-ocr page 1-

Christus en het Oude Testament.

Mei, een Voor- en ÏTasclirift

naar aanleiding van

. HOEDEMAKER\'s „Als Verleiders en iioclitaus WaaracMipquot;

DOOR

-ocr page 2-

E. oct.

1796

-ocr page 3-

,

.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

Qhristus en het Oude Testament.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

w

O \' /

Christus en het Oude Testament.

Met oen Voor- en Naschrift

naar aanleiding van

Dr. HOEDEMAKER\'s „Ms Verleite en nochtaiis WaaracMigeiiquot;,

«L

Dr. J. J. P. VALETON Jr.

Hoogleeraar te Utrecht.

\'i T\'i/y

|V

N IJ M E G E N ,

Firma H. TEN HOET.

1 89 5.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

1782 1228

-ocr page 8-

Gedrukt bij F. E. Macdonald te Nijmegen

-ocr page 9-

In den laatsten tijd heb ik btj verschillende gelegenheden in het publiek en in private gesprekken tegen de wijze, waarop ook ik meen de studie van het Oude Testament voor en met mijne leerlingen te moeten beoefenen, het bezwaar hoeren inbrengen, dat men daarmee in botsing komt met uitspraken des Heeren, en dat daarom die in Jezus Christus gelooft, zich eigenlp van deze studie moet onthouden.

Dit is de aanleiding voor het schrijven en uitgeven van de volgende bladzijden. Zü bevatten — hier en daar uitgebreid — de toespraak, waarmede ik mijne lessen voor den cursus 1895/96 opende. Ik geef ze in het licht in de hoop en met de bede er eenig misverstand door uit den weg te ruimen, en, al zal ikwaar-schünltjk van hen die in geheel andere richting arbeiden, niemand overtuigen, iets te doen ophouden van den maar al te dikwyls gekoesterden, soms openlijk uitgesproken argwaan als zou ook in myn onderwys het ongeloof aan het woord zijn.

Van deze uitgave maak ik gebruik om aan het einde enkele detailpunten uit het Woord van Verweer vanDr.Hoedemaker tegen mijne bespreking van zijn boek: de Mozaïsche oorsprong van de Wetten in Exodus, Leviticus en Numeri te behandelen.

Het is mij daarbij niet te doen om gelyk te hebben, maar aan de lezers van myn artikel in de Stemmen voor Waarheid en Vrede achtte ik mij verplicht te toonen dat mijne critiek van Dr. Hoedemaker\'s boek waarlijk niet zoo lichtvaardig en ongegrond was, als het Woord van Verweer, bl. 6, het voorstelt.

-ocr page 10-

6

Naar volledigheid heb ik niet gestreefd. Om bijzondere redenen vo eg ik er de bespreking aan toe van eene daarvan geheel onafhankelijke questie.

Eindelijk nog een enkel woord vooraf. Ik spreek van Jezus Cheistus. Dr. Hoedemaker in zijn bovengenoemd Woord van Verweer, zegt bepaald met het oog op my; „en als zü — de critici — spreken van den „Christusquot;, vraag ik: welke Christus?quot;

Ik versta die vraag niet, althans ik hoop dat ik ze niet versta, want voorzoover ik dat wel doe, vind ik ze vreeselijk. Welke Christus? Met Paulus vraag ik: „is dan Christus gedeeld?quot; is er meer dan één Christus? is er een Christus voor Dr. Hoedemaker en een andere voor mij en een andere voor ik weet niet wien?

Of----spreekt Dr. Hoedemaker alleen van begrippen? en verwart

hij dezen met den levenden persoon?

Er is maar één Jezus Christus, de levende Heiland, door wien èn Dr. Hoedemaker èn ik hopen zalig te worden; en op de vraag welke ? antwoord ik: die.

Dezen Jezus Christus — Dr. Hoedemaker en ik en wie anders ook, wij kennen hem voor zijn aardsche leven alleen uit de Evangeliën. Andere bronnen hem aangaande — enkele woorden uit de Handelingen en Brieven niet mede gerekend — zyn er niet. Dat er eene hoogere, geestelijke kennis van den Heer is — vandenver-heerl ykte, die dood is geweest en zie hij leeft, die door zijn Geest de gemeente gesticht heeft en den mensch doet worden wedergeboren en zondaren maakt tot kinderen Gods, — ieder die in hem gelooft, weet het. Het is de persoonlijke band die hem aan den Heiland, den eenigen, die ook zijn Heiland is, bindt. Maar ook deze kennis zal moeten worden getoetst aan en levend gehouden door, in de eerste plaats, wat de Evangeliën ons aangaande zijn aardsche bestaan mededeelen; en dan aan en door wat zijne eerste getuigen verder in de andere boeken des Nieuwen Verbonds van hem zeggen. Deze geven — laat mij zeggen mogen de clas-sieke uitdrukking aan ons geloof.

In de Evangeliën worden ons vier beelden van hem geteekend. Het is niet altoos gemakkelijk het goede gezichtspunt te vinden, waaruit deze bezien moeten worden om als in een dubbele stereo-scoop elkander te dekken, en zoo voor het oog des geestes één beeld te vormen. Maar toch dat oogpunt is er en het wordt ook gevonden. Eigenlijk moet ieder, die studie van deze dingen maakt, het weer op nieuw vinden. Vaak is het do eonvoudige, die het

-ocr page 11-

7

voor zich zelf het eerste vindt, ook al kan hij het door hem verkregen beeld niet zoo dadelijk aan anderen laten zien.

In ieder geval, er is maar één Christus, en die doet als waren er meer, zegt dat er geen is. En die tot een ander, die ook belijdt in Christus te gelooven, zegt dat hij een anderen Christus heeft, zegt of eene dwaasheid, cf maakt hem in den grond der zaak voor een leugenaar uit, of geeft zich zelf een slag in het aangezicht.

Er is maar één Christus, onze gezegende levende Heiland. Onze kennis van hem is gebrekkig, zeer gebrekkig, zoowel de intellec-tueéle, die de eerste is welke wij uit de Evangeliën putten, als ook de zedelijk-geestelijke, die de vrucht en het kenmerk van ons geloofsleven is.

Van daar allerlei verwarring en strijd. Wij kunnen vaak zoo moeilyk gelooven dat ook de andere iets van die kennis heeft, en ons daarom vaak niet begrijpen hoe zoo verschillende opvattingen en waardeeringen mogelijk zijn van dien Eenen, die altoos dezelfde is, en wiens beeld ons betrekkelijk zoo helder voor den geest staat.

Laat ons voorzichtig zijn! Ik ken Jezus Christus slechts zeer gedeeltelijk, maar ik durf vermoeden dat ook Dr. Hoedemaker dit zelfde wel van zich zelf verklaren zal. En ook met de Kerk is dit het geval. Nog meer; ik geloof dat de Kerk menigmaal in vroegere en latere dagen met de beste bedoelingen, gedreven door de loffelijke zucht om toch zoo nauwkeurig mogelijk in formules te brengen wat zij in Christus bezat, ondanks haar zelf, er veel toe heeft bijgedragen om voor menigeen de kennis van den levenden Heiland te verduisteren en die te omhullen met en te begraven onder redeneeringen en philosophemata en begrippen, juist gedacht misschien, maar waarbij de Heer zelf op den achtergrond treedt. Zij heeft daardoor voor menigeen den weg gebaand tot uitgesproken ongeloof of — wat toch ook ongeloof is — tot d o o d e rechtzinnigheid.

In de volgende bladzijden spreek ik over Jezus Chbistus en het Oude Testament. Zal men weer vragen: welke Christus? of misschien ronduit ontkennen — Dr. Hoedemaker deed het „kort en goedquot; gelijk hij zelf op de laatste bladzijde van zyn Woord van Verweer zegt — dat ik spreek over den Eenigen die er is, „in wien de volheid Gods lichamelijk woont, de Christus aan wien wij genoeg hebben in leven en in stervenquot;?

Ik zal het afwachten. Ik heb gebruik gemaakt — natuurlijk — van de zeer gebrekkige, maar daarom, naar ik hoop, toch niet on-

-ocr page 12-

8

juiste kennis, die ik van den Christus bezit. Wat zou ik anders doen? Ik heb mij in mijn bespreking gehouden aan wat de Evangeliën my leerden over het onderwerp, dat mij bezighield, en ik heb getracht dat tot zijn recht te doen komen en het te plaatsen in het m. i. juiste licht.

Met het verschil dat in de mededeeling van \'sHeeren woorden tusschen de Evangeliën bestaat, heb ik mij over het geheel niet ingelaten, en alleen waar ik meende het voor mijn onderwerp noodig te hebben, er de aandacht op gevestigd. Het was mij natuurlijk om de hoofdzaak te doen, en die is ook op dit punt — ik ben in deze overtuiging ook door dit onderzoek weer versterkt — bij allen dezelfde. Dat er meer, veel meer over te zeggen zou zijn, weet ik, maar ik moest mij beperken. Toch meen ik het voornaamste besproken te hebben.

In theologisch standpunt, in inzicht, in blik op de dingen, in verstandelijke kennis, in scherpte van denken, en in tal van andere dingen die zeer zeker van groot gewicht zijn, ook, mede als gevolg van dit alles, in onze verhouding tot de uitwendige verschijning der Heilige Schriften, zal altoos wel groot verschil blijven bestaan ook tusschen degenen, die, om met den tweeden brief van Petrus te spreken, „even dierbaar geloof verkregen hebbenquot;. In theolo-gicis, ook in dat gedeelte daarvan dat betrekking heeft op de boeken des Ouden Verbonds, zal, moet dientengevolge de strijd blijven; en ik vlei mij niet, dat ik door de volgende bladzijden in den stand daarvan eenige verandering brengen zal.

Maar één ding ware niet noodig, en dat is, dat men Jezus Christus trekt in den stryd! Myn streven is geweest voor het vak mij toevertrouwd dat aan te toonen. Waar wy ook staan, en hoe wij ook denken. Hij blijve ons vrede geven voor onze ziel en moed voor den dagelijkschen arbeid!

-ocr page 13-

V x x xtx xfx xV, xfx xfx.xtAxt^ gt;t* gt;t^..^t^..^t^ .^t^ quot;*gt;t^ quot;/

^\'jrlx\'Vix\'VJx* ^x\'Vïx\'VIx\'V^x V|X* V|x Vïx\'VJx\' xlx\'Vix\' ^x\'Vix gt;ix*V|x x^xV^x\'V^x\'^

De studie van het Oude Testament heeft voor ons twee zijden: een zuiver wetenschappelijke, die zich bezighoudt met de uitwendige verschijnselen, en een gods-dienstig-theologische, waarbij het voornamelijk te doen is om waardeering.

Deze laatste wordt uit den aard der zaak beheerscht door ons geloof in Christus, is daarvan te eenemale afhankelijk. Daarentegen laat dit geloof het wetenschappelijk onderzoek vrij, oefent daarop niet anders dan ethi-schen invloed.

Het geloof is een van de belangrijkste elementen in de vorming van de persoonlijkheid. De in Christus ge-loovige is een ander mensch dan die niet in Christus gelooft. Vandaar dat zijn levens- en wereldbeschouwing anders zullen zijn, en zoo ook zijn blik op de dingen en zijn waardeering er van. Hij zal andere dingen mogelijk, waarschijnlijk, geloofwaardig achten. De dingen zullen anders dj) hem inwerken. Zoo zal b. v. een in Christus geloovige onmogelijk naturalist kunnen zijn. Hij zal niet blind kunnen zijn voor de leidingen Gods in de geschiedenis, noch voor zijn openbaring, d. i. voor het steeds nader treden van God.

De aard van den boom bepaalt den aard van de vrucht.

-ocr page 14-

10

Maar ook andersom: kennis van de vrucht maakt dat men den boom eerst werkelijk kent. Zeg mij wie Jezus Christus de Israëliet voor u is, en ik zal u zeggen wat het Israëlietische volk voor u moet zijn. De zaligheid is uit de Joden; dit is het voordeel van den Jood, dat hem de woorden Gods toevertrouwd zijn. Die het Woord heeft gehoord, kan ook niet doof zijn voor het spellen der letters dat aan het volle spreken vooraf is gegaan. „God voortijds in velerlei deelen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken dooiden Zoon.quot; De wortelen der Nieuwe Bedeeling liggen in de Oude. „Novum Testamentum in vetere latet, Ve-tus e Novo patet.quot;

Dit alles — het is waarlijk geen declineering het te zeggen — is een zaak van geloof, derhalve van waardeering, van een openstellen van den inwendigen mensch voor de dingen — sterker nog: voor de aanraking — Gods. Voor den Evangeliedienaar is deze zijde der Oud-Testa-mentische studie de belangrijkste. Toch is studie hierbij niet het voornaamste. Hier vooral geldt dat de uitgangen des levens zijn uit het hart.

En daarnaast staat de wetenschappelijke zijde — ana-lytisch-synthetisch — voor de mannen van studie. Ik zal natuurlijk niet zeggen, dat het daarvoor onverschillig is of men al dan niet in Christus gelooft, dat het er geen invloed op oefenen zal, en dat vooral ook de wijze waarop men de dingen aanvat, er niet door zal worden beheerscht. De verschillende zijden van \'s menschen geestelijk leven zijn nu eenmaal niet als door een muur van elkander gescheiden; en bovendien, ook bij den meest streng wetenschappelijken arbeid blijft er altoos zooveel speelruimte over voor verschillende combinatiën, verschillend inzicht en dus ook verschillende waardeering, dat het subjectieve element, de persoonlijkheid, nooit ge-

-ocr page 15-

11

heel zal kunnen worden buiten gesloten, en daarmee dus ook niet de invloed van het geloof.

Toch is hier onderscheid. Bij het wetenschappelijk onderzoek is het te doen om kennis der verschijnselen. Men kan daarbij nooit verder gaan dan waartoe de wetenschappelijk bruikbare gegevens in staat stellen, maar men moet deze ook allen gebruiken, en ieder daarvan op zijne eigene plaats.

Kennis is hier het doel, en methode de weg. Niet om beschouwing van het meer of min gekende is het te doen, maar om kennis door onderzoek. Voor de objectiviteit der verschijnselen treedt de subjectiviteit van het inzicht zooveel mogelijk terug.

Voor ons liggen de boeken des Ouden Verbonds. Zij zijn in ons bezit gekomen op eigenaardige, maar toch in den grond der zaak niet andere wijze dan andere soortgelijke boeken. Of er is geen wetenschappelijk onderzoek van mogelijk -- en dat te stellen ware een streep halen door geheel deze zijde van de theologische studie — of dit onderzoek moet w7orden ingesteld op de zelfde wijze en volgens de zelfde methode als ten opzichte van andere godsdienstige geschriften uit de oudheid.

Er bestaat over deze boeken een zeer bepaalde traditie. Hoe is deze önstaan? Is zij betrouwbaar? Stemt zij overeen niet alleen met wat deze boeken over zich zelve zeggen, maar ook met wat zij toonen te zijn? Zijn deze boeken van ééne hand en uit éénen tijd? Of zijn zii samengesteld en is er gedurende korteren of langeren tijd aan gewerkt? Welken geest ademen, welken achtergrond verraden, van welken tijd en omgeving spreken zij ? Deze geschriften mogen uit godsdienstig-geestelijk opzicht uniek zijn, naar hunne uitwendige verschijning zijn zij het niet. Is wat men van elders omtrent de lotgevallen van dergelijke boeken weet, ook op hen toepasselijk? en in hoeverre? Wat is hun geschiedenis? van

-ocr page 16-

12

ieder afzonderlijk? en van de verschillende bnndels? en van de geheele verzameling?

Deze vragen kunnen beantwoord worden, tot op zekere hoogte; of zij kunnen het niet. Maar in het eerste geval — en bij iedere proefneming worde daarmede gerekend — zal dit moeten geschieden langs zuiver wetenschappelij-ken weg, zooveel immer mogelijk met terzijdestelling van argumenten die aan een ander gebied ontleend zijn, en zonder dat van buiten af op de te verkrijgen resultaten wordt geïnfluenceerd.

Natuurlijk, deze resultaten strekken zich verder uit dan het genoemde. Deze geschriften zijn voor een gedeelte de bronnen en nog wel de eenige bronnen voor onze kennis van de geschiedenis van Israël, en wanneer ons oordeel omtrent den ouderdom en den aard dezer bronnen zich wijzigt, dan kan het niet anders of ook onze voorstelling omtrent het beloop dier geschiedenis zelf ondergaat den invloed daarvan. Het eene hangt met het andere nauw samen, al moet men zorg dragen beide niet dooreen te mengen en literarische vragen niet te vereenzelvigen met historische. Hoe het zij, ook met deze laatste, voor een groot gedeelte op grond der eerste, staan wij op wetenschappelijk gebied.

Historische vragen zijn uit den aard der zaak nooit met volkomen zekerheid te beantwoorden. Er is speelruimte voor verschillende mogelijkheden. Absoluut zekere gegevens ontbreken dikwijls en men moet zich tevreden stellen met waarschijnlijkheid. Maar — ook hier geldt hetzelfde — er is eene historische methode, of zij is er niet. In het laatste geval, laat men erkennen dat de geschiedenis nooit te kennen is, en dat ieder er van maken kan wat hij wil. Maar in het eerste, laat ons ze dan ook willen toepassen op Israël, en laat men — er zal toch altoos onzekerheid genoeg blijven — de bronnen van dit volk willen gebruiken, gelijk men die van andere

-ocr page 17-

13

gebruikt. Dat wil ook zeggen: volkomen vrij, alleen gebonden door den aard dier bronnen, niet geleid door zijn ongeloof, maar ook niet door zijn geloof.

Ons geloof in Christus, bepaald wanneer het in aanraking komt met de, de komst van Christus voorbereidende bedeeling des Ouden Verbonds is voor een gedeelte een historisch geioof. Het heeft noodig eene bepaalde voorstelling omtrent den gang der geschiedenis.

Dienaangaande bestaat er een zeer vaste, door de eeuwen geijkte en voor een gedeelte reeds in de jongste boeken des Ouden Testaments gevonden traditie, op bijna onlosmaakbare wijze samengeweven met ons geloof. Dat het voor velen uiterst moeilijk, om niet te zeggen ondoenlijk is ouderscheid te maken tusschen hetgeen ook daarin al dan niet voorwerp des geloofs is — ieder begrijpt het. Toch, dit onderscheid bestaat, en hoe verder men met zijn onderzoek komt, hoe minder te verstaan is, waarom, indien de gang der geschiedenis zóó geweest is, wel — maar indien zij anders geweest is, niet zou kunnen worden gesproken van, en geloofd aan openbaring Gods. Wat van God openbaar is geworden, blijft toch het zelfde, en voor den in Christus geloovige staat daar toch altoos als resultaat van al Gods werken de persoon van den Heer. Alleen den gang der openbaring zalmen zich anders gaan voorstellen, en — misschien — ook omtrent het wezen ervan een ander denkbeeld krijgen.

Ik kan niet inzien dat men hierdoor in botsing behoeft te komen met, te kort doet aan zijn geloof in den Heer. Natuurlijk kan men, gelijk door iedere wijziging van inzicht, ook door deze voor een oogenblik in moeilijkheid komen en vooral kan het lastig zijn tegenover zoo velen die men om allerlei redenen, deels in henzeive, deels in den aard der onderzoekingen gelegen, niet op de hoogte kan brengen van zijn resultaten en nog veel minder van den weg waarop deze verkregen zijn. Maar al is dit

-ocr page 18-

14

voor den Evangeliedienaar een zeer groot bezwaar, den onderzoeker zelf kan het op den duur in zijn arbeid niet ophouden.

Mijn ervaring is, dat al gaat het niet zonder strijd, wanneer men aan Christus vasthoudt en telkens weer van hem uitgaat, men bij iedere wijziging van inzicht in den gang van Israels geschiedenis, den raad en het plan Gods met zijn volk in meer reële trekken voor zich ziet komen. Alleenlijk men zoeke de openbaring niet — althans niet uitsluitend — in hetgeen in strijd schijnt met het gewoon menschelijke, maar ook — ik zou willen zeggen, voornamelijk — in dat gewoon menschelijke zelf.

Men zal mij zeggen: goed, laat dit alles in abstracto zoo zijn, een feit is dat men bij wat tegenwoordig heet de wetenschappelijke onderzoekingen van het Oude Testament, in tal van resultaten zoowel van historischen als van isagogischen aard in lijnrechte tegenspraak komt met besliste uitspraken van den Heer. Deze kent Ps. cx aan David toe, Matth. xxn : 41 — 45; zegt Matth. vm: 4 dat Mozes het reinigingsoffer voor den melaatsche (Lev. xiv : 2 vv.) heeft voorgeschreven; noemt Matth. xix : 8 de bepaling over den scheldbrief (Deut. xxiv; 1) als een woord van Mozes; en spreekt, om niet meer te noemen, Matth. xii : 39 — 41 van het teeken van Jona den profeet als van een zuiver historische zaak; alles dingen die door de hedendaagsche O. Testamentische wetenschap vrij algemeen worden in twijfel getrokken, zoo niet beslist ontkend. En nu gaat het toch niet aan, aan de eene zijde te belijden dat men in Christus gelooft, en aan de andere zich eenvoudig om dergelijke uitspraken niet te bekommeren. .

Ik gevoel het gewicht van deze bedenking volkomen; en indien er iets is in de redeneeringen van hen, die ik nu maar kortheidshalve tegenstanders van het wetenschappelijk onderzoek noemen zal, dat mij zou kunnen

-ocr page 19-

15

napen mij principieel aan hunne zijde te scharen, dan is het dit. Ik begrijp volkomen, dat men in dankbare aanbidding van zijn Heiland er onoverkomelijk bezwaar in ziet zich niet neder te leggen bij iedere uitspraak die van hem wordt meegedeeld, en niet mede kan gaan met onderzoekingen waarbij dit niet eveneens onvoorwaardelijk geschiedt. Maar dan is het daarbij ook gemunt op het onderzoek zelf en niet op het resultaat er van. Dit is dan de vraag of ook op gebieden die voor het overige omnium consensu voor het vrije wetenschappelijk onderzoek openstaan, een uitspraak van Jezus, die ons in de Evangeliën wordt meegedeeld, absoluut het eind aller tegenspraak is. Is deze beslissend, zonder dat men verder iets anders in rekening brengt?

Ik heb over deze vraag lang gedacht, en ik durf gerust zeggen, dat zij mij zwaar gewogen heeft; maar mijn antwoord is ten slotte beslist ontkennend. Waarlijk niet, omdat ik mij niet buig voor het woord van den Heiland, of meen het beter te weten, of onze tegenwoordige wetenschap voor onfeilbaar houd. Maar omdat ik meen de woorden des Heeren te moeten nemen in hun eigen milieu , naar hunne eigene bedoeling, in hunne eigene kracht. 1 Men mag er niets afnemen, maar men mag er ook niets aan toevoegen, en men mag vooral niet ze overbrengen op een gebied, waarop zij niet t\'huis behooren en er dan wapenen aan ontleenen, die niet door den Heer zijn gesmeed.

Hoe staat de Heer tegenover den Joodschen Bijbel? Deze vraag heeft twee zijden: wat zijn de boeken des Ouden Testaments voor hem geweest, materieel? en wat formeel? Op de laatste komt het voor ons doel voornamelijk aan. Vooraf echter over de eerste een woord.

*

-ocr page 20-

16

1.

Wat zijn de boeken des Ouden Testaments materieel voor Jezus geweest?

Ik geloof dat over deze vraag veel meer gezegd kan worden dan gewoonlijk geschiedt; inderdaad is zij ook de belangrijke vraag. Ik bepaal mij thans tot enkele opmerkingen.

Men spreekt van het Israëlietisch karakter van het vierde Evangelie, of van de» Joodschen achtergrond van den brief aan de Romeinen. Men kan met niet minder recht spreken van den innigen samenhang, die er istus-schen de prediking van den Heiland in vorm en inhoud en de boeken des Ouden Verbonds.

Allereerst komen hier in aanmerking de citaten. Bij deze kan men onderscheid maken tusschen de recht-streeksche, waarbij een Oud-Testamentisch woord, zij het ook niet altoos letterlijk, toch bepaald als zoodanig aangehaald wordt, en de zijdelingsche, waarbij de Heer zonder er opzettelijk op te wijzen een Oud-Testamentisch woord meer of minder vrij in zijne redenen inlascht.

Als voorbeeld van dit laatste noem ik Matth. x : 35 v.: „want ik ben gekomen om den mensch tweedrachtig te maken tegen zijn vader en de dochter tegen hare moeder en de schoondochter tegen hare schoonmoeder, en zij zullen des menschen vijanden worden, die zijne huis-genooten zijn.quot; De Heer gebruikt hier de woorden van Micha vn: 6.

Meer in het oog vallen natuurlijk de talrijke recht-streeksche aanhalingen. Sommige van deze vermelden de bron, waaruit zij genomen zijn: de Wet, de Profeten, Jesaja, de Psalmen, Daniël; anderen staan zonder bijvoeging , ingeleid alleen door het bekende: „er staat geschrevenquot;, „hebt gij nooit gelezen?quot; of iets dergelijks. Voorbeelden er van te geven is overbodig.

-ocr page 21-

17

Nauw verwant met deze citaten zijn de verwijzingen, nu eens naar bepaalde woorden, zonder dat zij toch eigenlijk worden aangehaald. Ik denk b. v. san Matth. xii : 5 „hebt gij niet gelezen in de wet dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel op de sabbatdagen en nochtans onschuldig zijn?quot; vg. Num. xxvin : 9 v., in verband met de heerschende opvatting van het vierde gebod; of aan Joh. vm : 17 „er is in uwe wet geschreven dat de getuigenis van twee menschen waarachtig isquot;, vg. Deut. xix: 15. Dan, weer naar geheele verhalen: van Noach, Sodom, David, Eiia, Jona e. a. die eenvoudig als bekend worden verondersteld. Welk een rijkdom daarvan meer of minder uitvoerig in de redenen des Hee-ren te vinden is, weet ieder. Ik sta daar nu niet bij stil.

Toch vergist men zich, wanneer men meent dat wat men noemt „het gebruik van het Oude Testament in de redenen des Heerenquot; daarmee uitgeput is. Zelfs voor de helft is dit niet het geval. Neem de Bergrede, neem het „Onze Vaderquot;, neem tal van gelijkenissen, de eschatologische redenen, de gesprekken in het Evangelie van Johannes met Nicodemus, over het brood uit den hemel, den goeden Herder, den waren Wijnstok; neem \'sHeeren prediking van het Koninkrijk, beter misschien van het Koningschap Gods; neem — om verder niets meer te noemen — \'s Heeren verzet tegen de Farizeën en Schriftgeleerden, en buiten alle eigenlijke aanhalingen en verwijzingen om vindt gij in dat alles aanrakingspunten te over nu eens op de eene en dan op de andere wijze met woorden en gedachten van het Oude Testament.

Wanneer men het Nieuwe Testament kent en dan het Oude gaat bestudeeren, heeft men voortdurend moeite in zijn behandeling van Oud-Testamentische woorden geen reminiscensen te leggen ook uit de prediking des Heeren. En aan den anderen kant, wanneer men met het Oude Testament begint en dan overgaat tot het Nieuwe, voelt

2

-ocr page 22-

18

men ook wat de redenen des Heeren betreft, zich bijna nergens op geheel vreemd terrein. Telkens vindt men gedachten, die men uit het Oude Testament kent, maar die door Jezus op zijne wijze zijn opgenomen en gebruikt.

Ik zou willen zeggen — het zou te sterk zijn, maar cum grano salis laat het zich toch zeggen: er is in de redenen des Heeren niets nieuws dan hij zelf. Dat hij ze spreekt en zóó spreekt, dat hij er dien eigenaardigen toon in legt die ze onderscheidt ook van alles wat het Nieuwe Testament verder geeft, en die ze ons maakt in alle volheid tot woorden van eeuwig leven; — dat hij niet alleen de spreker, maar ook de inhoud; ook indien men zoo spreken mag, de dader er van is, — zie dat is het nieuwe, en dat is het ook waardoor zij iets anders worden dan alles wat in het Oude Testament . staat: vervulling en niet meer voorzegging, volle realiteit en niet meer dat altoos benaderende en daardoor ook altoos eenigszins schaduwachtige van het profetische woord.

Ik zou wenschen dat men de woorden des Heeren eens opzettelijk uit dit oogpunt bestudeerde. Ik geloof dat men verrast zou staan over menigen oogenschijnlijk verborgen trek van overeenkomst, veel meer nog wat gedachten dan wat woorden betreft, tusschen de prediking des Heeren en de Oude Bedeeling, over menige bijzonderheid waar de eerste in de laatste haakt. Maar als men dit bestudeert, dan drage men zorg het te doen, zeer zeker in alle bijzonderheden en zonder een enkelen schakel in den gedachtengang over te slaan, maar vooral ook met een geestelijk oog, indringende in de bedoeling des Heeren, en niet enkel uitwendig, met dat tellen van woorden, haast van letters, dat in onze analytische wetenschap maar al te zeer in zwang is.

Er is bij den Heer zulk een eerbied voor de „Scliriftenquot;. Niet in dien zin dat hij zich juist gebonden zou achten aan iedere letter er van. Zijne aanhalingen .zijn soms

%

-ocr page 23-

19

verwonderlijk vrij. Zij geschieden nu eens naar den Hebreeuwschen dan weer naar den Griekschen tekst, ook wel naar geen van beiden precies. Men heeft wel eens gemeend juist op grond van dergelijke afwijkingen zoowel van het Hebreeuwsch als van het Grieksch, dat er in \'s Heeren tijd een voor ons verloren gegane Arameesche volksbijbel zal hebben bestaan, waaruit hij zal hebben geciteerd, maar de argumenten voor dit gevoelen zijn uiterst zwak. Wij hebben veel meer te rekenen met dit absoluut vrij zijn van den Heer van de letter, waardoor hij zich durft onderscheiden van Schriftgeleerden en Farizeën. Bij dezen, niet bij hem, is de angstvallige letterknechterij, die — zoo gaat het zoo vaak — daardoor ook dikwijls aan de letter te kort doet. Ik denk aan dat voor de Farizeën zoo beschamende „anders dan uit hoererijquot;, Matth. v : 32, in verband met de bepaling Deut. xxiv : 1 waarop zij zelf zich beriepen Mattii. xix: 7. Hoe toont de Heer, ook b.v. in de onderscheiding tusschen „toelatenquot; en „bevelenquot; ten opzichte van den te geven scheldbrief (zie laatstgenoemde plaats) de fijnheid der Schrift oneindig beter te vatten dan zij. Hij leerde niet als de Schriftgeleerden en de Farizeën, maar als machthebbende , Matth. vu : 29, en zoo eigenaardig in hare beide deelen is de vraag van de schare Joh. vu: 15 „hoe weet deze de Schriften daar hij ze niet geleerd heeft?quot;

Maar ik ga nog een stap verder. Deze vrijheid, die toch weer gepaard gaat met zulk een diep doordringen in de fijnheden der Schrift bepaalt zich niet tot de letter. Zij geldt ook wat wij noemen: het verband. Ik verwijs naar de reeds aangehaalde plaats Matth. x ; 35 v., waar de Heer de woorden van Micha vu: 6 gebruikt. En van dien aard is er zoo veel. Het gebruik van de woorden Matth. ix: 36 „omdat zij vermoeid en verstrooid waren gelijk schapen die geen herder hebbenquot;, gaat geheel om buiten den samenhang zoowel van Num. xxvii:17 als

-ocr page 24-

20

van 1 Kon. xxii:17 waaraan zij toch zeker ontleend zijn. Nog veel sterker is in dit opzicht de aanhaling Matth. xxvi: 31 van Zach. xiii:7, waar met het oorspronkelijk verband in het geheel niet gerekend schijnt, of Matth. xxi: 16 van Ps. vm : 3.

Ik zeide dat Jezus zulk een eerbied heeft voor de „Schriftenquot;. Zijne vrijheid te haren opzichte is daarmee niet in strijd. Men vergelijke eens hoe hij spreekt over de paradoseis d. w. z. overleveringen, inzettingen der ouden: in de aangrijpende telkens herhaalde tegenstelling Matth. v : 21 vv.: „gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd isquot;, vs. 21, 27, 33 (en zonder de bijvoeging „tot de oudenquot; ook nog vs. 31, 38, 43) „maar ik zeg uquot; enz.; ea dan ook in de merkwaardige rede, Matth. xv:l —li, tegen Schriftgeleerden en Farizeën over het eten met ongewasschen handen; het zeggen: „het is een gavequot;; het eeren van God met de lippen, terwijl het hart verre van Hem is, met aanhaling, zeer vrij, van Jes. xxix : 13. Wat een verontwaardiging in die gansche rede! Hoe stuiten al die inzettingen hem tegen de borst! Laat men er boos om worden dat hij ze afbreekt: „zij zijn blinde leidslieden der blinden; indien de blinde den blinde leidt, zoo vallen zij beiden in de gracht.quot; En daartegenover „het gebod Godsquot; Matth. xv: 3, 6, door deze inzettingen niet enkel overtreden, maar „krachteloos gemaakt.quot;

Mij treft in dit verband altoos Matth. xxm. De Schriftgeleerden en Farizeën zitten op den stoel van Mozes; derhalve in hunne hand rust de wet. Daarom „wat zij u zeggen dat gij houden zult, houdt dat en doet datquot;; maar verder: volgt hen niet na, wordt huns gelijke niet; en dan volgt die strafrede die haar wederga in de redenen van Jezus niet heeft. En toch, „wat zij, op den stoel van Mozes gezeten, u zeggen zullen, houdt dat en doet datquot;. Het is als vreest de Heer eenige afbreuk te doen aan den eerbied voor de Wet, d. i. voor de „Schriftenquot;;

-ocr page 25-

21

en zelfs al zijn deze in de handen van mannen als die hij in deze rede geeselt, dat wil hij niet.

Ik denk aan Matth. v: 17. Jezus is niet gekomen om de quot;Wet of de Profeten — de beide hoofdbundels van den Joodschen Bijbel — te ontbinden, d. i. krachteloos te maken, maar om ze te vervullen, d. i. tot volle heerlijkheid te brengen, alles wat er in ligt opgesloten te openbaren en aan het volle licht te brengen.

Om te verstaan wat dat „vervullenquot; in heeft, moet men de onmiddellijk volgende reeks van tegenstellingen bestudeeren waarvan ik reeds sprak; moet men zich eens trachten rekenschap te geven hoe Jezus kan zeggen, Matth. vu: 12. dat de gansche inhoud van Wet en Profetie is — er staat: „dit is de Wet en de Profetenquot; — : „den menschen te doen zooals men zelf gedaan wil worden,quot; en Matth. xxii:40, dat de gansche Wet en de Profeten hangt — zulk een eigenaardige uitdrukking — aan deze twee geboden: God lief te hebben met geheel het hart en met geheel de ziel en met geheel het verstand en den naaste als zich zelf. Welk een greep in de Schriften! Hier is meer dan eene eenvoudige aanhaling van Deut. vi: 5 en Lev. xix : 18; hier is weer een staaltje van die goddelijke vrijheid die niet „ontbindtquot; maar „vervultquot;.

Jezus zegt dat van de Wet — de vijf boeken Mozes, voor de Joden eigenlijk de Bijbel in het klein — zoo lang hemel en aarde niet voorbijgegaan zijn (denk aan Jer. xxxi: 35 — 37, xxxm : 20 v., 25 v.) geen jota of titel voorbij zal gaan zoolang het niet alles zal geschied zijn. En hij voegt er aan toe, vs. 19: „daarom zoo wie een van deze minste geboden zal ontbonden en den menschen alzoo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zoo wie ze zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.quot;

-ocr page 26-

22

Het schijnt niet moeilijk te betoogen dat dit laatste strijdt met de vrije stelling des Heeren ten opzichte van de „Schriftenquot;, die in zijn eigen gebruik er van doorstraalt. En toch, ik durf zeggen: die strijd is er niet. Dit is de bedoeling, dat de Schrift tot in haar kleinste on-derdeelen tot haar recht komen moet en zal. Alles daarvan moet, gelijk het zoo eigenaardig gezegd wordt, „geschiedenquot;. Het moet komen te staan op zijn rechte plaats, worden gebracht onder het rechte oogpunt, gesteld in het rechte licht. Dan zal het blijken ook beteekenis te hebben in het groote geheel; en in die beteekenis moet, zal het worden erkend.

De Heer zegt niet dat iedere letter van de Schrift evenveel waard is; of dat er geen onderscheid is tusschen de geboden, geen opklimmen, geen vervangen worden van het een door het ander, geen „zijn tijd gehad hebbenquot; van dit of dat. Juist de Farizeën en Schriftgeleerden zonden dit ontkend hebben, en daarom — armzalige Schriftuitleggers — vertienden zij de munt en de. dille en den komijn, Matth. xxm ; 23, en lieten na — eigenaardige uitdrukking — „het zwaarste der wet: het oordeel en de barmhartigheid en het geloofquot;. „Deze dingen moest men doen en het andere niet nalaten.quot; Er is onderscheid — ook de profetische Schrift, Hos. vi: 6, had het den Joden kunnen leeren — tusschen offerande en barmhartigheid , Matth. ix : 13, xn ; 7. En ik geloof dat ook Jezus zou hebben kunnen zeggen, wat later de brief aan de Hebreen schrijft, H. x:9b, naar aanleiding van Ps. XL: 8, 9, „hij neemt het eerste weg om het tweede te stellen.quot;

Maar dit alles is niet „ontbindenquot;; evenmin als „vervullenquot; is het voorbijgegane te repristineeren of een lijk wat schijnleven in te blazen en het mooi aan te kleeden, en het voor de ramen te zetten alsof het leeft. „Ontbindenquot; is er iets anders mee te doen dan God er

-ocr page 27-

23

mee voorhad; „vervullenquot; het te doen zrjn in allen deele en volkomen wat God het hebben wil, maar ook niets anders dan dat.

En dit is nu het eigenaardige, dat door Jezus Christus en in hem ieder deeltje der Schrift op zijn rechte plaats komt te staan. Het kleine, misschien lang groot geacht, wordt klein; het groote, misschien lang evenals de door God gewilde hoeksteen, vg. Matth. xxi: 42, Ps. cxvm : 22 v., door de menschen verworpen, wordt groot. Er komt beweging; er komt crisis; de Schriften worden „vervuldquot;.

Maar daarvoor moet men de Schriften kennen. En hierin komen wij, menschen, zooveel te kort. Wetenschappelijke studie, analytisch-synthetisch, moge er de voorbereiding voor zijn — ik geloof dat zij het kan zijn, en het ook meermalen is — op zichzelf is zij daarvoor niet voldoende. Er is ook voor noodig — bovenal — die godsdienstig-theologische waardeering, waarvan ik inden aanvang sprak, en die ontstaat, wanneer er eenheid, eenstemmigheid gekomen is tusschen het leven dat in de Schriften tintelt en dat, hetwelk door Gods genade in een menschenhart kan worden gewekt.

En zie nu den Heer. Zijn eerbied voor, zijn geheele houding tot de Schriften berust hierop dat hij daarin een machtige werkelijkheid heeft leeren kennen, waarin het woord Gods ook tot hem gekomen\' is. De Heer zegt daarover niet veel. Maar wanneer ik hem zie, naar het verhaal van Lukas, als twaalfjarige knaap zittende in den tempel in het midden der leeraren hen hoorende en hen ondervragende, en dan zijne vraag hoor als iets zeer gewoons: „wist gij niet dat ik zijn moest in de dingen mijns Yaders?quot; — en wanneer ik hem dan naar het Evangelie van Johannes, en dus in geheel anderen kring, hoor zeggen, H. iv:34-, „mijne spijze is dat ik doe den wil desgenen die mij gezonden heeft en zijn werk vol-brenge,quot; — en dan eindelijk opmerk, aan den eenen kant.

-ocr page 28-

24

hoe hij spreekt over zijn altoos hoeren van het woord en de getuigenis Gods, en aan den anderen, hoe hij den Joden er een verwijt van maakt, dat zij de Schriften bezittende en ook wei onderzoekende, toch het woord Gods niet blijvende in zich hebben, zie dan komt het mij voor, dat ons hier een blik gegeven is op hetgeen de Schriften voor den Heer zijn geweest. Ik denk aan den „lof der wetquot;, Ps. xix het 2\'!e gedeelte en Ps. exix, en ik vraag of indien een godvruchtig Israëliet zoo over zijn Bijbel kon spreken, dit niet in nog veel hoogere mate het geval met Jezus zal zijn geweest. „Uw woord is zeer gelouterd, en uw knecht heeft het lief,quot; Ps. exix: 140.

Jezus Christus — ik zeg zeker niet te veel als ik beweer dat hij uit de „Schriftenquot; geleefd heeft. Zij zijn hem gegaan in succum et sangiünem. Hij heeft er zich mede gevoed! Van daar zijn strijden met het wapen der „Schriftquot;. Men beroept zich bij voorkeur op het driemaal herhaalde „er staat geschrevenquot; in de verzoekingsgeschiedenis — eenmaal. Luk. iv : 12, vervangen door het minder gewone: „er is gezegdquot; - ; en volkomen terecht. Maar hoeveel is daarnaast te noemen? Hoe dikwijls dat „hebt gij niet gelezen?quot; hoe is het hiermee of daarmee? gij kondt het toch weten; indien gij deze Schriftuurplaats bedacht hadt, gij zoudt anders gehandeld hebben; gij zijt een leeraar in Israël en dus t\'huis in de Schriften, en gij weet deze dingen niet? gij dwaalt omdat gij de Schriften niet kent, noch de kracht Gods.

Ik noemde het: „er staat geschrevenquot;. In Matth. iv en Luk. iv schijnt het een beroep op de autoriteit van de Schriften te zijn; en ook de satan neemt het daar zelf als zoodanig in den mond. Maar voor den Heer is het dat toch niet alleen. Ik denk aan het: „er staat geschrevenquot; b. v. van Matth. xxi : 13 in het verhaal der tempelreiniging, als de Heer er de woorden van Jes. lvi : 7

-ocr page 29-

25

„mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volkerenquot; mee inleidt en daarop in aansluiting aan Jer. vu: 11 laat volgen: „maar gij hebt het tot een moorde-naarskuil gemaaktquot;; — of ook aan dat van Matth. xxvi: 31 waar de Heer in een woord van Zach. xm: 7: „sla den herder en de schapen zullen verstrooid Avordenquot;, — de Heer haalt aan: „ik zal den herder slaanquot; enz. — zijn eigen toestand en dien zijner jongeren herkent. _Het laat zich hier duidelijk omschrijven niet zoozeer door omdat, als wel door zooals. Ook in vele van zijne aanhalingen quot;uit de laatste dagen in het Evangelie van Johannes is dit het geval. Ik noem Joh. xm: 18 vg. Ps. xli : 10, of ook Joh. xv : 25 vg. Ps. lxix : 5, om van het bekende ook niet als eigenlijke aanhaling bedoelde Eli, Eli, lama sabachtani, Matth. xxvn : 46 vg. Ps. xxn: 1, niet te spreken. Niet als uitwendige autoriteit staat de Schrift tegenover hem, maar als een macht, waarmede hij zich zelf verwant voelt, waarmede zijne ziel, indien ik zoo spreken mag, a l\'unisson gestemd is, en waaruit zij woorden en beelden en vergelijkingen en toelichtingen maar voor het grijpen heeft.

Het zal wel geen misverstand wekken, als ik zeg, dat Jezus aan de hand der Schriften opgegroeid is. Hij is aan haar tot bewustheid gekomen van zich zelf. Hij heeft er zich zelf in gevonden en is daardoor tot de ontdekking gekomen dat die Schriften van hem getuigen. Joh. v : 39. Indien men Mozes geloofde, men zou ook hem gelooven; de boeken Mozes spreken van hem.

Deze gedachte wordt op allerlei wijze door den Heer doorgetrokken. Verklaringen als deze. Joh. vin : 56 „Abraham uw vader heeft met verheuging verlangd dat hij mijn dag zou zien, en hij heeft hem gezien en is verblijd geweestquot;; of naar de andere zijde Matth. xm : 17 „vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen die gij ziet en hebben ze niet gezien en te

-ocr page 30-

26

hooren de dingen die gij hoort, en hebben ze niet gehoordquot;, liggen op een andere lijn. Maar wel behoort er toe dat de Heer telkens lijnen trekt tusschen verhalen uit het Oude Testament en zich zelf. Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet de Zoon des menschen verhoogd wordenquot;, Joh. m: 14. „Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel, want het brood Gods is hij die uit den hemel nederdaalt en der wereld het leven geeftquot;. Joh. vi: 32 v.. „Meer dan de tempel, dan Jona, dan Salomo is hierquot; Matth. xn : 6, 41, 42. Enz.. Dat wij bij de eerste dezer woorden aan typiek zouden moeten denken, geloof ik niet; wij kunnen met de gedachte aan vergelijking volstaan. Maar reeds deze zegt zoo veel. Er is één — hij zelf — met wien Jezus alles in verband brengt. Als in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren die hij te Chorazin en Bethsaïda verricht heeft, eerstgenoemde steden zouden zich in zak en assche hebben bekeerd. Het zal Sodom verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan Kapernaüm; want heeft het hem niet gekend, het heeft hem ook niet verworpen, Matth. xi; 21 vv..

En dit alles is nog niet het voornaamste. Dit is de hoofdzaak, dat de Heiland overal in de Schriften zich zelf aangeduid vindt. Jjisaja heeft H. xxix : 13 over de tijdgenooten van Jezus gesproken, als hij zegt: „dit volk genaakt mij met hunnen mondquot;, enz. Matth. xv ; 7 v.; en wat de profeet elders zegt, H. vi: 9 v., van de verharding des volks wordt in hen vervuld, Matth. xm : 14 v.. Johannes de Dooper is \'s Heeren voorlooper. Welnu, zoowel de aankondiging van den Engel des Heeren Mal. in: 1, als die van Elia Mal. iv:5, is van hem geschreven, Matth. xi : 10 vg. xvn : 10 —13. En zoo is er meer.

Van Ps. cxvm past de Heer èn vs. 22 èn vs. 26 op

-ocr page 31-

27

zich zelf toe, Matth. xxi : 42 v., xxm : 39. Het woord Ps. vin: 3 kan als verdediging gelden van het gedrag der kinderen te zijnen opzichte, Matth. xx: 16. Het Jes. lxi van den knecht des Heeren gezegde, is met het optreden van Jezus vervuld. Luk. iv:21. De lijdenstrekken Ps. xli : 10 en lxix : 5 moet hij doormaken, Joh. xm : 18, xv: 25. Het geschrevene Jes. lui : 12 „en hij is met de misdadigers gerekendquot;, moet in hem worden volbracht. Luk. xxii : 37. Waar zou ik ophouden indien ik alles noemen wilde wat hier in aanmerking komt? Ook de benaming „menschenzoonquot; is Oud-Testamentisch; en het gezicht van Daniël, H. vu: 13 v., begint in vervulling te treden, wanneer Jezus door den Joodschen raad veroordeeld wordt, Matth. xxvi: 64.

Er is meer. Wanneer wij nagaan hoe Jezus spreekt over het „vervuld wordenquot;, nu niet door hem, Matth. v : 17, maar, wat trouwens daarmee in zeer nauw verband staat, aan hem, dan merken wij daarin eene zeer groote onbestemdheid van uitdrukking op. Ieder oogen-blik moeten wij vragen: aan welke plaats uit de Schriften heeft de Heer gedacht? zelfs: heeft hij wel aan een bepaalde plaats gedacht? Ik laat, gelijk ik ook in het voorgaande deed, alle plaatsen ter zijde, waar de Heer zelf niet sprekende ingevoerd wordt — zoo, om deze eene te noemen, de trouwens zeer onduidelijke plaats Joh. xix : 28 waar misschien aan Ps. lxix ; 22 gedacht is — maar ook van die, waar dit wel het geval is, zijn er zoo vele te noemen.

Omdat anders de Schriften die zeggen dat het alzoo geschieden moet, niet vervuld kunnen worden, Matth. xxvi: 54 (vs. 56 de Schriften der profeten), mag Jezus\' gevangenneming niet verhinderd worden, vg. Mare. xiv : 49. De Zoon des menschen gaat henen, gelijk van hem geschreven is. Mare. xiv : 21, — Luk. xxn : 22 staat zeer karakteristiek: „naar hetgeen besloten isquot; — ; en opdat

-ocr page 32-

28

alles wat de profeten geschreven hebben aan hem volbracht zou worden, gaat Jezus naar Jeruzalem, Luk. xvm : 31. In het hoogepries^erlijk gebed verklaart hij dat niemand uit degenen die God hem gaf, verloren is gegaan dan de zoon der verderfenis; en hij voegt er aan toe; „opdat de Schrift vervuld wordequot;. Joh. xvn : 12. Ook zijne discipelen hadden de Schriften aldus behooren te verstaan. In de Wet vanyMozes en de Profeten en de Psalmen is van hem geschreven dat hij lijden moest en alzoo in zijne heerlijkheid ingaan. Luk. xxiv:25 —27, 44 vv..

Men wijst ter verklaring van dit alles veelal op het bekende hoofdstuk Jes. lui. En dat dit hier in aanmerking komt, spreekt van zelf. Toch laat zich ook daaruit niet alles verklaren; en het schijnt mij dan ook een nutteloos werk te vragen welke bijzondere Schriftuurplaatsen de Heer bij de eene of bij de andere gelegenheid op het oog zal hebben gehad. Ook Joh. vn : 38, waar de Heer schijnbaar een citaat geeft, dat echter in het Oude Testament nergens aan te wijzen is, moet men dat niet doen. Joh. n : 22 wijst hier den weg. De Evangelist zegt daar dat, toen Jezus opgestaan was, de discipelen, gedachtig aan hetgeen hij tot hen gezegd had, geloofden èn de Schrift (\') èn het woord dat hij tot hen gesproken had. M. a. w. zij beginnen te zien dat de Schrift en Jezus, laat mij zeggen mogen: elkander dekken, aan elkander correspondeeren, voorafbeelding en vervulling zijn.

1 Dit is de bedoeling. Aan de eene zijde: Jezus heeft zich zeiven overal in de Schriften herkend. Deze waren

(\') De meermalen verdedigde stelling dat in het Nieuwe Testament fj yQcupi) altoos een bepaalde Schriftuurplaats beteekenen zou, en nooit samenvatting zou zijn van at yoarpai, schijnt mij reeds met het oog op deze plaats onhoudbaar.

-ocr page 33-

29

in zijn oog zonder hem niet „afquot;. Ik denk dat de Schriften nooit gelezen en bestudeerd znllen zijn met meer onmiddellijke toepassing op den lezer zelf dan door den Heer. Wat, naar luid van de Schriften, God hier en daar en elders in en met het Israëlietische volk heeft gedaan, Jezus erkent dat het in hem tot volle verwerkelijking komt. Wat beloofd was, wordt, zij het overgebracht in een veelszins andere sfeer, nu werkelijkheid. De tegenstellingen die er te allen tijde geweest zijn, komen tot de uiterste spanning. AVat Israël zijn moest, Jezus weet het te zijn. Hij is de Messias, de Menschen-zoon, degene die komen zou; Gods raad is in hem vervuld.

En aan den anderen kant: die de Schriften verstaat, kan niet twijfelen en nog veel minder zich er aan ergeren (vg. ook Luk. vu : 23 in verband met het voorgaande) dat de weg is „door lijden tot heerlijkheidquot;. Hij is dat voor Israël geweest, voor allen die in Israël beteekenis hadden; hij moet dat zijn ook voor den Christus. De geheele Schrift predikt dat; daarvan is de geheele Schrift vol. Zich daaraan te willen onttrekken in welk opzicht ook, is haar een démenti te geven, is een anderen weg te willen volgen dan de door en in de Schriften overal afgeteekende, (vg. ook uit dat oogpunt Matth. xvi : 23), is haar te „ontbindenquot; in plaats van haar te „vervullenquot;. Geen oogenblik heeft de Heer dat gewild. De in de Schriften afgeteekende weg was voor hem de weg Gods, dus de eenige weg.

Hierin ligt ten slotte het antwoord op de vraag wat de Schriften materieël voor den Heer zijn geweest. Mij dunkt, ik kan al het gezegde aldus samenvatten; zij! waren hem het Woord Gods en als zoodanig spiegel van en toetssteen voor het eigen bestaan.

-ocr page 34-

30

II.

Ik kom thans tot de vraag wat deze Schriften nu ook formeel voor den Heer zijn geweest.

Hoofdzaak is daarbij echter iets anders. Immers niet, of de Heer over oorsprong en samenstel, ouderdom en schrijver er van bepaalde voorstellingen gehad heeft. Maar of, zoo ja, deze voorstellingen geacht moeten worden ook nog voor onzen tijd normatief te zijn. M. a. w., dit is de vraag — en zij is belangrijk, eigenlijk alleen omdat zij voor den in Christus geloovige beslist over de vrijheid en de zelfstandigheid van het wetenschappelijk, isagogisch-historisch onderzoek — of de voorstelling die de Heer omtrent de uitwendige verschijning van de Schriften des Ouden Verbonds heeft gehad, inderdaad zoo onlosmaakbaar verbonden is met het gebruik dat hij er van maakt, dat het laatste met het eerste onherroepelijk staat of valt. Omdat de Heer zoo geheel toont te leven in en uit de Schriften, treedt hij daarom ook op, wil hij daarom ook gelden als autoriteit in vragen te haren opzichte van wetenschappelijken, dus uitwen-digen, den verschijningsvorm er van rakenden aard?

Mij komt het voor — ik aarzel niet het uit te spreken — dat dit te stellen, hoe goed bedoeld ook, in den grond der zaak is een verlaging, haast zou ik zeggen: een beleediging van den Heer. Het is voor een gedeelte althans een overbrengen van zijne beteekenis van het gebied, waar alles gaat om het leven en het behoud en de zaligheid, op een gansch ander en daarvoor onverschillig gebied, waar het gaat om vragen van wetenschappelijken aard. Is de goddelijke Geneesheer een medicus geweest bij wien men terecht kan met theoretische vragen over ziektekunde of over de leer der geneeskunde, of over het samenstel van het menschelijk organisme ?

-ocr page 35-

31

Men zal de waarheid van het Copernicaansche stelsel toch niet bestrijden met een beroep op het woord des Heeren: „God doet zijn zon opgaan over boozen en goedenquot;, en evenmin de studie van den groei der planten overbodig achten omdat Jezus gezegd heeft, dat God de leliën des velds bekleedt met eene heerlijkheid grooter dan die van Salomo.

Jezus heeft geen rechter willen zijn in vragen van het dagelijksch leven, Lak. xn : 14, en geen politiek reformator, Joh. vi : 15, en hij is voorzeker ook geen onderwijzer in isagogiek. Nergens blijkt dat de Heiland ons over deze en dergelijke dingen ooit iets heeft willen mededeelen. Hij heeft er zich nooit opzettelijk over uitgesproken, nooit opzettelijk mede ingelaten. Hij was in deze dingen een kind van zijn tijd en zijn volk.

Men vraagt of het dan mogelijk is dat de Heer zich op deze en dergelijke punten zal hebben „vergistquot;. Mijn antwoord is: hier kan geen sprake zijn noch van „vergissenquot; noch van „niet-vergissenquot;. De Heer sloot zich eenvoudig aan aan wat hij in zijne omgeving als het gewone, algemeen geldende vond. Dat deed hij in zijne kleeding en in zijne taal, in zijne Oostersche leefwijze en in zijne natuurbeschouwing, in alles wat behoorde tot de menschelijke zijde van zijn bestaan; en ook wat ligt op het gebied van menschelijke wetenschap maakt daar een deel van uit.

Men wil niet weten van „accommodatiequot;. Ik ook niet — — --anders dan in dien éénen, onbeschrijfelijk hoogen zin, waarin Johannes er ook van weten wil, als hij schrijft: „het Woord is vleesch geworden en heeft onder ons gewoondquot;. -Maar daarmee wil ik dan ook allen ernst gemaakt hebben: met dat „Woordquot; maar ook met dat „vleeschquot;; en ook op het gebied dat ons thans bezighoudt, wensch ik de consequenties daarvan te aanvaarden.

-ocr page 36-

32

Die uit den hemel gekomen is om ons met God te verzoenen, spreekt in de dingen van het gewone aard-sche leven — en daartoe behoort ook de formeele zijde van de kennis des Ouden Testaments — de taal van zijn aardsche omgeving, van zijn tijd en zijn volk. Hij planeert niet boven de menschen, maar hij leeft onder hen. De Eeuwige wordt kind van den tijd. Jezus had betere — laat mij niet eenmaal die vergelijking gebruiken — hij had gansch andere dingen te doen dan zich bezig te houden met, en den menschen onderwijs te geven in questies die in de scholen behandeld worden, heel gewichtig, ja voor den man van studie, maar omgaande buiten het leven der ziel. Tegenover -zijn arbeid zijn al deze questies, is zelfs de vermelding er van zoo klein.

Laat ons eens nagaan wat in de woorden des Heeren voor deze questies in aanmerking komt.

Men zegt dat de Heiland hetzelfde Oude Testament voor zich gehad heeft als wij. In hoofdzaak volkomen waar, mits men bedenke, dat wat den vorm betreft, — en deze is hier niet geheel onverschillig — onze vertalingen aanmerkelijk afwijken van den Hebreeuwschen bijbel. Vooral geldt dit de onderscheiding van drie bundels, waarvan het zeer jammer is dat de Statenvertalers, in dezen slechts half getrouw aan hun voornemen om tot het oorspronkelijke terug te keeren, ze in navolging van de Grieksche en Latijnsche vertaling geheel hebben laten te loor gaan.

Ieder weet dat deze bundels zijn de Wet, d. i. de vijf boeken Mozes, zooals ik straks reeds zeide: eigenlijk de Bijbel in het klein; de Profeten, waartoe behooren Jozua, Richteren, Samuël, Koningen, Jesaja, Jeremia, Ezechiël en het Twaalfprofetenboek; en de Geschriften, waartoe behoort wat verder nog in onzen Kanon staat.

-ocr page 37-

33

Doch ook dat laatste is slechts betrekkelijk zeker. Bekend is hoe nog geruimen tijd na het begin onzer jaartelling het boek Esther volstrekt niet gezegd kan worden algemeen als Heilige Schrift te gelden. De getuigenis van Melito van Sardes, die in zijn brief aan Onesimns zegt opzettelijk naar Palestina gereisd te zijn om in het land zelf een onderzoek naar den Kanon der Joden in te stellen, laat in dezen geen twijfel over. Hoe de Heer en de zijnen tegenover deze zaak stonden, weet men eenvoudig niet.

Dat zelfde geldt ook van andere boeken. Dat die welke in de Grieksche vertaling meer staan dan in het He-breeuwsch principieel door den Heer buiten den kring der „Schriftenquot; zouden zijn gesloten, is mogelijk maar niet te bewijzen, m. i. ook niet waarschijnlijk. Behalve Obadja en Nahum, die als tot het Twaalfprofetenboek behoorende, niet afzonderlijk meetellen, worden ook Ezra-Nehemia, Hooglied, Prediker, Esther in .het Nieuwe Testament niet gebruikt. Dit heeft daarom beteekenis omdat ook over de canoniciteit van Hooglied en Prediker tot zelfs in de tweede eeuw na Christus nog verschil van gevoelen bestond.

Hoe het zij, uit den aard der zaak staat vast dat ook voor den Heer de beide eerste bundels de voornaamste bestanddeelen van den Bijbel waren. Hij noemt ze Matth. v : 17, vn : 12, xxn : 40, Luk. xvi : 16, 29, 31, xxiv : 27. Daarentegen staat Matth. xi: 13 - de parallele plaats van Luc. xvi: 16 — in eenigszins vreemde opvolging: „al de profeten en de wetquot;. Dat bij Lukas met slechts ééne uitzondering steeds gesproken wordt, niet van de Wet, maar van Mozes, — ook eens: de wet van Mozes — maakt natuurlijk geen verschil. Ik herinner aan 2 Cor. m ; 15 „wanneer Mozes gelezen wordt^ Ook de Heer denkt in de genoemde plaatsen niet aan den persoon, maar aan het naar hem genoemde boek. „Wet en Pro-

-ocr page 38-

34

feteiiquot; kan gelden als aanduiding van de geheele Heilige Schrift.

Van de „Profetenquot; noemt de Heer alleen het boek Jesaja, en doet bovendien grepen met vermelding van den naam nit het boek Jona, en zonder die uit Samuël, Koningen, Jeremia, Hosea, Joël, Micha, Zacharia en Maleachi.

Dat naast „Wet en Profetenquot; in den tijd van Jezus van een eigenlijk gezegden derden „bundelquot; gesproken kan worden, blijkt uit het Nieuwe Testament nergens. Wel worden Luk. xxiv:44 ook nog de „Psalmenquot; genoemd. Men kan echter niet bewijzen, en op zich zelf is het onwaarschijnlijk, dat daaronder — „pars pro totoquot; de geheele derde bundel moet worden verstaan.

In ieder geval omvat het begrip „Schriftenquot; meer dan Wet en Profeten. Zoo noemt Jezus Ps. oxvin ; 22 v. als staande „in de Schriftenquot;, Matth. xxi: 42, — in de paral-Iele plaats Mare. xu: 10 staat: „hebt gij deze Schrift niet gelezen?quot; — ; zegt met het oog op Ps. xli : 10 dat ook die „Schriftquot; vervuld moet worden. Joh. xiii:18, en haalt met of zonder nadere bijvoeging nog verschillende andere psalmplaatsen aan.

Verder komen in elk geval nog in aanmerking het boek Daniël, vg. Matth. xxiv:15vv., en de Chroniek, vg. Matth. xxm: 35.

In het Evangelie van Johannes bezigt de Heer het woord Wet enkele malen in ruimeren zin als aanduiding van de geheele Heilige Schrift. Zoo heet het Joh. x:34 van een woord uit Ps. lxxxii : 6 dat het geschreven is „in uwe Wetquot; terwijl er onmiddellijk op volgt dat de „Schriftquot; niet ontbonden kan worden (— geen enkele Schriftuurplaats). Evenzoo heet het Joh. xv : 25 naar aanleiding van eene aanhaling uit Ps. lxix : 5 (of xxxv : 19) dat „in hunne Wetquot; geschreven is, enz.. Hiermee op eene lijn staat dat de schare zegt uit „de Wetquot; gehoord te hebben dat de Christus blijft in der eeuwigheid. Indien hier

-ocr page 39-

35

aan bepaalde plaatsen gedacht is, zal dit wel moeten zijn aan plaatsen als 2 Sam. vu : 13, Ps. lxxxix ; 30, 37, cx : 4, Jes. ix : 6 en dergelijken. Gelijksoortig is dat 1 Cor. xiv: 21 een woord uit Jesaja xxviii:ll geciteerd wordt als staande „in de Wetquot;, en dat Matth. xm: 35 de Evangelist Ps. lxxviii : 2 aanhaalt als gesproken d o o r den profeet.

Voor de vraag naar den omvang der door Jezus als zoodanig erkende „Schriftenquot; is de reeds aangehaalde plaats Matth. xxm : 35 niet onbelangrijk. Jezus spreekt hier van al het onschuldig bloed dat vergoten is van Abel af tot Zacharia, die gedood is tusschen het altaar en den tempel. Bij Mattheüs heet deze Zacharia de zoon van Berechia (vg. Jes. vm: 2). Dit kan niet anders dan misverstand zijn, gelijk deze bijvoeging dan ook bij Lukas H. xi: 51 ontbreekt. Voor ons verstaanbaar wordt het woord des Heeren alleen, wanneer wij denken aan het verhaal 2 Chron. xxiv: 21: Zacharia, de zoon vanJojada door koning Joas in den voorhof des tempels gedood. Men moet dan aannemen, gelijk trouwens ook algemeen geschiedt, dat Jezus hem noemt, omdat, gelijk Abel de eerste, zoo hij de laatste geweest is van wiens vermoording in den Bijbel gewag gemaakt wordt. Dat veronderstelt, dat gelijk het thans nog in den He-breeuwschen Bijbel is, zoo ook reeds in Jezus\' dagen Chroniek als het laatste boek werd beschouwd»

Voor ons onderwerp is deze plaats, zoo opgevat, nog uit ander oogpunt belangrijk. Wij hebben hier een voorbeeld hoe Jezus formeel den voor hem liggenden Bijbel gebruikt. Hij laat zich bij het gebruik er van leiden niet door de geschiedenis als zoodanig, maar door den feitelijken, laat- mij zeggen mogen: literarischen inhoud er van.

Ik wil aanstonds een tweede voorbeeld van dit zelfde noemen, ik bedoel Matth. xi: 12 v., Luk. xvi; lö.

-ocr page 40-

36

Wat het zeggen wil dat het Koninkrijk der hemelen geweld wordt aangedaan, en dat geweldenaars het rooven (zoo Mattheüs) — of dat het Koninkrijk Gods gepredikt wordt en dat ieder geweld daarop pleegt (zoo Lukas) behoef ik hier niet te onderzoeken. Duidelijk zijn deze woorden niet. Wat er mee bedoeld wordt, geschiedt „van de dagen van Johannes den Dooper tot nu toequot;, en dit is het geval, wijl „de Wet en de Profeten zijnquot; (zoo\' Lukas) —, al de Profeten en de Wet geprofeteerd hebben (zoo Mattheüs) tot op Johannes. (\') Om dit laatste te verstaan moeten wij letten op wat bij Mattheüs voorafgaat en volgt. Jezus zegt vs. 14, dat, indien men het wil aannemen, Johannes de Dooper Elia is die komen zou (vg. Matth. xvn; 10 — 13). Hij zinspeelt daarmee op Mal. iv : 5 en identifieert met den daar aangekondigden Elia den Engel des Heeren die naar luid van Mal. m: 1 voor Gods aangezicht (in Mattheüs staat: „voor uw aangezichtquot;) den weg bereiden zal. Ook deze laatste, vs. 12, is Johannes de Dooper. De bedoeling des Heeren is dus deze: Wet en Profeten loopen tot aan Johannes den Dooper: d. i. het laatste wat er in te lezen staat, handelt over hem.

Wij hebben hier het zelfde als in de zoo even besproken plaats Matth. xxm : 35. „Geleerdquot; d.i. schoolstudie er over gemaakt, heeft Jezus de Schriften niet, noch op de wijze der toenmalige Schriftgeleerden, noch — natuurlijk — op die onzer hedendaagsche wetenschap. De schare zegt het, en Jezus spreekt het niet tegen. Joh. vu : 15 vv.. Maar hij neemt ze zoo als ze daar voor hem liggen. Na Zacharia zijn er, wat tijdsorde betreft, nog tal van martelaren geweest. Denk uit deu voor-exilischen tijd b.v. aan den Jer. xxvn : 20 vv. genoemden Uria; en

(\') Of er verschil van beteekenis is, — en zoo ja, welk, — tns-schen het hier door Lukas gebruikte fié/oi eu hot door Mattheüs gebruikte é\'cos laat ik daar.

-ocr page 41-

37

wie telt ze uit den na-exilischen tijd? Bovendien Jezus zelf zegt, Mattli. v:12, xxm: 29 vv., dat Israël zijne profeten gedood heeft en gesteenigd die tot hem gezonden werden. Maar hoe kan hij dan Zacharia als den laatsten martelaar noemen terwijl toch al de groote profeten, een Amos, Jesaja, Jeremia, om maar geen anderen te noemen, in tijdsorde na dezen hebben geleefd? Het antwoord is niet moeielijk te geven. Historisch-chronologisch moge Zacharia niet de laatste geweest zijn — het doet er voor den Heer niets toe — in den Bijbel wordt hij het laatste genoemd. En nu is dit de bedoeling: waar men den Bijbel ook opslaat, op zijn eerste of op zijn laatste bladzijde, hij spreekt overal van onschuldig vergoten bloed. Zou er anders in dit verband ook wel aanleiding geweest zijn om te spreken van den dood van Abel?

En iets dergelijks nu ook in de andere plaats. Dat na Maleachi nog andere profeten geleefd en gewerkt hebben, is hier de zaak niet. Niet de historie no^ de chronologie, maar de uitwendige vorm van den Bijbel bepaalt \'s Heeren woord. Het is alsof wij zeggen zouden b.v. : „aan den Bijbel van Gen. i tot Openb. xxn is eeuwen gewerkt,quot; zonder daarmee in \'t minst te willen uitmaken dat er geen stukken in den Bijbel zijn ouder dan Gen. i of jonger dan Openb. xxn.

Bovendien Jezus verklaart dikwijls dat Wet en Profeten over hem handelen, die toch na Johannes den Doo-per opgetreden is, vg. het „tot nu toequot; van Matth. xi: 12. Maar hoe hier dan, dat zij profeteeren „tot dezenquot;? De zaak is dat de Heer hier niet denkt aan de strekking der profetische prediking in haar geheel, evenmin als aan de bijzonderheden barer geschiedenis, maar alleen aan het klaarblijkelijke feit, hetwelk hij niet verder onderzoekt noch critiseert noch verklaart, maar dat hij zeker ook niet toevallig acht, dat de laatste gedachte, haast

-ocr page 42-

38

het laatste woord, dat de lezer bij het sluiten van het Profetenboek medeneemt, deze is: „de wegbereider komtquot;. Die gedachte op die plaats is hem van God!

Bij de analyse van het boek Maleachi is de vraag aan de orde of de drie laatste verzen wel van den zelfden schrijver zijn als de rest, en niet misschien een kort toevoegsel van de hand die het Twaalfprofetenboek bijeengebracht heeft. Veronderstel, dit laatste is juist, verliest dan door de z.g. onechtheid dezer drie laatste verzen het betoog van den Heer iets van zijn beteekenis?

Aan de orde is de Pentateuch-questie. Bij den tegen-woordigen stand van het onderzoek kunnen wij niet meer aannemen dat de Pentateuch „van Mozesquot; is en de daarin vervatte wetten door hem op schrift gebracht zijn. Naar onze meening is de Pentateuch een zeer samengesteld werk, waarvan de bestanddeelen uit verschillende eeuwen en van verschillenden aard in betrekkelijk jongen tijd op kunstige wijze tot een soort mozaïek zijn samengevoegd, leder dezer bestanddeelen bevatte de „Wet van Mozesquot;, gelijk deze in een bepaalden tijd, misschien ook in een bepaalden kring voor een gedeelte onder profetischen invloed geworden en tot geldigheid gekomen was. Van daar dat ook het geheele werk dien naam droeg.

Van dit laatste feit gaat nu Jezus, laat mij zeggen mogen: in alle natuurlijkheid uit. Hij zou ook anders niet zijn verstaan; in de eerste eeuw kon hij niet spreken de taal van de negentiende. Reeds zagen wij dat althans bij Lukas in de redenen van Jezus de naam Mozes meer dan eens gebruikt wordt in plaats van „de Wet.quot;

Maar er is meer. In „de Wet van Mozesquot; komen bepalingen voor omtrent het reinigingsoffer van den melaat-sche, Lev. xiv : 2 vv., den te geven scheidbrief, Deut. xxiv : 1, het Leviraatshuwelijk, Deut. xxv : 5. Het is niet

-ocr page 43-

39

meer dan natuurlijk, eenvoudig consequentie van het leven van den Heer in de omstandigheden waarin hij verkeerde, dat Jezus evenzeer als zijne tegensprekers, • dergelijke bepalingen aan Mo zes toekent. Matth. vm : 4 „offer de gave die Mozes geboden heeftquot;; Matth. xix: 8 „Mozes heeft u geboden, u toegelatenquot;; Joh. v: 46 „Mozes heeft van mij geschrevenquot;, enz..

Dit is niet wat wij noemen een „historisch oordeelquot; en wij misbruiken het als wij het als zoodanig gebruiken.

Voor Jezus bestaan de vragen niet, evenmin als voor zijn tijdgenooten die ons thans bezighouden. Daarmee is niet gezegd dat die vragen in de IQ11quot; eeuw niet gemotiveerd zijn, of dat de daarop gegeven antwoorden, wanneer zij niet strooken met de voorstellingen der lquot;quot;1 eeuw, per se onjuist zijn; maar alleen dat noch de vraag noch het antwoord er voor het doel van den Heer iets toe doet.

En dat is zoo gemakkelijk te begrijpen. Niet op den persoon des wetgevers, anders dan voor zoo ver zijn naam gold als uitdrukking van de hoogste autoriteit, maar op de met autoriteit bekleede en als zoodanig erkende Wet komt het bij alles wat.de Heer er van zegt, aan.

Eigenaardig blijkt dit uit het verschil tusschen de drie synoptische Evangeliën bij de mededeeling van \'s Heeren gesprek met de Sadduceën over de opstanding. Lukas laat Jezus zeggen, H. xx: 37: „en dat de dooden opgewekt zullen worden heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbosch als hij den Heer noemt den God Abrahams en den God Isaaks en den God Jakobsquot;. Deze vorm is zeker het minst nauwkeurig, want wat aangehaald wordt, Exod. m : 6, wordt daar medegedeeld als een woord niet van Mozes, maar van God zelf. Edoch Mozes wordt geacht het geschreven te hebben, en vandaar deze vorm.

Marcus heeft, H. xn : 26 : „hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes hoe God tot hem gesproken heeftquot;

-ocr page 44-

40

enz.. Wij hebben hier dns eenvoudig verwijzing naar de bron, aangeduid met den gewonen naam.

En eindelijk Mattheüs, H. xxn : 31 ? Hij noemt Mozes niet, maar laat Jezus alleen releveeren hetgeen waarop het werkelijk aankomt, dat volgens Exod. m : 6 God gezegd heeft, enz..

Daarbij komt nog dit: terwijl Marcus zegt dat God het tot Mozes gezegd heeft, schrijft Mattheüs — en beiden doen het als woorden van Jezus — „hebt gij niet gelezen hetgeen door God tot u lie den gesproken is?quot; en dan volgt het woord van Exod. m : 6. Het is alsof zoo duidelijk mogelijk moet worden gemaakt dat het hier overal te doen is noch om de historie als zoodanig, noch om den persoon die ze op schrift bracht, maar alleen om het woord dat daar nu eenmaal ligt en dat èn dooiden Heer èn door zijn bestrijders als Gods woord wordt erkend. Lijdt dat laatste er iets onder, wanneer de critische beschouwing juist is, dat Exod. m geschreven is niet door Mozes, maar waarschijnlijk eerst in de 9,lc eeuw ? j c\'

En ditzelfde geldt — om dit hier aanstonds bij te voegen — van de citaten uit het boek Jesaja. De twee plaatsen, die de Heer met zoovele woorden aanhaalt — trouwens zeer vrij — als door Jesaja gesproken, Jes. vi: 9 v. vg. Matth. xm : 14 v., en Jes. xxix; 13 vg. Matth. xv: 7 vv., zijn, ik zou haast zeggen: toevallig, plaatsen waarvan, naar ik meen, de echtheid door niemand wordt betwist. Doet het inderdaad wat ter zake?

In de synagoge te Nazareth geeft men hem „het boek van den profeet Jesajaquot;, Luk. iv:17, en de Heer leest er uit voor wat wij nu hebben Jes. lxi : 1 vv.. Is zijn „heden is deze Schrift in uwe ooren vervuldquot;, vs. 21, minder waar als te recht wordt beweerd dat dit „boek van den profeet Jesajaquot; slechts voor een betrekkelijk klein gedeelte uit de 8squot;\' eeuw dagteekent; en dat b.v.

-ocr page 45-

41

het gedeelte dat de Heer voorleest, aan een deutero-, misschien zelfs wel aan een trito-Jesaja moet worden toegekend ? ri

Joh. vi: 45 haalt de Heer een woord van Jes. liv : 13 aan als geschreven in „de Profetenquot;; zoo ook Matth. xxi : 13 een woord van Jes. lvi : 7, waarmee hij op eigenaardige wijze Jer. vil: 11 verbindt; doet het er voor de bedoeling des Heeren iets toe, wanneer en door wien deze woorden geschreven zijn? en zijn ook de citaten in Joh. xii : 38, 40 er minder waar om, wanneer men in onze dagen gelijk heeft dat de daar als van Jesaja aangehaalde plaatsen niet beide van ééne hand zijn?

Men zal mij zeggen: goed, maar — om op het gesprek met de Saddnceën terug te komen, dan moet toch vaststaan èn dat God de uit Exod. m : 6 geciteerde woorden gesproken heeft, èn als onmiddellijk daaruit resulteerende dat Abraham, Isaak en Jakob werkelijk bestaan hebben; en vele critici ontkennen tegenwoordig ook dat.

Hiermede komen wij op gansch ander terrein. Een der groote fouten, die men m. i. bij het wetenschappelijk onderzoek van het Oude Testament maakt, is dat men, zonder er zich nauwkeurig rekenschap van te geven, springt van isagogisch op historisch gebied. Natuurlijk, beiden hangen samen, ik denk er niet aan het te ontkennen ; maar zij mogen daarom toch niet verward worden. In het algemeen moet men eerst weten wat van de bronnen te denken om dan te oordeelen over hetgeen ons daarin meegedeeld wordt.

Toch is daarmee de questie niet uit.

Welnu, om misverstand te voorkomen begin ik met te zeggen, dat ik het gevoelen beaam van hen, die in de verhalen omtrent de aartsvaders nog iets anders zien dan historie in den gewonen zin van het woord. Ook hier moeten wij voor wetenschappelijke bespreking onderscheid maken tusschen de verschillende bestanddeelen

-ocr page 46-

42

er van. Niet overal dragen zij hetzelfde karakter, staan ook niet overal op dezelfde lijn. In het algemeen zijn zij prediking, brengen in beeld wat o.a. in den tijd der groote profeten het ideaal was van Israels godsdienst, en geven uitdrukking aan de Godskennis van den toenmaligen tijd. Daarbij bevatten zij veel stamgeschiedenis, trachten latere toestanden en verhoudingen te verklaren en brengen op den aartsvader over wat zich inderdaad in meer his-torischen tijd heeft afgespeeld. In één woord, ook naar mijne overtuiging, bevatten zij dikwijls meer personificatie dan persoonsgeschiedenis. .

Toch zou ik daarmee niet gaarne het werkelijk bestaan van deze mannen ontkend hebben. Het is mij niet duidelijk waarom in dergelijke profetisch-dichterlijke * verhalen geen ware herinneringen uit den voortijd bewaard, zelfs er aan ten grond gelegd kunnen zijn en evenmin waarom b. v. de afkomst van Israels vaderen uit Mesopotamië, hun zwerven door Palestina, en eindelijk hun verblijf in Egypte in hoofdzaak niet historisch kunnen zijn.

En wat het andere, het spreken Gods aangaat, wie als ik in Jezus Christus gelooft, kan geen principieel bezwaar hebben tegen de voorstelling dat God zich aan Mozes of aan wien anders ook heeft geopenbaard. Mij is trouwens nog nooit een bevredigende verklaring onder de oogen gekomen van het feit dat Israël in Jahwe had wat het in hem had, waarbij alleen gerekend werd met wat men gewoonlijk noemt: natuurlijke oorzaken. Israels geloof in Jahwe, gelijk wij dat vinden, ik zal niet zeggen bij de massa des volks, maar dan toch bij zijn groote mannen, ook het geheele karakter van de verhalen zelf, blijft mij een raadsel, wanneer men niet rekent met dat zich zelf bekend maken Gods. (Exod. m, vi.)

Maar al wilde ik dit alles hier zeggen, ik voeg er bij

-ocr page 47-

43

dat het voor de questie, die ons thans bezig houdt, eigenlijk niets ter zake doet.

Ik stem dadelijk toe dat wanneer Jezus aanhalingen doet uit de verhalen van het Oude Testament, daarbij in den kring dergenen tot wie hij spreekt en waartoe hij zelf ook behoort, stilzwijgend van de historiciteit dier verhalen uitgegaan wordt.

Dit geldt de verhalen uit het leven van David, Salomo,

Elia, Eliza, maar ook die uit den tijd van Mozes, o. a. Joh. in: 14, de aartsvaders — ik denk b.v. aan het verhaal omtrent de verwoesting van Sodoma en Gomorrha,

Matth. x : 15 — Noach enz.. In dezen onderscheid te maken tusschen verhalen waarvan de historiciteit voor ons wel,

en die waarom zij voor ons niet vaststaat, mogen wij niet.

Maar daarmee is ook alles gezegd. Evenmin als in de zoo straks genoemde plaatsen is het den Heer bij een van deze allen om de historie als zoodanig te doen. Hem is genoeg dat zij in den Bijbel staan. Als zoodanig zijn zij / ^ ; hem het leermateriaal, dat hij noodig heeft. Hij gebruikt het en wordt door zijn hoorders verstaan.

Ik wil mij bij de ontwikkeling hiervan bepalen bij de meest in het oog vallende plaatsen, en kom nu nog eens op de aanhaling in het gesprek met de Sadduceën terug.

Jezus vraagt of men niet gelezen heeft — ik houd mij nu maar aan den tekst van Mattheüs, maar ook bij de andere lezingen komt het op hetzelfde neer — wat door God gesproken is als hij zegt, en dan volgt Exod. m: 6. Welnu, wat doet de Heer hier anders dan het verhaal accepteeren om er zijn leering uit te trekken, gelijk het daar ligt. En hij doet dat in alle eenvoudigheid. Wat hem er toe dringt, is niet een historisch motief ten einde aan te toonen dat wat daar verhaald wordt, historische werkelijkheid is. Met volkomene absentie van iedere bijbedoeling, en zonder dat wij er dus ook eenigeandere

-ocr page 48-

44

vraag bij ter sprake mogen brengen, wil hij uit het daar verhaalde aan menschen in wier gedachten twijfel aan de betrouwbaarheid ook van dit verhaal niet kan opkomen, iets loeren dat ook onafhankelijk daarvan voor hem onwankelbaar vaststaat.

Deze menschen ontkennen de opstanding, en toch zij twijfelen er niet aan, dat God gezegd heeft de God van Abraham, Isaak en Jakob te zijn. Welk een dwaasheid! welk een gebrek aan kennisse Gods! maar ook welk een povere opvatting van dit Schriftwoord! En daarom: „gij dwaalt, niet kennende de Schriften, noch de kracht Gods!quot; Alsof God een God der dooden ware! alsof menschen met wie hij zich eenmaal in betrekking gesteld heeft niet leven, d. i. eeuwig levende zijn! Alsof, wanneer men het eerste geloofde, men dan ook het twreede niet ge-looven moest!

En ziedaar waar Jezus hen hebben wil. Zij beroepen zich op de Schriften — hier; den eisch van het Levi-raatshuw7elijk Deut. xxv : 5. Met die zelfde Schriften zal hij hen weerleggen; niets minder, maar ook niets meer.

Laat men eens een oogenblik meenen — ik meen dat niet — dat thans in de 19,le eernv inderdaad kauworden uitgemaakt dat Abraham, Isaak en Jakob geen historische personen zijn; is de redeneering van Jezus, zijn wederlegging van zijn bestrijders, hetgeen hij hen leeren wil omtrent God, omtrent het eeuwig leven, omtrent hun eigen kortzichtigheid er iets minder krachtig, iets minder goddelijk om? Itixn

Ik denk aan twee andere plaatsen Matth. xii:39 —41 en Matth. xxn: 41 — 45.

De eerste handelt over Jona. De Farizeën vragen den Heer om een teeken. Jezus antwoordt dat hun geen teeken gegeven zal worden dan dat van dezen profeet. De Ninevieten hebben zich op zijne prediking bekeerd. Welnu, zij zullen in het oordeel de tijdgenooten desHee-

-ocr page 49-

ren veroordeelen indien deze zich niet bekeeren; want meer dan Jona is hier!

Schoon het voor de questie weinig ter zake doet, wil ik een woord zeggen over vs. 40. Het teeken wordt hier gezocht in het feit, dat Jona drie dagen en drie nachten was in den buik van den visch. „Alzoo zal de Zoon des menschen drie dagen en drie nachten zijn in het hart der aarde.quot; In het verhaal Luk. xi: 29 v. vinden wij hiervan niets, terwijl iMarc. vin: 12 over het geheele teeken van Jona gew.aren wordt. Dit laatste laat ik ter zijde, maar merk\'quot;alleen op dat ook Matth. xvi: 4 van het teeken van Jona gesproken wordt zonder dat melding gemaakt wordt van den visch. Het teeken schijnt hier evenals bij Lukas te bestaan in het optreden en de prediking van dezen profeet, en de daarop gevolgde bekeering der Mnevieten. Zou dit ook Matth. xn : 39 vv. de bedoeling van den Heer niet zijn? Vs. 40 moet dan als latere bijvoeging worden beschouwd. Trouwens in de woorden van dit vers ligt een groote moeilijkheid. Men kan zeggen dat Jezus ten derde dage uit het graf is opgestaan; dan verder, daaruit afgeleid, en naar de gewone wijze van spreken een gedeelte van den dag voor een geheelen dag nemende, dat hij drie dagen in het graf is geweest. Maar hoe men zeggen kan dat hij drie dagen en drie nachten was in het hart der aarde, is niet te begrijpen. Men kan het alleen verklaren uit onnadenkendheid. Immers de bijvoeging „en drie nachtenquot; beteekent dat aan drie etmalen moet worden gedacht. Dat de Heer zelf zoo gesproken zou hebben, is niet te denken.

Doch, zooals ik reeds zeide, voor ons doel is dit iets geheel bijkomstigs. De vraag is ook hier weer of dooide vermelding van het teeken van Jona door den Heiland eens voor al is uitgemaakt, dat het boek Jona een zuiver historisch geschrift is.

-ocr page 50-

46

Mijn antwoord is, moet weer zijn: natuurlijk neen. Ook hier hebben wij weder dat eenvoudige accepteeren van een door al zijn tijdgenooten geloofd verhaal, zonder dat de vraag of dit gelooven te recht of te onrecht geschiedt, zich ook maar in de verste verte aan den Heer stelt.

Als mensch, als Israëliet uit dien tijd staat hij met zijne hoorders op hetzelfde terrein, en gebruikt op zijne, d.i. goddelijke wijze de gemeenschappelijke stof.

Wordt dit anders, wanneer men, gelijk ik doe, in het boek Jona ziet eene in verhaaltrant gevatte prediking van de barmhartigheid Gods jegens de heidenen, te heerlijker, wanneer het geschreven is in een tijd, toen men, gelijk in de laatste eeuwen vóór Christus — ook enkele psalmen leggen daar getuigenis van af, en het boek Esther is er de krachtigste uiting van — over de volken niets anders afriep dan den toorn en de wraak Gods.

Men meene toch niet dat deze opvatting van het boek Jona alleen hierop berust dat men het verhaalde omtrent den visch onmogelijk acht. Men moge ook daartegen bezwaren hebben, niet het minst met het oog op H. n, hoofdzaak is dit toch niet. Er is inderdaad in het geheele boek geen pericoop, — haast zou ik zeggen: geen vers — die uit een of ander oogpunt geen bedenking èn tegen den ouderdom èn tegen het historisch karakter van het boek rijzen doet, zoowel op zichzelf, als wanneer men het vergelijkt met hetgeen van elders, ook uit het Oude Testament, bekend is omtrent den tijd waarin Jona de zoon van Amittaï, H. i: 1, moet hebben geleefd, 2 Kon. xiv: 25. Ik kan over dit alles thans niet uitweiden. Even hoog als dit boek staat als profetische prediking, en als zoodanig stelt men het inderdaad niet licht hoog genoeg, even laag zou het staan indien het oorspronkelijk als historisch geschrift was bedoeld. Ook in dit opzicht moeten wij doordringen in den geest van de „Schriften.quot;

Maar juist daarom is de aanhaling er van door den

-ocr page 51-

47

Heer zoo merkwaardig. De Heer zet daardoor zijn zegel op de strekking er van. Het is de zelfde wijze van doea die hij te Nazareth volgt, Luk. iv : 25 vv., als hij spreekt van de niet-Israëlietische weduwe tot wie Elia gezonden werd en den niet-Israëlietischen Naaman, dien Elisavan zijne melaatschheid genezen mocht. Gods barmhartigheid is over de heidenen, en zij bekeeren zich. En Israël? Is dan , afgezien van het al dan niet te recht aangenomen of te recht betwijfeld historisch karakter van het boek Jona aan de tijdgenooten van Jezus een ander „teekenquot; gegeven, dan dit? Blijft het niet waar dat een grootere dan Jona, naar de teekening die van dezen profeet gegeven wordt, onder hen is opgetreden? en is het ook niet waar dat zij daarom dubbel te veroordeelen zijn?

In de tweede plaats noemde ik Matth. xxn; 41 — 45. De vorm van het hier verhaalde is in de parallele plaatsen bij Marcus en Lukas eenigszins anders; de hoofdzaak is echter dezelfde.

De Schriftgeleerden zeggen dat de Christus de Zoon van David is. Jezus vraagt: maar hoe kan dan David zelf in den geest — in het Evangelie van Lukas ontbreekt deze bijvoeging, en staat in de plaats er van; „in het boek der Psalmenquot; — hem zijnen Heer noemen? En dan volgt eene aanhaling uit Ps. cx.

Jezus gaat hierbij uit van de stilzwijgende veronderstelling dat, gelijk ook het opschrift aanduidt en zeker door niemand van zijne hoorders in twijfel getrokken werd, de spreker in dezen psalm niemand anders is dan David zelf die daarin den Messias op het oog heeft. Wordt een der deelen dezer veronderstelling in twijfel getrokken, dan vervalt daarmee zeer zeker de geheele vraag. Doch laat dit zoo zijn — het komt mij voor dat het onderzoek dien aangaande geheel vrij kan blijven, en dat het voor onze waardeering van dit gesprek niet de minste betee-kenis heeft.

-ocr page 52-

48

AVat toch wil Jezus? Ons aantoonen, dat de Christus Davids Zoon en Davids Heer is, en dit doen met een beroep op Ps. cx? Het heeft er niets van. Wat hij wil, is den Schriftgeleerden met eene zeer sterke argumentatie ad hominem doen gevoelen, dat zij met al hun Schriftstudie en met al hun wijsheid ook over den toe-komstigen Messias, vg. Matth. xvn : 10; Joh. vu : 41 v. e. a. ppl., voor allerlei vragen staan, die zij nooit hebben ingedacht, en waarbij al hun wijsheid te kort schiet. Of zij terecht of te onrecht Ps. cx aan David toekennen , is de vraag niet. Dat is een vraag van de 19,e eeuw, die wij met de ons ten dienste staande middelen zullen moeten beantwoorden of niet beantwoorden. Zij doen het; en nu hadden zij zich, juist omdat zij dat doen, bewust moeten worden van het raadsel dat de persoon van den Messias hun voorlegt. Dan zouden zij, misschien, eigen onwetendheid inziende, zich anders zijn gaan gedragen tegenover hem, die zeide de Christus te zijn.

Dat was de hoofdzaak. Zulk een plaats moet worden verstaan in zijn verband, niet alleen literarisch — dat geeft hier niet veel — maar ook historisch en psychologisch.

Ook in de vraag zelf komt dit uit. Voor ons kan de tegenstelling: Zoon en Heer, niet de zelfde beteekenis hebben, die zij voor de tijdgenooten van Jezus had. Deze wordt mede bepaald door de eigenaardige kracht van het Hebreeuwsche woord, dat wij — terecht — vertalen door „Zoonquot;. Met minder dan afkomst, drukt het afhankelijkheid uit. Welnu, hoe laat deze zich vereenigen met dat andere, waaraan men evenzeer zeide te gelooven, dat aan hem dien men Davids Zoon noemde, door David de heerlijkheid aan Gods rechterhand als zijn Heer toegekend wordt? Wat beteekent een geloof — dat wil de Heer hen doen voelen — waarin zulke tegenstrijdige dingen voorkomen, zonder dat men er ooit eens over heeft

-ocr page 53-

49

nagedacht? Niet om hen te leer en, maar om hen te beschamen stelt hij de vraag. Mattheüs laat er op volgen: „en niemand kon hem een woord antwoorden, en niemand durfde hem van dien dag aan iets vragenquot;. En dan volgt bi] de drie Evangelisten \'sHeeren waarschuwing tegen de Schriftgeleerden.

Er is nog één punt dat ik bespreken wil. „Onechtequot; boeken, zoo zegt men, kunnen Gods woord niet bevatten. Derhalve: een van beiden, of de Heer heeft zich in het gebruik b. v. van de boeken Daniël en Deuteronomium vergist, öf wat daarover in onzen tijd vrij algemeen wordt geleerd, is onjuist.

Mijn antwoord is dat men hier uitgaat van een pe-titio principii, die in de redenen des Heeren allerminst steun vindt.

Jezus citeert Matth. xxiv : 15 het boek Daniël en maakt ook in de volgende verzen — ook nog H. xxv : 31, xxvi : 64 — daarvan gedurig gebruik. Wat in eerstgenoemde plaats met den „gruwel der verwoestingquot; bedoeld is, is niet duidelijk. Ook de Hebreeuwsche tekst, Dan. ix : 27, xii : 11, laat in duidelijkheid te wenschen over. Eigenaardig is de bijvoeging: „staande in de heilige plaatsquot; (Mattheüs), waarvoor Marcus heeft, H. xm : 14: „waar het niet behoortquot;.

Wat wil de Heer zeggen? In hoofdzaak zeker dit, dat de ellende, waarvan Daniël gesproken heeft, nog aanstaande is: als zij komt, als dan, dat die in Judea zijn, vlieden op de bergen, enz.! Heeft nu de z.g. echtheid of onechtheid van het v^ftk Daniël hiermee iets te maken?

De critische questie is deze. In het boek Daniël wordt verhaald het wedervaren, de profetische gezichten enz. van een zekeren Daniël, die in de ballingschap leefde onder de koningen Nebucadnesar, Belsazar en Darius. Tal van voorzeggingen aangaande de dingen die komen

4

-ocr page 54-

50

zullen, worden daarbij van hem medegedeeld. Men meent nu echter te kunnen aantoonen, dat dit alles een vrij v doorzichtige inkleeding is en dat het boek geschreven is 1 in het jaar 165 of 164 voor Christus. Het geeft dan in den vorm van voorzegging een retrospectieve beschouwing van den sinds de ballingschap verloopen tijd, ter bemoediging van de onder de vervolging van Antiochus Epiphanes zuchtende Joden. Deze is in apocalyptischen vorm aan Daniël in den mond gelegd. Wij hebben hier dan een eerste proeve — en zeker een van de hoogst staande — van die uitgebreide apocalyptische en tevens pseudepigrafische literatuur, die, zooals eenvoudig niet geloochend kan worden, blijkens het vele dat ons daar- •\' van bewaard gebleven is, in de laatste eeuwen van het Joodsche volksbestaan zeer in zwang was.

Is nu met deze voorstelling het gebruik dat de Heer van dit boek maakt, niet te- vereenigen? Jezus spreekt van Daniël den profeet. Natuurlijk, in het boek treedt Daniël als spreker op; de Heer zegt dus ook dat Daniël gesproken heeft. Is het nu echter zoo dat de Heer Daniël eene voorzegging toekent, die van achter blijkt — indien de critische beschouwing juist is — geen voorzegging, maar een retrospectieve beschouwing te zijn, zoodat men den Heer zou moeten denken als de dupe eener literarische inkleeding?

Zelfs al ware het zoo — ik zou het woord „dupequot; niet willen gebruiken, maar zeggen willen dat de Heer dan ook hier weer blijkt in den intellectueelen toestand van de Joden der lste eeuw te zijn ingegaan - zou het waarlijk tot declineering van den Heer zijn?

Maar in ieder geval het is niet zoo. De Heer noemt Daniël een profeet — de samenhang wijst het duidelijk aan — omdat wat hij gezegd heeft van den „gruwel dei-verwoestingquot; nog niet vervuld, nog aanstaande is. Gelijk de Heer van Jesaja zegt, Matth. xv:7vv., dat hij ge-

-ocr page 55-

51

sproken heeft „over u li edenquot;, d. i. over degenen, die in Jezus\' dagen leefden, en Matth. xm : 14 v., dat Jesaja\'s profetie „aan li e n vervuld wordtquot;, zoo neemt hij ook bier het woord van Daniël niet in zijn eerste historische bedoeling , maar hij geeft er een typischen zin aan, en laat het slaan op dingen, die in elk geval nog toekomende zijn. En daarom noemt hij Daniël een profeet, en wil dat op zijne prediking gelet zal worden, en erkent daarin een woord Gods.

Voelt men niet dat de geheele questie van „echtheidquot; of „onechtheidquot;, afgezien van de onjuistheid dezer woorden, hier buiten staat? en dat zij bij de waardeering van \'s Heeren woorden niet te pas mag worden gebracht ?

Dit alleen kan men zeggen: indien de critische beschouwing van het boek Daniël juist is, welnu dan blijkt dat de Heer ook den pseudepigraphischen-apocalyptischen literatuurvorm niet in strijd achtte met eerlijkheid en goede trouw. Door er gebruik van te maken zette hij zijn zegel op de opneming er van in den Kanon. Ook in zulk een werk hoorde hij het woord Gods.; Kan het ook zijn dat wanneer ons dat vreemd schijnt, wij er door komen moeten tot herziening van onze begrippen èn over dien letterkundigen vorm èn over het woord Gods?

En nu Deuteronomium ? De zaak is deze. Tot drie malen toe citeert Jezus in de verzoekingsgeschiedenis een woord uit dit geschrift, Deut. vm : 3, vi ; 16, vi : 13 (x: 20) gelijk het in het algemeen een van die stukken is die in de Evangeliën het meest worden gebruikt. Volgt hieruit of dat de tegenwoordige wijze van dit hoek te 1 beschouwen onjuist is, of dat de Heiland misgetast heeft ?

Gelijk bekend is, bevat het boek Deuteronomium een rede deels van paraenetischen, deels van legislatorischen aard, die Mozes zal gehouden hebben in de velden van

-ocr page 56-

52

Moab, en die hij volgens eene mededeeling in Deut. xxxi zelf op schrift zal hebben gebracht.

Volgens het tegenwoordig meest gewone gevoelen is het geschreven in de 7\'k eeuw, en is de bedoelde rede naar eene in de oudheid zeer gewone literarische methode Mozes in den mond gelegd. Daarvoor bestond aanleiding. Op m. i. zeer deugdelijke gronden kan worden aangetoond dat het boek Deuteronomium in hoofdzaak is eene uit een bepaald oogpunt gerevideerde en tevens uitgebreide uitgave van een op Mozes\' naam staand en als Mozaïsch erkend wetboek. Wij hebben dit wetboek nog in Exod. xxi —xxiii. In het groote mozaïek van de tegenwoordige Pentateuch is dit stuk tot de Sinaïverhalen gebracht. Naar alle waarschijnlijkheid — argumenten kunnen hier natuurlijk niet aangevoerd worden — moet het echter oorspronkelijk in een thans niet meer te herstellen omgeving in het leven van Mozes de plaats hebben ingenomen die Deuteronomium daarin thans inneemt.

Is dit juist, dan raag men aannemen dat bij de ontwikkeling van het volksleven mede onder den machtigen invloed van Jesaja en de zijnen, het oudere wetboek voor de behoeften der 1*\' eeuw niet meer voldoende was, en dat dientengevolge in de hoogststaande profetisch-priester-lijke kringen de vraag aan de orde kwam: hoe moet op de Mozaïsche lijn, in zijn geest, als voortzetting van zijn werk, het volksleven, met name van zijn godsdienstige, ook cultische, zijde georganiseerd en geregeld worden ora bestand te zijn tegen de vele gevaren, die het juist in deze zoo bij uitstek veel bewogen periode bedreigden?

Het antwoord hierop geeft Deuteronomium. Uitgaande van vaststaande, zij het misschien ook niet zeer uitgebreide tradities omtrent den aan den aanvang van Israels geheele ontwikkeling staanden en die beheerschenden Godsman, zich aansluitende aan bestaande verhalen, heeft men in het kader van deze het antwoord trachten

-ocr page 57-

53

te geven op de vraag: hoe zou Mozes gesproken en wat zou hij gewild hebben, indien hij geleefd had in den tegenwoordigen tijd? En men heeft dat antwoord hem op de lippen gelegd.

Ik zeide reeds dat men daarmee volgde een in de oudheid waarlijk niet vreemde literarische methode. Is er iets waarom zulk een antwoord, zulk een boek uit zedelijk oogpunt zou moeten worden gewraakt? Waarom zou hot niet bezield kunnen zijn door Gods Geest, naar het gewone woord: „geïnspireerdquot;? Waarom zou het, indien aldus ontstaan, onwaardig moeten worden geacht een plaats in den Bijbel in te nemen?

Mij dunkt, èn de geheele toon van dit boek, èn de geschiedenis — er zijn weinig boeken die voor Israël en ook voor de Christenheid zulk een beteekenis gehad hebben als Deuteronomium — èn (en hiermede kom ik op mijn punt van uitgang terug) het gebruik dat Jezus er van maakt, leggen in dezen overvloedig voldoende getuigenis af.

En inderdaad, waarom ook niet? Zijn b.v. de woorden, welke de Heer er uit aanhaalt — ook de vorm van wat hij noemt het eerste en groote gebod is er aan ontleend — minder waar, minder verheven, minder goddelijk, wanneer zij, zooals wij meenen, in de 7^ eeuw aan Mozes in den mond gelegd zijn, dan wanneer zij, naar het oude gevoelen in de 14\'iquot; onmiddellijk uit zijn mond zijn gevloeid? En waarom zou dan het gebruik dat de Heer er van maakt een bewijs moeten zijn voor het laatste en tegen het eerste? Het is noch het een noch het ander.-

Ik sta aan het eind van mijn betoog. Wat de Schriften des Ouden Verbonds in formeel opzicht voor den Heer zijn geweest, is niet van dien aard dat het, ook bij de meest volledige erkenning van zijn autoriteit, eenige

-ocr page 58-

54

beperking aanlegt- aan het wetenschappelijk onderzoek er van, analytisch-synthetisch, historisch-critisch, hoe men het noemen wil. Het gaat er geheel buiten om, raakt het niet anders dan schijnbaar.

Mijn slotsom is derhalve: laat men over de resultaten van het tegenwoordig wetenschappelijk onderzoek van het Oude Testament denken, zooals men meent te moeten doen, laat men ten opzichte van dit onderzoek zelf de houding aannemen, die men voor God kan verantwoorden; in ieder geval, men late Christus buiten het geding. Ook in dezen luidt zijn woord; „mensch, wie heeft mij tot scheidsrechter aangesteld?quot;

Ik begon met te zeggen dat de studie van het Oude Testament voor ons twee zijden heeft; een zuiver wetenschappelijke en een godsdienstig-theologische. Beperktheid is ons aangeboren; dientengevolge ook eenzijdigheid zeer moeilijk te overwinnen. Niet gemakkelijk is het daarom de beide zijden die ik noemde, gelijkelijk tot haar recht te laten komen. Beiden eischen de inspanning van onzen geheelen persoon, maar naar verschillende zijden. Hier zijn het meer de zuiver verstandelijke, ginds meer de ethische factoren van onzen geest die aan het werk worden gesteld. Zoo licht praedomineert het een of het ander op onrechtmatige wijze. Dat is niet alleen op dit gebied het geval. Het is overal het geval waar naast het wetenschappelijk onderzoek staat de aesthetische of ethische of religieuse waardeering. Ons streven moet zijn aan beiden recht te laten wedervaren, de weegschaal recht te houden ook in dit opzicht.

Dat ik gaarne alles doe wat ik kan, M. H.H., om u ook in de Schriften des Ouden Verbonds te doen hooren het woord Gods, en ze op den weg achter den Heiland dienstbaar te maken aan de bevordering van het geestelijk leven, weet gij, ten minste gij kunt het weten. Ook

-ocr page 59-

55

voor dezen cursus stel ik mij daarvoor gaarne weer beschikbaar.

Maar toch, het doel van ons hier-zijn is in de eerste plaats opleiding in wetenschappelijke studie. Voor het andere hebt gij ook andere voorgangers.

Ik hoop dat wat het zwaarste is, te allen tijde ook voor u het zwaarste zal wegen. „Wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint,quot; ook in kennis, „en hij lijdt schade aan zijne ziel?quot; Gij onderzoekt de „Schriftenquot;; welnu, deze zijn het die van Christus getuigen.

Maar aan den anderen kant, voor uwe wetenschappelijke vorming maak ik met mijne ambtgenooten, ook voor dezen cursus, weer aanspraak op uwe aandacht, uwe belangstelling, uwe toewijding. Het Oude Testament is waard, ook zuiver wetenschappelijk, bestudeerd te worden. Laat ons het eene doen, en het andere niet nalaten!

-ocr page 60-

^1 wuevv^ v£^C^CvH,» •J^z^v^vxT ^

X jrjx x^k x^v x|x x^x V|x*V|x V^x\'V|x V|x\'V|x\'Vlx\'Vjx\' *^x\'V^x\'V|x\'V|x ^x*\'^Jx\'V^x\'V^

Dr. Hoedemaker heeft mijne bespreking van zijn boek over den Mozaïschen oorsprong van de wetten in de boeken Exodus, Leviticus en Numeri in de Stemmen voor Waarheid en Vrede beantwoord met een „Woord van Verweerquot; onder den titel; „Als verleiders en nochtans waarachtigen.quot;

Dit geschrift geeft den indruk alsof Dr. H. op alle detailpunten mijn aanval zegevierend heeft afgeslagen en derhalve het strydperk als overwinnaar verlaat.

Ik zou daaraan niet hechten en er niet aan denken er op terug te komen wanneer ik alleen te doen had met deskundigen, ik bedoel met dezulken die ons beider betoog controleeren kunnen. Dit is echter niet het geval; en daarom... enkele opmerkingen.

Volgens Dr. H. weet ik zeer goed — het staat er zoo (W. v.JfW^quot; bl. 7) — dat er gevallen zyn waarin ik bü de ontleding van de bronnen van de Pentateuch nog verder ga dan Prof. Kuenen; Dr. H. verwijst daarby naar diens Hist. krit. Onderzoek § 7 n°. 4. Ik ben mij daarvan niet bewust. Prof. Kuenen spreekt dan ook in de aangehaalde plaats niet over my maar over myn vader, oud-hoogleeraar thans te Amersfoort. Trouwens of het billijk is te zijnen aanzien in dit geval in den geest van Dr. H. van een „nog verder gaanquot; dan Prof. K. te spreken, beoordeele wie lust heeft in deze questies door te dringen.

Ik had gezegd bl. 357 dat Dr. H. op bl. 129 vv. van zyn werk van Exod. vi: 2 een verklaring geeft die precies het tegenovergestelde is van wat er staat. Dr. H. antwoordt dat hy in hoofd-

-ocr page 61-

57

zaak juist zoo vertaalt als de nieuwste Duitsche bijbelverta!er(s) Kautzsrh (en Socin) en vraagt mij hem te willen zeggen waar het onderscheid ligt tnsschen zijn verklaring en die „welke uit de vertaling van Kautzsch kan worden getrokkenquot;.

quot;Welnu, Kautzsch vertaalt; „Unter meinem Namen Jahwe habe ich mich ihnen nicht offenbart.quot; Niet volkomen juist; er staat in het Hebreeuwsch geen hifil maar een nifal; derhalve: „ten opzichte\'\' of zooals Dr. H. volkomen goed vertaalt „met mijnen naam Jahwe ben ik hun niet bekend geweest.quot; Dat „unterquot; en „metquot; in dit verband hetzelfde beteekenen, stem ik natuurlijk dadelijk toe.

Maar wat doet Dr. H. nu verder? Hij legt allen nadruk op het persoonl. voorn.woord ik. Ware dit de bedoeling geweest, het had in het Hebreeuwsch door de invoeging van quot;ni uitgedrukt moeten zyn. Dit geschiedt niet, en de bedoeling is dus eenvoudig: „ik ben hun wel bekend geweestquot;, ik ben voor hen geen vreemde God, vg. ook de eerste helft van het vs.: „ik ben hun verschenen als (letterlijk in qualiteit van) El Sjaddaj.quot; — maar „niet met mijn naam Jahwe.quot;

Nu wil ik alles aannemen wat Dr. H. zegt over den naam als „samenvatting, signatuur der openbaringquot;, maar mij is en blijft een raadsel hoe „volgens dezen tekstquot;, gelyk Dr. H. bl. 130 uitdrukkelijk zegt, „de naam bestond niet als een klank enz., maar als iets in God, waardoor hij zich openbaart.quot; Ligt dat alles in het woordje „metquot;, dat in het Hebreeuwsch niet eenmaal is uitgedrukt ? De questie is niet of ik al dan niet aan den „Naam Godsquot; realiteit toeken (W. v. V. bl. 11) — misschien zou ik in deze en dergelijke opzichten Dr. H. nog mee kunnen vallen — maar of in deze plaats iets anders gezegd is, dan wat ik boven noemde. Dr. H. spreekt voortdurend van „den Naam Godsquot; zonder meer. Maar daarvan is hier geen sprake; er is sprake van een bepaalden naam Jahwe, die een anderen bepaalden naam El Sjaddaj, komt vervangen. De laatste was bekend, de eerste niet. Dat staat er; en als Dr. H. nu vraagt: „ligt hierin nu ook opgesloten dat het woord Jahwe en tot op zekere hoogte ook de beteekenis van dat woord vroeger onbekend is geweest?quot; (bl. 130), dan antwoord ik „zeer zekerquot;, en ook Kautzsch zal wonderlijk opzien wanneer hij verneemt dat uit zijne vertaling eene verklaring kan worden getrokken „die precies het tegenovergestelde is van wat er staatquot;.

Voor het overige verwijs ik voor de groote beteekenis die ook naai myne meening de naam Jahwe voor de geheele geschiedenis

-ocr page 62-

58

van Israels godsdienst heeft, naar mijn artikel: de Israëlietische Godsnaam in Theol. Studiën 1889 vu bl. 173—222.

Uit 2 Kon. xxiii: 3, zoo schreef ik, „trekt Dr. H. b].177v. eene conclusie die zich met het oog op de Hollandsche vertaling wellicht laat rechtvaardigen, maar die vervalt zoodra men zich rekenschap geeft van wat in het Hebreeuwsch staat.quot; Dr. H. verbaast zich hierover en handhaaft tegenover het door my gezegde het onderscheid tusschenhet verbond d.i. de verbondshandeling en de wet, die krachtens deze handeling wordt uitgevaardigd of aangenomen.

Waarom de „criticiquot; door hunne dogmatische beschouwing verhinderd zyn dit onderscheid ook te maken (W. v. V. bl. 11) is mij niet duidelijk. Vat ik het beroep van Dr. H. ook bij deze plaats op Kautzsch recht, dan blijkt daaruit dat K. het toch ook maakt. Maar dit is de questie niet, en evenmin is het de vraag of er wat de uitdrukking betreft, onderscheid is tusschen het Hebreeuwsche woord b\'rith ei^het Hollandsche „verbond.quot; Zeer zeker is dit het geval; „verbondquot; geeft slechts zeer gebrekkig terug wat in het Hebreeuwsche woord ligt opgesloten. In dit geval doet het echter weinig ter zake.

De zaak is deze. Dr. H. geeft 2 Kon. xxm: 3 naar de Hollandsche vertaling en schrijft dan: „eerst toen Juda in dat verbond stond, nam het de verplichting op zich de voorschriften van dat verbond te onderhouden.quot; Dit is in strijd met wat er staat. Leest men nauwkeurig, dan ziet men dat de inhoud van het verbond, dff verplichting die men door dit verbond op zich neemt, is Jahwe na te volgen en zijne geboden te onderhouden. Dit neemt Juda dus niet op zich nadat het in het verbond stond, maar door dat op zich te nemen komt het in het verbond te staan, en zooals dan verder volgt: „daardoor bevestigt het —beter: houdt het in stand — de woorden des verbonds, die in dit boek geschreven zijnquot;. Het slot is: „en - d.i. zoodoende - het gansche volk stond - beter: ging staan, trad — in het verbond.quot; Dat dit iets anders is dan Dr. H. zegt valt in het oog; het voorbeeld van het onderscheid tusschen het huwelijk en de huwelijks-voorwaarden is hier dan ook niet zeer gelukkig gekozen; trouwens ook daarbij gaan delaatsten gewoonlijk aan het eerste vooraf!

Er is echter nog iets. Er staat: „en de koning sloot een verbond voor het aangezicht van Jahwe.quot; Dit is niet hetzellde als of er stond; met Jahwe. Wat bedoeld is, blijkt uit het slot

-ocr page 63-

59

van het vs.: „en liet volk trad in het verbond.quot; Sprake is van een b\'1 rith dat de koning sluit met zijn volk, eigenlijk, — want dat ligt in de hier gebezigde uitdrukking — dat de koning zijn volk oplegt. Hier blijkt reeds dat Vrith iets anders is dan wat wij „verbondquot; noemen. Een dergelijk gebruik van het woord vitv den wjj Jer. xxxiv : 8—10. Men zou kunnen vertalen: „en do koning maakte het tot plicht te wandelenquot; enz., en het slot van het vs.: „en het volk aanvaardde dien plicht.quot;

Dat in de middelste woorden van het vs. bij „de woorden van het verbond die in dit — nl. het door Hilkia gevonden - boek geschreven zijnquot; aan het „verbond Godsquot; moet worden gedacht, spreekt van zelf.

Vg. uit mijn artikel over b\'rith in het Ztschr. f. d. A. Tl. Wiss. 1892 xii het gezegde bl. 232.

Van Dr. H.\'s vertaling van Gen. iv: 1 zeide ik dat daarbij alle kennis van het Hebreeuwsch op zij gezet is. Het spijt mij dit to moeten volhouden. Wat Dr. H. op bl. 13 van zijn Woord van Verweer ter zijner verdediging zegt, maakt de zaak heusch niet beter.

Over allerlei mogelijke en onmogelijke afleidingen die van den naam Jahwe gegeven zijn, behoeven wij niet te spreken. Men gaat daarbij niet uit van het hebr. haja, z ij n en dat doet Dr. H., m.i. te recht, wel. Maar haja, zegt Dr. H., beteekent Gen. xvn: 16 voortkomen, derhalve ook verschijnen of komen. Wat moet men van zulk een redeneering zeggen? In de aangehaalde plaats is voortkomen dan toch zooveel als worden, geboren . worden, ontstaan; en dat haja dit beteeken, weetieder. Maar in dezen zin zal Dr. H. ter verklaring van den naam Jahwe de beteekenis van dit werkwoord toch wel niet uit Gen. xvn: 16 willen afleiden. Hoe komt hij dan aan de beteekenis komen? Eenvoudig op don klank af: in „voortkomenquot; zit toch ook „komenquot;; derhalve...!

Nog erger is zijne vertaling: „ik heb den man, die komen zal verkregen.quot; Zeker, Luther op wien Dr. H. zich beroept, heeft zich ook vergist, toen hij vertaalde: „einen Mann des Herrn.quot; Het woordje eth moet voordie vertaling noodzakelijk worden geschrapt. Maar wat Dr. H. gooft, is toch nog orgor. Er staat eenvoudig „een manquot;. Zokor, antwoordt Dr. H., indien men de helft van den zin leest. Er staat geeu bepalend lidwoord vóór, maar staat er soms een bepaling achter het woord man? Die bepaling vindt

-ocr page 64-

60

men in het woordje „ethquot; enz.. Ik zou Dr. H. raden op dit punt eens een Hebreeuwsche grammatica te raadplegen. Juist als een woord een nadere bepaling bij zich heeft; hier volgens Dr. H. „eth Jahwequot;, moet het zelf bepaald zijn; het bepalend lid w. ware juist by do door Dr. H. gewilde constructie onmisbaar geweest. En bovendien wel het object zelf, maar niet de appositie, kan het woordje eth voor zich hebben. „Jahwequot; kan derhalve hier geen appositie van „manquot; zijn.

Dr. H. beroept zich op de geslachtsregisters waar eth ook voor de eigennamen staat, maar zijn deze daar appositie of object? Bovendien waar vindt hy dat een eigennaam op deze wyze vertaald worden moet? Immers hy wil uitdrukkelijk vertalen: „den man die komen zal.quot;

Dr. H. meent deze questie verder veilig te kunnen laten rusten nadat hy geconstateerd heeft dat ik geen recht had te spreken zooals ik deed (W. v. V. bl. 14.) Het eerste is waar; het tweede ook?

Een van de bezwaren, die ik tegen het boek van Dr. H. inbracht, is dat hij de mannen die hy bestrijdt, niet laat zeggen wat zy werkelijk gezegd hebben, maar er een voorstelling van geeft, waarin men hen by na niet herkent. Ik voerde daarvan nog al eenige voorbeelden aan. Het is eigenaardig hoe Dr. H. zich in zyn Woord van Verweer in dezen tracht vry te pleiten.

Aanhalingsteekens, waardoor men den indruk erlangt dat men de eigen woorden van een schrijver voor zich heeft, zyn zoo erg niet, vindt Dr. H.; misschien komen zy wel ten laste van den corrector (!!); en in elk geval, hy heeft immers zelf gezegd dat hij resumeerde. Als hy dit dan maar juist deed!

Had hij bl. 182 de eigen woorden van Kuenen gegeven, hij zou zeker er niet op hebben laten volgen: „zoo komt hy dan tot 2 Kon. xxii, xxiii,quot; want ieder zou aanstonds hebben opgemerkt, wat ik Dr. H. onder het oog bracht, dat nl. deze hfdstt. volgens Kuenen niets met de 8,te eeuw te maken hebben. „Ja, zy tochquot;, zegt Dr. H. (W. v. V. bl. 19) want daar zoekt hij de eerste duidelijke sporen van het begin der profetische beweging, die in D. haar einddoel bereikt.quot; En dan volgt 1°. een beroep op iets dat K. schreef Godsd. v. Isr. I bi. 423, en dat over Deuteronomium handelt, terwijl het eerste „in \'t kortquot; weergegeven stuk staat ibid, bl. 33v.; 2°. zonder nadere aanduiding waar het staat, een citaat uit bl. 34, waar weder sprake is van de 8\'te eeuw. Ja zoo kan men alles samenbrengen. Maar het bewijs is niet geleverd, en

-ocr page 65-

61

kan voor zoo ver ik Kuetien\'s geschriften ken, niet geleverd worden, dat men, handelende over het vinden van Hilkia\'s wetboek 2 Kon. xxii en xxiii sn willende betoogen dat de naar men meent puur wysgeerige hypothese der critici zich hier schijnbaar aan de historie aansluit, zich beroepen mag op wat Kuenen schreef over de 88,e eeuw als uitgangspunt van het historisch onderzoek. De band dien hij Kuenen laat maken tusschen het een en het andere, is niet van Kuenen, maar van Dr. H. zelf.

Dat Dr. H. de na-critische toevoegsels tot de Priesterwet door Wildeboer laat aanduiden als P\': is ook zoo erg niet. Immers by de aanduiding van de andere documenten telt men als „gewone menschenkinderenquot; een, twee, drie, vier; maar juist by P wordt ach ter uitgeteld. De vergissing is dus zeer verklaarbaar.

Dit laatste zal ik niet ontkennen. Maar dat „achteruittellenquot; van die wonderlijke „criticiquot; bestaat weer alleen in Dr. H.\'s verbeelding. Als hij van Dr. Wildeboer\'s boek bl. 362 nog eens overleest, zal het hem wel duidelijk worden, dat hij geen recht heeft te schrijven (W. v. V. bl. 20): „Volgens Dr. Wildeboer moet P1 tusschen de jaren 500 en 475 vóór Chr. in Babel zijn samengesteld, terwijl P\' later valt.quot; Dr. W. zegt wat dit laatste betreft, juist het tegenovergestelde. Trouwens ook hier moet Dr. H.\'s „correctorquot; het ontgelden.

Dr. H. is, schreef ik, met zijn letters — aanduiding van de verschillende bronnen in de Pentateuch — totaal in de war. Het antwoord is, dat het geen wonder zou zijn indien het zoo ware, maar dat hü in het door mij aangehaalde geval is, „bepaald niet in de warquot; is.

Met uw verlof. Dr. H. geeft bl. 312 v. een lang citaat uit

Kuenen, en laat er dan op volgen: „Deze____uiteenzetting van

Kuenen is---- zoowel de uitkomst van als de aanleiding tot de

onderscheiding van E en E5quot;. In het Woord van Verweer wordt dit nu toegelicht door eenige mededeelingen omtrent Kue-nen\'s beschouwing van hetgeen de profetische verhalen E en E\' over de ark zullen hebben gezegd, en dan volgt de opmerking dat in zijn betoog bl. 307 vv. deze door K. gemaakte onderscheiding van groote beteekenis is.

Maar daarover hadden wij het niet, en dat heb ik ook niet bestreden, gelijk Dr. H. het nu (W. v. V. bl. 22) wil doen voorkomen. Ik heb gezegd dat in het geheele verband, d. i. in die „van onbe-

-ocr page 66-

62

wezen en ten deele onbewijsbare stellingen wemelende uiteenzetting van K.quot;, dio do uitkomst van en de aanleiding tot de onderscheiding van E on E2 heet geweest te zijn, daarvan hoegenaamd geen sprake is. Ieder die K. er nog eens op naleest, zal mij dit toestemmen.

Dr. H. laat Kuenen zeggen dat het Israëlietische volk, blykens het lied van Debora, bestond uit don Rachel-stam, de Jozef- en de Lea-stammen, Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar en Zebulon.

Ik heb Dr. H. gevraagd waar hij dat bij K. gevonden had. Zijn antwoord (W. v. V. bl. 22) luidt dat hij het afgeleid heeft uit Kue-nen\'s Godsd. v. Isr. I, bl. 114, terwijl hij — merkwaardige concessie — wat K. elders schreef niet las, en dit hem ook weinig belang inboezemt.

Naar zijn meening schijnt mijn bezwaar de vermelding der Lea-stammen te gelden. De vraag is echter waar K. iets dergelijks afleidt uit het lied van Debora, en hoe hij uit dat lied met mogelijkheid kan afleiden dat Israël destijds bestond o. a. uit Simeon, Levi, Juda. Men zou haast vragen of iemand die dat schrijft, het lied van Debora wel eens gelezen heeft.

Eigenaardig is wat Dr. H. in zijn Woord van Verweer (bl. 23) tot mijne beschaming zegt.

Bl. 161 van zijn boek heeft hij ten bewijze dat de „criticiquot; zeer lichtvaardig zijn in het opnoemen van kenteekenen ter onderscheiding der bronnen, aangevoerd de uitdrukking: „mijn verbond oprichten.quot; Exod. vi : 3, die „van P heet te zijn, maar die ook in Gen. xvn : 2, 3 in een stuk van E te lezen staat.quot; Duidelijk is hier eene tegenstelling gemaakt tusschen P en E. De bedoelde uitdrukking komt niet alleen voor in P maar ook in E. Ik wees er op dat geen enkel criticus Gen. xvn : 2, 3 aan E toekent, en ik verwees ten overvloede naar de erkenning daarvan door Dr. H. op bl. 157 van zijn boek. In zijn W. v. V. vindt Dr. H. dit van mijne zijde eene „snuggere opmerkingquot; en verklaart zijne handelwijze aldus: „Op bl. 157 waar ik de z.g. resultaten van do critici mededeel, zeg ik: Gen. xvn : 2, 3 is van P, en op bl. 161, waar ik hun recht tot bronnensplitsing in twijfel trek, zeg ik: Gen. xvii : 2, 3 is Elohistisch, vg. Delitzsch enz.quot;.

Ik antwoord: dat maakt Dr. H. er nu van, maar dat staat er niet. Bl. 161 handelt evenzeer over wat de „criticiquot; doen. Volgens hen is Exod. vi : 3 van P, en volgens wie nu Gen. xvn : 2, 3

-ocr page 67-

63

van E? Volgens anderen dan de „criticiquot;? Maar dan heeft Dr. H. ook geen recht daaruit iets te hunnen nadeele af te leiden, gelijk hij toch doet. Het is heel mooi om er nu op te wijzen dat De-litzsch Gen. xvn Elohistisch noemt, maar dit is niet hetzelfde als wanneer men zegt: het is niet uit P maar uit E. Trouwens ook Delitzsch kent Gen. xvn aan dezelfde bron toe alsExod. vi. Ten overvloede blijkt uit de volgende alinea waar gesproken wordt van wat de „criticiquot; zouden doen indien enz., duidelijk, dat hij in de voorgaande spreekt van wat zij werkelijk doen.

Het is verbazend moeilijk Dr. H. te verstaan. H;j schrijft bl. 288 van z4jn boek: „Deze gegevens, o a. Gen. xxvm : 20, beliooren volgens de voorstelling der critici tot dezelfde schicht waartoe ook de Levietische wet gerekend wordt te behooren.quot; Men lette op hot tweemalige „behoorenquot; en op dit „volgens de criticiquot; op die plaats. Niemand kan daar iets anders uit lezen dan dat volgens Dr. H. de critici deze gegevens tot dezelfde schicht (?) brengen als de Levietische wet.

Daarop maakte ik ten opzichte van Gen. xxvm ; 18, xxxv : 14 aanmerking, want dat doen zij niet. Neen, zegt Dr. H., dat zeg ik niet; ik zeg dat zij tot dezelfde schicht behooren waartoe volgens de critici de Levietische wet gerekend wordt, en dan bedoel ik dat de critici ze daar onder dak hadden behooren te brengen.

Maar dat is heel iets anders; het eerste is: de critici doen het; het tweede: zü doen het wel niet, maar zü behoorden het te doen. Met de dubbele beteekenis van het woord „behoorenquot; is aardig gespeeld, en de verplaatsing van het „volgens de criticiquot; is gevat. Maar of de vergissing aan mijne zijde ligt?

En dan: wie kan verstaan, dat wanneer Dr. H. spreekt van de zelfde schicht (?) waartoe de Levietische wet gerekend wordt, hy niet denkt aan een literarisch iets, maar aan de „ontwikkeling van de offerideequot;. Waarlijk, ik had de voorafgaande toelichting wel gelezen, wat Dr. H. schijnt te betwijfelen (W. v. V. bl. 24), maar zelfs in het licht daarvan bleek mg daarvan niets.

Op bl. 392 van zijn boek (niet bl. 152 gelijk hij in z\\jn Woord van Verweer bl. 27 zegt) heeft Dr. H. iets geschreven over do namen Kanaan en Cham. Ik heb hem er op opmerkzaam gemaakt dat hy ook hier het gevoelen der „criticiquot; onjuist weer geeft.

Dr. H. zegt nu dat ik die opmerking in de pen zou hebben ge-

-ocr page 68-

64

houden indien ik de errata achter zijn boek had nagezien. Dat ik dit niet deed waardeert Dr. H. zeer, want daaruit blijkt dat ik mij ook wel eens kan vergissen.

Mag ik vragen of er misschien meer dan ééne oplage van Dr. H.\'s boek verschenen is? Ik heb de lijst der „errataquot; in mijn exemplaar herhaaldelijk doorgelezen; maar de door mij gewraakte plaats wordt er in het geheel niet in genoemd.

In zijn Woord v. Verweer zegt Dr. H.: „van den „Engel des Heerenquot; wordt nimmer, beweerde ik op bl. 122, in het meervoud gesproken.quot; Ik had hem gewezen op Ps. cm; 20, en civ:4; maar Dr. H. wraakt dit, want zegt hij „zeker; over de engelen wordt op die wijze telkens gesproken; maar dit is hier de kwestie niet. Er was spraak van de benaming „Engel des Heeren.quot; En dan volgt de verzuchting; „men raadplege toch de concordanz hetzij in het Hollandsch hetzij in het Hebreeuwsch.quot;

Mag ik Dr. H. attent maken op zyn eigen woorden bl. 122? Er staat: „zij die weten dat in de Schrift nimmer sprake is van „Engelen van Jahwequot;, wetenquot; enz.. Ik antwoord: „er is wel sprake van, lees maar de aangegeven teksten. Zooals Dr. H. de zaak nu voorstelt, ware zijne opmerking toch ook heel zonderling: er is sprake van de (uit den aard der zaak enkelvoudige) benaming „Engel des Heerenquot;, deze komt nooit in het meervoud voor. Dat zal wel uitkomen. Is eenmaal uitgemaakt dat de benaming Engel des Heeren altoos één bepaald wezen uitdrukt, dan spreekt het van zelf dat over dat wezen niet in het meervoud gesproken wordt. Maar dan mag als argument daarvoor niet worden aangevoerd dat in de Schrift „nimmer van Engelen van Jahwe in het meervoud wordt gesprokenquot;, want dat geschiedt wel.

Eindelijk de volgens Dr. H. zeer interessante questie van de „vrijstedenquot;. Dr. H. meent. Woord van Verweer bl. 28, dat wij hier staan voor schijnbaar tegen elkander indruischende, elkander uitsluitende bepalingen die toch zoo volkomen verklaarbaar zijn indien men de gegevens in aanmerking neemt die hier in de geschiedenis zelve te vinden zijn.quot;

Ik had gesproken over den „goocheltoer waarmede Dr. H. bl. 276 ook hier weer alles weet te arrangeeren, zonder te bedenken dat hij daarmee in strijd komt met hetgeen hij zelf bl. 259 vv. zegt over de momenten der ontwikkeling die in de wetten te vinden zijn.quot;

-ocr page 69-

65

Dr. H. hoopt dat ik nog eens op dezelfde wijze mag leeren „goochelen.quot;

Wat is de zaak? Deut. xix : 7 wordt in de vlakke velden van Moab bepaald dat er voorloopig drie vrijsteden zullen zijn; wordt de landpale verwijd, dan moeten er nog drie bijkomen.

In Deut. iv; 41 lezen wij dat Mozes drie steden afzonderde aan gene zijde van de Jordaan, tegen het Oosten. Dr. H. vertaalt met de Statenvertaling: „aan deze zijdequot;; dit is onjuist; maar het doet er weinig toe; de uitdrukking is eenvoudig hot bewys dat de schr. op dit punt een spraakgebruik dat eerst in Palestina ontstaan kon, aan Mozes in den mond legt. Terecht denkt ook Dr. H. in elk geval aan steden in het Oost-Jordaansche.

In Num. xxxv : 13 wordt bepaald dat er zes vrijsteden zullen zijn waarvan de helft aan deze en de helft aan gene zijde van de Jordaan zullen gelegen zijn.

Nu geeft Dr. H. deze verklaring: „het was oorspronkelijk niet hot doel van Mozes het Overjordaansche in bezit te nemen; dit geschiedde op initiatief van Ruben en Gadquot; enz. Num. xxxn : 2 vv.. „De aanwijzing van drie vrijsteden in het Overjordaansche had plaats, gelijk uitdrukkelijk gemeld wordt (Deut. iv: 46), in het land van Sihon, nadat Israël zijn land in bezit had genomen. De bepalingen in Deut. xix : 1 v.v. behooren dus tot de periode vóór deze gebeurtenissen.quot;

Derhalve de bepalingen van Deut. xix zijn gegeven vóór de verovering van het Oost-Jordaansche land, toen Mozes nog geen plan had dit land in bezit te nemen. Dr. H. bewijst het; immers*Deut. v verplaatst Israël bij den Horeb^ ook in Deut. x : 1 blyft het too-neel Sinaï in den tijd van de bondsbreuk (vs. 10); de inzettingen en rechten, die in Deut. xn vv. vermeld worden, sluiten zich hierby aan. Dat wil dus zeggen dat ook de bepaling van Deut. xix : 1 bij den Sinaï gegeven is. Als men het maar weet! Er staat anders Deut. xi : 32 dat de inzettingen en rechten, die H. xn vv. worden vermeld, „hedenquot; door Mozes aan het volk zyn voorgesteld, d. i. in het 40,quot;; jaar, in de vlakke velden van Moab, en dat zij dus niet tot den tijd van het verblijf bij den Sinaï behooren.

Trouwens elders, bl. 259 vv., erkent Dr. H. dit zelf, en maakt dit zelfs tot een hoofdpunt in zijne voorstelling van de historische ontwikkeling in de wetgeving. Volgens hem toch zijn er drie groepen van wetten: 1° die welke gegeven zijn aan den voet van den Sinaï, 2quot; die welke gegeven zijn nadat Israël Sinaï verlaten

-ocr page 70-

66

heeft en over Thabéra, Kibroth Thaava en Hazeroth naar de woestijn Paran en Kades getrokken is. Tot deze groep behoort een gedeelte van hetgeen de critici tot de Priesterwet rekenen. Wat Dr. H. daartoe eigenlijk brengt is mü niet duidelijk, maar het doet er niet toe. 3quot; Die welke gegeven zijn in de vlakke velden van Moab; zij worden hoofdzakelijk in Deuteronomium gevonden, maar voor oen gedeelte ook in de z.g. Priesterwet. Hoe dit te rijmen is met hot zoo even gezegde, is mij een raadsel: de wetten van Deuteronomium zyn gegeven in de velden van Moab; en: wij worden in Deut. v weer verplaatst bij den Horeb, en de Deut. xii vv. gegeven bepalingen sluiten zich daarbü aan! Bij de bespreking van andere punten gaat Dr. H. van het eerste, bij die van de „vrijstedenquot; van het laatste uit.

„De eenige moeilijkheid, die dus overblijft,quot; schrijft Dr. H., „is gelegen in de zes steden (zie Num. xxxv). Deze wet is, blijkens Num. xxxv : 1, afkomstig uit denzelfden tijd waarin Deut. xv ons verplaatst.quot; Hoe dit blijkt uit de aangehaalde plaats Deut. iv : 1, begrijp ik weer niet, maar de zaak verandert daardoor niet. Maar dan volgt: „uit Num. xxxiv (vg. met Jos. xvm : 1 vv.) blijkt evenwel dat Israël land is toebedeeld dat door hem niet in bezit is genomen.quot; Maar wat heeft dit met do zaak te maken? Num. xxxv bepaalt: drie vrijsteden in het Oost-Jordaan-sche, drie in het West-Jordaansche. Deut. iv : 41 wordt meegedeeld dat aan de eerste helft van dit gebod door Mozes voldaan is. Wat, wanneer men eenmaal met Deut. xix gehandeld heeft, gelijk Dr. H. doet, hier do moeilijkheid is, de eenige die voor Dr. H. is overgebleven, begrijp ik weder niet, en evenmin hoe zij door de zoo even cursief gedrukte woorden wordt opgelost. M. i. liggen de moeilijkheden elders. Op deze wijze „Schrift met Schrift te vergelijkenquot; — wat Dr. H. hoopt dat ik nog eens leeren zal — schijnt mij geen ideaal.

Er is nog ééne bijzonderheid, die ik hier ter sprake wil brengen, ofschoon zy buiten het debat tusschen Dr. H. en mij staat.

In mijne bespreking van diens werk schreef ik in een noot dat het woord Elohim in den Bijbel nergens de beteekenis heeft van „Overheidquot; of „Rechtersquot;. Ik kon dit daar niet aantoonen, en kan het ook hier niet; het blijve dus eenvoudig een stelling. Van bevriende zijde werd mü echter de vraag gedaan hoe ik dit schrij-

-ocr page 71-

67

von kon, daar tooh Joh. x : 34 v. de Heer in zijne aanhaling van Ps. lxxxii : 6 onder „godenquot; wol degelijk menschen verstaat.

Is dit zoo? Men gaat daarbij onwillekeurig uit van de gedachte dat de Heer met dit „gijquot; zijne hoorders op het oog heeft, deze in dit Schriftwoord laat aangesproken zijn. Dit is echter niet het geval. Het „ik heb gezegd: gij zijt godenquot;, is citaat en wordt als zoodanig door den Heer gebruikt. Daarbij blijft geheel onbeslist, tot wie dit woord gericht is. De pointe van \'s Heeren redeneering ligt in vs. 35 v., in de tegenstelling tusschen „degenen tot wie het woord Gods geschied isquot; en „hij dien de Vader geheiligd en inde wereld gezonden heeftquot;. De laatste staat hooger dan de eerste; dit is in concessis; maar indien tot de eersten dan reeds gezegd is in een Schriftwoord dat niet ontbonden kan worden: „gij zijt godenquot;, waarom zou het dan godslastering zijn wanneer de laatste zegt; „ik ben Gods zoonquot;. In deze redeneering komt het er dus volstrekt niet op aan wie de aldus aangesprokenen zijn. In elk geval er zijn dergelijke volgens de Schrift door God aldus aangesproken wezens, en Jezus, blijkens het feit dat hy niet enkel aangesproken maar geheiligd en in do wereld gezonden is door den Vader, staat hooger dan zij.

Daarentegen kan, wil men den psalm tot zijn recht laten komen, daar oorspronkelu\'k niet aan „menschenquot; zijn gedacht. Eenige verwarring brengt te weeg dat wij hier een z. g. Elohistischen psalm voor ons hebben. Ware dit niet het geval vs. 1 zou zeker luiden: „Jahwe staat in de godsvergadering, in het midden dei-goden spreekt hij rechtquot;. Dat niet aan menschen, koningen of wie anders ook gedacht is, blijkt uit de tegenstelling tusschen vs. 6 en 7. Jahwe heeft deze wezens genoemd „Elohimquot;, zelfs „zonen dos Allerhoogstenquot;; toch zullen zij sterven als „een menschquot; of als „menschenquot;. Men vat dit op in den zin van „gewone menschenquot;, maar 1°. is dit een zeer gezochte verklaring, 2quot;. is het in stryd met het spraakgebruik: de tegenstelling: Elohim — mensch, duidt overal iets anders aan; en 3°. is het in stryd met het slot van vs. 7 „en als een der vorsten zult gij vallen.quot;

Vat men Elohim op in den gewonen zin van „goddelijke, bo-venmenschelijke wezensquot;, — niet juist wat wij noemen: engelen maar gelijkstaande met wat elders heet: zonen Gods, gelijk zij hier ook heeten: zonen des Allerhoogsten —, wezens die deel hebben aan do goddelijke natuur, goden, dan verkrygt men voor dezen psalm een uniek groolsche, stoute gedachte, waarvoormen echter in den Bijbel genoeg punten van aanraking vindt om ze —

-ocr page 72-

68

Schrift met Schrift vergelijkende — ook hier te verstaan. Jahwe, de Eenige, is omringd van Elohim, die in den. Bijbel op verschillende wijze aangeduid worden — ik denk byv. aan Ps. lxxxix ; 7,8, Job i en ii maar ook iv : 18, xv: 15, 1 Kon. xxn: 19 vv. — Aan deze is de regeering over, de aanbidding door de andere volken overgelaten, vg. Deut. iv; 19 waar bepaald van het heir des homels, wat wij noemen de hemellichamen, gesproken wordt, en Deut. xxxii : 8, waar men met de lxx in plaats van: „God heeft de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israelsquot; moet lezen „naar het getal der Godszonenquot;, b\'né-El in plaats van b\'né-Israël; zoovele Godszonen zoovele volken. Daarentegen heeft Jahwe zich zeiven het bewind ovor en de aanbidding van Israël voorbehouden, Deut. iv:20, xxxii : 9. Vg. verder de voorstelling in Dan. x—xn van bepaalde „vorstenquot; in den hemel over do verschillende koninkrijken der aarde, en de stryd die met deze gevoerd wordt.

Dezen toestand heeft Jahwe zoo gewild. Een van do groote gedachten die aan deze voorstelling ten grondslag ligt, is deze dat ook het polytheïsme waarheid bevat maar eene die aan het monotheïsme onderworpen is. Ik kan daarover nu niet uitweiden ; tal van lynen liggen hier, die aan de eene zijde terugvoeren naar zeer oude geloofsvoorstellingen van Israël, en aan de andere zijde vooruit naar Paulinische voorstellingen omtrent de daemonen. Voor ons doet dit nu niet ter zake. In ieder geval: naar de gedachte die hier is uitgesproken, heeft Jahwe dezen toestand gewild; hij heeft gezegd: „gij zijt godenquot; enz.. Maar niet altoos zal hot zoo blijven — vg. de gedachte Hand. xiv: 16 in gansch anderen samenhang, dat God de volken een tijd lang heeft laten wandelen in hunne eigene wegen. Wat is er in dien t\\jd en onder dit alles van de aarde en hare volken geworden? Het antwoord geeft o.a. Ps. lxxxii : 2—5: heerschappij van goddeloosheid en onrecht; al de fondamenten der aarde wankelen!

Maar er komt een dag des gerichts. Ook deze „godenquot; moeten rekenschap afleggen; Jahwe staat in hun midden en spreekt recht. Wij hebben hier een esohatologischen on in dien zin ook messiaan-schen\'psalm, gelijk er trouwens zoo tal van psalmen in onzen bundel zyn. Immers dit is het eigenlijke heil dat verwacht wordt, dat Jahwe zelf de rogeering in handen neemt; eerst - weer, want hij heeft deze als voor een tijd neergelegd - over Israël en dan over de gansche aarde. Daarnaar zien de geloovigen in Israël uit. Van daar die bede vs. 8, die juist door de voorstelling van dit

-ocr page 73-

69

einde in de ziel van den dichter met zooveel nieuwe kracht opkomt: ware het toch maar zoo ver: „sta op Jahwe, richt de aarde; gij zijt toch de Heer, de bezitter, de eigeulyke eigenaar aller volken.quot;

Eens komt die dag; de dichter ziet er naar uit, maar ziet hom ook in dezen psalm reeds aanwezig. De gedachte is hier dezelfde als van Jes. xxiv: \'21 v.: Jahwe zal bezoeking doen over de koningen der aarde op de aarde, maar ook over de heirscharen der hoo gen in de hoogte; zij zullen worden nedergeworpen en samen vergaderd in den kuil. In onzen psalm; „zij zullen1 sterven als men-schen, vallen als een van de vorstenquot;, m. a. w. zij zullen worden onttroond, en aan hunne heerschappij een einde worden gemaakt.

Wat dit „stervenquot; betreft, denk ik aan Hab. i: 12. In onze Bijbels staat daar: „wij zullen niet sterven, Jahwequot;. Volgens do z.g. „verbeteringen der Schriftgeleerdenquot; heeft er oorspronkelijk gestaan : „gij zult niet sterven, Jahwequot;. Ook de Chaldeën zullen hem do regeering niet ontwringen.

Men zal mij toestemmen dat het gebruik dat de lieer Joh. x : 34 v. van den psalm maakt, over de juistheid of onjuistheid dezer verklaring hoegenaamd niet beslist.

-ocr page 74-
-ocr page 75-

Bij mij zijn verschenen:

Dr. J. J. P. VALETON Jr.,

Hoogleeraar.

TOESPRAKEN

gehouden in verschillende jaren bij de opening der Academische lessen.

f l,SO; geb. f 1,90.

INHOUD:

I. Geloof, eisch der Theol. Studie.

11. Israëlietische Godskennis.

III. De plaats der profetie in Israels Godsdienst.

IV. Bijbelstudie en Bijbelgebruik.

V. Het belang der O. Testam. studie voor den Evangeliedienaar.

VI. De vreeze des Heeren, het beginsel der wijsheid. VIL Het wezen van Israels Godsdienst.

VIII. „Christelijkequot; Godgeleerdheid.

Amos en Hosea.

Een hoofdstuk uit de geschiedenis van Israels Godsdienst.

f 2,SO; geb. f 2,90.

-ocr page 76-

1

-\' -il;:

«

quot; % s .

»

-ocr page 77-
-ocr page 78-
-ocr page 79-
-ocr page 80-

:gt;*.n ly