-ocr page 1-

ESTERS

SCHETSEN

DOOR

EEN OUD-KLOKKENBERGER

(H. MEECKENS)

NIJMEGEN FIRMA H. TEN HOET 1898

-ocr page 2-

JUfiUNNIN/UH!

\\VEn\\TE.SKÜsP£Un i

GUNNING 6 D 12

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

PRIESTERS.

-ocr page 6-

JH^ÜNNIN^JH?

üfRIT£5AN3RfüRi

i°)olt;j). w. ^.l.e(jbde\\u«

-ocr page 7-

quot;aj-1-\'

fT; I I ■, : • • !\\|

lt;^#/2

PRIESTERS

SCHETSEN

Hi

r-!gt;

p I

I

n

L

x npR

nauoTHEei

?l j c»»

U 1 i v L£ CJ ■\' C.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

Aan den Heer H. MERCKENS.

Geachte Heer en Vriend,

Gij zoudt het aangenaam vinden wanneer ik uw ,Priestersquot; begeleidde met een woord, zooals ik dat uw „Profetenquot; deed. Gij hebt behoefte aan sympathie. Wie heeft dat niet, die iets van priesterlijk medelijden gevoelt. Gij zoudt zoo gaarne persoonlijk, zelfstandig, levend geloof helpen wekken. Wie niet met U, die iets profetisch weet te waardeeren. Waarschijnlijk zullen ook deze „Priestersquot; tegenstanders vinden evenals de „Profeten\'. Zoo ja, het prikkele U om een derde geschrift, getiteld „Koningenquot; te schrijven. Zoo

-ocr page 10-

komt gij tot overwinning. Langzamerhand zal er wel wat licht doorbreken en onze kinderen, voor wie het beste nog niet goed genoeg is, want het zijn , lanter Majestaten\' zei Zixzendorf, zullen er wel bij varen. Onderwijzers te hebben, christenen die wezenlijk gelooven dat God tot hen spreekt, ook tot hen, dat God, die eeuwig, onveranderlijk is, ook nu hoorbaar, verstaanbaar met hen spreekt, wat een voorrecht! Zij alleen toch kunnen onderwijzers, opvoeders, paedagogen zijn.

Aan Chateaubriand, aan Vinet, aan velen zou ik schoone citaten betreffende den priester kunnen ontleenen. Ik heb een oogenblik gedacht dat te doen want ik zou zoo gaarne uw geschrift er mede versieren. Vergenoeg U met dit woord van Michelet. Le mot prêtre, a l\'origine, voulait dire Vieillard; un jeune prêtre est un non-sens. Hij spreekt van den Roomschen priester, schijnt geen anderen te kennen en is dus niet rechtvaardig. Ik wensch U en mij een hoogen leeftijd toe en ook dan en dan vooral een helder hoofd en een warm, medelijdend hart. O, hoe heerlijk moet het zijn, als lid van het lichaam van Christus,

-ocr page 11-

met onzen Hoogepriester in den hemel geestelijk vereenigd, iets van het priesterlijk type in onze levensverhoudingen der wereld ten goede te doen komen. Lid der algemeene kerk zich te weten, van confessioneel intellectualisme verlost! „God zij ons genadig en zegene ons, Hij doe zijn aanschijn aan ons lichten. Opdat men op de aarde uwen weg kenne, onder alle heidenen uw heil\'. Psalm 67 : 2, 3.

Geloof mij als altijd uw

A. PIJN ACKER HORDIJK.

Nijmegen, Sept. \'98.

-ocr page 12-
-ocr page 13-

INHOUD.

Bladz.

Priesters...................11

Een priester zonder geslachtsrekening. Melchisedek. 15

Jethro, nog een priester des Allerhoogsten Gods . 18

Den God Israëis zien. Aaron, Nadab en Abihu . 21

Pinehas, een priester in wien het geslacht zijn ideaal bereikt..................23

Profeet en priester onder één oordeel......27

Eens priesters dood..............30

Heldenmoed.................32

a. Twee priestergroepen. 6. Onreinheid kennen.

Een priester die met zijn heiligdom ondergaat. Eli. 41

Een trouw priester ook profeet. Samuel.....46

Zacharia, een priester die in zijn heiligdom verstomt. 48

Abimelech, een priester die een zwaard achter den efod verborgen houdt...........52

Vreemd vuur. Nadab en Abihu........54

-ocr page 14-

X

Bladz.

Zoekt gij óók het priesterschap? De dienst van

het heiligdom genoeg. Een bloeiende staf . . 56

Bekleed met heil, Jojada...........60

Een koninkrijk van priesters..........64

Een nieuw heiligdom.............69

Een priester voor Gods vierschaar vrijgesproken . 72

Naschrift...................74

-ocr page 15-

Priesters.

„Een koninklijk priesterdom\' of een „koninkrijk van Priesters\', welke opvatting van die uitdrukking men ook moge verkiezen, er blijkt uit, dat de gemeente der toekomst uit priesters zal bestaan, dat priester-zijn dus nu haar ideaal moet wezen.

Wanneer men vraagt: kan men nu reeds pro-feteeren, profeet in de gemeente zijn ? dan is \'t antwoord; ja! ijvert er naar, spreekt nooit uw eigen woord, alleen Gods woord en draagt de gevolgen.

Maar vraagt men: kan men nu reeds priester zijn ? dan is \'t antwoord: ja ! tot ge met de profeten in aanraking komt; tot uw heiligdom verwoest wordt en uw oog opengaat voor een meer geestelijk heiligdom dan dat, waarin ge dienst deedt.

En wat is de dienst des heiligdoms ? De ongerechtigheid des volks dragen. En waarin openbaart

-ocr page 16-

12

zich die ongerechtigheid ? daarin, dat zij goden moeten hebben, die voor hun aangezicht gaan, m. a. w. hun zinnelijkheid. Die zinnelijkheid maakt dat er ceremoniën, zichtbare symbolen zijn, waardoor zij steeds aan God moeten herinnerd worden en die symbolen moet de priester in stand houden ; daarin bestaat zijn dienst: in stand houden van symbolen, die nabij de verdwijning zijn. Zoo legde Mozes het bedeksel van zijn wetten over zijn aangezicht, omdat Israël de heerlijkheid van de duisternis des kruises niet kon zien (zie Ex. XXXIII, 8 en XXXIV, 35) en dat deksel belette Israël en Jezus van Nazareth, die het voorhangsel scheurde, den Heilige Israëls te zien.

Maar voor de gemeente gingen die symbolen voorbij. De priesters hielden die symbolen trouw in stand, totdat de laatste priester, Zacharias, de tijd der verdwijning erkend had. Doch is daarom de herinnering aan die priesters overbodig ? Behoeft hun beeld niet in de gemeente voor den geest geroepen te worden, dewijl hun leven onmogelijk zooveel individualiteit kan doen zien, als dat van de profeten, die onmiddellijk Gods stem verstonden ? Zeker wel, want ook de gemeente is niet zoover, dat zij allen den Heer kennen van den kleinste tot den grootste. Ook de gemeente heeft nog hare symbolen noodig en die moeten in stand gehouden worden : immers, het avondmaal, tot Hij komt; de doop tot de huwelijken

-ocr page 17-

13

ophouden; immers de kerk zelve totdat het lichaam des Heeren volkomen zal zijn.

Maar gelijk onder Israël zoo ook nu: de priester, die voor de symbolen strijdt en de profeet, die ze niet waardeert, omdat hij het onmiddellijk naderen tot God noodig acht, zullen altijd tegenover elkander staan. Hoe immers zou men priester kunnen zijn, zonder zelfs van een gouden kalf waarvoor het volk zijn versiersels afstond te getuigen : „zie de goden, die u uit Egypte gevoerd hebben. Morgen zal den Heere een feest zijn.\' En dat de priesters de profeten weerstaan, die althans niet helpen de symbolen in eere te houden, omdat zij daarvan de verouding erkennen, is natuurlijk. Eerst in de ballingschap wordt in Ezechiëls leven priester en profeet met elkander verzoend.

Johannes de priesterzoon wordt de grootste profeet, maar als Jezus voor zijn doop verschijnt, erkent hij Hem als zijn meerdere, juist daarin, dat Jezus de zonde des volks op zich nam dat zijn priesterlijk karakter laat zien, waaraan Johannes als profeet den rug had toegekeerd. Hij, de priesterzoon, was tegen de zonde des volks opgetreden, had er tegen getuigd als de profeet. Jezus neemt ze op zich als de priester. Ziedaar het verschil maar tevens het bewijs dat het priesterzijn in deze bedeeling wel ideaal zal blijven, waaraan geen priester zóó kan voldoen, dat zijn individualiteit

-ocr page 18-

14

als priester aantrekt, omdat de Heiligheid des Heeren wel op zijn ambtsgewaad kan geschreven staan, mSar hij nog telkens voor zichzelven een offer behoeft.

-ocr page 19-

Ben Priester zonder geslachtsrekening. Melchisedek.

(Gen. XIV).

Volgens een gewoonte, die zal blijven heerschen, zoolang de overste dezer wereld de zinnen verblindt en al \'t schepsel doet zuchten, trekken vier koningen, waarvan Kedorlaomer de eerste was, op tegen de vijf koningen der vlakte van wie Bera de koning van Sodom en Birza de koning van Gomorrha de voornaamste waren. De vier blijken sterker dan de vijf. Spijzen, bezittingen en inwoners worden uit Sodom en Gomorrha geroofd en daaronder ook Lot, Abrahams neef met zijn vee. Maar sterker dan die vier blijkt Abraham met zijn drie bondgenooten en drie honderd achttien knechts en volgens \'t recht van den sterkste, dat nog nimmer voorstanders miste, is Abraham nu bezitter van dat alles. Doch niet om \'t bezit, maar om gerechtigheid en vrede was het Abraham te doen ; een zegen zijn, geweld uitroeien, dat was de drang

-ocr page 20-

16

van zijn gemoed, welke hem met zijn 318 knechts het leven deed zetten op die gewaagde onderneming. Geen draad van den buit wil hij behouden ; nooit zal de koning van Sodom kunnen zeggen: „dat waren mijn knechten, mijn kleinoodiën, mijn kemelen, welke Abraham nu door zijn kracht bezit. Abraham begeert alleen datgene te bezitten wat God hem geeft in zijn arbeid — een gezonde sociale stelregel.

Zoo komen hem dan op zijn terugtocht de vijf koningen, die gevlucht waren, tegemoet om ten minste van de vrijstelling der personen een dankbaar gebruik te maken. Doch zij zijn vergezeld van een zesde, Melchisedek, d. i. koning der gerechtigheid, en deze is koning van Salem, d. i. vrede. Een koning der gerechtigheid en des vredes: zijn naam en die van zijn woonplaats zijn geen ijdele klanken. Hij ziet dat alleen gerechtigheid vrede brengt, erkent de gerechtigheid van Abraham en ziet de vrede dagen. Door die gerechtigheid zou \'t geweld geknot en de vrede gebracht worden. Geen roof, maar alleen straf voor den roover. Melchisedek ziet in Abrahams daad een begin van de heil-eeuw en plotseling voelt hij zich een priester van den Hoogsten God, die Hemel en aarde bezit — geroepen om het voorhangsel — de verblinding van \'t recht des sterksten — te scheuren daarbinnen te gaan en Abraham den knecht van den God van Hemel en aarde te zegenen.

-ocr page 21-

17

Naast hem stond de koning van Sodom met zijn vier helpers, maar deze nog altijd vóór het voorhangsel ; voor hen was Abrahams daad nog onbegrijpelijk, mogelijk bedenkelijk, schoon zij er de zegeningen van genoten. Hadden die koningen en de overige Kanaiinieten dien priester begrepen, dan had Israël bij zijn eerste oordeel over de ongerechtigheid in \'t land (Richt. I) Jeruzalem, Melchisedeks stad, die stad des vredes niet behoeven te verbranden met vuur, omdat er geen stad des vredes in \'t land kon zijn vóór het oordeel voltrokken was.

Ook Christus heeft als Melchisedek het voorhangsel verscheurd in naam van God. En als Hij het wee uitspreekt over de steden van Israël en daarbij Sodom en Gomorrha in herinnering brengt, gebruikt Hij dezelfde aanduiding van God, die in dit verhaal tweemaal voorkomt: ,die Hemel en aarde bezit.quot;

Geen priester van eenig bepaald Heiligdom was Melchisedek ; een priester des Allerhoogsten. Zoo één heeft geen aanstelling van menschen ; aan zulk één kan men niet vragen: wie was uw vader ? uw moeder ? hoe oud is uw geslacht ? want de Allerhoogste is eeuwig, zoo is ook zijn priester ; en die priester is koning der gerechtigheid en des vredes, hij behoort tot een koninkrijk van priesters, wie hij ook zijn moge. Van eeuwigheid uitverkoren, dat is de roem van ieder, die

2

-ocr page 22-

18

door den bannhartigeu hoogepriester tot het koninkrijk van priesters is geroepen. *)

Jethro, nog een priester des Allerhoogsten.

(Ex. XVIII).

Zoodra het geslacht van Jakob is bevrijd uit Egypte komen de Amalekieten, nakomelingen van Ezau\'s kleinzoon, de vertegenwoordigers van \'t geweld, de vijand, wiens gedachtenis zij van onder den hemel moesten wegdoen (Deut. XXV, 19) hun te gemoet. Die vluchtende herders, zoo meenden zij, zouden een lichte prooi zijn. Maar Abrahams zaad houdt stand. De profeet bidt, priester en oudste steunen hem en Amalek wordt geslagen. Een overwinning op \'t geweld als die van Abraham op Kedorlaomer en gelijk toen een priester des Allerhoogsten, Melchisedek, verschijnt om hem te

\') Te Jeruzalem sticht Salomo een tempel voorden God van Israël en daarin doet het geslacht van Pinehas dienst.

Esra wijdt den tweeden tempel aau den God van Hemel eu aarde, waarin een priester (Jozua) optreedt die door God wordt rein verklaard.

Het lichaam van Christus, de gemeente vervangt dien tempel en de priesters daarin zijn naar de ordeuing van Melchisedek eu niet naar menschelyke geslachtsrekening.

-ocr page 23-

19

zegenen en een offer te ontvangen, zoo treedt nu een andere priester te voorschijn om hem te zegenen en den Heer te loven, „die grooter is dan alle Goden.quot; Het is Jethro, een priester uit Midean, schoonvader van Mozes. Toen deze het Egyptische hof moest ontvluchten omdat hij met een zwaard had willen doen, wat de Heer met een herdersstaf gedaan wilde hebben, was het deze priester, welke hem dien staf in de hand gaf en tegelijk daarmede een vrouw zijner waardig, die voor de instelling van zijn volk haar leven waagde. (Ex. IV, 24—26).1) En toen de Heer Mozes riep om dien staf in Egypte te gebruiken, was die priester terstond bereid niet alleen hem te laten gaan, maar ook zijne dochter op dien gevaarvollen tocht mede te geven, als tegenstelling van de ondervinding welke Jakob van Laban had.

Die vrouw schijnt intusschen naar huis terug gekeerd te zijn, maar nu Mozes ten tweeden male de woestijn binnentreedt, ditmaal als aanvoerder van een groote menigte, en zoo even een hache-lijken strijd met een rooverstam gelukkig ten einde bracht, nu komt Jethro hem tegemoet met zijne vrouw en met een raad, die hem het gebruik van zijn staf, de leiding en vorming van zijn volk zal leeren.

Jethro, de priester verheugt zich over de goedheid des Heeren over Israël, looft hem omdat

1

Zie: Pe Profeten, (bij dcDzelfden uitgever) blz. G

-ocr page 24-

20

Hij de allerhoogste is, maar nog meer. Het eerste offer, waarvan bij het volk van Israël sprake is, wordt door hem gebracht, het is een offer niet den God van Israël door een zoon Aarons gebracht, het is een offer aan den God der Goden door den priester van Midean. Jethro, Mozes schoonvader, neemt een brandoffer en offerhanden voor God en Aaron kwam en al de oudsten van Israël om brood te eten met Mozes\' schoonvader vóór God. Een volksoffer: daartoe geeft Jethro liet voorbeeld.

Maar nog meer. Hij ziet den volgenden morgen hoe Mozes zich afmat met kleine rechtzaken. Och! dat is niet het rechte gebruik van den staf. Laat bekwame, godvreezende, waarachtige mannen, die de gierigheid haten, oversten en rechters zijn over 50 en over 100. Laat alleen de zware zaken voor u komen. Laat hen den last met u dragen.

Gij zult hun inzettingen en wetten leeren en hun toonen den weg, dien zij gaan moeten en het werk dat ze te doen hebben.

„Doe zoo, als God het u bevelen zal.quot; Zulk een woord uit den mond des priesters is iets ongewoons. „Vervloekt! wie afwijkt van des priesters woord of opvatting,\' dat hoort men meer.

En God beval het aan Mozes. Hij leerde hen op den berg de inzettingen omtrent het altaar van de kinderen Israëls, Hij gaf een profetischen geest aan 70 oudsten. En Aaron bediende het

-ocr page 25-

21

altaar en de oudsten spraken recht, maar Mozes ging in de duisternis waarvoor Aaron en de oudsten terugdeinsden.

Maar nog een dienst komt uit Jethro\'s huis. Zijn zoon Hobab wordt Israëls gids door de woestijn en krijgt een erfenis in \'t land Kanaan. En Mozes laat zijn schoonvader vertrekken; deze gaat terug naar zijn eigen land.

Niet veel wordt van Jethro medegedeeld. Hij verschijnt als Melchisedek maar even op \'t tooneel, maar zijn instellingen zijn de grond van Israëls grootheid en hij laat een langen lichtstraal na waarin ieder priester klein wordt die niet bij zijn inzettingen voegt: „Als God het u bevelen zal,\' en die niet naar zijn plaats gaat als hij zijn raad heeft medegedeeld.

Den God Israëls zien. Aaron, Nadab en Abihu.

(Ex. XXIV).

Mozes moet tot den Heer opklimmen; ook Aaron, Nadab en Abihu en 70 oudsten, maar deze moeten van verre nederbuigen, Mozes alleen moet naderen. De profeet, die de duisternis durft in te gaan staat midden in de wolk op den bergtop en die schijnt Israël toe als een verteerend vuur.

-ocr page 26-

22

Maar ook de priester moet getuigen van \'t geen liij, schoon van verre, gezien heeft.

En Aiiron, Nadab en Abihu met de oudsten zien den God Israëls ; zij doordringen de eerste wolkenlaag die den berg omgeeft en zien het blauw des Hemels en de saffiersteenen van den Sinai — de Hemel in zijn klaarheid — en \'t is hun genoeg. Ze hebben de Heerlijkheid Gods gezien achter de wolk en zijn voldaan ; het is hun een zaligheid weer te kunnen eten en drinken, hun dagelijks leven te hervatten nadat zij God gezien hadden. Zij moeten immers van die heerlijkheid alleen aan deze zijde van de wolk getuigen, onder het volk, dat alleen een zichtbare, een zinnelijke Heerlijkheid kan verstaan.

Maar de profeet, die dat gezien heeft en meer, die God ontmoet heeft in een wolk, die het volk een verteerend vuur toescheen, hij is niet voldaan. „Toon mij nu uwe Heerlijkheid,quot; zoo smeekt hij, uwe Heerlijkheid, waarvan dat blauw, dat saffier dat Gij den Priesters toondet, slechts het beeld was. Onmogelijk! slechts de slippen van Zijn kleed als Hij voorbijgegaan is, kan de Allerhoogste ons laten zien om ons te doen uitroepen: „Barmhartig is de Heer !\'

Maar was het bij uitzondering dat de oudsten den God Israëls zagen, of is het de doorgaande roeping en verplichting in Israël gebleven ? Ongetwijfeld het laatste. Immers het is een ver-

-ocr page 27-

23

wijt dat de Heer (Joh. V, 37) aan Israëls oudsten doet: „Gij hebt noch zijne (Gods) stem ooit gehoord, noch zijne gedaante gezien.\' Het was daarom dat zij den Heiland niet erkenden. Aaron was met de oudsten door de wolk gedrongen die de Heerlijkheid Gods omhulde en dat hadden de Farizeeën en schriftgeleerden nooit beproefd.

Het zien van God, als de gestalte des Hemels in zijne klaarheid achter de wolk, stelde Aaron in staat den berg te bestijgen en daar te sterven.

De Farizeeën en schriftgeleerden doodden Hem, die sprak van „het leven te winnen door het te verliezen.\'

Pinehas, een Priester in wien \'t geslacht zijn ideaal bereikt.

(Num. XXV, Kicht. XX).

Ten allen tijde heeft de Heer op deze aarde heiligdommen gesticht, die getuigen zouden van zijn wonen onder de menschen en in die heiligdommen naar menschelijke ordening priesters doen verkiezen, welke den dienst daarin waarnamen. En die dienst is: de ongerechtigheid des volks dragen; de ongerechtigheid, d. i. de zinnelijkheid, het knielen in het stof vóór het voorhangsel, het springen over den drempel (Zefanja), alsof er

-ocr page 28-

24

hinderpalen, voetangels, waren voor hen die tot God willen naderen. Onder die priesters waren Aaron, maar hij was niet de heerlijkste, ook Eliazar, maar ook zijn naam zou sterven, doch zijn zoon Pinehas! (zijn moeder was een dochter van Putiel), met hem eindigt de optelling dor priesters Ex. VI, 25; wie zou nog genoemd kunnen worden na hem, van wien de Heer getuigt Num. XXV, 12, 13 : Zie ik geef hem het verbond des eeuwigen priesterdoms, daarom dat hij voor zijn God geijverd en verzoening gedaan heeft voor de kinderen Israëls.

Waardoor kreeg die man de onderscheiding in Ps. 106 de eenige groote man te heeten te midden van een geslacht van afvalligen?

Bileam heeft Israël niet kunnen vloeken, er was geen tooverij tegen dat volk en zoo was hem de zoozeer begeerde belooning ontgaan.

Maar Israël, dat weet hij, kan een vloek op zich laden als het zich tot zinnelijken afgodendienst laat verleiden door Moabs dochteren. Die verleiding raadt hij Balak aan. Israël valt en de plaag verschijnt. „Een ieder,quot; zoo spreekt Mozes, „doode zijn mannen, die zich aan Baal Peor gekoppeld hebben.\' De weinigen, die dat bevel willen opvolgen, komen weenend voor Mozes en den Tabernakel. Die weinige weenenden! ziedaar naar het troostrijke schriftgebruik de gansche vergadering van Israël. De rest van \'t volk wordt

-ocr page 29-

25

behouden door hun berouw, door hunne boete. Maar hoe, als die weenenden met hun profeet Mozes en hun priester Eliazar gehoond worden door een vorst, die een moabietische vorstin voorbij den Tabernakel leidt op weg naar hun moabietische gruwelen, met het doel zijne mede-rechters tot navolging aan te sporen. Wie zal durven slaan als de vorsten, de rechters, in het kwaad voorgaan? Dat Mozes en Eliazar verplet zijn door die roekelooze stoutmoedigheid en dat moedeloosheid de weenenden aangrijpt, laat zich voorstellen.

Maar kracht is der jongelingen sieraad: zij hebben den satan overwonnen, want zij hebben geen aanzien des persoons. Pinehas voelt de verontwaardiging rijzen, hij ziet zijn volk ten gronde richten, neemt een spies, vervolgt de misdadigers en zonder angstig te vragen of het zijn roeping wel is, zonder zijn eigen leven te ontzien of zich om den rang der zondaars te bekommeren, doorsteekt hij ze beiden. De zonde is weggedaan, de plaag is geweken en het verbond des eeuwigen priesterdoms is zijn loon.

Reeds deze daad zou Pinehas voor oogen stellen als een held, een redder van zijn volk, eene figuur om lief te hebben, zoodat het niet verwondert hem in dat licht in Ps. 106 genoemd te zien.

Maar nog eenmaal wijst hij zijn volk — ook ons misschien? — den rechten weg.

-ocr page 30-

26

Eeue stad in Benjamin is gevallen in de zonden der heidenen en de stam weigert de euveldaders aan de vergadering der Israëlieten over te geven, maar gordt zich aan tot den strijd. De stammen trekken op naar het huis Gods te Mispa. Juda wordt door den Heer als aanvoerder in den strijd aangewezen, maar de Benjaminieten verslaan 22000 man. Mismoedig keeren de verslagenen des avonds naar het Heiligdom terug en weenen. Zullen zij nogmaals optrekken? Ja! optrekken, antwoordt de Heer; de ongerechtigheid moet immers uit Israël uitgeroeid worden. Zij trekken uit den volgenden dag, maar 18000 worden door de Benjaminieten verslagen. Zoo tweemaal te schande gemaakt door hen, die \'t kwaad in bescherming namen, keeren ze moedeloozer dan ooit naar het Heiligdom terug en daar vinden ze Pinehas. Die staat daar voor het aangezicht des Heeren. Zal hij hun die dubbele nederlaag weten te verklaren ? Immers toen hij in \'t zelfde geval een enkele spiesworp waagde was \'t kwaad geweken.

Zeker heeft hij daar het geheim van zijn kracht aan de vragenden geopenbaard, een geheim, dat zij uit de geschiedenis nog niet verstaan hadden. Onder zijn leiding zien wij nu de verslagenen vasten tot aan den avond en brandoffers en dankoffers offeren. Eerst een offer voor eigen schuld en die der broederen, dan een dankoffer! zoo gaat de priester, die \'t eeuwig verbond des priester-

-ocr page 31-

27

doms heeft, zijn volk vóór. En nu wordt Benjamin gestraft, maar ook de stam na die straf met broederlijke zorg gered.

Zoolang zij op hoogen toon als rechtvaardigen hun broeder willen vonnissen, worden zij verslagen.

De Heer staat eerst aan hunne zijde als zij eigen schuld erkennen en belijden, vasten en offeren.

Begeert men de kracht van Pinehas, zijn succes en zijn onderscheiding, ze zijn te vinden op den weg dien hij zijn volk wees.

Profeet en Priester onder één oordeel.

(Num. 20).

Ondanks de aanvoering en leiding van profeet en priester heeft de „gemeente des Heeren\' gebrek aan water. De priester die het aangezicht van Farao\'s toovenaars schaamrood maakte, de profeet die met zijn staf de roode zee kliefde, zij moeten het verwijt hooren : „waarom hebt gij de gemeente des Heeren in deze woestijn gebracht dat wij daar sterven zouden. Welke heerlijkheid is hier? geen vijgen, geen wijnstokken, geen granaatappelen! ... zelfs de eerste behoefte niet: geen water om te drinken, (\'t Volk vraagt als altijd \'t laatst naar \'t noodigste). Toch hebt gij ons een land voorspeld vloeiend van melk en honig.

-ocr page 32-

28

Aan wie de schuld ? Zeker niet aan de karig-lieid van Jehova. Laat de gemeente bij dorheid toch niet de schuld zoeken bij de voorgangers noch de voorgangers bij de gemeente, een Meriba is een treurige pleisterplaats.

Aan wie de schuld ? allereerst de schuld van profeet en priester, die de Heerlijkheid des Heeren niet zien en ze dus ook niet kunnen toonen. Gelukkig worden Mozes en Aaron door den nood naar de tent der samenkomst gedreven en daar verschijnt hun die heerlijkheid weer: Gods rijkdom, Gods barmhartigheid waarvan hij hen beiden uitdeelers gemaakt heeft. De staf Gods ligt daar immers als altijd voor het aangezicht des Heeren ! Laat die daar niet ongebruikt liggen maar neem die op. Mozes doet zoo. Maar kunnen hij en Aaron dan altijd dien staf bij de hand hebben? Is het niet goed dat dit zinnelijk volk dat telkens weer naar Egypte het oog slaat, eens gebrek lijdt. Zij moesten toch hongeren om te leeren dat de mensch bij brood alleen niet kan leven, maar bij alles dat den mond Gods uitgaat. (Deut. VIII, 3). Is het nu billijk dat Mozes en Aaron in \'t openbaar ongelijk krijgen. Is het deze gedachte waardoor zij bij \'t zien van Gods Heerlijkheid ditmaal alleen op zijn macht letten en daardoor dat gedeelte van hun last vergeten waarin Gods barmhartigheid uitkwam. De gemeente toch zal zeggen, en niet ten onrechte: waarom die staf niet vroeger

-ocr page 33-

29

van voor des Heeren aangezicht genomen, \'t is toch immers uw eigen staf! Hadden zij vroeger op de rots mogen slaan, opdat Israël zou leeren dat hun uitkomst kwam door hun voorgangers, nu behoeft de staf geen rol te vervullen. Het enkele spreken, het overbrengen vau Gods bevel aan den steen zou hem dwingen het volk te drinken. De Heer is barmhartig en regeert over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Ditmaal heeft de Heer van hen beide niets noodig, dan dat zij den Heer gelooven en Hem voorstellen gelijk Hij is : barmhartig, vergevende de ongerechtigheid. Doch een oogenblik is dit de beide aanvoerders te ruim. „Zullen wij water voor u voortbrengen, gij hardnekkigen?quot; Ja! gewis; het is immers niet uw water, niet uw rots, niet uw volk? En de staf, dien Mozes met zooveel zelfverloochening bij Horeb opnam, toen hij er voor vluchten wilde bij de vergelijking met zijn vroeger zwaard, behoeft nu geen dienst te doen. Maar zij zijn verbitterd. Zullen wij water voortbrengen? en zij doen het met den staf; \'t was nu hun werk en had de smaak van hun ongenoegen, \'t was geen verkwikking, \'t was twistwater. Zij bederven er de vreugd van; zij lieten de zon ondergaan op hun toorn, de zon, die de Vader in de Hemelen doet schijnen over boozen en goeden.

\'s Heeren gemeente, profeet en priesters, alleen in de schuld; maar \'t oordeel valt op profeeten

-ocr page 34-

30

priester. En waar is de profeet of de priester, die dat vonnis niet onderschrijft, die niet erkent dat ieder gebrek aan water in de gemeente komt omdat de staf Godes niet in de hand was, dat de eerste oorzaak van den twist bij hen schuilt.

\'t Land wel zien van verre, maar niet daarin komen; dat was het vonnis want „de Heer vertoornde zich op Mozes en Aaron om den wille van \'t volk.\' Ook nu draagt Aiiron de zonde zijns volks, maar \'t is ook zijn eigen zonde.

Eens Priesters dood.

(Num. XX).

„Als een kudde,quot; heeft Aaron saam met zijn broeder Mozes zijn volk geleid in de woestijn, maar die kudde was weerspannig en daarom was het veroorzaakt, dat eenmaal ook hij den Heer niet geheiligd had bij het twistwater — hij zal de belofte niet verkrijgen, hij zal de gemeente niet inbrengen in het land — hij zal de ongerechtigheid zijns volks, zoowel als zijn eigene dragen.

De profeet, wiens mond hij geweest is, moet hem zijn dood aanzeggen; een dood in \'t volle licht, ten aanschouwe van de geheele gemeente. Zijn heengaan moet het beeld zijns levens zijn, evenals Davids laatste woorden (II Sam. XXII, Ps. XYIII) de som van zijn leven behelzen.

-ocr page 35-

31

Een berg bestijgen^ geleid door Mozes, zich zijn priesterkleed laten uittrekken, opdat daarmede zijn zoon zou bekleed worden. Sterven, altijd sterven — dit was ook de les voor Aaron geweest, sterven zelfs aan de meest onschuldige menschelijke bewegingen : de Heiligheid des Hoeren vertoonen, door die te erkennen in alles wat Hij doet. En dat heeft Aaron geleerd.

Als zijn beide zonen geoordeeld worden door quot;quot;t vuur des Heeren, zwijgt hij stil. Als iemand uit zijn huis sterft heeft hij geen teekenen van rouw\' mogen laten zien. Als er een plaag woedde, was zijn plaats met het wierookvat „tusschen de levenden en de doodenquot;. Zonder tegenspraak nam hij overal zijne plaats in en toen de tegensprekers hem wilden verdringen, nam hij de toevlucht tot de Tent der saamkomst, waar zijn staf bloesem en vrucht droeg.

En nu ziet hem het volk daar vóór zich den berg bestijgen, een heerlijke figuur, geleid dooiden profeet, zijn zoon naast hem, gereed zijn gewaad achter te laten en te sterven op Gods bevel, aan de grens van \'t land van Edom in een moeilijk tijdsgewicht.

Zoo kreeg Israël door den Priester Aaron reeds eer het een land ter woon had, in een spiegel, de heerlijkheid te zien van den Messias, die ook gehoorzaam aan den Vader den heuvel Golgotha besteeg — gelijk in de profeten geschreven stond —

-ocr page 36-

32

eu zijn geest op zijn discipelen uitstortte, opdat die Zijn werk hier zouden volbrengen in den moeilijken tijd, die zijn volk tegemoet ging. Zou Israël er iets van verstaan hebben? Dwaze vraag! Hoe zou de man, die ons dit te boek stelde zoo, dat wij het er uit verstaan, dit niet gezien hebben ? Zou Israël dit verhaal door de eeuwen heen bewaard hebben zoo zij er niets in gezien hadden dan een gebeurtenis met een priester uit lang vervlogen tijd ? Jezus immers bestraft zijne discipelen op den weg naar Emaus, noemt hen onverstandig en traag van hart, dat ze niet verstaan hadden dat de Christus alzoo lijden moest en van Mozes beginnende, toonde hij hun wat van Hem geschreven was.

Wanneer wij Mozes eu de profeten lezende niet den Heiland en zijn kruis zien, ligt het aan ons onverstand en de traagheid van ons hart.

Heldenmoed.

a. Twee Peiestergeoepen. (Jozua III, IV—esea VIII).

Vóór de Jordaan tegenover Jericho ligt Israël gereed, onder Jozua het land binnen te trekken: de priesters die de arke dragen, veertig duizend strijdbare mannen en het volk.

-ocr page 37-

33

Zij hebben daar overnacht, de duisternis is over hen heengegaan: in het volle licht zullen zij den stroom overtrekken. Zij hebben zich geheiligd, want „morgen zal de Heer wonderheden in het midden van hen doen.quot;

Toen hunne vaderen het diensthuis ontvloden, waren zij vóór de roode zee gekomen in een donkere wolk. Zij waren verschrikt en Mozes had tot den Heer geroepen, maar de Heer had hem geantwoord: „Wat roept gij tot mij? strek uw staf uit!quot; en de zee was tot een muur geworden. Droogvoets was het volk er doorgetrokken, maar \'t was een angstige tocht geweest, waarbij de bliksemstralen hun als een „vuurkolom\' den weg wezen, terwijl de duisternis de vervolgende Egyp-tenaren aan hun oog onttrok. Dat hun angst gegrond was bleek wel, toen Farao en zijn volk verzwolgen werd.

Als een kudde waren zij er echter door Mozes en Aaron doorgeleid en zij hadden een lied gezongen, zooals er nooit meer een op aarde weerklonken heeft: een lied van verlossing, waarin een geheel volk instemde omdat ieder persoonlijk die verlossing gedeeld en erkend had, een lied waarvan wij de herhaling verwachten. (Openb. XV, 3).

Veertig jaren zijn sedert verloopen. Dat Israël, dat nu vóór de Jordaan ligt, weet wat wonderen zijn — maar toch zullen zij morgen een weg moeten gaan, „door welke zij gisteren en eergis-

3

-ocr page 38-

34

teren niet gegaan waren. Zij hebben zich geheiligd, maar toch moet er een afstand blijven van tweeduizend ellen tusschen hen en de priesters, die de arke dragen, opdat ze allen die priesters zouden kunnen zien, die nu inplaats van Mozes staf de Jordaan zouden uitdrogen.

Het volk is geheiligd; zij zijn bereid de priesters te volgen en zoo zal de gevaarvolle tocht op den helderen dag kunnen geschieden. Maar toch! De Jordaan is vol aan al zijn oevers ! Als de wateren eens keerden, als zij hen die in de bedding zijn eens verzwolgen als Farao weleer, de ééne helft die reeds den oever bereikte, scheidde van hen die nog aan de andere zijde stonden en de beide verschrikte deelen zoo een gemakkelijke prooi werden van de heidenen aan deze en gene zijde der rivier!

Als ....!

Zou het overtrekken van den Jordaan bij dag zooveel gemakkelijker zijn dan in de duisternis? Alleen in één opzicht. Zij kunnen de priesters zien. *) Daarginds hooger op, waar de wateren stil staan, houden deze stand totdat de laatste man is overgetrokken. Zij, de mannen, die van God getuigen moeten, nemen de gevaarlijkste plaats in. Zoolang Israël hen daar ziet pal staan is er geen gevaar. Met hun leven zijn zij borg voor het woord des Heeren.

♦) Het verschil tusschen het oude cn nieuwe verbond.

-ocr page 39-

35

En als herinnering neemt Jozua 12steenenuit de rivier en zet die op tot een gedachtenis en plant 12 steenen in de bedding; dan eerst beveelt hij den priester: ,klimt op uit de rivier!\' en de stroom vult weer de bedding.

Moed en gehoorzaamheid, de twee eigenschappen van den profeet — ook de priester kan ze niet missen, ook hij moet zijn leven willen verliezen.

Nog weer vele jaren later en een gedeelte van Israël staat gereed uit een diensthuis, uit de ballingschap naar Kanailn te vertrekken. Koning Kores had hun vroeger toegestaan naar hun land terug te keeren, maar velen hadden van die vrijheid geen gebruik gemaakt.

Welke aantrekkelijkheid was er ook in voor hen, die zich in die 70 jaren in Babel hadden te huis gemaakt om nu in een verwoest land, met in puin verkeerde steden terug te keeren.

Alleen zij die weer de liederen Sions wenschten te zingen, die verlangden naar de stad Davids, naar den heiligen tempel, zij waren vertrokken. Even als uit Egypte waren zij met rijke schatten en de Tempelvaten weggetrokken, maar in het land gekomen hadden zij bitteren tegenstand gevonden van talrijke vijanden rondom.

Toch heeft hun voorbeeld anderen opgewekt. Esra wordt als landvoogd naar Jerusalem afge-

-ocr page 40-

36

vaardigd door koning Artahsasta en ieder van \'t volk van Israël die wil mag mede trekken. Vele rijke geschenken krijgt hij mede om voor den koning en zijn volk offers te brengen te Jerusalem ; gouden vaten voor den dienst en wat nog noodig zal zijn mag hij uit het schathuis des konings nemen. Een blijde uittocht zou men meenen. Toch maken slechts ruim 1500 mannen met hunne gezinnen van die vrijheid gebruik. Zij willen dien moeilijken tocht wagen, hun rust en gemak prijsgeven en de zwarigheden van hun volk in Kanaan gaan deelen.

Bij de telling blijkt echter dat er zich geen priesters voor dien tocht hebben aangemeld. De gemeente gaat hier de priesters vóór. Maar Esra berust er niet in. Hij zendt een boodschap aan de oudsten die hij kent, „dat zij hem zouden brengen dienaars voor het huis onzes Gods.quot; En zij brachten een man van verstand, Serebja, met zijn zonen en broederen, achttien man, nog twintig anderen en 220 Nethinim, dienaren der Levieten.

Was het beschamend dat ze niet zelf uit eigen aandrang kwamen, nu zij er zijn verloochenen zij hunne roeping niet.

Als allen saam zijn roept Esra een vasten uit. Zij staan wel niet voor een breede zee of eene rivier, „vol aan al hare oevers\', maar zij staan aan den aanvang van een reis door streken met vijandige, afgunstige bewoners. Zij hebben groote

-ocr page 41-

37

schatten bij zich en de terugkeerenden waren niet tot een krijgstocht uitgerust. Esra, die alles van den koning kon verkrijgen, had ook „een heir en ruitersquot; kunnen vragen om hen te beschermen ; maar hij schaamde zich, want hij had gezegd; „De hand des Heeren is ten goede over allen, die Hem zoeken.quot; Dat had hij gezegd en dat geloofde liij, (welk een verschil met ons!) Alzoo vastte hij.

Het volk is geheiligd en zal als Israël weleer den tocht aanvaarden, maar eerst den meest gevaarvollen post en de grootste verantwoording aan de priesters opgedragen. Immers om het goud en het zilver zou het den aanvallers te doen zijn ! welnu : twaalf priesters afgezonderd, hun het zilver en \'t goud toegewogen en de vaten voorgeteld. „Waakt en bewaart het, dat gij het opweegt te Jerusalem in de kameren van des Heeren huis.\' Geen tegenspraak ; „Toen ontvingen de Priesters en de Levieten het gewicht des zilvers en des gouds en der vaten.quot;

„En de hand onzes Gods was over ons en redde ons van hen, die lagen legden op den wegquot; — gevaren dus en redding.

En toen allen na hun aankomst drie dagen rustig in Jerusalem vertoefd hadden, werden de priesters eerst den vierden dag geroepen om de schatten in te leveren en van hunne zware verantwoording ontslagen te worden.

Gehoorzaamheid en moed als gevolg van geloof

-ocr page 42-

38

in den God wiens altaar men bedient, dat is \'t kenmerk van den waren priester.

b. Onreinheid kennen :

Azaria de priester met 80 kloeke mannen. üzzia melaatsch. (II che. XXVI, 21).

Het is des priesters werk onreinheid te kennen en de kenteekenen van de onreinheid heeft God den priesteren in zijne wet gegeven. Bij twijfel moet de priester afzonderen totdat die is weggenomen öf door herstel, öf door verergering en in \'t laatste geval moet hij den onreine afsnijden van des Heeren huis. (II Chr. XXVI, 21).

Onder Israël was melaatschheid het type, het algemeen zinnebeeld van onreinheid en de geestelijke roeping van den priester is daarom in de voorschriften omtrent die uitwendige onreinheid juist bepaald. Waar de schrift hierop wijzen wil, schetst zij eerst de inwendige onreinheid en laat de uitwendige als bewijs daarvan optreden. Zoo omgekeerd verzekert de Heer den geraakte eerst van de vergeving zijner zonden en laat als kleine toegift het zichtbare beeld daarvan, de herstelling van zijn ziekte, volgen.

De onreinheid of zinnelijkheid van Miriam (Numeri XII, 10) bestond daarin, dat zij door

-ocr page 43-

39

vleeschelijke voorkeur van haar volk onrein of gemeen achtte wat God gereinigd had en zoo de daad van Mozes niet verstond, toen hij de Cuschietische huwde en die in zijn volk opnam als type van zijn verwachtingen. Miriam werd melaatsch.

„Och mijnheer! leg niet op ons de zonde waarmede wij zottelijk gedaan hebben en waarmede wij gezondigd hebben,quot; riep Aaron. Het is een dwaasheid, eene zonde, en als zoodanig dadelijk erkend en genezen.

Niet zoo echter is het in \'t geval met den hoovaardigen koning Uzzia. Hij heeft Israël tot grooten bloei en uitwendig aanzien gebracht. Hij werd wonderlijk geholpen tot hij sterk werd (Chr. XXVI, 15). Zoo verhief zich zijn hart en hij wilde zich ook de roeping toeëigenen waartoe God de priesters geheiligd had: hij dringt in het heiligdom om te rooken op het reukaltaar. Het zou kunnen bevreemden dat bij Uzzia als onreinheid en schuld werd aangemerkt, wat in David, Salomo en vele koningen na hen wordt geprezen. Immers Davids zonen waren ook priesters, dat staat duidelijk in den bijbel (met kant-teekeningen namelijk, want de overzetters hebben in H Sam VIII, 18 in den tekst „prinsenquot; gezet voor een woord dat zij overal anders door priester vertalen, maar de ware vertaling aan den kant geschreven). Waar David echter (zie: Een

-ocr page 44-

40

nieuw Heiligdom, hierachter) een priesterrok aantrekt is het om zich gering voor te doen onder de knechten en de maagden, met wie hij verheerlijkt wil worden. (I Kon. III, 4). Als Salomo offert beklimt hij een groote hoogte; of is het geen groote hoogte die men beklimmen moet om bij het offer niets voor zich, alles alleen voor zijn volk te vragen?

Maar als Uzzia het wierookaltaar nadert is het om boven den aangestelden en gezalfden priester door zijn macht uit te steken. Het is de poging om van het priesterschap te maken wat het onder Saul was, een knechtschap om aan \'s konings grillen te voldoen, of zoo zijn begeerte niet zoo spoedig hij wenschte vervuld kon worden, te worden heengezonden. (Sam. XIV, 18, 19).

En dat is zinnelijkheid en dus onreinheid, de geestelijke macht verwarren, gelijkstellen, met de stoffelijke. Bij de geestelijke macht behoort de stoffelijke, maar de laatste waarborgt nooit de eerste. Het zichtbare boven het geestelijke stellen dat is onreinheid of zinnelijkheid, heidendom, volgens Jezus woord.

Dat erkennen Azaria de priester met zijn 80 kloeke mannen. Zij weerstaan den koning. Men moet niet licht denken over den heldenmoed dier priesters, zulk een machtig koning te weerstaan op grond van een erkenning van inwendige onreinheid. Wanneer men hier wil beweren dat zij

-ocr page 45-

41

eenvoudig de uitwendige schennis der instelling wraken ziet men toch de vroeger vermelde handelingen der vrome koningen voorbij. (II Sam. VI, 17, 28. I Chr. XVI, 2. II Chr. V, 6. etc.) Maar de Heer geeft getuigenis aan die priester-trouw en straft Uzzia ook met het uitwendig kenmerk der onreinheid; hij wordt melaatsch en nu is hun recht, hem uit te drijven en af te snijden van het huis Gods, openbaar voor al het volk.

Onreinheid kennen is de roeping des priesters; de onreinen weerstaan, ook al zijn het koningen is hun taak. Waar zij, als deze moedige mannen, er niet voor terugbeven, laat God zelf de juistheid van hun vonnis aan het licht komen.

Een priester die met zijn heiligdom ondergaat. Eli.

Een priester moet zorgen dat de symbolen volgens de instelling bediend worden ; dat zij aan de geestelijke dingen, welke zij oorspronkelijk moesten voorstellen, blijven beantwoorden.

In alle godsdiensten der heidenen trof men plechtigheden aan, wier oorsprong vergeten was en die men als bloot uitwendige gebruiken in acht bleef nemen en daarmede hangt de ontaarding en de ondergang van al die godsdiensten saam.

-ocr page 46-

42

Een volksoffer had Jethro, de priester van Midean het eerst in Israël gebracht en Aaron had op Gods bevel zijn wenk gevolgd. De aard der plechtigheid was natuurlijk een uitbreiding van het patriarchaal offer, doch waarbij de grondgedachte behouden bleef : God ontmoet den zondigen mensch, doch alleen in den dood, \'t geen door bloedstorting werd aangeduid.

Het is op Gods bevel dat A.braham zijn zoon gaat offeren, maar om op den berg te vernemen dat offeren van zijn zoon niet — als bij de heidenen — moet gepaard gaan met „kwaad doen aan dien zoon.quot; God neemt niet, zooals men \'t wel eens voorstelt, den wil van Abraham voor de daad.

Neen, Izaak moet den Heer geofferd worden, ook als hij van den berg is wedergekeerd, ook nadat Abraham hem uit den dood heeft weergekregen. Abraham moet van \'t bezit van nakomelingschap afzien, zoo de Heer Izaak geene vrouw beschikt. Geen vrouw van de omliggende volken, niet terugkeeren naar Haran om daar te huwen. Voorwaar het slachten van Izaak ware Abraham lichter gevallen, dan het offer dat God eischte ten einde een zegen te kunnen zijn voor de volgende geslachten.

Terecht waardeert Israël het, als de vorst van Moab (II Kon. III, 27) zijn eerstgeboren zoon, die op den troon zou zitten, op den muur offert, ten einde zijn volk voor geheelen ondergang te hoeden.

-ocr page 47-

43

Zij werden toornig (of aangedaan) en keerden zich af. Zij wilden niet langer strijden tegen dien grootmoedigen vorst, die in zijn zelfopoffering zoo sterk afstak tegen de zelfzucht van Israëls koningen, Joram en Josafat, die om eenige schapenvachten op Moab te veroveren, hun volk langs een ongebaanden weg aan verderf hadden blootgesteld.

Maar dat Israëls koningen op die beidensche wijze van hun zonen te offeren terug kwamen, hun zonen door het vuur deden gaan, dat was ontaarding van de plechtigheid, het uitwendige in plaats van \'t inwendige stellen, terwijl de Heer Abraham juist geleerd had het inwendige voor \'t uitwendige in de plaats te zetten en om het uitwendige in gedachtenis te houden het offer van een ram instelde. En die offerplechtigheid was ontwikkeld, was sprekender gemaakt ten einde al de geestelijke waarheden te belichamen die te voorschijn treden als God den mensch ontmoet.

En dat men de symbolen niet veranderen kan zonder zichzelven te schenden, toont de geschiedenis van koning Achas op plastische wijze, zooals alleen de Schrift dat kan.

De koperen zee rust — naar het door God gegeven model — op 12 runderen : de fontein tot reiniging van de heidenen, gedragen door 12 stammen, voorgesteld onder \'t beeld van de vruchtbaarheid, 12 runderen.

-ocr page 48-

44

De ougeloovige Achas versmelt die runderen, om met de waarde gunst te koopen van een dreigend veroveraar en stelt het waschvat op een steenen voet. Het ideale beeld van Israël was veranderd in \'t beeld van wat zijn volk zich onder zijn regeering toonde: een kouden steen, doof voor der Profeten woord.

Zoo had ook de Priester Eli toegelaten dat zijn zonen den vorm der plechtigheden wijzigden en daardoor de beteekenis veranderden. Niet zich verheugen voor \'t aangezicht des Heeren, maar het onderhouden van het heiligdom — dat was in dit geval van de priesters — werd het hoofddoel van de offerhande. Op een priester, die bewust deze ontaarding laat plaats grijpen rust een vloek. Immers het volk gaat het offer verachten, laat het beeld ontglippen vóór het de werkelijkheid gegrepen heeft en dan is de band met het onzichtbare gebroken.

Maar wij mogen den vloek, die Eli trof, billijk vinden, hijzelf vertoont toch het priesterlijk karakter. Hij draagt de ongerechtigheid des volks zonder morren. De ondergang van zijn huis, het optreden van een trouw priester 1) wordt hem aangekondigd en hij antwoordt: „Hij is de Heer, Hij doe wat goed is in zijne oogen.quot; en inplaats

1

Men gunne mij de vrijheid Samuël onder dit beeld te schuiven; volgens de gewone uitlegging is Zadok bedoeld.

-ocr page 49-

45

van den toekomstigen trouwen priester in den weg te staan verwijst hij hem naar den Heer die hem riep en staat hem toe het woord des Heeren te spreken tot het volk in zijn tempel. (I Sam. IV).

In de onverschilligheid omtrent de heilige dingen kunnen wij dikwijls met Eli wedijveren, zelden echter met zijn zelfverloochenend afwachten, hoe de Heer terecht zou brengen wat hij bedierf. Zouden de Samuëls van onzen tijd in ons Eli\'s vinden? De schrift wijt den ondergang van het heiligdom aan den priester; hij is er aansprakelijk voor, maar wij mogen daarbij de klacht van Aaron (Ex. 32 vs. 22) niet vergeten: „Gij kent dit volk, dat het in het booze ligt.\' Wat een lichtstraal was Hanna voor den ouden Eli! Met welk geloof verzekert hij haar verhooring, waar zij op geestelijke wijze tot God nadert en de instelling zijner zonen, waartoe de vrouwen met hoopen de toevlucht nemen, versmaadt.

De schrift biedt geen excusen aan voor Eli; laten wij \'t niet voor onszelven doen, als wij zijn voetstappen volgen.

Bij het verlies van de arke, het eenige zuivere symbool in den tempel te Silo, wordt de lamp Gods voor goed aldaar uitgebluscht en de deuren van den tempel worden voor altijd gesloten, ons tot een waarschuwing. (Jerem. VII, 12).

-ocr page 50-

46

Ben trouw priester ook profeet. Samuel.

Wat zal een priester aanvangen als de woning Gods verwoest is, als het eenige overgebleven zuivere symbool bij de vijanden of in een particuliere woning moet gezocht worden. Wat zal een priester zondèr symbool, zonder woning Gods?

Als hij alleen priester is, dan zeker niets, maar een getrouw priester doet „gelijk in Gods harte en in Zijne ziele is;quot; hij weet dat de Heer zich overal gelijk te Silo openbaart „door het woord des Heeren\'. (I Sam. Ill, 21). En dat woord des Heeren is nabij ieder die er naar vraagt. Even als Johannes op Patmos, zag Samuel om, om te zien de stem, die tot hem sprak. Hij hoorde die spraak in het verleden. Immers Abraham had geen huis Gods, geen arke, maar ook geen Astaroths en geen vreemde goden. De vorm is in Samuels tijd ontaard, hij poogt niet die te herstellen. Hij laat den tempel te Silo in puin vervallen en vraagt niet naar de arke, maar wacht.

Een getrouw priester, die wacht! twintig jaar wacht, tot het volk begint den Heer achterna te klagen. „Wacht op den Heer, Hij zal u geven de begeerte uws harten,quot; dat weet Samuel, anders had hij geen twintig jaar kunnen wachten. Maar nu treedt hij openlijk op, roept het volk saam, hij zal

-ocr page 51-

47

voor hen bidden en offeren. Te Silo? als die scheurmaker Aminadab de arke weer op de plaats der saamkomst zal gebracht hebben ? Neen waar zich het volk verzamelt zal hij komen offeren en bidden, te Bethel, te Gilgal, te Mispa, of bij zijn huis te Rama, waar hij een altaar bouwde, maar — \'t volk moet zijn goden ook zijn Astaroths wegwerpen en alleen naar God vragen. Hadde hij in dien tijd de aanwezigheid der arke als een voorwaarde gesteld, Israël zou in de arke slechts een andere Astaroth of sterkeren Dagon begroet hebben.

Er is een tijd dat de gebruikelijke symbolen moeten achterblijven, dat alleen een priester die ook profeet is den dienst van het heiligdom kan waarnemen. Een getrouw priester is Samuel, die niet als Eli\'s zonen de vraag, of hij \'t vleesch rauw of gekookt, met of zonder vet krijgt, met het volk behandelt, maar het wezen van den godsdienst laat zien; wegwerping van Astaroths en den Heer vreezeu. En het gelukte hem als Debora weleer het volk weer bijeen te brengen en die vereeniging is nu als toen het begin van redding. Maar als priester draagt hij ook de ongerechtigheid, de zinnelijkheid des volks als hij op zijde gesteld wordt voor Saul, wien hij echter met liefde en hooge verwachtingen zijn plaats overlaat. Zou hem dit niet gemakkelijker gevallen zijn, omdat hij van Eli hetzelfde had ondervonden?

-ocr page 52-

48

Ook wraakt hij \'t niet als een Israëliet offert zonder hem, mogelijk wel op een andere wijze (I Sam. X, 16) integendeel, het is een van de blijde teekenen waarop hij den toekomstigen koning opmerkzaam maakt.

Zacharia. Ben priester, die stom wordt.

(Lükas I).

De tempel is verfraaid, de offerdienst geregeld, de priester bedient de symbolen in de beurt zijner dagorde, de menigte des volks staat buiten biddende om den zegen af te wachten, dien de priester zal uitspreken als de plechtigheid is afge-loopen. Maar de dienstdoende priester laat zich wachten en als hij eindelijk komt, heeft hij geen zegen; hij is stom en zal stom blijven tot het geschied is, wat de Engel Gabriël, die voor God staat, hem gezegd heeft; want hij heeft het niet geloofd. Gelijk Manoach (Richt. XIII) heeft hij gebeden, als aan Manoach wordt hem de vervulling van zijn bede toegezegd; waarom gelooft hij dan niet?

Och ! het woord van Gabriël was even vreeselijk voor hem als \'t woord van den Engel voor Manoach geweest was. Ware alleen de boodschap geweest, dat hij een zoon zou krijgen in wien zijn priestergeslacht zou voortleven, gewis hij ware

-ocr page 53-

49

met vroolijk gelaat uit het heiligdom getreden en had het volk met verheerlijkten blik gezegend. Maar een zoon als Simson, de Nazireër, gedreven door den Geest van zijne kindsheid af, optredende in de kracht van Elia! dat was voor den priester sterven, ondergaan met zijn heiligdom; zou dat de weg zijn tot de verlossing van zijn volk?

Immers Simson verscheen toen Israël gebukt was onder de Filistijnen, omdat zij vreemde goden dienden; toen de wijze waarop de man Gods offerde, zelfs aan een Manoach en zijne vrouw eene vreemde handeling toescheen. Dat Israël moest zich natuurlijk bekeeren !

En Elia, hij immers trad op onder Achab, toen Israël zelfs geen onderscheid kende tusschen Baal en Jehova. Dat Israël moest door honger tot bekeering gebracht worden, moest zijn priesters zien slachten!

Maar uitgezonderd de schare die de wet niet wist en vervloekt was, waren Zacharia\'s tijdgenooten ijveraars voorde wet. Zij hadden een schoonen tempel, op welks bezit zelfs de discipelen later den Heer wezen als op een soort van aanwinst voor zijn aanstaand koninkrijk. Wat zou een boetprediker als Elia dat rechtvaardige volk baten?

Evenwel had die boodschap niet vreemd moeten zijn voor den priester. Immers \'t was zijn gebed geweest, dat zijne onvruchtbare vrouw een zoon zou hebben. Was dan nu ouderdom een hinderpaal ?

4

-ocr page 54-

50

De geschiedenis van zijn volk toch bewoog zich om onvruchtbare huwelijken, waarin de Heer een zoon gaf, nadat de hoop was opgegeven. Abraham, Izaak, Manoach, Elkana, allen hadden onvruchtbare vrouwen en door zonen uit die huwelijken is Israël opgebouwd en gered, maar altijd anders dan men verwacht had. Dat alles moest er op wijzen dat het leven uit God is, dat men van Hem alleen leven en redding kan verwachten, dat men dus vrijgemaakt was van de uitwendige dingen, dat men met geen toestanden behoefde te rekenen, alleen te gelooven. Zoodra nu Israël van de uitwendige ceremoniën — al waren die ook zuivere beelden van de onzichtbare dingen — eenige hulp verwacht, moeten de ceremoniën geschorst worden, moet het heiligdom ondergaan met den priester en een nieuw leven ontstaan, dat God zelf als nieuwe Schepping te voorschijn brengt. Zoo was het telkens geschied, maar zou het ook nu zoo zijn? Zou het biddende volk daarbuiten niet het gezegende Godsvolk zijn, maar gelijk staan met hun afgodische voorvaderen ? Zou de zegen, dien hij over de wachtende schare moest uitspreken dan leugen zijn? — hij wil het volk toespreken, doch blijft stom. Hij is door den Engel op het onwezenlijke van het uitwendige gewezen, hij heeft een teeken tot bevestiging daarvan ontvangen in zijn huis; hij zal stom zijn tot zijn mond zich opendoet in een lofzang. Hij breekt niet als Eli den nek, want

-ocr page 55-

51

onder zijn bediening zijn de symbolen niet geschonden, zij zijn rein bewaard, doch haar waarde is overschat, zij zijn in de plaats gesteld van de dingen, die zij moesten afbeelden, waardoor het streven naar het bezit van de afgebeelde zaken was vergeten.

En als het woord des Engels geschied is en zijn mond zich weer kan openen weet hij ook meer. Hij weet van de oprichting van \'t huis Davids, die te wachten was als de tijd van Maria, zijne nicht, zal vervuld zijn en nu zingt hij verborgenheden van oudsher, vertroostingen voor alle toekomstige tijden, van een dienen van God zonder vreeze. En als zijn zoon bij \'t opgroeien in de woestijnen verblijft, en niet onder de wetgeleerden, zal het woord van Gabriël dat slechts een herhaling, was van \'t woord van dien anderen Engel, Maleachi, hem zeker in staat gesteld hebben daarin de leiding te zien van den Geest Gods, die zijn zoon was toegezegd, en als hij nog geleefd heeft toen zijn zoon het . scherpe woord „adderenbroedquot; uitsprak, tot de ambtgenooten zijns vaders, zal hij zeker ook dat aanvaard hebben als een dood, waaruit een nieuw heiligdom zou voortkomen om zijn lofzang in vervulling te doen gaan.

-ocr page 56-

52

Abimelecli. Sen priester die een zwaard achter den efod verborgen houdt.

(I Sam. XXI, 9.)

Terwijl Samuel liet woord Gods aan Israël verkondigt en met veronachtzaming van de A.aro-nietische plechtigheden offert, gelijk Abraham en Jethro offerden, heeft zich behalve te Silo (I Sam. XIV, 3) te Nob nog een priesterstand staande gehouden, waar blijkbaar de toonbrooden dagelijks vernieuwd werden. Een priester Abimelech doet daar in het heiligdom dienst, bespied door een Edomiet, Doëg, die daar opgehouden werd. 1) Moedeloos, voortvluchtig voor Saul, neemt David de toevlucht tot dit heiligdom. Hij heeft geen spijze en de goedwillige priester geeft hem niet zonder schroom het heilige brood. Maar dat is den weerlooze niet genoeg. Hij heeft geen wapen. „Is er hier onder uwe hand geen speer of geen zwaard?\' zoo vraagt hij. Een speer of een zwaard in het heiligdoem ? waartoe zouden die den priester dienstig zijn? om recht te doen mogelijk, maar David was geen rechter, doch een vluchteling.

„Ja,quot; zegt Abimelech, „het zwaard van Goliath, dien gij versloegt, is hier in een kleed gewonden. Het zwaard des gewelds, dat David den reus niet

1

De uitdrukking doet denkeu aan afzondering wegens onreinheid.

-ocr page 57-

53

had ontwrongen, maar dat Goliath uit de hand gegleden was, toen David hem den kop verbrijzelde, dat zwaard werd in \'t heiligdom bewaard, omwonden met een kleed, achter den efod. „Een ander is er niet. Wilt ge dat nemen?quot; zoo spreekt Abimelech. Wee den priester die het zwaard des gewelds achter zijn priesterkleed verborgen heeft. Even als Abimelech komt hij licht in gevaar dit als een geschikt redmiddel aan te bieden aan degenen, die hem raadplegen.

„Geef het mij,quot; zegt David, „er is zijns gelijke niet.quot; Er zijn oogenblikken van moedeloosheid waarin het zwaard van Goliath, het zwaard des gewelds, onze eenige redding toeschijnt, te meer als de priester het uitwikkelt van achter zijn efod en ons dit plechtig toereikt.

Maar het bracht David in gevaar en heeft nog niemand gered en \'t veroorzaakte de ondergang van Abimelechs gansche huis. Lang had de Edomiet Doëg zeker te vergeefs toegezien op des priesters handelingen, maar toen deze geweld begunstigde is zijn oogenblik gekomen; Saul wordt ingelicht en al wil geen van Saul\'s knechten de handen aan de priesters slaan, Doëg, weet het zwaard des gewelds te hanteeren. Abimelech valt met zijn gansche geslacht.

-ocr page 58-

54

i/

Vreemd vuur. Nadab en Abihu.

(Lev. X, 1—11).

Nadab en Abihu hadden den God Israëls gezien en moesten het vuur, dat de Heer op het altaar ontstoken had, brandende houden en met dat vuur het reukwerk doen ontbranden dat hunne wierookvaten vulde. Zeker een roejiing die duidelijk genoeg omschreven was. Maar zooals blijkt uit vs. 9 hadden zij naar de gewoonte der heidensche offeraars wijn gebruikt; vóór zij naar den tabernakel gingen en zoo was hun roeping hun niet meer duidelijk. Zij namen niet het vuur van des Heeren altaar, maar vreemd vuur op hunne wierookvaten. Zoo gaat vuur uit van het aangezicht des Heeren en verteert hen. Is het feit natuurlijk genoeg, dat dronken lieden, die met vuur omgaan, daardoor omkomen, voor Mozes en Aaron was het een niet-heiligen van den Heer, die voor het volk verheerlijkt wil worden. Aiiron zwijgt stil en de Heer laat bepalen, dat geen wijn of sterken drank gebruikt mag worden vóór men den dienst in den tabernakel gaat waarnemen. Geen ander vuur dan \'t welk de Heer zelf ontstoken heeft! die wet moet nog altijd den priester herinnerd worden.

„Weest niet dronken van wijn, waarin overdaad is,quot; zegt Paulus, „maar weest vervuld met den

-ocr page 59-

55

Heiligen Geest.\' Hoe kon Paulus die twee zaken in één adem noemen. Nadab en Abihu verklaren ons die vraag. Wanneer er eens geen vuur van den Heer was uitgegaan waardoor zij verteerd waren, zou iemand dan hebben kunnen merken of de wierookwalm aan een vonk van het altaar of aan vreemd vuur zijn oorsprong te danken had? Zou een enkel vergrijp, nog wel tegen een uitivendige godsdienstplechtigheid, bij ons zoo zwaar wegen, dat wij als Aaron zouden stilzwijgen als die ons twee zonen kostte ? Dronken zijn — geestdrift bezitten — geestdrift als die van Pinehas is onmisbaar, maar ze moet van binnen komen, waar de Heer ze ontsteken wil, als we Hem gezien hebben en niet van buiten door wijn of welken prikkel dan ook.

Zou het een bericht zijn uit lang vervlogen tijden, dat Nadab en Abihu stierven, of zou ook die geschiedenis eeuwige waarheid zijn? Zou ook nog ieder, die vreemd vuur brengt voor het aangezicht des Heeren, worden verteerd en door zijn broederen buiten het leger gebracht? Zou het preeken en bidden, dat zijn vuur ontleent aan een prikkel van buiten en niet aan Gods geest, ooit tot de gemeente doordringen al komt het van een kansel ?

-ocr page 60-

56

Zoekt gij óók het priesterschap? De dienst van het heiligdom genoeg. Een bloeiende staf.

De Heer koos zich ten allen tijde priesters met de heilige olie overgoten, en de voorwaarde tot dat ambt is als voor alle ambten in de gemeente des Heeren; den berg te willen beklimmen om aldaar te sterven ; steeds de onreinheid te kennen en te verwijderen; te staan op de gevaarlijkste plaatsen, den vorm der ceremoniën ongeschonden te bewaren tegenover een volk „dat in het booze ligt\' ; te zwijgen als Gods hand slaat; te willen ondergaan met zijn heiligdom ; geen vreemd vuur te ontsteken ; altijd van de barmhartigheid Gods te getuigen ook tegen murmureerenden. Wie is tot al deze dingen bekwaam ?

Maar er is ook een eer, een heerlijkheid aan verbonden en waar die alleen in het oog valt, strekt men al licht de hand naar dat ambt uit en begeert men veeltijds de onderscheiding die het medebrengt, zonder de moeite te begeeren die het oplegt.

Zoo ging het Korah. Hij uit Levi en zijne makkers uit Rubens stam, vonden de plaatsen van Aaron en Mozes begeerlijk en zij hadden gelijk. Een Mozes of een Elia wordt nooit bij hun volk vergeten en waar Mozes genoemd wordt kan men

-ocr page 61-

57

niet anders dan ook denken aan Aaron. Immers God leidde Israël als een kudde door Mozes en Aarons hand.

Waardoor dan is toch het vergrijp van Korah zoo vreeselijk, dat God iets nieuws moest scheppen om het te straffen. Kon dan Aaron niet een deel van zijn werk en daarmede ook een deel van zijn eer overlaten aan een bloedverwant met hooge aspiratiën. Deze heeft toch immers met zijn makkers den steun van 250 oudsten. (Of het de meerderheid was staat er niet bij, dat zou men nu vooraf uitmaken).

„Waarom stelt gij, Mozes en Aaron! u boven deze heilige vergadering?quot; zoo vraagt Korah met zijn achterhoede. Geen wonder dat de man, die zoo dikwijls klaagde: „dit volk is mij te zwaar,\' op zijn aangezicht valt. Maar neen, aan die ontroering mag hij geen plaats laten; niet in de miskenning van zijn persoon, maar in het verwerpen van de keuze Gods, daarin ligt het kwaad, het gevaar voor het volk. Later heeft het volk ondervonden hoe het ging als zij ieder die slechts wilde „de hand vulden\' en als priesters erkenden.

„Morgen,quot; zoo luidt het antwoord van Mozes, „zal de Heere toonen wie de zijnen zijn en wie heilig zijn en wie tot hem zal naderen en die Hij verkiezen xal, dien zal Hij tot zich doen naderen.quot; Dit is niet een kwestie tusschen ons en u of gij priester zult zijn, maar tusschen u en God de Heer.

-ocr page 62-

58

Maak uitwendig maar precies na wat een priester doet, maak wierookvaten, doe er vuur op en kom voor \'s Heeren aangezicht op morgen, en de man dien de Heer kiest, die zal heilig zijn. Dat gijzelf \'t ambt begeert en er u voor bekwaam acht zegt niet veel. Gij neemt te veel op u.

Is het u te doen om in het heiligdom te dienen? is het u om de verplichtingen van het ambt te doen, welnu acht gij het dan eene kleine zaak, dat gij reeds van uwe broederen als Levieten zijt afgezonderd, om den dienst van den tabernakel waar ie nemen, om te staan en het volk te dienen; is u dat niet genoeg ? Zoekt gij ook het priesterschap? Gij zijt tegen den Heer vergaderd.

Tjieden die priester willen worden zonder van den Heer geroepen te zijn, zijn tegen den Heer vergaderd, dat is de uitspraak van Mozes of liever zijn waarschuwing, nadat hij hun den weg wees het priesterambt na te bootsen.

Waarom moet men wel trachten profeet te zijn, maar mogen we zonder bijzondere roeping niet het priesterambt begeeren. De schrift laat hier ook weder het wezen der zaak zien. Staan om de broederen te dienen, dat kan ieder en daartoe is ook ieder geroepen. Onder degenen die dat getrouw doen kiest de Heer zelf zijn priesters uit en die wijst hij duidelijk aan. Dat is zijn souvereiniteit en zij die den aangewezen

-ocr page 63-

59

priester met geweld willen verdringen, d. i. tegen die souvereiniteit strijden, hun deel is het levend ter helle te varen met hunne gezinnen en hunne kinderen.

En hun medestemmers, hun partijgangers! vuur van den Hemel verteert hen. Die schrikwekkende geschiedenis staat opgeteekend onder de beelden die de schrift van het priesterschap laat zien. Wel een waarschuwend beeld voor hem die priester wil zijn alleen omdat het hem niet hoog genoeg is te staan en de gemeente te dienen als Leviet; een waarschuwend beeld voor hem die priester zijnde de eer van het ambt boven den dienst waardeert.

Maar kan het volk uitmaken wie de door God gekozen priester is? Ook dat leert ons de Heer in deze geschiedenis: de van God gekozen priester moet een bloeiende amandelstaf kunnen toonen: Het zal geschieden dat de man, dien ik zal kiezen, zijn staf zal bloeien.

Gij priester! naar wien niemand luistert, bij wien niemand komt om den mond des Heeren te vragen, trek u terug, vóór gij verbrandt bij uw wierookvat; of zoo gij daarbij nog den gekozen priester, die een bloeienden staf kan toonen, weerstaat, — trek u terug vóór gij levend ter helle vaart.

De dienst van het heiligdom genoeg. Hoe duidelijk is het dat Hij, die gekomen was om te

-ocr page 64-

60

dienen, alleen hier de ware priester kon zijn, dat priesterzijn in waarheid alleen in de toekomst te bereiken is, wanneer we Hem gelijk zullen zijn omdat we Hem zullen zien gelijk Hij is.

Tot zoolang zal ons het kleed meer aantrekken dan de dienst, de verheerlijkte gedaante boven den uitgang te Jerusalem (Matth. XVII, Mark. IX).

Bekleed met heil. Jojada.

(ii chr. vi, 41. ii chr. xxii).

Was het slechts een oostersche zegswijs, een versiering zonder zin, toen Salomo bij de wijding van den tempel bad: „Laat uwe priesters, o Heere God! bekleed zijn met heil.quot; Was het iets van de „veelheid der woordenquot; die we nog altijd „als de heidenenquot; gebruiken als we God in \'t openbaar naderen? Een uitdrukking, zooals wij er soms in \'t openbaar gebed aanwenden, zonder zelfs aan een beteekenis te denken, ofschoon de Heer ons verzekert dat Hij weet wat wij behoeven vóór wij Hem vragen? Zeker niet, want Salomo\'s gebed, het langste gebed in de Schrift opgenomen, en dat alles bevat wat ooit in de gemeente zou kunnen gebeden worden, neemt als men het voorleest slechts een paar minuten. Zonder twijfel heeft Salomo daarmede dan precies

-ocr page 65-

61

bedoeld wat hij zeide: dat de priester/;/eecZw!(/ heil zou aanbrengen. Dat het ambt ten allen tijde heil is voor \'t volk, dat was wel duidelijk; de betooning der inwendige kracht des priesters, de volbrenging van al wat wij op des priesters schouders gelegd zagen, dat was zeker heil voor Israël. Maar \'t uitwendige, het priester/c/«erf, kan ook dat heil brengen ?

Als een zaak volkomen zal zijn, moet het wezen en de gestalte één zijn; moet het uitwendige met het inwendige overeenkomen, één zijn. Zoo moet Jezus van Nazareth bij zijn openbaring het verheerlijkte lichaam van den opgestanen Christus hebben. Zoo moet den koning het koningskleed sieren en van „den zoom zijns kleedsquot; dezelfde kracht uitgaan als van zijn woord. Zoo ook met den priester. Zijne zegenende handen en zijn kleed, zijn hoed waarop de Heiligheid des Heeren te lezen staat, moet even als de toewijding van zijn priesterhart heil brengen. Dat die gedachte, schoon vaag, in \'t bewustzijn leeft, bewijst de strijd, die dikwijls om de priesterkleeding gevoerd werd. 1)

Waar de schrift „den priester\' in de geschiedenis van Israël schetst, daar wordt ook die

1

Wie herinnert zich niet dat vroeger eenvoudigen beweerden, dat de leeraars hun driekanten hoed met den ronden verwisselden, omdat ze niet langer aan de drieëen-heid geloofden.

-ocr page 66-

62

trek niet vergeten. Zij laat ons in Jojada een priester zien, die van al wat tot zijn ambt behoort beroofd is, maar daarvan alleen het priestergewaad heeft overgehouden en daarmee Israël heil aanbrengt.

De goddelooze dochter Achabs heeft, toen haar zoon Ahazia door Jehu verslagen was, het huis van David uitgeroeid en hare goddelooze zonen hebben het huis Gods verbroken, en al de gewijde dingen des Tempels daaruit genomen en die aan het huis van Baal geschonken (II Chr. XXII, 7). Zoo zucht het land zeven jaar onder haar dwingelandij, de tempel is verlaten, geen dienst wordt daarin waargenomen (vs. 18) de boosheid zegeviert, de hoop is afgesneden er is niemand die Jojada zijn priesterkleed benijdt, hij woont eenzaam met zijne vrouw in den beroofden tempel, terwijl niemand naar hem omziet. Zullen er mogelijk geweest zijn, die hem gaarne het lot der vermoorde koningszonen hadden doen deelen, zijn priesterkleed beschermt hem, maar het beschermt nog meer. Om den wille van dat kleed wordt hem het gezag in den verlaten tempel niet betwist, zoo kon hij daar zes jaren lang den koningszoon verbergen, dien zijne vrouw Josabad bij den algemeenen moord met zijne voedster had weten weg te stelen; den koningszoon die eene spruit moest zijn uit een afgehouwen tronk.

Beide tante en voedster kunnen zes jaren zwij-

-ocr page 67-

63

gen en over het heil van Juda waken, veilig beschermd door het gewaad van den Hoogepriestor die in die zwijgende, afwachtende eenzaamheid berust.

Maar in het zevende jaar versterkt hij zich.

Als priester heeft hij het recht den oudsten last te geven en zoo neemt hij degenen onder hen, welke hij vertrouwen kan, in zijn geheim. Zij gaan en roepen de Levieten op, uit alle steden van Juda en de oudsten der geslachten. En allen komen op, niet gedwongen door eenige macht, waarmede Jojada zijn gezag had kunnen handhaven, want die had hij verloren, hij had er alleen den uitwendigen vorm, de kleeding, van behouden. Wel kan hem niemand dat kleed betwisten, het is zijn recht en daarom heeft het de uitwerking wat edel is in Israël bijeen te verzamelen, op hoop dat dit eenige overblijfsel van zijn rang nog heil voorde toekomst zou kunnen brengen.

Onder beschutting van die kleeding wagen het de Levieten den dienst te aanvaarden. Niemand dan de drager van dat kleed zou zonder uitwendige macht te bezitten dat waagstuk kunnen doen ondernemen. Zoo brengt dat kleed eenheid en uitkomst.

Dat priesterkleed van Jojada is heil voor Israël. Het koningskind heeft hij er mee beschermd, de oudsten er door ontzag ingeboezemd, de Levieten op hun post \'gebracht en het volk heeft hij daar-

-ocr page 68-

64

door doen inzien dat zij een volk des Heeren zijn, zoodat zij van zelf den Baaispriester die de macht heeft dooden, het Baaishuis afbreken en de beelden stuk slaan. Zoo staat in het eerst de beroofde priester verlaten in een ledig Godshuis alleen met zijn kleed. Hij werpt het echter niet als nutteloos geworden weg; God heeft hem er mede bekleed en nu zijn werk aan Juda geen heil kan brengen, doet het zijn kleed, totdat na deze handeling de priester Jojada weer voor ons staat „bekleed met al het gezag, al de eer en al de macht van zijn ambt\': een volkomen priester in ambtsgewaad in een herstelden en verrijkten tempel.

Bij den geroepen priester is zelfs het uitwendige, het ambtskleed een kracht Gods tot heil, zoo geweld de bediening verhindert.

Een koninkrijk van priesters.

(Ex. XIX, 6.)

God heeft ten allen tijde zich aan den mensch geopenbaard, door hem heerlijke dingen op aarde te doen zien en hem die te doen erkennen als beloften, dit noemt de schrift het spreken Gods. Van die beloften bekomt het geloof de zekerheid,.

-ocr page 69-

65

schoon de geloovigen heengaan zonder die te verkrijgen (Hebr. XI, 13) maar toch niet zonder ze van verre gezien te hebben.

Van vele dier beloften kunnen wij aan de hand der schrift het ontstaan en de voltooiing nagaan; van geen zoo duidelijk als van deze : gij zult mij een koninkrijk van priesters zijn. Maar als het geloof de ontvangen en aangenomen belofte uitspreekt zou die belofte al licht als een hersenschim worden aangezien door hen, wier blik niet verhelderd is. Daarom liet de Heer in zijn gunst die beloften ook alleen op enkele tijden voor zoover in vervulling treden, dat de geloovigen hunnen bestrijders steeds kunnen antwoorden; wij zijn geen oudwijfsche fabelen nagewan-deld, maar geopenbaarde geschiedenis.

Laat ons eerst het ontstaan van die belofte nagaan en daarna de vervulling zien.

Mozes is gevlucht uit Egypte, waar hij al de ellende gezien had van een volk, dat onder de heerschappij van priesters gebukt ging.

Immers zijn moeder had hem niet langer dan drie maanden bij zich durven houden, toen hij bij zijn geboorte onder de Nijloffers was aangewezen. Vrees niet voor den Nijlgod, voorwaar! Wie die vrees met de Egyptenaren deelde, hield zijn kind niet drie maanden terug; maar vrees voor de priestermacht, die immers het bijgeloovige onkundige volk achter zich heeft. En aan het hof had

5

-ocr page 70-

66

hij gelegenheid gehad te zien hoe treurig de slavernij was van een volk waar priesters heerschen. Doch hij vindt een toevluchtsoord bij een herderpriester.

Hij vindt er rustigen arbeid, een vreedzaam huisgezin eu priesterwijding. Zrjn volk was oorspronkelijk ook een herdersvolk, schoon nu gedeeltelijk door Egypte verstrooid, als beoefenaars van ambachten. Kon hij ze allen terug brengen tot dat herdersbedrijf, kon ieder gezin een gezin worden als dat van den priester Jethro, wat zou dat een gelukkig en heerlijk rijk zijn. Hij heeft van God het ideaal verstaan en God wil hem gebruiken den grond tot de vervulling er van te leggen. Onder veel tegenspraak gaat hij, niet met een zwaard maar met een staf, naar Egypte. Wij allen zouden meer idealen bereiken, als wij onze tegenspraak lieten varen en den staf die ons een slang lijkt opnamen, om die idealen langs Gods weg te verwezenlijken.

Als herdersstam brengt hij zijn volk uit Egypte en nu heeft hij ze vereenigd voor den berg Sinai. Daar zullen zij de wetten hooren waarvan Jethro hun reeds de hoofdzaken heeft voorgehouden (Ex. 18). Wanneer Israël nu die wetten zal houden, dan zal het een verzameling van huisgezinnen zijn gelijk dat van Jethro den priester.

Zoo iets vond men onder geen volk. ,Maar gij,quot; zegt God tot Mozes, „zult mij een bijzonder eigen-

-ocr page 71-

67

dom zijn onder de volken — een koninkrijk van priesters.quot; Wat zal het hart van Mozes opgesprongen zijn, bij \'t zien van de verwerkelijking dier belofte. Maar hij heeft de belofte niet verkregen. Toon mij nu Uwe heerlijkheid! Zoo moet hij klagen, toen het volk inplaats van een koninkrijk van priesters te zijn geworden, Aaron gedrongen had een gouden kalf te maken. Is het dan een hersenschim gebleken ? Neen, Mozes heeft de belofte vastgehouden en is de leidsman van zijn weerspannig volk gebleven en toen hij eindelijk van hen was weggegaan op de grens van Kanaan, Het hij een volk achter, dat durfde zeggen tot Jozua: „Gelijk wij in alle dingen naar Mozes geluisterd hebben, zoo zullen wij ook naar u luisteren; die niet naar uw woorden zal luisteren zal gedood worden.quot; Tegen zulk een volk zijn de Kanaanieten niet bestand; hun koningen vallen en Jozua zet zijn voet op hun nek. En de Heer gaf hun rust van rondom en er ontbrak niets van de goede dingen, die de Heer tot Israël gesproken had. (Joz. XXI, 45).

Nu kunnen de mannen van Ruben, Gad en half Manasse, die hun broederen in den strijd geholpen hebben terugtrekken naar hunne bezittingen aan de overzijde van den Jordaan, en daarhenen teruggekeerd, bouwen zij een altaar groot in \'t aanzien. (Joz. XXII, 10).

Dit wordt niet zoodra bekend onder de andere

-ocr page 72-

OS

stammen of de gansche vergadering komt bijeen te Silo om tegen de overtreders, de oprichters van een vreemd altaar, te vechten.

Hebben zij niet genoeg van het oorlogen, dat ze een broederkrijg bedenken. Is de zelfverloochening dier broederen, die zoolang hunne huizen en gezinnen verlieten, om de overige stammen te sterken, niet genoeg om deze handeling te dulden of er de oogen voor te sluiten. Neen, een koninkrijk van priesters willen ze zijn, doch niet van priesters van verschillende altaren. Geen godshuizen aan de overzijde, waar de aartsvaderen God niet ontmoet hebben, waar de grond niet heilig is. 1) Maar zij beginnen niet met strijd, doch zenden Pinehas, den zoon van Eliazar den priester, met 10 vorsten, uit iederen stam één, en die onderzoeken de zaak. „Is het soms,quot; zoo vraagt Pinehas, „nog een aehterblijfsel van de zonde van Peor, waarvan we tot heden nog niet gereinigd zijn, dat gij u van den Heer afkeert? Is het soms de schuld van het land? Is dat onrein, neemt dan de toevlucht tot ons, wij zullen woonplaatsen voor u inruimen §) bij den tabernakel

1

Vóór iemand die gedachte op de gebruikelijke manier

-ocr page 73-

69

des Heeren, maar sticht geen altaar om dat te begiftigen. Immers toen Achan van het aan God gewijde (het verbannene) stal, kwam er een toorn over de ganse he gemeente en hij stierf niet alleen in zijn misdaad.

Maar de toegesprokenen kunnen zich verantwoorden. Bij hen leeft dezelfde gedachte; ook zij zijn een deel van het koninkrijk van priesters en willen het blijven. „Het zou kunnen zijn,quot; zoo zeggen zij, „dat uwe kinderen later onze kinderen zouden weren van den tabernakel en de Jordaan als grens tusschen het gebied van Jehova zouden stellen, dan zal dit altaar, gebouwd naar \'t model van het altaar dat de vaderen maakten, een getuige zijn voor de eenheid van de 12 stammen.

En Pinehas verheugt zich en zegt: nu weten wij dat de Heer in het midden van ons is, dat gij deze wederspannigheid niet hebt begaan, en wedergekeerd zijnde behaagt het antwoord aan de gansche vergadering, die God dankte en niet meer sprak van ten strijde te gaan.

Ben nieuw heiligdom.

Het huis Gods te Silo is verwoest. Nob is leeg gemoord. De heiligdommen van Bethel en Gilgal zijn ontaard. Mispa en Gibea zijn vergeten; de

-ocr page 74-

70

arke heeft lang rondgezworven vóór zij een vaste woonplaats vond, maar telkens verrees door het geloof in de belofte een nieuw heiligdom. Het hoofd van Goliath, van het geweld, werd door David ten tweeden male geveld, toen hij Jerusalem innam (I Sam. XVII, 54) en Sion tot het ver-eenigingspunt van zijn volk maakte. Daarheen voert hij dan met gejuich de ark op, eerst wel volgens de instelling der Kanaanieten, die hun goden op wagens vervoerden, maar toen het overrijden van Uzzia de plechtigheid stoort, ziet hij daarin de hand Gods, onderzoekt en ziet dat de arke volgens Mozes instelling moet gedragen worden en nu wordt zijn wensch vervuld. Gewis, hij mag zich met den efod bekleeden, hij mag offeren, hij is de stichter van den eeredienst — want hij zoekt niet de eer; hij wil zich nog geringer houden bij zijne knechten en maagden, zoo antwoordt hij de trotsche Michal — want hij wil met die geringen verheerlijkt worden. Het priesterschap, het houden van het verbond (Ex. XIX, 6) is de heerlijkheid in Israël; zou een koning dan geen priester mogen zijn ? Nu heeft hij een tent bereid voor de arke, maar straks zal hij bouwstoffen verzamelen voor een tempel en die aan zijn zoon Salomo overdragen met bijvoeging van de teeke-ning, die God hem getoond heeft.

Die tempel wordt gebouwd, maar ook verwoest, niet door Nebukadnezar, maar door de gruwelen

-ocr page 75-

71

die de vorsten van Juda er in bedreven. (Eze-chiël). Toch verrijst weer een nieuw heiligdom door \'t geloof; wel onder veel tegenstand maar bij de belofte dat de heerlijkheid van dien tempel grooter zou zijn, dan die van den voorgaanden: een volk dat de wet hield rond een tempel voor den God van Hemel en aarde, met een voorhof der Heidenen. In dien tempel nam men steenen op om „den Zoon\' te steenigen; hij verdween om plaats te maken voor de vele woningen, welke de Heer door zijn heengaan bereid heeft en die Gods Geest aanwijst, telkens als zij, die Hem verwachten zich „weezen\' beginnen te gevoelen.

Tempels, heiligdommen kunnen wij niet missen; treurig echter, zoo wij de verwoesting van ons heiligdom niet kunnen aanzien, zonder in \'t geloof naar de stichting van een meer geestelijk heiligdom uit te zien.

-ocr page 76-

72

Een priester in een nieuw heiligdom voor Gods vierschaar vrijgesproken.

(Zach. III).

Wat de taak eens priesters is leert de Schrift duidelijk, ook hoe onvolkomen zwakke menschen die zware taak volbrengen. Wie zal dan een priester verschaffen, zoo we ons opmaken om een nieuw heiligdom, meer geestelijk dan het verlatene, te stichten ? Wie is bekwaam en gerechtigd daarin dienst te doen ?

Wanneer de Schrift op die vraag geen antwoord gaf, zou al wat er medegedeeld was omtrent de pogingen een heiligdom te stichten en in stand te houden, ijdele pogingen geweest zijn en deed ieder wijs, maar geduldig de stad zonder tempel af te wachten, zonder pogingen te doen in dit Rome gelijk Paulus „een eigen gehuurde woningquot; te verkrijgen, om, schoon gebonden, „het woord Gods met vrijmoedigheid te spreken, ongehinderd.quot; 1)

In Israël rees bij den tweeden tempel die vraag ook: wie zal in ons heiligdom den dienst waarnemen, immers de eenige die \'t recht daartoe heeft is onrein. Maar de profeet Zacharia gaf het antwoord in een visioen van schuldvergeving gt; schuldvergeving en reiniging allereerst voor den

1

Zelfs door „motiesquot; van vergadcriugen.

-ocr page 77-

73

priester; een visioen rijk van beteeken is voor alle eeuwen en klaar voor ieder die de meening wil verstaan, omdat hijzelf ook terecht door den satan van een onrein gewaad beschuldigd wordt; een visioen eindigende met het uitzicht dat op één dag de zonde van het gansche land zal weggedaan worden. Dan zal ieder zitten onder zijn wijnstok en zijn vijgeboom, want: de Heer komt.

einde.

-ocr page 78-

V

NASCHRIFT.

Aangespoord door \'t verzoek van velen, om ook eenige schetsen van Priesters in \'t licht te geven, schreef ik deze bladzijden.

Daar het mijn doel n-et is den Bijbel te vervangen, ook niet den Bijbel te verklaren, alleen te laten zien wat er in staat — dat wil natuurlijk zeggen: wat ik er in lees — heb ik niet schroomvallig overal de plaatsen aangewezen, die mij \'t recht schenen te geven tot sommige ongangbare voorstellingen. Die er belang in stelt kan de geschiedenissen zelf nog eens bestudeeren, hij zal zeker (als hij namelijk gelijk ik den Bijbel als één boek beschouwt) de minder opgemerkte trekken hier of daar aantreffen, die de gewone voorstellingen soms zeer wijzigen. Om gelijk te hebben is het mij nooit te doen, alleen om de Schrift weer onder de aandacht te brengen.

Schoon wel bewust in deze schetsen het schrift, beeld des priesters niet voltooid te hebben, meen ik toch dat de voornaamste trekken vermeld zijn.

Men heeft mij gevraagd of „De huisvader als priester in het gezin\' geen plaats onder de titels had moeten vinden. Ik meen echter dat hiermede

-J

\'

|

-ocr page 79-

75

geen anderen blik op het wezen des priesters zou geworpen worden, daar de plaats waar men fungeert het ambt niet wijzigt. Ik had anders Job kunnen schetsen, die offert en verzoening doet als zijn zonen feest gevierd hebben.

Ik acht echter het gezin gelukkiger waar de vader profeet tracht te zijn dan dat, waar de vader het priesterlijk karakter draagt.

Vussingen, Juli 1898. H. M.

-ocr page 80-
-ocr page 81-
-ocr page 82-
-ocr page 83-
-ocr page 84-