DOOK
Dr. H. F. KOHLBRÜGGE,
IN LEVEX PREDIKANT BI.I DE NEDERLANDSCH-fiEREEOBMEERDE GEMEENTE TE EI.BERFELD.
GEHUUDEiS, LN OCTOBEH TEN TIJDE DER HEERSCHENDE
CHOLERA-ZIEKTE.
Derde, naar het Hoogduitsch herziene druk.
SCHEFFER .V Co. -
1892.
AMSTERDAM.
647
n
___ ___
DRIE LEERREDENEN,
OVER
JOHANNES 1 vs. 29,
OPENBARING IN JOHANNES 16 vs. 9 en HÖSEAII vs. 8 en 9,
DOOR
Dr. H. F. KOHLBRÏÏGGE,
IN LEVEN PBEDIKANT BIJ DE NEDERLANDSCH-GEREFORMEERDE GEMEENTE TE ELBERFELD.
AMSTERDAM, SCHEFFER amp; Co. 1892.
tr
GEHOUDEN IN OCTOBER 1849, TEN TIJDE DER HEERSCHENDE CHOLERA-ZIEKTE.
Derde, naar het Hoogduitsch herziene druk.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0390 9912
leerrede
over
JOHANNES 1 vs. 29.
Koorzang: Psalm 38 vs. 1_4.
Groot en eeuwig Opperwezen,
Zeer te vreezen,
Straf mij in Uw gramschap niet; Toon mij toch, dat Uw kastijden, In mijn lijden,
Uit geen grimmigheid geschiedt.
Want Uw pijlen doen mij dragen Bitt\'re plagen;
Zij doorgrieven vleesch en been. k Voel Uw hand in d\'ongelukken. Die mij drukken.
Neergedaald op al mijn leen.
Door Uw gramschap, fel ontstoken, Is verbroken Al mijn vleesch en lichaamskracht: Kust noch vrede wordt gevonden. Om mijn zonden,
In mjjn beend\'ren, dag of nacht.
Want mijn hoofd is als bedolven In de golven Van mijn ongerechtigheên;
Zulk een last van zond\' en plagen,
Niet te dragen.
Drukt mijn schouders naar beneên.
Zoo ooit dan is het wel heden de tijd om des Heeren dood te verkondigen. \') Wanneer Gods gerichten op de aarde
\') Deze leerrede werd uitgesproken vóór de viering van het Heilk Avondmaal, den 14den October 1849. D
Johannes 1 vs. 29.
zijn, dan leeren de inwoners der wereld gerechtigheid. De rechtvaardige God moet ons vanwege onze ongerechtigheid straffen; evenwel in het midden des toorns blijft Hij Zijner barmhartigheid gedenken. Hij straft en bedroeft ons niet van harte, maar wanneer Hij ons ternederwerpt, dan doet Hij het, opdat wij ons tot Hem zouden bekeeren, de ongerechtigheden loslaten, Zijne sterkte aangrijpen, en gerechtvaardigd worden in de gerechtigheid, welke voor Hem geldt. Hij laat Zijn woord komen: „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood stervenquot;. Daarentegen bewijst Hij ook, hoe zeer Hij het van harte meent, wanneer Hij, de Heere Heere, tot ons spreekt: „Ik heb geenen lust in den dood des stervendenquot;. Ja! dat zegt Hy met eenen eed: Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heeee, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddelooze zich bekeer e van zijnen weg, en leve. Bekeert u, bekeert u van uwe booze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels? Hij altijd de Eerste, waar het er om gaat, eenen verlorene te redden. Hij heeft niet gewacht, totdat Adam Hem opzocht; maar toen Adam dood lag in zonde en overtreding, en zich voor Hem uit vreeze verborg, dewijl hij naakt w7as, toen is de Heere de Eerste geweest, om aan Adam zijne overtreding van het heilige gebod, dat hem ten leven gegeven was, te ontdekken, en hem de woorden des eeuwigen levens te verkondigen. Voortaan zou hij echter het leven niet meer in eigene hand hebben, maar Christus, als het Zaad der vrouw, zou van nu aan zijn leven zijn tegen zijnen dood en in weêr-wil van zijnen dood.
En zooals de Heere bij Adam gedaan heeft, zoo doet Hy nog: Hij is nog altgd de Eerste, en laat in onzen dood, in ons afzijn van Hem, het goede Woord des levens tot ons komen, en opdat wij er toch niet aan twijfelen zouden, dat Hij onzen dood niet wil, geeft Hy ons teekenen en zegelen
4
Johannes 1 vs. 29.
of onderpanclen Zijner genade, waardoor Hij niet alleen, als door de geschiktste beelden om datgene wat Hij meent, uit te drukken, ons laat betuigen, dat Hij ons Zijnen Christus tot ons leven tegen onzen dood en in weerwil van onzen dood gegeven heeft, — maar het ons ook door Zijn Woord en Zijnen Geest aan onze harten verzegelen wil, dat Christus onzer zielen spijs en drank is, om ons bij het eeuwige leven te behouden.
Zoo geeft de Heere ons, in Zijne wonderbare genade. Woord en Sacrament, — en is de Eerste daarmede, om zulks tot ons te brengen, opdat wij, in onzen dood, tegen onzen dood en in weerwil van onzen dood, troost en gewisheid des eeuwigen levens zouden hebben, ook de zekere hoop zouden koesteren, dat God de Heere ons, uit genade, het eeuwige leven zal laten beërven, wanneer het onze tijd zijn zal, dat wy uit dit ellendig leven opgeroepen worden.
Woord en Sacrament leiden ons tot Christus heen, als tot ons leven en tot den dood van onzen dood. Daartoe gaf God ons Woord en Sacrament. Wat het Woord ons predikt, verzegelt ons het Sacrament; — maar opdat wy de verzegeling des Sacraments behouden, hebben wij ons op het Woord te verlaten. God weet, wat maaksel wij zijn; daarom geeft Hij zoo vele getrouwe en alle aanneming waardige woorden. Wij willen in deze ure er een uitnemen, dat bijzonder geschikt is, om ons moed te geven tegen onzen dood, om alle kwade gedachten omtrent God af te leggen, aan Christus te blijven hangen, in Hem te gelooven als ons leven, en alzoo de vrucht van het Sacrament te hebben, hetwelk is de troost en de vroolyke belijdenis onzer hereeniging in Christus met God, en onzer eeuwige zaligheid door Christus bij God.
5
Johannes 1 vs. 29.
TEKST: Johannes 1 vs. 29.
„Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.quot; \')
Wij betrachten Christus onzen Heere:
I. als het Lam;
II. als het Lam Gods;
III. als het Lam, Dat de zonde der wereld wegneemt.
IV. Wijden wij onze aandacht aan het woordje „Ziequot;.
Tusschenzang : Psalm 119 vs. 88.
Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen.
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in \'trond.
Dat, onbedacht, zijn\' herder heeft verloren!
Ai! zoek Uw\' knecht, schoon hij Uw wetten schond.
Want hij volhardt naar Uw gehoon te hooren!
I.
Chkistus als het Lam.
Op vele plaatsen der Heilige Schrift komt Christus voor onder het beeld eens lams. Zoo luidt het bij Jesaia van Hem: „Als dezelve geëischt werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijnen mond niet open: als een lam werd Hij ter slachting geleidquot;. Zoo bij Petrus: „Wetende, dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uwe ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een on-bestraffelijk en onbevlekt L a mquot;. Zoo in de Openbaring: „En ik zag, en ziet, in het midden van den troon en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslachtquot;. En wederom: „Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en den rijk-
\') Luther vertaalt: „de zonde der wereld draagtquot;.
6
Johannes 1 vs. 29.
dom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de dankzeggingquot;. En: „De zaligheid zij onzen God, Die op den troon zit, en het Lamquot;. En: „Zij hebben hunne kleederen wit gemaakt in het bloed des L a m squot;. En: „Zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenisquot;; en voorts: „Het Lam is hunne kaarsquot;.
In een lam heeft God volkomen datgene afgebeeld, wat Christus voor ons is als ons leven tegen onzen dood, als onze gerechtigheid tegen onze zonde. — Er is geen dier, welks geheele wezen zoo schuldeloos, zoo zacht, zoo zonder eenige aanmatiging is; geen dier laat zoo alles met zich doen, wat men wil, geen dier is zoo geduldig, zoo volgzaam, zoo gehoorzaam. — Wanneer Johannes hier Christus het Lam noemt, heeft hij al de lammeren voor zijne aandacht, die de Joden zich aanschaften op het Paaschfeest, om ze te slachten voor den Heere en ze te eten. Voornamelijk heeft hij ook het door den Heere, volgens Zyn gebod, verordende Paaschlam voor zijne aandacht, met welks bloed de kinderen Israels den bovendorpel en de posten hunner deuren bestreken, opdat de slaande engel bij hen voorbijging, en welks vleesch, aan het vuur gebraden, zij met ongezuurde koeken en met bittere saus aten in den nacht, toen de Heere hen uit Egyp-teland voerde. Ook had hij dat lam voor zijne aandacht, dat de kinderen Israëls den Heere ten brandoffer brengen moesten, op welks kop zij te steunen en hunne zonden te leggen hadden, zoodat dit lam hunne zonde werd, en als zoodanig werd geslacht en op het altaar verbrand. Met nu op Christus te wyzen als op het Lam, wil Johannes te kennen geven, dat Hij het eigenlyke Lam was, door God bedoeld, toen Hy het bevel gaf om een lam te brengen en te slachten voor de zonde; alle andere lammeren waren slechts voorafbeeldingen en schaduwen van dit Lam. Dit is het eigenlijke Lam, Dat geslacht werd van het begin der wereld.
Johannes de Dooper toont ons hier dus Christus, zooals Hij is: de Rechtvaardige, de Schuldelooze, Degene, Die ge-
7
Johannes 1 vs. 29.
lioorzaamheid aangebracht heeft, Die geslacht is, Die vrijwillig voor ons geleden heeft.
Dit deed hij echter niet uit zichzelven, dat hij zoo op Christus als op het Lam wees; zulks deed hij uit God, zulks doet God nog door hem.
Wij nu steken voor God diep in schuld, zijn niet heilig, maar van binnen en van buiten met allerlei gruwelen der zonde bevlekt; wij hebben der Wet Gods de gehoorzaamheid, die wij haar schuldig zijn, in geenen deele gebracht; ook is er in ons geen vrije wil daartoe, veeleer voelen wij ons onder de zonde verkocht; daarom verdoemt ons de goede Wet Gods, en zijn wij voor den rechterstoel Gods vervloekt, omdat wy niet gebleven zijn in alle woorden der Wet. Wij moeten derhalve sterven, sterven den eeuwigen dood, moeten eeuwig van God, ons hoogste Goed, gescheiden zijn.
Wat raad in zulk eenen schrikkelijken toestand? Hoe komen wij weder tot God? Wat zullen wy Hem brengen, dat wij Hem weder aangenaam bevonden worden, — wie wil onze zonden op zich nemen ? wie voor ons zonde worden ? wie de volkomene gehoorzaamheid aanbrengen? Van waar hebben wij verlossing van zonde, schuld en straf? van waar gerechtigheid des levens? Hier wordt het eenen iegelijk bange voor God, beeft en siddert een iegelijk voor den gloed Zijns toorns. Maar hier is God de Eerste, — Hij verkondigt ons, wie dat alles voor ons is, van wien wij dat alles erlangen, wat wij van noode hebben, om Gode weder aangenaam te zyn, om weder tot God gebracht te zijn; — wie dat reine dier geweest is, om welks wille wij onreine dieren in den hemel opgenomen worden; dat onbevlekte dier, op hetwelk wij al onze bevlekking der zonde te leggen hebben. •— Christus is dat lam, zegt God, — en het is Zijn bevel. Zijne Wet, dat wij Hem dit Lam brengen, op het hoofd van dit Lam steunen, daarop onze zonden zullen leggen, om voor God gerechtvaardigd, aangenaam en verzoend te zijn.
Daarom lezen wij ook: Zie, het Lam Gods!
8
johannks 1 vs. 29.
II.
Christus als het Lam Gods.
„Godsquot; heet het, omdat het van God komt, omdat God het gegeven heeft voor onze zonde, en het Hem toekomt, en wij bijgevolg niet anders dan dit Lam te brengen hebben, om voor God aangenaam gemaakt te zijn. „Godsquot; heet het, omdat alleen dit Lam in de oogen Gods goed is, dit alleen Hem behaagt, dit alleen aan Zijne Wet beantwoordt. Van dit Lam schrijft Petrus: „Dewelke wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om onzentwillequot;. — Johannes de Dooper was daarvan zóó vervuld, dat hij, volgens Vers 36, Jesus ziende wandelen, wederom van Hem uitriep; Ziet, hetL am Gods! — Wanneer Petrus zegt, „dat Christus als een onschuldig en onbevlekt Lam voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereldquot;, zoo bedoelt hij, dat God Hem vóór de grondlegging der wereld beschikt, gekend en gepraedestineerd heeft, om dat alles voor de verlorenen te zijn, wat Gode behaagd heeft uit te drukken in een onnoozel en onbevlekt lam, in een lam, dat zich gewillig ter slachtbank liet leiden, — in een lam, dat voor zondaren tot zonde werd, en alzoo eenen last droeg, die hem vreemd was, en als zonde voor zondaren verbrand werd. Gods Lam dus, naardien God het Zich voorzag in de gronden der eeuwigheid Zijner barmhartigheid, op de hoogten van Zijne eeuwige liefde en van den Raad der verkiezing naar Zijn voornemen.
Dit Lam, Hetwelk God Zich voorzag, toen Hij, uit eeuwige, vrije liefde en goedertierenheid, het raadsbesluit vaststelde, om reddeloos verlorenen weder tot Zich op te nemen; dit Lam, Dat God voor ons gaf, toen de tijd vervuld was, en Dat Hij ons geopenbaard heeft door Zijn heilig Evangelie in den tijd der liefde, ook ons voor en na nog openbaart, dit Lam, Dat ook alleen Gode aangenaam is, hebben wij Gode toe te brengen, als het ons van God gegeven Lam. God erkent
9
Johannes 1 vs. 29.
alleen dit Lam, als Zijn eigen Lam, Dat volmaakt aan Zijne Wet beantwoordt.
Christus heet het Lam Gods, want God heeft Hem, Die in het geheel niets van zonde wist, voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden zijn gerechtigheid Gods in Hem. — God stelde Hem in onze plaats onder de Wet, en Hij werd een vloek voor ons. — Gelijk een lam, ofschoon zoo schuldeloos, zoo onnoozel, niettemin gewoonlijk voor de slachtbank bestemd is, zoo heeft God Zijn Lam, om onzentwille, voor de slachtbank Zijns toorns en oordeels over onze zonden bestemd, en heeft Hem laten slachten door de handen van ons, god-deloozen, opdat wij, door het geloof uit de slachting ten dage Zijns toorns gered, het leven en de verlossing zouden hebben door Hem. God moest eene volmaakte gehoorzaamheid hebben, eene eeuwiggeldende gerechtigheid en vervulling Zijner heilige Wet; — daartoe bestemde God dit Zijn Lam; Dat bleef stom en geduldig onder de hand Zijns scheerders, gelijk geschreven staat: ,Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen, en Uwe Wet is in het midden Mijns inge-wandsquot;. Dit Lam gaf Zijn leven vrijwillig tot schuldverzoening, omdat God het zoo wilde tot prijs Zijner eeuwige barmhartigheid.
En wij nu, wij zien op het gebod, op het „doe datquot;. Wij hebben Gods geboden niet gehouden. Wat zullen wij Gode brengen? Onzen eerstgeboren zoon? onze have, ons goed? — God neemt niets van onze handen aan, — en al onze werken deugen niets voor Hem; wij zeiven deugen ook niet, zijn verkeerd, en verkeerd is ons werk, wij liggen in den dood, — en de dood wacht ons. Hoe ontgaan wij den toorn en het gericht? Wanneer wij in overeenstemming zijn met Gods Wet; wanneer wij door Hem en voor Hem gerechtvaardigd zijn. Hoe worden wij dat? Wanneer wij God gelooven; als wy daarin Zijnen wil doen, dat wy tot Hem met Zijn Lam komen. Hetwelk Hij ons, vloekwaardigen, gegeven heeft; wanneer wij op dat Lam onze zonden leggen, op dat Lam
10
Johannes 1 vs. 29.
steunen, belijden, dat het van Godswege voor ons geslacht-is, en het daarvoor houden, dat, toen het op de slachtbank, op het altaar des kruises gebracht, overgegeven en gedood werd, het, in onze plaats, onze schuld, zonde en straf\', van Godswege, uit het midden weggenomen heeft; want zoo zijn wy gerechtvaardigd, geheiligd en geborgen in Zijne gerechtigheid en onschuld, door Zijne gehoorzaamheid en Zijnen vrij willigen dood, overeenkomstig de Wet, den wil, het Verbond en gebod diens Gods, Die onzen dood niet heeft gewild.
Of zullen wij door onze dagelijksche en oogenblikkelijke zonde, door onze grondverdorvenheid en verlorenheid, door onze verdraaidheid en verkeerdheid ons laten weêrhouden van op Gods Lam onze zonden te leggen, en zoo daarmede voor God te komen? Zullen wij, terwijl God ons dit Lam gegeven heeft, om onze zonden het er voor houden, dat wij evenwel Gode niet aangenaam zijn zullen, dat Hij ons evenwel niet zal aannemen? Zullen wij God tot eenen leugenaar maken?
Ik beken het: het booze hart werpt ons hier, met de hulp des Satans, allerlei dingen voor de voeten, om ons te ontmoedigen ; maar alzoo spreekt God tot ons door Johannes den Dooper: Hij neemt de zonde der wereld weg.
III.
Het Lam, Dat de zonde der wereld wegneemt.
Hier geldt dat „waarlijkquot; van den Profeet Jesaia: „Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen. Hij is om onze overtreding verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden. Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg: doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aan-loopenquot;. Maar daar nu de Heere onzer aller zonde op Hem
11
Johannes 1 vs. 29.
deed aanloopen, op Hem wierp, zoo heeft Hij ze ook gedragen, gelijk ook de Apostel Petrus betuigt: „Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, de zonde afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gy genezen zijtquot;.
Is er nog iets van dat, wat wij zonde heeten, buitengesloten, wanneer God door den Dooper zegt: „Hij neemt de zonde wegquot;? Is daarmede niet de gansche afval van God bedoeld, de gansche verdraaidheid en verkeerdheid, de gansche ongerechtigheid , welke ons eigen is, in welke wij ontvangen en geboren zijn, daarbenevens al die gruwelen en onreinheden, die uit het harte voortkomen? Is daarmede niet bedoeld alle en iedere misdaad, waartoe elk menschenkind in staat is, welke hij ook begaan heeft en begaat, ja herhaaldelijk begaat: al die booze en Godslasterlijke gedachten omtrent God, al die twijfel omtrent Zijne waarheid, goedheid, gerechtigheid en trouw, al die onwetendheid en blindheid, en alle zonden, met opgeheven schild begaan: de haat tegen God en onzen naaste; die innerlijke geweldige vijandschap tegen God en den eenigen weg des heils; die hardheid en verstoktheid in de zonde, totdat God het hart verbreekt; daarbenevens al die verkeerdheden en gruwelen, dikwerf begaan met voorbedachten wil tegen God en onzen naaste; die zonden der gedachten, der overige leden des lichaams, voornamelijk der gierigheid, des hoogmoeds, der trotschheid, der vleeschelijke lusten, der eigenliefde, der eigengerechtigheid, der liefdeloosheid? Waar zou ik beginnen, waar eindigen? Wij, zooals wij daar heengaan, hebben in ons eenen poel van allerlei goddeloosheden. En deze zijn hier alle op éénen hoop geworpen, en heeten te zamen de zonde, door welke „de dood gekomen is, en tot ons allen is doorgegaanquot;.
Deze zonde draagt het Lam Gods. Hij heeft ze gedragen. Hij draagt ze. Dit dragen is eene blijvende daad, en dat Hij onze zonden gedragen heeft, geldt voor God als een eeuwig dragen; waarom er ook niet staat: Het bloed van Jesus
12
Johannes 1 vs. 29.
Christus, den Zone Gods, reinigde ons, maar reinigt ons van alle zonden. Hoe liefelijk is hier het woord dragen! Volgens de Syrische en Armenische taal, waarin dit door den Dooper uitgesproken werd, beteekent het: wel wegen wat men op zich neemt, den ganschen last er van kennen, evenwel opnemen, en wegdragen. Zoo heeft het dan deze tweevoudige beteekenis: dat dit Lam Gods den last der zonde, des toorns Gods en der straf, onder welken wij gedrukt lagen, van ons af en op Zich nam, en — dat het de zonde uit het midden weggenomen, uitgedelgd, te niet gemaakt heeft. — Maar wie denkt hier niet vanzelf ook aan den uitgaanden bok, die op het feest van het jaarlijksch zoen-oifer voor den Heere gesteld werd? en waarvan wij lezen Lev. 16 vs. 21 en 22; „En Aaron zal beide zijne handen op het hoofd van den levenden bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israëls, en alle hunne overtredingen, naar al hunne zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd des boks leggen, en zal hem door de hand eens mans, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten. Alzoo zal die bok op zich al hunne ongerechtigheden in een afgezonderd land wegdragenquot;. Ach! Zijn geheele in-vleesche-zijn. Zijn gansche lijden was voor Hem eene wildernis, waarin Hij Zich vrywillig liet indrijven, om ons Zijn Paradijs te openen. Hij droeg al onze misdaad op Zich in eene wildernis.
Maar heeft dit Lam Gods ook mijne zonden gedragen? — Aldus spreekt God door den Dooper: Dat de zonde dei-wereld draagt. Gelijk ook Johannes schrijft; „En Hij is eene verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der geheele wereldquot;. Waarom ook de Heere Zelf zegt: „Alzoo lief heeft God de wereld gehadquot;. Wilt gij geen bijzonder bevoorrechte Jood zijn, maar een Heidenkind? Behoort gij tot de wereld? Wilt gij u met de wereld laten mederekenen: dan heeft dit Lam Gods ook uwe zonde gedragen. Dan geldt ook u de belofte: dat in Christus zich al de volken der aarde gelukkig zullen achten.
13
Johannes 1 vs. 29.
De belofte reikt zoo ver, als de wereld reikt, — en zonde en wereld reiken beide even ver. Waar menschen zijn, daar is de wereld; waar de wereld is, daar is de zonde; deze zonde der wereld heeft het Lam Gods gedragen, — en hebt gij lust, zoo hebt gij vrijheid en bevel, krachtens de eeuwige Wet, om uwe zonde te leggen op dit gezegende hoofd. Zoo ver het Oosten is van het Westen, zoo ver draagt dit Lam uwe zonden van u weg, dat ze in eeuwigheid niet meer voor God gedacht worden.
IV.
Wieden wij onze aandacht aan het woordje „Zie\'*.
Ach, denkt menigeen, kon ik toch iemand vinden, die zich mijner nog aannemen wilde, die met mijnen nood medelijden had, mij toegenegen ware, mij geene verwijten wegens mijne zonde deed, mij niet in de hel stiet, maar mij tot God bracht, dat ik een woord des levens uit zijnen mond bekwame als: Ik ben u toegenegen, ik ben u genadig, ik sta voor u in, ik neem uwe zonde, uwen last op mij! — Zie, luidt het hier, zie, dat is Gods Lam. Wat gij onder menschen niet kunt vinden, dat vindt gij in Hem. Hij wil u van Godswege genadig zijn. Hij heeft de wet der broederliefde vervuld. Hij wil u uit uwen nood helpen. Hij heeft uwe zonde gedragen. Dat was Zijn ambt volgens Gods wil, waarin Hij Zich liet slachten voor u, om u van uwe zonde, van den toorn en de verdoemenis te ontheffen, en u wederom tot God te brengen, u Gode wederom aangenaam te maken, met Zijne genade te dekken, in liefde te zwijgen over uwe zonden, en ze eens voor altijd weg te dragen. Zie het Lam Gods! Volgens Gods wil en Verbond heeft dit Lam voor u voldoening aangebracht. In Hem is God verheerlijkt, dat Hij u de zonde vergeven kan en ook wil, wanneer gij op dit Lam ziet. In Hem rechtvaardigt God al wie zichzelven voor God aanklaagt, en God
14
Johannes 1 vs. 29.
in het recht stelt, en Hij maakt al wat verloren is de heilige onschuld en gerechtigheid van dit Lam voor Zijnen rechterstoel deelachtig! Ach, roept menigeen, mocht de Heere toch mijne gevangenis wenden, en ook mij tot de heerlijkheid der kinderen Gods brengen! Ach! wat is het toch, dat mij zoo gevangen houdt! Mijne verdraaidheid houdt mij vast, en mijne onoprechtheid verhindert den omgang met God! Mijne eigenliefde is schuld, dat ik slechts draf kan eten. Ach! somwijlen woeden zulke verschrikkelijke zonden in mij, dat ik bijna niet weet, of God mg reeds verdoemd heeft, dan wel of er nog genade voor mij is. Och, dat ik maar een levendig berouw hadde, een waarachtig hongeren naar gerechtigheid, een smachten naar verlossing! Maar ik voel in mij zelfs onverschilligheid omtrent de zonde, hardheid, verstoktheid! Uit het oog willen geene tranen vlieten, het hart wil niet breken! Och, was er maar oprechte droefheid naar God, gevoelde ik maar een verslagen gemoed in mij; — maar een steen is niet zoo koud, zoo hard, als ik ben! Moedwillig heb
ik gezondigd! Zou er nog een offer voor mij zijn?--Zie
op Hem, Die de zonde der wereld draagt! Wat zoekt gij nog eene deugd, kracht of iets rechtvaardigs in u? „Ziequot;, heet het van Godswege. Zoek gerechtigheid en leven in Hem! — Zie het Lam Gods aan de Rechterhand des Vaders! In u de slangenbeet, de dood, het vergif, — in Hem de genezing, vergeving der zonden, leven en zaligheid, gerechtigheid en sterkte. De Wortel Isaï staat tot eene banier voor de volkeren, en Zijne ruste is heerlijk. Zij zullen op Mij zien, is Zgne belofte. Zie boven Hem het Verbond Gods! Er is buiten dat geen offer; buiten Hem geene gerechtigheid noch heiligmaking. Alleen Hij kan u den Geest der genade en des gebeds geven. Welken Hij heeft verworven, opdat gij vernieuwd zoudt zijn in den geest uws gemoeds. Zie op Hem, Die de zonde der wereld draagt! Op eenen dag heeft Hij ze weggedragen, — voorledene, tegenwoordige, toekomstige zonde. Hij wil u eene heiliging zijn. In Hem, in
15
Johannes 1 vs. 29.
uwen getrouwen Voorspraak, tot God henen! Hij heeft bet juk van uwe schouderen verbroken. Ziet gij op Hem, zoo ziet gij den kwijtbrief, dat alles betaald is.
O gij, die tot nu toe in de wereld en in den dienst der zonde ingewikkeld zijt, en nog nooit met stervende oogen op dit Lam Gods gezien hebt, laat u door Gods oordeelen vermanen , om u tot Hem op te maken, Zijne sterkte aan te grijpen, en vrede met Hem te maken, opdat ook uw dood door Zijn leven verslonden zij, en gij niet omkomt onder den toorn van dit Lam!
En gij, die vermoeid en belast toetreedt tot den disch des Heeren, om Zijnen dood te verkondigen en het vleesch dezes Lams te eten, opdat gij door de kracht dezer spijze door de woestijn henen komt, en om met Zijn bloed den bovendorpel en de deurposten uws harten te bestrijken, — houdt dit woord den aanklager, den Satan, den dood, het versaagde hart en het aanklagende geweten voor, — dit woord, waarmede God u voorkomt, en het sterke u, om de teekenen en zegelen der genade Christi in geloove tot u te nemen, — dit woord: Zie, het Lam Gods, — zie den Drager van de zonde der wereld! Amen.
Nazang: Psalm 38 vs. 21 en 22.
Zie mij, Heer\', Dien elk moet duchten,
Tot U vluchten.
O mijn God! verlaat mij niet;
Blijf niet, wegens mijn gebreken,
Ver geweken;
Toon, dat Gij mijn rampen ziet.
Heer\', ik voel mijn krachten wijken En bezwijken;
Haast U tot mijn hulp, en red,
Red mij, Schutsheer, God der goden.
Troost in nooden,
Groote Hoorder van \'t gebed.
16
LEERREDE
over
OPENBARING VAN JOHANNES 16 vs. 9.
Voorzang: Psalm 31 vs. 17—19.
Geloofd zij God, Die Zijn genade Aan mij heeft groot gemaakt,
Die voor mijn\' welstand waakt:
Zijn oog slaat mij in liefde gade;
Hij wil mij heil bereiden,
Mij in een vesting leiden.
Ik heb, te moed\'loos neergebogen,
En door de vrees gejaagd.
Weleer te ras geklaagd:
,\'k Ben afgesneên van voor Uw oogenquot;;
Dan, nog woudt G\' U ontfermen.
Toen Gij mij hoordet kermen.
Bemint den Heer\', Gods gunstgenooten!
Den Heer\', Die vromen hoedt,
En straft het trotsch gemoed;
Zijt sterk; Hij zal u niet verstooten;
Hun geeft Hij moed en krachten.
Die hopend op Hem wachten.
De pestilentie, cholera genaamd, heeft onze stad nog niet verlaten. Tot heden toe heeft de slaande engel nog niet het bevel ontvangen, het zwaard in de scheede te steken. Evenwel heeft het den barmhartigen God behaagd, ons gebed boven bidden en denken te verhooren. Door Zijne onuitsprekelijke goedertierenheid is het ons vergund. Zijnen heiligen tempel weder te aanschouwen. Overvloedige reden hebben wij allen, om onzen Heere en God het dankoffer te brengen.
Gehouden 21 October 1849.
2
Openbaring van Johannks 16 vs. 9.
dat Hij ons tot heden niet gedaan heeft naar onze zonden. Des Heeren goedertierenheid is het, dat wij niet allen geheel vernield zijn. Met een dankbaar gemoed kunnen wij allen zeggen: „Zijne barmhartigheid heeft nog geen einde, maar zy is eiken morgen nieuw, en Uwe trouw, o myn God! is grootquot;. Psalm 91 kwam bij de meesten uwer in vervulling. Velen onzer hebben niet tevergeefs hunne bovendorpels en de beide deurposten met het bloed Christi bestreken. Velen onzer hielden door geloof en gebed de plaag, of de vrees voor de plaag van het lijf, en den hen bedreigenden dood van zich af. Anderen wederom zeggen den Heere dank, dat het bij een paar inwendige en uitwendige slagen bleef; dat de Heere wel nederwierp, maar ook weder oprichtte. Deze en gene ervaart het juist in deze dagen levendiger dan ooit, wat het zeggen wil, en welken troost het in zich heeft, te kunnen uitspreken: „De Heere is mijn deel, zegt mijne ziel, daarom wil ik op Hem hopenquot;. Wat de slaande engel uitricht , blijft toch niet zonder uitwerking op anderen. Hier en daar keerde er toch een tot zichzelven in, en riep in verbrijzeling uit: „Ik ben verloren! wat moet ik doen, om zalig te worden ?quot; — En de troost, dien de Heere ons den vori-gen Zondag gaf, opende ons de oogen, om te zien op het Lam Gods, den Drager van de zonde der wereld.
Welaan, wederom zijn wij eene nieuwe week ingetreden, wij zoeken naar troost. Wij dorsten bij vernieuwing naar een woord uit den mond des Heeren, om met geloofsmoed in de nieuwe week aan te houden om nieuwe ontferming, behoeding, bescherming en bewaring. Welk woord hebben wij het meeste noodig? Ik denk wel zoodanig een, waarbij wij van de plaag af — en op den Heere zien. Want wanneer wij dat doen, dan vallen wij den Heere in de armen, zóó als wij zijn; dan laten wij de plaag niet optreden, niet heer-schen tusschen ons en den Heere, maar wij staan bij den Heere en in Hem, en de Heere is tusschen ons en de plaag. Dit woord breng ik u.
18
Openbaring van Johannks 16 vs. 9.
TEKST: Opejjbaeing van Johannes 16 vs. 9. „Die macht heeft over deze plagen.quot;
Tussohrnzang : Psalm 121 vs. 1 en 2.
\'k Sla d\' oogen naar \'t gebergte heen,
Van waar ik, dag en nacht.
Des Hoogsten bijstand wacht.
Mijn hulp is van den Heer\' alleen.
Die hemel, zee en aarde Eerst schiep, en sinds bewaarde.
Hij is, al treft u \'t felst verdriet.
Uw Wachter, Die uw\' voet Voor wankelen behoedt;
Hij, Isrels Wachter, sluimert niet.
Geen kwaad zal u genaken;
De Heer\' zal u bewaken.
Ditmaal neem ik woorden buiten hun verband, dewgl het mij er om te doen is, dat juist deze woorden u. Mijne Geliefden ! tot eenen machtigen troost en tot versterking des harten mogen strekken; dat zij in deze dagen in uwe harten leven, en gij uwe hoofden opwaarts heft tot den Heere, Die allen, welke tot Hem de toevlucht nemen, tot schild en bescherming zijn wil. Er wordt in ons Hoofdstuk van allerlei plagen gesproken. Het zijn meerendeels dergelijke plagen, als Egypteland getroffen hebben, toen Faraü het volk Gods niet wilde laten trekken. De Egyptische plagen toch, menigmaal door andere afgewisseld en verscherpt, herhalen zich allerwegen, waar men zich tegen den Heere stelt, en den loop van Zijn Woord en eeuwig Evangelie stuiten wil. Waar de waarachtige Jesus tegenstanders vindt, daar moeten deze tegenstanders van tijd tot tijd gewaarworden, in Wien zij gestoken hebben. Maar dewijl de Heere Zijnen ganschen Raad tot eene zaak des geloofs en niet des aanschouwens gemaakt heeft, — ofschoon de wonderen Zijner hand wel konden gezien worden, als men er acht op wilde slaan, — zoo iaat Hij
19
20 Openbaring van Johannes 16 vs. 9.
het bij Zijne oordeelen wel eens zoo komen, dat, naar het uiterlijk voorkomen, eenerlei den vrome en den goddelooze wedervaart. Want niemand onzer moet zich voor den Heere verhoovaardigen, of zich er eenen hijgeloovigen grond uit maken, wanneer hemzelven of dezen of dien de plagen, welke de Heere bij tijden uitgiet, niet kwamen te treffen; neen, wij behooren allen Gods barmhartigheid en de hoop op Zijne onverdiende goedheid tot grond onzer eeuwige redding te leggen; — ook op dezen grond tot Hem te bidden: „Ga niet in het gericht met Uwen knecht, want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijnquot;. Wel dengene, die geduriglijk vreest, en wien bij het gezicht van Gods oordeelen eene rilling door de leden gaat; hij zal zich daarbij niet kunnen aftobben, om alles te doorgronden, maar zal tot zichzelven inkeeren , naar boven zien, en naar een woord der vertroosting zoeken, waaraan hij zich te midden van de oordeelen kan vasthouden, opdat hij, wat er ook gebeure, altijd goeden moed behoude. Opdat gij nu, die uwe toevlucht genomen hebt en neemt tot de ontferming Gods, in deze dagen goeden moed moogt bekomen, ook gy , die allen moed des geloofs schijnt verloren te hebben, — en gij, die tot heden alleen uzelven en niet het Rijk Gods en Zijne gerechtigheid gezocht hebt, tot berouw moogt gebracht worden, tot de vreeze des levenden Gods, — zoo hoort allen dit woord; God heeft macht over de plaag, die onze stad getroiïen heeft. —
Van wien spreek ik? Ik spreek van God, den heiligen en rechtvaardigen God, Die wel lankmoedig is, maar Wiens slagen des te sneller, des te geweldiger, des te feller komen, wanneer Zijn geduld ten einde is. Ik spreek van den levenden God, Die hemel en aarde gemaakt heeft. Die ook de bergen, die rondom Elberfeld zijn, daarheen geworpen heeft. Deze God zou ophouden God te zijn, zoo Hij niet van tijd tot tijd de boosheid, de goddeloosheid der menschen op eene ontzaglijke wijze bezocht. Gij zijt geen God, Die lust
Openbaring van Johannes 16 vs. 9.
heeft aan goddeloosheid; de booze zal bij U niet verkeeren. De onzinnigen zullen voor Uwe oogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid, zegt de Gemeente. En wederom staat er geschreven: God is een rechtvaardig Rechter, en een God, Die te allen dage toornt. Indien men zich niet bekeert, zoo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijnen boog gespannen, en dien bereid, en heeft doodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijne pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen. En wederom wordt er betuigd: Die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien; maar de toorn Gods blijft op Hem. En wederom: Want onze God is een verterend vuur.
En nochtans, deze God wil niet, dat iemand verloren ga, maar dat allen tot bekeering komen. Heeft Hij den weg tot het verlorene paradijs, tot den levensboom der gerechtigheid der werken toegesloten, een ander Paradijs heeft Hij voor den boetvaardige in den Raad Zijns vredes geplant. Zijn hart heeft Hij geopend voor den raad- en reddelooze, die tot zich-zelven inkeert, en spreekt: „Ik zal opstaan en tot mijnen Vader gaan, en ik zal tot Hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor U, en ik ben niet waardig, Uw zoon genaamd te wordenquot;. Eenen onbedriegelijken weg heeft Hij gelegd, opdat de verdoolde tot Hem komen kan; en Hij Zelf reikt hem, die op den grond geworpen is, en in zijn bloed ligt, de hand, en wil hem vrijwillig liefhebben. Hij heeft alles gereed gemaakt, dat een mensch om niet gered zij; en Hij wil den goddelooze vrijspreken van zijne zonden, schuld en straf, en den onreine reinigen van al zijne onreinheid, van al zijne zonden, al waren zij ook bloedrood. Hij wil voor de gejaagde zielen een veilig toevluchtsoord zijn, de moede zielen verkwikken, de treurigen vertroosten. Niets staat Hem meer in den weg, om eenen
21
Openbaeing van Johannes 16 vs. 9.
zondaar genadig te zijn, en bij hem Zijn woord te vervullen; „Ik zal uwe zonden niet meer gedenken; Ik zal u niet straffen om alles, wat gij gedaan hebt; Mijne genade zal niet van u wijkenquot;. In Christus wisselde God eene wereld mot Zich uit, en rekende haar hare zonden niet toe. Veeleer maakte Hij Dengene, Die volstrekt geene zonde kende, zonde voor ons, opdat wij zouden zijn gerechtigheid Gods in Hem. — Hij gaf uit eeuwige, vrije liefde Zijnen Zoon voor ons over, liet al onze zonden op Zijn heilig Kind Jesus komen. Deze droeg den last van Gods toorn tegen onze zonde. Deze gaf Zijne ziel tot schuld, betaalde onze schuld met Zijn eigen leven; op Hem was de straf, die ons den vrede aanbrengt. Deze heeft Gode eenen volkomenen losprijs voor onze zonden gebracht, — met Zijn bloed volkomen betaald, wat tot onze verlossing te betalen was. Zoo heeft Hij dan eene eeuwige verzoening gevonden, Gode de gerechtigheid gebracht, de Wet volkomen vervuld, de werken des duivels verwoest, de zonden uit het midden weggedaan, den dood overwonnen, en is geworden onze gerechtigheid voor den rechterstoel Gods, onze weg tot binnen de heerlijkheid, onze waarheid tegen alle aanvechtingen des duivels, ons eeuwig leven tegen onzen dood en in onzen dood.
Daarom mogen wij toetreden tot den troon der genade met en in Christus, en zullen genade vinden.
Ook is de Heilige Geest verworven, dat Hij ons levend make, verlichte, leere, leide, reinige van al onze onreinig-heid, ons trooste, ons bijsta en voor ons bidde met onuitsprekelijke zuchtingen, ons leere „Abbaquot; — lieve Vader! — roepen, en ons verzegele — als een rechte Geest der blijdschap, ten einde wij de zekerheid onzer zaligheid smaken.
Opdat wij van deze zaken gewis zouden zyn, geeft Hij ons Zijn levend Woord, en opdat wij toch aan Zijne goedertierenheid volstrekt niet twijfelen zouden, heeft Hij ons met het water Zijner genade laten doopen, en heeft een Verbond met ons opgericht, dat Hij eeuwiglijk onze genadige God, en
22
Openbaring van Johannes 16 vs. 9.
de God onzes zaads zijn wil. Van dit Verbond is Jesus Borg, en Hij wil Zijnen verworvenen Geest geven dengenen, Die Hem bidden.
Deze God is het. Die macht heeft over de plage, welke ook onze stad getroffen heeft. —
Wat hebben wij daaruit te leeren, dat deze God macht heeft over de plage? De woorden; ,Die macht heeft over deze plagenquot;, zijn hier toch wel alleszins opzettelijk neêrgeschreven.
God heeft macht over de plage. Niemand ga dns voort met Zijnen Naam te lasteren, of door zijne daden aanleiding te geven, dat Zijn Naam onder de volkeren gelasterd worde. Hij houde dus op, den Farizeër te spelen; veeleer beginne hij daarmede, dat hij zijne zonden afbreke door gerechtigheid , en zijne ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen. — Het luidt van Godswege: Indien hij zich niet bekeert, zoo zal Hij Zijn zwaard wetten. Zoo wacht God dan maar alleen, opdat Hij genadig zij; zoo stelt Hij dan Zijne pijlen te werk ten verderve tegen den onwil, wanneer men zich niet bekeeren wil tot Hem, de Bron van alle heil, van alle gerechtigheid en eeuwig leven. Daarom betuigt Hij ook: „Omdat Ik u dan dit doen zal, zoo schik u, o Israël, om uwen God te ontmoetenquot;. Hij plaagt niet van harte. Hij doodt niet, omdat Hij lust heeft om te dooden; maar Hij moet bezoeken. Het moet komen, waarmede Hij alle verachters Zijns Woords gedreigd heeft; maar Hij wil des te liever laten komen, wat voor eeuwig behoudt. Hij slaat, opdat Hij heele; opdat de bewoners der aarde tot zichzelven inkeeren, en gerechtigheid leeren; leeren tot Zijne woorden en geboden terug te keeren, en daarnaar te doen. Hij wil, dat men zich tot Hem bekeere; daarom heeft het steeds geheeten, en is het steeds betuigd geworden: Zoo waarachtig als Ik leef, Ik wil den dood des goddeloozen niet!
Maar wie zijn goddeloozen? Sommigen zijn vol goede wer-
23
Üpenbabing van Johannes 16 vs. 9.
ken, en willen die genade niet, welke genade bij God is. Sommigen zijn vol van genade, zooals zij meenen; maar hunne werken deugen niet. Sommigen willen zich niet zonder werken laten vrijspreken, en sommigen prediken aan hun geweten de rechtvaardigmaking, om des te vrijer hunne goddeloosheid te kunnen botvieren. — Allerlei zonden openbaren zich in ons midden, en de vrucht des Geestes moet gezocht worden. Wanneer God eenigen ten exempel stelt, zoo moeten wij ons allen voor gewaarschuwd houden. De plaag is daar, opdat een iegelijk losmake de knoopen der ongerechtigheid, zich met alle goddeloozen op éénen hoop late werpen, en als een gcddelooze aan God geloove; niet als een goddelooze, die wel weet, dat hij goddeloosheid drijft, doch niet gezind is, zich daarvan te bekeeren, — maar als een goddelooze, die weet, dat hij goddeloosheid drijft, en in zich geene kracht ziet, om daarvan af te komen, die daarom onder de goddeloosheid vergaat, doch naar genade dorst, om van alle goddeloosheid verlost en vrijgesproken te zijn.
Zal God Zich nu nog, in het midden der plage, over eenen goddelooze ontfermen, en hem rechtvaardig spreken? Zal Hij eenen armen mensch genade mededeelen, barmhartigheid laten wedervaren, wanneer hij bij den grooten Ontfermer om ontferming aanhoudt? Juist ditzelfde woord: God heeft macht over deze plage, is zooveel als een jawoord; want waartoe staat zulks daar, zoo niet, opdat een arm zondaar, die in vreeze en gevaar tot zichzelven inkeert, en zich in het verborgen opmaakt tot God om genade, ook in het openbaar zich bekeere van zijne ongerechtigheid, het ervare, dat God zijnen nood wel kan lenigen, dat Hij de plage wel van hem afweren, wel van hem wegnemen kan; — daarom staat er geschreven: God heeft macht over deze plage.
Heeft God macht over deze plage, zoo kan zij ons wel treffen, hoezeer wij ons tegen haar beveiligd wanen; wij hebben derhalve alleszins reden, om ons onder de krachtige
24
Openbaring van Johannes 16 vs. 9.
hand Gods te verootmoedigen, en ons aan deze macht te onderwerpen. Maar dit zal de ware ootmoed zijn, dat wij ophouden ons iets aan te matigen, en veeleer voor Hem belijden: „Wat onderscheidt mij? Ik heb het het allereerst verdiend, dat Gij al mijne verborgene zonden en gruwelen aan mij bezoektquot;. Want vóór alle dingen hebben wij te erkennen de souvereiniteit van Hem, Die niet antwoordt van Zijne daden; immers God zal wel altijd in Zijn recht blijven, en voor Hem zal alle vleesch zwijgen.
Heeft God macht over deze plaag, zoo mogen wij aan den anderen kant goedsmoeds zijn, en behoeven de plaag niet te vreezen, ja mogen veeleer ons verzekerd houden, dat de plaag niet treffen kan, wien zij wil, en dat zij ons volstrekt niet treffen of dooden kan, wanneer God het niet wil. Dit woord: God heeft macht over de plage, zegt zooveel als: God kan ze wel wegnemen, en God wil ze ook wegnemen, of: God kan en wil ons onder Zijne bescherming en onder Zyne beschutting nemen. Hij kan en wil bij ons Psalm 91 gansch getrouwelijk vervullen. Wij mogen, op grond van zulke woorden, in God moed grijpen. Wanneer wij denken, dat de plaag niet in Gods hand is, dan zullen wij ons tegen haar met alle middelen beveiligen, intusschen God lasteren, hetzij in het openbaar, hetzij met allerlei booze gedachten en met versmading Zijner genade. Wanneer wij daarentegen gelooven, dat God macht over deze plaag heeft, dan zullen wij van haar afzien en op God zien; en, het Evangelie Zijns lieven Zoons geloovende, ook bedenken, welke barmhartigheid ons van onze vroege jeugd aan wedervaren is: en zoo zal op eens door de genade des Heiligen Geestes, Welke in ons woont, ons vertrouwen gevestigd zijn op zulk eenen God, van Wien wij het geleerd hebben te zingen en te zeggen: „Wie is zulk een God als Gij!quot;
Wanneer wij op God zien, zoo weten wij wel, waarom Hij die plaag zendt.
Ik wil hier niet veel spreken van de oorzaken, welke Hij
25
Openbaring van Johannes 16 vs. 9.
er voor heeft, om ons te komen bezoeken. Hoe velen, ofschoon zij Christenen heeten, bidden den driehoofdigen afgod aan! Ach, dat er niet in deze stad gevonden werden, die het goede woord Gods gesmaakt hebben, en de krachten der toekomende eeuw, en zijn afgevallen, zichzelven den Zoon Gods wederom kruisigen, Hem openlijk te schande maken, en den Geest der genade, in Welken zij geheiligd waren, smaadheid aandoen! Welke zonden zijn hier niet begaan tegen betere overtuiging in, tegen de vermaning en de stem des Heiligen Geestes! Hoe vele tranen zijn hier reeds den oprechten belijders van den Naam Jesus ontperst! hoe vele zonden hier begaan uit liefde tot eigene eer, en omdat de buik de Grod was! Zal men zich niet van zulke zonden be-keeren, zal men nog staande houden: Ik heb geen onrecht gedaan!? Welke zonden hier van schrikkelijke lichtzinnigheid, van het misbruiken van Gods heiligen Naam, van het sabbatschenden met haastigen voet en onbeschaamd aangezicht, — van onderdrukking, van geldgierigheid, en van oneerlijkheid in beroep, in handel en wandel, — van lastering zijns naasten, onmatigheid, dronkenschap, ongehoorzaamheid, losbandigheid, najagen van eigene begeerten en lusten! Welke zonden hier onder het mom van godsdienst! En dat in eene stad, welke ten hemel toe is verheven geworden! De heilige God heeft, ter handhaving Zijner eeuwige Wet, Zich moeten wreken, en moet Zich wreken, omdat door zulk een leven het bloed Christi met voeten getreden, en Zyner genade smaadheid aangedaan wordt. Maar weten wij nu, dat Hij toch midden in den toorn Zijner barmhartigheid wil gedachtig zijn, zoo weten wij ook juist aan de plaag zelve en aan hare oorzaken, wat Hij wil, dat wij doen zullen.
God wil, dat allen tot erkentenis der waarheid komen, dat men het verachten nalate, dat men, onder Zijne plage verbrijzeld, zich tot Hem opmake om genade en ontferming, met gebeden, met smeeken, zuchten, roepen en aanhouden om zulke genade.
26
Openbaeing van Johannes 16 vs. 9.
God wil zulke genade aan hen, die er bij Hem om aanhouden, ook mededeelen; Hij wil hun al hunne zonden vergeven, Hij wil dit doen om de Hem aangebrachte gerechtigheid, om het bloed Christi.
God wil, dat wij ons niets zullen aanmatigen, ons niet boven anderen verheffen, alsof wij eenigszins beter waren, alsof wij boven degenen, die door God met de plaag bezocht worden, iets vooruit hadden.
God wil, dat wij Zijnen lieven Zoon Jesus zullen verheerlijken , Hem erkennen en belijden als den eenigen grond en de eenige oorzaak onzer zaligheid, als onzen eenigen Leeraar, Hoogepriester en Koning, en dat wij door geene andere gerechtigheid zoeken gerechtvaardigd te worden, dan door die gerechtigheid, welke Hij aangebracht heeft.
Gods oogen zien naar het geloof, en God wil, dat wij, met verloochening van onszelven en van al onze lusten, en met prijsgeving van al het zichtbare, in heiligmaking des Gees-tes, in Zijn Woord blijven, en naar Zijne geboden met een eerlijk gemoed en onbevlekt geweten wandelen, alzoo Zijner heiliging deelachtig worden, het Lam volgen, waar het ook heengaat, en Zijn getuigenis boven alle dingen hoogschatten.
God wil, dat wij tegen eiken nood en tegen eiken dood, gelijk ook tegen alle zonden, tegen de wereld en alle verzoeking en aanvechting, ons aan Zijne genade en ontferming blyven vasthouden.
Ook wil Hij dezulken, wien het om den wille Gods waarlijk te doen is, al zulke dingen rijkelijk schenken ; en daartoe heeft Hij ook de heerlijkste beloftenissen gegeven.
Wie uwer nu lust heeft, naar zulk eenen wil Gods te wandelen, en tot Zijne genade de toevlucht neemt, opdat hy in deze genade moge gevonden zijn, die verrichte met een opgeruimd gemoed in deze dagen zijnen arbeid, waartoe God hem roept, en zegge met vertrouwen des harten: „Mijn God heeft macht over deze plage!quot;
Ach, dat wij het maar niet van onze stad vernemen, wat
27
Openb-iring va.n Johannes 16 vs. 9.
de heilige Johannes in verband met onzen tekst schrijft: E n de menschen werden verhit met groote hitte, en lasterden den Naam Gods, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet, om Hem heerlijkheid te geven! — want dan kon de cholera nog eenen verschrikkelijken nasleep hebben.
Maar gij en gij, die dit hoort! overvalt u de plaag, zoo vertwijfel evenwel niet aan de genade des Heeren Jesus, ook niet midden in den dood. Belijdt gij, dat het Gods oordeel over u is, en hebt gij niets dan zonde, — zoo werp zelfs voor de opene hel dit woord niet van u: Het bloed van Jesus Christus, den Zone Gods, reinigt ons van alle zonden. Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jesus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken. Hier kan alleen het geloof helpen, daarom geloof, en roep: „God, wees mij zondaar genadig! Heere, Heere, gedenk mijner!quot; Belijd, dat gij alle ontferming onwaardig zijt, en houd zóó om genade aan, en — geloof! Zoo zal des Heeren barmhartigheid voor u het oordeel verslinden, zoodat gij tot uwe zalige verrassing het evenwel ervaart, hoe uw God macht heeft over deze plaag. Amen.
Nazang: Psalm 119 vs. 46.
De hemel blijft nog met den aardkloot staan,
Naar Uw bevel; zij allen zijn Uw knechten.
Ik waar\' reeds lang in mijnen druk vergaan,
Indien ik mij met Uwe Wet en rechten,
Tot mijn vermaak en troost, niet had beraan.
Om aan Uw trouw alleen mijn hoop te hechten.
28
LEERREDE
OVER
H O S E A 11 vs. 8 en 9.
Voorzang: Psalm 39 vs. 4—6.
Gaat niet de mensch, als in een beeld, daarheen,
Gelijk een schaduw, die verdwijnt? Men woelt vergeefs; men brengt met zorg bijeen Al wat op aard\' begeerlijk schijnt; En niemand is verzekerd, wie eens al Die goed\'ren naar zich nemen zal.
Nu dan, o Heer\'! wat is \'t, dat ik verwacht?
Mijn hope staat op U alleen;
Verlos mij, door Uw onweerstaanb\'re kracht. Van al mijn ongerechtigheên.
En stel mij niet, getrouwe Toeverlaat! Den dwazen sterv\'ling tot een\' smaad.
Ik ben verstomd, en zal mijn\' mond voortaan
Niet opendoen, wijl Gij het deedt.
Neem Uwe plaag van mij, houd op van slaan. En maak een einde van mijn leed;
Mijn kracht bezwijkt, omdat mij Uwe hand Zoo fel bestrijdt van allen kant.
Door de groote en wonderbare barmhartigheid des Heeren zijn wij, hoewel de plaag nog gedurig meer verwoesting aangericht heeft, allen verschoond gebleven. Onze gebeden voor deze Gemeente heeft God genadiglijk verhoord; ons gebed voor de geheele stad echter nog niet. Waarom niet? God weet het. Zal Hij onze Gemeente blijven sparen? Ook dit is in Zijne hand; het hangt alleenlijk af van Zijne barmhar-
Gehouden 28 October 1849.
Hosea. 11 vs. 8 en 9.
30
tigheid. Van Zgne barmhartigheid, zeg ik; en het is my er om te doen, dat gij acht slaat juist op dit woord ,barmhartigheidquot;. Dat wij tot op heden bewaard zijn gebleven, dat heeft het bloed des Lams gedaan; en het Woord heeft u opgeheven, en gezet tusschen den Heere en de plaag, opdat dt» plaag niet tusschen den Heere en u zou zijn. Maar, hebben wij nu daarom iets vooruit boven anderen? „Neenquot;, zeg ik volmondig van mijzelven en van velen, „neen, wg hebben niets vooruitquot;. En, hoedanig is deze barmhartigheid des Heeren? Is zij zwak, weekelijk? Laat zij den mensch in zijn verkeerde doen en drijven, of helpt zij hem daaruit, of wel maakt zg den mensch geheel verbrijzeld ? Laat zij den mensch in den waan, dat hij toch een goed geloof heeft, terwijl zijn hart niet tot Gods Wet geneigd is, en de werken, die hij doet, niet in God gedaan zijn; of moet er aan de openbaring der barmhartigheid noodzakelijk iets voorafgaan, namelijk dat de mensch opgeschrikt worde uit alle verkeerdheid, dat hij met al zijne schuld voor God kome, en zijne afgoden verre van zich werpe? Indien dit laatste geschieden moet, gelijk gij allen met mij zult erkennen, dan heb ik in dit morgenuur een woord aan u. Mijne Geliefden! een woord, dat allereerst dezulken onder u, die bij al hun roemen van geloof en bekeering niet wandelen volgens het Evangelie, tot diepe verootmoediging voor God brenge; en dat voorts dengenen, die wegzinken voor Gods Woord en oordeelen, opnieuw een anker der hoop voor hunne ziel zij, een anker, hetwelk zij tegen allen nood en alle gevaar — ook wanneer de watervloeden op hen aanstroomen, — kunnen werpen in het binnenste van het voorhangsel, opdat hun schip door geenen storm van den vasten grond der eeuwige verlossing weggeslingerd worde. Ik weet, dat onder allen, die uit Egypte togen, zich geen zwakke bevond, maar tevens weet ik, wie eindelijk gevallen zijn in de woestijn. Daarom geve u de Heere genadiglijk geopende ooren, opdat gij zoowel Zijnen ernst als Zyne barmhartigheid, en zoowel Zijne barmhar-
Hosea 11 vs. 8 en 9.
tigheid als Zijnen ernst moogt ter harte nemen, en beide gelooven.
TEKST: Hosea 11 vs. 8 en 9.
„Hoe zou Ik U overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? hoe zou Ik u maken als Adarna? u stellen als Zeboïm ? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken. Ik zal de hitügheid Mijns toorns niet uitvoeren, Ik zal niet weder-keeren, om Efraïm te verderven; want Ik ben God en geen mensch, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen.quot;
Tusschenzang : Psalm 43 vs. 3.
Zend, Heer\'! Uw licht en waarheid neder.
En breng mij, door dien glans geleid ,
Tot Uw gewijde tente weder;
Dan klimt mijn bange ziel gereeder Ten berge van Uw heiligheid,
Daar mij Uw gunst verbeidt.
Eene drievoudige vraag legt ons God de Heere hier voor, opdat Hij onze harten verbreke, opdat wij onszelven aanklagen en Gode gelijk geven. Hij beantwoordt Zelf deze drievoudige vraag, doch geheel anders, dan wij het verwachten , opdat wij in Zijne barmhartigheid veilig en geborgen zouden zijn.
God de Heere maakt ons de oorzaak bekend, waarom Hij niet doet naar Zynen toorn en niet met ons handelt naar hetgeen wij verdiend hebben, opdat wij zien mogen, vanwaar Zyne goedertierenheid komt. Intusschen geeft Hij ons te kennen, dat Hij met ons verkeerde bestaan geene gemeenschap hebben wil, opdat wij leeren Hem te vreezen.
31
Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? (wat zal Ik van u maken, Efraïm ?) l) Ernstige vraag van God aan Zijn volk, hetwelk den naam Efraïm draagt, omdat aan dit volk de belofte van zegen, van wasdom en vermenigvuldiging gegeven is. Dan, dit Efraïm ziet er niet uit naar zijnen naam.
\') Overzetting van Luther.
Hosea 11 vs. 8 en 9.
De Heere ziet, als het ware, van den hemel op Efraïm neder, heeft Efraïm vóór Zich, en is in him midden. En wat ziet Hij ? Dit Efraïm, hetwelk een heerlijk en krachtig volk zijn kon, waarvan één eenig man duizend op de vlucht had kunnen jagen, hetwelk Hij groot gemaakt heeft met Zijne Wet, en heerlijk gemaakt in Zijne heerlijkheid, hetwelk Hij geschapen heeft in Christo Jesu tot goede werken, aan hetwelk Hij allerlei kostelijke beloften gegeven heeft, opdat het, der wereld ontvloden zijnde, Hem dienen zou in heilig sieraad, — daar ligt het voor Hem als een geheel ontaard volk. Het heeft geene acht geslagen op Zijne geboden, is in Zijne woorden, in Zijne liefde niet gebleven; het heeft den duivelen nagehoereerd, het heeft zich den duivelen en niet den Heere overgegeven. Daar ligt het nu ter aarde, gelijk een verbroken vat, geheel misvormd en onkenbaar geworden door de zonde; niets is er meer van te maken. En evenwel wil Efraïm de leer, evenwel wil hij de verkondiging hebben; hij wil, dat God een heerlijk, een zalig en heilig volk van hem make. Dit nu wil God ook wel, maar Efraïm staat God in den weg met zijn ongeloof, met de lioovaardij zijns harten.
Efraïm wil Gods volk zijn, wil genade, maar om eenen vrijbrief tot zondigen te hebben. Efraïm klaagt over zijne zonden, maar van die zonden, welke voor de hand liggen, en van welke hy zich het allereerste bekeeren moest, wil hij zich niet bekeeren. En nochtans roept hij tot God: „Maak Gg mij tot zulk eenen, als Gij wilt, dat ik zijn zal!quot; Daarop nu antwoordt God, bedroefd en half radeloos: „Wat zallk van u maken?quot; alsof God zeggen wilde: Heb Ik niet alle reden, om u te laten liggen in uw verderf? Kan Ik dan nog een vat te Mijner eere van u maken, daar gij zelf Mij in den weg staat met al uwe moedwillige zonden? Hadt gij Mij niet moeten gehoorzamen? Nu hebt gij uzelven verdorven, en ligt geheel verdorven terneder. Ik zie in u hoegenaamd niets goeds meer, dat Mij tot aanknoopingspunt zou kunnen
32
Hoska 11 vs. 8 en 9.
dienen, om u in uwen vorigen staat te herstellen. Wat zal Ik van u maken, Efraïm? Schiet Mij nog één andere weg over, dan u geheel te laten varen? — Zal Ik n beschutten, Israël?1) Welk eenen vorstelijken naam heb Ik u gegeven, toen gij weleer met Mij worsteldet; toen gij nog jong waart, en in uw bloed laagt, in de hel; toen gij Mij niet losliet, vóór Ik u Mijnen zegen had gegeven, en gij het plechtige Verbond met Mij maaktet, Mij getrouw en onverdeeld te dienen, en niet meer de zonde! Gij hebt geene acht geslagen op Mijne liefderijke, vriendelijke vermaningen, op Mijne bescheidene waarschuwingen. „Jaquot;, zeidet gij, „al wat Gij mij beveelt, dat zal ik doenquot;; gij hieldt u voor eenen, die in Mijne geboden wandelde; maar uw hart heeft u verleid, gij hebt gierigheid gepleegd en gehoereerd aan alle plaatsen; daarenboven hebt gij in uw ingebeeld geloof (dat niets is, dan enkel eigengerechtigheid) de kleinen en hulpeloozen meê-doogenloos geslagen, ja verkwist hebt gij al het goede, waaraan Ik het u niet had laten ontbreken. Nu echter heeft het uur der bezoeking geslagen! Nu heeft u uwe ongerechtigheid gevonden! Nu ligt gij terneder onder uwe straf; immers uw geweten beschuldigt u luid genoeg, dat gij Mijne geboden veracht hebt. Nu zijt gij in nood, in gevaar van omkomen. Strikken en banden des doods houden u gekluisterd, gij zijt in de wereld verstrikt; de hel heeft hare kaken wederom opgesperd, en dreigt u te verslinden. Zal ik u behoeden, o Israël? Heb Ik niet volkomen gelijk, als Ik thans tot u zeg: „Laten diegenen u behoeden, bij welke gij den lust uwer ziel gezocht hebt. Mijne bescherming versmadendequot;?
Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboïm? (Zal ik niet billijk een Adama van u maken, en u stellen als Zeboïm? 2)) Heb Ik niet Adama en Zeboïm,
\') Overzetting van Luther, waarvoor de Statenvertaling heeft: „(Hoe zou Ik) u overleveren, o Israël?quot;
•!) Overzetting van Luther.
33
3
Hose a 11 vs. 8 en 9.
Sodom en Gomorra moeten straffen om hunne zonden, zoodat Ik ze van de aarde verdelgd heb? — Waarin bestond hunne zonde? Zij hadden overvloed van alles, en volkomen rust en vrede van buiten. Maar zij verhoovaardigden zich, en bedreven gruwelen voor Mijn aangezicht; daarom heb Ik hen met den ondergang gestraft. En gij, gij hebt Mijnen toorn opgewekt met uwe zonden. Moet Ik thans niet al uw doen op uwen kop wederbrengen ? Hebt gi.j zelfs niet Adama en Zeboïm als het ware vroom gemaakt, in vergelijking met de gruwelen, die gij hebt bedreven? En nu uwe ongerechtigheid aan u bezocht wordt en uwe ure gekomen is, nu zoudt gij genade willen hebben! — ^/Vat zouden Adama en Zeboïm dan zeggen op den dag des oordeels, indien Ik u genade bewees, daar gij meer dan deze hebt gezondigd ? Meent gij, dat Ik met u eene uitzondering zou kunnen maken? Billijk laat Ik u nu liggen in uwen nood, billijk laat Ik u in uw verderf omkomen. Billijk verteert u Mijn ijver, de gloed Mijns toorns, gelijk die te voren Adama en Zeboïm verteerd heeft. —
Zoo moet God de Heere twisten met Zijn volk, zoo hen oordeelen, zoo tegen hen toornen. Dit is het woord en de stemme Gods, des heiligen en rechtvaardigen Gods tot ons, opdat wij ons toch voor Hem verootmoedigen, en met een verbrijzeld hart bekennen, dat wg allen niets dan enkel toorn en ongenade bij Hem verdiend hebben, niet anders, dan voor eeuwig van Zijn heilig aangezicht verstoeten en in de hel geworpen te worden, na bezocht te zijn geweest met al Zijne plagen. Want onze God is niet zulk een goedertieren Vader, dat Hy de zonde door de vingers ziet, welke met een onverbroken hart tegen Zyn heilig gebod door ons wordt bedreven; neen. Hij moet gestrenge vergelding doen: dit eischt Zijn eigen heilig wezen. Zijne gerechtigheid. Zijne Wet, Zijn geheele Raad, naar welken het aldus luidt: ,Zijt heilig, want Ik ben heilig!quot;
34
Hosea 11 vs. 8 en 9.
II.
Wel hem, die met een beangstigd gemoed aldus tot den Heere spreekt: „Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uwe oogen, opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richtenquot;. Wie deze belijdenis aflegt, die zal ook wegzinken voor dit woord, voor deze ontzettende vraag: „Wat zal Ik van u maken, Efraïm?quot; Immers wordt deze drievoudige, ontzettende vraag ons voorgelegd, opdat wij voor God verbrijzeld zouden nedervallen, ons voor Hem in stof en asch vernederen, onszelven aanklagen en Gode gelijk geven; zij moet ons daartoe doen opschrikken uit onze zonden, opdat wij met een waarlijk berouwvol gemoed gevoelen, dat wij met onze zonden den heiligen en rechtvaardigen God beleedigen en tot toorn verwekken. Wanneer wij ons nu over deze vraag verootmoedigen, dan spreken wij het oordeel over onszelven uit, en liggen daar voor den troon der genade als dezulken, die volstrekt geene aanspraak op ontferming meer hebben; dan geeft ons hart ten antwoord: „Ja billijk maakt Gij van mij een Adama en stelt mij gelijk Zeboïmquot;. En waar het nu zóó gesteld is, waar wij dit oordeel vellen over onszelven: „Gij blijft in Uw recht, wanneer Gij mij verstoot en voor eeuwig van Uw aangezicht verwerptquot;, daar mogen wij uit Gods mond zeiven dit onverwachte antwoord vernemen: Mijn hart is anders gezind, Mijne barmhartigheid is te vurig.1) O welk een hart is het hart onzes Gods! in eenen oogwenk is het in Hem omgekeerd! Soms spreekt Hij van verderven, en op hetzelfde oogenblik zegt Hij: „Mijn hart is anders gezindquot;. Zooeven nog spreekt Hij er van, dat Hij Zijn volk wil ombrengen, en terstond daarop, dat Hij dit volk genadig wil zijn. Zoo komt Hij met de
\') Aldus naar Luther; de Statenvertaling heeft hier: „Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstokenquot;.
35
Hose a 11 vs. 8 en 9.
36
roede over Zijn volk, zeggende: ,1k zal u stellen als Ze-boïniquot;, en onmiddellijk daarna werpt Hij de roede weder van Zich. Die eene slag, dien Hij Zijn volk toegebracht heeft, smart Hem reeds, en nu luidt het: „Neen, Ik kan het niet slaan. Mijne barmhartigheid is te vurig, zoodat Ik niet doen zal naar Mijnen grimmig en toorn, noch Mij k e er e n, om Ef r aïm g eh e e 1 te v er d e r-ven.\') Is dan God zoo veranderlijk? Ja, waarom niet? en wél ons, dat Hij zoo veranderlijk is! Daarbij blijft het, wat Jesaia zegt: „Indien de Heere Zebaoth ons geen zaad had overgelaten, zoo waren wij als Sodom geworden en Gomorra gelijk gemaakt geweest!quot; En evenwel is God de Heere niet veranderlijk. Immers, oude liefde roest niet, en wanneer de oogen van den toornenden en bestraffenden vader de oogen des kinds ontmoeten, en zien, hoe zij, half gebroken, schuld bekennen en om ontferming smeeken, dan zijn op eens twee harten gebroken: het hart des vaders, om het kind niet te straffen, en het hart des kinds, om zijnen vader om den hals te vallen. Het is niet alles „volkquot;, wat „het volk\'1 crenoemd wordt; maar het ware volk verstaat Gods bedrei-gingen, buigt zich, verootmoedigt zich in waarheid onder de straf. Wanneer nu de Heere de roede omhoogheft, dan ziet Hij dit volk in het aangezicht, en het volk Hem; dan ontwaart de Heere aldra zulk eene verbrijzeling, zulk een smeekend opzien naar ontferming, dat Hij wel spoedig anders gezind wordt, dat Zijne barmhartigheid zóó vurig wordt, dat Hij Zijnen volke deze barmhartigheid moet laten wedervaren, — op hetzelfde oogenblik, waarin Hg even te voren het in de hel dreigde te werpen.
O Israël, God wil niet doen naar Zijnen grimmigen toorn! o Efraïm, God wil Zich niet keeren, om ons geheel te verderven! Neemt dit ter harte, gij volk, dat wegzinkt voor
!) Volgens Luther. Statenvertaling: „Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren, Ik zal niet wederkeeren, om Efraïm te verdervenquot;.
Hosea 11 vs. 8 en 9.
Zijn oordeel, dat over deze stad gekomen is, en laat u daarnevens niets wijsmaken door duivel, dood of het aanklagende geweten, maar komt tot Hem en belijdt Hem al uwe zonden, al uwe gebreken; gij volk, dat zich niet waardig gevoelt, Gods volk genaamd te worden, gij verneemt het hier: wat in ongenade is, eu wegzinkt voor Zijne bedreigingen, wil Hij in genade het leven schenken; Hij wil Zich niet keeren, om het geheel te verderven.
Maar neem gij het ook ter harte, gij volk, dat in uw hart denkt: „Dat zgn troostelijke woordenquot;, doch u niet buigt onder dit woord: „Wat zal Ik van u maken, Efraïm?quot; en om Zijnen grimmigen toorn u niet bekommert. Gij overtreedt Gods geboden, en wilt nochtans uzelven rechtvaardigen ; gij spreekt van genade, en zoekt uwen lust in sterken drank; gij spreekt van heiligmaking, en hebt geen berouw over uwe booze driften; gij bidt: „Vergeef ons onze schuldenquot;, en slaat geene acht op des Heeren Jesus\' woord: „Wanneer gij niet elkanders misdaden vergeeft, zoo zal uw hemelsche Vader ook uwe misdaden niet vergevenquot;. Gij meent, dat God woord moet houden, wanneer Hij zegt: „Ik zal Mij niet keeren, om Efraïm geheel te verdervenquot;, en wanneer gij uwen broeder ziet, zoo keert gij u van hem af, omdat gij iets tegen hem hebt, of omdat gij door hem bestraft zijt. Gij spreekt van Christus en van Zijne gerechtigheid , en gij hebt Zijne woorden in den wind geslagen: „Dat niemand zijnen broeder vertrede, noch bedriege in zijne handeling: want de Heere is een Wreker over dit alles!quot; O Efraïm, o Israël! meent niet, dat het u oquot;gt;ldt: „Ik ben anders gezindquot;, als gij niet wegzinkt voor de woorden des heiligen Gods: „Wat zal Ik van u maken?quot; En is het, dat gij wegzinkt voor deze woorden, voorzeker, dan zult gij betalen, wat gij geroofd hebt; voorzeker, dan zult gij niet van gerechtigheid spreken, maar gerechtigheid doen, en als een goddelooze tot God komen, Gode gelijk gevende, wanneer Hij u verdoemt; — en zoo zal de roede
37
Hosea 11 vs. 8 en 9.
verre van u zijn, en over u zal komen; Gods vurige barmhartigheid.
III.
Maar gij, o volk, welks harte slaat bij elke overtreding, dat in geene ongerechtigheid berusten kan, dat reikhalzend uitziet naar verlossing van elke zonde, gij volk, dat zoo dikwijls, ach zoo telkens weêr in het slijk ternederligt, dat van uit de diepte om hulp roept, en vraagt met een verbrijzeld gemoed: „Is er nog ontferming voor zulk eenen zondaar, als ik ben?quot; — gij volk, in wier harten deze zelfveroordeeling ligt, dat er in u zelfs geen vezel meer is, waarbij de Heere u nog zou kunnen aanvatten, om iets van u te maken ; — gij volk, dat u ook der minste bescherming Gods onwaardig keurt, en met eigene hand zoudt willen onderteekenen, dat de Heere rechtvaardig is, wanneer Hij u stelde als Zeboïm, en een Adama van u maakte, — gij volk, dat, wanneer gij op uzelven ziet, het bijna voor onmogelijk houdt, dat God niet eindelijk Zijnen grimmigen toorn tegen u zou laten ontbranden! — hebt gij in uw verzinken deze woorden des Heeren vernomen: „Mijn hart is anders gezind. Mijne barmhartigheid is te vurigquot;; roept gij daarom: „Kastijd my met mate, maar laat mij leven, opdat ik U love en Uwen roem verkondigequot;; juicht gij over deze woorden des Heeren aldus in uw harte: „God is
genadig, ja. God is genadig!quot;--welaan, verneemt den
grond van zulk eene barmhartigheid!
Zóó spreekt de Heere: Ik ben God, en geenmensch, de Heilige in het midden van u.
Ik ben God, zegt de Heere. Wij menschen nu denken aldus: omdat God God is, zoo is er niets met Hem te beginnen, zoo is Hij onverbiddelijk, en zóó onveranderlijk in Zijne uitspraken, dat het er bij blijven moet, wanneer Hij van Zijnen grimmigen toorn heeft gesproken; wanneer Hij
38
Hose a 11 vs. 8 en 9.
39
van verdoemenis gesproken heeft, zoo is er aan geene genade meer te denken; wanneer Hij gezegd heeft: „Wat zal Ik van u maken, zal Ik u stellen als Zeboïm?quot; dan is er geene verlossing meer te hopen. Als een verslagen gemoed van toorn vernomen heeft, dan komt hij niet op de gedachte, dat er nog genade bij God is; hij denkt alleen aan toorn, aan omkomen, erkent ook zulk een oordeel als rechtvaardig, en verstaat daarbij niet, en kan het ook niet verstaan, dat God God is; hij kent Hem niet anders, dan als een verterend vuur, en kan niet gelooven, dat God nog God zou kunnen blijven, wanneer Hij zulk eenen zondaar, zulk eenen onrechtvaardige tot Zich komen liet. God echter zegt, dat Hij een geheel andere God is, dan de verlorene zich voorstelt; „Ik ben Godquot;, zegt Hij, d. i. zulk een God, Die niet alleen Zijne gerechtigheid en heiligheid weet te handhaven, maar ook Zijne genade. Zijne liefde tot zondaren, en Zijne barmhartigheid weet te verheerlijken. God zegt voorts: „Ik ben geen menschquot;. Een mensch is goed en vriendelijk jegens diegenen, die vriendelijk en goed voor hem zijn, en hem niets in den weg leggen; heeft hij echter met een boos mensch te doen, dan komt dadelijk in zijn hart de gedachte op, dezen verre van zich te stooten, te verderven en te verdelgen, evenals Juda, die schielijk Tha-mar wilde verbranden, hoewel hij zelf hoererij bedreven had. De mensch ijvert voor goede zeden, voor recht en wet, terwijl hij ze intusschen zelf overtreedt, — is spoedig gereed om te oordeelen, barmhartig, waar hij niet barmhartig, en onbarmhartig, waar hij barmhartig zijn moest. Het is den mensch onmogelijk, zich met zijne vijanden te verzoenen; uit zichzelven kan hij nimmer den armen, den omkomenden goedertieren zijn enkel uit goedertierenheid, zonder zichzelven er bij te zoeken, en zijne veranderlijke gunst bepaalt zich altijd tot dezulken, van welke hij iets ontvangen of iets voor zich te hopen heeft. Nooit valt het den mensch uit zichzelven in, voor eenen ander iets, dat deze bedorven
Hosba. 11 vs. 8 en 9.
heeft, weder te herstellen; evenmin, eenen verstootene te lokken, opdat de verstootene van zijn verderf gered worde. Daarin blijft de mensch zichzelven gelijk, dat hij dien, die hem beleedigd heeft, en dien hij besloten heeft, ongelukkig te maken, ook werkelijk ongelukkig maakt. Geen mensch zal uit zichzelven zijn leven en zijne eere geven voor zijnen vyand, om zijnen vijand door zijnen dood te verlossen.
Zóó is God niet! Ja, God ijvert wel schrikkelijk voor Zijne heilige Wet en voor gerechtigheid, en straft iedere overtreding van het heilige gebod met eeuwige verdoemenis; dit doet Hij echter niet, omdat Hij Zichzelven zoekt, maar omdat het met de heiligheid van Zijn Wezen overeenkomt, dat Hij de zonde niet ongestraft kan laten voorbijgaan. Maar hoe ijvert Hij voor Zijne Wet? Alzoo, dat Hij Zelf Zijne vijanden met Zich verzoent, het verlorene weder terechtbrengt, het verdorvene weder geheel herstelt. Hij heeft Zijner gerechtigheid door den dood van Zijnen eigenen lieven Zoon voldoening aangebracht; Hij heeft de Wet laten verviülen door Christus\' volkomene gehoorzaamheid; Hij heeft straf, zonde, schuld en vloek op Zijn eigen heilig Kind laten aankomen, en ons eenen Geest der heiligmaking doen verwerven. Die ons wel onder Zijne tucht weet te nemen. Dat is het, wat geschreven staat: „Maar God bevestigt Zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren; veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toornquot;. God is God, en geen mensch: Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn! De mensch wil zgne eer verheerlijken om zijne eigene eer; God echter verheerlijkt Zijnen ganschen Naam, die uitgedrukt is in den Naam Jesus.
Dit is alzoo de eerste grond, waarom God niet met ons doet naar Zynen toorn; dat Hy God is. Die ons verlost en zalig maakt uit eeuwige onveranderlijke liefde, en zóó zalig maakt, dat Hij daarbij al Zijne deugden en volmaaktheden
40
Hosea. 11 vs. 8 en 9.
41
verheerlijkt, en Zijne gerechtigheid toerekent aan het geloof. En dit is de tweede grond: dat Hij is, gelijk Hij Zich-zelven noemt: de Heilige in het midden van u. Daar Hij dus de Heilige onder u is, o volk, dat wegzinkt voor Zijn Woord en u buigt onder Zijne gerechtigheid, zoo kan en zal Hij niet met ons doen naar Zijnen grimmigen toorn. Onreinen en onheiligen, dat zijn wij. Maar is Hij nu de Heilige onder ons, wat doet Hij dan anders in ons, dan dat Hij ons heiligt door Zijne heiligheid en genadige tegenwoordigheid onder ons? „Ik heb Mij bedachtquot;, zegt God, „Ik wilde. en moest dit volk ombrengen, gelijk ik Sodom en Gomorra heb omgebracht; maar liever wil Ik Mijne groote barmhartigheid bij hen verheerlijken. Zij zullen niet omkomen vanwege Mijnen toorn; neen. Ik wil hun genadig zijn ; Ik kan Mijn Verbond met hen niet te niet maken; Ik wil hun in hunne ongerechtigheid die gerechtigheid toerekenen, in welke zij overeenkomstig de Wet zullen zijn, Mij loven, Mij liefhebben en zich voor Mijn aangezicht verblijden. Ik Zelf wil in hen wonen en blijven, hunne ongerechtigheid met Mijne heiligheid bedekken, en hen in deze heiligheid van alle slijk en vuiligheid reinigen.
Zoo luidt dan de troost van het Woord des levenden Gods tot eenen iegelijk van u, o volk, wier harten de billijkheid van Gods oordeelen erkennen, en zich buigen onder Zijne bedreigingen; — maar gy, die deze woorden leest zonder toepassing op uzelven, die niet met beven en sidderen deze vraag verneemt: „Wat zal Ik van u maken?quot; — hoort ook dit woord: Echter wil Ik in de stad niet komen1), d. w. z: Ik wil geene gemeenschap hebben met uwe booze daden. Toen de kinderen Israels het gouden kalf opgericht hadden, hetwelk Aaron gemaakt had, wilde Mo-zes niet in het leger komen, maar bleef staan in de poort des legers, en zeide: „Wie den Heere toebehoort, kome tot
\') Naar Lulher. Statenvertaling: „En Ik zal in de stad niet komenquot;.
Hosea 11 vs. 8 en 9.
mij!quot; En nadat van het volk drie duizend man gevallen waren, nadat Mozes wederom bij God voor het volk in de bres gesprongen was, en de kinderen Israëls hunne versierselen afgelegd hadden, toen wilde Mozes wederom niet in het leger komen, maar hij nam de tent en spande ze zich buiten het leger, verre van het leger afwijkende, en hij noemde ze de tent der samenkomst; en het geschiedde, dat al wie den Heere zocht, uitging tot de tent der samenkomst, die buiten het leger was. Christus en Belial hebben geene samenstemming, en God heeft geene gemeenschap met de afgoden. Daarom werpe een iegelijk van u de ongerechtigheid, welke hij in de hand heeft, van zich! dat toch een iegelijk wegzinke voor de bedreigingen des heiligen Gods, opdat hij aangeschreven moge zijn onder dat Israël, tot hetwelk God gezegd heeft: Mijne barmhartigheid is te vurig. Amen.
Nazang : Psalm 39 vs. 8.
Hoor mijn gebeii, mijn bang geroep, o Heer\'!
Daar \'k schreiend U mijn leed vertoon; Ik, die bij U als vreemdeling verkeer,
En hier, gelijk mijn vaders, woon. Ai! wend Uw hand en plagen van mij af; Verkwik mij, eer ik daal in \'t graf.
42
Bij SCHEFFER amp; Co. te Amsterdam zijn mede uitgegeven de navolgende werken van Dr. H. F. KOHLBRÜGGE.
Betrachting over den Eersten Psalm......./0.60
De Tabernakel en zijne gereedschappen. Acht en twintig Leerredenen, gehouden in de jaren 1856—-59. /2.40
In linnen band............, 3.20
Leerrede over Psalm 8............ 0.15
Drie Leerredenen over Psalm 13........, 0.30
Leerrede over Psalm 16...........,0.15
Vier Leerredenen over Psalm 23. Tweede herziene druk . „ 0.40
Leerrede over Psalm 24. Idem.......... 0.15
, , 32...........,0.10
Eerste Twaalftal Leerredenen. Gehouden te Elberfeld in
de jaren 1846 en 1847. Tweede druk.....„ 1.50
Jesus en de Zondares. Drie Leerredenen over Luk. 7
vs. 36—50 ..............s 0.30
Op weg naar den Hemel. Drie betrachtingen. 1. „Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraakquot;. II. „Heere, dat ik ziende mag worden!quot; III. „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor Uquot;. Tweede druk „ 0.40 Genesis 3 voor de Gemeente uitgelegd. Berde herziene druk , 0.45 De Heere, Philippus en Nathanaël. Leerrede over Joh. 1
vs. 43—51 . . . . ,........., 0.10
Vijftal Leerredenen. Gehouden te Delft en te Fijnaart,
in 1858 en 1863 ............, 0.50
Leerrede over het 4e Hoofdstuk van Zacharia . , 0.15 De eenige troost in leven en sterven. Zes leerredenen over de eerste vraag en het eerste antwoord van
den Heidélbergschen Catechismus......, 0.50
Troostwoorden in Dichtregelen, voor allen, die in Nederland miskend worden vanwege de waarheid, die naar de Godzaligheid is. Tweede druk..........„ 0.30
De Taal KanaSns. Een gesprek tusschen twee reizigers
naar de eeuwigheid. Voor het volk.....„ 0.50
Het Gebed. Vier leerredenen over Heidelbergsche Catechismus vraag en antwoord 116—118. Tweede druk „0.25 Heere, leer mij Uwe inzettingen! Eene uitbreiding van
Psalm 119 vs. 33—40. Derde druk......,0.10
Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste. / 0.025. De 25
Exempl. ƒ 0.50, de 100 Exempl......., 1.50
Eenige gedachten over Gods Woord. / 0.025. De 25 Ex.
/ 0.50, de 100 Exempl..........„ 1.50
Vragen en antwoorden ter opheldering en bevestiging van den Heidelbergschen Catechismus. Kierde druk. / 0.60. In linnen stempelband..........„ 0.90