-ocr page 1-

\'•■\'M

mwili

■l» iilllfii

fêg»S2»SS®«B«PSpÊ8

mmm

wlHm

«S\'Mil

SMMlIiÉ

Killllii

lk\'S%M

B iÜ

wwis?\' \'j aaaSugg»lt; ^\'•■;xïr • -quot;quot;!;■\'\'- j

-ocr page 2-

Nederl.

qu.

2H0

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

)f

-ocr page 6-

-

-

^\'

.

-ocr page 7-

li^l. o,cl i 3.19c

LORIRA

RANGER

EEN LIED

van

J. J. DE ET MAN.

H. HONIG. UTRECHT — 1892.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

komt, onze eerste Koninginne,

Oranjes jongste spruit,

Rol nu, Oud-Hollands vlag! van hut en tempeltinne, Uw banen lustig wapp\'rend, uit!

En gij, geliefde Oranjewimpel,

Des Driekleurs schoonste sier!

Als in den ouden tijd, nog zonder smet of rimpel,

Waai uit, met golving, trotsch en fier!

Zij komt! Wij willen haar begroeten.

Met vorst\'lijk eerbetoon!

Haar met den Riddereed, van houw en trouw begroeten \'t Bereidt, mijn Volk! U \'t heerlijkst loon!

Hier gaan wij nog in de oude sporen;

Doen aan \'t gezwets niet mee,

Dat ondank, ongeloof en domheid driest doen hooren: De vrijheid woont hier met den vreê.

-ocr page 10-

Zij komt, het eigen bloed in de ad\'ren,

Dat eens door \'t kloekst geslacht,

De stoutste heldenrij, de meest doorlachte vad\'ren,

Voor ons ten offer werd gebracht!

Ziet, Flora\'s bonte bloemenregen

Siert, tusschen \'t weeld\'rigst groen

Van \'t donzig grastapijt, en hof en veld en wegen, Des dorpers haag en stadsplantsoen.

Ja, Flora zelf, — met milde handen Biedt ze ons haar pronksieraad,

Treedt toe, bindt saam tot zuil en bogen en guirlanden Zij weeft ons \'t kostlijkst feestgewaad!

Laat nu, laat nu, langs gracht en wallen Op hoogen jubeltoon

Het lied voor Vaderland en Koninginne schallen.

Luid, krachtig, vol en schoon!

Laat nu weer \'t oud Wilhelmus hooren!

Het is en blijft ons lied!

Totdat uit nieuwen druk een nieuw ook wordt geboren, Tot zoolang zwijgt het oude niet!

-ocr page 11-

•X

Heft aan dien Krijgstoon der Historie!

\'t Bazuinlied onzer Faam!

Dien zang van Hollands roem en Psalm van zijn Victorie\' De klank ervan ruischt in haar naam.

Zij komt! o Schoonste al onzer dagen,

Dien onze God ons gaf!

Veel hebben wij naar \'t Delftsche praalgraf heengedragen, Nam Hij in wijze Liefde ons af.

Maar nu.....die nam heeft ook gegeven

Met trouwe Vadermin.

Gezegend zij haar jeugd! Gezegend heel haar leven!

Leef, Neerlands eerste Koningin!

Zouden wij het ooit vergeten,

\'t gouden tijdperk van voorheen, Toen uit hare middaghoogte

ons de Oranjezon bescheen? Hoe de gloed van hare stralen

dikwijls in de bangste smart En de dreigendste gevaren

koest\'ring bracht aan menig hart,

Ö

-ocr page 12-

Hoe ze in meer dan eene worst\'ling

uit den strijd om ons bestaan Uit de zwartste onweersluchten

vaak het licht ons op deed gaan?

Zouden wij het ooit vergeten,

hoe in Neerlands ochtendstond, Zij het licht was, dat zijn stralen

uit de verte ons tegenzond? Hoe zij kampte met de neevlen,

die toen van het Friesche strand Tot de Zeeuwsche en Vlaamsche kusten

hingen over Nederland?

Zouden wij het mogen, \'t kunnen?

Als ons oog in \'t uwe leest, Neerlands Roem en Neerlands Rijkdom!

rijzen ze op aan onzen geest Uit het oud en stout verleden,

uit die groote worsteling,

Toen \'t om vrijheid van geweten,

toen \'t om dood en leven ging. Rijzen ze op, die heldengeesten,

elk weer met zijn ruiterstoet Als Oud-Hollands Maccabeën,

\'t onrecht werend, vroom en vroed.

6

-ocr page 13-

Wilhelmus van Nassouwen!

De Dillenburgsche held,

\'s Lands leidsman en vertrouwen

Ter raadzaal en te veld. De denker, ziener, zwijger, Der staten hoofd en hand, De nooit versaagde krijger, De redder van het land.

Willielmus van Nassouwe,

Trots bitt\'ren schimp en smaad De tot den dood getrouwe,

Grondvester van den staat. Kampvechter tegen Spanje

In \'t barnen van \'t gevaar, De Prinse van Oranje, — De . . . Delftsche martelaar!

Wat is er niet geleden,

Naar ziel en lichaam bei! Gestreden en — gebeden

Om d\' enk\'len eernaam „Vrij!quot; Hij was het. \'t Ons te maken.

Uit harde Slavernij Ons weerloos volk te slaken. Daarvoor ontgloeide Hij.

-ocr page 14-

Daarvoor heeft hij zijn krachten,

Daarvoor zijn have en schat, Bij dagen en bij nachten

Zijn ruste veil gehad.

Daarvoor trok hij den degen!

Trok hij, met riddermoed Den sluwen vijand tegen, Daarvoor gaf hij zijn bloed.

En dan . . . zijn oudre broeder,

Onze edele Graaf Johan!

Zijn helper, trooster, hoeder;

In tijd van nood „dequot; man Die, van het vijftal de oudste,

Der and\'ren steun en stut, In \'t hand\'len licht de stoutste, Zich gansch heeft uitgeschud.

Die pronk — en lustwaranden,

En vorstelijke pracht, Die met gereede handen

Zijn goud ten offer bracht. De schrandre Uniestichter,

Die ... tot gebrek verviel. Hij, Willems zaakverrichter Van Neerland zaak de ziel.

8

-ocr page 15-

Graaf Adolf! Hij, gebleven

In Friesland, vol van moed, Hij heeft het eerst gegeven

Zijn edel heldenbloed.

Nauw zes-en-twintig jaren

Toen hij voor Neerland streed, Is hij ten krijg gevaren Op d\' eersten oorlogskreet.

Hij zelf heeft zijnen dapp\'ren Den weg des roems bereid:

Zijn pluimbos zag men wapp\'ren

In \'t heetste van den strijd. Hij, \'t ridderzwaard getrokken.

Viel \'t eerst den vijand aan, — Bracht koen en onverschrokken Diens legermacht tot staan.

Maar, die \'t geweld trotseerde

Van Alva\'s woedend heer. En overmocht, — hij keerde Niet als verwinnaar weer: „ Graaf Adolf is gebleven

„In Friesland in den slag.

„Zijn ziel, in \'t eeuwig leven, „Verwacht den jongsten dag.quot;

9

-ocr page 16-

1 i

En Lodewijk en Hendbik,

Al even stout en groot, —

Ja, Lodewijk en Hendrik,

De tweeling in den dood !

\'t Was of met dubb\'le slagen

Des Hoogsten hand ons sloeg; Of nooit het licht zou dagen.

Waar \'t zuchtend volk om vroeg.

Edel vijftal! Neen, we aanbidden

U in uwe grootheid niet,

Maar, als ons uw schimmen nad\'ren,

Ruischt er in ons hart een lied! Dankbaar knielen wij dan neder

bij het Delftsche praalgesticht, Starend op uw stout volharden,

dat vaak wond\'ren heeft verricht; \'t Meest op uw standvast vertrouwen,

ook in \'t allerhachlijkst lot.

Op den Vorst van alle vorsten,

op een alles machtig God.

Moge dat de grondtoon worden

van het leven, dat u wacht;

i

10

-ocr page 17-

Ook U wacht met zang en zorge,

jongste spruit uit \'t oud geslacht! Bloemknop ónzer stille Hope,

als ge straks zult opengaan,

Laat de wortel van uw leven

dan in goede aarde staan!

Immers, ook het kleinste bloemke

tiert het best in eigen grond, Gij dus — in dezelfde aarde,

waar de Oranjestam in stond,

Neen, ons hart vervult geen vreezei

Mist ge ook al uw Vader vroeg. God liet in de trouwste moeder,

U, lief Kind! meer dan genoeg. Druk haar voetstap, volg haar wenken,

dan maakt G\'u straks Neerlands Kroon Om uw deugden dubbel waardig.

Staat ze U meer dan dubbel schoon. Dan zult gij een volk regeeren,

dat U mint, — dat voor U leeft.. .

Doch, wat nieuwe groep van helden,

■»

die thans om u henen zweeft?

u

-ocr page 18-

Daar is „Mouringdie de „Schepen

„Van de Zevenlandsche buurt, „Veertig jaren onbegrepen,

„Onbekrompen heeft gestuurd! „Mouring, die ze door de baren

„ Van zoo menig tegentij „Voor den wind heeft leeren varen, „ Al en was \'t maar wind op zij.quot;

Gij dus, die aan Nieuv/poorts stranden

Spanjes sidd\'rend heir deedt vliên! Ja, de Zuider-Nederlanden

Hebben U het grootst gezien En de Vlaamsche Noordzeeduinen

Schudden, — Ridder zonder blaam! Schudden nog hun heuvelkruinen Bij het noemen van uw naam!

Gij dus, die het vrij gestreden

Duurgekocht Gemeenebest Met een muur van sterke steden,

Met een ring van vest\' aan vest! Als omheindet tegen \'t woeden

Van Albertus\' legerschaar En den Staat hebt willen hoeden Tegen meer dan één gevaar.

-ocr page 19-

Gij dus, Onvermoeid Bevechter

Van wie driest hem nad\'ren dorst! Stout Verweerder, Twistbeslechter,

Schoon \'t vaak woelde in eigen borst. Wat gij met uw kracht, uw gaven Voor ons volk eens hebt gedaan,

Doet U onder Hollands braven Steeds in de eerste rijen staan.

/ *

In de eerste rijen, naast uw broeder

En volg\'ling op de gloriebaan,

Als gij, der Staten steun en hoeder Niet minder groot door heldendaan Naast Fred\'rik Hendrik, Stout bespringer

Van Spanjes trotsche legermacht Ontzachlijk Veldheer, Stedendwinger^

Spinola\'s arm te sterk in kracht.

Die in het langst van \'t hachlijk strijden,

Zijn grootste wondren heeft verricht!

Schoon vaak miskend — toch voort bleef schrijden: Dat tuigt den Bosch, — dat \'t sterk Maastricht! Den Bosch, dat tweemaal opzag breken

Der Staten heir na kloek verzet, —

Voor zijn volharding is \'t bezweken En . . . Holland werd op nieuw gered.

13

-ocr page 20-

Helaas! hem was het niet beschoren

Tezien den lang verbeiden dag, Waarop zijn volk, verjongd, herboren,

Zich vrij en onafhank\'lijk zag.

Zijn volk, dat onder vreugd en smarte,

Dat onder voorspoed, onder leed. Hij droeg als aan zijn vorst\'lijk harte, Dat nooit vergat, wat hij het deed.

Dien heilstond zag de Tweede Willem dagen,

Hij blikte \'t eerst een held\'ren hemel aan! De Nieuwe Dag verjoeg de wolkenlagen, —

De vrijheidszon bescheen ons uit haar baan, Het dwangjuk brak. Des dwinglands ijz\'ren roede

Ontviel zijn hand. En in der volken rij Stond Neerland — schoon getuchtigd tot den bloede, — Nu jeugdig fier, van elk geacht en vrij!

Maar neen: die rust kon zijn hart niet bekoren:

Het voelde een trek naar \'t woelig oorlogsveld! De krijgsschalmei, — de gouden riddersporen,

\'t Rumoer des strijds, en d\' eerenaam van held, — Dat, dat was schoon! Helaas, geen zwaarden klonken;

\'t Kanonvuur zweeg: Hem bleef de glans ontzeid Des Roems, waarin zijn Vad\'ren eenmaal blonken, — Het bed van Eer — het werd hem niet gespreid!

14

-ocr page 21-

Toch was hij groot — had hij \'t slechts kunnen toonen,

Toch was hij groot, hoe ook verblinde nijd,

Partij — en Staatsbelang om strijd hem durfden hoonen, —

Toch was hij groot, te groot licht voor zijn tijd.

Zijn tegenstander zelf, heeft, \'t meest welsprekend,

Zijn ed\'len geest, die slechts.....geleden heeft,

In \'t ééne woord naar waarheid ons geteekend:

„ Hij, van de Oranjes \'t grootst, — heeft slechts te kort geleefd\'

Zestienhonderd acht-en-veertig;

Neerland hoog van moed! Vier-en-twintig jaren later:

Bitt\'re tegenspoed,

Zestienhonderd acht-en-veertig;

Neerland groot en vrij! Vier-en-twintig jaren later:

Nieuwe dwinglandij.

Neen, nu was het schrikk\'lijk monster,

Geen Castiliaan, —

Naderbij gluurde ons het loerend

Oog des roofdiers aan.

Uit het machtig Frankrijk dreigde

De alveroveraar, —

Ja, van alle, alle zijden

Grijnste \'t bangst gevaar.

-ocr page 22-

MS®

En de Leeuw, die Neerlands erve

Vrijen moest voor wee, — Lag te domm\'len in het duinzand,

\'t Lodd\'rig oog____naar zee 1

\'t Staal, dat tegen Lod\'wijks scharen

Ons beschutten moest \'t Hing sinds vele, vele jaren

In de schêe verroest, \'t Vestingbolwerk onzer grenzen ,

Eens ons sterkst verweer Tegen meer dan eenen vijand,

Lag in puin ter neer. En \'t geslacht der oude helden,

Hollands ridderschap?

Ach! De stoutste harten beefden, d\' Armen hingen slap.

En toch____volle veertig jaren

Werd zijn macht bestreen. Schoon de duurgekochte vrijheid Vaak ook hoop\'loos scheen. Driemaal werd zij fel besprongen Door het snoodst geweld, — Driemaal werd het, met Gods hulpe, Paal en perk gesteld.

r

16

-ocr page 23-

Bn wie was in de onspoedsure

d\' Arm daar God door streed;

Door wien in het zorgvolst kampen

Hij zijn wond\'ren deed?

\'t Was der Nassaus Derde Willem

Door wiens geest en kracht Onze God in zijne ontferming Hulp heeft aangebracht.

Dat waart gij, der Staten schutsheer!

Onzer helden kloekste held! Dat waart gij, Europa\'s wonder!

Meester op het groote veld!

Gij hebt Frankrijks trotschen Koning

Steeds doorzien, en .... mat gezet, Gij, de zeven Unielanden,

Heel een werelddeel gered. Ja, Europa stond bewondrend

Uwe stoutheid aan te zien!

Heel Europa kwam bewondrend Zijner volken hulde U biên! En \'t ontredderd Groot Brittanje

Bood U zelfs zijn Koningskroon! Dat waart gij, o Derde Willem!

Onzes Tweeden groote Zoon!

2

17

-ocr page 24-

Dag van algemeene ontroering,

Toen de droeve tijding kwam, Dat, nog in de kracht der jaren

U de dood ons plots ontnam,

Maar, al moest gij \'t perk verlaten

Van Europa\'s worstelstrijd.

Toen ten derde maal de vijand

Zich ten kamp had toebereid, — Ramillies en Oudenaarden,

\'t Onvergeetlijk Malplaquet Tuigden van uw veldheersgaven:

\'t Spel was door U opgezet. Van uw blik, bereek\'ning, doorzicht,

Van uw geest, zoo groot als sterk! Het behoud van Neer lands vrijheid Was uw glorie — was uw werk!

O wiss\'lend lot van vorsten en van volken,

De baar gelijk der groote wereldzee;

Naar d\' afgrond nu — straks reikend tot de wolken, — Des morgens blijde lof, — des avonds grievend wee.

„Hoe hoog in macht, toch machteloos,quot; — \'t Gold onzen eersten erfstadhouder:

18

-ocr page 25-

Zijn krachten klein, — zijn dagen boos,

En — reuzenarbeid voor zijn al te zwakken schouder.

Wel leek het schoon,

Uitbundig was het vreugdbetoon,

Toen Vierden Willem, Friso\'s zoon,

Toen hem en zijn geslacht De hoogste macht In stad en land werd opgedragen.

De oorlogsfakkel was gebluscht,

\'t Zong al van leven, vrede, lust;

Er scheen een gouden eeuw te dagen!

Helaas! Maar al te r^s Bleek, dat het louter schijnschoon was:

Daar school een adder onder \'t gras, En \'t lachend morgen Brak aan met zuchten, strijd en zorgen:

Op meer dan één gebied

Was.....„ onrecht aan het volk geschied.quot;

Dus klonk het overal Met woest en luid geschal.

\'t Werd ontevreden, — sloeg aan \'t muiten, —

Vergat zich snood, — viel niet te stuiten, —

Brak uit in dolle drift, — verhief met kracht zijn stem, — Eischte in één oogenblik, al wat het zocht, — van hem.

19

-ocr page 26-

•k

En tegen zulk een overmoed Niet opgegroeid, van aard te goed, —

Wou liij meer zijn, meer geven dan hij kon, En, schoon hij steeds in aanzien won,

\'t Was machteertoow in stee van macht Uit \'t hart des volks rees klacht bij klacht.

Het miste aldra den liefdegloed Die vorst en volk verbinden moet.

En saam\' een weg bewandlen doet.

En toen de dood Zijne oogen sloot,

Toen was al de uiterlijke pracht Waarmee hij stil werd uitgebracht Beeld van het laatste licht der zon,

Die anderhalve eeuw geleén, zoo schoon haar loop begon.

En Vijfde Willem? — Ach!

Eens .... voorwerp van elks vreugde; In stilheid lang gewenscht,

en afgesmeekt van God!

Om wiens geboorte zich

heel \'t Vaderland verheugde, —

Doch — welhaast voorwerp ook

van veler schimp en spot!

20

-ocr page 27-

Daar stak een noodstorm op,

uit \'t Zuiden aangedreven, Die alles voor zich heen

op uit elkander joeg! —

Daar stak een noodstorm op,

die heel Euroop deed beven,

En in zijn dolle vaart £

naar \'t Noorden oversloeg.

En, — had de leidsman nu

van Hollands stedehouder, De Vader van den wees,

den knaap gevormd tot man,

Wiens ijzervasten wil,

wiens kloeken, forschen schouder. Een volk in bang gevaar

zijn lot vertrouwen kan?

Waar hij als „Manquot; moest staan,

had hij hem leeren bukken; — Waar hij gebieden moest,

daar schreef men hem de wet, Ontzag zich zelfs niet meer,

hem alle macht te ontrukken: En — de eerste eens in het land,

werd steeds terug gezet.

21

-ocr page 28-

En toen het noodweer kwam,

dat lang eerst dreigde en broeide, Toen was er in \'t misleid

en schier verblind geslacht, Hoe vrees\'lijk vlaag op vlaag

door \'t zwoele luchtruim loeide, Toen was ook in den Vorst

geen wil — geen moed — geen kracht.

Het volk aanbad den God

der bandelooze vrijheid,

Zichzelf\' niet meer; bedwelmd

door Frankrijks wuften geest, Het brak in zangen los

vol dartelende blijheid, —

De vorst? — Oranje ging, —

En — Neerland was geweest!

Ja, daar zijn reeds booze tijden

over Nederland gegaan; — Dikwijls hééft het aan den rand reeds

van zijn ondergang gestaan. — Maar zoo diep was \'t nooit gezonken,

dat Oranje het verliet,

22

-ocr page 29-

Dat het zelf, vol snooden ondank,

\'t Heldenstarahuis van zich stiet. Nederland had God verlaten,

trok zich los uit Zijne hand, —

Maar het heeft de straf gedragen:

God verliet ook Nederland!

O, die bange twintig jaren

van het schrikkelijkst geweld,

Toen het kroost der vrije landen

wreed gekromd lag en gekneld! quot;Weg — zijn taal, zoo schoon ontwikkeld

waar \'t in bad en zong en dacht; Dicht — het boek van zijn historie,

dat hem sprak van Eendrachts macht; Weg — zijn zeden en gewoonten,

in hun eenvouds sierlijk kleed; Weg — zijn naam, omkranst met glorie,

die aan \'t „ Oudequot; denken deed; Weg — zijn vlag en eertropheeën,

die, van \'t gloeiend Morgenland Zijnen ouden roem verkondden,

tot het verste westerstrand! Weg — zijn handel; weg — zijn scheepvaart;

weg — zijn kostelijke vloot,

Die het eens de rijkste schatten

kwamen werpen in den schoot!

23

-ocr page 30-

iiil

Weg — die schatten, die door jaren

arbeids waren saaragebracht; Weg — zijn roem en weg — zijne eere;

weg — zijn grootheid en zijn kracht! Weg — het oud geloof der vaadren

aan de Trouw van hunnen God, — En in plaats van al dien rijkdom,

minder dan een slavenlot!

O, \'t Verleden zij een spiegel

voor den tijd, die komen moet: Zonder God en \'t Huis Oranje

gaat het Nederland niet goed! Daarom, Koninklijke Moeder

van het allerliefste kind,

Dat, als d\' appel zijner oogen

heel ons volk zoo teer bemint, — Daarom hebt Gij onze harten,

omdat in haar teedre jeugd.

Gij haar voeten reeds leert wand\'len

op het pad der schoonste deugd! Omdat Gij — en dat is Hollandsch —

boven de eere, die haar wacht, Reeds haar kinderoog leert opzien

tot de bron van alle macht 1 Dat doet ons de snaren stemmen, —

-ocr page 31-

dat zet ons de borst in gloed, Dat vervult ons hart met blijdschap,

met vertrouwen, hoop en moed! Want Oranje, God en Neerland, —

deze drie, en die alléén, — Waren, zijn, en blijven immer, —

wat ook moge komen, — één!

Yan daar die vreugdetranen

Aan \'t Scheveningsche strand, Toen Neerlands Zesde Willem

Terugkwam in het land! Vandaar die vreugdevuren Na \'t doorgestane leed,

Toen weer ons volk Oranje Den eed van trouwe deed!

Vandaar die jubeltonen,

Toen vijfden Willems zoon De teugels nam in handen

Op Neerlands Koningstroon Vandaar die Lofgezangen,

Ten dank aan aller Heer: Oranje had zijn Neerland, Ons land — Oranje weer.

20

-ocr page 32-

Het monster, dat zijn klauwen

Ons volk in \'t harte sloeg, Lag machteloos ter neder!

Toen de Almacht sprak; „ genoeg! „Tot hier toe en niet verder;

„Gij hebt mijn raad volbracht!quot; Toen is het neergetuimeld .

Uit zijn geduchte macht.

En Neerland ging weer groeien,

Dank zij de Alzegenaar! — En Neerland ging weer bloeien:

\'t Profetisch Woord werd waar! Zijn landbouw tierde weelderig,

Zijn handel evenzeer,

Zijn nijverheid en kunstzin: Ja — Neerland leefde weer!

En toen het woelig zuiden

Mocht gaan in eigen spoor,

Brak voor onze Unielanden

Het volle daglicht door.

En toen onze eerste Koning

Den cepter nederlei Was Neerland weer, als vroeger. Geacht en groot en . . . vrij!

-ocr page 33-

Toen kwam de tweede Maurits,

Des eersten Willems zoon, Met lauw\'ren reeds omhangen,

En erfde troon en kroon! De held, die ver in \'t Zuiden, Voor menig\' spaansche stad, (o Wondre lotsverwiss\'ling!) Met roem gestreden had!

Die, toen de Corsicaner

Zich weer vertoonde in \'t veld, Hem met zijn legerscharen Mee tegen was gesneld, Die, toen de velden rookten Van \'t Europeesche bloed.

Wist blijk op blijk te geven Van d\'ouden riddermoed!

\'s Lands welvaart was zijn streven.

Onze eer — zijn hoogste loon, De Liefde en Dank der zijnen

Hem meer dan \'t goud der Kroon 1 Hij kende hunne nooden,

Hij leefde met hen mee;

In heel Euroop beroering,

In Neerland rust en vrêe!

27

-ocr page 34-

Helaas 1 te spoedig legde

Hij \'t hermelijn weer af, En staarde een dankbre natie

Hem na in \'t vorst\'lijk graf! En toen de Derde Willem

Hem volgde op den troon, Was Neerland rijk en machtig, En schitterde zijn Kroon!

Derde Willem! Vorst des Vredes!

Neen, geen bloedig oorlogsveld Zag uw wond\'ren, zag uw stoutheid, — .

En toch waart Gij groot, en ... held! Geen Breda, geen Mook, geen Nieuwpoort,

Geen Senef of Malplaquet Heeft, van bloedbevlekte lauwren

Op uw werk____een kroon gezet:

En toch rezen Monumenten

U tot onverganklijke eer,

En toch zien we in hen de grootheid

Van uw groote ziel steeds weer! Ongelijkbre waterwerken,

\'t Uitgebreidste spoorwegnet, Afgeschafte slavenhandel,

Den Javaan een milder wet, —

28

-ocr page 35-

Dat zijn uwe eerezuilen,

Stralend van een hooger gloed,

Dan de schitt\'rendste tropheeën,

Vaak ontsierd door \'t kostlijkst bloed.

Derde Willem! Troost der armen,

Als hun \'t leven lijden bracht;

Redden, Weldoen, — meest in stilte, —

Was uw glorie, was uw kracht!

Warm vereerder, trouw beschermer

Onzer Kunst en Wetenschap!

Door wiens milden steun, wiens hulpe

Menig jongeling de trap

Heeft bereikt, waarop hij \'t sieraad

Werd van \'t jonge Nederland!

Door wiens bijstand meen\'ge stichting

Schoon verrees of.... bleef in stand!

Derde Willem! Ja, nog staat het

velen helder voor den geest,

Hoe uit steden en uit dorpen

Op uw zilvren kroningsfeest \'t Volk één danktoon zond ten Hemel,

Voor hetgeen \'t in U bezat,

Nog om „menig tiental jarenquot;

Om „veel vreugd en voorspoedquot; bad.

-ocr page 36-

Daar ging plots uw zon verbleeken,

Werd het donker om U heen, En verdoofde op eens de luister,

Die er van uw Kroongoud scheen: Driemaal werd gij opgeroepen

Tot een tocht naar \'t Delftsche graf. Driemaal vroeg het U een offer, —

Stondt gij het een parel afl Maar Gods Liefde wou de wonden,

Die Hij in zijn wijsheid sloeg, Heelen; — en voor dezen zegen

Dankt ons hart Hem nooit genoeg. O Hoe juichte uw volk weer mede

Toen vóór \'t dalen van uw dag Eenmaal nog \'t Oranjezonlicht

Vroolijk door de wolken zag! Vol verrukking klom de lofzang.

Door heel \'t land, uit aller mond, Toen nog eenmaal aan uw zijde

Weer de trouwste gade stond.

Maar de vreugde steeg ten toppunt,

En de danktoon won in kracht.

Toen de kunstdraad heel den lande

De allerblijdste tijding bracht! Ja! „Een kind was ons geborenquot;!

Ons, want vorst en volk zijn een!

30

-ocr page 37-

De afgehouwen stam ging bloeien!

Menig zong door tranen heen. Allen juichten, allen dankten,

Allen voelden weer den band, Die Oranje houdt verbonden

Ook aan \'t jongste Nederland!

Welkom, Koninginne!

Laatsten Willems kind! \'t Zuiden kampt met \'t Noorden,

Wie U \'t meest bemint! Gij, Gij zijt die Engel,

Onze Hoop en Lust!

Op wie voor de toekomst \'t Oog van Neerland rust.

Loot uit d\' ouden stamboom,

Die in onzen grond Steeds een goede aarde

Groei — en bloeikracht vond. Bloemknop onzer Hope!

Hollands Pronkjuweel Gij, Gij hebt ons harte,

Hebt het reeds geheel!

31

-ocr page 38-

Zie de God van Neerland

Zeegnend op U neer!

Neen, daar zijn geen Friezen

En geen Zeeuwen meer! Weg zijn de oude veeten,

En geen twistvuur brandt: Alles groeide samen Tot één Nederland!

Heer van alle Heeren!

Leid ons goede Land Steeds in Uwe wegen

Door Uw Geest, Uw hand, Houd ons, God van Liefde!

Één van geest en zin! Zegen uit Uw volheid Volk en Koningin!

|

i U\' S

-ocr page 39-
-ocr page 40-
-ocr page 41-
-ocr page 42-