JT-quot;\'!
P
a
m
£Sm m£r
-j
FEESTSTOFFEN.
LEERREDENEN
GEHOUDEN DOOR
DR. H. F. KOHLBRÜGGE,
IN LEVEN PREDIKANT BIJ DE NEDERLANDSCH-GEREFORMEERDE GEMEENTE
TE ELBERFELD.
UIT HET HOOGDUITSCH. Tweede herziene uitgave.
I.
K K R Ö T X3 l ^ K K KEN.
AMSTERDAM, SCHEPFER amp; C°,
_1887.___
31BL10TH Z.ÜIK DEr? RIJKSUNIVERSITEIT U T ^ Ë C H T,
quot; ■ ............1 quot;quot; w»\'1quot;quot;»
cf.d\' 15814. / \'
FEESTSTOFFEN.
LEERREDENEN
GEHOUDEK DOOR
DE. H. F. KOHLBRÜGGE,
IN LEVEN PREDIKANT BIJ DE NEDERLANDSCH-GEREFORMEERDE GEMEENTE
TE ELBERPELD.
UIT HET HOOGDIJITSCH. Tweede herziene uitgave.
AMSTERDAM, SCHETFEK amp; C0.
_1887._
BIBLIOTHEEK DE3 RiJKSUNiVEPSITElT ü T R fe C H T.
I /t*: / _ écP
I *^6cc . 2 : /~/s- 3
ir é y z/
nr cf- /-z 3 3
UT /J_-?ö 4cP
T ^ quot; ScF
// (y lt;4-a~lt;idr ^_3 -• _ / ^cP
? /W///. 2lt;P. / gt;/
2T /gt;/! 2 a : /. /cP cFcP
Cs
amp; Qlcc.ïJ.- /3- S. S~ / amp; Z
JT ZS-_ 3 Ó /Zo
\'y- 3ï /
J£l (Ji . é: gt; „ /Z / •S\'(?
/ . /fö / Ógt;
4 : S-a- s~/ / f) /
■Z\',, S^/tflCv\'CkLC^*ZcZ/~i£L^L^^C. £03 MZ yxrJ^ZU Ala^oCe SI JL-a^at/s \' Z2./
/C 1^/C.sóz^/L^e^. /6^, ; £ ^ / _ 3 -i~^gt;
2 /. /-4 2 JZ 4 3
IC /f./é./gt; zé/
LU—
zé z
~v~ O\'g-. 4s- ■■ /-sr 3 a (P
YL / ■■ / -S- £ £/ I
I.
LEERKEDE
LTJKAS 2 vs. 1—5.
*) Voorzang: Psalm 98 vs. 1—4.
Zingt, zingt een nieuw gezang den Heere, Dien grooten God, die wondren deed!
Zijn Eechterhand, vol sterkt\' en eere,
Zijn heilig\' arm wrocht heil na leed. Dat heil heeft God nu doen verkonden; Nu heeft Hij Zijn gerechtigheid, Zoo vlekkeloos en ongeschonden,
Voor \'t Heidendom ten toon gespreid.
Hij heeft gedacht aan Zijn genade;
Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt; Dit slaan als \'s aardrijks einden gade, Nu onze God Zijn hei! ons schenkt.
Juich dan den Heer met blijde galmen. Gij gansche wereld! juich van vreugd;
Zing vroolijk in verheven psalmen Het heil, dat de aard\' in \'t rond verheugt!
0354 5989
LEEREEDE OVER LUKAS 2 VS. 1—5.
Doe bij uw harp de psalmen hooren;
Uw juichstem geev\' den Heere dank!
Laat klinken, door uw tempelkoren ,
Trompetten en bazuingeklank !
Dat \'s Heeren huis van vreugde druise,
Voor Isrels groeten Opperheer;
De zee met hare volheid bruise,
De gansche wereld geev\' Hem eer!
Laat al de stroomen vroolijk zingen,
De handen klappen naar omhoog;
\'t Gebergte, vol van vreugde, springen
En hupplen voor des Heeren oog!
Hij komt, Hij komt om d\' aard te richten,
De wereld in gerechtigheid;
Al \'t volk, daar \'t wreed geweld moet zwichten.
Wordt in rechtmatigheid geleid.
Zoo vieren wij dan wederom, Mijne Geliefden, den gedenkdag der geboorte van onzen dierbaren en nooit volprezen Heere en Heiland Jesus Christus, die nu, verhoogd zijnde ter Rechterhand der Majesteit Gods, onze Voorspraak is en ons bij de verworvene verlossing beschut en bewaart.
Ik wensch u geluk op dezen dag en treed volgaarne op met den alouden jubelzang der nu reeds met overwinning gekroonde Kerk hierboven: „Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijnen schouder, en men noemt Zijnen Naam: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst!quot;
Was ons dat Kindeken niet geboren,
Dan waren we al te zaam verloren.
God heeft woord en trouwe gehouden. Hetgeen Hij aan onze eerste voorouders in hunne diepe droefenis en verlorenheid beloofd had van het Vrouwe-zaad, dat den kop der slang zoude ver-morselen, heeft Hij vervuld: Hij heeft dat Zaad laten komen. Dien heeft Hij laten komen , op Wien alle geloovigen van den
4
LEERREDE OVER LU KAS 2 VS. 1—5.
5
ouden dag in hunne moeite en arbeid gezien hebben; Dien, op Wien zij gezien hebben als op hunnen eenigen troost beide in leven en in sterven; Dien, op Wien de gansche Kerk van den ouden tijd reikhalzend heeft gewacht, naar Wien zij met verlangen heeft uitgezien: in quot;Wien Adam en Eva, Abel en Seth, Enos en Henoch, Lamech en Noach geloofd hebben; van Wiens Naam zij, evenals Noach en Sem, gepredikt en getuigd hebben; Wiens beeld Melchizedek was; Wiens dag Abraham met verheuging heeft gezien, en ook Sara, toen hun Izak geboren werd, — God heeft Hem laten komen ! Hij is gekomen, in Wiens Naam Izak zijnen Jakob zegende; Hij, die met Jakob worstelde aan het veer Jabbok; Hij, die aan Mozes Zich openbaarde met de vurige Wet tot Zijne Eochterhand (Deut. 33 vs. 2); die Zijne waarheid en genade liet afschaduwen in eene tent; in eene Ark, waarin do Wet lag; in het brandofferaltaar; in alle de volkomene lammeren, die voor de zonden werden geslacht; in den hoogepriester; in het manna en in don rotssteen, waaruit water stroomde; ja zelfs in de koperen slang, die hen allen genas, welke, door de wezenlijke slang gebeten zijnde, tot haar opzagen. Hij is gekomen, Wiens beeld Jozua was, die met Kaleb uit Egypte m het land der ruste inging. Hij is gekomen, van Wiens wereld-verlossing Jozef, van Wiens lijden en zegepraal koning David, van Wiens Rijk en heerschappij van eeuwigen vrede en eeuwige heerlijkheid Salomo, van Wiens eindelijke zegepraal over elk Babel, dat voor Hem tot puin moet worden, Zerubbabel — zoo vele, luid predikende, vertroostende beelden zijn geweest. Hij is gekomen, van Wien alle Profeten geprofeteerd hebben, de Wederoprichter van eeuwige gerechtigheid; de Terechtbrenger onzer algeheel be-dorvene zaak; de Uitdelger van al onze zonden en onze schuld; de Drager van al onzen last, vloek en verdoeming; de Vernietiger van den dood en van alle werken des Satans; de Verbrij zeiaar der hel. — Hij, in Wien hemel en aarde geschapen werden, het eeuwige Licht in onze duisternis, de eenige Weg tot den Vader, waar wij ter helle liepen; — de eenige, eeuwige
leerrede over lukas 2 vs. 1—5.
Waarheid tegen onze dwaling, het eeuwige leven trots onzen dood. En heeft de Gemeente van den ouden dag in haar wachten blijmoedig en geloovig in al haar lijden en herhaaldelijk gezongen: „Hij komt! Hij komt!quot; — Maria, Zijne moeder, heeft het eerst kunnen zeggen: „Daar is Hij !quot; — en wij, wij mogen blijmoedig en dankende zingen en jubelen: Hij is gekomen, Hij, die ons gewasschen heeft van onze zonden in Zijn bloed!
Laat ons Hem aanbidden, die leeft van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Beschouwen wij de eenvoudige en natuurlijke woorden, waarin het den Heiligen Geest behaagd heeft, om deze gebeurtenis, die ons het leven uit den dood der zonde heeft aangebracht, voor ons te laten beschrijven door Zijnen Evangelist Lukas.
Tekst: Lukas 2 vs. 1—5.
„En het geschiedde iu diezelve dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dat de geheele wereld beschreven zou worden. Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrenius over Syrië stadhouder was. En zij gingen allen, om beschreven te worden, een iegelijk naar zijne eigene stad. En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth , naar Judea, tot de stad Davids , die Bethlehem genaamd wordt, — omdat hij uit het geslacht van David was — om beschreven te worden met Maria, zijne ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was.quot;
Wij beschouwen:
1. Den tijd en het gebod;
2. Het gewichtige en het nietige dezer beschrijving;
3. Den loop der wereld en het doen Gods.
4. Dat „ookquot; Jozef opging, en wel van waar? waarheen? en waarom?
5. Waartoe hij dan ging? met wie? en onder welke omstandigheden ?
I.
En het geschiedde in diezelve dagen — d. i. inde dagen, dat Johannes geboren was, zes maanden na de geboorte van hem, die den naam droeg: De Heere is genadig! Toen
6
LEEEREDE OVER LUK AS 2 VS. 1—5.
heeft God Zjjne gansche genade laten komen. Dat is de tijd, waarvan de Apostel Paulus schrijft: „Wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God ZijneD Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de Wet; opdat Hij degenen, die onder de Wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.quot; (Gal. 4 vs. 4 en 5.) In het huis van den priester Zacharias waren wonderen geschied; de onvruchtbare, hoogbejaarde Elizabet had ervaren, dat God het gebed hoort, dat Hij wol gedachtig is aan Zijn Woord en Zijnen eed houdt. Hare smaadheid onder de menschen was van haar weggenomen, zij had eenen zoon gekregen; en toen hare magen hem naar zijnen vader wilden noemen, sprak zij door den Heiligen Geest: „God is genadigquot; zal zijn naam zijn; hare magen wilden dien naam niet; zij vraagden daarom den vader; deze wilde ook schrijven: „God is genadigquot; is zijn naam. Maar de vader ondervond, dat God genadig is. Immers, zoodra hem door den Heiligen Geest het hart vol werd van den naam „God is genadigquot;, moest hij niet schrijven, neen zijn mond werd geopend, en zijne tong losgemaakt, en het was eeue levende verkondiging, die over bergen en dalen heenklonk: Zijn naam is Johannes, — God is genadig!
Hoe heerlijk bewees God in die dagen. Mijne Geliefden, dat Hij genadig is! — Het geschiedde in die dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus. Verhevene eenvoudigheid des Evangelies! Er staat niet geschreven: „Toen beschikte God het,quot; of: „Toen gaf God het den keizer Augustus in het hart,quot; maar: „Het geschiedde.quot; De Heilige Geest laat deze zaak door Lukas zoo beschrijven, als ware er geen God in den hemel geweest, die dit alles zoo heeft bestuurd. Maar dit is Gods wijze van doen. Waar Hij het beste gegeven heeft, dat Hij ooit heeft kunnen geven, daar moeten wij aan de gave zien, welk eenen God wij hebben, namelijk eenen God, die trouwe houdt tot in het duizendste geslacht, en niet laat varen de werken Zijner handen; die ook Zijn rechten tijd en de ure weet, ook de meest
7
LEERREDE OVER LUKAö 2 VS. 1—5.
geschikte middelen en werktuigen in Zijne hand neemt, om juist dat te laten komen, wat Hij aan Zijn volk beloofd heeft; want Zijn Raad blijft bestaan in eeuwigheid, en de gedachten Zijns harten zijn van geslacht tot geslacht, en of Hij Zich ook al verborgen houdt, zoo is Hij nochtans van ouds af Israëls Heiland. Hetgeen Hij aan Zijne dienstknechten beloofd heeft, vervult Hij; wanneer Hij gebiedt, dan staat het er; en niemand kan Zijne hand afwenden, veeleer moet het alles aan den eeuwigen Raad Zijns vredes, den Raad onzer zaligheid, dienstbaar zijn. — Het geschiedde dan, dat er een gebod van den keizer Augustus uitging, en in dit voorval laat God iets anders geschieden, waaraan keizer Augustus niet dacht, en waaraan ook geen mensch dacht, namelijk: keizer Augustus schreef een gebod uit, en in dit gebod schreef God ook een gebod uit, dat anders luidde dan het gebod van den keizer. Het gebod van keizer Augustus was, dat de geheele wereld zoude geschat (beschreven) worden; bijgevolg, dat de geheele wereld nog meer zoude worden gedrukt, en alzoo geld en wederom geld zou geven voor de weelde van Rome en den keizer. Daarin was nu echter Gods gebod, en dat luidde aldus:
God sprak tot Zijn geliefden Zoon:
\'t Is tijd om Ons te erbarmen!
Ga daarom heen Mijns harten kroon,
En wees het heil der armen!
Red hen uit hunnen zondennood,
Verslind voor hen den bittren dood
En laat hen met U leven! (Lied 65.)
De duivel had in zijne domheid alles op haren en snaren gezet, toen God hem met zijn eigen gebod kwam tegenwerken, en waar den armen nu ook huid en vleesch zou afgenomen worden, daar maakte God een gebod er van, wel is waar ook om af te nemen, maar wat? Zonde, dood, vloek, ellende en verdoemenis, het geheele vleesch-zijn, om dat alles op Zijnen eigenen geliefden Zoon, het Kind Zijns harten te werpen! Maar
8
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 1—5.
nog meer was het een gebod om te geven, namelijk: de onschuld, gerechtigheid en heiligheid, den zegen en het leven van Zijnen geliefden Eeniggeborenen. Bijgevolg de keizer Augustus liet een gebod uitgaan, dat de geheele wereld zou geschat worden, en dat luidde in den hemel als een gebod, dat de geheele wereld zou verlost worden van zonde, dood, duivel en hel.
Zoo heeft God de wijzen in hunne arglistigheid gevangen, en toen de geheele wereld het heil verwachtte van den keizer Augustus, die echter niets deed dan nemen, toen stond God op. Hij, van Wien schier niemand heil verwachtte, kwam in het verborgen er bij; en gelijk Hij nooit iets anders gedaan heeft dan geven, zoo gaf Hij der geheele wereld tot heil het beste, dat Hij had, en liet Zijn genadig woord komen: „Ik toch heb Mijnen Koning gezalfd over Zion, den berg Mijner heiligheid.quot; (Ps. 2 vs. 6.) Hij bracht Zijn eeuwig Raadsbesluit ten uitvoer, Hij zond Zijnen Zoon, het Licht aller Heidenen en de Vertroosting van Israël. Zoo neemt dan God het gebod der menschen, dat gegeven wordt, om de ongerechtigheid op den troon te helpen of op den troon te houden, en om ongestoord overspel te bedrijven, te moorden en te stelen, — in Zijne hand, Hij leidt en bestuurt het zóó, dat de ongerechtigheid gestuit, en aan het moorden, echtbreken en stelen een einde gemaakt wordt, opdat Zijn Naam geprezen worde, dat Hij zoo wonderbaar regeert, alhoewel Hij Zich verborgen houdt, zoodat al wat de hel onderneemt, ter eere van God in de hoogste hemelen en ten goede Zijner uitverkoren Kerk moet uitloopen. Want het wordt wel zichtbaar voor hem, die van God verlichte oogen des verstands ontvangen heeft, dat God Zich van den raad der Heidenen bedient om Zijnen Raad ten uitvoer te brengen; dan mogen zij verder met hunne overleggingen blijven waar zij willen. Hij heeft de bekwaamheid der blinde Tyriërs en Sidoniërs gebruikt, om de steenen te laten gereed maken en aanbrengen, waarmede Hij voor Zijn volk het huis bouwt, waarin zij eeuwig zullen wonen voor Zijn aangezicht in Zijne gerechtigheid en heiligheid.
9
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 1—5.
n.
Daarom lezen wij ook verder: Deze eerste beschr ij ving (schatting) geschiedde, als Cyrenius over Syrië stadhouder was. — Zoo was dan deze schatting niet iets gewoons, maar iets buitengewoons; want zij was de eerste. Nu was het echter Gods tijd; de tijd, dat komen moest, wat de Kerk van oudsher gebeden had: „Sta op, Heere, tot Uwe rust! Gij en de Ark Uwer sterkte!quot; (Ps. 132 vs. 8.); de tijd, dat komen moest, wat het Israël Gods van ouds zoo dringend voor God had uitgeroepen; „Och, dat Israëls verlossing uit Zion kwame! Och, dat de Heere de gevangenen Zijns volks deed wederkeeren, dan zal zich Jakob verheugen en Israël zal verblijd zijn.quot; (Ps. 14 vs. 7.)
Wanneer de zonde bovenmate zondigende is geworden, wanneer de mensch het zelf gevoelt, dat hij niet dieper kan zinken, dan hij gezonken is, wanneer de nood waarlijk op het hoogst gestegen is, wanneer de mensch ten einde raad is, zoowel bij het ééne gebod als bij het andere, en hij het gebod toch gaarne zou willen onderhouden, maar het niet meer kan; wanneer eindelijk alles opgegeven, alles prijsgegeven is, dan is het Gods tijd, dan laat Hij de omstandigheden zoodanig samenloopen, dat van des menschen zijde geen raad noch hulp meer gelden kan, maar dat er alom een geweldig doorbreken van de alge-heele verlorenheid plaats heeft, die door niets meer kan tegengehouden worden. Daar is dan de Heere geweldiger, dan het bruisen van groote wateren, en Hij betoont Zich heerlijker, dan alle trotsche golven en baren der zee; Hij laat de wereldgebeurtenissen zóó komen, als zij komen, bestuurt daarnaar de lotgevallen van een iegelijk onzer, en doet dat alles, opdat Zjjne gerechtigheid bekend worde, en Hij Zijnen Zoon openbare, hetzij dan tot een liefelijken reuk des levens, hetzij tot een reuk des doods. En als God dit doel bereikt heeft, dan komt er van het overige der wereldsche voorvallen niets; veeleer gaat het daarmede, zooals geschreven staat: „Ik zal de wijsheid
10
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 1—5.
11
der wijzen doen -vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken? Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt? Want nademaal in de wijsheid Gods de wereld God niet beeft gekend door de wijsheid, zoo heeft het God behaagd, door de dwaasheid der prediking zalig te maken die gelooven.quot; (1 Cor. 1 vs. 19—21.)
Daarom willen wij er ook niet lang bij stilstaan, dat vele geleerden beweren, dat Cyrenius niet toenmaals, maar eerst later over Syrië landvoogd geweest is, maar willen veeleer zeggen, — hoewel wij zouden kunnen bewijzen, dat Cyrenius nochtans toenmaals de buitengewone stadhouder van Syrië voor deze beschrijving ter schatting was —: ons is het zoo goed; de schatting ging niet door, eerst eenige jaren later werd zij doorgezet. Als God maar Zijnen Jozef naar Bethlehem gebracht heeft, dan mag er verder van de schatting komen wat wil. God wilde Zijnen Zoon in Bethlehem doen geboren worden: Hij wilde vervullen, hetgeen Hij door den Profeet Micha voorzegd had. (Micha 5 vs. 1.) God handelde hiermede, gelijk Hij later met Paulus deed. Deze nam eene gansche bende mede naar Damaskus, ook brieven van de Overpriesters, allerlei macht en volmacht, om de heiligen, die in Jesus geloofden, te kwellen, te berooven, te dooden; maar op den weg werd hij door God zelf gegrepen, en toen mochten de brieven van de Overpriesters en de bende blijven, waar zij wilden; God had in Paulus Zijnen Zoon geopenbaard, Jesus Christus; het Licht der wereld was hem verschenen, en de Heere maakte hem blind, om hem daarna oogen te geven, zoo als na hem geen ander ze beter gehad heeft. Als dan nu de schatting eerst geschiedde, toen Cyrenius landvoogd over Syrië was, alzoo eenige jaren later, gelijk sommigen willen, zoo zien wij daaruit, dat ook voor deze schatting gold, wat wij in onzen Catechismus hebben geleerd: „dat zonder den wil van mijnen hemelschen Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook dat mij alle ding tot mijne zaligheid dienen moet.quot;
rYs
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 1—5.
III.
Dit verstaan wij niet altijd, veeleer moeten wij er tot onze leering en onderwijzing goed op letten, wat wij nu verder lezen: En zij gingen allen, om beschreven te worden, een iegelijk naar zijne eigene stad. Als wij hier vooreerst aan de Joden denken, zoo vraag ik: Met welke gezindheden mag wel een iegelijk naar zijne eigene stad zijn gegaan, om ter schatting beschreven te wórden? Mij dunkt, al heeft de een en de ander in zijne stad maagschap .gehad en zich daarin verblijd, van die eens weder te zien, — of ook al heeft deze en gene er wellicht eenig voordeel bij gehad, — in het algemeen zal er wel over het geheele land aan murmureering en geklag geen einde geweest zijn; schier allen mogen tegen God en den keizer gemurmureerd en over de harde verdrukking der Romeinen geklaagd hebben. Voor velen zal het ook lastig en moeilijk genoeg geweest zijn; want als men reizen moet, dan moet men geld uitgeven en kan men niets verdienen, en velen zullen het geld voor eigen nooddruft en voor de behoefte van vrouw en kinderen grootelijks noodig hebben gehad, en of men ook arm, zwak, ziek of hoogst zwanger was, — dat hielp alles niets; wie niet in de stad woonde, vanwaar hij naar zijne familie en zijn geslacht afkomstig was, die moest daar heen. — Maar wat stoort de vader er zich aan, hoewel het hem leed doet, dat het kind moet vasten, als het de maag heeft overladen? Hoe kan de Heere God in den hemel er Zich om bekommeren, of men hier met allerlei ellenden te kampen heeft, wij zijn er bij slot van rekening toch zelf de schuld van, en wij eten van geen anderen boom, dan dien wij zelf hebben geplant. Ook zullen wij menschen naar God niet vragen, als wij niet door allerlei ellende zwaar getuchtigd worden; daarom is het goed voor een mensch, dat hij het juk in zijne jeugd draagt. God ontfermt Zich evenwel onder dat alles over de armen, ellendigen en hard geplaagden. Hij ziet hunnen nood wel, hun toestand doet Hem ook wel
12
LEEKKEDE OVER LUKAS 2 VS. 1—5.
13
leed, maar hierin juist, gelijk in alles, blinkt Gods wijslieid en genade uit Hij laat ons mensehen onzen last dragen, van de eene stad naar de andere trekken; Hij laat ons met allerlei lichaams- en levensnood, ja ook met zielenood overladen , zoodat geen ongeluk alleen komt; ja Hij laat ons als verzinken in allerlei ellende en zonde, zoodat al wat wij beproeven, om er uit te komen, als ijs afbreekt. Nochtans is Hij mede op den weg en bereidt ons een eeuwig heil, eene volkomene uitredding , terwijl wij er even zoo weinig aan denken, als toenmaale degenen, die zich moesten laten schatten en daarom elk naar zijne eigene stad moest gaan, er aan gedacht zullen hebben, # dat juist deze zware tijd de tijd was van de vervulling der belofte: „Vrees niet, maar verheug u zeer, gij dochter Zions, ziet, uw Koning komt.quot; Maar zonder uitwendigen nood en verdrukking, van welken aard dan ook, zal niemand naar eeuwige verlossing vragen; voor niemand kan de ingang in den hemel welkom zijn, die in de wereld geen angst heeft, en niemand zal Gods heilig Kind Jesus in de kribbe als zijnen Heere en God aanbidden, die niet in den afgrond zijner zonden en verlorenheid heeft gelegen. Daarom zal God toch ten laatste er alle eer van hebben, dat de een zondigt en den ander doet zondigen, dat de een den ander kwelt, plaagt, hard behandelt en verdrukt; dat ieder in de wereld er op uit moet, om te zien, waar hij brood vindt, om het leven te houden; dat allerlei omstandigheden van lijden, van nood en dood, van zwaar en bitter kruis plaats hebben; — dat ieder in duizenderlei gevallen handelen moet, zonder te weten wat het geven zal; dat voor en na de omstandigheden zoodanig geleid worden, dat een menschenkind eens recht ondervindt, welk een armzalig zondaar hij is, en hoe dat alle menschelijke pogingen, gedachten, overleggingen en uitzichten van geene beteekenis zijn. Ieder gaat daar heen, waar hij meent te moeten zijn; en waar menigeen denkt, dat hij alleen gaat, daar gaat God hem reeds voor en heeft iets voor hem bereid, wat hij niet verwacht had; opdat hij zoude vinden, waaraan hij niet eens
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 1—5.
gedacht had, namelijk de zaligheid zijner ziel. De mensch zoekt zjjnen weg, jammert, mort en klaagt, dat hij gaan en zoeken moet, en God de Heere laat hem zijnen penning vinden, waarmede hij door de deur des hemels komt, en een loon ontvangt, alsof hij den ganschen dag daarvoor gearbeid had.
Zoo ging het dan ook te dien tijde. Ieder ging, om beschreven te worden, een iegelijk naar zijne eigene stad, en op dezen weg werd menigeen door het gevoel van ellende zoodanig toebereid, dat God Zijnen lust aan hem kon hebben en hem eenen Heiland liet geboren worden, om Wiens wille, terwijl de landvoogd hem in het schattingsboek opteekende. God hem inschreef in het boek des levens, opdat hij in zijne stad mocht ingaan, die God voor hem had gebouwd hier boven in de hemelen. Want juist daardoor, dat een ieder zoo heen en weer geworpen en door allerlei inzettingen en geboden van menschen gedrukt werd, bereikt God Zijn doel: dat er erkentenis van zonde en ellende kwam, en er alzoo Zijnen Zoon, dien Hij liet geboren worden, een volk werd toebereid, bereidwillig en geschikt, om Hem aan te nemen als Dengenen, waarvoor de Vader Hem had gezonden.
Daarom moet het ons niet bevreemden, als wij heen en weer geworpen worden door allerlei lijden en verdrukking, •£ als ons alles uit de handen wordt geslagen, — en moeten met als de hond op den steen bijten, maar op Hem zien, die waarlijk mede gaat op zoodanigen weg, die voor ons slechts een weg van klagen en morren is, of een weg van omkomen schijnt te zijn; want daar is nooit geheele ondergang, waar een ten-onder-gaan plaats vindt, — wij moeten alleenlijk niet zoo stekeblind daar henen wandelen, gelijk de menschen te dien tijde, daar immers voor ons zulk een groot licht is opgegaan, en wij nu kunnen weten, waarom wij zoo heen en weer geworpen, en ook onze zaken zoo gedurig door elkander geworpen worden. De God en Vader aller barmhartigheid ziet het wel, hoe wij daar met pak en zak heen gaan, bezwaard zijnde met allerlei lasten. Hij heeft echter voor ons Zijnen
14
LEEKREDE OVER LUKAS 2 VS. 1—5.
lieven Zoon laten geboren worden, en wil Hem ook nu nog in ons openbaren, want Hij is nog niet te veel in ons geopenbaard. Daarom moeten wij maar getroost onzen weg gaan, ons, zooveel als mogelijk is, schikkende en voegende in de ellende, ons met de zwakheid tevreden stellende, en slechts op dat ééne uit zijnde; dat wij den waren Christus mogen gevonden hebben, die geheel verborgen tot Zijne stad is gekomen en daardoor is ingekomen in onze ellende, opdat wij na doorgestaan lijden in Zijne heerlijkheid ingaan, zooals wij zulks verder uit onzen tekst zullen vernemen.
IV.
En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth; onder deze woorden verbergt nu de Heilige Geest den intocht, dien onze hooggeprezen Heiland in onze ellende genomen heeft. Hij lag verborgen onder het moederhart. Het gebod van schatting is daar, en Hij gehoorzaamt in Zijne ouders; den broederen in alles gelijk zijnde, trekt Hij naar Zijne stad, gelijk alle anderen tot hunne stad trokken. Maar hoe had dit plaats? Welk eene mengeling van ellende om onzentwil en van heerlijkheid. Hier is meer dan alle keizers en koningen, dan de geheele wereld en alle machten des hemels te zamen; en er wordt hier in het Evangelie van Hem niet eens melding gemaakt; maar de ellende, die Hij voor ons ingaat, straalt hier aanvankelijk van Zijnen vader af; Jozef ging ook op, staat er; dat luidt evenals in de geschiedenis van Kaïn en Abel, alwaar geschreven staat: En Abel d. i. „de Onnutquot;, offerde ook. Alzoo Jozef gaat ook op. Menigeen zal wel de schouders opgehaald en gedacht hebben: Wat moet die? Wil die ook opgaan? Nu, die zal wel niet veel hebben om aan te geven! Maar dezen „ookquot; had de Heere verkoren tot bescherming van Zijn Kind en deszelfs moeder; deze „ookquot; had iets gedaan, wat nauwelijks een ander zoude gedaan hebben. Hij had zich eene maagd tot bruid ver-
15
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 1—5.
koren, die van zonde en genade en van gerechtigheid zoodanig getuigde, dat alle degenen, die vroom wilden zijn, haar in het slijk traden, in hunnen hoogmoed en trotsehheid op haar neerzagen , en dat alle geweldigers in het Rijk Q-ods haar wel in de hel zouden geworpen hebben, zoo zij het maar hadden vermocht. Jozef was het woord van den engel gehoorzaam geweest, dat hij zijne bruid niet verlaten moest, en zoo ging hij dan door goed en kwaad gerucht, met zijne bruid onder dezelfde verdenking liggende.
Er ligt iets treffends in den naam „Jozefquot;, welken zijn vader hem gaf, die beteekent: „Nog één!quot; maar van dezen Eénen, op Wien de vader van Jozef hoopte, opdat het geslacht Davids niet zou ten onder gaan, werd Jozef de pleegvader. Alzoo ook Jozef ging op, — als het ware als een, die van de overige menschelijke maatschappij is buitengesloten, zooals dan ook al wat in waarheid Christus in de kribbe aanbidt als zijnen Heere en God, door de menschelijke maatschappij als een vreemd wezen, als een „ookquot; wordt aangezien en van alles moet uitgesloten zijn. Trouwens, deze Jozef, die deed, wat in de oogen Gods goed was, kon in de oogen der menschen niet veel goeds zijn, noch ook veel goeds doen, en heeft een ongewijd en onheilig mensch moeten wezen, die geen fijne, maar onbeschaafde taal sprak, die daarenboven uit Nazareth was, eene stad van ruwe zeden en in een kwaad gerucht staande. In zulk een gebied en in zulk eene stad wilde God Zijn Woord door de maagd, uit den Heiligen Geest ontvangen, laten geboren worden, en dat ter onzer leering, onderwijzing en vertroosting, dat Hij juist Zijnen Christus door Heiligen Geest in ons wil leggen, wanneer het er het ellendigst bij ons uitziet, opdat wij toch allen moed zouden grijpen , om tot het harte Gods te gaan te midden van onze ellende en niet in het minste twijfelen aan Zijne genade en barmhartigheid over ons in Christus Jesus. En op de geweldige prediking, dat God Zijn heilig Kind niet in Jerusalem, maar in een onheilig land, van grove spraak, en in eene stad, waaruit niets goeds kon voortkomen, van den
16
leerrede over luk as 2 vs. 1—5. 17
Heiligen Geest heeft laten ontvangen, zal ieder „Amenquot; zeggen, die het voor God en menschen wil weten: ^Van mijne geboorte ben ik een Galileër en een verdorven Nazarener.quot; Voorzeker, God wil niet eeren, die zich zei ven eer en, maar het verachte en wat vol smaad ter neder ligt, — daaruit weet God Zich een sieraad en eenen lof te bereiden, dat het alleen de zaligheid Gods prijst en roemt.
Hij moet echter naar het Joodsche land, deze Jozef, die uit Galilea komt; want zal het Joodsche land weder een „Joodschquot; land, d. i. een land van lofzegging Gods worden, zoo belijde het, dat het een Galilea der Heidenen. een land van duisternis en schaduw des doods is. Hij moet naar de stad Davids, die Jozef, die van Nazareth komt; want waar men niets goeds meer doen kan, daar komt men tot de belofte, — waar het bij den mensch uit is, daar komt men eerst recht tot het geloof, — en wien zijne zonde een gruwel is, die vindt weldra en komt tot de woning, waarvan het opschrift en de naam is: „Stad en woning van den geliefden Godsquot;, klein broodhuis, waar men om niet gespijzigd wordt met hemelbrood.
Jozef moest naar de stad van David; want gelijk David schier in alle opzichten een voorbeeld van Christus is geweest, zoo moest ook zijne stad de geboorteplaats Christi en een voorbeeld van Zijne Gemeente zijn; want het kleinste, het geringste, dat, wat het minste te beteekenen heeft onder de duizenden in Juda, zoodat het nauwelijks geteld wordt, dat is het juist, waaruit de Heerscher in Israël voortkomt (Micha 5 vs. 1); dat is het, waar Christus Zich wil openbaren in Zijne geringheid en armoede, opdat al wat klein is met Hem prijke in de grootheid Zijner heerlijkheid en Zijns rijkdoms. Daarom worde niemand moedeloos, die klein, zeer klein is; want is hij waarlijk klein voor God, zoo zal de Heere wel Zijn Woord bij hem waar maken: „Gij zjjt geenszins de kleinste!quot;
De Heilige Geest geeft u echter de volgende reden op, waarom Jozef zich naar Bethlehem begaf: Omdat hij uit het huis en geslacht van David was. Wij lezen hier
2
18 LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 1 — 5.
niet: omdat de Christus aldaar moest geboren worden, volgens de voorzegging van Micha. Zulks verbergt de Heilige Geest onder deze eenvoudige woorden en geeft Jozef de eer, omdat hij de bruidegom van Maria en de beschermer en pleegvader van het lieve Kind Jesus geweest is, zoodat wij weten, dat wij toch geen in Gods oogen geringen mensch voor ons hebben, maar eenen prins uit koninklijken bloede. quot;Want hieruit leeren wij, dat ofschoon het naar het uitwendige bij degenen, die den Heere Christus toebehooren, niet zoo vorstelijk en heerlijk uitziet, maar zij veeleer uit het Galileesche land komen, God nochtans hunne eer wel weet te handhaven, waar zij den smaad van Christus verkozen hebben, dat zij Zijne prinsen en vorsten zijn, uit goddelijken bloede.
y.
Want zekerlijk Jozef droeg den smaad van Christus; er staat toch verder geschreven: Om beschreven te worden met Maria, zijne ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was. Als een mensch uit eigene beweging dit had geschreven, dan zou hij er voorzichtigheidshalve hebben bijgevoegd; „van den Heiligen Geest,quot; of „uit geloove, door hetwelk de Heilige Geest haar het eeuwige quot;Woord liet ontvangen,quot; of „zij was bevrucht, want de Heilige Geest was op haar nedergekomen.quot; Maar de Heilige Geest geeft geen enkel woord te veel of te weinig. Jozef had de eer, als man van zijne vrouw, — want dat was Maria naar Joodsch gebruik, volgens hetwelk do bruid de vrouw van don bruidegom heet, — om met zijne vrouw de smaadheid van Christus te dragen. Want gelijk het eene verborgenheid is, dat God is geopenbaard in vleesch, zoo kan Hij ook slechts naar Geest gerechtvaardigd worden. Maar naar het uitwendige beschouwt vleesch al, wat van God en van Christus is, slechts als verfoeilijk. Zooals het er dan naar het uitwendige uitzag, alzoo wordt het hier beschreven, zoodat het allen schijn van
LEERÜEDE OVER I.UKAS 2 VS. 1—5.
verfoeilijkheid heeft; want eene ondertrouwde vrouw, die zwanger is, is een openbaar gruwel, dewijl zij de heilige huwelijksgemeenschap veracht en ook de trouw en alzoo den echt gebroken heeft, of den zegen, dien God geven wilde, vooruit genoten heeft, en is zonder woord en zegen Gods bevrucht. — Zulk eene smaadheid en verachting heeft God Zijnen Jozef en Maria en Zijn heilig Kind Jesus laten dragen, dat Hij in verdenking is gekomen bij de Joden, als ware Hij uit hoererij geboren, en dat er nu nog honderden zijn, die Christenen willen heeten, en die zich niet schamen om ook zulk eene godslastering te plegen. Maar Jozef en Maria zijn wel door God geëerd geworden, al hebben zij zoodanigen smaad moeten lijden, en het heeft den Heere behaagd, om onder zulke omstandigheden van verdenking geboren to worden, omdat er geen andere weg is, waarin Hij met Zijne zaligheid tot ons komt, dan juist die weg, waarin de mensch op het diepst vernederd en God op het hoogst verhoogd wordt; waarin des menschen ongerechtigheid jegens God het scherpst uitkomt, en Gods gerechtigheid op het heerlijkst uitblinkt, terwijl Hij naar Zijne eeuwige barmhartigheid in Christus Jesus de ongerechtigheid wegneemt in een weg, waar het door het vleesch heengaat en waarin aan de eeuwige gerechtigheid in elk opzicht voldoening geschiedt.
Let nu ook nog op dit ééne, dat de Heilige Geest door Lukas niet laat schrijven: „Jozef ging met Maria naar Bethlehem, opdat Christus aldaar zoude geboren worden,quot; maar: Om beschreven te worden, d. i.: „Opdat hij zich liet schatten met Mariaquot;; want daaruit zien wij, dat God niet alleen wil, dat wij de over ons gestelde machten en ordeningen, ook zelfs wanneer zij drukkend zijn, in eere houden, dat wij hen moeten vreezen en gehoorzamen, maar dat Hij zelf in Zijnen Zoon de minste is en Zich aan zulk eene macht en ordinantie onderwerpt, en daar doet Hij, wat Hij te doen heeft, tot eeuwige heerlijkheid en zaligheid Zijner Gemeente.
19
leerrede over lukas 2 v8. 1 — 5.
Mijne Geliefden! Laat ons alles kort te zamen vatten: Wij hebben in de geschiedenis der geboorte van onzen dierbaren Heiland Jesns Christus, zooals die ons door den Evangelist Lukas werd beschreven, allerlei rijke leering en vertroosting, opdat een ieder van ons, wien het er om gaat, wete en ter harte neme, hoe de God en Vader onzes Heeren Jesus Christus op het heerlijkst in de geboorte van Christus heeft bewezen, dat Hij met Zijne voorzienigheid en genade aan het roer zit, den armen en ellendigen ten goede, die alleen de Vertroosting Israëls als hunne vertroosting willen kennen. Zonden-tijd is genade-tijd. \'s Werelds gebod wordt levensgebod. Waar het verderf het ergst is, daar is de verlossing het meest nabij. God laat alles komen, gelijk Hij wil, Zijnen ellendigen ten goede. De mensch gaat zijnen weg, en God weet hem in Zijne genade wel te vinden. — Gods „ookquot; doet het. De smaad van God en van Christus is de aanbrenger van eeuwige eer; waar de wereld voor gruwt, juist daarin zal zij Gods wijsheid en genade, ook hare eigene schande, moeten erkennen, of zij zal ondergaan.
Welzalig hij, die van den huize en geslachte Davids is! Hij zal toch eindelijk tot Gods heerlijkheid geraken in den beloofden Erfgenaam der kroon. En welzalig hij, die belijdt: Jesus Christus is in vleesch gekomen; want die is uit God geboren! Amen.
Nazang: Lied 18 vs. 2.
Wij danken U, o Majesteit,
Die naar Uw wil en wenken Bestuurt, \'t geen Gij van eeuwigheid Besloot aan ons te schenken.
Gansch onbegrensd is Uwe macht, \'t Gaat alles naar \'t Uw raad bedacht: Wél ons bij zulk een Koning!
20
II.
LEER -REDE
OVER
L U K A S 2 vs 6, 7.
Voorzang: Psalm 8 vs. 4—6.
Mijn God, wat is de mensch dan op deez\' aardel De brooze mensch! hoe klimt hij tot die waarde,
Dat Gij aan hem in zooveel gunst gedenkt, En \'s meuschen zoon Uw teerste liefde schenkt?
Gij deedt hem wel, een weinig tijds, beneden Het englenheir een rang en plaats bekleeden;
Maar hebt hem ook Uw rijkste gunst betoond,
En hem met eer en heerlijkheid gekroond.
Gij geeft hem, wijd en zijd in alle landen,
De heerschappij der werken Uwer handen.
Ja zet en aard en zee voor \'s menschen zoon,
Door Uw gezag, ter voetbank van zijn troon.
Tekst: Lükas 2 vs. 6, 7.
,,En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude. En zij baarde haren eerstgeborenen Zoon,
Gehouden 25 December 1847, des avonds.
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 6 , 7.
eu woud Hem in doeken, eu leide Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geene plaats was in de herberg.quot;
I.
Mijne Geliefden! Uwe aandacht merke op nieuw de verhevene eenvoudigheid van het geschiedverhaal op, eene een-voiuligheid, die ons de waarheid der geschiedenis waarborgt. En het geschiedde, als zij daar waren, zoo lezen wij; het is alsof tijd en toeval het zoo medegebracht hadden, dat onze Heere in Bethlehem geboren werd. Zoo scheen dan de waarheid der vervulling der profetie uit den mond Grods, die wij niet alleen bij den Profeet Micha lezen: „En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, die een Heerscher zal zijn in Israël, en quot;Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheidquot; (Micha 5 vs. 1), — maar die wij ook uit den mond van David vernemen in Psalm 132: „Zoo ik mijnen oogen slaap geve, mijnen oogleden sluimering; totdat ik voor den Heere eene plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs! Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efrathaquot;, — de vervulling dezer profetieën scheen van een bloot toeval afhankelijk gemaakt te zijn. Dat was van den beginne af aan Gods wijze van doen. Toen Hij den hemel en de aarde maakte, schiep Hij ons menschen niet het eerst; Hij stelde ons ook niet naast Zich, dat wij zien zouden, hoe Hij alles zoo wonderbaar wist daar te stellen; maar Hij schiep eerst den hemel en de aarde, en daarna ons. Zoo heeft Hij voor ons alles te voren bereid, opdat wij het genot zouden hebben van Zijne wonderheerlijke schepping. Wij menschen willen van onze werken alleen om die reden eer hebben, omdat wij voor ons eer zoeken; maar God wil alleen om d i e reden, dat wij Hem eer en roem toebrengen, omdat Hij ons welzijn bedoelt. Wat God doet, dat houdt Hij verborgen, aan onze zaligheid zullen wij Zijne wonderen ervaren. Zoo heeft Hij het ook bij deze nieuwe schepping gemaakt, waarbij het heette; „Ziet,
22
LEERKEDE OVER LUK AS 2 VS. 6, 7.
Ik maak alle dingen nieuw!quot;, waar Hij Zich eenen nieuwen mensch, eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde schiep in Christus Jesus, Zijnen lieven Zoon. Ja, toen ging het nog geheel anders, toen heeft Hij nog veel meer de heerlijkheid Zijner groote goedertierenheid voor de oogen der menschenkinderen verborgen. Hij maakte het zoo weinig voor geheel de wereld openbaar, wat Hij deed, dat de meeste Joden later er het rechte nog niet van wisten, veeleer meenden, wat gewichtigs to zeggen , als zij tot elkander zeiden; „Zoek in de Schrift en zie, of er ooit een Profeet uit Galilca voortkomen zal; zegt niet de Schrift, dat de Christus uit Bethlehem moet voortkomen, uit de plaats, waar David was?quot; en zij werden oneens onder elkander. Daarom, als wij hier lezen: „En toen zij aldaar warenquot;, moeten wij daaruit leeren, dat al wat God doet louter zaak des geloofs is en niet van uiterlijk aanschouwen. God had de zaak wel kunnen omkeeren, en in plaats dat er een gebod van keizer Augustus uitging en Maria de moeilijke reis naar Bethlehem maakte, een gebod van den hoogen hemel laten vernemen, dat men Maria op de handen of op een koninklijk rustbed had moeten dragen, en men het aanzienlijkst huis in Bethlehem voor hare bevalling moest gereed houden. Maar neen, waar God zou geopenbaard zijn in vleesch (1 Tim. 8 vs. 16.), daar heeft Hij zóó in het vleesch willen openbaar worden, dat er voor de oogen des vleesches niets bijzonders aan te zien was. Zulks heeft God ons armen en ellendigen menschen ter vertroosting willen doen. Daarom heeft Hij Zijne eeuwige waarheid, naar welke Hij in het midden der kleinen en geringen, dergenen, die volstrekt geene beteekenis in de wereld hebben. Zijne woning heeft willen nemen, schijnbaar van die toevalligheid afhankelijk gemaakt, dat Jozef en Maria ten gevolge van een keizerlijk gebod juist toen in Bethlehem zijn geweest, als het hoog tijd was, dat zij aldaar waren.
Zoo heeft dan God het gansche lot van Zijn lief en heiiig Kind Jesus als het ware van een toeval laten afhangen, opdat Zijne gansche Gemeente tot haren eeuwigen troost het zal weten
23
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 6, 7.
24
en leeren, dat Grods heerlijkheid door alles heen moet, en dat het Koninkrijk der genade nooit en nimmer met uiterlijk gelaat komt. Onze dierbare Heiland heeft onzen hoogmoed, dat wij meenen, er moest iets bijzonders gebeuren, als Grods Woord en belofte bij ons zal waar zijn, reeds daarin willen boeten, dat Hij als bij toeval naar Bethlehem kwam, om aldaar geboren te worden. Het is genoeg schande voor ons, dat wij als het ware door tijd en toeval moeten gedreven worden, om daarheen te komen, waar wij heen moeten, — wij, die toch de heerschappij over alle dingen hebben gehad en in zulke heerschappij van tijd en toeval onafhankelijk zijn geweest, maar wij hebben die prijs gegeven door moedwillige ongehoorzaamheid. Nu moet het den weg der ellende gaan en alles door het vleesch henen geschieden, en wij moeten het afwachten, dat God het doe komen, wat wij gelooven. Daar heeft echter onze dierbare Heiland ook reeds in Zijner moeder schoot zulk eenen weg der ellende willen gaan, dat Hij het ook heeft moeten afwachten, dat Hij door een keizerlijk gebod, hetwelk allen gold, naar Bethlehem is gekomen. Want daardoor, dat Hij zulken weg van ellende heeft willen gaan, komt het, dat wij niet alleen niet verdoemd worden, omdat wij onze macht over tijd en omstandigheden hebben prijsgegeven, maar dat veeleer tijd en toeval daartoe dienen, dat een iegelijk, die in Jesus Christus gelooft, ervaren hebbe, hoe dat tijd en toeval, hoe dat alle ellende daartoe heeft moeten medewerken, dat hij zou uit God geboren zijn, en hij door geloovige aanneming van Christus macht ontvangen hebben, een kind Gods genoemd te worden. — En dit niet alleen, maar de hulpeloosheid Christi, dat Zijne geboorte in Bethlehem afhankelijk werd gemaakt van eene schijnbare toevalligheid , trotseert de ellende en de hulpeloosheid, waarin Zijne Gemeente voor en na verkeert, en handhaaft hare macht, om door alle hulpeloosheid door te breken op grond van Gods beloften , die allen Ja en Amen zijn geworden in Christus Jesus-Daarom ontzinke niemand de moed, bij wien het den schijn heeft, als of hij door louter toeval gedreven werd, zoodat hij
LEERREDE OVER LUKA.S 2 VS. 6, 7.
naar het uitwendige niets dan nood, armoede, ellende, zonde, dood en smart voor zich heeft, en hem in de ziel wordt toegefluisterd; Wat? gij zoudt uit God zijn? en dit zou de weg, dit de plaats zijn naar Gods Woord? Hij zie op Christus Zijnen Heere, hoe Die juist denzelfden weg heeft gemaakt; hij leere van Hem, hoe alles door het vleesch heen moet, hoe Gods heerlijkheid niets uitwendigs en zichtbaars heeft, en hij blijve maar aan Gods Woord hangen, dan zal hij wel spoedig ontwaren, dat zijn schijnbaar voor God onbekende toestand in wonderbare overeenstemming is met Gods wegen en beloftenissen.
H.
Voorzeker, de toestand, waarin een kind Gods zich bevindt, kan er menigmaal droevig genoeg uitzien, zoodat alles als het ware het onderstboven wordt gekeerd. Dat zien wij wel uit dien toestand, waarin de lieve moeder onzes Heeren verkeerde. Want er staat; Als zij nu in Bethlehem waren, werden de dagen vervuld, dat zij baren zoude. Van achteren verblijden wij ons daarover, dat toen de tijd gekomen was, dat Maria baren zoude; want nu zeggen wij: dat moest alzoo komen, anders waren Maria en wij allen verloren. Alsnu kunnen wij zien, dat zulks alles zoo naar Gods eeuwigen Raad is gekomen , opdat wij zouden verlost zijn, en wij bevinden het geheel overeenkomstig Gods openbaring, dat het alzóó geschied is. Want dit besluit kunnen wij bij ons zei ven maken, dat, als Maria niet in Bethlehem gebaard had, er ook van Gods beloftenis niets zou gekomen zijn. Wanneer men echter in een toestand is, waar alles onderstboven schijnt te gaan, dan kunnen wij dat üiet inzien, wat wij wel inzien moesten, maar denken terstond aan omkomen. Dan zeggen wij niet zoo blijmoedig; „Alzoo moet het komenal zien wij met heldere oogen, dat het alzoo komen moet, wij zijn veeleer terneergeslagen en bedroefd, en denken; Ach God, er komen toeh alle onweders over mij henen! Daarbij komt dan het ongeloovig hart en de duivel, en het heet; Ja, nu ziet gij, dat gij verleid zijt, dat gij u bedrogen
25
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 6, 7.
en u wat diets gemaakt hebt; want zijn dat nu Gods beloftenissen? Neen, verbeeld u toch niet langer zoo iets, — er is van de geheele zaak niets aan, gij zijt een Saul en een Judas, in plaats van een David of een Johannes, — gij zijt eene Delila in plaats van eene Maria, — gij hebt u vrij wat te goed gedaan op ingebeelde hulp! De vloek vervolgt u immers! Kruis op kruis, dat is al wat gij hebt aan te wijzen! Noch God, noch menschen willen iets van u weten, maar nu zijt gij verlaten, tot schande geworden, en eindelijk komt gij nog om, in plaats van dat het waarheid zijn zou, dat de belofte en de heerlijkheid voor u waren.
Mijne Geliefden! Zoo schrijft de Apostel Paulus: „Allekastijding , als die tegenwoordig is, schijnt geene zaak van vreugde maar van droefheid te zijnquot; (Hebr. 12 vs. 11); want waarlijk wij kunnen daarin den weg ter vervulling der belofte niet zien, veel minder nog de belofte zelve. Daarom moeten wij deze woorden wel tor harte nemen, opdat wij daaruit eene versterking onzes harten verkrijgen, als wij lezen: „De dagen werden vervuld, dat zij baren zoudequot;; want het was waarlijk geene geringe droefenis en een zeer zware weg voor Maria, dat zij in zulk eenen hulpeloozen toestand verplaatst werd, om verre van hare woning, verre van elke vriendin en van bekenden, in eene vreemde stad te moeten baren. Ach, zij had aireede zoo veel moeten doormaken, zoo veel miskenning om haars geloofs wil; hoogzwanger zijnde had zij den langen zwaren weg moeten gaan over zoo vele bergen, en nu nog baren, gansch alleen zijnde en verlaten in eene vreemde stad! Hoe kon God toch zulks alles toelaten? Ja, lieve aangevochtene ziel, Gcd laat het niet toe, maar God laat het juist alzóó komen, dat gij van de ééne ellende in de andere komt en van den éénen nood in den anderen, en het ééne kruis op het andere volgt. Nochtans zult gij niet denken: God is niet mede daarin met Zijne belofte en met Zijn Kind Christus; want als Maria in zulken nood is gekomen, en evenwel uit zulken nood de Christus is voortgekomen, waarom zou het ons dan beter, en waarom niet
26
LEERREDS OVER LUKAS 2 VS. 6, 7.
ook alzoo gaan ? Ook in het ergste geval gaat het ons toch steeds zóó, dat wij Gode niets hebben voor te werpen, — wij hebben toch dubbel de hel en de eeuwige rampzaligheid verdiend. Wij moeten alleenlijk niet versagen , niet den duivel gelooven, dat God op ons vergramd is en nu ons vanwege onze oude zonden bezoekt, en ons verwerpt, omdat Hij ons niet wil. Want dat heeft Christus ons ten goede gedaan, dat Hij Zijne moeder heeft gedrongen, in zulk oenen nood te komen; Hij wilde juist in zulken nood uit de moeder voortkomen, opdat wij daaraan een onderpand hebben zouden, dat, waarbij ons nood aanwezig is. Hij met Zijne beloften Zich daarin bevindt; dat Hij ook zulken nood wel kent, dat Hij echter allen toorn en grimmigheid vanwege onze zonden op Zich heeft geladen, ook onzen nood op Zich heeft geladen, en dat Hij als onze dierbare Koning en trouwe Heiland ter onzer rechterhand staat, en wij waarlijk met Hem in de stad Zijner belofte zijn, al zouden wij niets voor oogen hebben dan juist het tegenovergestelde der belofte, niets dan nood en ondergang.
m.
Alhoewel enkel nood, kruis en droefenis, niets dan ellende voor oogen was, zoo is het wel openbaar geworden, dat juist in zulken nood God geweest is en met Hem enkel zaligheid; en daar is dan ook de grond gelegd, weshalve het voor alle ellendigen, die tot God, den God van hunne zaligheid, om erbarming roepen , — weshalve het voor alle kinderen Gods, voor alle Zijne Heiligen, waarheid zal worden, dat zij, — zij moeten slechts aanhouden , — midden in hunnen nood, jammer en ellende God en enkel zaligheid zullen vinden. Want uit zulken nood en zulke ellende is wel heerlijk de belofte te voorschijn gekomen: „Gij zult eenen Zoon baren, diens Naam zult gij Jesus heeten!quot; Daarom lezen wij verder: En zij baarde haren eerstgeborenen Zoon. Hier vouwen wij in den geest de handen samen, vallen neder in het stof en aanbidden. Zoo beeft dan nu de uitverkorene maagd, van welke Jesaja, de Profeet,
27
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 6, 7.
eeuwen te voren heeft geprofeteerd, zij, de eenige kroonerfge-name uit het huis van David, haren Eerstgeborene; zoo was dan nu de schepter niet van Juda geweken, de Schilo was gekomen, de gouden roos, de vorige heerschappij der dochter Zions, zij was er weer. (Gen. 49 vs. 10; Micha 4 vs. 8). Hij, de ware David, de Koning om te regeeren over het huis van Jakob, Hij lag aan de borst der gelukkigste, alhoewel armste aller moeders. O, Mijne Geliefden! welk eene heerlijkheid in weinige woorden! Haren Eerstgeborene heeft Maria; zoo moet dan ook Hij alleen het rijk quot;hebben, het rjjk Zjjns vaders David, het rijk als de ware Salomo, de ware Vredevorst, het rijk over Israël en Juda, het rijk over alle volken, het rijk over hemel en aarde, en Hij moet bezitten de poorten Zijner vijanden, de sleutels der hel en des doods.
O alle gij moeders, die God vreest, laaft u aan deze woorden: „En zij baarde haren eerstgeborenen Zoon.quot; Wel staat er geschreven: Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren en groot brengen, — maar hoe zoude het er uitzien, als er geene hope was voor uw zaad, hoop in Christus Jesus, en gij niet in deze hoop uw zaad in vurige gebeden voor den Heere zoudt kunnen brengen en met het verbondszegel Zijner genade naar Zijn genadig Rijksbevel laten verzegelen? Maar nu hebt gij voor uwen eigen lichaams- en zielennood, wanneer de angst des barens u overvalt, eenen Heere, tot Wien gij kunt opschreeuwen in zulken nood des vloeks, — maar nu hebt gij eenen Heere, quot;Wien gij loven kunt, wanneer een mensch ter wereld geboren is, — maar nu hebt gij u niet met de verschrikkelijke gewisheid te pijnigen: Ik draag een kind onder mijn hart voor de hel! ach ik heb eenen mensch ter wereld gebracht voor de eeuwige verdoemenis! Neen, nu kunt gij vernemen, gij, die zelf wenschtet gered te zijn en ook uw zaad wenschtet gered te zien: „Ik wil uw God zijn en uws zaads God!quot; nu kunt gij het vernemen: „De vrouw zal zalig worden in kinderen te barenquot; en gij moogt aanhouden bij den Heere om genade,
28
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 6, 7.
zoo voor u zelve, zoo voor het meest verloren kind. Zulks heeft u de Eerstgeborene uit Maria verworven; Hij heeft de heerschappij, en — houdt aan in het gebed! — wanneer Hij het niet wil, dan zal de hel u geen kind ontrukken!
O alle gij vaders, die Gods heilig Kind Jesus als uwen Verlosser wilt eeren, laat toch het eigenzinnig straffen en tuchtigen uwer kinderen, waarmede gij uwe zonen en dochteren moedeloos maakt, en gaat hun voor met een zacht en stil voorbeeld. Strijdt voor uwe zonen en dochteren, voor de vrucht uwer kracht en macht in vurige gebeden, opdat die eeuwig behouden worde, wetende, waartoe de Eerstgeborene van God en Maria kwam.
En o alle gij kinderen, die hier zijt, zoekt het ware Christus-kindeken , opdat, wanneer gij sterft, gij van Hem de kerstgave der behoudenis uwer jeugdige zielen moogt ontvangen hebben.
Wie heeft zonde? Wie heeft nood? Wie moet voor en na een kruisdrager zijn? Wie gaat gebukt onder den last van zijn verderf, van de ellende, en meent dat alle vloeden des toorns over hem henengaan? — hij gnjpe moed tot den Heere; nochtans zal de belofte niet uitblijven voor de armen en ellendigen, die tot God roepen\'; want geboren is Hij, de Eerstgeborene van Maria. Hij kan de weeklage wel veranderen in eenen rei, want Hij heeft de heerschappij; Hij weet raad, al zijt gij ten einde raad. Zijn Naam is „Wonderljjkquot;, daarom redt Hij de ellendigen gansch wonderlijk, zoodat het wonderbaarlijk toegaat. Hij is gekomen, gij benauwd Zion, uw God en Koning; Hjj is met u door alle onmogelijkheid doorgebroken. Hij heeft de tijden in Zijne hand, de omstandigheden, de middelen. Hebt in Hem vrede, die de Vorst des vredes is! Hij heeft met Zijne komst den vrede aangebracht, vrede bij God, eeuwigen vrede; alle toorn is uitgebluscht! laat u niet door het uitwendige, het zichtbare verleiden!
29
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 6, 7.
IV.
Wel is waar, het uitwendige, het zichtbare kon iemand wel doen weifelen en verleiden. Maria, de gezegende onder de vrouwen, zag ook niets dan het verschrikkelijk omhulsel des kruises en der armoede; want alzoo lezen wij: En zij wond Hem in doeken en leidde Hem in eene kribbe. Zoo heeft dan Maria niets gehad van hetgeen anders de moeders nog hebben, geene vroedvrouw, geene baker, geene luiermand met kindergoed, zij was alleenlijk naar zich zelve verwezen, moest zich zelve helpen, het kindeken ook nog helpen; niemand onder de vrouwen bracht haar iets; in arme doeken lag de Erfgenaam van hemel en aarde; in eene kribbe, waaruit hot vee at, moest de moeder Hem neerleggen, Wiens Naam is: Immanuël — God met ons!
O wonderbare tegenspraak! Een Koning ligt in de kribbe! Zions Koning — rechtvaardig en een Heiland is Zijn Naam — en nochtans zoo arm! Hoe kan iemand rechtvaardig zijn en toch arm ? zoo vraagt het vleesch; en hoe kan iemand arm zijn en toch een Heiland ? zoo vraagt het vleesch andermaal. „Maar gij weet de genade onzes Heeren Jesus Christus, dat Hij om onzentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijne armoede zoudt rijk worden.quot; (2 Cor. 8 vs. 9.)
Daar hebt gij nu uwen troost, gij, bij wie het zichtbare, het tegenstrijdige, al wat gij van Gods waarheid gaarne zoudt willen gelooven, wil logenstraffen. Zijt arm aan Geest, aan geld, aan goed, aan gezondheid, aan vreugde, aan genade, aan geloof en daarentegen bedekt met zonde, met armoede, ongewisheid en versaagdheid, dat gij eiken dag uwen nood hebt en uwe kwelling eiken nacht, — ook menigmaal asch voor brood en tranen voor spijs, — aanziet uwen Koning en Heiland in doeken! uwen Redder en Doorbreker in eene kribbe! en zijt niet langer ongeloovig, maar geloovig; want waar Hij komt, daar wordt men gewisselijk uit de benauwdheid in wijde ruimte gezet.
30
LEERREDE OVER LUK AS 2 VS. 6, 7.
V.
Ja, waar Hij komt, wórdt men in wijde ruimte gezet! Niet te vergeefs heeft Hij geene plaats gevonden in de herberg, zoo als wij lezen; Omdat voor henlieden geene plaats was in de herberg. Hij heeft Zijne genade willen handhaven van de kribbe tot op dezen dag; daarom hebben wij Hem ook niets mogen toebrengen. In alle dingen zoude het Zijne genade alleen zijn; daarom heeft Zijne moeder zich beholpen met hetgeen zij had en wat zij vond. Zijn Naam is „Jesusquot;, die beduidt: Hij maakt ruimte. Nauw ingesloten was Hij in de kribbe; daarom zult gij niet langer angst en benauwdheid hebben, gij, die door al de machten van het zichtbare en van de hel zijt aangevochten. Hij was voor ons en met ons in de engte; maar daartoe is Hij gekomen, dat Hij onze banden, de banden der hel, de strikken des doods zoude losmaken. Daarom zingt de Gemeente: Gij hebt mijne banden losgemaakt! — Daarom wie in de engte en benauwdheid zich bevindt, — hoe dan ook, hij zie op Hem, die geene plaats heeft kunnen vinden in de herberg. Dat is Zijn Woord: „In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen!quot; Nog heden ten dage kan de ware Christus, die eenmaal voor ons in de kribbe lag, geene plaats vinden in de herberg; want waar wil men der waarheid Christi hare woning laten?
Maar is het hart door den vloek der wet beklemd, hier is Hij, die een vloek werd voor ons! Is het hart door de ongerechtigheid en vreeze des doods gekweld, hier in de kribbe ligt Hij, in Wien de gerechtigheid is, die voor God geldt, en het leven! Of is anders iemand nauw ingesloten, door welken nood der zonde en des verderfs ook, — hij zie naar zijnen Koning in de kribbe! Hij ligt niet meer in doeken; Hij ligt niet meer in de kribbe, maar, verhoogd zijnde boven alle hemelen, leeft Hij en treedt Hij voor ons in, als een barmhartig Hoogepriester en trouwe Heiland. Daarom o gij allen, die Zijn
31
32 leerrede over i. uk as 2 vs. 6 , 7.
volk zijt, stort voor Hem uit uw gansche hart, hoe beklemd het ook zijn moge, en gij zult tot Zijnen lof bekennen: Gij hebt mij ruimte gemaakt op Uwen troon, in de wijde kleedereu Uws heils! Amen.
Nazang: Psalm 102 vs. 11.
\'t Zal met blij gejuicli Hem loven,
Die, uit Zijn paleis van boven,
Isrels leed en ongeval Eens iu gunst beschouwen zal,
En gevangnen in hun zuchten Hooren, als zij tot Hem vluchten;
Om hen uit de wreede kaken Van den dood eens los te maken.
III. /-
LEERREDE
OVER
LU KAS 2 vs. 8—12.
* Voorzang: Psalm 89 vs. 1—3.
\'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenliecn; Uw waarheid t\' allen tijd\' vermelden door mijn reên. Ik weet, hoe \'t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen; Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken, Zoo min zal Uwe trouw ooit wanklen of bezwijken.
„Ik heb,quot; dit was Uw taal, „een vast verbond gemaakt „Met Mijnen gunsteling, dien steeds Mijn oog bewaakt; „Ik heb aan Mijnen knecht, aan Mijnen uitverkoren\', „Aan David, in Mijn gunst, met eenen eed gezworen: „Ik zal van kind tot kind, tot aan het eind der dagen, „Uw zaad bevestigen, en Uwen rijkstroon schragen.quot;
De hemel looft, o Heer! Uw wondren, dag en nacht; Uw waarheid wordt op aard de glorie toegebracht.
Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen Want wie is U gelijk bij al de hemelingen?
En, welke vorsten ooit het aardrijk moog\' bevatten. Wie hunner is, o Heer! met U gelijk te schatten?
Gehouden den 26. December 1847, \'s voormiddags.
3
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 8—12.
34
De groote Herder Zijner schapen, der schapen Zijner weide, die door het eeuwige bloed des verbonds uit de dooden is opgestaan, is Zijnen eed gedachtig geweest en blijft dien nog steeds gedachtig, dat Hij Zijn volk uit Egypte door de woestijn in het land Zijner ruste zoude leiden. Hij heeft Zich een arm en ellendig volk als eon overblijfsel bewaard, dat op Zijnen Naam hoopt; dat volk heeft Hij er reeds doorgeleid, en Hij zal het er doorleiden. Hij weet wel, waar de Zijnen gelegerd zijn, hun zal het aan niets ontbreken; Hij zal hen in grazige weiden voeren, om te eten en verzadigd te worden, opdat zij Zijne heerlijkheid zien mogen, nadat zij de slinger-steenen zullen ten onder gebracht hebben. Zij zullen ook drinken en een gedruisch maken als de wijn, zij zullen vervuld worden gelijk het bekken, gelijk de hoeken des altaars. (Zach. 9 vs. 15.) In hunnen nacht, in hunne bekommernissen, terwijl zij zuchten: „Ach dat de hulpe uit Zion kwame!quot; en zij angstig vragen; „Waar toch blijft de belofte?quot; zal Hij het hen wel doen ervaren, dat hun heil aanwezig en hunne heerlijkheid gekomen is. Hij zal Zijnen snellen bode wel gereed hebben, die hen onverwachts met Zijnen troost komt verrassen, en Hij zelf zal hen met zóó veel licht Zijner erbarming en genade omschijnen, dat er op eens een einde gekomen is aan twijfel en ongeloof, aan nacht en duisternis. Mocht er ook groote en bange vrees in de harten der Zijnen overblijven. Hij zal hen met zóóveel vreugde overstroomen, hen zóó vervullen met Zijne liefde, waarmede Hij hen liefheeft, hen zóó vervullen met de zaligheid, die Hij voor hen bereid heeft, dat hunne kracht vernieuwd zal worden; zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden; z|j zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden. (Jes. 40 vs. 31.) Hij zal het hun aan teekenen en wonderen niet laten ontbreken om te bewijzen , dat Hij het is, die hen verkwikt en hen doorhelpt; en ofschoon deze voor het vleesch al van geene beteekenis zijn en door de wereld bespot en miskend worden, naar den geest verstaan zij zulke teekenen; die zijn
leerrede over lukas 2 vs, 8—12.
hun heilig en Eben-Haëzers op hunnen weg naar het Ya-derland.
quot;Wat Hij van den beginne voor al Zijn volk geweest is, dat is Hij ook nog heden.
Dat zijn waarheden, aan welker overweging wij deze ure wijden willen.
Tekst: Lukas 2 vs. 8—12.
„En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hunne kudde. En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met groote vreeze. En de engel zeide tot hen: Vreest niet! want, ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal; Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker., welke is Christus, de Heere, in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn : Gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe.quot;
Beschouwen wij:
I. De herders en hunnen nacht.
II. Den engel des Heeren en de heerlijkheid des Heeren.
III. De vrees der herders en de verkondiging des engels.
IV. Het teeken der genade van Jesus Christus.
I.
De heir vorsten en heerschers heetten in de oude tijden: „Herders der volken.quot; Daar komen dus de volken voorronder het liefelijk beeld van „schapen.quot; Ook onze dierbare Heere en Heiland heeft Zich den Naam van „Herderquot; laten geven. Daarom zegt de Gemeente: „De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.quot; En zij noemt zich zelve het allerliefst „schapen.quot; Daarom belijdt z|j: „Hijheeftonsgemaakt, enniet wij, Zijn volk en de schapen Zijner weide.quot; (Ps. 100 vs. 3.) De Heere betuigt zelf van Zich: „Ik ben de goede Herder, Ik stel Mijn leven voor de schapen.quot; (Joh. 10 vs. 11.) Van Hem is geprofeteerd: „Hij zal Zijne kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijne armen vergaderen en in Zijnen schoot dragen,
3*
35
LEERREDE OVER LUK AS 2 VS. 8 — 12.
de zoogenden zal Hij zachtjes leiden.quot; (Jes. 40 vs. 11.) En dit is Zijn woord aan Zijne Gemeente: „Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide, gij zijt menschen, maar Ik ben uw God.quot; (Ezech. 34 vs. 31.) Hij, dien alle Zijne werken van den beginne af bekend zijn, heeft op verschillende tijden, eer de tijd vervuld was, de moeite en arbeid Zijner ziel, die H|j als een getrouwe Herder voor ons op Zich heeft willen nemen, om ze ons geheel en al ten goede te doen toekomen, in een beeld willen schetsen, opdat het openbaar zoude worden, en wij het uit de natuur zouden leeren verstaan, wat het zeggen wil: „Wij dwaalden allen als schapen, doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen.quot; (Jes. 53 vs. 6.) Van de schapen kunnen wij leeren, wat wij zijn en wat wij te doen hebben ; van de lammeren ; hoe Hij om onzer zonden wil als een lam ter slachtbank werd henengeleid; en van den herder: hoe Hij ons voor de hel zoude behoeden en ons de liefelijke weide in het eeuwige licht Zijner zaligheid zoude doen vinden. — Daarom was Abel een schaapherder, daarom waren Abraham, Izak en Jakob, verscheidene Profeten, Mozes en David schaapherders, wien het zuur genoeg viel, voor het welzijn hunner schapen te zorgen, en hen tegen leeuwen en wolven te beschutten. — Naar het uitwendige was de herdersstand een arme stand, maar naar het innerlijke een gelukkige, troostrijke en vermogende stand; — den Egyp-tenaren echter, dat wil zeggen, der duistere wereld, was dezelve van oudsher een gruwel geweest. Het lag geheel in den raad des Heeren Jesus, dat Hij, die onzen armen en verloren stand tot den Zijnen maakte, Zich aan den toenmaligen armsten stand het allereerst liet openbaren, — dat Hij kwam en Zich arme herders verkoos, opdat die de eersten zouden zijn, welke met hunne oogen de belofte aanschouwden, en allen, die op de vertroosting Israels wachtten, het eerst de boodschap zouden brengen, dat Hij gekomen was!
Evangelie heet het boek, dat wij voor ons hebben. Mijne Geliefden , en als wij hier nu lezen, dat arme herders het aller-
36
LEERREDE OYER LUKAS 2 YS. 8—12. 37
eerst met de openbaring van Christus zijn verwaardigd geworden , zoo weten wij daaruit tot onzen troost, dat de armste stand, waar die den Heere zoekt, het allereerst bij Hem erbarming vindt. „Zalig zijt gij armen,quot; (Luk. 6 vs. 20.) sprak de Heere met bijzonder welgevallen. En wederom: „Den armen wordt het Evangelie verkondigd.quot; (Luk. 7 vs. 22.) En wederom heet het: „God heeft de armen dezer wereld uitverkoren, om rijk te zijn in het geloof.quot; (Jak. 2 vs. 5.) In den grond dos harten wil niemand arm zijn, en menigeen, die zich door het vermogen van anderen helpen wil en niet door God wil geholpen zijn, spreekt van arme lieden, als behoorde hij daartoe niet. Maar arm en eerlijk is een achtbare stand voor God.
Ik wil u echter bewijzen, dat wij allen doodarm zijn, of wij veel of wel niets bezitten. Want wat baat het, of men zich al door dit leven kan doorhelpen, ten laatste gaat het toch in het graf en wij kunnen niets mede nemen, maar gaan naakt daarhenen, zooals wij naakt uit \'s moeders lijf gekomen zijn. Die vermogend is, kan alles doen en bewerken, wat hij wil. Men beproeve of men den dood kan dooden, of men den duivel uit zich kan verdrijven, of men het kwade geweten tot zwijgen kan brengen, of men de zonde verjagen en zijne hartstochten, hoe verstandig, hoe rijk aan ervaring men ook zijn moge, meester worden kan. Men moge toezien, of men met God doen kan, wat men wil, of men de gevolgen der zonden afwenden, genade aannemen, geloof oefenen, geloof houden kan. Men moge toezien, of men den Heiligen Geest van boven kan doen afdalen in het met schuld beladen hart, of men zich zelven bekeeren en wederbaren kan, of men - zich den hemel ontsluiten, en zijne ziel door eigene macht daarheen opwaarts zenden kan, waar de heilige God woont. Men moge toezien, of men uit vrijen wil, met volharding, de deugden Gods uitoefenen en zonder ophouden God boven alles kan liefhebben, en zijnen naaste als zich zelven; en inzonderheid of men alle onkuischheid,
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 8—12.
zelfs die der- gedachten, die door God vervloekt is, kan vermijden en den wortel des doodslags, toorn, ïiaat en wraakgierigheid, uit het hart kan uitroeien. quot;Wie van ons dit niet kan, is een doodarm man. Als wij oprecht met ons zeiven omgaan, dan zullen wij het wel spoedig, eens voor altijd, erkennen en van harte bekennen, dat wij arme, arme men-schen zijn, die niet het geringste kunnen, als het om Goden om Zijne geboden gaat.
Daarom moeten wij dit Evangelie ter harte nemen, dat vooreerst aan arme herders de vertroosting Israëls verkondigd werd; en als wij tot de bekentenis komen van wat wij zijn, zoo zullen wij het wel spoedig ontwaren, dat een even duistere nacht ons omringt als waarin te dier tijd de herders gehuld waren. — En dat ondervinden wij wel, dat ons menige nacht omringt; daarom moeten wij op het lieve Evangelie letten, dat de herders het licht omstraalde in het midden van hunnen nacht. Wie weet, hoe hopeloos en desniettegenstaande met hoeveel gespannen verwachting zij de toekomst van Christus hebben te gemoet gezien, bij het weiden hunner kudde in dien nacht! — Ach, het „Wachter, wat is er van den nacht?quot; komt nog uit zoo menige beklemde borst, van het ziek- en sterfbed, of waar men anders in nood verkeert; of in den harden kamp met het lichaam dezes doods en met zonden en allerlei hartstochten. Daar heeft men het woord der belofte voor zich; men bevochtigt het met heete tranen van berouw, met bittere tranen van smart, of men zit als versteend van moedeloosheid en hopeloosheid voor de belofte; men verkeert midden in nood en dood, midden in de verdoemenis , in den angst, in de hel, en wil de mensch niet geheel ten onder gaan, zoo moet er licht, leven, troost, hulp en genade komen. Wanneer toch komt de man en waar is hij, die mijne ellende kent, dezelve van mij afneemt, en op zich wil laden, die de leegte des harten met zich zeiven vervult en mijnen nacht en mijne onrust in eenen eeuwigen helderen vrededag verandert ?
38
LEEKEEDE OYER LÜKAS 2 VS. 8 —12.
n.
Mijne Geliefden! Het Kind, dat ons geboren werd, lag niet voor niet in doeken gewonden daar in de kribbe. Is Hij, die geene zonde kende, voor ons „zondequot; gemaakt, opdat wij gerechtigheid Gods in Hem zouden zijn; kwam Hij hoewel Hij rijk was, in onzen armen stand; in vleesch, ofschoon God, geloofd in eeuwigheid; verscheen Hij, kwam Hg in de wereld. Hij, der wereld Licht, in onzen nacht; gaf Hij Zich over in de macht des doods, Hij, het Leven: — zoo zal ook, te midden van onzen nacht, den nacht van onzen dood, van onze zonde, onze moedeloosheid, onzen nood, onze ellende, in ons omkomen. Hij evenwel daar blijven staan als ons licht, ons leven, onze gerechtigheid voor God en onze verlossing. Omdat Hij in onzen nacht geboren werd, kan de hemel het niet nalaten, aan de verlorenen, de armen en ellendigen, aan de hsCrd aangevochtenen en zwaar geplaagden steeds de blijde boodschap te brengen: „Uw strijd is vervuld, uwe ongerechtigheid is verzoend; gij hebt van de hand des Heeren dubbel ontvangen voor al uwe zonden.quot; (Jes. 40 vs. 2.)
Daarom is het een zoo liefelijk Evangelie, hetgeen wij verder lezen: Ziet, — heet het. Dit brengt reeds den eersten lichtstraal, dat den inensch de oogen geopend worden, zoodat hij ziet, wat hij te voren niet zag, ofschoon het voor hem aanwezig was, — een engel des Heeren stond bij hen, verscheen hun plotseling, geheel onverwachts, en stond aan hunne zijde. En zoude het tegenwoordig anders gaan? O, een eeuwig Evangelie is het: „Ziet, de engel des Heeren stond bij henquot;; want hoe zal het mij tot troost zijn, te weten, dat er toen een engel des Heeren aan de herders verscheen, als ik niet ook zulk een arme herder of arme visscher, arme handwerksman, of overigens een noodlijdende en een arm zondaar ben, die voortdurend behoefte heeft aan genade, aan redding, aan troost, aan licht, aan leven in dit jammerdal, in eiken
39
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 8 —12.
nacht dezes levens? Nog steeds heeft Hij, die daar in doeken gewonden in de kribbe lag, Zijne engelen gereed, om Zijne armen, die op de vertroosting Israëls wachten, te troosten. Nog steeds kan de hemel het niet in zich zeiven besloten houden, maar moet verkondigen, welke barmhartigheid Gods in de kribbe van Immanuël is geopenbaard. Nog steeds moet de hemel afdalen en met de volheid des heils nederkomen op de ellendigen; nog steeds heeft de Heere Zijner Gemeente, de groote Herder Zijner schapen, menigen bode , dien Hij afzendt, opdat Hij den aangevochtene en den in nood verzonkene verrasse met zulke woorden des vredes en der vreugde: „hier is Christus, uw levenslicht, uw heil en uwe gerechtigheid,quot; zoodat aan al het vragen en weifelen, aan alle verlorenheid en doodsangst een einde gemaakt is. En zoo is het ook niet minder een liefelijk Evangelie: en de heerlijkheid des Heer en omscheen hen. quot;Want de heerlijkheid van Hem, die in de kribbe lag, is er nog en gereed, om den mensch te omschijnen, zoodat men er van overtuigd en verzekerd wordt: Hij, die mijne zonden van mij genomen en in de diepte der zee geworpen, daarin \' ook al mijnen nood verdronken heeft, gelijk Hij weleer met de Egyptenaren deed, —Hij is de Heere; daarom is mijne ziel genezen, en ik heb de gewisse verzekering : de Heere is mijn deel.
Ziet, Mijne Geliefden, dit is het, weshalve de Heere in onzen nacht geboren werd. Ach, wat zoude het zijn, als het eeuwig nacht om ons heen moest bljjven, als wij in onze duisternis, in onzen zondennacht hadden moeten omkomen, voor eeuwig verstoeten van Zijn liefelijk aanschijn? — en ach, wat zoude het zijn, als wij in zoo menigen nacht van nood en lijden en bange zorgen geene hoop, geene toevlucht hadden ? Hier echter hebben wij onzen troost, dat onze nacht voorbij is, dat de dag is aangebroken, dat geen toorn noch grimmigheid meer bij God is. Hier hebben wij onzen troost, dat het Hem noch aan den wil, noch aan de macht ontbreekt, om ons met de heerlijkheid Zijner genade. Zijns levens. Zijner verlossing.
40
LEEKREDE OVER LUKAS 2 VS. 8—12.
Zijner zaligheid te omschijaen. Hier hebben wij onzen troost, dat de hemel het niet nalaten kan, om toe te snellen en het in alle opzichten te bevestigen, wat geschreven is: „Ik wil niet, dat deze in het verderf nederdale: Ik heb verzoening voor hem gevonden.quot; (Job 33 vs. 24.)
Had onze dierbare Heiland te dier tijd, toen Hij in onzen armen stand verkeerde en in de harde kribbe lag, zulk eene heerlijkheid van genade, om daarmede door Zijnen engel de herders te omschijnen, zoo heeft Hij ook nu nog dezelfde heerlijkheid , ja bezit die nog veel meer, nadat Hij nu heeft overwonnen, opdat Hij ons na menigen zwaren strijd des lijdens en der zonden, vollen vrede op onze legersteden zoude doen toekomen, — Hij, die voor ons in eene kribbe lag, opdat wij hier zouden liggen en rusten, en in vrede inslapen, om te ontwaken in den schoot des getrouwen hemelschen Vaders.
HL
Wel is waar overvalt ons voor en na vreeze, en wat er van de herders geschreven is: Zij vreesden met groote vreeze, moeten wij wel tot onzen troost opmerken. quot;Want wij zijn niet beter dan de herders, en hebben in de dingen Gods ook geen vertrouwen op God, ja zijn nog wel veel erger, ■wij, die het nu toch allerbest konden weten, wat de lieve engel destijds aan de herders verkondigde. Aan ons zijn toch nu de groote verborgenheden der geboorte, des lijdens en stervens, der opstanding van onzen dierbaren Heere en Heiland voor en na, ja van onze jeugd aan, verkondigd geworden, zoodat wij , als eene moedige jonkvrouw en dochter Zions, nood en dood, duivel en hel zouden kunnen belachen en bespotten. Maar wij vergeten het voortdurend, dat wij arm zijn, en dat onze dierbare Heiland arm werd voor ons, om ons rijk te maken; — wij vergeten het voortdurend, dat wij vleesch zijn, en dat onze Heere en Heiland Jesus Christus voor ons „een in vleesch gekomenequot; heeft willen zijn, — dat
41
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 8 — 12.
wij dientengevolge niets zijn en Hij het alleen is. In onze eigengerechtigheid zijn wij veeleer plotseling vol angst en vreeze, meenen den hemel verloren te hebben en der helle en den dood ten prooi geworden te zijn, als een bode Gods, als het licht en de heerlijkheid der genade des Heeren, als het woord van redding bij ons binnentreedt met een : „Gij deugt niet! nw werk en uwe vroomheid ook niet, maar hier is uw heil!quot; Wij meenen te moeten omkomen met datgene, wat alleen onze troost is; de reden daarvan is : dat wij op ons zeiven en op ons doen zien, en niet kunnen gelooven.
Maar gelijk het van den beginne was, zoo is het ook nu nog. Dat predikt ons het woord, dat de Heere zendt: Vreest niet, want ziet ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal. Dat is een liefelijk Evangelie voor hen, die vol vreeze zijn, en het ook wel willen weten en van harte bekennen, dat zij alzoo zijn. Want wat baat het een menschenkind, dat hij breed opgeeft van een geloof, hetwelk hem toch niet eigen is? Waar het er toe komt, zal een menschenkind van doodsangst niet weten, waar te blijven, wanneer God hem niet met het licht en den troost Zijns Geestes moed inspreekt. Dat doet Hij echter met Zijn liefelijk Evangelie en bereidt Zich ook harten, die wel is waar vol vreeze zijn; maar waar het woord: „Vreest niet!quot; tot hen komt, daar wordt het licht des geloofs ontstoken en schijnt het helder in het huis. Laat ons van ons zeiven gelooven, dat wij steeds zullen vreezen, wanneer de nood en de genade op ons toetreden; zoo zullen wij niet te vergeefs de liefelijke woorden: „Vreest niet!quot; gehoord hebben, en zullen ons op zulke woorden laten drijven en inderdaad geenszins vreezen, waar wij anders van vreeze zouden omkomen.
Die woorden echter: „Vreest niet!quot; zeggen zooveel als: Gij meent, dat ik u kom bezoeken vanwege uwe zonden en u zal ombrengen. Zoo staat de zaak echter in den hemel niet; integendeel, in den hemel wacht ulieden, mijne lieve herders, louter genade, vergeving van zonden, leven en zaligheid.
42
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 8—12.
Dat hebben wij nu wel ter harte te nemen en te weten, dat, waar wij in waarheid arme zondaren zijn, de Heere Christus gekomen is en zonde en dood, den duivel en diens werken vernietigd, onzen vloek en onze verdoemenis op Zich genomen heeft, zoodat louter goedertierenheid, genade, leven en zaligheid ons in den hemel wacht. Zulk een Evangelie moet alle vrees verbannen, zoodat wij ooren en oogen ontvangen voor het: „zietquot; van het Woord en voor de blijde boodschap, die niet alleen den herders gold, maar zooals de engel zegt: „al den volkequot;, en waaruit wij weten, dat die ook ons geldt, wanneer wij gelooven; want zij, die gelooven, worden gerekend „het volkquot; te zijn. De engel zeide niet: „Ziet ik kom en houd u uwe zonden en uwen dood voor oogen!quot; maar zoo spreekt hij: „Ziet, ik verkondig u groote blijdschap!quot; Zoo brengt de gansche hemel aan hen, die voor Gods Woord beven, geenen toorn, maar sieraad voor asch, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor eenen benauwden geest. (Jes. 61 vs. 3.) Want alzoo is de gezindheid des hemels: hier ligt een arm zondaar in nood en dood; hij kruipt in het stof als een worm en vergaat van droefheid; hem wil ik toch eene vreugde bereiden, eene groote blijdschap, dat al zijne beenderen zich verheugen, en hij opspringe van vreugde in zijnen Grod. (Ps. 51 vs. 10.)
Deze blijdschap is ons geworden, zij is tot ons gekomen, mijne broeders en zusters, zij ligt daar voor ons in bet Evangelie. De dorre en troostelooze zegge niet, dat zij voor hem niet is; want zij geldt den treurigen, opdat die met eenen eeuwigen troost vertroost en opgericht mochten worden uit de asch en uit het stof. En dat is het, wat de blijdschap tot blijdschap maakt: Heden is u geboren de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids. Is dit „hedenquot; vernietigd, gij troostelooze, gij bezwaarde, benauwde, aangevochtene, arme, noodlijdende, door zonden en lijden gekwelde ziel? Een eeuwig „hedenquot; is het! Maar wat is geschied? Is Gods Zoon van boven afgekomen
43
LEERKEDE OVER LUKAS 2 VS. 8—12.
en door Maria heen gegaan, als door een kanaal? Neen, er staat: Hij is geboren, een kind, een mensch, om in alle dingen verzocht te worden, ons in alles gelijk, een barmhartig Heiland en Hoogepriester te worden, die weet, wat zwakheid is, die in onze natuur betalen zal, wat wij schuldig zijn, die in onze zwakheid, zonder zonde, de gerechtigheid, het leven, de kracht, de macht, de heerlijkheid en de overwinning zal aanbrengen en schenken, die den hemel als een liefhebbend Broeder voor ons zal openen, opdat wij tot God zouden gekomen zijn, en die de poorten des doods en der hel zal sluiten, zoodat de duivel daar binnen blijven moet, en van Gods verlosten geene klauw achterblijven zal. Voor wie is Hij geboren? „Uquot;, zegt het Evangelie. Beproeft u zeiven! u is geboren een Zaligmaker; nu weet gij, wien het geldt. quot;Wanneer gij verloren zijt. Mijne Geliefden, algeheel verdorven, zoo kunt gij u met groote blijdschap verheugen, want: U is geboren een Zaligmaker, een Verlosser.
Waar een Zaligmaker, een Verlosser is, daar moeten er zijn, die zalig gemaakt en verlost moeten worden. Een Verlosser is Hij, van zonde namelijk, van toorn, van het gericht, van de verdoemenis, van duivel, dood en hel. Daarom verblijdt u, gij , die tot God opschreeuwt, gekneld in banden van geestelijke en lichamelijke ellende; geene vroomheid, geene werken, geene heiligheid bij u zeiven gezocht! ü is een Verlosser geboren! Zegt daarop Amen, ten spijt van het zwakke hart, trots ongeloof, trots vleesch, trots zonde, trots duivel en dood, en gij zult blinken in gerechtigheid en grooten vrede bij God en den Vader, door dezen geboren Verlosser; want de leer en de verzoening en de macht brengt Hij met Zich, en voor Zijnen Jesus-naam moet elk graf zijne dooden vrij geven, moet de gevangenis der zonde en der verdoemenis zijne gevangenen vrijlaten; want deze Naam brengt tot het leven en de heerlijkheid, al wat dood ligt in zonden en misdaden.
En waar wilde Hij geboren zijn? Waar wilde Hij Zijn loop-
44
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 8 — 12.
baan als een zwak en arm kind beginnen? Was het niet in de kleine stad, waar David geboren werd, die uitriep: „ Heere, gedenk aan David en aan al zijn lijdenquot; ? Ja, die stad, welke gering is en zoo onbeduidend ouder de duizenden, dat zij nauwelijks eene stad konde heeten; ja, die kleine stad van David, die zal Zijne geboortestad zijn. — quot;Wel hem, die klein en gering is en tot Grod zucht: „Heere, gedenk aan mij en aan al mijn lijden!quot; (Vergel. Ps. 132 vs. 1.) Aan hem zal God Zijnen Zoon geopenbaard hebben met gewisse teekenen Zijner wonderbare goedheid.
IV.
Of hebben wij het teeken niet meer tot onzen troost, dat de herders toen ter tijd ontvingen, als de engel tot hen zeide: En dit zal u ten teeken zijn, gij zult het kindeken vinden, in doeken gewonden, en liggende in de kribbe? — Elk pasgeboren kind, dat gij, moeders, op uwen schoot ontvangt, dat gij, vaders, dankbaar voor zijne geboorte, aanschouwt, is u, is ons een teeken en bewijs van deze groote blijdschap, van de genade Jesu Christi, die ons geschied is; want ware Hij niet willens geweest, een pas geboren kind te worden, dan ware de heilige band des huwelijks al lang en overal losgemaakt, er zou geen pasgeboren kind meer zijn, en de wereld ware reeds lang in vlammen opgegaan, ook lagen wij allen dan reeds lang in de hel. Maar wie ziet dit bewijs, zoo hij de heiligheid Gods niet kent, zoo hij geene kennis heeft van het schrikkelijke van de overtreding der geboden Gods, van het verteerend geweld Zijns toorns, zoo hij niet weet, wat de zonde is, en welke ontzettende naweeën men van hare genieting heeft? Wie dit echter weet en ondervonden heeft, die heeft evengoed het teeken van de genade Jesu Christi, als de herders het hadden; want het Evangelie krijgt hij te gelooven, dat geene kunstig verdichte fabel is, maar eene kracht Gods tot zaligheid voor een iegelijk die gelooft. En wèl ons, wanneer wij gelooven,
45
LEERREDE OVER LÜKAS 2 VS. 8—12.
wat het Evangelie zegt; want dan zien wij in den geest een pasgeboren kind in doeken gewonden, in eene kribbe liggende, en aanbidden het als onzen Heere en God, als onzen getrouwen Heiland en Verlosser, en verstaan het, waarom Hij zulk een pasgeboren kind heeft willen zijn, waarom Hij in armoedige windsels heeft willen gewikkeld zijn, en eene kribbe tot Zijne rustplaats verkozen heeft; want de Geest in ons getuigt, dat deze dingen waarachtig zijn, en wij spreken het met volle erkentenis Zijner heerlijkheid uit:
Dit toont ons Zijne goedheid aan:
Alles is om ons gedaan!
Wel ons, als wij willen weten, wat voor menschen wij zijn ; als wij erkennen, dat dezelfde mensch, die de schuld gemaakt heeft, die ook moet uitdelgen, — dat hij, die de gerechtigheid Gods beleedigt, haar ook weder moet verzoenen, dat hij, die alles tot op den grond verwoest, ook alles weder moet oprichten en herstellen. quot;Wel ons, als wij erkennen, dat wij hiertoe zóó weinig in staat zijn, dat wij veeleer onze schuld nog dagelijks grooter maken. Dan zullen wij het cok indachtig zijn, dat geen schepsel in staat is, dat voor ons tot stand te brengen, wat nochtans in onze verlorenheid, in het vleeseh tot stand gebracht moet worden; want dan zullen wij ons met hemelsche blijdschap verblijden, dat God zelf datgene gedaan heeft, wat der wet onmogelijk was, — dat Hij Zijnen Zoon gezonden heeft in gelijkheid van vleeseh van zonde en dat voor zonde, en zoo de zonde veroordeeld heeft in het vleeseh. (Rom. 8 vs. 3.)
Zoo blijven ons dan ook de armoedige doeken, waarin dit Kind gewonden was, deze kribbe, waarin Hij lag, tot een teeken en tot een bewijs, dat Hjj waarlijk van den beginne af aan onze lichamelijke en geestelijke armoede, onze hulpeloosheid, onzen toestand, dat wij met de dwaasheid onzer zonde onder het vee gezonken zijn en ons tot onmenschen gemaakt hebben, op Zich heeft willen nemen. En al is het
46
leerrede over lükas 2 vs. 8 —12.
nu, dat wij vele levensdagen aan dit teeken te dragen hebben, zoodat wij hier, in dit Mesech, naar het uitwendige niet veel heerlijkheid zien, maar louter armoedige doeken en eene kribbe; ja, al is het, dat duivel, dood en nood hier tot het einde toe hun rol uitspelen, zoodat zij ten laatste den Christen het lijkkleed aandoen en in het enge graf leggen, — Hij , die noch in de kribbe, noch in de doeken gebleven is, maar die nu heerscht en leeft, onze Koning en onze God, onze Herder en onze Heiland, verhoogd zijnde aan de Rechterhand des Vaders, nadat Hij voor ons den dood gesmaakt heeft, — Hij zal ook ons, die op Hem wachten, uit de windselen van zonde en dood, en uit eiken nood weten te helpen, omdat Hij in windselen gewonden lag, en zal ons uit menig graf doen opstaan, omdat Hij in eene kribbe gelegen heeft. Dat wij alleenlijk gelooven en Zijnen Naam loven.
Ieder heeft het zijne in deze wereld. Wel ulieden, die daarbij blijft, om het oog op de kribbe en de doeken van Christus gevestigd te houden; want daar zijn de kleederen des heils, daar is de troon der gerechtigheid en van volkomene zaligheid. Een Kind is ons geboren, — en de heerschappij is op Zijnen schouder. Amen.
Nazang: Lied 19 vs. 2.
Zijn groot gebrek , Zijn arm bestaan ,
Brengt ons den grootsten rijkdom aan ,
In Hem zijn wij geborgen.
Heeft Adam ons gebracht in nood ,
En door zijn schuld van heil ontbloot,
Die Borg wil voor ons zorgen ;
Beschouw Zijn slechte windsels niet,
Of \'t dwaas vernuft zich daaraan stiet\', —
Die d\' uitverkoornen teeder Bemint, de Heerscher van \'t heelal,
Die Held ligt in een beestenstal,
En in een kribbe neder.
47
IV.
LEERREDE
OVER
L U K A S 2 vs. 13 — 20.
Voorzang: Ps. 103 vs. 10, 11.
De Heer heeft Zich, als d\' allerhoogste Koning ,
Een\' troon gevest in Zijne hemelwoning ;
Zijn Koninkrijk heerscht over \'t wereldrond.
Looft, looft den Heer, gij Zijne legermachten,
Gij englen, die Hem dient met heldenkrachten !
En vaardig past op \'t woord van Zijnen mond.
Looft, looft den Heer, gij Zijne legerscharen !
Wier lust het is op Zijnen wenk te staren.
Dat hemel, aard\', en zee, en berg , en dal,
Hoe ver men ook Zijn\' schepter ziet regeeren.
Nu Zijnen Naam en groote deugden eeren !
En gjj, mijn ziel! loof gij Hem boven al.
Tekst; Lukas 2 vs. 13—20.
„En van stonden aan was er met den engel eene menigte des hemelschen heirlegers, prijzende God en zeggende: Eere zij Grod in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensehen een welbehagen! En het geschiedde, als de engelen vau hen weggevaren waren
Gehouden den 26. December 1847, des avonds.
LEERREDE OVER LÜKAS 2 VS. 13—20.
naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd. En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe. En als zij het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was. En allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders. Doch Maria bewaarde deze woorden alle, te zamen, overleggende die in haar hart. En de herders keerden wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was.quot;
Mijne Geliefden! Het is toch geene fabel, dat de heerlijkheid van des Konings dochter inwendig is. Zoo ergens, dan kunnen wij het in Bethlehems vruchtbare velden leeren verstaan, dat het geloof niet te vergeefs gelooft. Met het verstand is het wel is waar niet te vatten, dat een pasgeboren kind, dat in armoedige doeken gewikkeld en in eene kribbe nedergelegd was, zulk een arm, arm kind, in die armoede nochtans eene heirmacht had, zooals de wereld die niet kan bijeenbrengen, en eene majesteit ontwikkelde, waarvoor alle koningen der wereld zich moeten buigen of moeten vergaan. Ook zou het nimmer geschied zijn, dat Hij, de Almachtige, in zulk eene zwakheid en armoede ware gekomen, ware het niet Zijne eeuwige vrijwillige liefde geweest, waarmede Hij ons heeft liefgehad, en Zich zeiven voor ons heeft overgegeven. Het is geschied. Mijne Geliefden! Onze dierbare Heiland lag daar, als een pasgeboren Kind, in doeken, in het vleesch, in de uiterste armoede, zonder plaats in de wereld te vinden; als het Lam, dat de zonde der wereld draagt, lag Hij daar midden onder het vee, en in hetzelfde oogenblik zag men niet ver van den stal, waarin Hij lag, Zijne gansche heerlijkheid en majesteit, en toen nog niemand op de aarde den mond had opengedaan, om Hem te loven, ja niemand Hem kende, was de menigte des hemelschen heirlegers daar, en de gansche hemel was één lofzang.
49
4
LEERREDE OtER LUKAS 2 VS. 13—20.
Nadat de eéne engel de woorden had doen ■weergalmen: „Heden is u geboren de Zaligmaker, Christus Jesus, in de stad Davids; en dit zal u het teeken zijn: gij zult een pasgeboren Kind vinden, in doeken gewonden en liggende in de kribbe— toen kon de hemel niet meer in den hemel blijven, maar kwam op aarde neder; in een oogwenk was er, gelijk wij uit het Evangelie vernemen, met den engel, die het eeuwig Evangelie aan de menschen verkondigd had, d e menigte des hemelschen heirlegers. Het gansche heirleger Gods, die duizendmaal duizenden, die voor Zijnen troon staan, ontwikkelde zich daar en breidde zich uit van boven, van den troon af tot op het groene gras, waarop de schapen weidden, wijd en zijd in al Zijne macht en heerlijkheid.
En zij loofden God en zeiden: Eere zij God in de hoogste hemelen, en op aarde vrede: in menschen een welbehagen. Nu vraag ik u, wien de zaligheid uwer ziel ter harte gaat, wilt gij nog langer twijfelen aan Gods harte, dat Hij jegens u heeft? Wilt gij nog langer zwanger gaan met werken en de gedachten des duivels in u koesteren, dat gij u eerst moet vroom maken en de zonde moet doen ophouden, voordat gij op Gods genade moogt hopen ? quot;Wilt gij u niet neerwerpen voor uwen God en Zaligmaker, zooals gij zijt? quot;Wilt gij niet der gerechtigheid en genade des Heeren in de armen vallen met al uwe zonde en schande, met al uwe gruwelen, waarover gij zulke heete tranen stort ? Wilt gij u niet overgeven, zoo arm, zoo ellendig, als gij zijt, en zeggen: „Hier ben ik, o mijn God en Heiland, ontferm U mijner?quot; Gij ziet het immers hier in het Evangelie: Waartoe kwam uw Heiland in het vleesch? Is dit niet het Woord, dat hier geschied is: Jesus Christus is in de wereld gekomen, om zondaren te hebben zalig gemaakt ? Heeft zich de gansche hemel geopend, toen Jesus Christus in de wereld kwam, zijnde een Helper en Yerlosser dergenen, die zonde hebben, zoo verstaat dan toch, hoe het er in den hemel voor u uitziet, en dat nog heden al de engelen in de hemelen zich mede
50
LEERREDE OVER LÜKAS 2 VS. 13—20.
verblijden, als gij heengaat en zegt: „Gij, mijn Heere, zijt mijn Verlosser, mijn God en mijn Heiland, ik laat U niet los, voordat Gij mij zegent.quot; O gij allen, die door het uiterlijke en zichtbare, door hetgeen gij voor oogen hebt, nacht en dag gekweld wordt, laat u daardoor den moed niet ontnemen, dat ook gij niets dan arme doeken en eene kribbe voor u hebt, maar hebt geduld en volhardt in het geloof, en leert uit dit Evangelie, dat, hoe ook het kruis dezes tegenwoordigen levens u een treurig aanzien geeft, nochtans uwe heerlijkheid daarboven is. — Nog een weinig tijds, en wij zullen met Christus onzen Heere geopenbaard worden in heerlijkheid, nadat wij hier in elk opzicht Zijnen dood zijn gelijkvormig gemaakt. En o gij allen, die tot dusver de wereld dient en uwe eigene begeerlijkheden, en verre van uwen God zijt, en wel weet, dat het leven van Christus nog niet in u is, hoe lang wilt gij zonder God in de wereld blijven? Neemt het toch ter harte —: hebben zich toenmaals de engelen Gods zoo verblijd, dat Hij, die van zonden verlost, geboren was; ook nu nog zal het voor hen blijdschap zijn, als gij u van ganscher harte keert tot den volzaligen God, die niet wil, dat iemand verloren ga.
O Mijne Geliefden! quot;Wat is toch de wereld en al wat in de wereld is, dat velen uwer zich gedurig gedragen, alsof het niet waar was, dat ons een Zaligmaker geboren is, alsof het niet waar was, dat de gansche hemel daarover één lofzang is geweest! Het is toch gewissehjk waar: ons is een Verlosser geboren! Laat ons mede in het liefelijk gejubel der engelen instemmen, — om onzentwil toch verblijdden zij zich. Ja, het schijnt hunne voornaamste bezigheid te zijn, dien lof Gods voor den troon onophoudelijk uit te galmen, niet dat zij iets geworden zijn, dat zij engelen zijn, maar dat de alleen heilige en volzalige God Zich over de verlorenen met innerlijke barmhartigheid heeft ontfermd.
Hoe verschrikkelijk is toch het ongeloof, dat deze hemelsche akkoorden verstoort, en niets, zoo in het geheel niets daarvan
51
LEERREDE OVER LÜKAS 2 VS. 13—20.
wil weten. Neen, wij mogen niet vanwege onze zonden, het geloof prijsgeven, dat alleen het hart reinigt. Dwazen zijn wij, zoo het loflied der engelen ons niet tot voortdnrenden lof Gods ontvlamt. O dat wij het toch bedenken, wat het zeggen wil, dat het eeuwige Woord des eeuwigen Vaders woning onder ons heeft willen maken en Zich hier heeft willen laten vinden in ons vleesch en bloed, in onzen armen en ellendigen toestand, in onzen vloek en onze verdoemenis, en zonde heeft willen zijn voor ons, opdat wij tot God zouden gebracht zijn en Zijne zaligheid zouden aanschouwen eeuwiglijk en altoos.
Want dit was het, wat de engelen met zulk een loflied vervulde, zoodat zij het uitgalmden; „Eere zij God in de hoogste hemelen, en op aarde vrede.quot; Want dat was Gode in de hoogte eene eer en dat zoude op aarde vrede brengen: dat God in menschen een welbehagen gehad heeft. Alzoo de engelen geven Gode de eer, dat Hij in menschen een welbehagen heeft; en zij hebben er blijdschap in, dat op aarde vrede is. Wat zien dan engelen in menschen? Ja, wat zouden zij in hen zien, zoo niet vijanden Gods en vrienden des duivels, zooniet alles, wat vloek- en verdoemenswaardigis, wat verloren, wat dood is, wat eigenlijk Gode een gruwel moet zijn, — wat anders dan iets, waarmede de heilige God Zich in eeuwigheid niet kan ophouden? En dat juist God in zulke menschen een welbehagen heeft, dat Hij vrijwillig uit eeuwige liefde verkiezen wil, wat beneden het redelooze vee en onder alle duivelen gezonken is, wat Hem met zijne zonden in het aangezicht geslagen, Gods eer aangetast, Gods heerlijke schepping verstoord heeft, en, den duivel in plaats van zijnen Schepper geloovende, voortdurend met de duivelen in een verbond is, om God van den troon te stooten, Hem den rug toe te keeren, en zich moedwillig van God, zijn hoogste goed, af, vol zelfaanmatiging in het verderf te helpen; — dat is het, waarover zij God verheerlijken, zij, deze krachtige helden, die Zijn bevel doen. Zegt het mij toch: als de engelen God daarover verheerlijken, omdat er nu een Middelaar
52
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 13—20.
Gods en der menschen gekomen is, de mensch Christus Jesus, omdat God Zijne eer terug ontvangen zal, omdat de eeuwige* gerechtigheid zal worden aangebracht, omdat menschen uit de banden der zonde, uit de strikken des doods, uit de klauwen des Satans zullen uitgeleid worden, — als zij God verheerlijken over Zijn vrij en eeuwig welbehagen, en zich zóó verblijden, dat God weder tot God gemaakt wordt, en dat zij voor eeuwig menschen in hun heilig gezelschap zullen krijgen, — wat zegt dan Gods harte tot u ? Moeten wij voor Hem vlieden, omdat wij menschen zjjn? — O, dat wij Zijne groote, geweldige liefde , dat wij de macht der genade Jesu Christi verheerlijken, gelijk de engelen het gedaan hebben! O, dat wij toch „menschenquot; wilden zijn! Laat ons alzoo belijden, dat wij menschen zijn, Mijne Geliefden! en niet langer er naar streven, om halve engelen te willen zijn. quot;Willen wij weten, dat wij menschen zijn en niets meer, o hoe spoedig zijn wij geholpen, daar wij uit het loflied der engelen, uit het Evangelie vernemen: God heeft in menschen een welbehagen! quot;Wat doet het, of wij zonde hebben, of wij geheel verdorven zijn, of het waar is, dat uit ons hart allerlei echtbreuk, allerlei dieverij, doodslag, lastering en onverstand voortkomt? Zoo ons de zonden van harte leed zijn, zoo zij ons tot een zwaren last zijn, zoo wij met diepe verbrjjzeling onze geheele machteloosheid ten goede gevoelen, onze verschrikkelijke geneigheid tot alle kwaad; erkennen wij het met een roepen tot God om verlossing, dat wij in ons hart Hem vijandig en der zonde vrienden zijn; erkennen wij het, dat wij met gedachten, woorden en werken Zijne heilige geboden , ach menigmaal zoo moedwillig, overtreden, — dan moeten wij het nu weten: den Heere God staat het niet in den weg, dat wij menschen zijn; want Hij verlangt van onze zijde geen deugd, geen werk; het is alles Zijn eenig, eeuwig, vrij welbehagen, dat Hij Zich over menschenkinderen heeft ontfermd.
Waar ligt het bewijs? In de doeken, in de kribbe, in Bethlehem! Daar hebben wij den mensch Christus Jesus,
53
LEERREDE OVER LUKAS 2 VS. 13—20.
daar hebben wij den in vleesch gekomene, daar ligt het bewijs en de rechtsgrond des welbehagens: dat Hij gekomen is, gevonden als een mensch, in de gestalte van een dienstknecht, een jong kind, om tot wasdom te komen, om toe te nemen in wijsheid en in genade bij God en de menschen, om toegerust te worden met deu Heiligen Geest, om in onze algeheele ellende, beladen met onze zonde, met onzen vloek en onze verdoemenis, in onze armoede en zwakheid. Zich onder de wet te begeven, dezelve naar geest te vervullen, den toorn en de straf van onze zonden in Zijn lichaam te dragen, en, ons in alle dingen gelijk, in al onze ellende, zonder zonden, weder te herstellen, wat wij verdorven hebben, en als het tweede Hoofd der menschheid ons weder te herstellen, Gode en den Yader tot lof en prijs. Dat is het bewijs en de rechtsgrond daarvan, dat God in menschen een welbehagen heeft. quot;Wie is nu een mensch ? Wie wil het zijn, een algeheel verdorven mensch, die roeme met de engelen het eeuwige, vrije welbehagen Gods, die valle neder en aan-bidde zijnen God, en geve zijne ziel over aan zijnen getrouwen Schepper; die zie op zulke vrije genade en houde er zich aan; die zie op zulk eene liefde des Vaders tot ons in Christus Jesus, — en de lof Gods, het geloof in Christus, zal zijne sterkte zijn, zijn tegenweer en vaste burcht, waaruit geen duivel hem zal kunnen uitstooten, — en van den top van zijn burcht zal de vredevaan wapperen: God is mijn heil en mijn deel, daarom zal ik niet vreezen. —
O , zoo lang er opgeblazenheid is, en wij geen menschen maar halve engelen willen zijn, en niet willen gelooven, alleenlijk gelooven, maar het in de deugd, in het werk, in de vroomheid zoeken, zoo lang kan er bij ons het: „Eere zij God in de hoogste hemelen!quot; niet zijn. Daar is geen vrede bij God, geen vrede met de menschen, geen vrede in het hart, maar enkel duivelarij en een gestadig zondigen. Dewijl wij het echter ervaren, dat wij menschen zijn, zoo laat ons dit erkennen, en ons, juist als menschen, aan God overgeven, ons voor
54
LEERREDE OVER LÜKAS 2 VS. 13—20.
Hem nederwerpen op Zijne genade; en hoe meer wij het nu gevoelen, dat wij menschen zijn, — want dit leeren wij bij de kribbe van onzen Heiland nog wel zoo goed als bij de wet, — des te meer zullen wij drijven, leven en sterven op zoodanig een welbehagen Gods, hetwelk Hem in de hoogte deze eer doet toekomen, dat Hij het alleen is. Hij alléén wijs, rechtvaardig, heilig, goed, barmhartig, getrouw en waarachtig, genadig en lankmoedig, rijk aan ontferming en geweldig van macht, om in weerwil van duivel, dood, zonde en vijandschap te handhaven en uit te voeren den Raad Zijns vredes, dien de volzalige God ontworpen heeft bij Zichzelven, toen Hij ons reddeloos verloren zag.
Mijne Geliefden! De engelen waren in Bethlehems velden en prezen God voor het Kind, dat in de kribbe lag, alsof z ij door Hem verlost waren geworden, en toch kenden zij geene verlorenheid zooals wij die kennen. Zullen wij dan onderdoen in het prijzen van God, dat Hij in ons menschen een welbehagen heeft gehad? Ach, ik weet het wel: kruis, zonde en nood drukken zoo diep ter neder! Ach, zoo vele uiterlijke, huiselijke en andere bezwaren, zooveel, wat er in het hart woelt en aan het harte knaagt, bezwaart ons zoo dikwijls, dat er uit ons wel duizend zuchten voortkomen, tegen dat wij éénmaal God prijzen, dat Hij een welbehagen in ons heeft! Ach, ik weet het, wij kunnen menigwerf niet gelooven, dat het waar is, dat het daarboven voor Gods heiligen er geheel anders uitziet, dan zij het hier bevinden; maar wat doet het ter zake? Nochtans is het waar! Nochtans was hier onze Heere een pasgeboren kind, in doeken en in eene kribbe; in onze armoede lag Hij hier neder. Nochtans is het waar, dat de engelen God geprezen en Hem de eer gegeven hebben voor Zijn welbehagen in menschen! Nochtans is het waar, dat Gods heilig Kind Jesus thans de kroon draagt en de heerschappij voert over alles! en waarachtig is het, dat Hij leeft en onze Voorspraak is. Komen wij als menschen tot Hem, en bij de ervaring der groote barmhartigheid, met welke wij
55
LEERREDE OVER hVKXS 2 VS. 13—20.
door Hem zijn bezocht gewojden, alsmede bij die van onze diepe verdorvenheid, zullen wij het wel ondervinden: Hij geeft en bewaart ons op aarde, in dit jammerdal, allerlei vrede; Hij, die de werken des Satans verstoord heeft, verbreekt ook de macht der zonde, verijdelt de list des duivels, en maakt te niet den raadslag der wereld, en het woeden en razen tegen de Zijnen. Daarom, dewijl wij het woord der engelen, het Evangelie van de menschwording van Christus, den lof Grods, zoo vele malen gehoord hebben, zoo laat ons toch voor gewis houden, dat deze geschiedenis geschied is. Laat ons dat, wat de engel verkondigd heeft, voor des Heeren woord houden, gelijk wij van de herders lezen, dat zij zeiden: Laat ons dan heengaan, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.
Laat ons spoedig en met haaste opstaan en tot Hem gaan, zoodra ons iets treft, en wij zullen Hem vinden, gelijk die herders Hem vonden, en ervaren, welk eene macht Hij, die in ons wil wonen, in onze zwakheid heeft. Laat ons moedig van Zijnen Naam getuigen en het woord alom bekend maken, dat ons van het Kindeke Jesus is gezegd geworden. Velen, die het hooren, zullen zich er nog over verwonderen, die het tot nu toe niet willen aannemen. Laat ons in onze harten bewaren eri overleggen, wat wij nog niet zoo recht kunnen uitleggen en uit elkander zetten, evenals Maria, de begenadigde, dit deed, die ook niet recht alles zoo vatten kon, wat zij toch hoorde en zag; gelijk betuigd wordt: „Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar hart.quot; Gaan wij voort met God te verheer lijken en te prijzen, over alles wat wij uit het dierbare Evangelie gehoord en gezien hebben; want God te verheerlijken en te prijzen over de vrijwillige gave van Zijn geliefd Kind en eeniggeboren Zoon, dat is het offer. Hem welbehagelijk. Dood, duivel, zonde en wereld, ja ook het eigen ongeloovige hart, alles is wel tegen een zoodanigen lof; nochtans, elk arm zondaar ver-
56
leerrede over luk as 2 vs. 13—20.
heerlijke Hem op het hoogst, zoo veel hij kan: — en de muren van alle Jericho\'s, het gansche Babel, dat hem hier benauwt en met vreeze vervult, zullen ineenstorten; en is hij eindelijk vermoeid van het strijden, — dan zullen dezelfde engelen, die in Bethlehems velden loofden: „In menschen een welbehagen!quot; hem tot Grod in de heerlijkheid overdragen, uitroepende: Daar brengen wij U wederom eenen mensch, in wien gij een welbehagen hebt gehad. Amen.
^Nazang: Psalm 149 vs. 1, 2.
Looft, looft den Heer; Dien onbedwongen Een nieuw gezang zij toegezongen,
In \'t midden Zijner gunstelingen.
Die Hem ter eere zingen!
Dat Israël met blijden klank,
Zijn\' milden Schepper loov\' en dank\'!
Dat Zions kroost, met lofgejuich.
Zich voor zijn Koning buig\'!
Laat d\'ijverige tempelreien,
Op fluiten \'s Hoogsten Naam verbreien; Hun psalmgezangen vroolijk paren Met trommelen en snaren,
Nu God met lust Zijn oogen slaat Op Jakobs uitverkoren zaad;
Zachtmoedigen Zijn gunst betoont,
En hen met heil bekroont!
57
V.
LEERREDE
OVER
„IMMANUEL.quot;
Voorzang: Psalm 3 vs. 2, 3,
Maar, trouwe God, Gij zijt Het schild, dat mij bevrijdt, Mijn eer, mijn vast betrouwen. Op U vest ik Let oog:
Gij heft mijn oog omhoog. En doet m\' Uw gunst aanschouwen, \'k Eiep God niet vruchtloos aan; Hij wil mij niet versmaan,
In al mijn tegenheden;
Hij zag van Zion neêr. De woonplaats van Zijn eer, En hoorde mijn gebeden.
Ik lag en sliep gerust,
Van \'s Heeren trouw bewust. Tot ik verfrischt ontwaakte:
Want God was aan mijn zij\'; Hij ondersteunde mij In \'t leed, dat mij genaakte. Ik zal, vol heldenmoed,
Daar mij Zijn hand behoedt.
Gehouden den 26. December 1852.
LEERREDE OVER „IMMANÜËL.quot;
Tienduizenden niet vreezen,
Schoon ik van alle kant,
Geweldig aangerand En fel geprangd moog\' wezen.
Het is toch wonderbaar, Mijne Greliefden, hoe God en menschen te zamen komen. Er is toch eigenlijk eene kloof, die zulks volstrekt onmogelijk maakt. Die kloof is ontstaan door de zonde. Sedert de zonde in de wereld gekomen is door de moedwillige ongehoorzaamheid van éénen mensch, heeft zich de duivel tusschen\' God en menschen geworpen. Wat God betreft, zoo gedoogt het Zijne heiligheid, Zijne onverbreekbare Wet niet, — wat den mensch betreft, zoo gedoogt het zijne liefde tot de zonde niet; de haat Gods tegen de zonde, de gezworen vijandschap des menschen tegen God en zijn haat tegen de gerechtigheid Gods gedoogen niet, dat deze beiden te zamen komen. Van Gods zijde wordt er betaling gevorderd voor de misdaad en overtreding, van des menschen zijde is er eene onmetelijke schuld, die de mensch niet wil erkennen; of die hij, zoo hij er ook iets van erkent, wil betalen met iets, dat voor God geene waarde heeft. Bij God is er toorn en vloek, bij den mensch de dood naar het rechtvaardig oordeel Gods, Hoe komen nu die beiden te zamen, die anders voor eeuwig moeten gescheiden blijven, en hoe blijven zij in eeuwigen vrede samen, nadat zij voor de eeuwigheid zijn te zamen gekomen?
Deze verborgenheid ligt in eenen Naam, dien ik voor uwe ooren en harten blijmoedig verkondig; die Naam is: IMMANÜËL.
Bij Jesaja staat geschreven in het 7de Hoofdstuk zijner profetieën (volgens den Hebreeuwschen grondtekst); „Ziet, de maagd is zwanger en heeft eenen Zoon gebaard; Diens Naam hebt gij (o maagd) geheeten Immanuël.quot;
Volgens het Grieksch zijn er bij den Evangelist Mattheüs onderscheidene lezingen. Sommige oude handschriften hebben: „gij zult Zijnen Naam heeten,quot; anderen: „zij zullen Zijnen Naam heeten: Immanuël.quot; (Matth. 1 vs. 21b.)
Dit versta ik zóó, dat z ij allen Hem zoo zullen heeten, die
59
LEERREDE OVER „IMMANUËL.quot;
zich in eenen toestand bevinden, aan dien gelijkvormig, ■waarin de maagd verkeerde, eer de engel haar dus aansprak: „Vrees niet, want gij hebt genade bij God gevonden.quot;
Zoodanige groetenis dringt alleen in zulk eene ziel, die zich zonder genade, gansch van genade ontbloot, gevoelt en vreest, en alleen door genade kan gelukkig gemaakt worden.
Hoewel er nu velen zijn, die met hunne lippen „Immanuëlquot; zeggen, zoo kan toch niemand met het hart den Heere Jesus z ij n e n Immanuël heeten en Hem als zoodanig begroeten, liefhebben en loven, tenzij het hem van boven gegeven is, d. w. z. tenzij hij door den Heiligen Geest van den Vader geleerd is.
Wie het echter van den Vader leert en hoort, die noemt Hem met dezen Naam alzoo, en ziet daarin zijne gansche zaligheid, en heeft daarin eene rust en eenen vrede, dien hij voor de schatten eener geheele wereld niet prijs geeft; want daarin is al zjjn troost en zieleheil. Diegenen leeren en hooren dezen Naam van den Vader, welke, terwijl zij zich geheel zonder genade en ontbloot van genade gevoelen, ook geheel buiten staat zijn, om weder tot God te komen, evenwel gaarne tot God zouden willen komen, maar niet weten, hoe daartoe te geraken; zij zitten in waren zielenood en zullen alleen dan gelukkig zijn, wanneer zij de gewisheid verkrijgen, dat zij weder tot God gebracht zijn. Zij leeren en hooren het echter van den Vader door de prediking, en die grijpt hen, wanneer het de tjjd der minne is en de vervulde tijd. De tjjd der minne en de vervulde tijd is dan, als zjj zich achter de boomen verscholen houden, wanneer de zonden overvloedig vele zyn geworden, wanneer zij denken: Het baat u alles niets meer, houd maar op, het is toch niets voor u.
En wanneer zij het éénmaal geleerd en gehoord hebben, dan houdt de Heere hen in de leer en in de tucht met alle geduld, en Hij laat hen tot aan hun levenseinde dezen Naam met het hart duidelijk uitspreken, d. i. Hij leert hen in het geloof in dezen Naam hunne hereeniging met God als met de oogen zien en als met de handen tasten.
60
LEERREDE OVER „IMMANUËL.quot;
Deze ia alzoo de goddelijke troost beide in leven en in sterven, die in dezen Naam ligt uitgesproken.
Toen de tijd vervuld was, heeft Grod Zijnen Zoon gezonden, geboren uit eene vrouw. Dit is eene daad Gods, die de duivel niet kan ongedaan maken. God heeft aan dezen Zijnen Zoon, die in des Vaders schoot was, dien de Vader bezat in het beginsel Zijns wegs , die een Voedsterling was bij Hem, dezen Naam Immanuël gegeven. Dit is eene daad Gods, die de duivel niet kan opheffen. God leert door Zijnen Heiligen Geest de Zijnen, Zijnen Zoon met dien Naam te noemen. Dit is eene daad Gods, die in hare macht bij de geloovigen geen duivel zal kunnen verzwakken.
„Immanuëlquot; zegt in onze taal: „God met ons.quot; Immanuël zegt ons dus, dat wij op den Middelaar zien mogen. Niemand heeft ooit God gezien, de eeniggeboren Zoon heeft het ons geopenbaard.
Wat zien wij daar? God met ons! Het geloof durft het nauwelijks te gelooven; nochtans is het waar. De heilige en rechtvaardige God is met den zondaar één geworden. Hij is met Zijn volk, hoe goddeloos, hoe zondig, hoe onrein ook in zich zeiven, tevreden. Hij zelf is de Eerste geweest. Dat was Zijne geweldige liefde. Hij heeft het middel gevonden, om de gansche vijandschap weg te nemen. Er is geene kloof meer tusschen God en den uitverkoren zondaar. Het is alles van Gods zijde gekomen. Hij heeft Zich zeiven verheerlijkt; Hij heeft hierin al Zijne deugden ten toon gespreid. Dat was Zijn welbehagen, Zijn vrij welbehagen in menschen; Hij gaf uit een vrjj voornemen Zijnen vrede. Hij doodde de vijandschap, Hij nam ze geheel weg, de zonde wierp Hij altegader achter Zijnen rug, de geheele schuld wierp Hij in de diepte der zee; den toorn en den vloek hief Hij op; Hij verwierp de aanklachten des duivels; Hij vernietigde hem en den dood, toen Hij Zich tot ons begaf, en met Zijne liefde, Zijn geweldige liefde, werd Hij ons te sterk. Dat zegt ons de Naam: „Immanuël.quot; Welgelukzalig dat volk, dat juichen kan! Wat
61
LEERREDE OVER „IMMANUËL.quot;
zoude ons ook nog in de weg staan, dat wij niet blijmoedig en vroolijk zouden spelen en zingen; Immanuël!
Immanuël, — wat zegt ons alzoo die Naam? Dit: wat ons van God gescheiden hield, dat heeft God Zelf uit het midden weggedaan; wat ons uit den hemel hield, dat heeft Hij weggenomen; wat ons in den dood hield, dat heeft Hij vernietigd; wat ons in de hel hield, heeft Hij verhouwen; wat ons aan de zonde ketende, heeft Hij verbroken; het handschrift, dat tegen ons was, heeft Hij in het vuur geworpen; de prikkel des doods zal ons niet meer verwonden, de overwinning der hel niets meer tegen ons vermogen. Met het oog op Immanuël zingt Gods volk van de overwinning; in de tenten der rechtvaardigen is eene stem des gejuichs en des heils: „Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des Heeren vertellen,quot; Desgenen, die mij verlost heeft.
Immanuël, — die Naam is dus het levenswater voor de dorstigen, is de vrije en geopende fontein, die de inwoners van Jerusalem hebben tegen de zonde en tegen de onreinheid; is de heilfontein, waaruit met vreugde water wordt geschept door alle dochters van Juda, dat het heet: „Deze is onze God, die zal ons verlossen, zoodat de namen der afgoden uit het land uitgeroeid worden, dat men hunner niet meer gedenkt.quot; Uitgesproken is het in dezen Naam, wat God lang te voren beloofd heeft: „Ik zal het verhooren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De Heere is mijn God.\'\' (Zach. 13.) Dat is een Naam, dat al het verloste volk daarvan predike: „Looft den Heere, want Hij heeft Zich heerlijk bewezen;quot; een Naam, dat daarvan juiche en roeme de inwoneres te Zion, een heilige Naam, en een heiligende Naam; groot, wonderbaar groot, eene uitgestorte zalfolie, waarvan de dooden zullen leven en ontwaken en juichen, zij, die in het stof wonen. (Jes. 26.)
Van dezen Naam Immanuël gaat kracht uit, om allen te genezen, die door vele duivelen zijn bezeten en gekweld. Dit is de artsenij voor allen, die doodkrank zijn en door den beet
62
LEERREDE OVER „IMMANÜËL.quot;
der helsche slang zijn vergiftigd. quot;Waar deze Naam wordt genoemd, daar wordt vervuld, wat geschreven staat: „Geen inwoner zal zeggen; Ik ben ziek; want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.quot; (Jes. 33 vs, 24.)
Of ligt dat niet in dezen Naam? Hoe kan het „Immanuelquot; heeten, hoe kan God met ons zijn, zóó met ons zijn, dat wij midden in het gevoel onzer ellende mogen zingen: Die Hij te voren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt? Zoo God voor ons is, wanneer wij vergiffenis van zonden hebben, wie zal tegen ons zijn? Want bij ons was niets dan zonden; is nu God met ons, dan heeft Hij de zonden weggenomen en Yergeven. Nu moge Satan, de aanklager der broederen, ter rechterhand van den rechterstoel staan, om ons aan te klagen nacht en dag, en hij moge recht hebben, — nochtans hij is verworpen, want hier is Immanuël! Dat moet de hel vernemen en terugdeinzen voor zulk een Naam!
Immanuël: God met ons. Is er nog nood, hebt gij nog te vreezen bij dezen Naam, o alle gij treurigen te Zion, gij volk, in wiens harten de gebaande wegen zijn? quot;Waar gij klaagt, dat daarbinnen in het hart alles overhoop ligt, dat in het hart alles verstoord, woest, ijl en ledig is, dat niets dan zonde en dood in het hart zitten, niets dan duisternis op den afgrond ligt. Gij, die in duisternis en schaduw des doods gezeten zijt, ziet omhoog, Hij is het licht des levens! al zegt uw hart louter „neen,quot; laat u Zijn quot;Woord, de daad, dat God met ons is, dat Hij met hen is, die zonder genade zijn en ontbloot van genade, of Hij Zich al verborgen houdt, — gewisser zijn, dan alle twijfel, die u kwelt, omdat gij zoo zondig zijt. Immanuël, — wat zegt het? Yan eeuwigheid heb Ik u liefgehad. Hier is oorzaak, u te verblijden. Is Hij u niet genoeg? quot;Waar Hij met u tevreden is, wilt gij het niet zijn met Hem? Op Hem gezien!
Immanuël, — hoe kan Hij dat zijn ? O Hij heeft onze
63
LEERREDE\' OVER „IMMANÜËL.quot;
krankheden op Zich genomen, Hij heeft onze smarten gedragen ; o Hij neemt onze zonden weg; o Hij neemt den last van ons af en neemt dien op Zich, op Zich neemt Hij onze geheele, onmetelijke schuld; o Hij verbreekt het juk van den schouder en den stok des drijvers! Hoe zijt gij zoo mager, gij kinderen van Immanuël? Moedig den sprong gewaagd in de zee der vrije genade; er is geen gevaar; men valt, men zinkt in de armen van eeuwige ontferming en groote barmhartigheid. Hij is met u!
Immanuël, — hoe kan Hij dat zijn ? o Hij is geworden, wat wij zijn, opdat wij in Hem zouden zijn, wat HÜ is- Zoo is Hij met ons. Hij is ons vleesch en bloed volkomen deelachtig; zoo wil Hij barmhartig zijn, zoo in onze plaats gehoorzaamheid leeren, dat wij Hem gehoorzaam zouden zijn, terwijl Hij tot ons zegt: Houd u aan Mij, blijf in Mij! Hij wil ons melaatschen wel aanroeren en reinigen; Hij wil Zich door ons wel laten aanraken, opdat onze bloedgang opgehouden hebbe. Hij wil de hinkenden behoeden. Dat wij lam zijn, dat wij blind zijn, dat wij tot alle goed geheel onbekwaam zijn, dat wij zoo ziek zijn, zoo verkeerd, zoo weerspannig, zoo murmureerende, zoo vol. waanwijsheid, zoo dood in alles en voor alles, zoo verdraaid, dat wil H|j alles op Zich nemen; zoo wil Hij ons dragen en wil voor alles instaan. Is Hij Immanuël, dan is Hij een blijvende Plaatsvervanger, een getrouwe en algenoegzame Borg.
Immanuël, — God geopenbaard in het vleesch. God en mensch in één Persoon. De gerechtigheid Gods vordert, dat de menschelijke natuur, die gezondigd heeft, voor de zonde betale, en wij, die zondaren waren, konden niet voor ons zeiven betalen, veel minder voor anderen; hier echter is Immanuël. Hij heeft aangenomen eene ware menschelijke natuur, om in onze natuur alles, alles te betalen, de geheele onmetelijke schuld, tot op den laatsten penning.
Hier is Immanuël. Omdat Hij Gode, omdat Hij alzoo den Vader gelijk is, draagt Hij, krachtens deze Godheid, den
64
LEERREDE OVER „IMMANÜËL.quot; 65
last des toorns van God aan Zijne menschheid, verwerft voor ons en brengt ons de gerechtigheid weder, die voor God geldt, en het eeuwige leven. De raensch was Gods schuldenaar; zoo is Hij „1MMANÜquot;, de „M e t o n squot;, en draagt de schuld, verzoent ze en delgt ze uit. De raensch als bloot schepsel moest onder den last van Gods eeuwigen toorn tegen de zonde vergaan; zoo is Hij dan „ELquot;, de „sterke Godquot;, Hij werpt Zich in de vloeden des toorns en al sterft Hij daarbij, Hij dringt door den toorn henen aan het hart des Vaders. Immanuël heeft de eeuwige straf voor ons gedragen, de gerechtigheid, die door de wet gevorderd werd, voor ons verworven, de genade des levens heeft Hij over ons laten komen, Hij bracht ons in Zijnen dood weder tot God; daarom heet Hij in de Gemeente: Immanuël.
Immanuël, — dat is de hemelladder van Jakob. Zij staat op de aarde en raakt met haar top aan den hemel, vereenigt aarde en hemel, en de engelen Gods gaan aan Immanuël opwaarts en nederwaarts, en de Heere staat daar boven op en zegt tot Zijnen Jakob: Ik ben de God van Abraham, uwen Vader. Ik geef u Mijnen Christus. En zie, Ik ben met u, en zal u behoeden; Ik zal u niet laten, totdat Ik alles zal gedaan hebben, wat Ik u gezegd heb.
Immanuël, — deze is de Borg en Middelaar van het verbond, dat God opgericht heeft met Zijn volk, dat „niet Zijn volkquot; en „niet in ontfermingquot; was, maar nu in Immanuël is nabij geworden door het bloed van dit verbond. (Vergel. Hosea 2 vs. 23 en Efeze 2 vs. 13.) En in Immanuël is de hemel nedergekomen op de aarde, en hier staat Zijn genadetroon opgericht, zonder voorhangsel, er is vrije toegang.
Immanuël! In dezen Naam is de hereeniging onoplosbaar en eeuwig vast. Wat in Immanuël vereenigd is, zullen alle duivelen niet scheiden. In Immanuël ligt de gansche liefde Gods uitgedrukt; in Hem heeft deze liefde ons, die Zijnen Naam liefhebben, voor eeuwig zich uitverkoren, heeft ons omstrikt, houdt ons vast, is achter ons henen, blijft bij ons met eeuwige
LEERREDE OVER „IMMAlfUÊL.quot;
trouw, voorziet ons van alle nooddruft; en geene aardsche liefde, geene liefde van bruidegom en van bruid, geene liefde van echtelingen komt aan deze liefde gelijk, en deze liefde wankelt niet; zij wekt hare dooden op, zij doodt den dood en werpt het graf in het graf, dat de hel voor eeuwig moet ter helle zinken, en wat verdorven is, — stierf het in Immanuël — wordt onverderfelijk en gesierd met onsterfelijkheid.
Immanuël! Van Hem zingt en speelt elke geloovige ziel: „De Heere is het deel mijner erve en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot. De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen, ja eene schoone erfenis is mij geworden.quot; (Ps. 16 vs. 5, 6.)
O gij kinderen dezer wereld! Wat hebt gij er dan van, dat gij den vader der leugen, den moordenaar uwer zielen, den verderver zelfs van uw aardsche geluk, van uwe huiselijke en maatschappelijke rust, tot uwen medegenoot en leidsman hebt verkozen, om u langs den breeden weg aan zijne ketenen gekluisterd en in het net des doods verstrikt ter helle te laten leiden? O mocht gij toch, terwijl het nog tijd is, aan den duivel den dienst opzeggen en u aan de voeten van Immanuël nederwerpen, of Hij u tot God zoude willen brengen ! Bij Hem is eeuwige vreugde. Wie Immanuël versmaadt, zal vallenen verbroken worden.
Gij echter, die in nood verkeert, en die als een verlatene en verstootene zijt, over wie alle golven en baren van inner-lijken en uiterlijken nood henengaan, gij door onweders voort-gedrevene —: neem dit Gods-woord op en werp het den vijanden uwer ziel voor: „Beraadslaagt eenen raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; omgordt u, doch wordt verbroken : want G o d i s met onsquot; — Immanuël! (Jes. 8. vs. 10.) Houdt u aan Hem zonder handen, kleeft Hem aan, gelijk gij Hem aankleeft; blijft in de voetstappen der schapen, totdat gjj Hem gevonden hebt, Dien uwe ziele liefheeft. Immanuël, dat is Zijn Naam. „Ziet, Ik ben met u, gij wormken Jakobsquot; — dat is Zijn woord.
66
LEERREDE OVER „IMMANUEL.quot;
Immanuël! 0 wat geheimenissen zijn in dien Naam ontvouwd, — geheimenissen der macht, der godzaligheid en der eeuwige vertroosting, opdat wij in Hem vrede hebben!
God met ons! Welk een leidsman op onzen pelgrimstocht! O, wie is Hij, en wie zijn wij! En toch en nochtans! quot;Wat vraagt gij mij naar den grond mijner hoop, o gij vijand mijner ziel ? Het is eene daadzaak, dat God met ons is. De grond ligt niet in m ij n, maar in Z ij n doen. En nu Hij met ons is, Hij, God, de sterke God, sterk in liefde, sterk in macht, sterk in trouwe, sterk in gerechtigheid, — genezen zal Hij, leiden zal Hjj, dragen zal Hij, en geduld hebben, en Zich erbarmen met hartelijk ontfermen altijd. Ons kan het aan niets ontbreken, wat ons noodig is voor lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid; niets kan ons schaden, niets voor ons te loor gaan, van al hetgeen Hij ons gunt: geen leeuw op den weg kan ons verscheuren of verslinden. Hij is met ons; Hij wilde onder ons Zijne woning hebben, en Hij heeft het gezegd: ,1k zal u niet begeven. Ik zal u niet verlaten,quot; zoodat wij moedig mogen zeggen: Immanuël is mijn Helper.
Immanuël, — dat zij onze leus in het leven ! Immanuël, — dat zij onze grond tegen het beschulc\'igend geweten! Immanuël,— dat zij onze troost in den nood vanwege onze zonden, in het lijden om der gerechtigheid wille. Buig u toch niet neder, o mijne ziel! wat zijt gij onrustig in mij! — zoo spreke een iegelijk, die dezen Naam met zijn harte noemt. Immanuël zal het voorzien. Gaat het in het gericht, Hij gaat mede, Hij blijft bij ons, een trouwe Pleitbezorger. Maakt de hel zich op, Hij stelt Zich tusschen ons en de hel, Hij bluscht hare vlammen uit, de vlammen der zonde, en sluit haar de kaken. Komen er aanklachten tegen ons van den aanklager, Hij treedt voor ons op; terwijl wij slapen, bewaakt Hij ons; wanneer wij wakker zijn, regeert Hij ons tot alle goed door Zijnen Geest; in nood geeft Hij Zijnen engelen over ons bevel, in lijden droogt Hij de tranen af van onze wangen. Eene wolk- en vuurkolom is Hij bij Zijn geliefd volk dag en nacht. Imma-
67
LEERREDE OVER „IMMANÜËL.quot;
nuël overal, waar wij ons bevinden, en hoe wij ons bevinden ; Hij ziet geene zonde in Jakob, en geene verkeerdheid in Israël; Hij reinigt altoos in Zijn bloed. Gaat het met ons in de ellende, — Hij maakt ons beproefd in den oven der ellende. Immanuël is onze vrede, onze vreugde, ons leven, onze schat.
Met de vergeving van alle zonden vertroost Hij Zijn volk altoos, totdat het Zijne ure is, waarop Hij ons niet langer in dit Mesech en in de tenten van Kedar wil laten blijven, maar ons wil huiswaarts brengen, in des Konings paleis, — dan zendt Hij zangers en speellieden en trommelende maagden tot ons, en — wees welkom, liefeljjke eeuwigheid ! — Hij zelf is ook daar. Immanuël van den buik af aan, Immanuël in den ouderdom. Immanuël bij Zijne grijze dienaren. Immanuël bij de zuigelingen, Immanuël in het leven, Immanuël in den dood. Eeuwig, eeuwig zullen wij in Zijn zalig licht, eeuwig, eeuwig voor Zijn aangezicht Zijnen Naam noemen: IMMANUËL. Amen.
Nazang: Psalm 147 vs. 5. i)
Hem, die wat Hij schiep wil hoeden,
En mensch en beest zoo mild blijft voeden,
Hem love, wat Hem gaarne looft.
Waartoe \'t sloven en het draven?
O, \'t schreeuwen van de jonge raven Hoort Hij, wijl Hij ze niet berooft 1 O breng geen werken meê By zulk een volle zee;
7isch haar schatten;
Zoo \'t schepsel leeft En zoo \'t wat heeft,
68
Hij is \'t, die \'t uit Zijn volheid geeft.
1) Deze berijming door H. F. Kohlbrügge is naar het hoogduitach van Matthias Jorissen.
FEESTSTOFFEK
LEERREDENEN
GEHOUDEN DOOR
DR. H. F. KOHLBRÜGGE,
IN LEVEN PREDIKANT BIJ DE NEDERLANDSCH-GEREFORMEERDE GEMEENTE
TE ELBERFELD.
AMSTERDAM, SCHEPFER amp; C°. 1888.
UIT HET HOOGDUITSCH. Tweede herziene uitgave.
II.
Gedrukt ter „Utrechtsche Stoomdrukkerijquot; — Utrecht — Jeruzalerusteeg.
I.
LEERREDE
OYER
M A T T H E Ü S 28 vs. 1.
quot;Voorzang: Psalm 118 vs. 11, 12.
De steen, dien door de tempelbouwers Verachtlijk was een plaats ontzegd, Is, tot verbazing der beschouwers,
Van God ten hoofd des hoeks gelegd. Dit werk is door Gods alvermogen,
Door \'s Heeren hand alleen geschied; Het is een wonder in onz\' oogen;
Wij zien het, maar doorgronden \'tniet.
Dit is de dag, de roem der dagen,
Dien Isrels God geheiligd heeft;
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen, die ons blijdschap geeft. Och Heer! geef thans Uw zegeningen!
Och Heer! geef heil op dezen dag! Och, dat men op deez\' eerstelingen Een\' rijken oogst van voorspoed zag!
Gehouden Paasch-Zondag, 4. April 1847.
LEERREDE OVER MATTHEÜS 28 VS. 1.
„Opstaan, opstaan!quot; dit is het machtige woord van Christus, de machtige waarheid der genade Gods, die zich gehandhaafd heeft en ook zal handhaven tot op den jongsten dag.
Opstanding gebiedt de Heere door het woord Zijner macht; en die te voren dood waren, staan op hunne voeten, een gansch zeer groot heir. Zoo lezen wij bij den Profeet Ezechiel Hoofdst. 37 vs. 1—14.
De duivel is een leugenaar, God is waarachtig. Ik kan niet gelooven, maar God houdt trouw en waarheid, en geeft mij te gelooven, als ik ook niet geloof. Overvloedig doet Hij, boven bidden en denken. De eeuwig wijze raad des Heeren houdt altijd stand, heeft altijd kracht. Wie zal het raadsbesluit Zijner zaligheid keeren? Hoe heerlijk gelukt Hem het voornemen Zijner hand, hoe heerlijk is het Hem gelukt! Belachelijk moge het er uitzien, maar het blijft eeuwig waar: Izak is het kind der belofte, en van al hetgeen hij doet, moet gezegd worden: „het gelukt welquot;; want zijne handen worden gesterkt door den Machtige Jakobs, door den God Israëls, die tusschen de Cherubim woont. Hij heeft met eenen eed gezworen; „Waarlijk zegenende zal Ik u zegenen, en wees een zegen.quot; Hij houdt Zijne beloften; want Hij heeft Zich zeiven Borg gesteld, en op Zijnen grooten Naam laat Hij de vlek niet komen, dat Hij Zijn volk er niet met eere en heerlijk zoude kunnen doorbrengen.
Stilt uwe tranen, gij treurigen te Zion; voor treurigheid en asch is u louter vreugde bereid. Juicht en verblijdt u in uwen God, gij, die kennis van klagen en van kermen hebt! Maakt uwe tenten wijd en de plaats groot, gij onvruchtbaren en die niet baren kunt! Laat ons den Heere en Zijnen grooten Naam roemen, wij die in angsten en nooden geweest zijn, — wat zijn alle verdrukkingen? De Heere heeft alles wel gemaakt! Een iegelijk van ons zegge van ganscher harte: Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jesus Christus, die ons heeft wedergeboren tot eene hoop, levendig door de opstanding van Jesus Christus. Met Hem heeft Hij ons levend gemaakt, ons, die dood lagen in zonden en misdaden. Hij heeft ons alle
4
LEEKREDE OVER MATTHEUS 28 VS. 1.
ouze zonden kwijtgescholden, toen Hij ons met Christus heeft opgewekt; Hij heeft ons den kus Zijns vredes gegeven en ons in Christus rijkelijk, genadiglijk, koninklijk gezegend, in de hemelen hierboven, met alle geestelijke zegeningen. Met Christus zijn wij, toen Hij begraven werd, met al wat wij zijn, met alle werken des vleesches, met alle onze leden, der aarde gelijk gemaakt geworden. Toen droegen wij naar Geest onze straf: „Stof zijt gij, en gij zult tot stof wederkeeren.quot; Onze schuld, onze zonde, onze straf werd begraven in het graf van Christus, mitsgaders alle onze zorgen en alle onze nooden. Wij, wij werden met Hem begraven, geheel zooals wij zijn, en uit Zijn graf kwamen wij met Hem blinkende te voorschijn. Het vleesch is vergaan, het heeft niets meer te zeggen. Het werd in Z ij n verscheurd en verteerd vleesch in het graf gebracht; en nochtans, nochtans, ook dit ons vleesch, in Hem is het opgestaan, — opstaan zal het heerlijk en verheerlijkt, op Zijnen dag. En de macht van Zijne opstanding, hoe machtig is zij werkende in ons, die gelooven, naar de werking, waardoor Hij Zich alle dingen onderworpen heeft, en ook ons vernederd lichaam gelijkvormig maken zal aan Zijn heerlijk lichaam. (Ef. 1 vs. 19; Fil. 3 vs. 21).
Geen rouw meer over het oude paradijs! Geen zoeken meer naar hetzelve! Uitgeworpen den ouden zuurdeesem en het oude liedeken verstaan:
De tweede Adam is ontwaakt Uit graf en doodsnacht vrijgemaakt;
En vormt uit Zijn\' doorstoken zij\'.
De bruid, die eeuwig bij Hem zij!
Ja, als wij den ouden zuurdeesem uitwerpen en gelooven, dan zijn wij eene trouwe bruid. Het is met ons en onze kinderen niet uit en voorbjj; want de Heere is opgestaan, en zoo Hij, dan ook wij. quot;Wij hebben daarbij niet te vragen naar hetgeen wij gewaar worden, maar naar hetgeen Gods Woord zegt, dat wij ons daarop verlaten. Daarom willen wij des Heeren
li
jBamp;i
Eül
I
!
PI
II
Si
m
leerrede over mattheus 28 vs. 1.
heilige en onbedriegelijk getrouwe woorden vóór ons nemen, de waarachtige geschiedenis Zijner opstanding lezen, opdat wij gelooven: „Hij is opgestaan.quot;
Tekst: Mattheus 28 vs. 1.
„En laat na den Sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdalena en de andere Maria, om het graf te bezien.quot;
In het eerste gedeelte van dit vers ligt verborgen; Het doen des Heeren. In het laatste gedeelte van dit vers is openbaar: Het doen der menschen. Betrachten Wij het eene en het andere tot onze leering en vertroosting.
*Tusschenzang: Psalm 40 vs. 1, 2.
\'k Heb lang den Heer in mijnen druk verwacht,
En Hij heeft Zich tot mij geneigd;
Ik riep, door nood op nood bedreigd,
Hij gaf gehoor aan mijne jammerklacht.
Mij , in den kuil verzonken ,
Mij heeft Hij hulp geschonken,
Gevoerd uit modd\'rig slijk;
Mij op een rots gezet.
Daar ik met vasten tred Die jammerkolk ontwijk.
Hij geeft m* op nieuw een danklied tot Zijn eer. Een\' lofzang; velen zullen \'t zien,
En God eerbiedig hulde biên;
Hem vreezen, en vertrouwen op den Heer.
Wel hem, die \'t Opperwezen Dus kinderlijk mag vreezen.
Op Hem vertrouwen stelt.
En, in gevaar., geen kracht Yan ijdle trotschaards wacht;
Van leugen, of geweld.
6
LEERREDE OVER MATTHEUS 28 VS. 1.
I.
In het eerste gedeelte van ons tekstwoord ligt verborgen: Gods doen. „Laat echter na de Sabbatten, toen het begon te lichten, tegen den eersten der Sabbatten.quot; i) — Wonderbare woorden van den Evangelist! Voorwaar, Gij zijt een God, die Zich verborgen houdt, nochtans Israëls Heiland. Had Hij in donkerheid gewoond in het heilige der heiligen, en daardoor Zijne heerlijkheid in het vleesch laten afspiegelen, ook bij Zijne opstanding wil Hij in donkerheid wonen. Met geen enkel woord lezen wij bij één der vier Evangelisten , hoe en wanneer Christus is opgestaan. Zooveel weten wij , dat Christus laat na de Sabbatten , als het begra te lichten, op den eersten der Sabbatten, reeds het graf verlaten had. Is onze Heere in den nacht opgestaan? Neen, Mijne Geliefden! In den nacht lag Hij in het graf. Naar de Schrift is eerst de nacht, dan de dag; de nacht heet in de Schrift avond, en avond en morgen maken eenen dag uit voor Hem, die geen nacht kent, voor Hem, die in een ontoegankelijk licht woont. In de oude schepping was Hij, — en de aarde was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond, en de Geest Gods zweefde broedende op de wateren, — en God zeide: Daar zij licht, en daar werd licht. Maar toen de duisternis was, toen was Hij, en voor dat het licht werd, was Hij.
7
In deze nieuwe schepping was ook de aarde woest en ledig, en duisternis was op den afgrond, toen onze Levenszon in ons graf was. Maar de Geest Gods zweefde over het rijk des doods en der hel, om Jesus uit dooden op te wekken, om het geloof aan het bevel Zijns Vaders met macht in te werken door de wederinblazing van Zijnen Geest in het doode lichaam van Jesus, — en zoo stond Christus op, niet om het nieuwe levenslicht te begroeten, maar de nacht vlood voor Hem weg, — en den nieuwen dag der nieuwe schepping schiep Hij bij Zijn uitgaan uit het graf. Hij, die is, vóór dat dag en nacht waren.
I) Zoo luidt de grondtekst.
LEERREDE OVER MATTHEUS 28 VS. 1.
Zoo verstaan wij het dan nu, hoe des Heeren doen in het eerste gedeelte van ons tekstvers verborgen ligt. Dat de Heere opgestaan is, moeten wij tot onzen troost weten; daarvan worden wij door Hem zelf verzekerd, opdat wij het weten en gelooven. Maar het „hoequot; en „wanneerquot; houdt Hij voor Zich; want daarin heeft Hij Zijne vreugde, dat wij rijkelijk vertroost zijn uit Zijne opstanding, en dat ons de moed gegeven zij, om voor waarachtig te houden, dat wij met Hem opgestaan zijn tot een nieuw leven; dat wij met Hem opgestaan zijn, en al onze zonden , onze vloek, dood en verdoeming, dat dit alles niet meer is, maar voor eeuwig is begraven in Zijn graf; dat wij met Hem opgestaan zijn, wat ons ook in dit jammerdal zoude willen ten onder houden, dat Hij alles overwonnen heeft, ook alles in Zijne hand heeft, dat Hem alles onderdanig geworden is, en dat Hij leeft, heerscht en regeert eeuwiglijk, als een genadig en machtig Koning, die ter Rechterhand der Majesteit is gezeten, en wacht, totdat al Zijne vijanden tot eene voetbank Zijner voeten gelegd zijn. Maar het „hoequot; en „wanneerquot; houdt Hij voor Zich, opdat Hij ons gedurig verrasse met Zijn leven en met Zijn heil, juist dan, als het ons duister is, opdat wij smaken en proeven het heerlijke van Zijn heil, het wonderbare van Zijne verlossing.
Hij hoort altoos het geroep Zijner Gemeente: „Sta op, Heere, tot Uwe rust. Gij en de ark Uwer sterktequot; (Ps. 132); en Hij is altijd de Eerste, met Zijne macht gereed, als wij nog niet eens weten, dat wij te roepen zullen hebben, en het ook bij ons schreeuwen tot Hem niet verstaan, dat Hij reeds de hulp besteld heeft. Het komt ons wel voor, als moest Hij altijd in den nacht opstaan, maar in waarheid is de nacht reeds voor Hem geweken, als Hij opstaat, en Hij maakt het en heeft het gemaakt, dat het licht opgaat op Zijnen dag, den dag, dien Hij ons geschapen heeft.
Hoe liefelijk verschijnt ons nu Zijn verborgen doen, hoe liefelijk zijn nu deze woorden: Laat na de Sabbatten, als het begon te lichten op den eersten der Sabbatten! Ja, het was wel
8
LEERREDE OVER MATTHEUS 28 VS. 1.
laat na de Sabbatten, maar Hij komt nooit te laat; en niemand zal Hem ooit voorkomen. „Ik heb in mijnen druk lang op den Heere gewacht, maar Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord. Hij heeft mij uit eenen ruischenden kuil, uit het slijk opgehaald, en heeft mijne voeten op eenen rotssteen gesteld. Hij heeft mijne gangen vastgemaakt, en heeft een nieuw lied in mijnen mond gegeven, eenen lofzang onzen God; dat zullen velen zien en den Heere vreezen en op Hem vertrouwenquot;, (Ps. 40 vs. 1—4.) Zoo heeft de Heere zelf geroemd, zoo geeft Hij ook ons te roemen, die Zjjne opstanding en Zijne hulp boven alles waardeeren.
Laat na de Sabbatten was het voorzeker! Veertig eeuwen hadden reikhalzend naar dezen dag des Heeren uitgezien en hadden dien niet beleefd, wel van verre gezien, en hadden moeten gelooven, wat zij niet gezien hebben. Maar de Sabbatten, die zij hadden te vieren, behaagden hun niet; die behaagden God Zelf niet, die waren een hard juk; de vaderen konden het niet dragen, en zij hebben zich tevreden moeten stellen met dezen troost: de eeuwige Sabbat, de ruste Gods, komt nochtans.
Nu was het zeker laat, maar laat naar onze rekening; de Heere daarentegen staat op ter Zij ner tijd, en Zijn tijd is altoos de meest geschikte. Want dat is Zijn tijd, als de maat der ongerechtigheid, der zonden en der overtredingen, zooals ook de maat des lijdens, der nood en der aanvechting vol is, daar is het dan Zijn tijd, dat de waarheid Zijner genade vervuld worde, gelijk geschreven staat: De wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is ook de genade veel meer overvloedig geweest ; — ook de waarheid Zijner hulpe; want al zoude het ook tot over ons veertigste jaar duren, of tot aan het honderdste jaar, hoe is toch alle wachten en zorgen vergeten, als de Heere ons den steen Eben-Haëzer stelt: Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen!
Het zij dan laat geworden na de Sabatten, toen onze Heere
9
LEERREDE OVER MATTHEÜS 28 VS. 1.
uit het graf opstond, Hij heeft nochtans het licht laten aanbreken op eenen eersten der Sabbatten. Ik zeg, dat Hij op denzelven het licht heeft laten aanbreken; want Hij was reeds uit het graf, en Hij liet het lichten op eenen eersten der Sabbatten, om daaruit eenen dag te maken, eenen eeuwigen dag Zijner rust, opdat wij, in dezelve rust ingegaan zijnde, dezen dag beleefden, den eenen dag der week voor, den anderen na
Mijne Geliefden! Wij hebben Gods Sabbatdag gebroken. Toen de Ileere God hemel en aarde, de zee en al wat daarin is, en ook ons geschapen had, ziet, toen was alles zeer goed, — maar wat zeer goed was, dat was alles spoedig daarna volstrekt niet meer goed , doordien wij door onze moedwillige overtreding deze geheele schepping verstoord hadden.
Sedert is het ons en onzen vaders onmogelijk geweest, om Gode ook maar éenen waren Sabbat te houden; want wij en onze vaders gingen met werken om, om door onze werken de verstoorde schepping weder te herstellen; daarbij konden wij echter geene rust vinden, noch ook in Gods rust weder inkomen. Ons geheele leven bestond uit werkdagen, en er kwamen geene rustdagen, maar wij oogstten steeds op nieuw Gods toom in, en ons werk was steeds verloren. Dat kwam daaruit voort, dat de dood daartusschen lag, ons algeheel afgescheiden-zijn, — toen was onze gezindheid vleeschelijk, was vijandschap tegen God, onderwierp zich daardoor aan de Wet Gods niet, vermocht het ook niet; want het moest van nu af aan alles overeenkomstig den Geest der genade ingericht zjjn, en daarvan hadden wij zoo weinig begrip, dat wij veeleer daarbij volhardden: Alles, wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen.
De gevolgen daarvan zijn geweest, dat ons arbeidsveld vervloekt is om onzentwil, om ons doornen en distelen te dragen; dat het brood, dat wij ons zeiven bakten, door ons in het zweet onzes aanschijns gegeten werd; dat al ons zwan-ger-zijn, hoewel schijnbaar tot Gods eer, onder duizenderlei
10
LEERREDE OTBIR MATTHEUS 28 VS. 1.
smarten uitliep op eene geboorte dw ongerechtigheid en der hel; dat onze lichamen in de woestijn vielen; dat ons zoo fraai opgebouwd Jerusalem, nadat het lang genoeg een zetel der afgoden geweest was, meer dan eens verwoest werd, — en wij werden verkocht onder de zonde.
Het is de goedertierenheid en lankmoedigheid Gods, dat wij bij dit alles niet verteerd zijn, niet omgekeerd zijn als Sodom en Gomorra.
Maar wanneer de goedertierenheid van God onzen Zaligmaker en Zijne liefde tot de menschen verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid , die wij gedaan hadden, maar naar Zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes, welken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jesus Christus, onzen Zaligmaker, opdat wij, gerechtvaardigd zjjnde door Zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hoop des eeuwigen levens. Dit is een getrouw woord. (Tit. 3 vs. 4-8.)
Toen het de tijd Zijner liefde was, heeft Hij eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde geschapen, eenen nieuwen mensch geschapen naar Zijn beeld, in volkomene gerechtigheid en heiligheid voor Hem, en heeft ook een nieuw verhond met hem gemaakt: Gij zijt Mijn zoon, en Ik ben uw God. En toen God deze schepping zag, was Hij met alles verzoend-Hij schiep met eenen eed vrede en zegen, eenen eeuwigen Sabbat; Hij heeft Zijnen lust van eeuwigheid tot eeuwigheid in het werk van Zijne doorboorde handen.
De Heer van den Sabbat heeft voor ons den Sabbat gehouden, den Sabbat opgericht, toen Hij rustte in Zijn graf. In Zijn graf schiep Hij voor ons den eeuwigen Sabbat. Mjjne Geliefden, er liggen wonderbare verborgenheden der godzaligheid in dit stuk.
De Evangelist Mattheüs heeft zeker nauwkeurig den tijd willen aangeven, wanneer de vrouwen zich naar het graf van Jesus begaven; maar hoewel hij het niet zegt, zoo geeft hij
11
12 LEERREDE OVER MATTHEUS 28 VS. 1.
het toch te verstaan, dat Jesus het graf reeds verlaten had. Daar hij door den Heiligen Geest gedragen schreef, zoo moet hij wel in dezen Geest den geheelen omvang van het doen onzes Heeren voor zijnen geest hebben gehad. Jesus was dus reeds opgestaan, en toen begon het te lichten op den eersten der Sabbatten.
De eerste dag der schepping, welke eigenlijk maar een dag was, waarin alle andere dagen opgesloten lagen t was in nacht en duisternis veranderd door de ongehoorzaamheid van Adam. Of het al naar het zichtbare dag bleef, — wat hielp dat, waar toch duisternis en nacht op de zielen van alle vleesch lag, en de duisternis den Heere God schuwde en voor God vlood, en met hare werken God, die Licht is, haatte?
Christus heeft gezegd; „Ik ben het Licht der wereld,quot; en: „Niemand komt tot den Vader, dan door Mij,quot; en: „Ik zal u rust geven voor uwe zielen.quot; Maar de mensch stond Gode in den weg, want hij haatte het waarachtige Licht, God, en hij had de duisternis lief; en zijn dood stond Gode in den weg, want de mensch stond met den dood en den duivel in verbond, om louter werken der duisternis te bedrijven. Zoo kon dan het licht in zulk eene duisternis niet schijnen, om de duisternis te verdrijven en hare werken te verstoren; want de mensch moest naar de wet alles weder herstellen, niet alleen door te sterven, maar ook daardoor, dat hij zich zeiven weder opwekte tot het leven, tot het licht, en tot de ruste Gods.
Maar nu hebben wij door de genade en ontferming Gods den Middelaar Gods en der menschen, den Mensch Christus Jesus.
Deze heeft de geheele Wet Gods gekend en in Zijne ingewanden gehad.
Deze heeft Zich in onze duisternis, in onzen dood vrijwillig begeven. In Zijnen dood heeft Hij den ouden Adam, die niets van het licht en van de rust wilde weten, en derhalve ook niet tot de rust komen kon, laten sterven. Hij heeft den ouden Adam, die den Geest niet had, met al zijne werken,
LEERREDE OVER MATTHEÜS 28 YS. 1.
zjjn denken en willen, met al zijne begeerten, met huid, vleesch en alle beenderen, met hart, hoofd en verstand, zooals wij leven en zijn, met Zich in het graf genomen, en heeft hem aldaar begraven; Hij heeft ook in dit graf den ouden Adam laten liggen, zoodat die nooit weder kan opstaan. Hij zelf is echter uit Adams dood weder opgestaan, en nadat Hij in Zijnen dood alles weder in het recht gebracht heeft, wat in den hemel, op de aarde en onder de aarde is, is Hij, de Heere, uit het graf opgekomen met eenen nieuwen mensch, in Hem geschapen naar God, geheel volkomen toebereid, om werken te doen, die in God gedaan zijn, geheel volkomen geschapen, om in Zijne nieuwe schepping voor eeuwig te blijven, en met vreugde te genieten de viering van Zjjne eeuwige rust.
Zoo liet Hij dan, nadat Hij uit het graf was gegaan, met welbehagen het licht opgaan, op eenen eersten der Sabbatten. Hij liet den eeuwigen Zondag aankomen, Hij, de Zon der gerechtigheid, en in dezen Zondag zijn al onze levensdagen ingesloten, zijn wij wedergeboren en nieuw geschapen, een nieuwe mensch in Hem, zooals wij leveft en zijn, met huid, vleesch en alle beenderen, hart, hoofd en verstand, handen, voeten en alle leden. In Zijne nieuwe schepping, — in de ruste Gods, die Hij ons geschapen heeft, — hebben wij nu eenen dag, eenen eeuwigen dag, waarop geen nacht meer volgt, gelijk weleer. Dit, dit is de dag des Heeren. (Vergel. Openb. 21 vs. 23, 24; 22 vs. 5.)
Zie hier eenige verborgenheden van de macht der opstanding van onzen Christus, van het doen onzes Heeren, verborgen en nochtans openbaar gemaakt in eenige weinige evangelische woorden.
n.
In eenige weinige evangelische woorden zulk een schat van den ondergrondelijken rijkdom der liefde Christi, zulk een eeuwige troost van de macht Zijner opstanding; en daartegen hebben wij menschen duizendmaal een „maarquot;, duizendmaal
13
LEERREDE OVER MATTHEÜS 28 VS. 1.
een „maarquot; tegen het „nochtansquot; van de waarheid des Gezalfden! Of kunnen wij het gelooven? Laat ons toch leeren uit het gedrag der vrouwen, hoe waarachtig des Heeren woord is: Uit het hart des menschen komt voort „onverstandquot;! (Mark. 7 vs. 22.) Wij lezen verder in onzen tekst: „Maria Magdalena kwam, en de andere Maria, om het graf te bezien.quot; De Evangelist Markus bericht ons, dat Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht hadden, en dat zij kwamen om den Heere te zalven, en dat zij tot elkander zeiden: „Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen?quot;
Ik weet wel, dat wij dit alles zoo onnadenkend kunnen lezen, dat wij ten hoogsie bij deze of gene zorg van dit leven wel eens aan de woorden denken: „Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen?quot; Maar wij moeten voor ons ge-heele leven de hand in den boezem steken en ons zeiven onderzoeken en beproeven, dan zullen wij het verstaan, dat wij het dagelijks evenzoo maken, als de vrouwen het hier gemaakt hebben. Daarom heet het ook: Evangelie, — Evangelie van Mattheüs, Evangelie van Markus, enz. Dat moet ons wel duizendmaal gepredikt worden; want wij blijven het nooit indachtig, dat het alles des Heeren genade en trouw is, maar dat wij altijd vol onverstand en hardheid des harten zijn.
De vrouwen wilden dus het graf bezien, zij wilden zien, hoe alles daar uitzag, sedert zij het Vrijdagavond verlaten hadden. Zij waren alleenlijk vol bezorgdheid, hoe zij den grooten zwaren steen van het graf krijgen zouden, en ware de steen eenmaal op zijde gewenteld, dan wilden zij den Heere zalven. Nu vraag ik u, Mijne Geliefden, wat is dat toch voor een allerheiligst geloof geweest, dat deze vrouwen gehad hebben? Zij hebben dus werkelijk geloofd, dat Jesus in het graf zou blijven liggen, wellicht tot aan den grooten dag der opstanding? Ach ja, dat hebben zij geloofd; maar welk een geloof was het dan, dat al de woorden des Heilands zoo gausch
14
LEERREDE OVER MATTHEUS 28 VS. 1.
vergeten kon? Hoe dikwijs had Hij toch gezegd: „Des men-schen Zoon zal ten derden dage opstaan.quot; En, let eens op, welk eene vrouw was het, die hier allen anderen voorging ? Zij was Maria Magdalena. Mij dunkt, als ik toch van zeven duivelen bezeten ben geweest, zooals zij te voren daarvan was bezeten geweest, en de duivelen zijn uit mij uitgedreven, ik heb mij dus boven alle anderen schrikkeljjk ellendig, verdorven en zondig gevoeld, en ben nu op eens gansch wonderbaarlijk en onverwachts daarvan verlost, dan moet mijn hart toch zoo van dankbaarheid overvloeien, dan moet ik toch zulke vatbaarheid voor eeuwige waarheden gekregen hebben, dat ik toch zou weten, dat Gods zaak niet in den dood kan blijven liggen; dan moet ik het toch wel met mijn gezond verstand kunnen berekenen:
Al ligt de waarheid in het graf:
Al wat haar drukt, moet van haar af!
Dan, dunkt mij, moet ik toch oor en hart hebben voor alle dierbare woorden van mijnen grooten God en Heiland; dan moet ik wel daarin vast zijn: . Christus kan niet slapen, al slaapt Hij ook; Hij kan niet dood zijn, al is Hij dood. Hij moet zegepralend uit het graf weder te voorschijn komen. Is het ééne waar, dan ook het andere. Die in den hemel woont is getrouw. Verlaat ik mij met mijne ziel op Zijne woorden in dit stuk, dan ook in alle stukken. Heeft Hij mij van de duivelen kunnen verlossen, en heeft Hij onzen Lazarus opgewekt, heeft Hij gezegd: „Ik ben de Opstanding en het Leven,quot; zoo zal Hij ook wel uit de dooden opgewekt worden. quot;Wat zal ik zeggen, Mijne Geliefden? Zekerlijk, alzoo moest het zijn, maar helaas! het is niet alzoo, en wij moeten er wel in alle opzichten mede tevreden zijn, dat de Heere gezegd heeft: „Mijne genade zij u genoeg. Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.quot;
Maria Magdalena had evenveel vorderingen in de geestelijke kennis gemaakt, als de koning David, anderszins een Profeet, liefelijk in psalmen van den God Israels. Bijna in eiken
15
LEERREDE OVER MATTHEüS 28 VS. 1.
16
psalm profeteert hij van de opstanding Christi, en juist deze Profeet dacht menigmaal van den Heere, dat Hij zoo vast sliep, dat Hij het geheele gebouw der zaligheid, dat Hij zelf gebouwd had, zonder het te merken boven Zijn hoofd zou kunnen laten afbranden. Daarom komt in zoo vele psalmen voor: „quot;Waak op, Heere! Heere, sta op! Heere, hoort Gij niet?quot; En wederom dacht hij, dat de Heere zoo dood was, dat hem niets zoude kunnen uithelpen uit het graf, en toen heette het; .,Heere, zijt Gij dood? Waarom stelt Gij U als dood tegen mij?quot; En dan dacht hy weder, dat het den dood en het graf nog mogelijk ware, hem in hunne macht te krijgen; zoo geloofde hij dan niet, dat dood en graf verslonden waren in de overwinning van Christus, waarvan hij toch in dezelfde ure van zijn versaagd-zijn wederom profeteerde. En zoo als David was, die meende, dat hij eindelijk toch nog door de hand van Saul zoude omkomen , ofschoon hij door den Heere tot koning gezalfd was, — zoo waren ook al de Profeten, als het er om ging, zoo was voor allen Abraham, de vader der geloovigen. Deze wist ook van de opstanding van Christus, totdat hij naar den koning Abimelech moest, toen had hij het weder vergeten. En Izak had op Moria aan zijn eigen lichaam in een beeld de opstanding Christi ervaren, maar was daaraan ook niet meer gedachtig, toen hij naar hetzelfde hof ging, waar ook zijn vader geweest was. (Gen. 26 vs. 7.) De list om te zeggen: „Zij is mijne zuster!quot; had hij wel van zijnen vader onthouden, om die zelf te bezigen, maar wat de oude getrouwe God voor zijnen vader gedaan had, ja, of dat ook voor hem gold?! En nu, gelijk de oudvaders zoo ook de jongere vaders; zoo Petrus, Jakobus en Johannes en zoo velen als er met hen in het schip waren op de onstuimige zee, toen Jesus sliep. Zij hebben toch allen stellig geloofd, dat zij met den slapenden Jesus zouden kunnen omkomen en in de diepte verzinken. En zoo was het dan ook hier op nieuw met de goede vrouwen. Daarom moet ons juist het lieve Evangelie zoowel van de kruisiging als van de opstanding onzes Hoeren en trouwen Zaligmakers zoo lief en dierbaar zjjn ;
LEERREDE OVER MATTHEUS 28 VS. 1.
want waar het er om gaat, daar vlieden de discipelen. Waar het kruis staat, daar staan zij van verre en zien het aan; en waar Hij in het graf ligt, daar willen zij Hem altijd in het graf laten blijven, willen Hem zalven en alsdan hunnen weg gaan, totdat God iets nieuws schept, Hij , die toch alléén de dingen roept, die niet zyn, alsof zij waren.
O, hoe troostelijk is het, dat, waar de lieve Evangelisten hunne Evangeliën sluiten, zij juist daar de volle maat van het onverstand, van het ongeloof, van de hardheid des harten, van de versaagdheid der discipelen des Heeren aan den dag leggen. De Heere heeft het niet gewild, dat zij er in het breede over zouden uitweiden, met welke macht, of hoe en wanneer onze Heere uit het graf is gekomen, wat in den hemel daarbij is voorgevallen, wat voor den troon is geschied, wat Adam en Eva, wat Habel, Henoch , Noach , Sem, Abraham , David , Salomo , Jesaja , Manasse gezegd hebben, toen van het kruis gehoord werd : „Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen Geest.quot; Seen, — een moordenaar aan het kruis, ruwe soldaten onder het kruis zijn bekeerd geworden, eene vrucht der voorbidding van Christus. Zulks moeten wij tot onzen troost weten. En nadat ons dit gemeld is, zien wij de vreesachtigen en moedeloozen toestroomen, eenen Jozef van Arimathea, — Nicodemus komt ook terecht, — en eindelijk de Maria\'s en Magdalena\'s en Salome\'s, voorts de Petrussen en Johannessen, louter ongeloovigen, als het er om ging, anders zoo dierbare zielen. Zij behoorden (volgens Hebr. 5) reeds lang leeraars te zijn, zoo lang hadden zij den Heere gehoord en het vernomen : „Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft hetzelve alleen, maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voortquot; (Joh. 12 vs. 24); en zij hadden waarlyk wel noodig, dat hun de eerste beginselen van Gods Woord geleerd werden, dat hun melk en niet vaste spijze gegeven werd. Zij , die als Joden en Jodinnen van hunne jeugd aan de Schriften gelezen hadden en daarin onderwezen waren, wisten nog de Schriften niet, dat Jesus van de dooden moest opstaan.
17
2
LEERREDE OVER MATTHEUS 28 VS. 1.
Daarin heeft de Heilige Geest Zijn wonderbaar welgevallen, daarin hadden de Evangelisten hun genoegen, om ons zulks bekend te maken, opdat wij toch den troost daarvan tot ons zouden nemen, dat wij bij alle gevoel van tot niets te deugen, den moed niet behoeven op te geven, als ware het daarom met onze zaligheid uit, omdat het met ons uit is; — ook dien troost, dat het den Heere behaagd heeft, om Zijne lieve discipelen naar waarheid voor ons af te schilderen , opdat wij zouden weten en verstaan, welk een volk Hij Zich ten eigendom heeft gekocht, en hoedanigen zij zijn, wier Hij Zich niet schaamt. Wij zullen weten, dat Jesus zulk een hart heeft, hetwelk het eerst na Zijne opstanding daarop uit is geweest, om Zijne versaagde discipelen door Zijne persoonlijke verschijning te vertroosten, ja ook Zijnen Petrus te troosten, en dat Hij, zulk een hart hebbende, het ook nu nog weet, wat maaksel wij zijn, en gedachtig is, dat wij stof zijn.
Hij is alléén opgestaan, niemand heeft Hem geholpen. Noch de grafsteen, noch de harde rots hebben Hem kunnen terughouden. Hij is het, die ons nu den nieuwen, eeuwigen dag des heils heeft geschapen, en omdat Hij opgestaan is, zijn alle zware grafsteenen afgewenteld, en wij zullen het in al onze nooden ervaren, hoe machtig Hij Zich zal betoonen te zijn een Koning der eere, een getrouw God en Doorhelper.
Laat ons van ons zeiven bekennen, wat wij zijn. Hel ligt niet in het vleesch, om Zijne quot;Wet en Zijn Woord voor waarachtig te houden. Het geloof, dat in Jesus alle opstanding is, kunnen w\'ij evenmin in gedachtenis houden, als Timotheüs dit vermocht. Vernemen wij echter het apostolische gebed: „De God van onzen Heere Jesus Christus, de Vader der heerlijkheid, geve u den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijne kennis; naraeljjk verlichte oogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijne roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijne erfenis in de heiligen; en welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloo-ven, naar de werking der sterkte Zijner macht, die Hij ge-
18
lebrrede oyer mattheus 28 vs. 1.
wrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt, en heeft Hem gezet tot Zijne Kechterhand in den hemel.quot; (Ef. 1 vs. 17—20.)
Hem zij de dank en de eer, die alles alzoo gewrocht heeft in Christus, toen Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt. Voor Hem is niets te wonderbaar. Volharden wij slechts eenvoudig bij Zijn gebod, zooals wij het verstaan, en zooals Lukas de Evangelist van de vrouwen getuigde: „Maar op den Sabbat rustten zjj naar het gebod.quot; De hoop, welke levend is door de opstanding van Christus, beschaamt niet. Daarop zegge een iegelijk onzer: Dat is gewisselijk waar! Amen.
*Nazang: Psalm 68 vs. 10.
Geloofd zij God met diepst ontzag!
Hij overlaadt ons , dag aan dag,
Met Zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid !
Wie zou die hoogste Majesteit Dan niet met eerbied prijzen ?
Die God is ons een God van heil;
Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,
Ons \'t eeuwig zalig leven ;
Hij kan, en wil, en zal in nood,
Zelfs bij het nadren van den dood,
Volkomen uitkomst geven.
19
II.
LEERREDE
OVER
JOHANNES XX vs. 1 — 18.
Voorzang: Psalm 30 vs. 1 , 2, 3.
Ik zal met hart en mond , o Heer ! Uw Naam verhoogen en Uw eer,
Dewijl Gij mij Uw bijstand boodt, Mij optrokt uit den diepsten nood ; Zoodat de vijand, in mijn lijden..
Zich over mij niet mocht verblijden.
Mijn God! Gij hebt mij, op mijn klacht, Genezen, en mijn smart verzacht; Gij hebt mijn ziel, door angst beroerd , Als uit het graf weer opgevoerd;
Gij hebt het leven mij geschonken,
Ik ben niet in den kuil gezonken.
Psalmzingt, Gods gunstgenooten! geeft. Geeft lof den Heer, die eeuwig leeft Zijn vlekkelooze heiligheid Zij ter gedachtenis verbreid: Een oogenblik moog ons doen beven;
Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.
Gehouden op Paasch-Maandag , 9. April 1849.
leerrede over, johannes 20 vs. 1 — 18. 21
De Heere is verhoogd, hoog en verheven. Hjj alleen word verhoogd, en alle vleesch zwijge voor Zijn aangezicht. Ziet, deze is onze groote God en Verlosser, Hij zal ons zalig maken. Met onzen roem is het uit. Hij alleen heeft alles gedaan en zal alles doen, wat te doen is, om Zijns groeten Naams wille. Wij zullen Hem steeds met onze zonden in den weg gestaan en met onze ongerechtigheden vermoeid hebben. Ach, dat een mensch toch eens wilde ophouden zelf het roer, zelf het schip van zijne zaligheid te sturen, hoe rustig en zonder gevaar zoude hij door alle blinde klippen henen drijven op den machtigen stroom, die wel weet, waar hij heen moet. Maar neen, iets te willen zijn en te beteekenen, dat is het vleesch eigen. Hier deugd, daar deugd; hier werk, daar werk; hier wat heiligheid en Gode-gelijkheid, daar wat heiligheid en Gode-gehjkheid; groote inbeelding van zich zeiven, dat men nog iets doen kan en doen moet, en als het er om gaat, komt er toch niets van als louter onverstand, verkeerdheid, blindheid, innerlijke boosheid en vijandschap , al heeft men zich dan ook nog zoo lang op paapsche wijs met werken afgetobt. De Heere evenwel breekt bij de Zijnen wel alles af, roer en mast, zoodat zij volstrekt niets meer vermogen, volstrekt niet meer weten, waar het heen moet, — en juist dan gaat het goed, juist dan komt men daar, waar men zijn moet.
Tekst: Johannes 20 vs. 1—18.
„Eq op den eersten dag der week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag den steen van het graf weggenomen. Zij liep dau , en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jesus liefhad, en zeide tot hen ; Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben. Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf. En deze twee liepen te gelijk ; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus , en kwam eerst tot het graf. En als hij nederbukte, zag hij de doeken liggen, nochtans ging hij er niet in. Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf,
LEERREDE OVER JOHANNES 20 VS. 1 —18.
en zag de doeken liggen. En deu zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in eene andere plaats samengerold. Toen ging dan ook de andere discipel er in, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het, en geloofde: want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de dooden moest opstaan. De discipelen dan gingen wederom naar huis. En Maria stond buiten bij het graf, weenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf; en zag twee engelen in witte kleederen zitten, eenen aan het hoofd, en eenen aan de voeten , waar het lichaam van Jesus gelegen had. En die zeiden tot haar: Vrouw! wat weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijnen Heere weggenomen hebben , en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben. En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jesus staan; en zij wist niet, dat het Jesus was. Jesus zeide tot haar: Vrouw! wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, meenende, dat het de hovenier was, zeide tot hem: Heer, zoo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Jesus zeide tot haar: Maria! Zij zich omkeerende, zeide tot Hem : Rabbouni! hetwelk is gezegd. Meester. Jesus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijnen Vader; maar ga heen tot Mijne broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijnen Vader en uwen Vader, en tot Mijnen Grod en uwen God. Maria Magdalena ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had.quot;
Het is een liefelijk, moedgevend, vroolijk makend Evangelie, dat uwe aandacht hier voor zich heeft. Gij ziet hier een ledig graf; de groote zware steen, die er zoo even nog voor lag, is afgewenteld; gij ziet hier doeken, waarin een lijk gelegen heeft, ordelijk te zamen gevouwen, maar niet door menschen-handen; gij ziet een zweetdoek, niet bij de doeken gelegd, maar bijzonder in eene andere plaats te zamen gerold. — quot;Welk een heerlijke morgen in dezen hof van Jozef van Ari-mathea! Alles ademt rust, geen vijand is bij bet graf, het graf is open, een ieder mag er in zien en zich daarvan overtuigen; Neen, in het graf is Jesus niet!
Waar kan Hij dan zijn? quot;Wat is van Hem geworden? Dat zullen drie beproefde geloovigen ons zeggen.
22
LEEKREDE OVER JOHANNES 20 VS, 1—18.
Vooreerst eene heilige vrouw, Maria Magdalena. Zij heeft veel ervaren, veel doorgemaakt; zij is van zeven duivelen bezeten geweest, welke allen door den Heere Jesus werden uitgedreven; sedert dat oogenblik heeft zij den Heere steeds gevolgd; men zou zoo zeggen, in die twee of drie jaren, dat zij met den Heere verkeerd en Hem gehoord heeft, zal zij wel meer gevorderd zijn, dan één onzer, die eenen weg van veertig jaren achter zich heeft. Buitendien, welk een vuur en welk eeno liefde zien wij in haar; welk een verlangen om den Heere Jesus gevonden te hebben, opdat zij Zijn lichaam zalve. Zij zal het onmogelijke op zich nemen; heeft zij het lichaam maar gevonden, zij wil het op de schouders nemen en in veiligheid brengen, zoo ver mogelijk.
Ja, dat was nu wel, dunkt mij, eene heilige vrouw! die had wel eene echte liefde voor den Heere Jesus! O, dat wij ook zulk een hart hadden, dan zouden wij wel geheel andere menschen zijn! Maar ach, wij blijven altijd dezelfden; heden koud, morgen nog kouder, en zijn dus gansch verkeerde en murmureerende schepselen. Welaan, ik zal naar deze heilige vrouw gaan, die uit liefde tot den Heere zulk een verbroken en verslagen hart heeft, wier oogen rood geweend zijn van louter droefheid, omdat zij gaarne den Heere hebben wilde, — ja, wier hart bijna van angst zoude breken om des Heeren wil; deze heeft liefde voor den Heere. Ik zal haar vragen, waar de Heere gebleven is? Wat antwoordt zij mij? „Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben!quot;
Maar eene vrouw is toch ook altijd vol onverstand, zij overdrijft alles; dan is zij in den hemel, dan ligt zij in den afgrond. Ik zal tot eenen bezadigden, verstandigen man gaan, die het toch ook wel bewezen heeft, dat hij bij Maria Magdalena in ijver voor den Heere niet achterstaat; die zich buitendien in eenen toestand bevindt, waarin het hem voor de rust van zijne ziel alles waard moet zijn, om te weten, waar de Heere gebleven is; die zijne algeheele verdorvenheid thans even goed als Maria Magdalena heeft leeren kennen. Hij, die eens zeide: „Heere, waar zouden wij heengaan ?quot; kan nu
23
24 LEEUREDE OVER JOHANNES 20 VS. 1 —18.
nergens meer heen, als hij niet weet, waar de Heere is. Ook is hij er zoo dikwijls getuige van geweest, dat de Heere Jesus dooden opgewekt heeft. Deze man zal mij zeker uitsluitsel geven. O, welk een heilige man is deze Petrus! Was ik maar zoo als hij! — Maar hoe gaat hij toch zoo langzaam ? Ligt er iets op zijn hart ? Vroeger was hij zoo driftig in alles. Maar wacht, daar komt Johannes, de discipel bij voorkeur, de discipel, dien de Heere liefhad, en die in zijn karakter het meest van allen op den Heere geleek. Welk een hemelsch verstand moet deze man wel hebben! Ook hij was steeds getuige van de machtige daden des Heeren. Daar gaat hij naar het graf, bukt neder, ziet de doeken liggen, — en hij gaat er niet eens in, om met zijn adelaarsblik te zien, of dan niet wellicht het lichaam op eene andere plaats gelegd is! — Dus Johannes! ook gij laat mij nu zonder uitsluitsel? Waar moet ik dan toch heen? — Maar, daar loopt Simon Petrus hem na, — God dank! hij gaat in het graf; ook hij ziet de opgerolde , doeken, en den zweetdoek op eene bijzondere plaats liggende. Petrus, wat zegt gij ? Ach, hij antwoordt mij niet; hij weet niet, wat hij zeggen moet. Gelukkig! daar gaat Johannes ook in het graf, — nu zal hij het vinden! Wat zegt gij, Johannes? „Ik geloof, wat Maria gelooft,quot; antwoordt hij, „zij hebbenden Heere gestolen.quot; Maar hoe kunt gij nu zoo onverschillig daaromtrent zijn ? Kunt gij dan nu naar huis gaan ? Hebt gij dan niet eens dien ijver voor den Heere Jesus, welken de vijftig mannen uit de zonen der profeten voor Elias hadden, om hem te zoeken, en al ware het ook drie dagen, totdat gij Hem gevonden hebt? Maar antwoordt mij: Wat zegt dan toch de Schrift? Staat er niets geschreven, dat ons troost kan geven in dezen toestand, opdat wij weten, wat dat toch beduidt, dat de Heere niet meer in het graf is? — Wij hebben den Bijbel dikwijls gelezen; maar, dat wij in zoodanig een toestand zouden komen, daaraan hebben wij nimmer gedacht, daarom weten wij waarlijk niet écne spreuk, die bijzonder voor ons zoude zijn.
Dan moet ik met Maria Magdalena bij het graf blijven. In
LEERRKDE OVER JOHANNES 20 VS. 1 —18.
mijne woning vind ik Hem toch ook niet; daar is het lichaam niet, dat weet ik al te goed; het is mij daar ook al te benauwd! Nog eensi in het ledige graf gezien, — wie weet, misschien ligt Hij toch nog in een hoek. Vind ik Hem niet, ja, dan ween ik mij dood! Wat zie ik? Twee engelen in witte kleederen, de een zittende aan het hoofd, de ander aan de voeten, waar het lichaam van Jesus gelegen had. Maar wat helpt mij dat? Ziet gij dan niet de ledige plaats, waar het lichaam gelegen heeft ? Daar ligt niets meer ! — Maria, — de boden Gods zeggen totu; „Vrouw ! wat weent gij ?quot; Luister, wil dat niet zeggen, dat wij geene oorzaak hebben, om te weenen? Vraag hen: waar is Jesus? Hoe, ziet gij die blinkende kleederen niet? Kunt gij hier nog antwoorden ; „Zij hebben mijnen Heere weggenomen, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben?quot; Voor wien houdt gij dan den Heere, dat gij meent: de engelen zouden Hem hebben laten stelen? Maria, — wat maakt de droefheid ons toch onverstandig! Waar gij toch zulke schitterende boden ziet, zal daar het hart ook niet eenig licht bekomen? Wie weet, — misschien staat de Heere levend achter ons!
Daar staat een man in den hof. Hij ziet naar u heen. Wie zou dat zijn? Gij keert u om, gij ziet hem, — hoe? kent gij Hem niet? Hij gelijkt volkomen op Hem, die van u de zeven duivelen uitdreef. Hij zegt hetzelfde, wat zoo even de engelen tot u zeiden: „Vrouw! wat weent gij? Wien zoekt gij?quot; Het is de stem van onzen Liefste! Geene oorzaak meer, om te weenen! Hij heeft u gevonden! Hoe, Maria, dwaalt gij nu geheel af? Houdt gij Hem voor den hovenier, dat gij tot Hem zegt: „Heer, zoo gij Hem hebt weggedragen, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen?quot;
Ik zonk maar altoos dieper neer,
Niets goeds was aan mijn leven meer.
Het was met mij verloren!
Wel ons, als wij de toepassing op ons zeiven maken, dan zal ons dit Paasch-evangelie een waar, blijdschap-gevend Evan-
25
LEERREDE OVER JOHANNES 20 VS. 1 —18.
gelie zijn, dat zijne vrucht zal scheppen. — Waar geen leven uit God is, kent men geene bekommernis des harten in de dingen des Heeren; men laat zich prediken van den dood en de opstanding des Heeren, hoort het aan, verbeeldt zich alles goed begrepen te hebben, en gaat na het gehoorde weder zijnen ouden weg, volgt zijne begeerten, leeft als de planten en het vee, en meent, dat het zoo blijft, — totdat de dood den mensch grijpt; dan wil men kloppen en zoeken, maar de dwaze maagden vonden de deur gesloten en konden niet meer ingaan. Waar echter leven uit God is, daar moet men bij het lezen van dit Evangelie de toepassing op zich zeiven maken, alzoo, dat men met verslagenheid des harten bekenne : Gelijk Maria Magdalena, Petrus en Johannes aan het graf deden, alzoo doe ik ook! Zulk eene bekentenis is de eerste stap, om Jesus te vinden, ja, om door den Heere gevonden te zijn. Want wij zien hier, in welke droefheid des harten, in welk hardnekkig ongeloof en in welk onverstand tegenover de dingen des Heeren deze discipelen verkeerden, dat zij zelfs in de Schrift niets vonden, dat hen troosten kon in hunnen wanhopigen toestand, terwijl zij toch vroeger zoo veel over de opstanding in dezelve hadden kunnen lezen.
Indien wij echter de toepassing niet op ons zeiven maken en niet bekennen : „Ik ben die Maria, die Petrus, die Johannes,quot; zoo kunnen wij voor zulk een Evangelie nederzitten, en zien en weten toch niets van den rijken troost, die daarin niet verborgen, maar veeleer met beide handen te grijpen is. Ik zou aan velen uwer wel eens willen vragen: Hoe vele duivelen heeft de Heere wel bij u uitgedreven ? Hoevele zalige woorden, woorden van eeuwig leven, hebt g ij niet van Hem ontvangen ? Hier lag des avonds een zware steen, ginds een zware steen, en hoe dikwijls gebeurde het niet, dat, als gij ontwaaktet, de steen reeds van het graf afgewenteld was? Hoe menigmaal in uw leven hebt gij niet de machtig sprekende aanwijzingen van den vinger Gods en van Zijne wonderbaar genadige hand aanschouwd, en zoowel de een als de ander zagen de doeken lig-
26
LEERREDE O VEE JOHANNES 20 VS. 1—18.
gen, ook deu zweetdoek, den zweetdoek der doode werken, waarlijk niet door eigen hand te zamen gerold, en in eene bijzondere plaats gelegd, en — de naam doet niets ter zake — bij elke ondervinding van hulp, van wonderbare uitreddingen, van machtige vertroosting, ja, dat men zelfs het leven uit den dood heeft zien te voorschijn komen, gij Maria\'s, gij Petrussen, gij Johannessen, die des Heeren zijt,—gelooft gij dan waarlijk , zoo dikwijls het er om gaat, dat uw Heere u niet ontstolen is? Gelooft gij dan waarlijk, dat Hij opgestaan is? Gelooft gij waarlijk , dat het ledige graf u juist een bewijs is van Zijne opstanding ? Slaat gij acht op de daarin liggende doeken ? op den ter zijde gelegden zweetdoek ? Kent gij de Schrift? Weet gij, wat er voor u in den Bijbel staat? Let gij op de beteekenis der vraag van des Heeren engelen: „Vrouw! wat weent gij ?quot; Ja, waar gij eindelijk den Heere zeiven als met handen tasten en met oogen zien kunt, — houdt gij Hem daar voor den Heere? Kent gij daar Zijne stem: „Vrouw, wat weent gij ?quot; — Of is het u niet duizend malen zoo voorgekomen, als ware Hij slechts de hovenier, ja iemand, die u uw heil ontroofd heeft?
quot;Wat helpt het ons, of wij al weten , dat er een Jesus geleefd heeft, die gekruisigd en gestorven en ook opgestaan is van de dooden, als niet het vaste vertrouwen des harten aanwezig is: Hij is ook voor mij opgestaan, en ik ben met Hem opgestaan! Is Hij evenwel opgestaan, waarom zoeken wij Hem dan nog voortdurend in het ledige graf? Waarom denken wij dan nog altijd, dat Hij gestolen is, omdat wij Hem niet in het graf vinden ? Maar wij meenen genoeg te hebben aan een voor onze zonden gestorvenen Jesus. En toch, wat kan ons dan een doode Heiland helpen? Neen, eenen opgewekten moeten wij hebben! Nu gaat het met Hem in het graf, gij bedrukt volk des Heeren! Onze oude mensch ging er met Hem in, ons lieve Ik met al zijne gerechtigheden, de geheele zondige mensch met al zijne begeerte, wereldliefde, met al hetgeen hij gaarne had en wat de duivel hem wel geven wilde, het geheele walgelijke zondigende aas, met zijn arglistig, ja doodelijk hart,
27
28 LEERREDE OVER JOHANNES 20 VS. 1 —18.
allea wat de niensch wil en wenscht, al wat hij vermeent te kunnen doen en te kunnen hebben, om de pinnen zijner tenten vast te slaan, om aan het lieve vleesch dat te geven, waaraan het zich gaarne te goed zou willen doen, God moge het goed vinden of niet; — dat alles ging met Hem in het graf, wat wij zijn of willen zijn. In Zijn graf werd de duivel te niet gedaan, de dood gedood, ook ging ons graf in het graf, en ook het graf der onzen, die in Hem ontslapen zijn; — dat alles nam Jesus van ons af en met Zich mede in Zijn graf! Maar Hij stond op als do Heilige Gods, en wij in Hem, opdat onze wandel in den hemel zij. En nu, waarom willen wij dan eenen dooden Jesus hebben? Waarom zitten wij bij het ledige graf te weenen, omdat w ij dat niet vinden, wat w ij zoeken ?
Kent gij Zijne stem? „Maria!quot; zeide Hij. De Heere kent de Zijnen bij den naam, dien zij bij de geboorte van hunne ouders ontvingen. „Maria, lig Ik dan in het graf? Zoude Ik daarin kunnen blijven? Is er dan hier in dit leven , onder dezen hernel, iets, dat u gelukkig kan maken ? Kan dan een doode Jesus u voldoening geven ?quot; Is dit niet de weg, dat al wat uit ons is in den dood ga, opdat het leven des Heeren in ons openbaar worde, en wij leven hebben in Zijn leven? Moeten wij niet naar het vleesch gedood zijn, opdat wij leven naar Geest?
Welzalig gij, die hierop antwoordt: „Rabbouniquot; d. i.; „Mijn Leeraar !quot; Welaan, al is de weg smal, laat ons dien gaan, hij leidt naar het Jerusalem, dat boven is. Al is de poort eng, waardoor men in de stad komt, — eeuwige eer en eeuwige vreugde volgt op de daaraan verbonden smaadheid en droefenis. Hij is opgestaan! Zoo is Hij dan voor eeuwig de onze, en dood en graf liggen aan Zijne voeten. Alles is overwonnen! de nieuwe mensch is er. Wat klaagt gij over zonden? Gij zijt uit uwe zonden weg! Waartoe alle harteleed, Ijjden, kruis en droefheid? Onze Leeraar zegt ons, dat Hij alles doorgestaan, alles overwonnen heeft! Hoe geweldig is Hij in Zijne liefde. Hij verwijt Maria niets, bestraft haar niet over haar onverstandig doen; Hy zegt alleenlijk: „Maria;quot; Hij
LEERREDE OVER JOHANNES 20 VS. 1 — 18. 29
bestraft haar zachtmoedig- Genoeg voor haar, om Hem op eens te kennen, zooals zij Hem steeds gekend had; genoeg voor haar, om te weten, dat haar leven leeft, dat hare zonden haar niet toegerekend worden, dat Hij haar Heiland is als van ouds. Zie, Ik heb n bij uwen naam geroepen, gij zijt de Mijne! Zie, Ik heb u in Mijne handpalmen gegraveerd! Gij ongetrooste, herken uwen Heere!
O, hoe gaarne zou een mensehenkind den Heere steeds naar het vleesch bij zich houden; daarom is ook de begeerte van Maria, den Heere te omvatten en vast te houden. Nu zij Hem gevonden heeft, mag Hij haar niet meer ontkomen.
Maar al hebben wij ook Christus naar het vleesch gekend, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vleesch, schrijft de Apostel Paulus (2 Cor. 5 vs. 16), en de Heere handhaaft ook deze leer. Maria zou nog wel in de gelegendheid komen, om Zijne handen te betasten én zich in dankbare aanbidding aan Zijne voeten te werpen, — heden moest zij evenwel iets anders doen. Daarom zegt de Heere: „Raak Mij niet aan , want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijnen Vader.quot; Maar wat had zij dan te doen? „Ga heen,quot; zegt de Heere, „tot Mijne broeders en zeg hun: Ik vaar op tot Mijnen Vader en uwen Vader, en tot Mijnen God en uwen God,quot; Daar zegt nu de Heere Jesus, dat Hij eenen Vader en God heeft, en dat deze Zijn Vader en Zijn God ook onze Vader en onze God is. Dit woord des Heeren heeft den Apostelen bijzonder bevallen; daarom schrijft Paulus eenmaal; „De God en Vader van onzen Heere Jesus Christus;quot; en nog eens: „De Vader van onzen Heere Jesus Christus,quot; en andermaal: „De God van onzen Heere Jesus Christus;quot; en wederom : „De God van onzen Heere Jesus Christus, de Vader der heer-lykheid.quot; Ook begroet hij ons gedurig met vrede van God, onzen Vader. En Petrus schrijft: „Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jesus Christus,quot; Want dat is ook zeer vertroostend, dat onze lieve Heere en Heiland Jesus Christus, als onze getrouwe Middelaar, God tot Vader heeft, gelijk dan ook God gezegd heeft: „Ik zal Hem tot een Vador zijn, en Hij zal Mij
LEERREDE OVER JOHANNES 20 VS. 1 —18.
tot een Zoon zijn.quot; — Gij weet wel, wat een zoon, dien de yader liefheeft, bij den vader vermag, en hoe zulk een vader alles voor zijnen zoon is, zoodat die hem alles geeft, wat hij hem vraagt en hem alles laat erven. En dit is de bede van onzen trouwen Middelaar: „Yader, Ik wil, dat, waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt.quot; Zoo weet gij dan nu, wat het zeggen wil, als er van onzen lieven Heere staat: „Hij treedt voor ons in bij den Vader.quot; Ook is het bijzonder vertroostend, dat onze Heere Jesus den waren en levenden God tot God heeft; want nu zal Hij wel blijven zitten op Zijnen troon, om voortdurend genade uit te deelen.
^ De Heere toch heeft tot mijnen Heere gesproken; „Zit aan Mijne Rechterhand, totdat Ik Uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank Uwer voeten!quot; De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood; en zoo zal dan ten laatste God alles zijn in allen.
Zoo wril dan nu onze genadige, trouwe en goede Heiland, van Wiens lippen enkel troost komt. Zijnen Vader en Zijnen God, onzen Vader en onzen God heeten. Zoo is Hy het dan ook nu; want de Heere Jesus heeft het gezegd. Daarom mogen wij vrijmoedig roepen: „Abba, lieve Vader!quot; en blijmoedig zeggen: „God en Vader van onzen Heere Jesus Christus, Gij zijt om Uws lieven Zoons wil, ook mijn God en mijn Vader, en ik ben Uw kind!quot; Dat mogen wij arme, ellendige, verdoemenswaardige zondaren doen; want Jesus is opgestaan en heeft ons in Zich gerechtvaardigd in Zijne opstanding , — en zonde, dood, duivel, leven en genade, alles heeft H ij in handen.
Van dezen Vader nu mogen wij al het goede verwachten, wij, die belijden moeten: Ik ben niet waard. Uw kind genaamd te worden. Zulks mogen wij doen om Jesu wil, Zjjn heilig Kind, dien Zijne Rechterhand Zich gesterkt heeft,, dat wij door Denzelven Hem eeuwiglijk loven en prijzen zouden. Voorwaar, „zij komen allen uit Eén, beiden, Hij, die heiligt,
30
LEERREDE OVER JOHANNES 20 VS. 1 —18.
en zij, die geheiligd worden. Om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt, hen broeders te noemen, zeggende; „Ik zal Uwen Naam Mijnen broederen verkondigen, in het midden der Gemeente zal Ik IJ lofzingen.quot; (Hebr. 2 vs. 12.) En alzoo spreekt de Heere ook hier tot Maria Magdalena. Hij zegt niet; „Gaat henen tot uwe broederen,quot; maar; „Tot Mijne broederen.quot; Hij is ons wel de rechte Jozef, die, vorst over alles geworden zijnde, Zich Zijner broederen niet schaamt, welke toch als herders in het oog van Faraö en van alle zijne geweldigen, ja, in gansch Egypte een gruwel waren. Hij wil het wel weten, dat zij Zijne broeders zijn; zij mogen geen gebrek meerlijden, zij zullen met Hem het aardrijk beërven. Daartoe geeft Hij hun een stuk land, het beste, het vetste, dat er maar is, opdat zij een paradijs Gods zouden bewonen. (Gen. 46 vs. 31—34; 47 vs. 1—6.)
Liefelijke prediking! Daar zijn de discipelen bij elkander, hebben den dood voor oogen, durven zich niet roeren uit vreeze voor de Joden, zitten in het midden van vijanden, in de zonde, in de duisternis, met het bezwaard geweten, hoe schandelijk zij het in elk opzicht met den Heere hebben laten liggen, hoe zij zich aan Hem geërgerd, en zij allen Hem verlaten hebben. Zij zijn van allen troost beroofd, zij weenen en jammeren, beven aan alle leden en strijden met het vreeselijkst ongeloof, hebben geen God en geen V.erlosser meer; de dood is om hen heen, de dood is in hen; de Satan heeft hen gezift als de tarwe. En nu moet Maria komen en hun aanzeggen; „Ik heb den Heere gezien, en Hij heeft mij gezegd, dat Hij nu opvaart tot Zijnen Vader, om ons plaats in den hemel te bereiden, en dan komt Hij weder en neemt ook ons op in Zijn paradijs, gelijk Hij den moordenaar gedaan heeft. Hij heeft Zijnen Vader uwen Vader, Zijnen God uwen God genoemd, en Hij heet u „broedersquot;. — „Lieve broeders,quot; zal de Satan zeggen, „lieve broeders, die midden in den dood, in vreeze, in zonden verkeeren, die volkstrekt geene goede werken hebben, noch eenig kenteeken bezitten, dat zij broeders
31
LEERREDE OVER JOHANNES 20 VS. 1 —18.
zjjn!quot; Maar gij, aanklager der broederen, gij zijt uit den hemel geworpen, en gij ongeloovig hart, zwij g! Het ken-teeken, dat ik een broeder van mijnen lieven Heere, van den Zoon des Allerhoogsten God ben, is mijn Jesus Zelf en Zijn Woord! Iets anders heb ik niet; maar dat is mij ook genoeg! Dewijl Hij dat nu gezegd heeft, ben ik Hem zoo heilig, zoo volkomen, zoo welgevallig, ofschoon ik in den dood, in de duisternis en in zonden lig, gelijk als Maria Magdalena, als Petrus, als Johannes en al Zijne discipelen. Hier mag ik niet op mij zeiven zien; ik moet op Hem zien, ik moet naar Hem hooren; Hij heeft het gezegd, dat ik Zijn broeder ben; zoo ben ik het nochtans, ofschoon ik de hel verdiend had met mijne boosheid, verkeerdheid, goddeloosheid en hardnekkig ongeloof.
Mijne Geliefden! Welk een band bindt ons, heeft ons aan den hemel, aan de eeuwige zaligheid gebonden, wanneer wij des Heeren geworden zijn? Wij hebben met Jesus éénen God, éénen Vader, en zijn kinderen van één huis O, welk een liefelijk „Mijnquot; en „uwquot; heerscht hier! Met één woord verklaart de Heere ons tot kinderen Gods, tot Zijne broeders. Dit woord is machtiger dan de gansche hel, dan het beschuldigend geweten, dan alle zonden. Al het „onzequot; nei mt de Heere Jesus op Zich, al het „Zijnequot; heeft Hij aan ons gegeven. Thans heet het: Hebt gij zonde, die zal de Mijne zijn, en Mijne gerechtigheid zal de uwe zijn! Hebt gij vreeze of angst, die zal de Mijne zijn, en Mijne vreugde zal de uwe zijn! Uw ledig-zijn zal het Mijne zijn, en Mijn Geest zal de uwe zijn; uwe zwakheden de Mijne, uwe nooden de Mijne, en Mijne sterkte en hulpe de uwe! Al wat Ik heb, zult gij ook hebben! Overvalt u de zonde of de dood, Ik zal voor u den strijd opnemen, en Mijne opstanding zal de uwe zijn, Ik uw leven!
Zoo hebben wij dan eenen rijken Broeder, rijk aan allerlei hemelsche schatten, en zijn door Hem erfgenamen Gods, Zijne mede-erfgenamen, zoo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden. Wat is dan al het lijden van dezen tegenwoordigen tijd bij de rijke erfenis, die ons
32
LEERREDE OVER JOHANNES 20 VS. 1 —18.
te wachten staat met dezen Broeder ? Is het wel de moeite waard, ons daardoor nog zoo dikwijls te laten beangstigen ? Alle dingen moeten dengenen, die God liefhebben, die naar Zijn voornemen geroepen zijn, — dat het namelijk alles louter genade zijn zal — medewerken ten goede. Dat weet gij immers! Daarom, gij klein kuddeken, vrees niet! Alzoo is het welbehagen nws Vaders geweest!
Menigeen vraagt wellicht: quot;Waarom Iaat de Heere mij dan zoo lang wachten, zoodat Hij doof schijnt voor mijn geroep, en ik asch als brood moet eten, en dag en nacht tranen mijne spijze zijn? Waarom? — ik weet het niet; daar boven zal alles helder worden, wat hier duister was. Dit weet ik, dat Jesus Johannes liefhad, en dat Hij Zich evenwel aan hem niet het eerst heeft geopenbaard, maar eerst laat in den avond; aan Maria Magdalena is Hij het eerst verschenen. En waarom dan het eerst aan haar ? Wanneer gij waarlijk de ellendigste van allen zijt, de voornaamste der zondaren, de in waarheid het meest bekommerde, zoo kunt gij er troost uit putten, om op het woord van Christus te blijven staan : Mijne meest bijzondere vrienden kunnen wachten, totdat Ik eerst de meest ellendigen en de armsten zal hebben geholpen. Zoo staat er in het Evangelie: Jesus had Martha en hare zuster en Lazarus lief. (Joh. 11 vs. 5.)
Mijne Geliefden! Gij weet het allen : de naar de wet der werken heilige Eva is in eenen hof, in de nabijheid van den boom des levens, in overtreding gevonden; de naar de wet der werken ellendige, arme en verlorene Maria Magdalena vindt in eenen hof, in de nabijheid van het ledige graf, den Heere Jesus, vindt het Leven en het Licht, toen zij zich als dood gevoelde en in duisternis zat. De Heere heeft de zwakheid van Zijne Debora\'s verkoren, om de Sisera\'s der hel op den schedel te slaan met het woord uit den mond des Heeren Jesus: Jesus is onze Broeder, Zijn Vader onze Vader, Zijn God onze God; Hij vaart op tot Zijnen Vader; daar komen ook wij henen!
33
3
leerrede over johaknes 20 vs. 1 —18.
Gij hebt het vernomen: Maria Magdalena, Petrus, Johannes, óók alle overige discipelen en vrouwen hebben verkeerd gehandeld ; zij hebben den Levende bij de dooden gezocht; maar de uit de dooden verrezene Heere leeft, om Zijne dooden op te zoeken, opdat zij Hem zien mogen, gelijk Hij is, en leven met het lichaam. (Jes. 26 vs. 19.) Met alle roem des vleesches heeft het een einde. Roept juichende met mij , hetgeen ons dit Evangelie leert: Gij, Heere Jesus, zijt het alléén! Zoo is het naar den wil des Vaders! Amen.
Nazang: Lied 81 vs. 3, 4.
Is \'s levens Vorst verrezen Met heerlijkheid vereerd,
Dan hebt gij niets te vreezen:
De dood is overheerd!
Geen vloek is meer gebleven,
De kwijtbrief is geschreven:
Dat alles is betaald.
Geef mijn geloove klaarheid,
Opdat ik, Heer, belijd:
Dat Gij de weg, de waarheid,
En \'t zalig leven zijt.
Wil in mijn harte schijnen.
Doe twijfeling verdwijnen,
Versterk mijn zwak geloof.
34
III.
LEERREDE
OVER
LUK AS 24 vs. 13—25.
Voorzang: Psalm 17 vs. 1, 2.
t Behaag\' U, Heer, naar mijn gebed,
Geschrei en goede zaak te hooren:
\'k Vermoei met geen bedrog Uw ooren Dat heeft mijn lippen niet besmet,
Vergun mij dan mijn klacht t\' ontvouwen :
Laat voor Uw heilig aangezicht Mijn recht gesteld zijn in het licht,
Uw oog de billijkheid aanschouwen.
Gij toetstet mij bij dag en nacht;
Gij vondt mij trouw, in vreugd of smarte;
De mond sprak steeds de taal van \'t harte;
Door beiden is hun plicht betracht.
Wat ook de zondaar aan moog\' vangen ,
Ik heb voor zijn afschuw\'lijk pad Een haat, een afkeer opgevat;
Ik gruw van zijn verkeerde gangen.
Tekst: Ev. Luk. 24 vs. 13—25.
„En ziet, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, dat zestig stadiën van Jerusalem was, welks naam was Emmaus. En zij spraken samen onder elkander van al deze dingen, die er gebeurd
3*
Gehouden op Paasch-Zondag 23. April 1848. des avonds.
LEERREDE OVER LÜKAS 24 VS. 13—25.
waren. En het geschiedde, terwijl zij samenspraken en elkander ondervraagden, dat Jesus zelf bij hen kwam., en met hen ging. En hunne oogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden. En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij , wandelende, onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig? En de een, wiens naam was Kléopas, antwoordende, zeide tot Hem : Zijt gij alleen een vreemdeling te Jerusalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn? En Hij zeide tot hen; Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jesus den Nazarener, welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk. En hoe onze over-priesters en oversten Denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben. En wij hoopten , dat Hij was Degene, die Israël verlossen zou. Doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn. Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn; en Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen , dat Hij leeft. En sommigen dergenen, die met ons zijn , gingen heen tot het graf, en bevonden het alzoo , gelijk ook de vrouwen gezegd hadden ; maar Hem zagen zij niet. En Hij zeide tot hen : O onverstandigen en tragen van hart, om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben !quot;
En ziet, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, dat zestig stadiën van Jerusalem was, welks naam was Emmaus.
En ziet, schrijft de Evangelist Lukas. De Heilige Geest opent met dit woordje de oogen van eenen doodkranke, en wil, dat wij in elke krankheid der ziel de oogen zullen opendoen. Hij zet de medicijn aan Zijne patiënten voor, opdat wij op eens mochten genezen zijn van onze doodsvreeze en hopeloosheid, waarin wij gedurig bij oude zonde en nieuwen nood blijven zitten; want dan kunnen wij niet gelooven, dat wij eenen getrouwen Grod en Heiland hebben, die al Zjjne woorden waar maakt. Deze twee lieve discipelen des Heeren wenden zich op denzelfden dag, toen de Heere van de dooden
36
LEERREDE OVER IjÜKAS 24 VS. 13—25.
was opgewekt, van de stad Gods af en maken eenen langen weg van ongeveer twee duitsche mijlen; zij geven er God als het war\'e aan, verlaten de stad, waar zij nog het best uitkomst hadden kunnen verwachten, en begeven zich gansch moedeloos naar Emmaus ter rust. Den naam van deze plaats leid ik af van een woord, hetwelk beteekent „verdonkerenquot;, „verduisterenquot;, „versagenquot;. Hun was de moed verdonkerd, verduisterd. In hunne ziel was een volkomen versagen aan alles. Ook lieten zij de overige discipelen de discipelen zijn-Voor zich zeiven hadden zij geene hoop meer ; zij liepen van Jerusalem af in hunnen duisteren nacht, zij begaven zich naar het vlek „Donkerheidquot; en „Versagenquot;, — en dat juist op dien dag, toen hun het Licht was opgegaan, het Leven uit dooden. Dit kwam, omdat zij de Schrift niet geloofden.
Daar hebben wij nu aan deze discipelen een beeld van ons leven. Want als nood, dood en zonde daar is, als kruis? tegenspoed en allerlei vernedering op ons aanstormt, zoo zijn wij ook terstond vergeten, dat het Woord des Heeren niet liegen kan, dat het zeker komt, dat het doet, wat het belooft. Wij verlaten de stad Gods, maken lange wegen, zoeken den Herder niet in de voetstappen der schapen, maar verschuilen ons brommende en geheel moedeloos in het vlek „Donkerheidquot;.
En zij spraken samen onder eikand er van al deze dingen, namelijk van al hetgeen sedert vier dagen in Jerusalem was voorgevallen. Want hoewel zij vol twijfel en versaagdheid waren, en daar zoo alleen hunne sombere woning tegemoet gingen, konden zij van Jesus toch niet zwijgen. Dat is juist een teeken van het waarachtige leven, hetwelk de Heere door Zijn Woord in de harten gelegd heeft, dat, ofschoon men ook zoo eenzaam daarheen gaat, en de stad Gods als eene woestijn is geworden, zoodat men haar den rug heeft toegekeerd, ofschoon men ook het lieve volk des Heeren heeft verlaten en nu daarheen gaat in zijn sterk ongeloof, en zich zoodoende meer en meer in zijn nachtelijk duister verdiept, — men evenwel, als er een lotgenoot mede op den weg is, die
37
LEERREDE OYER LÜKAS 24 VS. 13—25.
met ons onder denzelfden druk gebogen gaat, toch van den Heere niet kan zwijgen, noch van de vorige wegen, noch van de tegenwoordige droefheid, waarin men zich bevindt.
En het geschiedde, terwijl zij samenspraken en elkander ondervraagden, dat Jesus zelf bij hen kwam, en met hen ging. „Terwijl zij samenspraken en elkander ondervraagdenquot;; — als een zware steen lag mismoedigheid hun op het hart; nochtans wilden zij zich daardoor verademing geven, dat de een de gedachten des anderen mocht kennen over al de dingen, die er gebeurd waren. Daarom onderhielden zij zich over dat alles. quot;Wat zij te Jerusalem hadden vernomen, heeft hun weinig troost kunnen geven. Zij vraagden elkander over en weder; wat denkt gij van de zaak , zou er nog iets van waar kunnen zijn ? Zij hopen, dat het waar mocht zijn, maar de een is zoo zwak al de ander ; en zoo brengen zij het dan met al hun ondervragen niet verder, dan dat de een de zaak voor den ander nog donkerder maakt. En ach, dat is een vreeselijke strijd, als men gevoelt, dat Gods waarheid waarheid is, en dat men zich niet kan bedrogen hebben, en nu al het zichtbare de bewijzen voorlegt, dat men zich toch wel moet bedrogen hebben, terwijl in het tegenovergestelde geval de toestand der zaken wel anders zoude zijn.
Zij moesten het eindelijk na veel over en weder spreken opgeven. Jesus is dood, en Hij blijft dood. Hij is voor altijd begraven, Hij richt verder niets uit, en Hij vermag niets meer En terwijl zij zoo in de uiterste donkerheid der ziel op hunnen weg voorwaarts gaan, en wel alles zouden willen geven, om zekerheid voor hunne harten te hebben, terwijl zij zich verdiepen in allerlei uitspraken van moedeloosheid, geschiedde het, dat Jesus zelf bij hen kwam. De wonderbare Heiland! Hij maakte het op den dag Zijner opstanding reeds evenzoo, als nog heden. Hij gaat niet naar Kajafas, naar het Sanhedrin, naar Pilatus; Hij stelt Zich niet op de tinne des tempels, om Zich aan het geheele volk te openbaren; neen.
38
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 13—25.
zoo iets is beneden Zijne koninklijke waardigheid. Maar het is niet beneden Zjjne koninklijke waardigheid, om Zich aan de zwakken, aan de ellendigen, aan de vreesachtigen te openbaren, die gaarne zouden hebben, dat Hij hun heil, hun leven, hunne verlossing, hunne opstanding ware, maar de zaak is hun te groot, te zwaar: daarom, hoe gaarne zij ook zouden willen, zij kunnen niet gelooven. Tot de vrouwen, die van vreugde en vreeze van het graf vloden, nadert Hij op eens met Zijn; „Zijt gegroet!quot; — Aan de bedroefde Maria Magdalena, aan den berouwhebbenden Petrus openbaart Hij Zich, — en hier is Hij wederom op den weg met deze twee. Gij ziet het: de Heere heeft geene rust, voordat Hij bij elk der Zijnen den zwaren steen des ongeloofs van het hart heeft gewenteld.
Daarom zijn wij wel zeer onverstandig, dat wij van onzen Heere niet begrijpen, — ook niet gelooven knnnen, wat voor elk, wien het om den Heere en Zijne trouw, om Zijn Woord en Zijne belofte te doen is, in eiken toestand, zoowel van lichamelijken als van allerlei ziele- en zondennood, toch waarachtig is en blijft: „Werpt al uwe bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.quot;
En de Heere ging met hen. Het is eene wezenlijke verkwikking, te mogen lezen, dat de Heere met hen wandelde, en zij wisten niet eens, dat het de Heere was. O, welk vader zou zijne dochter, welke moeder haar kind op een eenzamen weg weten, — verlaten, troosteloos, vol bekommering, — zonder daarheen te snellen en, indien mogelijk, alle zorg op zich te nemen ? Den Heere echter, die den ouderen zulk eene liefde in het hart gegeven heeft, is dit wel mogelijk, — en met hoe menigeen van ons, wien het bang om het hart was, heeft Hij reeds een goed eind weegs medegewandeld, terwijl wij onzen weg met tranen besproeiden, tot Hem opzuchtende; en ziet, wij wisten ook niet, dat het Jesus was.
Nu was toch wel deze nood geweken van deze beide zoo sterk aangevochtene discipelen, nu Jesus met hen is? Neen,
39
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 13—25.
zeker niet! Zij -wisten immers nog niets meer. Ik denk, dat zij juist toen in hun gesprek het toppunt van twijfel en moedeloosheid zullen hebben bereikt, zoodat, als iemand, die met zekerheid de opstanding van Jesus geweten had, tegenover hen had gestaan, dezen het hart zou gebroken z|jn, en hij zou hebben uitgeroepen: Ach, kom haastelijk, Heere Jesus, en overtuig Gij zelf deze Uwe arme twijfelaars!
En hunne oogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden. Dat was nu ten eerste eene daad van de Goddelijke macht des Heeren, ten tweede was het de werking van hunne eigene blindheid des harten en van hun sterk ongeloof. Want als de ziel sterk is aangevochten, dan ziet zij slechts omkomen, verderf, nood, zonde en dood , en heeft voor al het overige zoo weinig oogen , dat zij de geheele Schrift kan zien en ziet nochtans niets. Zij wanhoopt zoo geheel en al aan alle verlossing , wanneer het haar om den Heere te doen is, dat zij niet meer kent, wat zij voor twee of drie dagen nog met heldere oogen gezien heeft. Maar de Heere weet met de moeden om te gaan als een verstandig medicijnmeester. Ligt dat nu eenmaal in de ziel, dat het op leven en dood gaat, dan openbaart het zich in dier voege, dat er, vóór de verlossing komt, eerst eenige weeën voorafgaan. Daarom gaat het, zooals Hizkia klaagde, als wanneer de kinderen tot aan de geboorte gekomen zijn , maar er is geene kracht om te baren; — eindelijk is het kind daar. Zoo bereidt de Heere ook deze lieve discipelen allengskens er toe voor, omdat zij zoo vol schrikkelijken twijfel zijn, dat Hij hun eerst het hart verwarmt en brandende maakt met het Woord, en dan openbaart Hij Zich zoodanig, dat elke twijfel bij hen moet verdwenen zijn.
De Heere laat Zich met hen in in een gesprek, als ware Hij een mensch gelijk zjj, als iemand, die geheel toevallig denzelfden weg ging.
En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt? En
40
LEERREDE OVER LüKAS 24 VS. 13—25. 41
waarom ziet gij zoo droevig? De Heere is toch een Meester in het helpen. Hij ontdekt hun op eens de wonden, waaraan hunne harten lijden, en baant Zich den weg tot hunne harten, om hen liefelijk te troosten. Hij wist het zelf wel, maar Hij deed, alsof Hij het niet wist. De harten moeten zich voor Hem ontsluiten, geheel uitstorten en ontledigen; en als dan het hart zoo geheel ontledigd is, dan komt Hij met Zijne zalving. Dan is alle donkerheid, al het versagen, elke twijfel en treurigheid weggenomen, en den mensch gaal het licht op, te midden van de duisternis des doods. „Wat spreekt gij dan toch?quot; wil Hij zeggen, — gij maakt elkander moedeloos, en hoe ziet gij er toch zoo gemelijk, zoo somber en treurig uit? Is God dan nu dood? Is Zjjn quot;Woord niet meer Zijn Woord? Ik wilde u toch opgeruimd en vroolijk hebben! Welke reden hebt gij, om zoo treurig te zijn ?
Zulke woorden van den lastigen vreemdeling bevielen hun in het geheel niet. Want eene aangevochtene ziel meent, dat hemel en aarde met haar treurig moeten zijn, en weet niet, dat de hemel juicht, als hij met de verrassing kan naderen, om den ellendige te helpen en een einde aan zijnen nood te maken. Maar de Heere heeft er behagen in, om Zich zoo vreemd te houden, ten einde daardoor den aangevochtene een recht gevoel daarvan te geven, dat het met zijne aanvechting, nood en treurigheid toch zoo veel niet te beduiden heeft, en dat de Heere daarvoor wel raad weet. En al ergert het vleesch zich ook een weinig, dat de Heere doet, alsof Hij van alles in het geheel niets af weet, zoo brengt de Heere de genezing nochtans zeer liefelijk aan. Dat het vleesch zich in den beginne aan zulk eene wijze van genezen ergert, zien wij ook hier.
En de één, wiens naam was Kléopas, antwoordende zeide tot Hem: Zijt Gij alléén een vreemdeling te Jerusalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn? — Deze Kléopas was een neef des Heeren. Ik denk, dat het öode heeft
LEERREDE OVER LUKiS 24 VS 13—25.
behaagd, om dit antwoord door hem te laten geven, opdat wij daaruit leeren, hoe blind wij zijn in de moest bekende dingen , als ons de oogen gehouden worden. Hij heeft toch als bloedverwant van zijne jeugd af omgang met den Heere gehad en Hem alzoo zijn leven lang gekend ; nu waren er slechts drie dagen verloopen, dat hij den Heere niet had gezien. Ook mag wel daarom zijn naam hier zijn vermeld , omdat „Kleopasquot; eene verblijdende verwisseling beteekent; evenals wanneer iemand een rouwkleed aflegt en hem sierlijke kleederen worden aangedaan. — Nu was het antwoord eenigs-zins ruw. De Heere had immers gevraagd : „Waarom ziet gij er zoo gemelijk, zoo treurig uit?quot; Maar zoo handelt eene ziel, als zij versaagd is en zich in nood en aanvechting bevindt. Als men zelf slechts dood en omkomen ziet, dan moet een ieder mede treurig zijn, en hoe zoude men ook vroolijk en opgeruimd kunnen zijn, als men moent, dat de Heere dood is, en dat H|j dood zal bljjven ?
De Heere, die zeker wel het allerminst een vreemdeling te Jerusalem was, — Jerusalem was toch Zijne stad, Hij haar Koning, bovendien was Hij de hoofdpersoon, om Wien het alles ging, — stoort Zich weinig aan dit gemelijk antwoord; Hij doet, als wist Hij van niets, hoewel Hij Zich bij Kléopas en den anderen discipel voegt, om Zich aan hen te openbaren. Want zoo is het des Heeren wijze van doen ; Hij houdt Zich altijd eerst vreemd en wil de ziel lokken, dat zij zich eerst uitstorte en meer en meer brandende worde in het verlangen naar Hem, — en dan heeft eindelijk plaats, wat in het Hooglied staat uitgedrukt: „Eer ik het wist, zette Hij mijne ziel op de wagens van Zijn vrijwillig volk.quot; (Hoogl. 6 vs. 12.)
Daarom vraagt hen de Heere: „Welke?quot; Wat zijn het dan voor dingen, welke daar gebeurd zijn , waarvan gij meent, dat Ik niets zou weten ? En nu begint Kléopas op eens alles uit te storten wat hem op het hart ligt. Hoe vol ook van twijfel en ongeloof, de belijdenis breekt bij hem door. Zyn geloof, zijn twijfel en die van zijnen medegenoot, hunne
42
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 13—25.
moedeloosheid, hunne hopeloosheid, — wat zij van Jesus gedacht hadden, niets verzwijgt hij. Hij vraagt er niet naar, of de vreemdeling, die met hen gaat, vriend of vijand van hunnen Jesus is. quot;Wat zij voor waar hadden gehouden en hielden, daarvan moest hii toch ook weten, dat moest hij ook voor waar hemden. Zoo had de Heere door Zijne vraag: „Welke?quot; het vertrouwen opgewekt, hen gelokt, en nu begint Kléopas en met hem ook de andere discipel.
Zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jesus den Nazarener, welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden voor Grod en al het volk. De lieve twijfelaars schamen zich alzoo den gehaten Naam van Jesus van Nazareth in geenen deele. Zij leggen de belijdenis af: Hij was een man , een Profeet, krachtig in werken en woorden voor God en al het volk. Zij zeggen niet; Wij meenden, dat Hij een Profeet was, — zij kunnen de verschrikkelijke gedachte niet bij zich laten opkomen, dat Hij krachtig voor den duivel zoude geweest zijn, of mogelijk een verleider. Neen, wat zij stellig weten, daarvoor komen zij uit; wat zij gezien en ervaren hebben, dat loochenen zij niet. En evenwel verstaan zij het toch niet, om voor zich die gevolgtrekking te maken: Daar Hij d i e was, zoo moet ook alles uitkomen, zooals Hij het gezegd heeft, Zij hebben veeleer het kruis en den dood voor oogen; daarom kunnen zij ook niets anders zien. Zoo verhalen zij verder : En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods en Hem gekruisigd hebben.
Hier kunnen wij zien, hoe de wet des vleesches hen nog gevangen houdt, daar zij zeggen: Onze overpriesters en oversten, in plaats van de overpriesters en oversten. En daar dit nu geschied is, zoo is het, volgens hunne meening, uit en voorbij met hunnen Jesus, ook uit en voorbij met hen zei ven. Daarom voegen zij er bij : E n w ij h o op t eu, dat Hij was Degene, die Israël verlossen zou. Nu, willen zij zeggen, wat wij zóó stellig van Hem gehoopt heb-
43
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 13—25.
ben, daarin zijn wij teleurgesteld; want onze overpriesters en oversten hebben Hem ter dood veroordeeld en gekruist. quot;Welke denkbeelden hebben deze discipelen zich dan van de verlossing Israels gevormd ? Ach, Mijne Geliefden, geene anderen, dan die wij er ons ook van vormen. Wij nemen nu aan, dat onze Heere heeft moeten lijden; maar de Apostelen schrijven er gedurig van, dat wij Zijnen dood gelijkvormig moeten worden, zullen wij deel hebben aan Zijne opstanding. Al wat met Jesus in de heerlijkheid ingaat, moet eerst door het vuur door, moet door menigen dood henen en wordt waarlijk met Hem op allerlei wijze ter dood veroordeeld en gekruist, moet daarenboven ook velerlei dingen verduren van degenen, van wie men zulks het minst zoude verwachten. Als wij dan nu voor allerlei kruis, droefenis, nood, zonde en aanvechting staan, als wij tot assche moeten worden, geheel en al zonde en melaatschheid, opdat het leven van Jesus bij ons zichtbaar worde, en de kracht Zijner opstanding in ons werke, — waarvoor houden wij dan zulk eene verlossing? Gelooven wij, dat dit de verlossing Israëls is? Yoorzeker, wij denken er wel aan, dat onze Heere is opgestaan; maar houden wij het voor waarachtig, wanneer wij met al het onze te gronde gaan, dat Hij voor o n s is opgestaan ? Ach, dan gaat het met ons evenals met deze discipelen. Zij moeten zich de woorden des Heeren, dat Hij ten derden dage weder zou opstaan, toch wel hebben herinnerd; want zij spreken zulks immers uit! — maar hoe? Benevens dit alles, zeggen zij, is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn. Zij willen zeggen: Juist dat vermeerdert onze smart, naar het getuigenis Zijner woorden zou Hij op den derden dag weder opstaan. Nu is het echter de derde dag; onze zielenood is te meer op het hoogste gestegen, daar wij van de vervulling niets zien.
Zij maken het juist zóó, als wij het ook maken in zieleen zondenood, en in allerlei lichamelijke ellende. Daar hebben wij ook des Heeren woord van den derden dag, b. v.
44
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 13—25.
Hosea 6; daar lezen wij: „Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.quot; Maar op den derden dag ziet het er het ergst uit; want dan is het het tijdstip, waarop de ontbinding ontstaat; — zoo is dan ook ons de verderving nabij, de verderving en ontbinding van al onze hoop. Op de ontbinding zien wij wel, maar niet op het woord: „Hij zal ons doen verrijzen, opdat wij voor Zijn aangezicht leven.quot; En al wat wij als bewijzen er voor moesten aannemen, dat namelijk de Heere Zich alsnu zal opmaken, omdat de vloed te hoog is gekomen, — al de liefelijke woorden: „Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoeren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn, Ik zal er hem uittrekken,quot; (Ps. 91 vs. 15) of: „Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den Heere hoopt!quot; (Ps. 31 vs. 25) — al zulke woorden vermeerderen slechts onze benauwdheid, verschrikken ons en maken ons bang, zoodat wij bijna bezwijken, omdat wij alleen op nood, dood en zonde zien en niet op de woorden : „Ik ben met u!quot; Want dewijl het bij ons onmogelijk is, om uit den dood het leven te laten voortkomen, zoo meenen wij, dat zulks bij den Heere ook niet mogelijk is.
Zoo ging het ook met deze discipelen; want zij laten er op volgen; Ook — dat is : veel meer — hebben ons ontsteld sommige vrouwen uit ons, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn; en Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft. Zij willen daarmede zeggen: Dat vermeerdert juist onzen nood en ons vreezen ; — hadden de vrouwen Zijn lichaam nog gevonden, of ware Hij voor de oogen dezer vrouwen, terwijl zij Hem zalfden, van den slaap des doods opgestaan, zoodat z|j Zijne opstanding hadden gezien , dan zouden wij het nog kunnen aannemen ; — maar nu, daar zij niet hebben gezien, dat Hij opgestaan is, en zij Zijn lichaam niet in het graf gevonden hebben, moeten wij het er
45
LEERREDE OVER LD KAS 24 VS. 13—25.
voor houden, dat Hij. gestolen is. Of zou het werkelijk waar zijn, dat engelen aan de vrouwen waren verschenen, zou het getuigenis, dat Hij leeft, aangenomen kunnen worden, dan zou Hij Zich toch wel het allereerst aan Zijne discipelen hebben geopenbaard; dan zou Hij ook wel weten, hoe bedroefd en treurig wij hier onzen weg bewandelen. — Dat hij in het graf niet meer is, dat is wel eene uitgemaakte zaak, want sommigen dergenen, die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het alzoo, gelijk ook de vrouwen gezegd ha.dden, zij vonden het graf ledig; alzoo : dat is van de geheele geschiedenis waar, dat het graf ledig is, maar Hem vonden zij niet; — alsof zij wilden zeggen : Wat doet er dat nu alles toe, zoolang wij Hem niet gevonden hebben? Ware Hij ten minste nog in het graf, dan konden wij Hem dood zien; misschien deed God dan nog een wonder. Ach, lieve vreemdeling, als gjj onze smart kendet! Hadden wij Zijn lichaam nog maar gevonden, Zijn dood lichaam, zoo hadden wij nog ietwat troost; maar ach! waar mag Hij nu wel zijn ?
Die lieve, onnoozele discipelen ! hoe hebben zij het duidelijk bewezen, dat de uitspraak des Heeren omtrent ons waar is: „Arglistig is het hart, meer dan eenig ding, ja doodelijk is het;quot; en: „Uit het hart des menschen komt voort;... onverstand !quot; Hadden zij het graf niet ledig gevonden, hadden zij het lichaam des Heeren werkelijk gevonden, hadden zij tot elkander moeten zeggen: Hij ligt nog dood in het graf, — ware dan hun toestand niet veel verschrikkelijker geweest ? Dan hadden zij immers met waarheid kunnen zeggen : Het is reeds de derde dag, en Hij ligt nog in het graf, ach! wat is nu waar van al Zijne woorden ? Dat de menschen het lichaam des Heeren, des Profeten, machtig in werken en woorden voor God en al het volk, zouden gestolen hebben, kon dat waarschijnlijker zijn, als dat God Hem uit dooden zou hebben opgewekt? Is dan Gods macht eerst dan eene macht. Zijn genadige en goede wil eerst dan een goede wil, is Zijne
46
LEERREDE OVER LüKAS 24 VS. 13—25.
trouw eerst dan trouw, als wij het met onze eigene oogen zien? Moet niet eerst verderf, omkomen, nood en het dreigen der ontbinding daar zijn, vóór dat de verlossing, de opstanding komt ? Maar de dwaasheid der aangevochtene zielen behaagt den Heere wel; o, Hij heeft er alle geduld mede. Waar de toestand het meest wanhopig is, daar staat Hij op, daar wil Hij juist mede op den weg zijn. Deze lieve discipelen zijn in groot gevaar van in ongeloof te vallen; daarom laat Hij de andere discipelen ia Jerusalem zitten en wachten , wat gebeuren zal. Aan Petrus was H|j reeds verschenen: zoo kon deze den anderen bevestigen, wat zij van de vrouwen alreeds vernomen hadden. Hier is Hij echter tegenwoordig, waar deze twee den nacht en de donkerheid tegemoet gaan. Zulk eene versaagdheid smartte Hem: Hij wist, wat op hunne harten lag, daarom is Hij op eens bij hen, terwijl zij meenden, dat Hij hier of daar in een kuil lag, dat Hij aldaar door de boosheid der Joden onder de aarde bedolven was.
Eén ding beviel den Heere bij deze discipelen: Zij wenschten het zoo van ganscher harte, dat het waar zijn mocht, dat Jesus opgestaan was; dit was echter hun nood, dat zij het niet konden gelooven. Het was hun veel te hoog en te groot, om zulks voor zeker en waar te houden. Daarom bewijst Hij juist hier Zijne groote, wonderbare barmhartigheid en trouw, dat Hij Zich tot hen voegt, — gelijk ook Zijne groote, wonderbare lijdzaamheid, dat Hij hen aanhoort,—ja, juist daarmede, dat Hij Zich onbekend houdt, hen lokt en aanwakkert, zoodat alles bij hen uit het hart uit moet, en eindelijk hun hart zoo ledig wordt, als het ledige graf zelf.
De Heere verheugde er Zich in, om nu in zulke ledige harten, in welke, nadat zij zich hadden uitgestort, nu ook het laatste vonkje des geloofs scheen uitgebluscht te zijn, allengs-kens de rookende vlaswiek aan het gloeien te brengen, de begeerte naar Zijne openbaring nog brandeuder te maken, het vuur der liefde tot Zijne troostrijke woorden te ontsteken, zoodat zij meer en meer daarvan verlangden te hooren. Maar
47
LEERREDE OVER LÜKAS 24 VS. 13—25.
Hij richt met gerechtigheid. Bijgevolg moet Hij hen eerst nog berispen en bestraffen van wege hun sterk ongeloof. Daarom zegt Hij tot hen: O onverstandig en en tragen van harte, om te gelooven al hetgeende Profeten gesproken hebben! Ha, uit dezen aanhef hadden zij reeds kunnen vermoeden, Wie het was, die met hen sprak. — quot;Want de Heere is een goede, trouwe medicij nmeester, die geene stinkende wonden maakt. Hij snijdt goed in, legt het mes aan den wortel der kwaal, opdat den mensch zijne zonde, waaraan hij in het geheel niet denkt, en die hij volstrekt voor geene doodelijke wonde houdt, opengelegd zij. Daarom klaagt ook menigeen, dat het Evangelie zoo hard, zoo scherp^ zoo ruw aantast. Wie nu van zijne smarten, hoe hij ook daarover klaagt, niet wil bevrijd zijn, die trekt zich daarom van het Evangelie terug, blijft in zijne smarten liggen, totdat de kanker heeft ingevreten, en de dood hem overvalt. Maaide lieve discipelen verlangden niets liever, dan om van hunne versaagdheid en hun ongeloof verlost te zijn; daarom worden zij niet toornig, al spreekt de Heere hen ook wat onzacht aan.
Wij kunnen echter hieruit leer en , dat, als wij in allerlei nood, angst, zorgen en aanvechting vanwege onze zonden zitten, de Heere zoodanige zonden, waarover wij in zulk eene benauwdheid zijn, niet voor zoo gewichtig houdt; maar dat-Hij daarentegen eenè andere zonde, welke wij juist voorniet zoo gevaarlijk houden, geenszins licht telt, en deze zonde is ons onverstand en de traagheid onzer harten om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben. Wij gelooven er wel iets van, namelijk al hetgeen zich met de aardsche dingen en met den buik laat overeenbrengen, met hetgeen wij zien en ondervinden. Als het ons goed gaat, als wij goedsmoeds en welvarende zijn, gelooven wij niets; wij zien noch zonde, noch dood, noch nood, noch ellende, — het gaat zoo den dagelijkschen sleur, en dan gelooven wij, dat de Bijbel een dierbaar boek is; — maar er staat zoo weinig voor ons in. Komt nu echter op eens zonde, nood en dood, dan ge-
48
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 13—25.
looven wij wederom niets; alleenlijk, dat wij wel eens zonde en nood van onzen hals willen genomen zien, dat zouden wij wel van de lieve Profeten willen gelooven. Gods weg evenwel is niet overeenkomstig onze droomen van een aardsch koninkrijk en aardsche heerlijkheid. Ofschoon de Profeten er dit ook mede inmengen, dat het namelijk waar moet worden, dat er voor degenen, die in oprechtheid voor Hem wandelen, genade en eere zijn zal en hun het goede niet zal worden onthouden in nood, veeleer hun water en brood gewis zal zijn, zoo hebben wij toch veel grootere dingen van hen te leeren. Wij hebben van hen te gelooven, dat het hier beneden alles een „gedood
worden naar het vleeschquot; is, opdat wij naar den Geest leven •»
in de heerlijkheid Christi, en dat diegene zalig is, die niet ziet en nochtans gelooft; — van deze dingen houdt ons de Apostel Petrus in het eerste Hoofdstuk van zijnen eersten Brief eene heerlijke en troostrijke preek , voornamelijk van vers 3—9. Wanneer het Evangelie ons echter wat hard aanrandt en ons op het hoofd slaat, dan moeten wij daarom niet schuw worden, noch voor hetzelve vlieden; want het zal ons zalf op het hoofd zijn, en ons gebeente zal ten laatste zeer vroolijk worden, als wij door zulke schijnbare spitsroeden doorgegaan en van de liefde geslagen zijn. Het is zeer zalig, om van den Heere gescholden en geslagen te worden; — wij komen daar geheel genezen van af.
Nu moet vóór alle dingen dit het nut der prediking van heden zijn, dat, als wij gruwelijke en afschuwelijke zonden hebben , of zulk een nood der ziel, waaronder wij versaagd daarheen gaan, — dat wij alzoo besluiten: Deze mijne zonden zijn eigenlijk de ergste niet, en deze mijn nood is ook de hoogste nood niet, — maar mijn onverstand, de traagheid van mijn hart, om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben , dat is de bron en de oorzaak van al wat mij zoo zeer bestrijdt. Als wij in het Woord ingaan, terstond zal ons hart in ons brandende worden, en zal het in ons beginnen te ontvlammen en te gloeien, zoodat wij het vermoeden en er van
4
49
LEERREDE OVER LÜKAS 24 VS. 13—25.
verzekerd -vvorden: Jesus moet toch nog bestaan; en hebben wij dat eerst vast, dan komen wij spoedig verder, zoodat het licht bij ons aanbreekt, en de morgenster opgaat in onze harten.
Voor vijftien jaren kwam tot mij eene koningin; zij woonde hier in het dal, in eene zeer armoedige woning. Ach, zij was zoo doodkrank, zoo versaagd, zoo vervuld met hardnekkig ongeloof, dat ons hart daarover brak. Had zij, in plaats van een ledig graf, het lichaam des Heeren kunnen vinden, het doode lichaam, zij had nog geloofd, dat Jesus zou bestaan; maar dewijl zij niets zag dan zonden en wederom zonden, niets dan dood en ondergang, zoo meende zij ook, dat Jesus hier of daar door den duivel in een kuil bedolven was. Ik, die zoo dikwijls ook in dat gasthuis krank had gelegen, dacht: Die goede, onnoozele vrouw! waarom zoekt zij toch den Levende bij de dooden? Jesus is immers opgestaan, zij heeft immers hare zonden en nood niet meer, zij heeft immers louter vrijheid en gerechtigheid; en spoedig wordt zij naar huis gehaald; wat zal z|j dan groote oogen opzetten en zeggen: Ik onverstandige en trage van harte, dat ik zulks niet heb geloofd! — Welken raad zou ik haar geven? „Een verslagen geest, wie zal dien opheffen?quot; (Spr. 18 vs. 14.) Zij had spijze in een doek gewikkeld. „Vrouw, wat hebt gjj daar in dien doek ?quot; vraagde ik. Zij zeide het mij. Toen hernam ik: „Dat kan ik niet zien!quot; — en zoodra ik dit gezegd had: „Ik kan het niet zien,quot; verdween zij in één oogwenk. Na eenige dagen kwam zij weder: „De Heere is opgestaan!quot; Ik; „Hoe weet gjj dat ?quot; Hierop antwoordde zij: „Door uw woord: „ik kan het niet zienquot;, werd ik bestraft, verschrikt; — ik heb gekermd, geschreid, niet afgelaten, en hier is nu Zijn profetisch woord: „Hij is opga-staan ! — Jesus leeft, en met Hem leef ook ik!quot;
Gij, Mijne Geliefden, wien het ook om den Heere te doen is en niet om een vergankelijk stukje goud, — kent uwe zonde, het onverstand en de traagheid des harten, en doet gelijk deze vrouw, — want Jesus bestaat met Zijnen volkomen heerlijken Naam. Hij is opgestaan ! —
50
leerrede over lukas 24 vs. 13—25. 51
Maakt u op en gaat tot Hem, gij, die nog daarhenen gaat in don ouden sleur van uw wereldsch en zondig leven, opdat Hij u niet zoo opzoeke, dat gij op den weg omkomt in de tegenwoordige dagen, waarin Hij het op verschrikkelijke wijze betoont, dat Hij niet dood is, maar leeft. —
Gij lieve Emmaüsgangers, stort voor elkander maar alles uit, als gij te zamen gaat, of te zamen zit en weent, omdat gij Hem zoo gaarne zoudt willen gevonden weten. Maar dit zeg ik u: Uwe oogen worden gehouden, dat gij Hem niet kent; maar Hij is daarom toch wel bij u. — De dierbare Heiland wist het toenmaals, dat de discipelen zoo versaagd, in zulk een sterk ongeloof daarhenen gingen, daarom was Hij hun nabij, om Zich aan hen te openbaren. Is Hij sedert dien tijd veranderd? quot;Welaan, gij allen, die niet kunt gelooven en toch zoo hartelijk gaarne zoudt willen gelooven: Uwe verlossing zij waar in Zijnen Naam, — Zijnen groet aan u, uit Zijns dienaars mond: „Ik leef, en gij zult ook leven!quot; Zegt daarop: „Zet mij als een zegel op Uw hart en als een zegel op Uwen arm.quot; — Verblijdt u! Amen.
Nazang: Psalm 34 vs. 9.
God is \'t verbroken hart,
\'t Verbrijzeld en bedrukt gemoed,
Ten allen tijd\', nabij en goed,
In tegenheid en smart.
Veel wederwaardigheen,
Veel rampen zijn des vromen lot;
Maar uit die allen redt hem God ;
Hij is zijn heil alleen.
4*
IV.
LEERREDE
OVER
LUK AS 24 vs. 25—36.
*Voorzang: Psalm 30 ys. 1—3.
Ik zal met hart en mond, o Heer! Uw\' Naam verhoogen en Uw eer,
Dewijl Gij mij üw bijstand boodt, Mij optrokt uit\' den diepsten nood; Zoodat de vijand, in mijn lijden,
Zich over mij niet mocht verblijden.
Mijn God! Gij hebt mij, op mijn klacht, Genezen, en mijn smart verzacht ; Gij hebt mijn ziel, door angst beroerd, Als uit het graf weör opgevoerd; Gij hebt het leven mij geschonken , Ik ben niet in den kuil gezonken.
Psalmzingt, Gods gunstgenooten ! geeft, Geeft lof den Heer, die eeuwig leeft ! Zijn vlekkelooze heiligheid Zij ter gedachtenis verbreid. Een oogenblik moog ons doen beven; Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.
Gehouden op Paasch-Maandag, 24. April 1848, \'svoorm.
l.eerkkde over lukas 24 vs. 25—36. 53
Tekst: Ltjk. 24 vs. 25—36.
„Eu Hij zeide tot hen : 0 onverstandigen en tragen van hart, om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben ! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzoo in Zijne heerlijkheid ingaan? En begonnen hebbende van Mozes en van al de Profeten, leide Hij hun uit in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven w.as. En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toe gingen ; en Hij hield Zich, alsof Hij verder gaan zou. En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons, want het is bij den avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven. En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun. En hunne oogen werden geopend, en zij kenden Hem ; en Hij kwam weg uit hun gezicht. En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende ? En zij, opstaande ter zelfder ure, keerden weder naar Jerusalem, en vonden de elven te zamen vergaderd, en die met hen waren; welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien ! En zij vertelden hetgeen op den weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods. En als zij deze dingen spraken, stond Jesus zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden !quot;
*Tusschen2ang: Lied 28 vs. 4.
Het was een wonderlijke strijd :
De dood bevocht het leven.
Doch Christus heeft Zijn volk bevrijd;
De dood moest voor Hem sneven.
Dit heeft de Schrift ons ook verkond ,
Dat Cbristi dood den dood verslond,
O dood, waar is uw prikkel ?
Halleluja !
Het zal u aangenaam zijn, Mijne Geliefden, dat wij onze beschouwing over Lukas 24 voortzetten, en hoeren, met welke woorden onze dierbare Heiland de lieve Emmaüsgangers, nadat Hij hen te voren wegens hun onverstand en de traagheid
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 25—36.
hunner harten, om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben, had berispt en bestraft, heeft getroost, en hun een ander hart, andere gedachten en goeden moed gegeven heeft. Ik behandel dit gaarne met u; want toen ik nog een knaap was en deze woorden hoorde, dacht ik: Daar had ik wel bij willen zijn; wat zou ik geluisterd hebben; geen woordje zou mij ontsnapt zijn! Verder dacht ik: Dewijl de Heere met Zijne lieve discipelen begonnen heeft van Mozes en van al de Profeten, en hun al de Schriften, die van Hem geschreven waren, uitgelegd heeft, zoo moeten Mozes en de Profeten zeker doorgaans eene prediking van het lijden en de heerlijkheid van Christus bevatten. Daarom las ik, jong zijnde, ook vlijtig de boeken van Mozes en van de Profeten, maar wist van al hetgeen ik vond niet de toepassing te maken. De uitlegging verkreeg ik langzamerhand, maar ik verstond eerst alles naar vleesch; — het levendige en ware verstand der Schrift, voornamelijk van Mozes en de Profeten, ontving ik op den weg, waarop zelfs de dwazen niet kunnen dwalen, op den weg naar Emmaus, opdat ik u daarmede zoude dienen , gelijk mij de Heere bevolen heeft.
O onverstandigen en tragen van harte, om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben. Gij ziet, dat de Heere Jesus de Profeten wil ge eerd hebben, want wat zij hebben gesproken, dat spreekt Hij zelf, dat is Zijn onwankelbaar en getrouw woord; daarop kan mon het wagen, het laten aankomen, dat zal en kan niemand bedriegen. Omdat de Greest van Christus in de Profeten was, en zij niet uit eigene overlegging van hetgeen er zou gebeuren gesproken hebben, maar gedragen van den Heiligen Geest, gelijk de Apostel Petrus schrijft, zoo eert ook de Geest het door hen gesprokene. Daarom lezen wij zoo dikwijls, zoowel bij de Profeten zeiven, als bij de Evangelisten en Apostelen: Dit alles geschiedde, opdat vervuld werd, wat deze en die Profeet door den mond des Heeren gesproken heeft.
De Heere zelf handelt na Zijne opstanding niet anders, dan
54
LEERHEDE OVER LUKAS 24 VS. 25—36.
vóór Zijnen dood. In Gethscmané had Hij nog gezegd: „Hoe zouden dan de Schriften der Profeten vervuld worden, die zeggen, dat het alzoo geschieden moet ?quot; En ook aan het kruis liet Hij Zich in al, wat Hij sprak en deed, slechts door de Profeten leiden, gelijk wij bij Johannes lezen: „Jesus, wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zoude vervuld worden, zeide: Mij dorst.quot;
Om hen nu des te treffender te overtuigen, vangt de Heere vragender wijze aan: Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzoo in Zijne heerlijkheid ingaan? De Heere doet, als ware Hij do Christus niet, maar als getuigde Hij van den waarachtigen Christus. Hij wil de lieve discipelen in het profetische Woord inleiden, daaruit en daarin moeten zij den waren, levenden Christus leeren kennen, opdat zij van Hem, als Hij Zich nu persoonlijk aan hen openbaarde, juiste denkbeelden zouden hebben, en aan hunnen vleeschelijken Christus in waarheid zouden gestorven zijn. Want Hij is de ware, levende Christus, die uit de profetische Schrift en het Woord Gods erkend en aan ons geopenbaard wordt. Daarna, als wij Hem uit het Woord hebben leeren kennen, zoodat wij op de Schrift kunnen wijzen en zeggen: Daar is Hij ! zoo mogen wij met zulk een Woord, hetwelk Hij zelf is, en waarop ons hart zich verlaat, de oogen getroost ten hemel slaan, Hem van daar verwachten ter onzer verheerlijking, ook daarbij door den Geest, welken Hij ons met Zijn Woord gegeven en van boven af van den Vader heeft uitgestort, daarvan verzekerd zijn, dat Hij bij ons is al de dagen, totdat wij huiswaarts trekken. Voor eiken anderen Jesus of Christus beware ons God.
En begonnen hebbende van Mozes en van al de Profeten, leide Hij hun uit in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was. Uit Mozes en al de Profeten heeft de Heere hun alzoo bewezen, dat Christus moest lijden en in Zijne heerlijkheid ingaan. De Heere houdt hun uit Mozes en de Profeten de noodzakelijkheid voor van
55
LEKEREDK OVER LUKAS 24 VS. 25 — 36.
het lijden Christi en van Zijnen ingang in Zijne heerlijkheid. Ik herhaal het, de Heere houdt hun niet uit de Profeten voor, dat de Christus zou lijden, dat Hij in Zijne heerlijkheid zou ingaan, maar Hjj houdt hun de noodzakelijkheid daarvan voor. Niet, dat Hij wilde zeggen: Moest het niet geschieden, omdat de Profeten zulks hebben voorzegd ? Het lijden en de heerlijkheid daarna hebben de Profeten voorzegd, maar de noodzakelijkheid van het lijden en van de heerlijkheid van Christus lag daarin niet. Zij lag in het wezen Gods; zooals ook de Apostel Paulus schrijft: „Maar wij zien Jesus, met heerlijkheid en eere gekroond, die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou. Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.quot; (Hebr. 2 vs. 9—10.)
Van deze noodzakelijkheid wisten de lieve discipelen nog niets; niets daarvan, dat het Gode betaamde. Zijnen Christus door lijden tot de heerlijkheid te leiden; want zij droomden van een aardsch-geestelijk rijk der heerlijkheid, — zij hadden nog geen recht begrip van een rijk van zondenvergeving door het offer van Christus; zij verstonden niets van een rijk der heerlijkheid, dat Christus voor hen bereid had naar den wil des Vaders, opdat zij, die de heerlijkheid Gods derfden, daarin eeuwig met Hem mochten zijn, als hemel en aarde zouden voorbijgaan. Zij droomden van eene zichtbare heerlijkheid, en hadden nog geen recht begrip van eene heerlijkheid, welke de Heere voor hen zou bereiden en voor hen wilde bewaren in de hemelen.
Daarom heeft de Heere hen eerst door Zijne berisping en bestraffing tot arme zondaren gemaakt, alsdan vertroost Hij hen met de Profeten, zoodat zij zich in eenen Heiland van arme zondaren begonnen te verblijden.
Gij zoudt van mjj wel willen vernemen, hoe de Heere de noodza-
56
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 25—36.
kelijkheid, het Gode betamende van Zijn lijden en van Zijn ingaan in zulk eene heerlijkheid, volgens welke Hij alsnu niet zichtbaar bij hen kon verblijven, uit Mozes en al de Profeten hun aangetoond en bewezen heeft. Dit kan ik u echter in een half uur niet zeggen, gelijk de Heere dit wellicht in een half uur aan hen gezegd heeft. De Heere intusschen leert de onwetenden ook nu nog zeer snel.
Zooveel kan ik u in korte trekken voorhouden: Christus moest lijden en in Zijne heerlijkheid ingaan. Dit bracht zoowel de eer als de liefde Gods met zich, en dit behoorde tot Zijnen Naam, dat Hij van God gezalfd ware tot onzen Hoogepriester en tot onzen Koning.
Weten wij zulks niet uit Mozes? Toen Adam en Eva Gods gebod overtreden en zichzelven en ons algeheel verdorven hadden, waar bleef toen de eere Gods? waar het geloof aan Hem ? — quot;Was toen Zijne gerechtigheid en heiligheid niet be-leedigd? Moest aan dezelve niet voldaan worden ? Moest Hij Zijne eer, het geloof aan Hem niet terug hebben? Moest Zijne quot;Wet niet weder opgericht, de geheele schepping niet weder vernieuwd worden? Moest het rijk des duivels en des doods, waaraan wij ten prooi gevallen waren, niet verwoest worden? — Waarom is Adam niet in de verdoemenis geworpen? Waarom heeft God Zijne geheele schepping niet vernietigd? — Heeft God Zijn woord: „Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood stervenwellicht opgeheven ? — Neen! — God heeft echter Adam Zelf opgezocht; en wat gaf Hij hem? De belofte van Christus. Wat zeide Hij van Christus? De duivel zou Hem de verzenen vermorzelen; — was dat geen lijden? Christus zou den duivel den kop vermorzelen; —was dat geen ingaan van Christus in Zijne heerlijkheid? En als God nu lammeren slacht, — was dat niet het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegnam ? Als God de eerste ouders met de huid dezer lammeren bekleedt, — was dat niet de ingang van Christus in de heerlijkheid, om den armen mensch te bedekken met de kleéderen Zijns heils? (Genesis 3.)
Als al het volk voor den berg staat, sidderend en bevend.
57
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 25—36.
terwijl het den donder der wet hoort, en Mozes nu zegt: „Eenen Profeet, uit het midden van u, uit uwe broederen, als mij, zal u de Heere uw God verwekken(Deut. 18 vs. 15 en 18.) en nu kort daarop al de bevelen komen van den tabernakel, van het binnenste heiligdom, van de arke des ver-bonds, waarbij het dan heette: „Sta op, Heere! tot Uwe rust. Gij en de ark Uwer sterkte!quot; (Ps. 132 vs. 8.) — als daar de bevelen komen ^ dat in deze arke des verbonds de wet moest gelegd worden, en dat de Heere, op het verzoendeksel troonen wilde, tusschen de twee Cherubim; — verder de verordeningen van het hoogepriesterschap, van de kleeding des hoogepriesters, van zijn ingaan in het heiligdom met bloed; — als de zonden uitgedelgd worden door het bloed der lammeren, der bokken, der roode koe, en deze lammeren opvoeren in de vlammen tot den troon der genade; — was dat niet alles eene prediking: Christus moet lijden en tot Zijne heerlijkheid ingaan, zoo is God verzoend, zóó is de wondervolle ruiling geschied, dat een zondaar vrij uitgaat en tot God komt, terwijl het onschuldige lam zijne zonde draagt, als zonde geslacht en opgenomen wordt tot God?
Gjj kent buitendien de geschiedenis van het offer van Izak; van de koperen slang, in de woestijn opgericht; van de rots, die geslagen werd, zoodat een overvloed van water daaruit voortkwam. Denkt verder aan de geschiedenis van Jozef; aan de geschiedenis van de ark des verbonds, hoe die de eerste en de laatste was in het midden der Jordaan, toen Israël eindelijk in het land der belofte introk. Ook is u de geschiedenis van het huis, dat God David gebouwd heeft, zoo ook van den grooten steen, welken Jozua in Zion legde, (Jozua 24 vs. 26, 27. Vergel. Jes. 28 vs. 16.) even goed bekend, als de geschiedenis van het Paaschlam, om welks bloeds wille, als des Eerstgeborenen uit de dooden, de kinderen Israels hunne eerstgeborenen in het leven behielden, en door welks vleesch gesterkt, zij, uit Egypte verlost, den weg gingen door de Roode Zee, wier golven de Engel Jehova voor hen uit elkander sloeg.
58
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 25—36.
Zou God bokkenbloed drinken ? Had Hij lust aan het vleesoh der runderen? Had Hij daardoor Zijne eer, het geloof weder? Werd Hij daardoor gerechtvaardigd naar den Geest? Was dit niet alles eene prediking des Heiligen Geestes: De Silo komt, de Rustgever, de Vredebrenger (Gen. 49 vs. 10), waarvan Jakob op zijn sterfbed geprofeteerd heeft; de ware Izak, het ware Zaad van Abraham, de in het paradijs Beloofde; Die zal de eeuwige gerechtigheid aanbrengen, alles weder herstellen, God verzoenen; Die zal onze zonde, onzen vloek op Zich nemen, geljjk geschreven staat: „Yervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.quot; (Deuter. 21 vs. 23. Vergel. Gal. 3 vs. 13.) Die zal onze zonde zijn; zoo heeft God het bevolen, op Diens hoofd hebben wij te steunen, onze zonden hebben wij op Hem te leggen; Die gaat voor ons in den dood, Hij wordt voor ons geslacht. En zullen wij, in Hem gerechtvaardigd, verzoend met God naar huis gaan, voorzeker dan gaat Hij uit de vlammen des lijdens over in de heerlijkheid daarboven en beërft aldaar voor ons eeuwige gerechtigheid, eeuwige vrijheid. Wij zijn niets dan uitgestorte asch, derven de heerlijkheid, die wij voor God hebben moesten; Deze echter is een onschuldig, onbevlekt Lam, het wordt voor ons geslacht ^ het brengt God bij ons tot eere; zoo moet dit Lam dan uit Zijn lijden in de eer, welke het verdiend heeft, ingaan.
Wat dunkt u, de geschiedenis van Simson, welke in zijnen dood meer doodde, dan in zijn geheele leven; de geschiedenis Gideon, die met ledige kruiken en met licht al de vijanden Israels over hoop wierp; en van zoovele anderen als van Samuël, van David, van Salomo, — hebben die geschiedenissen niet allen den strijd van het lijden Christi afgebeeld en de heerlijkheid, welke Hij moest beërven? Zeggen die u niet allen klaar en duidelijk: God heeft Zijne eeuwige barmhartigheid verheerlijkt. Hij heeft Zijne eer weder gekregen, de eeuwige gerechtigheid is Hem aangebracht. Hij is met Zijn volk en met Zijn land verzoend geworden. Zijn Woord, Christus, heeft het daargesteld, maar in zulk eenen weg, dat
59
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 25—36.
Hy eerst daarbij in dea dood is gegaan en daarna tot Zjjne eer is gekomen, welke Grod Hem beloofd had, maar niet tot eene vergankelijke, neen, — maar tot eene onvergankelijke eer in de hemelen, in het Koninkrijk, in de stad, welke boven is, waarheen al de voorvaderen zich hebben uitgestrekt, waarover zjj allen in hunne ellende zich hebben verblijd.
Leest de geheele Schrift door, overal zult gij het vinden: Christus moest lijden en alzoo tot Zijne heerlijkheid ingaan. Alleenlijk zóó kou üod gerechtvaardigd, alleenlijk zóó verzoend worden, alleenlijk zóó kon God in al Zijne deugden en volmaaktheden verheerlijkt worden, alleenlijk zóó kon do ongerechtigheid en overtreding van alle vleesch openbaar worden, en daarentegen de macht der genade, zooals die het leven en de onverderfelijkheid geeft.
Staat het niet in de gansche Schrift, dat de hoogepriesters en oversten Hem ter dood zouden veroordeelen, en Hem kruisigen? Bewijst zulks niet het bloed van Abel, het lijden van Henoch en Noach, het lijden van Abraham, Izak en Jakob, het lijden van Mozes en Job, van Samuël en David? — Bewijst zulks niet het bloed van al de Profeten, dat vergoten werd, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Berechja? Was het niet Christus, die in hen leed, en is Hij niet met hen in Zijne eer ingegaan? Was niet Zerubbabol, waren niet Ezra en Nehemia levende afbeeldsels van het lijden Christi en van Zijne heerlijkheid?
Als de Wijsheid in de Spreuken van Salomo roept, bidt en smeekt, om den jongeling van de hoer (de nieuw herleefde Gemeente van de afgoderij) verwijderd te houden; als Zij betuigt, dat Zij haar slachtvee heeft geslacht, haren wijn heeft gemengd en hare tafel heeft toegericht, doet dat niet alles aan een verschrikkelijk lijden denken? — maar ook aan geërfde eer, terwijl van de hoer gezegd wordt: „Hare genooden zijn in de diépten der helquot;? (Vergel. Spr. 7—9.)
En wat dunkt u van al de heerlijkheid van den Liefste in het lied der liefde? Is er naar het zichtbare daarvan ooit
60
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 25—36.
iets te zien ? Kan er voor den armen zondaar een andere Naam eene uitgestorte olie zijn, dan de Naam van eenen gekruisigden en daarna verrezen Christus?
Moest de Christus niet deze dingen lijden en in Zijne heerlijkheid ingaan ? Gij kent immers de Psalmen : „Waarom woeden de Heidenen, en bedenken de volken ij delheid ? De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den Heere en tegen Zijnen Christus.quot; (Ps. 2 vs. 12.) Is dat niet zoo gebeurd ? Hebben de Overpriesters met hunnen ganschen raad en Pilatus zich niet opgemaakt tegen God en tegen Jesus van Nazareth, welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk? Hebben zij echter wel iets anders gedaan, dan wat Gods hand en Zijn raad te voren bepaald hadden, dat geschieden zou ? Deed God het niet alles voor Zijn Zion ? Is het niet betuigd geworden , dat Christus in Zijne eer moest ingaan, wanneer er geschreven staat: „Ik zal van het besluit verhalen: De Heere heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik IT gegenereerd! Eisch van Mjj, en Ik zal de Heidenen geven tot Uw erfdeel.quot;? (Ps. 2 vs. 7, 8.)
Waar hebt gij ooit zulk eene letterlijke vervulling gezien, als gij zelf beleefd en vernomen hebt in de kruisiging van Jesus ? Is het van David geheel naar den letter waar, dat men zijne handen en voeten doorgraven heeft, dat men zijne kleederen onder zich verdeeld heeft en het lot over zijn gewaad heeft geworpen ? Heeft men het hem letterlijk smadelijk verweten : „Hij heeft het op den Heere gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft ?quot; Kon David in letterlijken zin uitroepen : „Mijn God , mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?quot; (Ps. 22.) — En dat Christus in Zijne heerlijkheid moest ingaan, wordt daarvan niet gezegd: „De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden;quot; en „Hjj zal een zaad hebben, dat Hem dientquot;? Predikt de Psalm (Ps. 16), waarin gezegd wordt: „Gij zult Mijne ziel in de hel niet verlaten ; Gij zult niet toelaten, dat
61
LEERREDE OVEK LUKA.S 24 VS. 25—36.
Uw Heilige de verderving zie,quot; niet van Christus\' dood en opstanding ? David heeft immers wel de verderving gezien! Heeft men David letterlijk met gal gedrenkt in grooten dorst ? Is hij zoo letterlijk met voeten getreden door zijnen vriend, die zijn brood at, als de Meester door Judas? Is de dood ooit iemand zoo snel overvallen als Judas ? (Ps. 69). — Moet het van David naar den letter gelden: „Mijn God, op U vertrouw ik,quot; en: „Gij zet Uwen koning tot zegeningen in eeuwigheidquot;? En wederom staat geschreven: „Gij hebt geenen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt Mij de ooren doorboord. Zie, Ik kom, om Uw welbehagen te doen, o Mijn God, en Uwe Wet is in het midden Mijns ingewands en: „Hij heeft Mij uit eenen ruischenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft Mijne voeten op eenen rotssteen gesteld. Hij heeft Mijne gangen vastgemaakt.quot; (Ps. 40.) Kent gij den Psalm niet; „Opdat Hij Uw volk brenge tot de gerechtigheid, en Uwe ellendigen verlossequot;? (Ps. 72 vs. 2. Hoogduitsche overzetting. — Statenvert. „Zoo zal Hij Uw volk richten met gerechtigheid en Uwe ellendigen met recht.quot;) Kon dat anders komen, dan door lijden en dood ? En heet dat niet „eerquot; , als er geschreven staat: „Alle koningen zullen zich voor Hem nederbuigen, alle Heidenen zullen Hem dienenquot; ? Zal Zijn Naam echter eeuwig blijven, zal Hij de armen en nooddruftigen verschoonen, hunne zielen verlossen, hunne zielen van listen geweld bevrijden, zal hun bloed dierbaar geacht zijn in Zijne oogen (Ps. 72.), — zoo is het immers een hemelsch Koninkrijk, waarin Hij door dood en lijden ingaat, en waarin Hij Zich alleen met ellendigen, met armen, met degenen, die tot Hem roepen, inlaat; terwijl Hij de overigen, — al wie Hem niet kust, — verbreekt, gelijk men pottebakkersvaten verbreekt, als die niet deugen.
Moest de Christus niet deze dingen lijden en in Zijne heerlijkheid ingaan ? — David betuigt wederom van Hem: „De Heere heeft tot Mijnen Heere gesproken: Zit aan Mijne Rechterhand.quot; Daaruit ziet gij, dat het geene aardsche eer, noch
62
LEERREDE OVER LÜKAS 24 VS. 25 — 36.
een aardsch koninkrijk is, maar een Rijk op Gods troon, een Rijk tegen zonde, dood, duivel en hel en tegen alle vijanden. — „De Heere zal den scepter Uwer sterkte zenden uit Zion.quot; Daar ziet gij, dat de noodzakelijkheid van het lijden Christi is voortgevloeid uit den raad der zaligheid van het volk, dat God voor Zich had, toen er nog niets was, „De Heere heeft gezworen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.quot; Daaruit ziet gij, dat Hij voor het zaad Abrahams met een offer komt, en wel met een ander offer, dan de Levietische offeranden zijn. — En is niet alles. Zijn lijden, Zijne onzichtbare, eeuwige eer, uitgesproken in deze weinige profetische woorden: „Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffenquot;? En nu zoekt gij Hem in het ledige graf, en zoudt een dood lichaam wenschen te vinden! Meent gij, dat zulk eene heerlijke voorzegging onvervuld kon blijven, dat Hij het hoofd niet omhoog-heeft kunnen heffen, omdat Hij dood in het graf lag, omdat een groote steen daarvoor is geweest, of, dat het niet waar is, omdat gij Hem nog niet gezien hebt? (Ps. 110.)
Spreekt Christus niet door Jesaja, den Profeet: „Mij zal alle knie gebogen worden, alle tong zal Mij zweren en zeggen : Gewisselijk, in den Heere zijn eerechtia-heden en sterkte.quot; (Jes. 45 vs. 23, 24.)
Moest Christus niet deze dingen lijden, en in Zijne heerlijkheid ingaan, zou „het volk Zijner ervequot; in Hem gerechtigheid en sterkte voor God en uit God hebben ? Betuigt niet dezelfde Profeet: „Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden. Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijnen leeftijd uitspreken ? Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijne kennis zal Mijn knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hunne ongerechtigheden dragen.quot; (Jes. 53 vs 5, 8, 11.) En: „Hoe liefelijk zijn op de bergen
63
LEERREDE OVER LU KAS 24 VS. 25—36.
64
de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet hooren; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet hooren; desgenen, die tot Zion zegt: Uw God is Koning!quot; (Jes. 52). Is er vrede bij God zonder het offer Christi? Kan Christus Koning zijn, als Hij niet in Zijne heerlijkheid is ingegaan? En kan onze Ont-fermer zeggen, dat het verbond Zijns vredes niet zal wankelen, als er niet een Borg van dit verbond is, door Wiens dood en macht de waardigheid van dit testament vast staat? In welken zin kon God ook anders aan Zijn volk door Zijnen Profeet Jeremia laten zeggen: „Dit is het verbond, dat Ik na die dagen met u maken zal; Ik zal uwer zonden en ongerechtigheden niet meer gedenkenquot; (Jer. 31 vs. 33, 34), als zulke zonden niet bedekt, niet verzoend waren door den dood van Christus? Of zal God Zijne wetten in het hart van Zijn volk schrijven, zonder dat deze wetten door het lijden van Christus vervuld, zijn? Is het niet des Heeren woord door Jeremia: „Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over hunne woningen ontfermen, en van hen zal dankzegging uitgaan en eene stem der spelenden. En Zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en Zijn Heerscher uit het midden van hem voortkomen, en Hij zal tot Mij genaken: Want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken (zoo niet Hij)? En gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot eenen God zijn.quot; (Jer. 30 vs. 18—22.) Gaat dat borg-worden zonder lijden toe? Kan Christus Heerscher zijn, als Hij niet in de eere is ingegaan, die Hij als de tweede Adam geërfd heeft? Zou God anders tot Zijn volk kunnen zeggen: „Ikheb u lief gehad met eene eeuwige liefde ?quot; (Jer. 31 vs. 3.) Kan „Juda verlost worden en Israël zeker wonenquot; (Jer. 23 vs. 5, 6), wanneer Christus niet zulk een Koning is, van Wien men zeggen mag: „DeHeere, onze gerechtigheidquot;? En hoe kon aan David eene Spruit der gerechtigheid uitspruiten, als deze Spruit niet eerst afgesneden en in den dood gegaan ware ? En wederom, hoe kan Hij goed regeeren, als Hem de Vader niet
LEERREDE OVER LDKAS 24 VS. 25 — 36.
alles in handen heeft gegeven, als Hij niet dien, die het geweld des doods had, te niet had gedaan en de kinderen des doods had verlost? Kan het graf Hem houden, als Hij Zions Koning moet zijn?
Moest Christus niet deze dingen lijden en in Zijne heerlijkheid ingaan? Wordt van Hem niet gezegd bij Ezechiël; „Het verlorene zal Ik zoeken , en het weggedrevene zal Ik weder-brengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken. — En Ik zal eenen eenigen Herder over hen verwekken, spreekt God, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijnen Knecht David, die zal hen weiden. — Ik zal dezelve en de plaatsen rondom Mijnen heuvel stellen tot eenen zegen; en Ik zal den plasregen doen nederdalen op zijnen tijd; plasregens van zegen zullen er zijn.quot; (Ezech. 34 vs. 16, 23, 26.) Of, wie is de Steen, van welken Daniël (Hoofdstuk 2) profeteert, — de Steen, afgehouwen zonder handen, die het wereldbeeld sloeg, zoodat het vermaald ter neder lag, maar de Steen werd tot eenen grooten berg, alzoo, dat die de geheele aarde vervulde? Wiens is dat Koninkrijk, dat al de koninkrijken vermaalt en te niet doet, maar zelf in alle eeuwigheid blijft bestaan? O onverstandigen en tragen van harte, om dit niet te verstaan van het hemelseh Koninkrijk, dat niet gezien wordt op eene aarde, die voorbij zal gaan! Heeft niet dezelfde Daniël het duidelijk genoeg van Christus gezegd, dat de Vader Hem heerschappij en eer en het Koninkrijk gaf, dat Zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en dat Zijn Koninkrijk niet zal verdorven worden? (Hoofdst. 7.) En gij wilt den Levende bij de dooden vinden? Hoe zoude één enkele uwer, die onder de aarde slapen, opwaken ten eeuwigen leven, ware Christus in het graf? — En dat Hij lijden moest, betuigt Daniël zulks niet, als hij schrijft: „Zeventig weken zijn bestemd over Uw volk, en over Uwe heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om eene eeuwige gerechtigheid aan te brengen,
5
65
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 25—36.
en om het gezicht en den Profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.quot; (Daniël 9 vs. 24.)
Als het bij Hosea heet: „Daarna zullen zich de kinderen Israëls hekeeren, en zoeken den Heere hunnen God, en David hunnen Koning, en zij zullen vreezende komen tot den Heere en tot Zijne goedheid in het laatste der dagen(Hos. 3 vs. 5.) moest dan Christus niet in Zijne heerlijkheid ingaan? En als het bij denzelfden Profeet heet: „Ik zal hen van het geweld der hel verlossen. Ik zal hen vrijmaken van den dood: O dood, waar zijn uwe pestilentiën? Hel, waar is uw verderf?quot; (Hos. 13.) — moet de Christus Zich dan niet in de kaken des doods, en in de banden der hel hebben bevonden, opdat de dood aan Hem zijnen dood, de hel aan Hem hare pestilentie gevonden hebbe, en het Israël Gods uit de hel verlost zij?
Hoe zoude het waar kunnen zijn, wat de profeet Joëlzegt: „Het zal geschieden, al wie den Naam des Heeren zal aanroepen, zal behouden wordenquot;, (Joel 2 vs, 32), als Christus niet door de vernedering van Zichzelven, door Zijne gehoorzaamheid tot den dood, Zich zulk een machtigen Naam verworven had ? Daarom kan Hij immers niet meer in het graf zijn; want anders kon Hij ook „de vervallene hut van David niet weder oprichten, en hare reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken wederoprichten,quot; \'zooals de Profeet Amos betuigt., (Hoofdst. 9 vs. 11.) Zou het Koninkrijk des Heeren Christi zijn, zooals Obadja voorzegt (vs. 21), zoo moest Hij in Zijne heerlijkheid ingaan. — En .zoo het dan nu de derde dag is, zoo kan Hij niet meer in het graf zijn, maar Hij moet opgestaan zijn; want zulks voorzegt de geschiedenis van Jona genoegzaam —: op den derden dag was ook zijne verlossing uit het ingewand van den visch.
Nog eens: Moest de Christus niet deze dingen lijden en in Zijne heerlijkheid ingaan? Hebt gij dan niet bij Micha gelezen; „Nu, rot u met benden, gij dochter der bende! Hij zal eene belegering tegen ons stellen; zij zullen den Rechter Israëls met de roede op het kinnebakken slaanquot;? (Micha 4 vs. 14.)
66
LEERREDE OVER UJKAS 24 VS. 25—36.
Maar nochtans, in het graf kan Hij niet blijven: „De overige Zijner broederen zullen zich bekeeren met de kinderen Israëls.quot; „Maar H|j,quot; zoo heet het van de heerlijkheid Christi (Hoofdst. 5 vs. 3), „Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des Heeren, in de hoogheid van den Naam des Heeren, Zijns Grods ; en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde.quot; En wederom spreekt God doorMicha (Hoofdst. 7 vs. 15): „Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen, toen gij uit Egypteland uittoogt.quot; En bij Haggaï staat vermeld: „De heerlijkheid van dit laatste huis zal grooter worden, dan van het eerste.quot; (Haggaï 2 vs. 10.) En Zefanja betuigt: „Zij zullen allen den Naam des Heeren aanroepen en Hem dienen met eenparigen schouder.quot; — „De Koning Israëls, de Heere, is in het midden van u, gij zult geen kwaad meer zien,quot; (Zef. 3 vs. 9, 15.)
Hoe schoon predikt Zacharia van Zijn lijden en van Zijne heerlijkheid, als hij zegt: „Te dien dage zal er eene fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jerusalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid.quot; Is deze fontein anders dan in Zijne wonden? Is zij vrij en open, als Christus nog in het graf ligt? Neen, Hij is opgestaan, om Zijn woord te vervullen: „De schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijne hand tot de kleinen wenden; die zullen Mijnen Naam aanroepen, en Ik zal hen verhooren. Ik zal zeggen: Het is Mijn volk, en het zal zeggen: De Heere is mijn God!quot; (Zach. 13 vs. 7, 9.) Neen, Christus kan niet dood zijn. Hij is opgestaan; want er staat niet te vergeefs bij Maleachi: „Ulieden daarentegen, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.quot; (Mal. 4 vs. 2.) Maar laat varen uwe gedachten van een aardsch koninkrijk, van zichtbare heerlijkheid; verstaat veeleer dit: „Christus moest lijden en in Zijne heerlijkheid ingaan,quot; opdat gij zoudt juichen : „Wie is een God, gelijk Gij, die de ongerechtigheid vergeeft, die Zijnen toorn niet in eeuwigheid houdt!quot; (Micha 7 vs. 18.) En nu verstaat het
5*
67
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 25—36.
woord, het profetische woord, naar Geest, zoodat gij niet ziet op dood en graf, maar op de waarheid: „De Heere, de Koning Israëls is in het midden van u, opdat gij voor geen tegenspoed zoudt vreezen!quot;
Wat dunkt u, Mijne Geliefden, zoo ik u nu het duizendste gedeelte heb voorgehouden van hetgeen de Heere den beiden discipelen heeft uitgelegd, zoo kunt gij de negenhonderd negen en negentig deelen wel vinden, gij, die op den weg naar Emmaus zijt, en meent, — gisteren ik, heden gij, morgen wij beiden, — dat Christus niet is opgestaan; want het geloof is een hoog en zwaar stuk.
Gelijk de discipelen het betuigden: „Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende?quot; zoo moet toch ieder hart ook nu nog branden, als het uit de lieve Profeten de stem des Bruidegoms verneemt. Hoe trouw is Hij toch in het nagaan Zijner verdwaalde schapen, die allen zulke zielen zijn, welke zich in geen ding weten te helpen, maar dadelijk versaagd en radeloos zijn, omdat zij niets dan nood en dood zien, en meenen, dat Hij nu dood is èn dood blijft. Hij leidt Zijne heiligen zeer wonderbaar. Als zij aan het vlek Emmaus, aan het vlek „donkerheidquot;, gekomen zijn, en Hij hen eerst door Zijne woorden gelokt heeft, dat zij niet zonder Hem kunnen zijn, en zij zich nu juist het ongelukkigst zouden gevoelen, zoo Hij hen alleen liet, daar houdt Hij Zich zóó, als wilde Hij nu verder gaan. Laten wij echter van deze lieve discipelen leeren, om in zulk eenen nood en bijzonder in deze dagen Hem vast te houden en te noodigen: „Heere Jesus, blijf met ons, want het is bij den avond, en de dag is gedaald,quot; — zoo zal Hij wel bij ons ingaan, om met ons te blijven. En kunnen wij Hem nu niet meer lichamelijk aan onzen disch hebben en Hem met deze onze oogen niet meer zien, zooals ook Petrus schrijft: „Denwelken gij niet gezien hebt, en nochtans lief-hebt,quot; — zoo zullen wij evenwel ervaringen maken, waarbij Hij ons de oogen zal openen, zoodat wij Hem herkennen. Hij
68
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 25 — 36.
moge dan ook na menige trouwe hulp weder van ons verdwijnen, — in eiken nood zullen wij, die op Hem vertrouwen, Hem wederzien.
De lieve Emmaüsgangers keerden toenmaals, ofschoon de dag gedaald was, van hun vlek „donkerheidquot; weder naar Jerusalem, hetwelk zij eerst den rug hadden toegekeerd. Op den weg in de duisternis onderhielden zij er zich nog over, hoe hun Zijn woord zoeter dan honig en honigzeem was geweest , toen Hij hun de Schriften opende. En zoo kwamen zjj in onderling gesprek spoedig weder daar, waar al de schapen te zamen waren; daar werden zij andermaal vertroost. Als uit éénen mond hoorden zij den vreugdekreet: „De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien!quot; Zij hadden echter ook wat te vertellen, waardoor den anderen nieuwe moed werd gegeven. — En dra, toen zij van deze dingen spraken, stond Jesus zelf in het midden van hen, en zeide tot hen; „Vrede zij ulieden!quot; Hiervan ware nu nog veel te zeggen.
Dit alleen wil ik u, Emmaüsgangers, toch niet onthouden, dit ccne moet nog gezegd zijn: Gij meent, dat alles eindelijk met u op donkerheid en nacht zal uitloopen. Jesus is echter opgestaan. Hij houdt u met Zijn Woord en met Zijne trouw. quot;Weldra zult gij omkeeren tot het licht. Vooruit maar in de donkerheid, en met elkander over Zijne woorden en openbaringen gesproken, opdat het anders zoo harde hart gansch week worde en als zalf, — want zoo bemoedigt de één den ander. Wij hebben nu een ander Jerusalem; dat ligt daarboven, — daar zijn al de lieve discipelen te zamen en dragen kroonen en zingen het gezang van Mozes en van het Lam: „Groot en wonderlijk zijn Uwe werken, Heere, Gij almachtig God!quot; — Daarheen gaat het! Het is voor ons nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien , gelijk Hij is. Onthoudt Zijne opstandings-groetenis aan ons; Vrede zij ulieden! Amen.
69
leerrede oyer lukas 24 vs. 25—36.
Nazang: Psalm 142 vs. 4, 5.
\'k Wou vluchten, maar kon nergens heen, Zoodat mijn dood voorhanden scheen , En alle hoop mij gansch ontviel,
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
Ik riep tot U ; ik zeid\': o Heer 1 Gij zijt mijn toevlucht, sterkt\' en eer ; Gij zijt, zoo lang ik leef, mijn deel.
Mijn God, Wien ik mij aanbeveel!
V.
LEERREDE
OVER
LUK AS 24 vs. 34.
quot;Voorzang: Psalm 72 vs. 1, 7.
Geef, Heer! den Koning Uwe rechten,
En Uw gerechtigheid
Aan \'s Konings Zoon, om Uwe knechten
Te richten met beleid.
Dan zal Hij al Uw volk beheeren ,
Rechtvaardig, wijs en zacht;
En Uw ellendigen regeeren:
Hun recht doen op hun klacht.
Nooddruftigen zal Hij verschoonen :
Aan armen, uit gena,
Zijn hulpe ter verlossing toonen ;
Hij slaat hun zielen ga.
Als hen geweld en list bestrijden ,
Al gaat het nog zoo hoog :
Hun bloed, hun tranen en hun lijden,
Zijn dierbaar in Zijn oog.
Tekst: Lukas 24 vs. 34.
„De Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien.quot; Apostolische woorden zijn het, die ik in uw schoon leger breng, gij klein kuddeken van Christus, mijnen Heere, die
Gehouden op Paasch-Zondag, 8 April 1849, vóór de bediening van het H. Avondm.
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 34.
mij van \'s moeders lijf af uitverkoren heeft, opdat ik u brengen zou Zijne goede woorden, Zijne genadige woorden, en u antwoord geven zou op de vraag uws harten: „Hoe ziet het daarboven voor mij uit ? Zal mijn gebed verhoord worden ? Leeft Hij ook voor mij , Wien mijne ziel zoekt?quot; — Apostolische woorden breng ik uit den mond van zulken, die daar zaten in duisternis en schaduwe des doods, hun geweten beladen met groote en zware zonden, die zij tegen den Heere bedreven hadden, dewijl zij Hem allen verlaten, dewijl zij zich allen aan Hem geërgerd hadden, en een iegelijk naar het zijne gevlucht was, toen het zwaard ontwaakt was tegen hunnen Herder, den grooten Herder der schapen. (Zach. 13 vs. 6.) quot;Woorden van vreugde, van troost, van leven breng ik u uit den mond van zulken, die beefden en sidderden bij het bewustzijn van hunne eigene schuld, van hen, die niet gelooven konden, en toch slechts dan alleen vroolijk konden worden,, wanneer zij den Heere terug hadden.
Bij de overweging dezer woorden ontsteke de Heere uwen geloofsmoed en uwe liefde tot den Heere Jesus, door Zijnen voor Zijne Gemeente verworvenen Geest.
Twee gebeurtenissen deelen ons de lieve, verblijde discipelen hier mede:
I. De Heere is waarlijk opgestaan.
n. Hij is aan Simon verschenen.
I.
Ach, die lieve discipelen ! Drie jaren lang hadden zij den Heere in hun midden gehad; Hij had zoo trouw voor hen gezorgd ; het had hun, zoolang Hij bij hen was, aan niets ontbroken; Hij had hen met zooveel ontferming, liefde en geduld behandeld; zij hadden van Hem steeds woorden vernomen, die zóó diep in hun hart gedrongen waren, dat zij Hem eens op Zijne droevige vraag: „quot;Wilt gijlieden ook niet weggaan?quot; antwoordden: „Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En wij hebben geloofd en
72
LEERREDE OVER LÜKAS 24 VS. 34.
bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Grods.quot; (Joh. 6 vs. 67, 68.) — Dit geschiedde bij die gelegenheid, toen de Heere het had betuigd: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke,quot; (Joh. 6 vs. 44a.) aan welke woorden vele Zijner discipelen zich zóó ergerden, dat zij teruggingen en voortaan niet meer met Hem wandelden. — De Heilige Geest was nog niet, de discipelen hadden Hem nog niet ontvangen; maar te leven zonder den Heere, te leven zonder Zijne woorden, was voor hen de dood. Hoe zielsbedroefd moesten zij daarom zijn, toen de Heere van hen weggenomen was, toen Hij een zoo smadelijken dood gestorven en daarna begraven was; zij hadden den Heere niet meer, en toch zou Hij Israël verlossen! De woorden, die Hij gesproken had, konden zij maar niet vergeten; evenwel zagen zij niets meer. Hij was toch een Profeet, krachtig in werken en woorden voor God en al het volk, en nochtans hadden hunne overpriesters en oversten Hem overgeleverd tot het oordeel des doods en Hem gekruisigd. Welk eene worsteling in hun binnenste om oplossing van dit raadsel! hoe moet hun geloof geworsteld hebben! welken twijfel, welken angst en welk een versagen, welke aanvechtingen van het ongeloof moesten zij verduren! Het kon toch niet gelogen zijn, — maar nochtans! de Heere was dood; Hij lag in het graf! Ach, hoe konden zij aan opstanding denken? dat kwam hun volstrekt niet in de gedachten, al had Hij ook nog slechts eenige dagen voor het Paschafeest gezegd: „Ik ben de Opstanding en het Leven,quot; en al had Hij den dooden Lazarus opgewekt. Daarbij kwam nu het booze, beschuldigende geweten. „Laat ons met Hem gaan , opdat wij met Hem sterven,quot; hadden zij gezegd, en ach, hoe hadden zij zich in Gethsémané gedragen, hoe op Golgotha!
Het gaat u niet anders, gij kleine kudde Christi! Wat baat het, of wij het al met het verstand weten, dat Jesus is opgestaan uit de dooden, het moet met het hart geloofd zijn, anders heeft het bij ons noch vrucht, noch kracht. En hoe
73
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 34.
74
veel komt er bij ons niet tusschen, dat het ook van ons wel kan gezegd worden: „Zij verstonden de Schrift nog niet, dat Jesus van de dooden moest opstaan,quot; Vanwaar anders die moedeloosheid in zoo velerlei opzicht, dit vreeselijk ongeloof, dit vreezen, dit versagen, dit twijfelen, als ware Zijn woord gelogen: „Zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereldquot;? Hoe menig voornemen, den Heere te volgen door bezaaide en onbezaaide landen, Hem getrouw te blijven, niet meer te zondigen, liever alles prijs te geven, leed niet reeds schipbreuk ! Hoe menigeen zit vroeg en laat in duisternis, als ware de levende Heiland dood en begraven! — Moeten wij niet Zijnen dood gelijkvormig worden? Willen wij dat anders ? Maar die wegen , die wegen, waarin zulks geschiedt, — zijn die niet allen steeds zulke wegen, waarin wij ten grave hebben te dragen al onze begeerte, onze hoop, onze uitzichten, ons leven, onze gerechtigheid , ja onzen Christus zeiven, gelijk Abraham zijnen zoon Izak, dat kind der belofte, op het altaar leggen en slachten moest, zoodat hij zijnen ganschen honderdjarigen weg met al de daarop verkregen beloftenissen in den dood moest geven ? En de oude mensch, moet hij niet met Christus gekruisigd zijn ? En toch, als zulke dingen in de praktjjk des levens moeten geschieden, laten wij dan de hoop op den nieuwen mensch en op zijn leven niet varen ? Ach, hoe menigeen kan niet leven zonder den Heere en Zijne woorden, maar hjj zoekt Hem des nachts en vindt Hem niet! (Hoogl. 3 vs. 1.) Zijne woorden schijnen gelogen te zijn; het schijnt uit en voorbij te zijn met de belofte; de gebeden schijnen niet verhoord, de tranen niet geteld, de verzuchtingen niet vernomen te worden. Daar is dan alles dood om ons heen , alles zwijgt, alles is duister; de mensch is dood, leêg, ellendig, en zoo is dan de Heere ook dood en staat niet weder op. — Hier en ginds zit een terneder, — hoe gelukkig zou hij zijn, zoo hij durfde te zeggen: niet alleen voor anderen, maar ook voor m ij! Hij is ook mijn Heere! — Maar het beschuldigend geweten spreekt; men heeft zijnen Heere ver-
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 34.
loochend en met den duivel gemeene zaak gemaakt, om diens wil te volbrengen. Elders zit men in het duister , waagt het niet, de gordijnen te openen, men schuwt het licht, men is krank en begraven onder den toorn, onder den last zijner zonden, — en de Heere is ook dood en begraven! — Ach! wat verstaat men in nood, droefenis, ellende, armoede, aanvechting en zonden van opstanding, wanneer da Heere niet Zelf tot ons komt en ons troost?
De Heere Jesus maakt het evenwel heden niet anders, dan toen; Hij laat Zijne bedroefden niet zonder troost; zij zullen heilig lachen, en hunne droefheid zal in vreugde veranderd worden. Hij heeft Zich toen geene moeite gegeven, om Zich aan de overpriesters en oversten des volks, aan Kajafas, Herodes of Pilatus levend te vertoonen; Hij is niet op de tinne des tempels gestegen, om Zich den volke te vertoonen, maar aan de zwakke en moedelooze vrouwen heeft Hij Zich geopenbaard. Hij is vroeg opgestaan, om Zijn volk. Zijne kleine kudde te vertroosten, de arme bevreesde discipelen, die in hardnekkig ongeloof verkeerden en van alle hoop beroofd waren, in wie evenwel de liefde gebleven was. En Hij, die ons eerst heeft liefgehad, — daarom hebben wij Hem lief, — is grooter, is machtiger in liefde, in genade, ia trouw, dan Zijne discipelen groot en machtig zijn in zonden, in ongeloof en ontrouw. En zoo snel is geen bliksem, als Hij snel is om Zijne treurigen te troosten. Daarom verzekert Hij hen van Zijne opstanding, zogdra Hij opgestaan is; en in Zijne discipelen brandt het hart, — daar zij toch zelf zoo diep bekommerd zijn geweest, — om aan alle bekommerden de blijde boodschap mede te deelen. Daarom, zoodra zij Kleopas en diens metgezel, dien uit het vlek „donkerheidquot; kwamen, vóór zich zien, kunnen zij het niet voor zich houden, maar roepen het hun als uit éénen mond toe: „De Heere is waarlijk opgestaan!quot;
„De Heere is waarlijk opgestaan.quot; Met deze woorden uit den mond Zijner discipelen ben ik voor u opgetreden, omdat
75
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 34.
ik van deze waarheid verzekerd ben; en met dien troost, waarmede de Heere mij getroost heeft, troost ik u weder door des Heeren genade, opdat gij in leven en in sterven een ge-wissen troost hebben zoudt, en deze uw troost blijve.
„De Heere is opgestaan,quot; — wat zegt dat? Dat zegt alles, wat aan een arm en ellendig mensch moed kan geven. Hij, die het geweld des doods had, dat is de duivel, heeft den Heere niet kunnen houden, hij heeft Hem uit het graf moeten loslaten. Zoo is dan ons geloof niet ijdel, zoo zijn wij dan niet meer in onze zonden, zoo zijn wij met Hem opgewekt, met Hem opgestaan; zoo kan ons geen graf, hoedanig een ook, geen dood, van welke gestalte ook, meer houden. Niet voor Zich zeiven is Christus opgestaan, maar als de tweede A.dam is Hij Zijnen God opgestaan, ter onzer rechtvaardigmaking, gelijk de Apostel Paulus betuigt: „Hij is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.quot; (Rom. 4 vs. 25.) Zoo zal dan de wereld met haar moorden, de dood met zijn dooden, de Satan met zijne aanklachten niets aan ons hebben, niets meer tegen ons kunnen uitrichten. Moge het ook den schijn hebben , alsof het geloof geheel verdwenen was, moge alle hoop vervlogen zijn, ligt nog maar dit ééne in het hart: „Heere, waar zullen wij heengaan, Gij hebt de woorden des eeuwigen levens lquot; ligt nog maar de liefde in het hart, dat men toch liever de geheele wereld en den geheelen zondendienst voor den Heere er aan geeft, en slechts dan blijde kan zijn, als men Hem heeft; dan zal men het tot zijnen troost vernemen: De Heere is opgestaan! Zoo zijn wij dan gerechtvaardigd in Hem. Het ging leven om leven. Hij heeft Zijn leven voor ons gegeven, zoo kunnen dan duivel en dood niets meer uitrichten, zoo wij den Heere aanhangen. Hij zal nu op de beste wijze voor ons zorgen. Daartoe is Zijne opstanding een gewis pand onzer zalige opstanding.
Het blijft, wel is waar, een hoog , zwaar stuk, de opstanding van Christus voor zich zeiven te gelooven. De discipelen heb-
76
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 34,
ben het zelf ervaren, hoe machtig het ongeloof zich tegen deze waarheid verzet. Daarom zeggen wij ook, om allen twijfel weg te nemen: De Heere is waarlijk opgestaan!quot; Dit „waarlijkquot; kwam hun uit het hart, gelijk het den Profeet Jesaja uit het hart kwam, toen hij uitriep: „Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen.quot; (Jes. 53 vs. 4a.) Dit: „waarlijkquot; dient, om allen twijfel weg te nemen. Zij bestrijden daarmede hun eigen ongeloof en dat van anderen, jagen het op de vlucht en grijpen hetzelve weder aan, wanneer het nieuwe aanvallen maken wil.
Onze Heere is waarlijk opgestaan. Zoo zijn wij dan waarlijk in dien stand gezet, dat wij den dood niet zullen zien. Waarlijk zijn wij in Hem gerechtvaardigd ; waarlijk is het de werking der sterkte Zijner macht, — die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de dooden heeft opgewekt, — die aan ons werkt, om ons van de wereld af en daarheen te brengen, waar Christus is. Waarlijk hebben wij het eeuwige leven; waarlijk zal onze hoop niet beschaamd worden. Waarachtig is het, wat wij voor zeker en gewis houden van onze uitverkiezing, waarmede God ons. Geliefden, uitverkoren heeft ter eeuwige zaligheid. Waarlijk zal Christus als de Laatste over ons stof opstaan (Job 19 vs. 25), waarlijk ons niet verlaten in onze laatste ure, waarlijk ons gebeente in het graf bewaren en ons uit het graf opwekken ! waarlijk zullen wij Hem zien, gelijk Hij is! Waarachtig zijn al deze dingen, al zien wij er niets van. En de kracht Zijner opstanding, wie kan die loochenen ? Zij is van teekenen en wonderen omgeven, hoe zij ons door al het zichtbare heengeholpen en elke bruisende zee, die zich tegen ons verhief, gescholden heeft.
H.
Wat staat bij menigeen in den weg, dat dit „waarlijkquot; evenwel niet vastgehouden kan worden? Dit, dat gij niets dan jammer en ellende bij u vindt, gij bedroefd hart! Dit, dat gij in uw
77
LEERREDE OVER LÜKAS 24 VS. 34.
vleesch niets goeds, maar alleen schande en zonde ontdekt Daarom buigt gij het hoofd neder, en het behaagt u niet, om het op te heffen; en van grooten angst klopt en siddert uw hart vanwege Gods grooten toorn en is vol lijden en zuchten en breekt los in een klaaglijk weenen, omdat het zich niet kan inhouden. Gij zijt alzoo bekommerd vanwege uwe zonden, en er is geene kracht, om u ook maar aan het geringste vast te houden, als ten hoogste voor een oogenblik; maar spoedig is het weer voorbij, en het licht uwer oogen is niet meer bij u. Gij klaagt: „Mijne zonden gaan mij over het hoofd, en zij zijn zwaar geworden als een zware last.quot; Welaan, hebt gij het gehoord, hebt gij het allen gehoord, gij die wegzinkt voor het Woord Gods, gij allen, in wier harten gebaande wegen zijn, en die liever naar het leêge graf des Heeren gaat, dan naar de ijdele wereld terugkeert: „De Heere is van Simon gezien.quot;
O, waartoe toch langer kwade gedachten van God! waarom geven wij aan dezelve nog langer toe! — In de harten der discipelen, in de harten der engelen leeft het: Simon Petrus moet vertroost zijn! — „Hij is van Simon gezien!quot; zeggen de discipelen. „Zegt het aan Petrus!quot; roepen de engelen den vrouwen toe! En de Heere Jesus zelf laat Zijnen Petrus niet in zijne zielesmart liggen. Hij kende ook Paulus wel, dien Hij op den weg naar Damaskus gegrepen had; Hij zag het wel, hoe hij daar in gebed en tranen lag; daarom heette het ook tot Ananias: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Eechte , en vraag in het huis van Judas naar éénen, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt. En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende , zeide hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jesus, die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden. (Hand. 9 vs. 11, 17.)
Maar Simon Petrus, — wat had hij gedaan ? Hij had gezegd : „Heere, ik ben bereid, met ü in de gevangenis en in den
78
LEERKEDE OVER LUKAS 24 VS. 34.
dood te gaan;quot; hij had den mond der waarheid gelogenstraft, toen deze sprak: „In dezen nacht zult gij allen aan Mij geërgerd wordenen hij had daarop geantwoord : „ Al werden zij ook allan aan ü geërgerd , ik zal nimmermeer geërgerd worden.quot; (Matth. 26 vs. 31, 33.) En nu is het u bekend, dat, ofschoon zijn verderf hem ontdekt was geworden, hij zulks niet had willen aannemen. Gij weet het inzonderheid uit Markus (Hoofdstuk 14 ), wat hij gedaan heeft in het paleis van den hoogepriester, hoe hij daar ten laatste zich zeiven begon te vervloeken en te zweren: „Ik ken den mensch niet, van wien gij spreekt!quot; Maar dit weet gij ook wel, wat ons Lukas bericht (Hoofdstuk 22); „En de Heere, Zich omkeerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk.quot;
„Zie, Gij hebt mijne ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt alle mijne zonden achter Uwen rug geworpen.quot; (Jes. 38 vs. 17.) Dat heeft Petrus kunnen getuigen, nadat de Heere aan hem verschonen was. Dit woord moogt gij ook voor u nemen, gij, die menigmaal naar buiten zijt gegaan en bitterlijk hebt geweend, menigmaal naar buiten gaat en bitterlijk weent vanwege uwe zonden. Dat zal daar toch niet voor niets staan, dat de engelen roepen: „Zegt het aan Petrus!quot; niet voor niets daar staan, wat des Heeren discipelen zeggen: „Hij is aan Simon verschenen!quot; — „Evangeliequot; heet dat, wat wij vóór ons hebben. Zoo is het dan dengenen tot troost, die vermoeid en belast zijn, die groote en zware zonden hebben, die, eenzaam en verlaten, in droefheid hunner ziel menigmaal ronddwalen en heden of morgen niets liever zouden wenschen, dan dat het waar mocht zijn: „De Heere is waarlijk opgestaan!quot; „Ja,quot; zoo heet het, „had ik het geloof van die discipelen, die toen zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan!quot; — Nu, was dan het geloof van Petrus iets anders, dan dit, dat het hem diep smartte, dat hij den Heere niet
79
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 34.
geloofd had? En was het geloof van deze discipelen dan zoo onbewegelijk? Spoedig daarna verschijnt hun de Heere zelf, en ofschoon Hij zegt: „Vrede zij ulieden!quot; zoo werden zij toch verschrikt en waren bevreesd en meenden een geest te zien. Daar ziet gij, hoe het met het geloof gesteld is, wanneer het waar geloof is. Daar is ook vreeze en beving, daar zijn verkeerde gedachten, en men gaat met Petrus naar het leêge graf, men meent, daar moet de Heere toch wel zijn; men zoekt den Levende bij de dooden; en heeft men niets gevonden, dan gaat men weer heen. Zoo is echter de Heere, de Opgestane, niet. Hij bekommert Zich veel meer om het leven van Zijne discipelen, dan zij zich bekommeren om Zijn leven; Hij is veel gelukkiger en blij der daarin, dat Hij Zich aan hen zou kunnen openbaren, dan zij gelukkig en blijde kunnen zijn daarover, dat zij Hem zouden gevonden hebben; en zoo geweldig kan bij een mensch de dorst naar genade niet zijn, als Hij geweldig is in Zijne begeerte, om den naar genade dorstende in den wijnkelder te voeren (Hoogl. 2 vs. 4.)
„Mocht Hij ook aan mij verschijnen 1quot; mag deze of gene wel denken. Goed, gij zult uwen wensch hebben, wanneer gij niet nalaat, totdat gij Hem gevonden hebt. Is dit het verlangen uwer ziel, dan hebt gij Hem lief; en wie Mij lief heeft, (alzoo heeft Hjj gesproken) die zal van Mijnen Vader geliefd worden, en Ik zal Mij aan hem openbaren.
Maar hoe wil de Heere nu aan ons verschijnen? Hoe wil Hij Zich aan ons openbaren? In Zijn AVoord, door Zijnen Geest, in de middelen, die Hij daartoe verordend heeft. Grijpt die aan in\' den geloove, trots alle tegenspraak van de zijde des vleesches en des duivels, van zonde en nood, — anders moet de Heere ons straffen vanwege ons ongeloof en de hardheid onzes harten, dat wij dengenen niet gelooven, die Hem gezien hebben, en die het ons toeroepen: „De Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien!quot;
Maar nu, g|j Simons, gij Maria\'s, gij, klein kuddeke,
80
leerrede over lükas 24 vs. 34.
gij, die gaarne gelooven zoudt, maar de zaak is u te groot, te machtig, — nadert tot den disch des Heeren, opdat gy uit de hand des dienaars, — die het u ook betuigt: „De Heere is waarlijk opgestaan!quot; — de teekenen en zegelen tot u neemt, opdat die uw zwak geloof ophelpen ! Zij werken onzichthaax, onmerkbaar, wanneer gij uwe harten hemelwaarts verheft; zij werken in den nood, opdat wij , als de dood ons aan liet einde verslinden wil, de ondervinding hebben van de kracht Zijner opstanding, om het alsdan den dood in het aangezicht te zeggen : „De Heere is waarlijk opgestaan ! Ook is Hij van mij, van mij gezien, die het niet waard ben, dat Hij mij zoo lief heeft gehad.quot; Amen.
Slotzang: Psalm 89 vs. 7, 8.
Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!
Zij wandlen, Heer! in \'t licht van \'t godlijk aanschijn voort,
Zjj zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden:
Uw goedheid straalt hun toe, Dw macht schraagt hen in\'t lijden;
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedoogen,
Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhoogen.
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht. Uw vrije gunst alleen wordt de eere toegebracht!
Wij steken \'t hoofd omhoog, en zullen de eerkroon dragen Door U, door U alleen, om \'t eeuwig welbehagen:
Want God is ons ten schild in \'t strijdperk van dit leven , En onze Koning is van Isrels God gegeven.
81
6
VI.
LEERREDE
OVER
ROMEINEN 6 vs. 7—12.
Voorzang: Psalm 25 vs. 5—7.
Loutre goedheid , liefdekoorden ,
Waarheid zijn des Heeren paan Hun, die Zijn verbond en woorden Als hun schatten gadeslaan. Wil mij , Uwen Naam ter eer, Al mijn euveldaan vergeven;
Ik heb tegen U, o Heer!
Zwaar en menigmaal misdreven.
Wie heeft lust den Heer te vreezen,
\'t Allerhoogst en eeuwig goed? God zal zelf zijn leidsman wezen, Leeren, hoe hij wandlen moet; \'t Goed, dat nimmermeer vergaat, Zal hij ongestoord verwerven ,
En zijn Godgeheiligd zaad Zal \'t gezegend aardrijk erven.
Gehouden 30 April 1848, \'s voorin.
LEERKEDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7—12.
Gods verborgen omgang vinden
Zielen, daar Zijn vrees in woont;
\'t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden ,
Naar Zijn vreêverbond , getoond.
De oogen houdt mijn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten ;
Hij , die trouw is, zal mijn voet Voeren uit der boozen netten.
Tot welk nut zal de opstanding van Jeaus Christus ons verstrekken ? Zal het ons genoegzaam zijn, Mijne Geliefden! enkel te weten , dat Jesus uit de dooden is opgestaan ? De kennis maakt opgeblazen. Of kan het ons troosten , dat de opstanding van Christus ons een zeker pand onzer opstanding is ? Maar Christus zal komen met de engelen Zijner macht, en dan zal de stem gehoord worden: Gij dooden staat op en komt voor het gericht! — De Koning zal niet allen , die Hij zal opgewekt hebben, in Zijn paleis opnemen. Niet allen zullen tot hunnen troost Zijne heerlijkheid aanschouwen; veeleer zal Hij de schapen aan Zijne rechterhand, maar de bokken aan Zijne linkerhand zetten. Alleen tot hen, die aan Zijne rechterhand staan , zal Hij zeggen : „Komt in, gij gezegenden Mijns Vaders, en beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is voor de grondlegging der wereld;quot; daarentegen zal Hij tot degenen, die aan Zijne linkerhand staan, zeggen : „Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur , dat den duivel en zijnen engelen bereid is.quot;
Zal een menschenkind zich van te voren daarmede vleien: Hij zal mij aan Zjjne rechterhand zetten, ik behoor toch ook tot Zijne schapen! of heeft hij zich niet veeleer te beproeven, of hij wel waarlijk een schaap is ? Het gaat hier niet om eene opstanding, maar om eene zalige opstanding. Wie zal tot deze zalige opstanding geraken? Ik denk: diegene, wien het in waarheid om eene zalige opstanding te doen is. Hij, wien het daarom te doen is, heeft aan dit leven niets; het is hem hier alles een leven des doods; hij bouwt zijne zalige verwachting niet daarop, dat hij een schaap is; maar op de eeuwige
6*
83
LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7 — 12.
trouw des Herders Jesus Christus bouwt hij zijne zaligheid ; hij kan niet aardschgezind zijn ; hij verwacht zijnen Heiland, Jesus Christus, uit de hemelen. Hij is weg, dood en begraven, naar al wat hij gevoelt, en het leven is hem Christus.
Het behoort tot mijne bediening, u zulks voor te houden en met ernst te betuigen. Want dat kan onmogelijk goed en recht zijn, dat velen zich in den Heere beroemen, en desniettemin allerlei ongerechtigheid bedrijven. Ik he\'b den goddelooze te waarschuwen en hem te betuigen, dat het hem niet goed zal gaan. Zulk eenen goddelooze meen ik , die zich voor een schaap houdt, en evenwel in zijn hart een bok is. quot;Wien het om eene zalige opstanding te doen is, die heeft zijnen wandel waarlijk in de hemelen, die leert zich zeiven te verloochenen, ook het goddelooze doen en drijven der wereld te verzaken.
De Apostelen schrijven in al hunne brieven van eene macht der opstanding van Jesus Christus , van eene macht, niet alleen voor gene, maar ook voor deze zijde des grafs. Deze macht zal zich openbaar maken bij de armen en ellendigen ; maar waar zij zich niet openbaar maakt, daar is geene ware armoede en ellende, daar is geene kennis der zonde door de Wet Gods, daar is geen waarachtig verlangen om overeenkomstig deze Wet te zijn, daar is geen verslagen gemoed, geen honger en dorst naar gerechtigheid.
Gij zeiven moogt oordeelen, of dat zoeken van zich zeiven, in plaats van dat, wat Gods en des naasten is, of gierigheid, welke afgoderij en de wortel van alle kwaad is , of het zich , in zijn gedrag, der wereld gehjkvormig-maken, of begeerte der oogen, begeerte des vleesches en grootschheid des levens, — of hardheid tegen zijnen naaste, of leugen, onoprechtheid van allerlei aard en oneerlijkheid, of stijfzinnigheid, of hardnekkigheid en trotschheid des vleesches voor de macht der opstanding ruime baan moeten maken, — of niet.
Ach, die droevige zelfhandhaving, welke Christus niet alles ia allen wil laten zijn, wat levert zij stinkende vruchten op, welke werken des doods heeft zij ten gevolge! Het zij haar
84
leerrede over romeinen 6 vs. 7 — 12.
opnieuw voor oogen gesteld, wat zij is, — en opnieuw worde ons de macht der opstanding Christi voorgehouden, opdat het geloof aan de opstanding van Christus bij ons geen dood geloof zij, — maar een geloof door de liefde werkende.
Tekst: Romeinen 6 vs. 7—12.
„Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij, dat wij ook met Hem zullen leven: wetende, dat Christus , opgewekt zijnde uit de dooden, niet meer sterft; de dood heerscht niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is , dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jesus, onzen Heere. Dat dan de zonde niet heersche in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijjtheden deszelven lichaams.quot;
Tusschenzang: Psalm 62 vs. 5.
In God is al mijn heil, mijn eer,
Mijn sterke rots, mijn tegenweer;
God is mijn toevlucht in het lijden.
Vertrouw op Hem, o volk! in smart,
Stort voor Hem uit uw gansche hart,
God is een toevlucht t\' allen tijden.
Het ambt eens getuigen Jesu Christi is een kostelijk ambt, maar ook een zwaar ambt. Het Woord recht te snijden is zulk eene gemakkelijke zaak niet, als velen wel denken. Het wordt nochtans recht gesneden, waar de hand, die snijdt, in Gods hand rust; en het ambt wordt goed bediend, waar de oogen niet op vleesch, maar op den God der geesten alles vleesches gevestigd zijn; en waar de Geest in de raderen is, daar gaat men recht voor zich heen, draait en wendt zich in niets naar den wil der menschen.
Ik heb reeds twee malen over dit zesde hoofdstuk van den brief aan de Romeinen gepredikt, Ik herhaal het, dat er voor vleesch iets beangstigends in dit hoofdstuk is, zoodat men het
85
LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7 — 12.
wel gaarne zoude willen overslaan; men kan er met al zijn theologiseeren niet mede voortkomen; want óf men vervormt het tot eene zoogenaamde „Christelijke zedeleerquot;, óf men verdraait het op andere wijze.
De Apostel Paulus is een arm zondaar geweest, heeft ook niets heiligs of bijzonders van zich willen weten; „Christusquot; heeft hij gepredikt, en wel „Dien gekruistquot;; Dien heeft hij geheiligd. Yan zich zeiven heeft hij geschreven: Ik ben de voornaamste der zondaren ; ik ben vleeschelijk , onder de zonde verkocht. Hij heeft derhalve zijn bederf, de diepe ellende, de grondelooze verlorenheid van alle vleesch erkend, en heeft alleen in den Heere willen roemen, alleen de genade van Jesus Christus willen prijzen, zooals hij dan ook betuigt: „Wij zijn de besnijdenis, wij die God in Greest dienen, en in Christus Jesus roemen en niet in het vleesch betrouwen.quot; En wederom schrijft hij, dat dit zijn leven uitmaakte: „Christus te kennen en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, of ik eenigszins,quot; betuigt hij, „Zijnen dood gelijkvormig wordende, moge komen tot de wederopstanding der dooden.quot; En daar stort hij nu zijn hart verder alzóó voor ons uit: „Broeders! ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen vóór is, jaag ik naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jesus.quot; (Yergel. Pil. 3 vs. 3—14.)
Zulk een Apostel moet dus ook gehoord worden in alles, wat hij in dit zesde hoofdstuk schrijft. Hij heeft ons de woorden des Heeren Jesus wedergegeven, zooals hij die ontvangen heeft. Hij heeft niet in de lucht geschermd, en ons niet eene leer voorgehouden, welke ook wel kan nagelaten worden, zonder dat ons zulks aan onze zalige opstanding zoude kunnen schaden. Zijn evangelie is het Evangelie van Jesus Christus, het zijn woorden des Geestes, levende woorden, welke vooreerst bij hem, die ze geschreven heeft, waarheid geweest zijn. —
De zelfhandhaving schuwt den waarachtigen koninklijken weg, en heeft twee sluipwegen , om in den schaapstal te komen,
86
LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7—12.
zonder door de deur der schapen in te gaan. Zij smaadt en veracht het Evangelie eener genade, welke geheel en al genade is, en neemt de wet nog ten halve er hij; of zij maakt, dat de genade en de Naam Gods gelasterd worden door een gedrag, dat, evenals zij zelve, uit den dood is.
Tegen beide deze sluipwegen en ter handhaving van den koninklijken weg der gerechtigheid staat dit hoofdstuk, en het zal wel blijven staan. Maar het vleesch met zijne handhaving zal moeten vallen; en wie naar het vleesch wil omgekomen zijn, opdat hij naar Geest in Christus Jesus levend bevonden zij op den dag Christi, ziet zich van elke bedenking, die in hem tegen de genade opkomt, op de zekerste en troostelijkste wijze ontheven.
De genade van Jesus Christus strekt aan het vleesch en aan de zonde ten dood en ondergang. Het lieve Evangelie, de genade, komt tot menschen, die niet gelooven kunnen, dat er voor hen genade is. Waar zij komt, vindt zij slechts zonde; zij vindt eenen mensch, liggende in zyn bloed, eenen mensch midden in de zonde, verzonken tot over het hoofd in het slijk dood en machteloos om zich zeiven te redden, zich zeiven te reinigen. Zulk eenen mensch trekt zij er uit met haar: „Gij zult leven!quot; — en met haar: „Houd u alleen aan Mij vast, zoo zijt gij rechtvaardig en rein.quot; Is men er uit gerukt, dan heeft men grooten vrede; maar het duurt niet lang, of men bespeurt, dat men van rondom in onreinheid ligt. Het gebod komt tot den mensch, zooals hij het nog nooit gehoord had; oude zonde herleeft, en het woord: „Gij zult niet begeerenquot;,brengt den arme in de hoogste aanvechting. Levendiger dan nog ooit te voren wordt de vraag: „Hoe ben ik rechtvaardig voor God ?quot; en met een nog meer verbrijzeld hart dan te voren wordt de troost opgevat: „Geloof alleenlijk.quot; — Trouwens, ook des te geweldiger openbaart zich de woede der duisternis, de woede der verzoeking, vergezeld van de macht der zonde, ten einde eene aangevochtene ziele dit: „Geloof alleenlijk, Mijne genade wordt in zwakheid volbracht!quot; ganschelijk late varen.
87
LEERREDE OVER ROMKINEN 6 VS. 7—12.
Alleenlijk door het geloof in Christus wordt de woede van de machten der duisternis te schande gemaakt, de macht der zonde gebroken.
Doch zulks ziet eone aangevochtene ziel niet; want wie gelooft, die ziet het tegendeel, en omdat hij slechts zonde ziet, stormt ook op hem de groote vraag los: „Zullen wij dan in de zonde blijven?\'\' (Rom. 6 vs. 1.) Voor zulk een gemoed, dat zoo aangevochten wordt, moet alles, wat de Apostel daarop laat volgen, zoeter zijn dan honig en honigzeem, zoo hij het maar grondig verstaat. De duivel toch werpt juist zulk eene vraag in het gemoed, opdat men maar in de zonde zoude blijven; want hij wil den mensch van het geloof aan het Evangelie af-en op de wet terugdrijven, wijl hij zeer goed weet, dat de letter doodt, maar de Geest levend maakt. —
quot;Wie aan anderen het Evangelie heeft te leeren, die is boven anderen aan allerlei aanvechting blootgesteld; en dientengevolge hield de Apostel zich zeiven deze vraag der aanvechting voor, en hij loste dezelve op door den Geest Christi.
Maar waar de zaaier uitgaat om te zaaien, daar is vierderlei soort van grond, vierderlei soort van menschen; op elke soort wordt het zaad geworpen, maar slechts ééne soort draagt vrucht, dertig-, zestig- en honderdvoud. — De^drieërlei verkeerde soorten nemen het geloof ook op, kennen ook de ge-loofsgerechtigheid op hunne wijze, doch zij genezen zich zeiven -niet met het apostolische antwoord, neen, zij meesteren anderen en voornamelijk de leer der gerechtigheid zelve; zij wringen en draaien daaraan, om er zelf onder te kunnen wegduiken, en blijven in hunne zonden. Deze vossen, die den wijnberg des Heeren verderven zouden, worden door dit hoofdstuk gevangen. Tegelijk wordt door hetzelve aan deze drieërlei soort van menschen alle verontschuldiging ontnomen; de opstanding van Christus en hare macht wordt hun zoo in den weg gelegd, dat zij er nooit overheen zullen kunnen komen. De vierde soort, de goede akker, wordt hier te meer bevochtigd en gedrenkt door den genadigen regen.
88
LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7—12.
quot;Wie waarlijk zou begeeren van de zonde los en vrij te zijn, wien de zonde eene diepe smart, eenen hevigen kamp veroorzaakt, wien het daarom gaat, om overeenkomstig de Wet te zijn, — wien het waarlijk om heiliging en reiniging zijner zonde te doen is, die blijve daarbij, om alleenlijk te gelooven; die zoeke zijnen troost daar, waar die te vinden is, te weten: in den dood en in de opstanding van Jesus Christus; die zoeke goed te verstaan, dat hij den dood gestorven is in Christi dood, dat de oude mensch, die tegen God, tegen Zijne Wet en Zijne gerechtigheid was, met Christus aan het kruis genageld werd. Christus droeg onze zonden niet te vergeefs in Zijn lichaam aan het kruis. Hij deed zulks, opdat het lichaam der zonde zoude opgehouden hebben, dat wij voortaan der zonde niet meer dienen. (Rom. 6 vs. 6.) Gij ziet het: de Apostel gaat niet van den rechten Man af, hij leidt ons rechtstreeks tot Christus. Wie zich aan Christus vasthoudt, die heeft in Hem alles, wat Hij daargesteld heeft. In den dood van Christus zijt gij gestorven. Toen Hij stierf, stierft gij met Hem, — en Hij liet u met Zich sterven, opdat gij van de zonde zoudt gerechtvaardigd zijn.
Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde. Dit is eene troostrijkespreuk, die ook in het dagelijksch leven waar is. Want toch, zoo lang een misdadiger leeft, wordt hij van zijne misdaad, die hij bedreven heeft, niet gerechtvaardigd; hij wordt van de aanklacht zyner vorige overtredingen nooit vrijgesteld, en de zwaarte zijner veroordeeling neemt met de grootte zijner misdaad toe. Om zoo te spreken, wanneer iemand een dronkaard, een leugenaar, een gierigaard, een verkwister, een luiaard, een oneerlijk mensch, een oorblazer, een kwaadspreker, een ongehoorzame, een onkuische, een huichelaar of een godslasteraar is, dan wordt hem-zulks, zoo lang hij leeft, toegerekend; maar is hij dood, wie wil of mag dan den doode nog iets verwijten? Zijn binnenste ik, dat toch alle dergelijke misdaden begaan heeft, is niet meer in hem, — en men kan ten hoogste
89
90 LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7 —12.
van den afgestorvene zeggen: hij was zoo of zoo, — maar toch niet: hij is het; ook kan hij die geboden niet meer overtreden , hij kan niet meer zondigen, want hij is dood, — en niemand wordt, zoodra hij dood is, in het gevangenhuis in bewaring gehouden, omdat hij deze of gene misdaad bedreven heeft.
Nu zoude ik wel willen weten, welke zonde den ellendigen kan verweten worden, of met welke zonde hij nog zou te maken hebben, die met Christus gestorven is. „Eertijds waart gij zoo,quot; schrijft de Apostel, „maar gij zjjt afgewasschen, gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd door den Naam des Heeren Jesus, en door den Geest onzes Gods.quot; Van de dooden zal men niet dan goeds zeggen. Is dus iemand met Christus gestorven, dan zal alleen dit van hem gelden, dat volstrekt geen kwaad meer in hem is. Edoch wij hebben daarbij op Christus te zien, en niet daarop, wat het vleesch, wat het vreesachtige hart zegt. Gods quot;Woord zegt het, dat het zóó in Jesus Christus waarheid is, en dat moet ons genoeg zijn.
Trouwens dit is de zaak, of wij met Christus gestorven zijn. Het Evangelie sluit geenen zondaar buiten. Wie het gelooft, die heeft het, die i s gestorven. — Maar daar ligt het: Wie gelooft het? Antwoord: Diegene, welke Gods Woord hooger acht en voor wezenlijker houdt, dan al zijne twijfelingen en alles, waarmede de duivel hem toespreekt. Immers Gods Woord moet bij ons gelden, en niet dat, wat het zwakke hart zegt, niet datgene, wat wij zien of bespeuren. Christus is voor onze zonden gestorven , en niet voor Zich zeiven; dit zegt ons het Woord; al het andere zal leugenachtig bevonden worden, wat hoogen en heerlijken schijn der waarheid het ons ook moge voorspiegelen. Christus echter stierf niet alleen, Hij stierf met zondaren, Hij stierf als de tweede ■ Adam; zoo zijn dan met Hem gestorven allen, die in Hem gelooven.
Dit is zwaar te verstaan en ook zwaar om vast te houden voor het aangevochten gemoed, dat van zijne zonde vrij zou willen zijn. Menigeen meent, dat het hem al weinig zou baten, alleenlijk te gelooven, daar hij er toch niets van ziet,
LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7 —12.
van uit de zonden uitgezet, of van haar gerechtvaardigd te zijn; ja, het ziet er bij hem uit, als bleef hij in de zonde voortgaan, als veranderde hij de genade in ontuchtigheid. Evenwel hoe het er ook bij hem uitziet, of hij het kan vasthouden of niet, — daardoor verandert de zaak niet, nochtans is het waar! Gods quot;Woord zegt het eenen iegelijken aangevochtene; „Gij zijt met Christus gestorven, daarom behoort niemand u uwe zonde te verwijten; zij is van u afgenomen, gij zijt van haar gerechtvaardigd, en gij hebt met haar niets meer te doen; ofschoon gij het tegenovergestelde bij u meent waar te nemen, — gij hebt op Christus te zien.quot;
Maar indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij, dat wij ook metHemzullen leven. — Dat is nu het rechte geloof, waarmede niemand bedrogen zal uitkomen. Houd dat maar eerst vast, dat gij met Christus gestorven, en dientengevolge van de zonde, in Hem, gerechtvaardigd zijt; weldra zult gij dan ook voor de gansche toekomst een goed vertrouwen op Christus hebben. Christus , dat wil de Apostel zeggen, heeft geen half werk gedaan. Hij heeft het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht. De Apostel spreekt hier van een eeuwig leven met Christus. Zulk een leven begint echter reeds hier. De Apostel sluit alzoo het wandelen in gerechtigheid, het wandelen voor God, het voorttreden in Zijne wegen en geboden daarmede tevens in. Het is liefelijk, dat hij schrijft: dat gelooven wij, dat wij met Hem leven zullen, — en dat hij niet schrijft: „Indien wij met Christus gestorven zijn, zoo leven wij ook met Hem,quot; — hoewel zulks ook waar zijn zoude. Maar de lasteraars en de naamchristenen, met den duivel in verbond, hebben het gemunt op het eerlijk gemoed van den aangevochtene, dat niets dan zonde en ellende voor zich heeft, en zouden hem zoo gaarne het geloof ontrooven en tot de werken van eene wet overbrengen. Daarom schrijft de Apostel: „W ij gelooven het, dat wij met Hem leven zullen.quot; Wij gelooven, dat Hij ons uit Zijne volheid genade voor genade zal mede-
91
LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7-12.
deelen, dat Hij ons in Zijne wegen leiden, in Zijne woorden bewaren zal. Alzoo drukt dan de Apostel zijn en der Gemeente goed vertrouwen op den Heere uit.
Zulk een vertrouwen op den Heere is eene goede verschansing tegen den vijand; hij kan die niet veroveren. Christus zal wel zorgen ; met Hem heeft men geen nood, maar is veilig. Daarom, wie in aanvechting der zonde is, diewete, waaraan hjj zich te houden hebbe, te weten; aanChristus. En zoo hem dan daarbij voor de voeten mocht geworpen worden: Maar wolk een onderpand hebt gij dan daarbij voor de toekomst ? Hebt gij dan, nadat gij Christus beleden hebt, niet de wet daarbij toe te voegen, opdat gij voortaan ook heilig zoudt worden, in heiligheid wandelen, en in heiligheid volharden ? dan neme hij dit ter harte: dat Christus zijne wet en zijne heiligheid is. Van den mensch zal er met behulp van de wet niets te voorschijn komen, wat als heiligheid voor God gelden zal; maar in de gemeenschap Christi zal men wel met zulke heiligheid bekleed worden, die liefelijk en aangenaam in de oogen Gods zal zijn. Daarop zal men al zijn vertrouwen stellen voor alle goede werken, dat men Zich enkel en alleen aan Christus houde. In de gemeenschap Zijns levens zal het on? aan geene vrucht des Geestes ontbreken; dat mag men voor waar houden en daarop Amen zeggen, al zag het er ook oogenblikkelijk zóó uit, dat men er voor zich het allerminste op zou durven hopen.
Zulk een geloof, zulk een vertrouwen heeft eenen goeden grond. „Dat weten wij,quot; schrijft de Apostel: „dat Christus, uit de dooden opgewekt zijnde, niet meer sterft; de dood heerscht niet meer over H em.quot; Wij hebben eenen Heiland, die nu niet meer sterven kan, eenen levenden Christus, die nu eeuwiglij k leeft De dood zal Hem voortaan niet meer onder zijne macht en heerschappij kunnen krijgen, en daarom ons ook niet.
Verstaat dit toch eens voor altijd: dat Christus, toen Hij in het graf lag, aldaar onze veroordeeling droeg: „Stof zijt
92
LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7 — 12.
93
gij, en tot stof zult gij wederkeerendaarom werd Hij der aarde gelijk gemaakt, zoodat Hij stof en aarde was om onzentwil; Hij lag in het graf in den persoon des zondaars, des ouden Adams. Voor ons wierp Hij Zijn verscheurd lichaam onder de heerschappij des doods en Zijne ziel in de hel. Daar lag dan nu onze oude Adam in Christus aan de aarde gelijk gemaakt met geheel zijn Gode wederstrevend en vijandig bestaan. De dood kon tot Christus zeggen; „Gij zijt mijnequot; en de hel: „Gij zijt in mijne macht, dewijl Gij de persoon des zondaars zijt, wiens vloek en verdoemenis Gij op U hebt genomen.quot; Daarentegen kon Christus zeggen: B Ik ben nochtans Godes;quot; en God sprak: „Hij is Mijn, Hij is op Zich zeiven heilig en onschuldig, en heeft aan Mijne gerechtigheid genoeg gedaan.quot; Zoo moest dan de dood zijnen buit vrijlaten, en de gevangenis der hel hare poorten opendoen. De hel kon den vloek, de verdoemenis, den ouden mensch, de zonde houden; maar zjj moest Christus loslaten, en met Hem Zijne gekoch-ten, voor welke Hij den losprijs had betaald. Als Overwinnaar ging onze Heere uit het graf; God wekte Hem op het midden van alle dooden. Zoo stond Hij dan op als uit Degene, die de zonde had uitgedelgd, die den dood een vergif en der hel eene pestilentie geweest was. Hij stond op als onze Heere, als ons leven, als onze gerechtigheid. — Nu kan Hij voortaan niet meer sterven; geen dood, van welken aard ook, kan Hem ooit weder in zijne macht bekomen. En voortaan heeft Hij een eeuwig Rijk, waarin Hij Zich zal handhaven, waarin de Vader Hem ook zal handhaven, dat Hij voortaan Zijne Gemeente, welke Hij heeft liefgehad, * voortaan eiken arme en ellendige, die op Hem zijn vertrouwen stelt, handhave in Zich zeiven, handhave in zulk een leven, in zulk eene gerechtigheid, als tlij voor ons heeft daargesteld. De wedergeboorte, welke God door Christus daargesteld heeft, toen Hij Hem uit de dooden opwekte, de nieuwe schepping, volgens welke wij in Christus Jesus geschapen werden, — de wederoprichting aller dingen, die Adam verloren, die Christus
LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7—12.
wedergebracht heeft, zal Christus wel weten te handhaven, zooals Hij dan ook tot Zijne Gemeente gezegd heeft: „Zie, Ik ben met u, tot aan de voleinding der wereld,quot; en wederom heeft Hij gezegd: „Efraïm, wat heb Ik meer met de afgoden te doen ? Ik heb hem verhoord, eu zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uwe vrucht is uit Mij gevonden.quot; (Hosea 14 vs. 9.) De dood heeft den Heere Christus willen vangen met des duivels list; daarentegen heeft Christus den dood gevangen met goddelijke list, dat is, met de onschuld Zijner liefde jegens allen, die daar zaten te zuchten in de macht des doods. Nu de strik des doods vaneen gescheurd is, kan de dood den Heere Christus nooit weder in zijne macht bekomen. Door Christus is het geweld en de heerschappij des duivels te niet gedaan. Wijl nu Christus leeft en niet meer sterft, zal de dood u ook niet bemachtigen; want Christus wil niet voor Zich zeiven leven, maar daartoe leeft Hij, opdat Hij des Yaders welbehagen doe, om het Rijk te geven aan Zijne verlosten, aan Zijne heiligen, uitverkorenen en geloovigen, dat zij met Hem heerschen en leven voor altoos — in Zijn leven, in Zyne gerechtigheid, en dat de zonde niet meer over hen heersche.
Daarom schrijft de Apostel verder: \\V a n t d a t H ij g e-storven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven, en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. De prikkel des doods is de zonde. Gelijk de os door eenen prikkel wordt voortgedreven, om den ploeg te trekken, zoo prikkelt de dood ons ook, om ons in zijne macht, in de hel en in het verderf te voeren. De prikkel, waarvan hij zich bedient, is de zonde. Is de zonde uit het midden weggedaan, dan heeft de dood geenen prikkel meer, dan kan hij ons niet meer in de hel en in het verderf drijven. Deze prikkel moest hem uit de hand genomen worden; te dien einde werd Christus zonde voor ons, in onze plaats. Toen had de dood eenen voortreffe-lijken prikkel in zijne hand, waarmede hij zich zeiven ten dood prikkelen kon; want deze „zonde voor onsquot; moest hij
94
LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7 — 12.
95
loslaten, dewijl zij was louter „gerechtigheid Gods.quot; Nu heeft de dood geenen prikkel meer. De zonde is uitgedelgd, hare punt is afgebroken, zij is te niet gedaan, daarvoor stierf Christus; — en daarvoor stierf Hij éénmaal, eens voor altijd. Daarom behoeven wij tot het geloof geene werken, tot het Evangelie geene wet bij te nemen, als zou het nog eenigszins aan ons verblijven, door welke kracht dan ook uit ons, om de zonde te verzwakken, te verstoren, te dooden, nadat wij Christus aangenomen hebben; maar wij hebben ons voor en na alleenlijk aan Christus te houden: Die heeft met éénen slag, toen Hij Zich voor ons in den dood overgaf, de zonde te niet gemaakt. Maar nu voortaan leeft Hij. Hij heeft aan den dood zijnen prikkel ontnomen. Hij leeft, zoodat Hij den Zijnen helpen en bijstaan zal, en hunne zaligheid, die Hij voor hen verworven heeft, ook voor hen verdedigen en handhaven zal; want: dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode; — dat leeft Hij als Christus, niet voor Zich zeiven, maar Gode ter eere, dat voortaan Gods wil ook door ons gedaan zij, dat het recht, door de Wet gevorderd, ook in ons naar Geesten waarheid vervuld zij. — Wien het alzoo om reiniging, om heiligheid, om goede werken, om het volbrengen van den wil quot;Gods te doen is, die geloove alleenlijk, die houde het geloof vast, waarin hij alleen de gerechtigheid heeft, die voor God geldt; die geve zich, zooals hij is, met zonden en alles, met zwakheid en onmacht aan Christus over, en hij houde zich geheel en alleen aan Hem. — Alles, wat Christus leeft, dat leeft Hij daartoe, dat de levende God door ons recht gevreesd, geëerd en gediend zij in Geest en in waarheid; dat Hij Zijne verlosten heilig en onberispelijk aan Zijnen God voorgesteld hebbe. Daarom, wie zich aan Christus houdt, die zal het ondervinden, hoe waar het is, wat de Apostel schrijft: „Christus is opgewekt tot onze rechtvaardigmaking,quot; en wederom: „Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing.quot; (Rom. 4 vs. 25; en 1 Cor. 1 vs. 30.)
96 LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7 — 12.
Daarom schrijft de Apostel: Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt;maar Gode levende zijt in Chjistus Jesus onzen Heere. — Met dit Bdaarvoor-gt;houdenquot; zal niemand beschaamd worden. Christus staat daar niet alleen voor Zich levend, Hij staat daar Gode levend met Zijne Gemeente. Die vertegenwoordigt Hij voor God. Aan Hem hebben wij eenen goeden Borg, dat ons leven en onze gerechtigheid, welke Hij is, ons niet weder zal ontnomen worden, dat zonde en dood over ons niet meer kunnen heerschen. De zonde heeft aan ons niets; want voor haar zijn wij lijken; zij kan toch met lijken niets meer aanvangen. Wat Christus is, dat zijn wij ook in Hem, onzen Heere, die ons gekocht heeft. Hij is der zonde gestorven, en heeft die te niet gedaan; daarom kan de zonde met ons niets aanvangen: de oude Adam toch is dood, die ligt in het graf. Christus leeft Gode, dat Diens wil geschiede. Diens quot;Wet bewaard, Diens eer gehandhaafd zij; zoo z|jn wij dan in Christus Gode levende, om Zijnen wil te doen, Zijne Wet te bewaren en Zijne eer te zoeken. Christus en wij zijn voor God één lichaam; van Hem, het Hoofd, daalt het af; daarom, zien wij op ons Hoofd, dan gaan alle dingen goed. — De kloof tusschen de zonde en ons heeft Hij gemaakt.
Voorwaar, een troostrijk Evangelie voor den aangevochtene! Hij mag het daarvoor houden, dat hij rechtvaardig is, gelijk God rechtvaardig is; dat hij heilig is, gelijk God heilig is; —- dat hij in zijnen lieven Heere Jesus Christus blijven mag, om in Hem alles te hebben, door Hem en van Hem alles te ontvangen, in Hem alles van eenen genadigen God en Vader te verwachten, ofschoon hij ook het tegenstrijdige rondom zich ziet. Dit geloof bewijst zich toch aan het einde machtiger dan al het tegenstrijdige.
Maar voor den aangevochtene is de zonde geenszins eene onverschillige zaak, hij moet daarvan volstrekt verlost zijn; de zonde maakt hem bang, maakt hem bedroefd en smart hem diep. Wie uit God geboren is, die is op heiligheid uit, opdat hij heilig zij in al zijnen handel en wandel. Evenwel hij
LEERREDE OYER ROMEINEN 6 VS. 7—12.
kan die heiligheid niet bereiken, niet vinden; daarom is hij zoo aangevochten, en Christus wordt hem in de wereld uit de oogen weggetooverd. Daartoe nu diene deze prediking, dat hjj maar op Christus bljjve zien, dat Die zijne heiligheid is; dat hij het maar daarvoor houde, dat hij hij de zonde een lijk is; dat hij waarachtig Gode levend is in Christus Jesus, onzen Heere, dewijl Christus leeft;- dat hem zijne zaligheid niet ontgaan zal, omdat Christus niet meer sterft; dat zijne werken voor God gewis vol zullen bevonden worden, omdat de levende Christus wel daarvoor zal weten te zorgen.
Daarom heeft hij zich tot Christus uit te strekken; het overige kan hij alles rustig en bedaard laten varen. Trots zonde, dood en duivel, mag hij alleenlijk gelooven, en zoo zal hij wel ervaren, hoe machtig zulk een geloof is, waaruit een mensch rechtvaardig is voor God, zonder werken der wet.
Maar dat moet de mond-christen, die onder het masker des geloofs en van het „daarvoor houdenquot; allerlei onrecht als water kan indrinken, ook weten, dat hjj niet tot de armen en ellen-digen behoort, en dat deze troost des Evangelies hem niet geldt; het geldt alleen dengenen, die voor Gods Woord beven en wegzinken, dengenen , die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Want de Apostel drijft hier niet eene leer, die zoo wat in inbeeldingen bestaan zou, als zwommen zulke dingen in de hersenen , en als ware de wezenlijkheid er van nergens te zoeken of te vinden! De leer, welke de Apostel drijft, heeft hart,heeft ziel, heeft lichaam, heeft vleesch en been, zoodat het iets waarachtigs is, en veel, veel wezenlijker dan menigeen denkt.
Dit besluit staat daarom niet te vergeefs; „De zondezij alzoo geen koning in uw sterfelijk lichaa m.quot; Trouwens daar stoort zich menigeen niet aan, dat zijn lichaam sterfelijk is, daarom, dat het een dood lichaam is ; hij meent, dat het leeft, en dat hij voor dit levende lichaam zou te zorgen hebben, dat hij het heilig te maken of in het leven te houden hebbe. Daartoe worden dan allerlei wegen ingeslagen , die gansch van Christus afleiden; — en daar laat
7
97
98 LEERREDE OVER ROMEINEN 6 VS. 7 — 12.
men dan „het af-zjjn van Godquot; koning spelen, men liegt, bedriegt, begeert, lastert, onderdrukt, steelt, rooft, en drijft wat men goed vindt, opdat men een stuk gelds, zijne eer en zijnen lust verkrijge, en dit alles onder den naam en het masker, dat men wedergeboren, dat men een kind Gods is. Men draagt den grooten en heiligen Naam des Heeren Jesus in den mond, en heeft ook veel schijn van godzaligheid; er is evenwel geene macht aanwezig. Maar waar de macht van de opstanding Christi zich openbaart, waar het waarachtige „daarvoor houdenquot; is, daar drijft alleen de Geest, zoodat wij rust noch duur hebben, tenzij wij voor God en menschen een goed geweten hebben door de opstanding van Jesus Christus. Bij dit goede geweten beschouwt de mensch zich met alle zjjne lusten en begeerten als in den dood gegaan, en wederom beschouwt hij zich niet als zonder Wet, maar als in Christus overeenkomstig de Wet 1), en hij houdt zich aan de genade, door welke hij God dient, in deugdelijkheid. Men laat echter de zonde in zijn sterfelijk lichaam heerschen, wanneer men niet gelooft Daarom, by de genade volhard!. Dit zij uw aller deel! Amen.
Nazang: Psalm 77 vs. 1.
Mijn geroep, uit angst en vreezen,
Klimt tot God, het Opperwezen,
God , die , in mijn ongeval,
De ooren tot my neigen zal.
\'k Zocht Hem in mijn bange dagen;
\'k Bracht de nachten door met klagen ;
\'k Liet niet af mijn hand en oog.
Op te heffen naar omhoog.
1
„Chriato in Wetquot;. 1 Cor. 9 vs. 21.
VIL
leerrede
OVER
OPENBARING VAN JOHANNES 1 vs.
Voorzang: Psalm 66 vs. 4—6.
Looft, looft den Heer der legerscharen,
O volken ! heft een\' lofzang aan! Hij wil ons in het leven sparen, \' Ons hoeden op de steilste paan.
Voor wanklen onzen voet bevrijden.
Gij hebt ons voor een tijd bedroefd. En ons gelouterd door het lijden,
Gelijk het zilver wordt beproefd.
Een net belemmerde onze schreden ;
Een enge band hield ons bekneld; Gij liet door heerschzucht ons vertreden
Gij gaaft ons over aan \'t geweld.
Hier scheen ons \'t water te overstroomen;
Daar werden wij gedreigd door \'t vuur, Maar Gij deedt ons \'t gevaar ontkomen, Verkwikkende ons, ter goeder uur.
Door \'s Hoogsten arm \'t geweld onttogen,
Zal ik, genoopt tot dankbaarheid. Verschijnen voor Zijn heilige oogen, Met ofters, aan Hem toegezeid.
ehoudcn den 25, April 184-7 , des voormiddags.
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
Ik zal, nu ik mag adem halen,
Na zoo veel bangen tegenspoed,
Al mijn geloften U betalen,
ü, die, in nood, mij hebt behoed.
Verheven zijn de woorden Israëls , toen hij den dood nabij was en Manasse en Efraïm wilde zegenen: „Ik had niet gemeend zeide hy tot zijn kiud Jozef, „uw aangezicht te zien; maar ziet, God heeft mij ook uw zaad doen zien.quot; Dit is een liefelijk woordeke, dit woordeke ook, zooals Jakob het uitsprak. Ja, zoo mijn Jozef nog leefde, ja dan! — zoo zal Jakob dikwijls gedacht hebben, toen hij zijn kind voor dood hield. En nu, hij vernam niet alleen: „uw Jozef leeft nogquot;, — maar hij zag hem ook, en hij zag niet alleen hem, dien hij nooit gemeend had te zullen wederzien, hij zag ook zijn zaad, en hij zag niet alleen Jozef, niet alleen diens zaad, hij zag ook in het aangezicht zijner drie kinderen zijnen ouden getrouwen God. Die had woord gehouden: Uw naam zal voortaan niet Jakob heeten, maar Israël.
Een woord is het voor ons, Mijne Geliefden, die ook menige bange ure hebben doorworsteld, — een woord ook voor dien, voor wien zelfs deze zelfde ure eene bange ure is Ja, hadden wij maar eens dit of dat, wisten wij dit of dat, ja, kon dit of dat zich verwezenlijken, hoe gelukkig zouden wij zijn! Ja, was dat waar, dat zich dit of dat vervulde, ja dan! Zoo hebben wij allen wel eens gedacht, zoo zullen wij morgen weder opnieuw denken. Wanneer nood en droefheid komen, zoo is er wel is waar bij ieder geloovende een stil wachten op God, — maar, zal het ook in waarheid komen, wat het Woord zegt?
Mijne Geliefden! Onze God in den hemel heeft een ruim, een koninklijk, een vaderlijk hart; Hij bedriegt niet. Zijne waarheid is in eeuwigheid, en Zijne gerechtigheid is ten allen tijde nabij. Hij verstaat het, om te helpen en is altijd zeer wonderbaar in Zijn wezen, in Zijnen Naam, in Zijne wegen, zooals Hij tot de heerlijkheid leidt. Hij kan niets ter halverwege laten steken. Hij kan ook niet dulden, dat Zijn arm
100
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18,
kind ongetroost zoude blijven; neen, de tranen moeten afgedroogd, en alle klacht met juichtoon verwisseld worden; waat ons, die op Hem wachten, beschamen, dat kan Hij niet. Verzadigen zal Hij eenen iegelijk, die zich aan Hem vasthoudt, met de verlossing Zijns aangezichts. Verrassen zal Hij met Zijn heil, zoodat een iegelijk onzer, die door nood, angst en benauwdheid heeft moeten gaan, en in zijnen druk langen tijd op den Heere heeft gehoopt, ten laatste zal moeten getuigen: Ik had niet gedacht, dat ik ook slechts het geringste zoude verkregen hebben, en nu heeft God mij zulk een heil gegeven, dat het mijne stoutste verwachtingen overtreft. Vanwaar is het toch. Mijne Geliefden! dat de Heere God zoo overvloedig doet, zoo boven bidden en denken? Vanwaar is het toch, dat Hij alles zoo wel maakt, ja zóó, dat Zijne kinderen tevreden worden met alle Zijne wegen, dat zij Hem ten laatste met zulke geroerde harten dank zeggen voor al Zijne goedertierenheid en trouw? Vanwaar is het, dat wij zingen mogen: „De Heere doodt en maakt levend, Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen!quot; Vanwaar komt alle redding, uitkomst, verlossing? Vanwaar het juichen in der Hebreën leger? — Verneemt het antwoord daarop in deze voor ons heilige oogenblikken.
Tekst: Openb. 1 vs. 18.
,,. . . Ik ben dood geweest, en ziet, Ik ben levend in alle eeuwigheid ! Amen. En Ik heb de sleutels der helle en des doods.quot;
Deze woorden vernam de Evangelist en Apostel Johannes op zjjn Patmos. Daar was hy in den Geest op den dag des Heeren, hij, die nu in eeuwige heerlijkheid is, maar die hier zich onzen broeder noemde en medegenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de lijdzaamheid Jesu Christi. — Op zijn Patmos wandelt hij op en neder , hij, de geliefde discipel des Heeren, uitgestooten van de wereld, niet verneembaar voor de gemeenten, die hem zoo na aan het hart liggen; het
101
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
gaat langs afgronden en bruisende watergolven; hij is aangevochten van buiten, bezwaard en bekommerd van binnen wegens het wankelen der gemeenten. „Ja, wij hoopten, dat de uitkomst heerlijk zijn zou, en nu, — wat zien wij? na den heerlijken aanvang zijn zij misleid geworden op dwaalwegen ten verderve.quot; Zoo wil het zichtbare zijne hoop logenstraffen. — Daar hoort hij nu achter zich eene groote stem als eener bazuin: want de aan alle ellendigen welbekende stem des Heeren en Heilands is eene stem als eener bazuin, eene stem des gejuichs van verlossing, troost en uitredding, van overwinning, van macht en heerlijkheid uit het hart des Heeren. En deze stem dringt door in het verslagen hart, dat ooren heeft, zoodat de zee moet zwijgen met hare bruisende golven, de volkeren met hun woeden, en het hart niets verneemt dan de stem des Heeren, die met macht spreekt; en ieder, die deze stem hoort, weet, wat hij gehoord heeft.
Ik ben de Alpha en de Omega, sprak de Heere, de Eerste en de Laatste, — wat Ik heb aangevangen, dat voleindig Ik ook. quot;Wel hem, die bij Mij blijft,—hij heeft niets te vreezen. quot;Wat Ik geschapen heb, dat zal Ik weten te behouden; wat Ik verlost heb, dat zal Ik ook weten te handhaven. Wel hem , die volhardt tot het einde toe. De tijd is nabij, en het heil is gewis. Die overwint, zal alles beërven.
Johannes zag den Heere in het midden van de zeven kandelaren, in het midden der gemeenten. Hij zag Hem, zooals wij Hem kennen, wij, die Hem kennen, — zooals Hij Zich aan ons openbaart door Zijnen Geest uit Zijn gansche Woord. Een „den zoon eens menschen gelijk zijndequot; was de Heere; want zoo moeten wij Hem zien, Wiens heerlijkheid en Majesteit geen mensch zien kan. Zoo moeten wij Hem zien, gelijk Hij Zijne heerlijkheid heeft geopenbaard, dat Hij onze ellende, onze zonden, onzen nood en dood op Zich heeft willen nemen, en dat Hij nu nog is, als ware Hij ons in alle dingen gelijk, opdat wij waarachtig vertrouwen in Hem zouden hebben, als in eenen barmhartigen Hoogepriester, die.
102
LEERREDE OVER OPKNBARINGt 1 VS. 18.
terwijl Hij zelf verzocht werd, ook medelijden kan hebben met al onze zwakheden. Daarom zag Johannes Hem ook bekleed met den hoogepriesterlijken rok, en in die volle heerlijkheid, die voor een verslagen gemoed voor het vervolg zooveel te meer verheffends en vertroostends in zich bevat, naarmate zij in het eerste oogenblik meer verpletterend schijnt te zijn.
Alhoewel Johannes den Heere in Zijne troostvolle heerlijkheid zag, viel hij nochtans als dood aan Zijne voeten ; want voor vleesch en bloed is er aan den Heere te veel heerlijkheid; het is voor den armen zondaar bijkans reeds te machtig, wanneer hij slechts een weinig van die heerlijkheid mag ondervinden, zoodat hij het nauwelijks weet uit te houden. De bedekking door de rechterhand des Heeren en Zijn Woord : „Vrees niet! Ik heb het begonnen, Ik zal ook de Laatste in het strijdperk zijn. Ik ben, die leef; gij hebt aan Mij geen dooden Heer en Heiland, maar Ik wil het voor u voleinden,quot; — o, dat is bijkans reeds te veel voor een sterfelijk mensch. Daarmede voorzien , kan hij met alle blijdschap zijnen weg verder reizen en eene goede hope der heerlijkheid hebben, zoodat hij volkomen getroost is.
Zoo ging het ook met Johannes, Nadat de Heere Zijne rechterhand op hem gelegd en tot hem gezegd had: „Vrees niet! Ik ben de Eerste en de Laatste, en die leef,quot; — daar vernam hij ook deze woorden: „Ik ben dood geweest, en ziet, Ik ben levend in alle eeuwigheid. En Ik heb de sleutels der helle en des doods.quot;
Dat was aan Johannes tot zijnen troost gezegd, opdat hij weten mocht, welk het einde van allen strijd zijn zoude; en wij moeten ook deze woorden ter harte nemen, opdat ook wij weten, welk het einde van allen strijd zijn zal, en ook verstaan , vanwaar het komt, dat God zoo boven alle verwachting met ons doet en ook doen zal naar Zijne trouw.
Overwegen wij de woorden in het hijzonder. Wij vinden daarin voor onze aandacht eene drieledige uitspraak. De woorden des Heeren luiden eigenlijk zoo:
103
LEERREDE OVER OPENRARlIfG 1 VS. 18.
I. Een doode werd Ik.
II. En ziet, levend ben Ik in de eeuwigheden der
eeuwigheden. Amen.
III. Ook heb Ik de sleutels der helle en des doods.
Tusschenzang: Psalm 146 vs. 4.
\'t Is de Heer, Wiens alvermogen \'t Groot heelal heeft voortgebracht;
Die, genadig, uit den hoogen
Ziet, wie op Zijn\' bijstand wacht.
En aan elk, die Hem verbeidt,
Trouwe houdt in eeuwigheid.
I.
Een doode werd Ik-; dat moest tot troost verstrekken voor Johannes, die daar voor do heerlijkheid des Heeren zoo geheel wegzonk en als een doode aan Zijne voeten viel. De Heere wilde zeggen: Mijn geliefde Johannes, hoe valt gij daar zoo voor Mijne voeten neder als een doode ? Dat moest gij toch niet doen. Hebt gij dan nu nog vreeze ? Gij behoeft immers voor Mij niet zoo te sidderen en te beven; Ik ben immers uw lieve en trouwe Heiland, en ben gekomen, om u moed te geven. Wat jaagt u nog vreeze aan? Uwe zonde? Die heb Ik immers, en gij hebt Mijne gerechtigheid. Uw vleesch-zijn? Wel, Ik was immers een „gekomene in vleesch,quot; en Ik heb op u Mijne heerlijkheid gelegd. Al het uwe toch is Mijne, en al het Mijne is en blijft uwe. Zoudt gij nog als dood aan Mjjne voeten nedervallen, waartoe zou dan Mijn dood gediend hebben ? Moet Ik u hier als een doode voor Mij zien, nu Ik gekomen ben, om u te troosten? Sta op! twee mogen niet dood zijn. Ik ben voor Mij zeiven niei; gestorven, maar voor u en voor al Mijne geliefden. Ik wil u hier volstrekt niet als een doode zien, gij moet met Mijn leven vervuld zijn en vol zijn van vrede en vreugde voor Mijn aangezicht. Laat uwe zorgen en vreesachtigheid varen. Ik zal u niet dooden, daartoe heb Ik u te lief. Hoor toch,
104
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
o Mijn trouwe discipel, gij gewenschte man: een doode werd Ik. Nu en voortaan mag in het hart van Mijn schepsel geen angst of vrees meer heerschen ; met alle vrees z|j het nu geheel en al uit en voorbij. Van Gods zijde staat den mensch, den zondaar niets meer in den weg, waardoor hij nog zou moeten sidderen of den moed verliezen. Neen , treed toe met alle blijmoedigheid, verhef uw neergezonken hoofd en uw in het stof gebogen aangezicht, en zie Mij toch eens recht in het hart. Gij kunt Mij gerust aanzien, want wat gij zijt, werd Ik. Aan het kruis heb Ik het voor u uitgewerkt. Ik heb Mij immers in uwen dood geworpen; Ik wierp Mij met blijmoedigheid en vrijwilligheid voor u in de bres; nu is de toorn van u afgekeerd, en Ik wil u hebben, zooals gij zijt. Uwe ellende is Mijne, uw verderf is Mijne, uwe sterfelijkheid is Mijne. Ik heb het alles voor u doorgestreden, en Mijne onsterfelijkheid is uwe; uwe is Mijne overwinning over zonde, duivel en dood, over de wereld en over elke verdrukking, uwe is Mijn Koninkrijk en de zaligheid. Werd Ik een doode, zoo moogt gij het niet meer zijn.
In \'t schuldboek is niets meer gebleven,
\'t Staat met mijns Heeren bloed beschreven,
Dat alles , alles is betaald.
Mijne Geliefden ! Dat is een liefelijk Evangelie, dat wij hier vernemen: Een doode werd Ik; — een Evangelie vol van waarheid en genade van de lippen Desgenen, die de Yerlosser en overste Leidsman onzer zielen is; — een Evangelie ook voor ons, in wie de vreeze des doods zoo vaak nog huisvest. De Heere Zijner Gemeente heeft eene ontzaglijke liefde voor allen, die verslagen zijn van geest, en wier beenderen verbrijzeld zijn; voor allen, die voor Zjjn Woord wegzinken. Hij betuigt het met Zijn: „Een doode werd Ik,quot; uit welken grooten nood en dood Hij ons verlost heeft door den nood, door den arbeid Zijner ziel, door Zijnen dood. Wanneer wij welgemoed zijn, wanneer wij vervuld zjjn met vrede en vreugde in den Heiligen Geest, — wanneer wij Gode en het Lam
105
LEEEREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
dankende het loflied aanheffen, Hem ter eere, — wanneer wij overstort worden door den Heiligen Geest, om ons te verheugen over de eeuwige heerlijkheid en te zingen: „Gij hebt mij eene schoone erfenis ten deel doen vallenquot; ; — als ons tranen van dank over de wangen rollen voor zoo menige zichtbare verlossing, zoo menige verrassende uitkomst; — als wij zijn gelijk de droomenden, zoodat wij het van vreugde niet gelooven kunnen, wat de Heere aan ons gedaan heeft; — als wij juichen in de hope der eeuwige zaligheid ; — als alle lijden ons verzoet wordt door den rijken troost, dien God ons uit Zijn huis toezendt; — als wij verheugd mogen zeggen: „Ik weet, dat mijn Verlosser leeftquot;; — als Hij ons tot Zijn sieraad en Zijne heerlijkheid heeft gemaakt, en wij ons naar het Woord Zijner waarheid tot eere zien gebracht; — als wij eindelijk in den aanblik des doods en van alle lijden een: „Kom, Heere Jesus!quot; met een blijmoedig harte tot Hem mogen roepen ; — vanwaar komt dat alles? ja, vanwaar komt het, dat wij, die Zijnen Naam aanroepen, door eiken dood zijn doorgedrongen en ook doordringen, ja over alle dingen heengedragen worden? Dat komt daarvan, gelijk Hij ook hier tot onzen troost zegt; Een doode w e r d Ik. —
Volgens de waarheid Christi, volgens de waarheid dezer uitspraak is alle dood verdwenen en is enkel leven voorhanden. quot;Wat uit des Heeren mond komt, geeft ten duidelijkste te kennen, dat Hij niet wil, dat wij vreeze des doods zullen hebben; neen, wij hebben ons veeleer te verheugen over Zijn leven. Dat is Zijn wil volgens deze Zijne woorden. Hij wil, dat wij in het geheel geene vrees zullen hebben , integendeel niets dan liefde en trouw aan Hem zien, en van harte gelooven , dat bij Hem geene grimmigheid is, maar louter goedertierenheid en waarheid; dat Hij ons verderf niet wil, maar onze verlossing; dat Hij niet wil, dat Zijne kinderen gestoord worden in Zijne Gods-ruste, maar dat zij in Hem vrede hebben, en dat hun vrede blijve. En wat Hij wil, dat handhaaft Hij ook gansch heerlijk en in alle trouw.
106
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
107
Wanneer Hij nu zegt: „Een doode werd Ik,quot; zoo weten wij, vanwaar het leven tot ons komt, zoodat wij zeggen kunnen: „Toen wij dood waren in de zonden, heeft Hij ons met Christus levend gemaaktquot;; — ook vanwaar vrede en vreugde is in den Heiligen Geest; — ook vanwaar het komt, dat wij door allerlei nood en dood zoo gelukkig doorkomen of alreeds doorgekomen zijn. Want dat alles heeft Hij voor ons daargesteld, doordat Hij voor ons een doode heeft willen zijn. Gelijk wij ook dood waren in zonden en overtredingen, en Hij daar de Eerste is geweest, die ons door Zijnen dood uit onzen dood te voorschijn riep, zoo zijn wij nog steeds als dooden; want in allerlei nood kunnen wij ons niet vasthouden aan Zijn Woord, aan Zijne ontferming en trouw; wij verbeelden ons ook gedurig, als het er op aankomt, dat Hij toornig op ons is; ook is ons de Majesteit Gods te machtig, en zijn wij zeiven te vleeschelijk, dan dat wij gedurig met blijdschap tot Hem zouden toetreden en een hart tot onzen God zouden hebben, om met frisschen moed Zijn „nochtansquot; op de puinhopen van al het zichtbare te handhaven. Er is in ons geene kracht tegen de groote heirscharen van zichtbare en onzichtbare machten; wij laten hen rustig zich alles aanmatigen tegen ons en tegen onzen God, en het is in ons binnenste zoo gesteld, dat het er uitziet, alsof wij zeiven niet het minste geloofden van hetgeen wij gelooven. De macht van hetgeen wij voor oogen hebben drukt ons terneder; en dat, wat wij niet voor oogen hebben, de macht en waarheid Gods, kunnen wij niet vasthouden. Hoe komt het dan nu bij dat alles, dat wij eindelijk evenwel ondervinden, dat wij geene kunstig verdichte fabelen zijn nagevolgd? Een doode werd Ik, zoo spreekt de Heere, onze getrouwe en barmhartige Hoogepriester. Hij heeft voor ons den dood gesmaakt. Hij heeft gesmaakt, wat het is, als een doode daar neder te liggen, waarbij alle baren over ons heen gaan. Maar daar hebben wij nu Zijnen troost, en daardoor weten wij nu, waarom wij doorgekomen zijn, doorbreken en zullen doorbreken. Een doode werd Ik, zoo
108 LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
spreekt Hij, en dat is niet andere woorden zooveel te zeggen als: Dewijl Ik een doode werd, zoo zult gij, Mijne verlosten, niet dood blijven liggen; geen dood zal meer macht over u hebben. Bedenkt veeleer dit: dewijl Ik een doode werd, zoo wil Ik ook Mijne vrucht van Mijnen dood hebben. Opstaan zult gij, die daar in het stof nederligt, opstaan, gij, die in de assche nederzit; heerlijk zult gij voortblinken, gij , die door allerlei nood nedergedrukt zijt. Waakt op, waakt op, trekt uwe sterkte aan! Ik heb het door Mijn dood-zijn voor u uitgewerkt, dat gij allerlei vrucht des levens hebt, genade en volheid tot alle genoegzaamheid, naar Mijn Woord: „Ik leef, en gij zult leven.quot;
Zoo weten wij dan, vanwaar allerlei uitkomst is uit zoo menigen dood, uit zoo menigen nood; vanwaar het komt, dat het Woord vervuld wordt: „Al laagt gijlieden tusschen twee rijen van steenen, zoo zult gij toch worden als vleugelen eener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud.quot; (Ps. 68 vs. 14.)
Hebben wij nu gezien, waarom de Heere zooveel aan ons gedaan heeft, en vanwaar wij het leven hebben, — zoo laat ons nu vernemen, of Hij Zijn werk ook bij ons zal handhaven, of wij dit leven, dat wij door Zijnen dood hebben, ook behouden zullen.
II.
En ziet, levend ben Ik in de eeuwigheden der eeuwigheden. Amen.
De Heere zegt: „Ziet.quot; En wanneer Hij dit zegt, zoo moeten wij onze oogen opendoen. Intusschen het is een vriendelijk woord van Zijne lippen, waardoor Hij zelf ons de oogen ontsluit; want wij zjjn gedurig weder blind van hart. Het céne oogenblik zien wij de volheid Zijner goedertierenheid, macht en genade, en hoe Hij weet te helpen, en het volgende oogenblik zien wij wederom niets dan dood en omkomen; wij zitten voortdurend vol vreeze, namelijk niet vol ware vreeze Gods, maar vol vrees, dat Hij niet goedgunstig, niet genadig
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
jegens ons zal wezen; ook vol vrees, of wij wel weder uit dezen en genen doodsangst zullen verlost worden. Wij zien op hetgeen voor oogen is, — maken daarnaar onze berekening, wat er gebeuren of niet gebeuren kan; wij zijn in onze harten ware ongodisten, en verstaan het niet, om het ook voor ons zeiven te gelooven, dat het juist zóó zal uitkomen, als wij het dag aan dag in de Schrift lezen, en het ook wel met onze oogen zouden kunnen zien. Maar wij laten onze oogen houden, zoodat wij niets zien dan hooggaande baren, en denken zelfs in de tegenwoordigheid des Heeren te zullen omkomen, denken ook zoo weinig aan deze tegenwoordigheid, dat het ons veeleer toeschijnt, alsof des Heeren macht en hulp duizende mijlen van Hem verwijderd waren, of dat Hij aan de vergankelijke dingen zoude onderworpen zijn. Daarom opent Hij ons de oogen door Zijn vriendelijk „zietquot;, opdat wij toch niet zouden zien naar rookende vuurbranden, maar Hem zouden aanzien. Want zoodra wij Hem slechts met een half oog zien, zoo is ras alle vrees geweken, alle vrees voor toorn en omkomen, voor duivel en dood, voor de gevolgen der zonde, voor hel en toorn.
„Zietquot;, zegt Hij; zoo wil Hij dan, dat wij zien, hoe Hij er uitziet, hoe Hij is, en Wien wij aan Hem hebben Vat het derhalve toch, Mijne Broeders en Zusters, gij die den Heere Jesus Christus liefhebt in onverderfelijkheid: de Heere wil, dat wij niet op onze zonden zullen zien, niet daarop, dat wij vleeschehjk zijn; ook niet daarop, of wij het waard zijn of niet; niet daarop, dat wij ons voor Hem als mensehen, zondaars en onheiligen gevoelen; Hij wil, dat wij niet op dood en nood zien; Hij geeft ons moed, dat er in al datgene, waarvoor wij vrees koesteren, niets te vreezen is.
„Zietquot;, zegt Hij, „levend ben Ikquot;. Daarmede wil Hij immers zeggen: Ik ben in de macht des doods geweest, maar de dood heeft Mij niet kunnen houden, de smarten des doods zijn voor Mij ontbonden, en nu sta Ik daar als Overwinnaar van eiken dood. Waar is dan nu nog de prikkel des doods? Ik heb toch voor u de zege behaald. Dat Ik uu
109
LEERREDE OVER OPENBARING 1 TS. 18.
levend ben, is dat niet een bewijs, dat de dood te niet is gemaakt. quot;Waarvoor ben Ik nu levend, is het niet voor u? Is het niet daartoe, opdat gij in M|j de overwinning zondt behaald hebben? — Zoo hebben wij dan geen dooden Heiland, Mijne Geliefden! geen dooden God en Heere, die niet weet te helpen ; maar zulk een, die levend is, gelijk Hij ook gezegd heeft. Zoo kan Hij dan hooren, wanneer wjj tot Hem smeeken, want Hij heeft wel ooren voor ons geroep; Hij heeft ook oogen, die elk gevaar, dat ons bedreigt, van te voren zien, en Hij weet dat gevaar ook wel uit den weg te ruimen. Hij ziet ook onzen nood, telt ook onze tranen, en ofschoon Hij Zich verborgen houdt, zoo is Hij evenwel Israëls Heiland van oudsher. Hij heeft ook handen, om ons uit eiken diepen kuil, uit alle slijk uit te rukken, waarin wij verzinken zouden, zoo Hij niet nabij ware, om ons te redden en op een rotssteen te stellen, die allen vijanden te hoog is. Hij heeft ook voeten, om Zich tot ons te haasten, wanneer wij anders zouden moeten omkomen. en als wij daar op den grond nederliggen, zonder troost en vol vertwijfeling, zoo is Hij snel met Zijne heilbrengende voeten nabij, om ons te bezoeken , zoodat wij wel weten. quot;Wie bij ons geweest is; — of om Zich bij ons te voegen op den weg, zoodat ons hart brandende wordt in ons van enkel vreugde, omdat Hij zoo liefelijk weet te vertroosten met Zijn Woord en Zijne tegenwoordigheid.
Levend ben Ik, dus spreekt Hij, en dat quot;Woord is ons de onbedriegelijke waarborg van elke uitredding. Neen, het is ofamogelijk, dat Zijne dierbare toezeggingen, om ons door vuur en door water, door nood en dood te willen heen dragen, niet zouden vervuld worden; — ook onmogelijk, dat dit woord niet zoude waarheid worden: „ Uw brood zal Ik u geven , en uw water is gewis.quot; Het is onmogelijk, dat Hij niet overal Zijne eer zou doen uitkomen, zoodat, hetgeen de goddeloozen zoeken, toch verloren arbeid zjjn moet. Want: „Levend ben Ikquot;, dat is Zijn woord. Alzoo moet het ons goed gaan, ons, die op Zijne goedertierenheid wachten, en al gaat het ook een tijd-
no
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
lang door alle moeilijkheden heen, ja al gaat de weg ook langs diepe afgronden of door schrikkelijke engten, — geen nood, toch loopt het uit op de stad, die boven ligt. En ook hier beneden is het onmogelijk, dat niet een iegelijk der Zijnen, ieder naar zjjne maat, staat en behoefte, aan het einde juichen en in de handen klappen zou, uitroepende: „Gij hebt mij verlost. Gij God der waarheid!quot;
Levend ben Ik, zoo spreekt onze Heere. Wat wil de duivel uitrichten, wat de dood, wat eene wet van „hier een weinig, daar een weinig;— zoo gij niet dit of dat hebt, dan komt gij er niet doorquot;? Wat wil al het dreigen van de machten der duisternis met den toorn Gods, of met de verdoemenis ? Waar Hij zegt: „Levend ben Ikquot;, daar heeft Hij alles gezegd, wat ons tot onzen troost noodig is te weten. Nu dan, bedrukte ziel, hoort gij niet, wat uw trouwe Heiland zegt? En gij bekommerd hart, ziet gij niet, Wien gij voor u hebt? Hij is, Hij is, en al wat aan Hem is, is leven, gerechtigheid , heiligheid voor u, is volkomene verlossing en waarachtige overwinning. Hij leeft, ja is levend met de gansche heerlijkheid Zijns Naams, met de volle macht Zijner heerlijkheid, ons ten goede, ons armen, ellendigen, hulpbehoevenden en die met zonde, nood en dood worstelen. Zoo verstond het ook de Apostel Paulus, toen hij, kampende met duizenderlei aanklachten en met het ééne „ja maarquot; vóór en het andere „ja maarquot; na, nochtans goedsmoeds in Hem, voor ons dit terneder schreef, en dat hij ook zelf had aangegrepen: „Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig maakt Wie is het, die verdoemt? Christus is het, die gestorven is, ja wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter Rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt.quot;
Ik ben levend. Aldus spreekt H|j, opdat wij allen een goed vertrouwen mogen hebben , dat Hij als de waarachtige Profeet de waarheid Zijner genade, volgens welke ons onze zonden vergeven zijn, wel zal handhaven, zoodat wij alle zorgen daaromtrent, en al ons zuchtan , benevens alle knaging des gewe-
Ill
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
tens van ons werpen. Want deze Profeet herroept geene Zijner predikiagen; gelijk Hij aan hoeren en zondaren aflaat van zonden heeft verkondigd, zoo zal het ook eeuwig blijven, tot afbreuk van het rijk des duivels, tot eeuwigen troost voor het beangstigde geweten. Wat Hij spreekt, komt van boven, uit den hemel, uit het hart des Vaders, en brengt den Heiligen Geest met zich, opdat zich verheuge, al wat hongert en dorst naar gerechtigheid, naar heiligheid en verlossing. En Hij is levend, om het licht Zijner genade helder te doen branden in het hart; nimmer zal dat licht worden uitgebluscht. Hij is den Zijnen steeds nabij, opdat alle antichristen en werkheiligen, mitsgaders hunne leer en hun werk, versneden zijn mogen, en dat eeuwig blijve de besnijding in den Geest. Hij i 3 levend , een getrouw Hoogepriester ; Hij zal al onze zaken uitrichten voor den troon;,Hij zal de gerechtigheid handhaven, die Hij heeft aangebracht, de heiligheid, waarmede Hij in Zich bekleedt, wat gansch en al ontbloot is; Hij zal het ook aan geene zalving laten ontbreken dengenen, die van uit de dorre wildernis tot Hem om zalving schreeuwen. Hij is levend, een allergenadigst Koning; tegen alle vijanden zal Hij Zijn heerlijk Rijk handhaven, dat Rijk, waarin de allerminste der broederen Hem het meest nabij is, en waarin de allerellendigste het heerlijkst prijkt in den sieraad van zulk een Koning.
Ik ben dood geweest, en ziet, levend ben Ik. Zoo kunt gij niet meer sterven, niet verloren gaan, niet omkomen. Yrees niet voor de dingen, die gij nog mocht te lijden hebben. Vrees niet voor oordeel of verdoemenis, — sidder niet, en beangstig u niet! Ik heb u overdekt met de macht Mijner genade. Sta rechtop op uwe voeten. Hoop volkomenlijk op de u toegebrachte genade. Wees getrouw tot in den dood, Ik heb alreeds de kroon des eeuwigen levens voor u bereid. Gij zult die ontvangen! Houd u slechts daaraan: „Levend ben Ikquot;. Blijf in Mijn Woord; gelijk Ik den dood en der hel eenepestilentie ben, zoo wees gij ook eene pestilentie voor hel en dood! — De Heere gaat voort: „Levend ben Ik in de eeuwig-
112
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18. 113
heden der eeuwigheden,quot; alsof Hij wilde zeggen: geen vreezen verder voor de toekomst! Ik sterf niet meer; Ik be-heersch den loop der tjjden; gij kunt niet bedrogen uitkomen. Wat Ik ben als uw Heiland, dat ben en blijf Ik voor u tot eeuwige tijden. Eeuwig leven is u verzekerd, eeuwige genade, eeuwige gerechtigheid, een eeuwig heil, eeuwige trouw, eene eeuwige erfenis. Heffen wij het hoofd omhoog. Mijne Geliefden , bij zulke woorden! Beneden is de wereld, de afgrond en de hel, nood en dood, kruis en allerlei verdrukking en lijden. Het heeft een einde, alles heeft ten leste een einde, wat ons drukt en bezwaart. Welaan, laat ons nog tien dagen verdrukking hebben: de gevangenis is gevangen genomen en alle verzoeking nedergeworpen. De strik is vaneen, wij gaan vrij henen. Want onze hoop rust op Diens macht, die alles voor ons heeft volbracht. Gisteren heeft Hij ons doorgeholpen, gisteren heeft Hij ons behouden en is onze getrouwe Pleitbezorger geweest voor den troon en heeft den Satan gescholden; heden troost Hij ons opnieuw; — en ook morgen zult Gij mijn God zijn, want Gij kunt Uwe arme bruid niet verlaten.
Amen. Stemme der bazuin, dat het de laatste ure is, stemme der bazuin, dat de Bruidegom komt. Eedzwering uit het liefhebbende hart Desgenen, die voor ons op Golgotha heeft gebloed, en aan Wiens voeten alle dingen onderworpen zijn. Stemme des donders tot verschrikking van allen, die tegen Zijne ellendigen gram zijn, tot verjaging van dood, duivel, zonde en wereld. Stemme van eeuwigen troost, dat wij overwinnen zullen en overwonnen hebben. Stemme onzes Liefsten, waarmede Hij hel en afgrond gesloten en ons in Zijne liefde vrije baan heeft gemaakt, zoodat wij met vreugde en verrukking ingaan in Zijn paleis. Stemme des Bruidegoms: „Juicht, gij die uit den bornput Israëls zijt, daar hebt gij Mijn staf, zegelring en snoer, voor u eeuwige eer; uwe vrucht is Mijne. Mijn Amen verdoemt het gebed der Farizeërs en des duivels; Mijn Amen hecht Ik aan al uwe verzuchtingen, aan al uwe smeekingen, aan al uwe gebeden, — en zoo gaat
8
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
het naar binnen in de heerlijkheid, totdat gij Mij ziet, gelijk u de Vader heeft lief gehad.quot;
Geweldige woorden; goede, troostelijke woorden! Daaraan weten wij, dat Hij Zijn leven, hetwelk Hij ons geschonken heeft, ook bij ons zal onderhouden, dat Hij het ook verder voor ons zal maken en Zijn werk bij ons zal handhaven , gelijk Hij het voor ons heeft daargesteld.
m.
Kan ons dan nu niets meer in den weg staan? vraagt het hart, dat gedurig opnieuw bestreden wordt. Wel is waar staat ons alles in den weg, want de zekerheid, welke de Heere ons geeft, dat wij er door zullen komen, dat wij overwonnen hebben, is geene zekerheid voor het vleesch, maar eene zekerheid voor het geloof. Het is geene zekerheid, die zorgeloos maakt, alhoewel in deze zekerheid alles zoodanig is ineengezet, dat wij volstrekt geene bezorgdheid, voor wat dan ook, behoeven te koesteren. Trouwens, daar zullen duivel en wereld wel voor zorgen, dat des Heeren heiligen hier nimmer zonder bestrijding blijven, want al wat van de wereld is kan niet anders dan diegenen van harte haten, die van hunnen God getuigen en van Diens ontferming, en die alle vleesch met alle werken des vleesches verdoemen. Zoo zal het wel waar blijven: „Allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jesus, zullen vervolging lijden.quot; Wat naar vleesch geboren is, kan niet in rust laten hetgeen naar Geest geboren is. De macht der duisternis beoorloogt zonder ophouden in de heiligen des Heeren den Heere zei ven; zij gedoogt niet, dat deze heiligen vrij van zorgen zijn , maar wil veeleer hen in zorgen brengen, ten einde hen op die wijze te bewegen, dat zij hunne hand uitstrekken naar de ongerechtigheid en mededoen; het geloof wil zij hun ontrooven.
Gij nu. Mijne Geliefden, gij, die zwak zijt en gedurig opnieuw aangevochten zijt met allerlei bedenkingen : „zou het dan wel inderdaad waar zijn, dat wij het einde wegdragen
114
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
115
zullen, de verlossing onzer zielen?quot; Gij, die de vraag opwerpt: „Wel is waar de Heere heeft tot hiertoe geholpen, maar zal Hij het ook voor ons voleinden, zoowel voor dezen dag als voor de eeuwigheid ?quot; — o, laat u het geloof niet ontrooven, maar hoort veeleer naar het Woord des Heeren : „Ziet, Ik ben levend in de eeuwigheden der eeuwigheden. Ik draag ook de sleutels der helle en des doodsquot;. Dat is met andere woorden: Hel en dood zijn in Mijne macht; en daarom zult gij voor de hel noch voor den dood vreezen. Want de hel kan met hare raadslagen ons niet meer overweldigen; zij zal het niet vermogen; — dat heeft de Heere ook gezegd. En de dood kan met zijne smarten ons niet meer gebonden houden, want de Heere heeft de voorzegging getrouwelijk vervuld: „Hij zal den dood verslinden eeuwiglijk, en de Heere zal alle tranen van hunne aangezichten afwisschen, en zal den smaad Zijns volks van de aarde wegnemen.quot; Denkt toch niet, dat er uit de hel raadslagen tegen u zouden kunnen voortkomen, wier list de Heere niet reeds te voren zou verijdeld hebben. Denkt toch niet, dat de dood in zijne velerlei gedaanten u ter dood toe zou kunnen verschrikken, want Hij, de Heere, heeft hem reeds het masker afgerukt, zoodat hij zich juist met zijne verschrikkingen in al zijne machteloosheid zal moeten openbaren. Of de hel u ook honende toevoegt: „Ik krijg u evenwel in mijne kaken; gij zijt niet heilig!quot; — laat maar dreigen, wat dreigt. Wederstaat de hel en den dood, vast zijnde in het geloof. Houdt u aan het Woord des Heeren Heeren: „Ik draag de sleutels der helle en des doods.quot; Ja, wel is waar, het gaat kort bij de hel langs; maar de Heere weet wel, hoe lang en hoe kort Hij de keten van den ouden draak heeft gemaakt. Of deze ook de tanden toont en hard blaft, of hij al zijnen zwadder ons achterna werpt, toch kan hij noch bijten noch schade doen. En onze graven, — de Heere heeft ze allen geopend, toen Hij is opgestaan. Geen graf kan zich meer onder noch over ons toesluiten. Elk graf is eene deur ten leven, een doorgang tot het licht, tot
LEERREDE OVER OPENBARING 1 YS. 18.
de eeuwige vreugde, tot de bruiloft des Lams. De dood is uit ons graf uitgeworpen, en in een eigen graf opgesloten; daarom kan ons ook geen dood meer houden, hij heeft den moed niet meer, ons als zijne buit te omvatten, want onze Overwinnaar over hel en dood draagt de sleutelen niet te vergeefs. Er kan niet uitkomen wat wil, en evenmin kan ons daarhenen inslepen wat wil. Wie uit de hel uit wil, moet van Hem- de vergunning vragen, moet ook vermelden waarheen hij gaan wil; zoude het zijn , om hier of daar eenen dienstknecht Gods, eenen Job aan te tasten, zoo zal het niet anders kunnen geschieden, dan naar den raad des Heeren, — opdat de hel er zich aan oprijte en de dood er bij te niet worde , — en opdat het einde van den dienstknecht des Heeren zooveel te meer bevonden worde te zijn tot lof en prijs Desgenen, die alle dingen werkt naar den raad Zijns welbehagens. En dit is Zijn welbehagen, dat Zijne ellendigen in geenen deele beschaamd zullen uitkomen , terwijl zij hopende en wachtende zijn op Zijnen heiligen en rechtvaardigen Naam.
Daarom, laat ons toch de dierbare en troostvolle woorden van onzen lieven Heexe en Heiland hoog in waarde houden; want dat zijn geene woorden eens menschen, maar des Aller-hoogsten , die hemel en aarde bezit. Immers naar Zijne eigene uitspraak bezit Hij eene gansch andere macht dan de macht van hel en dood. De macht van al het zichtbare en van alle machten der duisternis heeft hoegenaamd niets meer in te brengen in den hemel en op de aarde. In hemel en op aarde moet alleen gelden en heeft ook alleen geldigheid de macht onzes Heeren Jesus Christus, onzes grooten Konings, en nu moeten, nadat Hij met Zijn dierbaar bloed voor al onze zonden volkomenlijk heeft betaald, en ons uit alle overmacht des duivels heeft verlost, alle dingen ons dienen en medewerken tot onze zaligheid, opdat wij tot eere mogen gekomen zijn en het Koninkrijk beërfd hebben, hetwelk voor ons bereid is vóór de grondlegging der wereld.
(Mooven wij echter niet, zoo bljjven wij niet; maar dit is
116
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
het waarachtige geloof, dat noch naar zoaden vraagt noch naar werken, niet naar verloren-zijn noch naar heiligheid, maar dat alleen vraagt naar des Heeren Woord en daarbij blijft in lijdzaamheid; dat ook den ondersten weg kiest, en over zich laat heenrijden dood en duivel met paard en wagen, — evenwel zich daaraan houdt: Gij, Heere Christus, zijt de rechte Man; U zij de eere, ik geef mij aan U over, zooals ik mij bevind; daar hebt Gij mij; ik deug tot niets, Gij alleen zijt heilig! Hebt Gij welbehagen in mij , zoo zult Gij mij wel tot eere brengen. Aan Uw quot;Woord houd ik mij. Ja, ik ben een doode; maar in Uwen Naam steek ik getroost het vaandel omhoog: Gij zijt mijn leven. Ja, Amen. In mij is geene kracht tegen de groote menigte dergenen, die mijne ziel haten ; ik sidder voor hel en dood; in mij is geene kracht, ook niet om voor Uw aangezicht op de voeten te blijven staan; in het stof verootmoedig ik mij ; wie ben ik en wat is mijn huis voor T] ?— maar nochtans juicht mijne ziel U ter eere. Gij geeft mij moed door Uwe woorden: „Vrees niet!quot; Uw „Amenquot; is mij ten zegel, dat niet de hel, maar de hemel Uwer zaligheid, niet de dood, maar Uw leven mij in eeuwigheid bezit. quot;Wees Gij mij genadig. Gij hebt alles wel gemaakt!
Mijne Geliefden, wien het te doen is om des Heeren Woord: De Heere heeft groote dingen aan ons gedaan , dat Hij ons tot Zijne kinderen en tot erfgenamen Zjjns Koninkrijks heeft aangenomen. De Heere heeft groote dingen aan ons gedaan, dat Hij ons tot hiertoe met louter trouwe heeft geleid. De Heere heeft groote dingen aan ons gedaan, dat Hij Zijn quot;Woord in allen deele heerlijk vervuld heeft bij ons, die te doof en te blind waren, om te midden der stormen Zijne stem te hooren, en in den nood Zijne heerlijke gestalte te aanschouwen. De Heere heeft groote dingen aan ons gedaan, dat wij ook heden weder Zijnen Naam een Eben-Haëzer mogen oprichten. !) Hij heeft het gebed gehoord , de tranen geteld;
1) De Nederlandsch-gereformeerde Gemeeute te Elberfeld had zich in de voorafgaande week tengevolge der koninklijke kabinetaorde, in zake de Godsdienst,
117
leerrede over openbaring 1 vs. 18.
wij zeggen met Jakob: Dit hadden wij niet gedacht, en dat nog veel minder; maar de Heere gaf ons boven bidden en denken.
O welgelukzaligheden, bij zoo overvloedig smaken en proeven Zijner trouw! quot;Wat zal het ons eenmaal wezen, wanneer wij zullen te zamen gekomen zijn in die zaal daar boven, verre boven de wolken, hoog boven hel en graf! Daar zullen wij dan ook uitroepen: Wij hadden het niet gedacht, dat het Woord onzes Heeren zoo waarachtig was, en nog minder, dat wij werkelijk zouden doorkomen, doch nu is ons ook het aanschouwen vergund. Heerlijk geprezen en hoog geloofd zij Zijne trouw! Amen.
Slotzang: Psalm 147 vs. 6, 7.
De Heer betoont Zijn welbehagen Aan hen, die nedrig naar Hem vragen,
Hem vreezen, Zijne hulp verbeiden ,
En door Zijn hand zich laten leiden ;
Die, hoe het ook moog tegenloopen,
Gestadig op Zijn goedheid hopen.
O Salem ! roem den Heer der Heeren;
Wil uwen God, o Zion, eeren!
Hij wil in gunst uw heil bewerken,
De grendels uwer poorten sterken ,
En zegent in uw land uw kindren,
Hij doet geen krijg uw wasdom hindren.
Hij deelt den liefelijken vrede.
Zelfs aan uw verste grenzen mede :
Met vette tarw wil Hij u spijzen.
118
En kroonen met Zijn gunstbewijzen.
(30 Maart 1847.) door Gods goedheid als zelfstandige en onafhankelijke Gemeente kunnen vestigen, en was nu, nadat zij het vroegere zeer benauwde lokaal voor hare samenkomsten verlaten had, voor de eerste maal op dezen Zondag, den 25. April in eene grootere, ruimere zaal tot het hooren van het Woord Gods vergaderd.
LEERREDE OVER OPENBARING 1 VS. 18.
wij zeggen met Jakob: Dit hadden wij niet gedacht, en dat nog veel minder; maar de Heere gaf ons boven bidden en denken.
O welgelukzaligheden, bij zoo overvloedig smaken en proeven Zijner trouw! Wat zal het ons eenmaal wezen, wanneer wij zullen te zamen gekomen zijn in die zaal daar boven, verre boven de wolken, hoog boven hel en graf! Daar zullen wij dan ook uitroepen: Wij hadden het niet gedacht, dat het Woord onzes Heeren zoo waarachtig was, en nog minder, dat wij werkelijk zouden doorkomen, doch nu is ons ook het aanschouwen vergund. Heerlijk geprezen en hoog geloofd zij Zijne trouw! Amen.
Slotzang: Psalm 147 vs. 6, 7.
De Heer betoont Zijn welbehagen Aan hen, die nedrig naar Hem vragen,
Hem vreezen, Zijne hulp verbeiden.
En door Zijn hand zich laten leiden ;
Die, hoe het ook moog tegenloopen ,
Gestadig op Zijn goedheid hopen.
O Salem ! roem den Heer der Heeren;
Wil uwen God , o Zion, eeren!
Hij wil in gunst uw heil bewerken,
De grendels uwer poorten sterken ,
En zegent in uw land uw kindren,
Hij doet geen krijg uw wasdom hindren.
Hij deelt den liefelijken vrede.
Zelfs aan uw verste grenzen mede :
Met vette tarw wil Hij u spijzen.
118
En kroonen met Zijn gunstbewijzen.
(30 Maart 1847.) door Gods goedheid als zelfstandige eu onafhankelijke Gemeente kunnen vestigen, en was nu, nadat zij het vroegere zeer benauwde lokaal voor hare samenkomsten verlaten had, voor de eerste maal op dezen Zondag, den 25. April in cene grootere, ruimere zaal tot het hooren van het Woord Gods vergaderd.
FEESTSTOFFEN.
LEERREDENEN
GEHOUDEN DOOR
DR. H. F. KOHLBRÜGGE,
IN LEVEN PREDIKANT BIJ DE NEDERLANDSCH-GEREFORMEERDE GEMEENTE
TE ELBEEFELD.
AMSTERDAM, S C H E F F E R amp; C. 1889.
UIT HET HOOGDUITSCH.
Tweede herziene uitgave.
III.
HEMEL VAARTSPREIEKEN.
Gedrukt ter „Utreehtsche Stoomdrukkerijquot; — te Utrecht.
I.
LEERREDE
OVER
L U K A S 24 vs. 50, 51.
Voorzang: Psalm 47 vs. 1—3
Juicht, o volken! juicht; Handklapt, en betuigt Onzen God uw vreugd;
Weest te zaam verheugd.
Zingt des Hoogsten eer;
Buigt u voor Hem neêr.
Alles ducht Zijn kracht,
Alles vreest Zijn macht.
Zijne Majesteit Maakt haar heerlijkheid,
Over \'t rond der aard ,
Wijd en zijd vermaard.
Naar Gods wijs bestel, Op Gods hoog bevel ,
Slaan wij, door Zijn hand , Volken aan den band , Die, door ons verneêrd ,
Door ons overheerd ,
Strekken tot een blijk ,
Gehouden op Heraelvanrtsdag, 9. Mei 1850,
leerrede over liika.s 24 vs. 50, 51.
Hoe Hij , liefderijk ,
Aan Zijn woord gedenkt,
D\' erfenis ons schenkt;
Jakobs heerlijkheid,
Aan hem toegezeid.
God vaart, voor het oog ,
Met gejuich omhoog ;
\'t Schel bazuingeluid Galmt Gods glorie uit.
Heft den lofzang aan;
Zingt Zijn wonderdaan ;
Zingt de schoonste stof;
Zingt des Konings lof,
Met een\' zuivren galm ,
Met een\' blijden psalm :
Hij , de Vorst der aard,
Is die hulde waard.
Tekst: Luk as 24 vs. 50, 51.
„Hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijne handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.quot;
De getrouwe Heiland, Die ons gebracht heeft tot het ware vaderland en Die Zich over ons ontfermt, hebbe u eene vroolijke morgenure bereid en eenen blijden dag doen aanbreken, gij geroepenen, geloovigen, heiligen en uitverkorenen in den Heere! quot;Welk een geur van Sarons rozen uit de velden der zaligheid, welk een reuk des levens ten leven komt ons tot onze verkwikking van boven te gemoet, ons, die wachten op de toekomst en volzalige verschijning van onzen grooten God en Zaligmaker Het leven hierbeneden is een gestadige dood,, Gasten en vreemdelingen zijn wij op aarde; wij hebben hier geene blijvende plaats, maar onze reis voert naar het Jerusalem, dat boven is.
Welk een troost is het voor ons om te weten, dat daar-
4
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 50, 51.
boven alles voor ons in het recht is gebracht! Door het dierbare Evangelie wordt ons deze troost geopenbaard. Onze Erbarmer voert daarin ons, die vermoeid en belast zijn, aan de heilsbronnen, en wij ontvangen het in onzen heeten dorst te smaken, dat wij daarboven een vaderland hebben en op de pelgrimsreis daarheen zijn! Daar is het goudland, het land der levensstroomen, het land der rnste, der eeuwige vreugde, het land van verzadiging van ongestoorden vrede, het land, dat van melk en honig overvloeit. quot;Wij trekken heen, om dit land te beërven, te wonen in loofhutten, in enkel vrijwoningen, waarvan er daar zeer velen zijn, —allen goed toebereid en van alles wel voorzien. De waarheid hiervan bevestigt ons de viering van dezen dag, waarop wij overdenken de hemelvaart van onzen Heere, van onzen Zaligmaker, onzen Goël, onzen Borg, onzen eenigen Hoogepriester en onzen eeuwigen Koning. —
Dit moet ons moed geven, ons, die hierbeneden door zöo menigen storm bewogen meenen, dat wij met ons schip en al onze have in de golven dezes levens omkomen; ons, die meenen, dat er van ons niets meer terecht komt; die te worstelen hebben met allerlei zonden, met wereld, duivel en dood; die in de wereld zijn als slachtschapen en veeleer de vervloekten, dan de gezegenden des Vaders schijnen te zijn.
Wij, die den Heere uit een volkomen hart aanroepen, in onzen nood, in onze ellende, in onzen jammer, in onze moedeloosheid , in onzen twijfel, in ons ongeloof, — Hem aanroepen om erbarmen, dat Hij ons geve genade voor recht, — wij hebben eenen zegen ontvangen, die luidt: zij zijn gezegend, en zij zullen gezegend blijven.
Toen de Heere de aarde verliet en opgenomen werd in den hemel, hebben wij, die den Heere aanhangen, dezen zegen van Hem ontvangen.
Even waar als het is, dat al, wat te voren geschreven is, tot onze leering te voren geschreven is, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hoop zouden hebben;
5
leerrede over lukas 24 vs, 50, 51.
even waar als het is, wat onze Heere in Zijn Hoogepriesterlijk Gebed gesproken heeft: „Ik bid niet alleen voor hen, maar voor allen, die door hun woord in Mij gelooven zullenquot;, (Joh. 17.) — zoo waar is het ook, dat de Heere, toen Hij opvoer ten hemel, niet alleen Zijne Apostelen, maar ook ons, de schapen Zijner weide, gezegend heeft.
Deze zegen, waarmede de Heere bij Zijne hemelvaart ons heeft gezegend, waarborgt ons eenen voorspoedigen doortocht door de woestijn en eenen zaligen overgang in het land der ruste.
Tusschenzang: Psalm 68 vs. 9.
Gods wagens , boven \'t luchtig zwerk ,
Zijn tien- eu tienmaal duizend sterk ,
Verdubbeld in getalen:
Bij hen is Zijne Majesteit Een Sinaï in heiligheid,
Omringd van bliksemstralen.
Gij voert ten hemel op , vol eer;
De kerker werd Uw buit, o Heer!
Gij zaagt Uw\' strijd bekroonen Met gaven , tot der mensehen troost;
Opdat zelfs \'t wederhoorig kroost Altijd bij U zou wonen.
De zegen, waarmede ons de Heere, zoo zeide ik, bjj Zijne hemelvaart gezegend heeft, waarborgt ons eenen voorspoedigen doortocht door de woestijn.
„Als wij er maar doorkomen, het mag dan gaan zoo heï wilquot;, zal een iegelijk zeggen, wien het in waarheid er om te doen is, dat zyne voeten eenmaal staan in de poorten van Jerusalem. Zien wij op onszelven of op den weg, dan moeten wij den moed verliezen; beschouwen wij daarentegen den zegen des Heeren, dan moeten wij weder moed grijpen.
quot;Wie eenen vader of eene moeder gehad heeft, ouders, wier woorden beproefde waarheid bevonden zijn, en hij is door zulke
6
LEERKEDE OVEK LUKAS 24 VS. 50, 51.
ouders, vóór zij werden opgenomen, gezegend, — of wie door eenen Profeet Gods gezegend werd, mag zich over zulk eenen zegen verheugen: het moet hem goed gaan. Dit ondervond de aartsvader Jakob: zijns vaders zegen is gekomen. Dit ondervond de stam Jnda: de zegen van Mozes, den man Gods, is gekomen. Hier hebben wij echter meer dan vader en moeder, hier is meer dan Mozes en alle Profeten en Apostelen te zamen. Als vader en moeder, als Profeten en Apostelen zegenen, dan is dit niet dan eene herhaling van den zegen, dien de Heere uitdeelde, toen Hij opvoer ten hemel. En wanneer er van het rechtvaardige volk gezegd wordt: „Zijne gezegenden zullen het aardrijk beërven, maar zijne vervloekten zullen uitgeroeid wordenquot;, zoo geschiedt dit, omdat de zegen, waarmede do Heere bij Zijne hemelvaart zegende, een eeuwige zegen is.
Met dezen zegen en door dezen zegen komen wij door deze woestijn. — Ja en Amen zegt daarop gansch Israël, als het nagaat, wat deze zegen uitricht. Deze zegen neemt allen vloek van ons weg; dit is naar de belofte (Zach. 8 vs. 13—15): „En het zal geschieden, gelijk gij een vloek geweest zijt, al-zoo zal Ik ulieden behoeden, en gij zult eene zegening wezen: vreest niet. Gelijk als Ik gedacht heb ulieden kwaad te doen, alzoo denk Ik wederom in deze dagen goed te doen: vreest niet!quot; Zegt het mij, gij armen en ellendigen, wat was er voor voortreffelijkheid in de discipelen, weshalve de Heere zoo op eenmaal de handen over hen ophief en hen zegende? Had Hij hen niet nog kort te voren bestraft vanwege hun ongeloof en de hardheid hunner harten? Was niet nog^ eenige minuten te voren niets dan onverstand uit hunne harten te voorschijn gekomen in de vraag: „Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten?quot; (Hand. 1 vs. 16.) Gaven zij daarin geen bewijs, dat zij nog vleeschelijk waren, kinderen in het verstand, en niet geestelijk ? Hoe slecht hadden zij het bij den dood des Heeren laten liggen! hoe zaten zij allen daar terneder met een slecht geweten! En hoe weinig waren zij daardoor nog grondig verootmoedigd, toen
7
LEERREDE OVER LL\'KAS 24 VS. 50, 51.
de Heere, opgestaan uit den dood, hun in Zijn genadevol „Vrede zij ulieden!quot; vergeving hunner zonden geschonken had , hoe weinig begrepen zij van Zijne geheele opstanding! Lag niet naar de wet op hen de vloek, daar zij, niettegenstaande al wat er voorgevallen was, niets van de geheele zaak onthielden? Of, wat meent gij, waren zij heilig, toen de Heere de handen over hen ophief?
Welk eene verrassing, wanneer de van zijne kinderen scheidende vader tot hen spreekt: Kinderen, ik ga den weg van alle vleesch, neigt uwe hoofden onder mijne handen, dat ik u zegene. Welk eene verrassing, wanneer de kinderen gevoelen, wat de vader zegt, terwijl in hen bij het aanklagend geweten het bewustzijn ontwaakt: wij zijn onverstandige en ongehoorzame kinderen geweest, en nochtans wil de vader ons zegenen!
Zoo was de zegen van Christus, toen Hij opvoer, en deze zegen is niet geweken. Hij heeft als een liefhebbend Vader, als een groot Erbarmer gezegend, en heeft met Zijne zegening eiken vloek gebannen, zoodat die de Zijnen niet meer treffen kan.
Christus heeft slechts éénen zegen, waarmede Hij Zijne Jakobs zegent, en waarmede Hij geene anderen, dan hen, zegenen kan. Met dezen zegen maakt Hij hen tot heeren over allen en over alles, en geeft hun bovendien koorn en wijn, zoodat het bij hen waarheid is: „Hun brood wordt hun gegeven, en hun water is gewis.quot; Toen Izak zijnen zoon Jakob zogende, schonk hij hem in dezen zegen alles, wat hij van zijnen vader geërfd had. Alzoo heeft Christus, vóór Hij vanhier ging. Zijnen discipelen en allen, die door hun woord in Hem gelooven, in Zijnen zegen alles geschonken, wat H j van Zijnen Vader geërfd had. De eerstgeboorte en al wat daarmede verbonden is, alle heilsgoederen des nieuwen ver-bonds, gerechtigheid, genade, vrede, vergeving van zonden, recht op het eeuwige leven. — Toen Christus de Zijnen zegende, dacht Hij: Die arme kinderen, zij zijn niet van de wereld, hebben ook van de wereld niets; derhalve heeft al wat van
8
LEEEREDE OVER LUKAS 24 VS. 50, 51.
de wereld is hen niet lief, maar haat hen, omdat Ik hen uit de wereld uitverkoren heb. Daarom zullen zij juist Mijnen zegen hebben, opdat het toch steeds en altijd waar blijve: „Zegt den rechtvaardigen, dat het hun wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten.quot; (Jes. 3 vs. 10.) Zoo heeft Hij dan, toen Hij -vanhier ging, als het ware Zich-zelven uitgestort, en heeft den Zijnen alles gegeven, wat Hij had. Met dezen zegen hebben wij nu gewisselijk een goed doorkomen door de woestijn; want, omdat Hij wel weet, dat in deze woestijn voor ons niets groeit, juist daarom heeft Hij ons gezegend.
Van dezen zegen hebben wij nu allerlei troost en zullen aan niets gebrek hebben. Als er geen brood voorhanden is, zal Hij, de getrouwe Heiland, het voor ons te voorschijn roepen; als er geen water is, zal Hij het voor ons uit den rotssteen slaan; als wij geen geld voor kleederen en schoenen hebben, zal Hij maken, dat kleederen en schoenen niet verslijten. Alles ligt volkomen in Zijnen zegen opgesloten. Hij zal genade en eere geven. Hij zal den Zjjncn, die op Hem vertrouwen, het goede in den nood niet onthouden. Zijn zegen doet het echter alleen, onze vroomheid doet het niet, en met onze werken verdienen wij het ook niet, integendeel verdienen wij daarmede den vloek. Hij toch zegent de Zijnen uit louter goedheid; Hij doet het als een barmhartige Hooge-priester, als een getrouwe Heiland. Dat wij van Hem zoo gezegend zijn, is alles Zijne groote liefde. Het strekt Hem tot vreugde, dat Zijne armen en ellendigen, die door den Vader op Zijnen akker zijn geleid geworden, om daar als weezen aren te lezen, het goed hebben, ook in niets gehinderd worden, maar integendeel alles volop hebben, aanhoudend door Zijne goedheid verrast worden, en zoo veel ontvangen, dat zij niet eens alles kunnen dragen. Hij handelt als Boas; Hij meet zes maten gerst, legt dezelve op ons, en gaat dan in de stad, om te bewijzen, dat H ij de naaste bloedverwant is, en als zoodanig, waar de wet niet
9
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 50, 51.
wil heipon, zelf den met schulden bezwaarden akker als Zijn eigendom over te nemen en te gelijk de arme Ruth, de vreemdelinge, opdat zij Zijne gelukkige vrouw worde, Hem als haren Man hebbe, en met Hem alles bezitte, wat Hij heeft, namelijk de volheid van alle zegeningen.
Zoodanig is de zegen, waarmede de Heere, toen Hij ten hemel voer, de Zijnen zegende, — en deze zegen is niet geweken, maar evenals hemel en aarde tot nu toe door hetzelfde Woord, dat hen uit niets te voorschijn riep, nog daar staan, evenals het licht door het ééne woord: „er zij lichtquot; nog is en werkt, evenzoo is deze zegen, waarmede de Heere de Zijnen zegende, nog daar en is gekomen op al Zijne ge-loovigen, op kinderen en kindskinderen. — En daar is nu dit zegenen, als wanneer de liefhebbende moeder zich over het hulpelooze kind uitstrekt, waarbij het binnenste van haar hart over de vrucht van haar lichaam in liefde ontbrandt. Zulk een zegen noemt ons goed, heet ons lief en dierbaar, wat ook de aanklager tegen ons mocht uitbrengen, opdat de vloek over ons kome. Als het nu mij n kind is, en ik het schoon en lief vind, wat gaat dit eenen ander aan? Die moge lietleelijk, zwak, ellendig, mager vinden, ja niet eens willen aanzien of aanraken, — ik noem het goed; want het is mijn kind, de vrucht mijns lichaams. God heeft het mij gegeven. Zoo heet ook Christus de Zijnen goed, zegent hen, oordeelt hen in dezen zegen als rechtvaardig, heilig. Hem lief en dierbaar, hoewel de aanklager, die zelf de allerslechtste is, hen als niet-deu-gende aanklaagt. — Ja juist, omdat de aanklager hen veroordeelt, neemt de Heere hen met Zjjnen zegen alzoo in Zijne hoede op, dat gene niets tegen hen kan uitrichten, terwijl het vast staat: Hij heeft hen gezegend, en gezegend zullen zij blijven. De Heere zegent ons echter niet, omdat erin ons wat liefelijks is, maar omdat Hij ons heeft liefgehad, daar wij Hem van den Vader gegeven zijn. Onze Heere wist zeer goed, wat Hij aan de Zijnen had; de Satan had hen toch reeds eenmaal begeerd te ziften als de tarwe, en het ware hem bijna
10
LEERKEDE OVER LUKAS 24 VS. 50, 51,
gelukt. Maar de Heere had voor hen gebeden, dat hun geloof niet zou ophouden. Wat Hij nu vroeger met Zijn gebed deed, deed Hij thans met Zijnen zegen. Hun geloof zou niet ophouden; in Hem vereenigd zouden zij eendrachtelijk te zamen blijven; zouden zij staan als weerlooze schapen midden onder de wolven; staan als getuigen Zijns lijdens en Zijner opstanding, Zijner geheele Middelaarsheerlijkheid in het midden van een verdraaid geslacht. Zoo zou dan deze zegen hun ten schild zijn, waartegen alle giftige pijlen der wereld, alle brandende pijlen des boozen niets zouden kunnen uitrichten.
Er ligt voorwaar wat wonderbaars in dezen zegen. De schaar der discipelen werd beschouwd als eene woning der gerechtigheid, als een berg der heiligheid. Hoe konden zij dat zijn? Zijne gerechtigheid, die hun toegerekend is, Zijne heiligheid, die Hij hun verworven heeft, — dat was het, wat de Heere in hen aanzag, — als zoodanigen zegende Hij hen, — en zoo blijft deze zegen ook op ons rusten.
Evenals God den Heere Christus heeft gezegend, alzoo zegent Christus ons weder. Door Zijn quot;Woord heeft de Heere het Zijnen discipelen ingegeven, gerechtigheid lief te hebben en ongerechtigheid te haten; Hij heeft hen toegerust met Zijne kracht, om zulke werktuigen te zijn, die de gerechtigheid beminnen en de ongerechtigheid haten. Hij zegent hen, omdat Hij hen geschikte werktuigen in Zijne hand acht, en zegt: het moet u wel gelukken, wat ook alle eigengerechtige menschen, wat ook eene gansche wereld daartegen moge inbrengen, het zal der wereld in haren haat tegen u niet gelukken; u daarentegen volkomen in uwe liefde tot Mij en tot de broederen, in uw geduld bij eiken heeten strijd. En zoo blijft dan deze zegen, — moge ook de wereld daartegen razen, woeden en tieren zooals zij wil, en ons vloeken: — „Laat haar vloekenquot;, blijft onze bede, „zegen Gij!quot; Ja, Gij hebt gezegend, en door Uwen zegen staat Uwe belofte vast. Zij zullen niet te vergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad der gezegenden des Heeren en hunne
11
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 50, 51.
nakomelingen met hen, (Jes. 65 vs. 23.) Door dezen zegen spreekt al het gezegende volk des Heeren in al hunne gebeden: Zegen Uw erfdeel! Vrede over Israël! En zoo zegent zich ieder rechtvaardige in den zegenenden God Amen, die gesproken heeft; „Zegenende zal Ik u zegenen!quot; —
Wat dunkt u, gij discipelen des Heeren, zullen wij met dezen zegen, waarmede de Heere ons gezegend heeft, toen Hij opvoer, ook door deze woestijn heenkomen, doorkomen door dit tranendal? Menigmaal wordt het ons wel is waar bang en zwaar op den weg; maar als wij dan bedenken, hoe de Heere Zijnen zegen bij ons handhaaft, zoo kunnen wij het toch vrijmoedig aan alle vermoeide pelgrims prediken: Gij zijt het volk, gezegend van den Allerhoogste, die hemel en aarde bezit! (Gen. 14 vs. 19.) Laat ons te midden der wereld, waarin wij verdrukking hebben, en tegen alle tegenspraak in aan dezen zegen gedachtig blijven. Dat zij dien zegen waardig waren, dit heeft de Heere nimmer in Zijne discipelen gevonden. Uit vrije liefde en barmhartigheid zegent Hij ons. En, wat dunkt u, zullen wij eenigszins bedrogen uitkomen, wanneer wij, niettegenstaande alle vloeken der wereld en des duivels, trots onze eigene vloekwaardigheid, dezen zegen gelooven? als wij aan alle tegenspraak dezen zegen voorhouden? Hij is de Heere, aan Wien gegeven is alle macht in hemel en op aarde; daarom zal en kan Hij den zegen, waarmede Hij ons gezegend heeft, ook handhaven, en Hij wil dit ook, anders zou Hij ons niet gezegend hebben. En gelijk wij in dezen zegen den waarborg van eenen gelukkigen doortocht door deze woestijn hebben, zoo hebben wij daarin ook de zekerheid van eenen zaligen ingang in het land der ruste. Dit zullen wij echter dan beschouwen, als wij de hemelvaart van onzen Heere zelve overwegen.
quot;Wie van ons hebben nu deel aan dezen zegen? Ik meen dezulken, wien het om den zegen des Heeren gaat, — dezulken, die Hem van den Vader gegeven zijn, en die Hij daarom ook heeft liefgehad en vóór Zijn opvaren zegende.
12
LEERREDE OVER LUKAS 24 VS. 50, 51.
Deze moeten toch volstrekt niet daaraan twijfelen, of zij wel van den Heere gezegend zijn, daar de Heere toch Zijne discipelen zegende. Want toen de Heere Zijne discipelen voor Zich had, heeft Hij ook ons, die de Zijnen zijn, voor Zich gehad. Ook ia Zijn hart, dat zoo gaarne zegent, steeds een gaarne zegenend hart gebleven.
Nu gaat het slechts daarom, of wij zoo zijn, als die discipelen waren, opdat wij daarvan verzekerd mogen zijn, dat wij toen ook door den Heere zijn gezegend geworden. De discipelen waren van de wereld veracht en uitgeworpen: zij waren men-schen, die de wereld voor slechte lieden hield, omdat zij met de wereld niet wilden mededoen, haar ook niet wilden dienen; — menschen, geboren om de wereld te zegenen, vrienden en vijanden wél te doen, voor allen te bidden, allen met liefde te overwinnen, zooveel in hen was, vrede met een iegelijk te houden; maar ook geboren, om te staan in de vrijheid Christi, en geen vreemd juk mede aan te trekken, den geheelen Belials-dienst als Belialsdienst te veroordeelen, de gerechtigheid van alle vleesch overhoop te werpen, en van niets anders te getuigen dan van de heerlijkheid Gods. Dezulken kunnen echter door de wereld slechts verdoemd worden. De discipelen waren menschen, geboren om, nadat zij van de banden des Satans vrijgemaakt waren, het bloed van Christus der hel voor te houden en te prediken, ja ook tegelooven: De vergeving van zonden in dit bloed. Dezulken kunnen niet anders dan door den duivel met gloeienden haat vervolgd worden. En daarbij zijn de lieve discipelen menschen geweest, gelijk alle anderen, arme zondaren, gelijk alle anderen , zwak en ellendig, geboren wel is waar, om van Sodom geenen draad noch schoenriem te nemen, maar nochtans aan alle verleiding blootgesteld, menschen, zeer lichtelijk door Sodom te overwinnen, ook lichtelijk door hunne zonden van den Rotssteen huns heiis weggevoerd.
Zulke lieden, die niets boven anderen vooruit hebben en nochtans door God in Christus zijn uitverkoren, ten prijze Zijns Naams, tot lof Zijner genade, komen zonder den zegen des
13
leerrede over lukas 24 vs. 50, 51.
Hoeren er niet door, en hebben ook allen den zegen des Heeren. Zoo velen onder u nu tot deze lieden behooren, die hebben dezen zegen, zoodat zij in eiken nood en in het aangezicht des doods het ervaren: Hier gebiedt de Heere den zegen en het leven; Hij gebiedt den zegen en het leven, omdat het Zijn wil is, dat wij den zegen en het leven beërven.
Verblijdt u in dezen zegen, gij, die uit den Steenrots Israëls aijt; gij Jakobs, die geworsteld hebt en worstelt met den Man, die steeds gezegend heeft (Gen. 32 vs. 26), waar gij in radeloosheid uitriept: „Heere, ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent!quot; Wij, die op de pelgrimsreis zijn naar de stad daarboven, zullen aan het einde van den weg van dezen zegen betuigen: Wij hebben niet de helft daarvan begrepen. — Amen.
Nazang: Psalm 24 vs. 5.
Verhoogt, o poorten! nu den boog;
Rijst, eeuw\'ge deuren ! rijst omhoog ;
Opdat g\' uw Koning moogt ontvangen.
Wie is die Vorst, zoo groot in kracht?
\'t Is \'t Hoofd van \'s hemels legermacht;
Hem eeren wij met lofgezangen.
14
II.
LEERREDE
over
het geloofsartikel:
„OPGEVAREN TEN HEMEL\'
Voorzang: Psalm 68 vs. 9, 10.
Gods wagens , boven \'t luchtig zwerk , Zijn tien- en tienmaal duizend sterk,
Verdubbeld in getalen :
Bij hen is Zijne Majesteit Een Sinaï in heiligheid,
Omringd van bliksemstralen. Gij voert ten hemel op, vol eer; De kerker werd Uw buit, o Heer!
Gij zaagt Uw\' strijd bekronen Met gaven , tot der menschen troost; Opdat zelfs \'t wederhoorig kroost Altijd bij U zou wonen.
Geloofd zij God met diepst ontzag , Hij overlaadt ons , dag aan dag , Met Zijne gunstbewijzen:
Gehouden op Hemelvaartsdag, 25 Mei 1S54.
16 LEERREDE OVER: OPGEVAREN TEN HEMEL.
Die God is onze zaligheid!
Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eerbied prijzen ?
Die God is ons een God Tan heil,
Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,
Ons \'t eeuwig zalig leven.
Hij kan , en wil, en zal in nood,
Zelfs bij het nadren van den dood Volkomen uitkomst geven.
Mijne Geliefden! Onze dierbare Heere en Heiland bleef na Zijne opstanding nog veertig dagen op aarde; dat zijn juist even zoovele dagen, als Hij in de woestijn heeft doorgebracht, toen Hij met de wilde gedierten was en Hem hongerde, toen Hij den duivel met het woord: „Er staat geschrevenquot; drie malen sloeg, en de engelen toekwamen en Hem dienden. Wij vinden het getal „veertigquot; overal in de Schrift beteekenende eenen vollen en beslissenden tijd voor de uitvoering van Gods raad. Zoo was ook Mozes veertig dagen en veertig nachten op den berg Horeb. quot;Wat onze Heere in deze veertig dagen op aarde gedaan heeft, is ons ten deele bekend uit de Evangeliën, uit de Handelingen der Apostelen en uit den eersten Brief van Paulus aan de Corinthiërs. In het 15de Hoofdstuk schrijft de Apostel: „Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven. Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de Apostelen quot; Uit de Evangeliën weten wij, dat Maria Magdalena Hem het eerst heeft gezien, daarna andere vrouwen en de beide Emmaüsgangers. Ook weten wij, dat Hij in het midden der discipelen stond, en zeide: „Vrede zij ulieden!quot; en dat Hij dit acht dagen later herhaalde, toen Thomas ook tegenwoordig was; verder, dat de Heere Zichzelven wederom den discipelen openbaarde aan de zee van Tiberias.
Op den veertigsten dag nu vergaderde onze Heere Zijne discipelen en ging met hen den Olijfberg op, waar ook Geth-semané lag, daar Hij zoo veel had geleden, en ging toen met hen tot naar Bethanië. Aldaar klonken Zijne laatste woorden:
T
LEERREDE OVER: OPGEVAREN TEN HEMEL. 17
„Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Yader in Zijne eigene macht gesteld heeft, maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijne getuigen zijn, zoo te Jerusalem als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aardequot;. En als Hij dit gezegd had, hief Hij Zijne handen op en zegende Zijne discipelen. En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en de Heere werd opgenomen, daar zij het zagen, en eene wolk nam Hem weg van voor hunne oogen, en Hij voer op naar den hemel. En als zij hunne oogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen, in witte kleeding; welke ook zeiden: Gij Galilésche mannen! wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jesus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen, ge-ijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren. Toen aanbaden zij Hem en keerden weder naar Jerusalem met groote blijdschap.
Ziedaar de geschiedenis, yoor zoover wij die uit het Woord kennen, van al hetgeen Christus in de veertig dagen op aarde gedaan heeft, en hoe Hij naar den hemel is heengevaren.
De Evangelist Markus beschrijft de hemelvaart des Heeren alzoo: „De Heere is opgenomen in den hemel en is gezeten aan de Rechterhand Godsquot;. En de Apostel Paulus aldus: „God is opgenomen in heerlijkheidquot;. (1 Tim. 3 vs. 16 )
Laat ons nu onderzoeken. Geliefden, wat Mozes, de Profeten, de Psalmen en de Apostelen omtrent de hemelvaart onzes Heeren tot troost der Gemeente hebben voorzegd en geleerd.
Wat ten eerste den tjjd aangaat, dat Christus ten hemel gevaren is, namelijk op den veertigsten dag na Zijne opstanding, en dat Hij dus veertig dagen op aarde gebleven is, — zoo moet ik u doen opmerken, dat „veertigquot; een getal is, samengesteld uit viermaal tien, — een getal voor ruimte en tijd, een getal dier orde, waarin uitgedrukt wordt, dat, wat de tien geboden aangaat. God de Vader en God de Zoon en God de Heilige Geest genoegdoening hebben, en dat ook voor
2
18 LEERREDE OVER! OPGEVAREN TEN HEMEL.
den gevallen mensch, die verzoend in Grod wordt opgenomen, genoegdoening is aangebracht, zoowel wat misdaad, als wat schuld en straf en de vervulling dezer geboden aangaat. En ten dezen is het getal „veertigquot; een getal ten doode, zoo Gods raad verworpen, en ten leven, zoo deze raad erkend wordt.
Heeft het nu bij den zondvloed veertig dagen en veertig nachten geregend, zoodat de zondvloed veertig dagen op de aarde is gekomen, om alle vleesch te verderven, zoo lag het voorzeker ter vervulling van de voorzegging, „dat alle vleesch den Heiland Gods zou zienquot; !), in den raad Gods, Die voor alles Zijnen tijd heeft, dat onze Ileere nog veertig dagen en veertig nachten hierbeneden bleef, en dat Hij in deze veertig dagen en veertig nachten, — eenen gelijken tijd, als welken de Israëlietische verspieders besteedden om het land te verspieden, — niet alleen verschenen is aan de ons in het quot;Woord bekende discipelen, maar dat Hij Zich ook aan alle einden der aarde zegenende bevonden heeft, en Zich ook levend heeft geopenbaard aan hen, die, evenals Zijne ons bekende discipelen, in zielsnood en in duisternis en schaduwe des doods gezeten waren.
Van Zijne hemelvaart op den veertigsten dag, d. i. van Zijnen intocht in het Kanaan, dat boven is, hebben wij, wat den tijd aangaat, eene liefelijke voorzegging daarin, dat in het veertigste jaar (één jaar voor één dag gerekend) Israël in het beloofde laud inging.
Yan Zijne hemelvaart zelve hebben wij bij Mozes allerlei voorzeggingen in beelden. Voornamelijk komen de offeranoen hier in aanmerking, die op het altaar verbrand werden. Wij lezen van het offer van Noach: „God rook dien liefelijken reuk, en zeide in Zijn hart: Ik zal den aardbodem niet meer slaan om des Menschen wilquot;. ~) De offers op het altaar
]) Luk. 3 vs. 6. Hoogd. Overzetting. De Statenbijbel heeft: „Alle vleesch zal de zaligheid f^ods zi^nquot;.
2) Gen. 8 vs. 21. „Om des Menschen wilquot; d. i. om Christi wille.
LEERREDE OVER: OPGEVAREN TEN HEMEL,
gingen in vuur op, zij stegen in de vlammen ten hemel, en zoo nam God het offer genadig aan ea schonk Hij van den hemel Zijne genade, gerechtigheid en den Heiligen Geest aan Zijne Gemeente. Zoo werd ook het Offer, Dat het tegenbeeld dier offers was, door God opgenomen; Hij steeg allengskens met de wolken opwaarts, totdat Hij ia de lucht verdween en met de oogen niet meer kon worden gezien; daarna werd, om den wille van dit offer, de Heilige Geest van boven nedergezonden.
De offeranden beduidden immers Christus in Zijn lijden, in Zijne opstanding en in Zijn opgenomen-worden in heerlijkheid, en zij beduidden zulks niet alleen, maar naar het Woord en voor het geloof was Christus het Offer.
Wij hebben daarvan de duidelijkste voorstelling in het Boek der Richteren, alwaar wij lezen Hoofdstuk 13 vs. 19, 20: „Toen nam Manóach een geitenbokje, en het spijsoffer, en offerde het op den rotssteen, don Heere. En Hij (de Engel) handelde wonderlijk in Zijn doen; en Manóach en zijne huisvrouw zagen toe. En het geschiedde, als de vlam van het altaar opvoer naar den hemel, zoo voer de Engel des Heeren op in de vlam des «altaars. Als Manóach en zijne huisvrouw dat zagen, zoo vielen zij op hunne aangezichten ter aardequot;, d. w. z. zij aanbaden den opvarenden Engel. De Heere nu voer op in Zijn eigen offer, dat Hij gebracht heeft op Golgotha, en toen Hij opvoer in dit offer, in eene wolk, toen aanbaden Hem de lieve discipelen.
Wanneer wij in den Tabernakel ingaan, zien wij overal in profetische beelden ook des Heeren hemelvaart; niet alleen het offer, dat voortdurend in eene wolk van helderen rook van het brandofferaltaar opwaarts stijgt, maar ook de reukwolken, die van het reukaltaar opgaan. Voorts is deze hemelvaart afgebeeld in den hemelwaarts gekeerden adelaar in de cherubim; bovenal echter daarin, dat de hoogepriester met het bloed der roode koe op den grooten verzoendag inging in het heilige der heiligen. Op dit plechtige ingaan des hoogepriesters in het binnenste heiligdom wijst toch de Apostel Paulus in den Brief
19
LEERREDE OVER: OPGEVAREK TEN HEMEL.
aan de Hebreën bij elke gelegenheid, als hij spreekt van den ingang van Christus in den hemel. Ook is het manna, dat in de gouden kruik ia het heilige der heiligen gebracht werd, en de arke, wanneer zij in de tent of op Zion in den tempel werd gebracht, eene afschaduwing van deze hemelvaart. Persoonlijke voorbeelden dezer hemelvaart zijn ook nog Henoch en Elia, verder Jozef, die uit het gevangenhuis op den troon kwam, en, uit den kuil getrokken, ter rechterhand van Farao verhoogd werd; zoo ook David, die opgenomen werd, nadat hij veertig jaren geregeerd had.
Duidelijk uitgesprókene profetieën van Christus\' hemelvaart vinden wij in Ps. 8 vs. 2: „O Heere, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de gansche aarde! Gij, Die Uwe Majesteit gesteld hebt boven de hemelen!quot; De Naam des Vaders is immers niet alleen aan de Joden, maar aan alle menschen op aarde, die aan den Zoon gegeven zijn, geopenbaard geworden, en de heerlijkheid van dezen Naam wordt geprezen van toen aan, dat God Zijne Majesteit, d. i Zijnen Christus, gesteld heeft boven de hemelen, d. w. z. den Zoon hooger gemaakt heeft dan de hemelen zijn, toen de Yader Hem in den hemel heeft opgenomen, — gelijk de Apostel betuigt: „Hij heeft Hem gesteld over alle tronen, heerschappijen, overheden en machten en alles, wat genaamd wordt in den hemel, en heeft Hem alles onderdanig gemaaktquot;.
In den lö\'1™ Psalm spreekt Christus (Vs. 11): „Gij zult Mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde :.s bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uwe Rechterhand, eeuwiglijkquot;. Met deze woorden beschrijft de Messias, dat Hij zal opvaren, om deze vreugde te genieten en in deze liefelijkheden aan Zijne Rechterhand als de verhoogde Middelaar eeuwiglijk te leven.
In denzelfden zin hebben wjj te verstaan de woorden van het 7de Vers van den 21sten Psnlm: „Gij zet Hem (Uwen Koning, Christus) tot zegeningen in eeuwigheid; Gij vervroolijkt Hem door vreugde met üw aangezichtquot;. En aldaar bidt de
20
LEERREDE OVER: OPGEVAREN TEN HEMEL.
Gemeente in het laatste Vers; „Verhoog U, Heere! in Uwe sterkte; zoo zullen -wij zingen, en Uwe macht met psalmen loven;quot; want dit luidt als bij den Evangelist Markus: „De Heere is opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de Rechterhand Grods En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal; en de Heere wrocht mede, en bevestigde het Woord door teekenen, die daarop volgdenquot;; bij Lukas lezen wij in het laatste Hoofdstuk geheel volgens dezen 215ten Psalm ; „Zij keerden weder met groote blijdschap, — lovende en dankende Godquot;.
In den 47sten Psalm nu lezen wij: „God vaarc op met gejuich, de Heero met geklank der bazuin. Psalmzingt Gode, psalm-zingt! psalmzingt onzen Koning, psalmzingt! En Ps. 57 vs. 6, 12: „Verhef U boven de hemelen, o God! Uwe eer zij over de gansche aardequot;. — Als Christus Zichzelven echter niet, als onze Sterke God, boven alle hemelen verheft, zoo is er voor ons in de hemelen geene plaats, en als Hij Zijne Goddelijke en Koninklijke eer niet verheft over de gansche aarde, zoo gaat de geheele wereld te gronde. Maar daar Hij het wist, dat Hij in den hemel werd opgenomen, en aldaar als de Zijnde en als de Sterke God inging, om alles onder één Hoofd te brengen, d. i. onder de heerschappij Zijner genade, wat in den hemel en op aarde was, zoo juichte Hij, toen Hij opvoer, om het eeuwige voornemen te volvoeren; en daar de gansche hemel dit wist, geleidde die onzen Koning met ge-klank der bazuin, en bracht Hem zóó den hemel, Zijn paleis, binnen.
En zoo juicht dan nu de Gemeente in den 68sten Psalm, zingende en spelende: „Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen, om uit te deelen onder de menschenkinderenquot;.
Van deze hemelvaart, en dat Christus Zich gezet heeft ter Rechterhand des Vaders, profeteert ook Jesaia, als hij door den Heiligen Geest spreekt: „Alzoo zegt de Heere: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen?quot; Als God tot
21
LEERREDE OVER: OPGEVAREN TEN HEMEL.
ons menschen van eenen troon spreekt, dan is het immers van den troon der genade; op dezen heeft Christus Zich nedergezet, en daar deze troon de hemel is, is het openbaar, dat de hemel Hem moest opnemen en Hij dus ten hemel zou varen. God is geopenbaard in het vleesch, Hij is opgenomen in heerlijkheid.
Dat Christus ten hemel zou varen, daarvan profeteert ook Jere-mia, als hij (Hoofdst. 30 vs. 21) zegt; „En Hij zal tot Mij gerakenquot;. God woont in den hemel, al is Hij ook overal tegenwoordig naar Zijne kracht, en zou nu Christus als de Zoon des menschen tot God naderen, dau moest Hij ten hemel varen.
Aldus spreekt voorts Maleachi: „Ulieden, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelenquot;. Dat zegt immers met andere woorden: Christus, onze gerechtigheid, heft Zich op van de diepte dezer aarde en zet Zich hoog boven alles ih den hemel, en gelijk Hij ons ten goede aldaar is, zoo deelt Hij van daar Zijnen Heiligen Geest mede en doopt ons met dezen Geest en met vuur.
Zacharia zegt ons in het 14\'\'e Hoofdstuk duidelijk, dat Hij van den Olijfberg zou opvaren. „En Zijne voetenquot;, lezen wij aldaar, „zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jerusalem ligt, tegen het oosten.quot; In het stof lag de Heere als een worm, riep tot den hemel en worstelde met den dood bij dezen Olijfberg; nu echter stonden Zijne voeten daar, d. i. Hij stond er nu boven op, als Overwinnaar in heerlijkheid, en in deze heerlijkheid werd Hij opgenomen. De Joodsch-kerke-hjke Olijfberg werd echter zoodanig gespleten, dat er van dien tijd af aan geen heelen meer te denken was. En nu deze Joodsch-kerkelijke Olijfberg, welke tot op dien tijd de stad Gods voor de Heidenen verborgen had gehouden, vaneengespleten was, lag de stad des grooten Konings open, open voor de oogen van alle ellendige en verlorene Heidenen , — open in den dauw des dageraads, en de Zon der
22
LEERREDE OTER: OPGEVAREN TEN HEMEL.
gerechtigheid ging over hen op, en een gebaande weg leidde naar de stad, — en de stad heeft sedert tot zich getrokken eene schaar, die niemand tellen kan, eene schaar van treuri-gen, lammen, kreupelen, kraamvrouwen, en is een waar Jerusalem geworden, eene dubbele erfenis met overvloedig en ongestoord genot voor alle geslachten der aarde. Want op den tienden dag na Zijne hemelvaart is de Heere gekomen, en komt sedert dien tijd en geeft eenen milden regen, vroegen regen en spaden regen, om Zijne erfenis te sterken, die mat is. (Ps. 68 vs. 10.) Wat ontkwam, dat ontkwam door het dal des ootmoeds, d. w. z. daardoor, dat het boete deed, naar Azal, d. i. naar Zion, den berg der afzondering. En toen kwam de Heere, mijn God, en alle heiligen met U, o Heere! terwijl er eene groote aardbeving geschiedde en de Geest neder-kwam op den vijftigsten dag. Op dien dag had het kostelijke licht van het-farizeïsme, dat toch duisternis was, opgehouden, en er stroomden frissche wateren uit Jerusalem. (Vergel. Zach 14.)
Laat ons alsna tot onzen troost zien. Mijne Geliefden, wat ons de Apostelen van de hemelvaart onzes Heeren leeren.
Petrus zegt daarvan in het derde Hoofdstuk van de Handelingen der Apostelen, dat de hemel Christus heeft moeten ontvangen, d. w. z. heeft moeten opnemen tot den tijd, dat alles weder opgericht of hersteld is, wat God gesproken heeft door den mond van al Zijne heilige Profeten. Daar leert hij ons, dat Christus als onze Profeet in den hemel is, en dat God ons door Hem zegent, daarin dat Christus ons Zijn heilzaam Woord geeft, opdat een iegelijk zich afkeete van zijne boosheden, en alzoo tot waarachtige bekeering en tot het ware geloof gekomen zij. En terwijl Christus ons Zijn heilzaam Woord geeft, ons de prediking van Zijn Evangelie doet hooren en Zijnen Heiligen Geest zendt, richt Hij, Die in den hemel is, voor en na op aarde weder op al wat God van Zijne Kerk en hare toekomst in het profetische woord gesproken heeft.
Maar inzonderheid is het de Brief van Paulus aan de He-
23
LEERREDE OVER: OPGEVAREN TEN HEMEL.
breën, welke ons uitlegt, waartoe Christus ten hemel gevaren is.
Hoofdstuk 4 vs. 14 leert ons de Apostel, dat wij eenen grooten Hoogepriester hebben, Die niet in een zichtbaar heiligdom is ingegaan, maar door de hemelen doorgegaan is. Hij is alzoo in den hemel als onze Hoogepriester. „Jesusquot; is Zijn Naam, zoo maakt Hij dus in den hemel Zijn volk zalig van hunne zonden; dat doet Hij met Zijn bloed, met Zijne gerechtigheid, met Zjjn gebed; Hij doet het als de Zoon van God, heeft alzoo de macht en kracht daartoe, is sterker dan alle kreaturen, en heeft al de gunst en genegenheid des Vaders, om daarmede te bedekken allen, die Hem van den Vader gegeven zijn. En toen Hij hierbeneden was, is Hij in alles verzocht geweest, gelijk als wij. Hij kan en zal medelijden hebben met onze zwakheid; zoo mogen en moeten wij ons geheel en gerust aan Hem toevertrouwen; Hij kent ons door en door, kent onzen nood; want geen schepsel is onzichtbaar voor Hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor Zijne oogen, — dus weet Hij alles, en Hij zal ons nu als onze trouwe Borg wel verzorgen.
Hoofdstuk 7 vs. 26 zegt Paulus: „Hij is hooger dan de hemelen gewordenquot;. Nu mogen alle hemelen instorten, zij mogen alle tegen ons zijn en ons nitstooten; alles, wat hoog zit, al ware het een engel uit den hemel, moge ons verdoemen, — wanneer wij ons maar aan dezen Hoogepriester vasthouden, dan hebben wij geen gevaar te vreezen. Hij heeft meer maelit dan al de hemelen, en de hemelen zijn afhankelijk van Hem, en niet Hij van de hemelen. Alles is Hem onderdanig, tronen, heerschappijen, hoogte, diepte, — niets kan ons scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jesus.
Hoofdstuk 6 vs. 20 zegt de Apostel, dat Jesus een Hoogepriester geworden is in der eeuwigheid naar de ordening van Melchize-dek, en dat Hij als zoodanig als onze Voorlooper voor ons is ingegaan in den hemel. Dit zegt hij, opdat wij voor onze zielen de toevlucht in den hemel zeiven nemen, om de voorgestelde hoop vast te houden. quot;Want hier juist geldt het woord;
24
LEERREDE OVER: OPGEVAREN TEN HEMEL.
„Wie is het, die verdoemt? Christus is hier; — Die ook ter Rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidtquot;.
Er ging Een voor ons den hemel iu, en is nu Zelf de Weg, door welken wij binnenkomen; en in de zaak onzer rechtvaar-digmaking is [Jij onze Voorspraak met Zijne voorbede bij dea V^ader, Hij wijst op Zijn offer, houdt dit den Vader voor, vordert, wat Hij verworven heeft, en is altijd Priester op den troon. Zoo hebben wij dan goede, gegronde hoop, dat onze zaak in den hemel voorgestaan en goed behartigd wordt, — en deze hoop is ons een anker der ziel, dat wij door het voorhangsel des vleesches heen in den hemel der vrije genade werpen.
In Hoofdstuk 8 zegt de Apostel, dat Christus onze Priester niet zijn zou, indien Hij op aarde ware; bijgevolg moet Hij in den hemel wezen, want Hij treedt aldaar op met een offer, dat eeuwig geldt, dat niet is naar eene vergankelijke wet, maar naar den eeuwigen wil Gods. In den hemel is onze zaligheid alsnu eene afgedane zaak, nadat zij eerst voor ons op aarde verworven werd.
Vergelijken wij verder Hebr. 9 vs. 14, 34; Ef. 2 vs. 6.
Dezelfde Apostel Paulus zegt ook in den Brief aan de Co-lossensen (Hoofdst. 3), dat Christus nu b o v e n is, zittende ter Rechterhand Gods; en Johannes schrjift, dat, indien iemand gezondigd heeft, wij Jesus Christus, den Rechtvaardige, hebben tot eenen Voorspraak bij den Vader.
Op grond van zulke uitspraken leeren en belijden wij dan ook evenals de kleine kinderen volgens onzen Heidelbergschen Catechismus, Vr. 46; „Dat Christus, voor de oogen Zijner discipelen, van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt, om te oordeelen de levenden en de doodenquot;. Wij leeren en belijden, „dat Christus naar Zijne menschelijke natuur niet meer op de aarde is, maar dat Hij naar Zijne Godheid, Majesteit, genade en Geest nimmermeer van ons wijktquot;. De nuttigheid, die wij van de hemelvaart van Christus hebben, beschrijven wij met den
25
LEERREDK OVER; OPGEVAREN TEN HEMEL.
Catechismua op de navolgende wijze: „Ten eerste is Hij in den hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker; ten andere hebben wij ons vleesch in den hemel tot een zeker pand, dat Hij, als het Huofd, ons, Zijne lidmaten, ook tot Zich zal nemen; ten derde zendt Hij ons Zijnen Geest tot een tegenpand, door Wiens kracht wij zoeken, wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter Rechterhand Godsquot;.
Dat Cliristus voor de oogen Zijner discipelen ten hemel is gevaren, staat daar tot troost van de arme ziel, als zij van den duivel daarover wordt aangevochten, of het werkelijk waar is, dat Cliristus in den hemel werd opgenomen.
Dat Hij ons ten goede daar is, dient tot liefelijken troost voor de bekommerde ziel, als zij schreeuwt: ,0 Heere! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borgquot;. En als het haar zoo gaat voor den Rechtei stoel, gelijk het naar .Zach. 3 Josua ging, dan weet zij en ervaart zij het ook, — of zal het ervaren, als zij om genade aanhoudt, — wat Christus, als Engel des Heeren, d. i. als van den Vader gezonden Borg des Verbonds., voor haar doet en doen zal.
Dat Hij echter alzoo zal wederkomen. Hij, Jesus, gelijk de discipelen Hem zagen opvaren, waarborgt ons, dat wij den waren Jesus aanbidden en den waren Jesus ontvangen, zoo wij aan dien Jesus gelooven. Welken de profetische en apostolische Schrift en leer ons voorhouden. Wij mogen Hem dus van den hemel verwachten met de wonden in Zijne handen en in Zijne zijde, in welke wij thans dagelijks genezing hebben en in welke wij Hem zien en ontvangen in Zijne schoonheid en in Zijne liefde tot ons kranken en verlorenen.
Ook is het voor degenen, die om den Naam en het getuigenis Christi en om Zijne gerechtigheid worden aangevochten, een heerlijke troost, dat Hij alzoo zal wederkomen, om te oordeelen de levenden en de dooden; want zij blijven Hem met blijmoedigheid verwachten. Alsdan zal Hij hunne ziel en hun lichaam van alles verlost hebben, en zij gedenken aan het woord, dat de Heere gesproken heeft: „In het huis Mijns
26
LEERBEDE OVER: OPGEVAREN TEN HEMEL.
Vaders zijn vele woningen; Ik ga heen, om u plaats te bereiden, en dan kom Ik weder on zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik benquot;.
Gij daarentegen, die nog onbekeerd voortleeft en in uwe goddeloosheid volhardt, gij hebt alle reden om voor deze waarheid te schrikken, want als Hij komt, dan gaat ook in vervulling het woord: „Zij zullen zien, in Welken zij gestoken hebbenquot;, — en Hij zal Zijne vijanden en de vijanden Zijner bruid in de eeuwige verdoemenis werpen.
Voor Zijne bruid is het echter goed, dat Hij niet meer zichtbaar, niet meer naar het lichaam hier op aarde is; want alsdan zou zij den Trooster niet van den Vader ontvangen, en van de Godheid, Majesteit en genade haars Bruidegoms zou zij niets gewaar worden. Maar nu is zij daardoor menigmaal zoo zalig, zoo zalig, dat zjj steeds meer en meer vervuld wordt van het verlangen, om ontbonden en van het lichaam dezes doods verlost te zijn en bij den Heere in te wonen. En zij draagt met fieren ootmoed het sieraad, haar geschonken, de onverbrekelijke gouden keten des heils: „Die Hij te voren gekend heeft, — — dezen heeft Hij ook verheerlijktquot;. (Hom. 8 vs. 29, 30.)
De Zoon is als oudste broeder heena-egaan en heeft de erfe-nis in bezit genomen, opdat wij allen, die om Zijnentwil uit genade tot kinderen zijn aangenomen, als erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus, in het volle bezit der erfenis komen, als het onze tijd is, dut wij ontslapen. Deze erfenis is alzoo zeker. Hij bewaart haar voor ons, gelijk Paulus gezegd heeft: „Ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dagquot; (2 Tim. 1 vs. 12), d. w. z. het deel, dat bij Hem weggelegd is, zal Hij mij geven.
Overigens is Christus nu veel heerlijker en sterker bij ons en in ons, dan wanneer Hij nog op aarde ware; want met Zijne Godheid houdt Hij het door Hem gebrachte losgeld in oneindige waardij bij den Vader. Met Zijne Majesteit
27
LEERKEDE OVEK.\' OPGEVAREN TEN HEMEL.
vervult Hij de ziel, dat zij blijmoedig de zonde en de wereld verachten, haten en versmaden kan, en beschermt Hij haar tegen hare vijanden. Met Zijne genade troost Hij haar, zoodat deze haar genoegzaam is in hare zwakheid, gelijk geschreven staat: „De genade van onzen Heere Jesus Christus zij met u allen!quot; En met Zijnen Geest vergadert Hij haar, gelijk een herder zijne schapen, en troost haar, als zij bidt: „Neem Uwen Heiligen Geest niet van mijquot;\'; — terwijl Hij antwoordt: „Hij zal van uwen mond niet wijken, noch van den mond uws zaads, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toequot;. (Jes. 59: 21.)
Dat nu komt eenen iegelijk, die toegedaan wordt tot de Gemeente, die zalig wordt, den een voor, den ander na, ten goede, dat de Zoon aldus tot den Vader spreekt: „Laat hem in het verderf niet nederdalen, Ik heb verzoening voor hem gevondenquot;. quot;Want aan dit gebed hebben wij het te danken, dat de last der zonde den heilbegeerige van den schouder wordt genomen, en dat de beenderen genezen en beginnen te groenen bij alle treurigen te Zion, bij allen, wier beenderen God verbrijzeld heeft.
Dat wij voorts „ons vleesch in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons. Zijne lidmaten, ook tot Zich zal nemenquot;, — dit is zoo te verstaan, dat het vleesch van Christus in den hemel is, en dat wij leden van Zijn lichaam, van Zijn vleesch en van Zijne beenen zijn. Zoo is dan ons vleesch, niettegenstaande het zondig en aan den dood onderworpen is en van de wormen in het graf wordt verteerd, reeds in den hemel in Hem, niet als zondig vleesch, maar heilig en rein voor Hem volgens de genadige toerekening Zijner genoegdoening, en de toerekening en schenking Zijner gerechtigheid en heiligheid Want aldaar is Eén voor allen en allen in Eénen, en deze Eéue zal Zijn gebed volkomen verhoord vinden, niet alleen wat den Geest, maar ook wat het vleesch, d. i. wat de menschelijke natuur, alzoo ons lichaam
28
LEERREDE OVER: OPGEVAREN TEN HEMEL.
aangaat, — dit gebed: „Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt.quot; Maar nu zal Hij ook daarvoor zorgen, dat dit ons vernederd lichaam verheerlijkt worde, opdat het gelijkvormig zij aan Zijn heerlijk lichaam. Tot een pand dus daarvoor, dat wij onzen Verlosser uit dit stof met deze onze oogen zien zullen, hebben wij Zijn vleesch in den hemel; dat laat zich van ons vleesch niet scheiden.
Eindelijk, „dat Hij ons Zijnen Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken, wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter Rechterhand Gods, en niet wat op de aarde isquot;, — toont aan, dat Hij ten hemel gevaren is, om ons, die hierbeneden midden in den dood liggen en des doods zijn, daarenboven aan allerlei verzoeking, inwendig en uitwendig, zijn blootgesteld, van uit Zijnen hemel door Zijne heerlijkheid, d. i. door Zijnen Geest, levend en heilig te maken, ons van de wereld en van alle onreinheid af te zonderen, — en dat Hij steeds er op uit is, ons daarvan te verzekeren, dat wij, verlost van al het booze, Hem eenmaal werkelijk zullen gelijk zijn, daar wij Hom zien zullen, gelijk Hij is.
Daarbij is het zeer liefelijk en troostelijk, de woorden „pand en tegenpandquot; van onzen Catechismus te overwegen. In de liefde kent men pand en tegenpand. De Heere neemt van ons tot pand in den hemel mede ons vleesch, want dat heeft Hij immers Zelf aangenomen, en daarmede voer Hij ten hemel; zoo verschaft Hij Zichzelven daardoor de zekerheid, dat Hij ons, die Hem van den Vader gegeven zijn, ook bij Zich zal krijgen. Zoo neemt Hij tot pand, dat wjj hebben en wat wij zijn, d. i. „vleesch;\'\' daarentegen geeft Hij ons, wat Hij heeft, d. i. „Zijnen Geestquot;, en verzekert ons daardoor hierbeneden, dat wij de Zijnen zijn, terwijl Zijn Geest met onzen geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. Hij verzekert Zichzelven en ons door dezen Geest, dat Hij het werk, dat Hij in ons begonnen heeft, ook zal volvoeren en voleindigen tot
29
LEERREDE OYER: OPGEVAREN TEN HEMEL.
op Zijnen dag, en ons door alles heen brengen en over alles heen dragen zal in de eeuwige heerlijkheid, ons, die in ons-zelven niets dan „vleeschquot; zijn, en alleen „Geestquot; zijn door deze ruiling der liefdepanden, welke over-en-weêr-ruil alleen van Hem is uitgegaan en door Hem verricht.
Gij hebt. Mijne Geliefden, in korte trekken vernomen, welke de troost is, dien wij er van hebben, dat onze Heere ten hemel gevaren is. Geve Zijne genade u bij aanvang of voortgang een waarachtig verlangen naar Hem, naar Zijne toekomst en de openbaring Zijner heerlijkheid. Laat ons echter wel ter harte nemen, dat de twee engelen, die als getuigen des hemels bij de Apostelen stonden, tot hen gezegd hebben : „Wat staat gij en ziet op naar den hemel?quot; Want opdat wij een goed vertrouwen op Hem hebben tegen den tijd Zijner wederkomst, als ook een hartelijk verlangen naar Hem, moeten wij indachtig blijven en ons daaronder buigen, dat wij vleesca zijn, en voorts in het voor ons geopende heilige der heiligen ingaan, aldaar op de Ark des verbonds zien, en dankbaar erkennen, hoe Hij, onze groote God en Zaligmaker, in het vleesch geopenbaard werd, hoe Hij alzoo ons vleesch en bloed volkomen deelachtig is geweest, hoe Hij daarin zonder zonde de volkomene gehoorzaamheid heeft aangebracht, ons in Zich volmaakt heeft en daarna met ons vleesch ten hemel is gevaren. Zóó, met ons vleesch, en niet als Geest, komt Hij eenmaal weder, om ons, die Hem met vertrouwen des harten aankleven, tot Zich te nemen. Hij brengt ons vleesch mede, zoo als Hij het in Zich gerechtvaardigd en geheiligd heeft en heiligt; Hij brengt geene zonde mede, zonde zal Hij ook bij de Zijnen niet zoeken, maar hen vóór Zich roepen als de gezagenden Zijns Vaders, opdat zij beërven wat hun bereid is van de grondlegging der wereld.
Onze lieve Heere en Heiland is tot den Vader gegaan, gelijk Hij gezegd heeft, opdat ook wij, die de toevlucht tot Hem genomen hebben, door Hem tot den Vader gaan, en van ons bij ons ontslapen naar waarheid kan gezegd worden: „Hij is
30
LEERREDE OVER: OPGEVAREN TEN HEMEL. 31
tot den Vader gegaanquot;. Onze Heere is niet meer in de wereld; heffen wij dus onze harten hemelwaarts, opdat het van ons waar zij, wat de Apostel betuigt: „Onze handel en wandel is in den hemel; wij zijn hemelburgersquot;.
De Heere geve u een diep gevoeld heimwee naar het lieve vaderland, waar de bergen der spucerijeu zijn, en waar wij eten van den boom des levens en drinken uit den kristallijnen stroom, voortkomende uit den troon Gods en des Lams. Daarboven in den hemel is Jesus! en geene zonde, geen dood, geene tranen meer zijn daarboven. In den hemel is Jesus, boven in den derden hemel, in liet Paradijs, met allen die het moordenaarsgeloof bewaard hebben. Onze geliefden, die in den Heere zijn ontslapen, zijn daar om Hem heen, zingen en spelen, juichen en zijn vroolijk in Zijne tegenwoordigheid, slaan de harpen aan en wachten op ons, die nog voleindigd moeten worden. Maran-Atha! Indien iemand den Heere Jesus niet liefheeft, die zij eene vervloeking! Maran-Atha! De hoofden omhoog, gij, die door duivel, quot;Wet en wereld veroordeeld zijt, en naar den hemel ziet, of de regen voor u niet haast zal nederdalen. De Heere, Die, terwijl Hij Zijne discipelen zegende, in heerlijkheid werd opgenomen, hebbe u gezegend met eenen genaJigen regen, met een Pinksterfeest, waarop gij juicht en gedruisch maakt en vol wordt als het bekken aan het altaar! (Zach. 9 vs. 15.) Laat ons Zijne smaadheid dragen, volharden wij bij Zijnen Naam, volharden wij, terwijl wij ons in het vleesch bevinden, volharden wij bij het geloof: God opgenomen in heerlijkheid; en — waar bleef deze, waar gene broeder, — deze, gene zuster, die niet meer in ons midden gevondeu wordt en in den Heere ontsliep ?... O, houdt vast aan genade, aan gerechtigheid, en het antwoord zal ook voor mij, ook voor u zijn: Hij, zjj — werd opgenomen in heerlijkheid! Amen.
leerrede over: opgevaren ten hemel.
Nazang; Psalm 45 vs. 7.
Straks leidt men haar in staatsie, uit haar woning, In kleeding, rijk gestikt, tot haren Koning; Zoo treedt zij voort met al den maagdenstoet. Die haar verzelt, ü vroolijk te gemoet.
Zij zullen blij, geleid met lofgezangen,
De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen, Tot zij, daar elk gewaagt van haren lof. Ter bruiloft treên in \'t Koninklijke hof.
XV.
LEERREDE
OVER
HET GEI.OOFSAKTIKEL :
„ZITTENDE TER RECHTERHAND GODS, ALMA.CHTIGEN VADERSquot;.
Voorzang: Psalm 21 vs. 1—3.
O Heer\'I de Koning is verheugd Om üw geducht vermogen;
Uw heil zweeft Hem voord\' oogen:
En met wat blijde zielevreugd Zal Hij, door al Uw daan Verrukt, ten reie gaan!
Wat Hij U smeekt\' uit \'s harten grond, En al Z^jn rein verlangen Hebt Gij Hem doen ontvangen;
Ook hebt Gy d\' uitspraak van Zijn\' mond, Al wat Hij heeft begeerd,
Geweigerd noch geweerd.
Gij, Die Hem gunstig Lebt gered,
Zijt Hem met volle stroomen Van zegen voorgekomen;
Ook hebt Gij Hem op \'t hoofd gezet, Hem, Die op U betrouwt,
Een kroon van \'t fijnste goud.
Gehouden 28. Mei 18Ó4.
LEERREDE OVER HET GELOOFSARTIKEL:
Mijne Geliefden! Toen Christus in den hemel werd opgenomen, werd Hij niet alleen zóó opgenomen, gelijk allen, die in deu Heere ontslapen, opgenomen worden, maar aan Hem zieu wij dit bijzondere, dat Hg, na de reinigmaking onzer zouden door Zichzelven teweeggebracht te hebben, opvoer als Heer over zonde en dood. Toen de waarachtige God, in het vleesch geopenbaard, opgenomen werd in heerlijkheid, werd voor hemel, aarde en hel plechtig het getuigenis afgelegd, dat Hij de eeuwige gerechtigheid had aangebracht. Het getuigenis is afgelegd, dat de gevolgen van Adams majesteitsschennis zijn opgeheven, en dat de Zoon Gods in Zijn vleesch, in Zijne diepste vernedering en Zijnen smaad om onzentwil, gezegepraald heeft over de zonde en over al Zijne en onze vijanden, en dat wij thans, voor zooveel wij Hem door een oprecht geloof zijn ingelijfd, in Hem waarlijk van alle zonden verlost en van alle misdaden gerechtvaardigd zijn.
In onzeu naam, d. i. voor ons, in onze plaats, heeft H:j onzen hoogmoed in het paradijs, waar wij Gode gelijk en als God wilden zijn, in Zijne vrijwillige vernedering geboet, en is Hij onschuldig, in onze plaats, als schuldig ter dood veroordeeld geworden, omdat Hij beleden heeft: Ik ben Gods Zoon. Dat Hij nu onschuldig, als Borg, vreemde schuld op Zich genomen, gedragen en verzoend heefr, moest openbaar worden, eu Hij moest het volk Zijns erfdeels Gode wederbrengen, voor dit volk eeuwige eer verwerven en het erfdeel innemen, dat Hem als loon voor den arbeid Zijner ziel van den Yader toegezegd was. Hij had in het vleesch den wil des Vaders gedaan, het verlorene had Hij verlost, en om het in Zich den Vader weder te brengen en bij de verkiegene verlossing in Zich te houden en te.bewaren, werd Hij opgenomen in heerlijkheid.
Het doel, het hoogste en voornaamste doel. het einddoel Zijner hemelvaart was, dat Hij Zich zette ter Rechterhand Gods, des almachtigeu Vaders.
Welke beteekenis dit voor de Gemeente heeft, willen wij n dit uur tot onze vertroosting en leering overwegen.
34
ZITTENDE TER EECHTEKHAND GODS.
De profetische en apostolische Schrifteu getuigen van dit zitten ter Rechterhand Gods bijna op elk blad.
Ik wijs vóór alles, wat de profetische Schrift aangaat, op den 11Ü\',lt;-quot; Psalm. Daarin ligt de goudader der vertroosting, welke in de apostolische getuigenissen zoo overvloedig is.
Markus zegt (Hootdst. 16): „De Heere is opgenomen in den hemel; en is gezeten aan de Rechterhand Godsquot;.
Petrus betuigt voor den grooten raad: „God heeft Dezen (nml, Jesus) door Zijne Rechterhaud verhoogd tot eeuen Yorst en Zaligmaker, om Israel te geven bekeering en vergeving der zondenquot;. (Hand. 5 vs. 31.)
En op den Pinksterdag sprak dezelfde Apostel voor de gausche menigte, die hem hoorde: „Hij (Jesus) dan, door de Rechterband Gods verhoogd zijnde, en de beloften des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoortquot;, (Hand. 2 vs. 33.)
De Apostel Paulus schrijft aan de Romeinen (Hoofdst. 8): „Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja wat meer is. Die ook opgewekt is, Die ook ter Rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidtquot;.
En aan die van Corinthe (1 Cor. 15 vs. 25); „Hij moet als Koning heerschen, totdat Hij al de vijanden onder Zijne voeten zal gelegd hebbenquot;.
Aan die vanEfeze (Hoofdst. 1) schrijft hij daarvan aldus: „Hij heeft Hem gezet tot Zijne Rechterhand; verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende; en heeft alle dingen Zijnen voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingenquot;.
En aan de Filippensen (Hoofdst. 2 vs. 9): „Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem eenen Naam gegeven, welke boven allen naam is; opdat in den Naam van Jesus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, (d. i. op de
35
LEERREDE OVER HET GELOOFSARTIKEL
zee en de eilanden der zee) en alle tong zou belijden, dat Jesus Christus de Heere zij; tot heerlijkheid Gods, des Vadersquot;.
Zoo ook aan de Colossensen (Hoofdst. 2 vs 10, 15): „En gij zijt in Hetn volmaakt. Die het Hoofd is van alle overheid en macht\'\'; — „Hij heeft uitgetogen de overheden en de machten, en Hij heeft die in het openbaar ten toon gesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerdquot;.
En Hoofdstuk 3 : „Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de Rechterhand Godsquot;.
En Petrus betuigt in den eersten Brief (Hoofdst. 3 vs. 22) aldus: „Jesus Christus is aan de Rechterhand Gods opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijndequot;.
Johannes schrijft: „AVij hebben eenen Voorspraak bij den Vader, Jesus Ciiristus, den Rechtvaardigequot;. (1 Joh. 2 vs. 1.)
En in den Brief van Paulus aan de Hebreën lezen wij: (Hoofdst. 1 vs. 3); „Hij is gezeten aan de Rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelenquot;.
Vs. 13: „Tot welken der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijne Rechterband, totdat Ik uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer voeten ?quot;
Hoofdstuk 2 vs. 5: „God heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij sprekenquot;, d. w. z. de huishouding der genade heeft Hij Zijnen Zoon onderworpen.
Hoofdstuk 3 vs. 2: „Hij is getrouw Dengene, die Hem gesteld heeft, in geheel Zijn huisquot;.
Vs. 6 : „Christus is Zoon over Zijn eigen huis. Wiens huis wij zijnquot;.
Hoofdstuk 4 vs. 14: „AVij hebben oenen grooten Hoogepriesterquot; (op den troon der genade).
Hoofdstuk 7 vs. 24—26 : „Hij heeft een onvergankelijk priesterschap, waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzoo Hij altijd leeft, om voor hen te biddenquot;. — „Hij is hooger dan de hemelen geworden.quot;
36
ZITTENDE TER RECHTERHAND GODS.
Vs. 28: „Het woord der eedzwering stelt den Zoon, Die in der eeuwigheid geheiligd isquot;.
Hoofdstuk 8 vs. 1,2: „Wij hebben zoodanigen Hoogepriester, Die gezeten is aan de Rechterhand van den troon der Majesteit in de hemelen, een Bedienaar des heiligdoms, en des waren tabernakels, welken de Heere heeft opgericht, en geen menschquot;.
Hoofdstuk 10 vs. 12: „Maar Deze, een slachtoffer voor do zonde geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan do Rechterhand Godsquot;.
Op grond van al deze getuigenissen der Heilige Schrift vragen wij met onzen Heidelbergschen Catechismus (Vr. 50): „Waarom wordt daarbij gezet: zittende ter Rechterhand Gods?quot;\' eu antwoorden : „Dat Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij Zichzelven daar bewijze als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk, door hetwelk (d. i. door welk Hoofd) de Vader alle dingen regeertquot;.
Wij vragen verder (Vr. 51): „Wat nuttigheid brengt ons nu deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?quot; en antwoorden wederom: „Eerstehjk, dat Hij door Zijnen Heiligen Geest in ons. Zijne lidmaten, de hemelsche gaven uitgiet; daarna, dat Hij ons met Zijne macht tegen alle vijanden beschut en bewaartquot;.
Christus bewijst Zich als het Hoofd Zijner Christelijke Kerk. Dat doet Hij niet naar Zijne Godheid op zichzelve gedacht, ook niet naar Zijne menschheid op zichzelve gedacht, maalais Christus, als het vleesch-gewordene en met dit vleesch in heerlijkheid opgenomene Woord, derhalve als onze verhoogde Middelaar, Borg en Uitvoerder des Nieuwen Verbonds. Dat doet Hij als Hoogepriester en als Koning, niet meer in zwakheid, maar in Zijne hemelsche Majesteit, in Zijne heerlijkheid en in de heerlijkheid des Vaders
Daar God een Geest is, zoo moeten wij het zitten ter Rechterhand Gods naar Geest verstaan, zoodat het wil zeggen, dat Hij gelijke eer als Middelaar met den Vader heeft, en dat de Vader alles door Hem regeert.
Overwegen wij eerst, hoe Christus Zich als Hoogepriester,
37
I,EERREDE OVER HET GELOOFSARTIKEL:
en dan, hoe Hij Zich als Koning als het Hoofd Zijner Kerk bewijst.
Mijne Geliefden! In den hemel is Christus niet dood of werkeloos, maar Hij leeft Gode eeuwiglijk. Hij is elk oogen-blik zonder ophouden bezig, voor Zijne Gemeente bij den Yader tussclienbeide te komen voor alle mogelijke omstandigheden, waarin zich Zijne Gemeente bevindt, en voor alle denkbare toestanden, waarin Zijne Gemeente verkeert.
Het ambt eens priesters is; voor de zonden des volks te offeren, voor het volk te bidden en zich in de bres te stellen, en het volk te zegenen met den Naam, met de genade en den zegen Gods.
Christus is bij den Vader, Hij zit met den Vader in Zijnen troon, de Vader ziet op Hem en hoort Hem, en het is door de voorbede van Christus, dat Zijn éénmaal aangebracht offer voortdurend met oneindige waarde en kracht werkt, en Zijn éénmaal vergoten bloed voor de Zijnen spreekt, opdat bij aanvang en voortgang, dag en nacht, het gansche leven door, bij God geen toorn of grimmigheid aanwezig zij, maar verzoening voor alle zonden en rechtvaardigmakins: van alle misdaden. In
O O
Christus is de vaste, levende, nooit moede of zwak wordende, onveranderlijke wil, om allen, die de Vader Hem gegeven heeft, zalig te maken van hunne zonden, en daarvoor te zorgen, dat hun Zijne genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid voortdurend toegerekend en geschonken worde. Hij weet echter, dat deze wil ook de wil des Vaders is, en dat de Vader dezen ijver Zijner liefde tot allen, die in zichzelven verloren zijn, goedkeurt, en het [Jem met eenen eed gezworen heeft, dat Hij aan Zijne voorspraak en Zijnen eisch (Ps. 2 vs. 8) gevolg-zal geven. Daarom zegt Christus: „Vader! Ik wil, dat waar Ik, ben, ook die bij Mij zijn, welke Gij Mij gegeven hebtquot;. Zoo verschijnt Hij elk oogenblik voor den Vader voor ons, en düdrdoor, dat Hij den Vader Zijn offer voorhoudt, brengt Hij teweeg, dat het woord des Vaders als een zoutverbond bevestigd blijft aan Zijn volk, uit kracht van hét éénmaal vol-
38
ZITTENDE TER RECHTERHAND GODS.
braclite en eeuwig geldende offer; — dat woord, hetwelk ons, in onze verlorenheid, van het Bijbelblad in het harte wordt gesproken: „Ik heb gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, nocli u schelden zal; want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal niet van u wijken, en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermerquot;; en het andere woord: „Zij zuilen Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe. Want Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenkenquot;; en het derde: „Indien deze oideningen (als die der zon, maan, sterren en der zee, die Hem moeten gehoorzamen,) van voor Mijn aangezicht zullen wijken, zoo zal ook het zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen. Zoo zegt de Heere: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zoo zal Ik ook het gansche zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de Heerequot;. (Jes. 54; Jer. 31.)
Alzoo betuigt de Apostel Paulus: „Christus blijft eeuwig als Hoogepriesteren: „Hij is in den hemel ingegaan, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor onsquot;. En de Apostel Johannes zegt: „Het bloed van Jesus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zondequot; Dezen Hoogepriester dus. Zijn offer. Zijn bloed, al hetgeen Hij gedaan en geleden heeft, ziet de Yader aan, en daarop ziende vergeeft Hij ons onze zonden, rekent ons deze niet toe, maar rekent ons toe de volkomene genoegdoening Christi, gelijk geschreven staat: „Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maaktquot;. Daarom moogt gij, kinderen Gods, uwe eeuwige, gedurige verzoening met God, uwe verzoening voor eiken dag en elk uur voor zeker en gewis houden, eu moet gij daaraan niet twijfelen, daar gij vernomen hebt, dat onze dierbare Heere Zijn ambt, dat de verzoening aangebracht heeft, zonder ophouden bij den Vader waarneemt, — en wel overeenkomstig het volkomen welbehagen
39
LEERREDE OYER HET GELOOFSARTIKEL;
des Vaders, Die met eenen eed gezworen heeft, dat Hij Zijnen Zoon heeft aangenomen, aanneemt en zal aannemen, zoo dikwijls Hij als Borg en Hoogepriester voor Zijn -volk opkomt. Daarom hebben wij alle reden, om aan dezen trouwen en onvermoeiden Voorspraak met een vertrouwen des harten over te geven en ons op Hem te verlaten, daar Hij Zich in zoodanig eene macht en heerlijkheid van des Vaders welbehagen bevindt. Wie is machtig in den hemel, op aarde en in de hel, om met goed gevolg op te komen tegen degenen, voor welke Christus nu tusschenbeide treedt? AVie heeft nog macht of bevoegdheid om aan te klagen en te verdoemen, nu wij eencn Pleitbezorger hebben, Die bewijst, dat Hij in den persoon des zondaars aan de Wet voldaan heeft, en Die niet dulden kan, dat ook maar de geringste beschuldiging, hetzij van den Satan, of van het geweten, of van de zonde, tegen de Zijnen blijve staan ? O welk een onbetwistbaar recht, welk een almachtig vermogen heeft Hij om, wanneer wTij voor Zijne voeten ternederliggen en met toorn en verdoemenis voor oogen om genade aanhouden. Zijnen boden het bevel te geven; „Zegt den onbedachtzamen van harte; Weest sterk en vreest niet!quot; en om uit kracht van Zijne hoogepriesterlijke macht en bevoegdheid Zelf tot het bekommerde hart te spreken; „Ik, Ik delg uwe overtredingen uit, om Mijnentwil, en gedenk uwer zonden niet. Gijlieden zijt dm niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden!quot;
Als Hoogepriester houdt Hij alzoo Zijnen Vader Zijn offer voor en bidt voor Zijn volk. En dat Hij nu bidt voor ons, die ondanks de beschuldiging van duivel, zonde en Wet aan Hem blijven hangen, — welk een vaste en onwrikbare grond is ons dat, om in allen nood des lichaams en der ziel, en voor al onze behoeften in Zijnen Naam toe te gaan tot den troon der genade, en zonder ophouden van den Vader onzes Heeren Jcsu Christi al de goede gaven af te smeeken, die Hij in Christus Jesus en om Zijns Zoons wil aan Zijn volk genadiglijk beloofd heeft te zullen geven.
40
ZITTENDE TER RECHTERHAND GODS.
Waarlijk, Hij heeft liet niet slechts éénmaal gezegd, en Hjj zal het millioenen malen honden, wat Hij, de trouwe Hoogepriester, gesproken heeft: „Indien gij in Mij blijft, en Mijne woorden in u blijven, zoo wat gij wilt, zult gij begeeren, en het zal u geschiedenquot;. (Joh. 15 vs. 7, 16; — 14 vs. 13, 14; — 16 vs. 23.) Zoo het ons er dus om te doen is, dat wij vrucht dragen, zoo laat ons in den waren quot;Wijnstok blijven, laat ons vooral het niet gewonnen geven aan Satan, zonde en wereld, die ons liet vertrouwen op Zijne genade willen ontrooven, en ons trachten af te scheuren van den waren Wijnstok; laat ons Zijne woorden in onze harten bewaren, opdat wij geene hoorders worden, die vergeten, wat Hij zegt: „Efraïm! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb Hem verhoord, en zal op Hem zien, Ilc zal Hem zijn als een groenende denneboom, uwe vrucht is uit Mij gevondenquot;. (Hos. 14 vs. 9.)
Ja, ofschoon de troost voor onze oogen verborgen is, zoo zal het toch komen, wat Hij gezegd heeft: „Ik zal hen van het geweld der hel verlossen. Ik zal hen vrijmaken van den dood: o dood! waar zijn uwe pestilentiën ? Hel, waar is uw verderf?quot; O, ofschoon het tegendeel gezien wordt, en het ons bij aanvang of voortgang is, gelijk het Maria Magdalena was, voordat de Hecre zeven duivelen uit haar uitwierp; of zooals het haar was, toen zij zoo hartbrekend weende en in vertwijfeling uitriep : „Zij hebben mijnen Heere weggenomen, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben!quot; — o, ofschoon wij terneergebogen onzen weg gaan, en in het gevoel onzer zonden geenen troost meer kunnen aannemen, en opzuchten: „Ach Heere! wanneer komt Uw vrede?quot; en wij uitroepen: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?\' zoo hebben wij toch Zijn woord: „Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijnen Naam; bidt, en gij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap vervuld zijquot;. (Joh. 16 vs. 24.) En zoo moeten al degenen, die verbroken van hart zijn en voor Gods Woord wegzinken, het vernemen en weten, en ik ver-
41
LEERREDE OVER HF.T GELOOFSARTIKEL:
kondig het hun, dat dit hoogepriesterlijk gebed alsnu in macht en heerlijkbeid ter Rechterhand des Vaders door onzen Heere Jesus gebeden wordt: „Ik bid voor hen, — voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uwe. En al het Mijne is Uwe, en het Uwe is Mijne; en Ik ben in hen verheerlijkt.— Heilige Yader! bewaar hen in Uwen Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wijquot;. \')
O, hoe zeker kunnen wij er van zijn, dat de Vader Zijne voorbede aanneemt, en om deze hoogepriesterlijke, trouwe voorbede ons gebed, ofschoon wij het onwaardig zijn, toch zekerlijk verhooren zal, en ons geene bede, die ter eere Zijns heiligen Naams gescliiedt, en opdat Zijn heilige wil door ons op aarde gedaan worde, weigeren noch afslaan zal O, hoe waar is hel op dezen grond, dat het gebed van alle armen en ellendigen, als zij behoefte aan troost en verlossing hebben,-veel zekerder van God verhoord wordt, dan zij in hun hart gevoelen, dat zij zulks van Hem hegeeren. —
42
De voorbede des Heeren kan niet anders, dan allerlei genade, uit de volheid Gocls, bij Zijn volk uitwerken, zoodat zij den Geest der genade en des gebeds ontvangen. Daarom hebt gij, vnjgemaakten Gods, gij kinderen des Allerhoogsten, geene reden om u vanwege uwe zonden te laten terughouden, noch om u schrik te laten aanjagen door zichtbare machten, die Gods eer, woord en waarheid, trouwe hulp en bijzondere genade bij u in verdenking willen brengen, en u te dien einde met allerlei dreigingen, met allerlei voorstellingen van gevaar of van de onmogelijkheid der verlossing op het lijf vallen. quot;Want al zou het ook den schijn li ebben, alsof God Zijn aangezicht verborg, als wilde Hij uwer niet, als had [lij vergeten genadig te zijn de trouwe Hoogepriester is er toch en leeft ter Rechterhand Gods, des almachtigen Vaders; Hij zal te Zijner tijd en ure wel komen en ook bewijzen, dat gij in Zijne beide handpalmen gegraveerd zijt. Hij moet
1) Joh. 17.
ZITTENDE TER RECHTERHAND GODS.
Zijn gebed verhoord hebben, opdat ook wij hebben wat wij gebeden hebben en vervuld worden van de goederen van Zijn huis, waarvan Hij de Zoon en Verzorger is. Eu terwijl Hij Zijn volk geeft aan te houden om waarachtige heiliging in het binnenste en ecnen eerlijken wandel, brengt Hij het door Zijne voorbede ook bij hen teweeg, dat zij als een vrijwillig volk in hunne gebeden, smeekingen en worstelingen met een waarachtig harte zich aan Hem toevertrouwen voor lichaam en ziel, voor tjjd en eeuwigheid, en zichzelven, met alles wat zij zijn en bobben, Hem iot een levend dankoffer stellen; en dat zij, al is het, dat zij nood en dood, duivel en wereld, zonde en onmogelijkheid van uitredding voor oogen hebben, toch niet moede worden, totdat zij over eiken wederstand de in Hem geschon-kene overwinning, Hem ter eero, behaald en bevochten hebben.
Als Hoogepriester bidt Hij niet alleen voor de Zijnen, maar Hij zegent ons ook, — ja allen zegent Hij, zoowel kleinen als groot en, die de Vader Hem gegeven heeft. Hij zegent hen zoodanig, dat Hij door Zijnen Geest don Vadernaam in hun hart schrijft en hun leert, „Abba, lieve Vader!quot; te roepen, en Hij vervult hen, omkleedt he.n en omgordt hen met Zijnen Jesus-Xaam. Hij, Die de sterren met name telt. Hij heeft en houdt al de namen Zijner gemeente, hetzij klein of groot, in het gedenkboek Zijner eeuwige liefde. Hij weet van eiken naam, wat maaksel hij is, gedachtig zijnde, dat wij stot zijn. Moge ook Simei\' Zijne Davids vloeken; moge ook een koning Balak eeneu Bileam door voel goud verlokken om Zijn Israël door tooverspreuken en vervloeking in de ellende te storten; mogen ook Wet, zonde en duivel met allerlei vloek komen: — „Laat ze vloekenquot;, zegt Hij tot den Vader, „maar zegen Gij!quot; en Hij geeft aan Zijn volk ook dit gebed: „Laat ze vloeken, maar zegen O ij!quot; En daar treedt Hij op; de Hoogepriester, in de macht en Majesteit van Zijn van den Vader verkregen erfdeel, van allen rijkdom van zegeningen, met Zijne bruid aan Zijne Rechterhand, en: Jakob is
43
LEERREDE OVER HET GELOOFSARTIKEL :
gezegend, en gezegend zal hij blijven. En voor al degenen, die van liet zaad der Joden zijn, moeten de Harnans vallen, zij kunnen voor dit zaad niet bestaan. „Ik zal zegenen, die u zegenenquot;, zegt Hij tot Zijnen Abraham, „en Ik zal vervloeken, die u vloektquot;; en: „Wees een zegenquot;. Christus werd voor ons een vloek, en nam onze vervloeking van ons weg op Zich, en nu legt Hij op ons Zijnen zegen. Hij, de Bron van alle zegeningen. Het is dus een hoogepiiesterlijke zegen, welke zonde en schande bedekt en wegneemt, en aan Zijn volk verlossing en overvloedige vrucht en volheid schenkt. O troost in ons bitter lijden, daar Zijn zegen eiken nacht verdrijft en eenen dag van zeven zonnen over ons doet opgaan!
Hebben wij nu overwogen, hoe Christus, als het Hoofd Zijner Kerk, Zich als Hoogepriester betoont, zoo laat ons thans zien, hoe Hij als zoodanig Zich betoont als Koning.
Do Vader regeert alles door Hem. Zoo heeft dan de Vader aan Hem, als den verhoogden Middelaar, alle macht en kracht gegeven in hemel en op aarde; daarbij gaf de Vader Hem macht over allo vleesch, opdat Hij het eeuwige leven gave aan allen, die de Vader Hem gegeven heeft.
Dit nu is het eeuwige leven, daarin bestaat het, daarin leeft dit leven, dat allen, die de Vader Hem gegeven heeft, den Vader kennen als den eenigen waarachtigen God, en Jesus Christus, Dien Hij gezonden heeft.
Alzoo is het hier te doen om den waren godsdienst, om de ware aanbidding en vereering.
Daartoe behoort, dat wij vrijgemaakt zijn van het kwade geweten en van alle booze werken der afgoderij, en uitgerukt uit en bewaard worden voor de macht van het Beest, dat uit den afgrond is, voor alle verleiding van den Satan en den antichrist, ook daarvoor bewaard worden, dat waj onze knieën niet buigen voor den Baiil, noch het merkteeken van het Beest aan voorhoofd en hand ontvangen; dat wij niet mededrinken van den wijn van het groote Babyion, noch deel hebben aan zijne gruwelen, maar voor onzeu Bruidegom ber
44
ZITTENDE TER RECHTERHAND GODS.
waard blijven en lienquot; worden voorgesteld als eene reine maagd. Daartoe is Hij do Hoogepriester op den troon, en is als onze verhoogde Middelaar Koning, een Koning der gerechtigheid en een Koning des vredes.
In Zijn Koninkrijk moeten alle afgoden zich voor Hem buigen; alle engelen moeten Hem aanbidden, en aan Zijn volk, dat Hij Zich naar den wil en het eeuwig voornemen des Vaders uit al de Heidenen verzamelt, geeft Hij Zjjne wetten, geboden en rechten, en handhaaft deze bij Zijn volk, en bewaart Zijn volk daarbij met Zjjnen rechtmatigen schepter. Hij heeft de gerechtigheid lief, daarom neemt Hij in Zijn Eijk op allen, die niet dan schulden hebben en wier ziel bitterlijk bedroefd is, hoeren en tollenaars, die de bekeering van noode hebben, — allen, die „niet volkquot; eu die „niet ontfermdquot; zjjn. Want dat is Zijne gerechtigheid; „Er is niets aanwezig bij dit arme volk. Ik heb alles voor hen van den Vader ontvangen en verworven, zij zullen hebben wat het Mijne isquot;. En Hij leert dit volk Hem als den Zone Davids, Hem als hunnen Koning, God en Heiland aan te roepen en te aanbidden; en Hij leert hun allen door Zijnen Geest, Zijnen Vader als Vader aan te roepen, eu met den Zoon en in den Zoon Hem voor hunnen eenigeu waarachtigen God te houden.
Alzoo handhaaft Hij dus in de harten Zijns volks Zijne rijkswetten, opdat zij blijmoedig voor de geheelc wereld en tegenover de geestelijke machten der duisternis en van den antichrist belijden: „Deze is onze God, Die zal ons helpen. Deze is onze Koning en onze Wetgeverquot;; zoodat zij zich wachten voor alle valsche leer, voor allen wandel naar vleesch, voor allen, die met werken omgaan, en dat zij door Zijne macht inwendig gesterkt worden, om den goeden strijd te strijden en liet ware en alleen zaligmakende geloof te behouden.
Want dat is de wandel naar Geest, en dat zijn de zeden en is de gehoorzaamheid Zijner onderdanen, dat zij den Vader des Heeren Jcsu Christi voor hunnen waren en éénigen God en Vader houden, en, ofschoon zij niet zien, in het geloof de
45
LEERREDE OVER HET GELOOFSARTIKEL
wondeu en de heerlijkheid huns Konings beschouwende, Hem aanroepen als hunnen God en Koning.
De Vader heeft Hem dus alles overgegeven, ten einde door Hem alles zóó te regeeren en te leiden, dat het eeuwig Evangelie der genade Jesu Christi en der liefde Gods des Vaders, de heilrijke waarheid der eeuwige verkiezing des Vaders naar den raad Zijns welbehagens en der uitvoering van dezen raad door Zijnen Zoon, de heilrijke waarheid van de rechtvaardigheid des geloofs, opgericht blijve tot eene banier voor alle volkeren, gelijk geschreven staat Psalm 47 : „God (d. i. Christus) is een Koning der gansche aarde; psalmzingt met eene onderwijzing! God regeert over de Heidenen; God (d. i. Christus) zit op den troon Zijner heiligheid\' , d. i. op den troon met den Vader, om te handhaven do leer der ware heiliging; op den troon, waarop Hij Zich aan de Rechterhand der Majesteit heeft gezet, nadat Hij de reiuigmaking onzer zonden door Zichzelven heeft teweeggebracht, opdat deze reiniging alléén gehandhaafd, en alzoo de waarachtige en éénige God en Jesus Christus in de Majesteit van Zijn Middelaars- en Koninklijk ambt in ecre gehouden bhjve, tegenover alle zelfreiniging, die toch slechts bevlekking is.
En alleen volgens zulke wetten en zulk eene regeering is het, dat Hij de Zijnen, Zijne geliefde Kerk, al de leden van Hem, het zegepralend Hoofd, uit Zijne volheid vervult met alle volheid Gods, die lichamelijk in Hem woont; opdat het waar blijve, wat van de Gemeente geschreven staat: „De koningin staat aan Uwe Rechterhand, in het fijnste goud van Ofirquot;, en: „Des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendigquot;. (Ps. 45.)
Dat is het, wat de Catechismus zegt: „Dat Hij door Zijnen Heiligen Geest in ons. Zijne lidmaten, de hemelsche gaven uitgietquot;. Hij houdt woord, nadat Hij gezegd heeft: „Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hy bij u blijve in der eeuwigheid, en Hij zal in u zijnquot;. Hij regeert Zijne Kerk door Zijn Woord en Zijnen
46
ZITTENDE TER KECHTERHAUD GODS.
Geest; zoo geeft dus de Vader dezeu Geest, eu Hij, Christus, zendt, als Koning, van den Vader dezen Geest aan allen, die den Vader daarom bidden; opdat wij, die gelooven, volharden bij de belijdenis, eu aau deze beljjdeuis, welke wij belijden van den Vader eu Zijnen Zoon Jesus Christus, vasthouden met blijmoedigheid en een goed vertrouwen, — en alzoo in ons overwounen vinden onze inwendige vijanden, en te allen tijde ervaren, hoe onze Koning, de God des yredes, den Satan onder onze voeten vertreedt. Want Hij, onze verhoogde Middelaar en Koning zal, naar do zekere toezegging, steeds den vrede bewaren, opdat wij voortdurend Zijns Naams gedenken, en in dezen Naam alle heeren, die zich do heerschappij over ons aanmatigen, verhouwen.
Terwijl Hij nu dezen vrede bewaart, en opdat Hij de Zijnen beware, regeert Hij hen, maakt hen levend, getroost en heerlijk, zoodat het hun aan geene gave ontbreekt, door de prediking van Zijn Evangelie. Hij versiert de gansche Kerk en een iegelijk lid daarvan in zijnen stand met zoovele en zoodanige gaven der veelvuldige genade, als Hij, de Wijsheid Gods, dienstig acht tot uitbreiding van Zijn Rijk, tot hetwel-gelukken van het voornemen des Vaders, tot den opbouw van Zijn huis, tot den wasdom Zijns lichaams, tot de inwendige welvaart van al Zijne onderdanen, opdat zjj allen wandelen aau de hand des Geestes, zoowel wanneer zij moeten optrekken, als wanneer zij zich legereu, opdat zij zich wél bevinden onder de heerschappij van goede werken, tot welke zij in Hem uitverkoren, geroepen en geschapen zijn
Als Koning trekt Hij voort op den wagen Zijns heils, en scherp zijn Zijne pijlen. Uit vijanden maakt Hij Zich dag aan dag gewillige en gelukkige onderdanen. Die verre waren roept Hij tot Zich en maakt hen tot Zijne lidmaten door de prediking des Woords eu door Zijnen levendmakenden Geest. Hij dwingt de afvalligen in de banden des Verbunds, maakt verovering op verovering door Zijne liefde; richt aldus Zijn Koninkrijk op in de harten dergenen, die Zijne vijanden waren;
47
LEERREDE OVER HET GELOOFSARTIKEL ;
bevordert dat Koninkrijk door ontdekking en wegneming van zoude, schuld en straf, en reinigt de harten door Zijne koninklijke genade, gunst, mildheid, goedheid en gepaste tucht van alle vuilheid en onreinigheid, en van elke neiging om den wil des duivels te doen.
In Zijn Koninkrijk maakt Hij al de Zijnen tot ridders en helden, tot vorsten en oversten. De muren Zijner stad zijn edelgesteenten, de poorten zijn paarlen, de straten van zilver, en in Zijnen tempel is alles goud en enkel zijde, — en Hij vervult aan Zijne bruid.de haar gegevene belofte: „Gij verdrukte, door on weder voortgedrevene, ongetrooste! zie. Ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten. En uwe glas vensters zal Ik kristallijnen maken, en uwe\' poorten van robijn steenen, en uwe gansche landpale van aangename steenen. En al uwe kinderen zullen van den Heere geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijnquot;.
Eindelijk bewijst Zich ons gezegend Hoofd als Koning Zijner Kerk daarin, dat Hij, gelijk de Catechismus zegt, „ons met Zijne macht tegen alle vijanden beschut en bewaartquot;. Dat is naar Zijn woord: „Op deze uwe belijdenis, dat Ik de Christus ben, zal Ik Mijne Gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigenquot;. En insgelijks zegt Hij: „In de wereld zult gij verdrukking hebben: maar hebt goeden moed. Ik heb de wereld overwonnenquot;; en wederom: „Vrees niet, gij klein kuddeken! want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te gevenquot;; en wederom: „Niemand zal Mijne schapen nit Mijne hand rukkenquot;.
Duivel, dood, zonde en wereld, met al de tirannen, die :.n de wereld zijn, zijn vjjanden van Christus, de liemelscne Vader weet het; en omdat zij vijanden van Christus zijn, zijn zij ook vijanden Zijner Gemeente, vijanden van elk lid van Hem, het Hoofd. De slang is listig, maar Hij verijdelt door Zijne wijze maatregelen al hare listen. De dood heeft eenen machtigen prikkel, dat is de zonde; Hij verstoort echter gedurig het gebied der zonde in de Zijnen. De zonde heeft
48
ZITTENDE TER RECHTERHAND GODS.
49
eene buitengewone kracht, deze kracht ligt in de Wet; opdat nu deze kracht de Zijnen niet meeslepe naar haren wil, onderricht Hij de Zijnen hoe zij te wandelen hebben in eene door Hem vervulde Wet. De wereld heeft eene ongemeene aanlokkelijkheid; nu laat Hij de Zijnen de schoonheid en de onmetelijke schatten van het Rijk Zijner genade zien, en staalt in hen het geloot, zoodat het geloof in ons de overwinning wordt, waardoor wij de wereld hebben overwonnen, en haar leeren haten, verfoeien en verwerpen. En opdat wij rijken troost hebben tegenover al onze vijanden, noemt Hij Zijnen God onzen God, Zijnen Vader onzen Vader, en heet ons broeders, en openbaart ons recht hartelijk en broederlijk de rijke hemelsche gerechtigheid en den almachtigen Vadernaam als eenen veiligen burg, waarheen wij vlieden en ons verlost zien.
En o, hoe worden wij het gewaar, terwijl Hij ons onder Zijnen schepter te zamen houdt, hoe waarachtig Zijn woord is: „Ik zal voor u strijden en gij zult stil zijnquot;, zoodat wij Zijnen Naam maar hebben aan te roepen, om ons in een oogenblik in vrijheid gesteld te zien. En o, hoe ervaren wij het, dat Hij ons, als wij bij Zijne vaan blijven, ter overwinning leidt! En o, diepte der wijsheid van Zijn bestuur: alle instrument, dat tegen Zijn volk bereid wordt, zal niet gelukken; Hij verijdelt alle vijandelijke aanslagen, die tegen ons, tegen Zijn Rijk bedacht worden, zoodat wij mogen zingen : „Laten zij hunne touwen spannen, zij zullen toch niet houden; alzoo zullen zij ook de vlaggen op den mastboom niet uitsteken!quot; !) O, Hij heerscht naar het woord des Vaders zoodanig midden onder Zijne vijanden, dat ook hunne geheimste aanslagen Hem bekend zijn, en Hij hen eenen raad laat beraadslagen, en deze toch vernietigd wordt. (Jes. 8 vs. 10.) Ja, al het schepsel is Hem dusdanig onderworpen, dat niemand en niets tegen Hem of Zijne broeders zich ook maar kan roeren of
1) Jes. 33 vs. 23», volgens Luther.
•öo zittende ter refihterhano gods.
bewegen, om hun schade te doen; en wat is er, dat den Zijnen door Zijne regeering en voorzorg niet ten goede zou moeten medewerken ?
Hij heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd, toen Hij opvoer ; en wordt den duivel iets toegelaten tegen de Zijnen, zoo zal het alleenlijk dit zijn, dat hij de hond van den trouwen Herder zij, welken echter de tanden zijn uitgebroken, en die nu niets anders vermag, dan de schapen, als zij weerspannig zijn, naar de plaats te drijven, waar het groene gras is.
En al is het, dat de zee nu bruist en raast, en de bergen door hare onstuimigheid instorten. Zijn troon, waarop Hij als Priester en Koning zit nevens den Vader, staat eeuwig en onwrikbaar! Hij spreekt, en de zee zwijgt en is stil. Zjjne stad en Zijn land, de aarde, welke alle zachtmoedigen beërven, is gebouwd op de pilaren der eeuwigheid en heeft wijde stroomen. Geene roeischuit zal daar doorvaren, en geen treffelijk schip zal daar overvaren, daarin zwemmen alleen zwanen, die Hij voor Zijne reine dieren heeft verklaard, en die nog het liefelijkst zingen bij hun sterven, en die Hij in hun sterven herschept tot adelaars, welke dan tot Hem opstijgen met kracht. Amen.
Nazang: Psalm 125 vs. 1 , 2.
Hij zal noch wank\'len, uoch bezwijken,
Die op den Heer\' vertrouwt,
En op Zijn goedheid bouwt;
Hij zal, als Zions berg, nooit wijken,
Wiens grondslag door geen aardsch vermogen Ooit wordt bewogen.
Gelijk \'t gebergt\', dat, hoog gerezen,
Om Salem ligt gespreid,
Zoo is in eeuwigheid
De Heer\' rondom hen, die Hem vreezen;
Rondom Zijn volk, \'t welk Hij wil hoeden Voor tegenspoeden.
FEESTSTOFFEN
LEERREDENEN
OEROUDEN DOGE
DR. H. F. KOHLBRÜGGE,
IN LEVEN PREDIKANT BIJ DE NEDERLANDSCH-GEREEORMEERDE OEMEENTE
TE ELBEREELD.
UIT HET HOOGDÜITSCH.
Tweede herziene uitgave.
IV.
:PI:N KSTii RF JR,B ükhin.
AMSTERDAM, S C H B F F E 11 amp; C0. Ib92.
I.
LEERREDE
OVER
HANDELINGENquot; DER APOSTELEN 2 vs. 1—42.
Voorzang: Psalm 133.
Ai ziet! hoe goed, hoe lieflijk is \'t, dat zonen Van \'t zelfde huis als broeders samenwonen,
Daar \'t liefdevuur niet wordt verdoofd!
\'t Is als de zalf op \'s hoogepriesters hoofd,
De zalf, waarmee hij is aan God gewijd,
Die door haar\' reuk het hart verblijdt.
Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen,
Als d\' olie, die, van Arons hoofd gedropen,
Zyn\' baard en kleederzoom doortrekt.
Z\' is als de dauw, die Hermons kruin bedekt.
Die Zions top met vruchtbaar vocht besproeit,
En op zyn bergen nedervloeit.
Waar liefde woont, gebiedt de Heer den zegen;
Daar woont Hy Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen. En \'t leven tot in eeuwigheid I
Tekst: IIandelinges der Apostelen 2 vs. 1—42.
En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. En er geschiedde haastelijk uit den hemel een
1*
Gehouden op Piuksterzoiulag 19. Mei 1850.
LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1—42.
4
geluid, gelijk als van eeneu geweldigen, gedrevenen wind, en vervulde het gelieele liuia, waar zij zaten. En van hen werden gezien verdeelde tougen, als van vuur, en Let zat op eenen iegelijk van hen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoo als de Geest hun gaf uit te spreken. Eu er waren Jodeu, te Jerusalem wonende. Godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn. En als deze stem gesehied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd: want een iegelijk hoorde hen in zijne eigene taal spreken. En zij ontzett\'en zioh allen, en verwonderden zioh, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galiléörs? En hoe hooren wij hen een iegelijk in onze eigene taal, in welke wij geboren zyn ? Parthers, en Méders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotamië, en Judea, en Cap-padoeië, Poutus en Azië, en Erygiö, eu Pamfylië, Egypte, en de deelen van Libyë, hetwelk bij Cyréne ligt, en uitlandsche llomeinen, beide Joden en Jodengenooten, Kretensen en Arabieren, wy hooren hen in onze talen de groote werken Gods spreken. En zij onzett\'en zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander; Wat wil toch dit zijn? Eu anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijus. Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijne stem, en sprak tot hen: Gij Joodsche mannen, en gij allen, die te Jerusalem woont! dit zy u bekend, en laat mijne woorden tot uwe ooren ingaan: Want dezen zijn niet dronken, gelyk gij vermoedt: want het is eerst de derde ure van den dag Maar dit is het, wat gesproken is door den Profeet Joël; En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God,) Ik zal uitstorten van Mijnen Geest op alle vleesch; en uwe zonen en uwe doebteren zullen profeteeren, en uwe jongelingen zullen gezichten zien, en uwe ouden zullen droomen droomen. En ook op Mijne dienstknechten en op Mijne dienstmangden zal Ik in die dagen van Mynen Geest uitstorten, en zij zullen profeteeren. En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en teekenen op de aarde beneden: bloed, en vuur en rookdamp. l)e zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de groote en doorluchtige dag des Heeren komt. En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren znl aanroepen, zalig zal worden. Gij Israëlietische mannen! hoort deze woorden: Jesus dtn Nazaréner, eenea Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en teekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk, ook gy zslven weet; Dezen, door
LEERREDE OVER IIANDEUNOEN 2 VS. 1—42.
5
den bepaalden rand en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de banden der onrechtvaardigen aan het kruis geheehi en gedood. Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het niet mogelijk was, dat Hij vau denzelven dood zou gehouden worden. Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij : want Hij is aan mijne rechterhand, opdat ik niet bewogen worde. Daarom is mijn hart verblijd, en mijne tong verheugt zich; ja ook mijn vleesch zal rusten in hope: want Gij zult mijne ziel in do hel niet verlaten, noch zult üweu Heilige overgeven, om verderving te zien. Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht. — Gij mnnncn broeders! het is mij geoorloofd, vrijuit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf. is onder ons tot op dezen dag. Alzoo hij dan een Profeet was, en wist, dat God hem met eede gezworen had, dat Hij uit de vrucht zijner lendenen, zooveel het vleesch aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijnen troon te zetten: zoo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijne ziel niet is verlaten in de hel, noch -Zijn vleesch verderving heeft gezien. Dezen Jesus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn. Hij dan, door de Eechterliand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebemle van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort. Want David is niet opgevaren in de hemelen ; maar hjj zegt: De Heere heeft gesproken tot mijnen Heere; Zit aan Mijne Kechterhand, totdat Ik Uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank Uwer voeten. Zoo wete dan zekerlijk het gansche huis Israëls, dat God Hem tot eenen Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jesus, Dien gij gekruist hebt! En als zy dit hoorden, werden zij \'verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere Apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders? En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jesus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen, die daar verre zijn, zoo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal. En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht! Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. En zij
LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1—42.
waren volhardende in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
De dag, waarvan wij heden gedachtenis vieren, is voor de Gemeente van Christus een zeker pand, dat de Heere Zijn Verbond, hetwelk Hij met haar gemaakt heeft, houden zal, — het Verbond namelijk, volgens hetwelk Hij zegt: „Mijn Geest, Die op u is, en Mijne woorden, die Ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toequot;. (Jes. 59 vs. 21.) Toen was hot de dag, waarop de eerstelingen der Gemeente bijeenvergaderd werden, en waarop in vervulling ging het woord van Christus: „Gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal, en gij zult Mijne getuigen zijn, zoo te Jerusalem, als in geheel Judéa en Samaria, en tot aan het uiterste der aardequot;. (Hand. 1 vs. 8.) Het was de dag, waarop vervuld werd hetgeen de Profeet Joël en alle Profeten te voren gezegd hebben. Dag der Pinksteren heette hij, d. i. de vijftigste dag, gelijk hij door God op den heiligen berg Sinaï was voorgebeeld en tot blijde feestviering bestemd. Want alzoo luidde Gods bevel: „Zeven weken zult gij u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult gij de zeven weken beginnen te tellen. Daarna zult gij den Heere, uwen God, het feest der weken houden; het zal eene vrijwillige schatting uwer hand zijn, dat gij geven zult, naardat u de Heere, uw God, zal gezegend hebben. En gij zult vroolijk zijn voor het aangezicht des Heeren, uwe. Gods, gij, en uw zoon, en uwe dochter, en uw dienstknecht, en uwe dienstmaagd, en de Leviet, die in uwe poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die de Heere, uw God, zal verkiezen, om Zijnen Kaam aldaar te doen wonen (Deut. 16 vs. 9—11.) En wederom: „Daarna zult gij u tellen van den anderen dag na den sabbat, van den dag, dat gij de garf
6
LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1 — 42.
des bewecgoffers zult gebracht hebben, het zullen zeven vol-komene sabbatten zijn; tot den anderen dag, na den zevenden sabbat, zult gij vijftig dagen tellen: dan zult gij een nieuw spijsoffer den Ileere offeren. — En gij zult op dienzeifden dag uitroepen, dat gij eene heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het is eene eeuwige inzetting in al uwe woningen voor uwe geslachtenquot;. (Lev. 23 vs. 15, 16, 21.) Het was dus het feest van den oogst der eerste vruchten, die men op het veld gezaaid had (Ex. 23), door God verordend, ten einde daardoor aan het geloovige volk in een beeld den dag voor te stellen, op welken Hij Zijnen Geest zou uitstorten over alle vleesch; van welken dag ook het jubeljaar een beeld is geweest, gelijk geschreven is: „Het vijftigste jaar zal u een jubeljaar zijnquot;. (Lev. 25 vs. 10.) — Alzoo, het groote jubeljaar of jaar der lossing en vrijlating was gekomen, en de dag was aangebroken, van welken de Profeet Zacharia geprofeteerd heeft Hoofdstuk 14 vs. 6—9, en Maleachi Hoofdstuk 4 vs. 1, 2.
Op dezen dag nu was de kleine Gemeente in het vroege morgenuur bijeen. Niemand was tehuis gebleven; allen waren gehoorzaam geweest aan het woord des Heeren Jesus, Die hun bevolen had, in Jerusalem en bij elkander te blijven. Zij waren honderd en twintig in getal: een twaalftal, naar het getal der kinderen Israëls, vermenigvuldigd met tien, naar het getal van de geboden der Wet, een tienvoudig twaalftal, om later een door den Geest genoemd en verzegeld getal te vormen van twaalfmaal twaalf duizend. Allen waren zij eendrachtelijk bijeen, gewis met bidden en smeeken, zooals wij dat van hen lezen in het voorafgaande Hoofdstuk; gewis zoo eendrachtelijk, als wij het van de Gemeente lezen in het tweede Boek der Kronieken (Hoofdst. 5 vs. 13): „Het geschiedde dan, als zij eenpariglijk trompett\'en en zongen, om eene eenparige stem te laten hooren, prijzende en lovende den Heere... .
Op dezen vijftigsten dag kwam dus de Heilige Geest neder op allen, gelijk de Heere hun beloofd had. En gij hebt ge-
7
8 LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1 — 42.
hoord, hoe dit toeging: En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van cenen geweldigen, gedrevenen wind, en vervulde het geheele huis, waar zij zaten. De discipelen hadden nu tien dagen gewacht op de belofte des Heeren, de tijd Gods was daar, — en is het Zijn tijd, dan komt Hij haastelijk. De sluizen van Gods harte openden zich, de stroom kwam met macht neder van den troon der genade. Verhoord werd nu in alle volheid het profetisch gebed der Kerk: „Ontwaak, Noordenwind! en kom, gij Zuidenwind! doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeienquot;. (Hoogl. 4 vs. 16.) En waar Hij nederdaalde, daar werd alles vervuld, waar maar ledige ruimte was. Hij omgaf de discipelen, die nog kort te voren daar zoo leeg nederzaten. Hij omkleedde en bekleedde hen, en met verdeelde tongen, vurig van de snelheid der liefde, waarmede Hij was gekomen, zette Zich de Geest op eenen iegelijk van hen, en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest. Was eenmaal de torenbouw van Babel verijdeld door de spraakverwarring, hier waren de boden des vredes als met éénen slag bekwaam gemaakt, om aan eenen iegelijk in zijne eigene taal te verkondigen, wat God gedaan had, hoe Hij den grond- en hoeksteen der zaligheid gelegd, en besloten had Zijn Zion te herbouwen, zoodat alle volken aldaar deel zouden hebben aan eene erfenis, en het ging daarbij, zooals het moest; zij begonnen te spreken, zoo als de Geest hun gaf uit te spreken.
En door het geweldig geluid, waarmede de Heilige Geest van boven was nedergedaald met onwederstaanbare macht en Zich op de discipelen gezet had, totdat Hij hen vervuld had, werd alles bewogen, wat te Jerusalem was. Slaat de wereldkaart van den toenmaligen tijd op, en gij hebt vóór u de gansche destijds bekende wereld, zooals gij haar ook vóór u hebt in de woorden van onzen tekst: Van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn, waren er Joden, te Jerusalem wonende, ter viering van het
LEERREDE OVER HANCiELINGEN 2 VS. 1—42.
feest van den oogst der eerstelingen, Godvruchtige mannen. En dezen ontzett\'en zich allen en verwonderden zich; zij werden allen beroerd en wisten niet, wat dat zou worden. Zij hoorden immers Galileërs, mannen uit de ongeleerde massa des volks, de groote werken Gods spreken in alle de talen der toen bekende wereld. — Godvruchtige mannen waren het, evenwel zondei* kennisse Christi. Van allen volke waren zij, naar de belofte, die God aan Abraham had gegeven: „In uw zaad zullen alle heidenvolken (Gojim) zich zegenenquot;. Beroerd werd de menigte, want de genade des Heiligen Geestes deed hun geweten ontwaken, en de stem van Boven vermaande hen tot bekeering, tot aflegging der zonden. En wat God doet aan degenen, die op Hem wachten, hoe ras men op de hoogeschool des hemels leert, ook hoe bespraakt men aldaar op eenmaal wordt, om te spreken de groote werken Gods, dat konden zij aan deze Galilésche mannen zien, — en spoedig zouden zij op hunne vraag: „quot;Wat wil toch dit zijn?quot; het troostrijk antwoord vernemen: Dat zal louter goeds zijn dengenen, die zich bekeeren!
Eene bijzonder heerlijke geschiedenis is deze geschiedenis van den vijftigsten dag. quot;Weldra vernemen wij, hoe de Satan ook thans weder Gods werk wilde verstoren, door sommigen aan te zetten om te spotten met hetgeen hier geschiedde. Nu zou hij echter door het werktuig, dat hij in de zaal van Kajafas verbroken had, op de vlucht gedreven worden. Simon Petrus grijpt één der beide sleutelen des hemelrijks, die de Heere Jesus hun had gegeven, en ontsluit, zonder iets anders daarmede te bedoelen dan zijne medediscipelen tegen de spotternij te beschermen, den Joden het Koninkrijk der hemelen en wijst hen op de profetische schrift, die zulks voorzegd had. Hij houdt den Joden de aanstaande oordeelen voor, met Joël uitroepende: „Een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig wordenquot;; hij ontdekt hun hunne zonde, dat zij hunnen Heiland gedood hebben, predikt Diens opwekking, gelijk David die had voorzegd, getuigt voorts van
9
10 LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1—42.
do verliooging des Ilecrcn ter Rechterhand Gods, en daarvan, dat Hi] de belofte des Heiligen Geestes van den Vader ontvangen en dezen Geest thans uitgestort heeft, — en besluit zijne prediking met deze beteelienisvolle woorden: „De Ileere heeft gesproken tot mijnen Heere: Zit aan Mijne Rechterhand, totdat Tk Uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank Uwer voeten. Zoo wete dan zekerlijk liet gansche huis Israëls, dat God Hem tot eenen Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jesus, Dien gij gekruist hebt!quot;
I)c gevolgen dezer prediking zijn u bekend; en zoo eindigt onze geschiedenis: Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.
Ontwaren wij aan de eene zijde in deze geschiedenis het schrikkelijke der menschelijke ellende en verdorvenheid, die zoo ver gaat, dat men met al het Goddelijke den spot durft drijven, alleen om zichzelven te handhaven op de paden, die naar de hel leiden, aan de andere zijde moeten wij met verwondering en aanbidding vervuld worden, als wij lezen op welke wijze Petrus dien spot beantwoordt, en hoe hij oorzaak neemt, om aan do Joden den ganschcn raad Gods voor to houden. Hoort, hoe de Geest een menschenkind bekwaam maakt, woorden der zaligheid te spreken; elk woord is hier op zijne plaats, gekozen als een scherpe pijl, om het hart to troffen en ter zaligheid te verwonden.
Gij Joodsche mannen, — zoo is de aanhef zijner rede. Joden moeten niet spotten met de hoogste genade, die God schenkt, maar moeten Jehovah loven; dat zegt hun hun naam Zoo spreekt hij hen aan met de zachtmoedigheid van een lam; Petrus is verbroken, hij spreekt niet den banvloek over hen uit; in hem is aireede de volle vrucht des Geestes; hij kan geduld hebben met de verkeerdheid. En gij allen, — zoo gaat hij voort, — ik wil niemand buitengesloten weten, wie maar arm en ellendig is, en dat zijt gij allen, of gij het nu wreet dan of gij het niet weet. Als gij niet hebt, wat wij hebben,
LEERREDE OVER HAKDEUNÖEN 2 VS. 1 — 42. 11
dan zijt gij verloren; die wil, neme echter het water des levens om niet! Die te Jerusalem woont, — in de stad des grooten Konings, in de stad Davids, in de stad, die zoo volo beloftenissen ontvangen heeft, maar deze roekeloos versmaadt. Dit zij u bekend; wederom wordt u de gelegenheid gegeven om te bedenken, wat tot uwen vrede dient. En laat mijne woorden tot uwe oor en ingaan. Zijt niet hardhoorig; ziet, ik verkondig ulieden grooto blijdschap, dio al den volke wezen zal. O hoe worstelt en dringt hier de liefde van Christus, om het verlorene te redden ! quot;Want dezen zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt. Do Apostel verdedigt zichzelven niet. Waar echter de liefde tot den naaste is, om dozen te redden, daar is ook do liefde voor de Gemeente van Christus, om gecne beschuldiging tegen haar to dulden, die niet overeenkomstig de waarheid is. Broederliefde is daar, ongeveinsde broederliefde, en liefde jegens allen. Gelijk gij vermoedt, zegt Petrus; hij zegt niet; gelijk gij goddelooslijk beweert, of: gelijk gij lastert. Ach, de Apostel wist het: de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Qeestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid; en had eertijds zelfs een priester des Heeren de Godvruchtige Hanna voor dronken gehouden, toen de Geest in haar bad met onuitsprekelijke zuchtingen, — wat wonder, als deze Joden voor verdoemelijke dronkenschap houden, wat toch een dronken-zjjn is naar het woord der belofte. Daarna zegt de Apostel, wat er dan nu geschied is, en kiest uit alle profetieën zoodanig eene uit, die het meest geschikt was voor de toenmalige Joden. Dit is het, wat gesproken is door den Profeet Joël, zegt de Apostel. De Joden konden dezen Profeet niet hoeren noemen, zonder te denken aan de beteekenis van zijnen naam: „Jehovah is God!quot; en wel in verband met don naam van dezelfde beteekenis, „Eliaquot;, den naam van den grooten Profeet, wiens komst zij weder verwachtten, opdat die alles weder zou herstellen. Zij konden bovendien den naam „Joëlquot; niet vernemen, zonder te denken aan Joëls ernstige
12 LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1 — 42.
straf- en boetprediking, die hij den volke en den priesters had gehouden, — zonder te denken aan\' de groote beloften voor land en Kerk, indien zij zich bekeerden. En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God. Dit zeg niet i k. wil Petrus zeggen, neen God zegt het, en Hij zegt: „Het zal zijn (geschieden)quot;. God maakt Zijn Woord waar, het komt alles. Maar wanneer? In de laatste dagen, juist in die dagen, wanneer de heerschappij van het zichtbare een einde zal nemen, in de dagen der ontbinding van al het tot dusver bestaande. Ik zal uitstorten; — vandaar dat wij vervuld zijn. Waar echter Gods oordeelen zullen komen, daar stort ook te voren in stroomen barmhartigheid neder. Ik zal uitstorten, — niet: een weinig geven, maar de volheid, over al wat dor en dorstig is. Van Mijnen Geest,— Die alleen maakt Gode gelijkvormig, — op alle vleesch. Zoo kunt gij dan ook dezen Geest ontvangen, als gij u bekeert, Hier is niemand buitengesloten, integendeel, er is hoop voor den allerellendigste en voor dengene, die tot dusver buitengesloten was. En uwe zonen en uwe dochte-ren, — heerlijke belofte voor het zaad der Kerk! Wie in God gelooft is een zoon, is eene dochter van Abraham. De Kerke Gods zal wel blijven. Zullen profeteeren, d. w. z. zullen de genade des eeuwigen Ontfermers roemen en prijzen. En uwe jongelingen, — die anders zoo verstrikt zijn in de macht van het zichtbare, — zullen gezichten zien, tot hunnen troost, en uwe ouden zullen droomen droomen. Louter gaven der genade tegen de natuur. Al wat droomt, slaapt immers vast; wat vast slaapt, is jong; wat reeds oud is, slaapt niet vast; zoo zouden dan de ouden eene vernieuwde jeugd ontvangen. En ook op Mijne dienstknechten, — die Mij dienen en Mij aanbidden in Geest en in waarheid, — en op Mijne dienstmaagden, — zijnde ook medeërfgenamen des eeuwigen levens, tot troost in haar verderf, dat zij kennen, zal Ik in die dagen, als alles het onderste boTèn gaat, uitstorten, — dat za,l
LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1—42.
Mij niemand beletten! Ik wil Mijne genade verheerlijken als eene onwederstaanbare genade, — van Mijnen Geest, dat zij daarvan vervuld zijn. En zij zullen profeteer en, — de tale Kanatins spreken. En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en teekenen op de aarde beneden. Zoo zal Ik de oordeeleu aankondigen, die Ik brengen zal over Mijne vijanden en die Mijner Gemeente, en zal be wijzen, dat Ik God beu. Bloed, — allerlei wereld-en burgeroorlogen; en vuur, — bliksemen van boven, vuur uit de diepe gronden der bergen en allerlei branden; en rookdamp, — van gedurig zich herhalende aardbevingen. De zou zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed. Er zullen allerlei merkwaardige natuurverschijnselen plaatsgrijpen, en in het staatkundige zullen de groote rijken al hunnen glans verliezen en de kleine als het ware in bloed drijven. Eer dat de groote en doorluchtige dag des Heer en komt, — de dag van Christus, de dag van Zijne oordeelen over het Joodsche volk, de dag des oordeels over alle goddelooze Heidenen. „Zij zullen zien in Welken z|j gestoken hebben.quot; En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal wordeu. God plaagt de menscheu-kinderen niet van harte. Hij komt met Zijne oordeelen, opdat Hij barmhartigheid betoone. Wanneer nu den menschenkin-deren het hart van angst breekt, juist diin zal er nog behoudenis van den toorn zijn voor eeneu iegelijk, die zich van harte tot den Heere bekeert. Hij zal echter zalig worden niet door werk, niet door verdienste; hier is geene voorwaarde, maar alzoo luidt de belofte : Al wie in zijne ellende, in zijn verzinken, den Naam des Heeren Jesus aanroept, in Hem gelooft, zal zalig worden, diens zaligheid is gewis. „Hij zal zalig wordenquot;, is de belofte. Dit staat vast. God heeft het gezegd; en alle twijfel moet hier zwijgen.
Zoo heeft de Apostel Petrus door Heiligen Geest de Joden opmerkzaam gemaakt op de oordeelen, die stonden te komen over
13
LEERREDE OVER HiNDELINGEN 2 VS. 1—42.
liun land, stad en volk, en hun betuigd, hoe God nochtans gedachtig geweest is het Verbond, met de vaderen opgericht, en nu Zijnen Geest gezonden heeft, opdat Zijn uitverkoren volk met al Zijne heerlijkheid mocht bekleed zijn, — ook den Geest der genade en der gebeden gezonden en Zijnen Christus verheerlijkt heeft, opdat een iegelijk, die zich bekeert, zou behouden zijn door het geloof in Hem, hetwelk de Heilige Geest werken zou. Vervolgens leert hun deze Heilige Geest door de prediking van den Apostel, Wie deze Heere is. Dien zij zouden aanroepen, ontdekt hun hunne zonden, die zij tegen dezen goeden Heere bedreven hebben, en openbaart hun de genade Gods, die nog overvloediger is geweest dan hunne zonde. Hij predikt hun, hoe die genade dezen Heere, hunnen Heiland, Welken zij gedood hebben, voor hen weder opgewekt en tot eenen Heere en Christus gemaakt heeft, en als zij zich bekeerden en zich lieten doopen in den Naam dezes Heeren tot vergeving hunner zonden, dat zij nameljjk de genade versmaad hadden, dan zouden zij ontvangen de gave des Heiligen Geestes, naar de belofte; want deze belofte komt u toe, zoo spreekt hij, en uwen kinderen, alsmede allen, die zullen worden toegedaan naar de vrijmacht van Gods genade.
Ook in dit deel der rede straalt ons Goddelijke wijsheid, do teederheid der liefde, de ernst en de kracht der waarheid tegen; de Apostel spaart de ongerechtigheid niet, en toch overweldigt hij met eene teedere hand, zoodat men zich moet gevangen geven.
Gij Israëlietische mannon! heerlijk volk van den God van Abraham, Izak en Jakob. Hoort deze woorden: Jesus den Nazaréner, Die veel meer een Verlosser is, dan eertijds Mozes was, maar veracht en verworpen als een, die tot niets nut is, — zoo gansch overeenkomstig de voorzegging van Jesaia: „Een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geachtquot;, — maar nochtans is Hij hier geweest, om de smaadheid uwer zonde te dragen en u tot eeuwige eer te
14
LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1—42.
15
brengen. Eenen man van God, zooals een iegelijk van u toch heeft moeten erkennen; immers zeide cón van uwe oversten: „Wij weten, dat Gij zijt een Leeraar, van God gezondenquot;. God heeft Hom echter voor ons overgegeven, opdat Hij ons Zijnen wil en het raadsbesluit onzer zaligheid openbaren zou. „Eenen man van Godquot;, — met welken Kaam zal ik Hem u noemen, ofschoon Hij in knechtsgestalte omwandelde! „Hoe is de Naam Gods, en hoe heet Zijn Zoon?quot; Onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en teekenen. Hij is ook onder ulieden wel verheerlijkt, als gij maar zien wilt. Gij hebt het zeiven moeten erkennen, hoe de woorden der Profeten zijn vervuld geworden: de blinden zien, de dooven hooren, de kreupelen wandelen, de melaatschen worden rein, do dooden staan op, en den armen wordt het Evangelie verkondigd. Door zulke krachten en wonderen en teekenen is Hij onder ulieden betoond, — die God door Hem gedaan heeft in het midden van u. Daarin heeft Hij immers Zijne machtige genade, Zijne eeuwige barmhartigheid onder u verheerlijkt, gelijk ook gij zeiven weet; want het is in geenen hoek geschied; het gansche land is er van vervuld geweest. Dezen, — juist Dezen, Die u niets dan goeds heeft bewezen, — door den bepaalden raad — zoo was het in den eeuwigen vrede-raad besloten; de ongerechtigheid des vleesches heeft Gods gerechtigheid moeten verheffen en prijzen! — en voorkennis Gods overgegeven zijnde, opdat het zou uit zijn met allen roem des vleesches, en het voornemen naaide verkiezing Gods zou vaststaan; opdat God vrij blijve in de betooning Zijner genade, en alle mond gestopt zij; hebt gij genomen en door de handen der onrechtvaardige n — en gij meendet de gerechtigheid na te jagen. God te vreezen en Zijne geboden te bewaren. Zoo kan men zijnen God dooden en wanen Gode eenen dienst te doen, heilig tequot; leven, de heiliging der zeden en de zuiverheid van leer te zoeken; — aan het kruis gehecht, zoo hebt gij
10 LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1—42.
Uem de grootste smaadheid aaugedaau, terwijl Hij gekomen is, om ons tot de heerlijkheid te leiden, die wij verloren hadden; ja gij hebt Hein aan het kruis gehecht, opdat Hij niets zou kunnen tot stand brengen, — en (Hem) gedood. Uw leven hebt gij gedood, den dood wildet gij in het leven behouden. Zoo ver gaat de macht der zonde. En nu, ziet de macht der eeuwige liefde tot de zondaren; Welken God opgewekt heeft. God heeft weder hersteld, hetgeen gij moedwillig verdorven hebt, heeft Hem opgewekt, opdat Hij nochtans uw leven ware en de dood van uwen dood. De smarten des doods ontbonden hebbende. Alleen bij God, Dien gij meent te kennen, vond Hij, Dien gij onbarmhartig in den kuil geworpen hebt, barmhartigheid; Hij heeft Hem bekend gemaakt het pad des levens, om u nochtans tot het leven te brengen, en u uit de banden desgenen, die het geweld des doods heeft, te bevrijden. Alzoo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden, — immers heeft Hij op God vertrouwd en geloove behouden, Hij, de Heilige en Onschuldige, Die uit eeuwige liefde tot het verlorene, en niet door eigene zonde, is gekomen in het geweld des doods. Zoo heeft God Zich tot Hem bekend. Dat Hij nu op God vertrouwd en geloove behouden heeft, en als de eenige en ware Volbrenger der Wet uit liefde Gods en des naasten in den dood is gegaan, om u te verzoenen, en dat Hij deswege door den dood niet kon gehouden worden, is uit de Schrift openbaar; want hetgeen David daarvan getuigt, vernemen wij uit den 16lllt;:quot; Psalm. Gij moet die woorden niet verkeerd uitleggen, door ze van den aartsvader David te verstaan; want deze heeft immers de verderving gezien. God echter heeft Zijnenen eed van den eeuwigen Koning uit de lendenen Davids, van den eenigen Hoogepriester, Die naar de Wet des eeuwigen levens is, aan David gehouden. Deze Psalm getuigt dus van de opstanding van Christus, d. i. van Jesus. Dezen Jesus heeft God opgewekt; waarvan wij
LEERKHDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1—42. 17
allen getuigen zijn. Hij is de Verlosser, Die ons rechtvaardigt van al datgene, waarvan wij door de Wet niet konden gerechtvaardigd worden. In Hem is de volheid; Hij is de Koning Israels. Alles is aan Zijne voeten onderworpen. Allen moeten dezen Zoon kussen. Nadat Hij Zijne ziel tot een schuldoffer gesteld heeft, zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen. De volheid heeft Hij verkregen, den beloofden Geest heeft Hij verworven, en nu Hij alles beërfd heeft, heeft Hij hetgeen Hij van den Vader ontvangen heeft uitgestort, — uitgestort, wat gij nu ziet en hoort. Dewijl Hem nu alles onderworpen is, — wacht u, dat gij u niet langer tegen Hem verzet; want Hij is ten hemel gevaren en heeft Zich gezetter Rechterhand Gods, gelijk wij bij David lezen: Zit aan Mijne Rechterhand, totdat Ik Uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank Uw er voeten. — Zegt nu David: „De Heere heeft gesproken tot mijnen Heerequot;, zoo we te dan zekerlijk het gansche huis Israëls, — opdat het Hem erkenne als Heer en Koning, en alzoo niet uitgeroeid worde, — dat God Hem tot een en Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jesus, Dien gij gekruist hebt! Zoo is Hij dan de Heere en de door God Gezalfde, ons van God gegeven tot onzen Koning, Leeraar en Hoogepriester. — Ziehier de scherpste tegenstelling tusschen de verdorvenheid des menscheu, die zijn heil aan het kruis heeft gehecht, en de liefde Gods, die nochtans met waardigheid, gerechtigheid en waarheid de overwinning behaalt over ons verderf, om ons nochtans gered te hebben.
En welke macht der prediking van den Geest der genade! Als zij dit hoorden, werden zij verslagen in liet hart. Het hoogmoedige hart was neergeworpen, geheel doorwond en verbrijzeld; al hunne vroomheid en godsdienstigheid was te niet gedaan; hunne zonde, de inwendige vijandschap van den mensch tegen Gods vrije genade, tegen Gods eer, en de tegenzin van het vleesch, om weder in waarheid tot
2
18 LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1— 42.
God te -willen gebracht worden, was hun ontdekt. In hunne verlorenheid erkenden zij Petrus en de overige Apostelen voor dienstknechten Gods, die hun woorden der zaligheid brengen konden, en verlegen zijnde vraagden zij: quot;Wat zullen wij doen, mannen broeders? Heilrijke vraag! Hoe spoedig verneemt men daarop het antwoord: Dit is de weg, wijkt niet af, noch ter rechter-, noch ter linkerzijde! En Petrus zeide tot hen: Bekeert u! Legt af uwen verkeerden zin en uwe gedachten, die alleen op werken der wet uit zijn! en een iegelijk van u — zonderonderscheid, hij zij, wie hij zij, — worde gedoopt. De liefde Gods gelde bij n meer, dan de eer bij de menschen; dan hebt gij eer bij God, hoe de wereld u ook smade. In den Naam — die Zijnen Naam dragen, zijn Zijne heiligen, zijn Zijn oogappel, — van Jesus Christus, — zoo hebben zij deel aan al hetgeen Hij heeft verdiend en verworven, zoo heeten zjj zalig-gemaakten, heiligen, gezalfden, bewaarden, verzegelden, priesters en koningen met Hem. Tot vergeving der zonden. quot;Wanneer zondaren zich aan dezen Heer overgeven, zoo is Hij niet meer gedachtig aan hunne zonden, rekent hun niets meer toe, zegt van hen, dat zij geene zonden meer hebben. Hij neemt zondaars aan, rechtvaardigt goddeloozen, maakt hen deelgenooten Zijner gerechtigheid en geeft hun recht op het eeuwige leven, op alle heilsgoede-ren en genadegaven des Geestes, die Hij voor hen verworven heeft. En gij zult de gave des PIeiligen Geestes ontvangen. Wie zich aan Hem overgeeft, ontvangt van Hem met eenmaal de koninklijke bedekking en bekleeding. Wat de Heere heeft, moet hij ook hebben; maar ,\'tis alles gave, niets door ons. — Want u, — voor degenen, die zoo dood ternederlagen in hunne zonden en misdaden, lag het bruiloftskleed reeds gereed, — en uwen kinderen, die met hen in dezelfde verdoemenis liggen,— komt de belofte toe. God zegt: Ik heb het beloofd; Hij vervult Zijne belofte en is Zijns quot;Woords gedachtig, ook dan, als geen mensch daaraan meer denkt,
a
1 i!
LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1—42.
en van ons meet gezegd worden: „Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen wegquot;. En allen, die daar verre zijn. Gij zult dit woord mede-nemen naar uw huis en het ook den uwen mededeelen, en met of zonder uwen wil getuigen zijn van deze woorden. De Heere zal hen alzoo bijeenvergaderen van de uiterste einden der aarde, dat zij den Heere het nieuwe spijsoffer offeren. Zoo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal. Hij zal het Zelf doen; Hij zal Zijne macht. Zijne genade. Zijne trouw Zelf verheerlijken en aan dit woord Zijns monds zijnen loop geven: „Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! Mij zal alle knie gebogen worden, alle tong zal Mij zweren; men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen!quot;
Zoo luidde de rede, waarmede de grondlegging van het Rijk des nieuwen en eeuwigen Verbonds werd aangekondigd, waaraan de Apostel nog vele andere woorden toevoegde, die de liefde Gods, maar ook den ernst der roeping tot het Koninkrijk der hemelen nog meer bekrachtigden. En met de vermaning, met do betuiging: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht, werd de scheiding gemaakt in deze nieuwe schepping tusschen het licht en de duisternis. Wordt behouden van dit verkeerd, verdraaid, werkheilig geslacht, dat do zonde wil en daarom het geloof verwerpt en den Heiligen Geest lastert. Wiens prediking is en blijft: „Wij houden het daarvoor, dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. Wees vroolijk, gij onvruchtbare!quot;
Heerlijk was do vrucht der prediking. Die dan zijn woord gaarne aannamen, vanwege hunnen grooten nood, werden gedoopt. Dat wil zooveel zeggen als: zij geloofden in waarheid. Het waren geene menschen, die geloofden, en zich niet lieten doopen; zij lieten zich doopen en bewezen dus gehoorzaamheid des geloofs. En er werden op dien dag, den dag der eerstelingen, tot hen, d. i. tot
19
In\'
•51
I \'li J! 1
11
B! iff.
i
jlp
i \'\'ill
If
11 if
iil
i- ll:
20 LEERREDE OVER HANDELINGEN 2 VS. 1—42.
de honderdtwintigen, toegedaan, toegevoegd als krijgsknechten van Christus, omtrent drie duizend zielen, naar het getal der drievuldigheid, die zich openbaart in den raad der zaligheid. Waarom evenwel niet dertig duizend, of drie millioen? Er waren op dien dag te Jerusalem niet meer van zulke ellendige en arme zondaren. Zij waren echter volhardende, — God laat niet varen de werken Zijner handen; wat Hij maakt is volkomen. „De poorten der hel zullen Mijne Gemeente niet overweldigenquot;, heeft Hij gezegd. Hier is de genade der volharding: zij waren volhardende in de leer der Apostelen, — alleen daardoor wordt het hart gesterkt, — en in de gemeenschap, — want daardoor wordt het geloof bevestigd, — en in de breking des broods, — alleen daardoor blijft de broederlijke liefde, — en in de gebeden: het gebed is de emmer, die gedurig in de diepte der Goddelijke ontferming, in de fontein, geopend tegen de zonde en cnreinigheid, wordt neergelaten, opdat beide, zoo menschen als beesten, gedrenkt en dronken worden van de beken der wellusten, van de goederen van Gods huis, — en alleen zóó blijft de stad Gods zich verblijden. Amen!
Nazang: Psalm 148 vs. 5.
Looft, looft met waar\' erkentenis,
Zijn\' Naam, die hoog verheven is;
Dewijl Zijn wond\'re Majesteit Door aard\' en hemel is verspreid!
Hij wou den hoorn, zoo vol vermogen,
Den roem van Israël verhoogen;
Dat woont bij Hem, \'t heeft zingens stof.
Looft God, zingt eeuwig \'s Heeren lof!
11.
LEERREDE
o vee
JOHANNES 14 vs. 16, 17.
Voorzang: Psalm 147 vs. 6, 7.
De Heer betoont Zijn welbehagen Aan hen, die ned\'rig naar Hem vragen, Hem vreezen, Zijne hulp verbeiden. En door Zijn hand zich laten leiden; Die, hoe het ook moog\' tegenloopen, Gestadig op Zijn goedheid hopen.
O Salem! roem den Heer der heeren; Wil uwen God, o Zion, eeren 1
Hij wil in gunst uw heil bewerken, De grendels uwer poorten sterken, En zegent in uw land uw kind\'ren ; Hij doet geen\' krijg uw\' wasdom hind\'ren, Hij deelt den liefelijken vrede,
Zelfs aan uw verste grenzen mede: Met vette tarw\' wil Hij u spijzen, En kroonen met Zijn gunstbewijzen.
Gehouden op Pinkstermaandag, 20. Mei 1850.
LEEKREDE OVER JOHANNES 14 TS. 16, 17.
Hoogst gewichtig is de Vraag van den Heidelbergschen Catechismus: „Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?quot; en geheel naar waarheid is het antwoord van iederen geloovige: „Eerstehjk, dat Hij samen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is; ten andere, dat Hij ook aan mij gegeven is, opdat Hij mij door een oprecht geloof Christus en al Zijne weldaden deelachtig make, mij trooste en hij mij eeuwig hlijvequot;.
Dat de Heilige Geest niet maar een uitvloeisel der Godheid, of eene bloote kracht Gods is, maar te gelijk eeuwig God met den Vader en den Zoon, is eene levenswaarheid, die, ofschoon gedurig door het verstand bestreden, nochtans waarheid zal blijven, ja evenzeer als de waarheid, dat de Heilige Geest een van den Vader en den Zoon onderscheiden Persoon is.
22
Van des Heeren vraag aan Jesaia (Hoofdst. 6 vs. 8): „Wien zal Ik zenden? en wie wil Onze bode zijn?quot; \') getuigt de Apostel Paulus (Hand. 28 vs. 25—27), dat dit woorden van den Heiligen Geest waren, dat het de Heilige Geest was. Die zeide: „Wien zal Ik zenden?quot; — Zoo sprak ook later de Heilige Geest tot Petrus, toen deze vreesde met de boden van den hoofdman Cornelius mede te gaan (Hand. 10 vs. 19): „Zie, drie mannen zoeken u; daarom sta op, ga af en reis met hen, niet twijfelende; want Ik heb hen gezondenquot;. — En op eene andere plaats lezen wij: „En als zij den Heere dienden en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen hebquot;. (Hand. 13 vs. 2.) Meerdere bewijzen zullen wij niet aanhalen. Wij weten, dat wij gedoopt ziju in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; — dat er Drie zijn. Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest, eu deze Drie zijn Één; — dat op ons dezegen gelegd wordt: „De genade des Heeren Jesus Christus, de liefde
1; Volgens Lulher.
LEEEKEDE OVER JOHANJS\'KS 14 VS. 16, 17. 23
Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met uquot;; — wij weten voorts ook, dat de hemel door het Woord des Heeren gemaakt is, en al zijn heir door den Geest Zijns monds, en dat de Geest Gods ons gemaakt heeft. Wij zeggen met David (Ps. 139 vs. 7): „Waar zou ik henengaan voor Uwen Geest ?quot; Wij gelooven, dat wie Gode liegt, tegen den Heiligen Geest liegt. (Hand. 5 vs. 3, 4.) Wij weten, dat de Geest alle dingen onderzoekt, ook de diepten Gods, en dat deze Geest alle genadegaven in ons krachtiglijk werkt en aan eenen iegelijk in het bijzonder toedeelt gelijleerwijs Hij wil. (1 Cor, 2 vs. 10; 12 vs. 11.)
Dit is het blijmoedig geloof van iederen heilige, en hij overdenkt met heilige aanbidding en bewondering, hoe deze Geest, broedende als eene duif, over de wateren zweefde en in den door het Woord van Christus uit het niet voortgebrachten chaos blies en werkte; hoe deze Geest vóór den zondvleed, zoolang Gods lankmoedigheid het verdroeg, het geslacht der kinderen Gods strafte; hoe Hij het volk Israël als schapen door de diepte der Schelfzee leidde; hoe Hij op den berg Sinaï aan Mozes den Heere Christus in de heerlijkste beelden voorhield en predikte; hoe Hij Eezaleël en Aholiab en allen wijzen mannen in het hart gaf, bij het bouwen van den tabernakel en het maken van al zijne gereedschappen den Heere Christus af te beelden; hoe Hij op Mozes en de zeventig oudsten rustte, zoodat zij profeteerden; hoe door Hem de richters Israels het volk richtten, en, door Hem bekleed met een blijmoedig geloof, zich op de vijanden van Gods volk wierpen en hen verdelgden; hoe door Hem koning David zijnen zoon Salomo de meest volmaakte geestelijke beschrijving van den tempel gaf; hoe Hij menigmaal in het midden dei-Gemeente op eenen Profeet nederdaalde, die den versaagden toeriep: „Vreest niet; uw God is Koning!quot; kortom, hoe al de Apostelen en Profeten, door Hem gedreven en gedragen, gesproken en getuigd hebben en in alle waarheid geleid zijn, zoodat zij predikten en getuigden met eene macht, die al
24 LEERREDE OYER JOHANNES 14 VS. 16, 17.
het verhevene nederwerpt en al, wat in het stof ligt, opricht en verheft.
Eene andere levenswaarheid, door den Catechismus uitgesproken, is deze: „Dat Hij ook aan mij gegeven is, opdat Hij mij door een oprecht geloof Christus en al Zijne weldaden deelachtig make, mij trooste en bij mij eeuwig blijvequot;. — De eerste waarheid, nrnl. dat de Heilige Geest „samen met den Vader en den Zoon waarachtig eeuwig God isquot;, wordt met het hart niet geloofd, zoolang deze tweede waarheid niet in het hart is. Dat zij dit voor ons zij, is juist waarop het aankomt; want alzoo betuigt de Apostel: „Die den Geest van Christus niet heeft, komt Hem niet toequot;.
Mijne Geliefden! Ik wensch u eenen rechten Pinksterdag toe. Dat de Noordenwind ontwake, en de Zuidenwind kome en uwe harten doorwaaie! (Zie Hoogl. 4 vs. 16.) Dat de Geest aankome van de vier winden en blaze in vele dorre beenderen, opdat zij mogen naderen, elk been tot zijn been, dat zenuwen, vleesch en huid ze bedekken, en dan de Geest des Almachtigen daarin kome! Hoe dikwijls is over ulieden uitgesproken de zegen: „De gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen, amen!quot; Verstaat gij, smaakt gij dezen zegen? Doorwaait, doordringt die zegen u, zoo dikwijls gij dien hoort? — Welaan, ik wil u voorhouden wat in dezen zegen ligt opgesloten. Hoort met uwe harten, opdat het bij u waarheid zij, opdat het niet zij een woord der lippen, maar van een eenvoudig ongeveinsd geloof: „Ook mij, ook mij is de Heilige Geest gegeven; Hij maakt mij Christus en al Zijne weldaden deelachtig, en blijft bij mij in eeuwigheidquot;.
Van dit standpunt uit predik ik u den Heiligen Geest, als den Trooster, Die der Gemeente van Christus door den Vader gegeven is, en Dien Christus haar verworven en tot haar gezonden heeft.
i-eekrede over johannes 14 vs. 16, 17.
Tekst; Johannes 14 vs. 16, 17.
En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.
Tusschenzang: Lied 35 vs. 2, 4.
Gij dierbaar Licht, daal in \'t harte neer,
Dat het Jesus Christus kennen leer\',
Dat wij bij Hem blijven, dien trouwen Heiland,
Die ons gebracht heeft tot \'t rechte vaderland.
Heer\', ontferm ü onzer! ,
Gij hoogste Trooster in allen nood,
Geef, dat wij niet vreezen schand\' noch dood,
Geef, dat onze harten ook niet versagen,
Als de booze vijand ons aan wil klagen.
25
II !\' ■
f.11: \' :l\' .
li!
v;|?gt; {
■m ii
ï
: ^
| f
l f I
1|| Ir 1
I it * ■ y
|
tfii1 ■L :
KI
Heer\', ontferm U onzer!
In de laatste avonden vóór Zijn lijden sprak de Heere tot Zijne discipelen van Zijn heengaan tot den Vader; Hij openbaarde hun, dat zij van nu aan niet meer Zijne lichamelijke en zichtbare tegenwoordigheid zouden genieten; tot nu toe was Hij bij hen geweest en waren zij in al Zijue verzoekingen bij Hem gebleven; tot nu toe was Hij hun Trooster geweest; nu echter zou Hij heengaan tot den Vader, om hun woningen te bereiden; dan zou Hij wederkomen en hen tot Zich nernen. Daarvan verstonden zij wel is waar nog niets; zij waren daarentegen zeer bedroefd, en meenden, dat Hij toch wel bij hen blijven kon. En terwijl zij zonder Zijne zichtbare tegenwoordigheid in de wereld zijn zouden, zou allerlei nood over hen komen, en zouden zij allerlei droefheid smaken tot aan Zijne wederkomst; want om Zijns Naams wil zouden zij van allen gehaat worden.
^ i „ i
LEEKREDE OVER JOHAUNES 14 VS. 16, 17.
zij zouden noch bij de kerkelijke, noch bij de wereldlijke macht hulp en steun of bescherming vinden, veeleer gedood worden; zelfs zouden allen, die hen doodden, Grode daarmede eenen dienst meenen te bewijzen; dat zouden dezulken echter doen, omdat zij noch den Vader noch Hem kenden; gij zult daarover wel weenen en klagen, zeide onze Heere, maar de wereld zal zich verheugen. Dit moest Hij hun nu zeggen, opdat, wanneer het geschieden zou, zij niet zouden geërgerd worden, maar hunne harten bevestigd worden bij de ondervinding, dat alles zóó kwam als de Heere hun te voren gezegd had.
Maar hoe zouden de arme discipelen door zulke nooden heen komen ? hoe volharden ? hoe de overwinning behalen ? De Heere belooft hun eenen anderen Trooster: „Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheidquot;. — Dezen Trooster dan noemt de Heere; Hij is de Heilige Geest, de Geest der waarheid.
Een trooster is zulk een, die onderricht geeft, en, terwiil hij onderricht geeft, met dit onderricht den leerling vroohjk maakt; vervolgens beteekent dit woord eenen advocaat, die de zaak voor een weerloos en onkundig menschenkind op zich neemt; ook wel eenen, die te hulp geroepen is, en die hetgeen wij beweerden krachtig verdedigt en handhaaft, waar wij er geenen raad meer mede wisten, en allen tegensprekers den mond stopt, zoodat zij, de ergste vijanden niet uitgezonderd, zeggen moeten: Het is de waarheid.
Zulk eenen Trooster hebben wij noodig, voor zooverre wij door do genade des Geestes aan Christus geloovig, bekeerd en wedergeboren, ook geroepen geworden zijn, om, gelijk God heilig is, heilig te zijn in al onzen wandel. Als zooda-nigen zijn wij geboren bewaarders der Wet en van het getuigenis Jesu Christi, en kan het ons in de wereld ook niet anders gaan, dan het den Apostelen onzes Heeren ging, en zooals Hij het hun te voren gezegd heeft. Want dit kan niet uitblijven: gaat gij met de wereld niet mede, gelooft gij
26
LEERREDE OVER JOHANNES 14: 16, 17.
niet wat zij gelooft, aanbidt gij niet wat zij aanbidt, is uw wandel heilig, zoodat die allen liuichelachtigen wandel met zijnen roem van heiligheid veroordeelt, getuigt gij alleen van geloof, van Christus en Zijne gerechtigheid, bekent gij vrijmoedig de vrije genade, de souvereiniteit Gods tegenover al het willen en loopen des vleesches, — getuigt gij, dat het alles Gods vrije ontferming is, — zoo zal ook uw wandel dienovereenkomstig zijn, en daar gij niet mededoet, veeleer het godde-looze bestaan bestraft, zult gij van iedereen gehaat zijn en geacht als slachtschapen. Ja, als God het toelaat, dan zal de vroomste ter wereld in zijnen ijver voor God (Rom. 10 vs. 2) u het allereerst dooden, ook zult gij vleesch en bloed, het gansche lichaam dezes doods, benevens wereld en duivel tegen u hebben, zoodat gij menigmaal uiet meer zult weten waar te blijven, geenen God en geenen Heere Jesus meer zult zien, maar zult zijn als een wees, die vader noch moeder meer heeft, ja als een verjaagd hoen, als vogelvrij, als niet waard langer te leven.
Maar hier komt nu de belofte van den Trooster, gelijk de Catechismus zegt: „ILj troost mijquot;. Hebben wij met dezen Trooster gemeenschap, dan kunnen wij vroolijk zingen:
Neem, vijand, alles vrij,
Gij hebt geen baat daarbij :
Het llijk moet ons toch blijven!
De grond nu van onze gemeenschap met den Heiligen Geest is, dat Hij door Jesus Christus gezonden werd, om onze Trooster te zijn. Deze Trooster is de Geest van Christus, Dezelfde Die ook de Geest der wedergeboorte, des geloofs, dor heiliging, der genade en der gebeden is.
Het is liefelijk om te vernemen, op welk eene wijze onze Heere van dezen Trooster spreekt.
Alzoo spreekt onze Heere: Ik zal den Vader bidden en Hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk den
27
LEEHREDE OVEK JOHANNES 14 VS. 16, 17.
Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij ulie-den, en zal in u zijn.
O, wanneer wij den Heere liefhebben, dan houden wij Zijne geboden. En welke geboden ? dat wij in Hem blijven, ons alleenlijk aan Hem houden. Hem erkennen en belijden als den waren Wijnstok, zonder Welken wij niets vermogen, zonder Welken wij volstrekt geene vruchten kunnen voortbrengen; de vrucht evenwel is, dat wij de broeders liefhebben. Doen wij zulks, dan haat ons de wereld, dan bestrijden ons vleesch en bloed, en dan zijn wij bedroefd. Maar nu komt de Trooster, gelijk de Heere beloofd heeft: Hij zal komen! Wat brengt Zijne komst teweeg? Hij, de barmhartige Hoogepriester, Die met ééne offerande in eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd worden (Hebr. 10 vs, 14), de Zoon, Die als Koning de Zijnen voor de wereld bewaart, tegen alle vijanden beschermt, en niet wil, dat wij bedroefd, maar in Hem verblijd zijn, — Hij bidt den Vader, op grond van het door Hem aangebrachte losgeld, op grond van het verdrag tusschen den Vader en den Zoon, dat Hij de Zijnen uit de wereld zou vergaderen en eeuwig\' bij Zich houden, op grond van de eeuwige liefde en het welbehagen des Vaders, op grond dat Hij, de Zoon, dezen Trooster voor de Zijnen verworven heeft; en Hij is van de verhooring zeker. In deze zekerheid zegt Hij: De Vader zal u eenen anderen Trooster geven, opdat Hij u het gemis van Mijne lichamelijke tegenwoordigheid vergoede. De Vader zal Hem u geven als eene vrijwillige gift, omdat Hij u in Mij verkoren heeft; gij behoeft hier naar uwe verdienste niet te vragen. Hij wil Hem geven, niet als eene tijdelijke, voorbijgaande gave, maar opdat Hij bij u blijve ia der eeuwigheid. Alzoo geeft de Vader den Heiligen Geest op het gebed van den Heere Jesus als eene gave, die Hem niet berouwt, en eeuwig bij ons blijft. En zoo is het waarheid, zoo wordt het ondervonden. Ja, welk eene belofte, welk
28
LEERBEDE OVER JOHANNES 14 VS. 16, 17. 29
eene genade, dat de Heere het Zelf herhaalt; Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.
Welk kind Gods moet zich over zulke genade niet verwonderen? Zie eens terug op den in Gods genade afgelegden weg; hoe dikwijls zijt gij niet beschaamd geworden door de vraag: „Weet gij niet, dat gij een tempel Gods zijt, en dat de Heilige Geest in u woont?quot; Hoe dikwijls hebt gij niet reden gehad met David te smeeken: „Neem Uwen Heiligen Geest niet van mijquot;? — en nochtans, de Heere heeft woord en trouwe gehouden! en Hij houdt woord en trouwe, — bij wien ? By al de oliekinderen (Zach. 4 en Openb. 11), die het den duivel niet gewonnen geven, maar daaraan vasthouden, dat genade genade is; — die het der wereld niet gewonnen geven, maar daaraan vasthouden, dat de heiliging ligt in het bloed en den Geest van Christus; die het der zonde niet gewonnen geven, om ter wille van haar de genade te laten varen, maar aan genade vasthouden, om telkens opnieuw verlost te zijn van de tirannie der zonde, des duivels en der wereld. Bij dezulken blijft Hij, de Trooster, in dezulken is Hij, en dat worden zij gewaar, zoo dikwijls zij in nood verkeeren. Daarom zegt ook de Heere: Gij kent Hem, en dat is waar; daaraan, dat Hij bij ons blijft en in ons is, kennen wij Hem zeer goed. De aaugevocbtene ziel kent Zijne stem; Zijn spieken is niet als van eenen mensch, maar als scheppende en over alles heen dragende, zoodat men heilig begint te lachen, en zich menigmaal verheugt met onuitsprekelijke vreugde. Wij kennen Hem daaraan, dat Hij getuigt met onzen Geest, dat wij kinderen Gods zijn; ook ondervinden wij wel in het geestelijk leven, hetwelk nooit stilstaat, dat al het klagen, zuchten, steunen, bidden, getuigen, zich verheugen, zingen en juichen, evenals alle hoop op en alle voorsmaak van de eeuwige zaligheid niet uit ons, maar uit Hem zijn. Maar zoo is Hij ook onze kracht, dat het waarheid wordt: Hij, Die in u is, is machtiger dan allen, die tegen u zijn.
De wereld weet daarvan niets; de wereld heeftgeeu
30 LEERREDE OVER JOHANNES 14 VS. 16, 17.
ander geloof dan aan dat, wat gezien wordt, geen geloof dan aan eigen kracht, aan het „doe datquot;, aan hare werken en hare heiligheid, en zoodra hare zichtbare steunsels gevaar loopen, trekt zij zich terug. De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem dwaasheid, en welke wonderen van trouw, van ontferming en genade Gods er ook onder zijne oogen geschieden, hij ziet en begrijpt er niets van. De macht van den Trooster in de geloovigen, en do zekere rust, die zij door dezen Trooster hebben, blijft voor hen eene verborgenheid; maar ook juist daarom zijn die oliekinderen eene gansclie wereld te machtig, hoe zwak en ellendig zij ook in zichzelven zijn mogen. De Heere leert ons dezen Trooster kennen met eenen Naam, die Hem volkomen kenteekent; Hij noemt Hem; den Geest der waarheid. De wereld kan Dien niet ontvangen, omdat zij de leugen liefheeft; zoo heeft dan de wereld — wat zij ook van den Heiligen Geest weet te vertellen, — den geest der leugen. Maar ziehier de geheime macht, waarmede de Trooster de geloovigen omringt en vervult; de wereld mag de leugen bepleisteren zooals zij wil, ten slotte wordt zij toch te schande, zij kan niets dan leugen te voorschijn brengen. En wat ie. nu de leugen? Een wolf in eene schaapsvacht! een ezel in eene leeuwenhuid! Doch moge de waarheid ook lang miskend worden, — aan het worgen der schapen, aan den gang en aan de lange ooren herkennen de landlieden ten laatste wel den wolf en den ezel, en de goede zaak behaalt ten laatste toch de overwinning.
O, welk een troost voor eenen ieder, die Gods waarheid liefheeft en zoo menigmaal zucht: „Leid mij in Uwe waarheid en leer mijquot; — ; deze Trooster is de Geest der waarheid. Het is juist de waarheid van Christus, die door duivel en wereld in hem wordt bestreden; het is juist de waarheid van Christus, die door ons eigen vreesachtige hart wordt aangevochten ; — en al dengenen, die uit den dienst der doode werken overgezet worden in den dienst des levenden Gods,
LEEKUEDE OVER JOHANNES 14 VS. 16, 17. 31
gaat het om waarheid; zij hebben de waarheid lief; of zij er zelf bij omkomen of behouden blijven, dat is hun om het even, als de waarheid maar waarheid blijft. Maar, wat ondervinden zij dan? Zou de duivel kunnen gedoogen, dat zij de gevangenis, waarin hij de zielen onder de wet der zonde en des doods gevangen houdt, zouden ontsluiten? Zou de zonde kunnen verdragen, dat deze liefhebbers der waarheid zulk eene omwenteling in haar rijk teweegbrachten, waardoor de zonde al hare heerschappij zou verliezen ? Zou de wereld kunnen verdragen, dat er eene waarachtige heiligmaking opkwame, waardoor al de spinnewebben van hare gehuichelde heiliging met de bezemen des Woords weggevaagd, en al hare giftige spinnen op de vlucht gejaagd of gedood werden? De wereld noemde den Hcere „Beëlzebulquot;; zij zeiden: „Hij heeft den duivelquot;; men schold Hem voor eenen verleider uit. Gelijk echter de Meester, alzoo de rechtgeaarde en welgeoefende discipel. De wereld zet hem de kettermuts op. Heeft dan de discipel een hart van ijzer en staal? Juist in dezen nood en angst komt de Geest der waarheid hem, te hulp, — de Heere heeft Dezen beloofd! En ook waar de overgang uit den dienst van het „doe datquot; in de vrijheid van Christus, zooals men is, moet plaats hebben, of waar deze overgang moet bevestigd worden, — ook daar komt de Geest te hulp. Die door Zijne genade het hart versterkt en bevestigt, om in het aangezicht van de wereld, de hel en het aanklagend geweten te betuigen: „Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij !quot;
Volk des Heeren! Dat deze Geest bij ons is en in ons is, ontwaart gij, terwijl ik dit uitspreek. En dat Hij bij ons blijven zal, totdat wij den geest geven, en ons dan ook geleiden zal, door het enge dal der schaduwen des doods tot voor den troon des Lams, — dat is ons verzekerd. De waarachtige Getuige heeft het gezegd: Hij blijft bij u in eeuwigheid! Welk eene genade! welk een voorrecht! Ik kom bij eene andere gelegenheid er nog eens op terug, wat ons door den Heere van dezen Trooster nog meer beloofd werd, — o. a. dat
32 LEERREDE OVER JOHANNES 14 VS. 16, 17.
Hij ons alles leert en ons alles indachtig maakt, wat de Heere ons gezegd heeft, en hoe Hij daardoor in ons den vrede bewaart, dien de Heere ons gelaten heeft, toen Hij zeide: „Mijnen vrede laat Ik n, Mijnen vrede geef Ik uquot;. Het zou mij te ver leiden, zoo ik u heden nog wilde uitleggen, wat de Heere nog meer van dezen Trooster belooft, namelijk: „Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen; al wat do Vader heeft, is het Mijne; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen en u verkondigen\'\'. Ook in deze woorden ligt een schat van troost, maar voor ditmaal wilde ik u alleen daarop opmerkzaam maken, welk een dierbare en hooge Gast bij ons inwoont. Hij heet de Trooster, de Heilige Geest, de Geest der waarheid, en is de levende en almachtige God, Die Zijne wetten in ons verstand schrijft, ja ze ook in onze harten grift. Waarom heeft Hij woning bij ons gemaakt? Opdat de Vader en de Zoon door Hem den raad der zaligheid, het werk der genade in ons zouden voortzetten; opdat zoo alles, wat God met ons volgens Zijn eeuwig raadsbesluit voorheeft, door Hem in ons volbracht worde; opdat de Geest het gemis van de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus bij ons zou vergoeden; opdat God gerechtvaardigd worde in Geest, gelijk Hij geopenbaard is in het vleesch; — en eindelijk, opdat wij aan de hand dezes Geestes zouden gewandeld hebben, totdat de Heere komt, om ons tot Zich te nemen, waar Hij is.
Het is liefelijk, te vernemen, van waar deze Geest komt en hoe Hij komt. Hij gaat uit van den Vader, zegt onze Heere. (Joh. 15 vs. 26.) Hierin is ons geopenbaard, hoe de Vader de oorsprong is van de gemeenschap des Heiligen Geestes met ons. Hij gaat uit van den Vader, opdat wij allen de werkingen Zijner genade kennen in do uitvloeisels Zijner vrijmachtige liefde, welke ons uitverkoren heeft. Het voornemen des Vaders, het voornemen Zijner eeuwige liefde is de oorzaak van Zijne komst; op dezen grond rust de bede des Zoons, dat de Vader den Geest zou geven als loon voor den arbeid Zijner ziel voor God en de
LEEKEEDE OVER JOHANNES 14 VS. 16, 17. 33
Gemeente, — on ten gevolge van deze bede gaat de Geest vrijwillig uit van den Vader en komt tot ons neder. Voorwaar, dit is wel om in het stof neder te buigen en te aanbidden!
Wij vernemen vervolgens den vrijen wil des Geestes in dit werk, dat Hij komen wil en onze Trooster zijn; wij vernemen de wonderbare nederbuiging dos Heiligen Geestes tot ons, dat Hij het zware werk van oenen Trooster op Zich wil nemen, gelijk de Zoon het werk der verlossing, on de Vader het werk der genadige uitverkiezing en dor machtige trekking door den Geest tot den Zoon op Zich genomen hoeft. Gelijk Christus alleen met arme zondaren te doen heeft, zoo heeft de Geest alleen met versaagden, bekommerden, hard aangevochtenen, ongeleerden en treurenden to doen, met zulken, die weenen en klagen en zich in voortdurenden angst bevinden, hetzij omdat de duivel hen aanklaagt, dat zij onreine kleederen dragen, hetzij omdat het geweten hen beschuldigt, dat zij togen Gods geboden zwaar gezondigd en geen derzelve ooit gehouden hebben, hetzij omdat de wereld hen slacht en opeet, alsof zij brood at. — Hij wil niet anders dan een gegeven Geest zijn. De Vader zal Hem geven, zegt onze Hoere. Hij heeft alleen lust in genade, en opdat genade verheerlijkt zij, laat Hij Zich als eone gave schenken. Hij laat Zich geven, gelijk do Zoon Zich overgeven liet; daarin bestaat Zijne vrijwilligheid. Waar Hij komt, daar wil Hij uit genade heengezonden zijn. Hij wil eene vrije gave heeten; daarom wordt Hij ook door het Evangelie, dat is: uit louter genade en niet uit werken, die wij zouden gedaan hebben, ontvangen; daarom heeten ook al Zijne werkingen: genadegaven. Alleen daartoe is Hij bereid. Zich aan do zielen der uitverkorenen en verlosten te laten geven. Dat is ook ons houvast, waarbij wij gehouden worden en Zijne gemeenschap genieten.
Hij komt niet uit eigene macht en op eigen gezag. Hij komt op gezag des Vaders en dos Zoons. Onze Hoere belooft: „De
3
LEERREDE OVER JOHAXIfES 14 VS. 16, 17.
Vader zal Hem zenden in Mijnen Naamquot; (Joh. 14 vs. 26), en: „Ik zal Hem u zenden van den Vaderquot;. (Joh. 15 vs. 26.) Zoo is het naar de ordening, die vrijwillig vastgesteld werd tusschen den Vader en den Zoon en den Heiligen Geest, om het werk onzer zaligheid volkomen te volbrengen. Hij zegt niets uit Zichzelven; Hij komt. Hij, de almachtige God, met het hooge gezag van den Vader en van den Zoon, om te troosten met de genade van Jesus Christus en met de liefde Gods.
Zoo kooit Hij. Hij komt overeenkomstig de drie wondervolle eigenschappen van het genadeverhond. Dit Verbond is geheel vrij, opgericht uit vrije goedheid, daarom wordt de Trooster gegeven. Dit Verbond is in alle opzichten wol geordend en vast, en komt voort uit de liefde des Vaders door do verdiensten des Zoons, heeft zijnen grond in de liefde des Vaders en in het bloed des Zoons Gods; daarom wordt do Geest gezonden. Dit Verbond is krachtig werkzaam cn onwederstaanhaar; daarom wordt de Geest ui t gego t en, gelijk Paulus zegt; „Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegotenquot;. (Tit. 3 vs. 6; vergel. Jes. 32 vs. 15; 44 vs 3 en Zach. 12 vs. 10.) En gelijk de Heere bij den Profeet Jesaia betuigt; „Ik zal water gieten op de dorstigen, cn stroomen op hot droge, Ik zal Mijnen Geest op uw zaad gieten, en Mijnen zegen op uwe nakomelingenquot;.
quot;Wat de Heere beloofd heeft, dat heeft Hij vervuld, niet alleen op den vijftigsten dag, waarvan wij lieden gedachtenis vieren, maar vóór cn na heeft de Heere deze belofte vervuld, en wij, die dezen Trooster in ons hebben, zijn daarvan getuigen.
Hoeveel oorzaak hebben wij niet, om te danken, ja om te juichen en op te springen in onzen God, dat Hij bij ons Zijn Woord waargemaakt en trouwe gehouden heeft, — wij, die met dezen Trooster zijn begenadigd geworden! Voorwaar, als wij eens recht overwegen on bedenken, hoe wij tot nu toe in al onze nooden en angsten zijn geleid, gedragen en geschraagd,
34
LEERREDE OVER JOHANNES 14 VS. 16, 17.
eu hoe deze Geest bij ons is gebleven niettegenstaande onze blindheid en de hardheid onzer harten, ons versaagd-ziju on twijfelen, ons ongeloof en onze duizenden zonden, hoe deze Trooster voortdurend do liefde opgewekt, het geloof gesterkt, de hope der zaligheid levend gehouden heeft, en ons tot dusverre over eiken tegenstand heen geholpen heeft; hoe Hij ons tegenover wet, aonde, dood, duivel en wereld voortdurend de genade van Josus Christus en do liefde des Vaders heeft te aanschouwen en te genieten gegeven, en hoe wij Hem van den Vader en van den Zoon als eene vrije gave ontvangen hebben, — wat kunnen wij dan anders dan aanbidden en in dit vaste vertrouwen leven: de trouwe God zal het ook verder wel maken en zorgen, dat wij op den weg niet omkomen!?
Eene ernstige, zeer gewichtige vraag nu is deze: Hebben wij allen dezen Trooster ontvangen? Het antwoord is ontkennend. Er zijn er, die er om zuchten en bidden; dat dezen toch niet vertragen in het gebed, want de Heere zegt: „Hoeveel te meer zal do hemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem biddenquot;. (Luk. 11 vs. 13.) — Er zijn evenwel velen, die er volstrekt niet bekommerd over zijn, dat zij dezen Geest niet ontvangen hebben. Indien dezen bij de wereld willen blijven en met de wereld willen medeloopen, zoo wacht hun een eeuwig huilen en weenen, wanneer al de geplaagde kinderen Gods ingaan in de eeuwige vreugde, welke voor hen bereid is. Als zij daarentegen uit do wereld willen gered zijn, welaan, dat zij dan gehoorzaam zijn aan de stem desGeestes: „Heden, verhardt uwe harten niet!quot; ])e belofte des Heiligen Geestes geldt ook nog heden dengenen, die zich in waarheid tot G od hekeeren. En gij volk, in wier harten gebaande wegen zijn, houd moed! juich zoo luid gij kunt; want de Trooster, de Heilige Geest, blijft bij ulieden! Weldra zullen wij alles, waarmede Hij ons hier zoo rijkelijk vertroost, met onze oogen aanschouwen. Amen.
35
leerrede oyer johannes 14 vs. 16,
Nazang: Psalm 147 vs. 10.
Hij gaf aan Jakob Zijne wetten,
Deed Isrel op Zjjn woorden letten; Hij leerde z\' in Zijn wegen wand\'len. Zoo wou Hij met geen volken hand\'len Die moesten Zijn getuigenissen En Zijn verbondsgeheimen missen.
Laat dan Gods lof ten hemel rijzen! Laat al wat adem heeft Hem prijzen!
III.
L E E R 11 E D E
ovee
JOHANNES 14 vs. 26.
Voorzang: Psalm 72 vs. 1—3.
Geef, Keer\'! tien Koiilug Uwe rechten,
En Uw gerechtigheid Aan \'s Kouings Zoon, om Uwe knechten
Tc richten roet beleid.
Dan zal Hij al Uw volk beheeren.
Rechtvaardig, wijs en zacht,
En Uw ellendigen regeeren:
Hun recht doen op hun klacht.
De bergen zullen vrede dragen,
De heuvels heilig recht;
Hij zal hun vrooüjk op doen dagen
Het heil, hun toegezegd.
\'t Ellendig volk wordt dan uit lijden
Door Zijnen arm gerukt;
Hij zal nooddruftigen bevrijden;
Verbrij z\'len, wie verdrukt.
Gehondeu op Piuksterzondag, \'s avonds, 1863.
LEERTiEBE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
Zij zullen U eerbiedig vreezen,
Zoolang er zon of maan I?ij \'t nageslacht ten licht zal wezen,
En op- en ondergaan.
Hij zal gelijk zijn aan den regen,
Die daalt op \'t late gras;
Aan droppels, die met milden zegen Besproeien \'t veldgewas.
Do Heilige Geest neme uit onze harten weg al wat ons verhindert, om als vloekwaardigen met vrijmoedigheid te naderen tot den troon dor genade. Hij neme het weg, waar het woord, het machtige en verhevene woord, luid wordt gehoord: „Troost, troost Mijn volk!quot; Wij, die zoo gaarne zouden willen geloo-ven, wij mogen gelooven; wij mogen het wagen, ons vast te houden aan de voorgestelde hope, die wij hebben als een anker dor ziel, hetwelk zeker en vast is en ingaat in hot binnenste van liet voorhangsel, in don hemel. Onze Yoorlooper Jesus, naar de ordening van Melchizedek een Hoogepriester geworden zijnde in eeuwigheid, is voor ons ingegaan in het heiligdom der zaligheid Gods. Wat Hij gezegd heeft, dat geschieden zou, is geschied; Zijne belofte: „Ik zal u geene weezen latenquot;, heeft Hij trouw gehouden. O hoe goed was het, dat Hij, de trouwe Heiland, tot den Vader heenging, anders ware de Trooster niet gekomen. Hoe genadig is onze Heere nagekomen, wat Hij beloofd had: „Indien Ik heenga, zal Ik den Trooster tot u zenden, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid !quot; En hoe waar is Zijne belofte bevonden; „De Trooster, de Heilige Geest, Welken do Vader zenden zal in Mijnen Naam, Die zal u alles leeren, en zal u indachtig maken alles wat Ik ii gezegd hebquot;. In Hand. 2 lezen wij, hoe zulks vervuld werd.
Op den vijftigsten dag na de opstanding van Christus kwam deze dierbare Trooster. Wij vernemen uit de Handelingen der Apostelen, dat Hij gekomen is in een geluid gelijk als van eenen geweldigen, gedrevenen wind en Zich zette op eenen ieder der trouwe discipelen, welke op de belofte des Hoeren Jesus
38
LEERREDE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
wachtten, hen vervullende met Zijn vuur, chit men in de gedaante van vlammen op hunne hoofden zag.
Achttien eeuwen zijn sinds voorbijgegaan, en door al die eeuwen heen vervult de Heere Jesus ter Rechterhand des Vaders Zijn woord: „Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u eenen anderen Trooster gevenquot;.
Dat doe Hij, die trouwe Heere, bij aanvang en bij voortgang voor ons, opdat wij ons in de belofte des Vaders: „Ik zal van Mijnen Geest uitstorten op alle vleeschquot;, met heilige vreugde verheugen.
Dewijl wij den Heiligen Geest ontvangen door de prediking des geloofs, zoo prediken wij van het geloof, opdat wij ge-looven, — gelooven, wat de Heere Jesus gezegd heeft, namelijk dat Hij, waar de prediking van Zijn Evangelie vernomen wordt, ook nu nog den Trooster zendt. Wij belijden, dat wij in den Heiligen Geest gelooven, d. i. dat wij op den Heiligen Geest ons vertrouwen stellen. quot;Waarom wij zulks doen, leerden en loeren wij uit het Formulier van den Heiligen Doop, alwaar wij lezen: „Desgeljjks als wij gedoopt worden in den Naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig Sacrament, dat Hij bij ons wil wonen (als Leeraar en Trooster) en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassching onzer zondenquot;, enz. Deze belofte is duidelijk uitgesproken in Jes. 59 vs. 21: „Mij aangaande, dit is Mijn Verbond met hen, zegt de Heere: Mijn Geest, Die op u is, en Mijne woorden, die Ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toequot;.
Wij wenschen nu in deze ure zulks nader voor u te ontwikkelen, opdat wij recht mogen verstaan en ter harte nomen, welk oenen hoogen en dierbaren Gast God de Vader door Zijnen lieven Zoon aan Zijne Gemeente zendt.
39
leerrede over .tohannes 14 vs. 26.
Tekst; Johannes 14 vs. 2G.
Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijnen Naam, Die zal u alles leeren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.
Tusschenzang: Psalm 117.
Loof, loof den Heer\', gij heidendom!
Gij volken! prijst Zijn\' Naam alom!
Zijn goedheid is, in nood en dood,
Voor ons, Zyn volk, oneindig groot.
Zijn waarheid wankelt nimmermeer.
Zingt, Haleluja! zingt Zijn eer.
Vooreerst een enkel woord over den Persoon des Heiligen Geestes. Dat do Heilige Geest te zamen mot den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is, behoef ik u niet te bewijzen, — maar gij moet vasthouden den troost van Zijne belofte: „Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijnquot;, — weshalve de Apostel Paulus aan alle leden der Gemeente toeroept: „Weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is?quot; (1 Cor. 6 vs. 19; vergel. Hoofdst. 3 vs. 1G.) Ja, die waarheid moeten wij, zoo wij ons tegen alle dwaling willen vrijwaren, ons niet laten onr-nemen, dat alle werkingen des Heiligen Geestes Goddelijk zijn, dewijl Hij Zelf God is.
Wij willen u dan, wat de Godheid des Heiligen Geestes betreft, iets van Zijne eigenschappen mededeelen.
Deze Geest is eeuwig. Waar Hij alzoo woning maakt, daar blijft Hij, gelijk wij met den Catechismus belijden; r,en dat Hij bij mij eeuwig blijvequot;. Dewijl nu deze Geest een vol-zalige Geest is, zoo maakt Hij ons allen, in wie Hij komt wonen, ecuwig zalig, en is de eeuwige olie, die niet stilstaat, zoolang er ledige vaten, hetzij groote of kleine, aangebracht worden.
Deze Geest is alwetend, d. i. Hij weet alle dingen. Hij onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods; Hij weet al wat in Gods hart besloten is ten goede van armen en eenvoudigen;
40
LEERREDE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
Hij kent het gansche genadige raadsbesluit Gods, Zijn ganschc welbehagen en de onveranderlijkheid Zijner verkiezing. Hij zat als het ware voor in den eeuwigen vrederaad; daarmede vertroost Hij, het geheele leven door, al degenen, in wie Hij woning gemaakt heeft. Ook kent Hij den rijkdom der volheid van Christus, en weet hoe onuitputtelijk deze volheid is, die God de Vader aan Christus gegeven heeft. Hij weet, wat opgesloten ligt in het woord, aan het kruis uitgesproken: „Het is volbrachtquot;, — om uit deze volheid van Christus te nemen, opdat wij allen daarvan vervuld en door Hem in deze volheid afgewasschen, gereinigd en geheiligd worden, gelijk wij gerechtvaardigd zijn door den Naam van den Heere Jesus, Daarenboven kent de Heilige Geest ook ons door en door; Hij weet wat maaksel wij zijn, en is gedachtig, dat wij stof zijn; — Hij weet wat uit hot hart des menschen voortkomt; Hij kent onze gedachten en weet, hoe wij hot meenen; Hij verstaat ook onze diepste verzuchtingen.
En gelijk Hij een alwetende Geest is, zoo is Hij ook een a 1 w ij z c Geest, om ons zóó te bewerken, dat wij moeten en willen, al willen wij ook niet, en dat wij, alhoewel wij tegeu-strevers zijn, ons gaarne aan Hem overgeven.
Hij is ook een almachtige Geest, Die, als Hjj woning in een menschenhart maken wil, met onwederstaanbare, scheppcndo macht en kracht komt en spreekt: „Daar zij licht!quot; en ei-wordt licht; en Hij neemt het hart zóó in, dat de geheele menschelijke wil Hem onderworpen is. Zoo is Hij te gelijk een genadige Geest, quot;Waar Hij den nacht verdrijft, daar is voor de ziel de dag, die aanbreekt, een dag van gejuich; daar is de morgenster, die in het hart opgaat, dierbaarder dan de heerlijkste aardsche schat. Waar Hij het hart met onwe-derstaanbaar geweld in bezit neemt, daar stort Hij de liefde Gods uit in het hart, en de kostelijke zalf van den Naam „Jesusquot;.
Ten laatste, — want het geheele leven, ja de eeuwigheid kan het niet verhalen, hoe veel minder dus een enkel uur, welk een hooge Gast deze Geest is, — ten laatste dan noemen
41
LEERREDE OVER JOIIANXES 14 VS. 26.
wij uog deze eigenschap, dat Hij a 1 o m t e g e n w o o r d i g is. Zoo ia Hij bijv. iu dit uur niet alleen in deze Gremeente, maar in alle Gemeenten, groot of klein, van den avond tot aan den morgen, van de zuidpool tot de noordpool, op de eilanden en de zeeën werkzaam in allen, die zieh over Zijne Pinkstergaven verheugen, of in den Naam van Jesus tot God roepen, om Hem te ontvangen.
En bij wien Hij nu woning gemaakt heeft, daar heeft Hij nog eenen anderen dierbaren Gast medegebracht: Christus in u; en deze Gast, Christus in u, brengt nog eenen hoogen Gast met Zich mede: den Vader.
Overwegen wij nu verder, wat deze Geest voor ons gedaan heeft, toen wij nog niet waren. Ik zeidu: Hij zat als het ware voor in den eeuwigen vrederaad, toen het genadeverbond en de eeuwige verkiezing vastgesteld werd; toen liet Hij Zich door deu Vader aan den Zoon beloven, en toen de volheid des tijds gekomen was, dat de Zoon een lichaam zou ontvangen, om daarin den wil Gods tot onze zaligheid te vervullen, toen was het deze Geest, Die over de maagd kwam en haar overschaduwde, dat zij zwanger werd en den Immanuël baarde. Op dozen Immanuël kwam bij den doop de Geest met macht, zoodat vervuld werd, wat Jesaia van Hem voorzegd had: „De Geest, des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om eene blijde boodschap te brengen den zacht-moedigen; Hij heeft Mij gezonden, om te verbinden de gebrokenen van hartequot;; en deze Geest was het. Die Jesus in de woestijn leidde, om verzocht te worden van den duivel en met het geschreven Woord den verzoeker te overwinnen. Daarna predikte de Heere Jesus met macht het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en de Geest des Heeren Heeren was op Jesus, — zoo dreef Hij door den Geest do duivelen uit, genas de kranken, wekte de dooden op, en werd niet moede noch mat, om den armen het Evangelie te verkondigen. En nu komt nog het voornaamste; deze Geest was op Jesus, en door dezen eeuwigen Geest is het geschied, dat onze eenige Hoogepriester Zich Gode
42
LEERREDE OVER JOHANNES 14 VS. 2G.
onstraffclijk heeft opgeofferd, en toen Hij Zich alzoo opgeofferd had, den dood des kruises gestorven was en in liet graf lag, was het ook door dezen Geest, dat Jesus het leven weder tot Zich nam. En op den tienden dag na de hemelvaart onzes Ilecren doet deze Geest, wat Hij in den eeuwigen liefderaad op Zich genomen heeft. Hij daalt met Zijne genade, niet Zijne gaven neder op alle vleesch. Dat doet Hij tot op den huidigen dag; dat zal Hij doen, totdat onze Heere wederkomt met al Zijne heilige engelen.
Deze is die voorname en dierbare Gast. — quot;\\Yat heeft Hij verder voor ons gedaan?
Hij heeft vóór onze geboorte reeds zorg gedragen, dat het Boek bestond, waarvan de woorden door Ilcmzelven aan do schrijvers zijn ingegeven, woorden, door welke Hij zóó tot ons spreekt, gelijk geen mensch vermag. Hij heeft vervolgens voor onzen doop gezorgd, en ook daarvoor, dat wij opgevoed werden in de tucht en vermaning des Heeren.
Dat was nu alles voor ons. Voor ons was door Hem do wonderbare toebereiding en stichting van de Gemeenten van Jcsns Christus op aarde, gelijk ook te dezer plaatse.
Vernemen wij nu, van welken aard Zijn ambt en het werk is, dat Hij in ons verricht, — iu ons, die Hij tot Zijne woning en werkplaats uitverkiest. O, wij hebben het reeds gedeeltelijk vernomen: de Heere Jesus, op Wiens bevel wij ook gedoopt zijn, heeft ons beloofd, dat de Heilige Geest de Leeraar en Trooster zijn zal, zoo van ons als van ons zaad, en van het zaad van ons zaad tot in eeuwigheid.
Derhalve, Hij is onze en onzer kinderen Leeraar
O wonder van eeuwige genade en barmhartigheid des Heiligen Geestes, dat Hij zulks zijn wil! Immers, van tweeën één: óf licht, lucht en vrijheid door dezen Geest, óf wij blijven in eeuwige duisternis, in den eeuwigen gloed van Gods toorn, in eeuwige banden van helsche kwalen.
Laat ons nu eens bedenken, hoe wij levend zijn voor al het aardsche, en hoe dood voor al het geestelijke. Gij ouders, —
43
LEERREDE OVER JOTUNXES 14 VS. 26,
wel kunt gij voor mve kinderen bidden, maar hun hart openen voor de dingen des eeuwigen levens, dat vermag geen menschen-kind. Hoe groot is niet de duisternis in ons!-Alleen de almachtige Geest vermag het licht in onze harten te ontsteken en ons iets te doen zien van de heerlijkheid van Christus. Of ik u en uwen kinderen al vele jaren vloek en zegen, hel en hemel voorhoud, — wat vrucht is er, als de regen valt, en de aarde slechts doornen en distelen voortbrengt? AlsdeHcere Jesus geene hoogere kracht met Zich medebracht, Hij zou, waar Hij ook mocht komen en prediken, niets uitrichten. Alles breekt, maar het hart eens menschen breekt niet. Evenwel keert des Heeren quot;VVoord niet ledig weder. Jesus brengt deze hoogere kracht met Zich mede. Hij zendt den Geest van den Vader, en Die weet het hart van volwassenen zoowel als van kinderen te openen.
Daartoe bedient Zich de Geest van de meest gepaste middelen. Hij is met het Woord, dat gepredikt wordt, en Hij maakt daarmede woning, waar de Vader het wil. Met het Woord opent Hij het hart, komt er zoo in, en is een lichten een vuur in het hart, en maakt, dat het kind evenals de volwassene van God gelooft, dat Hij goed en goedertieren, dat Hij vriendelijk is, — en van den Heere Jesus, dat Hij een goede Herder is, Die Zijn leven stelt voor Zijne schapen. Dezen God, dezen Jesus moet én het kind cn de volwassene tot Zijnen God, tot Zijnen Jesus hebben. Daar doet dan de Geest soms, alsof Hij het licht geheel wegneemt en uitbluscht. Hij heeft Gods Wet weder overeindgezet in de harten, heeft zo in de wanden des harten gegraveerd, en nu moet het kind evenals de volwassene door de Wet komen tot de kennis van de grootheid zijner verdorvenheid. Dan is het hart aan een donker hol gelijk. Men is als zonder God cn zonder leven. De zoude heeft zich van ons meester gemaakt, wij gevoelen ons in de banden des duivels, in de strikken der wereld, in do ketenen van eigen lusten, — o er is geen straal van genade, van vergeving van zonden!
44
LEERREDE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
Intussclien gaat de Heilige Geest voort met Zijne bestraffing in het hart en in het geweten en blijft ons het geschrevene quot;Woord voorhouden, totdat Hij ons iets te zien geeft van Gous genade en van de liefde en de gewilligheid van Jesns, om Zich over zulk oenen verlorenen zondaar te ontfermen.
Dan ontsteekt de Heilige Geest in het hart verlangen naar zulke genade, verlangen naar den Heere Josus. Zoo breekt de dag in het hart aan.
Daar brengt Hij dan dien mensch nader tot God en den Heere Jesus, maar als eenen goddelooze, — stelt hem zoo voor het gericht, en houdt den menamp;ch de volkomene genoogdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus voor. Zoo gaa^ de morgenster op in het hart. De Geest maakt, dat de mensch met beide handen het heil aangrijpt, en de Geest spreekt in zijn hart het woord : „Mijne goedertierenheid zal van u niet wijkenquot;.
De Geest is het ook, Die ons en onzen kinderen leert, dat onze ganschc zaligheid alleen is in het eenig offer van Christus, voor ons aan het kruis geschied.
Gelijk het vuur licht verspreidt, en de vlam haar schijnsel geeft, alzoo is de Heilige Geest in Zijn onderwijs, en verlicht het verstand; en gelijk het vuur warmte geeft, zoo maakt de Geest in Zijn onderwijs ook warme harten. Want als Hij ons hart opent bij het hooren van het gepredikte Woord, dan geeft de Geest ook, dat de mensch van zijne zonde en verdorvenheid afziet en telkens weder de oogen vestigt op de genade, die daarboven is, alsook dat hij gedurig weder tot Christus gaat als tot den Eenige, Die voor ons aan de gerechtigheid Gods en het recht der Wet voldoening gebracht heeft, Die ook alleen den strijd met zonde en duivel weet te strijden. O, hoe zalig is het den mensch dan telkens weer in het hart, als de Geest hem leert: „Alleen aan Christus u gehouden; Hij is het begin, het midden en het einde van uwen gan-schen weg en van al uwe werken!quot; Hoe zeer gevoelden dat de beide discipelen, dio op don weg naar Emmaüs wandelden, toen de Heere Jesus hun de Schriften uitlegde, die van Hem
45
LEERREDE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
getuigden! „Was ons liart niet braudende in onsquot;, zeiden zij tot elkander, „als Hij tot ons sprak op den wog en als Hij ons de Sclirifton opende?quot;
Hoe dierbaar is Zijne leer, hoe weet Hij ons met éénmaal do scliellen van de oogcn te laten vallen! Hoe verrast uy ons soms met eene enkele spreuk of met een enkel woordje, bijv. met het woord „genadequot;, of met een „vrede zij uquot;, of mot het woordje „nochtansquot;, — zoodat men het wel ervaart, hoe Hij een Geest der genade, een Geest des geloofs, een Geest des vredes, der aanneming tot kinderen is; en hoe is Hij steeds onvermoeid werkzaam bij de aanklachten des gewetens, bij de angsten en zorgen des harten, als wij ons gedurig in verlegenheid bevinden en niet weten ons te helpen of te raden, zoodat wij, die nog zooeven weenden, en dachten, dat alles verloren was, op eens van heilige vreugde opspringen en juichen. Ook weet Hij gericht te houden in de harten, zoodat men zonder ophouden zichzelven moet aanklagen en verdoemen, daarentegen van ganscher harte Godo alleen de eer geven en Zijne vrije ontferming roemen. Dan ontsteekt Hij te gelijker tijd ook een vuur in het binnenste, hetwelk alles verteert, wat op het altaar van Christus geworpen wordt. Als wij nu in de aanvechting al onze zonden, ons ongeloof, onze moedeloosheid en versaagdheid op het altaar van Christus werpen, dan . wordt alles in dit vuur verteerd, en wij vinden ons met den opgewekten cn verheerlijkten Jesus alleen; al het andere is verbrand. Al onze zonden zijn als zoovele wateren op het altaar van Christus, zoodat het offer onmogelijk voor ons branden kan, totdat het vuur van Boven er op nedervalt, — dan is alles verteerd.
Zoo leert Hij de blinden lezen, dat zjj vroolijk uitroepen : „Dat staat daar voor mij geschreven!quot; Zoo toont Hij den armsten, dat zij nochtans rijk zijn, en zegt tot hen: „Dat is alles voor u!quot; Zoo opent Hij de ooren der dooven, dat zij hooren: „Verhef uwe stem en zing: De Heere is mijn heil, ik zal niet vreezen!quot; Zoo leert Hij de zwakken te gelooven,
46
LEERREDE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
dat zij nochtans maelitig, ja almachtig zijn. Thomas reoet geloovcn, of hij wil of niet. En de kreupele gaat in de kracht des Geestes eenen weg van veertig dagen eu veertig nachten. En wie over zijn dood-^ijn klaagt en wcenende uitroept: „Ik kan niet! ik kan niet!quot; dien maakt Hij levend. Waar Hij maar in de raderen komt, daar gaat het voorwaarts, recht voor zich heen, gelijk de Geest liet wil.
Zoo maakt Hij vroolijkc belijders, zoodat melaatschen bekennen, dat en hoe zij nochtans rein zijn. En in de hitte der aanvechting wordt de belijdenis steeds vuriger: „Ik geloof, dat God, om het genoegdoen van Christus, aan al mijne zonden, ook mijnen zondigen aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome!quot; En ook worden duivel en wereld verdreven met de eenvoudige belijdenis: „Ik ben mijns Ileeren! In den Heore Heere hebben wij gerechtigheden en sterkte!quot;
Gelijk nu de Geest brandende harten maakt, zoo maakt Hij ook vurige bidders. Waar de Geest in het hart is, daar drijft Hij, gelijk hot vuur de vlammen, de zuchten opwaarts naar den hemel. Dit maakt de versaagden sterker dan God, de diep-bedroefden machtiger dan de Heere Jesus, als Hij hen met de hondekens gelijkstelt; zoodat God wel zegenen, de Heere Jesus wel helpen moet; ja ook een Bileam moet zegenen, en al het tegenstrijdige moet daartoe dienstig zijn. Zoo vlucht het verwonde, opgejaagde, of van slangen gebeten hert tot de lovende bronwel; de verschrikte schapen worden moedige leeuwen; het brood regent voor ons uit den hemel, en uit den harden rotssteen komt door den Geest het water voort. — Bergen storten voor ons neder in de zee; afgronden worden aangevuld; stroomen worden in hunnen loop gestuit, — zeeën worden uitgedroogd, en waar het droge was, stroomt water; zon en maan staan stil; met een ezelskinnebakken worden duizenden verslagen; uit eenen gewissen dood krijgt men de
47
LEERREDE OVER JOIIANSES 14 VS. 26.
zijnen woder (vcrgel. Ilebr. It vs. 35), en een wolf wordt herschapen in een lam.
Zoo leert ons de Heilige Geest, en om ons tot vurige bidders te maken, behoeft Hij slechts Zijn licht te werpen op hot woord des Heeren Jesns: „Voorwaar, voorwaar, Ik zegu; Al wat gij den Vader zult bidden in Mijnen Naam, dat zal Hij u geven. Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijnen Naam; bidt, en gij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap vervuld zijquot;. (Joh. 1G vs. 23, 24.)
He Geest leert ons alles verstaan, wat de Heere Jesns ons gezegd heeft, wat God door de Profeten en Apostelen tot ons spreekt. Hij maakt ons dat alles indachtig, leidt ons in allo waarheid en openbaart ons ook de toekomende heerlijkheid, zoodat wij zeggen: „Hetzij dat wij leven, wij leven don Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heerequot;.
Vernemen wij verder welk een liefelijke zielenvriend Hij is, hoo goed Hij weet te troosten, gelijk ons bij den Heiligen Doop beloofd wordt, dat Hij in eeuwigheid onze en onzer kinderen Trooster zijn zal.
Hij troost ons met Christus en met alle beloften Gods, die, zoo vele er zijn, alle ja en amen zijn in Christus Jesus, Godc tot heerlijkheid, naar het woord onzer prediking, gelijk de Heere Jesus gezegd heeft: „Hij zal het uit het Mijne nemen, en u verkondigen; al wat de Vader heeft, is het Mijnequot;.
Geen schepsel kan eenen mensch zóó troosten, dat hij waar-achtigen, blij venden troost heeft; dat kan alleen de Heilige Geest, en dan is Hij gelijk aan een verkoelend windje in de brandende zomerhitte, als het ons gaat gelijk in Psalm 32 staat: Mijn levenssap droogd\' uit van uur tot uur,
Gelijk het land door Eomerzonnevuur.
Dan kan alleen Hij verkwikken, en Hij is een Meester in het helpen, oen Meester met Goddelijken troost.
Zoodanig een is Hij: in de hitte der droefenis,
in het vuur der aanvechtinc:,
O 7
in de angsten dos doods.
48
LEKREEDE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
49
In de hitte der droefenis. Heeft niet iedere dag zijne eigene plage, en ieder navolger van Christus zijn bijzonder kruis? Dat draagt hij met zich om. Hoe komt dan zoo dikwijls hetgeen gij in de Schrift gelezen, als kind geleerd, in de prediking gehoord hebt, door Zijne verborgene Goddelijke kracht in uw hart? „Zijn brood wordt hem gegeven, zijne wateren zijn gewis.quot; — „Deze krankheid is niet tot den dood.quot; — „Hij geeft den moeden kracht.quot; — „Ik zal u niet verlaten, Ik zal u niet begeven.quot; — „Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen, maar uit alle die redt hem de Heere.quot; — „De rechtvaardigen roepen, en de Heere hoort, en Hij redt hen uit al hunne benauwdheden.quot; — „Mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij aannemen.quot; — „Hij is een Vader der weezen, en een Rechter der weduwen.quot; — „Immers is God Israël goed.quot; — „Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij zult mij leiden door Uwen raad.quot; — „Als ik U maar heb.quot; \') — „Wat buigt gij u neder, o mijne ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God.quot; — „Maar nu, alzoo zegt de Heere, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israël! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uwen naam geroepen, gij zijt Mijne. Wanneer gij zult gaan door het water. Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zjj zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.quot;
Dat is het hemelsche, verborgen toespreken van den Heiligen Geest, het liefelijk koeltje, waardoor een mensch verkwikt en zoo getroost wordt, dat hij van achteren wel bekennen moet: Ware Uw Woord niet geweest al mijne vermaking, had de Heilige Geest mij niet gesterkt in mijne zwakheid, dan was ik omgekomen in zulken jammer en nood; gelijk wij ook zingen met Psalm 94:
) Ps. 73 vs. 25* bij Luther.
4
50 LEEKEEDE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
Wanneer ik zei: „Mijn voeten glijdenquot;,
Toen hebt Gij mij gesterkt in \'t lijden;
Wanneer mij \'t afgepeinsde hart Door al mijn denken werd verward,
En ik in druk schier was gestikt,
Toen heeft Uw troost mijn ziel verkwikt.
Ook in het vuur der aanvechting is de Heilige Geest allen aangevochten kinderen Gods nabij, is hun Trooster en verkwikt hen met dit hemelsche, verborgen toespreken. Zoo spreekt Hij tot troost in het hart dergenen, in wie Hij woont; „Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellendequot;, of ook: „Aanvechting leert op het Woord lettenquot;. — „Hij zal zyn als het vuur van eenen goudsmid, en als zeep der vollers. En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende; en Hjj zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal hen doorlouteren als goud en als zilver; dan zullen z|j den Heere spijsoffer toebrengen in gerechtigheid.quot; — „TJlieden daarentegen, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen; en gij zult uitgaan en toenemen als mestkalveren.quot;
O, hoe krachtig bewijst de Heilige Geest Zich als den Trooster, waar de zonde den mensch tiranniseert, waar de wet der zonde, die in zijne leden is, hem gevangen leidt, en het hart uitgedroogd is als eene potscherf. Daar komt dan het koele windje, dat het onmachtig en bijna bezweken hart doorwaait en doorruischt met een: „Ik heilig Mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheidquot;. — „Gij zijt nu rein om het Woord, dat Ik tot u gesproken heb.quot; — „Zoon! wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven.quot; — „Gij nu, o Myne schapen, schapen Mjjner weide! gij zijt menschen; maar Ik ben uw God,quot; — „Gij zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden.quot; — „Gij zult uwen mond niet meer opendoen vanwege uwe schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal voor al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere Heere.quot; — „O alle
LEEKEEDE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
gij dorstigen, komt tot de wateren; ea gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk!quot; — „Ik delg uwe overtredingen uit als eenen nevel, en uwe zonden als eene wolk: keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost!quot;
De Satan wil, dat de mensch vanwege zijne verdorvenheid en zijnen boozen aard zal vertwijfelen, maar de Heilige Geest zegt: „Vrees niet! Houd in gedachtenis, dat Jesus Christus uit de dooden is opgewektquot;. — Zoo waarachtig als God God is, heeft Hij geenen lust in den dood des goddeloozen, maar Hij wil, dat de goddelooze zich bekeere van zijnen weg, zich tot God keere en leve. „Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen.quot; — „Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg, doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aauloopen.quot; — „Zing vroolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vroolijk gezang, en juich, die geenea barensnood gehad hebt! want de kinderen der eenzame zijn meer dan de kinderen der getrouwde, zegt de Heere.quot; — „Werp de dienstmaagd uit en haren zoon : want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije.quot; — „O dood! waar zijn uwe pestilentiën? Hel, waar is uw verderf?quot;
Vooral ook in de angsten des doods, in onze laatste levensuren troost de Heilige Geest het hart van ons arme vreesachtige raenschen met Zijn inwendig toespreken, ons herinnerende, wat de Heere gesproken heeft. Dan komt Hij tot den stervende, en brengt hem eenen olijftak uit Gods Paradijs^ als: „Onze dood is alleen eene afsterving der zonden en een doorgang tot het eeuwige levenquot;. — „Als de wind over de bloem gegaan is, zoo is zij niet meer; maar de goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen, die Hem vreezen.quot; — „^ïj weten, dat Christus, opgewekt zijnde uit de dooden, niet meer sterft.quot; — „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jesus Christus, Die naar Zijne
51
LEERREDE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
52
groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot eene levende hoop door de opstanding van Jesus Christus uit de dooden, tot eene onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u, die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd, in welken gij u verheugt, nu een weinig tijds (zoo het noodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen.quot; — „Indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus; zoo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.quot; — „Indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.quot; — „Werpt dan uwe vrijmoedigheid niet weg, welke eene groote vergelding des loons heeft.quot; — „Gij hebt lijdzaamheid van noode, opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen.quot; — „De rechtvaardige uit geloove zal leven.quot; — „Die in denZoon gelooft, heeft het eeuwige leven.quot; — „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.quot; — „Het leven is mij Christus, en het sterven gewin.quot; — „Want ik heb begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn, want dat is zeer verre het beste.quot; — „En indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof vergeefsch, zoo zijt gij nog in uwe zonden.quot; — „Want het verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.quot; — „En gelijk wij het beeld des aardschen gedragen hebben, alzoo zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen.quot; — „Want wij weten, dat, zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben.quot; — Wij willen overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.quot; — „Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft.quot; — „Niemand kan Mijne schapen rukken uit de hand Mijns Vaders.quot; — „Ik ben de Opstanding en het Leven.quot; — „De hoop beschaamt niet.quot; — „Daartoe is Christus
LEERREDE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
ook gestorven en opgestaan en weder levend geworden, opdat Hij beide over dooden en levenden heerschen zou.quot; — „Indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zoo verwachten wij het met lijdzaamheid.quot; — „Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.quot; — „Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.quot; — „Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden, om geholpen te v orden ter bekwamer tijd.quot;— „Vrees niet, want Ik ben met u, zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God.quot; — „En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.quot; — „Ik ben de Alfa en de Oméga, het begin en het einde.quot; — „Die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.quot;—„Hoe zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken?quot; — „Die overwint, zal alles beërven.quot; — „Ik leef, en gij zult leven.quot; — „Vrees niet: Ik ben de Eerste en de Laatste; en Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.quot; — „Indien Christus in u is, zoo is wel het lichaam dood om der zonde wil; maar de Geest is leven om der gerechtigheid wil.quot; — „Ik weet, dat mijn Verlosser leeft.quot; — „Met mijnen God spring ik over eenen muur.quot; — „Ja, amen; kom, Heere Jesus!quot; — „Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest.quot; — Het is volbracht!quot; — „Gij hebt mij verlost, Gij God der waarheid!quot;
Met zulke en dusdanige gewisse uitspraken en trouwe beloften komt de Geest, gelijk eene duive, als het ware toevliegen, en verkwikt de ziel, die in de angsten des doods is, en geeft zoo aan menigen aangevochtene de zekerheid zijner zaligheid en der zalige opstanding zijus vleesches te smaken.
Zoo vertroost Hij het kind en den volwassene het geheele leven door, hetwelk toch niets anders is dan een gestadige dood, met den eenigen troost, beide in leven en sterven: „Ik ben met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijns, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jesus Christus eigenquot;.
Dewijl wij nu vernemen, hoe deze Leeraar en Trooster
53
54 LEERKEDE OVER JOHANNES 14 VS. 26.
aan ons en onze kinderen beloofd wordt, en dat Hij nog tot op heden op het bevel van Christus door den Vader op alle vleesch wordt uitgestort, zoo moet het billijkerwijze onze eerste en grootste begeerte zijn, dat zulk eene belofte ook aan ons en onze kinderen vervuld worde. En daartoe geve God, dat in veler harten deze vraag eene ernstige en brandende worde: Hoe ontvang ook ik dezen dierbaren Yriend, Leeraar en Trooster in mijn hart?
Gij weet, wat de discipelen deden, toen zij de belofte des Geestes van den Vader ontvingen. Hand. 1 vs. 14 staat: „Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smee-kenquot;. En Hoofdstuk 2 begint aldus: „En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeenquot;.
Zijt en blijft eendrachtelijk bijeen! Verzuimt niet onder allerlei vleeschelijke voorwendsels de openbare godsdienstoefeningen, het gemeenschappelijk gezang en den lof des Heeren, het gemeenschappelijk gebed! Bedenkt het wel: De toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet. De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid? Houdt het kruis van Christus aan de werken des vleesches voor, en gedenkt, dat Gods toorn tegen de zonde zóó groot is, dat Hij die, eer Hij ze ongestraft liet blijven, aan Zijnen lieven Zoon Jesus Christus met den bitteren en smadelijken dood des kruises gestraft heeft. Zucht niet tegen elkander, broeders! opdat gij niet veroordeeld wordt. Laat los, en gij zult losgelaten worden. Want wat baat het eenen mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade aan zijne ziel? Dat toch geen uwer zitten blijve in de lusten en begeerlijkheden der wereld en in de zonde! Geef uwe zonde aan den Heere Jesus, leg uwe banden in Zijne hand, opdat Hij u losmake. Hoor, wat Hij tot u zegt: „Dit gebied Ik u, opdat gij elkander lief-hebtquot;, en: „Een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan wordenquot; (Luk. 11 vs. 10), en: „Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelsche Vader
IjESRREDE OVER JOHANNES 14 vs. 26.
den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden (Vs. 13) ?quot;
Alzoo, Geliefden! deze dierbare Vriend komt op het gebed, wanneer wij Hem liever hebben dan de begeerlijkheid der oogen en des vleesches en de grootschheid des levens.
De discipelen hadden het gebod des Heeren lief, en geloofden, dat Hij de belofte Zijns Vaders vervullen zou. O, dat ook wij het gebod des Heeren alzoo houden, dat wij alleen in Zijnen Naam en in geenen anderen eenig heil of zaligheid zoeken, en elkander liefhebben, gelijk in Psalm 133 geschreven staat: „Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen! quot;Want de Heere gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheidquot;.
Mocht menigeen uwer de woorden van den Apostel ter harte nemen : „Bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door quot;Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossingquot;, — en: „Weet gij niet, dat gy Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont? De tempel Gods is heilig, welke gij zijtquot;. —
Gij moogt het wagen, gij, die de zonden van harte betreurt, gij moogt het wagen met Gods Woord in de hand, en u, zoo als gij zijt, op den Heere Jesus werpen, en Zijnen Naam aanroepen. Dan giet Hij water op het dorstige, en stroomen op het droge. Hij hoort en hoore onzen noodkreet: „Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij eenen vasten Geestquot;. — „Leer mij Uw welbehagen doen ; want Gij zijt mijn God! quot;(Jw goede Geest geleide mij in een effen land!\'\'
O, als wij ons, zoo als wij zijn, op den Heere Jesus werpen, om verlossing aanhouden. Hem aangrijpen, en den sprong in de zee van Gods barmhartigheid wagen, zonder te zien of te gevoelen, dan is Hij wel aanwezig, die dierbare Vriend, deze Geest des vredes en der blijdschap in den Heere; dan laat Hij ons in het binnenste onzer ziel vernemen het woord: „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jesus Christus; dan geeft Hij het; „Hallelujah, loof den Heerequot;, — „loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geene van Zijne weldaden!quot; Ament
55
leerrede over johankbs 14 vs. 26.
Nazang: Psalm 51 vs. 9, 10.
Gods offers zjjn een gansch verbroken geest, Door schuldbesef getroffen en verslagen:
Dit offer kan Uw heilig oog behagen;
t Is nooit, o God! van U veracht geweest.
Doe Zion wel, laat om mijn\' zwaren val Uw goedheid niet van zijne burg\'ren wijken;
Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal, Door Uwe straf, voor \'s vijands macht bezwijken.
Dan vindt Gij in onz\' offeranden lust, Waarmee wy U, naar \'t heilig recht, vereerenj Dan zal \'t altaar de varren gansch verteren.
Dan wordt het vuur daarop nooit uitgebluscht.
IV.
LEEEREDE
OVER
DE LEER VAN DEN „HEILIGEN GEEST\'
Voorzang: Psalm 147 vs. 3—5.
Zeer groot is onze Heer\', vol krachten; Onpeilbaar diep zijn Gods gedachten;
Daar Zjjn verstand, nooit af te meten Ver overtreft al wat wij weten. Zachtmoedigen wil Hij bewaren,
Hij houdt ze staand\' in hun gevaren;
Maar goddeloozen doet Hjj bukken. Bezwijken onder d\' ongelukken.
Zingt beurtelings, en dankt den Heere! Zingt psalmen onzen God ter eere!
Dien God, Die, voor het oog der volken, De heem\'len dekt met dikke wolken; Die d\'aarde kroont met gunst en zegen, En haar besproeit met vruchtb\'ren regen; Die \'t gras, door mild\' en frissche droppen, Doet groeien op de heuveltoppen.
Gehouden op Pinkstermaandag, 31 Mei 1852, \'» voormiddags.
_y
58 de leer van den „heiligen geestquot;.
God wil al \'t vee steeds spyzen, laven;
Hij hoort de stem der jonge raven.
Hij heeft geen\' lust aan \'s menschen krachten,
Aan hen, die daaruit heil verwachten.
De macht van \'t paard en \'s mans vermogen
Zijn beide nietig in Zijn oogen:
Aan die vertrouwen op hun beenen,
Wil Hij geen gunst of hulp verleenen,
„quot;Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?quot; dus luidt eene der meest gewichtige Vragen van onzen Heidelbergschen Catechismus, en het Antwoord, uit het leven en naar de waarheid, is dit: „Eerstehjk, dat Hij samen met den Vader en den Zoon waarachtig en eeuwig God is; ten andere, dat Hij ook aan mij gegeven is, opdat Hij mij, door een oprecht geloof, Christus en al Zijne weldaden deelachtig make, m|j trooste, en bij mij eeuwig blijvequot;. (Vr. en Antw. 53.) — Met deze Vraag en dit Antwoord hangt ten nauwste samen de Vraag: „Wat nuttigheid brengt ons nu deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?\'\' alsmede het Antwoord: „Eerstelijk, dat Hij door Zijnen Heiligen Geest in ons, Zijne lidmaten, de hemelsche gaven uitgietquot;. (Vr. en Antw. 51,)
Wij kunnen deze vraag nooit te dikwijls doen, en wij moeten daarop, zullen wij zalig worden, het antwoord kunnen geven, dat de Catechismus geeft; want met recht schrijft een Apostel: „Zoo iemand den Gèest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toequot;. !)
Tusschenzang: Lied 35 vs. 2, 4.
Gij dierbaar Licht, daal in \'t harte neer,
Dat het Jesus Christus kennen leer\'.
Dat wij bij Hem blijven, dien trouwen Heiland,
Die ons gebracht heeft tot \'t rechte vaderland.
Heer\', ontferm U onzer!
1) Kom. 8 vs. 9b.
de leer van den „heiligen geestquot;.
Gjj hoogste Trooster in allen nood,
Geef, dat wij niet vreezen schand\' noch dood,
Geef, dat onze harten ook niet versagen,
Als de booze vijand ons aan wil klagen.
Heer\', ontferm U onzer!
Dat de Heilige Geest te zamen met den Vader en met den Zoon waarachtig en eeuwig God is, staat vooreerst als leer der Heilige Schrift vast, en die daaraan mocht twijfelen, is geen Christen. De doopsfortnule en de apostolische zegen (Matth. 28 vs. 19 en 2 Cor. 13 vs. 13) zijn daarvoor genoegzame bewijzen; deswege noemt een Apostel Hem ook den „eeuwigen Geestquot;. (Hebr. 9 vs. 14.) Daarom worden Hem ook in de Heilige Schrift dezelfde eigenschappen toegeschreven, als den Vader en den Zoon. — Dat Hij alomtegenwoordig is, betuigt David Psalm 139. — Dat Hij alwetend is, lezen wij Hand. 5 vs. 3, 4. — Dat Hij almachtig is, zien wij uit Zijne werken. quot;Waar Hij werkt, daar werkt Hij als de oorsprong en eerste oorzaak, die zich in zijne werking van de middelen bedient. Waar Hij de kracht en gave Gods genoemd wordt, daar bewijst zulks niet, dat daarom de Heilige Geest bloot eene kracht zou zijn; aangezien ook Christus de wijsheid, kracht en gave Gods heet. Dat de Heilige Geest daarentegen een Persoon is, onderscheiden van den Vader en den Zoon, een Persoon, Die uit eigene machtsvolkomenheid „Ikquot; zegt, zien wij uit de Handelingen der Apostelen, waar de Heilige Geest eens zegt: „Ik heb hen gezondenquot;, en: „Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen hebquot;. (Hand. 10 vs. 20; 13 vs. 2.) Daarom wordt Hij ook iu het bijzonder bij den doop van Christus, zoo ook wanneer de Heere Hem belooft te zenden, van den Vader en den Zoon onderscheiden. (Matth. 3 vs. 16, 17; Joh. 15.) Aan eene kracht kan men niet toeschrijven verstand en wil, terwijl toch van den Heiligen Geest gezegd wordt: „Hij onderzoekt de diepten Godsquot;, en: „Deze dingen alle werkt de een en dezelfde Geest, deelende
59
3# J
60 DE LEER VAN DEN „HEILIGEN GEESTquot;.
aan eenen iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wilquot;. (1 Cor. 12 vs. 11; Hoofdst. 2 vs. 10.) Wat wij Hand. 20 vs. 28 lezen, bewijst ten volle, dat Hij een Goddelijk Persoon is; en wat wij Jes. 6, vergeleken met Hand. 28 vs. 25, vinden, zegt ons genoegzaam, dat de Heilige Geest „Jehovahquot; is, de Heere, God met den Vader en den Zoon. Daarom is het geene beeldspraak, als er Hebr. 3 gezegd wordt, dat Hij „zegtquot;, en Hebr. 10, dat Hij „getuigtquot;, en 1 Cor. 3 en 6, dat Hij in ons woont, als in eenen tempel; en wat moet het beduiden, als het heet: „Zij verbitterden Zijnen Heiligen Geest, en hebben Hem smarten aangedaanquot; (Jes. 63 vs. 10), en: „Bedroeftden Heiligen Geest Gods nietquot; (Ef. 4 vs. 30), — en waarom is de zonde, tegen Hem bedreven, niet te vergeven (zie Mark. 3 vs. 29), indien Hij niet een Persoon is, van den Vader en den Zoon onderscheiden, en met Hen te zamen eeuwig God? Niet tevergeefs staat er geschreven Hand. 2: „Zoo als de Geest hun gaf uit te sprekenquot;.
Daarom zij het verre van ons, onder den Heiligen Geest te verstaan eene goede beweging in den mensch, of eene genadegave, of kracht; want wie zal ons helpen, wanneer wij Hem verloochenen en Hem Zijne Goddelijke heerlijkheid en eer rooven ? Voorzeker, waar dit geschiedt, daar is Zijne gemeenschap niet, maar de duivel is er ia de gedaante van eenen engel des lichts.
Zijn Naam is echter zooals de wijze, waarop Hij werkt. „Geestquot; is Zijn Naam, of „blazingquot;; — Zijne werking is als die van den wind, weshalve Hij ook dikwijls in de Schrift „windquot; genoemd wordt. Zoo in het Hooglied: „Ontwaak, Noordenwind! en kom , gij Zuidenwind! doorwaai m jnen hof!quot; (Hoogl. 4 vs. 16.) En bij Ezechiël lezen wij : „Men-schenkind, profeteer tot den Geest, — en zeg tot den Geest: Zoo zegt de Heere Heere: Gij Geest, kom aan van de vier winden!quot; (Hoofdst. 37 vs. 9.) De Naam geeft dus te kennen een „blazenquot;; zoo lezen wij Joh. 20 vs. 21, 22: „Jesus zeide tot hen: Vrede zij ulieden! gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden. En als Hij dit gezegd had, blies
de leer tan den „heiligen geestquot;.
Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geestquot;. Daarom heet Hij ook vaak: „de Adem des Almachtigei;quot;, en „Geest Zijns mondsquot;, gelijk in Job 33 en Ps. 33 ts. 6.
Daarin is echter de Heilige Geest van den Vader en den Zoon onderscheiden, dat Hij van den Vader en den Zoon uitgaat, of ook van den Vader uitgaat, en door den Zoon van den Vader gezonden wordt.
Dat de Heilige Geest als de derde Persoon in het Goddelijk Wezen ons geopenbaard is, geschiedt niet daarom, omdat Hij de derde Persoon zou zijn in rang of eer, maar overeenkomstig de heilsorde, naar welke Hem de heiliging toekomt.
Ea hier hebben wij nu de vraag te beantwoorden, hoe wij zulks te verstaan hebben, en welken troost wij in het algemeen daarvan hebben, dat wij gelooven, dat de Heilige Geest God is, ééns wezens met den Vader en den Zoon.
Tot het antwoord op deze vraag zullen wij nimmer komen, noch er gewicht aan hechten, als het niet bij ons waarheid is, wat de Catechismus zegt: „De Heilige Geest is ook aan mij gegevenquot;.
De Heilige Geest heet de eeuwige Geest; want zoo lezen wij Hebr. 9 vs. 14 van Christus : „Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffehjk opgeofferd heeftquot;.
Uit deze benaming „eeuwige Geestquot; besluiten wij, dat de Heilige Geest werkzaam geweest is in den eeuwigen raad des vredes, en tusschen de strafeischende gerechtigheid en de genade den Middelaar verwekt heeft, om aan beide de voldoening te geven, — ook, dat Hij het op Zich heeft genomen, den Middelaar tot dat werk toe te rusten en te bekleeden, Hem in de wereld in te brengen. Hem in de maagd als mensch te laten ontvangen worden. Hem in Zijn Middelaarswerk en bij Zijn lijden en sterven te dragen. Hem uit de dooden op te wekken, ook Hem voor hemel, aarde en hel te rechtvaardigen als God, Heere, Heiland en Middelaar; want God, Die geopenbaard is in het vleesch, is gerechtvaardigd in den Geest, en Hij, Die wel gedood is in het vleesch, werd levend gemaakt
61
DE LEER VAN DEN „HEILIGEN GEESTquot;.
door den Geest. De Heilige Geest heeft Zich voorts den Vader en den Zoon ten dienste gesteld, om levend te maken allen, die de Vader uit de verlorene massa der menschen Zich heeft uitverkoren en aan den Zoon heeft gegeven, om hen te verzoenen en te lossen met Zijn bloed. Hij stelt Zich den Vader ten dienste, om den Zoon als Middelaar bekwaam te maken tot Zijn ambt en werk. Vervolgens stelt Hij Zich daarin den Vader ten dienste, dat Hij op den Zoon rust als belofte en erfdeel en loon voor den arbeid Zijner ziel, om daarna op de bede van den Zoon uit te gaan en levend te maken de dooden des Heeren, en wederom, nadat Hij hen tot het geloof heeft opgewekt, in hen te wonen en Zich aan hen te laten schenken als een zegen Gods en als eene belofte Gods, die in Christus Jesns den geloovigen toegezegd is. Anderzijds zou Hij de verworpenen zooveel doen verstaan, dat zij den Vader en den Zoon nochtans zouden moeten rechtvaardigen, alhoewel zij zouden verloren gaan.
Wie van het bovenstaande iets verstaat, kan niet anders dan gelooven, dat de Heilige Geest „Godquot; is, en zal eeniger-mate leeren vatten, waarom Zijn werk en dienst in de Heilige Schrift en in de Gemeente evenzeer verheerlijkt wordt, als de eeuwige verkiezing en de verlossing; ook zal hij begrijpen, waarom de Heere in de dagen Zijns vléesches steeds bij al, wat Hij deed, spoedig ontweek, en de vruchtbaarmaking, de toepassing aan den Heiligen Geest overliet, en waarom Hij tot de Apostelen zeide : „Het is u nut, dat Ik wegga, want indien Ik niet wegga, zoo zal de Trooster tot u niet komenquot;. (Joh. 16 vs. 7.)
Daar verstaat men het dan ook, hoe de Heilige Geest bij de schepping broedend als eene duif op de wateren kon zweven (Gen. 1 vs. 2), — en Hij stoorde Zich niet aan den spoedigen afval des menschen, die nog te scheppen was. Toen het Woord van God uitging en schiep, toen wierp Hij Zich in het Woord, snel broedende en kiemen uitdrijvende, leven wekkende, en voortbrengende al wat het Woord in het aanzijn riep. Ook dacht Hij reeds aan de nieuwe Schepping der genade.
62
DE LEER VAJf DEN „HEILIGEN GEEST*\'.
Als Drager van het levende Woord der belofte, dat in de wereld kwam, was Hij ook vanouds de Drager der Profeten, zoodat dezen, door Hem gedragen, de heerlijkheid en majesteit verkondigden van den Koning der eere en der genade, van den tweeden Adam, van den Mensch Christus Jesus, allen ellendigen ter verlossing en vertroosting, en door hen riep Hij Zion toe: „Ziet, hier is uw God; ziet, Hij komt, om u te verlossenquot;.
Hij heet de „Heilige Geestquot;, en de „Geest der heiligmakingquot; (Rom. 1 vs. 4), d. i. de Geest, Die al degenen, welke van den Vader uitverkoren zijn, weder in de rechte verhouding brengt tot de eeuwige, door ons geschondene quot;Wet, en hen daarin bewaart, zoodat het louter heiligheid is boven voor den rechterstoel Gods en hierbeneden in de Gemeente.
Te dien einde kwam Hij vooreerst van den Vader als zalfolie op den Zoon, op den Middelaar Gods en der menschen. Dat Hij zoo op Christus gekomen is, wordt van God den Vader betuigd in Jes. 42, zeggende : „Ik heb Mijnen Geest op Hem gegevenquot;. Christus betuigt dit Zelf in Jes. 61, zeggende: „De Geest des Heeren Heeren is op Mijquot;; en de Gemeente betuigt zulks in Jes. 11 van den Middelaar met deze woorden : „Öp Hem zal de Geest des Heeren rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreeze des Heerenquot;. Ook was dit reeds te voren van Hem betuigd in zoovele schaduwen en beelden, als bijv. in de zalving van den hoogepriester, en later in de zalving der koningen en profeten. — Als zoodanig een kwam Hij op Maria, dat zij den beloofden Christus in het geloof ontving in haren moederschoot; als zoodanig een kwam Hij op den Heere bij den doop, en bleef op Hem; als zoodanig een dreef Hij Hem in de woestijn. Van Hem, als van zoodanig een, zegt de Heere, dat Hij door Hem de duivelen uitdrijft, — en de Apostel, dat de Heere door Hem Zijnen Apostelen bevelen gaf. En was het niet ook door Hem, als zoodanig een, dat de tabernakel met al zijne gereedschappen,
63
DE LEEK VAN DEN sHEILIGEN GEESlquot;.
en de tempel van Salomo gemaakt werd, en dat alle helden Gods, die toch in zichzelven enkel zwakke vaten waren, met kracht werden aangedaan, om de werken Gods te verrichten ?
Yan welk eene machtige beteekenis wordt Hjj hier, en welk een rijke troost ligt daarin uitgesproken, wanneer het Rom. 1 heet, dat Jesus Christus krachtiglijk bewezen (gedecreteerd) is, te zijn de Zoon van God naar eenen Geest van heiliging uit opstanding van dooden.
Van de Heiden volken, die tot den Heere bekeerd waren, wordt door den Apostel Paulus betuigd, dat zij Zijne offerande zijn, die hij Gode gebracht heeft, geheiligd door den Heiligen Geest. (Rom. 15 vs. 16.)
De Heilige Geest heeft echter onzen Heere, Verlosser en Middelaar toegerust, opdat de heiligheid door Hem zou aangebracht zijn, doordat Hij aan de door ons geschondene Goddelijke gerechtigheid genoegdoening zou geven; opdat Hij de eeuwige gerechtigheid zou aanbrengen, de verlossing van zonde, dood en duivel in Zjjn bloed; opdat Hij een vloek zou worden voor de door de Wet vervloekten, en Hij hen alzoo zou vnjkoopen van den vloek der quot;Wet, en de Wet welei zou oprichten door eene volkomene gehoorzaamheid.
Alles was weder heiligheid in den hemel, toen Christus Zichzelven door den eeuwigen Geest Gode onstraffelijk opofferde, — alles was weder heiligheid in den hemel, toen Christus door alle hemelen was doorgegaan en eene eeuwige verzoening gevonden had, — heiligheid in den hemel, niet met betrekking tot God, maar met betrekking tot menschen, die als rebellen van God waren afgekomen. En toen Christus ten hemel voer, omgaf Hem deze heiligheid, en de Geest kwam op Hem rusten als de belofte van den Vader, als loon voor den arbeid Zijner ziel. De Gemeente stond daar in Christus Jesus voor Gods aangezicht, in Christus verzoend, gerechtvaardigd, geheiligd in Zijnen dood; het lichaam der zonde was in Hem aan Zijn kruis te niet gedaan, en in Hem stond zij daar als een geheel nieuwe mensch, ia Hem in volkomene overeenstemming zijnde
64
DE LEER VAN DEN „HEILIGEN GEESTquot;.
met de Wet, uit dooden opgestaan, met Hem ten hemel gevaren, — en in Hem kwam de zegen, het loon, de belofte des Geestes op haar neder.
Nu was het daarom te doen, dat hetgeen in den hemel waarheid was geworden, ook waarheid werd in Zijne Gemeente, die nog in de wereld is, en daar bad dan de Zoon den Vader om de belofte des Geestes voor de Zijnen, dat deze Geest alsnu Hem als hunnen Heiland in hen verheerlijken zou, en hun alles openbaren eu in het geloof mededeelen zou, wat Hij voor hen bezat, wat Hij van den Vader voor hen had ontvangen, dat deze Geest zou komen, om hen te verlichten en in alle waarheid te leiden, hun alle heilgeheimen te ontdekken, hen te troosten, en bij hen eeuwighjk te blijven, opdat zij de wereld mochten overwinnen, het geloof behouden, eu, als eerstelingen, het middel en de uitverkoren vaten mochten zijn, om Zijnen Naam te dragen tot aan het einde der wereld, opdat alle einden der wereld zich tot Hein mochten wenden en zeggen: „In den Heere Heere hebben wij gerechtigheden en sterktequot;. En Hij, Die gezegd heeft: „Eisch van Mijquot; (Ps. 2), gaf Hem den Geest der heiliging. Die Zich Hem had ten dienste gesteld, en Hij zond Hem neder van den Vader op dien dag, die door de Wet was bestemd en te voren betuigd, op den vijftigsten dag.
Sedert hebben wij het woord der Apostelen, en Hij, Die gebeden heeft voor allen, die door hun woord in Hem gelooven zouden, bidt nog den Vader, en zendt nog van den Vader neder den Geest der heiliging op allen, die de Vader Hem geeft, hetzij zij nabij, of verre zijn, hetzij zij in geloove zijn, of nog in den dood liggen.
Zoo lezen wij bij den Apostel Petrus (1 Petr. 1): „Uitverkorenen naar de voorkennis Gods, des Vaders, in de heiligmaking des Geestes tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jesus Christusquot;; — en zoo bij den Apostel Paulus (2 Thess. 2 vs. 13): „Maar wij zijn schuldig, altijd God te danken over u, broeders! die van den Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heilig-
5
65
DE LEER VAN DEN „HEILIGEN GEESTquot;.
making des Geestes, en geloof der waarheid, waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie tot verkrijging der heerlijkheid onzes Heer en Jesus Christusquot;.
Nu volgt de vraag: Hoe heiligt deze Heilige Geest? „Hij is mij gegeven, ook mij. Hij maakt mjj Christus en al Zijne weldaden deelachtig, Hij troost mijquot;, antwoorden wij met den Catechismus.
Daar betuig ik dan te voren, dat de natuurlijke mensch, de mensch met al zijnen zoogenaamden hoogen aanleg van verstand en wil, niets begrijpt van den Geest Gods, ja, dat de dingen des Geestes hem dwaasheid zijn. quot;Wat kan ook de natuur erkennen van heigeen God alleen door Zijnen Geest openbaart.?
Als ik zeg, dat de Heilige Geest als Geest der heiliging werkt, zoo versta ik zulks in dien zin, dat Hij de uitverkorenen in de heiligheid inleidt, welke Christus voor hen verworven en aangebracht heeft, en hen in deze bewaart en beweegt.
Dit doet Hij bij de uitverkorenen in eene tweevoudige betrekking; vooreerst als middel en werktuig in de hand des Vaders en des Zoons, om het geloof te werken, ten andere als belofte van den Vader en den Zoon in de geloovigen.
Wat het eerste betreft, zoo werkt Hij in de uitverkorenen zonder hun toedoen, onweerstaanbaar, maar Zichzelven verbergende; wat het andere betreft, zoo werkt Hij met den geest der uitverkorenen mede, heeft echter te voren gemaakt, dat zij niet anders willen, dan Hij wil, en daar werkt Hij in de geloovigen alzoo, dat zij Hem erkennen in Zijne werking, in handel en wandel, aan het getuigenis, dat Hij in hun geweten getuigt, r.an de verlichting, die Hij schenkt aan hun verstand, aan den levens- en stervenstroost, welken Hij hun in het hart spreekt.
Van deze stukken zullen wij, zoo God wil, bij de eerstvolgende gelegenheid handelen, en de prediking van heden besluiten met de heilbede voor de Gemeente: „De gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen!quot; Amen.
66
t\'E LEER VAN DEN „HEILIGEN GEESTquot;,
Nazang: Psalm 68 vs, 16, 17.
Gij koninkrijken! zingt Gods lof;
Heft psalmen op naar \'t hemelhof,
Yanouds Zijn troon en woning.
Daar Hij, bekleed met eer en macht, Ziin sterke stem verheft met kracht.
En heerscht als Zions Koning!
Geeft sterkt\' aan onzen God\'en Heer\' ; Hjj heeft in Israël Zijn eer
En hoogheid willen toonen!
Erkent dien God; Hij is geducht; Hy doet Zijn sterkte boven lucht En boven wolken wonen 1
Hoe groot, hoe vrees\'lijk zijt G\' alom, Uit U w verheven heiligdom , Aanbidd\'lijk Opperwezen!
\'t Is Isrels God, Die krachten geeft, Van Wien het volk zijn sterkte heeft. Looft God ! elk moet Hem vreezen.
67
V.
LEEREEDE
over
PSALM 45 vs. 1-5.
Voorzang; Psalm 45 vs. 1, 2.
Mijn hart, vervuld met lieilbespiegelingen,
Zal \'t schoonste lied van eenen Koning zingen; Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft,
Is z\' als de pen van een\', die vaardig schrijft. Beminlijk Vorst 1 Uw schoonheid, hoog te loven, Gaat al het schoon der menschen ver te boven,
Gena is op Uw lippen uitgestort;
Des G\' eeuwiglijk van God gezegend wordt.
Gord, gord, o Held! Uw zwaard aan Uwe zijde, Uw blinkend zwaard, zoo scherp gewet ten strijde. Vertoon\' Uw glans, vertoon\' Uw Majesteit: Eyd zegerijk in Uwe heerlijkheid Op \'t zuiv\'re Woord der waarheid; rijd voorspoedig. En heersch alom rechtvaardig en zachtmoedig. Uw Eechterhand zal \'t God\'lijk Kijk behoên. En in den krijg geduchte daden doen.
Gehouden 25. Mei 1851.
leerrede oyer psalm 45 vs. 1—5.
Volk des Heeren! Wij mogen niet zoo stil, zoo zwijgend, zoo stom daarheen gaan! De Geest zegt overal: „Zingt den Heere !quot; Zullen wij niet eendrachtelijk op onzen pelgrimstocht een lied, eenen psalm aanheffen ? eenen psalm, een lied, den Heere onzen God, ook dan zelfs, als ons het hart van smart dreigt te breken ? Zullen wij ons den mond laten stoppen, omdat de weg eng. omdat de voet door de doornen en de steenen geheel en al doorstoken en verwond is ? omdat de afgrond gaapt ? omdat menig overhangend rotsblok dreigt op ons neder te storten ? omdat der vijanden getal groot is, en wij nergens eenen uitweg zien, ja zelfs den weg in het geheel niet meer weten, en onze Leidsman ons schijnt verlaten te hebben ? of omdat een paar leeuwen ons allerwegen den doortocht dreigen onmogelijk te maken, of omdat wij door een moeras heen moeten, of omdat wij in een duister dal omdolen?
Welaan! de Geest gaf ons eenen psalm; het is van de Psalmen de vijf-en-veertigste. Laat ons dien den Heere zingen en spelen in ons leven en in onze harten, totdat wij aangedaan worden met kracht uit de hoogte, totdat ook aan ons gezien worden de Pinkstervlammen, die in het binnenste lichten.
Tekst: Psalm 45 vs. 1 — 5.
Eene onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzaugmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim. Mijn hart geeft eene goede rede op; ik zegge mijne gedichten uit van eenen Koning, mijne tong is eene pen eens vaardigen schrijvers: Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen; genade is uitgestort in Uwe lippen ; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid. Gord Uw zwaard aan de henp, o Held! Uwe majesteit en Uwe heerlijkheid. En rijd voorspoedigüjk in Uwe heerlijkheid, op het Woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uwe Eechterhand zal U vreeselijke dingen leeren.
Tusschenzang: Psalm 119 vs. 15.
Weer snood bedrog, o God! van mijn gemoed;
Laat Uw gena mij Uwe wetten leeren!
Ik kies den weg der waarheid voor mijn\' voet,
69
LEERREDE OVER PSALM 45 VS. 1 — 5.
Om my van \'t pad der zonden af te keeren:
Uw rechten, die zoo heilig zijn en goed,
Steld\' ik mij voor; die wil ik ned\'rig eeren.
Ben bruidslied is deze Psalm, een lied der liefde, — een lied van uit den hemel voor u, volk des Heeren, dat u zegt, dat gij de bruid zij.t, de uitverkorene, de eenige, de duive in de kloven der steenrotsen, — opdat gij van uit die kloven den Bruidegom uwe stem zoudt laten booren. Een lied der liefde, der reinste, der volkomenste, — eener vrije, eeuwige liefde, die nergens baars gelijke heeft, der liefde Desgenen, Dien wij liefhebben, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad; der liefde Desgenen, Die liefheeft, omdat Hij liefheeft; der liefde Desgenen, Dien wij niet gezien hebben, en nochtans liefhebben, en over Wien wij ons eenmaal verblijden zullen met eene eeuwige, onuitsprekelijke vreugde, als wij het einde onzes ge-loofs, namelijk de zaligheid onzer zielen, zullen verkregen hebben.
Eene onderwijzing is de Psalm; want hij leert ons afzien van het duistere dal dos doods, afzien van de moerassen, van de leeuwen op den weg, van de gruwzame vijanden; hij leert ons, dat de smalle weg, dien wij gaan, de goede en rechte weg is; hij opent onze oogen, om te zien op den Leidsman en Voleinder des geloofs, Jesus; hij leert ons, dat wij door genade de stad des verderfs ontvloden zijn, en dat onze voeten spoedig zullen staan in de poorten van u, o Jerusalem, gij schoone stad!
Eene onderwijzing is deze Psalm, en tevens eene versterking des harten, hetgeen dit woord „onderwijzingquot; ook be-teekent. Zoo zij ons deze Psalm dan welkom op onzen pelgrimstocht, waar ons het hart menigwerf van louter mismoedigheid begeven wil, en wij meenen te zullen bezwijken en met vreeze vervuld zijn! Deze Psalm is als het ware eene flesch met kostelijken nardus, waarvan de geur de moede zielen verkwikt en den krachteloozen bet leven vernieuwt, zoodat zij opvaren als arenden, zoodat zij loopen, en niet moede worden, maar zich plotseling opgenomen gevoelen op den wagen van het vrijwillig volk van Immanuël.
70
LEERREDE OVER PSALM 45 VS. 1 — 5.
In Zion worden allerlei lieden geboren; allen zijn zij geboren zangers en speellieden, maar niet allen kunnen op eenmaal de wijze van het aan te heffen lied treffen. Voor den een is dit te laag, voor den ander is dat te hoog; daarom heeft de Heere vóórzangers verordend en speellieden besteld, die vóórzingen en vóórspelen, totdat ongedacht, den een vóór, den ander na, de borst verruimd en de tong losgemaakt wordt, en allen te zamen zingen, zoodat men maar ééne stem hoort, als eene stem van groote wateren. Want het is een lied, dat niet goed gezongen wordt, tenzij bij het kruis, tenzij in vervolging en lijden, tenzij voor een open graf, waarin al het zichtbare en al wat vleesch en bloed gaarne zou willen behouden, bedolven wordt, tenzij in hooge en de hoogste aanvechtingen.
Kinderen van Korach heeten de voorzangers. Van dezen is niet veel goeds te zeggen ; want wie kan dien naam lezen, zonder te denken aan het oproerig rot van Korach, dat levend door de aarde ingeslokt werd ? Zoo hebben zij dan volstrekt geenen geslachtsroem ; wat zij zijn, zijn zij als overgeblevenen van eenen hoop, die door Gods rechtvaardigen toorn verdelgd werd. — Daarenboven beteekent de naam Korach : „kaal zijnquot;, „koud zijn als ijsquot;. Maar alleen dezen zijn goede voorzangers, en zullen het steeds blijven, — zij, die volstrekt geenen roem hebben, maar daarentegen, als zij op hunne geschiedenis zien, reden genoeg hebben, om zich te schamen en schaamrood te staan, die bovendien geen baai-goeds meer aan zich vinden, ook in zichzelven volstrekt geene levenswarmte bespeuren. Zoo zijn zij dan voorzangers naar de regelmaat des geloofs, die niet anders weten, dan dat zij een overblijfsel zijn, dat door genade behouden is; die geene andere bedekking hebben, dan barmhartigheid; ook geen leven in zichzelven tegen den ijselijken dood, die in hunne leden is. — Zulke lieden kunnen anderen goed vóórzingen en vóórspelen:
Wij kunnen maar bederven, —
In Christus moet gij sterven.
71
LEERREDE OVER PSALM 45 VS. 1 — 5.
In Hem slechts wordt het leven Uit vrije gunst gegeven.
Al dreigt alom de dood,
Met Hem heeft men geen\' nood!
Het instrument, waarop zij spelen, heet Schóschannim, d. 1. eene roos \') of lelie, en is eene soort van harp, waarvan de grondtoon nimmer ontstemd wordt, en alzoo klinkt;
Al word ik zevenmaal vertreden,
God richt mij op in majesteit!
Ik ben Zijn roos, de roos van Saron,
En bloei met eeuw\'ge heerlijkheid!
Zingt den Heere, gij treurigen te Zion, want hier is vreugdeolie voor asch ! Zingt den Heere, gij treurigen, door onweders voortgedrevenen, — want hier is sieraad voor eenen bedroefden geest!
72
Zoo dan luidt de aanhef van het lied, dat vleêsch en bloed ons niet leert — zoo begint de Psalm, dien God den Zijnen geeft in don nacht —: Mijn hart geeft eene goede rede op; ik zegge mijne gedichten uit van eenen Koning; mijne tong is eene pen eens vaardigen schrijvers. De Heere geeft Zijn volk een besneden hart, een hart, dat den Heere meer liefheeft dan vader en moeder, dan vrouw en kind, meer dan eene gansche wereld met al hare heerlijkheid, die vergaat. Maar tevens is het een gevoelig hart, dat zich over het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet zoo gemakkelijk kan heen zetten. Daarbij is het een verslagen en een verbroken hart, — verbroken door de inwonende zonde, door angst en nood en door allerlei smaad-heid, waarmede de vijanden den Gezalfde des Heeren smaden. Verder is het een twijfelmoedig hart, dat angstig klopt vanwege het gevaar, en niet weet, hoe te volharden tot aan het einde, hoe er door te komen ; yandaar, dat Gods volk zoo menig-
1) „Op Schóschannimquot; vertaalt Luther: „ven den Rosenquot;.
LEEREEDE OVER PSALM 45 VS. 1 — 5.
maal opwaarts zucht: „Mijn hart keert om en om, mijne kracht heeft mij verlaten; en het licht mijner oogen, ook zij zeiven zijn niet bij mijquot;. (Ps. 38 vs. 11.) Dit hart wil niets dan het ééne noodige; het verlangt naar het Vaderland; het begeert bevrijd te zijn van de zonde, ontbonden van het lichaam des doods; want het heeft lief, — het ziet verlangend uit naar Hem, van Wien het vervuld is, naar den Bruidegom, naar de verlossing des lichaatns, en roept menigmaal: „Kom, Heere Jesus!quot; Dit hart kan alleen rusten in den Geliefde; ia hetzelve woont het geloof, dat geloof, „dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij, uit loutere genade, alleen om de verdiensten van Christusquot;. (Heid. Gat. Vr. 21.) Het is een hart, waarin do liefde Gods is uitgestort door den Heiligen Geest, Die aan dit hart gegeven is!
En hier zegge nu een iegelijk van Gods volk: Mijn hart, mijn hart! Dit hart is echter vanwege al het tegenstrijdige, dat men ervaart, zoo onrustig, dat de klacht vernomen wordt: „Wat buigt gij u neder, o mijne ziel, en zijt zoo onrustig in mij ?quot; (Ps. 42 vs. 6.) Maar o, hoe wordt dit hart zoo gansch anders gestemd, als het slechts met een half oog of ook met stervende blikken, al is het zelfs geheel uit de verte, den Bruidegom mag ontwaren! Dit hart is als ineengekrompen van schrik voor de macht der duisternis, het is bijna doof en blind geworden door alle folteringen, waarmede het gefolterd werd door de schelle wanklanken, die eene wereld, welke geheel in het booze ligt, hetzelve doet hooren; daarenboven is het angstig gemaakt door de inblazingen des duivels, door de innerlijke klachten over zonde, over allerlei leed en nood des lichaams en der ziel. En hoe vele schoonschijnende, fijne rede-neeringen heeft men het voorgehouden, om het van zijnen zang af te brengen; — maar neen, het is voor het hart toch alles te slecht, te grof, al wat met eeuwige wecning en knersing der tanden eindigt, — en juist al dit tegenstrijdige is het, wat door de genade des Geestes het hart uitdrijft, om den
73
LEEREEDE OYER PSALM 45 VS. 1 — 5.
Bruidegom te zoeken, totdat liet Plem in het gezicht gekregen heeft. Dan dicht het, dan borrelt het op en stort zich bruisende uit in hot lied, na langen tijd atom te zijn geweest en onder allerlei plagen gezwegen te hebben. Slechts dit lied is eene goede rede, slechts dit eene rede, een woord, waarin hemel en aarde, waarin de zaligheid der ziele staat; wanneer de Geest tot zingen aandrijft, dan worden de wanden des harten te eng; het borrelt op en kookt over, het brandt en bruist, — de sluizen gaan open.
Hoe noemt de ziel den Bruidegom, Dien zij in het oog krijgt? Zij noemt Hem eenen „Koningquot;. „Ik zegge mijne gedichten uit van eenen Koning!quot; Neen! wereld, duivel en nood, dood en zonde zullen geen koning zijn! De Heere Jesus is Koning. Hij heerscht van af Zijn kruis. Aldaar ziet de ziel Zijne heerlijkheid en in Hem de overwinning, het ga, zoo het ga, en in Zijne hand de kroon der gerechtigheid. De gebonden tong wordt losgemaakt, en gelijk de pen, de schrijf- of graveerstift, eens Taardigen schrijvers snel en nochtans zoo schoon in het was graveert, zoo stroomen zonder ophouden de gedichten van de tong, in eene taal, welke der wereld onzinnig toeschijnt. De tong der stommen zingt den Bruidegom, den Koning der heerlijkheid, lof.
Het volk des Heeren krijgt zijnen Bruidegom te zien in nood en aanvechting, in harden strijd, in verlatenheid, na lang wachten. Het vindt zijnen Koning juist dan, als het met Thomas niet gelooven kan, — want alle redding houdt het voor onmogelijk, — en niet gelooven wil, —want het begrijpt niet, hoe zijne redding zou overeen te brengen zijn met des Konings gerechtigheid en heilige liefde. Dit volk heeft Hem gevonden, en zoo spreekt het Hom aan: Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen; genade is uitgestort in Uwe lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid!
quot;Wie is schoon? Hij, die goed is. quot;Wie is goed? Hij, die rechtvaardig is. quot;Wie is rechtvaardig? Hij, die zich met hartelijke
74
LEERREDE OVER PSALM 45 YS. 1—5.
75
ontferming erbarmt over den ellendige, die geenen helper heeft, en den lasteraar verwerpt, en allen druk opheft. O hoe schoon, hoe schoon is Koning Jesus voor het ellendige volk! Wie is er onder de menschenkindereu als mijn Liefste, op quot;Wien ik leune? (Iloogl. 8 vs. 5.) O, bij Hem worden alle menschen-kinderen, zij mogen ook nog zoo schoon zijn, leelijk; want niemand kan zijnen broeder verlossen, niemand Grod verzoenen. Alle bloed verstijft voor den donder der Wet, alle volheid des vleesches verdort voor de hitte van Gods toorn Niemand kan mij redden van den dood, niemand mijne zonden van mij wegnemen, niemand voor mijne schuld betalen, niemand de straf voor mij dragen, die gedragen moet worden, O, wie wil mijne zonde dragen ? wie wil mij, een hollewicht, overbrengen aan Gods hart? wie wil voor mij strijden tegen de gansche macht der hel ? Alle menschenkinderen moeten ten laatste zeggen: Wij kunnen u niet helpen ! wij kunnen u geene rust geven voor uwe ziel! O, hoe leelijk wordt dan alle menschelijke schoonheid! Slechts Eén is er onder de menschenkinderen, op Wien mijne ziel ziet. Deze is in mijn vleesch gekomen. Deze bewijst, dat Hij mijne gansche ellende, mijne algeheele verdorvenheid kent, en Hij verwerpt mij niet. Hij zegt, dat Hij in alle dingen verzocht is geweest, gelijk als ik. Er is in Hem geen hoogmoed, geene grimmigheid. Vleesch en bloed moeten zwijgen. Dat Hij naar het zichtbare zoo in het geheel geene gedaante heeft, dat Hij eene doornenkroon draagt, dat het bloed Hem uit zeven wonden ontvloeit, dat Hij daar aan het vloekhout hangt, met gebogen hoofd, het lichaam verscheurd, bleek en dood (gelijk geschreven staat: „Mijn Liefste is blank en roodquot;, Hoogl. 5 vs. 10): dat zijn mijne zonden, die Hem dat hebben aangedaan, — dat is mijne ellende, mijne grondelooze verdorvenheid, die Hem zoo gemarteld heeft! O, hoe schoon, hoe schoon is Koning Jesus! Wil de gansche wereld Hem niet hebben, ik verloof mij met Hem, zoo dood als Hij daar hangt. Ik had moeten sterven aan dat hout, waarvan ik den dood gegeten heb; toen had Hij mij lief, maar
LEEEREDE OYER PSALM 45 VS. 1—5.
ik wilde Hem niet hebben; nochtans had Hij mij lief, liet Zich aan dat dood-brengende hout hangen eu vernietigde alzoo mijnen dood. Bij Hem alleen heb ik den vrede gevonden; want Hij nam de straf van mij af en op Zich. O, hoe is de genade uitgestort in Zijne lippen! Toen ik meende, voor eeuwig te moeten omkomen, en ik mij voor altoos verloren zag, — toen liet Hij Zich zien, en ik ontdekte iets in Zijue oogen, dat ik uitroepen moest: „Ileere Jesus. Gij Zone Davids, ontferm U mijnerquot;. Toen stroomde het van Zijne lippen: quot;Wees getroost, —- al wat gij wilt, zal Ik u doen! AVil de wet u niet hebben, Ik aanvaard uw land, dat met schuld bezwaard is, als Mijn erfgoed (zie Ruth 4), eu Ik sluit met u een eeuwig Yer-bond; gij zjjt de Mijne met al wat gij hebt, en Ik ben de uwe met al wat Ik heb, — geheel en in eeuwigheid de uwe!
Genade is uitgestort in Uwe lippen. Genade vóór, genade na, altoos genade, niets dan genade, rijke genade, volle genade, gelijk een stroom, wanneer die aan alle oevers vol is,— en deze stroom droogt nimmer op. Kom ik tot de wet, — zij verdoemt; de duivel klaagt aan, de zonde dreigt met hare gevolgen, de dood wil my tot angst en vertwijfeling drijven; maar tot U kan ik nimmer om erbarming komen, zonder in Uwe lippen eene zee van genade te vinden, en — weg zijn zonde, dood en vertwijfeling des harten. En o, hoe heerlijk rust deze genade op Uwe lippen, gelijk eene zee, helder en spiegelglad. Alle stormen der hel brengen deze zee niet uit hare stille rust. O allergenadigste Koning, wie is zoo schoon als Gij! Zoo dikwijls ik kom en het ü klaag, dat ik zoo zwak, zoo ellendig ben, dat ik zoo zwart ben, antwoordt Gij altoos: „Gij zijt schoon, gij zijt liefelijk. Ik heb u uitverkoren, gij zijt volmaakt. Ik zie in het geheel geetie vlek of rimpel aan uquot;; — en zoo vind ik in ü te allen tijde gerechtigheid. te allen tijde nieuwe kracht. Hij kusse mij met de kussen Zijns vredes! „Uwe uitnemende liefde is beter dan wijn!quot; (Hoogl. 1 vs, 2.) Wie geeft den onverstandigen wijsheid, om in den gekruisigden Christus meer schoonheid te zien, dan in al het
76
LEERREDE OYER PSALM 45 VS. 1—5.
zichtbare ? Wie geeft den mensch, den zondaar blijmoedigheid, om alles te laten varen, zich tot het kruis te begeven en Hem te kiezen, aan Wien de oogen zijns vleesches toch niets zien, wat schoonheid mag heeten ? Dat doet de Geest des Heeren Heeren. Deze heeft gemaakt en maakt een bedelarm volk, een naar genade hongerend volk, een ellendig volk, een volk, dat zonden heeft en dat naar verlossing verlangt, een volk, dat hongert en dorst naar gerechtigheid, een volk, dat weder met zijnen God, van quot;VVien het gescheiden is, moet vereenigd zijn. Dit volk, dat alleen van genade leven kan, omdat het te ellendig is, om voor zichzelven iets te verdienen; — dit volk, dat door den Geest getuchtigd is, om te erkennen, dat het dan alleen Gode welaangenaam is en tot Hem toegelaten wordt, wanneer het verbonden is met den Schoonste der menschenkinderen ; ook getuchtigd en zoo onderwezen is, dat deze schoonheid alleen in de genade te zoeken is, — dit volk kan den Middelaar Gods en der menschen niet gevonden hebben, het kan Hem niet gevonden hebben. Die zijns vleesches en bloeds volkomen deelachtig is geworden en Zich daarom niet schaamt, hen broeders te noemen, — het kan de genade des Konings, de genade des Heeren Jesus Christus niet smaken, zonder door denzelfden Geest ingeleid te worden in den raad van den wille Gods, van het eeuwig welbehagen Gods, van Zijn voornemen vóór de tijden der wereld, dat namelijk deze Koning genade verwerve, genade uitdeele aan het volk, dat de Yader Hem tot eene bruid gegeven heeft. De bruid wordt door den Geest gewaar, dat zulk eene heerschappij der genade de wil van God den Vader is, en zij kan het den Koning nooit vergelden. Mijn Koning hebbe eeuwigen zegen van God voor Zijne eeuwige genade!
Daarom lezen wij in onzen Psalm: Daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid! Wat is zegenen ? Zegenen is: goed heeten. O mijn Koning, ik heb het gezegd: „Gij zijt de Schoonste onder de menschenkinderenquot; ; wereld, duivel, zonde en dood brullen mij echter toe, dat het er met onze verloving
77
LEERREDE OVER PSALM 45 VS. 1 — 5.
niet goed uitziet. Ik kan ü tegen zulke vijanden niet verdedigen, nochtans zijt Gij goed; o, laat mij ü goed genoeg zijn! Grod zal U tot in eeuwigheid in dit genaderijk handhaven, en alle andere rijken moeten te niet gaan. Of zijn deze vijanden werkelijk vernietigd, wanneer wij, die het volk van dezen Koning zijn. Zijne schoonheid aanschouwen en roemen ? wanneer wij Zijne genade smaken en onder deze genade leven? O, ware het hier de dag van het aanschouwen, dan voorzeker! Maar hier is alles eene zaak des geloofs; en waar genade genade is, daar is een, die zich den voornaamsten der zondaren noemt, een, die den eeuwigen dood verdient. Zeer zeker zal de stad Gods niet wankelen, de beekjes der rivier zullen haar verblijden, want God is in het midden van haar, haar Koning is in haar; — maar hoe wordt zij aan alle zijden door vijanden aangevallen, en hoe veel lijden wordt aan de broederschap, die in de wereld is, volbracht! (1 Petr. 5 vs. 9.) Het gaat in dezen der Gemeente gelijk een kind, dat zijnen vader gevonden heeft en zich gered ziet uit het gevaar, evenwel zich geenszins veilig acht, vóórdat het gevaar geheel afgewend, de vijand geheel verslagen is
Daarom bidt de Gemeente haren Koning, dat Hij opsta en Zich vertoone in Zijne kracht; want in haar is niets dan machteloosheid. Zoo bidt zij: Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uwe Majesteit en Uwe heerlijkheid. En rijd voorspoediglijk in Uwe heerlijkheid op het Woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uwe Rechterhand zal U vreeselijke dingen leeren. Onze Koning Jesus is een ware Held. Tegen Hem gelukt het niemand. Held of Doorbreker heet Hij overal, want Hij trekt als Doorbreker voor ons uit, en breekt met ons door alles heen, wat Zijne genade tegenstaat. Het schijnt echter menigmaal, alsof Hij het den vijand laat gelukken, alsof Hij Zijne Majesteit, Zijne heerlijkheid en Zijn zwaard vergeten is, alsof Hij Zich laat binden, Zijn volk niet bevrijdt. Zoo bidden wij Hem dan, dat Hij, dewijl Hij toch
78
LEERREDE OVER PSALM 45 VS. 1 — 5. 79
Overwinnaar blijven zal, Zijn zwaard aan Zijne heup gorde, m. a. w. wij bidden Hem, dat Hij Zijn onwederstaanbaar Woord opneme, dit Woord zijnen loop gebiede, opdat liet allen tegenstand overwinne; dat Hij met het Woord Zijner genade voor Zijn volk overal baan breke.
Het Woord des Heeren Jesus is waarlijk Zijne Majesteit en Zijne heerlijkheid. Het snijdt door het hardste gebeente, ja het gaat door al de vezels van het oude Adamslevens heen, het doorwondt en doodt het, maakt te niet alle eigengerechtigheid, houwt alle strikken en banden Belials in stukken, en jaagt de gansche macht der hel op de vlucht. Daartegenover ziet Zijn volk in het zwaaien en blinken van dit zwaard de gerechtigheid des Konings, waarin het vrijgesproken en waarbij het gedurig bewaard wordt. En wanneer deze Held Zich op den wagen Zijns heils zet, en dit zwaard zwaait, dan moet het Hem gelukken. De waarheid komt boven; die waarheid, dat de mensch niets is, dat alle roem en heerlijkheid des men-schen een einde heeft, en dat God alleen Ziona Koning, Heere en Heiland is; en de onderdrukte onschuld, — ontzondigd in des Konings gerechtigheid en in Zijnen dienst, maar door de inwonende zonde, door de wereld, door den duivel, door den dood, door allerlei nood, angst en harteleed onderdrukt, ziet zich geholpen, ziet zich bevrijd, wanneer de Heere met Zijn genadig Woord komt, wanneer Hij het bevel geeft: „Gij zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost wordenquot;. Ja waarlijk, als er geroepen wordt: „Het zwaard van den Heere en van Gideonquot;, dan wijken alle vijanden achterwaarts, kunnen niet meer tot hunne krachten komen, veeleer vallen zij in elkanders zwaard, en de verlosten des Heeren zingen en spelen op de aarde, die zij geërfd hebben; Farao en zijn heir heeft Hij in de zee geworpen; zij zijn allen gezonken als lood! (Zie Ex. 15 vs. 4.)
Vele zulke wonderen geschieden, allerlei wonderen van almachtige genade door de Rechterhand Desgenen, Wien alle macht gegeven is in hemel en op aarde. De Koning der eere,
80 LEERREDE OVER PSALM 45 VS. 1—5.
de Heere der heerlijkheid, de Vorst des levens, Jehova, de gerechtigheid Zijns volks, helpt Zijne ellendigen heerlijk en wonderbaarlijk. Zingt van Zijne wonderen, van de wonderen Zijner genade, gij allen, die tot Hem de toevlucht neemt! Zingt van dezen Koning, gij allen, die alleen daarnaar verlangt, dat Koning Jesus leve! Zingt van Zijne wonderen, gij allen, die gedrukt gaat onder Uwe verdorvenheid! Door zulk zingen worden duivel en dood op de vlucht gedreven. Zingt van de wonderen Zijner genade, gij allen, wien de zonde een te zware last is om te dragen, — en gij wordt goedsmoeds, want waar men van de wonderen Zijner genade zingt, daar ziet men aan het hout des kruises de zonde te niet gemaakt, daar gevoelt men zich op eenmaal omgeven door de liefelijkheid van de heerschappij der genade. Maar gij, die de won-\' deren Zijner genade niet aan Uwe harten ondervonden hebt, — o kust den Zoon! o maakt nog in dezen uwen tijd der genadige bezoeking vrede met Hem! grijpt Zijne sterkte aan! kiest Hem, dezen Schoonste onder de menschenkinderen! geeft de wereld prijs! gaat over in Zijnen liefelijken dienst! schaamt u niet voor Zijne banier! buiten Hem is een eeuwig omkomen, in Hem gerechtigheid voor God! met Hem de overwinning! voor Hem een eeuwig gejuich! Amen.
Nazang: Psalm 148 vs. 5.
Looft, looft, met waar\' erkentenis,
Zijn\' Naam, die hoog verheven is;
Dewijl Zijn womi\'re Majesteit Door aard\' en hemel is verspreid!
Hij wou den hoorn, zoo vol vermogen,
Den roem van Israël verhoogen;
Dat woont bij Hem, \'t heeft zingensstof.
Looft God, zingt eeuwig \'s Heeren lof.
VI.
LEEEREDE
OVER
HOOGLIED 1 vs. 1—5.
Voorzang: Psalm 72 vs. 1—3.
Geef, Heer! den Koning Uwe rechten,
En Uw gerechtigheid Aan \'s Konings Zoon, om Uwe knechten
Te richten met beleid.
Dan zal Hij al Uw volk beheeren,
Kechtvaardig, wijs en zacht;
En Uw ellendigen regeeren;
Hun recht doen op hun klacht.
De bergen zullen vrede dragen,
De heuvels heilig recht;
Hjj zal hun vroolijk op doen dagen
Het heil, hun toegezegd.
\'t Ellendig volk wordt dan uit lyden
Door Zijnen arm gerukt;
Hij zal nooddruftigen bevrijden; Verbrijz\'len, wie verdrukt.
Gehouden op Pinksterzondag, 30. Mei 1852, \'s avonds.
6
leerrede over hooglied 1 vs. 1—5.
Zij zullen U eerbiedig vreezen,
Zoolang er zon of maan Bij \'t nageslacht ten licht zal wezen,
En op- en ondergaan.
Hij zal gelijk zijn aan den regen.
Die daalt op \'t late gras;
Aan droppels, die met milden zegen Besproeien \'t veldgewas.
Tekst: Hooglied 1 va. 1—5.
Het Hooglied, hetwelk van Salomo is. Hjj kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uwe uitnemende liefde is beter dan wijn. Uwe oliën zijn goed tot reuk. Uw Naam is eene olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief. Trek mij, wg zullen ü naloopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijne binnenkameren, wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uwe uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn: de oprechten hebben U lief. Ik ben zwart, doch liefelijk, gij dochteren van Jerusalem! geljjk de renten van Kedar, geljjk de gordijnen van Salomo.
Jesus wordt verheerlijkt door den Heiligen Geest, gelijk de Heere gezegd heeft: „Die zal Mij verheerlijkenquot;; en waar Jesus verheerlijkt wordt, daar is de Heilige Geest werkzaam als Trooster, Hij nu verheerlijkt den Heere op deze wijze, dat Hij aan de Gemeente de waarheid van den Heere Jesus, Zijne genade, schoonheid, heerlijkheid en volmaaktheid, macht, eer, koninklijke pracht en eeuwige liefde voorhoudt, quot;Warneer Hij hiermede bezig is, dan zingt Hij der Gemeente dit alles voor in een lied, door hetwelk Hij haar al het lijden en alle verdrukking in deze wereld doet vergeten; met dit lied brengt Hij den Heiland zoodanig in hare nabijheid, en haar in de nabijheid van haren Heiland, dat zij Hem bij zich heeft, ofschoon zij nog op aarde en Hij in den hemel is.
Zulk een lied is het Hooglied of het Lied der liederen, Jesus heet daarin: „Salomoquot;, d, i, „Vredevorstquot;, en de Gemeente: „Bruidquot;, „Eenigequot;, „Schoonequot;, „Zusterquot;. De
82
LEERREDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1—5.
Geest zingt der Gemeente voor, wat de Gemeente moet zingen, en terwijl Hij voorzingt, wordt zij zóó in de ziel gegrepen door de zoete melodie, dat zij, midden in hare treurigheid, het lied moet aanheffen, gelijk zij door den Geest geleerd en tot zingen aangespoord wordt. — En alzoo heft zij aan:
Hij kusse mij met de kussen Zij ns m onds, d. i. Hij geve mij Zijnen vrede. Hij, mijn Koning Salomo, mijn Zaligmaker Jesus Christus; want in de wereld heb ik verdrukking. Hij geve mij een nieuw bewijs van Zijne liefde en genegenheid tot mij, anders moet ik sterven en verderven; want benauwdheid is nabij, en er is geen helper! Meer dan ééneu kus geve Hij mij; want gedurig vind ik oude zonden en nieuwen nood, en hoe zal ik daaronder goedsmoeds blijven ? Hij geve mij telkens weder de overtuiging, dat Hij ook doen zal, wat Hij mij heeft gezworen; dat ik de Zijne ben, en Hij de mijne is en blijft; dat Hij mijn Goël, mijn Borg is, mij in eeuwigheid liefheeft, mij niet verworpen, niet verstoeten heeft; dat Hij mijn heil, mijn Verlosser is, en wel goed voor mij zal zorgen, mij niet zal begeven noch verlaten; dat, hoezeer ook de daivel mij het recht betwist op Zijne dierbare heilsgoede-ren, die Hij voor mij verworven heeft. Hij nochtans mij zal bewaren bij de gerechtigheid en bij het eeuwige leven, als mijn lieve Man en getrouwe Schepper.
De Gemeente zegt niet; „Hij kust mijquot;, maar: „Hij kusse mijquot;. Daaruit kan men afleiden haren inwendigen nood en haar reikhalzend verlangen naar den Heere en naar Zijne openbaring iu zulk eenen nood. — Intusschen kan men er tevens uit besluiten, dat zij reeds ondervindingen van des Heeren liefde gemaakt heeft. Een doode klaagt niet, vraagt en zoekt evenmin, — en waar een verlangen naar den hemelschen Salomo opgewekt is, daar heeft Hij Zelf dit verlangen opgewekt, en zal het ook te Zijner tijd bevredigen.
Maar waarom niet; „Hij reike mij de handquot;? De hand is een teek en van blijvende, hartelijke welwillendheid; — maar ach! het hart der Gemeente is omgekeerd in haar lichaam en
83
LEERREDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1—5.
geheel krank door de zonde en door allerlei angst en nood. Daar is dan de kus: genezing, verzoening, barmhartigheid; het hart, het hart vau den liefhebbenden Koning en Bruidegom, van den getrouwen Hoogepriester, den medelijdenden Geneesheer, den Vriend, Die eeuwig leven medebrengt, dat hart stort zich uit in dien kus, zoodat de Gemeente nieuw leven ontvangt midden in den strjjd, midden in allen inwen-digen en uitwendigen nood, en van hare zaligheid verzekerd wordt; daarom zingt zij ook van „de kussen Zijns mondsquot;.
O, waar de Heilige Geest dit der Gemeente te zingen geeft, daar ontvangt zij van den Heere ook antwoord in de benauwdheid, zoodat Hij Zijne genadige tegenwoordigheid laat ondervinden. Gij bidt: „Hij kusse mij met de kussen Zijns monds!quot; en zie, daar hebt gij Hem, en gij gevoelt iets wonderbaars van Zijne liefde, zoodat gij weldra Hemzelven aanspreekt, en Hemzelven de reden zegt, waarom gij wilt, dat Hij u zoo liefelijk omhelze, met deze woorden: quot;Want Uwe uitnemende liefde is beter dan wijn.
In denzelfden zin zegt de Gemeente in Psalm 45: „Genade is uitgestort in Uwe lippenquot;, en in Psalm 73: „Wien heb ik nevens U in den hemel! Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheidquot;. quot;Want, onder „wijnquot; verstaat de Gemeente datgene, wat de wereld biedt, om ons van Christus afvallig te maken, den beker der tooverij, waarmede zoo velen dronken gemaakt worden, en waarvoor zij hunne weldadigheid verlaten (Jona 2 vs. 8), opdat zij niet vanwege het kruis van Christus vervolgd zouden worden, — dus allerlei genietingen van het zichtbare, waar vleesch en bloed altijd naar streven, ja zelfs het genot van uiterlijke weldaden en zegeningen uit Gods hand, die toch enkel voor dit leven zijn. „Uwe liefdequot; staat hier in het meervoud, en wordt door sommigen overgezet: „Uw omarmenquot;, door anderen: „Uwe borstenquot;, door nog anderen: „Uwe uitnemende liefdequot;, ook wel; „Uwe liefkoozingenquot;, en wederom:
84
LEEEEEDE OVEE HOOGLIED 1 YS. 1 — 5.
„Uwe ingewandenquot;; de Gemeente verstaat daaronder het overvloedige, wondervolle, onuitputtelijke der onvermoeide en altijd vernieuwde genade en barmhartigheid van Jesus Christus. Zoo is dit dan de beteekenis der woorden: Ik laat ze varen, de wereld, en geef ze prijs, ik kan het bij haar niet vinden; zij heeft ook niets voor mij, wat mijne arme en veralagene ziel troosten kan; zij zal niets van mij hebben , en ik wil van haar niets hebben, — wees Grij mij maar genadig, en laat mij slechts Uwe barmhartigheid wredervaren! Uwe goedertierenheid is beter dan het leven, en Uwe genade beter dan alle aardsche schatten; ook geef ik prijs de wet van het „doe datquot; met hare werken en haar schijnbaar leven in eigene hand; den dood heb ik er in gevonden, en ik begeer te leven, opdat mijne ziel U love en Uwe rechten mij helpen! Welgelukzalig gij, gij hebt het goed, die daarop „amenquot; zegt, die instemt met deze uitspraak, er mede instemt uit ondervinding; want waarlijk, bij de liefde van den hemelschen Salomo, bij Zijne liefkoozingen is niets te vergelijken! Daarom is de Apostel Paulus daarvan ook zoo vervuld, en kan er niet van zwijgen in al zijne Zendbrieven; daarom wierp hij ook alles weg voor deze liefde; daarom zingt ook de Gemeente: „Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijne sterkte!quot;
Zijne liefkoozingen nu zijn deze: dat Hij Zijner Gemeente Zijne genade schenkt, al Zijne goedigheid voorbij haar aangezicht laat gaan (Ex. 33 vs. 19), haar den Kaam des Yaders en Zijnen Jesusnaam openbaart, dat Hij haar vertroost, haar genezing van al hare krankheden, reiniging van al hare onreinigheid, leven uit den dood laat toekomen, op aangrijpende wijze tot haar van vrede spreekt, geduld heeft met hare zwakheden, haar Zijne verworvene gerechtigheid en heiligheid deelachtig maakt, en haar het recht schenkt op de erfenis des eeuwigen levens met Hem, ook alle vrees, versaagdheid en verschrikking bij haar verdrijft, haar opheft uit het slijk, haar, die zich in de slavernij der zonden bevond, tot eene vrijgeborene maakt, tot eene koningin haar, die
85
LEERREDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1—5.
gevangen en verstrikt lag in de angsten der hel, tot eene moeder van zeven zonen haar, die onvruchtbaar, eenzaam en door allen verstoeten was.
De ware Gemeente bestaat enkel uit kleinen. De wijn doodt de kleinen, maar bij deze dingen leven zij, en in deze is het leven van hunnen geest, zoodat bij hen voortdurend in vervulling treedt, wat de Heere beloofd heeft: „Als eenen, dien zijne moeder troost, alzoo zal Ik u troostenquot; (Jes. 66 vs. 13); en: „Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon? is hij Mij niet een troetelkind? want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de Heerequot; (Jer. 31 vs. 20); en wederom; „Ik zal hen reinigen van al hunne ongerechtigheid, met dewelke zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hunne ongerechtigheden, met dewelke zij tegen Mij gezondigd, en met dewelke zij tegen Mij overtreden hebbenquot;. (Jer. 33 va. 8.)
Intusschen moeten wij al deze dingen naar de gezonde leer en den regel des geloofs verstaan, opdat wij ons daarvan geene verkeerde mystieke voorstelling maken, noch ons zulk eene Gemeente voorstellen, die, van allo schepselen afgekeerd, in innerlijke beschouwing verdiept en in zichzelve gekeerd, zich, gelijk men zegt, verliest in den Heere, en op deze wijze met Zijne liefde vervuld wordt; datgene toch, waarin men daarbij meent op te gaan, is het eigene lieve ik, hetwelk men voor den Heere aanziet. — Naar den regel des geloofs echter staat de zaak alzóó, dat men arm en ellendig is, te midden van dood, angst en tegenspoed, ternedergedrukt door allerlei aanvechting, en toch zoo gaarne de zege zou behalen op allen tegenstand; — dat men met een angstig en bekommerd hart den Heere zoekt in het Woord, en, bij het zoeken in het Woord, levend gemaakt wordt door den Geest des Heeren, en alsdan dezen troost ontvangt, dat men de waarheid en genade van den Heere Jesus in waarachtig geloof ondervindt, zoodat men getroost zijnen weg vervolgt, en door het
86
LEEEEEDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1—5,
zuivere quot;Woord en den Geest des Heeren Zijne nabijheid en de macht Zijner liefde in zóó ruime mate gevoelt in het binnenste en in don ganschen mensch, dat de verbrijzelde beenderen zich daarover verheugen. Voorwaar, het ware geestelijke leven is geen rekenvoorstel, het bestaat ook niet in sluitredenen van het verstand of in wiskunstige zekerheid; het wordt integendeel voortdurend fel bestreden, en de duivel houdt niet op, dit leven neder te drukken ; hij zoekt ons het geloof te ontrooven en ons uit de goede sterkte te werpen. Maar de ware kinderen Gods kunnen den strijd niet gewonnen geven; zij moeten „er door!quot;, zii moeten overwonnen hebben; daarom moet het aangezicht des Heeren met hen medetrekken, en de Heere hun altijd weder opnieuw Zijne goedertierenheid, genade en liefde bezegelen. Daarom juist zingen zij dit lied.
Er is een wandel naar vleesch, en daarbij wordt van den omgang met den Heere hoog opgegeven, doch deze omgang bestaat enkel in de verbeelding. Er is ook een wandel naar Geest, en daarbij is de omgang met den Heere een omgang naar den Geest des geloofs, der genade en des gebeds, — een omgang, die niet in gevoel bestaat, maar wezenlijk en gezond is, en zich naar buiten openbaart in het dagelijksch leven, die plaats heeft in geloof en niet in aanschouwen ; het is een omgang van den verborgen mensch des harten met Hem, Die alleen ons ^r door kan helpen, zonder Wien wij geene schrede voorwaarts kunnen door dit Mesech, door het duistere dal der zonde en des doods. quot;Wie uit God geboren is, die wil, die moet doorbreken; hij moet vrucht gedragen hebben, hij moet den loop voleindigd, den goeden strijd gestreden, het geloof behouden hebben, — daartoe is hij geboren; daarom kan hij niet anders, en wil ook niet anders. Maar ach! voor hoe menig veer Jabbok blijft hij liggen, en worstelt, uit vrees voor eenen Ezau hier, voor eenen Ezau daar! Daarom wil hij telkens weder opnieuw van den zegen verzekerd zijn. Vandaar de belijdenis: „Uwe liefkoozingenquot; — Uwe genadige nabijheid —
87
LEERREDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1—5.
88
„zijn beter dan wijnquot;. En ach, hoe menigmaal zucht hier het leven om licht en lucht, om eenen liefelijken geur van Boven; want het leven, dat uit God is, wordt niet slechts éénmaal met verstikking bedreigd. Hierbeneden toch woedt in ons en om ons heen de pestilentie des duivels, des doods en der zonde; deze pestilentie besluipt den mensch in eenen oogwenk, en voordat hij het zelf weet, is hij door een van hare pijlen getroffen en verwond. Ach, hoe dikwijls wordt hij dan als het ware een stank in zijne eigene neusgaten, en moet het den Herder zijner ziele klagen, dat hij zulke afzichtelijke, stinkende krankheden heeft! Wat geeft dan leven aan de ziel, zoodat zij niet wegkwijnt, daar zij immers alleen in de zuivere lucht der heiligheid en reinheid, gelijk die Grode welbehaaglijk is, leven en vrijelijk ademhalen kan! Dit geeft ons dan leven, dat de hemelsche Salomo ons Zijne kostelijke oliën te ruiken geeft, gelijk wij hier verder hooren: Uwe oliën zijn goed tot reuk. Wat nu zijn deze oliën anders dan de gaven des Geestes, die Hij, boven alle anderen, zonder maat ontvangen heeft, die Hij voor Zijne Gemeente, voor menschen verdiend, verworven heeft? Het is de Heilige Geest met al Zijne genadewerkingen en genadebedeelingen, tot allen Gode welbehaaglijken wandel, voor elk lid der Gemeente naar zijne hem door God aangewezen plaats. Ja, het zijn de zalven en oliën des Heeren, met welke Hij overgoten werd, naar Ps. 45 vs. 8, Jes. 11 en 61. — O, waar de geur dezer oliën heenwaait, daar waken zij op en juichen, die in de asch zitten en in het stof liggen; daar is de reuk des doods, de stank der zonden en des duivels verdreven, en de kranke, die den dood reeds nabij was, richt zich op; de reuk der pestilentie kan hem niet meer schaden, hij is verdreven. Ja waarlijk, deze oliën zijn goed tot reuk, want de ellendige is daardoor van zijne ellende verlost, en het hart, dat verbroken nederlag, dat ligt nu in den balsemgeur des vredes. Waar deze geur heenwaait, daar is dadelijk eene nieuwe schepping; de winter is voorbij, en het is lente geworden; die geur doortrekt den
LEERREDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1—5.
ganschen monsch, en herschept hem; zij, die naar God bedroefd zijn, versieren zich, de bedroefden van geest trekken de schoone kleederen aan, het gewaad des lofs, hun door God geschonken, en die als verstorven nederlagen, schieten op tot eikeboomen der gerechtigheid, tot eene planting des Heeren, opdat Hij verheerlijkt worde. (Jes. 61 vs. 3.) Zoo wordt het recht der wet vervuld in degenen, die niet naar vleesch wandelen, maar naar Geest. (Rom. 8 vs. 4.)
De balsemgeur van deze oliën, de troost en de verkwikking des Heiligen Geestes, verheerlijken den liefelijken en heilaan-brengenden Jesusnaam in de harten der armen en ellendigen; aan de gaven toch kent men den persoon. Wie nu niet voort kan, wie aan eenen on vruchtbaren boom, ja aan eenen dorren boom gelijk is, en zich eensklaps overgezet ziet uit zjjne armoede in den rijken overvloed van geestelijke en hemelsche zegeningen, — wat kan hij anders, dan den persoon roemen en verheerlijken, door wien hij zalig gemaakt is, en in wien hij is gezegend geworden. Dit is intusschen ook het werk des Heiligen Geestes, dat Hij meer en meer in de Gemeente den zoeten en heilaanbrengenden Jesusnaam verheerlijkt, en niet Zijnen eigenen Naam, gelijk de Heere ook gezegd heeft: „Hij zal het uit het Mijne nemen en u verkondigenquot;, —daarom heet Hij ook de „Troosterquot;. Waarmede toch zou Hij eenen arme en ellendige troosten, anders dan met dien Naam, in welken alleen verlossing is? Daarom zegt ook de Gemeente: Uw Naam is eene olie, die uitgestort wordt. En waarlijk, zoodra de Naam Jesus wordt aangeroepen, of wel in zijne volle beteekenis gevoeld wordt in de ziel, heeft men ook dadelijk genezing van alle wonden , bevindt zich op eens tot God gebracht, en heeft vrede van binnen en rondom zich; want deze Naam is te gelijk het wezen der zaak en de volbrachte daad, dat alles, wat wij in Adam verloren en bedorven hebben, door dezen Naam weder overeind gezet en hersteld is, — dat wij om dezes Naams wil eenen verzoenden God en Vader in den hemel hebben, — ook in dezen Naam
89
LEERREDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1—5.
90
alles van God mogen begeeren, en het werkelijk verkrijgen, wat tot de eeuwige zaligheid dient en ook voor dit leven; — nu is deze Naam gelijk eene uitgestorte zalfolie, die dus niet weggesloten, maar rijkelijk uitgegoten is over de Gemeente, zoodat zij „des Heerenquot; heet en in eeuwigheid des Heeren blijft, en God den Yader aangenaam is om den wille van dezen Naam. In dezen Naam heeft de Gemeente rijken troost in leven en in sterven, en eenen vasten grond der hoop, en zoo is deze Naam haar als eene kristallen zee van geestelijke verlossing en hemelsche weldaden, en iedere druppel daarvan is toereikend, om levend te maken , te versterken, te heelen en den ganschen mensch gezond en vroolijk te maken. Als eene uitgegotene olie is deze Naam op de Gemeente gekomen in den Doop, en voortdurend wordt in eiken nood, angst en benauwdheid de volle kracht van zijnen liefelijken geur en van zijn heil door de geloovigen ondervonden. En omdat hij zoo is uitgegoten, ja, omdat de hemelsche Koning Salomo Zich als het ware gelijk olie uitstort en ontledigt in Zijnen Naam, daarom hebben Hem al diegenen lief, in wier harten gebaande wegen zijn, die zich alleenlijk aan Christus vasthouden, en aan Zijne genade blijven hangen; dezen toch zijn de maagden, van welke gezegd wordt: Daarom hebben U de maagden lief. quot;Want dit is den Heere als maagd lief te hebben, dat men zich niet van Hem laat afbrengen door vleesch en bloed, dat men zich niet besmet met diegenen, die te weekeljjk, te vreesachtig zijn, om den goeden strijd te strijden, maar het Lam volgt, waar het ook henengaat. •) Dat het intusscnen niet zulk eene lichte zaak is, bij den Heere en Zijne genade te blijven en het Lam, waar het ook henengaat, te volgen, en dat de Gemeente daarin hare onmacht diep gevoelt, maar nochtans geene andere keuze kent, veeleer gewillig is, om bij Hem en
1) Vergelijk Openb. 14 vs. 4: Dezen zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; dezen zijn het, die het Lam volgen, waar het ook henengaat; dezen zijn gekocht uit de menschen, tot eeretelingen Gode en het Lam.quot;
LEERREDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1—5.
met Hem onder alles te volharden, — dat blijkt ons uit deze bede: Trek m ij, w ij zullen U n a 1 o o p e n! De Gemeente zegt niet: „Trek onsquot;, maar: „Trek mijquot;, — ook niet: „Ik zal U naloopenquot;, maar: „Wij zullen U naloopenquot;. Daarmede begeert zij nu niet, dat eenige uiterlijke kracht en geweld het lichaam zal aangedaan worden, maar dat haar hart en gemoed door de prediking des Evangelies en de krachtige werking des Heiligen Geestes daarheen geneigd worde en geneigd blijven moge, dat zij den Heere gewillig volge door onbezaaide zoowel als door bezaaide landen, — dat het haar moge gaan, gelijk geschreven staat: „Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen loopen, eu niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat wordenquot;. De Gemeente jaagt alzoo daarnaar, dat zij het ook grijpen mocht, waartoe zij vau Jesus gegrepen is. — O hoe machtig is dit Zijn trekken! Hoe heerlijk, hoe ongestoord gaat men voorwaarts, allen tegenstand nederwerpeud, eu noch ter rechter-, noch ter linkerzijde afwijkend, wanneer de Geest des Heeren in de raderen komt! (Ezech. 1.) Wie zoo getrokken wordt, wekt den moed der anderen op, zoodat zij allen loopen, zij, die tot het eeuwige loven geroepen zijn, en gaarne naar huis, naar het vaderland, willen.
Verstaat gij dat, lieve ziel! en begeert gij erièstig met de uitverkorene Gemeente, dat Zijnen Naam een heerlijk loflied worde gezongen, dat Zijn werk alleen geroemd worde, en dat gij den goeden loop voleindigd en den goeden strijd moogt gestreden hebben, dan zal ook die bede niet achterblijven: „Trek my, trek mij, U achterna, zoo zullen wij loopen, TJ naloopenquot;. En zal Hij die bede verboeren? Voorzeker! Dat getuigt de Gemeente, want zij heeft het ondervonden. En waarheen trekt Hij? De Koning heeft mij gebracht in Zijne binuenkameren. Welke Koning? Uw Koning, uw hemelsche Salomo, de Koning der gerechtigheid en des vredes, onze Koning Jesus Christus, Die ons met Zijn bloed
ï a 91
LEERREDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1 — 5.
92
Zich ten eigendom gekocht heeft, Die ons van vijanden en opstandelingen tot Zijne gelukkige onderdanen heeft gemaakt, en ons uit louter liefde opgenomen heeft in Zijn hemelsch Koninkrijk, het Eijk der vergeving van zonden, het Rijk, waarin Hij met genade over ons en in ons heerschappij voert, en ons behoedt tegen de vijanden onzer zielen. Wanneer Hij nu begint te trekken, dan trekt Hij met macht, en door Zijn trekken loopen wij, — intusschen vat Hij ons bij de hand en leidt ons naar Zijnen raad, en alzoo brengt Hij Zijne uitverkorene Gemeente in Zijne binnenkameren. Wat zgn deze Zijne „binnenkamerenquot; ? Het zijn al de liefelijke verborgenheden van Zijn Koninkrijk. Daar brengt Hij ons dan van de eene kamer in de andere. Hier zien wij Zijne wonderbare geboorte, daar Zijn lijden en sterven, in Gethsémané, op Gabbatha en op Golgotha, verder Zijne opstanding, en dan Zijne hemelvaart; daarna komen wij in die kamer, waar wij eene fontein aanschouwen, die springt tot in het eeuwige leven; vervolgens ontsluit Hij ons de raadskabinetten, en toont ons den eeuwigen raad des vredes over ons, den verborgen raad van Zijne wegen, oordeelen en leidingen, den raad van Zijn genadig welbehagen over ons, — en zoo toont Hij ons allerlei dingen, die op zoo wonderbare wijze in elkander grijpen, dat wij Hem eindelijk bidden, dat Hij ophoude, omdat er geen geest meer in ons is, vooral wanneer Hij ons Zijnen koninklijken zetel en den troon Zijner eere toont, en ons belooft, ons daarop naast Zich te zetten; wanneer Hij ons de kroon te zien geeft, die Hij voor ons gereed houdt; wanneer Hij ons met éénen blik het geheel geeft te overzien, en zegt; Volhard nog een weinig, om Mijns Naams wil, zoo zijt en blijft gij voor eeuwig hier bij Mij! Voorwaar, dan roepen alle geloovigen, heiligen en uitverkorenen uit: Wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uwe uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn. O, hoe versterkt Gij ons, om alle geestelijke vreugde en blijdschap te smaken, daar Gij ons dat alies toont en leert van Uwe
LEERREDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1 — 5.
macht, liefde en genade! — quot;Welaan dan, wij zullen in U goedsmoeds blijven; hoe kunnen wij ook andera, daar Gij het ons geeft, ons in ü te verheugen met eene onuitsprekelijke vreugde! Wij zullen niet moede worden, Uwe alles overtreffende liefde te verkondigen aan alle broeders en zusters, die zoovele smarten en verzoekingen van allerlei aard te verduren hebben. quot;Wij zullen het hun mededeelen, dat ons de helft niet aangezegd was van Uwe heerlijkheid, gelijk wij die nu met onze oogen aanschouwen, — zoo heerlijk, dat ieder onzer met vreugde eene geheele wereld daarvoor kan laten varen, want alles is toch ijdelheid bij Uwe liefde en bij het goed, dat Gij voor ons hebt weggelegd.
„Met recht heeft men U liefquot;, zoo vertalen wij, wat ook met: „De oprechten hebben U lief\' vertaald wordt. Zoo besluit de Gemeente, en betuigt daarmede hetzelfde als met hare dankzegging in deze woorden : „Gij zijt waardig het boek te nemen, en zijne zegelen te openen, want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie!quot;
Uit alle geslacht? Ja, want de bruid geeft het ons wel te verstaan, dat zij geene heilige afkomst heeft. Ik ben zwart, zegt zij, gij dochteren van Jerusalem. Daarmede betuigt zij, dat zij, wat hare geboorte betreft, een heidenkind is. Doch, voegt zij erin éénen adem bjj, doch liefelijk, d. w. z. toch schoon in de oogen des Konings : zwart gelijk de zwarte tenten van Kedar, der Kedarenen, doch liefelijk en schoon, gelijk de wonderbaar en prachtig bewerkte gordijnen of tapijten van Salomo. „O gij kinderen Gods!quot; wil zij hiermede zeggen, „in mijzelve ben ik even goddeloos, even afzichtelijk als alle goddeloozen; maar door de liefde van mijnen Bruidegom ben ik schoon, d. i. rechtvaardig en heilig voor Hem.quot; Daarmede legt de Gemeente de goede, gezonde belijdenis af, dat zij in zichzelve verwerpelijk en verdoemelijk, leelijk en afschuwelijk is, vleeschelijk en verkocht onder de zonde; en wederom, dat zij in de heerlijkheid
93
LEERREDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1 — 5.
van haren Koning hem lief en aangenaam is, en alzoo met een goed geweten Hem dient, en als eene gehoorzame dochter ia en leeft naar Zijnen wil, naar Zijne huis- en rijkswetten. Daarmede troost de Gemeente alle geloovigen, en een ieder geloovige in het bijzonder, die allen ook zwart zijn door de verdrukkingen, zoowel als door de ergernissen en zonden, want de duivel houdt niet op, de heerlijkheid der Gemeente te verdonkeren en haar als het ware in het nachtelijk duister te hullen, haar ook allerlei kwaad aan te wrijven, en haar voor Gods rechterstoel zwart te maken, zoodat de Gemeente deswege van schrik nedervalt; maar niettemin grijpt zij het „nochtansquot; des geloofs aan, en betuigt, tot troost van alle aangevochtenen, die zij „dochteren van Jerusalemquot; noemt, dat zij evenwel schoon is. Dat gelooft zij, en daarop beroemt zij zich; want de Koning heeft het haar gezegd.
Alzoo zien wij, dat achter al deze liefelijke tonen van het lied niets dan kruis, nood, lijden, verdrukking, angst, vervolging, verwerping en bestrijding van duivel, dood en zonden verborgen zijn; en dat alleen hun, die bij het geloof volharden, en wien de moed anders ontzinken zou, dit lied door den Heiligen Geest wordt voorgezongen, opdat zij mede instemmen, en door het zingen hun lijden, de smarten, de bittere tranen en angsten vergeten. Dan worden zij goedsmoeds, daar zij aan de hand des eeuwigen Geestes en getrouwen Troosters ingeleid worden in het quot;Woord der beloftenis, en door het quot;Woord met hun hart den hemel worden binnengeleid; — zóó worden hemel en aarde voor hen tot één, en krijgen zij den Koning alleen in Zijne liefde, genade en toegenegenheid te zien, en bidden God den Vader om de openbaring van Zijnen Zoon. Daarop ondervinden zij van stonden aan Zijne liefde, werpen de wereld weg, worden vervuld met de hoop der heerlijkheid en vol van den Geest des levens; zij ondervinden de genezende kracht van den Naam Jesus, en zien zich aan Zijne hand ingeleid in de binnenkameren van dezen Koning, zoodat zij zich daarover eeuwig verblijden. En al zijn zij ook
94
LEERREDE OVER HOOGLIED 1 VS. 1—5.
zwart, hetgeen zij wel willen weten en erkennen, zij laten zich evenwel den mond niet stoppen, maar betuigen luide, dat hun Koning hen goed en schoon geheeten heeft.
Dat is eene ware Pinkstervreugde, waar de Heilige Geest alzóó den Heere Jesus verheerlijkt! En gij lijdenden, en gij aangevochtenen, zingt den Heere dit lied, en doet aizoo de treurigheid van u weg; want bij zulk een lied drinkt men, en maakt van deze liefde een gedruisch als de wijn, en wordt vervuld gelijk het bekken, gelijk de hoeken des altaars. (Zach. 9 : 15.)
quot;Wie echter den Heere Jesus Christus niet liefheeft, die zij eene vervloeking!
Maran-atha! De Heere komt! Amen.
Nazang; Psalm 149 vs. 1, 2.
Looft, looft den Heer\', Wien, onbedwongen, Een nieuw gezang zij toegezongen, In \'t midden Zijner gunstelingen,
Die Hem ter eere zingen 1 Dat Israël, met bigden klank,
Zijn\' milden Schepper loov\' en dank\'1 Dat Zions kroost, met lofgejuich,
Zich voor zijn\' Koning buig\'!
Laat d\'ijverige tempelreien Op fluiten \'s Hoogsten Naam verbreien ; Hun psalmgezangen vroolijk paren Met trommelen en snaren,
Nu God met lust. Zijn oogen slaat Op Jakobs uitverkoren zaad ; Zachtmoedigen Zijn gunst betoont,
En hen met heil bekroont!
95
VII.
L E E R E E D E.
DE SPEAKE KANAANS.
Voorzang: Psalm 87 vs. 1—3.
Zijn\' grondslag, Zijn onwrikb\'re vastigheden Heeft God gelegd op bergen, Hem gewijd!
De Heer\', Die Zich in Zions heil verblijdt.
Bemint het meer dan alle Jakobs steden.
Men spreekt van u zeer heereljjke dingen,
0 schoone stad van Isrels Opperheer!
\'k Zie Eahab, ik zie Babel, tot uw eer,
Bij hen geteld, die Mijne grootheid zingen.
De Filistijn, de Tyriër, de Mooren
Zjjn binnen u, o Godsstad! voortgebracht:
Van Zion zal het blijde nageslacht Haast zeggen: „üeez\' en die is daar geborenquot;.
Mijne Geliefden 1 Dewijl wij, voor zoover wij den Heere toebehooren, als ééne familie bijeen zijn, zullen wij het genot hebben, ons in deze ure te onderhouden in eene taal, die de wereld niet verstaat, die zjj in hare hoogheid veracht, en die toch zoo vertrouwelijk en gemoedelijk, zoo welluidend en opwekkend is. De taal, die ik bedoel, heet bij den Profeet Jesaia de „spraak vanKanaanquot;. (Jes. 19 vs. 18.)
Gehouden op Pinkstermaandag, 5. Juni 1854, \'s voormiddags.
DE SPRAKE KANAANS.
Bij het vernemen hiervan beproeve zich een iegelijk, of zij hem klinkt ais zijne eigene taal, of zij uit zijo hart gesproken is, dan wel of zij hem scherp, hard, ruw en bijgevolg vreemd voorkomt. Op de gansche aarde, zoo ver zij zich uitstrekt, zijn er menschen, die deze taal verstaan, die alleen dan gelukkig zijn, wanneer zij eenen landsman aantreffen, die met hen in deze hartetaal spreekt. — quot;Wat men evenwel ook overal van haar moge zeggen, God noemt haar eene reine spraak.
Het onderwijs in deze taal ontvangen en geven wij evenwel zóó, dat een ieder dadelijk daaraan weten kan, uit welk land hij is, en of hij Schibboleth of Sibboleth zegt. (Richt. 12 vs. 6.) quot;Wij nemen hiertoe aanleiding uit het feest, dat wij vieren, d. i. uit het Pinksterfeest, opdat een iegelijk wete, of hij dea Geestes van Christus deelachtig is, of niet.
Als wij zeggen, dat wij in deze spraak onderwijs ontvangen en geven, verstaan wij dat zóó, dat wij menschen wel is waar het Woord prediken en hooren, en het ook gelooven, dat echter de eigenlijke Onderwijzer in deze taal de Heilige Geest is.
Dewijl nu de vorm van eenen catechismus de beste leerwijze voor het onderwijs is, willen ook wij ons onderricht in vragen eu antwoorden geven.
Tusschenzang: Psalm 89 vs. 7,
Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!
Zij wand\'len, Heer\'! in quot;t licht van \'t God\'lijk aanschijn voort.
Zij zullen in Uw\' Naam zich a) den dag verblijden;
Uw goedheid straalt hun toe. Uw macht schraagt hen in \'t lyden,
Uw onbezweken trouw zal nooit hunn\' val gedoogen,
Maar Uw gerechtigheid hen caar Uw Woord verhoogen.
Mijne Geliefden! Gij ziet mij aan, en ik zie u aan, endaar vragen en antwoorden wij aan de hand van Gods Woord het navolgende:
Vr. Hoe heet gij ?
Antw. Ik heet een goddelooze, en toch een rechtvaardige; een onreine uit de onreinen, en toch een heilige; ik heet een
97
7
DE SPRAKE KANAANS.
mensch, bij wien men niets, dan wat menschelijk is, vinden zal, en toch, ja juist zóó, heet ik een, die „Godesquot; is. Ik draag eenea naam, dien niemand kent, dan die hem ontvangt, en \'die naam is: zoon Gods. — Ik schrijf met mijne hand: Ik ben des Heeren; en ik word toegenaamd met den Naam van den God Jakobs. (Jes. 44 vs. 5.) Mijn naam is bekend in den hemel, en daar staat hij goed opgeteekend met bloed in eene kroon; op aarde ben ik bekend en onbekend, en daar staat mijn naam slecht aangeschreven, en toch gaan er ook wel goede geruchten van mij. (2 Cor. 6 vs. 8, 9.) Dikwijls heb ik geenen moed, om mijnen naam te noemen; maar moet ik over boord (Jona 1), dan noem ik mij „eenen Christenquot;; dat kan ik niet nalaten, vanwege de zalving, die op mij en in mij is.
Vr. quot;Welke is uw godsdienst?
Antw. Naar mijnen godsdienst ben ik een Hebreër, een Jood, doch de besnijdenis des harten ontvangen hebbende, en dat wel zonder handen. (Rom. 2 vs. 29.) Verder is dit mijn godsdienst, dat ik mij houd aan den onzichtbaren God, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, alsof ik Hem zage^ dat ik Hem alleen vrees en Zijne geboden onderhoud. Mijn godsdienst bestaat hoofdzakelijk in het doen, en daarbij in getuigenis af te leggen daarvan, dat een Ander alles voor my en door mij doet, en dat ik bij al mijn doen niets anders op het oog heb, dan de eere Zijns Naams en het waarachtig heil mijns naasten.
Vr. Hoe oud zijt gij ?
Antw. Ik ben een pasgeboren kindeken, begeerig naar de redelijke en onvervalschte melk, opdat ik door dezelve moge opwassen. (1 Petr. 2 vs. 2.) Overigens heb ik ook wol vernomen, — en dit geschiedde in geenen hoek, — dat God mij van eeuwigheid gekend heeft; daarom reken ik mijnen leeftijd ook wel van dat oogenblik af; overigens ben ik altijd tevreden, als God tot mij zegt; „Heden heb Ik u gegenereerdquot;.
Vr, quot;Waar zijt gij geboren?
98
DE SPRAKE KANAANS.
Antw. Eerst ben ik geboren in een paradijs, — daar stierf ik; anders reken ik mijne geboorte van dat oogenblik af, dat de raad des vredes ook voor mij werd gebonden. Ik zag evenwel bet eerste levenslicht in de stad des verderfs, in liet land der Amorieten en Hetbieten. — Wederom werd ik geboren te Bethlehem en op Golgotba, — en eindelijk in de grondelooze diepte mjjner verlorenheid; daar was het tevens een vlak veld, waar ik beengeworpen lag in mijn bloed, en waar niemand naar mij omzag, dan God. (Ezecb. 16 vs. 5, 6.)
Vr. Wanneer zijt gij geboren?
Antw. Het was een donkere nacht, — maar met eene snelheid, grooter dan die der binde, brak over mij bet morgenlicht aan.
Vr. Wie is uw vader?
Antw. Mijn eerste vader was een bedorven Syriër (Dent. 26 vs. 5); bij is zeer rijk geweest, heeft groote schulden gemaakt, en niets kunnen betalen; deze scbuld ging op mij over, en al werkte ik nu ook mijn leven lang met vlijt, dan zou het tocb eene eeuwige schuld blijven.
Vr. Wie is uwe moeder?
Ant. Mjjne moeder is „vleescbquot;, en toen zij mij baarde, baarde zij mij als een verdraaid kind; mijn gebeele innerlijk wezen bestond uit ondeugd, uit haat tegen God en den naaste, en in de gansche ziel en bet gansclie lichaam was niets dan allerlei ziekte der zonde en de dood.
Vr. Hebt gij nog eenen anderen vader?
Antw. Ik word in den nood gedrongen en geperst, om uit te roepen: „Abba, lieve Vader!quot; — en als ik dan neerzit als een weenend kind, dan drukt Hij mjj aan Zijn hart, en spreekt mij moed in; Hij is een Vader, Die mij in Zijn huis beeft opgenomen en op voorspraak van Zijn eenig ééngeboren Kind beeft aangenomen. Hij is de God en Vader van mijnen Heere Jesus Christus. Ik schaam mij, dat ik zeggen moet, dat ik zoo dikwijls den moed niet heb, om te bekennen, dat deze glorierijke Vader mijn Vader is, dewijl ik zulk een slecht,
99
DE SPEAKE KANAANS.
ongehoorzaam en ondankbaar kind ben; — maar toch: Vader is Hij, mijn God en mijn Vader, en Hij zal het blijven.
Vr. Hebt gij ook nog eene andere moeder?
Antw. Ja, mijne andere moeder, die mij uit God door het Woord, door oversehaduwing des Heiligen Geestes ontvangen en gebaard heeft, is eene vnje, eene edelvrouw; zij heet: het Jerusalem, dat boven is. (Gal. 4 vs. 26.) Door deze moeder quot;weet ik het, van welken Vader ik een kind ben. Zij was zeer oud, toen zij mij baarde, en allen zeiden, dat zij nooit c-m kind zou ter wereld brengen, want zij was onvruchtbaar en te zwak.
Vr. Hebt gij ook broeders en zusters?
Antw. Somtijds denk ik, dat ik geheel alleen sta en eenzaam en verlaten op de wereld ben; dit zal echter wel ten deele aan mijne eigenzinnigheid, eigenliefde en aan mijnen hoogmoed liggen. Soms vind ik eenen broeder of eene zuster, die mij verstaat; — maar naar het Woord mijns Vaders heb ik er 144000, en daarenboven nog zoo velen, dat niemand hen tellen kan. (Openb. 7 vs. 4, 9.)
Vr. Zijt gij gehuwd?
Antw. Er is mij in mijne ellende en in mijne eenzaamheid en armoede een wonderschoone Koning verschenen, en zoo leehjk als ik was, zeide Hij tot mij: „Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden; en Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den Heere kennenquot;. (Hos. 2 vs. 18, 19.) En nadat Hij dit gezegd had, stak Hij mij eenen ring aan den vinger. Ik heb Hem dikwijls wedergevonden, nadat ik Hem verloren had, — dikwijls weergezien, nadat ik Hem in langen tijd niet zag, en dan heeft Hij herhaalde malen tot mij gezegd: „Ik heb u van eeuwigheid liefgehad, daarom heb Ik u tot Mij getrokken uit louter barmhartigheidquot;.
Sedert langen tijd is Hij van mij opgevaren, maar ik gevoel het nu en dan aan den ring, dat Hij wederkomen en mij tot
100
DE SPRAKE K AN A AN S.
Zich nemen zal, opdat ik eeuwig bij Hem blijve. — Ik had eerst eenen anderen man, maar die is dood; die sloeg mij hard, geeselde en tiranniseerde mij; mijn tegenwoordige Man spreekt altijd alleen vriendelijke, liefelijke woorden : „Amm:, Rucbamaquot;, — d. i. „Mijn volk, begenadigdequot;. (Hos. 1 en 2.) Hij leeft met mij geheel volgens het trouwformulier.
Vr. Hebt gy familie?
Antw. Ik heb vele kinderen gebad bij den eersten man; die bevielen mij eerst zeer goed en waren de lust mijner oogen en mijn geluk; zij werden spoedig groot, maar zij zijn de een na den ander gestorven aan de tering. Vraag mij niet naar familie; want ik ben eenzaam en onvruchtbaar, alsof ik zonder man ware. Ik heb evenwel eene belofte, dat ik eene blijde moeder van zeven worden zal, dat mijne woning te klein zijn zal, om alle kinderen te bergen, dat mijn zaad zijn zal als de sterren des hemels, en dat al mijne kinderen van den Heere zullen geleerd zijn. Menigmaal sta ik voor deze belofte en lach, gelijk Sara lachte, toen ook zij zulk eene belofte ontving. De kinderen overigens, die ik heb, zijn mij van den hemel toegezonden, en zijn mij tot teekenen en wonderen van den Heere der heirscharen. (Vergel. Jes. 54, Ps. 113 vs. 9 en Jes. 8 vs. 18.)
Vr. Hoe noemt gij uwen Koning?
Antw. Ik kan Hem niet noemen, want Hij is Wonderbaar. Als ik Hem noemen moest, dan zou ik dood aan Zijne voeten nedervallen. Ik noem Hem mijnen Vriend; en Hij is wit en rood. Hij houdt woord en trouwe, beeft mij lief, voedt en beschut mij, en heeft met mij het uiterste geduld. (Zie Richt. 13 vs. 18, Jes. 9 vs. 6 en Hoogl. 5 vs. 10.)
Yr. quot;Wat denkt gij van uwe gestalte?
Antw. Mijn Vriend zegt, dat ik schoon ben; ik kan het echter niet begrijpen. Ik kom mijzelve voor als een ongevormde vleeschklomp; en somtijds heeft mijn Vriend ook geene gestalte noch schoonheid in mijne oogen. Wanneer Hij mij evenwel, als ik zoo ellendig ternederlig, op den wagen van
101
DE SPRAKE K AN AA If S.
Zijn vrijwillig volk zet, dan vraag ik niet naar mijne gestalte, maar verblijd mij daarin, dat Hij zoo met mij daarheen rijdt, en dan zou ik, wat mijne gestalte aangaat, met alle engelen niet willen ruilen. (Hoogl. 1 vs. 8; Hoofdst. 4 vs. 7; Jes. 53 vs. 2, 3; Hoogl. 6 vs. 11.)
Yr. Wat denkt gij van uwe lengte?
Antw. Ach, ik wil altijd eene span langer zijn, dan ik ben, en ben er dikwijls bezorgd over, dat ik te kort en te klein ben; want die lieden, die eene lange gestalte hebben, zeggen, dat ik niets beteeken, en meten mij dan van het hoofd tot de voeten, en dan word ik al kleiner en kleiner, totdat ik een worm word, die zich in het stof tot zijnen Schepper uitstrekt. Hij toch geeft genadiglijk aan eenen ieder zijne bepaalde maat en te Zijner tijd ook den wasdom; en terwijl ik nu klein word voor liet aangezicht van mijnen grooten God, en met den kleinen Josua, Kaleb en David op Hem zie, word ik getroost, dat ik geheel naar de maat der Wet ben, en de Og\'s en Goliath\'s en alle reuzen hebben voor mij niet meer hunne lange schaduwen, en de zoo groote bultige berg Basan wordt klein bij den anders zoo lagen heuvel Zion. (Jes. 2 vs. 2; Ps. 68 vs. 17.)
Vr. Wat denkt gij van uwen gang?
Antw. Die is in mijne ougen slecht, want het is mij, bij den vorigen tijd vergeleken, alsof ik al meer en meer achteruitga; maar het werk, dat ik onderwijl doe, moet toch wel recht zijn, — zoo zegt ten minste de Werkmeester, aan Wien ik het werk heb af te leveren. Ben ik moede, dan krijg ik nieuwe kracht, en zoo gaat het toch voorwaarts. Mijn Vriend heeft mij schoenen geschonken, en hierin is mijn gang, zooals Hij zegt, als die van eene koningsdochter, — mijn gang gaat recht uit, en alles wat op den weg mij tegenkomt, moet voor mij wijken; in deze schoenen loop ik en word niet moede, hoe zwak ik ook ben. (Jes. 40 vs. 29—31; Hoogl. 7 vs. 1.)
Vr. Maar hoe zijt gij zoo zwart, zoo gewond, en hoe zijn uwe oogen zoo rood, alsof gij geweend hadt; van waar komt
102
DE SPEAKE KANAANS.
het, dat gij zoo bleek zijt, en uwe wangen zoo ingevallen en zoo doorgroefd zijn?
Antw. Ik ben zwart door de brandende zonnehitte; dat kan niet anders op de reis door deze woestijn. Ik ben gewond, doordien de vijanden mijns Vriends mij hebben geslagen, omdat zij mijnen Vriend haten, — ook mijne bekenden en die mij liefhebben, hebben mij geslagen, omdat zij mij en mijnen Vriend nog niet recht kennen, en mijnen en hunnen Vriend voor eenen vijand houden. (Hoogl. 1 vs. 5, G; Hoofdst. 5 vs. 7.)
„Wel, laat hen dan varen!quot;
Neen, ik was -weleer ook zoo verkeerd en sloeg hen, die zoo zijn, als ik thans ben. En de groeven in mijne wangen komen daarvan, dat ik zoo dikwijls weenen moet over mijne innerlijke verdorvenheid. Dat gaat evenwel alles voorbij; en als ik mijnen Vriend slechts heb, dan komt alles in éón oogwenk terecht. Dan ben ik toch liefelijk, — Hij zegt het immers. Dan heb ik ook geene zonde of verdorvenheid, dewijl Hij dat alles van mij neemt. Hij legt Zijne wonden op mijne wonden, en dan heb ik geene wonden meer, en ben opgeruimd, vroohjk en vergenoegd; — en als Hij zegt: „Hoe ziet gij zoo mager, gij koningskind?quot; dan ben ik op eens sterk.
Vr. Hoe kleedt gij n?
Antw. Ik word altijd gekleed. Vroeger kleedde ik mijzelven met schorten van vijgebladeren; nu word ik echter dagelijks, op het bevel van mijnen Vriend, door engelen gekleed; ik draag een kleed van lamsvellen en eenen rok, die zonder naad is, uit één stuk geweven; dat is mijn priesterlijk kleed. Ik draag eene leeuwenhuid, dat is mijn koninklijk kleed. Ik draag een bruiloftskleed, en zorg, dat ik het op de hooge feestdagen aanheb. Ik draag een gouden kleed, als ik aan Zijne Rechterhand zit; ik draag gestikte kleederen, als ik tot Hem ga; ik draag eenen koninklijken hoed, aan welks voorzijde eene plaat bevestigd is, waarop Zijn Naam staat: de Heiligheid des Heeren. Ik heb allerlei wisselkleederen, die ik alle van mijnen Koning ten geschenke gekregen heb, en Hij heeft er nog vele in
103
DE SPRAKE KAN A AN S.
Zijne kasten. In mijn hart draag ik Zijn beeld; dat maaktal de beelden van de mode der wereld, die uit mijn hart aan mijne oogen worden voorgetooverd, leelijk en afschuwelijk. (Gen. 3; Matth. 22 vs. 12; Ps. 45 vs. 14; Zach. 3 vs. 4, 5; Ex. 28 vs. 36.)
Yr. Maar van al deze kleederen zie ik niets; ik zie alleen, dat gij een bestoven rouwkleed aanhebt?
Antw. Laat u dat niet hinderen, dat beteekent niets; dat is mijn reiskleed. De andere kleederen zjjn voor het oog verborgen. Gij weet immers, dat ik hier als vreemdeling verkeer!
Vr. Ik zie u wel eens in eene wapenrusting, — beschrijf mij die en uwen strijd!
Antw. quot;Welaan, ik draag een harnas. In mijne oogen schijnt dat zelfs tegen den lichtsten stoot of aanval niet bestand te zijn, maar het heeft zich altijd bewezen te zijn een harnas Gods. Ik sta dan, de lendenen omgord hebbende met eenen gordel, die „waarheidquot; heet; dikwijls is het mij daarin, alsof de waarheid aan de zijde van den vijand ware, maar deze gordel houdt de slappe lendenen recht, zoodat ik daarin staande blijf. Ik draag een pantser, het borstwapen der gerechtigheid; ik meen wel dikwijls, dat de gerechtigheid toch niet bij mij is, maar dan ervaar ik het, dat dit borstwapen uit over elkander schuivende platen bestaat, zoodat al de ongerechtigheid van den antichrist er toch niet doorheen komt. Mijne voeten zijn geschoeid ; maar als ik loopen moet, dan denk ik te zullen vallen; dan word ik evenwel in mijne schoenen overeind gehouden, en loop daarin zonder moede te morden. Ik draag een schild, en houd het den vurigen pijlen des vijands voor; ach, wat is het mij achter dat schild dikwijls bang, hoe vol versaagdheid en twijfelmoedigheid ben ik, vreezende, dat dit schild zal doorboord worden! Het heeft zich evenwel altijd als ondoordringbaar bewezen. Ik draag ook eenen helm; ach, hoe dikwijls meen ik, dat het zwaard des vijands dien helm en te gelijk mijn hoofd zal klieven; maar hoe is die in waarheid een helm der zaligheid! Elk vijandelijk zwaard is daarop telkens in stukken
104
DE SPRAKE KANAANS.
gesprongen. Ik draag een zwaard en omklem het met de hand; wel meen ik dikwijls, dat het in vergelijking met de lange zwaarden der vijanden te kort is, maar tot hiertoe heb ik van dat zwaard kunnen zingen: Het is in den Naam des Heeren, dat ik met u de vijanden verhouwen heb! Niets is bestand tegen dit zwaard. — Hier hebt gy nu eene korte beschrijving van mijne wapenrusting. Mijn beste wapen is: „geroep om hulpquot;; en na elke verkregen overwinning denk ik: „Nog één zoodanige slag, en ik ben gevallen in de handen van Saul!quot; Maar mijn Koning zegt gedurig: „Gij zult stille zijn, want Ik zal voor u strijdenquot;. Zoo ging het tot dusverre goed, en er was eene stem des gejuichs en des heils, waar ik meende alles verloren te hebben. (Ef. 6.)
Vr. Kunt gij mij iets van uwe levensgeschiedenis mededeelen?
Antw. Dat kan ik in weinige woorden doen: Ik was dood in zonden, en ik werd levend gemaakt; ik was blind, en werd ziende gemaakt; lam was ik, doof, stom en melaatsch, en ik kreeg voeten, om te springen als een hert, — ooren, om te hooren, wat zij, die om mij heen zaten, niet vernamen; — ik ontving eene tong der geleerden, om het A. B. C. des geloofs te stamelen, het „Onze Vaderquot; uit te spreken, den veelvuldigen lof Gods te verkondigen, om Zijne gerechtigheid te boodschappen in de groote Gemeente. Ik was verloren, en zag mij meermalen volkomen gered; ik verdierf alles,, en toch werd mij alles weer goed gemaakt; ik verkwiste alles, en kreeg toch alles terug. Mijne levensgeschiedenis\'quot;\'is die van den verloren zoon, van David met Bathseba en Uria, van Manasse, van Petrus in de zaal van Kajafas, van Paulus op den weg naar Damaskus, van Maria Magdalena. Zij staat beschreven in Psalm 32 en 51, Ezech. 16 en Hos. 2. Zij is in eene hoofdsom: „Ik wist, dat gy een overtreder zoudt genoemd worden van den buik afquot;, en: „Dit is Mijn Verbond met u, dat gij vanwege uwe schaamte en schande uwen mond niet zult opendoen, als Ik het u alles zal vergeven hebbenquot;. (Jes. 48 vs. 8. — Ezech. 16 ys. 63.)
105
DE SPRAKE KANAANS.
Vr. Waar leeft gij van?
Antw. Ik leef niet van gestolen goed, maar van hetgeen mij op eenen eeuwigen rechtsgrond, met eeuwig geldenden rechtstitel is toegekomen. Ik vond eenen akker met eenen schat; ik verkocht alles om dien akker, en de Koning gaf mij den schat; die schat is mijne. Ik leef uit het geloof aan hetgeen mijn Koniug mij heeft beloofd. Ik leef niet alleen bij brood, maar bij alle woord, dat uit den mond Gods uitgaat. Het heeft den schijn, alsof ik van aalmoezen leef; want ik bedel, — maar dat doe ik alleen bij mijnen Koning. Ik leef van de renten van een kapitaal, dat in trouwe handen bewaard wordt, en voor alle dieven en alle geweldenarij veilig en zeker is, ja, zeker blijft, al gaat de gansche aarde in vlammen op. Ik ben in volle gemeenschap van goederen getrouwd, en heb alles bij de hand; ik kan het reine zilver en goud van alle goede werken uitgeven, als ik maar gedachtig blijf aan mijnen Koning en mijne gemeenschap met Hem; doe ik dat niet, dan heb ik niets, waarvan ik leven kan, en zou van honger en dorst moeten omkomen; want met hetgeen ik nit mijn huis heb medegebracht, is niets te beginnen. Hij evenwel, Die getrouw is, geeft mij, wat ik behoef, en verwijt mij niets. Ik leef evenwel bij Hem van ruilhandel; Hij neemt al het mijne, dat volstrekt geene waarde heeft, en dat Hij ook niet kan gebruiken, en Hij geeft mij al het Zijne. — dat is van oneindige waarde, en ik kan het het best gebruiken, als ik het eerst met het mijne beproefd heb, en daarmede te schande geworden ben.
Vr. Wat is uw voedsel?
Antw. Wanneer ik maar honger en dorst heb, een vette maaltijd, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. (Jes. 25 vs. 6.) Ik eet van het brood mijns Konings, en drink van den wijn, dien Hij schenkt. (Spr. 9 vs. 5.) Ik moet mij evenwel schamen, dat ik dikwijls zoo verzadigd ben, en het mij is, als walgde mij het manna; dan moet ik zwijnendraf eten en vullen edik
106
DE SPKAKE KAN AAS S.
drinken, maar daarbij kan ik hst niet uithouden, en ik word gedreven door eeuwige liefde, om dien slechten kost te laten staan, en verblijd mij, dat ik, evenals een Mefiboseth, mijn leven lang aan den disch van koning David mag aanzitten, (2 Sam. 9 vs. 13.) Ik geniet de vruchten van wat Hij heeft uitgewerkt, wandel in mijnen lusthof te midden van de rozen, en eet appelen en druiven. (Hoogl. 1 vs. 14, Hoofdst. 2 vs. 5 enz.)
Vr. quot;Waarmede houdt gij u het meest bezig?
Autw. Het is moeilijk, daarop een antwoord te geven. — Wanneer ik de geboden mijns Konings gadesla, hoe die zoo geestelijk zijn, en acht geef op de uitgangen mijns harten, ach, dan is er geene zonde, waarmede ik mij niet afgeef. Waarmede ik mij bezighouden moet eu gaarne bezighoud, dat doe ik niet; en waarmede ik mij niet heb bezig te houden, ja, wat ik haat, dat doe ik. (Rora. 7 vs. 15, 19 ) Ik houd mij bezig met allerlei booze gedachten, met ongeduld, met alles wat verkeerd en tegen God in is. Wederom ben ik meestal bezig met versaagd-zijn, niet klagen, weenen, schreien, met bidden en hopen; — en ook daarmede, dat ik beken, minder te zijn dan een stofje, en dat de Heere het alles en alleen is; — daarmede, dat ik met mijn hart vertrouw, dat Hij het met mij maken, en het voleinden zal naar het getuigenis Zijns Woords en Zijner belofte; — daarmede, dat ik de toevlucht neem tot Zijne genade en barmhartigheid tegen zonde, nood en dood; — eindelijk is ook dit mijne bezigheid, dat ik blijmoedig belijd en mij daaraan houd, dat mijn Koning en mijn God mijn hoogste goed en de eenige onuitputtelijke bronwel van allo heil is; dat bij mij en alle schepsel, op zichzelven beschouwd, niets te vinden is, maar mijne vrucht uit Hem is gevonden. (Hos. 14 vs. 9.) Voorts ben ik eene dienstmaagd, om de voeten der heiligen te wasschen, en somtijds speel ik op het orgel, op de fluit, of op de harp. — Ik houd mij dus daarmede bezig, dat ik voortdurend alle onreinheid opzoek, dat ik de middelen ter hand neem, om alles rein te krijgen, en dat ik op den zevenden dag rust van
107
DE SPRAKE KANAANS.
mijnen arbeid, en dan den ganschen dag luister naar het bazuingeschal.
Vr. quot;Wie zijn uwe vijanden, en wie uwe vrienden?
Antw. Het schijnt, dat ik haat, die mij liefhebben, en dat ik bemin, die mij haten. (2 Sam. 19 vs. 6.) Het zijn mijne vijanden, die mij vleien; én mijne vrienden, die mij op het hoofd slaan. Vraagt gij naar de oorzaak hiervan? Mijne eigenlijke vijanden brengen aan het licht, dat mijne quot;wapenrusting goed, en mijn zwaard niet te kort is; maar er zijn vrienden, die mij lastig vallen en mij kwellen, doordien zij zichzelven zoeken, en niet wat mijns Konings is. God rekeue hun dit niet toe. De vrienden van mijnen Koning zijn mijne boezemvrienden, en Zijne vijanden haat ik met eenen volkomen haat. (Ps. 139 vs. 21, 22.) Ik ben voor mijzelven de ergste vijand, en mijn Yriend is mijn eenige Vriend, ook dan, als Hij Zich tegen mij stelt als een vijand.
Vr. Zeg mij iets van het karakter uwer vrienden?
Antw. Hun karakter is: Recht voor zich heen, — alles voor den Heere! Hun „jaquot; is ja, hun „neenquot; neen. Zij zeggen het niet alleen, maar doen het. Zij bewaren het quot;Woord des Heeren in hunne harten; zij zijn een volk, dat niet liegen zal; zij meenen het oprecht. Zij hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Zij hebben de heiligheid lief, en hebben rust noch duur, totdat zij het „hoequot; gevonden hebben, hoe zij namelijk er toe komen zullen, dat zij zich met de Wet in overeenstemming bevinden. Zij zoeken niet hunnen lust, maar het welbehagen Gods. Zij zijn niet ongestadig, en hebben eenen afkeer van alle halfheid; zij rusten in God, en houden zich stil in Zijn quot;Woord. Zij werken niet op eigen hand; zij genieten, en komt het bevel, dan staan zij op. Zij haten zichzelven, daartoe ook vader, moeder, vrouw, kind, have en goed, en alles, wat den wil Gois in den weg is, — en dat doen zij met volharding. In alle stukken zijn zij standvastig en volhardende. Zij laten zich van God alles zeggen, alles toeschikken en brengen; zij ver-
ios
DE SPRAKE KANAATfS.
■wachten nieta van zichzelven. Eene kudde schapen zijc zij, die over alle duivelen en slangen heengaat en ze vertreedt; zij zijn eene slagorde, blinkende in de zon met de gouden helmen, harnassen en schilden, — een heerlijk volk. (Hoogl. 6 vs. 9.) Zij zorgen, dnt zij olie in de lampen hebben, en al slapen, zij ook, als do Bruidegom vertoeft te komen, hun karakter is toch: „Op;quot; als de -wachter roept. Zij gedragen zich als onderdanen, als dienstknechten des Allerhoogsten, als kinderen des lichts; — zij zijn het evenbeeld des Heeren, en worden gaarne aan Zijnen dood gelijkvormig gemaakt. Zij zijn Zijn eigendom, en moeten uit alle banden en uit elk graf te voorscliijn komen; zij laten zich door zonde, duivel noch dood weerhouden. Zij versmaden des Heeren uitnoodiging en Zijne tafel niet om eene vrouw, of een kind, om eenen akker, of een juk ossen. Zij brengen in volstandigheid vruchten voort (Luk. 8 vs. 15), want zij blijven in den Wijnstok; zij getuigen blijmoedig van den Heere, en in hunne oogen is de Heere alleen groot; daarom laten zij de wereld ■woeden en met hen doen, wat haar goed dunkt; zij versagen nooit, al moeten zij ook hun leven op het spel zetten. Zij hebben voortdurend behoefte aan troost; daarom nemen zij ook de toevlucht tot de volheid huns Heeren. Zij zijn als een akker of tuin, die zich door den Heere laat bewerken, — zij zijn als een leerling, die den mond zijns onderwijzers vraagt. Zij weten, dat zij onsterfelijk en schatrijk zijn, hoewel zij da^ in hope zijn: daarom vragen zij naar leven noch dood, naar rijkdom noch armoede, één ding is hun genoeg; Niemand of niets scheidt hen van de liefde des Heeren. (Eom. 8 vs. 38, 39.)
Vr. Hoe weet gij, dat gij op den rechten weg zijt? Die weg is zoo zonderling, het gaat immers door enkel hindernissen heen, en gij schijnt wel geheel alleen uwen weg te reizen?
Antw, Ik zie niet op den weg, maar op mijnen Leidsman; Die heeft het mij gezegd, toen Hij mij op den weg zette, en mij het einde er van toonde; want de afgronden en al de hindernissen zag ik toen niet. Hij heeft immers tot mij gezegd:
109
D E SPRAKE KANAANS.
„Dit is de weg, wandel in denzelven; en wijk niet af noch ter rechter-, noch ter linkerzijdequot;; en: „Deze weg is smal, en weinigen zijn er, die denzelven vindenquot;; toch vind ik somtijds eenen pelgrim, die dienzelfden weg reist. Hij gaf mij ook een kompas en eeae lamp mede, om de kenteekenen van den goeden weg te kunnen onderkennen, welke zijn: smal, oneffen, door weinigen betreden, bezaaid met kruisen en doornenkroonen, enz.. Den verkeerden weg, dien ik somtijds ook wel zou willen inslaan, verlaat ik spoedig weder.
Vr. Wat is dat kompas?
Antw. Zijn Woord, dat niet liegt. Zijn Woord is mijne lamp, ook mijn stok en mijn staf.
Vr. Maar wanneer gij ia het duister wandelt ?
Antw. Dat hindert niet, die lamp brandt in mijn hart. Ook ia Hij mij des daags tot eene wolkkolom en des nachts tot eene vuurkolom. Hij, de Heere, is mijn overvloedig licht, juist in het donker en in den bangen nacht; en Hij heeft het ook gezegd: „Wie is er onder ulieden, die in de duisternis wandelt, en geen licht heeft? — dat hij betrouwe op den Naam des Heeren, en steune op zijnen Godquot;. (Jes. 50 vs. 10.)
Vr. Zijt gij dan in het geheel niet bang, dat gij op dezen weg verdwalen of omkomen zult ?
Antw. Somwijlen wel, want dikwijls zie ik niets meer van den weg; — maar wanneer ik een oogenblik stil sta en mij bedenk, dan vrees ik in het geheel niet. Ik heb van den Koning een groot gevolg medegekregen, eene machtige schare dienaren. Grij ziet die niet? O, ik menigmaal ook niet, als ik niets zie dan den vijand, niets dan Ezau met zijne vierhonderd!
Vr. Noem mij deze dienaars ?
Antw. Wel, het zijn Zijne heilige engelen, — Mahariaïm (Gen. 32 vs. 1, 2); vaak ontmoet ik ook een van mijns gelijken; dan gaat het gansch eigenaardig op den weg; ook is Hij Zelf dikwijls bij ons, en wij denken er niet aan, dat Hij het is; maar ons hart is brandende in ons vanwege Zijne onzichtbare zalige tegenwoordigheid. (Luk. 24 vs. 13 vv..)
no
de sprake kanaans.
Vr. quot;Weet gij wel, dat gij nog voor eene opene zee komt te staan, en dat gij nog door eene rivier heen moet, die vol is aan hare oevers ?
Antw. Ik heb daarvan wel zoo iets vernomen, ook heb ik het wel overwogen, toen ik den weg insloeg, maar ik heb Ziin Woord te allen tijde waarheid bevonden te zgn, en het woord van den vijand en van de wereld leugen. Ook in den oven der ellende, en in de hitte van den strijd met het verderf heb ik de waarheid ondervonden van de woorden des Heeren: „Vrees niet! quot;Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aanstekenquot; (Jes. 43 vs. 1, 2), en: Hij verandert stroomen in het droge. Weet gij hoe? Hij gaat als de Eerste in den stroom, en Hij gaat er ook als de Laatste uit. De Arke des Yerbonds vermag meer dan alle vloeden des doods. (Jos. 3.)
Vr. Maar boe dan, als u eene giftige slang bijt?
Antw. Dan Tiie ik stervende op de koperen slang, — dat is zoo Gods wil.
Vr. Maar waarom neemt gij niets uit de wereld mede?
Antw. quot;Wat God Zelf mij geeft, al schijnt het ook weinig, is meer dan de overvloed van vele goddeloozen. Dat ik eerlijk eet en drink, dat ik mij kleed naar behooren, en wat verder mijne behoeften zijn, dat alles geeft Hij mij van Zijn aardrijk. De aarde toch is mijns Konings, mitsgaders hare volheid. (Ps. 24 vs. 1.) Van de wereld wil ik echter niets hebben; mijn erfdeel is daarboven. De duivel heeft niets, hoe veel hij ook belooft. Wie het minst bij zich heeft, die reist het gemakkelijkst; ook heb ik beloftenissen, waarin overvloedig goud gelegen is. Ik reis met eenen goeden kredietbrief, en mijn Koning heeft overal Zijne betaalmeesters.
Vr. quot;Waar trekt gij dus heen?
Antw. Daarheen, waar reeds mijn wandel is, naar het Jerusalem, dat geen mensch, maar God Zelf gebouwd heeft voor mij en al de Zijnen, — gebouwd op het bloed des Verbonds,
111
DE SPRAKE KANAANS.
Vr. Zijt gij daarvan zeker en gewis?
Antw. Ik heb zegel en brief, namelijk den Geest, dien Hij mij geschonken heeft, en Zijn Woord.
Vr, Maar al die oude zonden? en nog eens, als gij voor dien diepen stroom komt? gij hebt immers geen bootje, en op dien stroom is er ook geen ?
Antw. Ik moet toch in den hemel!
Vr. Wat is dan uwe verwachting ?
Antw. Mijne zekere verwachting is, dat mijn Koning en Heer, mijn Zielebruidegom mij zal tegenkomen aan de poorten Zijner stad. Hij heeft mij het antwoord gegeven op mijn gebed, Hij heeft gezegd: „Ik kom haastiglijk!quot;
Vr. Maar hoe komt gij die stad in, die zoo hoog ligt?
Antw. Op engelen wagens! Hij Zelf zet mij daarop, — en dan geene tranen meer!
Mijne Geliefden! Dit is nu zoo iets van de sprake Kanaans. Die haar niet kan meespreken, ga als een kind in de leer bij den eenigen Profeet. Die haar veracht, wete, dat de Vader, Die Zijne kinderen alzoo leert spreken, hem zoo lang ook veracht. Die haar geleerd heeft, bedenke, van Wien hij haar geleerd heeft, opdat hij Hem vreeze, en Hem eerbiedig aan-bidde. Het spreken evenwel maakt niet zalig, zoo het hart er niet bij is. Schibboleth alleen komt over den stroom. Daar heet het: Voorwaarts! haast u, behoud u om uws levens wil. Amen.
Nazang: Psalm 147 vs. 10.
Hij gaf aan Jakob Zijne wetten;
Deed Isrel op Zijn woorden letten; Hij leerde z\'in Zijn wegen wand\'len. Zoo wou Hij met geen volken hand\'len: Die moesten Zijn getuigenissen En Zijn Verbondsgeheimen missen.
Laat dan Gods lof ten hemel rijzen!
Laat al wat adem heeft Hem prijzen!
•? -r-f ^ •lt;
112
■ \' ; - ,.3^.. . v:^ - . - , . * -;/gt; . ; • , , •; .\'! .■\'. .. ^ ^ \' ,v-\'
y^\'.£ v ■.. ^
nrr. /v\':\'quot;: ./ ^ v- 1 ^ - r ^
vrw :-gt;■■ ■ \' \\•\'f9gsMsew ;ïi ■ :-;;ïquot;«ï
ü \':: ~ ~ \' - -- \' quot;:
:r\\quot;;■ -
--i\'-V/ -r- ; .- 1 \'■:Sri
\' -~y\\ \'\' quot; \'quot; ■quot; quot;gt;gt;•\' - . • - \'\'quot; • - -- \' ■\'- —\' \' \' \' -- . - • ■--.■■■ -\' Vquot; . •■\'.■. . - • viSf-^
3-r\'-
- Xquot;.^- 7 gt; -rquot;/ •, • li, ^7, \\gt;\' ^ ■/ i.\'V •gt;-- ,; ■quot;. •■ 6 •: • rr.\' .••\'-..lt; ,V\' v-;*-
ifKtss -i. i«:Si i ■ «?;;quot;• ? -J
r? quot;i;
\' ,■ quot;■vC\' T\' - -■?• -■■gt;■ 7:.,^
^ - -. v - ^ v:;\'.
■ -■ ^ , r-r*quot; • \' $k\' •-\' W •• ■ •;. \'-f- - ■ v - ,:ix- lt;•quot;- . •■\'■-••■ .. I
v gt;. 1gt;--. ■•• --/ quot;*;