-ocr page 1-
-ocr page 2-

J** J*A »«». •?\'*

«ik» •i»\' «i»\' «i»\' W

V/ M# * W Vf#

ücnlT£. SftiSrxXin

II

I

-ocr page 3-
-ocr page 4-

- *quot;• •»-*

-ocr page 5-

3?

-(Beelden en Zangen.

/j ft /

si

-ocr page 6-
-ocr page 7-

■ V : ■ ■ ■■

•if.:

-ocr page 8-
-ocr page 9-

G

——-

Zamp;SX)

sr

BEELDEN \'M ZANGEN,

*

Proza en Poëzie

B. J. ADRIAN1. N. BKETS, W ö. BRILL, A. W. BRONSVELD, K. G KRDKS , J. II, GUNNING Ju.. I\' .1 KASKBROKK. E. LAURI LLAR1), II. PIERSON J H. DE RÏDDER, J. RIEM ENS, L J. VAN RU LI N, L. C. SCHULLER TOT PEURSUM, SO KR A RA NA, TRYFOSA, W. L. WELTER Ju., u, a.

*

UTRECHT, C. II. E. B K EU K R 1887.

%

MM

0ID! IOTMEEK OER RUK i. \' VERSITEH UTRECHT.

-ocr page 10-

Wn^ening\'sche Boek- t-n Muziekdrukkerij.

-ocr page 11-

I N H 0 U D.

niz.

Geluk, door nicolaas jikets................1

Verlossing, door w. g. muw,........3

Aan de deur, door c. s. adama van schkltema . . 14 De dood is verslonden tot overwinning, door

n. i-. 11. wolf............16

Troost, (Eerie catechismujpreek over het eerste antivoord va)i den Heidelherger) door .t. h. gunning jr. 17 Herinnering en bemoediging, door p. j. moicïon . 22 Aan eene zingende Moeder, door .7. c. tc. modderman. 24

Verbeelding, door b. lat\'iuu.aiu).......27

In \'t voorjaar, door e. obbdks..... .30

Op den Lyonschen Kalvariën berg, door .i h.

de ridder.............31

Het „donkerequot; werelddeel, door a. iiuijm melk am r ju. 40

Zielszucht, door w. n. kirheroer ......44

Gebed, door sokra rana.........40

Lethe, Vergelen en gedenken, door .7. riiomens . 47

Aan Victor Hugo, door a. w. bronsveld. . . 01

Voor de reis, door o. w. van der pot.....63

1 Thess. IV : 17b, door j. .1. van volleniioven . . ()5

-ocr page 12-

1

Hooger op, door trymsa........

Neen klaag niet, dooi\' w. i-.. wei.tku jr.....

Zwijgen en spreken, door w. Tj. welter jr.

Ge/ocht en gevonden, door sea.......

Wat ons blijft, door j. e. schrocbu.....

Tevredenheid, door j. e. scheoder......

Iets over Jacobus V : 13 —18, door n. j. adriaki Op den Vluclitlienvel te Zetten, door .i. iquot;. haseiiroek Een Martelaar, door r,. r. scüvllkr tot peürsum . Eene herinnering aan Dirk Uafclsz Kamphuyzen, 1516—1886, door o. o. hoogewerfk .... Op God vertrouwd! door soera rana .... Eene bescheidene Exegese, door anonymus .

Leven en dood. door r. f. r. steinmetz .... Indrukken, ontmoetingen, opmerkingen bij een uitstapje door lielfjio, door l. j. van riiijn. Het gevecht met den draak, (Gedicht van Schiller)

door h. ..................

Geheime drijfveeren, door ji. w. maci.aine pont .

Blz. 6G

87

88 89

106

107

108 120 124

185

152

153 170

172

181

193

-ocr page 13-

G E L U K.

Daar is voor ouderdom noch jeugd , Hoe \'t menschlijk hart er naar moog haken,

Daar is geen onvermengde Vreugd ,

Maar wel volkomen Troost te smaken; Eu wat do wereld vreugde hiet,

Haalt bij dien troost in waarde niet.

De wijste wijsheid, buiten God,

Is niet dan die der pessimisten ;

Te roemen in zijns levens lot Heeft enkel waarheid in den Christen. Bedwelming en ontveinzing zijn Slechts stilling van gevoelde pijn.

W at is de blinde vreugd van \'t kind, De dartelheid van jonge knapen,

t Genot uit rijkdom of bewind,

Verworven rang of eer te rapenV

Wat huislijk heil, zoo groot, zoo zoet. Maar vaak met grooter smart geboet?

-ocr page 14-

T)e troost der Liefde Gods, die , t al Doet medewerken mij ten goede, 1

En daar mij „niets van scheiden zalquot;,

Wat zee van ramp ook om mij woede,

De troost der Hoop, die niet beschaamt. En \'t hart tot eiken strijd bekwaamt;

Ziedaar waarin \'t Geluk bestaat En slechts bestaan kan voor ons menschen;

God geeft het in een volle maat Aan hen die niets daar boven wenschen ;

En ook te midden van de smart.

Klopt in hun borst een vroolijk hart.

Nicüi-aas Bekts.

1885.

-ocr page 15-

VERLOS SIN G.

Het woord oevlossing is in de kringen, waar men van dit jaarboekje kennis neemt, algemeen aangenomen. Maar vormt men zich algemeen een klaar on volledig denkbeeld van den staat, waaruit wij verlost moeten worden? Verlost, zal men zeggen, moeten wij worden van de zonde en hare gevolgen. Maar daarbij schijnt men zich do zonde te denken als eene zaak, die zich iu deze onze aardscbo bedeeling niet gansch noodwendig voordoet Men spreekt, alsof, wanneer do zonde er niet ware, ons bestaan geeno stof tot gegronde klacht zou overlaten. Doch denk u eenen heilige op aarde, en de fechiift veroorlooft ons hun bestaan aan te nemen, zou die heilige geene verlossing noodig hebben? Mij dunkt, hij zal do behoefte aan verlossing sterker gevoelen, dan de zondaar, wieii juist do zonde behulpzaam is om zich in dezen aardschen staat een dragelijk, zoo al niet lt;*e-noegelijk bestaan te verschaffen. Volgens den sclirjjver van den brief aan de Hebreen I) heeft zelfs de zonde-

i) 5, 7.

-ocr page 16-

looze Jezus verlossing behoefd, en heeft hij gebeden en smeekingen met sterk geroep en tranen opgezonden tot dengenen, die hem verlossen kon. En hierop zegge men niet: Christus droeg onze zonden, in den zin alsof hier van Godswege eene rochtsfictie, als wij menschen erkennen, plaats had gegrepen: zoo men Gode beweegredenen en handelingen toedicht, die tot de menschen-wereld, welke eene wereld van schaduwen is, behooren, wordt de waarheid door ons gruwelijk miskend. Neen ! Christus smacht naar verlossing, omdat hij is in ons, gelijk wij zijn in hem, en wij moeten in onzen aardschen staat niet van de zonde alleen, maar van onzen aanlsrlien staat zeiven verlost worden.

En toch bespeuren wij algemeen, hoe de menschen streven om zich hier op aarde eenen staat te vormen, alsof zij eerst daarmede volkomen aan hunne bestemming zouden beantwoorden. Wat zeg ik? Het wordt den mensch gemeenlijk niet in de keus gelaten zich al ot niet eenon vorm van bestaan te scheppen: de noodwendigheid, ile drang der Omstandigheden brengt hem er toe. Ziet den jongeling! hoe zal hij zich waardig gedragen of maar een dragelijk lot bekomen, zoo hij zich niet door een ambt of eenige verdienstelijke betrekking eene vaste plaats in de maatschappij verschaft i Eu wordt die jongeling door de lieftalligheid eener jonge maagd bekoord, zoo is de grondslag gelegd ter stichting van een huisgezin.

Het bestaan van volken en staten vangt aan met enkele individuen, welke gezinnen vormen : deze gezinnen vermenigvuldigen zich; aaneengesloten, onderscheiden zij zich van andere groepen, en binnen eigen boezem

-ocr page 17-

moeten zij de onderlinge betrekkingen regelen en zich aan eenig gezag onderwerpen. Aldus zien volk en staat het aanzijn.

En bereikt nu de individu het geluk met deze vestiging in een gezin? Geraakt de volkstam tot een\' ge-wenschten staat met zijne onderwerping aan eene staatsorde? Een Fransch schrijver noemt de vrouw een\' afgrond bedekt met bloemen; maar juister zou men dit beeld op het huwelijksleven kunnen toepassen. Hoe liefelijk is de genegenheid, door den jongeling voor het meisje, door het meisje voor den jongeling gevoeld! De dichter overdrijft niet, waar hij uitroept:

O! zarte Sehnsucht, süsses Hoffen,

Der er.sten Liebe goldne Zeit,

Das .Auiff si(gt;ht, den Himmel offen,

Es schwelfjft lt;las Hcrz in Seligkeit.

Die gewaarwordingen dreven de jonge lieden tot het sluiten van den huwelijksband, en wel mogen zij met Goethe\'s Gretchen zeggen :

XJnd alius was dazu mich trieb,

Gott! war so sohön, G-ott! war so lieb.

Maar stellen wij ons nu den grijsaard voor op het eind van zijn huwelijksleven. Wat al angsten en zorgen heeft hij in de betrekking van huisvader moeten doorstaan! En is hij bij de gebreken des ouderdoms die angsten en zorgen gemeenlijk te boven? Verre van daar. Heeft het gedrag van een\' zoon zijn hoofd niet met schande bedreigd, het lichainolijk lijden van oen ander zijner kinderen zijn hart niet verscheurd, zoo zullen de

-ocr page 18-

kleinkinderen nieuwe angsten en zorgen baren, waarvan het einde niet te voorzien is en die slechts dooiden dood van den voormaals sterken, thans doodehjk Vermoeiden man weg te nemen zijn. ,So geht der Mensch /.ti Endequot; men vergunne mij nog ecne aanhaling van den dichter:

.......So fjvht

Der Mensch /u Kude — uml die einzi^e Aiisbeute. die vvir aus dein Kmnpf des Lcbcns WcfTtnirrcn. ist die ICinsicht in das Niehts,

l\'nd herzliche Verachtnng1 nïlea Desson.

W as uns erhaben schien i»nd wnnsehonswerth.

In koning David hebben wij niet alleen hot toonbeeld van het leven eens konings, nuinr ook van dat eens huisvaders, en welke beproevingen zien wij hem in deze betrekking beschoren! Hij is het hoofd van een talrijk gezin van schoone prinsen en prinsessen; maar welke ergernissen moet hij onder zijn dak en in zijn rijk door toedoen zijner zonen niet beleven 1 verraderlijke verkrachting der zuster door den broeder, en jamnier van de onteerde maagd; verraderlijken moord van den cénen zoon uit hetzelfde huis tegen den ander gepleegd. En, alsof dit nog niet genoeg ware, ziet David zich door den opstand van den in weerwil van zijne ondeugden berainneljjksten zijner zonen gedwongen, zijne hoofdstad te verlaten en als een ellendeling den weg der ballingschap op te gaan. Ten laatsio zien wij hem, nagenoeg kindsch geworden, een bloot plantenleven leiden en slechts inzicht genoeg overhouden om te moeten erkennen, dat zijn opvolger zijn voorbeeld van lankmoedigheid niet zal vermogen na te volgen.

-ocr page 19-

Mogen wij in David het toonbeeld van het leven eens huisvaders zien, — in het volk van Israel hebben wij voorzeker den typus van het leven der volken en van de ontwikkeling der Staten.

In Abraham is, naar de uitdrukking dor Schrift, zijn gansche volk vervat, ia hem is Israel, ja, met Israël al de geslachten der aarde gezegend. Maar deze stamvader verlaat het land, waar hij te huis is en voorzeker een1 machtigen invloed had kunnen uitoefenen, en dat niet om zich in een ander land als vermogend burger te vestigen en te doen gelden. O Neen! hij kiest geene vaste woonplaats, sluit zich aan de inwoners des lands noch hunne vorsten aan, en het is op zijn voorbeeld dat zijn geslacht zich in de eerste tijden op het standpunt handhaaft van vreemdelingen te midden van gevestigde natiën. En hierbij i.s hij gelukkig en geëerd, de vriend van (lod, die hem het. burgerschap in eene stad met onwrikbare grondslagen verzekert en hem als don vader van een ontelbaar kroost erkent.

Doch het was immers eene onmogelijkheid, dat Abrahams nazaten, tot duizendtallen vermenigvuldigd, niet van lieverlede eene volksgemeenschap zouden vormen, iloe losser Abrahams en der aartsvaderen hooge geest van de aarde en hare volken was, des te scherper, mits die geest niet gansch onderging, moesten hunne nakomelingen zich onder de volken onderscheiden, te midden van welke zij zich bevonden. Mozes ontrukt hen nog aan het staatsverband van Egypte en wil hun in de woes-tjjn een bestaan verschatten, ontheven aan de banden, waarin andere natiën bekneld zijn. Samuel tracht hun, toen zij, zonder Mozes, (\'anaiia waren ingetrokken, in dit

-ocr page 20-

land een eigenaardig karakter op te drukken; maar hij vermag niet te slagen ; de Israëlieten moeten den anderen volken gelijk worden, en Samuel leent er zelf de hand toe, hoezeer hij voorzeker de historische wet erkend heeft, in Israels Tien Geboden aangeduid, volgens welke, wanneer de vaderen eenn orde van zaken gesticht hebben, welke \'s menschen hemelsch burgerschap vervangt en eene onderdanigheid, alleen aan den God dos hemels verschuldigd, op aardsche vorsten overdraagt, — die orde slechts enkele geslachten tamelijk onverbasterd kan duren, maar daarna in schade en schande ondergaat. Wel worden telkens proeven genomen om betere zeden en instellingen in te voeren, maar ten slotte is de verbastering, de ontwrichting van het staatslichaam, niet meer te verhelpen.

In de geschiedenis van geene natie zien wij die nood-wendighoden sprekender uitgedrukt, dan juist in die van de Joden, welke ton slotte machteloos staan tegenover N\'ebukadnezar, on Jeruzalem en den tempel, voor hun geloof do woonstede Gods op aarde, moeten zien verwoesten.

W ij spraken van eene historische wet, door den profo-tischen geest van sommigen in Israel opgemerkt; maar wanneer wij van de noodwendigheid gewagen, die den enkelen monsch er toe brengt om zich aan de perken van een eigen gozin, en do gezamamp;nlijke gezinnen zich aan eene eigen woonplaats onder de landen der aarde, en aan oeno eigen staatsorde onder de volken te binden, dan mogen wij ruim zoozeer van oone natuurwet, sproken. Aan alles, zoowel in de zodelijko als de natuurlijke wereld, ligt één vorm ten grondslag: ,und es ist,quot; zooals Goethe zegt, „das owig Eine, das sich vielfach otlenbart.quot; De

-ocr page 21-

natuurlijke historie van dieren en planten geeft ■— en hoe zou het anders kunnen? — den grondvorm der schepping terug. Welnu, in de natuur vinden wij het lot afgebeeld, dat wij in de geschiedenis van huisgezinnen en staten opmerkten.

Zekere schelpdieren vangen hun bestaan aan als vrije, lustig in lucht of water rondzwervende diertjes. Maar na dus eenigen tijd doorleefd te hebben, zetten /.ij zich vast tegen eenen wand, verliezen de ledematen, door middel van welke zij zich bewogen, en omgeven zich met eene steenharde schaal, voortaan huizende in eenen door henzelven geschapen kerker.

Wat beduidt deze val, deze achteruitgang, deze omgekeerde evolutie anders dan den weg van do Schepping en van het geschapene? Alle leven gaat uit van volstrekte vrijheid en onbeperkte kracht. Maar dan volst

1 • 0 verlies van lust en vertrouwen: de individu zoekt rust

en veiligheid, duchtende, dat de elementen en wat daarin leeft, hem schaden en dooden zullen, on hij sluit zich van de buitenwereld af, tevreden zoo hij slechts een venster openhoudt, waardoor hjj zich het onmisbare voedsel toegereikt ziet. — /elfs bij sommige waterplanten heeft men waargenomen, hoe uit langwerpige lichamen zich bolletjes afscheiden, van een paar draden voorzien, die hen in staat stellen zich te bewegen. Doch weldra verliest die plantenstof vermogen en middel om zich vrij te roeren; zij omgeeft zich van een stevig huidje en maakt weldra een deel uit van een plantenlichaam als waarin zij hare wording vond. Alzoo ook hier: vrijheid in den aanvang, daarna inkerkering en een staat van ballingschap. Alle leven is uit God, en in den beginne

-ocr page 22-

deelt het schepsel, hoe nietig in ons oog zijn vorm ook zijn moge, nog blijkbaai* eenigermate in de heerlijke vrijheid van het goddelijk wezen. Cicero zegt terecht: hoe dichter bij zijnen oorsprong, des te dichter was de mensch bij God. En niet zonder eenigen grond stelde de oude wereld de gouden eeuw aan den aanvang van de geschiedenis des inenschdonis.

Als voorbeelden van den /.ordelijken afloop van een bestaan, dat zoo heerlijk vrij begonnen was, hebben wij het huisgezin en den Sta il, gesteld. Men meene echter niet, dat, zoo iemand niet trouwde of, zichzelf genoeg, met zijn volk niet medevoelde, de zoodanige vrij van leed zou blijven. O neen! brengt het gezin, brengt ons leven in den staat onzes volks het verlies onzer onbezorgdheid mede; zijn wij door onze betrekking als familielid ot volksgenoot van zoo menige zijde gevoelig kwetsbaar, -elk mensch, ook zonder familie- of staatsverband is een tot verbeurte van vrijheid eii levenslust gedoemde. Als kind, — en men erkenne ook hier het wegvallen van een voorrecht, vroeger bezeten, — als kind heeft hij onbezorgder! lust gekend en bij tijden in eene wereld geleefd, als door een heinelseh licht beschenen, maar onze intrede in het leven belaadt ons op den duur met een\' last, die, ton einde toe gedragen, ons bezwaart met eene schuld, die ten volle betaald moet worden. Ja! kan do mensch, die voor en met zijne verwanten of voor en met zijn volk lijden verdraagt, nog den troost genieten, welken dienende liefde hem bereidt wie geene verwanten heeft of zich niet geroepen gevoelt om diensten aan zijn volk te bewijzen, hij mist dien troost en gaat, zoo hij geen ander gebied ter beoefening van

-ocr page 23-

liefdewerken gevonden heeft, mistroostig en onbetreurd ten grave.

Ik sprak van troost .... maar is er troost mogelijk, waar liet leven eene schuld op ons laadt, wier atlossing pijn doet, waar ons aanzijn een val is van de hoogte, op welke het bij den aanvang stond, een val - niet zonder onze medeplichtigheid — van eene hoogte, waarvan ons de verdienste niet toekwam?

Voorzeker, troost is mogelijk- De Schepper, overal tegenwoordig, laat het gevallen schepsel, het werk zijner handen, niet varen; de krachten, die wij bij den aanvang werken zagen, zijn onvernietigbaar; het licht, dat een\' iegelijk mensen, komende in de wereld, beschijnt, het schijnt ook in de duisternis: slechts komt het er op aan, ons door den geest uit dezen verlaagden staat tot de hoogte, van welke wij vervallen zijn, op te heffen. En hiertoe is de mensch ten allen tijde bekuaam. Wat door de werking der natuur zekere insekten ervaren, die op sommige tijdstippen van hun leven vleugelen bekomen om in de lucht bruiloft te vieren, — wederom een veel beteekenend symbool, dat vermag de mensch bij dag en nacht, in jeugd en ouderdom. Zijn lichaam behoeft geene vleugelen om hem ten hemel te doen zweven, waar Christus is, die toch tevens in ons is, en wij in hem. Het werk, dat hier nog te doen is, daar is het volbracht, en het lijden, waaronder wij hier zuchten, daar is liet in heerlijkheid verkeerd. — Zoolang wij het echter hier beneden bij ons zeiven willen vinden, is do hemel voor ons gesloten. Doch geven wij de onuitvoerbare taak op, en laten wij hei beheer dezer onderraaansche zaken en de aflossing onzer schuld Gode

-ocr page 24-

over, zoo daalt een algenoegzame troost in ons gemoed; wij gelooven, en het geloof is levenskracht.

Ons lichamelijk bestaan vermogen wij niet willekeurig af te schudden; maar evenmin mogen wij ons aan de taak onttrekken, die een huisgezin, door ons te stichten, en de maatschappij, tot welke wij behooren, ons opleggen. Op grond dat ons leven als huisvader en staatsburger ons inderdaad op het verlies onzer onbezorgdheid te staan komt, en die betrekkingen eenen onvolmaakten, tot den ondergang bestemden toestand medebrengen, op dien grond te wanen, dat wij die banden mogen mijden on, zoodoende, voor het volmaakte bovenaard-sche zullen leven, het is de grootste dwaling.

Wie werkelijk aan eene vrijgekochte, verzoende wereld gelooft, beschouwt dit leven met een oog van onbegrensde barmhartigheid en wil zich allerminst aan het lijden van dezen tijd onttrekken door te weigeren de plichten, die ons aardsch bestaan met zich brengt, te vervullen; ja! hij is in staat in zijnon kring eenen voorsmaak van den hemel op aarde te genieten te geven, en in de maatschappij een toonbeeld van orde te scheppen, die bij zooveel elementen van verwarring weldadig aandoet.

Bovendien, er zijn den stervelingen vertroostingen gegund in de werken van die geesten, welke men geniën noemt. Vaak mist een dichter, een schilder, persoonlijk de gewensehte zedelijke wijding, doch niettemin geven zijne werken een tafereel dezer wereld, verzoend, door een\' goddelijken glans bestraald en verheerlijkt. Inderdaad. de kunsten zijn troosteressen van hoogeren oorsprong. Doch ook hier valt op te merken, hoe het vol-

-ocr page 25-

maakte zich bij den aanvang openbaart, en de voortgezette beoefening eener kunst, in plaats van verheffing tot liooger, veeleer achteruitgang en verloop medebrengt. Homerus is onovertroffen, Thucydides evenzeer: Raphaels school evenaart den meester niet. Telkens is et een nieuwe aanknooping aan het eeuwige goddelijke noodig; telkens moet er een nieuwe aanvang gevonden worden, evenzeer in de geschiedenis der kunsten, als in ons eigen leven; want nimmer hebben wij ons het volmaakte blijvend eigen gemaakt; steeds moeten wij streven het te ontvangen. Daarin bestaat de dienst Gods, daarin de ware godsdienst. De godsdienst is het middel om ons, hoezeer ook door aardsche banden omstrengeld, aan den vloek eener onwillig verduurde slavernij te doen ontkomen.

En zijn lot beklage de mensch zich niet! Gesteld zijne jeugd duurde een leven lang en hij kende tot den dood toe geene banden, dan ware hij gelijk aan een schoon natuurvoortbrengsel, aan eene bloem of een vlinder, zonder door eigen inspanning eene eer te behalen, die hem thans de kroon op het hoofd zet, wanneer hij zich als een vrije gedraagt in de slavernij, als een edele en als heer in de dienstbaarheid. Zou men niet volgaarne eene taak aanvaarden, wier vervulling de voorwaarde is van onzen rang als mensch?

AV. G. lijui/r,

-ocr page 26-

A A N D E I ) E U R.

..Zie, ik sta aan de deur en

Hoordet gij den Heiland kloppen?

Wilt gij luistren naar Zijn woord? O hoe vriendljjk \'4jii die klanken, Trekkend als met liefdekoord! Wat uw hart u rnoog verwijten,

Wat te laat berouw betreur. Kloppend bleef uw Heiland beiden Aan de deur.

Neen, gij hebt niet ver te reizen;

Tot geen lange bedevaart Dwingt hij, die verloren zondaars

Tot een kudde zich vergaart. Hij eischt van uw hand goen losprijs.

Niet der schatten e^lste keur.

Maar staat, zelf om toegang biddend. Aan do deur.

Uwe krankheen, uwe zonden

Waren \'t, die Hij op zich nam. Toen Hij, iti ons vleesch verschenen. Als eon man van smarten kwam.

-ocr page 27-

15 —•

Ware uw misdaad als scharlaken,

Rood als karmozijn van kleur,

Sneeuwwit maakt ons, Hij die aanklopt Aan de deur.

Open wijd dan Hem uw harte.

Nood den Meester bij u in ;

Zijne gave is eeuwig leven,

Zijn vertroosting hemelzin.

Woont Hij in ons, \'t is ve-.\'geefs dan

Hoe de Satan listig speur,

IJdel blijkt zijn loerend toeven

Aan de deur.

Worde uw hart uws Konings tempel,

Hem geheiligd voor altijd Hoor den Geest, die Hem daar binnen

Troon en altaar sticht en wijdt.

Rij/.e er zoo uw dankbetoonen

Als een lieflijke oll\'ergeur Hom, die, tot gij hoordet, toefde

Aan de deur.

G. S. Ada ma van Sikbltkma.

-ocr page 28-

- 16 -

DE DOOD IS VERSLONDEN TOT OVER WINNING.

I Kor. 15 : 54-.

Komen zal Hij met Zijn wolken ,

Met Zijn schittmid Englenheer,

En de dooden aller volken,

Alle dooden leven weer.

\'t Is de dag van schrik en weetin,

\'t Is de dag van vreugde en lof;

,Geeft uw dooden weer, o zeeën!

Rijs wat sluimert in het stof!quot;

\'t Eeuwig lichtkleed zal nu sieren Christus\' opgewekte leên En. bij \'l hoogste hoogtijd vieren ,

Juicht de hemel om hen heen:

„Waar is nu, o dood, uw sikkel?

Waar, o hel, uw flikkrend staal ?

Waar, o dood, is nu uw prikkel? Hel, waar is uw zegepraal?

Jezus Christus heeft verwonnen,

Toen Hij dood en graf verliet.

Jezus Christus, duizend zonnen Schijnen bij Uw glorie niet!quot;

E. F. H. Wolf,

Utrecht, 11 April 1885.

-ocr page 29-

T K 0 0 8 T.

Eone catechismuspreek over hot eerste andwoord van den Heidelberger).

Hebt gij Felix Daim het geloof\' der Gemeente hooren bestrijden ot\' verwerpen in Odhiii* Trost?

,Eeuwig is alleen het Al, want slechts wat één is, is eeuwig. Al het afzonderlijlce vergaat, de enkele mensch, de enkele ster. Aardbollen worden tot ijs, zonnen smelten in gloeihitte, en wat daarop als lovend wezen bloeide, stort spoorloos zijn leven uit.quot;

„Maar eenig, oneindig, onuitputtelijk in wisselende veranderingen werkt en leeft het Al.quot;

„Niet het niets en de nacht, neen, eeuwig is alleen het licht en het leven en het, zalige warme beween. Uit verbrijzelde stukken van uit elkaar geworpen werelden, en op nieuw uit den nevel van verzonken zonnen vormt en bouwt zich andere werelden de ontzachlijke wet van het eeuwig Al: hel irisHelcnde ivardciiquot;

„Het noodlot, zooals wij het noemen.quot;

„Maar geen Scbeppor heelt bet ons toegezonden noch het geschapen.quot;

-ocr page 30-

18 -

Niet tot wel of wee der wemelende wezens, maar om zichzelf uit zichzelve tc doen opkomen, werkt en schept de groote wet altoos voort. Zij is één met het Al zelf.\'\'

,Goden vergaan, maar onvergankelijk is de eemge God, de Al wet.quot;

,Drooine niemand van een anderen troost.\'

„Is dat dan zoo ontzettend?quot;

„Versagen, vertwijfelen in armzaligen angst voor dood en vernietiging is laf, verachtelijk. Lathartig is wie zijn leven niet opofferen kan aan het eeuwig Al, waar hij het

van ontving.quot;

, Gelijk do held valt voor zijn volk, zoo zijn alle wezens er toe bestemd om voor wordende werelden te vergaan. Wij verwelken en wijken, opdat anderen mogen ontstaan. Gelijk het zaad opgelost wordt om de bloem te doen bloeien.quot;

„Wien de troost niet troost, dat het Al eeuwiglijk wisselende veranderingen werkt, dat licht en loven onuit-blnschbaar voortvlammen in het oneindige; dat anderen oogsten waar wij hebben gezaaid, dat anderen erven, waar wij zelve verzonken, en den lust des levens van ons genieten; — dien troost geen troost dan een bedrieglijke droom.quot;

„Zoo laat ons dan sterven, sterk en trotsch, opdat anderen erven mogen die na ons voortkomen uit de naderende nevelen van nog ongeboren werelden, en dezen lust des levens genieten Opdat zij kunnen komen, moe ten wij gaan. Is het zoo onmogelijk zijn leven te laten opdat anderen mogen ademen Vquot;

„Daarom, verdraagt den dood zender hope op den

-ocr page 31-

19

hemel, in moedige mannelijkheid, als een tol dien gij voor de verleende levensvreugde betaalt.quot;

„Zoet is de zege: en de zaligste zege is den geest gegeven die den dood trotseert en zich moedig aan het Al overgeeft.quot;

„Het afzonderlijke sterft, het eeuwige zegeviert en leeft. Vaartwel tot den ondertrang!quot;

O O

Dit heet Odhin\'s troost!

De ongelukkigen die hem voor troost houden, zeggen doorgaands dat zij wel iets beters zouden willen aannemen, als zij maar konden! Maar ach, zij hebben het „weemoedig voorrecht van te denken!quot; Zij hebben onderzocht en nagedacht, en zie, de kennis, de wetenschap heeft het hun onmogelijk gemaakt, het na\'ieve geloof des volks langer aan te kleven. In hunne jeugd deden wij het ook, zeggen zij. En o hoe gaarne zien zij het ook nu nog de vrouwen, de kinderen doen. Maar wie van den boom der kennis at, dien is het nu eenmaal, ach! voor goed onmogelijk.

Dit alles is ijdelheid. Dit stelsel is de gedachteloosheid zelve. Uit deze eeuwige wisseling der dingen is het bewustzijn des menschen nimmer te verklaren. Er is niets in het bewustzijn dat den overgang van den geest tot het stofTelijke, zoo men goed onderscheidt, begrijpelijk maakt.

Er is verstand, bewonderenswaardig verstand in de dingen. Wilt gij dan, o denker van Odhins troost en gij die hem gelijk zijt, — denkt gij dan dat de slof zelve verstand heeft\'?

Wilt gij het pantheisme, verklaar dan de menschelijke persoonlijkheid en zelfbewustheid te midden van het

-ocr page 32-

komen on gaan der dingen: des menschen besef van de eeuwigheid; zijn volstandige weigering om slechts middel te zijn en niet doel!

Wilt, gij liet deisme? verklaar mij de mogelijkheid van een God, werkeloos en machteloos als de uwe!

AVilt gij een theïsme zonder bijzondere openbaring Gods? verklaar mij hoe een persoonlijk God zoo vele eeuwen lang tegenover liet menschdora, dat Mij naai zijn beeld schiep, heeft kunnen zwijgen.

Kortom, hoe gij het ook zoekt, gij kunt bij deze uwe beschouwing aan de gedachteloosheid, de ongelijmdheid, niet ontkomen. Gij meent wijs te zijn, en gij zijt dwaas.

Doch meer dan dwaas. O mijn broeder, deze beschouwing neemt de wetenschap slechts tot voorwendsel. Zij is zedelijk verwerpelijk.

Zij noemt zich onbaatzuchtig, zelfverloochenend. Deze mensch is bereid, „don dood te trotseeren en zich moedig aan het Al over te geven.

Don dood trotseeren? O noen; de dood zou u welkom zijn als gij oprecht meenen kondt wat gij zegt. ant voorwaar, dan ware er voor u nog iets vreeselijkers dan de dood, te weten het leven. Een leven als bet uwe, zoo als Dahn het toekent, is erger dan de dood. Het is geen leven, maar slechts een geleefd worden. A ictor Hugo, do weggesmolten afgod van zijn volk, wien het menigmaal niet aan diepe gedachten ontbrak, zegt in zijn Travailleurs de la Mer, naar aanleiding van een zeemonster dat mot zijn afzichtelijke armen een duiker dreigt dood to zuigen; „levend gegeten te worden, dat is schrikkelijk; maar levend (jedronkcn te worden, dat

-ocr page 33-

gaat alle beschrijving to boven!quot; Welnu, Felix Dahn, zoo drinkt liet Al, dat gij aanbidden wilt, u op. fs de dood niet boven zulk een loven te kiezen?

En meent gij arme! u/.olven over te geven? Ach ziet gij dan niet dat gij, om u te kunnen yeven, eerst zoudt moeten uzelve bezitten? En gij hebt u zelve niet bij Odhins troost. Gij zijt niet persoon, maar ding.

O kom dan hier aan mijn hart dat u niet missen kan, heilige heerlijke troost van Gods Woord. Laat mij tot Tj komen, Verlosser vol genade en majesteit, levende Heiland, die daar spreekt van uw kruis af en het bevestigt van uwen Troon af, uw woord: „Kom tot Mij, vermoeide en beladene, ik zal u rust geven.quot;

Odhin, Dahn, en allen die u voorbijgaan, gaan zelve voorbij. Gij, o mijn Verlosser en Koning, gij blijft.

J. H. Gunmncï Ju.

Amsterdam, Juni 1885.

-ocr page 34-

herixnekinü en bemoediging

hedr 13 : 1.

[k heb ze lief, ik kan ze niet vergeten Die \'k eenmaal liefhad in den Heer;

Wat smart mij geeft, en telkens weer,

Is dat de broederband van eén gereten,

Gebroken schijnt - geen band der liefde meer. Zou \'t waar zijn; kau het heilig vuur verdooven Dior liefde, die in Christus mint;

Die als Gods kind\'ren samenbindt De harten, die oprecht in Hem gelooven.

Waarin Hij, door zijn Geest, zijn beeld hervindt?

Helaas! hel schijnt - partijdrift, aangeblazen Tot een verwoestende ijvervlam,

Die niet uitquot; God haar oorsprong nam, Zij overheerscht Gods kind\'ren schier als dwazen. Blaast tweedracht onder volgers van het Lam. Maar \'t is zoo niet -- de Heil\'ge Geest des Heeren Wordt aan zijn eigen werk gekend;

Het beeld, door Hem in \'t hart geprent, Is kracht, door geen partijzucht ooit te keeren, Is vlamtne Gods, die naar omhoog zich wendt.

-ocr page 35-

Geen vvaat\'ren kunnen deze vlamme dooven ,

Deez\' liefde is sterker dan de dood.

Hij, die voor ons zijn bloed vergoot,

Laat zich de kostbre zielen niet ontrooven Zoo duur door Hem verlost uit d\'ergsten nood.

Wat misverstand haar voor een tijd mag scheiden; Wat macht der liefde macht verneêrt;

Haar ijvergloed wordt niet verteerd: „Een Herderquot; blijft zijn „eéne kuddequot; weiden , Aan \'t eind der dagen blijkt zij ongedeerd.

Ik heb ze lief, ik kan ze niet vergeten Die \'k eenmaal liefhad in den Heer,

Hun beeld verschijnt mij telken keer;

Schijnt nu de broederband van één gereten; Geduld, mijn ziel — eens vindt ge uw broeders wéér

1\'. J. Mokton\'.

Haarlem, Juni 1885.

-ocr page 36-

AAN EENE ZINGENDE MOEDEU.

O! waan niet, dat ooit onverschillig kan zijn, Wat lied bij het wiegje van \'t kind wordt gezongen ;

Die toon heeft zoo vaak onvverfstaanbaai- en diep Het innigste leven des harten doordrongen.

Waan nooit, dat dio klanken zoo vluchtig vergaan, ()verstemd door het klagen en kreunen der kleinen;

Geen lied dat meer treft, geen gezang dat meer boeit. Dan \'t vrome gezang bij het sluim\'ren dier reinen.

Hij \'t vredig .slaap zachtquot; vallen de oogeleön dicht. Die waakten bij \'t juichen en jub\'len dor vreugde;

/t God zal u bewakenquot; toont de Engelen aan,

Wier aanblik zoo vriendlijk bun droomen verheugde.

En klinkt weder \'t lied: „ik bomin, u, mijn kindquot;. Dan is \'t of een lach om zijn lipjes wil spelen,

Of \'t oogje, dat zaehtkens tot sluimren zich sloot. Nog even een blik van zijn moeder wou stelen.

Of zingt zij van .lezus, dor kinderen vriend. Die kinderen liefhad, die kind was op aarde.

-ocr page 37-

Dan strooit zij eon zaadjon in \'t jeudig ^otnosd. Van hoogeron oorsprong, van Hetnelsche waarde.

Ja \'t vrome gebed voor het heil van haar wicht, Dat opklom ton hemel in zang\'rige tonen,

Heeft licht voor hot eerst, in het kinderlijk hart Vertrouwen, gelooven en liefde doen wonen.

liin r, t vrede op deze aarde/\' der Eugelen zanij. 13ij t wiegje des lievlings door liefde gefluisterd.

Heeft moog\'lijk nog vrede in zijn harte gestort.

Toen \'taardsche voorbijging, toen \'t oog werd verduisterd.

O ! waan niet, dat ooit onverschillig kan zijn. Wat lied bij het wiegje des kinds wordt gezongen;

Die toon heeft zoo vaak, onweêrstaanbaar en diep. Het innigste leven des harten doordrongen.

Die woorden van vrede, van liefde, van rust Weèrklinken zoo vaak nog in rijpere jaren;

En schoon het soms woorden van later verquot;iit /iijn hart bleef die zangen der liefde bewaren.

Zij ruisehten, waar zonde on verzoeking verscheen, /ij waakten voor onschuld, voor reinheid des harten,

Zij spraken van Jezus, zoo vlek\'loos, zoo groot. Zoo heerlijk, zoo liefdrijk te midden der smarten;

Zij drongen zoo innig in \'t zieltje van \'tkind; Zij bleven do paden des jonglii.gs omzweven;

Die zangen der moeder Inj \'t, wiegje van quot;i wicht. Zij fluistren den man van een doel in dit leven.

-ocr page 38-

Zincr, moeder! uw lied\'ren, zij klinken zoo zoet, Die vrome gezangen \'t zijn alle gebeden ;

Zing woorden van Hemelsche liefde, van vreê, Uw kindeke lokkend naar \'t zaligend Eden.

Waan nooit dat die klanken zoo vluchtig vergaan. Overstemd door het klagen en kreunen der kleinen;

Geen lied dat meer treft, geen gezang dat meer boeit. Dan dat vrome gezang bij het sluim\'ren dier reinen.

Licht keert zich voor \'tlaatst op uw vriendlijk „slaap

zachtquot;

Zijn oog naar een leven aan heerlijker kusten.

Zing, moeder! uw lied\'ren. Thans sluimert uw kind ;

Zoo sliüm\'ro \'teehs in om voor eeuwig te rusten.

J. C. E. Moddhiiman Endtz.

-ocr page 39-

V E H 15 E E \\j DING.

Verbeelding is een tooveres,

Die nefirzet voor uw\' geest,

Wat vèr ligt, ja! wat nog niet is, Of lang reeds is geweest.

Zij laat het ouderhuis u zien,

Waarin gij leefde als kind;

Zij wekt voor u weêr \'t leven op Van uw gestorven vrind.

Haar hand herstelt, wat scheurde of brak, Weêr in zijn oud fatsoen;

En met het afgevallen blad Maakt zij den tak weêr groen.

Zij toont u nog, die lang geleên Eens woonden hier op aard;

En voert op haar Eliakoets U mede hemel waart.

-ocr page 40-

Zij doet u zien, met licht gekroond, Die eens hiei* stierf uun t Kruis, En wijst ii moeder, kind ot vriend. Die zijn in \'t Vaderhuis.

En in dat alles, wat ze u maalt,

Brengt ze u een zegen meê:

Verheffing, heiliging en troost,

Geloof en hoop en vreê.

Maar ook, — zij kan uw kwade geest, Zij kan verleidster zijn.

Uw ziel begooch\'len door bedrog En boeien aan den schijn.

Zij kan in \'t harte wapp\'ren doen De vlam van lagen lust,

En maken, dat ge, onheilig blij. De hand van Satan kust.

Welzalig hij, vviun \'sHeeren geest Met lout\'rend licht bestraalt! Hoe reiner \'t hart, te reiner t beeld. Dat hem Verbeelding maalt.

Hoe reiner \'t hart, te meer de kracht, Om weg te drijven \'t beeld,

Dat in de ziel het kwade sticht Of haar het goede ontsteelt.

-ocr page 41-

God! laat Verbeelding menigmaal Mij toonen, wat ontsmet,

En wat mijn ziel in \'t heilig vuur Van reine geestdrift zet.

Laat zij mij teug\'len in de vreugd, Mij sterken onder \'t kruis, En dikwijls, dikwijls mij doen zien Mijn Heiland en Uw Huis!

E. Laiiiim,aiid.

-ocr page 42-

I N \'T V 0 0 K J A A K.

Wat is bet in \'t voorjaar toch schoon! Dat weten de vogeltjes best,

Wanneer /ij al lokkende zingen,

Door \'t geurig gebladerte dringen.

En plannetjes maken voor t nest.

Wat is het in \'t voorjaar toch srhoon ! Dat weten rivieren en plas:

Zij ilart\'len langs bie/.en en loover. En vlindertjes fladd\'ren er over.

Of spélen schuilhoekje in het gras.

Wat is het in quot;t voorjaar toch schoon!

gn gjj — voor wien \'t bloeit weet ook gij t. Of peinst ge in de lente op den zomei ? Dan zijt gij een ijdele droomer,

Die nimmer geniet op den tijd.

E. Gehdes.

Doetinchem, Voorjaar 85.

-ocr page 43-

01\' DEN LYONSCHEN KALVA1UËN-13EKG.

Het is do pjjne waard, eens op die uitverkoren plek te verwijlen. Ja, wel een uitverkoren plek! Fransche dames van den hoogsten stand behartigen daar het; geboorte adelt, wat, zooals gij weet, een echt Fransch spreekwoord kan gRiioemd worden. In sierlijke voertuigen ziet gij des morgens jonkvrouwen, baronessen, gravinnen derwaarts rijden; en als de portieren geopend worden, dan denkt men bij haar uitstappen, onwillekeurig: hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die zoo ijveren in do daad en de waarheid.

Ettelijke jaren geleden was het gebouw, dat gij in den geest voor u ziet, een oud kasteel, hetwelk thans naar nieuwerwetschen slijl opgetrokken, als een uitnemend gasthuis staat te prijken. Schoon er wel niet boven poort of aan hek geschreven werd „vrjje toegangquot;, zult gij toch, u aanmeldende, niet voor „verboden toegangquot; hebben te vreezen. Unitenshuis lachen u warande, bloemperk en breed getakte booinen toe, en binnenshuis is liier alles een kijkje waard. \\\\ elk een ruim en luchtig voorportaal en welk een menigte deuren, links en rechts in dien

-ocr page 44-

breoden gung! Hier is een vergaderzaal, waarin go-raadpleogd wordt wat en hoe er te doen valt, en meegedeeld, hoe nii\'H, bij rondgang in de wijken der gegoeden, niet te vergeefs aanklopte om ondersteuning, en elders in nauwe steeg en bedompte achterbuurt een /.ieke vond, die lafenis behoefde en goed onderkomen. Daar vindt gij slaapkamers, alle even proper en doelmatig, met bedden en nmtrassen, sloopen en lakens; en naast de jammerende klacht: „ik ben ziekquot;, hoort gij den toegesproken kranke zich uiten: ik word liefdevol opgepast en trouwhartig bejegend. Verder op, naar beneden, zijn overwelfde kelders, zindelijke keukens; en naar boven, vertrekken met tlinke uitslaande ramen, licht behangsel, eenvoudig gemeubeleerd en netjes gestoffeerd voor medicijnmeester, artsenijmenger, pleegzuster en bediende; voorts, zolders met afgesloten magazijnen voor allerlei benoodigdheden. Toeft gij hier in de hitte, dan roemt gij het toestel der luchtverversching, en bij koude, verkwikt u dat der verwarming. Alles is hier op trap fin vloer van de nok af tot de stoep toe zoo in orde, dat zelfs een bedilzieke Momus niets zou af te keuren hebben.

De eerste, welke, zoo ik mij niet bedrieg, uit deze woning grafwaarts werd gedragen, was Mevrouw de weduwe Gamier. Dit geschiedde drie dagen voor dat het jaar 185:1 zich sloot. Het geboortejaar der herschepping van het oude slot in een gemoderMiseerd ziekenhuis voor verschillende rangen en standen was het, sterfjaar der vrouw, welke het erkende hoofd was dor Kalvariiinberg-vereenigingen, en volledige kennismaking verdient.

-ocr page 45-

/ij was de dochter van een geyoeden Lyonschfn handelaar, en voor wie een beetje verder dan de lengte van zijn neus keek, viel het hij dat kindeke, nog in den tatelstoel zittende, reeds op fe inorken, dat men de handen vol /.ou hebben met de leiding van dat wicht. Schoon Rousseau niet zijn paedagogie van den tweeden levensdag af, wel wat overdreef, moet men toch vroeg beginnen, wetende, dat opvoeding veel wijsheid vordert en overleg, veel verstand en nauwlettend toezicht. Hoe onontbeerlijk was het niet bij dit kind, hetwelk tot een hachje opgroeide, en vijf of zes jaren oud zijnde, reeds een wezentje was met veel eigenaardigheden en in elk opzicht een excentriek deerntje bleek te worden. Do ouders konden hun .Jeanne bezwaarlijk in toom houden en, eigen inzicht mistrouwende, verwachtten /.ij idle heil van zoogenaamde religieuse zusters, die, als doorgaans bij haar, welke moedernaam en moodei\'-iTvaring missen, allerlei moederwijsheid meenden in pacht te hebben. Hoe bedrogen zij zich! Een kost-scholierster van zulk een karakter in hel gareel van kloosterregels te wringen was onbegonnen werk. Zij kwam in.gedurig verzet tegen onderwijzende leidsvrouwen, die, volleerd in de kunst van bevelen en lessen debiteeren, verstandig gevoel misten, om liefde te wekken en te winnen. In do kloosterschool ging het boven do sfera\' der leeraressen, dat dit kinderlijk naturel niet gedw.ii^-boomd, doch met, zachtmoedigen tact bestuurd moi - t worden. Voeg daarbij, dat, het hoofd in den seboot legg.-n niet in Jeanne\'s zedelijk handboei: stond geschreven, en \'^ij acht het vi-i\'khiarbanr, dat de zusters, toen op zekeren keer de leerling den spot dreet meteen opgelegde tucli-

-ocr page 46-

34

tiging, oordeelden, dut bot nu de spuigaten uitliep, en de ongezoggelijke, gesignaleerd als zedelijk bedorven, ontslagen werd.

De ouders, liun kind in den hulselijken kring weder opnemende, /agen in, dat, terwijl naar het oordeel van vreemden, er met hunne Jeanne te eggen noch te ploegen viel, /.ij zeiven waren opnieuw rechtstreeks aangesteld als medearbeiders van God, die hun een pand toevertrouwde, waarvan zij rekenschap schuldig waren. Hadden ze vroeger van hun dochter gesproken, nu herdoopten zij den naam in dien van lieveling, wier geaardheid bijzondere omzichtigheid vorderde. Het ging, na het gemis dier lieveling, thans bij haar bezit, meer naar wensch dan vroeger. Jeanne leerde wat af, en vaderen moeder leerden wat aan. Het ouderlijk huis was voor het geëxalteerde kind bewaarschool en leerschool, vormschool en herhalingsschool. Kloosterstot besmette noch bezoedelde het liefelijk te huis, waar niet geademd werd in benauwde en benauwende atmospheer. De onat-haukelijke geest der dochter werd in zijn uitbarstingen gefnuikt, dé drift, gebreideld en de halsstarrige overmoed get emperd, zoodat Jeanne langzamerhand rijpte voor een levenstaak, die op haar jeugdige schouders zon gelegd worden.

Nog voor dat zij twee kruisjes op haar rug droeg,

moest zij in de rol van huisvrouw optreden. Als echtgenoot van een bemiddelden koopman, diende zij zich er werkelijk met de Fransche zweep door heen te. slaan, om, naar de manier barer landgenooten, én aan den kantoörlessenaar én in huiselijke bemoeienissen, een hulp te kunnen zijn tegenover haren man, dien zij liefhad

y

K ■ ■ ■ ...............-...............

-ocr page 47-

met haar gansehe levendige ziel. De echt vereen iging, door huwelijkszegen verhoogd en veredeld, was een ware hartsverbintenis tusschen man en vrouw, blakende van en zich verkwikkende in wederzijdsche liefde.

Het. levensgenot der wakkere vrouw en trouwe moeder was kort van duur. Huiveringwekkend werd het vroegtijdig vernield, toen de onverbiddelijke dood de vensters indrong, en de lachende woning tot twee malen in een sterfhuis veranderde. Jeanne was op drieëntwintigjarigen leeftijd weduwe en kinderloos. Zoo werd zij gedoopt in de wateren van hartzeer en droefenis, waardoor zij gelouterd en gesterkt werd, en door levenswisseling geheiligd en toebereid tot een nieuwe levensroeping.

De ledige, dat is de aandoenlijke beteekenis van het woord weduwe, kon niet ledig blijven. Terwijl afleiding haar tegen de borst stuitte, had ze opleiding van noode. Zij voelde bij toeneming, dat voor haar uit ernstige bezigheid verzoening met het leven zou kunnen ontstaan en uit nuttige werkzaamheid een troostbron voor haar moest vlieten. Zij zocht en vond, na het verbreken van den hniselijken kring, een anderen ruimeren kring, waarin haar verslagen geest nieuwe veerkracht zou erlangen, en levenslast veranderen in levenslust.

Aldus vermocht zjj, door een ander tot troost te zijn, zich zelve te vertroosten, en baande zij zii-h een weg, die tot een doel leidde, waarnaar zij wilde en blijkbaar ook kon streven, fn achterbuurten waarde zij rond als engelin der vertroosting. Zij beklom uitgesleten trappen, toefde in vunzige vertrekken, hielp, waar armoe den scepter zwaaide, en schraagde, waar jammer en gebrek heerschten. Door van zich, ja zich zelve gansch en al

-ocr page 48-

to geven, en als rcntmeesteres over andei\'er goederen beschikkende, kou zij liefde uitdeelen links en rechts. Zoo kwam /ij op den weg der snuirte en des medelijdens eens in aanraking raat een diep beklagenswaardige, en om haar afzichtelijke ziekte veelal geschuwde kranke. Onze weduwe trotseerde de akeligheid, verbond dagelijks de bloedende wonde, en terwijl ze nu en dan op een portaal, door versche lucht in te ademen, zich hardde tegen den verpestenden dampkring, werd haar weldoende hand gekust door eon weekhartige lijderes.

Op zekeren tijd was er ia een steeg, bij een hevigen brand, een jong meisje uit het verzengend vuur met een droevig verminkt lichaam gered. Aan de in het leven gespaarde wijdde .Joanne ui haar zorg, opdat aan de van ledematen beroofde zoo min mogelijk iets zou ontbreken. Onze liefdezuster •— gij vindt die titulatuur wol gepast had een kamertje gehuurd voor de aan kanker lijdende patient; daar was nog ruimte voor een tweede legerstee, en deze werd door Jeanne\'s bezorging in orde gemaakt voor do verbrande Marie, gelijk zij in de wandeling heette.

In die dagen gebeurde het, dat bij twee weduwen, eerst hoorende en daarop ziende, wat een lotgenoot dood, de harten brandende worden; en zoo loeren wij een trio kennen van edel gehalte. Wilt gij het drievrouwschap flink op zijn dreef en in zijn element zien, sla het dan gade, zooals onder gemeenschappelijk toezicht en nauwlettende zorg de verbrande Marie naar een nieuwe verblijfplaats wordt overgebracht. Een betere woning was voor geld eti goede woorden aangekocht, en tot een ziekenhuisje Ingericht voor op zyn hoogst twintig

-ocr page 49-

- 37 -

kranken. Daar kondt gij overdag en \'s nachts de drie weduwen op hare posten vinden, wakende bij slnpeloozen, helpende zwakken, zieken lavende en stervenden tot aan den laatsten ademtocht toe troostende en sterkende niet woord en daad.

„Geen plaatsquot;, „geen plaatsquot;, dat klonk als een droeve mare in de ooren van velen, die voor vriend en magen zich om verpleging in het liefdegesticht aanmeldden. Een ruimer hospitaal was brood noodig. Dat werd van 184quot;) af telkens mot krachtiger nadruk uitgesproken, en na acht jaren bleek het verlangen geen vrome wensch te blijven. Een oud kasteel werd aangekocht, gerestaureerd en eindelijk in een gasthuis herschapen, dat een weldaad en sieraad mag boeten dor goede stad Lyon.

Aan het ziekenhuis werd de bij rooraschen en onroom-schen geliefkoosde naam geschonken van Kalvariönberg, hetwelk, ovenals Golgotha, Hoofdschedelplaats beteekent. Zoo werd door dien naam gedurig een liefde ingeprent, sterker dan do dood, en zich in en door den dood verheerlijkende. Dat had men te danken aan een wijzen aartsbisschop, die, getuige van den rjjken zegen, waarmee de liet\'doarbeid van Joanne Garnier, de beroemde weduwvrouw, bekroond werd, kracht en duur aan het monscbliovend werk verzekeren wilde. Daarom dron»

O

hij aan op het bijeenbrengen van mede-helpsters, welke, elkaar steunende, voorlichtende en aanmoedigende, te zamon een Ivalvariënberg-vereeniging zouden vormen.

liet veel zorg eischend en veelbelovend christelijk terrein, thans door de dames ingenomen, bewijst van het begin af, hoe invloedrijk en nuichthebbend een enkele kon worden, welke een toonbeeld was van de kracht

-ocr page 50-

der zwakkere sekse, [n liefdebetoon, zich eerst openbarend op oen kamertje met ééne zieke, toen op een verdieping, waar twee of drio verzorgd konden worden, verder in een huis, geschikt voor een dubbel tiental lijderessen, en eindelijk werkdadig in een grootsch hospitaal, uitte zich een vrouw, die niet dacht nan het; rust een weinig.

Merkwaardig, en langs een distel- en dponiachtigftii weg, ontwikkelde do weduwe zich tot raads- en leidsvrouw, aan welke als van Godswege toegeroepen werd: wees een zegen. Voor een legio hulpbehoevenden schaarden zich allengs door, onder en naast haar mede-arbeidsters, omtrent welke de onpartijdigheid getuigt; vele dochters van Lyon handelen deugdelijk, doch die allen gaat zij te boven, wier naam in en tusschen de regels te lezen is van de hartroerende geschiedenis der mild- en weldadige stichting.

Naar het bezit der plek, waarop de instelling voor twee en dertig jaren verrees, heeft Jeanne Garnier met een begeerig oog uitgezien; zij heeft er lang voor geijverd, gevraagd en gebeden, en kort heeft zij er zich in bewogen met bezige hand, rappen voet, peinzend hoofd en gevoelig hart. In haar rusteloos dienstwerk heeft zij den last des daags en de hitte verdragen, tot zij werd opgeroepen door haar Heer, dien zij van hare goederen gediend had in de hongerigen en dorstigen, wien zij te eten en te drinken had gegeven, in de door haar gekleede naakten, en vooral in de bezochte kranken.

Ons verdiepende in wal het gasthuis te Lyon bewerkte en uitwerkte, waarvan, tot op heden toe, do dag aan den dag overvloedig sprake uitstort en de nacht

-ocr page 51-

aan den nacht wetenschap toont, verrijst voor onzen geest telkens en onwillekeurig het beeld der onvermoeide vrouw, welke het hart en de ziel mag heeten van de Lyonsche Kalvariën-Vereeniging.

Den Haag.

Hekman de Rihder.

-ocr page 52-

- 40 -

HKT ,DUXK\'EHEquot; WI^REI.DDEEL,

Wat bergt gij aan uw vvo iderstroome;),

O raadselaclilig Afrika?

Ik zie gedaanten £;niin en komen

15ij menigten, waar \'k de oogen sla: l w bruine dochters, zwarte zonen.

Hot vvolbekoiifle kroost van Cham, 1 )io in geen teute Hems mocht wonen, Wien vaders vloek den zegen nam!

Uw kusten zijn bezaaid met steden.

Door reeksen eeuwen opgebouwd, (ieluigen uit het vroegst verleden,

Ot\' luttel tal van jaren oud.

Maar «\'ut uw binnenlanden kweeken.

Of ddtlr liet licht der kennis rees . . .V A eh, als we uw vreemde namen spreken. Beklemt het hart een droeve vrees,

(\'w kronkelende prachtrivieren,

Zambesi, Congo, Niger, Xyl. Z(.\' omlijsten in heur ommezwieren Het landschap in verheven stijl.

Maar of aan de oevers die zij drenken.

De liefde woont, de vrede lacht, \\V ie durft het hopen, durft het denken. Die hoorde van uw lijdensnacht?

-ocr page 53-

41

Wmit, bleeft gy uw geheim ho waren,

En wierpt slechts goud en elpenbeen Ons toe van over \'t vlak der baren,

Met mildheid, die verkwisting scheen,

Toch heeft zich uit het diepst uws harten

Een noodgeschrei tot ons gebeurd, Een kreet, door namelooze smarten Ü aan de rauwe borst ontscheurd 1

(lij draagt, gij sleept een „open wondequot;.

Een kanker die uw bloed verteert: Een schrikk lijk wee, door brocder/onde

Eeuw in, eeuw uit, verzwaard, vermeerd. Gij geeft uw kroost, uw eigen stammen

Voor klatergoud, voor pronkerij,

Als buit, bij \'t wilde knjgsontvlammen. Ten prooi aan wreeds Slavernij!

Bij duizenden aan \'t erf ontstolen.

Waar \'t leven hun zijn zoethêen bood.

Zien wij ze door woestijnen dolen.

Met wonden voet, het hart als lood, V an heimwee krank, het oog slechts speurend

Naar t plekske waar hel Ijjden emit . . . Och. dnjverszweep, hoe hartverscheurend De kreet, dien gij ten hemel zendt!

Dit was het schrikbeeld dat ii kwelde,

O Martel aar, o Livingstone;

Dat \'s daags u \'l kloppend brein ontstelde. En s nachts de rust u rooven kon.

-ocr page 54-

(üj luidt gezien; gij kondt niet zwijgen;

(gt;ij riept God tot getuigen aan; Uw Afrika moest hulpe krijgen ....

O Bedle, uw zielskreet is verstaan!

Heeds maken zich van alle kanten

De stoute landontdekkers op.

Met koopliên en niet kruisgezanten,

Voor Afrika het zeil in top 1 /ij dringen in de sombre veste,

Ze, brengen licht en vrijheid raeè ; Ze ontwringen haar ten langen leste.

Aan \'t Monster dat haar krimpen deê I

.la zelfs de Vorsten van Europe,

Verpoozend van hun broederstrijd. Ze hebben \'t land der (toede Hope

Hun aandacht en hun zorg gewijd. \') „Voor \'t ongerepte land bescherming, .(Jij die uw tent er spannen wilt;

„Voor \'t weerelooze volk ontferming. „Wij Vorsten dekken \'t met ons schild 1

Dit is dan \'t antwoord op uw bede.

Toen ge op t woestijnbed de oogen sloot, O Livingstone 1 Daar daagt aireede,

N\'n bangen nacht, het morgenrood,

Op iiw gebed en van die allen,

Van Mungo Dark tot Gordon toe.

Z i.pi\'link\' quot;I1 \'\'\'\' ^ quot;1 -\'i \' \'onf.TP /U\'

-ocr page 55-

- 43 —

\\ oor t donker Werelddeel gevallen,

Des liopens niet, maar worstlens moê! Schept moed dan, Afrikaansolie stranden!

Haast valt de slavenketen van üvv smeekend uitgestoken handen, En weggenomen wordt uw ban! De Heilsbelofte is óók geschreven Voor diep verneêrden Kanaiin :

„Een Zoon is Abraham gegeven,

„Die vloek in zogen keeren kan!quot;

Wie weet wat wonderen eens prijken Op uw te lang miskenden grond; ut bloeiend schoone Koninkrijken, Met Godsvrucht, Vrijheid, Recht in bond. Wie weet hoe eens dit oud Europe

Bevvondrend op uw geestvlucht staart. Ten tweeden maal u „Land der Hopequot;, En „zegenquot; noemend voor heel de aard!

11 ij komt, uw Heiland en Bevrijder,

Hij is reeds daar. Hij slaat u ga.

Zijn bimd geneest den armen lijder.

Zijn mond spreekt \'t godd\'lijk .Effathaquot;. O Afrika, wat blij ontmoeten !

Als \'t, uur dier weêrgeboorte komt.

Stelt Hij u recht op uwe voeten. En \'t zuchten en geween verstomt!

A. BlllM.MKI.KAMl\' Jli.

-ocr page 56-

44

Z I E L S Z (\' C H T.

Kust dos hartfii, /ielovvede Deeleu ziclx aan liem slechts mede, Die den vvereldlust versmaadt, Die van angst nm aardsche zorgen Los is en, in God geborgen, \'t Smalle pad ten leven gaat

O! het kost wel zweet en tranen. Als men zich den weg wil banen, \'t Steile pad naar de enge poort; Wie dit doel tracht na te jagen. Voelt het mannenhart versagen, Eu met God slechts komt hjj voort.

Ach, ik sta met zwakke krachten, Weiflend nog in mijn gedachten, Tnssrhen aarde en hemel in.

Haast I\', Hem\'! om mij te vinden Broek de ketens, die mij binden. Trek tot U mijn hart en zin.

-ocr page 57-

Tot in ü ik heb gevonden De verzoening mijnei\' zonden,

Vrjjgeraaakt van uardschen lust,

Veilig tegen allo schade,

In de macht van uw genade Eeuwig mijne ziele rust!

W. II. KIIUII OIKJKK.

f I\'if 7 \'h dl u dis L ebeii j.

-ocr page 58-

U E li E D.

I [eer, dien ik diep in \'t hart mag dragen, wees lt;tij met mij; (lij toevlucht in geluk en plagen, wees (jij met mij; In \'t vuur des zomers, die den man reeds de wang

(verbrandt.

Als aan der jonkheid rozenhagen, wees (lij mot mij; Beveilig me aan de bron der vreugde voor overmoed. En /oude ik aan mijzelf versagen, wees (lij met mij; Stort uit uw geest in mijne liedreu en maak hen rein ; Dat mij geen woord eens moog verklagen, wees (lij mei mij : Als dauw den druiven is uw zegen: zelf kan ik niets, Toch, dat ik stout het hoogst durv\' wagen, wees Gij

(met mij:

o (Hj mijn troost. Gij mijne sterkte, mijn zomielicht. Wees tot het einde mijner dagen, wees Gjj met mij !

SoEllA R NA.

i Xnnr (ieibi O

-ocr page 59-

47

L E T II E.

Vergoten, en gedenken.

All mein Sehneii will ich. al! main Denken In iles Lethe stillen Strom versenken Aber ineine Liebe nicht.

Scnii,i,p.B.

Op de eerste bladzijde van Schiller\'s onvergetelijke werken wordt de rij zjjner kleinere gedichten geopend met eene aangrijpende voorstelling van het afscheid, dat Hector, de liehl der Tro janen, kort vói\'ir zijn sterven, van zijne geliefde vrouw Andromache nam. Door een somber voorgevoel gedreven, tracht zij hem van den naderenden ongelijken strijd terug te houden:

\' \'Ü zult heengaan, waar geen dag meer aanlicht De (Jocytus langs zijn sombere oevers voort weent En uw liefde in Lethe s waatren sterft.

Doch wat antwoordt hij?

Moge ook al mijn wenschen, al mijn denken In den stillen Lethe stroom verzinken,

Mijne liefde sterft daar niet.

-ocr page 60-

Treffend wordt in dit dichtrenwoord de verwachting uitgesproken, dal. \'s inenscheu innerlijke schat, de liefde zijns harten, zelfs in den dood niet zal ten ondeig.iiin, niet raeè zal verzinken in den schier alles overweldigenden stroom der vergetelheid

\'t Verwondert ons niet, dat in den loop der eeuwen vele denkers en dichters zich aangetrokken hebben gevoeld door do voorstelling, dat aan gindsche zij dei-graven oen stroom zou warden gevonden, welke allen die er uit drinken, het verledens vergeten doet.

Griekenlands oudste dichters kennen zulk een\'stroom nog niet. Homerus, nis hij in zijue onnavolgbare heldenzangen ons Hector\'s strijd en Andromache\'s liefde teekent, gewaagt van geen Lethe. Des te meer werd in later tijden, eerst door de zangers van Hellas, daarna door die van Lat hun, als zij over het lot der afgostorvenen handelden, var, den stroom der vergetelheid melding gemaakt.

Oorspronkelijk werd echter de Lethe niet (gelijk men gewoonlijk meent) aangeduid nis eon rivier, uit welke allo gestorvenen „vergetelheid indrinken van hetgeen op aarde geschied was.quot; Veeleer bracht de doorgaande v )orstelllng der ouden meè, dat ineii zich in het rijk der dooden geheugenis van liet verleden dacht. Naar men meende werd eerst aan aanvankelijk gereinigde zielen vergund, de Ely/.eesche velden te bereiken; langs deze vloeide do Lethe, en wie nu tot het leven op aarde terug-keeren zou, moest eerst uit Lethe\'s wateren drinken, en vergat daardoor al wat voorafgegaan was, het vroegere lijdon der aarde, maar ook do zaligheid van het Elyseum.

-ocr page 61-

Zoo spreekt \\ irgilius, de begaafdste zanger uit de gouden eeuw der Roraeinsche letteren, van den Lethe als van den stroom

„die alles leert vergeten, En langs de huizen vloeit, die van geen onrust weten.quot; 1)

Hij verhaalt hoe Aeneas op /ijn\' zwerftocht door het doodenrijk, bij Lethe\'s stroom eene groote menigte vergaderd zag, begeerig om er uit te drinken :

Eneas staet verbaest Voor dit gezicht en vracght onkundigh met der haest N\'aer d\'oirzaeck, vraeght naer vliet en stroom in deze

(plecken;

Wat mannen d\'oevers hier met zulck een\' z war ui bedecken. Anchys de vader sprack: de ziel, wien lang bij lot Een ander lichaem toebeschoren wert van Godt,

Drinckt hier vergetenis uit stille waterpoelen.

Vergeet \'t voorleden, weet de zorgh van \'t hart te spoelen

Gelooft men, vader, dat een deel naer onze looht Van hier ten hemel gaen, en die hier \'t lijf ontbeeren, Dan weder op een nieu in \'t logge lichaem keeren? Hoe zijn d\'elendigen z.oo toghtigh naer de baen 1\'es levens ? Hierop heft Anchises weder aen:

lek zal het zeggen, zoon, u niet in twijfel houwen.

In dquot; uiterste oogenblick, als \'t leven \'t lijf begeeft. Dan leght noch d\'arine ziel al \'t vuil, dat op haar kleeft,

1) Aenpi», VI. 70B. volgens de vorlnliiif,\'- van Vondel.

•1

-ocr page 62-

- 50 —

^-

Niet af; dan treckt de ziel de smet des lichaems tevens

Niet uit..........^

waerom zij loutering vereisohen, en t misdryt

Door straffen dient geboet... een ieder ziel moet gelden.

Hierna verzent men ons naer d\' Elizijnsche velden,

Een ruim en groot gewest.....

Wanneer nu deze zielen

Dus duizent jaren lang van smetten, die ze hielen,

Gezuivert zijn, dan daeglit Morkuur met zijne roe

Een groote menighte naer den Vergeetvhet toe.

Opdat ze wat luier heuglit, uit Uaor gedachten vaegen.

Ter weerelt innetreên, belust om haere dagen

In \'r lichaem wederom te slijten als voorheen.

Evenzoo sprak reels 1\'lato \') van zielen, die na 1000 jaren in de oorden der vergelding te hebben doorgebracht, weder in het lichaam ingevoerd werden. .Eerst echter doorwaden zij bet veld en de rivier der ver^tel-heid. on naarmate zij uit dezelve moer ot minder gedronken hebben, verliezen zij de geheugenis hunner

vorige handelingen.quot; quot;)

Zinrijke fabelen der oude heidenen! Hoe heeft de menschelijke geest zich ingespannen, om zoo mogelijk den sluier opteheffen, die de toekomst aan géne zijde der graven bedekt. En hoe heeft zich bij die vergeefsche

pogingen geopenbaard: nu eens verlangen naar.....

dan weder vrees voor ... vergeten en gedenken!

1 In liet lOtle Boek De Kepublica.

2 Zie o.ii- Wijtleiibnch, «ver de gevoelens der oude wijsgeeren wegens den Stnat der zielen na dit leven.

-ocr page 63-

Eene onwaardeerbare gave, door den Vader der lichten aan de kinderen der menschen toebedeeld, is bet berinne-rings-vermogen. Hoeveel armer zou bet menschen-leven zijn, indien wij deze gave moesten derven!

De een is sterker van geheugen dan de ander; ook verdiept zich de een meer in herinneringen dan de ander : maar geen mensch, tenzij hij krank van zinnen zij, die de gave van geheugen en herinnering geheel en al mist.

Hoeveel kostelijks wordt door sommigen opgezameld in de schatkameren van hun rijken geest. Maar ook de in dit opzicht minder bevoorrechten kennen uren, in welke zij den dichter zouden kunnen nazeggen:

Wat al beelden en tooneelen Reizen de peinzende ziele voorbij, \')

uren, in welke bet verleden voor den geest opkomt, zóó klaar, zóó duidelijk, zóó sprekend, als doorleefde men alles nog eenmaal! •— of ook waarin het lang-verVlogene als in schaduwbeelden aan de ziel voorbijgaat, „door een scliim van onszelven in den nevelachtige!) stoet vergezeld.quot; 2)

Veel wordt bewaard in het geheugen van het verstand en in de herinneringen van het harte. Maar ook: veel verzinkt in een1 stroom der vergetelheid, dien wij niet in de benedenwereld behoeven te zoeken, aangezien wij in dit ondermaansche leven allen er uit drinken van dag tot dag.

Veel wordt vergeten. Vooral van het „van buiten geleerdequot;: omdat dit buiten ons blijft. Het geheugen

1) De Genestet.

2) Dickens.

-ocr page 64-

van sorainigen, met allerlei verstandelijke kennis beladen, zoo niet overladen, laat van die kennis het ééne stuk na het andere los, gelijk een vijgeboom zijne onrijpe vruchten afwerpt. Hier baat geen kunst der Mnemo-niek! Veler met moeite opgegaardo kennis blijkt binnen kort in \'t vergeetboek geraakt.

Maar vergeten wordt niet alleen veel geheugen-werk: ook zooveel dat samenhing met herinneringen des harten. Wanneer wij terugdenken aan ons eigen verleden, hoe kan het ons zijn, alsof de stroom der vergetelheid verre hot. meeste heeft weggespoeld. Slechts enkele momenten zijn als monumenten blijven staan: rotspunten in den voorbijsnellenden stroom. Men weet zelf niet waarom juist deze of die bijzonderheid uit het vroegere leven zoo trouw in de herinnering is bewaard: indien men te voren had kunnen kiezen, wellicht zou men ter blijvende gedachtenis aan geheel andere beelden en tooneelen do voorkeur hebben gegeven, en in ruil daarvoor een en ander van hetgeen nu vast in het geheugen hangt, gaarne hebben prijs gegeven. In ieder geval veel ontzinkt ons, wat toch de moeite van het bewaren wel waard ware

geweest!

Shakespeare zegt ergens:

De tijd draagt op zijn rug een ransel Waarin hij brokken werpt voor het verleden, Dat groote monster vol ondankbaarheid.

Inderdaad : veel wordt vergeten : groote brokken tegenover de kruimelkens die in geheugen en herinnering getrouwelijk bewaard worden.

Doch laat ons billijk zijn in het klagen.

Tof, op zekere hoogte is het niet te misprijzen, dat

-ocr page 65-

veel vergeten wordt. Eens menschen hoofd en hart kan niet alles te gelijk blijven omvatten. De ééne indruk der ziel moet voor den anderen plaats maken. Daar is een vergeten, dat zeer te verontschuldigen, wat meer zegt, daar is een vergeten, dat wenschelijk, ja plichtmatig is.

Een der Britsche koningen had in zijn zakboekje eene bladzijde met het opschrift: Remember to forget. Gedenk te vergeten! \') Zelfs spreekt de H. Schrift van een vergeten, waartoe wij van Godswege worden geroepen.

Zoo iemand komt tot de kennisse van God en van Zijn eeuwig Koninkrijk, die moet om den wille daarvan al het andere „vergeten en verlatenquot; \'), die moet „vergetende hetgeen achter is, zich uitstrekken naar den prijs dei-roeping Gods.quot; \')

Ontzaglijk rijk is do H. Schrift in vermaningen en waarschuwingen, die ons zeggen, wat wij hebben fe gedenken, en wat wij niet mogen vergeten.

Opmerkelijk, dat het, woord „herinneringquot; in geheel onze Bijbelvertaling niet voorkomt. Do Schrift spreekt vaak van „gedenken, \' doch het begrip daarvan valt niet altijd samen niet hetgeen wij onder herinnering verstaan.

Ie gedenken hebben wij, volgens de Schrift, ,onzen Schepper in de dagen onzer jongelingschap, 4) en ook als de kwade dagen komen. 4)

Te gedenken hebben wij, wie God voor ons geweest

1) BneU, 1) «\'n door lateu. 2 Pa. 48 ; 11. 3J l\'hil. 3 : 14. 4) Prei, 12 : 1. 5) .les, «1, ; 5.

-ocr page 66-

54

is gh /ijn wil, — Zijno dïidön ), ynaum ) ^ijn

dienst \')i ^Ü11 woord. 4)

Te gedenken hebben wij de openbaring der heilige genade Gods in Christus, onzen Heer, den gestorvenen en opgewekten Heiland. \'\')

\'|\\i gedenken hebben wij de noodzakelijkheid om in dit korte leven f\') ons voortebereiden voor het leven dei-eeuwigheid, opdat wij de stad des verderfs ontkomen ) en de eeuwige Godsstad bereiken, f)

Voorts mogen wij niet vergeten: in de eerste plaats (r od. God te vergeten, is de aanvang en het inbegrip van alle goddeloosheid. \'\')

Niofc vergeten mogen wij de eischen Zijner Wet ), de beloften van Zijn verbond quot;) de vermaningen en waarschuwingen Zijner liefde. 1quot;)

Niet vergeten mogen wij de weldaden die Hij ons bewijst 1 ), de barmhartigheid, waarmeê Hij ons voor dezen tijd en voor eeuwig wil gedenken. )

Niet vergeten mogen wij „de reiniging onzer vorige zondenquot;; \'*) de dagelijksche roeping tot een leven voor Hein in gerechtigheid en liefde. \')

Niet vergeten mogen wij eindelijk, dat wij ,geeii ver-

ij Va. 77 : li- 2, I\'s. 4Igt; : 21. .los. 2(1 ; 13. 3; Ex. 20 . 8 4.) I-S. uu : Ui. 5 2 Tim. i t s. 8) K»n .,me

mento nmn klinkt ons op mem^c b:n(Uijlt;io iter II S. leffon. 7) Luc. 17 ; 33. 8) IN. 137 : 5. 0) Deiit. »3 : IS. 1 Sum, 12 !gt;. Job. 8 : 13. Jen. 51 . 13 10 Spr. 3 : l. Uose»

. n. II; Deul. . 23. 2 Kon. 17 : 38. — Spr. 2 • 17 spre«kt van do vreenule vduw din den leidsman hnrer jonpfheiil verlaut en lie-t, verbond haars Oods vorgeoll 12; ilfibr. 12 ; 5. KzpcIi.

33: 6 vv. 13 I\'s. 103 : 2. Deal. : «. It P«. H • 10.

3 : ö, irgt; i Pctr. I : U l\'i) Hebr. 13 ; 2, Ifi.

m

SU

-ocr page 67-

getelijke hoorders des vvoords, maar daders des vverksquot; \') behooren te zijn.

Van liet al- ot\' niet gehoorzamen aan dezen raad dei-wijsheid Gods hangt onze toekomst af, ook aan gindsche zij der graven.

Zullen daar de herinneringen aan het tegenwoordig leven uitgevvischt worden ?

De H. Schrift leert het ons niet. Wel wordt ergens van het rijk der dooden gesproken als van „een plaatse der vergetelheidquot;1 \'); doch liet is sleuhts om te herinneren, dat de dooden door de levenden niet meer gedacht, worden, \') en dat zij zeiven geen gedachtenis meer hebben van hetgeen na hun verscheiden op aarde geschiedt. 4) Daarentegen wordt ons menigmaal en op menigerlei wijze herinnerd: „dat er een gedenkboek is voor Gods aangezicht;\'\' ■\'gt;) dat wij geoordeeld zullen worden ,naar hetgeen in de boeken geschreven is. naar onze werken quot;) en dat wij ,zelfs van ieder ijdel woord rekenschap zullen geven\'\' in den grooten dag der toekomst. \')

Te lichtelijk loopen wij gevaar, het er voor te houden, dat alles wat wij vergeten hebben, ook inderdaad vergeten zou zijn. Zeoi1 schoon heeft Heets daarvan gezegd ;

Wij vergeten. God gedenkt

Onze daden, onze woorden.

Die wij uitten, die wij smoorden,

Wat gegriefd heeft, wat gekrenkt,

-X

1

Jac. 1 : i:,. -2) I\'s. SS : 13. .1 Pa. 31 13. ♦) Prcd.

-ocr page 68-

Wat ons kort slechts heeft gespeten,

Kort vervuld heeft met berouw,

Waar we al lang niet meer van weten,

Schoon \'t ons altijd heugen zou,

God gedenkt het - wij vergeten.

En nog afgezien van de kennisse van God, den Alwetende, hoe blijkt reeds uit de ervaring van het dagelijksch leven, dat niet alles wat ons voor een wijle uit de gedachten ging, werkelijk voor goed door ons is vergeten. Koe kan het, gebeuren, dat vorige levensomstandigheden, aan welke wij jaren lang niet hadden gedacht, plotseling, vaak zonder dat er bijzondere aanleiding voor bestond, als uit de dooden oprezen. Zij waren niet gestorven; zij sliepen slechts.

Er zijn zelfs krankheden, die het herinneringsvermogen in bijzondere mate opwekken. Hoe zal het dan zijn, wanneer de dood intreedt, en het licht der eeuwigheid over den voleindigden loop onzes levens opgaat?

Met aangrijpenden ernst heeft de schrijver van de ,Brieven uit de Helquot; over het „gedenken en vergetenquot; aan gindsclie zijde van \'t graf, gesproken 1).

„Door de helquot;, zegt hij, „slingert zich eene rivier met troebel, modderig water. Laat niemand hierbij aan den Lethestroom denken, waaruit men vergetelheid drinkt. Juist dit is zoo rampzalig, dat men er niets vergeten kan van hetgeen men gaarne vergeten wilquot; . . . „De verlorenen weten «iels van redding en verlossing;

1

Ver^. hot versing vuu l)r. «lonkcr. St. v, W. c. \\. 18S3.

-ocr page 69-

— 57

\'/5

zelfs den Naam van den Zaligmaker zijn /.ij vergeten. Zij kwellen ziek vruchteloos, om eene zwakke herinnering daarvan terugteroepen. Konden zij Zijn Naam maar uitspreken, dan waren zij verlost! Doch, helaas! zij zijn alles vergeten, behalve zichzelf. Hun kennis, hun talenten, de heerlijkheid van den Mammon, al wat slechts uitwendig aan hun persoon was toegevoegd, \'t is onnaspeurlijk verdwenen. Maar al wat hun eigen persoon en eigen leven betreft, herinneren zij zich met even pijnlijke als onverklaarbare volledigeid.quot;

Inderdaad, al kunnen wij ons aangaande den toestand der rampzaligen in de oorden der duisternis geen rechte voorstelling vormen, de gedachte ligt toch voor de hand, dat de herinnering aan een verbeuzeld en verloren leven daar blijvend voedsel geeft aan „den worm die niet sterft.quot;

Trouwens reeds aan deze zijde des graf wordt in een niet-kunnen-vergeten de hand van een wrekende Nemesis openbaar. —- Hoe behooren wij in de kracht Gods het heden aizoo interichten, dat de herinneringen er aan geen vloek, maar een zegen brengen.

De herinnering aan een onvergetelijke ure kan „een nieuwe teug zijn viit de bron eener oude vreugdquot; i) maar helaas! hoe menigmaal is zij een nieuwe teug uit een gansch zeer bittere bronne!

Shakespeare laat lady Macbeth optreden, zooais zij vruchteloos hare hand van bloed wil reinigen: haar kwelt de herinnering aan een bloedige daad.

Auerbach laat Irma in haar dagboek klagen: ..Als

1) Ten Knte.

-ocr page 70-

58 -

K

or stouhts geen herinnering ware, hoe gelukkig zou ik dan kunnen zijn!quot; Haar kwelt de herinnering aan een zondige betrekking.

Doch al /,iju er ook geen in het oog loopende redenen tot knagend zelfverwijt: hoeveel is er in menig leven dat men gaarne vergeten zou.

Daartoe hehoort niet zoozeer het lijden des levens; want wanneer het leed, hoe bitter ook, voorbij is, is menigmaal de herdenking er van, zoet. Maar daartoe behoort zeer zeker de schuld des levens. ^ el hein, die waakt en bidt, opdat hij niet in verzoeking kome! Wel ook hem, die met zijne zondeschuld ootmoedig en vertrouwend tot God gaat.

Ootmoedig en vertrouwend bidden leert de Heilige Geest in en door het Woord der Schriften.

Hoe wordt ons daar hel ootmoedig gebed als op do lippen gelegd:

Gedenk niet, o God, der zonden mijner jonkheid! ) Gedenk. Heere! l\'wer barmhartigheden en Uwer goedertierenheid! \')

Gedenk mijner, o mijn God, ten goede! \')

En hoe wordt het vertrouwen gewekt door woorden als deze:

Hij vergeet niet, genadig te zijn. 4)

Hij viugeet lu\'t geroep dfi* boetvaardigen niet. \') Hij vergeet het verbond zijner trouwe ni^t. \') , Kan ook eene vronw haren zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontl\'erme over den zoon van haren schoot?

1 IN. ■gt;:, : 2] I\'s. 35 : I!, \'■\'gt; Xehsin. 5 19. 1- I\'s. 77 io 5 I\'s. : la, « Dimt. !• : :n.

-ocr page 71-

Ofschoon doze vergate, /.egt do Heere, zoo zal Ik toch u niet vergeten!quot; \')

In het hart van eon\' geloovige, die de eeuwige liefde Gods in Christus erkend heeft, ontwaakt een nieuw lied, een nieuw levon, een nieuwe liefde.

Eon nieuw Lied „om te doen gedenken.quot;

Een nieuw Fjovoii, welks herinneringen heiligend, vertroostend, zaligend zijn.

Een nieuw» Liefde, die ook in den dood niet sterft: eene Liefde, die met hare zusters, Geloof en Hoop, do aanvankelijk gereinigde ziel begeleidt naar do eeuwige woningen des vrodes.

Nog eens rijst ons in de gedachten het lied, waarmeö wij aanvingen;

Moge ook al ons wenschen, al ons denken In den stillen Lethe-stroom verzinken,

Ome liefde sterft daar niet.

Wanneer wij verwaardigd worden, op Gods tijd het betere land in te gaan, zullen vele van onze wenschen en begeerten moeten achterblijven.... ijdol waren ze, zoo laat ze wegzinken in den stroom der vergetelheid!

Ook van ons d e n kon zal veel moeten achterblijven . .. gebrekkig stukwerk was bet . . . zoo laat het wegzinken in Lethe\'s stroom, voor goed!

1) Jos, i!) : 15. OnwijlektuiHg komt ons hier lipt woord des dichters te binnen:

„Schneller noch nis Lethe\'s Kliilhen Und der Todten stilles Jlaus,

Loscht der Liebo Kelch den Guten .feiies Fehls Krinn rnnff aus

-ocr page 72-

Maar onze liefde blijft — door God zei ven gewekt antwoord op Zijne eeuwige liefde in Christus!

Die liefde — zij vergaat nimmermeer.

Zij vergeet niet, en wordt niet vergeten.

Zij blijft gedenken, want luirer wordt eeuwiglijk door God in genade gedacht.

J. Rïemens

Middelburg, Juli 1885.

-ocr page 73-

- t)l -

AAN VICTOR HUGO.

(iod vindt ge, o dichter, steeds,

waarheen uw blik zich keer j\'n d\' afgrond voor uw voet,

in /.ou en starrenheir; In \'s nienschen rede en geest,

in liefdes zegepraal; In \'t flikkren van uw oog,

in \'s harten teêrste taal; Fn al het ware, eu goede,

in werken van \'t genie; In stout gebeiteld steen,

in keur\'ge harmonie; In \'t geuren van den hof,

der vooglen morgengroet, In \'tpurper avondrood,

dat tintelt op den vloed; In \'tstatig rotsgevaarte,

in \'t hart van d\' Oceaan; In bollen, wentlend langs

heur onnaspturbre baan;

-ocr page 74-

G2

In \'t heimlijk golven van

dien ongezienen stroom, Waar levens kiemen, en

atoom smelt in atoom;

In adelaar en leeuw,

in schepslen van één dag; [n \'t kind op moeders schoot

met liemelreinen lach; Iigt; \'t grootsch, ontzaehlijk woud

met plechtig, zacht gesuis: Maar ziet zijn heerlijkheid

niet schillren over \'t lends.

A. W. ïïnossvi

(\'[■tl hel I\'Vansch van \'i\'hcod. Monod.)

-ocr page 75-

- 6:3

V O O li I) E K E 1 S.

Pelgrim! gij wilt naar liet betere land;

Zorg dat het noodigste u niet moog\' ontbreken; Leer dan do taal eerst, die allen daar spreken, Neem de vertrouwbare reiskaart ter band.

Bteenen des aanstoots bedreigen uw voet:

Oroot is \'t gevaar van uw weg te verliezen,

Haast u den zekeren Leidsman te kiezen,

Die u voor struik\'len en dwalen behoedt.

Maak u vooraf met de roeping bekend, \'t Heerlijke werk, waar ginds allen, bij leven, Als er aan « dan een taak wordt gegeven. Dan zijt ge al vast aan dien arbeid gewend.

Zingenot wordt daar niet langer vergund:

Stand of\' geboorte maakt niemand duar edel; Menschenlof weeft er geen krans om den scbedel: Zilver noch goud is er gangbare munt.

-ocr page 76-

64 —

AVerp dan den last, die u hind\'ren zou, af! Scheur iedren band, die uw loop zou vertragen! \'t Best komt gij voort, waar gij niets hebt te dragen, Achter dien Gids, dan uw kruis en uw stat.

Kweek de gezindheid, hoe moeilijk \'took schijn\', Die in dat land boven alles geëerd wordt;

Hebt gij dien schat, die het meest daar begeerd wordt, Dan zult ge er burger, geen vreemdeling zijn.

Smal is de weg wél en eng is de poort.

Maar met den Leidsman, dien ge u hebt genomen. Zult gij toch veilig naar \'t Vaderland komen. . . • ■ Zet dan in Gods naam uw pelgrirastogt voort!

C. \\V. VAN DER

i\'OT.

Holhrdciii •

____

-ocr page 77-

— 65 —

I

1 THESS. IV : 17/;.

Ik heb een woord vernomen,

Een kost lijk, dierbaar woord;

Dat is mij troost en vreugde.

Drijft allen kommer voort.

Dat woord, het luidt: „wij zullen

A 11 ij d z ij n met den li eer!\'\' Welzalig die \'t ervaren,

Ik wensch ot\' vraag niets meer.

Wat zou ik dan nog klagen ?

Het sterven wordt gewin.

Nooit van den Heer gescheiden; Sluit dat niet alles in ?

En die in Hem gelooven,

Niet gij of ik alleen,

W ij zijn dan a 1 t e z a m e n In Hem voor eeuwig ren.

Hoe kort is hier ons leven;

Hier nog een weinig strijd.

Hier nog een weinig scheiding.

Dan met H e m v o o i alt ij d.

• J. VAN Vor.LUNIIDVKN.

SS

5

-ocr page 78-

11 0 O O E R O 1\'.

Terwijl ik mij onlangs spoedde naar ...... vi-ienden-

woning, waar oen geacht zendeling eenige n.ededeohngon zou doen ointrenl /ijne persöönlijke ervaringen en out .„„etingen in de heidenwereld, /ag ik ienmnd aankomen mij verre vooruit in praktisehen belangstellenden arbe.d n,et betrekking tot deze goede /.aak. Nint t wijtelende of zij zou als oude bekende ook tot de vele genoodigdon behooren, vroeg ik haar of wij verder ■/.amen zouden (Taan, waarop zij, - kennelijk met leedwezen, - *e.de niet genoodigd te zij,., terwijl zij er met een weemoe-,lieren glimlach bijvoegde: .Vroeger kwamen wy b.j der-„eüjke gelegenheden over en weer altijd zamen, maai uieuwe vrienden doen wel eens de oude vergeten, en

zoo schijnt het daar ook.

Ik had met haar te doen en bleef eemge oogenbhkken met haar doorspreken, bij ondervinding wetende dat liet voor een „alleen gelatenquot; menscbenkind niet goed is m

zoodanige weemoedige stemming naar een eenzaam t elmis weer te keeren, waar niet meer als weleer vriendelijke stemmen de tehuis komende te gemoet klinken en mui-

-ocr page 79-

_ (J7 —

« -----------------------------------------•---- —$

zouissen verjagen. Men loopt dan toch ligt gevaar om, y.oo als de Engelsolieii het noemen, te blijven b r o e d en over indrukken, die voor een sympathetisch oor uitgesproken reeds daardoor oen deel van hun somberheid verliezen, terwijl een vriendelijke handdruk, een belangstellend woord, ja misschien een scherts, een kleine wclmeenendo bestraffing of een vingerwijzing naar boven, wel eens zwurte gedachten die in aantogt waren verdrijven.

Deze ontmoeting echter, en het daarop gevolgde gesprek herinnerden iiijj een onuitgegeven blaiidje „uit de snipper-portefeuille eener eenzamequot; dat nog vvelligt wol in meer harten weerklank zou kunnen vinden, en daarom op de vereorende vraag om andermaal eene bijdrage voor de Magdalena te zenden, met eenige uitbreiding daarvoor (cn beste gegeven wordt mede onder den indruk van het juist gelezens over de gelijkenis Matli. 13 ; 52 opgeteekend; „Een iegelijk s c h r i f t g e 1 e e r d è (of letter k u n d i g e, of discipel, naar v. Koetsvelds vertaling) in he t K o n i n g r ij k de r h e m e 1 e n o n d e r wezen, is g e I jj k a a n e e n h e lt;! r des h u i z es, of hoofd des gezins -- die uit /. ij n e n schat nieuwe e n oude dingen v o o r t b r e n g t, of oud en nieuw pewaart om er bij voorkomende gelegenheid vreemden en vrienden mede te dienen. Eigenaardig merkt Dr. v. K.

hierbij op, dat wij bij dit beeld waarschijnlijk eene zuinige huis moeder zouden geschetst hebben, gewoon om allerlei te bewaren dat nog ie pas zou kunnen komen, en gul met de uitdeeling daarvan. Maar hoe dit zij. de alhier geschetste is iemand die het zelf ont-vangene of verworvene bewaart, niet zoozeer voor

-ocr page 80-

— 68 —

Vi

ft--

1

eigen gebruik als wel om het welligt later ten dienste van anderen te kunnen besteden. — Wat de discipelen van den Heer leerden - oud en nieuw te bewaren om het aan anderen mede te deelen, dat is toch de roeping van allen die hunne voetstappen drukken; die, in het Koningrijk der hemelen onderwezen, den schat hunner ervaring in hoofd en hart bewaren om daarvan bij voorkomende gelegenheid ook aau anderen moe te deelen, V/ij in denzelfden ouden, \'t zij in vernieuwden vorm en in

onderscheiden toepassing.

Het bedoelde, reeds geel geworden blaadje uit de snipper-portefeuille welks inhoud hier nu volgt, droeg tot opschrift:

PAMKKEN VI1IKSDEN- EN LEVENDK VRIENDEN.

Men zegt wel eens teregt: „boeken zijn zwijgende vrienden,quot; wier bijzijn en stille sympathie verkwikt en goed doet zonder te vermoeijen, daar men ze eenvoudig neerlegt of digt slaat, on In\'m alzoo zonder onvriendelijk zijn het zwijgen oplegt zoodra zij genoeg tot ons gesproken hebben — dat jegens levende vrienden met altijd

geschieden kan.

Dit is echter iets gansch anders dan de ervaring van wat sommige menschen doen als zij wel eens onbedachtzaam oude vrienden van vleesch en been en geest en hart behandelen als een kamergeleerde sommige zijner boeken. Een tijd lang gaat hij om, leeft bij met dezen of genen schrijver, of met dengenen wiens geest in dat boek leeft en spreekt. Maar, evenals de bij, die den honig en de was uit een bloem gehaald heeft niet andermaal in dezelfde kolk neerdaalt, zet hij daarna dat boek

1 ____Si

V?---------------------.....-................

-ocr page 81-

op zijne plaats. Nu en dan slaat hij er welligt nog een vriendelijken of dankbaren blik op, omdat de titel op den rug van liet boek voldoende is om hem of een daaruit ontvangen zegen, óf een vroeger tijdperk van het loven of van den strijd zijns harten of zijns geestes te herinneren, toen hij daaruit licht, of voedsel of sterking ontving — of er een genoegelijken omgang, of slechts eenige verpoozing in vond. Maar er zijn er althans onder die hoeken, „qui lui out dit leur direquot; of waaraan hij ontwassen is, of die, daar hij in zich opgenomen heeft wat ze hem vroeger welligt mogten geven, of leeren, of voor hem zijn, niet meer worden opgenomen. Zij hebben hun contingent tot het leven van zijn geest of hart geleverd, en zoo ze al niet worden opgeruimd, nu staan ze daar verder ongebruikt.

En die p a p i e r e n vrienden, zij gevoelen er geen pijn van dat die geest en dat hart nu weder andere behoeften heeft en nu bij andere papieren vrienden (of bij andere nummers in dezelfde bibliotheek) voedsel en versterking, en opleiding, of de verpoozing van een\' sym-pathetischen gedachtenkring zoekt. Maar de mensche-I ij k e vriend gevoelt het wèl als do gemeenschap, de geestelijke omgang met dien ander, slechts een épisode in het leven van dezen medenionsch, van dezen vriend geweest is, terwijl hij had gehoopt op een b 1 ij v e n d e n omgang, die den ander naar het schijnt niet maar hèm wèl behoefle is g e b 1 e v e n, — zoodat hij niet genoeg heeft aan het nu slechts, hetzij van lijd tot tijd, hetzij vaker zien, of out moeten van elkander (gelijk dat in de wereld zeer juist heet), in gezelligen kring en met een een enkel welwillend woord of met een vriendelijken blik,

-ocr page 82-

- ----------------------------

K-

gelijk die op den rugtitel van een vroeger met instemming gelezen boek wordt geslagen. Hij gevoelt met smart, ui zoekt hij het zich eerst te ontveinzen, dat de wederkeer ige behoefte aan de vertrouwelijke tweespraak van weleer, die de gemeenschap onderhoudt en voedt, bij den ander niet is gebleven, ja zelfs niet, zij het ook slechts

nu en dan, weer opleeft, zich openbarende in de oude vertrouwelijke uitstorting des harten, of blijkende al is \'t slechts uit het halve woord dat genoeg is voor wie elkaar verstaan of uit den blik waarbij het oog rust in het vriendenoog — en zonder welke gemeenschap de mensch. ook de geestelijke mensch (die het „hoogerop heeft leeren verstaan) wel leven kan maar zonder welke de vriendschap toch kwijnt.

Het is waar dat naarmate van het karakter, de levensleiding en allerlei bijkomende omstandigheden, bij den één de vriendschap meer het karakter draagt en behoudt van het verbond voor goed tusschen David en Jonathan gesloten, bij den ander gansch eenvoudig en natuurlijk vooral naar den aard der Christelijke liefde meer dan één omvat, hetgeen, Gode zij dank, de waarachtige vriend-schap niet behoeft te schaden (gelijk eene kleingeestige jammerlijke jaloerschlieid soms beweert.) Maar toch is er ook op het gebied der vriendschap evenals op dat dei-liefde, maar al te vaak, wat de Engelschen eigenaardig ,a flirtationquot; noemen, eerie vlinderachtigheid die hoofdzakelijk eigen genoegen afwisseling, optrissching zoekt en die ook menig ernslig man of vrouw zich volstrekt niet als schuld toerekent, terwijl het toch billijkerwijs een trouw en gevoelig vriendenhart pijnlijk aandoet, alzoo voorbijgegaan of teruggeschoven te worden

-ocr page 83-

voor nieuw gemaakte kennissen of vrienden, wie wellicht dezelfde ondervinding wacht.

Ongetwijfeld is de drukte des levens er soms de naaste aanleiding toe, dat men op allerlei wijze wordt meegesleept en beproefde vriendschap worde niet te ligt verdacht, moet er op kunnen rekenen dat een schijnbaar voorbijgaan niet kwalijk worde genomen, noch het oud vertrouwen ligtelijk geschokt. Maar toch ontbreekt er iets aan de teerheid der vriendschap als men de behoefte van het vriendenhart ligt vergeten kan en is het niet gansch te verontschuldigen als ook op d i t gebied verwachtingen waartoe men, welligt te onbedacht, aanleiding heeft gegeven, niet worden vervuld.

Zie, de echtelijke liefde en trouw wordt beschermd en gehandhaafd door Goddelijke en menscheljjke wetten, en niet alleen ontrouw met daad of gedachte, maar ook verkoeling jegens elkander wordt teregt zonde geacht. Maar hot verbond dor vriendschap wordt eigenlijk bijna alleen aan de loyauteit van beide partijen overgelaten. Tegen de schending van bet verbond der vriendschap bestaan geen menschelijke wetten en dezelfde menschen, die schrikken zouden van de enkele gedachte aan ontrouw jegens een ega, achten het sorns volkomen geoorloofd oude vrienden voor nieuwe te veronachtzamen. En is die handelwijze toch wel gansch loyaal en regf voor God, die ook in Liefde de Onveranderlijke is en wiens woord ook de vriendschap in bescherming neemt, zeggende (Spr. 17 en 18): „Een man die vrienden heeft, heeft zicli vriendelijk te bonden.quot; „Kon vriend heeft te aller tijd lief,quot; ..... terwijl dezelfde Speukenschrijver zelfs vermaant: „den vriend zijns Vaders niet te ver-

-ocr page 84-

latenquot; — en getuigt (Spr. 27): „Olie on reukwerk verblijileu het hart, alzoo is de zoetiglicid of behulpzaamheid en liefelijke aanspraak van iemands vriend die hem goeden raad geeft voor zijne ziele,quot; — terwijl hij elders getuigt (Bpr. 13): „uitgestelde hoop krenkt hot het hart.quot; En dat is toch ook niet in den geest van Hein die in het oog de moeite leest en het bestraffend sprak „wat doet gij deze moeite aanVquot; En hoe menigeen handell toch onnadenkend alzoo, omdat het nog to veel ontbreekt aan die liefde die niet zichzelve zoekt, of men te weinig bedenkt wat des anderen is; en het is toch zoo waar, dat alleen de liefde den naaste geen kwaad doet.

Zie, de koppensnellers dooden on begraven met een ontsiapone eonige andoren^ opdat die hun dienen mogen in de andere wereld; andere wildon b ograven levend mot een gestorven vorst eenigen /.ijner onderdanen om hom to oeron, on wij gruwen teregt van die barbaarsch-heid. Maar als men onder ons wel oens zegt,: met den dood van dezen ot génen sluit ik af, of begiaaf ik oen deel van miju leven ~ wordt daarbij ook nog wol eens in z e d e 1 ij k o n zin oen nog levende mede be-graven, die dat tijdperk ook sympathetisch mede doorleefde en nu eenvoudig mede dood verklaard wordt, on daardoor toch zeker langer lijdt dan een levend begravene o ml or do wildon.

Zoover het oude blaadje uit de snipperportefeuille, waarop nog slechts een paar onafgewerkte aaiitor*koningen die „hooger opquot; vérwozen. En zou de nu bojtórde dis-ciiiolin uit wier pen dit .oudequot; oens vloeide er geen nieuw woord aan toe te voegen hobben r* Zij slaat nog

-ocr page 85-

in dezelfde overtuiging dat n a de gemeenschap met den Heer liet beste van al het goede, reeds hier beneden door den mensch te smaken, is: „de gemeenschap der heiligen \' (hoe gebrekkig die heiligen en dus ook hun onderlinge gemeenschap ook nog zijn mogen) — o in d a t die gemeenschap ook daarboven, volmaakt en geheiligd, zal voortgezet worden. En het Is onmogelijk en wordt ook van ons niet gevergd, dat, wij datgene wat wij teregl waardeeren en waarvoor wij dankten als voor Gods beste aardsche gave, later ontberen, zonder bet gemis smartelijk te gevoelen. De regel uit ons 80« gezang waar de dichter ons oplegt te zingen over de zaligheid van onzen wensch zonder smart te missen was mij wel eens te kras. Ook onze Heiland weende bij Lazarus\' graf en had behoefte aan het bijzijn zijner vrienden ook in den lijdensnacht. — Maar, we mogen ons geluk, onze bljjdschap niet afhankelijk stellen van het met ons reizen van den Philippus die ons den weg des lieils verkondigde, en dien de Heer soms wegneemt; noch onzen vrede van de welwillendheid of vriendelijkheid te o.is waarts „van een mensdienkind dat hooi worden zal gelijk de l\'rofeet (\'les. 51) met fiere geringachting spreekt, in die schoone hartverheffende beschrijving van de vrijgekochten des Hoeren, die dengene die ze verstaat, het st.if van de voeten en de assclie van liet hoofd helpt schudden: „Treuring en zuchting zullen vvegvlieden en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn, w a n t Ik de H e e r b e n het die u troost!quot;\' Wij hebben ons dus met het élan des geloofs ook uit deze smart op te heffen tot het „nog tans zal ik in den Heer van vreugde opspringen, n o g I a n s ben ik niet alleen

-ocr page 86-

want de Vader is met mij,quot; en al/.oo ook dergelijke ervaringen eenvoudig in te voegen in die alle dingen die dengenen die God liefhebben mede werken ten gonde. Zie de aardsche aanleiding voorbij die u wellicht zou ontstemmen en tracht te verstaan wat do Ileei ei u door te /.eggen kan hebben.

Wij hebben in zekeren zin niets te maken met de mate van anderer schuld jegens ons, maar alleen met de wijze waarop wij hebben te verkeeren onder elk leed dat onder hooger toelating ons ook soms door inenschen aangedaan wordt, die toch, naar Jezus\' eigen woord, «eenerlei m a g t over ons hebben dan die hun v ,1 n boven gegeven w o r d t. Gedenk aan liet tietTend woord van David toen Simei hem vloekte en met steenen wierp en Abisiiï dezen (biarom wilde doodeu. .Laat hem vloeken, want de Heer beeft tot hem gezegd: ,vloek Davidquot;, wie zou dan zeggen: waarom hebt gij alzoo gedaan V Misschien zal de lieer mijne ellende aanzien en mij goed vergelden voor zijnen vloek. Alzoo werd hij door verootmoediging waarlijk groot.

En zoo wordt nog zoo menigmaal, wat mensoben ten kwade denken of onbedacht onvriendelijks doen, dooiden Meer geheiligd aim de ziel die zich ootmoedig voor Hem nederbuigt. Maar toch blijft het waar dat bet leed hetwelk rechtstreeks van boven komt minder zwaar valt dan wat ons door menschen toekomt, i\'aarvan zei onze hooggesehattG J. van Oosterzee eens teiegl . „Wat maakt menig kruis zoo /waarV Broederban-d e n leggen het op b r o e d e r gt; c h o u d e r v Maar wat getuigde dezelfde Evangeliedienaar op zijn ouden dug, na velerlei zwaarder beproeving en smart.

-ocr page 87-

ook van d e /. e n aard ? „ Leer van i e d e r e n steen des aanstoots op uwen weg een trede naar li o o g e r te maken.quot; De Satan wil er u over doen struikelen, de Heer wil er u door heiligen, wat kiest gij?

In beginsel heeft Newton volkomen gelijk, als hij zegt dat wij dezelfde genade behoeven om het breken van een vaas waaraan we gehecht zijn te dragen, als het verlies van een éénig kind. En bedenk het wèl, dat Hij zonder wiens wil geen haar van ons hoofd, geen droppel in den beker onzer beproeving valt, maar ook geen bloem op ons pad ontluikt, als Hij aan een ander toeschikt wat Hij u onthoudt of ontneemt, u beide e v e n liefheeft, al open b a a r t, Hij in zijne wijsheid die liefde op onderscheiden wijze. En geloof dat er evenzeer genade toe noodig is om onder allerlei weelde en liefelijkheid des levens goed te verkeeren, namelijk met ootmoedigen dank, -/onder er zich door te laten prikkelen tot hoogmoed of om zich bij (al of niet verdiende) voortrekking boven anderen zich daarop niet ijdel of onedelmoedig te verheffen, als om zich niet door allerlei tegenspoed, achterstalling, onjuiste beoordeeling en/., en/,, te laten ontmoedigen, verbitteren of tot ellendige jaloerschheid prikkelen. Kolb zegt: .,God werkt op ons door Zijn Heiligen Geest, door allerlei leidingen zijner genade, door tuchtmiddelen die in ons leven zijn ingeweven - en wie nabij zijn hart leeft, herkent soms de oude levenstucht die in nieuwen vorm terugkeert en leert het hoofd ootmoedig te buigen voor den Heer, en den menschelijken factor dien Hij soms tof roede bezigt voorbij te zien.

Ja, smart, leed, rouw is niet iets dat wij lijdelijk

-ocr page 88-

hebben te ondergnan maar ook een talent waavinode wij winst hebben te doen, allereerst door ons niet dooide omstandigheden te laten ontnemen wat ons billijk veel waard is, maar door Gode gewillig over te geven Hein te offeren wat Hij ons terug vraagt, na bet ons oen tijdlang, zoolang als Hij die zich niet vergist het goed acht, te hebben geleend. En Hij /.al het u wel doen weten en gevoelen als 11 ij uw ofter aanneemt en dan glimlacht ge door de stille tranen heen waarmede het offer werd besproeid.

Wij kennen het. weemoedig scboone gedicht van Alber-tine Kebrer over „verloren vriendsclmi)quot; beginnende met:

Weer een schoone droom vervlogen,

liü\'t voor de aard te schoon helaas.

Weder voor een zoete logen

Bittre waarheid in de plaats.

Bloesems mijner vreugd bedorven.

Weer een ideaal gestorven.

Neen, meedoogenloos vermoord,

Door een enkel vlijmend woord.

Wij weten uit de volgende regels van het gedicht dat dit leed ook voor baar geheiligd is; maar, /.ouden we om dergelijke mogelijke teleurstelling of leed te mijden ons aardsche ideaal dan ook maar wat lager moeten stellen? Neen, driewerf neen! Onze van Koetsveld /.egt (in zijne. .Snippersquot;) teregt: „onze idealen zijn de edelgesteenten van ons leven (wij vergeven het iemand niet ligt dat hij er ons een ont-mofde )quot; zijn ze echter waarlijk echt dan worden ze ons

-ocr page 89-

hier slechts onthouden om ze ééns daarboven verheerlijkt te ontvangen. Die op de eeuwigheid rekent kan wel wachten. Al willen wo ons geen sentimentelen hemel scheppen, dit zegt ons hart ons toch, even als menige wenk van Gods Woord, dat nevens do gemeenschap met den Heer ook de gemeenschap der heiligen daar volmaakt zal zijn en eeuwig duren. - Maar intusschen was het voor de praktijk dezes levens toch een goede raad — ook in dit verband niet misplaatst — onlangs in eene prediking over Zondag II van den Heidelbergschen Catechismus gegeven, waarbij een deel van den levensstrijd van menigeen werd aangeraakt, om den zoodanigen raad en sterking te geven door de beschouwing die Gods Woord ons ook daaromtrent voorhoudt:

„Eerst wanneer wij God liefhebben bovenal, ons hart volkomen aan God gegeven hebben kunnen wij den naaste liefhebben als ons zeiven, gelijk wij ons zeiven in God liefhebben, met die liefde die het eeuwige, het vernieuwde in ons liefheeft. Ook in elkander moeten wij liefhebben het eeuwige, het voor de eeuwige ware wereld bestemde. Hoeveel teederder zou ons onderling verkeer zijn, indien wij zóó elkander liefhadden. Ach hoeveel moeite kost hot ons dikwijls met dezen of genen om te gaan! Zoo is het in dit zondige ellendige leven. Moeten wij elkaar dan maar links laten liggen? Hoe vaak geschiedt dat door menschen die toch door bloedverwantschap of maatschappelijke banden bestemd zijn elkander in een innigen omgang lief te hebben, en nu slechts naast elkander voortleven. Maar dit kan anders worden, wanneer wij zeggen, dien ander aanziende; ja dit, wat in u onaangenaam, verkeerd, niet vernieuwd is, dat

-ocr page 90-

kun ik niet liefhebben, maar God wil u tot Zijn kiiïd vormen, en ik wil aanzien wat Hij van u maken wil en nu treedt dat op den voorgrond wat eeuwig, wat gave Gods in u is. Zóó staat gij voor mijn geest; ik wil mij houden aan uw eigen ideaal en dat aanzien in mijn omgang nift u.quot; of gelijk dezelfde hand deze gedachte ncersehroof in de Magdalena van 84 (hladz. -■gt;(gt;): -Ijaat ons bedenken dat wij inderdaad tot d e h o ogere be d e e-1 i n g g e k o m e n z ij n, Wat ik bedoel, moge een woord vim l\'auhis ons ophelderen. Als hij gozegd heeft dat Christus voor allen gestorven is, opdat zij die leven niet meer voor ziubzclven mogen leven, maar voor Hem die voor hrn gestorven en opgewekt is. gaat hij aldus voort: u dan w ij k e ii u e n v O o r t a a ii n i e m a n d m e e r n a a r ii et v 1 e e s c h ; w a n t indien ie m a n d i n Christus is. zoo is e r e e n e n i e u vv e s e li (gt; ]) |i i n g : li e I oude is v o o r li ij g e g n a n . z int het is alles n i e u w g e w o r d o n.\' Hier

li ,\'l het geheim, wij zien on/en broeder aan gelijk hij zijn Z\'.il en in beginsel reeds werkelijk is. De vlekken die hem ontsieren, de verkeerde, onaangename, zondige eigenaardigheden die ons in hem hinderen, beschoawen wij ais reeds weggevallen. ^ ij zien hem aan gelijk hij als .volmaakt jjeglvaardigquot; blinken zal als de zon in het Koningrijk des Vaders, want wij zijn gekomen tot de geesten der volmaakte regtvnardigen.

Laat ons liet met die gedachte ernstig meenen, want zoo er daarboven nog berouw is, zal het zeker ook wel zijn diiarover, dat wij ons verwijderd lieten houden van dozen of genen opivgten discipel ofdiscipelin des Heeren, om eenigen min nangi\'namen vorm ot eenige eigenaardigheid, waar

-ocr page 91-

wij door ons gebrek aan verdraagzame liefde niet overheen Iconden en waardoor toch vvelligt een trouw en liefdevol hart onverdiend door ons voorbij gegaan, bedroefd of gewond is.

Daarom was het mij altijd zulk eene liefelijke gedachte dat de dood niet altijd scheidt, maar zeker wel eens scheidsmuren doet vallen — dun en ligt en nietsbe-duidend als een papieren schut, maar waar menigeen van wege zijne kleinheid toch niet overheen kan zien. AVél hem daarom die reeds hier in den geest over dien en zoo menigen anderen scheidsmuur of staketsel lieenziet en been reikt, of doet als blinde R1 ze van wie Heets zong:

Blinde El/.e zag bet kerkhof niet,

Maar wèl er overhenen.

•Ta, de geloovige leert langzamerband meer en meer heen zien over veel en velerlei, dat sommigen hier nog wel eens smartelijk scheidt van in den diepsten grond innig verwante zielen, en dat hij wiens oog voor de hoogere eenheid geopend is meer en meer leert beschouwen als het sterfelijke dat van het leven verslonden wordt (2 Cor. 5) reeds bier aanvankelijk en eens volkomen, Zoo leeft hij soms werkelijk ook wel eens moer met de vooruitgereisden met wie bij in den Heer verbonden bleef, dan met de hein hier nog omringenden die vaak nog zoo zeer aanzien wat voor oogen is, dat toch haast wegvalt.

Terwijl ik de pen hier even neerlegde viel mijn oog op den laatsten bundel der gedichten van onzen Heets, waarin ik zoo gaarne, ook ter vorpoozing blader. Hoe schoon is dat slotwoord van „Liefde na den dood:

-ocr page 92-

— 80 -

Ach waarom, gij die met ons leeft, Is \'t noodig dat ge ons gaat begeven Eer onze liefde u alles geelt Waarop gij regt luidt heel uw leven.

En hoe onuitsprekelijk lie tel ijk is het de zeventig-jaiige vrienden Beets, Hasebroek en Mevrouw Bosboom te hooren getuigen van vriendschapsbanden van de jeugd tot de grijsheid, en spreken van de viering van de gouden bruiloft der vriendschap van heel een ni e n s c h e n 1 e v e n;

, Daar liefd\' en trouw hen met elkaar Steeds vaster samen hechtte,quot;

Men gevoelt dat Beets regt heeft aan zijn Jonathan te vragen: en zou de dood dit verbond verijdleu \'

„Neen, Christenvrind!

Daar is iets eeuwigs in wat ons verbindt, Bij jong zijn of verouden Kwam nooit een uur.

Dat wij elkaar mistrouwden Bij zoet noch zuur.

Ja, God lof! zoo kan het zijn! Wèl hem of haar die dit uit ervaring weet — ook mot betrekking tot lieve vooruitgereisden die ons op weg vooruitgesneld en reeds tHuis gekomen zijn. Het zal tot in alle eeuwigheid liefelijk zijn met elkander de herinnering te deelen, elkaar in den levensstrijd met onverbroken trouw geholpen te hebben, elkanders handen sterkende in God, terwijl er bij hun heengaan van hier niets tusschen ons

te vereffenen viel.

Zalig zal het weerzien wezen,

Zamen knielend voor den Heer,

-ocr page 93-

Reiner, beter dan voordezen En geen scheiding iimnenneev!

J)och keeren we nog een oogenblik terug tot de gedachte dat geheiligd leed winst kan en moet aanbrengen en ten zegen zijn, — ook soms voor anderen.

Ja gewis is het mede een der voorregten en /.o^o-lungen dio geheiligd lijden en smart brengen kunnen aan wie ze met den Heer draagt, en werkelijk ondervinden mag dat zijne vertroostingen niet te klein zijn,— dat men daardoor van Hem leert ook de moeite in anderer oog te lezen, medegevoel te hebben en te bewijzen voor wat vele voorspoedigen zoo niet opmerken, liet gemoed van den vreemdeling en van den eenzame of rouwdragende te kennen. — En naar de wonderrijke liefde Gods, wordt de niet bedachte of bedoelde liefelijkheid ook hierbij weer ondervonden, dat de zegenende ziel zelf voorspoedig zal zijn. Do eenzame wordt door zelfverloochenend liefdebetoon vaak in zekeren zin in een huisgezin gezet, de kinderloozo als eenc moeder in Israël door weezen en eenzamen on verschovenen geliefd en gezocht, en in waarheid wordt ervaren, dat, waar liefde woont de Heer zijn zegen gebiedt

Hierbij wordt ons onwillekeurig herinnerd wat de Heiland zeide (Imkas 12): ,\\Vanneer gij een maaltijd of avondmaal zult houden zoo noodt niet (of niet alleen) de rijken der aarde, maar armen verminkten, kreupelen, blinden, (ook door het leven onttakelden, door den levensstrijd gewondden, vcrininkien en kreupel-gewordenen, door een tranenfloers verblindden). Toon het gemoed van den eenzame en den vreemdeling (ook b.v. der vreemde gouvernante, die verre van vaderland en ver-

-ocr page 94-

wanten, zoo veel mist) te k e nn e n , door bun gul en gaarne eeiie plaats in uw gezelligen kring aan te bieden of in te ruimen, opdat ze, mede door uwe liefde, door uw vriendelijk „welkomquot; verwarmd, verkwikt, mogen weder-keeren naar de eenzaam geworden woning ot naar de kille omgeving, opdat dat diep weemoedig gevoel van niemand bier beneden meer toe te beboeren hen niet overstelpe. (if, bewijs aan de naar een eenzame woning ot naar een on-sympatbetiscbe omgeving of kring tenigkeerende, door een vriendelijken blik of handdruk of sympathiek woord, dat ge discipelen /.ijl van Hom die bet sprak: Ik weet waai gij woont. Dit toeb behoort mede tot het sterken van elkanders handen in God, waarmede in de Heilige Schrift zoo schoon de roeping van vrienden wordt beschreven. En zelfs I\'aulus dankte God en greep moed, toen bij op zijn reis naar Homes gevangenis aan de Drie Taveernen broeders ontmoette, die hem dat liefelijk blijk van belangstelling in zijn persoon en werk gaven en daardoor zijne ziel verkwikten.

Schrijfster dezes zal het niet ligt vergeten hoe diep zij eenmaal getroffen werd door de liefde die sprak uit de woorden van de lippen eener ondere vriendin, die bovenstaand woord zoo goed begreep en die, (nu reeds 25 jaren geleden) meenende op haar sterfbed te liggen baar Huisterend toevoegde: „Ik had ook voor u nog gaarne wat hier willen blijven, want uw weg is niet gemakkelijk en wij konden bet zoo goed te zanien vinden, maar zoek nu h o o g e r op uw steun , h o o g e r o p.\' -en /.ij wenkte daarbij met veelbeteekenenden blik naai boven. -- Zij herstelde en bleef nog eenige jaren baai-stille liefdetaak — het zich verblijden met de blijden en

-ocr page 95-

— 8:5 —

weensn met de weenenden vervullen: en de Heer is getrouw geweest, telkens als op verschillende wijze bij hernieuwde aanleiding weer dat „hooger opquot; werd herinnerd, en waarlijk steun en kracht onder velerlei berooving bij Hem werd gezooht. — Maar zoolang wij hier beneden zijn, blijven wij op do school, en ach hoe menigmaal moet onze liefdevolle Hemelsche Vader Zijne onleerzamen kinderen dezelfde les in onderscheiden vorm te leeren geven! — Maar de leerzame wil Hij dan toch ook verder brengen, zij liet dan ook soms door het geven van zeer moeieljjke lessen — ook opdat zij, naar den wenk waarvan wij uitgingen, ook aan anderen mogen mededeelen van wat \',.ij — oud en nieuw — ook aan vertroosting en levenswijsheid en tot verhooging van den levenstoon van Hem ontvangen.

Zoo vormt Hij dezen en genen tot de liefelijke taak om troosters of medewerkers van anderer blijdschap te zijn, ook door hen, naar Zijn voorbeeld, en evenals Hij, uit ervaring, het gemoed van eenzamen en vreemdelingen te loeren kennen en juist daardoor hun den regten toon te leeren aanslaan om met moeden, met levensmoeden vooral een woord ter regter tijd te kunnen spreken -hen vertroostende met de vertroostingen waarmede zij zelf van God vertroost zijn geworden.

Wie in smart of lijden verkeert, kan het zoo spoedig onderscheiden of hem nagesprokene of wel d o o r I e e f d e en zelf ges m a a k t e vertroostingen worden toegesproken waarvan men uit ervaring getuigen mag dat zij naar \'s Hoeren belofte .niet te klein zijn. De bedroefde gevoelt het als bij instinct: „deze beeft zegt van sprekenquot; terwijl de onredelijke

-ocr page 96-

— 84

eisehen en groote woorden ot\' schoone ledeneeringen van den ander ligt ongeduldig zouden maken. Voorwaar! de moeijelijke vertroosters zijn met Jobs vrienden niet uitgestorven maar Gode zij dank zijn er ook nog euhte zonen der vertroosting gelijk Barnabas het wezen mogt

Er is iets onuitsprekelijk liefelijks in, als onze medelijdende Hoogepriester ons vergunt door het betoenen van innig diep gevoeld medelijden een diep bedroefde te steunen, weenende met de weenenden niet om zijne droefheid te voeden, maar om hem daarna als een die door zijn moeder getroost wordt, met Zijne hulp op te heffen uit \'zijn leod h o o g e r o p te leiden, hem te leeien inzien dat het waar k a n zijn, waar i s, wat ten Kate zoo schoon zegt in zijn , Vuurproef :

,\\Viit mij neerwierp werd een Jakobsladder Wat mij vasthield werd mijn vleuglenpaar.quot;

En vergeten wij nooit dat onze dierbare Heiland die zoo innig gehecht was aan zijne discipelen en meer bepaald aan het geliefde drietal, — en daaruit weer meer bijzonder aan Johannes, en in Gethseinané hun dringend vroeg; Blijft hier en waakt met Mij — ook het leed heeft gekend dat zij door smart en vermoeidheid overmand dien billijken wensch niet vervulden! Ja, ook Hij heeft de smart ondervonden, niet alleen dat zijne broeders niet in Hem geloofden, maar dat al zijne discipelen Hem verlieten. En toen Hij hun dit voorspelde was het „hooger opquot; ook Zijne sterkte: „nogtans ben Ik niet alleen want de Vader is met mij.

En als ook wij welligt eerlang do doodsvallei betreden laat ook ons elke aardsche vriend alleen:

-ocr page 97-

Maar Hij, dc beste vriend in nood,

Ver/.elt ons over graf en dood !

Als wij met die gedachte onze soms smartelijke eenzaamheden eenvoudig v a n H e m aannemen, zal dit gezang vervroegde beteekenis voor ons verkrijgen en het zal ons geen schade zijn als het meer en meer worden mag: „eenzaam, met God gemeenzaamquot; en het hooger op in dien zin voor ons vervulling ontvangt dat we het in opregtheid den ouden vrome leeren nazeggen: Heer 1 als ik U slechts heb, dan vraag ik naar niets of niemand in hemel of op aarde ; — of, zoo als lieets het in een zijner schoone gedichten uitdrukt:

«Naar hooger hooger steeds...ter heldrer hoogte henen Naar hooger in den strijd, waar \'t om den Hemel gaat, Naar hooger in uw liefde, al hooger langs do trede Der ladder aan wier top uw God en Vader staat.quot;

En - zoo het slot van 1 Thess. 4 voor ons bewaarheid mogt worden en s Heeren komst ons verraste, zoodat wij zonder te sterven de verrukkelijke vreugde mogtoii smaken Hem te geinoet gevoerd te worden, om niet allen die Hem in onverderfelijkheid hebben liefgehad altijd te zamen bij Mom te wezen, wat zou dat zalig zijn!

Hoe innigen weerklank vindt dan mot die gedachte het bemoedigend slot van ons schoone 227s,e Gezang waarmede wij eindigen :

Komt heffen wij tot God omhoog

Hot zoekend hart, het biddend oog;

Zijn Alinagt zal ons schragen,

Wat nooden ons belagen.

-ocr page 98-

De moed kan jeugdigen ontgaan, De jongling struiklen op \'/.ijn baan , Maar die den Heer verwachten Verheffen \'/ach met aadlaarsvlugt Al hooger op naar reiner lucht , Met steeds verjongde krachten.

ArcusTus, \'85.

Tuvfosa.

-ocr page 99-

NE EX KLA.AC NIET

Neen klaag niet, wat u ooit ontvalle,

Klaag nimmer om uw lot,

Wat hier n sloeg en daar u wondde,

\'t Was al de hand van God.

\\\\ at u ontvalt zijn slechts de brokken.

Die \'t marmer missen moet.

Om straks voltooid, als heerlijkst kunstwerk Door elk te zijn begroet.

Daarom getroost. Wat thans u \'t harte

Met zooveel angst vervult,

t Is slechts de mordende gestalte.

Waarin ge eens stralen zult.

W. L. Welter

\'/wolle, Juli 1885.

-ocr page 100-
-ocr page 101-

GEZOCHT EN GEVONDEN.

Ir

/waar pn drukkond was do atmosplieer. Geen blaadje bewoog zich, geen vogeltje deed zich hoeven, alles was doodstil. Donkere wolken pakten zich in het westen reeds samen en alles voorspelde een naderend on wed er.

Lusteloos, niet de handen in den schoot en liet werk naast haar, schijnbaar door de vensters naar de heuvelen in liet verschiet turende en toch niets ziende, zat een jong meisje in de woonkamer eener scboone, aangenaam gelegen buitenplaats. Alles rondom haar ademde weelde en gemak, niets scheen haar te ontbreken om dit aardsche leven aangenaam en benijdenswaardig te maken, en toch zat zij daar, zóó treurig, zóó moedeloos alsof alles haar ontbrak.

En ja, dat was ook zoo, banr ontbrak vrede, eens* willendheid, berusting. Voor korten tijd had onze trouwe Heer haar haren vader ontnomen en liet was haar nog steeds onmogelijk om naar waarheid te zeggen en te meonen: „Heer, uw wil geschiede.quot;

-ocr page 102-

— 90 -

Haar vader, dien zij zoo vurig liefhad, op wien zij steunde, die haar leidde, haar raad gaf, haar voorging op den sniallen weg ten hemel, haar vader die zooveel, zoo zeer Veel goeds verrichtte in het arbeidsveld hem door zijnen God aangewezen, die volgens mensche-lijke berekeningen en inzichten nog zooveel had kunnen arbeiden, zoovelen hier beneden tot zegen had kunnen zijn, die vader was, in de kracht van zijn leven, door den dood weggerukt en haar gansche hart was hierdoor in opstand geraakt.

Wat was er niet gestreden, geworsteld in het gebed, hoe had zij niét gepleit of al de beloften die de Bijbel aangaande de verhooring van het geloovig gebed bevat, en tóch en toch — de doodsengel was gekomen, de Heer had haren vader van haar weggenomen. En nu zat zij daar moedeloos en treurig, onbekwaam tot eenig werk en zelfs het, bezit eener lieve moeder voor wie het pas geledon verlies nntuurlijk nog grooter was, zelts de hartelijkheid en liefde der menscheii. de opgeruimdheid van eonige jongere broertjes en zusjes, niets kon haar opwekken. Zij had geen vrede, /.ij kon niet bidden. Men had haar gezegd dat de hemel zooveel naderbij ons toescheen als men iemand daar had dien men hier had lief gehad; maar zij gevoelde er niets van. De hemel scheen haar verder dan ooit, do Hoor eveneens, /ij kon zich haren vader niet in den hemel voorstellen, het was haar alsof hij vernietigd, voor altijd verdwenen, geheel weg was. Zij beschuldigde God van hardheid en liefdeloosheid. En het ongeloovige, morrende „waarom V en „waartoe? \' was haar steeds in t hart en op de lippen. Te vergeefs wachtten armen en zieken, die zij steeds zoo

-ocr page 103-

trouw bezocht, op hare komst. Zij ging er steeds heen met of voor haren vader. Eu nu alleen! Neen dat kon zij niet. De bloemen, die aan hare zorg waren toevertrouwd, verlepten, de muschjes zagen te vergeefs uit naar de dagelijksche kruimeltjes brood, alles was haar te veel, alles was haar onmogelijk. Zij trachtte wel eenigen arbeid te verrichten, maar steeds, zooals ook nu, ontglipte het werk aan haren hand en zat zij in gedachten verzonken ter neder, en de brandende tranen die haar ook in deze oogenblikken langs de wangen gleden, waren te bitter dan dat zij eenige verlichting zouden aanbrengen.

De diepe stilte daarbuiten in de natuur was in lijnrechte tegenstelling met het woeden en den onrust daarbinnen. In haar hart was alles in opstand en al de geestelijke elementen voerden strijd en waren in beweging.

/ij leunde met het hoofd achterover in den leuningstoel waarin zij gezeten was, en de stilte rondom haar, do drukkende, afmattende hitte die er heerschte, de inwendige vermoeienis van de nog steeds vruchtelooze pogingen om tot berusting en onderwerping te komen, dit alles deed haar ten laatste hare oogen sluiten, en eer zij er zich van bewust was had een diepe slaap zich van haar meester gemaakt.

Al nader en nader kwamen de donkere, dreigende wulken, men hoorde reeds een onheilspellend zuchten en suizen door het gebladerte, de wind verhief zich met kracht, het stol dwarrelde rond, de bladeren van de hoornen werden van den grond opgenomen en tegen de vensters aangedreven, zij bemerkte niets van dat alles, en terwijl buiten de duisternis steeds toenam verhel-

-ocr page 104-

derde een glimlach de trekken der slapende. Dezelfde Heer die daar buiten den stormwind deed loeien en zoo straks de donderslagen dreunen, de bliksemstralen neerschieten en de regenstroomen zal doen nedervallen, welke voor de van hitte verkwijnende boornen en planten zoo noodig waren, deed daar binnen de stormen bedaren.

Het was der slapende als trad eene liefelijke gedaante do kamer in; onhoorbaar kwam die nader, een hand werd liefkozend en zegenend haar op het hoofd gelegd en een duidelijke stem zeide haar:

,Arm kind! arm kind! nog steeds ongetroost, nog steeds zoo bedroefd, en dat zonder eenige reden. Weet gij niet, dat liet slechts van u zelve afhangt hoelang gij hier zonder uwen vader wilt achterblijven? Zoo gij geen vermoeienis te zwaar, geen hinderpalen te groot, geen strijd te bang acht, zult gij in zeer weinig tijd uw vader wedergevonden hebben.quot;

,0 zeg mij, zeg mij wat ik doen moet! quot; riep het jonge meisje uit. ,Hoe kunt gij denken dat iets mij te zwaar, te moeielijk zijn zou, dat mij mijn vader teruggaf. Waarlijk, dan weet gij niet h o e lief ik hem heb, hoezeer ik hem mis. Zeg mij den weg dien ik te gaan heb, zeg mij wat ik doen en laten moet.

„Welnuquot; was het antwoord, „luister dan goed en volg mijne aanwijzingen en bevelen nauwkeurig op. (lij weet zeker nog zeer goed wat liet laatste werk gevveost is dat uw vader, voor dat de lieer hem op het ziekbed ter nedervvierp, verricht heeft. Ik behoef \'tu zekér niet te herinneren, hoe hij daar in gindsche hut met den lijdenden arbeider en zijn gezin gebeden heeft, en daar niet alleen geestelijke spijze maar ook het aardsche brood

-ocr page 105-

heeft achtergelaten tot leniging der ellende die daar geleden werd.quot;

„Neen, o neenquot;, viel het meisje hem in de rede, „neen waarlijk, dat behoeft gij mij niet te herinneren, ik zelf mocht eenige versterkende middelen bereiden die bij medenam voor de jonge moeder niet haar pasgeboren kindje. Ik had aan vader beloofd dat gezin te zullen bezoeken, maar ach, toen werd mijn lieve vader zelf krank, en ik vergat anderer leed voor eigen smart, (\'lod nam vader tot zich en nu kan ik er niet toe komen alleen dien weg te gaan dien liij betreden heeft, en waarop ik hem zoo dikwijls vergezelde. Ach \'t is zoo vreeseljjk! Ik voel me zoo eenzaam, zoo alleen. Wat kan ik voor anderen doen, wat kan ik voor treurenden en lijdenden wezen, daar ik zelf allen troost mis? En vooral daar, in de hut, waar hij voor \'t laatst hier op aarde als troostende engel, als bode des vrodes verscheen, daarheen k a n ik niet gaan.quot;

-Rn toch, juist daarheen ligt uw pad. Ga daarheen, zie rondom u wat uw vader daar geweest is en gedaan heeft: beschouw alles goed en aandachtig en daar zullen diezelfde menschen die gij weigert te bezoeken u zeggen waarheen gij verder te gaan hebt. Volg den door hen aangewezen weg, volg waarheen gjj zult geleid worden en binnen korten tijd zult gij met uwen vader hereenigd zijn.quot;

Het meisje gunde zich bijkans den lijd niet om tot het einde toe te blijven luisteren en nauwelijks zweeg do stom, of alle aarzeling, allen strijd oveiwinnende, die het haar nog steeds onmogelijk gemaakt had do armen zonder haren vader te bezoeken, liep zij de deur uit en ijlde, alsot haar leven er mede gemoeid was, do deur uit

-ocr page 106-

94

K--------------------------quot;K

_

en hot pad langs dat naar de bedoelde arbeiderswoning leidde.

Daar gekomen bleef\' zij ademloos stilstaan en keek,

zooals \'t haar bevolen was, oplettend rond Ja waarlijk,

haar vader was daar een helper, een bode des vredes geweest. Het geloovig gebed had den kranken man en de zwakke moeder troost gegeven: het gebed des rechtvaardigen verm g veel. Het geld en liet brood daar achtergelaten luid den nijpenden honger gestild en dankbaar en zegenend spraken zij over den thans van hen weggenomen weldoener. En niet zoodra zagen zij zijne dochter in de deur hunner hut verschijnen, of zij wilden haar dwingen binnen te komen. Zij vatten haar kleed, bedekten hare handen met kussen en wilden haar vertellen wat haar vader voor hen gedaan had en geweest was.

,Ja, jaquot; riep zij. „dat alles weet ik reeds, ik heb nu geen tijd om dat alles aan te hoeren ; ik ben blijde en dankbaar met u, maar houdt mij thans niet op, later zal ik hier met mijnen vader terugkomen, ik moet nu eerst nanv hem heen, om hein hier bij ons terug te brengen. Wij kunnen hem nog niet missen, nietwaar?

Zegt mij nu spoedig welken weg hij gegaan is, o zegt het mij spoedig, houdt mij niet op!\'

,Daargindsquot;, was het antwoord, „langs dat beekje en dan over dien heuvel waar achter dal bosch ligt, dat is de weg dien uw vader ging. Maar ach, lieve jutVrouw,

blijf nog een enkel oogenblik. Uw vader heeft met en voor ons gebeden, dank gij nu voor ons dien trouwen Heer die hulp en uitkomst schonk. Mijne vrouw wordt bij den dag sterker, mijne ziekte is zoo goed als gewe-

-ocr page 107-

- 95 —

ken, morgen kan ik mijn werk weder hervatten; wij zijn zoo dankbaar gestemd maar kunnen geen woorden vinden om die te uiten, o dank gij met en voor ons.quot;

„Neen, neen, ik he]) geen tijd, ik moet voort, ik moet verder, ik zal onderweg in mijn hart een dankgebed tot God opzenden, maar ik kan niet vertoeven.quot; En zich geen tijd gunnende om den armen man en zijne vrouw de hand te drukken, liep zij verder.

Het paadje langs de beek was smal en glibberig, horhaalde-Ijjk gleed zij uit, of bleef in den modder steken : toch kwam zij verder; niets kon haar tegenhouden. Daar zag zij een arm klein vogeltje, dat door een rukwind in het boekje ter neder was geworpen, vruchteloos trachtende zich tegen den oever op te werken, \'t Was te vergeefsch ; de natte veêrtjes kleefden aan het afgetobde, vermoeide lichaampje en luid piepend en spartelend zag het den dood tegemoet. Eén onkelen zijstap, één enkel oogenblik toovens en zij had het arme diertje kunnen redden. Maar neen, zij had geen tijd, iedere minuut was haar kostbaar ; eerst bij haren vader, eerst weder vereenigd en dan zou zij weder met vernieuwde kracht en lust en moed het werk dat haar wachtte opvatten. „Arme vogel,quot; dacht zij, „had ik maar tijd dan hielp ik u, maar nu kan ik niet;quot; en zoo liep zij voort, terwijl het klagend gepiep haar nog lang in de ooren klonk. Nu was zij bij den heuvel. Aan den voet daarvan had een klein kind een tuintje aangelegd met perkjes en paadjes. De schoonheid ervan zou slechts een enkelen dag duren, de daarin gebrachte plantjes misten allen wortel, hot gras was slechts los up den grond gelegd; toch maakte dit tuintje voor \'t oogenblik het grootste genot uit van het kind: het

-ocr page 108-

— 9G -

was er uren aan bezig geweest, en nu stond liet eu klapte in de handen van louter vreugde en plezier. Haar weg liep recht door dit tuintje heen, daar naast lagen steenen, die echter gemakkelijk te betreden waren ; maar neen, elke zijstap was tijdverlies, /ij lette op niets, stapte midden in de met zooveel zorg aangelegde perkjes, trapte op de pas geplukte bloempjes, vertrad het gras, en zonder op de tranen en het gejammer van het kind te letten, rende zij den heuvel op. Boven op den top gekomen, zag zij het boseh. waardoor haar weg haar heenvoerde, voor /.ich liggen. Het zag er somber en donker uit, maar zij kende geen vrees, zij gevoelde geen angst. Dat was immers de weg die haar bij haren vader brengen zou! Aan den zoom van het bosch liep een oud moedertje, dat haar herkende en haar vertelde hoe haar vader eenigen tijd geleden een zwaar pak haar van de schouders genomen had, waaronder zij dreigde te bezwijken. Hij had het zelf een geruimen tijd gedragen, tot zij geheel was uitgerust en weer kracht had het op haar eigen schouders te nemen. Het deed het vrouwtje goed dil alles eens te kunnen zeggen aan de dochter van hem, die zoo vriendelijk voor haar geweest was, maar \'t oudje liep zoo langzaam en zij had geen tijd om geduldig naar alles te luisteren. Spoedig had zij hel oude moedertje ver achter zich gelaten, ofschoon het zoo gaarne nog veel meer had verteld.

Nu was zij in het bosch, het zeer duistere, dichte bosch; telkens struikelde zij over de wortels der boomen, soms geraakte zij verward in de lage struiken, maar moedig schreed zij verder; haar kleederen werden gescheurd, hare voeten werden pijnlijk, maar niets vveêr-

-ocr page 109-

lüekl haar. De wind huilde door \'t gebladerte, hel was koud, hot werd nacht, /.ij was een/,aam en alleen, maar zij dacht aan niets, voort ging /.ij, voort, altijd voort. Midden in het bosch bemerkte zij eenig schijnsel van licht: het scheen door het geopende zijraampje eener kolenbrandershut. Daar wilde zij aankloppen en vragen waarheen zij zich te wenden had.

Een jonge knaap ontsloot do deur en toen zij zeide wie zij was en wat zij wilde, riep hij uit: „0, dan zjjt gij de dochter van den heer die mij uit den modder en hot. slijk heeft opgericht. Fk zocht mijns vaders hut., het stormde zoo, ik verloor het rechte pad, ik dwaalde it, ik zonk in slijk en modder neer, daar ginds in dat moeras en zou zeker hoe langer hoe dieper gezonken zijn en reddeloos verloren zijn gegaan, zoo uw vader niet de reddende hand naar mij had uitgestrekt. Hij was niet bevreesd dat hot slijk ook hem zou bezoedelen en de modder ook hem zou ontreinigen, hij aarzelde niet, greep mij aan en ontrukte mij aan het gevaar. Nooit, nooit kan ik hem dankbaar genoeg zijn.quot;

„Ja, ja het is mijn vader geweest die dat alles voor u gedaan heeft. Hij deed overal wel, redden en goed doen was zijn lust en zijn leven. Maar o, zeg mij nu spoedig waarheen ik gaan moet. Ik heb geen rust, ik kan niet wachten, houd mij niet op. Ik bleef hier reeds te lang, wijs mij den weg, haast u !quot;

„Daar heen, rechts af,quot; was het antwoord, „steeds rechts moet gij aanhouden, langs die reusachtige boomen daar ginds, dan verder langs dat lage eikenhout. Zoo zult ge den zoom van hot bosch bereiken, dan ligt er een weiland voor u, dat moet gij door, een schaapskooi

-ocr page 110-

- 98

K—

voorbij. Maar rust eerst, een weinig hier uit, laat ik u een glas melk en een stukje brood geven. Het zou mijn vader en mij zulk een groot voorrecht zijn, de dóchter van mijnen redder in onze hut te zien. Gij zult zitten op de plaats waar hij gezeten heeft toen hij mij behouden te huis bracht.quot;

„Neen, neen, ik kan niet vertoeven, laat mij gaan, later kom ik hier met mijnen vader terug.quot; En den armen dankbaren jongen teleurgesteld achterlatend, volgde zij het door hem aangewezen pad. I!ij het lage eikenhout gekomen, hoorde zij jammerlijk blaten en bemerkte een jong verdwaald lammetje, verward tussehen struiken en doornen, droevig roepende om de moeder die ver weg in de veilige schaapskooi was gesloten, terwijl de herder overal nog steeds vruchtelooze pogingen deed om het verloren schaapje weder te vinden. De schaapskooi lag op haren weg in het weiland, maar het lammetje zat zoo verward en zou zoo moeielijk te bevrijden zijn, dat zij zich immers onmogelijk zoo lang kon ophouden.

,Arm beestje,quot; dacht zij, steeds voortjagende, „arm diertje, als ik den herder tegenkom, zal ik hem toeroepen waar hij u vinden kan.quot; Maar den herder zag zij niet, hij was helaas een gansoh andere richting gegaan en verwijderde zich daardoor hoe langer hoe meer van het ongelukkige, verdwaalde lammetje. En eer het ochtend zou zijn geworden, had het blaten voor altijd opgehouden en was het diertje jammerlijk omgekomen.

Steeds verder en verder ging zij, hare vermoeienis nam toe, toch gunde zij zich geen rust, ieder oogenblik was er het een of ander dat haar tegenhield of haar oponthoud veroorzaakte, zij worstelde zich door alles

-ocr page 111-

— 99 -

K------------------------------------------------------------------------

heen, of sloeg er geen acht op. Eerst weer bij haren vader en dan weer te zamen arbeiden, dat was\'t slechts waar /ij aan dacht. Bloemen werden door haar vertrapt, kinderen riepen te vergeefs om hulp, armen haar medelijden in, alles was haar onverschillig.

In een dorp zeide men haar waarheen zij verder gaan moest, en steeds ging zij voort. Over bergen, door dalen, door stroomen heenwadende, zonder ophouden of uitrusten steeds verder. Hoe lang zij reeds geloopen had wist zij niet, zij dreigde ieder oogenblik van vermoeienis neer te zijgen, maar hoop en verlangen hielden haar staande. Eindelijk bereikte zij een groot, uitgestrekt heideveld; zoover haar oog reikte zag zij niets dan hei en weder hei. Verschroeiend vielen de stralen der middagzon er op neder, de grond brandde onder hare voeten, niets schrikte haar af en reeds neigde de zon zich weder ten ondergang eer zij het einde van de hei in het gezicht kreeg. Weder werd het avond, maar daar in het verre verschiet zag zij een schitterend licht, zij wist niet wat het was, zij begreep niet wat het wezen kon, maar een inwendige stem zeide haar dat zij daar haren vader zou wedervinden. Hare voeten waren als gevleugeld, het was haar als vloog zij voort. Het licht werd helderder en schitterender hoe meer zij naderde; het werd een oogen-blindende luister, zij kon er hare oogen niet op gevestigd houden maar moest ze nederslaan en voor zich op den grond staren. Eindelijk, eindelijk dacht zij bet bereikt te hebben, nog enkele stappen, en plotseling, juist toen zij pogingen wilde doen, om nogmaals do oogen op te slaan, verdween het licht, en opziende stond zij voor een zeer hoogen muur, die zich zoover zij zien kon

-ocr page 112-

— 100 —

K ----------------------------------------------quot; amp;

|

rechts en links van haar zich uitstrekte. Hoe zij dien muur niet eerder gezien had, wie dien muur daar had opgewörpen begreep zij niet, zij gaf er zich ook geen rekenschap van. Een enkel oogenblik bleef zij als versuft en wezenloos staan, maar daarop keerde de oude moed weder terug, zij trachtte den muur te beklimmen,

maar te vergeefs; hij was zeer hoog en nergens zag zij een uitstekende steen waaraan zij zich kon vastklemmen of optrekken. Al hare pogingen waren te vergeefsch, en uitgeput en afgemat door vermoeienis en overspanning zonk zij op den grond neder.

Daar hoorde zij plotseling hoog boven zich een stem en opziende zag zij een van liefde en medelijdend stralend gelaat van over de muur op haar neder blikken, en eene zachte welluidende stem zeide haar, even als do eerste stem dio zij gehoord had toen zij lusteloos in haar eigen woonkamer te huis zat: „Arm kind! arm kind! hebt ge u zeiven zóó vermoeid en dat te vergeefs V

„Te vergeefs!quot; riep zij uit, terwijl zij ondanks bare uitputting opsprong. „O /.eg mij niet dat het te vergeefsch is geweest. O wijs mij den weg, ik moet naar vader, zeg mij hoe ik over dezen muur komen kan; een stem binnen in mij, zegt mij dat hij zich achter dezen muur bevindt. O zeg mij dat ik niet te vergeefs hierheen ben gekomen.quot;

„Arm kind, arm vermoeid kind,quot; hoorde zij nogmaals; en de stem was zóó vol medelijden en liefde, dat hare bittere wanhopige smart er onder bedaarde en zij kalmer luisteren konde. „Arm verdwaald schaap, dacht gij zóó uw vader weder te vinden, dacht gij dat dit de weg was om weder met hem vereenigd te worden? Ja, uw vader

-ocr page 113-

101

bevindt zich hier achter dezen muur, in het eeuwige licht dat gij van verre reeds moet bespeurd hebben; maar de toegang daartoe is juist van de gansch tegenovergestelde zijde. Daar is geen muur, als welke bier voor u een nooit en nimmer te overkomen beletsel is, daaraan de andere zijde, houdt niets u tegen en wordt gij, niet slechts door uwen vader, maar door allen die reeds vóór hem bier gekomen zijn, mei open armen ontvangen. Daar is de toegang voor ieder geopend.

,0 zei? mij, zeg mij boe ik daar komen moet, zeg mij wat ik doen moet.quot;

„Ga den weg terug dien gij gekomen zijt,\'\' sprak dezelfde liefderijke stem. Wanhopig staarde zij achter zich langs het pad zooeven door haar betreden. Was dan alles werkelijk te vergeefscb geweest? Die gansche lange, bange tocht, alle vermoeienis, alle strijd, alles te vergeefsch! \'? Zij kon bet niet gelooven en toch werd haar zoo duidelijk gezegd dat zij dienzelfden weg weder terug moest, juist nu zij zich zoo nabij het doel barer reis waande.

„Ga terug\'\' werd haar nogmaals gezegd, „stap voor stap, langzaam en alles doende w at uw hand vindt om te doen. Vraag niet aan menschen waar been gij gaan moet, vraag bet den Heer. Laat u door Hem besturen. Hij zal u zachtkens leiden, Hij zal u brengen waar gij wezen moet, daar waar uw vader is. Gij kunt over dezen muur niet heen, gij kunt hier niet komen eer al het werk door u volbracht is dat de Heer u op uwen weg te doen zal geven en dat reeds van voor de grondlegging der wereld, als uw deel, voor u bewaard is, dat op uwe hand wacht. Wat hebt gij op

-ocr page 114-

— 102 -

JT

uwen wog hierheen mot het anno, in het water gevallen vogeltje gedaan? Hoe hebt gij de vreugde van het kind verstoord, in plaats van die te helpen vermeorderen\'? Hebt go u verblijd met de blijden?quot;

,0 houd op, houd op,quot; smeekte het arme uitgeputte meisje, terwijl zij haar gelaat met de handen bedekte en weder op den grond ter neder zonk. „O ik gevoel het,, ik begrijp het, ik ben niet waard hier bij mijnen vader te komen. \'

, Wat hebt gij met het arme verdwaalde schaapje gedaan? Hoe hebt ge al uw werk verricht?quot; ging de stem zacht maar ernstig voort. „En nu, hebt gij op uw ganschen reis hierheen iets ontmoet dat uw vader had kunnen doen eu ongedaan had gelaten? Heeft hij niet troost en lafenis gebracht bij zieken en armen ? Heeft hij geen lasten helpen dragen? Heeft hij niet de reddende hand uitgestrekt daar waar een knaap dreigde te verzinken in een poel van ongerechtigheid? Heeft hij iets ongedaan gelaten? Immers neen. Hij heeft zijn werk, het hem opgedragen werk op aarde voleindigd. En n adat hij \'t volbracht heeft, volbracht in de kracht zijns Heeren, tot eer en verheerlijking van Hem die \'t aanwees, rust hij nu hier. En nu mogen de men-schen daarginds op de aarde zeggen en donken dat uw vader bij hen nog onmisbaar was, nog zooveel had kunnen doen; dit is zoo niet. Het hem opgedragen deel is door hem volbracht, hij had niets meer te doen. Onze Heer neemt niemand hier in de heerlijkheid op eer zijn werk volbracht is. Nog eens, zeg ik u, ga dus terug, doe wat de Heer u te doen zal geven, \'t is de eenige weg, om aan de andere, de geopende zijde te komen.

-ocr page 115-

103

Ga gewillig, blijmoedig en ook niet haastig opdat niet missuhiou het een en ander uw oog ontsnappe. Gij zijt vermoeid, maar uwe krachten zullen vernieuwd worden, zoo ge gehoorzaam volgt, gewillig met een vrolijk hart het u opgedragen en aangewezen werk volbrengt. Dit doende zult gij hier binnen komen, dan zult gij onzen trouwen lieer ontmoeten, die niet langer dan noodig is u van uw vader zal verwijderd houden. God zelf zal u dan in Zijn armen nemen, bij Hem zult gij rust vinden, bij Hem zult gij uw vader wederzien, om te zamen uwen God te prijzen en te loven voor alle wegen waarlangs Hij u geleidde. En al schijnt het u soms toe ol\' \'t een omweg is, waarlangs de Heer u gebiedt te gaan, al vertraagt het werk uw voorwaarts treden, al zijn de stro omen diep, waar gij een drenkeling uit te redden hebt, al doen de doornen u zelve pijn, waaruit gij een afgedwaald lammetje te bevrijden hebt, al drukken de lasten van anderer schouders genomen u zelve soms ter neder, al is alles soms duister om u heen, houd goeden moed en verso lirik niet en ontzet u niet, want God de Heer is met u alom waar gij henen gaat. lilijt hier nu niet langer in wanhoop ter nederliggen, uw weg en uw werk zullen u aangewezen worden en nogmaals geef ik u de verzekering, zoodoende zult gij uw vader hervinden en met hem hereenigd verder voort arbeiden, want ook bier is werk voor iedereen. Uw eigen plaats wordt hier voor u open gehouden, wees niet bevreesd dat een ander die zal innemen al schijnt de weg om er te komen u ook soms lang.quot;

De stem was zoo bemoedigend, zoo ernstig en vol liefde tevens, dat zij niet anders doen kon dan gehoorzamen, en toen zij beproefde op te staan, ontwaakte zij.

y

-ocr page 116-

Huiten scheen de avondzon op de van den pas gevallen regen glinsterende en druipende blaadjes; het onweer, dat, zonder haar te doen ontwaken, niet kracht was losgebroken, had uitgewoed, de lucht was gezuiverd, een heerlijk avondkoeltje verkwikte mensch en plant, en over alles lag een lieflijke glans.

Ook daar binnen, in dat jonge menschenhart, had de storm uitgewoed. Alles was haar duidelijk geworden. Niemand is onmisbaar, ook niet een, dan alleen Christus Jezus onze Heer. Haar vader had alles volbracht waartoe hij geroepen was geweest, haar werk wachtte haar, en hoe had zij dat werk den laatsten tijd verricht? Tranen van berouw kwamen haar in de oogen, maar het waren thans geen bittere, het waren weldadige, verkwikkende tranen, .la, zij zou den weg gaan dien God haar zou aanwijzen Zij begreep hoe zij in haren droom haar eigen weg gegaan was, in eigen kracht voorwaarts bad willen gaan, hoe zij slechts aan zich zelve gedacht had. Zij knielde neder voor den stoel waarin zij bad gezeten, stortte haar gansche hart voor God uit, bad om kracht en hulp, en Hij die nooit te vergeefs zich bidden laat, en die zelf haar dien droom bad toegezonden, verhoorde hare smeekingen en er daalde vrede en kalmte in \'t vermoeide hart. En toen zij opstond en nog dienzelfden avond gebruikte om eene arme kranke eenige lafenis te brengen kwamen haar eenige bijkans vergeten dichtregelen te binnen:

„Is nog mijn plaats beneden

In \'t aardsche perk van strijd,

Vindt God mij bier nog noodig.

Hem zij mijn kracht gewijd.

-ocr page 117-

Met moed den strijd gestreden ,

Het strijdperk ingetreên. \'t Is tooh sleehts hier beneden , \'t Is enkel hier beneên.\'\'

„Heb \'k eens mijn werk geëindigd, Heb \'k hier mijn taak volbracht, Dan komt God zelf mij halen ,

En zegt ook mij; ,mst zacht.quot;\' Dan neemt Hij me in Zijn armen.

En fluistert: \'k Hen nabij, Gij hebt uw werk geëindigd, Kom thans, en rust bij Mij,quot;

Amsterdam t October 1884.

-ocr page 118-

— 106 —

WAT 0X8 liUJFT.

Daar is een steun, een toeverlaat,

Die vaster dan Je bergen staat,

Onwrikbaar als een rots.

(Icon sterveling ilie daarop bouwt,

«Slaakt ooit een klacht dat dit hem rouwt.... Dat is de liefde Gods.

Daar is een bloem, die welig groeit.

Die in elks gaarde geurt en bloeit,

Vaak sneeuw en storm ten trots.

Zij bloeit voor ouderdom en jeugd.

Schenkt arm en rijk de reinste vreugd .... Dat is de liefde Gods.

Daar is een kracht, die samensnoert. Die menachen tot elkander voert In \'t lief of leed des lots.

Geen liefde of vriendschap dezer aard Blijft zonder haar den tijd gespaard ....

I) at is do li e f d e G o d s.

.T. E. Schrödbh.

-lt;a

-X

-ocr page 119-

— 107

TEVH EIJKXHMIl).

Ja \'k heb wel eens geklaagJ, mijn Vader !

In bangen nood, in zielepijn.

En toch! Wat bracht mij tot U nader,

Was \'t duisternis ot\' /.onneschijfi V

\'t Was de eerste o lieer 1 Wil \'t mij vergeven

Zoo ik soms jammerde om mijn lot!

\'k Wil juichend U thans de eere geven. „Hoe zwaarder lot; hoe nader God!quot;

• ). E. SCHKÖDEK.

;lt;lt;

X

-ocr page 120-

IETS OVER JACOBUS V : 13 18.

Jacobus, de dienstknecht van God en van den I lee re Jezus Christus, leidt in de boven aangehaalde plaats zijne lezers het ziekenvertrek binnen, en onderwijst hen, hoe ze zich in dagen van krankheid te gedragen hebben. Boven zijne woorden kannen wij dit opschrift plaatsen; Goede raad in dag e n v a n k r a n k h e id, te r genezing naar lichaam en ziel. Is nu krankheid algemeen op eene aarde, waar de zonde woont, dan mag dit onderwerp wel voor iedereen belangrijk heeten.

Is iemand onder n in lijden? dat hij hidde; in iemand goedsmoeds ? dal hij psaliminr/e. Met deze twee vragen en antwoorden, vangt Jacobus aan, en deze vorm van vermaning behoort tot de schoonheid en levendigheid van zijn stijl. Hij wil zeggen: ik vermaan tot gebed een iegelijk die in lijden, en tot psalmgezang een iegelijk die in vreugde verkeert. Het gevoel des christens onder leed en vreugde moet eene richting naar boven nemen. Lijden kan moedeloos en versaagd maken.

-ocr page 121-

— 109

Het gebed, de opheffing des harten tot God kan daarvoor bewaren. Voorspoed kan overmoedig maken. Het psalmzingen, dat is, het eere geven aan God kan ons daarvoor behoeden.

Heeft de dienstknecht des Heeren al/.oo in het algemeen van lijden gesproken, nu noemt hij een bepaald soort van lijden, en wel krankheid, en hij wijst aan, hoe een lid der gemeente daaronder te handelen heeft, als hij schrijft: Is iemand krank onder tl ï dal hij tol zich roepe de oiiderliiigélt der gemeente, en dut zij over hem hidden, hem zalvende met oli* in den niium des Heeren. Er is van ouderlingen sprake, en wij hebben daarbij te denken aan de oudstori dor gemeente, aan wie hare aangelegenheden, ook het hulpbetoon aan armen en kranken, waren toevertrouwd. Er wordt van hen gesprokt-u als de vertegenwoordigers der gemeente, en het verdient opmerking, dat Jacobus in vs. 16 aan eiken christen toekent, wat hij hier den ouderlingen opdraagt. Wil nu Jacobus, dat een kranke de ouderlingen der gemeente tot zich roepen zal, het kan zijne bedoeling niet zijn, dat allen geroepen worden; maar hij gebruikt het onbepaalde meervoud, omdat hij van de ambtsbezigheden der oudsten gewaagt.

Wat moeten zij bij den kranke doen? Orer hem bidden; dat is: een gebed doen, niet maar in het algemeen, neen, zulk een, dat voor den uit- en inwendigen toestand van den kranke gepast is, een gebed voor hem, ten zijnen behoeve, maar ook met hem. Jacobus voegt er bij: hem zalvende of liever, hem gezalfd hebbende met olie in den naam des Heeren. Op deze uil spraak bouwt de Roomsche kerk hare leer van het Sacrament

-ocr page 122-

vah het laaide oliesel, dat zij aan stervenden toedient, na afgelegde biecht, en na liet uitreiken van den ge vrij-den ouwel, tot vergeving der zonden en tot versterking des geloofs.

Jacobus gewaagt echter niet van eene voorbereiding tot den dood, maar van eene zalving en een gebed dat tot herstelling van den kranke zal leiden. Voor de genoemde leer der Roomsche kerk is hier dus volstrekt geen grond.

O O

Er zijn uitleggers, die meenen, dat de zalving met olie slechts dienen moest tot verzachting van het lijden, tot verkwikking van den kranke, ja, als geneesmiddel. Xaar ons hedendaagsch spraakgebruik zou het woord van Jacobus dan niet anders be teekenen als dit; do ouderlingen zullen bidden, nadat zij den kranke nis ge-neesheeren behandeld hebben. Dan is hot echter niet duidelijk, waarom die zalving met olie zoo plechtig in den naam des !heren, op zijn last, als gezant van Hem, moet plaats hebben. Wat do Heer, volgens Marcus VI : 13 den apostelen had opgedragen, dat is, ook na den tijd der apostelen, in de kerk voortgezet, namelijk het zalven niet olie. Nu is zulk eene zalving in de Heilige Schrift vaak een zinnebeeld van wijding. Naar het voorschrift van Jacobus moesten dan de ouderlingen der gemeente een kranke door de zinnebeeldige handeling der zalving als een gewijde d»s Moeren teekenen, en daarmede lichaam en ziel van den kranke aan den Heer overgeven. Dat aan do zalving geen bijgeloovige kracht wordt toegeschreven blijkt uit het vervolg, dat ons doet zien, hoe de genezing alleen op het gebed wordt verwacht.

Wij lezen toch in vs. 15: Eh hel gebed des geloofs

-ocr page 123-

X - -

Ill —

zal den zieke behouden, en de lieer zul hem oprichten, en zoo hij zonden gedaan zal hehhen, het zal hem vergeven worden. Het gebed des geloofs onderstelt geloof in hem die bidt en in hem voor wien gebeden wordt. Het stijgt op uit een hart, dat niet twijfelt. Het komt voort uit de vaste overtuiging dat, gelijk er krachten des levens ter genezing van kranken van onzen Heer uitgingen, toen Hij op aarde was, ook thans nog van den Verheerlijkte in den hemel zulke krachten uitgaan, en dat Hij werkt door hen, die in Hem gelooven, niet alleen door hun woord, maar ook door en op hun gebed. Om in \'t kort alles samen te vatten, kunnen wij dit zeggen : het gebed des geloofs is een gebed, waarbij Christus zelf in de geloovigen bidt.

Van zulk een gebed nu zegt Jakobus: het zal den zieke behouden. Het door hem gebezigde woord heeft de beteekenis van lichamelijke en geestelijke hulp. Het gebed des geloofs zal dus het middel zijn om den zieke naar het lichaam en naar de ziel te genezen. Immers de /leer, Christus de Verheerlijkte, dio op aarde kranken genas, en hot ook nog in den hemel doet, zal hem oprichten, zoodat hij het ziekbed zal kunnen verlaten.

En zoo hij zonden gedaan zal hehhen, het zal hem vergeven worden. Niet altijd is er verband tusschen eene bepaalde zonde en eene bepaalde krankheid. Maar zou het zeer liefdeloos zijn bij eiken kranke zulk een verband te vermoeden, hoogst oppervlakkig zoude het zijn allen samenhang tusschen zonde en ziekte te loochenen. Dit is ontwijfelbaar zeker, dat alle krankheden, alle kwalen en plagen, die het menschdom teisteren, gevolgen der

-ocr page 124-

- 112

zonde /ijn. En het is gebeurd, en liet gebeurt nog, dat iemand krank wordt ten gevolge van eene bepaalde zonde. Van deze overtuiging gaat Jacobus uit. Hij schrijft veronderstellend. Zoo schrijft de christelijke voorzichtigheid en wijsheid, die met liefde gepaard gaat. Op het gebed wordt aan een kranke niet alleen herstelling der gezondheid, maar ook vergeving van zonden geschonken, en in zijne genezing ontvangt hij daarvan het onderpand. Dat bij den kranke de rechte ontvankelijkheid voor de genezende en vergevende liefde des Heeren moet gevonden worden, wordt door Jacobus uitdiukkolijk ge z^gd, als hij vermaant: Belijdt elkander de misdaden. Wie dat in alle oprechtheid doet, openbaart dat versla-.,\'en hart, waaraan de belofte van Gods genade verbonden is.

Belijdt elkander de mi.idaden. Jacobus gaat hiervan liet bijzondere weder tot bot meer algemeene over. De Christelijke gemeenschap moot, eene gemeenschap van woderzijdsch vertrouwen en weder/.ijdsche lietde zijn. Het Evangelie leert het priesterschap aller geloovigen. Wat de ouderlingen der gemeente uit kracht van hun ambt hebben te doen, dat kunnen, dat mogen alle geloovigen doen. Daarom heet het; hid/ voor elkander, opdat (jij gezond wordt. Als een kranke of gezonde wat hem oi) het hart ligt, wat hem drukt of bezwaart heeft uitgestort voor een geloovige, dien hij vertrouwt, dan kan deze eerst naar des broeders behoefte bidden, en de vrucht daarvan is genezing naar lichaam en naar ziel.

Vermag het gebed dan zooveel? Ja, zegt .Tacobus. Een krachHlt;/ qrhed eens rechtvaardigen reniKiy reel. Dit woord.

-ocr page 125-

bevat eene veronderstelling, eene verzekering, eone voorwaarde. De veronderstelling is; het gebed een* rechtvaardigen, dat is: eens geloovigen, die door Jezus Christus tot God gekomen is en tot Hem zeggen mag: Vader. Nu geeft de schrijver deze verzekering: het gebed eens rechtvaardigen vermag veel. Het kan kranken genezen, een volk, een land, een stad redden. De gebeden der geloovigen regeeren met God de wereld. Het schijnt iets zoo gerings, die kreet der ziel tot God onder den angst en den nood des levens. Hij schijnt in de lucht weg te sterven. En toch komt hij voor Gods troon, wordt daar gehoord en verhoord, en daalt in rijken zegen op de aarde neder. Wanneer? Als het een krachtig, dat is: een ernstig, waar, volhardend gebed, niet do taal der lippen, maar do taal des harten is. Het gebed moet werkelijk de kreet der ziele zijn. Dit is de voorwaarde.

Tot bevestiging van zijn woord wijst Jacobus op Elia. Maar ieder, die dezen godsman, deze heldengestalte uit het Oudo Verbond kent, zegt: wie zou met hem zich durven gelijk stellen\'? Ziet, Jacobus komt die bedenking voor, uls hij schrijft: Elia tras een menseh van gelijke heu egingen alu wij, hij had dezelfde gewaarwordingen, aan struikelingen en zwakheden hoeft het ook in zijn leven niet ontbroken. Welnu, wat deed hij.^ Hij had een gebed, dat hel niet zou regenen; en hel regende niet op (h aarde in drie jaren en zes maanden. En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht hare vrucht voort. Wat Jacobus hier van Elia verhaalt, vinden wij vermeld I. Kon 17 : 1 en 18 : 41 enz. Wel wordt daav niet uitdrukkelijk verhaald, dat Elia gebeden heeft, dal het niet zou regenen. Maar dit spreekt van zelf in den man, die aldus op-

-ocr page 126-

treedt: Zoo waarachtuj ah de [leer, (te. God Israels leeft, voor iriens aangezicht ik sta. Zegt iemand; hoe kou Elia nood en ellende over zijn volk afbidden. Het antwoord ligt voor de hand. Zijne betrekking tot, zijn ijver voor de eer en den dienst van Jehova drong hem daartoe. Dit heeft hij ingezien, dat er te midden van het, ontzettend /,edebederf des volks, dan alleen verandering van den zedelijken toestand te hopen was, wanneer Israël in. tijdolijken nood werd gebracht. Door de oordeelen Gods moest het tot erkentenis van Ciod komen. Daarom bad Elia. En hoeveel vermocht liet krachtig gebed van dezen rechtvaardigen! Het vermocht den hemel te sluiten en te openen. O diep nederbuigende ontferming Gods, die deze macht aan het gebed van een stofbevvoner en sterveling gegeven heeft! Welk eene aamnoediging om te bidden, want Elia was een mensch van gelijke bewegingen als wij.

Wat dunkt u, lezers, van de woorden van Jacobus? Geeft hij niet goeden raad in dagen van krankheid?

Misschien zegt iemand: Ja, dat. was nu juist de heerlijkheid van den Apostolischen tijd, dat zulke genezingen op het gebed toen plaatsgrepen. Maar die tijd is voorbijgegaan, en zulke wondergaven worden door den Heer niet meer geschonken. Van den Heere Jezus gingen krachten, stroomen des levens uit, en macht ter genezing van kran-ken gaf Hij aan zijne jongeren, die Hij zelf onmiddelijk uitzond. Maar deze gaven en krachten hebben wij thans niet meer.

Wat zullen wij daarop antwoorden? Vóór alles dit, dat Jacobus volstrekt niet gewaagt van bijzondere gaven

-ocr page 127-

- 115 -

aan de Apostelen geschonken. Er wordt hier van de Apostelen met geen enkel woord melding gemaakt, maar wel van het geloovige gebed van de vertegenwoordigers der gemeente en van gemeenteleden. Aan dat gebed wordt de kracht ter genezing van kranken toegekend. Er is hier dus sprake van eene gave der gemeente van Christus. Wij zouden kunnen zeggen, dat Jacobus in het licht stelt, hoe er eene heilige geneeskunde der gemeente is, en wel eeniglijk door het gebed. Do macht der geloovige gemeente en de kracht van haar gebed wordt ons hier onder de aandacht gebacht. Wij denken daarbij aan het woord van onzen Heer: Die geloofd zal hehheji, en yedóöpt tul zijn, zal zalij worden; maar die niet zal (/eloofd hebben, zal vei\'doemil worden. En degenen, die gelooven zullen deze ieelcenen volgen; in mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken; slangen Zullen zij opnemen; en al is hel, dat zij iets doedelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.

Wellicht zegt iemand: de ervaring leert het tegendeel. Waar zien wij in onze dagen de macht der geloovige gemeente in de kracht van haar gebed ? Laat mij met een wedervraag antwoorden: waar zien wij thans de ge-meente van den Apostolischen tijd? Toen was de menigte der goloovigen éên hart en ééne ziel. Er was geloof, er was liefde, er was ijver voor de eer en de zaak des Heeren. En al was er toen onkruid onder de tarwe, toch staat do gemeente onzer dagen op verren afstand van die uit den eersten tjjd des Christendoms. Met is licht te verklaren, waarom wij in onze dagen schier niets

-ocr page 128-

ontdekken van do heilige geneeskunde der gemeente. Hot afnemen van de gave der genezing van kranken door liet gebed is een treurig bewijs van bet afnemen, het kwijnen des geloofs.

Waar dat geloof in enkele gewijde persoonlijkheden krachtig is, wordt ook nog in onze dagen gezien wat Jacobus schrijft; hel gebed des geloofs zal den zieke behouden. Uit Zwitserland, Duitschland, Engeland zijn daaromtrent mededeelingen gedaan, aan welker waarheid niet valt te twijfelen. En wij denken bier bijzonder aan den in 1879 ontslapen Bluinhardt uit Wurtemberg. wiens gebed voor menigen kranke naar lichaam en ziel, boven bidden en denken is verhoord. Mij dunkt, in zulke voorbeelden laat God de gemeente zien, wat zij verloren heeft, en hoe alleen van eene wedergeboorte der gemeente het terugkoeren van do gave der genezing van kranken door bot gebed te verwachten is. Die wedergeboorte moot van boven komen. De gemeente des Hoeren heeft behoefte aan eon nieuwen Pinksterdag. Dat allen die gelooven daarom bidden uit het diepst hunner ziele!

Och of er meer ijver dos gebeds ontwaakte onder allen die naar Christus zich noemen. Wij hebben door .1 ozus Christus een vrijen toegang tot den troon der genade. Wij hebben een Bijbel vol beloften Gods, dat Hij gebeden wil hooren en verhoeren. Een wolk van fotuk\'en Omringt ons, die van gebedsverhooring roemen.

O \' tquot;1 0

Niet Elia alleen, een Mozes, Aiiron en Samuel worden ons bijzonder voorgesteld als bidders, die vorhooring vonden. De psalmist zegt; Mozes en Aiiron naren onde)\' zijne priesters, en Samuel onder dr aanroejiers ran zijn naam. Zij rifpen tot den lieer en Hij verhoorde hen.

-ocr page 129-

Van Josua wordt met nadruk vermeld, dat de Heer zijn stem verhoorde. Elisa bad voor zijn jongen: Heer, open zijne ootjen, en het geschiedde; en wederom: Sla toch de Si/riër.s met verblindheden, en de Heer deed alzoo; en ten derde male: Heer, open de ootjen der Syrièrs, en de Heer verhoorde. Waartoe meer? Op het gebied van het gebed geldt het: nooit kan het gebed des ge-loofs te veel verwachten. Welk eene aanmoediging tot gebed voor ons zeiven en van anderen.

Alleenlijk worde het niet vergeten, dat alleen aan het geloofsgebed de heerlijkste beloften verbonden zijn. Hier zijn nuchterheid en waakzaamheid noodig en een ernstig toezicht, dat wij niet te groot van ons zeiven denken, en willen nadoen, nabootsen, wat wij in anderen zien, of aan menschen aanleiding geven om grooter van ons te denken dan wij werkelijk zijn. Er staat geschreven tot ieders ernstige waarschuwing: Door het yeloof zijn de hraelieten de Roode zee doorgegaan als door het drooge; hetwelk de Eggptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken. De zonen van Sceva, die zich zonder geloof in Jezus Christus, onderwonden hebben den naam van den Heere Jezus te noemen over degenen die booze geesten hadden, hebben slechts schande en ellende daarvan ingeoogst en zjjn beschaamd gemaakt.

De krankengenezing door het gebed moet gegeven worden. Ken mensch kan geen ding aan nemen, indien het hem niet van boven gegeven wordt. Laat ons niet allereerst staan naar hooge dingen, maar ons voegen tot de nederige. In het koninkrijk Oods gaat alles op de wijze van het mosterdzaad. Uit het kleine en verborgene groeit het groote. Oefenen wij ons voor alle

-ocr page 130-

— 118 —

dingen in geloof, eenvoudig geloof aan het Woord en de belofte Gods. Zij het onze dagelijksche bede: Vermeerder ons het geloof! Oefenen wij ons in het bidden en 7,ij ook dit vooral onze verzuchting dat wij mogen leeren bidden, dat ons leven een gebedsleven worde.

Is iemand onder u in lijden? dat hij hidde. Is iemand goedsmoeds? dat hij psahnzingf. Wat beteekent dat woord eigenlijk anders als dit: laten al uwe lotgevallen en levenservaringen u henendrijven naar boven. God alleen weet wat goed voor ons is en Hij geeft dat naaiden rijkdom Zijner wijze liefde. Geeft Hij u voorspoed en vreugde, ziet Hem niet voorbij, prijst Hem voor Zijne goedertierenheid. Zoo zullen de zonnige dagen uvvs levens u niet tot schade, maar tot winst en zegen voor uwe ziele zijn. — Is lijden uw deel, wordt gij op het ziekbed neergelegd, denkt ernstig na, of er ook verband is tusschen uwe krankheid en eenige zonde, die gij bedreven hebt. Indien gij dat ontdekt, belijdt dat voor God en hebt den moed en den ootmoed om het ook te belijden aan een vertrouwden geloovige. Dat strekt vaak tot verruiming van het hart, en het is een bewijs van den ootmoed des harten, want het is veel zwaarder voor menschen dan voor God onze misdaden te belijden. Heft biddende uwe ziel op tot God, legt Hem uw nood en zorg, uwe krankheid naar lichaam en ziel voor, en vraagt van Hem uitkomst en redding. Kunt gij zelf niet bidden, hebt gij behoefte aan toespraak en voorbede, roept een van de opzieners der gemeente of een uwer geloovige vrienden en bekenden, dat zij over u bidden. Verwacht, ook wanneer gij geneesmiddelen gebruikt, door de wetenschap voorgeschreven, eeniglijk en

-ocr page 131-

alleen zegen van God en stelt u niet onbepaald vertrouwen in Zijne handen. Hij weet, wat voor u goed is en zal u dat geven.

Volkomene genezing naar lichaam en ziel blijft voor de eeuwigheid bewaard. In de Godsstad hierboven zegt geen burger: ik ben ziek; want het volk dat daar woont, heeft vergeving van zonden. Daarheen, daarheen strekke ons aller verlangen zich uit!

li. .1. Aduiani.

Amsterdam.

-ocr page 132-

120

quot;35

oi» den vluchtheuvel te zetten.

„Men gut\' mij den Bijbel. Ezechiel WXIV was de stoffe «Ier overweging. Ik koos toi thema Christus de goede Herder, de eenipfe goede Herder. Toen ik dat vierde vers las;

„De zwakken sterkt g ij nie t, e i» hel kranke h e e 1 t g ij niet, en li e t geb roken e verbindt g ij niet. en het weggedrevene brengt g ij niet we d e r, e n h e t v e r l o r e n e z o e k t g ij n i e t, m aar g ij h e e r s e h t o v e r h o m m v t strengheid e a met hardigheid,quot; toen was mijn ziel vervuld met de grootheid der gedachte, d»arbij uitgedrukt : ,,l k zal het verlorene zoeken, het weggedrevene w e-derbrengen. het gebrokene verbinden, het kranke s t e r-k e n.quot;

Maanden achtereen doorreisde ik de hoofdplaatsen van het vaderland, en sprak over dat ééne onderwerp uit Ezechiel .\\ \\ \\ 1 V. Kr rustte een ongekende zogen op dat woord, en menig hait liet zich voor de zaak winnen.quot;

Uit O. O. Heldking, Leven en Arbeid.

Op Thabor daalde Elia neêr,

Mot Mozes weergekeerd naar de aarde, Hun werk- en kampplaats van weleer,

Toen nog hen \'s levens last bezwaarde.

-ocr page 133-

121

Daalt soms ook andrer Zien\'ren geest

Dus uit de hemelsche landouwen,

Om, waar hun werkplaats is geweest.

Nog eens de vrucht huns works te aanschouwen?

Dan, wis! bedroog een waan ons niet,

Toen ons de Vluchtheuvel kwam dagen,

Waar Heldring eens zijn assche in liet,

Als we ook daar geesten zweven zagen.

En bij die geesten do eerste Gij,

E/.echiël, door God gezonden.

Om aan uw volk de profecy

Van d\' Ebn\'gen Hebdkr te verkonden!

Ja, Ziener Gods, dat heiltafreel Der godlijke barmhartigheden.

Ontstoken door \'t droef schouwtooneel

Van \'s Herders kudde, in \'t slyk getreden, —

Van \'t schaap, dat herderloos verdwaalt,

Van \'t schaap, verbloedend uit alle aderen.

Van \'t schaap in \'s afgronds kuil gedaald, —

Maar alle eens door Gods Zoon te gaderen.

Dat heiltafreel van uwe hand

Deed eenmaal Heldrings borst ontgloeien.

En uit zijn hart, als vuur ontbrand.

De redenen als vlammen vloeien.

-ocr page 134-

Dat vuur ontgloeide ook andren ineê, En, God zij lof! ons volk ontwaakte!

Een kreet ging op, gewekt door \'t wee Der kudde, die \'t te lang verzaakte.

En herdorsharten togen heen.

En zochten uit der zonde holen

De onnoo/.le lamrnerkens bijeen,

Misschien aan \'t schaap bij nacht ontstolen.

Een kooi ontving ze, -- o Steenbeek, gij! Een kooi, waarin een waschbron vloeide.

Die \'t lam, hoe zwart, hoe onrein \'t zij. Met \'t aldoorz.uivrend bad besproeide.

Vluchtheuvel! buig gij \'t hoofd hier neer! Gij redt slechts \'t lichaam uit do golven ;

Maar in does Schuilplaats redt de Heer Verloornen, in twee doön bedolven.

En deze kooi — zij staat steeds daar, Eon zegoteeken voor den Heere,

Een eerzuil voor haar Bouwheer, maar Toch ook, Ezechiël, uwe eere!

Uw Geestes-taal, uw vlammend woord Wierp eenmaal \'t heilig vuur op aarde.

Dat binnen Steenbeoks wanden gloort. En honderden er redding baarde.

-ocr page 135-

— 123

7K

En dos, als in den stillen nacht

De zachte straal van \'t maangeflonker,

Waar Heldrings asch de opstanding wacht,

Zijn sponde kust in \'t schemerdonker.

Dan kan \'t bij tijden zijn, alsof

Wij \'t ruischen van do vleuglen hooren Der serafs, wakend bij zijn stof.

Tot hun bazuin diens slaap zal storen.

Maar bij dien stoet in gloriedos

Van heilige englen on aartsengelen Is \'tof we, Ezechiël, man Gods!

Zich ook uvsr zaalgen geest zien mengelen,

Die op des kleine Vluchtterp daalt,

(Als mot Elia Am ra in s zone Op Thabor), en haar kerk bestraalt

Mot licht, dat afstroomt van uw krone.

Zoo wordt die kerk een hoogaltaar,

Gesticht door \'t tweetal zaalgen samen.

Den Herder hier, den Ziener daar.

En God spreekt tot hun offers \'t Amen.

,7. P. Hasebboek.

X

-ocr page 136-

EEN MAHTELAAK

quot;NVie iets meer dan eene eeuw geleden aan de „zoete boorden des Amstelsquot; wandelde, liad gewoonlijk meer tijd en rust dan do meesten der tegenwoordige wandelaars in onze hoofdstad, om aan alles wat hom voorbijging of wat hij ontmoette zijne aandacht te schenken.

Hij moest haar getrokken voelen tot de diepgebogene gestalte van oenen man, die als een slaapwandelaar in zich/.olven gekeerd zich langs hem voortbewoog en alleen nu en dan door den eigenaardig voorzichtigen blik der dooven verried, dat hij iets van zijne omgeving bemerkte. Zien wij hem aan !

Het is een man op den leeftyd, waarop do herfst des levens aanvangt, maar die bij velen nog tot do kracht der jaren kan gerekend worden. Maar zijne kracht is geheel gebroken. Zijn vergrijsd hoofd hangt met tal-looze rimpels doorploegd op zijne borst; zijn uitgedoofd, soms nog van sombere wanhoop sprekend oog, verraadt het bitterste zielelijden; slap hangen de armen langs zijne zijden, als willen zij ontveinzen, dat hij in de eenzaamheid de vuist balt tegen zichzelven en zich slaat

-ocr page 137-

trekken gepaard gingen met schitterend oog en eene welluidend krachtige stem.

Daar staat hij stil en ziet eene eenvoudig deftige woning aan. Hij aarzelt en gaat eenige stappen verder, maar keert op zijne schreden terug en staat weder stil alsof hij niet weet wat hij doen zal. Maar, als wil hij ■zichzelven dwingen, nu beklimt hij met eenigen haast de veelbetredene stoep en laat den klopper vallen op de huisdeur van den Waalschen predikant Chatelain. Weder schijnt de onverschilligheid als een nevel op hem neer te dalen en in elkander gezonken wachtende, bemerkt hij niet dat een vriendelijk knaapje do bovendeur heeft geopend en eene beweging heeft gemaakt alsof hij die haastig weder wilde toewerpen en don somberen bezoeker buitensluiten. Maar daar nadert een krachtige tred; ook de onderdeur wordt ontsloten en met vrien-deljjk en medelijdend gebaar beweegt de evangeliedienaar den ongelukkige n gast tot binaentreden.

Werktuigelijk volgt deze en zet zich neder op den eersten zetel den beste. Hij bebueft niets te zeggen, want hij weet dat zijn lijden en zijn zielstoestand hier bekend zijn en gepeild worden. Met knaapje, toekomstig

*

-ocr page 138-

— 126 —

evangeliedienaar die dit tooneel niet v.al vergeten be-vancren door eene mengeling van vrees en kmderhjke nieuwsgierigheid, don bezoeker, in wijden kru.g angs hem gaande, zooveel mogelijk ontwijkende, verschuilt z^h i„ een hoek van de kamer on hoort, ja voor de lioe-veelste maal reeds, hoe zijn vader met krachtige stem den uitgedoofden grijsaard zoekt op te wekken en te vei-

tl00Maquot;r verstaat gij dan,quot; zoo vraagt en dringt hij, verstaat gij dan nog do volle heerlijkheid van ons dier-baar Evangelie nietV Zijn de verdiensten van Chr.stu niet algenoegzaam en zullen zij dan ook voor u niet voldoende zyn? Het onfeilbaar Woord Gods zegt ons

immers; „Indien wij onze zou d H ii is g e t r o u w en r e e h t v a a i d i g t .

ons de zonden vergeve on ons romige van aUe ongerechtigheid.quot; Goldl niet voor ons, geldt

„iet voor u ook, mijn arme broeder, do belofte die eens Israel hooren mocht bij monde van Jesaia; ,A waien UWe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren .ij rood ujs kar-m o z ij n z ij z u 11 e n w o r d e n a 1 s w 111 e w o 1. He dan de apostel Paulus niet terecht gezegd; J n d i e n w ij o n t r o u w z ij n, H ij b 1 y t t ge li o u \\\\, U kan zichzelven niet. verloochenen. Was er dan zelfs voor don moordenaar aan het kiuis . . .

Vi mij, vergat de ijverige evangeliedienaar met oen «ogenblik tot wion hij sprak on raakte hij daar niet wat onvoorzichtig pijnlijk brandende wonden aan ? Uust.g had zijn bedroefde gast toegeluisterd, soms had hij toes om mend geknikt on één oogenblik had daar een straal van

Üi

-ocr page 139-

- 127 —

fS 2f5

ontwakende vreugde geschitterd uit zijne oogen, maar nu barst hij uit, de handen wanhopend opheftende boven zijn hoofd en ze wild heen en weder slingerende : „Ja ontrouw, ontrouw ! . . . ach, de moordenaar aan het kruis .... heden zult gij met mij in het paradijs zijn . . heden, dat was ook eens voor mij , maar liet is voorbij,

voor altijd voorbij .... Hij heeft het verkregen, hij is ingegaan . . ik heb het verworpen . . ik ben buitengesloten! Ik heb den Heer verloochend, zoo schandelijk verloochend ! En hij zag het, nog wenkte hij mij met zijn oog. O, dat oog! Ik zie het nog, daar is het weder ; ik zie weder alles voor mij ! O vertroost mij niet,

daar is voor mij geene zaligheid, daar is geen hoop meer !quot;

Verschrikt ontvlucht het knaapje de kamer en verhaalt aan de huisgenooten dat die arme Heer Molines weder in vaders kamer is en alweder zoo akelig schreit, en intusschen roept deze nog steeds: „de kroon was mij weggelegd, voor mij zoowel als voor hem, hij heeft haar verkregen, voor mij is zij verloren. Ach ik zie weder alles voor mij ! hoe was het mogelijk, hoe was het mogelijkquot; ? Maar dan overmeestert de stem van den predi kant Chatelain weder zijn geroep en meer naar den klank dan naar don zin der woorden luisterende, bedaart hij cn valt weder terug in zijne doffe onverschilligheid, eenige verontschuldigingen mompelend over den last dien hij weder heeft durven aandoen.

AVat zag die ongelukkige en welk was de oorzaak van zulk een vreeselijk lijden ?

Het was dertig jaren geleden op een morgen in de laatste dagen van Maart 1752, die in het schilderachtig

;

-ocr page 140-

— 128 -

gelegene Montpelller onder de blauwe lucht van bet zuiden van Frankrijk, een ware lentemorgen mocht heeten. De aarde bloeide, de hemel lachte, de vogelen jubelden en terwijl de schepping haar loflied zong, drong eene zuivere mengeling van berg- en zeelucht opwekkend in de borst. Maar boosheid, bijgeloof, bekrompenheid , leugengeest en godsdiensthaat hingen als dichte weefsels om de hoofden der dwaze , zondige menschen en vervulden hun gemoed met duivelsche listen. Op het marktplein stonden wederom het schavot en de galg opgericht en door schildwachten ternauwernood weêrhoudeii, verdrong zich de menigte om het schouwspel te zien hoe, niet een moordenaar of dief, maar een evangeliedienaar, een prediker van den „zoogenaamd gereformeerden godsdienstquot; zoude worden opgehangen.

De artikelen van 1685 die het Edict van Nantes herriepen en de protestanten in Frankrijk tot vogelvrije misdadigers verlaagden, hadden de predikanten, die niet binnen veertien dagen Frankrijk verlieten, met de galeien gedreigd. Maar sedert waren zij verscherpt: wie de evangelieprediking aanhoorde, naar de galeien*, wie het woord verkondigd had, op het schavot. Daarom hadden op den 30s,en Januari de soldaten, die als jagers op liet wild waren uitgezonden, als goed beloonde prooi den proponent Francois Bónezet, helper van Paul Kabaut, gevangen genomen. Noch zijne zes en twintig jaren, noch de gedachte aan zijne zwangere vrouw, noch het medelijden met zijn jeugdig kind waren in staat geweest om het hart zijner rechters te vermurwen of voor hem genade te verkrijgen. Het voorbeeld moest worden gesteld en hij zoude sterven.

-ocr page 141-

Was ook deze beul van Montpellier, evenals zijn voorganger eene halve eeuw geleden toen de predikant Claude Brousson stierf, uit medelijden met zulk een braaf man bijna niet in staat om zijn werk te volbrengen? Of was deze meer gehard en gewoon geraakt aan het dooden van onschuldigen, wier eenigc misdaad bestond in hunne gehoorzaamheid aan God en in hun gebed voor hunne vijanden? Dit is zeker, wie ook beefde. Francois Rénezet niet; vrouw en kind deden hem niet aarzelen in het volbrengen van zijn plicht, noch iu het sterven van den dood eens martelaars. Vruchteloos spant de abt Uouyra nog op den weg naar hot schavot alle pogingen in, om hem tot afzweren van zijn geloof te bewegen. Te vergeefs dreigt hij hem met de helsche straffen na den schandelijken en smartelijken dood dien hij tegengaat. .Indien gij zelf overtuigd waart, dat die mij wachten,quot; vraagt de veroordeelde, „zoudt gij mij dan zoo vervolgen en zoude ik dan veroordeeld zijn om aan een galg te sterven, alleen omdat ik mijne broeders vermanend heb toegesproken ?quot;

Maar het geroffel der trommen verdoofde zijne woorden, als vreesde men dat zij het oor der schare zouden bereiken en haar hart week maken. Maar nu heft Bé-nezet zijne stem op en zingt. Het is niet het gewone lied der stervende predikanten :

„Dit is de dag, de roem der dagen

Dien Israels God gegeven heeft.quot;

Ootmoed en schuldgevoel leggen hem den psalm

op de lippen.

-ocr page 142-

— 130 —

Maar wat is l.H, dat mtusschen het volk beweogt ... waarheen richten zich die nieuwsgierige blikkonV Zul men twee predikanten zien hangen voor éénenï Ziet, „a .len veroordeelde is daar nog een ander uitgebracht tusschen do wachters, eene krachtige gestalte met edele trekken op het bleeke, het doodsbleeke gelaat. Men maakt voor hem plaats op het schavot en vergunt hem den vrijen blik op alles wat daar omgaat, op de woelende menigte en op die akelig omhoogstekende galg. ,Is hij ook veroordeeld, wordt bij ook gehangenquot;? zoo

vraagt de oen den tinder.

Neen nog niet; Jean Molines, ook wel Klechier ge-. „oenid, is oquot;rst. weinige dagen geleden gevangen genomen om dezelfde misdaad die Bénezet met den dood gaat boeten.

Over hem is de vierschaar nog niet gespannen, maar welk

satanisch gemoed heeft uitgedacht om bom op zijn vonms voor te bereiden, door hem getuige to doen zjjn van den doodstrijd van zijnen lotgenoot? Wie weet het, zoo wordt bij misschien tot afval bewogen en der zaak d.e bij dient schade toegebracht. Ziet, daar nadert hem een priester en wijst; hem alles aan en fluistert, nu vriendelijk lokkend dan vinnig drtigend, hem woorden va., verleiding in het oor. Bénezet bestijgt intusschen al zingende de doodelijke ladder. Hij ziet bet lijden van zijnen ambtgenoot en te midden van eigen strijd kan hij nog voor hem gevoelen. Toespreken kan hij hem met, maar hij ziet bom aan. zooals eens van het kruis de Heiland den discipel aanzag dien hij liefhad; bij ziet hem aan met eon oog vol van bemoediging en vrede en het is als zegt die blik; „houd moed mijn broederhaat „ „iet verleiden; de dood is zoo vreeselijk niet; de kroon

-ocr page 143-

- l.\'il

is ons weggelegd.quot; En het is ook, nis zingt liij niet voor zich/elven (ot bemoediging alleen, maar voor zijnen bedreigden vriend tot versterking, de bede:

Que ton esprit dans oette affliction

Par sa vertu soutienne ma faiblesse.

Maar de zingende stem wordt verstikt; de scherp-recbter heeft den knellenden band gelegd. Met toenemende ontzetting, bevende van medelijden en vrees, staart Molines iedere beweging van den beul en van zijn slacluoffer aan en of hij de oogen al sluit, toch hoort hij alles en dat is nog vreeselijker omdat het zooveel doet vermoeden. Hij hoort dat de ladder wordt weggetrokken en het onrustig gemurmel der toeschouwers getuigt bem van de huivering of van de voldoening, die bij hel aanzien van de laatste bewegingen des martelf.ars door hunne leden varen. Maar naast hem houden de stommen aan en nemen toe; „nu weet gij wat u te wachten staat, nog weinige dagen en gij hangt daar. Evenwel, nog kunt gij ontkomen, verander, zweer af en keer terug tot de ware kerk des Heeren! Maar begin althans u uiterlijk te onderwerpen. Zeg, dat gij nog eens onderzoeken wilt en hoor het onderwijs aan dat wij u geven zullen, verander, zweer afquot; !

Alles is afgeloopen. Verbijsterd slaat de afgebeulde man eenen laatsten blik op het stille lijk van zijnen vriend, die nu vrij is en wiens geest terugkeerde tot den levenden God die hem gaf, tot den Hemelschen Vader. Maar hij wordt weder teruggebracht naar den somberen kerker, waar evenmin zijne vijanden als zijne eigene gedachten hem met rust laten.

-ocr page 144-

- 102 —

Welke dagen heeft, hij daar doorleefd, welk een strijd moest hij strijden ! Velerlei beelden drongen zich aan hem op. Xn eens het beeld van die vrome jonkvrouw, do dochter van de weduwe do Sensens, met hare moeder om zijnentwil gevangen, omdat zij haren leeraar eeno schuilplaats hadden aangeboden in hare woning, die ontdekt of verraden was Met haar en voor haar te leven, haar te mogen ontvangen als oen geschenk uit Ciods hand, was de wensch, die in zijn hart was opgekomen. Moest hij dat otfer brengen, mocht hij dat geluk niet smaken? Dan weder zag hij die zonnige velden, die boschrijke bergen, de heerlijke zee, het ouderlijk huis. Of de gemeente die hij diende, de vromen die aan zijne lippen hingen, de zwakken wier steun, de dwalenden wier leidsman hij was. Moest hij dat alles verlaten ? Kon hei Gods wil niet zijn dat hij door één enkel woord zijn leven kocht en weder gebruikte in den dienst des Heeren? Als hij, gelijk al zijne arabtgenooten, telkens van naam veranderde, zich nu als een landbouwer, dan als een koopman voordeed om do listige wachters te kunnen ontkomen, dan was dat eene geoorloofde onwaarheid; maar zoude het dan ook niet geoorloofd zijn om in schijn terugtekeeren tot do kerk van Rome en toch in waarheid alleen het woord Gods te gehoorzamen en de vervolgde kerken der woestijn te dienen?

En tusschen dat alles verhief zich telkens weder als eene akelige bloedroode schildering aan den muur zjjner gevangenis opgehangen, het beeld van dat plein, stralende in den morgenzon, vol van menschen, vol van starende oogen en daar die galg, die beulsknechten en dat bleeke slingerende lijk. O de arme man was ziclr/elve niet, zijn lichaam

-ocr page 145-

was krank, zijne geestkracht was verlamd, zijn verstand was beneveld en zijn gebed werd verhinderd. En daarbij niet anders dan bezoeken van priesters nu hem dreigende als rechters door God over hem gesteld, nu niet hem sprekende als een man die zijnen vriend van dwaling zoekt te overtuigen, dan weder met hem redetwistende gelijk de eene geleerde die zijne meening verdedigt tegenover den ander. Soms moest hij hun gelijk erkennen; niet alles wat zij voorstonden was even verkeerd; er waren toch woorden der Heilige Schrift, waaraan in hunne kerk meer recht scheen te weervaren dan bij de protestanten; er waren toch leemten ook in zijn stelsel. Nu eens moest hij aarzelend toestemmen, dan weder vond hij geene woorden om tegen te spreken. Steeds meer voelde hij dat de grond hem ontzonk, dat zijne vastheid wankelde. En uit hetgeen hij toestemde, uit hetgeen hij niet ontkende, uit hetgeen hij aanhoorde zonder tegenspreken, werd listig een brief samengesteld die straks als „brief van afzwering van den Heer Molinesquot; door eenige priesters werd uitgegeven, toen hij bezweek.

Want bij bezweek en kocht zijn leven met de verloochening van zijn geloof. De protestanten, diep geschokt door dezen afval, antwoordden bij monde van An-toine Court: „het is onbegrijpelijk dat zij die Molines bekeerd hebben, hem in de citadel van Montpellier zijne afzwering laten teekenen. Een citadel was nog nooit eene school des lichts noch een middel om iemand te overtuigen van de waarheid van zekeren godsdienst. Iedere herroeping door eene geketende hand onderteekend is zóó verdacht, dat /.ij nooit als een bewijsstuk voor eenige rechtbank zoude kunnen gelden.\'\' Maar

-ocr page 146-

— 134 —

intusschen verheugt zich het hof van Versailles en laat Lodewijk XV door den graaf de Saint Florentin zijne hooge ingenomenheid met deze bekeering betuigen en groote sommen verdeelen onder hen, die deze beide predikanten hebben gevangen genomen en medegewerkt hebben om den een lichamelijk den ander zedelijk te vermoorden.

Zijn aardsche leven behield Molines. Voor den vorm werd hij wel ter dood veroordeeld, om zijne volharding te beproeven, maar reeds was vooruit bepaald dat de koning hem genade zoude schenken en de doodstral in gevangenisstraf zoude veranderen, om hem eindelijk de vrijheid te hergeven. De koning was hartelijk verblijd

over zijne eigene grootmoedigheid en vergunde gaarne dat

de dames De Sensens in een klooster zouden worden opgenomen, indien ook zij soms eene hartelijke begeerte openbaarden om tot de Katholieke kerk terugtekeeren. Dit schijnt echter niet het geval te zijn geweest en do gevangenis bleef haar deel. In September werd Molines uit den kerker ontslagen, onder voorwaarde dut hij naar het seminarie te Viviers zoude gaan. Maar hot gehikte hem heimelijk uit Frankrijk te geraken en in het gastvrije Holland een veilig toevluchtsoord te vinden.

Doch de zoo duur gekochte vrijheid was hem niets meer waard. De schoone aarde had voor hem geen bloemen, de heldere zon wierp geene vreugdestralen meer in zijn binnenste; al het liefelijke dat hem aan het leven te vast had gebonden, had al te zamen smaak en geur voor hem verloren. Levend dood, tot arbeidongeschikt, doolde hij rond zooals wij hem aanschouwden en de kerkeraad der Waalsche gemeente van Amsterdam mocht, van zijn waarachtig berouw overtuigd, hem weder in de

-ocr page 147-

gemeenschap barer kerk hebben opgenomen, geen ker-keraadsbosluit kon den last wegnemen, die den balling bij de gedachte aan zijn lafhartig verraad terneder drukte en geen modelijdende vriendenhand was in staat balsem in zijne wonden te gieten en hem zijnen levenslust te he.-geven. Laat ons hopen dat hij door de groote genade van onzen God en Zaligmaker behoort tot hen, wien de belofte geldt uit Openbaring Vil : 17: God zal alle t r a non v a n hunne oog e n a f w i s s o h e n.

Wat hij gevreesd had to zijn gedurende weinige, pijn-lijko oogenblikken, incest Molines jarenlang zijn, zonder de oer en de kroon: een martelaar, een getuige der waarheid. In hem en in zijn smartelijk zielelijden werd duidelijk do waarheid afgebeeld van het woord van onzen Heer: „Zoo wie z ij n leven zal wille n b e-houden die zal het v e r 1 i e z e n ; m a a r z o o wie z ij n loven verliezen zal om m ij n e n t w i 1, die zal het v i n d e n.quot; Er zijn tijden dat God offers vraagt en wie ze dan gewillig geeft, behoudt en ontvangt honderdvoud terug wat hij afstond; maar wie dan het offer weigert en het zijne wil behouden, sleept het voortaan met zich mede als een ballast die hein drukt en wordt afgewezen als hij weder en wederom het nu ontwijde aanbiedt.

O hoe vaak zal Molines, eer hem alle raoed ontzonk -dien keizer gelijk, die in den laatsten veldslag wolken hij verloor vergeefs den dood zocht in het dichtste slaggewoel — hebben willen beproeven om zijn loven op te otteren in den dienst Gods en tot heil der Kerk, maar het mocht hem niet gelukken, het was niet meer noo-

-ocr page 148-

■ 13(3 -

dig. Daarom betreurde hij met ontroostbare droefheid de verlorene martelaarskroon. Jarenlang moest hij zijnen last dragen. Maar het was dan toch openbaar, dat hij dien last droeg en lijden dat openbaar wordt, is niet zóó zwaar als verborgen lijden, dat als een kanker het binnenste verteert. Velen die met opgehevenen hooide en vrolijken blik, benijd en gevierd door het leven gaan, hebben als Molines, hunne tijdelijke vrijheid en hunne uiterlijke levensvreugde te duur betaald, door den Heiland te verloochenen, dien zij eerst hebben beleden en trouw beloofd. Menige eer bij de menschen en vooraanzitting in Kerk en Staat is gekocht met opoiïeiing van overtuiging en beginsel, en in den spiegel van zijn eigen geweten ziel misschien de een of ander zichzelven voorbijgaan, gebogen en gebroken als die arme giijs aard die niet wilde vertroost worden, en in wiens; „mijne misdaad is g rooter, d a n d a t z ij vergeven worde, meer Godebehagelijke einst is geweest, dan in veler gemakkelijke toeeigening van de heilsbeloften des Evangelies. O dat zij als hij bedroefd werden en zich neergebogen voelden 1 ant de Heer richt de gebogenen op en aan zulke vermoeiden en be-lasten zal Hij rust geven, wiens bloed van alle zonden reinigt en die alle zonden vergeeft welke wij belijden en betreuren.

IJ. C. SclHI.I.KU TOT 1\' KI\' US I\'M.

Alkmaar, Sept. 1885.

Aantrekenin:/. Ue beschrijving van ilnn onjfelukkigen predikiint. Molines dit Kindlier nil do herinneringquot;!! vim den zoon van den predikiint Chntelain, is le vindon bij Charles Coqunrol. üi.stoire dos Kglises du dé.scrt Tome 11 pag. 5(U. uilgave van IStl.

-ocr page 149-

EK NE HEKINXEK IN(i

AAN

DIRK KAFKLSZ KAMPHUVZKN. gt;586—1886.

In de geschiedenis der raenschheid treffen wij liier en daar mannen aan, die hunne tijdgenooten vooruit zijn; die staan boven den tijd, waarin zij leven. Door inner-1 jjken drang des harten of wel door de omstandigheden gedrongen, om deel te nemen aan den strijd der geesten van hunne dagen, kunnen zij zich niet met hart en ziel aansluiten bij eene der elkander lekatnpende partijen, en, om des gewetens wil genoodzaakt hun eigen weg te gaan, gewantrouwd door hunne tijdgenooten, die hen, en dat dikwijls volkomen te goeder trouw, voor „halvenquot; en weifelaars houden, worden zij vaak eerst door het nageslacht begrepen en gewaardeerd.

\'t Is wellicht geen geluk, zóó alleen te staan. De groots mannen, die een zegen waren voor hun volk, waren steeds bij uitnemendheid mannen van hun üjd.

-ocr page 150-

- 142 —

infleiquot; als een deel des werelts tot pavtije, maer ick en verwachte anders niet dan, bij raaniere van spreken, den liaet van den gelieelen werelt op mijnen hals, niet alleen van de contra-remonstranten, maar van allo andere, self\'s oook vele van d\'onsequot;. Maar hij hoopte „dooi Godts gratie onvertsaegt te zijn, ende vast te staen, als een steen midden in de baren.quot;

De man, die ter wille van zijne overtuiging zoo standvastig alle gevaren, (en bet waren geen denkbeeldige, die hem bedreigden!) tegemoet trad, moest toch wel weten, dat ook de Christen „een strijd op aarde heeft\'. Dat hij het wist, dat hij ook zijne tijdgenooten trachtte te leeren welken strijd den Christen paste, met welk doel en met welke wapenen zij dien hadden te voeren, getuigt zijn „Christelijk gövecbt.quot;

.Van te strijden wil ik zingen, zingen een aandachtig lied : Hoe de menseb die wel wil strijden, heeft te strijden,

en hoe niet.

Al de wereld is vol strijdens; \'t strijden is menigerhand: Strijden dijt somtijds tot eere; strijden dient somtijds tot

schand,

Menig strijdt een dwaaslijk strijden, om \'t gering, op

\'t ongewis:

Menig strijdt een wijslijk strijden, om \'t geen strijdens

waardig is.

Somtijds strijdt de mensch een strijden, dat met \'lodes

wille strijdt;

Somtijds strijdt de mensch een strijden daar den Hemel

in verblijdtquot;.

Dan kenschetst hij het doel van den strijd: ,Het

-ocr page 151-

- 143 -

lil ..... \\i\\

|

Eeuwig Hemelsch goed\', noemt den vijand : „üe Ganschc Holsclie schaar,quot; en beschrijft de Geestelijke Wapenrusting, die den Christenkrijgsnum past. Strijd aldus, roept hij:

„Christen krijgsheld, dit\'s uw waap\'ning, daar gij mee

ten slag moet treon;

Hiermee heeft uw Capitevn, de Zone Godes, zelf gestreen :

Zelf gestreen en overwonnen. Maar nog een ding hoort, erbij; Tn \'t gebed moet gij ook waken en geduurzaam zijn, als Hij; In \'t gebed en needrig smeeken, \'t welk, als \'t nyt \'s Gees-

tes grond opschiet,

Als een pijl ten Hemel gaande, maakt dat gij veel

hulp geniet;

Hulp, waardoor gij \'t Geestlijk Wapen sterker dan voor

heen begeert;

Zoo begeert, verkrijgt, verkregen, houdt en wol gebruy-

ken leert.quot;

Zóó begreep Kamphuyzen den strijd van den Christen, en zijn leven en werken zijn daar, om te bewijzen, dat hij zijn eigen leer betrachtte.

Van stad tot stad vervolgd, nergens geduld, gekweld door krankheid en armoede, bleef hij onder alle omstandigheden zijn overtuiging getrouw, uitte hij nooit een woord van bitterheid tegen zijne tegenstanders, slaakt hij haast zelfs geen klacht. Wanneer bij spreekt van zijn lijden, is het om te roemen in de verdrukking:

„Zijt gij fijn goud, \'t kan u niet schaén Al wordt ge in \'t vuur bedoven,

Om zevenwerven uit te staan De hitt1 van \'s goudsmids oven\'1.

-ocr page 152-

— 140 —

De verzen van onze dichters der 17R eeuw, bijna nooit bepaald onzedelijk, zijn dikwijls plat en onkiesch. Zelfs bij Vondel ontmoeten we soms, midden hi de heev-lijkste gedichten, platte uitdrukkingen of onsmakelijke beelden. die ons onaangenaam aandoen. Voor een groot gedeelte moeten wij dit zeker op rekening stellen van den tijd. waarin zij leefden. Maar /onder Kamphuyzen to willen stellen boven zijne grootere tijdgenqoten, moet ik toch opmerken, dat men dergelijke wanklanken bij hem niet aantreft, \'t Was of een innerlijke stem hem waarschuwde tegen al wat niet rein, liefelijk en welluidend was, en streng gispt hij meer dan eens de dichters, wier werken bevatten

.......of vunsche zotternij ,

Of geyle minneklacht en Vennsjankerij,

Of fiellsehe aardigheön of and\'re ijdelheid,

Die licht ondeugde teelt, of \'t pad daartoe bereydt.

Bekend is o. a. zijn, trouwens te streng, oordeel over

de dartele liedjes van Starter.

Maar zoo Kamphuyzen hooge eischen stelde aan den inhoud zijner gedichten, ook aan den vorm besteedde hij de noodige zorg. Zijne verzon zijn gekuischt van taal meerendeels goed gebouwd en welluidend. Bekend en terecht beroemd is o. a, zijn „Maysche Morgenstond :

„Wat is de Meester wijs en goed.

Die alles beeft gebouwt,

En noch in wezen blijven doet,

Wat \'s mense.hen oog aanschouwt.quot;

-ocr page 153-

— 147 —

Die \'s weerelds wijden omaiering,

N\'ooyt uytgewaakfc, bewaakt;

Eu door gepaste wisseling

Het zoet noch zoeter maakt.

Nu is do Winter, dor en schraal,

Met al zijn onlust heen,

En d Aarde heeft voor deze maal

Haar lijden afgeleèn.

Dies is de tijd weerom gekeert

Waarin natuur verjonkt,

\'laars milden Scheppers goedhevt eert,

En met zijn gaven pronkt.

De Mey, het schoonste van het jaar.

Daar alles in verfraayt.

De lucht is zoet, de zon schijnt klaar,

\'t Oewenschte windje waayt.

Het dauwtje, in de koele nacht.

Wordt over \'t veld verspreyt,

W aar door de heel Nature lacht,

En is vol dankbaarheyt.

De Aard is met gebloemt geciert.

Het Bijkeu gaert zijn Was,

Het leeuwerikje tiereliert

En daalt op \'t nieuwe gras.

Het Bloempjen dringt ten knoppe uyt, \'t Geboomte ruygt van lof\',......

en zooals de fraaie natuurbeschrijving verder luidt, niet het bekende en dikwijls aangehaalde slot:

-ocr page 154-

- 148

K

%

Acliwaren iille niensclien wijs,

En wilden daai\'bi) wel!

De Aard was haar oen paradijs,

Xu is ze meest een liel.quot;

Voorzeker, ook deze verzen hebben hunno gein-eken. Het bovenstaande lied b. v. is niet vrij te pleiten van de genmnieroerdheid, aan dien tijd eigen, dio vaak het liefelijke en zoetvloeiende tracht te bereiken door^eeno kinderachtige opeonhooping van verkleinwoordjes, hven-nün valt het to ontkennen, dat er weinig afwisseling is in Kaniphuvzons verzen, dat hij soms eentonig is, maar ook, indien we dit alles toegeven, houden we nog genoeg over, om hem te vereeren als een waarachtig dichter.

Wij zagen reeds hoe Kaniphuy/.en de platheden en onkieschheden wist te vermijden, die de werken van zoovele zijner tijdgenooten ontsieren. Zijn kiesclm smaak en zijn gezond oordeel behoedden hem ook nog voor een andere klip?die voor vele dichters der l?\'»quot; eeuw gevaarlijk was. Ik bedoel de onnatuurlijke overlading der dichterlijke w ei ■ ken met namen en begrippen uit de Grieksche en llomein-scht! mythologie, waarin men te dien tijde zoozeer behagen schepte. De lU-naissunce had in d.\'Nederlandsche dichtkunst ecne groote omwenteling teweeggebracht. De allegorische figuren der rederijkers waren onder den invloed der klassieken op den achtergrond gedrongen, maar men had ze vervangen door de goden en godinnen van den Olympus. De blinde ingenomenlield met de Grieksche en vooral met de Dat ijnsche dichters deed navolging dikwijls in n mi ping ontaarden en vandaar eene soms naïeve, dikwijls vermakelijke, maar altijd onnatuurlijke verwarring van eene

-ocr page 155-

- 149 -

F «

Christelijke niet eone klassiek-Heidensche wereldbeschouwing.

Kamphuyzen maakt ook in dezen eene gunstige uitzondering. \'t Is waar, ook hij ontkwam den geest zijns tijds niet geheel. Ook in zijne gedichten vinden wij soms de gelatenheid der Stoa naast de blijmoedige berusting van den Christen, maar toch zijn zijne verzen vrij van alle mythologisch krulwerk. En dat niet bij toeval. Met volle bewustheid veroordeelde hij de letterkundige richting zijner dagen. In zijne „ Welrymenswetquot;

zegt hij, onder meer, dat het een goed gedicht is;

„Dat nergens met Latynsch of Grieksch geleertheyt praalt, En geen gezocht gezwets ooyt voor don dag en haalt: Dat namen van Godinn\' en Goden stadig niydt,

Met al wat onze taal en \'t Neerlands oor niet lydt.\'\'

In die zelfde ,Welrymenswetquot; vinden wij ook eenige regelen omtrent taalgebruik en woordenkeus, die bewijzen dat de keurigheid zijner taal zeker gevolg was van zijn kunstenaarsgevoel, maar tevens van zijne juiste begrippen ook op dit gebied.

Een goed „Rijmdicht,\'\' zoo schreef hij, was er zulk een

„Dat geen versleten vischt, geen o n d u y t s woord

(e n w r a a k t,

Ais \'t, door g e w o o ii t en t ij d, tot D u y t s c li

(al is g e m a a k t.

Daar m in gespell\'of woord geen viezen angst en speurt. En niet, neus-wijzelyck op leuren ziet gekeurt.

-ocr page 156-

— 150

In een tijd, toen wetenschappelijke taalbeoefening nog in de windselen lag, toen men zoekend en tastend den rechten weg zocht te vinden, en soms in overdreven purisme alle bastaardwoorden verbande, om tegelijk te trachten het Xederlandsch proza in het gareel der La-tijnsche syntaxis te slaan, waren zulke wenken verre

van overbodig.

Kamphus zen is reeds op een en veertig,jar.gen leef .jd gestorven. Zorgen, ontberingen en vervolging hadden zijne krachten vroeg gesloopt. Overal had men hem ,1s „en post uitgeworpen. Eerst bad hij te Norden een veilige schuilplaats gevonden, maar weldra zag hij zich genoodzaakt te wijken naar Harlingen. Na een jaar werd hij ook vandaar v-rdreven. \'Poen begaf hij z.ch naar de vrijplaats Ameland, waar hij ongestoord zou hebben kunnen wonen, maar zijn reeds geknakte gezondheid kon de ruwe zeewinden niet verdragen. Hij begat zich naar Dokkum, en daar moest de dichter-theoloog met weven in zijn onderhoud voorzien. Ook van hier had men hem

willen verdrijven, en slechts aan zijne zwakke gezondheid en de voorspraak van eenige invloedrijke personen had bij het te danken, dat men hem in zijne laatste levens-Jaren met rust liet. In 1(527 vond hij er een rustig en

kalm sterfbed.

Kamphuyzen is eerst door bet nageslacht op zijne rechte

waarde geschat. Voor zijne tijdgenooten heeft hij met veel kunnen zijn, juist omdat hij te hoog boven hen stond. Hij gevoelde voor hun strijd geen sympatlue en zij begrepen hem niet. quot;t Zou onbillijk zijn, een van beiden te veroordeelen. Niet met wrevel, maar met weemoed volgen wij het leven van zulke mannen m de

\'A

-ocr page 157-

geschiedenis, steeds een leven van strijd en miskenning, ons slechts troostende met de gedachte, „dat er eene ruste blijft voor hot volk van Ciod.quot;

Liaat mij deze bescheiden herinnering a.\'m een groot en goed man mogen hesluiton mei de volgende regelen, die Kaïnphuyzon kenschelsen in zijn leven en dichten, zijn strijden en hopen:

Daar moet veel strijds gestreden zijn,

Veel kruys en loods geleden zjjn ;

Daar moeten hoylge zeden zijn.

Een naanwe weg betreden zijn.

En veel (lebmls gebeden zijn,

Zoo Lang wij hier beneden zijn ;

Zoo zal \'t hier na in vreden zijn.

(i. t\', I loOCEW KllKI-\'

Baani, Augustus \'85,

-ocr page 158-

01\' GOD VERTROUWD! (15 ij d e p 1 a a t.)

Op God vertrouwd!

Zoolang ge u slechts niet verre houdt;

Zoolang ge, jong en schoon en rein,

In eigen oog vol zondeschuld en klein.

Het harte neigt naar \'t Woord, dat nimmermeer veroudt;

Op God vertrouwd!

Zoolang ge noch de handen vouwt,

\'Niet uitstrekt naar bedrieglijk ooft.

Dat menigmaal voor goed den vrede rooft.

Of \'t ook hegeerlijk blo/.e en glans\' als enkel goud;

Op God vertrouwd!

Zoolang ge op Zijn genade bouwt,

Gestadig opziet naar omhoog;

Zoolang ge, wut den blik soms lokken moog.

Voor kronen hier beneêu het Kruis niet ruilen zoudt.

Soera Rana.

-ocr page 159-

», iM , X,

■ \\. .. ■ quot;

•si

!

-ocr page 160-

or .I ■ I.) vKiriuot wrvi

. \'i|j 4 • ?iV»H

0)1 li \'

\'/.lt; \'/\'■ i:,i- U --h t\'llis \'\' hO 11 lit ;

y\'oolan;:; ge, jong en mjIh .u -n wn,

hi ei.vri oog lt;! v Aal.I \'» Weiquot;, jj^t 1 [quot;tnfitrf, fi( ! ! .)i\' tiï^t nitmiiBnuoei voion\'Jt,

Up (, lt;v .t ir-nwd!

Zoolang gp nova dt -ucleii vouvi..

Nie| uittrekt i if tgt;\'-dr gHjk ooft,

K\'lt; L.!. 1 quot; \' ^\'\'11 VLquot;1\' \'■ TOO .

bi .■ ■ ■ gt;% gt;• ■\' /i»! ■ aJ\' ntól goud;

Zooi\' « V \' ■ v \'

Of/.ijwiel ftiv.! ..i.tMig ■

V gv V/i.: \'i\'1.\' quot;1 \'■ .-\'UU . . \' \'\'i .

m u hier -n\' r \' ■ ü\' \'«\'udt.

SOK IA RaniV.

-ocr page 161-
-ocr page 162-

1

I .

1

8

I I

II

HIMHURHHIiiHI

-

IHWffö

-ocr page 163-

EEXE BESCHETDENE EXEGESE

Efin licht zomerrijtuig reed over den nieuwen weg naar Scheveningen, nieuw genaamd in tegenstelling met den welbekenden ouden, hoewel verreweg de moesten onzer tijdgenooten zich den eersten aanleg daarvan ook niet meer herinneren. De September-zon hulde het schilderachtig duin-landschap in zeldzaam schoone, gouden najaars-tinten; het nieuwe „ K\'urhausquot; onze Hollandsche tiuil heeft eene vreedzame annexatie gedaan beheerschte met zijn breeden donkeren gevel en zijne tallooze vensters den gezichteinder reeds van uit do verte gezien, terwijl honderden daken en schoorsteenon scherpe lijnen af\'tee-kenden tegen het effen blauw der lucht. Een prachtig en vurig tweespan, met vaste hand door den koetsier bestuurd, voerde het rijtuig met snellen gang langs stoom- en paardentram, en Ie midden van voertuigen van allerlei aard, tot bet op het midden van den weg verplicht was ter zijde af en langzaam in-stap te gaan. Straatwerkers waren bezig met de heistelling van dat gedeelte van don weg; in het zand gehurkt verrichtten

-ocr page 164-

zij haastig hun eentonig werk, en hieven tor nauwernood het hoofd op bij het naderen der paarden. Op liet gras, ter zijde, zag men een schilderachtige groep; het jonge vrouw! je van een der werklieden had haren man zijne koffie gebracht; hij zat daar en reikte haar zijn kommetje van wit aardewerk toe dat zij bezig was vol te schenken, terwijl een kind in hun midden zijn eerste, wankelende schreden beproefde. Vroolijk vveèrklonk de gulle lach van het drietal, en bereikte het oor van den eigenaar der equipage, die alleen in een hoek van het rijtuig gedoken, zich uit zijne half liggende houding ophief en een verstrooiden blik naar die zijde wierp, liet vroolijk tooneeltje scheen hem meer te treffen dan het oogenschijnlijk verdiende ; een licht, rood vloog over zijn bleek gelaat, en de vreemde plotselinge flikkering der oogen joeg een donkeren blos, een mengeling van schrik en verlegenheid, op het gelaat dor jonge vrouw.

„Baron R., \' mompelde de man. „Zie maar. Jan, do koetsier.quot;

De paarden gingen weder in den draf, en het rijtuig verdween in een stofwolk.

„Dat \'s een leventje, hé!quot; riep de werkman terwijl hij zijn kind op zijne knie liet dansen; „wou je ook wel zoo eens rijen, hop ! hop!quot;

De moeder lachte en schonk nog een kom koffie in.

Nog enkele minuten en het rijtuig had het Kurhaus bereikt en reed langs de galerijen ter rechterzijde, om aan den hoek gekomen in stap langs de vrij sterke helling af te dalen tot aan de trap die naar het strand voert. Hier hield de koetsier de paarden staande en Baron R. steeg uit.

-ocr page 165-

De oneindige ruimte lag voor hem; hij haalde diep adem als zocht hij verkwikking in den frisschen zeewind. Niets is in staat de vroolijke bedrijvigheid wimt te geven die op zulk een schooneti dag daar allerwege heerscht. J)e groote stoelen overdekken liet strand als tallooze bijenkorven; een onafzienbaar gewemel, een niet te beschrijven gemurmel, gevormd uit duizenden menschen-stemmen die zich vermengen met de tonen der muziek op het terras en liet plechtig ruischen van den Oceaan, door het zonlicht gekleurd met de prachtigste schakeeringen, die zijn zilveren schuim over het oeverzand henen-stuwt. Daron R. ging langzaam den trap al\' en begaf zich te midden der stoelen, blijkbaar iemand zoekende. Voor velen op dat terrein scheen hij een welbekende; de hoofden werden bij elkander gestoken en men fluisterde. Hij was een man van veertigjarigen leeftijd, middelmatig van lengte doch forsch gebouwd ; zijn bleek gelaat, door een blonden baard omgeven, had thans eene uitdrukking van koude onverschilligheid, en slechts met zekoren weerzin beantwoordde hij de beleefde groeten van velerlei zijden. Hij scheen niet te vinden wat hij zocht, na verscheidene malen her- en derwaarts elke mandenstocl waarin iemand schuilen mocht, te hebben gemonsterd, hernam hij met een zucht den weg naar hot terras, en wandelde door naar het Hotel Garni. Daar gekomen ging hij regelrecht op een der kamers af waarvan de glazen deuren wijd open stonden, bleef een oogenblik verwonderd in het vertrek staren, en wenkte toen iemand daar binnen toe. Die persoon, een bejaarde kamenier, kwam onmiddellijk naar buiten.

„Slaapt de freule?quot; vroeg hij Huisterend.

-ocr page 166-

„Ja Mijnheer!quot; was tiet fluisterend wederantwoord. ,T)e freule gevoelde zich van morgen te vermoeid om naar het strand te gaan. De dokter zegt het is de reactie, na die jaren van inspanning met de ziekte van Mevrouw!quot;

Hij viel haar in de rede met een zwijgend gebaar, en

trad de kamer binnen.

Op een rustbed uitgestrekt, het hoofd door kussens ondersteund, sluimerde een jonge vrouw. Een donkere shawl was over haar heen geworpen, alleen het gelaat was zichtbaar. Het had een treffende gelijkenis met dat van den Baron; het was hetzelfde blond en hetzelfde bleek, maar de lijnen om den kleinen mond der zuster teekenden eene uitdrukking van vastberadenheid en wilskracht die bij den broeder werd gemist, en droeg zijn voorhoofd reeds diepe fronsen, een rustige lichtglans lag op het hare. Dit verschil werd nog te grooter toen zij eensklaps de oogen opende, twee donkerblauwe oogen, waaraan de zwarte wimpers iets fluweelachtigs gaven,

en die een wannen straal van blijde verrassing uitschoten

toen zij hem zag. „Terug! terug!quot; riep zij oprijzend; en terwijl hij zich over haar henen boog sloeg zij haren arm om hom heen en kuste hem herhaaldelijk. Dit bewijs van zusterlijke gehechtheid bleef niet onbeantwoord;

het strenge voorhoofd ontfronste zich en een zachte glimlach verscheen om zijne lippen. „Terug!quot; herhaalde! zij nogmaals terwijl ze hem losliet en hare hand m de zijne leggende hem opmerkzaam en met zekere ongerustheid0 gadesloeg; en toon bijna Huisterend: „waarom zoo spoedig V

De kamenier had bescheiden de kamer verlaten. Hij

-ocr page 167-

antwoordde echter niet dadelijk, maar begon zwijgend liet vertrek op en neder te gaan, terwijl zij, op de rustbank gezeten, liein met diepen, weemoedigen blik volgde. Eindelijk bleef hij voor haar staan, kruiste de armen over elkander en zeide: „Zij heeft mij een bezoek gebracht!quot;

„Zij!quot; stamelde freule li. verschrikt, terwijl ze hare oogen wijd opende en de handen samenvouwde; ,waarom dat?quot;

„Hé, waarom?\' herhaalde hij doodsbleek, terwijl hij zijne wandeling door de kamer hervatte. „Het was haar om geld te doen, weet go niet dat men alles daarvoor doet tegenwoordig!quot; En hij lachte met bijna cynischen lach. „/ij zijn doodarm ; de Pornac heeft zich door haar tot zulke uitgaven laten verleiden dat hij ten slotte alles heeft doorgebracht; hij heeft zijn ontslag als secretaris van legatie; tot over do ooren in schulden zwerven zij nu hier, dan daar; er moest en zou geld zijn.....quot;

„Maar hoe kwam zij bij u? .... Hij u!quot;

Hij streek in zenuwachtige spanning de hand over zijn voorhoofd. „AVelnu, sedert een paar dagen was ik buiten; gij weet de kamer waar haar portret hangt. — Ik weet niet waarom ik dat daar heb gelaten; er hangt een gordijn voor .... ik heb het niet meer gezien sinds ....\'\' Hij zweeg.

„Welnu?quot; zeide zijne zuster.

, Het was een zwoele avond; ik bevond mij in de kamer daarnaast, ik was vermoeid, ik had paard gereden; ter nauwernood aan een onweêrsbui ontkomen was ik in een stoel in slaap gevallen. Eensklaps werd ik gewekt door een feilen bliksemstraal, gevolgd door een

-ocr page 168-

/vvnrcn doiulevslag. Doch niet daardoor ïilleen ■ d:i;u tus-schon had ik -/.eer duidelijk den metaalklank gehoord dei-ringen die over de koperen roede schoven waaraan de gordijn voor het portret hangt. Ik sprong op, greep de brandende lamp die op mijn schoorsteen stond en sloeg de porti ére open. De gordijn voor het portret was weggeschoven en daarvoor stond .... /.ij ■ Juist op dat, oogoublik tikte Jan op de kamerdeur: hij riep met bevende stem dat Mevrouw er was, dat zij hem dadelijk volgde

Freule II, luisterde in ademlooze spanning.

„En toenVquot; fluisterde /.ij vragend.

„En toen!quot; vervolgde haar broeder heftig, „toen volgde een comédie-^W\'ne natuurlijk; berouw, vergiilenis, zij was in /.waren rouw over hare van hartzeer gestorven moeder; ik was gewroken, zeide zij; aan groot,e woorden geen gebrek 1 . . . .

„Wat, hebt gij geantwoord?-1

„Wat ik geantwoord hebl riep hij met van toorn trillende stem, „ik heb haar aangeboden, de wachthonden op haar lo-- te laten als zij niet, rechtsomkeer maakte. Maar zij ging, dat verzeker ik u. Ik volgde haar de trappen af en Jan wierp de deur achter haar toe. Het regende dat het kletterde. Kort daarna reed een rijtuig op den weg; hij wachtte haar; afgesproken werk . . . .\'

Een lange stilte volgde. Freule R. zat nog altijd op hare rustbank, bleek van ontroering. Haar broeder ging weder de kamer op en neder. Eindelijk zag hij haar aan. Misschien trof hem de uitdrukking van haar gelant, althans op een geheel anderen, opgewekt en toon zeide liij;

-ocr page 169-

„Kom Julia! wij moeten dit incident vergeten. Gaat go nu met mij mede naai1 buiten voor oen paar maanden? Ik denk te gaan jagen.quot;

Zij zag tot hem op, en beantwoordde zijn vragenden blik met een Hauwen glimlach. .,0 ja!quot; zeide zij toen, „dat wil ik gaarne, ik ben nu toch zoo geheel alleen.quot;

Een lichte trilling in hare stem verried eene ontroering die haar broeder, toen hij de kamer en het hotel verliet, bij zichzelven deed fluisteren: „Ik had haar dit niet moeten verhalen, zij is zoo aantreklcolijk.quot;

Toen hij vertrokken was verborg freule li. het gehiat in beide handen, legde het hoofd op hare kussens, en bleef in diep gepeins verzonken.

1.quot;reule 1!. hield gaarne verblijf op het, in de schoone omstreken van Arnhem gelegen kasteel van haren broeder. Uil was in vroeger jaren door hunne ouders bewoond : zjj was daar geboren en opgevoed, zij vond er al de berinneringen harer kindsheid terug en bevriende familiën bewoonden de omliggende buitenverblijven. Baron |{. ging jagen, nu eens met eenige heeren uit den omtrek, dan weder en naar het scheen nog wel het liefst alleen met zijn lievelings-hond; meestal den geheelen dag dwalend door bosch en veld ; des avonds vereenigde nu en dan een gezellig diner hen met eenige vrienden. Hij was meestal somber en afgetrokken en zijne zuster sloeg hem met bezorgdheid gade. Zij had hem lief rnet die zich toewijdende, zeltverloochenende liefde waarmede hunne vrome, overledene moeder dien eenigen zoon had liefgehad; zjj herinnerde zich den strijd en de tranen dier moeder, toen hij hare toestemming had geëischt tot zijn huwelijk met de lichtzinnige vrouw die te midden

-ocr page 170-

160 -

-

v.in don kring harer aanbidders wel aanstonds de rijke prooi wist vast te snoeren die zich in haar net luid gewaagd. Wat zou er nu worden van dat verwoeste leven, van hem die, zij kon het zichzelven niet ontveinzen, tot nu toe alles uitsluitend aan de wereld had gevraagd!

December kwam met zijn donkere, korte, koude dagen; baron R. had den wensuh uitgesproken om naar de stad terug te keeren en zijne zuster had daartoe terstond do noodige toebereidselen doen maken. Een paar dagen vóór hun vertrek had zij eenige gasten aan hunnen disch vereenigd. N\'a afloop van den maaltijd toen de dames den salon hadden opgezocht, had freule Julia zioh gehaast om plaats te nemen naast eene vriendin harer moeder, eene bejaarde dame, wie zij eene hartelijke genegenheid toedroeg. Al keuvelend, doorbladerden /.ij te /amen een prachtwerk, met staalgravures naar eenige der eerste Frausehe meesters, en daaronder een prachtige teekening naar Joh. 8: de overspelige vrouw.

Hij stond daar, de Heiland, en strekte de hand uit over liet hoofd der schuldige, die aan zijne voeten neèr-gebogen, vol boete en berouw het gelaat in de lange vlechten verborg. Rondom de discipelen de oversten des volks, met den haat op het aangezicht, met gebalde vuist, de een na den ander zich verwijderende; op den grond eenige letteren in het zand geschreven.

„Ma chère enfant!quot; zeide de oude dame, „ik hoor de stem van uw broeder; laat ons dit blad omslaan.

Julia voldeed aan het verzoek, en toen legde zij hare hand op de keerzijde der plaat en zuchtte;

„Heeft het u ook wel eens geërgerd.quot; zeide zij, „dat over het algemeen, en vooral door romanschrijvers, wel

k

-ocr page 171-

eens wat heel lichtzinnig wordt omgesprongen met de waarheid in deze geschiedenis vervat? Mag ik u zeggen dat ik bij mijn bijbellezen deze geschiedenis oversla? Helaas 1quot; ging zij fluisterend voort, „zij is wanhopig ongelukkig, en ik was er blijde om ! . . . . ja, ik was er blijde om, ik zag er een rechtvaardig oordeel in, van wego al de verwoestingen door baar aangericht . . . . En zie nu hier, de Heer zelf optredend als beschermer, en deze gemakkelijke vergeving

„Mijn kind I zeide de oude dame /acht, «ik begrijp u volkomen. Mag ik u raden nooit uwen Bijbel te lezen zonder voorafgaand gebed? Een menseh kan peen ding aannemen, indien het hem niet van boven gegeven wordt.\'\' ,Ik wenschte wel te weten,quot; zeide Julia, .wat bet was dat Hij schreef in de aarde. Was dit misschien bij de .loden een bekend, zinnebeeldig teekini\',--quot;

.Ik zou tneenen van ja; als ik opsla Jeremia 17 vers 1 •\'! dan lees ik: O Meerei Israels verwachting, allen die verlaten, zullen beschaamd worden, en die van Mij afwijken zullen i n de aarde geschreven worden, want zij verlaten den Heer, de springader des levenden waters. Ik kau n niet zeggen met welk een verrukking ik dit Schriftwoord lees en herlees; dan denk ik, ditzelfde, ja dit, was den Heer in de gedachte toen hij deze handeling verrichtte, want is er niet een treffend verband tusschen dut woord, «springader des levenden waters . en het woord van den Heer Jezus: ,Zoo iemand dorst die kome tot mij en drinkeVquot; Nu, dat sprak hij uit. den vorigen dag. dat lezen wij nitdrukkelijk : den volgenden ochtend vroeg komen de Schriftgeleerden met eene overspelige vrouw in bun midden. Ma.tr mag ik u nu her*

1 1

-ocr page 172-

inneren dat het juist onder dit beeld, doze type was dat door al de profetieën heen het volk van Israël word voorgesteld, dat het verbond des Heeren trouweloos had geschonden. Die oversten wisten dat ook zeer goed, hoewel zij daar nu niet aan donkon, want zij hebben lichtzinnig bet eerste het beste aangegrepen om een strikvraag te doen. Maar met diepen eerbied durf ik zeggen dat de Heer zelf getroffen is; en Hij gaat zwijgend over tot deze plechtige handeling dio hun de profetieën in herinnering brengt. En nu gaat hun een ontzettend licht, op; verlaters van den Heer, overtreders der wet, want zij bedenken doodslag in hun hart, zijn ook zij des doods schuldig; zullen zij den steen opnemen? Den vorigen avond nog hebben zij de schare die de wet niet kende, vervloekt; nu staan zij daar, tegenover hun eigen geweten, met, den vloek dier wet bezwaard, in hunne overleggingen vernietigd. En zij gaan heen. Dit was wel één van die oogenbliklceu waarvan de Heer later sprak: ,hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen zoo als een hen hare kiekens, en gij hebt niet gewild!quot; Want zij die de profetieën zoo goed kenden wisten het ook wel dat door de Schrift van het begin tol bet einde altijd het woord „koer weder,\'\' weerklinkt. Misschien heeft wel één van hen, misschien wel een Nicodemus, beluisterd wat hij /.eido tot de vrouw. En Hij zeide: „Ik veroordeel u niet.quot; - Hier staat Hij, de Heer, van wien al do profetieën getuigen, de Heer, onze gerechtigheid, de hoeksteen die znu worden toegebracht met een geroep van genade. Waarom komen zij niet tot Hom om te drinken van hot water des levens? Maar met dat woord, „zondig niet meer,quot; kan Hij wel

-ocr page 173-

— 163 —

een boetvaardig hart vernieuwen naar Zijn eigen heilig beeld, maar geen hoogmoedigen en bevooroordeeld en die verklaren Hem niet noodig te hebben omdat /.ij zich zeiven altijd nog zoo braaf achten.\'\'

„Ach!quot; zeide Julia, „zulke menschen zijn er nog altijd, en wij kennen ze, u en ik. Ja, hot is zoo, uit genade alleen zijn wij zalig geworden. — En het bordeel is alleen des Heeren, die de harten kent.quot;

Hot uur van scheiden was gekomen en .lulia nam een hartelijk afscheid van \'nare goede vriendin, die door haren echtgenoot vergezeld, de kamer verliet. Baron K. deed ook zijne overige gasten uitgeleide, en zijne zuster bleef alleen, in een hoek der sofa gezeten in gedachten verdiept. Het was niet geheel zonder reden dat zij, geleidelijk van het aangeroerde onderwerp tot een ander overgaande, al droomend in haar verleden, een tiental levensjaren terugging. Zij zag Nice, met zjjn heerljjke natuur, het groen en de bloemen ; de verrukkelijke lentegeuren wasemden haar tegen, den warmen zonneschijn, met het, rijke, hoopvolle twintigjarige leven vond ze voor een oogenblik terug. Zij zag de villa waar ze met hare moeder een winter had doorgebracht, met het balkon, en leunend over de ballustrade, zag zij zich zelve te midden der rozen. En ddiir op dien weg, naderde een ruiter, een slanke gestalte, fier gezeten op een prachtigen schimmel. Zij zag hem reeds van verre, en van verre ook zocht haar zijn blik. Hij kwam voorbij, en groette, vol ernstigen eerbied de eerste dagen; later scheen het haar of hij glimlachte, misschien wel om den hoogen blos die haar gelaat tintte. Dat gebeurde zoo alle dagen.

-ocr page 174-

KM

A\\ ie was hij? Zij durfde het niemand vragen, zij wist alleen dal hij behoorde tot de diplomatie Kn toen had zij Nice verlaten.

Ruw en stormachtig blies de wind door de hooge schoorsteenen van hot kasteel; dat herinnerde haar eens-Idaps den avond, waarvan haar broeder haar had verhaald, toen die schuldige vrouw, verjaagd uit haar eigen huis, wegvluchtte te midden van duisternis en on weder. Eon huivering overviel haar; ja, eens, eens nog had hem teruggezien en toen ook had ze zijn naam vernomen; quot;t was op een schitterend feest in het huis van haren broeder in de stad gegeven; toen zag ze hem daar eensklaps, komende uit de serre, en aan zijnen arm,.... die vrouw I . . . . zegevierend .... Maar die oogen hadden haar toen aangezien met een uitdrukking als die van

den galeislaaf die zijne keten sleept.....

lïarou li. kwam in de kamer terug. Hij was opgi-wekter dan gewoonlijk en zag met een welgevalligeii blik zijne zuster aan, die in haar zwart kanten kleed, met een roos versierd, er allerbekoorlijkst uitzag. ..Mijn Vieste!quot; zeide hij, terwijl hij naast haar in de sofa plaats nam, ,ik heb beloofd bemiddelaar te zijn in een zaak... o! een blos!.. . . (ie begrijpt reeds alles, niet waur\'r

De blos was reeds vim hare wangen verdwenen om door een dieper bleek te worden vervangen; de lluweelen ooffon hieven zich tot hem op met een smeekeiide uitdrukking, en zij schudde langzaam het hoofd.

Hij greep hare hand , Waarom niet Vquot;

Een luid hondgeblaf dat buiten weerklonk, legde hem plotseling het zwijgen op.

-ocr page 175-

165

„Sultan ! Wat is dat?quot; zeide hij terwijl hij naai\' het venstor ging. liet geblaf ging langzaam in een zacht gebrom over, toen eenige oogenblikken van stilte, en daarop eensklaps een revolver-schot........

Schril weerklonken de angstkreten der dienstboden en oen luid rumoer ontstond.

Julia had haars broeders arm gegrepen en klemde zich sidderend aan hem vast.

,Wees bedaard, mijn kind,quot; zeide hij, „bet zal een strooper zijn, die een haas onder schot had.quot;

„Noen,quot; stamelde zij, „ik hoor een geroep van.....

moord!quot;

,Blijf hier,\'1 zeide hij vastberaden; en eer zij het kon verhinderen had hij de kamer verlaten en sloot de deur achter zich.

De dienstboden verklaarden vlak onder do vensters een hettigo woordenwisseling ie hebben gehoord, waarin zich een vrouwestem mengde, waarop het schot was gevolgd. Alles was thans stil. Eenige minuten later verschonen twee veldwachters, vergezeld van eenige landbouwers die in de nabijheid woonden en het schot hadden gehoord. 7,ij verklaarden dat zij eene vrouwelijke gedaante in do verte hadden zien wegvluchten. Men begon don omtrek te doorzoeken en weldra vond men een lichaam op den grond uitgestrekt, Bij het licht der lantaarnen zag men een nog jeugdig man, mot een diepe wond aan het hoofd. Hij gaf nog teekenen van loven; Baron H. beval de deur van het kasteel te openen en men droeg hein binnen; haastig word oenig beddegoed in een der benedenkamers gespreid, en goueeskundigo hnlp ontboden.

ieder deed wat hij kon; lulia had met eigen hand

-ocr page 176-

— 1(56

K---------------------------------------31

I -

de zwachtels voor liet verband gereed gemaakt en alles wat de heelmeester van noode had verschaft.

Toen broeder en zuster voor hetgeen nog van den nacht restte zouden scheiden, zeide R.;

„Gij begrijpt .... weet gij wie de gewonde is?quot;

Zij was bleek cn hield de oogen nedergeslagen.

Ik stond in de vestibule toen men hem binnendroeg, — zeide zij bijna fluisterend. — Een oogen-blik viel het licht juist op zijn gelaat en ik herkende hem.

,Welnu, gij begrijpt dat ik hier niet blijven kan . . . met Ernest de i\'ornao onder één dak, in mijn huis . . . Morgen denk ik zoo vroeg mogelijk naar liet buitenland te vertrekken. Ik heb Willem en do goede Martha alles gezegd wat /.ij te doen hebben en oollt; met dr. Staal alles afgesproken. Ik raad u ook, zoodra gij ter dege uitgerust zijt, naar de stad terug te gaan. Ik hoop u spoedig te schrijven. Bonsoir.quot;

Hij drukte haar een vluchtigen kus op het voorhoofd en verwijderde zich met haastige schreden.

Nog lang hoorde Julia hem in zijne kamer onrustig op en neder gaan en eerst tegen het aanbreken van don dag viel zij in een onverkwikkelijken slaap. Toen zij ontwaakte schitterde en vonkelde daarbuiten alles in het zonnelicht en had de baron het kasteel reeds eenigen tijd verlaten.

Freule Julia vertrok dien dag niet. Zij liet zich dooide geneesheeren omtrent don toestand van den graaf de Pornac inlichten en vernam dat hem waarschijnlijk nog slechts enkele uren van leven waren gegund. Er bad dien ochtend bij oogenblikken een onbeschrijfelijke drukte,

X

-ocr page 177-

107 -

~P,

RT

afgewisseld met stoorlooze stilte en adeinlooze spanning op het kasteel geheerscht, en ook in de omgeving van den gewonde, van wien de politie te vergeefs getracht had eenige inlichtingen te ontvangen.

Thans, in den namiddag, was alles rustig. Lang streed de eenzame met zichzelve. Tallooze vragen, als zoo dikwerf reeds, verdrongen elkander in hare ziel. Hoe menigmaal had zij, anders zoo doortastend van aard, zich naar de deur harer kamer begeven om besluiteloos naar liare zitplaats terug te keeren. Eindelijk was haar besluit genomen.

Zij ging de trap af en begaf zich naar het vertrek waar de lijder verpleegd werd. Hare oude kamenier zat alleen bij het rustbed en trachtte zooveel doenlijk de voorschriften van de geneesheeren op te volgen, doch zonder hoop, dan alleen ter verzachting van den toestand. Hij lag met het hoofd achterover in de kussens, en de hijgende, nokkende ademhaling verkondigde dat de engel des doods reeds zweefde over die legerstede. Julia naderde langzaam en staarde met een blik vol ontzetting op dat nog jeugdig gelaat, uitgeteerd, verwoest, misvormd. ,Do bezoldiging der zonde is de doodquot;, hier, zoo ergens, stond liet te lezen. Zij boog over hem hoen ; hij opende do oogen en zag haar aan.

Het waren altijd nog diezelfde oogen, met diezelfde uitdrukking, die in dat vrouwenhart ais waren blijven staan. Zij zagen haar aan en verhelderden zich, en openden zich al meer en meer en er ging als een lichtstraal doorheen, terwijl de schaduw van een glimlach om de bleeke lippen verscheen. Dit duurde een oogen-blik; toen, een sombere vertwijfeling, de uitdrukking van een woeste, wanhopige smart.

-X

-ocr page 178-

1 (gt;8

, VergiiFenis!quot; steunde hij. .Ik was /.00 ver weg geweest, zoolang, toen ik u weerzag .... Waarom gingt gij /00 plotseling weg van Nice? Had ik toen slechts gelegenheid gehad om te spreken . . . . o God, o (iod, en uw broeder .... zeg dat gij mij vergeeft.. . .quot;

De stem werd al zachter; een floers trok over zijne oogen. Zij vatte de smeekend uitgestrekte hand.

God moge u vergeven gelijk ik ... . gelijk wij u vergeven, — stamelde zij.

En zij bracht de machtelooze hand aan hare lippen.

Het gelaat van den stervende was kalmer geworden. Weder zweefde daar iets als een glimlach om den pijnlijk vertrokken mond. Toen zonk het hoofd terug; een zucht: en het was voorbij.

Dien nacht word er geen zachte voetstap, geen gefluister meer gehoord op het kasteel; de lijkwa was over het ontzielde lichaam gespreid en de kamerdeur gesloten. De bloedverwanten van den doode waren uit het buitenland ontboden; het voegde der freule R. niet nog langer te blijven

Toen het rijtuig dat haar naar het station bracht de groote spoorwegbrug over de rivier naderde, werd het tegengehouden door een oploop van menschen, die reeds, van uit de verte gezien, allerlei teekenen van verbazing, deernis en afgrijzen gaven. Daar zetten allen zich in beweging en freule Julia wierp een blik door het portierraam. Eenige mannen droegen het van water druipende lijk eener vrouw, die in hare verstijfde hand een revolver klemde. Haar naam ging van mond tot mond.

-ocr page 179-

169 —

X \'

Maar eensklaps herkende men liet rijtuig en een diepe stilte ontstond. Allen schaarden zich op den weg en ontblootten eerbiedig het hoofd.

Ook Julia had dien naam geuit met een kreet van ontzetting. terwijl de kamenier opsprong en het gordijn voor het glas liet vallen. Een oogenblik later was hot, station bereikt.

Anonymus.

S«-

-S{

-ocr page 180-

L E V E N E N D 0 O D.

,Wat is leven, vader?quot; — Kamp, mijn kind, Die de lans verbreekt der koenste viddren,

Waar de sterkste harten vaak bij siddren

Rn niet schaars liet scherpst gezicht verblindt;

Waar alom de vijand staat te loeren,

Zonder rust, bij nacht gelijk bij dag;

Waar meest de arme /.wakken oorlog voeren In het dichtst gevoel van d\'ergsten slag.

,Wat is dood, mijn vader?quot; — Kast, mijn kind, Als voorbij is \'t zware en woeste strijden; Eu Gods engel roept naar alle zijden;

Dat de vree, de zoeto vreê begint.

-ocr page 181-

„Laat mij sterven, vader; mij bevangt Vree/.e voor dat wreede slaggówemel!11

Kind, de kroon der zege voor den hemel Wordt op \'s levens kampplaats slechts erlangd.

Trekk\' do vijand machtig ook ten strijde God beschermt den zwakke voor den val: Steunend staan Zijn englen u tor zijde;

Dierbaar kind, Gods liefde is overal!

Gevolyd.

K. F. (\'. Stkinmktz.

-ocr page 182-

INDRUKKEN , ONTMOETINGEN . OI\'M 10KKINGEN

BIJ EEN UITSTAPJE DOOR REL* 1 IE

Ditmaal was mij, ouden schoolmeester, een uilslnp door het naburig Relgiö, met vrouw en behuwdzoon ter va-cantie-onlspanning verleend. I\'rot. Borger moge vrijelijk beweeren, dat het woord vacantie niet behoort in het woordenboek van een studeerende, voor iemand, die dagelijks les heelt te geven, houd ik eene kleine reis met vriendelijke gezellen goed voor lijf en ziel, ja nis versterkings- en verjongingsbad. Zulks is het mij ten minste alt ijd geweest en wanneer de lezer maar half zoo veel genoegen heeft van de lezing als mij de herdenking en opteekening verschaft, zal het mijne dankbaarheid verhoogen.

Den vriendenraad om een rondreis-billet te nemen, waarin men naar welgevallen zijne route bepaalt, billet it inéraire compose, kan ik uit ervaring aanbevelen. Men spaart kosten en heeft niet telkens het lastige staan aan de bureaux; wanneer daarenboven elk in een kleinen handkoffer berging genoeg heeft, neemt men dezen in zijn coupé, en hoeft met bagage geen omslag.

-ocr page 183-

Ziedaar een der voordeelen van onzen tijd. Men kan als men wil, gemakkelijk en goedkoop reizen en veel zien in korten tijd.

Zulks mag een inwoner van ons stedeke Doetincliem wel dubbel waardeeren. Want uit den Achterhoek

is hij zonder eigen verdienste in den Voorhoek 0e-- ^

komen. Ik bedoel, dat tram en lokaal-spoor hem thans in gemakkelijk verkeer met geheel hel. wereldrond hebben gebracht.

/00 stoomden wij Zaterdag 2.» Juli langs eon nieuwe lijn op / e v e 11 a a r, en kwamen over A r n h e m, N ij-m e g c n, \\\' 0 n I o circa u. te M a a s I r i c h ( in het v 1 iendidijk\'\' hotel Levrier. Want als men ietwat spoor stol heeft opgedaan, en eenige zweetdruppels heeft laten vallen, is een gezellige kamer, frisch waler, smakelijk maal met een teug Mnczdwijn en daarbij voorkomend gelaat der hospita-weduwe met dank te crkemicn.

quot;Voorts al wat gij ziet en hoort, huizen, kerken, wagens, paaiden, mensehen. maakt het n duidelijk, dal gij niet meer in \'\'ud~11 o 1 la 11 d, en op de grens /ijt van een ander land.

Nog duidelijker maakte ons zulks een schoone rijtoer bij neigende zon over Valkenburg, waar rots- en bergtooneelen u aangenaam verrassen.

In de antieke kerk der Hervormden, mei ..den schoon-sten toren der wereld,quot; zooals ons gezegd werd, stichtte ons in de vroegpreek de mij bevriende Ds. I\' . predikende voor eene kleine schaar over Jlom, 8 : 28. In den daarop volgenden voormiddagdienst plegen meer deelnemenden te komen. Toch na de vermindering van bet vroeger talrijke garnizoen en van l\'rotestantsche be-

-ocr page 184-

— 174 -

ambten, gaat de gemeente achteruit en gevoelt gij u in een Roomsch land. Die indruk werd bevestigd door de niededeelingen van I)s. P. en den emeritus Ds. S. mijn Leidsdien studiegenoot, welke beide ik met genoegen bezocht, \'t Speet mij, dat de oude vriend lv. uit de stad was. Vrienden, oude vrienden en bekenden, in den vreemde te treffen, is de saus van een reisje.

Des namiddags boeide ons de groeve van den St. Pietersberg met zijne duizende straten en galerijen en tien-duizende namen, ook van wereldberoemde personen. Wij zagen voor onze oogen, boe een waterdroppol sints jaarduizenden den bergsteen had uitgehold, en verkwikten ons daarboven onder bet groene geboomte van liet Sla-vandel aan do heerlijke vergezichten.

\'s Maandags 27 .luti wns eeno toer per spoor naar Aken aangewezen. Op den Loesberg genoten wij van een overschoen panorama op het omliggende landschap, voorts zagen wij in do kathedraal den eenvoudi-gen zetel van Karei den Groote, op welken, zoo ik mij niet vergis, daarna 27 keizers zijn gekroond -■ en in liet antieke stadhuis schoone fresco\'s, voorstellende daden en lotgevallen van den waarlijk grooten Karei. Ik kan niet nalaten bij dezen eersten duitschen Keizer aan den laatsten, nog levenden keizer Wilhelm te donken. Mij dunkt er zijn merkwaardige punten van overeenkomst.

De spoorweg, grootendeels langs de Maas naar Luik, was ons schier al te kort. Dat blauwe, stroomende water, die frissche groene oevers met beuvelachtigen achtergrond bekoorden ons te meer, daar liefelijk zonlicht door zomerwolkjes bij afwisseling getemperd, de schoonste kleuren en tinten in overvloed aanbood. Al de 20 da-

-ocr page 185-

gen onzer reis lachte ons de hemel zoo vriendeljjk toe; alleen spande vriend Boreas ons nu en dan wat al te zeer zijne kaken, en lilies hij ons het Luiksehe en Brus-selsche stot meer dan ons eigenlijk Hoi was, te gemoet.

Maar in den schoonon boulevard, dien wij dia in de oude bisschopstad doorwandelden hadden wij daarvan geen hinder.

loon wij de hooggelegen citadel hadden bestegen, lag do stad met hare torens en rivier-armcn aan onze voeten. Mijne gezellen, die voor het eerst Luik zagen, kwamen oogen te ko»t. Mij was het nog om iets anders te doen. Voor circa 20 jaar, had de predikant Du rand mij hier rondgeleid en broederliefde bewezen. Zou hij nog loven? nog in de stad zijn?... Ja wel, liet lijvige adresboek bevatte zijn naam en het nummer zijner woning. Een dienstman bracht mij daarheen. Reeds was hot avond. Het nummer, dat ik zocht, was naast de église cvangclique. De juftrouw, dio mij opende, berichtte mij, dat in do kerk eene grandf? féte (een groot feest) word gevierd, en liet mij, toen ik mijn stand en be-goeren had gemeld, over eene binnenplaats achter in de kork, waar ik vlak bij het platform en hoofdbestuur, terecht kwam.

Wie beschrijft mijne verrassing! Ik was onvoorziens aangeland in de feestelijk versierde en verlichte kerk, midden onder bekende en onbekende broederen, dio mij hartelijk welkom heetten en mij eene eereplaats aanboden. De B.B. Eggesteyn namelijk uit Antwerpen en IIaksteen uit Brussel herkenden mij en stelden mij voor. Ik was zonder het te vermoeden, gekomen in eene avond-conférence der église missionaire Beige. De pasteur

-ocr page 186-

17() -

li o i\' e 1 G i r a v d uit Neuchatel gaf een overzicht van Luther\'s leven. Na afloop drukte ook Du rand, die nu in Genève woont en voor do Synodale vergadering was overgekomen, mij de hand. Andere broederen meer. Zij noodigden mij uit tot de Séance des volgenden daags met daarbij behoorend broedermaal, ja drie hunner gaven zich de moeite, om mij naar het Hotel do Harde te verzeilen en ook mijne vrouw daartoe uittenoodigen.

Zoo zaten wij dan dos anderen daags midden onder de debat toerondo broederen. Onderwerpen deels van plaatselijkon, grootendeels van algemeenen aard werden behandeld: hoe de Zondagsviering te bevorderen ? hoe de oiitzodolijking tegen te gaan? enz. In eeno nabijgolegene restauratie was hot broeder- en zustermaal, waarbij het geestige toespraken en feestdronken als regende, waar ik o. a. den beroemden prof. Laveloyo zag on hoorde, wiens echtgenoote (barones l\'risso) lid is dor Kv. Zend.-keik en die er zelf meer dan half met zijn hart toebehoort. Ik had togonovor mij Merle d \' \\ u b i g n e , zoon des beroemden kerkolijken geschiedschrijvers, en genoot veel van het Evangelisch en Attisch zout.

Daarop weder naar het heiligdom, llogroetingon van afgevaardigden uit hot buitenland. Land ie, 1\'res-bvteriaansche kerk uit Engeland, Durand Genève, Ho rel Neuchatel. Hes se Wittenberg (alleen door zijn eigen hart afgevaardigd, puntig en geestvol), Rodger uit New-York, zendeling in Perzië. Zou oud-Höl-haid geheel zwijgen?.. Dat duldde niet mijn bewogen gemoed. Illt; meldde, hoe ik hier, zoekende Ds. Durand, als providentieel was gekomen, hoe ik in 1801 als krijgs-man en \\ ijand lieigi\'1 s grond bad betreden, hoe ik hioi

-ocr page 187-

niet alleen als staatkundig vriend, maar als christenbroeder mij thuis govoeido, en limine kleino schaar te midden der millioonen Roomschen vergeleek hij de straks genoemde Waldenzen. De lens on zinspreuk van dezen: lux 1 u c e t in tenebris was waar bevonden, dat zon het, bad ik, ook hier - daartoe herinnerende aan Neerlands SOjarige worsteling 011 aan oud-Hollands en nud-Zcelands devisen : in nomine Domini auxiiium lueura ; en : luctor et emerge,\') als bevattende het inbegrip dor uitverkorene gemeente des levenden Gods.quot; Mijn woord vond goede plaats en heeft mij toen en op de verdere reis menigen handdruk verschaft.

Na korte pause werd het geheel door plechtige avondmaalsviering besloten, naar den ritus der fransche gere* formeerde kerken, \'i Was goed en goeddoende!

Eer ik verder ga. kan ik eene opmerking niet lerug-houden. Hier vond ik eene echt-geroformeerde kerk, die de belijdenis van haren landgenoot G u i d o de Bros als geloofsleus vasthoudt — eene kerk, die loeft uit het gelooi te midden van wereldscho of andersgezinde mil-lioeneii —- leeft zonder ondersteuning van den Staat uit vrijwillige gaven, leeft meer dan eenige kerk in Nederland, als strijdende en veroverende kerk, want sints \'t jaai 1848 heeft /.ji ^\') gemeenten uit de Koomschen veroverd en zij gaat voort te evangeliseeren in 70 hoofdplaatsen — de lovende Heer, de levende waarheid alleen is haar steun - en ziet, deze, hare Fransche tak ten minste,

1) Di verlnlintr dezer drin Lntijnsche doviaon Umlt; Het llclit schijnt in do dnisterni-i in den minm des lleercn is inijne hulrie — ik worstel en hond het hoofd boven.

-ocr page 188-

zingt geen Oud-Testamentische psalmen, alleen Nieuw-Tes-tarnentische Gezangen, en ook hare Vlaamsche tak zingt meer Gezangen dan Psalmen, en beide zingen veel meer dan de onzen. Door zulke gezangen niet het minst winnen zij de harten. De Heere zegent hun werk. O gij koude, oud-testamentiscbe Gezangen-verwerpers, denkt over dat feit eens na! Ik voor mij kan wel de zwakken onder hen dragen, maar als ontwikkelde christen-voorgangers hen in hun vooroordeel stijven, kan ik de verdenking van ongeestelijke menschenvrees en mensohen-behaagzucht niet van mij weren.

Ik ga mij bekorten. De schoone omstreken van Luik, vooral waar men vrij komt van den zwarten steenkolen-rook, S p a, T h i 1 f, E s n e u x , Ghaudfontaine verschaften afwisseling van natuur en genadé.

Niet minder do pittoreske Maasoevers bij .11 o e i, N a m o u, D i n a n t bovenal. Voor 48 jaren wandelde ik daar met mijne beide oudste broeders; nog heden, al ken ik door Gods genade, eene hoogere schoonheid, doon mij deze lachende en .stoute stroom- en bergtooneelen alleraangenaamst aan.

Te N a in e u hielden wij Zondagsrust en werden in de kleine evangelische kerk gesticht door Ds. 1! r o c h e z, die halfweg Brussel zijne standplaats heeft, en mij uit de séance te Luik ten goede bekend was. Zoo was hij bezig in deze Hoomsche stad eene gemeente te verzamelen.

Met dat doel reisde hij ook naar Dinant. Wij troffen hem op de stoomboot en hadden aan dezen Genevees aangenaam gezelschap.

De grot van Ilan bij Rochefort verbaasde ons door hare uitgestrektheid en grootsche gewelven, verraste ons bij

-ocr page 189-

den uitgang door een onderaardsch meer en het betoo-verend te voorschijn komen van het daglicht.

In Luxemburg, wonderbaar hoog en laag, hoorde ik niet welgevallen, dat de namen van onzen Prins H e n-d r i k en zijne eerste gemalin daar nog in zegening zijn.

Van daar maakten wij een uitstap naar Eohternach. Ik eigenlijk niet, zoo nis menigeen, om bet natuurschoon, maar oin Willeb rords graf te zien. Het loven van dezen apostel dor Nederlanden heb ik op verzoek van Prof. l\' i per voor den evangelischen kalender beschreven. Daardoor heb ik dien (lodsman leeren hoogachten en wilde ik zijn graf zien. Daarenboven werd mij een boetgewaad van den man vertoond. De kastelein uit het Hotel Cerf\' verhaalde, mij dat oen Prof. A 1 ber d i n gh T h ij m met gelijk doel een vorig jaar naar Eohternach was gekomen. Ik zoide hem, dat ik evangelisch l\'farrer in veroering van Willebrord met dezen R. Katholieken landsman homogeen was; \'tgeen hem zekere achting voor mij scheen in te boezemen. Schooner leus dan die van Alb. Thijm: „nil nisi per Christum\'\' verklaar ik niet te kennen.

AVat znl ik zeggen van mijn verblijf in de wereldstad lirusscl ? t Zou te lang worden. Kerken en monumenten, bois de Cambre, Waterloo en Laeken, boulevards en jar-din botanique boeiden ons als om strijd. De standbeelden van Leopold l.de Hroekère en \'leneraal Belliard verlevendigden in mij do niet uitgewischte indrukken der revolutiejaren lS;iO en \'.\'il en daarmee samenhangende strijden bloedtooneelen. Hoe geheel anders was hot nu, hoe anders was ik?.. Het Evangelisatie-werk der Br. H a k-steen en de Jonge trok mij het meeste aan. Ik

-ocr page 190-

— 180 —

--------------------^

was iti hunne kerken, /.alen en tenten, zag en hoorde met instemming en getuigde mede. Hoe jammer, dat on/.e Hollandsclio Protestanten in Brussel, goede uitzonderingen niet te na gesproken, over het geheel naar men ons verzekerde, ons evangelisch Hervormd geloof niet aanbevalen, maar wegdrijven in den machtigen stroom van Sadduceesch materialisme. Des te meer zijn do banierdragers des kruises te waardeeren, en die zijn er Goddank ook onder Vlamingen, Walen en Duitschers.

Na al hot geziene, gehoorde, opgevangene en geno-tene — (dat in mijne ziel als een kaleidoscoop door elkander woelt) — hoezeer was mij een stil landelijk verblijf in den schoot van christelijke vriendschap, nabij Koudekerke, dubbel zoet en verkwikkelijk! Immers: „das Leben besteht aus Gegensiitzen.quot;\'

Mocht een en ander mij sterken en opwekken, om met nieuwen lust dag- en levenstaak weder te aanvaarden!

L. J. van Uiiijn.

Biervliet, 25 Aug. 188quot;).

-ocr page 191-

- 181 —

HET GEVECHT MET DEN DRAAK.

GEDICHT VAN

S C H 1 L I. E K.

Wat draaft liet volk en woelt, eu duwt, De lange straten doorgestuwd V

Zou \'t vuur oud Rhodus\' wallen sloopen V fn stormpas komt men saamgeloopen,

En in dien dichten drom ontwaart Mijn oog een ridder, hoog te paard;

Daar achter — vreemd om aan te schouwen — Een ondier, voortgesleept aan touwen, Met kitken als een krokodil,

Een draak gelijk! Doch, hoe men sidder Bij d\'aanblik, beurtlings ziet men schril Nu eens den draak aan, dan den ridder.

Maar weldra klinkt het duizendvoud:

„Dit is \'t gedrocht, komt hier! aanschouwt! Dat vee en herders bracht om \'t leven,

Hier is de held, die \'t heeft doen sneven; Vele andren togen voor hem heen En waagden \'t ijslijk stuk, maar geen

-ocr page 192-

Van allen zag men wederkeeren; Dco/, dappren ridder moet men eeren.quot; Naar \'t klooster trekt men, naar de /.aal, Waar de orde van St. dan haar leden. De ridders van het hospitaal,

Met haast ten raadslag heeft gebeden.

En voor den eedlen Meester treedt ^)(i jonkman, die zijn houding weet, Het volk hem achteraan, al joelend. Op trappen en portaal krioelend. Hij neemt het woord en vangt dus aan: ,Ik heb mijn ridderplicht gedaan;

Do draak, die schrik van onze landen. Hij ligt verslagen door mijn handen; De weg is voor den vreemdling vrij, De herder zoeke weer zijn weiden, En \'t bergpad mag zijn pelgrims blij Naar \'t heilig beeld ter beevaart leiden.

Maar streng ziet hem de Meester aan: „„\'tls — zegt hij —• als een held gedaat In ridders toch wordt moed geprezen ; Gij houdt den heldenaard in wezen ; Doch, wat is de eerste ridderplicht,

Waar Christus\' strijder \'t oog naar richt, VVien \'t Kruis versiert als ordeteekenVquot; En allen in liet rond verbleeken. Hij neigt het edel aangezicht.

En zegt, terwijl zijn wangen kleuren : „Gehoorzaamheid is de eerste plicht

Die hem dit sieraad waard doet keuren

-ocr page 193-

- 183 -

sjt-

, „Plu aan dien plicht, mijn zoon — is \'t woord Des meesters — hebt ge u niet gestoord. Die strjjd was door de wet verboden,

t Wus euvle moed den draak te dooden.quot; \' ,Heer! oordeel, als gjj \'tal verstaat,quot; Herneemt hij met een kalm gelaat:

, \'t Verbod toch, naar zijn geest genomen, Bedoelde ik ernstig na te komen.

Niet onbedachtzaam toog ik weg.

Om \'tgruwlijk monster te bevechten;

Maar met verstand en overleg

Heb ik gepoogd den kamp te slechten.quot;

,Vijf van onze orde vielen reeds Zij, \'t sieraad van Gods kerke steeds — Als offers van hun moedig streven;

Toen hebt ge ons uw verbod gegeven,

Maar \'t liet mijn hart geen oogwenk vrij, Verzet en strijdlust: plaagden mij.

Ja \'s nachts zelfs wou de rust niet komen En vocht ik hijgend in mijn drootnen ; En scheemrend kwam het morgenrood En gaf bericht van nieuwe plagen.

Toen, wild van grimmigheid, besloot Ik kort en goed den strjjd te wagen.quot;

,En tot mij zeiven zeide ik dan :

Wat siert den jongling, eert den inanV Wat richtten ze uit, de dappre helden. Waarvan ons de oude zangen melden.

Door \'t blinde Heidendom weleer Verheven zelf- tot godeneer?

-ocr page 194-

184 -

Zij vaagden op hun stoute tochten Do wereld schóón van wangedrochten. Zi\' ontmoetten leeuwen in den strijd,

Ontwrongen Minotauros\' veste l)e schuldlooze offers hem gewijd,

En gaven quot;t eigen bloed ten beste.quot;

„Ts slechts de Snraceen dan waard Te vallen door des christens zwaard ? Bekampen wij slechts valsche goden V Neen! redden, dat is ons geboden:

In alle smart, in alle leed Met krachtige\' arm tot hulp gereed;

Doch wijsheid moet don moed bewaren En list moet zich mot sterkte paren ; Zoo dacht ik vaak en toog alleen.

Om d\'aart van \'t monster te doorgronden. Tot, zie! op eens mij \'t licht bescheen;

Blij riep ik uit: ik heb \'t gevonden!quot;\'

„Toen sprak ik met dit woord u aan:

Mijn hart trekt om naar huis te gaan. (Ijj hoordet gunstig naar mijn beden: En \'t zeevlak was al ras doorsneden. Zóó wns ik niet in \'t. vaderland,

Of \'k liet mij door des kunstnaars hand. Daar \'t beeld mij goed was bijgebleven, Een draak boetseeren als naar \'l leven. Kort zijn de poolen en daaruit,

Verheft zich \'t lange lichaam machtig, Een schubbig pantsorhemd omsluit

liet rugstuk en beschiTint het krachtig.quot;

-ocr page 195-

- 185

„ Lang steekt de hals vooi-uit en fel,

Afgrijslijk als de poort der hel,

Zoo gaapten, om hnn prooi te maken.

Op bloed belust de breede kaken;

In \'t zwarte bol dreigt een gebit Met rijen stekels, blinkend wit;

De tong laat ik als dagge spitsen,

Hot gluiprig oog scbiet bliksemflitsen.

Hot lichaam eindigt in een slang,

Zich krullende om zichzelf in kringen.

Een staart, gespierd genoog en lang.

Om man en paard in een te wringen.quot;

„Nauwkeurig maak ik \'1 beeld gereed;

\'t Wordt in een aaklig grauw gekleed.

Half worm, half hagedis, gewassen.

Naar \'t scheen, in giftige moerassen,

Zoo stond het eindlijk kant en klaar.

Nu zoek ik doggen, \'k vind een paar:

Grof, snelle loopers, sterk van spieren.

Gewoon aan jacht op wilde stieren.

Die hits ik op het monster aan.

En tracht ze in wilden gloed te zetten.

Om scherp do tanden in te slaan ;

En \'k leer hen op mijn stem te letten.quot;

„En in den buik, waar \'t zachte vleesch Aan \'t fel gebit den aanval wees,

Daar zet ik ze aan, den draak te pakken,

En diep de tanden in te hakken.

Ik zelf in zwaren wapendos

--------------- K

-ocr page 196-

— 186 —

-----------------------^

Bestijg nu mijn Arabisch ros;

Het odel blood, waarvan het stamde,

Sprak uit het vuur, dat ras ontvlamde,

En \'t voortdreef in een snellen draf;

\'

Ik prikkel \'t nog met scherpe sporen,

Werp recht naar \'t doel mijn lansen af,

Als wou ik \'t wangedrocht doorboren.quot;

„En of het ros al steigrend springt,

En op zijn teugel schuimt en wringt.

Mijn doggen huilend achterblijven En \'t moeite kost hen voort te drijven,

\'k Houd vol en wen ze er eindlijk aan;

En na de derde nieuwe maan Zijn zij in alles welbedreven ;

Ik breng ze hier met vluggen steven En weldra land ik aan deez kust,

Sints kwam de morgen driemaal dagen.

Mijn leden gun ik nauwlijks rust.

Om eerst het groote werk te wagen.quot;

„Want pijnlijk griefde mij in \'t hart s Lands pas vernieuwde bittre smart:

Juist had men herders weer gevonden Bij \'t hol verdwaald en wreed verslonden.

En snel besluit ik tot de daad,

Slechts met mijn harte houd ik raad ;

Ik geef bevelen aan mijn knechten,

Bestijg mijn ros, beproefd in \'t vechten.

En, met mijn doggen trouw op zij,

Kijd ik langs onbegane wegen.

X

-ocr page 197-

- 187

Waar \'k ongewenschte blikken mijquot;, Met lustig hart den vijand tegen.\'\'

„Het kerkje kent gij, edel Heer!

Dat \'s meesters stoute geest weleer,

Om lieel het eiland te overschouwen.

Hoog op den top des bergs liet bouwen : Verachthjk schijnt het, arm bedeeld,

Maar binnen staat een wonderbeeld: De moeder Gods en \'t Kind te midden Der Koningen, die \'t vroom aanbidden. Met driemaal dertig treden stijgt

De pelgrim naar dien top van \'t eiland; Maar, als hij duizlig nederzijgt.

Verkwikt hem \'t bijzijn van zijn Heiland.quot;

„Diep in de rots, waar \'t onverstoord Op hangt, is een spelonk geboord.

Waar dampen van \'t moeras in dwalen, Maar nooit verlicht door \'s hemels stralen. Hier huisde \'t wangedrocht eu lag Op rooi\' te loeren, nacht en dag,

lielijk een heiledraak, die waakte Dat niemand \'s Heeren huis genaakte. En ging de pelgrim biddend op,

En zette op \'t onheilspad een schrede, Met brak het ondier uit zijn slop,

En droeg hem tot zijn maaltijd mede.quot;

„Die rots beklom ik nu, aleer Ik tot den zvvaren strijd mij keer.

ie

-ocr page 198-

188

Voor \'t Christuskind knielde ik een stonde, En zuiverde iinjn hart van zonde.

Toen deed ik in het heiligdom Mijn blanke wapenrusting om,

De lans houd ik ter rechterzijde En daal den berg weer af ten strijde.

Mijn knechten geef\' ik met mijn groet Een laatst bevel — indien ik viele!

Spring op mijn paard met rappen voet En God beveel ik mijne ziele.quot;

, k Was nauwlijks op een effen baan,

Daar slaan mijn beide doggen aan,

En angstig snuift mijn paard en weigert Te luistren naar den toom en steigert,

Want dichtbij lag het helgebroed,

Zich baakrend in den zonnegloed.

Als tot een kluwen saamgewonden.

Zij jagen \'top, mijn flinke honden;

Maar pijlsnel wijken ze even haast.

Als bij de kaken opspert, geeuwend. Een dikken pestwlm van -zich blaast,

En jammert, als een jakhals schreeuwend.quot;

„Maar op mijn roepstem koert hun moed. Zij vatten \'t monster aan verwoed;

Ik werp mijn spies, eer \'t zich kan wenden, Met sterke vuist in \'s ondiers lenden;

Doch machtloos als een \'hmne staf\'

Springt zij op \'t schubbig pantser af;

\'k Hirbt dns mijn I weede worp voorzichtig, Maar \'t paard gaat sfeigren en wordt, schichtig

-ocr page 199-

— 189 —

Voor \'s monsters basiliscusblik,

Voor \'t git\' met d\'adem uitgedreven, Eu \'t springt naar achtren, wild van schrik, En bijna was ik daar gebleven.quot;

„Nu vlieg ik met een sprong van \'t paard, Ruk uit de scheede \'t puntig zwaard,

Maar alle stooten zijn verloren. Om \'t schubbig harnas door te boren. Met volle kracht slaat hij zijn staart En werpt mij woedende ter aard ;

Ik zie hem reeds de kaken splijten. Met grimm\'ge tanden naar mij bijten ; Als bei mijn honden, dol verwoed.

Diep in zijn buik hun scherpe beten Inplanten, dat hij huilen moet,

Door folie pijn van één gereten.\'1

^En eer hij uit bun scherpen beet Zich loswringt, sta ik fluks gereed.

Zoek \'t zwakste punt om aan te randen En stoot hem diep in de ingewanden. Tot aan \'t gevest toe drijf ik \'t staal:

Zwart welt het bloed op in een straal;

Neer \'zinkt hij, maar zijn reuzenleden Begraven me in hun val on kneden Mijn lenden, \'k voel mijn kracht vergaan;

Doch weer gesterkt ontwaak ik spoedig, Ik zie mijn knapen om mij staan.

En \'t monster ligt daar, dood en bloedig.\'\'

-ocr page 200-

— 190 —

-a

De geestdrift barst, te lang gestuit,

De borst van al de hoorders uit.

Zoodra de ridder had gesproken.

En, tegen \'t hoog gewelf gebroken.

Slaan al die stemmen wild dooreen En rolt de weergalm bruisend heen.

Luid eischen zelfs de kloosterzonen,

Dat men dit heldenhoofd zal kronen.

Het volk roept blij, dat men hem breng

Voor \'t volk en hoog zijn roem doe stijgen!...

Doch zie! daar fronst de meester streng Het voorhoofd en beveelt te zwijgen.

En spreekt; ,l)e draak die heel dit land Verdierf, viel door uw dappre hand.

Een God zijt gij dit volk geworden.

Een vijand voortaan van onze orden.

Uw hart teelt erger wangedrocht Dan \'t ondier, dat uw arm bevocht:

De slang, die \'t harte wil vergiften Met tweespalt eu onzaalge driften,

Dat is de geest, die zich verzet.

En zich niet stoort aan tucht noch rede.

De heiige banden scheurt der wet;

Die, die sleept heel de wereld mede.quot;

, Moed is den Mammeluk ook deugd.

Gehoorzaamheid des Christens vreugd.

Waar groot van macht de Heer der Heeren In knechtsgestalte wou verkeeren.

Daar stichtten op gewijden grond De vaadren dezen ordebond.

-ocr page 201-

— l\'.n —

-----------------------------------------------3Ï

Om \'t zwaarste voorsclirift na te komen:

Den eigen zin en wil te toornen.

U heeft een ijdle roem behaagd;

Verwijder u dus uit mijn oogen!

Zou, wie des Heeren juk niet draagt,

Zich met zijn kruis versieren mogen?quot;

Los breekt do schare in woest gedruisch ,

Een wilde storm beweegt het Imis;

Al de ordebroeders bidden, smeeken;

Maar hij ziet voor zich zonder spreken ;

Stil legt hij \'t kleed af van zjjn stand,

En kust des meesters strenge hand,

En gaat. Maar deze volgt met de nogen Hem na en roept hem diep bewogen.

En zegt; ,Kom aan mijn hart, mijn zoon!

Gij bleeft in zwaarder kamp ook de eei-ste,

Neem aan dit kruis; dat is liet loon

Van d\' ootmoed, die zich zelf beheerschte.quot;

De aanleiding tot deze vertaling was een voordracht door Dr. .1. H. Gunning Jr. theol. prof. te Amsterdam op de Normaalschool te Zetten gehouden. ZHG. was (en mijns inziens terecht) zeer weinig tevreden met de vertaling door Bogaers indertijd van Schillers gedicht geleverd. Zijn kritiek, die juist over de fijne puntjes ging, deed mij èn de keurigheid van het oorspionkelijke èn de slordigheid der vertaling zoo duidelijk zien, dat do lust ontwaakte, om iets beters te leveren. Of het gelukt is. beoordeele de lezer; zooveel i? zeker dat do vertaling

-ocr page 202-

■ 192 -

K ------------------«

ook een gevecht met den draak is, want men moet worstelen met de taal om niet overwonnen te worden en gelijk de ridder zegt: wijsheid met moed, list met sterkte paren. In elk geval kunnen zelfs mijn fouten den dichter ton goede komen, wanneer men het oorspronkelijke er naast legt; Schillor heeft met fijn penseel gewerkt, daarom kan en moet hij van nahij worden bezien.

Het onderwerp zelf trok mij niet weinig aan, ook met liet oog op onze omgeving. De draak, dien wij hier te bestrijden hebben, behoort ook in den weg van gehoorzaamheid overwonnen te worden.

11. PlIHSON.

-ocr page 203-

193

(i EH E 1 M E D R IJ F V E E I! E N.

,, Ziet gij, man \' v.oo besloot Mevrouw Termeulen op oen fraaien Septembermorgen een lange redevoering. „Ik zeg maar, als er zulke kinderen niet opgenomen worden, waar dient dan het nieuwe weeshuis voor?quot;

-•Ja, gij hebt gelijk was het antwoord, „maar ten slotte helpt ons redeneeren ons niet veel. De grootmoeder wil het kind houden, dat zal dus wel het eind van alles zijquot;.quot;

„Het eind van alles, Willem? Maar dan vraag ik u nog eens, waartoe dient dm het weeshuis? De vrouw kan het kind niet onderhouden, en woont bovendien in een ellendig klein kamertje, terwijl zij in ons mooie ruime weeshuis

„Hebt gij haar dat alles goed gezegd?\'

, Wol zeker heb ik. Maar wat denkt gij, dat zij antwoordt? Eenvoudig niets. Niets dan tranen.quot;

„Ja, zoo doen de vrouwen altijd. Dan is er niets me^ aan te vangen.quot;

„Gij zijt wel vriendelijk, dit te zeggen, Willem,quot; zeide Mevrouw Termeulen, die bezig was, hare kopjes af te

____yj

13

-ocr page 204-

- 1\'Jt

wasschen en nu vol ergenis lumr tliRedoök ter/ijde legde. „Het schijnt diit gij alle mensolien over één kam scheert. Is dat nu uwe hooggeroemde monschenkennis? Omdat eene vrouw schreit, moeten wij bot daarom allen doen?\'

„ Necn; gij moet niet, verzekerde haar echtgenoot, met een zeer bedenkelijk gezicht. „Gij hebt mij niet hooren zeggen, dat gij schreien moet, lieve Johanna!

„Foei, hoe laf! Ik ben in \'t geheel niet in eene stemming i)m gekheid te maken, geloof dat vrij. Het lot van het arme schepseltje vervolgt mij dag en nacht. Ik kan er soms niet van slapen. Wat moeten wij toch beginnen. als do grootmoeder eindigt met niet toe te geven?\'

„Wél, dan moet zij het houden.quot;

Mevrouw Termeulen rees op en zag haar man met ongeveinsde ergenis in het gelaat.

„Maar Willem, hoe is bet mogelijk1\' zeide zij met een nadruk op ieder woord, „dat gij, een man van verstand, en dat nog wel een duminé, zóó spreken kunt. Daar groeit een kind, in uwe wijk, en bijna onder uwe oogen op in een stal, want ik zeg stal tegen zulk een huis, liet is niet veel beter. Geen lucht, geen reinheid, geen plaats bijna, het mensch leeft tegen alle regelen van do rte/.ondheidsleer in. En welk een opvoeding kan zij het, kind geven? Ik vraag u, welk een opvoeding?\'\'

„Lieve .lohanna, vrouw de Munter is bij iedereen heel goed bekend.

„Goed Willem? Is dat goed, dat zij het kind liever in de grootste ellende ziet opgroeien, dan haar te brengen in het weeshuis waar zij verzorgd wordt als een prinsesje? Is dat goed, dat zij bij ons en bij oen ander gold vraagt . . . . \'

-ocr page 205-

„Geld vraagt?quot;

„Nu ja, het van ons aanneemt, liever dan het kind in een huis te zenden, dat er voor gebauwd is. Neen, maak mij niet wijs, dat /.ij van het kind houdt. Het is dwaasheid, liet is werken op het effekt, het is apenliefde. En ik zou dan ook wel weten, wat ik deed, als zij ooit weer bij mij kwam.quot;\'

„Wat zoudt gij dan doen?quot;

,fk zou haar niets meer geven.quot;

„En haar gebrek laten lijden, om haar te dwingen haar kleinkind in een weeshuis te plaatsen? Nu, gij zijt ook van de leer, dat hét doel de middelen heiligt.quot;

„Gij zult nog zeggen, dat ik geen hart heb,quot; klaagde zijne vrouw. „Al heb ik zeil\' geene kinderen, Willem! daarom heb ik toch wel een moederhart! Ik heb leeren gelooven dat liet Gods wil is, dat ons eigen huis ledig zou blijven. Maar nu weet gij, is het mijn vurigste wensch, voor arme verlaten stumpertjes, die geen moeder hebben, iets te zijn. Mijn tijd, mijn geld, mijn hart, alles heb ik er aan gegeven en nu groeit er onder mijne oogen een kind, een lief klein schepseltje tot haar verderf op. En gij begrijpt mij niet, gij wilt mij niet begrijpen. O het is vreeselijk!quot;

En de handen voor het gelaat drukkende, barstte de jonge vrouw in tranen los.

Haar man trad naar haar toe. „Johanna,quot; zeide hij, „Gij begrijpt mij verkeerd, geloof ik. Ik wil u immers gaarne in alles steunen? Kom, schrei niet, gij weet dat kan ik niet zien. Ik wil alles doen wat gij verlangt, alleen maar geen verkeerde middelen gebruiken. Laat ons de zaak nog eens bedaard overleggen, Johanna.quot;

-ocr page 206-

,Gij moet niet denken,quot; snikte zijne vrouw, „dat liet weeshuis een stokpaardje van mij is. I gt;at ik de kinderen met alle geweld daarin wil hebben, omdat het nu eenmaal gebouwd is, en dat ik vervulling voor mijn hart zoek, omdat wij zelf . . . geene kinderen . . .quot; Wederom een vloed van tranen.

„Haar man sloeg zijn arm om haar heen. „Neenquot; zeide hij, „dat geloof\' ik niet. Ik geloof dat gij bij u zelf overtuigd zijt, dat gij werkelijk het welzijn van hit kind zoekt en niets anders. Kom, schrei zoo niet. Ik zal zelf naar de vrouw gaan, «lat beloof ik u. Gij hebt gelijk, het klinkt dwaas, als men zeil nauwelijks leven kan, er nog een kind bij aan te halen. En din op haar leeftijd — vijf en zestig niet waar? en het kind nog geen drie ... \'t Is al te dwaas. En dan zoo arm en zoo klein behuisd. Het weeshuis is er voor, zij moet dat alles wel overwegen. Ik zal terstond gaan. Zijt gij nu getroost? Ik kan niet zien, dat gij schreit, vooral niet om zulk een reden.quot;

Mevrouw Termeuten hief het hoofd weer op en poogde te glimlachen. Maar van harte ging het niet en sprakeloos reikte zij haar man do hand.

Zoo ging dan ds. Termeulen naar de weduwe de Munter. Het huisje lag in, of liever achter een der buiten wijken van de kleine stad. Eerst de stille zonnige straal door en dan het weinig betreden voetpad langs, dat zich door het bosch slingerde. Het was een schoone herfstmorgen. De zon scheen op do bruine ol schitterend roode tinten van het loof; hier en daar schoot een gele tak door het donkere groen der iepen en over alles lag de (lauw in

-ocr page 207-

197

dikke parels of zweefde het zilveren weefselder herfstdraden. Het huis waarin vrouw de Munter woonde, vormde met nog een viertal anderen een kleine buurt. Van voren zag het er vrij welvarend uit, maar ds. Termeulen wist wel, dut liij den ingang van haar woning daar niet moest zoeken. Hij liep aan de achterzijde binnen, eerst door een timmermanswerkplaats en daarna volgden aan zijn rechterband de hokken van twee varkens en eene geit. Hij moest aan de duisternis wennen en ook aan de atmosfeer. „Johanna heeft wel gelijk, het is tegen alle regelen van de hygiene,quot; zeide hij, terwijl hij zijn zakdoek tegen zijn neus drukte.

\\ lak tegenover het hok van het tweede varken, was de deur die bij zocht. De vastgestampte kleigrond liep een weinig opwaarts; dat was de eenig merkbare over gang tot den bouten vloer van het kamertje. Toen hij do deur open deed, kwam een dichte, lauwe waterdamp hem te gemoet en door dien nevel heen, die oprees uit haar wascbtobbe, boog zich het oude limpelige gelaat van vrouw de Munter naar hem toe. Eerst knipte zij een paar maal met du oogen, maar toen zij bemerkte, dat zij goed gezien had, trad zij te voorschijn van achter den drievoet, die haar rockend altaar droeg.

WtM, de dominoquot; zei ze, „dat is best, dat is goed. Wél, ga zitten. Mevrouw is ook\' al zoo vriendelijk voor \'quot;ij- En terwijl ze dat zeide, was er geen enkel van de ontelbare rimpeltjes op baar gelaat, dat niet beefde.

Zij voegde de dampende handen aan haar voorschoot al. voordat zij hein een stool aanbood en ging toen tegenover hem zitten. „Wel, wel, de dominé,quot; zei ze toen

-ocr page 208-

- IDS -

\\voert met (\'(mi korten zoniivvaclitigen Inch. „Lieiitjo! sta eens op (^ii f^eef den doinine een liandje.

Lientje verliet terstond linre beziylieden, die daarin bestonden, (Int zij met veel ijver een veter trachtte te l ijgen in het schoentje dat /ij had uitgetrokken. Daarna drukte zij zich stijt\'tegen haar grootmoeder aan en reikte met een afgewend gelaat den be/oeker de hand.

,Ze wordt al grootquot; zei dlt; dominé, terwijl liij het kleine, vuile bandje greep, „en\' voegde iiij er aarzelend bij, want ook hij was verlegen met de zaak, „het is een beele zorg voor u.quot;

l)t\' vrouw heelde nog sterker. Haar taktiek was evenwel, den bezoeker gelijk te geven, zoo lang zij kon.

„Ja, jaquot;, zei ze, „een beele zorg,quot;

„En op uw leeftijd.

„Vijf en zestig! Twee jaar over het moordjaar, zeggen zij wel eens,quot; zij lachte zenuwachtig, „maar nog kras. En altijd goed gezond, da, een zegen van den Heer is het. Dominé ook goed gezond en Mevrouw ookV Zulke beste goede meiischen als de dominé en Mevrouw zijn! ik hoo| dat ze nog lang gespaard zullen blijven.quot;

Zij was bereid voor hem te kruipen, maar bij liet zich niet verbidden. Hij gaf een kort, bevestigend antwoord en sprak toen op een onnatuivrlijken toon zoo-als iemand aanneemt, die zich zeiven geweld aandoet;

„Gij zijt toch niet sterk, vrouw de Munter. Dikwijls klaagt gij over uw borst en dat met reden. De winter staat nu ook weer voor de deur. Het is bijna niet van u te vergen, dat gij, op uw leettjjd, nog voor twee werkt. Mij dunkt dat de wel verdiende rust . .

De vrouw drukte met hare oude hand waarop de

-ocr page 209-

199 -

spieren en aders duidelijk zichtbaar waren, het kind stijf\' tegen zich aan.

„Ja, Ja, \' zei ze toen. „de dominé is wel goed en Mevrouw ook. Ik \'/eg het zoo dikwijls: als de dominé er niet was, waar zou ik heen . . . met Lientje?quot;

Zij zweeg, en ook baar bezoeker deed er het zwijgen toe. Dit gaf haar weêr een weinig moed.

„Ik zal er wel door komen,quot; hervatte zij. „Ik heb mijne was\'sehen en dan de geit, en dan een stukje aardappelland. En de menschen zijfi goed voor me, heel goed. Verleden winter is het ook gegaan.quot;

„Maar toen hadt go het kind niet.quot;

Het oude gezicht werd weêr langer. „Neen, dat had ik niet,quot; stemde ze toe.

„\'.•ij begrijpt,quot; vervolgde ds Termeulen. „Het is juist over het kind dat ik u wenschte te spreken. Wij hebben een weeshuis gebouwd, zooals gij weet, vrouw de Munter, een mooi ruim huis, en dat hebben wij gebouwd om arme weesjes, zooais uw kleine Lientje, in op te nemen. Dan behoeven vrouw.m, zooals gij, die waarlijk al genoeg gewerkt hebben in haar leven, geen last meer op zich te nemen, die eigenlijk boven hare krachten gaat.\'\'

„.In. 1 zeide de vrouw, met iets huilerigs in haar stem, „het is wel goed, wel heel goed. Als ik dood ben, dan kan het kind er in. En zoo n groot en prachtig huis is het! Ja, \'t is een heele gerustheid .... als ik dood byn.quot;

„Maar vóór dat gij dood zijt, hebt gij het recht een plaats voor het kind te vragen, ilij hebt er het recht toe en het kind zal liet er goed liehhen. Zij leert er naaien en breien, en lezen en van alles. (!ij moogt haar

-ocr page 210-

—• 200 —

dikwijls komen opzoeken. En Zondags om do veertien dagen, mag zij .... mogen de kinderen uit visite gaan, bij do mensoben . . . .quot; Hij bleef steken.

,Ja,quot; knikte de vrouw. Zij drukte het kind vaster tegen zich aan, en do ronde blauwe oogen van het klinnr ding waren uitdagend op den bezoeker gevestigd, alsof zij wist wat er voorviel, „\'t Is maar voor later,quot; vervolgde de grootmoeder. „Het huis is goed, en de dotninó en Mevrouw, quot;t zijn allen goede mensolien. Maur later, als zjj weggaat in een dienst en hot bevalt er haar niet, dan heeft zij niemand, als zij geen eigen meer heeft.quot;

,0 neen,quot; zei de dominé, blijde, dat hij een argument had, dat hij kon weftrleggon. ,0 neen, nu vergist gij u. De meisjes kunnen altijd in het huis terug komen Wij zullen haar op het hart drukken, dat het haar te huis blijft, ook voor later. \'

..Ta, ja,quot; knikte de oude. ..de inenschen zijn goed tegenwoordig. \'

Nu ging baar bezoeker een licht op.

,(ie hebt zeker vroeg uwe ouders verlorenVquot; vroeg hij. .Mijn vader heb ik nooit gekend, en inoodoi\' stierf, toen ik acht jaar was.quot;

. Hadt gij geen broers of zusters Vquot;

. lu, drie broers en eene zuster, maar ik heb ze niet veel meer gezien, sedert wij verdeeld zijn.\'

.Verdeeld?quot;

„Ja verdeeld onder de inenschen. Die het minste geld vroeg, die kreeg ons. Ik kwam als meid bij een boer. .Op uw achtste jaar V \'

.■Ja,quot; met haar korten zenuwachtigen lach. „ Ik moest

-ocr page 211-

met do koe langs den weg loopen, en \'s winters, nis er geen gras was, moest ik helpen in huis.quot;

„Hon lang zijt gij daar wel geweest?quot;

„Tot mijn twaalfde jaar. Wij hadden een oom, een broer van moedor, en die gaf veel om ons. Hij wilde dat ik meer ging verdienen en zoo kwam ik bij Room-suhe monschon.quot;

,, Hadt gij het daar goed?quot;

„O ja. Zij hadden ook een dochtertje gehad en dat was gestorven en nu wilden zij met allo geweld, dat ik ook Roomsch zou worden. Al het goud en zilver dat het kind had gehad, kon ik knjgen, als ik het doen wilde. Eiken dag logden zij het voor mij neer. Oorbellen en ringen en een zilveren naaldenkoker en allerlei.quot;

„En gjj zijt standvastig gebleven?quot; vroeg de predikant mot voldoening.

/ij zag hem verwonderd aan. .Och,quot; zei ze, „een kind doet wat men haar voorpraat. Ik zou mijn eerste communie doen, en ik vertelde dat aan mijn oom en ik had de gouden oorbellen in mijne ooren. Maar hij wou t niet hebben. Hij hoeft altijd veel om ons gegeven, dat heeft hij.quot;

„Hij nam u zeker bij zich aan huis?quot;

..Veen, dut niet. Hij zei, dat hij mijne armen en bee-nen stuk zou slaan als ik Roomsch werd en zoo moest ik bij die menschen van daan.quot;

aarlijk, een vreemde manier, om zijn liefde te be-toonen. D.s., Termeulen zag haar aan met een vragen-den blik, maar er was niets op dat oude gelaat te lezen dan waarheid en eenvoud.

-ocr page 212-

— 202 —

„En /.ijt gij toen in een anderen dienst gegaan?quot; vroeg hij.

,In alluiiei diensten. Ik heb gezworven van den een up den ander. Ik wist niet genoog, zeiden de menschen. iiij die Koomsi\'lie monsehen had ik niets geleerd en voor dien tijd was hot altijd langs den weg, met de koe.quot;

, Niet lezen V\' vroeg de domino, „of. . . of naaien?quot;

„Niets,quot;\' antwoordde zij op een toon, dio allo verder onderzoek afsneed. „Ik lielgt; nooit wat geleerd. Ik ben Imrdleersöh, geloof ik. Ik heb erg gesukkeld, heel erg. Nergens bleef ik lang. Zij zeiden dal ik dom was en /ij dnuhtcn, dat ik niet wilde. Ik ging van den een op den ander. Dut duurde tot ik twintig jaar was, geloof ik, of twee en twintig. Toen ben ik getrouwd. Maar ik heb mijn man niet lang gehad. Ik bleef achter als weduwe met vier kinderen.quot;

„Vier? Ik ducht dat gij maar één zoon hadt gehad.quot;

„Ja, maur één zoon. Muur de meisjes zijn uilen dood. En nu is de jongen ook dood, en zij is ulles wat ik over bob.quot;

Zij /.weeg en ook haar bezoeker bleef zwijgen. 11 ij had den moed niet om het oude onderwerp weer aan te roeren. De oude vrouw scheen zijne gedachten te raden, of nog liever te volgen. Zij streek met de hand om het blonde hoofdje van het kind. „Nu is het nog niets,quot; zeide /ij. „Ieder houdt van /.00\'n kindje, niet waarV Maar luter, als zij wat ouder wordt en het, gaat haar niet goed

„•la,quot; zeide de dominé, „gij hebt het niet makkelijk op de wereld gehad, vrouw do Munter.quot;

„Ik niet.\' sprak zij haastig. „Ik kan het weldragen. Muur het is maar om het kind.quot;

I

-ocr page 213-

— 208 —

/T —A

.WelnuVquot; vroeg Mevrouw Termeulen, zoodra haar man thuis kwam.

,Ja .... veel gevorderd kan ik niet zeggen dat ik ben.\'\' ,Zij is koppig. Ik heb het u wel gezegd.quot;

„Dat is te zeggen .... Zij heeft mij hare heele geschiedenis verteld, maar o! Johanna, welk een leven. Zonder liefde, zonder warmte, zonder hartelijkheid! Hoe houdt zij het uit! En toch is het een mensch van gelijke beweging als wij. De eenige die om haar gaf. was liaar oom en die zei, dat hij haar de armen en beenen zou stuk slaan als zij Rootnsch werd. Ik dacht, dut zij ui ij voor den gek hield, toon zij het mij vertelde, maar uch neen, zij was in vollen ernst. Het was waarlijk liet eenige bewijs van persoonlijke belangstelling, dat zij in haar jeugd ondervond.quot;

,Maar dat heeft nu niets met de plaatsing van liet kind te maken.quot;

.Dat is te zeggen. Zij heeft ook vroeg hare ouders verloren en de groote ellende en vei latenheid van haar jeugd hei .ben zulk een overwegenden invin-d op haar karakter en liari* wijze van denken uit geoefend, dat zij zich niet kan begrijpen, dat een ander leven mogelijk kan zijn.\'\' .Zij ziet, toch voor hare oogen, dat wij hart VOOl\' zulke kinderen hebben.

.Het is zoo, maar het dringt niet tot hare ziel door. Het is als het ware de lei-r. maar wat zij zelve ondervond, is ile natuur. En bij haar gaat de natuur zeer sterk boven de leer.\'quot;

Mevrouw Termeulen haalde de schouders op.

,(iij zijt veel te goedquot; zride zij. .tijj hebt u aardig door dal oudje laten beetnemen. \'

-ocr page 214-

„Zeg Jat niet, Johanna. Telkens zei ze met du lippen; Gij zijt goed, ik geloof, dat gij liet goed mot het kind meent. Zij zeide de woorden op en leerde xe als het ware van buiten en trachtte er zich in te verdiepen. Maar dan weêr rees plotseling als een zwart spooksel de verlatenheid van haar eigen leven voor haar geest op, die zij geheel op haar wijze heschrijl\'l,: „Als zij later gaat sukkelen met hare diensten, is er niemand die hart voor baar heeft.quot;

„\'t Is alles goed en wel, maar wat moeten wij nu doen Vquot;

„Maar mijn idee er niet verder aan tornen.

,En het kind bij de vrouw laten V Met andere woorden : Een groot en kostbaar buis bouwen en dat niet gebruiken, maar kostgeld betalen aan do familie van ieder kind \'quot;

„Dit is wel een heel bijzonder geval.\'\'

„Morgen kan er weêr zoo een komen. En ik ben niet verantwoord, als ik do kas zoo iets dragen laat.quot;

„Neon, niet de kas, maar wij.quot;

.Wij, Willem? Het is niet om het geld, dat weet gij wel, maar wij stijven de vrouw in haar verkeerdheid. Zij wil met alle geweld haar zin hebben. En bovendien is zij achterdochtig tegen beter weten in. Zij beeft de bewijzen dat wij bet goed met haar nieenen en toch verkiest zij ons niet te uelooven. Dat vind ik zondig.quot;

Haar man zweeg.

„Nu, spreek dan toch, Willem. Vindt gij dat ik ongelijk heb Vquot;

.O neen, gjj hebt gelijk, grout gelijk. Gij hebt zelfs zoo zeer gelijk, dat. gij er ongelijk dooi\' krijgt,quot;

-ocr page 215-

„Ja, dut is nu weer een van uwe paradoxen. Al praten wij van nn tot morgen, wij worden het tocli niet eens. Ik weet wat beters, [k ga naar vrouw de Munter en ik wed, dat ik alles in een oogenblik klaar krijg.\'\'

„Ik wed van niet.quot;

„Ik wed van wel, of liever, ik hoop van wel, Willem.quot;

„Zoodra gij daar zijt, zult gij niet meer kunnen volstaan met slechts één van de twee partijen te laten spreken. Tot nu toe hoordet gij alleen uw verstand, maar dan .

..Ik hoop.quot; viel zijne vrouw hein op plechtigen toon in de rede, „dat ik daar evenmin als hier, ooit het waarachtig belang van het kind uil het oog verliezen zal.quot;\'

Het valt niet te ontkennen, dat vrouw de Munter eenige dagen daarna een steek door het hart kreeg, toen zij Mevrouw Tenneulen het raam zag voorbij komen. Deze echter was verre van het te vermoeden, of\' liever van ooit te vermoeden dat zij zulk een indruk maken kon. Zij ging de timmermanswerkplaats door en lette niet op de zonnestraal, lt;lilt;gt; de horens van de geit verlichtte, de ooren van het varken tintte en een gouden gloed wierp over de krullen onder de schaafbank. Toen zij bet kamertje binnentrad, zat de oude vrouw aardappels te schillen en het kind veegde met veel ijver de kachelplaat. Dooi die gewichtige bezigheid was haar eene wang ongeveer in kleur gelijk aan het ijzer geworden, de andere evenwel gloeide als een rood appeltje.

„ Wel vrouw de Munterquot; zei mevrouw Tenneulen „wat

-ocr page 216-

20G —

is het hier benauwd. Kunt gij het raam niet wat open zetten ?1

En /.ij wees op liet venster, dut niet zeer helder was en waarvoor eenige do/ijnen vliegen gonsden. „Jn maar ik ben /.00 bang dat Licntje kou vat,quot; zei de vrouw.

Lientje! Mevrouw Termeulen /,ag op bet kind neer.

In gedachten wiesch en baadde /.ij liet en kleedde /.ij het in het stennnigo, maar nette wee/.enpakje, /ij merkte hoe de oude vrouw haar blik volgde. Maar /.ij was sterk. Zij zou zich door geen dwaze sentimentaliteit van haar plan laten afbrengen.

„Ik wilde u juist over het kind spreken, vrouw do Munterquot; zeide zij, ,en ik moet beginnen, met u geen aangename tijding over te brengén.quot;

De oude vrouw zette den bak met aardappels weg en frommelde haar voorschoot tussehen hare handen, „(rij weet, gij kroegt het geld voor het kind, twee gulden vijftig in do week was hot, van liet weesbuis, omdat er toen nog geen weeshuis was en wij er wol toe moesten overgaan om de anno kindoren te besteden. Maar sedert het buis is gebouwd, is dat veranderd. Het wordt den eersten November geopend mot een groot feest, waarvoor nu al toebereidselen gemaakt worden. Dan komen al de kindertjes er in en natuurlijk . . .quot;

„Ja, ja,\'\' zei de vrouw, „de regenten kunnen bet geld niet meer geven, dat begrijp ik wel.quot;

„Ik ben blij, dat gij bet zelf inziet. Hot zouden dubbele uitgaven zijn. Het huis en dan nog gold voor de weezen, dat kan niet.quot;

„Ja,quot; zei de oude vrouw, „ik weet niet wat ik doen moet, zonder het geld. Het zal niet gaan, vrees ik.quot;.

-ocr page 217-

— 207 —

|g- - - - _ 3

„Hoor eens moedertje, wees verstandig en breng liet kind in liet weeshuis. Zij zal het er goéd hebben, beter dan hier.quot;

„Beter?quot;

„ Wel zeker. Zij heeft er frisohe lucht, een goed bed,

goed eten, kameraadjes om mee te spelen en mooi speelgoed. Ik verzeker u, als een prinsesje zal zij verzorgd worden.\'1

„Neen,quot; zeide dc vrouw, „ik doe het niet.quot; Zij sprak •■/eer rad en opgewonden. „Ik praktizeer er nacht en dag over, maar ik doe het niet. Het kind onder vreemden, dat gaat niet. Als het later eens niet goed ging.

geen thuis zou ze hebben, en niemand die om haar gat\'. Zij zou het misschien beter hebben van eten en drinken,

maar het andere niet, het andere niet,quot;

„Gij zijt niet verstandig, vrouw de Munter.quot;

„Fk weet wat,quot; vervolgde do oude, zonder veel acht O]) haar te slaan. „Als het niet gaat zonder het geld,

ga ik weg. Ik moet nog een broer in Friesland hebben.quot;\'

„In Friesland V Ik dacht dat gij niet wist, waar uwe broers waren.quot;

„Ja, maar bij de deeling zoi hij: ik ga naar Friesland, en hij moet er nog zijn. En hij zei; Als gij mij noo-dig hebt, moet gij maar overkomen Hanna! Hij zal toch wel iets over hebben voor zijn eigen zusters kleinkind.quot;

De deeling! Bijna zestig jaar was hij geleden. Maaier waren oogenblikken in haar leven geweest, die voor die oude vrouw met haar bekrompen verstand helderder bleven dan de dag van gisteren.

„Weet gij wel, hoe ver Friesland hier vandaan is, vrouw de Munter? quot; vroeg de rijke verstandige vrouw.

-ocr page 218-

208 -

■*; - - - —- — 35

met hare heldere stem. „Als gij met uwe oude beenen drie weken aan een stuk liept, dan waart gij er nog niet. En in Friesland zijn, ja laat eens zien — er zijn wel honderd dorpen, om van de steden niet eens te spreken. Zoudt gij weten, waar uw broer ergens woont?quot;

De vrouw schudde het hoofd, men kon zien, dat zij in verlegenheid gebracht was.

„Als ik u was,quot; vervolgde hare bezoekster, ,\'zou ik mijn kleinkind in het weeshuis brengen, liever dan zoo\'n reis te doen, om te zoeken naar een oud man, die u waarschijnlijk niet. eens herkent. Hoe oud was hij, toen hij van u afging

„Tien jaar. Wij waren altijd samen.quot;

„Tien jaar? Nu kijk eens aan, en hoe lang is het al geleden. Hij is nu een oud man, met grijze haren.quot;

De vrouw zweeg. Het was eigenlijk nooit werkelijkheid voor haar verstand geworden, dat bij iets anders kon zijn dan het kleine dikke jongetje, dat haar verlaten

had. Deze overdenking gaf een goduchten schok aan het \' quot; . 1

vertrouwen dat zij op haar eigen oordeel had. Plotseling werd de wereld om haar heen veel leeger, dan zij al dacht dat die was. Hij zou haar niet herkennen. En de anderen, zoo zij al leefden, zouden haar ook niet herkennen. Misschien waren zo allen wel dood. Do eenige oom die ooit hart voor haar gehad had, leefde sedert lang niet meer. Zij was dus zoo goed als alleen met Lientje ; de winter stond voor de deur en het geld kreeg ze niet meer, dat was duidelijk. Zoo bard werken ais vroeger was haar ook niet meer mogelijk. Zij voelde zich plotseling afgeleefd en oud en het bewustzijn van verlatenheid, dat zij vroeger zoolang met zich had rondge-

-ocr page 219-

209 —

dragen, kwam weer over haar. Daar, in haar eigen huis zat die andere vrouw. Jeugd, kracht, invloed en geld, alles was aan have zijde. Wat kou zij daartegen over-stellen? Zij moest huigen en toegeven, dat was duidelijk.

„Gij moet het kind maar nemenquot;\', zei ze op gedempten toon.

Het gelaat van Mevrouw Termeulen verhelderde zich.

„Gelooft gij eindelijk, dat wij goed voor uw kleintje zullen zijn, moedertje?quot;

„Neen, dat is het niet. Maar ik kan er niet tegen op, ik voel dat ik er niet tegenop kan. Zonder geld en in den winter, het kind zou gebrek lijden en dat mag niet.quot;

„Ik hoop dat gij nog lang zult leven, om te zien, hoe aardig zij wordt.quot;

„Zij moet toch niet dadelijk weg?quot;

„Neen, niet voor November.quot;

„Misschien ben ik dan. . begon de oude vrouw, maar zij maakte den volzin niet af. En Mevrouw Termeulen vond het beter, zich er niet in te verdiepen, welke veronderstelling er bijna over hare lippen was gekomen

„Nu, hoe is het gegaan, van middag?quot; vroeg ds. Termeulen aan zijne vrouw, die in het oogvallend stil en ingetrokken tegenover hem aan tafel zat.

„Wel. . . nog al goed.quot;

„Nog al goed? Een stap nader tot den vrede?quot;

„Zjj heeft er in toegestemd om het kind in het weeshuis te plaatsen.quot;

„Zoo waarlijk? En hoe hebt gij dat wel gedaan gekregen ?quot;

amp;?

-ocr page 220-

— 210 -

x - *

„Ik liel) alles eens flink met haar bepraat en toen is zij zelf tot de overtuiging gekomen, dat dit het verstandigste was.quot;

Zij zweeg en haar man zag haar opmerkzaam aan.

„Gij schijnt niet zeer ingenomen met uwe overwinning,\'

zoide hij toen.

„Neen. . . quot;t is altijd een pijnlijke zaak, zoo iets. En dan, ik heb natuurlijk een beetje hard moeten zijn en dat is nooit prettig.quot;

„Hoe was de oude vrouw?quot;

„Wel heel zenuwachtig. Maar man, gij ziet mij aan,

alsof ik het grootste kwaad viui do wereld gedaan had \'

„lh\'1 grootste kwaad van de wereld nu wol niet,

maar toch wel kwaad, geloof ik. Ten slotte is mijne overtuiging, dat wij toch eigenlijk geen recht hadden, het kind van de vrouw af te nemen.\'

„Af to nemen? Ik zou liever zeggen; te stelen. De vrouw is oud en heeft een moeielijk leven achter den rug, wij ontlasten haar van de zorg voor haar kleinkind, die zij werkelijk niet kan dragen.quot;

„Van de zorg, maar ook van de liefde.

Mevrouw Termeulen haalde de schouders op.

„•Ta, gij hebt eigenlijk toch wel gelijk,quot; sprak haarman, „de zaak is geleurd, en e is misschiet\' evenveel goeds als kwaads in. Alleen spijt het mij, dat do vrouw zóó zenuwachtig was.quot;

„Dat spreekt immers van zelf? Het kost haar natuurlijk. van het kind te scheiden. Maar ik verzeker u, ik heb niet veel moeite gehad om haar over te halen. Dat viel mij zeer meê.\'-

„Ik zal eens spoedig naar haar gaan kijken,quot; sprak haar echtgenoot.

-ocr page 221-

211 —

Het duurde evenwel eenige dagen, voordat liij in de gelegenheid was, dat plan ten uitvoer te brengen. In dien tijd werd er niet veel over de zaak gesproken, maar wel gedacht. De weduwe de Munter worstelde in stilte met haar noodlot. Mevrouw Termeulen ging het zooals alle heilige karakters; zij had tegenover zichzelve en anderen alle argumenten gebruikt, die haar ten dienste stonden om haar wil door te drijven en nu zij haar zin had, trad de keerzijde van de zaak haar voor oogen en vond zij den grootsten bestrijder van tare denkwijze in haar eigen hart. Ds. Termeulen voelde, dat zijne vrouw ongelijk had, maar hij zag er tegen op, den strijd tegen haar te aanvaarden, wel wetende, wat Inj te genioet ging. Toch hield zijn geweten hein zoo lang het beeld dei-oude vrouw voor oogen, tot hij geeu oogenblik meer rust had en zoo ging hij er dan eindelijk heen.

Hij vond haar niet ijverig bezig zooals anders, maar op een stoel in elkaar gedoken achter den kachel zitten, /ij was ziek. Hel kind zat op den grond en zag er slecht verzorgd uit. Het was in het kleine vertrek nooit onberispelijk, maar thans was er een soort van wanorde die den predikant door de ziel sneed.

„Doininé raag wel niet rondkijkenquot; zeide de vrouw, nog sneller en zenuwachtiger sprekend dan anders, dooide koorts die door hare aderen joeg. .1 Is bier slordig. De aardigheid is er af. dat is liet maar.quot;

«\'•ij zijl ziek zeide ils. Termeulen met een pijnlijke poging om te doen alsof hij hare toespeling niel begreep.

„Ik heb er over gedacht,quot; hervatte de vrouw, „dag en nacht zit ik er over te denken. Ik kan niet meer verdienen, ik ben oud; harder werken kan ik niet. Ik

-ocr page 222-

kan wel zeggen, gij kunt het geld houden, dat zij mij van het weeshuis gaven voor bet kind, maar dan kan ik niet rond komen. Dus neem liet kind maar weg. Maar neem het nu ook maar gauw vveg. Dat is beter.

„Vrouw de Munter,quot; sprak haar bezoeker: ,.gij begrijpt ons niet. Wij hadden gedacht . . .

„Ja ik begrijp het best. Het moet zoo zijn. De meisjes zijn dood. En nu is de jongen ook dood. Het kind was alleen nog maar over en nu moet het ook weg. Ik begrijp, dat het zoo zijn moet.quot;

Ds. Termeulen zat langer dan een uur met haar te praten Daarop ging hij naar buis en toen bij zijne vrouw wederzag, stond hij tegenover haar meer als geestelijke dan als echtgenoot

,Johannaquot; zeide hij, .gij hebt verkeerd gedaan,quot;

.(lij zijl bij vrouw de Munter geweest?quot; vroeg zij snel. ..Wat hebt gij daar gedaan?quot;

„Ik heb gezegd, dat wij haar voortaan bet volle geld zouden geven, en haar nog meer helpen nis bet noodig was, maar dat zij het kind kon houden.quot;

.Willem 1quot; Hare stem klonk toornig; zij hield er in \'t geheel niet van in hare plannen gedwarsboomd te worden.

,Tk vond haar ziek van verdriet,quot; vervolgde baai-man. .En al was dat niet het geval geweest, dan hoop ik, dat ik toch zoo gehandeld zou hebben. Het gaat niet aan, die vrouw het eenige at\' te nemen wat zij nog over heeft.quot;

.Mij dunkt, wij staan in de eerste plaats voor de belangen der kinderen en dan voor die der grootmoeders of andere oude vrouwen.quot;

-ocr page 223-

„Waarom vvildet gij dat kind hebben?quot;

„Nu, dat is ook een vraag. Natuurlijk om het te halen uit dat ellendige, kleine, vuile kamertje waar geen lucht komt en waar ...quot;

„Neen,quot; hervatte hij zacht, „ik vraag u niets van het kamertje, ik vraag u, waarom gij het kind wilt hebben, Johanna?quot;

„Wel,quot; en hare stem klonk minder vast, „immersom het een goede opvoeding te geven. Het weeshuis is nu eenmaal zoo ingericht dat. . . volmaakt kan het natuurlijk niet wezen, maar toch /00 volmaakt mogelijk en ikgeloof..quot;

„Neen, ik spreek niet over het weeshuis.quot; Hij deed zijn hart geweld aan om te blijven volhouden. „Zeg mij alleen maar, waarom gij het kind hebben wilt.quot;

Haar mond trok zenuwachtig. „Och Willem.quot; zei ze, „het is zoo\'n lief\' klein kindje. Men kan er nog alles van maken, wat men wil. Die andere kinderen zijn al zoo groot, \'/ij zijn in allerlei gezinnen besteed geweest en hebben daar dingen geleerd, die zij, vrees ik, nooit meer af zullen leeren. Natuurlijk, men moet ze allen liefhebben en ik tracht het ook te doen. Maar dit kindje heeft zoo iets aardigs over zich. Kleine handjes, kleine voetjes, een fijn gezichtje, bepaald iets gedistingueerds, hebt gij er wel op gelet? En \'t is zoo\'n gedecideerd klein ding . .. Bijna zooals . . . ja, zooals men zijn eigen kindje zou wenschen. Ziet gij, als zij in het weeshuis kwam ... ik zou er dikwijls komen, ik zou haar aan mij wennen, ik zou haar dikwijls bij mij in huis halen, en langzamerhand /.ou misschien .. .quot;

„Vindt gij, dat wij een ander een groote droefheid mogen aandoen, om ons eigen leed te verzachten?quot;

-ocr page 224-

— 214

,N()en. het mag niet. Het mag niet. Maar Willem, ik zit zoo dikwijls alleen. Gij zijt toch nog al eens uit, niet waar? Ik heb getracht afleiding te vinden in het werk dat ik doe, en als het mij in huis te stil wordt, ga ik ook dikwijls uit, naar liet weeshuis, of naar de kinderen; ik verzeker het u, ik doe mijn best wel in dit opzicht. Maar hot voldoet mij zoo weinig. Wij vrouwen zijn er niet op aangelegd om do dingen te doen in het groot, of in lief, algemeen, liet pleit misschien tegen ons, maar hot is zoo. Wij moeten iets om ons heen hebben, waaraan wij ieder oogenblik allerlei kleinigheden kunnen doen. Kleine materieele zorgen dikwijls, die een ander net zoo goed kan doen. Zij zijn niet groot, zij eischen geen zelfopoffering, maar ondertusschen, zij maken ons gelukkig.quot;

Hij vreesde, ach voor de hoeveelste maal vreesde hij het al, dat op den duur de ontbering te groot voor haar zou zijn.

„Gij hebt gelijkquot; zeide hij. .Maar God wil, dat wij al deze dingen missen, cn dus moet het gedragen worden.

,Gedragen, Willem?quot; sprak zij heftig. „Er valt niets te dragen. Als het een zware, een inspannende arbeid was, dan was het niets. Dan was er iets om voor te worstelen on te strijden. Maar nu is het niet eens oen gemis, Het is iets wat wij nooit gehad hebben. Het is niets. En toch zien wij haar dagelijks, die groote leegte, en zij komt als een schaduw over al wat ik doe. Gij hebt uw werk, gij zijt veel uit, gij kunt dat zoo niet voelen, maar ik . , Zij zweeg plotseling.

„Neen,quot; sprak hij zacht, „ik voel het wel, maar ik heb u, Johanna. Gij waart mij bij het begin van ons huwelijk genoeg en gij zijt dat nog.quot;

-ocr page 225-

- 215 -

Haar golieele gelaat veranderde toen zij deze woorden hoorde, hare drift verdween, zij werd doodelijk bleek.

„Gij zijt zooveel beter dan ik,quot; zeide zij. ,0 zooveel beter. Gij zijt veel te goed voor mij.quot;

„Wij moeten ons leed aan God opdragen,quot; zeide hij.

„Het is zoo moeielijk,quot; sprak zij.

Een tijd lang zat zij zwijgend voor zich uit te staren, ook hij zeide niets en streelde zacht met zijn hand over haar hoofd.

„Het zou er iets van hebben,quot; sprak hij eindelijk, „alsof wij het ooilam daarginds weg haalden, om er onze tafel mee te versieren.quot;

„De gelijkenis gaat geheel niet op,quot; antwoordde zij, niet zonder eeuige bitterheid in hare stem. „Want rijk zijn wij toch niet.quot;

Hij zag haar aan, met een onuitsprekelijke teederheid in zijne oogen.

■„Ja, toch!quot; zeide zij en wierp zich aan zijne borst.

M. W, Maolainu Pont.

-ocr page 226-

-ocr page 227-
-ocr page 228-
-ocr page 229-

quot;W