Handleiding tot de Theognosie.
HET ONGELOOF EN DE DWALINGEN,
DOOK
y, VAN jSpANJE,
Schrijver var. Is: „Photographisën naar het levenquot; ; ,,in Nihilisme geen heilquot; enz.
I.
ÜK KKN\'XIS VAX lt;Tlllgt; IX IIAItKX AAXVAXli, AAUI» EX vnoRTtiASli.
V
(OP /.Tril /.KI.K lOjri\'I.KKT. I
AKNHE M, Administratie van „de Tijdtiode.\'
1S91.
HIST? GEN.
fft i\'lH-
(Men zie (!lt;■ hinueiizijdaii rdn den omsluj.)
/ rm Handleiding tot de Theognosie.
Of
LEIDDRAAD IN DEN STRIJD VOOR HET WARE,
tegen
HET ONGELOOF EN DE DWALINGEN,
DOOIi
VAN
Schrijver- van de: „Photographieën naar het levenquot; „in Nihilisme geen heilquot; enz.
I.
Df. KENNIS VAN (ion IN HAKEN AANVANG, AAKH EN VOOIiTtiANti. (Olgt; ZICH ZELF COMPLEET.)
ARNHEM, Administratie van „de Tijdbode.quot; 1891.
Geachte Lezers.
De cohjende bladen becaften ouder eeueu eencoudigen rortti de cnwhteu van een meer dan dertigjarige, veelzijdige ervaring, en van een langdurig, oiti-vangrijk en nauwgezet onderzoek. Had de uitslag heter kunnen dan zij is, dan ligt daarvan de schuld niet aa)i gebrek aan tijd, aan het ontbreken van middelen, maar geheel aan ons.
Overschatten u-ij den arbeid niet, dan levert hij minstens opmerkingen die niet algemeen bekend zijn en verklaringen, die niet naar anderen werden overgeschreven.
Ware het naar eigene overtuiging anders gesteld , wij hadden zeer zeker gezwegen , want het schrijven over theologische onderwerpen , ineen zin, die afwijkt van de algemeen begeerde, levert den arbeider geen kransen van rozen , maar veeleer van doornen op.
Hadden wij geen redelijken grond, te mogen gelooven aan de noodzakelijkheid van ons streven, nooit zouden wij het hebben gewaagd, ons oji dat ook met onkruid bezaaide veld , te begeven.
Naar onze overtuiging wordt de bevoegdheid tot het geven van onderwijs in wetenschap en kunst, niet uitsluitend erlangd, tengevolge een stelselmatig africhten, begunstigd door de Sanctie van eenige personen, door staatkundig beleid daartoe geroepen en aangesteld. Wij zijn veeleer overtuigd, dat de uitkomsten van iemands onderzoek, de vruchten, die dat onderzoek voor hem en anderen hehheu opgeleverd, altijd de eenige, alleen vertrouwbare maatstaven zullen blijven, om over iemands werkelijke bevoegdheid tot eenig vak te oordeelen. Wij vertrouwen alzoo, dat de bekwaamheden hij den mensch gegrond be-hooren te zijn, op een hem geschonken aanleg, die daarna op vrije, wijze tot verdere ontwikkeling behoort gebracht, en waarhij verschillende, vaak van zijnen wil onafhankelijke, hem toegevloeide hulpmiddelen, niet mogen worden afgewezen. De geschiedenis der menschheid biedt overvloed van voorbeelden aan , die het besluit rechtvaardigen, dat de voornaamste mannen op aarde vrijelijk en op eene. altijd zelfstandige wijze werden gevormd.
Wij leerden voorts, dat de vorming aan academiën, hij ceel voortreffelijks, ten aanzien der theologie vooral, veel te wenschen overlaat. Dat door
haren invloed de theologische icefenschap en daarmede ten deele de maat-schappelijke toestanden terug werden gevoerd, naar het standpunt, door de oude Grieken en Romeinen ingenomen.
Bovendien is het voor hare waarde een bedenkelijk verschijnsel, dat meest alle voorname ontdeklinyen , door vrijelijk ontwikkelde menschen geschied zijn.
Het zich kunstmatig oefenen vooral in de uiterlijke welsprekendheid en de grondbeginselen van sommige talen , u-aardoor men beschikken leert, over het vermogen om ordelijk te denken en te spreken , zullen wel de voornaamste factoren blijven , die de groote menigte in den waan kunnen brengen , van eene bij reien der sprekers niet bestaande, doch voorgewende kennis.
De gaven van wetenschap en kunst, evenzeer als die van het licht in de natuur, staan uitsluitend in de macht van God. Daarover beschikt Hij alleen en alles toont duidelijk aan, dat Hij de beschikking over zijne heerlijke gaven nooit ergots aan eenige menschclijke instelling heeft afgestaan , en niet straffeloos kan (jedoogen , dat die voortdurend worden miskend , of in hare rechten verkort. Vandaar, meenen wij, het als eene groote dwaling en onbillijkheid te mogen beschouwen , dat alleen aan staatsinstellingen opgeleide personen , voor betrekkingen tof het geven van onderwijs in aanmerking kunnen komen.
Bevat dit geschrift, naar sommiger meening, onjuistheden, of dwalingen , men gelieve die dan in aller belang aan te toonen , want ook wij hegeeren met anderen niets liever , dan dat het ware en deugdelijke in alles en overal zoodra mogelijk tot hunne volle rechten zidlen komen.
Het zoogenaamde „doodzwijgenquot; toch, dat sedert lang ten opzichte van geschrift werd toegepast, kan toch bezwaarlijk anders getuigen, dan voor: onverscliilligheid, naijver, of wellicht voor gebrek aan kennis om eenig aangevallen onderwerp voldoende te kunnen verdedigen; tenzij men zou ■mogen aannemen, dat het zwijgen bewijs geeft van eene stille instemming van de zijde der hoorders of lezers.
EERSTE AFDEELING.
I. Inleidende opmerkingen.
g 1. Hetgeen onafgebroken de knagende tand des tijds kon weerstaan, meet hiiitengewocn deugdelijk en krachtig zijn.
Onder de oudste oorkonden bekleedt onwederlegbaar de Bijbel de eerste plaats. Behalve den hoogsten ouderdom behoort dat Boek nog tal van buitengewone hoedanigheden, die het zeer verheffen boven alle andere gescliriften , hetzij van Indischen of anderen heidenschen oorsprong.
Zonder voorbeeld is de wijsheid en redematigheid er in neergelegd, terwijl zijne openbaringen van een opklimmenden aard zijnde, gelijken tred houden met de ontwikkeling van het menschdom in verschiilende tijdperken.
Gelijk echter in den zaadkorrel reeds besloten ligt, hetgeen latei-de volwassen vrucht zal te aanschouwen geven, bevatten ook zijne eerste bladen reeds de grondslagen en typische afschaduwing van verdere en ook van andere gebeurtenissen , dan waarop het aanvankelijke betrekking toonde. Deze eigenschap der Schrift, die ook in de gansche schepping bij hot stoffelijke valt te onderscheiden, getuigt inzonderheid voor één en dezelfde bron van ontstaan. Bovendien pleit voor zijn hooge afkomst niet alleen een innig onderling verband, maar ook eene eenheid in doel, die van het begin tot het einde in de geschiedenissen en leeringen steeds valt op te merken.
§ 2. Juist die telkens herhaalde wedorkeerende tafereelen, die typische afspiegelingen van het een door het ander van het volgende in het voorgaande, waarvan de Schrift zoo overvloedig bewijs geeft, getuigt ten krachtigste van zijne goddelijke afkomst en van het verheven doel zijner bestemming. Het onderzoekend oog vindt die buitengewone hoedanigheden dan ook in al het werk van God aanwezig, en zulks niet alleen in de stoffelijke schepping, maar ook op het gebied van het moreele en maatschappelijke leven.
2
Immers, zoowel ten opzichte van het burgerlijke in de geschiedenis der verschillende staatsvormen , in de intellectuëele stadiums van ontwikkeling, als inzonderheid in de denkbeelden en uitingen van het geestesleven, valt op aarde in betrekking tot den mensch eene beweging als langs cirkelvormige banen waar te nemen. Wel kunnen de verschijnselen allengs in uitgebreidheid toenemen en ook vaak onder toenemend licht zich herhalen, maar altijd zal de aard en de strekking der grondslagen ook onder elke hernieuwing gelijksoortige en met elkander nauwkeurig overeenkomstige kenmerken blijken om te dragen.
De Schrift stelt onze voorstelling onder de volgende eenvoudige woorden voor: „Al de beken gaan in de zee, nogtans wordt de zee niet vol ; naar de plaats , waar de beken heengaan, derwaarts gaande keeren zij wederquot; .... „Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden ; zoodat er niets nieuws is onder de zon.quot; .... „Want zijne onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien.quot;
§ 3. Er bestaan nogtans wetenschappelijke gronden en waarheden , die eeuwig en onveranderlijk voortbestaan, en het geeft slechts tijdverlies en verwarring, wanneer men de eenmaal redelijk vastgestelde beginselen , of ook werkelijk gebeurde feilen , zonder dal die duidelijk sedert als onjuist werden gekend, op nieuw zou pogen te onderzoeken.
De strijd tusschen waarheid en leugen is zeer oud; terwijl deze zich steeds met den schijn van waarheid in elke eeuw heeft zoeken toe te rusten. Ook de leugen volgt een cirkelloop en zij hernieuwt telkens hare aanvallen, maar verwisselt haar gewaad met groote ongestadigheid. Dewijl zij de redenen der waarheid niet kan wederleggen , is hare gewoonte kracht te zoeken in ontkennen , of wel die rechtstreeksch tegen te spreken en waar haar het wapen, waarmede zij aanviel, werd ontnomen, grijpt zij terstond naar een ander. Zij tracht soms ook door slechts gedeeltelijke ontkenningen den voortgang der waarheid te belemmeren en deinst over het algemeen voor geen enkel middel tot verweer terug. Het einddoel van haar streven blijkt inzonderheid vernietiging van al hetgeen
Pred. I : 7, 9; Kom. I : 20.
3
waar en deugdelijk is; terwijl zij als het ware hoogtijd viert, na een slagen, dat hare bedriegelijke leeringen als wetenschap kon doen huldigen.
Elke eeuw dus waarin men den twijfel voedt, waarin men hetgeen te voren door ware wetenschap en ervaring als juist en waar werd vastgesteld, zonder dat het tegendeel daarvan ooit kon worden aangetoond , aan een vernieuwd onderzoek onderwerpen zou, kan nooit bijzonder in geestelijke kennis voortschrijden of uitmunten. Deze opmerking verklaart dan ook de ontzachelijke armoede, die over het algemeen in geestelijke onderscheidingen heerscht en toon voert.
Welke arbeider of kunstenaar, mogen wij hier vragen, zal slagen in het voltooien van zijn arbeid, als hij op den eenen dag weer vernietigt, hetgeen zijne hand in vorige dagen wrochtte ?
Bovendien, ook bewijsstukken zijn aan vergankelijkheid onderworpen en zij die leefden in den tijd toen eene gebeurtenis plaats had; of toen zeker deugdelijk beginsel of leer kon worden aangenomen, zijn voorzeker meer bevoegd en beter toegerust tot onderzoek en vergelijking, dan zij die later, vaak onder het gemis van de tot beoordeelen vereischte stukken of verschijnselen, zich als rechters zouden opwerpen.
§ 4. Eene zekere kennis, bij voorkeur door het algemeen als de wetenschap onderscheiden, doch die voor een groot gedeelte slechts berust op meeningen of hypothesen, wordt, door hare priesters vaak op grootsprekende wijze naar den voorgrond gedrongen. Het is eene van hare kenmerkende eigenschappen, dat hare uitspraken , zoolang en zoover die op hijpothesen gegrond zijn, doorgaans eene vijandige strekking openbaren tegen de leeringen der Schrift De volgelingen dezer valschelijk genaamde wetenschap maken in den regel weinig zwarigheid, alles naar hun eigen inzicht te regelen, en aarzelen gewoonlijk niet den mensch véél voor zijne toewijding te beloven. Deze richting in het kennen en weten, gesteund door ongeloof en ongehoorzaamheid, trad aanvankelijk op met de belofte: „Gij zult als God zijnquot; en schreedt in volgende eeuwen voort, onder de belofte en den eisch: „Al deze dingenquot; — de heerlijkste der aarde niet uitgezonderd — „zal ik u geven, indien gij neder-vallende, mij zult aanbidden.quot;
1 Tim. VI : 20; Gen. lil : 5, 6; 16; Matth. IV ; 8, 9.
4
Inderdaad, ook nog heden wordt van deze wetenschap aan elk , groot en klein geleerd, overeenkomstig de beschouwing van Eva : dat de boom der kennis „een lust teas voor de ooc/en, ja een hoorn, die begeerlijk was om verstandig te maken.quot;
§ 5. Het eten van dien boom was daarom niet eene vleeschelijke handeling , gelijk sommigen , waaronder zelfs schriftverklaarders, be-dektelijk hebben te verstaan gegeven, want met dat voorgeven strijdt geheel de straf ingesteld na den val, ten aanzien van het vermenigvuldigen der smart bij geboorten. Het blijkt daaruit, dat te voren alle natuurlijke verrichtingen hebben bestaan en de smart bij het in aanzijn brengen van een mensch van weinige beteekenis is geweest.
Leert de Schrift vervolgens dat God in zes dagen, waarbij het geregeld morgen en avond werd, en waarvan de zevende dag een sabbat was, de wereld schiep, de moderne wetenschap verzekert daarentegen, dat het tijdperken zijn geweest, reikende over mil-lioenen van jaren. Waren de geleerden, die dat denkbeeld leven gaven, werkelijk wetenschappelijk geweest, dan zouden zij hebben geweten, dat hunne stelling eene physieke onmogelijkheid predikt. Immers, door eene gestadige afkoeling van de aarde, zooals hun stelsel leert, werd voortdurend de beweging van dat lichaam in snelheid gewijzigd en mitsdien ook de betrekking tot andere planeten? Buitendien kon ook om andere oorzaken van geen evenwicht in krachten en werkingen onder langdurige ontwikkelingstijdperken sprake zijn. Ook de leeringen uit de „steenkolenformatiequot; geput, ten einde den ouderdom van de aarde te bewijzen , berust grootendeels op wetenschappelijken onzin \'); doch een en ander scheen geen overwegend bezwaar tegen hun streven ten dezen aan te bieden. Had echter deze wetenschap hare redenen, om de grondzuil van de goddelijke leer omver te halen, welk voordeel de academische theologie er door gewon, om schier redeloos die moderne leer in haar onderwijs te volgen, verklaren wij gaarne nooit te hebben kunnen begrijpen.
Immers, zal voor het ontstaan der dingen lange tijdruimten worden toegestaan , wat blijft er dan over van de geschiedenis in het
(l) Dit onderwerp werd door ons breedvoerig besproken in de Photographie\'én naar het leven, Zwolle 1873, bl. 64 en verv.
Jak. II : 10.
5
Paradijs , van don val en vooral van het gebod tot heiliging van den zevenden dag der week ? Slechts één gebod te overtreden, maakt toch schuldig aan het overtreden van allen?
Wij zullen dus in de volgende bladen trachten ons vooral te bepalen tot hetgeen blijkbaar op een beproefden en deugdelijken grondslag gevestigd staat.
II. Het ontstaan van den Godsdienst en hoe de eerste scheiding en ontbindingquot; werd veroorzaakt.
§ 6. Bij het in kaart brengen eener landstreek volgt men met ijver en zorg den loop der wegen en rivieren en het is daarbij gebruikelijk tot het uitgangspunt of den oorsprong der dingen op te klimmen. Ten opzichte van eene rivier doet men onderzoek naaide plaal-j, waar zij uit de aarde opwelt of haren aanvang nam.
Inzonderheid op godsdienstig gebied, waar zoo menig ontwikkeld vernuft zijn werkkring vond, waar niet minder de eenvoudige en ongeleerde zijne voren groef, maar waar ook niet zelden de meest onbekwame, ja volstrekt ongeschikte zijn arbeid opdrong, zijn stroomingen ontstaan, wier oorsprong vaak even moeilijk is aan te wijzen, als van aardsche wateren , wier loop zich richtte door ongebaande woestijnen.
Tot bereiking van ons doel meenen wij ons te mogen bepalen tot het volgen van twee hoofdrichtingen in de geschiedenis, waaruit alle andere allengs hare afleiding vonden, en wel, die reeds in den aanvang der menschheid te voorschijn traden, namelijk bij den bekenden strijd tusschen Kaïn en Habel.
Voor zoover van dezen strijd molding is gemaakt, blijkt die te zijn ontstaan door het offeren. Het was eene godsdienstige daad, maar of er bepaald last toe werd gegeven staat niet vermeld. Vermoedelijk was het offeren door Adam korten tijd na den val aangevangen , want vanwaar kwamen anders de vellen waarmede de Heer het eerste menschenpaar kleedde ? Waren dat de overblijfsels van offerdieren — want tot voeding bleken de dieren toen nog niet bestemd — dan lag in het gebruik dezer voorwerpen eene troostrijke heenwijzing niet alleen naar het offer der belofte, maar ook , als
6
omtogen met een kleed des heils, tot eene genadige versterking in het geloof aan de vergeving van zonden.
§ 7. De verhouding van Adam tot zijn Heer was sedert den val aanmerkelijk gewijzigd. Waren te voren al de werken der zichtbare schepping voor hem middelen van onderricht en heilig vermaak , thans scheen liet streven te zijn ontstaan, Gode te behagen ook door het toewijden van stoffelijke dingen.
Hoe ook , van een ander openbaar middel van uiterlijke Gods-vereering schijnt in den aanvang geen gebruik te zijn gemaakt, noch dat daartoe eenige last werd gegeven. Waarschijnlijk om de aanvankelijke Gods vereering, even als later bij het plegen van het hefoffer tijdens Mozes geeischt werd , zulks te doen berusten op eene vrijivillige daad des harten. Het bleek echter geen onverschillige zaak ten aanzien van de wijze hoe, en onder welke gesteldheid des harten een offer werd aangeboden.
Al spoedig toch kwam het verschil tusschen een eigenwillige, onverschillige , en daarentegen een geloovige , eerbiedige verrichting te voorschijn.
§ 8. Dat de gebeurtenis met de zonen van Adam werkelijk met ons onderwerp in verband mag worden gebracht, bewijst het onafwijsbaar gezegde van den verheven stichter van het Christendom toen Hij de vertegenwoordigers der Mozaïsche leer zijner eeuw verantwoordelijk stelde met de woorden : „Opdat op U kome al het rechtvaardige bloed , dat vergoten is op de aarde , van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia , den zoon van Barachia , welken gij gedood hebt.quot;
In verband met eenige voorgaande woorden: „Ik zal profeten en Apostelen tot haar zenden en de rangschikking van Abel bij Zacharia veroorlooft te doen vaststellen , dat beiden op aarde eene profetische roeping hadden te vervullen.
In den brief aan de Hebreen leest men : „Door het geloof heeft Abel eene meerdere offerande Gode geofferd dan Kaïnquot;, waaruit mag worden afgeleid , dat de rechtvaardigheid van Abel ontstond door zijn geloof aan de toekomst en belofte betreffende den Messias, dat vooral bleek in de keuze van zijne offergave, bestaande in een eerstgeboren , voortreffelijk lam , terwijl het offer van zijn ouderen
Jes. LXI: 10; Exod. XXXV: 5, 9; Matth. XXIII: 34—36; Hebr. XI: 4.
7
broeder slechts op onverschillige wijze uit plantaardige voortbrengselen bestond.
§ 9. De offerande van Abel had alzoo een redelijken grond, als eene afschaduwing van Christus offerande , eene voorspelling zelfs na zijn dood nog sprekende. Niet alleen door zijne toewijding, maar ook door het treurige lot van vermoord te worden door een1 broeder en zulks tengevolge van jaloerschheid om der wille van oorzaken uitsluitend den godsdienst betreffende. Ook Jezus werd door hen , wier vleesch en bloed Hij had aangenomen uit haat en naijver ter dood geleid. Niettegenstaande Mozes don Joden geboden had: „Eenen profeet, uit het midden van u, uit uwe broederen, als mij, zal u de Heere , uw God, verwekken, naar Hem zult gij hooren.quot; Daarna verzekerde God aan Mozes , dat hij juist had gesproken , er aan toevoegende: „Ik zal mijne woorden in zijnen mond geven, en hij zal tot hen spreken alles , wat Ik hem gebieden zal.quot; Zelfs de kenteekenen waaraan zij don waren profeet van een valschen zouden kunnen onderscheiden , werd hun medegedeeld.
§ 10. Na den dood van Abel werd de richting, die tot geestelijke Godsvereering gestemd was, voortgezet door Seth. Zijn de ongewijde verhalen die van hem en zijn tijd worden medegedeeld , te vertrouwen , dan zou hij niet alleen deugdzaam en godsdienstig, maar ook zeer onderzoekend zijn geweest. Het vinden der letters en het schrijven , het beoefenen der sterrekunde wordt door sommigen aan hem toegekend. Mededeelingen van Adam zouden door hem in steenen gegrift aan de vergetelheid zijn onttrokken ; terwijl ook omstreeks dien tijd eene meer redelijke wijze van Godsvereering ^openbaar werd. „Toen begon menquot;, zegt de Schrift, „den Naam des Heeren aan te roepen.quot;
De Oostersche schrijvers, zoo Joodsche als Arabische \') — om der volledigheidswille zij de herinnering ons vergund — verhalen , dat Setu zich onttrok van Kaïn. Deze had zijne woonplaats in de vlakte, terwijl Seth met de zijnen de oppervlakte der bergen verkoos. Zij zouden daar in hunne stille woonplaats vaak een engelen-gezang hebben vernomen ; dat bij beurten op afwisselende wijze geschiedde.
Deut. XVIII; 15, 17, 18, 21, 22; Gen. IV: 26.
\') Antiq. Jud. lib. J. C. 3. p. 8. — Vide tcstamonia eorum citata apiul Hotting. Smeym. Orient. C. 8. p. 226, enz.
8
terwijl zij zelf ook dikwijls het hemelsch koorgezang met hunne stemmen volgden. Bij hetgeen in den Bijbel van andere tijden is gemeld, bijv. in Bethlehems velden bij de geboorte des Heeren, klinkt deze bijzonderheid niet als geheel onaannemelijk. Naar de beschouwing onzer „verlichtequot; eeuw zou men zulke verschijnselen allicht willen rangschikken onder de hallucination, doch ook de heidenwereld was eertijds niet ontbloot van soortgelijke mededeelingen. Men heeft o. a. eene voorstelling van Pythagoras, ten opzichte van „spheren-muziekquot;, terwijl ook Cicero in een zijner geschriften, hiervan tamelijk beslist melding maakt
Een en ander geeft dus wel eenigen grond tot het denkbeeld , dat het vernemen van bovennatuurlijke geluiden, voor sommige bevoorrechte personen, onder eigenaardige omstandigheden niet geheel op aarde is uitgesloten geweest.
Eene nauwkeurige physiologische ontleding van het menschelijk oor — dat in omvangrijkheid van waarnemen het oog aanmerkelijk overtreft. — heeft trouwens enkele geleerden doen stellen , dat al de organische hulpmiddelen van het gehoor , in het dagelijksche leven niet volkomen bij den mensch tot hun recht komen.
§ 11. In de Schrift is van dit eerste tijdperk slechts sprake als: „dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen, dat zij schoon waren , en zij namen zich vrouwen uit allen , die zij verkozen hadden.quot;
De ongewijde Schriften deelen mede dat Seth stervende, zijne nakomelingen bij het bloed van Abel bezworen heeft, niet van den berg te gaan om zich met den goddeloozen aanhang van Kaïn te vermengen. Een gebod, dat tot het zevende geslacht zou zjjn nagekomen.
Zonder steun te willen zoeken bij onzekere verhalen , die zeer goed tot het gebied der verdichting kunnen behooren, mogen wij wel als zeker aannemen , dat het zich overgeven aan ongebondenheid en zich vermaagschappen aan menschen die daarin verhard waren, oorzaak gaf van het ontbinden en verbreken een er heilrijke bestemming en doen derven van de goddelijke gunst.
Dat daartoe vooral leidde een verboden vermenging, blijkt bij de
\') Eedevoeringen en verh. J. van der Hoeven, Amsterd. 1846, bl. 30, 31. Gen. VI: 2.
Openb. II; 14; Num. XXXI: 15, 16.
9
eerste volken in aandenken te zijn gebleven , want ook de raad die Biliam aan Balak gaf, had eene gelijke strekking. Bewoorden; „die de leering van Balaiim honden, die Balak leerde den kindoren Israels een aanstoot voor te werpen , opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereerenquot;, vindt men in de Schrift niet nader aangewezen; maar het feit zelf wordt zeer uitvoerig door Joodsche schrijvers toegelicht. \')
Wordt eene verboden vermenging op verschillende wijze in de Schrift gewraakt, het geeft ook eene zinnebeeldige waarschuwing tegen eene geestelijke vermenging , waarbij eene Godsvereering wordt gevolgd , die ten deele uit den mensch, ten deele naar de Schrift is; of ook als men pogen zou, een menschelijke kennis , gegrond op hypothesen , of eene ongeloovige wijsbegeerte , te vereenigen met de ware wetenschap die uit God is.
§ 12. Ten aanzien van de wijze waarop ook later de patriarchen de Godsvereering openbare uitdrukking gaven , staat niet in bijzonderheden ergens vermeld. Het priesterschap behoorde in die tijden aan de hoofden der stammen en der eerstgeborenen van het huisgezin Zij zegenden , offerden , baden voor het gezin en verrichtten alle plechtigheden , die op den Godsdienst betrekking hadden . ter plaatse , waar de gelegenheid zich als geschikt aanbood.
Niet altijd werd het voorrecht van als priester te handelen uit\' sluitend aan de eerstgeborenen des huizes geschonken ; ook in deze bestaan uitzonderingen, hetgeen bij het vervolgen van het onder\' werp duidelijk onder het oog zal komen.
Na Sk.tii kwam Exos en vervolgens Noach. Zij deden door woord en wandel zooveel hun mogelijk was , om hunne tijdgenooten van dwaze wegen terug te voeren.
§ 13. Voorzeker, in een tijd als het oprecht geloof in aanzien staat is het niet. moeilijk voor zijne overtuiging baan te breken, maar als gelijk ten tijde van Noach , men schier alleen staat, clan kan alleen goddelijke kracht den worstelenden belijder in het leven en staande houden.
Wanneer men deugd en Godsvrucht als eene hoogmoedige inbeelding of als eigenzinnige dwaasheid bespot en verwerpt; de ze-
\') T. Hier os Sanhedrin, fol. 28 : 4 ; Rahbi Sanh. fol. 106 : Bemidha liahhi § 20. fol. 229. 1 enz. T)c Fi7a Mosis, lib. I. p. 647, 648; Josefl\'s. Oud B IV. Kap, 6,
10
gelijke ongebondenheid voornaam en aanvallig doet heeten; hoo-vaardij, opstand tegen gezag, onderdrukking, gesteund door list en ruw geweld, als geoorloofd ten troon verheft; dan blijft niet anders dan rechtvaardig oordeel over, om het onverbeterlijke ten strengste te straffen.
III. Van Noaeh tot Abraham.
§ 14. Zeker geschiedschrijver heeft ten aanzien van het onderhoek naar oude wetenswaardigheden de geestrijke opmerking gemaakt ,• dat het water eener rivier, naarmate men de bron van haar ontstaan nadert, noodzakelijk zuiverder en helderder wordt aangetroffen. Op andere wijze , doch in gelijken zin spreekt in deze Plaïo , a:s hij zegt : „De ouden waren beter dan wij en woonden dichter bij de Goden.quot; \')
Was in een vorig tijdperk de afwijking van de zeden en deugd tot het hoogste toppunt geklommen, er bleven daarentegen ook enkele personen bestaan, zooals bijv. Seth , Henoch , Noach en anderen, die bogen konden op eene bijzondere gemeenschap en ^elfs vriendschappelijken omgang met God. Uit het leven van de-gulken mag men wel gegevens trachten te verzamelen, die aanwijzen kunnen den regel bij eene Godsvereering te volgen.
Gelijk wij echter reeds hebben herinnerd, kan in deze het onderhoek weinig vrucht opleveren. Het bijna geheel gemis van bepaalde aanwijzingen, betreffende eenen uiterlijken Godsdienst, en dat zelfs tijdens het leven en den arbeid van zulke voorname mannen, waarvan sommigen hebben beschikt over een zéér lang leven , bewijst wel eenigermate , dat de vorm , waaronder men zijnen Godsdienst uitdrukt een vraagstuk van ondergeschikt belang moet zijn. Bepaalde voorschriften ten dien aanzien schijnen dus niet volstrekt noodzakelijk om in het goede behoorlijk voort te schrijden.
§ 15. Het is in tijdperken , dat eene sterke ontwikkeling aan boosheid plaats heeft , geen ongewoon verschijnsel personen aan te treffen , die uitblinken in het betoonen aan goede en zelfs van verhevene daden. Ook in groote steden vallen zulke standen reeds waar te nemen. Men zou hier wellicht mogen doen denken aan
1) In Fhileb. p. 16. Tom 2.
11
eene schaal, waarbij aan de eene zijde een voorwerp daalt, terwijl aan de andere zijde het minder stoffelijke , in gelijke mate wordt opgeheven.
Het is toch zeer buitengewoon, hetgeen van Henoch wordt vermeld. Zeker ook zou men in meer gematigde tijden geen man vinden, derwijze met geloofskracht toegerust als Noach , die een groot gedeelte van zijn leven prijs gaf in het prediken en waarschuwen van anderen.
Bij velerlei spot en vermoedelijk ook tegenwerking bouwde hij onderwijl een reusachtig schip ten behoeve van eenen voorspelden vloed, welke aan elke gewone voorstelling zich als geheel onmogelijk moest voordoen.
Voorts bleek het in elk tijdvak Gode welgevallig te zijn, als geloofsdaden werden beoefend , waarvan de offerande eene openbare uitdrukking in den oorspronkelijksten vorm gaf. Na den zondvloed leest men , dat het offeren op een altaar geschiedde.
§ 16. Na het vreeselijk lot, dat het menschdom, tengevolge van de verharding en snooden weerstand aan elke vermaning en waarschuwing, zich zelf had veroorzaakt, werd de voortplanting en ontwikkeling voortgezet door Noach en zijne zonen. Na dezen wordt genoemd Heber , die vooral door de Joodsche schrijvers als een groot profeet is aangemerkt en gezegd wordt, veel tot uitbreiding van den Godsdienst te hebben bijgedragen. Volgens Arabische schrijvers zou in zijn tijd de afgodendienst in den vorm van het vereeren van beelden zijn levendig geworden. Sommigen beschouwen als van hem afkomstig den naam van „Hebreenquot; en zou hij bij de ontstane taalverwarring de beoefening van de Hebreeuwsche taal hebben in eere gehouden. \')
§ 17. Onder de patriarchen schittert voorts inzonderheid de persoon van Abraham, zijnde de tweede zoon van Terah. Deze woonde in het land van Ur der Chaldeën. Verkeer houdende met de hem omringende afgodische volken , ontging ook hij voor zich niet den invloed van den afgodendienst. De Joodsche schrijvers beweeren , dat hij beeldhouwer is geweest. Naderhand vertrok ïeraii naar Haran.
In zijne jeugd zag zich Abraham omgeven door de afgodische gebruiken zijner familie en tijdgenooten, waartegen hij zich ten
\') Ehiiae. et Patricid. ubi supr. p. 265.
12
laatste zou verzet hebben. Door God werd hij uit zijn vaders huis geroepen en ontving bijzondere bewijzen van gunst en onderscheiding. Hij bekwam een groot gezin en talrijke omgeving en leefde geheel voor de belangen van het Godsrijk. Het verbond der besnijdenis werd met hem opgericht, hetwelk van eeuwigen duur zou zijn ; terwijl hem de belofte ten deel viel, dat in zijn zaad alle volken der aarde zouden gezegend worden.
§ 18. Volgens de getuigenis der Schrift richtte Abraham aan verschillende plaatsen altaren op, maar gaf ook hij geen voorbeeld van eenig kerkelijk samenstel, waartoe deze uitstekende geloofsheld de grondvester van het teeken des verbonds , wel als de geschiktste en bevoegdste persoon van dat tijdperk zou mogen aangemerkt worden.
Toch , ofschoon Abraham de belofte ontving , dat uit hem naar het vleesch de Messias zou worden geboren ; uit hem zou voortkomen de stam van Levie , de vertegenwoordigers van het levietisch priesterschap; die zelfs het buitengewone voorrecht genoot van verscheiden malen met God vertrouwelijk te spreken, bleek hij echter nog niet op aarde het hoogste geestelijke standpunt te hebben ingenomen.
§ 19. De persoon van Job, maar inzonderheid Melghizedek mogen in het tijdperk waarin Abraham leefde , volstrekt niet worden voorbijgezien.
Van Job vinden wij geschikt voor ons onderwerp weinig vermeld, maar zeer veel aanleiding tot bespreking in het weinige dat van Melghizedek staat opgeteekend.
Men weet van dezen priester met zekerheid dat hij leefde in den tijd van Abraham , dat hij niet behoorde tot den levietischen stam en dus een zelfstandig standpunt innam. Het is nooit aan eenig schrijver, naar het blijkt bekend geweest, vanwaar hij kwam en waar hij gestorven is. Hij was koning van Salem-en priester des Allerhoogsten Gods, zonder vader, moeder en geslachtsrekening.
Hij zegende Abraham en deze bood hem op stoffelijke wijze tienden aan. Hetgeen niet alleen bewijst zijne meerderheid boven genen , maar tevens dat hij werkelijk een mensch moet geweest zijn. De aanbieding geschiedde blijkbaar niet in den vorm van eene offerande, als gewijd aan den Onzienlijke. Een engel uit den hemel, of een bloot geestelijk persoon, zou naar onze meening , stoffelijke voor-
13
werpen hebben afgewezen ; terwijl ook een man , zóó ervaren, wijs en geoefend als Abraham , zich wel zou hebben gewacht in een afgodischen zin , of op onwelvoegelijke wijze , stoffelijke dingen als bewijs van vereering in het onzekere aan te bieden.
§ 20. Als voorbeelding van Christus , behoorde ook het priesterschap van Melghizedek hooger te staan dan hetgeen rustte op den persoon, waaruit de stam van Levie zou voortkomen. Vandaar is de Heiland ook niet uit den stam van Levie geboren , maar uit dien van Jüda.
Zulks blijkt uit de woorden : „Want hij , op wien deze dingen gezegd worden , behoort tot een anderen stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft. Want het is openbaar, dat onze Heer uit Juda gesproten is, op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.quot;
De verschijning van Melghizedek , de mededeeling ten aanzien van „zonder beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende ; maar den zoon van God gelijk geworden zijnde , blijft hij een priester in eeuwigheid,quot; is misschien in den regel al te veel voorbij gezien; dewijl zulks niet alleen als een bewijs voor de overeenstemming der Schrift kan dienen, maar vooral ook ten aanzien van de Godheid van Christus, die in dit voorbeeld op een sterk typische wijze is voorgesteld en dat bijna 2000 jaren vóór den tijd der vervulling.
§ 21. Uit het voorgaande laat zich dus vaststellen, dat het priesterschap van Melghizedek eeuwig bleef en meerder was dan dat der Levieten, want: „Levie, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven , want hij was nog in de lenden des vaders , als hem Melghizedek te gemoet ging. Indien dan nu de volkomenheid door het, levietische priesterschap ware , (want onder hetzelve heeft het volk de wet ontvangen) wat nood was het nog , dat een ander priester naar de ordening van Melghizedek zou opstaan en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aaron. Want het priesterschap veranderd zijnde, zoo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet.quot;
Wij meenen ons overtuigd te mogen houden , reeds voldoende bijzonderheden tot eene behoorlijke inleiding van ons onderwerp te hebben verzameld. Teneinde verder de rechten van het geestelijk
HeLr. VII: 1—12, enz.
14
priesterschap te doen uitkomen , zullen wij ons veroorloven slechts ten deele voor te stellen het tijdperk , dat men rekent als behoo-rende tot de bedeeling der wet.
§ 22. Een verslag over de uitbreiding in wetten , of der ceremoniën, afschaduwing gevende van reeds in vervulling gekomen geestelijke dingen , zal voor ons doel niet zulk eene waarde kunnen hebben, als de aanwijzingen aan den tijd der Patriarchen ontleend.
Reeds ten opzichte van het beoordeelen van een zedelijk vraagstuk doet de Heer den blik richten naar het eerste tijdperk der menschheid , zooals blijkt uit de woorden : „Mozes heeft van wege de hardigheid uwer harten u toegelaten uwe vrouwen te veriater:; maar van den beginne is het alzoo niet geweest.
Als de schrijver van den brief aan de Hebreen, voorbeelden geeft ten aanzien van het geloof, dan trekt hij eene lijn van af Abel tot aan de profeten , maar niet ergens hebben wij zulks ten bewijze van de oudheid en het voortduren van een uiterlijk, op levietische wijze ingericht priesterschap kunnen ontwaren.
IV. Het denkbeeld van den Tempel.
§ 23. Tengevolge van de eigenaardige samenstelling van den mensch, als bestaande uit een stoffelijk lichaam, bewoond door een redelijken geest, wordt wellicht veroorzaakt, dat bij elk neiging bestaat voor zich zelf en anderen, het onzienlijke op stoffelijke wijze voor te stellen.
Door middel der zinnen worden de gewaarwordingen aan de ziel vertolkt. Als de mensch zich niet gewoon heeft gemaakt te denken, de ontvangene indrukken door redelijk overleg te beoordeelen , dan kunnen zijne handelingen weinig voortreffelijks en zeker niet veel dat Gode welgevallig is, voortbrengen, zie § 8.
Do neiging tot het vereeren van stoffelijke dingen, openbaart zich onder verschillende vormen; en het valt in vele zaken hoogst moeilijk , de grens tusschen geoorloofd en verboden , met zekerheid aan te wijzen.
\') Mattb. XIX: 8. Hebr. XI: 4—35.
In het algemeen genomen zal men wel tot regel mogen aannemen , dat het verbodene ingetreden wordt, zoodra men aan bei zinnelijk waarneembare eer, of buitengewone gehechtheid verbindt.
Alleen God te aanbidden en te dienen is een bepaald en onveranderlijk voorschrift; terwijl voorts de Schrift volkomene aanwijzingen geeft, ten opzichte van do mate en wijze waarop een eeren, een liefhebben van schepselen , of instellingen , geoorloofd kan zijn.
§ 24. Ten aanzien van het beoefenen van openbare godsdienstige handelingen blijkt den mensch niet al te veel ruimte te mogen gelaten , want spoedig dreigt hij geheel vrijgelaten , in afgodendienst te vallen.
De Israëlieten waren onder de zware verdrukking in Egypte in het betrachten van hetgeen met een geestelijk leven in verband staat, blijkbaar zeer terug gegaan. Ook de afgodische omgeving zal vermoedelijk hebben bijgedragen om de vatbaarheid voor geestelijke werkzaamheden te verdooven en den lust tot zinnelijke voorstelgen aan te kweeken.
Zelfs later onder de leiding van Mozes bleek hun afgodische zin nog weinig verminderd.
Het vervaardigen van den tabernakel had ons inziens, vooral ten doel de Israëlieten door den arbeid in dingen, die eene hooge be-teekenis hadden , op te leiden tot een hooger standpunt.
De kunsten en wetenschappen, zoo nauw verwant aan een hoog geestesleven, zijn rechtstreeks afkomstig van God, die ook zich zelf in de gansche schepping openbaart als een onuitsprekelijk groot en wijs kunstenaar. Van de Israëlieten , voor de voorwerpen aan Hem gewijd , eischte Hij ten behoeve van den tabernakel en den tempel den kunstigsten arbeid. Hij gaf niet alleen de wijsheid en bekwaamheid, om de vereischte voorwerpen kunstig te vervaardigen , maar ook het vermogen om anderen in dien arbeid onderwijs te geven.
§ 25. De bouw van den tempel schijnt ons dus toe geen ander doel te hebben gehad dan ontwikkeling van kunstzin , oefening in mededeelzaamheid en als ontwikkelingsmiddel voor waren gods» dienstzin.
Israël ging echter weldra alle volken voor in het afgodisch vereeren van het kunstig samengesteld geheel. Men zag spoedig voorbij, dat deze inrichting slechts ingesteld was ten behoeve van\'
16
het volk en dat niet het volk bestond voor den tempel. Ook ten aanzien van eene overdreven Sabbat\'s viering werd door den Heiland de onderscheiding voorgestaan, dat „de sabbat is gemaakt om den mensch , niet do mensch om den sabbatquot;. — Wanneer eindelijk , door de afwijking des volks , de tempel in verwoestende handen werd overgegeven , werd ten aanzien van allen bewezen , dat ook de tempel niets meer en niets hooger was dan vergankelijk slof.
§ 20. In den aanvang waren, gelijk wij reeds hebben medegedeeld , de hulpmiddelen tol de openbare vereering van God van den eenvoudigsten aard en staven het denkbeeld, dat de inrichting van den tempel een krachtig getuigenis gaf van het voortschrijden des volks in den intellectuëelen en werklui gelijken arbeid.
De altaren , aanvankelijk van aarde en waar het niet anders kon van steen, werden zoo eenvoudig mogelijk genomen. Tot het voorkomen van eene afgodische vereering was het ten strengste verboden die te versieren.
De heidenen , die dit voorschrift van de Israëlieten ook schijnen te hebben overgenomen , geven echter eene andere lezing aan de heteekenis van den eenvoud.
In zijne wetten zegt bijv. Plato , dat alle dingen, die den dienst van God betreffen, eenvoudig moeten zijn, zonder eenige kostbaarheid of sieraad , waarom hij het gebruik van goud , zilver en jvoor verbood. ^
De weelderig rijke inrichting van den tempel bewees echter ten yolle , dat versieringen geoorloofd waren , zoodra de verstandsontwikkeling des volks tegen de zorg voor afgodendienst opwoog.
Deze voorstelling van bet doel des tempels vindt ook steun bij de oude Joodsche schrijvers. Maimonides schrijft: „dat God deze wijze van godsdienst verordend heeft, omdat de geheele wereld die volgde. Hij wenschte dien zin niet te vernietigen , maar het geschapene en zinlijke over te brengen tol Zijnen eigenen aller aan-biddelijksten Naam. Hierom gebood ons God Hem een heiligdom te maken , Zijnen Naam een altaar te wijden, Hem offerande te
gt;Iark. II : 27; Exod. XX : 24 , 25.
l) Be Legihus, 1. XII. p. 954, 956. Edit. Serran. — Exod. XXV : 8; XXXV: 81—35; XXII: 20; XXXIV: 13, 14.
17
offeren , waarbij Hij echter verbood zulke dingen voor eenig ander wezen te verrichten.quot; \')
§ 27. De meening door sommigen geuit, dat de eenvoudigheid in den openbaren godsdienst zooals bij de patriarchen, niet kon stand houden toen het aantal der geloovigen zeer toenam, heeft geen voldoenden grond , want de uitbreiding der vormelijke bepalingen en plechtige gebruiken tijdens Mozes , kwam niet voort uit hunne noodzakelijkheid tot het beoefenen van ware Godsvrucht, maar vooral om de bedeeling voi van vele typen en aanwijzingen , zoodra mogelijk tot haar geheel en luisterrijk recht te laten komen.
Onderwijl werd zeer algemeen een zich hechten aan vormelijke gebruiken en de weerzin openbaar tegen eene meer geestelijke opvatting. \'
Niet zelden werd ook bij afwijkingen in bestaande gebruiken de bedenking vernomen , dat men de „ordequot; te na kwam. Als of deze in geestelijke dingen zich laat binden en regelen door mensche-lijke bepalingen ! Zij is veeleer gelijk het licht, zich zelf een weg banende, zonder immer hare eischen prijs te geven.
§ 28. De Tempel , aanvankelijk ingesteld tot eene aanschouwelijke woonplaats van God op aarde en naar Zijnen last geregeld werd al spoedig door Israël aangezien met gelijke afgodische blikken als te voren de koperen slang na haren dienst in de woestijn. Na den tijd van Mozes toch als gedachtenisteeken bewaard, werd deze allengs afgodisch vereerd , zocdat later Hiskia haar den naam van Nehustan gaf en deed verbrijzelen.
Toen Salomo bad om de tegenwoordigheid Gods in den tempel, liet hij echter zeer duidelijk uitkomen , men zich niet had voor te stellen dat God in een aardsch huis wonen zou.
De Joden namen het sedert al spoedig elk ten hoogste kwalijk en beschouwden het als buitensporigst onordelijk als men iets wilde afdingen op de waarde van het gebouw ; terwijl hunne oudste woordvoerders hebben beleden , dat reeds in den tweeden tempel de voornaamste voorrechten , waaronder ook de geest der profetie en de Ark des verbonds, gemist werden.
§ 29. Bij eenig redelijk overleg had men ten tijde van Herodes
\'} More Kecoch p. 11!. c. 32.
Num. XXI: 8. 9. — 2 Kon. XVI11; 4; 2 Chron. VI: 18.
9
18
zeer goed kunnen weten, dat de Mozaïsche inrichting haar einde naderde en zulks vooral uit de gebeurtenissen die met den tempel in verband stonden. De derde tempel eigenlijk de tweede , doch herbouwd en vernieuwd door een Herodes , moest dikwijls aan gewelddadige en oneerbiedige handelingen zijn onderworpen. Reeds te voren had Pompejus het heilige der heiligen bezien en vervolgens Crassus den Tempel van zijne groote schatten en rijkdommen beroofd. — Alle oneerbiedige handelingen van af het tijdstip dat reeds Antiochüs zijn spot uitgoot tot dat Herodes , uitdrukkelijk in strijd met de wet van Mozes , den zeer groot en gouden arend boven de poort des tempels plaatste, bleven blijkbaar van hooger hand ongewroken. 1)
§ 30. Ook nog in de XIX\'!e eeuw mag , meenen wij , worden herinnerd , dat de tempel te Jeruzalem slechts een typische voorstelling gaf van den Christus en voorts van elk in Hem geloovig persoon, gelijk Paulus leert: „Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijl, en do Geest Gods in ulieden woont Vquot;
De beschuldiging tegen Jezus , dat Hij iets tot geringschatting van den tempel had gesproken , was toereikend den doorslag tot zijn doodvonnis te geven.
Er werd met Stephanus ook niet veel zachtmoediger gehandeld , nadat hij het denkbeeld van tempel had aangerand.
Uit het getuigenis van dezen eersten martelaar, na de vestiging der christelijke gemeente, kan men treffend ontwaren de frischheid der oorspronkelijke inzichten. Het zij ons daarom veroorloofd , volgens de voorstelling van Chrysostomus , iets naders van den strijd en de verdediging van dezen geloofsheld, ook tot verdere toelichting van het onderwerp mede te deelen , er komt bovendien zeer veel in voor dat herinnert aan algemeen gevolgde denkbeelden. Door het in de plaats stellen van andere benamingen zou men zelfs kunnen doen denken aan gebeurtenissen van latere tijdperken (§ 2).
§ 31. Tijdens het leven van Stephanus telde men, volgens Joodsche opgaven, 480 synagogen, alleen reeds te Jeruzalem. Toch dachten de leiders van den tegenstand het raadzaam tegenover de
1
14. c. 8 ; c. 12, lib 17. c. 8. p. {.98, et I)e hel Jud. 1. 1. c. 21. p. 772. — 1 Cor. III: 16 ; Matth. XXVI: 61. — llimd. VI : 9.
19
beginselen van den hoogstbegaafden jongeling, die der meest als bekwaam erkende personen te moeten stellen. Er werden dus vijf hoofden van bevriende synagogen uit verschillende landen gekozen, teneinde met Stephanus te redetwisten. Toen echter bleek dat ook deze tot overwinnen in krachten te kort schoten, bracht men valsche getuigenissen voor die onze berichtgever op ongeveer de volgende wijze voorstelt: l) „Hij heeft gelasterd Mozes. Zijn tong opgeheven tegen God, want hij heeft gezegd dat een andere God, die gestorven is de wereld heeft geschapen. Hij heeft zich niet ontzien kwalijk te spreken van den tempel, de bewaarplaats van de heilige en hemelsche dingen ; waar de godspraken worden gelezen en ontvouwd ; waar de grijze en eerwaarde hoogepriesters , de aanzienlijke ouderlingen en achtbare schriftgeleerden zich verzamelen. Dit is de plaats die deze gesmaad en veracht heeft en dit niet alleen, maar ook de Wet zelfs die hij stoutelijk maar eene schaduw en de oude tempelinstellingen , maar voorbeelden noemt. Hij geeft voor dat de Galileër grooter dan Mozes en de zoon van Maria sterker dan onze wetgever is. Hij heeft geen eer bewezen aan de ouderlingen, noch eenige eerbiedigheid getoond aan de vergadering der schriftgeleerden.quot;
§ 32. Teneinde zich den schijn van rechtvaardig te geven, gaven zij Stephanus vrijheid zich te verantwoorden, hetwelk, volgens de uitlegging van Chrysostomus in hoofdzaak op het volgende neerkwam:
„Dat, welke opvattingen zij ook van de uitnemendheid des tempels mochten koesteren, van het aanzien en den roem der tempeldiensten en bedieningen, van hunne eerwaardige gewoonten en kerkelijke zeden ; al meenden zij ook dat die onmisbaar en van onveranderlijken aard waren, zoodat men God zou lasteren door eene andere voorstelling, zij, tot juiste beoordeeling zich slechts eenigen tijd moesten terug denken.quot;
„Indien zij acht namen op den oorsprong van hun volk dan zouden zij weten kunnen , dat Abraham tot hun vader en grondlegger door God werd verkoren, niet nadat hij te Jeruzalem, Hem eerende, in uiterlijken praal en tempeldienst zou wonen, maar reeds gekend werd toen hij nog verkeerde onder volkeren die de
\') Orat. in S. Steph. Tom. 6. p. 276. enz.
20
afgoden dienden. Vandaar riep hen God uit het ongodsdienstige huis zijns vaders , sprak gemeenzaam mei hem , terwijl hem ook toegestaan werd met God vrijmoedig te spreken.quot;
„ In die betrekking heeft hij vele jarenquot; volhard , zonder eenige uiterlijke en zichtbare kerkelijke gebruiken , dezulken , die men nu als noodzakelijk voorstelt. Wanneer God ten laatste een verbond met hem maakt om zijne nakomelingen het land Kanaan te geven en beloofde dat in zijn zaad alle geslachten der aarde zouden gezegend worden, werd aan hem geen andere dienstpleging opgedragen dan de besnijdenis , tot een teeken en zegel van dat verbond.quot;
„De volgende aartsvaders hebben God zonder eenige vastgestelde ceremonie, eenige eeuwen lang gediend , tot den tijd van Mozes. Deze , zijnde een wijs , geleerd en voorzichtig man , aan wien God zich nader openbaarde en tot een hoofd over zijn volk stelde, om hen te leiden uit het diensthuis ; een groot en beroemd profeet, hij heeft de hoofden des volks voortdurend voorgehouden, dat God hen , uit het midden hunner broederen een profeet gelijk aan hem verwekken zou, dien zij behoorden te hooren : Namelijk, in het laatste der dagen dat een groot en machtig profeet zou worden gezonden, die doen zou gelijk Mozes. Hij zou nieuwe kerkelijke gebruiken en voortreffelijke instellingen te voorschijn brengen , en zij zouden die gewillig behooren te volgen en Hem daarin te gehoorzamen.quot;
§ 33. „Als nu onze voorouders verschillende malen tot den afgodendienst waren vervallen, heeft God Mozes geboden een Tabernakel tc vervaardigen , als plaats voor een openbaren en plechtigen eeredienst. Ofschoon deze naar de onmiddelijke lastgeving van God werd te voorschijn gebracht, deed hij maar een korten tijd dienst, dewijl die na eenige jaren moest wijken voor een blijvenden tempel , door David voorgenomen te bouwen , maar door Salomo voltooid.quot;
„Inderdaad was dat een kostelijk en heerlijk gebouw, maar niet volstrekt noodzakelijk , dewijl de Oneindige , die den Hemel tot zijn troon en de aarde tot zijn voetbank heeft, in een uiterlijken tempel niet kon besloten , of aan een bijzonderen tempeldienst gebonden worden. Vandaar, dat men niet zal mogen aannemen het volstrekt noodzakelijke der ceremoniën en kerkelijke gebruiken,
21
zulks te minder, omdat God voorgenomen had eene nieuwe en betere openbaring en staat van zaken in te voeren enz.
Het antwoord op dit voortreffelijk betoog was van een zeer korten en afdoenden aard , geheel overeenkomstig aan de wijze in vroegeren en lateren tijd van Kaïn af, bij het beslissen van zulke vraagstukken gevolgd.
Beiden een Stephanus en Abel , bij het vestigen van een nieuw tijdperk, de eerste martelaren , vonden van Godswege eene overeenkomstige erkenning.
Werd toch het offer van Abel als aanschouwelijk bewijs van goddelijk welgevallen vermoedelijk door hemelvuur ontstoken , Stephanos zijn offer — onder de nieuwe bedeeling het belijden van Jezus\' naam — ontving door den invloed van Gods geest ook eene zeer bijzondere erkenning , want men zag het aangezicht van den geloofsheld schitteren als dat eens Engels !
§ 34. Als Hoogepriester, naar de ordening van Melchizedek , heeft Jezus de levietische ordening als onnoodig voorbijgegaan. In niet iets gaf Hij te kennen voor zich , of voor zijne discipelen eene vormelijke instelling, of uiterlijke wijze van Godsvereering te be-gceren. Hij , komende onder de Zijnen , beleed het noodzakelijke van het vervullen van „alle gerechtigheid.quot; Hij onderwierp zich daartoe aan den doop van Johannes, maar Hij liet zich niet scharen onder de kerkelijke secten , noch zich noemen naar de geleerden zijner eeuw.
Bij het overlijden van Christus scheurde het voorhangsel van den tempel, waarvan blijkbaar de beteekenis was , het vrij ingaan zonder priesterlijke lusschenkomst in hot heiligdom van God door het bloed van Jezus. „Op een verschen en levendigen weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is (door) zijn vleesch.quot;
In den tweeden tempel zegt Maimonides was geen scheidsmuur opgericht tusschen het heilige en het heilige der heiligen, gelijk, in den eersten tempel, maar er hingen twee voorhangsels, eene ledige ruimte van een el breedte tusschen beiden latende. Ook na de verbetering door Herodes aangebracht was volgens Jozefus het voorhangsel in dien staat gebleven.
Hom. XII : 1; 1 Petr. II : 5; Hebr. VUL : 15; Hand. VI: 15; Joh. I: 11; Math. Ill : 15 ; Mark XV : 38.
22
Het schijnt dus dat door den tijd de beteekenis der strenge afscheiding in hare waarde moest verminderen , dewijl geweven stof niet zulk eene volstrekte afscheiding te weeg brengt als een vaste muur. Het voorhangsel was echter van aanmerkelijke dikte, op de wijze van een tapijt. Het had eene lengte van ongeveer veertig , bij eene breedte van twintig el.
Juist op het tijdstip toen Christus den geest gaf, werd in den tempel het avond-reukoffer ontstoken, zoodat het scheuren van het voorhangsel in tegenwoordigheid van enkele personen moet geschied zijn. Wegens de buitengewoon hechte samenstelling van het kleed, geweven uit zes-dubbele draden , kon men het buitengewone feit ook niet aan eene toevallige omstandigheid toeschrijven.
§ 35. Het verbranden van den tempel, het geheel ophouden der levietische offerande en van den tempeldienst, bewijst volkomen het einde der Oude bedeeling. Ofschoon Israël in sommige landen volkomene vrijheid ontving zijn eeredienst naar wensch en lust te herstellen, het hem aan geen stoffelijke hulpmiddelen, noch aan den invloed van groote verstandelijke gaven heeft ontbroken , kon hij echter nooit meer slagen, naar de oorspronkelijke voorschriften, zijn eeredienst te herstellen.
Volkomen werd ook in deze bevestigd de juistheid en waarde der profetie en het bepaalde getuigenis van Jezus , ook in weerwil van de betoonde bewondering en wellicht stille gehechtheid Zijner jongeren aan den tempel, luidende : „hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.quot;
Wij hebben ons ten opzichte van het denkbeeld „tempelquot; en den levielischen priesterdienst eene meer dan gewone uitvoerigheid veroorloofd , omdat ook zelfs in latere eeuwen , velen nog maar al te zeer aan Joodsche denkbeelden — zeer ten nadeele eener geestelijke ontwikkeling — gehecht zijn gebleven.
De g-odsdienst naar mensehelijk inzicht.
§ 36. Het schijnt bij den mensch te zijn ingeschapen het ge-Mark. XIII : 1, 2; Luk. XXIII : 45; Hebr. VI : 19, 20; IX ; 3; X : 20.
23
brokone te herstellen en bij overtreding de schuld door giften te verzoenen. De eerste menschen hebben getracht door offeranden hunne overtreding te vereffenen , doch het is niet gebleken dit door hoogeren last rechtstreeks werd geboden, evenmin als de instelling von een tempel. Hoogstens werden die uitdrukkingen van aanhankelijkheid en pogingen tot het aanbrengen van verzoening, gelijk vooral blijkt bij de ontwikkeling van den israëlietischen godsdienst, op redelijke wijze geleid en gericht als afbeeldingen van toekomstige dingen, of toestanden. Zelfs het bloedige offer was op zichzelf ontoereikend de zonden van eenig mensch te verzoenen : „waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers ? zegt de Heere ; Ik ben zat van de brandoffers der rammen , en het smeer der vette beesten, en heb geen\' lust aan het bloed der varren , noch der lammeren, noch der bokkenquot; .... „Ik zal uit uw huis geenquot; var nemen, noch bokken uit uwe kooien.quot;
De heidenen die het gebruik van offeren van Israël overnamen, meenden daarmede de goden te kunnen verzoenen en maar al te dikwijls vond ook onder Israël die vleeschelijke en onjuiste opvatting weerklank.
§ 37. Uit hetgeen nader volgt zal duidelijk te verstaan zijn, dat , voor zoover het niet de aanwijzing betrof tot zaligheid, er veel overeenstemming bestaat tusschen de hoogste leeringen der heidenen en die van Israël en dat die zelfs niet geheel verloren gingen, bij sommige richtingen in de christenheid.
Gelijk als bij vele heidenen was ook onder de christenvolken de groote menigte veelal in diepe onkunde en zorgeloosheid verzonken, voortlevende zonder groote zorg Gode te behagen. Ook zonder een levendigen indruk te beoefenen aangaande een onsterfelijk leven. Ten aanzien van den weg om daartoe te geraken, zagen de meesten als met minachting neer. Anderen die uitmuntten in inborst, opvoeding , of ook bekwaamheid, of zij die een onberispelijk leven leidden , schreven daaraan voor zich zulk eene waarde toe , dat zij meenden voor eene hoogere macht daarmede te kunnen volstaan. De gebreken die zij somtijds in zich ontwaarden, dachten zij te kunnen dekken, door het zich wijs maken, dat elk mensch daaraan onderhevig zijnde, de goden , de zwakheid van den mensch ken-
Jes. I : U ; Pa. L : 2, 9; Hos. VIII: 14.
24
nende, die als eenvoudige tekortkomingen, wel goedgunstig zouden willen voorbij zien.
Iets anders rekenden zij was het als iemand een openbaar slordig leven leidde , of iets misdadigs bedreven had , dan wilden ook zij beseffen, moest de goddelijke rechtvaardigheid op de een of andere wijze tevreden worden gesteld.
§ 38. De hoogste leeringen onder de heidenen hielden ook den eisch in bij ernstige overtredingen berouw te beoefenen , maar zij geloofden daarbij, dat iemand die dit droeg, de onschuld zeer nabij stond, want het zou den goddelijken toorn afleiden. Doch zij stelden ook, dat het berouw oprecht en zuiver moest zijn en zulks blijkbaar was als de droefheid meer raakte de zonde dan wel de straf. \')
Droefheid .en berouw stelden zij echter niet als geheel voldoende, indien zulks niet gepaard ging met belijdenis en vurig gebed. -) Zoowel de Grieken als Romeinen hadden in betrekking tot deze zaak formulier-gebeden , zeer overeenkomstig met de eenvoudige begeerte van den tollenaar: „zijt mij zondaar genadig!quot;
Ook bij volksrampen was een openbaar betoon van berouw vaak voorgeschreven. Hierin gaf ook eenmaal voorbeeld de assyrische koning van Nineve. Bij de Romeinen zag men soms vrouwen met loshangende haren, vergezeld door hare kinderen, tempehvaarts ijlen om in nooden, het keeren der rampen af te bidden. Maagden, op de aarde neergezegen , veegden dan den vloer van altaar , of tempel, met de lokken baars hoofds af. Eene handeling die herinnert aan hetgeen de boetvaardige zondares, naar het verhaal dei-evangelisten deed, na de voeten des Heilands met tranen bevochtigd te hebben.
§ 39. Voorts voegden verschillende volken bij het plegen van berouw ook wassching van het lichaam , die zij meenden, dat ook tot de reiniging van de ziel bijdroeg. Ook Plato stond deze handeling voor, maar bij andere geleerden dier tijden, werden die middelen onvoldoende geoordeeld teneinde eene schuld algeheel uit te wisschen , en zij verdedigden daarom het gebruik van bloedige
\') Sbne ■. Agamen Art. 2. See \'2; Ovid de Vont. Lib. I. FAeg. 1
2) ïJuripi. Anclrom. in Prolog. Spanh. ad. vers. 139; In hym. Cerer. p. 7jl.
3) Liv. Lib. III. C. VII. Rursusque Lib. XXVI. C. IX. Polvbius cadem sic hahet. Lip. IX. capt. VI.
25
offers. Pythagoras, Plato, Porphyrius en andere leermeesters der heidenen , bestreden het streven om alles met onschuldig dierenbloed en zwarten rook te zuiveren. De laatstgenoemde beschouwde die wijze van godsdienstoefening als schadelijk , onwettig en heilloos. \')
Zij , die de bloedige offers voorstonden, stelden het voor als een betamelijk middel dat dienen kon als eene lossing, dewijl men niets beters wist aan te bieden dan levende dieren. Offerde men de ziel van dezen in plaats van eene menschelijke ziel, dan ontging men hot zwaarste. Op soortgelijke wijze spreekt Asglepiades als hij zegt: ,lid eerste offer van dieren, zegt men, geschiedde toen er eene ziel in de plaats van eene ziel werd geëischt.\'quot; 2)
Bij de Egyptenaren werden de hoofden der offerdieren met vloeken beladen en vandaar dat volgens Herodoot door geen Egyptenaren het hoofd van een dier werd genuttigd, Plutarchüs verhaalt , dat men eertijds den kop des offerdiers, dat den vloek verondersteld werd te dragen , in de rivier wierp tot het verdrinken van de op hem geladen zonden. Op dit gebruik heeft men het oog bij het verklaren van de figuurlijke spreekwijs van den profeet Micha , als hij schrijft; „Hij zal zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja Gij zult al hunne zonden in de diepten der zee werpen.quot; — In lateren tijd gaven de Egyptenaren zulk een gedeelte des diers aan de vreemdelingen, meenen-de hen daarmede te bezwaren met de schulden van anderen.quot;
§ 40. Door al deze hulpmiddelen was echter bij geen volk nog volkomene vrede gevonden. Vandaar , dat men het ook beproefde met het plengen van menschenoffers. Julius Caesar bijv. , gewagende van de oude Gallen , zegt : ,Het gansche volk is zeer tot godsdienst genegen. Waarom diegene die met zware ziekten zijn aangetast, in krijg snood, of andere gevaren zijnde, menschen plegen te offeren , of immers te heioven dat zij zulks zullen doen. Zij ge-looven dat de goddelijke majesteit niet kan verzoend worden, dan door het leven van eenen mensch, voor den ander op te offeren.\'quot; 3)
De Atheners namen tot dat doel de slechtste lieden uit het volk, uitvaagsel en afschrapsel genaamd , die op algemeene kosten gevoed
\') Vide Ei-seis de praep. Ka. lib. IV. C. XIV.
\'i l)c Ahstin. Lib. IV. C XV. — Mich. VK ; 19.
*) De Bel. Gal. Lib. VI.
26
en als de nood des lands het vorderde , gevloekt en daarna geslacht werden. Zij werden dan aangemerkt als „hunne behoudenis pf verlosser.quot;
Andere volken gebruikten tot dat doel ook wel gevangenen of vreemdelingen.
üe Apostel Paulus bij het aanduiden van de verachting, waaraan hij en de zijnen bij het algemeen waren blootgesteld, gebruikte dezelfde woorden, als waarmede die diep verachte Atheners werden aangewezen.
§ 41. Ook de menschenoffers beantwoordden op die wijze nog niet aan de verwachting en men besloot daarom het te beproeven met geliefde personen, uit naaste omgeving. Eerstgeboren kinderen, meende men , zouden eene volkomene verzoening kunnen voortbrengen. Hierdoor ontstond de gruwelijke offerande aan Moloch, in welke de ouders hunne dierbaarste panden , niet alleen door het vuur deden gaan , maar ook op de wreedste wijze lieten verbranden. Hierop slaat de vermaning van den profeet: „Zou de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen ? aan tienduizenden van oliebeken ? zal ik mijnen eerstgeborene geven voor mijne overtreding ? de vrucht mijns buiks voor de zonden mijner ziel ?quot;
Hoe weinig echter werd begrepen, hetgeen onmiddelijk volgt en dat duidelijk doet uitkomen, dat God al die gruwelen voor zich op verre na niet eischte: „Hij heeft U bekend gemaakt, o mensch ! wat goed is ; en wat recht is ; en wat eischt de Heere van U , dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoedig-lijk te wandelen met uwen God ?quot;
§ 42. Van de toewijding zooals die tot toen plaats had, leerde men inzien, dat de offers met tegenzin en vaak met geweld moesten onderworpen worden, en dat zulks geen volkomen uitkomst kon opleveren. Bij verscheidene volken werden sedert namen van edelaardige personen genoemd, die zich welberaden en vrijwillig ten algemeenen nutte tot den dood overgaven.
Toch, zoolang niet het lichaam zelf, dat zondigde, gestraft werd, zag men de volkomenheid van het offeren niet bereikt. Toen kwam in gebruik het geeselen en verwonden , ja dooden van het
^ Cor. IV : 13 ; Mich. VI : 7, 8 ; 2 Kon. III ; 27.
lichaam. Men doorstak het met priemen , sneed het met messen , gelijk de priesters van Ba dl en Cyhele. Anderen kwelden zich met vasten , stelden zich ontkleed bloot aan hagel, regen , brandende stralen der zon, vorst, bleven uren lang op één voel staan in verhit zand. Er waren er die een zware keten door het bovenste van het borstbeen geboord, gedurende hun geheele leven ronddroegen, enz. Niet weinigen zijn er bovendien geweest die met of zonder zware martelingen hun leven meenden te moeten prijs geven.
§ 43. Met al die wreede en dwaze voorbeelden van een eigen-willigen en eigengerechtigen godsdienst , werd echter in plaats van vrede, nieuwe wroeging en onrust gevonden. Ten slotte heeft men nog getracht hulp te zullen vinden in het voorgeven , dat overgeblevene onzuiverheden na den dood door lijden konden worden weggenomen. Men verzon, dat eene ziel uit het menschelijk lichaam getogen, in eene onderaardsche plaats verblijf hield, lot tijd en wijle deze van alle overtreding door lijden zou gezuiverd zijn. Ook Plato stond soortgelijke meening voor.
Deze leering der heidenen schijnt dus de grondslag te zijn geweest voor die van een vagevuur.
Al die woekerplanten van het verstand, waarvan wij nog onopgemerkt lieten duizenderlei leeringen van verschillenden aard, waaronder ook dezulken die hebben geleid tot het plegen van de verregaandste onzedelijkheden. Een en ander werd doorgaans uitgedacht , of nader uitgewerkt door gewetenlooze leiders , die of uit geldelijk gewin, of gedreven door heerschzucht, de gewetens en vrijheid der menschen gevangen en dienstbaar hielden. In elke eeuw wisten zij door velerlei dwangmiddelen eiken invloed ten goede te verijdelen en waren het meest barmhartig als zij hnn tegenstanders slechts de bevoegdheid ontzegden, de dwaashe on in het licht te stellen. Hoe onredelijk en onzinnig hunne voorge ngen ook waren, er waren altijd een overgroot getal gedweëe vorelingen aanwezig , die onwetens en lichtvaardig , tot eigen groot nadeel, zelfs de onbestemdste dwaasheden, als orakeltaal huldigden.
28
VI. De Christelijke beginselen en de wijze die te verkondigen uit drie ontmoetingen van Jezus onderscheiden.
§ 44. Als een der treffendste kenmerken van don goddelijken oorsprong der natuur mag men aanmerken eeno eigenschap, gelegd in al het geschapene , waardoor zelfs in de deelen van eenig stof-soort, of voorwerp, het kundig onderzoek de gelegenheid vindt aangeboden te doen besluiten tot den aard, de eigenschappen en samenstelling van het geheel.
De vorm en kleur van het blad eens booms , zelfs het uiterlijk aanzien van eenig onbewerktuigd stofsoort, geeft kenmerken te onderscheiden om de soort waartoe ze behoort te bepalen.
Toegerust met de hulpmiddelen van den microscoop en der scheikunde , kan men in de diepte der samenstelling afdalen , en toch steeds zullen de verschijnselen gelijksoortig blijven aan die welke het nauwkeurig beschouwde , uiterlijk gaf waar te nemen.
De eenvoud , het regelmatig schoone , en hoogst volkomene in de samenstelling van al de geschapene dingen, maakt het den onderzoeker gemakkelijk en hot beloont zeer de moeite aan zijne nasporingen verbonden. Het doet hem niet alleen het geschapene, wegens de onvergelijkbare schoonheid in den grootsten eenvoud, lief krijgen , maar het voert hem ook op tot eerbied en ontzag voor den oneindigen Bouwmeester van dat bewonderenswaardig geheel.
§ 45. Er is daar echter nog meer dat als onbegrijpelijk groot, het ernstig onderzoek tegemoet treedt. Men leert namelijk ook eene eenheid , of overeenstemming, in wetten en krachten kennen , die niet alleen getuigt van een nauw onderling verband, maar zelfs toestaat dat men de regelen van het eene ook in vele gevallen als bindend voor het andere kan nemen. Zoodat, hetgeen juist blijkt te zijn in het moreele, ook als zoodanig is voor hot physische , ja zelfs voor het werktuigelijk gebied.
Als de Bouwheer van zulk een grootsch geheel heeft God overvloedig bewijs gegeven de bron en oorsprong te zijn der hoogste wijsheid en rede, en dan laat het zich gevolgelijk ook voorstellen, dat een godsdienst door Hem ingesteld , overeenstemmen zal met de beginselen in Zijne zichtbare schepping neêrgelegd.
29
Dit kan op geen redelijken grond door iemand worden betwist.
Ton deeie bevestigt ook Paulus deze stelling onder de woorden : „want zijne onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, heide zijne eeuwige kracht en Goddelijkheid.quot;
§ 46. Deze beschouwing voortzettende wagen wij het nog te stellen: Is inquot; de natuur juist de grootste eenvoud en regelmatigheid het kenmerk van haren verheven oorsprong , dan behoort ook het Rijk der waarheid en do waarheid zelf gelijke kenmerken om te dragen.
Dat de waarheid zich steeds als zoodanig doet kennen , zal wel geen nader betoog vereischen.
De leugen als de tegenstelling van waarheid, zal zich dan moeten voordoen als arglistig en onregelmatig.
Nader dit karakter, als haar werkelijk eigen, te doen voorkomen, vertrouwen wij als overbodig. Het zij ons ter nadere bevestiging alleen veroorloofd te herinneren aan do uitspraak der Schrift; „wiens werk volkomen is. God is waarheid en is geen onrecht.quot; — „De werken zijner handen zijn waarheid.quot;
Tenaanzien van het loeren kennen der afwijking van waarheid en deugd is waarschuwend gezegd: „Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn hare gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.quot; „Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijne wegen.quot;
§ 47. Zijn de eenvoud en regelmatigheid als de kenmerken van een\' verheven oorsprong vastgesteld, dan zal het niet mooielijk vallen do toestemming te verwerven dat de christelijke godsdienst zich als do voortreffelijkste doet onderscheidon ; vooral als men aan het denkbeeld „eenvoudquot; de hot behoorende eigenschappen van klaarheid en duidelijkheid verbindt. Ook dit meenen wij als reeds vaststaande te mogen beschouwen, want in alle andere godsdiensten is veel dat van duistere en verwarde denkbeelden getuigt en weinig-dat den eenvoud doet naderen. En in elk geval, de aanwijzingen tot zaligheid ontbreken daar geheel.
De wijze opmerkingen en spreuken die van sommige voorname heidenen zijn bewaard gebleven , blijken niet steeds oorspronkelijk, maar zijn vaak terug te vinden in de schriften der mozaïsche ge-
Kow. I ; 20 ; Deut. XXXII : 4 ; Spr. V : 6 ; Jak. 1 : 8.
30
leerden, zoodat het gezegde van Jezus: „de zaligheid is uit de Jodenquot; wel in de ruimste beteekenis zal mogen gelezen worden.
§ 48. De hoogste uitdrukking van al wat verheven, groot en wijs is, toont de persoon en de leer van Jezus, die in zijne schoone beeldspraak ook dikwijls het bewijs heeft neergelegd, een werkzaam aandeel te hebben genomen In de schepping der wereld.
Bij een aandachtig lezen der Schrift komt zulks op verschillende wijze Ie voorschijn. Ook dat ontbreekt in de heidensche godsdienstige boeken. Wie bijv. bekend is met de natuurkundige leer van het licht, die eerst sedert weinige jaren nader kon worden omschreven , zal gereedelijk toestemmen, dat hetgeen de Schrift reeds voor duizende jaren ten opzichte van de beteekenis van het Woord en het Wezen Gods schreef, volkomen overeenstemt met de thans bekende eigenschappen en drievoudige samenstelling aan het licht.
Reeds voor bijna drieduizend jaren werd getuigd: „Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt.quot; — Er zal zijn een Heerscher over de menschen, een Rechtvaardige, een Heerscher in de vreeze Gods. En Hij zal zijn gelijk het licht des morgens wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken.quot; \')
De discipel Johannes schrijft: „Dit is het waarachtige licht.quot; „Hij was in de wereld, en de wereld is door hem gemaakt; en de wereld heeft hem niet gekend.quot;
Jezus zelf heeft getuigd: „Ik ben het licht der wereld,quot; en Hij die steeds zoo nederig en bescheiden in woord en leven was, maar die ook altijd met volkomene zekerheid nauwkeurig zijne woorden koos, liet in deze beeldspraak geen twijfel over aan den oorsprong van zijn persoon.
Het licht is in de Natuur de oorzaak dat men de dingen kan zien, het maakt alles openbaar, zoodat ook Paülus aan de Efezeërs schrijft: „al wat openbaar maakt is licht.quot; Tijdens het brengen van Jezus naar den Tempel, getuigde Simeon van Hem , dat Hij een teeken zou zijn , dat wedersproken zal worden, „opdat de ge-
Ps. XXXIII : 6 ; 2 Sam. XXIII : 3. Joh. 1 : 3—10.
\') Men zie nader onze Verklaring op NatuurJc. grond van 1 Tim. VI : 15, lö-en 1 Kon. VIII : 12. Arnhem, 1890, bl. 19 enz.
Joh. Vin : 12 ; XIV : 2 ; Ef. V : 13 ; Luk. II : 27, 34, 35.
31
dachten uit vele harten geopenbaard worden.quot; Nooit te voren was er een leeraar, die zoo bijzonder steeds aandrong op het openbaren van gedachten , en tot het doen uiten van meeningen , dan Jezus. Ook daardoor bewees Hij werkelijk te zijn , het licht der wereld. Het bleek steeds zijn wil, geheel in de bedoeling van het licht tc handelen.
Toen de Heiland bijv. , tijdens de Farizeën Hem zulk een loos bedachten strik spanden , eischte het toonen van een penning en daarbij de vraag deed volgen: „wiens is dit beeld en het opschrift ?quot; wist Hij zeer goed, en de menigte vermoedelijk ook, hoé een penning er uitzag en toch werd het noodig geoordeeld dat men het voorwerp zien, het antwoord Itooren zou.
Altijd, ofschoon Hij „niet van noode had, dat iemand getuigen zou van den mensch, want hij zelf wist, wat in den mensch was,quot; deed Hij toch steeds zich antwoord geven, opdat de gedachten van elk konden openbaar worden.
Hij alleen die alwetend en tevens machthebbend was over aarde en hemel, kon spreken : „In het huis mijns vaders zijn vele woningen ; anderszins zou ik het U gezegd hebben ; ik ga heen om U plaats te bereiden.quot;
Eerst lang na de uitvinding der telescopen , waagde de wetenschap de onderslelling, dat de menigte door haar waargenomen sterren zouden bewoond zijn.
§ 49. Volgens de mededeeling van Johannes heeft de Heiland in den aanvang van zijn optreden drie op elkander volgende ontmoetingen gehad , die in hoofdzaak de beginselen zijner leer, Zijne opvatting omtrent toestanden en personen en de wijze, waarop Hij zijn verheven invloed in werking stelde, volkomen aanwijzen.
Het eerste voorval, waarbij wij eerbiedig onze opmerkingen wen-schen te voegen , had plaats met Natiianaël.
Dat bij de oprechten „goedwilligheid isquot; en dezulken weinig in den geest van tegenspraak en betweterij kracht zoeken, dat zij voorts begunstigd worden met groote voorrechten en hooge onderscheidingen , een en ander blijkt duidelijk bij het aandachtig lezen van hetgeen van deze gebeurtenis staat aangeteekend.
Tot Nathanaël werd namelijk door Filippus gezegd , dat gevon-
Matth. XXII : 19, 20 ; Joh. II : 25 ; Spr. XIV : 9 ; III : 32.
32
den is die, van welken Mozes in de Wet geschreven heeft, en de profeten : Jezus, de zoon van Jozef van Nazareth.
Geen woord van bedenking, van tegenspraak volgt, maar alleen veroorlooft do aangesprokene vragender wijze, het vooroordeel tegen eene kleine en onaanzienlijke stad uit te spreken.
Zulk een gevoel werd trouwens wel oen weinig opgewekt door de mededeeling van Filippus , want Jezus was niet de zoon , maar de pleegzoon van Jozef en in Nazareth was Ilij niet geboren, maar had daar slechts zijne opleiding ontvangen. De algemeene meening was echter overeenkomstig de voorstelling van Filippus.
§ 50. Ook hier en bij vele andere gebeurtenissen valt het op te merken, dat de zoogenaamde „publieke opiniequot; en ook de mate van openbaarheid in , of over eenige zaak , — althans bij onderwerpen van godsdienstigen aard — zich geenszins als de ware maatstaven tot beoordeeling aanbevelen.
Ofschoon naar de belofte „het. licht voor den rechtvaardige gezaaid isquot; en deze Nathanaël blijkbaar een weetgierig en belangstellend Israëliet was, bleek hij toch niet voldoende op de hoogte to zijn gekomen om zonder dringende aanleiding met juistheid te onderscheiden. Te meer wekt zulks onze opmerkzaamheid omdat reeds ongeveer een dertigtal jaren de Heiland geleefd en reeds op zijn twaalfde jaar in den tempel de aandacht der wijzen op zich gevestigd had; terwijl sedert eenigen tijd Johannes zijn bestaan krachtig den volke had verkondigd.
§ 51. Een belangstellend en ernstig onderzoek had elk kunnen duidelijk maken , het zeer buitengewone van den persoon des Hei-lands. Dat Hij te Bethlehem en niet te Nazareth was geboren , kon niet zulk een diep liggend geheim zijn. Hetgeen de herders hadden waargenomen en medegedeeld aan anderen; het verschijnen der ster, het onderzoek der wijzen te Jeruzalem , dat daar alge-meone ontroering teweeg bracht; hun bezoek aan de kribbe, het overhandigen hunner geschenken en vooral de spoedig daarop gevolgde kindermoord door Herodes , stellen voorvallen en gebeurtenissen daar, die niet voorbijgezien en zeker ook niet vergeten mochten worden.
Uit den aard zijner roeping toonde Johannes de Dooper steeds
Joh. 1; 46 enz.; l^. XCVII : ]1 ; Joh. I : 26, 27 ; Matth. 11 : 2, \'S, 11, 16.
33
veel belangstelling en toch scheen hij nog niet voldoende overtuigd, dat Jezus de lang verwachte en ook door hem aangekondigde Messias was. Hij had om zijne overtuiging te versterken, buitengewone bewijzen ontvangen; hij had ook tijdens den doop van Jezus , Hem rechtstreeks het volk aangewezen als den Christus ; — toch zond hij later nog twee van zijne discipelen tot Jezus met de vraag: „Zijt gij degene, die komen zou, of verwachten wij eenen anderen ?quot;
Het antwoord, toon gegeven was niet rechtstreeks bevestigend, maar: „Gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet.quot;
§ 52. De voorgestelde onderscheiding doet ons besluiten , dat de Heiland het geven van eene rechtstreeksche, zeer duidelijke verklaring vermijdt, waar de gegevens tot een redelijk oordeelen aanwezig zijn; vooral dan als de vereischte ontvankelijkheid om te hooren en te zien bestaat.
Uit hetgeen van Johannes den dooper werd herinnerd , blijkt ook de noodzakelijkheid , om al hetgeen men kan waarnemen, behoorlijk en volhardend te overdenken , dewijl anders zelfs de treffendste overtuigingsmiddelen te kort schieten, om het verstaan tot eene voldragen vrucht te doen rijpen.
Voorgaande opmerkingen bevatten onzes inziens den sleutel tot twee anders zeer moeilijk op te lossen bepalingen, namelijk: „want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft , van dien zal genomen worden , ook dat hij heeft. Daarom spreek ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en hoorende niet hooren, noch ook verstaan.quot;
§ 53. Het voorgestelde is niet alleen te ontwaren bij het onderzoek der Schrift, maar ook bij het onderzoeken der natuur; de overeenkomst bewijst ook weder den gemeenschappelijken oorsprong van beide en de bijzondere wijze, waarop Jezus onderwijs gaf.
Immers bij het onderzoeken der natuur blijkt eene bloot oppervlakkige, uiterlijke waarneming, nimmer het recht te kunnen verschaffen tot eene juiste waardeering van het bestaande. Alleen kan daar, door een herhaald, nauwkeurig, oordeelkundig, diep ingrijpend navorschen , de ware gedaante en samenstelling der dingen gekend
Joh. I: 21—34; Matth. XI: 3, 4; XIII: 18—16.
3
34
worden. Vooral neemt het oog vele verschijnselen waar en ontvangt tal van indrukken, die bij nader onderzoek, toegerust met de vereischte hulpmiddelen , zich geheel anders voordoen dan aanvankelijk kon worden vastgesteld.
Naar aanleiding dezer opmerkingen kan dus worden aangenomen, dat de bedoeling van het goddelijk onderwijs steeds is: het denken bij den mensch als redelijk schepsel op te wekken, en zijne werkzaamheid levendig te houden; terwijl dat ook voorkomen kan, dat geen eigenwijs, noch aardschgezind, ruw of onverschillig hart het inderdaad schoone zou verwaarloozen, of doen vertreden.
§ 54. Op de eenvoudige uitnoodiging van Filippus, met de woorden: „Kom en zie ging Nathanaël naar Jezus.
Als Jezus Nathanaël tot zich zag komen , zeide Hij tot hem: „Zie waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is. Nathanaël zeide tot hem : vanwaar kent gij mij ?quot;
Het doet onderstellen , dat deze zich zijne begeerte tot oprechtheid bewust was en dus het voor hem zoo gunstig en heerlijke getuigenis , niet met schijnbaar bescheiden , maar ontwijkende tegenwerpingen , getracht heeft van zich te wijzen. Hij , de man die vermoedelijk wegens zijne oprechtheid dagelijks met miskenning had te kampen , werd dadelijk tot in het diepst Van zijn gemoed getroffen , toen het levendig, doordringende, goddelijk reine oog van Jezus met vriendschappelijke en waardeerende uitdrukking op hem rustte.
Nathanaël had op de uitnoodiging van Filippus blijkbaar geen enkele poging beproefd terug te blijven, maar was terstond mede-gegaan.
Geen bedenkingen voor de vervolging der Joden , noch het beducht zijn voor den spot der menschen, schenen in staat hem te weerhouden. Zijne handeling teekent den moed en de vrijmoedigheid den rechtvaardige doorgaans eigen.
Op het toelichtend antwoord van Jezus : „Eer U Filippus riep t daar gij onder den vijgenboom waart, zag ik U,quot; sprak Nathanaël: „Rabbi! gij zijt de Zone Gods , gij zijt de Koning Israels. Jezus antwoordde en zeide tot hem : Omdat ik gezegd heb: Ik zag U onder den vijgenboom, zoo gelooft gij ; gij zult grootere dingen zien dan deze.quot;
Joh. 1: 46-51.
35
§ 55. Duidelijk komt in deze mededeeling aan het licht, dat voor een oprecht rnensch niet bijzonder veel noodig is om van de waarheid overtuigd te worden ; niet alleen wordt door oprechtheid de vorming van het verstand begunstigd, maar ook de ontvankelijkheid van het gemoed. Het vaardig gelooven, na eene gegronde overtuiging, mag elk wel zijn aanbevolen, want het werd door den Heiland niet beschaamd, maar met eene sterk sprekende belofte bekroond.
Ook in dit verhaal ziet men eene der voorgaande opmerkingen bevestigd, (§ 51) dat Nathanaël tol de belijdenis, dat Jezus de Zone Gods is , kwam, tengevolge van hetgeen hij redelijk waarnam. Niet doordat Jezus zich zelf als zoodanig noemde. Terwijl hier ook niet stilzwijgend mag worden voorbijgegaan , dat zoowel Nathanaël als die bij hem waren , de dubbel plechtig bevestigde belofte ontvingen: „Van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschenzonder dat Hij , de Stichter van den christelijken godsdienst, te voren een onderzoek had ingesteld naar de kerkelijke gezindheid, of de mate van „rechtzinnigheidquot; dezer volgelingen.
§ 56. Alvorens de Apostel eene volgende samenspreking mededeelt , schrijft hij, dat het bij Jezus niet noodig was : „dat iemand getuigen zou van den mensch, want hij zelf wist, wat in den mensch was.quot; Deze voorlichting, gelezen onder herinnering aan verschillende plaatsen van het O. Testament, waaronder inzonderheid do woorden: „Hij verstaat al het gedichtsel der gedachtenquot; en , Ik, de Heere , doorgrond het hart , en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijne wegen , naar de vrucht zijner handelingen ,quot; doet opnieuw uitkomen de bedoeling van den gewijden schrijver , om de Godheid van Christus te doen onderscheiden.
Een overste der Joden, een lid van het Sanhedrin, genaamd Nicodemus , kwam namelijk in den nacht tot Jezus. Zonder verschooning te vragen voor het ongelegen tijdstip , verklaart hij het doel van zijn bezoek met de woorden: „Rabbi!quot; wij weten , dat gij zijt een leeraar van God gekomen; want niemand kan deze
Joh. I: 52; 1 Kron. XXVIII: 9; Jer. XVII : 10; Joh. III; 1—21.
36
teekenen doen, die gij doet, zoo God niet met hem is. Jezus antwoordde en zeide tot hem : voorwaar, voorwaar zeg ik U, tenzij iemand wederom geboren worde , hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.quot;
Ofschoon voor sommigen allicht , bij het lezen van het verhaal vele bijzonderheden duidelijk, worden , wenschen wij ons toch te veroorloven, enkele opmerkingen, die dadelijk in het oog vallen en betrekking hebben op ons onderwerp, een weinig te omschrijven.
§ 57. Allereerst treft ons de groote mate van zelfverloochening en dienende liefde van den Heiland. Wat zou het lot zijn van hem, die in onze eeuw bij een beroemd leeraar in den nacht een bezoek kwam brengen , met het doel over eenig onderwerp te spreken? Het zal wel onnoodig zijn hiervoor een antwoord uit te denken, want in het hoffelijkste geval, zou naar het zich laat voorstellen, de bezoeker onder eene berisping, verzocht worden den volgenden dag terug te komen.
De waardeering van den persoon en den werkkring des Heilands bleek bij Nikodemus ook niet bijzonder hoog te staan, want het was hier een tamelijk laag schatten, na al hetgeen reeds was openbaar geworden om te spreken van „een leeraar van God gekomen.quot; Het klonk aanvankelijk wel gunstig , maar de ruime be-teekenis werd zeer beperkt door de bijvoeging: „want niemand kan deze teekenen doen, die gij doet, zoo God niet met hem is.quot;
Toch blijkt de onderscheiding van Nikodemus nog billijker dan in latere eeuwen gebruikelijk werd; toen men alleen als leeraar en „bevoegdquot; zou erkennen hen , die daarvoor eene akademische aanstelling , of een last van den Staat hadden ontvangen. Het kan bezwaarlijk eene navolgenswaardige handelwijze heeten , als men, bloot door het stelselmatig doorloopen eener voorgeschreven loopbaan, iemand de geschiktheid voor eene betrekking als onderwijzer zou willen schenken. Eerst als de roeping bewezen wordt, door „de teekenen die men doethetzij in woord of werk ; eerst als de ontwikkelde gaven getuigenis geven, onverschillig hoe men die verworven heeft, eerst dan , en alleen naar dezen maatstaf, mag de geschiktheid en bekwaamheid van iemand voor eenig deel der wetenschap , of uitoefening van een bedrijf, beoordeeld worden.
§ 58. Het antwoord van den Heiland op zoo dubbel plechtige wijze bevestigd, en alleen heenwijzende naar de noodzakelijkheid
37
voor ieder mensch van de wedergeboorte , of het opnieuw geboren worden , sprak terstond van de goddelijke macht van Jezus om te oordeelen. Zelfs om het Koninkrijk van God te kunnen zien , bleek zulk eene diepgaande verandering vereischt te zijn.
De gangbare meening der Joden , — die ook in de Christelijke kerk nog door een groot aantal volgelingen wordt aangekleefd — was, dat de deelgenooten van het uiterlijk Verbond, de leden der gemeente, wedergeboorte of bekeering niet noodig hadden, maar alleen zij , die uit de Heidenen tot de kerkelijke gemeenschap toetraden.
De vraag van den leeraar : „Hoe kan een mensch geboren worden, oud zijnde?quot; getuigt van den zinnelijken werkkring zijner gedachten.
De Heiland komt steeds nader en nader tot zijn geweten, en zegt; thans nauwkeuriger aanwijzend : „Gijlieden moet wederom geboren worden. De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid , maar gij weet niet, vanwaar hij komt, en waar hij heen gaat; alzoo is een iegelijk , die uit den Geest geboren is.quot;
§ 59. Dat de Heiland uit de natuur een voorbeeld neemt, dat ondanks het voortschrijden der natuurwetenschap, nog steeds in zijne volle kracht blijft, achten wij van meer dan gewone beteekenis.
Immers, bij al de vorderingen, die sedert jaren de meteorologie heeft mogen maken, wist nog niemand de juiste plaats van het ontstaan eener luchtstrooming , noch waar die zijnen invloed eindigde , aan te duiden. Ook bestaat de overeenkomst, dat beide werkingen, èn in het rijk der natuur èn in het geestelijke , alleen ontstaan door invloeden van boven.
Hoe sterk luidt het plechtig getuigenis en rechtvaardig verwijt: „Voorwaar , voorwaar zeg ik ü: Wij spreken, wat wij weten , en getuigen , wat wij gezien hebben ; en gijlieden neemt onze getuigenis niet aan. Indien ik Ulieden de aardsche dingen gezegd heb, en gij niet gelooft , hoe zult gij gelooven , indien ik Ulieden de hemelsche zou zeggen ? En niemand is opgevaren in den hemel, dan die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensch en, die in den hemel is.quot;
§ 60. Reeds te voren had de Heer, als vrucht der geboorte uit water en Geest , het gaan in het Koninkrijk Gods genoemd, waaruit redelijk valt af te leiden , dat het Koninkrijk een toestand
38
moet uitmaken, die reeds op aarde kan gekend worden. Eerst is gesproken van een zien en vervolgens van een ingaan.
Thans spreekt de Heer van een nederkoraen en tevens van een zijn in den hemel. Zoodat, na Zijne menschwording, Hij toch naar zijne Godheid eene voortdurende, nauwe betrekking met den hemel heeft onderhouden.
Het licht , wordt verder getuigd, is in de wereld gekomen, „ en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hunne werken waren boos. Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijne werken niet bestraft worden. Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden , dat zij in God gedaan zijn.quot;
§ 61. Zonder nu te willen stellen, dat in hetgeen Nikodemus werd voorgehouden, eene zijdelingsche bestraffing lag voor zijn nachtelijk bezoek , kwam toch duidelijk uit, dat ook hij de duisternis boven het licht had verkozen. Het opwekken tot goede, zuivere gedachten was ook nu het middel door den Heiland verkozen. Eene neiging van het hart tot het verkeerde, scheen de oorzaak, dat het verstand des leeraars niet de voldoende ontvankelijkheid aanbood, om terstond hetgeen Jezus zeide, te verstaan en als waar aan te nemen.
Het godsdienstig onderwijs, dat vermoedelijk Nikodemus in zijne jeugd niet zal zijn onthouden, en hetgeen verder werd gedaan om hem lot leeraar te vormen , had niet de waarde in zich gehad om hem op te leiden tot het maken van geestelijke onderscheidingen. Dat sedert vele jaren aan Israël de profetische bediening werd onthouden , tengevolge van de miskenning en snoode bejegening, waaraan vele profeten waren onderworpen geweest, had zeker niet medegewerkt , tot de redelijke ontwikkeling des volks. Het gemis aan eene heldere en duidelijke voorstelling der waarheid bracht altijd veel schade aan. Reeds Salomo leerde: „Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot.quot;
§ 62. In beide der voorgestelde ontmoetingen sprak de toeleg van Jezus, — om zijne hoorders tot de erkentenis te leiden van de goddelijkheid van zijn persoon. Niet dat wij met deze opmerking
Spr. XXIX : 18.
39
willen doen denken aan een streven, waarin het zoek en van eigene eer zou zijn opgesloten. Niet in het minst kon dit ooit in Zijne bedoeling liggen, maar alleen liefde tot de menschen. De Heer wist, dat zulk eene erkenning volstrekt noodzakelijk is , omdat dan alleen aan Zijne woorden en bevelen de volle en vereischte waarde zou worden gehecht. Zonder zulk eene algeheele erkenning , zullen de beloften van Jezus gevolgelijk hunne uitwerking moeten missen. „Die zijne getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld , dat God waarachtig is. Want dien God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods : want God geeft hem den Geest niet met mate. De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in zijne hand gegeven.quot;
„Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven ; maar die den Zoon ongehoorzaam is , die zal het leven niet zien , maar de toorn Gods blijft op hem.quot;
Zij, die niet kunnen besluiten Jezus als God te eeren, zullen altijd tenaanzien van het verhevenste , besluiteloos blijven , steeds zoekende blijven naar, en vragende wat is de waarheid ? Eene vraag helaas ! voor velen nog voortdurende en die reeds duizende jaren de lucht in trilling bracht. Toch blijft immer het getuigenis van Petrus alom spreken : „En de zaligheid is in geen anderen ; want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is , door welken wij moeten zalig worden.quot;
§ 63. Ongeveer twee duizend jaren zijn sedert voorgaand getuigenis voorbij gegaan, en toch zijn de zoekenden naar eene andere leer geen duim breed gronds gevorderd. Wel een bewijs, dat niets beters te vinden is en tevens, dat de bepalingen der Schrift onomstootelijk zeker en waar zijn.
Velen kwamen onderwijl tot de erkenning , dat er een God bestaat , wiens naam liefde is , zonder echter verder door te denken en zich ernstig rekenschap te geven op de vraag: Als God de liefde zelf is en tevens de hoogste uitdrukking der Bede; als het geestelijke in den mensch hoogeren rang moet worden toegekend , dan het zinnelijk dierlijke organisme , zou dan in het voornaamste en edelste, elk duidelijk en zeker richtsnoer kunnen ontbreken ?
Zou dan, mogen wij verder ontleden, de mensch, zijnde het
Joh. 111: 33—36 ; Hand. IV : 12.
40
voornaamste deel der Schepping, werkelijk gedurende eene reeks van duizende jaren zijn overgelaten aan zich zelf, en aan de vaak wufte en bedriegelijke indrukken der zinnelijke waarneming ? Zouden dan al de wetten van den aanvang aan , gehandhaafd door het gezag, het maatschappelijk leven kunnen geschonken zijn, zonder dat voorzien werd in een regelen der hoogere eischen van het geestelijk leven ?
In de kennis der stoffelijke dingen ontvingen wij maatstaven en hulpmiddelen, die toestaan, dat men met wiskunstige zekerheid van het grootste en uitgebreidste , tot in het kleinste en geringste zou kunnen rekenen en de uitkomsten vaststellen. Men leerde de veraf gelegen hemellichamen kennen , hunne banen door het heelal volgen, zelfs door een spectraal-analyse de geheimen van hunne chemische samenstelling bespieden ; men bepaalde door berekening de zwaarte der schier onmetelijke bollen , als werden zij op eene schaal gewogen. In de mikroscopische wereld werd afgedaald tot het ontdekken van lichamen , die wellicht duizende malen kleiner zijn dan die, welke het ongewapend oog kan waarnemen.
Wanneer dus de hoogste liefde al die hulpmiddelen heeft verschaft , om den mensch nauwkeurig het vergankelijke te doen kennen , zou dan , vragen wij nogmaals , doch nu met den meesten aandrang , in de vraagstukken van de hoogste beteekenis hem het noodige licht zijn onthouden gebleven ? Moesten dan al die milli-oenen en nog eens millioenen menschen, die onderwijl zijn gestorven, in algeheele onzekerheid ten aanzien van de rechte kennis van God en hun toekomstig lot zijn gelaten ? Dat moet elk als geheel ondenkbaar voorkomen, en zelfs reeds alle gezonde rede buiten sluiten om zulks voor een oogenblik te doen onderstellen.
§ G4. Het derde door ons gekozen voorbeeld betreft het bezoek der Samaritaansche vrouw aan de fontein Jacobs nabij Sichar , en het gesprek dat de Heiland, terwijl Hij vermoeid nederzat, met haar heeft gehouden.
Deze vrouw kwam uit Samarië, met het doel om water te putten en werd door Jezus gevraagd Hem te drinken te geven. De vrouw uit er hare verwondering over dat een Jood , aan eene Samaritaansche om drinken vroeg. De terugtrekking der Joden van an-
Joh. IV: 5—27.
41
dersdenkenden moet dus zeer streng zijn doorgetrokken. Gelijk men weet, werden sommige noodzakelijke dingen, als het gaan over hunne wegen , het bezoeken hunner huizen , het koopen van levensmiddelen in Samaritaansche steden , ook het gebruiken van hunne wateren voor geoorloofd gehouden. Eenig gunstbewijs zou echter door eenen Jood aan geen Samaritaan gevraagd worden.
Niet alleen lag er reden tot verwondering, dat een Israëliet aan eene Samaritaansche om drinken vroeg , maar het streed ook zelfs tegen de gewoonte om met eene vreemde vrouw te spreken. Ook de discipelen waren er over verwonderd.
Door Joodsche Wijzen was namelijk tot regel gegeven: „die veel spreekt met eene vrouw is oorzaak van zijn eigen ongeluk: hij valt af van de woorden der wet, en zal eindelijk in de hol dalen.quot;
Het werd bovenal onbetamelijk geoordeeld voor een godsdienstig man, een leeraar, of meester van eene school; „dat hij,quot; zeiden zij, „niet sproke met eene vrouw op de straat, al is zij zijne eigene vrouw , zijne zuster , of zijne dochter.quot;
Ook met dit vooroordeel der Joden werd door Jezus gebroken.
§ 65. Andermaal word op gelijke wijze als bij de vorige ontmoetingen door beeldspraak tot denken uitgelokt, maar ook nu , gelijk als met Nikodemus , werd het gesprokene zinnelijk opgevat. Zij onderscheidde ook niet den hoogen stand van Hem die haar leerde, ofschoon die door de gebezigde woorden tamelijk duidelijk werd aangeduid; want wie uit de menschen zou kunnen gebieden over het eeuwige leven ?
Op de zachtst mogelijke wijze werd zij toen herinnerd aan het zondige in haar leven. In plaats van zich te verontschuldigen, erkent zij terstond de juistheid der beschuldiging , door de woorden : „Heere! ik zie, dat gij een profeet zijt.quot;
Reeds nu greep zij gretig de heerlijke gelegenheid aan , om aan eenen profeet te kannen vragen welke godsdienst het moest was aan te bevelen. „Onze vaders ,quot; zegt zij, „hebben op dezen berg aangeboden ; en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden.quot;
§ GG. Was het de oprechte erkentenis van hare overtreding, of soms de vurige belangstelling , waarmede zij het onderzoek in-
PibivE Ahoth, c. 1 § 5 ; Aboth R. Nathan, c. 7, fol. 33. Derech Eretz fol. 17. 3; Bemidbar llahba § 10, fol. 200. 2 ; Maimon. Hilch. c. 5, § 7.
stelde naar de meest voldoende wijze om God te eeren ? Dit met zekerheid uit te maken vermag men niet; misschien hebben beide oorzaken den doorslag gegeven haar met eene mededeeling te begunstigen , aan de voornaamste en geleerdste mannen uit de Joden onthouden.
Aan haar openbaart Hij zich onomwonden als den Christus. Werd hst bij een Nicodemus noodig geoordeeld, bepaaldelijk en streng aan te dringen op wedergeboorte , bij deze vrouw werd geen enkele nadere voorwaarde tot het bekomen van hare zaligheid gesteld. Reeds vóór zij nog gezegd had: „Ik weet dat de Messias komt die genaamd wordt Christus ; wanneer die zal gekomen zijn, zoo zal hij ons alle dingen verkondigenwerd haar de belofte geschonken: „Vrouw! geloof mij, de ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden.quot;
Thans laat de Heiland de majestueuse openbaring volgen : „Maar de ure komt , en is nu , wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid ; want de Vader zoekt ook dezulken , die Hem alzoo aanbidden. God is een geest, en die Hem aanbidden , moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.quot;
§ G7. Men kan hieruit de gevolgtrekking maken , dat God, als zijnde een Geest, eenen dienst verlangt van geestelijken aard, niet bestaande in een roemen en vertrouwen op sacramenten, vergaderplaatsen , dogma\'s, of andere inzettingen der Ouden , maar overeenkomstig Paulus schrijft: „Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den geest dienen, en in Jezus Christus roemen, en niet in het vleesch vertrouwen.quot;
Geestelijk gezinde aanbidders worden door Hem gezocht, omdat dezulken aan de eischen van den goddelijken Geest kunnen beantwoorden.
Niet ten onrechte is echter door sommigen waarschuwend opgemerkt, dat het minachten, of verloochenen van plechtigheden en vormen in den godsdienst nog volstrekt niet mag leiden tot de veronderstelling als zou daaruit tot een dienen in geest en waarheid besloten mogen worden. De dienst in geest en waarheid sluit noodzakelijk in het beoefenen van alle christelijke deugden.
Een schrijver uit deze eeuw zegt over dit onderwerp het volgende:
ril. III : 3.
43
„Wat heeft Hij toen anders gedaan, dan het oordeel der afschaffing uitspreken over alle die wijzen van Godsvereering, welke, in gelijkheid aan de joodsche of heidensche eerediensten , in vastgestelde verrichtingen en gebaren , of in uitwendige plechtigheden bestonden; om, in plaats van deze , dien éénen waren eoredienst te doen kennen en aan te prijzen, welke aan geen plaats, of tijd, of uitwendige plechtigheden gebonden is, maar die in het hart zijnen zetel heeft, en van daar uit, het geheele leven zelf tot eene Gode welgevallige hulde verhoogt en veredelt.quot;
.Dit is het reine evangelische denkbeeld van Godsverheerlijking, hetwelk ook door de apostelen is vastgehouden en voorgesteld. Paulüs deed dit, toen hij de Christenen , bij de barmhartigheden Gods , vermaande en bad , dat zij de redelijke en geestelijke Godsverheerlijking , tot welke zij, als belijders van het Evangelie, werden geroepen, daarin zouden doen bestaan, dat zij hunne lichamen , dat is alle hunne vermogens , lusten en neigingen, als eene levendige , heilige en welgevallige offerande , Gode toewijden, door , in vernieuwing des gemoeds , te betrachten hetgeen Gode wel-aange-naam was , en hunne plichten van hen vorderden. Want, gelijk hij met deze vermaning de overhelling tegenging tot eene zinnelijke en uitwendige Godsvereering, die, bij vele Christenen, aan den joodschen offerdienst, of heidensche tempelgebruiken gewoon, diep gevestigd was ; zoo stelt hij tegen deze afdwaling dien waren eere-dienst over, welke niet in geslachte dieren-offers , of in uitwendige plechtigheden bestond, die ook niet met de handen, of met de lippen Gode kon worden toegebracht: maar welke zonder uitwen-digen toestel moest plaats hebben , door eene toewijding aan God van het geheele hart en van het geheele leven. En het is geheel in denzelfden geest, wanneer de apostel Jagobüs menschen-liefde en heiligheid des levens als de beide groote hoofdzaken voorstelt , in welke de zuivere en onbevlekte eeredienst, aan God en den Vader toe te brengen, met de daad gelegen is.quot;
„Hieruit is het dan ook alleen te verklaren , dat wij in de gezamenlijke voorschriften en daden der apostelen niets aantroffen , waardoor, voor do christelijke Kerk op aarde , een vastgestelde , uitwendige eeredienst wordt ingericht. Ik heb naar verordeningen ,
N. C. Kist. Be Christ. Kerk op aarde, 1 d. bl. 147—149.
44
en zelfs naar wenken , welke de strekking hebben , gezocht, maar ze niet gevonden.quot;
§ 68. De goddelijke oorsprong van Jezos leer , spreekt ook uit den eisch van volmaaktheid voor zijne discipelen , hetzij men dit opneemt in de beteekenis van oprechtheid of in het streven naaiden ruimsten omvang in het betrachten van liefde en barmhartigheid tegenover elk , hetgeen het goddelijke bestuur steeds eigen is.
Wel hebben voortreffelijke geesten onder de Heidenen zich op ongeveer gelijke wijze uitgesproken, zooals bijv.: „dun dienen wij God het beste , als wij hem gelijk zijnmaar aangenomen , dat dit reeds zeshonderd jaar vóór onze jaartelling is gezegd, dan vindt men dat denkbeeld reeds veel vroeger neergelegd , door de Joodsche wijzen , zooals o. a. in de woorden van Bildad : „zoo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opmaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerecliligheid volmaken,quot; of als Elifaz zegt; „Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijc? of gewin, dat gij uwe wegen volmaakt.quot; Hier is dus de mogelijkheid voorgesteld van volmaaktheid, met aanwijzing zelfs van de wijze hoe het te worden , terwijl tevens wordt uitgedrukt, dat eene volmaking geheel in ons eigen belang en voordeel is.
§ 69. De zaligheid, als de hoogste uitdrukking van heil, uil de joden voortgekomen zijnde, kan als zoodanig niet buitensluiten het gebruik der rede. In het Oude Testament is herhaaldelijk sprake van haar, zelfs getuigt Salomo van een „bekend maken met de zekerheid van de redenen der waarheid.quot; Hoe zal men deze zekerheid aantoonen, zonder het gebruik der rede, die hoogste gave van God aan den mensch ? Ook het geloof, het hoofdmiddel tot zaligheid, behoort op een redelijken grondslag te berusten, zonder dat zou het niet veel meer dan eene inbeelding uitmaken.
Volgens het nader getuigenis van Paülus is de Christelijke godsdienst een redelijke en beveelt Petrus voor nieuwgeborenen, teneinde op te wassen, het gebruik aan van „de redelijke onvervalschte melk.quot;
Het gebruik der rede in den godsdienst na te laten, moet dus ten hoogste nadeelig voor het geestelijke leven zijn, en toch helaas ! vindt zulks maar al te zeer plaats.
Math. V : 48 ; Hier. in Gar. Pyth. p 22, 25 ; Jou VIII : 6 ; XXII : 3. Spr. XXII ; 21 ; XXIII : 12 ; Rom. XII : 1 ; 1 Petr. II : 2.
45
Ook het ongeloof beschikt over het vermogen der rede, doch gebruikt dat veelal om de leeringen der Schrift te weerspreken. Toch bewijzen de uitkomsten van zulk streven de juistheid van hetgeen Paulus bepaalt: „want nademaal, in de wijsheid Gods, do wereld God niet heeft gekend door de wijsheid , zoo heeft het Gode behaagd , door de dwaasheid der prediking, zalig te maken die gelooven.quot;
Niet door offerande, noch door vleeschelijke wijsheid, kan do ware vrede des gemoeds verworven worden.
§ 70. Hoe dicht de leeringen der Heidenen soms ook kwamen bij de uitspraken der Schrift, altijd ontbraken haar het aanwijzen der middelen, om tot het hoogste standpunt te geraken. Zegt bijv. Plato „wij dienen God het beste als wij Hem gelijk zijn,quot; dan leert hij tevens niet waarin dat beste bestaat en hoe men Hem kan gelijk worden.
Vandaar leert de Schrift, sprekende van het doel van Jezus komst op aarde, dat het is: „omzijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden.quot; En kan men bij haar ook getuigd vinden: „En de zaligheid is in geenen anderen.quot;
Vraagt men zich nu af, waarom behaagde het God door de prediking van het kruis van Christus verlossing en zaligheid te schenken , dan vindt men het antwoord in de gebeurtenis van het Paradijs. De verleider wilde gelijkheid aan God bereikt zien , alleen door het beoefenen van eene natuurlijke kennis , terwijl God bepaalde, dat de kop van de slang vermorzeld zou worden , door den arbeid en het lijden van den Messias. Hij toch „de overheden en de machten uitgetogenquot; — ontwapend — „hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld en heeft door hetzelvequot; — het kruis — „getriomfeerd.quot;
De rede , ofschoon van goddelijken oorsprong , doch verduisterd door de zonde, boteekent ter onderscheiding van geestelijke dingen niet veel , als zij door het licht van Gods Geest niet nieuw leven en ontwikkeling ontving. Vandaar ook dat aan het natuurlijk verstand onthouden is het verstaan van geestelijke dingen. — Hot zou trouwens ook vernederend zijn voor „Godsgodachtenquot; als die dooiden kortzichtigen en veranderlijken mensch , konden worden begrepen , zonder buitengewone hulp.
1 Cor. I : 21 ; Luk. I ; 77; Hand. IV; 12; Gen. 111:5, 15; Col. II: 15; 1 Cor. II : 14.
46
§ 71. Toch kan de Heer als de allerhoogste uitdrukking der rede, niet anders dan eenen zuiver redelijken Godsdienst voorstaan. Dat de natuurlijke rede aan dien eisch niet beantwoorden kan , bewijzen ook de heidensche godsdienststelsels. Zij dragen toch veel verwards en zelfs veel onzinnigs in zich om. De gebeurtenissen daarin vermeld, besluiten doorgaans tal van onmogelijkheden en herinneren vaak aan die des Bijbels, doch blijkbaar op onvolkomen wijze gekend, of opzettelijk zoodanig voorgesteld. Juist dat onvolkomene en verwarde toont echter onweersprekelijk aan , de navolging , wijl aan hetgeen oorspronkelijk is , zulke nadeelen zouden onthouden zijn.
Niet alleen ontbreekt aan de zedeleer der Heidenen de volkomenheid en regelmatige opvolging van gedachten , zooals bij de Mozaïsche valt te bewonderen , maar de volken zelf door in het geestelijke eene trapsgewijze toenemende voorlichting te derven, kwamen in het algemeen nooit tot hooger standpunt van kennis dan aanvankelijk was ingenomen. Zij toch gingen niet „van kracht tot krachtquot; steeds voort, gelijk van het streven der Israëlieten eertijds kon getuigd worden, en inzonderheid bij de uitbreiding van het Christendom op buitengewone wijze bij de Christelijke volken te voorschijn trad.
Ook ten aanzien van de wijze van eeredienst bestond een zeer groot verschil. De Heidenen vereerden bijzonder sommige willekeurig gekozen plaatsen en personen, hetgeen door de Mozaïsche en inzonderheid door de Christelijke leer streng veroordeeld is. Het beginsel van eene zuivere vereering , is daar zelfs zoo streng gehandhaafd , dat Paulus bedenking maakt tegen een uiterlijk, onzuiver , of uit bijoogmerken vereeren van Jezus; „zoodan wij kennen,quot; zegt hij, „van nu aan niemand naar het vleesch; en indien wij ook Christus naar het vleesch gekend hebben, nogtans kennen wij hem nu niet meer naar het vleesch.quot; — Op gelijke wijze spreekt de Heiland van zich , als hij zijne discipelen inlicht rnet de woorden ; „De Geest is het die levend maakt, het vleesch is niet nut. De woorden die ik tot U spreek , zijn geest en leven.quot;
§ 7S. In elk opzicht is dus de Godsdienst van Jezus een ge-
Spr. VIII : 14 ; Ps. LXXXIV : 8; 2 Cor. V : 16 ; Joh. VI : 63.
47
heel redelijke, aansluitende en overeenstemmende met, doch heerlijker dan die der patriarchen en profeten. Steeds bewijs gevende van eenvoud, eenheid en regelmaat; terwijl bij de heidensche godsdiensten gebrek aan eenheid in voorstelling , gemis van zuiveren zin en logische ontwikkeling, het onvolkomene teekent.
Het streven naar eenheid, ook in het Godsbegrip tegen het veelgodendom der Heidenen, is mede een onloochenbaar bewijs voor den goddelijken oorsprong der Christelijke leer. Dit is vooral in de laatste jaren van bijzondere beteekenis geworden, sedert door het nader, proefondervindelijk onderzoek der natuur — dus niet berustende op hypothesen, — de noodzakelijkheid te voorschijn kwam, ook bij het verklaren van vele verschijnselen, krachten en bewegingen , aan ééne bron als uitgangspunt te doen denken.
De factoren van de wijze, waarop de Heiland zijne verhevene leer in de harten der menschen wilde ingang doen vinden , kwamen bij de drie gekozen voorbeelden, onzes inziens, gelijk wij reeds gepoogd hebben te doen onderscheiden , op het volgende neer:
Dat er namelijk vragen , of mededeelingen geschiedden, ingericht den mensch tot denken en overleggen aan te sporen. Vervolgens eene aanduiding, die leiden moest tot de erkenning van Jezus , als den Christus , en eindelijk, wanneer het gesprokene niet werd verstaan , of niet voldoende door het verstand kon worden opgenomen , invloed uit te oefenen op het geweten , teneinde daar eene overtuiging van zonde voort te brengen.
§ 73. Tot het bekomen van het deelgenootschap aan het Koninkrijk van God, werd door Jezus , in weerwil van alle destijds bestaande secten en richtingen , verschil van inzicht en meening , geen andere, of uitgebreider belijdenis geëischt, dan de erkentenis : dat Jezus de Zoon van God is.
Ook de Apostelen hebben nooit een anderen maatstaf aan de hand gegeven. Johannes stelt: „Een iegelijk, die gelooft dat Jezus is de Christus, is uit God geboren.quot; Of; „Alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is , die is uit God; en allo geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is , die is uit God niet.quot;
1 Joh. V : 1; IV : 2, 3.
48
Het is ons nooit duidelijk kunnen worden , waaraan men later den last ontleend heeft, om. de menschen vragen en antwoorden in het geheugen te prenten en aan het naspreken daarvan afhankelijk te stellen , het al of niet aannemen tot lidmaat eener Christelijke gemeente. Men zou toch in zulk geval mogen vreezen , dat alsdan een kunstmatige toestand werd geboren.
Nog ernstiger wordt de afwijking , wanneer men eischt, dat elk mensch naar menschelijk voorgeschrevene bepalingen zou moeten denken en besluiten, als of het inzicht in verstandelijke onderwerpen niet afhankelijk zou zijn gesteld van verschillende omstandigheden en de mate van verworven licht.
Daarom blijft voor alle eeuwen do grondregel, en de grondtoon van het gemeentelijk accoord luiden :
„Zoowie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God.quot;
VI. Het ontstaan, de regeling- en de voortduring-der Christelijke gemeenten.
§ 74. Als in de natuur door de voortdurende omzetting en ontleding van verschillende stoffen, gassen ontstaan, of vrijkomen, die den dampkring bezwangeren en overladen ; als de gewone wijze van herstelling waardeloos schijnt, zoodat het evenwicht dreigt verbroken , dan treden vóór de zuivering of vernieuwing , donkere wolken op.
Onderwijl kwijnt het dierlijk en plantaardig leven; wat het voor een opgewekt en frisch bestaan noodig had, ging allengs ontbreken.
Weldra schieten uit de saamgemengde dampen, heldere, geheimzinnig bewegende schichten van vuur. De meest verborgen kracht der natuur , zal onder deze gedaante hare werking aanvangen. Niet altijd toch openbaart zij zich onder zulk eenen vlaramenden schrikkelijken vorm , maar werkt doorgaans onzichtbaar , in alle stilte, wellicht hulpbiedend bij de ontleding en omzetting der stof.
1 Joh. IV : 2, 3, 15.
49
Thans geraakt door haren invloed de geheele atraospheer in schudding, sterke luchtstroomingen , ja zelfs krachten, in den bodem der aarde verborgen, brengen hun aandeel in den algemeen ont-stanen strijd. Door eene Almachtige hand voortgestuwd, wordt niet alleen het oog schier verblind van de felheid des lichts, maar ook het gehoor overweldigd door den ratelenden donder. Het geheel beantwoordende aan het volbrengen van eenen koninklijken last.
Weldadig stroomt onderwijl de regen neer. Al spoedig is de lucht als herschapen. Nieuwe zegeningen worden uitgestort. De vroolijkheid van het geschapene keert weer, en weldra giet het gematigde zonlicht zijne weldaden over de schepping, in milde mate uit; alles is als herleefd! ^
§ 75. In de wereld der onzichtbare dingen ontstaan ook tijden, die aan een natuurlijk onweder doen denken. Wanneer de mensch, hetzij uit onkunde, verveling of ook door overlading, wars is geworden van het erkennen van feiten ; als hij in plaats van zich naar beproefde en eenvoudige regelen te richten, de voorkeur geeft aan het zich gronden op hypothesen, als waren die onom-stootelijk icaar en volkomen vertrouwbaar: wanneer hij heeft toegelaten , dat de vaak duistere taal, gebruikelijk bij de algemeen gevolgde wetenschap — die toch doorgaans, reeds van de vroegste
\'j Gaarne nemen wij hier de gelegenheid waar eene opmerking te maken, die niet anders dan het Rijk der waarheid kan ten goede komen.
Slaagde namelijk het wetenschappelijk onderzoek eerst in den jongsten tijd\', nïi de ontdekking der electriciteit, in het ontwaren van de wijze , waarop een paar gassen, in bepaalde verhouding vermengd en blootgesteld aan de_ inwerking eener electrische vonk, water doen ontstaan, de psalmist toont al in zijn tijd, dus reeds ongeveer voor 3800 jaar, kennis te hebben gedragen van deze geheime werking bij een onweder. Duidelijk getuigen dit de woorden: rHij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit zijne schatkameren voort.quot;
Kene gewijzigde lezing van deze plaats schaadt de voorgestelde opvatting niet. De tekst laat immers ook een voor ons doel gunstiger vertaling toe. Volgens de vertaling namelijk van v. d. Palm, leest men: „nadat Hij de dampen heeft doen opklimmen van het einde der aarde, maakt Hij de bliksemen, als oorzaak van den regen.quot; Ps. CXXXV: 7. — Zulke voorbeelden geven aanleiding tot aanname van het denkbeeld, dat een wetenschap op proef en ondervinding rustende, samenstemt met de leeringen der Scbril\'t. Aan eene daarentegen die, teneinde zich staande te houden, hulp moet zoeken in bespiegelingen en hypothesen, kan bezwaarlijk meerdere waarde worden toegekend, dan om vaak als tegenstelling het heerlijke der ware wetenschap te doen uitkomen.
50
tijden af, zich beijverd heeft haar leeringen onder tal van bijna onmogelijke woorden en raadselachtige zinnen , bij voorkeur onder den onbegrijpelijksten vorm , uit te drukken — op het geestelijk gebied werd overgebracht, dan zullen daardoor in het geestesleven van den mensch en bijzonder in zijne omgeving in alles allengs toestanden rijpen, die als donkere wolken dreigen en eene buiten gewone ingrijping van hoogere orde noodig maken.
Vooral ten tijde van Elia kwam zulks inzonderheid aan liet licht. De menigte, verblind door de leeringen der baaipriesters , die door Achab begunstigd en door Jkzebel ten deele bezoldigd waren, gehoor gevende aan valsche redeneeringen, was eindelijk in een toestand gebracht, dat zij de waarheid niet meer kon onderscheiden. Alleen door een bijzonder goddelijk teeken kon slechts door hen beslist worden, wie de waarheid sprak, wat dan weldra ook op zeer treffende wijze, onder het neerdalen van hemelsch vuur, geschonken werd.
§ 7G. Tijdens het Pinksterfeest te Jeruzalem waren de merk-teekenen Gods, tot bevestiging der leer van Jezus, zeer buitengewoon, en er had eene uitstorting van gaven plaats, die eiken tegenstand deed zwijgen of geheel tot onderwerping bracht.
Een aanvankelijk vijandig, maar zeer geleerd Israëliet Sadlus genaamd, werd ook op zeer wonderbare wijze, na den dood van Stephanüs, tot juister inzicht gevoerd en tot apostel van het Christendom verheven.
In de Schrift is dus bij ernstige en verheven keerpunten , ook vaak vermeld, het waarnemen van treffende lichtverschijnselen en krachten. Zulks beantwoordt dus volkomen\' aan hetgeen in de natuur uiterlijk waarneembaar wordt afgespiegeld
Door de voorgaande vergelijking wordt echter niet gepoogd, eene afleiding te steunen, als zou men in duistere tijden steeds mogen inwachten het vertoon van teekenen en wonderen. Sedert toch het Evangelie in een volkomen geheel onder elks bereik werd gesteld, zou zulk een verlangen een onredelijke eisch uitmaken. Het voornaamste en grootste teeken, dat ooit werd gegeven op aarde, bestaat in de Opstanding van Christus uit den dood. Men staat
1 Kon. XVIII: 18—22, 24, 29, 36—39; Hand. II: 3; IX: 3; Matth. XII: 39, 40; Hebr. XII: 18—25; Ps. LXXVII: 19; Matth. XXIV: 27.
51
sedert niet meer voor „den tastelijken berg en het brandende vuur en donkerheid en duisternis en onwederquot;, maar wij zijn gekomen „tot den berg Zion en de stad des levendigen Gods, tot hot hemol-sche Jeruzalem en de vele duizenden der engelen.quot;
Sedert de verspreiding van de Schrift geschiedde, kan er in den geestelijken dampkring een blijvende zuivering bestaan en waar een buitengewoon krachtig getuigenis werd vereiscbt, zal dat kunnen lichten met de kracht en de snelheid van het lichten van den bliksem, naar de belofte van Jezus, uitgaande van het oosten en schijnende tot het westen.
Toen bijv. Luther zijn krachtig protest aan de deuren der slotkerk hechtte, had het licht, door hem verspreid, al spoedig de geheele Christenheid doorloopen , terwijl het de leeringen van het vatikaan in de schaduw kon stellen.
§ 77. Voorts besteedde Paulus sedert al zijne kennis en zulks met algeheele toewijding aan de uitbreiding van het Christendom. Hij beijverde zich gemeenten te stichten, die te leiden en naar de eischen der christelijke leer in te richten. Zijn arbeid in dezen werd echter in de volgende eeuwen niet weinig miskend en zelfs ten deelo geïgnoreerd.
Men gaf sedert algemeen voor, dat elke gemeente, naar plaatselijke omstandigheden do vrijheid was gelaten , zich naar goedvinden te regelen. Tot zekere hoogte was die gevolgtrekking juist, maar nooit is door de\' apostelen daarin die ruimte gelaten, welke men in latere eeuwen uit de apostolische bepalingen meende te mogen lezen. Ten opzichte van don vorm eener openbare eere-dienst werd wel vrijheid gelaten, maar nooit op eene wijze dat do vrijheid zelf, of de verordende middelen tot opleiding van den geest, geheel zouden uit hot oog mogen verloren worden.
§ 78. Zij die gelooven aan de volkomenheid der Schrift, kunnen niet aannemen, dat de grondvesters der gemeentên, in do gewichtigste vraagstukken, ten opzichte van de opleiding en het onderwijs der wedergeborenen, geenerlei voorbeeld en voorschrift lot richtsnoer zouden hebben nagelaten. Paulus getuigde vrijmoedig van zich , dat hij naar de ontvangen genade , als een wijs bouwmeester hot fundament had gelegd, met de waarschuwing aan elk, toe te zien hoe men daarop verder zou bouwen.
52
Van een wijs bouwmeester en van een degelijk fundament mee-nen wij ons te mogen voorstellen, dat zulks zal beantwoorden aan de onmisbaarste eischen. Hierin ziet zich het nader onderzoek volstrekt niet teleurgesteld. Ook ten aanzien der gemeentelijke samenkomsten werden voldoende bepalingen gegeven. Dat men die echter niet altijd is nagekomen , is niet de schuld van den bouwmeester, noch ook van het fundament.
Aan de gemeente van Corinthe werd door den apostel Paulus een algemeene last verstrekt, die men uitvoerig beschreven kan vinden in 1 Cor. XIV ; terwijl in het Hoofdstuk van dezen
brief beschrijving wordt gegeven van de gaven zelf, en van hare onmisbaarheid tot het ontwikkelen van het geestelijk lichaam.
§ 79. Er is sedert beweerd, dat de apostolische last alleen betrof de gemeente waaraan de brief werd gericht, maar behalve dat de regeling zelf dat gevoelen weerspreekt , geven de volgende woorden duidelijk de uitgebreidheid der bedoeling aan, namelijk: B den geroepenen heiligen, met allen, die den naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hunnen en onzen Heere.quot;
Er kan ook bezwaarlijk geheel worden voorbij gezien, dat na het regelen van de wijze van samenkomen, de apostel zegt: , Indien iemand meent een profeet te zijn , of geestelijk , die erkenne dat, hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn.quot;
Ten einde bestaande afwijking te verbloemen en het verkeerde of onvolkomene in staat te houden, heeft men ook beweerd, dat de eens aan de gemeente geschonken gaven , later waren teruggetrokken, zonder dat men echter dat beweren ooit met een enkel bewijs heeft gestaafd, anders dan door het onopgemerkt laten dei-gaven zelf. Maar zou een wegnemen van hetgeen stoornis geeft aan een vrije openbaring niet den volkomen oorspronkelijken toestand van de Gemeente weer kunnen terug schenken ? Wij meenen ons van het bestaan der beletselen te mogen verzekerd houden en wenschen dit in den loop van ons betoog, zooveel ons zulks mogelijk is, aan te toonen, en onderwijl ons te bepalen tot de opmerking , dat de gewone in zwang gebrachte onderscheiding , van algemeene
Hand. II; IX; 1—29; 1 Cor. III: 10-18; I: 2; XIV: 37.
53
en nog bijzondere gaven een spitsvondigheid is van schriftgeleerden, die echter geenen grond heeft naar de Schrift.
§ 80. Geeft men acht op de oorzaken , die tot het doen verborgen blijven, of soms wijken , maar doorgaans uitblusschen der gaven hebben geleid, dan stuit men allereerst op het streven van Irenaeus , zijnde van het jaar 177—202 bisschop.van Lyon in Galiië. Hij is de eerste die zijne denkbeelden, aangaande het kerk-idée, nader uiteen heeft gezet. Hetgeen namelijk te voren door Ignatius, met betrekking tot afzonderlijke gemeenten, in onbegrens-den vorm was aanbevolen , werd door Irenaeus reeds op de kerk in haren ganschen omvang toegepast. Zijne stelling was : , Wie een Christen zijn wil, moet tot de kerk zijne toevlucht nemen, en met de leer, welke de kerk, dat is hare wettige opzieners bezitten, volmaakt overeenstemmen.quot; Door hem werd inzonderheid de gemeente van Rome voor allen ten voorbeeld gesteld.
Verstaat men onder het woord „kerkquot; eene openbaring van de Gemeente des Heeren onder zichtbaren vorm, dan is zulk eene inrichting reeds eene overtreding tegen de oorspronkelijke lastgeving, want daar staat uitdrukkelijk het volgende in : „En gevraagd zijnde van de Farizeën, wanneer het koninkrijk Gods komen zou, heeft Hij hun geantwoord en gezegd: Het koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat. En men zal niet zeggen : ziet hier , of ziet daar! Want ziet, het koninkrijk Gods is binnen ulieden.quot;
Het voornaamste bewijs , dat eene kerkelijke inrichting niet gegrond is op de bevelen van Jezus, of van Zijne apostelen, komt vooral uit, door het algeheele gemis van het woord „kerkquot; in de Schrift en het geheel ontbreken van eiken last die, tot het samenstellen van zulk eene inrichting kon leiden. Wij wenschen echter geenerlei strijd aan te binden tegen het gebruiken van een woord. Wil men onder „kerkquot; verstaan: des Heeren, of wel tempel, of anders: verzameling eens volks, het is ons onverschillig, maar wij achten het van groot belang bij dit onderwerp te onderzoeken, of het denkbeeld dat men aan het woord verbindt juist en overeenkomstig Gods last is.
§ 81. De stelling van Irenaeus, dat men om Christen te willen
Luk. XVII: 20, 21.
54
zijn, toevlucht moet nemen tot de kerk, is een beginsel, dat in de Schrift niet wordt gevonden en evenmin zijn beweren , dat de kerk bestaat of wordt vertegenwoordigd door zijne wettige opzieners.
Volgens de Schrift behoort hot recht spreken tusschen gemeenteleden en het beoordeelen van al het gemeentelijk gesprokene, aan elk lid eener christelijke gemeente.
Elk lid is volgens getuigenis Gods , koning en priester, en ontvangt daartoe het mandaat door het geloof in Jezus. Eene gemeente van Hem bestaat niet door een opziener alleen, maar ook uit de leden : „want ook het lichaam is niet een lid maar vele leden.quot;
Vandaar is het, dat de apostelen hunne brieven, in welken zij aangaande de uit- en inwendige belangen der gemeente , raad en voorschriften mededeelen , niet gericht hebben aan de opzieners , als oppergezagvoerders, maar aan de gemeente, of aan de broeders, die de gemeente samenstellen.
Het uitoefenen der tucht berustte dus ook geenszins bij de opzieners alleen, maar in den boezem der gemeente. De apostel zelf getuigde: „Wij prediken ons zelf niet, maar Jezus Christus, den Heer, en aangaande ons zeiven, dat wij uwe dienstknechten zijn om Jezus wil.quot; Johannes ging zelfs zoover te bepalen: „En de zalving, die gijlieden van hem ontvangen hebt, blijft in u , en gij hebt niet van noode, dat iemand u leere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zoo is zij ook waarachtig, en is geene leugen ; en gelijk zij u geleerd heeft, zoo zult gij in hem blijven.quot;
Geen zweem in deze grondregelen voor de leden der gemeente van Christus , die naar de hulp eener kerk of de quot;tusschenkomst van priesterlijke opzieners heenwijot.
§ 82. Ten opzichte van de toekomst van Christus — opdat geen vergissing zou plaats hebben — staat waarschuwend voorzegd: „zoo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn: gaat niet uit: ziet hij is in de binnenkameren; gelooft het niet. Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot
1 Cor. VI: 2, 5; XIV: 29; 1 Petr. II: 9; Openb. I: 6; V: 10; Col. II: 18—20: III: 15, IC; Ep. I: 13; 1 Cor. XII: 1, 14; 2 Cor. IV: 5; Col- 1:1,2; Thes. I: 1; 1 Joh. II: 20, 27, 2S; Matth. XXIV: 26, 27; Jer. II: 13.
55
hot westen, alzoo zal ook de toekomst van den zoon des inen-schen wezen.quot;
Men heeft echter reeds zeer vroeg in de plaats van Christus ten deele de kerk gesteld en voorts de vrijheid der leden des konink-rijks en de voor hen duur verworven rechten, willekeurig verkort.
Reeds in de eerste eeuwen kwam opnieuw in vervulling het woord van den profeet: „Want mijn volk heeft twee boosheden gedaan: Mij , de springader des levenden waters, hehben zij verlaten, om zich zeiven bakken uit te houwen, gebrokene bakken, die geen water houden.quot;
§ 83. Zooals het bij navolging gewoonlijk gaat, meende Ter-tülliaan, het stelsel van zijn tijdgenoot nog een weinig nader te moeten toelichten en de reeds levendige kleuren nog wat meer kracht toe te moeten voegen. De kerk is bij hem de maan, gelijk Christus de zon is, en die in hem gelooven de sterren. De kerk is onze móeder,- gelijk God onze vader is, enz.
„Na zulke voorgangersquot;, zegt Prof. Kist \'), „kon de man opstaan, die het denkbeeld van ééne, algemecne, alleen ware en uitwendige kerk, opzettelijk en meer in deszelfs geheelen omvang, ontwikkelde, en met die kracht der overtuiging voordroeg, dat hij zijn bijzonder gevoelen der geheele Christenheid, voor vele volgende eeuwen, als kerkleer en als goddelijke waarheid opdrong. Deze man is Cypriaan, van het jaar 248 tot-258 bisschop van Karthago.quot;
Cypriaan beijverde zich eene uitwendige éénheid, als het groote kenmerk der ware kerk van Christus, voor te stellen.
§ 84. Die uitwendige eenheid tracht hij als volgens de Schrift geboden voor te stellen en aarzelt niet, waar wordt gesproken van een zedelijken band tusschen de belijders van het Evangelie, dien op het uiterlijke toe te passen. Zelfs de rok zonder naad des Heilands , over welken het lot geworpen werd , om dien niet te scheuren, moest als typisch voorbeeld dienen. Volgens hem was de kerk gelijk aan de zon of aan een boom, die wel vele takken heeft, maar slechts éénen stam; of als eene bron , die uit denzelfden oorsprong vele beken uitzendt.
1) De Christ. Kerk op aarde, 1 cl., bi. 208.
56
Beelden, die onzes inziens, volgens de voorstelling der Sclirift, alleen betrekking zouden kunnen hebben op den persoon van Jezüs , maar niet op eene kerk.
Vreeselijk zijn de gevolgen, die hij uit zijne stelling afleidt en zelfs in de XIXde eeuw is men nog niet geheel van den ontvangen schrik bekomen. „De beek , afgescheiden van hare bron, droogt uit, de afgehouwen tak verdort en de onderschepte lichtstraal heeft zijn licht verloren; — zoo is het ook: die van de kerk zich afscheidt, is van de beloften van Christus verstoken. Hij kan God niet tot Vader hebben, die niet de kerk tol moeder heeft.quot;
§ 85. „Hoe groot daarom ook het aantal der Christenen zijn moge, die van de gemeenschap der kerk zich afscheiden; zij zijn slechts het kaf, hetwelk de wind doet wegstuiven. Zij missen Christus en zijne genade; hun doop en zending heeft geen kracht. Christus zou niet kunnen zijn met hen, die buiten de kerk van Christus vergaderen. Ja, ofschoon zij ook, voor de belijdenis van Zijnen naam, den marteldood ondergaan , zulk eene smet kan zelfs door geen bloed worden afgewasschen.quot;
In deze voorstelling van Cypriaan ziet men dus reeds duidelijk uitgesproken de leer van ééne uitwendige kerk, buiten welke geen zaligheid is en tevens in beginsel haar den vrijbrief uitgereikt, om ter eere van God en tot zuiverheid der kerk niet al te toegevend met het „kafquot; te handelen. Slechts ééne schrede verder zou toereikend geweest zijn , om tot eon streng gerecht te leiden.
Toen vervolgens keizer Konstantij.v den christelijken godsdienst tot godsdienst van den staat verhief en hij de toongevende partij maar al te dikwijls zijn geweldigen arm ten steun leende , was het voor de kerkelijke personen niet moeielijk, alles naar hun zin en begeerte te regelen of te overheerschen.
Hoe het denkbeeld van een uitwendige kerk in overeenstemming moet Avorden gebracht met de bepaling van Jezus : „Waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in het midden van henquot;, laat zich moeilijk begrijpen.
§ 86. Het rangschikken der christelijke gemeente van Rome boven andere gemeenten, omdat Petrus daar zou hebben verkeerd, kan nooit naar de bedoeling van Christus zijn. Bij eene beoordeeling in deze zaak zal wel het oog mogen gehouden
57
worden op eene bepaling van den verhavenen Stichter zijner Gemeente. Men weet toch , hoe hij, bij eenen strijd aangaande de meerderheid, de discipelen tot zich geroepen en gezegd heeft: „Gij weet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen, en de grooten gebruiken macht over hen. Doch alzoo zal het onder u niet zijn; maar zoo wie onder u zal willen groot worden , die zij uw dienaar ; en zoo wie onder u zal willen de eerste zijn , die zij uw dienstknechtquot;\'.
Ook is door Hem geleerd: „De meeste onder u, die zij gelijk de minste en die voorganger is , als een die dient, want wie is meerder, die aanzit, of die dient? Is het niet die aanzit? Maar ik ben in het midden van u , als een die dient.quot;
Betrekkelijk het gebruik van benamingen en titels is de Heiland voor de leden zijner Gemeente ook niet vrijgevig geweest, want Hij bepaalde: „Gij zult niet Rabbi genaamd worden; want één is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders. En gij zult niemand uwen vader noemen op de aarde: want één is uw Vader , namelijk die in de hemelen is.quot;
Petrus geeft bewijs, er zelf ook niet\'anders over gedacht te hebben, want hij schrijft: „De ouderlingen, die onder u zijn, vermaan ik, die een medeouderling en getuige des lijdens van Christus ben , deelachtig der heerlijkheid, die geopenbaard zal worden : weidt de kudde Gods , die onder u is, hebbende opzicht daarover , niet uit bodwang, maar gewilliglijk ; noch om vuil gewin , maar met een volvaardig gemoed; noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren , maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde.quot;
liet beginsel eene geoorloofde heerschappij uit te oefenen, zal dus vooral gelegen zijn in het geven van een aantrekkelijk voorbeeld , zóó , dat het elk tot navolgen noopt.
§ 87. Het vernuft van Augustinus leidde spoedig na Cypriaan tot de ontdekking, dat in het Christendom toch bezwaarlijk voor de rechtbank eener gezonde rede gesproken kon worden van eene uitwendige kerk, waaraan al de rechten van eene onzichtbare Gemeente zouden mogen toegekend worden.
Mutth. XX : 21-28; Luk .XXII: 2G, 27; Matth .XXIII :8, 9;, 1 Petr. V : 1-3.
58
Vooral ten tijde der hervorming werd in de onderscheiding van cene zichtbare en eene onzichtbare kerk heil gezocht. Wij meenen, dat dit _echter meer als hulpmiddel tegenover de katholieke kerk dienst moest doen, dan dat die voorstelling een noodzakelijk gevolg was van het denken over de juiste beteekenis der Gemeente van Jezus. Zij , steeds als een onzichtbaar lichaam in de Schrift voorgesteld, werd alzoo door den tijd ook als waarneembaar in eene genootschappelijke en vormelijke vereeniging van personen, ter onderscheiding aangeboden. Dus onder twee hoedanigheden , die echter moeilijk zich als vereenigd laten erkennen.
Men droeg dan omstreeks den lijd der hervorming reeds kennis van eene zichtbare en eene onzichtbare; ook anders gezegd van eene inwendige en eene uitwendige kerk. Weldra werd het gezichtsveld nog verder uitgebreid en leerde men ook spreken van eene strijdende en eene zegevierende kerk,
Men bracht in dat tijdstip veel in onderzoek, maar weinigen toonden in het openbaar aan, dat al die onderscheidingen tamelijk ver buiten de Schrift stonden, en slechts tot eenen kunstmatigen, bespiegelenden arbeid behoorden. Een arbeid, aangevangen door Irenaeus , ruim twee eeuwen na de vestiging van het Christendom cn sedert tot eene reusachtige ontwikkeling gevoerd, zonder dat daarbij ooit blijk werd gegeven, dat men rekening wenschte te houden met de bepalingen der Schrift.
§ 88. De protestantsche geloofsbelijdenis heeft gepoogd, ofschoon ter elfder ure, aan het denkbeeld „kerkquot;\' een meer geeste-ijken zin te hechten. Zij verklaarde namelijk: „dat de alleen ware kerk niet bestaat in de gemeenschap van uitwendige en mensche-lijke inrichtingen, maar voornamelijk in de gemeenschap des ge-loofs en van den H. Geest in de harten van hare leden.quot; Voorts dat de uitwendige teekenen, aan welke deze ware kerk kan worden onderkend, alleen gelegen zijn in de zuivere verkondiging des Evangelies en in eene bediening der sacramenten, gelijkvormig aan de instelling van Christus.
Daarmede kwam men wel nader tot een juiste onderscheiding, maar volgens de Schrift gaat het niet aan, om het bestaan eener gemeente alleen aan deze voorwaarden te binden en daarbij zelfs de werkdadige vruchten voorbij te zien , die steeds in de Schrift
59
als kenmerk worden voorop gesteld en waarvan de onderlinge liefde de voornaamste is.
§ 89. De voorstelling der Schrift over de Gemeente is., zoo als in alles wat zij regelt, grootelijks eenvoudig en wijs.
Zij stelt de Gemeente voor als een gebouw van God, waarvar. elk geloovige een\' levenden steen uitmaakt, gelijk Petrus getuigt: „Zoo wordt gij ook zei ven, als levende steenen, gebouwd tot een geestelijk huis , tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren , die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.quot;
Voorts is de Gemeente voorgesteld als een lichaam , waarvan Christus het hoofd is. Het lichaam is één en heeft vele leden , waarvan elk een werkkring behoort, die niet verbroken of verstoord mag worden; „opdat geen tweedracht in het lichaam, zij , maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen.quot;
De vrije ontwikkeling en volle werking werd verbroken door het storen , zoo niet tegenwerken der werkingen van de verschillende leden in do openbaring hunner onderscheidene gaven.
Wanneer een lichaam het vereischte voedsel wordt onthouden, sterft het, en ledematen wier beweging wordt belemmerd, verlammen en verstijven ten laatste.
Alle kunstmatige hulpmiddelen zijn slechts in hunne werking palliatieven en geraken niet tot de kracht der gaven. Deze werden niet teruggetrokken, maar zijn veeleer door verregaande miskenning geweken.
§ 90. Het is opmerkelijk, dat sedert het tijdstip van het optreden eener kerkelijke organisatie , de geschiedenis van het bestaan van kracht en gaven, als tot de voorrechten eener gemeente behoorende , is gaan zwijgen. Wellicht was de vermelding, die Origexes gaf, dat in zijn tijd de gaven nog bestonden, gelijk men in zijne verdediging van het Christendom tegen Celsus kan lezen, te vergelijken bij de wegstervende klank van een te voren sterk geluid. Plechtig en indrukwekkend luiden echter nog steeds de berichten, die in deze van Gregorius ïhaumaturgus, leerling van Origexes , van omstreeks het jaar 244 , zijn overgebleven.
Het is door deze herinnering niet ons doel, ter uitbreiding der
1 Cor. III : 9; 1 Petr. II : 5; Col. I : 18; 1 Cor. XII : 7.
GO
leer van Jezus , het noodzakelijke te willen betoogen van het voortdurend behouden der buitengewone gaven om wonderen te doen; maar evenmin wenschen toe te stemmen, dat ook die sedert den dood van Gregorius, aan den oprecht geloovige in tijden van nood zijn onthouden geworden.
§ 91. Allengs drongen heidensche denkbeelden en ceremoniën, benevens beeldendienst, plaats- en personenvereering de kerk binnen , zoodat de „Vaders der kerkquot;, hadden zij de gevolgen van hunne inrichting te voren kunnen waarnemen, zich zeker niet zouden gehaast hebben, hunne denkbeelden algemeen ingang te verschaffen.
De middeleeuwen schenen voor het Christendom de winterslaap; toch schoot hier en daar eene plant boven den verstijfden bodem te voorschijn, teneinde van het innerlijke leven te getuigen.
Toen tijdens de hervorming het hoogere licht den als bevrezen bodem nieuw leven schonk, brak wel een weelderige plantengroei door, maar de vrijheid van ontwikkeling bleef ten deele door kunstmatige banden belemmerd; terwijl men zich ook niet bewust werd, dat elk lid eener gemeente tot een\' voor hem bestemden werkkring geroepen was ! Wellicht hebben tot deze eenzijdigheid medegewerkt, de nog steeds aanklevende gebruiken van de kerk, waarin men groot was gebracht en de groote onkunde der menigte , ten opzichte van den inhoud der Schrift.
Bij het verlaten van het oude en het intreden van een nieuw tijdperk, nadat het teedere en heerlijke zonnelicht zulke schoone planten hier en daar had te voorschijn doen komen, behoorde de volgeling eener oude kerk, voorgelicht door hare vertegenwoordigers, om bewijs te geven van leven en waakzaamheid, toch ook iets te doen. Zij deed het ook, maar hoe? Zij nam, waar de Overheid aan haar onderdanig was, de zeis, eertijds door een Nero en Domitianus gehanteerd en zij maaide met breede en forsche slagen bijna elke krachtige plant en fraaie bloem ter aarde.
G1
VII. De eenheid der gemeente en het noodzakelijke voor haar van het voortbestaan der ambten en gaven
§ 92. Wie gevoel^ voor het schoone en een open oog heeft voor het zien van den ontzaglijken rijkdom, dien bovenal do ons omringende natuur reeds in kleur en lijn alom openbaart, zal dikwijls hebben ontwaard, dat er ook sprake mag zijn van eene groote mate van afwisseling en verscheidenheid tusschen de eene en andere plaats op aarde.
Bij al het bestaande verschil en de groote verscheidenheid , die in het zichtbare valt waar te nemen, blijft er echter eene treffende eenheid in doel en strekking, onder al het geschapene heerschen. Waar en onder welke kleur en vorm de voorwerpen zich ook voordoen , overal predikt de natuur Gods wijsheid, goedheid en almacht.
Eenvormigheid blijkt bij het regelen van haar ontstaan, niet het hoogste doel te zijn geweest, want zoo die al moge bestaan , dan is zij zeer zeker schaars te vinden. Ook zulks ten opzichte van menschen; want wie zal kunnen aanwijzen de mate van verschil, die in aanleg en vorming tusschen den een en den ander vaak kenbaar wordt opgemerkt ?
De verscheidenheid die bestaat in de wijze van opleiding, in den invloed van ouders en onderwijzers, den strijd daaruit geboren , gepaard met velerlei andere invloeden, ja zelfs het verschil in phi-siologische samenstelling van den mensch, doet tusschen het oordeel van den een en den ander dikwijls veel verschil in denkbeelden en overtuiging heerschen.
Bovendien ziet niet elk oog , al is het gezond, de voorwerpen die het omringen hetzij ver of nabij, even ver verwijderd, van gelijke grootte en ook niet in dezelfde tint gekleurd. Wanneer men bijv. de schilderijen van groote meesters, inzonderheid voorstellende de landschappen, onderling vergelijkt, dan ziet men dat elk oorspronkelijk kunstenaar, eene andere uitdrukking aan het geheel geeft, vooral den horizon en de kleurmengeling, naar eigenaardige opvatting weergeeft.
Wat zou er van de kunst zijn geworden, als elk kunstenaar
62
het waarnemen en het voorbeeld van anderen steeds slaafs had moeten navolgen ?
§ 93. Verschil in meening, in inzicht eener zaak — wij zijn er van overtuigd — is bewijs van onvolmaaktheid, maar wij betwijfelen zeer of het verschil in de mate van zien of de meerdere of mindere geschiktheid om eene gedachte op te nemen, aanleiding zou mogen geven, ten nadeele van anderen te oordeelen.
Niet elk toch is terstond gekomen waar hij zijn moet. Als de apostel vermaant: „U benaarstigende te behouden de eenigheid des Geestes door den band des vredesquot;, dan is daar wel degelijk in vervat het beoefenen van ootmoed en verdraagzaamheid. Dikwijls eerst na veel lijden en arbeid wordt de weg voor het verstand gevonden, tot het waarlijk vet staan van sommige waarheden.
Vandaar eischt de Schrift die vrucht alleen van de volmaakten: „Zoovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen, en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal U God openbaren. Doch, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen , laat ons hetzelfde gevoelen.quot;-
Toch getuigt dezelfde apostel een oogenblik te voren van ziel\' : „Niet dat ik aireede volmaakt benquot;.
Om deze reden beveelt Jakobus het geduld aan , en schrijft: „Zoo zijt dan lankmoedig, broeders! tot de toekomst des Heeren. Ziet de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands , lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen.quot;
Werkelijk belooft de volmaaktheid eene eenheid des geestes. Joiiaxxes bepaalt dit aldus: „Indien wij in het licht wandelen r gelijk hij in het licht is , zoo hebben wij gemeenschap met elkander.quot;
Paulus dreef de leden der gemeente te Korinthe aan, te zijn in eenen zelfden zin en in een zelfde gevoelen en hetzelfde te spreken.
„Een lichaam is het en een Geest.quot; Eenmaal zal bij de openbaring van de Gemeente van Christus als voltooid lichaam , die eenheid ook kennelijk worden, maar die eenheid zal niet ontstaan door een uitwendig streven, vaak gesterkt door geweld.
1 Fill. Ill: 15, 16. 12; Ef. IV: 11—1G.
Jak. V : 7; 1 Joh. I : 7; 1 Cor. I : 10; Zach. IV : 6; Efeze IV : 4, 7, 9.
63
Voorts bepaalt ook de Schrift dat: „aan elk een van ons de genade is gegeven naar de maat der gave van Christus.quot;
Er is door God nooit bevolen, dat men ten behoeve der uitbreiding van het koninkrijk Gods anderen drang zou bezigen, dan die der overreding en die welke het goede voorbeeld te weeg brengt. „Niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest zal het geschiedenquot;, leert een der grondregelen voor den geestelijken arbeid.
§ 94. Vraagt men eindelijk, hoe de Gemeente tot dien volwassen en volmaakten staat zal geraken , dan laten wij gaarne den apostel het antwoord geven ;
,En dezelfde (Jezus) heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten en sommigen tot evangelisten en sommigen tot herders en leeraars: Tot de volmaking der heiligen, tot het werk dor bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus.
Totdat wij allen zullen komen tot de eenigheid des geloofs en der
»
kennis van den Zoon Gods , tot eenen volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus; opdat wij niet meer kinderen zijn , als van de golven geslingerd en rondgevoerd door allerlei wind van leering, een speelbal der arglistigheid van mon-schen , wier toeleg is om te verleiden; maar de waarheid betrachtende in liefde , alleszins zouden opwassen voor hem, die ons hoofd is Christus; door wien geheel het lichaam behoorlijk samengevoegd en ineengevlochten door alle bindselen der geleding, naar de evenredige werking van ieder deel op zich zelf den lichame-lijken wasdom bekomt, tot deszelfs opbouwing door de liefèe.quot;
Wanneer men dus gemeend heeft, bij het aanbreken van een nieuw tijdperk eenerlei kennis en belijdenis te mogen afeischen, in diepzinnige, niet door Jezus , noch de apostelen omschreven vraagstukken , dan handelde men buiten den voorgeschreven regel.
Door het voor beeldendienst in de plaats stellen eener afgodische vereering van begrippen , bracht men niemand nader tot de volmaking , maar men bevorderde daarmede allicht niet weinig het veinzen en liet onderwijl de onwetendheid, in eene hoogere en noodzakelijke geestelijke kennis , ongestoord voortduren.
§ 95. Uit het voorgaande blijkt dus duidelijk de noodzakelijk-
G4
heid van het behoud der ambten , totdat wij allen zullen gekomen zijn tot de éénheid des geloofs en der kennis.
De voorstanders van eene verderfelijke richting, hadden dus beter gedaan , in plaats van vaak de vruchtdragende leden van Christus\' lichaam te vervolgen en velen te doen dooden , werk te maken van het herstellen der vereischte en door God voorgeschreven middelen.
Waar wordt het bestaan van apostelen en profeten nog erkend?
Volgens de bovenstaande goddelijke bepaling kunnen zij niet tot volmaking der Gemeente gemist worden. Van deze ambten wordt, gelijk als van de gaven , echter algemeen beweerd , dat zij niet meer bestaan. Zulks echter bloot op grond, dat men het een en ander niet kan of wil onderscheiden.
Wij wenschen volstrekt niet eene leer voor te staan , die voor zulke ambten , gelijke macht en last als eertijds voorschreef, maar stellen ons alleen voor, dat uit zulke ambten stroomen zouden klare en heldere denkbeelden tot het verstaan , en krachtige daden lot het verbreiden der waarheid.
Als wij ojis bijv. in gedachten verplaatsen naar den tijd waarin Luther leefde, als wij hem konden zien arbeiden en hooren getuigen, dan zouden wij niet aarzelen hem als een apostel, loegerust met profetische gaven aan te merken. Zulke bijzonder krachtig toegeruste personen, zullen er te voren en daarna wellicht meer zijn geweest, doch of bij allen in gelijke mate als bij Luther; de arbeid openbaar kwam, meenen wij te mogen betwijfelen. Eene roeping zoo groot als van dien hervormer, die met zelfs vorstelijke bescherming begunstigd was, zal aan niet velen kunnen ten deel vallen. Vele verhevene krachten werken meer in stilte, vaak in bescheidener kring, maar brengen toch ook veelal groote uitkomsten te weeg.
§ 96. Sedert de uitvinding der boekdrukkunst werd de kennis algemeen verspreid. Wie iets had mede te deelen, of zulks slechts meende, stelde zijne gedachten in schrift en de menigte las. De drukkers konden echter geen censuur uitoefenen en dat was ook niet te begeeren, zoodat de pers ook een geschikt middel werd om vele dwalingen algemeen ingang te doen vinden. Naarmate verkeerde of onvolkomene begrippen onder allerlei vouwen en vor-
65
men , en zulks in een blijvend kleed , de menigte werden aangeboden, had eene volle toerusting dor Gemeenten een onderwerp van de grootste zorg der kerk behooren uit te maken. Niet steeds is men in staat aan den inhoud van boeken oen voldoenden , en zeker nooit spoedigen tegenweer te kunnen bieden.
Door dus toe te staan , dat begaafde personen vrijelijk , docli steeds ordelijk in de vergaderingen der Christenen zouden mogen spreken , had men het nadeel, dat soms de pers aan den godsdienst toebracht, op ingrijpende en spoedige wijze kunnen weerstaan. Ook voor eene behoorlijke ontwikkeling van gaven en krachten zou dan een open weg zijn behouden gebleven. Het gevaar dat bij een spreker, die altijd alleen spreekt, nooit kan worden tegengesproken , of beter voorgelicht, allengs het denkbeeld zou kunnen ontstaan, alleen de kennis te dragen , werd bij zulk een gebruik tevens voorkomen.
De waarde van het aan te brengen nut door hot verleenen van eene gepaste vrijheid om in de openbare samenkomsten te spreken, is inderdaad niet te berekenen.
§ 97. Zeer vroeg, zelfs reeds in de lilde eeuw worden sporen gevonden , dat men aan personen , door eene gemeente daartoe niet aangesteld toestond, in de kerken te spreken. Het bewijs daarvoor vindt men bij den kerkdijken geschiedschrijver Eusebius. \') Op zekeren tijd namelijk werd Origexes , die geen ouderling was, door den bisschop te Cesarea aangezocht, aldaar in het openbaar de Schrift te verklaren.
De bisschop ontving daarover eeno berisping van zijn ambtgenoot Demetrius, woonachtig te Alexandrië, waarna Alexander, bisschop van Jeruzalem, aan Demetrius antwoordde: „Gij zegt verder in uwen brief, dat het geheel ongehoord en nimmer ten dezen tijde gebeurd is, dat leeken eene redevoering doen, als er bisschoppen tegenwoordig zijn. Maar ik weet niet, hoe het toegekomen zij , dat gij daarin zegt, hetgeen duidelijk onwaar is ; want al waar mannen gevonden worden , die bekwaam zijn den broederen nuttig te stichten, worden zij van de bisschoppen aangemaand voor het volk te prediken, gelijk Euelpis te Larande;
\'j Kerk. Gesch. Euseb. VI. XIX , bl. 338.
66
Paülinus in Iconië en ïheodorus te Synnada, onze zalige broederen ; en het is waarschijnlijk dat zulks ook in andere plaatsen geschiedt , schoon wij het niet weten.quot;
Hier is dus eene poging tot uitsluiting geboekstaafd, en tevens het bewijs gevonden, dat het toen nog moeilijk ging een oud recht geheel te weren.
§ 98. De bevoegdheid om hetgeen in eene vergadering gesproken is, wanneer zulks noodig blijkt, dadelijk te mogen wederleggen , of dat gesprokene, goed geoordeeld zijnde, nader toe te lichten , of te bevestigen , heeft bij het verkondigen van eene dwaling dit groote voordeel, dat die terstond bestreden in de gemoederen der hoorders niet wortelen, en bij het openbaren van goede redenen hoorders en sprekers versterken kan.
Men gaf door aan de Christenen het recht tot spreken in de openbare samenkomsten te ontnemen en het daardoor onmogelijk maken van het openbaren van gaven , wel eenigermate den schijn, dat de naijverige geest der Joden, door den Heiland in de gelijkenis van den wijngaard voorgesteld, onder de woorden: „Deze is de erfgenaam , komt, laat ons hem dooden en zijne erfenis aan ons behoudenquot;, nog niet geheel was geweken.
Men weet , dat de erkende verklaring over de beleekenis van deze gelijkenis is , dat, door Jezus te dooden het volk in rust zou komen , de tempel en zijn dienst in stand blijven en de priesters in hunne bediening en hun gezag ongestoord zouden kunnen gehandhaafd worden.
Toch bestond ten aanzien van het spreken in de bijeenkomsten bij de Joden veel meer vrijheid, dan sedert een drietal eeuwen bij de Christenen.
§ 99. Vraagt men zich voorts ernstig af, of de christelijke macht, sedert de regeling van Cïriaan c. s. , ja zelfs na de hervorming der XVIlle eeuw, zoo merkwaardig krachtig is voortgeschreden, in haren invloed op de maatschappij, in de verhooging van het geestelijk leven der leden, in de beoefening der zending, in het levendig betrachten der volksgezondheid, dan kan het onpartijdig
Matth. XXI : 38; Luk. IV : 15—28; XIX : 47; Hand. IX : 2; XI1T : 5; XIX : 8: Openb. II : 20; Matth. IV : 23; X : 1; Luk. X : 9; Tit. Ill : 8, 14; Jes. LXV : 1—4.
67
antwoord in waarheid niet zeer bevredigend zijn. Het behartigen der volksgezondheid bijv., was eene zaak, die door Jezus bij de zending op den voorgrond werd geplaatst, blijkens den last aan zijne discipelen: „Geneest de kranken.quot;
Als men de betoonde zorg voor het lichamelijk welzijn , zal afmeten naar den toestand der beslaande gebouwen, bestemd voor den openbaren eeredienst, dan blijkt die niet zeer groot.
Over het algemeen vindt men in de oude gebouwen nog steeds graven, hetgeen , in verband met de opmerking van den profeet Jesaia: „van het zitten bij de gravenquot; in geestelijke beteekenis geen aanleiding kan geven, om aan de richting die het begraven in de kerken voorstond, den palm der eere toe te kennen.
§ 100. De geschiedenis schijnt den naam van hem, die dit gebruik invoerde, niet aan de vergetelheid te hebben willen onttrekken. Alleen vonden wij in dezen vermeld, dat ten tijde van Coxstantijn nabij een kerkgebouw uitsluitend werden begraven vorsten en zeer aanzienlijken. De Keizer zelf had bij zijn leven de begeerte uitgesproken \'j in het voorportaal van de kerk te Constantinopel, ter gedachtenis aan de apostelen gebouwd, te mogen rusten; aan welken wensch door zijn zoon voldaan werd. Sedert bekwamen aldaar ook eenige van zijne opvolgers eene plaats -). Wanneer
\') Evs. De Vit Constant. lib. 4 c. 71, p. 562; Cheys. Hom. 26 in cap. 12. 2 ad cor. p. 929.
\') Het duurde nog honderde jaren, aleer men binnen de kerken begroef, want blijkens eene verordening van Karel den Grooten werd het begraven in de kerken streng verboden. In het jaar 1566 was het in de kerken reeds in zwang. In de liturgische schriften van dien tijd komt althans een gebed voor, bestemd om bij het begraven voorgelezen te worden. Op last van de Nationale Synode van Middelburg echter, ten jare 1581, werd dat formulier uit den bundel gelicht en den drukkers gelast het niet meer in nieuwe drukken op te nemen.
Men werd dus allengs weer wijzer, maar men bleef toch steeds in gebreke in den winter de kille, dikke muren door verwarming der lucht te drogen en tevens de temperatuur in het gebouw op eene behoorlijke hoogte te brengen. De lucht aldaar, doorgaans gedurende de dagen der week afgesloten, kon onderwijl bezwangerd worden door muffe miasma\'s, opgestegen uit een bedorven bodem. Paart zich daarbij des Zondags de stikstof, vlijtig door de gloeiende kolen der stoven opgeworpen, en denkt men zich dan eene menigte van men-schen, die, zulk eene verdachte atmospheer, bijna twee uren lang onder een voortdurend stilzitten inademen, dan vereiacht het geene bijzondere geneeskundige kennis , om daarvan beduidende nadeelen voor de gezondheid der hoorders te doen onderstellen.
68
men echter aanneemt, dat de bijzondere geestelijke krachten en gaven en ook sommige ambten grootendeeis tot het verre verleden behooren, ja, dan laat zich de inderdaad treurige toestand geredelijk verklaren. Voegt men daarbij, dat tot het opleiden van leeraren, ten laatste vooral steun werd gezocht in academische hulpmiddelen , dan wordt hij hen, die zich onder eene andere regeling een beteren toestand denken, de teleurstelling niet verminderd.
De geneesheeren te Davos ontraden hunne patienten liet bezoeken van oude kerkgebouwen.
Ofschoon de Staat reeds veel verbeterde ten aanzien der scholen, mag het verwondering wekken, dat hij zijne zorgen nog niet heeft uitgebreid tot den toestand der kerkgebouwen.
De nadeelige gevolgen die vroeg of laat, uit het vertoeven in ongeschikte en met menschen somtijds overvulde lokalen, voortvloeien, zijn niet nauwkeurig aan te toonen. want men kan niet steeds met zekerheid den tijd en de plaats bepalen van het ontstaan eener ongesteldheid. Nochtans zijn de feiten niet schaarseh, waarbij reeds de „tochtquot; in sommige kerken ontwijfelbaar ernstige ongesteldheden te voorschijn bracht.
Een en ander staaft, dat in het algemeen de kerkgenootschappen in het belang van hare kinderen zich nooit bijzonder ijverig hebben getoond in het aanvaarden van de wijze raadgevingen eener empirische wetenschap, ten behoeve der lichamelijke gezondheid zoo vaak gegeven.
Voor hen, die niet weten wat miasma\'s zijn, zullen wij dit kortelijk trachten te omschrijven. ■— Als men door eeno kleine opening oen zonnestraal in een donker vertrek laat vallen, merkt men in dezen lichtstraal een menigte kleine lichaampjes op, die naar stof gelijken en zich in alle richtingen bewegen. Deze lichaampjes zijn van ongewenschten aard. Zij ontstaan uit fijne vergane dierlijke en plantaardige zelfstandigheden.
Behalve deze, zijn echter in de lucht ook nog andere stoften van denzelfden oorsprong aanwezig, die in volkomen oplossing in den atraospherischen waterdamp zijn opgenomen en die meer nog dan de zichtbare het hare toebrengen om de lucht besmettelijke eigenschappen mede te deelen.
Het zijn deze opgeloste zelfstandigheden, die men sedert lang met den naam van miasma\'s of bedorvene uitwasemingen en vervolgens in het algemeen ook als bacteriën enz. heeft aangeduid. Het ontstaan van koortsen en allerlei besmettelijke ziekten wordt aan zulke invloeden toegeschreven.
Wanneer dan Path\'s in zijn schrijven aan de gemeente van Efeze spreekt van een „overste van de macht der luchtquot; en van „geestelijke boosheden in de luchtquot;, dan kan men zich niet ongewaarschuwd achten tot het wijden van zorg aan haren toestand. ïe dien opzichte hoort men echter bijna nooit van kerkelijke zijde een toelichtend, of waarschuwend woord.
Sedert de toepassing van het glas voor gebouwen, waardoor de toevoer van versche lucht grootendeeis werd afgesloten, werden de gevaren veel grooter. Het gebruik van vensterglas dagteekent volgens Hieronymüs van de lilde eeuw.
69
§ 101. Algemeen wordt aangenomen, dat bij een natuurlijken bodem, zal die voldoende vrucht leveren, alles wat als doelmatig is voorgeschreven beproefd en daarin veel gewerkt moet worden, teneinde de vruchtbaarheid van den grond te verhoogen. In het geestelijke kan het niet anders gesteld zijn.
Men zou dus reeds tot het besluit kunnen komen, dat er op kerkelijk gebied niet steeds voldoende gearbeid is, althans niet
In het einde der Vide eeuw bezigde men dit te Brionde en Tours het eerst in de kerken en in do basilica van St. Sophia , in 027 te Constantinopel.
De empirische wetenschap leert, dat zonder zuivere lucht monsch noch dier gezond leven kan.
Eerst na 1774 werd op het voetspoor van Lavoisier ten aanzien van de scheikundige samenstelling der lucht voldoende kennis versameid.
De lucht leerde men , bestaat uit ongeveer \'/s volume zuurstof en 4/5 stikstof\'. Beide bestanddeelen zijn echter van tegenstrijdigen aard. Want de eerstgenoemde is heilzaam, leven onderhoudend, doch de laatste werkt doodend De zuurstof afzonderlijk is echter te sterk prikkelend en daarom door de wijsheid Gods vermengd met stikstof. In de bestaande verhouding werkt deze dus slechts werktuigelijk, om den invloed der zuurstof te temperen.
De lucht door mensch en dier ingeademd, wordt in de longen omgezet en als koolzuur uitgeademd. Dit is echter voor het dierlijke leven een sterkwer-kend vergift.
In een afgeslotene ruimte, waar de zuurstof door den mensch spoedig geheel verbruikt wordt, ontstaat dus, behalve den invloed van vocht en van verschillende nadeelige uitwasemingen, nog het nadeel, dat het koolzuurgas aan de gezondheid en het leven toebrengt.
Aanvankelijk werkt het koolzuur sterk op de zenuwen en men meent als vrij zeker te mogen aannemen, dat de heidensche priesters den overspannen toestand der priesteressen van Apollo te Delphi, die de godspraken deden hooren , te weeg brachten door middel van koolzuurgas. Het vertoon van krampachtige en verstoorde hersenwerkingen spruiten er althans uit voort.
Het zeer schadelijke van dit zuur bij een voortgezet gebruik bleek bijzonder toen ergens 146 gevangenen in een al te klein lokaal waren opgesloten. waarin de lucht alleen ververscht werd door twee venstertjes, die op een galerij uitkwamen. Er stierven van hen tengevolge de doodeude werking van het koolzuur en de smetstoffen, in acht uren tijds, niet minder dan 123, en zulks onder de hevigste folteringen des lichaams.
Zoodra reeds in eene beslotene ruimte de zuurstof is verbruikt, treden de nadeelige uitwerkingen van do stikstof, het koolzuur en der uitwasemingen onverdeeld op.
Stelt men zich nu de lucht voor als bestaande uit 1000 deelen, dan wordt die reeds nadeelig voor de gezondheid , als zij 3 deelen koolzuur bevat, al behield zij haar geheele V» gedeelte aan zuurstof.
De volgende tafel, vermeldende een gehouden scheikundig onderzoek, zal hier duidelijk kunnen spreken:
70
overeenkomstig bestaande voorschriften. Of acht men zulks juister: dat eene onvolledige organisatie eene betere uitkomst onmogelijk heeft gemaakt.
Naar de vrucht zal toch de aard van den boom wel mogen beoordeeld worden.
Sommigen hebben gewaagd te beweren, dat het samenkomen in den openbaren eeredienst door den apostel zou bedoeld zijn, toen hij de vermaning gaf: „En laat ons op elkander acht geven, tot opscherping der liefde en der goede werken; en laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten , gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen: en dat zoo veel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.quot;
Reeds liet woord „onderlingquot; doet vermoeden, dat het geene wijze van samenkomen was, zooals sedert lang gebruikelijk is , maar de bepaling van „elkanderquot; te mogen vermanen, tijdens de bijeenkomst, toont duidelijk aan, dat werd bedoeld een vergaderen volgens 1 Cor. XIV.
§ 102. De getuigenissen ten voordeele der onderlinge bijeenkomsten , bepalen zich niet alleen tot den tijd waarin de apostelen leefden, maar werden ook aanbevolen door de vermaardste leeraren dor oude kerk en ook door verschillende genootschappen van lateren tijd.
Ambrosius in zijne verhandeling van 1 Cor. XIV, staat het gebruik van de gave der profetie zeer voor. Chrysostomüs schrijft: „Nu behouden wij slechts van die gaven eenige gelijkenissen en teekenen, want ook nu spreken wij twee of drie bij beurten , en
Een slaapkamer, gelucht zijnde, van 2 pers., hield aan zuurstof 229.4, koolzuur 0.40. , „ in een hospitaal , 55 „ „ „ , 225.2, „ 8.—. , schoollokaal B 180 , „ „ , 000.0, „ 8.79.
„ kamer van afgevaardigden , G00 „ , , , 000.0, , 2.50. „ zaal eener comedie (parterre) , 1000 , , , „ 000.0, , 2.30. Igt;e bovenste loge.s , 1000 , , . , 000.0. „ 4.30.
Werd nu door de kerkgenootschappen in deze het bevel voldoende vervuld van: ,Geneest de kkankexquot;V
Er was, meenen wij, in dezen veel verbetering aan te brengen door een groot lokaal des winters te verwarmen met haarden, of door verwarmingsbuizen en het in den zomer en des winters, met behulp van een stoommachine van versche lucht te voorzien. De toestellen daarvoor bestaan reeds sedert vele jaren. In het voortreffelijk ingericht tentoonstellingsgebouw te Zurich in 1883, heeft men ook tot den gunstigen invloed dezer werktuigen kunnen besluiten.
Hebr. X : 24, 25.
71
de een zwijgende, begint de andere.quot; Nochtans beklaagt hij zich over weinig naarstigheid en vlijt.
Kardinaal Baroniüs geeft in zijne kerkelijke Historie, sprekende over de gemeente te Corinthe, tijdens het jaar 57, lof aan de gave der profetie. Hij getuigt dat men die altijd in de kerk zooveel mogelijk heeft bewaard. „Het isquot;, zoo schrijft hij: „geheel door eene Goddelijke Voorzienigheid gebeurd, dat nü dertig jaar geleden, (XVIde eeuw) naar de wijze der apostolische vergaderingen , door den apostel als het meest tot stichting bekwaam gerekend , en die bevolen heeft zulks tot bevordering der kerk te verrichten, wederom te Rome is ingesteld geworden , meest door toedoen van Fhilip Nerius Florentiner.quot;
De schrijver prees de gevolgen dezer bijeenkomst als bijzonder uitnemend.
§ 103. Een Nederlandsch geleerde Pontanus genaamd, geboren in de XVIde eeuw, maakte in een zijner geschriften over voorgaande mededeeling de opmerking, dat het verwondering mag wTekken, hoe Rome toen meer christelijke vrijheid bleek te gedoo-gen , dan thans midden in de vrijheid der reformatie, „ dewijl velen zulke vrijheid voor eene onlijdelijke zaak houdenquot;. ^
Voorts herinnert Pontanus, hoe tijdens de reformatie, de eerste en meest volkomene kerken, zich in dezen met loffelijken ijver hebben gekweten , onder welke bijzonder gunstig uitkwam de gemeente te Zurich. De wijze hoe het daar geregeld was , en met welk eene uitvoerigheid de onderwerpen besproken werden, verhaalt Bullingenus. Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, kreeg er evenzeer eene beurt, als de leerlingen der rabijnen. Als daar allen hunne wetenschap omtrent eene bijpelplaats hadden medegedeeld, trad ten slotte iemand op, die de gave der profetie had, en legde al het gehoorde op eene voor elk bevattelijke wijze uit. Men werd daar door de gave der talen en profetie gesticht.
§ 104. Bij het leven van Calvijn onderhield men in de stad Genève mede eene wijze van profeteeren, doch toen, volgens het verhaal van Theodorus Beza, den 16 October van het jaar 1551 zekere Bolcegus in de algemeene vergadering was gaan spreken,
\'j Tract, v. d, sichtb. kerke Christi door I. Postakus. Amst. 1660.
72
tegen het gevoelen van Calvijn , werd hij, bij het uiteengaan der vergadering , door den onderschout in hechtenis genomen, en daarna verbannen, onder bedreiging van geeseling zoo hij terug mocht keeren.
De „vrijheidquot; had alzoo op dat tijdstip nog geene uitgebreide beteekenis te Genève.
Volgens berichten, afkomstig van Jan Uitenhove van het jaar 1551, zouden in de oudste Nedeiiandsche gemeenten te Londen, onderlinge bijeenkomsten gehouden zijn. Van deze gemeente zegt de berichtgever: „Ten andere, zoo denke ik niet, dat onze Ne-derlandsche natie, vóór dezen tijd, ooit gemeenten gehad heeft waarin Gods Woord zoo zuiverlijk gepredikt is geweest, als in die der onze. Tn dewelke, boven de onderhouding der huisarmen, door den dienst der diakenen, behoorlijk gedaan, wij ook de we-kelijksche collatiën der Schriftuur, of profetie hebben, waarvan Paulus spreekt. In dewelke al de predikatiën der voorgaande weken door de predikanten gedaan, besproken worden. Alsdan stellen de ouderlingen , en zij , die daartoe uit de gemeente verkozen zijn , alles nader voor en lichten dat toe. Dan moeten de predikanten hunne leeringen zoo noodig verdedigen, en die uit Gods Woord bewijzen. Deze wijze van doen is het eenige middel, om de oprechte apostolische leer in de kerk te onderhouden en de conscientie der gemeente te bevestigen.quot;
§ 105. In een geschrift van Marten Micron \') leest men o. m.: „De profetie dan, die wij in onze gemeente houden, is niet anders dan uit het Woord Gods eene openbare beproeving der leeringen van de predikanten, waardoor de geheele gemeente grootelijks en op velerlei wijze gesticht wordt. Hierdoor wordt onderhouden eene eenstemmigheid in zin, dewijl een iegelijk ordelijk zijne twijfelingen mag voorstellen. Voorts worden er de harten van verzekerd , dat, hetgeen geleerd wordt oprecht en vast is. Alles wordt in het licht gebracht, beproefd en door Gods Woord bevestigd of bestreden. Men wordt gewapend tegen alle secten en dwalingen en velen worden bekeerd van hunne dwalingen , in dewelke velen door onwetendheid vallen. De dienaren worden door dit profeteeren uit hunne traagheid gedreven, en worden gedwongen naarstig te zijn,
\'J Tractact v. cl. Christ. Ordinantiën d. Ned.. Gem. Christi. London 1550.
73
getrouw en wijs. Zij kunnen geen nieuwe leeringen invoeren, nocli hardnekkig staande houden, maar zijn onderworpen aan 1 Cor. XIV: 12. „Laat de anderen oordeelenquot; en „de geest der profeten zij den profeten onderworpen.quot;
§ 106. De hoogleeraar Hoornbeek heeft uit de Harmony der Nederlandsche Synoden aangewezen \'), dat in de synoden van Wezel en Emden soortgelijk profeteeren is vastgesteld geweest. Er werd besloten: „dat in alle Kerken zoo eerstkomende, als gestelde, de order van profeteeren , volgens Pallus instelling zou onderhouden worden. Dat lot dit collegie zouden gekozen worden, niet alleen predikanten maar ook doctoren, ouderlingen, diakenen , ja uit de gansche gemeente, die hunne gaven van God ontvangen en tot algemeen nut dor kerk wilden aanleggen.quot;
In dien geest heeft ook Zwingliüs , de door hem gestichte gemeenten ingericht. Die ook getuigt heeft , dat het nalaten van de gaven der profetie, tot velerlei dwalingen en verval der kerke Gods noodzakelijk moest leiden. Met rleze apostolische inrichting der gemeenten stemt ook overeen Petrus Martyr 1).
Alzoo ook Guil. Amesius , vriend van Bogerman, schrijft2): „Vooreerst waren in de eerste kerk, zekere profetische oefeningen, onderscheiden aan de predikatiën. ïot die oefeningen werden toegelaten , niet alleen de dienaars , maar ook de voornaamsten en meest geacht en onder de broederen , naar de gaven die zij hadden ontvangen. Hel was ook aan andere mannen uit de gemeente geoorloofd hunne twijfelingen, met orde en zedigheid, om alzoo te mogen leeren, voor te stellen , opdat zij meer ervaren zouden worden. Deze oefening waar men die geschikt kan invoeren, mag niet veracht worden. Vooral niet, omdat die overeenkomt met de instellingen der apostelen. — Ook omdat zij bijzonder dienstig is, om de geestelijke gaven in een ieder der geloovigen op te wekken, te voeden en te vermeerderen, en eindelijk, omdat zij de onachtzaamheid en nijdigheid wegneemt, en de liefde onderhoudtquot;, enz.
Wij stelden ten slotte vooral dit getuigenis voor, omdat hij de man
1
\') Cap. V.
2
) Socor. comm. dasse IV. Cap. I.
*) Tract, v. cl. gevallen der conscientie. Boek IV : 15 vraagstuk.
74
was die riemen papier vol schreef, tegen alle van het gereformeerde standpunt afwijkende richtingen.
Ook in cle Nederlandsche kerk werd volgens verschillende geschiedschrijvers ^ de profetische werking geruimen tijd gehandhaafd, maar in 158G, na de ontwikkeling der academische opleiding, door het beleid van de Staten uit de kerk gedrongen , afgeschaft, en de openbare uitoefening er eindelijk van verboden. Door de academisch gevormde „proponentenquot; zou de ledig geworden plaats voortaan worden ingenomen. Deze wijziging schijnt echter niet veel vrucht te hebben voortgebracht, want wij vonden er nergens nader melding van gemaakt.
§ 107. De indruk die de gave der profetie, door haren krach-tigen invloed op het gemoed en de rede der hoorders- weet te maken , is, volgens Paulus, van zulk een diep ingrijpenden aard, dat de ongeloovigen en ongeleerden , aan hare werking onderworpen gesteld, nedervallen en God aanbidden.
Onderwijl meende men , dat tegen het ontbreken der oorspronkelijke gaven, een tooneelmatig vertoon kon opwegen. Gemaakte houding en spraak, aangeleerde gesten voor de beweging van armen en handen , een Fransch costuum en later een Romeinsche toga tot kleeding. Vervolgens eenige studie in de uitlegging van bijbelteksten en dan het onderzoek in schrift te zamen gebracht maar dat altijd, volgens het voorbeeld van den kanselredenaar Vignet, in drie gelijke deelen versneden behoorde te zijn. Op een galmende wijze, der „preektoonquot; genaamd, wordt het aldus vervaardigde orakel op het bepaalde tijdstip over de hoofden der aandachtige en stilzittende scharen, uitgegoten.
Voor een wetenschappelijke voordracht, kan zulk een te voren vervaardigd opstel waarde hebben , maar volgens de aanwijzing der Schrift, kan het de profetie niet vergoeden. Gelijk het manna verzameld moest worden , voor eiken dag en God zich steeds in de Schrift doet kennen , als een God van het heden ; evenals aan de discipelen verboden werd, in de ure van verantwoording , vooraf te bedenken wat zij spreken zouden, en aan „ den getrouwen en voor-
\') Geschiedenis der Ned. Here. Kerk, Ypey Dekmovt. 1 dl. Ijladz. 384, 386; Wagenaau, Opk. v. Amsterd. Dl. III. B. III, blz. 214. — 1 Cor. XIV : 24, 25. 1 Sam. XIX : 20—24.
75
zichtigen huisbezorgerquot;, werd gelast dat hij ter rechter tijd het bescheiden deel spijze zal geven , kan het vooraf schrijven eener preek niet het ware middel tot stichting zijn.
§ 108. De geest der profetie zal daarom op eenvoudige, en dus n-are wijze, de gedachten der personen, die in een vergadering tegenwoordig zijn oordeelen en hen naar hunne oogenblikkelijke behoeften bestraffen , onderwijzen of vertroosten — en zich onder eene van leven schier tintelende en altijd duidelijke, ofschoon soms diepgaande Schriftverklaring, onnavolgbaar openbaren. Dat, vertrouwen wij, zijn vooral de oorzaken , waarom die gave zulk een ingrijpenden indruk kan maken , dewijl elk zijn beeld en toestand in het gesprokene als weervindt en onwillekeurig gaat vragen : „zegt de spreker dat op mij, hoe weet hij dat?quot;
Wij herinneren aan deze dingen volstrekt niet om iemand te ergeren , allerminst om te spotten, maar bloot om het ware van het valsche te doen onderscheiden. Dat men aan zulk eene onderscheiding in den regel weinig waarde hecht , weten wij bij ervaring, maar dan zal men in zulk geval ook niet ernstig denken, aan de vele en dringende waarschuwingen , die Jezus, tegen de verleiding in zijnen naam beproefd, geuit heeft. Tegen verleidingen, van zulk eenen fijnen en medeslependen aard , dat bijna het geloof der uitverkorenen er onder zou bezwijken.
Men meene toch niet, dat de profetiën , loeringen en beschreven toestanden in de Schrift, van een tijdelijken en voorbijgaan-den aard zijn ; wat wij in § 1 en 2 hebben gezegd , is hier van volle beteekenis. Voor het tegenwoordige blijven dus ook , al is het onder gewijzigden naam en vorm , gelijke secten , dwalingen en misbruiken bestaan als vroeger, want de Schrift is en hare leeringen zijn , in beteekenis eeuwig en onveranderlijk.
Helaas, in plaats van de waarschuwing: „Bluscht den Geest niet uit. Veracht de profetiën nietquot;, in waarde te houden, is men er niet voor terug gedeinsd haar te veronachtzamen , onder het inslaan en daarop voortgaan van eenen eigenwilligen en kunstmatig aangelegden weg.
De kerkgenootschappen en hare bestierders blijven steeds het meest verantwoordelijk voor de onkunde en den afval van de leden des genootschaps en zelfs voor de toestanden der maatschappij en de tegenspoeden en oordeelen die deze treffen ; want zij behoorden te
70
bevatten en te \'verspreiden het zout en de kracht die alles doordringen en voor het bederf bewaren zouden en daardoor de consequente gevolgen van straf voorkomen of keeren.
De verantwoording moet dus zeer zwaar en belangrijk zijn volgens de Schrift.
Echter worden even als vroeger (zie § 80 en verv.) over het algemeen nog geene opmerkingen tot bestrijding van misbruiken ten dien aanzien geduld; al zijn zelfs de teekenen van ontbinding reeds voor elk waarneembaar. Zelfs verdroeg men dat van Jezus niet.
§ 109. Aan de vruchten verklaarde de Heiland, zal men den boom kennen. Het kan dus nooit als een bewijs voor waren godsdienstzin gelden, noch van eenen goddelijken oorsprong getuigen , als men in geestelijke dingen dwalende personen lijfstraffen bezorgt, of die op andere wijze vervolgt, wanneer de wetten des lands en de burgerlijke overheid het eerste beletten. In begrippen dwalenden, lichamelijk te pijnigen! Er mag hier gevraagd: wie van de menschen heeft nooit gedwaald? „Wij dwaalden allen als schapenquot;, leert de Schrift. Bijzonder echter geven de dwalenden veelal bewijs van iets beters dan zij bezitten, te zoeken; van een ijver en toewijding aan hunne denkbeelden; zij begeeren meer licht of zekerheid voor eene zaak. Bovendien, mogen wij ons een beeld veroorloven , dan is het dwalen den schapen, meer eigen dan de bokken.
Maar antwoordt men wellicht: „de straf was ook doorgaans niet gericht tegen dwalenden, maar tegen „kottersquot;. De Schrift leert echter wel dezulken — die ook noodig waren, om de oprechten openbaar te doen worden — buiten de gemeenschap der geloovigen te stellen en verder als heiden te bejegenen. Waaronder wij verstaan hen met betoog van redenen en een aantrekkelijk voorbeeld zoo mogelijk te winnen en tot eene betere overtuiging te brengen.
Ketterij is naar de Schrift, gelijk te stellen met tweedracht, twisting enz., maar waar zou het heen, als alle overtreders in deze
1 Thess. V ; 19, 20; Matth. XV : 9; Jer. XX1I1 : 15; Ezech. III : 17, 18; Dan. IX : 5—14; Hebr. IX : 7; Matth. V : 13, 14; Num. XXVIII : 1 ; Lev. XVI : 33; 1 Cor. IX : 16; Jüh. VIII ; 37; Amos. V : 10; Matth. VII ; 17—20; Jes. LUI : (5; Ps. CX\'IX: 176; Hebr. V: 2; 1 Cor. X: 19; Tit. Ill: 10; Matth. XVIII: 17; Gal. V : 20; Kom. XIII : 4.
77
moesten gedood worden ? Misvattingen in het verstand, in begrippen , zijn zeker door geen lijfstraffen te genezen, terwijl de vergrijpen tegen de zeden en de maatschappelijke orde zijn beperkt tot het gezag der burgerlijke overheid.
§ 110. Hoe zal men het echter mogen noemen, wanneer men innig overtuigde geloovigen tot ketters durfde verklaren, en hen onder zulk voorgeven deed vonnissen, martelen en dooden ? En dit had in den loop der eeuwen niet bij tien- maar bij honderdduizend tallen plaats. Doorgaans geschiedde dat in naam der kerk , ook in dien der „rechtzinnigheidquot; — ofschoon dan niet zoo hevig en talrijk , maar toch nog al beduidend — en dat bijna altijd op aandrang of onder medewerking van de leiders der aldus zeer zwaar overtredende kerkgenootschappen.
Nu mag men de zaken keeren of wenden zoo men wil, maar zoo lang men tot een genootschap behoort, dat aldus heeft gehandeld, is men zedelijk mede verantwoordelijk. De uitspraak van Jezus getuigt zulks, als Hij zegt: „Wee u, want gij bouwt de graven der profeten, en uwe vaders hebben dezelve gedood. Zoo getuigt gij dan, dat gij mede behagen hebt aan de werken uwer vaderen, want zij hebben ze gedood, en gij bouwt hunne graven.quot;
Wij zouden aan deze dingen niet afzonderlijk herinneren , ware het niet, dat het ongeloof, al de bedreven gruwelen, op naam van God, of ter verantwoording van de christelijke leer stelt.
De vrouw, „dronken van het bloed der heiligenquot;, moge de ver-antwoordinquot;- en gevolgen van hetgeen zij deed, zelf dragen. Men mag daarom niet de lastering onweersproken laten, die uitsluitend hare schuld aan God, aan de Gemeente, of aan de leer van Jezus poogt te wijten.
§ 111. Ofschoon men sedert eeuwen reeds, zich ook schier dronken maakte, door allerlei vreemde leeringen, wat doorgaans de grondslag uitmaakt van verkeerde daden, drongen do verschijnselen der overtredingen op elke plaats te voorschijn. De aanvallen tegen de onfeilbaarheid der Schrift, tegen de Godheid van Christus , bleven niet langer, — in overeenstemming met do onderscheiding van Petrus — als eene verderfelijke ketterij voorgesteld , maar na be-
Luk. XI : 47—50; Matth. XXIII : 35, 30; Jol). XVI : 2; Openb. XXVII : C; XVIII : 4, 5; 2 Petr. II : 1; Jes. XXY1IT.
78
dektelijk te zijn ingevoerd, bij velen op den kansel en in geschriften als waarheid gehuldigd. Het woord door Jesaia gesproken, ten opzichte der dronkenen van Efraim verkrijgt bij dit onderwerp op nieuw eene levene beteekenis. (Zie § 1 en 2).
Ook nu mag gevraagd: „Wien zou Hij dan de kennis leeren? en wien zou Hij het gehoorde te verstaan geven? den gespeenden van de melk, den afgetrokkene van de borsten?quot;
De redelijke en onvervalschte melk , de volle en rijke schatten , die de gemeentelijke rijkdommen opleveren, en door den profeet op eene andere plaats worden voorgesteld als de ,borsten der vertroostingquot;, verwisselde men grootendeels tegen een meer prikkelenden drank, vermengd met de toevoegselen eener valsche wetenschap. Men liet ongestoord de weiden der schapen vertreden , en de wateren tot lessching van hunnen dorst bestemd, vermodderen. Het verstaan der Schrift werd zeldzamer en daarom werd zij voor velen een Woord van «gebod op gebod, regel op regelquot;, dat bij sommigen tot be-spotling en minachting er van leidde.
Dat was de oogst der overheersching en zulks door onbevoegden, terwijl de rampzalige gevolgen der Schriftbespotting voor landen en volken niet uitbleven.
§ 112. Steeds blijft daarom de raad van kracht: „Gaat uit van haar, mijn volk! opdat gij aan hare zonden geene gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plage niet ontvangt, want hare zonden zijn de eene op de andere gevolgd tot den hemel toe, en God is barer ongerechtigheden gedachtig geworden.quot;
Ofschoon de huizen der oudste genootschappen aan den grooten weg zijn gebouwd en de deelnemenden gewoon zijn met zekere ge-ringschatling neèr te zien op hen die minder talrijk of . minder aanzienlijk vergaderen, kan men toch bezwaarlijk de richtingen , die men als afwijkend van de ware beschouwt, doch waarvan sommigen zich niet te min beijverd hebben de leer der Schrift onveranderd vast te houden — al was het dan ook niet bij allen , in alles naar eene gezonde lezing — beschuldigen , geloofsvervolgingen te hebben uitgeoefend. Wij noemen bijv. : de Albigensen , Waldenzen , Llthersciien , doopsgezinden en vooral de collegianten enz.
§ 113. Zou men zich eindelijk genoodzaakt zien onder de vele bestaande richtingen eene keuze te doen — dewijl toch een van
79
allen het meest recht moet gaan — dan zal men die niet behooren te zoeken, uitgaande van plaatsen, waarvan de geschiedenis leert, dat daar werden benauwd, geschaad en gedood zij, voor wie Jezus zijn leven gaf.
Als tweede eisch wordt dan geboden geen aansluiting te beproeven, daar waar de Godheid van Christus wordt betwist en waar geen acht wordt geslagen op een werkzaam en deugdzaam leyen. De keuzc zal dan vermoedelijk niet kunnen vallen op inrichtingen , die hoe eerwaardig ook door ouderdom, wetenschap en invloed, toch niet den gestelden toets op den oorspronkelijken keursteen zullen kunnen doorslaan.
Kan men dus op de plaats, waar men woont, noch in de nabijheid een genootschap vinden , dat zich in de samenstelling eener gemeente regelt naar de eisch en door Jezus en zijne apostelen gesteld, maar is eene afzonderlijke verzameling van geloovigen (zie § 55 en g 73) zonder des noods gemeentelijk te zijn ingericht, te bereiken dan is het raadzaam zich daarbij te voegen. Bestaat die ook niet, of belooft zij weinig vrucht, dan wordt het vormen van een huisgemeente plicht, wat, werd zulks algemeener betracht, hoogstwaarschijnlijk spoedig leiden zou tot eene onderlinge vereeniging. Hiermede zou men zich op den oorspronkelijken bodem brengen. (Zie § 12 en §27) en voorts overeenkomstig met de huisgemeenten, waaraan Paulus zijne groeten zond., en die daarbij ook niet uilsluitend van één gemeente, maar van vele heeft melding gemaakt. Tot de Romeinen zegt hij namelijk: „Groet al de gemeenten dei-heidenen.quot; Zulks ook ten aanzien van liet huis van Stefanas ; waarbij hij zelfs beveelt: „Dat gij ook u aan de zoodanigen onderwerpt, en aan een iegelijk, die medewerkt en arbeidt.quot; (Zie g 60, 67.) Hier was dus de hooge waarde eener huisgemeente en van eiken op zich zelf staanden arbeid ten volle erkent.
§ 114. Ten opzichte van het gebruik der sacramenten herinneren wij aan hetgeen reeds gezegd is bij g 34 en g 35.
De doop en het avondmaal werden door Jezus ten behoeve der geloovigen ingesteld. De doop staat niet in rang boven de evangelieprediking, maar daaronder; hetgeen ook blijkt uit Paulus\' op-
Joh. XVII : 20; Hand. If : 38, 39, 41, 46; XIV : 21; Hebr. X : 25; Rom. XVI : 3—5; 1 Cor. XVI : 15, 16.
80
merking, dat Christus hem niet gezonden had om te doopen. De doop toch was een gevolg der overtuigende prediking. Het prediken als het voornaamste, was aan hem opgedragen, het doopen kon hij aan anderen overlaten. Paulus was echter bevoegd te doopen. De last tot prediken en doopen is door den Heiland, zonder die te scheiden, gegeven. Elk, die bevoegd is om den volke tot discipelen te maken, door het getuigenis van Jezus te verspreiden, heeft derhalve ook bevoegdheid tot het toedienen der sacramenten, maar zulks ten opzichte des doops bij voorkeur onder getuigen, leder, door Gods Geest bevestigde geloovige in Jezus en zij alleen , zijn tot dezen werkkring, naar hat getuigenis der Schrift, geroepen en bevoegd.
§ 115. Tot het verkrijgen van het geloof in Jezus wordt — gelijk wij reeds herhaaldelijk konden herinneren — vereischt het geloof aan, en dat doorgaans gevolgd wordt met het in de Schrift zien — van zijne Godheid. Een eisch, bij herhaling door den apostel Johannes, die op zoo ingrijpende wijze voortdurend poogt, anderen voor zijne innige overtuiging te winnen — op den voorgrond gesteld en door verhevene redenen aannemelijk gemaakt. Was het een Paulus , die uit de volheid des gemoeds en der overtuiging Hem noemt: „den Koning nu der eeuwen, den onverder-felijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in allo eeuwigheid• — Johannes geeft echter wel het sterkste getuigenis der Schrift, door de herinnering aan de beschrijving die Jesaia gaf, bij de aanschouwing van do heerlijkheid van Jehova, met de woorden: „Dit zeide Jesaia, toen hij zijne heerlijkheid zag en van Hom sprak.quot;
En vraagt men: „Hoe komt men aan dat geloofquot;, dan kan- het antwoord eenvoudig dit zijn: door hot onderzoeken der Schrift en door in den Naam van Jezus God te bidden om Zijnen Geest, want niemand kan zeggen dat Jezus den Heere is, dan door den Heiligen Geest.
Hand. II : 41. 40; 1 Cor. XI : 20—27: I : 16, 17: Matth. XXVIII : 19; Hand. II : 39; Joh. XVII : 20; Joh. XIV : 9; 1 Tim. 1 : 17; Joh. XII : 41; Jes. VI: 1—5; Joh. XVI : 23; Matth. VII : 8—11; 1 Cor. XII : 3.
LEEUWAliDEX .
\'1 lt;\' Ö1\'ER A Tl KV Iquot;. 11A V | gt; I; LSD R IK KEK IJ.