-ocr page 1-
-ocr page 2-

Q. ocl.

1745

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

HANDLEIDING

BIJ HET

ÜÜALITATIEF SCHEIKUNDIG ONDERZOEK

TEN GBBRTJ1KE OP

SCHEIKUNDIGE EN PHARMACEUTISCHE LABORATORIA

DOOR

Dr. WILLEM TAN RIJN

BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ

VOORREKIf

E. J. BRIUL.

LEIDEN. - 1899.

m

-ocr page 6-

BOEKDRUKKERIJ voorheen E. J. BRILL — LEIDEN.

-ocr page 7-

VOORREDE.

Het doel van dit werkje is, voor hen, die zich aan het qualitatief scheikundig onderzoek moeten wijden, een korte vraagbaak en handleiding te zijn. Voor velen bestaat er bezwaar om de grootere handboeken aan te schaffen, ook omdat deze voor hun doel te veel geven. Toch kan men, door dit werkje te raadplegen, in zeer vele gevallen een antwoord geven op de vragen, die aan den analytischen chemicus gesteld kunnen worden.

In aansluiting aan het onderzoek van eenvoudig samengestelde verbindingen van metalen met anorganische zuren is een hoofdstuk toegevoegd, waarin, de organische zuren (tenminste de meest voorkomende) behandeld worden. Daarna volgt de systematische gang voor het onderzoek van een mengsel uit verschillende stoffen bestaande.

Moge het een gunstig onthaal vinden.

Dr. W. VAN RIJN.

Leiden, Februari 1899.

-ocr page 8-

IK HOUD.

Pag.

Inleiding...............1

J. De eenvoudigste bewerkingen.....1^9

A. Het oplossen van de stof.......,1

B. De kristallisatie...........2

C. Het praecipiteeren..........3

D. Filtreeren.............4

E. Het decanteeren........... 4

F. Het uitwasschen...........5

G. Het uitdampen...........5

H. Het distilleeren...........6

I. Het gloeien 6

K. Het sublimeeren...........7

L. Smelten.............7

M. „Verpuffen\'\' ............7

N. Reacties berustende op de kleuring der niet

lichtende vlam . . . ,......8

O. Reacties met de borax- en phosphorzoutparel. 9

II. De apparaten............10

III. Meest gebruikelijke Beagentia.....11

IV. Meest voorkomende elementen en hunne

atoomgewichten..........12

V. Reacties op de enkele bases en zuren . . 14—73

Metalen der zesde groep.

I. Tinverbindingen \\ a\' Stannochloride . . 17

( b. Stannicbloride. . . 19

II. Arseenverbindingen j a- Arseentrioxyde . . 21

( b. Arseenpentoxyde. . 23

-ocr page 9-

INHOUD.

Pag.

III. Antimoonverbindingen.........23

IV. Goudvevbindingen..........25

V. Platinaverbindingen..........27

Metalen der vijfde groep.

I. Zilververbindingen..........29

TT TT- -i , • ■ ( a. Mercuronitraat . . 31

II. Kwik verbindingen lt; ....

( 6. Mercurichlonde . . 33

III. Loodverbindingen..........35

IV. Koperverbindingen..........35

V. Bisrautbverbindingen.........37

VI. Cadraiumverbindingen . . .......37

Metalen der vierde groep.

I. Zinkverbindingen..........39

II. Mangaanverbindingen.........41

III. IJzerverbindingen j a- Ferroverbindingen . 43 ( 6. Ferriverbindingen . 43

IV. Kobaltverbindingen..........45

V. Nikkelverbindingen......... . 47

Metalen der derde groep.

I. Aluminiumverbindingen . ....... 49

II. Chroomverbindingen.........51

Metalen der tweede groep.

I. Magnesium verbindingen........53

II. Calciumverbindingen.........55

III. Strontiumverbindingen.........57

IV. Bariumverbindingen..........57

Metalen der eerste groep.

I. Kaliumverbindingen.........59

II. Natriumverbindingen.........61

III. Lithiumverbindingen.........01

IV. Ammoniumverbindingen........61

Reacties op de zuren..........63—73

I. Koolzuur.............63

II. Zwaveligzunr............63

III. Zwavelwaterstof...........65

V

-ocr page 10-

INHOUD.

Pag.

IV. Fluorwaterstofzuur..........65

V. Zoutzuur.............65

VI. Broomwaterstofzuur . . .......67

VII. Joodwaterstofznur..........67

VIII. Cyaanwaterstofziiur..........67

IX. Salpeterzuur............69

X. Salpeterigzuur...........69

XI. Chloorzuur.............69

XII. Zwavelzuur............71

XIII Phosphorzuur. ,.......71

XIV. Boorzuur.............71

XV. Kiezelzuur.............73

XVI. Azijnzuur.............73

Eigenlijke qualitatieve analyse......74

A. Voorloopig onderzoek.........74

а. De stof is een vast lichaam.....74

a. Geen metaal of metaalleering. . . 74 /3. De,stof is een metaal of metaallegee-

ring...........78

б. De te onderzoeken stof is eene vloeistof . 78

B. Het oplossen van de stof........79

C. Onderzoek van eenvoudig samengestelde ver

bindingen ............81

I. Stoffen, die in water oplosbaar zijn . 81

«. Opsporing der bases .... 81

/3. Opsporing dei\' zuren ... 86

II. Stoffen, die in water onoplosbaar, doch in zoutzuur, salpeterzuur of koningswater oplosbaar zijn.....90

ce. Opsporing der bases .... 90

/3. Opsporing der zuren. ... 93

III. Stoffen, die in water, zoutzuur, salpeterzuur en koningswater onoplosbaar of zeer lastig oplosbaar zijn . 94

-ocr page 11-

INHOUD.

Page.

D. Onderzoek op organische zuren.....97

A. De stof lost geheel op in water... 97

B. Dc stof is onoplosbaar in water, oplos

baar in zoutzuur, salpeterzuur of koningswater..........100

E. Onderzoek van meer samenc/eslelde verbin

dingen .............101

A. In water, zoutzuur, salpeterzuur of

koningswater oplosbare verbindingen. 102

Onderzoek op bases......102

Onderzoek op zuren (in water oplosbare

verbindingen).........120

Onderzoek der zuren van in water onoplosbare, in zoutzuur, salpeterzuur of koningswater oplosbare verbindingen. 126

B. Onderzoek van lichamen, welke in water

zoutzuur, salpeterzuur en koningswater niet of moeilijk oplosbaar zijn . . . 127

VII

-ocr page 12-

E E E A T A.

Pag. 12; 15de regel van boven staat K0 Fj (CN12), lees: K6 F2 (CN)12.

Pag. 31; llde regel van onder staat HgsS, lees\\ Hg S en kwik.

Pag. 43; 12^° regel van boven staat Ferrosulphaat F180,. 7HsO, lees-, Ferrosulfaat Fe SO,. 7H2 O.

Pag. 65; 4de regel van boven staat FIS, lees: Fe S. Pag. 76; 9ie regel van onder staat dat, lees: dan.

-ocr page 13-

INLEIDING.

Het doel van de chemische analyse is op te sporen uit welke stoffen een of ander product is samengesteld en in welke gewichtsverhoudingen zij daarin voorkomen.

Het eerste deel van deze definitie, nl. de vraag uit welke stoffen een gegeven mengsel bestaat, wordt beantwoord door de qualitatieve chemische analyse, het tweede gedeelte, nl. hoeveel er -van elk van die stoffen aanwezig is, door de quantitatieve chemische analyse.

Het is vooral deze eerstgenoemde, nl. de qualitatieve chemische analyse, die ik in dit werkje in hare beginselen behandelen wil, en wel die der anorganische verbindingen.

Voor ik echter tot de eigenlijke analyse overga, wil ik eerst kort eenige der steeds weder keerende bewerkingen beschrijven en dan eenige bladzijden aan de eigenschappen der mogelijk voorkomende stoffen wijden.

I. DE BENV0UDI6STB BEWERKINGEN.

A. Het oplossen van de stof.

Een oplossing volgt des te sneller, naarmate de stof, die men oplossen wil fijner verdeeld is. Men onderscheidt physische en chemische oplossingen. De eenvoudigste is de physische oplossing en deze wordt

-ocr page 14-

2

meestal door water gevormd. Zulk een oplossing bevat de stof in den toestand en met de eigenschappen, die zij van te voren bezat, en door verdamping van het oplosmiddel kan men de stof weer met hare vroegere eigenschappen terug verkrijgen; in zeer talrijke gevallen vormen zich hierbij zeer fraaie kristallen.

Een oplossing verkrijgt men door een hoeveelheid der uiterst fijn gewreven stof met de kleinst mogelijke hoeveelheid water te overgieten en dan zacht te schudden; gaat deze zeer lastig in zijn werk dan kan men de bewerking door zacht verwarmen, en zoo noodig koken ondersteunen. Bij stoffen die zeer gemakkelijk oplossen b.v. kaliumcarbonaat en natriumhy-droxyde is het niet noodig deze eerst fijn te wrijven.

Een tweede vorm van oplossing is de chemische, waarbij de stof, nadat ze in oplossing is gegaan niet meer dezelfde eigenschappen van vroeger bezit. Bet oplosmiddel en de op te lossen stof hebben steeds tegenovergestelde eigenschappen terwijl de oplosmiddelen meestal zuren of alkaliën zijn. Zoo wordt b.v. calcium-oxyde met zijn basische eigenschappen gemakkelijk in verdund zoutzuur opgelost onder vorming van cl loor-calcium, terwijl kiezelzuur dat in water niet oplosbaar is door langdurig koken met zeer sterke natronloog onder vorming van natriumsilicaat in oplossing gaat.

B. Ba kristallisatie.

Men verstaat daaronder elke bewerking waardoor een stof in vaste mathematisch omschreven vorm wordt verkregen; zulke vormen zijn des te zuiverder naarmate de bewerking langzamer verloopt. De vorming van kristallen hangt van de regelmatige rangschikking der kleinste deeltjes af en kan slechts dan plaats vinden wanneer deze zich vrij bewegen kunnen dus in

-ocr page 15-

3

opgelosten of gasvormigen toestand aanwezig zijn. De gevallen dat een gesmolten lichaam bij het bekoelen reeds kristalliseert zijn zeldzaam.

Om de kristallisatie in te leiden moeten de oorzaken van den gasvormigen of vloeibaren toestand van de stof weggenomen worden, deze zijn èf de warmte óf het oplosmiddel of beiden te samen. Hieruit volgt dus, dat men door afkoeling of door verdamping van het oplosmiddel een stof tot kristalliseeren kan brengen. Het eenvoudigste geval is de afkoeling van warm verzadigde oplossingen b.v. door plaatsen in koud water, ijs of een koudmakend mengsel. De vloeistof die na de uitscheiding der kristallen overblijft heet moederloog.

De kristallisatie heeft meestal plaats in schalen of bij kleine, hoeveelheden in horlogeglazen omdat deze een zoo groot mogelijk verdampingsoppervlak aan de lucht hebben.

Wil men uit een kleine hoeveelheid oplossing goede kristallen krijgen, zoo laat men deze op een horloge-glas aan de lucht of tegen stof beschut onder een glazen klok naast zwavelzuur verdampen.

C. Het praecipiteeren.

Het verschil tusschen deze en de voorgaande bewerking bestaat daarin, dat de overgang van den opgelosten in den onopgelosten toestand hier plotseling geschiedt. Laat men een keukenzout-oplossing aan de lucht staan, dan kristalliseert er na eenigen tijd vast keukenzout uit, voegt men echter sterken alkohol eraan toe dan krijgt men plotseling een afscheiding van zeer kleine kristallen.

Meestal zijn echter dergelijke praecipitaten niet kristallijn, maar amorph door dat de deeltjes hier geen tijd hadden zich behoorlijk te rangschikken.

-ocr page 16-

Om steeds zeker te zijn het gewenschte resultaat te krijgen is het raadzaam de oplossing, die men wil neerslaan zoo geconcentreerd mogelijk te nemen.

D. Filtreer en.

Het doel van deze bewerking is opgeloste van onopgeloste stoffen te scheiden. Hiervoor bezigt men ongelijmd papier, dat men zoodanig dubbel vouwt dat de vouwen een rechten hoek vormen. Dit gevouwen filter wordt nu zoodanig rond afgeknipt, dat de rand lenedm den rand van den trechter valt. Nooit mag de rand van het filter boven den trechter uitsteken, daar dit het uitwasschen van hetgeen op het filter is zeer bemoeie-lijlct zoo niet onmogelijk maakt, en in de tweede plaats zeer onoogelijk en slordig staat.

De trechters moeten van glas zijn en worden op daarbij behoorende statieven geplaatst. Voor zeermoeie-lijk te filtreeren vloeistoffen worden filters aangewend die niet tegen het glas aansluiten door dien ze meermalen gevouwen zijn.

E. Het decanteer en.

Heeft het neerslag een beduidend grooter soorteliik gewicht dan de vloeistof, waarin het zich gevormd heeft, dan kan men het van deze scheiden door eenvoudig de vloeistof af te gieten. Deze bewerking noemt men decanteeren. Is het neerslag slijmig of gelatineus, zoodat het de poriën van het filter zou verstoppen zoo is deze methode de eenig aangewezene, vooral wanneer het neerslag nog moet worden uitgewasschen.

Somtijds verbindt men deze bewerking met die van het filtreeren nl. dan wanneer men het neerslag zoo-

-ocr page 17-

veel mogelijk wil behouden. De hoofdmassa blijft dan in het vat, waarin het zich gevormd heeft en de vloeistof giet men telkens door een filter, dat de fijnere deeltjes terughoudt.

F. Het uitwasschen.

Wanneer het doel van de twee voorafgaande bewerkingen het verzamelen van het neerslag is, zoo moet dit door herhaald wasschen van de aanhangende vloeistof bevrijd worden. Om een neerslag op een filter uit te wasschen bedient men zich van een spuitflesch waarvan nevensstaande figuur eene voorstelling geeft, die geene verdere verklaring behoeft. De bewerking is afgeloopen,

wanneer de doorgeloopen vloeistof niet meer de eigenschappen van het eerste filtraat vertoont, dus niet meer zuur of alkalisch reageert, of op platinablik verdampt geen rest meer laat.

G. Het uitdampen.

Deze bewerking is een van de meest voorkomende, die men aanwendt, wanneer men een vluchtig van een niet vluchtig bestanddeel wil scheiden, en daarbij slechts het niet vluchtige deel behouden wil. Bij de qualita-tieve analyse waar het hoofdzaak is alle verontreiniging van buiten af te sluiten, dampt men zoo snel mogelijk in. Al naar gelang van de eigenschappen der stof, geschiedt dit op de vrije vlam, op een zandbad of waterbad en bij een temperatuur daarmede in overeenstemming.

Heeft men groote hoeveelheden vloeistof te verdam-

-ocr page 18-

6

pen, die verwacht worden slechts weinig rest over te laten, zoo doet men dit het beste in een kleine schaal, terwijl men telkens de verdampte vloeistof met de oplossing aanvult.

Een onaangename omstandigheid is, dat somtijds de glazen en porceleinenschalen door de lange verwarming met de vloeistof aangetast worden.

H. Het distilleeren.

Was het hoofddoel bij het verdampen, het verkrijgen van het vaste bestanddeel uit een oplossing, bij deze bewerking is het vluchtige de hoofdzaak.

In het klein verwarmt men de oplossing in een glazen kolf en voert de dampen door een buis, die door koud stroomend water omspoeld wordt. In dezen koeler nu verdichten zich de dampen weer tot vloeistof en zijn aan het einde ervan als zoodanig op te vangen.

I. Hei gloeien.

Wat het uitdampen voor vloeistoffen is, is om zoo te zeggen het gloeien voor vaste stoffen. Het doel is hier de scheiding van een vluchtig van een minder vluchtig vuurbestendig lichaam, b.v. de scheiding van chloorammonium van chloorkalium.

Ook wordt deze bewerking toegepast om stoffen in een anderen toestand te brengen, b.v. chroomoxyde in den onoplosbaren vorm.

In het klein voert men deze bewerking al naar gelang van de eigenschappen der stoffen in kleine kroesjes of schaaltjes van porcelein, platina, zilver, ijzer of ook n glazen buizen uit, door die in de gewone gasvlam,

-ocr page 19-

7

of voor hoogere temperaturen, in tie blaasvlam te verhitten.

K. Het sublimeer en.

Voert men vaste lichamen in dampvorm over, en verdicht men dia dampen weer door afkoeling, zoo heet deze bewerking sublimeeren.

Bij de analyse is deze bewerking voor het herkennen van vele stoffen b.v. van jodium en arsenik van zeer groot belang.

Men voert deze bewerking voor de analyse meestal in eene aan het eene einde dichtgesmolten glazen buis uit; wil men in een waterstof- of koolzuurstroom sublimeeren , zoo bezigt men open buizen die meestal achter de te verhitten plaats eene vernauwing hebben.

L. Smelten.

Hieronder verstaat men het brengen van een vaste stof in den vloeibaren vorm door middel van warmte met het doel, meestal een ontleding of eene verbinding met andere stoffen in het, leven te roepen.

Ook wordt deze bewerking aangewend om onoplosbare stoffen zoodanig te ontleden, dat hunne componenten in oplosbaren vorm komen. Smelt men b.v. Bariumsulphaat met soda, zoo ontstaan natriumsulfaat, dat men eerst met water uittrekt om daarna het ba-riumcarbonaat in zoutzuur op te lossen.

Deze bewerking geschiedt in dezelfde apparaten die reeds bij het gloeien (I). zijn aangegeven.

M. Wanneer bij het gloeien van een mengsel van twee stoffen heftige werkingen kunnen optreden, b.v. bij het gloeien van zwavelarsenik met salpeter, dan

-ocr page 20-

8

brengt men dit mengsel in kleine hoeveelheden voorzichtig in het vooraf gloeiend gemaakte vat. Door de kleinere hoeveelheid verloopt de reactie dan minder heftig. Ook kan men door deze bewerking dikwijls tot de natuur van een stof besluiten. Vermoedt men kaliumchloraat of salpeter, zoo mengt men een klein weinig ervau met cyaankalium en brengt dit mengsel in een gloeiend kroesje, waarop bij aanwezigheid van een der genoemde stoffen een lichte ontploffing volgt. De Duitschers noemen deze bewerking „Ver-puffen.quot;

N. Uit de natuurkunde is bekend, dat vele stoffen aan een niet lichtende vlam een bepaalde kleur meededen, m. a. w. in gloeienden toestand een eigen gekleurd licht uitzenden. Nauwkeurig alle verschijnselen hierbij waar te nemen geschiedt door den spectroskoop, maar eenvoudiger kan men ook reeds tot een resultaat komen.

Men brengt daartoe een weinig van de stof aan een uitgegloeid platinadraadje in de niet lichtende vlam van een Bunsenlamp.

Natriumzouten

kleuren de vlam geel.

Kalium „

yy

yy

yy

violet.

Lithium „

yy

yy

yy

carmonzijnrood.

Calcium „

yy

yy

yy

geelrood.

Strontium „

yy

yy

yy

intensiefrood.

Barium „

tt

yy

enz.

yy

groen geel.

heeft men een mengsel van een natriumzout en een kaliumzout, zoo zal de gele natrium vlam de violette kaliumvlam bedekken.

Beschouwt men deze nu door een stuk kobaltglas, zoo treedt de violette kaliumvlam alleen duidelijk op

-ocr page 21-

9

den voorgrond, terwijl de natrium vlam geheel verdwijnt.

O. Een eigenschap van eenige metaaloxyden, die zeer vaak aangewend wordt om hunne aanwezigheid voorloopig vasttestellen, is de volgende. In het oog van een platinadraadje smelt men een stukje borax. Dit blaast eerst sterk op maar smelt ten slotte als een doorschijnenden druppel, die deze eigenschap ook bij bekoelen behoudt.

Deze zoogenaamde boraxparel heeft nu de eigenschap metaaloxyden verschillend gekleurd op te lossen. Ook een parel op dezelfde wijze van phosphorzout verkregen vertoont deze eigenschap. Als voorbeelden dienen:

De warme phosphorzoutparel is:

1. Blauw. Kobalt.

2. Groen, verhit men deze in de reductie vlam van de

blaasbuis, en wordt ze na afkoeling rood. Koper.

3. Groen, in de reductievlam onveranderd, vooral bij

bekoeling prachtig. Chroom.

4. Amethystrood, vooral bij bekoeling, in de reductie-

vlam kleurloos. Mangaan.

5. Kleurloos en helder bij bekoeling emailwit: Barium-

Strontium.

De phosphorzoutparel lost de stof niet op, kiezel-zuur of tin.

Bij edele metalen, goud en platina blijven deze als metaal in de parel zweven.

-ocr page 22-

10

II. DE APPARATEN.

Daar het voor velen lastig zal zijn een keuze te doen uit de talrijke apparaten, die bij de analyse in gebruik zijn, en het vooral moeielijk is onderscheid te maken tusschen hetgeen iioodig is en hetgeen ontbeerd kan worden, geef ik hier het volgendje lijstje van het meest noodige, dat natuurlijk naar welgevallen uitgebreid kan worden.

1°. Een Bunsenlamp met krans, schoorsteen en een opzet voor blaasvlamproeven.

Beschikt men niet over gas, dan kan men ook een spirituslamp gebruiken.

2°. Een blaasbuis.

Platinablik van 4—5 cm. in het quadraat. 4°. Platinadraad.

5°. Een statief met 10—20 reageerbuizen, 15 cm.

lang en 1 cm. wijd.

6 . Eenige bekerglazen en kolven 7°. Eenige porceleinen schaaltjes. 8°. „ „ kroesjes.

9°. „ glazen trechters.

10°. Een spuitflesch.

11. Eenige glazen staafjes en buisjes.

12. Een stel horlogeglazen.

13. Een achaten, of porceleinen mortier.

14. Een houten filtreerstandaard.

15°. Een ijzeren drievoet.

16°. Eenige driehoeken, bestaande uit pijpensteeltjes door een ijzerdraad verbonden.

-ocr page 23-

11

17°. Een stukje koper- of ijzergaas met zeer kleine

openingen ± 20 cm. lang en breed. 18°. Een kobaltglas.

III. MEEST GEBRUIKELIJKE REAGENTIA.

H3 S04 Zwavelzuur S. Gr. 1,837—1,840 H N03 Salpeterzuur „ 1,317 H Cl Zoutzuur „ 1,126 CBL COO H. Azijnzuur (Ysazijn).

Verdund zwavelzuur S. Gr. 1,11 „ salpeterzuur „ 1,12 „ zoutzuur „ 1,062 „ azijnzuur 100/o NHj Ammoniak 0.958—0,960 Na OH Natriumhydroxyde 1—10 Na2 CO3 Natriumcarbonaat 1 — 5

Ammoniumcarbonaat 1 —10 Nil1 01 Ghloorammonium 1 —10 Ba Cl., Chloorbarium 1—10 Fe Cl;! Ferricbloride 1 —10 Ag 01 Zilvernitraat 1 —10 Pb(CH3C00)s Loodacetaat 1—10 NaOH3 COO Natriumacetaat 1—5 K4Fe(ON)(; Ferrocyaankalium 1 —10

Ca S04 Calciumsulfaat verzadigde waterige oplossing.

Indigo-oplossing, te bereiden door 1 deel indigo met 12 H2 S04 een uur te laten staan en dan te verdunnen met 500 deelen geconcentreerd zwavelzuur.

-ocr page 24-

12

Nas HP04 Natriumpliosphaat 1— 10 (ammonium-phospliaat.)

Mg SO, Magnesiumsulfaat 1 —10 (COO)2(NHJ2 Ammoniumoxalaat 1—20 H2 Si Fl0 Kiezelfluorwaterstof K2 Cr2 07 Kaliumbichromaat verzadigde oplossing.

H2 S Zwavelwaterstof. (NH,)2 S Zwavelammoniura.

(NH4)2 S2 Geel „

Magnesiummixtuur. Ammouiummolybdanaat.

Reagentia in vasten toestand.

K , H2 Sb2 07 Kaliumstibiaat.

Fe S04 7 H2 O Ferrosulfaat.

Kc Fe2 (ONjjj) Ferricyaankalium.

Pb3 04 Menie.

Rood en blauw lakmoespapier. Curcumapapier.

Zn Zink (arsenikvrij).

IV. MEEST VOORKOMENDE ELEMENTEN EN HUNNE ATOOMGEWICHTEN.

Aluminium

Al.

27

Antimonium

Sb

120

Arsenikum

As

75

Barium

Ba

137

Bismuth

Bi

208

Borium

B

11

Broom

Br

80

Cadmium

Cd

112

-ocr page 25-

13

Calcium

Ca

40

Chloor

Cl

35.5

Chroom

Cr

52

Fluorium

F1

19

Goud

Au

197

Jodium

J

127

Kalium

K

39

Kobalt

Co

59.3

Koolstof

C

12

Koper

Cu

63

Kwik

Hg

200

Lood

Pb

206

Lithium

Li

7

Magnesium

Mg

24

Mangaan

Mn

55

Molybdanium

Mo

96

Natrium

Na

23

Nikkel

Ni

58.7

Phosphorus

P

31

Platina

Pt

194

Silicium

Si

28

Stikstof

N

14

Strontium

Sr

87

Tin

Sn

119

W aterstof

H

1

Uzer

Fe

56

Zuurstof

0

16

Zwavel

S

32

Zilver

Ag

107

Zink

Zn

65

Voor het gemak bij de berekeningen zijn de decimalen bij de atoomgewichten weggelaten, behalve in enkele gevallen.

-ocr page 26-

14

V. REACTIES OP DE ENKELE BASES EN ZUREN.

Zooals we later bij de beschrijving van den gang van het onderzoek zullen zien, kunnen we de reeks der metalen verdeelen in een zestal groepen, welke in de eerste plaats door een voor iedere groep speciaal reagens aangetoond kunnen worden. Heeft men eenmaal zulk eene groep of een lid ervan door het algemeene groepenreactief gevonden, dan is het natuurlijk veel eenvoudiger nader te bepalen met welk lid men te doen heeft, dan wanneer men als het ware een keuze tusschen alle mogelijke metalen te doen heeft.

Deze groepen zijn de volgende:

I. Kalium, Natrium, Lithium, Ammonium en verdere zeldzamere alkalimetalen.

II. Barium, Calcium, Strontium, Magnesium.

III. Aluminium, Chroom.

VI. Zink, Mangaan, Nikkel, Kobalt, Uzer.

V. Zilver, Kwik, Lood, Bismuth, Koper, Cadmium.

VI. Goud, Platina, Tin, Arsenik, Antimonium.

Hoewel hiermede de reeks der metalen nog niet uitgeput is, kan met deze volstaan worden, aangezien voor de opsporing der andere zeldzamere, een grootere oefening behoort, en waarvoor ik naar uitgebreider werken verwijs.

De volgorde, waarin deze groepen nu besproken zullen worden is juist de omgekeerde van die, waarin ze hier genoemd zijn, aangezien bij den gewonen gang der qualitatieve analyse, eerst de zesde, dan de vijfde en het allerlaatst de eerste groep kan worden aangetoond.

Nog dient opgemerkt te worden, dat een groepen-

-ocr page 27-

15

reactief slechts dan van waarde is, wanneer er geen metalen uit een vorige groep meer aanwezig zijn. Zoo worden b. v. de metalen der vijfde, vierde en derde groep allen door zwavelammonium neergeslagen, evenwel de metalen der vijfde groep slechts alleen door zwavelwaterstof in zwak zure oplossing. Wil dus het neerslag door zwavelammonium verkregen eenige bewijskracht hebben, zoo moet men zorgen dat de metalen der vijfde groep volkomen verwijderd zijn.

-ocr page 28-
-ocr page 29-

METALEN DER ZESDE GROEP.

Sn. As. Sb. Au. Pt.

Door zwavelwaterstof ontstaat in de zwak zuur reageer ende oplossingen dezer metalen een neerslag, dat oplos-laar is in geel zwavelammonium.

I. tinterb1ndingen.

a. Stannochloride (Tinchloruur) Sn Cl2.

Men verwarmt tin gedurende eenigen tijd met geconcentreerd zoutzuur, zorg dragende dat er eenig tin onopgelost blijft, zoodoende verkrijgt men een oplossing van stannochloride Sn Cl2.

1. Zicavelwaterstof geeft in deze oplossing, welke niet al te sterk zuur reageeren mag, een donkerbruin neerslag van zwaveltin Sn S.

2. Dit neerslag lost op in geel zwavelammonium, en daaruit wordt door verdund zoutzuur het stannisulfide Sn S2 als een geel neerslag neergeslagen.

3. Ammoniak geeft een wit neerslag van Sn (OH)2 dat in onvermaat niet oplosbaar is.

4. Natronloog geeft een wit neerslag van dezelfde samenstelling, dat evenwel in overmaat oplost.

5. Natriumcarhonaatoplossing geeft een wit neerslag van Sn (OH)2, terwijl er koolzuurgas ontwijkt.

-ocr page 30-
-ocr page 31-

iy

6. Voegt men bij de oplossing een oplossing van kwikchloride Hg 01,, dan ontstaat er dadelijk een wit neerslag van Calomel Hg, Cl^ door de reduceerde werking van het tinchloruur. Deze reductie gaat echter verder, en vooral bij zacht verwarmen ontstaat er een grijs neerslag van metallisch kwik.

7. Voegt men aan de oplossing een mengsel van Ferrichloride en ferricyaankaliumoplossingen toe, dan ontstaat er door reductie een neerslag van Berlijnsch blauw.

8. Qoudchloride geeft in de oplossing, die eenig Sn CL, bevat, een purperkleurig neerslag (Purper van Oassius).

b. Stannichloride Sn Clv

Men verwarmt de oplossing van Sn 012 met een paar druppels salpeterzuur, waardoor het tinchloruur overgaat in tinchloride (Sn Cl4).

Deze oplossing vertoont de volgende reacties;

1°. Zwavelwaterstof geeft een geelgekleurd neerslag van Sn Ss.

2°. Dit neerslag lost op in geel zwavelammonium en keert door toevoeging van zuren weer terug.

3°. Natronloog geeft een wit neerslag van Sn (OH),, oplosbaar in overmaat.

4°. Metallisch zink geeft, evenals in een tinchloruur-oplossing, een afscheiding van metallisch tin in den vorm van grauwe blaadjes of van eene sponsachtige massa.

5°. Keactie 7 van tinchloruur gaat hier ook op.

Verwarmt men een stukje metallisch tin met sterk salpeterzuur dan ontstaat, het in water en salpeterzuur onoplosbare metatinzuur.

-ocr page 32-
-ocr page 33-

21

II. ARBEENTERBINDINGBN.

a. Arseentrioxyde {Rattenkruit) Asi 03.

1. In een puntbnisje Terhit men een weinig van de Taste stof zoodanig, dat de witte dampen, die ontstaan , over een klein stukje gloeiende houtskool strijken. In het koudere gedeelte krijgt men nu een zeer fraaien zwarten spiegelenden ring Tan metallisch arsenik.

Men kookt eenig arseniktrioxyde met water en Ter-krijgt zoodoende een oplossing, die na Tan het onopgeloste afgefiltreerd te zijn, deTolgende reacties Tertoont:

1°. De oplossing kleurt blauwlakmoes rood.

2°. Zwavelwaterstof geeft, nadat een weinig Terdund zoutzuur is toegeToegd, een geel neerslag Tan zwaTel-arsenik Ass Sj.

3°. Dit neerslag lost op in zwavel ammonium.

4°. Eveneens oplosbaar in ammoniak (onderscheid van tin).

5°. Met zilver nitraat ontstaat niets, neutraliseert men echter de oplossing met ammoniak, dan ontstaat een geel neerslag van arsenigzuur zilver Ag, As 0,, oplosbaar in ammoniak en salpeterzuur.

6°. Verhit men deze ammoniakale oplossing, zoo wordt er metallisch zÜTer door reductie afgescheiden.

7°. Kopersulfaat geeft geen neerslag, neutraliseert men met ammoniak, dan ontstaat een geelgroen neerslag Tan arsenigzuur koper.

8°. Dit neerslag lost in alkaliën (NHj, KOH, Na OH) op, en geeft bij Terhitting Tan deze blauwe oplossing rood koperoxydule door reductie.

9°. Met zuiTer zink en Terdund zwavelzuur ontstaat arsenikwaterstof As H3, dat brandbaar is met een Tale Tlam. Een koud porceleinen Toorwerp daarin gebracht

-ocr page 34-
-ocr page 35-

23

vertoont een aanslag van donkerbruine glanzende vlekken, die in chloorkalkoplossing dadelijk verdwijnen.

b. Arseenpentoxyde (J\'rsenikzuur) Ass O..

Men verwarmt de arsenigznuroplossing met een paar druppels sterk salpeterzuur en verkrijgt zoodoende een oplossing van arsenikzuur H, As 04.

1. Zwavelwaterstof geeft (na eenigen tijd indien de oplossing verdund is) in de zure oplossing een geel neerslag van arseentrisulfide en zwavel.

2°. Zilvernitraat geeft zoowel in de oplossing van het vrije arsenikzuur, als in de met ammoniak geneutraliseerde oplossing, een steenrood neerslag van zilver-arseniaat Agj As O,.

3°. Dit neerslag lost gemakkelijk op in ammoniak en salpeterzuur.

4°. In de met ammoniak geneutraliseerde oplossing ontstaat door kopersulfaatoplossing een blauwgroen neerslag van koperarseniaat, dat met alkaliën blauw wordt, maar niet oplost.

5°. Met magnesiamixtuur ontstaat een kristallijn neerslag.

6°. Met ammoniummolybddnaat ontstaat bij gewone temperatuur geen neerslag, echter bij verwarmen een hoog geel gekleurd praecipitaat.

III. ANTIMGONVBEBINDINGEN.

Men lost eenig zuiver zwavelantimonium in sterk zoutzuur op en kookt eenigen tijd om de zwavelwaterstof te verdrijven. Men heeft een oplossing van chloor-antimoon Sb Gij verkregen.

1°. Door verdunnen met water krijgt men een wit

-ocr page 36-
-ocr page 37-

25

neerslag van basisch chloorstibium. Door vjijndeenzuur lost dit neerslag weer op.

2°. Door zwavelwaterstof ontstaat in de zure oplossing een oranjerood neerslag van Sb2 S3.

3°. Dit neerslag lost in zwavelammonium op, niet in ammoniak (althans zeer weinig), door zuren keert het weer terug.

4°. Natronloog geeft een wit neerslag oplosbaar in overmaat.

5°. Ammoniak evenzoo, echter lost dit niet in overmaat op.

6°. Behandelt men de oplossing met zink en zwavelzuur, zooals bij arsenigzuur is aangegeven, dan ontstaat er antimoonwaterstof Sb H3. De zwarte vlekken, die op een koud porceleinen voorwerp, dat men in de vlam brengt ontstaan, lossen niet op in chloorkalk-oplossing , ook zijn ze niet zoo glanzend.

IV. 6OUDVBRBINDINGEN.

Goudchloride Au Cl3 ^II,, O.

Heeft men dit zout ter beschikking, zoo lost men

het eenvoudig in water op; anders verhit men eenig zuiver goud met koningswater, dampt de oplossing

tot stroopdikte in en neemt de rest op in water.

1°. Zwavelwaterstof geeft een bruinzwart neerslag van Aus S3.

2°. Dit neerslag lost in geel zwavelammonium op.

3°. Met een oplossing van tinchloruur, die eenig tinchloride bevat, ontstaat Cassius purper (zie bij Tin).

4°. Door ferrosulfaat wordt metallisch goud afgescheiden.

-ocr page 38-
-ocr page 39-

27

V. platinaybebindingen.

De oplossing bereidt meu evenals bij goud is aangegeven; laat men deze oplossing na indamping kristalli-seeren zoo verkrijgt men kristallen van de samenstelling Hs Pt Cl6 6 H3 O.

De oplossing vertoont de volgende reacties:

1°. Zwavelwaterstof geeft in de verwarmde vloeistof ingeleid een bruinzwart neerslag van zwavelplatina Pt S2.

2°. Dit neerslag lost zéér lastig in geel zwavelam-monium op.

3°. De geconcentreerde oplossing geeft met eene geconcentreerde chloorkalium oplossing een kristallijn neerslag van K3 Pt Ol0, dat uit oktaëdertjes bestaat die bij gloeiing KOL en Pt teruglaten.

4o. Met chloor ammonium onstaat een dergelijk neerslag, bij gloeiing blijft bier echter alleen platina als spons terug.

METALEN DER YIJFDE GEOEP.

Aa. He. (Hamp;2 O en Hg O) Pb. Bi. Ou. Cd.

Het groepenreactief voor deze groep van metalen is evenals bij de vorige groep zwavelwaterstof, evenwel met dit onderscheid, dat de neergeslagen sulfiden niet oplosbaar zijn in zvjavelammonium, evenals in verdunde zuren. Deze laatste eigenschap onderscheidt ze van de metalen der vierde groep, welker zwavelverbindingen zeer gemakkelijk in verdunde zuren oplossen.

Deze vijfde groep kan nu nog in twee deelen gesplitst worden.

1°. bevat die metalen welker chloriden niet of zeer

-ocr page 40-
-ocr page 41-

29

lastig oplosbaar zijn. Ag, Hg2 O en Pb Terbindingen, terwijl de tweede de overige genoemde metalen bevat.

I. ZILVERVERBINDINGEN.

Zilvernitraat Ag iVO,

1°. In de waterige oplossing ontstaat door zoutzuur of door de oplossing van een chloride bv. keukenzout en wit kaasachtig neerslag van chloorzilver Ag 01.

Dit neerslag lost zeer gemakkelijk op in ammoniak, is daarentegen onoplosbaar in salpeterzuur.

Aan het licht blootgesteld kleurt het zich donker en wordt geheel zwart.

2°. Zwavelwaterstof geeft een zwart neerslag van Ag2 S. Dit zwavelzilver is onoplosbaar in zwavelarn-monium.

3°. Zwavelanmonium roept hetzelfde neerslag te voorschijn.

4°. Voegt men zéér voorzichtig ammoniak toe, dan ontstaat er een Iruin neerslag van Ag2 0, dat in overmaat oplosbaar is.

5°. Wordt deze oplossing gekookt met een kleine hoeveelheid van een reduceerende stof (b. v. met glucose), dan scheidt zich metallisch zilver door reductie af.

Kookt men niet, doch verwarmt men zacht in een waterbad, dan geschiedt die afscheiding vaak onder vorming van een fraaien zilverspiegel.

6°. Door natronloog ontstaat hetzelfde neerslag van

Ag2 0,

7°. Natriumphosphaat geeft in de neutrale oplossing van zilvernitraat een geel neerslag van zilverphosphaat Ag, PO, terwijl het filtraat van dit neerslag zuur reageert tegenover lakmoes.

-ocr page 42-
-ocr page 43-

27

V. platinaterbindingen.

De oplossing bereidt men evenals bij goud is aangegeven; laat men deze oplossing na indamping kristalli-seeren zoo verkrijgt men kristallen van de samenstelling Hs Pt Cl6 6 H2 O.

De oplossing vertoont de volgende reacties:

1°. Zwavelwaterstof geeft in de verwarmde vloeistof ingeleid een bruinzwart neerslag van zwavelplatina Pt S2.

2°. Dit neerslag lost zéér lastig in geel zwavelam-monium op.

3°. De geconcentreerde oplossing geeft met eene geconcentreerde chloorkalium oplossing een kristallijn neerslag van Ks Pt 01G) dat uit oktaëdertjes bestaat die bij gloeiing KOL en Pt teruglaten.

4o. Met chloor ammonium onstaat een dergelijk neerslag, bij gloeiing blijft Her echter alleen platina als spons terug.

METALEN DER VIJFDE GROEP.

Aa. Hg. (Hg2 O en Hg O) Pb. Bi. Cu. Cd.

Het groepenreactief voor deze groep van metalen is evenals bij de vorige groep zwavelwaterstof, evenwel met dit onderscheid, dat de neergeslagen sulfiden niet oplosbaar zijn in zwavelammonium, evenals in verdunde zuren. Deze laatste eigenschap onderscheidt ze van de metalen der vierde groep, welker zwavel verbindingen zeer gemakkelijk in verdunde zuren oplossen.

Deze vijfde groep kan nu nog in twee deelen gesplitst worden.

1°. bevat die metalen welker chloriden niet of zeer

-ocr page 44-
-ocr page 45-

29

lastig oplosbaar zijn. Ag, Hg2 O en Pb Terbindingen, terwijl de tweede de overige genoemde metalen bevat.

I. ZILVERVERBINDINGEN.

Zilvernitraat Ag iYO,

1°. In de waterige oplossing ontstaat door zoutzuur of door de oplossing van een chloride bv. keukenzout en wit kaasachtig neerslag van cbloorzilver Ag Cl.

Dit neerslag lost zeer gemakkelijk op in ammoniak, is daarentegen onoplosbaar in salpeterzuur.

Aan bet licht blootgesteld kleurt bet zicb donkelen wordt geheel zwart.

2°. Zwavelwaterstof geeft een zwart neerslag van Ag2 S. Dit zwavelzilver is onoplosbaar in zwavel ammonium.

3°. Zwavelammonium roept hetzelfde neerslag te voorschijn.

4°. Voegt men zéér voorzichtig ammoniak toe, dan ontstaat er een hruin neerslag van Ag2 O, dat in overmaat oplosbaar is.

5°. Wordt deze oplossing gekookt met een kleine hoeveelheid van een reduceerende stof (b. v. met glucose), dan scheidt zich metallisch zilver door reductie af.

Kookt men niet, doch verwarmt men zacht in een waterbad, dan geschiedt die afscheiding vaak onder vorming van een fraaien zilverspiegel.

6°. Door natronloog ontstaat hetzelfde neerslag van Ag2 O,

7°. Natriumphosphaat geeft in de neutrale oplossing van zilvernitraat een geel neerslag van zilverphosphaat Ag, P04 terwijl het filtraat van dit neerslag zuur reageert tegenover lakmoes.

-ocr page 46-
-ocr page 47-

31

Dit neerslag lost gemakkelijk op in ammoniak en verdund salpeterzuur.

8°. Door kalium.chromaat oplossing ontstaat een rood neerslag van zilverchromaat (indicator bij het titreeren met Ag N03 oplossing van zoutzuur).

9°. Plaatst men in de oplossing een stukje blank koper, zoo wordt er zilver afgescheiden, terwijl de hlawwe kleur verraadt, dat er koper in oplossing gaat.

II. KWIKVBRBINDINGEN.

a. Mercuronitaat (Hg2 (NC^j).

De oplossing hiervan bereidt men door eenig kwik te overgieten met salpeterzuur, dat met een gelijk volume water verdund is en te verwarmen, zorg dragende, dat er eenig kwik onopgelost blijve.

Deze oplossing vertoont de volgende reacties:

1°. Door zoutzuur ontstaat een zwaar wit neerslag van Calomel Hgs Cl2. Filtreert men dit af en overgiet men het neerslag met ammoniak dan wordt dit zwart gekleurd.

2°. Zwavelwaterstof geeft een zwart neerslag van zwavelkwik Hgg S, dat onoplosbaar is in zwavelammo-nium, verdund en sterk salpeterzuur, terwijl het oplost in koningswater.

3°. Ammoniak geeft een zwart neerslag, dat uit basische ammoniak en amidhoudende zouten bestaat.

4°. Natronloog doet een zwart neerslag van mercu-rooxyde Hgs 0 ontstaan.

5°. Joodkaliumoplossing geeft een geelgroen gekleurd neerslag van mercurojodide Hg212.

6°. Stannochloride reduceert de oplossing tot metallisch kwik, dat zich als een grauw bezinksel afscheidt.

-ocr page 48-
-ocr page 49-

33

b. Mercurichloride {sublimaat) Hg Cl2.

1°. Door zoutzuur ontstaat geen neerslag.

2°. Zwavelwaterstof doet in de waterige oplossing, die zuur reageert, een neerslag ontstaan, dat van wit door geel en hruin eindelijk zwart wordt. Dit zwarte neerslag is Hg S, terwijl de voorafgaande gekleurde verbindingen, dubbelverbindingen van Hg S met nog onaangetast sublimaat zijn.

Dit neerslag lost niet op in zwavel ammonium., noch in salpeterzuur, daarentegen wel in koningswater.

3°. Natriumhydroxyde geeft een neerslag van rood kwikoxyde Hg 0.

4°. Men filtreert dit neerslag af, droogt het en verhit het in een buisje van moeielijk smeltbaar glas.

Onder ontwikkeling van zuurstof krijgt men in het koudere gedeelte een aanslag van metallisch kwik.

5°. Ammoniak geeft een wit neerslag van eene amid-verbinding.

6°. Joodkalium geeft een rood neerslag van kwikjodide Hg Ij, dat in overmaat oplosbaar is.

7°. Men verwarmt een druppeltje kwik in een uitgetrokken buisje, terwijl zich iets hooger een kristalletje jodium bevindt, bij vermenging van de dampen der beide stoffen ontstaat er kwikjodide dat zich als een roode aanslag in het koudere gedeelte afzet.

9°. Stannochloride geeft eerst een neerslag van Calomel, terwijl dan de reductie verder gaat en zich metallisch kwik afscheidt.

Plaatst men in oplossingen van mercuro of mercuri-verbindingen een stukje llank koper, zoo ontstaat daarop een grauwe aanslag, die bij wrijven met een doekje glanzend wordt. Bij verhitting van het koper

3

-ocr page 50-

.

\'

-ocr page 51-

35

verdwijnt de schijnbare verzilvering, doordien het kwik vervluchtigt.

III. LOOD VERBINDINGEN.

Loodnitraat Ph (NO^)2.

Men lost eenige kristallen van dit zout op in water, welke oplossing zuur reageert.

1°. Door zoutzuur of een oplosbaar chloride ontstaat een wit kristallijn neerslag, dat in kokend water oplost.

2°, Een oplosbaar jodide slaat geel joodlood neer, dat in kokend water oplost en bij bekoeling in glinsterende goudgele kristalletjes zich afscheidt.

3°. Zwavelwaterstof slaat zwart loodsulfide neer, dat onoplosbaar is in verdunde zuren.

4°. Natronloog slaat loodhydroxyde neer, oplosbaar in een grooten overmaat.

5°. Zwavelzuur geeft wit loodsulfaat, oplosbaar in ammoniumacetaat.

6°. Door Kaliumchromaat slaat geel loodchromaat neer, onoplosbaar in verdunde zuren, oplosbaar in alkaliën.

7°. Zink scheidt uit de oplossing metallisch lood af.

IV. KOPBKVERBINDINGEN.

Kopersulfaat Cu S 0i. 5/f20.

De zuur reageerende waterige oplossing van dit zout vertoont de volgende reacties;

1°. Zwavelwaterstof slaat zwart zwavelkoper neer dat oplost in verdund salpeterzuur.

2°. Natronloog geeft blauw gelatinens koperhydroxyde, dat door koken in zwart Cu O overgaat.

3°. Ammoniak geeft een blauwgroen neerslag van een basisch zout, dat in een overmaat tot eene donkerblauwe vloeistof oplost.

-ocr page 52-
-ocr page 53-

37

4°. Door sodaoplossing ontstaat een onoplosbaar basisch kopercarbonaat. Kookt men de vloeistof, zoo ontwijkt er koolzuurgas en het neerslag wordt bruinzwart gekleurd.

5°. Ferrocyaaiikaüum geeft een chocoladekleurig neerslag; bij sterke verdunning een bruine verkleuring.

6°. Ben stuk blank ijzer in de vloeistof geplaatst wordt bedekt door een koperkleurig en aanslag.

7°. De Boraxparel lost in het buitenste gedeelte van de gasvlam gebracht Cu O gemakkelijk op; in de warmte is de kleur groen, in de koude blauw.

V. BIBMUTHVBRBINDINGBN.

Men lost een weinig van het metaal in zoo weinig mogelijk geconcentreerd salpeterzuur op onder verwarming. Deze oplossing van bismuthnitraat Bi (NC^^ vertoont de volgende reacties:

1°. Door water slaat basisch bismuthnitraat neer, dat door toevoeging van een weinig geconcentreerd zoutzuur weer oplost.

2°. Zwavelwaterstof slaat zwart zwavelbismuth neer, dat in kokend salpeterzuur oplost.

3°. Natronloog slaat wit bismuthhydroxyde neer, onoplosbaar in overmaat.

4°. Ammoniak evenzoo.

5°. Kaliumchromaat slaat geel basisch bismuthchromaat neer, dat in salpeterzuur oplost, daarentegen niet in natronloog (onderscheid van lood).

VI. CADMTUMVERBINDINGEN.

Cadmiumsulfaat Cd lt;S04. O.

Men lost eenige kristallen in water op, welke oplossing zuur reageert, en de volgende eigenschappen bezit:

-ocr page 54-
-ocr page 55-

39

]0. Door zwavelwaterstof ontstaat een hoog geel gekleurd neerslag van zwavelcadmium, dat in kokende zuren oplost. Is de oplossing te sterk zuur dan ontstaat dit neerslag eerst na verdunnen met water.

2°. Natronloog slaat het witte cadmiumhydroxyde neer dat in overmaat onoplosbaar is.

3°. Het neerslag van Cd (OH),, dat door ammoniak ontstaat, lost iu overmaat op.

4°. Ammoniumcarbonaat slaat basisch wit cadmium-carbonaat neer.

5°. RhodaankaHum geeft geen neerslag, ook niet na toevoeging van zwavelig zuur. (onderscheid van koper).

METALEN DEE TIERDE GROEP.

Zn, Mn, Ni, Co. Fe.

Zwavelwaterstof geeft noch in de zure, noch in de neutrale oplossingen een neerslag.

Zwavelammonium slaat uit de oplossingen de metalen als sulfiden neer, die onoplosbaar zijn in overmaat, op-losbaar in verdunde zuren.

i. zinkvbbbindingbn.

Men verwarmt een stukje zink met verdund zoutzuur totdat er geen waterstof meer ontwikkeld wordt, en daarbij zorg dragende, dat er nog zink onopgelost blijft. De oplossing reageert zuur tegenover lakmoespapier en vertoont de volgende reacties:

1°. Zwavelwaterstof geeft geen neerslag.

2°. Zwavelammonium geeft een wit neerslag van Zn S, dat in verdunde zuren zeer gemakkelijk oplost.

-ocr page 56-

\'

I

I

,

\'

.

.

-ocr page 57-

41

3°. Natronloog geeft een wit neerslag van Zn (0H)2, dat in overmaat oplosbaar is. Heeft men een grootere overmaat natronloog aangewend, zoo ontstaat er door chloorammonium geen neerslag. Zwavelwaterstof doet in deze oplossing een wit neerslag van Zn S. ontstaan, (onderscheid van aluminium).

4°. Ammoniak gedraagt zich evenals natronloog.

5°. Door natriumcarbonaat ontstaat onder ontwijken van koolzuur een neerslag van basisch zinkcarbonaat.

6°. Ammoniumcarbonaat geeft hetzelfde neerslag, dat in een overmaat oplost.

7°. Door ferrocyaankalium ontstaat een wit neerslag van ferrocyaanzink (gevoeligste reactie).

II. MANGAANVBRBINDINGEN.

Mangaansulfaat. Mn SOi. 1H20.

Men lost eenige kristallen van dit zout op in water, de oplossing reageert zuur en vertoont de volgende reacties:

1°. Zwavelammonium geeft een vleeschklenrig neerslag van zwavelmangaan, dat aan de lucht donker bruin wordt. Dit neerslag lost zeer gemakkelijk in verdunde zuren op.

2°. Natronloog geeft een wit neerslag van mangano-hydroxyde, dat aan de lucht door oxydatie tot man-ganihydroxyde bruin wordt.

3°. Ammoniak gedraagt zich evenzoo.

4°. Natriumcarbonaat geeft, al naar de verhouding waarin dit aangewend wordt, een wit neerslag van waterhoudend manganocarbonaat, manganohydroxyde of een mengsel van beiden.

5quot;. Ammoniumcarbonaat slaat wit manganocarbonaat neer.

-ocr page 58-

I

I

.

-ocr page 59-

43

6°. Verwarmt men de oplossing met een weinig menie en salpeterzuur, zoo ontstaat er een donkerrood gekleurde vloeistof die overmangaanzuur bevat H Mn 04.

7n. Gloeit men een kleine hoeveelheid van het vaste zout met natriumcar\'jonaat en kaliumnitraat zoo ontstaat er een groen gekleurde massa van kaliummanga-naat. K2 Mn 04. Door verwarmen onder gelijktijdig invoeren van een stroom koolzuurgas ontstaat er kalium-permanganaat, dat kenbaar is aan de violette kleur der oplossing.

III. IJZERVERB1ND1NGBN.

a. Ferroverbindingen. Ferromlphaat. Fl 80i. 7//2 0.

Men lost eenige kristallen van het zout in water op. De oplossing reageert zuur en vertoont de volgende reacties:

1°. Zwavel ammonium slaat zwart zwavelijzer FeS neer, dat in verdunde zuren gemakkelijk oplost.

2n. Natronloog doet een groenachtig neerslag van fer-, rohydroxyde Fe (OH)3 ontstaan dat aan de lucht langzamerhand bruin wordt en dan overgegaan is in ferri-hydroxyde.

3°. Door ferrocyaankalium ontstaat in luchtvrije oplossingen een blauwachtig wit neerslag van Fe2 (Fe Cy6), dat in aanraking met de lucht donker blauw wordt.

4°. Met een versch bereide oplossing van ferricyaan-kaiium ontstaat een donkerblauw neerslag van Turnbull\'s blauw. Fes (Fe2 Cy12).

b. Ferriverbindingen.

Men voegt bij de oplossing van ferrosulfaat een weinig salpeterzuur, waardoor de kleur bruin wordt.

-ocr page 60-

.

.

-ocr page 61-

45

Deze oplossing verwarmt men waardoor NO wordt ontwikkeld. De resulteerende oplossing bevat nu ferri-sulfaat en vertoont de volgende reacties:

1°. Zwavelwaterstof geeft een geelachtig wit bezinksel van afgescheiden zwavel, door oxydatie van bet Hg S. ontstaan.

2°. Zwavelnmmonium slaat zwart zwavelijzer neer en werkt dus daarbij eveneens reduceerend.

3°. Natronloog geeft een neerslag van bruin ferriby-droxyde.

4°. Ammoniak evenzoo.

5quot;. Verrocyaankalium slaat Berlijnscb blauw neer Fe,

(FeCy6)3. _

6n. FerricyaanJcalium veroorzaakt geen neerslag, docb kleurt de vloeistof slecbts donkerder.

7°. lUiodaankalium kleurt zelfs in zeer verdunde zwak-zure oplossingen deze bloedrood.

8°. Looizuur kleurt verdunde oplossingen zwart en geeft in meer geconcentreerde een zwart bezinksel van ferritannaat.

IV. KOBALTVBRBINDINamp;EN.

Kobaltsulfaat. Co SO^. THzO.

Men lost de roodachtige kristallen in water op, en de zuur reageerende oplossing vertoont de volgende reacties:

1°. Zwavelammoniwm slaat zwart kobaltsulfide neer, dat in verdund zoutzuur onoplosbaar is, salpeterzuur lost het bij verwarmen op.

2°. Ammoniak geeft een bezinksel van een blauw basisch zout, dat in overmaat oplosbaar is met een geelbruine kleur. Aan de lucht wordt deze oplossing roodbruin gekleurd. Uit deze oplossing slaat Aaox natronloog

-ocr page 62-

1

.

-ocr page 63-

47

een deel van het kobalt als blauw basisch zout neer.

3°. Natronloog geeft een neerslag van een blauw basisch zout. Voegt men bij een weinig van de kobalt-sulfaatoplossing zéér geconcentreerde haliloog, dan lost het neerslag, dat eerst ontstaat in overmaat KO H bij verwarmen op, onder vorming van kobaltzuur kalium.

4°. Ammoniumcarbonaat geeft een roodachtig neerslag, dat in overmaat oplost.

5°. Verwarmt men de geconcentreerde oplossing van het zout, of voegt men geconcentreerd zwavelzuur toe dan wordt de kleur blauw. Hetzelfde resultaat verkrijgt men door toevoeging van geconcentreerde zoutoplossingen.

6°. Een weinig van het zout kleurt de boraxparel

blauw.

7°. Kaliumnitriei-o^ossmg geeft in kobaltoplossin-gen na toevoeging van een weinig azijnzuur een geel neerslag.

V. NIKKELVERBINDINGEN.

Nikkelsulfaat Ni SOi. 1 Hi O.

Men lost eenige kristallen in water op. De groene oplossing reageert zuur en geeft de volgende reacties:

1quot;. Zwavelammonium slaat zwart zwavelnikkel neer, dat evenals kobaltsulfide slechts in warm salpeterzuur oplost.

2°. Natronloog geeft een neerslag van heldergroen nik-kelhydroxyde.

3°. Ammoniak geeft eveneens nikkelhydroxyde, dat in overmaat met een blauwe kleur oplost.

4°. Ammoniumcarbonaat geeft een groen neerslag dat in overmaat oplosbaar is.

5°. Kaliumnitriet geeft in nikkeloplossingen onder toe-

-ocr page 64-
-ocr page 65-

49

voeging van azijnzuur geen neerslag. Zelfs niet in zeer geconcentreerde (onderscheid van kobalt).

6°. Brengt men een nikkelzout in de boraxparel in bet buitenste gedeelte der vlam, zoo ontstaat een parel, die warm violet, bekoeld roodbruin is.

METALEN DEE DERDE GROEP.

Al. Cr.

Zwavelwaterstof geeft noch in zure, noch in neutrale oplossingen een neerslag. Zwavelammonium slaat wit de oplossingen onder zwavelwaterstof ontwikkeling de hydroxy den neer.

I. altjminiumverbindingen.

Kaliumaltiminiumsulfaat {aluin)

K^SO,. Jla 0SO4)3. 24ir20.

Men lost het zout in water op en de zuur reagee-rende oplossing vertoont de volgende reacties:

1°. Zwavelammonium geeft een wit geleiachtig neerslag van aluminiumhydroxyde Al2 (0H)6, terwijl zwavelwaterstof ontwijkt.

2°. Natronloog geeft hetzelfde witte neerslag, dat in overmaat oplosbaar is. Chloor ammonium aan deze oplossing toegevoegd doet het neerslag weer terugkomen, zwavelwaterstof niet (onderscheid van zink).

3°. Ammoniak slaat eveneens het hydroxyde neer, onoplosbaar in overmaat.

4°. Door nairiumcarhonaat ontstaat onder ontwikkeling van koolzuur hetzelfde neerslag.

4

-ocr page 66-
-ocr page 67-

51

5°. Natriumhydrophoaphaat slaat wit aluminiumphos-phaat neer Ala (P04)2, dat in natronloog oplosbaar is.

II. CHROOMVEKBINDINGEN.

Kaliumbichrornaat Ki Os 07.

De geelroode oplossing yan dit zout reageert zuur en heeft de volgende eigenschappen:

1°. Door zwavelwaterstof treedt reductie op, terwijl de vloeistof onder zwavelafscheiding groen wordt.

2°. Zwavelammonium geeft een grauwgroen neerslag, dat bij koken groen wordt en uit chroomhydroxyde en zwavel bestaat.

3°. Chloorbarium geeft een geelwit neerslag van ba-riumchromaat, dat in verdunde zuren oplost.

4°, Loodacetaat geeft een geel neerslag van loodchro-maat. Dit neerslag lost op in natronloog, moeielijk in verdund salpeterzuur.

5°. Zilvernitraat geeft een purperkleurig neerslag van Agj Cr 04 dat gemakkelijk oplost in ammoniak en salpeterzuur.

6°. Voegt men bij de zeer geconcentreerde Oplossing van kaliumbichromaat geconcentreerd zwavelzuur, dan wordt deze intensief rood gekleurd, en bij bekoeling zet zich het chroomzuur als kristallen af.

Men kookt de vloeistof met een paar druppels alko-hol en verdund zoutzuur. De alkohol wordt hierbij ge-oxydeerd en er ontstaat een groen gekleurde oplossing van Crg 01,,. (Cr Cl-,).

Deze oplossing gedraagt zich als volgt:

1°. Zwavelammonium slaat slechts groen Cr3 (0H)6 neer, zonder afscheiding van zwavel.

2n. Natronloog geeft hetzelfde neerslag, dat oplosbaar is in overmaat, echter door aanhoudend koken

-ocr page 68-
-ocr page 69-

53

der vloeistof, en door chloorammonium weer terugkomt.

3°. Gloeit men chroomoxyde of een van de chroomverbindingen met soda en salpeter, dan is de bekoelde smeltmassa geel gekleurd door de vorming van natrium-chromaat. Nas Cr 04.

METALEN DER TWEEDE GEOEP.

Mg. Ba. Sb. Ca.

Zwavelwaterstof noch zwavelammonium geven met de oplossingen van de zouten dezer metalen neerslagen.

Boor natriumcarbonaat en ammoniumcarbonaat worden de onoplosbare carbonaten neergeslagen.

Hen uitzondering maakt het magnesium, welks zouten in de koude en bij aanwezigheid van veel chloorammonium niet worden neergeslagen door ammoniumcarbonaat. Hierop berust de scheiding van Mg. van de overige drie leden dezer groep bij de qualitatieve analyse.

I. magnesitjmverbindinöen.

Magnesiumsulfaat Mg SO^. IH^O.

De waterige oplossing van het zout gedraagt zich als volgt:

1°. Natronloog geeft een wit neerslag van magnesium-hydroxyde Mg (OH)2, dat in chloorammonium oplosbaar is. Bevatte de vloeistof van te voren veel chloorammonium, dan ontstaat het neerslag niet.

2°. Ammoniak slaat uit oplossingen het Mg (OH)a slechts gedeeltelijk neer, omdat de ammoniumzouten die hierbij door dubbele ontleding ontstaan, een gedeelte

-ocr page 70-
-ocr page 71-

55

als niet ontleedbare dubbelzouten in oplossing houden. Voegt men vooraf chloor ammonium toe dan blijft de vloeistof helder.

3°. Natriumcarbonaat slaat wit Mg CO3 neer.

4°. Ammoniumcarbonaat slaat, vooral wanneer er eerst chloor ammonium is toegevoegd niets neer.

5°. Voegt men vooraf chloor ammonium en ammoniak toe, dan ontstaat met natrium- of ammoniumphosphaat een wit kristallijn bezinksel van magnesiumammonium-phosphaat. MgNH,. P0t.

II. CALCIUMVERDINDINGEN.

Chloorcalcium Ca Cl2.

Het zout lost zeer gemakkelijk op in water en deze oplossing vertoont de volgende reacties:

1°. Ammonium- en natriumcarbonaat geven een wit neerslag van calciumcarbonaat, dat door invoeren van COg oplost.

2°. Zwavelzuur of sulfaten geven in niet al te verdunde oplossingen een wit neerslag van Ca S04.

3°. Ammoniumoxalaat geeft een wit kristallijn neerslag van calciumoxalaat, dat in azijnzuur onoplosbaar is.

4°. Natriumhydrophosphaat geeft een wit neerslag van Ca HP04, dat in azijnzuur oplosbaar is.

5°. Kiezelfluorwaterstofzuur geeft geen neerslag.

6°. Calciumverbindingen voor zooverre ze oplosbaar zijn, deelen aan de vlam een geelroods kleur mede.

7°. Door kaliumchromaat van kaliumbichromaat ontstaat geen neerslag.

8°. Ca Clg en Ca (N03)s zijn oplosbaar in absoluten alkohol.

-ocr page 72-
-ocr page 73-

57

III. STS0NT1UMVBRB1NDINamp;BN.

Chloor strontium Sr Cls.

De waterige oplossing van dit zout vertoont de volgende reacties:

1°. Ammonium- en natriumcarbonaat slaan wit Sr COj neer, dat door inleiden van koolzuurgas weer oplost.

2°. Zwavelzuur en sulfaten geven een wit neerslag van strontiumsulfaat.

3°. Ook door gipsoplossing ontstaat dit neerslag.

4°. Ammoniumoxalaat slaat wit strontiumoxalaat neer, wanneer de oplossing niet te verdund is.

5°. Kiezelfluorvjaterstof zuur geeft niets.

6°. Sr 01s is oplosbaar in ahsoluten alkohol.

7°. Sr (N0,,)2 is onoplosbaar in ahsoluten alkohol.

8°. Strontiumverbindingen kleuren de niet lichtende vlam intensief rood.

9°. Kaliumbichrornaat geeft geen neerslag.

IV. BAEITJMVERBINDINGEN.

Chloorbarium. Ba Clv 2H%0.

De waterige oplossing van dit zout gedraagt zich als volgt:

1°. Ammonium- en natriumcarbonaat geven een wit neerslag van bariumcarbonaat, dat door inleiden van koolzuurgas weer in oplossing is te brengen.

2°. Zwavelzuur- en sulfaten, ook gipsoplossing, slaan tot bij zeer groote verdunning wit bariumsulfaat neer, dat in zuren onoplosbaar is.

3°. Door kiezelfluorwaterstof zuur ontstaat een bijna kleurloos neerslag van Ba Si Fl6.

4°. Natriumhydrophosphaat geeft een wit neerslag van bariumhydrophosphaat, dat in verdunde zuren oplost.

-ocr page 74-
-ocr page 75-

59

5°. Ammoniumoxalaat geeft in niet te sterk verdunde oplossingen een neerslag van Bariumoxalaat.

6°. Kaliumbichrornaat geeft zelfs in zeer verdunde oplossing een geel neerslag van bariumchromaat, dat in verdunde zuren oplosbaar is.

7°. Oplosbare bariumverbindingen kleuren de niet lichtende vlam geel groen.

8°. Ba 018 en Ba (NC^j zijn onoplosbaar in absoluten alkohol.

METALEN DER EEESTE GEOEP.

K. NA. LI. NH4.

De oplossingen van de zouten dezer metalen worden door geen der genoemde groepen-reactieven neergeslagen, zoodat ze bij den gang der analyse ten slotte overblijven.

De reacties op kalium, natrium en lithiumzouten hebben slechts dan waarde, wanneer ammoniumzouten afwezig zijn.

I. KALITJMVBRBINDINGBN.

CMoorkalium KCl,

De oplossing van dit zout reageert neutraal en vertoont in geconcentreerden toest and de volgende reacties:

1°. Platinachlorideoplossing geeft een geel kristallijn bezinksel van kaliumplatinchlorid K2 Pt 016, vooral na toevoeging van alkohol.

2°. Door natriumhydrotartraat of wijnsteenzuur ontstaat een wit kristallijn bezinksel van kaliumhydrotartraat

c4 h4 o4 oh ok.

-ocr page 76-
-ocr page 77-

61

3°. Kaliumzouten kleuren de niet lichtende vlam

violet.

II. Natriumverbindingen.

Chloornatrium Na Cl.

De oplossing reageert neutraal en gedraagt zich als volgt:

1°. Platinachloride, noch wijnsteenzuur geven een neerslag.

2°. Door Tcaliumstïbiaat ontstaat een wit neerslag van natriumstibiaat Naj H3 Sb2 07.

3°. Natriumzouten kleuren de niet lichtende vlam intensief geel.

III. liïhiumvbrbindingen.

Chloorlithium Li Cl.

De waterige oplossing reageert neutraal en vertoont de volgende eigenschappen:

1°. Platinachloride en wijnsteenzuur geven een neerslag.

2°. Natriumhydrophosphaat geeft in niet al te verdunde oplossingen een neerslag.

3°. Lithiumverbindingen kleuren de vlam intensief rood.

IV. ammonitjmvbhbindingbn.

Chloorammonium NHi Cl.

1°. Ammoniumzouten _ van vluchtige zuren zijn bij verwarming vluchtig.

2°. Brengt men een weinig van het vaste zout met een stukje kalk en een weinig water tezamen, dan ontwikkelt zich ammoniak, kenbaar aan den reuk en de alkalische reactie.

-ocr page 78-
-ocr page 79-

63

3°. BTenzoo ontstaat ammoniak, wanneer men de waterige quot;oplossing met natronloog verwarmt.

4°. Met platinachloride geeft de geconcentreerde waterige oplossing een geel neerslag ran ammoniumplatin-chloride (NH4)3 Pt Cl6.

5°. Met nairiwmhydrotartraat slaat uit de geconcentreerde oplossing wit kristallijn ammoniumhydrotartraat neer.

6°. Nessiers reagens geeft bij zeer sterke verdunning een geelbruine verkleuring.

REACTIES OP DE ZUREN.

Als de meest voorkomende zullen Her behandeld worden: G03, S02! H3 S. HF1, HOI, HBr, HJ, HON, HN03, HN02) HOI O3, H8 804, H3 P04, H3 BO3, Si Oa) CH3 COOH.

Eenigen zijn reeds bij de metalen behandeld als, Asj O3, As3 05, CrOj enz.

I. KOOLZUUR.

Natriumcarhonaat Nai C03.

1°. De waterige oplossing van het zout bruist door verdund zoutzuur sterk op, onder ontwikkeling van een kleurloos, reukeloos gas. Dit gas in kalkwater geleid veroorzaakt daarin een troebeling.

2°. De oplosbare carbonaten veroorzaken in oplossingen van aardalkalizouten een wit neerslag.

H. ZWAVELIGZÜUR.

Natriumbisulfiet Na H SO3.

1°. Door minerale zuren wordt het 6\'02 uit de zouten

-ocr page 80-
-ocr page 81-

65

of oplossingen ervan vrijgemaakt, waarbij het als kleurloos gas van een verstiMenden prikkelenden geur ontwijkt.

III. ZWAVELWATERSTOF.

ZwaveUjzer Fl S.

1°. Overgiet men zwavelijzer met verdund zoutzuur, dan wordt er zwavelwaterstof ontwikkeld, dat te herkennen is aan den reuk en de brandbaarheid.

2°. Leidt men het gas in de oplossing van een lood-zout, dan ontstaat daarin een zwart neerslag.

3°. Oplosbare sulfiden geven met nitroprussidnatrium eene violette verkleuring.

IV. rLUORWATERSTOFZDUR.

Vloeispaat Ca Fl^.

1°. Overgiet men fijngewreven vloeispaat in een loo-den of platinaschaaltje met geconcentreerd zwavelzuur en verwarmt men zacht, dan ontwikkelen zich witte dampen, die een daarop gelegd stuk glas etsen.

2°. Alleen de alkalifluoriden zijn in water gemakkelijk oplosbaar. Fluorzilver is in water moeielijk oplosbaar.

3°. De oplosbare fluoriden geven met Barium, calcium en strontiimzouten een wit neerslag.

V. ZOUTZUUR.

Chloornatrium Na Cl.

1°. Door zilvernitraat ontstaat in de waterige oplossing, die vooraf met verdund salpeterzuur is zuur gemaakt , een vjit vlokkig kaasachtig neerslag van Ag Cl, oplosbaar in ammoniak en ammoniumcarbonaat, onoplosbaar in verdunde zuren.

5

-ocr page 82-
-ocr page 83-

67

VI. BKOOMWATERSTOFZTJTJR.

Broomkalium KJBr.

1°. In de zwak salpeterzure oplossing wordt door zÜTernitraat een geelachtig wit bezinksel Tan Ag Br neergeslagen, moeielijk oplosbaar in ammoniak, onoplosbaar in salpeterzuur.

2°. Voegt men aan de oplossing ehloorwater toe, dan wordt deze geel gekleurd, door afgescheiden broom.

Schudt men nu met chloroform, dan gaat de gele kleur daarin over.

VIL JOODWATERSTOFZTJUR.

Joodkalium KJ.

1°. Zilvernitraat geeft in de zwak salpeterzure oplossing een geelachtig neerslag van Ag J, onoplosbaar in salpeterzuur en ammoniak.

2quot;. Sublimaat-OTjAossing slaat rood HgJ2 neer.

3°. Door chlooricater wordt Jodium afgescheiden, herkenbaar aan de blauwe kleur, die een toegevoegde stijf-seloplossing daardoor aanneemt.

4n. Door toevoeging van kaliumnitriet en eenig verdund azijnzuur aan de oplossing wordt eveneens jodium afgescheiden. Door schudden van de vloeistof met chloroform neemt deze het Jodium met violette kleur op.

VIII. CYAANWATERSTOBZUÜR.

Gyaankalium KCN.

1°. Door toevoeging van een zuur is het vrijgewor-den HON aan den reuk te herkennen.

2°. Zilvernitraat geeft een wit neerslag oplosbaar in ammoniak en een overmaat KCN, onoplosbaar in salpeterzuur.

-ocr page 84-
-ocr page 85-

69

3°. Men voegt bij de oplossing een oplossing van ferrosulfaat, en daarna natronloog eu een spoor ferri-chloride. Men Terwarmt nu zacht en voegt na eenigen tijd zoutzuur tot zwakzure reactie toe.

Is er nu blauwzuur aanwezig, dan blijft er een neerslag van Berlijnsch Hauw, bij zeer geringe hoeveelheden een blauwe of groene kleur.

IX. SALPETERZUUR.

Salpeter KN03.

1°. Voegt men bij de oplossing geconcentreerd zwavelzuur en een spoor indigooplossing, zoo wordt deze direct ontkleurd.

2°. Bij een geconcentreerde ferrosulfaatoplossing voegt men sterk zwavelzuur en op dat mengsel voorzichtig, zoodat zich twee lagen vormen, de salpeteroplossing.

Op de scheidingsvlakte vormt zich nu een donker bruine ring.

X. SALPETERIGZUUR.

Kaliumnitriet KNO

1°. Voegt men bij de niet al te verdunde oplossing van dit zout een weinig verdund zoutzuur, dan ontwikkelen zich nitreuse dampen.

2°. Voegt men bij de waterige oplossing een weinig joodkalium en een druppeltje verdund azijnzuur, dan wordt de oplossing door afgescheiden jodium geel gekleurd.

XI. CHLOORZUÜH.

Kaliumchloraat KClOv

1°. Verhit men het vaste zout met KCN of suiker op een platinablikje dan ontploft het met een luiden knal.

-ocr page 86-
-ocr page 87-

71

2°. Verwarmt men de oplossing met zoutzuur, dan heeft er chloorontwikheling plaats.

3°. Door geconcentreerd zwavelzuur bij een chloraat in vasten toestand te brengen, treedt onderchlorig zuur op, dat aan zijn groengele, kleur en onaangenamen reuk gemakkelijk is te herkennen.

4U. Zilvernitraat geeft geen neerslag.

XII. ZWAVELZUUR.

Natriumsulfaat Aa2 SO^. 10//2 O.

1°. Chloorbarium geeft een wit neerslag van Ba S04, dat onoplosbaar is in alle zuren.

XIII. PHOSPHORZUUR.

Natriumhydrophosphaat Nas IIFO^.

1°. Zilvernitraat geeft een geel neerslag van zilver-phosphaat, dat in ammoniak en verdund salpeterzuur oplosbaar is.

2°. Magnesiamixtuur geeft een wit kristallijn neerslag.

3°. Ammoniummolybddnaat in grooten overmaat toegevoegd doet in salpeterzure oplossing een geel neerslag ontstaan. Dit neerslag is oplosbaar in ammoniak.

4°. BariumcMoride geeft een wit neerslag, oplosbaar in verdund salpeterzuur.

XIV. BOOKzauK.

Borax. Na2 Bi O-, -j- 10i/2 O.

1°. De geconcentreerde oplossing wordt neergeslagen door zwavelzuur, het vrijgemaakte boorzuur H3 BO^ scheidt zich kristallijn af.

2quot;. Een oplossing, die vrij boorzuur bevat, kleurt

curcumapapier rood.

-ocr page 88-
-ocr page 89-

73

3°. Men vermengt eenige borax met geconcentreerd zwavelzuur en een weinig alkohol. Steekt men nu dit mengsel aan, dan is de rand der vlam eigenaardig vaal groen gekleurd.

XY. KIEZBLZtJUK.

Nairiumsilicaatoplossing, waterglas,

1°. Door zuren wordt in deze waterige oplossing een geleivorming teweeg gebracht. Verdampt men op het waterbad het water er uit, dan blijft er een onoplosbare rest achter.

2quot;. Brengt men een weinig kiezelzuur of een silicaat in de loraxparel zoo smelt het daarmede niet samen, maar vormt daarin een skelet.

XVI. AZIJNZUUR.

Natriumacetaat. CHZ COONa.

1°. Ferrichloride geeft in de waterige oplossing een roede verkleuring.

Squot;. Verwarmt men het droge zout met een weinig alkohol en eenig geconcentreerd zwavelzuur, dan treedt de reuk van aethylacetaat (azijnaether op).

-ocr page 90-

EIGENLIJKE QUALITATIEVE ANALYSE,

A. VOORLOOPIG ONDERZOEK.

Men neemt eerst alle met de zintuigen waarneembare eigenschappen van de stof waar, zooals bijv. kleur, vorm, bardheid, soortelijk gewicht, reuk enz., daar reeds daaruit dikwijls een besluit omtrent de samenstelling is te vormen.

Bevindt de stof zich in fijn verdeelden toestand, dan is zij reeds als zoodanig ter onderzoeking gereed; bestaat ze uit grootere stukken, dan moeten deze eerst tot poeder gebracht worden.

a. DE STOF IS EEN VAST LICHAAM.

a.. Geen meiaal of meiaallegeering.

Men verhit een weinig van de stof in een buisje van moeielijk smeltbaar glas, eerst langzaam, dan sterk in de gasvlam en neemt de veranderingen waar.

1. De stof blijft onveranderd. Geen gemakkelijk smeltbare of vluchtige stoffen zijn aanwezig (koolzuurgas kan ontwijken, zonder dat de stof uiterlijk verandert).

2. Be stof verandert zonder te smelten van kleur.

De kleur wordt van wit, geel en bij bekoeling weer wit; Zn.

-ocr page 91-

75

De kleur wordt van wit bruinrood en bij bekoeling blijft ze geel: Pb.

De kléur wordt van wit, geel tot bruin en bij bekoeling geel\'. Bi.

De kleur wordt Tan wit of geelwit donkerbruin en bij bekoeling helrood bruin, wijst op Cd.

Wordt de stof van lichtrood donkerrood en daarna zwart, waarbij zich een sublimaat yan kwik Tormt, dan was HgO aanwezig.

3. Eet lichaam smelt zonder loaterdamp te geven.

Bij sterker verhitten ontstaat zuurstof. Dit duidt op nitraten of chloraten.

4. Het lichaam ontwikkelt waterdamp.

a. Kristalwaterlioudende zouten (smelten meestal en worden, nadat het water ontweken is weer vast).

b. Lichamen, die water chemisch gebonden bevatten, (smelten meestal niet).

c. Watervrije zouten, die in hunne kristallen water ingesloten bevatten (decrepiteeren).

d. Lichamen, die vochtig zijn.

e. Stoffen, die onder ontleding water afgeven, bv. ammoniumnitraat, waarbij tevens N20 optreedt.

De zich verdichtende waterdruppeltjes onderzoekt men op hunne reactie: een alkalische wijst op ammoniak, een zure op een of ander vluchtig zuur.

5. Be stof decrepiteert zonder water af te geven.

6. Er ontwijken gassen of dampen.

Men bepaalt of ze een kleur, reuk, zure of alkalische reactie hebben en of ze brandbaar zijn:

a. Zuurstof\', superoxyden, nitraten,- chloraten.

b. Zwavelig zuur te herkennen aan de zure reactie en

-ocr page 92-

76

den reuk: zwaveligzure zouten, ook bij mengsels van sulfiden met sulfaten.

c. Nitreuse dampen, te herkennen aan de kleur en reuk: nitraten Tan zware metalen.

d. Koolzuur maakt kalkwater troebel: carbonaten-oxalaten.

e. Chloor, broom, jood te herkennen aan den reuk en aan de kleur der dampen; ontleedbare halogeenver-bindingen.

f. Cyaan te herkennen aan den reuk: ontleedbare cyaanverbindingen KON, Berlijnsch blauw.

g. Zwavelwaterstof\', waterhoudende zwavelverbindin-gen aan den reuk te herkennen, ook door de zwart-kleuring van een papiertje gedrenkt met loodacetaat.

h. Ammoniak, ontleding van ammoniumzouten te herkennen aan den reuk en de alkalische reactie.

7. jEV vormt zich een sublimaat.

a. Zwavel sublimeert in roodbruine druppels, die bij bekoeling geel of geelbruin worden.

I. Jodium, de dampen zijn violet, uit vele jodiden vooral bij aanwezigheid van jodaten.

c. Ammoniumzouten, witte sublimaten, met kalk en een druppel water geven ze NH3.

d. Kwik en zijne verbindingen: sublimeert men met een kristalletje Jodium dat vormt zich rood HgJ3.

e. Arsenik en zijne verbindingen, met kool gegloeid krijgt men den bekenden arsenikspiegel.

Zwavelverbindingen van het arsenik geven sublimaten die in de warmte roodgeel zijn.

ƒ. Antimoonosyde smelt eerst tot een gele vloeistof, die een sublimaat geeft, dat uit glinsterende naaldjes bestaat.

8. Men verhit de stof op kool voor de binnenste hlaas-buisvlam.

-ocr page 93-

77

De Yerscliijnselen, die bij het verhitten in het buisje zijn waargenomen herhalen zich. Chloraten en nitraten doen de kool levendig verbranden.

Behalve deze verschijnselen zijn nog de volgende waar te nemen:

a. De stof smelt, vormt een druppel of trekt in de kool zonder een beslag te vormen: alkalizouten.

b. Er blijft een witte onsmeltbare rest: Ba. Ca. Sr, Mg, Al. Zn. SiOa.

SrO, CaO, MgO en ZnO lichten zeer sterk, en

SrO, CaO, BaO reageeren als men ze bevochtigt alkalisch.

Men brengt een weinig kobaltnitraatoplossing op den rest en gloeit weer sterk:

Een blauwe kleur wijst op Al2 03 of Si 02.

Een groene kleur wijst op ZnO.

Een violette kleur wijst op magnesiumarseniaat of phosphaat.

c. Er blijft een rest van een andere kleur, een metaalkorrel of een aanslag.

Men reageert in de niet gegloeide stof op ammoniak.

a. Een metaalkorrel wijst op goud of koper.

b. Een wit beslag, ver verwijderd van de verhitte plaats en een knoflookreuk wijzen op As.

c. Een wit beslag, dichter bij de verhitte plaats, Sb. Men kan dit beslag van de eene plaats naar de andere drijven.

d. Een geel beslag, dat bij bekoelen wit wordt, Zn.

e. Een wit beslag, dat vluchtig is en in een goede reductievlam tot een metaal korreltje smelt: Sn.

ƒ. Het beslag is in de warmte geel, en geeft in de reductievlam gemakkelijk smeltbare pletbare metaalkorrels: Pb.

-ocr page 94-

78

g. Het beslag is in de -warmte donker oranjegeel, de ontstane metaalkorreltjes zijn broos; Bi.

h. Het beslag is roodbruin: Cd.

i. Het beslag is zeer gering en donkerrood, er vormen zich witte metaalkorreltjes; Ag.

9. De voornaamste verschijnselen, die optreden bij bet verhitten van de stof met den borax- en phosphor-zoutparel zijn reeds in het hoofdstuk „De eenvoudigste bewerkingenquot; onder O aangegeven.

[3. De stof is een metaal of metaallegeering.

Men overgiet een proefje met een weinig verdund azijnzuur. Waterstofontwikkeling wijst op de aanwezigheid van lichte metalen (mogelijk regulair mangaan).

Het verdere onderzoek geschiedt door verhitten in een glazen buisje, en voor de blaasvlam, waarbij men verschijnselen kan waarnemen, die reeds onder A. a. a.. genoemd zijn.

h. DE TB ONDERZOEKEN STOF IS EEN VLOEISTOF.

1. Men verdampt een weinig om te zien of er een vast lichaam in oplossing is.

2. Men bepaalt de reactie.

a. Blamo lakmoespapier wordt rood. Er kan nu een vrij zuur of een zuur reageerend zout aanwezig zijn. Blijft de vloeistof door toevoeging van een spoor soda-oplossing helder, of lost een ontstaan neerslag bij omroeren op, dan is er een vrij zuur aanwezig. Ontstaat er een blijvende troebeling, dan is er een zuur reageerend metaalzout.

Verdunt men een proefje met veel water en ontstaat

-ocr page 95-

79

er een troebeling, dan zijn antimoon of bismnthzouten aanwezig.

b. Rood lakmoespapier wordt Mauw.

Dit wijst op quot;vrij alkali, alkalicarbonaat, vrije aard-alkaliën, alkalische sulfiden en op zouten die een alkalis of aardalkali aan een zwak zuur gebonden bevatten.

B. HET OPLOSSEN YAN DE STOF.

I. Men overgiet de stof in fijn verdeelden toestand met gedistilleerd water en kookt ze daarmede:

1. Men verkrijgt een heldere oplossing.

2. JEr Mijft een rest.

Men laat bezinken en filtreert de vloeistof zoodanig af, dat de vaste stof in het kolfje blijft.

Een paar druppels van het filtraat verdampt men om te zien of er iets is opgelost. Is dit het geval dan bewaart men deze waterige oplossing voor het onderzoek.

Men wascht de onopgeloste stof goed met kokend water uit, en voegt dit waschwater bij het eerste Altraat. Bleef er bij het verdampen van het proefje van het filtraat geen rest, dan is uitwasschen overbodig.

II. Men overgiet nu het onopgeloste deel met verdund, en wanneer dit niet voldoende is met geconcentreerd zoutzuur en verwarmt.

1. De stof lost geheel op.

2. Er blijft een rest.

Men filtreert de oplossing van het onopgeloste gedeelte af, en behandelt beiden zooals voor de waterige oplossing en het onopgeloste daarin is aangegeven, met

-ocr page 96-

80

dat Terschil dat men nu met zoutzuur het onopgeloste gedeelte uitwascht.

Ten slotte wordt het zoutzuur ook door water verwijderd, en de oplossing ter zijde gesteld.

III. Het onopgeloste gedeelte wordt nu met verdund en daarna zoo noodig met geconcentreerd salpeterzuur behandeld:

1. Be stof lost nu geheel op. Deze oplossing dampt men tot droog in en lost de rest in water op, als wanneer ze tot onderzoek gereed is.

2. Er Hijft een rest.

Deze wordt nu evenals onder I 2 en II 2 is aangegeven behandeld. Het salpeterzuur behoeft hier nu niet door water weggewasschen te worden.

De oplossing verdampt men tot droog en lost de rest in water op. Deze oplossing is nu voor het onderzoek te gebruiken, terwijl een sterk salpeterzuurhoudende vloeistof velerlei bezwaren oplevert (afscheiding van zwavel bij inleiden van Hs S).

IV. De onopgeloste rest wordt met koningswater overgoten en verwarmd.

1. Men verkrijgt een oplossing, welke goud of platina bevat. Men verdampt tot droog, lost de rest in water op en onderzoekt deze oplossing.

2. Er blijft een onopgeloste rest.

Deze kan nu bevatten : Ba S04, Sr S04, Ca S04, CaFl2, Si 02, Al2 03, PbS04, Pb Cl2, PbBra, Ag Cl, AgJ, Ag Br, AgCN, Sn02, gegloeid Crj 03. S, en C.

De methode van onderzoek op deze verbindingen zal later aangegeven worden, ze bestaat in hoofdzaak daarin, dat men door smelten met soda en salpeter het zuur

-ocr page 97-

81

aan natrium bindt en als natriumzout met water uittrekt, terwijl de rest dan in salpeterzuur oplosbaar is en in deze verkregen nitraten het metaal is aan te toonen.

C. ONDERZOEK TAN EENVOUDIG SAMENGESTELDE VERBINDINGEN.

I. STOFFEN, DIE IN WATER OPLOSBAAR ZIJN.

a. Opsporing der bases.

HC1. — 1. Men voegt bij de oplossing van de stof een weinig zoutzuur.

Verkrijgt men nu een wit neerslag, dan wijst dit op de aanwezigheid van lood-, zilver- of mercuroverhindin-gen, welke men onderscheidt door het neerslag met ammoniak te overgieten. Pb Cls blijft onveranderd wat uiterlijk betreft, Ag Cl lost op en Hg3 Clg wordt zwart. Verder toont men zilver aan in de oorspronkelijke oplossing met de reacties vermeld op pag. 29—31 en mercuroverhindingen volgens pag. 31.

H3 S. — 2. Verkrijgt men met zoutzuur geen neerslag, dan leidt men in de oplossing, die reeds HC1 bevat, zwavelwaterstof. Ontstaat er nu een neerslag, dan is een der metalen der of ö116 groep aanwezig. Dit neerslag overgiet men met geel zicavelammonium en verwarmt het er des noods zacht mede:

x. Het neerslag lost op. (Het metaal behoort tot de 6de groep).

Aan deze oplossing voegt men nu verdund zoutzuur

6

-ocr page 98-

82

toe tot zwak zure reactie. Er ontstaat nu wederom een neerslag.

a. Het neerslag is geel gekleurd.

Men voegt aan de oorspronkelijke oplossing ammoniak toe. Ontstaat er nu een wit neerslag, dan is tin aanwezig.

Verder toont men tin aan in de oorspronkelijke oplossing volgens pag. 17—19. Was het neerslag, dat oorspronkelijk door H2 S ontstond geel gekleurd, dan was het tin als «tewiverbinding aanwezig; was het bruin gekleurd dan als «tó^MOverbinding.

Ontstaat er door ammoniak geen neerslag in de oorspronkelijke oplossing, dan kan men tot arsenih besluiten, dat men verder volgens pag. 21—23 aantoont.

I. Het neerslag is oranjekleurig, evenals het neerslag, dat oorspronkelijk door Hs S ontstaan is. Dit wijst op antimonium, dat men verder volgens pag. 23 aantoont.

c. Het neerslag is zwart gekleurd. Goud of Platina zijn aanwezig, welke men volgens pag. 25—27 in de oorspronkelijke oplossing verder aantoont.

/3. Het neerslag lost niet op in zwavelammonium, een metaal der 5(le groep is aanwezig.

Men kookt het neerslag, na het goed uitgewasschen te hebben, met verdund salpeterzuur. Lost het nu geheel op, dan zijn kwikverhindingen afwezig.

Met deze oplossing of met de oorspronkelijke oplossing doet men de volgende reacties:

a. Door toevoeging van verdund zwavelzuur ontstaat een wit neerslag, een loodverbinding is aanwezig.

Het neerslag door zwavelwaterstof verkregen was zwart. Zie verder pag. 35.

b. Koperzouten toont men aan door aan de oplossing ammoniak toe te voegen, waardoor, indien ze aanwezig

-ocr page 99-

83

zijn, een intensief blauwe oplossing ontstaat. Het neerslag door zwavelwaterstof verkregen was zwart. Zie pag. 35.

e. Ontstaat door toevoeging van ammoniak een wit neerslag, dan is Bismuth aanwezig, het zwavelwater-stofneerslag is hier bruinzwart. Verder toont men bis-muthverbindingen aan volgens pag. 37.

d. Ontstaat door ammoniak, noch een neerslag noch een verkleuring en is daarbij het neerslag, door zwavelwaterstof verkregen geel gekleurd, dan is Cadmium aanwezig, dat men verder volgens pag. 38 aantoont.

Lost het zwarte neerslag, door zwavelwaterstof verkregen, niet op in verdund salpeterzuur, dan wijst dit op de aanwezigheid van een mercuriverbinding, die men in de oorspronkelijke oplossing verder volgens pag. 33, aantoont. (Mercuroverbindingen zijn reeds bij het onderzoek met zoutzuur ontdekt, evenals zilverbindingen).

(NH4) 2S. — 3. Heeft men met de beide voorgaande reagentia nog geen neerslag verkregen, dan voegt men bij de oorspronkelijke oplossing geel zwavelammonium en ammoniak, ontstaat er nu nog geen neerslag, dan verwarmt men.

a. Uzerverbindingen geven een zioart neerslag, dat in verdunde zuren gemakkelijk oplost.

Ter onderscheiding van ferri- en ferroverbindingen doet men de volgende reacties:

Ferri verbindingen geven met natronloog een bruin geleiachtig neerslag. Geelbloedloogzout geeft een neerslag van Berlijnsch blauw, Rhodaankalium geeft een bloedroode verkleuring. Eoodbloedloogzout kleurt de vloeistof donkerbruin.

Ferroverbindingen geven met natronloog een achtereenvolgend wit, grauw, vuilgroen, bruin neerslag van

-ocr page 100-

84

ferro- en daarna ferrihydroxyde. Geelbloedloogzout geeft een aanvankelijk wit, daarna blauw neerslag. liood-bloedloogzout geeft direct een blauw neerslag. (Zie verder pag. 43—45).

b. Nikkelverbindingen geven een zwart neerslag, dat in verdunde zuren onoplosbaar is.

Door natronloog krijgt men een groen neerslag van Ni (0H)2. (Zie verder pag. 47).

c. Kohaltverlindingen geven een zwart neerslag, dat eveneens niet oplost in verdunde zuren. Door natronloog ontstaat een hemelsblauw neerslag dat bij koken helrood of donker wordt (zie verder pag. 45).

d. Mangaanverhindingen geven een vleeschrood neerslag. Met natronloog krijgt men een wit neerslag, dat aan de lucht bruin wordt (zie verder pag. 41).

e. Chroomverhindingen geven een blamvgroen neerslag, met natroonloog krijgt men eveneens een blauwgroen neerslag, dat in een overmaat van het reagens oplost tot een smaragdgroene vloeistof. Men dampt de vloeistof uit en gloeit het residu met soda en salpeter, waarbij men een gelen rest overhoudt (Na2 Cr01), die in water oplost. (Zie pag. 51).

f. Zinkverbindingen geven een wit neerslag.

Met natronloog ontstaat een wit neerslag, dat in overmaat oplost; leidt men in deze oplossing zwavelwaterstof dan ontstaat er een wit neerslag van ZnS. (Zie pag. 39).

g. Aluminiumverhindingen geven eveneens een wit neerslag. Door natronloog ontstaat hetzelfde neerslag, dat in overmaat oplost. Door zwavelwaterstof ontstaat in

-ocr page 101-

85

deze oplossing geen neerslag, daarentegen wel door toevoeging van chloorammonium. (Zie pag. 49).

(NH4)2 CO,. — 4. Heeft men met zwavelammoninm geen neerslag verkregen, dan voegt men bij de vloeistof, zooals die op het oogenblik is, een weinig chloorammonium en dan ammoniuvicarhonaal. Krijgt men nu een wit neerslag, dan zijn Calcium-, Barium- of Slron-üumverbindingen aanwezig.

Men filtreert dit neerslag af, wascht bet uit met water en lost bet in verdund zoutzuur op. Deze oplossing dampt men tot droog in en lost het residu in water op.

a. Calciumverhin din gen geven (hierin aanwezig) geen neerslag met calciumsulfaatoplossing. Met ammonium-oxalaat krijgt men een kristallijn wit neerslag dat oplost in zoutzuur en salpeterzuur, niet in azijnzuur (zie verder pag. 55).

I. Strontiumverbindingen geven na een poosje met calciumsulfaatoplossing een wit neerslag. Een weinig van de oplossing aan een platinadraadje in de vlam gebracht kleurt deze carmijnrood (zie verder pag. 57).

c. Barmmverbindingen geven met calciumsulfaatoplossing dadelijk een wit neerslag van Ba S04. Met kaliumbichromaat geven ze een geel neerslag. De niet lichtende vlam wordt door een spoor van de oplossing geelgroen gekleurd (zie verder pag. 57).

— 5. Heeft men door ammonium-carbonaat geen neerslag gekregen, dan voegt men bij de vloeistof, zooals die op het oogenblik is, awmonium-^j/ios/i^aai-oplossing. Ontstaat er nu een wit kristallijn

-ocr page 102-

86

neerslag dan zijn er magnesiumverhindingen aanwezig, die men verder volgens pag. 53 aantoont.

6. Heeft ook ammoniumphosphaat geen neerslag gegeven, dan kunnen alleen nog maar de alkaliverhindin-gen aanwezig zijn. Om deze op te sporen gaat men als volgt te werk.

De vloeistof die nu veel ammoniumzouten bevat wordt tot droog ingedampt en de rest gegloeid. Deze bewerking dient om de ammoniumzouten te verdrijven. De rest wordt in water opgelost en deze oplossing op kalium- en natriumzouten onderzocht.

a. Natriumverbinding en kleuren de vlam sterk geel.

Door kaliumstibiaat ontstaat in de neutrale oplossing een wit neerslag. Platiuacblorideoplossing geeft geen neerslag, ook niet na toevoeging van alkohol.

b. Kaliumverbindingen deelen aan de vlam een violette kleur mede. Door platinachloride ontstaat, des noods na toevoeging van alkoliol een geel neerslag.

Door wijnsteenzuur- of natriumhydrotartraatoplossing ontstaat een wit neerslag.

Ammoniumzouten toont men in de oorspronkelijke stof aan door een weinig er van met een stukje kalk en een druppel water samen te brengen. Zijn ze aanwezig dan ontwikkelt zich ammoniak (zie pag. 61).

(3. Opsporing der zuren.

{Organische zuren zijn afwezigquot;).

Men gaat eerst na welke zuren met de gevonden bases in water oplosbare verbindingen geven, en let hierop, zoowel als op de resultaten van het voorloopig onderzoek bij de volgende onderzoeking.

-ocr page 103-

87

a. en h. Arsenigzuur en Arseenzuur zijn reeds bij het opsporen der bases gevonden. Ter onderscheiding heeft men: Men voegt bij de oplossing van de stof zilver-nitraatoplossing; bij aanwezigheid van een arsenigzuur-zout ontstaat een geel neerslag, dat in verdund salpeterzuur oplost. Is er een arseenzuurzout aanwezig dan ontstaat een roodbruin neerslag, dat eveneens in salpeterzuur oplost.

c. Koolzuur is te herkennen volgens pag. 63.

d. Zwavelwaterstof (zie pag. 65).

e. Chroomzuur is te herkennen door de gele of roode kleur der oplossing, ook door de kleursverandering, die deze door toevoeging van zuren of alkaliën ondergaat. De roode oplossing met KOH wordt geel. K2 Cr2 07 2KOH = 2K2 Or 04 Ha O; de gele oplossing met H2 S04 wordt rood 2K2 Cr 0, -j- H2 S04 = K2 Cr2 07 K2 S04 -(- H2 0 (zie verder pag. 51).

1. Een gedeelte der oplossing wordt met salpeterzuur zwak zuur gemaakt. Ontstaat hierbij een geleiachtig neerslag dan is hiezelzuur aanwezig.

2. Aan deze oplossing (onder 1. genoemd) voegt men nu chloorbarium toe, ontstaat er nu een neerslag, dat onoplosbaar is in alle zuren dan is zwavelzuur aanwezig.

3. Ontstaat er door chloorbarium geen neerslag, dan maakt men een proefje van de oorspronkelijke oplossing zwak alkalisch met ammoniak en voegt chloor-calciumoplossing toe, (ontstond door ammoniak reeds een neerslag, dan filtreert men dit af).

Ontstaat een neerslag, dan kunnen phosphorzuur, hiezelzuur, oxaalzuur, hoorzuur of fluorwaterstofzuur aanwezig zijn:

-ocr page 104-

88

Men voegt azijnzuur toe, waardoor het neerdag gemakkelijk en geheel oplost (//, P04 of Hi B03).

a. Fhwsjphorzuur toont men in de oorspronkelijke oplossing aan met magnesiamixtuur of ammoniummolyb-danaat, volgens pag. 71.

b. Boor zuur. Verdampt men de oplossing in azijnzuur tot droog, dan blijft er een rest die oplost in water. Overgiet men dien rest met geconcentreerd zwavelzuur en alkohol en steekt men dit mengsel aan, dan verbrandt de alkohol met een groen gezoomde vlam (zie

pag. 71).

Door toevoeging van azijnzuur lost het neerslag, lastig en met achterlating van doorschijnende vlokken op {II Fl of kiezelzuur).

c. Verdampt men de oplossing tot droog en bevochtigt men de rest met zoutzuur en is deze dan onoplosbaar in water, dan is kiezelzuur aanwezig.

d. Muorwaterstofzuur wordt door glasetsing ontdekt (pag. 65).

e. Door toevoeging van azijnzuur lost bet neerslag niet op, maar blijft poedervormig. Oxaalzuur.

4. Bij de oorspronkelijke waterige oplossing voegt men verdund salpeterzuur en dan zilvernitraatoplossing. \'

a. Blijft de vloeistof helder dan zijn, zeker afwezig chloor, broom^ jood, ferrocyaan, ferricyaanverbindin-gen, waarschijnlijk ook cyaniden.

b. Br ontstaat een oranjekleurig neerslag.

Ferricyaanwaterstofzuur. Men overtuigt zich verder

van de aanwezigheid van dit zuur door ferrosulfaat-

-ocr page 105-

89

oplossing toe te voegen, waardoor een blauw neerslag ontstaat.

c. Er ontstaat een wit of geelwit neerslag. Bit neerslag is onoplosbaar in ammoniak, Joodwaterstofzuur of Fer-rocyaanwaterstofzuur.

а. Joodwaterstofzuur. Voegt men bij de oorspronkelijke oplossing in water een weinig stijfseloplossing en dan een spoor chloorwater, of kaliumnitrietoplosaing met azijnzuur, dan wordt de stijfsel bij aanwezigheid Tan Jood blauw gekleurd.

/3. Ferrocy aanw aterstof zuur.

Door ferricliloride ontstaat in de oorspronkelijke oplossing Berlijnsch blauw, door ferrosulfaatoplossing eerst een wit, daarna blauw wordend neerslag.

d. Er ontstaat een wit of geelwit neerslag, dat oploslaar is in ammoniak: Zoutzuur, Broomwaterstofzuur of Cyaanwaterstofzuur.

«. Cyaanwaterstofzuur is te herkennen aan den reuk, als men de oplossing met een ziiur behandelt (pag. 67).

/3. Broomwaterstofzuur wordt aangetoond volgens pag. 67.

y. Zoutzuur is aanwezig wanneer de andere zuren niet aanwezig zijn. Het neerslag van Ag Cl is tevens oplosbaar in ammoniumcarbonaat (zie pag. 65).

5. Salpeterzuur is bij het voorloopig onderzoek reeds aangetoond met waarschijnlijkheid, verder toont men het in de oorspronkelijke oplossing aan volgens pag. 69.

б. Chloorzuur wordt aangetoond volgens pag. 69.

7. Salpeterigzuur. Hierop wordt men reeds attent gemaakt, wanneer men bij de waterige oplossing verdund

-ocr page 106-

90

zoutzuur voegt. Er heeft dan een opbruising plaats door gasontwikkeling van nitreuse dampen, die aan den reuk te herkennen zijn, en verder volgens pag. 69.

II. STOPrEN, DIE IN WATER ONOPLOSBAAR, DOCH IN ZOUTZUUR, SALPETERZUUR OF KONINGSWATER OPLOSBAAR ZIJN.

a. Opsporing der bases.

Een deel der oplossing verdunt men met water en voegt, wanneer de oplossing een salpeterzure was, eerst zoutzuur toe (zie pag. 81).

Was de oplossing door zoutzuur of koningswater geschiedt, dan leidt men dadelijk zwavelwaterstofgas in.

Hierbij is op te merken, dat die stoffen, welke in zoutzuur werden opgelost, zich in opgelosten zoowel als in onopgelosten toestand op den zelfden oxydatietrap bevinden. Bij het oplossen in koningswater of salpeterzuur worden ze niet zelden geheel of gedeeltelijk hoo-ger geoxydeerd. Heeft men daarom zulk een oplossing waarin Fe, Hg of Sn voorkomt dan moet men een bijzonder onderzoek instellen om uit te maken in welken trap van oxydatie het metaal oorspronkelijk voorhanden was, tenminste voor zooverre het karakter van de stof vóór en gedurende de oplossing dit niet reeds uitgewezen heeft. Bij kwikzouten bv. voert de behandeling met natronloog dadelijk tot een beslissing, daar dit uit mercurizouten geel Hg O en uit mercurozouten zwart Hg2 O afscheidt, terwijl de zuren in het filtraat gemakkelijk zijn aan te toonen.

Bij het onderzoek op de metalen der derde en vierde met zwavelammonium ondergaat de gewone gang onder sommige omstandigheden eene verandering, daar men

-ocr page 107-

91

op het volgende wel moet letten. Heeft men een in water oplosbaar lichaam en krijgt men door toevoeging van (NH4)g S, NH, een wit neerslag zoo kan dit slechts zijn Zn S, Al (0//)2, Si 02 of zwavel, zooals wij boven reeds gezien hebben. Anders is het wanneer het lichaam niet in water oploste, maar wel in zoutzuur. Het witte neerslag dat dan ontstaat door NHj en (NH4)2 S kan ook van phospliorzure, oxaalzure, Jciezel-zure aardalkaliën of van hunne fluorverbindingen afkomstig zijn, die alle onoplosbaar in water, oplosbaar in zoutzuur zijn , en door neutraliseeren van het zoutzuur worden neergeslagen. Zijn er organische bestanddeelen aanwezig, zoo kunnen zulke neerslagen ook van verbindingen der aardalkaliën met citroen- of wijnsteenzuur afkomstig zijn. Krijgt men dus bij onderzoek van een zure oplossing onder de gegeven omstandigheden een wit neerslag, dan gaat men als volgt te werk:

Men verdampt een proefje van de zoutzure oplossing tot droog toe, bevochtigt het residu met zoutzuur en voegt water toe. Is er Iciezelzuur aanwezig dan blijft dit onopgelost. In de oplossing bepaalt men Let metaal, volgens de methode die vroeger is aangegeven.

Men voegt bij de zoutzure oplossing wijnsteenzuur en ammoniak in overmaat, ontstaat er nu geen blijvend neerslag dan zijn de bovengenoemde zouten der aardalkaliën afwezig.

Voeg bij de oplossing in zoutzuur natronloog in overmaat. Ontstaat nu eerst een neerslag dat in overmaat oplost en door zwavelwaterstof niet, daarentegen door chloorammonium wel terugkeert dan is aluminium aanwezig.

Ontstond door natronloog een neerslag, dat in overmaat oploste en door zwavelwaterstof in deze oplossing wederom een neerslag, dan is zink aanwezig.

-ocr page 108-

92

Ontstaat er door wijnsteenzuur en ammoniak een blijvend neerslag, dan is een zout van een der aard-alkaliën aanwezig.

Oxaalzuur toont men aan door de ontwikkeling van kooloxyde, die ontstaat door de stof met bruinsteen en sterk zwavelzuur te verwarmen.

Om de basis te vinden gloeit men een proefje lost het residu in zoutzuur op en onderzoekt dit naar pag. 85. 4.

PhospJiorzuur toont men aan door aan de zoutzure oplossing ammoniak toe te voegen, en dan azijnzuur tot het neerslag, dat ontstond weer oplost. Dan voegt men natriumacetaat toe en een druppel ferrichloride-oplossing. Er ontstaat nu een wit neerslag, wanneer phosphorzuur aanwezig is. Men voegt nu meer ferri-chloride toe tot de vloeistof duidelijk rood is gekleurd, kookt, filtreert kokend eu herkent in het filtraat, dat phosphorzuur niet meer bevat, nadat men met ammoniak den overmaat ijzer heeft neergeslagen, het aardalkalimetaal.

Boorzuur ontdekt men in de zoutzure oplossing met curcumapapier. Om de basis op te sporen kookt men de oorspronkelijke stof met sodaoplossing, filtreert en wascht het neerslag uit. Dit neerslag (het carbonaat van het aardalkalimetaal) lost men nu in zoutzuur op en onderzoekt het volgens pag. 85. 4.

Fluorwatersiofzuur ontdekt men door glasetsing.

Men overgiet daartoe de oorspronkelijke stof met geconcentreerd zwavelzuur. Is het fluor verwijderd, dan onderzoekt men welk aardalkali nu aan zwavelzuur gebonden is.

Wijnsteenzuur of citroenzuur kunnen slechts aanwezig

-ocr page 109-

93

zijn, wauneer de stof in een buisje verhit een koolresidu geeft.

(3. Opsporing der zuren.

Anorganische zuren.

1. Chloor zuur kan niet aanwezig zijn, omdat aile chloraten in water oplossen. Salpeterzuur, dat in den vorm van een basisch zout kan aanwezig zijn , is reeds, evenals cyaan, bij het gloeien ontdekt. Op hiezelzuur wordt men bij de proeven met phosphorzout opmerkzaam. Door uitdampen van de zoutzure oplossing en door behandeling van het residu met water overtuigt men zich verder van de aanwezigheid daarvan.

2. Arsenigzuur, arseenzuur, koolzuur, chroom zuur en ook zwavel in den vorm van zwavelmetalea heeft men reeds bij het oplossen of bij het onderzoek der bases gevonden.

3. Men kookt de stof met salpeterzuur.

a. Een ontwikkeling van stikstofoxyde en een neerslag van zwavel wijst op een zwavelmetaal.

h. Violette dampen wijzen op een jodide.

c. Eoodbruine naar chloor riekende dampen op een bromide.

Soms nl. bij Hg2 J2, Hg2 Br2, Hg2 Gl2, vindt men de halogenen gemakkelijker, als men de stof met natronloog kookt en in het filtraat op deze onderzoekt.

4. Bij een deel van de zoo noodig gefiltreerde salpeterzure oplossing voegt men zilvernitraat, een wit neerslag, dat na uitwasschen in ammoniak en ammonium-carbonaat oplost en bij verhitting zonder ontleding smelt, wijst op chloor.

5. Men kookt een gedeelte van de stof met zoutzuur, filtreert zoo noodig en voegt na verdunnen chloor-

-ocr page 110-

94

barium toe, ontstaat er nu een wit in alle zuren onoplosbaar neerslag dan is zwavelzuur aanwezig.

6. Boorzuur zie pag. 53.

7. Is er van de genoemde zuren geen aanwezig dan kunnen phosphor zuur, oxaalzuur of fuorwaterstofzuur aanwezig zijn. Zijn deze zuren aan een alkalische aarde gebonden, dan heeft men ze reeds bij het onderzoek op het metaal ontmoet. Anders is het wanneer ze aan een ander metaal gebonden zijn.

Men slaat daarom het metaal wanneer dit is: Ag, Hg, Pb, Bi, Cu, Cd, Au, Pt, Sn, Sb, As dus tot groep V. en VI. behoort met zwavelwaterstof neer. Behoort het tot de metalen Zn, Mn, Ni, Co, Fe met zwavelammonium en filtreert. Het filtraat kookt men nu om de zwavelwaterstof te verdrijven en voegt daarvoor, wanneer men zwavelammonium heeft gebruikt eenig zoutzuur toe. Deze oplossing die zoo noodig gefiltreerd wordt onderzoekt men nu op phosphorzuuquot;, oxaalzuur en fluorwaterstofzuur.

Was de basis Al, Cr of Mg, dan reageert men op phosphorzuur met ammoniummolybdanaat in salpeterzure oplossing, op oxaalzuur met bruinsteen en zwavelzuur en op fluorwaterstofzuur door glasetsing.

III. STOFFEN, DIE IN WATER, ZOUTZUUR, SALPETERZUUR EN KONINGSWATER ONOPLOSBAAR OF ZEER LASTIG OPLOSBAAR ZIJN.

Als de stoffen, die tot deze klasse behooren en die het meest voorkomen kunnen de volgende genoemd worden: BaS04, SrS01, Ca SO,, CaFL,, Si02, A1203 (natuurlijk en gegloeid), PbS04, PbCl2, PbBr2, Ag Cl, Ag Br, Ag J, Ag CN, gegloeid en natuurlijk Sn 02,

-ocr page 111-

95

gegloeid OgOj, S en C. CaSOs en PbC^ zijn in water niet onoplosbaar, Pb SO! kan in zoutzuur opgelost worden. Deze verbindingen worden echter, daar ze zoo lastig oplosbaar zijn, dat men zelden een volkomen oplossing verkrijgt, hier nogmaals behandeld, opdat ze, ingeval ze bij het onderzoek van de waterige of zoutzure oplossing over het hoofd zijn gezien, hier gevonden worden.

1. Vrije zwavel moet bij het voorloopig onderzoek reeds gevonden zijn.

2. Koolstof is meestal zwart, in koningswater onoplosbaar. Op platinablik verbrandt het en levert met KNO, gegloeid K2 GOj.

3. Chroomoxyde is groen of zwartgroen, door gloeien met een mengsel van soda en salpeter ontstaat een gele stof, die met een gele kleur in water oplost, kalium-chromaat.

4. Men overgiet de vaste stof met geconcentreerd zwavelzuur, treden hierbij witte nevels en glasetsing op dan is jluor aanwezig. Men kookt nu de rest met zoutzuur, filtreert, neutraliseert met ammoniak en toont in het filtraat calcium door middel van ammonium-oxalaat aan.

5. Men gloeit een weinig van de stof in een buisje ontwikkelt zich den reuk naar cyaan en blijft er metallisch zilver terug dan was Ag CN aanwezig.

6. Men brengt een weinig van de stof in de door Cu O zwak blauw gekleurde boraxparel en verhit deze verder. Wordt deze nu roodbruin tot robijnrood gekleurd, dan is Sn 02 mogelijk aanwezig. Van de verdere aanwezigheid overtuigt men zich door de stof met soda en cyaankalium voor de blaasbuis te gloeien op kool. In-

-ocr page 112-

96

geval er metallisch tin terugblijft, dat men na oplossen in zoutzuur volgens pag. 17 verder herkent, was Sn 02 aanwezig.

7. Men smelt een gedeelte van de stof met een mengsel van K2 CO3 en Na NO3 samen en gloeit flink zoodat de massa door en door gesmolten is. Deze massa laat men nu bekoelen en kookt ze met water uit.

a. Ze lost geheel op.

Nu was er vrij Si 0.2 aanwezig. Het kiezelzuur toont men in de oplossing aan.

Heeft men veel soda gebruikt en zeer sterk gegloeid, dan is ook bij aanwezigheid van 03 een volkomen oplossing te verwachten. Door ammoniak ontstaat in dit geval in de oplossing een wit neerslag.

h. Be massa lost niet geheel op ; men filtreert en wascht hetgeen op het filter blijft goed uit:

x. In het filtraat reageert men op de zuren, die nu aan kalium en natrium gebonden zijn.

1. Men maakt een proefje zwak zuur met salpeterzuur en voegt zilvernitraat toe, -waardoor H Cl, HJ, H Br aangetoond kunnen worden, (voor de onderscheiding zie pag. 89).

2. Een tweede proefje maakt men met zoutzuur zwak zuur en voegt chloorbarium toe. Ontstaat er een wit neerslag, dan is zwavelzuur aanwezig.

/3. Hetgeen op het filter is gebleven wascht men goed uit met water, en lost het in verdund salpeterzuur op. Deze oplossing verdampt men tot droog en neemt de rest in water op, welke oplossing men volgens de bekende methode op Ag, Pb, Ca, Ba en Sr onderzoekt.

-ocr page 113-

97

». ONDERZOEK OP ORGANISCHE ZUREN.

Zooals in de voorrede vermeld, zullen hier aan het einde van het onderzoek van eenvoudig samengestelde verbindingen, nog eenige regelen gewijd worden aan het geval, dat het metaal aan een organisch zuur gebonden was. Uit den aard der zaak kunnen slechts weinige zuren behandeld worden en als de belangrijkste de volgende: wijnsteenzuur, oxaalzuur, citroenzuur, appel-zuur, harnsteenzuur, benzoë zuur, salicylzuur, azijnzuur en mierenzuur.

A. DB STOF LOST GEHEEL OP IN WATER.

Men gaat eerst na welke zuren met de gevonden bases in water oplosbare verbindingen geven. Ter onderscheiding moeten de organische zuren vrij of aan de basis van een alkalimetaal gebonden zijn. Is dus de basis een andere, dan moet deze eerst afgescheiden worden. Behoort de basis tot die der vijfde of zesde groep, dan wordt deze neergeslagen door zwavelwaterstof, behoort ze tot de metalen der vierde groep, dan wordt ze afgescheiden door zwavelammonium. Het afgescheiden zwavelmetaal verwijdert men door affiltreeren en het filtraat wordt met zoutzuur verwarmd en zoodoende van zwavelammonium en zwavelwaterstof bevrijd. Afgescheiden zwavel wordt door filtreeren verwijderd en nu is de vloeistof tot onderzoek op het organische zuur geschikt.

Is de basis Al of Or, dan probeert men eerst door koken met sodaoplossing een neerslag te verkrijgen, gelukt dit niet, dan slaat men een deel der oplossing met neutraal loodacetaat neer, wascht het neerslag uit, verdeelt het in water en voert zwavelwaterstof door.

7

-ocr page 114-

98

De vloeistof filtreert men van het afgescheiden Pb S af, en verdrijft de overmaat H8 S door verwarmen, waarna de oplossing voor het onderzoek gereed is.

Aluminium laat zich uit zijne oplossingen met niet vluchtige zuren ook door natriumsilicaatoplossing neerslaan. Zijn azijnzuur of mierenzuur aan bases gebonden, die hunne opsporing bemoeielijken, dan distilleert men de zouten met verdund zwavelzuur en kan deze zuren in het distillaat aantoonen.

Een deel van de waterige oplossing van het organische zuur, op een der boven beschreven methoden verkregen, maakt men nu zwak alkalisch met ammoniak en voegt chloorammonium toe. Daarna voegt men chloor-calcium toe:

1. Er ontstaat een neerslag.

a. Bit neerslag is kristallijn, en ontstaat na eenigen tijd.

Wijnsteenzuur. De geconcentreerde oplossing van het zuur geeft met kaliumacetaat of kaliumchlorideoplos-sing een neerslag.

h. Het neerslag ontstaat dadelijk, en is poedervormig.

Men voegt bij een proefje van de oplossing gipsop-lossing, ontstaat er nu een wit poedervormig neerslag, dat onoplosbaar is in azijnzuur, oplosbaar in zoutzuur en salpeterzuur, dan is oxaalzuur aanwezig.

2. Er ontstaat geen neerslag, men kookt nu de vloeistof onder voortdurend toevoegen van ammoniak.

Ontstaat er nu een neerslag, dan is citroenzuur aanwezig, dat men verder aantoont door bij de oorspronkelijke ammoniakele (geen Ca 012 bevattende) oplossing bariumacetaat te voegen, waardoor een kristallijn neerslag ontstaat.

-ocr page 115-

99

3. Ontstond er geen neerslag door koken, dan voegt men twee volumen alkohol toe.

Ontstaat er nu een neerslag, dan zijn appelzuur of barnsteenzuur aanwezig, ter onderscheiding gaat men als volgt te werk:

a. Men maakt een weinig van de oorspronkelijke oplossing met ammoniak of zoutzuur volkomen neutraal en voegt ferrichloride toe. Ontstaat er nu een bleekrood neerslag dan is barnsteenzuur aanwezig.

(3. Ontstaat er geen neerslag dan is appelzuur aanwezig.

4. Ontstaat er bij de behandeling, zooals die onder 3. is aangegeven door alkohol geen neerslag, dan zijn salicylzuur, benzoëzuur, azijnzuur of mierenzuur aanwezig.

Men neutraliseert nu de oorspronkelijke oplossing nauwkeurig met ammoniak of zoutzuur en voegt fer-richlorideoplossing toe.

ot,. Er ontstaat een violette verkleuring, die door toevoeging van zoutzuur of ammoniak verdwijnt. Salicylzuur. Voegt men bij de geconcentreerde oplossing verdund zoutzuur, zoo ontstaat daarin een wit neerslag van salicylzuur, dat door schudden met aether in den aether oplost, en daaruit bij verdampen kristalliseert.

(3. Er ontstaat een isabellakleurig neerslag. Benzoëzuur. Yoegt men bij de geconcentreerde oplossing zoutzuur, dan wordt het benzoëzuur als een wit in aether oplosbaar neerslag afgescheiden. Bij verdamping van den aether kristalliseert het zuur in kleine glinsterende naaldjes, die gesublimeerd kunnen worden.

y. Er ontstaat een roode verkleuring\', azijnzuur of mierenzuur.

-ocr page 116-

100

a. Men verwarmt een weinig van de oorspronkelijke vaste stof met geconcentreerd zwavelzuur en alkobol. Treedt de reuk naar aethylacetaat op, dan is azijnzuur aanwezig.

Ben zilvernitraatoplossing wordt door toevoeging van een azijnzuuroplossing ook bij verwarming niet gereduceerd. Sublimaatoplossing geeft ook bij verwarmen geen neerslag.

b. Is bet mierenzuur als alkalizout aanwezig, dan ontstaat door mercuronitraat een wit neerslag, dat spoedig door afscheiding van kwik zwart wordt, vooral bij verwarmen.

Sublimaatoplossing geeft, wanneer men de vloeistof zacht verwarmt, een neerslag van calomel.

Vrij mierenzuur of mierenzure alkaliën (in verdunde oplossingen) worden door zilvernitraat niet neergeslagen. Verwarmt men de oplossing dan scheidt zich metallisch zilver af, (ontstond er door Ag NO, en een formiaat-oplossing een neerslag, dan kleurt zich dit neerslag ook spoedig door afgescheiden zilver zwart).

B. DB STOF IS ONOPLOSBAAR IN WATER, OPLOSBAAR IN ZOUTZUUR, SALPETERZUUR OP KONINGSWATER.

a. Mierenzuur kan niet aanwezig zijn, daar alle for-miaten in water oplosbaar zijn.

h. Azijnzuur wordt herkend door de vorming van aethylacetaat bij verwarmen met alkohol en zwavelzuur.

c. Benzoëzuur en salicylzuur herkent men daaraan dat ze zich bij het behandelen met zoutzuur of bij het afkoelen van de zoutzure oplossing afscheiden. Het afgescheiden zuur lost gemakkelijk in aether op, en kristalliseert bij verdamping daarvan in fijne naaldjes, die

-ocr page 117-

101

men oplost in ammoniak, de overmaat ammoniak verdrijft en de neutrale oplossing verder met ferrichloride (zie pag. 99) onderzoekt.

d. Men kookt een proefje van de oorspronkelijke stof langen tijd met sodaoplossing en filtreert kokend af. In de meeste gevallen heeft men nu het organische zuur als natriumzout in oplossing. Deze oplossing maakt men nu zwak zuur met zoutzuur verdrijft het koolzuur door verwarming en onderzoekt deze vloeistof volgens pag. 98.

Bij de bases der vierde groep en ook bij aanwezigheid van lood gelukt deze afscheiding niet volkomen. In zulke gevallen voegt men na het koken met sodaoplossing aan het filtraat zwavelammonium toe, tot het metaal neergeslagen is, filtreert en volgt den gewonen gang.

E. ONDERZOEK VAN MEER SAMENGESTELDE VERBINDINGEN.

De gang van het onderzoek van meer samengestelde verbindingen is in hoofdzaak dezelfde als die, welke in het vorige hoofdstuk C. is aangegeven. Door het aanwezig zijn van verschillende metaalzouten echter, treden hier eenige complicaties op, waarop ter zijner tijd zal gewezen worden. Verder spreekt vanzelf, dat hier met het vinden van één metaal en één zuur geenszins de analyse als afgeloopen kan beschouwd worden. Heeft men bv. met het een of ander groepenreactief bv. Hs S een neerslag verkregen, dan moet het filtraat van dit neerslag wel degelijk met zwavelammonium onderzocht worden. Ontstaat hierdoor bv. geen neerslag dan is het

-ocr page 118-

102

onderzoek op de metalen der derde groep aan de beurt, en zoo voort. Men ziet hier dus uit dat Altraten en de vloeistoffen waarmee een neerslag is afgewasschen bewaard en nauwkeurig onderzocht moeten worden.

A. IN WATER, ZOUTZUTJE, SALPETERZUUR OP KONINGSWATER OPLOSBARE VERBINDINGEN.

Onderzoek op bases.

I. Behandeling van de waterige of salpeterzure oplossing met zoutzuur.

1. Men heeft een zuiver waterige oplossing.

a. Men heeft een waterige oplossing, welke zuur of neutraal reageert, en voegt een weinig verdund zoutzuur toe.

x. Ontstaat er geen neerslag dan zijn zilver en mercuro-verbindingen afwezig, doorverbindingen kunnen slechts in kleine hoeveelheden aanwezig zijn, men onderzoekt de oplossing volgens II.

/3. Er ontstaat een neerslag.

Zilver-, mercuro- of doorverbindingen zijn aanwezig.

Men filtreert het neerslag af en wascht het zorgvuldig met water uit.

Het neerslag overgiet men nu met kokend water, waarin alleen loodchloride oplosbaar is.

Was er veel lood aanwezig, dan scheidt zich het Pb Cl2 bij bekoeling der oplossing af. Scheidt zich geen Pb Cls af, dan is de afwezigheid daarvan nog niet bewezen. De vloeistof onderzoekt men nu met zwavelwaterstof, waardoor bij aanwezigheid van lood een zwarte verkleuring of een zwart neerslag ontstaat.

-ocr page 119-

103

Het zoo met kokend water uitgetrokken neerslag overgiet men nu met ammoniak.

Chloorzilver lost hierin op en het filtraat geeft met salpeterzuur oververzadigd wederom een wit kaasachtig neerslag.

Mercuroverhindingen, waren door zoutzuur als Calomel neergeslagen, dat bij de behandeling met ammoniak zwart gekleurd wordt.

Het filtraat van het neerslag, door zoutzuur verkregen, onderzoekt men volgens: II.

I. De oplossing reageert alkalisch.

«. Er ontstaat wanneer men zoutzuur toevoegt tot zure reactie geen neerslag en geen gasontwikkeling.

/3. Er ontstaat een neerslag, (en geen gasontwikkeling) dat in overmaat zoutzuur niet oplost.

aa. Een wit neerslag (onderzoek volgens 1. a. (3.).

66. Een gekleurd neerslag. Dit neerslag kan veroorzaakt worden door sulfiden van arsenik, antimoon of tin, welke in een alkalische vloeistof opgelost waren. Men filtreert ze af en onderzoekt volgens III.

De filtraten van aa en 66 worden onderzocht volgens II.

y. Er ontstaat een neerslag en gasontwikkeling treedt op.

aa. Het neerslag is wit en het gas zwavelwaterstof .

Afgescheiden zwavel.

hb. Het neerslag is gekleurd en het gas zwavehcaterstof.

Dit neerslag is ontstaan door de aanwezigheid in de oplossing van een sulfide der zesde groep, dat in een zwavelalkali opgelost was. Men filtreert dit af en onderzoekt het volgens III.

De filtraten van aa en 66 onderzoekt men volgens II.

-ocr page 120-

104

c. Er ontstaat door zoutzuur geen blijvend neerslag, daarentegen treedt gasontwikkeling op.

at. Zwavelwaterstof (Zwavelverbiudingen van groep I en II).

/3. Koolzuurgas. (Alkalicarbonaten).

•y. Cyaanwaterstof (Alkalicyanïden).

Men gaat over tot IL

2. Men heeft een oplossing in salpeterzuur.

Men verdund met veel water, ontstaat er een troe-beling, dan is bismuth waarschijnlijk aanwezig.

Men voegt salpeterzuur toe, totdat de troebeling verdwijnt en dan zoutzuur.

a. Er ontstaat geen neerslag.

Zilver- en wzemwoverbindingen afwezig (men gaat over tot II).

b. Er ontstaat een wit neerslag.

Het neerslag onderzoekt men volgens 1. a. /3.

Het filtraat volgens II.

3. Een oplossing in zoutzuur of koningswater onderzoekt men volgens II.

II. Behandeling van de oplossing der stof met zwavelwaterstof, de groepen V en VI worden neergeslagen.

Men leidt door de zwak zuur gemaakte oplossing van de stof zwavelwaterstofgas, het beste onder zacht verwarmen, tot de oplossing er sterk naar riekt.

1. Er ontstaat geen neerslag (men gaat over tot VTi.

2. Er ontstaat een wit neerslag (afgescheiden zwavel door de aanwezigheid van stoffen, die oxydeerend op de zwavelwaterstof inwerken).

-ocr page 121-

105

3. Er ontstaat een gekleurd neerdag (men gaat over tot III).

III. Scheiding van de metalen der vijfde en zesde groep, door behandeling der sulfiden met

zwavelammonium.

Een weinig van de goed uitgewasschen sulfiden (bij II verkregen) verwarmt men met geel zwavelammonium.

1. Ze lossen geheel op (afwezig groep V), men gaat over tot IV.

2. Er blijft een rest. Men filtreert deze rest af, en voegt aan het filtraat verdund zoutzuur toe.

a. Er ontstaat een zuiver wit neerslag (afwezig groep VI).

Het neerslag wordt veroorzaakt door afgescheiden zwavel uit het zwavelammonium (men gaat over tot V).

h. Er ontstaat een gekleurd neerslag, metalen der zesde groep zijn aanwezig, men onderzoekt het afgefiltreerde goed uitgewasschen neerslag volgens IV.

IV. Aantoonen van de metalen der zesde groep. As. Sb. Sn. Au. Pt.

Een grootere hoeveelheid van het met zwavelwaterstof verkregen neerslag (zie II) wordt nu met geel zwavelammonium verwarmd. Men filtreert van het onopgeloste gedeelte af, wascht dit goed uit en voegt aan het filtraat zoutzuur toe.

Het neerslag, dat nu ontstaat, bestaat uit de sulfiden van de metalen der zesde groep.

Goud en platinaverhindingen zijn afwezig.

Men verhit een weinig op een porcelein scherf. Is

-ocr page 122-

106

liet neerslag geheel vluchtig dan zijn alle leden der groep afwezig. Slechts arsenik kan aanwezig zijn.

Men dampt nu het neerslag eenige malen met rockend salpeterzuur in, waardoor het Asj S3 in As^Oj wordt omgezet. Dit nu lost men op in ammoniak en men toont in deze oplossing het arsenik volgens een der bekende methoden aan.

Blijft er bij het verhitten een vaste rest dan kunnen As. Sb en Sn aanwezig zijn.

Men kookt nu het neerslag met sterk zoutzuur.

1. Er blijft een gele rest, afkomstig van zwavelarse-nik, dat niet oplost, men filtreert af en onderzoekt het filtraat volgens 2.

2. Het neerslag lost geheel op. Arsenik is afwezig.

In de oplossing (ook het filtraat van 1) kunnen nu

antimoonchloride en tinchloruur aanwezig zijn.

Men kookt nu tot alle zwavelwaterstof ontweken is en voegt sublimaatoplossing toe.

Ontstaat daardoor een wit, naderhand donkerder en zwart wordend neerslag, dan is tin aanwezig. (Het tin is in deze oplossing als #lt;ö«?40verbinding aanwezig. Om na te gaan in welken toestand het in de oorspronkelijke stof voorhanden was, voegt men aan de oplossing daarvan sublimaatoplossing toe. Ontstaat er nu ook een neerslag van calomel, dan was ook hier een stannover-binding aanwezig. De oplossing mag echter geene in salpeterzuur of koningswater zijn, daar deze oplosmiddelen stanno- tot stanniverbindingen oxydeeren).

Een ander gedeelte van de oplossing brengt men op een platinablikje en legt daarop een stukje zuiver zink. Het ontstaan van een zwarte vlek toont de aanwezigheid van antimoon aan. Deze vlek lost na goed afge-

-ocr page 123-

107

wasschen te zijn in sterk salpeterzuur op onder vorming van antimoonzuur. Men verwijdert het salpeterzuur door uitdampen, verdunt met water en in de zoo verkregen oplossing doet zwavelwaterstof het bekende oranjekleurige neerslag ontstaan.

Goud en platinaverhindingen kunnen aanwezig zijn.

Men vervluchtigt arsenik, antimoon en tin door het mengsel der sulfiden met een mengsel van 5 deelen chloorammonium en 1 deel ammoniumnitraat te verhitten. De ontwikkelde dampen (chloorverbindingen der metalen) voert men in water. Het best geschiedt dit door de sulfiden met NH4 Cl en NH4 N03 te vermengen en dit mengsel in een buis van moeielijk smeltbaar glas in een porceleinen schuitje te gloeien. Door de buis zuigt men een luchtstroom, welke, zoodra hij de buis verlaat, door een waschfleschje met water wordt geleid. Hierin worden de chloriden teruggehouden en dus is dit water op As, Sb en Sn te onderzoeken. (Een groot gedeelte dezer chloriden blijft ook in het koudere gedeelte der buis hangen, waarom men deze na verwijdering van het schuitje ook met water uitspoelt. Is antimonium aanwezig, dan is de oplossing vaak troebel door de afscheiding van basisch antimoon-chloride.

De rest in het schuitje lost men op in koningswater, deze oplossing verdampt men tot droog om salpeterzuur en zoutzuur te verdrijven, en de rest neemt men in zeer weinig water op.

Ohloorkaliumoplossing doet hierin een geel neerslag ontstaan, wanneer platina aanwezig is.

Is goud aanwezig, dan ontstaat door ferrosulfaat een zwart neerslag van metallisch goud.

-ocr page 124-

108

Stannochloride, dat een spoor stannichloride bevat geeft een purperkleurig neerslag, (purper van Cassius).

V. Aantoonen van de metalen der vijfde groep, (Pb, Bi, Gu, Cd en mercuri-verbindingen); (mercuro- en zilverzouten zijn reeds bij I. gevonden).

Het neerslag der zwavelverbindingen, dat niet in zwavelammonium oplosbaar is, wordt nu nadat het volkomen uitgewasscben is met verdund salpeterzuur gekookt.

1. Het neerslag lost geheel op, behalve eenige afgescheiden zwavel. Kwikverbindingen zijn afwezig.

Men verdrijft het salpeterzuur door herhaald indampen en voegt verdund zwavelzuur toe.

Ontstaat er nu geen wit neerslag, dan is lood afwezig. Men voegt een overmaat ammoniak toe.

a. Er ontstaat geen neerslag. Bismuth afwezig.

Zijn koperverbindingen aanwezig, dan treedt een intensief blauwe kleur op.

Men dampt de oplossing tot bijna droog in en lost in weinig zoutzuur op.

cc. Een gedeelte onderzoekt men met ferroc vaan kalium een bruin neerslag wijst koper aan.

/3. Men voegt nu zwaveligzuur en rhodaankalium toe om al het koper neer te slaan (natuurlijk niet wanneer koper afwezig is). Men filtreert en leidt in het filtraat zwavelwaterstof. Is Cadmium aanwezig dan ontstaat een geel neerslag.

b. Ontstaat door ammoniak een wit neerslag dan is Bismuth aanwezig. Men filtreert dit neerslag af en onderzoekt het filtraat op koper en cadmium.

-ocr page 125-

109

Het neerslag zelf lost men in een spoortje zuur op en voegt dan veel water toe. Een troebeling bevestigt de aanwezigheid van bismuth.

Ontstond door zwavelzuur in de salpeterzure oplossing een neerslag, dan was lood aanwezig. Men dampt de oplossing met verdund zwavelzuur in tot er salpeter-zuurdampen ontwijken. Dan lost men op in water en filtreert. Het filtraat onderzoekt men op bismuth, koper en cadmium.

2. Het neerslag lost niet geheel op, doch er blijft een zwarte rest onopgelost. Men filtreert het onopgeloste deel af en onderzoekt het filtraat op lood, bismuth, koper en cadmium.

Het onopgeloste zwarte gedeelte lost men op in koningswater of in zoutzuur met een weinig kaliumchlo-raat. Deze oplossing verdampt men tot droog en lost het residu in water op. Het hwïk is nu als mercurizout in oplossing en is gemakkelijk door stannochloride, natronloog enz. aan te toonen.

VI. Aan toonen van de metalen der derde en

vierde groep, als ook van die zouten der aardalkaliën, die uit hunne zure oplossing door ammoniak worden neergeslagen; phosphaten,

borate n, oxalate n,

silicaten en fluoriden.

1. Men kookt de oplossing, waarin zwavelwaterstof geen neerslag heeft gegeven, of het filtraat van het neerslag, ingeval er een ontstaan is, met een paar druppels salpeterzuur om alle zwavelwaterstof te verdrijven. Men voegt nu ammoniak toe tot zwak alkalische reactie,

-ocr page 126-

110

en ziet of er een neerslag ontstaat en dan zwavelammo-nium, ook wanneer ammoniak reeds een neerslag gegeven heeft.

a. Er ontstaat noch door ammoniak, noch door zwavel-ammonium een neerslag. Men gaat over tot VIL

h. Er ontstaat door ammoniak geen neerslag, wel daarentegen door zwavelammonium.

Afwezig zijn de bovengenoemde zouten der aardalka-liën, kiezelzuur, ijzer, chroom en aluminium.

c. Er ontstaat door ammoniak een neerslag.

x. De oorspronkelijke oplossing was eene in water ^ die neutraal reageerde: In dit geval kunnen de genoemde verbindingen der aardalkaliën, fluor- en kiezel\' zuurverbindingen niet aanwezig zijn.

(3. De oplossing reageerde zuur, alle genoemde verbindingen kunnen aanwezig zijn.

y. De oplossing reageerde alkalisch: kiezelzuur, alu-miniumphosphaat en chrooraphosphaat kunnen slechts aanwezig zijn.

2. Onderzoek op de metalen der vierde en derde groep.

De genoemde zouten der aardalkaliën zijn afwezig.

Bij een grooter gedeelte van de volgens VI. 1. toebereide oplossing voegt men nu ammoniak en zwavelammonium tot de oplossing er naar riekt. Er ontstaat nu in het algemeen een gekleurd (zwart) neerslag, dat men affiltreert en goed met water uitwascht.

Het filtraat onderzoekt men volgens VII.

Het neerslag overgiet men nu met verdund zoutzuur.

a. Het lost geheel op, (afwezigheid van kobalt en nikkel)..

Deze oplossing kookt men nu om alle zwavelwaterstof te verdrijven, voegt eenige druppels salpeterzuur

-ocr page 127-

Ill

toe om ferro- tot ferrizouten te oxydeeren, en dampt tot een klein volume in. Aan deze oplossing, die nu de chloriden van Al. Zn. Fe, Cr en Mn kan bevatten, voegt men natronloog in overmaat toe, en kookt de vloeistof met het neerslag, dat eventueel ontstaat eenigen tijd. Daarop filtreert men het opgeloste A, van het onopgeloste gedeelte B af.

aa. De oplossing A. kan nu zink en aluminium bevatten.

Men leidt door de oplossing zwavelwaterstof. Ontstaat nu een wit neerslag, dan is zink aanwezig. Het neerslag filtreert men af, lost het op in verdund zoutzuur, en toont in deze oplossing het zink nader aan.

Bij een ander deel van de oplossing voegt men vast ammoniumchloride. Ontstaat daardoor een wit volumineus neerslag, dan was aluminium aanwezig.

bh. Het neerslag B. kan nu ijzer, chroom en mangaan bevatten, ook zinkhydroxyde kan aanwezig zijn.

a. Ben gedeelte lost men in verdund zoutzuur op en toont in deze oplossing het ijzer met rhodaankalium of ferrocyaankalium aan, waardoor een roode verkleuring resp. een blauw neerslag ontstaat. Het ijzer is hier als ferriverbinding aanwezig. Om aan te toonen in welken oxydatietoestand het oorspronkelijk aanwezig was bezigt men de oorspronkelijke oplossing.

/3. Een ander gedeelte smelt men in een kroesje samen met een mengsel van soda en salpeter. Is chroom aanwezig, dan is de smeltmassa geel gekleurd. Lost men na bekoeling de massa op in water, dan vertoont de oplossing een min of meer sterk gele kleur. Men kookt nu met eenige druppels verdund salpeterzuur om het koolzuur te verdrijven. Voegt men aan deze oplossing, die zuur reageert een oplosbaar loodzout toe, dan

-ocr page 128-

112

ontstaat er een geel neerslag yan loodchromaat, indien chroom aanwezig is.

y. Om in het neerslag B. zink en mangaan aan te toonen, moet men eerst ijzer- en chroomverbindingen verwijderen. Dit geschiedt als volgt:

Men lost een gedeelte van het neerslag in verdund zoutzuur op, zorgdragende geen overmaat zoutzuur te gebruiken, en digereert deze oplossing met versch ge-praecipiteerd bariumcarbonaat.

Hierdoor worden ferri- en chroomchloride in onoplosbare carbonaten omgezet, terwijl zink- en mangaan-chloride onaangetast blijven, terwijl bariumchloride in oplossing is gegaan.

Men filtreert nu en voegt aan het filtraat verdund zwavelzuur toe, waardoor bariumchloride als bariumsulfaat wordt neergeslagen. Na wederom gefiltreerd te hebben is de oplossing voor het onderzoek op mangaan en zink gereed. Men dampt de oplossing tot een klein volume in en voegt een overmaat natronloog toe.

Er ontstaat een neerslag, dat niet in overmaat oplost, en van een witte een meer en meer bruine kleur aanneemt. Mangaan aanwezig. Tot nadere overtuiging kookt men de oplossing met een weinig menie en salpeterzuur waarbij het manganozout tot overman-gaanzuur wordt geoxydeerd, herkenbaar aan de purper-roode kleur waarmede het oplost.

/3/3. Het filtraat van het neerslag bij xx. met natronloog ontstaan, of indien er geen neerslag is ontstaan, de oplossing, die door natronloog sterk alkalisch is geworden, onderzoekt men als volgt. Men leidt zwavelwaterstof door, waarmede bij aanwezigheid van zink een wit neerslag ontstaat.

-ocr page 129-

113

i. Het neerslag door ammoniak en zwavelammonium verkregen , lost niet geheel op, doek laat een zwarte rest. {Nikkel en kobalt aanwezig).

Men filtreert het opgeloste Tan het onopgeloste af en onderzoekt de oplossing volgens a.

Het onopgeloste gedeelte verwarmt men nu met salpeterzuur of koningswater, waardoor het oplost. Deze oplossing dampt men tot een klein volume in en neemt de rest op in water.

Is de oplossing rood gekleurd, dan is bepaald kobalt aanwezig, een groene kleur wijst op nikkel.

Bij de oplossing voegt men nu een geconcentreerde oplossing van kaliumnitriet en een weinig verdund azijnzuur. Een geel kristallijn neerslag wijst op kobalt. Men slaat al het kobalt op deze wijze neer en voegt aan het filtraat natronloog toe. Een lichtgroen neerslag toont nu de aanwezigheid van nikkel aan.

3. Alle genoemde verbindingen, die door ammoniak en zwavelammonium kunnen neergeslagen worden zijn aanwezig.

Men voegt bij de oplossing ammoniak en zwavelammonium en filtreert het neerslag, nadat de vloeistof eenigen tijd verwarmd is, af. Het neerslag wascht men goed uit en lost het op in verdund zoutzuur. Het filtraat van dit neerslag onderzoekt men volgens VII.

a. Er blijft een rest, welke van zwavelkohalt, zwavel-nikkel, zwavel, jluorcalcium of kiezelzuur kan afkomstig zijn. Men filtreert af en onderzoekt het filtraat volgens bi

De onopgeloste rest kookt men met koningswater.

Nikkel en kobaltsulfide lossen op (zie VI. 2. b.\').

Kiezelzuur blijft onopgelost terug.

8

-ocr page 130-

114

Zwavel blijft onopgelost terug en is na affiltreeren te verbranden.

Een gedeelte van het neerslag gloeit men en verhit dan met geconcentreerd zwavelzuur om fluor aan te toonen. Wordt fluor gevonden, dan onderzoekt men de rest op halk.

Is kiezelzuur aanwezig, dan wordt er bij gelijktijdige aanwezigheid van fluor kiezelfluorwaterstofzuur door verwarmen met zwavelzuur gevormd. Men verwarmt nu in een buisje, waarop door middel van een doorboorde kurk een van binnen vochtig afvoerbuisje is geplaatst. Wordt er nu kiezelfluorwaterstofzuur ontwikkeld, dan ontstaat er in het afvoerbuisje een troebeling door afscheiding van kiezelzuur.

h. Er Hij ft geen rest, behalve een weinig zwavel.

x. Men voegt aan de oplossing verdund zwavelzuur en, wanneer niet dadelijk een neerslag ontstaat 3 volumen alcohol. Men filtreert het neerslag af en onderzoekt het filtraat volgens j3.

Het neerslag smelt men met natrium- en kalium-carbonaat flink samen, trekt de bekoelde massa uit met water, lost de rest op in verdund zoutzuur en onderzoekt deze oplossing op Calcium, Barium en Strontium volgens VIL

Ontstond door toevoeging van 3 volumen alcohol ook geen neerslag, dan waren aardalkaliën afwezig en wordt de oplossing volgens /3. verder onderzocht.

/3. De oplossing oxydeert men met salpeterzuur en onderzoekt een gedeelte ervan op ijzer door toevoeging van rhodaankalium of ferrocyaankalium. Heeft men zich van de af- of aanwezigheid van ijzer overtuigd, dan voegt men zooveel ferrichlorideoplossing toe, totdat een proefje met ammoniak een geelachtig neerslag geeft.

-ocr page 131-

115

Nu dampt men tot een kleine rest in en voegt soda-oplossing toe om het vrije zuur te binden en dan barium-carbonaat in overmaat.

Men laat nu staan, totdat de bovenstaande vloeistof kleurloos is geworden en filtreert dan af.

Het filtraat kan nu mangaan en zink bevatten waarnaar men volgens VI. 2. a. y. onderzoekt.

Het neerslag kan chroom en aluminium bevatten.

Een gedeelte ervan smelt men met soda en salpeter en herkent chroom door het gevormde natriumchromaat aan te toonen.

Een ander deel kookt men met sterke natronloog en filtreert. Ontstaat in het filtraat door chloorammonium een wit neerslag, dan is aluminium aanwezig.

N.B, Onder zoele op de zuren, die in het neerslag door ammoniak en zwavelammonium verkregen aanwezig kunnen zijn.

Men lost het neerslag op in verdund zoutzuur en kookt tot alle zwavelwaterstof is verdreven.

a. Een gedeelte dampt men tot droog in en behandelt de rest met zoutzuur, lost deze niet op, dan is kiezelzuur aanwezig.

De oplossing dampt men met salpeterzuur in en onderzoekt met ammoniummolybdanaat op phosphorzuur.

h. Een ander gedeelte slaat men met overmaat soda-oplossing neer, filtreert en dampt het filtraat tot een klein volume in. Nu maakt men zwak zuur met azijnzuur en voegt gipsoplossing toe. Een wit neerslag wijst op oxaalzuur.

Een ander gedeelte van het filtraat maakt men zuur met zoutzuur en reageert met Curcumapapier. Wordt dit rood gekleurd, dan is boorzuur aanwezig.

-ocr page 132-

116

c. De rest slaat men neer met ammoniak, filtreert en onderzoekt het filtraat, dat men tot droog indampt, op fluor volgens VI. 3. a.

VIL Onderzoek op de metalen der derde

groep, die bij aanwezigheid van chloor-ammonium en ammoniak door am-moniumcarbonaat worden neergeslagen, (Calcium, Barium en Strontium).

Bij de oplossing, waarin ammoniak en zwavelammo-nium geen neerslag hebben gegeven, of, indien er een neerslag was ontstaan, bij de vloeistof, die van dit neerslag is afgefiltreerd, voegt men een weinig chloor-ammoniumoplossing en dan ammoniumcarbonaat.

a. Er ontstaat geen neerslag. Afwezig de metalen, die boven genoemd zijn, Ca, Ba, Sr.

Men gaat over tot VIII.

h. Er ontstaat een neerslag. Dit neerslag kan nu de carbonaten van calcium, barium en strontium bevatten.

Men filtreert het neerslag af en wascht dit goed uit. Het filtraat onderzoekt men volgens VIII.

Het neerslag lost men in zoo weinig mogelijk verdund zoutzuur op. Deze oplossing verdampt men tot droog, lost het residu in water op, filtreert zoo noodig, en verdampt wederom tot droog. Deze droge rest kan nu Sr Cls, Ba Cl, en Ca Cl9 bevatten.

Men kookt nu uit met absoluten alcohol, waardoor Ca Clg en Sr Cl8 in oplossing gaan, terwijl Ba 01s onopgelost blijft.

Men filtreert deze oplossing af, en lost hetgeen onopgelost is gebleven in water op.

a. Deze waterige oplossing bevat nu het iariumchlo-

-ocr page 133-

117

ride, indien dit aanwezig is. Gipsoplossing of zwavel-ztmr geeft daarin dadelijk een wit neerslag, dat in alle zuren onoplosbaar is. Door kaliumcliromaat-oplossing ontstaat in de met azijnzuur zuur gemaakte vloeistof

een geel neerslag van hariumchrornaat.

/

h. Aan de alcoholische oplossing voegt men yerdund zwavelzuur toe, waardoor Ca S04 en Sr SOj neerslaan. Dit neerslag wordt afgefiltreerd, met verdunden alcohol afgewasschen, en daarna met een geconcentreerde oplossing van ammoniumsulfaat en ammoniak gekookt, onder voortdurende toevoeging van ammoniak. Het strontimi-sulfaat blijft onopgelost, terwijl calciumsulfaat opgelost wordt. Deze oplossing wordt afgefiltreerd en sterk met water verdund. Is calcium, daarin aanwezig, dan ontstaat door ammoniumoxalaat een wit neerslag.

Een andere methode om calcium en strontium te scheiden is de volgende:

De alcoholische oplossing der chloriden verdampt men tot droog en behandelt de rest eenige malen roet geconcentreerd salpeterzuur, waardoor de chloriden in nitraten worden omgezet. De oplossing dezer nitraten wordt nu weer tot droog ingedampt en de rest zeer fijn gewreven. Deze rest digereert men nu met alcohol en aether, waardoor alleen calciumnitraat oplost. Deze oplossing filtreert men af. Zwavelzuur geeft daarin, als calcium aanwezig is een wit neerslag. Verjaagt men den alcohol en lost men het residu in water op, dan ontstaat door ammoniumoxalaat, wanneer calcium aanwezig is, eveneens een wit neerslag.

De rest, die niet in alcohol en aether is opgelost, lost men nu in weinig water op. Uit deze oplossing van strontiumnitraat slaat nu door gipsoplossing Sr S04 neer.

-ocr page 134-

118

Een druppel van de oplossing aan een platinadraadje in de vlam gebracht kleurt deze intensief rood.

VUL Onderzoek op Magnesium.

De vloeistof, waarin ammoniumcarbonaat geen neerslag heeft teweeggebracht, of die, welke van het neerslag is afgefiltreerd, wordt nu een weinig door indampen geconcentreerd. Aan deze geconcentreerde oplossing voegt men nu nog eenig chloorammonium en ammoniak toe, en daarna ammoniumphosphaatoplossing. Ontstaat nu dadelijk een wit neerslag, dan is magnesium in grootere hoeveelheden aanwezig. Ontstaat het neerslag niet dadelijk, dan is magnesium in kleine hoeveelheid aanwezig, wanneer zich door wrijven van het glas, waarin de oplossing zich bevindt, met een glasstaafje het neerslag aan de gewreven plaatsen afzet.

Het filtraat van dit neerslag onderzoekt men volgens IX., evenals de geheele oplossing wanneer er geen neerslag ontstaan is.

IX. Onderzoek op de alkalimetalen.

K. — Na. — Li.

Waren magnesiumzouten niet aanwezig, dan kan men het filtraat van het neerslag der metalen van de tweede groep zoo tot verder onderzoek gebruiken.

Was magneshim aanwezig, dan moet dit eerst verwijderd worden. Men verdampt de oplossing tot droog en gloeit de rest om de ammoniakzouten te verdrijven. Wat nu overblijft lost men op in water en voegt aan deze oplossing chloorbariumoplossing toe, tot er geen neerslag meer ontstaat, en dan verscb bereid barytwater, tot curcumapapier wordt bruin gekleurd. Nu kookt men eenigen tijd en filtreert.

-ocr page 135-

119

Aan het filtraat voegt men ammoniumcarbonaat en ammoniak toe, totdat geen neerslag meer ontstaat, ver-■warmt eenigen tijd en filtreert wederom.

Het filtraat verdampt men tot droog en gloeit de rest om de ammoniakzonten, die er nu -weer ingebracht zijn te verdrijven. Blijft er nu geen rest over, dan zijn de alkalimetalen afwezig, en blijft alleen nog het onderzoek op ammoniumzouten uit te voeren (X.).

Er blijft een rest. Deze rest lost men nogmaals op in water, voegt wederom ammoniumcarbonaat en ammoniak toe, filtreert zoo noodig, dampt tot droog in en gloeit het residu. Blijft er nu wederom een rest, dan zijn de alkalimetalen aanwezig.

Men lost deze rest herhaalde malen in geconcentreerd zoutzuur op om de zoutzure zouten der alkaliën te krijgen en dampt ten slotte deze oplossing tot droog in.

Deze droge rest, bestaande uit Li 01, Na 01, KOI, digereert men nu met absoluten alcohol en aether, waardoor alleen Li 01 oplost.

Deze oplossing verdampt men; blijft er een rest, dan is de aanwezigheid van lithium waarschijnlijk, welk metaal men verder volgens pag. 61 aantoont.

Het gedeelte, dat niet in alcohol en aether oploste, kan nu chloorkalium en chloornatrium bevatten.

Men lost deze rest op in zeer weinig water, en voegt aan een gedeelte van deze oplossing platinachloride toe, en zoo noodig een weinig alcohol.

Ontstaat er nu een geel neerslag, dan is kalium aanwezig. (Deze reactie gaat niet wanneer er jodiden in de oplossing aanwezig zijn).

Bij een ander proefje voegt men natriumhydrotartraat-oplossing, waardoor bij aanwezigheid van kalium een neerslag ontstaat.

-ocr page 136-

120

Bij een derde proefje voegt men een oplossing van kaliumstibiaat; een wit neerslag wijst op natrium.

Met een druppel yan de oplossing doet men eene Tlamreactie, door deze aan een platinadraadje in de niet lichtende vlam te brengen. Een gele vlam wijst op natrmmzouten, beschouwt men deze door een stuk kobaltglas en neemt men dan een violette vlam waar, dan zijn kaliumzouten aanwezig.

X. Onderzoek op ammoniumzouten.

Hiertoe bezigt men de oorspronkelijke vaste stof. Men wrijft deze samen met een weinig kalk en een druppel water. Dit mengsel doet men op een horlogeglas, dat men door een ander horlogeglas bedekt. Tegen dit laatste brengt men een stukje vochtig rood lakmoes-papier aan, zorgdragende, dat dit niet met het mengsel in aanraking komt. Wordt dit papiertje nu blauw gekleurd, dan was er een ammoniumzout aanwezig.

Onderzoek op zuren.

IN WATER OPLOSBARE VEEBINDINGEN.

Hierbij moet men in de eerste plaats in aanmerking nemen, welke zuren met de gevonden bases hier kunnen voorkomen. Het best kan men nu de metalen door sodaoplossing neerslaan en het filtraat op de zuren onderzoeken. De volgende zuren heeft men reeds bij het onderzoek op bases leeren kennen: Hj As O,,, H3 As O3, CO,,, Hg S, H3 Cr 04 (chromaten, bichromaten), H6 Fe2 (CN)i2 (ferricyaanwaterstofzuur door de kleurs-verandering bij het doorleiden van zwavelwaterstof en het blauwe neerslag, dat na dit doorleiden met ferri-sulfaat ontstaat). Si 02 door de boraxparel.

-ocr page 137-

121

Men onderzoekt de reactie der vloeistof en maakt deze, als ze niet neutraal is, met ammoniak of salpeterzuur neutraal, ontstaat hierbij een neerslag van Si 02 of Mg (0H)2, dan filtreert men dit af. Ontwikkelt zich COg, dan moet dit door koken verwijderd worden.

1. Bij een proefje voegt men nu hariumnitraatoplussing.

a. Er ontstaat een neerslag, onoplosbaar in salpeterzuur. Zwavelzuur aanwezig.

Lost het neerslag op in salpeterzuur, dan kan zwavelzuur niet aanwezig zijn.

h. Er ontstaat geen neerslag, H2 SO,, Hrt P04, H3 Cr 04, Si 03, (CO 0H)S, H3 As O3, H3 As 04 alsook grootere hoeveelheden boorzuur en fluorwaterstofzuur zijn afwezig.

2. Bij een tweede proefje voegt men zilvernitraatop-lossing.

a. Er ontstaat geen neerslag. Aanwezig kunnen zijn chloorzuur en salpeterzuur.

«. Overgiet men de vaste stof met geconcentreerd zwavelzuur en treden er eigenaardig riekende geelkleurige dampen op, dan is chloorzuur aanwezig.

Voegt men bij de oplossing geconcentreerd zwavelzuur, een weinig zwaveligzuur en indigooplossing, dan wordt deze laatste terstond ontkleurd, (onderscheid van salpeterzuur).

/3. Op salpeterzuur reageert men door de ringreactie met ferrosulfaat en zwavelzuur (zie pag. 69). (Deze reactie moet natuurlijk in de oplossing plaats vinden, waarbij men zelf geen salpeterzuur heeft gevoegd).

Deze reactie wordt verhinderd of minder duidelijk door HJ, H Br, Hg Cr Oj en H Cl O3, waarom men deze eerst verwijdert:

-ocr page 138-

122

EJ en H Br dooi\' zilversulfaatoplossing.

Hs Cr O, door reduceeren met zwaveligzuur; het chroomoxyde slaat men nn door ammoniak neer.

Om H 01 O3 te verwijderen gloeit men de verdam-pingsrest der oplossing lang maar niet te sterk.

Ohloraten worden nu in chloriden omgezet en na oplossing kan men het salpeterzuur aantoonen.

Voegt men geconcentreerd zwavelzuur en dan indigooplossing, dan wordt deze dadelijk ontkleurd.

h. Er ontstaat een neerslag. Men let op de kleur van dit neerslag:

Ag 01, Ag Br, Ag ON, Ag, Fe (ON)0 (OOOAg)2, Ags Si O3, Agj BOg, zijn wit.

Ag J, Agj PO,, AgjAsOg zijn geel.

Ag,, As 04, Ag0 Fe2 (0N)12 zijn bruinrood.

Ag8 Or 04 purperrood.

«. Het neerslag lost geheel op in verdund salpeterzuur.

Aanwezig kunnen zijn: H, P04, H.3 BO3, Si 02, (COOH)2, HP1, H3ASO3, H3As04, H2 Cr O,.

ÏÏ3 As O3, H3 As 04, H2 Or 04 zijn reeds bij het onderzoek op de bases gevonden.

Op H3 P04, H3 BO3, Si 02, (OOOH)2 moet slechts onderzocht worden wanneer bij 1, een neerslag is ontstaan, dat geheel of gedeeltelijk in salpeterzuur oploste.

aa. Onderzoek op phosphor zuur.

Men onderzoekt de heldere neutrale oplossing der oorspronkelijke stof met magnesiummixtuur, en een ander deel na toevoeging van salpeterzuur met ammonium-molybdanaat (zie pag. 71).

bh. Onderzoek op Fluorwaterstof zuur.

Een weinig van de vaste oorspronkelijke stof verhit men met geconcentreerd zwavelzuur en ziet of men glasetsing kan waarnemen.

-ocr page 139-

123

Bij aanwezigheid van kiezelzuur neemt men de voor-Eorg, beschreven op pag. 114.

cc. Onderzoek op oxaalzuur.

Men verwarmt de oorspronkelijke stof met een weinig verdund zwavelzuur om de carbonaten te ontleden en verdrijft het koolzuur door koken. Nu voegt men ge-poederden carbonaatvrijen bruinsteen en eenig geconcentreerd zwavelzuur toe en kookt wederom. Treedt er nu weer koolzuurontwikkeling op, dan is oxaalzuur aanwezig.

dd. Onderzoek op boorzuur.

Men maakt de oorspronkelijke oplossing der stof zwak zuur met zoutzuur. Wordt nu door deze oplossing cur-cumapapier bruin gekleurd, dan is hoorzuur aanwezig. Chloorzuur, chroomzuur en joodwaterstofzuur verhinderen deze reactie. Men verwijdert ze volgens 2. /3.

ee. Onderzoek op kiezelzuur.

Is kiezelzuur bij het onderzoek op bases niet gevonden, dan dampt men een weinig van de met soda ge-praecipiteerde waterige oplossing tot droog in. De rest bevochtigt men herhaald met zoutzuur. Is deze nu onoplosbaar, dan is kiezelzuur aangetoond.

/3. Het neerslag lost niet of niet geheel op in verdund salpeterzuur.

Aanwezig kunnen zijn H Cl, H Br, HJ, H4 Fe (CN)(i, Ho Fe3 (CN)la.

Het neerslag onderzoekt men als volgt:

a. Bij de oorspronkelijke of door sodaoplossing neergeslagen vloeistof voegt men een weinig zoutzuur en dan ferrosulfaatoplossing. Ontstaat er nu een spoedig donkerblauw wordend neerslag, dan is daardoor ferro-cyaanwaterstof zuur aangetoond. Door ferrichlorideoplos-

-ocr page 140-

124

sing ontstaat dadelijk dat blauwe neerslag van Berlijnsch blauw. De oplossing moet voor deze reactie\'s met zoutzuur zwak zuur worden gemaakt.

h. Is het neerslag door zilvernitraat verkregen oranjekleurig, dan wijst dit op ferricyaanwaterstof zuur. Is dit aanwezig, en voegt men bij de oorspronkelijke oplossing, die door zoutzuur zwak zuur is gemaakt, ferrosul-faatoplossing, dan ontstaat daardoor een blauw neerslag, ferrichloride doet geen neerslag ontstaan, doch kleurt alleen de oplossing donkerbruin.

c. Onderzoek op cyaanwaterstofzuur.

Zijn ferro- en ferricyaanwaterstofzuur afwezig, dan ia het onderzoek eenvoudig.

Men ontdekt het blauwzuur in de eerste plaats door den geur, die vooral bij zacht verwarmen met een verdund zuur sterk optreedt.

Om het verder aan te toonen voegt men bij de oorspronkelijke oplossing eenig ferrosulfaat, een spoortje ferrichlorideoplossing en een weinig natronloog. Nu verwarmt men een oogenblik zacht en voegt dan verdund zoutzuur toe.

Was er nu blauwzuur aanwezig geweest, dan ontstaat er een neerslag van Berlijnsch blauw (zie pag. 69).

Zijn IT4 Fe (ON)0 en HG Fe3 (0N)13. aanwezig dan moeten deze eerst verwijderd worden, dit geschiedt op de volgende methode:

Men maakt de oplossing zwak zuur met verdund zwavelzuur en slaat het ferricyaanwaterstofzuur met ferrosulfaat, het ferrocyaanwaterstofzuur met ferrisul-faat neer, filtreert van het neerslag af en onderzoekt het filtraat op blauwzuur. Mocht deze scheiding niet gemakkelijk gaan, dan drijft men het blauwzuur uit de

-ocr page 141-

125

zure oplossing door middel van een luchtstroom oyer, dien men dan door verdunde natronloog laat gaan. Door deze natronloog wordt het blauwzuur nu geabsorbeerd en is daarin gemakkelijk aan te toonen.

d. Onderzoek op Cl , Br en J in het neerslag door zilvernitraat verkregen en dat onoplosbaar is in salpeterzuur.

aa. Zijn de onder a, b en c genoemde zuren aanwezig dan moeten deze eerst verwijderd worden.

Voor het onderzoek op HON heeft men reeds de twee eerstgenoemde zuren moeten verwijderen, en in het filtraat van het neerslag van Berlijnsch blauw, dat hierbij ontstond, cyaan aangetoond. Dit filtraat geeft nu met zilvernitraat een neerslag dat Ag ON, Ag Cl, Ag Br en Ag J kan bevatten.

Men gloeit dit neerslag, waardoor cyaanzilver ontleed wordt.

Ook kan men het geheele neerslag, dat door zilvernitraat verkregen is, gloeien, hierbij wordt Ag ON dadelijk ontleed, terwijl ferro- en ferricyaanzilver eveneens ontleed worden. De massa, die nu overblijft smelt men samen met een mengsel van kalium- en natriumcarbo-naat, en trekt de bekoelde massa, met water uit. In de oplossing heeft men nu het chloor, broom en jood aan een alkali gebonden en na zuur maken met salpeterzuur, slaat men het mengsel der zilververbindingen door zilvernitraat daaruit neer, en onderzoekt dit volgens bb.

bb. Het neerslag dat chloor-, broom en joodzilver bevat wascht men goed uit met water, en kookt het daarna met een oplossing van ammoniumcarbonaat. Daardoor wordt Ag 01 opgelost en door zuur maken van het filtraat met salpeterzuur, wordt het weder neergeslagen.

Wat onopgelost bleef, verwarmt men nu met verdunde

-ocr page 142-

126

ammoniakoplossing (50/0), waardoor alleen het Ag Br oplost, dat men ook weder door salpeterzuur uit het filtraat afscheidt.

Ag J blijft nu als onoplosbaar terag.

Het uit de verschillende Altraten afgescheiden Ag Cl, Ag Br en Ag J smelt men nu ieder voor zich met soda samen en trekt de massa\'s met water uit. In de Altraten kan men nu, op elk dezer halogenen voor zich reageeren en wel chloor volgens pag. 65, hroom volgens pag. 67, en jood volgens pag. 67.

Onderzoek der zuren van in water onoplosbare in zoutzuur, salpeterzuur of koningswater oplosbare verbindingen.

Organische stoffen zijn afwezig.

Men heeft bij deze verbindingen op alle zuren behalve op chloorzuur te letten. 002, H3 As O3, Hj As 04, Hj Cr 04 heeft men reeds bij het onderzoek op basen gevonden. Salpeterzuur is reeds bij het voorloopig onderzoek aangetoond.

a. Men mengt een proefje van de oorspronkelijke stof met kalium- en natriumcarbonaat en gloeit flink. Zijn er zwavelmetalen aanwezig, dan voegt men een weinig salpeter toe. De gegloeide bekoelde massa trekt men uit met water en onderzoekt het filtraat op de zuren volgens het vorige hoofdstuk.

Hierbij moet men daarop letten, dat zwavelmetalen bij gloeien met soda en salpeter hunne zwavel als sulfaat verliezen. Men moet daarom zwavelzuur in de oorspronkelijke nog niet gegloeide stof aantoonen.

b. Op fluorwaterstof zuur onderzoekt men de oorspronkelijke stof volgens pag 122 bb.

-ocr page 143-

127

c. Heeft men bij a nog geen phosphorzuur gevonden en zijn aard-alkaliën of aluminiura aanwezig, dan lost men een proeije van de oorspronkelijke stof op in salpeterzuur, filtreert zoo noodig en reageert in dit filtraat met ammoniummolybdanaat.

d. Om op Mezelzuur te reageeren moet men het onder a besclireven smelten in een platinakroesje uitvoeren. De smeltmassa trekt men nu uit met water en dampt deze oplossing in. Lost de rest nu niet op in verdund zoutzuur, dan is Iciezelzuur aanwezig.

e. Op oxaalzuur onderzoekt men als volgt:

Men kookt de oorspronkelijke stof met een zeer geconcentreerde oplossing van natriumcarbonaat en filtreert. Het filtraat maakt men nu zuur met azijnzuur en voegt gipsoplossing toe. Ontstaat er nu een wit neerslag, dan is oxaalzuur aanwezig.

B. ONDERZOEK VAN LICHAMEN, WELKE IN WATER, ZOTFT-ZUTJR, SALPETERZUUR EN KONINGSWATER NIET OP MOEIELIJK OPLOSBAAR ZIJN, (ZIE PAamp;. 94).

Onderzoek op bases en zuren.

1. Met een klein gedeelte van de stof doet men de volgende voorloopige proeven:

a. Men verbit een weinig in een glazen buisje. Ontstaan er nu bruine dampen en een aanslag van gesmolten zwavel, dan is dit element aanwezig.

h. Is de stof zwart, dan wijst dit op koolstof. Deze verbrandt op een platinablikje verbit, desnoods, wanneer grapbiet aanwezig is, voor de blaasbuis.

c. Een proefje verbit men met een stukje cyaankalium en ammoniak en filtreert. Ontstaat er in de eene belft

-ocr page 144-

128

van het filtraat een wit neerslag door salpeterzuur, in de andere helft door zwavelammonium een zwart neerslag, dan is zilver aanwezig.

cl. Blijft er bij c een onoplosbare rest, dan overgiet men deze met zwavelammonium; wordt deze nu zwart gekleurd, dan is er een loodverhinding aanwezig.

2. Om nu op de metalen en zuren, die kunnen voorkomen te onderzoeken, verwijdert men eerst lood-

en zilververbindingen en zwavel.

a. Is lood bij het voorloopig onderzoek gevonden, dan trekt men de stof uit met een geconcentreerde oplossing van ammoniumacetaat en filtreert.

Het filtraat verdeelt men in vier gedeelten en onderzoekt deze met bariumnitraat op zwavelzuur, met zilver-nitraat na toevoeging van salpeterzuur op chloor, hroom en jood, en de twee overblijvenden met zwavelzuur en zwavelwaterstof op lood.

b. Is zilver bij het voorloopig onderzoek gevonden, of is de afwezigheid ervan niet bewezen, dan trekt men het in 2. a. onopgeloste gedeelte met cyaankalium uit en filtreert nu. Het filtraat onderzoekt men nu op zilver en zwavelzuur.

Om zoo goed mogelijk te onderzoeken met welk zuur het zilver oorspronkelijk verbonden was, gaat men als volgt te werk. Men trekt eerst de onopgeloste stof met kokend water en dan met verdund salpeterzuur uit en onderzoekt de rest, die niet opgelost is, op zilver. Is het resultaat positief, dan overgiet men deze rest met verdund zwavelzuur en voegt een stukje zink toe. Na eenigen tijd filtreert men en in de oplossing kunnen nu Cl, Br, J, en CN aan zink gebonden voorkomen, die men op de bekende wijze aantoont, zie pag. 125.

-ocr page 145-

129

c. De lood- en zilver vrije stof verhit men nu om den zicavel uit te drijven, en wat nu overblijft behandelt men volgens 3.

3. De rest van 2. c. smelt men nu samen met een overmaat van natriumcarbonaat, kaliumcarbonaat en natriumnitraat en houdt de massa geruimen tijd gesmolten. Nu trekt men uit met kokend water en onderzoekt het filtraat volgens 4 en hetgeen onopgelost blijft volgens 5.

4. a. Een proeve maakt men zuur met zoutzuur, kookt tot het koolzuur verdreven is en reageert met bariumchloride op zwavelzuur.

b. Een ander proefje maakt men zuur met salpeterzuur en reageert met ammoniummolybdanaat op phos-p hor zuur. Eventueel arsenikzuur ontdekt en verwijdert men door in de met zoutzuur zuur gemaakte oplossing zwavelwaterstofgas te leiden, waardoor het As wordt neergeslagen. Het filtraat dampt men tot een kleine rest in, in welke men op phosphorzuur reageert.

c. Is de oplossing geel gekleurd, dan toont men chroom verder aan door het neerslag, dat in de met azijnzuur zuur gemaakte oplossing door loodacetaat ontstaat. Dit neerslag is oplosbaar in natronloog.

d. Een gedeelte dampt men tot droog in en overgiet de rest met geconcentreerd zwavelzuur. Treden er nu dampen op die glas etsen, dan is fiuorwaterstofzuur aanwezig. Is hiezelzuur aanwezig, dan neemt men de proef zooals-op pag. 114 is aangegeven.

5. Het in water onopgeloste gedeelte (zie 3) lost men nu op in verdund zoutzuur en onderzoekt deze oplossing desnoods na filtreeren, wanneer ze niet helder is

-ocr page 146-

130

volgens pag. 105. IV. Heeft men reeds veel hiezelzuur gevonden, dan dampt men deze zoutzure oplossing tot droog in, en trekt de rest met verdund zoutzuur uit om de silicaten zooveel mogelijk te ontleden en het kiezelzuur te verwijderen.

Blijft er bij het oplossen in zoutzuur een rest, dan behandelt men deze als volgt.

а. Men verhit een proefje met soda en borax op kool in de binnenste blaasbuisvlam. Ontstaan er nu pletbare metaalkorrels, dan is tin aanwezig. Men lost dit tin op in zoutzuur en toont het in deze oplossing verder aan.

h. Een ander proefje onderzoekt men op fluorcalchim.

c. Deze onoplosbare rest kan ook chroomijzersteen Fe Cr 04 bevatten. Men gloeit nu het fijne poeder eenige uren in een platinakroes met 8 maal de hoeveelheid kaliumehloraat en 3 maal de hoeveelheid natronkalk.

De massa bevat nu het chroom als in water oplosbaar kaliumchromaat, dat men uittrekt. In de rest is het ijzer na oplossen in salpeterzuur gemakkelijk aan te toonen.

Was er naast Fe Or O, nog Sn Og aanwezig, dan wordt dit eveneens oplosbaar in water en is in de waterige oplossing aanwezig als tinzuurkalium.

б. Bevat de onoplosbare stof een silicaat, dan is het onderzoek op een alkali noodig. Men verhit nu de fijn gepoederde stof, die met water aangemengd is, met fluorwaterstofzuur en zoutzuur het best in de open lucht in een platinaschaal. Heeft men een heldere oplossing verkregen, dan voegt men zwavelzuur toe en verdampt tot er slechts een kleine rest is overgebleven. Nu verdunt men met water en voegt onder voortdurend koken chloorbarium toe en dan kalkmelk tot zwak alkalische.

-ocr page 147-

131

reactie. De vloeistof filtreert men en voegt aan het fil-traat zoolang ammoniumcarbonaat en een weinig ammoniak toe, totdat er geen neerslag meer ontstaat.

Het filtraat van dit neerslag dampt men tot droog in, gloeit de rest om ammoniumzouten te verdrijven, en onderzoekt het residu op de alkalimetalen volgens pag. 118.

-ocr page 148-
-ocr page 149-
-ocr page 150-
-ocr page 151-
-ocr page 152-