-ocr page 1-

iilü

i \'!,il 1 \'I :

! V j!1. .1: / .

3 w,« M

quot;ft Sfr\'\'

r i1\'

! ■ ■ ■ tf

Si\'II. ..

lf!!

/A.N

(•••

■ Iji\'il sH

N.

//.?/ N.

\' % ■» ö» •, V\'ea

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

EELDEN EN ^ANGEN.

-ocr page 5-
-ocr page 6-

. - • . . ■ \'V I\'

■ ■ ■ ■ . ., ■

quot; \' ■. ,1

, : •: . ■■ , — ■■ , ........ r

M - - \'Xï.-.. .-.J. ..y. |S

. . .... .ï0

Aquot;^ iïgmj ss; ■■ 1...........- •

■ • ■. .. ........

......

...

\'\'

.... .. .. .. ..■ ......

3 quot; \'

.\'•■\'■ .......... ... ...... ;.. .,,

..... : m -

:\' ............■ ■■ •

- ■ - • ■ ■ ■ ........■ ■ ■ • •

*«.f..tf»., ■■vaéti

■■■ quot;■■ ......... . .

■ •

- ,■...;... • •

-ocr page 7-
-ocr page 8-

GUNNING

K— ^

BEELDEN EN ZANGKN.

Proza er Poëzik

VAN

1! .1 ADRIAN 1 I5KKTS.W G. BRILL. A. W. BROXSVELD, K. OERDES J. II. GUNNING Ju.. I\' .1 HA8EBROEK, K. LAÜRILLARD, 11. PIERSON. J II I) K RIDDER, J. Rl EM ENS, L .f. VAN RHI.IN. L. O. S(\'III LLKR TOT PEURSUM, SOERA K WA, Tli VK08A W L. WELT ICR Ju. i: a.

l\'TRECHT C. II. E. BH EU EK, 1887.

a

el

BIBLIOTHtEK DER RUKbUNlVt^SIT ulT U T (i E C H T.

-ocr page 9-

\\Vageningsche Boek en MuziekdrukkeriJ.

-ocr page 10-

j5quot;------ —.........— \' 3?

[ N H O U I).

Blz.

Aan Prof. Dr. Nicolaas I5eets, op zijn 70stBn verjaardag, 13 Sept. 1884, door n. pieiison ... 1 is

Stemmingen, door j. n. günnino.......5

Quis separabit? door nicolaas beets.....14

Het probleem van het lijden en de zonde, door *** 16

Genot, door e. lauiullabd........21

Beelden der ziel, door sokisa uana......23

Behoud u om uws levens wil, door n. .i. adriani . 25

De Duivenveör, door .i. P. iiASEimoicK.....37

Een laatste groet. (Hij de plaat tegenover den titel),

door a. w. bronsveld.........40

De Hagar van 1, da Costa, besproken door n. i\'Irrson 42

Dante, door w. u. kirbrrokh........54

Judas Isoarioth, (van E. Greibel) door i, c. scimm.icr

tot i\'eursum............50

De vrouw van den zendeling, door u. kooudbks borkic 65

Aan Dr. N. Beets, door «kka.......77

Het Spiritisme, {F,ene voorlezing), medegedeeld door tryfosa..............79

ig Si

-ocr page 11-

lil/..

Mijn roem, door vv. u. KiuuEiioun......102

Do afsobciffing ilcr Kermis te /. (Nog eeue bleu!zijde uit het leven ran een dorpspredikant), door de

Schrijfster vmi „Een Naam\'.......10quot;)

lieven denkvermogen, door e. gerdes.....118

De eischen des tjjds, door anonymts . ... . 120

De verliilcne, (Hij de plaat), door soeua uana. . 128

De wilde jiiclit, door .i. iiikmens......130

Davids klaagzang op Snul en Jonathan, (.3 Samuel

l : lS — ?7). door ii. pnuisos......142

Suema. door .1. hekman de ïuddeh......144

,Zoolang ik kiank en /.wak, en vol van zonde-

vlekkenquot;, door mauia.........153

Voor de levensreis, door i. i. hoed es.....155

licde, door v. n, mei.i.kk massis......16(gt;

Mijne herinnering aan de Evangelische Alliantie-V\'-rguderiiigoii (:!(gt; A mj. ■ 7 Sept.) te Kopenhagen,

door i. .1, v.vn iuii.in.........108

Niet zonder doel, door \\v. i, wei.tuu .th. . . . 175

Charles Courier, door r. van oiieki, uiijirmkestku. 17(1

Hierosoly.na regenerata, dooi\' .t. he jon» . . 18!)

V.

-ocr page 12-

A A S

Piiof. Dn. NICOLA,A.S BEETS,

Vresitlenl vnn het Astjl Stecnbech. Op zijn 70sten verjaardag, 13 Sept. 1884.

]!ij al de bloemen, die men saam wou vlechten. Om ze aan I w aelitbanr hoofd te hechten.

Past nog één bloem, die \'kniel vergeet; Een bloem in Godes oog van hooger waarde Dan al de bloemen uit de gaarde.

Een bloem, daar Gij, daar ik van weet.

Die bloem wies hier, te Zetten, in \'t verborgen, Waar Gij gedeeld hebt in do zorgen.

Die Heldring \'teerst in Xeerland droeg; Gij bobt bij al uw arbeid kracht gevonden En moed gevat, om ook do wonden Te peilen, die de zonde sloeg.

-ocr page 13-

Gij hnbt hem jaron lang Uw steun gegeven,

Om ook zijn leven mee to leven ;

Gij hebt Zijn uitvaart zelf beluid ;

Gij hebt getroost, toen Gods gemeente een droeve Verzuchting slaakte bij de groeve,

Die \'t dierbaar overschot omsluit.

Uw kunst, l\'w studio had voor \' geen waarde, Toen boel Uw hart de taak aanvaardde, Om wacht te houden bij zijn graf. Gij, Hildebrand! met Uw doordringende oogen Zaagt uit, en zeg: hebt Go U bedrogen? Van U ontving ik Heldrings staf.

Nog blijft Gij d\'arbeid met Uw invloed steunen; Op Heldrings staf en op IJ leunen ....

Verlicht dat niet liet zware werk ?

(lij hieldt, al dringt l\'w hart om hem nog rouwe, Aan Heldrings nagedacbtnis trouwe,

En maakt, die na hem komen, sterk.

Dit is do bloem, die \'kin Uw krans wou strenglen. Gij weet het, wat voor \'s hemels Englen Een vreugde igt;, boven alles groot;

Voor U ba dl , met wat bloem men ü moog sieren , Niets bij de vreugd, die hier bleef tieren: Een ziel to redden van den dood.

H. Pierson.

-ocr page 14-

ts %

i

.

{Ltk,. \'Z amp; égt;

S T E M M INGE N.

Gewichtig is de beteekonis der stemmingen in ons leven. Het is een gelieimzinnig gebied dat wij aanraken als we dit woord noemen. Do stemming waarin wij verkeeren, seliijnt iets oijberekenbaars en aan don invloed van onzen wil onttrokken te zijn. Men is zoo oi\' anders gestemd: waarom, dat weet men in vele, in do moeste gevallen niet. Gezondheid of krankheid, aangename ot\' onaangename ervaringen kunnen zonder twijfel er veel toe doen om ons in de eeue of andere stemming te brengen. Maar toch, hoe komt ons vaak do stemming over als eeue macht die, zonder te laten zien van waar zij komt of waar zij heen gaat, onwederstaanbaar over ons heersoht. Eeue blijdschap kan ons vervullen die niet het gevolg, zoover wij weten, van bepaalde ondervindingen is, maar wel allo dingen die ons overkomen, alles waarmeê wij in aanraking komen, liefelijk kleurt. Of wel, een gier gelijk kan de droefgeestigheid zich over ons neèrlaten, de breedo vlerken onlioilspellend uitbreiden en den klauw op onze borst zetten, zoodat alles in

-ocr page 15-

ons benauwd en treurig, alles buiten ons zwart en bezwarend voorkomt. Wat is dat ?

Men kan tot op zekere hoogte zielkundig nasporen wat er in dezen omgaat in ons binnenste. Dan schijnt het dat de „stemmingenquot; in ons ontstaan door het samenvloeien van vele aandoeningen en gevoelens tot zoodanige éénheid, dat er niet ééne voor ons besef bepaald op den voorgrond treedt om al de andere te beheersehen, maar dat alle gelijkelijk te zamen werken. Zoo kan men de stemming noemen do resultante van al wat ons binnenste beweegt. Maar toch is zij van dat inwendig leven ook weder onafhankelijk. Een enkele, plotseling aankomende, indruk kan haar wijzigen, gelijk het aanslaan van één toon, liet tokkelen van ééne snaar, den klank verwekt die openbaar maakt of het instrument goed „gestemdquot; was of niet.

Men kan dit niet begrijpen zonder den invloed te erkennen van een hoogere en van een lagere wereld, van goede en booze machten die beide dit tusschenge-bied, het aardsche leven, trachten in te nemen en daartoe den monsch, den van God gestelden middelaar tussohen Hem en de schepping, trachten naar boven of naar boneden te trekken.

Evenwel is do mensch geen werktuig, geen onzelfstandig instrument, maar een vrij, zelfstandig wezen, geroepen om te heerschen, allereerst over zichzelve, daarna on daardoor over hetgeen builen hem bestaat. Het is noodig dat wij stemmingen hebben, maar wee hem dien de stemmingen hebben! Wij zijn geroepen om boven onze ervaringen, daarom ook boven onze stemmingen, te leven.

-ocr page 16-

Dit gevoelen vele ernstige naturen, en willen dus de stemming terugdringen, /.ioli geheel onzijdig houden. Vooral op grond van de nietigheid dor wereld, die immers tegen do waarde van \'s menschen ziel niet opweegt. Zoo spreekt dan de indisehe wijsheid;

Is eener wereld goed voor u verloren,

Zoo draay geen leed daarover, hot is niets.

Of zon een wereld ganseh u toebohooren,

Wees niet verheugd daarover, het is niets.

Laat noch den glans der wereld u bokoren,

Noch haar ellende u neOrslaan, het is niets.

Is dat schoon en verheven? Neen, het is onwaar, onnatuurlijk, onmogelijk, en daarom ook onchristelijk, omdat het onmenschelijk is. Het is overspanning en /.elfbedrog, dat de mensch, zulke ervaring van de wereld makende, zijn gevoel daarbij zou verstompen en afleggen. Dat is niet zelfverloochening, gelijk Jezus ons haar voorstelt, maar zelfmoord, d. i. een sterk vasthouden aan het vleesch. Men bedriegt zich wanneer men doorgaans meent dat do zelfmoordenaar het leven haat en het dus van zich werpt. Hij heeft integendeel hot vleeschelijk leven lief, zóó lief dat hij, in plaats van het te verloochen door Jezus\' Kruis te omvatten, zich juist omgekeerd in de diepste diepte van het vleeschelijk bestaan, namelijk den dood, instort. Hij hoeft ons gevallen bestaan zóó lief dat hij, nu het b.v. door een tussohen gekomen smart onlkleurd of zwaar te dragen gemaakt is, er toch niet aan ontkomen wil door er boven uit te stijgen, maar alleen door er dieper in te dalen. Gelijk do hertog van Clarence, tor dood veroordeeld.

-ocr page 17-

verkoos in een vat van dien malvezij-wijn, aan welken hij verslaafd was, verdronken te worden, zoo drinkt de zelfmoordenaar do wanhoop die op den bodem van dit vleeschelijk leven ligt en er do kern van uitmaakt, nog ééns met volle teugen in, en nu zóó sterk dat hij er bewusteloos in te gronde gaat. Welnu, de indiscbe zelf kwelling of zelfverminking en ook de stoïsche onverschilligheid van den ongeloovige zijn slechts verzwakte vormen van den zelfmoord. Ook hier derhalve geeft de metisch niet zich in den dood, maar slechts zijn aardsch en vleeschelijk leven. Daarom komt hij ook niet uit den dood weOr te voorschijn, maar blijft er in steken. Hoe geheel anders de menscb die zijn Heiland kent, dilt;\' met Christus begraven en opgestaan is. Bij hem is hot natuurlijk leven aan den geest onderworpen. Juist daarom kan de stemming, nu geen onberekenbare, onweêrstaanbare vijand meer, eenvoudig vrijgelaten worden. Zij behoeft niet onnatuurlijk onderdrukt te worden; maar kan zich eenvoudig uiten gelijk ztj telkens is. De verloste menscb mag nu ongedwongen zich gedragen naar het woord van Jakobus: „is iemand in lijden, dat hij bidde. Is iemand goeds moeds, dat hij psalmzinge!quot; Dat is; laat ons toch eenvoudig en waar zijn: ons uitspreken gelijk we zijn, ons niets opdringen, maar doen naar het diep gevoelig woord des spreukendichters: ,\'.vie liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk een die een kleed aflegt, ten dage der koude.quot; Laat, met andere woorden, onze stemming, afwisselende in vrolijkheid of droefheid, eenvoudig natuurlijk en oprecht den toestand van ons loven afspiegelen.

Toch moeten wij gewis onze stemming hcheersdifti:

-ocr page 18-

9 -

K ...... ■■........

haar binnen de juiste palen houden, haar reinigen en tot eene kracht in plaats van tot eene zwakheid maken. Wat is daartoe te doen ?

In do eerste plaats moeten wij verstandig en kalm de oorzaak onzer stemmingen trachten te kennen. Op duizend wijzen draagt onze levensgeschiedenis, onze nan-gefirfde natuurlijke of geesteljjke toestand, onze omgeving er toe bij. 15.v. oenelang aangehouden gewoonte van te bevelen, te onderwijzen, vóór te gaan terwijl anderen ons volgden, rijk of geëerd te zijn, — kan ons prikkelbaar maken zoodat wij het vermogen om te ontberen of om tegengesproken te kunnen worden, verliezen. Een geheiino ontevredenheid of jaloerschheid, die wij zorgvuldig verbergen maar niet overwinnen, maakt de wonde plek zeer pijn-gevoelig. Of wel, men beeft een zwak, een Lijzonder teêr punt, dat niet aangeraakt kan worden of de go-heele ziel raakt in beweging. Een mensch b.v. beeft u beieedigd. (!ij hebt het, naar eigen gewisse overtuiging, om Christus\' wil gaarne vergeven. Maar toch als het bij anderen, of in stilte bij u zelve, ter sprake komt, raakt uw gemoed weór bewogen, en soms ontstaat er langen tijd in uw binnenste op nieuw een twistgesprek mot hem, ja het noemen van zijn naam is genoeg om verbindingen van gedachten in u te wekken, dien plotseling overvallen en op Je vleugels der verbeelding hot vleesoh, de prikkelbare natuur, als een hollend paard een eind-weegs of zeer verre inedesleepen.

Ook zelfzucht en gebrek aan moed kan in het spel zijn. i )aar zijn woorden of bejegeningen die een vreemde u aandoen kan, zonder dat hij u beleedigt; of indien wèl, zoo hebt gij dit gevoel spoedig overwonnen. Maai\' bij

k

-ocr page 19-

— 10

uwe eigon huisgenooten, of bij onclerhöörigen, laat gij u onbeteugeld gaan en koelt uwen wrevel, üf wel ititnaiul doet iels verkeerd, waar gij bevelend of venna* nend, naar uwen plicht, tegen behoordet op te komen, (iij doet het niet, maar blijft dan ook deswege in een gedrukte, pijnlijko, zelfbescliuldigende stemming, schoon gij dat geval op een ander tracht at te leiden. Of wel gij moet inwendig iemand tegenover u recht geven, maar hebt den moed niet om u zeiven te overwinnen en dit to erkennen ; zoo blijft gij dan gemelijk in u zelf gekeerd, gelijk Aehab toen Naboth hem zijn akker had geweigerd.

Hoe /uit gij dit alles te boven komen?

Heerlijk is de werking van het Woord Gods die in het, vierde hoofstuk van den brief aan de Hebreën beschreven wordt: de macht van ^scheiding te maken tusschen ziel en geest.\' Het gebied der „zielquot; is de stemming, het meer onwillekeurige, het lagere loven, als zooilanig meer aan het lichaam in zijn gevallen toestand verwant. Igt;e ,geest.quot; daarentegen is het binnenste des iiunischon zoover hot naar Clod, naar het hoogste waarachtige leven toegekeerd is. Tusschen deze beide maakt hel Woont lt;Jod.i scheiding. Het leert u het lagere door het hoogere te laten beheerschen en reinigen.

Zoo laat gij dat Woord, laat gij God zeiven die tot u on in u .spreekt, over uwe stemming heerschen. (iij leert aldus, „hot lichaam Gode tot een offerande te stellen.quot; .la tot een levende, heilige, Gode welbehage-lijke ollerande leert gij uw lichaam en hetgeen er van afhangt, ook uwe stemming ,bij het altaar stellenquot; als olfnande (Hom. IJ, 1 Gr.) De offeraar stelde zijn of-

-ocr page 20-

fergave bij het altaar, en leide zijn hand ton teeken van gemeenschap er op. Dan doodde niet hij zelf maaide priester, dat offerdier. Zoo ook gij zelf kunt uwe verkeerde stemming niet dooden. Dat zal God zelf doen. Maar gij stelt haar, als offerande, bij het altaar — en dan geschiedt u naar uw geloof. En God gaat in u van overwinning tot overwinning voort.

Doch zie dit laatste, het spreken van ,overwinning,quot; maakt n treurig. Ach, zegt gij schaamrood en bedroefd, die overwinning zie ik nog bijna niet. Hoe lange jaren heb ik tegen een of andere bepaalde zonde, en dikwerf ook juist tegen deze over welke wij handelen, tegen een verkeerde stemming, gestreden, en tocli zonder vrucht , zoover ik zie. Ik blijf aan die vernederende maclit onderworpen. Is dat dan niet een teeken dat ik nog buitrn God leef?

Neon, dat is het niet. Ook een man van innige heldhaftige zielsgesteldheid als Galvijn erkende hij dat „het wilde dier,quot; de opbruischende, of op andere wijze zijn gansch gevoed beheerschcnde stemming, niet had kunnen overwinnen zelfs tot op het laatst van zijn loven. Wat is dit?

Zie, God spreekt tot zijn Israel oen woord dat hot u kan ophelderen. Als aan Israel wordt gezegd dat zijn God de volken van Kanaan voor zijn aangezicht zal uitdrijven, wordt er bij gevoegd (Deut. 7 : 22):

„De Heero uw God zal deze volken voor uw aangezicht allengskens uitwerpen, f (aasteljjk zult gij hen niet mogen te niet doen, opdat het wild gedierte des velds niet tegen u certnenigvuldigc.quot;

O zondig mensch, indien God u toeliet terstond hei-

-ocr page 21-

lig te worden, zoudt gij een aldus gereinigd leven evenmin kunnen beheeren als Israel een geheel gereinigd Kanaan. Ook in uw hart zou „het wild gedierte vermenigvuldigen.quot; De hoogmoed zou alles weder bederven.

(!od laat u al /.achtkens voorttreden, telkens opnieuw beschaamd, vernederd, klein gehouden door gedurige ontdekking dat toch waarlijk en inderdaad, ja tot het laatste toe, in u, dat is in uw vleesch, niets goeds troont.

Aldus bewijst zich u de waarheid van Paulus\' heerlijke leer, dat niet alleen uwe rechtvaardigheid maar ook uwe heiligmaking enkel en alleen aan het geloof in Christus hangt. ..Christus sterft niet meer, de dood heerscht niet meer over hem. Want wat hij gestorven is, dat is hij der zonde ééns voor goed gestorven, en wat hij leeft, dat leeft hij Gode. Alzoo ook gijlieden, houdt het er voor dat gij wel der zonde dood zijl, maar Gode levende zijt, in Christus Jezus onzen Heer.quot; Houdt hel er voor, omdat het zoo is — anders mocht gij het er niet voor houden. Doch het is zoo: gij moogt, gij moet het er voorhouden, omdat (!od het er voor houdt daar namelijk Christus, uw Hoofd, gestorven en opgestaan is, en God u nu in Christus, niet in u zeiven, aanziet. Gelijk gij zijt in Christus, zóó zijt gij in waarheid, en niet gelijk gij zijt in u zelve. Het is niet, gelijk het aanzien der oogen predikt, alzóó, dat Christus\' gereoh-ligheid ii het vreemde, en uw e\'ujen vleesch u het eigene, ware, zou zijn. Xecn juist andersom zegt do Heiland in zijn hoopvpriestei\'lijke bede; „ik heilig mij zeiven voor hen opdat ook zij mogen geheiligd zijn in waarheid.quot;

-ocr page 22-

In de zo zekerheid der overwinning ligt de kracht tot volhardenden weêrstand. In Christus is het oude leven in den dood (jeyeven, het moet nu slechts onophoudelijk, door op Hem te zien, in dien dood gehouden worden. Gij zijt gestorven (/.egt Paulus tot de Colossensen) zoo doodt dan uvvo leden die op aarde zijn, ook do kwade, verkeerde bewegingen der stemming, en alle verdere zonde.

Zoo leert gij strijden, waken en bidden, niet moedeloos noch gejaagd, maar iu een heerlijke zekerheid dor overwinning, voor u behaald door het Hoofd. Zoo leert gij verlangen met al den dorst uwer ziel naar die volmaaktheid waarin het werk des Heiligen Geestos ook in u, gelijk in allo gekochten des Heeren, /..■i! (en einde gebracht, zijn; waarin alle „stemminyquot; in haar gevaarlijke onvastheid verdwijnt voor de eenig zekere „gesteldhthlquot; van hot kind Gods, don mede-erfgenaam van Jezus Christus, die hier op aarde met Hem geleden hooft om daarna met Hom verheerlijkt te worden.

Amsteifdam, 1.5 Juli 1884.

J. II. Gl NMXO Jlf.

-ocr page 23-

QUIS SE 1\'A R A HI TV

In derven en verwerven Gevoelen zij uw liancl ;

In leven on in sterven

Hlijft U hun hart verpand;

Hon vault zij \'t. ook verkerven , Oij mankt hen nooit te schand,

Die \'t heillot zullen erven Van \'t. homelsi-h vaderland.

Wat znl van U hen scheuren, Die uwe kindren zijn?

Geen lijden en geen treuren .

Geen Ijjfs- of /ielejiijn;

Wat zorg hun vredo steuren , Wat wolk den zonneschijn,

Daar zij het hoofd in beuren , Die zeggen; „Gij zijt mijn!

-ocr page 24-

„Mijn God, mijn deel, mijn leven ,

„Mijn burcht, mijn schild, mijn loon; „Gij hebt u mij gegeven;

„Tn Christus uwen Zoon;

„U aan te mogen kloven

„ Heft boven lof en hoon;

„De vrees is uitgedreven;

„De liefde zit ten troon.quot;

1881.

Nicoi.aas Hurts.

-ocr page 25-

HET FKOBLEK.M VAN II KT LIJ DEN EN

DE ZOXDE.

I- or iets mcfr workolijk dan liet kwaad? — AVio durft beweren, dat wanneer wij krimpen van pijn, of, aan slepende krankte ondei\'lievig, bovendien een1 last van onoverkomelijke zorgen op ons voelen drukken, dat dan ons lijden bloot ingebeeld is. En al gevoelt do misdadiger zijn ongeluk niet, evenwel is het oordeel van dengenen niet onjuist, die hem werkelijk rampzalig acht.

En dan de ellende, die wij do dieren zien lijden, door elkander verscheurd, door den mensch gekweld ; zoo zij sterk zijn, met overmachtige wapenen gedood; zoo zij nietig zijn, vertreden. Z-lfs de planton leiden vui\'.k, door de ruwheid van het weder geschonden, een kwijnend leven, ot\' worden in haren bloei geknakt en geveld. Ja, de aarde, dio wij bewonen, ziel zicii niet mot rust gelaten: bergen braken vuur, geheole stukken land verzinken, of worden in poelen herscliapen.

En toch het kwade moet goeno werkelijkheid hebben, het moet bloot in ons gevoel en in onze ineening ge-

-ocr page 26-

legen zijn, of er is geen grond voor het geloof, hetwelk de christelijke godsdienst ons predikt. Niets is er, dat Grod niet gemaakt heeft: onnoodig is hot te willen bewijzen, dat de mensch iets, dat werkelijk leeft, gemaakt zou hebben. Heeft mi God, dat gemaakt, wat wij kwaad noemen, zoo is het kwaad niet werkelijk, zoo is het geen kwaad, maar goed, gelijk alles wat God geschapen heeft en wat van God komt. Wat beteekent dan ook de uitdrukking de wereld overwinnen, wanneer do wereld onoverwonnen overblijven kan, hetgeen bot geval zou zijn, zoo het kwade »?eii op zich zelf bestaand werk Gods on dus even als allo werk Gods; eeuwig wareV Zou vor-giffenis van zonde, uitwissclüng van schuld denkbaar zijn, zoo het kwaad eenmaal als iets werkelijks daar geweest ware, en dus, als alle werk Gods, onveranderd voortduurde? Neen, alles is voor God, en voor God is er geen kwaad: dus blijft er voor hot kwaad geene plaats over. Volmaakt reine oogen zien geen kwaad; Gods oogou zijn te rein om kwaad te zien. God schopt de duisternis: dus is de duisternis voor hom licht, want gansch geene duisternis is in hem : in de duisternis sohijnt het licht. De wereld is gevallen; uit den hoogen daalt Gods Zoon op do aarde neder; maar hij verandert daarbij niet van natuur, noch wordt bezoedeld: nedergedaald blijft hij dezelfde. Die is nedergedaald, is dezelfde die is opgevaren; ter helle nedergedaald, verlicht hij do hel, verlost de daar gebondenen en voert ze met zich naar de heerlijkheid der vrijheid. De wereld, in welke wij lijden, is geene andere dan de wereld der heerlijkheid Gods en der zonen Gods.

Dit te weten is eerst troost; anders is er niets dan

-ocr page 27-

18

K ^

ingebeelde, opgedrongen troost^ niets dan zondegevoel in slaap gewiegd, niots dan leed en pijn zonder waar geduld gedragen.

Maar hoe dan de maar al te zekere bedroevende werkelijkheid van lijden en zonde te verklaren?

Gelijk God van geen deel zijner schepping afwezig,

maar in elk deel geheel aanwezig is, zoo woont hij ook in den mensch: de mensch is eene woonstede, een tempel Gods. Zoo nu de hier zetelende God, heer zijnde in een tnenschelijk lichaam en meester van eigen lot. God buiten en boven zich miskent, zich niet overgeeft en geen vrede heeft mot zijn deel, lijdt hij en ervaart pijn, zoodra de ongeschondenheid van zijn bijzonder bestaan gedeerd wordt, hoezeer toch iedere toestand, iedere ziektevorm zelfs, noodwendig is in het verband der dingen en evenveel reebt en reden van bestaan heeft als eenig voorspoedig en gezond organisme. Konden wij ons geheel losmaken van de boei van ons bestaan, om een nieuw leven te ontvangen, wij zouden geen pijn gevoelen.

En om het wezen der zonde te begrijpen, doorgronde men wat bet beteekent, dat God de mensch naar zijn beeld heeft geschapen. Het wil zeggen, dat God den mensch ten taak gesteld heeft, heerschappij te voeren eene eigen orde te stichten, zich eene eigen wereld te scheppen. Dit nu is in volslagen tegenspraak met den zoo even vermelden eisch van ons aanwezen, volgens welken wij ons geheel moeten overgeven en om geene pijn te gevoelen, niots eigenwillig moeten beramen. Ook is de taak, ons opgelegd, om eene eigen wereld te stichten, eene oorzaak van smart, cry om bij hare vervulling

-ocr page 28-

19 —

niet in strijd te komen met de wegen Gods en in harmonie en niet in tegenheid met God te handelen en te wandelen, is het noodig, steeds zich, zeiven te vergeten, óm te zien naar Gods bedoeling, de bevelen, als het ware, ieder oogenblik van boven in te wachten en daarnaar zjjii bedrijf in te richten, opdat wij doen mogen, wat wij God zien doen: trouwens iets anders vermogen wij niet. Dat niet te doen, maar, daarentegen, tot eigen eei\' zijn opzet vol te houden, of tot eigen lust de levenskrachten en middelen, die ons geschonken zijn, aan te wenden, dat is zonde.

En de les, hieruit af te leiden, is deze: Zoo gij lijdt, werp dat wat in u pijn gevoelt, als het ware, achter n en hef u op boven u zelven en uwe lijdende natuur in de hoogere sfeer, waar uw ongeneugt als een rechtmatig bestanddeel van oen volmaakt geheel erkend wordt Grijp vooruit liet leven aan, dat boven alle lijden verheven is, dan draagt gij uwe smart met geduld, en zoo (hetgeen het ergste is) het orgaan wordt aangetast, hetwelk u in staat moot stellen om geduld te oefenon, moge dan de liefde der uwen u bijstaan, opdat zij zijn als de engelen, die gei\'eed staan om u over te dragen naar het oord van volle klaarheid en van volle zaligheid der zinnen.

En wat de verlossing van de zonde betreft, wat is daartoe dienstiger dan belijdenis van schuld? Zoo wij onze zonden belijden, God is getrouw en rechtvaardig. Bij God is door onze overtreding geenerlei verandering teweeggebracht. Vlucht gij in zijnen schoot, erkent gij, dat do Zoon Gods uwe rechtvaardigheid is, zoo is de zonde en hare schuld geboet.

-ocr page 29-

20

En ten slotte! De mogelijkheid der smart is de voorwaarde van \'s menschen heiligheid en grootheid. Of bestaat de deugd niet hierin, dat wij ongemak en lijden ter vervulling van onzen plicht of tot leniging der ellende onzer natuurgenooten niet ontzien? - - Zonder de opoffering van zichzelven, die niet geschiedt zonder vooraf geleden pijn, is do mensch geen mensch, maar staat hij gelijk met de dieren des velds.

-ocr page 30-

G E N O T.

Gij kunt genieten. Zoo schiep u God.

En alle leven

Streeft naar genot.

De lichte vlinder In dart\'ie vlucht,

De vrije leeuwrik In hooge lucht,

\'t Vlug hagedisjen In zonnegloed,

Het spart\'lend hliekjen In zilv\'ren vloed, —

\'t Zoekt alles vreugde. Elk in zijn lot.

En kan haar vinden; — Zoo schiep ze God.

Ook \'t monschenhnrte Wenscht lust en vreugd

En is gelukkig

In \'t geen verheugt.

-ocr page 31-

22

-----------——.........\'M

Toch maakt niet alles,

Wat vreugde biedt,

Dat \'s menschen harte Geluk geniet.

De vreugd der zonde Baart nooit geluk;

\'t Is lachend lijden,

Gebloemde druk.

Slechts reine blijdschap Jirengt heil en vrei1,

En, met den vrede,

De hope meê.

Eein worde uw ziele.

Door Christus\' geest.

Dan heeft zij reden Tot lied en feest.

Dan bloeit en wasemt

Door heel uw lot De Paradijsroos

Van vreó met God,

En spelt de Hope,

In \'t hoog verschiet,

Een eeuwig aanzijn.

Dat steeds (jeniet.

E. LaiiulIjABI).

-ocr page 32-

li EEL DEN DE it ZIEL.

De kleine tuurt door \'t helder glas Naar \'t lokkend versch bedauwde gras; Zij ziet de blijde bloemen staan, De bloemkens zien haar noodend aan; „Kom uit, een geurige\' oogst u garen!quot;\' En \'t windje ruischt er door de biteen. De vogel in de takken fluit:

, Kom uit!

„Uw stemmetje aan ons lied te paren!quot;

De kleine glimlacht. . . Zie, daar strijkt Een adem over \'t klaar krystal Een nevel rijst; het landschap wijkt; Als uit de verte klinkt de vogelschal.

11.

Verblindend blinkt de zee. De zeilen hangen Vastklevende aan den mast, in matte rust. De scheepling smacht met troosteloos verlangen En droomt van zaalge koelte aan groene kust.

-ocr page 33-

Verblindend blinkt de zee. En allerwegen Wpêrgloeit en blaakt een hemel van metaal. Be blanke meeuw, amechtig neérgozegen,

Ligt roerloos op een vlak van vlammend staal.

En roerloos ligt het schip | als dood. Den speeken Wn \'t stilstaand rad ontzonk des stuurmans hand. Waarheen, 6 Schip! uw koers? Geen taal, geen teeken, Wat nood! De steven wijst naar \'t vaderland.

III.

Wat lant ge \'t hoofd dus hangen

en gaat al treurend voort, ^ ijl ginds in \'t Oost de morgenzon

in vollen luister gloort?

at tuurt gij op de schaduw

daar vóór u op het pad,

Daar rondom allo bloeniekens

ontplooien knop en blad!

Ai keer u naar de zonne!

Omhoog het hoofd gericht! Kn achter zijn de schaduwen

en vóór u alles licht.

\'Sokua k a n a.

\' Ih lioiifihjedaclitiin onth\'cnil.)

-ocr page 34-

BEHOUD r OM UWS r;EVENÖ wil.

Hehond v om mvs levens wil. Dat is do grondtoon van hot Evangelie. Het predikt redding, behoudenis, lied-ding onderstelt een gevaar, waarin men verkeert; behoudenis een verderf, waaruit men verlost mout worden. Dat ontveinst ons het Evangelie niet. Het zegt ons, dat wij allen gezondigd hebben on de heerlijkheid Gods derven; het predikt Gods oordeel over de zonde; het stelt ons God voor, als die een iegelijk vergelden zal naar zijne werken ; het spreekt van een dag. waarop God den aardbodem rechtvaardig richten zal; en het zegt dat God met vlammend vuur wrake zal doen over die Hem niet kennen en het Evangelie van Jezus (\'liris-tus ongehoorzaam zijn. Maar tevens verkondigt het verlossing. Het roept ons toe: al/.oo lief heefl God de wereld gehad, dat Hij/.jjnen eeniggeborenen Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet ver-derve, maar het eeuwige leven hebbe. Het verzekert het eeuwige leven aan allen die in den Zootl (inds ge-looven. Het waarschuwt, vermaant, en dringt, om den

-ocr page 35-

— 26 -

toekomenden toorn te ontvlieden. Het bidt; laat u met God verzoenen. Met allen nadruk betuigt het: indien iemand niet wedergeboren wordt, bij kan in het koninkrijk (lods niet ingaan. L)at alles nu laat zich samenvatten in deze vermaning: Behoud u om uws levens icll.

Hoe wordt die vermaning ontvangen? Dat wordt ons treffend geteekend op éene ontroerende bladzijde dei-Heilige Schrift, die van redding en verderf verhaalt. Ik bedoel de bladzijde, waarop de ondergang van Sodom on Gomorra beschreven staat.

Engelen waren aan Lot verschenen en hadden tot hem gezegd: Maak n op uil deze plaats, ivanl ivijgaan haar -verderven, omdat haar (jeroep (jroot geworden is voor hel aanyezichl des Ihereu, en dn Heer heeft ons uil-(/ezonden om haar te verderven. Het zij echter verre, dat God den rechtvaardige met den goddelooze zoude ombrengen. Daarom wordt Lot verlost, en niet hij alleen, neen, Gods verlossende hand strekt zich nog verder uit. Immers zeggen de Engelen tot Lot: Wien hebt yij hier nog meer? eenen schoonzoon, of uive zonen, of uwe doch-teren en uilen, dif gij hebt in deze stad, bring uit deze plaids.

Lot gelooft aan bet woord der boden Gods, hij gelooft aan de werkelijkheid van den goddelijken toorn en di\' waarheid van de goddelijke bedreiging; hij gaat uit en spreekt tot zijne aanstaande schoonzonen: Maakt u op, gaat uit deze plaats, uant de Heer gaat deze stad rerdereeii. Lrnstig vermaant, krachtig dringt Hij hen. • ieen poging om hen O\' bewegen laat hij onbeproefd. Met welke uitkomst? JfiJ was in de oogen zijner schoon-zonen ids jokkende. Hij seheen hun toe, niet in ernst

-ocr page 36-

te spreken. Zij beschouwden zijn woord als een fabel. Zij trokken zich het bedreigde verderf niet aan. Wat meer is, Lots woord was hun belachelijk. Welk eene lichtzinnigheid en roekeloosheid !

Ach, velen zijn aan do schoonzonen van Lot gelijk. Er zijn, die de prediking, behoud u oiu uws levens wil, nauwelijks aanhooren. Het gaat bij hen het eene oor in, het andere weder uit. Het dringt niet door tot hun binnenste, het heeft geen vat op hun hart, omdat geheel andere dingen hen bezig houden. — Er zijn, die niet gelooven wat hun van Godswege wordt verkondigd, en dat niet uit overtuiging, na ernstig onderzoek, maar uit gebrek aan nadenken, uit afkeer van al wat ernstig is en hen stoort in hunnen gewonen levensgang. — Er zijn, die het hooren, maar oven .spoedig vergeten, omdat zij zorgeloos en ongevoelig zijn, en geen besef hebben van het gewicht der dingen, die hun gepredikt worden. — Er zijn er ook, die er mede spotten, die het voor een fabel, een sprookje houden, waarmede men kinderen en ouden van dagen kan bang maken, maar waaraan volwassenen reeds lang ontwassen zijn. Het zal — zegt men — wel zoo erg niet wezen. Dood is dood, en wat daarna komt moet men afwachten. Laat ons eten, laat ons drinken, want morgen sterven wij. Laat ons liet leven genieten, zoo lang het duurt. — Er zijn er eindelijk, die zicli gerust stellen mot do gedachte aan Gods ontferming en liefde, die alzoo van één scheiden wat in God één is, en vergeten dat Hij de heilige Lief do is.

Deze allen zijn in meerdere of mindere mate aan Lots schoonzonen gelijk, lüj allen heerscht lichtzinnigheid, die afkeerig intiakt van en onvatbaar maakt voor ernstig

-ocr page 37-

- 28

K

nadenken, en de heiligste zaken, die ons hart, ons leven, ons eeuwig lot betreffen, nis beuzelingen behandelt.

Mijn lezer, indien gij hier uw beeld geteekend ziet, bedenkt hoeveel gij verwerpt, Wien gij versmaadt en wat gij verliest.

Onverrichter zake keert Lot van zijn schoonzonen te-rug. Zijn ernstig woord is afgestuit op hunne lichtzinnigheid.

Hoe nu hij zelf? Ach! het verkeer, het samenspreken met de hun verderf te gemoet ijlende kinderen dezer wereld heeft den indruk van het woord der Engelen bij hem verzwakt. Het lachen en spotten zijner aanstaande schoonzonen is niet zonder uitwerking op hem gebleven, /iet, hij aarzelt, hij draalt. Waaroln dan toch? Ver-w.ieht hij, dat God de vervulling van Zijn woord uitstellen, of wel dat woord geheel intrekken zal? Verwacht hij, dat zijne schoonzonen zich misschien bedacht hebben en weldra zullen komen? Of is het de liefde tot de schoone streek, waarin hij woont, de liefde tot have en goed die hem kluistert? Hoe het zij, bij het aanbreken van den dageraad dringen dn Engelen hij Lot op spoedig vertrek aan. Maar of deze al vermanen met woorden, blikken, gebaren, het is te vergeefs. Lot vertoeft, en ten laatste grijpen de Engelen zijne hand en die zijner vrouw en twee dochters, om de verschooning des Hee-ren over hem, en brengen hem buiten do stad.

Miiar ook daar blijft Lot dralen. Met, de grootste ontferming, met onuitputtelijk geduld draagt de Heer, die nu zelf aan Lot verschijnt, diens zwakheid. Hij

-ocr page 38-

spreekt hom toe als vriend, als leidsman: behoud 11 om uws levens wil, zie niet achter u cm, en sta niet op deze gansche vlakte; behoud u naar het gebergte heen opdat gij niet omkomt. Er blijft gevaar, maar mot de grootste teederbeid wordt Lot op dat gevaar gewezen ; do oetiige weg des behouds wordt hom duidelijk voorgesteld, en tegen al de klippen en zijwegen wordt hij met nadruk gewaarschuwd.

Lot antwoordt als een /wak klein geloovig inensclum-kind. Hij beeft terug voor het eenzaam gebergte, waar hij zijn leven niet zeker waant. Mij bidt bij Góds goedertierenheid, dat hij in het kleine stadje Zoar een toevluchtsoord vinden moge. Zijn bede wordt hein toegestaan. Maar nu wordt ook de drang nog krachtiger. Haast, behoud k denvaarts; want Tic zat niets kunnen doen; — wat wonderbaar woord! De Hoor des hemels en der aarde, de Almachtige en Vrijmachtige draalt; er is iets wat de ontzaglijke openbaring zijner heiligheid tegon houdt; —- Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt.

Nu trekt Lot eindelijk voort, en do zon ging op boven de aarde, als hij te Zoar inkwam.

Ziedaar Lot tegenover de prediking des behouds. Welken indruk maakt hij op ons? De Schrift noemt hem een rechtvaardige, en verre van ons, dat wij hom dien eernaam zouden ontnomen. Maar toch, hoeveel verkeerds kleeft dezen rechtvaardige nog aan, waar het or op aan komt het verderf te ontvlieden. Welk een zwakheid, onvastheid, besluiteloosheid, welk een dralen en uitstellen, waar het het loven geldt en geen tijd is te verliezen! Wolk oene ontvankoJijkheid voor den invloed

-ocr page 39-

- 30

sr----

zijner omgeving! Welk eene gehechtheid aan het, aardsche goed. Welke eene eigenwilligheid, die er niet toe komen kan, om zich beslist aan den Heer over te geven en naar Diens wil en welbehagen te handelen !

Deze Lot is het beeld van velen, in wie aanvankelijk eene betere gezindheid is ontwaakt. Ziet, niet slechts Christen te heeten, maar in waarheid Christen te zijn, dat is eene ernstige zaak. De Heer onzer belijdenis eischt geheel ons hart en Hij heeft er recht op. Maaier is zooveel, dat eene onverdeelde, besliste, bestendige overgave belemmert. Daardoor blijft er weifelen en wankelen, en vandaar ook gemis van vreugde en vrede. Hier is het do omgeving waarin men leeft, bloedverwanten, betrekkingen, vrienden, wier woord en voorbeeld schadelijk werken. — Daar het aardsche goed, het aardsche genot, de aardsche eer, die het hart blijft aantrekken en bekoren — Ginds een ijflel rekenen op dagen, die volgen zullen, dat doet uitstellen, en wederom uitstellen. Men is overtuigd, dat de Heer aanspraak-heeft op ons hart, men wil werkelijk den weg des be-bouds; men zegt en meent hot: Heer, ik zal u volgen, doch er volgt steeds een maar-, men slaat de hand aan den ploeg, maar ziet gedurig om naar hetgeen achter is, en alzoo is men onbekwaam tot bet Koninkrijk (rods.

O gij, die hier uw beeld ziet, keert in tot u zeiven en beseft uw gevaar. Christenen, wat zou er van u worden, zoo God niet met ontfermende liefde en onuitputtelijk geduld, door Zijn Woord en Geest u gedurig vermaande: Behoud nam utr* lerens wil. Haast, behoud n (lenvaufts.

Derwaarts! waarheen dan? Kunnen wij zoo vragen?

-ocr page 40-

Bij liet kruis, bij den genadetroon is ons Zoar, ons toevluchtsoord, onze vrijstad. Alleenlijk niet getoefd, niet gedraald, niet uitgesteld. De roepstem woörklinkt: Behoud u om uw leven* wil. Zoo spreekt God. Zoudt gij naar Hem niet hooren? Het is om het leven te doen, het ware, het eeuwige leven. Is dat niet de grootste offers waard? De roepstem weerklinkt: haast u, behoud u derwaarts. Zoo spreekt God. Verdient Hij geen gehoor? De zaak is dringend. De tijd vliegt. Do dood komt. De eeuwigheid beslist. De Heer grijpt uwe hand. Laat u grijpen en u leiden op den weg des be-houds, opdat gij te Zoar geborgen zijt, eer de zon dei-eeuwigheid voor u opg.iat.

[)e zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam. Hij is van Sodom uitgegaan met zijne vrouw en twee dochters. Eenmaal op den van boven hem aangewezen weg, is hij voortgegaan zonder dralen. Hij heeft niet stilgestaan, niet omgezien. Nu is hij, waar de goddelijke ontferming hem vergund heeft te gaan. Nu raag hij stilstaan, nu mag hij omzien, en hij doet het. Waar is zijne huisvrouw? Helaas! zij is omgekomen op den weg des behouds. Wat is er dan gebeurd?

Hot Bijbelsch verhaal bevat een ontroerend bericht. Toen deed de lieer zwavel 01 vuur over Gomorra regenen ran den lieer, uit den hemel. En Hij keerde deze steden om, en die gansehe rlalie, en alle inwoners dezer steden, ook het (jetras des lamls. Nog lagen Sodom en de omliggende steden in diepen slaap. Daar vertoont zich met den morgenzon een donkere gloed

-ocr page 41-

quot;aan den hemel. Een verstikkende damp van zwavel vervult de lucht. Bliksemstralen schieten van den hemel en ontsteken de brandstoffen, die in de aarde verborgen zijn. Vuur van boven, vuur van beneden. De bodem gloeit, en splijt, en zinkt in. Al do steden worden omgekeerd, al de inwoners gedood, al hot gewas des lands verteerd. De wateren van de Jordaan bemachtigen de plaats der verwoesting. En waar eertijds het vruchtbare en bloeiende dal was, ontstaat de Doode Zee, die sedert alle eeuwen door heeft gepredikt, dat het vreeselijk is, te vallen in de handen des levenden Gods.

Zie hier het gericht Gods. God heeft de steden van Sodom en (ionwri\'u tot asch vevbvdndende met omkeei\'ina veroordeeld, en tot een voorbeeld gezet dengenen, die god-tt el oost ijk zonden leven. Helaas! ook Lots huisvrouw kwam mede om, terwijl Gods barmhartigheid haar had willen behouden, liet liijbelsuh verhaal zegt: Xijne ht/is-vrouw zag odi van achter hem; en zij icerd een zoutpilaar. Zij zag om van achter Lot, die met zijne beide dochters voorttreedt, bestendig het oog gericht op het doel van den tocht. Neen, hier was niet louter nieuwsgierigheid, hier was ongehoorzaamheid, ongeloof, aards-gezindheid. Ook tot haar is het woord geschied: Inhoud u om mes levens wil: zie niet achter u om, sta niet op deze gansche vlakte. Maar dat woord uit meer dan Engelenmond, uit don mond van den Heer zelf heeft /ij getrotseerd, noch waarschuwing, noch gebod, noch bedreiging hoeft zij geteld, /ij heeft omgezien, zij heeft stil gestaan. Waar haar schat was, daar was ook haar hart. Waar haar hart was, daar heen keerde zich haar

-ocr page 42-

oog. En daarvan to scheiden viel haar te zwaar. Zoo heeft zij het verderf afgewacht, totdat het op eenmaal haar bereikte en het te laat was om het te ontvluchten. Door den heeten zwavelregen verstikt, zonk zij ineen en werd niet een gloeiende zoutkörst overdekt! Geen menschelijk wezen was meer herkenbaar. Slechts een zoutpilaar, een vormeloos gedenkteeken wees de plaats aan, waar zij had stilgestaan en omgezien. Wat vreese-lijk oordeel over Lots huisvrouw, dat plotseling sterven, in hare zonde, en zulk een vreeselijken dood!

Gedenkt aan de vrouw van Lot. Zoo heeft onze Heer tot zijne jongeren gesproken, toen Hij Jeruzalems verwoesting aankondigde en vermaande om zich dan niet te bekommeren om hetgeen zij verlaten hadden. Gedenkt aan de vrouw ran Lot. Dit geeft zij ons te gedenken. Hot is niet genoeg de zonde te ontvlieden en op den weg des behouds zich te bevinden. Het komt er op aan steeds voorwaarts te gaan. Stilstand is achteruitgang, en kan ons verderf worden.

Gi\'oot is het onderscheid tusschen do vrouw van Lot en de inwoners van Sodom. De laatsten waren groote zondaars tegen den Heer, wier hemeltergende gruwelen Gods oordeelen over do stad brachten. En toch kwam ook Lots huisvrouw in do ongerechtigheid der stad om. Waarom? Omdat zij niet geheel met Sodom gebroken had. Hare voeten stonden buiten die stad. Met haar hart was /.ij nog daarbinnen. Daar was haar schat, en niet bij dien God, die zich over Haar ontfermd die haar gewaarschuwd, die haar op den weg des be-houds geleid en op de plaats des behouds gewezen had. O, juist door dit alles was baar zonde en schuld dubbel

-ocr page 43-

— 34 —

K-----

!

groot. Gedenkt er aan, gij die ook den eenigen weg ter behoudenis kent, die menigmaal indrukken ontvangt onder de prediking des Woords, als gij wordt vermaand en gewaarschuwd om de wereldsche begeerlijkheden te verzaken en u voor de toekomst des Heeren voor te bereiden. Gedenkt aan de vrouw ran Lot. Stelt u niet tevreden met goede indrukken en aandoeningen, noch ook daarmede, dat gij wenscht zalig te worden, en dat gij een afkeer hebt van liet wereldsch gelasten en be-geeren. Dat alles, hoe goed op zich zelf, is niet genoeg. De groote vraag is: waar is uw schat? Bij God, of bij iets van de aarde? O, indien daar nog een hinken op twee gedachten is, oen gedeeld zijn van het hart tus-schen God en de wereld, tusschen Christus en het aardsche goed; indien gij nog niet geheel aan God uw hart hebt gegeven, laat het eindelijk daartoe komen Sta niet stil, zie niet om op den weg des behouds. Voorwaarts, altijd voorwaarts! Die volhardt tot den einde toe zal zalig worden.

Het Dijbelsch verhaal, dat ons de verwoesting van Sodom en Gomorra beschrijft, gewaagt ook van Abrahams verhouding tot deze gebeurtenis. En Ahraham maakte zich deszdven morgens vroeg op, naar de plaats, iriidv hij voor het aangezicht des Heeren gestaan had. Ijl hij zaïj naar Sodotn en Gomorra toe, en naar het qdusche land ran die vlakte\', en hij zag, fquot; ziet, er ging een rook van het land o/), gelijk de rook eens ovens. God hnd aan Abraham bekend gemaakt, wat Hij doen ging, want voor dezen zijnen vriend had hij geen geheimen.

-ocr page 44-

— 35 —

JS........

Abraliam had als voorbidder gepleit voor do steden der Jordaanvlakte. En thans zien wij hem in den vroegen morgen op dezelfde plaats, waar hij den vorigen avond in het gebed met God heeft geworsteld. Hoeft hij wellicht den nacht slapeloos doorgebracht, bezorgd over het lot van Sodom? Hoe het zij, nauwelijks is de dag aangebroken, of daar is hij weder op de plek, die voor hem zulke heilige herinneringen heeft. Wat drijft hem ? Hij wil zien, wat er van de steden der vlakte geworden is En do rook, die opging van het land, gelijk de rook eens ovens, gaf hem antwoord op de vraag van zijn hart. .fui wist hij, dat Gods ontzettende bedreiging was vervuld. Sodom en Gomorra waren verwoest; geen tien rechtvaardigen waren daar gevonden.

Abraham zag Gods oordeel, maar ondervond het niet. En wolk een blijdschap zal hij gesmaakt hebben, toen hem bleek, dat God aan hem gedacht, en daarom Lot gered had. Deze man Gods heeft ervaren wat eeuwen later een psalmdichter, ook uit ervaring zong: hie in de schuilplaats des Allerhoogsten is ijezrlen, die zal vernachten in de schaduw des Almachtige)!. Ik zal tol den lieer zeggen\'. Mijne \'Toevlucht en Mijn Burg! mijn God, op wélken ik vertrouw! Aan uwe zijde zullen er duizend vallen, en tienduizend aan uue redder-hand; tot u zal het niet genaken. Alleenlijk zuil gij het met uwe nogen aanschouwen; en (jij zult de vergelding der goddeloozen zien.

In Abraham zien wij, hoe zalig on veilig hij is, die met vasten tred wandelt op den weg dos bohonds, die bestendig leeft in gemeenschap met God. Ts God voor ons, wie of wat zal togen ons zijn ? Do dag die over

-ocr page 45-

— 3G —

Sodom opging, was eon dag van geweldige omkeering. De Schrift echter profeteert van een dag, die nog veel ont/ettender zal zijn. Het is die dug, in welken de hemelen met ren gedruisch znUm voorhijyaan, de elementen branden mlhm en venjaan, en de narde en de werken, die ddctriu zijn, zullen verbranden. Wanneer die dag komen zal, is onzeker, maar dat hij komen zal, staat vast. Daarvoor is Gods Woord borg. ie zal dan bestaan? Hij. die als Abraham God tnt zjjn God, tot zijn vriend heeft. Dat is, met andere woorden: hij, die betreden heeft den weg des geloofs in Hem, wiens dag Abraham verlangd heeft te zien. \\V ij kennen Hem, den eonigen Redder, de onwankelbare Kots in den dag van do verandering der bewegelijke dingen. el ons, indien wij door het geloof Hem toebehooren ! Ons geldt dan het woord : Heft ut ieder oogen op naar den hemel, acin*ehoiiwt de aarde beneden: want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een Meed verouden, e)i hare inwoners zullen ran gelijken sterven, maar mijn heil zal in eeuwigheid zijn, mijne gereehtigheid zal n \'quot;Lt verbraken ivorden. ^ ie dat heil bezitten, wie van die gerechtigheid zeker zijn, zij hebben niets te vreezen ten dage des geriohts. Zij zullen, zegt de. Heer der heirseharen, te dien dage, dien ik maken zal, Mj een eigendom zijn, en Ik zal hen verschoonen, gelijk dis een iikdi zijne}/ zoon verschoont, die hem dient.

li. J. Aduiam.

-ocr page 46-

DE DUIVENVEÊU \')•

Op \'t slijk, dat straat en stegen

Bemorst bij \'t regenweer,

Komt zachtkens neergezegen Een witte duivenveêr.

Het vogeltje, onder \'t vliegen ,

Heeft stil die pluim gestrooid,

Waarop \'t zicli plag te wiegen,

Met zilverglans getooid.

1) Bovenstaand gedichtje is een zwanenzang. De jonge Dichteres. -Alice de Chatnbrier geheeten. die korten tijd geleden te XrufohAtel pas twintig jaren oud, overleed, besloot daarmede haar zangen op aarde: zangen, die zelfs de aandacht van een Victor Hugo had den getrokken en zijn oor gestreeld, Deze bijzonderheid geeft aan dit lied, buiten zijn eigen bekoorlijkheid, nog een hoogere waardij. Nn, na zulk een lied, als het uit het hart kwam, slaapt een jonge doode zacht!

-ocr page 47-

— 38 —

Een poos bleef \'t veêrtjo beven , Als weiflend hoe? of wat?

Maar kwam toen nederzweven In \'t vuil en drabbig nat.

Ach , \'t scheen naar alle hoeken, Terwijl \'t haast vallen zon ,

Een steun, een hand te zoeken, Die \'t ondervangen wou ....

Vergeefs! Van afschuw trillend

Och! \'t was ook nog zoo blank! —

Viel \'t, voor den slijkpoel rillend, Tn \'t bed vol dras en stank! . . .

Soms buigt ons hart zich neder, Schoon \'t weet waarom , noch hoe.

\'t Gezicht dier duivenveder Sloot zóó mijn boezem toe.

\'k Dacht daarbij aan de zielen,

Die als haars ondanks uit

Een sfeer van reinheid vielen ,

Aan \'t diepst bederf ten buit.

Wie kan haar cijfer tellen?

Wie die haar worstling weet?

Toch is tot vonnis vellen Schier elk terstond gereed.

-ocr page 48-

\'t Is of een engel, dalend

Naar \'t aardsche rijksgebied,

Zijn wiok, van blankheid stralend, In \'t straatslijk vallen liet.

Geen houdt ze in \'t zinken tegen ,

Geen grijpt ze; aan allen kant Heerscht nacht, en allerwegen

Treedt koel de trots ze in \'t zand.

J. P. Hasebroek.

-ocr page 49-

— 40 -

EEN LAATSTE GROET. (Bij de plaat tegenover den titel.)

Zóó geuren niet de schoonste rozen Ontloken in den schoonsten hof,

Terwijl de koeltjes met haar kozen, En fluisterend omgaan tot haar lof:

Als eens de roos, die christenhanden Geworpen hebben voor den voet

Der martlares, die d\' offerande Den Heer ging brengen van haar bloed.

IIoo sterkte haar bet medelijden,

Waar ieder zonder deernis scheen !

Iloe kon men meerder haar verblijden? Nu was, nu leed zij niet alleen.

Laat leeuw en tijger haar verscheuren, Haar teeder vleesch, haar ranke leest;

Die roos bleof sterken met haar geuren , En is haar tot een troost geweest.

_____Si

-ocr page 50-

— 41 —

Een engel heot\'t haar opgenomen,

En Christus zag haar vriendlijk aan; Voor haar zal nimmer d\' ure komen, Waarin haar schoonheid zal vergaan.

Haar wacht eon onverderflijk leven

In \'s hemels heldren zonneschijn — Wat broederliefde hier wil geven Zal bij den Heef onsterflijk zijn.

Utrecht , September \'84.

A. W. Bronsveu).

-ocr page 51-

DE HAG AR VAN 1. DA COSTA.

BBSI\'KOKEN DOOlt

H. 1\'IERS ON.

Reeds 35 jaren zijn er verloopen, sedert eenige Neder-landselie dichters een beeldengalerij openden, genaamd: Iljhelschi; vrouiren. Een tiental uit liet Oude en een tiental uit het Nieuwe Testament gaven aan da Costa en negen andere dichters de stof tot liederen, die ik thans niet in bijzonderheden wil bespreken, gelijk ik het dezen winter op do Normaalschool te Zetten deed.

De nauwgezette, hernieuwde kennismaking met die Bijbelsche vrouwen is mij ronduit gezegd niet meegevallen. De fout, waaraan bijna allo lijden, is dat zij niet in overeenstemming zijn met den titel van het geheel. Het zijn geen liijbelsche vrouwen wier beeld ons hier geschetst wordt, maar veeleer genrestukjes, van meer of niindor waarde , doch in een galerij , als hier beloofd werd, niet op hun plaats.

Do vrouwen, bier geteekond, worden niet in verband

-ocr page 52-

— 43 -

JS • - \'3?

I I

gebracht met do heilsgeschiedenis, met de groote feiten, die Israel tot het uitverkoren volk Gods maakten.

Zeker, er wordt bij Ruth herinnerd, dat zij de overgrootmoeder van David; bij Hanna, dat zij moeder van Samuel; bij Eva, dat zij de moeder van allo zondaren is, maar verder gaan de meeste dichters niet. Wat wij ontmoeten is niet veel anders dan vrouwenleed en vrouwenvreugd , vrouwenzonde en vrouwendeugd, doch zoo dat men de typen daarvoor evon goed buiten als in de Schrift zou kunnen vinden. Een van de voortreffelijkste onder deze genrestukken is zeker de dochter van Jlero-dias van tor Haar, maar meer dan een genrebeeld is het niet. Als Bijbelsche vrouw had zij een ander karakter moeten dragen. Men zoekt te vergeefs naar hetgeen vlak voor de hand ligt. De schrille tegenstellingen, die do aandacht nauwelijks ontsnappen kunnen, zijn er niet eens in te vinden. Geen woord over Herodias\' dochter tegenover den Dooper; over do wereldsche schoone tegenover den profeet; over het dansende wulpsche meisje tegenover den man van boete en bekeering; over den weelderigen maaltijd tegenover den martelaarsdood van Johannes. Geen woord over de pijnlijke raadselen in de Godsregeering, waar zulk een held op het gebied des geloofs in een duisteren kerker, zonder openbare terechtstelling, aan de grillen van een kind wordt opgeofferd, vertrapt als een worm door wereldlingen, onwaardig zijn discipelen te heeteu. In de plaats daarvan niet anders dan het beeld van een moeder, die hare dochter een slecht voorbeeld geeft en van een meisje, dat haar onschuld reeds zoo vroeg verloor. Zulk een behandeling is veel te oppervlakkig om te kunnen voldoen en de

k_____________________________

-ocr page 53-

- 44 -

K —...............S

fijnheid van de taal, de weelderigheid der dictie, de keurigheid der vormen kunnen dit geruis onmogelijk goed maken. De dichter blijft in het middelmatige zweven. Voor zulk een behandeling had men geen hijhel-sche vrouw van noode, men kon een of andere niet-bijbelsche even goed daartoe kiezen, want er zijn helaas vrouwen te over, die hare dochters stelselmatig bederven.

Diezelfde aanmerking kan op bijna al de beelden gemaakt worden , die zich in deze galerij aan ons oog ver-toonen. Zij missen de bijhelsche kleur, de verheven beteekenis die zij voor ons hebben , en die wij aan de hand van zulke dichters er in hadden mogen verwachten.

Een uitzondering daarop maakt de Hagar van da Costa. Doch ook deze alleen, want zelfs in zijn Elisabeth is da Costa beneden zich zeiven gebleven. De Hagar is een voorbeeld van hetgeen al de gedichten hadden behooren te zijn. Da Costa is daar geheel zich zelf geweest en zijn geest heeft zich naar aanleiding van do twee woorden: moeder Tsmuel.i tot een hoogte verheven,

die al zijn medearbeiders verre achter zich laat.

Da Costa was geen geest voor liet kleine, zijn vlucht was een adelaarsvlucht, al zag hij van zijn duizelingwekkende hoogto vaak met arendsoog kleinigheden, die hij kon gebruiken en waarop hij met snelheid nederviel, om ze te grijpen en met zich op te voeren naar hooger sferen.

Hij is in alles breed, en bekend is het bezwaar, dat hij had tegen ben, die zoolang op de boomen turen, tot zij het bosch niet meer zien. De mikroskoop hanteerde hij slecht, de teleskoop was zijn wapen. Trouwens het is Godo alleen voorbehouden, het kleine en

k , ___________________________________a

-ocr page 54-

grooto te vereenigen, hemel en. aarde te scheppen en tevens de haren des hoofds te tellen.

Bij een onderwerp als Hagar was hij geheel op zijn plaats. Hij kiest het oogenblik in Genesis 16 : 7 —14 beschreven ; nl. niet de vlucht mot Ismael, hoewel die vermeld wordt, maar de vlucht van Sara als Hagar bespeurt, dat zij moeder zal worden. In die woorden: de moeder Ismaels, die telkens herhaald worden, hoort da Costa de geschiedenis van Hagar\'s geslacht, van Arabiö met zijn Ismaelieten, zijn Mohammed en den godsdienst door hem aan de wereld geschonken.

Da Costa is wat de Engelsehen noemen nuggesl.ive d. i. hij wekt gedachten op, hij werkt ze weinig uit; hij duidt meer aan dan hij teekent; hij had nog meer partij kunnen trekken van hetgeen hij gaf, maar hij dwingt ons om ons te verdiepen in de onderwerpen, die hij behandelt. Ik beweer dan ook niet, dat al wat hier volgt met zooveel woorden in do Hagar te lezen staat, maar wel dat des dichters stoute opvatting ons op een standpiint plaatst, waar wij alles moeten zien, wat ons anders verborgen zou gebleven zijn. Da Costa doet zijn lezer met zich opklimmen en, eenmaal aangeland op zijn bergtop, wijst hij hem eenige hoofdpunten aan , doch laat hem daarna vrij om naar hartelust rond te zien en naar eigen keus het vergezicht te genieten.

De hoofdgedachte , die het geheele dichtstuk beheerscht,, is de hybridische, halfslachtige verbindtenis tusschon Abraham en Hagar; Abraham den vrijgeborene en Hagar de Egyptische slavin; Abraham den vriend Gods, den vader dor geloovigen en Hagar de vrouw van lage geboorte, de gekochte mot gold, do moedor Ismaels.

-ocr page 55-

— 46 -

K------------------S3

,JRii wat uit Abrams heup geboren wordt, is koning\'quot;,

zegt do dichter met een van zijn eigenaardig forsche penseelstreken, maar dit neemt niet weg, dat Ismael het karakter der slavin, zijne moeder, reeds bij zijn geboorte draagt.

Nog meer: Ismael is oen kind van het ongeloof des geloovigen, gewonnen en geboren als de vrucht van het vertwijfelen aan Gods belofte. De zoon van Sein, door God verkoren om een zegen te zijn voor alle volken, gepaard met de dochter van Chain, de groote herdersvorst en stamvader van het uitverkoren volk des Hoeren verbonden aan de onbeduidende kleine, figuur van zijn bijwijf ; de geestelijke kracht die in Abram schuilde verspild aan een zinnelijke natuur. Uit deze vereeniging van zulk eon tweeslachtig karakter kan nooit iets goeds geboren worden en door alle eeuwen heen zal het nakroost van Hagar den stempel dragen van zijn afkomst. T)e bede: „Och dat Ismael leve voor Uw aangezicht,quot;

wordt ten vloek, want Ismael blijft leven om de altoos-durende karikatuur te zijn van Israel. Hij ontleent zijn levenskracht aan do geostelijko zegeningen, die aan Abraham geschonken zijn, maar die levenskracht wordt gepaard aan het lagere element van het zinnelijke, ruwe, dooien door woreldscho van een slavenbestaan.

Hot eigenaardige van zijn oorsprong is juist de oorzaak, dat Ismael veel meer succes heeft in de wereld dan Israel. Wat zuiver geestelijk is moet in deze wereld altijd hot onderspit delven en wordt steeds bespot door hen, dio het geestelijke weten te misbruiken, om het zinnelijke tot een schi jnbaar hooger leven optovoeren.

Vandaar dat Ismael reeds kort na Izailks geboorte zijn

« - —....................*

-ocr page 56-

jongeren halfbroeder bespot. Izailk is lachverwekker, bij is uit zuiver geestelijk verbindtenis gesproten en dus als kind der belofte in deze wereld per se de mindere.

Telkens komt deze tegenstelling in beider geschiedenis uit. Izailk is een lam, Tsmael een woudezel; Izailk is de type van den geduldigen lijder, Ismael beheerscht met zijn kameel en zijn paard de woestijn, waarin hij zich thuis gevoelt.

Wanneer echter Abraham zich bewust wordt van zijn geestelijke voorrechten, wanneer hij de beloften Gods tot waarheid maakt, drijft hij den zoon der Egyptische uit, — maar zoodra het nakroost van Abraham de beloften vergeet, zijn geestelijke schatten verwaarloost, is de Egyptische weer do machtige, die zich boven Sara verheft en meer waant te zijn dan zij. Zonder beeldspraak : wanneer Gods volk weet wat het is en zijn kan, wanneer het leeft en staat in de volle verzekerdheid des geloofs, is het krachtig tegenover het schijn-leven van een halfgeloovige wereld.

Dit zien wij gedurig terugkeeren in de wereldgeschiedenis, zoo vaak het oude Israel of het geestelijke Israel (dat in de Christelijke gemeente is voortgeplant) tegenover Mohammed en zijn volgelingen staat. Is het Christendom zwak, dan is de Islam machtig; is het Christendom sterk, niet door geweld maar door te loven van de beloften Gods, dan is de Islam zonder beteekenis, De kracht van den Islam is een bespotting van het Christendom, want het kan slechts leven door misbruik te maken van zijn halfslachtige afkomst.

Vandaar dat Hagar\'s nakroost altijd gaat leeren hij A bral lam\'s geslacht. Het moet wel alzoo handelen, het

-ocr page 57-

heeft in zich zolf geon leven en zoodra Hagar Abrahams huis ontvlucht of daaruit gedreven werd, komt het van dorst om in do woestijn.

Hoe dor was Arable, niet slechts in letterlijken, maar ook in geestelijken zin, zoolang het niet van Israels geloof eenige levenwekkende teugen ontving.

Mohammed gaat om zijn godsdienst te stichten de edelste schatten van levend water putten uit do geloofsbronnen van het Jodendom en Christendom. Bij Israels God vindt hij gedurig lafenis; hij maakt een samenraapsel van Oud en Nieuw Testainentische waarheden tot beginsel van zijn nieuw geloof; neemt de patriarchen, neemt Mozes, neemt Jezus in zijn beeldgalerij op, ja houdt zich zeiven voor don Parakleet, den Trooster, door Christus aan zijne gemeente toegezegd.

Maar zijn slavennatuur komt in alles uit. Hij neemt van alles alleen de uitwendige gedaante en houdt zich aan het meeste zinnelijke. Hij houdt streng vast aan de leer van Gods eenheid, maar kan in do verborgenheden Gods, in do menschwording van den Zoon zich niet thuis vinden. Het dogma, dat God Geest is wordt zoo koud, zoo vormelijk mogelijk opgevat en in eindelooze herhalingen van de woorden: „God is Godquot; wordt de kracht gezocht.

De geestelijke vereering wordt gepaard aan de veelwijverij on do slavernij, zoo zelfs dat het paradijs niet veel anders wordt dan een harem in het groot. De geestelijke kracht wordt omgezet in ruw geweld en liet zwaard komt in de plaats van het woord.

Hot gevolg daarvan is: wereldsche voorspoed, want er is geon zekerder middel om in de wereld te triomfeeren dan het liigern aan het hoogere, de zinnelijke lusten aan

-ocr page 58-

— 49 —

-----------------------

het geestelijke te huwen; niet in dien zin dat het zondige en zinnelijke wordt gelouterd, geheiligd, beheersclit;

maar veeleer zoo, dat de geest wordt verwrongen om de stof te dienen.

Mohammeds leer wordt uitgebreid, hare heerschappij strekt zich weldra uit over Afrika: Egypte, do Delta met zijn zeven monden, de noordkust tot Carthago en Numidië toe; over Azië: Syriii, Perziö, Indië; over Europa, waar zij doordringt in het hart van Spanje.

lieeds strekt het zijn schepter uit tot over de Pyreneën en wordt ter nauwernood door Karei Martel tegengehouden, die als vertegenwoordiger van het pas bekeerde Heidendom de eerste levenskracht van het rijk des krui-ses onder de noordelijke volken, schoon in ruwe vormen, vertoont.

Het Mohammedanisme schijnt echter ook in wetenschap boven het Christendom te staan. Spanje en het Oosten wedijveren in geleerdheid en kunst. De chemie, do filosofie, de astronomie bloeien; maar in de bouwkunst openbaart zich de wulpsche geest van de shivin in al zijn kracht. Cairo on Balsora, Granada en Cordova, Bagdad mot zijn Haroen Arraschid, don tijdgenoot van Karei den Groote, schitteren in vollen glans;

..De Cliristenvolkon slapen „Hun muklencouwscheii slanii. t. Is micht; maar juist dien riiioht ,,Uiilieerscht do Halve Maan met heel haar sterrenwacht.quot;

Doch het Christendom reageert. Abraham werpt do Egyptische slavin en haren zoon telkens uit en Petrus van Amiëns predikt zijn kruistochten. „Terug, terug naar do woestijn\'\' is do leus van hot Kruis tegenover

ig ................SC

4

-ocr page 59-

— 50 —

de Halve Maan. „Dieu le ventquot; is liet wachtwoord. Maar vergeefs; niet door kracht en geweld laat zich de Islam overwinnen en indien het Kruis de methode van het zwaard wil gebruiken, komt het altijd bedrogen uit. Ja, do zoon der slavin wordt door God zeiven geholpen in den ongelijken strijd en ontdekt in do woestijn bronnen, die do engel (iods hem doet vinden. Zijn hand is tegen allen on de hand van allen tegen hem. Na eeuwen worstelens is de Islam niet overwonnen en het verloren terrein in Spanje wordt dubbel vergoed door do overwinning van Constantinopel en den val van het Griek-sche üijk in 1453 ; dat rijk, waar do beloften Gods zijn verzondigd en do ongeloovige wereld in do kerk den boventoon hooft gezongen. \\ oorlaan zit voor eeuwen de Islam in Europa, als oen doorn in het vleesch gedrongen ; zelfs AVeenen wordt bedreigd, en de gebeden tegen de Turken klimmen uit alle Christentempels op. Te midden vun dat alles leeft Abrahams kroost in verdrukking, door iedereen bespot, veracht, mishandeld. De zoon der belofte leidt een kwijnend bestaan, de zoon der slavin stolt zich hoog aan.

We Iverre van te sterven breidt zich de Islam telkens meer uit. Zijn zendelingen dringen door in het hart van Afrika, tot do uiterste grenzen van Azifi en van den Indischen Archipel en de bedevaarten naar Mekka verdubbelen in lieteekenis. De Islam is altijd meester, waar het Ghnstoiulom sleehls schijn is en de treurige ervaringen in onzen Oost. zoowel als de opstand in Engelsoh Indiö bewijzen maar al te duidelijk de waarheid dezer opmerking. Da Costa is op een punt wol wat te optimistisch en in 1847 toen hij zijn gedicht schreef, was

-ocr page 60-

— 51 —

K

daartoe meer reden dan tlians. „Het zwaard van Mahomet viel in den Bosporusquot; zoo zegt hij, doelende op een gebeurtenis in het begin dezer eeuw voorgevallen en door de Turken voor een slecht voorteeken gehouden. „De zieke manquot;, zooals hij sedert 30 jaren heet, is echter nog niet dood en wie zou in \'47 gezegd hebben, dat hij nog zooveel leven in zich had?

De vei\'deeldheid der Christen mogendheden is zijn kracht en hij is in zijn fanatisme nog veel sterker dan iemand gemeend heeft. Met dat al, de Turk wordt Wes-tersch in zijn manieren. Hagar buigt zich voor Sara, maar om des te beter haren zoon te kunnen plagen en bespotten. Tot den huidigen dag toe speelt de Islam, speelt de zieke man niet do groote mogendheden en terwijl deze telkens meenen hem to kunnen vangen, ontsnapt hij even zoo vele malen. In Turkije, in Egypte, in Algiers, in Hindostan, in Atchin wederom ontmoeten wij hem als een woudezel. Hij is en blijft Zoon van Abraham.

,.En wat uit Alirams heup geboren wordt, is Koning.quot;

De eer, de stempel van zijn afkomst blijft onaangetast in weerwil van zijn vernederingen.

Maar bij al het tragische van dit tooneel der goddelijke voorzienigheid, waarbij de geschiedenis van Hagar en Sara gedurig wordt hernieuwd en het drama nog niet is afgespeeld, zijn er troostelijker teekenen.

Hagar trekt telkens naar Abralmins tente weder on voelt zich verplicht voor zijn geestelijke meerderheid te huigen. De Koningin van Scheba komt van de einden der aarde om de wijsheid van Salomo te hooren. De Wijzen uit het Oosten brengen de schatten van Arabië aan dn

-ocr page 61-

voeten van het kindeke te Bethlehem. Jesaja GO ; 6, 7 spreekt In profetische taal do beloften Gods ook over Arabië uit:

Een hoop komolon zal u bedekken,

Snelle kemelen van Midlan en Efa;

Zij komen uit Seba. al te zamen,

Zij brengen gfouti en wierook.

Zij boofischappen blijde den lof des Heeren.

Alle kudden van Ko-dar verzamelen zich tot U,

De rammen van Nebajoth dienen u,

Zij beklimmen met welgevallen mijn altaar

En het huis mijner heerlijkheid zal ik verheerlijken.

Aan deze profetie verbindt Dn Oosta zijn slotakkoorden. Doch op het hoogtepunt staande, waar de dichter ons gebracht heeft en ons vergunde zelf rond te zien, ontdekken wij nog een en ander, dat hij ons niet met den vinger heeft aangewezen, omdat het. zich noodzakelijk aan ons oog moest verfcöonen. Pan lus staat in nauw verband met Hagar en Ismael. Het is bekend hoe hij met de namen van Hagar en Sara een van zijne be-toogen over de tegenstelling van wel en genade opheldert. Ihuhchar (=; Hagar) is do Arabische naam van Sinai en dus een symbool van de ivet. De zonen van Sinai zijn dus zonen van Hadschar of Hagar en staan met Ismael gelijk, in dienstbaarheid geboren. De geestelijke zonen, de zonen der belofte, zijn Abrahams echte kinderen. Van Hagar tot Sara, van de slavernij der wet tot de vrijheid der genade, van Sinai tot Golgotha is dus do lens. Daarin ligt ook de verzoening tusschen de verschillende zonen van Abraham. Indien Ismael zich wendt tot het kruis, wordt hij onder Abrahams geestelijke zonen op-

-ocr page 62-

genomen, zoo zeker als Israel is uitgestooten, omdat het de geestelijke afkomst van Abraham heeft verwaarloosd. God blijft de God van Abraham, Izailk en Jakob.

Doch Paulus zelf vertoont zich nog aan ons oog, zooals hij na zijn bekeering in Arabië drie jaren lang vertoeft, om zijn Evangelie niet van menschen of door een mensch, maar uit de handen van Jezus zeiven te ontvangen. Treffende overeenkomst! Goddelijk verheven spel der geseliie-denis! In dat zelfde Arabië, waar de valsche godsdienst van Mohammed als een wereldgodsdienst is ontstaan, had reeds zes eeuwen vroeger de laatste maar grootste der apostelen het woord gevonden, dat alle afscheiding tus-sclien de volken zou omverwerpen ; hij had de verborgenheid, die van allo eeuwen verborgen is geweest, ontraadseld nl. dat in Christus niet is Barbaar of Scyth, dienstknecht of vrije, maar Christus alles en in allen (Coloss. li I ; 11.)

In dat woord ligt de oplossing en daardoor wordt het einde van Hagar weer vastgeknoopt aan haar begin:

„Gij gaat voor Saras voet uw dwazen trots bekennen;

„Gij wilt in Abrams tent u aan Gods ordning wennen!

„Ja! (roept ge en voelt, met één. geheel uw aanzijn vrij!)

„O God des levens! Gij zaagt neder ook op mij quot;

-ocr page 63-

D A N T E.

Eens, toen Dante was verbannen,

door den wrok van die hem haatten, Ging dö Florentijnsohe dichter

peinzend door Verona\'s straten.

Daar vernam hij, hoo ccn meisje,

dat hem nazag op zijn schreden, Tot haar jonger zuster zeide:

„Lieve, wil wat nader treden;

Zie, daar gaat de groote Dante,

die ter helle eens af ging dalen; Zie, hoe zijn ontstelde blikken

\'t vuur der gramschap uit doen stralen; In dat oord van pijn cn kwalen

moest hij zóóveel droefs aanschouwen. Dat de lach hem is ontvloden,

dat geschokt is zijn vertrouwen.quot;

-ocr page 64-

Maar, toen Dante dit moest hooren,

zag hij om en brak het zwijgen: „Om het lachen te verleeren

is \'t onnoodig af te stijgen; ledre smart, door mij bezongen,

alle kwalen, wee en wonden, Heb ik op deez\' droevige aarde,

te Florence, reeds gevonden.quot;

{Xuar Geibel.)

W, H. Kiiuiergrr.

-ocr page 65-

56 -

T

JUDAS I SCA H I 0 T H

DOOR

E. GEIHEL.

Hij is liet! Ieder uur getuigt: Hij is\'t!

Do stormwind hoort hem, on de vijgeboorn Verdort op zijn bevel. Geen geest van ziekte Of kwaal bestaat, dien hij niet overmocht;

De stommen spreken en de kreup\'len loopen,

Uit hunne graven staan de dooden op,

Gehuld in \'t witte lijnwaad. Dat bewijst Dat hij profeet is. Maar al had hij ook Van deze wond\'ren niets gedaan en was niet liet gansehe land van zijne teek\'nen vol.

Van Sions burg tot aan de doode Zee:

Als hij mij aanziet en als uit zijn blikken De stille glans der eeuwigheid m\' ontroert.

Als ik hem spreken hoor en door zijn woord Zoo vol van eenvoud, zelfs voor \'t kind begrijp\'lijk,

«---------- . ____________-__-_____.sa

-ocr page 66-

En ondoorgrond\'lijk toch, gelijk de heemlen,

Mijn wezen voel tot, in den grond geschokt,

Als door bazuingeschal dat is \'t waardoor Ik toch bekennen zoude: Hier is meer Dan Mozes en Elia en de Dooper,

Hier is de Davidszoon aan ons beloofd.

Hij is \'t. En toch, ik vind mijn eigen hart.

Zoo koud en donker; neen, duur is geen toon.

Die op de blijde boodschap weêrklank geeft.

Waarom snelt hem verheugd mijn gansche ziel

Niet te gemoet, on waarom jubelt niet

Mijn hart een vreugdepsalm en smelt in \'t licht

Des heils, gelijk na winterkou de bron

Weêr ruischend opspringt mot ontdooiden straal?

Waarom heerscht nu zelfs, schoon somtijds zijn kracht,

Mij aangrijpt in de ziel en huiv\'ren doet.

Hierbinnen sombre twijfel, als een nevel.

Mijn geest omhullend, en is \'t twijfel niet,

Dan altijd lust tot twijflen? Wat verzet

Zich in mijn leèn, toch Juda\'s stam ontsproten.

Weerspannig tegen zijne Godiijkheid,

En schrikt terug, gelijk \'t ontembaar paard,

Voor \'t juk dat hij ons oplegt, ja zag liever

Het groot verlossingswerk nog niet volbracht,

Dan zoo volbracht? — Ik tracht het te doorgronden,

Maar al mijn peinzen faalt; \'k versta bet niet.

Als knaap doorleefde ik uren, vol van hoop

En rijk aan profetie; zij werden later

De kern van mijn bestaan. Zag ik den vijand

-ocr page 67-

Zijn ijz\'ren voetzool drukken in dit land,

En zich vermeten, zelfs den tempelberg

Te naad\'ren ovei\' do gewijde graven

Waar \'t stof der vaad\'ren i-ust: dan stond mijn hart

Van scherpe smart doorvlijmd daartegen op,

En iedre droppel bloeds in mij word toorn.

Dan zwierf ik rustloos iu den stillen nacht

Op \'t woest gebergte rond, waar koude wind

De dorre struiken rit\'slen dood en \'k smeekte

Dat God zijn vloek, als \'t felle bliksemvuur,

ïTeersloeg op den Ilomein; ja \'k schreide luid

Om den Messias dat hij ons mocht redden

Tit die ellend. — Eu keerde ik dan naar huis

Vermoeid van \'t klagen, zocht ik wéér do rust

Op mijne legerstee, daar ging een rij

Van ijle schaduwbeelden door mijn slaap,

W eerschijn van \'t woest, verlangen mijnor ziel.

\'k Dacht dan alleen te staan op hoogen berg.

En uit de wolken reikte mij oen hand,

\'t Tweesnijdend zwaard, dat \'k nauw had omgebonden

Of vuur\'ge kracht doorstroomde mij het bloed.

Mij droog de geest dos drooms gevleugeld voort.

Als rende ik hoog te paard op \'t bloedig veld.

Langs blanke speren, lijken, wild gewemel.

Vol bloed en stof en d\' aad\'laars der Romeinen

Verscholen zich als duiven voor het onweêr. —

Al sneller, sneller week het vluchtend heir,

Kn ver in \'t Westen steeg een roode vuurglans.

Een zee van vlammen op ; do hemel gloeide

Van pool tot pool, en in dien gloed verging

Mo stad der gruw\'ien, aller heid\'nen trots.

-ocr page 68-

En dan weer zag ik mij in purperdoscli.

Het donker hair gezalfd met geurige olie,

Op gouden troon ; ik hoorde harpen ruischen Want alle hoogten oversehfluwend stond Jehova\'s tempel, en des aardrijks vorsten Vol eerbied knielend^ huldigden den Heer,

Die hen door mijnen arm verwon - en mij.

Zoo droomde ik vaak, en dacht aan Jozefs droom, Als ik ontwaakte. Heel mijn leven werd Eén smachtend uitzien, daar het droevig heden,

Mij van een schoone toekomst zwanger scheen. De schriften der profeten sloeg ik na In \'t nachtlijk uur, en uit hun duistre woorden Zoog \'k levenskracht voor eene hoop, die toch Mijn mond niet uiten durfde, maar ik smeekte Den hemel dringend om bevestiging.

Doch weken, maanden, jaren snelden voort Eentonig stil, en heden was als gist\'ren.

Geen Oodsstem sprak.

Maar eensklaps hoort mijn oor Een fluisterend gerucht, gelijk de wind De blaadren ruischen doot van \'t peppelwoud ; Dat straks door \'tvolk werd voort en voortgeboodschapt. Een stemme veler wateren gelijk.

De Heiland, sprak men, lang door ons verwacht. De Leeuw uit Juda\'s stam is nu gekomen, Wegwent\'len zal hij tsrels schande en juk.

Men deelde elkander vreemde dingen meê : Een homelsch licht had Bethlehem beschenen.

Toen hij geboren werd ; vergrijsde herders

-ocr page 69-

- 60 -

Verhaalden ons, dat toon zij in dien nacht Hun vee bewaakten, \'t englenwoord hen opriep.

En dat zij toen met vreemde koningen Neerknielden voor een kind, welks zoete glimlach Als sterrenglans scheen in hun droef gemoed.

En als die grijsaards spraken, streek de vreugde Hun voorhoofd weder glad, \'t was of daarover Een weêrschijn kwam van \'t licht diens zaal\'gen nachts En hunne woorden klonken als muziek.

Dat alles trof mij, zooals \'t bliksemvuur In \'t water slaande, \'t roert tot op den bodem; En wat daar rustte, diep in mijne ziel.

Bedekt door \'t stof van \'t daag\'lijksch leven, kwam In wild gewemel boven : sterk verlangen Naar heil voor mij en voor mijn lijdend volk, Eergierigheid, pijn van gekrenkten trots,

Onrustig peinzen, daar \'k niet zonder smart. Zoo tvvijf\'lon kon en toch de waarheid vreesde ; Dus, vol van hoop en vrees: hij kon het zijn,

Zocht \'k den Jordaan.

O wonderbare stond Die als \'k aan u terugdenk, nog mijn hart Doortrilt met huivring en de sterke kern Van \'t mannelijk gemoed in vrouw\'lijk heimwee Dreigt te doen smelten —• was \'t misschien niet boter I gt;u ik ii nimmer, nimmer had doorleefd.

Dan dat gij kwaamt en gingt, en heel mijn leven Door u eeti onoplosbaar raadsel werd?

-ocr page 70-

- G1 -

Een koning hoopte ik, huldigde mijn groet,

Ik dacht een held te zien aan Saul gelijk

Die uitstak boven \'t hem omringend heir ;

Profeet en hoogepriester zou hij wezen.

Die met zijn woord in vlammend vuur gedoopt.

De helden opriep tot een heil\'geii krijg —

Maar hoe gansoh anders was hij ! — Liefdevol,

Bekleed met ootmoed, — neen hij droeg geen krijgszwaard.

Maar hreidde d\'armen uit, als wilde hij

De wereld drukken aan zijn hart ; zijn woord

Bracht oproer niet, maar vrede ; in zijn gewaad

Was niets dat op een koning hopen deed, —

En echter droeg zijn helder voorhoofd \'t merk.

Van goddelijken oorsprong ; toch lag daar

In zijne oogen zoo iets ondoorgrond\'lijks.

Dat ik mijn blikken voor hem nedersloeg.

Als staarde ik in de zon.

En als ik nu Verward, getroffen, met mijzelf in strijd.

Weer weg wou sluipen, onder \'t volksgewoel,

Gelijk eeu bloedend hert in \'t struikhout rust zoekt : Wendt hij zich eensklaps om en slaat zijn oogen Met zulk een blik op mij, dat \'k niet kon gaan Maar mij gebonden voelde ; en ik begreep Dat hij mij gansch doorzag, want \'k hoor zijn stem: Kom, volg mij ! ;k Weet wat uw verlangen is.

\'k Gehoorzaam. En nu scheen \'t mij uren lang,

Dat ik vernieuwd was. Zooals zachte sluimer De koorts des kranken stilt, bracht mij zijn woord. Weer vrede in het diep ontroard gemoed.

-ocr page 71-

Geheel mijn levenswijs on mijn gebed

Werd anders dan het was en \'k weende tranen,

Oelijk ik weende als kind ; mijn wrok versmolt.

En hoorde ik dan gezeten bij de schare,

Naar \'t woord dat vriend\'lijk van zijn lippen kwam.

Dan was \'t mij vaak te moede, of ik schreed

Door eenen donk\'ren onderaardschen gang.

En of daar ver bij \'t laatste rotsgewelf

Een straal van daglicht scheen, en zacht verlangen

Naar \'t volle licht vervulde mijne ziel.

Maar \'t waren uren slechts, en al hun glans En heil was droom. Mijn geest die zich een pooze Gewiegd had in een sluimer vol van lust.

Rees op uit trage zwakheid en verlangde Iets grooters toch. Aan zijne wonderkracht Kon ik niet twijf\'len, maar wat baatte zij,

Als hij haar roesten liet, zooals een slagzwaard Roest in do scheede ? Daden wilde ik zien ; Het juk dat Sion buigt gebroken ; \'t kwaad Gewroken dat wij dulden, en het rijk Der uitverkoren staramen weer hersteld.

Hom /.elf gekroond ; aan zijne zijde mij.

Maar hij trok door hot land, en predikte.

Genas de kranken, en bet werd geen heirmacht. Maar een gevolg van zondaars, dat hem naliep. Hij redde lichtekooien, aan den bronrand Sprak hij tot. vreemde vrouwen; ons beval hij; „Geef gij den Keizer, wat des Keizers is,\'\'

Terwijl diens trotscbe lictor, daaglijks nog,

Voor Juda\'s rug de geesolrooden bindt. —

-ocr page 72-

— 63 —

En als ik eindlijk in mijn droevig hart Het ongeduld niet langer kon beheersclien,

Daar naderde ik hem op een hoogen berg, En wees hem zijne taak: ik toonde hem Het schoone land dat op zijn koning wachtte, Zooals het daar beneön, met zijne steden.

Zijn meren en zijn bergen, baadde in \'t licht.

Maar uit 7-ijn donker oog schoot in mijn ziel Een felle bliksemstraal, on zijne stem Klonk dreigend in mijn oor: Ga weg, verzoeker! Zijt gij daar wederV Spoed u achter mij!

En sinds dien dag staat daar iots tusschen ons, Gelijk een scheidsmuur, \'k Weet niet wat hij wil En onbegrijp\'lijk is mij al zijn doen.

Wel klopt somtijds nog zijn ontdekkend woord Als hij mij aanziet, dringend aan mijn binnenst\', Den ingang zoekend, dien het vroeger vond,

Maar den onmacht\'ge wijkt de grendel niet.

En als mijn voet hom volgt, als hom mijn kracht Nog steeds gehoorzaamt, is \'t gewoonte slechts; Want nauwlijks deed ik, wat hij mij gebood, Of als een boog die weder wordt ontspannen, Keert in zijn somb\'ren trots mijn geest terug. En \'k weet slechts dit, dat wij gescheiden zijn.

Nu hoor ik wonderlijke stemmen vaak. Als rijzonde uit den grond, in \'t, windgelluister, Of d\' avondnevel komen tot mijn oor.

En als ik daarnaar luister, dringt in mij , Een doodolijk gevoel omhoog, mijn haat,

y.

-ocr page 73-

- G4 —

Aangroeiend als een ijsspits door de vorst.

Eu een gedachte, die ik sinds zij aanving Aan \'t licht te treden en gestalte kreeg,

Niet meer verbannen of beheersohen kan,

Spoort mij tot een vermetel waagstuk aan. Om \'t aangevangen werk naar mijnen zin Een weg te banen, of ook — als \'t niet gaat — liet te vernielen, en op zijnen bouwval Met opgeheven hoofd, mijn weg te gaan.

Hoe komt dit in mij op, waar voert het heen? Wien zou ik \'t vragen? Is \'teen eeuwig noodlot Dat mij vooruitdrijft? Is \'teen deel des vloeks Dien Adam als een erfgoed ons verwierf?

Is het die drang, waardoor der englen sieraad De kroon verwierp, die op zijn voorhoofd blonk. En Satan werd? Ik weet het niet te noemen. Noch te beheersohen. (.ia het dan zijn gang.

L. C. Scnt\'LLKll tot Peubsum. Alkmaar^ Aug. 1884.

-ocr page 74-

DE VROUW VAN DEN ZENDELING.

In het Christelijk dagboek van Bronsveld, (Bij de Levensbron) waarvan hij met waarheid zegt, dat het niet in plaats van den Bijbel, maar er na gelezen moet worden, komt ook een treffend stuk voor van A. Ber-sier, over Gebedsverhooring. („Door Gelooveu niet door aanschouwenquot;). Zeer schoon beschrijft deze daarin dat God, uit de reinste liefde tot zijn menschenkinderen, niet altijd ons gebed verhoort op een voor ons zichtbare wijze, daar onze godsdienst een onedele zou worden, eene om den broode, als wij altijd woordelijk kregen waar wij om vroegen. , Hoevelen zouden dan nog Christen worden uit liefde?quot; vraagt hij. , Allen zouden het worden uit eigenbelang, even als de joden in menigte Jezus volgden toen Hij het brood vermenigvuldigd had. Welnu, die geest van don loondienaar wil God doen sterven in onze zielen, want liij heeft iets heerlijks aan die zielen toegedacht. Hij wil ze kracht geven tot een belangelooze liefde. Daarom laat liij, terwijl 11 ij verzekert dat elk gebed geboord wordt; ons meestal niet zien hoe Hij liet verhoort. Denk aan het treffend voor-

-ocr page 75-

— 06 —

fs ---—---------------------«

beeld der Kananeesche vrouw. Wat had zij verkregen indien zij alleen had gewandeld door aanschouwen, en niet gelet liad op het hart van den Heer?quot; En zoo gaat hij voort. Heerlijke woorden, die ons de gebedsverhooring in haar hoogere opvatting doen kennen!

Maar om ook zwakkere r.ielen te genioet te komen,

om te bewijzen dat het; „lioep mij aan in den dag der benauwdheid, en ik zal er u uithelpen,quot; het „Eer zij roepen zal ik antwoorden ,quot; het „Bidt en u zal gegeven worden, klopt en u zal opengedaan worden, zoekt en gij zult vinden,quot; en hoe do duizenderlei tekstwoorden meer heeten vol beloften over bidden , — want, zou er wel iets zoo veelvuldig voorkomen in den Bijbel, als opwekkingen tot kinderlijk geloofsvertrouwen? — om te bewijzen dat die beloften ook nu nog evenveel kracht hebben als toen zij werden uitgesproken, laat (iöd herhaaldelijk, ook na nog, do letterlijkste vervulling dier beloften voorkomen.

Op hetzelfde oogenblik dat bekende philanthropen bidden om een bepaalde geldsom, wordt die bepaalde geldsom Iran thuis gebracht. In den eigen nacht waarin een Daniël Krummacher met God worstelt om do ziel eens dronkaards, en roept „nu, Heer, nu!quot; kan die dronkaard bot op zijn bed niet uithouden, en den dageraad niet afwachten eer hij tot „domineequot; gaat, en zegt dat het hem nu ernst is, dat hij nu een beter mensch teil worden; en hij wordt een beter mensch. Als spitsboeven ecu anderen predikant willen mishandelen, die hen te zeer de waarheid gezegd hééft, zien zij bij zijne thuiskomst van een zieke, waarbij zij hem opwachtten, in het heldere maanlicht twee engelen naast hem gaan, die zij

-ocr page 76-

— 67 —

53~ quot;

voor vreemdelingen liouden, zoodat zij hem niet durven aanvallen. Als Dr. Schubert van zijn legerstede God zoo vurig bidt om hem aan een andere betrekking te helpen , waarin bij Hem beter dienen kan, dan wordt in dien eigen middernacht, op mijlen afstands, zijn vriend wakker, omdat het hem is alsof hem in het oor gezegd wordt „benoem Schubertquot;, en hij benoemt hem voor een betrekking die als met een schaartje voor Schubert geknipt bleek. En men zou deze voorbeelden tot in het oneindige kunnen vermenigvuldigen, als iemand maar een geopend oor en hart er voor heeft.

Wie voor zulke zichtbare ingrijpingen van het Opperwezen in de lotgevallen der kinderlijk geloovigen, meer dan de meeste menschen een geopend oor en hart had, dat was de Zwabensche schrijfster, de beminnelijke Ot-tilie Wildennuth. Trouwens zij schreef niet, zij schreef op; wat zij met haar helderen blik waarnam, en wat anderen haar, de deelnemende bij uitnemendheid, meedeelden uit eigen en anderer ervaringen, dat heeft zij woordelijk te boek gesteld. „Waarom verzinnen en phan-tazeerenquot;, zeide zij tot haar dochter, „als wij zulk een wolk van getuigen rondom ons hebben ?quot; Aan eenige van die eenvoudige, maar daarom niet minder aangrijpende bladzijden uit liet Godsrijk onzer dagen nu, wenscb ik hier een plaatsje te geven, en doe het in haar eigen woorden zoo getrouwelijk mogelijk overgezet. Plet heet:

DE VROUW VAN DEN ZENDELING.

DOOK OTTIUE Wir.DEHMUTH.

In het vrije Engeland was het, dat een vrije jonkvrouw

K

-ocr page 77-

— 68 —

K

het besluit opvatte om zichzelve, en haar geheele doen en laten, aan het zendingswerk te wijden. Mary Clinton was gocn dweepster, zij was ook niet een dier berustende zielen;

Die zich ten hemel voelen heeng\'etocren Omdat zij in deze aarde zich bedrog-en.

Zij behoorde ook niet, tot de klasse der veelgezocliten en veal bewonderden, een klasse die, tusschen twee haakjes, langzamerhand uitsterft: zij was een stil, in zichzelf gekeerd schepseltje, dat in haar omgeving niet genoeg vond voor haar gemoed, geen sympathie voor wat liaar het diepst vervulde.

Ook voor Mary stond, evenals voor zoovele andere jonge meisjos, het leven gereed met allerlei onschuldige, gemakkelijk to bereiken genoegens. Haar ouders waren dood, maar in de vroning van haar ten tweede maal go-huwde stiefmoeder, had zij een gepast en veilig thuis gevonden, al waren het alleen banden van gewoonte en verplichting die haar daaraan verbonden. Mevrouw Clarke beschouwde zichzelf als het model eener stiefmoeder, omdat zij de kleine Mary niet geslagen en niet gekweld had, omdat zij gerstewater voor haar kookte als /.ij hoestte, omdat zij haar naar de school en de kerk had gezonden, en haar netjes en ordelijk in de kleeren gehouden had. De heer Clarke, haar tweede man, was een type van een ouderwetseh burgerman, in oen bruinen rok, mot een noteboomhouten snuifdoos, en oen stok met een zilveren knop; hij behoorde Mary\'s kleine erfenis met nauwgezette eerlijkheid, en deed haar overigens niets ten goede of ten kwade.

-ocr page 78-

Het echtpaar voerde een hoogst eerbaar burgerlijk bestaan ; zij hielden den Engelschen Zondag zoo stipteljjk als iemand, zonder veel er bij te denken, en geloofden zich zeer verdienstelijk gemaakt te hebben jegens het Godsrijk als zij drie preeken achter elkaar hadden aangehoord, hun gave op liet altaar hadden gelegd voor armen en zending, en dan daarna de zes overige dagen van de week in de oude, alledaagsohe sleur doorbeuzelden. Al wat Mary aan ontwikkeling van geest en gemoed bezat, had zij eener vriendin harer overleden moeder te danken, een weduw, die in hetzelfde plaatsje woonde, een moeder der armen, een zuster der bedroefden, bij wie de stille Mary eerst recht voelde wat een thuis was.

fn haar eigenlijk tehuis, in het saaie, bekrompen leven, zonder eenigen hoogeren drang, werd het Mary hoe langer hoe leeger en onbevredigder; zij kon zich niet eens diets maken dat zij er noodig was, want een nichtje van haar tweede moeder, keek haar reeds lang met leede oogen aan, en wenschte niets liever dan haar plaats in te nemen, waar zij door haar heele zijn en aanleg dan ook veel beter voor paste dan onze Mary

Nu werd de wensch hoe langer hoe levendiger in haar, om ergens in verre landen aan heidenen het evangelie te verkondigen, wat in Engeland meermalen door alleen staande vrouwen ondernomen wordt. Zij wilde zich te dien einde hij oen naar Indh\'i vertrekkend gezelschap aansluiten, en daar in een van de scholen waar inlandsche vrouwen en kinderen door Europeesche vrouwen onderwezen worden, een werkkring vinden. Zij had dit besluit reeds lang, onder biddend opzien bij

-ocr page 79-

zichzelf vastgesteld, tot zij eindelijk, op een goeden morgen, het waagde er aan het ontbijt, mee voor de dag te komen.

Dat was me een ontzetting! De heer Clarke liet van ontsteltenis zijn courant onder de tafel vallen, en Mevrouw haar theekopje in haar schoot: „Maar wat bezielt u, alleen onder de hoidenen ? Zijn er geen mensohen genoeg om dat te doen, buiten u? Gelooft gij dat zij op Mary Clinton gewacht hebben om de Malabaren te bekee-ren? Heb ik u daarom niet zooveel moeite tweemaal den kinkhoest en eens het roodvonk doorgehaald, opdat go mij nu op mijn ouden dag in den steek zoudt laten!quot; zoo declameerde mama. Ook de heer Clarke Ir eld een uiterst stichtelijke rede over den tekst: „tracht niet naar liooge dingen maar voegt u tot de nederigen,quot; en Miry was te werkelijk nederig om tegen hen allen te willen indruischen. Zij trachtte nu tc gelooven dat zij hei. mis had gehad toen zij den drang haars harten voor een roepstem van boven had gehouden, en wilde op nieuw pogen aan eea nauwgezet vervullen van haar dagelijksche bezigheden genoeg te hebben. Zij maakte mama Clarkos mutsen op, voerde mijnbeer Clarkes vogcliji\'s, en nam deel aan de liefdeplichten harer vriendin; maar als zij alleen zat, was het haar telkens en telkens weer als werd haar toegeroepen: „kom over en help ons.quot;

Om de volgzaamheid te beloonen waarmee Mary haar „opgewonden ideesquot; uit haar hoofd gezet had, besloot de heer Clarke, op een reis voor zaken die hij naar Londen doen moest, haar en Mevrouw Clarke mee te nemen.

-ocr page 80-

Mary kon er niet zeer opgewonden over zijn, maar men kondigdo haar de groote gebeurtenis met zulke triomfeerende gezichten aan, dat zij het niet over haar hart krijgen kon om anders dan vriendelijk dankend bet aanbod aan te nemen. Zij naaide van den vroegen morgen tot laat in den nacht aan het reistoilet voor haar mama en haar zelf, om nog den tijd er uit te kunnen breken, om met haar vriendin een toespraak van een Duitschen zendeling te gaan hooren, die in Engeland zich nog verder voor zijn beroep bad toegerust, en ook anderen daarvoor trachtte to winnen.

De jonge man sprak zeer eenvoudig. Een groot aantal zijner toehoorders konden er niet over heen dat hij bet Engelsch zoo slecht uitsprak; maar Mary drongen zijn woorden, de geest die er uit sprak, tot in baai-diepste gemoed, en een smartelijk heimwee naar haar vroegere wenschen en plannen ontwaakte weder in haar hart, toen zij bemerkte hoe moedig en hoopvol hij zijn moeielijk ambt aanvaardde.

De toespraak was afgeloopen, Mary ging weer naar huis, en onderging getroost de haar beloofde genoegens; maar het was haar alsof /.ij alle heerlijkheden van Londen, en allo pracht ter wereld zou willen verzaken, als zij nog maar eens den zendeling had mogen hooren.

Vrij moede kwam zjj naar Brighton, naar haar vriendin, terug. „Jammer Maryquot;, zeide deze, „dat gij juist nu weg moest zijn. De jonge man dien gij hebt hooren lezen, is gisteren van bier afgereisd om een vrouw te zoeken, een medehelpster bij zijn moeielijken werkkring. Op raad zijner vrienden gaat hjj naar X., om de dócbier van den predikant daar te let ren kennen. Ik wou dat

-ocr page 81-

gij hier geweest waart,quot; voegde zij er glimlachend bij, „dan bad bij zoo ver niet belioeven te gaan.quot;

Hier weid Mary gloeiend rood; om de aandacht af to leiden, begon zij zoo druk over Londen te praten dat haar vriendin niet wist hoe zij het bad. Maar hoe op dien avond, en in de stille uron des nachts, Mary\'s gedachten weer terug dwaalden naar die aangrijpende woorden die zij geboord lmd; en tot hem van wien zij uitgingen, dat heeft zij niemand toevertrou vd. Zagen ook haar oogen des morgens een weinig rood, zoo sprak slechts stille berusting en gelatenheid daaruit; alleen vermned zij bet, met baar vriendin weer over den Duitschen zendeling te spreken.

Maar Mrs. Mary, zoo heette baar vriendin, was, zooals lt;le meeste oude dames, fel op huwelijken-smeden en kon het maar niet te boven komen dat Mary juist, toen van buis had moeten zijn. — Ook duurde bet niet lang ot zij ontdekte een anderen zendeling-hnwe-ijjkscandidaat, in den persoon van een landsman, Mr. Miller, die naar Abyssiniii bestemd was. Natuurlijk moest de lieve M.iry nu op de Ib^e gevraagd worden. Wel spraken niet de koene ondernemingsgeest en de blijmoedige opgewektheid uit den beer Miller die baar den Duitschen zendeling zoo aangenaam gemaakt hadden, integendeel bij was een bleek, bijna somber man, en zijn strenge uitspraken bewogen niet de zachte snaren in baar gemoed die bij de gebroken woorden van den anderen getrild hadden, maar toch lag er een ijzeren vastberadenheid en oen heilige ernst in zijn wezen die haar Iegelijk schroom en eerbied inboezemden. Mr. Miller sprak veel met Mary, zij scheen hem beter

-ocr page 82-

te bevallen clan tot nu toe een haver sekse bet gedaan bad; tot een lange, teedere bofmakevij had bij noch tijd noch aanleg, en weldra hoorde Mary uit den mond van haar vriendin de vraag: „Wilt gij meetrekken met dezen man ?quot;

Voor eenige weken zou bet Mary gemakkelijk geweest zijn om het antwoord te geven waardoor baar stille, lang gekoesterde wensob, op de voor een meisje natuurlijkste wijze in vervulling zou komen, maar nu wilde het jawoord baar maar niet over de lippen.

Doch in ware vrouwen ligt een drijfkracht, bijna even machtig als de eigen barteneiging — hot medelijden. Mary boorde van haar vriendin een treffende schildering van do levenslange verlatenheid en eenzaamheid van den armen, als jeugdig knaapje reeds wees geworden Miller, en boo hij nu met zijn zwakke gezondheid, die hem alle natuurlijke opgeruimdheid benam, heel alleen zijn bezwarende taak aanvaardde; daar vloeide haar gemoed over van den drang bier helpend tussehen beide te komen, te troosten, te steunen; en eindelijk legde /.ij baar band in de zijne.

Mevrouw Clarke was boogelijk verwonderd toen de doodsbleeke man als eaudidaat naar do band barer dochter optrad. Maar Mary was mondig, en er viel dus niet veel aan te doen, hoewel de mama onuitputtelijk was in bezwaren. „Dan luidt ge nog wel een dominee of een docent in je eigen land ook kunnen vinden, of een weduwnaar met een troop kinderen en een verwaarloosd huishouden , als je dan absoluut de zendeling woüdt spelen; waarom moet je nu zoo buitenslands gaan, en dat nog al met een ziekelijken man!quot; Maar Mary\'s besluit

-ocr page 83-

stond ditmaal vast, en zij was en bleef Miller\'s verloofde......

Was hot haar daarbij blij te moe ? Dat niet, maar vrede had zij voor zich zelf, zooals die vrede vinden, die naar beste weten trachten te doen wat zij gelooven dat God van hen wil.

Kort voor haar vertrek vernamen zij dat een ander jong paar, met hetzelfde doel, de reis met hen doen zou. Een jong man, met een allerliefst, maar zwak uitziend vrouwtje, stelden zich op het schip als hun collega\'s aan hen voor — het was de Duitsche zendeling.

Over Mary\'s gezicht vloog een lichte blos, en vaster drukte zij de hand van haar echtgenoot. Maar zij was van een krachtige natuur, en wilde liever de zaak flink onder de oogen zien, dan in half bewuste bespiegelingen voortdroo-men ; en weldra had zij in een stille ure, alleen met God en haar gemoed, de kracht en de kalmte gevonden waaraan zij behoefte had. Een recht hartelijke vriendschap ontstond er tusschen de beide paren : misschien echter had Mary er wel een weinig de hand in gehad, dat haar man en do Duitscher niet in dezelfde streek, maar op uren ver uit elkaar liggende stations geplaatst werden. Het was jammer, lie blijmoedige opgewektheid en onverstoorbare gelatenheid van den Duitscher hadden gewis weldadig gewerkt op Miller\'s zwaartillend, beklemd gemoed. — Maar misschien was het ook goed zoo.

Toen do vier vrienden een vriendelijk afscheid van elkaar genomen luidden, naar zij meenden voor het leven, zeido het zwakke vrouwtje van den Duitscher, met tranen in de oogen tot hem: „dat is een betere zendelingsvrouw dan ik, arme tobziel; als God mij van

-ocr page 84-

Mary. Millers ligchaam en geest waren niet opgewassen tegen zijn goeden wil; en Mary had al haar kracht, en al haar moed noodig, om do troostende, helpende vredesengel voor hem te blijven die hij zoozeer behoefde, iels waarvoor hij haar dan ook op zijn sterfbed nog zegenend dankte.

Na zijn dood voelde zij zich nu zoo heel alleen in de wereld, en haastte zich om zich uit deze eenzame streek,

naar een meer bewoond deel van de wereld te begeven.

Haar oud plan, om aan het hoofd vau een vrouwen-school te komen, zou nu toch vervuld worden; en daar leefde zij in stilte voort, rijk aan ondervinding.

Zij was reeds eenige maanden in die school, toen onder ile zwarte kindertjes er ook een blank werd aangemeld, het kind van een zendeling dat zijn moeder verloren had, en dat hij hier in verpleging wilde laten, tot hij gelegenheid vond om het naar Engeland, naar de grootouders, te sturen.

Mary, als do opperste van de school, ontving vader en kind. Het was dn Duitsche zendeling.

Ik schrijf geen roman, evenmin als Mary en de zendeling voornemens waren er een op te voeren.

Twee harten, die elkander behoorden, werden nu te zamen gevoegd, en de lange scheidingslijd dien zij doorleefd hadden, was niet te vergeefs geweest.

Ik heb deze geschiedenis uit Mary\'s eigen mond ; zij was met haar man in Duitxchland, toen hij zijn oude „heimatquot; bezocht. Haar kinderen had/,jj een poosje van

: j\'i _

-ocr page 85-

— 76 —

te voren naar Engeland gebracht, daar het in die gloeiende keerkringslanden ouders niet vergund is zich lang in het bijzijn van hun kroost te verkwikken.

\' De vrede dien de wereld niet geeft lag over heel het wezen van dit tweetal uitgegoten, en zij gingen vol moed opnieuw de bezwaren en gevaren van hun zendelingsleven tegen. Hun vereeniging was een schoone bevestiging van het woord: „Het hart des menschen overdenkt zijnen weg; maar de Heer stiert zijnen gang.

11. Kookdeks üoekb.

Tl\'IilNGEN 1884.

-ocr page 86-

A .VN Dh. N. BEETS.

O \'k gun u den glims die uw schedel omstraalt, Den lauwer in \'t edelste strijdperk behaald,

\'t Metaal u door vorsten geschonken;

Geen krone te schoon voor zoo achtbaar een hoofd. En, wordt door geen nijd u die immer ontroofd, Mij doet /.ij in geestdrift ontvonken.

Maar wat ik u niet gun, wat immer mijn hart . Vervult met eon stille, weemoedige smart.

Schoon dankend voor jaren van zegen,

Het is, — en, in waarheid, toch staat zij u suhoon, l*er grijsheid eerwaardige, sierlijke kroon,

Erlangd op gerechtigheids wegen.

-ocr page 87-

- 78 —

0 Man van genie, met zoo vroom een gemoed, Eu allen die met u in blakcnden gloed

Hun gaven Gods koninkrijk wijden,

ik gunde der menscliheid tot heil en tot vieugd Zoo gaarne u oen eeuwige, een blijvende jeugd, Hoewel, ach, met lijden en strijden.

Wat zog ik? Die wensch waar hardvochtig en wreed: Een eeuwige jeugd . . . maar met strijd en met leed . . .

Hoe dwaas is mijn eigene wijsheid!

Een eeuwige jeugd, maar met eeuwig genot, /ij wacht na den dood u daarboven bij God; O. \'k gun u de krone der grijsheid!

Gkk a.

-ocr page 88-

HET SPIRITISME \')• (Echo voorlezing\'.J

Noodzakelijk moet aan de heooydeeliny van het Spiritisme eene hexchrijruig van dat verschijnsel voorafgaan. Wij willen die dan ook geven, niet volledig, maar in de hoofdtrekken. Ik wensch den ernst van ons zamenzijn te verhoogen door mij te onthouden van hetgeen de nieuwsgierigheid in spanning brengt, van geschiedenissen die de fantasie prikkelen. Nuchter en ernstig wil ik deze dingen toetsen aan Gods geschreven Woord,

1 Naar aanleiding van een dezer dagen ontvangen briof, waarin mij g-evraa^d werd of het waar was, dat een ernstig man, die mij genoemd werd. zich met het Spiritistiie bezighield en geloofde aan do mogelijkheid om de geesten dor afgestorvenen te doen verschijnen, zocht ik op wat eene vriendenhand een paar jaren geleden vrij nauw-k Mirig opteekende van eene lezing, toen ter tijd door tlion goachten Kvangeliedienaar over dat onderwerp gehouden —- verzekerd dat ik daarin overvloedige stof zou vinden om dien brief doeltreffend te beantwoorden.

liet Ms. doorbladerende, kwam echter de Wensch weder bij mij op om het als een tegenwigt of eenvoudig getuigenis tegen allerlei ongezonds dat over dat onderwerp ter sprake en van de pers komt, ook door den druk verkrijgbaar te stellen. Toen ik de toestemming daartoe van den waarden auteur vroeg antwoordde hij mij dat eene

-ocr page 89-

de Heilige Sclirift, voor welke ook ik wij onvoorwaardelijk buig — en alzoo dit verschijnsel eerst kortelijk aangeven, dan de waarde er van bepalen.

Herinneren, wij ons uit het eerste tooneel van Goethe\'s Faust boe de held der tragedie ons meedeelt dat hij van alle wetenschap oververzadigd is, en zijn reusachtige kennis hem niets heeft gebaat. Het genot van zichzelf volkomen te bezitten, het genot der liefde in hoogeren zin, zijn onverzadigde begeerte naar levensgeluk, blijven zonder bevrediging. Daarom, zegt hij: „Darum habe ich mich der Magie ergeben, ob mir durch Geistes Kraft und Mund nicht munch Geheimniss würde kund ; dass ich er-konno was die Welt im Tuners ten zusammeuhillt.quot; (Daarom, omdat ik onbevredigd ben en genieten wil, heb ik den mrl-ili-H weg getracht inteslaau en mij aan do Magie overgegeven).

Goethe spreekt bier eene gedachte uit, die bij uitne-inendbe\'nl geldt van de kinderen dezer eeuw, namelijk de liegeerte om snel te genieten, om met één slag zich toe te eigenen, onmiddelijk te grijpen, wat naar Gods wil

in het. oppniaar uitgesproken rede ais het ware publiek oiflfendoin \\vns. die nol; verder mnyt medegedeeld worden, al vond bij er

zelf t\' weinig bijzonders in om die no^ met zijn naam uittflgeven. daar ieder gehiovig man die de zaak ernstig\' onderzocht hetzelfde zou kunnen neggen.

Ik \\lei mij eehter dat velen met mij zich zullen verblijden over het in ruimer krinjr verkrijgbaar stellen van deze ernstige waarschuwing tegen een kwaad, dat ook onder ons te weinig als zoodanig wu\'dt beschouwd.

Kn rui - den lezer heil!

TRVFOSA.

/ie ilit onderwerp vooral ook grondig behandeld in le (lids N\'e. 10 van I sSv! naar aanleiding van een boeijende studie over Sweuenbotg.

-ocr page 90-

— 81 —

55........ \' quot; quot; y-

ui den langzamon weg van arbeid en wettige toeöige-ning eerst ons deel worden kan. Van daar de groote rol die het hazard in onze dagen speelt, in loterijen enz. Op die lijn van het oigenmagtig in bezit nemen van hetgeen de mensch eerst van lieverlede op hot gebied van bet verborgene weten mag, ligt, zoo al niet bet spiritisme zelf, dan toch de groote belangstelling die dat verschijnsel overal vindt. Ook wij mogen het niet verachten, niet mededoen met die soort van sidioudur-ophalende mimiebting waarmede velen dit verschijnsel voorbijgaan. Dezulken beroepen zich op het fantast isdio dat erin ligt, het glimlach wekkende van den toestel die daarbij behoort; bet zonderlinge van volwassen nienschen die zich aldus van een stoffelijk apparaat, tafels enz. bedienen; al dut wonderlijke, dat maakt dat men er liever niet ineè te doen wil hebben en er stilzwijgend voorbijgaat. Dit is echter zeer verkeerd. Wanneer mannen van wetenschap als Ulrici, de jongere fichte, ook de natuurkundige Zolluer in zijn werk Naturwissenschaf\'t und Ofl\'enbarung met grooten ernst zich beijveren om hot wetenschappelijk te doorgronden en te beschrijven, — dan is het aanmatigend bet zonder ernstige kennisneming voorbij te gaan.

Het verschijnsel van zich in lietrekking te stellen met de onzigtbare geestenwereld is zeer oud. In Deutero-nomium 18 wordt Israël gewaarschuwd: „Onder u zal niet gevonden worden een duivelskunstenaar, ot een uie de dooden vraagt.quot; ■ En dan zijn er verschillende opgaven van gruwelen waaraan zij zich niet mogten overgeven ; om (Ier loillc ran die dinyen i\'cnlrjf\'l (tod de, hcldciischi: volkeren uit luiii hcziltiiii/. De woorden uit Deutcronio-nünm zijn daarom niet ,een papieren argumeul zoo

(J

-ocr page 91-

als men ze dikwijls genoemd heeft, omdat de wetgever daarin een beroep doet op het oorspronkelijk nienschelijk gevoel. Voor die heidenen die buiten het licht van Gods Openbaring leefden was het reeds misdadig, gij Israël die de belofte hebt: „Henen Profeet uit het midden van n, uit mee broederen, zal u de Heer mr God vcrweklien, naar Hem zult (jij hoorei//\' zoudt nog veel schuldiger zijn als gij zoo iets deedt. Gij volk Gods, dal geroepen zijt in het licht te wandelen, laat dergelijk schemerdonker beneden u zijn.

Wat de conditiën betreft die biertoe gelden, van de nio-(lelijkheid van een gemeenschap der afgescheiden zielen met de wereld die wij bewonen, is reeds bij do oude volken veelvuldig sprake. In de Phnedo van Flato wordt hot geloof uitgesproken dat zielen die hier hunne zinnelijke neigingen niet afleggen, langen tijd hunne graven omzweven, omdat de hartstogten de ziel als met een nagel aan het lichaam hechten en baar zelve bijna lichamelijk ranken. En Tertullianus, een kerkvader uit den tijd der keizers Severus en Caracalla, ongeveer 200 jaren na Christus, in zijn Apoloyetiek, een geschrift tot verdediging van de christenen geschreven, vermeldde uitdrukkelijk (Cap. 23) dat daar zijn magische kunstenaren die zelts tafelen doen voorspellen. I)us moet dat verschijnsel toen reeds bekend zijn geweest. -— Aan het einde der vorige eeuw, vinden wij allerlei daaraan verwante verschijnselen. AVij denken daarbij aan Jung Stilling, aaa Lavater, Oberlin en bovenal aan Swedenborg, in 1772 op 84-jarigen leeftijd gestorven. Sweden\'iorg was een buitengewoon man, die wonderbare ervaringen heeft gehad. Zijn leven is wol waard dat

-ocr page 92-

men or kennis van neme. Zijne ondervindingen op liet gebied van een weten dat boven de menschelijke ervaring uitgaat, zijn inderdaad merkwaardig. Hij wil bepaald eene goddelijke openbaring gehad hebben „tol ope-niny van zijnen geest.quot; Zelfs de drooge nuchtere Kant, die van al het fantastische afkeerig was, vermeldt in zijn geschrift: „Traum eines Geistersehersquot; en bij doet het met weerzin — hoe Svvedenborg in zijn eigen tegenwoordigheid blijk heeft gegeven, van op het oogenblik zelf kennis te dragen van een brand to Stockholm en ook van andere geheimen, die hij op de gewone wijze niet weten kon.

Heinrich Zschokke, een rationalist, een man van bedenkelijke overtuigingen, maar eerlijk en waarheidlievend, verhaalt ook in zijn Selhslschau, hoe zich wonderbare kennisgevingen aan hem opdrongen. Mot weerzin deelt hij hot mede, maar hij moet bot zeggen nm der waarheid wil.

Hot einde der vorige eeuw leende zich wel tot eene dergelijke stemming. Do gehoele toestand bragt het mode, gelijk dat trouwens nu ook zoo is. Wanneer men onze dagen, die ook het einde van -eene eeuw zijn, met het eind der vorige vergelijkt, dan zijn er treffende overeenkomsten. De politieke en godsdienstige toestand was toen afgeleefd en overspannen te gelijk. Een drukkende dampkring was er over alles, om zwoele atmosfeer die eene geweldige katastrofo dood dnchten. Die is ook gekomen in de Revolutie; en wat ons nu staat te wachten is Godo bekend.

Sinds 1848 heersoht, inzonderheid in Amerika, eene grooto levendigheid op dit gebied: tafelkloppen, geesten-

-ocr page 93-

openbanugiiii, werden daar het eerst vernomen, en dat alles strekte zich verder over hot vasto land van Europa uit. Er kwamen zoogenoemde mediums op, bijzonder vatbare personen, van welke de opgeroepen na verschijnende geesten zich bedienden om zich te matenaiiseeren, ook om zich door schrijven mede te doelen: • - die mediums verkeerden daarna in een toestand van groote uitputting.

quot;uk hel zelfstandig geestensclirif\'t begon zich te ver-toonen, iets dat daarom te merkwaardiger is, omdat alle zeil bedrog, alle fantasie, daarbij uitgesloten is; men kan liet schrift zien, het is onloochenbaar.

Meer en meer vormden zich kringen van Spiritisten, zigtlmro en voelbare ligchamelijke aanvattingen werden waargenomen, materialisatiëu die men zien en betasten kon. In Amerika berekent men dat er wol tien a elf millioon aanhangers van het Spiritisme zijn, en daaronder met bekende en beroemde namen, en in Europa is het getal dannnede in evenredigheid. Sommigen noemen zich Spiritisten, a-nderen verkiezen den naam van Spiri-tualiston. In l\'rankrijk Allan Kardec on Adeline v. Vay. liaron laidwig von Guldenstubbe, een Zweed die zich met zijne Zuster Julie meest in Parijs ophield en in liet franseli een boek schreef: «Pneumatologio [lositivt!quot; (ook in het Duitsch vertaald.)

Dat verschijnsel heeft dus aanspraak op ernstige kennisneming. Hot heeft zijne wetenschappelijke zijde: nnar mijn iiirrhiiyuiy - ik treed niet in liijzonderheden, maar ze is op mtmwkeurig nmlerzoek en nddenken gegrond: — naar mijn overtuiging zijn een groot aantal van de genoemde feiten inmr; ik geloof aan de werkelijkheid van

-ocr page 94-

die vevscliijiiingen. Vofil Immbug is daar onder, veel onnaauwkeurige waarneming, fantastische zelfmisleiding en ook opzettelijk bedrog. Doch als wij aan dat alles een ruim aandeel geven, blijven er nog genoeg feiten over om het onverantwoordelijk te maken, dit alles naar het gebied der fantasie te verschuiven. Velen zijn er die met weerzin, ondanks zichzelven, zich gedrongen hebben gevoeld de/.e dingen te onderzoeken en hebben ze waarheid bevonden, o, a. Edmund, president van den Senaat te New-York, die om zijne overtuiging, omdat ze zooveel opspraak verwekte, zijn presidentschap heeft moeten neerleggen. Ook Zöllner, een bekend natuurkundig Professor te Leipzig, gelooft dat wij hier niet werkelijkheid te doen hebben, al zijn onze gewone zintuigen te grof om die te doorgronden. Hij wijst ook aan hoe bij 1\'lato, Kant, Enler en andoren, aanduidingen daaromtrent zijn.

In Engeland is het Spiritisme het meest positief opgevat. Een geneesheer deed eene oproeping aan het Dia-leotisch Genootschap te Londen, dat zich tot taak stelt, al wat zich voordoet te onderzoeken, en sprak: „gij zijl ook verpligt hiervan kennis te neiiieii.1\' Oedurende langen tijd werd er onderzocht en trachtte men zooveel mogelijk tot zekerheid omtrent dit gebied te komen door „kruisverhoorenquot; enz.

liet meerendeel begon met niet te gelooven, maar de 111 eesten eindigden met de realiteit er van wel Ie erkennen. Wallace, een vriend van Darwin, bekent in zijn wetenschappelijke beschouwing van het bovennatuurlijk werken van den geest buiten het ligchaaiii, en de ver-stofl\'eljjking van zoodanigo geesten, dat niemand de on-

-ocr page 95-

mogelijkheid van tle/.o verschijnselen bewijzen kan. Die overtuiging bestaat niet bij onkundign lieden, maar onder beschaafde, wetenschappelijke mannen die alles naauw-keurig onderzocht hebben en al/.oo er toe gekomen zijn de realiteit van deze dingen aan te nemen. Neen, het is niet alles bodrog en inbeelding. Ook Piclite, in het laatste gedeelte van zijn achtbaar leven, geloofde er aan; reeds vroeger spreekt hij van de geestelijke ligchamelijkheid waarop do zigtbare ligchamelijkheid rust, en legt alzoo do basis voor het zich zelfstandig stellen van den geest.

Wat wii, hut spiuitismi;? Wanneer men dat verschijnsel iu zijne achtbaarste openbaringen gadeslaat, gelijk men dat bij eene heoordeeliny altijd doen moet, dan zien wij dat het wil een herstel van het besef (dat voor de cultuur-menschheid, de tegenwoordige beschaving, is verloren gegaan, gelijk ze zeggen) herstel van het besef van don zamenhang en de eenheid van ons, die hier in dit vleesch leven, met een geestelijk heelal, met eeno hoogero wereld, die tot deze lagere in eeno verhouding staat als die van de oorzaak tot de werking, van het ice;\'n tot het vei^schijntel. Dan komen daarbij andere dingen b.v. belangrijke voorbeelden van genezingen door het spiritisme, raad voor allerlei kwalen, evenals door het somiuindinliiine, of ander nut ; maar dit geestelijke is het voornaamste; dat alles is dienstbaar aan de overtuiging omtrent de eenheid des heelals.

Nog hebben wij het voornaamste niet genoemd; het eigenlijke is dit, het spiritisme wil een bepaalde godsdienst zijn, of althans voor een bepaalde godsdienstopvatting den grondslag leveren. -Men kondigt aan dat een nieuwe era is aangebroken en de manifestatiön van de

-ocr page 96-

«•eesten, schoon vroeger bekend, nu een groote uitbreiding hebben gekregen, en beter dan vroeger doorgrond en gesystematiseerd en bevestigd zijn geworden.

Hot genoemde mag gewis do wetenschap wel tot bescheidenheid aanmanen. Ook eeren wij den moed van de geleerden die, tegen do algemeene antipathie in, tot onderzoek daarvan aansporen ; zij handelen daarin verstandig en goed. Daar is bij de geleerden (iu alle vakken) een groot conservatisme, een officMo wetenschap. Eeuo eenmaal aangenomone meening geeft men ongaarne prijs. Bij voorbeeld in den strijd tusschen allopathie en homeopathie is dikwijls een wrevelig weigeren om kennis te nemen van het nieuwe. Het officiële mag niet in twijfel worden getrokken. Welk een tegenstand vond Galileï 1 Zijne tegenstanders wilden niet iu zijn telescoop zien, maar met dat al konden /.ij daarmede do satelliten van Jupiter toch niet vernietigen. En zoo zeggen ook wij, die op den bodem van het Evangelie staan: leg af bij dit schouwspel de oppervlakkige antipathie tegen het wonder. Wij weten, dat het geloof in Christus ernstige onpartijdigheid eischf. Die gelooven vreezen niet. Daar is iu de liefde geen vrees, maar in het geloof evenmin. Gelooven is het tegenovergestelde van vreezen. Als men niet vaststaat wordt men ligt wrevelig, maar als men weet op een diamanten grondslag to staan, dan schroomt men niet alle overtuigingen tot op den bodem toe to laten controleren, en ook op het gebied van don ander overtegaan om zijne meening te onderzoeken. Ik kan mij hot goloof niet anders donken dan als vrolijke bereidheid om ieder te woord te staan, de argumenten van den tegenstander te wegen, en naar waarde te schatten.

-ocr page 97-

— 88 —

Maar wij moeten ook niet van hot spiritisme gebruik maken otti ons geloof er door Ie bevestigen. Zie, zoo /.egt men, hoe de wonderen op die wijze eene bevestiging ontvangen. Zie, hoe men bij de spiritisten boort van vreemde talen zonder dat de personen ze kenden, is dan de l\'inkster-tJeest niet nog veel meer bij magte om te doen wat deze geesten deden? En als de Venus van Milo door den fransehen consul Brest op Milo na herhaalde droomaandniding ontdekt is, waarom kan God dan niet iti vroeger of later tijd datzelfde doen en noy de mensrhen door droomen onderwijzen? Dat alles geloofden wij reeds huig vóór dat de Spiritisten het ons kwamen zoggen en wij laten ons geloof hierdoor niet he-rcalKjen maar ook niet u\'i\'i/cl\'in. Maar het 8piritismo wil een godsdienst zjjn en maakt als zoodinig front aan de erne zijde tegenover bet ifiato\'ialUme, aan de andere /.jjde tegonover de orfhodo.i\'eu, als een derde partij, die stoffelijke bewjjzen levert voor de onsterfelijkheid, (daarover l iter). \\\\ ij leven, zoo spreken zij, in eene eeuw en in eene maatschappij vol materialisme (gt;11 nu geven wij geconstateerde stoffelijke bewijzen voor de onsterfelijkheid, voor het bestaan van den geest. . . .

Haf til ij betreft, ik hol) ondffzoehj en ook eenige ci\'-mring op dit gebied, en ik hoop het met kalrnen ernst te tlehandelen. Me laatst verschenen atievering van een hekend spiritistisch tijdschrift ten onzent, opent den 6(\'ea jaargang met een artikel „Onze bestrijders.quot; Zóo hoop ik nirt te zijn 1 Maar ik beoordeel naar het Eoangdie. Wij zijn begonnen op teetenschappdijken grond de reali-•\'\'\'f v:iquot; \'quot;quot;t spiritisme te erkennen. Op den grondslag van Woord nu, doen wij hetzelfde; erken

-ocr page 98-

— 89 ■

ff -------

ik, dergelijke verschijningen zijn niet onmogelijk. Als Jezus na zijne opstanding verschijnt aan do discipelen, dun zegt Hij niet: Wat zijt ge toch bijgeloovig dat ge aan eene geestverschijning zondt kunnen denken, maar Hij zegt alleen: Kom en het ast mij, een r/anst heeft cjeen vleesch en heetten gelijk gij ziet dat Ik héb. En zou men zeggen of beweren dat het geen goede geesten kunnen zijn, dat geesten van menschen die in Gods gemeenschap geleefd hebben niet zouden kunnen verschijnen, zoo wordt bet tegendeel bewezen door do verschijning van Samuel te Endor (bij vele andere dergelijke) — Samuel, die naar Gods wil, niet op de sommatie van do vrouw aan koning Saul verschoon. En zoo zijn er dergelijke voorbeelden genoeg.

Maar wij moeten den Bijbel regt verstaan. Volon beschouwen de H. Schrift als een wetboek, eene verzameling van boksten, en zoggen dan: zie, deze tekst zegt ons iets over hot punt in kwestie, en deze andere toksf wederom iets. Nu, dat kan later ook wol dienen, maar in de eerste plaats hebben wij toch do dingen uit een ander oogpunt te beschouwen Het is onschriftuurlijk, do Schrift alzoo aan te halen. Ik moet mij tegen die beschouwing van de Schrift stellen, niet omdat ik mij eene zekoro vrijheid tegenover de Schrift veroorloof, maar juist omdat ik mot ernst aan do Schrift zelve vraag: waar wilt gij dat ik u voor houden zal V Zijt gij een wetboek? En dan is haar antwoord: Neon, trek mij toch zoo niet naar de laagte, ik ben een getuigenis dos levens, — \\\\ ij moeten dus de Schrift broed, in haar geheel opvatten, en dan leert zij ons „dat quot; j hoven en ntn heneden omringd^ oesollioitkehii vonden, door

-ocr page 99-

eene hooyere en lagere geestenwereld. Elk mensch is het voorwerp van een onoplioudelijken strijd tusschen de hoo-gero en do lagore wereld. Geven wij toe aan de verleiding van beneden, dan maken wij do banden los die ons aan de hoo-gere wereld verbinden. Geven wij ons over aan de lioogerc wereld dan verliest do lagere hare kracht. En nu zeg ik met bepaaldheid: ik erAe» het verschijnsel waarover wij bespreken, gelijk ik dat ook in het voorgaande heb aangetoond, maar ik ykkwbrp en bestrijd het in don naam van Jezus Christus en van het Woord Gods, dat mij leert en gebiedt dit verschijnsel niet te loochenen maar het te verwerpen, na er van geleerd te hebben wat wij er van leereu moeten.

Dat het Spiritisme niet Christelijk is, niet op den bodem van liet Evangelie staat, wordt door achtbare stemmen uit die kringen erkend. Daar zijn er ook wol velen dio zeggen : „Wij hangen niet aan de lettor, wij verklaren de Uoilige Schrift boter dan gij. (lij ziet alles door den bril van eon confessionele engheid, wij zijn daar vrij van en golooven daarom beter; of: wij hebben eene betere verklaring van het Christendom. Wij zien een deur in den hemel geopend (waarvan de Apocalypse spreekt). Wij hebben een authentiek geestesgetuigenis omtrent de waarheid. Maar (hoor het uitdrukkelijk b.v. bij (luldenstubbe) de openbaringen der Voorzienigheid /.ijii ahjeincen; er is geen bijzonder uitverkoren volk; het is een dwaalbegrip on een enge gedachte zich dat voorte-stellonquot; enz. enz. Eu: „alle geesten zijn slechts geïndividua-li.M\'erde manifestatiën van het grondwezen aller dingen.quot;

Dus een 1\'antheïstische algemeone ontwikkeling: dat denkbeeld ligt er althans aan ten grondslag. Er is

-ocr page 100-

— 91 -

—— —a

wel eeu geestesgetuigenis (in zoodanig handschrift) dat luidt: „Je confcsse Jésus Christ manifesté cn chairquot;

(naar 1 Joh. 4) omdat namelijk de vraag was geopperd: Johannes zegt: alle Geest die belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is die is uit God, en al wio dat niet belijdt die is uit God niet — daarom werd de vraag aan een geest voorgelegd, en het antwoord werd gegeven ais geestenschrift, — maar een bloot uitwendig nazejijen beteekent niets. Wij moeten deze dingen uit bet enseuMe beoordeelen. Aan Paulus en Silas te Philippi werd een waar getuigenis gegeven door de vrouw met den waarzeggenden geest; toch willen de apostelen naar den boozen geest niet hooren, maar gebieden dien uittegaan.

Wat is dan de hoofdfout van het Spiritisme, de groote objectie er tegen? Het is do zedelijke óppcrdaltlciyheid van dat verschijnsel. Dit beteekent niet dat er geen zedelijke menschen, geen eerwaardige karakters onder de Spiritisten zouden zijn, niet dat A, B of C een minder zedelijk karakter zou hebben, maar ik bedoel dat het groote ouderscheid tusscheu goed en kwaad, dat de zonde niet in baar volle kracht erkend wordt, en er daarom in plaats va» een strijd op leven eu dood tusschen licht en duisternis, slechts eene ojitwikkehwj is, een geleidelijk naar boven gaan, het geestelijke is alleen de hoogste bloei van het stoffelijke.

In 1868 hebben de Spiritisten, op hun 5tle groote za-menkomst te Rochester in Noord-Amèrika, in eenige hoofdstellingen eene geloofsbelijdenis opgesteld. Daarin wordt o. a. van de geesten die ons steeds omgeven en met ons in betrekking willen treden gezegd, dal; (al

-ocr page 101-

zijn er boozo onder) toch in allen het streven is om zich tot den hoogsten Geest opteheffen die niet slechts scheppend wereldbeginsel, maar liifhehheml Vader is.

De ligcluunelijklieid, het verkoeren in dit vleesch is eene belsniinering, maar na den dood streven do geesten it-in naar God op. /00 wordt de zonde overwegend als zinnelijkheid opgevat. Ziehier de gewone laffe redenering; „met den dood vallen de schellen van de oogen,quot; alsof\' de zonde slechts in zinnoljjklieid bestond. Christus daarentegen spreekt de mogelijkheid, ja de werkelijkheid nif van een verblinding nog na don dood voortdurende. Nog op den Oordeelsdag zullen er zjjn die zoggen: „Fleer! wij hebben mot u gegeten en gedronken en wanneer hebben wij u hongerig gezien of naakt en hebben u niel gediend r1 Ifet verderf des natuurlijken levens gaat door, de onreinheid wordt meêgenomen in den flood, om zich in de hoogste mate te ontwikkelen. Het Spiritisme komt dan ook niet inderdaad tot dien hoogxtnn (leent. lt;gt;oigt; verdwijnt (polytheisfcisch) achter een heir van geesten en het spiritisme hlijlt in dif^ vele geesten verward, /ijn godsdienst heeft grooto overeenkomst met; een hei-densche doodendienst, slechts veredeld en beschaafd.

Is door ontkenning van de zonde alle zedelijkheid tot een nuhiurprorm, eene ontwikkeling gemaakt, dan wordt ook alles bleek en laf; alles met eene zekere sentimentaliteit overtogen. Daar is veel triviaals in die geestelijke atmosfeer, (ieljjk bij d(^ Spiritisten de oogen dol worden, /00 zjjn vele hunner gezegden onbeduidend. Ken discipel van die leer heeft gezegd; les esprits devraient au moins avoir l\'esprit de dire quelque chose de nouveau. Nu, dat beamen wij ten volle. Nooit heb

-ocr page 102-

- 93

Kquot;......

I

ik in die getuigenissen van geesten een enkele diepe, nieuwe gedachte ontmoet. Alles is met een flets déisrae overtogen; een sentimenteel erkennen van Gods liefde, van Zijne heiligheid en goediieid in \'t algemeen, en dan vindt men aansporingen om toch goed te leven enz. Maar die sterke lijnen die Gods Woord ons teekent ontbreken ten eenenmie. Wat is daarvan de oorzaak? Als etrste en voornaamste oorzaak noem ik liet ontkennen pan het hestaan en ran cle iveiii-tCKunheid rati Hen Satan. Naar mijn innige overtuiging verraadt do onlkenniny van den Satan eene zedelijke oppervlakkiffheid. Door velen wordt een zoodanig zeggen met een schatertamp;li aangehoord, maar ik voor mij erken in dat geloof te staan, en het geheele evangelie zonder dat geloof niet le begrijpen. Strauss zegt, dal liet eeue ongerijmdheid is, wanneer christenen, die den Bijbel tot ngtsnoer nemen, de ééne pool, den Koning der wa.irheid, aannemen en de tegenpool, don vorst der duisternis, niet, en dat is een waar woord. De beteekenis van deze leer, van dat geloof is hoogst ffewigtig, namelijk, met aan

O O O O O \' tl \'

den Duivel te gelooven erken ik dat het kwaad ons vreemd is, niet tot ons wezen behoort. Wij behoeven niet te zoeken naar de, oorzaak van het kwaad op plii-losophische wijze, neen, Gods Woord bepaalt ons bij onze ervaring. Maar welke is dan de zedelijke beteekenis dezer leer? Zij ligt in de getuigenis der consciëntie, dat het kwaad niet tot ons eigenlijk wezen behoort. De Spiritisten klagen (o. a. in het gansche boek van Guldenstubbe) over do vrees voor demonen van de orthodoxen, waardoor de, geesten zich niet willen openbaren want zij willen niet voor onreine geesten ge-

gt;

-ocr page 103-

- 94 -

p .-3.

houden worden. (Ik geloof het wel!) Die vrees, zoo gaan zij voort, ontwortelt in de harten de sympathie voor de bovennatuurlijke wereld en verbreekt de hemelladder die deze aarde met den hemel verbindt. Goddank, neen zeggen wij hierop, wij kennen de hemelladder omdat wij met alle kinderen Gods genade ontvangen hebben om Hem te kennen die inderdaad hemel en aarde aan elkander verbindt. Die hemelladder is Jezus Christus die het heerlijk gezigt van Bethel op zichzelf heeft toegepast. (Joh 1) zeggende: Van mi aan zult gij zien den heniel geopend en de Engelen God.s opklimmende en nederdalende op den Zoon des Menschen. In Hem als in den Middelaar tusschen God en de menschen is de zamen-lumg van het hooger gebied met onze aarde gewaarborgd.

Met de miskenning van de zonde gaat verder gepaard die van don dood als hezoldiny dor zonde. Hoe beschouwt de Christen den dood? Als in Christus overwonnen,

maar hij wacht zich wel voor een goedkoop loochenen van het feit, of verzwakken van zijne beteekenis. Wij hebben hem, en ook do dooden met eerbied aan te zien, met ontzag voor dit gebied als Gods daad en oordeel terug te treden. Met een ontzagchelijken ernst zegt Kobertson als hij sterft; , Let God do His work.quot; Ja wij moeten er niet nan raken: de dood is een oordeel Gods. Wij brengen met eerbied het stoffelijk hulsel onzer geliefde dooden in de aarde en kennen hen voortaan, zoo /.ij den Hoor toebehoorden, als toegevoegd tot de schare der verlosten in het Nieuwe Jerusalem (Hebr. 12). Wij willen ze niet meer tot ons aftrekken, maar zullen eens tot hen heengaan. In het Spiritistisch verband wordt de dood als iets natuurlijks, als een normaal

tg________________________________________________aj

-ocr page 104-

natuurproces beschouwd; men converseert naderhand met de dooden! De gedachte dat de familie zich mol de afgestorvenen zou blijven onderhouden wordt reeds gewraakt door de diep ernstige overtuiging dat de dood de bezoldiging der zoude is.

Evenredig hiermede is bij de Spiritisten eene miskenning van het eeuwige leven. Weest toch blij, zoo roepen zij ons toe, dat voor dit geslacht, dat boven alles zien en tasten wil, de onsterfelijkheid zoo duidelijk voelbaar bewezen wordt, deze hebben wij tegenover het materialisme bewezen.

\'Maar die kale onsterfelijkheid is mij hoegenaamd niets waard. Zulk een kleurloos voortbestaan is naar Gods woord slechts eene kwelling; want hoe ook gesublimeerd, wedergeboren zjjn wij niet en dan geldt Genesis 3 vs. 22. Xu dan zeyt God (namelijk nadat de mensch gezondigd had,) dal hij zijne hand niet uitstrekkn en neme van den hoorn des levens en ele en leve in eeuwigheid.

De mensch is als in een midden verkeerende, niet ten volle in een afgrond, en ook niet in den hemel; het zou schrikkelijk zijn indien hij niet stierf. De dood is een oordeel maar ook een zegen, daar is een heilige bedoeling Gods in. De mensch heeft in zich een verteren-den honger en dorst naar een hooger bestaan, naar ge-heele herschepping, naar vernieuwing rn reiniging van dit gezonken bestaan. Maar om dit leven gelijk het tm is tot iu eeuwigheid voort te zetten op fletse kleurloozo wijze, zoo als de spiritisten het leeren — voor die onsterfelijkheid bedank ik, die stel ik niet hooger dan het materialistisch zeggen: niet dit leven is alles uit. Het ware leven en onsterfelijkheid brengt Christus al-leen, en ilij brengt ze ons als het eeiurige leven. Naur

-ocr page 105-

de H. Schrift kennen wij eigenlijk geen onsterfelijkheid, niemand is \'onsterfelijk uit zichzelf, dut zegt men zoo wel, nimir hot wordt in den Hijhel nergens geleerd, ftuar de 11. Schrift i-* de onterfdijkheid een zeddijk begrip, alleen die in den Zoon gelooft heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is zal het leven niet zien, de toorn Gods blijft op hem. Mot do onsterfelijkheid der spiritisten komt men niet verder, men is als een gi.Todilo op een kale klip die door de brandende zon verschroeid, welhaast van honger en dorst omkomt. Wal hoeft het den zoodanigon gebaat, aan de schipbreuk te zijn ontkomen V

Kindelijk hel) ik nog een gewigtig bezwaar tegen het spiritisme, namelijk dat het ^ een zondigen tegen kh-dei\'cn. Vooreerst tegen de iiiciliiims aan wio men levenskracht ontneemt. Al willen zij zich daartoe leenen, al bieden zich zij zich vrij aan, acht ik het een onregt iemand alzoo uitteputten. Wij mogen niet aan onze medemensohen hun levenskracht aldus ontnomen, gelijk het geschiedt, wanneer de geesten de substantie die zij aoodig hebben om zich zigtbaar te openbaren aan de mediums ontleenen.

Eu dan nog iets: ook tegen de doodkx zondigen zij, duor hun üdnl t\'id in ij Ie jcven tot hel ocdt\'xchi\'jdaii dei\' (/raiuni hun door God gesteld. Deze geesten mogen hunne behuizing niet verlaten (Jud. ; 6). \\\\ at dit Ook /.ij, het is altijd een doorbreken van de door God gestelde ijrenzen der schepping, een belemmering van don Haad Gods om al het aardscho en hemelsche in welgevoegde urde onder Christus te vereenigen. Waar geen //„ofd is daar is ook geen orde, organische zanunihaiig

-ocr page 106-

der leden, elk op zijn plaats. Hier is een atomistisch door elkander gaan, geen li ijk, daarom ook geen opwassen gelijk liet door de oi\'dc, do voegselen dor toebrenging (Epli. 4) met elkander in een geheel geschiedt. Daarentegen hier een individualistisch door elkander bewegen. Neen, wij moeten hier de van God gestelde grenzen bewaren, dus in het kleine getrouw zijn, dan wordt ons in de toekomende eeuw het groote toevertrouwd.

Die geesten mogen wij niet Oetinger verwijzen naar Christus, maar wij mogen hun niet vragen, ga met ons over. Wanneer zij hot welwillend doen, ook dan zondigen zij, doen zij het onwillig, gij hebt er u in elk geval niet mede te bemoeijen. Wij staan boven deze dingen. Wij hebben ze onder den voet, geven er geen aandachl aan, gaan er met heilige minachting overheen. Het i.t een realiteit, maar hot mat/ niet. — O welk een heerlijk hoog voorregt hebben wij die op den bodem van Gods Woord staan. Welk een tegenstelling! li\'j liet Spiritisme het dooi\' elkander wemelen van booge en lage geesten. Wel spreken zij van verschillende trappen en ordeningen, maar het is toch heel iets anders dan Gods Woord ons voorstelt. Uit dat Woord weten wij dat het Gods raadsbesluit is om in de bedeeling van de volheid der tjjden alle dingen in Christus als onder een Hoofd zaam to vatton; zoo is èn de hoogere èn de lagere wereld als één schoon geheel zaamgevoegd (gt;11 ontwikkelt zich aldus en groeit de heerlijkheid te gemoet.

En nu welke houding hel.aam/, ons tcjenover het Spiritisme? Die van hvoedcvlijken ernst: niet een onverstandig ignoreren, maar een erkennen met kalme nuchterheid: wat gij waant als iets nieuws te hebben

-ocr page 107-

— 98 —

------------g.

ontvangen, dat bezit ik in mijn Heiland, in het Woord Gods, in de heerljjke verwachting van de toekomst van Christus reeds lang.

Het optreden van het Spiritisme moet ons wel tot weemoed stemmen; liet ib eene boetprediking voor de christelijke gemeente, namelijk: wij verwachten niet genoey met ernst de toekomst van Christus. Wij beamen het leerstuk wel, maar wij moeten Hem verwachten als degenen die los van de aardsche dingen op een hoogeren bodem overgeplaatst zijn. De Spiritisten strékken zich uit naar den hemel, willen het ligcliaam achterlaten en heidensch, als abstracte geesten zweven, of de geesten als het ware naar zich toe trekken. Maar wij nemen eene omgekeerde beweging waar van den Hemel naar hier heen. Wij verwachten de toekomst van Christus. Ik zag, zegt Johamies, een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, en ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid die voor luren man versierd is. (Oponb. 21.) Als wij in die heerlijke verwachting leefden, zou het Spiritisme ons niet imponeren. Maar omdat de gemeente dat niet doet, lager is, daarom hebben de wonderen van het Spiritisme iets imponerends. Aeh, de hoogere krachten van den Apostolischen tijd zijn ons ontgaan, omdat wij niet naar de toekomst van Christus verlangen. Het i» vernederend voor ons dat deze verschijnselen zooveel opspraak verwekken, want als discipelen des Heeren zijn wij aan veel heerlijker dingen gewoon. Als wij de frissche getuigenissen der Apostelen eens indrinken en met hun heerlijke gaven, met het licht des hemels dat over die eerste tijden ver-

-ocr page 108-

— 99 —

K------

spreid ligt, onze toestanden vergelijken, hebben wij wel aanleiding tot verootmoediging. — Het is voorspeld dat er in de laatste tijden Satanische krachten en wonderen zullen zijn. Dus het wonder is nog geen bewijs voor de waarheid. En indien men aan de groote dingen die de Spiritisten ons te aanschouwen zouden kunnen geven, een bewijs zoude ontleenen om ook die rigting te moeten volgen, zie dan dat ernstig treffend woord; (Den/. J-\'i : 1 — 5): „Wanneer een Profeet of droomen droomer in het midden van u zal opstaan en n zal (jeven een teeken of wonder, — en dat teeken of dat wonder komt dat hij tot n gesproken had zeggende; laat ons andere Codnn die gij niet gekend hebt navolgen en hen dienen, — gij zult naar de woorden van dien profeet of naar dien droomen droomer niet hooren, want de Heer uw God verzoekt ulieden om te weten of gij den Heer nwen God lief hebt met uw gansche hart en met uwe ganscho ziel. Den lieer uwen God zult gij navolgen en Hem vreezee en /ijne geboden zult gij houden en Zijne stem gehoorzaam zijn en Hem dienen en Hem aanhangen. En diezelve Profeet of droomen droomer zal gedood worden, want hij heeft tot eenen afval gesproken tegen den Heer uwen God, die ulieden uit Egypteland heeft uitgevoerd en u uit het diensthuis verlost om u af te drijren van den weg dien u de Heer uw God geboden heeft om daarin te wandelen, Zoo zult gij het hoozc uit hot midden van u wegdoen.quot;

Is er dus sprake van iemand die met groote kracht optreedt en wat hij zegt gebeurt, maar hij noodigt u uit om van de waarheid der heilige overleveringen u los te maken — dan moeten wij met beslistheid v.oggerw wij zijn gewaarschuwd dat met de nadering van de toe-

-ocr page 109-

— 100 —

K-------------*]

komst van Christus, do macht der verleiding, de demonische verleidingen zullen toenemen, ja zóó erg worden dat niets dan het Icomen van den Heer zelf ons zal kunnen helpen.

Het is ons toegezegd dat tegen het einde de wonderen zich weer mot kracht een weg zullen banen. Maar ook teekenen van he.neden zal men aanschouwen. Als wij leven in de verwachting van de toekomst van Christus dan leeren wij nlles juist beoordeolen.

Zij zefgen; het Evangelie moet verder ontwikkeld worden, God kan zich ook verder openbaren. Ja, tot het laatste toe, maak, oe pes tons obi.bodkn oboxdsi.ao,

en al wwv het dot een enge] uit den hemel een antiRK evnugelie verkondit/de (er is geen ander!) die tij ver-vloekt. — Wij moeten het pand bewaren tof dut I Tij komt.

Het vleesch wil zich hier tot God opheffen al subli-mor — maar wij gelooven dat, omgekeerd. God tot ons is gekomen.

O ik vermaan u, houdt u in al deze dingen vast aan Gods woord. Dat heeft een heiligo philosophic in zich die zich hiertegen wel meten kan. Jesaja 8 vs. 1!), 2lt;gt;. ,Wanneer zij tot u zeggen zullen : vraag do waarzeggers en de duivelskunstenaars, die binnensmonds mompelen, zoo ■/egt: Zal niet een volk zijnen God vragen ? Zal men voor de levenden de dooden vragen? Tot de wet en tot de getuigenis! Zoo zij niet spreken naar dat woord, hot zal zijn dat zij goen dageraad zullen bobben.quot;

Bij God is do fontein des levens, in zijn licht zien wij het licht, het licht ook ten opzigte van al die problemen die zich aan ons voor doon. Vrees niet, scheld niet, minacht niet, erken met ernst de realiteit dezer dingen en ga dan voort in de kalme vrijheid der

-ocr page 110-

kinderen Gods, wandelende in het licht dat ons in Christus ontstoken is, naar zijn woord: Ik ben het Licht der wereld. Hij zegt ons ook: Zijt nuchtereri en waakt. Ook in de gelijkenis der wijze maagden. De heldere frissche atmosfeer der Schrift is ons noodig. Van het Somnamlmlisme enz. zoide Capadose: Gods Woord zegt: waakt — de magnetiseur zegt: slaapt. Zoo zog ook ik; Zoek het frissche daglicht van Gods Woord zeggende: Bij U is de fontein des levens! —

Als gij des avonds zulke geschiedenissen van spoken enz hoort, zijt gij ontroerd. Als wij ons over de dingen van het geestenrijk met elkander onderhouden heb-ben, en wij koeren terug iu de eenzaamheid, tegen het vallen van den nacht, dan zijn wij bang, wij sidderen, wij zoeken naar licht maar nog kunnen wij geen rust vinden. Is het echter in den vroegen morgenstond, al zitten wij ook nog igt;ij lamplicht, al is de zon nog niet gansch opgegaan, zoo zien wij do dingen toch gansch anders aan, ge gaat den dag te gemoet en verbeidt rustig dat gij de lamp kunt uitdoen, en alle vreeze is geweken.

Zie hierin een symbool. Vliedt de stemming die deze dingen in u wokken; vliedt de stemming van den avond en van den nacht. Leeft in Gods Woord, woest kinderen des lichts en des morgens; al kunnen wij bij liet lamplicht onzer onvolkomen toestanden nog niet alles duidelijk onderscheiden. Ziet naar boven — de nacht is voorbij gegann, de volle dag komt Do toekomst des llee-ren is aanstnande, wanneer alle .schaduwen zullen vlieden en er geen nacht meer zijn zal in eeuwigheid!

-ocr page 111-

M IJ N ROE M.

Ik draag mijn schat In aarden vat,

Geliarsten en verkleurd ; Ik ken mijn lot;

Ik heb , mijn God! Uw goedheèn lang verbeurd.

Mijn zuchtend hart, Met droeve smart,

Klopte angstig om \'t verleên, En quot;t schreiend oog Zag naar omhoog,

En dan weer om zich heen.

Maar Gij, o Heer!

Zaagt op mij neer Met meer dan inoederliefd\'; En \'t werd mij bang, Dat ik zóó lang In zonde U had gegriefd.

-ocr page 112-

- 103 —

Wel vèr van huis Droeg ik het kruis,

Mij/.elven opgelegd,

Ofschoon Gij mij ,

Aan \'s Heilands zij\',

Zijn kruis hadt toegezegd.

Toen werd Zijn woord Door mij gehoord;

Voorwaar, mijn juk is zacht; En \'t licht ging op Van Thabor\'s top In mijner ziele nacht.

ilij werd de last Straks opgetast Van \'t kruis, dat Christus droeg Naar Golgotha -En zijn genti Gaf, waar ik niet naar vroeg.

Xu kwam mij rust, En wondre lust.

Te volgen op den voet Der heemlon Heer,

Die meer en meer Vervulde mijn gemoed.

Ik vond do macht,

In zijne kracht,

-ocr page 113-
-ocr page 114-

— 105 —

DE AFSOHAI\'FIXG DEI! KEI!Mirt TE Z.

(Nog oene bladzijdo uit liet loveu van eou dorpspredikant.)

Wie tegen de Zonde optreedt, moet de wraak van den Booze en die hem dienen, verwachten.

Dit ondervond do jonge leeraar Velter.s bovenal in het eerste jaar na zijn huwelijk, hot derde van zijn verblijf te Z. Sedert .zijne komst in het dorp had hij bij den Burgemeester, een vriendelijk en den godsdienst niet ongenegen man; er op aangedrongen, dat de telken jare in September invallende kennis voor goed zoude afgeschaft worden, daar er; in zulke kleino gemeenten , van geene langzame vermindering sprake zijn kan.

Hoewel zij slechts een paar dagen duurde, gaf zij, als overal, aanleiding . tot de grootste losbandigheid, tot ruwe vechtpartijen en dierlijke ongebondenheid. De drankgod beheerschte dan zelfs hen die gewoonlijk oppassend waren en de schromelijke gevolgen bleven niet achter. Het was Valters op zulke tijden alsof hij niet

-ocr page 115-

in het Graafschap Zutfen maar onder woeste heidenen leefde. Alle vermaningen van den kansel of in de huizen, baatten niet, want, al werden er goede voornemens opgevat, de verleiding bleek ieder jaar, voor deze groote kinderen, te sterk.

Waarom aarzelde de Meer van Dam in deze evenzeer het kwaad te fnuiken, als het goede voor te staan ? Niet omdat hij het kwaad niet inzag, maar omdat het hem aan zedelijken moed ontbrak , aan \'t geloof aan de overwinning die het goede ten slotte altijd op het kwade moet behalen, omdat hij de liefde niet had, die, in plaats van het; „Ben ik mijns broeders hoeder?quot; — vraagt: „Wilt gij gezond worden?quot; In deze onmanlijke vrees heeft de Booze meer invloed dan men gewoonlijk denkt. Het goede dat hij den beteren mensch verhindert te doen, komt misschien op meer schade te staan, dan de zonde der boozen. De omgang met Velters had dezen bloöhartigen geest, geene uitzondering in Nederland, gestaald; de laatste kennis was zoo ergerlijk geweest, dat hij zich geschaamd had, zoo weinig zedelijken invloed te bezitten en eindelijk was dien zomer, onder zijne leiding, door eene kleine meerderheid in den gemeenteraad besloten, dat aan deze bacchanalian voor goed een einde zou komen. Met groote vreugde had Velters dit vernomen en er zijn God voor gedankt, die al/.oo zijne vurige gebeden verhoord had. Er werd wel wat gemord in de herberg en in sommige huizen, maar men vertrouwde tóch dat alles wèl zou afloopen.

Tegen het eind van den zomer was in do Pastorie een knaapje geboren. Op een zachten, zonnigen Zondag in September brachten hem zijne blijde moeder en groot-

-ocr page 116-

— 107 —

moeder in het Huis des Heeren om er de reeds zoo dikwijls in haar hart gegeven belofte openlijk voor de gemeente uit te spreken, ea als Gods plechtig antwoord, hem door zijn vader den Heiligen Doop te zien toedienen. Zulk een schoonen Zondag had Velters nog niet met zijne gemeente doorleefd. Met hartelijke belangstelling zag men van alle zijden der kerk op de edele groep vóór den kansel, en menig oog werd vochtig, want men had hen lief!

De kleine , een beeld van gezondheid, lag gerust te slapen. Velters zat op den zoelen avond in de verandah met de zijnen te schemeren. Men mijmerde hardop over \'t verledene, men sprak veel over het kind, welks weêrga de ouders, naar het hun voorkwam, nooit gezien hadden; men dacht aan eene nog schoonere wereld, — toen op eenmaal een rosse gloed zich van tusschen de boomen verhief en rookkolommen uit den stal schenen te stijgen. De jonge vrouw verbleekte en hare moeder haastte zich, met haar naar binnen, daar zij den invloed eener plotselinge aandoening op haar nog gevoelig gestel vreesde. De huisbediende was juist uitgegaan en eer hij hulp inriep, wilde Velters zich van het gevaar vergewissen. Wien zag hij van achter den stal wegsluipen en, blijkbaar den „Domnó \' niet ontwarend, nog eens met een helsch genoegen op het gelaat naar de stijgende vlammen opzien? .Ia, het was Gerrit-Jan van Zee, de zoon der arme weduwe, die, nadat het slecht gedrag van haar man baar levensgeluk voor goed bedorven had, nu dagelijks door do zonden van haar

-ocr page 117-

- 108 —

55 --------S

zoon gefolterd werd. Waren dio laatste, ernstige woorden, hem twee dagen te voren toegesproken, de vonk geweest die dezen brand aanstak, of was het de afschaffing der kermis waarover hij zich wreken wilde?

Het lustte Velters niet, hem op de hielen te volgen, ook herinnerde hem het angstig gehinnik der paarden het hem dreigend gevaar.

Slechts met groote moeite en niet zonder kwetsuren aan de handen, gelukte het hem, de arme dieren te bevrijden, die, verwilderd door den angst, telkens weder naar do vlammen terugwilden. Gelukkig kwam in dien oogenblik hulp opdagen. Eenige stevige dorpenaren slaagden er in, de paarden en daarna ook de rijtuigen in veiligheid te brengen, en van alle zijden poogde men met water en zand den brand te stuiten. Maar nog eer de brandspuit water kon geven was het kleine gebouw grootendecls uitgebrand. Nog treuriger werd het tooneel, toen een woeste hoop op eenmaal met luid getier in den tuin drong en, onder begunstiging der verwarring eii der invallende duisternis, de schoonste bloemperken vertrapte en gewassen en heesters ging bederven. Ili-t was eene bende kermis-vrienden , die onder het ledigen van menig glas elkander het hoofd tegen den Dominé warm gepraat hadden en nu hunne kans schoon zagen, zich metterdaad aan hem te wreken. De eeno mi.«laad baant den weg voor de andere en niet alleen oudvader .lob ondervond, dat wie eenmaal door Satan wordt aangevallen meer van hem te verduren kan hebben.

Sedert Anna\'s komst vooral was de tuin een ware lusthof geworden en nu was dat kleine paradijs op een-

-ocr page 118-

— 109 —

maal verwoest door den moedwil van mensclien. Er was weinig meer te bederven toen de veldwachter tussohen beide kwam en met behulp van eenige goedge/.inden de belhamels oppakte. Velters zag het\'alles aan, zonder dat het hem scheen aan te gaan, zoo onverwacht was de slag en zoo pijnlijk juist op dezen dag. Smart over de verdorvenheid dezer lieden en bezorgdheid voor zijne vrouw, hadden den boventoon.

Nadat hij de dames had kunnen geruststellen met de verzekering dat alles voorbij was, vond hij in zijne kamer den Burgemeester die^ te laat gekomen voor \'t besturen van do pogingen tot blnssohing bij den zoo snol afgeloopen brand, nu inlichtingen aangaande de oorzaak daarvan kwam vragen.

,Gelooft gij ook dat de brand is aangestoken?quot; vroeg de heer van Dam: ,de veldwachter meent het.quot;

,Tk vrees het ook,quot; antwoordde Velters voorzichtig, want hij wilde, zoo het eenigszins kon, der arme moeder van Zee de schande en het gemis van haar broodwinner besparen.

„Hebt gjj vermoedens tegen iemand fquot;

„Vermoedens heb ik, maar sta mij too, die nog voor mijzelven te houden.quot;

„Nu, mijnheer Velters, ik wil u heden ook niet langer lastig vallen; morgen zullen de heeron uit de stad wel komen en intusschen doen zich misschien meer ooffsre-

OO

tuigen op. Het spijt me ontzettend dat u dit treft. Ik vrees dat dio kermis-geschiedenis or onder loopt; niet voor niet heb ik zoolang daartegen opgezien; maar ge hebt het voor hun best gewild, dat trooste u. Mijne respects aan Mevrouw, — ik hoop dat zij niet te zeer geschokt is.quot;

-ocr page 119-

Anna was waarlijk hevig ontsteld; brand heeft altijd iets akeligs en geheimzinnigs en zij was bezorgd voor haar man geweest, daar zij begreep dat hij als altijd, het eerst op do bres zou zijn. Ook bleven do gevolgen niet uit. Vóór het nacht was, lag zij in eene hevige koorts. Hare moedor waakte bij haar, dit troostte A el-ters. In zijne verwarring kon hij het daar niet uithouden, noch hulp brengen.

Hij wierp zich in oen stoel in zijne studeerkamer, ten prooi aan eene bittere smart. Nu poogde do Booze hem ook van binnen to belagen. Waarom zich zoo verzet tegen hotgoon het volk nu eenmaal van ouder tot ouder als genot najaagde, — het eenige waarvoor het vatbaar schoon? Zooveel ouder on wijzer mannen hadden er zich altijd in geschikt, jaarlijks dat heidensch getier aan te hooren, en had hij gelijk, hij jong mensch, zoo driest daartegen op te treden? Was het ook misschien zijne oude lieersrlr/ucht geweest, die hem hier een part had gespeeld? Tot straf daarvan had hij nu zijne positie in de gemeente op \'t spel gezet en, veel erger nog, aanleiding tot zonde, tot het ongeluk eener oude moeder gegeven. En zijne Anna, hoe zou die schrik\' haar misschien voor lang schaden, haar leven zelfs in gevaar kannen brengen !

Zóó had hij nog nooit geleden; hij scheen zich zelf een dwaas, een monster toe. Zoo zat hij een langen tijd met de handen voor de oogen.

„Waar is nu uw geloof?quot; klonk het in zijn binnenste. „Was hij dezelfde, die daar voor een paar uur zoo rustig terneörzat onder een onbowolkten hernel, zoo zalig in het bewustzijn eener hoogere wereld, die hem om-

-ocr page 120-

— Ill —

ringde, in hein leefde en werkte ? Nu scheen eene macht viit den donkeren afgrond in en om hem te zegevieren. Had hij dit verdiend? Had hij misschien tot heden in een begoocheling geleefd en was dit de eigenlijke werkelijkheid? „Wederstaat den Booze, en hij zal van u vlieden; naakt tot God en Hij zal tot naken\'\', klonk het weder. Nu wierp hij zich op de knieën on stortte zijn hart uit voor Hem die altijd daar is om ons te hooren, die alles begrijpt en alleen helpen kan. Hij bad om kalmte en licht, om vergeving indien hij gedwaald en gefaald had. En er kwam kalmte in plaats van dien onzettenden angst, redding uit deze duistere diepte. Van lieverlede kreeg hij ook vrede met zichzelf; het was geen straf om eigen verkeerde handelingen, die hem hier ontmoette, maar de strijd tusschen licht en duisternis; het waren de gevolgen van zijn optreden in naam van zijn Heer. Had nief zijn Holland vóór hem, maar zoo oneindig dieper, dienzelfden strijd doorgestreden, en nadat het kwaad schijnbaar zegevierde. Zijne liefde overwonnen I Ook hier zoude deze liefde kunnen overwinnen. Wel gevoelde Velters met diepe beschaamdheid hoe oneindig ver hij beneden dat ideaal stond; hij gevoelde dat hij niet genoeg gebeden had voor diegenen in zijne gemeente die zich nog van het goede afkeerden en die, zeker onder de macht der zondige herinneringen , deze week in dubbel gevaar verkeerden. Hij had nog te veel van de uitwendige maatregelen zelve verwacht, niet genoeg in den geest medegestreden.

Bemoedigd en voor nieuwen strijd gestaald stond hij op; ook de groote bezorgdheid voor zijne vrouw was geweken.

-ocr page 121-

— 112 —

Maar nu kwam de moeilijke vraag hoe hij tegenover Gerrit-Jan moest handelen. Was hij niet verplicht hem aan te klagen ? Maar dan zou die jonge man van even twintig, niet alleen niet meer het brood voor zijne moeder kunnen verdienen, maar een zwak, voor do /.oude open hart zoude onherroeppelijk te gronde gaan in de vreeselijke atmosfeer eener strafgevangenis waarin hij zeker eenige jaren zoude moeten doorbrengen. Die joncren had toch drie jaar bij hem geleerd en scheen m den beginne /00 kwaad niet, tot hij genoegen 111 de herborg kreeg en met stroopers en vechters bevriend werd. Gelukkig had hij nog geen belijdenis gedaan; als hij hem nu nog maar wat onder zijn oog kon hou-

,1(.n.\'____maar mocht hij de verdenking op anderen

laten vallen? Hij kon in deze niet tot licht komen, waarschijnlijk omdat hij eigenlijk slechts ééne zaak wilde. Van vermoeidheid viel hij eindelijk op zijnen stoel in slaap, tot iiij in den vroegen morgen ontwaakte en de verwoeste tuin hem op eens tot do droeve werkelijkheid terugvoerde.

Het Gerecht uit de stad was gekomen, en had de plaats van het onheil mot nauwkeurigheid opgenomen

en vele getuigen gehoord.

Man scheen met een komplot te doen te hebben en toch bleek uit niets dat de tuinbedervers vooraf van den brand geweten hadden en verklaarde de herbergier dat zij, voordat de brand uitbrak, allen te zamen een paar uur „rustigquot; bij hem gezeten hadden. Hoewel drank en kermisliefde hen zoo schandelijken moedwil hadden doen plegen, behoorden zij niet tot de leolijke sujetten; die kwamen in \'t kleine herbergje, even buiten \'t dorp,

-ocr page 122-

aan dien stillen weg, bijeen. Maar van dezen was niemand bij den brand gezien. Niemand dacht aan Gerrit-Jan, die er in geslaagd was, ongemerkt naar de hut zijner moeder te komen en Velters had zich voorgenomen, hem niet te noemen. En zoo trokken de heeren onbevredigd naar de stad terug.

Anna\'s zenuwgestel was nog zeer geschokt en ook de kleine Godert was, trots de grootste voorzichtigheid, van streek. Deze dagen vielen Velters zwaar; li ij gevoelde zich als onder den last eener schuld. Bij de catechisatie waren de kinderen niet half zoo aandachtig als gewoonlijk; tot huisbezoek had hij geen moed; het boek dat hij opnam, legde hij evnn spoedig weder neder.

Wel had hem de Woensdag-morgen eenige vertroosting gebracht. Onder aanvoering van don schoolmeester en met do vriendelijke hulp van het groote Huis waren alle bloemperken weder met keurige bloemen voorzien en hier en daar heesters in potten aangebracht; vóór den uitgebranden stal was eene rij jonge sparren geplant, die het treurig aanzien grootendeels wegnamen.

Wie die nijvere handen in den vroegen morgen bespied had, zou ook menig hartelijk woord over Velters gehoord hebben en aardig was het te zien, hoe zij die iets bezaten dat den hof van den domino waard was, het daarheen brachten.

Toen /.ijne vrouw dien dag weder beneden kwam, begon . Velters aan den terugkeer van den goeden tijd te gelooven, maar vrede had hij nog niet.

Op den Vrijdag-morgen gevoélde hij ter voorbereiding voor don Zondag behoefte aan eene eenzame

-ocr page 123-

— 118 —

B O V E N DE N K \\\' E R M OGEN.

Groot zijn uw krachten, denkvermogen!

(iij gave Gods, zoo rijk als schoon. Ge omvat de ruime Hemelbogen,

Dringt door tot aan dos Scheppers troon. Gij plant op starren, die daar zweven Langs banen, die geen oog hier ziet,

Maar tot u naad\'ren uit \'t verschiet, Een tal van wezens, vol van leven,

Vervuld mot liefde, kracht en gloed; Omstuwd door duizend Eng\'lenscharen, Die neerwaarts dalen, opwaarts varen, Lofzingend met der Heil\'gen stoet.

Gij fluistert tot den havelooze.

Den arme, die daar ginder dwaalt.

En van hot leven meest hot booze

Gesmaakt heeft, sinds hij ademhaalt;

„Strek uit uw hand, hoe ze ook moog beven En toover in haar leêge palm Een rijk gevulden korenhalm,

-ocr page 124-

— 119 —

Die vi- weer kracht geeft voor liet leven!

Spoed u naar \'t vorstelijk paleis! Omhang u daar met prachtgewaden, En zet, uw tasschen volgeladen

Met goud, blijmoedig voort uw reis. 1

Ja, machtig zijt gij, denkvermogen!

Niets stuit u in uw grootsche vlucht. Gij leent den blinde heldere oogen,

Maalt Edon daar waar Hades zucht. Hoe machtig echter gij raoogt wezen, En welk een hulpe gij kunt bién: Wat hier geen oog heeft, ooit gezien , Wat niet in \'t hart is opgerezen, Dat heeft de Heero God bereid Hun, die van harte in Hem gelooven , Wier liefdegloed nooit zal vordooven liij \'t uitzien naar zijn Heerlijkheid.

Doetisdiem Aug. \'84,

E. G IC li DBS

-ocr page 125-

DE ETSGHEN DES TIJDS

In een vroolijke liclito kamer eener zonnige vilhi van den nieuweren t ijd, zat een jong meisje bezig met het scliil-deren van een bloemstukje. Eenige frissclie rozen stonden voor haar geschikt in eene vaas van Saksisch porselein. Zoo als ze daar zat, in haar effen zwart kleedje, met het penseel in de eene, het palet in de andere hand, liet bevallige hoofdje een weinig ter zijde, het zwarte haar eenvoudig opgerold, vooral met do zachte, doch geestvolle uitdrukking dor fijne gelaatstrekken, zou zij zelve een liefelijk model zjjn geweest voor een kunstenaar. Al werkende, kwam nu en dan een glimlach om hare lippen terwijl ze luisterde naar het vroolijk gepraat van een ander jong meisje dat met de armen over elkander in een grooten nIocI /ui. Met gesprek was niet van diepzinniger! aard, gelijk blijkt uit het volgende.

-ocr page 126-

,,Afin zoo\'n bracelet behooren ourlo muntstukken te hangen, wist ga dat Marie?quot;

„Neen,quot; antwoordde de schilderes.

,Ja,quot; hervatte het jonge meisje terwijl ze een antiek zilveren boeren horloge-ketting om haar sneeuvvwitten pols draaide, „hier moet een oude driegulden aan, of een daalder, of hoe noemden ze dat in den ouden tijd. Hoe jammer dut Papa er geen heeft bewaard! En Mevr. H. heeft aan haar rliaiiie da Fe«i«e gouden stukken, ook onde munten, een gouden rijder en zoo. — Papa zoekt nu naar zoo iets voor Mama.quot;

„En waar zoekt George D. naar, voor zijn aanstaande?quot;

Geen antwoord. I)e schilderes wendde het hoofd schielijk om en zag hare gezellin aan. Het vroolijke praatzieke meisje staarde voor zich uit met verbleekt gelaat en trok zenuwachtig aan de kanten van haren zakdoek.

„Pauline ! Is liet? ....

„Gedaan; ja, Marie!quot;

„O! hij had u zoo lief.....quot;

„Nu ja, misschien..... Wat noemt ge liefde? Ik

weet dat ik voor een goede partij doorga. Maar ziet ge, zoo lang als Papa en Mama leven heb ik nog zooveel niet om een huishouden te onderhouden; ik bedoel op den voet zoo als het behoort. Hij heeft niets dan zijn traktement. En zoo armoedig te trouwen, o neen, inrrci! Bij voorbeeld, zoo als tante, schrikkelijk hé? Dat is toch zoo schraal mogelijk, haar diner, onlangs, geen ijs, geen champagne, heele gewone Bordeauxwijn ; bij het dessert, ja, toen kwam er dan nog con fijner merk, zoo het heette, maar dat was er dan ook naar! Papa hoeft haar

-ocr page 127-

— 122 —

ft—.....—---------------------------

ook gezegd, als zij weêr van plan was liet zoo te doen, dan moest ze hem vooraf waarschuwen, dan zou hij de moeite niet doen van te laten inspannen.quot;

De schilderes antwoordde niet. Zij had het penseel weder opgevat en werkte door, maar om het kleine mondje speelde als een trek van minachting, en een lichte plooi teekende zich tussehen de zwarte, fijne wenkbrauwbogen.

„Zoo nis Virginie zich heeft ingericht, prachtig, hé?!\'\' — vervolgde het babbolaarstertje in den stoel. „Haarhuis is geheel in stijl gemeubeld, alles, tot de eetkamer toe; antiek blauwe borden om den schoorsteenmantel, enfin, er ontbreekt niets aan. . . . En haar toiletten! Ik zou wel eens willen weten hoeveel geld zij noodig heeft. Rnad eens hoeveel kleedgeld ik verleden jaar verbruikt heb, Marie! . . . neen maar, raad eens voor een aardigheid, i\'apa heeft het mij voorgerekend. . . . Kom hier, dicht bij, want ik durf het niet hardop zeggen.quot;

Marie bracht lachend het oor bij Pauline\'s mond, maar te oordeelen naar den uitroep van verbazing die volgde, was de som zeker fabelachtig die fluisterend werd genoemd.

„Welnu,quot; lachte Pauline die scheen te genieten van de verwondering barer vriendin, „denk eens wij waren in Ostende drie maanden. Ik had zes zijden japonnen bij mij, behalve nog die anderen, die crème cache-iniren met die kanten, en zoo. . . Maar ik was niets vergeleken bij de toiletten daar. O! daar was prinses V,. Haar man, de prins, heeft op zijn reizen overal rose paarlen voor haar verzameld, en die droeg zij nu op hot Casino, ingezet in haar wit satijnen japon! Neen

-ocr page 128-

- 123 —

K * quot; 2(7.

maar, beeldig! lederen dag zegt Mama nu, papa moest zien dat voor haar ook te krijgen. En nu schrijft papa al zoo overal eens heen, naar zijn correspondenten in het buitenland, als hun zoo iets voorkomt. . . . Prachtige paardentuigen had die prins, papa heeft diezelfde ook laten komen, uit Parijs, weêr geheel iets nieuws . . .quot;

„Ziedaar, nu is de fout hersteld,quot; zeide Marie, terwijl ze opstond, en een paar schreden achterwaarts gaande, haar bloemstukje bezag. „Ziet ge nu wel dat het licht hier niet scherp genoeg uitkwam tegen de schaduwen diisir. Het smolt alles in één toon te zamen.\'\'

„O, wat is hot toch lief van u om mij zoo te helpen,quot;

zeide Pauline terwijl ze ook opstond en, op hare vriendin geleund, het schilderwerk beschouwde. „Nu zal het toch nog klaar zijn eer wij naar Italië gaan. . .quot;

Een luid kindergeschreeuvv weêrklonk eensklaps van buiten, vergezeld van twee keffende vrouwenstemmen. De beide meisjes ijlden naar de veranda en leunden over de balustrade. De villa, door Pauline\'s vader, een groot industrieel, bewoond, was van een uitgestrekten tuin omringd, in welks midden zich een kleine, maar van helder water voorziene vijver bevond, waarover een paar zwanen statig henen gleden. Voor dit water op hot breede grasperk stonden twee dames met een kind in haar midden, een blonden kop van twee of drie jaren, in schitterend rood pakje met grooten wit quipuren kraag en keurige laarsjes, die echter op dat oogenblik door beide dames om strijd met hare zakdoeken werden afgeveegd, onder allerlei uitroepen.

„Wie zijn die dames V \' vroeg Maria.

K —-------------------------------X

|

-ocr page 129-

„Zoo vor kan ik niet zien ; laat ons naar beneden gaan.\'\'

De jonge meisjes daalden den trap af en naderden het groepje.

..Ondeugende kwiljongen lquot; riep de eene dame, gekleed in paars kostuum met tal van strooken, gouden hals-en oorsieraden cn een breeds gitzwarte vlecht tegen het hoofd; .gistere heit ie me kannepei stuk gemaak, van morge scheurt ie me staasjegordeine, en hou trapt ie w-rendig mit sen beste laarze in \'t water! Kik er is an !quot;

«Me kannepei, mo staasjegordeine!quot; herhaalde Pauline op schamper verachtelijken toon terwijl ze een zijlaantje insloeg dat haar van het gezelschap verwijderde: „kom maar hier, Marie.quot;

Doch Marie bleef staan. „Dat kind kan die natte laar-zon niet aanhouden,quot; zeide zij, terwijl zo nader bijtrad.

„Wol nain dame! maar wat mot ik doen? Hij kan toch niet op blaute voete laupe!\'

„Wel zeker, het is warm genoeg; zet hem daar in dien zandhoop tot do laarsjes droog zijn.quot;

Het jonge meisje knielde naast de moeder neder om te helpen de voetjes te onttakelen, en terwijl ze dat deed ontwaakte al wat er moederlijks is inliet hart der vrouw. „Och! wat een aardig voetje,quot; riep ze uit toen het kleine mollige voetje to voorschijn kwam, en zij omvatte het met beide handen en drukte er een kus op. Trots en verrukking teekendon zich op het gelaat dor moeder. - Hedunk je nou do dame niet omdat ze je laarze haif uitgctrokke ?quot; — vroeg /.lt;■ aan het kind. Maar do kleine man ging voort met do bandjes in het zand te woelen onder het uiten van allerlei onverstaanbare geluiden.

-ocr page 130-

— 125 -

fS\'

„Mario!\' riep Pauline.

Mario liep naar hare vriendin die aan liet andere einde van het pad haar wenkte.

„Kom toch hier! zulk volk! die durven hier aan huis komen; papa moest het eens weten! Dat is de zuster van de keukenmeid, haar man is socialist en doet meè met die opstokers in den Haag. Eu die keukenmeid zelve is het brutaalste schepsel dat er leeft. Ze lieett twee honderd gulden huur en toch zegt ze Mama haar dienst op. Ze wil niet tweemaal daags koken. Dat is geen leven voor een raensch om zoo den heulen dag voor het vuur te staan. Nu vraag ik je?! papa moet toch een warm déjeuner hebben! Eu hoe vind je dien opschik! Eu me kannepei, me staasjegordeineIquot; En terwijl Pauline toon en spraak uuhootste barstte /.ij eens klaps in luid gelach uit.

Marie glimlachte en zag naar liet kind dat op zijn zandhoop alleen gelaten thans weder be/.ig was de zwanen te vervolgen met schelpjes en kiezelsteenen. - „Stout kind, mag jij mijn zwanen plagen!quot; riep Pauline, terwijl ze op hem toetrad en hem vinnig bij het armpje schudde.

De socialist in spe schoen :.ich echter niet te bekommeren om het mijn en het dijn, want zoodra zijn arm weder vrij was begon liet spel op nieuw

„Zie! o zie toch!\'\' riep Marie.

De statige zwanen hadden zich koninklijk bedaard buiten het bereik der vervolging gesteld, lunar do steentjes bij het neêrploffen in het water brachten daar het zeer gewoon verschijnsel te weeg dat een kring zich vormde, onmiddellijk door tallooze andere kringen opge-

-ocr page 131-

— 120 —

---------_ ------------------

volgd die zich al wijder en wijder uitbreidden en ein-delijk de geheele oppervlakte van den vijver innamen.

„Welnu, \' zeide Pauline lachend, terwijl zij zelve een steen opnam en in het water wierp: „mij dunkt dit is een zeer gewoon iets. Ziet ge dat nu voor het eerst, Mary 1 ?quot;\'

„Neen,quot; was het antwoord: „maar liet treft mij eensklaps zoo zeer als in verband met ons gesprek van zoo even. Toen ik u daar hoorde verhalen van wat er zoo hoog noodig is tegenwoordig, werd ik werkelijk angstig en ik dacht, zou er niet een booze macht onder al die stofwolken schuilen die met dat alles een doel heeft, en nu ziet ge al dadelijk de uitbreiding in wijdoren kring, van uw leven en streven. . . .quot;

„Nu juist.quot; viel Pauline iu terwijl ze zich naast hare vriendin op een tuinbank neörzette, „die menschen doen niets dan ons benijden; alles moeten ze naiipen. Papa wil geen loonsverliooging meer geven want alles gaat aan den drank en aan mooie kleêren. Men moet tevreden zijn, ieder in zijn stand; daarvoor zijn wij christenen.quot;

„Zijn wij christenenVquot; vroeg Marie.

„Hoe heb ik het nu met ulquot; zeide Pauline verbaasd.

„Hoe lang is dit geleden, een jaar of drie, dat wij samen zijn aangenomen! Maar die vraag moet zeker wet\'r iets beteekenen, even zonderling als dat ge in kringen in het water teekenen des tijds ziet. Als ik een steen werp. . . .quot;

„Juist!quot; riep Marie uit, „als ik begint, dan roept een volgende kring ook ik, en ik roepen al doze kringen, l\'.n het //■• trekt den mensch naar beneden, even zoo zeker als deze steen de aarde zoekt.quot;

-ocr page 132-

- 127 —

K----------

Jfiirie hief hare schoone donkere oogen naar boven en een licht rood steeg naar hare bleeke wangen.

„Maar,quot; fluisterde zij toen, „een christen .... heeft geleerd te zeggen: Gij!\'\'

Paulino is op dit oogenhlik de bruid. Haar aanstaande heeft haar een bruidsruiker aangeboden cener vorstin waardig; een bewijs —• misschien -— dat hij nog iets meer bezit dan zijn traktement. Hoe het ging niet den jongen man, die wel het familie-leven voor zich had gewenscht, maar wiens inkomen niet voldoende was voor de eischen des tijds, deze geschiedenis /.egt het niet, mijn lezer. - Mischien weet gij het.

Anonvmi\'s

-ocr page 133-

128 —

DE VERLATENE. (Bij de plaat.)

Eindloos boort in \'t vorschiot do gniuwe lijn van de

heirbaan.

■Stilte suist over t ^\'ims ; slaapt roerloos in \'t smach\'

tende hert\'stloof. Ciansch alleen met zich/.elve en beur somb\'re. zwarte

gepeinzen,

Zwoegt ze al langzamer voort den weg ten verdervo —

ter hoofdstad! t Kreunend wichtje in den arm vlijt schroiensinoede

op beur schouder \'t Minlijk kleine gelaat, dat ze liet\' heeft met doodlijke

liefde;

Liefde, bitter als baat, verterend als hitte des bongers. Verder zwoegt zij en .staroogt; staroogt in quot;t weemleii

der kimme, . . Xergens zweeft haar een engel des vredes troostende

tegen,

quot;Si

-3)

-ocr page 134-
-ocr page 135-

I

-ocr page 136-
-ocr page 137-

...

-ocr page 138-

- 129 —

Nergens houdt een hand haai\' staande op dien weg der

verloornen.

Keert voor een oogwenk de Ijlik terug naar de deinzende verte,

\'t Harte krimpt onder\'t wee van een duldeloos foltrend

verlangen;

Want gesloten is thands \'t Paradijs van haar kindsheid

voor immer;

Ginds waar de blauwende heuvlen smelten in \'t blauw

van den hemel,

Waaki het vlutnmige /.waard der wrekende Schande aan

den ingang.

Sok ha R..na.

si

ü

-ocr page 139-
-ocr page 140-

— 131 -

^—---------------------------------

weergegeven wat er in menig menscbenhart omgaat, wanneer de stilte van den avond innerlijk eene onrust doet ontwaken, die in het rumoer van den dag zich niet kon doen gevoelen.

Inderdaad, er zijn van die kalme avondstonden, waarin, als ter vergoeding voor hot wijkende daglicht, hemelsche vrede over het aardrijk schijnt neêrtedalen: slechts de beekjes blijven in onrust en de gedachten van veler hart.

Daar zijn echter ook avonden waarin de gansche schepping na betrekkelijke stilte in buitengewone onmst geraaid. Niet zelden toch steekt tegen liet naderen van den nacht een storm op, die in wilde vaart alles voor zich uit schijnt te jagen. Merkwaardig verschijnsel, dat reeds eeuwen lang do aandacht der volken getrokken heeft. en tot verklaring waarvan de volksverbeelding vrij spel gehad heeft.

Door geheel de Germaansche volkerenwereld is sprake van een ivihle jacht, die van middernacht tot het hanengekraai gehouden wordt door goden of door geesten van afgestorvenen. In Noord- en Zuid-Duitschland, op de grenzen van Nederland en België, in Denemarken en Engeland, overal weet het volk van dit verschijnsel te spreken. •) Sinds de eerste eeuwen na de invoering van

I In liet ITildnshoimer woud jangt fic wilde vht iiimIcd i\'i

hot jnar ii:imolijk wanneer het eene junrgetij ond -r storm on onwodr van het ander afscheid neemt. (Simrock. Dcutscho Mythologie, hl. lÖI) ..To Zevenhuizen in do Groningacho vonon v.ult;r hot volk moer dan eonmnnl den wildon jn^or mot, liondon.quot; (Westendorp. Mvlliol. 2 513). In do Ardennen ,.hoort men het woedende hoir of do wilde jacht, on dan vindt men den volgenden morgen allerlei wild dood liggen, zond. r dat het oonig blijk van verwonding geeft.quot; (Wolf,

*

-ocr page 141-

liet Chrislendom leefde in de Europeesche volkerenwereld de voorstelling dut de oude heidensche goden alleen nog in den nacht rondwaarden en eene schaduw toonden van vroegere heerlijkheid. liepaaldelijk aan M\'odan, als dondergod, werd dan ook dikwijls de aanvoering van de wilde jacht toegeschreven. In Denemarken spreekt het volk van ,Odin\'s Jachtquot;; de Mecklenburgsche landman, als hij den nachtelijken storm verneemt, zegt „wode tüt.quot; 3) Ook andere goden en godinnen nemen volgens het oude volksgeloof aan deze nachtelijke omzwervingen deel. Hij-zonder geldt dit van Diana en van Holda, Hell a 3). Vaak werden niet zoozeer goden , maar oude helden aan het hoofd van den geheimzinnigen jachtstoet gedacht; zoo is bij de Denen koning Waldemar, bij de Engel-schen koning Arthur \') ten „wilden jagerquot; geworden.

Langzamerhand ontspon zich, mede door vermenging met andere oude volks-overleveringen B), een kring van sagen, waarin het volk met fijnen tact verband gezocht heeft tusschen, liet onrustig nachtelijk omzwerven van afgestorvenen, en vroeger door hea bedreven kwaad. De nachtelijke drijfjacht, waartoe zij gedoemd waren, was

Niederl. Sagon, 510.517). — 1quot; liet Schwarzwald is de saga van den wilden Jager mot die van den wandelenden .food samengeweven. (Simroek . p, 20(1}.

1 Van den Bergh. Ned. M.vlli. bl. 371

Si I 1. hl. Ook do imam van „woedend lieir schijnt van

Wodun afgeleid; oorspr. VVuotan\'s heir.

3 Orimm zegt; „Wenn lioi ntlchtlicher Weile Huilde bolton imd heulen wei Huilde geistorsichtig simt), heiszt es: „die Helle ist bei den 11 undo\'i

4) Orimm, t. n. ]i bl. 521) en 523, Simrock, p. 198.

5) Men deuke o. a. aan Ilackelbarend.

-ocr page 142-

- 133 —

RT

volgens liet volksoordeel een straffe Gods vanwege de overtreding zijner geboden.

Een der meest bekende vormen dezer sago, die o. a. door Burger dichterlijk bewerkt is !), luidt als volgt:

Graaf Otto van de l\'altz, die in den tijd der kruistochten leefde, was oen hartstochtelijk jager. Om zich aan zijne geliefkoosde uitspanning over te geven , verzuimde hij zelfs zijne godsdienstplichten en ontheiligde den dag des Hoeren. Op zekeren Zondag van October, toen de ochtendschemering den koepel van den Trier-schen kathedraal met hare purperen tinten begon te kleuren, begaf Otto /.ich ter jacht, vergezeld van e^n talrijken stoet, die hem met luid rumoer, volgde. T)e tonen der kerkklokken weergalmden door de lucht; van verre weerklonk het gezang van de gemeente in het Godshuis verzameld; maar de graaf gaf er geen acht op. Daar bemerkt hij een kruisweg, en ziet van tegenover-gestelden leant twee ridders op hem afkomen. Aan do rechterzijde een jongeling met een vriendelijk, innemend gelaat, op een zilverwit paard gezeten. Aan de linkerzijde, op oen vuurrood strijdros, een man , donkergeel van gelaatskleur, met bliksemende, onheilspellende oogen.

„AVelkoni; zoo riep deze den graaf toe, ,welkom bij deze overheerlijke jacht: op aarde en in den hemel is er geen liefelijker vermaak te bedenken.quot;

Maar de ander zeide: „graaf Otto, liet geschetter van den jachthoven voegt slecht bij klokgelui en koorgezang! Keer terugI vandaag brengt u de jacht niets goeds!

I Burger, Dor wilde Jjigor. — Vorwiint is hot verhaal van den prnnf van Spnuheim. Simrock, t. «. p. hl. 203, Iii zijne Schotsen uit Luxemhurfr ffeeft Perk er een bewerking van. hl, CS v.v.

-ocr page 143-

- IU -

,---------------------„

Luister naai\' uwen goeden engel, en laat u niet verstrikken door den boo/e!quot;

„Voorwaarts, voorwaarts, edele heer!quot; viel die aan de linkerzijde hem in de rede, „laat men do kerk-klokken luien, laat men de kerkliederen uitgalmen, u voegt liet vorstelijk vermaak van de jacht. Voorwaarts!quot;

Bravoquot; zeide do graaf, „gij hebt naar mijn hart gesproken. Laat wii\' do edele jachtkunst niet beoefenen kan, een paternoster bidden, mij trekt het jachtvermaak meer aan! Hoera! voorwaarts!quot;

En voorwaarts ging het, berg op, borg af. Steeds bleven de twee ridders in zijne nabijheid, de een aan de rechter- do ander aan de linker-zijde.

Eensklaps vertoont zich voor hen op den weg een sneeuwwit hert met een gewei van zestien takken. Op dit gezicht ontgloeit de graaf in geestdrift: te sneller jaagt bij voort om dezen kostelijken buit te bemachtigen. Van zijn gevolg stort de een na den ander ten doode vermoeid nori\'. „Laat ze ter helle varen!quot; zegt hij.

Het hert tracht zich te verschuilen in hoog opstaand koren. Een arme landman smeekt den vorst met tranen, dat hij toch den oogst sparen zal, die hem zooveel

arbeid en zweet gekost heeft...... De jonge ridder aan de

rechterhand raadt hem aan, toetegeven. De ander hitst hem op, om de jacht door te zetten. Op nieuw geeft graaf Otio gehoor aan den raad van zijn slechten gezel.

De jacht wordt voortgezet over akkers en velden.

Alles wordt vertrapt en vertreden. Het edel wild, aireede getroffen, begint zijn\' loop te vertragen. Met bloed on schuim bedekt, zoekt hij eindelijk eene toevlucht in het openstaande heiligdom van een\' kluizenaar in het

-ocr page 144-

— 135 —

quot;quot;A

bosch. Deze treedt den graaf te gemoet, en bidt bom, medelijden te hebben met hot untie dier, dat zich blijkbaar onder Goddelijke bescherming gesteld heeft. De jonge ridder tor rechterhand voegt zijne dringende raadgevingen bij die van den eerwaarden kluizenaar. Maar de ridder ter linkerzijde raadt hom aan, niets te ontzien; geen Goddelijke en geen meuschelijko rechten. Op nieuw luistert de graaf naar don raad van zijn slechten gezel. Met een vlook treedt hij voorwaarts, en wil de

kapel binnendringen..... Daar beeft en siddert eensklaps

do grond. Een dikke duisternis als van het graf omringt hem. Hij wil roepen: vergeefs! zijne stom weigert hem dienst. Hij wil op den jachthoorn blazen; vergeefs! de horen goeft geen geluid moer! —- Niets hoort hij dan het ratelen van den donder, nader en nader komende, totdat het onweder boven zijn hoofd in schrikkelijke hevigheid losbarst, en hij uit do donkere wolken de stem des Rechters verneemt; „Dewijl gij God hebt be-leedigd, en zijnen dienst veracht, vlied, rampzalige! — van nü aan tot in eeuwigheid zult gij zelf door de hel en hare duivelen gejaagd worden!quot;

Uit de narde stijgt een zwavelgele gloed. Een reusachtige vuist grijpt den veroordeelde aan, en draait hem den hals om, zoodat hem hot aangezicht in den nek slaat. Achter hem, maar nu voor zijne oogen, opent zich een afgrond, waaruit afzichtelijke monsters, helsche honden opstijgen, die hem willen bespringen.

In radeloozen angst trekt hij voort, door do bosschen, over de borgen, langs de vlakten voort, altijd voort, achtervolgd door de schrikgsstalten der hel, die hom steeds op de hielen blijven, en hem geen oogenblik rust gunnen.

k

-ocr page 145-

Met dezon vorm der sage in nanw verband staat een ander volksverhaal van Vlnamsche afkomst, — waarin niet zoozeer de overtreding van het vierde, als wel die van liet vijfde gebod n]i den voorgrond staat. Tiet is van den volgenden inhoud \');

In de nabijheid van hei slot Wynendael, het voor-malig paleis van den graaf van ^ lannderen, woonde in lang-vervlogen tijden een oude boer , wiens zoon aan de jacht verslaafd was, zoodat hij, ondanks alle verwijten van zijn\' vader, steeds in het woud omzwierf, in plaats van voor zijne ouders den akker te bebouwen.

Toen de vader eindelijk op zijn sterfbed lag, liet hij zijnen zoon roepen, om hem nog een laatste vermaning te geven. Hoewel de zoon zijns vaders stom hoorde, keerde bij niel om, maar floot zijne bonden, en trok bet bosch in. Nu ontstak de grijsaard in hevigen toorn, sprak over zijn\' zoon den vloek uit, en riep: ..zoo jaag dan voor eeuwig, ja voor eeuwig 1quot; Hierop wendde bij bet hoofd om, en stierf. Sinds die ure dwaalt de ongelukkige rusteloos in de bosschen om. \'s Nachts hoort men hem dikwijls erbarmelijk roepen: Jakko! .lakko! en dan dreunt het bosch van wild rumoer en hondengeblaf.

Aan overtreding van bet zesde gebod doet een andere vorm van dezelfde sage denken.

De welbekende Ernst Moritz Arndt verhaalt in zijn .Mareben und •Fugend-erinneringen\'quot; het volgende; \')

ll »ï, VV. \\\\ oil, ftfiodorl. S:nroii, 2fi0. ,.Der Jap*nr 7,u Wv— nondael. Verp. v. d. Hpr^li, Ned. Myth M. 370

2 Zie Oriintn, Doutsclic Mythol. hl. 510

-ocr page 146-

— 137 —

5S---------------- -----------------------

In Saksen leefde in overoude tijden een groot en machtig vorst, wien de jacht boven alles ging, en die iedere overtreding van do jachtwetten schrikkelijk zwaar strafte. Eens liet hij een\' knaap den wreedsten dood aandoen-, omdat hij eene omheining van zijn jachtveld had geschonden. Een andermaal deed hij een\' landman, die op een hert geschoten had, op het hort vast smeden. Aan het einde brak hij echter zelf op jacht den hals, en nu heeft hij in het graf geen rust, maar moet iederen nacht in het woud jagen. Hij rijdt op een\' schiramel, uit welks neusgaten vuur springt, en tallooze zwermen honden volgen hem. Mij jaagt en vervolgt alle nachtelijk gespuis: ,dieven, roovers, moordenaars en heksen.quot;

Dat ook dieven en roovers voorgesteld worden als door den wildon jager in nachtelijke donkerheid voortgejaagd, kan ons niet verwonderen, wanneer wij bedenken dat de overtreding van het achtste gebod, als een van do eigenlijke werken der duisternis, hoofdzakelijk in den nacht pleegt te geschieden. Gelijk do 11. Schrift \') aangaande do dieven zegt.:

„In de duisternis doorgraven zij de huizen, dio zij zich des daags afgeteekond hebben. Zij kennen het licht niet: de morgenstond is hun als do schaduw des doods quot;

Nachtelijke werken der duisternis zijn eveneens do zonden tegen liet zevende gebod.

.Ook do overspelerquot; zegt dezelfde Schrift, „neemt de

1) Job 24 : Ifï. 17.

-ocr page 147-

- 138 —

2?

schemering waar, zeggende: geen oog zal mij zienquot; \') en wederom; „een verstandeloos jongelingquot; ging de vreemde vrouw na — „in de schemering, in den zwarten nacht, in de donkerheid.quot; *)

Dat ook de zonde van overspel en ontucht met nachtelijke onrust der ziel gestraft wordt, is in de volks-sage van „de wilde jachtquot; volstrekt niet vergeten of verzwegen.

Een middeneeuwsch schrijver :\') verhaalt van eene ijdele vrouw, die zich in fraaie, nieuwe kleederen en schoenen had laten begraven, en wier ziel daarom door den „in-fernalis venatorquot; (helschen jager) eeuwig voortgejaagd wordt.

Elders vinden wij verhaald van eene weinig eerzame vrouw, die met een\' geestelijke in overspel geleefd had, eu nu na haren dood do wilde jacht moest volgen, 4)

Bij oen anderen middeneeuwschen auteur treffen wij do bedreiging aan: „oneerbare dochters onde vrouwen, dio met priesters misdoen, worden alle \'s duyvels jacht-merryen.quot; 5)

Zoo bevat dan de sage van de Wilde Jacht eene ernstige waarschuwing tegen allo onvruchtbare werken der duisternis, daar zij herinnert, hoe eeuwige nachtelijke onrust het rampzalig deel is van ieder, die in don dienst van eenigerlei zonde blijft volharden.

Mocht iemand bedenking willen inbrengen tegen de wij/.e, waarop hier het eeuwig lot der goddeloozen voor-

li .lub .1. : 15. 3) S|,r. 7 : 10, U.

3; C.u\'sariuH hoist.iM\'h. 13 20. geciteerd l ij Grimm, Igt;. Mvthol. p. 51(5.

7.\\gt;\' dil uitvooripf vermeld bij VV\'olt\'. Niederl. Sstgen, 25S.

5) Colornbauua lïrancli x in zijn „Troost der Siclea in\'t VagIievier.M Van tlon IVr^h, t. a |). bl. 370.

-ocr page 148-

— 139 —

K

gesteld wordt, hij vergete niet dat do sago in heelden spreekt. De ontzaglijke werkelijkhoid van oeno eeuwige straf kan geen Christen loochenen die zich eenvoudig aan het woord onzes Heeren Jezus Christus en dat zijner Apostelen wenscht te houden. En gewaagt nu de Schrift van eene eeuwige rust, die weggelegd is voor hot volk van God, \'t ligt voor de hand, het lot dor rampzaligen onder het beeld van eene eeuwige onrust voor to stellen.

Trouwens reeds aan deze zijde van het graf is aan den dienst dor zonde eene jammerlijke onrust verbonden. Reeds bier wordt menigmaal openbaar, dat „de godde-loozen zijn als eene yoortgedrevonc zee, die niot kan rusten.quot; \')

Om slechts één voorbeeld te noemen: hoe velen, dio zich aan de zonde overgeven togen welke dit jaarboekje Magdaleim voortdurend protest aunteekent, ondervinden dat zij, de getiietingen dor zonde najagende, zeiven rusteloos worden voortgejaagd.

Ach hoe somber is het, wanneer eene mensohenziel alle raadgevingen van de engelen des lichts afwijst, om aan de inlluisteringon van den ongel dos kwaads gehoor te geven, totdat aan het einde het rechtvaardig gericht Gods over haar komt, en uit den beogen hot vonnis der hemelscho wijsheid vernomen wordt: „dewijl gij al mijnen raad verworpen, en mijno bestraffing niet gewild hebt, zoo zal ik ook in uw verderf lachen ; ik zal spotten, wanneer uwe vreeze komt.quot; 2)

Hoe ernstige roeping voor allen, om te waken tegen verzoekingen, die eene eeuwige onrust te gemoet zouden

1 Jes. 57 : 30. 2) Spr. I . 25, 2(5.

w

-ocr page 149-

— 140 —

kunnen voeren! En hoe ernstige roeping voor ieder Christen, die een eerlijken wandel in liet licht boven nachtelijk zingenot heeft gekozen, om andereu te waarschuwen tegen dreigend gevaar!

(lelijk volgens de sage van Tannhiluser ) de getrouwe Eckhui\'t de reizigers waarschuwt, dat zij zich toch niet in den Venusberg wagen, zoo treedt dezelfde tiguur ook in de sage van de Wilde Jacht op. Althans volgens de vólks-overlevering, zooals zij in de omstreken van Eis-leben in omloop is, snelt Eckhart vóór den stoot van het wilde heir uit, en geeft den wandelaars don raad, uit den weg te gaan, op lat hun geen lood overkome, 1) Tot dorgolijken liefdedienst wordt ieder Christen geroepen. /iel-, wij ontmoeten wellicht op onzen weg dezulken, die gevaar loopon in den roes van ijdel zingenot van do eeno bogeorlijkheid naar de andere voortgedreven te worden, — voorwaarts, steeds voorwaarts, waarheen? —

Hoe noodzakelijk is het, hun aan te zeggen, welke toekomst zij tegengaan!

Hoe noodzakelijk, hun tevens te herinneren, dat er nu nog eene toevlucht voor hen te vinden is liij Cod, -opdat zij, gelijk eon hort, der jacht ontkomen, rust zoeken en vinden in het voor hen openstaande heiligdom I

Welzalig zij, die uit al het aardsch gedruisch naderen

1

- Orinim, [gt;. .)i3- — Simrock, p. ]Ö7: ,,So roitot anch in Schwabon iloiu \\\\ uotnn s Ilwn\' oin Mnnn vornus. wclchcr ruft:

Ans\'m nns\'m Wrg2,

Das/. Niemand was g\'escho.cb\'!

2

/ip Miigdnlcna ISgl. bi.

-ocr page 150-

— 141 —

tot de gemeenschap met Hem, die zich in Christus Jezus als een God van heilige genade geopenbaard heeft. Zij vinden — wat hun onrustig hart elders vruchteloos zoekt — vrede, vrede door het bloed des kruises, een\' vrede Gods, die alle verstand te boven gaat.

En deze vrede blijft hun hij tot don einde.

Moge ook de avond huns levens dalen, de stilte , die diep in hunne ziel heerscht, profeteert geen storm. De onrust, die aan den levensavond bij wijlen nog kan opwaken, omdat zij in het rumoer van den levensdag zich niet kon doen gevoelen , wordt bij hot ingaan van den doodsnacht vervangen door het volle genot van een onuitsprekelijken , nameloozen hemelvrcde.

Eens zal er voor hen geen naclit meer zijn; maar dan ook geen der nachtelijke schimmen en schaduwen moer -dan ook geen wilde jacht, geen onrust ige drijfjacht dezer wereld.

Reeds is voor wie gelooft de nacht voorbijgegaan, de dageraad aangebroken.

Reeds roepen de klokken van het liemelsche heiligdom ter eeuwige Sabbatviering op!

Midddhury. J. Riemuns.

-ocr page 151-

DAVIDS KLAAGZANG OP SAUL EN JONATHAN.

(2 Samuel I ; 18-27.)

O Sieraad Ixrols! op Gilboa\'s top verslagen!

Igt;r helden vielen neer! Mijn ziel druipt weg van klagen.

Verkondig \'t niet te Gath; laat Askalon \'t niet liooren; Hot Filistijnsch gejuich zou Isrel \'t hart doorboren.

Gilboa\'s bergen! op uw top zij dauw noch regen,

Noch akker, lachend van des hemels eersten zegen.

Daar ligt der helden schild, van \'t eigen bloed bestreken; Ach, Snül schild! De zalvende olie is geweken.

\\ an \'s vijands bloed kon Jonathan zijn boog niet weren, Noch Saiils zwaard van \'t vleesch der helden ledig keeren.

O Saïil! Jonathan! Beminden, nauw verbonden

In quot;t leven, ook uw dood heeft de eenheid niet geschonden.

Gij, aadlaars waart gij, ja nog lichter op mv vlenglen Kn inf er dan leeuwen sterk; wie kon uw macht bctenglen?

-ocr page 152-

- 143 -

: 31

Weent, Isrels doclitren! weent om Saül, want hij deelde U purpren kleedren uit, bestikt met goud en weelde.

De helden vielen, toen ?t op worstlen ging en wagen, En Jonathan ligt op uw heuvlenrij verslagen.

Ik ben benauwd om u, mijn Jonathan, mijn broeder!

Ik had u lief, als waart ge een zoon van de eigen moeder.

üw liefde was mij meer dan liefde zelfs van vrouwen;

Geen liefde, waar mijn ziel zoo duurzaam op kon bouwen.

Gevallen zijn zij, ach! die helden hooggeboren!

En Isrels weer en wapen ging verloren.

H. PlEUSON.

,a.lt;:

-ocr page 153-

— 144 —

RT

S U E M A.

Suema; Suoina . . . ? Is liet do naam van land, of stad, van dorp, of buurt, van een grijsaard, of knaap? Van goon van zessen. Kerst sinds ettelijke maanden weet ik door een Hoogduitscli boek, ten onzent door de vaardige pen van een vaderlandsch Zendiiigsvriond bekend gemaakt, dat Suema een slavin is.

Haar levens- beter, haar lijdensgeschiedenis levert een ij/.ingwekkend hoofdstuk uit de hedendaagsohe geschiedenis van het donkere werelddeel. Zoo moet Afrika heeten, niet zoozeer om de hoofdkleur zijner bewoners, als wel, omdat het gekenmerkt wordt door het bijbelwoord: ,duisternis bedekt do aarde en donkerheid de volken.quot; Hoe het daar nacht is, nacht van onkunde, bijgeloof en zedeloosheid, staat dat niet geschreven in de boeken van Livingstone en Stanley, de vermaarde ooggetuigen van jammer en ellende en oorgetuigen van hemeltergende ongerechtigheid en zonden?

Zonder te gewagen van de snelheid der Afrikaansche voeten om bloed te vergieten, of van de veelheid der

f\'

-ocr page 154-

tooverijen, wijs ik uitsluitend op de slavernij, die schandvlek, dien vloek der Afrikaansche binnenlanden. Veler handen bezoedelen zich door bloedgeld, opgescharreld door mensehenhandel met daaraan verknochte schraapzucht, hardvochtigheid en duizendvoudig lijden van het mishandelde zwarte aas, zooals de koopwaar van mannen en vrouwen wordt genoemd.

Aan den oostelijken oever van het meer Nyassi lag een hut, bewoond door een weduwe met haar eenig kind, een dochtertje, Suema genaamd.

Nadat de man en vader, tuk op leeuwenjacht, dat gevaarlijk werk met den dood had betaald, werden moeder en dochter in namelooze brood- en levenszorgen gedompeld. Tot overmaat van smart dwong een ontstane hongersnood haar tot verhuizen naar een naburigen stam, waar zij onontbeerlijk voedsel en dekking hoopte te vinden. De bittere, tot broodsgebrek klimmende armoede werd intusschen verzwaard door den eisch van terugbetaling eener verschuldigde som voor verleend koren, waaraan met het beste hart ter wereld niet kon voldaan worden.

In dio bange dagen gebeurde het, dat een Arabische slavenkaravaan in aantocht was en waar zich zulk een bende legerde, verspreidden zich angst en vrees heinde en verre. De slavenhandelaren zijn wave bloedhonden, fijn van reuk snuivende naar menschenvleesch. Dat bleek op akelige wijze, toen de onverbiddelijke schuldeischor van Suema\'s moeder op zekeren ochtend met een Ara-bischen koopman den drempel van de stulp der armoede overschreed. Ach ! schrik overmeesterde het moederhart

-ocr page 155-

en de dochter huiverde bij de gedachte aan het haar beschoren lot. In hot bijzijn der weerlooze vrouwen werd over haar als handelsartikelen van minder of meer waarde geredekaveld. Volgens den koopman was de moeder te ver afgeleefd en dus versleten cn de dochter nog in de prille jeugd, te nauwernood bruikbaar. Doch Suema, volgens den schuldeischer groeiende in haar geld, bleek bij voelen en tasten van leden en spieren, als bij een stuk vee, door en door gezond te zijn en na tijd en wijle geen verwerpelijke slavin te zullen worden. Kortom te haren opzichte werd men het door loven en bieden eens over don koopprijs en terwijl de moeder als oude doeniet in geen aanmerking kwam, betaalde de Arabier voor bet bezit van Suema zes ellen boomvvolstot.

Do koopman, in zijn sidiik over den voordoeligen handel, nam zijn eigendom ter hand, om het bij zijn karavaan te voegen en . . . daar brak de moeder los. Met vlara-menden en dan weer vertecderenden blik staarde zij op don Arabier, dien zij, handen wringende, tegenhield. Bevende, snikkende, jammerende, sidderende, klagende valt zij, als toonbeeld van dolle wanhoop, voor de voeten van den handelaar. Doch geklaag en geween en gekerm der heidinne vermochten niets op do metalen ziel van den versteenden mohammedaan. , Ach,quot; smeekte de moeder op bartroerenden toon, ,scheid ons niet van elkaar! Neem mij op den koop toe; ik ben nog jong en sterk genoeg om een olifantstand te dragen zoo ver en zoo haastig, als gij maar wilt. Trek mij niet van mijn dochter af, erbarm n over een arme moeder.quot;

Zou ze, mompelde de koopman bij zich zelven, waarlijk nog geschikt zijn tot eenigen arbeid? Mij dunkt, het is

-ocr page 156-

te probeeren. Moeders verzoek werd althans, na kort beraad, toegestaan en des anderen daags maakten de oude en de jonge een deel uit der slavenmacht, waarmee de verdere tocht werd ondernomen.

Dan helaas, het bleek weldra, dat de moeder haar sterkte had overschat. Hot dragen van den olifantstand en het gelijken tred houden met jeugdigere lotgenooten vielen haar te zwaar. De afgetobde zag, met inspanning van alle krachten, geen kans, om vooruit te komen. Zy dreigde te bezwijmen. Als drijfveer en drijfkracht werd de zweep opgeheven, waarvan telkens een slag op rug en beenen een striem achterliet. Hoe zwakker zij werd, des te harder werd zij mishandeld. Door den honger niet voldoend te stillen en den brandenden dorst nauwelijks te lesschen, meende men de onwillige of onmachtige tot haai\' plicht te brengen. Eindelijk kon zij niet langer, zij struikelde herhaaldelijk, zeeg ten laatste aamborstig neder en bleef uitgemergeld en uitgeput, na een heeten doorzwoegden dag, tegen het vallen van den avond, aan den weg liggen. Do om moeders wil diep geschokte dochter sloop dos nachts heimelijk weg, vond do afgetobde, hijgende vrouw, zonk in haar verstijfde armen, en het moederlijk gevoel ontlastte zich bij dat aandoenlijk en angstig samenzijn in het zachtelijk neuriën van een weemoedig begrafenislied, als hartverscheurende voorspelling.

Des morgens vroeg werden de vermiste moeder on dochter opgezocht en toon men het achtergebleven tweetal als aan elkaar gestrengeld zag liggen, beval de eigenaar: .sleept de dochter moe en geeft de oude stokslagen, totdat ze dood valt.quot; Onder een hagelbui van

-ocr page 157-

slagen hoorden men den moederkreet: „slacht mij, opdat ik sterf, eer ik van mijn kind beroofd word.quot;

De slavenhandelaar, wiens woedende drift tot razende woede steeg, bulderde: „ slaat ook het weerbarstige kindquot;... en terwijl de zweep knetterde en Suema gilde, ontsluit do afgetobde moeder haar verstijfde armen, waarmede zij de dochter krampachtig had vastgekneld, die, thans vrijgelaten, werd weggesleept — en de moeder?... Van haar gold hartroerend en letterlijk het Psalmwoord ;

Vergisten als ben doode.

Onder namelooze bezwaren trok de Karavaan voort tot een havenplaats, waar de slaven en slavinnen op en in een schip zouden geladen worden. Niet een dier als haringen in een ton bijeengepakte, door honger en dorst gekwelde en door zeeziekte geplaagde mannen en vrouwen wist waarheen en waartoe zij onder zeil gingen. Na een week van zieleangst en lichaamssmart ging er licht op over den droevigen toestand en het lot, dat hen wachtte. Maar welk een licht? Verplaats u in verbeelding op een slavenmarkt te Zanzibar. Noem ze folterplaats voor do slachtoffers, doodsteek van het zedelijk gevoel der aanleggers en drijvers. Geen vernederender schouwplaats dan een plein van handelsbedrijf en geschacher van naar den boeide Gods en naar Zijn gelijkenis gevormde schepselen. Onder hoon en smart, gesard en geplaagd, wordt de slaaf, onder gelach en getier taxeerende, overvragende en afdingende, de vrije, naar ziel en lichaam onteerd, bedorven, verpest. Ach ! beschouw Suema, do hul polo oze wees, die, als tot een skelet vermagerd, gefolterd tot in merg en gebeente, bijkans niet op haar

-ocr page 158-

beenen kan staande blijven. Op de toegesnauwde taal : „sta recht op je lijf!quot; volgt dit oordeel : „die meid is een verloren post. Koopgeld, voeding, transportkosten : bet is alles schade voor de hand. Wie blieft er gediend van zulk een wangedrocht ?quot;

De eigenaaar, geen liefhebber vindende voor zijn koopwaar, maakte korte metten. Hij ontbiedt een paar stevige negers en gelast hen : „pakt dit aas in een strooien mat, draagt het naar bet kerkhof; men kan zulk gebroed toch niet in het leven houden.quot;

Bij die twee zwarten was, als een natuurlijk gevolg der slavernij, alle gevoel verstompt en zij kweten zich, zonder eenig bezwaar, van den opgedragen last. Suema werd in een oude mat gehuld en naar den dooden-ak-ker gedragen. Daar aangekomen, leggen do negers de half doode, half lovende vracht op den grond. De slavin boort, hoe zij het losse zand omwoelen en begreep, hoe een levende begrafenis het eind zou zijn van haar onuitstaanbaar lijden. Zij wist zelve niet, of de gedachte aan verlossing haar niet meer verademen, dan de vrees voor een akeligen dood haar huiveren deed. Do laag zand, dat het uitgemergelde, ontvloeschto overschot bedekte, was echter zoo licht, dat zij do voetstappen dor weglooponde negerslaven duidelijk kon onderscheiden. Met het restje van nog beschikbare krachten, vermocht zij haar hoofd zoover op te heffen en vrij te houden, dat zij voor dadelijk stikken bewaard bleef. Een schor geluid en droevig gekerm, vloeiende over verdroogde, smachtende lippen, was te zacht, om zelfs op kleinen afstand geboord te worden. In don diepon nacht meent zij in het spichtig gras oenig geritsel en geschuifel te hooren. Zij

-ocr page 159-

- 150 -

-55

bedroog zich niot, ach, dat zij zich bedrogen hadde ! Daar sluipt oeu huilende jakhals rondom haar ligplaats. Het bloed stolt haar in do aderen; terwijl het zand aan haar voeten wordt opgekrabbeld, voelt zij de lauwe tong en den klingenden beet van het bloeddorstig dier. Zij slaakt een gil, een doordringenden kreet en verliest het bewustzijn.

Later — zij wist zelve niet hoeveel later — bevond zij zich in een kamer met nooit vroeger geziene witte muren : ze lag op een zachte matras, onder heldere lakens, op een frisch hoofdkussen. Naast de legerstee stonden twee blanke vrouwen, die haar vriendelijk aankeken en met vloeibaar voedsel laafden. Suema, niet wetende, wat met haar geschied was, dacht, dat ze in een andere wereld was aangeland en verbeeldde zich onder reddende engelen te vertoeven. Doch langzamerhand tot herinnering komende, werd het haar duidelijk, dat zij nog tot het rijk der levenden behoorde. Zij lag in het gasthuis eener Zanzibarsche christelijke zending. Hoe zij daar beland was, vernam zij van de zusters van barmhartigheid, dio haar vertelden, hoe een jonge, vrije neger, op do jakhalzen-jacht zich naar den Godsakker had hegeven, waar dat roofgedierte op zijn prooi loert. Juist op het oognnblik, dat de zieltogende slavin gebeten werd, lost de neger een schot, dat den jakhals op de vlucht jaagt. Zoo ontdekte hij het meisje, dat nog ademde en bespeurde hij nog een nauwelijks voelbare hartklopping. Met deernis vervuld, tilt hij hot schepseltje op en draagthet naar een zendingshuis. Een ziekenkamer was gereed, waar men de van oen gapenden grafrand geredde slavin van stonden aan zorgvuldig verpleegde. Het dunne levensdraadje wordt langzamerhand

K-_-____________________________—--

-ocr page 160-

steviger, het geknakte kind mocht allengskens herstellen. Onder zorgvuldige en trouwhartige verpleging keerde de gezondheid terug, welke voor Suema een groote en toch niet de grootste schat was, welke haar in het gasthuis ten deele viel. Haar lichaam werd versterkt en haar ziel gereinigd. Hoe duur zij in hoogeren zin was gekocht, niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, leerde men haar van stukje tot beetje inzien, totdat zij eindelijk ten volle kon begrijpen, hoe zij door een liefde werd gezocht en opgekweekt, welke moederliefde verre te boven gaat. In het ontvankelijk hart der slavin was plaats voor den Christus, die er in woonde door hot geloof. Het geestelijk leven ontkiemde, wies op en verkreeg wasdom, zoodat de christin den bloedgierigen heiden en den geldgierigen mohammedaan vergaf en als dis-cipelin van Jezus bad voor die haar geweld aandeden.

Suema, opwassende heide in de genade en de kennis van onzen Heere Jezus Christus, werd barmhartige zusier en. . . . hier leg ik de pen neder, \'k Zou ontrouw worden aan mijn zegsman, dien ik soms op den voet volgde, door zijn geloofwaardig verhaal romantisch op te sieren. Blijve verborgen voor hoeveion de christin Suema ten zegen is geweest, totdat men haar naam zal lezen in het boek des levens, het gedenkboek voor Gods aangezicht!

Welk een aandoontijkn geschiedenis, die van Suema de slavin! Ook bij gemis van ket zich verheffend slot, waardoor hot verhaal in plaats van met oen uitroepingstee-ken, met een bedenkelijk vmagteeken zou dienen te eindigen, worden in en tusschen de regels de nood en de

-ocr page 161-

behoefte van Afrika openbaar. De stikdonkere nacht van het heidendom en het halve maanlicht van het mohammedanisme roepen ons toe : meer licht, meer licht! Enkele levensteekenen op het doodenveld en een ster hier en daar aan den donkeren hemel verlevendigen de hoop, dat de dageraad eenmaal zal doorbreken. De door heidenen bevorderde en door den Islam gedulde slavernij houdt Noord- Zuid- en Midden-Afrika in stikdon keren nacht en gruwzame ongerechtigheid; doch de aan den hemel prijkende zon der gerechtigheid zal, als licht der wereld, eenmaal alomme schijnen.

Suema de christin, een tot zuster van barmhartigheid wedergeborene, is profetes, dat er ook voor de twee honderd millioenen Afrikanen een Christus verschenen is. Eenmaal — die gelooven haasten niet — zal als heil- en wekstem het levenswoord in het donkere werelddeel weerklinken: „Over u zal de Heer opstaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Maak u op, wordt verlicht, want uw licht komt.quot;

Den Ild\'i;/.

J. Herman de Ridder.

-ocr page 162-

- 153 -

RT

Luk. B : 13 En Hij, de hand uitstrekkende rankte hem aan, en zeide: I/lt; wil, word gereinigd!

Zoolang ik Icrank en zwak, en vol v.an zondevlekken,

Getracht heb voor Gods lieilig oog D\'onreinheid van mijn hart zorgvuldig te bedekken,

Eu dus mijzelf bedroog;

Heb ik, bij \'t diep besef van ongerechtigheden Waarmeö \'k tot God niet durfde gaan, Het schuldverzoenend bloed mijns Heilands wel beleden.

Maar toch van ver gestaan.

Maar sinds ik met de beê ben tot uw troon gekomen.

Gij kunt Heer, reinig mij van schuld!

Heb \'k, Heiland! uit uw mond het antwoord ook vernomen;

„Ik heb uw beê vervuld.quot;

Gij laat die tot u komt, niet op genezing wachten,

\'t Bloed is geplengd, de schuld voldaan !

Gij zult in Eeuwigheid geen boeteling verachten.

Gij raakt d\'onrciiinleu lt;11111!

K.______..........51

-ocr page 163-

Met schuld beladen ziel laat u tot Jezus drijven,

Wil luistren naar zijn liefdestem!

Bij Hem alleen is rust, hier kunt gij eeuwig blijven ;

Kom heden nog tot Hem!

Kom heden nog tot Hem om nooit van Hem te scheiden.

Die zeeg\'nend tot ons komen wou;

Laat ons van ganscher hart alom Zijn lof verbreiden, Vermelden van Zijn trouw.

Verlosser neen, gij vraagt geen dankb\'re vreugdepsalmen,

„Zeg niemand ietsquot; luidt uw gebod.

Wal, zoo \'k do wereld van mijn lofzang deed weergalmen,

En leefde ver van God ? 1 \'k Wil daaglijks in \'t gebed voor u de knieën buigen,

U naadren, hoe onrein ik zij,

En door mijn wandel. Heer, van uw gena getuigen: Gij wilt mij reinigen ook mij!

M ARIA.

-ocr page 164-

— 155 —

quot;VOOR DE LEVENSREIS.

I.

„TSTiets is dwazer en gevaar-1 ij 1lt; e r, dan ine d olij d en met

zich zeiven te hebbenquot; * ♦ *

Medelijden met onszelven hebben wij, zoo dikwijls wij ons met groote teergevoeligheid beklagen, \'t Is alsof wij bij onszelven néderknielen, onze band vatten, ons hoofd tegen ons aan laten rusten, met groote meewarigheid naar onze klachten luisteren. Neen, zooals wij lijden lijdt toch ook bijna niemand, en dut wij zoo lijden moeten, dat is toch ook niet billijk. Noemen wij dit dwaas, \'t schijnt\'wel zeer hardvochtig en ongevoelig, maar \'t is eenvoudig do waarheid. Want ót\' het lijdon , dat ons in onze eigene \' oogen beklagenswaardig maakt, is verdiend, onze eigen schuld; óf het is buiten onze schuld, geheel onverdiend, ons toegezonden. In \'t laatste geval hebben wij het te bescbouwen als ons door God beschikt tot onze beproeving, loutering, oefening, heiliging. Maar dan behoeven wij toch waarlijk geen modelijden met ons-

-ocr page 165-

zeiven te hebben. Acht liet voor grooto vreugde, mijne broeders, zegt de Apostel Jacobus in zulk een geval. Nu wordt ook duidelijk, waarom bet hier bedoelde medelijden nint nlleen zeer dwaas, maar nok zeer gevaarlijk mag genoemd worden. Alle lijden, onverschillig of wij \'t ons zeiven op den hals hebben gehaald, dan of God het ons toezendt, zonder dat wij het bepaald verdiend hebben, kan hoogst heilzaam op ons werken. Maar dit zal niet plaats vinden, indien wij ons gaan beklagen als waren wij verongelijkt. . . Vergeten wij voorts niet, dat wij ten laatste volstrekt geen aanspraak hebben op een levenstoestand, waarin wij voor alle lijden onbereikbaar zijn; dat wij als zondaren het recht op een volmaakten aard-schen gelukstaat hebben verbeurd; dan zal ons wel de lust vergaan, om ooit tot onszelven te zeggen: Ook gij in lijden? Ach, mocht die bittere kelk u niet worden gespaard? Waarom moet ook juist gij door verdrukking ingaan in \'t koninkrijk Gods?

II.

• Schiet wortel waar God u plaatst; ga aan het werk en leef.quot;

* * *

Ontevredenheid is in vele kringen aan de orde van den dag, en emancipatie voor niet weinigen een hoogst belangrijk vraagstuk. Indien ieder eens begon met hetgeen Wiiannede lang niet allen eindigen, zich te beschouwen nis door Gnd, niet door een toeval, niet door het noodlot,

-ocr page 166-

maar door God geplaatst in den kring, waarin bij door geboorte en natuurlijken loop van levensomstandigheden zich bevindt, menigeen zou zich van een zekere ontevredenheid emancipeeren, die niet dan schadelijk, immers verlammend, werkt. Zijt gij tevreden met de plaats, die gij u aangewezen ziet? Misschien niet volkomen. Daardoor zijt gij dan ook niet volkomen gelukkig voor uw gevoel. O ja, het kon nog veel ongelukkiger. Gij hebt veel dat anderen missen, en gij wilt niet ondankbaar zijn. Maar hadt gij alles zelf mogen en kunnen beschikken, gij zoudt zeker beter gestemd zijn. Derhalve weet gij het beter dan God, en zou de wereld er zeker vrij wat beter uitzien dan thans, indien gij het wereldbestuur in handen hadt. Mogen wij u eens iets zeggen ? Misschien zou de wereld zich in een beter licht aan u gaan vertoonen, en dat gedeelte der wereld, waartoe gij behoort, in een beteren toestand gaan verkeeren, indien gij eens handen aan het werk sloegt, indien gij deedt, met grooter getrouwheid deedt, wat uwe handt vindt om te doen in uwe allernaaste omgeving. Schiet wortel waar God u plaatst; dat wil zeggen: voel u daar te huis, gewen u aan het ingaan in de sfeer, in welke Gods wijsheid u geplaatst heeft, en eindig eens met iets anders te willen en te zoeken, dan hetgeen God u voor de hand en voor den voet heeft gelegd. Gij behoeft u daarom niet te onttrekken aan ruimer en wijder en interessanter werkkring. Maar begin toch goed te vinden wat de Opperste Wijsheid, waaraan gij toch ook gelooft, voor u heeft beschikt! Wil eene plant zijn, die rustig voortgaat in den haar aangewezen grond wortelen te schieten. De u toegewezen arbeid, met getrouwheid volbracht, zal u vreugde geven, ook al laat de vrucht

-ocr page 167-

— 158 —

nog op zich wachten. Hij leeft waarlijk, die in God, dat is in Gods gemeenschap leeft, en in Gods gemeenschap leeft hij, die God naar do oogen ziet, zich regelende naar het antwoord op de vraag: Wat wilt Gij, dat ik doen zal?

III.

„Als ik tegen d e z o n d e s t r ij d in eigen krach t, d a n w e e t de duivel wel, dat li ij gerust een slaapje k^ugaan d o o n.quot;

* » »

leder oprecht en alzoo rechtgeloovig Christen is er van overtuigd, dat hij tegen de zonde on den duivel moet strijden. Zonde en duivel noemt hij in ( •\'■mm adem. Den duivel te vriend houden komt niet in hem op, en daarom wil hij ook do zonde niet aan de hand houden, maar veeleer aller zonde vijand zijn en zich zoodanig be-toonen. Een en ander zeer voortreflijk. Maar wat het strijden tegen de zonde aangaat, hebben wij, zoovelen wij rei-htgelo\'-vige en derhalve oprecht geloovigo Christenen wenschen te zijn, wel in hot oog te houden, dat het onder eéne voorwaarde ook een strijden tegen den duivel is, namelijk, wanneer wij het niet doen in eigen kracht. Ziet eens, onze eigen kracht, dat is onze kracht als uit ons en niet uit den Heiligen Geest, is tegenover de zonde krachteloos. Uit onszelven willen wij wel zondigen. Doortastende maatregelen tegen de zonde in ons nemen wij niet, tenzij dan door de kracht des Heiligen Geestes.

-ocr page 168-

Nu begrijpt gij toch wel, dat do duivel zich in het minst niet over zijn invloed op u verontrust, zoo gij den strijd tesren de eene of andere zonde in u geheel voor uwe eigen rekening neemt. Als vijand wordt gij eerst geducht voor hem, wanneer gij de geheele wapenrusting Gods aandoet. Zoolang gij meent hot buiten haar te kunnen stellen, begrijpt de duivel zeer goed, dat hij met betrekking tot u vooreerst nog gerust kan zijn. Maar zoudt gij u dan ook wellicht over uzelven moeten verontrusten?

IV.

„Voordat wij over d e ver ij d e-lingvanonze verwachtingen verstoord worde n, m ogen w ij w e 1 v r a g e n, w e 11c recht w ij hadden om onze b e g e e r t e vervuld te zien.quot;

* ♦ ♦

Het leven is zonder twijfel vol teleurstellingen; maar grootendeels hebben wij dat aan onszelven te wijten. Waarom verwachten wij ook allerlei van de toekomst, zonder dat wij er eenigen grond voor hebben? Er zijn tweeërlei teleurstellingen; die, welke ons toegezonden worden, en die, welke wij onszelven op den hals halen. De eerste treffen ons, wanneer ons op do eene of andere wijze iets beloofd is, en de belofte niet vervuld wordt.

Teleurgestelde verwachting is altijd pijnlijk..... Zeer

dikwijls verwachten wij echter iets, zonder dat wij er eenigen grond voor hebben, alleen omdat het niet on-

-ocr page 169-

mogelijk is dat wij \'t verkrijgen, en wij het zoo gaarne deoliichtig zouden worden, \'t Spreekt van zelt, dat, daalde vervulling van de verwachting door niets gewaarborgd is, het naar den raensch gesproken wel toevallig zou zijn, indien wij niet werden teleurgesteld. Deze sooit \\aii teleurstellingen doet ons in den regel nog pijnlijker aan, dan de eerste, omdat wij het eigenlijk zeiven zijn, die de toezegging hebben gegeven, en daarbij te rade gingen met de begeerten onzes harten. O dat wij nu juist hierin onze verwachting moesten verijdeld zien! Dat valt zwaar te dragen..... Als iemand zich bij u over teleui gestelde verwachting beklaagt, wijs er hem dan op, dat

God ons nimmer teleurstellen zal, daar Hij de onveranderlijk getrouwe en almachtige is, zoodat men, om tegen alle teleurstelling volkomen beveiligd te zijn, eigenlijk alleen do van God ontvangen beloften als volstrekt betrouwbaar beschouwen moet.

V.

,Dikwijls binden wij zooveel aan onze ziel, dat zij op een vlieger gel ij kt, die niet op kan gaan, omdat

de staart te zwaar is.quot;

* * *

Een vlieger oplaten, dat is nog niet eens zoo gemakkelijk. Allerlei moet medewerken. Zonder lucht zou t niet gaan; eene zekere handigheid is er bij noodig. De vlieger zelf moet aan bepaalde voorwaarden voldoen.

-ocr page 170-

Denk aan den staart, die bijvoorbeeld te zwaar zou kunnen zijn. Aan zulk een geval is bij de hierboven aangehaalde woorden gedacht. Dat de vlieger niet opgaat zou ook wel aan den staart kunnen liggen. Er is te veel aan den vlieger vastgehecht. Maak hein wat lichter en \'t zal wel gaan. In het minst niet gezocht is de vergelijking met onze ziel, of met ons hart, of met onzen geestelijken mensch, of hoe gij het hoogere in ons noemen wilt. Want er is iets hoogers in ons, dan wat tot de sfeer van vleesch en bloed behoort. Dat hoogere nu, noemen wij het maar de ziel, het moet zich verhetfen boven de stoffelijke wereld, hoven de stoffelijke en tijdelijke belangen, boven het bemoeien en streven van het aardsche, vergankelijke leven, \'t Hart naar boven, bier beneden is het niet; dit moet het hoogere in ons verstaan en begrijpen, en als het dit hoort moet het zich met vreugde verheffen tot Hein, die den mensch nog iets meer dan een stoffelijk lichaam gaf. Maar dikwijls verhinderen wij dit opwaarts stijgen, doordat wij ons geheel laten innemen door de zorgen en bezwaren, door de werkzaamheden en invloeden van het tijdelijke leven, door op breede schaal, maar met een minder edel doel, te doen wat Martha deed, toen hare zuster Maria het goede dool koos. Wilt gij uwe ziel zich vrij in do vrije lucht laten verheffen, verhinder haar dan niet door haar te belasten, door haar naar beneden te trekken, daar gij uzelven verdiept in het stof, in plaats van op vleugelen dos gebeds en der hemelsgezinde gedachten opwaarts te slijgen. Laat nwe ziel vrij, en zij zal wel gaan waai\' zij te buis behoort, on zij voert u mede, en gij zult niet behoeven te zuchten : o Mijn ziel, wat buigt ge u neder. Laat den vlie-

1 1

-ocr page 171-

— 162 -

K----------

ger maar eens werkelijk vrij. Indien dim do Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn, zegt Jezus.

,In een g e z e 11 i g, g o e d v o r-warmd, vertrek gezeten, zal men in o ogen blikken v a n g e e s t cl ij k o o p ge w c k t-heid zich in staat achten, Om voor den Heer honger, dorst, gevaar, naaktheid, het zwaard te trotseeren, en als men do kamer verlaten heeft zal men den m o e d v e r 1 i o z e n o m d e n Heer voor zijne vijanden te lie 1 ij d e n.quot;

* * *

Beoordeel u toch niet naar hetgeen waartoe gij u in st ;iat arlit, maar naar hetgeen waartoe gij gebleken zijl: iu staat te zijn, en waardeer u niet naar uwe voornemens, maar naar hetgeen gij ten uitvoer hebt gebracht. De geloovige Christen kent zicli zeiven niet, indien hij alleen het oog houdt op hetgeen hij voor den Heer gevoelt in zijne stille, rustige, veilige binnenkamer, en up hetgeen hij voor den Heer doen zou, indien er eens moeilijke dagen en booze tijden aanbraken, \'t Is niet anders; zoolang men niet op do martelaarsproef is gesteld, heeft men niet kunnen bewijzen, dat men met

■ .

-ocr page 172-

— 1C3 —

----

!

martelaarsmoed is vervuld en martelaarsbloed in de aderen heeft. „Meent gij, dat ik don Heer verloochenen zou, als ik geroepen word om Hem te belijden ? Ik belijd Hem immers dagelijks, en nooit heeft men mij nog hooren verklaren, dat ik Hem niet ken.quot; Vooral in oo-genblikken van opgewekt godsdienstig gevoel, onder eeno aangrijpende preek, aan de Avondmaalstafel, in een kring van warme vrienden des Heeren, zullen wij alles voor den Heer overhebben, en, \'t verschrikkelijk vinden niet even als Petrus met den Heer in de gevangenis en in den dood te gaan. Bij Petrus is \'t wel niet verder dan de verklaring gekomen, maar van ons zal men, als het zoo ver komt, nog iets anders zien. Zoo meent dezelfde, die kort daarna onder niet-geloovigen niets laat bemerken van zijne betrekking tot den Heer. Hij wil geen paarlen voor de zwijnen werpen, en het heilige niet den honden geven. Hij zegt niet, dat Hij den Heer niet kent. Hij zegt niets. Valsclie schaamte overvalt menigeen, die in zijne eigene schatting de vrijmoedigheid in eigen persoon is. Het veel to lioogen prijs stellen op menscbeneer maakt velen veel te „bedachtzaam.quot;1 Er is waarlijk geen uitgetogen zwaard, geen akelig kerkerhol, geen dreigende brandstapel noodig, om iemand veel minder te doen zeggen, dan hij zich had voorgenomen, en veel zwakker in zijn belijden te maken, dan hij zich voorstelde te zullen zijn, wanneer hij tot „getuigenquot; zou worden geroepen. Nu bedoelen wij volstrekt niet, dat ons getuigen en belijden van Christus steeds, of althans somtijds, opzienbarend behoort te zijn. Wjj bedoelen alleen, dit de verwachting, die wij van onze vrijmoedigheid en getrouwheid in \'t openlijk belijden van Christus hebben, zeer

-ocr page 173-

- 16-i —

dikwijls blijkt, eigenlijk veel te lioog gespannen te zijn geweest.

VII.

„Bij \'t verhuizen doet men weg wat in de nieuwe woning niet past. quot;Verhuizen zullen wij allen. Zijn wij al aan het weg-d o e ii b eg o n n e n ?quot;

* * *

Verhuizen zullen wij allen — ja — maar aan het wegdoen van hetgeen niet [uist in de nieuwe woning begint ir.en toch niet, voordat het werkelijk tot verhuizen komt. Waartoe zal ik reeds eenige maanden of weken te voren met dat wegdoen beginnen? Geen zorgen vóór den tijd. —• Volkomen juist, namelijk in geval de tijd van verhuizen bepaald en bekend is. Maar zijn wij met betrekking tot het verhuizen, dat ons bij ons levenseinde waeht, veel wijzer dan vader Izaiik, de zoon van Abraham? Hij verklaarde, den dag zijns doods niet te weten. Gij, die dit leest, weet waarschijnlijk evenmin den dag uws doods. Nu gaat het met het wegdoen van hetgeen in de nieuwe woning niet voegt bij \'t sterven geenszins zoo vlug, als met het wegdoen van niet passend huisr. ud bij verandering van een aardsche woning. Moet gij nog een weinig hoogmoed van de hand doen, nog een weinig zelfzucht afleggen, nog een weinig aardsgezind-heid overwinnen ... \'t is de vraag, of gij dit tot do

-ocr page 174-

laatste ure zult mogen uitstellen, als zou dat dan liet werk van een oogenblik kunnen zijn. Zoo de dood eens onverwacht kwam, de verhuizing eens plotselijk aangezegd werd, zooals in de gelijkenis van den rijken dwaas, wat dan ? Bij dit alles hebben wij nu gesproken, alsof de nieuwe woning in den hemel zal te vinden zijn. Heeft iemand echter in waarheid niet uen miiisten grond voor de hoop, dat hij van hier gaande het liemelsohe Jeruzalem binnen zal treden, dan behoorde wel de eerste zorg te zijn — daar wij toch allen eenmaal zeker moeten „verhuizenquot; — de noodige maatregelen te nemen, om zich voor de jongste ure een goed onderkomen te verzekeren. Dit nu verdient inzonderheid tijdig te worden gedaan, opdat het niet ga, als in \'t geval der dwaze maagdon. Zij waren niet gereed om met den Bruidegom in te gaan. —-

J. I. Dobdes,

-ocr page 175-

B E D E.

O mijn Heiland! arm geworden,

Om mij rijk te maken. Ooef Dat ik teeder U beminne,

Nooit iets doe, wensch\' of verzinne. Wat Uw hoog gobod wefirstreev\'!

O mijn Heiland! Maak m\' ootmoedig!

Och! verneder Gij dit hart,

Steeds zóo trotsch, zich zelf verheffend. Maar Uw grootheid niet beseffend .... Maak mij klein door vreugde en smart!

Wat ik heb .... blijft eeuwig \'t Uwe!

Wat in\' Uw liefde geeft, is goed. \'k Vraag geen schitterende gaven ;

Slechts Uw vreê kan zielen laven In een hemelsche overvloed.

Laat mij zinken aan Uw voeten!

Rusten aan Uw hart, o Heer!

Laat m\' U volgen, rustig, blijde ;

Jezus! blijf Gij aan mijn zijde.

En mijn harte wenscht niets meer.

-ocr page 176-

167 —

---------------S?

O! \'fc kan stormen in dit harte.

Jezus! leg die stormen neêr!

Gij kunt al d\' orkanen binden,

Heerschend over vloed en winden:

\'t Zijn Uw dienaars, machtig Heer!

Geef m\' Uw vrede! Laat mijn schee2jje

Drijven naar de hemelkust!

Laat goen Aard mij van U scheiden,

Blijf mij hiér en ginds bereiden Onverstoorbre zielerust!

Y. 1). Mulleii Massis.

Groningen, 2 Sept. \'84.

-ocr page 177-

— 168 —

MIJNE llEl.MNXEKIXdEN AAN DE EVANGELISCHE A L L IA N TIE-VElt G A Ü E RING E N.

30 Aug.—7 September te Kopenhagen.

Wanneer men aan een vollen, luisterrijken maaltijd, vol uitheerascho gerechten, heeft mogen aanzitten, kan men onmogelijk van eiken schotel vrrslag geven, omdat men onmogelijk van eiken schotel heeft kunnen medege-nieten. Zulk een geestelijke maaltijd waren mij de laatst bijgewoonde vergaderingen der internationale Evangelische Alliantie in Kopenhagen. Er word den aanwezigen veel, zeer veel geboden in Deeusche, Engelsche, Duitsche, Zweedsche en Fransche Talen. Daarom kan ik niet meer dan mijne persoonlijke indrukken weergeven, en dat doe ik gaarne ; maar maak ik op iets, dat naar een volledig verslag gelijkt, geene de minste aanspraak.

De Godskracht van het Evangelie, van het levend christengeloof komt m. i. nergens heerlijker uit dan bij zulke samenkomsten. In de heidenwereld, zelfs bij de beschaafde Grieken «mi Uomeinen en Chinezen, waren en

-ocr page 178-

- 109 —

K-------------------------------25

zijn de woorden vreemdeling en vijand van dezelfde be-teekenis, synoniema, omdat een vreemdeling als zoodanig als vijand werd aangezien. Ook speelt in de Staatkunde der christenvolken de zelfzucht altoos eeno hoofdrol.

Maar ziet, hier komen belijders van Jezus Christus uit velerlei landen en volken, in velerlei talen en tongen broederlijk samen, drukken elkander de hand, loven als uit één mond en hart, denzelfden God on Verlosser, en bewijzen elkander allerlei liefdebetoon. Is dat niet een voortzetting van het eerste christen-pinksterfeest ? Wordt zóó niet de overgang gemaakt van het Babel der verwarring naar het Sion der kinderen Gods?... Daarom zijn en blijven mij de twee Evangelische-Alliantie-ver-gaderingen, die ik mocht bijwonen^ die te Amsterdam,

anno 1867, en nu deze te Kopenhagen, de schoonste, leerrijkste en hartverheffendste van de vele samenkomsten, die ik in mijne niet korte levensbaan van 73 jaren mocht medegenieten.

Zaterdag-avond 30 Aug. had de officieele begroeting plaats in de groote Universiteit-zaal, versierd met de nationale vlaggen der landen, uit welke deelnemende gasten aanwezig waren.

Hoe indrukwekkend klonk uit de monden en harten der overtalrijke schare de klassieke Hervormings-psalm; ..Ein feste Burg ist unser Gott,quot; in Deensche, Duitsche, Engelsche en Franscho talen! — Bij den ingang was een expresselijk hiertoe vervaardigde bundel van 7!) Gezangen in de vier genoemde talen voor enne kleinigheid verkrijgbaar gesteld. Luther, Grundtvig, Malan,

Viuet enz. las ik als vervaardigers. In Scandinavië heeten Evangelische Gezangen Psalmen.

%

-ocr page 179-

Daarop volgde een breedvoerig, hartelijk welkom! bij monde van don hoogeerwaarden grijzen president, Dr. Kalkar, een rechten Abrahamszoon \'). Puntig en welsprekend richtte hij zich achtereenvolgens tot de stamverwante Deenen, Nooren, Zweden, dan tot de Engelschen, Amerikanen, Duitschers, Hollanders, Pranschen en Zwitsers; tot de Lutherschen, Gereformeerden, Methodisten en Hernhutters. Hij sprak in do Deensche landstaal, maar eene gedrukte Engelsche vertaling werd door de vele wakkere dienstdoende Hulp-commissarissen onder de hand verspreid. Nu volgden de afgevaardigden. De Lord-mayor van Londen, Dr. Hall van New-York, Graaf Bornstorff uit Berlijn, de predikanten Recolin en de Pres-scnsó uit Parijs, kolonel von Btthren uit Zwitserland, Graaf van Bylandt uit \'s Hage, Frof. Skarstedt uit Zweden, do predikant Schmidt uit Christiansfeld (Broedergemeente). Deze brachten achtereenvolgens hunne groeten en zegenbeden, welke door den Secretaris, proopst Vahl, of door den president Kalkar, elk in hun eigen taal werden beantwoord. Een statig Halleluja-Amen! door geoefend koorgezang besloot deze inleidende samenkomst.

Zondag 31 Aug. kon elk zijne stichting zoeken, waar hem best dacht. Ik vond ze in de duitsche kerk onder \'t gehoor van Prof. C/iristlii h uit Bonn, die treffend en indringend predikte voor eene groote schaar over des christens wedloop, naar 1 Kor. 24;—27. Wat onze van Ooster-

1). fu Nederland door bekroonde prijsschriften en zijne in het Dnitscli vertnalde uitvoerige Orsrjichte der rhristelirhni Mission gt;inter ilfii Ihulrn, GiilfrsM IS-O, niet onbekend. Geboren Israëliet, gewezen Lutherscb predikant, l)r. in Theutnpe en Fhilosophic, bijna 82 jaar oud.

-ocr page 180-

— 171 —

sr--------------------------a

zee als de zwakke zij der duitsche predikers plag op te merken, hun gebrek aan toepassing, was bij deze preek niet toepasselijk.

Maandag morgen was ik tijdig in eene duitsche bidstond. Daarmede en met eene Engelsohe prayer-meeting werd elke dag begonnen. Maar ik, die met de mijnen bij eene christelijke familie was geherbergd, had diiilr don zegen des Allerhoogsten af te smeeken.

Deze en alle volgende vergaderingen hadden plaats in een der zalen van een groot daartoe ingericht gebouw, niet name Bethesda. In eene kleinere zaal beneden,

eene grootere boven, met seraphine-orgel en al het noodige voorzien, traden tegelijkertijd de officieele sprekers op van voorm. 10—1, nam 3—4i, \'s av. 7 ure. Tal van Hulp-pommissarissen zorgden voor de goede orde. Aan een aanzienlijk buitenlander werd hoffelijk doorgaans de voorzitterstoel ingeruimd en een broeder van andere natie werd verzocht, eer de spreker optrad, een gebed te doen. In de tusschenuren en des avonds was in een naburig lokaal gelegenheid ter verversching en gezellig samenzijn.

Bizonder heeft mij geleerd en gesticht Prof. Dr. Schajf uit New-York, Dinsdag avond sprekende over de roeping der Evang.-alliantie, klaar als kristal, in duitsche taal. Ik kan belangstellenden daarop wijzen in de dra ver-krijghare, gedrukte verhandelingen. De grondige Wur-temburgsche theoloog heeft door zijn 20jarig verblijf in Pensylvanie en New-York meer dan gewone wijde en heldere blikken verkregen in do dingen van het Godsrijk. Het deed mij daarom groot genoegen, dat onder de vele aandachtig luisterende toehoorders gezeten waren

i

amp;

L.__

-ocr page 181-

met talrijk gevolg de koningen en de koninginnen van Denemarken en Griekenland, de kroonprins en kroonprinses (van kalf Nederland sell bloede) — het verwekte zelfs mijn Hollundscli gevoel tot jaloerschlieid. — Na hem sprak in de Fransche taal lltcod. Mouod uit ! aiijs over onze gevaren, plichten, verwachtingen. De Mouod s zijn door vroegere relation in Kopenhagen zeer ten goede bekend. Mij was dit een onvergetelijke avond.

En daarop is een onvergetelijke dag gevolgd. Des voorin, hoorde ik Prof. Christlieh over de toenemende onverschilligheid omtrent godsdienst. Hij voerde sterk sprekende feiten en bewij/.en aan, noemde dit aanwassend indifferentismen, de voorbode van haat, van dweepende woede tegen al wat Heilig is, gaf eindelijk waarschuwing, wenken en wapenen daartegen; \'t was hoog ernstig.

\'s Nam. gemeenschappelijke uitvlucht per spoor naar Roctikilde, Deneinark\'s aloude hooidstad. Deze was geheel met vlaggen getooid. Eerst in de prachtig© domkerk toespraak van den domproopst en zijne drie medegeestelijken (Sit venia verbo, wij zijn in een Luthersch land, met Lutherscho hiërarchie). Daarna onthaal in een groot park, prachtige vergezichten op den weg daarheen. Toespraken van eene tribune als in onze Zendingsfeesten. Ten slotte heerlijk vocaal en instrumentaal geestelijk concert in de nu verlichte domkerk.

Donderdag leerde en stichtte mij Prof. Godet uit Neu-chalet over de (jronden run het gezag der Xieilw-Testa-vuntische Schrift. Hecht professoraal in den edelst,en zin des woords. Andermaal zaten kroonprins en gemalin onder de aandachtige hoorders. Later vernam ik, dat zij er ook des avonds waren geweest, loen de ïfoorsche

-ocr page 182-

— 173 -

----- -----------

predikant Munch uit Christiania over christel. moed en ruslhi\'ul in hut daydjksch levoi bail te verliandelen.

Na Godei hoorde ik Dr. Fabri iiit Barmen over het ivenacltelijk te rugheer en tot nposloliechen eenvoud; klaar en waar! Dit zelfde thema behandelde daarna Prof. Mjhrberg uit Upsala meer wetenschappelijk, vertolkende zelf zijne landstaal bij gedeelten in het Fransch.

Vrijdag sprak o. a. Dr. Gerth van Wijh uit \'s Hage, over de werken van christel. liefdadigheid in Nederland. Hoogduitsch. fk hoorde Dr. Dalton uit Petersburg over de prostitutie, geheel in den zin van onzen Pierson te Zetten, en dat in betoon van geest en kracht.

Zaterdag voorin, was aan do Heilige /ending gewijd, als bloem van den christelijken levensboom. Eerst sprak I\'s. De Ie Hoi uit Rlberfold over de Zending onder Israiil en maakte tastbaar dat de zoogenaamde Joden-kwestie, die Duitschland en geheel oostelijk Europa tegenwoordig beweegt, in den grond is ceuo religieuse kwestie en eerst in het Evangelie ham oplossing vindt. Daarop volgde Ds. van Rhjn over den tegen woord igen toestand der Zending in de Ilollandsehe holoniën.

Zaterdag av. plechtig slot. Dr. Clemanc.e uit Londen over don Doop des H. Geestes. Afscheidswoorden van Dr. Kalhar, Oir. Bernntor/l\', Rev. White, Jean Monod, Van Ihihren, l\'aido C(tlri}io (Wiildcnser en Hoogduitsch), l)s. Tophel (Geneve), lloehedieu (Brussel).

Ten slotte geestelijk concert in de schoon verlichte hoofdkerk — de vrouwenkerk — waarin Thorwaldsen\'s meesterstukken, Christus en de apostelen, prijken.

Amen! zei mijn hart het plechtig Amen, Amen ! na. ■

Zondag vierde ik in dn Fransch-Geref. kerk itièt kleine

-ocr page 183-

— 174 -

schaar hot H. Avondmaal, na stichtelijke predikatie van Ds. Becolin over liet: wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen, II Kor. 5:7. Toch een voorproef der aanschouwing had mij Gods genil dezer dagen verleend.

Maandag avond ving de terugreis aan over Korsör-Kid-Hamburg. Zoo ver Deensch gebied strekte werd ons deze finantieel uiterst gemakkelijk gemaakt als laatste wrldaad der ii\\ij en den mijnen bowezene, onvergetelijke c h r is t el ij k o gas tv r ij h e i d.

L. J. van liuiJK.

Doetiiirhfin, September 1884.

-ocr page 184-

NIET ZONDE li DOEL.

Ik zag een klein, klein bloemeken, Een bloemelcen op de hei,

\'Aoo blauw de. lucht, en heel hei; veld Zoo zonnig en zoo blij.

Ik bukte en plukte \'t bloemeken, Het bloemeken op de hoi.

Het koek mij aan als riep \'t mij toe: Hob deernis toch mot mij.

Het bloemeken is dra verdord,

Het bloemeken van de hoi, —

Maar doelloos niet, want immer is \'t Ten zegen nog van mij.

Schijnt donker en vaal soms do aarde mij toe, Dan zie \'k slechts mijn bloemeken aan,

En met zie ik ook woer die zonnige hei Vol geurende bloeraokens staan.

\\V. L. Wulte», Jli.

Hvimxtcde, Aug. 1881.

-ocr page 185-

176 —

C H A R L E S F O U R I E 11.

Op een zwoeleu middag in do maand Juli van het woelige jaar 1848 kuierden tweo mannen uit den hand-Wf-rksstund in do stad Frankfort, niet ver van hot huis waar de „millioetienbaronquot; von Rothschild woonde. Onze wandidaars schenen op hunne wij/.o gesproken te hebben over het „arbeidersvraagstuk,quot; en op hunne wijze meenden \'/Aj do oplossing gevonden te hebben. Die srhei\'ii nog al eenvoudig. „Het was toch immers met allo moeite uit, als ieder monsch genoog had om van te levenquot; y.eiilo een van do twee; en, op Rothschild\'s huis wijzende, ging hij voort: „nu, kijk zoo\'n rijken kerel, w.i irvoor hoel\'t die zooveel schatten noodig, terwijl wij\' ons in het, /.weet moeten werken voor een sober stuk brood Vquot; Maar vóór nog de andere iets antwoorden kon, kwam er een deftig, oud heer op hen af, dio niemand anders was dan die „rijke kerelquot; zelf. Hij had blijkbaar hel laatste gedeelte van het gesprek gehoord, althans hij sprak onze werklieden toe, en terwijl hij ieder hunner een goudstuk gaf, zeide hij: „ik ben zeer bereid om u beiden te geven; wat gij bij eeno mogolijke ver-

-ocr page 186-

— 177 —

--------------^

deeling zoudt ontvangen ; niaar, wanneer eens wezenlijk die dag mocht komen, dien gij wensrbt, vergeet dan niet dat gij uw deel ruim gehad hebt!quot;

Ik weet niet of onze arbeiders dankbaar geweest zijn voor de les, die hun in ieder geval op eene aangename wijze was gegeven; maar dit weten wij dat zij evenmin de eersten als do laats ten geweest zijn, bij wie zulke dwaze wensehen zijn opgekomen. „Dat is wel non bewijs hoe do mensch van nature tot zonde geneigd is\'\' zul misschien iemand zeggen. Maar het is toch even goed een bewijs van don trek naar hot ideale, die den mensch is ingeschapen; want hoewel hij onophoudelijk mistast, hij kan toch het tasten niet laten. Hij verlangt een hemel op narde, omdat hij voor den homol geschapen is; een paradijs, omdat hij uit oen paradijs is gesproten. En welk een sterk voorgevoel van do heerlijkheid, waarvoor hij bestemd is, in des menschen hart kan wonen, dat heeft wel de man getoond, met wien ik u, waarde lezer, gaarne eenige oogenblikken wehsöh bezig te houden.

Ik bedoel Charles Fourier; geboren den 7,\'\'!quot; April van het jaar 1772. Hij zag het levenslicht in üesangon, en was het kind van welgestelde burgers. Toon zijn vader, in Juli van het jaar 1781, stierf liet hij twee honderd duizend franken na, die hij ais lakenhandelaar had verdiend, en waarvan onze Charles twee vijfden, zijne moedor en zijne beide zusters ieder één vijfde deel kreeg. Charles was een vroeg ontwikkeld kind met voel waarheidszin en natuurlijke goedhartigheid. Grooten en ver-warrenden indruk maakte het eens op hem dat hij, als vijfjarig kind, bestraft werd omdat iiij de waarheid gezegd had, eene waarheid echter die op dat ocgenblik in zijns

12

-ocr page 187-

vaders zaken geen voordeel aanbracht. Zijne aangeborene goedhartigheid bleek onder meer hieruit, dat hij jaren achtereen aan een kreupelen jongen, dien hij op weg naar zijne school ontmoette, de helft van zijn boterham gaf. Het liefst ware hij bij de genie geplaatst geworden ; maar dewijl men in die dagen, om bij dat wapen te komen van adel moest zijn, trad hij niet in den krijgsdienst, maar ging, wat zijn vader immers ook gedaan had, in den liikenhandcl. Tot 1700 is on/.o Charles nu handelsreiziger. [ntusschen was zijne moedor niet gelukkig in den lakenhandel geweest, zij kon aan haren zoon niet meer dan do helft van zijn vermogen, nagenoeg ■10000 francs teruggeven; en deze deed, wat in die dagen een goed mMdel was om ook do andere helft te verliezen, hij ging specnleeren in koloniale waren. Ook hij heeft daarvan maar weinig voordeel geplukt. In Lyon werden zijne balen katoen in de barrikades gestopt; zijr) suiker en zijne rijst door de opstandelingen opgebruikt, en hij zelf mocht blijde zijn dat hij er hot leven al bracht. Zoo werd hij nu weder handelsreiziger, en in die betrekking doet hij, in 1710, in Marseille wat hij zijne „ontdekkingquot; noemde. Hij moet daar op last van zijne meesters enne groote hoeveelheid verrotte rijst in zee werpen, en dat op een oogenblik dat er nagenoeg hongersnood was. Uit geldzucht hadden de patroons gnspivuleord, en waren met hun schandelijke speculatie nog verkeerd uitgekomen. Maar onze Charles kon var: dien oogenblik aan den indruk nii\'t langer weeren : .het samenstel der maatschappij deugt niet.quot;\' En in deze overtuiging wordt hij zeer versterkt toen hem in Parijs, voor een appel, vjjftien malen de prijs wordt gevraagd, voor wolken hij in Normandië dezelfde

-ocr page 188-

vracht kan hebben. — liet samenstel der maatschappij deugt niet, zegt Fourier, en hij blijft het zeggen. Het moet en kan anders worden, gaat hij bij zich zeiven voort; maar hoe nu die andere en betere inrichting te krijgen ? Ziedaar liet moeilijke vraagstuk, waarover hij negen jaren lang blijft peinzen. Van 1803 tot 1808 wordt er niets van hem gedrukt; hij is meer en meer in zichzelven gekeerd en teruggetrokken; geheel ingenomen door zijne idée. In 1808 geeft hij te Lyon een boek uit waarin hij zijne plannen ontwikkelt.; langzamerhand heeft hij oen blik op zijn stelsel gekregen. En vol vertrouwen verzoekt hij do wereld om er ook een blik in te slaan.

Om de wereld te hervormen, zegt Fourier, is er behoefte aan eenheid en genot. Eenheid komt er als er gezelligheid is; en genot wordt goedkoop wanneer men niet telkens voor ieder persoon afzonderlijk uitga vors heeft te doen. Zoo heeft hij er op bedacht dat .\'gt;00 hui^e-zinnen moesten samenwonen ; zij vormen dan samen een phalunx. Hunne woning, liever nog hun blok luü/.cn heet phalanstère. Dit blok huizon dat met den tuin, die er bij behoort (wandel- en moestuin) een vierkante mijl beslaat, bevat één openbare keukon, verschillende zalen, cnie boekerij, eene comedie en verschillende particuliere woningen. De drie honderd hnisgezinnèn moeten samen 1600 personen bevatten, maar talrijker dan 2000 mogen zij niet zijn. Zijn er meer dan dit getal, dan wordt de overvloed weggezonden, bij andere phalanstóres gevoegd, die nog niet vol zijn, of wanneer er geen plaats in de bestaande of geene genoegzame ruimte voor nieuwe plia-

-ocr page 189-

lanstères is, dan wordt hetgeen er te veel is uit het land gezet. Zoo zou Frankrijk (in die dagen) al 6 millioen rnenschen te veel gehad hebben, en hoewel het hu zeker niet aangenaam voor die geboren Pranschen is, om als overtollige Franschen buiten Frankrijk gezet te worden, — daar staat tegenover dat het voor do ove.rblijvenden een genot is om do ruimte te hebben!

In zulk een phalanstère nu heeft ieder huisgezin /.ijne eigene woning; en die woning is fraaier of minder fraai al naarmate do bewoner daarvoor moor of minder kan betalen. Want het betalen kan ook in die maatschappij, helaas! niet worden afgeschaft; en daaruit vloeit van zelf voort dat er ook daar onderscheid zal zijn van arm en rijk. Dat ix ook zoo, zegt Fourier, dat onderscheid is niet weg to cijferen, en dat zal nooit mogelijk, maar ook niet noodzakelijk zijn. Ieder brengt bij deze maatschappij iels in, kapitaal, talent of werk, en nu, naarmate hij inbrengt, naar diezelfde mate ook mag hij ontvangen. Ook wordt niet voor de hoofden van huisgezinnen hoek gehouden, maar voor ieder persoon afzonderlijk, en men wordt niet betaald in geld, maar in rekeningen.

Aan het hoofd van iedere phalanx staat een hoofdman, monarch. Verschillende \'van zulke reusachtige huisgezinnen s!a;m weer met elkaar in verbinding; en liet ideaal is dat heel de maatschappij en heel do wereld op deze wijze socialistisch zal ingericht zijn; dan zal aan het hoofd van het aldus hervormd menschdoin één persoon staan, omnia rcli geheeten.

Maar dat is gemakkelijk op papier gezet; doch hoe wordt dat nu werkelijkhei l ? Mud. daar iemand komen die met wn inacliliir talent, met liet d ver wicht van .•m

-ocr page 190-

- 181 —

fcT

\'

kraclitigen geest de mensclien tot gedweeheid dwingt en ze wringt in liet keurslijf van deze inrichting ? Neen. Do mensohen zeiven zullen het begeeren. De inwendige drijfveer wordt de hartstocht; de lust, die ieder mensch tot zijn bepaalden arbeid gevoelt. Ieder mensch heeft lust in eenigen arbeid, zegt Fourier, maar thans is de, arbeid voor de meeste mensohen een vloek, dewijl zij moeten doen waar zij geen lust in hebben. In die nieuwe maatschappij echter zal ieder arbeiden uit hartstocht; zoodat niemand iets behoeft te doon, daar bij geen lust toe heeft. Eu als zoo iemand nu wispelturig is ? Ook daarop is gerekend; bij de drijfveer van den hartstocht komt nu ook nog die der afwisseling. Nieni;ind mag langer dan anderhalf uur achteréén aan eenzelfde werk arbeiden, zoodat er velerlei werk op één dag wordt verricht. Dan zal de gezelligheid hier haar zegen vinden. Want, dewijl „gelijkquot; gelijk aantrekt, zoo komen do groepen uit hartstocht bij elkander. Do gezelligheid en de wedijver, (van do éóne groep mot de andere) zullen machtige steunpilaren van het stelsel zijn.

Alles wordt in deze maatschnppij door den hartstocht bezield. De keukenmeid zal uit hartstocht kooken, en de eetlust zal, behalve een lust, ook een deugd zijn. De opvoeding der kinderen wordt door dien hartstocht geleid, en do kleintjes worden verzorgd door kindermeisjes, die hen louter uit hartstocht oppassen. De kinderen worden in reeksen gescheiden; zij zijn in verschillende zalen bij elkiuvr. Tot hot vierde jaar heeft men do groepen dor popjoi, dat zijn do zoete kinderen, en der kwelduiedtjes, dat zijn do lastigon. Twee zalen zijn er voor de popjes en twoe voor de kwelduiveltjes.

-ocr page 191-

— 1S2 —

Om do laatsteu te verzorgen zullen phlegmatisclie bonnes zicli aangeven, voor de eersten zijn er levendige jonge meisjes genoeg.

Wanneer do kinderen nu wat groöter worden, worden zij verdeeld in stammen, volgons hun karakter en temperament. Fourier kent al de verschillende temperamenten. Er zijn er 801 van het volle en -108 van het halve karakter; en wanneer de eerste phalanstère ingericht wordt, dan zal het er wol op aankomen dat iemand die met al die temperamenten goed bekend is, de zorg voor do verdeeling in stammen op zich neemt. De eigenlijke arbeid voor do maatschappij begint op het twaalfde jaar, ofschoon Fourier elders gezegd heeft dat in zijne phalanstères, eou kind van vier jaren (!), mits behoorlijk ontwikkeld, reeds door verschillende werkzaamheden den kost zal kunnen verdienen, in plaats van tot dio jonge vernielal-len en vandalen te behooren, dio onze beschaving in kinderen van dien leeftijd kweekt,

Nu komt het tijdstip dat de jeugd verdeeld moet worden. Er worden groepen gevormd van „kleine hordenquot; en van „kleine benden.quot; De „kleine horden1\' worden vooral gevormd door do jongens, dio hebben, zegt Fourier, eene natuurlijke neiging tot ruwheid en onreinheid; de „kleine benden\' bestaan hoofdzakelijk uit meisjes, die van nature teeder zijn en een afkoer van onreinheid hebben. Op 15 jarigen leeftijd worden jongens en meisjes afgezonderd. En wanneer reeds do arbeid steunt op hartstocht en aantrekkingskracht, hoe-voel te meer dan het huwelijk! Zoo is het ook, en Fourier groepeert de jongelieden in twee afdeelingen, die van het vestallaat, en die van het demoisellaat. Het

-ocr page 192-

— 183 -

vestallaat omvat de jongelieden, die vast beloven zullen niet te trouwen vóór hun .... lOejaar! Maar krachtens de wet van hartstocht en afwisseling is het overgaan uit het vestallaat in het demoisellaat ten allen tijde geoorloofd, en beteekent die gelofte zeker heel wat minder dan de kous en het voornemen der vestaalsche maagden in \'t oude Rome. Ook het huwelijk zal er in die nieuwe maatschappij wol wonderlijk uitzien; want al gaat onze hervormer nu niet dadelijk zoover, dat hij veelwijverij toestaat, het huwelijk mag niet langer duren dan de hartstocht, en verandering is geoorloofd; hetgeen ten slotte vrij wel op hetzelfde neerkomt.

De hartstocht en nog eens de hartstocht zal in Fourier\'s beste der werelden regeeren ; en het wordt daar, als men hem wil gclooven, langzamerhand een ideaalstaat. De monarch, noch een der andere hoofden mag een lijfwacht hebben; want niemand doet iets liever dan de wetten te gehooiv.amen ; ieder is gehoorzaam uit hartstocht, en dat wel omdat die wetten weer eenig en alleen dienen tot voldoening hunner hartstochten. Zoo sluit alles in elkander, en behoeft deze maatschappij niet tegen eenig gevaar beschermd te worden, want die een vijand zou kunnen zijn is een bondgenoot geworden, uit welbegrepen eigenbelang, uit hartstocht.

Gouden bergen belooft zich Fourier van de toepassing zijns stelsels. Als maar eerst eens de eerste phalanx woont in de eerste phalanstère, dan zal do gansche wereld weldra veranderd worden. Er zal voor zulk eeno volkomene verandering nauwelijks meer dan vier jaren noodig zijn. Wanneer het jaar 1824 do eersto phalanx zal ingericht zien, dan zal, zegt hij, in 1828 ongetwijfeld

-ocr page 193-

reeds al liet scboone gekomen zijn dat hij van dat stelsel verwacht; mits, voegt hij or naief genoeg bij, hij zelf er maar bij /.ij om de maatschappij in te richten. Wat zal er dan niet al tot stand komon ! In de eerste plaats eeno ont/.acblijke vermeerdering van den rijkdom, (ia hot maar na wat iedere phalanx een kosten uitspaart! Thans hebben drie honderd huisgezinnen ook drie honderd haardsteden noodig; in zulk oen phalanstère zal een getal van tien voldoende zijn om het eten in gereedheid te maken. Thans zijn er in de 300 huisgezinnen ook 300 pcrsonoi noodig om het eten to kooken, dan zullen er niet meer dan tion noodig zijn. Wolk eene besparing van kosten is dat dus niet, on hoe zullen die 290 over-bljjvenden nu ion nutte der maatschappij kunnen arbeiden !

Dat is vermeerdering van den rijkdom door sparen; daar is nog oen op audoro wijze verkregen schat, hot is die welke door beter gebruikte werkkracht bot voorrecht dezer niouwo maatschappij gaat worden. Want als er onkel uit htnf wordt gewerkt, dan zal hot volk even hard naar den arbeid verlangen als b.v. nu naar bot theater; en wanneer het naar den arbeid verlangt, liooveol meer on hoeveel boter zal er dan gewerkt worden ! Maar iels, nog heerlijker dan do vermeerdering van dor, maatsclMppebjken rijkdom stolt Fourier zich van het in working treden van zijn stolsel voor. Met gevolg van deze hervorming zal zijn: liet uitroeien van alle kwaad in de menscholijke natuur. Weemoedig is hot om te lezen niet welke oogon Fourier het kwaad aansoliouwt. Hij ziel bet.; en hij betreurt hot; Ja hij betreurt hot dos te moor, dewijl hij do verbetering niet anders durft verwachten dan van oen werken op de

-ocr page 194-

massaas, hetgeen hem van dag tot dag meer eene onmogelijkheid bleek. Toch zal van zijn stelsel de verbetering komen. Het kan zelfs niet uitblijven, zegt hij. Immers de ondeugd is de bron van alle ellende ; nu zal in zijne maatschappij ieder voldaan wezen, en de verzoeking tot onrecht zal eenvoudig afgeschaft zijn. De handel is afgeschaft; de eene mensch zal den ander niet meer kunnen bevoordeelen; de diefstal wordt er niet aangetroffen, en hartstocht is deugd. Tegenwoordig, dit moet Fourier toegeven, is diefstal ondeugd en hartstocht ondeugd, maar dan zal hartstocht deugd zijn; want op hartstocht berust heel do menseheljjke maatschappij. Inwendige tevredenheid wordt het gevolg der bevrediging van al die hartstochten. En het goede voorbeeld zal zoo aanstekelijk werken dat de planters hunne slaven zullen vrijlaten, en zelfs de wilden dan zullen vragen om opneming in een phalanstère. Tegen dien tijd zal dan, naar Fourier stellig verwacht, hun hartstocht voormen-schenvleesch opgehouden hebben ; zij kunnen echter, voegen wij er in stilte bij, zonder bezwaar voor het beginsel, ook als menscheneters opgenomen worden, indien zij in die phalanstère misschien meusohon aantreffen wier hartstocht is om opgegeten te worden !

Maar nog zijn wij niet op don hoogsten top van den berg, van waar Fourier zijn heerlijk vergezicht te aanschouwen geeft. Xiet alleen eene omkeering in de maatschappij zal hij hier zien; innar tengevolge van dien omkeer ook eene volkomene verandering va i de gansche natuur. En hier wordt hij nu zeer philosophisch. Hij beroept zich op Schelling, en, had hij Panlus gekenfl, hij had in het achtste hoofdstuk van den brief aan do

-ocr page 195-

Romeinen, zeker eou en ander gevonden waarop hij zich ook beroepen had. Alles in de gansche natuur, zoo zegt Fourier, hangt samen; het een beantwoordt aan het ander. Dat er nu zooveel ellende in de natuur is, is het noodzakelijk gevolg hiervan dat er ook bij don menseh zooveel verschrikkelijks wordt gezien. De verscheurende dieren, leeuw, krokodil, hyena, tijger, zijn niet anders dan de verpersoonlijking van de menschelijke ondeugden. Houden die ondeugden op, dan zal ook heel die natuur, die het uitgewerkte beeld van den mensch is, veranderd worden. In de plaats van den tegonwoordigen leeuw, zal een anti-leeuw verschijnen, geen verscheurend dier, maar een vriend van den mensch, en als rijdier even hoog boven het paard verheven, als een rijtuig op vee-ren boven een boerenkar. Een anti-haai zal voor do mouschen de visschen uit do zee vangen, en de zee zelve zal, in plaats van een onsmakelijk ziltig nat, niets meer of minder bevatten dan limonade.

Dergelijke heerlijkheden verwachtte Fourier van do oprichting der eerste phalanstère, en wij kunnen begrijpen met hoe groot verlangen hij begeerde die eerste phalanstóro geopend te zien. üe noodzakelijke kosten begrootte hij op driemaal honderd duizend franken; maar voor alle zekerheid liet hij eene oproeping aan een menschenvriend drukken, waarin deze werd uitgenoodigd om op eene bepaalde, door hem aangewezen plaats, een millioen franken te zijner beschikking te stellen, en tien jaren lang ging hij lederen dag op hetzelfde uur naar zijne kamer, om te zien of de onbekende menschen-vi\'ifiid met zijn millioen nog niet was aangekomen. Toen gaf hij bet op.

-ocr page 196-

— 187 —

K\'

En omdat de eerste phalaustère niet is opgericht, daarom is natuurlijk de gouden eeuw voor de inensch-beid nog niet aangebroken, en zag Fourier de maatscliaij-pij in zijne gedachten al dieper zinkende.

Maar waarom nu ons met dit zonderlinge stelsel van Fourier bezig gehouden? Want al vijf en veertig jaren gingen over zijn gesloten graf henen, en niemand denkt er aan zijn systeem te verdedigen. Men behoeft het maar te hooren om het uit te lachen, en daarmede is het immers overwonnen V

Toch verdient het nog wol iets anders en meer dan een glimlach. Het verdient dat al dadelijk om het ideale streven, waarvan het getuigt. Het is er dezen hervormer der maatschappij om te doen het paradijs te herwinnen. Hij, die zelf een natuurlijke goedhartigheid b i-zat, draagt leed ovor al de ellende, die hij in de bezielde en in de onbezielde schepping opmerkt. Hij verlangt naar een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; en hij gelooft aan do mogelijkheid daarvan. Hij ziet de schepping der ijdelheid onderworpen, maar hij kan niel g— looven dat dit vrijwillig, en ook niet dat dit noodzakelijk is. Wanneer eens de zonde in den mensch zal overwonnen zijn, dan zal de natuur, gelijk zij nu in do ellende der menschheid deelt, ook doelen in de heerlijkheid van haren triomf. Dan zal alle krankheid uitgedreven zijn. „Alsdan zullen der blinden oogen geopend worden, en der dooven ooien zullen opengedaan worden. Dan zal do kreupele springen als oen hert, en de tong des stommen zal juichen, dun zal er geen leeuw zijn, en geen verscheurend gedierte zrl daar komen. Do wulf zal

-ocr page 197-

— 188 —

met het lam verkeeren en de luipaard bij den geitenhok nederliggen. De koe en de boerin zullen samen weiden; liare jongen zulten samen nederliggen, en de leeuw zal stroo eten, gelijk als de os. En een zoogkind zal zich vermaken overliet hol van een adder; en een gespeend kind zal zijne hand uitsteken in den kuil van den basilisk. En men zal nergens leed doen, noch verderven op den ganschen berg .....

Tot zoover gaan de wensclien van Fourier met de uitspraken des profeten samen. Maar in hetgeen nu bij Jesaja volgt ligt de groote moeilijklieid: „men zal nergens leed doen, noch verderven op (hm ganschen her// mijner heiligheid.quot; Daarvan weet hij niet, dewijl hij het karakter der zonde miskent.

Dat is de groote fout in Fourier\'s stelsel en daarop moet het streven van de sociaahlemokraten in onze dagen noodzakelijk schipbreuk lijden: de miskenning van bot karakter der zonde. Er zijn drie verklaringen van bet ontstaan der zonde. De Heiland zegt: „uit het hart van den monsch komen de zonden, komt de zonde voort.quot; En die dat geloOven verstaan don eisch der bekeoring: „Gij moot wederom geboren worden!quot; Maar die prediking, der wijsheid onzer eeuw te vernederend, wordt door haar niet aangenomen. ,Xiet uit het hart, maar ■uit hef hoofd komen de zonden voort,quot; zoo zeggen feitelijk allen die in onderwijs zonder opvoeding hot redmiddel zien der maatschappij. Het is do liberale theorie, die het hoofd overlaadt en hot hart honger laat lijden. Het is de oppervlakkige verklaring die niets verklaart, en gemakkelijk wederlogd wordt door do opmerking dat or percentsgewijze vooral niet minder misdaden voorkomen

-ocr page 198-

- 189 -

onder den goed onderwezen stand, dan onder de „demme menigte.quot;\' Maar nu is daar nog een derde verklaring; die van Fourier en zijne geestverwanten. „Niet uit het hart, en ook niet uit het hoofd, maar uit den nood komen de zonden voort,quot; /,00 zeggen zij. Do menschen hebben geen werk, en komen daardoor tot de zonde. Of wel, zij hebben werk, maar geen lust in den arbeid. Doch laat eens niemand iets anders behoeven te doen, dan waarin hij lust heeft, en de zonde lioudt van zelve op!quot; Zoo wordt de verzoeking niet bestreden, maar ontweken, niet overwonnen, maar afgeschaft. Het dienen der zonde wordt onder schoone leuzen toegestaan, en Fourier\'s theorie van den hartstocht herinnert aan Multatuli\'s „genot is deugd,quot; de verheerlijkte zonde op den troon. Het radicaal booze wordt door dezen hervormer niet erkend, en dus kan hij daarmede niet rekenen: geen twee dagen zou het socialistisch schoepje van Fourier hebben zee gekozen, of hel zou op die niet gekende klip te pletter gestooten zijn. Ieder heeft lust in iets, maar de meesten hebben lust in luiheid en zonde. De arbeid mag een zegen medebrengen, en hij doet dat ongel wij-feld; maar de noodzakelijkheid van den arbeid en van den harden arbeid, is, om onzer zouden wil, een vloek. De geloovige weet dat; en daarom is het hem geen ijdele klank wanneer hij bidt om lusl te mogen hebben in dsn arbeid, tot welken hij geroepen is. Maar voor een r/ebcd om do ware lust tot de rechte laak, is er op het gebied van den souvereinen hartstocht geene plaats. De liefde tot den arbeid en do algemeene raenschenliefde, die twee zullen de pilaren van dit stelsel zijn. Zonder de wedergeboorte zijn die beido een hersenschim. Om

L ..................

-ocr page 199-

100 —

ST-----—K

1

nog een voorbeeld te noemen: de monarch, die aan het hoofd van iedere phalanstère staat, zal aan ieder aanwijzen wat hij te verrichten heeft; dus worden de menschen of zjj er lust in hebben of niet, aan hem onderworpen.

Maar dan moet er bij dezen monarch eene onkreukbare rechtvaardigheid worden gevonden. Hij moet ontoegankelijk zijn voor vleierij; doof voor de stem der bloedverwantschap; blind voor de begeerlijkheden der wereld. Dit is onmisbaar in het stolsel; maar wanneer er bij de monarchen die onkreukbare rechtvaardigheid wordt aangetroffen, en de verlangde hartstochtelijke menschenliofde onder de bestuurden, dan zal het ook zonder phalanstères wel een hemel op aarde zijn, en Fourier\'s stelsel is overbodig.

Toch kunnen wij het edel stroven van dezen man niet beschouwen zonder tot nadenken gestemd te zijn. Het grijpt ons aan, wanneer wij ook hier eene waarheid verkondigd zien, die in de gemeente alleen waarlijk tot liaar recht kan komen, en toch in de gemeente zoo dikwijls verwaarloosd wordt. Ik bedoel de waarheid dat het op den -persoon aankomt, niet op do omstandigheden.

Want wel is schijnbaar Fourier daartegen in strijd, en wil hij de personen door de veranderde omstandigheden verbeteren; maar dit is slechts schijnbaar, want alleen daarom verwacht bij van verbetering der toestanden iets,

dewijl hij in den mensch de kiem tol deugd en kracht, (den waren hartstocht voor de juiste taak) meent te ontdekken. Hoe dikwijls blijven zij, die in de belijdenis der waarheid dezen edelen Franschman verre vooruit zijn,

in de toepassing dier waarheid verre achter hem slaan,

K _

-ocr page 200-

---

— 191 —

K--------------------3?

als zij telkens en telkens in de omstandigheden de oorzaak der zonde en in de omstandigheden, echt mohame-daansoh, de verbetering meenen te vinden. Geen stelsel kan redding brengen, dat den ernst der zonde miskent. Wie dien erlcent, die heeft behoefte aan verlossing door verzoening, en zoo blijkt ook hier, ja ook in het sociale vraagstuk, het kruis van Christus do éénige wijsheid te zijn. Daarom leere de gemeente het toch, in ome ernstige dagen en onder do ernstige prediking van de teekenen der tijden vooral, dicht bij dat kruis te blijven. De betoekenis van dat kruis voor ons persoonlijk en ons gemeentelijk leven zal dan geleerd worden. Hij die „zichzelven voor ons heeft, overgegeven opdat Hij ons zon verlossen van alle ongerechtigheidquot; zal ons bij toeneming loeren gelooven dat dit zijn goddelijk dool bereikbaar is en bereikt zal worden. En in onze blijmoedige belijdenis van dat Kruis blijven wij niet bjj de /-iligb-\'M van den enkelen mensch staan, maar, ook door edele goestnn als Fourier geloerd, worden wij tot die echt kosmischquot;-opvatting van het Evangelie gedreven, verwachtende,

naar des Hoeren belofte, een nieuwen hemel en t-nc nieuwe aarde, op welke gerechtigheid n!0vnL

F. VAN GlIF.EI, GlTiüKMKKSTEII.

V Grnvenhaye Sept. 1884.

-ocr page 201-

192 —

HIËROSOLYMA REGENERATA.

Joruzniom zal van do heidenen vertreden worden totdat de tijden dor heidenen vervuld zullen zijn.

Ciiristi s (Lue, 21 : Si rudien hunne vcrworj-in^ de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming w -zen, anders dun het leven uit de dood\'-u.

Paui.us (Rom. II : 15.

don Hormon tot den Halal, tussclien Bn/an on hot

strand

Viin do Jfiddolandsche w.\'it\'ren, ligt oon woeldrig wonderland

Vol van tegonstrijdighoden ; Somtijds hoorlijk groot en vrij;

Dan weer eeuwen slaat\'soh vertreden. Paradijs of woestonij I

Eens, o Palestiua\'s dreven, waart gij heei\'lijk voor liot oog,

Toen de vader dor Mebreeuwon, daar voor God ter

aarde boog;

Of in koelen middaglommer van uw eiken nederzat,

Als zijn lilanko kudden dronken uit hot /ilverschuimend nat,

fS

....._a

-ocr page 202-

Eenmaal dekten duizend steden, duizend dorpen dezen

grond,

Waar de wieg van zóóveel Helden en van zóóveel

Zieners stónd.

Ach, uw kransen zijn ontbladerd! uw festoenen zijn

verdord,

Sints do speer der Bedoeïnen in uw veld gestoken wordt ;

Sedert u Gods wrake neerwierp, volgens \'t vonnis van

zijn stem.

En do Gojim \') U vertreden, koninklijk Jeruzalem !

Toen de vlam de ced\'ren lekte van het gulden tempeldak Dat zoolang van \'t bondgenootschap tusschen God en

Isr\'el sprak;

Toen is om de laatste bondbreuk, na een god\'lijk lang

geduld,

Tot den rand uw zwijmelbeker met de gramschap Gods

gevuld!

Toen is (als de donkre bloedstroom van des I empels

trappen vloot

Uit het harte der Zeloten, die zich stortten in den dood !) \'t Laatste schijnsel van uw glorie in dat gruwelbad

gebluscht

I) Gnjim. HeVireeuwsehe on joodsoho imam voor heidensche of niet Israëlitische vollfen.

18

54

-ocr page 203-

— 194 —

K..................—.......——----------------------»

Waar de razernij der wanhoop nog den beker heeft gekust Vol van ziedend gift!

Maar \'k wend mij huiv\'rend van dien jammer af;

Woed en vuur en rookpilaren stijgen uit dit smokend graf!

Evenals de frissche wat\'ren van de heilige Jordaan In het zwavelbed der Zoutzee nutteloos te gronde gaan, Eveneens liep Isr\'els leven door een Sodomsvloek gestuit, In do Doodezee der wanhoop in een hel van jam\'ren uit. Ach, uw beemden zijn verdorven en uw Wadis \') zijn

verschroeid!

Waar do wijngaard weeklrig rankte, do Oleaster heeft

gebloeid^

Waar de zon weleer de olijven tusschen \'t groen heeft

rijpgestoofd

Zengt diezelfde zon don bodem, is de grond van dorst

gekloofd!

Xu verteerend zonnegloeien; /oen op \'t groen de zonneglans

Somb\'re vlofik op kale velden!

Schrikb\'re wiss\'ling, toen en thans!

Toen aquaducten langs heuv\'len gemetseld Sling\'rend langs dalen door bergen geboord Rijk de verweerende kalkrots bevruchtend Levenssap voerend naar \'t blakerend oord.

1) Wiuli. Rivier, drooge riviorbedding. Joscphua. J3cl. Jud. Lib. VI cap, VI.

-ocr page 204-

Toen, blanke steenen, uit kalkrots gehouwen Eijzend tot huizen niet klimop begroeid,

Dicht onder Palmen van Wijnloof omslingerd. Stoeiend door dart\'lende geitjes gesnoeid.

Toen, douk\'re bosohjens en zwaar van Olijven Zwanger van olie en als gein wen goud Blozend\', waar \'t landvolk bij oogstfeest en bruiloft Feestliedren zingend zijn loofhutten bouwt.

Toen, in \'t Jordaandal het golvende koren Snel door de hitte tot rijpheid gebracht.

Waar. als de jongere bloesems nog geuren Reeds tusschen \'t bladgroen de Oranjevrucht lacht.

Toen, Sarons vlakte vol bloemen en vruchten Nog door geen Pasja den landzaat betwist, \'s Avonds gedoken in droomenden wasem \'s Morgens, ontwaakt, door den zeewind verfrischt!

Efraïms zonen van levenslust tint\'lend,

Efraïms woud van den dadeloogst zwaar,

Jisrei\'ls hoogland in garven begraven,

Jisreëls dochters met bloemen in \'thaar!

Toen, schoon op \'t bruidsbed in sluimer gevallen, Hield nog de wijndronk de slaapster verrukt; Zóó gloeit de wijn uit de blozende druiven. Die men bij Hebron in \'t Eskoldal plukt.

Hoor lioe die teug uit don feestlijken beker,

Al^ zij daar neerligt in zalige rust.

-ocr page 205-

Llsplend do lippen der slaapster doet spreken,

Zacht door don wakenden bruigom gesust!

Maar hadt go niets dan den wellust der aarde,

Niets dan do woelde van akker en vliet.

Bloeiende mirten en gloeiende druiven,

\'k Zong, Palestina, uw zaligheid niet.

Oquot; \' O

Neen, reiner licht heeft uw bergen omschenen,

Heiliger glood is uw geestdrift geweest!

Land der beloftnis, 11 tv God is uw glorie,

Land der Profeten, ixw roem was Gods Geest!

Daar waar Gods Engelen Gods kindren vertroostten, \'t Oog dey Profeten door \'t sterrondak drong.

Waar Isr\'els Zieners Gods raadslen onthulden,

Waar Isr\'els Zanger zijn zwanenlied zong.

Daar heeft het licht van de*Godsopenharing \'t Hart der Profeten vervuld en ontgloeid,

Als hen Gods Geest van den troon had dooradeiml Hoog van den zovonden hemel gevloeid!

Daar hebben heilige zangen weerklonken,

Zoet van do snaren eens herders gezweefd.

Daar is do Redder der menschheid geboren,

Daar heeft de Christus geleerd on geleefd.

Thans, ach, voor die hooge glorie, slechts de vloek die

daalde op \'t gruis Der ruïnen van de moordstad, die Gods Heil\'ge sloeg

aan \'t kruis!

-ocr page 206-

fa\' ■

Thans, slechts van die watergangen steenen wild op

\'t veld verstrooid Nutloos zakt of vloeit het water, maar de velden drenkt

het nooit!

Thans ruïnen, de akker dekkend als een blijvend oordeel Gods

Om den prijs dor dorheid kampend met de heete Jurarots. Schaars begroeid nog (niet beschaduwd) door een bruin

en breekbaar stroo. Dat is, ach! het overblijfsel van de roos van Jericho.

Thans, een enk\'le vruchtb\'re gaarde, die een hooploos

heimwee wekt

Naar \'t verleden; of feen graanoogst die maar half de

velden dekt

Velden, die als vrucht nog dragen (maar in klemmer-

kruid vervuild) \'t Sesamkruid, welks krachtloozo olie de arme voor wat

brood verruilt.

Thans, de Fellah \'), die zijn hongrig lastdier voor een

boomtak zweept Als ten spot van ploeg en kouter langs de dorrende aard

gesleept!

1) ])c palostijnsche boer. Nog boomtak voor ploeg gebruikt, en veklbewoner zelt\' getrokken, niet lastdier.

dikwijls wordt in Palestina een het primitive werktuig door den zelden in vereeniging met zijn


-ocr page 207-

Door den Pasja uitgemergeld wordt des Fellah\'s huisgezin, Prooi der Turken, liij hun dienstknecht en zijn dochter

hun slavin!

Dubbelganger van zijn muildier spant liij zich in \'t eigen juk En men laat hem\'t somber leven, mits hij afsta van geluk. Bitt\'re spot, als \'t hoofd van zorgen en de rug van

striemen gloeit, Nog ilil land een land te noemen dat van melk en

honig vloeit!

Ach, uw kind\'ren zwerven vreemd\'ling op de gansohe

wereld rond.

Waar de voet des droeven ballings nauw een plaats ter

ruste vond.

Eu uw velden zijn vertreden door den Pasja met zijn bent. Die, als hij uw bloedgeld vordert, nimmer mededoogenkent!

Nimmer zal de dag genaken, \'t vruchteloos afgebeden uur Van uw redding, voor het einde van het turksche

wanbestuur!

Nooit, zoolang Mohameds wimpel waait van Omars

prachtmoskee;

Nooit, zoolang zijn hand blijft rusteu op de Midde-

landsche zee!

Wie doet in die lauwe wat\'ren \'t bleeke licht der halve

maan,

Eens tot wreken opgezworen, in de wrake te ondergaan? Hoe zal ooit het volk der joden, thans in \'t kleed des

smaads gehuld, (Door de volken van het Westen nog geduld of niet geduld)

-ocr page 208-

— 199 —

K ---------------------------- quot; quot; --------—---------------------

Opstaan uit do volksbodwelming die \'t zoolang bevangen

had.

En het duiz\'lendo oog vveör ricliten naar de heil\'ge Vaderstad ?

Droombeeld schijnt het, maar „Toon een maai,quot;! sprak

die zelfde heil\'ge mond, Die Jerus\'lems val voorspeld heeft, toen Jerus\'lems muur

nog stond!

En nog blijft zijn stem weerklinken onder elke boegen nis Van uw honderd galerijen, Tempel der Geschiedenis!

Als Hij zijn hand uitstrekt

Over al de eeuwen En ons het lot ontdekt Zijner Hebreeuwen, Als zijn profetenstem

Dreunt door de hallen, Meldt hoe Jeruzalem

Weldra zal vallen ,

Ziet (üj \'t genadelicht

Rooskleurig gloren, Zelfs bij den bliksemschicht Van \'s Heeren toeren !

Zie \'t door de gramschap Gods

Stervend geslachte ! Zie, Salems jurarots

Beeft van de klachte! Lang is die stroom van bloed, Hang wordt geleden ;

-ocr page 209-

— 200 —

Zie door der volken voet Sioii vertreden!

Maar, Gods verbondstrouvv mag

Lang zich verhullen,

Eons zal der heid\'nen dag,

Tocli zich vervullen. Schouwt zijn profeten oog \'t Oordeel der volken ;

Eéns breekt het licht omhoog Weêr door de wolken!

Lang is de tijd dor straf\'

Isr\'el beschoren ;

Waar is de too vers taf Die in dit donker graf

\'t Licht weer doet gloren ? Wie die hier leven wekt, \'t Doodkleed dat Kachel dekt Haar van de schouders trekt? d\' Engel des Heeren daalt Eens, van Gods glans omstraald En door den tombesteen Klinkt dan de Godstem heen ])ie haar herleven doet. Met hooger oer begroet Dan ooit te voren.

Die haar weêr op doet staan, 1 \'ie haar weêr uit doet gaan, Wedergeboren !

-ocr page 210-

- 201 —

Als de voog\'len \'t nestjen bouwen en hun eitjes broeien gaan,

Als de pas bepluimde jongen spelend met de vlerkjes

slaan,

Als, in \'t eerste kracht beproeven, fiadderlust hun spieren spant,

Zoeken /.ij geen zuiderzonne; want hier is hun vaderland. Maar als \'t najaar met zijn neev\'len langer op den morgen wacht

Wordt hun \'t heimwee ingegoten, dat naar warmer stranden smacht;

En, hoe rijk de vruchtbre vlakte haar gepluimde kinderen voedt,

Jagen toch wel de eerste stormen hen een sidd\'ring door

het bloed.

/ie, daar zwerven reeds hun scharen langs der wolken

wonderhaan!

Zie ! zij volgen op hun vleug\'len, in de lange karavaan, \'s Heeren roepstem, \'s Scheppers drijven in een zonderlingen vorm.

Half getrokken door het heimwee, half gedreven door

den storm!

Alzoo Isr\'el.

Onder \'t oordeel hebben zij met smart gesmacht Naar de gouden eeuw der hope, reeds te lang vergeefs

gewacht.

Eenmaal een bezield verlangen, drijvend\' op hun sterk

geloof,

Is die hoop reeds lang aan \'t ebben, werd hun \'t harte

dof en doof!

-ocr page 211-

Ach, wat was de loop eeutoonig van hunne eeuwen-

lange pijn,

Dier verdrukking, dier verachting, wie zij onderworpen /.ijn !

Is \'t dan wonder dat dor eeuwen golfgeklots de hoop

verteert

Die den grijsaard suf doet worden, die do jong\'ling niet

meer leert\'?

Is het wonder dat de pelgrim, meer vermoeid van stap

tot stap.

Immer vaster nog in de aarde van zijn tweede ballingschap Zich de pennen slaat ?

Zij hebben, even als de vogel leeft In den zomer, zóó hun nesten aan de twijgen vastgekleefd Tot aan \'t najaar. En zij spreken (maar met gorg\'lend

keelgeluid)

Onze talen; en zij galmen somtijds onze liod\'ren uit: En zij leeren onze wetten en zij doen naar onzen trant; Nimmer echter wordt Europa voor den Jood een Vaderland !

Wetenschap van Westerlanden, zeden van een vreemd

geslacht

Wat hem Kanailn deed verzaken, wat hem \'t Westen

naderbracht.

Schoon hij onze wijsheid indrinkt, zich naar onze zeden

tooit ;

Wereldburger wil hij worden, wereldburger wordt hij

nooit I

Ja, het teeken van zijn adel, dat zijn stamboom onderscheidt.

-ocr page 212-

Schijnt hemzelf het kaïnsteekon van eene ongerechtigheid Wier, slechts half bewuste schaamte, hij met weerzin,

toch gedwee,

Meedraagt, door de gansche wereld, met een onverheel-

baar wee 1

Ja, ééns wordt weêr \'t heimwee wakker, diep verborgen

in hel hart

Van dat volk, thans in de wereld nog verstrooid, verdwaald, VERWARD I Als der volken weerzin steigert, en der ongodisten haat. Of der dweepzucht, op \'tgeloovend deel van Isr\'el overslaat: Als de wereldzin door velen d\' ouden stam verzaken doet, Die, schoon Abr\'ams kroost, zijn beelt\'nis rukken uit

ontaard gemoed, Als \'t verbleekend turksche vaandel ter Levant wordt

neêrgescheurd

En voor Isr\'els hijgend harte \'t licht der hoop de wolken kleurt

Ginds in \'t Oost; terwijl in \'t Westen stormgeloei en

hagelslag

\'t Hart doen sidd\'ren van den Zwerver; dan /.al Isr\'el

op dien dag

Vreezend licht; maar toch verwachtend uitzien naar des

Heeren hand.

Dwepend licht; maar toch geloovend opgaan naar het

Vaderland 1

Ja, dan volgt het \'s Heeren roepstem in haar zonderlingsten vorm. Half getrokken door het heimwee, half gedreven dooiden storm 1

-ocr page 213-

/ie hen eens weer naar Jeruzalem vragen!

Zie hen eens trekken, met vrienden en magen! Zie hen eens gaan naar de havens der zee!

Zie hoe het zeevolk de zeilen gaat hijschen!

Vrouwen en kinderen, kranken en grijzen.

Schatten on rijkdommen voeren zij mee.

Dezen gaan dralend, door twijfel gebogen.

Genen met roek\'loozen moed in hunne oogon. Schreiende grijsaards, met nokkend geluid Weenend, om \'t land dat hen lang heeft gedragen Smachtend naar \'t land dat in \'t Oosten zal dagen Trekken daar henen, de havenpoort uit.

Monster die rijen eens, tel eens die scharen De schepen, daar verre vooruit reeds gevaren!

Geef op den maatzang der golven eens acht!

Zie, zie het stoomschip do raderen kleppend! \'t Zeekasteel ginder, de stoomschroeveil reppend, Klieft reeds de baren en siddert van kracht!

Waakzame mannen vol geestkracht en leven,

\'t Hart reeds in \'t Morgenland, \'t oog op den steven, De aarde als omvattend met krachtigen wil.

Zorgende moeders met sluimerende kinders,

Vroolijke maagden als dart\'lendo vlinders.

Peinzende grijsaards deemoedig en stil.

Dichter uit Isr\'el, ontroerende Zanger!

\'t Harte van god\'iijke liederen zwanger.

Die op de voorplecht de harpsnaren spant.

-ocr page 214-

- 205 -

Rijpt, uit dien chaos van zwellende noten,

(\'t Hart, van eon hetuelsche weelde overgoten,) \'t Juichende welkom, aan \'t nad\'rende strand?

Eindelijk zien zij liet Westen verdwijnen,

Zien zij het Land der hHofte verschijnen.

Zinken hun ankers In \'t Mlddelandsch-meei\'.

Daar dreunt hun juichkreet! Hier znllcn zij wonen Eindelijk dan vindt (iij, o Israels zonen,

Israels Land en...... . Jeruzalem weer!

Zie, daar beraadslagen denkende wijzen.

Jonge geleerden en achtbare grijzen.

Over den staatsvorm dlo Israël past.

Wie kan, o Tsr\'el, ten Wetgever wezen

\'t Volk uit do volken te zanien gelezen.

Wie graaft hef. bed waar uw levensstroom wast V

Hallel Hem, die in den hemel Aller lotsbestemming leidt,

Hem, die door des aardrijks dreven Isr\'el als zijn kudden weidt.

Rukt uw harpen van de wilgen.

Zangers uit Gods Priesterdom,

Knapen laat uw .stemmen klinken,

Maagden schudt de rinkelbom.

Grijzen laat uw tranen stroomeu Op deez lang ontwijden grond ;

Dat bij \'t beurtgezang der koren

-ocr page 215-

— 206 -

Alle volken mogen hooren,

Wat hier Isr\'el heeft verloren En wat Juda ondervond!

Klinke uw juichtoon langs de reien Met een onbedwongen stem.

Hemel, laat uw zegen stralen,

Aarde, wil \'t geschal herhalen,

Dat er dreunt langs al uw dalen:

Welkom aan Jeruzalem !!

I »it volk uit Seins geslacht gewonnen en geboren Had (schoon het lot hen ook tot slavendiensten dwong In Jafets tenten) nooit den gloed der ziel verloren, Die met zijns levensstroom uit vuur\'ger stam ontsprong. Der volkeren slavin de dochter dor Hebreeuwen Keert eens naar \'t Oosten weer; maar zag in westerlucht Zich met de krachten en de wetenschap der eeuwen Het altijd peinzend hoofd en \'t kloppend hart bevrucht. Al wat het Westen vond is in haar hart gevaren; \\\\ at koeler vorschend brein aan westerstranden dacht, De kennis en de kunst van do achttien honderd jaren Sinds zich romaansche gloed huwde aan germaansche

kracht.

Als Jacobs nageslacht het land ontvangt tot woning, Waar heinde en ver de zee tot daden uitlokt, wekt Dat laad hun handelsgeest tot hooger kraehtsbetooning. Als quot;t tol in Babiion zijn ijzerbanen trekt, /ijn telegraafdraad spant tot Suffz, langs woestijnen I hans door quot;t Medusahoofd der Toovorsphinx versteend. Twee wereldzeeën dokt met nieuwe stoomvaart lijnen.

-ocr page 216-

- 207 —

Drie werelddeelen door zijn handelsgeest vereent; Pan zal het volksgevoel van Isr\'el zonder teugion Weêr bruischen, en de kracht die zetelt in het bloed Gestaald in westerlncht, door veerkracht overvleuglen Den vads\'gen Asiaat!

Als (door Gods hand behoed)

\'t Volk dat in ballingschap het aanzijn heeft geschonken Aan Priesters van de Kunst in aller kunsten koor, Dat denkers, dichters teelt, die naast heroön blonken, Als starren aan \'t gewelf met onverbleekten gloor; Algt; \'t daar zijn Tempel bouwt, dan kweekt bet zijn genieën ;

Als \'t daar zijn Scholen sticht, herrijst \'tuit \'s levens pijn; Pan zal \'t (al ligt. het niet voor Christus op de knieën) Niet meer de Paria van alle volken zijn !

O, vvondre worsteling der tegenstrijdige machten. Die gisten in het volk, dat eens naar Sion snelt! Wie schetst den kampstrijd, die dit talloos tal van

kracliten

Harmonisch tot één volk in éénheid samensmolt?

Maar \'t volk dat in zich draagt den geestesschat dor

eeuwen

Puigt nooit meer \'t grootsche hoofd voor \'s Talmoeds

heerschappij;

Wat ook do list vermag van nieuwe Pariseeuwen, Dit Jsr\'cl is te groot voor deze slavernij!

Maar, zal, o Christus Gods! dit volk uw kruis vergeten? Zal in zijn goestlijk pleit Uw naan zijn uitgewisclit ?!

-ocr page 217-

— 208 -

ts------------------------------------^

Wat, Ziener die het zegt? Wat sterv\'ling kan het weten Of \'t aan den voet van \'t kruis nog zeggen zal:

„Hu is V\'!

Sla mijn ziel uw oogen opwaarts

Waar van \'s hemels glorietroon,

\'s Heeren Geest naar \'t menschdom uitgaat

Vun den Vader en den Zoon.

Waar de Koning wordt gehuldigd,

Die van \'t kruis den troon beklom,

Ouder \'t heilig spelemeien

Van des hemels Engleudom.

Luister hoe nog de echo\'s rollen,

(Naklank van des Heeren stem)

Die èn val èn weergeboorte

Spelden van Jeruzalem.

Als Gij, Jonkvrouw der Hebreeuwen,

Thans nog zwervende over de aard\'

Rachel mot uw peinzende oogen.

Om de marm\'ren zuilen waart Van den Tempel, voor Jehova In Jeruzalem gebouwd:

Als uw oog dan vrucht\'loos zoekend Geen Sjekina \') daar aanschouwt;

Als uw hart in ijdel pogen Vruchtloos dorstend, heeft gesmacht,

In „het Heilige der Heiligenquot;

1) „Do Heerlijkheid des Heeren \' = de glansrijke verschijning van Jehova lusschen de Cherubim in het, „Heilige der Heiligen.

-ocr page 218-

Nnar „ilo arke zijner kracht;quot;

Als de Geest van uw Profeten,

Sions dochter, weêr verrijst.

En u met denzelfden vinger

Op den „man van smartenquot; wijst

„\'t Lam ter slachting\'\' en dan op den

Afgevallen doornenknins

Van „het hoofd vol bloed en wondenquot;

Dat nu straalt in hemelglans;

Als met tranen aan de wimpers,

Magdalene, uw oog dit leest

Ja, dan vraagt uw hart: „ Rahoenl!

Zijl (jij hel dan toch geweekt\'\' t

Zoo vernieuwt heur jeugd zich uit haar lioetend, maar genezend hart,

Mirriani in geestverheffing,

Magdalene in stille smart.

Als met tranenpaarlende oogen,

Juda\'s dochter uit zal gaan.

Met de boodschap van haar (loël Die van \'t graf is opgestaan,

Tot de volken ; dan zal \'t boven Van haar hart en van haar stem quot;l Slapende Azie doen herleven Als het op zal staan voor Hem!

Waar uw koele redeneering. Westerlingen, vrucht loos bleek.

-ocr page 219-

— 210 —

Kquot;-------—--------------------»

L\'w vermaning tot bekeering Voor hun Al-Koran bezweek,

Klinkt eens uil. des Islams landen Dreunend naar Europa\'s stranden Van den Indus tot den Rijn ;

„Haar verwerping bracht verzoening ,,Ons, door Jezus Schuldvoldoening;

.Zal, als zij (na lange pijn)

„Opstaat, om haar God te prijzen , N\'iet dat wonderbaar herrijzen „\'t Leven uit de dooden zijn?!quot; \')

Ja. zij wordt na diepe rouwe

Aller volken Profetes,

Jong gelijk een Bronnajade,

Heerlijk als een llijksprincos,

In \'t doorsuhijnend zilver wolkjo Van den sluier dubbel schoon.

Die daar neerdaalt langs heur schouders.

Van haar koninginnekroon;

Lichte sluier van \'t mysterie

Dat haar edel hoofd omzweeft,

Waar de hand des Ongezienen Nu zijn morgenrood in weeft!

Knielt, gij volken, bidt, o vromen!

Met een diepgeroerde stem,

Smeckend om de wetrgeboorte Van \'t vertrapt Jeruzalem!

1 Rom ö : 11

amp;

h OZcC

-ocr page 220-

— 211 —

Boven \'t zuchten en liet schuimen

Van der volken Oceaan,

Boven \'s aardrijks diepe kolken

Breekt in \'t schemeren der wolken Reeds het uchtöndkrieken aan!

J. Igt;K JoNlt;i

Oostnim, Augustus \'83.

-ocr page 221-
-ocr page 222-
-ocr page 223-