-ocr page 1-

ERASMIAANSCH GYMNASIUM,

^rot^ramma

voor nr.n

CURSUS 1896 — 189 7.

, iv.-- ■ ■

ROTTKUDAM, WENK amp; BIRKHOFF

N(m)r(llthink No.

189G,

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

fh (M quot;J

3

^rocT.vcunma

VAN HET

ERASMIAANSCH GYMNASIUM

VOOR l)ENT

CURSUS 1896-1897.

Over de plaats van handeling der Cena Trimalchionis

DOOR

.T. i r. l i : o i * lt; gt; l igt;.

V-W ■

ROTTERDAM, WENK amp; BIRKHOFF,

Noordbltiak No. 95.

1896.

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

*

2802 327 7

-ocr page 6-

Stoomdrukker^ IIENKES amp; Co., Rotterdam

-ocr page 7-

OVER DE PLAATS VAN HANDELING DER CENA TRIMALCHIONIS.

I.

Van do verschillende pogingen tot opsporing van Trimalchio\'s woonplaats is cr éene, die allereerst en afzonderlijk verdient besproken to worden wegens haar literair belang en den invloed door haar uitgeoefend op do opvatting en beoordecling van hot geheelo romanfragment. Hot is die van Th. Mommskn vervat in een Hermesartikel \'), dat wel hot in zijne gevolgen belangrijkste en hot meest époquemakend geschrift mag heeten over dit onderwerp verschenen. Na do gewoonlijk geciteerde plaatsen vermeld to hebben, dio do stad van Tuimalchio bepalen als in Campanie cn aan zee gelegen, eene urbs Graeca en eone Romeinsche colonic, heoft hij het eerst gewezen op do volgende belangrijke tekstplaats: 0.65 „inter haec triclinii valvas lictor porcussit amictusquo veste alba cum ingonti frequentia comissator intravit. ogo maiestate contorritus praetorem putabam vcnisse.quot; Hier wordt gesproken van den praetor en nu vestigt Mommskn er de aandacht op, dat van allo in aanmerking komende steden alleen Cumae door praetoren is bestuurd.

Oogenschijnlijk is dit argument afdoende en zoo schrijft dan ook Friedlündeu, die zelf in der tijd aan oen andere stad gedacht had 2), in de inleiding zijner uitgave p. 6. :|) ,,Dass der am Golf von Noapel gelegene Wolmort Trimalchio\'s Cumae ist, hat Mommsen bewiesen,quot; en dat hij dit punt werkelijk als bewezen en uitgemaakt beschouwd heeft, blijkt zoowel uit het laatste deel zijner inleiding als uit zijne verklaring van verschillende plaatsen, waarbij hij van de door Mommsen voorgestelde oplossing als van een vaststaande zaak is uitgegaan.

\') Trimalchio\'s Heimath und Grabschrift. Hennes XIII. p. 10(5—121.

2) L. Frtedi.ünder in den Index Lectionum van Königsberg 18(50.

3) Petronii Cena Trimalchionis mit deutscher Uebersetzung und erkliirenden Anmerkungen von L. FRiEDLiiNDER. Leipzig 1891.

-ocr page 8-

Stoomdrukkerij HENK ES amp; Co., Uotterdam.

-ocr page 9-

OVER DE PLAATS VAN HANDELING DER CENA TRIMALCHIONIS.

i.

Van dc verschillende pogingen tot opsporing van Tuimalchio\'s woonplaats is or ééne, die allereerst cn afzonderlijk verdient besproken te worden wegens haai\' literair belang en den invloed door haar uitgeoefend op de opvatting en beoordeeling van hot geheele romanfragment. Het is die van Th. Mommhen vervat in een Hermesartikel \'), dat wel het in zijne gevolgen belangrijkste en het meest époquemakend geschrift mag heeten over dit onderwerp verschenen. Na do gewoonlijk geciteerde plaatsen vermeld te hebben, die do stad van Tkimalchio bepalen als in Campanie en aan zee gelegen, ecne urbs Graoca cn eone Romeinsche colonic, heeft hij hot eerst gewezen op do volgende belangrijke tekstplaats: c. 65 „inter haec triclinii valvas lictor porcussit amictusquc voste alba cum ingonti frequentia comissator intravit. ego maiestate conterritus praetorem putabam venisse.quot; Hier wordt gesproken van don praetor cn nu vestigt Mo.mmsen er de aandacht op, dat van allo in aanmerking komende steden alleen Cumae door praetoron is bestuurd.

Oogenschijnlijk is dit argument afdoende en zoo schrijft dan ook Friedlünder, die zelf in dor tijd aan een andere stad gedacht had •i), in de inleiding zijner uitgave p. 6. ■■|) „Dass dor am Golf von Neapel gelegene Wohnort Truialciiio\'s Cumao ist, liat Mommsen bewiesen,quot; on dat hij dit punt werkelijk als bewezen en uitgemaakt beschouwd heoft, blijkt zoowol uit hot laatste deel zijner inleiding als uit zijne verklaring van verschillende plaatsen, waarbij hij van de door Mommsen voorgestelde oplossing als van een vaststaande zaak is uitgegaan.

\') Trimalchio\'s Heimath und Grabschrift. Hermes XIII. p. 10(5—121.

2) L. Fhiedi.ünder in don Index Lectionum van Königsberg 18ö0.

3) Petronii Ccna Trimalchionis mit doutscher Ucbersetzung und erkliirenden Anmorkungen von L. Fhiedlünder. Leii)zig 1891.

-ocr page 10-

— 4 —

Intusscben) er was een tweede plaats in onzen auteur, die met de gevallen beslissing moeilijk overeen te brengen viel. In c. 48. zegt Trimalchio: „nam Sibyllam quidem Cumis ego ipse oculis meis vidi in ampulla pendere, et cum illi pueri dicerent: SIfivXXa, ei ttékmirespondebat illa: unottaveïv lléi-ui. Het bedenkelijke van deze getuigenis is aan Mommsen niet ontgaan, maar met de voortvarendheid, die zijn ganscbe betoog eigen is, beijvert hij zich dit bezwaar weg te nemen. Want terwijl Bücheler \') nog gemeend had juist om deze plaats 2) een mogelijke aanneming van Cumae to moeten voorkomen in de volgende bewoordingen: „Cumam illam coloniam non fuisse, do quo convivae coiii\'abulantur, probatur eo, quod Cumis se suis oculis Sibyllam vidisse (c. 48) quasi rem raritate notabilem Trimalchio pronuntiat,quot; antwoordt Mommsen hierop: „Dabei ist abcr wohl nicht bedacht, dass ebon Trimalchio spricht; für ihn passt oftmals das Unpassende, und so audi, dass er als ein merkwürdiges Erlebniss dassjenige vortriigt, was um die Ecke gehend jedor sehen musste. Es wirkt nur um so komischer, worm er in Cumae selbst berichtet, wio er die Cumanische Sibylle in einer Bouteille habo sitzon sehen und mit den Bengein auf der Strasse Unterhaltung führen horen.quot;

Dit mag don lateron tocli wel te machtig zijn geweest; althans Studnitzka slaat, voor hot hinderlijke „Cumisquot; to schrappen; „da abcr dio Stadt doch nur Cumae sein kann, so driingt sich die einfache Folgerung auf, dass Cumis eins von den Glossemen ist, an dencn der Petroniustext helcanntlich keinen Mangelleidet,quot;

\') Petronii Arbitri Satirarum reliquiae. Ex recensiono P. Bubciieleri 18(52. ]gt;. VIII.

Een andere plaats, dio zich bij do besprokene aansluit is te vinden c. 53: „et plane intcrpellavit saltationis libidinem actuarius, qui tanquam urbis acta recitavit: V II kalendas soxtiles : in praodio Cumano, quod est Trimalcitionis, nati sant pueri XXX puellae XL etqseq.quot; Büciieler maakte hieruit op, dat het gastmaal plaats vond op dit praedium Cumanum, dat evenwel niet dicht bij Cumae zou zijn gelogen, maar er ver van daan cn zoo door Trimalchio genoemd uit praalzucht, alsof het zich uitstrekte tot Cumae toe. Hiertegen merkt Mommsen op, dat onafhankelijk van den eigenaar een landgoed benoemd werd naar de gemeente\' of don pagus, waarin hot gelegen was, terwijl Frikdlünder p. 254 het onhoudbare van Büciielur\'s gissing aantoont door te herinneren aan de beschrijving van den gang van het bad naar het huis van Trimalchio c. 28, aan het wegvluchten van Eucolimus en de zijnen c. 79, aan de omstandigheid, dat Habinnas laat op den avond, als comissator van een ander gastmaal, Trimalchio komt opzoeken en eindelijk dat op bet hooren van het hoorngeblaas do vigiles, qui custodiobant vicinam regionem, rati ardere Trimalchionis domum, effregerunt ianuam, hetgeen alles zeer beslist niet op oen ver afgelegen landgoed maar op een huis in de stad zelf wijst. Het bezwaar, dat bij een aanneming van Cumae als plaats van handeling gelegen is in het opvallende van de benaming praedium Cumanum, in plaats van suburbanum, tracht Mommsen weg te nemen door ook deze uitdrukking als eene komische to expliceeren, waarbij hij en dit is wel een bewijs van den invloed, die do Cumae-hypothese heeft op de gehcele voorstelling van Trimalciiio\'s persoonlijkheid, zoo ver gaat van te spreken van „dor einfache Stadtbürger von Cumae.quot; p. 115.

s) t. a. p. pag. 114.

1 j Fr. Studniïzka. Vormutungon zurgriechiehenKunstgeschichte. Wion 1884.

-ocr page 11-

— 5 —

terwijl weder na dozen auteur Friedlündeb \') selirijft; „so bleibt denn nichts anderea übrig, als mit Studnitzka Cumis für einen dem ursprünglichen Text fremden Zusatz zu halten. Allerdings sind die Glossen smsl ohnc Ausnahme sprachliche Erkliirungen der wohlfeilsten Art und Cumis wiire dor einzige saehliehe Zusatz.quot;

Het historische verloop is hier welsprekend. En ook buitendien is de verdediging van Mommskn niet moeilijk te weerleggen; natuurlijk zegt Tiumalchio, de onopgevoede parvenu, dikwijls malle dingen, altijd wanneer hij zich waagt op een hom onbekend terrein, zooals geschiedenis, mythologie, literatuur, maar dit mag geen reden zijn, hom de grootste omgerijmdheden in den mond te leggen. Immers iemand, die te Cumae wonend op con diner aan eenige burgers dozor stad zogt: „ik heb indertijd zelf te Cumae gezien, dat enz.quot; zou aan gehoele verstandsverbijstering lijden en het werkt benauwend, als ons zulk eono ontboezeming daarenboven als des te komischer wordt aangeprezen.

De voorslag van Studnitzka, door Friedlündeu aangenomen, moet — en het is in beider woorden nagenoeg te lozen — als oen pis-allor worden opgevat. Hot kon nu eenmaal niet anders dan Cumae zijn en zoo bleof er niets over dan te schrappen. Maar ook zoo nog mag men vragen, of door dit ingrijpen in den tekst het beoogdo resultaat werd verkregen. En dan blijkt bij oon overlezen der goheelo passage, dat, al word ook hot direct aanstootolijke weggenomen, de opmerking van Trimalchio even misplaatst is gebleven. Stel voor, dat hij te Cumae te midden van Cumaners vertooning maakt met zijn schijngeleerdheid en met een laatste en bijzonder gewichtig 2) punt besluitend er zich op verheft: „want wat de Sibyllo aangaat, die heb ik zelf met eigen oogon gezienquot; on dan eon dwaas kindersprookje over haar ton beste geoft, terwijl het hier iets geldt, dat, zooals Mo.mmsen zegt: „um die Eoke gehend joder sehen musste;quot; dat, als zijnde hot moest belangrijke, wat Cumae bozat, aan hare inwoners overbekend was, laat staan dat iemand hun daarover oen dergelijk onmogelijk verhaaltje zou durven opdisschen. En niet alleen dit, maar nu zou Trimalchio aan zijn stadgonooten als een groot nieuws en ongehoord mirakel mededeelen, dat hij do Sibylle in oen llesch heeft zien zitten en hoeren antwoord geven. Was er werkelijk te Cumae een soortgelijk wonder te zien 3), dan kenden zijn gaston dit oven goed als hij en behoefde hij zich op het gezien hebben daarvan niet te goed te doen; was het er niet, dan was Trimalchio al zeer onnoozel hun iets voor te vertellen, waarvan hij kon weten, dat zij hot onware onmiddelijk moesten opmerken. In één woord, met of zonder „Cumis,quot; de geheele vermakelijke blufforij van Trimalchio op hot eind van e. 48 verongelukt op jammerlijke en onbeholpen wijze, als het te Cumae zelf is, waar zij wordt uitgesproken.

\') Cena Tbimalchionis p. 255.

-) Vgl. over deze beteekonis van naam Friedlünder t. a. p. pag. 222.

^ Dit is niet onaannemelijk; vgl. do plaats van Ampelius hij Studnitsica, pag. 40, aanm. 7 en Eriedl. t. a. p. pag. 254.

-ocr page 12-

En wat.nu do uiterlijke waarschijnlijkheid betreft van de gissing van SïUDNiïZKA, zal het niet noodig zijn te wijzen op het bedenkelijke van een procédé, dat het vraagstuk laat uitmaken door ééne plaats in den auteur en vervolgens de zich voordoende tegenstrijdigheden, zoo goed en zoo kwaad het gaat, er mede in overeenstemming tracht te brengen en daarbij niet terug schrikt van met aanneming van eeno glosse, die wat haar aard betreft alleen zou staan in onzen schrijver, te tornen aan eeno plaats, die op ziehzelve geen vermoeden van corruptie gaande maakt en in zich eene minstens even groote bewijskracht bezit als de vooropgestelde. Wie zich van deze bezwaren heeft overtuigd, zal inzien, dat men dient terug te keeren tot den oorspronkelijken tekst en dezen stand van zaken: er zijn twee plaatsen in den schrijver die oogenschijnlijk mot elkander in strijd zijn, ééne die Cumae als plaats van handeling bepaaldelijk uitsluit, een andere, die een aanwijzing schijnt te bevatten, welke alleen op Cumae kan doelen. De tegenspraak tusschen beide passages is niet voor onze maar voor des schrijvers rekening; men kan haar echter trachten te verklaren en in het vervolg van ons betoog zal gelegenheid zijn op te merken, dat bij nader inzien deze tegenstrijdigheid noch zoo hinderlijk noch zoo onvergefelijk is als een eerste blik vermoeden doet. Mi uir van beide plaatsen is de Sibylle-plaats de meest stellige en meest directe, terwijl de praetorpassage, slechts door uitsluiting der overige in aanmerking komende steden op Cumae wijst; van beide verdient zij het punt van uitgang te worden van ons betoog, dat zoo terugkeert tot het standpunt van Bücheler in zijne praefatie: van allo steden van Campanie is er eene uitgesloten en wel Cumae, daar Trimalchio het uitdrukkelijk noemt en zijne woorden geen zin hebben, tenzij elders dan te Cumae uitgesproken.

Is zoodoende de volgorde van ons betoog eenmaal omgekeerd en het Sibyllocitaat ons uitgangspunt geworden, dan blijkt het, dat de getuigenis hiervan niet alleen staat, maar dat er ook andere gegevens te vinden zijn zoowel van meer bijzondcren zooals historischen en topographischen aard als van een algemecnor karakter en afgeleid uit den indruk, dien de beschreven toestanden en personen maken, welke allen leiden tot eene verwerping der Cumae-hypothese. In de eerste plaats zij dan vermeld, dat Mommsen , die uit twee inscripties met „de hoogste waarschijnlijkheidquot; had opgemaakt, dat Cumae door Augustus was gecoloniseerd, in een later artikel \') op deze quaestie terugkomend zich voel voorzichtiger uitlaat. Do zaak is namelijk deze, dat blijkens Cic. ad Att. X. 13, Cumae in Caesar\'s tijd een municipium was; voorts is op een looden pijp, op zijn vroegst uit don eersten keizerstijd naar Mommsen\'s eigen getuigenis, de inscriptie: publ(icuni) munic(ipum) Cuman(orum) aangetroffen. Wel is volgens Mommsen hiermede in strijd eene inscriptie uit den besten tijd, waarin de stad Colonia Julia heet, maar Bei.ocii voert hiertegen aan dat het volstrekt niet

\') Die Italischen Bürgcrcolonien von Sulla bis Vespasian. Hermes XVIII. p. 181 en 198.

2) Campanien. 2e Aull. Breslau 1890. pag. 450.

-ocr page 13-

vaststaat, dat werkelijk de letters D. D. C. I. als verkorting voor deereto decurionum coloniae Juliae zijn te verklaren, integendeel dat hier in plaats van de eolonietitel de naam van do stad verwacht wordt en dat dezelfde vier letters voorkomen op eene inscriptie te Napels, die blijkens de daarin genoemde duumviri, niet op het door praetoren bestuurde Cumae betrekking kan hebben. Voegt men hierbij, dat Plinius in de lijst van coloniën in het derde bock der Nat. Hist., van Cumae niet gewaagt, dan mag men eoncludccren, dat Cunme niet onder de Jiüische colonien te rangschikken is, dat deze stad waarschijnlijk eerst in den lateren keizerstijd gecoloniseerd is en dat dus de plaatsen, \\vaarTrimalciiio\'s woonplaats colonia heet, voor zoover zij bewijskracht bezitten, de getuigenis der Sibyllepassage, dat aan Cumae niet te denken valt, slechts bevestigen.

Topograpbische gegevens, die tot dezelfde slotsom leiden, zijn de volgende: vooreerst, dat de stad van Tuimalchio eene uitgestrekte plaats moet zijn, getuige in e. 79 en 6. do dwaaltochten van Encolpiüs en de zijnen; getuige ook de omstandigheid, dat zij blijkens c. 7cS verdeeld is in regiones, eene verdeeling, die alleen zin heeft en alleen voorkomt bij dc groote steden van Italië. Dar. is hier te eitceren c. 81, waar Encolpiüs een logement betrekt „proximum mariquot; en eindelijk c. 99, waar het gehcele gezelschap naar do haven vlucht en scheep gaat, welke beide trekken niet op Cumae passen, dat haven noch rede bezat. \')

Wanneer wij ons thans wenden tot de gegevens van meer algemeenen aard, die do getuigenis der Sibylleplaats versterken, en dc vraag stellen, of de beschreven toestanden en personen al of niet op Cumae wijzen, dan zullen wij tot de beantwoording hiervan vanzelve geraken, zoo wij nagaan, of liet aannemen van Cumae als plaats van handeling een gunstigen of een verkeerden invloed gehad heeft op de opvatting der geheele Cena. Zeer merkbaar toch is dc uitwerking geweest van de gissing van Mommsen op de aesthetische beoordeeling van het werk van Petuonius en zij ontleent daaraan, gelijk reeds gezegd werd, hare eigenlijke belangrijkheid. Want toen men nu eenmaal tot Cumae was gekomen en men, blijkens eene zeer sprekende Ju venal isplaats zich deze stad als een

\') Vgl. Tacit. Ann. XV. 46; et gravi Africo, dum promontorium Miseni superare contendunt, Cumanis litoribus impacti etqseq. en Bklocii t. a. p. pag. 157; ,,Als Handels-stadt ist Kyme wohl niemals bedeutend gewesen. Schon die Lage an der hafenlosen Kuste zeigt, dass bei der Gründung ganz andere Rücksichten massgebend waren.quot;

\'2) Juven. III. 1;

Quamvis digressu veteris coramotus amici Laudo tamen, vacuis quod sedem figere Cumis Destinet at((iie unum civem donare Sibyllae.

Vgl. Stat. Silv. IV. 3. 65; miratur sonitum quieta Cyme. Een aanwijzing op deze eenzaamheid meende Mommsen te vinden ine. 44; „haeccolonia retroversuscrescit tamquam coda vituli.quot; Terecht evenwel ziet BuLOCir p. 451 in deze woorden slechts eene boutade van een laudator temporis acti en die ook slechts op do korenprijzen betrekking heeft, zoodat zij niet ter bepaling dor localiteit kan werden gebezigd. Ook zou men kunnen wijzen op het antwoord van Echion e. 45 „laborat hoc tempore nee hace sola,quot; waaruit blijkt, dat deze nood slechts tijdelijk was en aan meer steden gemeen. Vgl. Fuiedl. pag. \'242 en 82.

-ocr page 14-

verlaten en stille provinciestad had voor te stellen, moest men wel geraken tot de meening, dat de Cena en al wat er aan voorafgaat en wat er op volgt tot e. 100, afspeelde in een kleinstcedsehe omgeving, ja dat Petronius hier een hekeling van achteraf toestanden bedoeld had. In hoeverre nu deze voorstelling |

zich ongedwongen liet rijmen met den inhoud van den tekst, zal moeten worden nagegaan; maar het zal intussehen duidelijk wezen, dat hierdoor invloed werd uitgeoefend op het oordeel en de voorstelling van iederen lezer van Petronius en men dus van werkelijk letterkundige belangen mag sproken, die op het spel stonden.

Mom.msen had reeds van Trijialcitto gesproken als den „reichen Klein-stiidterquot; \'), maar Friedlünder is eigenlijk degene, die deze idee heeft uitgewerkt en die, ton einde den lezer voor te bereiden op de omgeving, die hem bij de lectuur van den roman wachtte, zijne vertaling vooraf liet gaan door eene interessante studie over: „Stiidtewesen in Italien im ersten Jahrhundert.quot; Wanneer wij nu vragen, welke aanwijzingen er zijn in den roman, die op provineialismus en kleinsteedschheid wijzen, dan vinden wij, behalve het argument, dat de roman in Cumae speelt en dus in een kleine stad, het aantal der directe bewijzen al zeer gering. Bij Mojhisen geen enkel, trouwens dit was ook niet hot onderwerp,

dat hein bezig hield, maar ook bij Friedlünder is hunne schaarschheid veelzeggend. Ik vond de volgende:

In cap. (55, eene plaats die reeds ter sprake kwam, verschijnt Habinnas,

de steenhouwer tevens Sevir Augustales : „inter haec triclinii valvas lictor percussit, ia

amictusquc veste alba cum mgenti frequentia comissator intravit. Ego maiestate conterritus praetorem putabam venisse. Itaque temptavi assurgere et nudos pedes flJ

in terram deferrc.quot; Friedl. noteert bij amictusquc veste alba: „festlich gekleidet. IBV

In der Kleinstadt genügen auch als Schmuck an Festtagen tunicae suinmis aedilibus albae. Juven. III. 179.quot; Mot het eerste deel dezer noot kan men vrede hebben, iets anders is het met het JuvENALiscitaat. Hierin vertelt Juven.

bij de aardige beschrijving der landelijke tooneeluitvoering, dat in kleine steden zelfs op feestdagen geen onderscheid was te zien in het uiterlijk cn dc kleeding van senaat en volk en dat eene witte tunica voldoende was ook voor de hooge

mza

acdilen, en wordt dus do witte tunica voorgesteld als een feestkleed, ja voldoende iqcw

in een achterafplaatsje, maar eigenlijk toch armoedig voor een magistraat. Bij Petronius en Hahinnas zijn wij ver van deze liefelijke idylle; Harbinas draagt ^

dc witte toga het feestkleed bij uitnemendheid 3) en dat in dit verband deel i J!H

uitmaakt van geheel zijne belachelijk pompeuze verschijning, waardoor Encolpius „maicstatc conterritusquot; en „admiratione ingenti spectansquot; kan heeten. En welk eene tegenstrijdigheid zou op deze wijze ontstaan, wanneer Habinnas hier als decent maar sjofel gekleed werd voorgesteld naast zijne vrouw, die, evenals de vrouw van Trimalciiio, is opgesierd inet dc kostbaarste kleinoodiën, als de gouden capsella,

3P j

gt;3»u

pu

:!

\') t. a. p. pag. 107.

\'-) Op eene toga wijzen vestis en amictus cf. e. g. c. 136. •quot;•) Cf. e. g. Ovid. Trist. III. 4. 14.

S Ji

H

41\'

3

I

h

-ocr page 15-

— 9 —

waarin twee erotalia \'), oorhangers met paarlen naar den nieuwsten smaak, zoodat Fhiedlünder clan ook zelf niet ver van liier 2) zich uitlaat: ,,hicr ist wohl cine ■d Unterhaltung der beiden Prauen über den Reichtum ihrer Toiletten ausgefallcn.quot;

ig i Het tweede indicium zou te vinden zijn cap. 71, waar Tkimalchio in zijn

grafschrift de volgende loftuitingen laat opnemen : „plus, fortis, fidelis, ex parvo crcvit, sestertium reliquit treccnties, ncc unquam philosophuin audivit.quot; Volgens S PuiKDiJiNDKii pag. 310. zouden do laatste woorden oen uiting zijn van do

minachting, welke do bewoners van provinciesteden voor do wijsbegeerte en hare beoefenaars aan den dag plachten to leggen. Hot verband, waarin dozo tirade voorkomt, maakt evenwel duidelijk, dat hier niet zoozeer do inwonor dor afgelegen stad wordt bespot alswel do geldman, de man van zaken, die rijk is geworden en in zijn rijkdom het hoogste doel dos levens ziet on die or zich nu op verheft, dat hij dat hoeft bereikt door eigen verdienste cn zonder de nuttolooze hoogero wijsheid der philosophen.

Tegenover deze enkele aanwijzingen van kleinstcedschhoid, waarvan nog bij nader toezien blijkt, dat zij niet dan gedwongen in don door Fiuedi.ünder gewenschten zin kunnen worden uitgelogd, staat, dat zonder moeite oen aantal uitdrukkelijke bewijzen kunnen worden aangevoerd, die uitmaken, dat in dit fragment van den roman allerminst cene kleine afgologono stad en hare toestanden worden beschreven en belachelijk gemaakt. Zot) kan men onder meer er op wijzen, dat in de stad van Trimalchio oone schilderijen-galerij is niet een beroemd stuk van Apelles *), dat er een rhetor woonachtig is \') en dat er oone wolsprekondheidsschool wordt gevonden, waar oone „ingons seholasticoruin turbaquot; tezamen komt, „wiihrond nur die grosseren und grössten (Orten) Schuien für den wissonschaftlichen I nterrioht und dossen höchste Stufo don Unterricht in der Beredsamkeit besasson 5)quot; gelijk Frieih,under zelf gezegd had. Voor do verdere, velerlei gebouwen on andere merkwaardigheden dor beschreven stad moge naar Haley verwezen worden, die do volledige on vrij uitgebreide lijst hiervan heeft opgemaakt en zich dan ook afvraagt, of dit alles wel beantwoordt aan het vacuae Cumae quot;).

En do onmiddelijke omgeving van Trimalchio wijst al evenmin op oone kleine stad. Integendeel, mot meer recht kan men zeggen, dat er alles groot-ep o steeds en grootscheeps is ingericht, dat alles volmaakt in do puntjes en naar do

nieuwste mode is en dat de rijke parvenu, de lautissimus homo, er een roem

\') Cf. Pr,in. N. H. IX. 114.

ï) t. a. p. pag. 300.

\') Studtnitzica t. a. p. pag. 40.

4) Agamemnon is als bekende persoonlijkheid mot zijn beide scholiorcn

bij Tr. genoodigd, waar hij ook voortdurend als de geleerde man geldt, vgl. c. 28, ;)2 on 48, „narra mihi quam controversiam kodlr. narrasti.quot; Verder vgl. Mknelaus ante-Bcholarius Agamemnonis. c. 27, 81 en FunooLaND. t. a. p. p. 198 en Sittengosch. I. 322. •quot;O t. a. p. pag. 50. vgl. Sittengosch. I. 315 cn 336.

quot;) H. \\\\\'. Haley. Quaestiones Petronianae in do Harvard Studies in classical philology. Vol. II. Boston 1891. pag. 25 en 35.

Ji

1«»!

fiJ

pu

-ocr page 16-

in stolt, in alios hot laatste to hebben en ook dat nog somtijds to overtroffen. Men herinnore zieh — en hot is een groote verdienste van Peibdlünder in zijne uitgave er telkens op te hebben gewezen, wanneer uit do huishouding en uit liet doen en laten van Trimalciiio de voorkeur en mode van don goheolen Noronischen tijd te loeren viel \') — men horinnere zioh, om ook weer slechts hot allervoornaamste aan te geven, do inrichting van zijn huis met do zeldzame ekster in den gouden kooi aan do deur, mot de aangrenzende portions, groot genoeg, dat een troop hardloopers er zicli in oefenen kan, met do twee eetzalen, met liet bad in eigen woning, kortom een huis zoo groot, dat gasten, die hot voor do eerste maal bezoeken, er in verdwaald geraken. Zijne slaven zijn allon in de keurigste on kostbaarste liverij gestoken; pnori Aloxandrini, het allerlaatste op dit gebied, bedienen aan tafel, en het gehoele personeel leeft hot loven van do groote wereld mede on is o. a. bij do wedrennen te Rome geïnteresseerd. En gelijk liet gaat in zulk een huishouding op grooten voet, de disponsator heeft or al de arrogantie van don lakei van goeden huize en staat do niouwaangekomen gasten ternauwernood met in den wind gestoken neus te woord. Verder, terwijl Fortunata, do gastvrouw, haar lagere afkomst niet verloochent en bij hot begin van den maaltijd zich afslooft, verschijnt zij evenwel, als zij eenmaal toilet

Wanneer men bedenkt, dat do cena eono doorloopendo persifflage is van hot overdreven nieuw-modischo, hot gezocht ongomeeno of blufferig kostbare, zich uitend in de toebereidsolen, hot bad, de spijzen, do wijze van opdioning, de vertooningen in do pauzen, dan blijkt voor hom, die het onvoroenigbaro van deze eigenschappen mot wat men kleinsteodschhoid noemt, gevoelt, eigenlijk reeds alleen hieruit genoegzaam, hoe ondoenlijk het is, dit alles te Cumae of een dergelijk stil stadje te laten afspelen.

Intusschon is het bij do schaarschte der gegevens niet altijd gemakkelijk uit te maken, waar hot modischo, het algemeen gebruikelijke ophoudt en hot persoonlijke, het door Trimalchio zelf uitgedachte begint. Van FinioniiiNDER zou men kunnen zeggen, dat hij misschien wat al te gaarne uit oen voorkomen bij Trimalchio concludeert tot een algemeen in zwang zijn; iets waaronder af en toe het komische van hot verhaal lijdt. Om één voorbeeld to noemen; c. 66. somt Habinnas do verschillende gerechten op, waarop hij is onthaald; „bene me admonot donhna mea; in prospoctu habuimus ursinao frustum, do quo cum imprudens Scintilla gustassot, paene intestina sua vomuit, ego contra plus libram comodi; nam ipsum aprum sapiobat. et si, inquam, ursus homuncionem comest; quanto magis homuncio debet ursum com esse?quot; Friedlüxder toekont hiorbij aan; ,,Der nur hier orwahnte Genuss von Biironfioisch wird bei der massenhafton Verwondung dor Biiren bei Thierhetzonund doren Vorkommen in Lucanien nicht solten gewoson sein.quot; Evenwel uit do l\'ETRONiusplaats viol oen geheel tegenovergestelde gevolgtrekking te maken. ITauinnas vermeldt het boronvloosch juist als rariteit; noch hij noch zijne vrouw konden hot, zij hoeft „imprudentorquot; er zich do maag mede overladen, hom beviel hot zeer bij do kennismaking, want liet dood hom donken aan wildozwijnenvloosch. En om zich over den instinctmatigen weerzin, dien hot nuttigen van een ongewoon dierlijk voedsel ploegt op te wekken, hoen te zetten, houdt hij zich de geciteerde kinderlijke redeneering voor, om met deze logica zijn maag te overtuigen.

Of ten slotte borenvloosch meer word gegeten of niet, blijft eon open vraag, maar hier staat het zeker genoemd als iets zeer bijzonders.

-ocr page 17-

— 11 —

gemaakt hooft, zoo al niet elegant, clan toch op het kostbaarste en ongemeenste uitgedost en lezen wij van eene tunica eerasina, van periscelides tortae, van phaeeaslae inauratae, van een reticulum aureum ex obrussa en van armillae van 6\'/j en 10 pond. Eindelijk, als wij tot den hoofdpersoon zelf komen en vragen, welke eigenschappen de schrijver in hem hooft belachelijk gemaakt, dan kan zijn naam de sleutel zijn tot de bedoelingen, dio de auteur met dit karakter had. Want zoo men met Friedlündeb pag. 199 mag meegaan, dan kenschetst do naam Trtmalohto den drager als een „rijken en overmoedigen heerquot; en in deze beide liggen alle andere karaktertrekken en ondeugden opgesloten, die bij eene lectuur gaandeweg bij hem aan hot licht komen. Hierin ligt de insolentia, de ondeugd, die do schrijver zelf met name noemt c. 50; do aanmatiging en do volop ploertige bluf, gevolgen van zijn snel verworven rijkdom en aan don andoren kant de ongemanierdheid on de onwetendheid, die hem uit zijn vroegere positie aankleven. Do insolentia, de iactantia, de rusticitas \') en de ignorantia, ziedaar de vier in Trimalcbio gehekelde gebreken, die allen in één woord kunnen worden samengevat, door hem het type van een parvenu te noemen, maar die met de bekrompenheid, de laatdunkendheid cn de zelfvoldaanheid, welke men onder kleinsteedschheid ploegt te verstaan, niets gemeen hebben en ook wanneer hun uitingen al een enkele maal samenvallen, toch uit een anderen oorsprong blijven af te leiden.

En om nu nog met een enkel woord van den algemeenen indruk te spreken, dien do lectuur van Petronius achterlaat, het sterkst wordt men zich wel bewust, dat die indruk allerminst mot eon kleinsteedsche omgeving van Trimalchto strookt, wanneer men nog eens hot slot naleest van de besproken inleiding van Priedlündeb. Terwijl hij in het voorafgaande do toestanden van de Italische steden beschrijft, een tafereel, dat evenwel gelijkelijk past op groote als op kleine plaatsen en tevens moer de instellingen on uiterlijke levensinrichtingen dan wel do zoden en eigenaardigheden der bewoners weergeeft, worden ten slotte een paar plaatsen behandeld, waarin de Romeinsehe schrijvers te spreken komen over hot karakteristieke van achterafplaatsen. En gelijk het in den aard der

Büctieler schrijft in zijne praefatie p. JX.: „res singulares pcrmultae in Trimalcione eiusque convivis notatae paene ad verbum imitantum

THEoriiRASTUG nomine inscriptosquot;. A priori bevreemdt het, dat een schrijver als Petronius tot het uitdenken on uitwerken zijner karakters do hulp noodig zou hebben van eene handleiding, als die van Tiieophrastus is. Verder kon ik slechts eenige flauwe reminiscenzen ontdekken aan de aijSU van Theopi-ir. (vgl. de vertaling van — MALOJiiG door in het door Priedlünder p. 199 geciteerde glossarium),

zoo deze verre overeenkomsten niet natuurlijker zijn te verklaren. Eén plaats is er echter van opmerkelijke gelijkluidendheid: c. 64: „quo admonitus officii Trimalohio iussit Scylaeem adduci „praesidium domus familiaequequot;; vgl. Tiieophr.

■nP(n UjOOi xut;. y.ul xo\'i/ikjto,- Ti]v \') i oia\' innxovcrai nvxog, xnï rót\' xirct ^QOirynksaiiueyn.; xnl f.mlafiójievoi roO (fiy/ov; elne.tv. „Otrn, ifvlutiei jtgt; /utuiop urn inv otxi\'nr.quot; Hoe opvallend ook deze overeenstemming is, is het mij echter niet mogen gelukken de komische bedoeling te ontdokken, noch van do woorden van Trtmalohio, die blijkens het anders in zijne woorden niet voorkomende „quequot; een vaststaande zegswijze bezigt, noch van het slot der geciteerde woorden van Tiieophrastus.

-ocr page 18-

— la

dingen ligt, dat in provinciesteden, die door hun ligging buiten de beschaving der groote centra blijven, de onbedorvenheid en eenvoud van zeden langer bewaard blijft, zoo geldt dit ook van do Italische en zijn met name bergvolken, als do Sabini, de Mabsi, de Apuli door Veböilius en Houatius de gebruikelijke literaire voorbeelden geworden van ingetogenheid en eenvoud. En ook van enkele steden wordt hetzelfde getuigd en zoo valt hot FiiiEDLaNDKR niet moeilijk aan de hand van Juvenalis en Mautialis een aardig eu sprekend beold den lezer voor oogen te brengen van hot leven in eeno kleine stad, van de „vita municipalis, qua nihil omnino villus esse potestquot;, in steden als Gabii, door Juvenalis simplices geheeten, Fidenae en enkele anderen \'), waar men slechts tweemaal \'smaands de toga aanlegde, ja waar velen voor do eerste maal op do lijkbaar er mede werden bekleed. Als daar in hot met gras begroeide theater op feestdagen een oud spookstuk werd opgevoerd en het kind van schrik voor den opgespalkten mond in hot bleeke spookgezicht wegvluchtte in moeder\'s schoot, zag men daar één en dezelfde dracht van senaat en burgerij en was een witte tunica voldoende, zelfs voor de hooge aedilen. In Praeneste en Volsinii, in het eenvoudige Gabii of het schilderachtig gelegen Tibur, wie behoefde daar in vrees te leven voor instorting, voor brand, zooals in de hooge en wrakke huizen te Rome. In Sora, in Frusino, in Fabrateria kon men een huis koopen voor hetzelfde geld, waarvoor men in Rome een donkere woning huurde; er was een tuintje voor te krijgen en een welgevulde put ter besproeiing van de zelfgeplante groente; het was toch iets waard zich, waar en hoe afgelegen ook, eigenaar te kunnen noemen van een al was het dan ook nietig stukje grond.

Aldus eindigt FiUEDLaxnEU. Laat nu iemand ingewiegd zijn door de zachtheid dezer idyllische beschrijving en plotseling zich herinneren het schandelijke gastmaal van Quartilla met het intermezzo van den embasicoetas en dc bruiloft van Psyche en Giton of het oude bestje, dat groente verkoopt en den vriendelijken paterfamilias, welke beide Encolpius en Ascyltos terecht brengen in een huis, waar „omnes videbantur saturoum bibisse.quot; -)

Het stootende van dezen overgang, die na een eerste pijnlijkheid bijna lachwekkend gaat werken, zal hem bewijs genoeg zijn van het misplaatste der kleinestad-stemming, waarin hij dooi\' het slot der geciteerde inleiding allicht gebracht was.

\') Merkwaardig is, dat sints Horaïiüs Ep. I. 11. vs. 7 en 30. Gabii Fidenae en Ulubrae noemde als voorbeelden van uitgestorven steden, deze tot typen zijn geworden; vgl. Juven. III. 192; VI. 56 en vooral X. 100—102 (bij Verg. Aon. VJ. 773. en Prop. V. I. 34. kan men nog twijfelen aan een vaststaand gebruik.) Dit is een kleine maar sprekende trek ter kenschetsing van het vasthouden aan het eenmaal in zwang zijnde en het spoedige verstijven in vaste vormen en zegswijzen aan de Romeinschc dichtkunst eigon; des te treffender juist, omdat het een zaak geldt van zoo weinig belang en die gemakkelijker was tc varieeren dan bij te behouden.

2) Zie ook de geheel anders luidende woorden van Bücheler, pag. IX: „cum vitam nobis hae satirao proponaut luxu atque desidia corruptam et animum in inventione libidinum memoriaque defixum etqseq.quot;

-ocr page 19-

— 13 -

II.

Er zijn drie aanwijzingen, die wegens hunne uitdrukkelijkheid als hoofd-gegevens mogen beschouwd worden voor een nadere bepaling van Trimalciiio\'s woonplaats. De stad wordt genoemd eene urbs Graeca c. 81., eene colonia e. 44. bis. c. 57. c. 76., en or wordt van een praetor gesproken c. 65. Alvorens nu over te gaan tot eene beantwoording van de vraag, welke stad aan tie in deze indicia vervatte eischen kan voldoen, zal het voorzichtig zijn hen eerst afzonderlijk te onderzoeken naar hunne waarde en mate van betrouwbaarheid om zoo het aandeel vast te stellen, dat aan elk moot worden toegekend in de eindbeslissing.

In de eerste plaats worde dan ter sprake gebracht c. 81. Euoolpiüs, troosteloos over het verlies van Giton, heeft een ander meer afgelegen logement dicht aan het strand opgezocht en verlicht zijn verdriet door deze hartstochtelijke ontboezeming: „ergo me non ruina terra potuit haurire? non iratum etiam innocentibus mare? effugi indicium, barenae imposui, hospitem occidi, ut inter tot audaciae nomina mendicus exul in devrrsorio Graeme urbis iacerem desertm?quot; „is dat nu bet slot van al mijne beproevingen, dat ik als een bedelaar, als een balling in een herborg van eene Grickscho stad neerlig in verlatenheid?quot;

Hoe eenvoudig eu natuurlijk deze woorden ook zijn, zij het toch vergund uitdrukkelijk de aandacht te vestigen op de woorden „urbis graecae,quot; omdat men zich er wel rekenschap van moet geven, dat zij hier zoo eigenlijk en zoo concreet mogelijk gebezigd zijn; Encolpius voelt zich verlaten na hot heengaan van Giton en dubbel, omdat hij zicli als niet thuis behoorend, als een vreemdeling, eon balling gevoelt in een Grieksche en niet vaderlandscho stad; trouwens weinige regels te voren staat hot mot evenveel woorden te lozen, c. 80: „egreditur superbus cum praemio Ascyltos et paulo ante carissimum sibi commilitonem fortunaeque etiam similitudine parem in loco peregrino destituit abiectum.quot; Het synonieme van den locus peregrinus en de urbs graeca valt in hot oog.

Men zal dus „graeca urbsquot; niet behoeven op te vatton als een soort eeretitol \'), gegrond op een overouden Griekschen oorsprong, noch valt er te denken aan de sarcastische wijze waarop Juven.vlis III. 60. Rome als Grieksche stad brandmerkt; tot beide opvattingen ontbreekt elke aanleiding in liet tekstverband, ja zij verzwakken den tekst belangrijk, gelijk reeds bij eene vertaling blijken kan; „heb ik daartoe al die moeite doorstaan, opdat ik hier eenzaam en verlaten zou neerliggen in eene stad van Grieksche origine?quot; of wol „in eene vergriekschte stad?quot; Evenmin kan men vrede hebben met de gissing van Haley, die om de besproken woorden in overeenstemming te brengen met zijne op Puteoli gevallen keuze aanneemt, dat de oude benedenstad van Puteoli, deels omdat zij de oorspronkelijke Grieksche volkplanting uitmaakte, deels om het „Helleensch-Oosterschquot;

\') Mommsen, t. a. p. pag. 109. 2) Beloch. t. a. p. pag. 451.

-ocr page 20-

— 14 —

karakter \') luirer inwoners, in den volksmond urbs gracea, de Grieksehe stad, kon hecten.

Dit vermoeden, het zij onmiddelijk opgemerkt, steunt op niets anders dan oj) de plaats zelve en de begeerte haar pasklaar te maken. En dan —■ wordt ook zoo niet wederom do zin zelf van Petronius verkracht? „heb ik mij daarom afgesloofd, dat ik nu in ellende neerlig in hot Grieksehe staddeel?quot; Was het wel zooveel erger of Encolpius in de havenstad, in de oude wijk zich bevond dan in de meer deftige binnenstad? En hij had nog wel zelf, de eenzaamheid, begeerend, die buurt opgezocht; mocht hij er zich dan over beklagen? Maar ook reeds voor dien tijd, in hun vorig en minder afgelegen logement had hij zich in loco peregrino gevoeld. Nog eenmaal, als Encolpius spreekt van een Grieksehe stad, moet het ook een Grieksehe stad wezen, althans een stad Gricksch genoeg om zijn gevoel van verlatenheid te verklaren, een gevoel eerst dan te begrijpen, maar dan ook geheel natuurlijk, als het opkomt in iemand, die in een vreemde omgeving, in een stad van anderen landaard door oen tal van verdrietelijkheden wordt gekweld on wiens ellende door de eenzaamheid, waarin hij verkeert, hem dubbel zwaar op de ziel ligt.

Ingewikkelder wordt eerst deze zaak,\'-wanneer men na wil gaan, in hoeverre do besc.hrcvcn toestanden en menschen inderdaad beantwoorden aan ecne absolute opvatting der betiteling; urbs gracca. Immers bij een eerste blik wil het schijnen dat deze stad en hare inwoners eerder een Latijnsch dan ccn Grieksch voorkomen hebben. Mommsen 1) schrijft dan ook; „denn in der That schildert er doch eino Ortschaft, die, wenn auch Grieehischen Ursprungs, doch zur Zeit Lateiniseh redete und Lateiniseh geordnet war; wie denn der öfFentliche Ausrnfer bei ihm sich der Lateinischen Mprache bedient, (e. 97.)quot; Zeker is het, dat Tiumalchio en de zijnen Latijn onder elkander spreken, al is het ook een Latijn, dat een niet gering aantal Grieksehe woorden en wel in het in benedcn-Italië gesproken dorisch dialect en eveneens een tal van hybride vormen vertoont •r); zeker is het ook, dat de uitroeper in bet Latijn het verloren gaan van Giïon af kondigt en dat er een huurplakaat wordt vermeld, in het Latijn opgesteld. Maar men gevoelt licht, dat deze argumenten met omzichtigheid dienen te worden gebezigd, omdat zij raken aan de eischen van hot kunstwerk en de vrijheid van den schrijver, die, wilde hij een Latijnschen roman schrijven, zijne personen ook in eene Grieksehe stad Latijn mocht, misschien moest laten spreken. Het zal daarom beter wezen, uit te zien naar minder omvattende maar meer onafhankelijke bewijzen. En dan moeten ter sprake komen de rogels uit c. 4(5, waar Ecirrox, de dokenhandelaar, tegenover

1

) t. a. p. pag. 109.

•\'\') Vgl. G. Studer. Ueber das Zcitaltcr des Petronius Arbiter. Rhcin. Mus. 1843. p. 76 en E, Cocchia. Napoli e il Satvricon di Petronio Arbitro. Archiv. Stor. p. 1. Prov. Nap. XIII. fase. 11. 1893.

-ocr page 21-

— 15 —

den rhetor Agamemnon hoog opgeeft van zijn zoontje, dat: „ceterum iam Graeculis calcem impingit et fjatinas coepit non male appetere.quot; Redelijkerwijze kan dit niet anders worden uitgelegd clan „hij is met het Grieksch al kant en klaar en begint met het Latijn niet onaardig op streek te komen \', waarbij nog valt to wijzen op de onderlinge beantwoording van caioem impingere aan de eene en appetere aan de andere zijde \'). Dat, zoo onze verklaring juist is, deze aanwijzing volkomen strookt met eene nrbs graeca, waar de jeugd met het Grieksch begint on eerst daarna tot een vreemde taal in casu liet Latijn overgaat, behoeft geen betoog en evenmin, dat de behandelde plaats juist door hare ongezochtheid en als hot ware toevalligheid den indruk belangrijk versterkt, dat wij met menschen te doen hebben, die in den grond Grieken zijn gebleven. En Trimai.cmio zeifis dan toch ook oorspronkelijk uit Azië gekomen (c. 29. en 75.); het Grieksch is zijne moedertaal geweest en als hij mot minachting spreekt van een Graeculio (c. 7().), is het, omdat hij goedvindt zijn landaard te verloochenen. Want wij zien hem aan zijn gastmaal zich tot in hot belachelijke toe een Romeinsch air geven; hij citeert verzen van Pubulius Svrus en vergelijkt dezen schrijver met Ctckro, hij vertelt, dat hij zijn Grieksche acteurs Atellanae laat opvoeren en zelfs zijn muzikanten Latijn laat blazen „daar hij reeds als knaap uit Azië is gekomon, is hij zijn moedertaal, het Grieksch, op enkele brokstukkon na vergetenquot;, meent Fkiedlündeb. Dit is minstens vreemd, vooral voor iemand, dio in eenGiieksche stad woonachtig is. Eerder zou ik meonen, dat wij hier staan voor een nieuwe karaktertrek van den parvenu, die zich als een groot heer wil voordoen. In do woorden van een der gasten; „malui civis Romanus esse quam tributariusquot; ligt verscholen hot ideaal van dit slag van menschen; zij willen als volle Romeinsche burgers gelden niet alleen, maar daar liet natuurlijk voornamer is oen geboren Romein te zijn dan een Griek uit hot Oosten, zijn zij er op uit zooveel mogelijk het voorkomen van den echten Romein aan te nemen en Tiumalcuio als do rijkste kan zich dit natuurlijk hot volledigste veroorloven. Houdt men dit, in hot oog, dan wordt het verklaarbaar, dat dozo lieden durven spreken van Graeculi en Graeculiones en dan spreekt het van zelf, dat alles in hot huis van Trimalchio oen Latijnsche kleur heeft, dat er een Latijnsch opschrift aan do voordeur en bij de portierscel en aan de deur van de eetzaal is aangeslagen, dat do actuarius ecu

quot;) Fbiedl. t. a. p. pag. 241) noteert: „Graeculis calcem impingere heisst nicht „gibt dom Griechischen oinen Fusstrittquot; d. h. gibt es auf; denn dio erste Stufo war auch in diesor urbs Graeca natürlich das allgemein gesprochno Lateinisehe, auch soil ja hier von don Portschritten dos Knaben die Rede sein. Der Sinn ist also: er macht schon einen Anfang itn Griechischen und das Latcin treibt er recht tüchtig.quot; Dit voorbeeld van gewelddadig opdringen van oen vertaling om aan een vooropgestelde topographic to voldoen is niet het conige maar wel zeer sprekend. Al is ook calcem impingere een alleenstaando uitdrukking, zoo kan toch omtrent hare beteckonis geen twijfel bestaan door do duidelijke analogie mot het overdrachtelijk gebruik van calcare, proculcare ou conculcare. Vgl. ook Otto, Sprichw. der Romer, p. (5(5.

-ocr page 22-

Latijnsch relaas afleest enz. \'). En een plaats als do boven aangehaalde komt nu eerst in hot reohte licht: zoover gaat zijn zucht om in alios als volop Romein to schijnen, dat hij Grieksche toonoelspelers een Latijnsche klucht laat opvoeren, ja zelfs zijn muzikanten Latijn wil laten blazen. En ook wordt duidelijk do bedoeling van oen plaats, die in dit verband to noemen is, te vinden in c. 59: „simus ergo, quod melius est, a primitiis hilares et Homeristas spoctomusquot;. intravit factio statim hastisque scuta conoropuit. Ipso Tuimalchio in pulvino conscdit ot cum Homoristae Graecis versibus colloquerontur, ut insolcnter solent, illo canora voce Latino legebat librumquot;. -) Ook in deze woorden mag men gevoegelijk dezelfde zucht tot Latinisoeren geteekend vindon; gelijk acteurs en fluitspelers, zoo moeten ook de Homoristae in hot Latijn spelen en bij gebreke van dien tracht Tulualchio zelf het door een Latijnsch rocict goed te maken.

Wij zullen dadelijk nog een opvallende uiting van dozen zelfden karaktertrek aantroffen; voor het oogonblik kunnen wij ons betoog hierin samenvatten, dat er in de woorden urbs Graeca geen enkele billijke inwendige reden is om do vol-strekthoid en dwingendheid van dit indicium to verminderen, om or mede te

\') Dat in een zoo tweeslachtige en daarbij zoo onbeschaafde omgeving beide talen op hun tijd geradbraakt worden, spreekt van zelf. Zoo in het gezang van i\'i.ocAMrs c. 64, als hij „ik weet niet wat voor afschuwelijks floot en na afloop beweert, dat hot oen Grieksche tekst wasquot;; dat dit onzinnig zou zijn, gelijk Haley p. 24. beweert, zoo het in oen slad voorviel, waar ieder Grioksch kende, kan ik niet inzien; mij dunkt, dat er slechts eon bespotting in ligt van hot krijschende en onduidelijke van zijn zingen met de hand voor don mond, waardoor niemand een syllabe van don gezongen tekst hooft kunnen verstaan. Zijn voordracht vindt volkomen haar pendant in het roeiet van den slaaf van Hahinnas, die c. (iS. verzon van Vergilius opzegt cn den tekst zoo mishandelt en met onpassende toevoegsols vermengt, dat toon voor het eerst „zelfs Veugiltus tegenstond.quot;

2) De overlevering is hier duister, mot name geven do woorden „ut insolentor solentquot; aanstoot: 1quot;. omdat zij onbegrijpelijk zijn; waarin zou do insolentie schuilen van Homeeisten, die Grieksche verzen voordragon, terwijl zulks toch van zelf spreekt en in don aard der zaak ligt? 2°. zou dit de eenige plaats zijn, waar plotseling en door niets gemotiveerd Encoliuus uit zijn rol valt van ironische objectiviteit. Het gelijkmatige, zacht ironische van den verteltrant, juist door het ontveinzen en flacooreno van eigen superioriteit verkregen, zou bier op eens verstoord worden door een misplaatste, persoonlijke, gohool uitband en verband springende grief togen vertoondors als do genoemde. 8°. wordt door de woorden „ut insolentor solentquot;, het verhaal zelf verzwakt. Want daar oen HoMERisTENuitvoering slechts hier voorkomt, mag men in de vertooning iets zien van eigen uitvinding, oen voorbereiding tot do volgende comodio van Aiax on het kalf, komisch door hot onmogelijke, maar ook door hot ongewone en verbijsterende. Dit alles en daarmede hot originoele van de klucht valt weg door don zin „ut insolentor solentquot;, waardoor het alles tot oen moor voorkomend iets wordt. Vgl. FiiiEKLiiNDER p. 281.

Do insolentia zal waarschijnlijk aan liet adres van TRiMALCitio zolfbedoeld zijn (vgl. c. 50 „expcctabam, ut pro rcliqua insolentia dicerot sibi vasa Corintho afforri.quot;). Dit hoeft ook Heinstus gevoeld, die omzette: „ut solent, insolentor illo etqscq.quot; Do gedachte aan dittographie ligt het naaste; Jagous delgde dan ook insolentor; hot boven aangevoerde zou leiden tot do lozing: „[ut solent] insolentor illo etqseq.quot;

-ocr page 23-

transigeeren, zoouls op verschillende wijzen door do geleerden is beproefd; hot verband, waarin /.ij voorkomen, gedoogt en gebiedt zelfs hen in hunne volle waarde te aanvaarden; ook worden zij gesproken door de hoofdpersoon van den geheolen roman, door Encoli\'ius, iemand van ontwikkeling en verstand, terwijl ze hem door den schrijver in don mond zijn gelegd als bepaalde on uitdrukkelijke karakteriseering der door hom bedoelde stad.

Wij gaan thans over tot do vier plaatsen, waar do stad van Trimalciiio eolonia genoemd wordt, to zamen het tweede hoofdindieium vormend, te weten: c. 44: ,.heu, hen, qaotidio peins, haee eolonia rotrovorsus crescit tanquam coda vituli.quot; ibid.: „quid onim futurum est, si noc dii nee homines huius coloniae misorontur?quot; e. 57: „ot puor capillatns in banc coloniam veni.quot; c. 76: „mathematicus, qui vcnorat forto in coloniam nostram.quot; En allereerst moet er dan op gewezen worden, dat het geen toeval mag hoeten, dat do vier malen, welke de stad eolonia wordt betiteld, allen voorkomen in woorden van Trimai.chio of zijne colliborti. Van deze opmerking zal de kracht worden gevoeld door ieder, die zich bewust is van hot zoor bijzondere on afwijkende taaleigen, waarin Petronius vrijgelatenen spreken laat (vgl. Segebade \') en Friedlünder passim), on hot vermoeden ligt voor do hand, dat wij hier op nieuw staan voor oeno zegswijze, don liborti eigen, zooals ze bij tientallen juist in de cena worden aangetroffen. In deze mooning wordt men versterkt, zoo men lot op de omstandigheid, dat de benaming van eolonia op elk der vier plaatsen vergezeld is door een pronomen, hetzij demon-strativum, hetzij possessivum; waaruit blijkt, dat het mot oen zekere voorliefde on trots is, dut door do sprekenden van hunne stad als van een colonic, van oen Romeinsche colonic wordt gesproken. Ziehier dus nogmaals een uiting van do boven besproken zucht tot Latiniteit, die dit gezelschap eigen is, en hoe het mogelijk was, dat zij, die zich in alles hot uiterlijk van den Romein willen geven, er een eer in konden stellen van deze, onze colonic te sproken, leert het volgende GELLinscitaat, XVI. 13: (coloniarum) „conditio, cum sit magis obnoxia et minus libera, potior tamen ot praestabilior existimatur propter amplitndinem maiestatomquo populi Romani, cuius istae coloniae quasi effigies paivae simulacraquo esse quaodam videntur.quot; Door deze woorden wordt eerst hot juiste licht geworpen op de vier coloniecitaten en op het gehecle verband, waarin zij voorkomen; zij verklaren, hoe hot komt, dat do uitdrukking eolonia zoo gaarne door deze vrijgelatenen in don mond wordt genomen cn als kenschetsend voor bon kan golden. Maar zij waarschuwen ons tevens, dat wij dan ook niet onvoorwaardelijk ons op deze plaatsen mogen beroepen voor het bepalen der gezochte stad, omdat het nu blijkt, dat de uitdrukking eolonia gebezigd wordt niet ter karakterisoering van do stad maar van don persoon, die haar uitspreekt; dat de schrijver er een literair dool mede op hot oog had en wol hot uitbeelden van de persoonlijkheid

\') Joh. Segebade. Observationes Rrammaticae et criticae in Petronium. Hallo 1880.

-ocr page 24-

— 18 —

des sprekers, maar zo niet hooft bedoeld als historische of staathuishoudkundige aanwijzing tor oriëntoering van don lozer.

Iets dergelijks kan worden gezegd van het derde gegeven, dc reeds ter sprake gekomen praetorplaats in c. 65; „inter haec triclinii valvas lictor porcussit, amictusque voste alba cum ingenti frequentia comissator intravit. ego maiestate contorritus praetorem putabam venisse. itaque temptavi assurgere et nudos pedes in terrain deferre.\'\' Ook hier was het den schrijver waarlijk niet to doen ons een betrouwbaar gegeven aan de hand te doen, rakende het gemeentebestuur dor beschreven stad, waaruit wij den naam dier stad konden opmaken. Maar hij wilde don schroom en de ontsteltenis, die Encolimus bevangen op het zien van den pompeuzen intocht van Habinnas, levendig voorstellen en tevens een komisch effect bereiken door den indruk door het grootsche optreden teweeg gebracht te laten contrasteeren met do werkelijke positie van dit personage; daarom koos hij een sterk woord en deed Encoli\'ius meonen, dat er niemand minder dan een praetor was binnengekomen. In dozen gedachtongang was het woord praetor goed gekozen; want praetor was ecu lioogo titel in een provinciestad, getuige de plaats bij Hobatius Sat. I. 5. 34, waar do dichter den magistraat te Fundi betitelt met den naam van praetor en waarvan ook de eenigo bedoeling is, op satirieke wijze don eigenwaan en de gewichtigheid van do hooge stedelijke overheid te konschotsen ; getuige ook de sprekende passage van Cicero de lego Agraria II. 34.92, die in haar geheel leerzaam is voor hot onderwerp thans in behandeling en waarvan het belangrijkste volgt: „commemorabo id, quod egomet vidi, cum vonisscm Capuam, coloniam deductam L. Considio et Sex. Salïio, quem ad modum ipsi

loquebantur, praetoribus.....nam primum, id quod dixi, cum in cetcris

coloniis Ilviri appellentur, hi se praetores appellari volebant. quibus primus annus liane cupiditalem attulisset, nonne arbitramini paucis annis fuisso oonsulum nomen appetituros? deinde anteibant lictores, non cum bacillis, sed, ut bic praetoribus urbanis anteeunt, cum fascibus biniquot;. Derhalve zullen wij ook dit indicium slechts onder voorbehoud mogen accepteeren en bij mogelijk komende bezwaren ons moeten herinneren, dat do titel praetor hier alleen door den schrijver gebezigd wordt, omdat hij er een literair effoct mede beoogde, en niet bedoeld is als détail-opgave omtrent het bestuur der stad.

Welke stoden kunnen nu voldoen aan de in de besproken indicia opgesloten eischen en voor de woonplaats van Trimalchio in aanmerking komen? Dat wij in onze keuze beperkt zijn tot de kuststeden van Campanie, blijkt onmiddelijk uit plaatsen als c. 77. 81. 90. 99, waardoor de ligging aan zee wordt bepaald en c. 53. en 104, waar zij als niet ver van Baiae, c. G2, waar zij als dicht bij Capua wordt voorgesteld. Van de Campaansche kuststeden komen nu vier als zelfstandige gemeenten in aanmerking: Cumae, Napels, Puteoli en Misonum en gaat men thans over tot de vraag, wie dezer vier beantwoordt aan eono urbs graeca, dan valt allereerst weg Misenum, een zeer jonge stad en ontstaan uit het kwartier der keizerlijke vloot; trouwens van het uitsluitend militair karakter, dat haar van

-ocr page 25-

— 19 —

haar oorsprong bijbleef, is in do door Petronius beschrovon stad geen spoor te vinden. Maar ook vallen, indien wij althans terecht boven den eisch hebben gesteld, dat de woorden nrbs Graoca in bunnen eigenlijken en absoluten zin worden opgevat, Cumae en Puteoli weg; Cumae, omdat het niet anders dan met het oog op haren oorsprong Grieksch kan heeten. welke door Mommsen verdedigde opvatting strijdig is met de tekstplaats van Petronius, terwijl buitendien deze stad al zeer spoedig haar Grieksch karakter verloren had, \') ef. Vrlleiits I. 4. „Cumanos osca mutavit vicinia;quot; en Puteoli, omdat sints lang in de plaats van het vroegere Dicaearchia do gohool Homoinsche havenstad was gekomen en het niet is in te zien, hoe op ongedwongen wijze deze stad oen nrbs Graeca kon worden genoemd. Van dit laatste is wel het beste bewijs de moeite, die zij, die zich voor Puteoli verklaarden, zich geven moeten om op eene of andere wijze aan de benaming nrbs Graeca hare volle waarde te ontnemen; zoo slaat Belocii eene min of moer overdrachtelijke uitlegging voor en verraadt Haley zijne verlegenheid door te schrijven p. 24. „Graeca nrbs, cni nomini multi vel nimium auctoritatis tribuerunt,quot; terwijl toch, gelijk wij zeiden, de tekst zelf geen aanleiding tot eene andere dan eene volwaardige opvatting dezer woorden geeft en men zich dus moest resigneeren tot wat Büciieler reeds geschreven bad p. IX. .,Graeca nrbs mirum est profecto si Puteolana civitas vocatur tam din a Romanis colonis habitata neque graecae magis quam variarnm nationum frequentia insignis.quot;

Zoo blijft bij uitsluiting Napels over. Maar ook buitendien is dit de stad, waarheen ieders gedachten gaan, wanneer er sprake is van eene Grieksche stad aan do Campaansche kust. Want Napels is van alle steden van Campanie de Grieksche stad bij uitnemendheid; voor velen 2) moge hier Tacitus spreken als Petronius in tijd het meest nabijkomende; Ann. XV. 33. (Nero) „non tamen Romae incipere ausus, Neapolim quasi Graecam urbem de-legitquot; *). En daarom, als wij werkelijk in do woorden nrbs graeca oen en wel het eenig door den schrijver zelf als karaktertrek bedoeld indicium mogen zien, dan mag er hier wel de nadruk op worden gelegd, dat Napels niet alleen volkomen maar uitsluitend beantwoordt aan de eischen in dit hoofdgegeven vervat.

\') Vgl. Mommsen in het C. T. L. X p. 350.

-) Zie ook Sueton. Nero \'20. Stbaho V. 7 en C. I. L X. p. 171.

Het zgn. glossarium Petronianum toekent aan op c. 81. nrbs graeca; Neapolis; een glosse waaraan o. a. Studer t. a. p. pag. 207 evenals aan het geheelc glossarium een groote waarde toekende. Nu beeft evenwel G. Weule. (Observationes critieae in Petronium, Bonn. 1859 pag. lt;S en vigg.) door onder meer te wijzen op do kostelijke glosse: cap. 35 scriblita unu toï urys/Movi\', torquere, ideo quod in circuitu torqueantur restis in modum, unde nos tor lam dieiimis,quot; overtuigend aangetoond, dat dit hooggeroemde glossarium eene late compilatie is uit de aanteekeningen van Goldastus en Wouwerenus, vervaardigd door Rutgers H ermannides (vgl. ook Büciieler p. XXXX.) Des te merkwaardiger mag het daarom hoeten dat Cocciiia t. a.p. pag. 23 en 32 weder met de Napelsglosse voor den dag komt en van het glossarium getuigt: „dico solo ebe la concisione, laparsimonia e la quasi abituale correttezza di quell\' antico commento, superiore a quanti ne vennero di i)i)i, ha fatto sull\'animo mio una impressione cosi forte, che mi sarei deciso

-ocr page 26-

— 20 -

Wij komen tot do tweede aanwijzing, tot de vier coloniecitaten. Van do vier Campaansche kustgcmoenton is Misenum oeno colonio geweest, maar kan om do medegedeelde redenen niet in aanmerking komen voor Tkimalciiio\'s verblijfplaats. Van Cumac hebben wij in het begin van ons betoog aangetoond, dat het waarschijnlijk eerst in lateren tijd geeolonisocrd is, Er blijven dus over Puteoli (in Napels. Van deze twee is Puteoli degene, op welke hot praedicaat colonia hot boste past; immers er is van deze stad bekend, dat zij kort na don tweeden Punisohen oorlog tot colonio verheven werd. Liv. XXXIV. 45: „Coloniae civium Romanorum oo anno (194) deductao sunt Puteolos Vulturnnm Liternum, troconi homines in singulas.quot; Vorder maakt Beloch p. 44!) uit eene inscriptie C. I. L. 7959 en uit cono plaats in het Liber Coloniarum pag. 23G.11 o]i, dat de stad opnieuw door Augustus is gecoloniseerd. Van een derde nederzetting onder Nero gewaagt Tacitus Ann. XIV. 27: (p. Chr. 60) „in Italia vetus oppidum Puteoli ius coloniae et cognomontum a Nerone apiseunturquot; \')•

Minder goed doorstaat hier Napels don toets. Wat omtrent deze stad is overgeleverd is dit : in Cicero\'s tijd was zij nog een inunicipium, blijkens ad Fum. XIII. 30 : „L. Manluis est Sosis; is tuit Catinonsis, sod est una cum roliquis Neapolitanis civis Romanus factus decurioquo Neapoli; erat enim adscriptus in id inunicipium ante civitatem sociis et Latinis datam.quot; (vgl. ad Att. X. 13. pro Balbo 21 en 55). Eerst voel later in don keizertijd komt zij als colonio voor in eene inscriptie „labentis aoviquot;. C. I. L. 1491, die aan het einde der derde eeuw geplaatst wordt; wanneer precies de stad gecoloniseerd is, is onbekend, maar hot tijdstip dor colonisatie wordt door Beloch niet voor het einde der eeuw en door Mommsen -J onder vergelijking met Milaan in de 3e eeuw gestold.

ad allargaro la notizia, oho no ho desunta dal Burmann, so non avessi tomuto di abusare dolla pazionza dei miei lettori, mepsa gin a cimento troppo duro,quot; terwijl hij daarbij nog wel juist do boven geciteerde glosse weer aanhaalt als voorbeeld van de onschatbare notities in dit glossarium vervat.

1) Nipperdey in zijne Tacitusuitgave p. 182. legt deze plaats zoo uit, dat naast de colonic van 19-1 do oorspronkelijke gemeente als vreemdelingonstad en na don bondgenootenoorlog als inunicipium is blijven voortbestaan, tot ook zij van Nero de titulatuur van colonia ontving en het bestuur beider gemeenten vereenigd werd (vgl. ook Marquardt Staatsverw. II ed. I p. 118 noot 4). Op deze uitlegging steunt do geheele gissing van Haley, die zoodoende twee steden verkrijgt van verschillend karakter, een meer deftige en Latijnscho bovenstad en een Griokscho of liever Oostersche handelsstad aan de kust, en vervolgens met groote behendigheid en naar don oisch van het oogenbiik de romantafroolen beurtelings naar het eene of hot andere staddeel verplaatst. Echter had Beloch reeds p. 95 opgemerkt, dat er bij Tacitus van eene samensmelting der twee gemeenten niet gerept wordt en dat ook het antecedent van Pompeji had kunnen waarschuwen voor liet gevaarlijke van de hypothese dor twee gemeenten naast elkander.

Toch kan mon de hypothese van Nipperdey aannemelijk blijven vinden, mits men zich wel rekenschap geve, dat zijne uitlegging niet iets van elders bekend of iets vaststaands aanhaalt, maar eene gissing brengt ter verklaring dezer plaats en steunende op do gegevens dor plaats zelve; men ziet dan in, hoe precair liet is zonder nadere bevestiging hierop voort te bouwen.

2) C. I. L. X. p. 171.

-ocr page 27-

— 21 -

Wel schrijft het Liber Coloniarum pag. 235: „Neapolim, muro ductn. iter populo debetur ped. LXXX. sed ager eius Syriao pulestinae a Graocis est in ingeribus adsignatus,quot; maar Beloch, die oorspronkelijk door een eoniectuur van Lachmann, luidende: „Sirenae Parthenopaequot; tot do meening gebracht was, dat de stad door Trrus gecoloniseerd was, heeft ingezien, dat in deze opgaven het Campaansche met het Palestij nsche Neapolis verward is, zoodat hij thans schrijft p. 453: „das Zeugniss dieser Quelle hat also hier noch weniger Worth als sonst.quot;

Een nieuw gegeven in dezen door Cocciiia \') aangebracht, is eene in 1890 gevonden en door G. de Petra -) besproken inscriptie ter eere van Alexander Severus, luidende;

Colonia Aurelia Aug.

Anïoniniana Felix Neapolis.

De Petra heeft hieruit opgemaakt, dat de colonisatie van Napels geschied is onder de Antonijnen. Weliswaar biedt misschien het toevoegsel Aug., zooals het hier is ingelascht, eenig bezwaar; eene plaatsing, die niet dan gezocht door ])e Petra uit gronden van eurythmie, om eene verdeoling van het woord Anton ini an a over twee regels te vermijden, verklaard wordt, maar even gewaagd dunkt het mij om met Cocchia uit deze naamplaatsing te willen besluiten tot eene veel vroegere colonisatie, waarvan de ook dan opvallend geplaatst blijvende bijnaam Augusta het overblijfsel zou zijn. In elk geval echter wordt door het bovenstaande althans dit uitgemaakt, dat de colonisatie aanmerkelijk vroeger geschied is dan tot nu toe werd aangenomen. En ook komt de gedachte op, of in dit punt aan de gegevens en de conclusies der geleerden wel zoo volstrekte waarde mag worden toegekend, als wij ons het lot van Cumae herinneren, eerst bepaald als Augusteïsche colonic aangezien en vervolgens naar hot einde der 3Jl\' eeuw verschoven en wanneer wij zien, hoe Napels successievelijk onder Titus, in hot begin der 3do eeuw en in den tijd der Antonijnen gecoloniseerd heette. Althans treedt in deze onzekerheid on tegenstrijdigheid een torzijde gelogde getuigenis naar voren van den dichter Statius. Deze hoeft in de laatste helft der eerste eeuw reeds van Napels gesproken als van eene colonic op de volgende plaatsen; Silv. II. 2. 133: Tempus crat, cum te geminae suffragia torrae Diriperont colsusquo duas veherere per urbes.

Inde Dicarcheis multum venerande colonis,

Hinc adscite meis, pariterque his largus et illis.

en Silv. III. 5.78: Nostra qüoque et propriis tenuis nee rara colonis Parthenope.

\') t. a. p. pag. 24.

2) Napoli colonia Romana. Atti dell\' Acad. di Archool. Lett, e B. Arti. 1892 XVI. p. 57.

-ocr page 28-

„Staatsrechtliche Correethcit im Ansdmck wird Niemand vom Dichter verlangenquot;, laat hier Belooii hooren. Zeker zal geen verstandig mcnsch dit doen, maar het is dan toch frappant, dat de dichter op twee uiteengelegen plaatsen zich aan volmaakt dezelfde onnauwkeurigheid, nog wel zijn eigen moederstad betreffende, zou schuldig maken. Daarom, bij de klaarblijkelijke onvastheid der gegevens van anderen aard zal men wol doen voorloopig rekening te houden niet de woorden van den dichter en verder de mogelijkheid toe te geven, dat de stad, die door hem colonic genoemd werd, ook doorzijn ouderen tijdgenoot Petronuts aldus werd betiteld. En mocht het inderdaad blijken, dat Napels eerst later is gecoloniseerd, dan zou men in de beide citaten van Statius eene onnauwkeurigheid in ecne opgave van staatsinstellingen moeten zien, die den dichter te vergeven is, maar dan zou het tevens te bezien kunnen staan, of men voor een schrijver als Pstronius op punten als deze niet dezelfde toegevendheid zou mogen eischen.

Hierbij sluit zich aan, wat op tb merken is omtrent het laatste hoofd-indicium, de praetorplaats in c. 65. Want van de vier opgenoemde steden, die in aanmerking komen, is Cumae de eenige, waar praetoren werden aangetroffen, zoodat bij een volstrekt laten gelden van de tekstplaats eene bepaling onzer keuzo op Cumae onafwijsbaar is. Zijn wij echter in het eerste hoofdstuk er in mogen slagen aan te toonen, dat de aanneming van Cumae ten eenon male onvereenigbaar is met de eigen woorden van den schrijver, die in c. 48 deze stad uitdrukkelijk uitsluit, cn met alle verdere aanwijzingen in den roman verspreid, dan mogen wij hier dus eens vooral constateeren dat het toekennen van dwingende bewijskracht aan c. 65 leidt tot een gevolgtrekking, geheel in tegenspraak met alle andere gegevens.

Is dit juist en is men dus door de uitkomst wel genoodzaakt, het praetor-citaat als indicium te verwerpen, dan geeft ons deze conclusie ten eerste do proef op de som, dat wij terecht reeds dadelijk in de praetorplaats niet een als zoodanig bedoeld plaatsindicium maar eene literaire vrijheid herkenden, van denzelfden aard als die in het aangehaalde HoR.musvers cn waarvan het aanwezig zijn niet alleen te constateeren, maar waarvan ook de motieven te verklaren zijn. Maar tevens geeft het oen cn ander ons de verzekering, dat wij wel deden, de indicia eerst naar hunne volstrekte geldigheid te onderzoeken en ons af te vragen, of de schrijver hen werkelijk als plaatsaanduidingen of wellicht met andere bedoelingen heeft gebezigd. En zoo wij dan bij de colonie-citaten uit enkele aanwijzingen meenden te mogen opmaken, dat ook zij niet als zuivere plaatsindicia zijn bedoeld, maar dat de schrijver veeleer eene karakteriseering van den persoon des sprekers met hen beoogde, dan moge hot gebeurde met de praetorplaats eene vingerwijzing zijn, dat dezelfde redenen, als voor do eene, ook voor de andere kunnen gelden en dat, waar eenmaal bij dezen schrijver eene dergelijke vrijheid gevonden is, een soortgelijke ook elders is te verwachten.

Ik zou derhalve willen komen tot deze slotsom: er is één gegeven, dat bij

-ocr page 29-

— 23 —

een nader onderzoek als volwaardig heeft stand gehouden; aan dit eonc voldoet Napels volkomen en alleen. Er zijn twee anderen, die beide niet als zoodanig door don schrijver zijn bedoeld cn voor wier gevolgen hij niet aansprakelijk kan worden gesteld; van het eer.e is te bewijzen, dat het als betrouwbaar gegeven te verwerpen is, omdat het tot de keuzo van een onaannemelijke stad leidt; aan het andere, genomen voor wat liet is, beantwoordt Putcoli geheel, Napels minder goed.

Wij zullen nu moeten nagaan, in hoeverre do indicia minora ons dichter bij eene definitieve oplossing van het vraagstuk kunnen brengen.

III.

De voornaamste kleinere aanwijzingen \') omtrent de plaats van handeling bij Pbeteonius zijn de volgende: de stad moet zijn geweest aan zee gelogen (c. 77 en 81), niet ver van Baiae (c. 53 en 104) en Capua (c. 62). Dit, wat de ligging betreft; vorder worden in de stad zelve do volgende gebouwen vermeld: een portions (c. 3, (i, 82 en 5)0), theatrum (c. 90 en 92), amphitheatrum (c. 45), een bad (c. 26, 30, 41, 42, 91, 92, 94, 97), basilica (c. 57), tempels (c. 90), curia (c. 44), popinae (c. 98). fornix (c. 7), crypta (c. 16 cf. fragm. XVI.) villae (c. 61, 62, 77), insulae (c. 95, 96), pinacotheca (c. 83), arcus votus (c. 44), clivus (c. 44), monumenta (c. 62). Als magistraten worden genoemd aedilos (c. 44 en 53 cf. c. 45) en soviri Augustales (c. 30, 57, 65, 71); als beambten vigiles (c. 78). Ten slotte kan hier aan worden toegevoegd do reeds besproken plaats c. 1—7, waaruit blijkt, dat er een druk bezochte rhetorschool was gevestigd.

Veel van het bovenstaande kan slechts dienen om do stad van Trimalchio te bepalen als een groote en druk bevolkte plaats, zio bladz. 9, verder evenwel niet, omdat het opgenoemde geacht mag worden in elke stad van meer beteekonis to zijn voorgekomen.

Toch kan men trachten in enkele dezer aanwijzingen trekken van eene bepaalde stad te onderscheiden on to herkennen. Zoo heeft men gemeend, dat er de volgende indicia waren, die duidelijk op Puteoli wezen. Vooreerst do vigiles, indertijd door FRiEDLiiNDEB -), in de hoop hiermede een eind te maken aan het veel besproken vraagstuk, geidentificeerd met de cohortes vigilum door Claudius te Ostia on Putcoli in garnizoen gelegd. 1) Hiertegen voert Bücheleb pag. IX. terecht aan, dat er niets in de plaats van Petronius is, dat wijst op de militaire brandweer, door Claudius georganiseerd naar het voorbeeld van Augustus, die ze te Rome had ingesteld; er wordt gesproken van een brandweer, zooals die in do grootere steden algemeen zal zijn geweest. \'\')

1

) Sueton. Claud. 25: „Puteolis et Ostiae singulas cohortes ad arcendos incendiorum casus collocavit.quot;

\') Zoo citeert Mommsen t. a. p. pag. 113 vigiles te Lugdunum en Nemausus.

-ocr page 30-

— 24 —

Van de opgenoemde topographische détails zijn tot Puteoli terug te brengen de indeeling dor stad in regiones, de portions, do Indi oircenses, de basilica en de grafmonumenten aan den weg naar Capua. (Belocii, pag. 451). Nu worden echter ook in hot oude Napels en do overige groote steden van Italië regiones aangetroffen, vgl. Belocii p. 69 en 129, zoodat dit niet als specifiek voor Puteoli kan geldon. Verder is het zeker, dat in de stad van Petronius uitgebreide gaanderijen voorkomen en dat deze, evenals waarschijnlijk in meer steden van belang, ook in Puteoli werden aangetroffen; zoo noemt Ciceeo aldaar de portions Neptuni. (Acad. pr. II. 25. 80). Do c. 10B genoemde portions Heroulis hierheen te verplaatsen alleen, omdat er meer gaanderijen waren, kan evenwel slechts een gissing zijn, volgende uit oen gevallen beslissing ten gunste van Puteoli, nooit een argument tot het aannemelijk maken van die keuze. (vgl. Belocii p. 134 en 451.) Ik noemde nog do basilica en zou or nog oen theatrum en amphithea-trum, beide te Puteoli aanwezig en in do stad van Trimalchio voorkomend, aan kunnen toevoegen, wanneer er aan deze aanwijzingen, zoolang zij algemeen blijven, veel waarde te hechten was; terecht ovenwei merkt Haley, overigens do voorstander van Puteoli, van doze en de besproken gebouwen op: „sed his rebus baud ita multum auctoritatis tribuendum est; talia enim et in aliis urbibus orant.quot;

Belangrijker is do overeenstemming, die Belocii aanwijst tusschen de oircenses c. 70 en hot oircus to Puteoli. Maar FuiEiH.under merkt op pag. 30G zijner uitgave op, dat, al hoeft Puteoli in later tijd oen eigen circus bozeten, toch nog ton tijde van Juvenalis \') oven min daar als elders in Italië circusspolen gegeven worden, zoodat ook dit argument als vervallen kan worden beschouwd.

Ten laatste komen do grafmonumenten aan den weg naar Capua in aanmerking. Gaarne plegen hier de woorden geciteerd te worden van Belocii, die de via consularis, looponde van Puteoli naar Capua, aldus beschrijft -); „Hier beginnt die grossartigo Graberreihe, die dioso Strasse in raehr odor weniger unterbrochener Folge mehr als vier Miglien oinfasst. Es ist etwas orgreifondes, dieses moilonlange Wandern durch die einsame Todtenstadt; hier mehr als irgendwo sonst wird man inne, dass Puteoli oine Grossstadt goweson ist.quot;

Met allo waardoering voor hot treffende dezer beschrijving mag men toch vragen, waarom het juist deze imposante weg moet zijn geweest, dien Petronius op liet oog had. Het is oen verhaal van twee eenvoudige lieden, een slaaf en oen soldaat, die zich \'s morgens vroeg op reis begeven: „apoculamus nos circa gallicinia, luna lucobat tanquam meridie. venimus intra monimenta: homo mens coopit ad steins facero, sedoo ego cantabundus et stolas numero.quot; Er is hier niets, dat noodzaakt juist to denken aan die grootscho scenerio van de via consularis. Integendeel de monimenta worden genoemd als iets zoor gewoons, iets van zelf sprekends, als een gebruikelijke plaatsaanduiding en do geheole uitdrukking is

\')

2)

Cf. Juvenal. XI. 53 on III. 323. T. a. p. pag, 143.

-ocr page 31-

— 25 —

equivalent met: wij komen buiten de poort of buiten de stad. En feitelijk zijn grafteekens langs de hoofdwegen iets zeer gewoons, in Napels vindt men ze bij alle poorten, (Bklocii p. 78.) en als Friedlünder in zijne inleiding liet type vaststelt van de Italiaansebe stad en hare omgeving, mogen zij ook niet ontbreken, (p. 19 en 21.)

Eindelijk kan volledigheidshalve vermeld worden, dat Haley p. 40. het feit releveert, dat in de inseripties van beneden-Italie slechts te Puteoli en te Regium melding wordt gemaakt van seviri Augustales. Veel gewicht zal men echter voorloopig aan deze omstandigheid niet mogen toekennen; vooreerst omdat het ook hier weer geldt uit een stilzwijgen tot een ontbreken te besluiten en dan, omdat, naar Haley\'s eigen getuigenis, de verhouding tusschen de Augustales, die zeer veel, zoo onder anderen te Napels, Cumae, Herculaneum, Capua, etc. \') voorkomen aan de ééne en de seviri of voluit seviri Augustales aan den anderen kant nog hare zeer duistere en ingewikkelde zijden heeft. Is de zienswijze van Mommsen en Friedlünder juist, welke laatste o. a. als zijn zegslieden citeert J. Schmidt, De Seviris Augustalibus. Hallo 1878. cn Hikschfeld, Zeitschrift für Oesterreich. Gymnasien 1878. p. 291, dan is in do sever! van Zuid-Ttalië niets anders te zien dan een bestuurs-college van eene corporatie Augustalen; zulk een college kan overal verwacht worden, waar Augustales voorkomen en de veronderstelling, dat de seviri bij Petronius uitsluitend op Puteoli moeten doelen, vervalt zoodoende.

Wanneer wij thans ons tot Napels wenden, zal het onnoodig zijn aanwijzingen als de regiones en de monimenta, die wij reeds als behalve op Puteoli ook op de meeste andere groote steden en op Napels toepasselijk kenmerkten, opnieuw te behandelen. Wij gaan dan over tot do crypta in c. 16, waarin het heiligdom van Priapus zich bevond. Bij hot ontbreken van nadere gegevens is het aangewezen, hior to denken aan do moest bekende en grootste grot in de omstreken van Napels of Puteoli, nl. de crypta Neapolitana, gelegen buiten Napels op den weg naar Putooli -). Te meer is er reden tot dit vermoeden, omdat deze crypta uitdrukkelijk genoemd wordtin fragm. XVI: „satis eonstaret cos nisi inclinatos non solore transire cryptam Neapolitanam;quot; zonder tegenbewijzen ligt het voor do hand beide cryptae te idontiiiceeron, vooral daar Petronius zoo zelden namen noemt on zijne aanwijzing hior dus dubbel kostbaar is en verder, omdat de zin van het fragment zich zoo goed bij c. 1(1 aansluit. Want dc crypta wordt daar voorgesteld als voorzien van een heiligdom van Priapus en zoo vol van geesten, dat men er eerder oen god dan oen mensch kon aantroften; hot zal nu niet te gewaagd zijn hieraan on aan bijgeloovige angst to donken, als Petronius zegt, dat sommigen niot anders dan voorovergobogon en weggedoken de crypt plachten door te gaan.

\') Zie Belocii t. a. p. pag. 44. 156, 223. 330 cn passim.

-) Dat Mommsen denkt aan de grot te Cumae, is alleen er aan toe te schrijven, dat zijn keuzo eenmaal op Cumae was gevallen. Studer meende, dat dc grot in de stad moest liggen, maar is met succes weerlegd doorCoconiA p. 31.

-ocr page 32-

— 26 —

Eon tweede indicium is vervat in c. 81 on vlgg. Encolpius zookt op een ,locum secretum ct proximum litoriquot;, daarna vertelt hij „mox in publicum prosilio furentisque more omnes circumco porticus.quot; Ten slotte „in pinacothecam pcrveni vario genere tabularum mirabilemquot;, waar hij door verschillende amoureuze schilderstukken aan zijn eigen smart herinnerd „tanquam in solitudine\'\' zijn gemoed lucht geeft in ontboezemingen en „cum ventis litigatquot;. Nu is do eenige schilderijengalerij, waarvan wij weten in deze stroken, die, welke Phii.Osïratus , een tijdgenoot van Septimius Severus, in hot proemium zijner Hixóvn;, vermeldt als gelegen in dc voorstad van Napels. En ook verder is er eone treffende overeenstemming tusschen zijne woorden en die van Petboniüs, als hij zegt; „iidifAt\'O»\' S\'é^u) loi\' isi/ovj se nQontrisio) tergnfi/iévui Jigó,\' (tuXmiay, ir lt;•gt; atod Tt - è.!-u:gt;(odó[li/to xniri Zèqwyov uvamp;fiov t.nï TEli\'iymv inuui jj y.ul névte ooognwc, cKpoyümn f\',\' ró TvQQtjvixov Tiéknyoi.

Waar nu Peïeonius van gaanderijen en een pinacotheek in een stille buurt aan zee en Piiilosïratus van een schilderijengalerij in de voorstad buiten do muur mot uitzicht op de Tyrrheensche zee spreekt, is men gerechtigd in deze overeenkomst meer dan oen spel van hot toeval te zien en haar te aanvaarden als oen gegeven ter bepaling van do door Peïeonius beschreven stad \').

Misschien mag hier ook do volgénde plaats genoemd worden. In het reeds meermalen besproken hoofdstuk 61. begint Niceros zijn verhaal met do volgende woorden; „cum adhuc servirom, habitabamus in vico angusto; nunc Gavillao domus est.quot; Het opvallende in deze mededeeling schijnt de nieuwere uitgevers te zijn ontgaan; zoo vertaalt Priedlünder: „alsich nochdiente, wohnten wir in einer ganz engen Gasse, jotzt gehort das Hans der Gavillaquot;; alleen oen Fransche vertaler van Petroniüs, Hkguin de Guerle 2) schijnt iets van hot bezwaar gevoeld te hebben; hij geeft: „J\' étais encore en service, et nous habitions cette petite rue oü est maintonant la maison de Gaville.quot; De moeiolijkheid is namelijk deze, dat oen vage aanduiding als vicus augustus hier misplaatst is. Evenals in c. 44., als er de woonplaats van iemand te sprake komt, een bepaalde naam wordt opgegeven: „memini Safinium, tune habitabat ad arcum veterem,quot; zoo verwacht men ook hier oen straatnaam. Verbeeld u, dat iemand onder inwoners van een en dezelfde stad als hij, een verhaal begint: „wij woonden toen in een nauwe straat, het huis is nu van Gavilla.quot; Natuurlijk noemt hij, zoo hij zijne hoorders wil oriënteeren, don naam van de straat en Iaat er dan ter nog nadere preciseering den naam van de tegenwoordige bewoners van hot huis op volgen, eone toevoeging, die zonder voorafgegane aanwijzing van den straat in de lucht hangt. Deze zoo allodaagsche zaak spreekt genoeg voor zich zelve, zoodat het overbodig is nog

!) Tevergeefs hebben Jannelli en Studer getracht aan dozo parallel hare waarde te ontnemen; wat Cocchia p. 32 togen hen aanvoert, mag als afdoende beschouwd worden.

Oeuvres completes de Pétronc avec la traduction frangaise de la collection Panckoucke par M. Heguin de Gukrle. Paris. Garnier frères.

-ocr page 33-

te vragen, wat de nauwheid der straat hier af zou doen en wat het tor zake doet, of zij woonden „in einer ganz en gen Gasse.quot;

Evenwel hier wacht een teleurstelling; tevergeefs zal men liet werk van Beloch naslaan om een straatnaam te vinden, die hier met voeg kan gesubstitueerd worden. Alleen in Napels is de naam van één straat bekend, de vieus Lampas, die evenwel voor de Petronimplaats onbruikbaar is. Zoo is het voorloopig niet mogelijk eene overtuigende verandering voor te slaan; ook do eoniectuur van Ohiolius, die blijkbaar ook een naam hier zocht en daarom angusto in Augusto veranderde, mist do gewenschte topographische bevestiging. Blijft dus voorshands de hier verscholen aanwijzing ons ontzegd, zoo kan er toch op worden gewezen dat de benaming vicus, hoewel ook in andere steden af en toe voorkomend, toch mag worden beschouwd als een benaming, die juist voor Napels typisch is. Beloch schrijft p. G9 hier over; „Wir sehen also, dass die Kardines Neapels damals wie heut als vici (griechisch (rrefmnoL) bczeichnet wurden. Die Decumani hiessen noch im Mittelalter plateae (nhtteini).

Reeds zijn in het voorafgaande ter sprake gebracht do capita 1—7, waaruit blijkt, dat in de stad van Trimalchio een rhetorschool is, waar een talrijke schare de welsprekendheid bestudeert. Hierin ligt niets, dat op Puteoli wijst; integendeel, men is voor het geestelijke leven van Puteoli op twee weinig zeggende plaatsen van Gellius en Plinius \') aangewezen en uit dat stilzwijgen zal men mogen opmaken, wat reeds in den aard der dingen lag, dat namelijk in deze haven en handelstad do geestelijke belangen terug moesten treden voor dc stoffelijke. Hoe anders is dit bij Napels en hoe van zelf wordt de lezer van c. 16 en 88, 89. er toe gebracht te denken aan deze stad, -) de docta Neapolis van Martialis, de dulcis Parthenope van Vergilius, de stad, waarheen van heinde en verre de studeerende jongelingschap samenstroomde en waarover o. a. dezelfde Phii.ostratus t. a. p. zich aldus uitlaat: dat er „i]v ulv « ror,\' NeanoXixaus uydiv, ij fit- noi-is vv [xnXia roxterrat j\'fco; quot;KWijVRi xnt!. uinv/.oL, ó\'amp;ev ynv ra,- (rnoviïa; liiiv Xoyoiv \'fïXXr/t\'ixni ti(fr fiovlofiévu) tié ftoi tu,\' fieXirn; /ii/ èv roi qpavegw noielaDni Tinofuyey o/Xor ra [iBiQcixia ipoiTuivia trcl Tijv oixlnv xov ^évov.quot;

Ik ga eenige kleinere aanwijzingen, door Cocchia besproken, zooals dc clivus en do arcus vetus voorbij, omdat in dezen zekerheid niet bereikbaar schijnt, om te komen tot de slotsom, waartoe het bovenstaande leiden moet. En dan vinden wij, dat het resultaat van onze bespreking der kleinere indicia volkomen strookt met dat, verkregen bij het onderzoek der grootere; waar men meende een enkel gegeven op Puteoli te mogen terugbrengen, vonden wij, dat het zaken gold, die, zoo niet in elke, dan toch in menige groote stad te vinden waren; daarentegen kwamen aan Napels eenige aanduidingen ton goede, die voor deze stad karakteristiek waren en elders niet konden worden aangewezen.

\') Gellius XVIII. 51; Plin. N. H. IX. 24. -) Vgl. Beloch p. 56.

-ocr page 34-

— 28 —

Uit de grootere indicia hadden wij opgemaakt, dat de stad van Tbimalchio behalve Cumae ook Puteoli bezwaarlijk kon zijn, terwijl de mogelijkheid, dat zij Napels was, niet was uitgesloten; vinden wij nu door de kleinere deze conclusie bevestigd, dan zijn wij gerechtigd tot do verklaring, dat do bij Petronius voorkomende gegevens het waarschijnlijk maken, dat de schrijver zich Napels heeft gedacht als omgeving van Tbimalchio en do zijnen.

IV.

Kan men nu vrede hebben met het meer of minder zwevende van den verkregen uitkomst, of moet de onmogelijkheid een stad te vinden, die met één slag aan allo eischen voldoet, ons brengen tot verwerping van hot goheele onderzoek en tot de ontkenning, dat Petronius oen bepaalde stad van Campanie aangewezen heeft als plaats van handeling der cena? De aard toch der ons ten dienste staande gegevens, die allen min of meer vaag zijn en elkaar een enkele maal zelfs schijnen tegen te spreken, en verder het opvallende van do omstandigheid, dat de schrijver in de cena en het daarmede plaatselijk samenhangende nergens de stad der handeling noemt, hebben de gissing mogelijk gemaakt, dat Petronius zelf misschien niet een bepaalde stad op het oog had, maar, naar den trant van moderne romanschrijvers, in het algemeen Campaansche toestanden beschreef in oen ongenoemde, onbestaande stad. Op dezen uitweg had Bücheuou roods voorzichtig gewezen door te schrijven op p. VIIII: „itaque caveamus oportet, ne arbitrario iudicio interpretati verba scriptoris, qui fortassc unam et eandem coloniam ne ipse quidem statuerat, praepostere nos alteramutram dccernamus;quot; en in den laatsten tijd is deze oplossing opnieuw aanbevolen door C. Haeberlin l), die zelfs zoover gaat van te spreken van miskenning van het wezen des romans door hem, die zich gaarne een bepaalde en bestaande stad gedacht had, als achtergrond van de gebeurtenissen der cena.

Zeker zou op deze wijze met éénmaal aan alle moeilijkheden een eind zijn gemaakt. Maar al dadelijk stuit men op het volgende bezwaar; hoe is de genoemde onderstelling te rijmen met het feit, dat het laatste gedeelte der ons bewaarde fragmenten zeer zeker afspeelt in een bepaalde stad, die tot drie malen toe uitdrukkelijk genoemd wordt. Redenen van aesthetischen aard en het wezen dos romans betreffende waren er dan toch hier niet langer, die den schrijver weerhielden een bestaande stad te kiezen. En, hoe kan men den auteur de inconsequentie en een de gansclie eensoortigheid van het verhaal storenden overgang toedichten, dat hij zijne personen uit eene fantasiestad laat afreizen en te Croton

\') Berl. Phil. Wochenschr. 24 Nov. 1894. No. 48.

-ocr page 35-

— 29 —

in de volle werkelijkheid uit do lucht laat vallen. En dan, zonder nog te willen vragen, wat de schrijver voor motieven zou gehad hebben, om, zoo hij zijne stad reeds zoover aanduidde, dat zij in Campanie en aan zee lag, ze dan niet ook ton volle te preciseeren, mag men er op wijzen, dat de détails van lokalen en anderen aard, al zijn ze ter onmiddelijke definieering der beschreven stad naar onzen wensch dikwijls vaag genoeg, toch nog to talrijk cn te duidelijk zijn, dai; dat een schrijver ze kon bezigen in een fantasiestad en dat bij voorbeeld een specificeerende uitdrukking als „urbs Graccaquot; bepaald onmogelijk wordt \').

Mag men daarom aannemen, dat de schrijver een bestaande stad als woonplaats van Trimalchio heeft aangewezen, een andere vraag is het, of deze stad door hem scherp is getypeerd. Dat dit niet het geval is, lag reeds besloten in de opmerking omtrent hot weinig precieze en afdoende dor plaatsaanduidingen. En dat, terwijl honderd capita in deze zelfde stad afspelen, het zoo moeilijk is uit te maken, waar het verhaalde voorvalt, is, dunkt mij, wel het boste bewijs, hoe weinig geprononceerd het karakter der stad door don schrijver is aangegeven, hoe weinig bij hem de plaats van handeling in hare eigenaardigheden naar voren komt, maar integendeel slechts als flauwe achtergrond is gehouden. Vandaar, dat men zoo weinig vat had op de mcdedeelingen van deu auteur omtrent de plaats van handeling en dat deze quaestie, die telkens uitgemaakt scheen, telkens weder de beslissing ontglipt bleek. En zoo kon het ook, dat Napels en Puteoli beurtelings door verschillenden werden voorgesteld en verworpen; de trekken van het beeld waren zoo onzeker en weinig sprekend, dat men tusschen twee steden kon weifelen, die, hoewel onderling zeer verschillend, toch voldoende gelijkenis vertoonden mot de beschreveno. En omgekeerd het aannemen noch van de eene noch van de andere hoeft eenigen merkbaren invloed gehad op de verklaring en opvatting van den tekst, zij hebben geen van beiden veel nieuw licht geworpen op welk tekstgedeelte ook en ronduit gezegd, of do cena to Napels of te Puteoli voorvalt, hot doet ten slotte weinig af tot de waardeering van dit romanfragment; wol oen afdoend tegenbewijs van het ondergeschikt belang, dat aan do plaatselijke omgeving zijner personen door den schrijver werd toegekend.

En, gelijk uit andere teekenen was op to maken, er was van dezen schrijver ook niet te verwachten, dat hij oen uitvoerige en volgehouden karakteristiek dor stad zou geven. Vooreerst kon het voorbeeld van Croton leeren, hoe onze auteur de omgeving zijnor figuren pleegt te bohandolon. Wij weten in de laatste hoofdstukkon van het bewaard goblevene, dat het Croton is, waar Encolpius mot zijn gezelschap is aangekomen; c. 116. 124. 125 is doze stad mot name genoemd en als impositum arce sublimi oppidum, als urbs antiquissima et aliquando Italiae prima beschreven. Verder evenwol gaat do kenschetsing door don schrijver niet en tevergeefs zal men hier naar nadere by zonderheden of plaatselijke eigenaardighedeu

\') Zie ook FbieduIndeii in Bursian\'s Jahresberieht. XIV. p. 171.

-ocr page 36-

— 30 —

der stad zoeken. Want Croton is hem slechts een plaats van nieuwe avonturen van Encolpius en slechts in zooverre van belang, als zij aanleiding kan zijn tot nieuwe verwikkelingen en kluchtige voorvallen; vandaar niet alleen, dat hij zich op een verdere détailbcschnjving niet inlaat, maar ook, dat zijne fantasie zich van deze toenmaals weinig bekende en bezochte stad meester heeft gemaakt en o]) do enkele, weinig zeggende aanduidingen, aan de werkelijkheid ontleend, onmiddellijk een zeer uitvoerig maar geheel fantastisch tafreel laat volgen. Of zou iemand eenc ernstig bedoelde en de waarheid getrouwe beschrijving \') willen zien in eene tirade als de volgende: „in deze stad worden do letteren niet beoefend en heeft de welsprekendheid geen tehuis; ingetogenheid en reinheid van zeden komen er tot eer noch vermogen, maar weet, dat alle menschen, die gij er zien zult, in twee partijen zijn verdeeld. Want zij worden gejaagd of jagen zelf. In deze stad brengt niemand zijn kinderen groot, omdat, wie er natuurlijke erfgenamen heeft, niet tot feesten noch tot voorstellingen wordt toegelaten, maar van allo genietingen wordt buitengesloten en verbannen onder de menschen zonder fatsoen. Maar zij, die nooit gehuwd zijn en geen naaste verwanten hebben, komen er tot de hoogste eereposten, zij alleen heeten flink, menschen van karakter en eerlijk. Gij zult een stad vinden, ging hij voort, als velden in tijden van pestziekte, waarop niets te zien is dan lijken, die verscheurd worden, en raven, die verscheuren.quot; Wat hierin anders te zien dan een nieuwe inval van den comicus, die den opzet zal vormen van de gansche klucht van den rijken erfoom, welke Eumolpus te Croton gaat vertoonen en onder een tal van vermakelijke verwikkelingen en intermezzo\'s zal weten vol te houden. En het wil mij voorkomen, dat juist de gedeelten, volgende op het geciteerde, vooral geschikt zijn om zich een begrip te vormen van de belangrijkste eigenaardigheden van het werk van Petkonius. Do cena toch staat ten slotte als uitweiding, als episode afzonderlijk en buiten het romanverband, de handeling staat daarin volkomen stil en het gansche lange fragment maakt ons niets wijzer omtrent den overigen roman; integendeel het weinige, dat men daaromtrent bij gissing kan trachten te reconstrueeren, steunt alles op het buiten de cena bewaard geblevene. Maar een zuiver staal van de kunst van den schrijver, van zijne uitbundige fantasie, zijn kostelijken geest en van het forsche zijner behandeling bezit men in dit verblijf te Croton met Eumolpus, die den ziekelijken, kinderloozen rijkaard speelt, op reis om het verdriet over zijn gestorven zoon te verzetten, met de zinnelijk-fraaie episode der ontmoeting tusschen Encolpius en Circe, met de groteske scene in de cel der priesteres, met do ganzen van Priapus en de beschonken, oude toovenaarsters; met de eerzame matrone Philomela, die ook op erfenissen uit is en bij wier bekoorlijke dochter Eumolpus uit zijn rol dreigt te vallen en ten

\') Mommsen C. I. Ij. X. p. 14: „deinde Croton nominatur tantummodo nisi quod mores corruptos incolis exprobrat Petkonius.quot;

-ocr page 37-

— 31 —

slotte met het testament, waarin Eumolpus zijn erfgenamen oplegt, het lijk van den erflater gezamenlijk op te eten \').

Vinden wij dus in een voor den schrijver zoo karakteristieke passage als deze een bepaalde stad genoemd, maar verder een veronachtzaming van onnoodige détailleering cn zelfs een zeer vrije behandeling van do werkelijkheid en een dienstbaar maken aan hoogere belangen van conceptie en planontwikkeling, zoo mag ons dit een voorbeeld zijn, hoe wij ook elders ons de omgeving der personen behandeld moeten donken, vooral wanneer onze bevinding in dezen zoo volkomen in overeenstemming is met wat omtrent een gelijksoortig punt, omtrent den tijd van handeling valt op te merken. Want ook hier treft men hot verschijnsel aan, dat niemand er aan twijfelt, of de schrijver heeft zijn verhaal geplaatst in een bepaalden tijd, maar, dit eenmaal toegegeven, hoe los is dan verder de band van chronologische eenheid gehouden, hoe weinig heeft de schrijver zich gestoord aan een volhouden van den eenmaal gekozen tijd en hoe vele en hoe velerlei anachronismen heeft hij zich veroorloofd, zoowol alleenstaande als doorloopende, al naar de inval van het oogenblik of de opzet van het gansche verhaal medebracht. Zoo is do quaestie van den tijd van handeling volmaakt het pendant van die van de plaats, dezelfde weinig vaste en dikwijls tegenstrijdige gegevens, en dezelfde

\') Met Croton pleegt bij een tor sprake komen van de plaats van handeling bij I\'etronius, Massilia in een adem genoemd te worden, sints Bücheler p. VII uit fr. I en IV opmaakte, dat in hot ontbrekende eono episode te Massilia speelde. Waar nu conclusies worden getrokken als deze: „im Algemeinen siebt man wohl, dass der Verfasser mit Vorliobc seino Darstellung in die Gogenden verlegt, wo aut\' ursprünglich griechischer Cultur spiiterhin die Italische sich angesiedelt hatte — so nach M assalia; so nach Kroton; so vor allem in das Gobiot der campanischen Griechen,quot; (Mommsen t. a. p. pag. 107) daar mag herinnerd worden aan bot toch altijd nog zeer problematische dezer gansche zaak wegens het onzekere van Büoheler\'s bespreking en uitlegging van fr. IV, twijfelachtig om do verklaring der duistere woorden „sacri stipitis per hortos Massiliensium colonumquot; en de ideutifl-ceering van Fetronius met den hoofdpersoon Encolpius. Noch do schrijver, noch vooral Encolpius zijn „par Priapoquot; te noemen, in weerwil van wat Bücheleii aanvoert; integendeel de intrigue van don roman is de toorn van Priapus, die Encolpius vervolgt on wier booze uitwerking zich juist in oen verkwijning openbaart van hot dezen god karakteristieke lichaamsdeel, zoodat don held in do hartstochte-lijksto oogenblikken zijn krachten ten eenenmalo begeven, hetgeen hem weder eon reeks van onvriendelijke bojogeningen op don hals haalt. Vgl. bot geheele Circeverhaal on verder plaatsen als c. 140 „sod mo mnnen inimicum ibi quocpie invenitquot; c. 105. „Lichas, qui me optime noverat, — accurrit et nee manus nee faeiem meam considoravit, sed continuo ad inguina mea luminibus delloxis movit officiosam manum et „salvoquot; inquit „Encolpi.quot; en hot slot van c. 140.

Uit fr. I valt niets af te leiden. Zeker heeft het kunnen voorkomen in eene episode, die te Massilia speelde, en men kan zich verlustigen in het komische van het geval, als bijv. iemand als Encolpius door den schrijver in de rol werd gebracht van den armen drommel, die oen jaar lang op staatskosten publicis sumptibus et purioribus eibis werd onderhouden om na afloop als piaculum gesteenigd te worden. Maar evengoed kan hot als anecdote ingolascht geweest zijn, gelijk de verhalen over do Indische volkstammen, aan Herodotus ontleend, cn over de Saguntijnen en Numantijnen in c. 141.

-ocr page 38-

— 32 -

uiteenloopendo gissingen der geleerden, als gevolg van een zelfde wijze van behandeling door den sehrijver, die, bij verloren gaan van een bepaalde opgave. het zoo bezwaarlijk maakt nog tot een zeker resultaat to komen. Als indicia van tijd toch vinden wij: de maand Augustus, die c. 53. Sextilis heet; de keizer, die e. CO. Augustus, pater patriae wordt betiteld; de Falernum Opimianum annorum centum c. 34; hetgeen alles wijst op de regeering van Augustus; het verhaaltje van het onbreekbare, buigzame glas c. 51, voorts do bijnaam Maecenatianus en de leeftijd van Trimai.chio, die aan den tijd van Tiberius, do naam Apelles c. 64, die aan Caligula en Menecbates e. 73., die aan Nero doet denken. Derhalve tot welk tijdstip van handeling ook men zich zal hebben gedecideerd \') — en hot kan do bedoeling niet zijn, hier nader op deze quaestie in te gaan — er zullen toch altijd een zeker getal gegevens moeten overblijven, dio met de gevallen keuze niet zijn ovcreentebrengen en als anachronismen behooren te worden erkend, terwijl in do cona zelve, welke van de vroegere koizerregeeringen men dan ook moge uitgekozen hebben, altijd deze doorloopende onregelmatigheid blijft bestaan, dat de schrijver bij een verplaatsing van zijn werk in een historischen, verleden tijd toch in deze episode de modes en liefhebberijen van zijn eigen, den zuiver Neronischen tijd hoeft beschreven en gepersiffleerd.

\') Dat de uitkomsten der geleerden zoo zeer uiteen loopon is voor een deel te verklaren uit het verschillend punt van uitgang door Bücheler, Mommsen, Friedlünder e. a. aangenomen, liet minst zekere is wol do leeftijd van Trimal-ciiro, do grondslag van het betoog van Fkiedlünder, die aan de laatste jaren van Claudius of aan hot begin van de regeering van Nero denkt. Daar Trimalciiio\'s ouderdom slechts werd aangeduid als die van een sonex calvus (c. 27), aan wien nog dertig levensjaren zijn voorspeld (c. 77) en die nog aan oone nakomelingschap kan denken (c. 74), kan men op dit punt door oen zuinige of een meer vrijgevige berekening de niet onbelangrijke speling van nagenoeg twintig jaren bereiken; Friedlünder staat in dezen wel aan het oone uiterste door TrtmaLciiio 75 jaar oud te laton zijn, maar in elk geval is het weinig precieze cn afdoende van deze aanwijzingen in hot oog vallend.

Het komt mij voor, dat van alle gegevens omtrent het tijdstip der handeling er slechts één is, dat de auteur zelf als zoodanig heeft bedoeld, terwijl alle overige toevallige en terloopscho aanduidingen zijn, waarbij men in meerdere of mindere mate kan denken aan gewilde of onwillekeurige anachronismen of onnauwkeurigheden. Maar als in c. 53 de maand Augustus, welke benaming in den tijd van Petronius reeds meer dan con halve eeuw lang in zwang was, door den actuarius Sextilis genoemd wordt, dan is dit eenc bewuste en opzettelijke verandering door den schrijver aangebracht, waarvoor geen andere reden te bedenken is dan dat zij het verhaal in toon met do eenmaal aangenomen tijdsperiode moest houden. Aan deze opmerking wordt haar kracht niet ontnomen door hot beweren van Frtediünder, dat de oude benaming onder het volk bleef voortleven, waarvoor hij geen bewijs bijbrengt, of hot zou de betwiste plaats zolf moeten zijn, terwijl tevens niet duidelijk is, waarom de actuarius van Trimalchio deze uitdrukking uit don volksmond in zijn relaas zou hebben opgenomen.

Het zij mij vergund nog een oogonblik stil te staan bij de juist geciteerde plaats, omdat er uit te leeren valt, welke moeilijkheden het angstvallig narekenen van dezen schrijver ook in kleinere quaestios bereidt. Do actuarius leest voor; „den 20°quot; Juli op hot landgoed van Trimalchio bij Cumae geboren 30 jongens, 40 meisjes. Van do dorschvloer in de schuur gebracht 500.000 schepel tarwe;

-ocr page 39-

— —

Blijkbaar was het geduldig volhouden van do fictie don schrijver te bindend en oordeelde hij het niet noodig in zaken als plaats en tijd van handeling, die, zooals hij zich zijn werk voorstelde en bij do door hem gezochte effecten van gansch anderen aard, bijkomende dingen waren, zich in hot vervolg van hot verhaal, nadat do lezer cons vooral georiënteerd geacht mocht zijn, al te zeer in acht te nemen voor vrijheden en extravagances. Ons echter, voor wie do uitdrukkelijke aanwijzingen van den schrijver verloren zijn gegaan, heeft hij het or niet gemakkelijker op gemaakt door zijn luchthartig omgaan met plaats en tijd, als wij tut do vluchtige on onsamenhangende trekken oeno gelijkenis moeten opmaken, die uit don aard niet verder gaan kan dan een tennaastebij.

Dat men in weerwil hiervan bij Petronius eene correcte wedergave van de localitoit der handeling verwachtte on daarom in oeno oplossing van het vraagstuk bij benadering niet kon berusten, is hieraan to wijten, dat Petronius nu eenmaal voor den roalistischen romanschrijver doorging. Do aosthotischo overtuiging, dat, gelijk Mommskn \') het uitdrukte, de volle realiteit der in den roman veronderstelde omstandigheden aangenomen mag en moot worden, dood de geleerden met vertrouwen zoo gedecideerd partij kiezen voor deze of gene stad. Hot boek van Pkteonius was zoo dikwijls een realistische roman genoemd, dat eischen, aan deze moderne kunstuiting te stellen, over worden gebracht op hot antieke geschrift.

Nu zal niemand ontkennen, dat, wat men realiteit ploegt te noemen, aan

500 ossen gedresseerd. Op denzelfdeu datum: Do slaaf Mitiibidates is aan hot kruis geslagen, omdat hij den genius van onzen heer verwenscht had, enz.quot; Men heeft getracht uit deze woorden don datum van hot gastmaal op te maken. Bücheler p. fil denkt hier aan een halfjaarlijkschen staat en plaatst de cena op 29 December (praof. p. VIII.) Opmerkelijk blijft dan echter, dat niet alleen een hall\'jaarlijksche rekening, maar ook gebeurtenissen als oen terechtstelling on oen brand, op 26 Juli voorgevallen, eerst op 29 Doe. tor konnis aan don heer worden gebracht. Tevens schijnt do ironische vraag c. ó8: „rogo, monsis December ost?quot; deze maand uit te sluiten. Daarom noemt Priedlünder do maand Januari als tijdstip van het gastmaal aan. Evenwel, nog afgezien van de afkortingen en uitlatingen, die Friedlünder in do boven goeiteerdo tekstplaats onderstelt, thans ontstaat oene moeilijkheid in e. 30, waar vermeld wordt eene inscriptie aan de deurpost van do eetzaal; „den 29™ en 30cn December eet onze heer buitenshuisquot;. Want zoo deze diners roods hebben plaats gevonden, is niet in te zien, wat deze inscriptie nog langer wil. Verder, als hot maal in Januari valt, loopt dodoor den actuarius voorgelezen rekening over hot vorige jaar, en wanneer dan een park in Pompeji genoemd wordt en Tuimalchio vraagt, wanneer dit gekocht is en de klerk antwoordt: „anno priore et ideo in rationom nondum vonerunt,quot; dan worden deze woorden zinledig, als do geheele rekening over hot vorige jaar loopt en hot Pompejaansche park daarin voor het eerst genoemd wordt.

Wil men derhalve aan een bepaalden en door den schrijver volgehouden datum denken, dan kan men, daar er uitingen zijn, die opeen plaatsvinden in het najaar of den winter wijzen (vgl. c. 41. „dum vertas te, nox lit — et mundum frigus habuimusquot;), het einde van November als tijdstip aannemen, hoewel echter ook zoo do tegenstrijdigheid met de dateering op 2(i Juli van het actuarius-relaas on het daarin komende en wel te onderscheiden element van dagelijksche gebeurtenissen onverklaarbaar blijft.

\') t. a. p. pag. 108.

-ocr page 40-

— 34 —

het werk. van Peïronius ton grondslag ligt. Maar het is niet de werkelijkheid om haar zelve bestudeerd en weergegeven, noch ecno, die aan zich zelve genoeg heeft; zij staat hier in den dienst van andere bedoelingen en van hoogere belangen. Men behoeft nog niet te denken aan de fraaie hypothese van Klehs \'), die, door den toorn van Peiai\'Us als leidend motief van den roman te herkennen, „een komiscli-fantastischen band vond, die de levendige schilderingen der werkelijkheid omstrengelde,quot; om ook in de bewaarde fragmenten op te merken, dat het realisme van Pjctbonius, waaronder ik hier zou willen verstaan de kunst van eene natuurlijke voorstelling der personen en gebeurtenissen; een kunst, waartoe verbeelding en intuitie even goed, als groote opmerkingsgave hebben samengewerkt, dat deze kunst liet uitdrukkingsmiddel is van eon dringende scheppensbegoerte, van een kostelijk groote vindingsgave en bovenal van oen heerlijke argolooze fantasie, die in haar welbehagen haar eenigsto gebod vindt. Het werk van Petiio-nius is, wanneer men het in weinige woorden en naar zijn meest wezenlijke eigenschappen zou willen benoemen, oen fantastisch verhaal on voel dichter dan bij de moderne schrijvers, wier namen de botitoling van realistischen roman in de herinnering roept, staat deze schrijver bij do antieke comodiedichters -). Hij is aan hen verwant door zijn geest en door den goddelijken overvloed van zijne vinding, maar ook, doordat bij alle virtuositeit in hot voorstellen van zijne modemenschon, groot of klein en vooral do kleineren, de groote persoon van den maker, die zijne schepping weet te leiden naar zijne gedachte, ook in het donkere altijd voelbaar blijft.

Dit is, wat aan Petronius mot hen gemeen is, en wat hem tot een groeten schrijver maakt; hem persoonlijk eigen is dan nog de hooge ironie van een des levens ervarene; van eon zich door de erkentenis van het nietige dezer dingen superieur gevoelende persoonlijkheid; van een grand seigneur, die zich nooit verloochent, maar die in den antieken zin humaan en zonder hoogmoed is gebleven; van den hofgroote, maar zonder ecu zweem van morguo, die den zin voor hot onmiddellijk en elementair komische nog niet verloren had T) en hierin nog ver stond van hedendaagsche benepen kieskeurigheid en onvruchtbare delicaatheid.

Ik ben aan het einde gekomen en zou dan mijn oordeel aldus willen samenvatten; Petboniüs heeft waarschijnlijk in hot aan do cena voorafgaande, wellicht op do reis of bij de aankomst der hoofdpersonen in de bewuste stad. den naam genoemd; toon was do lozer georiënteerd en het is niet oen zoo groot

\') B. Kr,kus. Zur Composition von Petronius\' Satirae. Philologus. XXXXV1T. p. (gt;23.

\'-) Vgl. hiermede Macrohius in somn. Seip. I. 2. 8: „auditum muicent velut comoodiao, qnalos Menander eiusve imitatores agenda dederunt vel argumeuta fictis casibus amatorum referta, quibus vol multuin se Arbiter exercuit vol Apuleium nonnumquam lusisse miramur.quot;

•^) Van oen zelfde geestesdispositie, bij de eerste keizers getuigen o. a. hunne grappen door Suetonius medegedeeld.

-ocr page 41-

— 35 —

toeval, dat in liet verdere verhaal de naam niet meer voorkomt. In het ons bewaarde slot van het verblijf in deze plaats komt slechts één bepaald en ten volle betrouwbaar plaatsindicium voor en zijn wij overigens op min of meer vluchtige aanduidingen aangewezen; aan hen beantwoordt van de in aanmerking komende steden Napels het ongedwongenste en zij is dus naar de hoogste bereikbare waarschijnlijkheid aan te zien als de stad, die zich Petronius als achtergrond der cena dacht. Dat hier slechts een tennaastebij kan worden verkregen, ligt voor een goed deel aan den aard van het kunstwerk.

-ocr page 42-

— 36 —

Eenige artikelen uit de Verordening voor het Erasmiaansch Gymnasium te Rotterdam,

vastgesteld 8 Mei 1879 (Gemeenteblad No. 9) en gewijzigd 3 Maart 1881

{Gemeenteblad No. 2).

Artikel 1. Hot Gymnasium dor Gomecnto Rotterdam draagt den naam van Erasmiaansch Gymnasium.

Art. 2. Aan hot Gymnasium wordt onderwijs gegeven in:

i. de Wiskunde;

k. de Natuurkunde;

l. de Scheikunde;

m. de Natuurlijke historie; n. de Hebroeuwscho taal, indien zich daarvoor leerlingen aanmelden; o. de Gymnastiek.

a. de Grieksche taal en letterkunde;

b. de Latijnsche taal en letterkunde;

c. do Nedorlandsche taal on letterkunde;

d. do Franscho taal;

e. do Hoogduitsche taal;

ƒ. do Engelsche taal;

g. do Gosehiedonis;

h. do Aardrijkskunde;

Art. 3. Hot onderwijs wordt gegeven in een zesjarigen cursus, in overeenstemming met het bij Koninklijk Besluit vastgesteld algemeen leerplan.

Art. 4. Om als leerling te worden toegelaten wordt hot afleggen van een examen gevorderd, afgenomen in de maand Juli door leeraren onder toezicht van Curatoren.

Voor do toelating tot het eerste studiojaar betreft het examen; het lozen, schrijven, rekenen, de beginselen der Noderlandsohe taal, die dor Franscho taal; dor Aardrijkskunde en der Geschiedenis.

Voor de toelating tot een hooger studiejaar betreft het examen hetgeen in het voorgaande studiejaar is onderwezen.

Bevordering tot een hooger studiejaar geschiedt ten gevolge van een bij het einde van het studiejaar door leeraren, onder toezicht van Curatoren te houden overgangsexamen, waaruit blijkt, dat do leerling voldoende kundigheden bezit om hot onderwijs in dat hooger studiejaar te kunnen bijwonen.

Art. 5. In buitengewone gevallen, ter booordeeling-van Curatoren, kunnen ook gedurende hot studiojaar, na het afleggen van een examen, als in art. 4 omschreven, leerlingen worden toegelaten. In zoodanige gevallen behoort door het examen mode te blijken, dat de leerling voldoende kundigheden bezit om het onderwijs te kunnen bijwonen, alsof hij van den aanvang van het studiejaar af dat onderwijs bijgewoond had.

Art. 6. In den regel moeten de leerlingen, die tot het eerste studiejaar worden toegelaten, niet beneden 12 jaar oud zijn. De uitzondering beoordeelen Curatoren.

-ocr page 43-

Ouders of verzorgers, die verlangen oen leerling te zien toegelaten, doen hem inschrijven bij den rector binnen den door dezen, in één of moer dagbladen bekend te maken termijn, onder overlegging van een geboorteacte en van een schriftelijke verklaring van een geneeskundige, dat hij met goed gevolg öf meer dan eens de inenting der koepokken heeft ondergaan, öf aan de natuurlijke kinderpokken (variolae) heeft geleden.

Art. 7. Do Rector is bevoegd een leerling wegens wangedrag voor hoogstens 8 dagen van het Gymnasium te verwijderen, onder onmiddellijke kennisgeving aan den voorzittenden Curator.

Art. 8. Do leerlingen schaffen zich voor eigen rekening aan de vereischte boeken en verdere schrijf- en leerbehoeften.

De Rector draagt jaarlijks, nadat do betrokken leeraren zijn gehoord, aan Curatoren voor, van welke boeken, schrijf- en leerboeken do aanschaffing van do leerlingen zal worden gevorderd.

Geen der leeraren mag aanschaffing van andere boeken enz. vorderen of voor schoolgebruik aanbevelen, dan vermeld op de door Curatoren vastgestelde lijst.

Curatoren beoordeelen de in den loop van een jaar nader blijkende behoefte.

Art. 12. In het schooljaar, aanvangende 1 September, zijn 4 vacantiën; eene met Kerstmis, eene met Paschen, beide van ongeveer tien dagen, de Dinsdag na Pinksteren, en eene van ongeveer zeven weken, eindigende mot don aanvang van het nieuwe schooljaar.

Behalve op Zon- en feestdagen on in do vacantiën, worden de lessen gehouden van 9 tot 12 ure de.s voormiddags, en des Maandags, Dinsdags , Donderdags en Vrijdags en zooveel noodig des Woensdags van 1 tot -1 uur namiddags.

Voor het onderwijs in do Hobreouwsche taal en in do Gymnastiek worden door Curatoren zoo noodig andere dan de voormelde uren aangewezen.

Art. 13. De Rector zorgt, dat Curatoren en ouders of verzorgers maandelijks mededeeling ontvangen van het gedrag en de vorderingen dor leerlingen.

liet schoolgeld bedraagt f 100.— \'s jaars, to voldoen bij vooruitbetaling in twee termijnen, elk van /\'50.—, de eerste vóór of op 15 September en de tweede vóór of oj) 15 Februari.

De tweede termijn is niet verschuldigd, wanneer do leerling vóór of op 1 Februari heeft opgehouden aan het onderwijs deel te nomen.

De ouders of voogden dor leerlingen voldoen hot verschuldigde schoolgeld tegen bewijs van kwijting.

Aan de leerlingen, voor wie niot is betaald, wordt hot vorder bijwonen van het onderwijs ontzegd, totdat het achterstalligo aangezuiverd is.

-ocr page 44-

Besluit van H.H. Curatoren d.d. 9 Juni 1884,

Op verzoek van ouders of verzorgers der leerlingen wordt door den Rector vrijstelling van de gymnastieklessen verleend.

Voor de leerlingen van de rB,c tot en met do IV(l0 klasse moet het wensche-lijkc dier vrijstelling blijken uit de verklaring van een bevoogd geneeskundige.

Aan Ouders en Voogden.

Eiken leerling, die voorwaardelijk of onvoorwaardelijk bevorderd is, wordt een door den Rector geteekend bewijs ter hand gesteld.

Vereischten om te worden toegelaten tot de Iste KLASSE.

Nederlandseh. — Nauwkeurig en vlot lezen en begrijpen van eenvoudige proza en poëzie. Zonder grove taal- of spelfouten schrijven van een dictee. Juiste onderscheiding der rededeelen en begrip van een eonvoudigen zin (onderwerp, gezegde, voorwerp, bepaling).

Franseh. — Vaardig en niet eene goede uitspraak lezen van gemakkelijk Fransch proza en vertalen daarvan in het Nederlandseh.

Vertalen van eenvoudige volzinnen tut het Nederlandseh in het Fransch. Bekendheid met de eerste beginselen der spraakkunst, daaronder begrepen de meest gebruikelijke onregelmatige werkwoorden.

Geschiedenis. — Hoofdzaken uit de geschiedenis des vaderlands.

Rekenen. — Behalve de kennis der hoofdbewerkingen met gohocle getallen, vaardigheid in het uitvoeren van eenvoudige bewerkingen met gebroken getallen. Het stelsel van maten en gewichten.

Aardrijkskunde. — Kennis van Nederland en eenige bekendheid met het overige Europa.

Ilde KLASSE.

Latyn. — Vastheid in het declineeren en conjugeeren; oonigc bekendheid met de praeposities en do moest voorkomende conjuncties. Hoofdbegrippen uit dc casusleer. Vaardigheid in het vertalen van eenvoudige zinnen, waarin genoemde zaken voorkomen.

Nederlandseh. — Theorie en praktijk dor spelling. Kennis van do hoofdzaken der rededeelen (buiging, geslachten, vervoeging, enz., niot de afleiding of samenstelling).

-ocr page 45-

Good begrip van don enkolvoudigon /in (het pmedicaatsnaainwoord, do appositie), de hoofdzaken van den samengostolden zin (subjects-, objects-, botrokkelijko on bepalingsbijzinnen).

Franseh. — Do geheele vormleor en daaronder al de onregelmatige en gebrekkige werkwoorden. Eenigo kennis van de syntaxis (het gebruik van het lidwoord, van do aanvoegende wijs, van de ontkenning on van hot verleden doelwoord). Schriftelijke toepassing van hot bovongenoomdi, in een dictee of thoma.

Geschiedenis. — Vaderlandsche. Van den vroegsten tijd tot don vrede van Munster (1G48). — Algomoone. Beknopt overzicht van dogesohiodonis der Oostersche volken, der Grieken en Romeinen.

Wiskunde. — Rok on kunde. De hoofdbevverkingon mot geheele on go-broken getallen, do konmorken van deelbaarheid, de grootste genieeno dooier, het kleinste geineone veelvoud on eonigo kennis van genoemde bewerkingen in andore talstolsels. — Stelkunde. De vier hoofdbewerkingen met gehoele vormen. Vaurdighoid in het oplossen van eenvoudige stelkundige vergelijkingen van den eersten graad mot één onbekende on gomakkolijke vraagstukken, die hierop betrekking hebben. Ontbinding in factoren. — Meetkunde. l)o een-voudigsto eigenschappen der vlakke figuren tot en mot de gelijk- on gelijkvormigheid der driehoeken on toepassingen daarvan.

Aardrijkskunde. — Algomeene inleiding. Uitgebreider kennis van Nederland on Europa.

Natuurlijke historie. — Overzicht van hot maaksel van don mensch, do zoogdieren, vogels en kruipende dieren. — Kennis van de organen dor plant.

IIIde KLASSE.

Grieksch. — Hoofdzaken van de grammatica tot do verba op [j.i. Vastheid in hot declineoron en conjugooren. Eonigo vaardigheid in hot vertalen van eenvoudige zinnen, waarin genoemde zaken voorkomen.

Latyn. — Loer van het subject, het prsedicaat, do casus, de plaatsbepaling, Accus. (en Noni.) c. Inf., hoofdzaken van hot participium (vooral Abl. abs.) en de overige nomina vcrbalia. Eonigo vaardigheid in het lezen van eenvoudig proza en eenigo bekondheid met poëzie en prosodie (b. v. l8te stukje van Kan en Schrödkii, Bloemlezing).

Nederlandsch. — Vastheid in de spelling. Kennis van tie rededeelon, als voor KI. II; daarenboven enkele eenvoudige begrippen van de samenstelling en afleiding, vooral met liet oog op de praktijk, zooals onderscheiding van eigenlijk, oneigenlijk en niet samengestelde werkwoorden; nok van de voornaamste regels der syntaxis (theoretisch en praktisch). Grondig begrip van do ileolen van den samengestelden zin.

-ocr page 46-

Fransch. — Hoofdregels der syntaxis van alle rededcelen. Schriftelijke toepassing in dictées en thema\'s.

Geschiedenis. — Vaderlandsche. Van 1648—1747. — Algemeene. Geschiedenis der middeleeuwen.

Wiskunde. — Rekenkunde. De leer dor evenredigheden van getallen en grootheden cn eenvoudige toepassingen der percentrekening. De tweede- en dordcmachtsworteltrekking. — Stelkunde. Herleiding van gebroken vormen. Vergelijkingen met twee en meer onbekenden; vraagstukken, welke hierop betrekking hebben. — Meetkunde. Do voornaamste eigenschappen der rechtlijnige vlakke figuren tot en met eenvoudige toepassingen der gelijkvormigheid van driehoeken.

Aardrijkskunde. — Kennis der verschillende landen van Europa en Azië. — Ned. Indië, meer uitvoerig.

Natuurlijke historie. — Overzicht van het maaksel der vissehen, gelede cn lagere dieren. Kennis van de organen der plant.

Dultsch. — Schrijven on lezen. Sterke en zwakke verbuiging. Verbuiging dor eigennamen, adjectieven cn voornaamwoorden. Telwoorden, hulpwerkwoorden en zwakke conjugatie.

I Yde KLASSE.

Grlekseh. — Nauwkeurige kennis van do declinatie en conjugatie. — Goschikthpid om uit een leesboek (b. v. van ComoT en De Geluer) on uit XENomoN iets te kunnen vertalen. Eenigc copia verborum.

Latijn. — Grondige kennis van do vormleer, vooral van do hoofdvonnon cn do betoekonis der verba; bekendheid met het gebruik der casus en die hoofdzaken der syntaxis, welke bij het lozen van schrijvers het meest voorkomen. Er moet althans uit Caesar cn Ovidiüs, liefst ook uit Phaedrus en Nepos gelezen zijn. Een voldoende copia verborum.

Nederlandseh. — Dezelfde vereischten als voor de III\'1quot; KI., doch mot uitbreiding der syntaxis. Begrip van de boteekenis der meest voorkomendo synoniemen.

Fransch. — De geheele syntaxis. Vertaling van niet te moeielijke Pransche stukken in het Nederlandseh cn omgekeerd. Schriftelijke toepassing in dictee of opstel.

Geschiedenis. — Vaderlandsche. In haar geheel. — Algemeene. Overzicht der niouwe geschiedenis tot 1789.

Wiskunde. — Rekenkunde. Dezelfde eischen als voor de II i\'1\'\'klasse.— Stelkunde. De wortelgrootheden, do gebroken en negatieve exponenten. — Meetkunde. Toepassingen der gelijkvormigheid van driehoeken. Oppervlakken van rechtlijnige vlakke figuren. Leer van den cirkel tot en met hot hoofdstuk: Evenredige lijnen in den cirkel.

-ocr page 47-

— 41 —

Aardrijkskunde. — T)o vijf werelddeelen.

Duitsch. — Sterke conjugatie. Bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden en tussehenwerpsels. Geslacht der substantiva.

Engelseh. — Lidwoord, geslacht, getal, naamval. Adjectiva. Vervoeging. Onregelmatige verba. Voorzetsels (wat voorkomt in Cow an en Maatjes, Prac-tische inleiding ter beoefening der Engelsche taal).

Yde KLASSE.

Griekseh. — Behalve grondige kennis van do vormleer, bekendheid met de hoofdregels der syntaxis, lectuur van Xenophon (Cyropxdic, Anabasis of Hellcnica) en Lysias; geschiktheid om de vormen on voornaamste constructies to verklaren; eenige bekendheid mot de epische vormen en scansie; eenigo lectuur van do Ilias of de Odyssee.

Latyn. — Grondige kennis van do vormleer en hot gebruik der casus. Bekendheid met de overige hoofdzaken der syntaxis, vooral met gebruik van hot verbum, der conjuncties en dor pronomina. Lectuur (behalve van de schrijvers voor de IV1,0 KI. opgegeven), van Veugilius , Sallustius en Cicero.

Nederlandsch. — Als voor do IV\'10 KI. Een eenvoudig opstel. Kennis der letterkunde tot Vondel.

Franseh. — Zooveel kennis van do spraakkunst en synoniemen, dat men eenige gemakkelijke stukkon uit Nedorlandscho schrijvers kan vortalon.

Geschiedenis der Grieken en Romeinen en in verband daarmede do oude Aardrijkskunde.

Wiskunde. — Rekenkunde en Stelkunde. Dezelfde eischen als voor de IV\'lc Klasse. — Meetkunde. Vervolg en slot dor leer van don cirkel. Vaardigheid in het oplossen van planimetrischo vraagstukken.

Duitseh. -— Woordvorming. Synoniemen. Gebruik der naamvallen.

Engelseh. — Het behandelde in Stoffel, 2dc stuk. Lectuur van drie of vier gemakkelijke Engelsche werken.

-ocr page 48-

— 42 —

CURSUS 1896-1897.

Opgave der Boeken enz.

N.B. Dc leerlingen dienen zicli de laatste drukken der opgegevene werken aan te schaffen, de boeken eerst na goedkeuring door de leeraars open te snijden en ze tot het einde van hun schooltijd te bewaren.

Voor het opschrijven van het huiswerk is een zakboekje noodig; aanbevolen wordt „Agenda voor het H. O.quot;, (00 ct.), uitgave Wenk amp; Bibkhoff, Rotterdam.

Voor het Grieksch.

In dc 2C Klasse: Van Leeuwen en Mend es da Costa, Attische vormleer. (/ 2.20).

Van Wageningen, Grieksche opstellen, lBtl! deel (ƒ 1.25). Cobot en De Gelder, Grieksch leesboek voor eerstbegin-nenden (ƒ 1.25).

„ „ 3C „ Van Leeuwen en Men des da Costa, als boven.

Cobet en De Gelder, als boven.

X en op bon. Anabasis, cd. Cobct. (/ 1.20). „ „ 4° „ Van Leeuwen en Mendes da Costa, als boven.

„ „ „ „ „ „ Het taaleigen der

Homerische gedichten, (f 1.80).

Beck amp; Van Wageningen, Opstellen tor oefening in liet

Grieksch, 2d« deel (f 1.25) (IVA).

Xenophon, Hcllenica, cd. Cobct (/quot;1.20) (IVA).

Xenophon, Cyropaedia (/ 0.60) (IVB).

Xenophon, Anabasis, als boven.

Lysias, ed. Cobct. (/ 1.20).

H o m e r u s, Odyssea, 2 vol. (/quot; 1,—).

Polak, Bloemlezing uit Grieksche dichters, (ƒ 1.20). „ „ 5e „ Van Leeuwen en Mendes da Costa, als boven. H o m crus, als boven.

Herodotus, 2 vol. (f 1.80).

Lysias, als boven.

Xenophon, Hellen. Auswahl von Volbrccht (Text) Bielefeld,

Velhagen u. Klasing (/quot; 1.20).

Xenophon, Cyropaedia. (/quot;0.60). (A.)

Plato, Ausgewiihlte Dialoge von H. Petersen, I. Th. Apologie n. Kriton, Berlin, Weidmann. Buchh. 1896 (/ 1.—) (A). ., , 6 „ Van Leeuwen en Mendes da Costa, als boven.

-ocr page 49-

— 43 —

In de 6° Klasse: Homerus, Ilias, 2 vol. (/quot; 1.—).

Herodotus, als boven.

Exeorpta o Poetis Graecis, cd. H. van Herwerden. (/ 1.75). Warren, Bloemlezing uit Acht Dialogen van Plato. Leiden,

Brill, (ƒ 1.20).

Xenophon, Memorabilia. (80 ct.) (A).

Sophocles, Oedipus Coloneus. (20 ct.) (A).

Euripides, Medea. (20 ct.) (A).

Woordenboek: Van den Es. (/quot;9.75).

Voor het Latyn.

In de 1° Klasse: Stegman, Latijnsche Grammatica door N. J. Beversen, 1° stuk. {f 1.90).

Kan, Opstellen ter vertaling in het Latijn, 1quot; stuk. (/ 1.—). Volcke, Opstellen ter vertaling in hot Latijn. 1° stuk. (50 ct.) Jacobs en Döring, Latijnsch Leesboek. Achtste druk,herzien door E. Mehler, 1893, 1° deel. (/quot;1.25). „ „ 2° „ Kan. Lat. Gramm., lquot; en 2° deel mot Index, (ƒ 2.90).

Kan, Opstellen ter vertaling in liet Latijn, 2quot; deel. (60 ct.) K a n en S c h r ö der. Bloemlezing uit Lat. dichters, 1° stuk ((50 ct.) Cornelius Nepos, cd. Cobet. (60 ct.)

Caesar, De bello Gallico. (50 ct.)

„ „ 3° „ Kan, Grammatica, als boven.

Kan, Opstellen, als boven.

De Jonge, Latijnsche oefeningen. (90 ct.)

Ovidius, Metamorphoses. (60 et.)

Nepos, als boven.

Caesar, als boven, en De bello civili. (40 ct.)

Sallustius. (30 ct.)

Kan en Schroder, Bloemlezing, als boven, 2C stuk. (ƒ 1.—). » 4° „ Kan, Gramm.en Opstellen, als boven, en Opst. 3e stuk. (80 ct.) Ovidius. 3 vol. (/quot;1.90).

Vergil ius. (ƒ0.85).

Kan en Schroder, als boven, 2° stuk.

Sallustius, als boven.

Cicero, Or. Sel. XXI, p. I en II. cd. C, V. W. Muller. (/1.—). » ,, 5° „ Kan, Grammatica en Opstellen, als boven. (A).

Livius, Tom. V. (A). (65 ct.)

„ 11. (B). (65 et.)

Vergilius, als boven.

-ocr page 50-

— 44 —

In de 5° Klasse: Cicero, Epistolae Selectao. Ex ree. Klotzii ed. R. Dietseh. Pars. I. (Teubner) (65 et.) (A).

M eis snor, Lat. Phraseologie, (A). (ƒ1.05).

Plantus, eomoediae ox ree. Goetz et Schoell. Fase. III. (Cistel-lariani, Cnrculionem, Epidicum eomploetens). Leipzig 1895, Teubner. (65 ct.). (A).

Plautus, eomoediae ex ree. Goetz et Schoell. Fase. II. (Bac-ehides, Captivos, Casinam compleetons). Leipzig, 1893, Teubner. (/quot;l.—). (B).

Cicero, Orationes, als boven.

v 6quot; „ Kan, Grammatica, als boven.

M e i B s n e r, als boven.

Warschau er, Oefeningen in hot vertalen uit het Nederlandsch

in hot Latijn, door Mehler, 2quot; deeltje, (f 2.2quot;)). (A).

VVoltjer, Sorta Romana, 2quot; druk. (/*2.50).

Livius, Tom. I- (/ 0.65).

Tacitus, Annales. (/quot;0.80). (A).

Cicero, Orr Sel., als boven.

De Be publica. (40 ct.). Do Legibus. (40 ct.).

P. B. Sopp, Latoinischo Synonyma. (f 0.40).

Horatius, (Keiler und Hffiasner) (Geb. 85 ct.) (A).

Leuch ten berger, Die Oden des Horaz enz. (Berlin,

Gaertnor.) (05 ct.) (A).

II. Schiller, Dio lyr. Vorsmasse des Horaz. Leipzig, Teubner 1891 (40 ct.) (A).

Woordenboeken: Kan en Schroder, Lat.-Nedl. (geb.ƒ6.50) en Montyn Nedl.-Lat. Woordenboek, (geb. ƒ 3.90).

Waar geene bepaalde uitgaven van Grieksche of Latijnsche schrijvers zi/jn opgegeven, worden de laatste van T e u b nor bedoeld.

Voor Antiquiteiten, Mythologie en Historia litteraria.

In de 1°—6° Klasse; Schlimmer en Do Boor, Woordenboek der Grieksche en Romeinsche Oudheid. (Geb. f 5.50).

Oehler, Klass. Bilderbuch. (Leipzig, Schmidt amp; Günther,

1892). (/quot; 1.20).

Hoekstra, Rom. Ant. (ƒ 1.75).

W. Kopp, Geschichte der griech. Literatur, (Berlin,

Springer, ƒ 1.95).

H. Bender, Grundriss dor Röm. Literaturgesch. (Teubner). (65 ct.).

4quot;—6C

-ocr page 51-

— 45 —

Voor het Nederlandseh.

In de 1°—6® Klasse; Van Holton, Kleine Nederlandscho Spraakkunst, (ƒ1.90).

Beknopt Woordenboek der Nederl. taal (van Manhave, ƒ 1.40) of Woordenlijst van Do Vries en To Winkel (ƒ1.70). „ „ 1° „ Don Hertog amp; Lohr, Onze Taal, 5» stukje B (50 et.)

P. J. Cosijn, Oefeningen bij de Ned. spraakkunst. (90 ot.) Van don Bosch en Meijer, Leesboek voor de eerste klasse.

„ 2° „ Cosijn, als boven.

Van Moerkerken, Nederlandseh Leesboek. 2° stuk. (/1.50). „ „ 3e „ M. en L. Tioopold. Oud on Nieuw. I. (/\' 1.75).

„ „ 4e—6quot; ,, Jan te Winkel, Overzicht dor Nederl. letterkunde. (SO ct.)

Jo nek bloot. Beknopte Gesch. dor Nod. lettorkvmde. (/8.7»). De Groot, Leopold en Rij kens, Nederlandscho letterkunde, Bloemlezing (Ing. ƒ 3.90, gel), ƒ4.50). „ „ 4e ,, Vondel, Palamodes, Leeuwendalers. (Sijthoff.) (Geb. 90ct.

per deel). Lucifer, door Cramer. (Zwolscho Herdrukken, geb. fiO ct.)

J. H. v. d. Bosch. Prozastukken voor de hoogste klassen van bet Gymnasium, (ƒ 1.90).

„ „ 5e „ G. A. Bredero. Liederen. (Zwolsche Herdrukken), (ƒ 0.70).

Moerkerken, Keur uit Huygons en Hooft, (ƒ 2.40).

Drie of vier No.\'s van het Klassiek letterk. Panthéon. (a30ct.). „ „ 6U „ Potgieter, Een bundel Liedoren en Gedichten. (Geb./quot;0.95). Van Hall, Dichters van dezen tijd. (0.90).

Jacob Maorlant, met proza van Alb. Vonvey. (/quot; 1.—).

Voor het Fransch.

In do 1° Klasse: Bauer et do Saint-Etienne, Premières lectures littéraires. Masson, 5° 6d. (± / 0.75).

Dubois. Nouvelle grammairo franyaiso 1quot; annéc.Bobijnsot Gie.

Bois-le-Due. 17° édition. (55 ct.)

Dubois. Themes et Exercices, 1° annéeSérie B, 4° cd. (05 ct.) Delinotto et No Ion, Dictionnaire frangais-hollandais ot hollandais-fran(;ais. (J 1.90).

„ „ 2\'-\' „ Dubois, Grammairo frangaise, 20 année, 13quot; éd. (65 ct.)

Dubois, Themes et exercices, 2° année, Série B, 3° éd. (05 ct.) Bauer et de Saint-Etienne, Nouvclles lecturcs littéraires, 2° éd. Paris, ( f 1.25).

„ „ 3° „ Dubois, Grammairo et Themes. II0 année, als boven.

-ocr page 52-

— 46 —

In do 3C Klasse: Erckmann-Chatrian, Histoire cl\'un conscrit de 1813, Edition B (zonder aanteekeningen). Volhagen et Klasing. ( f 0.45).

Men nier, les grands historiens du XIXe Siècle. Paris, ( ƒ 1-50).

„ „4° „ Töpffer, Nouvelles genevoises, vol. II (ed. B) et vol. Ill (6d. A), Bielefeld, Volhagen et Klasing, ( /\'0.50 par volume). Robert, Recueil de traductions. 3e éd. Groningue, Wolters. (75 et.)

Sarcey, le Siege do Paris, Velhagen et Klasing. (4- f 0.65). Racine, Andromaque. Edition Larroumet; Paris, Garnier freres ( f 0.50).

„ „ 5e ,, Romanciers et critiques francais. Genève, Eggimann. (± f 1.—).

Dandet, le petit Chose; Bielefeld, Velhagen et Klasing; id. B. ( 0.60).

Halévy, 1\' abbé Constantin; Dresde, Gerhard Kiihtmann, ( 0.50 ct.)

Corneille, Horace; Edit. Petit de Julloville; Paris, Hachette; ( 50 ct.)

„ „ 6e „ Bourquin, La poésie narrative au XIXC s. (/1.50).

PaiHeron, le monde oi\\ ion s\'ennuie, Calmann Levy, Paris, (/quot; 1.10).

Molière, le Tartu fib; Edition Lavigne, Paris, Hachette, ( 50 ct.)

Dandet, tronte ans de Paris; 1 Dresde, Gerhard Kiiht-Schultz, la neuvaine do Colette; J mann, ( /quot;0.50par vol.). Overige boeken, zoo noodig, later op te geven.

Voor het Duitseh.

Leopold, Inleiding tot het Lehrbuch der deutschenSpracho.

10quot; druk (/ 1.25).

Haas tort amp; Knoest, der Jugcndfrcund. 2quot; Auflage. (f 0.75). Susan, Sammlung Wörter, Sprichwörter und Redensarton (/• 0.60).

H. C. Spruijt, Altos und Neucs, deutsches Lesebucb,

2° Halfte. (/quot;0.75).

Susan, als boven.

Leopold, Inleiding, als boven.

W. Hauff, Miirchen. (/quot;0.70).

Leopold, Inleiding, als boven.

Hauff, Lichtenstein. {ƒ 0.60).

1 n de 2C Klasse;

-ocr page 53-

— 47 —

In do 4quot; Klasse: J. Leopold Hz n., Homonymen met oefeningen ter vertal. (/0.60)

Franz Knauth, Answahl deutsohcr Gedichte, (ƒ0.50). „ „ 5e „ J. Leopold Hzn., Homonymen, als boven.

Schiller, An swahl. (f 3.y0).

Am Altar, von E. W e r n e r. (ƒ 0.65)

0) lt;D O SD

rO

t-v- rn r mix- Amerik. nitgave.

Die Claudior, von Eckstein.^ 0.6o))

Franz Knauth, als boven.

„ „ 6° „ Goethe, E^mout, Gotz v. Berlichingen, uitgave van Velhagen amp; Klasing. (/quot; 0.86).

Dcr Kaiser, von G. E b e r s. (f 0.(15).

Der Karapf urns Reoht, von K. Franzoa. (/■ 0.65). Aanbevolen; Sprachtabelle von E. Haastert. 2° druk (/\'0.25). II en III KI.

Praktischos Wörterbuch von Knoest amp; Nolen. (/quot; 1.90). Voor het Engelseh.

In de 3° Klasse; J. S. Robinson it B. Koster, Beginselen van hetEngelsch. (90 ct.)

F. S. Go mm. Elementary Word-and Phrase-Book. (50 ct.) Slater, English grammar. (90 ct.)

Go mm, English Reader. (/ 1.30).

„ „ 4e „ C. Stoffel, Handleiding bij het Onderwijs inhetEngelsch.il. (f 1.25).

Slater, als boven.

Go mm, als boven.

Oliver Goldsmith, The Vicar of Wakefield. (/ 0.35). ,, „ 5° „ Dickens, ThePickwick Papers. (/\'0.35). A Christmas Carol.(/0.20).

Handleiding bij hot Onderwijs in het Engelsch door C. Stoffel; III. (Voortzetting der vergelijking van het Engelsch met het Nederl. f 1.25).

„ „ 6C „ Shakespeare, Julius Caesar. (/ 0.20).

Sir W. Scott, The Lady of the Lake. (/ 0.20). Woordenboek: Ten Bruggencate, Eng. Nedl. Wbk. {f 2.50.) Aanbevolen wordt: Ned. Eng. W. v. denzelfden schrijver. (/\'2.50.)

Voor de Geschiedenis en Aardrykskunde.

In de 1° Klasse: Jorissen. Overzicht der Algemeone Geschiedenis. 7° Druk. (Geb. ƒ 2.25).

H. Hettema Jr., Historische Schoolatlas, (ƒ2.90).

Doedos, de Nederlanders (/ 1.90).

R. Schuiling, Onze Aarde, I en II. (ƒ 1.40).

-ocr page 54-

— 48 —

In do 1° Klasse; A. A. Beekman en R. Schuiling, Atlas der geheelc aarde. (Geb. ƒ 4.90).

„ „ 2° „ Jorissen en Doedes, Hettema, ale boven, of Hermans en Woltjer, Atlas dor Algemcene en Vaderlaudsche Geschiedenis. (J 3.90).

Schuiling, Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde, (gob. f 2.60). B e e k m a n en S c h uili n g, Atlas als boven. ^ ^ 3° „ Jorissen en Doedes; Kan en Rendier, Historisch-geographische Atlas (wordt niet herdrukt) of Hermans en W o 11j e r als boven.

Schuiling, Onze Aarde, III. (ƒ 0.70).

4° „ Atlas antiquus, Taschenatlas dor alten Welt von A. van Kampen. Gotha, Perthes, (ƒ 1.30).

W. Herbst, Historisches Hilfsbuch, I. Alte gesohichte. Ausgabe für Gymnasicn, 16quot; Auflage (Von O. Jager) Wies-baden 1898. (ƒ 1.30).

^ ,, 5e v Kan en Rendier of Hermans en Woltjer, als boven.

Jorissen, Overzicht der Algemeene Geschiedenis, als boven. Voor Afd. A: W. Hcrbst, als boven.

t) „ 6° „ Kan en Rendier of Hermans en Woltjer; Do Bruyne,

Alg. Gesch. 4e deel (ƒ 1.40).

Voor Afd. A: J. M. Vos, Van oude tijden tot heden. (/1.90)

Voor Natuurlijke Historie, Natuur- en Scheikunde.

In de 1quot; Klasse: J. Ritzema Bos en H. Bos, Leerboek der dierkunde, (/quot;2.50). v „ 2° „ Ritzema lios en Bos, als boven.

H. Bos, Leerboek der plantkunde. (Geb. f 2.90). 5°, 6e „ N. van de Wall, Leerboek der dierkunde, bewerkt naar O. W. Thomé. {f 2.80).

Ganot, Leerboek der proefondervindelijke en toegepaste natuurkunde, omgewerkt door George Maneuvrier, vertaald door W. Gr 1 e u n s, 4quot; druk, (f 6.60.)

TI. Henkels, Schoolflora voor Nederland, (ƒ 2.50).

Voor Wiskunde.

In de 1° Klasse: G. Smits, Verzameling van algebraïsche vraagstukken, 1° st. (60 ct.)

D. B. Wiss clink. Leerboek der vlakke meetkunde, 3« druk {f 1.60).

n „ 2° „ Smits, als boven.

D. B. Wissel ink, als boven.

5) J)

-ocr page 55-

— 49 —

In de 2° Klasse: J. Versluys, Rekenkundige oefeningen en vraagstukken, 2° stukje {/■ 0.40).

G. Smits, Verzameling van algebraïsche vraagstukken, 2° st. (75 ct.)

„ „ 3quot; „ Smits, Wiss el ink, Versluys, ids boven.

„ „ 4» „ Smits, Wisseliuk, als boven.

W. H. Wisse link, Vraagstukken ter oefening inde Algebra, 2° st. (50 ct.)

W. K re ling, Meetkundige vraagstukken, 2,■ druk (60 ct.)

„ „ 5° „ D. B. Wiss el ink als boven.

G. Smits, Verzameling van algebraïsche vraagstukken 3° st. (7 1.15).

D. B. Wissel ink. Leerboek der stereometrie. (/ 1.—).

W. H. Wissel ink, Vraagstukken ter oefening in de meetkunde, 3„ stukje. (30 ct.)

Bovendien voor Afdeeling B:

J. Versluys, Gewone logarithmen en logarithmen dergonio-motrische lijnen, ff 1.25).

J. Versluys, Vlakke-driehoeksmeting. (ƒ 1.25).

■, ,) 6U „ Wissel ink, Smits enz., als boven.

Bovendien voor afdeeling B;

A. K e m p e, Inleiding tot do analytische meetkunde. 2° dr. (60ct.).

„ Bol-driehoeksmeting. (f 1.25).

Voor het Hebreeuwseh.

Hollenberg, Hebraisches Schulbuch.

Herexamens op Dinsdag 1 September, te 9 uur. Hervatting der lessen op Vrijdag 4 September, te 9 uur.

-ocr page 56-

TABEL, bedoeld in art. 3 van het Koninklijk Besluit van 21 Juni 1887 (Staatsblad No. 105).

KLASSEN.

I.

II.

IQ.IV.

V.

VI.

A

c

li

.2 g3

4.

B

A

S

Oj tD «D

B

VAKKEN.

Tot

1 Jan.

8

later

Griek sch......

5

6

7

2

4

3

4

32 (ongeveer)

Latijn.......

8

6

6

6

3

5

4

4

42

Nederlandsch ....

3

2

i 2

2

2

1

12

Fransch......

4

2

na

2

2

1

1

12

1 Jan.

Hoogduitsch ....

3

2

2

2

1

9

Engelsch......

3

3

2

1

9

Geschiedenis ....

4

O

i 3

3

1

1

1

2

18

Aardrijkskunde . . .

3

2

1

1

7

Wiskunde.....

4

3

3

3

2

3

2

3

23

Natuurkunde ....

2

1

v $ gt; n b

Scheikunde.....

1

! 1

1

2

Natuurlijke Historie .

2

2

2

2

8

28

28

28

128

27

28

27

26

Do leerlingen (A), die zich uitsluitend willen onderwerpen aan het eindexamen ter verkrijging van het getuigschrift voor de faculteit der godgeleerdheid, der rechtsgeleerdheid of der letteren en wijsbegeerte, zullen in klasse V en VI 27 lesuren hebben to volgen en de leerlingen (B), die zich uitsluitend willen onderwerpen aan het eindexamen tor verkrijging van het getuigschrift voor de faculteit der geneeskunde of dor wis- 011 natuurkunde, in klasse V 28 en klasse VI 26 lesuren.

Het aantal lesuren voor het volledig getuigschrift bedraagt 34.

-ocr page 57-

/

Curatoren.

JU.\' T —

Mr. C. H. B. Boot.

J. Drost.

Dr. H. Klinkert. Mr. J. Rombach.

-■(Ir.

Leeraren.

Dr. S. J. Warren, Rector.

Dr. B. J. Goedhart, Conrector.

Dr. G. J. W. Bremer.

Dr. R. T. F. Rendier.

Dr. H. J. Veth.

Dr. A. Kempe.

Th. Nolen.

Dr. R. H. van Dorsten. Dr. J. W. Sin iter. J. C. Knoest.

Dr. S. Birnie.

S. van Aken.

Dr. M. A. Kreling.

Dr. G. M. Slothouwer. Dr. A. J. Kronenberg. J. F. Niermeyer.

Dr. J. H. Leopold.

D. H. Meijer Jr.

E. Th. Borlé.

H. C. Lohr.

frr. ff. U/.

Woonplaats. .JifWWjijti, lquot;)».

Kniiskade, 80. Schiedamschc Singel, 14. Zuidblaah 66.

Wijnhaven, 93.

Eendrachtsweg, 43. Maasstraat, 13. Westerkade, 14. Westzeedijk, 80. Stationsweg, 20.

Nieuwe Binnenweg, 314. Wittedewithstraat, 55. Leuvehaven, 10. Kruiskade, 1(). Stationsweg, 37. Westerkade, 10. Wittedewithstraat, 29. Oldenbarneveltstraat, 123. Walenburg er weg, 65. Kruiskade, 77. Haringvliet, N.Z., 1. Oldenbarneveltstraat, 121. Oldenbarneveltstraat, 119. Oldenbarneveltstraat, 119. Bosch je, 18.


IlIODIENDEN.

C. Strasters, Concierge.

B. Strasters, Amanuensis Nat. Historie, A. Bosselaar, „ Natuurkunde, A. Brosser, „ Scheikunde,

ConIvest, 96. Schoutenstraat, 110. Drievriendenstraat, 18. Josephstraat, 148.


-ocr page 58-
-ocr page 59-

CATALOGUS VAN DE BIBLIOTHEEK.

Juni 1896.

Grieksche en Latijnsche Taal- en Letterkunde.

Bibliotheca Scriptorum classicorum von W. Engelmann. Leipzig, Engelmann, 2 dln. 1880/82.

Fabricii. — Bibliotheca Graeca. Hamburgi, Liebezeit, XIV Tomi, 1717—1728.

Fabricii. — Bibliotheca antiquaria, Hamburgi, Liebezeit, 1716.

Fabricii. Bibliotheca Latina. Hamburgi, Felginer, V Tomi, 1734.

Fabricianae. — Historia Bibliothecae—, Wolfenbuttel, Freitag, VI Tomi, 1717.

Jahresbericht über die Fortschritte der classischen Alterthumswissenschaft. Hrg. von C. Bursian. Berlin, Calvary 1875/83.

Saxi, Chr. — Onomasticon. Trai. ad Rhen. Paddenburg, VIII Tomi, 1775.

Preliewitz, W. Etymologisches Wörterbuch der Griechischen Sprache. Göttingen, Vandenhoeck und Ruprecht, 1892.

Pape-Benseler. — Wörterbuch der Griechischen eigennamen. Braunschweig, Vieweg, 1884.

Jacobitz, K. und E. Ed. Seiler — Griechisch-deutsches und deutsch-griechischcs Wörterbuch. Leipzig, Hinrichs. 2 dln. 1880.

Legrand, E. — Nouveau dictionnaire grec moderne. Paris, Garnier, 1882.

Bruyning, J. — Grieksche spraakleer. Amsterdam, Sybrandi , 1866.

Cobet. — Brieven van Cobet aan Geel, uitg. door R.Fruin en H. W. van der Mey. Leiden, Brill, 1891.

Curtius\' Griechische Schulgrammatik, bearb. von W. von Hartcl. Leipzig, Freytag, 1888.

Krüger, K. W. — Grieksche spraakleer, bew. door C. M. Francken. Amsterdam, Müller, 2 dln. 1853/56.

Kuehner, R. — Grieksche spraakleer, bew. door ten Brink. Utrecht, van der Post, 1868.

-ocr page 60-

54

Curtius, ö. — Beknopt leerboek der Grieksche Syntaxis, bew. door f2. Meliler.

Gorinchem, Noorduyn, 1860.

Engel, E. — Die aussprache des griechischen. Jena, Costenoble, 1887.

Ferrette, J. — Comment doit-on prononcer la langue Grecgue? Discours, 1889. Lausanne.

Oabelentz, ü. von der — Die Sprachwissenschaft. Leipzig, Weigel, 1891. Hesseling, D. C. — lets over de Grieksche T. Progr. Gymn. Delft, 1890.

Kreling, M. A. — De usu poetic, et dial, vocabulorum apud scr. graecos seriores.

Diss. litt. Trai. ad Rhen. Beyers, 1886.

Kreenen, J. J. en J. J. van der Kloes. — Grieksch leesboek. Arnhem,Voltelen, 1882.

Meijer, P. — Ucbungsbuch zum Uebersetzcn in das Griechische. Leipzig, Tcubner, 1888.

Meijer, L. — Korte Vergelijking der Grieksche en Latijnsche Verbuiging. Groningen, v. Bolhuis Hoitsema, 1863.

Coenen, Q. F. M. — De comparationibus et metaphoris apud Atticos praesertim

poetas. Diss. lit. Trai. ad. Rhen. Kemink, 1875.

Kan, J. B. — Epistula critica. 1881 (Afdr. Mnemosyne).

Polak, H. J. — Parerga. Progr. Gymn. Rotterdam, 1882.

Ohlert, A. —- Allgemeine Methodik des Sprachunterrichts. Hannover, Meyer, 1893

Polak, H. J. - De Aesthetische waardeering der Grieksche letteren voorheen en thans. Groningen, Wolters, 1894.

Bernhardy, O. — Grundriss der Griechischen littcratur. Malle, Anton, 2 din. 1876/80.

Rutgers, J. — Grieksche Vormleer, \'s Gravenhage, Stemberg, 1881.

Schmidt, J. J. H. — Synonymik der griechischen Sprache. Leipzig, Teubner, 3 din. 1876/1879.

Christ, W. — Metrik der Griechcn und Romer. Leipzig, Teubner, 1879. Meisterhans, K. — Grammatik der Attischen Inschriften. Berlin, Weidmann, 1888. Stisemihl, Fr. Geschichte der Griechischen littcratur in der Alexandriner Zeit. Leipzig, Tcubner, 2 Biinde, 1891/92.

Georges, K. E. — Dcutsch lateinisches Handwörterbuch. Leipzig, Hahn, 2 din 1882.

Klotz, R. — Handwörterbuch der lateinischen Sprache.Braunschweig, Wcstermann, 2 din. 1879.

Kan, J. B. en M. P. Schroder, Latijnsch Nedcrlandsch Woordenboek. Utrcclv;, Kemink, 1883.

Stowasser, J. M. — Lateinisch Deutsches Schulworterbuch. Wien, Tempsky, 1894.

Krebs, Antibarbarus der lateinischen Sprache , umgearbeitet von J. H. Schmalz. Basel, Schwabe , 1886.

Qabler, E. — Latijnsch hollandsch Woordenboek over de geneeskundige en dc natuurkundige wetenschappen. Nagezien door T. C. Winkler. Leiden, Sythotf, 1881.

-ocr page 61-

— ;)ü

Menge, R. et S. Preuss. — Lexicon Caesarianum. Lipsiae, Tcubncr, 1890, Du Cange, — Glossarium mediae ct infimae latinitatis. Niort, Favre, X Tomi, 1883/87.

Bréal, M. et A. Bailly. — DictionnaireEtymologiqueLatin. Paris, Hachette, 1891.

Cappelle, F. van — Latijnsche Grammatica. Amsterdam, Bon;, 1866.

Billroth, O. — Latijnsche Spraakkunst, bew. door E. Mehler. Gorinchem, Noor-duyn, 1858.

Qossrau, Q. W. — Lateinische Elementargrammatik. Quedünburg, Basse, 1871.

Quardia, J. M. et S. Wierzeyski. — Grammaire de la langue iatine. Paris, Durand, 1876.

Kühner, R. Ausfiihrliche Grammatik der Lateinische Sprache. Hannover, Hahn. 2 dln. 1877/79.

Bllendt Seyffert\'s 1 ^ateinische Grammatik. Berlin, Weidmann, 1890.

Hartman, J. J. — Oratium de literarum veterum amicis et inimicis. Lugd. Bat. v. Doesburgh, 1891.

Hoogvliet, J. M. — Minimale Latijnsche Vormleer. Leiden, Brill, 1890.

Kalb, W. — Roms Juristen nach Ihrcr Sprache dargestellt. Leipzig, Teubner, 1890.

Kan, J. B. — Beginselen der Latijnsche Vormleer. Doesborgh, Schattenkerk, 1864.

Kan, J. B. — Opstellen ter Vertaling in het Latijn. 3 deeltjes. Groningen, van Giffen, 1887/96.

Karsten, H. T. — Umbrische Taalvormen. Utrecht, Bosch, 1886. (Afdr. Prov. Utr. Gen.)

Karsten, H. T. —■ De uitspraak van het Latijn. Amsterdam, Delsman. Z. j.

Karsten, H. T. — Oratio de studiorem ambitu. Lugd. Bat, 1882.

Karsten, H. T. — Specilegium criticum. Lugd. Bat. Brill, 1881.

Karsten, H. T. — De particulae tarnen significatione, 1890. (Afdr. ]\\Ine-mosync).

Keiler, O. — Lateinische Etymologien. Leipzig, Teubner, 1893.

Keiler, O. Lateinische Volksetymologie. Leipzig, Teubner, 1891.

Madvig, J. N. - Lateinische Sprachlehre. Braunschweig, Vieweg, 1857.

Moll, H. IV\\. — Latijnsche spraakkunst. Amsterdam, v. Kampen, 1881.

Marx, A. Hülfsbüchlein für die Aussprache der Lateinischen Vokale. Berlin, Weidmann, 1889.

Neue, Fr. — Formenlehre der lateinischen Sprache, 3e Aufl. bearb. von Wage-ner. Berlin, Calvary, 1894 sqq.

Otto, A. — Die Sprichwörter der Römer. Leipzig, Teubner, 1890.

Reich, H. — Uebungsbuch der lateinischen Elementarstilistik. Leipzig, Buchner, 11 Th. 1893.

Reisig, Chr. K. —• Vorlesungen über lateinische Sprachwissenschaft. Berlin, Calvary , 1890.

-ocr page 62-

— 56 —

Ribbeek, O. — Geschichte der Römischcn Dichtung. Stuttgart, Cotta, 1889.

Scliultz, F. — Kleine Latijnschc Spraakleer, hew. door K. H. I. Koker. Ie stuk, Amersfoort, Slothouwer, 1881.

Seyffert, JV\\. — Scholae Latinae. Leipzig, Holtze. 11 Th. 1878/87.

Speyer, J. S. — Latijnsche Spraakkunst. Leiden, Brill. 2 din. 1878/80.

Speyer, J. S. — Latijnsche Spraakkunst. Ie stuk. Leiden, Brill, 1883.

Spiesz, F. - Latijnsche Vertaaloefeningen. Sneek, v. Druten, 1882.

Boot, J. C. O. — Latijnsche Syntaxis. Amsterdam, Miiller, 1857.

Vanicek, A. — Lateinische Schulgrammatik. Ier Theil. Pray, Calve, 1856.

Allen, W. F. -— Oefeningen ter vertaling in het Latijn, bew. door A. H. Garrer. Haarlem, Bohn, 1888.

Kan, J. B. en M P. Schroder. — Bloemlezing uit Latijnsche dichters. 2e dr. herz. door J. B. Kan. Groningen, v. Giffen, 2 dln, 1885.

Beck, J. W. — De differentiarum scriptoribus Latinis. Diss. lit. Groningae, Noordhoff, 1883.

Teuffel, W. S. •— Geschichte der Römischen Literatur. Leipzig, Teubner, 1882.

Speyer, J. S. — Lanx Satura. Progr. Gymn. Amsterdam, 1886.

Schweizer-Sidler und Surber. — Grammatik der Lateinischen Sprache. Halle, Waisenhaus, 1888,

Wagener, C. Hauptschwierigkeiten der lateinischen Formenlehre. Gotha, Perthes , 1888.

Anthologia Poëtica in usum Gymnasii Amstelodamensis. Trai. ad Rhen. v. d. Post, 1855.

Ramage, C. F. — Great Thoughts from Latin Authors. New-York, Alden, 1884.

Bender, H. — Grundriss der Römischen Literaturgeschichte. Leipzig, Teubner, 1876.

Borberg, Fr. — Hellas und Rom. Auswahl aus den Meisterwerken. Stuttgart, VI Biinde, 1842/47.

-ocr page 63-

Grieksche Schrijvers.

Aeliani, Cl. — Variac Historiae cur. J. H. Lederlino. Argentorati, Dulssccker, 1713.

Aeliani, Cl. — Opera ex recognitione R Hcrcheri. Lipsiae, Teubner, I 1864, II 1866.

Aeschinis. — Orationes edidit F. Franke. Lipsiae, Teubner, 1879.

Aeschyli, — Fabulae edidit N. Wecklein. Berolini, Calvary, I et II 1885.

Aeschyli. — Agamemnon ree. emend. S. Karsten. Traieeti ad Rhenum, Kemink, 1855.

Aeschyli. — De — Choephoris et Sophoclis Euripidisque Elcctris ad elegantiae rationes inter se comparatis. Diss. lit. scr. G. G. van der Weerd. Daventriae, Enklaar, 1874.

Aeschylos\'. — Agamemnon, vertaald door L. A, J. Burgersdijk. Progr. Gymn. Deventer, 1887.

Alexandri Lycopolitani contra Manichaei opiniones disputatie, ed. A. Brinkmann.

Lipsiae, Teubner, 1895.

Ammonius de adfmium vocabulorum differentia, vulgavit L. C. Valckenaer.

Lugduni Bat. Luzac, 1739.

Anacreontis Teii. — Carmina ed. v. Rose. Lipsiae, Teubner, 1876.

Anthologia Palatina instr. F. Dübner, Parisiis, Didot, 1 18(54, II 1872, 111 1890. Anthologiam Palatinam^ ad — coniectanea, scr. H. J. Polak. (Ovdr. Mnemosyne).

Anthologia Palatina. — Studia Critica in Epigrammata Graeca. Annotationcs ad epigrammata in III volumine A. P. scr. H. v. Herwerden. Leiden, Brill, 1891.

Antiphontea, Studia. — scr. J. J. Hartman. Progr. Gymn. Leiden, 1882. Antonini — D Imperatoris Marei — Commentariorum libri XII, ree. J. Stich,

Lipsiae, Teubner, 1882.

Apollodori. — Bibliotheca ex. ree. J. Bekkeri. Lipsiae, Teubner, 1854. Apollonii Rhodii. —• Argonautica ree. R. Merkel. Lipsiae, Teubner, 1882.

Apologie der Heilkunst, eine Griechische Sophistenrede , bearbdtet von Th. Gom-perz. Wien, Tempsky, 1890. (Sitzungsberichte des Kais. Akad. d. Wiss.)

Appiani. — Historia Romana ed. L. Mendelssohn. Lipsiae, Teubner, 1 1879, II 1881.

Archimedis. — Opera Omnia ree J. L. Heiberg. Lipsiae, Teubner, III Voll. 1880-1881.

-ocr page 64-

— 58 -

Aristarchi De — commcntatione gt;de castris navalibusquot; instauranda. Diss. lit. scr. B. J. Goedhart. Traiecti ad Rhenum, van Druten, 1879.

Aristophanis Comocdias ed. Th. Bergk. Lipsiae, Teubner, I 1877, II 1878.

Aristophanem, Scholia Graeca in — ed. Fr. Diibner. Parisiis, Didot, 1842.

Aristophanem. —• De usu particulae conditionalis apud —, diss. litt. scr. F. H. Coenen. Groningae , Wolters, 1879.

Aristophane De — Euripides censore, diss. litt. scr, J. van Leeuwen. Amstelaedami, Spin, 1876.

Aristophanem — De praepositionum usu apud —, diss. lit. scr. J. F. L. Montijn. Traiecti ad Rhenum, van Huffel, 1877.

Aristophaneae Metaphorae — diss. lit. scr. M. Nassau Noordewier. Delphis Ba-

tavorum, Koumans, 1891.

Aristophanis Vespae, ed J. van Leeuwen, Lug. Bat. Brill, I893.

Aristotelis — Opera Omnia ed. Academia Regia Borussica. V voll. Berolini, Reimer 1831—1870.

Aristotelis — Respublica Atheniensium ed. Fr. Blass. Lipsiae, Teubner, 1895.

Aristotle on the constitution of Athens, edited by F. G. Kenyon. Oxford, Clarendon Press, 1891.

Aristoteles do Republica Atheniensium, ediderunt H. van Herwerden et J. van Leeuwen. Lugd. Bat., Sijthoff, 1891.

Aristoteles — Lexikon. Erklarung der philosophischen termini technici, von M. Kappcs. Paderborn, Schöningh, 1894.

Arriani Anabasis ree. C. Abicht. Lipsiae, Teubner, 1882.

Athenaei Naucratitae Dipnosophistarum libri XV, ree G. Kaibel. Lipsiae, Teubner, III voll. 1877 -1890.

Babrii fabulae Aesopeae ed. F. G. Schneidewin. Lipsiae, Teubner 1880.

Canabutzae Joannis. — Magistri, Commentarius, ed. M. Lehnerdt. Lipsiae, Teubner, 1890.

Cebetis tabula, ree. C. Praechter. Lipsiae, Teubner, 1893.

Charitonis Aphrodisicnsis de Chaerea et Callirrhoe amatoriarum narrationum libri VIII. publ. J. Ph. d\'Orville. Lipsiae, Schwickert, 1783.

Choricii, ad — declamationes duas recens cditas notulae, scr. H. J. Polak 1882 (Afdr.)

Chronicon Parium, ree. J. Flach. Tubingae , Fuesius, 1884.

Comicorum Atticorum fragmenta ed. Th. Kock. Lipsiae, Teubner, III voll. 1880 -1888.

Demosthenis Orationes, rcc. G. Dindorf. Lipsiae, Teubner, III voll. 1890—1891.

Demosthenis, Prolegomena ad — orationem Androtioneam. Diss. lit. scr. J. W. Sluiter. Amstclodami, van Munster, 1882.

Dionis, Cassii Cocceiani rerum Romanarum libri octoginta, rcc. J.Bckker. Lipsiae, Weidmannn, II Tomi, 1849.

Dio. — Ein verschobenes fragment des Cassius —, scr. U. Ph. Boissevain. 1890. (Abdr. Hermes).

Dionis — De Cassii—libris manuscriptis, scr. U. Ph. Boissevain, 1885 (Afdr. Mnemosyne).

Dioni. — De Excerptis Planudeis et Constantinianis quae vulgo Cassio —attri-buuntur, scr. U. Ph. Boissevain, Progr. Gymn. Rotterdam. 1884.

-ocr page 65-

- 59 -

Dionis Chrysostomi. — Orationes, rcc. L. Dindorf. Lipsiae, Teubner, II Voll. 1857.

Diophanti Alexandrini. — Opera omnia cd. P. Tannery. Lipsiae, Teubner, Vol. II. 1895.

Diodori. — Bibliotheca historica, ex ree. L. Dindorfii. Lipsiae, Teubner, V voll. I866-1868.

Diodori. — — Siculi fragmenta antiquiorem historiarn Romanam spectantia. Diss, lit. scr. H. G. van der Mey. Davcntriac, de Lange, 1864.

Diogenis Laertii de clarorum philosophorum vitis dogmatibus et apophthegmatibus libri X. ree. C. G. Cobet. Parisiis, Didot, 1878.

Dionysii Halicarnassensis. — Antiquitatum Romanarum quae supersunt, ree. A. Kiessling et V. Prou. Parisiis, Didot, 1886.

Dionysii Halicarnassensis. — Observationes ad — Antiquitates Romanas. Diss, lit. scr. P. J. Smit. Lugd. Rat. van der Hoek, 1879.

Dionysii Halicarnassensis. — Tirocinia Critica in — Antiquitates Romanas. Diss. lit. scr. R. Th. F. Readier. Lugd. Bat. Brill, 1878.

Dionysii Halicarnassensis. — Studia Critica in — Opera Rhetorica. Diss. lit. scr. J. van der Vliet. Lugd. Bat. van der Hoek. 1874.

Dionysii Halicarnassensis, Aelii — reliquias collegit et illustravit C. Th. Ph. Schwartz. Diss. lit. Traiecti ad Rhen. Kemink, 1877.

Epicae, — Corpusculum poësis — graccae ludibundae, Fase. I. ed. P. Brandt, 1888, Fase. II. ed. C. Wachsmuth, 1885. Lipsiae, Teubner.

Epicae, ^nchiridium dictionis —, scripsit J. v. Leeuwen, Lugd. Bat. Sijthoff, Pars Prior, 1892.

Epicorum. — Graecorum fragmenta, coll. G. Kinkel. Lipsiae, Teubner, Vol. I. 1877.

Epicteti. — Disscrtationes ree. H. Schenkl. Lipsiae, Teubner, 1894. Epistolographi Qraeci rcc. R. Hercher. Parisiis, Didot, i873.

Erotici Scriptores Qraeci ree. R. Hercher. Lipsiae, Teubner, Tom. I 1858, Tom. II 1859.

Euclidis —• Opera Omnia ed. J. L. Heiberg et H. Menge. Lipsiae, Teubner, Vol. I. 1883, II 1884, III 1886, IV 1885, VII 1895.

Euripides, — Tragoediae rec. A. Nauck. Lipsiae, Teubner, Vol. I 1876, II 1880, III 1869.

Euripides. — Wijsbegeerte en Godsdienst in het drama van —, door Dr. K.

Kuiper. Haarlem, Tjeenk Willink, 1880.

Eusebii Caesariensis. — Opera rec. G. Dindorf. Lipsiae, Teubner, IV Voll. 1867/71.

Eusebi Chronicorum libri II ed. A. Schocne. Berolini, Weidmann, Vol. 11866, II 1875. Fabulae Romanenses Graece conscriptae rec. A. Eberhard. Lipsiae, Teubner. Vol. I. 1872.

Plorilegium Graecum in usum primi gymnasiorum ordinis collectum a philologis

Afranis. Lipsiae, Teubner, VIII fasciculi. 1889—1890.

Qeographi Qraeci Minores ree. C. Muellerus, Parisiis, Didot, Vol. I 1855, II 1861, Tabulae 1855.

-ocr page 66-

— 60 —

Qeoponica sive Cassiani Rassi Scholastici de re rustica eclogae ree. H. Beckh. Lipsiae, Teubner, 1895.

öregorii Corinthii et aliorum Grammaticorum libri de dialectis linguae Graecae ed. G. H. Schaefer. Lipsiae, Weigel, 1811.

Harpocration et Moeris, Ex recensione J. Bekkeri. Berolini, Reimer, 1833.

lierodiani ab excessu divi Marei libri octo ab J. Bekkero recogniti. Lipsiae, Teubner, 1855.

Merodoti historiarum libri IX, euravit H. R. Dietsch. Lipsiae, Teubner, II voll. 1882.

Herodoti Historiae , recensuit H. Stein. Berolini, Weidmann, Tom. 1 1869, Tom. II 1871.

Herodot in Auswahl herausgegeben von K. Abicht. (Text.) Leipzig, Teubner, 1895.

Herodoti. — Halicarnassei historiarum libri IX, ed. Th. Gaisford. Oxonii, Parker, Tom I—IV, 1824.

Hesiodi. — Quae feruntur Carmina, ree. J. Flach. Lipsiae, Teubner, 1878.

Hesiodi Ascraei quae exstant ex ree. J. G. Graevii. Amstelodami, Gallet, 1701.

Hesiodeae. — Comparatio Theogoniae — cum Homerica, scr. G. F. Schoemann. Gryphiswaldiae, Koch, 1847.

Hippocratis. — Opera quae fcrunter omnia, ree. H. Kuehlewein. Lipsiae, Teubner, vol. I. 1895.

Hippocratis. —■ Aphorismi, cum indice Verhoofdiano locupletissimo. Berolini, Euslin, 1822.

Historicorum. — Fragmenta—Graecorum, ed. Car. et Theod. Muellcri. Parisiis, Didot, vol. I 1874, II 1848, III s. a., IV 1868, V 1873.

Homeri. — Ilias cd. G. Dindorf. Lipsiae, Teubner, 1888.

Homeri. — Odyssea ed. G. Dindorf. Lipsiae, Teubner, 1890.

Homeri. —• Ilias ex ree. S. Clarke. Londini, Baldwin et Cradock, II Tomi 1832.

Homeri. — Odyssea ed S. Clarke. Londini, Longman, II Tomi 1828.

Homeri. —- Odyssea cum Apparatu critico, ed. J. v. Leeuwen et M. B. Mendes da Costa. Lugd. Bat. Sijthoff, II Tomi, 1890.

Homerici, Hymni — , ree. A. Baumeister. Lipsiae, Teubner, 1882.

Homerischen, Die Hymnen, herausgegeben und erlautert von A. Gemoll. Leipzig, Teubner, 1886.

Homerus, over het leven en de gedichten van -, uit liet hoogduitsch van J. H. J. Koppen, Tiel, van Loon, 1850.

Homeri, observationes ad Scholia in Odysseam, scr. H. J. Polak. Lugd. Bat. Hazenberg, 1869.

Homerica, Studia —, Diss. lit. scr. J. M. Hoogvliet. Lugd. Bat. van Doesburgh 1885.

Homerische Forschungen von K. W. Osterwald. (Ister Theil: Hermes-Odyseus.) Halle, Pfeffer, 1853.

Homerica. — Quaestio quatenus mythologicis illustretur. Diss. lit. scr. H. M. van Nes. Trai. ad Rhenum. Kemink, 1891.

Homericae, Quaestiones —, scr. J. F. Lauer. Berolini, Besser, 1843.

-ocr page 67-

- 61

Homers, Betrachtungen ueber — llias, von K. Lachmann, \'2c Aufl. Berlin, Reimer, 1865.

Homerus. — Die alimalichc Entstehung der Gcsangc der Ilias, von B. Giseke. Vandenhoeck und Ruprccht, 1853.

Homerischen, Beobachtungen ueber den — Sprachgebraucli von Dr. J. Classen. Frankfurt a. M. Winter, I867.

Homer, Bilderatlas zum —, von R. Engelmann. Leipzig, Seemann, 1889.

Homerus bij Lucianus. — Scr. H. J. Kiewiet de Jonge. Progr. Gymn. Dordrecht. 1884.

Homeric! — Disputatio de hexametri Homerici origine. Diss. lit. scr. A. Drost. Delphis Bat. Koumans, 1895.

Hyperides. — Orationes Sex ed. F. Blass. Lipsiae, Teubner, 1894.

Jamblichi in Nicomachi arithmeticam introductionem liber ed. H. Pistelli. Lipsiae, Teubner, 1894.

Joannes Antiochenus. Ueber die dem — zugeschriebenen Excerpta Salmasiana, scr. U. Ph Boissevain. 1886 (Abdr. Hermes).

Joseph! Flavii. Opera, ree. G. Dindorf. Parisiis, Didot, 11 Vol). 1865.

Isocratis. — Orationes ed. Benseler. Ed. alt. cur. Fr. Blass. Lipsiae, Teubner, II Voll. 1885.

Isocratis. — Orationes et Epistolae. Cum Latina interpretatione Wolfii. Rasileae, Waldkirch, 1614.

Isocratea De oratione — quae inscribitur »de Bigisquot; disputatio. Diss. lit. scr. C. C. Mauve. Arnhcmiae, Rinkes, 1887.

Isocrates. — Twee Hoofdstukken over Isocrates, door H. G. A. Leignes Rakhoven. Progr. Gymn Deventer. 1877.

Juliani. Imperatoris quae supersunt ree. F. C. Hertlein. Lipsiae, Teubner, Vol. 1 1875, II 1876.

Lexico De tertio — Bekkeri, Diss. Lit. scr. Z. C. de Boer. Lugd. Bat. Brill, 1884.

Lexica. Observationes in Segueriana. Diss. Lit. scr. G. F. A. van Dam. Roterodami, Kramers, 1873.

Longini. - Dionysii vel -, de Sublimitate libellus, ed. O. Jahn, iterum ed. J. Vahlcn. Bonnae, Marcus, 1887.

Luciani Samosatensis opera, ex ree. C. Jacobitz, Lipsiae, Teubner, Vol. 1 1893, II 1887, III 1881.

Lucianum Studia critica in —, Diss. lit. scr. J. J. Hartman. Lugd. Bat. Van Doesburgh, 1877.

Lucianeae. Joannis Jensii lectiones , Hagae Comitis, Uitwerf, 1699. (Geschenk van Dr. T. van Doesburgh).

Lucianum. Exercitationes criticae in —, Diss. lit. scr. H. O. de Jong. Lugd. Bat. Kapteyn, 1896.

Lycophronis Alexandra ree. G. Kinkel. Lipsiae, Teubner, 1880.

Lydi, Joannis Laurentii , liber de ostentis, ed. C. Wachsmuth. Lipsiae, Teubner, 1863.

Lysiae Orationes rec. C. Scheibe. Lipsiae, Teubner, 1880.

Maximi et Ammonis carminum de actionum auspiciis reliquiae, rec. A. Ludwich. Lipsiae, Teubner. 1877.

-ocr page 68-

— 62 -

IHetrologicorum Scriptorum reliquiae, ed. F. Hultsch. Lipsiae, Teubner, Vol. 1 18G4, II 1866.

Musici Scriptores Graeci roc. C. Janus. Lipsiae, Teubner, 1895.

Nonni Panopolitani. - Dionysiacorum libri XLVIIf, ree. A. Koechly. Lipsiae,

Teubner, Vol. I 1857, II 1858.

Oratores Attici cd. (\'. Mueller. Parisiis, Didot, Vol. 1 1846, 11 1858.

Oracula Sibyllina ed. J. II. Friedlieb. T.ipsiae, Weigel, 1852.

Orphica, ree. E. Abel. Lipsiae, Freytag, 1885.

Palaephati de incredibilibus historiis ed. J. F. Fischer, Groningae, l?oIt, 1768. Paroemiographi Graeci edid. E. L. a Leutsch ct F. G. Schneidewin. Gottingae, van den Hoek et Ruprecht, Vol. I 1839, II 1851.

Pausaniae descriptio Graeciae, ree. J. H. C. Schubart. Lipsiae, Teubner, Vol. I 1881 11 1875.

Philodemi, Volumina rhetorica cd. S. Sudhaus. Lipsiae, Teubner, 1895. Philosophorum Fragmenta Graecorum, coll. ree. vert. F. G. A. Mullachius. .

Parisiis, Didot, Vol. 1 1875, II 1867, III 1881.

Philostrati, Flavii Opera cd. C. L. Kayser. Lipsiae, Teubner, II Voll. 1870/71.

Platonis dialogi ex rcc. C. F. Hermanni. Lipsiae, Teubner, VI voll, 1869—1881. Plato. Theaetetus of opleiding tot de wijsbegeerte, uit het Grieksch van— , door

D. Burger. Amsterdam, van Kampen, 1847.

Platonem. Observationes ad scholia in —-, Diss. lit. scr. F. H. E. Wolf. Trai.

ad Rhen. Kcmink, 1884.

Platonis, ad—Theaetetum. — Scr. II. G. A. Leignes Bakhoven. Prog. Gymn. Deventer, 1890.

Plotini, Annofationes criticae in — Enneadum partem priorem, scr. A. J. Vitringa.

Prog. Gymn. Deventer, 1876.

Plutarchi quae supersunt omnia, cd. Hutten. XIV Voll. Tubingae, Cotta, 1791 1804.

Plutarchi, — Vitac parallclae. Itcrum ree. C. Sintenis. Lipsiae, Teubner, V voll. 1858—1881.

Plutarchi, — Opera Graccc ct Latinc. Parisiis, Didot, — Vol. I et II, Vitae ed. Doehner 1877, 1862. Vol. Ill ct IV, Moralia cd. Dübner 1885, 1877. Vol. V, Fragmenta et Spuria, cd. Dübner, 1876,

Plutarchi, observationes in vitam Solonis. Diss, lit. scr, C, J, Eggink, Lugd.

Bat, v. Doesburgh, 1878.

Plutarchi, de fontibus — in vitis Gracchorum. Diss. lit. scr. A. W. van Geer.

Lugd. Bat. v. d. Hoek, 1878.

Poetae Lyrici Graeci rcc. Th. Bergk. Lipsiae, Teubner, III voll. 1878—1882. Polyaeni. - Stratcgcmaton libri octo ex ree. E. Woelfflin, iterum ree. J. Mel-

ber. Lipsiae, Teubner, 1877.

Polybii. Historiae ed. Fr. Hultsch. Berolini, Weidmann, IV voll. 1867—1872.

Polybii. De ..... fontibus et auctoritate, scr. J. M. J. Valeton. Trai. ad Rhen.

Leeflang, 1879.

Procopii Caesariensis. — Anecdota sive Historia arcana, ed. J. C. Orellius. Lipsiae, Hartmann, 1827.

-ocr page 69-

— 63 -

Ptolemaei, Claudii — Gcographia, cd. C. Mucllcrus. Parisiis, Didot, Vol. I. 1883.

Ptolemaei, Claudii. — Gcographia, cd. Fr. A. Nobbe. Lipsiae, Tauchnitz, IH Voll. 1843 1845.

Quinti Smyrnaei. — Posthomcricorum libri XIV, rel. A. Kocchly. Lipsiac, Teubncr, 1853.

Rhetores Graeci. — Ed. Chr. Walz. Stuttgartiae, Cotta, IX Voll. 1832 1836.

Rhetores Graeci. — Ex ree. L. Spcngcl, cd. C. Hammer. Lipsiac, Teubncr, Vol. I, part. IT, 1894.

Sexti Empirici. — Opera Gracce et Latino, cd. J. A. Fabricius. Lipsiac, Kuchn. Tom. I 1840, II 1841.

Sophoclis. — Tragocdiae ex ree. G. Dindorfii. Edit, sexta, quam cur. Mekler. Lipsiac, Teubncr, 1889.

Stobaei, Joannis. — Eclogarum physicarum et cthicarum libri duo, ree. A. Meincke. Lipsiac, Teubncr, Tom. I 1860, 11 1864.

Stobaei, Joannis. — Anthologium ree. C. Wachsmuth et O. Heuse, III Voll. 1884 1894.

Strabonis. — Gcographica ree. A. Meincke. Lipsiac, Teubncr, Vol. I et II 1877, III 1866.

Strabonis. Gcographica, cur. G. Mueller et T. Duebner. Parisiis, Didot, 1853.

Testamentum, Novum. — Gracec cd. Ph. Buttmann. Lipsiac, Teubncr, 1882.

Testamentum, Novum. — Auctorc J. Lensden. Amstelacdami, Wetsten, 1698.

Testament, The Old in Greek according to the Septuagint, by H. Barclay Swete. Cambridge, University Press, Vol. I 1S87, II 1891, 111 1S94.

Testament. De apocriefe boeken des Ouden Verbonds, uit het Gricksch opnieuw vertaald door J. Dyscrinck. Haarlem, Erven Poosjes, 1874. (Geschenk van den schrijver.)

Testament, lets over de Grieksche vertaling van het Oude , door J. Hooy-kaas. Progr. Gymn. Rotterdam, 1888.

Texts, Classical from papyri in the British Museum, including the newly discovered poems of Herodas, cd. by E. G. Kenyon. Printed by order of the trustees. 1891.

Theocriti Bionis ct /Hoschi. — Carmina Bucolica, cd. L. (\'. Valckenaer. Lugd. Bat. Houkoop, 1810. (Geschenk van Dr. J. M. Leopold.)

Theocritus Bion Moschus. — Tertium edidit A. Meinekc. Berolini, Reimer, 1856.

Theodori Prisciani. — Euporiston libri 111, ed. V.Rose. Lipsiac, Teubner, 1894.

Theodori Prodromi. — Catomyomachia ex ree. R. Herchcri. I.ipsiac, Teubncr, 1873.

Theophrasti Eresii. — Opera quae supersunt ex ree. Fr. Wimmer. Lipsiac, Teubner, Tom. I et II 1854, III 1862.

Theophrasti Eresii. Opera, quae supersunt, omnia. Graecc ct Latinc rec. Fr. Wimmer. Parisiis, Didot, Didot, 1866.

Thucydidis de bello Peloponnesiaco libri octo, rec. G. Boehme. Lipsiac, Teubner, Vol. I 1880, II 1877.

Thucydidis historia belli Peloponnesiaei, cd. J. M. Stahl, Lipsiac, Tauchnitz, Vol. 1 1873, II 1374.

-ocr page 70-

- 64 —

Tragico, — Studia Tragico-Homerica. Diss. lit. scr. E. B. Koster. Da\\entriac, Kreunen, 1891.

Tragicorum, De — anachronismis. Diss. lit. scr. T. A. Strieker. Amstelodami, Loman, Kirberger et van Kesteren, 1880.

Xenophontis quae extant, ree. J. G. Schneider. Lipsiae, Hahn, VI Tomi. 1805- 1821.

Xenophontis commentarii ree. L. Dindorf. Lipsiae, Teubner, 1880.

Xenophontis. - Scripta minora ree. L. Dindorf. Lipsiae, Teubner, 1873.

Xenophontis. — Institutio Cyri ree. L. Dindorf. Lipsiae, Teubner, 1880.

Xenophontis. Expedito Cyri ed. C. G. Cobet. Lugd. Bat. Brill, 1881.

Xenophontis. — Historia Graeca cd. C. G. Cobet. Lugd. Bat. Brill, 1880.

Xenophons. — Gedenkwaardigheden van Socrates, uitg. door J. J. Hartman. Leiden , Brill, 1888.

Xenophons. — Oeconomieus, uitg. door J. J. Hartman. Leiden, Brill, 1888. Xenophontis — Cyri Anabasis, ree. C. G. Krueger. Halis Saxonum, Hemmerdc

et Schwetschke, 1826.

Xenophon. — Beitraege zur geographischen Erklaerung des Rueekzuges der Zehntauscnd, von Strecker und Kiepert. Berlin, Reimer, 1870.

Xenophontea, Analecta —, scripsit J. J. Hartman. Lugd, Bat. v. Docsburgh, 1887. (Geschenk van den Heer Th. Nolen).

Xenophontea, Analecta Nova, scripsit J. J. Hartman. Lugd. Bat. v.Docsburgh, 1889. (Geschenk van den Heer Th. Nolen.)

Zonarae, Joannis •— Annales ex ree. M. Finder. Bonnac, Weber, Tom. I 1841, 11 1844.

-ocr page 71-

Schrijvers.

Ammiani Marcellini — Rerum gcstarum libri qui supersunt, ree. V. Gardthausen. Lipsiae, Teubner, II Voil. 1874/75.

Anthologia Latina ree. A. Riese. Lipsiae, Teubner, Pars prior. fase. I 1869, fase. II, I87Ü.

Anthologia Latina edid. F. Bueeheler et A. Riese. Lipsiae, Teubner, Pars prior, fase. I 1894, pars posterior, fase. I, 1895.

Anthologiae Latinae Supplementa ree. M. Ihm. Lipsiae, Teubner, Vol. I, 1895.

Apuleium, ad —- Madaurensem ser. A. J. Kronenberg. Progr. Gymnas. Rotterdam, 1892.

Augustini, Sancti Aurelii — Episeopi, de civitate Dei, ree. B. Dombart. Lipsiae, Teubner, Vol. I, 1877, II 1892.

Ausonii, Decimi Magni — Rurdigalensis, Opuseula, ree. R. Peiper. Lipsiae, Teubner, 1886.

Aviani Fabulae, ree. G. Froehner. Lipsiae, Teubner, 1862.

Avieni, Rufi Festi — Aratea, ed. A. Breysig. Lipsiae, Teubner, 1882.

Boetii, Anicii Manlii Severini — Philosophiae eonsolationis libri quinque, ree. R. Peiper. Lipsiae, Teubner, 1871.

Caesaris, C. Julii — Opera studiis soe. bipontinae. Biponti, 1782.

Caesaris — Quae extant omnia, ex Mus. J. G. Graevii. Lugd. Bat. Boutesteyn et Luchtmans, 1713.

Caesaris, C. Juli — Belli Gallici libri VII, ree. B. Dinter. Lipsiae, Teubner, 1888.

Caesaris, C. Juli — Commentarii de bello civili, ree. B. Dinter. Lipsiae, Teubner, 1884.

Caesaris, C. Julii — Commentarii de bello eivili ed. G. Th. Paul. Lipsiae, Freytag, 1889.

Caesaris, Quindeeim ad — de bello Gallico eommentarios tabulae (Deseriptionum nobilissorum apud elassieos loeorum Series I) ed. A. v. Kampen. Gotha, Perthes.

Carminum Saliarium Reliquiae, ed. Maurenbreeher, Lipsiae, Teubner, 1894.

Cassiodorus, Die Chronik des — Senator vom J. 519 n. Chr. von Th. Mommsen. (Abh. d, K. S. Ges. d. Wiss. VIII).

Catonis. —- Disticha de Moribus, Roterodami, Leers, 1679.

Catonis. — Distieha de Moribus, Amstelodami, Boom, 1706.

Catonis, M. Porei — de agrieultura liber, ree. H. Keil. Lipsiae, Teubner, 1895.

Latijnsche

-ocr page 72-

— 66 —

Catulli, Tibulli, Propertii Carmina, rcc. L. Mueller. Lipsiae, Teubner, 1880.

Catulli Veronensis liber, rcc. et interpr. est A. Baehrens. Lipsiae, Teubner, Vol. I. 1876, II 1885.

Catulle. — Manuscrit de St Germain-des-Prés, (collection de reproductions de manuscrits, publiec par L. Clédat) precede d\'une étude de M. Émile Ghatclain. Paris, Lcroux, 1890.

Celsi, A. Cornelii — de Medicina, rcc. C. Daremberg. Lipsiae, Teubner, 1859.

Censorini, de — Die Natali liber, ree. F. Hultsch. Lipsiae, Teubner, 1867.

Ciceronis, M. Tullii— scripta ijiiae manserunt omnia, ree. R. Klotz. Lipsiae, Teubner, V Voll. 1863 1882.

Ciceronis, M. Tullii-— opera quae supersunt omnia ed. J. C. Orellius. Turici, Orcll, IV Voll. 1826—1831. (Donum v. cl. Joannis Dyserinckii.)

Ciceronis, M. Tul. ■— de Officiis lib. Ill cum annotationibus Erasmi, rest. Petrus Balduinus. Parisiis, ap. Odoënum Parvum, 1556.

Ciceronis. — Epistolarum libri XVI, rcc. Graevius. Amstelredami, Waesbcrgii, 1729.

Ciceronis. — Orationum Selectarum liber. Ultraiccti, v. Poolsum, 1773.

Ciceronis de Officiis, ex rec. J. A. Ernesti. Trai. ad Rhenum, Wild et Altheer, 1794.

Ciceronis, M.Tulli— de Oratore libri III, rec. Th. Stangl. Lipsiae, Freytag, 1893.

Ciceronis, M. Tulli — Orationcs Selectae XXI. ex edit. Muelleri seorsum ex-

prcssac. Lipsiae, Teubner, Partes II 1889.

Cicero, Der Briefwcchsel des M. Tullius—, von O.E.Schmidt. Leipzig, Teubner, 1893.

Ciceronis, M. Tulli — de fmibus bonorum et malorum libri V, rec. J. N. Madviguis. Hauniae, libr. Gyldendaliana, 1839.

Ciceronis, M. Tulli — Cato Maior, l.aelius rec. J. G. Baiter. Lipsiae, Tauchnitz, 1864.

Ciceronis, M. Tulli Cato Maior, Laclius, Paradoxa, rcc. C. F. W. Miillcr,

Lipsiae, Teubner, 1881.

Ciceronis, M. Tullii dc legibus libri trcs, rec. C. F. W. Miillcr, Lipsiae,

Teuber, 1880.

Ciceronis, IV\\. Tullii ^— de Officiis libri trcs, rcc. R. Klotz, Lipsiae, Teubner, 1879.

Ciceronis, M. Tullii — de Officiis libri trcs, ed. A. Kornitzcr. Vindobonae, Gerold, 1889.

Ciceronis, M. Tullii— Cato Maior, cd. A. Kornitzer. Vindobonae, Gerold, 1888.

Ciceronis, IV\\. Tullii — Laclius, cd. A. Kornitzer. Vindobonae, 1888.

Cicero\'s Die Quellen von — zwei Büchcrn de divinationc, von K. Hartfelder. Progr. Gymn. Freiburg. 1878. (Geschenk van Dr. j. B. Kan.)

Ciceronis, Dc Q. Asconii Pcdiani in — orationcs commcntariis emendandis, scr.

S. H. Rinkes. 1862 (Afdr. Mnemosyne).

Cicero. — Orationcs post reditum tres, scr. H. T. Karsten. 1879 (afdr. Mnemosyne). Claudiani, Claudii. — Carmina, rec. J. Koch. Lipsiae, Teubner, 1893.

-ocr page 73-

67 —

Ciaudii, Dc ludo de morte — Caesaris. Diss. lit. scr. A. C. H. Boisscvain. Lugd. Bat. v. d. Berg. 1895.

Curtius, Q. cum Indice ct Notis J. Loccenii. Amstelodami, Waesbergii, 1686.

Curtii, Q. — Rufi historiarum Alexandri Magm libri qui supersunt, ree. Th. Vogel. Lipsiae, Teubner, 1882.

Curtianae, Lectiones —, scr. P. H. Dainsté, Progr. Gymn. Leiden, 1894.

Daretis Phrygii de excidio Troiae historia, ree. F. Meister. Lipsiae, Teubner , 1873.

Dictys Cretensis. — Ephemeridos belli Troiani libri sex, ree. F. Meister. Lipsiae , Teubner, 1872.

Elegikern, Anthologie aus den — der Romer, crkl. v. C. Jacoby. Leipzig, Teubner, I Bnd. (Ovid und Catull) 1882, II Bnd. (Tibull und Propcrz) 1882.

Enni, Q. -— Carminum Reliquiae, em. L. Mueller. Petropoli, Ricker, 1884.

Eutropii historia Romana, ree. R. Dietsch. Lipsiae, Teubner, 1883.

Festi breviarium rerum gestarum populi Romani, ed. C. Wagener. Pragae, Tempsky, 1886.

Festi, Sexti Pompei — de verborum significatione, em. C. O. Mueller. Editio nova. Lipsiae, Simmel, 1888.

Firmici, Julii—Materni. ;— Matheseos libri VIII. Ree. C. Sittl. Part I. Lipsiae, Teubner, 1894.

Flori, Juli. — Epitomae, ree. C. Halm. Lipsiae, Teubner, 1863.

Florus, L. Annaeus ■—, eum notis Min-cllii. Roterodami, Leers, 1698.

Flori, L. Annaei. — Epitome, ex ree. Graevii. Lipsiae, libr. Fritschia, 1760.

Flori , Observationes critieae et palaeographieae ad — epitomam de Tito Livio , ser. J. W. Beek. Progr. Gymn. Groningen, 1890.

Frontini, Sex Julii. — Strategcmaticon libri IV, ree. A. Dederich. Lipsiae, Teubner, 1855.

Frontonis, IW. Cornelii -- et M. Aurelii. — Imperatoris Epistulae, ree. S. A. Naber. Lipsiae, Teubner, 1867.

Qaii. — Institutionum iuris civilis commentarii quatuor. Ree. Ph. E. Husehke. Lipsiae, Teubner , 1878.

Qaius, Institutes dc —, par E. Dubois. Paris, Marescq ainé, 1881.

Qellii, Auli. — Noctium atticarum libri XX, ree. M. Hertz. Lipsiae, Teubner, II Voll. 1853/77.

Mieronymi dc viris inlustribus liber. Ree. G. Herding. Lipsiae, Teubner, 1879,

Historia Apollonii regis Tyri. Ree. A. Riese. Lipsiae, Teubner, 1871.

Historicorum, Veterum — Romanorum Relliquiac, ree. H. Peter. Lipsiae, Teubner, 1870.

Horatius, Q. — Flaccus eum commcntariis, ex officina Plantiniana, 161L

Horatius, Q. — Flaccus a Joh. Min-Ellio illustratus. Rotterodami, Leers, 1677.

Horatii, Q. — Flacci opera, ill. L. Desprez. Amstelodami. 1695.

Horatius, Q. — Flaccus ex ree. R. Bentleii. Lipsiae, Georgius, II Tomi 1764.

Horatii, Q. — Flacci ree. F. G. Doering. Lipsiae, Hahn, I 1839, II 1836.

Horatii, Q. — Flacci Carmina. itcrum ree. L. Mueller. Lipsiae, Teubner, 1890.

-ocr page 74-

- 68 —

Horatii, Q. — Flacci opera, ill. C. G. Mitscherlich. Lipsiac, Lebrecht Crusius, II Tomi, 1800.

Horatius, 0- — Flaccus ree. Orellius. Editionem minorem eur. G. Hirschfclder. Berolini, Calvary, I 1882, II 1884.

Horatius, Q. — Flaccus ree. Orellius. Editio quarta maior, quam eur. G. Hirseh-felder. Berolini, Calvary, Volumen prius. 1886.

horatii, Jani Dousae Nordovieis in novam Q. Flacci editionem commentariolus. Antwerpiae, Ex off. Plantini, 1580.

Horatio, De — Poëta, scripsit J. J. Hartman. Lugd. Bat. v. Docsburgh, 1891.

Horatii, Ad — Sat. L. I. vv. 9 et 17, scr. J. B. Kan. II fase. 1889, 1892. (afdr Mnemosyne.)

Horaz, — Cruquius und die — kritik, von J. Haussner. Leipzig, Freytag, 1884.

Horatii, Q. —- Flacci Carmina ree. P. Hofman Peerlkamp. Harlemi, Loosjes,

1824. (Geschenk van Dr. A. J. Kronenberg.)

Hygini. Gromatici, libcr de munitionibus Castrorum, constit. Chr. C. L. Lange. Gottingae, Vandcnhoeck et Ruprecht, 1848.

Hygini. — Gromatici, liber de munitionibus castrorum, ree. G. Gemoll. Lipsiae, Teubner, 1879.

Jurisprudentiae Anteiustinianae quae supersunt. Ree. Ph. E. Huschke. Lipsiae, Teubner, 1879.

Justini historiae Philippicae. Varias lectiones adi. P. Burmannus. Lugd. Bat. Luchtmans, 1722.

Justini. — Trogi Pompei historiarum Philippicarum epitoma, ree. J. Jeep. Lipsiae, Teubner, 1876.

Juvenaiis, D. Junii. — Aquinatis Satyrae, ex ree. H. Chr. Henninii. Ultraieeti,

ex off. Zyliana, 1685.

Juvenaiis, D. Junii. —■ Saturarum libri V, mit erkliirenden anmerkungen von L. Friedlaender. Leipzig, Hirzel, II Bande 1895.

Juvenaiis, D. Junii. Satirarum libri V, ree. C. Fr. Hermann. lipsiae, Teubner, 1879.

Juvenaiis, D. Junii. — Saturae XIII. Thirteen Satires of Juvenal, edited by C. H. Pearson and H. A. Strong. Oxford, Clarendon Press, 1892.

Juvenalem, de titulo J. R. N. 4312 ad — poetam perperam relato. Diss. lit. scr. H. J. de Dompierre de Chaufepic. Hagae Comitis, Nijhoff. 1889.

Livii, Titi — Patavini, historiarium quod extat, ed. Jae. Gronovius. Basileac, Thurnisi, III Tomi 1740.

Livi, Titi ab urbe condita libri, ree. W. Weissenborn. Lipsiac, Teubner, V Partes, 1871/80.

Livi, Titi — ab urbe condita libri, apparatu critico adiecto ed. A. Luchs. Berolini, Weidmann, 1889 (Vol. IV, libros XXVI—XXX continens).

Lucanus, M. Annaeus —■ dc bello civili, accur. C. Schrevelio. Lugd. Bat. Hack, 1658.

Lucani, M. Annaei — Pharsalia, additae sunt in fine Hugonis Grotii notae. Amsterodami, Blaeuw, 1665.

Lucani, M. Annaei — de bello civili libri decem, ed. C. Hosius. Lipsiae, Teubner, 1892.

-ocr page 75-

— 69 —

Lucani, M. Annaei — Pharsalia, ed. C. M. Franckcn. Lugd. Bat. Sythoff, 1896. (Vol. I).

Lucreti, T. — Cari dc rerum natura, ree. J. Bernaysius. Lipsiae, Teubncr, 1881.

Lucreti, T. — Cari de rerum natura, cd. A. Bricgcr. Lipsiae, Teubncr, 1894.

Macrobius, ree. Fr. Eyssenhardt. Lipsiae, Teubncr, 1868.

Manilio, de — poeta, ser. J. Woltjer. 1881. Prog. Gymn. Groningen.

Partialis, M. Valerii. — Epigrammaton libri, mit erkiarenden Anmerkungcn von L. Fricdlandcr. Leipzig, Hirzci, II Bande, 1886.

Martialis, M. Valerii. — Epigrammaton libri. Ree. F. G. Schneidewin. Lipsiae, Teubner, 1881.

Martialis, M. Valerii, —- Epigrammaton libri. Ree. W. Gilbert. Lipsiae, Teubner , 1886.

Martialem, ad — quaestiones eriticae Walteri Gilbert. Dresdae, \'{quot;cubner, 1883. Progr. Gymn. Dresdensis.

Martianus Capella. — Fr. Eyssenhardt reeensuit. Lipsiae, Teubner, 1866.

Melae, Pomponii. — De Chorographia libri tres. Ree. C. Frick. Lipsiae, Teubner , 1880.

Minucii. Minueiana sive annotationes eritieae in -■ Felieis Oetaviam. Diss. Lit. ser. A. J. Kronenberg. Lugd. Bat. v. Doesburgh, 1889.

Nepotis, Cornelii. — Vitae excellentium imperatorum, ed. C. G. Cobet. Lugd. Bat. Brill, 1881.

Nepotis, Cornelii. — Vitae, ex ree. C. Halmii. Lipsiae, Teubner, 188U.

Nepotis, Cornelii, — Vitae excellentium imperatorum Amstclodami, Wetsten, 1707.

Notitia Dignitatum, — Ed. O. Secck. Berolini, Weidmann, 1876.

Orosii, Pauli — presbyteri Hispani adversus paganos historiarum libri VII. Rcc. S. Havereamp. Thorunii, Lambcecius, 1877.

Ovidii Nasonis. — Opera Omnia, ed. B. Cnippingius. Amstclodami, Wacsbergc, 3 Tomi, 1702.

Ovidii Nasonis. — Opera quae vocantur amatoria, cd. Micyllus. Basilcac, Her-wegius , 1549.

Ovidii Nasonis. — Metamorphoseon libri XV, ed. P. Rabus. Rotcrodami, Leers,

1697.

Ovidii Nasonis. — Tristium libri V, eum notis Min-EUii. Rotcrodami, Leers,

1698.

Ovidii Nasonis. — Tristia. Rotterodami, Arrenberg, 1755.

Ovidius, P. — Naso. Rcc. R. Merkel. Lipsiae, Teubner, III Tomi 1877—80.

Ovidi, P. — Nasonis Tristium libri V. Reeensuit S. G. Owen. Oxonii, Clarendon , 1889.

Ovidii, P. — Nasonis ex Ponto libri quattuor, em. O. Korn. Lipsiae, Teubncr , 1868.

Ovidii, P. — Nasonis Heroides, ed. W. Terpstra. Lugd. Bat. Luchtmails, 1829.

Panegyrici, XII — Latini, rcc. A. Bachrens. Lipsiae, Teubner, 1874.

Persii, A. — Placci Satirarum Liber, ex ree. C. F. Hermann. Lipsiae, Teubner, 1881.

-ocr page 76-

— 70 —

Petronii cena Trimalchionis, von L. Friedlander, Leipzig, Hirzcl, 1891.

Phaedri. — Augusti libcrti Fabulae Acsoneac. Ed. A. Ricsc, Lipsiae, Tauch-nitz, 1885.

Phaedri. Fabularum Aesopiarum iibri V. Cura P. Burmanni. Lugd. Bat. Luchtmails, 1756.

Phaedri. De — fabulis commentatio scr. J. J. Hartman. Lugd. Bat. v. Docs-burgh , 1890.

Plauti, iV\\. Acci. Comoediac, ex rec. Gronovii. Amstelodami, cx typogr. Blaviana, 1684.

Plauti, M. Acci. — Comoediae supcrstites XX. Amstelodami, Elzevirius, 1652.

Plauti, T. IVlacci. — Captivi. Ex rcc. A. Fleckciseni. Lipsiae, Teubner, 1880.

Plauti, T. Macci. — Trinummus. Ex. rec. A. Fleckciseni. Lipsiae, Teubner, 1881.

Plauti, T. Macci. — Comoediae, rcc. Fr. Ritschclius, sociis operae adsumptis G. Loewe, G. Goetz, Fr. Schoell. Lipsiae, Teubner, IV Tomi. XX Fasciculi, 1878 1894.

Plini, C. — Secundi Naturalis Historiae Iibri XXXV11. Rec. L. Janus. Lipsiae, Teubner, VI Voll. 1865 80.

Plinii, C. Secundi librorum dubii sermonis VIII reliquiae. Coll. W. Beck. Lipsiae, Teubner, 1894.

Plini, C. — Caecili Secundi Epistularum Iibri novem. Ree. H. Keil. Lipsiae, Teubner, 1876.

Plinius, Ausgcwahlte Bricfe des jüngeren , erki. von A. Kreuser. Leipzig, Teubner, 1894.

Poësis, Scenicae Romanorum — fragmenta, rec. O. Ribbeek. Lipsiae, Teubner. Vol. I Tragicorum frgm. 1871, II Comicorum frgm. 1873.

Poetae. — Christiani Minores. (Vol. XVI Corporis Scriptorum ccclcsiasticorum Latinorum editum consilio Acad. Litt. Caes. Vindoboncnsis.) Vindobonae, Tempsky, 1888.

Poetarum, corpus — Latinorum, ed. G. E. Weber. Francofurti ad Mocnum, Broenner, 1833.

Porphyrionis, Pomponii. - Commentarii in Q. Horatium Flaccum, rcc. G. Meyer. Lipsiae, Teubner, 1874.

Propertii, Sex. Aurelii. — Carmina. Emend. C. Lachmann. Lipsiae, Fleischer, 1816.

Propertii, Sex. Aurelii. Elegiarum Iibri (V, cum comm. P. Burmanni Sec. ed. L. Santcnius. Trai. ad Rhcnum, Wild, 1780.

Prudentii, Aurelii Clementis V. C. opera omnia ex edit. Parmensi in us. Del-phini. Ill Voll. Londini, Valpy, 1824.

Quintiliani, M. Fabii — Institutionis oratoriac Iibri XII, rec. E. Bonncll. Lipsiae, Teubner, II Voll. 1883/84.

Rutilii, P. — Lupi de figuris sententiarum et clocutionis Iibri duo, cd. C. H. Frotscher. Lipsiae, Schaarschmidt et Volckmar, 1831.

Sallustii, C. Crispi quae extant. Amstelodami, Room, 1689.

Sallustii, C. Crispi. Opera omnia c. notis variorum. Lugd. Bat. Ex off. Hac-kiana, 1677.

Sallustii, C. — Crispi Bcllum Catilinarium ct lugurthinum, c. comm. Min-Ellii. Hagac Comitum, Leers, 1685.

-ocr page 77-

— 71 —

Sallusti, C. ^— Crispi Bcllum lugurthinum, ree. R. Novak. Pragac , Storch, 1891

Sallusti, C. — Crispi Bellum Catilinae, Historiarum orationes et cpistulae, ree. R. Novak. Pragae, Storch, 1891.

Sallusti, C. — Crispi Catilina lugurtha, Historiarum reliquiae, ree. H. Jordan. Berolini, Wcidmann, 1887.

Scriptores historiae Augustae, ed. H. Peter. Lipsiae, Teubner. 11 Voll. 1884.

Scriptores historiae Augustae, ree. H. Jordan et Fr. Eyssenhardt. Berolini, Wcidmann, II Voll. 1864.

Senecae, L. Annaei. — Opera quae supersunt, ree. Fr. Haase. Lipsiae, Teubner, 11! Voll. 185381.

Senecae Annaei, Oratorum et rhetorum sententiae divisiones colores, ree. A. Kiessling. Lipsiae, Teubner, 1872.

Senecae L. Annaei. — Tragoediae, ree. et emend. Fr. Leo. Berolini, Wcidmann. II Voll. 1878/79.

Servii Grammatici qui feruntur in Vergilii earmina eommentarii, ree. Ci. Thilo

et H. Hagen. Lipsiae, Teubner, Vol. I 1881, II 1884, lil. fase. I 1887 Sidonius, C. Sollius Apollinaris, — ree. P. Mohr. Lipsiae, Teubner, 1895.

Sill Italic! Puniea cd. L. Bauer. Lipsiae, Teubner, Vol. I 1890.

Silianae, Quaestiones, Diss. lit. ser. J. S. van Veen. Lugd. Bat., v. Does-burgh, 1884.

Statll, P. Papinil — Silvae, ree. A. Bachrcns. Lipsiae, Teubner, 1876.

Statii, P. Papinii ■— Aehilleis et Thebais, ree. Ph. Kohlmann. Lipsiae, Teubner, II Fase. 1879,84.

Suetonl, C. — Tranquilli quae supersunt omnia, ree. C. L. Roth. Lipsiae, Teubner, 1877.

Suétone avee la traduction en francais, par Baudement. Paris, Duboehet, 1845.

Sulpicius Apollinaris, ser. J. W. Beek. Progr. Gymn. Groningen, 1884.

Taclti, C. Cornelii — quae exstant, ree. J. Fr. Gronovius. Amstelodami, typogr. Blaviana, II Tomi, 1685.

Tacitus, Cornelius, — Aa C. Nipperdcio reeognitus. Berolini, Wcidmann, IV partes 1871 76

Taciti, C. Cornelii — opera quae extant, ex ree. Th. Ryekii. Lugd. Bat. Hackius, 1687.

Tacitus, C. Cornelius. - Cum opt. ex. eollatus. Amstelodami, sumpt. soc. 1701.

Terentii, P. — Afri eomoediae VI cum notis variorum. Amstelodami et Lugd. Bat., Wolfgang ct Hack, 1686.

Terentii, P. — Afri eomoediae, cd. Fr. dir. G. Perlet. Lipsiae, Hahn, 1827.

Terentii, P. — Afri eomoediae Sex, cum notis Min-Ellii. Rotcrodami, Leers, 1690.

Terentii, P. Afri eomoediae, ree. C. Dziatzko. Lipsiae, Tauchnitz. 1884.

Terentii, P. — Afri eomoediae sex, ed. J. A. Giles. Londini, Bohn, 1837.

Terentiana, Scholia, collcgit Fr. Schlee. Lipsiae, Teubner, 1893.

Terentio, De — et Donato, commentatio, scr. J. J. Hartman. Lugd. Bat. Sijthoff. 1895. (Geschenk van den Heer Th. Nolen.)

Tibulli, Albii. - Elcgiae, cd. E. Hiller. Lipsiae, Tauchnitz, 1885.

Tibulli, l)c — Elcgiarum structure, scr. H. T. Karsten. (afdr. Mnemosyne.)

-ocr page 78-

— 72 —

Valeri, C. — Flacci Setini Balbi Argonauticon libri octo, ree. A. Raehrens. Lipsiae, Teubner, 1875.

Valeril, Adversaria critica ad C. — Flacci Argonautica, scr. P. H. Damstc. Diss, lit. Lugd. Bat. Brill. 1885.

Valeri /Waximi factorum et dictorum memorabilium libri novem, ree. C. Halm. Lipsiae, Teubner, 1865.

Valerio, De M. - Probo Berytio scr. J. W. Beek. Progr. Gymn. Groningen, 1886.

Varronis, M. Terenti — de Lingua Latina Libri, cd. L. Spengel. Berolini, Wcidmann, 1885.

Varronis, M. Terenti — Rerum rusticarum libri tres, ree. H. Keil. Lipsiae, Teubner, 1889.

Varronis, M. Terenti Saturarum Mcnippearum reliquiae, cd. A. Riese. Lipsiae, Teubner, 186quot;).

Vegeti, Flavii Renati, Epitoma rei militaris, ree. C. Lang. Lipsiae, Teubner, 1869.

Vergilii, P. Maronis Opera omnia, ed. Schrevelius. Lugd. Bat. Hackins, 1661.

Vergilii, P. — iVlaronis Opera, cum notis Min-Ellii. Roterodami, Leers, 1681.

Vergili, P. Maronls Opera, ree. O. Ribbeek. Lipsiae, Teubner, 1881.

Vergili, P. — Maronis Acneis, ed. Th. Ladewig. Berolini, Wcidmann, 1889.

Vergilii, P. Maronis Acncidos librum quartum cd. W. Terpstra. Roterodami, Allart, 1830.

Vergilii, P. — Maronis Bucoliea et Georgica. The eclogues and georgics of Virgil, by Ch. Anthon, new edition corr. by Nichols. London, Tegg. 1847.

Vergili, P. Maronis Bucoliea, Aeneis, Georgiea. The greater poems of Virgil, cd. by J. B. Greenough. Boston, Ginn, Heath and Co. II Voll. 1883/84.

Vergils. — Acneis, herausg. von J. Werra. Münster i. W. Aschendorff. 1892.

Vergilii, P. — Maronis Opera ed. A, Forbiger. Lipsiae, Hinrichs. Ill Partes, 1852.

Vergilii, P. — Maronis Bucoliea, Georgiea et Aeneis, ab Ant. Ambrogi Florentino Italico vcrsu reddita. Ill Tomi, Romae, 1763. (Geschenk van den Heer J. J. Visser).

Vergili, Pub. — Maronis Opera ad Maasvieii editionem castigata. Londini, Brundlcy, II Tomi, 1753.

Virgili, De — Qeorgicis, scr. J. van Wagcningen. Diss. lit. Trai. ad Rhen. v. Boekhoven, 1888.

Vergilius als dichter, wijze en toovenaar, door J. L. Sirks. Progr. Gymn. Groningen, 1874.

Vergilii Aeneidos. — De Codice Aeneidos, qui in bibliotheca Daventriensi adservatur, scr. A. J. Vitringa. Progr. Gymn. Deventer, 1881.

Virorum clarorum saeculi XVI et XVII epistolae selectae, ed. E. Weber, Lipsiae, Teubner, 1894.

Viris, De fontibus ex quibus scriptor de — illustribus Urbis Romae hausisse videtur, scr. C. J. Vinkesteyn. Diss. lit. Lugd. Bat. Brill, 1886.

Viris, liber de — illustribus urbis Romae apparatu critico ct adnotationibus instructus. Diss. lit. scr. J. R. Wijga. Groningae, Wolters, 1890.

Vitruvii, Marci — Pollionis de arehitectura libri decern. Ed. J. G. Schneider. Lipsiae, Goschen, III Tomi 1807/08.

-ocr page 79-

- 73 -

Hartfelder, K. — Deutsche Uebersetzungen Klassischer Schriftsteller aus dem Heidelberger Humanistenkreis. Heidelberg, Mohr, 1amp;\'84.

Kan, J. B. — Wesseli Groningensis, Rodolphi Agricolac, Erasmi Roterodami Vitae ex codice Vindobonensi. Progr. Gymn. Rotterdam, 1894.

Kan, D. M. — Bezigheid in jaren van rust. Lessen van levenswijsheid bij oude schrijvers. Rotterdam. Wijt, 1881.

Leopold, J. H. — Studia Peerlkampiana. Diss. lit. Gron. Wolters 1892.

Mureti, M. Antonii — Scripta selecta cd. J. Frey. Lipsiae, Teubner, II Voll. 1871/73.

Nodell, J. A. — Album Amicorum, 1772 (2 ex.)

Ruhnkenii, Davidis— opuscula, Lugd. Bat. Luchtmans, 1807.

Ruhnkenii, Davidis — opuscula, Lugd. Bat. Luchtmans, II Tomi, 1823.

Suringar, W. H. D. — Joannes Glandorpius in zijne Latijnscha Disticha. Progr. Gymn. Leiden, 1874.

Trimberg, H. von — Das Registrum multorum auctorum des — von J. Huemer.

Wien, Tempsky, 1888.

Wilmink, J. H. — Levensschets van I. I. Scaliger, Progr. Gymn. Deventer. 1883. Worp, J. A. — Jani Broukhuisii Epistolae Selectae. Progr. Gymn. Gron. 1889. Wyttenbachii, Dan. — Opuscula, Lugd. Rat. Luchtmans, II Tomi 1821.

-ocr page 80-

— 72 —

Valeri, C. — Flacci Setini Balbi Argonauticon libri octo, ree. A. Rachrcns. Lipsiae, Tcubner, 1875.

Valerii, Adversaria critica ad C. — Flacci Argonautica, scr. P. H. Damsté. Diss, lit. Lugd. Bat. Brill. 1885.

Valeri Maximi factorum et dictorum memorabilium libri novem, ree. C. Halm. Lipsiae, Tcubner, 1865.

Valerio, De M. — Probo Berytio ser. J. W. Beek. Progr. Gymn. Groningen, 1886.

Varronis, M. Terenti — de Lingua Latina Libri, cd. L. Spengel. Bcrolini, Weidmann, 1885.

Varronis, M. Terenti — Rerum rustiearum libri tres, ree. H. Keil. Lipsiae, Tcubner, 1889.

Varronis, M. Terenti Saturarum Mcnippearum reliquiae, cd. A. Ricse. Lipsiae, Tcubner, 1865.

Vegeti, Flavii Renati, Epitoma rei militaris, ree. C. T.ang. Lipsiae, Tcubner, 1869.

Vergilii, P. Maronis Opera omnia, cd. Schrevclius. Lugd. Bat. Hackins, 1661.

Vergilii, P. Maronis Opera, cum notis Min-Ellii. Roterodami, Leers, 1681.

Vergiii, P. —Maronis Opera, ree. O. Ribbeek. Lipsiae, Teubner, 1881.

Vergiii, P. — Maronis Aeneis, ed. Th. Ladewig. Bcrolini, Weidmann, 1889.

Vergilii, P. — Maronis Aeneidos librum quartum ed. W. Terpstra. Roterodami, Allart, 1830.

Vergilii, P. — Maronis Bucoliea et Gcorgica. The eclogues and gcorgics of Virgil, by Ch. Anthon, new edition corr. by Nichols. London, Tegg. 1847.

Vergiii, P. -Maronis Bucoliea, Aeneis, Gcorgiea. The greater poems of Virgil, cd. by J. B. Grcenough. Boston, Ginn, Heath and Co. II Voll. 1883/84.

Vergils. — Aeneis, herausg. von J. Werra. Miinster i. W. Aschendorff. 1892.

Vergilii, P. —Maronis Opera ed. A. Forbiger. Lipsiae, Hinrichs. Ill Partes, 1852.

Vergilii, P. — Maronis Bucoliea, Gcorgica et Aeneis, ab Ant. Ambrogi Florcntino Italico versu reddita. Ill Tomi, Romae, 1763. fGeschcnk van den Hecr J. J. Visser).

Vergiii, Pub. — Maronis Opera ad Maasvieii editionem eastigata. Londini, Brundlcy, II Tomi, 1753.

Virgili, De — Qeorgicis, ser. J van Wagcningen. Diss. lit. Trai. ad Rhen. v.

Boekhoven, 1888.

Vergilius als dichter, wijze en toovenaar, door J. L. Sirks. Progr. Gymn. Groningen, 1874.

Vergilii Aeneidos. — De Codicc Aeneidos, qui in bibliotheca Davcntriensi adscrvatur, scr. A. J. Vitringa. Progr. Gymn. Deventer, 1881.

Virorum clarorum saeculi XVI et XVII cpistolae sclcetae, ed. E. Weber, Lipsiae, Teubner, 1894.

Viris, De fontibus ex quibus scriptor dc ilhistribus Urbis Romac hausissc videtur, ser. C. J. Vinkcsteyn. Diss. lit. Lugd. Bat. Brill, 1886.

Viris, liber dc — illustribus urbis Romac apparatu critico et adnotationibus instructus. Diss. lit. ser. J. R. Wijga. Groningae, Wolters, 1890.

Vitruvii, Marci — Pollionis de arehitectura libri decern. Ed. J. G. Schncidcr. Lipsiae, Gösehcn, III Tomi 1807/08.

-ocr page 81-

- 73 —

Hartfelder, K. — Deutsche Uebersetzungen Klassischer Schriftsteller aus dem Heidelbcrger Humanistenkreis. Heidelberg, Mohr, 1884.

Kan, J. B. — Wesseli Groningensis, Rodolphi Agricolae, Erasmi Roterodami Vitae ex codice Vindobonensi. Progr. Gymn. Rotterdam, 1894.

Kan, D. /VI. — Bezigheid in jaren van rust. Lessen van levenswijsheid bij oude schrijvers. Rotterdam. Wijt, 1881.

Leopold, J. H. — Studia Peerlkampiana. Diss. lit. Gron. Wolters 1892.

Mureti, M. Antonii — Scripta selecta ed. J. Frey. Lipsiae, Teubner, II Voll. 1871/73.

Nodell, J. A. — Album Amicorum, 1772 (2 ex.)

Ruhnkenii, Davidis— opuscula, Lugd. Bat. Luchtmans, 1807.

Ruhnkenii, Davidis — opuscula, Lugd. Bat. Luchtmans, II Tomi, 1823. Suringar, W. H. D. — Joannes Glandorpius in zijne Latijnscha Disticha. Progr. Gymn. Leiden, 1874.

Trimberg, H. von — Das Registrum multorum auctorum des — von J. Hucmer.

Wien, Tempsky, 1888.

Wilmink, J. H. — Levensschets van I. I. Scaliger, Progr. Gymn. Deventer. 1883. Worp, J. A. — Jani Broukhuisii Epistolae Selectae. Progr. Gymn. Gron. 1889. Wyttenbachii, Dan. — Opuscula, Lugd. Bat. Luchtmans, II Tomi 1821.

-ocr page 82-

Archaeologie en Oude Geschiedenis.

Baumeister, ^4. — Denkmaler des klassischen Altertums. München und Leipzig. Oldenbourg, III Bd. 1885—88.

Becker, \\V. A. — Chariklcs. Berlin, Calvary. 1877—78, III Rd.

Becker, W. A. — Gallus, Berlin, Calvary, 188Ü—82, III Bd.

Blümner, H. — Das Kunstgewerbe im Altertum. Leipzig, Freytag, 1885. 2 Abth.

Blümner, H. — Leben und Sitten dor Griechen. Leipzig, Freytag, 1887. Boetlicher, A. — Olympia. Berlin, Springer, 1883.

Boissevain, U. Ph. — Zwei Grabsteine aus Larissa, 1882. (Abdr. Mitt. arch, inst. Athen.)

Boissevain, U. Ph. — De re militari provinciarum Hispaniarum aetata impera-

toria. Diss. litt. Amstelodami, v. Hetercn, 1879.

Boissevain, U. Ph. - De waarde der epigraphiek voor de Oude Geschiedenis. Redevoering, Groningen, Wolters, 1887.

Bos, L. — Antiquitates Graecae. Franequerae, Romar, 1809.

Bréal, M. — Les tables Eugubincs. Paris, Vieweg, 1875.

Burger Jr., C. P. — De bello cum Samnitibus secundo. Diss. Lit. Harlemi, v. d. Velde, 1884.

Byvanck, W. G. C. — Studia in Ti. Gracchi historiam. Diss. litt. Lugd. Bat. v. Doesburgh, 1879.

Conze, A., C. llumann, R. Bohn, 11. Stiller, G. Lolling und O. Rasch-

dorlf\'. — Die Ergebnisse der Ausgrabungen zu Pergamon. Berlin, Weid-mann, 1880.

Curtius, iï. und J. A. Kauperl. — Atlas von Athen. Berlin, Reimer, 1878. Curtius, K. — Gricchische Geschichtc. Berlin, Weidmann, III Bd. 1887—89. Bannenberg. — Münzkunde, Leipzig, Weber, 1891.

Delgeur. — Les Monuments archéologiques apocryphes. Anvers, v. Merlen, 1886. Dessau, H. — Inscriptiones Latinac Selectae, Berolini, Weidmann, Vol. 1, 1882. Ditlenberyer, G. — Sylloge inscriptionum Graecarum. 1-ipsiae, Hirzel, 1883. Dütschke, H. — Anleitung zur Inscenierung antiker Tragödien. Leipzig, Fues, 1884.

Duncker, Max. Geschichte des Alterthums. Leipzig, Duncker und Humblot, 9 Bde , 1878-1886.

-ocr page 83-

— 75 —

Diiruy, V. — Histoire des Romains. Paris, Hachette, 7 dln. 1879—85.

Fcnnema, H. ten Cate. — Quacstiones Parthicae. Ncomagi, Thieme, 1882.

Fr aas, C. — Synopsis plantarum florae classicao. München. Fleischmann, 1845.

Gardlhausen, V. — Griechische Palaeographie. Leipzig, Teubner, 1879.

Gelder, II. van — Galatarum res in Graecia et Asia gestae. Diss. Lit. Am-stelaedami, de Bussy, 1888.

Gilbert, G. — Handbuch der griechischen Staatsaltertümer. Bd. I. Leipzig, Teubner, 1893.

Gibbon, E. — The History of the decline and fall of the Roman Empire. London , Cowie and Pultry, VIII Voll. 1825.

Grasse, ,1. G. Th. — Handbuch der alten Numismatik. Leipzig, Schafer, 1854. Grote, G. —- Geschichte Griechenlands. Berlin, Hofmann, 6 Bdc. 1880.

Guhl und Koner, - Leben der Griechen und Romer. Berlin, Weidmunn, 1893.

Hehn, V. —• Kulturpflanzen und Hausthiere in ihrcm Uebcrgang aus Asicn nach Griechcnland und Italien sovvie in das übrige Europa. Berlin, Borntrae-ger, 1877.

Helbig, W. — ])as Homerische Epos aus den Denkmalern crlautert. 2C Auf.

Leipzig, Teubner, 1887.

Hermans, H. — De overblijfselen der Phoenicische letterkunde. Progr. Gymn. Gron., 1876.

Hermans, H. — Aspasia van Milite. Progr. Gymn. Gron., 1878.

Hesse link, D. C. — De usu coronarum apud graecos capita selecta. Diss. lit.

Lugd. Bat. Brill. 1886.

Hoekstra, P. —- De iuris hospitii apud Graecos origine. Progr. Gymn. Breda , 1888. Houtsma, E. O. — Grieksche beeldhouwkunst.

Hullernan, J. G. — Diatribe in T. Pomponium Atticum. Diss. lit. Trai. ad Rhen. 1838.

Hillsen, Ch. —• Forum Romanum. Roma, Spithoever, 1892.

Imhoof-Blumer, F. — Portratkopfe auf romischen Miinzen. Leipzig, Teubner, 1879.

JcUjer, 0. — Alexander der Grosze. Giitersloh, Bertelsmann, 1892.

Jahrbuch des Kaiserlich Deutschen Archaologischen Instituts. Berlin, Reimer, Bd. I. 1886, sqq.

•Jonge, W. de — De Latijnsche taalleeraars on hunne scholen te Rome. Progr. Gymn. Groningen.

Juris, Fontes — romani antiqui, ed. Bruns. Ed. V, cura Th. Mommseni. Friburgi, Mohr, 1887.

Juris, Corpus civilis — edid. fratres Kriegelii. Lipsiae, Baumgaertner, 1865.

Kampen, A. van — Taschen-atlas der alten Welt Gotha, Perthes, 1893

Kampen, A. van — Orbis tcrrarum antiquus. Gotha, Perthes, 1884.

Kappeyne van de Coppello, J. — Beschouwingen over de Comitia. Amsterdam, Muller, 1884.

Keller, 0. ■— Thiere des classischen Alterthums. Innsbruck, Wagner, 1887.

Koch, K. — Die Baume und Straucher des alten Griechenlands. Stuttgart, Enke, 1879.

-ocr page 84-

— 76 —

Kreling, M. A. — De resultaten der opgravingen op het Forum. Progr. Gymn. Rotterdam, 1890.

Kroker, E. — Katechismus der Archaeologie. Leipzig, Weber, 1888.

Kuyper, K. — Voordracht gehouden in het Museum van Kunstnijverheid, Haarlem, 1889.

Langl, J. — Denkmaler der Kunst. Wien, Hölzel, 2 dln. 1872 - 76.

Levenkamp, J. A. P. — De rebus Spartanorum. Diss. lit. Daventriae, 1888.

Lindenschmit, L. ■— Das Römisch-Germanische Central Museum. Mainz, v. Za-bern, I889.

Lovatelli, E. C. — Komische Essays. Leipzig, Reissner, 1891.

Marquavdl, J. und Th. Mommsen, — Handbuch der römischen Alterthümer. Leipzig, Hirzel, VI Bde, 1881 — 88.

Maspero, G. — Histoire Ancienne des peuples de l\'orient. Paris, Hachette, 1886.

Mlt;XU, A. — Führer durch Pompeji. Neapel, Furchheim, 1893.

Menge, R. — Einführung in die antike Kunst. Leipzig, Seemann, 1880.

Menge, 11. — Ithaka. Gütersloh, Bertelsmann, 1891.

Menge, R. —- Troia und die Troas. Gütersloh, Bertelsmann, 1891.

Miller, O. — Römisches Lagerleben. Gütersloh, Bertelsmann, 1892.

Moll, J. H. — Tarentina. Progr. Gymn. Deventer, 1878.

Mommsen, 1h. — Romische Geschichte. Berlin, Weidmann, 1 1888, II 1889, III 1889, V 1886.

Mommsen, Th. — Abriss des Römischen Staatsrechts. Leipzig, v. Duncker und Humblot, 1893.

Mommsen, Th. — Res Gestae Divi Augusti ex monumentis Ancyranis et Apolloniensi. Berolini, Weidmann, 1883.

Müller, A. — Die Ausrüstung und Bewaffnung des Römischen Heeres in der Kaiserzeit. Zur Erklarung der anliegenden 14 Modcllfiguren. Hannover, du Bois.

Müller, J. — Handbuch der Klassischen Altertums-Wissenschaft. Nordlingen, Beek, 1886, sqq.

Niebuhr, B. G. — Römische Geschichte. Berlin, Calvary. Ill Bde 1873/74.

Oehler, R. — Klassisches Bilderbuch. Leipzig, Schmidt, 1892.

Opitz, U. — Schauspiel und Theaterwesen der Griechen und Römer. Leipzig, Seemann, 1889.

Orellius, J. C. et G. Hemen — Inscriptionum latinarum selectarum amplissima collectio. Turici, Orell, III Tomi, ]828\'56.

Overbeck, S. — Geschichte der Griechischen Plastik. Leipzig, Hinrichs, 2 dln, 1881/82.

Overbeck, S — Pompeii in seinen Gebanden. Leipzig, Engelmann, 1875.

Pciuly\'s Real Encyclopaedie der classischen Altertums Wissenschaft, neue bc-arbeitung, hrsg. v, Wissowa. Stuttgart, Metzier, 1893 sqq.

Petitus, Sam. — Leges Atticae, cd. Wcsselingius, Lugd. Bat. Verbeek, 1742.

Peutingersche Tafel. — Die Weltkarte des Castorius, von K. Miller. Ravens-burg, Maier, 2 Bde, 1888.

Pohlmey, E. — Der römische Triumph. Gütersloh, Bertelsmann, 1891.

-ocr page 85-

— in —

Polak, II. I. — Minutiae Epigraphicae. 1887 (Afdr. Mnemosyne).

Preller, L — Komische Mythologie. Berlin, Weidmann, 11 Rd. 1881/83.

Preller, L. — Grieehische Mythologie. Rerlin, Weidmann, I Rd. 2 Theile. 1887 94.

Reinach, Th. — Mithridate Eupator, roi de Pont. Paris, Didot, 1890.

Reudler, R. T. F. — Ad leges I ^icinias Sextias. Progr. Gymn. Rotterdam, 1889.

Rich, A. — Illustrirtes Wörterbuch der römischcn Alterthiin\'er. Paris und Leipzig, Didot, 1862.

Roscher, \\V. II. — Ausführliches Lexicon der Griechischen und Römischen Mythologie. Leipzig, Teubner, 1884 sqq.

Schlicheysen, F. H A. — Erklarung der Abkürzungen auf Münzen. Rerlin, Lehmann, 1882.

Schliemann\'s Ausgrabungcn, von Schuchhardt. Leipzig, Rrockhaus, 1890.

Schön, G. — Das Capitolinische Verzeichnis der Römischen Triumphe. VVien, Tempsky, 1893.

Scrinerius, P. J. — De Marco Caelio Rufo. Progr. Gymn. Dordrecht, 1883.

Seemann. — Die Gottesdienstlichen gebrauche der Griechen und Römer. Leipzig, Seemann, 1888.

Six, ./. — De Gorgone. Diss. lit. Amstelodami, de Roever, Krober Rakels, 1885.

Tabularum, Legis XII — reliquiae, ed R. Schoell, Lipsiae, Teubner, 1866.

Terpstra, J. — Antiquitas Homerica. Lugd. Rat. Luchtmans. 1831.

Urban, K. — Geographische Forschungen und Marchen aus griechischer zeit. Giitersloh , Bertelsmann , 1892.

Vale tan, J. M. J. — De Romeinsche historiographie en haar verhand met het Romeinsch karakter. Amsterdam, Muller, 1879.

Valelon, J. M. J. — Over den eed der Romeinen hij Jupiter Lapis 1883 (Afdr. Utr Gen.)

Wachsmulh, C. — Einleitung in das studium der Alten Geschichte. Leipzig, Hirzel, 1895.

Wagner, E. — Eine gerichtsverhandlung in Athen. Giitersloh, Bertelsmann, 1894.

Weiss, II. — Kostümkundc. Stuttgart, Ehner und Seuhert. 2 Bande, 1881 83.

Willmans, G. — Exempla inscriptionum Latinarum. Berolini, Weidmann, 2 dln. 1873.

Wilmink, J. II. — Quaestiones ad Antiquitatem Romanam pertincntes. Diss, lit. Lugd. Bat. v. Doesburgh, 1877.

Walters, G. — Régime des caux dans l\'antiquité. Discours. Gand , Annoot Braeck-man. 1889.

Ziegeler, li,. — Aus Sicilien. Giitersloh, Bertelsmann, 1892.

Zie.gier, Chr. — Das alte Rom. Stuttgart, Neff, 1882.

Ziegler, Chr. —• Illustrationen zur Topographic des Alten Rom. Stuttgart, Neff, 1876. b , ,

-ocr page 86-

Aardrijkskunde. Middel en Nieuwe Geschiedenis. Wijsbegeerte.

Aardrijkskundig, Verslag \'betreffende den toestand en de verrichtingen van

het Kon. Ned. Aardr. Gen. over 1889. Leiden, Brill.

Andrees, R. — Allgemeiner Handatlas. Bielefeld, Velhagcn, 1887.

Andree\'S, R. Supplement zur zweiten Auflage von — Handatlas. Bielefeld,

Velhagcn, 1893.

Baedeker, A. - Griechenland. Leipzig, Baedeker, 1888.

Baumgartner, li. Tausend Höhen-angaben. Graz, Styria, 1888.

Berger, II. — Gesehichte der wissenschaftlichen Erdkunde der Grieehen. Leipzig, Vcit, IV Abth. 1887/93.

Berner, K. — Gesehichte des Preuszischcn Staatcs. München und Berlin, 1891. Blink. II. — Onze planeet. Groningen, Noordhoff, 1885.

Boettcher, G. — Gcsehiehtlich-Gcographischer Wegweiser. Leipzig, Teubner, 1891. Bolland, G. /\'. J. Die Lebenserscheinungen und der Erklarungswahn in

der Physiologic der Gegenwart. 1890. (Afdr. Nat. T. Ncd.-Indic.)

Bolland, G. I- I\'. ./. De lichamelijke verschijnselen. 1889. (Afdr. Pacd. Litt. Maandschrift).

Bolland, G. ,/. P. ./. Natuurwetenschap en Wijsbegeerte. 1889. (Afdr. Paed.

Litt. Maandschrift).

Bolland, G. ./■ •/. — De Ruimtevoorstellingen. Batavia, Ernst, 1889. Bolland, G. J. P. ./ De wereldbeschouwing der toekomst. Batavia, Ernst, 1888.

Bos, P. R. — Beknopt leerboek der aardrijkskunde. Groningen, Wolters, 1885, Brandes, J. L. A. — Bijdrage tot de vergelijkende klankleer der Maleisch-

Polynesische taalfamilie. Diss. lit. Utrecht, v. d. Weijer, 1884.

Droysen, G. — Allgemeiner historischer Handatlas. Bielefeld, Velhagcn, 1886. Egelhaaf, G. — Deutsche Gesehichte im 16,en Jahrhundcrt. Erster Bd. Stuttgart, Cotta, I889.

Eyli, J. ./. — Nomina Geographica. Leipzig, Brandsteter, 1893.

Franke, G. A. J. - Oorzaken der Patriottische Woelingen. Progr. Gymn. Groningen, 1887.

-ocr page 87-

Franke, G. A. J. — Over de belangrijkste tochten m het Congo-gebied. Progr.

Gymn. Groningen, 1883.

Gregorovius, F. — Geschichte der Stadt Rom im Mittelalter. Stuttgart, Cotta,

8 Bande. 1886—96.

Hartleben\'s Universal-handatlas. Wien, Hartleben. z. j.

Hartmann, E. voa — Phiiosophie des Unbewussten. Leipzig, Friedrich, lil Theile. Have, J. J. ten — Beknopt leerboek der aardrijkskunde, \'s Gravenhage, Ykema, 1887.

Hermans, II. — Over de correspondentie van Katharina 11. Progr. Gymn. Groningen. 1885.

Hickmann , A. L. — Geographischer-Statistischer Taschen-Atias. Wien, Freytag, z. j.

Hoefer, F. A. — Eenheid van Tijd. 1890. (Afdr. Album der Natuur).

Jaarcijfer* over 1881 (1882 en 1883^ en vorige jaren, omtrent bevolking, landbouw, handel, belasting, onderwijs enz. \'s Gravenhage, Smits, 1882/84. 3 dln. Juridische Dissertation van oud-leerlingen van het Gymnasium.

Kan, C. M. — Ontdekkingsreizen van den nieuweren tijd. (Ie deel. Africa). Utrecht, Beyers, 1871.

Kan, C. M. — De Periplous van Manno. Leiden, Brill, 1891. (Afdr. T. Aardr. Gen.)

Kan, C. M. — Twee belangrijke werken op het gebied der gesch. van de aardrijkskunde. Leiden, Brill, 1890 (Afdr. T. Aardr. Gen.)

Kan, C. M. — Het hooger onderwijs in aardrijkskunde hier te lande. Leiden, Brill, 1889. (Afdr. T. Aardr. Gen.)

Kan, C. M. — Het onderwijs in aardrijkskunde. Leiden, Brill, 1888 (Afdr. T. Aardr. Gen.)

Kan, C. M. — Bodemgesteldheid der eilanden en diepte der zeeen van den Indischen Archipel. Leiden, Brill, 1888. (Afdr. T. Aardr. Gen.)

Kan, C. M. — Proeve eener geographische bibliographic van Nederlandsch Oost-Indic. Utrecht, Beyers, 1881.

Kan, ,1. B. — Pieces concernant une histoire de familie. (Extrait du »Bulletin des Egl. Wallonnesquot;, Tome V.)

Kan, J. B. — Achterwaarts? 1581 en 1881. Amsterdam, Bonga, 1881.

Kan, J. B. — Tot Afscheid. Rotterdam, v. Hengel, 1896.

Krayenbclt, J. —- Het Heilige Land. Rotterdam, Wenk en Birkhoff, 1895. (Geschenk van den schrijver).

Land, J. P. N. ■— Inleiding tot de Wijsbegeerte, \'sGravenhage, Nijhoff, 1889.

Lang, A. — Onderzoek naar de ontwikkeling van godsdienst, cultus en mythologie. Uit het Eng. vert. door Knappert. Haarlem, Bohn, II dln. 1889. (Geschenk van Dr. J. üyserinck).

Lavisse, E. et A. Rambaud. — Histoire Générale du IVe 8ièclc a nos jours. Paris, Colin, 7 dln. 1893/96.

Leist, Fr. — Urkundenlehre. Leipzig, Weber, 1882.

Lersch, B. M. — Einleitung in die Chronologie. Aachen, Barth, 1889.

Mees Az., G. — Historische Atlas van Noord-Nederland. Rotterdam, Verbrug-gen, 1865.

-ocr page 88-

80 —

Meyers. — Handlexikon des allgemeinen Wissens. Leipzig, Bibliogr. Institut., 1883, 2 din.

Meyer\'s. — Konvcrsations-Lcxikon. Leipzig, Bibl. Inst. 1885, sqc).

Motley, J. L. — History of the United Netherlands. The Hague, Nijhoff, IV Voll. 1860/67.

MüUenhof, K. — Deutsche Altertumskunde. Berlin, Weidmann, Bd I 1111887

1892. V 1891.

Neer lands leger. Inlichtingen, 15e uitgave, 1896, \'s Gravenhage , van Cleeff.

Nerrlich, P. — Das Dogma von elassischen Altertum. Leipzig, 1894

Niermeyer, ./, F. — Koraalvorming. (Afdr. Album der Natuur).

Niermeyer, ./, F. üe afdeeling geologie en physische geographic van het le Nederlandsch natuur- en geneeskundig congres, Amsterdam, (Verslag).

Niermeyer, ./. F. Over nederslag en waterafvoer. 1889. (Afdr. Nederl. Nat.

en Gen. Congres).

Niermeyer, ./. F. — Duinen. 1887 (Afdr. »de Natuurquot;.)

Niermeyer, ./. F. — Bronnen. 1889 (Afdr. »de Natuurquot;.)

Paulsen, Fr. Geschichte des Gelehrten unterrichts. Leipzig, von Veit, 1885.

Piagel, lï. — Essai sur l\'organisation de la compagnie de Jésus. Leide, Brill.

1893.

Portratwerk, Allgemeines Historisches , (das Zeitalter des Mumanismus und der Reformation). München, Verlagsanstalt für Kunst und Wissenschaft,

1894. sqq.

Posthumus, N. W. - Onze bezittingen in andere werelddeelcn. Tiel, Campagne, 1888.

I\'ouqueville, V. (!. II. Ij. — Histoire de la regeneration de la Grèce. Bruxel-les, Wouters, 6 dln. 1843.

Pülz, W. Vergelijkende land- en volkenkunde, door L. P. Ouwersloot. Sneek, v. Druten, 1880.

Quincke. W. • - Katechismus der Kostümkunde. Leipzig, Weber, 1889.

Rei/n, Cl. van. - Geschiedkundige Beschrijving der stad Rottcrdaf\'. Rotterdam, Bolle, II dln., 1832.

Richter, A. — Bilder aus der deutschen Kulturgeschichte. Leipzig, Brandstetter, 2 dln., 1882.

Rietstap, •!. R. Beknopt aardrijkskundig woordenboek van Nederland en zijne koloniën. Groningen, Wolters, 1892.

Rüter\'s Geographisch-Statistisches Lexicon. II Bande. Leipzig, Wigand, 1883. Rotterdam, De Haven van — , door J. H. Neiszen. Rotterdam, v. Waesberge, 1885.

Rotterdam, Bronnen voor de Geschiedenis van —, uitgegeven op last van het gemeentebestuur, bewerkt door Unger en Bezcmcr. Rotterdam, Waesberge, II dln. met I dl. plattegronden, 1892 1895. (Gesch. van het Gemeentebestuur).

Rotterdam, Beschrijvinge der stad —, door G. v. Spaan. Rotterdam, Losel, 1738.

Rotterdam, Het heiligegeesthuis te —, uitg. op last van het Bestuur door Mr. S. Muller. Rotterdam, Waesberge, 1896. (Gesch. van het Bestuur.)

-ocr page 89-

— 81 —

Rotterdamsche Historiebladen door J. H. Scheffer en F. J). O. Obreen. Rotterdam, Nijgh, 3 Afd. 1871/80.

Rotterdam, Eglise Wallonne de —, Notice Historique par L. Bresson. Rotterdam, Wijt, 1890.

Rotterdam. — Verslagen van den toestand der gemeente. Rotterdam. Waesberge, 1864 sqq. (Geschenk van de gemeente.)

Rotterdamsch Jaarboekje, onder redactie van J. H. W. Ungcr. Rotterdam, Keltjes, 1888 sqq.

Saalfeld, G. A. — Deutsch-Lateinisches Handbüchlein der Eigennamen aus der alten, mittleren nnd neucn Geographic. Leipzig, Winter, 1885.

Schliemann\'s, Heinrich — Selbstbiographie, hrg. von Sophie Schliemann. Leipzig, Rrockhaus , 1892.

Slothouwer, G. M. — Dc vorming van Philips Frcih. von Stosch tot diplomatiek agent enz. (Afdr. Bijdr. Vad. Gesch.)

Slothouwer, G. M. — Dc Staatsman Sicco van Goslinga. Diss. lit. \'s Graven-hage, Nijhoff, 1885.

Slothouwer, G M. — Een mislukte veldslag. 1890. (Afdr. Friesche Volksalmanak.)

Slothouwer, G. M. — De laatste jaren van Sicco van Goslinga. 1888. (Afdr. Friesche Volksslmanak.)

staatswetten, Nederlandsche —, door C. H. Prins. Schiedam, Roelants, 1884.

Stellwagen, A. IV. — Natuurkundige aardrijkskunde. Deventer, Hulscher, 1881.

Stieler, A. — Hand-Atlas. Perthes, 1881.

Surinyar, L- ,1. —• Bijdrage tot de kennis van den regeeringsvorm van Maastricht. Diss. lit. Leiden, v. d. Hoek, 1873.

Tideman, Af. C. — Do zee betwist. Diss. lit. Dordrecht, Revers, 1877.

Ueberwe(j, Fr. — Grundriss dor Geschichto der Philosophic. Siebente Aufl. von M. Heinze. Berlin, 3 din., 1886.

Veth, P. J. — Midden-Sumatra. Reizen en onderzoekingen der Sumatra-expe-ditie. Leiden, Brill, II din. 1881/82.

Vloten, ,1. van — Nederland tijdens den Volksopstand tegen Spanje. Schiedam, Roelants, II dln. 1872.

Voigt, G. — Die Wiederbelebung der classischen Alterthums oder das erste Jahrhundert des Humanismus. Berlin, keimer, II Bande, 1893.

Vogel, ,1. H. de — 1408—1431. De Staatkundige richting van René d\'Anjou. Rotterdam , Kramers , 1874.

Wetboeken, de Nederlandsche —, uitg. door J. A. Kruin. Utrecht, Beyers, 1881.

Winkel, J. te — Het Kasteel in de dertiende eeuw. Progr. Gymn. Groningen 1879.

Zuidema, E. — Geographic. Sneek, v. Druten, 1882.

-ocr page 90-

Nederlandsche Taal- en Letterkunde.

Verslag van dc aanwinsten der Kon. Bibliotheek gedurende 1881. \'s Gravenhage.

fNijkofJ\', M.J — Catalogus van de openbare boekerij te Gouda. Gouda, van Goor, 1874.

(Royye, 11. C. en P. A. Tiele) — Catalogus van de handschriften op de bibl. der Remonstr. Geref. gemeente te Rotterdam. Amsterdam, Rogge, 1869.

(Os, VV. van denj — Catalogus der tentoonstelling van boeken enz. betr. Elizabeth Wolff en Agatha Deken, gehouden te Vlissingen. Utrecht, van der Post, 1885.

(J. G. de Hoop Scheffer). — Catalogus van de Bibliotheek der vereenigde doopsgezinde gemeente te Amsterdam, Amsterdam, Roeloffzen amp; Hübner, 1885/89. 2 dln. (Geschenk van Dr. J. Dyserinck).

Verwijs, E. en ./. Verdam. — Middelnederlandsch Woordenboek, \'s Gravenhage, Nijhoff, 1885 en vlg.

Woordenboek der Nederlandsche taal. — Bewerkt door M. de Vries enz. Leiden, Nijhoff, 1864 en vlg.

Dale, J. U. van — Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal. \'s Gravenhage, Nijhoff, 1884.

Hendriks, ,1. V. — Handwoordenboekje van Ncdorlandscht! Synoniemen door—, met een voorrede van J. H. Gallee. Tiel, Mijs, 1885.

Vercoullie, .1. — Beknopt Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal, Gent, Vuylsteke, 1890.

Veth, P. — Uit Oost en West. Verklaring van uitheemsche woorden. Arnhem, Gouda Quint, 1889.

Heiten, W. L. van — Nederlandsche Spraakkunst. Rotterdam, Petri, 2 dln, 1875/77.

Heiten, W. L. van — Over de factoren van de Begripswijzigingen der Woorden. Groningen, Woltcrs, 1894.

Heiten, W. L. van — Proeven van woordverklaring. Rotterdam, Dunk, 1871.

Heiten, W. L. van — Vondel\'s taal. Rotterdam, Petri, 1881.

-ocr page 91-

— 83 —

Hellen, W. L. van — Bijdrage tot een pragmatische gesch. der vaderlandsche taalstudie. Groningen, Wolters, 1882.

Jonckbloet, W. J. A. — Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde. Groningen, Wolters, Dl. I—V. 1882/85.

Worp, J. A. — Hollandsche vertalingen van Griekschc treurspelen in de 17\',e eeuw. Progr. Gymn. Groningen. 1882.

i\')8i—1881. — Hooft herdacht. Haarlem, Tjeenk Willink. (Afdr. uit Eigen Haard).

Programma der feesten ter herdenking van den 30Ü,toquot; geboortedag van G. A. Brederoo. Amsterdam, Binger, 1885.

In Memoriam J. /\'. ./. Heremans. — Gent, Braeckman, 1884.

Terwey, T. — Korte Nederlandsche Spraakkunst. Groningen, Wolters, 1888.

Terwey, T. — Oefeningen bij de Korte Nederlandsche Spraakkunst. Groningen, Wolters, 1888.

Verdam, ./. — De Geschiedenis der Nederlandsche Taal. Leeuwarden, Suringar, 1890.

Vloten, J. van — Nederlandsche aesthetika. Schoonhoven, v. Nooten, 2 dln, 1881/82.

Keur van Nederlandsche letteren. — Amsterdam, Westerman, Z. j. 18 deeltjes.

Neerland1s Letterkunde in de 19e eeuw. Bloemlezing, door J. P. de Keyser. \'s Gravenhage, Thieme, 2 dln., 1877.

1880—1880. Onze dichters. Eeno halve eeuw Vlaamsche poëzie, door Th. Goopman en V. A. de la Montague. Roeselare, de Seyn Verhougstraetc, 1881.

Alphen. H. van — Dichtwerken. Utrecht, Terveen, 2 dln., 1857.

Beers, .1. van ■— Gedichten. 1843—1868. Amsterdam, v. Kesteren. 2 dln. 1873.

Beets, A. — De Disticha Catonis in het Middelnederlandsch. Diss. lit. Groningen, Wolters, 1885.

Beets, N. — Dichtwerken 1830—1873. Amsterdam, Kirberger, 3 dln., 1878.

Bellamy, ./. — Gezangen. Amsteldam, Mens, 1785.

Bellamy, ./. — Gedichten, Haarlem, Poosjes, 1826.

Bellamy en eeniye zijner kunstvrienden. — Proeven voor het verstand, den smaak en het hart. Rotterdam, Smit, 2 dln. 1825.

Bellamy, Ter Nagedachtenis van Jacobus — , door j. Dyserinck. Middelburg, Altorffer, 1881. (Gesch. v. d. schrijver).

Bilderdijk, De Dichtwerken van —, XVI dln. Haarlem, Kruseman, 1856/59.

Bilderdijk. — Zijn leven en zijn werken, door R. A. Kollewijn. Amsterdam, Hol-kema en Warendorf, 2 dln., 1891.

Bor/aers, A. — Gezamenlijke dichtwerken. Uitg. door N. Beets. Haarlem, Kruseman, 2 dln., 1871.

Brandt, G. — Plet leven en bedrijf van den Heere Michiel de Ruiter. Amsterdam, Wolfgang. 1687.

Bijns, Anna — Refereinen, uitg. door W. L. van Heiten. Rotterdam, Dunk, 2 dln., 1875.

-ocr page 92-

- 84 —

Bijns, Anna. — Nieuwe refereinen. Uitg. door W. J. A. Jonckbloet en M\'. L. van Heiten. Groningen, Wolters, 1880. Eerste stuk.

Comphuysen, D. R. — Stichtelycke Rymen. Amsterdam, Colom, 1647.

Cafe, J. — Alle de wereken. Bezorgd door J. van Vloten. Zwolle, Tijl, 2 dln., 1862.

Costa\'s da, Kompleete dichtwerken, uitg. door J. P. Hasebroek. Leiden, Sijthoff, 1876.

Cremer, J. J. — Overbetuwsehe novellen. Leiden, Sijthoff. Z. j.

Cremer, J. ,1. — Novellen en vertellingen. Leiden, Sijthoff. Z. j.

Decker, J. de ■— Rymoeffeningen. Amsterdam, de Coup, 1702.

(Effen, ,1. van). — Do Hollandsche Spectator. Amsterdam, Uytwerf, 12 dln. (\'1731/35).

Feith, R. — Dicht- en prozaïsche werken. Rotterdam, Immerzeel, 13 dln. 1824 25.

Feith, R. Verhandelingen. I laarlcm, Bohn, 1826.

Génestet, P, A. de — Dichtwerken, uitg. door C. 1\'. Tiele. Amsterdam, Kraay,

Geuzenlied-boek, Nieuw, bijeenverzameld door H. J. v. Lummel. Utrecht, van Bentum, 1874. Nieuwe uitgave. Utrecht, Honig, 1892.

Haar, D. ter. — Dichtwerken. Leiden, Sijthoff, 2 dln. Z. j.

Haren, W. en 0. Z. van — Leven en werken, door J. van Vloten. Deventer, ter Gunne, 1874.

Helmers, ,/. Fr. — Gedichten. Rotterdam, Immerzeel, 3 dln, 1822/23.

JJehners, ,1. Fr. — De Hollandsche natie in zes zangen. Den Haag, Allart, 1812.

Helmers, ,1. Fr. — Do Hollandsche natie. Amsterdam, Radink, 1839.

Hildebraud. — Camera Obscura. Haarlem, Bohn, 1888.

Hildebrand. — Na vijftig jaar. Opheldering van de Camera Obscura. Haarlem, Bohn , 1888.

Hooft, l\'. Cz. — Gedichten. Uitg. door P. Leendertz Wz. Amsterdam, v. Kampen, 2 dln., 1871/75.

Hooft, P. C. — Neederlandsche Histoorien. Tot Amsterdam, Elzevier, 1642.

Huygens, C. — Costelick mal en Voorhout, uitg. door E. Verwijs. Leeuwarden, Suringar, 1865.

Huygens, C. — Korenbloemen, \'t Amstelredam, v. Ravesteyn, 1672, 2 dln.

Huygens, C. — Costelick mal en Voorhout. Tweede druk, door J. Verdam. Leeuwarden, Suringar, 1884.

Huygens, C. De gedichten van —, uitg. door J. A. Worp. Groningen, Wolters, V dln. 1892/95.

Jonathan. — Waarheid en Droomen. Leiden, Brill, 1891.

Kale, ,1. J. Ij. ten. — Gedichten. Leiden, Sijthoff, 12 deeltjes. Z. j.

Kempe, A. — Een Portefeuille met Schetsen. Rotterdam, Nijgh, 1893.

Kempe, A. — Een tweedo Portefeuille met Schetsen. Rotterdam, Nijgh, 1895.

Kinker, J. — Gedichten. Amsterdam, v. d. Hey, 3 dln., 1819/21.

Kleesing, H. — Gedenkschriften van een gewoon mensch. Rotterdam, Nijgh, 1890.

Kluchtspel, Het Nederlandsche —, van de 14c tot de 18e eeuw. Uitg. door J. van Vloten. Haarlem, de Graaff, 3 dln., 1878/81.

-ocr page 93-

- 85 —

Liedeboek. \'t Grout Hoorns, Enkhuyzer, Alkmaardcr cn Purmercnder —, t\' Am-steldam, Kannewet. Z. j.

Loosjes, /1. Pz. — Het leven van Maurits Lijnslager. Leiden, Sijthoff. (Nedcrl. Classieken, met inl. onder toezicht van J. ten Brink). 3 din. Z. j.

Loots, C. — De menseh. Amsterdam, v. d. Hoy, 1819.

Loots, C. — Dichtstuk ter gelegenheid van het \'1° eeuwgetijde der Beurs van Amsterdam. Amst., Ruys , 1813.

Loots, C. Gedichten van —, Amsterdam, v. d. Hey, 5 dln., 1816/21.

Loots, C. Ter nagedachtenis van — door Haakman, v. Hall, Kinker, Klyn, Walré, Tollens. Amsterdam, v. d. Hey, 1835.

Loots, C. — Nederlands verlossing. \'sHage, Ruys, 1814.

Meyer, II. A. — Heemskerk. Amsterdam, Sybrandi, 1860.

Naber, S. A. — Vier Tijdgenooten. Haarlem, Tjeenk Wiliink, 1894.

Palm, J. H. van der. — Geschied- en redekundig gedenkschrift van Nederlands herstelling. Amsterdam, den Hengst, 1816.

Panthéon, Klassiek letterkundig —, Bloemlezing uit de Werken der Znid-Neder-landsche dichters van onzen tijd. Herzien door J. Adriaensen. Schiedam, Roelants. II dln., 1889.

Poot, H. K. — Gedichten. Delft, Boilet, 3 dln., 1726/35.

liabus, P. — Zegen- en vloekdichten. Rotterdam, van der Staart, 1693.

Slothouwer, G. — Uit mijn jongensjaren. Leiden, Brill, 1890. (Geschenk vau den schrijver.)

Smits, D. — Gedichten. Rotterdam, Losel, 1740.

Smits, I). — De Rottestroom. Rotterdam, Losel, 1750.

Smits, D. — Israels Baalfegorsdienst. Rotterdam, Losel, 1753.

Smits, D. — Nagelaten gedichten. Rotterdam, Burgvliet, 2 dln., 1753/58.

Spectator, De algemeene —, Amsterdam, Charlois, 4 dln., 174243.

Surinyar, W. 11. D. — Die Bouc van Seden. Leiden , v. d. Hoek, 1891.

Suringar, fV. U. I). — Van Zeden. Leiden, v. d. Hoek, 1892.

Tollens, 11. — Cz. — Gezamenlijke Dichtwerken. Leeuwarden, Suringar, XII dln., 1855/57.

Vondel, J. V. — Falamedes of Vermoorde Onnozelheit. Hekeldigten. Amersfoort, Brakman, 1707.

Vondel De werken van —, verklaard door J. van Lennep. Amsterdam, Binger, XII dln. 1855/69.

Vondel en Rembrandt. — Bijdrage van N. Beets. Amsterdam, Muller, 1886. (Afdr. Versl. Kon. Akad. v. Wet.)

Zwolsche Herdrukken. — Zwolle, Tjeenk Willink:

I. Cats\' Spaens Heydinnetje, door Buitenrust Hettema, 1890.

II. Hooft\'s Granida, door v. d. Bosch.

Ill en IV. Vondels\' Lucifer, door Cramer.

V. Langendijk\'s wederzijds Huwelyks Bedrog, door te Winkel.

VI. Poezie van Willem Bilderdijk, door Kollewijn.

VII. Poezie van Staring, door v. d. Bosch.

-ocr page 94-

Fransche Taal- en Letterkunde.

Delinoüe, L. P. et Th. Nolen, — Dictionnaire des idiotismés, provcrbes et, expressions proverbiales. Amsterdam, Elsevier, 1891.

Larousse, P. — Dictionnaire complet de la langue franqaise. Paris, Boyer, 1883.

Lülré, E. — Dictionnaire de la langue Fran^aise. Paris, Hachette, 5 dln., 1878.

No\'él el de la Place. — Lcgons frangaises de la littérature et de morale. Rruxel-les, Hauman, 1835.

Ploetz, CJt. — Manuel de la littérature franqaiso. Berlin, Herbig, 1871.

Delinolle, L. P. — Etymologie et néographie. Progr. Gymn. Rotterdam, 1882.

Delinotie, L. P. — Manuel de littérature frangaise. Tiel, Campagne, 1868.

J)elinolle1 L. P. — Soirées littcraires. Tiel, v. Wermeskcrken, 1866.

Delinolle, L. P. — 500 Questions sur la Grammaire, l\'histoire et 1\'étymologie de la langue franqaise. Rotterdam, Elsevier, 1887.

Delinolle, L. P. — Aventures de Nicolette Scptétoiles, d\'après J. van Lennep. R(jttcrdam, van der Hoeven en Buys, 1878.

Byvonck, W. G. C. — Spécimen d\'un essai critique sur les oeuvres de Frangois Villon. Lcyde, de Breuk en 8mits, 1882.

Boileau Despréaux. — Oeuvrcs poétiques, par Ch. Louandre. Paris, Char-pentier. Z. j.

Bossuet. — Oeuvrcs philosophiques, par J. Simon. Paris, Charpentier. Z. j. Corneille, P. et Th. Ocuvres, par Ch. Louandre. Paris, Charpentier, 2 dln. Z. j.

Lanson, G. — Histoire de la littérature frangaise. Paris, Hachette, 1895. Delav\'Kjne, C. — Poesies et Messéniennes. Paris, Ladvocat, 1824. La Fonlaine. — Contes et Ncjuvelles, par H. Taine. Paris, Charpentier. Z. j. La Fontaine. — Fables, par Ch. Louandre. Paris, Charpentier. Z. j.

Malherbe, F. — Poésies, par I.. Bccq dc Fouquières. Paris, Charpentier, 1874. Massillon. — Ocuvres Choisics, par la Harpe. Paris, Garnier, 1866.

-ocr page 95-

— 87 —

Molière, — Ocuvrcs Completes, par Ch, Louandrc. Paris, Charpentier, 3 din. Z. j.

Molière, l\'Avare. - Sammlung französischer und englischer Schriftsteller. Bielefeld und Leipzig, Velhagen und Klasing, 1885.

Montaigne) Essais dc , par Ch. Louandrc. Paris, Charpentier, 4 din, 1854.

Oeuvres choisis des poètes francais du XVI siècle, contemporains de Ronsard, par L. Bccq de Fouquières. Paris, Charpentier, 1879.

Rabelais, F. — Oeuvres, par L. Jacob. Paris, Charpentier, z. j.

Racine, J. — Theatre complet, par Ch. Louandre. Paris, Charpentier, z. j.

-ocr page 96-

Hoogduitsche Taal- en Letterkunde.

Kluye, Fr. — Etymologischcs Würterbuch der deutschen Sprachc. Straszburg, Trüber, 1889.

Knoest, J. C. und Th. Nolen. — Praktisches Würterbuch. Amsterdam, Elsevier, 1895.

Ilaasterl, E. F. L. und J. C. Knoest. — Der Jugendfreund. Rotterdam. Nijgh, 1886.

Sicherer, C. A. A. G. F. en A. C. Hakveld. — Hoogduitsch—Nederlandsch

Woordenboek. Leiden, Noothoven van Goor, z. j.

Schever, W. — Geschichte der Deutschen Litterator. Berlin, Weidmann, 1894. Kühn, M. — Die Mcisterwerke der deutschen Litteratur. Hamburg, Richter, 1886. Lexer, M. — Mittelbochdeutsches Taschenwörterbuch. Leipzig, Hirzel, 1885. Bückmann, G. — Geflügelte Worte. Berlin, Hande und Spener, 1895. Chamissü. — Gesammelte Werke, hrsg. von M. Koch. Stuttgart, Cotta, 4 dln, z. j. Goethe. — Samtliche Werke, hrsg. von K. Goedeke. Stuttgart, Cotta, 36 dln, z. j. Hoekzema, D. — Twee gedichten van Goethe. Progr. Gymn. Groningen, 1877. Körner. — Samtliche Werke, hrsg. von H. Fischer. Stuttgart, Cotta, 4 dln, z j. Lenau. — Samtliche Werke, hrsg. von A. Grün, Stuttgart, Cotta, 4 dln, z. j. Lessing. — Samtliche Werke, hrsg. von H. Goring. Stuttgart, Cotta, 20 dln, z. j. Platen. — Samtliche Werke, hrsg. von K. Goedoke, Stuttgart, Cotta, 4 dln, z. j. Schiller. — Samtliche Werke, hrsg. von K. Goedeke, Stuttgart, Cotta, 15 dln, z. j. Vosz, J, H. — Homers Odyssee. Münster, 1886.

Vosz, J. H. — Ovids Verwandlungen. Leipzig, Reclam, z. j.

-ocr page 97-

Engelsche Taal- en Letterkunde.

Bruggecate, K. ten — Engelsch Woordenboek. Eerste dl. Groningen, Wolters, 1895.

Webster\'s Complete dictionary of the English language. Londen, Bell, 1380.

Tiel, C. van— First lessons in reading. Amsterdam, Akkeringa, 1885.

Tiel, C. van — The School reader. Amsterdam, Akkeringa, 1886.

Bums, B. — Poetical Works. London, Warne, z. j.

Byron. — The complete Works of lord , by Henry Lytton Bulwer. Faris, Galignani, 1841.

Cowper, W. The poetical works of —, Edinburgh, Nimmo, z. j.

Dryden, ,/. The poetical works of —, by J. Warton. Londen, Moxon, 1851.

Goldsmü, O. — Poems and plays. London, Warne, z. j.

Jonson, Ben. — Works, by Gifford. London, Routledge1, 1879.

Longfellow. —■ Poetical Works. London, Routledge, 1883.

Macaulay, Th, B. — Critical and Historical Essays. Leipzig, Tauchnitz. 5 din 1850.

Macaulay, Th. B. — Speeches. Leipzig, Tauchnitz, 2 din, 1853.

Macaulay, Th. B. — Lays of ancient Rome. Leipzig, Tauchnitz, 1851.

Macaulay, Th. B. — Biographical essays. Leipzig, Tauchnitz, 1857.

Macaulay, Th. B. The life and letters of lord —, by G. O. Trevelyan. Leipzig, Tauchnitz, 4 din, 1876.

Meyer, D. H. — Thomas Morns, Erasmus\'s contemporary and friend. Progr. Gymn. Rotterdam, 1895.

Milton, J. — Poetical works. London, Warne, z. j.

Moore, Th. The Works of —. Leipsic, Fleischer, 1826.

Pope, A. — Poetical Works. Edited by H. T. Carpy. London. Routledge, 1883.

Shakespeare, VV. — Works. Edited by Ch. Knigt. London, Routledge, 3 din, 1883.

Shakespeare Sonnetten, vertaald door L. A. J. Burgersdijk. Progr. Gymn. De-venter, 1879.

-ocr page 98-

- 90 —

Shakespeare, William. — Ecnc critischc levensschets, door J. H. Meyer, fll\'1quot;

gedeelte). Progr. Gymn. Deventer, 1875.

Shakespeare\'s comedy of the tempest, by J. Gollancz. London, Dent, i894. Sheridan, R. B. The works of —, collected by Th. Moore. Leipsic, Fleischer, 1825.

Spencer, E. Works, by H. J. Todd. Londen, Routledge, z. j.

Thomson, J. — The Seasons, Paris, Baudry, 1829.

Wordsworth. — The poctical works. London, Warne, z. j.

-ocr page 99-

Schoolwezen.

Compendium grammaticac Graecac. Rotcrodami, Wacsbergc, 1637.

Talaei Aud. — Rhetorica. Roterodami, Leers, 1675.

Ekklesion tes Belgikes Kxomoloqesis kal kalechesis. — Ultraiccti, Wacsbergc, 1660.

Bami, P — Dialectices libri duo. Amstelodami, Valckenier, 1660.

Clenardus, N. — Institutioncs linguae Graecac. Amstelodami, Elsevier, 1672.

Fossï, G. gt;/. — Linguae Graccae Rudimcnta. Amstelodami, Ravcstcin, 1673.

Vossi, G. ./. — Latina grammatica. Amstelodami, off. Bomiana, 1684.

^O.ssi, G. ./. — Latina grammatica. Amstelacdami, Boom, 1685.

Junii, M. — Nomenclator. Roterodami, Leers, 1679.

Linguae latinae rudimcnta. [ed. P. Rabus). Rotcrodami, Nacranus, 1682.

Catecheuis Rcligionis Christianae. Amstelodami, Boom, 1685.

Silvii, J. — Grammaticac graecac compendium. Rottcrodami, Yvans, 1702.

Noltenii, ,1. F. — Lexicon latinae linguae. Lipsiae, Weygand, 1744.

Holbergii, L. — Synopsis historiac universalis. Leovardiae, de Chaimot, 1770.

Fabelen, Uitgeleezen —vertelsels en merkwaardigheden uit de natuurlyke Geschiedenis, door F. Gedike. Amsterdam, den Hengst, 1788.

Anthologia poëtica. — Amstelodami, den Hengst, 1804.

Anthologia poëtica. — Amstelodami, den Hengst, 1855.

Jacobs, F. — Grieksch leesboek voor ecrstbcginnenden. Zutphen, Thieme, 2 dln., 1810/11.

Attika, oder Auszüge aus den Geschichtsschrcibern der Griechen. Jena, From-mann , 1815.

Initia lectionis scholasticac. Amstelodami , den Hengst, 1816.

-ocr page 100-

Gymnasiaal

onderwijs.

Gymnasia,

Bijdragen tot dc kennis en den bloei der Ncderlandschc Gymnasiën voor 1855. Utrecht, Kemink, 1856.

Tijdschrift voor de Ncderlandschc Gymnasicn voor 1860 sqq. 5 dln. Leiden, Brill.

Onderwijswetten, De — in Nederland, door P. F. Hubrecht. \'s Gravcnhage, Stemberg, 1880/82. 3 dln.

Mey, H. W. vnn der —- Eenige opmerkingen over het gymnasiaal onderwijs. Leiden, de Breuk. 1881.

Steyn Parvé. — Les examens de sortie des gymnases dans les Pays-Bas. Paris, Chamcrot, 1881.

Loos, D. de — Hooger en Middelbaar Onderwijs. Leeuwarden, Handelsdrukkerij , 1883.

Naamlijst der leeraren aan de Ncderlandschc Gymnasicn en Hoogcrc Burgerscholen. Tiel, Mijs, 1883.

Kan, ./. B. — Geschiedenis van het Erasmiaansch Gymnasium, Rotterdam, Nijgh, 1876.

Kan, ./. Ji. — Geschiedenis van het Erasmiaansch Gymnasium. Rotterdam, Nijgh, 1884.

Reglement voor dc Erasmiaansche scholen. Rotterdam, Waasbcrgc, 1794.

Opzoomer, C. W. — In obitum viri doet. G. Terpstra, rcctoris Rotterod. H. W. van Harderwijk, 1839.

Verslag over den toestand van het Erasmiaansch Gymnasium, 1872 sqq.

Bestek en voorwaarden. — Aanbesteding van het bouwen van een Gymnasium. Rotterdam, 1882.

Neiszen, ,1. H. — Korte beschrijving van het nieuwe schoolgebouw. Rotterdam, Kramers, 1884.

Wijnne, J. A. — Bouwstoffen voor een geschiedenis der latijnsche school tc Groningen. Progr. Gymn. Groningen, 1873.

Kan, B. — Geschiedenis der Apostolische school te Nijmegen. Zutfen, Thieme, 1866.

Bestaan, Het 325jarig — van de Apostolische School, thans het Gymnasium te Nijmegen. Utrecht, Beyers, 1869.

Kan, ./. B. — Rede, gehouden bij gelegenheid der jaarlijkschc promotic tc Nijmegen. Nijmegen, Thieme, 1866.

-ocr page 101-

93

Lkker, A. — Theodoms Cornelius Berg, Rector der Hieronymus school te Utrecht. Progr. Gymn, Utrecht, 1877 (daarin lijsten van leerlingen der Hiero-nytnus-school).

Moll, T. D. A. C. van — Over den invloed van de school op de kortzichtigheid. Rotterdam, van Hengel, 1880.

Gerrits, J. — Onze hedendaagsche leermiddelen. Rotterdam, v. d. Hoeven, 1879.

Loos, D. de ■—• Der allgemeiner Deutscher Realschulmanner-verein. Leeuwarden, Handelsdrukkerij, 1884.

Directoren-Conferenzen des Preussischen Staates. Berlin, Wiegandt, 1876.

Programm der Königl. Rheinisch-Westfalischen Polytechnischen Schule zu Aachen. 1874, sqq.

-ocr page 102-

Werken van en over Erasmus.

Kniyht, S. — Das Lebeu des fürtrefflicheu Erasmi. Leipzig, Lowe, 1736. Kan, J. B. — Erasmiana. Progr. Gymn. Rotterdam, 1881.

Kan, J. B. — Erasmiana, traduit du hollandais par Dclinotte. Paris, Tcchcner, 1878. (Afdr. Bulletin de bibliophile).

Allcird, IJ. ./. — Ecu portret van Erasmus, \'s Hcrtogcnbosch, v. Gulick, 1882.

Obreen, Fr. D. 0. — Een verdwenen portret van Erasmus. 1883 (Afdr. Archief Ned. Kunstgesch.)

Hofmann, F. L. — Das Verzeichniss der Schriften des Desiderius Erasmus. Leipzig, Weizel, 1862.

Hofmann, F. L. —^ Notes sur une série do lettres adressées a Erasmus. Rruxelles, Heussner, 1859. (Afdr. Bulletin de bibliophile).

Erasmi Aliquot Epistolae, Basileae, Froben 1518.

Erasmi Auctarium Selectarum aliquot epistolarum. Basileae, Froben, 1518.

Erasmus. — Apologiae pro declamatioue do laude matrimonii. Basileae, Froben, 1519.

Erasmus. — De civilitate morvm puerilium libellus. Lipsiae, Faber, 1532. Erasmi Colloquia. Accurante Schrevelio, Lugd. Bat. Hoek, 1664.

Erasmi Colloquia. Accurante Schrevelio. Amstelodami, Typogr. Blaviana. 1693. Erasmi Colloquia. Delphis, Beman, 1729.

Erasmus. — Corderii M. Colloquiorum centuria una, cum Erasmi colloquiis.

Roterodami, Leers, 1872.

Erasmus. — Colloquiorum Corderii cum Erasmi colloquiis in usum Scholarum.

Amstolaedami, Boom, 1707.

Erasmi. — In Epistolam Pauli Apostoli ad Romanos paraphrasis. Basileae, Froben , 1578.

Erasmi. — Opus de conscribendis epistolis. Coloniae, Gymnicus, 1534.

Erasmi. - Lingua. Opus novum. Basileae, Froben? 1525.

Erasmi. — Moriae encomium. Basileae, Froben, 1540.

Erasmi. — Paraphrasis, dat is: Verkiaringe op het Nieuwe Testament. Vertaling

door de Veer. Amsterdam, Fonteyn, 1660.

Collectanea Adagiorum veterum D. Erasmi, Hagenoae, Anshelm. 1519.

-ocr page 103-

— 95 -

Apophthegmalum ex optimis utriusquc linguae scriptorib. per Erasmum collectorum. Basileae, Froben, 1845.

Cyprianus Caecil. ~ Opera Studio curaque D. Erasmi. Basileae, Frobea, 1525.

Luciani Timon, cum versione Erasmi. Lipsiae, Rreitkopf, 1769.

Suetonius Tranquillus. — Dion Cassius eet. Annotationes Erasmi. Basileae Froben, 1533.

Julius. — Dialogue entre Saint-Pierre et le Pape Jules II. Attribué a Erasme, traduction nouvelle par E. Thion. Paris, Liseux, 1875.

-ocr page 104-

/5 WêM

Wis- en Natuurkunde.

Blink, H. — Populaire sterrenkunde. Utrecht, Broese, 1894.

Bois-Reytnond, E. du. — Culturgeschichte und Naturwissenschaft. Leipzig, Veit, 1878.

Bruhns, K. — Atlas voor de sterrenkunde. Uit het Hoogduitsch door P. J. Kaiser. Leiden, Sijthoff, 1873.

Brehms Thierleben, 2e Aufl. Leipzig, Bibl. Inst. 1882/84. lü dln.

Dorsten, B. H. — Inleiding op cene Geschiedenis van de leer der kegelsneden in de oudheid. Progr. Gymn. Rotterdam, 1887.

Jaegeri F. M. — Beginselen der analytische meetkunde, \'s Gravenhage, Stemberg, 1881.

Kempe, A. — Inleiding tot de analytische meetkunde. Amsterdam, Versluys, 1896.

Kempe, A. - Boldriehoeksmeting. Rotterdam, Eeltjes, 1885.

Kempe, A. — Eenige beschouwingen over de differentiaal-rekening. Progr. Gymn. Rotterdam, 1883.

Hoogewerff, S. et W. A. van Dorp. — Sur la Lépidine. — Sur la cyanine de quinoléine. Leide, Sijthoff, 1883. (Recueil des travaux chimiques des Pays-Bas.)

Lange, W. de. — Boerhaave\'s gt;Elementa Chemiaequot;. Rotterdam, Bazendijk, 1884.

Veth, H. I. — Overzicht van hetgeen gedaan is voor do kennis der fauna van Nederl. Indie. Diss. Leiden, v. Doesburgh, 1879.

Veth, H. I. — Hypsignathus monstrosus. De leelijkste aller vleermuizen. (Afdr. uit de Huisvriend.)

v

\\ \\

«i

-ocr page 105-

; , , . , .... . ......

■■■\' • ■ M s ■. -•

■l--; :#amp;.

\' iv

.

..........

. (0

...

111

:

iiiiliiiii

\'

. ... . ......

■ . , . .

fS

■ ■

■:

Wmm

.....

■ ■ ;

.

.

V.

1

WBBM

Mm

mmm

/T\'i,

.

■ \'

jfrfs* r*:\'\'*\'^ ■

. ■ ... , . ■

. . ...

. .

.......

■ ■ • ■ ■■ \' 1\' .■■. \' ■ ■ •1 , ■ ■ .

...... • ,,..., ■ ■ . ■ ..

.

■ ■

-■

- .. .„, ,.. ... . , . .

.

, ■ ■,. .... .• ,.

-ocr page 106-

§

1

1

1

I

iV-,*!

■/ . ...

1

U$: wti

-ocr page 107-
-ocr page 108-