal, weduwe van Johan van der Mandere , in leven Burgemeester en Raad van Vlissingen. toen het eene hofstede genoemd werd, groot 13 gemeten 270 roeden vrijland, benevens 77 gemeten 186 roeden schotbaar land.

Van deze ging de hofstede over aan hare kinderen Johanna Suzanna en Mr. Jacob van- der Manderr , lieer van Ouwerkerk. Eerstgenoemde verkocht ze onderhands den 11 Januari 17 44, op de hier bovengenoemde grootte , aan Jan Schietekatte, Gezworen van de Vijf-ambachten en

-ocr page 76-

66

schepen van Aagtekerke en droeg die aan hem over bij akte voor schout en schepenen van Aagtekerke.

De volgende overdrachten geschiedden :

23 Januari 1759, ter grootte van 85 gemeten 98 roeden voor 1500 pond vlaamsch , door genoemden Jam Schieïe-katte aan zijn zoon Adriaan;

10 April 1764), door laatstgenoemden, ter zelfde grootte, aan Abraham Jansse Koene te Biggekerke, voor 1950 pond vlaamsch, waaronder 250 pond vlaamsch voor de vruchten te velde en losse goederen;

6 Mei 1819 door gezegden Abraham Koene aan Abraham Gideonse. Uit diens boedel werd de hofstede, 2 Maart 1833, voor f 525 per bunder verkocht aan Abraham Gillis Peper, wiens zoon Jan Peper, thans burgemeester, in 1860 voor f 1000 per bunder in het bezit kwam van dat gedeelte der hofstede, waar de overblijfsels der oude kloostergebouwen zich bevinden , en die ze 31 Maart 1880 met 24,8108 hectaren bouw- en weiland, in het openbaar verkocht voor f 34936 aan Jacobus Wisse, den tegen-woordigen eigenaar.

Schoon van den vorm en omvang der oorspronkelijke gebouwen niets met zekerheid bekend is, hebben zoowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen eene belangrijke oppervlakte beslagen, te oordeelen naar de opgravingen, die af en toe op het terrein hebben plaats gehad, waarbij zware fondamenten en keldergewelven te voorschijn kwamen. De begraafplaats van het klooster heeft men mede ontdekt op een stuk land aan de noordzijde.

Ook hier loopt het gewone verhaal, dat de nonnen. door een onderaardschen tunnel, gemeenschap hadden met een mannenklooster (Sint Jan ten Heere). Voor hem, die met

-ocr page 77-

67

den waterrijken bodem bekend is, zal de ongerijmdheid van dit verhaal dadelijk in het oog springen.

De oudste nu bekende afbeelding komt voor in het plaatwerk Speculum Zelandiae, dat in het midden der 17e eeuw werd uitgegeven en eene gelijkvormige in Smallegange\'s kroniek van Zeeland, tegenover blz. 670 , waar het beschreven wordt als: //het seer heerlijk Lusthuis Waterloose-werve, voorsien met een grooten hoogen achtkantigen Tooren, hebbende seer vele ruime Kameren en Vertrekken, omringt van schoone Vischrijke soete Wateren en Vijveren, allesins beplant met aengenaem geboomte van hoog opgaende Dreven en vruchtbare Boomgaerden; daer en boven op het plein, dat door een ophalende Brug over quot;t water besloten ligt, is nog een treffelijke Boeren-wooning met haer Schuer en Stalling.quot;

Gaiigon\' spreekt in zijne Walchersche Arcadia, 1715 dl. I, blz. 221, nog van den toren van Waterlooswerve. Op eene ten jare 1745 vervaardigde afbeelding, voorkomende, zoowel in liet Kabinet van Nederlandsche gezichten, als in den daaruit op groot papier afgedrukten Atlas van Zeeland, bij denzelfden uitgever Tirion, is de toren niet meer aanwezig, zoodat die afbeelding goed overeenkomt met de beschrijving in het drie jaar te voren uitgegeven werk : Tegenwoordige staat van Zeeland, waarin dl. 2 blz. 249 gezegd wordt, dat het in eene gemeene (dat is gewone) landhoeve was veranderd // zijnde een gedeelte van het gebouw benevens de toren afgebroken.quot;

Het nog aanwezige overblijfsel met zijne drie ruime vertrekken en groote kelders, draagt in zijne zware muren en hardsteenen wenteltrap, die waarschijnlijk vroeger toegang tot den toren verleende, nog steeds de kenmerken dat het in lang vervlogen tijden gesticht is.

-ocr page 78-

68

K O O R N M O L E N.

Het kojnt mij niet onwaarschijnlijk voor, dat de molen voorheen op eene andere plaats gestaan heeft dan waar men dien thans vindt, omdat de tiende-blokken tusschen den Roosjesweg en den Zuiverschen weg nog als Molentiende — die, waarin de hofstede, bewoond door G. van dee Meule gelegen is, bepaald als Molenblok — bekend zijn en dus het vermoeden wettigen, dat eenmaal daar een molen stond.

Wanneer en waar voor het eerst te Aagtekerke een molen werd geplaatst, is mij niet gebleken, wel dat de ambachtsheer er in 1616 een bezat, zooals uit het hiervoren blz 9 aangehaalde stuk blijkt, zonder de standplaats te kunnen aanwijzen.

Den 26 Maart 1694 verleenden de Staten van Zeeland octrooi om gedurende zeven jaar accijns te heffen tot onderhoud van een molenpad, en wel ten laste van de tappers, van vier gulden op elk oxhoofd, zoo Spaansche als ï ransche wijnen, twee gulden op de ton zwaar bier en een stuiver op de stoop brandewijn, mits aan de grafelijkheid de tienden penning (een tiende gedeelte) van de opbrengst betaald werd.

Den 2,2, April 1798 verkocht Cornelia Wilhelmina van Hoorn wed. Thibaut, als moeder en voogdes van Jan quot;Willem Thibaut, heer van Aagtekerke, aan Pieter Brand, molenaar aldaar «den dwang-koornmolen met \'t daar annex zijnde huijs en erve en verdere gevolgen van dienvoor £ 225. De ambachtsheer behield het recht om zijne paarden te stallen in het schuurtje, dat bij het huis behoorde, zonder daarvoor te moeten betalen, terwijl de kooper zich verbond, dat hij en zijne opvolgers //jaarlijks tea behoeve van gemelde ambagtsheerlijkheid voor een grondcliijns of zogenaamd windrecht moeten betalen de somme van agt ponden vlaams.quot; Deze rente wordt nog jaarlijks betaald.

-ocr page 79-

69

Wel heeft een vroeger eigenaar getracht daarvan ontslagen te worden, doch bij einduitspraak in een rechtsgeding, naar men zegt ten koste van / 1800, de wetenschap opgedaan, dat de verplichting tot betaling steeds voortduurt.

In den vreeselijken storm van 9 November 1800 woei de molen om. Dientengevolge besloot de Kerkeraad den 4 Januari 1801 den molenaar £ 200 tegen 3 pCt. ter leen te geven, ten einde den wederopbouw te kunnen bekostigen. De molenaar maakte daarvan ecliter geen gebruik, omdat Mevrouw Thibaut op zich genomen had voor de zaak te zorgen.

WEGEN EN ANDERE MIDDELEN VAN GEMEENSCHAP.

Evenals in het overige lage gedeelte van Walcheren, waren ook hier gedurende een grooten tijd van liet jaar de wegen onbruikbaar en kon alzoo de gemeenschap vooral met Middelburg, waaraan dan ook wel steeds de meeste behoefte bestaan heeft, slechts met schuiten onderhouden worden door den Domburgschen watergang, een overblijfsel van de vele kreken, die eenmaal het eiland doorsneden. Een tweetal schuiten herinnert nog aan dien toestand en doet steeds dienst, nu evenwel meer omdat het vervoer daarmede voor-deeliger dan per as kan geschieden.

De plaats waar de schuiten bij het dorp aankomen, heet nog steeds het schuitvlot. Weleer was daar ook een schuit-hnisje, eene loods denkelijk tot tijdelijke berging van goederen , dat, zooals alles hier voor dezen, uit de Diakonie-fondsen onderhouden werd, doch eindelijk is verkocht geworden, zoodat men in de notulen van den Kerkeraad van 25 Mei 1801 vermeld vindt, dat de opbrengst van dien verkoop ingebracht werd.

-ocr page 80-

ro

De bezanding van den weg van Oostkapelle naar West-kapelle braclit alzoo eene groote verbetering in de middelen van gemeenschap. De staten van Zeeland verleenden daartoe 30 Mei 1768 octrooi aan Mr. Jon an A dm a an van de Perue, Willem Thibatjï, Heer van Aagtekerke, Jon an Pieteu van den Buande , eigenaar van Sint Jan ten Heere, en Johannes Jacobus de Bruijn. Deze Heeren kregen vergunning om tot liet verbreeden, bedelven en verhoogen van dien weg gebruik te maken van liet naast gelegen land dat zij zouden uoodig hebben ook tot het leggen van een nieuwen weg, waar dit vereischt mocht worden, mits het betalende volgens de schatting der besturen van de parochiën waaronder het gelegen was. Daar van daan vindt men nu nog ter zijde van den weg strooken grond, aarden- of zoogenaamde zomerwegen, meestal met houtgewas beplant, waar vroeger de oude, te smalle en te lage weg gevonden werd. Tot goedmaking der kosten, mochten zij van het land, ter weerszijden van den weg liggende, twee stuivers per jaar van de strekkende roede heffen. Zij mochten verder een slagboom plaatsen // en voor passagegeld heffen: voor een man te paard een stuiver, voor een boerenwagen, ledig of geladen, twee stuivers, voor eene chais drie stuivers, voor een phaëton of speelwagen vier stuivers en voor eene koets vier stuivers.quot; Dit octrooi werd verleend voor vijf en twintig jaar, tenzij door de Staten goedgevonden werd //eens generale directie van straten en wegen over dezen eilande van Walcherenquot; in te stellen, in welk geval aan de gsoctrooi-eerden eene billijke schadevergoeding zou worden verstrekt. Zoodanige directie kwam echter nooit tot stand en evenmin is er gebruik gemaakt van het recht tot tolheffing.

Dit octrooi eindigde alzoo in 1793, en hoewel het destijds niet verlengd werd, bleef men toch handelen alsof het nog voortduurde. Eerst in 1801 werd eene aanvraag om

-ocr page 81-

71

verlenging gedaan, waarbij werd opgegeven, dat dit in 1793 verzuimd was, ten gevolge van het overlijden van hem, die zich het meest met het beheer belast had.

Het Departementaal bestuur van Zeeland verleende dei; 28 November 1803 eene verlenging voor vijf en twintig jaar en stond bovendien toe, dat drie in plaats van twee stuivers van de strekkende roede zouden mogen worden geheven, en voorts; dat van de Staten en breede-geërfden van het eiland Walcheren eene bijdrage van vijftig pond vlaamsch per jaar zou mogen worden ingevorderd; dat de weg aan beide zijden zou mogen worden beplant, alsmede ook weder de tolheffing, van welk laatste echter geen gebruik is gemaakt. Als voorwaarde werd gesteld, dat jaarlijks minstens vijftig pond vlaamsch zou worden afgelost van het opgenomen kapitaal; rekening gedaan ten overstaan van een of meer gecommitteerden uit het college der Staten en breede-geërfden van Walcheren en ook weder, dat het octrooi zou eindigen, wanneer eene generale directie over de straten en wegen zou worden ingesteld, hetgeen evenwel niet heeft plaats gehad.

Het werd, vervolgens tot heden, telkens en voor verschillende tijdvakken, verlengd, echter zonder machtiging tot tolheffing.

Voor den aanleg van den weg was eene leening aangegaan van £ 2800 (ƒ 16800) verdeeld in 28 aandeelen van honderd pond vlaamsch. Tn 1813 werd een aanvang gemaakt met aflossing, welke in 1852 eindigde, nadat 6 Mei 1839 tusschen de aandeelhouders eene overeenkomst was gesloten om de toen nog onafgeloste aandeelen, rentende 3 pCt., af te betalen tegen 75 pCt. en de rentelooze tot liet volle bedrag (ti pari).

De bijdrage van drie honderd gulden van het polderbestuur van Walcheren werd tot in 1852 ontvangen. Over 1808 en 1809 had daarvan evenwel geen betaling plaats, maar in de rekening over 1827 vindt men eene som van

-ocr page 82-

72

/ 432 verantwoord te dier zake en, zooals er bij staat \'/van de Fransclie achterstand was eene som van ƒ 600 en nu a 72 pCt. is f é32.quot;

In 1850 werd een aanvang gemaakt met bestrating van den weg, waartoe het geld gebezigd wordt dat niet voor gewoon onderhond en andere kosten noodig is. Geen wonder alzoo, dat dit werk slechts langzaam voort gaat en van de 9393 meters, die de weg lang is, nog ruim 3000 onbestraat zijn gebleven.

De bijdrage van de aangelanden werd tot 1839 bij de strekkende roede berekend (men hield zich lang aan het oude, want eerst de rekening van 1822 werd in guldens gesteld) vervolgens bij de el of meter, tegen 4,1475 cent, hetgeen alzoo f 779 oplevert.

Nadat de ten laste van den weg opgenomen kapitalen waren afgelost, werd het octrooi verlengd, eerst ten name van Jhr. Mr. J. van Reigeiisberg Veksluijs en vervolgens van Jhr. Mr. A. van Eeigersbeeg Veesluijs.

Toen laatstgenoemde zich met het beheer niet langer wenschte belast te zien, wendde de Gemeenteraad van Aag-tekerke zich tot den Koning om verlenging van het ostrooi, als redenen aanvoerende, dat het toezicht van hier uit, alzoo de gemeente nagenoeg in het midden gelegen is, gemakkelijk kan worden uitgeoefend en de ingezetenen veel belang bij de instandhouding van den weg hebben. Deze aanvraag had liet ge wenschte gevolg, zoodat de weg met baten, lasten en rechten bij Z. M. besluit van 21 November 1875 No. 14 aan de gemeente Aagtekerke werd overgedragen en het beheer alzoo door het gemeentebestuur geschiedt.

Uit het archief van den polder Walcheren werden mij welwillend ter inzage verstrekt de rekeningen van 1801 — 1856 (behalve die van 1808). In het gemeente-archief vangt de verzameling aan met 1828.

-ocr page 83-

73

A.ls boekhouders werden de rekeningen gedaan door; J. J. de Buuijn, van 1 Januari 1801 tot 31 Juli 1806.

Daniel Janse, secretaris van Aagtekerke, de daarop volgende tot 31 December 1807.

Jacob Jaoobse Corké, 1809 tot 1839.

S. Rüelse, 1840 tot 1859.

L W. Eoelse, 1860 tot 1875.

De weg van Oostkapelle naar Domburg, die ten deele de noordelijke grens dezer gemeente vormt, werd bezand, krachtens octrooi der Staten van Zeeland van 16 April 1693 en bestraat in 1838. Ik heb daaromtrent in mijn Domburg en zijn geschiedenis, blz. 47 meer bijzonderheden medegedeeld.

Aan dezen weg, in den uitersten hoek van het grondgebied dezer gemeente, stichtte wijlen de Heer A. J. van den Broecke in 1839 en 1840 de buitenplaats Duinvliet, waarvan men eene afbeelding in steendruk vindt in den Zeemvsche Volksalmanak van 1843. Dit zomerverblijf ontleent zijn naam aan eene vroegere buitenplaats aan de overzijde van den weg, op het grondgebied der gemeente Oostkapelle, waaraan het uitgestrekte bosch met zijne bekoorlijke manteling nog de herinnering bewaart.

In het begin van 1862 werd een plan beraamd tot het aanleggen ran kunstwegen in deze gemeente en tegelijk in de gemeenten Westkapelle, Zoutelande en Meliskerke. De houder van het octrooi voor den weg van Oostkapelle naar Westkapelle had toen het voornemen opgevat dien weg geheel te doen bestraten , mits de belanghebbende gemeenten en de polder Walcheren het iioodige zouden bijdragen tot aflossing van het op te nemen kapitaal. Daar die bijdragen

-ocr page 84-

74,

evenwel niet tot het noodige bedrag werden toegezegd\', viel dit plan in duigen; docli 1 Juli 1863 besloot de Gemeenteraad om den Kloosterweg te begrinten, waardoor vooral des winters, de gemeenschap met Middelburg veel zou worden verbeterd. Het werk werd 24 Maart 1864 in het openbaar aanbesteed aan A. Rindeks te Breskens, voor f 12960. Daarbij kwamen nog de volgende kosten:

aankoop van grond voor een tolhuis.

r 39,—

bouw van een tolhuis.......

n 854,—

maken van bestekken en toezicht.

// 508,80

demping van een sloot en verlaging van

.

heulen...........

52,09

overdracht van den grond voor het tolhuis.

v 13,836

/ 1467,726

Tot bestrijding van een en ander werd door de Provincie een renteloos voorschot verstrekt van f 14000, af te lossen in twintig jaar. Ten einde deze aÜossing te kunnen doen en tot goedmaking der kosten van onderhoud van der. weg, werd besloten tot heffing van tolgeld, en is daartoe tevens gedurende de eerste vijf jaren jaarlijks f 50 en voorts nog tot 1878 jaarlijks f 25 bijgedragen door den Ambachtsheer, alsmede gedurende den tijd der aflossing jaarlijks f 50 door het Polderbestuur van Walcheren.

De weg kwam in 1864 gereed en kon met 1 Januari 1865 voor het gebruik worden opengesteld.

Evenals elders vielen ook hier de kosten van onderhoud van den weg niet mede en werd reeds in 1868 vergunning gevraagd om het tolgeld, dat oorspronkelijk tot de helft van het tarief op de rijkswegen geheven werd, tot 2/3 te mogen opvoeren. Hiertoe werd door den Koning vergunning verleend, die sedert telkens voor drie jaar is verlengd. De kosten overschrijden de opbrengst van het tolgeld evenwel

-ocr page 85-

75

telken jare en bedroegen gedurende het tienjarig tijdvak van 1882 tot 1891 gemiddeld per jaar /411,53 en het tolgeld f 299,45.

Het aanleggen van kunstwegen in deze gemeente bepaalde zich tot nog toe tot de begrinting van den Kloosterweg en het gedeeltelijk bestraten van den weg van Oostkapelle naar Westkapelle. Wel werden meermalen plannen beraamd tot bestrating van den Eoosjesweg, zooals in 1885 en 1886, ten einde eene goede gemeenschap met Domburg te verkrijgen, maar verwezenlijkt zijn ze op verre na niet, hoewel van vele zijden de wensch daarnaar sedert lang geuit is geworden en de weg ook opgenomen werd in een door de Provinciale Staten in 1862 opgemaakt plan tot verbetering van wegen in de geheele provincie. Verder dan tot bezan-ding heeft men het nog niet gebracht. In 1869 had die plaats ten deele met vrijwillige bijdragen van ingezetenen van deze gemeente en van Domburg en door het kosteloos aanvoeren van zand door de meeste landbouwers uit beide gemeenten. In 1882 werd dit herhaald en door sedert dien tijd, meer dan vroeger, de hand aan dat werk te houden, blijft ook des winters de weg eenigszins bruikbaar.

Evenals in de andere gemeenten van Walcheren hadden ook hier de behoeftige veehouders van oudsher kosteloos het genot van het grasgewas der zijkanten van de wegen, eerst door beweiding, doch later door hun dat stuksgewijze ter afmaaiing af te staan. Dewijl deze zijkanten in de kadastrale registers ten name van den polder Walcheren waren gesteld en deze alzoo met de betaling der grondbelasting werd bezwaard, ontstond er tusschen het polderbestuur en de gemeentebesturen geschil over deze zaak. Met terzijdestelling van de vraag wat recht of aanspraak betreft, werden de ontstane geschillen, bij eene in Juli 1870 gesloten overeenkomst beëindigd en aan de gemeentebesturen //ieder in zijne

-ocr page 86-

76

gemeente, overgelaten de beschikking over het gras op de-bedoelde zijkanten groeiende, met dien verstande, dat daarover alleen beschikt zal mogen worden ten behoeve van mingegoede veehouders, aan wie het gebruik daarvan door die besturen, des verlangd tegen genot eener jaarlijksche retributie, de som van zes gulden per hectare niet te boven gaande, zal worden toegestaan.quot; De vordering dezer bijdrage moet dienen tot goedmaking der uitkeering, die de gemeentebesturen jaarlijks aan den polder moeten doen, welke naar denzelfden maatstaf berekend is en voor deze gemeente / 28,39 bedraagt

Nog gebrekkiger dan de wegen, was voorheen ten plat-tenlande de regeling van het brievenvervoer, dit groote middel van gemeenschap met de beschaafde wereld. Eigenlijk kan men zeggen, dat de gelegenheid daartoe geheel ontbrak. Eenmaal per week ging de gemeente-veldwachter, sedert 1832 de gemeente-bode, de ambtelijke correspondentie voor het gemeentebestuur, van Middelburg halen en derwaarts brengen en verleende dan ook zijne diensten aan het publiek.

Met 1 April 1851, kwam echter, als gevolg van de invoering van de postwet van 1850, verbetering door de vestiging van een bestelhuis en het openen der gelegenheid tot postverzending eenmaal daags, die met 1 Augustus 1889 tot twee keeren eiken dag werd uitgebreid. Met 15 April 1875 werd, in plaats van het bestelhuis, een hulpkantoor opgericht en de bestelhuishouder C. Maljeus tot brievengaarder benoemd, zoodat deze, reeds in 1851 met de postadministratie in- deze gemeente belast, zich in eene ruim veertigjarige werkzaamheid als zoodanig mag verheugen.

-ocr page 87-

77

BESLUIT.

Zietdaar, wat mij meldenswaardigs voorkwam omtrent het ontstaan en de geschiedenis van Aagtekerke. Niet alles was tot dusverre onbekend, want onderscheiden gegevens zijn ontleend aan gedrukte werken, maar veel ook is de vracht van nasporingen in verschillende archieven. Ik heb getracht het verzamelde in behoorlijk verband te brengen en alles zoo veel mogelijk toe te lichten en daardoor duidelijk te maken, vooral voor hen, die minder vertrouwd zijn met zaken en toestanden uit vroegere tijden.

Wanneer het blijken mocht, dat ik hierin geslaagd ben, dan zal ik den tijd en de moeite, aan de samenstelling van dit werkje opgeorfferd, als wel besteed achten.

-ocr page 88-
-ocr page 89-

INHOUD.

Bladz.

Opdriicht.

Oudste toestand. Vliedbergen........ 1

Heerlijkheid. Ambachtshcercn. Naam. Wapen. Grootte.

Grenzen. Gemeente...........2

Bevolking...............11

Plaatselijk bestuur Archieven. Geldmiddelen. Gemeentekamer .............14

Kerkelijke geschiedenis. Kerkgebouwen Kermis. Ge-denkteeken. Predikstoel. Orgel. Kerkbestuur. Predikanten. Toren. Consistorie. Klok. Uurwerk. Brandspuiten. Branden. Kerkhof, Begraafplaats.

Pastorie. Gereformeerde gemeente......23

Scholen. Onderwijs. Onderwijzers. Bijzondere school 52

Armwezen...............58

Het klooster Waterlooswerve........

Koornmolen

Middelen van gemeenschap. Schuiten vaart. Wegen

Posterijen.............

Besluit.............

61 68

69 77

-ocr page 90-
-ocr page 91-

INHOUD.

Bladz.

Opdracht.

Oudste toestand. Vliedbergen........1

Heerlijkheid. Ambaclitsheeren. Naam. Wapen. Grootte.

Grenzen. Gemeente...........2

Bevolking...............11

Plaatselijk bestuur Archieven. Geldmiddelen. Gemeentekamer .............14

Kerkelijke geschiedenis. Kerkgebouwen Kermis. Ge-denkteeken. Predikstoel. Orgel. Kerkbestuur. Predikanten. Toren. Consistorie. Klok. Uurwerk. Brandspuiten. Branden. Kerkhof Begraafplaats.

Pastorie. Gereformeerde gemeente......23

Scholen. Onderwijs. Onderwijzers. Bijzondere school 52

Armwezen...............58

Het klooster Waterlooswerve.........61

Koornmolen ....... ... 68

Middelen van gemeenschap. Schuiten vaart. Wegen.

Posterijen..............69

Besluit................77

-ocr page 92-
-ocr page 93-
-ocr page 94-
-ocr page 95-
-ocr page 96-