-ocr page 1-

UTRECHTSCH

STUI )EN\'rEN C( )R1 \'SRECl IT

Dl K) K\'

W. C. A. VAN VREDENBURCH.

(Kvrgcdrukl uit Ik-i Algemeen Nederlandsch Studenten-Weekblad „M I N E R V Aquot;.

LElDliN. — E. J. HR1LL 1894.

-ocr page 2-

J. ocL

■■ — \' f

r

-

GESCHENK

u-i» \'

I

y.

-ocr page 3-

UTR ECirJ SCll

STUDKNTKX CORPSkia ii

W. C. A. VAN VREDENBURCH.

OvLTgcdrukt uit het Algemeen Nederlandsch Studenten-Weekblad „M I N E RVAquot;.

LEIDEN. - E. J, BRILL

1894-

-ocr page 4-

J. Oct.

7 vgt;P

-ocr page 5-

Ï*JU

UTRECHTSCH

STUDENTEN CORPSRE^nT

DOOK

W. C. A. VAN VREDENBURCH.

Overgedrukt uit het Algemeen Nederlandsch Studenten-Weekblad „MINER VAquot;.

LEIDEN. — E. J. BRILL.

1894.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

INHOUD.

Bladz.

I. Inleiding, bronnen.............l.

II. Ontstaan wezen en inrichting van het U. S. C. . . 4.

III. Lidmaatschap..............8.

1. Aanvang en einde.............8.

3. Novitiaat...............11.

3. Rechten...............15-

4. Verplichtingen..............17-

IV. De Senaat................20.

1. Lidmaatschap..............20.

3. Vertegenwoordiging............23.

3. Bestuur................25«

4. Wetgeving...............28.

5. Rechtspraak..............28.

0. Onderlinge verhouding; het Rectoraat; enz.....30-

V. De Corpsvergadering............34.

1. Bestuur................34.

3. Wetgeving................36.

3. Rechtspraak..............3\'7.

4. Bepalingen van orde............38.

VI. De Faculteiten..............41.

VII. Corpsgezelschappen............44.

VIII. Corpscommissies.............46.

IX. Verhouding tot andere studenten-vereenigingen . . 48.

X. Terugblik................52.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

HOOFDSTUK I.

Inleiding; bronnen.

„Ik geloof, dat gij verkeerd doet bij de behandeling van Corpszaken telkens analogiën te zoeken in staats- of volkenrecht.quot; Ik wil niet beweren, dat deze woorden, mij eenigen tijd geleden door den Rector van een bevriend Studentencorps toegevoegd, de oorzaak zijn van het verschijnen van deze kleine studie, doch dat zij mij aangespoord hebben aan mijn voornemen gevolg te geven, is zeker. Voor hen, die htt ermede eens waren, kan dit geschrift tot antwoord gelden; mijn standpunt is altijd historisch geweest, en het onderzoek, voor de neergeschreven bladzijden noodig geweest, heeft voor mij dat standpunt slechts versterkt; in hoever ik gerechtigd was, het Utrechtsch Studentencorps als eene, zich naar rechtsbeginselen ontwikkelende, corporatie te beschouwen, en uit dit oogpunt te handelen en te spreken, staat ter beoordeeling des lezers. En misschien.... zal het mij ook gelukken de overtuiging van hen, die niet gelooven aan een positief recht buiten de Rijkswetgeving, en dus ook geen corporatie, buiten haar toedoen, aanvaarden, eenigszins te schokken; voor die het echter wel doen, mag dit geschrift wellicht gelden als eene bijdrage tot de kennis van het Neder-landsch corporatierecht der negentiende eeuw.

Mijne bronnen, — mij welwillend door den Senaat ter

i

-ocr page 10-

2

beschikking gesteld —, heb ik beperkt tot de verschillende uitgaven der Corpswet. Daarbuiten was bezwaarlijk iets van belang te vinden, dat nieuw licht kon verspreiden. Onze almanakken en oudere en nieuwere weekbladen leveren wel een onschatbaar veld ter bewerking op voor hen, die het studentenleven of ook weer speciaal de lotgevallen van het U. S. C. willen beschrijven, maar voor een onderzoek naar de ontwikkeling van een rechtsbeginsel is hier geen arbeidsveld; en dit laat zich hooren. Die ontwikkeling gaat als alle rechtsontwikkeling, onbewust, en onder ons, jonge mannen, van wie de groote meerderheid zich zelfs niet eens het bestaan dier ontwikkeling bewust is, levert bijv. een debat over een Corpswetsartikel niet zooveel op, als een debat elders over een Grondwetsartikel. Eerst in de laatste jaren, vooral sedert de behandeling der voorstellen Fruin (over de Senaatsverkiezing in 1890), beginnen de debatten in de Corpsvergadering een neiging te toonen om bovenal met historie en recht rekening te houden; een merkwaardig verschijnsel is daarbij de vrees, van sommige zijden voor de kracht van „juristen — (d. z. juridischequot;) argumenten.

Ik heb mijn onderzoek niet verder laten teruggaan dan tot het jaar 1848, het jaar, waarop ons Corps in zijn tegenwoor-digen staat geboren, neen, het zal blijken, nog slechts geconcipieerd werd. Daarvóór ligt de vóórgeschiedenis van het Corps, hoogst belangrijk en nog wachtend op den vorscher, die, het oud-archief napluizend, het niet-geheime ervan wil openbaren, doch voor de kennis van ons huidig Corpsrecht van geen belang.

Ik heb mij verder beperkt tot de hoofdbeginselen, en heb inzonderheid laten rusten alle bepalingen, die, hoezeer voor een speciale studie, bijv. van het novitiaat van gewicht, in dit kader, naar mijn oordeel, gemist konden worden.

Ten slotte nog dit. Ik ben gemakshalve, èn voor mij èn voor den lezer, met opzet in één opzicht onnauwkeurig geweest. Op een enkele uitzondering na, citeer ik steeds bij het

-ocr page 11-

3

aangeven van een verandering in eenige bepaling (,1e uitgave van de C.W., waarin die verandering het eerst voorkomt, en niet den datum van het Corpsbesluit. De welwillende lezer, die weet, dat er bijna geen jaar zonder wetswijziging voorbijgaat, zal het mij niet euvel duiden, dat ik een tijdroovend onderzoek naar juiste data thans niet geevenredigd achtte aan het nut daarvan voor mijn arbeid.

-ocr page 12-

HOOFDSTUK II.

Ontstaan, wezen en inrichting van het U. S. C.

Vraagt men naar het ontstaan van het U. S. C., dan is een antwoord niet gemakkelijk te geven. Immers, er heeft hier precies het tegenovergestelde plaats gehad, van wat gemeenlijk gebeurt; men heeft niet eene vereeniging gesticht, en daarna, als conditio sine qua non, een bestuur gekozen, maar de geschiedenis leert, dat zich in de eerste helft van deze eeuw een aantal jurisdictie-gebieden onder studenten gevormd hebben, en wel in de grilligste verscheidenheid, die men zich denken kan. Soms had dezelfde stad er meer dan een, en dan weder vertoont zich een neiging tot amalg^fmatie, ja huldigt men zelfs, een „jurisdictie supremaquot; boven die in verschillende universiteitssteden \'). Kortom, wie ergens kwam studeeren, stelde zich onder de jurisdictie van den Senaat zijner keuze en, want dit was het voornaamste, liep daaronder groen. En inderdaad het groen-wezen qua tale is, hoe wonderlijk het tegenwoordig ook schijne de eenige „raison d\'etrequot; van Senaat en Corps geweest.

Dat blijkt ook nog uit de eerste C.W. van 1849, een klein boekje in zak-formaat, dat, op de eerste twaalf artikelen na, uitsluitend handelt over den Senaat het reglement er voor, en het groenwezen, en in die eerste 12 artikels staat niets dan hoogst eenvoudige bepalingen omtrent de z. g. n. „doctorenquot;, d. z. de leden van het studentencorps, en hun rechten en ver-

1) Men leze o. a. de geschiedenis van het L. S. C. in het feestnummer der Minerva 1 Maart 1889.

-ocr page 13-

5

plichtingen. Van een Corpsvergadering is slechts ter loops sprake, hoewel de naam nog niet voorkomt. De Senaat was nagenoeg oppermachtig in alle zaken van bestuur, wetgeving en rechtspraak. Een andere herinnering aan den ouden toestand is nog ons tegenwoordig (C.W. 1892) artikel 4, dat eigenlijk slechts zeer indirect juist is; de dies annalis van het corps is 22 Mei, omdat dat de dies van den Senaat is (C.W. 1849. Art. 20), en het Corps, historisch gesproken, met den Senaat staat of valt.

Lang heeft die oligarchische staat van zaken geduurd. Eerst in 1869 worden de fundamenten van het Corps radicaal herzien en, in menig opzicht, in sterk democratischen zin gewijzigd , sprak vroeger alleen het opschrift der C.W. van een studentencorps, nu staat in Art. 1 uitdrukkelijk den naam van het Corps in de wet zelf genoemd, en heet de Senaat het bestuur ervan.

Die C.W. van 1869 is een keerpunt in onze rechtsgeschiedenis ; het eerst bevat zij een aantal aigemeene bepalingen omtrent het doel van het Corps (Art. 2), de bereiking daarvan (Art. 3) door de faculteiten en het verplichte lidmaatschap der societeit P. H. R. M., en verklaart zij (Art. 4) de senaatsdies tot corpsdies. Men voelt het, er is een zwenking volbracht; het Corps treedt van nu af aan op den voorgrond en er ontwikkelt zich een harden strijd om den invloed, dien de Senaat langzaam maar zeker moet afstaan aan andere Corpsorganen, een strijd, die bij ieder rechtsinstituut merkbaar is en daarom voet voor voet gevolgd kan worden. Zoo vergelijke men de vroegere uitvoerige regeling van het Senaatsbeheer qua tale in zake het groenwezen, en het tegenwoordige sobere Art. 92 (C.W. 1892), dat slechts nog vooraan staat als het eerste der detail-artikelen, uit deferentie voor het verleden. De C.W. 1869 bracht ook in Art. 1 de beruchte uitdrukking van „vertegenwoordigend lichaamquot; voor deu Senaat, een bron van allerlei verwarring en misverstand, eerst gesloten door de C.W. 1892, die Art. 1 verkortte, tot wat nu schijnbaar een waarheid

-ocr page 14-

als een koe is, doch feitelijk een terugkeer tot oude jurisdictietoestanden uitsluit, en dus niet van historische waarde ontbloot is.

De herziening van 1892 heeft ons Corpsrecht zooveel mogelijk gesystematiseerd, heeft de onderlinge verhouding der verschillende Corpsorganen geregeld en o. a. het gezag van den Senaat deels versterkt deels verzwakt, waar de practijk in den eenen of anderen zin gerechtvaardigde vrees voor verkeerde invloeden had doen geboren worden. Ik heb, als toenmalig senaatslid, teveel aandeel gehad in de tot stand koming der nieuwe bepalingen om geheel vrij te zijn in mijn oordeel over de waarde daarvan, waar ik hoop in ieder geval, dat uit de volgende bladzijden blijken zal, dat men den Senaat van 1892 zeker niet kan verwijten dat hij in zijn ontwerp niet naar een vast systeem is te werk gegaan.

Zoo blijkt dan wat zijn wezen betreft dat ons Corps een vrij ingewikkelde corporatie is. Het vertoont het beeld van eene democratie in den vollen zin van het woord, waarbij bestuur en rechtspraak in handen rusten van een lichaam, welks bevoegdheden weliswaar gedelegeerd zijn, doch welks bestaan rechtens onafhankelijk is van de delegeerende macht die op haar beurt daaraan haar ontstaan te danken heeft. Wil men het eenvoudiger, dan zeg ik: het Corps kan aan den Senaat iedere bevoegdheid ontnemen, maar kan dat college nooit afschaffen, zonder in strijd met recht en historie een revolutionaire daad te doen, die feitelijk slechts tot eene geheel nieuwen toestand zou kunnen leiden; want, ik herhaal het het huidige Corps staat en valt met zijn Senaat. De eigenaardigheid van die verhouding alleen reeds zou tot een bestudeering er van nopen.

Hoe is nu de inrichting?

De wetgevende macht berust uitsluitend bij de Corpsvergadering. Het bestuur is opgedragen aan den Senaat die tevens het Corps naar buiten vertegenwoordigt, doch in sommige gevallen kan de Corpsvergadering ook daden van bestuur uit-

-ocr page 15-

7

oefenen; verder heeft zij de bevoegdheid zulke daden aan bijzondere organen (Corpscommissies) op te dragen. De rechtspraak berust bij den Senaat, waarvan alleen de strafrechtelijke geregeld is, terwijl de Corpsvergadering een recht van cassatie bezit. De formuleering van Art. 45 (C.W. 1892) maakt den Senaat ook tot rechter in andere zaken, d. w. z. hij alleen is scheidsrechter in geschillen tusschen Corpsleden, besturen, enz. en het Corpslid, dat als scheidsrechter optreedt, moet volgens Art. 46 gestraft worden, zoowel wegens overtreding der wet als wegens verstoring der inwendige (rechts-) orde. Eindelijk kent en regelt de C.W. de rechtspersoonlijkheid van vereeni-gingen binnen het Corps, deels verplichte (Faculteiten), deels vrije (Corpsgezelschappen).

-ocr page 16-

HOOFDSTUK III.

Lidmaatscliap.

1°. Aanvang en einde.

In 1849 (C.W. Art. l) waren „doctorenquot; zij, die bij den rector magnificus waren ingeschreven en op wettige wijze in het Corps opgenomen, hetgeen op drieërlei wijze geschiedde (Art. 2): door ontgroening, door viseering van diploma\'s of door uitreiking daarvan. De inschrijving bij den rector magnificus bleef een vereischte voor de voortduring van het lidmaatschap (Art. 12), vandaar dat in volgende Corpswetten den Rector de bevoegdheid werd gegeven op ieder oogenblik van een Corpslid de overlegging van het bewijs van inschrijving te vorderen; eerst in 1878 verviel dit vereischte. Door het ophouden van het ingeschreven zijn alzoo verloor men het lidmaatschap, en verder of door afstand, of door geheele of gedeeltelijke ontzetting wegens wetsovertreding. Het uitreiken van diploma\'s geschiedde aan hen, die niet ontgroend behoefden te worden (Art. 57), nl, aan „meerderjarigenquot;, officieren in \'s lands dienst, diegenen die een vol jaar aan eene binnen-landsche hoogeschool of athenaeum, waar niet ontgroend wordt of aan eene buitenlandsche universiteit hadden „vertoefdquot; (— gestudeerd?) en vreemdelingen, die buiten\'slands hunne propaedeutische studies hadden volbracht. Sedert 1857 zijn deze bepalingen geplaatst in den titel over het novitiaat, waar zij thuis behooren.

In 1857 (C.W. Art. l) vervalt de naam „doctorenquot; en komt

-ocr page 17-

9

die van „Leden van het U. S. C.quot; er voor in de plaats. Er waren nu twee wijzen van opneming; installatie en uitreiking van diploma\'s (Art. 2). Wie of er echter al of niet geïnstalleerd moest worden, zeide de C W. niet, zoodat het bijv. onzeker is, hoe men opgenomen werd, als men van een ander Corps overging; immers, het viseeren van het vreemde diploma was vervallen; vermoedelijk werd dan een diploma, zonder installatie, uitgereikt. Men kon nu ook (Art. 19) voortaan zijn lidmaatschap verliezen door wanbetaling en door uitdrukkelijke vervallenverklaring.

C.W. 1859. Art. 3 liet toe, dat men tot de installatie overging, wanneer „nagenoeg allenquot; aan hunne verplichting voldaan hadden. Tegenwoordig zijn wij wat strenger geworden, en wordt individueele plichtvervulling vereischt (C.W. 1892 Art. 17, 18). De geheele of gedeeltelijke ontneming van het lidmaatschap kon slechts plaats hebben voor hoogstens drie maanden, (C.W. 1859 Art. 24), m. a. w. men krijgt hier voor het eerst het begrip van „schorsing in het lidmaatschapquot;. Art. 40 verscherpte het toczicht op het ingeschreven zijn bij den rector magnificus. Installatie (Art. 2) werd nu de eenige wijze van opneming in het Corpsverband.

In 1869 (C.W. Art. 47) verviel het lidmaatschap ook door de weigering voor den Senaat te verschijnen, en door het ophouden van het lidmaatschap der sociëteit P. H. R. M., dat er onafscheidelijk mede verbonden was.

In 1873 (C.W. Art. 3) wordt de Societeit weder van het Corps losgemaakt, en met andere gezelschappen gelijkgesteld.

C.W. 1878. Art. 5 achtte een enkele inschrijving bij den Utrechtschen rector magnificus voldoende.

C.W. 1885. Art. 7 eischte voor hen, die van een ander Corps overkomen, zoowel een bewijs van consciencieusiteit als van solvabiliteit, althans iets dat deze eigenschappen moest doen vermoeden.

C.W. 1892 heeft in Art. 5, op grond van bezwaren der

-ocr page 18-

10

practijk, een zeer vrijzinnig beginsel gehuldigd door iedere inschrijving bij den Rector Magnificus van een der door den Staat erkende Nederlandsche Universiteiten voldoende te achten; of eene Vrije Universiteit op dit oogenblik daar onder valt, is eene opene vraag, door de C.W. niet beslist. Naar mijn oordeel, moet men zich om theoretische en practische redenen scharen aan die zijde, welke in het gemis aan gelijkstelling daarom nog niet een gemis aan erkenning ziet ^oven-dien bestaat er voor ons geen enkele reden om in een twistvraag op universitair gebied een beletsel tegen eventueele opneming te zien, waar het feit, dat de wet op het H. O. in ieder geval zulke universiteiten „kentquot;, een ruime opvatting van „erkenningquot; toelaat. Zeer terecht is de inschrijving als voorwaarde in 1892 behouden, en niet, zooals elders, eigenlijk iedereen tot het Corps toegelaten; een studentencorps moet uit „studentenquot; bestaan, en niet uit burgers, die wel Corpslid willen zijn, maar verder in geen enkel verband tot eene Hoogeschool staan of gestaan hebben.

De bepaling van Art. 7, al. l is in beginsel zeer zeker niet af te keuren, maar facto werkt zij meer in het voordeel van vreemde vereenigingen dan in het onze. Wij komen er evenwel nog op terug in Hoofdstuk IX.

In Art. 42 is het einde van het lidmaatschap kort en bondig omschreven; de oude onderscheiding tusschen schrapping en vervallenverklaring was alleen een kwestie van woorden: het een dekt het ander. Waar de C.W. die woorden nog gebruikt, daar doet zij het door elkaar, of let hoogstens op wat feitelijk gebeuren zal. Waar niet een besluit maar de wet tot schrapping dwingt, pleegt men niet van vervallenverklaring te spreken, hoewel een wetsartikel toch eigenlijk slechts geheel of gedeeltelijk een Corpsbesluit is.

-ocr page 19-

11

2°. Novitiaat.

Zooals ik in Hoofdstuk I reeds opmerkte, was in 1849 de hoofdwerkzaamheid van den Senaat het toezicht op de groenen wekelijks (C.W. Art. 50) riep hij hen voor zich tot het vernemen hunner klachten en het onderzoeken van tegen hen ingebrachte beschuldigingen, hij zorgde voor de ontgroening en verleende hun soms in afwachting daarvan het „jus pilei et baculi\' (Art.. 51, 54, 55). Die toestand is tot op heden zoo gebleven; de novitii staan nog onder onmiddellijk toezicht van den Senaat. — Uitvoerig waren de ontgroenpartijen geregeld, welke dienden om luister bij te zetten aan de intrede in het Corps, en om de onderlinge eensgezindheid te bevorderen; zij werden door de doctoren bekostigd. (Art. 73). Schoot er van het bijeengebrachte geld iets over, dan moest er 22 Mei een borrelpartij aan het geheele Corps gegeven worden. (Art. 74). De Senaat noodigde tot deelneming van de ontgroenpartij uit, en wel eerst al wie er toe bijdroeg, en verder ook hen, wier diploma van elders geviseerd was (Art. 75). Aan wie een diploma was uitgereikt, waren dus uitgesloten, tenzij zij vielen onder Art. 76. Ieder, die bijdroeg, kon namelijk een gast medebrengen, mits deze 3 maanden Corpslid was. Tijdig moest men zijn eigen naam en dien van den gast aan een der pedellen opgeven. (Art. 77)- De rector praesideerde en had tot handhaving der orde het recht van „poeniteitquot; op te leggen en het „jus amo-vendi\' (Art. 79). ~ Art. 84 geeft eene definitie. Groenen worden genoemd die jongelieden, welke zich vrijwillig bij den rector van den senaat op de „series novitiorumquot; hebben doen inschrijven, teneinde later als doctoren in het studentencorps te worden opgenomen. Zij waren verplicht trouw colleges bij te wonen op de voor hen bestemde banken (Art. 85), mochten geen koffiehuizen of openbare vermakelijkheden bezoeken, noch wetenschappelijke studentengezelschappen. (Art. 86). In het openbaar had de groen tegenover den docter slechts de bur-

-ocr page 20-

12

gerlijke beleefdheid in acht te nemen (Art. 87). \'s Avonds tusschen vijf en negen uur moest hij gevolg geven aan uitnoo-digingen tot bezoek. (Art. 89), en alsdan zich aan een examen onderwerpen. (Art. 90). De groentijd duurde 4 weken (Art. 91). Men was verplicht de ondervonden beleedigingen ter kennis van den senaat te brengen. (Art. 92). Zondags was men vrij, terwijl men slechts eenmaal en gedurende een uur bij een docter behoefde te verschijnen, in het bijzijn van een burger mocht men niet als groen behandeld worden; echter konden op colleges bestellingen worden gedaan. Uiterlijke teekenen van groenzijn waren niet verplicht, maar eenvoudig en fatsoenlijk moest men gekleed gaan. (Art. 93—95. 98). Het geven van een ontgroenpartij was een vrijwillige daad van den ontgroenden docter. (Art. 99).

In C.W. 1857 Art. 95—102 is de regeling van hetnovitiaat zeer ingekrompen. Men meldt zich bij den Rector; het novi-tiaat duurt een „zekeren tijd\'\'. Behalve meerderjarigen officieren en buitenlandsche propaedeutici, waren vrijgesteld leden van een ander erkend Corps met novitiaat, en zij, die een vol jaar lid waren van een Corps zonder novitiaat. Bezoeken waren verplicht bij \'/j der Corpsleden, doch bestellingen kende men ook; echter nu behoelde men ook op college er geene aan te nemen. De handteekeningen werden ingevoerd als bewijs voor het afgelegd bezoek.

In C.W. i860 Art. lil leest men in plaats van; „vreemdelingen, die buiten \'s lands hunne propaedeutische studiën hebben volbragt\'\' het ruimere begrip van: „zij, die gedurende een vol jaar van eene buitenlandsche Akademie gestudeerd hebben.quot; Het V3 der Corpsleden werd beperkt tot hen, die 6 maanden lid waren. (Art. 112).

In 1866 (C.W. Art. llo, ai. 2) bepaalde men, dat wie zich als novitius had laten schrappen eerst na 6 maanden\') weder

1) In 1868 verkort tot 14 dagen.

-ocr page 21-

13

aangenomen kon worden, „Meerderjarigenquot; veranderde nu, voor de vrijgestelden, in den beteren eisch van 23 jarigen leeftijd (Art. lil).

Allengs worden de bepalingen weder wat uitvoeriger. Opnieuw wordt het bezoek van openbare vermakelijkheden verboden en tevens het rijden in het openbaar, welk verbod tot 1885 gegolden heeft.

In 1868 verscheen, nog vóór de uitgave der C.W. 1869, een uittreksel daaruit als „Wet op het novitiaatquot;, dat echter nog andere bepalingen bevat, dan men verwachten zou. In Art. 11 lezen wij het doel van het novitiaat, nl. om zoowel de groenen als de studenten zelf in de gelegenheid te stellen met elkander kennis te maken. In dien tijd moest dus de groentijd ook dienen, om de onderlinge negeering van Corpsleden tegen te gaan! Minderjarige groenen, die zich hadden laten schrappen, konden later geen genot hebben van de meerderjarigheids-bepaling; een goede maatregel, die, jammer genoeg, in 1892 bij de herziening niet in de gedachte is gekomen (Art. 12 a, C.W. 1869)- Voortaan waren ook vrijgesteld zij, die het candidaats-examen hadden afgelegd (Art. 126). De duur van het novitiaat was minstens 3 weken (Art. 17). Uitstedigheid, vroeger zeer zelden vergund, behoefde nu alleen op werkdagen verlof van den Senaat (Art. 22). Voor vrijstelling wegens ziekelijkheid moest men voortaan een attest overleggen (Art. 2°^ In Art. 102 werd den Senaat opgedragen te waken tegen onig. oeningen met mysteriën. Art. 9. eischte bij de inschrijving overlegging van een gymnasiaal diploma of van een bewijs van een admissie-examen, en C.W. 1882 (Art. 9) stelde hiermede gelijk een der getuigschriften, bedoeld bij Art. 4 der Wet op het H. O.

De fusie met het U. S. Bond in 1885 deed den titel over het novitaat weder korter worden. Art. 13 (C.W. 1885) stelde het afleggen van bezoeken niet verplichtend, behalve bij den Senaat; de bestelboekjes werden officieel genegeerd en men had nu het systeem der vrije visites. Het novitiaat moest min-

-ocr page 22-

14

stens 14 dagen duren (Art. 14); wie in 6 weken zijn handtee-keningen niet had, werd geschrapt (Art. 17). Overziet men het resultaat van de onderhandelingen over een der grootste grieven van het Bond tegen ons Corps, dan is het duidelijk, dat van onze zijde met veel diplomatischen tact alles uit den titel is verwijderd, wat den oningewijde, in casu het Bondsbestuur, aanstoot kon geven, doch is er tevens zorgvuldig over gewaakt, dat de groentijd facto in het minst geen verandering onderging; ja, door het opnemen van den zesweekschen termijn zonder gelijktijdig recht op handteekeningen toe te kennen, heeft men eigenlijk dsn groentijd verzwaard. Zonder bezwaar kon men dan ook de overgangsbepaling aanvaarden, die verbood binnen vijf jaar met minder dan 3/4 stemmen in een Corpsvergadering daarin verandering te brengen. Wanneer de Bondsleden gemeend hebben, dat deze regeling het novitiaat overeenbracht met wat zij er zich in de toekomst van voorstelden, dan pleit het niet voor hun doorzicht.

Wat de tegenwoordige regeling betreft, zij gaat, zich grondende op het doel van het novitiaat (Art. 10 C.W. 1892), van het beginsel uit, dat iedereen zonder onderscheid minstens 14 dagen (Art. 16) novitius moet zijn; men wordt ook niet meer zooals voorheen, van het novitiaat zelf, maar alleen van de verplichtingen vrijgesteld (Art. 14, 15); m. a. w. een oudlid van het L. S. C. bijv. nog niet binnen 14 dagen geïnstalleerd worden, en er rust op hem, niet de wettelijke, maar de mo-reele verplichting zich dien tijd ten nutte te maken met het brengen van bezoeken aan Senatoren en de meest, door hun betrekking of anderszins, in aanzien staande Corpsleden. De rechtstoestand van den novitius rust geheel op de Corpswet; hij heeft geen verplichtingen, die daarin niet vermeld staat; vandaar de opneming van Art. 13 en van den tweeden zin van Art. 21.\') Vrijstelling hebben nu ook zij, die het 2e natuur-

1) In 1894 vervallen. Tegen mijne oppositie op grond van rechtsbeginselen

-ocr page 23-

15

kundig of het theoretisch-apothekers-examen hebben afgelegd ; echter moeten vreemdelingen een graad in het buitenland behaald hebben. Het was namelijk voorgekomen, dat men zich een jaar liet inschrijven in het buitenland, om aan het novitiaat te ontkomen. De nieuwe, aan de wet van het A. S. C. ontleende, bepaling van Art. 27 geeft den toestand van voogdijschap, waarin de novitius verkeert goed weer.

3°. Rechten.

De C.W. 1849 kende den doctoren de volgende \'rechten toe. stemming, lidmaatschap van elke algemeene studenteninrichting, het bestellen van groenen, het doen van voorstellen (recht van initiatief) en het beroep van den Senaat op het Corps (Art. 4). In een geding met een groen moest de Senaat, indien er geen ander bewijsmiddel was, den docter op zijn woord van eer gelooven (Art. 52).

In Art. 4 der C.W. 1853 wordt eene splitsing gemaakt tus-schen algemeene en bijzondere rechten. De eerste vormen het lidmaatschap eener algemeene studenteninrichting, het reclit van initiatief en het hooger beroep op het Corps; de bijzondere zijn voor wie een vol jaar lid was, recht van stemming en van groenen te bestellen; wie korter tijd lid was, mocht niet mede stemmen bij Senaatsverkiezingen en bij verandering van bestaande of daarstelling van nieuwe wetsbepalingen, en mocht geen groenen bestellen, die in denzelfden Academiecursus als hij zelf waren opgenomen.

C. W. 1857 Artikel 5 zegt uitdrukkelijk, wat tot nog toe stilzwijgend was aangenomen, als dat de rechten aanvangen met den dag der opneming in het Corps. Over het bestellen

in, ging de Corpsvergadering met den Senaat mede, op argumenten uit de oligarchische periode van vóór 1869! Minerva 10 en 17 Mei 1894; Vox Studiosorum 17 Mei 1894,

-ocr page 24-

i6

van groenen wordt niet gesproken; een nieuw recht van deelneming aan „Corpsvergaderingen, Serenaden, Maskeradenquot; wordt genoemd; daarentegen wordt het hooge beroep beperkt tot gevallen van geheele of gedeeltelijke ontneming van rechten (Art. 7 b, d). De nievwe doctoren hadden dadelijk na hunne installatie recht op een collation, van Corpswege aan te bieden, en vooraf op een Corpsvergadering te regelen; de Senaat moest er bij tegenwoordig zijn; de Rector praesideerde (Art. 94). Dat was een metamorphose der vroegere ontgroenpartijen.

Sedert 1859 (C.W. Art. 9 al. 2) moet men voor een vol jaar lid geweest zijn, om mede te stemmen in geval van vervallenverklaring van een lid, en ba 1869 (C.W. Art. 28) bij rechtspraak en de keuze van Faculteitsbesturen.

Art. 2Ó C.W. 1S69 vulde het recht van lidmaatschap van een Corpsgezelschap aan met het verbod van ballotage; in de vroegere formuleering lag dit, dunkt mij, toch ook reeds opgesloten. In Art. 66 werd het recht van amendement toegekend. Evenwel is dit recht, zij het dan ook niet uitdrukkelijk, te voren ook erkend (zie o.a. C.W. 1849 Art. 101).

In 1878 (Art. 125) wordt het recht van réunie implicite erkend.

Was in 1869 (C.W. Art. 30) reeds een beperkt recht tot aanklacht, ter bescherming van de novitii, verleend, de C.W. 1892 gaat in Art. 46 uit van de veronderstelling, dat dit recht onbeperkt aan ieder Corpslid toekomt.

In Art. 29 C.W. 1892 leest men, dat eerstejaarsleden niet mogen medestemmen „bij de behandelingquot; van verandering van bestaande of vaststelling van nieuwe wetsbepalingen. Volgens de vroegere formuleering mochten zij weliswaar niet stemmen over het voorstel zelf, doch konden zij, ingeval eene motie van orde in behandeling kwam, toch wel invloed uitoefenen op de beraadslaging. Valt schrapping van een wetsbepaling er ook onder? Schijnbaar niet, maar het spreekt van zelf, dat waar men het mindere (verandering) niet heeft willen toeken-

-ocr page 25-

17

nen, het meerdere (weglating) ook uilgesloten is. Een ander argument voor deze zienswijze is, dat weglating van een artikel wel geen verandering brengt in eene bestaande „wetsbepalingquot;, maar wel in „de bestaande wetsbepalingenquot;, zoodat het ten opzichte van de geheele Corpswet gelijk staat met de schrapping van een alinea in een artikel.

De overige rechten der Corpsleden leveren geen stof tot opmerkingen. Het recht tot inzending in den Almanak (sedert 1878 in de C.W.) en dat van reünie moeten nog genoemd worden. Wie dit laatste recht uitoefent, is dikwijls een veelbesproken vraag geweest. Beziet men de zaak goed, dan blijkt het dat de regeling van Art. 193 (C.W. 1892) geenszins op juridischen basis berust, maar alleen op, door de omstandigheden daartoe genoopt, weinig eenvoudige wijze van eene reünie tracht uit te sluiten, wie men er liever niet wil zien.

Eindelijk is het recht van interpellatie nergens in de C.W. te vinden, doch het volgt uit het verstrekken van het mandaat aan den Senaat, en is ook steeds zonder verzet toegepast.

4°. Verplichtingen.

C.W. 1849 (Art. 6, 7, 8) noemde als verplichtingen der doctoren op: zoo krachtig mogelijke medewerking tot instandhouding en handhaving van alles, wat den bloei van het Corps bevorderen kon, het dragen van een aandeel in de door de wet bepaalde kosten der Corpshuishouding, en de verschijning voor den Senaat op uitnoodiging. De bijzondere verplichtingen, als die met betrekking tot het novitiaat of tot het tijdig aannemen eener benoeming, laat ik, als van minder belang, rusten.

In 1857 (C.W. Art. 11) wordt de eerste verplichting beter en minder vaag omschreven, als dienende om de bestaande of nog op wettige wijze te maken wetten of besluiten na te leven,

2

-ocr page 26-

18

deze te helpen handhaven, en den Senaat, zoo zulks noodig is, de vereischte hulp en bijstand te verleenen.

In 1866 (C.W. Art. 11, al. 2) werd er aan toegevoegd de verplichting tot bekrachtiging van het getuigenis met het eerewoord.

C. W. 1869 liet in Art. 34 al. 2 een beroep op het Corps toe voor het geval, dat er tusschen den Senaat en het betrokken Corpslid verschil ontstond over de vraag of de verlangde getuigenis noodig was voor de handhaving der wet. Deze bepaling doet o. a. den geest van de herziening van genoemd jaar goed uitkomen, vrees voor ongewenschte inmenging van Senaatswege in particuliere verhoudingen is zeker de drijfveer geweest. Toch acht ik het een bedenkelijk voorschrift dat gelukkig verdwenen is; door het interpellatierecht heeft men een veel doelmatiger en gepaster controlemiddel dan de vrijheid aan den een of ander onwillig Corpslid gegeven om een Se-naatsonderzoek door een chicaneus beroep op het Corps te belemmeren.

De C.W. 1891 (Art. 146) legt eene verplichting op, die om administratieve redenen hier geregeld wordt, doch reeds vroeger implicite in het bestaan der Faculteiten lag opgesloten.

Bepaalde nieuwe, althans uitdrukkelijk geformuleerde, verplichtingen leest men in Art. 46, nl. het inachtnemen der inwendige orde en het hooghouden der uitwendige eer. De eerste van deze beide omvat alles, wat hoezeer niet door bepaalde straffen gesanctioneerd of uitdrukkelijk voorgeschreven, van zelf volgt uit de toetreding tot het Corpsverbond, nl. de correcte houding tegenover ieder Corpsorgaan en ieder mede-Corpslid, in zijn kwaliteit als zoodanig; daaronder valt bijv. ook de naleving van Senaatsbesluiten omtrent den rouw, eene verplichting over het algemeen veel te weinig gevoeld en. Uit gebrek aan eerbied voor den Corpsband en het gezag met de handhaving ervan belast, vaak totaal vergeten.

Het hooghouden der uitwendige eer met de sanctie daarop

-ocr page 27-

19

is wel eens als een loutere phrase aangeduid, als een moreele verplichting, door geen bewoordingen te begrenzen, ontsnappend aan iedere goede definitie en dus ook nooit te handhaven, waar schending beweerd wordt. Voor de opneming daarvan in onze C.VV. pleitten evenwel twee redenen, die tevens aangeven, wat men onder het begrip moet verstaan. De eerste is eene historische: het was voorgekomen, dat in een geval, toen de handelingen van een aantal Corpsleden het Corps in opspraak hadden gebracht en een groot nadeel, merkbaar aan een geringe inschrijving van novitii, hadden berokkend, aan een wensch van sommigen, om door een beslist optreden die handelingen, in het belang van het Corps, te brandmerken, niet kon worden voldaan, omdat de C.W. daartoe geen bevoegdheid gaf. Het bleek wenschelijk in die leemte te voorzien, om te beletten, dat daden van enkelen straffeloos der corporatie schaadden.

Maar er is nog een andere grond. Het Corps treedt ook naar buiten op, hetzij door den Senaat, hetzij door een ander orgaan. Dat optreden vereischt de inachtneming van vormen, en wel te stipter naarmate eene corporatie beteekenis en eene eerbiedwaardige traditie bezit. Vormen, niet alleen van hoffelijkheid en etiquette, maar ook door de goede trouw geëischt, bijv. bij het sluiten van contracten. Men kan aan het Corps een groot nadeel toebrengen, hetzij door het verwaarloozen der etiquette, hetzij door het den naam van onbetrouwbaar contractant te bezorgen. Het Corps is geen lomperd en geen bedrieger, en wie het in zijn naam wel is, lijkt mij in de hoogste mate strafwaardig.

Zóó beschouwd, is de Corpseer geen phrase maar een tastbaar kleinood, licht ontstolen maar moeilijk terugerlangd.

-ocr page 28-

HOOFDSTUK IV.

De Senaat.

1°. Lidmaatschap.

Niets is zoozeer aan veranderingen onderhevig geweest als de samenstelling van den Senaat en zijne keuze. Ik zal mij ook \' hier weder bij de hoofdzaken bepalen.

In 1849 (C. W. Art. 16) bestond de Senaat uit 12 leden: Rector, Ab-actis, 2 assessoren, 6 senatoren en .... 2 pedellen! Zij worden met volstrekte meerderheid gekozen (Art. 17); een gedeelte (wie en hoe is niet geregeld) werd benoemd door ieder van de drie afdeelingen (faculteiten), in evenredigheid van het aantal hunner leden (Art. 18). Heel duidelijk is dit niet; voor de hand ligt dunkt mij het vermoeden, dat de 6 senatoren tot faculteitsvertegenwoordigers waren bestemd. Vereischten voor verkiesbaarheid waren een tweejarig Corpslidmaatschap en het diploma van een propaedeutisch of candidaats-examen (Art. 19). Hoewel deze laatste eisch tegenwoordig niet meer voorkomt, is het de laatste jaren bij stemmingen vaak gebleken, dat een groot deel der Corpsleden er niet toe te brengen is hun stem voor Senator aan iemand te geven die nooit examen deed. De zittingstijd was drie jaren, en wie dan aftrad, was niet herkiesbaar (Art. 80). Honorair-senatoren kende men ook, die echter nog alleen tot senaatsvergaderingen toegang hadden. (Art. 83).

In 1857 (C. W. Art. 26) kromp de Senaat in tot 7 leden: Rector, Ab-actis, Thesaurier, Prorector en 3 senatoren. Van deze laatste werd één gekozen uit en door de theologische, één

-ocr page 29-

21

uit en door de medisch-philosophische en één uit en door de juridisch-litterarische faculteit (Art. 27). Voor de verkiesbaarheid werd nog een derde vereischte gesteld: men moest lid der Societeit zijn of zich terstond laten voorhangen (Art. 30). De zittingstijd werd verkort tot l jaar, met herkiesbaarheid (Art. 73).

Art. 71 C.W. 1859 bepaalde het tijdstip der aftreding (vóór de wintervacantie) en schreef collectieve aftreding voor. Tevens werd den aftredende de verplichting opgelegd zijne functie waar te nemen tot zijn opvolger die overnam (Art. 73). Honorair-senatoren kregen recht tot bijwoning van Corpsfeesten en Corpsvergaderingen (Art. 84).

In i860 (C.W. Art. 31) bestond de senaat uit 10 leden, al uit 5 „dignitarissen\'\' (Rector, Ab-actis, Prorector, Vice-ab-actis, Thesaurier) en 5 senatoren als vertegenwoordigers der faculteiten ; deze laatsten werden gekozen als volgt; twee door de theologen, twee door de juristen-literatoren en één door de medici philosophen (Art. 32). Breêroo\'s woord: „\'t Kan ver-keerenquot; blijkt dus ook op de sterkteverhouding der faculteiten van toepassing. De faculteitsvertegenwoordiger moest in zijn faculteit examen hebben afgelegd; een theologisch propaedeu-ticus bijv. die litterator werd, kon, hoezeer tot dignitaris verkiesbaar, eerst na zijn candidaatsexamen in de letteren zijn nieuwe faculteit vertegenwoordigen (Art. 33 al. 2). Wie zich als Senaatslid in de Societeit liet voorhangen doch gedeballo-teerd werd, bleef desniettemin in functie (Art. 33 al. 3). De rangorde der 5 senatoren werd naar lidraaatschapsouderdom geregeld (Art. 73). De zittingstijd was 2 jaar; dit blijkt miplicite uit Art. 76; het eene jaar traden de dignitarissen, het andere de senatoren af; allen waren herkiesbaar.

In 1866 (C.W. Art. 3I) schafte men twee senatoren af, doordat iedere faculteit weer één vertegenwoordiger kreeg (Art. 32). Voor de verkiesbaarheid werd als eenig vereischte gesteld het tweejarig Corpslidmaatschap. (Art. 33). De keuze werd dus vergemakkelijkt.

-ocr page 30-

22

In 1869 kwam een radicale verandering. Wel behield men hetzelfde getal (8) senaatsleden, bestaande uit 5 dignitarissen en 3 assessoren (Art. 81), maar de keuze was anders. De rector alleen werd door het geheele Corps gekozen; drie senatoren werden gekozen door de juridische en litterarische faculteitsleden, twee door de theologen en twee door de medici en phi-losophen. De verplichting van „uitquot; de betrokken faculteiten te kiezen verviel (Art. 83), evenals de gesplitste aftreding;jaarlijks trad de senaat collectief af (Art. 84). De aftredende behoefde zijn function niet langer dan 6 weken na zijn bedanken waar te nemen, en was er onmiddellijk van ontslagen, zoo hij ophield Corpslid te zijn. Dien zesweekschen termijn kennen wij nog (C.W. 1892 Art. 81). Hij heeft echter een zeer bedenkelijke zijde, niet alleen dat het, vooral in den laatsten tijd, soms tot na de kerstvacantie duurde, voordat de nieuwbenoemden geïnstalleerd werden (o. a. in 1890!), maar zelfs al komt er geen kink in den kabel der stemmingen en herstemmingen, is het reeds een toer om binnen 6 weken klaar te zijn, zoodat feitelijk ieder jaar het Corps met anarchie bedreigd wordt en afhankelijk is van de welwillendheid der aftredenden. Daar de praktijk geen bezwaren had opgeleverd, is het niet in de gedachte gekomen in dit geval beter te voorzien bij de jongste herziening. Wat zal er nu moeten gebeuren wanneer inderdaad de aftredende senaat van zijn recht gebruik wenscht te maken ? Dan zal hij, naar mijn oordeel, voor zijn heengaan bij Corps-besluit een Corpscommissie moeten laten benoemen met eene zeer beperkte opdracht, alleen om de stemmingen te leiden en de benoemden te installeeren. Tot op deze installatie slapen dan de senaatsbevoegdheden. Ten sterkste zou m. i. af te keuren zijn in dit geval de benoeming bijv. van een tijdelijk drager van het gezag, hetzij een persoon, hetzij een college, eene instelling, onbekend in ons Corpsrecht, en die overbodig is door den door mij aangegeven en met onze instituten over-eenkomenden weg te volgen.

-ocr page 31-

23

Art. 83 C.W. 1872 liet alle dignitarissen, dus vijf, door het geheele Corps kiezen, zoodat de faculteitskeuze tot de 3 assessoren beperkt werd.

In 1874 kwam weder verandering. De Senaat zou bestaan uit 5 leden; Rector, Ab-actis en drie faculteitsvertegenwoordigers (C.W. 1878 Art. 80). Een driejarig Corpslidmaatschap was vereischte (Art. 8l).

In 1890 werd voor goed een einde gemaakt aan de verouderde (aculteitsvertegenwoordiging. De tegenwoordige titels der dignitarissen werden in de C.W. opgenomen. De keuze der Corpsleden werd echter nog, ten opzichte van 3 senatoren beperkt, en wel ten opzichte van één tot de juridische faculteit, van een ander tot de medische en van een derde tot de theologische, litterarische en philosophische faculteit. Zoo was met een gewichtig beginsel gebroken en het liet zich aanzien, dat dra de B op de A zou volgen, en de regel der keuze „door allen uit allenquot;, als een nieuwe overwinning der democratische richting, in de C.W. zou worden gehuldigd 1).

Toch vond die richting in den Senaat van 1892 geen meerderheid; zijn ontwerp handhaafde den bestaanden toestand. Bij amendement werd daarop door de Corpsvergadering de thans geldende al. l van Art. 78 ingevoerd, nadat tweemaal in vorige jaren onder hevigen strijd die invoering was voorgesteld en verworpen 2).

S0. Vertegenwoordiging.

Vertegenwoordiging van het Corps naar buiten is, zoo niet de belangrijkste, dan toch de meest voorkomende taak van

1

Minerva 6 Februari 1890 «De beslissing.quot;

2

Zie hierover R. Fruin J. Az. De Utrechtsche Senaatsverkiezingen. Vox Studiosorum 21 Maart en 12 December 1889; 23 Januari, 6 en 20 Februari en 4 December 1890; 15 Januari en 19 Februari 1891. Minerva 16, 23 en 30 Januari, en 6 Februari 1890; 15, 22 en 29 Januari en 19 Februari 1891.

-ocr page 32-

24

den Senaat. Reeds de C.W. 1849, die hem die taak toeschrijft (Art. 15), gal hem tegelijk de bevoegdheid haar aan enkelen uit zijn midden over te doen (Art. 49).

C.W. 1857 Art. 23 zegt, dat die taak hem is „opgedragen.quot; Tevoren constateerde men slechts een feit, nu echter wil men duidelijk laten voelen, dat de Senaat dat niet als een recht, hem ipso jure toekomend, heeft te beschouwen maar als een last, hem opgelegd.

Zonder twijfel in volkomen overeenstemming met deze taak heeft men gemeend in Art. 1 der C.W. 1869 den Senaat een „vertegenwoordigend lichaamquot; te moeten noemen. Doch de tijd heeft geleerd, dat deze dubbelzinnige uitdrukking een krachtig wapen is geworden in de hand van hen, die in een behoud van den faculteitsinvloed op Senaatskeuzen een conditio sine qua non voor den bloei van het Corps zagen. Die richting, die in den Senaat het Corps zich wenschte te zien afspiegelen, leidde ook later, in 1892, tot de dwaling, om voor dit administratief college een evenredigheidskiesstelsel te verlangen1). Een bewijs, dat inderdaad in Art. 1 alleen aan een vertegenwoordiging naar buiten is gedacht, levert mij Art. 96, waar, in strijd met vorige Corpswetten, die opdracht van vertegenwoordiging is weggelaten, en wel, dunkt mij, omdat dit reeds elders, in Art. 1, implicite was geschied. Neemt men dit niet aan, dan is het onverklaarbaar, waarom in Art. 96 alleen van „bestuurquot; gesproken wordt, en „vertegenwoordigingquot; eenvoudig geïgnoreerd wordt. Een tweede grond is Art. 111, waar die plicht tot vertegenwoordiging naar buiten wordt geregeld, zonder dat deze woorden „naar buitenquot; ter onderscheiding toch niet overbodig geweest, voorkomen. (De Corpsvergadering kreeg het recht den Senaat soms tot collectief optreden te gebieden). Men lette ten derde op Art. HO. Wan-

1

Minerva 31 Maart, 26 Mei en 2 Juni 1892. Vox Studiosorum 26 Mei 1892.

-ocr page 33-

25

neer men inderdaad van meening was, dat de z.g.n. faculteitsvertegenwoordigers, d. w. z. hun afgevaardigden in den Senaat, ter verdediging der faculteitsbelangen, ais inhaerent met die van het Corps in het geheel, in dat college zitting moesten hebben, dan is het wonderlijk, dat men, zoodra die speciale belangen besproken werden, den faculteitspraeses moest hooren. Wanneer de Senaat, als een regenboog, de „Corps-schakeeringen had moeten weergevenquot;, dan is het zonderling, dat men die schakeering zoo weinig juist achtte, dat men de kleur zelf er telkens bij moest raadplegen.

In 1892 is het voorstel van den Senaat in deze materie niet ongewijzigd aangenomen. In het ontwerp, Art. 74, werd alleen van „bestuurquot; gesproken, en de „vertegenwoordigingquot; als detailzaak in Art. 94 geregeld. In verband evenwel met de beslissing over de kwestie, wie aan het hoofd van het Corps stond, werd bij de behandeling dezer artikelen Art. 74 (C.W. 1892) geheel gewijzigd, en in een nieuw artikel 91 bestuur en vertegenwoordiging aan den Senaat opgedragen. De inmenging van de Corpsvergadering verviel; de Senaat beslist zelf of hij in zijn geheel of door een commissie zal optreden (Art. 95). Tevens vervielen in deze C.W. alle voorschriften omtrent het costuum, dat men dragen moest, voorschriften, al sedert jaren geldend doch die door hun minutieuse omschrijving eigenlijk belachelijk waren. De „lakenschequot; rok sloot die van kamgaren of cheviot uit; soms was een „zwartquot; vest verplichtend, soms niet!

3°. Bestuur.

Droeg de C.W. 1849 in Art. 13 het bestuur aan den Senaat op, in Art. 15 werd, blijkbaar als gevolg van die opdracht, gezegd, dat hij voor de in- en uitwendige belangen van het Corps zorg droeg. Tot steun in de bestuurswerkzaamheden dienden de pedellen (Art. 48). De 2 assessoren waren speciaal

-ocr page 34-

26

belast met de administratieve controle en moesten den I5den van iedere maand, na een nauwkeurig en volledig onderzoek, rapport uitbrengen omtrent het beheer van Ab-actis en Fiscus (Art. 42). De jaarlijksche rekening en verantwoording moest, met de quitanties, niet alleen op de Societeit, maar ook daarna ten huize des Rectors ter inzage liggen (Art, 72) De Senaat schreef verder den vorm uit (Art. 103), en kon tijdelijk iederen maatregel nemen, door de omstandigheden geboden, behoudens nadere bekrachtiging door de Corpsvergadering (Art. 104).

Wat vroeger een commissie deed, kwam in 1853 (C.W. Art. 60a) aan den Senaat, nl. de handhaving der belangen met betrekking tot den schouwburg.

C.W. 1857 Art. 89 schreef, in zake het finantieel beheer, de vorming van een afzonderlijke feestkas voor.

C.W. 1859 gaf den Senaat de bevoegdheid bij het overlijden van een Corpslid een funus aan te bieden (Art. 46)\' Een bepaling (Art. 44), dat de Senaat niet op eigen houtje serenades mag aanbieden, lijkt mij, met het oog op het begrootingsrecht, vrij overbodig. Was er pas in 1857 (C.W. Art. 35) van een geregelde begrooting sprake, want tevoren bevatte de C.W. slechts algemeene regels van boekhouding; in 1859 (Art. 97 C.W.) wordt nu ook de subsidaire begrooting ingevoerd voor dekking van onvoorziene uitgaven. De vraag, wie of beslissen moest, of een Corpslid in de onmogelijkheid heeft verkeerd om aan zijn verplichtingen te voldoen, tot nu toe eene opene, werd in Art. 22 al. 2 beslecht door dit aan den Senaat ter beoordeeling over te laten.

De C.W. 1869 verplichtte in Art. 108 den Senaat tot behoorlijke uitvoering der Corpsbesluiten, doch liet tegelijk toe, dat men die uitvoering aan een commissie ad hoe opdroeg.

1) Met de begrooting was dit later ook het geval. Weldra nam de The-sauriër hier de plaats van den Rector in.

-ocr page 35-

27

Dat was een belangrijke bepaling. Tot nog toe had, al kende de C.W. wei het bestaan van zulk eene commissie, zelfs de in de C.W. van 1849 geregelde schouwburgcommissie na 4jaren haar werkzaamheid door den Senaat zien overnemen, en nu gaat men uitdrukkelijk bepalen, dat men de volle vrijheid zal hebben het bestuurslichaam *«t\' een deel van zijn taak

te ontnemen. Eene andere beperking was het verplichte hooren van den Faculteitspraeses in sommige zaken. (Art. lio). Eindelijk werd in Art. 113 de Senaat als lichaam aansprakelijk gesteld voor de eigendommen van het Corps.

In Art. 91 C.W. 1892 staat te lezen, dat slechts het „dage-lijkschquot; bestuur den Senaat wettig toekomt, doch dat iedere bestuursdaad, die daarbuiten valt, evengoed aan een ander orgaan kan worden opgedragen. Is dus de Senaat aan den eenenkant wel tegen ongewenschte inmenging van de zijde der Corpsleden gewapend, aan de andere zijde evenwel heeft ook nu weder een belangrijke inkrimping van zijn macht plaats gehad.

Toch blijft de Senaat het bestuursorgaan bij uitnemendheid en als zoodanig is facto zijn stelling niet verzwakt; immers, in den regel wordt slechts op zijn initiatief een andere commissie met een deel van zijn taak belast, en dan nog slechts, wanneer hare werkzaamheden langer duren zullen dan den zittingstijd der Senatoren van het oogenblik.

Dat er velen zijn, die deze vermindering van de Senaatsmacht met leede oogen zagen tot stand komen, is begrijpelijk. Wellicht zullen zij evenwel inzien, dat eerbied voor ons hoogste college meer gekweekt wordt door een strenge en nauwgezette vervulling van een, laat het zijn, wat eng begrensde taak, dan door de kracht van een aureool van traditioneele onschendbaarheid, die, behalve dat hij niet voor willekeur en dwaling behoedt, bij de oudere Corpsleden, vaak in ervaring de meerderen, veel van zijn glans verliest.

Nog een bepaling rest mij te bespreken. Art. 140 heeft den Fiscus ontheven van de verplichting bij de rekening en ver-

-ocr page 36-

28

antwoording de quitanties over te leggen. Omdat deze controle onnoodig was? Geenszins, maar omdat zij zoolang men het zich herinneren kon, nooit was toegepast en het niet wensche-lijk was bij eene herziening ondoelmatige bepalingen aan verdere negeering bloot te stellen. Inmiddels is echter het toezicht op het financieel beheer van den Senaat tot bijkans nul gereduceerd, en is eene andere, meer doelmatige controle dringend noodig. In 1892 is het gestrooide zand uit de oogen geveegd, om helder te zien; nu is het zaak niet de oogen te sluiten voor de gebleken leemte.

4°. Wetgeving.

Ten opzichte van dezen tak der Senaatswerkzaamheid, kende de C.W. 1849 Art. 60 nog slechts een recht van initiatief.

Eerst in 1869 (C.W. Art. 66, 109) wordt het recht van amendement genoemd. Het is, dunkt mij, niet aan te nemen, dat nog toen alle voorstellen ongeamendeerd, want een Corpslid miste dat recht ook, zouden zijn aangenomen. Ik hel daarom tot de meening over, dat men hier te doen heeft met de wettelijke bekrachtiging van een „mosquot;. Immers, C.W. 1849 Art. IOI kende reeds amendementen, doch zweeg over de vraag, van welke zijde zij komen mochten.

5°. Rechtspraak.

Volgens de C.W. 1849 (Art. 12) had de Senaat, behalve het recht van boeteoplegging, ook nog de bevoegdheid een Corpslid wegens overtreding der wetten geheel of gedeeltelijk van zijne rechten te ontzetten; er was hooger beroep op de Corpsvergadering (Art. 4e). Processueele bepalingen kwamen eigenlijk niet voor; alleen moest men nauwkeurig te werk gaan, partijen hooren, enz.

-ocr page 37-

29

In 1857 werd het hooger beroep uitgesloten in boetezaken, en overigens was het binnen 14 dagen in te stellen na de schriftelijke mededeeling van het vonnis (Art. 7d). Behalve in boetezaken, moest het vonnis in de eerstvolgende Corpsvergadering bekend gemaakt worden (Art. 43), na 1859 met vermelding der motieven.

In 1859 werd aanplakking voorgeschreven bij vonnissen in zake wanbetaling (Art. 21). Het recht tot geheele of gedeeltelijke rechtsontneming werd tot hoogstens drie maanden beperkt, behalve in het geval van wanbetaling (Art. 24, j0 20). Werd het vonnis in hooger beroep vernietigd, dan werden de rechten geacht niet ontnomen te zijn geweest (Art. 25 al. 2). Kennisgeving van een vonnis aan den veroordeelde moest binnen 4 dagen na de uitspraak geschieden. (Art. 39).

C.W. 1869 Art. 24 al. 2 voerde de, in Hoofdstuk III reeds door mij gemaakte, inmenging van de Corpsvergadering in bij kwesties over het getuigenverhoor voor den Senaat. Door Art. 107 werd de Senaat tot strafrechtspraak „verplichtquot;, doch slechts tijdelijk mocht hij rechten ontnemen, waarbij evenwel de termijn van hoogstens drie verviel. Was de termijn voor het hooger beroep verstreken, dan volgde publiceering van het vonnis in de Vox Studiosorum; kon dit niet, dan bepaalde eene Corpsvergadering ad hoe de wijze van publicatie. In geval van hooger beroep was hetzelfde voorgeschreven en kreeg bovendien de beklaagde binnen 2 dagen mededeeling van het Corpsvonnis. Eindelijk moest het Senaatsvonnis, behalve in boetezaken, in het openbaar (in eene publieke Senaatsvergadering) worden uitgesproken (Art. l67d). Het komt mij voor, dat de mededeeling in de Corpsvergadering (Art. 107 al. 2) nu vrij wel overbodig werd. De termijn voor hooger beroep werd ingekort tot 5 dagen (Art. 52 al. l).

In 1892 is in den afzonderlijken titel de rechtspraak geregeld en zonder eenige beperking aan den Senaat toegekend. Slechts ingeval van strijd met de wet kan de macht, die zelf de wet

-ocr page 38-

30

maakt en dus ook in laatste instantie haar interpreteert, een Senaatsvonnis casseeren. „De rechtspraakquot; leest men in Art. 45, dus niet alleen de strafrechtelijke, maar alle rechtspraak. Wil dat zeggen, dat ieder geschil tusschen Corpsleden, welke ook, voor den Senaat gebracht moet worden? Volstrekt niet; dat zou een ongerijmdheid zijn; de corperatieve rechter kan natuurlijk eensdeels nooit in de plaats treden van den Rijks-rechter en anderdeels kan men hem niet als scheidsrechter in particuliere zaken opdringen. Rechtspraak echter in dit verbond beteekent alleen de beslissing van geschillen van Corps-rechtelijken aard. Men zal dus daaronder moeten brengen een administratieve rechtspraak over de bevoegdheid bijv. van een Corpscommissie, enz.; dergelijke gevallen hebben inderdaad wel eens gedreigd om eene beslissing in te roepen. Art. 46 stelt als eisch een schriftelijke aanklacht, ontbreekt die van de zijde van een buiten den Senaat staand persoon of rechtspersoonlijkheid hebbend college of gezelschap, dan kan subsidiair een Senator haar indienen; echter nooit de Senaat qua talis, want dan zou de aanklager rechter worden. De lijst van misdrijven in dit artikel is niet volledig; zij bevat alleen diegene, tegen welke geen speciale straffen zijn bedreigd, welke laatste in de C.W. verspreid te vinden zijn (Art. 2ó, 32, 33 enz.). Nieuw zijn het verstoren der inwendige orde en het schenden der uitwendige eer. Een nieuwe straf is de vervallenverklaring uit eene waardigheid. De verdere artikelen regelen termijnen, vormen van vonnissen, aanplakking, enz. De strafrechtelijke procedure is te vinden in het huishoudelijk reglement voor den Senaat; de Rector is met de instructie belast, de Ab-actis met het opmaken van het vonnis; ook de behandeling der zaak zelf is geregeld.

6°. Onderlinge verhouding; het Rectoraat; enz.

De C.W. 1849 (Art. 22) verlangde, dat het huishoudelijk reglement door de Corpsvergadering werd goedgekeurd, van-

-ocr page 39-

31

daar dan ook, dat men het achter in de C.W. vindt opgenomen. Dat reglement heeft nu alleen historisch belang; typisch is de in dezen tijd in alle wetten voorkomende verplichting van toespraken te houden en te beantwoorden. In Art. 25 noemde de C.W. den Rector uitdrukkelijk „hoofd van den Senaatquot;.

In 1857 (C.W. Art. 28) behoefde het huishoudelijk reglement slechts aan de Corpsleden bekend gemaakt te worden.

In 1869 treedt plotseling, misschien als reactie tegen al de democratische hervormingen, het Rectoraat op den voorgrond. In Art. 126 der C.W. 1869 heet de Rector „voorzitter van den Senaat\'\' en „hoofd van het Corpsquot;. Naast het oude recht suo jure Corpsvergaderingen te mogen beleggen, komt nu nog in Art. 130 dat van in sommige gevallen deze op korten termijn te kunnen beleggen. Overigens echter had hij, hoe uitvoerig zijne rechten ook geregeld waren, weinig anders dan gewone praesidiale praerogatieven. Een en ander maakte het Rectoraat tot een nevelachtige instelling. De benaming „hoofd van het Corpsquot;, de formule „Rector et Senatus Veteranorumquot;, de afzonderlijke belofte en nog menige andere zaak deden het Rectoraat uitspringen tegen den achtergrond van den Senaat. Men kon er aan twijfelen, of hier niet een macht suo jure aanwezig was, deels van den Senaat afgescheiden, deels in hem opgelost. Raadpleegde men de C.W., dan bleek uit verreweg de meeste bepalingen, dat geenszins de Rector maar de Senaat het hoofd van het Corps was, m. a. w. hèm zoo te noemen was niet alleen een phrase maar ook een onjuistheid.

In 1892 moest een beslissing genomen worden, en die kon tweeërlei zijn; of men verhoogde inderdaad het ambt door het buiten den Senaat te plaatsen en het dus tot een soort presidentschap eener Republiek te maken, öf men bracht het terug tot zijn oude grenzen, maar kon het dan, naast een uitgebreide praesidieele macht, ook bij uitzondering bijzondere bevoegdheden geven. Er werd besloten dit laatste stelsel te volgen, hoewel het ontwerp nog weifelend was; aldaar werd het be-

-ocr page 40-

32

stuur, in Art. 74, aan den Senaat opgedragen, doch Art. 108 schreef, dat de Rector „voorzitter van den Senaat en ais zoodanig hoofd van het Corpsquot; was. Dit was een compromissoir artikel, dat hen, die een groote vereering voor het Rectoraat koesterden, verzoenen moest. Edoch, de Corpsvergadering was daarmede niet gediend en bij amendement zijn de laatste woorden van (thans) hxi.Jxqfl geschrapt en is in Art. 74 onomwonden uitgedrukt, dat de Senaat aan het hoofd van het Corps staat.

Dat nu de Rector een trapje gedaald is, is niet te ontkennen, doch zijn tegenwoordige stelling is tenminste zuiver de jure, terwijl bij de facto geen enkele bevoegdheid mist, die hij vroeger had. In plaats van te paard, kommandeert de kapitein nu te voet; dat staat wat minder indrukwekkend, maar al kent de formatie nu geen bereden hopman, dat doet aan het commando niets af, en daar komt het toch maar op aan. En, inderdaad, dank zij de uitvoerige regeling zijner rechten en verplichtingen, is de Rector in staat een overwegenden invloed uit te oefenen op den gang van zaken; weet hij met vaste hand Senaat en Corps te leiden en door een correct optreden naar buiten uit te blinken, dan kan hij aan zijn ambt veel meer glans geven, dan de oude nevelachtige phrase eertijds, met al haar gevolgtrekkingen, vermocht.

Ik wil dit hoofdstuk sluiten met de bespreking van een gewichtig beginsel, dat der Senaatshomogeniteit. In tal-looze gevallen is dat beginsel hemelhoog verheven en aangeprezen als de steen der wijzen in zake bestuursbeleid. Ik ben er altijd een verklaard tegenstander van geweest, en kan in dien lof niets anders zien dan een verwarring van begrippen, die oorzaak is, dat veel verborgen blijft, dat bij bekendheid een ongedachten invloed zou uitoefenen. Wat wil men toch? Niets meer of minder, dan dat de minderheid van den Senaat steeds vóór het Corps verdwijnt, en den Corpsleden de monsterachtige fictie onder den neus wordt geduwd, dat vijf men-schen het altijd eens zijn, of subsidair, dat de meening der

-ocr page 41-

33

minderheid zelfs de kennisneming niet waard is. Men verwart hier de gewenschte eenheid in optreden, de noodige samenwerking, met de eenstemmigheid, omtrent de wijze, waarop iets geschieden moet; zoolang die wijze nog niet door de bevoegde macht is bepaald, is men nog aan niets gebonden en allerminst aan de afwijkende meening van een ander, waar die meening nog slechts in een voorstel en niet in een besluit belichaamd is. Ja, ik ga nog verder. De eenige, die beslissen moet of een Senaatsvoorstel ten uitvoer zal worden gebracht, is de Corpsvergadering; en zij heeft er recht op met alle argumenten bekend gemaakt te worden, die op die beslissing van invloed kunnen zijn; onthoudt men haar die der Senaatsminderheid, dan zal de Corpsvergadering1) allicht in de meening verkeeren, dat het Senaatsvoorstel eigenlijk ontwijfelbaar juist is, en zonder nadenken het aannemen. Legio zijn de gevallen bovendien, waarin sommigen met een Senaatsvoorstel medegingen, omdat zij niet wilden opponeeren tegen een unaniem verondersteld Senaatsbesluit, doch die, bij het tegenstemmen aan het eind van een Senator, berouw hadden over hun lichtzinnig votum. En dan ten slotte vergete men niet, dat de verdeeldheid van den Senaat noodwendig de Corpsleden tot het vormen van een eigen oordeel moet dwingen en dus de acclamatie in menig belangrijk geval zal uitsluiten. Vrees voor bezwaren in de practijk acht ik ongegrond; Gedeputeerde Staten en Dagelijksche besturen der Gemeenten staan in deze volkomen met den Senaat gelijk. Kortom, de Senator, die vergeet, dat zijn mandaat strekt niet tot regeeren ipso jure (zooals voorheen) maar tot besturen, krachtens wettelijke bevoegdheid, en die door zijn stilzwijgen de aanneming van door hem afgekeurde voorstellen in de hand werkt, begaat niet alleen een fout ten opzichte van zijn eigen zelfstandigheid, maar vooral \' ten opzichte van het vertrouwen, door keuze, in hem gesteld!

3

1

Vooral als een Rector een toelichting nog bovendien onnoodig acht! (Corpsvergadering, 11 Mei 1894).

-ocr page 42-

HOOFDSTUK V.

De Corpsvergadering.

1°. Bestuur.

Het optreden der Corpsvergadering als orgaan van bestuur is, buiten de werking van het interpellatierecht uit den aard der zaak zeer beperkt.

De C.W. 1849 kent het slechts in een enkel geval, nl. dan wanneer de Senaat in omstandigheden niet door de C.W. voorzien, tijdelijk maatregelen heeft genomen, welke dan door de Corpsvergadering bekrachtigd of door andere vervangen kunnen worden (Art. 104). In gewone gevallen dus was een inmenging in bestuurszaken uitgesloten. Een uitzondering daarop vormt echter de schouwburgcommissie (Art. 105—107), die haar contract met den „hier zijnden tooneeldirecteurquot; door de Corpsvergadering moest laten goedkeuren.

Eerst in 1869 wordt de Corpsvergadering een afzonderlijken titel in de C.W. waardig gekeurd. C.W. Art. 55 begint met de verklaring, dat zij de wettige vergadering en dus het wettige orgaan is van het Corps, m. a. w. geen ander orgaan kan zich als zoodanig beschouwen dan door delegatie. Dat artikel verplaatst uitdrukkelijk het zwaartepunt van de corporatie van den Senaat naar de Corpsvergadering. Dientengevolge heeft deze het recht tot „bevelenquot;, tot „het geven van verlofquot; en van „haar gevoelen bloot te leggenquot; (Art. 56). Over alle zaken mag zij besluiten nemen; slechts aan haar eigen besluit (want ook de wet is een besluit) is zij gebonden, zoolang dit niet

-ocr page 43-

35

langs wettige wijze van zijn kracht is beroofd (Art. 57). Over alles, wat haar goeddunkt, mag zij hare meening zeggen (Art. 58). Buiten den Senaat om, kan zij zelf, nl. door een commissie ad hoe, hare besluiten doen uitvoeren doen uitvoeren (Art. 61). Waar zij in bestuurszaken besluit zonder nadere opdracht, dan is daarmede reeds de Senaat tot uitvoering verplicht, m. a. w. treedt dan als Corpscommissie, a priori aangewezen, op (Art. 108). Art. 111 laat ten slotte toe, dat de Corpsvergadering de wijze van vertegenwoordiging door den Senaat regelt: eene bepaling hierboven reeds door mij gewraakt. Wie al deze bepalingen jarenlang heeft zien vigeeren, kan zich moeilijk een tijd voorstellen zonder deze voorschriften; zoozeer zijn wij gewoon geraakt aan onze, vaak gewichtige. Corpsvergaderingen met hare levendige debatten, en aan het zich daarbij aansluitend openbare Corpsleven met zijn criti-seerende pers. Sedert de Corpsvergadering het recht heeft in bestuurszaken mede te praten, is ontegenzeggelijk het Corpsleven verbazend ontwikkeld, het uit dat recht voortspruitend „Corpsbesefquot; moest ook in andere opzichten, aan in de sedert dien ontluikende gezelschappen, aan het licht treden, en eerst nu is er langzamerhand plaats voor een studentenpers, die zich buiten het litteraire leven ook met de „Corpspolitiekquot; zal kunnen bezighouden. Had ik ongelijk met (in Hoofdstuk 11) de herziening van 1869 een „keerpunt in onze rechtsgeschiedenisquot; te noemen?

In 1892 zijn eenige wijzigingen in de desbetreffende artikelen gebracht. Zoo staat in Art. 54 C.W., dat een Senaatsbesluit vernietigbaar is; onder vroegere formuleeringen van hierop doelende artikelen waren gevallen denkbaar, waarin die vernietigbaarheid twijfelachtig was en dus bestuursconflicten mogelijk waren. In Art. 55 is eene motie alleen voor behandeling vatbaar verklaard, indien het belang van het Corps er mede gemoeid is, m. a. w. alleen Corpszaken mogen op een Corps-vergadering besproken worden. Vroeger mocht men doen „wat

-ocr page 44-

36

men goeddochtquot;. Aangezien het zeer wel mogelijk was, dat eene politieke motie, met het eigenlijk Corpsbelang in geenerlei verband, eventueel tot groote twisten en scheuring kon leiden, heeft men een dergelijke zaak onmogelijk willen maken, zonder of wetsdispensatie of wetsverkrachting; in het eerste geval zal het voorafgaand debat, in het tweede het redelijk vergrijp aan de kracht van een dergelijk optreden groeten af breuk doen.

3°. Wetgeving.

Hoe vreemd het schijne, over de belangrijkste werkzaamheid der Corpsvergadering is het minst te zeggen. Niemand twijfelt en kan ook twijfelen aan de wetgevende bevoegdheid van dat lichaam. Toch staat die nergens te lezen. Alleen reeds de eenvoudige erkenning van het beginsel, dat, alwie lid van een corporatie wordt, zich wel bereid verklaart de bestaande voorschriften te aanvaarden, doch niet gehouden is aan nieuwe, tot welker totstandkoming hij niet heeft kunnen medewerken, heeft een twijfel aan genoemde bevoegdheid tot een ongerijmdheid gemaakt, althans na 1848. Immers reeds in 1849 (C.W. Art. 109) werdt de wijze van wetsverandering geregeld; de regeling zelve laat ik rusten als van administratieven, niet van juridischen aard.

Slechts één ding trekt nog de aandacht. Het Corps kent sedert langen tijd een „rouwquot;\' en een „funusquot;. De regeling daarvan is tot 1885 steeds als een bestuurszaak, dus als een Senaatszaak opgevat, zij het dan ook, dat de Corpswet nu en dan een algemeen, en in den regel onbeduidend voorschrift gaf. In 1885 werd de rouw bij Corpsbesluit geregeld; het funus bleef in de lucht hangen, tot de bepalingen in 1888 zelfs een afzonderlijk reglement in het leven riepen; in 1892 werd het rouw-X van het tooneel. Voor goed? Dat is moeilijk te zeggen. Bij / reglement in de C.W. geplaatst en verdween het funus geheel de begrafenis van een Corpslid in 1893 deed de houding van

-ocr page 45-

37

velen aan de herleving denken. Ik voor mij, ik zou daartegen willen waarschuwen; er is een tijd geweest, dat een funus tot ergernis strekte1); er is een tijd geweest, dat deze instelling, langen tijd slapende, doordat niemand zich op een dergelijke wijze grafwaarts wilde laten dragen, in eere hersteld en door zijn reglementeering (in 1888) tot een indrukwekkende plechtigheid verheven werd. Toch werd in 1892 zonder eenige tegenspraak de geheele instelling, hoe eenvoudig ook, afgeschaft. En waarom? Omdat juist diegenen, die men het liefst zóó de laatste eer zou willen bewijzen, steeds uitdrukkelijk bij hun sterven hun familieleden tot een bedanken daarvoor aanspoorden, grootendeels uit afkeer voor de „demonstratiequot;, die niet in overeenstemming was met hun Corpsleven, dat niet eigen eer, maar slechts die gemeenschap had gezocht. Zoo dreigde het gevaar, dat de Corpsgezelschappen en Corpsleden slechts zouden worden opgeroepen tot opluistering der teraardebestelling van de „dii minoresquot; en de (sit venia verbo!) „dii obscuriquot; onder ons. Een dergelijk funus, waarvan men pruttelend, louter uit plicht, deel nam, zou op andere wijze weder eene ergerlijke vertooning worden. Naar mijn oordeel is het Corps te groot en de band te los, om de wederinvoering eener deugdelijke, bevredigende plechtigheid mogelijk te maken.

3U. Rechtspraak.

Deze bevoegdheid der Corpsvergadering is aan groote wisselingen onderhevig geweest. In 1848 (C.W. Art. 4e) was zij uitsluitend rechter in appèl. In 1857 werd het hooger beroep beperkt tot de veroordeeling tot geheel of gedeeltelijk verlies van rechten (Art. 7d); daarentegen werd zij rechter in eerste instantie ter zake van vervallenverklaring van het lidmaatschap (Art. igd).

1

Er was een woeste kroegjool na!

-ocr page 46-

38

In 1859 moest ook de Corpsvergadering beslissen, of een wanbetaler, die langer dan zes maanden na zijn verlies van rechten tot betaling overging, in zijn eer hersteld zou worden.

In 1869 kwam er een belangrijk recht bij. Indien de Senaat weigerde te vonnissen, kon de Corpsvergadering zelf als rechter in eerste instantie optreden (Art. 59). Ook ingeval van vrijspraak door den Senaat, was hooger beroep mogelijk (Art. 107 al. 5). Dit hooger beroep in het algemeen werd met veel nadruk en blijkbare zorg geregeld.

In 1892 werd der Corpsvergadering het hooger beroep ontnomen, en werd zij rechter in cassatie. Dat dit niet gemakkelijk ging, is te begrijpen. Na een kort en zaakrijk, streng juridisch, debat tusschen den Rector en den heer F. A. F ruin, vereenigde men zich met 35 tegen 25 stemmen met de argumenten van den eerstgenoemde \'). Deze had ons duidelijk in het licht gesteld, dat, al was het hooger beroep in beginsel niet af te keuren, een procedure ter Corpsvergadering, zoolang de feiten nog betwist konden worden, eene onmogelijkheid was; een getuigenverhoor was nauwelijks, een onderzoek naar bescheiden volstrekt niet te regelen, zoolang men prijs-stelde op een rechtvaardig oordeel, bij een rechtbank van honderd of meer rechters trouwens bijna niet denkbaar. Den wetgever ook in rechtszaken tot hoogsten wetsuitlegger te verklaren, stond echter niets in den weg.

4°. Bepalingen van orde.

Ik wensch in dezen paragraaf geenszins die bepalingen te bespreken, welke betrekking hebben op de behandeling van zaken in de Corpsvergadering, doch slechts een formeel karakter hebben. Er zijn buitendien eenige voorschriften, die mid-

1) Minerva 19 Mei 1892, Vox Studiosorum 19 Mei 1892; zie ook Vox Studiosorum 31 Maart 1892.

-ocr page 47-

39

dellijk de grenzen der machtsfeer der vereenigde Corpsleden aangeven.

Zoo kon in 1849 (C.W. Art. 101) over geen voorstel, staande de vergadering gedaan, gestemd worden, tenzij twee derden der aanwezige Senatoren bij schriftelijke stemming de urgentie daarvan verklaard hadden.

In 1857 (C.W. Art. 104—106) begint men de praesidiale praerogatieven van den Rector in de C.W. te omschrijven.

In 1869 (C.W. Art. 69) moet ook V3 der aanwezige Corpsleden goedkeuren, dat voorstellen buiten de agenda worden behandeld, terwijl bepaalde gevallen uitdrukkelijk uitgesloten worden. In Art. 75—77 wordt de bevoegdheid des Rectors tot regeling en leiding der Corpsvergadering besnoeid; is deze het niet met haar voorzitter eens, dan kan zij bij „besluit van ordequot; zelf haar agenda regelen.

In 1892 werd den Rector het recht gegeven discussiën te sluiten (C.W. Art. 69). De practijk had het hem reeds toegekend, hoewel in lijnrechten strijd met Art. 66 der C.W. 1885, dat het alleen bij besluit van orde gedoogde. In Art. 70 al. 2 (C.W. 1892) werd de mogelijkheid geopend tot het houden van Corpsvergaderingen in „verboden tijd.quot; Verder zijn de bevoegdheden des Rectors aangevuld en verduidelijkt, en dus zijn stelling als leider sterker geworden, wat niet dan bevorderlijk kan wezen van een goede behandeling van zaken, terwijl desniettemin de Corpsvergadering door een eigen besluit een willekeurig praesidium onschadelijk kan maken. In allen deele? Art. 69 doet immers de vraag rijzen, wat er gebeuren moet, als de Rector een discussie sluit, welke de Corpsverga-dering wcnscht voort te zetten. Deze kan wel zelf een discussie sluiten, doch kan zij die ook heropenen? Om deze vraag, die in de practijk van het allergrootste gewicht kan wezen, te beantwoorden, moet men twee dingen in het oog houden; 1°. wie sluit heeft ook het recht tot heropening, en 2°. de Corpsvergadering staat in beginsel boven haar Voorzitter. Uit

-ocr page 48-

40

den eersten regel volgt, dat de Rector heropenen mag eene discussie door hemzelf gesloten, doch een besluit van orde dienaangaande eerbiedigen moet, en eveneens dat de Corpsvergadering haar eigen besluit kan intrekken, doch het den Rector uitdrukkelijk toegekend recht niet illusoir mag maken, door zijn besluit te vernietigen. Uit de ondergeschiktheid des Voorzitters volgt, dat de Corpsvergadering iederen maatregel mag nemen, mits natuurlijk niet in strijd met de C.W., om haar leider te nopen haar verlangen op te volgen, doch die maatregel mag ook niet strekken tot directe aantasting van het gezag, dat in den Rector vertegenwoordigd is. Daarom kan m. i. bij een dergelijk conflict geen ander Corpsbesluit genomen worden, dan 1°. een motie van afkeuring en 2°. een besluit tot verdaging der stemming. De Rector moet al zeer zonderlinge denkbeelden hebben, wanneer de tijd hem dan niet inmiddels den raad brengt, die tot conflictsoplossing leidt, of de tijd zal dan leeren, dat een toevallige meerderheid hem dwarsboomde, en een volgende vergadering zijn besluit bekrachtigen. Der Corpsvergadering echter het recht te geven den Rector feitelijk het praesidium uit de hand te nemen, zou m. i. èn een ongerijmdheid èn hoogst bedenkelijk zijn.

-ocr page 49-

HOOFDSTUK VI.

De faculteiten.

C.W. 1849 (Art. 3) kende drie „afdeelingenquot; der doctoren: eene litterarisch-juridische, eene theologische en eene philoso-phisch-medische; van eene organisatie is geen spoor te vinden.

Eerst in 1859 (C.W. Art. 121—128) gaat men de faculteitsvergaderingen regelen, bijeen te roepen na machtiging of op last van den Senaat of op verzoek van 5 leden door den faculteitsvertegenwoordiger. Hij is rechtens voorzitter en kan zich door andere Senatoren laten bijstaan; van de besluiten met welker uitvoering hij belast is en die slechts op faculteitsbe-langen betrekking mogen hebben, moet den Senaat kennis gegeven worden; alle kosten draagt de Corpskas.

In i860 (C.W. Art. 134) werden faculteitsbelangen ondergeschikt gemaakt aan Corpsbelangen en aan de voorschriften der C.W. Nu er soms meer dan een faculteitsvertegenwoordiger was, praesideerde de oudste (Art. 133, 135).

In 1866 gaat men erkennen een afzonderlijk faculteitsbestuur, een Praeses en een Secretaris (C.W. Art. 133). Er zijn voortaan vijf faculteiten; tot de Theologische, Juridische en Medische behooren zij, die propaedeutisch examen hebben afgelegd; Litteratoren en Philosophen zijn eensdeels zij, die als zoodanig zijn ingeschreven, anderdeels zij, die in de andere faculteiten nog propaedeutisch examen moeten doen (Art. 134). Vereischten voor het bestuurslidmaatschap waren voor een

-ocr page 50-

42

Praeses het Candidaat-zijn en een tweejarig Corpslidmaatschap, voor een Secretaris alleen het laatste (Art. 135). De Praeses moest soms in den Senaat gehoord worden (Art. 136), bij ontstentenis riep de Rector de faculteitsleden ter keuze van een praeses bijeen (Art. 137). Het bestuur trad als vertegenwoordiging der faculteit op in een kleedij, tot in belachelijke bijzonderheden geregeld (Art. 138).

C.W. 1869 Art. 169 verklaart, dat de faculteiten een tweeledig doel hebben, nl. om eene voor de inwendige regeling van het Corps noodzakelijke onderverdeeling te verkrijgen en opdat de belangen van het onderwijs naar de behoeften van iedere faculteit kunnen worden behartigd. Dat tweeledig doel gaf nu verder aanleiding tot een zonderlinge regeling; de „noodzakelijke onderverdeelingquot; had tot grondslag de inschrijving bij den Rector-Magnifkus; de „faculteit ter behartiging der on-derwijsbelangenquot; echter bleef steunen op de regeling van 1866. Voor menig Corpslid was alzoo het faculteitslidmaatschap een spelletje van „zoo zie je me en zoo zie je me nietquot; 1 In Art. 173 werd de werkkring der faculteiten, qua tales, alleen tot onderwijszaken beperkt, een verduidelijking, die zeer zeker een verbetering was. Wonderlijk is Art. 186, dat (N.B. 1) aan niet-Corpsleden het recht geeft, hoewel geen lid eener faculteit, aan discussiën en stemmingen over zaken deel te nemen; over het nut van deze regeling kan men verschillend denken, maar bezwaarlijk kan men erkennen dat hier een zuiver standpunt is ingenomen. Eene juridische constructie van eene faculteit is volgens deze C.W. een lastig probleem, en misschien is wel aan deze weinig heldere plaatsaanwijzing eener gewichtige groepsindeeling in zekere mate de strijd te wijten die over het ware faculteitsbegrip tot op 1892 geheerscht heeft.

In 1892 werd in Art. 145 dit begrip eenvoudig vastgesteld. De Artt. 146 en 147 dagteekenen van 1890. Art. 147 kan mijn goedkeuring niet geheelenal wegdragen; het is het resultaat van een compromis tusschen voorstellen van den heer

-ocr page 51-

43

Bolt en van mij \'). Ik zie niet gaarne aan niet-leden lidmaatschapsrechten toegekend; daar is altijd iets onzuivers in. Art. 148 is, in zijne beperking, duidelijk met het oog op het verleden. In Art. 59 werden dan de Faculteitsbesturen de rechten van initiatief en amendement toegekend. Een eigen kas hebben de Faculteiten niet, noch ooit gehad1).

1

Zie ook nog Minerva 15 December 1892: »De faculteitsbesturen voor de nieuwe Corpswet.quot;

-ocr page 52-

HOOFDSTUK VII.

Corpsgezelschappen.

C.W. 1849 (Art. 46) kende „algemeene studenteninrichtingenquot;, doch liet in het midden, wat men daaronder moest verstaan; een doctor had het recht er lid van te worden.

C.W. 1857 (Art. 7a) eischte, dat zulk een „inrichtingquot; (die wonderlijke naam is eerst in 1892 verdwenen!) door het Corps erkend moest zijn.

C.W. 1869 wijdde er een afzonderlijken titel aan. Aan de erkende inrichtingen werden zekere verplichtingen opgelegd, meest van formeelen aard. Uitsluiting van ballotage en deponeering van het archief, bij den Senaat, ingeval van ontbinding, zijn echter voorschriften van meer belang, hoewel het eerste van zelf spreekt en het tweede, door een kennisgeving vooraf, dat men de erkenning wil zien vervallen, tot een nuda praes-criptio wordt (Art. 190, 191, 194).

De Corpsgezelschappen zijn in 1892 een definitie waardig gekeurd, wat niet overbodig was, met het oog op de duistere geschiedenis van menig gezelschap (Art. 158). Nieuwe verplichtingen werden opgelegd in Art. 162 en 164, en eene oude beter geformuleerd in Art. 210. Zoo vraagt men zich van zelf af, waar in Titel XII geen spoor van eenig recht te vinden is, wat er toch voor aanlokkelijks in die rechtspersoonlijkheid is, die zoo vaak gezocht wordt en blijkbaar alleen verplichtingen oplegt? Inderdaad, het voordeel is voor een groot deel fictief en berust dus alleen op de traditioneele eereplaats, die

-ocr page 53-

45

de publieke opinie aan dergelijke groote vereenigingen toekent, en die van zelf ook tot onderscheiding van formeelen aard leidt. Eerst in 1892 heeft men, door aan de besturen de rechten vari initiatief en amendement toe te kennen (Art. 59)i san de erkenning als „persoonquot; beteekenis bijgezet. Overigens komt het verschil met andere vereenigingen voornamelijk uit in den Almanak en bij rijpartijen van Corpswege, terwijl de Senaat in den regel slechts van de feesten en bijeenkomsten van Corpsgezelschappen notitie neemt. Strikt genomen, moesten zooveel mogelijk alle andere gezelschappen officieel genegeerd worden; de praktijk laat dit echter bijv. ten opzichte van „Het Bouwfondsquot; niet toe.

Daar het tijdstip, waarop menig Corpsgezelschap als zoodanig erkend was, onzeker was en dus zelfs tot ontkenning der erkenning kon leiden, is in 1892 bij Corpsbesluit bepaald, welke vereenigingen onder Art. 158 vielen.

-ocr page 54-

HOOFDSTUK VIII.

Corpscommissies.

Reeds vroeger noemde ik de in C.W. 1849 Art. 105 vermeldende commissie voor den schouwburg „ter handhaving (van wat?) en ter behartiging van de belangen der zich aldaar bevindende academieburgers.quot; Fraai is de omschrijving niet; de belangen zullen ook wel behartigd zijn, nl. „bevond men zichquot; niet in den schouwburg. Evenwel leeren wij hieruit, dat de instelling bij ons van zeer ouden datum is.

In 1859 (C.W. Art. 14) worden de commissies „van het Corps uitgaandequot; verplicht bij haar ontbinding haar archief bij den Senaat te deponeeren.

In 1869 (C.W. Art. 65, 66) verkregen zij de rechten van initiatief en amendement.

Langzamerhand beginnen de vaste commissies in de C.W. met reglementen te verschijnen; in 1878 de réunie-commissie, in 1882 de almanak-redactie; vreemd is het dat men het reglement dezer laatste (Art. 192 vlg) wel in de C.W. opnam, maar het réunie-reglement afzonderlijk hield.

Inmiddels was het, o. a. bij de voorbereiding der lustrumfeesten in 1891, gebleken, dat het dringend noodig was aan de Corpscommissies haar juiste plaats aan te wijzen, omdat er groot gevaar bestond, dat of de Senaat zijn toezicht tot gebondenheid zou doen ontaarden of de Corpsvergadering plotseling zou ingrijpen in wat in haar naam geschiedde en reeds geschied was, waardoor de positie van -ulk een commissie

-ocr page 55-

47

onhoudbaar kon worden. Vandaar dat in 1892 Titel XIII de materie beknopt maar m. i. afdoende geregeld heeft.

Art. 168 zegt wat een Corps-commissie is en in die definitie liggen drie vereischten opgesloten: 1°. instelling krachtens Corps-besluit; 2°. opdracht van Corpswege en 3°. bepaald aangewezen werkkring. Daaruit volgt, dat zij eigenlijk alleen aan de Corpsvergadering verantwoordelijk is, en dat, waar de Senaat in Art. 171 daarvoor in de plaats treedt, dit alleen in opdracht en niet suo jure geschiedt. Zij is dus onafhankelijk van den Senaat. Art. 170 waakt tegen ontijdige inmenging der Corpsvergadering in de werkzaamheid der Corpscommissie; deze, zeer gewichtige, bepaling, die haar onafhankelijk maakt van haar mandaten, maakt een nauwkeurige opdracht noodzakelijk, doch zou dit alleen reeds een dergelijk voorschrift billijken ? Art. 169 Iaat toe, dat wij een onderscheid maken tusschen vaste en tijdelijke commissies; de eerste vinden haar reglement in de C.W., de laatste krijgen dit, zoo noodig, bij haar instelling. Waar het ontbreekt, is het Corpsbesluit het eenige richtsnoer bij het beoordeelen van haar bevoegdheid.

Wel van deze commissie zijn te onderscheiden de Senaatscommissies, die o. a. in Art. 102 (C.W. 1892) terloops worden erkend; immers, het „opdragen eener commissiequot; kan weieens eerst tot vorming van een commissie van honorair-senatoren leiden. Zij komen echter weinig voor, en zijn, als loutere hulp van den Senaat van weinig belang. De eerste, mij bekende, groote Senaatscommissie is de advies-commissie in zake het ontwerpen van een tournooi, benoemd in 1894.

-ocr page 56-

HOOFDSTUK IX.

Verhouding tot andere studenten-vereenigingen.

Het „inter-corporaal rechtquot;, als ik het zoo noemen mag, is nog zeer weinig ontwikkeld, ja, veel te weinig want waar, vooral in later tijd, de Corpsen en Bonden hoe langer hoe meer met elkaar in aanraking, en soms in botsing komen, is de vraag naar regels voor een te volgen gedragslijn, waarlijk niet ij del.

In 1849 erkende de Senaat die lichamen, wier leden later in min of meer officieelen vorm, soms door overschrijving, met hem te doen zouden hebben; de terminologie is slordig; in Art. 5 (C.W. 1849) spreekt men van een „erkend studentencorpsquot;, in Art. 56 daarentegen van „erkende senaten of ccl-legies.quot; Men is ook trouwens nog in het overgangstijdperk; hier was reeds een Corps gevormd, ginds gold het jurisdictie beginsel nog.

Gaf men vroeger aan oud-leden van erkende Corpsen onmiddellijk alle rechten bij hun overkomst in het U. 5. C., in 1857 (C.W. Art. 10) sloot men echter de Senaatskeuze voor wie geen vol jaar lid was, zonder onderscheid, uit1). Leden van erkende Corpsen verkregen toegang tot Corpsfeesten (Art. 44), mits met uitdrukkelijke toestemming van den Senaat.

In 1869 (C.W. Art. 114) werd het recht van vreemde vereenigingen te erkennen aan den Senaat ontnomen, en bij de

1

Echter slechts tot i860.

-ocr page 57-

49

Corpsvergadering gebracht. Tevens werden oud-leden van erkende Corpsen gerekend lid van het U. S. C. te zijn, ten opzichte van hun verkiesbaarheid voor den Senaat, van af het oogenblik hunner opneming in het betrokken erkend Corps (Art. 82). Men gaf dus aan vreemdelingen meer rechten, dan aan de eigen leden; een voorschrift, dat zonder twijfel van groote vrijgevigheid getuigt, doch eigenlijk allen grond mist, en slechts zoo lang (tot 1892) gegolden heeft, omdat het nooit in practijk is gebracht en dus het verkeerde en gevaarlijke ervan niet aan het licht kwam.

In 1885 (C.W. Art. 7, lid) is men aan de opneming van leden van erkende Corpsen de voorwaarde gaan verbinden, dat zij niet uit hun vorig Corps zijn geroyeerd, noch er geld aan verschuldigd zijn. Deze bepaling is aan ernstige critiek onderhevig. Het doel ervan wordt vooreerst niet bereikt; want, al dwingt men iemand geen wanbetaler te zijn van een ander Corps, heeft men toch geen waarborg, dat hij het niet van het onze zal worden; de practijk levert dan ook voorbeelden te over. Maar bovendien is het eene zonderlinge wijze van wetten maken, om eene sanctie in onze wet te plaatsen op bepalingen van eene andere, waar men hetzelfde kon bereiken, door van zoo iemand eene borgstelling te verlangen ; immers, wij hebben niet te zorgen, dat een schuldenaar zijn schulden aan een derde betaalt, maar wel, dat hij niet onze schuldenaar worde, zonder dat zijne reputatie is gedekt door eene aannemelijke zekerheid van toekomstige solvabiliteit.

Dit punt is in 1892 onveranderd gebleven. Omdat die regeling zoo goed werd gevonden? Geenszins, maar alleen omdat die bepaling zich terugvindt in andere Corpswetten elders, en de Senaat daarom geen vrijheid vond in zijn ontwerp een voorschrift weg te laten, dat, niet van zuiver Corpsrechtelijken aard, juist door zijn verband met andere dwong tot een inachtneming van wat elders, ook eventueel in ons belang, was

voorgeschreven. Het berustte m. a. w. op een stilzwijgende

4

-ocr page 58-

5o

overeenkomst, die niet eenzijdig verbroken mocht worden. Toch heeft de Corpswetsherziening niet plaats gehad, zonder dat in dit opzicht gewichtige veranderingen tot stand kwamen.

Tot nu toe was, blijkens de terminologie der Corpswet, aan het begrip van erkenning steeds verbonden geweest het denkbeeld, dat de daaruit voortvloeiende verhouding steeds eene vriendschappelijke moest zijn. Deze opvatting kon niet nalaten moeilijkheden in het leven te roepen telkens, wanneer z. g. n. Studenten-Bonden van hun oprichting kennis gaven. Negeerde men zulk een schrijven, dan was men eenvoudig onbeleefd, antwoordde men, dan „erkendequot; men het bestaan er van met alle gevolgen daaraan verbonden. Onnoodig te zeggen, dat onze Senaat in voorkomende gevallen met veel diplomatie de klip omzeilde, door bijv. kennis te geven van de ontvangst van een brief, enz.; doch gezond was de zaak niet.

De tegenwoordige C.W. steunt op eene veronderstelling, een stuk ingeschreven recht, dat er drie soorten studenten-vereeni-gingen zijn, waarmede het U. S. C. weieens in aanraking, al is het maar per brief, kan komen. Vooreerst niet-erkende Corpsen, met wie men ipso jure alle officieel verkeer behoort te vermijden; immers, voor het Corps en voor den Senaat bestaan zij eenvoudig niet. Ten tweede erkende Corpsen, welker bestaan, maar ook niets meer, erkend wordt wat medebrengt dat men officieel met elkander kan omgaan indien de omstandigheden dit noodig mochten maken; de C.W. geeft te dien opzichte geen regels; de erkenning is eene loutere beleefdheid, en heeft geen andere gevolgen dan iedere erkenning van een „fait accompli.quot; Ten derde, bevriende Corpsen (C.W. Art. 7, 15d), dat zijn erkende Corpsen waarmede men in zoodanige betrekking staat dat eene gedurige wisseling van beleefdheden tusschen de Senaten onderling en een toestaan van weder-zijdsche concessiën gerechtvaardigd is. Met het oog op het nieuwe beginsel der C.W. is in 1892 bij Corpsbesluit uitdrukkelijk vastgesteld, welke Corpsen als bevriend zouden worden aangemerkt.

-ocr page 59-

51

Dat slechts het Corps, d. i. de Corpsvergadering, kan uitmaken, met wien men bevriend wil zijn, spreekt van zelf; vroeger toen „erkenningquot; dit omvatte geschiedde dit dan ook door het Corps. Nu echter heeft „erkenningquot; eene andere beteekenis gekregen en bepaald de C.W. niet, wie tot die daad gerechtigd is. Naar mijne meening, is het wenschelijk, waar zich een „mosquot; dienaangaande zal moeten vormen, dit niet aan den Senaat over te laten; dit lichaam toch wordt overstelpt met min of meer verleidelijke uitnoodigingen tot het bijwonen van feesten van niet-erkende, buitenlandsche vereenigingen, en komt dus zeer licht in de verzoeking om, hetzij uit sympathie, hetzij zelfs uit genotzucht, tot een lichtvaardige erkenning over te gaan als een eerste stap tot een bevriendheid, die in slaat kan stellen ook buiten de grenzen het Senaatsinsigne te dragen. Hoe licht toch zal men, op grond dat het buitenland, door onbekendheid met onze bepalingen, nooit tot de noodige formaliteiten zal overgaan, het eerst de vriendschapsband reiken, en daardoor het Corps compromitteeren dat, ongeneigd zijn hoogste College te désavoueeren op zulk eene wijze zijn betrekkingen zich ziet uitbreiden tot vereenigingen, wier basis en historische achtergrond hemelsbreed van die der Nederlandsche corpsen verschillen, en wel in ongunstigen zin.

De C.W. 1892 heeft ten slotte in Art. 77 bepaald, dat ieder, zonder onderscheid, eerst na drie jaren tot senator verkiesbaar is; de ratio van deze bepaling, de fictie van genoegzame bekendheid met Corpszaken, duldt geen verschil tusschen vreemdeling en eigen lid.

-ocr page 60-

HOOFDSTUK X.

Terugblik.

In de voorgaande bladzijden heb ik getracht beknopt maar volledig alle historische bewijzen te leveren voor het corporatieve wezen van ons Corps. Mag misschien blijken, dat menige verandering in den loop der jaren zich meer grondt in een zucht tot practische verbetering dan in een besef van een zich ontwikkelend beginsel, de jongste herziening, en vandaar dat ik wat uitvoeriger telkens bij haar stilstond, heeft wel degelijk zooveel mogelijk beginsels gehuldigd. Kan men met mg die roode beginseldraad in onze Corpsgeschiedenis vinden en volgen; kan men met mij komen tot de gevolgtrekking, dat alleen een voortspinnen daarvan aan ons Corps vastheid en bestendigheid kan geven, dan zullen, naar ik hoop, volgende studentengeslachten bewaard blijven voor dwaze opvattingen, van egoïstisch-philosophischen of materialistischen aard, die van een vereeniging van jonge menschen een coöperatieven bond of wat al niet willen maken, en hun schepping willen doen rusten op het stuifzand van egoïsme en opportuniteit, in plaats f van haar voet te ankeren aan historie en recht. Het Utrechtsche Studentencorps behoeft zich niet voor zijn verleden te schamen, en zijne leden kunnen uit de bestudeering daarvan menige les trekken voor heden en toekomst. Naast de belangwekkende en onderhoudende studie van het studentenleven in vroegere jaren, waarvoor de bronnen talrijk en voor de hand zijn, heb ik ook een bijdrage willen leveren tot het meer ernstige deel

-ocr page 61-

53

ervan, hetwelk zich richt op het verschijnsel van collectief en gereglementeerd optreden.

Zoo wil ik dan eindigen met de herhaling van wat ik bij eene vroegere gelegenheid1) zeide, en dat, geloof ik, door den lezer, die iets voor ons Corps en zijn verleden voelt beaamd zal worden: „hebben wij eerbied voor ons zeiven, dan zal ook de groote maatschappij eerbied krijgen voor het Utrechtsch Studentencorps!\'\'

1

Corpsverslag 23 Mei 1892.

-ocr page 62-
-ocr page 63-

ERRATA.

2

Reg

6

v. b.

staat:

weer; lees: meer.

4

33

12

53

33

•Junalgumatie; lees: umalgamatie.

4

53

13

33

33

jurisdictis; lees: jurisdictio.

6

53

11

33

33

waar; lees: maar.

14

33

10

V. 0.

33

nog; lees: mag.

15

53

5

„ weglaten

: als.

53

3

v. b.

staat:

hooge; lees: hooger.

16

33

12

33

33

ba; lees: na.

l8

33

16

v. 0.

53

1891; lees: 1892.

18

33

8

33

33

Corpsverbond; lees: Corpsverband

20

33

9

v. b.

33

worden; lees: werden.

21

53

8

v. 0.

33

miplicite; lees: implicite.

20

53

7

v. b.

53

vorm; lees: rouw.

26

53

11

v. 0.

33

subsidair; lees: subsidiair.

28

53

14

33

33

nog toen; lees: tot nog toe.

29

33

15

33

33

drie; lees: drie maanden.

30

33

6

V. b.

33

corperatieve; lees: corporatieve.

32

33

l

v. 0.

33

subsidair; lees: subsidiair.

35

53

4 v. b.

weglaten; doen uitvoeren.

35

33

16

V. 0.

staat

aan; lees: 0. a.

36

33

6

v. b.

33

redelijk; lees: zedelijk.

36

zijn

de reg. 2

en 3

v. 0. van plaats te verwisselen.

37

Reg

14

v. b.

staat:

die; lees: die der.

38

33

13

33

33

F; lees: T.

38

53

15

33

33

ons; lees: 0. a.

43

53

4

33

53

dan; lees: aan.

46

33

3, 4

33

33

vermeldende; lees: vermelde.

46

33

7

53

33

ul; lees: al.

47

53

13

33

33

mandaten; lees: mandanten.

47

53

14

53

53

reeds; lees: reeds niet.

50

33

17

53

33

ingeschreven; lees: ongeschreven.

51

33

11

v. 0.

33

vriendschapsband; lees: vriendschapshand.

52

33

7

33

33

voet; lees: vast.

-ocr page 64-
-ocr page 65-
-ocr page 66-