-ocr page 1-

O\'lr JMi Ut, i

De Prijs der Wijsheid.

TOESPRAAK

gehouden in de Doopsgezinde Kerk ie Utrecht,

op \'Jl ,11 M IMtC.

S. DE WAARD,

-ocr page 2-

_

.

, ...........

RHwf2fSKinVwNHffl|f|R9VHM||^nVRMfR||nmM

.

- #é ■ tiM- \'

.

«pi- \'

■HÜH

, •• - i?v,^ty(vvgt;j.•^ti)^vrt|,|)rRlt;.));(.j1v,^S[(- 4;,^U«h||I|| (^\' . .■ I-::?:-i- ■■

!^ï|^ • »f#. • • gt; ■\':: ■;•!»■■ gt; M * ■

-ocr page 3-

DE PRIJS DER WIJSHEID,

-ocr page 4-
-ocr page 5-

De Prijs der Wijsheid.

TOESPRAAK gehouden in de Doopsgezinde Kerk te Utrecht, op 21 JUNI 1890,

dook

S. DE WAARD.

Utukcht, 1896.

Stoom- Hock- en Steendrukkerij »clo Industriequot; J. VAN D II UT EN.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

Deze toespraak word gehouden op den \'il3\'0quot; Juni 11. hij den aan-vanlt;f der feestweek, gewijd aan het 52° lustrum van Utrechts Hoo}gt;\'eschool. De Kerkeraad der Doopsgezinde Gemeente heeft zijn verlangen li1 kennen gegeven, dat het toen gesprokene door den druk mocht openhaar worden. Bij dezen wordt aan dien wensch voldaan. Men bedenke, dat het een gelegenheids preek is, en die, wilde zij hare actualiteit en haar recht van bestaan niet verliezen, spoedig ter perse moest, en dat in don vorm, zoo als zij werd uitgesproken. Voor omwerken ontbrak de tijd; en dit zou ook buiten de bedoeling omgaan.

\'JU Juni 1890.

-ocr page 8-

Ik, Prediker was Koning over Israel te Jeruzalem; en ik begaf mijn liarle, om mot wijsheid te onderzoeken en na te sporen al wat er ge-schiedt onder den hemel ; deze moeilijke bezigheid heeft God den kinderen der menschen gegeven om zich daarmee te bekommeren.

Ik zag alle de werken aan, die onder de zon geschieden, en zie, het was al ijdelheid en kwelling des geestes: het kromme kan niet recht gemaakt worden, en hetgeen ontbreekt kan niet geteld worden.

Ik sprak met mijn hart: zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd boven allen, die vóór mij te Jeruzalem geweest zijn, en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien ; en ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; — ik ben gewaar geworden, dat ook dit eeue kwelling des geestes is; want in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert, die vermeerdert smart.

De Prediker.

-ocr page 9-

In vool wijsheid is veel verdriel, en die wetenschap vermeerdert, die vermeerdert smart.

PrtKniKF.n I : 18.

Welk een tegenstelling, — ilit sombere woord van den Prediker ea de blijde stemming, die in de stad onzer inwoning allerzijds zich openbaart!

Zie, hoe op onze straten en pleinen alles ten feest wordt voorbereid, bloemen en festoenen worden aangebracht, het dundoek ontplooid, hoe jong en oud zich bij voorbaat verheugt op de heerlijkheden, die bij schitterenden optocht en op het tournooiveld te aanschouwen zullen zijn. Waarom die feestelijke stemming? Bij ver de mees-ten is \'t het kinderlijk gevoel, \'t welk de overhand heeft, zich vermeiend in deze dingen om het feest zelf, oin wat er op \'[ oogenblik le zien en te genieten valt, zonder te

-ocr page 10-

vragen naar do oorzaak der feestvreugde, do feiten uit de historie, die daaraan ten grondslag liggen. Waarom ook niet? Laat de kinderen, klein on groot, genieten van een vriendelijk feest, een blijde stennning, van \'t geen oog en oor bekoort, zóó noodig te midden van bet dagelijkscb eenerlei; al ware er geen Utrecbtsebe Academie met baar roemrijk verleden, en voor wier voortdurenden bloei in deze week op allerlei wijze de boste wenscbon zullen worden uitgesproken, — zulk een feestweek, als de burgerij dezer stad en bare vele gasten tegemoet gaat, is goed en verkwikkend, mits in orde en ingotogenbeid genoten. Jammer altijd, dat Baccbus en zijn trawanten bij zulk een gelegenheid bun slag slaan, en ook nu wel weer zich zullen mengen onder bot gevolg van Maximiliaan, Koning van Bohemen.

Maar er zullen ook zijn, die bij deze feestviering verder zien dan bet beden, die weten, dat er reden is van vreugde, wijl onze Academie mag bogen op een glorievol verleden van 2(50 jaren; die gedenken, welk licht bier is ontstoken, wat hier is gearbeid op het gebied van allerlei wetenschap; gedenken, boe de geschiedenis dezer Hooge-school mee mag tellen in de annalen dor veroveringen op geestelijk gebied van het menschelijk geslacht, de historie van worstelen en overwinnen. Er zullen zijn onder bon, die nu nog eens terugkeeren tot do Alma Mater,

-ocr page 11-

9

die hen voedde, velen, die gedenken niet alleen, wat zij hier liefs en vriendelijks vonden in den blijden, hruisen-den studententijd, maar ook, hoe hier de grond werd gelegd tot wat hen in staat stelde in de maatschappij hun woord en werk te doen gelden, de menschheid te dienen. Er zullen zijn, die hoog de fakkel der wetenschap houden en die, gedenkende wat door dat licht, hun deel werd, hun feestlied willen doen weerklinken, en er een danktoon in mengen.

Welk een tegenstelling dan met dit alles, des Predikers somber woord: „in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert, die vermeerdert smart.quot; „Blijf onsquot;, zoo zoudt gij mij willen toeroepen, „blijf ons op een dag als deze verre met de verzuchtingen van dezen zwartgalligen klager.quot;

.....Een oogenblik! Vooreerst, wat den persoon betreft van dezen Prediker, — het zou kunnen zijn, dat ook van zijne somberheid geldt, gelijk bij zoo menigeen, wiens ziel is neergebogen: alles te weten is alles te begrijpen. O, dit gansche geschrift is niet maar geschreven met luchthartige veder; zoo somber als hot is, het geeft blijk van ernst en zelfbeproeving, er trilt een gemoed in door. Cynisch, onaandoenlijk klinkt de slotsom: „geniet het leven, doch doet het met mate, daarmee komt ge het verstquot;; doch wie zal ze tellen de tranen, de uren van

-ocr page 12-

10

strijd, die aim dien jammerkreet zijn voorafgegaan? De kilheid van dit geschrift is slechts schijnbaar; tusschen de regels door leest ge van eene schreiende ziel, van ingehouden weemoed. Zulke hoeken zijn geschreven met tranen en bloed.

Deze Prediker leefde in één van die tijdperken, zoo als zij telkens voorkomen in de geschiedenis der menschheid, perioden van overgang en gisting, waarin het onbevredigende, straks het onhoudbare van de overgeleverde begrippen op het gebied van het godsdienstig en maatschappelijk leven door de ernstigsten wordt gevoeld, en een ledig, een twijfel in hun binnenste doet ontstaan. Andere invloeden doen zich gevoelen, andere begeerten en aandoeningen worden in hen wakker, zoo als toen, toen in het Jodendom doordrong de Grieksche geest met zijn schoonheidszin en zijn zoeken naar het wezen der dingen, zijn wijsbegeerte en kunst, zoozeer verschillend van de strengheid der Joodsche wet en haar eeredienst en het gezag barer priesters. En het gemoed van mannen als deze Prediker, ontvankelijk voor \'t geen door denkers en kunstenaars hun werd verkondigd, doch tevens nog te veel gehecht aan het oude, om dit aanstonds los te laten, geraakt daardoor in heftige ontroering. Zij geven zich aan alles; zij weten niet. waar zij het zoeken moeten; zij pogen al die verschillende elementen tot eenheid te bren-

-ocr page 13-

11

gen, orde in den chaos van hoofd en hart, doch dit pogen wordt niet immer met gunstigen uitslag bekroond. Er ontstaat een strijd in hun binnenste, waaruit niet aanstonds een vaste overtuiging geboren wordt; wel verbijstering, verslagenheid, moedeloosheid, en dezen hebben zoo weinig noodig, om te worden tot verbittering, somberheid, die voor dit wondere leven niet dan een schouderophalen over hebben, en met onverschilligheid, onaandoenlijkheid het hart ompantseren.

. Doch zóó te spreken van dien Prediker der oudheid, wat is het anders als de geschiedenis neer te schrijven van menig kind van onzen veelbewogen tijd, wat anders als een stuksken van ons aller zieleleven te hebben blootgelegd? Wie is er ernstig, dat hij zich heeft trachten rekenschap te geven van dit menschenbestaan met zijn einde-looze raadselen, te dieper naarmate hij er meer in doordringt, met zijn bont gewoel van allerlei stroomingen en verlangens en aandoeningen, waartusscben hij een uitweg heeft te zoeken, die niet verbijstering zich heeft voelen meester maken van zijn geest, twijfel van zijn hart, en in de verzoeking is gekomen, meer dan hij \'t zich zeiven eerst wilde bekennen, om oog en oor en hart maar te sluiten, en zich bij de levensbeschouwing van den Prediker neer te leggen?

Daarom, afgezien van den persoon van dezen schrijver,

-ocr page 14-

12

doch wijl het eene beschouwing geldt, die, zal \'t goed zijn, met ons aller ervaring in verband moet staan, is dit woord waard, dat wij er ons oor naar te luisteren leggen, juist nu, nu het geldt in deze dagen te gedenken de wetenschap en haar vrucht, en wij gereed staan een feestlied te doen weerklinken, haar ter eere. En mij dunkt, dan is dit de slotsom, waartoe wij komen: er ligt in deze getuigenis van den Prediker meer waars opgesloten, dan wij op het eerste hooren er van zouden willen erkennen, vreemd als zij in dezen vorm ons klinkt. Maar ook: in de waardeering van die waarheid gaan wij niet met hem mede, en de gevolgtrekking, welke hij daaruit maakt, onderschrijven wij niet.

Hoog stellen wij haar, de gave des verstands, van rede en oordeel; indien één, onze tijd zou bij machte zijn den lof dier gave te zingen. Dit ook, zoo erkennen wij vol dankbaarheid, is een teeken van \'s menschen adel, dat hij het talent bezit de verschijnselen in de stoffelijke en geestelijke wereld op te merken, die met elkander in verband te brengen, te ordenen, en er de wetten uit op te sporen; ten deze heeft onze 19° eeuw wonderen gewrocht, en mag mêê Utrechts Akademie wijzen op hare „mannen van beteekenis.quot; Dit is \'s menschen grootheid, dat hij door de gave van geestverwantschap en sympathie wat door

-ocr page 15-

13

anderen is gedacht en gewerkt vermag te verstaan, in zich op te nemen, er op voort te bonwen. Dit, dat hij door aangeboren gevoel, door opmerken en oefening vatbaar is voor aandoeningen van wat schoon is of niet, edel of niet. Dit, dat hij inkeerende tot zich zeiven ontdekt een grootsche roeping, een heilig verlangen, die, wijl zij hem een toekomst voor oogen brengen, waarde leenen aan zijn leven. Dit, dat hij vermag door te dringen in de toestanden en eischen van het leven om hem henen, om daardoor zich weg en werk te bepalen. Dit, dat hij eens geestes zich voelt met den Machtige, den Ongeziene, die zich ontplooit in zoo ontroerend veel, dat spreekt van wijsheid, goedheid, schoonheid, daarin iets van den Eeuwige verstaat, in zich voelt wekken de begeerte Zijn medearbeider. Zijn kind te zijn. Dit, dat hij zoo vermag te wrochten, ook hij, de mensch, wonderen van vernuft en overleg, van schoonheid en wijsheid. Dit, dat hij kent een levenswet, wier vervulling hem is tot voorwaarde en onderpand van zijn geluk. Van dit alles mag het heeten in het psalmwoord: „Heer, wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt, weinig minder hebt Gij hem gemaakt dan uwe Engelen.quot; En wij gaan mede in des dichters ontboezeming, een onvermoeibre denker, onlangs ontslapen: \')

\') AlI.ARO PlERSON.

-ocr page 16-

14

[J eor ik, onuilputbre Maclil,

Gij moet opnieuw ons \'t leven schenken!

Want zonder U is \'t leven nacht,

Miskende macht van \'t Denken!

Gij rust niet eer ge een gouden band Om al wat is en wordt kunt smeden!

Wat is en niet is, bindt uw hand:

De toekomst aan hot heden!

Drukt ons de smaad der wereld nêer.

Laat geen verguizing \'t hart ons krenken:

Gij vindt onze adelbrieven weer,

Zelfstandig, manlijk Denken!

Wat zijn wij? Kind\'ren slechts van de aard,

Of telgen uit een hoog geslachte\'?

Door U worde ons \'t geheim verklaard,

Verheven zielsgedachte!

Ja waarlijk, hierin ook schuilt onze grootheid, het zijn van Gods geslachte. Want wat anders is dit, dan dat wij ons rekenschap geven van het leven, waarin Hij zich openbaart, en daarin Zijnen wil leeren kennen, verstaan, volvoeren? De danktoon van het „in menschen welbehagenquot; past ook hier. En dat voor allen. Want laat ons aan de woorden „wijsheid en wetenschapquot; zoo als onze schrijver die bezigt geen eenzijdige, enge beteekenis geven, alsof het alleen te doen zou zijn om het veel-weten, de diepzinnige redeneeringen van de zondagskinderen onder ons, in wier hoofd gevaren is al wat in

-ocr page 17-

15

boeken staat. Ook is veelweterij waarlijk nog geen waarborg van wijsheid; clit behoeft in onzen dag nauwlijks betoog, vooral niet in deze Junimaand, waarin, naar geestig is opgemerkt, de eene helft der Nederlanders bezig is de andere helft te examineeren. Neen, wetenschap, zoo als hier bedoeld wordt, kan elk onzer bezitten, waar wij woekeren, al is bet dan maar met bet ééne talent, waar wij meeleven bet leven der natnnr, van anderen, van ons zeiven, er ons rekenschap van geven, er onze kennis door vermeerderen, onzen plicht door bepalen. Wijsheid, bier bedoeld, is levenswijsheid, met onbevangen beilbe-geerigen blik rond te zien in de wereld, is te leeren uit velerlei ervaring, is gevolg te geven aan het „wie ooren beeft om te hooren, die hoorequot;, en daardoor geest en hart verrijken.

Aan die wijsheid en wetenschap kan noch wil iemand onzer zich onttrekken. Welnu, daarvan heet het: „in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap ver-, meerdert, die vermeerdert smartquot;. Is dat waar?

Och, gaat nu niet te rade met anderen, met den Prediker of wien ook, maar raadpleegt eigen ervaring en ziet, boe menige zucht en traan, hoe menige bange ure deze getuigenis is komen bevestigen.

Zeker, dit is \'s menschen grootheid, dat bij kan naspeuren de verschijnselen op allerlei gebied, die verwerken,

-ocr page 18-

16

hun wetten in zich opnemen, en zoo zijn lust kan vinden, de waardij van zijn leven beseffen; doch het is tevens de oorzaak van \'t gevoel zijner kleinheid, zwakheid, onbeholpenheid. Welk een onmetelijk veld breidt zich uit voor zijn oog, hoe langs zoo meer, naarmate hij verder komt, vergeleken bij het kleine stuksken, dat nog slechts gekend en doorgrond is. Hoe overstelpt hem daarbij de verantwoordelijkheid, die hem wordt opgelegd, hoe huivert hij terug voor de moeite en worsteling om den geest te dwingen tot het kennen, en van het kennen te komen tot het kunnen. Vergeet het niet, gij die uw teestweek te gemoet gaat, dat de aanvang van wat er nu tot vreugde is ligt in de stilte van menige studiecel, menige binnenkamer, waar er is gewerkt en gewaakt, gebeden en geworsteld om te vermeesteren, te grijpen en te begrijpen en tot klaarheid te brengen al wat moest dienen, om de menschheid verder te brengen op het pad van kennis en beschaving. De hervormers op geestesgebied, die toortsdragers wilden zijn, zij zijn daarom ook kruisdragers geweest menigmalen. Zij, als andere Jacobs, zij hebben geworsteld met hetgeen God in het leven als hun roeping over hen bracht, met God zeiven, en indien zij hebben over-mocht, \'t is gegaan ten koste van menige moeitevolle ure. Het zijn de bekrompenen, de oppervlakkigen, die met zich zelf zijn ingenomen, en meenen dat zij heel wat weten.

-ocr page 19-

17

Het zijn de waarlijk wijzen, zij, die door denken en door zoeken, die him kleinheid, hun kennen ten deele beseffen en tot de verzuchting komen: „één ding slechts weet ik: dat ik niets weet.quot; En men behoeft er geen Faust voor te zijn, die na een opsomming ie hebben gegeven van alle wetenschap, die hij heeft doorloopen, in arrenmoede uitroept: „daar zit ik nu. ik arme dwaasquot;, — om pijnlijk te ervaren de smart beide van het niet-weten en van de vermoeienis, die het kennen en het willen kennen mei zich brengen, een smart die vermeerdert, naarmate de kennis toeneemt. Is dit niet ons aller ervaring geweest, zoodra wij maar iets hebben trachten te verstaan van de wereld en hare ordeningen, d. i. zoodra wij met eenigen ernst zijn gaan nadenken? Het „wij kennenquot; wordt overstemd immer weer door het „wij kennen ten deelequot;. Dit is de smart, de onontwijkbare, de altoos vermeerderende smart der wijsheid. Het is der wijsheid prijs.

Zoo is het op \'t gebied van het schoone, dat ons trekt, de kunst die ons benedijt, — ook immers een gave van oordeel gepaard aan diepte van gevoel, ons geschonken — oen hemelgave! Wat al heerlijks en schoons vermag de menschengeest te omvatten en zich te droomen, tot wat al edels voelt hij zich aangetrokken! Er is eene ontsluiering van het reine en schoone, er is eene openbaring ook dezer wijsheid, dezer kennisse van God gegeven, er

-ocr page 20-

18

is daardoor aanbidding, welker wijding geen ziel behoeft te derven; dat heiligdom staat voor allen open; voor dat altaar kan elkeen dankend neerknielen. Maar met deze openbaring, deze wijsheid, -— als bet er op aankomt wat zóó de menscbenziel trekt en bekoort te verwezenlijken, de wijsheid van het schoone te dienen, ach, welk een onmacht, welk een smart .... hoe drukt zij neer, die disharmonie tusschen wat in dat land der belofte lieflijks en reins ons toewenkt, en wat wij zijn en vermogen. Daar is smart in de ziel, aan welke die kennisse Gods, der schoonbeid bron, openbaar wordt. Welk een worstelen met stof en gedachte, met woord en kleur en klank. Welk een smart in bet baren; welk een onbevredigdheid daarna, een diep besef het nog niet gegrepen te hebben. De oppervlakkiger], de kleinen roemen in bun arbeid; de uitnemendsten werpen vaak in arrenmoede bet werktuig weg, en zouden het kind van bun gedachte en bun moeitevollen arbeid als onvolkomen stukwerk willen vernielen. Welk een smart in de kunstenaarsziel d. i. van wie waarlijk het schoone wil. Wat al tranen geschreid op den weg naar het pure, bet lichtvolle, wat al moeite op den weg naar boven! Het is der wijsheid smart — baar prijs!

En is bet zoo in ons streven onder den drang naar kennis en schoonheid, hoeveel te meer zal dit het geval

-ocr page 21-

19

zijn, waar wij toenemen in levenswijsheid en levensernst. Want deze wijsheid is te hebben geluisterd naar wat in ons hart getuigd wordt omtrent Eén, groot, volmaakt in liefde en gerechtigheid en reinheid, Eén, wiens liefde ook dat hart omvat, zoodat het „Abba Vaderquot; naar de lippen wordt gedrongen; die wijsheid is gevoel van gemeenschap met den Eeuwige, is religie, godsvrucht. Die wijsheid is te hebben doorgrond het menschenhart in zijn heilig verlangen, zijn grootschen aanleg; is de openbaring van \'t geen God voor ons is en van ons wil. En die levensernst is, geleerd door ervaring, kennis te hebben gemaakt met de werkelijkheid om ons henen; haar schoons en liellijks, maar ook hare begeerten en nooden, hare onvolkomenheid en jammer te hebben opgemerkt. Maar ik bid u, als de hoogste wetenschap die is, van God geleerd te zijn, van Zijn heilig wezen te hebben leeren stamelen, — en te kennen den mensch in al zijne roerselen, zijn doen en laten, — ik bid u, waar zal feller smart geboren worden dan hierbij, de smart van het gegrepen te worden door het leven in zijn volle heerlijkheid, zijn blij verlangen en gelooven, maar waartegen te meer schrijnt de onvolkomenheid, de armoe van hart, de zonde om ons en in ons? Waar meer dan hier brengt de wijsheid, van God gegeven, kommer en verdriet, gevoel van zwakheid tegenover de grootsche taak die roept, en

-ocr page 22-

20

waarbij gekreten wordt om harmonie, licht, verlossing,

dat die wijsheid Gods alles in allen worde? Voorwaar,

wie het leven leert kennen, vermeerdert smart. Zalig de onwetenden, de argeloozen, de kinderen! Zeker, dat loven brengt ook zijn onverwachte blijde ervaringen;

dezelfde Jacob die had gevonden zijn Pniël, waar hij worstelde met God, had ook neergeknield in een Bethel,

waar hij getuigde: „de Heer was aan deze plaats, en ik heb het niet gewetenquot;, maar voor de ernstigen zijn de Pniëls talrijker dan de Bethels. Hand aan hand met de kennis des levens gaan kommer en strijd. AVie deze wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart; in veel wijsheid is veel verdriet. Het is der wijsheid prijs.

De grootsten hebben niet getuigd van licht en onbezorgdheid alleen; zij hebben het niet gekund, omdat zij groot en goed waren. Het pad der eèlsten, der menschen-zonen, vol van wijsheid Gods en kennisse des levens, is met tranen bezaaid, voert door donkere olijvendreven,

geeft een kruis te dragen. Het is de kreet der zelfzucht 1

en der oppervlakkigheid, der dwaasheid, die roept: „vrede,

vrede, geen gevaar!quot; Het is de kreet van wijsheid en ernst, die de eeuwen door vernomen wordt in velerlei vorm: „in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert, die vermeerdert smartquot;. Zal dit uitloopen op des Predikers sombere verzuchting: „\'t is al ijdelheid

-ocr page 23-

21

ou kwelling des geestes — onzinnigheid, dwaasheid, — het kromme kan niet worden recht gemaakt, en het oul-brekende niet geteldquot; ?

Of zal. deze ervaring brengen, ja zeker smart, maar om straks te wekken tot te meerder energie, tot dieper besef van plicht en verantwoordelijkheid, om straks te bezielen tot blijder geloof, tot te scherper voorwaarts-\' schouwen? Zal de smart der wijsheid haar verlossingslied

zingen in een:

„Werken en denken en leeren is leven,

de minste, de kleenste die \'t vat;

Hem wordt het leven een heilige schat\'quot;.\'

Groot is de verleiding om ons bij des Predikers levensbeschouwing neer te leggen. Wèl ons, zoo zij inderdaad als een verleiding voor ons staat, die beschouwing, en niet als iets, dat volkomen in den haak is, en waarmee 1 wij dus vrede kunnen hebben. Maar de verlokking is er;

\'t klinkt zoo gemakkelijk, \'t maakt aan alles een einde. Welzeker, als wetenschap smart vermeerdert, wat zullen wij ons zeiven plagen1? Laten wij, nu ja uit zelfbehoud doen den plicht die voor de hand ligt, maar overigens ons hart van de dingen aftrekken, waaraan wij toch niet kunnen veranderen, waartegen wij niet zijn opgewassen.

-ocr page 24-

0)0}

en voorts het ons zoo aangenaam mogelijk maken in dit wondere leven. En vaak hebben wij toegegeven aan de

verlokking en geleefd naar dit woord.....maar ons

hart had er geen vrede mee; ja ons hart, ons innerlijkst, ons eigenst wezen, God in ons. Want de leer des Predikers en velen met hem klinkt redelijk, nuchter, wijs, doch de natunr is sterker dan die leer. Machtig is ons hart, het

van God gezegende.....ei) zoo menigmalen wij aan

de satanswijsheid, de somberheid, de laatdunkendheid, die het leven aanklaagt — andere woorden voor zelfzucht, klaagzucht, traagheid — zoo menigmalen wij aan die wijsheid mogen hebben toegegeven, — straks komt het oogenblik, dat ons beter ik, het hart, drager van de wijsheid Gods, zijn rechten herneemt en protesteert en smeekt: „weg met die valsche wijsheid, dat ongeloof, het is u, Gods kind, onwaardig; ik gruw van uw onaandoenlijkheid, welke bluscht mij, uw geest, uw leven. Of ge smart lijdt — \'t zal wel zoo zijn, ik, uw hart doe u dat aan, ik het van de liefde Gods ontvonkte; doch is daarmee uw roeping om niet, uw ideaal geschonden, uw geloof dwaasheid? Of worden ze daardoor te krachtiger, te levender 1 Toont uw God u daarin, wat Hij van u wil, waartoe u in staat acht1? Moet niet die smart der wijsheid u ten leven, ten zegen zijn ?quot; En dan vliegt het ons aan wat wij verzuimden, miskenden, door onze

-ocr page 25-

23

klaagzucht verontreinigden, en wij bidden: „vergeef ons onze schulden, vernieuw in het binnenste van ons een vasten geest;\'.

Of zullen wij neen, niet zelfzuchtig zijn, doch de lijn door den Prediker aangegeven doortrekken, zijn woord vertolken in do taal van onzen tijd en zeggen, dat de gansche wereld één misgreep is, dat het beter ware, zoo zij gansch niet bestond, en het streven der kinderen dezer wereld er maar op gericht moet zijn, om aan haar ijdel, dwaas bestaan een einde te maken? Gij kent die theorie, aantrekkelijk voor veler sentimentaliteit en wereldsmart, waarmee zij coquetteeren, ach, en ook voor veler moedeloosheid en verbijstering. Gij kent die beschouwing, dien somberen geest, waarmee menig product van de litteratuur van dezen dag is doortrokken. Of ook hier de natuur sterker is dan de leer?

Stelt eens, dat op dit oogenblik aan allen, die deze sombere beschouwing koesteren, werd aangezegd: „goed, u geschiede naar uwen wensch, wij zullen u het proces verhaasten, u verlossen uit dit duldeloos lijden, dat jaagt naar het eindequot;. Denkt gij niet, dat dan het antwoord zou zijn één kreet, een vurige bede, niet uit vrees of kleinmoedigheid, maar diep gevoeld, wellend uit het hart, dat komt tot zich zelf: „neen, neen, ontneem mij het leven niet, want ik heb nog zooveel te streven, te denken,

-ocr page 26-

24

lief te hebben, ik ben nog niet gereed, allerminst met mij zeiven; ik kan dien klop van het hart, die trilling van mijn zenuw niet missen; laat mij het doel, al is bet onbereikbaar, het streven, al is het met worstelen verbonden, de liefde, al gaat zij met smart gepaard; zij ook zijn de engelen, smart en strijd, wier hand ik niet wil loslatenquot;. Wat dunkt u, is dat dan niet, ondanks al wat de ziel neerbuigt, ons beter ik, God in ons, die daar Zijn wil, de kennis van Hem uitstort, die doet leven cn hopen\'?

Zie, het is met de levenswijsheid als met de liefde; zij doet lijden, maar geeft tevens de kracht om te lijden, en is daardoor ten leven. Zeker, \'t is gebeurlijk en begrijpelijk, dat een mensch, verbijsterd en verslagen, een wijle bet gansche wereldbestel veroordeelt en als met één\' pennestreek bet zou willen te niet doen; straks na den storm, in de stilte, in het tot zich zeiven komen, in bet suizen der zachte koelte beluistert hij te midden der dissonanten toch weer bet reine, bezielende levenslied, hem toegezongen als uit Gods mond, en waarin bij met trillende lippen mengt zijn: „Abba, Vader, niet mijn. Uw wil geschiede!quot;

Waarlijk, er zou te vergeefs in de menschenwereld geklonken hebben de stem van een groote en goede, een menschenzoon, vervuld als geen van wijsheid Gods cn

-ocr page 27-

25

kennisse van hot menschenhart, eon stem weerklank vindend overal als die eens profeten bij Gods genade, getuigend van de zaligheid der armen van geest, der hongerenden en dorstenden naar de gerechtigheid, der treurenden, — indien wij niet zagen in dit; „wie wetenschap vermeerdert, die vermeerdert smart\'quot; niet een oorzaak van klacht, maar van dank, niet een vloek, maar een zegen.

Wat toch is smart en verdriet? Is het alleen maaide som onzer eigene, persoonlijke, treurige ervaringen\'? Is het, dat wij ontgoocheld, teleurgesteld zijn, kennis heh-hen gemaakt met den weemoed der vergankelijkheid, gepijnd zijn in \'t liefste, wat wij bezaten? Zeker, die droefheid is er voor ons, uit de aarde aardsch, ons hechtend aan personen en dingen, hunkerend naar licht en vreugde. Maar als het gevoel van leegte en smart zich daarbij bepaalt, ach, hoe bitter arm zijn wij dan nog; en dan, ja dan is veler mismoedigheid wel verklaarbaar, als te veel het eigen leven betreffend, dan kan men komen tot des Predikers: „het einde van een ding is beter dan het begin, de dood beter dan de geboortequot;.

Doch is dit wel de smart in haar diepste wezen, haar edelsten vorm? Is zij wel de smart uit levenswijsheid geboren, uit wat er om ons en in ons te kennen valt? Of is de hoogste, heilige smart deze, die het eigen ik

-ocr page 28-

20

doet vergeten eu met ontferming bewogen doet zijn, wijl de wijsheid Gods ons ontsluierd, nog niet in harmonie is met der menschheid ordeningen? Is de hoogste smart deze, dat wij gevoelen hoe er een weg is die naar hoven voert met een „sursum cordaquot;, onze Hemelvaart! — maar hoe slechts nog weinige schreden op dien weg gezet zijn, zoodat daar inspanning en worsteling zonder einde zullen van noode zijn? Is hooge smart deze, dat wij ja bevroeden, hoe er zijn heerlijke, onschendbare wetten van schoonheid en adel, doch hoeveel het zal kosten die te doorgronden en er het leven in te doen opgaan; deze, dat er is een ideaal, dat ons trekt en bekoort en wijding geeft aan ons leven, winnend in louterheid en schoonheid, naarmate wij verder komen, maar hoe wij zullen hebben te strijden tegen der daemonen macht om ons en in ons, om dat ideaal hoog te houden en het nader te treden ? Is dat onze smart, welnu, dan is zij van edelen huize en zal zij, wrel verre van ons neer te slaan, ons waarlijk doen leven, ons aan ons zeiven ontdekken. Zonder haar dan geen toewijding, geen offer, geen liefde, geen lust, geen leven. Dan wordt de smart uit vermeerdering van kennis, uit wijsheid geboren besef van verantwoordelijkheid, van plicht. Dan wordt het aan haar vervuld: „Zie, als ik zwak ben, dan ben ik machtigquot;. Het is baai-prijs en haar loon.

-ocr page 29-

27

O, waar gij tic sombere beschouwing van den Prediker verwerpt, zeg niet, dat het beter ware, zoo God, de Volmaakte, zich aanstonds in heel Zijne volheid aan \'s men-schen geest en hart had meegedeeld, en daarmee aan alle zorg en smart een einde ware gemaakt; want gij zoudt zulks niet uit wijsheid zeggen, DU *is een zeer lieflijke droom, doch zij kan alleen geboren worden uit gebrek aan kennis van de levenswet, van wat \'s menschen ziel ten leven behoeft. Ook hiervan geldt hot geloofswoord: „niemand zal God zien en levenquot;.

Ontdek den man van wetenschap plotseling alle geheimenis, al wat te kennen is, en op hetzelfde oogenblik snijdt gij hem zijn krachtigste levenszenuw door, onttrekt hem aan de sfeer, waarin alleen hij ruim kan ademen, doet hem derven de bron van zijn lust.

Schenk den kunstenaar wondermacht, zoodat \'t hem slechts een enkel scheppingswoord behoeft te kosten om het hoogste, het eèlste te boetseeren, en in den eigen stond dooft gij uit het altaar, waarvoor hij kan neerknielen, sluit gij voor hem de deur van het heiligdom, waarin hij treedt als priester, maar als priester om er te bidden en te aanbidden, te worstelen om den Heilige nader te treden, en in dat heimwee, dien strijd zijn leven te vinden.

Stel den mensch in eene wereld, waarin het volmaakte gekomen is, geen heiliging meer gezocht wordt, geen

-ocr page 30-

28

kreet om verlossing, om licht, om harmonie meer stijgt nit de zielen, geen bede meer wordt gestameld, geen toekomst meer wordt tegengeschouwd, geen geloot\' meer de harten doet trillen, — en in dat uur bant gij van hem de engelen van geloof en hoop en liefde, van erbarming en ontferming. En wat is het menschenleven zonder dat dezer engelen wiekslag daarin wordt vernomen? Gij sluit het pad, voerende tot vrede en zaligheid.

De ware levenswijsheid is gelegen in het: „niet, dat ik het reeds verkregen heb, doch ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mochtquot;, in het: „zalig de armen van geest, de hongerenden en dorstenden naar de gerechtigheid, de treurendenquot;. De hoogste smart wordt geboren uit de hoogste liefde, en deze uit wijsheid, uit de kennis van het leven, zooals het ons door God, den alwijze, wordt ontsluierd. Wij leven bij de gratie onzer onvolkomenheid en dus bij de gratie van den strijd, van de smart, welke deze met zich brengt. Ook op den weg die tot wijsheid voert ligt een kruis, een Gethsemané, een Calvariën. Noemt dit een mysterie — het is het ook — „o, diepten der wijsheid, beide en der kennisse Godsquot; — wie zal deze geheimenis ons verklaren? — doch erkent, dat in die wijsheid ligt het beginsel van ons geloof, den lust, de schoonheid des levens. Als een graankorrel spreken kon, zoo is gezegd, dan zou zij zeggen, dat er

-ocr page 31-

smart is in het ontkiemen, in het opbloeien, het leven. Niet anders is het den mensch in zijn leven, zijn gaan op het pad der wijsheid, zijn treden van kracht tot kracht en van licht tot licht. Het leven is moeilijk, wijl het schoon is, maar ook: het is schoon, wijl het moeilijk is. Er is smart geboren uit wijsheid, maar ook wijsheid geboren uit smart.

Die smart is voorwaarde ten leven, en, wijl zij ons toekomt uit de hand eens Machtigen en Lietdevollen, ons tot onderpand van onzen vrede, onze toekomst. Wie langs dien weg ons leidt. Hij zal de smart door Hem gewild niet om niet doen zijn; Hij zal met geen leugen in het hart ons doen leven, het zaad onder tranen gestrooid niet doen verdorren.

„Geen vloek, maar een zegen, geen oorzaak van klachte, maar van dank,quot; — zoo vertolken wij voor ons des Predikers woord. Ook voor de smart der wijsheid is er plaats in het Godsbestuur; wij erkennen haar als een heilige verordening, een onschendbare zedewet, waarin ons leven, onze toekomst veilig zijn; wij aanvaarden haar met dankende hoofde, met een blijmoedig: „Uw wil geschiede, want Uw wil, onze Vader, is wat wij hoogst en heerlijkst kennen, en onze wijsheid mogen noemen.quot;

Neen waarlijk, zij, die smart, die onze ziel doet leven in diepten van gevoel, waarin het lachend, onbezorgde

-ocr page 32-

30

kinderoog nog niet vermag te schouwen, zij, die het hart doet trillen van weemoed en verlangen, van verteedering en weelde, zij, de milde moeder van lust en energie en geloof altijd weer, zij kan onze vijandin niet zijn. Zij ook i.s een engel Gods, een bode der Allerhoogsten, die wil onze heiliging, onze zaligheid.

De prijs der wijsheid! Moge er iets van gevoeld worden, als gij uw feestdagen van deze week doorleeft, uwe vreugdezangen aanheft. Geen leuze zij het slechts, geen devies, dat uit bloemenschat of vlammenschrift u tegenschittert, doch een bede wellend uit de harten:

„Sol Jusïitiae, illustra nos!quot;

„Zonne der gerechtigheid, licht van God, bestraal ons pad, verrijk onzen geest, louter onze ziel.quot;

Amen.

-ocr page 33-

i -v t

IHI

iÜMb. gt;\'

,,, . ■■

•;3» - ■ ■ ■

-ocr page 34-

MWÉW^PI^^PTPW^Si

» ........

- lawm* Dif.\'ftoiiM*#\'**

■ ■■

,

-..... ■■

-

.. .

ft--*1 ^\'VAAhrtpJlV^» ïj#ïr4gt;quot;tVR,4quot;K?5\'

-ocr page 35-

-ocr page 36-