h jtjf.
(/
2)e Sescfiiedenis van Israël
en van
den Jsraëlietiscfien Godsdienst
door
P. B R U I N I N G,
Predikant te Almeloo.
TEN GEBRUIKE BIJ HET GODSDIENSTONDERWIJS.
-r.-=s-5gt;—:——
A
__
■ - • •
■Mr
-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1170 7290
2)e Seschiedenis van Israël
en van
den Israelietischen Godsdienst
door
P. B R U I N I N G,
Predikant te Almeloo.
TEN GEBRUIKE BIJ HET GODSDIENSTONDERWIJS.
————
Almeloo, W. HILARIUS Wzn.
Nergens is de groote heteekenis van den godsdienst voor het leven van een volk zoo gemakkelijk te hespeuren en aan te wijzen ■als in de geschiedenis van Israël. Zooivel om deze reden als omdat in den Israëlietischen godsdienst het Christendom ivortclt, zullen velen wel altijd spoedig met de leerlingen de geschiedenis van dien godsdienst behandelen. Tot dusver ontbrak nog altijd, naar het mij voorkomt, een leesboekje, geschikt om daarbij in handen te worden gegeven.
In het hier volgende is het beloop van Israels lotgevallen in staatkundig opzicht aangegeven, zonder tusschenruimten open te laten, opdat het onderling verband der feiten, te midden ivaarvan het godsdienstig leven zich ontwikkelde, beter zou uitkomen. Uit zich zelf zal de onderwijzer wat vlugger over de staatkundige geschiedenis heenloopen, toaar deze op de fontwikkeling van het godsdienstig leven niet rechtstreeks invJóecVhiéft geoefend.
Be chronologische data zijn ontleerid^i/it ^Prof?Kautzsch c. s., die vermoedelijk loei de resultaten gamp;ven -van het jongste onderzoek. — Bij de bespreking der geschiedenis na de ballingschap verwees ik ten behoeve van ivie nadere bijzonderheden wil, naar de betrekkelijke bladzz. in het bekende iverk van Prof. Oort: „De Laatste Eeuwen van Israels volksbestaan.quot;
B.
INLEIDING.
§ 1. De bronnen voor de geschiedenis van het Israëlietische volk. — De hoeken des O. T.
De geschiedenis van het Israëlietische volk, bij de behandeling waarvan het ons inzonderheid om dé ontwikkeling van den godsdienst onder Israël te doen is, leert men kennen vooral uit boeken, welke onder het volk zelf zijn ontstaan. Ook oorkonden, en berichten bij geschiedschrijvers van andere volken, waar de Israëlieten vóór en na mede in aanraking zijn geweest, zooals de Egyptenaren, de As-syriërs, de Babyloniërs, de Grieken en Romeinen, geven soms eenig licht, maar hoofdzakelijk heeft men te raadplegen, wat door Israëlieten zelf is geschreven.
Vooreerst bevat „het Oude Testamentquot; een aantal zulke boeken, zoovele als door de Jeruzalemsche Schriftgeleerden in de laatste eeuwen vóór den val van Jeruzalem beschouwd werden uit den vóórtijd afkomstig te zijn (vgl. § 32). Daarnevens zijn er andere, gedeeltelijk onder den naam van „de Apocriefe boekenquot;, gedeeltelijk onder dien van „Ondergeschoven \') boeken des O. T.quot; bekend. Dan heeft Flavius Josefus {± 70 n. O.; vgl. § 3ö) voor een deel met raadpleging van nu verloren gegane geschriften, verschillende werken geschreven, èn is in „den Talmoedquot; (vgl. § 32 en 87) de herinnering bewaard gebleven aan allerlei, wat met en onder de Joden is voorgevallen in de tijden na de ballingschap.
Enkele opmerkingen moeten hier worden gemaakt omtrent de boeken des O. T. \')
1) „Pseudepigrafaquot;
By \'t lezen in \'t O. ï-, naar de onder ons algemeen verbreide, zoogenaamde „Statenvertalingquot; zal men, vooral van de profetische en dichterlijke hoeken, menige plaats niet verstaan.
Volkomen verstaanbaar, zoodat geen enkele plaats meer onbegrijpelijk hlyft, zal het O. T. wel nimmer worden. Daaraan staat in den weg, ééns-
4
Eenige daarvan, de zoogenoemd geschiedkundige, geven te znmen een aanééngeschakeld verhaal van de lotgevallen van het Israëlietische volk tot kort na de Babylonische ballingschap.
Wat deze betreft, moet er op worden gewezen, dat in vroeger dagen zij, die beschreven wat eertijds was voorgevallen, vaak niet zoozeer zorgvuldig onderzochten, hoe de zaken zich precies hadden toegedragen; in den regel nam men gemakkelijk aan, wat door dezen of genen werd medegedeeld, of in een geschrift gelezen. Ook schreven zij veelal met den wensch, om de gedachten hunner tijdgenooten in een zekere richting te leiden. De Israëlietische geschiedschrijvers in het bijzonder, wenschten bij het te boek stellen hunner mededeelingen te waarschuwen tegen hetgeen zij in godsdienstig opzicht verkeerd achtten, en op te wekken tot hetgeen h. i. goed was. Daardoor werden zij geleid, om het voor te stellen, alsof er voorheen steeds kwaad uit was voortgekomen, wanneer men zich aan \'t eerste had schuldig gemaakt, en omgekeerd (vgl. b. v. Richt. 3 ; 5—11, 1-2—15).
Zij waren, terwijl zij op die manier schreven, volkomen te goeder trouw. Bij deze zaak moet nl. nog iets anders in het oog worden gehouden.
In den tegenwoordigen tijd weet men wel, dat God. gelijk Hij overal dienzelfden weg heeft verordend, de menschheid zich ook op geestelijk gebied langzaam laat ontwikkelen. Het Israëlietische volk heeft Hij insgelijks langzamerhand van gebrekkige tot meer verheven inzichten vooruit laten gaan. Terwijl aanvankelijk de uitnemendsten onder de Hebreeuwsche stammen geloofden aan vele goden, onder welke de god van hun volk, Jahwe, enkel de voorna;imste was, zijn de denkbeelden over dien Eéne bij de besten hoe langer hoe verhevener geworden, langs welken weg Israël er toe werd geleid, om het eerst te erkennen, dat de
deels, dat bij \'t afschrijven, waardoor oudtijds uitsluitend boeken werden verveelvoudigd, vaak vergissingen zijn begaan; anderdeels, dat de SS. somtijds zinspelen op gebeurtenissen of toestanden of gebruiken, waarvan wij niet weten, en die wel nooit alle bekend zullen worden.
Toch Zijn in de laatste tijden door betere raadpleging dan te voren van oude vertalingen en op andere wijs een aantal dingen heel wat duidelijker geworden, dan zy vroeger waren. Eene vertaling van het O. T., veel beter dan die wij gewoonlijk gebruiken, is voor kort verschenen in Duitsch-land, terwijl ook in ons vaderland verschillende geleerden op dit oogenblik met het vervaardigen eencr nieuwe bezig zijn.
wereld van een éénig, een heilig, liefderijk quot;Wezen wordt geleid.
Men stelde zich onder Israël evenwel niet voor, dat vereerde personen in vroeger tijd op een lager standpunt van ontwikkeling hadden gestaan, maar was er van overtuigd, dat zij dezelfde denkbeelden hadden gehad, die men zelf koesterde. — In sommige gedeelten van de geschiedkundige boeken des O. T., die geschreven zijn door mannen van profetische richting (een aantal verhalen van Genes. — Numeri, maar vooral Deu-teronopiium, Josua, Richteren, 1 en 2 Samuel, 1 en 2 Koningen ; vgl. § 15) straalt daarom herhaaldelijk de overtuiging door, dat van de vroegste tijden af bij de uitnemendste mannen altijd het geloof aan Jahwe als den Eónige zal hebben bestaan. — Andere gedeelten (vooral in Genes. — Numeri, en de boeken Chronieken — Nehemia; vgl. § 29 en 34) zijn geschreven na de b illingschap. Daarin wordt het voorgesteld, alsof de destijds geldende gebruiken reeds door Mozes waren ingesteld en trouw door de groote mannen nageleefd.
Gelukkig heeft men nu toch op het spoor kunnen komen, hoe de zaken zich werkelijk hebben toegedragen. Eensdeels kan men nl. de berichten der verschillende schrijvers met elkander vergelijken, en zoo hunne waarde toetsen. Anderdeels nemen die schrijvers uit oudere bronnen somtijds een en ander over, wat niet strookt met de voorstelling, die zij zelf in den regel geven, en wat dan wijst op de geleidelijke ontwikkeling der godsdienstige denkbeelden, waarvan straks is gesproken.
Verder zijn er, behalve de geschiedkundige boeken, zulke waaruit wij de gevoelens leeren kennen op godsdienstig en zedelijk gebied van de dichters wier liederen, van de wijzen wier gedachten daarin zijn opgenomen, of van de profeten wier prediking er in wordt beschreven. In deze boeken vooral staat veel, waardoor ook nog bij ons goede gedachten kunnen worden opgewekt en ons godsdienstig-zedelijk leven kan worden gereinigd en versterkt.
Door den inhoud van deze worden wij tevens eenigermate ingelicht, omtrent de denkbeelden in zedelijk en godsdienstig opzicht bij de tijdgenooten der schrijvers.
Nu ontbreken wel dikwijls betrouwbare uitwendige aanwijzingen aangaande den tijd van oorsprong, en dan kan het somtijds zeer moeilijk zijn, met juistheid te bepalen, wanneer een dichter of wijze of profeet, wiens woorden er den
6
inhoud, van vormen, heeft geleefd. Door veel studie is het evenwel gelukt, ook van verreweg de meeste dezer boeken vast te stellen, in welken tijd ongeveer de mannen, die daaraan het woord zijn, moeten hebben gearbeid.
Zoo zijn geleerden in staat geweest, duidelijk te maken op welke wijze de Israëlietische godsdienst, waaruit later het nóg h e e r 1 y k e r Christendom is voortgekomen, naar Gods wijsheid zich geleidelijk uit zeer eenvoudige denkbeelden heeft ontwikkeld.
HOOFDSTUK I.
De stichting van den Jahwe-dienst onder de Hebreeuwsche stammen. — Oudste tijd tot Mozes (- 1320 v. C.).
§ 2. De Hebreërs in Mesopotamië en Egypte.
In lang vervlogen tijden zwierven in Mesopotamië eenige herdersstammen rond, blijkens taal en godsdienst nauw aan •elkander verwant, Hebreërs genaamd, omdat zij „van gene zijdequot; (nl. van den Eufraat) gekomen waren. Terwijl zich anderen er mee hebben vermengd, is uit een deel van die stammen later het Israëlietische volk geworden, merkwaardig om zijn godsdienst, waaruit het Christendom en «enigermate ook het Mohammedanisme zyn ontstaan.
Al rondzwervende kwamen deze Nomaden waarschijnlijk •omstreeks 1500 v. C. in de landstreek Gozen, een gedeelte van het toenmaals reeds betrekkelijk zeer beschaafde Egypte. Toen de Egyptenaren slavendiensten van hen begonnen te vergen, gaven zij liever de voordeelen prijs, die het verblijf ■daar hun anders bood, namen de gelegenheid waar, dat rampen Egypte teisterden, en trokken in 1320 v. C. onder hun met de Egyptische beschaving vertrouwden aanvoerder Mozes naar de Arabische woestijn.
Van die oude tijden wisten de Israëlieten later niet veel meer af. \'t Wordt in vaak aardige, wondervolle verhalen voorgesteld, dat herdersvorsten met hunne familiën. Abraham, Izak als zijn zoon, en Jacob als zoon weer van dezen, uit Mesopotamië door Kanaiin heen naar Egypte waren getogen, de laatste, nadat zijn zoon Jozef daarheen was vooruitgegaan.
Wat beschaving betreft, stonden deze stammen, zooals
8
zich denken laat, aanvankelijk nog op zeer lagen trap-..
Bestuur en rechtspraak waren nog geenszins geregeld, zooals dat onder meer beschaafde volken het geval is. Men onderwierp zich, als gewoonlijk bij Nomadenstammen, in den krijg aan den raad van de oudste mannen, van stamhoofden, of van wie anders, b. v. door lichaamskracht of meerder doorzicht, eenig gezag wisten te verwerven. Evenzoo bij geschillen, zonder dat evenwel daardoor de zwakkere altijd voor onderdrukking veilig was.
Welke godsdienstige denkbeelden de stammen hadden r is als zooveel meer ook niet nauwkeurig bekend. Wel staat vast, dat die eveneens zeer eenvoudig waren. Zoovereerden zij b. v. steenen en boomen, die men uit eene of andere oorzaak van machtige geesten bewoond achtte, en verschillende natuurkrachten. In \'t algemeen viel hunne aandacht meest op de verderfelijke, als \'t ware den mensch vijandige werking, die van deze laatsten uitging, zoodat zij zich de Goden doorgaans voorstelden als wezens, voor wie men bevreesd moest zijn en zich klein moest houden. Dat zij zoo dachten, blijkt uit de namen, waarmee zij ze noemden, als: El-Schaddaï (— God de Almachtige), Baal of Adon (= de Heer), Elohim ( de Gevreesden), El (-■ de Sterke), Molech (- - de Koning). Ook daaruit, dat zij hun bloedige, zelfs menschen-offers, brachten.
Eigenaardig was, dat zij den laatsten dag der week voor heilig hielden en maandelijks dien, waarop de maan opnieuw verscheen.
Verhalen over Terach Gen. 11 : 31, 32. — Abraham Gen. 12 en verv. — Izak Gen. 24 en verv. — Jakob Gen. 27 en verv., 46 en verv. — Jozef Gen. 38 en verv.
Onderdrukking in Egypte Exod. 1. — Mozes Exod. 2 en verv.
§ 3, De Hébreërs in de woestijn. — llozes.
Nadat zij uit Egypte waren getrokken, gingen de stammen aanvankelijk weer rondzwerven, in de Arabische woestijn.
Daar heeft Mozes, spoedig na hunne aankomst, iets gedaan om meer orde en zedelijkheid in het leven te roepen en deze te bevestigen. Hij was vast overtuigd en hield aan de stam-
men voor, dat do bevrijding uit Egypte hot werk was van een machtigen God, misschien dezelfde als El-Schaddaï, dien hij nu echter Jahwe (d. i. de Levenwekker) noemde. Deze had eerst hem zelf aangespoord en daarna op allerlei wijze geholpen, dat men ontkomen kon. Dus legde hij aan de stammen op, dat zij uit dankbaarheid Jahwe moesten dienen, die hen had vrijgemaakt.
Behalve den aandrang, dat de stammen Jahwe alleen zouden vereeren, is kenmerkend in de prediking van Mozes. dat die God met offers, het houden van den sabbat, het vieren van feesten enz. niet tevreden was, maar ook eischte een deugdzaam leven, ouderliefde, eerlijkheid, oprechtheid enz., van welke deugden men in Egypte wel had gehoord. omdat zij daar reeds lang in hooge eer stonden. Natuurlijk werd door hem voorgehouden aan het volk, dat Jahwe, wie hem getrouw diende, zou beloonon met gaven van stoffelijken aard. Omdat het stoffelijke nog verreweg het zwaarste woog. zag men niet verder dan dit leven en wist van onsterfelijkheid niet af. Bij het handhaven van zijne eischen was Jahwe verder zeer gestreng. — In de zoogenaamde tien Geboden is een en ander, wat Mozes predikte, als in een kort begrip byeengesteld.
\'t Spreekt vanzelf, dat niet allen nu terstond of zelfs spoedig nalieten, andere goden dan Jahwe te vereeren, en dat de zedelijke geboden ook daarna nog dikwijls werden overtreden. Toch stemden velen met Mozes in. Enkelen van dezen hadden er al op tegen, een beeld van Jahwe te maken, maar de meesten zagen daar geen bezwaar in en vereerden hem dikwijls onder de gedaante van een stier. Eene eerbiedige vrees koesterden allen voor eene aan Jahwe gewijde kist, wellicht met een steen er in, die .,de ark van Jahwe\'quot; of „de ark des verbondsquot; wordt genoemd.
De beschouwing, dat zij te zamen maar één God hadden te vereeren., strekte zeer tot versterking van den band tus-schen de verschillende stammen.
Waarschijnlijk zwierven de stammen in de woestijn omstreeks 50 jaren rond. Ook over dit tijdperk werden later allerlei wondervolle verhalen gedaan, waaraan wel eens ontmoetingen en lotgevallen, die men wezenlijk had gehad, ten grondslag lagen.
10
De 10 geboden Exod. 20 : 2 -17 (vgl. Deuteron. 5 : 6—21).
Menschenoffers aan Jahwe Richt. 11 : 30-35; 1 Sam. 15 : 3 (vgl. Hos. 13 : 2). — Geen geloof aan onsterfelijkheid by de oude Israëlieten Jes. 38 : 18, 19; Ps. S8 : 5, 6, 10-14 (vgl. Pred. 3 : 19-21; 9:5; Dan. 12 : 2). - Uit een Egyptisch Grafliedquot;: „Wat schatten iemand samenbracht. Niet één, die ?t hachlyk uur ontkomt. Als aller schatten glans verbleekt! Gedenk den dag, als gy zult gaan naar \'t land. Vanwaar wie heenging nimmer wederkeert. Dan baat u slechts een leven, vroom en rein. Doe daarom recht en haat elke
euveldaad..... Wees goed en mild, zooals \'t betaamt. Heb waarheid lief!quot; —
Uit „het Doodenboekquot;: .,Ik heb de ellendigen niet onderdrukt; niet gelogen, niet gestolen, niet gedood; niet gebeden, dat iemand het zag; geen overspel gepleegd; ik ben geen huichelaar, geen losbandige, geen dronkaard geweest; ik heb maten noch gewichten vervalscht. Ik heb brood gegeven aan wie honger, water aan wie dorst had, kleederen aan den naakte, aan den zwerver een toevluchtsoord.quot; — Elders: „Zie toe, dat gy geen bitterheid brengt over \'t hart eener moeder! Overkome \'t u niet, een mindere te mishandelen» Vermaak u niet en dryf den spot niet met hen, die van u afhangen! Bederf niet het hart van uwen vriend, als hg rein is!quot; — Zie „Levenslicht uit vroeger •eeuwenquot;, blz. 120—136. Vgl. Kuenen, „Godsd. v. Isr.quot; I : blz. 396 v.
Stierbeelden Exod. 32 : 4; 1 Kon. 12 : 28 (vgl. 1 Kon. 1 : 50).
Verhalen over de ark 1 Sam. 5. 6; 2 Sam. 6 : 0, 7.
Het manna en de kwakkelen Exod. 16: Num. 11. — Water uit de rots Exod. 17; Num. 20. — De strijd tegen Amalek Exod. 17.
HOOFDSTUK II.
De strijd van het Jahwisme om zich te handhaven tegenover de andere godsdiensten. — Van Mozes tot Samuël (1320—1050 v. C.).
§ 4. De vestiging in Palestina.
De stammen vonden eindelijk, omstreeks 1270 v. C., gelegenheid, om vaste woonplaatsen in te nemen in het land ten N. en W. van de woestijn, Palestina genoemd, dat zij ■daartoe moesten veroveren op de volksstammen die het vanouds bewoonden. De stam Juda drong van de zuidzijde, andere drongen van den oostkant binnen. Deze laatsten moesten daartoe de rivier de Jordaan overtrekken. Wederom op wondervolle wijze had een en ander plaats gehad volgens het latere geloof.
11
Dit land. waar zij zich gevestigd hebben, was nog niet zoo groot als Nederland, ongeveer 40 a 50 uren gaans lang en 20 a 25 uren breed. In de lengte van het N. naar het Z. loopt door Palestina eene dubbele heuvelenrij. tie uitloopers van het gebergte Libanon, dat in \'t N. de grens vormde.
De kuststrook ten W. der heuvels, aan de Middellandsche Zee, was meerendeels vlak, waardoor Palestina ook Kanaan (d. i. Laagland) heet. Men had daar van \'t N. af naar het Z. toe de kleinere vlakte „van Zebulonquot; en de grootere „van Jizreëlquot;, door welke laatste de beek Kison stroomde; vervolgens, van de vorige gescheiden door het gebergte Karmel, dat zich tot aan de zee uitstrekte, „de vlakte van Saron\'\'en „de Sefelaquot; (d. i. de Laagte). Langs deze vlakten aan de kust trokken de karavanen van Klein-Azië en van Mesopotamië naar Egypte en omgekeerd.
Het dal tusschen de beide rijen heuvels was, omdat het zeer sterk daalde, in \'t Z. zeer diep en verbazend warm. Er doorheen stroomde de sterk kronkelende, snelvlietende en daardoor haast niet te bevaren rivier de Jordaan, die ontsprong op het gebergte Libanon, na eenigen tijd het visch-rijke meer Gennesareth vormde, en ten slotte haar water stortte in de Doode Zee.
Het Jordaandal was ten gevolge van de warmte weinig vruchtbaar : in \'t Z. lagen de woestijn „van Jerichoquot;, en tusschen de Doode Zee en het quot;W. gebergte die „van Judaquot;. Overigens was het land wèl vruchtbaar. In de vlakte vooral werd koren verbouwd: verder tierden in Palestina welig de wijnstok, de olijf- en de palmboom, terwijl op de hooger gelegen vlakten, b. v. in den omtrek van het later gebouwde Samaria, in Judea en het Overjordaansche de veeteelt, vooral de schapenfokkerij, gedreven werd. Op de allenvarmste plaatsen, hier en daar aan de kust, aan \'t meer Gennesareth, bij Jericho, kon de balsemstruik worden gekweekt.
Naburige volken waren ten N., aan de kust de Feniciërs, verder oostwaarts de Hethieten en de Syriërs ; in \'t Z.-W. aan de kust de Filistijnen ; ten Z. de Edomieten en de Amale-kieten; in \'tZ.-O. de Moabieten, de Ammonieten, en verder de woestijn in de Midianieten. In \'tland zelf woonden, aan de kust noordelijk de Kanaanieten en in \'t binnenland de Hevieten, Amorieten. Amalekietische en andere stammen.
12
Overtocht over de Jordaan Jos 3. — Inneming van Jericho Jos. 6.
Saron Hoogl. 2:1; Jes. 35 ; 2.
quot;Vruchtbaarheid des lands Num.13; 23, 27; Deuteron. 8: 8, 9; 1 Kron. 27: 27-31.
§ ö. De eerste tijd in Palestina. (De Bichterentijd.) a. De verovering van het land.
\'t Was er ver vandaan, dat de stammen terstond liet land veroverden en de inboorlingen overmeesterden. Toen zij waren quot;binnengedrongen, waarbij zekere J o s u a veel gezag\' heeft gehad, die b. v. eene groote overwinning behaalde bij Gribeon, moesten hier en daar de oude bewoners bukken voor de indringers, maar somtijds ook werden deze laatsten tot het betalen van schatting verplicht. Dientengevolge hadden aanvankelijk nog gedurig verhuizingen plaats en moest er vooral nog lang gestreden worden. Zelfs duurde het een paar honderd jaar, eer er voorgoed een einde kwam aan den strijd binnenslands.
Aanhoudend liet nl. de eendracht tusschen de stammen veel te wenschen over. Men bekommerde zich menigmaal weinig om wat elders gebeurde, en daarna dongen Juda en Efraïm om den voorrang. Zoo handhaafden zich de Inland-sche stammen en berokkenden de omwonenden, als de Filistijnen, die vooral geduchte vijanden waren, de Ammonieten, Moabieten, Midianieten, Edomieten, door strooptochten veel overlast.
Daar de nieuw-ingekomenen echter den dienst van Jahwe met elkander gemeen hadden, kon bij groot gevaar een invloedrijk man do krijgslieden in naam van den gemeenschap-pelijken God oproepen. Omdat zoo iemand daarna al veel het erkende hoofd bleef in zijn kring, werd men althans eenigermate gewend aan eendracht en tucht.
De voornaamste helden van dien aard (waaronder ook eene vrouw), „richtersquot; genaamd wegens het gezag, waarmede zij bekleed bleven, zijn geweest;
E li u d, die de Moabieten versloeg, nadat hij op verraderlijke wijze hun koning Eglon had vermoord.
De bora, eene „profetesquot;, dus eene vurige ijveraarster voor Jahwe, op wier aansporing Barak in de vlakte van Jizreël eenige stammen met glansrijk gevolg aanvoerde tegen
13
Sisera, den veldheer van Jabin, koning der Kanaanieten, welke overwinning in „het lied van Deboraquot; (Richt. 5) werd bezongen.
Gideon (d. i. „de houwerquot;; eigl. J e r u b b a a 1), die waarschijnlijk insgelijks in de vlakte van Jizreël de in noordelijk Palestina stroopende Midianieten tuchtigde, en wiens zoon A b i m e 1 e c h naderhand door sommigen tot koning werd uitgeroepen. Anderen waren tegen den koninklijken regeerings-vorm, wat omstreeks dezen tijd „de fabel van Jothainquot;\' (Richt.
9 : 7 — 15) deed ontstaan.
J efta, die na het doen eener gelofte, waardoor hij latei-zijne dochter moest offeren, de Ammonieten voorgoed verdreef uit de vruchtbare bergstreek Grilead, in \'t N. van het Overjordaansche, waarna een onderlinge strijd volgde tus-schen de daar wonende stammen Ruben, Gad en een deel van Manasse, en den stam Efraïm, die jaloersch was wegens de behaalde overwinning.
Gedeeltelijk werden de inlandsche stammen zoo tot dienstbaarheid gebracht of uitgeroeid. Intusschen vermengde men zich elders met elkaar, inzonderheid waar de nieuwe bewoners zich met moeite staande hielden. Trouwens vroeger waren ook reeds uit Egypte mee opgetrokken, die oorspronkelijk niet behoorden tot de Hebreërs, en daarna hadden zich Edomietische en Midianietische familiën bij hen aangesloten.
Dat alle-; ging te gemakkelijker, omdat de Hebreërs, de omringende volken en de inlandsche stammen vanouds niet zoo heel ver van elkaar af hadden gestaan en ook nu nog niet stonden, wat taal en godsdienstige begrippen betrof.
Het ligt in den aard der zaak, dat de stammen, waarin zoo vooral vreemden werden opgenomen, in minder hooge achting kwamen te staan dan de anderen.
Van handel met omringende volken kon natuurlijk nog geen sprake zijn in dezen tijd.
Slag bü Gibeon Jos. 10: 1—U. — Langzame overmeestering der inboorlingen Richt. I: 19, 21, 27—35; 3: 14: 4: 3; Gen. 49: 15. — Verhuizing Ricbt. 18: 1. — Volledige onderwerping 1 Kon. 9:20,21. — Ehud Eicht. 3: 15. — Debora en Barak Eicht. 4. — Gideon en Abimelech Eicht. 6—9.— Jcfta Eicht. 11. — Naijver van Efraïm Eicht. 12 : 1—6.
Vermenging met andere stammen Richt. 1: 12—10; Exod. 12: 38; Num.
10 : 29 - 32; Gen. 41; 43; Num. 12: 1; Exod. 2: 21.
14
§ 6. Be eerste tijd in Palestina, h. De godsdienstige toestand.
De natuurdiensten der inlandsche stammen en hunne zeden waren meerendeels zeer lichtzinnig, mee ten gevolge van het weelderiger klimaat, waaronder zij verkeerden.
Vooral bij vermenging namen nu de nieuw-ingekomenen natuurlijk van de denkbeelden en zeden der inboorlingen over. Uit den aard der zaak gingen zij ook gelooven, dat er machtige geesten woonden in sommige steenen, boomen, enz., en deze op zinnelijke wijze mee vereeren. Soms liep inderdaad door het binnendringen van andere inzichten en godsdienstige gebruiken, de strenge Jahwe-dienst gevaar zijn invloed te verliezen.
Gelukkig bleven intusschen sommigen daaraan krachtig vasthouden. Zoo waren er waarschijnlijk wel, die opzettelijk bleven rondzwerven, om alle verbroedering te voorkomen, gelijk later b. v. een hoofd van de Rechabieten dit geslacht verplichtte, dat het „tot in eeuwigheidquot; geen wijn zou drinken, geen huis bouwen, geen zaad zaaien, maar dat het immer tenten zou blijven bewonen en rondzwerven. Anderen dreven het zoo ver niet, maar gaven door eene plechtige gelofta somtijds voor langer of korter tijd, omb. v. geen wijn te drinken, blijk van hunnen ijver voor den Jahwe-dienst (Nazireërs). Ook waren er (vaak „zienersquot; meteen), die in een ruw kieed van kameelenhaar gehuld, er bepaald hun werk van maakten, met woord en daad tegen den dienst dei-vreemde goden en vóór dien van Jahwe te ijveren (Profeten).
Do voorstanders van den Jahwe-dienst bezigden op den duur nog een eigenaardig middel, om de gedachten van die vreemde godsdiensten af te leiden. Zij lieten dikwijls de heilige steenen en boomen in wezen, maar stelden het voor, alsof zy waren opgericht of geplant door beroemde Jahwe-dienaars in vroeger tijd, om ter herinnering aan merkwaardige daden of lotgevallen te dienen. Op dergelijke manier werd gehandeld met betrekking tot een verhaal over de groote daden van een zonnegod (Simson), waaraan men geloofde. De Jahwe-vereerders lieten ook dat verhaal bestaan, maar deden het voorkomen, alsof het handelde over een man met name Simson, die van Jahwe bijzondere kracht tot geweldige daden ontvangen had.
15
Het oprichten van altaren van aarde of onbeliouwen steen wat men vooral op hoogten deed, stond geheel vrij, en ieder mocht offeren. quot;Wel werden echter, om te offeren en om den wil der godheid na te vorschen, liefst bepaalde personen aangesteld, waarbij onder de Jahwe-dienaars aan leden van den stam Levi de voorkeur gegeven werd. Wellicht had zich vanouds deze stam door bijzonderen ijver voor den dienst van Jahwe gekenmerkt; zeer mogelijk zijn ook „de kinderen van Leviquot;\' altijd blijven rondzwerven. Zoo ontstond allengs eene priesterschap, die op den duur toenam in invloed en macht. Ook overschaduwden enkele offerplaatsen en heiligdommen, b. v. die te Silo (in \'t midden des lands), en verder die te Dan (geheel in \'t N.), te Bethel (eveneens in quot;t midden, ten Z. van Silo), te Gilgal (bij Jericho), te Berseba (geheel in \'tZ.), de anderen.
„Gruwelenquot; der inboorlingen Gen. 0: 21, 22; Deuteron. 20: 17, IS. — Moe-doen der Hebrcörs daaraan Richt. 2: 11, 12; 6: 25.
De Bechabieten Jerem. 35: 1—11 (vgl. 1 Kon. 10: 15, 16). — Nazireërge-lofte Sum. 6: 1—5 (vgl. Amos 2: 11, 12; 1 Sam. 1: 11). — Optreden der profeten 1 Sam. 10: 5, 10 (vgl. 2 Kon. 3 : 15; 9: 11). — Hunne kleeding 2 Kon, 1: 8; 2 : 13 (vgl. Zach. 13: 4; Matth. 3: 4; Num. 12: 6).
Heilige steenon en boomen Gen. 12: 6, 7, 8; 21: 33; 23 : 23 —25 ; Jos. 4: 5: 22: 10 ; 1 Sara. 7: 12; 1 Kon. 1: 9 (steen der kruipende slang). — Sirasou Richt.. 14: 5, 6; 15: 5; 16: 3,19, 22.
Oprichten van altaren, enz. Exod. 20: 24, 25. — Vooral op hoogten 1 Kon. 20: 23. — Voorkeur voor Levieten Richt. 17: 5—13 (vgl. 1 Kon. 12: .31).— IJver van den stam Levi Gen. 49: 5—7. — Silo 1 Sara. 4:3. — Dan Richt. 18: 29—31. — Dan en Bethel 1 Kon. 12: 31—33. — Gilgal 1 Sam. 11: 14. — Bethel, Gilgal, Berseba Araos 5:5, — (Gibeon 1 Kon. 3: 4).
§ 7. S a 111 U ë 1.
Zou de aloude, meer ernstige geest der Hebreeuwsche stammen niet te loor gaan maar de heerschende worden, m. a. w., zouden niet die stammen versmelten onder do oorspronkelijke bewoners van Palestina maar den boventoon aangeven, en alzoo een volk Israël ontstaan, dan was blijkbaar van groot gewicht, dat de dienst van Jahwe meer algemeen en de overheerschende godsvereering werd.
Voortdurend leed men ook nog veel overlast van de Filistijnen. Dezen hebben zelfs een tijdlang de ark van Jahwe in hun bezit gehad.
In het midden der 11e eeuw v. C. heeft nu iemand met
16
name Samuël grooten invloed geoefend, dat deHebreeuw-sche stammen zieh nauwer aan elkander aansloten en door meer eendracht de overhand konden behouden.
Als vurig ijveraar voor den Jahwe-dienst ging hij krachtig den dienst van andere goden te keer, en drong hij metgroo-te gestrengheid aan op het vereeren van den gemeenschap-pelijken God. Zeker verdrong hij, zóó dat het gerucht overal doordrong, in den omtrek van zijne woonplaats Eama in \'tZ. des lands, de waarzeggers en doodenbezweerders, die geen Jahwe-dienaars waren, en strafte de uitoefening van dergel\\jko praktijken met den dood. De overwonnen Ama-lekieten en hun koning Agag werden op zijn aandrang ter •eere van Jahwe met „den banquot;\' getroffen.
ïen deele werkte hij tegen het meedoen met de inland-sche stammen en vóór hot dienen van Jahwe, door recht--streeksche persoonlijke bemoeienis, als hij b. v. gedurig naar verschillende omliggende plaatsen ging, om recht te spreken. Bovendien arbeidde hij aan het veldwinnen van die beginselen het geheele land door, terwijl hij de profeten overal bij elkaar deed komen, om elkander op te wekken en door eeiv dracht krachtiger te wezen. De „profetenscholen\'\', die hij in het leven riep, werden vereenigingen, die stellig niet altijd op zachte wijze optraden en van wie een machtige invloed uitging onder het volk.
Op die manier heeft, mede op aandrang en onder leiding van Samuël, in de 11e eeuw v. C. de strenge Jahwe-dienst belangrijk veld gewonnen, waardoor voorbereid werd, dat er meer éénheid kwam onder het volk.
In later dagen werd Samuël dan ook, al was hij geen krijgsman geweest, als grondlegger der volkséénheid in dankbare herinnering gehouden en zijne werkzaamheid hooge-lijk geëerd.
Overheersching der Filistijnen 1 Sam. 4: 2; 7:7. — Verlies van do ark 1 Sam. 4: 10, 11.
SamuSls werkzaamheid 1 Sam. 15: 1—3, 33 (vgl. 1 Sam. 28: 8). Reizen en woonplaats 1 Sam. 7: 16, 17. — Profetenscholen 1 Sam. 10: 5, 10; 19: 18 —20; 2 Kon. 2: 8, 5. — Eerbied van het nageslacht voor Samuël 1 Sam. 1: ■9-11, 25 - 23 ; 3 : 1-14, 21; 7: 13, 14.
17
HOOFDSTUK III.
Toenemende invloed van het Jahwisme. — Van Sa-muël tot Jehu (1050-842 v. C.).
§ 8. Saul de eerste koning (1020 1000 v. C\'.), en David [1000— 970 v. C.).
Het bewustzijn van met elkaar één volk te vormen, tot het ontstaan waarvan Samuels werkzaamheid zooveel had bijgedragen, leidde er toe, dat in 1020 v. C. Saul na eene dappere daad werd uitgeroepen tot koning over het geheele land. Inderdaad was daar grootelijks behoefte aan, omdat het volk tegelijkertijd van de Filistijnen ten quot;W., en van de Ammonieten ten O. veel te lijden had. Er waren er wel, waaronder ook eenigermate SarnuGl en zijne volgelingen, die nog steeds tegen de invoering van het koningschap bezwaar hadden, maar gelukkig verhinderde dit niet meer, dat de koninklijke regeeringsvorm werd ingevoerd.
Aanvankelijk ging het goed onder de regeering van Saul. Ook door Samuël en de profeten gesteund, in wier geest hij regeerde, trad hij krachtig tegen de Filistijnen en andere vijanden op.
Toen intusschen het dringende gevaar voorbij was, kreeg Saul te kampen met allerlei moeilijkheden. Bij sommigen ontwaakte de tegenzin tegen het koningschap weer. Anderen waren ontevreden, dat iemand uit den kleinsten stam, Benjamin, den troon had beklommen. Ook kon Saul op den duur niet geheel naar den zin der vurige Jahwe-dienaars blijven handelen. Eindelijk vervreemdde hij velen van zich door persoonlijke karaktertrekken.
Xog tijdens Saul regeerde, lieten vele ontevredenen het oog vallen op David, een dapperen krijgsman uit den stam Juda, schoonzoon des konings, innig bevriend met diens zoon Jonathan. David verkeerde door Sauls pogingen om hem in handen te krijgen, dikwijls in groot gevaar en moest zich zelfs een tijdlang als balling bij de Filistijnen ophouden.
In een ongelukldgen veldslag tegen de Filistijnen sneu-
18
velde Saul met drie dappere zonen, van wie naast den vorst zelf vooral ook Jonathan diep werd betreurd door David, die een treffenden klaagzang (2 Sam. 1 : 17—-27) dichtte wegens hun dood.
Een groot deel des volks huldigde nu Sauls zoon Esbaal (later soms Isboseth genoemd), maar tegenover hem riep de stam Juda, door vele voorstanders van den Jahwe-dienst gesteund, David tot koning uit, en Esbaal, een onbeduidend man, kon zich niet staande houden. Toon hij door verraad om het leven kwam, werd David door al de twaalf stammen als koning erkend. Door dapperheid en beleid heeft deze het rijk naar het uitwendige tot grooten bloei gebracht.
Aanvankelijk voorzichtig optredende, nam hij, toen de Filistijnen een leger te velde brachten, de wijk in de bergvesting van Adullam, in \'tN.-AV. deel van het gebergte van •Juda, en bestookte hen eerst van daar uit met goed gevolg. Langzamerhand groeide door het toetreden van meerdere krijgslieden zijne macht aan, en nu versloeg hij hen tweemaal, en later nog eens, zoo volkomen, dat Israël voortaan geheel bevrijd was van hunne heerschappij.
Door eene keurbende van helden gesteund, bestreed en overwon hij daarna de Moabieten, de Syriërs, op wie hij een grooten buit aan goud en koper veroverde en over wier gewesten tot aan de Eufraat toe hij landvoogden aanstelde, en de Edomieten. Later nog de Ammonieten, wier koning hem grof beleedigd had, en meteen nog eens de Syriërs, die tevergeefs een opstand ondernamen.
Terstond na de eerste overwinningen op de Filistijnen, had hij het nog door Kanaanieten bewoonde Jebus veroverd, en deze sterke stad even over de grens van Juda ten N., die voortaan Jeruzalem heette, tot residentie gekozen. De stad was-zoo sterk, omdat zij lag op een aan drie zijden stellen berg niet twee ongelijkmatig hooge, door „het Kaasmakersdalquot; van elkaar gescheiden toppen, aan de W.- en Z.- zijde begrensd door „het dal van den zoon Hinnomsquot;, aan de O.-zijde van. den Olijfberg gescheiden door „het dal Josafatquot;, waardoor de beek Kidron stroomde. Later bouwde de vorst zich hierop den westelijken, den hoogsten, top een prachtig paleis, waartoe hem cederhout en werklieden verstrekt werden door den. koning van het nijvere en veel handel drijvende Tyrus, met welken staat de Israëlieten tot wederzijdsch voordeel ge-
19
regelcl in vrede leefden. De koning voerde er toen. van vele grooten omringd, eene weelderige hofhouding.
Hij nam bij zich aan zijn hof, om voor hem te zorgen, een ongelukkigen kleinzoon van Saul, zoon van zijn vriend Jonathan, Merib.ial (later Meflboseth genoemd).
De Filistijnen 1 Sam. 13: 1-7, 19-22; 14; 21. — De Ammonieten 1 Sam. 11; 1, 2. — Saul koning 1 Sam. 11: 3—15; 14 ; 47 (vgl. 1 Sam. 8 ; 19—10 :1 en 10 ; 17—24). — Verzet tegen den koninklijken regeeringsvorm (vgl. § 4) 1 Sam. 8 ; 6; 10: 27).
Voorspoed onder Saul 1 Sam. 14: 1—28,47—52. — Begeering in Samuels geest 1 Sam. 14 : 88—45 ; 28; 8, 0; 2 Sam. 21: 1, 2. — Latere oneenigheid met Samuel 1 Sam. 15; 8, 9 (vgl. 18 : 8—14).
Davids komst bij Saul 1 Sam. 16; 17—28 (vgl. 1 Sam. 17, waarnevens 2 Sam. 21: 19). — D. in gevaar en ztjne vriendschap met Jonathan 1 Sam. 18 — 30. — Sauls dood 1 Sam. 31.
David en Esbaal (Isboseth) 2 Sam. 2: 4—17; 3:1.— David na E.\'s dood koning over gansch Israël 2 Sam. 4; 5—5: 3.
Overwinningen op de Filistijnen 2 Sam. 5: 17 —21, 22 —25 ; 8; 1.
Davids keurbende 2 Sam. 23: 8—39 (vgl. 21; 15-22). — Overwinningen 2 Sam. 8: 1-14; 10.
Verovering van Jebus 2 Sam. 5: 0—9. — Davids paleis en hofhouding 2 Sam. 5: 11-18; 8: 16-18 (vgl. 19: 85).
ileribaal (Meflboseth) 2 Sam. 4; 4; 9.
§ 9. De godsdienstige denkbeelden bij David en in sjn tijd.
Ook David was voortdurend een warm, ofschoon voorzichtig voorstander van den Jahwe-dienst, dien hij bepaald tot staatsgodsdienst verhief.
Hij voerde de ark, die op een of andere wijze in het land teruggekomen was, op plechtige wijze naar Jeruzalem, waarmee hij te verstaan gaf. dat Jahwe gediend worden moest door het geheele volk, al deed dit het daarom volstrekt nog niet dadelijk algemeen, zooals behoorde. Altijd wijdde verder de koning, als hij in den oorlog de overwinning had behaald, een groot deel van den buit aan Jahwe, waardoor hij mee het bouwen van een tempel in later tijd voorbereidde.
Met een weelderigen eeredienst hadden evenwel vele vurige voorstanders van den Jahwe-dienst volstrekt niet op. Zij rekenden gehoorzaamheid alleen genoeg en vreesden, dat weelderigheid en nieuwigheden de gedachten daarvan zouden
20
afleiden. Ia dat opzicht hielden zij zich niet altijd vrij van bekrompenheid.
Men had trouwens in :t algemeen omtrent den vreeselijken Clod en zijn dienst nog zeer eenvoudige voorstellingen. Om hem te kunnen vereeren, moest iemand wonen in het Israë-lietische land, omdat daar Jahwe regeerde. Men meende, dat zijn voortgaan voor het leger, uit een ruischen in de boomtoppen veroorzaakte.
Jahwe\'s toorn, die hem vaak nog het nageslacht deed straffen, bleek door tweedracht, hongersnood, pest, enz., die hij verwekte. D.m kon hij wel eens in betere stemming worden gebracht door den geur van een offer, of was vasten dienstig om hem te verzoenen, maar somtijds was daartoe ook het dooden van menschen noodig.
Vooral werd die toorn (hier straalt het zedelijk karakter van den Jahwe-dienst weer door) opgewekt door trouwelooze, verraderlij ke handelingen.
Zoo werd eens op een keer het volk, omdat Saul het vroeger gegeven woord aan de Gibeonieten gebroken had, achterna door hongersnood geplaagd, en kwam er eerst een einde aan Jahwe\'s toorn, toen twee zonen en vijf kleinzonen des eersten konings ten zoen geofferd waren.
Toen de machtige koning zelf. tot wien zijne onderdanen anders naar Oostersche manier met slaafschen eerbied opzagen, zich eens verleiden liet tot eene lage daad tegenover een zijner veldoversten, Uria, werd hij door den profeet Nathan in naam van Jahwe berispt; omdat de vorst toen schuld beleed en zich verootmoedigde, werd hij zelf gespaard, maar zijn kind moest sterven tot straf voor zijne zonde.
Geen kwaad intusschen zag men er in dezen tijd nog in, bij allen eerbied voor Jahwe, dat de koning onmenschelijk wreed tegen overwonnen vijanden te werk ging. Algemeen waren de zeden nog ruw.
David kan dan ook niet al de psalmen gedicht hebben die later van hem afkomstig werden geacht.
De ark in Jeruzalem gebracht 2 Sam. 6: 1-19. — Bult aan Jahwe gewijd 2 Sam. 8: 7, 11, 12 (vgl. 1 Sam. 21; 9).
Tegenzin tegen een tempel 2 Sam. 7: 1—7.
Jahwe wonende in het Israëlietische land 1 Sam. 26: 19 (vgl. 2 Kon. 17: 25—28; 5 : 17; Ps. 68: 8, 9, 17; Richt. 5: i, 5).— Zijne tegenwoordigheid kenbaar aan een ruischen in de boomtoppen 2 Sam. 5; 24.
21
Jalnve\'s toorn en de middelen ter verzoening 1 Sam. 26 : 19; 2 Sam. 12 : !)—18: 21 : 1-14: 24 : 10-25.
Wreedheid 2 Sam. 8:2; 12 : 31; 1 Kon. 11: 15,1G. — Ruwheid 2 Sam.3: 27 (vgl. 2; 23); 20 : 10; zie verder do volg. les.
Proeven van Davids gedichten 2 Sam. 1; 17—27; 3:33—34 (vgl. Amos 6:3—5).
§ 19. Davids latere regeeringsjaren. — S a 1 o m o (970—933 v. C.).
De uit den voorspoed voortgesproten weelde aan Davids hof liet op den duur niet na, tot verderfelijke gevolgen te leiden.
Zelfs werd Davids oudste zoon Amnon vermoord door een zijner halfbroeders, Absalom, die eene zijne zuster aangedane beleediging wilde wreken. Na een lang verblijf in het over de rivier de Jordaan gelegene vorstendom Gesur, waarheen hij uit vrees voor des konings toorn en voor de bloedwraak gevlucht was, erlangde Absalom toch weer vergunning om terug te komen, terwijl de koning do werking der bloedwraak opschortte.
Dat de misdadige prins straffeloos terug kon keeren. terwijl hij later zelfs volledige vergiffenis kreeg, werd vooral bewerkt door de militaire partij aan het hof en was den Jahwe-dienaars zeker geenszins geheel naar den zin.
Absalom wist daarna allengs een aanhang onder het volk te verkrijgen en waagde, toen hij dezen groot genoeg rekende, een opstand tegen zijn vader, die, door de gebeurtenissen verrast, aanvankelijk vluchten moest. Later intusschen versloeg Davids leger dat van zijn zoon, die er zelf het leven bij verloor. Wel zetten vervolgens, onder aanvoering van zekeren Seba uit den stam Benjamin, velen uit de noordelijke stammen, die zich bij Absalom hadden aangesloten, den opstand nog voort, maar ook Seba werd verslagen en schoot er het leven bij in, waarmee de beweging een einde nam.
Kort vóór zijn dood in 970 v. C., wees David op aandrang van eene partij aan het hof. Salomo als zijn opvolger aan, met voorbijgang van zijn oudsten zoon Adonia, die zich anders reeds als koning had laten huldigen. Later werd deze door zijn broeder, die hem niet vertrouwde, om het leven gebracht. Zoo werden ook nog anderen gedood, deels omdat
oo
David dit in zijn laatste dagen gelast had. deels omdat Salomo zelf hen voor gevaarlijk hield.
Salomo aanvaardde het rijk in een betrekkelijk zeer gunstigen toestand. Wel maakten bij zijns vaders dood. van de door dezen onderworpen landen, Edom en Syrië zich onafhankelijk. maar het koninkrijk genoot overigens aan alle zijden veiligheid en rust. Dez:.\' koning kon ook de laatste nog vrij gebleven inboorlingen onderwerpen, en zich verder aan werken des vredes wijden.
Aangezien Palestina zeer gunstig gelegen was voor den doorvoerhandel (vgl. § 4), bevorderde Salomo dien, in paarden en strijdwagens uit Egypte, waarvan hij ook verscheidene voor zich zelf aanschafte, in specerijen uit Arabië, in kostbaar hout, edelgesteenten, goud, zilver, ivoor uit Ofir (d. i. waarschijnlijk Achter-Indiö), werwaarts door de Roode Zee, heen, groote met Feniciërs bemande schepen van Ezeon-Geber uit, éénmaal in de drie jaar eene reis voor den koning-deden, waarbij zij ook apen en pauwen medebrachten.
Do zoo behaalde ruime winsten wekten den lust op tot het uitvoeren van allerlei bouw- en kunstwerken, wat in-tusschen een drukkenden last op het land legde. Vooreerst werden steeds veel Israëlieten opgeroepen om dienst te doen. Dan stegen de belastingen geducht ten gevolge van \'s konings •weelderige leefwijze. Toen de koning van Tyrus. Hiram, wiens hulp bij de bouw- en kunstwerken weer ingeroepen was (vgl. § 8), voldaan worden moest, wist Salomo ten slotte geen anderen raad, dan hem eene strook lands met 20 steden af te staan, waarmee die vorst nog maar nauwelijks tevreden werd gesteld.
Die zware belastingdruk veroorzaakte, met andere redenen van ontevredenheid, vooral in het noorden veel misnoegen, en zelfs éénmaal een opstand onder leiding van Jerobeam, iemand uit den stam Efraïm, die echter ditmaal nog naar Egypte vluchten moest.
Amnon vermoord 2 Sam. 13 : 24—29. — Absaloms vlucht 2 Sam. 13 : 37, 88. — De bloedwraak door David opgeschort 2 Sam. 14 : 1—11. — Absaloms terugkeer 2 Sam. 14 ; 18-24, 28-33.
Davids vlucht voor Absalom 2 Sam. 15—17. — Absalom verslagen 2 Sam. 18, en David hersteld 19 : 1—40. — Voortzetting van den opstand onder Seba 2 Sam. 19 : 41—20 ; 22.
Salomo als opvolger aangewezen tegenover Adonia 1 Kon. 1:0—33. — Ado-
aiia\'s dood 1 Kon. 2 : 13—25 (vgl. 1 : 50—53). — Die van Joab 1 Kon. 2 : 23— 34, Simei 36—46, volgens Davids raad 1—0. — Abjathar verbannen 1 Kon. 2 : 26-27.
Afval van Edom 1 Kon. 11 : 14—22, Syrië 23—25. — Onderwerping der inboorlingen 1 Kon. 9 : 20, 21 (vgl. Gen. 10 : 24—27).
Handel onder Salomo 1 Kon. 10 : 26—29, 15 ; 9 : 26— 28; 10 : 11, 12, 22.
Bouwwerken 1 Kon. 6 : 1; 7 : 1, 2, 8amp;; 11 : 7, 8. — Heerendiensten IKon. 5 : 13—18. — Hofhouding 1 Kon 11 : 3 (vgl. Hoogl. 6 : 8); 4 : 1—6, 26. —Belastingen 1 Kon. 4 : 22, 23, 7 (vgi. 1 Sam. 8 : 10—18). — Afstand van grondgebied aan Hiram 1 Kon. 9 : 10—13.
Opstand onder Jerobeam 1 Kon. 11 : 26—40.
§ 11. Het geestelijk leven in Salomo\'s tijd en de godsdienstige richting van dien koning. — De scheuring van het rijk.
De aanraking met andere volken, waardoor de gezichtskring zich uitbreidde, moest aanleiding geven tot eenig meer nadenken. Derhalve verwondert het ons niot. dat men in dezen tijd meer begon te letten op hetgeen in de natuur en de menschenwereld voorvalt. Die vooral bekwaamheid bezaten om daarover opmerkingen te maken, hoe eenvoudig aanvankelijk ook, werden „wijzenquot; genoemd. Koning Salomo zelf werd geacht daarin vooral te hebben uitgemunt, zóó zelfs, dat later allo boeken met spreuken, die in het O. T. voorkomen, aan hem werden toegeschreven. Licht mogelijk is in Salomo\'s tijd ontstaan „de zegen van Jacob\'quot; zoogenaamd (Gen. 49 ; ] —27), en is men begonnen omtrent de gevoerde oorlogen iets op te teekenen in ..het boek der oorlogen van Jahwequot; en „liet boek des Oprechtenquot;, die verloren zijn gegaan, maar waaruit hier en daar in het O. T. wordt aangehaald.
Kog in em ander opzicht had het verkeer met vreemde natiën, een eigenaardig m invloed op de inzichten en het doen bij den koning en een groot deel des volks. Terwijl men op vreedzame wijze met andere volken in aanraking kwam, en de koning zelfs verschillende vreemde koningsdochters in zijn harem opnam, leidde dit als vanzelf tot het vereeren van de goden dier volken.
Bij het bouwen van een prachtigen tempel in Jeruzalem, op den Oostel. lageren heuveltop (vgl. § 8) tegenover het koninklijk paleis, toonde de vorst Jahwe-dienaar te willen
21
zijn in de eerste plaats. Intusschen bouwde hij tempels voor andere goden ook. Ja! zelfs in den Jahwe-teinpel, omdat dezedoor Fenicisclie bouwmeesters op de manier van hunne eigen tempels werd gebouwd, werden allerlei versierselen aangebracht, die aan andere godsdiensten waren ontleend, wat de koning, wien het bovenal om pracht te doen was, niet te keer ging. Zoo dreigde het eigenaardig karakter van den Jahwe-dienst bijna te worden uitgewischt.
Natuurlijk wekten al deze dingen weer een heftigen tegenzin bij de vurigste Jahwe-dienaars, die eigenlek zouden hebben gewild, dat Israël zich van alle vriendschappelijke aanraking met vreemde volken onthield, en in allen gevalle wilden, dat het zijn Jahwe-dienst zuiver bewaarde.
Een opstand tegen Salömo zeiven vroeger (zie § 10) was niet gelukt, maar toen hij in 933 v. C. stierf, barstte de ontevredenheid opnieuw krachtig los. Door de stammen in het noorden, die toch al nooit zoo innig met de zuidelijke verbonden waren geweest (vgl. § 4, 5, 8, 10), en niet dan noode iemand uit een Judeesch geslacht als koning erkenden, werd aan Salomo\'s zoon eji opvolger E e h a b e a m de eisch gesteld, dat hij in een anderen geest dan zijn vader zou regeeren. Toen deze op hoogen toon weigerde, gr.f dat aanleiding tot eene splitsing van het rijk, aangezien de tien noordelijke stammen, die voortaan den naam „het rijk E f r a ï mquot; of „I s r a ë 1quot; dragen, met het geslacht van David niet meer te doen wilden hebben, en onder Jerobeam I (938 —912 v. C.) zich afscheidden van „h et r ij k J u d aquot;, onder R e h a b e a m (933—917 v. C.).
Salomo „de wijzequot; 1 Kon. 4 : 29—34; 3 : -t—9, 16—2S.
„Het boek der oorlogen van Jahwequot; Num. 21 : 14.
„Het boelc des oprechtenquot; Jos. 10 : 13; 2 Sam. 1 : 18.
Huwelijken met vreemde prinsessen 1 Kon. 11 : 1, 2, — Tempels voor bul-tenlandsche goden 1 Kon. 11 : 5-8.
De Jahwe-tempel 1 Kon. 6; 7 : 13-51. — Versieringen uit andere godsdiensten daaraan 1 Kon. 6 : 18, 29. 32, 35; 7 : 21, 42, 49.
Tegenstand der vurigste Jahwe-dienaars 1 Kon. 11 : 29—33; 12 : 22—24r (vgl. 2 Sam. 7 : 1-7).
De eisch aan Rehabeam 1 Kon. 12 : 1—5. — Weigering van dezen 1 Kuil. 12 : 12—14. — Afval van do noordel. stammen 1 Kon. 12 ; 10—20.
§ 12. Israel en Jitda na de splitsing des rijks, tot de om-wenteliw] door het optreden van Jehu {933—S42 v. C.).
Na den afval der noordelijke stammen trachtte Rehabeam Jero-beam, die eerst Sichem, daarna Pnuël en ten slotte Thirza tot residentie koos, nog te verdrijven, gelijk Jerobeam. ten einde beheer-scher te worden van het geheele land, het Rehabeam ook uit Juda trachtte te doen. Zoo bleef tusschen Israël en Juda gedurende eeu geruimen tijd eene vijandige verhouding bestaan.
Een o-tal jaren na de scheiding, in (.)28 v. C., werd Juda in het nauw gebracht, doordien de Egyptische koning Sisakr waarschijnlijk aangespoord door Jerobeam, een inval deed. Rehabeam, om van hem bevrijd te worden, was genoodzaakt een groot deel van de schatten de1) tempels af te staan.
Eenigen tijd later vielen de tot dusver nog onderworpen gebleven Syrische landen van Israël af en sloten gedeeltelijk met Juda, onder Rehabeams zoon Abi i (917—914 v. C.)r een tegen Jerobeam gericht verbond.
Terwijl in Juda zoogoed als aanhoudend het huis van David aan de regeering bleef, werd in Israël gedurig een regeerend geslacht vervangen door een ander.
Reeds Jeroboams zoon Nadab (912—911 v. C.) werd na een jaar regeerens vermoord, en opgevolgd door Baësa (911—888\' v. C.). Deze, met den Syrischen koning Benhadad I verbonden, dreef Juda geducht in de engte. De derde koning van Juda, Asa (912—873 v. G.i, kocht echter Benhadad om, zoodat deze Baësa aanviel en Juda aan het gevaar ontkwam.
In £87 v. C. werd na één jaar weer de zoon van Bat:s:ir Ela (883—887 v. C.), vermoord door zijn legeroverste Zimri. Omri en Thibni streden nu om den troon. Van dezen zegepraalde O m r i (883—877 v. C.), die de residentie der koningen van het noordelijk rijk verlegde naar het door hem gestichte Samaria. Zijn geslacht heeft wat langer dan de beide Vorige geregeerd. A c h a b. Omri\'s zoon (877-804 v. C.), was gehuwd met eene Fenicische prinses, Izébel, en zocht in het algemeen de vriendschap van dit volk, ook om bestand te zijn tegen de Syriërs onder Benhadad II. Nadat hij dezen een paar maal eene gevoelige nederlaag had toegebracht, trok hij later met Asa\'s opvolger in Juda, Josaphat (873 —849 v. C.), gezamenlijk tegen hen op. Achab sneuvelde nu in een onbeslist gebleven slag. D.it onder deze vorsten
26
eene vriendschappelijke verhouding tusschen Israël en Jud.i bestond, blijkt zoowel uit beider bondgenootschap tegen de Syriërs als uit de omstandigheid, dat de zoon van Josaphat, Joram, huwde met Achabs dochter Athalia.
Na eene zeer korte regeering van Achabs zoon Ahazia (854—853 v. C.), onder wien de Moabieten van Israël afvielen, besteeg een broeder van dezan, Joram (853—842 v. 0.), in Israël den troon. In Juda volgde op Josaphat insgelijks Joram (849 —842 v. C.; de gem:ial van Athalia en als zoodanig schoonbroeder van Ahazia en Joram in Israël), onder wien de Edomieten van Juda afvielen, en op dezen in 842 v. C. zijn zoon Ahazia (als zoon van hunne zuster Athalia, neef van Ahazia en Joram in Israël), die met zijn oom Joram een onvoorspoedigen oorlog tegen Syrië voerde.
Terstond nadat in Juda Ahazia den troon bestegen had, in 842 v. C., had eene belangrijke omwenteling plaats. Joram in Israël en ook Ahazia zelf, die zich toevallig bij zijn oom bevond, werden beiden omgebracht door den krijgsoverste des eersten. J e h u. Deze beklom vervolgens den troon van Israël. In Juda maakte zich na den dood van haar zoon de koningin-moeder, Athalia, iluks meester van het gezag, na alle andere pretendenten te hebben vermoord, op één klein jongsken na, met name Joas, die door zijne tante Joseba voor het geweld zijner grootmoeder in veiligheid gebracht en in den tempel, bij den opperpriester Jojada verborgen werd.
Residenties van Jerobeam 1 Kon. 12 : 25: 14 : 17. — Oorlog tusschen Ee-habeam en Jerobeam 1 Kon. 12 : 21; 14 : 30. — Inval van Sisak in Juda 1 Kon. 14 : 25, 26 (vgl. 11 : 40). — Bondgenootschap tusschen Juda onder Abia, en Syrië 1 Kon. 15 : 18, 19.
Baësa koning over Israël 1 Kon. 15 ; 25 —32, verbonden met Benbadad I, die zich daarna echter liet orakoopen 17—19. — Zimrl 1 Kon. 16; 15—18, Omri en Thibni 16, 17, 21, 22. - Stichting van Samaria 1 Kon. 16 ; 24. — Achabs vriendschap met do Feniclërs 1 Kon. 16 : 31-S3, en oorlogen met do Syriërs 1 Kon. 20 : 1—21, 26— 29, in bondgenootschap met Josaphat van Juda 22:1—30.
Afval van JVIoab 2 Kou. 1:1.— Vergeefsche poging van Joram, om met hulp van Josaphat het weer te onderwerpen 2 Kon. 3.
Afval van Edom 2 Kon. 8 : 20— 22. — Onvoorspoedige oorlog van Joram (I.) en Ahazia (J.) tegen Syrië 2 Kon. 8 : 26-29. — Omwenteling in Israël, en dood van Joram en Ahazia 2 Kon. 9 : 1—4, 14—28,30—33; 10 : 1—7, 11,17— 28. — Athalia in Juda koningin 2 Kon. 10 : 12—14; 11 : 1—3.
§ 13. De heweginy op geestelijk gebied in de eerste eeuw na de scheuring [983—842 v. C.).
a. Do s t r ij d der voorstanders van den J a h w e - d i e n s t in I s r a ë 1.
De afscheiding der noordelijke stammen, van Juda onder liet huis van David, was zeer naar den zin der strenge Jahwe-•dienaars geweest, omdat zij met de richting van Salomo in het godsdienstige volstrekt geen vrede hadden gehad (zie § 11). Het droeg evenwel de goedkeuring der meesten onder hen ook op verre na niet weg, toen Jerobeam in de tempels van Jahwe te Dan en te Bethel, in \'t N. en in :t Z. van zijn rijk (zie § 6i, stierbeelden plaatste of herstellen liet en dus, om de meerderheid des volks te believen, de vereering van Jahwe op ouderwetsche, zinnelijke manier begunstigde. Van minder belang was, al werd het ook niet algemeen -goedgekeurd, dat hij in afwijking van de vroegere gewoonte (zie § 6) een altaar maakte van gehouwen steen of metaal, waarheen men met trappen moest opstijgen, en dat hij den tijd van het oogstfeest (feest der loofhutten) voor Israël eene maand later stelde dan men in \'tJuda vierde.
Toen echter Omri\'s huis in 833 v. C. in Israël aan de regeering kwam, gebeurden er erger dingen, zoodat men tegen heel wat anders nog dan tegen stierbeelden had te strijden. Achab vooral met zijne voorliefde voor wat Fenicisch was, leidde het volk in eene soortgelijke richting als indertijd Salomo had gedaan. Hij begunstigde, al hield hij niet op Jahwe te vereeren, geleid door die voorliefde en door zijne gemalin Izébel, openlijk de met onzedelijke praktijken gepaard gaande vereering van den Tyrischen Baal, voor wien hij (met eene asjéra er bijl in de hoofdstad Samaria een tempel stichtte. Hij liet toe. dat Jericho werd herbouwd, ofschoon dit te voren onder „den banquot; van Jahwe was gesteld.
Zijne opvolgers gingen voort in hetzelfde spoor.
Over \'t geheel z ig het volk het verkeerde van deze richting niet in. die integendeel bij de meesten wel instemming en toejuiching vond. Zijdelings werkte overigens dergelijke richting eenigermate mede ten goede, in zoover op deze wijze de inzichten milder werden.
De strengste voorstanders van den Jahwe-dienst spraken intusschen zelfs met levensgevaar, luide hunne afkeuring
28
uit. Vooral de profeet El ia was in Acliabs tijd daarbij de woordvoerder: hij hield niet niet op. dezen koning tegen te staan, verweet hem onbewimpeld eene lage handeling tegen een zijner onderdanen, Naboth. en stelde misgewas en hongersnood voor als eene straf van Jahwe wegens het dienen van andere goden. In \'t algemeen betoonde hij een vurigen ijver en overschrokken moed, zoodat hij later bij het nageslacht in hooge eer stond.
Het moedig verzet van hem en anderen bleef niet geheel zonder vrucht, want Joram, Achabs tweede zoon en opvolger, kwam eenlgermate terug van het begunstigen van den Baiils-dienst.
De Jahwe-dienaars lieten zich evenwel niet verzoenen met Omri\'s geslacht. Om het \'ten val te brengen, hebben zij misschien tot zelfs in het naburige Syrië invloed trachten te oefenen. In elk geval hebben zij er zeer zeker krachtig aan medegewerkt, dat in 842 v. C. de omwenteling tot stand kwam, waardoor Jehn, een hartelijk voorstander van den Jahwe-dienst, in Israël den troon beklom en zooveel mogelijk het geheele geslacht van Achab en Izébel uitroeide (zie 112),
Instemming der profeten met den afval der noordelijke stammen 1 Kon. 11 : 29—31. — Grieven tegen Jerobeam 1 Kon. 12 ; 2S—13 : 2.
Do richting in \'t godsdienstige van Omri 1 Kon. 16 ; 25, Achab 30—33, Ahazia 1 Kon. 22 : 52—54. — Onder Achab allerlei bouwwerken 1 Kon. 21: 2; 22 ; 39. — Herbouw van Jericho 1 Kon. lö : 34 (vgl. Jos. 6 :26). — Goeds, dat door de richting van Achab werd bevorderd 1 Kon. 20 : 30—34 (vgl. 35-43; 1 Sam. 15 : 33; 1 Kon. 11 : 15, 16).
Levensgevaar van de profeten 1 Kon. 18 : 4, 10; 19 : 10: 22 : 8, 26, 27. — Elia togen Achab 1 Kon. 18 : 17, 18, wegens Naboth 21 : 17—20, straf verkondigende 17 : 1; 18 : 1, tegen Ahazia 2 Kon. 1 : 2-4. — By het nageslacht in hooge eer 1 Kon. 17 : 2-24; 18:21-40; 19 : 4-13; 2 Kon. 1:8—17 :2 :1-11.
Andere gedragslijn van Joram 2 Kon. 3 : 2.
Blijvende tegenstand der Jahwe-profeten 2 Kon. 3 : 12—14; 1 Kon. 19 : 16. — Invloed in Syrië 1 Kon. 19 ; 15; 2 Kon. 8 : 7—12.
Bestrijding van den Baaisdienst door Jelui 2 Kon. 10 : 11, 15—29.
§ 14. Be heicegiufj op geestelijk gebied in de eerde eau: na de scheuring (933— 842 v. C.).
h. De verbetering van het rechtswezen en van de zede 1 ij k e begrippen, inzonderheid in Juda.
In het rijk van Juda was het gedurende de eerste eeuw
29
na de scheuring, op godsdienstig gebied veel rustiger dan in het rijk Israël. Ten gevolge van de voortdurende heerschappij van het huis van David en de aanwezigheid van den prach-tigen tempel te Jeruzalem, viel in \'t zuidelijke rijk niet zooveel voor als in \'t noordelijke, waaraan de Jahwe-dienaars zich moesten ergeren. Maar ook konden zij zich moeilijker verzetten tegen het verkeerde, dat er was.
Merkwaardig is, wat omstreeks dezen tijd, inzonderheid in Juda, plaats had ter zake van het rechtswezen.
Nadat de koninklijke regeeringsvorm was ingevoerd, waren allengs meer de onderdanen begonnen, wanneer zy door medeburgers werden verongelijkt, zich tot den koning te wenden om handhaving van hun recht. Dit moest er op den duur toe leiden, dat van \'s koning! wege rechters in alle steden werden aangesteld. Koning J o s a p h a t (873—849 v. C.) wordt gezegd, dit het eerst gedaan en bovendien een opperste gerechtshof te Jeruzalem ingesteld te hebben, waar de moeilijker te beslissen zaken door behandeld moesten worden.
Dan blijkt opnieuw uit wat in dezen tijd als de wil van Jahwe wordt voorgesteld, hoe ver de Jahwe-dienaars de aanhangers der andere godsdiensten in inzicht vooruit waren. Ongeveer in dezen tijd is nl. „het Bondsboekquot; ontstaan, zooals Exod. 2 L : 1 — 23 : 19 wordt genoemd. Daarin wordt sterk aangedrongen op het dienen van Jahwe door het betrachten van wat men toen begreep, dat eisch der r e c h t v a a r-d i g h e i d was.
Betrekkelijk wordt er hier weinig over gesproken, dat men J\'ahwe met offers en feesten moest eeren. Te dezen opzichte blijkt, dat er drie groote feesten werden gevierd (vgl. 1 Kon. 9 ; 25), nl. dat der ongezuurde brooden, dat der eerstelingen ■of „der wekenquot;, en een feest wegens de afgeloopen inzameling der boomvruchten. Voorts, dat men den sabbat vierde, geen vleesch at van een dier, dat niet behoorlijk geslacht was, enz.
Veelmeer wordt echter gehandeld over de maatschappelijke plichten der menschen onderling. Op menschenroof, ook op rinshandeling of vervloeking van vader en moeder, wordt de doodstraf gesteld. By doodslag (tenzij iemand bij onopzettelyken eene vrijplaats kon bereiken) en mishandeling in het algemeen wordt tot regel gesteld: „leven om leven, oog om oog, tand om tand, enz.quot; Diefstal wordt ver-
30
Ijodea. Jahwe is vooral de helper van zwakken en hulpe-loozen. Daarom wordt eene milde behandeling van slaven aangeprezen, barmhartigheid jegens vreemdelingen, weduwen en weezen. behoeftigen tot plicht gesteld. Jahwe zal straffen, zoo wordt verder ingescherpt, wie valsch getuigenis geeft en partijdig is bij het rechtspreken. Merkwaardig is het voorschrift, om verdwaalde of onder hun last bezweken dieren, zelfs van vijanden, terecht te brengen of te helpen opstaan.
Bij \'t lezen van dit een en ander gevoelen wij onwillekeurig ook, dat de Jahwe-dienaars zelf in vergelijking met vroeger veel waren vooruitgegaan.
Afgoderij in Juda 1 Kon. 14 ; 22—24; 15 : 13 (vgl. 2 Kon. 18:4; 23 : i—18; 2 Kron. 20 : 35—37).
Verordeningen van Josaphat betreffende de rechtspraak 2 Kron. 19 : 5— 11 (vgl. Exod. 18 : 13-261.
Het Bonds boek: Offers Exod. 22 : 29, 30; feesten 23 ; 17—19; sabbat 23 : 12. — Menschenroof 21 : 16; plichten jegens de ouders 21 : 15, 17: doodslag 21 : 12, l-t; mishandeling 21 : 18—25 (vgl. 28—36i; benadeeling vaneen ander 22 : 1—15; Jahwe de wreker der hulpeloozeu 22 : 22 - 24, 27 (vgl. 23 : 7): milde behandeling van slaven 21 : 2 -4,20,21,26,27; barmhartigheid jegens vreemdelingen, enz. 22 ; 21-27: 23 : 9—12; onpartijdigheid bü de rechtspraak 23 : 1—3, 6—8; hulpvaardigheid jegens vijanden 23 : 4, 5.
HOOFDSTUK IV.
Innerlijke ontwikkeling van het Jahwisme. — Van Jehu tot het einde der Babylonische ballingschap (842— 536 v. C.).
§ 15. De heide rijken tijdens de regeering van het Juris van Jehu over Israël in de üveede eeuw na de scheuring (842- 743 v. C.).
Athalia (zie § 12) hield zich in Juda slechts zes jaren, tot 886 v. C., staande. Toen werd zij omgebracht, en de vroeger voor hare woede beveiligde Joas (836—707 v. C.), ofschoon slechts zeven jaar oud, tot koning uitgeroepen.
In den eersten tijd na al de omwentelingen, waartoe Jehu\'s optreden aanleiding gaf, ging het niet voorspoedig met de
31
■beide rijken. De Syrir-rs, onder hun koning Haz -.ël. veroverden op Israël bijna het geheele Overjordaansche land. Jehu\'s zoon Joahaz (815—793 v. C.) was zelfs zoo afhankelijk, dat hij slechts een klein leger op de been mocht houden en zich moest laten welgevallen, dat de Syrische koning door zijn land heen optrok tegen de weleer Filistijnsche stad Gath,. die hij innam, en tegen Jeruzalem.
Deze zijne hoofdstad redde ook Joas van Juda weer (vgl. § 12) alleen, door het grootste deel op te offeren van den tempelschat, tot vermeerdering waarvan deze koning begonnen is, eene offerkist in den tempel te plaatsen (vgl. Mark. 12 : 41-44).
Er brak een betere tijd aan, toen de derde vorst uit het huis van Jehu, ook (evenals Juda\'s vorst bovengenoemd, die nog tot 707 v. C. regeerde) Joas geheeten (798—783 v. C.), den troon van Israël beklom. Deze versloeg tot driemaal toe de Syriërs.
Juda onder Amazia (797 — 779 v. C.), die zijn vader Joas was opgevolgd, voerde omstreeks dezen tijd zeer voorspoedig krijg-tegen de Edomieten. Ongelukkig voor Juda werd Amazia daardoor overmoedig en verklaarde nu ook aan Israël den oorlog. Daarin leed hij echter zoo volkomen de nederlaag,, dat Joas, na zegepralend door eene bres in den muur Jeruzalem te zijn binnengetrokken, een grooten buit uit den tempel en het koninklijk paleis en een aantal aanzienlijken als gijzelaars medenam, terwijl Juda gsheel afhankelijk werd.
Het bleef dat nog een geruimen tijd, ook onder Amazia\'s zoon Azaria (anders Uzzia, 779-7-10 v. C.), terwijl Joas\' zoon Jerobeam II (783 — 743 v. C.) regeerde over Israël. Dit land kwam in hooge mate tot macht en bloei. Jerobeam heroverde het Overjordaansche en zelfs de Syrische wingewesten van weleer. Totin Juda toe gevoelden velen bewondering voor dezen vorst.
Terwijl het rijk Israël zoo bloeide, ontstonden, wat zich laat verwachten, ook onderscheidene geschriften en liederen.
quot;Wellicht omstreeks dezen tijd, indien gedeeltelijk niet reeds vroeger, werden verhalen (later in Genesis—Numeri en Jo-sua, Eichteren, 1 en 2 Samuël, 1 en 2 Koningen met elkander \' en met andere stukken tot een geheel verbonden) geschreven over den ouden tijd (schepping tot zondvloed), de aartsvaders, de oudste en latere geschiedenis van het volk. De schrijvers daar
32
■van, mannen van profetische richting (vgl. § 17), wilden doorgaande het \'volk leeren. dat het Jahwe trouw moest dienen en zich aan hem alleen houden (vgl. § 1).
In dezen tijd werd gedicht het lied, „de zegen vanMozesquot; genoemd (Deuteron. 33 : 1—29), waarin de macht van Jahwe en zijn volk wordt geroemd.
Een ander verhaal ontstond, de Bileams-legende fiSTum.\' 22 — 24), waarschijnlijk naar aanleiding van eene reeds bestaande sige, waarin het wordt voorgesteld alsof een getrouw profeet met name Bileam, indertijd tegenover den Moabieti-schen koning Bnlak, in gehoorzaamheid aan Jahwe, uit diens naam allerlei goeds over de Israëlieten had voorspeld.
Psalm 45 is waarschijnlijk gedicht ter eere van Jerobeam, bij gelegenheid van een huwelijk van dezen koning.
Onderscheidene spreukdichters leefden er. wier gezegden •eenigen tijd later verzameld zijn in de bundels Spreuk. 10 — 22 : 10 en 25-29.
.Vooral in den eersten tijd, dat Jerobeam II regeerde, overschaduwde Israël Juda geheel en al. Later kwam ook het zuidelijk rijk weer tot meerder aanzien en welvaart. Koning Azaria (üzzia) voerde gelukkige oorlogen tegen de Filistijnen, de Ammonieten, en heroverde op Arabische volksstammen Elat, eene havenplaats aan de Eoode Zee. Hij versterkte Jeruzalem en bracht landbouw en veeteelt tot bloei.
In Israël daarentegen vielen, toen Jerobeam in 743 v. C. gestorven was, bedenkelijke dingen voor. Diens zoon Zacha-ria (743 v. C.) werd spoedig vermoord door zekeren Sallum.
Deze zelf bleef ook maar drie maanden aan de regeering. Toen de moordenaar des laatsten. Menahem (743—740 v. C.). de derde koning in één jaar tijds, zich niet kon handhaven, riep hij, ofschoon o. a. de profeet Hosea waarschuwde, de Assyriërs te hulp, wat al spoedig een oorzaak van groote rampen werd.
Vervanging van Athalia door Joas 2 Kon. 11 : 2—21.
Nederlagen van Israël onder Jehu 2 Kon. 10 : 31—33. — Afhankelijkheid van Joahaz 2 Kon. 13 : 7,22; 12 : 17.
Opbreking van het beleg van Jeruzalem 2 Kon. 12 : 17, 18. — De offerkist 2 Kon. 12 : 9-15.
Overwinningen van Joas (van Isr.) 2 Kon. 13 ; 25.
Overwinning van de Edomieten door Amazia 2 Kon. 14 : 7; overmoed 8; na antwoord van Joas 9, 10, nederlaag van Amazia en inname van Jeruzalem 11-14.
Overwinningen van Jerobeam II 2 Kon. 14 : 25—28.
Verschil in de verhalen over den ouden tijd, enz. vgl. Gen. 1 : 1—2 ; 3 met 2 : 4—25; Gen. 7 : 2, 3 met vs. 8, 9, 15 en 6 : 19, 20; Gen. 27 : 41-45 met 28 : 5, 6 en 35 : 27—29; Richt. 1 : 7, 8 met vs. 21 en 2Sam.5:6,7; 1 Sam. 16 : 15—23 met 17 : 33—39, 55- 58. — Schildering van de gevolgen der zonde cn van Jahwe\'s trouw Gen. 3 : 17—19; 6 : 5—7; 12 : 1—4; 18 :16—21; Exod. 10: 1, 2; 13 : 9; Richt. 2 : 11-14; 1 Sam. 3 : 11-14.
Balaks wonschen Num. 22 : 2—7; 23 : 11—13, 27. — Bileams zegenspreuken in gehoorzaamheid aan Jahwe Num. 22 : 7—21; 23 : 7—11, 16—26, 21 : 1—9, 12, 13. - (Sporen van een ouder verhaal Num. 22 : 22—S5 vgl. vs. 18—20).
Verschillende sproukbundels Spreuk. 10 : 1; 22 : 17; 25 : 1; 30 : 1.
Bloei van Juda onder Azaria 2 Kron. 26 : 6—15.
Zacharia, Sallum, Menahem 2 Kon. 15 : 8, 10, 13, 14. — De Assyriërs te hulp geroepen vs. 19. - Waarschuwing van Hosea Hos. 5 :13; 7 :8,11; 14:4.
§ 16. Het godsdienstig-zedelijk leven des volks gedurende de 2de eeuw na de scheuring.
Tot de omwenteling in Israël, waardoor Jehu in 842 v. C. den troon besteeg, hadden de Jahwe-dienaars, van wie vooral de profeet Eliza bekend is, krachtig bijgedragen (zie § 13). Eliza bleef\' de eerste drie vorsten uit het nu aan de regeering gekomen geslacht, Jehu, Joahaz en Joas, ook voortdurend steunen, tot hij stierf omstreeks 790 v. C., onder de regeering des laatsten, door wien zijn afsterven diep werd betreurd. Insgelijks van hem (vgl. § 13j werd later geloofd, dat hij allerlei wonderen had gedaan.
Wederom (vgl. § 14) ook in dezen tijd merken wij vooruitgang op, wat zedelijkheid betreft.
Zoo keurden b. v. de Jahwe-dienaars in Israël nu af. al hadden zij overigens Jehu\'s optreden met vreugde begroet, dat hij zoo geweldig ijverde tegen de aanhangers van andere godsdienstige richtingen. In Juda volgde koning Amazia, toon hij den moord van zijn vader Joas strafte, niet meer de vroegere gewoonte van ook de kinderen der samenzweerders te dooden.
Verder blijkt uit talrijke spreuken, die van „de wijzenquot; in dezen tijd afkomstig zijn. dat de zeden zachter werden in het algemeen. Deze „wijzenquot;\' waren nl. mannen uit het volk (vgl. § 11), geen opzettelijke predikers op godsdienstig-zedeiijk gebied. Hunne spreuken doen zien, dat men allengs in ruimer kring het verkeerde, b. v. van oneerlijke listen, onoprechtheid, hoogmoed, kwaadsprekerij, enz. begon te gevoelen. Op barmhartigheid, ook ten opzichte van dieren, dringen zy aan.
34
Ook hier wordt meennalen uitgesproken, dat het brengen van offers aan Jahwe niet voldoende, maar een goede gezind, heid noodzakelijk is. Keer op keer wordt eene goede huisvrouw hoog geprezen, wat bewijst, dat men oog had voor huiselijke deugd en gevoel voor huiselijk geluk.
Intusschen nam in Juda de invloed der Jeruzalemsche priesterschap, die nagenoeg geheel uit Levieten was gaan bestaan, gaandeweg toe, omdat de Salomonische tempel allengs meer de andere heiligdommen in het zuiden, te Bethel, Gilgal, Berséba, enz. (zie § (3), in de schaduw stelde. Terwijl b. v. het verzet tegen Omri\'s geslacht in Israël vooral ook van profeten uitging, werd in Juda Athalia\'s val en de verheffing van Joas (zie §■ 15) bewerkt onder de leiding der Jeruzalemsche priesters met Jojada aan het hoofd.
Aangezien uit den aard der zaak de priesters veel op hadden met godsdienstplechtigheden en er op gesteld moesten zijn, dat deze in eere bleven, konden zij weinig met een vrij optreden als dat der profeten ingenomen zijn. Zelfs verordende waarschijnlijk de straks genoemde Jojada bij het regelen van den tempeldienst onder meer ook, dat „iedere uitzinnige, en wie zich voor een profeet uitgaf\', moest worden opgesloten.
Van werkzaamheid van profeten in Juda hooren wij dan ook nagenoeg niet in deze eeuw.
In \'talgemeen raakte het godsdienstig leven er als vanzelf meer aan vormen gebonden, en was het minder in de gelegenheid om zich vrij te ontwikkelen.
Vriendschap tussohen Elisa en de koningen 2 Kon. O : 1, -2; 6 ; 8-10, 21; 13 : 16 -19. — Dood van Elisa 2 Kon. 13 : 14.
Wonderen van Elisa 2 Kon. 2 ; 12-14, 19-24; 4 : 1-6 : 44; 7 : 1, 2,17-20.
Afkeuring van Jehu\'s optreden 2 Kon. 6 : 32 („zoon des moordenaar squot;), Hos. 1:4,— van eene Ijarbaarsche behandeling van krijgsgevangenen 2 Kon. 6 : 22. — Araazia\'s wraak wegens den moord zyns vadeis 2 Kon. 14 ; 6. — Spreuken over eerlijkheid Spreuk. 10 : 4; 11 : 1; 15 : 16, — oprechtheid 10 : 9; 11 : 3; 20 ; 17, — hoogmoed 11 ; 2; 14 : 21; 27 : 2, — kwaadspreken 10 : 19; 11 : 9, 13; 12 : 22; 16 : 28, - offers 15 : 8, 29; 21 : 3, 27, — eene goede huisvrouw 12 : 4; 14 : 1; 15 : 17; 18 : 22, — vlijt 10 : 26; 12: 24; 26; 13,— dierenliefde 12 : 10. — Zie nog 14 : 34; 15 : 1, 3, 15, 17; 23 : 1.
De Jeruzalemsche priesterschap 2 Sam. 15 ; 21 (vgl. 1 Kon. 2 : 3j), — Joas door de priesters ten troon verheven 2 Kon. 11 : 2—12.
Verordening van Jojada Jer. 29 : 20.
§ 17. ï)e Profeten A mos en Hose a onder Jerohearn II 1783—743 v. C.) en vervolgens.
Langzamerhand ging dus (vgi. § 1(5) het volk eeniger-mate vooruit, wat zedelijkheid en godsdienst betreft.
Voortdurend waren er evenwel mannen, in wie Gods geest krachtiger werkte dun in anderen, en die zoodoende levendiger gevoelden, hoe hij eischt, dat de mensch heilig zal zijn. Getroffen door al het verkeerde in het leven en de godsdienstige begrippen des volks, gevoelden zij zich gedrongen, om daartegen te waarschuwen.
Er waren er naast hen velen, die weinig hooger stonden dan het algemeen, en die toch ook, als tot de profetenscholen behoorende, „profetenquot; werden genoemd. Aan dezen verweten de anderen, dat zij al te spoedig tevreden waren en niet genoeg streden tegen allerlei zonde en ongerechtigheid, omdat het hun nog aan het rechte inzicht in den wil en het wezen van Jahwe ontbrak. Hun wierpen zij voor de voeten, dat zij waren „valsche profeten\'\', onechte, profeten in schijn. In allerlei verhalen, die vóór en na ontstaan zijn, wordt voorgesteld, hoe een echt profeet moet zijn.
Bij vergelijking met vroeger is een eigenaardig iets, dat in dezen tijd de „echte\'quot; profeten op schrift beginnen te brengen wat zij gesproken hadden, opdat het des te meer invloed oefenen mocht.
Omstreeks het midden der 8ste eeuw leefde vooreerst de Judeër A mos, iemand van zeer eenvoudigen stand, veehoeder nl. van beroep, maar niet onontwikkeld. Hij kon immers schrijven en toont belang te hebben gesteld, zoowel in de vroegere lotgevallen van zijn volk als in wat er in zijn eigen tijd in Palestina en omliggende hinden voorviel. Zijne woonplaats Thekoa, in het gebergte van Jnda. eenige uren Z.-O. van Jeruzalem, was trouwens eene handelsplaats, waar Egyptische en Israëlietische kooplieden elkander ontmoetten, vooral om handel in paarden te drijven.
Amos, met een diepen eerbied voor Jahwe, heeft van dezen reeds een zeer verheven voorstelling. Hij ziet in, dat Jahwe de geheele natuur beheerscht en regeert, den sterrenhemel schiep, tot zelfs des menschen geheimste gedachten doorgrondt, .nergens te ontvlieden is. Zijn bestuur is er op ingericht, om 1de boozen te verdelgen en gerechtigheid op aarde te doen [zegevieren. Want vóór alles is Jahwe de Heilige.
36
Amos berispt scherp de zonde, eerstens onder zijn eigen, het door Jahwe uitverkoren volk. Hij was diep verontwaardigd, zoowel over de onzedelijke praktijken bij de andere godsdiensten als over veler gebrekkige vereering van Jahwe, alsof deze met ofters en feestvieren tevreden zou zijn. Inzonderheid in het rijk Israël zag hij veel onrecht en onbarmhartigheid. Onder Jerobeam II kwam hij er bij het heiligdom te Bethel prediken. Hij verkondigde daar, ondanks het verzet van den opperpriester Amazia, dat Jahwe de zonde des volks geweldig straffen zou.
De Assyriërs, die begonnen te naderen, zouden de voltrekkers zijn van Jahwe\'s strafgericht over Israël enJuda. Maar ook over omwonende volken, de Peniciërs, de Syriërs, de Edomieten, enz., want ongerechtigheid en onbarmhartigheid kon Jahwe nergens op aarde gedoogen.
Van Israël en Juda zouden de beteren dan overblijven en uit vreemde landen in Palestina terugkeeren. Onder do regeering van een afstammeling van David zou het volk vrede en voorspoed genieten, en weer even machtig worden als het in zijn besten tijd was geweest.
Verder sprak Ho sea, waarschijnlijk iemand uit eene profetenschool in Israël, in gelijken zin als Amos over de andere godsdiensten en het vereeren van Jahwe. Vooral deze profeet komt herhaalde malen krachtig tegen de stierbeelden op, en verklaart gedurig, dat de priesters het volk op verkeerde wegen leiden. Eigenaardig is bij hem, dat hij aan de Israëlieten verwijt, hoogst ondankbaar te zijn, daar Jahwe altijd zoo trouw voor hen heeft gezorgd, terwijl zij aanhoudend andere goden zijn gaan dienen. Hij voor \'t eerst stelt het verbond tusschen Jahwe en Israël voor onder het beeld van een huwelijk, en noemt het dienen van andere goden schending der huwelijkstrouw. Jahwe kan niet anders dan het volk straffen om deze zonde, wat hij doen zal door het naar Assyrië en Egypte te doen wegvoeren, maar wezenlijk blijft hij het toch liefhebben. Als Israël dus, door ondervinding wijs geworden, dat de andere goden het niet kunnen helpen, tot Jahwe terugkeert, zal deze het weer aannemen. Ook volgens Hosea zal dan het geheele volk weer vereenigd worden, en gelukkig zyn onder een koning uit het huis van David.
Heerlijk begon zich dus te openbaren, wat vanouds in het Jahwisme gelegen had. De hartelijkste voorstanders van den
37
Jahwe-dienst. die zich het meest aan hem toewijdden, leerden allengs beter inzien en gevoelen, wat het voortreffelijke was van dezen godsdienst, waartoe de tijdelijke verdrukking mede moot hebben bijgedragen.
Naarmate men zich Jahwe verhevener, zelfs als den E é n i g e, ging voorstellen, des te grooter eer werd het natuurlijk voor Israël, door hem tot zijn volk uitverkoren te zijn.
In een gedicht, dat eenige jaren na het optreden van Amos en Hosea is ontstaan, „het lied van Mozesquot; zoogenaamd (Deuteronom. 32 : 1 —43), wordt de uitverkiezing van Israël door Jahwe, de ondankbaarheid des volks, en Jahwe\'s voortdurende trouw beschreven op eene eigenaardige manier. Op merkwaardige wijze komen daarin de meer verheven voorstelling van Jahwe, die allengs was ontstaan, en de minder verhevene uit vroeger tijd naast elkander voor.
Profetenscholen, en profeten daarbuiten Amos 7 ; 14; 1 Kon. 22 :5—28(vgl. Num. 11 : 24—29). — Valsche profeten Micha 2 :11; 3; 5; Jerem. 23 :16,17. — Beelden van echte, en waarschuwingen voor do profeten („profetenspiegelquot;)
1 Kon. 13 : 7-32; 17-19; 21 : 17-29.
Amos van eonvoudigen stand 7 : 14, — over het verledene 5 : 25, 26 ; 9 : 7,
— over gebeurtenissen buitenslands 1 : 3—2 : 2; 6 ; 2.
Jahwe\'s heorschappü over de natuur Amos 4; 13; 5: 8; 9 :5, — konnis van den mensch 4 : 13, — oordeel over onbarmhartigheid en ongerechtigheid bij Israël en Juda 2 : 4—16: 3 : 9-4 ; 2; 5: 21-24; 6:1-7; 7:9-17; 8:1-10, -on bü omwonende volken 1 : 3—2 : 3. — Bedreiging met de Assyriörs 5 : 27. AmoS\' verwachtingen omtrent do toekomst 5 : 18—20; 9 : 8—15.
H o s e a bijzonder bekend met in do profetenscholen ontstane verhalen 6 ; 7; 9 : 10; 11 : 8; 12 ; 4, 5, 13; 13 : 10. — Togen stierbeolden 8 : 4, 5; 10 : 1, 5, — en priesters 4 : 9; 6 : 9. — Ondankbaar verlaten van Jahwo door Israel
2 : 7; 11 : 1—4; 13 : 4—6, — en ongerechtigheid 4 : 1, 2. — Strafgerichten 2: 5—10; 5 : 14: 9 : 3; 10 : 13—15. — Latere aanneming na berouw van Israël 1 : 10—12; 2 : 13—19; 5 ; 15; 6:1—3 („opden derdendagquot;j; 11:8—11; 14:2—8.
Geloof aan Jahwe als den Eénigo („Jahwe der heirscharenquot;) Amos 3 : 13; 4 : 13; Hos. 12 : 6.
Israels uitverkiezing door Jahwe Deuter. 32:6—9. — Jahwe\'s zorg vs. 10—14.
— Ondankbaarheid des volks vs. 15—18. — Deze gestraft vs. 19—35. — Jahwe\'s voortdurende trouw vs. 36 — 43. — Verheven voorstelling vs. 4, 10, 11, 36, 30.
— Ouder denkbeeld over Jahwe vs. 41, 42 (vgl. Num. 10 : 35; 2 Sam. 5 : 24).
§ 18. De heide rijken na 743 v. G., tot den ondergang van Israël in 719 v. C.
In het rijk Israël moest men de door Menahem in 743 v. C. ingeroepen hulp der Assyriërs duur betalen, en aan hun
38
koning ïiglath Pilezer (Pul) 1000 talenten zilver (minstens ƒ 4.500.000) opbrengen.
Ook het geslacht van Menahom (743—787 v. C.) bleef niet lang aan de regeering. Zijn zoon Pekahja (737 — 736 v. 0.) werd weer vermoord en opgevolgd door Pekah, den zoon van zekeren Eemalja (736—780 v. C.). Met dezen sloot Rezin, de koning van Syrië een verbond, om gezamenlijk Juda te overmeesteren en daarover den zoon van zekeren Tabeël, waarschijnlijk een Syriër, koning te maken. Tot dezen zoogenaamd Syrisch—Efraïmietischen oorlog tegen Juda leidde de vroeger besproken bloei van dat rijk onder Azaria (zie § 15) en diens zoon Jotham (740— 736 v. C.), die een doorn in liet oog der noordelijken was.
Vooral Jothams zoon Achaz (736— 728 v. O.) werd, hoewel de verbondenen tegen Jeruzalem zelf het hoofd stieten, toen tegelijkertijd ook nog de Edomieten en Filistijnen hem bestookten, geducht in de engte gedreven.
Onder de bevolking van Juda wekte dit gemengde gewaarwordingen op. Sommigen verheugden er zich in, daar zij hoopten, dat Juda en Israël zoo weer vereenigd zouden worden. Anderen meenden, dat men bij Assyrië of Egypte hulp moest zoeken. Mannen als de profeten Jesaja en Mich a daarentegen, en verscheidene met hen, veroordeelden insgelijks de vreugde en den wensch der eersten, maar predikten weer, evenals Hosea eenigen tijd te voren in Israël had gedaan (zie § 15), dat men alleen op dehulp van Jahwe bouwen moest. Jesaja deed zijn uiterste best om Achaz daartoe te bewegen en hem moed in te spreken, ofschoon hij niet vei\'heelde, dat over Juda om de zonden des volks groote rampen zouden komen, die echter z. i. veroorzaakt zouden worden door de komst van Assyriërs en Egyptenaren. Dezelfde manier van handelen beval de profeet Micha aan, die overigens ook, nog meer zelfs dan Jesaja, dreigde met een vreeselijk strafgericht.
Achaz. ten einde raad, bracht zelfs een kinderoffer en ging er ten slotte toe over, hoe krachtig Jesaja op alle mogelijke manieren, door woord en zinnebeeld, daartegen ook waarschuwde, de hulp der Assyriërs in te roepen.
Voor \'toogenblik bracht dit eenige verlichting aan.
Tiglath Pilezer, de Assyrische koning, deed in 734 v. C. een inval in Syrië, waarbij Rezin sneuvelde, en veroverde vervolgens het noordelijk deel van Israël en geheel Grilead,
30
welks voornaamste bewoners hij wegvoerde in ballingschap. Wel gaf Pekah ook nu den moed en zijn voornemen niet geheel op, maar Juda had geen hinder meer van Israël, welks macht weldra geheel gebroken werd.
Pekah word in 730 v. C. vermoord en opgevolgd door Hosea (730—720 v. C.), die onderhandelingen met Egypte ging aan-knoopen en weigerde, aan de Assyriërs de jaarlijkscheschatting op te brengen. Hij werd toen door Ralmaneser (IVi gevangengenomen, en Samaria na een driejarig beleg door diens opvolger Sargon veroverd. Opnieuw werden nu vele inwoners weggevoerd en zoo bestond er geen rijk Israël meer. Naar het gedeeltelijk ontvolkte l;ind werden herhaaldelijk inwoners van Assyrië overgebracht, die zich allengs vermengden met de overgebleven Israëlieten, welke gemengde bevolking den naam van Samaritanen kreeg.
Ook Juda zelf had evenwel veel te lijden van de Assyriërs. Achaz\' zoon en opvolger Hizkia (728— 699 v. C.) was hun geheel onderworpen en moest zich voorloopig getroosten, hun vazal te zijn.
Schatting aan Tiglath Pilezer opgebracht 2 Kon. 15 : 19. — Pekahja vor-moord 2 Kon. 15 : 22—25.
Dc Syrisch-Efraïmietischc oorlog 2 Kon. 16 : 5 (vgl. Jes. 7 : 1—6). — Moeilijke positie van Achaz 2 Kon. 16 : 6; 2 Ki\'on. 27 : 17, 18.
Vreugde van sommigen Jes. 8 : 6. — Aandrang van Jesaja b\\j Aciiaz Jes. 7 : 3—16 (vgl. 2 : 22; Micha 5 : 9, 10). — Strafbedreigingen Jes. 7 : 17—25; Micha 2 : 1-3; 3 : 19.
Kinderoffer van Achaz 2 Kon. 16 : 3. — Jesaja\'s vernieuwde waarschuwing Jes. 8 : 1, 18. — Inroeping van do Assyriërs 2 Kon. 16 : 7—9. — Nederlaag van Israël 2 Kon. 15 : 29. — Nieuwe plannen van Pekah Jes. 9 : 7—13.
Hosea 2 Kon. 15 : 30; 17 : 1—4. — Verovering van Samaria en wegvoering van vele inwoners 2 Kon. 17 : 5, 6. — Inwoners van Assyrië naar Juda overgebracht 2 Kon. 17 : 24 (vgl. 25—41).
Onderworpenheid van Hizkia 2 Kon. 18 : 7.
§ 19. De profeten Jesaja en Micha, en het geestelijk leven in \'t algemeen in Juda omstreeks den tijd van Israels ondergang.
Uit de beschouwing der meest ontwikkelde Jahwe-vereerders vloeide voort, dat zij den ondergang van het noordelijko rijk beschouwden alseene vreeselyke, maar welverdiende straf vanwege Jahwe voorde ongerechtigheid, waaraan de bewoners zich hadden schuldig gemaakt, \'t Spreekt dus vanzelf, dat
40
ia Juda, waar üiuh het Jahwisme nu nog alleen ontwikkelen kon, de vurigste voorstanders met dubbelen nadruk aandrongen op eene vereering van Jahwe in hunnen geest.
Eeeds zijn in de vorige § de profeten Je sa ja en Mie ha als de voornaamste woordvoerders destijds onder hen genoemd. Krachtig vermaanden dezen immer weer, dat men Jahwe op de ware manier vereeren en dan op hem vertrouwen zou.
Zoo nadrukkelijk mogelijk spreken zij uit, evenals Hosea en Amos hadden gedaan, dat Jahwe in offers, feesten en dergelijke geen welgevallen heeft. Geen onmatigheid en brooddronkenheid! zoo dringen zij aan; geen onderdrukking van armen, weduwen en weezen, geen onrechtmatige toeëige-ning van eens anders goed! Beroemd zijn vooral de woorden van Micha: „Waarmede zal ik Jahwe tegenkomen,
en mij nederbuigen voor God in den hooge?.....
Zou Jahwe een welgevallen hebben in duizenden
van rammen en tienduizenden van oliebeken?____
Wat eischt Jahwe van u dan rechtte doen en goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uwen God?quot; (Micha 6 ; 6—8.)
Want, zooals vooral door Jesaja telkens wordt uitgesproken, Jahwe is „heiligquot; d. w. z. verheven boven al het geschapene, afgezonderd, rein. Dit denkbeeld leidde mee tot de gedachte, dat hij in den hemel zyn woonplaats had en dat andere goden, die tegen hem zouden vermogen, niet bestonden, maar alle overige hoogere wezens aan hem onderworpen en zijne dienaren waren.
De mensch moet zich dus klein en nietig voor hem gevoelen. Tegen al wat zich hoog verheft, heeft Jahwe een tegenzin. Op hem alleen kan en moet vertrouwen worden gesteld. Men moet zich maar toeleggen op het doen van het goede, op gerechtigheid en barmhartigheid. Gedurig worden licht en vuur genoemd als teekenen vnn zijne tegenwoordigheid en wordt hij daarmee vergeleken.
Merkwaardig is de beschrijving, die Jesaja geeft van zijne roeping en van het visioen, dat hij bij die gelegenheid had.
Als dus het volk op Jahwe vertrouwde en werkelijk zijn wil deed, zou het door hem gered worden. Jesaja en Micha stelden zich evenzeer als Amos en Hosea voor, dat strafge-richten onvermijdelijk vooraf moesten gaan, maar hielden zich dan insgelijks vast overtuigd, dat na beproeving en loutering
41
het beste deel, uit Israël en Juda samen, eindelijk behouden blijven, en onder de regeering van Davids geslacht eene ,gouden eeuwquot; te gemoet zou gaan.
Dat overigens de glans van den Jeruzalemschen tempel niet naliet eenigen indruk ook op deze Jahwe-vereerders en hunne medestanders te maken, blijkt uit de wijze, waarop de beide profeten zich over de toekomst uitlaten. Wel oordeelen zij te dien opzichte eenigszins verschillend, in zoover nl. Jesaja gelooft, dat Jeruzalem nooit zelf door de vijanden veroverd worden zal, Micha daarentegen het er voor houdt, dat stad en tempel mede zullen worden verwoest. Toch gelooft Micha met Jesaja ook, dat Jeruzalem op den duur in eere zal worden hersteld, en stemmen zij met elkaar in de verwachting overeen, dat éénmaal alle volken elkander zullen aansporen: „Komt! laat ons opgaan tot den tempel van den god Jakobs, opdat hij ons leere van zijne wegen; want van Zion gaat 1 eering uit, en Jahwe\'s woord van Jeruzalem7\' (Jes. 2 : 1—5; Micha 4 : 1—5). Vooral Jesaja spreekt uit, dat het zoo geschieden zal. Merkwaardigis, hoe dus bij deze profeten het geloof opkomt, dat Jahwe op den duur ook door niet-Israëlieten zal worden vereerd.
Mannen als deze profeten stonden natuurlijk ver boven de meesten hunner tijdgenooten. Intusschen blijkt uit iets, wat in Juda voorviel kort na Israels ondergang, dat toch een en ander van de door Jesaja, Micha en hunne voorgangers verkondigde denkbeelden allengs bij velen ingang had gevonden.
Koning Hizkia nl. heeft, zij het ook geweest tegen den zin van zeer velen, die nog hingen aan het oude, eene poging gewaagd, om er een einde aan te maken, dat Jahwe-beelden en dat andere goden werden vereerd. O. a. werd bij deze gelegenheid op zijn bevel te Jeruzalem „de koperen slangquot; verbrijzeld, waarvan de beteekenis niet recht bekend is, maar dien men destijds in hooga eer hield, zóó zelfs, dat men hem door Mozes vervaardigd achtte. Waarschijnlijk zou de koning-zelfs wel gaarne een eind gemaakt hebben, ook aan alle Jahwe-vereering buiten den tempel te Jeruzalem. Dit plan kon hij niet doorzetten; zelfs gelukte het hem niet, den dienst geheel uit te roeien der andere goden. Maar dat hij eene poging hiertoe kon doen, bewijst wel. dat een zeer groot deel des volks langzamerhand iets had aangenomen van de prediking der profeten.
42
Oordeel van de profeten over het lot van Israël 2 Kon. 17 : 6—23 (vgl. Exod. 32). quot;Vermaningen van Jesaja en Micha Jes. 1 : 2—17, 28—31; 10 : 11; Micha 5 ; 11-13; 6 : 10-16.
Jahwe de Heilige Jes. 5 : 16; 6 : 3—5; 10 : 17—20,— wonende in den hemel Micha 1 : 2, 3; 6 ; 0. — Heer der heirscharen Jes. 1 ; 9, 24; 3 :1; Micha 4.: 4;
Jahwe\'s tegenzin tegen al wat hoog is Jes. 2 : 10—17 (vgl. 3 : 18—24; Gen. 2:16, 17; 3 : 17—19; 4 : 21—23). — Op Jahwe alleen vertrouwen Jes. 30 : 15. 31 : 1—3, — mits men hem gehoorzame Jes. 1 : 19, 20; 3 : 10. — Lichten vuur zinnebeelden van Jahwe\'s wezen Jes. 10 : 17; 33 : 14.
Jesaja\'s roeping Jes. 6.
Aankondiging van strafgerichten Jes. 1 ; 21—25; 5 : 1—14, 18—30; 7 ; 17— 25; Micha 1 : 2—9; 2 ; 1—3. — Redding van een gereinigd overblijfsol Jes. 7 :3; 10 : 17—22; Micha 5 : 7, 8; 7 : 18, 19. — Eene „gouden eeuwquot; in de toekomst Jos. 11 : 6—10; 9 : 1—6, — onder de regeering van het geslacht van David Jos. 9 : 6; 11 : 1; Micha 5:1. — Jeruzalems toekomst Jes. 2S : 16; 31 : 4, 5, waartegenover Micha 3 : 12.
Hizkia\'s poging tot hervorming-2 Kon 18 : 1—5, 22 i vgl. Num. 21: 4—10).
§ 2( gt;. Het koninkrijk Juda onder de regeering van H i z k i a (728— 699 v. C.), Manasse (699—643 v. G.) en Amon {643—641 v. G.).
Tn den eersten tijd zijner regeering waagde Hizkia, die overigens wel overwinningen behaalde op de Filistijnen, het niet, tegen de heerschappij der Assyriërs op te staan.
Toen hij echter, na het optreden tegen de vereering der beelden van Jahwe en die van andere goden (zie § liii, meende te kunnen vertrouwen op Jahwe\'s hulp, verklaarde hij zich onafhankelijk. Zeer geschikt deed hij dit, in verbond met allerlei omliggende volken, op een oogenblik, dat het leger dor Assyriërs onder hun koning Sanherib zich in Ivlein-Azië ophield. Ook had hij zich verzekerd van de hulp der Egyptenaren, en met de Babyloniërs onderhandeld.
Van het volk waren sommigen zeker op des konings hand, maar zagen anderen stellig in dezen opstand voor het land groot gevaar. De profetische partij moet den afval op zich zelf wol goedgekeurd, maar ook nu weer veroordeeld hebben, dat de koning hulp bij Egypte, in \'t algemeen bij menschen zocht. Jesaja b. v. predikte aanhoudend, dat Jahwe de tempelstad wel zou laten benauwen, totdat men bij hem redding zocht, maar dat hij dan alléén, zonder hulp van menschen, haar verlossen zou.
Weldra trok Sanherib, na het verslaan der andere volken,
ook tegen Hizkia op. wiens ves.tingen bijna alle spoedig veroverd werden. Tevergeefs zocht deze nu zijn vijand, terwijl hij te Lachis was, door aanbieding eener som van minstens ƒ3.780.000 tot den aftocht te bewegen. Sanherib liet Jeruzalem opeischen door drie hooge beambten, vergezeld van indrukwekkend gevolg, die daarbij op eene behendige manier partij zochten te trekken van veler ontevredenheid over Hizkia\'s ijveren op godsdienstig gebied (zie § 19i. Jes-ija, die. nu hij de Assyriërs van nabij aan het werk zag. ook hen voor Jahwe strafwaardig achtte, sprak Hizkia moed in. die de gezanten dus terugwees.
Inderdaad dreef het gevaar voorbij. Sanherib moest zich tegen een Egyptisch leger keeren en weldra, omdat in zijn leger de pest uitbrak, overhaast naar Assyrië terugtrekken, waar hij na eenigen tijd in de hoofdstad Ninevé werd vermoord. Juda bleef dus onafhankelijk, maar was erg geteisterd en verarmd.
Onder Hizkia\'s opvolgers Manasse (699—643 v. C.) en Anion (643—641 v. C.), genoot het land voortdurend vrede. Naar het uitwendige viel er onder hunne regeering niet veel merkwaardigs voor.
Op godsdienstig gebied daarentegen volgden de beide genoemde koningen eene geheel andere richting, dan Hizkia had gedaan. Aangemoedigd door de rampen, die het land hadden getroffen, staken nl. diegenen, wie de hervorming van Hizkia niet naar den zin was geweest, het hoofd krachtig op. Manasse voerde dus allerlei andere godsvereeringen naast den Jahwe-dienst weer in of liet ze toe, en op hetzelfde spoor ging Anion door.
In het ..dal van den zoon Hinnomsquot;, ten Z. van Jeruzalem, stond ..het Tofetquot;, eene ommuurde ruimte, waarin e\'jn Molech-beeld, welk een en ander waarschijnlijk vroeger door Achaz was gebouwd, die daar zijn zoon geofferd had (zie § 18). Door Hizkia wellicht verwoest, werd het nu herbouwd en werden er opnieuw kinderoffers gebracht, door Manasse zelf het eerst.
Daarnevens kwam de vereering der Sidonische Astarte op, bestaande in vreeselijke verminkingen en zelfkastijdingen, woeste dansen, vergezeld van akelig gehuil, ten slotte gevolgd door uitgelatenheid.
Voorts vereerde men Asjéra met allerlei losbandigheid.
44
In navolging van. de Assyriërs, waarvan er woonden in het voormalige Israël, werden de hemellicharaen vereerd, hetgeen geschiedde tot in den tempel zelf te Jeruzalem.
Insgelijks werd daar hulde bewezen aan de goden der Egyptenaren. omdat men op een vriendschappelijken voet stond met dit volk.
Onder de beide genoemde koningen was het dus voor de meer ontwikkelde Jahwe-vereerders een bange tijd. Zelfs werden velen hunner, die dit alles niet lijdelijk wilden aanzien, ter dood gebracht.
Hunne hoop herleefde eerst weer, toen Amon door eene samenzwering het leven verloor.
In dezen tijd zyn zeker wel liederen gedicht als de Psalmen 3; 4; 5; 6; 11; 22. enz.
Overwinningen van Hizkia op do Filistjjueu 2 Kon. 18 : 8.
Afval van Assyrië 2 Kon. 18 ; 7.
Jesaja\'s afkeuring van de bondgenootschappen met andere volken Jos. 30 : 2, 3, 15, 16; 31 : 1—3. — Benauwing maar uitredding van Jeruzalem Jcs. 29: 1-6; 31 : 1-9.
Verovering van Hizkia\'s vestingen 2 Kon. 18 : 13, — en poging om Sanherib af te koopen 14—16. - Jeruzalem opgeëischt 2 Kon. 18 ; 17—26. — Jesaja\'s bemoedigend woord 2 Kon. 19 : 1—8 (vgl. Jes. 10 : 5—15). — Een Egyptisch legor tegen Sanherib 2 Kon. 19 : 9. — Overhaaste aftocht wegens eene pest, en dood van Sanherib 2 Kon. 19 : 35—37.
Richting in het godsdienstige van Manasse 2 Kon. 21:1—9, — on Amon 18— 22 (vgl. Ezech. 8 : 14-17}.
Verzot niet levensgevaar van de ijverigste Jahwe-vereerders 2 Kou. 21 :10—16.
Amon vermoord 2 Kon. 21 : 20.
§ 21. liet koninkrijk Juda onder de regeering van Josia (641-609 v. O.).
Josia was acht jaar oud, toen hij na den dood van zijn vader Amon aan de regeering kwam, zoodat eerst iemand in zijnen naam moet hebben bestuurd.
Ook na den dood van Amon gebeurde er aanvankelijk weinig, wat het volk kon bewegen om naar de waarschuwingen der Jahwe-vereerders te luisteren. Wat Assyrië betrof, genoot Juda vrede, aangezien dat rijk bedreigd en zelfs de hoofdstad Ninevé belegerd werd door een Medisch-Babylonisch leger. Wij leeren uit de profetieën van N a li u m, die in dezen tijd
leefde, hoe men zich in Juda verheugde over de vernedering van dezen vroegeren vijand. Overigens dreigde wel van den kant van Egypte eenig gevaar, maar allengs kon men ook in dit opzicht zich geruster gevoelen.
Op den duur werd het anders. Omstreeks ö-28 v. G. naderde nl. een tot dusver onbekend, maar zeer krijgshaftig volk uit het noorden. Het waren de Scythen. Zij versloegen de Meden en Babyloniörs, en drongen al verder door, zoodat men ook in Juda begon te vreezen.
Nu werd hunne nadering de aanleiding, om den geest wakker te schudden. De vereerders van Jahwe begonnen te denken, dat dit volk bestemd was, om zijn gericht over Juda te voltrekken. Met name de profeten Zefanja en J ere mi a berispten met groote scherpte de zonden des volks, en dreigden met een vreeselijke straf.
In \'t algemeen hadden de Jahwe-dienaars het vaste besluit opgevat, dat zoo mogelijk de vereering van andere goden volledig moest worden uitgeroeid, en dat daartoe een einde moest worden gemaakt aan alle godsvereering buiten den tempel te Jeruzalem.
Door één hunner werd omstreeks dezen tijd een boek geschreven (Den t ero no mi um), waarin het werd voorgesteld, alsof het otteren elders reeds door Mozes verboden was.
Toen in het 18de jaar van Josia (623 v. C.) allerlei herstellingen aan den tempel werden verricht, vond de opperpriester Hilkia dat boek, en las het aan \'s konings geheimschrijver Safan voor. Deze deed verslag aan den koning, die hot zich ook liet voorlezen en toen hevig ontstelde bij de ontdekking, hoezeer men dan die voorschriften van Mozes altijd overtreden had.
Josia tastte nu door en ging veel verder, dan Hizkia vroeger had kunnen doen. Na raadpleging met eene profetes Hulda en voorlezing van het gevonden boek ten\'aanhoore des volks, werd alle godsvereering buiten den tempel voor het oogen-blik onmogelijk gemaakt.
Nadat eerst uit den tempel en te Jeruzalem zelf was weggedaan, al wat op andere god sveree ringen betrekking had, trokken troepen, waarvan de voornaamste afdeeling door den koning zeiven en andere door priesters en profeten werden geleid, het land door, oin overal beelden te verbranden, heilige plaatsen na vernieling der gebouwen te ontwijden door
40
er doodsbeenderen op te strooien, enz. Dit gebeurde tot zelfs op het grondgebied vim Noord-Israël. De Levietische priesters by de heiligdommen werden toegelaten in den Jeruza-lemschen tempel, om daar mindere werkzaamheden te verrichten, maar mochten niet otteren.
Zoo behaalden met geweld de voorstanders der uitsluitende vereering van Jahwe eene volledige overwinning.
Het afdrijven van het gevaar, dat van de zijde der Scythen had gedreigd, werd algemeen beschouwd als een duidelijk bewijs, dat Jahwe nu zijn machtige bescherming verleende aan het land. Slechts een enkele, als b. v. Jeremia, was nog niet tevreden met den toestand op godsdienstig gebied.
Josia zelf vertrouwde mede vast op Jahwe\'s hulp.
Toen dus de Egyptische koning Necho optrok in de richting van den Eufraat, beging Juda\'s vorst, ofschoon zijn land voorshands nog volstrekt geen gevaar liep, het roekelooze waagstuk, dien koning te willen tegenhouden.
Duur boetten hij en zijn volk hun overmoed. Bij Megiddo, in de vlakte van Jizreël, leed Josia in 609 v. C. eene besliste nederlaag, waarbij hij zelf sneuvelde. Dit was een vreeselijke slag voor Juda, dat nu zijne onafhankelijkheid geheel verloor., Josia\'s zoon Joahaz werd door Necho naar Egypte gevoerd, terwijl een andere zoon Jojakim (eigl. Eljakim) als vazal van Egypte den troon beklom.
Inzonderheid werden de Jahwe-dienaars door dezen afloop in verwarring en aan het twijfelen gebracht. Volgens de tegenpartij waren zij nu geheel in het ongelijk gesteld, en ook zelf wisten zij niet, wat te denken van Jahwe\'s rechtvaardigheid, aangezien men h. i. op zijne hulp volle aanspraak had.
Gerustheid in du eerste jaren van Josia Zef. 1 : 12. — Vreugde over de vernedering van Assyriö Nahum 1 : 1—3, 15; 2 : 9—13; 3 : 18, 19.
Yerwijtingen Zef. 1 : 4—(i; 3 : 1—4: Jerem. 2 : 4—12; 3 iG—12, — enljedrei-gingen Zef. 1 : 14—18; Jerem. 1 : 13-16; 5 : 15—17.
Het boek Deuteronomium (4 : 45 - 26 on 28—29 : 1) gevonden 2 Kon. 22: 3—11, — na raadpleging met Hukia 12—20, — voorgelezen aan het volk 23 : 1—quot;. — Hervormingen 2 Kon. 23 : 4—15 , 24, — tot zelfs in Noord-Israël 19—2\'). — Beslissing omtrent de Levietische priesters 2 Kon. 23 : 9.
Nederlaag van Josia, enz. 2 Kon. 23 : 29—85.
Twijfelmoedigheid der Jahwe-dienaars 2 Kon. 23 : 25—27.
47
§ 22. Het koninkrijk Juda in de laatste jaren van zijn bestaan (609—586 v. C.i.
De door Necho op den troon geplaatste vorst, Jojakim (608—597 v. C.), had een slecht karakter en ontzag zich niet zyn reeds zoq zwaar beproefd volk nog meer te belasten, zelfs niet, zich aan afpersing en verdraaiing van het recht schuldig te maken, ten einde maar aan zijn zucht naar weelde te kunnen botvieren. De profeet Jeremia liet zich herhaalde malen dreigend tegen dezen koning uit en stond dientengevolge met hem op een gespannen voet.
Na vier jaren, in 005 v. 0., verwisselde hij met zijn volk van meester. Toen werd nl. Necho bij Karkemis overwonnen door de Babyloniërs (ook „de Chaldeönquot;), die te voren de Assyriërs hadden verslagen. Wel werd Necho bij het terugtrekken niet gehinderd, omdat de Babylonische bevelhebber, de kroonprins Nebucadresar, na den dood zijns vaders zich moest laten kronen, maar met de heerschappij der Egypte-naron over de omliggende landen was het toch gedaan. In (504 v. C. sloeg den Judeërs op de nadering van Nebucadresar de schrik om hot hart, zoodat men op een plechtigen vastendag van alle zijden naar Jeruzalem stroomde. Zonder veel strijd namen de Babyloniërs bezit van het land.
Toch moest een paar jaren later Jojakim den wensch wel inwilligen van zijn volk, dat op Jahwe vertrouwde, om weer op te staan. Tevergeefs waarschuwde Jeremia, dat alle tegenstand nutteloos was. Anderen, als b. v. de profeet Ha bak uk. voorspelden, dat Jahwe, hoeveel straf hot volk ook verdiend had, dit toch niet zou laten ondergaan.
Nadat Babylonische benden het land hadden afgeloopen, rukte in 597 v. C. Nebucadresar zelf tegen Jeruzalem op, waarheen velen, ook uit Noord-lsraël, gevlucht waren. Jojakim was in dat jaar overleden. Zijn zoon Jojachin gaf de stad onmiddellijk over.
Nebucadresar voerde daarop den koning met zijn hof en een aantal der beste burgers naar Babel, en stelde \'s konings oom Zedekia (oorspronkelijk Mattanja geheeten, 597 — 586 v. C.) tot koning aan.
Onder diens regeering werd in 593 v. C. een algemeene opstand beraamd, welk plan door vele profeten ondersteund
48
werd, maar op dat oogenblik in duigen viel, allicht omdat Egypte niet wilde meewerken.
In 538 v. C. kwam hetzelfde plan echter vannieuws op. Zedekia gaf toe, zond een gezantschap naar Egypte en weigerde de schatting aan Nebucadresar op te brengen.
Daarmee was de val van Juda beslist, te eerder omdat het geen steun van de omliggende volken kreeg.
Nog in hetzelfde jaar sloeg Nebucadresar het beleg voor de hoofdstad. Aan sommigen ontzonk reeds dadelijk de moed, terwijl anderen volhardend bleven hopen op Jahwe\'s hulp. Jeremia verkondigde aanhoudend, dat de stad niet gered worden kon, want dat Jahwe wegens de zonden des volks tot haar ondergang besloten had. Vooral liet hij zich heftig uit, toen de aanzienlijken aanvankelijk, om Jahwe\'s hulp te erlangen, de plechtige gelofte aflegden, dat zij hunne Israëlietische slaven zouden vrijlaten, maar hun woord braken, toen Nebucadresar voor oen tijd het beleg opbrak, omdat er een Egyptisch leger aanrukte.
quot;Weldra, na hervatting van het beleg, heerschten er op verschrikkelijke wijze gebrek en ziekte in de stad. Na anderhalf jaar, in 536 v. C., werd de benedenstad stormenderhand ingenomen, waarop Zedekia met velen der zijnen de vlucht nam. Hij werd echter achterhaald, na terechtstelling zijner zonen in zyne tegenwoordigheid, van het gezicht beroofd en geboeid naar Babel gebracht, waar hij in de gevangenis gestorven is.
Ook van het volk werden nu nogmaals velen als ballingen naar Babel gevoerd.
Jeremia tegen Jojakim Jerem. 22 : 10—19 (vgl. 36 : 22-31).
De vastendag Jerem. 36 ; 6, 9.
Onderwerping aan en opstand tegen Nebucadresar 2 Kon. 24 : 1. — Jere-mia\'s waarschuwingen Jerem. 35 : 1—17. — Haljakuk met straf dreigende Hab. 1 : 1—10, — maar hot volk toch gevrijwaard voor ondergang 1 : 11—17.
Babylonische legerbenden 2 Kon. 24 : 2.
Komst van Nebucadresar na Jojakims dood 2 Kon. 24 : 6—11, — na overgave van Jeruzalem 12, — plundering en wegvoering naar Babel 13—IC, — verheffing van (Mattanja) Zedekia 17.
Plan tot een algomeenen opstand (in 593 v. C. volgens Jerem. 28 : 1) Jerem. 27 : 2—22.
Een nieuw plan tot uitvoering gekomen in 588 v. C. 2 Ken. 24 : 20—25: 2, — in hope op steun van Egypte Ezech. 1Y : 11—20 (vgl. Jerem. 37 ; 1—8). — Juda niet door omliggende volken gesteund Ezech. 25 : 1—26 ; 3.
\'Sombere voorspellingen van Jeremia Jerem. 37 : 7—1(1, 17: 38 : 3, 17, 18;
40
— vooral toen men du gelofte omtrent do vrijlating der slaven verbrak 34 : 8-22.
Jeruzalem Ingenomen, enz. 2 Kon. 25 : 3—10, 13—17.
quot;Wegvoering voor de tweede maal van velen naar Babel 2 Kon. 25 :11,12.
§ -23. De toestand op geestelijk gebied in den laatsten tijd, dat Juda bestond. — D e u t e r o n o ra i u m ; J e r e m i a.
Allengs was het toch iets beter geworden met de gehechtheid van het volk aan den Jahwe-dienst. Na Josia\'s nederlaag. hoe teleurstellend deze ook was geweest, ging men de andere goden toch niet weer vereeren in gelijke mate als men het onder Manasse en Amon had gedann (zie § -29). In tijd van nood, b. v. tijdens het beleg van Jeruzalem in 533 v. C., trachtte men, meer dan voorheen in dergelijke omstandigheden, naar Jahwe\'s gunst en hoopte op zijne hulp (zie § 2-2).
Intusschen begon men inzonderheid Jahwe meer te vereeren door \'t opvolgen van de voorschriften der priesters, wier invloed vanouds in Juda machtig was geweest (vgl. § ö en 10). Dezen waren er vaak al tevreden mee, als men zich maar naar \'t uiterlijke tot den dienst alleen van Jahwe bekeerde. Ook de inhoud van Deuteronomium, tot welks naleving men zich onder Josi i verbond (zie § 21), leidde er eenigermate toe, dat dergelijke lichting veld won. Wel komen in dat boek uitnemende zedelijke voorschriften voor, b. v, om Jahwe lief te hebben met liet gansche hart, niet hardvochtig met slaven om te gaan, mild en weldadig jegens behoeftigen en barmhartig jegens dieren, niet al te streng bij de rechtspraak te zijn, enz. Het handelt er echter ook vrij uitvoerig over, dat sommige godsdienstige plechtigheden nagelaten, maar andere ter eere van Jahwe waargenomen moesten worden. En vooral was niet zonder gevaar, dat in \'talgemeen de vrijheid door deze wet tamelijk sterk aan banden werd gelegd, en zoo het eigen nadenken tegengegaan.
Eén onder de priesters evenwel was er volstrekt niet mee tevreden, dat Jahwe door velen alleen op uiterlijke wijze werd vereerd. liet was Je rem ia, die reeds meermalen is genoemd, de zoon misschien van den opperpriester Hilkia
-t
50
(zie § 21). Over zijn prediking en strijd moot nog uitvoeriger worden gesproken.
Jeremia heeft een moeielijk leven gehad. Hij gevoelde diep, dat offeren en dergelijke, ook al werd het ter eere van Jahwe gedaan, niet voldoende, maar barmhartigheid, gerechtigheid noodig was. Derhalve kon hij niet nalaten, onophoudelijk te waarschuwen, dat het volk, indien het zich niet bekeerde, vreeselijk zou worden gestraft.
Hij is voor het eerst als profeet opgetreden in 028 v. C., onder Josia, wiens hervorming 5 jaren later (zie § 21) hij zeker met vreugde heeft begroet, al was hij er nog niet mee voldaan. Zijn dreigen met een strafgericht ook daarna nog. verbitterde de lieden in zijne oorspronkelijke woonplaats Anathoth dermate, dat hij deze verlaten moest, waarop hij naar Jeruzalem ging. Omdat er voor liet oogenblik geen sprake was van gevaar, lachte men hem daar uit; gretig werd er geluisterd naar andere profeten, die Jahwe\'s bescherming beloofden aan het volk, dat nu hem alleen diende. Toen Jeremia onder Jojakim de algeheele verwoesting van stad en tempel voorspelde, veroorzaakte dit zelfs een volksoploop en ontkwam hij ternauwernood oene veroordeeling. Jarenlang bleef hij dus vruchteloos waarschuwen. Geen wonder, dat hij dikwijls bitter was tegen wie hij „valsche profetenquot; noemde, die het volk op een dwaalspoor leidden.
Eenigen tijd na Necho\'s nederlaag in 605 v. C. (zie § 22) liet hij al wat hij vóór en na gesproken had, opteekenen door zijn dienaar on medestander Baruch, en later het door denzelfden voorlezen in don tempel op den vastendag (zie § 22), toen Nebucadresar naderde.
Toen zijne bedreigingen aan koning Jojakim werden medegedeeld, ontstak deze in heftigen toorn, zoodat hij de boekrol in het vuur wierp. De profeet en Baruch zelf hadden zich gelukkig op raad van aanzienlijke mannen verborgen, terwijl zij later eenigszins beveiligd waren door do omstandigheid, dat de eerste lid was van de machtige Jeruzalem-sche priesterschap. Een ander profeet, zekere Uria, die in gelijken geest gesproken had, werd er om ter dood gebracht.
Ook daarna ging Jeremia toch door met het aankondigen van een strafgericht, waarom hij wel op een keer door de tempel-politie gegeeseld en voor één nacht in het blok gesloten werd.
51
Aanhoudend, na de eerste wegvoering in 597 v. C. en in volgende jaren, maande Jeremia verder weggevoerden en overgeblevenen tot onderwerping aan; somtijds geraakte hij daardoor met andersdenkende profeten in heftigen strijd. Tijdens liet beleg werd hij bij herhaling gevangengezet, soms in een akeligen kuil, waar zelfs zijn leven gevaar liep; eone eerste maal geschiedde dit, omdat men hem van verraad verdacht, later om zijne prediking, die natuurlijk op het volk en de bezetting een zeer ontmoedigenden indruk maken moest. Cleen persoonlijk gevaar kon hem echter weerhouden van te spreken, zooals hij begreep te moeten doen. Zoo heeft Jeremia zich tijdens Juda\'s bestaan aldoor gedrongen gevoeld, om onheil t-3 verkondigen, hoe hard hem dit vaak gevallen moet zijn, omdat hij toch ook weer eene innige liefde had voor zijn volk.
Tegen alle naburige volken liet hij zich insgelijks dreigend uit.
Na het lijden zou evenwel, naar hij verwachtte, voor de Israëlieten onder afstammelingen van David, en gedeeltelijk voor de vreemde volken eene goede toekomst aanbreken. Dan zou Juda gereinigd zijn, en Jahwe met Juda en Israël gezamenlijk, een nieuw verbond sluiten. Dan zou Jahwe\'s wet in aller hart zijn; grooten en kleinen zonden hem kennen, zoodat hij en Isra\' 1 innig verbonden waren aan elkaar. Ook den vreemden zou het goed gaan, voor zoover zij Jahwe gingen dienen.
Ook bij Jeremia dus treffen wij weer de overtuiging aan (vgl. § 19), dat de dienst van Jahwe, die gerechtigheid en liefde eischte, op den duur niet tot Isra 1 alleen beperkt zou blijven, maar zich verbreiden zou over meerdere volken.
Toen Jeruzalem veroverd was, werd Jeremia namens No-buca.dresar uitgenoodigd om in Babel te worden verzorgd, maar hij weigerde en wilde bij zijne ongelukkige landgenooten in Juda blijven.
■Voorschriften in Deuteronomium om Jalvwo lief te liobbon Deuteron. 6 : 5: 10 : 12, — zacht jegens slaven te zijn 15 : 12-18: 21:10-14; 23 :15, l(i, -mild jegens behoeftigen 15 : 7-11; 31 : 6, 10-21 (vgl. 23:24,25), - barmhav-tig jegens dieren 22 : 1—7; 23 : 4, — niet te streng by de rechtspraak 24 :16; 25 : 1-8,— eerlijk 16: 19: 2ï: 13—16;—om sommige godsdienstplechtigheden na te Jaten 12 : 2—4; 14 : 1: 16 : 21, 22; 18 : 10—14 (vgl. 12 : 10; 14 : 3, 21; 22:9—12gt;, — en andere tereere van Jahwe te doen 12:4—7; 16:10; 23:21:23:1—11.
Jeremia\'s eerste optreden Jerem. 1 : 1, 2, 0, — oordeel over Israël 2:1-13, — beschouwing omtrent Jahwe\'s eischen 5 ; 27—29; 6 ; 20, 21; 7 ; 1—11, -
wedervaren in Anathotli 11 ; 31 (vgl. 18, 10), — strijd togen andore profeten 23 : 9-2-2, — voorzegging van Joruzalems ondergang 28:1 —0, — waarop hy bijna veroordeeld werd 7—19.
Opteokoning zijner toespraken Jercm. 36 ; 1-4, — en voorlezing daarvan door Baruch 5—10; — toorn van Jo.jakim 11—26. — Een profeet, met name Uria, ter dood gebracht Jercm. 20 : 20—24.
Jeremia later gegeeseld en opgesloten 19 : 14—23 : 6, — maar voortdurend predikende 20 : 7—18.
Aanmaning tot onderwerping na de eerste wegvoering 27 : 1—8; 29 ; 1-7,
— in strijd met de woorden van andere profeten 23; 29 : 8, 9, 20-82. Gevangenzetting tydens het beleg, op verdenking van verraad 37 ; II -21,
— en om zijn ontmoedigend spreken 33 ; 1—13, 28. — Volliarding van don profeet 37 ; Ifi, 17; 33 : 13—2?. — Zijn medelijden mot het volk 4 ; 19; 9 : 1; 14 : 1-9, 13, 17.
Bedreigingen tegou omliggende volkeren 25; 46—49.
Verwachtingen omtrent do toekomst 30 : 18—22; 31 : 10—17, 31—36; 32: 0 15; 33 ; 14-22; 12 : 14—17 (vgl. 46 : 2ö; 48 : 47 : 49 : (i, 39).
Jeremia door Nebucadrosar goed behandeld 39 : 11—14 (vgl. 40 : 1—0).
§ -24. De Judeërs (J o d e n) na de verovering van het land. — E z e c h i ë 1.
Het zag er natuurlijk aanvankelijk na de geleden nederlagen met liet volk ellendig uit.
De eerst, in 5 »7 v. C., weggevoerden waren naar eene landstreek ten N. van Karketnis, aan de rivier de Chebar (of Chaboras), die in 583 v. C. naar eene andere, ons onbekende streek van het Babylonische rijk overgebracht. Zij mochten er in hun levensonderhoud voorzien door landbouw, handel, nijverheid, en vormden alzoo Judeesche (Joodsche) koloniën onder landvoogden, die hen wel eens hard behandelden, ofschoon zij vrijgelaten werden in hun onderling verkeer, in de uitoefening van hun godsdienst, enz.
Over do achtergeblevenen, van wie velen bij de algemeone verwarring aan :t zwerven en rooven gingen, werd zekere Gedalja als landvoogd aangesteld. Dezen gelukte het, weer eenige orde in het leven te roepen en het land weer eeniger-mate tot rust te brengen. Ongelukkig werd hij na enkele jaren, omstreeks 5S1 v. C.. vermoord.
Nu vreesden velen voor de wraak van Nobucadresar en vluchtten naar Egypte, waarheen zeker ook vroeger wel waren gegaan. Zij namen daarbij tegenzijnwilJeremia mede, die reeds hoogbejaard was en kort, daarna in Egypte is gestorven.
Inderdaad strafte Nebucadresar den moord, ofschoon het volk daaraan eigenlijk geen schuld had, door wederom, dus voor de derde maal, een aantal burgers weg te voeren ergens naar eene onbekende streek in B ibylonië.
Geen wonder, dat de stemming overal diep treurig was. Enkelen gaven in lie leren lucht aan de alom gevoelde smart. Zoo ontstonden in dezen tijd, onder de achtergeblevenen of onder de ballingen, o. a. de Psalmen 14 { 53i; 31 ; 51; 90; 137; het boek de Klaagliederen.
Heeds uit dit optreden van dichters blijkt intusschen, dat het geestelijk leven niet geheel te gronde ging. Mot name de Jahwe-dienaars verloren niet ten eenen male de hoop en den moed. Zij werden gesteund door hun vast geloof, dat Jahwe Israël bleef liefhebben. Krachtig verklaarden zij zich tegen zulken, die de rampen daaraan toeschreven, dat men had opgehouden andore goden te dienen.
Onder de ballingen aan de Chobar trad vol vertrouwen de profeet Ezechlöl op. Deze o. a. hield zich vast overtuigd van een aanstaand herstel, omdat Jahwe het volk liefhad, in weerwil van zijne zondigheid. Israd en Juda zouden dus éénmaal worden teruggebracht, dan onder een koning uit het huis van David in vrede in Kan aan wonen, en vervolgens door Jahwe tot bekeering worden geleld. De profeet stelt het volk voor onder het beeld van begraven doodsbeenderen, die weer op zullen staan
ïusschen Ezechiël en de profeten van vroeger is een merkwaardig onderscheid. Terwijl de la-itsten vooral sprekers waren en bij \'t aandringen op het dienen van Jahwe veel aan quot;telgen nadenken overlieten, is de eerste veel meer schrijver en werkt hij dus alles meer in bijzonderheden uit. Hij stelt zich, nog meer dan vroegeren, Jahwe alshoog verheven, ongenaakbaar voor. en om dit goed te doen gevoelen, schildert hij hem op fantastisch-zinnelijke wijze uitvoerig af.
In \'t algemeen gaf het smartelijk gemis er aanleiding toe, dat men met weemoedig verlangen aan het vaderland en den tempel dacht, en mede aan dezen laatste met al wat er bij behoorde, sterker begon te hechten. Men geraakte zoo met den godsdienst op een gevaarlijken weg. a-ingezien do aandacht op deze m-mier zich al meer vooral op de uiterlijke godsverearing vestigde.
Ezechiël ook, die trouwens zelf vroeger priester was geweest,
54
houdt zich druk bozig met uiterlijke dingen. Hij houdt veel van regelmaat; do tempel moet b. v. later midden in\'t land, terwijl hij dit in twaalf gelijke deelen daar omheen verdeeld wil zien. Vaste bepalingen acht hij voor de ware godsvereering zeer gewenscht. In bijzonderheden beschrijft hij. hoe tempel, offerdienst, enz. moeten worden ingericht. Opmerking verdient, wat hij wettelijk vastgesteld wil zien, dat voortaan alleen „de zonen van Zadokquot; priester zullen mogen zijn; de overigen, omdat zij zich aan afgoderij hebben schuldig gemaakt (vgl. § 21), moeten zich tevredenstellen met het geringere werk in den tempel.
Als Israël dan later is teruggekomen in het land en zich zóó heeft ingericht, zullen naar de meening van den profeet de heidensche machten (Magog onder koning Gog) zich verheffen tegen Jahwe\'s volk, maar voorgoed worden verslagen.
■Wegvoering naar de Cheljar Ezech. 1 : 1—3. — Vooraening in levensonderhoud Jerem. 29 : 5. — Harde behandeling somlijds Jes. 46 : 0 (vgl. 2 Kon. 25 : 27-30).
Aanstelling en bestuur van Gedalja Jerem. 40 : 7—13; — zijne vermoording
41 : 1—3; — vluelit van velen naar Egypte 16—18, — do :r Jeremia ontraden
42 : 13—10, — met hem en Baruch 43 : 1—7.
Derde wegvoering Jerem. 52 : 30 (vgl. 28, 20).
Mood nog altyd Tjij sommigen Klaagl. 5 : 20 —22. — Vorzet tegen do beschouwingen dor afgodendienaars Jerem. 44 : 15-23; Ezech. 20 : 31, 32.
Ezochiüis geloof aan Jahwe\'s voortdurende liefde voor het zondige volk Ezech. 36 : 20—23, — dat hij redden en reinigen zou 24—29, — en onder een nakomeling van David in Palestina doen wonen 37 ; 15-2S. - Israël voorgesteld als tot nieuw leven gewekte doodsbeenderen 37 ; 1—14.
Uitvoerige beschrijvingen van Jahwe\'s heerlijkheid Ezech. 1 : 4-28; 10.
Ezechlëls nauwkeurige voorschriften aangaande den toekomstigen tempel 40-49, altaar 43 : 13—17 en wijding daarvan 18—27, — bezoekers van den tempel 44 : 9, levieten 10—14, priesters 15-31, — verdeeling van don grond 45 ; 1—9; 47 : 13—48 : 29, — poorten van Jeruzalem 48 ; 31-35.
Aanval en nederlaag der heidensche machten 38, 39.
§ 25. Uitzichten in de toekomst gedurende den
tijd der ballingschap, en gedachten over Jaime\'s bestuur. — De tweede Jesaja; het boek Job.
Zich to ontworstelen aan het juk der Babylonische over-heersching was voor de Joden natuurlijk onmogelijk; voor-loopig moest men zich schikken in zijn lot. In het begin der ballingschap liet Nebucadresar een profeet Achab ter
dood brengen, waarschijnlijk wegons oprnicnde mlovoeringon.
Tot gewelddadig verzet wekten andoren dus niet op. maar wel werd de hoop op bevrijding voortdurend levendig gehouden.
Vooral toen de Babyloniërs in 538 v. C. door don Perzi-schen koning Cyrus verslagen worden, hoopte men, dat dit door Jahwe aldus werd beschikt om de ballingen te bevrijden. Zoo werd dan ook omstreeks dien tijd aan het volk verkondigd door mannen, van wie ons uitspraken in Jerem. 50 en 51; Jes. 13 : 1—li : 23; 21 : 1 — 10; 34 en 35 zijn bewaard, en inzonderheid door een diepzinnig profeet, wiens redenen later als Hfdst. 40—68 achter die van den vroegeren Jesaja zijn geplaatst.
Met groeten luister zou naar aller verwachting de terugkeer plaats hebben.
Do het laatst genoemde profeet, van wien wij niet weten, of hij ergens in Babyion dan wei in Palestina leefde, spreekt op eene eigenaardige manier over het doel der ballingschap. Hij zag in, dat bij de vromen onder de Israëlieten hun moeielijk lot geen straf voor hunne zonden kon wezen. Pezen gezamenlijk stelt hij onder den naam „de lijdende knecht van Jahwequot; voor. Over dien „knecht van Jahwequot; dan moest de ellende meest om der wille van anderen gekomen zijn. Nu reinigt hen echter Jahwe, terwijl zij zoo ellendig zijn, van de smetten, die hun ook zelf nog aankleven, en worden zij geschikt gemaakt om een licht voor alle volken te zijn. Hun lijden, meerendeels het gevolg van ande-rer zonden, neemt bovendien, naar de profeet meent, de schuld van dezen weg.
Dus zou ook, naar zijne verwachting, het geheele volk in vrede naar Palestina wederkeeren. Daartoe riep Jahwe nu Cyrus, „zijn knechtquot;, en liet hem de overwinning behalen over het eene volk vóór, liet andere na. De geheelo wereld immers wordt door Jahwe bestuurd, altijd met het oog op Israël. Van te voren, door de profeten in vroeger dagen, had hij naar de meening van dozen profeet bekendgemaakt, hoe hij zou doen. Nadrukkelijk wordt dus hier de wijsheid en vóórwetenschap van Jahwe geroemd, van wien herhaaldelijk wordt gezegd, dat hij de éénige God is, terwijl allo afgoden slechts ijdelheid zijn.
In \'t algemeen moesten in die dagen nadenkende menschen zich de vraag wel dikwijls stellen, hoe het kan dat ook
quot;6
vromen soms zooveel te lijdon hebben. Iemand anders schreef waarschijnlijk omstreeks dezen tijd het boek Job, waarin hij voor zich erkent, geen antwoord te kunnen geven op die vraag.
Iemand met name Job, zoo stelt de schrijver hot voor, bijzonder vroom en. voorheen voorspoedig, wordt later op het bitterste beproefd. Drie vrienden, Elifaz, Bildad en Sofar, komen hem dan bezoeken en dragen gedurig de oud-Israö-lietischo beschouwing voor over Jahwe\'s rechtvaardigheid. Job klaagt daarentegen, dat Jahwe blijkens het lot van zoo-velen volstrekt niet altijd zijne dienaren helpt en zijne vijanden straft. De schrijver laat gevoelen, dat de vrienden het antwoord op die tegenwerpingen schuldig moeten blijven, en laat ten slotte Jahwe zelf uitspraak doen, dat een mensch niet wys genoeg is om hem te begrijpen. Later is aan het boek een en ander toegevoegd, dat er oorspronkelijk niet bij behoorde.
Tot dezelfde slotsom, dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn, kwam een andere ..wijzequot;, zekere Agur, de schrijver van Spreuk. 30. Deze betuigde kortweg, dat hij vruchteloos getracht had des Allerhoogsten leidingen te verstaan, ofschoon men zich. aan hem houden en hem gehoorzamen moest.
Zoo ontbrak het, hoe treurig de omstandigheden ook waren, geenszins aan geestelijk leven onder het volk.
Terechtstelling van Achab Jerem. 29 ; 22.
Verwachtingen van een luisterrijken terugkeer Jerem. 50 ; 19, 20; Jes. 14: 1, 2; 35: 40 : 1-4; 43 : 1, 2; 55 : 0-13; 61 : 1-4.
„De lüdonde knecht van Jahwequot; Israël, maar vooral de vromen onder het volk voorstellende Jes. 49 : 3, 0; 52 : 12, 13; 53 : 10, — meest om der wille van anderen ellendig 53 : 2 - 7, — maar ook zelf gereinigd 44 :1—3,21.22, — bestemd om een licht voor allo volken te zgn 42 : 1—3; 49 : 0.
Terugkeer naar Palestina 44 : 26; 51: 3; 52: 1—8.— Cyrus „de gezalfdequot;\'van Jahwe 45:1,— overwinnaar van vele volken om Israels wil 41: 2—5; 45 :2 -4.
— De wijsheid en vóórwetenschap van Jahwe 40 : 28: 41 : 21—27; 42 ; ü, — den hoog verheven, iVjnigen God 40 : 13—31; 43 : 9—13; 4i : 6, 0—17.
Job\'s voorspoed .Tob. 1 : 1—3, — beproevingen 1:0-19; 2 :1—8, — en vroomheid 1 : 4, 5, 20, 21; 2 : 10. — De beschouwingen dor vrienden over Jahwe\'s rechtvaardigheid 4 : 0-9; 5 : 17-23; 8 : 1—7: 11 ; 14-20. — Job\'s klachten 3 : 1-3, 20 - 22 ; 6 : 8—10; 9 : 1—18; 21 : 6—lö. — Jahwe\'s uitspraak 38 : 1—7, 31—33; 39 : 12 -38 ; 42 : 7, 8. — Later toegevoegd do redenon van Elilm 32—37, en do beschrijvingen van nijlpaard en krokodil 40 : 15—41 : 20.
Agur\'s erkentenis, dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn, Spreuk.30:1 -4.
— \'s Menschen plicht tot gehoorzaamheid 5—9.
57
HOOFDSTUK V.
Het Jahwisme de godsdienst van het geheele volk. — Van het einde der Babylonische ballingschap tot den ondergang des volks ( 536 v. C. — 70 n. C.).
§ aö. Het herstel van het Joodsche volk in de 6e en oe eeuw v. G. — Ezra; Ne hem ia.
Of dadelijk na Gedalja\'s vermoording, in 081 v. C. izie §23), weer een nieuwe landvoogd over Juda werd aangesteld, is onbekend.
In allen gevalle is er evenwel genoeg gomeenschappelijk geloof in de achtergeblevenen geweest, dat zij zich weer eenigermate aan elkander aansloten en dat langzamerhand weer meer geregelde toestanden in het leven tradon.
Gaandeweg verbeterde de toestand eenigszins, ook, naar gezegd wordt, door den terugkeer in 5£6 v. C. van een aantal stamgenooten, waartoe de Perzische koning toestemming gaf, en begon men naar herbouwen vooral van den tempel te verlangen. Natuurlijk was dit voor liet geteisterde volk geen gemakkelijke zaak, zoodat men zich aanvankelijk tevreden moest stellen met alleen een altaar om op te offeren. In 520 v. C. werd eindelijk onder leiding van Zerubbabel en Josua, en op aansporing van de profeten Haggaï en Zacharia (de schrijver van Zach. 1 — 8) de bouw des tempels krachtiger ter hand genomen, zoodat hij in 51G v. C. kon worden ingewijd.
Geenszins intusschen waren toen de moeilijkheden reeds geheel uit den weg geruimd.
Inzonderheid ontstonden er door het vraagpunt, in welke verhouding men zich zou stellen tot de niet-Israëlieten, vooral tot de Samaritanen. De meerderheid bleef er op gesteld, dat men zi h als „het volk van Jahwequot; niet \'met de vreemden zou vermengen. Dat deze richting veld won en ten slotte de overhand kreeg, is vooral te danken geweest aan de werkzaamheid in de 2? helft der -\'e eeuw v. C.. van Ezra en Nehemia, die toen met een aantal andere lallingen uit Babylonië terugkeerden. De eerste was een priesterlijk schriftgeleerde; de ander schenker bij den Perzische:! koning Artaxerxes I Longimanus en werd op eigen dringend verzoek tot opperlandvoogd tencemd.
quot;(8
No hernia, in weerwil van voel moeilijkheid, liom Lereici vooral door Sanballab, een Samaritaan, Tobia, een Ammoniet, Gesem, een Arabier, e. a., zette door, dat de muren van Jeruzalem werden hersteld. Verder hielp hij Ezra, die daartoe reeds vroeger zijn bost had gedaan, dat er scheiding tusschen ..het volk van Jahwequot; en de vreemden gemaakt, de sabbat beter waargenomen zou wo.\'den, enz. Eene sterke minderheid, ton deele onverschilligen, ten deele echter ook personen, o. a. priesters en profeten, die milde.\' over niet-Israëlietenoordeelden en de vrijheid niet zoo aan banden gelegd wilden zien, verzette zich.
Ezra en Nehemia wisten intusschen tegenover dezjii een groot doel van liet volk te bewegen tot eene plechtige verbintenis, dat men zich zou onthouden van de vermenging met vreemden en dat men allerlei verdere bepalingen zou naleven van eene wet, die op naam van Mozos was gesteld, maar mesrendeels in Babylonië ontstaan en van daar door Ezra was medegebracht. De richting, die beperking der vrijheid wilde, won zoodoende aanmerkelijk in kracht.
Door den profeet M a 1 e a c h i werden genoemde mannen daarbij gesteund. Ook hij dringt sterk aan op afzondering, en t:ouw in het waarnemen der uiterlijke godsdienstvormen.
Dat alles ging intusschen niet zonder dat geweld werd gebruikt. O. a. werd een priester Manasse, kleinzoon van den hoogepriester Eljasjib, die eene dochter van Sanballat gehuwd had, daarom door Nehemia verdreven. Sanballat stichtte toen een tempel op den berg Gerizim, in de nabijheid van Sichem, en stelde daarbij zijn schoonzoon tot hoogepriester aan. Ook anderen, dn over hot drijven van Nehemia en Ezra ontevreden waren, weken daarheen uit.
In dezen tijd ontstonden de boeken R u t h en J o n a, die de denkbeelden wesrgeven dor vrijzinnigen. — In het boek Ruth wordt geschilderd, hoo eene Moabietische huwde met een Israëliet, zich op het innigste verbond met liet volk, waarbij zij zich had aangesloten, en door Jahwe gezegend, de grootmoeder van David, Israels beroemdston koning, was geweest. — De schrijver van het boek Jona ge ft aan, hoe het komt, dat menigmaal bedreigingen der profeten tegen heidonsche volkeren niet zijn vervuld. Dat zijn zij volgens hem vaak niet, omdat die volkeren zich boetvaardig hadden betoond, eu omdat Jahwe barmhartig over ai zijne schepselen
59
is. Met name wordt hier goteekend, hoe do stad Ninevu boetvaardig en hoe Jahwe toen barmhartig over haar was.
Bouw van het altaar Ezra 3 : 2, 3. — Do herbouw dos tompels begonnen Ezra 3: 8—13, — verhinderd 4: 1—6, 24, — krachtiger tor hand genomen 5 ; 1—5, — op aansporing van de profeten Hagg. 1 : 1—11; Zach. 2:1—5,— onvoltooid Ezra 6 : 14, 15.
Afwijzing van vreemden Ezra 4 : 1—3.
Ezra een priosterlijk schriftgeleerde Ezra 7 : 1—6. — Nehemia tot landvoogd aangesteld Nehem. 1 : 1-4; 2 : 1—6, — zorgt voor herstelling dor muron van Jeruzalem 2 : 11—18; 3, — togon don zin van Sanballat, enz. 2 : 10, 19, 20; 4 : 1—9, 16—20. — Pogingen orn de vormonging mot vreemden te doen ophouden, enz. Ezra 9 : 1—4: 10 : 1-19, — en invoering van hot wetboek Nehem. 8 : 1—9; 10, — waarop de zaak krachtiger word doorgezet Nehem. 13 : 1—3, 15—22, — zelfs mot geweld 4—9, 23—23; vgl. Dr. H. Oort: De laatste eeuwen van Israels volksbestaan Lblzz. 13—16. — Maloachi\'s aandringen op afzondering Mal. 2 : 11, 12, — en op trouw in hot waarnemen dor ui tori ij ko gods-dienstvormon 1 : 0—14; 3 ; 4—10.
Ruth de Moabietische, vrouw van een Israëliotischen man Euth 1: 1—4, — innig verbonden mot haar nieuwe volk 16—18, — grootmoeder van David 4 :16,17.
Jona, ofschoon do stad wegens hare bekeoring geen straf verdient Jona ?. — verbitterd tegen Ninevo 4 : 1—3,— maar tot rodo gebracht on terechtgewezen, hoe men lankmoedig over haar moest zfln 4-11.
§ 27. Be lotgevallen van het Joodsche volk na Nehemia tot aan den Makkaheeschen opstand ( 400—167 v. G.\\.
quot;Wat Nehemia en Ezra bewerkten, dat het Joodsche volk zich zelfstandig hield, verhoogde het zelfgevoel bij allen, die er toe behoorden, maar veroorzaakte in \'t eerst ook, dat men blootstond aan allerlei vijandige bejegening.
In \'t algemeen bleef het volk naar \'t uitwendige nog lang in trGurigen toestand verkeeren. Zwaar drukten de belastingen, en veel had men verder te lijden door de oorlogen, die de Perzische koningen gedurig, inzonderheid met Egypte voerden. Omstreeks a-\'jO v. C. namen de Joden deel aan oen opstand tegen Artaxerxes III Ochus, waarna velen hunner in ballingschap werden gezonden naar Hyrcaniö, aan de Kaspische zeo.
In 333 v. C. versloeg Alexander do Groote de Perzen onder Darius III Codomannus; in\'t volgend jaar begroetten de Joden met vreugde den overwinnaar.
Na den dood van Alexander in 323 v. C, werd aanhoudend
CO
om Palestina gestreden door eeuige zijner veldheeren en hunne opvolgers. In 320 v. C. kwam het onder Egypte, wa irheen toen vele Joden werden weggevoerd. Na 301 v. C. behoorde het een geruimen tijd ongestoord aan dat land.
De Joden beleefden toen een vrij voorspoedigen tijd. De vorsten van Grieksohe afkomst, die over Egypte heerschten, hadden veel met de Joden op. omdat men zich kon verlaten op hunne trouw. Belangrijke posten in het leger en elders werden vaak aan Joden opgedragen. Zij hadden niet alleen volle vrijheid om hun godsdienst uit te oefenen, maar bezaten ook andere voorrechten, b. v. te Alexandrië, om evenals de Grieken, een eigen bestuur en rechtspraak te hebben. Meest woonden zij daar rondom het koninklijk paleis. Geen wonder, dat deze stad eon begeerlijk toeviuolit-oord was, als Judea door oorlogsrampen werd geteisterd.
Ook in Syrië trouwens, waarover mede vorsten van Grieksche afkomst regeerden, genoten zij om hunne goede eigenschappen groote voorrechten, b. v. in Antiochië en elders gelijkstelling mot do heerschende klasse, de Grieken, en het burgerrecht.
In Judea zelf behielden do steden algemeen haar eigen Joodsche bestuur.
Later, in 197 v. C., nadat weer eon langen tijd oorlog was gevoerd, ging Palestina over aan Syrië onder Antiochus 111 de Groote.
Onder diens kleinzoon Antiochus IV Epifiines brak een bange tijd voor de Joden aan. Terwijl zij tot dusver in de uitoefening van hun godsdienst niet waren belemmerd, wilde Antiochus, vertrouwende op do omstandigheid, dat een deel van het volk in andere opzichten Grieksche zeden en gewoonten had aangenomen (zie § 23), en verbitterd door ondervonden verzet, hen dwingen, ook hunne eigenaardigheden in 7t godsdienstige te laten varen. De .Teruzalemsche tempel werd aan Zeus, den oppersten god der Grieken ( Jupiter bij de Eomeinen) gewijd, wien er in Doe. 1(58 v. C. voor het eerst een offer werd gebracht. Op straffe des doods mocht de sabbat niet worden gevierd, moesten de heilige boeken worden uitgeleverd, enz.
Het volk ble \'k toen zoo aan zijn godsdienst gehecht te zijn, dat in 167 v. C. een opstand losbarstte, waartoe een priester Mattathias in het vlek Modin don stoot gaf, door zich openlijk te verzetten tegen een koninklijk beambte,
(51
die het land doortrok, om de inwoners met geweld te dwingen tot gehoorzaamheid aan \'s konings bevelen.
Vgl. JJr. H. Oort: Do laatste eeuwen enz. I blzz. 6—11 omtrent don invlood van Nehemia\'s werkzaamheid en der Joden lotgevallen tot do komst van Alexander den Groote; — 18— 25, 30—30, 40, 41 o. hunne lotgevallen onder dezen vorst en zyne opvolgers; — 73-78o.de maatregelen van Antiochus IV Bpifanes.
§ 23. Het geestelijk leven na Ezra, a. De invloed vandeno m gang metPer ze nenG-rieken.
Het kon niet anders, of de denkbeelden der Perzen en later die der Grieken moesten, toen de Joden er kennis mee maakten, eenigen invloed oefenen ook op hun geestelijk leven, te eerder, omdat zij door beide volken tamelijk vriendschappelijk werden bejegend (zie § 26 en 27).
Sommige dingen in den Perzischen godsdienst voegden bovendien heel goed ook in den Israëlietisohen.
Zoo geloofden b. v. do Perzen aan zeven hemelgeesten, die hun oppersten god van nabij omringden, en in \'t algemeen aan een groot aantal geesten, die zijne bevelen uitvoerden. Later werd daaraan ook onder de Joden geloofd. — Door het Perzische denkbeeld, dat tegenover den weiwillenden god Ahura-Mazda (Ormuzd) een kwaadwillend wezen Anro-Mainyus (Ahriman) stond, werden de Joden er toe gebracht om insgelijks het kwaad in de wereld af te leiden van Satan, die nu geacht werd als een boos wezen met een aantal boozo geesten, welke hij onder zich had, vijandig tegenover Jahwe te staan. — Ook kan het voorbeeld der Perzen hebben meegewerkt, dat bij do Joden het geloof aan onsterfelijkheid opkwam, en dat de gewoonte ingang vond om op gezette tijden de heilige boeken te lezen.
Voorts heeft in later dagen de kennismaking met Griekscho zeden en denkbeelden tot merkwaardige gevolgen geleid.
Toen in 333 v. C. de Perzen door Alexander den Groote waren verslagen, kwam weldra het geheele westelijk deel van Azie met Egypte in de macht der Grieken. In tal van steden werden Grieksche krijgslieden gelegerd. Veroverde, ontvolkte streken werden ten geschenke gegeven aan Grieken, die er nieuwe plaatsen stichtten, waar zij den toon aangaven. Grieks-he kooplieden vestigden zich overal.
Zoo begon vooreerst do Orieksche taal alom gesproken te worden. Verder kregen de Aziaten Grieksche tempels, schouwburgen, worstelperken, renbanen te zien. en werden zij van nabij bekend met de godsdienstige en wijsgeerige denkbeelden, de letterkunde, do zeden der Grieken, in al welke opzichten de meeste overwonnenen onwillekeurig van do overwinnaars gingen overnemen.
Onder de Joden verzette zich echter tegen zulk doen eene sterke partij met alle macht. Wel zag ook hier een deel er geen bezwaar in, zich in allerlei opzicht, tot zelfs op godsdienstig gebied te voegen naar de overwinnaars. Da meerderheid echter rekende, al waren zij naar het uitwendige overwonnen, dat het Joodsche volk wezenlijk ver boven de overwinnaars verheven was. Sommigen: stelden zich scherp tegenover alle „afgodendienaarsquot;, wat wel eens botsingen uitlokte, omdat vooral lieden van minderen stand toch ook vaak al uit zich zelf op de Joden gebeten waren wegens hunne hooghartige afzondering.
Merkwaardig was nu eene meening, inzonderheid bij vele Joden, die woonden in het buitenland. Hoe langer zoo meer raakten zij nl. overal heen verstrooid, ten deele gedwongen, deels ter wille van handelsbelangen, of ook omdat voordeeion hen aanlokten, die hun dikwijls door de vorsten, welke konden rekenen op hun trouw, werden beloofd, als zij zich hier en daar wilden vestigen.
Die te Alexandria in Egypte woonden, hadden daar eene prachtige synagoge. Ten behoeve der buitenlandsche Joden werden daar omstreeks 2quot;30 v. C. de wet, en in den loop dor volgende 100 jaren ook de overige boeken des O. ï. in het Grieksch vertaald (Septuaginta).
Vooral nu daar werd door wijsg erig ontwikkelden verkondigd. dat de denkbeelden der Grieksche wijsgeeren reeds in het O. T. waren uitgesproken en in die heilige schriften konden worden teruggevonden. Zij verbonden dus langs dezen weg de denkbeelden dier wijsgeeren, die meer op de veelheid der dingen in de wereld hadden gelet, met het geloof aan één God, dat zich bij hun eigen volk had ontwikkeld.
Bovenal een wijsgeer te Alexandrië, Philo (Judaeus of Alexandrinus, 10 v. — 69 n. C.), terwijl hij Spreuk. 8 : 22—31. en Gen. 1:3, 6, 9 vv. naar voorstellingen van den Griekschen wijsgeer Plato verklaarde, kwam zoo tot do leer.
C3
dat God de wereld had geschapen door middel van „het Woordquot;, dat als iets zelfstandigs van hem was uitgegaan (vgl. Joh. 1 : 1 vv.).
In quot;t algemeen werd op deze manier in do hand gewerkt, dat bij sommigen, inzonderheid in het bnitenland, een minder bekrompen, iets vrijzinniger geest kwam te heerschen, en dat er soms eenige meerdere toenadering tusschen Joden en niot-Joden ontstond.
Het latere ongeletigeloof on Ier de Joden Zacli. 3 : 9; 4 : 10; Dan. 8 : 10; 10 ; 13. — De latere voorstelling van Satan 1 Kron. 21 : 1 (vgl. 2 Sam. 24: 1; Ainos 3 : 06; Jes. 45 : 7) tegenover de vroegere Joli 1 : 0—12; 2 : 1—6.
quot;Vgl. verder Dr. H. Oort: De laatste eeuwen enz. I blzz. 25- 23,59 —01,69, 70 o. den Invloed van den Grlekschen geest; —II Wzz. 220-222 o. de verstrooiing der Joden; - I blzz. 114 -119 o. de vertaling der wet en de Joden Ui Egypte; — II blzz. 275 - 293 o. de zinnebeeldige schriftverklaring.
§ 29. Het geestelijk leven na Ezra.
h. De wet en de gevolgen van hare invoering.
De invoering der wet in de 2de helft der ode eeuw v. C. i\'/AQ § 20), die langzamerhand het alge neene richtsnoer werd. heeft zeer gewichtige gevolgen voor het geestelijk leven dei-Joden gehad. Daarmee heeft de richting gezegepraald, die in Hizkia\'s tijd voor het eerst openlijk opgetreden (zie § 19), en sedert voortdurend toegenomen in kracht (zie § 21 en 24), een geheel eigenaardigen stempel drukte op hot Joodsche volk, waarvan slechts enkelen er zich op don duur (zie §-7) een weinig aan ontworsteld hebben.
In het door Ezra meegebrachte geschrift, — waarin later nog enkoio bepalingen werden ingelascht, terwijl het ten slotte door verbinding met vroeger ontstane boekeu (zieglö) uitdijde tot wat men „de vijf boeken van Mozesquot;\' noemt, — werd den Joden ook nu weer deels door verhalen, deels door rechtstreeksche voorschriften ingescherpt, hoe zij hun leven hadden in te richten.
In \'t algemeen werden de vervaardigers en voorstanders der wet geleid dooi\' het denkbeeld, dat Jahwe en Israël innig met elkander verbonden moesten zijn. Op allerlei wijzen moest dit zinnebeeldig worden voorgesteld.
Jahwe, de Heilige, do Hoogverhevene, had zich Israil
64
uitverkoren. Om dit aanschouwelijk te maken, werd het voorgesteld, dat hij woonde in het midden des volks.
Zijnerzijds moest nu ook Israël heilig, d. i. aan Jahwe gewijd, afgezonderd van andere volken zijn. Ook dit werd door allerlei handelingen, die de wet verplicht stelde, zinnebeeldig voorgesteld.
Van zijn eerbied, zijne dankbaarheid, en in geval van overtreding. zijn schuldbesef voor Jahwe, moest Israël eensdeels door offers doen blijken, waarvan de wet vier soorten onderscheidde. — Het brandoffer, b. v. het dagelijksch morgen- en avondoffer, was eene huldiging van Jahwe, eene openlijke, plechtige erkenning van zijne oppermacht. Hierbij werd alles op het altaar verbrand. — Hot dankoffer werd gebracht als teeken van dankbaarheid voor Jahwe\'s zegeningen. Een klein geJejlte werd verbrand; van liet overige werd, nadat de priester zijn aandeel had ontvangen, een offermaaltijd gehouden. Schuldoffers werden gebracht waarschijnlijk, wanneer nadeel was toegebracht. — Zondeoffers, wanneer onwillekeurig eene overtreding of nalatigheid was begaan. Van deze soorten werd een gedeelte varbrand, en de rest den priester afgestaan; mot het bloed werd, om verzoening te doen, het altaar enz. besprenkeld.
Zijne dankbaarheid moest Israël verder door de feesten, die het vierde, betoonen. — De drie hooge feesten bleven natuurlijk in stand. Op het zevendaagscho Paaschfeest at men ten zinnebeeld van reinheid ongezuurd brood van het nieuwe graan, bracht do wegens de eerstgeborenen verschuldigde offers, en herdacht den uittocht uit Egypte. — Op het éénlaagscho feest der weken of het Pinksterfeest leverde men de eerstelingen van den afgeloopen graanoogst am do priesters af. — Op het nu acht-(vroeger zeven-i daagsche Loofhuttenfeest vierde men feest na de inzameling der boomvruchten en h .a-dacht, hoe men in de woestijn in tenten had gewoond. — Bovendien moest de eerste dag van elke maand als oen feest der nieuwe maan worden gevierd, en werd de Groote Verzoendag ingesteld, op welken door vasten on offerande, ve.gezeld van indrukwekkende ceremoniën, verzoening moest worden gedaan voor in don loop desjaars over het hoofd geziene overtredingen. — Groo\'e nadruk werd voorts op den sabbat gelegd.
Verder moest men zicli wachten voor veren treini-
niging en zich daartoe onthouden b. v. van het gebruik van bloed, van het vleesch van onreine, en van dat van niet geslachte reine dieren. Ook door de aanraking van een dood lichaam en door sommige ziekten werd iemand onrein. Uitvoerig was voorgeschreven, wat ingeval van verontreiniging geschieden moest.
Bij overtreding der geboden wordt met gestrenge straf, herhaaldelijk zelfs met de doodstraf gedreigd.
Niet alles wat de wet voorschreef, kon worden nageleefd. Zoo werden het deze strafbepalingen niet, noch b. v. de voorschriften omtrent het jubeljaar, volgens welke elk 50ste jaar tot ieder particulier of tot zijne familie de grond terug moest keeren, dien hij had verkocht.
Veel vrijheid bleef er echter niet over, nu voor alles regelen waren gesteld, zelfs b. v. voor geloften, die iemand wilde afleggen.
Door deze wet werd in hooge mate oen uiterlijk waarnemen der godsvereering in de hand gewerkt, en dreigde de echte zedelijkheid wel eens schade te lijden. Een scherp onderscheid werd b. v. tusschen „het volk van Jahwequot; en anderen gemaakt. Men verloor vaak uit het oog, dat eerst de gezindheid waarde geefc aan eene daad. En „schriftgeleerdheidquot;, vooral stipte waarneming der voorgeschreven vormen, belangstelling in wat op de uiterlijke godsvereering betrekking had, werd vaak hooger geschat dan voor een ander goed te zyn (vgl. Matth. 15 : 1-6, 11).
Verhalen, om de naleving der wettelijke voorschriften in te scherpen met betrekking tot sommiger uitsluitende bevoegdheid tot de priesterlijke bedieningen Num. 16 ; 1—35; 17 (vgl. 2 Kron. 26: 16—21), - den sabbat Gen. 2 :2,3; Exod. 16 : 19-30: Num. 15 ; 32-36.
Jahwe in het midden des volks, dat hy heeft uitverkoren Exod. 29 ; 45 46 (vgl. Num. 2 : 2). — Israels heiliging Levit. 19 :2 (vgl. 11:44,45; Exod. 31:14).
Verordeningen omtrent offers Levit. 1 vv., — de drie hooge feesten Exod. 12 : 1—20 (vgl. Levit. 23 : 5-14); Levit. 23 : 15-21; 34-44, — hot nieuwe-maanfeest Num. 28 ; 11, - den groeten verzoendag\'Levit. 23 :27-32 (vgl. 16), — den sabbat Exod. 31 : 13-17, — reinheid Levit. 17 : 10-16; 11; Num. 19 : 11-16.
Strafbedreigingen Exod. 31 : 15; Levit. 17 : 10; Num. 19:13.
Het sabbats- en het jubeljaar Levit. 25.
Verordening aangaande de Nazireërgelofte Num. 6 : 1—21.
Zedelijke voorschriften Levit. 19 : 9—11, 13—18, 32—36.
66
§ 30. Het Joodsche volk onder de Hasmoneërs {Makkabeërs;
167-61 v. C.)
a. De vrijheidsoorlog (167—142 v. C.).
De opstand tegen Antioühus IV Epifanes, die in 167 v. C. losbarstte (zie § 27), heeft ten gevolgo gehad, dat het Joodsche volk een tijdlang geheel onafhankelijk is geweest.
Na hun openlijk verzet vluchtten Mattathias en zijne vijf zonen, Johannes, Simon, Judas, Eleazar en Jonathan, naar het gebergte van Juda (vgl. § 8), waar zich allengs meer ontevredenen bij hen voegden. Al lezende in de heilige schriften, vooral ook door zich te verdiepen in het boek Daniël, dat nevens sommige Psalmen, als b. v. 44, 74, 79, in dezen tijd is ontstaan, bemoedigde men elkaar.
Over het eerstgenoemde boek moet uitvoeriger worden gesproken. De schrijver stelt het voor, alsof zekere Daniël (Ezech. 14 : 14, 20; 28 ; 3 vermeld) in Jojakim\'s tijd met drie vrienden, Sadrach, Mesach en Abed-Nego door Nebucadresar naar Babel weggevoerd werd; zichtbaar door God beschermd, had hij in bijzondere mate de gave gehad om droomen uit te leggen en in de toekomst te zien. Om de getrouwen, die leden onder de verdrukking van Antiochus, te bemoedigen, wordt medegedeeld, wat Daniël en zijn vrienden hadden ondervonden, en wat de eerste had voorspeld. — Een droom, dien de koning had gehad, maar vergeten was, had hij weten te beschrijven, en uitgelegd, hoe er door voorspeld werd, dat op het Babylonisch rijk volgen zou een Medisch, daarna de Perzische monarchie, vervolgens de Grieksche overheersching, terwijl dit alles ten slotte door het Godsrijk zou worden te niet gedaan. — Vervolgens wordt verhaald, hoe God zijne macht betoonde bij de bescherming van Daniëls vrienden en hemzelf, tegen de gevaren van een vurigen oven en van een leeuwenkuil, waarin zij wegens trouw aan hun godsdienst waren geworpen; voorts door voorzeggingen, die Daniël had gedaan, en door het straffen der koningen wegens hoogmoed en vergrijp aan heilige voorwerpen uit de;a Jeruzalemschen tempel. — Daarna wordt opnieuw tot tweemaal toe in den vorm van gezichten, die worden uitgelegd, de opeenvolging der vier wereldmonarchieën tot op Antiochus IV Epifanes, en telkens ook de ondergang van dezen voorspeld. De eerste maal zag Daniël vier groote dieren opkomen uit zee, waarvan
(37
het vierde met een later opkomenden hoorn woedde tegen den Allerhoogste en zijne heiligen. Deze zou echter de vierschaar spannen en het bewind geven aan ..het volk der heiligen van den Allerhoogstequot;, voorgesteld onder het beeld van „iemand als eens menschen zoonquot;. De tweede maal zag hij een sterken ram met twee hoornen, overwonnen dooreen uit het westen komenden geitebok, die later in plaats van één vier hoornen kwam te dragen, uit een waarvan een kleinere sproot, die woedde tegen offers en heiligdom, totdat deze in eere zouden worden hersteld. — Eindelijk liet God aan Daniel op diens belijdenis van de schuld des volks bekend maken, dat met de 70 jaren, gedurende welke volgens Jeremia het volk zou worden getuchtigd, 70 jaarweken bedoeld waren, zoodat het einde van den straftijd moest vallen kort na do regeoring van Antiochus. Voorts wordt hem bekend gemaakt, hoe het na den dood van Alexander den Groote Palestina zal vergaan, als de koningen van Syrië (het N.) en van Egypte (het Z.) zullen strijden, en onder Antiochus Epifanes, uit wiens hand het volk tor bestemder tijd zal worden verlost. Uitdrukkelijk wordt hierbij de verwachting uitgesproken, dat dan ook de dooden nog hun loon zullen .ontvangen.
Onder aanvoering van Judas, bijgen. Makkabi. breidde de opstand zich langzamerhand uit, zoodat gedurig Syrische legerbenden geslagen werden.
In 106 v. C. behaalde Judas eene beslissende overwinning, ten gevolge waarvan men den tempelberg bezetten, den tempel reinigen, en in 165 v. C. den dienst daarin herstellen kon, naar aanleiding van welke blijde gebeurtenis Ps. X18 werd vervaardigd.
Bij den hachelijken toestand, waarin zij toch bleven ver-keeren, was het een geluk voor de Joden, dat de dood van Antiochus, in 164 v. C., aanleiding gaf tot twisten over de opvolging. Gevolg daarvan was, dat de opvolger, Antiochus V Eupator, in 163 v. C. een verdrag sloot, waarbij de vrije uitoefening van den Joodschen eeredienst gewaarborgd werd.
Zekere Alkimus (~ Eljakim) was nu de wettige hooge-priester, die door vele getrouwe schriftgeleerden als zoodanig werd erkend, maar tegen wiens optreden, omdat zij hem als Griekschgezinde niet wilden dulden, anderen onder leiding van Judas, aanvankelijk ook weer met goed gevolg, zich krachtig verzetten.
Allengs begonnen Judas en de zijnen echter in te zien, dat
08
het volk voorgoed moest worden bevrijd van de Syrische heerschappij, weshalve zij zich tot de Romeinen wendden om hulp; maar vóórdat dezen steun konden verleenen, sneuvelde. in 1G1 v. 0., Judas en scheen dus de zaak, waarvan hij de voorvechter was geweest, geheel verloren te zijn.
Verscheidene zijner medestanders bleven intusschen, onder aanvoering van zijn broeder Jonathan, rondzwerven in de woestijn van Juda en den Syriërs afbreuk doen. Gaandeweg nam de beweging en Jonathans invloed weer toe. De Syriërs kwamen dus eindelijk met hem overeen, dat hy met rust zou worden gelaten, als hij het gezag van den Syrischen koning erkende. Door een wijs bestuur en terwijl hij party wist te trekken van verwikkelingen in Syrië, steeg nu zijn invloed meer en meer, vooral toen hij, ofschoon geen zoon van Aaron (vgl. § 33), in 153 v. C. de hoogepriesterlljke waardigheid verwierf.
In 14-2 v. 0. werd hij door den toenmaligen rijksbestierder, voogd des konings in Syrië, die bevreesd begon te worden voor Jonathans macht, verraderlijk gevangen genomen en later vermoord. Nu volgde hem zijn reeds bejaarde oudere broeder Simon op. Deze, door de Syriërs uitdrukkelijk als zelfstandig vorst erkend, veroverde weldra den Jeruzalemschen burcht, wier bezetting zich nog immer niet had willen onderwerpen, waarna hij onder algemeen vreugdebedrijf zegevierend zijn Intocht in „de stad Davidsquot; hield. In 141 v. C. werd bij volksbesluit het hoogepriesterschap en de vorstelijke waardigheid in zijn geslacht erfelyk verklaard, waarmee de dynastie der Hasmoneërs werd gegrondvest.
Na eene worsteling, die^ongeveev 25 jaren had geduurd, waren de Joden derhalve een onafhankelijk volk geworden, waarvoor zy in 139 v. C. ook werden erkend door de Romeinen, met wie Simon ter bevestiging zijner heerschappij een bondgenootschap aanging.
De geschiedenis van den opstand wordt van het begin tot het einde beschreven door een Sadduceër in het 1 stej en voor een gedeelte, nl. tot aan de zegepraal van Judas, door een Farizeeschgezinde in het 236 boek der Makkabeën.
Daniël eu zyne vrienden Dan. 1 : 1—7, — zichtbaar beschermd 8-16; — D.\'s gave om droomen uit te leggen 17.
Dos konings droom, door dezen vergeten Dan. 2 : 1—14,— hem door Daniël medegedeeld 15-35, — en uitgelegd 36—45, — waarop de koning Daniels God
69
hoogeiyk prijst en hem zelven eert 46-49. - Do vrienden in den vurigen oven bewaard 3; - Nebukadresar gestraft wegens hoogmoed 4, - (zijn opvolger?) Boisazar wegens vergrijp aan heilige voorwerpen 5 ; — Daniel in den leeuwenkuil gered 6. - Gezichten van Daniël met hunne uitlegging 7 en 8. -Opheldering na Daniel\'s schuldbelijdenis omtrent Jeremia\'s voorzegging 9. -Mededeelingen omtrent de toekomstige lotgevallen van Palestina 10—12, -waarbij het geloof aan de opstanding der dooden wordt uitgesproken 12 ; 2.
Vgl. verder Dr. H. Oort: Laatste eeuwen enz. I blzz. 78— 87 o. don eersten tijd dor vervolging; 88—PO o. de eerste overwinningen van Judas on de reiniging van den tempel; 90—94 o. verdere overwinningen en daarna dreigende gevaren; 95-98 o. het optreden van den Griekschgezinden Alkimusalslioogo-priester on het verzet daartegen; 98-100 o. het te hulp roepen dor Romeinen on don dood van Judas; 100-10S o. het optreden en don toenemendeninvloed van Jonathan; 106-108 o. de vermoording van Jonathan en het optreden van Simon; 182 en 133 o. de erkenning door de Eomeinon; 66, 67 en II blzz. 20—22 o. 1 en 2 Makkab.
§ 31. Het Joodsche volk onder de Hasmoneërs (167 — 61 v. G.). h. Het volk onafhankelijk (142—61 v. C.).
Toen de Syrische koning Antiochus VII Sidetes zich na het overwinnen zijner tegenstanders binnenslands (vgl. § 30) daartoe sterk genoeg waande, trachtte hij de Joden weer te onderwerpen en liet Simon met twee zijner zonen op verraderlijke wijze ombrengen.
Nu werd Simons zoon Johannes I Hyrkanus (135— 105 v. C.), die gelukkig bewaard gebleven was, hoogepriester. Aanvankelijk was deze tegen Antiochus niet bestand, zoodat hij zich een verdrag moest laten welgevallen, waarbij de Joden de verplichting op zich namen, eene jaarlijksche schatting op te brengen, maar overigens vrij bleven.
Gelukkig voor het Joodsche volk begon intusschen Syrië weldra hard achteruit te gaan.
Johannes, gesteund door het geld, dat van de allerwege verspreide Joden toevloeide, maakte van dien achteruitgang gebruik om zijn rijk te bevestigen en omliggende landen te onderwerpen. Het Overjordaansche werd veroverd, en daarna Samaria beoorloogd, waarbij in 120 v. C. de tempel op den Gerizim (vgl. § 26) werd verwoest. Vervolgens wendde hij zich naar (Iduméa d. i.) Zaid-Judea, waar vele stipte wetsbe-trachters door de ingedrongen Edomietische heerschors ten onder werden gehouden.
70
Johannes vergrootte door inlijving van verschillende streken zijn gebied dus zeer. en velen traden vrijwillig of half gedwongen tot het Jodendom toe. Het bevreemdt ons evenwel niet, dat zij, die van Joodsche afkomst waren, minachtend bleven neerzien op hen, met wie dit het geval niet was. In dezen tijd ontstond een groot gedeelte van een gedurende langen tijd zeer geliefd boek Henoch (vgl. Jud. vs. 14), welks schrijver groote verwachtingen voor de toekomst koesterde.
Nu echter van buiten geen gevaar dreigde, begonnen helaas! binnenslands bestaande partijschappen zich meer te ontwikkelen. Allengs kwamen S adduce en en Farizeën scherper tegenover elkander te staan. De Sadduceën waren de adellijken met den hoogepriester aan :t hoofd, de priesterpartij, wier leden de aanzienlijke betrekkingen bekleedden, bij wie de wet en in het algemeen de godsdienst ook wel wogen, maar wien toch eigenlijk nog meer de wereldsche dingen ter harte gingen. De Farizeesche partij daarentegen was die der mannen, welke zich op schriftgeleerdheid toelegden en deze met naleving der wettelijke voorschriften beschouwden als verreweg het voornaamste, bijna het óéne noodige. De laatsten waren het meest in aanzien bij het volk, dat voor schriftgeleerdheid grooten eerbied had.
Wereldsche macht was der Farizeesche partij vrij onverschillig, zoodat zij inzonderheid in lateren tijd met de Has-moneërs maar matig waren ingenomen.
Ook reeds onder Johannes I Hyrkanus, maar vooral onder zijne beide zoons en opvolgers hadden botsingen plaats. Na de korte regeering van Aristobulus I (105 —104 v. C.) volgde hem zijn broeder A.lexander Jannaï (104 - 78 v. C.) op, die, daar hij Grieksche huurtroepen in dienst had en onophoudelijk tegen naburige volken oorlog voerde, bovenal groote ergernis gaf aan de Farizeesche partij. Toen hij op een keer eene beslissende nederlaag had geledon, stond een groot deel des volks op en riep zelfs do hulp der Syriërs tegen hern in. Dit bezorgde hem evenwel weer den steun van vele anderen zijner onderdanen, met wier hulp hij toen de Farizeesche partij ten onder bracht, zoodat hij tot aan zijn dood niet meer lastig werd gevallen.
Na zijn dood stelde zijne heerschzuchtige weduwe Alexandra Salome (78 —6T v. C.) haar oudsten zoon, Hyrkanus, tot hoogepriester aan en den jongsten, Aristobulus,
71
nu en dan tot opperbovelhöbber over liet leger. Zij sloeg, wat het binnenlandsch bestuur betreft, eene geheel andere richting in. Al of niet op aandrang van haar overleden gemaal, gaf zij den leden der Farizeesche partij, van wie vele uitgewekenen terugkeerden, aandeel in het bestuur.
Sterk verminderde de weerbaarheid van het land, en verder leden handel en nijverheid geducht, nu de richting zegevierde, die eigenlijk alleen heil zag in wetskennis. Vooral ook de landbouw ging gebukt onder de nu streng gehandhaafde bepalingen der wet, en onder de zware lasten ten behoeve van den tempel en de priesters. Bij de rechtspraak betrachtten de Parizeen in hooge mate de zachtmoedigheid, behalve waar het wetsovertreding en heidensche praktijken gold.
Na den dood van Alexandra Salome steunde de Farizeesche party Hyrkanus, maar de meerderheid gaf aan Aristobulus II de voorkeur, wien zijn broeder weldra hot hoogepriester-schap en de koninklijke waardigheid beide moest overlaten.
Toen Aristobulus evenwel in de voetstappen zijns vaders trad, maakte Hyrkanus, zelf anders een zwak man, onder leiding van den Idumeër Antipater, van de ontstane ontevredenheid gebruik, zoodat hij met buitenlandsche hulp zijn broeder eindelijk in de tempelvesting hield opgesloten.
Intusschen waren de Romeinen onder Cneüs Pompejustot in Azië en Palestina doorgedrongen, en nu zochten beide partijen hunne hulp. In 63 v. C. maakten dezen zich meester van het land en van Jeruzalem, zoodat de Joden nu voorgoed van hunne vrijheid waren beroofd.
Vgl. Dr. H. Gort: Laatste eeuwen I blzz. 182—134 o. do verraderlyke handelingen der Syriërs; 134-136 o. do overeenkomst tusschen hen en Johannes I Hyrkanus; 136-144 o. den bloei van het Joodsclio rük; 144—150 o. het boek Henoch; II blzz. 1-8 o. Satlduceën en Farizoën; 102, 103 o. do voorliefde des volks voor do laatsten; 9—16 o. de stomming der Farizeën ten opzichte van de Hasmoneërs en hunne wijze van regeeren: 28—31 o. Aristobulus I; 31—43 o. Alexander Jannaï; 44, 40,53 —62 o. den Invloed der Farizeën onder Alexandra Salome; 62—68 o. hun rechtspreken; 72-78 o. do bestrijding van Aristobulus II door zijn broeder Hyrkanus; 79 — 82 o. de vonueostoring des lands door do Romeinen.
§ 32. Het geestelijk leven na Ezra (vgl. % 28 en 29).
c. De Synagogen en de Schriftgeleerden.
De wet zou niet het algemeone richtsnoer onder het Joodsche volk geworden (zie § 29) noch gebleven zijn, wanneer niet sommigen zorg hadden gedragen, dat zij voortdurend onder de aandacht werd gebracht en ingeprent. Aanvankelijk zijn allicht ijverige medestanders van Ezra uit eigen beweging het land ingegaan, om de aanhankelijkheid aan haar te bevorderen. Op sommige plaatsen zullen zich mannen, ..geleerd in de wetquot;, voorgoed gevestigd hebben (vgl. § 23). Tenslotte was er in elk geval nergens eene plaats zonder eene „synagogequot; ( vergadering), met een daaraan verbonden „schriftgeleerdequot;.
Oorspronkelijk werden er in de synagogen, waar ook wetsovertreders worden gekastijd (vgl. Matth. 10 : 17; Handel. 22 : 19), alleen op den sabbat bijeenkomsten gehouden, latei-mede op Maandag en Donderdag, de Joodsche markt- en rechts-, en voor de strengeren vasten-dagen (vgl. Luk. 18 : 12). Dagelijks stonden zy op de aangewezen uren (9, 12 en 3 uur) open voor wie er zijne gebeden wilde doen (vgl. Matth. 6: 5). Des Zaterdags werd na het gebed eerst een stuk uit „de wetquot;, daarna een uit „de profetenquot; voorgelezen en toepasselijk uitgelegd, meest door een schriftgeleerde, ofschoon ieder recht had om op te treden. Wie bij herhaald optreden eenig aanzien kreeg, werd met den eernaam „rabbiquot; ( ; meester) begroet.
Op deze wijze werd voorzien in de behoefte des volks aan meer plaatsen van godsvereering dan alleen de tempel te Jeruzalem. Om eene geregelde betrekking met dezen te onderhouden, ging beurtelings uit de 24 districten, waarin het land voor dit doel gesplitst was, eene afdeeling gemeenteleden gedurende eene week in de hoofdstad den tempeldienst bijwonen.
De schriftgeleerden bedoelden niet anders te doen dan te bewaren en aan het volk te onderwijzen, wat door Mozes was gezegd, en door die op hem volgden daaruit was afgeleid (vgl. Matth. 5 : 21,27, enz.). Evenwel, terwijl voortdurend werd nagedacht, wat men volgens de wet in allerlei omstandigheden moest doen, vermeerderden de bepalingen. Men kreeg zoo a. h. w. een „tweede wetquot; (Misjna); daarbij werden tal van
73
overleveringen, besprekingen, verhalen, enz. op schrift gebracht (Gemara). Het een met het andere vormt den Talmoed (vgl. § 37). Ook begaf men zich in allerlei bespiegelingen over God, de engelen, hemel en hel, enz.
Doordien zij de aandacht van het volk in hooge mate op het uiterlijke richtten, oefenden de schriftgeleerden ook wel een ongunstigen invloed (zie § -29). Toch had hunne werkzaamheid anderdeels in menig opzicht gelukkige gevolgen.
Door hun arbeU werden allen met het geloof aan Jahwe en met zijne gebo:len van nabij bekend. Diende men hem aanvankelijk vaak op uiterlijke manier, dat kon bij velen terstond moeilijk anders. Ook zoo was het evenwel reeds iets gewonnen, dat men het hem alléén deed en daardoor van onzedelijke praktijken werd teruggehouden (vgl. Jerem. 7 : 9-11).
Onwillekeurig moest voorts in ieders hart, waar hy zoo gedurig met den dienst van Jahwe bezig werd gehouden en over dezen dacht, een besef levendig worden van Jahwe\'s goedheid, waarvan de groote profeten gesproken hadden, over hem persoonlijk ook. In den tijd na Ezra, waarin de schriftgeleerden werkzaam waren, komt dan ook allengs het geloof aan persoonlijke onsterfelijkheid op (vgl. § 28).
Op den duur kon tevens niet uitblijven, dat velen gingen gevoelen, hoe de zedelijke eischen de voornaamste in den godsdienst zijn. Zoo wordt van een om zijne zachtmoedigheid beroemden schriftgeleerde Hi 11 el (± 30 v. C.) meegedeeld, dat deze had verklaard: „Wat gij nietwenscht, dat u geschiede, doe dat ook niet aan anderen! Dit is de geheele quot;Wet; al het overige is daarvan slechts de verklaringquot; (vgl. Matth. 7 ; 12). Menigeen van hen, die zoo gezind waren, moest zich dan ook niet meer zóó vreemd gevoelen van niet-Israëlieten, voor zoover ook dezen hart voor die eischen hadden (vgl. § 27).
Eindelijk hebben de schriftgeleerden zich verdienstelijk gemaakt, door er voor te zorgen, dat verschillende belangrijke boeken uit den vóórtijd bewaard bleven. Voor het gebruik in de synagogen wezen zij aan „de Wetquot; en ,,de Profetenquot;, waaraan allengs nog eene derde afdeeling is toegevoegd, „de Geschriftenquot;, welke drie nu met elkander het O. T. vormen.
7-4
Vgl. Dr. H. Oort: Laatste oeuwen I blzz. 168—172 o. het verkeer in do synagogen en de deelname aan den tempeldienst; 172—192 o. liet deer de schrift-gelueidon voorgedragen onderricht; IIblzz.415—418o. den Talmoed; 1:210—218, 251 v., 269-282 o. den ongunstigen en 207 —209, 225 —229 o. den gunstlgen Invloed van der schriftgeleerden werkzaamheid; II: 157, 165-168 o. Hillel; 272—275, 290 - 293 o. sommigor toenadering tot het Heidendom; 411-413 o. de verzameling der boeken des O. ï.
§ 33. Het geestelijk leven na Ezra, d. De Tempel en de Priesters.
I
Op den duur moest de werkzaamheid der schriftgeleerden ten gevolge hebben, dat velen zioh meer persoonlijk aan Jahwe gebonden gevoelden en eenigszins het hoogere belang zijner zedelijke eischen gingen beseffen (vgl. § 32). Mochten intus-schen enkelen daardoor in den grond iets losser worden van den tempel, voortdurend bleef deze toch, tot aan don val van Jeruzalem in 70 n. C., bestaan en bloeien.
Het in 516 v. C. te Jeruzalem ingewijde tempelgebouw (zie § 26) bleef verreweg het meest in eer. De tempel op den Gerizim (zie § 26) was te kort geleden ontstaan en stond in den reuk van onrechtzinnigheid. In later tijd, omstreeks 150 v. 0., werd door eenen uitgewekene van hoogepriesterlijk geslacht, Onias geheeten, met beroep op Jes. 19 : 19 een tempel gesticht in Egypte, onder volksgenooten aldaar. Ook deze, hoewel hij was ingericht naar het model van den Jeruzalemschen, en priesters en Levieten er dienst in deden, leidde toch slechts een kwijnend bestaan. Tot in Egypte zelf had men veel meer eerbied voor het aloude heiligdom.
Het voorschrift, om dat driemaal quot;s jaars te bezoeken, kon alleen door de naastbij wenenden worden nageleefd; verder-afwonenden gingen, zoo dikwijls zij er toe in staat waren. In het buitenland werd het als een groot voorrecht beschouwd, den tempel ook maar éénmaal in het leven te hebben gezien.
Ook anders dan op de hooge feesten ging men er somtijds in bedevaarten heen, b. v. om verschuldigde gaven te brengen, en uit anderen hoofde.
Het volk moest bij den tempeldienst naderen tot Jahwe door middel van de priesters, die om geschikt te zijn en ter zake reinheid aan bijzondere eischen moesten voldoen. O.a.
moesten zij, evenals de Levieten (zie ben.!) zonder lichaamsgebreken zijn. Des morgens en \'s avonds van eiken dag offerden zij uit naam van het geheele volk telkens een éénjarig lam met eenig meel en eenige olie, op den sabbat het dubbele, op |do hooge feesten twee jonge runderen, een ram en zeven lammeren met hetgeen er bij behoorde. Ook wanneer iemand persoonlijk aan Jahwe b.v. een dier wilde offeren, bracht hij dat in het voorhof, legde de handen op den kop van het dier en slachtte het, maar de dienstdoende priester moest daarna met het bloed en het vleesch de eigenlijke offerhandelingen verrichten, nl. met het eerste het altaar besprenkelen, enz. (vgl. § 29). Van de vrijheid, die vroeger had bestaan, was geen sprake meer.
De priesters waren verdeeld in 24 klassen, die om de beurt eene week dienst deden. Zij woonden hier en daar en werden doorloopend te hulp geroepen, b. v. om te beslissen, of eene spijs rein dan wel onrein, of iemand melaatsch, en of hij genezen was, enz. Natuurlijk moesten zij te Jeruzalem zijn, ieder als zijne klasse dienst had te doen. Zij moesten daar dan dagelijks het altaar reinigen, dit van hout voorzien, offeren, wachtposten betrekken, wekelijks de toonbrooden verwisselen, bij feesten trompetten blazen, nu en dan Nazireërs van hunne gelofte ontslaan, enz.
Tot deze priesterlijke werkzaamheden werden nu alleen sommige geslachten, ..de zonen van Aaronquot;, bevoogd geacht. Het geringere werk in den tempel werd door „de Levietenquot; verricht (vgl. § 21 en 24).
Ver boven de overige priesters stond na de ballingschap de hoogepriester, die toen een eigen prachtgewaad bezat, alleen bevoegd was om Jahwe te raadplegen door hot heilige lot, enz.
Als inkomsten ontvingen de priesters een aandeel aan verschillende offers, het eerstgeborene, waarvoor ten deele een losprijs moest worden betaald, de eerstelingen der veldvruchten. tienden, enz.
Bij feestelijke gelegenheden kwamen veel menschen in den tempel en moest de dienst wezenlijk indruk maken, wat hij anders vaak minder deed. In \'t algemeen ging in deze latere tijden meer stichting dan te voren uit van den tempeldienst, omdat bij verschillende gelegenhoden een Levietisch zangkoor optrad. Dit zong dan de liederen uit den Psalmbundel, waar-
76
van een aantal vroeger zijn gedicht (vgl. § 15, 20 en 24), maar ook onderscheidene (vgl. § 34) in den tijd na de ballingschap.
Allengs waren de pdesteis, met den hoogepriester aan het hoofd, de eerste macht geworden in den staat. Bij de invoering der wet hadden zij als de eigenlijke vertegenwoordigers van den godsdienst in aanzien gewonnen, ten gevolge waarvan zij in Israels zelfstandigheid meer belang waren gaan stellen (vgl. § 26). Daarna hechtte het volk zich te meer aan hen, omdat het op politiek gebied blijkbaar geene belangrijke rol meer kon spelen en niet veel hart voor de vreemde landvoogden had. Op den duur nam de hoogepriester zelfs de plaats van den onderlandvoogd in (vgl. § 30 en 31), en bestuurde het land, bijgestaan dooor den Joodschen raad of het Sanhedrin, dat bestond uit 70 leden, priesters en oudsten (later ook schriftgeleerden; vgl. § 31).
^ Vgl. Dr. H. Oort: Laatste eeuwen. I blzz. 153—156 o. den Jeruzalemschenen 119—123 o. den Onias-tempel; 159—161 o. het bezoeken van den Jeruzalem-schen; 156—159 o. werkzaamheden en inkomsten der priesters; 11 en II: 50 o. hoogepriester en Sanhedrin.
§ 34. Het geestelijk leven na Ezra, e. Hetgeestelijk leven buiten Synagoge en Tempel.
Ezra en zijne opvolgers hebben er naar gestreefd, dat het geheele geestelijk leven der Joden door de wet zou worden geregeld. Daarbij hebben zij, omdat volksgebruiken niet gemakkelijk zijn uit te roeien, sommige van deze, al hadden zij oorspronkelijk eene andere beteekenis, met den Jahwe-dienst in verband gebracht.
Zoo is b. v. gedaan met de feesten bij de wederverschijning der maan, oorspronkelijk ter eere der maangodin gevierd.
Ook was niet onwaarschijnlijk Azazel, voor wien op den grooten. verzoendag een bok, beladen met de zonden des volks (,.de zondenbokquot;), naar de woestijn werd gebracht, een booze geest (vgl. Jes. 13 : 21; 34 ; 14), aan wien men vanouds zulk een dier placht te offeren. — In Dec, staken, en steken nog, de Joden den eersten dag één, den tweeden dag twee lichten aan, en zoo vervolgens tot acht toe; men spreekt
daarom van „de Chanukkadagenquot; of ook „het Lichtenfeestquot;. Waarschijnlijk was het vanouds de gewoonte, in Deo. zoo het lengen der dagen te vieren. — De wet hechtte er haar zegel aan. dat o. a. met de asch eener roode koe een ont-zondigingswater kon worden bereid. — Evenzoo, dat eene van ontrouw verdachte vrouw op de proef kon worden gesteld door een „ijverwaterquot;, dat de priester haar liet drinken, (jok het gebruik van sommige voorbehoedmiddelen, b. v. dat van gebedsriemen en van eene kwast met blauwen draad (vgl. Matth. 23 ; 5) hebben de leidslieden gebillijkt. Evenals onder andere volken bestond nl. onder het Joodsche in sterke mate het geloof aan booze geesten, tegen wie men zich door allerlei toovermiddelen zocht te beveiligen.
Natuurlijk ontbrak het ook in den tijd na de ballingschap naast zulken, die het geheele leven door wetsbepalingen zochten te regelen, niet geheel aan menschen, die over nog andere dingen nadachten en schreven.
Psalmdichters b. v. zingen wel, somtijds op roerenden toon, over wet en tempeldienst (vgl. Ps. 1; 19:8—14; 42 en 43; 84; 119; 122), maar daarnevens over Jahwe\'s grootheid, zooals die bleek uit de geschiedenis des volks (vgl. 66; 78; 81; 105; 106; 114; 135; 136j, en uit de natuur (vgl. 65; 95; 97; 104; 135; 136). Op treffende wijze getuigen zij menigmaal van den zegen van het leven met God (vgl. § 32), zonder dat wet en tempel op den voorgrond treden (vgl. 23; 26; 27; 33; 34; 49; 73; 91; 103; 112; 121; 126; 133; 139).
Tegen het einde der ballingschap of kort daarna werden de boeken Richt., Sam. en Kon. (vgl. § 15) in hun tegenwoor-digen vorm gebracht. — Tegen het einde der 5de eeuw v. C. had dit plaats met de boeken G-enes. — Josua (vgl. § 15 en 29). — Omstreeks het midden der 4de eeuw v. O. of daarna is het Spreukenboek samengesteld door bijéénvoeging (vgl. § 15), met eenige verandering misschien hier en daar, van den eersten bundel 10 ; 1 — 22 : 16 (met zijne aanhangsels, a; 22 ; 17 — 24; 22; amp;; 24: 23—34), en den tweeden 25 —29 (met zijne aanhangsels a: 30 vgl. § 25; b: 31 ; 1—9; c: 31 : 10—31), waarna aan het geheel als voorrede is toegevoegd 1 — 9, waarvan 1 : 1—6 als het ware het opschrift voor het geheele boek vormt. — De schrijver van het boek Chronieken, die in de 3de eeuw v. C. moet hebben geleefd, behandelde vannieuws de geschiedenis van het koninkrijk Juda, waarbij hij de ge-
78
beurtenissen in een eigenaardig licht plaatste, terwijl hij voorts, met gebruikmaking van oude oorkonden, de boeken Ezra en Nehemia samenstelde.
Door anderen zyn oude profetieën omgewerkt, in welke dus door velen bijzonder belang werd gesteld. Zoo is nl. waarschijnlijk geschied met die in Joël, O bad ja, Zach. 9—14 e. a. wellicht nog. Misschien werd omstreeks 325 v. C. Jes. 24—27 geschreven.
Een twijfelzieke geest straalt door in een boek, dat waarschijnlijk tegen het einde der Sde eeuw v. C. ontstond. In die dagen, toen Palestina veel door de oorlogen tusschon Egypte en Syrië te lijden had (vgl. § 27), werd het boek de Prediker geschreven door iemand van aanzienlijken stand, die onder den diepen indruk van zooveel onrecht en onderdrukking, als hij zag, bitter klaagde, dat het wereldbestuur een onoplosbaar raadsel voor hem was. In zijn geschrift beveelt hij wel aan, Gods geboden te betrachten, omdat dit het veiligste is; maar van blijmoedige gehoorzaamheid en onderwerping, van vertrouwen op God weet hij niet. Het is, omdat deze schrijver geen uitzicht in de toekomst heeft. Uitdrukkelijk verklaart hij zich tegen het geloof aan onsterfelijkheid, dat in zijne dagen begon op te komen (vgl. § 3 en 32).
Eenigen tijd later, omstreeks 180 v. C., schreef Jesus Sirach zijn boek, Spreuken genaamd. Blijkbaar is deze hoogelijk ingenomen met de wet en vooral met den tempeldienst, waarvan hij eene treffende schildering geeft. Maar toch dringt hij boven alles aan op reinheid van hart; alleen wanneer deze aanwezig is, heeft volgens hem het offer waarde.
Na de ballingschap is ook het Hooglied ontstaan.
Ofschoon men in het algemeen eerbied had voor de wet, stemde toch het leven des volks geenszins geheel met deze overeen. Voortdurend bleven allerlei gewoonten in zwang, die weinig voegden bij hetgeen wettelijk was voorgeschreven.
— Zoo schudde b. v. menigeen op den Nieuwjaarsdag onder het uitspreken eener schuldbelijdenis boven een stroomend water zijn kleeren uit, of wierp hij er een steen in, ten einde alzoo „zijne zonden weg te werpenquot;. — Op den grooten verzoendag, volgens de wet een dag van strenge zelfkwelling, had onder het volk nog wel allerlei vreugdebedrijf plaats.
— Tot in den tempel zelf stelde men zich bij sommige gele-
79
genheden zeer uitgelaten aan. Zoo b. v. op de dagen, dat vrijwillig hout voor de offers werd geleverd, en op de groote feestdagen, inzonderheid op het loofhuttenfeest. — Ook op het Poerimfeest, dat met maaltijden, enz. gevierd werd (Esther 9 ; 22), gedroeg men zich zeer luidruchtig, tot in de Synagogen toe. Waarschijnlijk was dit oorspronkelijk een Perzisch feest (vgl. § 28), dat allengs na de ballingschap, mede door den invloed van het boek Esther, onder de Joden ingang vond. In dat boek wordt het voorgesteld, alsof de Joden in Perzië onder Xerxes (Ahasverus) ontkomen waren aan een groot gevaar, en alsof ter herinnering daaraan het feest was ingesteld.
In de lste eeuw v. C. treilen wij onder de Joden de sekte der Esseën aan, die, al oefende zij niet veel invloed naar buiten, toch zeer merkwaardig is. De leden waren zeer stipt op de naleving der wet gesteld, zóó zelfs, dat zij zich, om volkomen aan den eisch der reinheid te kunnen voldoen, geheel uit de samenleving terugtrokken, heelemaal geen vleesch aten. enz. Opmerking verdient vooral, dat de tempel, hoewel zij er hunne gaven heen zonden, toch niet door hen bezocht werd, zelfs op de hooge feesten niet. Daardoor blijkt dus metterdaad (vgl. § 32 en 33), dat sommigen wel begrepen, hoe het godsdienstige leven niet volstrekt afhankelijk was van deelneming aan den tempeldienst.
Vgl. Dr. H. Oort; Laatste eeuwen I blzz. 193—205 o. oude gebruiken, gedeeltelijk in de wet mot den JaUwe-dienst in verband gebracht, en o. het bijgeloof onder de Joden.
Eigenaardige voorstellingen van den Chroniokschrij ver o. den bouw des tempels 1 Chron. 22 ; 6—10 (vgl. 2 Sara. 7 : 1—3; 1 Kon. 2 1—10); o. den oorsprong van do indeeling der Levieten en priesters 1 Chron. 15 : 2; 23 : 3—6; 24 : 1—C; 25 : 1—6 (vgl. 2 Sara. 6 : 5i; o. het onderwijzen der wet aan het volk onder Josafat 2 Chron. 17 : 7—9; o. de oorzaak van Uzzia\'s melaatschheid 2 Chron. 23 : 16—19 (vgl. 2 Kon. 15 : i, 5).
Klachten over onderdrukking Prcd. 3 ; 16; 4 : 1; 5 : 7; 7 : 15; — twijfel 1 : 14—18; 2 : 14—23; 8 : 16, 17; — aansporingen om God te dienen 3 : 14, 17; 5 : 3—6; 12 : 13, 14, — maar zonder blijmoedig vertrouwen 1 : 2—10 3 : 22; 5:1, 15-18; 6 : 7-12; 8 : 14, 15; 9 : 2-12, — met loochening bepaald van persoonlijke onsterfelijkheid 3 : 19—21.
Vgl. Dr. H. Oort: Laatste eeuwen I blzz. 50—55 o. Jesus Sirach; 195, I96 0, gebruiken op nieuwjaars- en grooten verzoendag; 161—163 o. do dagen der houtlevering; 161—167 o. de viering der groote feesten; 198, 199 o. het Poerimfeest, waarvan do viering wordt aanbevolen Esther 0 : 20—32 ; 218—224 o. de Esseën.
80
§ 35. Be Joden onder de Bomeinen.
a. Van de onderwerping des lands tot den dood van Herodes I den Grroote (63—4 v. C.).
Nadat de Romeinen zich meester hadden gemaakt van het land (zie § 31), werd Aristobulus mee naar .Rome gevoerd, en aan Hyrkanus II (61—40 v. 0.) als hoogepriester het bestuur over Judea, een deel van Galilea en het Overjor-daansche toevertrouwd, terwijl wat overigens vroeger door Johannes I Hyrkanus (zie § 31) was veroverd, bij Syrië werd gevoegd. In den beginne veroorzaakten de drukkende belastingen en de geweldenarijen der Romeinsche landvoogden over Syrië herhaaldelijk oproer, maar de deelnemers werden telkens vreeselijk gestraft.
In de twisten der Romeinsche legerhoofden onderling voegde zich Hyrkanus II door het beleid van Anti pa ter (zie §31) telkens naar de bovendrijvende partijen en bewees aan deze gedurig belangrijke diensten, waardoor de Joden wel niet van zware lasten verschoond bleven, maar toch vele gunsten kwamen te genieten. Julius Cesar en volgende veldheeren beslisten b. v., dat zij overal vrij hun godsdienst mochten uitoefenen en tot geen dingen gehouden waren, daarmede in strijd, dat vrijelijk gelden naar den Jeruzalemschen tempel mochten worden gezonden, enz.
De hardheden, waartoe Antipater met zijne zonen Fasaël en Herodes, die het bevel voerden, de eerste over Jeruzalem en omstreken, de ander over Galilea, zich genoodzaakt zagen, om aan de eischen hunner gebieders te kunnen voldoen, èn hun krachtig handhaven van orde en tucht verwekten evenwel, nog te meer omdat zij vreemdelingen waren, de Joden tot gloeienden haat. Herodes werd éénmaal zelfs aangeklaagd en moest voor een tijd de vlucht nemen.
Na de vergiftiging van Antipater door zekeren Malichus, die zijne plaats hoopte in te nemen, streefde Herodes er naar, koning over het Joodsche volk te worden, waartoe mede een huwelijk met eene kleindochter van Hyrkanus II, Mariamne, hem den weg moest banen. Door Hyrkanus nu nog meer gesteund, verkregen de broeders in 41 v. C. van den Romein-schen beheerschor van Azië, dat zij tot viervorsten werden aangesteld.
81
Eenigen tijd daarna werden zij wel verjaagd door een zoon van Aristobulus, Antigonus (40—37 v. C.), die hem en zijn oom, als wiens mededinger hij reeds meer was opgetreden, met hulp der Parthen wist te verdringen, waarby Fasaëlom het leven kwam. Herodes, die gevlucht was, werd evenwel door de Romeinen geholpen en in 40 v. C. aangesteld tot koning over Judea. Intusschen verdrong hij, wederom met hulp der Romeinen, Antigonus en beklom hij als Herodes I de G-roote, den troon metterdaad eerst in 37 v. 0.
Daar hij zeer wel wist, hoezeer het volk hem haatte, moest hij zich met geweld handhaven. Verscheidene afstammelingen der Hasmoneërs, waaronder Antigonus, de grijze Hyrkanus, eindelijk ook zijne vrouw Mariamne en zijne schoonmoeder Alexandra, werden evenals vele anderen in den loop zijner regeering om het leven gebracht. Door al deze geweldenarijen, zoomede door zijne voorliefde voor de Grieksch-Romeinsche geestesrichting en door de zware belastingen, die het volk ten gevolge van zijne kostbare prachtlievendheid moest opbrengen, vermeerderde hij nog gedurig den tegen hem gekoesterden haat, al ontzag hij ook de godsdienstige gevoelens van zijn volk.
In het jaar 20 of 19 v. C. wist hij de aanzienlijken te winnen voor het plan, om in plaats van den ouden, armelijken tempel (zie § 26) een nieuwen te stichten. Een prachtig wit marmeren gebouw, voorzien van gouden platen en spitsen (vgl. Mark. 13 ; 1). met verschillende kostbare bijgebouwen, werd opgericht. In het jaar 10 v. 0. kon het hoofdgebouw worden ingewijd.
Toch won hij de genegenheid zijner onderdanen niet, maar zat alleen door den wil der Romeinen, bij wier keizer Augustus o. a. hij meestal in hooge gunst stond, op den troon. quot;Weinig baatte het hem ook, dat hij een nieuwen adel, de Herodianen (ook Boëthusiërs; vgl. Matth. 22: 16, enz.), schiep. Kuiperijen aan het hof, waarin vooral zijne zuster Salome de hand had, leidden er toe, dat de hoe langer hoe achterdochtiger geworden koning wegens gewaand verraad drie zijner eigen zonen liet ombrengen.
In \'t jaar 4 v. O. stierf de koning, die wel vele goede eigenschappen had, maar door zijne eerzucht en ten gevolge van het verschil in geestesrichting tusschen hem en zijn volk tot tal van gruweldaden werd gedreven.
6
82
Vgl. Dr. H. Oort: Laatste eeuwen II hlzz. 82, 86 o. Aristobulus en do verheffing van Hyrkanus II; 89, !)0 o. geweldenarüen der Eomelnsohe landvoogden en opstanden; 93— 97 o. het beleid van Antipater en de daardoor gewonnen begunstiging der Joden; 97-101 o. der Joden haat tegen „de Idumeërsquot;; 103—110 o. het streven van Herodes; 110—115 (vgl. 91 v.) o. het einde van de heerschappij der Hasmoneërs en de verheffing van Herodes; 126—132 o. ztjne prachtlievendheid en geestesrichting; 132—180 o. den tempelbouw; 139—151 o. het ter dood brengen van eigen familieleden en do stemming des volks.
§ 30. De Joden onder de Romeinen.
h. Van den dood van Her odes I, den Groote. tot den val van Jeruzalem (4 v.—70 n. O.).
Dadelijk na den dood van Herodes (zie § 35) hadden allerlei oproerige bewegingen plaats, die niet zonder moeite door de Romeinen onder Varus — later gesneuveld in den Hermanslag — werden onderdrukt.
Volgens den uitersten wil van Herodes zouden hem na zijn dood zijne zonen opvolgen, Filippus als viervorst over eenige landen ten N.-O. van de Jordaan, Herodes Antipas als viervorst over Galilea en het Overjordaansche, Archelaüs als koning over Judea, aan welke beschikking keizer Augustus weldra in hoofdzaak zijne goedkeuring verleende.
Filippus (4 v.—34 n. C.) was een welmeenend man en goed regent over zijn meest door heidenen bewoonde land. — Herodes Antipas (4 v.—39 n. 0.), die Johannes den Dooper heeft omgebracht (zie Matth. 14 : 2—12) en Jezus naar het leven heeft gestaan (Luk. 13 : 31; Handel. 4 : 27), hoewel als mensch weinig achtenswaardig, hield toch met vaste hand zonder al te veel moeite de vurige, vrijheidlievende Galileërs in bedwang. — Daarentegen werd Archelaüs (4 v.— 0 n. 0.) na negen jaar om zijn wanbestuur, door de Joden bij keizer Augustus aangeklaagd en door dezen afgezet.
Judea werd dan in 6 n. 0. bij Syrië ingelijfd en kwam dus rechtstreeks onder het bestuur van een Romeinschen landvoogd, in welke betrekking op elkaar volgden Coponius(0—9 n. C.), onder wien de landvoogd over geheel Syrië, Quirinius, eene volkstelling in Judea verordende (vgl. Luk. 2: 2), die eene oproerige beweging onder Judas den GalileSr (vgl. Hand. 5 : 37) veroorzaakte; Marcus Ambivius (9—12), Annius Rufus (12—15), Valerius Gratus (15—26), Pontius Pilatus (26—86).
83
Zooals de Joden nu onmiddellijk door Eoraeinsclie landvoogden worden geregeerd, hadden zij, behalve allerlei afpersing, ook te lijden, dat zij onophoudelijk in hunne godsdienstige gevoelens werden gekrenkt. Vooral nam tijdens Pilatus voortdurend het getal toe van ontevredenen, die den naam kregen van Zeloten (d. i. ij veraars). .Wel waren velen, zooals de Sadduceën en tal van schriftgeleerden (vgl. § 36), voor onderwerping aan de Romeinen, maar eene koortsachtige opwinding vervulde allengs meer het land, te sterker, omdat de hoop op bevrijding door den Messias levendiger begon op te waken. In en buiten Palestina verergerde de gespannen verhouding tusschen de Jodon en hunne Heideiische medeburgers.
Eenigen tijd na het heengaan van Pilatus werd een kleinzoon van Herodes den Groote, Her odes Agrippa I (vgl. Handel. 12) koning over al de landen gezamenlijk, waarover ook zijn grootvader had geregeerd. Ook voor hem, met hoeveel beleid hij, trouwens maar kort, nl. tot 44, regeerde, was het niet mogelijk. Joden en Heidenen in vrede met elkaar te doen leven.
Eenige jaren na zijn dood. in 52 kreeg zijn zoon Marcus Agrippa II (vgl. Handel. 25 : 13) sommige landen en het recht om hoogepriesters aan te stellen, maar Judea werd weer rechtstreeks onder Romeinsch bestuur gesteld, en geregeerd eerst door Cuspius Padus, onder wien zekere Theudas (vgl. Handel. 5 : 36) van oproer verdacht en gedood werd, vervolgens door Tiberius Alexander, Cumanus, Claudius Felix, voor wien Paulus terechtstond, gehuwd met Drusilla, de dochter van Herodes Agrippa I (vgl. Handel. 24), Porcius Festus (vgl. Handel. 25), Albinus en Gessius Florus (64-66). Oproeren waren, vooral ten gevolge van de vreeselijke dwingelandij dezer landvoogden, aan de orde van den dag. Steeds woester traden de Zeloten op; op klaarlichten dag, midden in eene volksmenigte, b. v. op feesten, staken zij vaak, zonder ontdekt te worden, vijanden overhoop.
Eindelijk, in 63, door de eene tergende handeling bij de andere van Florus, barstte een opstand los, waarin liet meo-rendeel des volks werd medegesleept, tegen den zin der geestverwanten van Hillel onder de schriftgeleerden, die voor vrede met de Heidenen waren (vgl. § 31 en 32). Aanvankelijk behaalden de Joden eenige voordeelen op de Romeinen, maar
84\'
dezen keerden onder Vespasianus en zijn zoon Titu natuurlijk met sterker macht terug.
Eerst werd in den loop van 67 Galilea veroverd, waar op eene besluitelooze wyze het bevel werd gevoerd door iemand uit een aanzienlijk priestergeslacht, met name Flavius Josefus (eigl. Josef ben Matthias), die later o. a. de geschiedenis van dezen oorlog beschreef.
Daarna lagen Judea en Jeruzalem aan de beurt, in welke laatste plaats tot overmaat van ramp vreeselyke verdeeldheid heerschte, eerst tusschen Zeloten en gematigden, later tusschen de Zeloten onderling, waarbij men tot zelfs allerlei voorraad van levensmiddelen vernielde.
De Eomeinen wachtten nu maar eene poos met het voortzetten van den krijg, mede omdat Vespasianus tot keizer was uitgeroepen, en zoo trok Tit us eerst tegen het einde van 69 verder tegen de Joden op. In April van het jaar 70 begon de belegering van Jeruzalem, dat, in vast vertrouwen op Gods hulp met den moed der wanhoop voet voor voet verdedigd, na onbeschrijfelijke ellende evenwel in Augustus veroverd werd. De tempel werd door brand verwoest, en na de verovering de stad nagenoeg geheel met den grond gelijkgemaakt.
Volgens Josefus waren er bij het beleg ongeveer 1.000.000 menschen omgekomen en werden er ten slotte 97.000 gevangenen gemaakt, van welke nog velen door honger omkwamen, tot vermaak der Eomeinen werden opgeofferd of als slaven verkocht.
In 71 hielden Vespasianus en Titus te Rome een triomftocht, terwijl daarna de verovering van Judea door den nog bestaanden Titusboog werd vereeuwigd.
quot;Weldra vielen ook de nog overige vestingen den Romeinen in handen.
Vgl. Dr. H. Oort: Laatste eeuwen II blzz. 181—185 o. woelingen na Herodes dood; 178, 18G o. de opvolging; 191 o. Filippus; 191 v. o. Herodes Antipas» 178—182, 187 v. o. de Judeërs en Archelaüs; 192—195, 203— 206, 296 o. de krenking van der Joden godsdienstige gevoelens; 195—200 o. de toenemende opgewondenheid; 201—203, 213 -219 o. de regeering van Herodes Agrippa I; 294—300, 302—308 o. den toestand onder de op dezen volgende Rom. landvoogden; 321—324 o. de tergingen van Floras; 324 — 330 o. de aanvankelijke overwinningen der Joden; 335—342, 364 v. o. Flavius Josefus; 342—348 o. de verovering van Galilea; 349— 355, 360 -362 o. de verdeeldheid der Joden onderling; 362 —377 o. de belegering en verovering van Jeruzalem; 378 v. o. het vervolg van don oorlog. ___
85
BESLUIT.
§ 37. De Joden na den val van Jeruzalem.
De Joden in Palestina verkeerden aanvankelijk na den oorlog in een verschrikkelijken toestand, omdat zoowel de opstandelingen in hun onderlingen stryd als de Romeinen er vreeselijk hadden huisgehouden. Door schenking of by verkoop kwamen de landerijen meestal in handen van Ro-meinsche eigenaars, zoodat nagenoeg de geheele opbrengst buitenslands ging.
In hope op herbouw van den Jeruzalemschen tempel door keizer Hadrianus (117 — 138) en op vervulling der Messiaansche verwachting, schijnen later weer veel Joden naar Palestina verhuisd te zyn. Misschien heeft toen wel teleurstelling van de zijde des keizers aanleiding gegeven tot den laatsten opstand onder iemand, gewoonlijk Bar-Kochba (= Sterren-zoon) genaamd, die zich voor den Messias uitgaf en zelfs door vele voorname schriftgeleerden daarvoor werd erkend. De opstand duurde drie jaren (132—135) en heeft aan de Romeinen handen vol werks gegeven.
Vreeselijker dan te voren werd Palestina nu nog weer verwoest. De uitoefening van den Joodschen godsdienst werd heelemaal verboden. Jeruzalem werd als eene Romeinsche stad onder den naam Aelia Capitolina herbouwd en met ontslagen Romeinsche soldaten en buitenlanders bevolkt, terwijl de Joden haar zelfs niet mochten naderen.
Buiten Palestina insgelijks hadden de Joden na den val van Jeruzalem, opnieuw veel te lyden van hunne heidensche medeburgers. Inzonderheid te Antiochië in Syrië, en te Alexandrië en Cyrene in Egypte was dit het geval, hoewel na eenigen tijd keizer Vespasianus en Titus vooral in eerstgenoemde plaats tusschenbeide kwamen en de vervolgingen eenigennate te keer gingen.
De haat bleef toch voortduren en vermeerderde vooral, toen de keizers na Titus (79—81), waarschijnlijk mede uit bezorgdheid over de uitbreiding van het Christendom, dat gewoonlijk met het Jodendom werd vereenzelvigd, een minder welwillende
86
houding tegen de Joden begonnen aan te nemen. Dientengevolge barstte in 110 te Cyrene (tegelyk ook in Mesopotamië) een woedende opstand los, waarbij de Joden aanvankelijk de Romeinen terugwierpen en zich over geheel Egypte en Cyprus verspreidden, hoewel zij natuurlijk spoedig daarop weer werden bedwongen en de rust terugkeerde.
Door den val van Jeruzalem en de verwoesting des tempels aldaar was het gaan ontbreken aan de onmisbare voorwaarde voor het voortbestaan van de Joden als een zelfstandig volk, nl. aan een zichtbaar middelpunt, waar allen zich omheen konden scharen. Uit bezorgdheid, dat wellicht de Onias-tempel (zie § 33) een nieuw vereenigingspunt zou kunnen worden, had Vespasianus dezen reeds in 73 doen sluiten.
De betrachting der wettelijke geboden, en zelfs de studie daarvan, was langen tijd uiterst gevaarlijk. De meesten schikten zich dan voor \'t uiterlijke, maar velen bleven in \'t geheim de studie der wet beoefenen. In Babyion alleen was men vrijer, waarheen dus vele schriftgeleerden uitweken; ook de besprekingen in de scholen daar met de genomen beslissingen, enz. werden te boek gesteld en vormen den Babylonischen Talmoed, die ofschoon niet heelemaal zoo oud als de Jeruzalemsche (vgl. § 32), toch gezag boven dezen kreeg.
Zoo zijn de Joden dan eene afgesloten sekte blyven vormen, vele eeuwen lang door andersdenkenden gehaat en ook hunnerzijds met bitterheid vervuld.
Inmiddels was het verheven denkbeeld, zooals zich dit in den Israëlietischen godsdienst had ontwikkeld, dat de wereld en de menschen worden geleid van een heilig, liefdevol Wezen (vgl. § 3, 14, 17, 19, 23, 26 en 32), reiner herleefd in het Christendom.
Eeeds had te voren het voortreffelijke in den Joodschen godsdienst en de deugdelijke vrucht daarvan, zichtbaar in het leven van tal zijner alom verspreide belijders (vgl. § 27 en 28), op velen een diepen indruk gemaakt en zelfs menigeen dezen godsdienst doen aannemen („proselietenquot;; vgl. Handel. 2 ; lO.i, in weerwil van de zonderlinge vormen, waarom hij door anderen werd veracht. Omstreeks het begin onzer jaartelling ging zelfs in Adiabene, een gewest ten O. van den
87
Tigris, het regeerende vorstenhuis tot den Joodschen godsdienst over, welk voorbeeld daarop door vele der onderdanen werd gevolgd.
Algemeen heeft de menschheid evenwel eerst recht erkend, hoeveel heerlijks er was in den godsdienst van het Israelietische volk, toen door Jezus van Nazareth de christelijke godsdienst zich daaruit ontwikkelde, en dat heerlijke door diens prediking schitterde in nieuwen, oubezoedelden glans.
Vgl. Dr. H. Oort: Laatste eeuwen II blzz. 384 v. o den toestand in Palestina na den val van Jeruzalem; 443—i4-i o. den mislukten opstand onder Bar-Kocha tijdens Hadrianus; 379 -383 o. het lijden der Joden in Syrië en Egypte; 440 - 448 o. hun opstaan in Egypte en Mesopotamia; 382 v. o. de sluiting van den Onias-tempe!; 448 v. o het verbod van don Joodschen godsdienst; 450 o. de meerdere vrijheid in Babylon; 222 — 225, 230 o. voler verachting voor den Joodschen godsdienst; I: 284 v.; II: 226 -228, 440 o. erkenning door velen van de deugdelijkheid van don Joodschen godsdienst; 235 - 243 o. den overgang der vorsten van Adiabene.
INHOUD.
Biz
Inleiding....................3
§ 1. De bronnen voor de geschiedenis van het Israëlietische volk. — De boeken des O. T.; blz. 3.
Hoofdstuk I. De stichting van den Jahwe-dienst onder de Hebreeuwsche stammon. — Oudste
tijd tot Mozes (—1320 v. C.)..........7
§ 2. De Hebreërs in Mesopotamië en Egypte; blz. 7. § 3. De Hebreërs in de woestijn. — Mozes; blz. 8.
Hoofdstuk II. De strijd van het Jahwisme om zich te handhaven tegenover de andere godsdiensten. — Van Mozes tot Samuël (1320—
1050 v. C.)..................10
§ 4. De vestiging in Palestina; blz. 10. § 5. De eerste tijd in Palestina (de Richterent\\jd). a. De verovering van het land; blz. 12. §6. Vervolg. amp;.De godsdienstige toestand; blz. 14. § 7. S a m u ë 1; blz. 15.
Hoofdstuk III. Toenemende invloed van het Jahwisme. — VanS a muëltot Je hu (1050—842 v. C.) 17 § 8. Saul de eerste koning, en David; blz. 17. § 9. De godsdienstige denkbeelden bij David en in zijn t\\jd; blz. 19. § 10. Davids latere regeerings-jaren. — Salomo; blz. 21. § 11. Het geestelijk leven in Salomo\'s tijd en de godsdienstige richting van dien koning. — De scheuring van het rijk; blz. 23. § 12. Israël en Juda na de splitsing des rijks tot de omwenteling door het optreden van Jehu; blz. 25. § 13. De beweging op geestelijk gebied in de eerste eeuw na de scheuring, a. De strijd der voorstanders van den Jahwe-dienst in Israël; blz. 27.
90
Biz.
§ 14. Vervolg, b. De verbetering van hot rechtswezen en van de zedelijke begrippen, inzonderheid in Juda; blz. 28.
Hoofdstuk IV. Innerlijke ontwikkeling van het Jahwisme. — Van Jehu tot het einde der Babylonische ballingschap (842— 536 v. C.). . 30 § 15. De beide rijken tijdens de regeering van het huis van Jehu over Israël in de tweede eeuw na de scheuring; blz. 30. § 16. Het godsdienstig-zedelijk leven des volks gedurende de tweede eeuw na de scheuring; blz. 33. § 17. De profeten Amos en Ho sea onder Jerobeam II en vervolgens; blz. 35 § 18. De beide rijken quot;na 743 v. C. tot den ondergang van Israël in 719 v. G.; blz. 37. § 19. De profeten Jesaja en Mich a en het geestelijk leven in \'t algemeen in Juda omstreeks den tijd van Israels ondergang; blz. 39. §20. Het koninkrijk Juda onder de regeering van Hizkia, Manasse en Amon (728—64] v. O.).; blz. 42. § 21. Het koninkrijk Juda onder de regeering van Josia; blz. 44. § 22. Het koninkrijk van Juda in de laatste jaren van zijn bestaan (609— 586 v. C.); blz. 47. § 28. De toestand op geestelijk gebied in den laatsten tijd, dat Juda bestond. — Deuteronomium; Jeremia; blz. 49. § 24. De Judeërs (Joden) na de verovering van het land. — Ezechiël; blz. 52. § 25. Uitzichten in de toekomst gedurende den tijd der ballingschap, en gedachten over Jahwe\'s bestuur. — De tweede Jesaja; het boek Job; blz. 54.
Hoofdstuk V. Het Jahwisme de godsdienst van het geheele volk. — Van het einde der Babylonische ballingschap tot den ondergang des
volks (± 536 v. 0.—70 n. C.)...........57
§ 26. Het herstel van het Joodsche volk in de 6do en 5lt;3e eeuw v. C. — Ezra; Ne hem ia; blz. 57. § 27. De lotgevallen van het Joodsche volk na Nehe-mia tot aan den Makkabeeschen opstand; blz. 59. § 28. Het geestelijk leven na Ezra. a. De invloed van den omgang met Perzen en Grieken; blz. 61.
91
Biz.
§ 29. Vervolg. amp;. De wet en de gevolgen van liare invoering; blz. 63. § 39. Het Joodsche volk onder de Hasmoneërs (Makkabeërs). a. De vrijheidsoorlog; blz. 06. § 31. Vervolg, h. Het volk onafhankelijk; blz. 69. § 32. Het geestelijk leven na Ezra(vgl. §28 en 29). c. De synagoge en de schriftgeleerden; blz. 72. § 33. Vervolg, d. De tempel en de priesters; blz. 74. § 34. Vervolg, e. Het geestelijk leven buiten synagoge en tempel; blz. 76. § 33. De Joden onder de Romeinen, a. Van de onderwerping des lands tot den dood van Herodes I den Groote; blz. 80. § 36. Vervolg, b. Van den dood van Herodes I den Groote, tot den val van Jeruzalem; blz. 82.
Besluit....................85
§ 37. De Joden na den val van Jeruzalem; blz. 85.
De Koningen,
zooals zij gelijktijdig hebben geregeerd,
VAN
ISRAËL en JUDA.
Huis van David. [ 933—917 Eehabeam.
917-914 Abia.
\' 914-912 \\
912-911 1
911-888 I ,
888-887 gt; Asa.
887 -883 1
883-877 ]
, 877-873 \'
Jaren v. C.
Saul 1020-1000 (Esbaal) David 1000—970 Salomo 970—933
Huis van Je robe am.
Jerobeam 1
Nadab (vermoord)
Huis van Baësa.
Baësa
Ela (vermoord)
(Zimri), Omri, Thibni.
Huis van Omri.
Omri
Aeliab | 873-854 i
Ahazia 854-853 Josaphat.
853 -849 )
Joram (vermoord) 849—842 Joram.
I 842 Ahazia (vermoord).
|
Huis van Jeliu. Jehu Joahaz Joas Jerobeam II Zacharia (vermoord) Snllnm (na 3 maariden ballum vermoord) Huis van Menahem. Menahem Pekahja (vermoord) Pekah (vermoord) Hosea 842-836 836-815 815-798 798-797 797-783 783—779 779 - 743 743 743 743-740 740-737 737-736 736-730 730-728 728-722 722 - 699 699-643 643-641 641-609 609- 608 608 - 597 597 597-586 |
Huis van David. (Athalia; vermoord). Joas (vermoord). Amnyia (in\'tlaatstvazal Amazia Yi Isr. Yei.mlt;)i Azaria ( Uzzia; tot ± 743 vaz.v. Israël). Jotham. Achaz. Hizkia. Manasse. Amon (vermoord). Josia. Joahaz (drie maanden). Tola kim (vazalv- EgyPtegt; JojtiKim na 605v Babel)gt; (drie maanden; Jojachin weggevoerd naar Babel). Zedekia. |
REGISTER
der boeken van het O. T., met verwijzing naar de bladzz., waar er over gesproken wordt.
Blz.
Genesis Exodus
Leviticus J ...........31, 63, 77
Numeri
üeuteronomium
Genas. 49 ; 1—27 (de zegen van Jakob) blz. 23; Exod. 20 : 2 — 17 (de 10 geboden) blz. 9;
Exod. 21 : 1 —23 : 19 (het Bondsboek) blz. 29; Numeri 22-24 (de Bileamslegende) blz. 82; Deuterono mium blz. 45. 19; Deuteron. 32 : 1 — 43 (het lied van Mozes) blz. 37; Deuteron. 33 : 1-29 (de zegen van Mozes) blz. 32.
Josua..................31, 77
Eichteren................31, 77
Richt. 5 (het lied van Debora); 9 : 7 — 15 (de fabel van Jotham) blz. 13.
Ruth...................58
Samuel (1 en 2)..............31, 77
2 Sam. 1 : 17-27 blz. 18.
Koningen (1 en 2).............31, 77
Chronieken (1 en 2).............77
Ezra...................
Nehemia.................. \'8
Esther...................70
Job....................56
Br.z.
Psalmen........... 32, 44, 53, 66, 76, 77
Spreuken.................77
Spreuk. 10 : 1-22 : 16; 25-29 blz. 32;
30 blz. 56.
Prediker......................78
Hooglied..................78
Jesaja 1 — 33 (meerendeels ..........38 vv.
Jes. 13 : 1-14 : 23; 21 : 1-10 blz. 55; 24-27 blz. 78; 34 en 36; 40-66 blz. 55.
Jeremia 1 — 49 ............ 45, 47 v., 49 vv.
Jerem. 50 en 51 blz. 55.
Klaagliederen................53
Ezechiël......................................53 v.
Daniël...................66 v.
Hosea...................36
Joël....................78
Amos...................35 v.
Obadja...................\'\'S
Jona...................58
Micha...................38 v.
Nabum ..................44
Habakuk..................47
Zefanja..................45
Haggaï..................57 v.
Zacharia 1 — 8................57 v.
Zach 9—14 blz. 78.
Maleachi..................53
gt;-» V
te\'
■ :
I ■
m:
■g#\' ■
\'¥%■. W\'/
w.
. y
V