-ocr page 1-
-ocr page 2-

- -............ ......... - ■

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-

li trrlrrlsairmrïiid) unser!

Purgatory.

Yvrlaö ■.\'on. Cad. liajer in Nüniberé,

-ocr page 9-

--- 71

-f

ff*

i i | Hebt medelijden |

i | , MET DE ® f Geloovige zielen in het Vagevuur\'J

I — ®

\'fj Honderd wonderbare visioenen en \'fj openbaringen van de andere | zijde des graf*. |

Huis- en Kerkboek.

,|j Vrij naar het oorspronkelijke ^

1 dqür ^

Alph. Alberts,

7*. Kapelaan te Geluen. \'*/

|j ... w

l|N Hel is fene heilige en heilzame gedachte

[11 \\oor lt;1« OTerledenen te bidden . opdat lij

/4\\ zü ran hunne zonden verlost wonkn. )£(

\'|j II Machab. 12 : 46. fj

É —$

| GULPEN, 1885. $

1) SNEI.PF.RSDRUK VAN M. ALDERTS.

\'I \'s BOSCH amp; ZWOLLE. $

\'D uu W. VAN ODUCK. ^

W u Sw \'* » L.— * \'4 ^3*

«

-ocr page 10-

EIGENDOM.

-ocr page 11-

Imprimatur.

J. M SCHOLTIS, Par et Dec.

ad hoc delegatus. Galopirr, 30 Maii 1885.

-ocr page 12-
-ocr page 13-

INLEIDING.

\'t Is mijne bedoeling niet in de weinige regels, die ik ga neerschrijven, uit te weiden over het groote nnt en de volmaaktheid dor godsvrucht jegens de geloovige zielen in het vagevuur, neen, want dat is niet mogelijk; ik wil mij liever bij eenige korte wenken bepalen, om u aan te toonen, dat de werkzame liefde tot de geloovige zieltjes nooit onbeloond blijft. De liefde toont zich des te werkzamer naar mate de ellende, die zij lenigt, des te grooter is. Waar de grootste nood heerscht, daar is de verplichting om iemand bij te staan dos te dringender. Welnu, kunnen wij ons een meer verschrikkelijken toestand uitdenken, dan dien der lijdende zielen, die in eene zee van bitterheid en kwellingen tot de grootste smarten en het bitterste lijden zijn veroordeeld? De uitleggers van de H. Schrift passen met recht op het vagevuur toe de woorden van Malachias: »De Heer zit het zilver smeltend en «louterend, hij reinigt de zonen van ))Lcvi en loutert hen als goud.quot; (Mal.

Geloovige zielen. 1

-ocr page 14-

3, 3.); zij beschrijven het vagevuur als eeue plaats waar alle mogelijke kwalen en pijnen vereenigd zijn.

De propheet Isaïas schijnt dit te willen uitdrukken, als hij zegt: »De Heer »zal de vlekken van de dochteren van »Sion in den geest des vuurs reinigenquot; (L?aï. -4, 4.) Dit vuur bezit eene bovennatuurlijke kracht, is veel heviger en smartvoller dan het aardsche vuur, omdat hi t een strafwerktuig is in de handen der Goddelijke rechtvaardigheid. Terlulianns durft het vagevuur eene voorbijgaande hel noemen, omdat de beide hoofdstraffen der hel, namelijk het verlies der aanschouving Gods en de straffen der zinnen, zich ook in het vagevuur bevinden; met dit onderscheid echter, dat cle straffen de;1 hel eeuwig duren. Volgens den H. Augustinus is het vuur van beide hetzelfde: «Hetzelfde vuur;quot; zegt hij, «reinigt de rechtvaardigen en kwelt de verdoemden.quot; — \'t Is dus een groot bewijs van liefde, wanneer wij de zielen in het vagevuur te hulp komen. Hier is geene spraak er van, om een hongerige te spijzen of een naakte te kleeden of een zieke van

-ocr page 15-

— 3 —

de koorts te bevrijden; neen hier handelt het zich om ongelukkigen uit den afgrond van alle lijden te verlossen.

Deze naasteliefde zal in onze oogen nog aan waarde toenemen en des te meer aan te bevelen zijn, wanneer wij overwegen aan welke groote goederen wij de verloste zielen deelachtig maken. De geschiedenis spreekt over de goedheid van Theodosius als over een wonder, toen deze vorst eene jonge dochter met name Athenaïde uit hare verborgenheid en armoede op den heerlijken troon verhief. David kon geene woorden genoeg vinden, om aan de Goddelijke barmhartigheid zijne groote dankbaarheid uit te drukken, omdat deze hem van herder tot aanvoerder van een groot volk gemaakt had. Oneindig veel grooter is de liefde, die aan eene ziel het bezit van den hemel verschaft: in zekeren zin heeft zij dezelfde waarde als het goed, dat zij iemand bezorgt. Wij wel is waar zijn niet in staat dit te begrijpen, maar de lijdende zielen bevatten de geheele beteekenis van het woord: sGod van aanschijn tot aan-»schijn aanschouwen.quot; — Zij weten

-ocr page 16-

wat het zeggen wil: »God is ons slaatste doel en eindequot;: zij begrijpen de zaligheid, die in de innige veree-niging met God, liet eenige voorwerp barer liefde, naar Wien zij onophoudelijk verzuchten, bestaat. Dit brandend verlangen naar God, dit smachtend verzuchten om Hem te bezitten, die verterende vlammen der liefde veroorzaken aan de arme zielen in het vagevuur eene grootere smart, dan het uitwendig vuur der reiniging. Tertulia-ims verklaart deze waarheid uit de geschiedenis van den vromen man Job, die een levend beeld van de zielen des vagevuurs was, om welke reden ook de H. Kork zijne levensgeschiedenis opnam in de getijden der overledenen. Het geheele lichaam van dit voorbeeld van geduld was met afzichtelijke en smartvolle zweren overdekt, geen enkel lidmaat bleef gespaard en niets veroorzaakte hem meer pijn dan de oogen. Waarom? omdat hij het hoogste Goed niet meer zag: »Mijn oog baadt in ^bitterheden; waarom verbergt gij uw »aangezicht.quot; Hij wilde zeggen: »mijn sgrootste leed bestaat hierin, dat ik U,

-ocr page 17-

— 5 —

»mijn God, niet meer zie.quot; Hij die is prijs gegeven aan de onbeschrijfelijkste smarten, zegt Tertulianus, klaagt slechts over de smart der oogen. De grootste smart der zielen in het vagevuur is God niet te mogen aanschouwen —-alle andere smarten kunnen met deze niet vergeleken worden. Wat doet nu de liefde, waarvan wij spreken? Zij maakt een einde aan deze vreesdij ke smart, zij lescht dien brandenden dorst, zij stilt dat gloeiend verlangen, doordien zij de zielen voert tot het bezit en de aanschouwing van het opperste Goed.

Daarenboven toonen wij ook door dit werk van naastcliefde aan God onze liefde. God wil deze zielen in zijne glorie doen deelen. »Mijne vreugde is »het te zijn met de kinderen der smenschenquot; zegt hij in het boek der Spreuken (8; .11.) als of de tegen-woordigheid zijner schepselen tot zijne eeuwige gelukzaligheid iets konden bijdragen en hij zonder deze niet volmaakt gelukkig ware. Deze zielen zijn in waarheid de geliefde broeders en zusters des Verlossers, die hij met zijn

-ocr page 18-

— 6 —

kostbaar bloed heeft vrijgekocht. Reikhalzend ziet hij uit naar het oogenblik, waarop hij de zielen uit hare gevangenis verlossen en het hemelsch paradijs mag binnenleiden. Hoe groot zoude zijn de vreugde eens konings, die zijn door den vijand gevangenen maar door een trouwen vriend verlosten zoon wederom aan zijn vaderlijk hart mocht drukken! Hoe dankbaar zoude de echtgenoot zich toonen ten opzichte van dien geneesheer, die zijne vrouw aan een wissen dood heeft ontrukt! God bemint de zielen des vagevuurs met de innigste liefde, hij ontvangt ze mot grootere vreugde dan do koninklijke vader zijn verlosten zoon; oneindig grooter dan de dankbaarheid van den echtgenoot, is de dankbaarheid van God jegens de verlossers der lijdende zielen; want zij geleiden ze volgens de woorden van den H. Petrus )gt;in do volmaakte vrijheid der «kinderen Gods; zij roepen ze uit de »diepste duisternis in het wondervol slicht des hemels.quot; (i. Petr. 2. 9.)

Wanneer wij de zielen uit het vagevuur verlossen, dan bevolken wij den hemel met ware dienaars Gods, die

-ocr page 19-

— 7 —

Hem op eene volmaaktere wijze loven en prijzen, dan wij in staat zijn. Omgeven van de duisternissen en verstrooid door de beslommeringen van dit aardsch leven zijn wij niet bij machte de oneindige goedheid genoegzaam te kennen en te beminnen. Eerst dan wanneer wij ons aardsch omhulsel verlaten en eensklaps het aanschijn van onzen Verlosser aanschouwen, zullen wij hem klaar herkennen en met die gloeiende liefde vervuld worden, die ons naar het hoogste Goed henen voert. Zij zal de liefde van de H. Magdalena, van wie de zaligmaker getuigde — zij »heeft »veel bemindquot; (Luc. 7, 47.) — overtreffen; vuriger zal zij zijn dan die van den H. Petrus, als hij tot driemaal toe verzekerde — sik beminquot; —- en Jezus tot getuige riep ■— »Gij weet, o Heer, »dat ik u beminquot; (Joan. 21, 17) — Hoe roerend zullen de eerste ontboezemingen der liefde en der dankbaarheid zijn van die zielen, die toegelaten worden tot de aanschouwing der Goddelijke majesteit! Met welken eerbied zullen zij de Goddelijke volmaaktheden aanbidden en met welken jubel aanhef-

-ocr page 20-

— 8 —

fen het lofgezang uit het boek der Openbaring: »Eer, prijs, roem en dank »zij onzen God in alle eeuwigheid.quot; (Apoc. 7. 12.)

Alle degenen, die door hunne gebeden bijdragen, dat de lijdende zielen spoediger tot de aanschouwing van God ge-langen, hebben aandeel in alle akten der volmaakte liefde en dankbaarheid, aan alle lofzangen, die deze aan de Goddelijke majesteit opdragen.

De lezer kan uit deze weinige woorden besluiten, hoe aangenaam God de liefde is, die wij onze lijdende broeders en zusters toedragen. Volgens een verhaal van den karthui-zer-rnonnik Dionysius zeide de Heiland in eene verschijning aan de H. Ger-trudis: ))Zoo dikwijls gij eene ziel uit «het vagevuur verlost, maakt gij u in sGods oogen even welgevallig, ah of gij ))Hem zeiven uit de gevangenis had ïbevrijd en voor deze goede daad zal »hij u beloonen.quot; quot;Wij zullen in den loop van dit boekje, waarin dikwijls gesproken wordt over de dankbaarheid der lijdende zielen, op dat punt terugkomen.

-ocr page 21-

— 9 —

EERSTE DEEL.

i.

Gebeden en goede werken doen voor de geloovige zielen is eene voortreffelijke godsvrucht.

Weiger uwe barmhartigheid nietaaii eenen duode. Sir. 7. 37.

Op zekeren dag ontstond tusschen twee paters Dominikanen, Bertrandus en Benedictus genaamd, eene twistrede over de vraag of het Gode welgevallige r en ons voordeeliger zij, wanneer wij hem de goede werken opdroegen voor de geloovige zielen in het vagevuur of voor de bekeering der zondaars? Bertrandus was een geestvolle voorstan-der der ongelukkige zondaars, voor wie hij zeer dikwijls de H. Mis opdroeg, de roerendste gebeden hemelwaarts zond en zich de zwaarste boetewerken getroostte. Hij gaf zich alle mogelijk moeite om in dien strijd de overwinning te beha-

-ocr page 22-

— 10 —

len. »De arme zondaars,quot; zeide hij, «zullen zeker verloren gaan, als men slien niet uit laimien gevaarlijken toe-))stand redt en Gods genade verwerft. »Voortdurend is Satan er op bedacht, »om hen in zijne netten te verstrikken »on gaan zij hunne rampzalige eeuwig-))heiJ en eindelooze folteringen te gemoet. ))Heet het niet de waarde eener ziel «miskennen, wanneer men niet alles in ohet werk stelt om deze zondaars voor «God te gewinnen? Toonde Hij zelf ons »niet, hoe kostbaar hunne zielen in zijne soogen waren, omdat Hij voor hen den sschoonen hemel heeft verlaten en om »hcn te redden, naamloos lijden heeft «willen verduren en den bittersten dood «sterven? Er bestaat geen beter. Gode «aangenamer en den Verlosser gelijk-«vormiger werk dan de zorg voor het «heil der zielen. De H. Dionysius verze-»kert, dat het verhevenste onder de «Goddelijke werken zij de medewerking «tot redding der zondaren, opdat zij, «ontrukt aan de klauwen van Satan, «den Goddelijken Verlosser wederom in «de armen gevoerd worden. Wie eene «ziel laat te gronde gaan, laat den prijs

-ocr page 23-

— 41 —

sharer verlossing het leven, ja het bloed »van onzen Heiland verloren gaan. De «zielen in het vagevuur echter zijn alreeds «ontsnapt aan het gevaar van verloren te »gaan. Wel is waar lijden zij veel, zijn «zij gedompeld in eene zee van smarten, »dochzij zijn verzekerd van haar eeuwig ))heil en in de haven harer zaligheid aan-sgeland. Ja zij zuchten in de gevangenis som hare schulden, maar zij hebben stevens de zekerheid, dat zij weldra de «vrijheid der kinderen Gods zullen gesmeten. De zondaars integendeel zijn »vijanden van God, wat het grootste »en betreurenswaardigste ongeluk is, »dat een mensch treilen kan.quot;

Benedictus echter, wiens hart blaakte van de teederste liefde voor de lijdende Kerk, was van een geheel ander oordeel. »De zondaarsquot; zeide hij, «liggen ge-skluisterd in vrijwillige ketens, welke zij »zelven zich hebben gesmeed, die zij snaar goedvinden kunnen verbreken; smaar de zielen des vagevuurs worden sin de verschrikkelijkste folteringen te-»rug gehouden: haar mond alleen is svrij om de hulp der levenden met de »woorden van den lijdenden Job af te

-ocr page 24-

— 1\'i —

ssvnccken: ontfermt u mijner, ontfermt »u mijner, gij ton minste mijne vrien-»den; wijl de hand des Heeren mij »heeft geraakt! (Job 19. 21).quot;

«Gesteld, twee bedelaars vragen u seen aalmoes; de eene is sterk en ge-))zond en kan in zijne levensbehoeften «voorzien door vlijtig te werken, maar «hij geeft de voorkeur aan den bedel-«staf: de andere is ziekelijk en lijdend, «zijne ledematen weigeren hem hun «dienst en hij is onbekwaam om zijn «kost te verdienen. Onder de bitterste «tranen schildert hij u zijn toestand. «Wien van beiden zoudet gij helpen? «Wie van beiden schijnt u liet meeste «aanspraak te mogen maken op uw «aalmoes? Wie van beiden, dunkt u, «heeft uw geld het moeste noodig? «Zonder twijfel zult gij medelijden heb-«ben met den tweede, en met groot «recht, omdat hij door groote smarten «verteerd wordt. Past dit voorbeeld niet «op mijne vraag? De geloovige zielen «lijden onbeschrijfelijk in het vagevuur «en zijn niet bij machte zich ze\'ven te «helpen, ja niet eens in staat om zich «de minste leniging te verschaflen.

-ocr page 25-

— 13 —

»Waar is het, dat zij de tuchtiging «door hare zonden verdiend hebben, »edocli zij hebben deze beweend, be-»rouwd en verafschuwd; zij hebben swederom de genade Gods verworven »en zijn nu welgevallig in de oogen »van den Heer. De zondaars daarentegen, »die door eigene schuld Gods vijanden »zijn geworden, omdat zij opgestaan »zijn tegen de Goddelijke majesteit, »kunnen zich zeiven helpen en van de »zonden losrukken. Het staat vast, dat »wij, indien wij volgens de inzichten »van God willen handelen bij voorkeur »hen helpen moeten, die door God het «meeste bemind worden.quot;

Bertrandus volhardde in zijne meening, totdat eene wonderbare verschijning hem overtuigde van de waarheid der woorden van Benedictus. Toen hij in zekeren nacht zich naar het koor begaf, om de getijden te zingen, liet God toe, dat eene ziel uit het vagevuur hem in de vreeselijkste gestalte, beladen met een zwaren last, verscheen. Zuchtend en klagend trad ?,ij tot hem toe en lei op zijne schouders den ondraagbaren last, waaronder de pater bezweek, ja, ter

-ocr page 26-

— 14 —

aarde viel. De smart van den last, gelijk de propheet Isaïas zegt, bracht Bertrandus tot erkentenis: nu begreep l\'Ü, dat hij meer doen moest voor de lijders in het vagevuur. Den volgenden morgen was hij harer bereids in het »mementoquot; indachtig, \'t geen hij niet meer verzuimde tot het einde van zijn leven.

De groote kerkleeraar de H. Thomas van Aquine heeft deze strijdvraag opgelost in de volgende woorden: »De «gebeden en goede werken voor de «overledenen zijn Gode welgevalliger, «dan die voor de levendon, dewijl de «eerste zich in grooteren nood bevinden »en zich zeiven helpen noch verlossen «kunnen.quot; Onderscheidene andere godgeleerden zijn echter van gevoelen en leeren, dat de geloovigen der strijdende Kerk hunne gebeden, goede werken, enz. moeten toevoegen aan de zielen in het vagevuur, om dezen daardoor te bewegen, dat zij op hare beurt bidden voor de bekeering der zondaars op de aarde. \')

\') (i. Theod. de Apol. 1.3. S. Dcrain. c, P, Baronius. tom. 13 a. 1220.

-ocr page 27-

- 15 —

2.

Da christen berooft zich zeiven van vele genaden, indien hij de ijeloovige zielen niet bijstaat.

Wees niet. kleinmoedig en verzuim niet aalmoezen te geven. Simch. 7. 9. 10.

Wanneer het zich handelt om begane zonden af te boeten, dan geeft de H. Thomas do voorkeur aan de aalmoezen boven het gebed en het vasten. De Heilige zegt: de aalmoezen bezitten eene grootere kracht om te voldoen voor onze zonden dan het gebed en het gebed grootere dan het vasten. Daarom hebben de meeste Heiligen de geloovige zielen zoeken te helpen door hunne aalmoezen. Onder anderen willen we slechts gewag maken van den vromen Rabanus Maurus, eersten abt van Fulda en later aartsbisschop van Mentz. De abt Frithemius verhaalt van hem, dat hij den hofmeester van het klooster bevolen had den armen altijd rijke aalmoezen te geven. Plet hart echter van den provisor Edelhard was te zeer

-ocr page 28-

— 16 —

gehecht aan de aardsche goederen, bekommerde zich derhalve weinig om de noodlijdenden en gaf hun minder aalmoezen dan hem was bevolen. De H. abt had met algemeene goedkeuring verordend, dat men bij het afsterven van ieder lid der Communiteit eenen arme gedurende dertig dagen liet middagmaal moest geven, opdat de ziel des afgestorvenen door dit aalmoes des te spoediger verlost wierd. De gierige provisor bekreunde zich weinig om deze uitdeeling of wel hief het gebod ervan op binnen de dertig dagen, niettegenstaande deze tijd volgens de overlevering van Paus Gregorius den Grooten als de meest geschiktste geacht werd voor de overledenen. In het jaar 830 werd het klooster door eene aanstekende ziekte geteisterd zoodat een groot gedeelte der monniken te zamen met den Overste uit liet leven werden weggerukt. Bewogen door de innigste liefde tot de zielen der afgestorvenen liet Rabanus Maurus den provisor Edelhard roepen en herinnerde hem aan het boven vermeld vroom gebruik. «Draag alle zorg,quot; zeide hij hem, »nauwkeuiig ten uitvoer te

-ocr page 29-

— 17 —

«leggen, wat door onze Ordo is vast-sgesteld, namelijk, dat gedurende eene «maand onder de armen de spijzen, ))die aan onze overledene broeders toe-»kwamen, worden uitgedeeld, indien gij «hierin te kort schiet, laadt gij eene »zware schuld op uwe schouders en «moet gij het hard verantwoorden.quot; De provisor beloofde stipte gehoorzaamheid, maar de noodlottige ondeugd der gierigheid verblindde den pater. Edelhard gaf den armen hun aandeel niet. Uit onverstandige zorg voor het klooster ontzeide hij aan de armen do aalmoezen en beroofde daardoor zijne overledene medebroeders van alle hulp. Gods rechtvaardige straf deed zich weldra gevoelen. Op zekeren avond, als hij gedurende den geheelen dag met wereldsche bezigheden was overladen geweest, ging Edelhard, nadat de broeders in hunne cellen zich reeds hadden teruggetrokken, naar de Kapittelzaal. Hier zag hij onverwachts den abt, van een aantal monniken omringd. Hij begreep niet hoe hij te moede was: toen hij beter toezag, herkende hij den overledenen abt en de andere afgestorvene monniken. Buiten zich zeiven

-ocr page 30-

— 18 —

van schrik en ontzetting, ijskoud, bleek »3

als de dood stond hij als een levend ))t(

beeld aan den grond genageld. Maar ne

grootere ontsteltenis stond hem te wacli- ge

ten. Do abt en cenige monniken traden de

tot hem toe en sloegen hem zoo onbarm- elli

hartig, dat hij ten langen laatste zijn be1

bewustzijn verloor. Onder het slaan da;

voegden zij hem toe de woorden: »On- scl

»gelukkige, dit is de straf voor uwe roi

»gierigheid. Eene nog grootere straf zal era

»u na drie dagen treffen; dan zult gij in ; vn

»het kille graf nederdalen, terwijl de gei

»goede werken, die voor u gedaan wor- ver

»den, dengenen zullen worden toege- \' de

»voegd, die gij ervan beroofd hebt!quot; der Hierop verdween het visioen. Edelhard

badende in zijn bloed en met wonden die

overdekt lag plat ter aarde. me

Toen do monniken zich om midder- lijk

nacht naar het koor begaven, vonden had zij hem daar halfdood liggen. Vol medelijden droegen zij hem naar de ziekekamer

en verpleegden hem met alle mogelijke : hen

zorg. Zoodra Edelhard weer bekomen ; »A(

was, riep hij uit: »Roept spoedig den abt, ^ »de

»want mijne ziel heeft meer behoefte »-w(

»aan hulp dan mijn lichaam; mijn ver- srm

ein( ver;

-ocr page 31-

- 19 -

«slagen lichaam herwint de gezondheid ))toch niet meer.quot; Toen de abt verschenen was, verhaalde Edelhard in de tegenwoordigheid der verzamelde broeders de vreeselijke gebeurtenis, waarvan zijn ellendige toestand een onloochenbaar bewijs was. Hij zeide, dat hij na drie dagen voor Gods rechterstoel moest verschijnen en vroeg met het grootstebe-rouw in het hart om de laatste H. H. Sacramenten, die hij met de innigste gods-vi ucht ontving. Xij;i toestand verergerde van dag tot dag, zoodat Edelhard na verloop van drie dagen onder de troostende vermaningen van den abt en de gebeden zijner medebroeders den geest gaf.

Terstond na den dood had do lijkdienst plaats en maakte men een begin met de gewone uitdeeling der gebruikelijke aalmoezen; de straf van\'Edelhard had op den dertigsten dag nog geen einde genomen. Ontsteld en doodsbleek verscheen hij den abt, die verbaasd hem vroeg: wat hij voor hem doen kon! »Ach,quot; hervatte de ongelukkige, »ach! »de gebeden der breeders hebben mij j)wel is waar eenige verlichting verschaft, »maar ik zal dan eorst geheel en al

-ocr page 32-

— 20 —

»verlo.st zijn, wanneer de gezamenlijke «broeders, die ik door mijne gierigheid »van alle hulp beroofde, zullen bevrijd azijn. Volgens een raadsbesluit der God-sdelijke rechtvaardigheid heeft datgene, »wat men voor mij den armen gaf niet »mij, maar hun tot voordeel verstrekt. »Ik smeek u, mijn vader, u die mij «tijdens mijn loven zoo groote bewijzen »van liefde en deelneming gaaft, om de «aalmoezen te verdubbelen: dan hoop «ik door de goedheid van God weldra «verlost te worden.quot; Rabanus beloofde dit en hield getrouw zijn woord. Na eene maand verscheen Edelhard opnieuw aan den abt in het wit gekleed, stralend als een licht, terwijl de grootste vreugde op zijn gelaat te lezen lag. In de hurt roerends te bewoordingen dankte Ed.\'lliard den overste voor de liefde hem bewezen en gaf hem de verzekering, dat hij in den hemel, werwaarts hij zich nu begaf, onophoudelijk God voor zijne weldoeners bidden zou.

Wat moeten wij uit dit voorbeeld leeren! Hieruit moeten wij leeren, eerstens, dat alhoewel de lijdende zielen in het vagevuur niet in staat zijn het ge-

-ocr page 33-

— 21 —

ringste voor zich zeiven te doen, God echter van tijd tot tijd haar toelaat anderen te straffen, die haar de verschuldigde hulp ontzeggen; tweedons, dat God somtijds aan eene ziel de goede werken, die voor haar door anderen beoefond worden, niet toevoegt, wanneer zij die niet verdient en in het bijzonder dan, wanneer zij zelve in haar leven verzuimd hoeft voor de geloovige zielen te bidden en goede werken te doen; wijl het veronachtzamen van dezen plicht iemand onwaardig maakt zoo groote genaden te ontvangen: derdens, gelijk de monniken van af dit oogenblik er zich meer op toelegden, om zielen uit het vagevuur te verlossen, doordien zij zich dagelijks iets onttrokken voor de overledenen, zoo ook moeten wij onze godsvrucht en liefde voor de lijdende zielen verdubbelen, opdat zij eenmaal onze voorsprekers en goede vrienden mogen zijn bij God. \')

\') Vide Frithemius, Vila Rnh Mauri I. I[. Theo-phil. Kaynand. Heter, Spiru |.2. sect. 3, puut. 7,

-ocr page 34-

— 22 —

3.

God verhoort de gebeden, die door godvruchtige genootschappen voor de cjeloovirje zielen verricht worden.

De oogen des Heeren zien neer op de gerechten en zijne ooren luisteren naar hunne gebeden. Ps 33. 16.

De H. Chrjsostomus steunende op het gezag van Jezus leert ons hoe nuttig, goed en voordeelig voor de lijdende zielen zijn de gebeden der christelijke genootschappen: God zelf, «zegt hij,quot; verzekert ons vaak in de H. Schrift, dat »Hij zijn oor geopend houdt voor «hen, die zich verzamelen om Hem te »bidden.quot; Do volgende daadzaak voorgevallen in een klooster der Karthuizers in Engeland bewijst het zonneklaar.

Een adellijk rijk heer kwam Ie sterven, terwijl hij slechts een eenigen zoon als erfgenaam achterliet. Vol ijver voor het zieleheil van zijn ontslapenen vader begaf zich de zoon tot het klooster der Karthuizers, waar het lichaam begraven

-ocr page 35-

— \'23 —

lag en overhandigde den Overste eene belangrijke som gelds met het verzoek, dat de gezamenlijke kloosterlingen de ziel van zijn beminden vader in hunne gebeden zouden indachtig wezen. Op staanden voet werden de monniken ter kerke geroepen. «Dienaren Gods,quot; zoo sprak de Overste, »laten wij onze gesbeden aan God opofferen tot lafenis »der ziel, wier overblijfsel onlangs hier »is begraven: deze jonge man, die ons »eene aanzienlijke som golds heeft geschonken, verzoekt het ons.quot;

Do monniken antwoordden eenparig: «Hij ruste in vrede!quot; de Overstezeide: »Amen:quot; allen togen stilzwijgend naar hunne cellen. De weldadige gever was geheel ontsteld en dacht bij zich zeiven. Weihoe! Voor eene zoo belangrijke som gelds slechts een enkel0 »hij «ruste in vrede! Dat schijnt mij te wei-»nig.quot; Bescheiden naderde hij den overste en zeide klagend met den moesten eerbeid: «Is dat alles, mijn vader? «bidt gij niets anders meer voor mijn «dierbaren afgestorvenen vader?quot; De pa-ter-overste gaf ten antwoord: «Mijn «zoon, wilt gij uw niet onbeduidend

-ocr page 36-

— 24 —

»aalmoes met het korte gebed mijner smeclebroeders op de weegscliaal leg-sgen!quot; — »Neen, voorzeker niet, mijn »vader,quot; zeide de jongeling, d:e vergelijkenis wil ik niet maken. »Mij dunkt »echter, dat twee of drie woorden »geene billijke vergoeding zijn voor »mijne gifte.quot; — »Ik zie dat gij twij-»felt, wacht een oogenblik, mijn zoon, »en ik hoop, dat gij uwe dwaling zult «inzien.quot; De Overste riep een broeder en zeide hem, ga heen, bezoek de paters hun cellen en zeg bun dat zij de woorden — »Hij ruste in vrede!quot; op een stukje papier schrijven en mij dit brengen. sTegelijker tijd beval hij eenen sleekebroeder eene weegschaal te halen. Op de eene schaal lei de overste het zilver en goud, die diep op haar zelve nederdaalde. Na den Goddelijken bijstand te hebben aangeroepen legde de Prior op de andere schaal de lichte brieijes, die de monniken hem hadden gebracht, zeggende: »Mijn zoon, nu »willen wij de waarde van onze gebonden en uw geld wegen en vergelijken.quot; — O wonder! roept de schrijver uit, in hetzelfde oogenblik verhief zich de

-ocr page 37-

— 25 —

met zilver en goud gevulde schaal in de hoogte alsof zij slechts met vedefs en stroohalrnen ware beladen, terwijl integendeel de andere schaal, gevuld met de lichte stukjes papier al dieper en dieper als ware zij met lood beladen naar onderen ging. Toen zij dit zagen, maakten allen een kruisteeken en dankten God, die hun de waardij van het kortste gebed, door den mond zijner dienaars gesproken, had loeren kennen. Do jongeling over deze gebeurtenis verstomd, smeekte met tranen in de oogen en het hart vol berouw den abt om vergiffenis wegens zijn zwak geloof. Hij liet oen prachtig monument op het graf van zijn vader plaatsen met het inschrift: »Hij ruste in vrede!quot; ter herinnering aan het feit. Geen oogenblik twijfelde hij er aan, dat die weinige woorden zijn dierbaren vader grooto verlichting verschaft, ja wellicht de verlossing uit het vagevuur bewerkt hadden. 1)

1

Dorlandus, lib 5. Chronica Catthusiana cap. 7; Theoph. Rayn. Heter. Spint, p 2. Sect. 3. punet 10. 9. 1.

-ocr page 38-

— 26 —

4.

Het uitstel der hekeering tot in het doodsuur is de schidd, dat de ziel veel moet lijden in het vagevuur.

Zij zullen bij den avond te-rugkeeren en honger lijden ais de honden. Ps. 58. 7.

Zeer zinrijk is de beteekenis van het aangehaald vers. Pater Segneri schrijft in een zijner preeken: Er worden-menschen gevonden, die God, als ik me zoo mag uitdrukken, behandelen evenals een hond, wijl zij Hem de raste hunner dagen toewijden cn zich eerst op den ouden dag bij het naderen van den dood bekeeren. God handelt met deze op gelijke manier. Somtijds schenkt Hij hun de genade der bekeering, maar veroordeelt lien tot de grootste folteringen in het vagevuur. Wij vinden hiervan een in het oogvallend bewijs op-geteekend in het leven van pater Joannes Cornelius uit de Sociëteit van Jezus. Als missionaris in Engeland kenmerkte hij zich door zijn innig mede-

-ocr page 39-

— 27 —

lijden tot en bereidwillige overgave aan de geloovige zielen des vagevuurs. Met een bijzonderen ijver bad liij voor die afgestorvene personen, die liij voor liet katholiek geloof gewonnen had, want hij beschouwde ze als zijn geestelijke kinderen en dacht, dat hij hun meer dan anderen verschuldigd was. Dagelijks richtte hij zijne gebeden ten hemel voor hare verlossing. Hij bad lederen keer als hij zich de handen wiesch het — de profundis, — opdat God toch eene enkele ziel van hare vlekken zoude reinigen. Buiten zijne gewone gebeden odcrde hij meermalen in den loop dei-week het H. Misoffer op tot lafenis dier zielen. God liet hem somtijds erkennen hoe zeer zijne barmhartigheid den ge-loovigen zielen te stade kwam, want deze verschenen hem of wel om hem voor hare verlossing te bedanken of wel om zijne voorspraak aan te roepen.

Eene dezer verschijningen, die van den baron Sturton wil ik hier verhalen. Ik Iaat het woord aan eene ooggetuige Dorothea Arondell, eene dame van hoogen adel, maai\' van nog grootere

-ocr page 40-

— 28 —

godsvrucht, die in latere dagen in het klooster trad en haar leven in heiligheid doorbracht. Zij heeft een eigenhandig geschrift nagelaten van den volgenden inhoud : »Op zekeren dag bad »mijne moeder Pater Cornelius, om de )gt;H. Mis voor haren eersten echtgenoot sbaron Joannes Sturton den Heere op ■»te dragen. Zeer gaarne voldeed hij »aan haar verzoek: hij bad zeer lang »bij het — memento voor de afgestor-ïgt;venen. — Na de heilige Mis hield hij »eene korte toespraak naar aanleiding svan den tekst: — Zalig de dooden »die in den Heer sterven. (Apoc. 14. 3) » — en verhaalde ons eene verschijning, »die hij had gehad. Hij luid voor zijne »oogen gezien eene onafmeetbare zee »van vuur en vlammen: in dat vuur »en die vlammen had hij den baron zien «ronddwalen en klaagtonen hooren ui-sten over zijn slecht leven, vooral over »die jaren, die hij aan het hof had «doorgebracht. Hij klaagde over de «zondige schaamte, welke hem had «teruggehouden, zich als katholiek te «bekennen en over de ergernissen, die «hij aan zijn evennaaste gegeven had

-ocr page 41-

— 29 —

sdoor protestansclie kerken te l)ezoeken. »Het meest echter berouwde liet hem, sdat liij een der 74 rechters geweest swas, gekozen door de koningin Elisa-»heth, om Maria Stuart ter dood te »doen veroordeelen: eene misdaad, die »hem zoo groote smart veroorzaakte, »dat zijn dood hierdoor werd bespoe-))digd. Na deze woorden slaakte de ba-»ron den kreet: »hebt medelijden, hebt medelijden, gij ten minste mijne vrienden, wijl de hand des Heeren mij heeft geraakt.quot; Job. 19:21. Hierna verdween de verschijning.

»De pater weende bij dit verhaal en »dc geheele vergadering, die uit 80 »man bestond, weende met hem. De «misdienaar, die later te zamen met »den pater voor het katholiek geloof «gestorven is, had alles gezien en ge-»hoord: ik ook gelijk eenigc andere «personen hadden een weerschijn als «van gloeiende kolen gezien tegen den «wand van den achterkant van het al-«taar.quot; Zoo luidt het verhaal.

Om de oorzaak van het lijden van den baron beter te leeren kennen, laten wij hier eenige ophelderingen vol-

-ocr page 42-

gen van de hand van pater Willem Westen uit dezelfde Sociëteit, die bij den dood van den baron te Londen tegenwoordig was. Deze edelman behoorde onder het getal van hen, die zich tevreden stelden een katholieken priester met het grootste gevaar van hun eigen leven in hunne woningen verborgen te houden, uiterlijk als protestant leefden en de regeling van hun geweten tot den dood verschoven. In de afwezigheid van den priester, door een ongeluk getroffen, ontbrak hern de gelegenheid, om zich, gelijk hij vroeger beloofd had, den Heere toe te wijden. Doch de barmhartigheid Gods schonk hem een zoo oprecht berouw, gepaard met het vaste voornemen zich te beteren, dat hij vergiffenis zijner zonden verwierf. Hij liet zijne familie ontbieden en bezwoer haar als kind der katholieke kerk te willen sterven, wijl geen ander geloof bestond, waarin men zalig kon worden. Onder de teekens der grootste smart en van het grootste berouw verafschuwde hij de ergernissen van zijn wereldsch leven, het verwaarloozen zijner christelijke plichten en gaf plechtig

-ocr page 43-

— 31 --

fle verzekering onder het storten van tranen en het slaken van zuchten, dat hij van harte wenschte zijne zonden mot zijn eigen bloed te kunnen uit-wasschen. In deze gevoelens gaf hij zijne ziel terug aan de handen van zijn Schepper opdat deze haar zou reinigen van alle smetten in het vagevuur. *)

De barmhartigheid jegens de rje-loovige zielen bewerkt het heil der ziel en dikwijls de gezondheid des lichaams.

De barmhartige man doet iroed aan zijne ziel. l\'rov. II. 17.

Om den Christen tot hot gebed aan te zetten voor hen, die door de men-schelijkc rechtvaardigheid zijn ter dood veroordeeld en dan nog in het vagevuur moeten gezuiverd worden door een vuur, dat door Gods adem is ontstoken, dunkt me is geen beter en passender voorbeeld dan het volgende:

\') Daniel, Geschiedenis van Engeland, B. 5, Hoofds.7.

-ocr page 44-

In het jaar 1620 leefde in de orrp streken van Rome een jonge man, die door zijn teugelloos en ergerlijk leven een voorwerp van verachting en af- •. schuw was geworden. Door zijne bald-dadigheid en uitspattingen verwekte hij zich de gezworendste vijanden, die eindelijk besloten hem om het loven te brengen. De ongelukkige koesterdein weerwil zijner buitensporigheden eene groo-te liefde tot de lijders in het vagevuur, bad voor haar, gaf tot harer lafenis aalmoezen en liet van tijd tot tijd eene H. Mis voor haar lezen. God liet dit niet onbeloond; Hij redde hem op eene wonderbare wijs naar de ziel en naar hot lichaam.

Op zekeren dag begaf hij zich te paard naar Tivoli in de zoete hoop, daardoor zijnen vijanden te ontgaan,

terwijl hij ïien juist te gemoet reed. ^ Deze nauwkeurig van zijne reis inge- 1 licht, hadden zich van wapenen voorzien I en in eene hinderlaag gelegd. Met on- y geduld wachten zij zijne aankomst af, om hem ter sluik te overvallen en te dooden. Hij was bijna in hunne nabijheid als hij eensklaps het lijk eens mis-

-ocr page 45-

J — 33 —

dadigers zag, dat ter waarschuwing van reizigers was opgehangen. Door medelijden bewogen deed de jongeling het » paard stil staan, om volgens zijne loffelijke gewoonte cenige gebeden te - i prevelen voor de arme verlatene zielen des vagevuurs. Terwijl hij bad, was hij getuige van een onbegrijpelijk voorval: de ledematen van den opge-hangene bewogen zich eensklaps, vielen op de aarde, voegden zich weder te za-men én traden tot hem toe. Hij stond verstijfd van schrik en ontzetting. De spookgedaante greep do teugels van het paard onder de woorden: »Stijg af, »laat mij eene korte wijl het paard «berijden, het zal u zeer voordeelig »zijn: blijf hier mij wachten, \'t zal niet »lang duren.quot; Hij steeg af, gaf het paard over aan het verrezen lijk , dat ^ in allerijl wegreed.

De vijanden hoorden de hoefslagen van het naderende paard, stonden op T den loer en vuurden hunne wapenen af. Omdat zij den ruiter zagen ter aarde vallen, vluchtten zij ijlings uit vrees, dat de menschen om het schot zouden toe-quot;• snellen en hen verraden. Zij meenden

| Geloovige zielen. 3

-ocr page 46-

— 34 —

dat hun offer doodelijk getroffen was, maar zij vergisten zich deerlijk. De gestalte stond van de aarde op, nam liet paard bij de teugels en leidde het naar den jongeling tot wien zij met heldere stem zeide: «Gij hebt het schot sliooren knallen; \'t was voor u bestemd »cn had u onfeilbaar gedood: dood svvaart gij dan naar de ziel en het »lichaam, indien de zielen uit liet vage-»vuiir, voor welke gij steeds bidt u )gt;door mij niet behoed hadden voor den »eenen als voor den anderen dood. Er-»ken de weldaad, die de geloovige «zieltjes u bewijzen en ga voort barer «indachtig te zijn in uwe gebeden: sdoch vooral verander van leven en «leef als een waar christen mensch.quot; Nadat de verschijning dit had gezegd, nam het lijk de vroegere plaats wederom in, juist alsof eene onzichtbare hand het op nieuw in den strop knoopte. De jongeling reed weg vermorzeld van harte en vast besloten van leven te veranderen. Zijne bekeering was zoo oprecht , dat hij na eehige dagen de wereld verliet en in eene kloosterorde trad. Daar bracht hij zijne laatste Ie-

-ocr page 47-

- 35 —

vensdagen door in de grootste volmaaktheid en zelfverloochening.

Wie zal bij het overwegen van soortgelijke gebeurtenissen zich niet aangespoord gevoelen tot liefde jegens de arme lijdende zielen, die de weldaden haar bewezen zoo rijkelijk vergoeden! O hoe waar zijn de woorden van de H. Schrift: »De barmhartige man doet goed aan »zijn eigene ziel.quot; *)

6.

Hoe de nuttelooze woorden in het vagevuur gestraft worden.

Uit mven mond zult pij gedoemd worden Matth. 12. 37.

Do H. Ambrosius vermaant met .nadruk de Godegewijde maagden het kloosterlijk stilzwijgen te bewaren, vooral onder den koordienst: want, zegt hij, de hemelsche bruidegom neemt alleen zijn intrek in die zielen, die hare deuren gesloten hebben voor alle we-reldsche en nuttelooze gesprekken. Cae-

\' J B Manni Sacr. Frig, di^c. 12, Jo. Nicus Erij-pharus, Ex. 2.

-ocr page 48-

— 36 —

sarins toont ons door een merkvaardig voorbeeld lioc erg de gesprekken in H. plaatsen aan God mishagen. In een klooster van Cisterciënsen voor vrouwen deden twee zusters, gesproten uiteene rijke familie, hare professie. De eene heette Gertrudis en de andere Marga-retha. Zij zaten in het koor naast elkander op de knieën. Gertrudis was praatziek van aard, verbrak dikwijls het stilzwijgen en verleidde ook hare zuster. Deze fout was de oorzaak, dat zij na haren dood zeer streng bestraft werd. Eene ziekte maaide haar weg uit het midden der levenden in den bloei harer jaren. Volgens gewoonte werd haar lijk in de kloosterkerk bijgezet. Op zekeren avond terwijl de kloosterzusters de Getijden zongen, verscheen Gertrudis aan de voeten van het altaar, en ging na geknield te hebben zich plaatsen aan de zijde van Margaretha. l)e arme zuster verschrikt en doodsbleek, valt bijna in onmacht. De andere zusters snellen toe om haar de behulpzame hand te bieden. Margaretha begeeft zich zonder een enkel woord te spreken tot de Overste, werpt zich aan hare

-ocr page 49-

voeten op de knieën, bidt haar om den zegen en verhaalt wat haar overkomen is. De afgestorvene, voegde zij er bij, stond dadelijk na liet vespergebed op, maakte een diepe buiging en verdween.

De verstandige Overste, vreezende dat dit ot wel het spel ware eener op-gewonde verbeelding of wel een dui-velsche list, gat\' haar de volgende gedragsregelen : »Wanneer Gertrudis u «nogmaals verschijnt, zegt dan: Bene-«dicite! hierop moet zij volgens ons «gebruik antwoorden, Dominne! Vraag »haar dan verder, van waar zij komt »en wat zij begeert?quot; Den volgenden dag ziet zij cm hetzelfde uur dezelfde verschijning! Margaretha doet wat de Overste haar heeft aangeraden en zegt »Benedicite!quot; «Dom inne!quot; antwoordt het visioen. «Mijne goede zuster Gertrudis,quot; zeide Margaretha verder, nwaarvandaan «komt gij op dit uur en wat verlangt «gij?quot; Ik kom,quot; hervatte Gertrudis, «om aan de Goddelijke rechtvaardigheid «op dezelfde plaats, waar ik met u ge-«zondigd heb, voldoening te schenken: «hier heb ik zoo dikwijls het stilzwijgen «verbroken en ook u daartoe verleid.

-ocr page 50-

— 38 —

»De Goddelijke rechtvaardigheid eischt sdat ik boete doe op die plaats, waar sik tla;!r beleedigd heb. O indien gij »wist, wat ik lijden moet! De vlammen «warrelen om mij been en in het bij-szonder word ik gefollerd in de tong »zonder de minste leniging te ontwaren. »Mijne lieve zuster, trek nw nut uit »mijne straf, zij spaarzaam in woorden, »vergeet het slechte voorbeeld, dat ik shelaas! u gegeven heb en wees voor-»al op uwe hoede, dat gij niemand «ontsticht: dezelfde straf zou ook u «kunnen treffen.quot; Hierop verdween de verschijning.

Gertrudis verscheen nog meermaals om de gebeden der andere zusters af te smceken, totdat zij eindelijk door hare voorspraak verlost zich een aller-laatsten keer aan Margaretha vertoonde: zij zeide haar vaarwel, naderde het graf, waarin men haar lijk begraven had en verdween voor altijd Deze herhaalde verschijningen hadden de gezondheid van Margaretha dei-mate geschokt, dat zij door eene zware ziekte werd aangetast, die haar tot aan den rand van het graf voerde. Men hield haar reeds voor

-ocr page 51-

— 39 —

dood, maar het was eenc soort van geestverrukking. Zij zag in doze vervoering ■wonderbare dingen uit de andere wereld. Zoodra zij wederom bekomen was, verhaalde zij alles haarklein aan hare verbaasde medezusters en moedigde haar aan, om altijd voorwaarts te schrijden op den weg der zelfverloochening en versterving. Zij zelve, zij werd een voorbeeld in het onderhouden der Regels over het stilzwijgen en waakte zoo streng over hare tong, dat men in waarheid op haar mocht toepassen de woorden van den koninklijken propheet: »Ik heb gezegd: mijne wegen »wil ik bewaren, opdat ik niet struikele »met mijne tong. Ik heb eene wacht ))aan mijnen mond gesteld.quot; Ps. 38, 2.*)

\') V. Caesarius. lllust Mirac. 1. 22 c 30. F. Alex Segala, triumph, purg. p. 2. e. 24, ex. 32.

-ocr page 52-

— 40 —

7.

Eene ziel wordt tot afboeting haver straf naar de aarde terug gezonden.

Ik heb hem tijd gegeven om boetvaardigheid te doen. Ap. 2: 21.

Wat zouden de geloovige zielen voor het geringste gedeelte van den kostbaren tijd geven, dien wij in nuttelooze en wereldsche bezigheden verkwisten? Welke strenge boetedoeningen, welk moeitevol slaven zouden zij zich vol heiligen ijver getroosten, om daardoor iets van haar lijden af te boeten ? Ziellier een voorbeeld dat meer bewondering dan navolging verdient.

De Dominikanesse Angela Foiomei van af hare prilste jeugd in de deugd en de vreeze des Heeren opgevoed, maakte, wijl zij met de genade Gods getrouw medewerkte, grooten voortgang op den weg der christelijke volmaaktheid.

Op zekeren dag werd Angela tot den dood toe krank en weldra begreep zij, dat alle menschelijke hulp vruchteloos was. In

-ocr page 53-

deze hachelijke omstandigheid nam zij hare toevlucht tot haren broeder, den zaligen Joannes Baptista F oiomei, die toen ter tijde door zijne heiligen levenswandel reeds befaamd was. Hunne vereende godvruchtige gebeden bleven onverhoord. God had anders besloten. Hij liet Angela sterven om haar van den dood te mogen opwekken. In haren doodstrijd had Angela een visioen. Het kwam haar voor als bevond zij zich te midden van eene groote opene plaats, waar alle mogelijke folteringen des vagevuurs te aanschouwen

O # O

waren: hier verteerende vlammen, daar bevroren water, hier ziedenden olie en vurig pek, verder brandenden zwavel en raders met gloeiende spitse ijzers en nijptangen, elders nog verslindende dieren en brandstapels en honderd andere foltertuigen, welker aanblik haar deed beven cn sidderen. Vervolgens werd haar aangetoond de plaats en de manier barer straf, die zij lijden moest, om eenige fouten waaraan zij zich in haar leven had schuldig gemaakt en die zij niet genoeg bestreden had. Deze verschijning was zoo ijselijk, dat Angela bij haar ontwaken over haar geheel

-ocr page 54-

— 42 —

lichaam sidderde. Alles, ja zelfs de kleinste bijzonderheid verhaalde zij haren broeder, en bad hem, hij moge haar toch door zijne gebeden een zoo langen levenstijd van God verwerven, dat zij hare feilen alboetenen het lijden waarmede zij bedreigd was, kon ontgaan.

Ondanks alle gebeden riep God Angela door den dood tot zich. Toen men haar lijk grafwaarts droeg, beval de zalige Joannes Baptista op lioogere ingeving aan zijne zuster, dat zij in naam van Jezus-Christus de schaduwe des doods zou verlaten. — O wonder! op het eigen oogenblik begon het lichaam zich te bewegen, het hoofd richtte zich op, de doode zette zich overeind en leefde weder. Angela wist zeer wel, waarom de hemel dit wonder had gewrocht, een enkele gedachte hield haar slechts bezig.

»Boete!quot; Zij stelde zich niet tevreden met hare gewone boeteplegingen, kleederen te dragen van haar vervaardigd, haar lichaam te kastijden met geescl-slagen, nachtwaken en streng vasten, want dit alles beteekende niets in

-ocr page 55-

— 43 —

vergelijking van hetgeen zij gezien had. Water en vuur waren in hare handen wapenen om hare zinnen te versterven. Alle middelen, die slechts uit te denken waren, dienden haar om haar lichaam te tuchtigen en hare fouten af te hoeten. Met niet minder ijver zocht zij het zielelijden: tegenspraak, laster, achterstelling, kwaadspreken, enz.: ten langen laatste was zij voor de ooggetuigen van haar martelaarschap een voorwerp van het grootste medelijden. Herhaald smeekte men haar, dat zij haren ijver voor boetedoeningen moest verminderen en wierp haar voor dat zij zich te liefdeloos behandelde. »Ach,quot; gaf\' zij dan ten antwoord, »wat beteekent dit alles ver-«geleken met de pijnen, die wij in het »andere leven, om de fouten, feilen en «gebreken, welke hier zoo gemakkelijke sen lichtzinnig bedreven worden, moeten »verduren! Ach, wat doe ik? Ware het «mij gegeven honderdmaal meer te »doen!quot; Door niets liet Angela zich van hare boetewerken afhouden. Toen zij gelijk was geworden aan een stuk goud, dat gelouterd is in het vuur, riep de opperste Rechter haar andermaal tot zich,

-ocr page 56-

— 44:

tot de plaats van eeuwige rust, waarvan zij, zoo als wij zeker hopen, bezit heeft genomen.

Moet dit voorbeeld ons niet doen beven en sidderen? Wij zien hier eene godvruchtige, zeer vrome kloosterlinge de verschrikkelijkste boete doen voor haar kleine gebreken; alles schijnt haar onbeduidend. Welke straf staat hun te wachten, die terugdeinzen voor kleine boeteoefeningen, niettegenstaande zij zich in vroegere jaren aan zware zonden hebben schuldig gemaakt. *)

\') Fr. Dominic. Maria Marchesi. Vita venerab. Angolae Folom. 9. Nov.

-ocr page 57-

— 45 —

8.

Wij verschaffen door te bidden en te vasten groote verlichting aan de zielen in het vagevuur.

De Heer zal uwe gebeden verhooren, wanneer gij volhardt in ^vasten en bidden.

Judith. 4. 12.

De naasteliefde moet alle menschen zonder uitzondering aanzetten en bewegen om de lijdende zielen, die in het vagevuur gepijnigd en gefolterd worden, te hulp te komen. Deze plicht wordt dringender, wanneer het onze ouders of bloedverwanten, vrienden en weldoeners. geldt De koningin Gada, gemalin van koning Sanchez, was van dezen plicht diep doordrongen. De koning had een opstand onderdrukt en de oproermakers ten eenemaal tot onderwerping gedwongen. Hun aanvoerder ziende dat hij tegen de overmacht niets vermocht, nam zijne toevlucht tot een list. Hij wierp zich aan de voeten van den vorst, smeekte om genade en verwierf ze. De

-ocr page 58-

— 46 —

trouwelooze beraamde nu een afschuwelijk verraad. Hij overreikte Sanchez eene vergifte vrucht. Ter nauwernood had de vorst deze geproefd of alreeds voelde hij den dood woelen in alle zijne ledematen en stierf eer hij de hoofdstad mocht bereiken. Het geheele koningrijk treurde en was bedroefd, want Sanchez werd door zijne onderdanen hartelijk bemind. Onbeschrijfelijk was de smart en droefheid der koningin Gada. Zij bleef klagen èn weenen èn betreuren het oiler van eene zoo snoode trouweloosheid. Als oprechte christin bad zij veel voor den dierbaren afgestorvene, liet anderen voor hem bidden en de begrafenis met alle mogelijke plechtigheid houden. Het lijk werd naar een klooster overgebracht, waar vele H. Missen voor de ziclerust des konings aan God werden opgedragen. De vrome weduwe wilde niet scheiden van het dierbaar overblijfsel van haar echtgenoot; zij deed afstand van hare kroon en trok te zamen met eenige harer hofdames het kloosterkleed, aan, om zich geheel en al aan God en de beoefening der goede werken, in het bijzonder ten

-ocr page 59-

_ 47 —

gunste van baren vermoorden echtgenoot, toe te wijden.

Dag en nacht zond zij de vurigste gebeden ten hemel; maar \'s Zaterdags, dag toegewijd aan Maria, verdubbelde zij hare gebeden, aalmoezen en boetedoeningen; verscherpte zij haar vasten, om de ziel van haren echtgenoot te verlossen in geval deze in het vagevuur nog moest lijden. Als zij op zekeren Zaterdag aan het altaar der koningin des hemels met aandacht en godsvrucht bad, verscheen haar Sanchez. In rouwkleederen gehuld, omgord met een dubbelen gloeienden ring van ijzer, dankte hij vooreerst Gada voor alles, wat zij voor hem gedaan had en smeekte haar verder hare liefdewerken te verdubbelen. »Ach,quot; zeide hij haar, «indien »hct mij mogelijk ware u mijne folte-»ringen te beschrijven, dan zoude uw «ijver voor de verlossing mijner ziel nog »grooter worden! Om wille der Godde-ïlijke barmhartigheid ik bid u, Gada, »help me , help me! Ik word door de «vlammen verteerd.quot;

Vele woorden waren niet noodig om den ijver der vrome weduwe aan te

-ocr page 60-

— 48 —

vuren: zij putte zich uit in gebeden, in goede werken van allerlei aard en zette anderen aan tot eene werkdadige liefde. Veertig dagen lang vergoot zij onophoudelijk tranen, om het vuur te blus-schen, \'dat haren echtgenoot verteerde; zij gaf de rijkste aalmoezen om de schuld, die haren man in den vurigen kerker terughield, af te betalen: zij liet vele heilige Missen lezen en schonk ter verheerlijking van den Godsdienst de prachtigste kerkgewaden aan de kei-ken.

Na verloop van veertig dagen, wederom op een Zaterdag, verscheen haar de koning voor den tweeden keer schitterend aan hemelsche schoonheid in een witten kostbaren mantel. Gada herkende het prachtig gewaad, dat zij aan de kerk had ten geschenke gegeven. »Ik ben verlost,quot; zeide Sanchez haar, »u zij dank, vrome koningin; ik »lijd niet meer. Wees ten allen tijde «gezegend ! Volhard in uwe H. oefe-sningen! Overweeg het lijden des va-«gevuurs en meer nog de vreugde van »het hemelsch paradijs, werwaarts ik »me nu begeef, waar ik u verwacht »en van waar ik uw beschermer zijn

-ocr page 61-

— 49 —

»zal.quot; — Gada strekte hare armen naar hem uit, raakte slechts het gewaad aan, dat in hare handen achterbleef en \'t geen zij opnieuw aan de kerk van den H. Stephanus ten geschenke gaf. Luid verkondigde men dit wonder loofde en vcrhecrijlkte God. De abt en de monniken van het klooster betuigen ons de waarheid dezer geschiedenis. *)

9.

Voorspraak van cene vrouw die vol geloof is.

Zalig de man, die eene goede vrouw heeft. Sirach 26: 1.

Na de bovenvermelde geschiedenis getrokken uit hot leven van een Spaan-schen koning, willen wij u eene tweede verhalen van een keizer uit het Oosten. Deze ook had zijne bekeering en verlossing uit het vagevuur te danken aan de deugden en de gebeden zijner echtgenoote; op hem kon men toepas-

Jntiannes Fasanez, chronik i. Jahre 940. Theatr vit, bumau. Verb Purgat,

4

-ocr page 62-

— 50 —

sen het woord van den apostel Paulus; ver »De ongeloovige man wordt geheiligd J bee

»door de geloovige vrouw.quot; (1. Cor. 7: hac

44) ecli

Theophilus, keizer van Constantino- vai

pel was verzot op de vernietiging der hij

beelden en had vast besloten alle beel- nie den in zijn rijk te verwoesten. Opdat : be:

niemand op de gedachte meer zou de komen om nieuwe te schilderen, ■ ge

gaf hij het wreed bevel om den vro- da

men kunstenaar Lazarus tot een af- ee

grijselijk voorbeeld de rechterhand af te Tl

houwen. Volgens de getuigenis zijner zii

tijdgenooten verbond zich die hand ten te

aanschouwe van het geheele volk we- sr

derom op eene wonderbare wijze met vt

den arm, alsof niets gebeurd was. b:

Het was een groot geluk voor den z(

afgedwaalden keizer, dat hij in de ei keizerin Theodora eene echtgenoote 1 v

bezat, die door hare deugden, gebeden o en aalmoezen ten langen laatste van

God de genade zijner bekeering ver- v

wierf. Hij werd aan het einde van zijn k

leven door de Goddelijke rechtvaardig- v

heid door menigvuldige ongelukken ge- 1

troffen. Nu herkende hij zijne misdaden, 1

-ocr page 63-

- SI -

verafschuwde ze en besloot alle H. beelden en schilderijen, die hij verwoest had wederom te herstellen. De dood echter, die niemand spaart, rukte hem van liet tooneel der wereld, alvorens hij zijn besluit had ten uitvoer gelegd: niets bleef hem over dan een oprecht berouw en de wensch om zijne misdaden in den vurigen kerker van het vagevuur af te boeten. Men mocht hopen, dat God hem gespaard had voor de eeuwige straffen der hel. De vrome Theodora gaf zich alle moeite, om de ziel van Theophilus uit het vagevuur te verlossen of ten minste om zijne smarten te verlichten. Zij zelve bad veel, bad zeer veel, liet vele priesters bidden , de II. Mis opdragen en verzocht de monniken hunne boetwerken en verstervingen tot lafenis der ziel van haren echtgenoot aan God op te offeren.

Na weinig tijds had Theodora een visioen, dat haar aanvangs deed schrikken, maar later met groote vreugde vervulde. In zekeren nacht was zij geheel en al in het gebed verzonken. Plotseling meende zij haren echtgenoot

-ocr page 64-

— 52 —

te zien, hoe hij door ruwe, woeste | to£ soldaten gebonden naar den rechterstoel | ar(

van God gesleurd werd. Eenige soldaten dei

droegen foltertuigen. Theodora zag zich -wc

zelve aan het einde van den stoet, met de een weemoedig hart allerijverigst be- . ge

moeid om de beulen tot zachtzinnigheid Tl aan te sporen. Maar alles te vergeefs. l th Zij traden voor den Almachtige en , Ei

sleepten den schuldige voor zijn troon, to opdat Hij het laatste oordeel over hem

zoude vellen. Theodora trad nader toe, »1

wierp zich aan de voeten van den recht- V

vaardigen Rechter en snneekte orn harm- /i

hartigheid voor haren schuldigen, doch I\'

rouwmoedigen echtgenoot. d

Het dreigend gelaat van den Rechter g.

werd eensklaps kalm en bedaard. Wel- d

willend zeide hij haar; );0 vrouw, uw e

»ge!oof is groot! Om uwentwille en 1-

som de gebeden mijner priesters zal l

»ik uwen man genade schenken.quot; Hierop 1

wendde hij zich naar de soldaten lt;

zeggende: »Maakt de boeien los en ]

»ge eft hem over aan zijne vrouw.quot; i

Wellicht was dit alles slechts een i droom; de keizerin echter vond zich zeer getroost. Deze troost vermeerderde,

-ocr page 65-

— 53 —

toen zij uit den monfl van den Patriarch Methodius, een gezworen vijand der beeldstorrners, dezelfde niet geringe wonderbare verschijning vernam, welke deze eerbiedwaardige grijsaard ook had gehad. Juist in denzelfden nacht, waarin Theodora den droom had, zag Methodius in een droomgezicht een Engel, die in de Sophia-kerk naar hem toetrad zeggende: »0 bisschop uwe «gebeden zijn verhoord! Theophilus »heeft de eeuwige zaligheid verworven!quot; Vol vreugde ontwaakt hij en begeeft zich in alle vroegte naar de kerk der H. Sophia, om zich van de waarheid der verschijning te overtuigen. De bisschop namelijk had de vrome gewoonte de namen der hevigste beeldstorrners in een klein boekje neêr te schrijven, dat hij op het altaar lei om hen gedurende het H. Misoffer aan do Goddelijke barmhartigheid aan te bevelen. Het. spreekt van zelf, de keizer stond bovenaan het eerste op de lijst. In de kerk aangekomen zag Methodius, dat op dien dag de naam des keizers was uitgewischt, als of eeue bovennatuurlijke hand dit gedaan had. Het gerucht

-ocr page 66-

— 54 —

van dit wonder verspreidde zich alras door de gansche stad, verwekte de grootste vreugde onder christenen en bewerkte ontelbare bekeeringen onder de ketters. 1)

10.

De hemel hesclmt de rechtvaardigen.

Meerderen zijn met ons dan met hem 4 Reg. 6. 16

Wij lezen in het oud Testament, dat de propheet Eliseus de hemelsche heir-scharen, die den koning van Israël tegen de Syriërs waren te hulp gezonden, toonde met de woorden: »Wilt niet jivreezen; want meerderen zijn met ons »dan met hem!quot; Ook ziet men dikwijls in het nieuw Verbond hemelsche geesten toesnellen ter bescherming van hen aan wier gebeden zij hunne verlossing ■uit het vagevuur te danken hebben. Jammer dat een zekere geschiedschrijver ons alleen het feit verhaalt zonder den naam te noemen van een voornamen

1

Gennadins. defens. Cone. Fier., sect. 5. — Hay-nand. Heter, spirit, p. 2. s. 1. p. Ö.

-ocr page 67-

— 55 —

heer van zijnen tijd, wien dit persoonlijk overkwam.

Deze vorst bracht zijne jeugd door in aanhoudende vermaken en wierp zich onbezonnen en lichtzinnig in de armen der ijdelheid, der weelde en der verkwisting. Hij verspilde zijne eigene rijkdommen en de schatten van den staat in de allergrootste dwaasheden: zijn grootste hoogmoed bestond hierin, dat hij omgeven wilde zijn en gevolgd van eene groote menigte hovelingen en lijfknechten.

Ue preoken van oen pater-Domini-kaan troffen eindelijk zijn hart en geen wederstand biedende aan de genade sloeg hij terstond de hand aan zijne bekeering. Hij riep alle zijne hovelingen te zamen en verklaarde hun rondborstig, dat hij zijn vroeger leven berouwde, alles wederom zooveel mogelijk goed wilde maken, van nu aan het geld den armen wilde geven, dat hij tot hiertoe in overtollige pracht had verkwist en derhalve een gedeelte van zijne dienaren van zijn dienst moest ontslaan. Op slaanden voet legde hij zijn besluit ten uitvoer, Hij verdeelde hot grootste deel

-ocr page 68-

— 56 -

zijnor schatten onder de armen en gaf veel gold aan de priesters, opdat zij dagelijks het H. Misoffer zouden opdragen tot lafenis der zielen in het vagevuur.

De van den dienst ontslagen hovelingen en vleiers waren geërgerd, dat van nu aan hun gemakkelijk en losbandig leven een einde moest nemen: daarom zochten zij hun heer in een kwaad daglicht te stellen en zwoeren ten slotte tegen hem samen. In den eersten tijd ruiden zij zijn volk op, hitsten een naburigen vorst tegen hem aan, en spiegelden dezen voor met de vleiendste woorden, dav, nu het geschikt oogenblik gekomen was tot eene glansrijke wedervergelding, om de vroeger geleden nederlaag, omdat de onderdanen over hun heerscher ontevreden waren en de schatkist was uitgeput. De vorst liet zich overreden: vast besloten zijn geluk te beproeven, verzamelde hij zijne soldaten en rustte ze uit ten krijg. Hij liet door een heraut onder leugenachtige voorwendsels de vijandelijkheden aankondigen en den oorlog verklaren. De bekeerde koning stond over deze onvoorziene verklaring

-ocr page 69-

verrast. Hij riep zijne raadsVieeren en veldoversten te zamen en schilderde hun zijn toestand. De verraders gaven hem ten antwoord: »dat zij lust noch moed, »noch kracht hadden om te strijden.quot; »Ga heen,quot; zoo spraken sommigen, «ga ))heen en roep de bedelaars te zamon, »die gij met weldaden overlaadt, als ook »de priesters, wier gebeden gij hoog-ïschat; hun zegen, hunne gebeden en »psalmengezang zullen u van grooteren »dienstzijn, dan onze roestige zwaarden.quot;

Miskend en verlaten door hen, die den vorst alle weldaden te danken hadden, bleef hem niets overig, dan zich met eene kleine schaar trouwe verdedigers in eene sterke vesting te werpen en daar den bijstand van God, die de on-schuldigen beschermt, af te wachten. Toen hij vernam, dat de vijandelijke troepen de grenzen waren overgetrokken, verdubbelde hij zijne gebeden en herinnerde God aan zijne bekeering, welke de oorzaak van den oorlog was.

Met deze gedachte bezield, nam hij op zekeren dag van de hoogte eens torens de vesting in oogenschouw.

Hij dacht, dat hij een leger zag

-ocr page 70-

— 58 —

welks soldaten zilveren en gouden schilden en wapens droegen en \'t geen hem te hulp kwam. Dat leger nadert met rassche schreden en heeft reeds den voet van den berg bereikt. Is het wellicht eene begoocheling? Met verwondering en vol vreugde snelt hij, van zijne kleine trouwe bende omringd, de onbekende vrienden te gemoet. Hij groet [don opperbevelhebber, die den vorst met de volgende woorden toespreekt: »Verre zij van u, o vorst, »alle vrees; wij komen u helpen: de szege is ons beloofd. Wij zijn die schaar »van lijdende zielen, die door uwe ge-»bedcn en voorspraak uit de vlammen »dcs vagevuurs verlost zijn. God laat »toe, dat wij voor onzen weldoener «strijden. Vertrouw! Op den dag van »den aanval zullen wij nog talrijker «zijn, want dan zult gij door uw me-»delijden nog meer zielen bevrijd heb-))ben.quot;

Toen de verschijning verdwenen was, keerde de goede vorst verrukt en geroerd naar de vesting terug, ontvlamde den moed zijner getrouwe schaar en beloofde haar den besten uitslag.

-ocr page 71-

— 59 —

Na ettelijke dagen zag men den trotsclien vijand, zeker van de overwinning komen aanrukken. De belegerden, in plaats van zich te verschansen, trokken moedig in het veld en stelden zich voor de loopgraven in slagorde. Hun getal was klein, maar hun blik verried eene buitengewone voorzichtigheid en grooten moed. Plotselijk bemerkt de roover-aanvaller, dat het kleine leger ter rechter- en ter linkerzijde door onbekende soldaten is omringd; hunne wapenen en houding vervullen hem met ontzetting en schrik. Hij begrijpt, dat hier iets geheimzinnigs plaats heeft en eene volslagen nederlaag hem te wachten staat. Ook zijne soldaten waren vol angst en verklaarden, dat zij zich op zulken tegenstand niet verwacht hadden. De trotsche overmoed van hun aanvoerder week weldra; zonder een aanval te wagen zond hij afgezanten en bood den vrede aan. Zijn tegenstander was te christelijk gezind om dezen voorslag van de hand te wijzen. Hij verzocht zijnen vijand tot hem te komen, ontving hein mot opene armen, kuste hem broederlijk

-ocr page 72-

— 60 —

en verhaalde bet voorgevallen wonder. De ontstelde vorst wilde de hemelsche schare zien, maar zij was onmiddelijk na het fd uiten van den vrede verdwenen. Beide vorsten dankten God van ganscher harte, die zoo groote wonderen wrocht voor zijne dienaars. *)

li.

Christina\'s martelaarschap der liefde lot lafenis van de geloovige zielen in het vagevuur.

Een grootere liefde heeft niemand, dan hij die zijn leven ten beste geeft voor zijne vrienden. Joan. 15. 13.

Ons boekje zou zeer gebrekkig zijn, indien wij nalieten een woordje te zeggen over de onvergelijkelijke liefde der H. Christina jegens de lijders in het vagevuur. Wat wij van hare boetcwer-ken en verstervingen, die zij zich oplegde tot troost der geloovige zielen, gelezen hebben, schijnt ongelooflijk, maar wordt door geloofwaardige geschiedschrijvers bevestigd. Deze verha-

\'} Thomas Cantipe. DApum,quot; lib. 2. c. 53, n\' 40.

-ocr page 73-

— Öl-

len, dat de ziel der vrome maagd eens door de Engelen in het vagevuur werd gevoerd, om daar te aanschouwen alle pijnen en folteringen, die men er moet verdragen. Hierin is ook de oorzaak gelegen van haar onbeschrijfelijk medelijden. Van liet vagevuur werd zij door de Engelen in den hemel gevoerd voor den troon van God, die haar de volgende woorden zeide; «Christina! hier J bevindt gij u in de plaats der eeuwige «zaligheid: ik laat u de vrije keus of »wel om van af heden onder de uit-»verkorenen te verblijven, of wel om «nog ettelijke jaren naar de aarde terug ))te keeren, ten einde door uwe goede »werken de lijdende zielen te helpen: »in het laatste geval, keer terug naar »de aarde, om er een waar martelaarsschap te verduren, de straf van onsgelukkigen te verlichten en uwe kroon «heerlijker te maken?quot; De edelmoedige maagd gaf ten antwoord: «Heer, laat «mij naar de aarde gaan, om voor de «afgestorvenen te lijden : ik vrees geen «lijden, geene bitterheid!quot; Van af deze stonde begon zij de vreeselijkste boete-werken uit te oefenen, die men niet

-ocr page 74-

— 62 —

kan lezen zonder te ijzen. Dat zij gedurende meerdere dagen vastte zonder het minste te nuttigen, hare tengere ledematen over doornen wentelde, haar lichaam kastijdde met scherpe en puntige geesels, dat alles scheen haar klein, ja onbeduidend. Meermaals sprong zij in het vuur en bleef als door een wonder ongeschonden bewaard; zij wierp zich in een toegevroren vijver, waarin zij naamloos lijden te verduren had. In haren heiligen ijver gaf zij haar lichaam over aan het draaiend rad eens molens of wel aan do verscheurende tanden van woedende houden; kortom alles verdroeg zij, alles leed zij, om hare ziel te zuiveren en de zonden van anderen af te boeten.

God liet toe, dat de zielen, die door haar boetplegingen verlost waren, haar verschenen en oprechten dank betuigden. Daardoor vermeerderde steeds hare zucht naar lijden. Somtijds verschenen haar geheele drommen van verloste zielen, \'t geen haar met eene bovennatuurlijke kracht vervulde. Van eene enkele verschijning willen we hier spreken. Lodewijk, graaf van Leon,

-ocr page 75-

— 63 —

een dappere held, vereerde Christina op eene geheel bijzondere wijs; met geduld nam hij elk verwijt aan, dat zij hem deed, over do uitspattingen, waaraan hij zich schuldig maakte. Hij werd krank tot den dood toe, derhalve zond hij een bode tot Christina met het verzoek, zij moge komen, omdat hij voor zijn dood met haar over zijn zie-leheil wilde spreken. Terstond gaf zij gehoor en volgde den knecht. Lodewijk wierp zich aan hare voeten en zeide haar weenend en zuchtend; «Gij dienaresse Gods, gij weet welk een groot «zondaar ik ben: wellicht moet ik na «weinige uren rekenschap afleggen van «mijne tallooze zonden voor den hoog-«sten Rechter. O gij, gij, die den Heer «zoo getrouw dient, verkrijg van hem «voor mij de genade, dat ik een oprecht «berouw over mijne zonden hebbe en «om wille zijner barmhartigheid ver-«gifl\'enis verwerve; daarna bid voor «mijne arme ziel, opdat de pijnen, die «zij verdiend heeft in hot vagevuur te «lijden door uwe voorspraak verkort «worden.quot;

Christina bad veel, zeer veel voor

-ocr page 76-

_ —

Lodewijk en de berouwvolle graaf overleed zacht en zalig in den Heer, nadat hij zich door eene rouwmoedige biecht met den hemel had verzoend. Na weinige dagen verscheen hij aan Christina en zeide. »0 dienares van God, indien »gij wist tot welke smartvolle folterin-»gen ik veroordeeld ben, dan haddet sgij het grootste medelijden met mij! »0m wille der barmhartigheid Gods »smeek ik u nogmaals uwe gebeden «te verdubbelen, opdat ik van liet va-»gevuur bevrijd worde.quot; Door medelijden bewogen antwoordde Christina: »Ga in vrede, lijdende ziel; ik ben be-»reid om de helft der folteringen, die »gij nog lijden moet ten einde aan de «Goddelijke rechtvaardigheid te voldoen «door mijn lichaam af te boeten.quot; Christina bezocht bij voorkeur die plaatsen, waar Lodewijk zich aan zondige vermaken had overgegeven; daar weende zij do bitterste tranen en besproeide de aarde met haar bloed tot delging zijner zonden. In deze boete volhardde zij totdat de ontslapen graaf haar wederom verscheen, omgeven van een stralenkrans. Met de hartroerendste

-ocr page 77-

— 65 —

woorden bedankte hij Christina voor de pijnen, die zij had willen verdragen om zijne schuld te betalen en ging dan ten hemel. De II. Maagd volgde hem met de oogen en vond hierin nieuwe vreugde, eene nieuwe vergelding voor al haar lijden. *)

ilt;2.

Maria de moeder van God is ook de moeder der geloovije zielen in het vagevuur.

Ik ben de moeder der schoone liefde en der heilige hope. Keel. 24. 24.

In de openbaring van de H. Gertrudis geeft de koningin des hemels zich zelve den naam van: «Moeder der geloovige »zielen in het vagevuur.quot; »Ik ben,quot; zegt zij tot deze Heilige, »de moeder »van allen, die in het vagevuur lijden; »mijne voorspraak verlicht de straffen, »die zij moeten verduren.quot; Wie durft loochenen dat, terwijl de Heiligen door luimie voorspraak de verlossing der lijdende zieltjes verwerven, de Moeder

Dionys. 5

-ocr page 78-

— 66 —

van God, die oneindig boven alle Heiligen verheven is, niet hetzelfde voorrecht zou bezitten, zij die door ons begroet wordt met den titel van troosteres der bedrukten en moeder der barmhartigheid ?

De H. Petrus Damianus verhaalt, dat eene ziel, die uit hot vagevuur verlost was, hom had verzekerd, dat op den feestdag van Maria-Hemelvaart een grooter aantal zielen uit het vagevuur werd bevrijd, dan de stad Rome inwoners telde. Daarna verhaalt hij het volgende voorbeeld uit het leven eens priesters, die eene wonderbare verschijning had gehad in eene der beroemdste kerken van Rome in de basilica van de H. Cecilia. Het scheen hem toe als ware hij uit den slaap gewekt geworden door een ontslapen vriend, die hem naar de genoemde kerk geleidde. Daar zag hij eene menigte heilige maagden, Cecilia, Agnes, Agatha en onderscheidene andere, die om een heerlijken troon geschaard waren waarop de koningin des hemels nederdaalde: ontelbare Engelen en Heiligen vormden haren hofstoet. Maria

-ocr page 79-

— 67 —

had een gebiedend maar vriendelijk gelaat. Er verscheen eene arme kleine vrouw in eene ongewone kleeding; hare schouders waren met een kostbaren pels bedekt. Ootmoedig wierp zij zich aan de voeten der glorievolle moeder van God, vouwde hare handen samen en zeide zuchtende en weenende: »0 moesder der barmhartigheid, in uwe on-seindige goedheid smeek ik u, heb «medelijden met den ongelukkigen Jo-»annes Patrizi, die zoo even komt te «sterven en in het vagevuur een naam-»loos lijden moet verdragen.quot; Dat smeekgebed herhaalde zij tot tweemaal toe met de grootste godsvrucht zonder hot kleinste antwoord te ontvangen. Eindelijk verhief zij nogmaals biddende hare stem; »Goedertierene koningin gij sweet het immers, ik ben de arme «bedelares, die met lompen bedekt bij »den ingang uwer basilica de geloovigen »om een aalmoes smeek. O hoe beefde «ik van koude! Daar kwam Joannes «en toen ik hem in naam der H. Maagd «iets vroeg, nam hij dezen kostbaren «pels van zijne schouders en schonk «hem mij. Zoo groote barmhartigheid

-ocr page 80-

- 68 -

»om uwontwil verdient toch voorzeker »eonR bclooning.quot;

Bij deze woorden wierp de goedcr-tiercne moeder een blik van liefde op de smcekende en zeide: ))De man voor swien gij bidt, is om zijne talrijke nn »zwaro zonden tot een langdurig en »groot lijden veroordeeld: wijl hij ech-»ter twee voortrefleiijke deugden heeft sbeoefond barmhartigheid jegens den sarmc en vereering mijner heiligdom-»men, zal hem genade geworden.quot;

De tegenwoordige Engelen en Heiligen baden ook voor de lijdende ziel. Maria gaf bevel, dat men Joannes voor haren troon zoude brengen. Terstond verscheen hij onringd van straffende geesten, bleek, ontsteld en in ketenen geklonken. De H. Maagd beval, dat men Joannes van de ketenen zoude ontdoen, om zich bij de zaligen te kunnen voegen. Nadat dit bevel was uitgevoerd, verdween de verschijning, terwijl in de kerk de grootste stilte heerschte.

Van af dit oogenblik liet de priester, die met deze verschijning was begunstigd geworden niet na te verkondigen

-ocr page 81-

— 69 —

de barmhartigheid der allerheiligste Maagd Maria jegens dc geloovige zielen in het vagevuur die haar tijdens hot leven vereerd hadden en jegens den arme barmhartig geweest waren. 1)

13.

God schenkt aan de Heiligen in den hemel groote genaden ten gunste van de lijders in het vagevuur.

Weet, dat de Heer wonderen gewrocht heeft, om zijne Kfilipen ; de Heer zal mij hooreu als ik tot hem roep. I\'s. 4; 4.

Volgens de leer van de H. Angusti-nus en Thomas is het zeker, dat de Heiligen door hunne machtige voorspraak van God de verlossing der lijdende zielen kunnen verwerven. Een enkel voorbeeld willen we verhalen uit het leven van Dagobert I, koning van Frankrijk.

Ausould, bisschop van Poitiers, was als gezant naar Sicilië gereisd om daar eenige belangen der kerk te regelen.

1

S. Petrus Damianus, Opuse. 34 c. 4: Theophilus Raynand. Het. Spint. p. p. 2. s, 3. p. 2. q. 2.

-ocr page 82-

- % -

Toen hij na afgedane zaak tevredeh naar huis terugkeerde en naar Marseille stevende, verhief zich eensklaps een hevige storm, die hem op een klein woest eiland wierp. Daar leefde een kluizenaar, een getrouwe dienaar Gods, met name Joannes, die in de geheele omstreek als een Heilige vereerd werd en tot wien men van heinde en verre kwam, om zich in zijne gebeden aan te bevelen. De bisschop verliet het schip, begaf zich naar de kluis en onderhield zich met den vromen man over hetnelsche dingen, in liet bijzonder over de heerlijkheid van het Paradijs.

Na dit geestelijk onderhoud vroeg Joannes den bisschop naar hot diocees, dat hij bestuurde, naar de oorzaak en het doel zijner reis, enz. enz. Toen hij vernomen had, dat de kerkvoogd in Frankrijk te huis behoorde en van Sicilië naar zijn land terugkeerde, vroeg hem Joannes of hij ook kennis droeg van het vroom en stichtend leven van koning Dagobert. De Prelaat verhaalde wat hij wist, namelijk dat do koning na ongelukkige veldtochten zich aan de deugd had overgegeven en nu slechts

-ocr page 83-

— 71 —

leefde voor de verheerlijking der Kerk, voor het bouwen en versieren van prachtige heiligdommen.

Joannes onderbrak hem: »mij dunkt,\'quot; zeide iiij den bisschop, »dat gij nog «niet weet dat Dagobert gestorven is.quot; De kluizenaar verhaalde den verbaasden bisschop de volgende verschijning, waarmede hij was begunstigd geworden. Op zekeren morgen was ik , afgemat door lang nachtwaken, in slaap gevallen, toen eene eerbiedwaardige gestalte met witte haren mij wakker schudde en zeide: »Sta op en begeef u terstond sin het gebed om de Goddelijke barm-«hartigheid voor den koning Dagobert »af te smeeken, want hij is heden «overleden.quot; Toen de dienaar Gods begon te bidden, zag hij op de golven midden in zee een aantal helsche geesten, die door bijzondere toelating van God het lichaam van koning Dagobert met zich sleepten. Haastig stuurden zij hun vaartuig naar een eiland en pijnigden hun ofl\'er gedurende de overvaart op eene afschuwelijke wijs. De ongelukkige koning riep met luider stem de H. H. martelaars Dionysius en Mauri-

-ocr page 84-

— 72 —

tins te zamen met den H. bisschop Martinus om liulp aan. Tijdens zijn leven had Dagobert allen op eene bijzondere wijs vereerd, daarom koesterde hij nu de hoop door hunne voorspraak uit de handen zijner beulen bevrijd te worden. Een oogenblik later bedekt do hemel zich met zwarte wolken, een onweder breekt los; de donder rolt van den cenen kant naar den anderen en verschrikkelijke bliksemschichten doorkruisen de lucht en treilen de helsche geesten. Te midden van dien storm verschenen drie witte gestalten, schitterend als de zon. Zij vertoonden zich aan Dagobert en zagen hem weemoeds-vol aan. Hij wendde zich biddend tot hen: »0 wie zijt gij? komt gij mij «eindelijk verlossen.quot; Zij antwoordden: »wij zijn Dionysius, Mauritius, en Mar-stiiins; op uwe smeekingen snelden »we toe, om u uit het gevaar te ver-»lossen en ter eeuwige gelukzaligheid «te geleiden.quot; — Met een dreigend gebaar verhieven de Heiligen hunne handen tegen de helsche geesten, ontrukten hun Iset bevend offer en joegen ze op de vlucht: zij omhelsden Dagobert,

-ocr page 85-

— 73 —

troostten hem en droegen hem ten hemel, zingende met hemelsche tonen de woorden van den Propheet: «Zalig »is hij, dien gij n uitkiest en aantrekt; »hij zal wonen in uwe voorzalen: hij ))zal verzadigd worden van de goederen »van uw huis; uw tempel is heilig, «wonderbaar uwe gerechtigheid. (Ps. 64. 5.)quot;

De bisschop verbreidde dit verhaal van den vromen kluizenaar in Frankrijk: in latere dagen werd deze geschiedenis in haar kleinste bijzonderheden gebeiteld in den marmeren grafsteen van koning Dagobert in de kerk van den H. Dionysius, om het volk aan te zetten en de koningen en prinsen op te wekken zich door de vereering der Heiligen hunne bescherming waardig te maken en te verzekeren. 1)

1

Aymoinas. 1. 4. Hist. c. \'24.— Thooph. Rayn. Heler. Spint. 9. 3. sect. 3. 9. 2 p. 2.

-ocr page 86-

14

Velé zielen worden uit het vagevuur verlost door de gebeden van een Heilige.

Hij zendt u hulp uit rijn heilgdom. Ps. 19. 3.

Wat wij in liet vorig hoofdstuk gehoord hebben van de machtige voorspraak dor Heiligen tot lafenis der lijdende zielen, herinnert ons aan een zelfde wonder gedaan door den dienaar Gods Joannes van Nivelle, domproost van hot kapittel te Luik.

Op zekeren dag hield een missionaris uit Engeland eene verpletterende preek over de beleedigingen, die God door de zondaars aangedaan worden. Eene wereldsgezinde dame, wier gedrag veel te wenschen overliet, werd zoo zeer door de genade des H. Geestes getroffen en door eene zoo heilzame vrees voor Gods strafgerecht aangegrepen, dat zij het besluit nam tenaanschou-we van de geheele wereld boetvaardigheid te doen, sMijn vader,quot; riep zij wee-nende met luider stem onder de preek,

-ocr page 87-

- -

»mijn vader, eene ongelukkige zondares »wenscht terstond te biechten!quot;

De missionaris bewonderde haar groot geloof, verzocht haar tot het einde dei-preek te wachten en de aandacht der aanwezigen niet te storen. Een oogen-blik hield zij zicli stil, maar het berouw preste haar hart met zoo groot geweld, dat zij wederom riep: »Ik bid ))u, dienaar Gods, verlaat een enkel soogenblik den kansel, om mij mijne »groote en ontelbare zonden te verge-Dven.quot; De priester gebood haar nogmaals te zwijgen er bijvoegende; dat hij niet meer veel te zeggen had en dan bereid was haar te troosten. Op het einde van zijn sermoon vatte hij al het verschrikkelijke en afschuwelijke, wat hij over de boosheid dor zonde gezegd had, te zamen. Onder deze woorden staat de dame op en roept voor den derden keer als buiten haar zelve: »Mijn vader, toef niet, kom «spoedig, want de smart breekt mijn

shart, ik sterfquot;____ zij zonk ter aarde

en was dood. — Groot was de ontzetting, grooter de schrik der aanwezenden en overgroot de smart van den priester.

, J -üs

-ocr page 88-

— 76 —

Het smartte hem bitter, dat hij geen gehoor had gegeven aan de bede der arme zondares, die naar de kwijtschelding harer zonden snakte. Nadat de eerste ontroering voorbij en iiij zelf van zijnen schrik bekomen was, smeekte hij zijne toehoorders met hem Gods barmhartigheid af te smeeken voor hare arme ziel en God te bidden, dat Hij hem zonde bekend maken met haren toestand, om iets te kunnen doen tot lafenis harer ziel. Toen de missionaris in zijn klooster was teruggekeerd, sloot hij zich drie dagen lang in zijn cel op en bad aanhoudend tot God zonder iets te nuttigen of do minste ruste te nemen. In den derden nacht verscheen hem de pas ontslapene met een van blijdschap stralend gelaat en met een gloriekrans omgeven, zeggende: »Ik ben de zondares voor welke gij «zooveel gebeden hebt; ik ben verlost »van de pijnen des vagevuurs, die ik »voor mijne ontelbare zonden verdiend shad. Na ga ik ten hemel, daar ,zal »ik uwe voorspreekster wezen.quot;

Wijl de Pater aan de waarheid der verschijning scheen te twijfelen, voegde

-ocr page 89-

— 77 —

zij er nog bij: »Ik zal u een bewijs geven, waaraan gij de echtheid dezer «verschijning erkent : heden is de groote «dienaar Gods Joannes van Nivelle, «proost van het kapittel te Luik, het «eeuwige leven ingegaan. Gedurende «zijn geheel leven was hij de weldoener ader armen, wien hij hulp verleende «naar de ziel en het lichaam. Na zijn «dood heeft God hem de genade ge-«schonkcn, om aan de lijdende zielen «veel goeds te bewijzen: hij verloste «een groot aantal uit de vlammen des «vagevuurs. Terwijl de Engelen hem snaar het hemelsch Jeruzalem bege-«leidden, zag liij de ongelukkige in het «vagevuur lijdende zielen: onder haar «herkende hij velen, die hij door zijne «boetewerken de genade der bekeering «had verworven. Toen wendde hij zich «tot de Goddelijke barmhartigheid , «smeekte haar door de verdiensten van «Jezus-Christus en werd verhoord. Een «groot getal verloste zielen volgde hun «weldoener. Onder deze bevoorrechte «schaar bevond ook ik mij: doch alvo-«rens den hemel in te gaan, laat God «toe, dat ik tot u kome, om u te

-ocr page 90-

— 78 —

»dankcn dewijl uwe heilige woorden «mijnen geest hebben verlicht en gij mij-»ner in uwe gebeden indachtig waart.quot;

Zoodia de verschijning verdwenen ■was, zette de pater zich neer om naar Luik te schrijven en ontving van de kanunniken de stellige verzekering, dat de eerw. Joannes juist op denzelfden dag en in hetzelfde uur de wereld verlaten had.

Zie, zoo eindigt de geschiedschrijver, welke eer hun ten deel valt, die hun tijd voor het zieleheil van anderen besteden. *)

15.

De smarten van een overledene vallen ten deel aan een levende.

De overledene rechtvaardige vervloekt den nog levenden goddelooze. Sap. 4. 16.

Een jager liet bij zijn sterven zijnen zoon drie prachtige valken na. Twee valken behield bij voor zich, den derden echter verkocht hij, wijl hij de opbrengst er van onder de armen wilde

\') Thorn. Cant. pr. 1. 2. Aprnn c. 3. S. 5.

-ocr page 91-

- 79 —

\'en f verdeelen tot lafenis van de ziel van y- | zyn vacler. De zoon wilde de besten t.quot; -1 voor zich behouden en den andere veren koopen: maar terwijl hij ze op de proef ar \'j stelt, ontsnapt een der besten aan rle zijne handen en vliegt weg. Hij roept r, 1 en fluit, maar alles te vergeefs. Hierop in | zeide hij bij zich zeiven: »vlieg weg r- tot zielerust van mijn vader!quot;

Of deze geschiedenis waar of valsch r, is, laat ik in het midden; zeker echter

n is het, dat zij zonneklaar te kennen

geeft de handelwijs van vele kinderen ten opzichte hunner overledene ouders.

■ Ziehier een voorbeeld:

Een dappere strijder had lange jaren in den oorlogstijd onder Karei den i Grooten gewichtige en eervolle ambten

bekleed. Hij leefde christelijk, was te-t vreden met zijne inkomsten en wars

van iedere daad van geweld of roofzucht: het krijgsalann verhinderde liein niet in het nakomen zijner eerste plichten. Intusschen was hij in eene menigte kleine fouten, meer of min eigen aan personen, die ambten bekleeden, gevallen. Hij was grijs geworden in den krijgsdienst, toen hij door eene doode-

-ocr page 92-

— 80 —

lijke ziekte getroffen werd. In deze oogenblikken ontbood liij zijn verweesden neef, dien hij als een vader beminde en zeide hem: »Ik kan u niets nalaten »mijn zoon; ik bezit slechts mijne wa- : spenen en mijn strijdros. Dringend bid »ik u om liet laatste terstond na mijn »dood te verkoopen, om do opbrengst f ser van onder de priesters en armen »te verdoelen, opdat de eersten het »H, Misoffer tot lafenis mijner ziel «opdragen en de laatsten mij door »himne gebeden helpen.quot;

De neef door deze woorden tot in het binnenste van zijn hart getroffen, beloofde hem onder eede nauwgezet zijn wensch na te komen; maar ter nau-wernood was de oom overleden, of hij nam het paard maakte er eenige rijtoeren mee en vergat zijne belofte geheel en al.

Na verloop van zes maanden verscheen hem op zekeren morgen de afgestorvene en deed hem de bitterste verwijten: «Ongelukkige,quot; zeide hij, »gij hebt niet de geringste zorg voor »mij gedragen, om de belofte aan een «stervenden oom gedaan te vervullen,

))gi

»b(

))SC

))Z1 V)(l

5)V

ve

vo

de

st

bi

k

;■

S(

4

h

z

.

t

ï

-ocr page 93-

— 84 —

»t)oor uw ontrouw en uw meedoogen-»loos hart draagt gij de schuld, dat »ik in het vagevuur onbeschrijfelijke iteii »pijnen moet verduren. Wat zal ik u «zeggen ?... God hoeft zich mijner ont-.. »fermd. Hij heeft mijn kerker geopend, rllJn snu ga ik ton hemel; gij echter, igst ij jjgij zuit tot straf spoedig sterven en nen »behalve den tijd, dien gij voor eigene hot »schuld in het vagevuur moet boeten, »zult gij ook nog deii tijd moeten lijden, üor »dien de Goddelijke barmhartigheid mij «verkort heeft.quot; —• Na deze woorden iet verdween hij. Alles gebeurde, zoo als 19\' voorspeld was. Na eenigen tijd wordt de neef tot den dood toe krank: ter-quot;.7 stond laat hij een priester roepen, quot;J biecht zijne zonden met het grootste

leedwezen en verhaalt dezen de ver-e\' schijning. Niet zoodra had hij zijn verhaal geëindigd, of hij overleed, om zonder twijfel in het vagevuur de folteringen te lijden, waarin hij zijn oom :e had laten smachten.

\' Leert uit dit voorbeeld, zegt de

r schrijver, hoe zeer de ondankbaarheid den

11 Heer onaangenaam is: hoe streng Hij

\' , de ouders of kinderen tuchtigt, die aan

-ocr page 94-

— 82 —

den plicht der dankbaarheid te kort doen of ze vergeten. *)

40.

De dankbaarheid der geloovige zielen jegens hare weldoeners.

Zalig die der armen en dorst i^en inrtarhtip is, want op den «la* desuii-geluks zal de Heer hem redden.

Niet alleen de II. Kerkleeraars, maar ook de Kerk zelve in de getijden der overledenen past bovenstaande woorden van den koninklijken zanger toe op de geloovige zielen in het vagevuur. Werkelijk, deze bevinden zich in den hulpbehoevendsten toestand, omdat zij zeiven zich niet helpen kunnen. Dringend roepen zij om onze hulp en verspreken ons een rijk loon als wij haar verlossen. Uit de reeds aangehaalde voorbeelden hebt gij het reeds opgemaakt. Ziehier een ander:

quot;Willem Friessen, een bekend boekdrukker in Keulen, schreef in het jaar 1649 aan P. Jacob Montfort, een Jesuïet,

\') Thomas Canlipr. 1. 2 Apum. c. 53. n. 25.

-ocr page 95-

— 83 —

die door zijn voortreffelijk boek — Over de barmhartigheid jegens de geloovige zielen — de godsvrucht jegens de lijdende Kerk in het bijzonder zeer had bevorderd den volgenden brief:

Zeer Eerwaarde Pater,

Door dit schrijven deel ik u mede de wonderbare genezing van mijn zoontje en mijne vrouw. Op de feestdagen heb ik het boek, dat ik van U, Eerw., ontvangen heb om te drukken en \'t geen handelt over de liefde die men den afgestorvenen verschuldigd is, gelezen.

In die oogenblikken, dat ik het werkje las ontving ik de droevige tijding dat mijn vierjarig zoontje krank tot den dood was. De ziekte nam dermate toe, dat mijn kind zich weldra in levensgevaar bevond. Do geneesheeren hadden alle hoop op redding verloren. Ik echter voedde de hoop, dat mijn kind wederom zou genezen, indien ik eene gelofte deed tot lafenis der zielen in het vagevuur.

In den vroegen morgen heb ik mij ter kerke begeven en daar met bijzon-

-ocr page 96-

— g/l —

dere godsvrucht de Goddelijke barmhartigheid aangeroepen. Tegelijker tijd deed ik de gelofte een honderdtal van die boekjes, welke handelen over de barmhartigheid jegens de lijdende zielen ten geschenke te geven aan verschillende kloosters en priesters, opdat dooide lezing van dat werkje hunne harten mogen worden ontstoken aan ware liefde voor de afgestorvenen. Na gedane gelofte begaf ik mij met het grootste vertrouwen naar huis en bevond werkelijk, dat mijn kind aan de beterhand was. Mijn zoon verlangde zelfs iets te eten, want sedert vele dagen had hij niet het geringste genuttigd. Den volgenden dag was hij reeds zoo gezond, dat hij het bed verliet, lastig door het huis rondliep en at met een eetlust, als ware hij niet ziek geweest.

Daar ik deze onverwachte genezing als eene genade des hemels beschouwde begaf ik mij met honderd boekjes naar het klooster der Paters-Jesuïeten en verzocht hen, dat zij toch eenige naar goedvinden voor zich zouden behouden, en de goedheid te hebben om de overigen onder de verschillende

-ocr page 97-

— 85 —

kloosters en priesters te willen verdee-len, opdat de genade die mij ton deel gevallen was, aan iedereen zoo bekend worden en om elkeen daardoor op te wekken tot hulp en bijstand der lijdende zielen.

Nog geene drie weken waren vervlogen, of ik werd door een grooter ongeluk getroffen. Mijne vrouw werd op zekeren dag als zij naar huis ging door een zoo hevig beven en sidderen overvallen, dat zij machteloos ter aarde zonk. Het kwaal werd van dag tot dag erger, ja zoo erg, dat zij niet alleen geen spijs nam. maar ook van de spraak beroofd werd Alle middelen der kunst waren vruchteloos. Het kwam zelfs zoo ver dat men de sterfkaars aanstak. De biechtvader, die haar bijstond, had ook alle hoop verloren en troostte mij met de woorden, dat ik in den wil van God moest berusten, mij aan dien allerheiligsten wil onderwerpen, wijl God mijne lieve vrouw wilde bij zich hebben. — Daar ik echter een zeer groot vertrouwen op de reeds ondervonden hulp der zielen in het vagevuur stelde, liet ik den moed niet zinken en koes-

-ocr page 98-

- 86 —

I

terdo nog altijd de lioop op hare ge-nezing.

Ik bogaf mi j wederom naar de kerk, wierp mij neder aan te voeten van liet altaar van het allerheiligste Sakra-ment en bad opnieuw den Allerhoogste met zoo groöte godsvrucht, als het eenen man mogelijk is, die zijne vrouw lief heeft: »Heer,quot; zoo bad ik, »Gij »zijt zoo barmhartig, dat Gij uwe gesmade verdubbelt. Ik smeek u om wille »van uwe oneindige goedheid, laat ))niet toe, dat de dood mijner vrouw »de vreugde en den troost vergalt, die ))ik door do genezing van mijn zoon ))gesmaaktheb.quot; Na dit gebed vernieuwde ik de vroegere gelofte, ja verdubbelde ze en beloofde tweehonderd exemplaren van het genoemde werkje onder vrome personen te verdoelen. Tegelijk klaagde ik mijn leed aan de zielen in hot vagevuur en bezwoer haar uit liefde jegens Gnd zich mijner te ontfermen en voor mij bij God te willen bidden: ik herinnerde haar aan mijn vurig verlangen , om haar naar b( st vermogen te helpen.

Nauwelijks had ik dit gebed geëin-

-ocr page 99-

— cS7 —

8e~ ^ (%d, zie, daar kwamen mij reeds op den terugweg de gezellen te gemoet -rk, en boodschapten mij zeggende: «dat

ran ))mijne vrouw aan de beterhand was

ra- «en alle bewusteloosheid reeds had op-

ste ■ \' «gehouden.quot; Terstond ijlde ik naar huis \'et en bracht de zieke spijzen: met smaak

iw - nuttigde zij een weinig, zoodat mijne jij hoop op spoedig horstel groote\'r werd.

e- \' En werkelijk binnen korten tijd was l\'e de kranke geheel en al hersteld, zoodat

at zij persoonlijk met ons naar de kerk

w ging om den Gever van alle goed ha-

io ren dank te betuigen voor do lierwon-

n gt; nen gezondheid.

\'e Ik di\'oeg zorg dat in het eigen oo-

e genblik de beloofde boekjes naar het

1 College dor Paters-Jesuïeten, naar hot

2 klooster der Dominikanen en andere

3 kloosters gebracht werden, opdat in alle plaatsen de geloovigen aangespoord werden tot liefde voor de lijdende

i zielen.

U, Eerw., moogt mij alle geloof schenken: ik roep Go I tot getuige aan dat de zaak zich werkelijk naar mijn verhaal heeft toegedragen. Doch tevens bid ik u, dat gij wegens de dubbele

É

-ocr page 100-

— 88 —

genade te zamen met mij den goeden God dank zegt.

Alvorens wij in dit hoofdstuk afscheid nemen van de dankbare zielen in het vagevuur, willen we nog een voorbeeld verhalen, naar aanleiding der woorden van de H. Schrift: »Ik heb »goed gedaan en zijne weldaden ver-ïgolden.quot; Jud. 9: KJ.

Nergens treffen wij eene grootere en oprechtere dankbaarheid aan, dan bij de zielen, die uit het vagevuur verlost zijn.

Een zeker man in Bretague leidde in weerwil van zijne uitgebreide handelszaken een vroorn en godvruchtig leven. Onder zijne vele deugden schitterde vooral uit zijne groote liefde tot de zielen in \'t vagevuur, voor wie hij bad, aalmoezen gaf, boeteplegingen deed en andere verdienstelijke werken verrichtte. Nooit ging hij een kerkhof voorbij of hij knielde zonder het menschelijk opzicht te vreezen op de graven neer, om een kort gebed te storten voor de lichamen die daar begraven lagen. God openbaarde door een eigenaardig wonder, dat Hij

-ocr page 101-

- 89 —

■welgevallen had in zijn ijver en zijne getrouwheid. De voorbeeldige christen werd krank totden dood toe: terstond deed hij den priester ontbieden om de H. Teerspijs, naar welke hij smachtend reikhalsde, wijl hij haar met volle recht beschouwde als het krachtigste middel tegen alle bekoringen. De pastoor had belet en zond zijn kapelaan, die den dienaar Gods troostte, bemoedigde en versterkte met de laatste H. H. Sakramenten. Toen de kapelaan naar de kerk terugkeerde en het kerkhof voorbij kwam, gevoelde hij, dat hij door eene onzichtbare kracht werd teruggehouden, zoodat hij geen voetstap kon verder zetten. Verstomd en verschrikt ziet hij naar allo kanten en bemerkt dat de kerkdeur wagenwijd open staat, niettegenstaande hij zeer wel wist deze tot tweemaal bij het uitgaan toe te hebben gesloten. Terwijl hij zelf zich afvroeg wat deze gebeurtenis konde te beteekenen hebben, hoorde hij op het kerkhof eene stem, die met duidelijke woorden riep: sDorre sgebeenderen, hoort het woord des »Heeren! dooden staat op! (Ezech, 37:

-ocr page 102-

— 90 —

»6.) Komt allen\' die reeds ten hemel »zijt gegaan, om voor uw pas ont-«slapenen weldoener te bidden: nooit »kunnen wij hem het goede vergelden, »dat hij ons in zijne liefde heeft bewe-»zen, ons namelijk, wier lichamen op »dit kerkhof den dag der opstan-sding verbeiden.quot; — Na deze woorden hoorde de priester een ongewoon ge-druisch; het scheen hem toe als vlogen de dood en uit hunne graven, om letterlijk het woord van Ezechiel te bewaarheden: »Het ving aan te ruischen »en, zie, er ontstond beweging; het «gebeente naderde het gebeente, ieder zijn lidmaat.» (Ezech. 37: 7.)quot;

In hetzelfde oogenblik scheen de kerk door een wonderbaar licht verlicht. De afgestorvenen rangschikten zich in het koor en begonnen met bovenaanIsche stemmen op solemneele wijs de getijden der dooden te zingen. Na geëindigd officie hoorde men wederom dezelfde stem die het eerst gesproken had: zij gaf den dooden bevel om naar hunne graven terug te keeren, terwijl de altaarkaarsen eensklaps waren uitgedoofd.

-ocr page 103-

De priester, die op zijne plaats was moeten blijven staan en ter nauwernood adem scheppen durfde, kon nu eerst ongehinderd de kerk ingaan, om het Ciborie in het Tabernakel te bergen. Hierop snelde hij ijlings tot den pastoor, om hem de verschijning mede te dee-len. Deze was niet weinig verbaasd over het verhaal en hechtte geloof aan de geheele toedracht der zaak.

In het oogenbllk dat hij zeirtc zich te moeten vergewissen van den dood des zieken, klopte iemand aan de deur. Een bode brengt de treurmare; de kranke was juist gestorven in het uur der verschijning.

De Kapelaan werd hierdoor zoo zeer getroffen, dat hij der wereld vaarwel zeide en in liet klooster van den II. Martinus te Tours trad, waarvan hij later de overste werd. Zijn geheel leven lang bad hij voor de geloovige zielen in het vagevuur met de vaste overtuiging, dat deze hem ook zouden helpen op den dag des gerechts. *)

\') P. Jacob Hautin. S. J. Put c. def. 1. 1. c. 5. a. 3. — St. Alex, regain Triumph, anim. p. 2. c 22. cr. 1. — P, Mart de floa. De static anim. c, 21*

-ocr page 104-

— 92 —

17.

De straffen des vage vuur s schijnen den geloovigen zielen van langen duur.

Wee mij omdat mijn verblijf verlengd is. Ps. 19. 5.

De H. Augustinus keurt zeer af de vermetelheid van een christen zijner dagen, die durfde beweren, dat men in het vagevuur niet behoefde te vreezen voor het vuur, omdat men slechts een korten tijd er mede werd bestraft.

»Het komt mij er niet op aan,quot; zoo dacht hij, shoe lang ik in het vagevuur »moet lijden, als ik eindelijk den hemel »inga.quot; De H. Kerkleeraar gaf hem ten antwoord» niemand spreke zoo, want »de pijn door het vuur des vagevuurs «veroorzaakt, is smartvoller dan elke «andere pijn op de aarde, hoe vreeselijk ))zij ook zijn moge.quot;

Het volgende verhaal zal het ons duidelijk maken. Twee vrome ordespriesters waren met allen mogelijken ijver op hunne heiliging bedacht. Bezield met denzelfden geest voor het gebed,

-ocr page 105-

-ös-

de boetvaardigheid en de versterving, waren zij zoo nauw door de banden der innigste vriendschap aan elkander gehecht, dat men in waarheid van hen mocht zeggen; »Eene ziel in twee li-schamen.quot;

Zij hadden samen een heilig verbond gesloten, om altijd voor de eer van God te arbeiden; het eerst en het stiptst in het koor te zijn, voor het zieleheil van anderen te werken en naar best vermogen de regels en de tucht van het klooster getrouw na te komen en te onderhouden. Een van beiden werd zoo gevaarlijk ziek, dat hij den dood nabij scheen. Nu had hij eene verschijning van eenen Engel, die hem boodschapte, dat hij weldra sterven moest en als straf voor zijne kleine fouten, feilen en gebreken zoo lang in het vagevuur moest lijden, totdat men eene H. Mis voor hem gelezen had: dan eerst zoude hij den hemel ingaan, om het welverdiend loon voor zijn zielenijver en zijne godsvrucht te ontvan-gen.

Deze tijding vervulde zijn hart met de grootste vreugde. Terstond liet hij

-ocr page 106-

zijti vriend roepen, verliaalde hem de verschijning, deelde hom mede, dat hij niet lang meer zou leven en slechts een korten tijd in het vagevuur behoefde te lijden. Terzelfder tijde smeekte hij hom dringend om wille hunner broederlijke vriendschap zoo spoedig mogelijk na zijnen dood het H. Misoffer tot lafenis zijner ziel te willen opdragen, ten einde weldra de eeuwige vreugde des hemels te mogen ingaan. De goede pater zeer ontsteld en diep bedroefd over het verlies dat hij spoedig moest ondergaan, beloofde alles aan zijn boezemvriend en hield getrouw zijn woord: want nauwelijks had de dood den volgenden morgen zijn offer opgeëischt of hij snelde naar de kerk, begaf zich naar de sacristie, kleedde zich in de II. Misgewaden en trad naar het altaar om de H. Mis te lezen. Hij bad met buitengewone godsvrucht en smeekte God in naam van zijnen Zoon, die onder broodsgedaante op het altaar tegenwoordig was, om de ziel van zijn vriend in de glorie des hemels op te nemen.

Gedurende de dankzegging na de H.

-ocr page 107-

— OS —

Mis verscheen liem zijn vriend met een van blijdschap stralend gelaat,- maar ook met een zweem van kommer en leed: »Mijn broeder,quot; zoo sprak de overledene, «waar bleef\' uwe getrouwsheid? Hoe slecht hebt gij uwe belofte «gehouden? Gij verdient, dat God «evenmin medelijden met u heeft!quot; «En waarom?;quot; vroeg de andere; «Gij »hebt mij langer dan een jaar laten «wachten alvorens gij of een andere «pater eono enkele 11. Mis voor mij »!aast, waardoor ik zoo ras zou zijn «bevrijd geworden. Houdt gij dat niet «voor eene gruwzame onbarmhartigheid?quot;

«Waarlijk gij doet mij verstommen,quot; zeide de Pater, «want zoo even kom «ik de H. Mis te lezen; hoe komt het «u in de gedachte, dat ik een jaar «gewacht heb, daar gij ons eerst voor «weinige uren hebt veriaten! Uwe be-«grafenis heeft nog niet plaats gehad: «wilt gij zelf u hiervan overtuigen, «kom dan mee, uw lijk ligt op de baar «en is wellicht nog warm!quot;

De overledene zag zijnen vriend aan met een blik vol medelijden zeggende;

-ocr page 108-

— öé —

»0 hoe ontzettend groot zijn de foltc-»ringen, daar een enkel uur in het vage-»vuur doorgebracht den duur van dertig sjarcn schijnt te hebben! Geloofd zij de «Goddelijke barmhartigheid die ze verkort »1 iccft! Ik prijs uwe liefde, mijn broeder, «en dank u van ganscher harte. In den »hcmel, werwaarts ik mij begeef, zal »ik God bidden, dat Hij u vergelde, »wat gij vooi\' mij gedaan hebt, opdat ))\\vij eens te zamen in de eeuwige «glorie en gelukzaligheid zoo vereenigd »worden, gelijk wij het waren in do »dagen van ons lijden en van onzen «strijd op de aarde. Moed dus! op weerziens!quot;

De schrijver eindigt het verhaal met de woorden van den H. Augustinus: »Een kort lijden in het vagevuur is «smartelijker dan al het lijden van den »H. Laurentius op den gloeienden roos-))ter. 1)

1

Jos. Harolus. De aaimabus, ferm. 100.

-ocr page 109-

— 97 —

18.

Het lijden in het vagevuur is in evenredigheid wet het bedreven kwaad.

Waarmede iemand heeft gezondigd, daarmede wordt hij gestraft. Sap. 11.17.

In de openbaringen van (ie H. Birgitta vinden wij wonderbare verschijningen van de zielen in het vagevuur opge-teekend, des die te geloofwaardiger zijn, omdat deze door groofe geleerden zijn onderzocht en als waar bevonden geworden , zoodat men het beeld der genoemde Heilige met het volgend schoon opschrift, \'t geen de H. Sclirift op de vrome Judith toepast, zou mogen omgeven: »Alles wat gij gezegd hebt sis waar, en niets valt te berispen in »uwe gesprekken.quot; (Jud. 8. 28)

Uit hare talrijke visioenen kies ik de twee volgende: In eene eerste verschijning was de Fl. Birgitta tegenwoordig bij het gerecht en de veroordeeling van een soldaat. De ziel werd voor den rechterstoel van God gevoerd, begeleid van haren Engelbewaarder

Geloovige zielen. 7

-ocr page 110-

— 98 —

als verdediger en van den duivel als aanklager. Satan beschuldigde de ziel van den soldaat vooral van drie misslagen : eerstens, dat zij door de oogen gezondigd had, omdat zij vrijwillig hare blikken had laten vallen op verbodene voorwerpen, die haar geest met slechte gedachten en haar hart met onreine begeerten hadden vervuld; tweedens, dat zij gezondigd had door slechte woorden, verwenschingen en lichtzinnig zweren; diefstal, dat zij gezondigd had door zondige daden en diefstal. Daarop nam de Engel het woord ter verdediging ; hij herinnerde aan de akten van deugd, die de aangeklaagde had beoe-fend, aan zijn veelvuldig, ijverig gebed, aan zijne aalmoezen, aan zijn vasten en aan de verstervingen, die hij op zijne veldtochten niet eens verzuimd had: in het bijzonder echter herinnerde de Engel aan de godsvrucht waarmede de soldaat in de laatste oogenblikken zijns levens zijne toevlucht tot Maria had genomen, die hem een waar berouw over zijne zonden verworven had.

Toen de Engel geëindigd had sprak de opperste Rechter den aangeklaagde

-ocr page 111-

— 99 —

vrij van de straffen der hel, maar veroordeelde hem tot een langdurig en smartelijk vagevuur, waar die zintuigen, waardoor hij het meest gezondigd had, ook het hevigste gepijnigd werden. ))Deze ziel,quot; zeide hij, xmoet geheel en ))al gereinigd worden: daarom moeten »hare oogen gefolterd worden door het saanschousveu van verschikkelijke voor-»werpen; hare tong zal met ontelbare «messteken doorboord worden en van «dorst uitdrogen en voor hare zondige «werken zal zij gedompeld worden in »eene zee van vuur.quot;

Op dat oogenblik verscheen de voorspreekster der zondaren, de barmhartige Moeder van God en smeekte haren Zoon om vermindering der uitgesproken straf. Zij haalde aan, dat de soldaat op de vooravonden harer feestdagen vastte, dikwijls hare getijden bad en zich zeer vaak in hare bescherming aanbeval. De Heiland door deze tusschenkomst bewogen stemde toe in eene vermindering van straf, maar voegde er bij, dat tot hare grootere verlichting en leniging de levenden op de aarde moesten bidden, aalmoezen geven en vasten: want door deze

-ocr page 112-

_ 100 —

drie werken zoude de ziel \'van de drievoudige straf verlost worden.

In een tweede visioen was Birgitta de ooggetuige van de folteringen eener adellijke dame. De Heilige was in de verhevenste overweging verzonken, als zij eensklaps in eene verrukking des geestes in de lijdensplcuits Rein gene zijde des grafs gevoerd werd. Onder vele anderen zag zij daar eene jonge, voorname dame, wier moeder door schuldige toegevendheid, wat veikeerder is danliaat, de oorzaak was van de folteringen harer dochter. Zij had aan haar kind te veel toegegeven en aan de zucht naar verkwisting, weekehjk-heid en ijdelhoid den vrijen loop gelaten. Darrenhoven had zij hare dochter naar het theater gevoerd, de kweekschool van alle bederf, naar wereldsche feestmalen en zinnelijke vermaken, m een woord, in plaats van hare dochter, die van nature, reeds zeer geneigd was tot verwaarloozing harer eerste godsdienstplichten in toom, ja terug te houden en in hare lusten en diiften tegen te gaan, had deze verblinde moeder zelve haar kind aan een licht-

-ocr page 113-

— 101 —

zinnig leven overgegeven. Het is waar, zekle de lijdende ziel, mijne moeder leerde mij ook van tijd tot tijd akten van deugd beoefenen en goede werken verrichten, maar wijl zij mijne licht-zinnigheden door de vingers zag, deed ik het weinige goed slecht en bleef\' het zonder gevolg. Ik dank de oneindige barmhartigheid, dat ik aan de rampzalige eeuwigheid ben ontgaan, die ik om mijne ontelbare zonden had verdiend. Voor mijn afsterven had ik het geluk van berouw doordrongen eene goede biecht te spreken. Deze bekeering was wel is waar een uitwerksel van vrees, maar op het oogenblik, dat de doodstrijd begon, herinnerde ik mij het bitter lijden van Jesus Christus en deze gedachte spoorde mij aan tot een volmaakt berouw. Meer met het hart dan met den mond bad ik: «Mijn Jesus »ik geloof in u, gij zijt mijn God! sontferm u mijner, o zoon van Maria soiti wille uwer bittere smarten! Van »ganscher harte berouw ik alle mijne «zonden, omdat ik u, mijn God, die «oneindig goed zijt en alle liefde waar-»dig beleedigd heb; o ware het mij

-ocr page 114-

— 102 —

«gegeven, om alles wederom goed te smaken!quot; Na deze woorden ben ik gestorven, bevrijd van de straflen der hel, maar veroordeeld tot de pijnvolste folteringen in het vagevuur. — Nu verklaarde de lijdende ziel aan Birgitta, die door toelating van God de woorden duidelijk verstaan had op welke wijze zij voor hare zonden getuchtigd werd. »Mijn hoofd,quot; zeide zij, »dat vroeger »alien tooi en elke ijdelheid beminde »en aller blikken tot zich wilde trekken »wordt nu in- en uitwendig door vuur »verteerd: deze straf is zoo bitter, dat »ik meen te zijn de schietscliijf van »alle pijlen der straffende rechtvaardigsheid. Mijne schouders en armen wor-»den op eene gruwzame wijs door sijzeren kettingen saamgewrongen: de «voeten, die ik zoo vaak tot den dans «opsierde worden door vreeselijke slan-»gen omwonden, die haar verwondden »en haar gif en zwadder er over uitspu-»wen. Alle mijne ledematen die ik met «bloemen, kostbare linten, sierlijke strik-«ken, edelgesteenten, enz. oppronkte en «opsmukte worden nu dermate gefolterd sen gepijnigd, dat ik te zamen met de

-ocr page 115-

— 103

))grootste hitte des vuurs ook de streng-»ste koude moet verduren.quot;

De ongelukkige ging nog verder in de beschrijving harer folteringen, om het medelijden van Birgltta op te wekken en hare voorspraak te verwerven. De Heilige op hare beurt verhaalde alles haarklein tot de kleinste kleinigheid aan eene bloedverwante der overledene, die ook wereldsgezind was. Deze bewogen, ja diep getroffen over \'t geen zij had vernomen, trad later in een streng klooster om boetvaardigheid over hare zonden te doen eu hare zaligheid te verzekeren door te bidden, te vasten en zich te versterven. Alle hare goede werken olï\'erde zij aan God op zoowel voor haar eigen zieleheil als tot leniging der smarten van de lijdende zielen. *)

\') Openbaringen der H, Birgitta. 6 boek. hoofdst, 82. en 52.

-ocr page 116-

— 104 —

19.

Dn hemel zegent hen, die voor de lijders in het vagevuur bidden.

tïezepend zult pij worden door den Heer, omdat ^ij haar barmhartigheid hebt tewezen. lieg. 2. 5.

Alvorens de H. Birgitta te verlaten, wil ik nog eene enkele liarer ■verschij-ningen verhalen, waaruit zonneklaar blijkt, dat zij, die zich grootmoedig beijveren voor de verlossing der lijdende zielen door de Engelen en Uitverkorenen des hemels, gezegend worden. Met alle recht mogen wij op hen toepassen de woorden van dank, die de propheet David de inwoners van ,Tabes toeriep: )iMoogt gij gezegend worden van den ïHcer, gij die barmhartig geweest zijt ïjegens Saül, uwen Heer, en hem be-sgraven hebt.quot;

Birgitta zag eens in den geest do zuiveringsplaats, waarin de zielen gelijk hot goud in den smeltkroes gelouterd worden, alvorens het hemelrijk binnen te gaan. Zij hoorde een Engel

-ocr page 117-

— 105 —

bidden: »Gezegend zijn de bewoners »der aarde, die door hunne gebeden en »goede werken de lijdende zielen te »hulp komen: want de rechtvaardigheid »Gods eischt, dat zij of wel in de svlammon des vagevuurs gezuiverd of »wel door de goede werken barer »vrienden verlost worden.quot; — Alsdan hoorde zij eene menigte klagende stemmen, die smeekend riepen: »0 Heer A.Iesus Christus, rechtvaardige Rechter «wij smeeken u om wille u wer oneindige «barmhartigheid, wend uwe oogen af »van onze ontelbare zonden en zie op »de verdiensten van uw kostbaar bloed. gt;Stort uwe ware liefde in de harten Mier kloosterlingen, priesters en geloo-»vigen, opdat zij ons door hunne gesbeden, aalmoezen, ofl\'ers en aflaten »helpen. Wanneer zij willen, kunnen zij »ons te hulp komen, onze onbeschrij-»felijke pijnen verlichten en verkorten: xzij kunnen ons door uwe verdiensten, »o God, eene spoedige reiniging be-szorgen.quot;

Nog andere woorden hoorde Birgitta uit de diepte der zuiveringsplaats ten hemel stijgen; «Duizend, duizendvoudige.

-ocr page 118-

— 106 —

»genaden verleen hun, o God die ons »in onze ellende hulp verleenen.quot;

Dan zag men een licht opklimmen en nederdalen, nu eens lichtend en schitterend, dan weer donker en duister, als zinnebeeld dat de dag der verlossing aanbrak. En nieuwe stemmen zongen: »0 God, wiens macht oneindig is, be-»loon honderdvoudig allen, die voor onze »verlossing bidden, die ons het hemelsrijk helpen binnengaan.quot;

Ziedaar het zekere loon van hen, die voor de overledenen bidden: aanschouwt die dankbare voorsprekers, die in den hemel voor u bidden 1 het zijn zielen, wien gij de eeuwige zaligheid verzorgt en die deze weldaad nooit zullen vergeten, integendeel deze door ijverige gebeden zullen vergoeden. Moge God ton minste slechts aan eenige menschen een klein gedeelte van de liefde en het medelijden voor de lijdende zielen verleenen, \'t geen de H. Birgitta haar altijd betoonde.

\') Openbaringen was de H. Birgitta 4 boek, Hst. 7. — Teuph. Rayu. Heter. Spirit. 9. \'i s. 1. p. 7.

-ocr page 119-

— 107

20.

Ondankbaarheid der erfgenamen jegens hunne iveldoeners.

De hoop der ondankl aren zal als win-terijs smelten en ais overtollig water wegvloeien. Sap. 16. 29.

Wanneer Goil de onbarmhartigen zonder genade en ontferming oordeelt volgens de woorden van den H. Jacobus : »Een gerecht zonder barmhartigheid »wacht hem, die niet barmhartig ge-»weest is,quot; (2. 13) met welke gestrengheid zal God dan handelen jegens de erfgenamen, die zich ongevoelig toonen jegens de zielen hunner weldoeners en hunne vrome wilsbeschikkingen niet ten uitvoer leggen ? Neen, ik bedenk mij niet lang om op deze toe te passen de woorden van het vierde Concilie van Carthage en ze te noemen: »Moor-sdenaars der behoeftigen.quot; In dit hoofdstuk vinden wij een voorbeeld van de folteringen, die hen te wachten staan, die de laatste vrome wilsbeschikkingen der overledenen niet nakomen of onderscheppen: want alles wat men op de aarde zich op deze wijze toeeigent,

-ocr page 120-

— 108 —

is onrechtvaardig goed. O hoe menig-werf hebben goederen, die gebrandmerkt waren met het merkteeken van ondankbaarheid de bezitters met kommer oli leed overladen!

Een groot landgoed gelegen in de omstreken van Milaan werd geheel en al door hagelbuien verslagen, terwijl de landerijen en bezittingen van anderen gespaard bleven. Men begreep de oorzaak dezer gebeurtenis niet, totdat eene ziel uit het vagevuur verscheen en mededeelde, dat het eene rechtvaardige straf Gods was voor de ondankbare kinderen, die den laatsten wil huns vaders iti betrekking op vrome beschikkingen niet waren nagekomen, veel minder hadden ten uitvoer gelegd.

Dikwijls hebben de afgestorvenen om bovenvermelde reden vreeselijk misbaar in de huizen gemaakt. Te Ferrara werd een der schoonste paleizen ten gevolge van nachtelijk getier en geraas, dat iederen naclit gehoord werd en waarvan de oorzaak in weerwil van alle onderzoek onbekend bleef, niet meer bewoond. De eigenaar had zonder het minste gevolg al het mogelijke in het

-ocr page 121-

— 109 —

werk gestold, om achter het geheimzinnig gedruisch te komen, omdat hij ieder jaar daardoor een aanmerkelijk verlies moest lijden.

Een student in de rechten dreef den spot met allo geruchten die over het zonderling paleis verhaald werden en bood zich aan om alleen zijn intrek in het huis te nemen, onder voorwaarde, dat hij tien Jaren lang eene kamer zonder den minsten huurprijs mocht bewonen. Volgaarne gaf de eigenaar zijne toestemming en nog denzelfden dag betrok de student zijn nieuw kwartier. De nacht brak aan. De jonge moedige man zette zich dood bedaard aan het studeeren, want den volgenden dag had hij eene belangrijke twistrede te houden, waarmede zijn geest zich op dit oogenblik alleen bezig hield. De kaars, die zijne kamer verlichtte, was gewijd, wijl hij de overtuiging had, dat een gewijd voorwerp hem tegen alle aanvallen van Satan beschermde, indien deze bij toeval iets kwaads tegen hem mocht ondernemen. Hij studeerde wel is waar met eenigszins opgewonden geest maar zonder bijzondere vrees, to\' ti eensklaps

-ocr page 122-

— MO —

om middernacht een eigenaardig ge-rammel zich hooren deed, juist alsof iemand zware kettingen over de vloeren der kamers voortsleepte. Geheel bedaard bereidde zich de student om den komende op te wachten, want hij hoorde, dat het gerammel der ketens al nader en nader kwam. Met starren blik zag hij naar de deur, vast besloten om den eerst binnentredende aan te spreken. De deur opent zich en zie, een grijsachtige spookgedaante aan handen en voeten in ketenen geklonken treedt binnen, zet zich zonder een enkel woord te spreken aan zijne zijde neer en beziet hem met een dreigend gelaat. De student, zonder het minst in de war te geraken, zette zijne studie voort. »Wat zoekt gij met zoo grooten ijver?\'.\' vroeg hem eindelijk het spook met eene stem alsof zij uit een graf scheen te komen. »Ik zoek eene aanhaling,quot; gat de student ten antwoord, »die mij »morgen in mijne twistrede onontbeer-»lijk is.quot; — »in dat boek zult gij ze »niet vinden,quot; zeide do geest verder: »wilt gij grondig ingelicht zijn over »die stof, neem dan het andere boek daar.quot;

-ocr page 123-

— Ill —

Bij de eerste morgenschemering stond de verschijning op en ging heen. De student ook verliet zijne plaats, nam schielijk de kaars en volgde het spook op den voet naar den kelder: daar scheen de aarde zich te openen en de gestalte verdween in den grond. Hij liet de gewijde kaars op de plaats, waar het spook den grond was ingegaan, achter en keerde terug naar zijne studeerkamer. Zoodra het dag was, begaf hij zich regelrecht naar zijne vrienden en verhaalde hun wat hem was overkomen. Men begeeft zich naaiden kelder, graaft de aarde om en vindt een lijk. Een priester wordt geroepen, het gebeente wordt in eene grafzerk gelegd en onder de gewone gebeden en C\' remonies begraven. Eenige H. Missen worden gelezen en van dat oo-genblik af hoorde men niet meer het geringste gedruisch in het kasteel. Allen waren van gevoelen dat God aan eene verlatene ziel des vagevuurs had toegelaten, om op deze wijs de hulp van hare levende broeders in te roepen. *)

\') J. Hautinus,Patroc. defunct. 1.2,art. 5.p. 3. Ni-colaus Lagus.Mirac). ss. Sacram. tr. 7. dist. 4. cap. 27.

-ocr page 124-

— 112 —

21.

De lijdende zielen bedanken hare weldoener».

Gij verlost ons van hen, die ons bedroeven en maakt te schande, die ons haten. Ps. 43. 8.

Deze woorden van den koninklijken zanger zeiden de zielen, die de H. Ni-colaus van Tolentino door zijne gebeden verlost had, tot hunnen weldoener. Eene der grootste deugden van dezen dienaar Gods was zijne liefde voor de lijdende Kerk. Voor de arme zielen vastte hij op water en brood, geeselde zich tot bloedens toe en omgordde zich met ijzeren kettingen, die hem erg deden lijden. Toen hij priester was geworden, verdubbelde hij zijn ijver: dikwijls verschenen hem de zielen, die hÜ zoo liefdevol hulp verleende en smeekten hem om nieuwe voorspraak. Hij woonde te Vallimanese bij Pisa en was in zijne meditatie verzonken, toen hem in zekeren nacht, terwijl hij juist een weinig rust nam eene ziel in jammer-vollen toestand verscheen en hem bad.

-ocr page 125-

— dis —

om den volgenden dag voor haar\' eil eenige andere zielen, die in het vagevuur de smartelijkste folteringen verduurden, het H. Misofl\'er op te dragen. Nicolaus kende de stem, maar herkende niet juist de ziel en vroeg haar derhalve; »Wie zijt gij?quot; — De ziel antwoordde: sik ben uw vriend broeder Pellegrinus »van Osimo, die dank zij de Goddelijke «barmhartigheid niet ter helle verwe-»zen, maar veroordeeld ben tot de smart-»volle pijnen des vagevuurs. Ik verzoek »11 voor mij en voor vele andere lijdende szielen morgen het heilig Misofl\'er op te «dragen, want daardoor hopen wij onze «verlossing te verwerven of ton minste «groote verlichting te erlangen.quot;

De H. Nicolaus gaf hem in zijne gewone goedheid het volgende antwoord: »De Heer helpe u om wille van de «verdiensten van zijn kostbaar bloed «waardoor Hij u heeft vrijgekocht; «\'t spijt me zeer, dat ik morgen de »H. Mis voor u niet mag lezen.quot; — Hierop hervatte de zuchtende en klagende ziel: «O kom met mij om de «liefde van God , kom en zie onze fol-«teringen, dan zult gij mij mijn verzoek

-ocr page 126-

— 114 —

ïniet afslaan; gij zijt immers te goed »van harte om ons in zulke smarten ute laten kwijnen.quot;

Alsnu werd de Hcillige in den geest naar eene onmeetbare vlakte gevoerd, waar hij eene groote menigte zielen zag van alle rangen en standen, van eiken ouderdom en elk geslacht, die de meest verscheidene en gruwzaamste folteringen verduurden: treurend smeekten zij door woorden en gebaren om zijn bijstand en zijne hulp.

Ziedaar,quot; zeide broeder Pellegrinus, »de ongelukkigen die mij tot u gezon-sden hebben. Wij zijn overtuigd, dat »de Heer uw gebed zal verhooren en »om wille zijner barmhartigheid ons »zal verlossen.quot; — De dienaar Gods kon op dit droevig aanzien zijne ontroering niet overmeesteren. Hij wierp zich terstond ter aarde en bad met de innigste godsvrucht voor die ontelbare ongelukkigen. Hij had met zijne tranen het vuur willen blusschen, dat hen verteerde, \'s Morgens begaf hij zich tot den Prior, verhaalde hem het visioen en droeg hem de bede voor van den broeder, om eene H. Mis op den-

-ocr page 127-

- 115 —

zelfden dag te mogen opdragen. De Prior aanhoorde hem met meedoogende belangstelling en ontsloeg hem niet alleen voor dien dag, maar ook voor de geheele volgende week van de voorgeschreven missen, opdat Nicolaus aan die zielen, die hem om bijstand gevraagd hadden, de hulprijke hand mocht bieden. Met een vreugdevol hart snelde Nicolaus naar de sacristie en droeg het H. Misoffer op met buitengewone aandacht. Den geheelcn dag, ja zelfs den nacht bracht hij door in de beoefening van alle mogelijke goede werken: in vasten, versterving, kastijding en aanhoudend gebed. Zijn levensbeschrijver geeft ons de verzekering, dat de duivel Nicolaus meermalen in zichtbare gestalte, maar te vergeefs, in zijne vrome oefeningen, welke hij gedurende de gansche week voor broeder Pellegrinus verrichtte, heeft trachten te storen. Na een dag of tien zag hij wederom de ziel van Pellegrinus; zij zuchtte en klaagde niet meer, neen, maar zij verscheen hem in hemelsche glorie, bekleed met den mantel der heerlijkheid, omgeven van vele verloste zielen, die in hetzelfde

-ocr page 128-

— 116 —

geluk deelden. Allen betuigden hem dank en noemden hem hun verlosser. Hierna verhieven zij zich ten hemel zingende; »Gij verlost ons van hen, die ons besdroeven en maakt hen te schande, die »ons haten!quot; 1)

22.

Tc vergeefs verwacht men in het vagevuur de hulp van anderen, als men op de aarde geene goede werken verricht heeft.

Doe met ijver, wat uwe hand doen kan; want in de onderwereld, wer-waarts gij u begeeft, zal noch werk, noch verstand , noch wijsheid, noch wetenschap zijn. Eccl. 9: 10.

Thomas a Kempis vermaant ons met alle recht, dat wij na onzen dood niet al te veel op de gebeden onzer vrienden en verwanten moeten rekenen, maar zeiven tijdens ons leven do grootste zorg voor ons zieleheil moeten aan den dag leggen. «Betrouwt niet te veel,quot; zegt hij in het 23ste hoofdstuk van het

1

Surius, Vita S. Nicol. Fol. 10 Sep\'.; Gordian. de Sax. ex Vit. Fratum Erernit. S. August.

-ocr page 129-

— 117 —

eerste boek, »op uwe vrienden en verswanten, want zij zullen u spoediger, »dan gij het vermoedt, vergeten, wan-»neer gij zelf nu niet voor u bezorgd »zijt, wie zal zich in de toekomst uw »lot aantrekken?quot; Kan voor eene dochter iets van grooter gewicht zijn dan het aandenken aan haren ontslapen vader? En toch worden er dochters, zelfs deugdzame dochters gevonden, die hen vergeten, wien zij het leven te verdanken hebben.

Archangela Panigarola, overste van een klooster te Milaan, koesterde eene bijzondere liefde tot de arme zielen in het vagevuur. Zij zelve bad veel voor haar en liet ook anderen veel voor haar bidden; maar zelden dacht zij aan de ziel van haren vader Godhard, niettegenstaande zij hem van harte lief had. Van tijd tot tijd kwam haar wel de gedachte, dat zij voor hem bidden moest, maai- dan herinnerde zij zich weerom andere zielen of aangelegenheden, zoodat het altijd bij een voornemen bleef. Eindelijk maakte eene onverwachte wonderbare gebeurtenis eene einde aan hare gevoelloosheid.

-ocr page 130-

- 118 —

\'t Was op allerzielendag. Op dien dag had zij zich in hare cel teruggetrokken, om voor de lijdende zielen te bidden cn boetplcgingen te doen. Plotseling ziet zij haren schutsengel, die haar bij de hand grijpt en in den geest in het vagevuur verplaatst. Onder de zielen, die zij daar ontwaart, ziet zij ook die van haren dierbaren vader, die in een bevroren vijver gedompeld\' lag. Nauwelijks had Godhard zijne dochter herkent of\'hij wendde zich tot haar en zeide: »0 Archangela, mijne dochter, hoe skondet gij zoo langen tijd uwen va-»der vergeten te midden van het »smartvolle lijden, dat hij verduurt? »Gij koestert eene zoo teedere liefde »jegens de vreemden: velen door uwe «voorspraak verlost, heb ik zien ten »hemel snellen, maar met mij, uwen «vader, die u bemind, opgevoed en gelukkig gemaakt heb, hebt gij niet het «minste medelijden! Ziet gij niet dat »ik onder naamlooze smarten in dezen «vijver verstijfd lig tot straf van mijne «onverschilligheid in den dienst des Hee-«ren, van mijne nalatigheid in liet on-«derhouden Zijner gebodenen omdat ik

-ocr page 131-

— 119 —

»geene zorg gedragen heb voor het heil svan mijn evennaaste! Ach, heb toch «medelijden met het lijden uws vaders »en verwerf mij door uwe gebeden Gods «barmhartigheid en de eeuwige rust!quot;

Archangela bleef sprakeloos bij deze welverdiende verwijtingen, maar weldra gaf hare smart zich kond in een stroom van tranen zoo groot, dat zij ter nau-wernood het volgende kon antwoorden: »Ik wil alles doen, wat gij verlangt, «lieve vader, van af dit oogenblik. «Geve de Heer, dat ik u door mijne «gebeden van uwe pijnen verlosse!quot;

Hierna voerde haar de Engel naar eene andere plaats. Zij vroeg hem, hoe het toch gekomen was, dat zij ondanks hare herhaalde en hernieuwde voornemens altijd vergeten had voor haren vader te bidden en waarom God dit vergeet had toegelaten? — «Ik herin-«ner mij zelfs,quot; zoo sprak zij, «dat toen «ik op zekeren dag tot lafenis zijner «ziel bidden wilde in den geest werd «vervoerd, en het mij toescheen alsof «ik mijnen vader een wit, fijn brood «aanbood, dat hij met een blik van «verachting aanzag en weigerde aan

-ocr page 132-

- 120 —

»te nemen. Hieruit besloot ik, dat hij «verloren was. Het is eene daadzaak, »dat ik er niet meer aan dacht om »voor mijnen vader te bidden, terwijl »ik veel, zeer veel bad voor anderen, »die mij geheel vreemd waren.quot; De Engel gaf haar ten antwoord: ))God »heeft dat vergeet toegelaten om uw »vader te straffen voor den geringen «zielenijver, dien hij in gezonde dagen »te min gehad heeft. Hij had geene «slechte gewoonte, dat is waar, rnaar »hij had ook niet den minsten ijver «voor goede werken; en deed hij een «goed werk dan verrichtte hij dit zon-«den de noodige opmerkzaamheid en «goede mecning. Gewoonlijk tuchtigt «God hen, die hun leven in onverschil-«ügheid hebben doorgebracht, daardoor, «dat hunne gedachtenis door de leven-«den vergeten wordt. Van nu aan moet «gij uwe gebeden verdubbelen, opdat «uw vader door de Goddelijke barm-«hartigheid worde verlost!quot;

Toen Archangela na deze verrukking weder tot haar zelve gekomen was, was zij zeer bedroefd: nergens vond zij rust; zij meende altijd het zuchten en

-ocr page 133-

— 121 —

gesteun haars vaders te hoorcn en dag en nacht schreide zij bittere tranen. Aanhoudend bad zij, vastte en deed zij allerlei boetewerken yooi- die beminde ziel. Zij had de gewoonte de verlossing der zielen af te smeelcen door dc verdiensten van het kostbaar bloed van Jesus Christus en zijne oneindige liefde tot ons. Van nu aan oflerde zij in dezelfde meening op aan God de verdiensten van Maria, de moeder der lijdende zielen, staande onder het kruis van haren welbeminden Zoon. Nadat zij eindelijk aan de Goddelijke rechtvaardigheid voldaan had voor de ziel haars vaders, verscheen haar Godhard vreugdevol en met een stralenkrans omringd; hij dankte haar en ging ten hemel. Archangela, die zich bij het eerste visioen ongelukkig gevoelde, was nu opgetogen en overzalig van vreugde. \')

\'I Octav. lavitiatus, S J. in Vita, (1. 1, c. 2,

-ocr page 134-

— 122 —

23.

Eene ziel krijgt vermindering van straf, omdat zij in haar leven een kleed heeft weggegeven.

Ik verheug mij en jubel in den Heer ; miine ziel springt op van vreugde in mijn God; want hij bekleedde mij met de kleederen des heils. Isaïas 61. 10.

Pater Julius Mancinelli uit de So-cieteit van Jesus onderhield met de geloovige zielen in het vagevuur de drukste verkeering. Hij van zijnen kant werd niet moede voor haar te bidden, terwijl zij van hare zijde hem voortdurend bezochten. Een paar dier bezoeken wil ik hier verhalen. Do aartsbisschop van Capua, Caesar Costa, was van moederszijde de oom van pater Mancinelli. Deze prelaat zag op zekeren dag don Jesuïot bij eene geestelijke bediening met een zoo slechten toog gekleed, dat deze hem niet eens tegen de koude beschutte; derhalve schonk de aartsbisschop hem het noodige geld tot aankoop van een beteren en warnieren mantel. De pater kocht een solieden mantel en

-ocr page 135-

— 123 —

trok dezen gewoonlijk aan als hij in de stad de zieken ging bezoeken. Op zekeren dag na den dood van den bisschop stond hij reeds op den drempel van de kloosterdeur om uit te gaan, als de overledene opperherder van vlammen omringd hem naderde en om den mantel smeekte. De verbaasde pater gaf hem den mantel, waarin de bisschop zich hulde, alsof hij er in verlichting cn bescherming vond tegen de woedende vlammen. De pater vroeg den mantel terug, omdat hij ter eere Gods was uitgezonden en de zaak spoed vorderde, maar voortaan verdubbelde hij zijne gebeden voor den afgestorven prelaat.

Een ander maal verscheen hem de baron van Montfort, die met den pator zeer bevriend was, kort na het afsterven en beval zich met alle vertrouwen in zijne gebeden aan. De baron herhaalde meermaals zijn verzoek totdat hij eindelijk, nadat men voor hem eene gevraagde zie-lemis had opgedragen, niet meer verscheen, \'t geen de pater als een zeker teeken zijner verlossing beschouwde.

Antonius Ugolino, later een hooge waardigheidsbekleeder aan het hof van

-ocr page 136-

— 120 -

ïte nemen. Hieruit besloot ik, flat hij sverloren was. Hot is eene daadzaak, »dat ik er niet meer aan dacht om »voor mijnen vader te bidden, terwijl ))ik veel, zeer veel bad voor anderen, »die mij geheel vreemd waren.quot; Do Engel gaf haar ten antwoord: »God »heeft dat vergeet toegelaten om uw ïvader te straffen voor den geringen xzielenijver, dien hij in gezonde dagen »te min gehad heeft. Hij had geene «slechte gewoonte, dat is waar, maar shij had ook niet den minsten ijver svoor goede werken; en deed hij een »goed werk dan verrichtte hij dit zon-»den de noodige opmerkzaamheid en sgoede meening. Gewoonlijk tuchtigt »God hen, die hun leven in onverschil-jligheid hebben doorgebracht, daardoor, »dat hunne gedachtenis door de levensden vergeten wordt. Van nu aan moet »gij uwe gebeden verdubbelen, opdat ïuw vader door de Goddelijke barm-»hartighoid worde verlost!quot;

Toen Arclmngela na deze verrukking weder tot haar zelve gekomen was, was zij zeer bedroefd: nergens vond zij rust; zij meende altijd het zuchten en

-ocr page 137-

— 121 —

gesteun haars vaders te hooren en dag en nacht schreide zij bittere tranen. Aanhoudend bad zij, vastte en deed zij allerlei boetewerken yoor die beminde ziel. Zij had de gewoonte de verlossing der zielen af te smeeken door de verdiensten van het kostbaar bloed van Jesus Christus en zijne oneindige liefde tot ons. Van nu aan ofTerde zij in dezelfde meening op aan God de verdiensten van Maria, de moeder der lijdende zielen, staande onder het kruis van haren welbeminden Zoon. Nadat zij eindelijk aan de Goddelijke rechtvaardigheid voldaan had voor de ziel haars vaders, verscheen haar Godhard vreugdevol en met een stralenkrans omringd; hij dankte haar en ging ten heinel. Archangela, die zich bij het eerste visioen ongelukkig gevoelde, was nu opgetogen en overzalig van vreugde. *)

\') Octav. loviliatus, S J. in Vita, d. 1, c. 2,

-ocr page 138-

— 122 —

23.

Eene ziel krijgt vermindering van straf, omdat zij in haar leven een kleed heeft weggegeven.

Ik verheug mij en jubel in den Heer ; miine ziel springt op van vreugde in mijn God; want hij bekleedde mij met de kleederen des heils. laaïas 61. 10.

Pater Julius Mancinelli uit de So-cieteit van Jesus onderhield met de geloovige zielen in het vagevuur de drukste verkeering. Hij van zijnen kant werd niet moede voor haar te bidden, terwijl zij van hare zijde hem voortdurend bezochten. Een paar dier bezoeken wil ik hier verhalen. De aartsbisschop van Capua, Caesar Costa, was van moederszijde de oom van pater Mancinelli. Deze prelaat zag op zekeren dag den Jesuïet bij eene geestelijke bediening met een zoo slechten toog gekleed, dat deze hem niet eens tegen de koude beschutte; derhalve schonk de aartsbisschop hem het noodige geld tot aankoop van een beteren en wanneren mantel. De pater kocht een solieden mantel en

-ocr page 139-

— 123 —

trok dezen gewoonlijk aan als hij in de stad do zieken ging bezoeken. Op zekeren dag na den dood van den bisschop stond hij reeds op den drempel van de kloosterdeur om uit te gaan, als de overledene opperherder van vlammen omringd hem naderde en om den mantel smeekte. De verbaasde pater gaf hem den mantel, waarin de bisschop zich hulde, alsof hij er in verlichting en bescherming vond tegen de woedende vlammen. De pater vroeg den mantel terug, omdat hij ter eere Gods was uitgezonden en de zaak spoed vorderde, maar voortaan verdubbelde hij zijne gebeden voor den afgestorven prelaat.

Een ander maal verscheen hem de baron van Montfort, die met den pater zeer bevriend was, kort na het afsterven en beval zich met alle vertrouwen in zijne gebeden aan. De baron herhaalde meermaals zijn verzoek totdat hij eindelijk, nadat men voor hem eene gevraagde zie-lemis had opgedragen, niet meer verscheen, \'t geen de pater als een zeker teeken zijner verlossing beschouwde.

Antonius Ugolino, later een hooge waardigheidsbekleeder aan het hof van

-ocr page 140-

— 124 —

Paus Gregorius XIII, was de leermeester van pater Julius Mancinelli geweest. Na den dood verscheen liij aan Julius in den toestand eener lijdende ziel: zijn gelaat was bleek en ontsteld, hij bevond zich te midden der vlammen en was met zware ketenen beladen. Dringend smeekte hij zijn leerling voor hem te bidden en het H. Misoffer op te dragen. Pater Julius begon van stonde af voor zijn vroegeren leermeester te bidden en droeg den volgenden morgen in alle vroegte het H. ZoenolTer op tot lafenis der ziel. Nu werd het hem vergund dezelfde ziel in hare heerlijkheid te aanschouwen: zij genoot eene onbeschrijfelijke gelukzaligheid en betuigde haren weldoener den oprechtsten dank.

Het H. Misoffer, dat pater Julius voor de lijdende zielen opdroeg scheen eene bijzondere uitwerking te hebben. Dikwijls, zeer dikwijls verschenen hem de zieltjes en vroegen hem om eene H. Mis. Zelfs lezen wij, dat andere zielen bij zijne H. Mis met de grootste aandacht zouden zijn tegenwoordig geweest. — Een ander oom van Mancinelli,

-ocr page 141-

— i2S —

met name Camillus Costa een vroom man in zijn leven, verliet twee jaren na zijnen dood het graf en begafquot; zich naar die kerk, waarin zijn neef het H. Misoffer opdroeg. Hier wierp hij zich ten aanscliouwe van alle aanwezigen op de knieën. Alle namen hunne toevlucht tot dien heiligen priester. Hot geloof, dat zijne gebeden een bijzonderen invloed hadden, was zoo algemeen, dat men over hem eene schilderij heeft vervaardigd, die bewaard word,* in het college van Macerata. Deze schilderij stelt den pater voor gekleed in misgewaad; hij staat een weinig boven de aarde verheven ter herinnering aan de menigvuldige geestverrukkingen, waarmede hij werd begunstigd. Vurige vlammen komen uit zijnen mond, zinnebeelden van zijne gloeiende godsvrucht in het II. Sacrificie der Mis; onder hem ziet men het vagevuur en de lijdende zielen, die door zijne gebeden werkwikt ■worden. Boven hem zweven twee Engelen, die uit kostbare vaten een gouden regen uitstorten, afbeelding van de zegeningen, verkwikkingen en verlossingen, die de geloovige zielen ver-

-ocr page 142-

^ 12ö —

werven door het H. Offer, opgedragen door den vromen priester. — Op den mantel van den pater, waarover we boven gesproken hebben, die ook op de schilderij is afgebeeld, staan eenige verzen gesel ireven van den volgenden inhoud; »0 wonderlijk gewaad, gij wordt ten geschenke gegeven, om tegen de koude van den winter te beschermen; daarna teruggegeven om den gloed van het zuiverend vuur te lenigen: zoo verandert de liefde in vuur of in ijs naar mate van het lijden, dat zij verlichten moet.quot; *)

24

Het vreeselijk lijden der gehorige zielen, die op de loeréld hebben ergenis gegeven.

Wee den mensch, door wien ver-ergenis komt. Matth. 18: 7,

Voor persoonlijke zonden te moeten lijden is smartelijk, rnaar smartvoller is het voor de zonden van anderen te moeten

\') P. Jac. Colsius, Vita P. Jul. Mancinelli S. J. L. 1. 3. o. 2.

-ocr page 143-

— 427 —

boeten. Hoevele zielen worden in het vagevuur gefolterd voor zonden, die zij zeiven niet bedreven, maar waartoe zij anderen gelegenheid hebben gegeven, zoodat zij met den koninklijken propheet in zekeren zin zeggen mogen: »Wat ik ïniet gedaan heb, daarvoor heb ik toch «moeten boeten.quot;

Zeker schilder zeer beroemd om zijne groote talenten en zijn voorbeeldig leven had verschillende beelden van Heiligen gemaakt. Zijn welbekende roep zette den overste van een Karmelietenklooster aan hem eene schilderij voor het klooster te laten1 vervaardigen. Nauwelijks had de schilder het beeld, waarvoor hij eene aanzienlijke som gelds kreeg voltooid, toen hij, terwijl hij nog in het klooster was, in eene zware ziekte viel en tot aan den rand van het graf gebracht werd. Hij wenschte den Prior te spreken en gaf hem te kennen, dat hij verlangde in de kloosterkerk begraven te worden in geval de dood hem van de wereld wegrukte. De Overste stemde hierin toe. Uit dankbaarheid vermaakte de kunstenaar aan het klooster de voor de schilderij ontvangen som gelds, onder

-ocr page 144-

— 128 —

voorwaarde dat de paters een bepaald aantal H. Missen moesten lezen tot rust zijner ziel. Weldra stierf hij en alles werd naar zijn wenscli volbracht. Een dag of drie na zijn afsterven bevond zich een priester der Orde na de nietten in het koor om te bidden, toen de ziel des schilders dezen verscheen en bezwoer toch medelijden met haar te hebben, om de ondragelijke smarten, die zij in het vagevuur moest lijden. De pater karmeliet vroeg hem, waardoor hij die groote straf verdiend had, daar hij steeds in den besten roep gestaan had? Dc ziel gaf hierop ten antwoord: »Na mijn overlijden werd «mijne ziel terstond voor den rechter-«stoel Gods gevoerd. Hier klaagden mij »eenige personen aan, die in het vage-svuur moesten lijden om zondige ge-«dachten en begeerten, waarvan eene «oneerbare schilderij door mij vervaar-sdigd de oorzaak was: anderen waren »om dezelfde reden tot de eeuwige helle-«pijn veroordeeld. Zij vorderden voor mij «dezelfde pijn, omdat ik hun de ergersnis, waardoor zij in de zonden gevallen «waren, had gegeven. Daar daalden

-ocr page 145-

— 129 —

^heilige zielen op de aarde neder om »mij te verdedigen. Met nadruk wezen »zij er op, dat die schilderij een werk »\\vas uit mijne jeugdige jaren en dat sik het kwaad daardoor gesticht in slatere dagen door boete en het versvaardigen van talrijke beelden van «godsvrucht had uitgewischt.

»Deze voorsprekers waren Heiligen, »die ik in mijn leven op eene bijzondere »wijs vereerd had: zij hadden mij genade «verworven en voegden er nog bij, dat »ik een groot gedeelte van mijne ont-«vangsten aan aalmoezen besteed en »de allerlaatste verdiensten aan een «klooster van paters-karmelieten had «vermaakt. Ten langen laatste smeekten «zij den strengen Rechter mijne goede «werken met de hunnen te vermeerderen. «Door dit smeeken bewogen verhoorde «de Heer hunne gebeden, schold mij «de eeuwige straffen kwijt maar ver-«oordeelde mij zoo lang tot de pijnen «des vagevuurs, totdat het beeld ver-«brand was. Ik smeek u, pater, begeef «u tot den man, die mij verzocht heeft, «dat noodlottig beeld te schilderen; zeg «hem in welken toestand ik mij bevind;

GolooTige lielen. \'J

-ocr page 146-

— 130 —

bid hem om medelijden met mij te hebben «en het voorwerp van zonden te vernietigen. Niet alleen ik verlang die «vernietiging, maar ook God die ons »beide heeft geschapen. Wee hem, «indien hij dit weigert te doen! Tot »teeken dat ik u werkelijk ben ver-«schenen en dit alles geene zinsbegoo-»cheling of sterke verbeelding zij, meld «hem, dat hem binnen een kort tijdsbestek «twee kinderen door den dood zullen «ontrukt worden en dat hij, bijaldien «hij weigert het offerte brengen, waartoe «ik hem verzoek, die verstoktheid met seen vroegen dood zal moeten betalen.quot;

Niet zoodra had de bezitter der schilderij dit alles vernomen of hij wierp ze op staanden voet met eigene handen in het vuur. Binnen de maand stierven volgens de voorspelling twee zijner kinderen. Ofschoon zijne gehoorzaamheid hein voor de tweede bedreiging spaarde, meende hij echter nie\'t genoeg gedaan te hebben; daarom trachtte hij door strenge boetplegingen de zonden, die hij door de schilderij begaan had, uitte wisschen.

Hij liet haar door schoone en echt

-ocr page 147-

— 131 —

christelijke schilderijen vervangen, welke juist die Heiligen moesten voorstellen, die het meest tot de deugd aanspoorden: hij verkoos hen tot zijne voorsprekers, opdat zij hem naar de woorden van het evangelie — wanneer het leven ten einde gaat in de eeuwige woontenten zouden opnemen. (Luc. 16. 9.) — Wil dus nooit voor iemand een steen des aanstoots zijn door verergernis, opdat gij de zonden van anderen in het vagevuur niet behoeft af te boeten. \')

25.

Wie het hemelrijk wil binnengaan, moet rein zijn van alle vlekken.

Wie zal rusten op uw heiligen ber(, ? Die zonder vlek voortschrijdt en de gerechtigheid beoefent Ps. 14: 1. 2.

De H. Gertrudis verhaalde aan hare kloostervrouwen hare visioenen, om haar te doen begrijpen, welke buitengewone reinheid de Goddelijke bruidegom eischt van de zielen, die hij tot het hemelsch gastmaal toelaat.

*» P. Jus. a Jtsus et Maria, Carmel discal. \\ —. 4. c, 9. tem. 1. de castitate,

-ocr page 148-

— 132 —

In haar klooster was eene jeugdige non gestorven, die de abdis zoo wel om haren ongowonen ijver in de beoefening aller deugden als om hare innige en teedere Godsvrucht bijzonder liefhad. Diep, zeer diep betreurde zij haar verlies. Toen zij op zekeren dag voor de ruste barer ziel met de meeste aandacht bad, geraakte zij in eene verrukking des gces-tes en zag de haar dierbare ziel voor den troon van God staan. Zij was opgetooid met het kleed der liefde, stralend aan een hemelsch licht; zij durfde hare oogen niet tot God opheffen, maar zag voor zich, alsof zij zich schaamde de glorie der aanbiddens-waardige Godheid te aanschouwen. Door hare gebaren gaf zij te kennen, als wenschte zij verre van haren Verlosser verwijderd te zijn. Gertrudis diep getroffen, dat zij hare geestelijke dochter voor den hemelschen bruidegom zag sidderen, waagde het den Heer te vragen; «Zoetste Jesus, waarom verzoekt ))gij die ziel niet, die u geheel en al «toebehoort nader te treden en de «vreugde in te gaan, die haar wacht? gt;Waarom neemt gij haar r.iet op in

-ocr page 149-

— 133 —

«de armen uwer liefde? waarom laat »gij haar daar zoo bedroefd, bevreesd en »geheel alleen staan?quot; Terstond gaf de Zaligmaker aan de ziel een teeken om te naderen en wierp op haar een blik van welgevallen. De ziel scheen nog onrustiger, sidderde al meer en meer en trok zich terug in den diepsten ootmoed.

De H. Gertrudis, door verwondering aangegrepen, wendde zich nu tot de ziel zeggende: »Hoe mijne dochter, gij «vlucht den bruidegom, die u roept! »Op het oogenblik dat gij het hoogste »Goed, waarna gij gedurende uw ge-»heel leven smachtend verlangdet, gaat «bezitten, verwijdert gij u koud van ïHem? Ziet gij niet, dat Jesus u wacht?quot; Hierop gaf de ziel ten antwoord: »ach, «mijne moeder, ik ben van de vlekken «mijner zonden nog niet genoegzaam «gereinigd, om voor het onbevlekte «Lam te verschijnen. Reiner dan het «licht moet men zijn, om met de Zon der «rechtvaardigheid vereenigd te worden: «ik bezit nog niet die volmaakte reinsheid, waarop zijn blik met het meeste «welgevallen rust. Al stonden de poor-

-ocr page 150-

— 134 —

sten des hemels voor mij open, ik «zoude door dezen niet binnengaan, »omdat ik nog geene passende bruid svoor den Heer ben.quot; — »Maar hoe »komt het dan,quot; vroeg de abdis, «dat »gij met glans en heerlijkheid omgeven »zijt?quot; — »Ach,quot; zeide de ziel, »dat »is slechts eene flauwe weerkaatsing »van de eeuwige heerlijkheid: zij is «onbegrijpelijk zoodra men God ziet, »in Hem leeft en Hem bezit: daartoe «wordt eene volmaakte zuiverheid ge-«vorderd.quot;

Het tweede visioen heeft veel overeenkomst met het eerste.

In deze verschijning zag Gertrudis de zuster van de bovenvermelde kloosterlinge, die jonger maar niet minder deugdzaam was. Zij was gestorven in den bloei harer jaren, rijk aan goede werken en vol van verdiensten. Vooral muntte zij in haar leven uit door eene bijzondere Godsvrucht tot het allerheiligste Altaarssacrament. Na haren dood baden de kloosterlingen en beoefenden allerlei boetewerken tot lafenis harer ziel. Gertrudis zag haar in het hemelsch licht der gelukzaligheid, geknield voor

-ocr page 151-

— 135 —

den troon van den Koning der heerlijkheid van wien vijf sohitterende stralen uitgingen, die op de vijf zintuigen dei\' overledene nedervie!en en toch lag op haar gelaat kommer en droefheid geteekend. De H. Gertrudis verstoutte zich nogmaals den Heiland naar de oorzaak der droefenis en de beteeken!s der verheerlijking te vragen. De Zaligmaker zeide haar, dat die ziel wel de aanschouwing zijner zaligen en van lie H. Vijf wonden, maar nog niet die dei-Godheid was waardig bevonden, omdat zij nog eenige kleine overtredingen van den Ordesregel, waarvan hare ziel nog niet gereinigd was, moest afboeten. De H. Gertrudis smeekte den Heer dat hij haar genadig zoude zijn, ten einde zij kon opgenomen worden in den hemel, naar welken wij allen reikhalzend uitzien. Jesus zeide haar, dat daartoe eene bijzondere voorspraak noodig was en de ziel zonder deze voorspraak door persoonlijk lijden aan de Goddelijke rechtvaardigheid voldoen moest: daarenboven dat de ziel van deze noodzakelijkheid zoo zeer overtuigd was, dat zij niet eens den wensch koesterde om

-ocr page 152-

— 13G —

van hare smarten bevrijd te worden. De ziel bevestigde dit, terwijl de Zaligmaker haar tot teeken van zijn welgevallen de hand op het hoofd legde. Van dat uur af beoefende de abdis onderscheiden goede werken, om daardoor de ziel harer geestelijke zuster te verlossen; in het bijzonder was zij harer indachtig in het heilig sacrificie der Mis. Het scheen haar toe als kwam de ziel in dezen tijd den hemel al meer en meer nabij.

Op zekeren dag had zij wederom eene verschijning van dezelfde ziel, die haar zeide; sDe godsvrucht, welke ik steeds »tot het II. Altaarssacrament had, swordt nu op eene bijzondere wijs sbeloond, als men het H. Misciïer voor ïimij opdraagt: u zeg ik mijn besten ))dank, wijl ik op het punt sta om den «hemel in te gaan, waar de hemelsche sbruidegom mij verwacht om mij te «kronen. O hoe gelukkig ben ik, dat »ik mijnen God in mijn vergankelijk «leven geëerd en gevreesd heb! Welken «goeden Meester dienen wij 1quot;

Door deze woorden begeesterde zij de geheele communauteit der H. Ger-

-ocr page 153-

— 137 —

trudis en vervulde alle leden met ver- i nieuwden ijver en verjongde godsvrucht tot het H. Altaarssacrament; zij boezemde allen een angstige zorg in tot het vermijden der kleinste fouten, die zonder boete niet vergeven worden. *)

26.

Bewonderingswaardige gemeenschap tusschen de levenden en de overledenen.

Zijt waakzaam in het gebed : vooral echter bemint u steeds onder eikander. Petr. 4: 7, 8.

\'t Is niet gemakkelijk te beslissen, wie het grootste voordeel trekt uit de gebeden, die wij voor onze lijdende broeders hemelwaarts zenden of wel zij of wij, die hen trachten te verlossen: want indien hunne pijnen door onze goede werken worden verkort, dan verwerven zij ons vele kostbare genaden. Het leven van de eerw. Moeder Fran-cisca van het heilig Sacrament, die altijd eene groote liefde jegens de lijdende

\') Ludov. Blosius, Monil. c. IS.

-ocr page 154-

- 138 -

zielen koesterde, geeft ons hiervan eenifie verklaring.

O O #

Zij was opgewassen in de beoefening der heiligste liefde voor de zielen in het vagevuur en bleef gedurende haar geheel leven lang hierin getrouw. Haar hart en hare ziel leefden slechts voor de lijdende kerk: dagelijks bad zij voor haar den rozenkrans en ieder geheim eindigde zij met de woorden: »Dat zij rusten in vrede!quot;

Op de feestdagen, waarop zij meer tijd had, bad zij do getijden der overledenen. Het grootste gedeelte van het jaar vastte zij voor de afgestorvenen op water en brood: zij geeselde haar lichaam tot bloedens toe en droeg dag en nacht haar ordeskleed. Zelfs onderbrak zij hare nachtrust door verschillende verstervingen; alle werken , die zij verrichtte, alle gedachten van haren geest, inwendig lijden , lichamelijke vermoeienis, aanhoudende vervolging van Satan, alles, ja alles offerde zij op voor hare lijdende broeders en zusters in \'t vagevuur. Dat was onvoldoende. Zij vereenigde zich met alle kloostervrouwen gelijk een band van goede

-ocr page 155-

— 439 —

werken en gebeden. Indien priesters het klooster bezocliten smeekte zij hen om toch eenige missen voor de overledenen te lezen en de leeken haalde zij over tot het geven van rijke aalmoezen terzelfder intentie. Alles wat zij deed, deed zij ter liefde van de geloovige zielen en alles offerde zij op tot vermindering harer straffen. De booze geest verweet haar vaak do dwaasheid, die zij beging, door zoo te handelen, wijl zij zelve zich beroofde van alle verdiensten en goede werken, waardoor zij voor hare zonden kon voldoen en derhalve op den dag des gerechts tot de straffen des vagevuurs zou veroordeeld worden. Deze bekoring was vruchteloos, want de grootmoedige ziel kende geen baatzucht of eigenbelang. De afgestorvenen, die haar verschenen, gaven haar de verzekering, dat zij haar door hunne gebeden en voorspraak rijkelijk zouden schadeloos stellen en God nooit zou toelaten, dat hare barmhartigheid haar ten nadeel zou verstrekken.

Luister, lieve lezer, nog een enkel woordje over de dankbaarheid der arme lijdende zielen jegens hare weldoeners.

-ocr page 156-

— 140 —

Wij lezen in het leven van dezelfde heilige, dat de overledenen haar niet alleen bezochten, maar ook kwamen bedanken. Ooggetuigen verhalen en verzekeren ons, dat de zielen zichtbaar voor de deur harer cel stonden, als zij \'s morgens naar het koor ging om te bidden; ja dikwijls traden zij de cel binnen om haar nieuwe beden voor te dragen en bleven om haar bed geschaard, totdat Francisca ontwaakte. De zuster werd bij deze verschijningen met niet de geringste vrees bevangen. — »Uwe tegenwoordigheid »reeds,quot; zeide de zielen, «verlicht onze «kwellingen.quot; — En opdat Francisca niet zoude gelooven, dat zij de speelbal was van een goochelspel, van hersenschimmen of van duivelsche voorspiegelingen, zeiden zij bij hare intrede: »Wees gegroet, dienares Gods, bruid ))des Heeren: moge Jesus ten allen »tijde met u zijn.quot; — Na dezen groet vereerden zij een groot kruisbeeld en de reliquieën, die zich in de cel harer weldoenster bevonden. Bad Francisca den rozenkrans dan namen de lijdende zielen haar dezen vaak uit de handen

-ocr page 157-

— 141 —

en schenen dezen met aandacht en godsvrucht te kussen als een middel van heil en verlossing.

De geloovige zielen gaven haar ook kennis van de listen en lagen, welke Satan haar legde, opdat zij dezen zou ontgaan door aanhoudend gebed en het ontvangen der heilige Sacramenten.

Om Francisca\'s hart tot medelijden te bewegen vertoonden de lijdende zielen zich aan haar in de meest verscheidene gedaanten, vooral in die barer folteringen. Dikwijls waren het bisschoppen met den mijter op het hoofd, den staf in de band, in bisschoppelijk misgewaad gekleed en van alle kanten van vlammen omringd. Zij zeiden: «Wij «lijden die folteringen, omdat wij eer-»zuchtig waren en ons niet getrouw svan onze plichten hebben gekweten.quot; Dan weer waren het priesters, gehuld in een kerkelijk gewaad van vuur: de stola was gelijk aan eene ketting, luinne handen waren met zweeren overdekt: zij beklaagden zich, dat zij het H. lichaam van Jezus oneerbiedig behandeld en de H. Sacrament zonder aandacht en godsvrucht uitgedeeld hadden. —

-ocr page 158-

— 142 —

Een kloosterling verscheen haar omgeven van de kostbaarste voorwerpen als: kasten, zetels, schilderijen, die allen schenen te branden, omdat hij in weerwil van zijne gelofte van armoede die voorwerpen in zijne cel had bewaard. Ook zag Francisca een notaris uit Soria met de gloeiende kenteekens van zijn ambt, die hem naamloos pijnigden. ))Dit ^inktkoker, deze pen,quot; zeide hij, »heb »ik gebruikt tot het maken van on-srechtvaardige akten. Ik was ook een «hartstochtelijke speler, daarom moet »ik die brandende kaarten in de handen «houden: in deze glooiende beurs be-»vindt zich het onrechtvaardig verwor-»ven geld. Zeker ware ik eeuwig versleren gegaan, indien ik in mijn sterfuur «niet een waar en oprecht berouw over «mijne zonden hadde gehad. Maar een «lang en smartelijk vagevuur is mijn «lot, indien gij niet uit medelijden door «goede werken mijne pijnen verkort.quot;

Deze verschijningen baarden de dienares God den grootsten kommer, maar van den anderen kant ondervond zij ook onbeschrijfelijken troost, als verloste zielen haar kwamen bedanken.

-ocr page 159-

— 143 —

De bisschop van Pampekma Cliristo-phorus de Ribera had uit den mond van moeder Francisca vernomen naar de openbaringen, waarmede zij was begunstigd geworden, dat drie van zijne voorgangers op den bisschoppelijken stoel nog in liet vagevuur moesten lijden. Door medelijden bewogen liet hij terstond voor hen bidden. Wijl toen ter tijde juist in Spanje de bulle van den kruistocht werd rondgedeeld, die nieuw geestelijke voorrechten aan dit koningrijk schonk , zond de bisschop \'14 exemplaren aan Francisca en verzocht haar drie van dezen aan de zielen der afgestorvene bisschoppen toe te voegen, terwijl zij met de anderen naar goeddunken mocht handelen. In den volgenden nacht verschenen de drie prelaten aan Francisca, bedankten haar en verzochten haar tevens ook den bisschop hunnen dank te betuigen. Ook andere zielen smeekten haar om de toevoeging van de aflaten der bulle: met vreugde stemde zij hierin toe; terwijl van dag tot dag de verschijningen talrijker werden. 1)

1

Tr. Joochim a St. Maria, Carme!. disc. Vita Franciecae a Sacram. a, 2.

-ocr page 160-

— 144 -

27.

Eene kleine voorspraak verlost de zielen van een groot lijden.

Menigeen koopt veel voor een germgen prijs Sir. 20: 12.

De lijrlers in het vagevuur verlangen niet altijd van ons buitengewone boe-tewerken, rijke aalmoezen, streng vasten, pijnelijke ontberingen of soortgelijke verstervingen; neen, dikwijls worden hunne pijnen verlicht door eene kleine hulp, dooi\'korte gebeden, door gemakkelijke oefeningen van deugd: en dit weinige zoude men hun weigeren? Daarover zijn zij bedroefd cn met volle recht mogen zij zeggen: ))Wat ons het meeste bedroeft »is, dat wij niet door eene groote zee smaar door een klein water van elkan-sder gescheiden worden.quot; Dat wil zeggen , zij, de lijdende zielen, hebben slechts eene kleine voldoening noodig, om tot den Heer te gaan, die hare kroon heeft in gereedheid gebracht: smartvol valt haar de onverschilligheid van hen, die haar den kleinsten dienst niet willen bewijzen.

-ocr page 161-

145 —

Een H. bisschop zag namelijk in een droomgezicht een knaap, die met een zilveren snoer, waaraan een gouden angel bevestigd was eene schoone vrouw uit eene diepe kokende bron ophaalde. Toen hij bij zijn ontwaken het raam uitzag, ontwaarde hij denzelfden jongeling op het kerkhof biddend op eene grafterp. Hij riep hem en vroeg heru; »Wat doet gij daar, mijn kleine »vriend?quot; »Ik bad een onze Vader en »den psalm «Misererequot; tot ruste der »ziel van mijne moeder, die daar begra-ïven ligt,quot; hernam de knaap. Nu erkende de bisschop, dat God hem de kracht en de uitwerking van het eenvoudigste gebed toonen wilde: hij voor zich geloofde dat de ziel der moeder was verlost geworden, omdat het onze Vader beteekende den gouden angel en de miserere de zilveren lijn.

Pater Gonrardus van Ossida een groot dienaar van God, lid der Seraphijnsche Orde, was gedurende den nacht aan de voeten van een geprivilegieerd altaar blijven bidden. Eensklaps verscheen hem een kloosterbroeder, die kortelings gestorven was en hem smeekte, dat hij

10

-ocr page 162-

— 146 —

toch door zijne gebeden hem zoude verlossen van de verschrikkelijke vlammen des vagevuurs. »Gij weet wel,quot; »zeide hij hem, dat uwe gebeden den »Heer aangenaam zijn; wees niet on-»barmhartig en weiger ze mij niet.quot; — De goedhartige pater bad terstond een Onze Vader er bijvoegende »I.leer, geef shem de eeuwige rust.quot; Dadelijk verscheen de broeder hem voor de tweede maal zeggende: »0 mijn vader, indien »gij wist welke verkwikking gij mij »door uw kort gebed verzorgder, zoudet »gij het gewis herhalen.quot; De pater deed het met de grootste vreugde. »Achquot; riep de ziel andermaal, »om wille der «barmhartigheid van Jesus smeek ik u, smijn vader, ga voort met bidden, swant mijn lijden verandert zich in atroost.quot; Zonder verdere aandringing herhaalde de goede pater de gebeden vele, vele keeren. Dooi- eene bijzondere gunst des hemels zag hij, dat de ziel van den overledene allengskens schooner en lichlender werd, zijn gelaat een vriendelijker uitzicht aannam ei» eindelijk aan hemelsche vreugde straalde. Evenzoo veranderden de kleederen; zij

-ocr page 163-

UI —

werden wit als sneeuw en schitterden als de zon, totdat ten langen laatste de verloste ziel onder duizende dankbetuigingen verdween, om het hemelsch Jerusalem binnen te treden.

De zalige Steplianus uit de Orde der Minorieten was bezield met dezelfde liefde voor de lijdende zielen en had dezelfde macht bij God. Urenlang lag hij biddende geknield aan de voeten van het H. Altaarssacrament. In zekeren nacht ontwaarde hij, in het oogenblik dat hij om zich heen zag, in een koorstoel een kloosterling, die de monnikskap over het hoofd had getrokken. Verstomd over de houding, die niet het minste geleek op die van een biddende en over het late uur, waarop deze zich nog in het koor bevond , wendde hij zich tot hem en vroeg: «Wat hij deed en waarom hij «zulke houding in het koor aannam?quot; De monnik antwoordde: »Ik ben een «overleden kloosterling, dien do Godde-slijke rechtvaardigheid veroordeeld heeft, »om op deze plaats de hevigste pijnen des svagevuurs te komen lijden voor de «talrijke fouten, die ik door vrijwillige «verstrooiing tijdens de godsdienstoefy-

-ocr page 164-

— 448 —

»ningen begaan heb. God heeft toege-»laten dat ik verschijne: ik bid u, doe »toch iets voor mij: o mocht ik toch ))uit die gevangenschap verlost worden »en het rijk van de vrijheid der kinderen »Gods ingaan.quot; Terstond wierp de zalige Stephanus zich plat ter aarde en bad den psalm »de profundisquot; met het gebed sFidelium Deus.quot; De afgestorvene scheen daardoor wonderbaar verlicht. Nog onderscheidene malen had deze verschijning plaats om Stephanus tot medelijden aan te zetten en betuigde hem el-ken keer haren oprechtsten dank. In zekeren nacht verliet zij met een van vreugde stralend gelaat den koorstoel, gelijk een gevangene den kerker en snelde naar den hemel.

De zalige heeft deze verschijning meermaals aan zijne medebroeders verteld, om hen op te wekken en aan te zetten tot de grootste aandacht en godsvrucht in het gebed, want de Heer kan hen niet zegenen die Hem met de lippen eeren, terwijl hun hart verre van Hem verwijderd is. 1)

1

Pr. Barthol. a Pisls i. 1. c. 23. — Chronic. Fr, min. 1. 4. c. 30.

-ocr page 165-

— 149 —

28.

Wonderbare droomen verwekken vrees voor den dood en het vagevuur.

En er kwam vreeze over alle ziele, ook geschiedden vele wonderen en teekenen. ?

riand. der Apost 2. 43.

Pater Ferdinand van Castilië spreekt over twee merkwaardige wonderen, die God in een dominikanenklooster te Zo-morra, eene stad van hot Spaansch koningrijk Lcon, wrochtte. Het eene moet ons herinneren aan de onzekerheid van het uur van onzen dood en het andere ons doen erkennen de smartvolle pijnen der gcloovige zielen in het vagevuur.

In genoemd klooster gebeurde het dikwijls dat de koorklok van alleen uit eigen beweging luidde, \'t geen telkenmale aankondigde, dat ergens een kloosterling zijn dood nabij was. Niet zoodra had de klok geluid, of alle monniken bereidden zich voor tot den dood door het ontvangen der laatste heilige Sacramenten, door gebed en boeteplcgin-gen. De algemeene vrees voor den dood

-ocr page 166-

— 150 —

week eerst dan, wanneer een hunner gestorven was. Deze klok was voor hen de stem, waarvan Isaïas zegt: »Bestel »uw huis, want gij zult sterven en niet »leven.quot; (Isaï. 38. 1.)

Het tweede voorbeeld komt beter overeen met het doel van het boekje. In hetzelfde klooster leefde een deugdzame monnik, die door de innigste en hechtste vriendschapsbanden met een pater-Franciskaan verbonden was. Hunne godsvrucht en hun gemeenschappelijk streven naar de volmaaktheid waren zeer dikwijls de oorzaak van hunne vrome gesprekken over Goddelijke dingen. Öp zekeren dag bracht de wonderbare klok, waarvan wij zoo even spraken, hun gesprek op den dood. Hierin kwamen zij overeen, dat wie van beide het eerste stierf met toelating van God den andere moest verschijnen en hem zijn lot in de andere wereld openbaren, opdat deze, indien hij in het vagevuur lijden moest, door de gebeden van zijn vriend kon verlost worden. De Franciskaan stierf het eerste. Getrouw aan zijne belofte verscheen hij zijnen vriend op een uur dat deze

-ocr page 167-

— 151 —

iets in de eetzaal had te regelen voor de communauteit. Hij groette hem eerst vriendelijk en deelde hem daarna mede, dat hij door Gods barmhartigheid gored was, maar in het vagevuur vele kleine fouten, waarover hij geen genoegzaam berouw had gehad, moest afboeten. Hierop toonde hij zijnen vriend, om hem tot medelijden te bewegen, de gruwzame vlammen, die hem verteerden. »Niets op de wereld,quot; zoo sprak hij , »is in staat om u een denkbeeld te ))geven van de folteringen, die ik lijden »moet. Wilt gij een bewijs?quot; Op de eettafel legde hij zijne rechterhand, die hij zoo diep in liet hout drukte, als ware de vorm met een gloeiend ijzer ei in gebrand. Verbeeld u den schrik van den pater, die terstond voor de rust van do ziel van zijnen vriend begon te bidden.

Men bewaarde te Zomorra de tafel tot aandenken aan deze gebeurtenis en is nog op den huidigen dag te zien; ter betere bewaring echter heeft men ze overdekt met eene koperen plaat.

Deze beide wonderen bevorderden bij de kloosterlingen de heilzame herinne-

-ocr page 168-

— 452 —

ring aan de onzekerheid des dooris en de heilige vrees voor de straffen aan de andere zijde van het graf. *)

29.

De overcloediga aflaten zullen de armoede der overledenen verzachten.

In den tepenwoordigen lijd moet gij door uw rvervloed in h n gebrek voorzien. 2. Cor. 8: 14,

\'Wij laten hier eene wonderbare gc-heurtinis volgen uit het leven van den zaligen Bertholdus, een missionaris uit de Orde der Franciskanen. die de groote ■waarde der aflaten zonneklaar aantoont. Op zekeren dag had hij eene roerende preek over het geven van aalmoezen gehouden en tegelijker tijd aan zijne toehoorders een allaat van tien dagen verkondigd, dien hij hun krachtens eene Pauselijke volmacht voor het aanhooren der preek verleende. Na de preek ontving hij liet bezoek eener voorname dame, die hem klaagde over hare bit-

K Kerd. di Cast. Historia s, Domin. p. 2. I. 1. c. 23.

-ocr page 169-

_ 153 -

tere armoede, \'t geen zij om haren rang aan niemand zeggen durfde. De goede pater gaf haar ten antwoord, wat de H. Petrus zeide tot den lamme van Jerusalem: »Goud noch zilver be-»zit ik, maar wat ik heb, dat geef ik »u.quot; Act. Apost. 3. 6. — Gij zult den tiendaagschen aflaat gewinnen, die door eene bijzondere vergunning van zijne Heiligheid verleend wordt aan de toehoorders mijner preek. Begeef u dan tot den bankier, die tot hiertoe zich niet veel heeft laten gelegen liggen aan de geestelijke gunsten en genaden; bied -hem uwe verdiensten aan voor een aalmoes , \'t geen hij u geven zal, opdat daardoor de folteringen der zijnen, die in het vagevuur lijden moeten, verminderd worden. Ik heb allen grond veronderstellen te durven, dat hij u helpen zal.

De goede dame in hare eenvoudigheid gaf gehoor aan den pater en geloofde hem. God voegde het dat de bankier haar vriendelijk ontving: hij vroeg haar, hoeveel geld zij verlangde. «Zooveel als »mijne verdiensten op uwe weegschaal »wegen,quot; gaf zij ten antwoord, »Goed,quot;

-ocr page 170-

— 154 —

vervolgde de geldman, shier is de «waag: schrijf uwe verdiensten op een »vel papier, leg het op de eene schaal »en ik zal op de andere een reaal «(ongeveer 24 cents) leggen.quot; O wonde! het stuk geld is te licht. De verstomde bankier legt er een tweeden reaal bij, maar de schaal blijft onbeweeglijk. Hij voegde er vijf\', tien, twintig, dertig, eindelijk zooveel realen bij als de dame noodig had om in hare behoefte te voorzien. Nu eerst hadden beide schalen haar evenwicht. Hieruit leeren wij de groote. waarde der he-melsche goederen kennen.

De geloovige zielen begrijpen dit nog beter; voor den kleinsten, den gering-sten aflaat willen zij het goud van de geheele wereld ten offer brengen. Daarom verzuchten zij tot ons in de zoete hoop dat wij voor haar als middelaars bij den Goddelijken Rechter optreden en haar de verdiende aflaten toevoegen. — De zalige Maria de Quito zag eens in eene geestverrukking eene met goud, zilver, rubijnen, parels en diamanten beladen tafel en hoorde eene stem, die haar zeide; »Deze rijkdommen en schat-

-ocr page 171-

— 155 —

sten zijn gemeenschappelijk, elkeen kar» svan dezen nemen zooveel hij wil.quot; God gaf haar te kennen, dat dit een beeld der aflaten was. Hoe verre blijven wij dan ten achter, wij die niet alleen ons niet willen verrijken te midden van die aanzienlijke schatten, maar daarenboven de lijdende zielen in het vagevuur vergeten; wij, die hare smartvolste pijnen verkorten, Ja zelfs haar geheel en al van alle folteringen kunnen bevrijden. Worden om in het bezit van dien schat te geraken groote opolleringen, vasten, bedevaarten, strenge boetplegingen gevorderd?

Ware dit het geval, dan nog moesten wij een besluit nemen. Zien wij niet hoe de liefhebbers der kunst zich blootstellen aan het gevaar des vuurs om uit eenen brand een enkel kunststuk te redden! Zooveel verlangt God niet van ons, neen, driewerf neen; hij verlangt slechts gewone werken: een schietgebed, een gebed, een rozenkrans, eene H. Mis, eene H. Communie, een klein aalmoes, een kort bezoek aan Jesus in het allerheiligste Altaarssacra-ment enz. enz. En wij veronachtzamen

-ocr page 172-

— 156 —

eene lichte verkwikking door dien schat te bezorgen, ja wij geven ons niet de geringste moeite, om dezen aan de geloovige zielen, die in het vagevuur gefolterd worden , toe te voegen.

In het leven van de H. Magdalena van Pazzis vinden wij een ander voorbeeld opgeteekend over de groote waarde der aflaten. In haar klooster leefde eene nonne van groote volmaaktheid en deugd. Magdalena zelve stond haar in de laatste ziekte bij met alle mogelijke liefde en sloot haar na den dood de oogen. Als men het lijk ter kerke had gebracht, trok Magdalena zich terug in de kapittelzaal , van waar zij de lijkbaar zien kon, om voor hare geliefde medezuster te bidden. Zij werd met een visioen begunstigd en zag de ziel der overledene in schitterende glorie ten hemel snellen. «Vaarwel, lieve zusterriep Magdalena, «vaarwel verheerlijkte ziel; »gij treedt het paradijs binnen en laat »mij achter in dit dal van tranen. Hoe »schoon zijt gij! Wie vermag den lui-»ster van uwen triumf te besclrijven! »Uw vagevuur was van korten duur! »Uw stoffelijk overblijfsel is nog niet

-ocr page 173-

- i5l —

»aan de aarde toevertrouwd en alreeds swordt gij toegelaten tot het zaligend ^aanschouwen van uwen Heer en God. »Erkent gij nu de waarheid ,• van \'t »geen ik u zeide? De pijnen des vage-svuurs zijn niets vergeleken bij \'t geen »de hemelsche bruidegom voor u bereid »heeft.quot; Hierna werd de H. Magdalena geopenbaard, dat de ziel barer vriendin slechts vijftien uren in het vagevuur geleden had en hare spoedige verlossing te verdanken had aan de haar toegevoegde aflaten. Gedurende de teraardebestelling dacht de Heilige alleen aan de schoone en troostvolle verschijning. \')

30.

De Heiligen, die wij in ons leven vereerd hebben, helpen ons na onzen jiood.

Roep dan of een u antwoord geelt; wend u tot een der Heiligen. Job. 5:1.

De vereering der Heiligen, terwijl

*) Chronic. Fratr. Minor. p. 2. 1. 2. c. 30. — Vila s. Mar. Magd. de Pazzis; p. 2. c. 39.

-ocr page 174-

— 458 —

wij op de aarde zijn, is eene rijke bron van kostbare genaden voor de geloovige zielen. Dit leert ons duidelijk eene wonderbare verschijning, waarmede eene getrouwe bruid van Christus de zalige Joanna van \'t kruis, eene Fran-ciskanessc, is begunstigd geworden.

Een u tstekcnd prelaat had sedert langen tijd eene heilige vereering voor haar aan den dag gelegd, toen eene heilzame vermaning, die de Heilige hem gaf op ingeving van God, hem eensklaps zoo van gezindheid veranderde dat hij haar voortaan Koud, ja met afkeer behandelde. Van tijd tot tijd vergat hij de plichten van zijnen staat, bezondigde zich door te veel spreken, zich hoogmoedig te gedragen en door de zielen, die zich aan zijne leiding hadden overgegeven en toevertrouwd, te verwaarloozen. Kort daarna stierf hij. Nauwelijks had Joanna de treurmare vernomen of zij begint het kwaad met goed vergeldend allervurigst voor de rust der ziel te bidden. Toen zij in zekeren nacht in het gebed was verdiept, verscheen haar de ontslapene prelaat met neergeslagen oogen en met een gelaat waarop de grootste droefheid

-ocr page 175-

— 159 —

stond te lezen: zijn mond was gesloten en zijne kleederen waren verscheurd. Hij scheen diep vernederd en wijl hij niet spreken kon, trachtte hij door zuchten en gebaren zijn lijden te kennen te geven. Zijn hoofd en voorhoofd waren als met vlekken bezaaid ten bewijs van zijne bedrevene zonden. Ee-nige zielen, die hij door zijne lauwheid tot val had verstrekt, volgden hem op den voet. Booze geesten omringden hem, kwelden en vernederden hem op alle mogelijke wijzen. De zalige Joanna was zeer verlegen, wijl zij niet zeker wist of de overledene onder het getal der verworpelingen of wel der lijdende zielen in het vagevuur moest gerekend worden. Om eenige zekerheid te erlangen nam zij hare toevlucht tot haren Engelbewaarder en vroeg het dezen. De Engel gaf haar tot antwoord: »God »zal u dit ter rechter tijde openbaren.quot; Derhalve volhardde zij in hare gebeden en bezwoer de Goddelijke barmhartigheid zich toch over die ziel te ontfermen, die zij hoopte, dat niet verloren was. Met vreugde herinnerde zij zich de goede werken, die de over-

-ocr page 176-

— 160 —

ledene tijdens zijn leven had beoefend, in het bijzonder de teedere godsvrucht, die hij een zekeren Heilige had toegedragen, wiens naam de geschiedschrijver niet vermeid.

«Almachtige God,quot; zoo bad de H. Joanna, nU is het bekend mot welken »ijver en welke aandacht de overledene »zijn lievelingspatroon diende. Gij weet, shoe hij hem vereerde en met welk «vertrouwen hij hem aanriep: nog meer, »Gij weet, dat hij het beeld van dien «Heilige heeft laten vervaardigen, om «het altijd te kunnen bij ziel; dragen «en hem nooit te vergeten. Ik smeek «U, zie neer op deze oefeningen en «verlos hem van de folteringen, die ik «hem heb zien lijden.quot; —

Gedurende meerdere dagen had zij dit gebed, gedaan, toen plotseling de deur harer eeT open ging; de overledene treedt binnen en voor hem staat het beeld van zijn patroon. Hij groette Joanna en zeide haar:«Ik bendegenevoor wien gij zooveel «gebeden hebt; aan uwe gebeden en «aan de voorspraak van mijn H. Pa-«troon, wiens beeld gij hier ziet, heb «ik te verdanken, dat God in zijne

-ocr page 177-

— 161 —

«goedheid en barmhartigheid zich mijner «heeft ontfermd. Dit beeld was mijn »schild tegen alle bekoringen des duivels. ))De Heer heeft mijne smarten vermin-»derd; de tijd mijner beproeving nadert «zijn einde en ik hoop, dat gij door «uwe gebeden ter zijner verkorting zult «bijdragen, gij, mijne zuster, die ik zoo «zeer miskend heb.quot;

«Het zij zoo!quot; riep Joanna vreugdevol, «gezegend zij de groote God voor den «troost, dien ik op dit oogenblik smaak, «wijl ik zeker ben, dat gij niet onder «het getal der verdoemden behoort. Ik «meende, dat dit lot u getroffen had, «toen gij u aan mij den eersten keer «vertoondet.quot; De overledene vroeg haar nogmaals om vergiffenis en betuigde haar zijnen oprechtsten dank voor de gedane gebeden. Joanna ging voort met bidden, totdat zij onder hoogere ingeving zijne bevrijding vernam. Hierna verhaalde zij alles aan hare medezusters, om in haar te vermeerderen de vrees voor het oordeel Gods, de vereering der Heiligen en de liefde tot de lijdende zielen. *)

\'} Chronic. Minor. a. F. Barthol. Cimarelto, p. 4 ücloovige zielen, 11

-ocr page 178-

- 162 —

31.

Wie op de aarde met gelatenheid lijdt, blijft van de vlammen des vagevuurs bevrijd

Slechts een korten lijd lijdt de geduldige, daarna /.al hij met vreugde worden \\ergoldeii. Si-rach. 1 : 29.

Keizer Maurits gaf den Zaligmaker ton antwoord op de vraag of\' Idj liever hier clan wel in het vagevuur zijne zondeschuld wilde afboeten: »Hier, Heer, «liever hier lijden.quot; Geheel anders was het gelegen met een pater-Franciskaan. Een Engel verscheen dezen en liet hem de keus of wel geteisterd te worden door eene langdurige en smartvolle ziekte op deze wereld of wel een korten tijd in het vagevuur te lijden. De pater koos het laatste, want hij was reeds ziek sedert langen tijd en leed met de grootste droefheid: hij dacht, dat hij zijnen medebroeders tot last verstrekte en hield den dood voor het beste deel.

\'2. lt;•. IK. — Fr. Alex. Segala, Triumph, anim. p. 2. c. 7. ex. 4.

-ocr page 179-

— 163 —

»0 mijn God,quot; zoo bad Jiij , »iii uwe »barmhartigheid roep mij uit de wereld »tot U, help uw ongelukkigen dienaar. ))Dag noch nacht vind ik rust; smarte-»lijko steeds toenemende pijnen verteei-en ))mij , terwijl mij de kracht ontbreekt som ze te verduren. Wanneer ik om »wille mijner zonden der verlossing «onwaardig ben , zie dan, o Heer, op «de verdiensten mijner medebroeders, »die deze voor mij ten ofier brengen. «Ontferm U hunner en mijner, alsDhet «zijn moet door mij te laten sterven , «want de dood zal ik als een quot;quot;ezant «uwer liefde aanschouwen.quot;

Na dit gebed kwam de Engel en stelde hem de vraag: «Daar gij moede «zijtop de wereld te lijden, laat God u «de keus tusschen een lang lijden of een «spoedig sterven. In het eerste geval moet «gij nog een jaar lijden en zult dan onmid-«dellijk den hemel binnengaan; geeft gij «echter de voorkeur aan een spoediquot;-en «dood , dan zult gij nog drie dagenquot; in «het vagevuur gepijnigd worden. Kies, «aan u is de keuze.quot;

De arme pater, wien het lijden on-verdragelijk toescheen, gaf ten ant-

-ocr page 180-

— 164 —

■woord: sik wil liever sterven, mocht ik »ook langer dan drie dagen in het va-)gt; ge vuur moet boeten, want mijn te-))genwoordig leven is een aanhoudend »sterven: mij dunkt er kan niets vreese-slijkers uitgedacht worden.quot; — »Goed, hervatte de Engel, »uw wil geschiede: »nog heden zult gij sterven , ontvang »zoo spoedig mogelijk de iaatste hei-»lige Sacramenten.quot;

De kranke verhaalde zijn visioen en had om de H. H. Sacramenten; hierop overleed hij en zijne ziel ging naar het

vagevuur.

Na verloop van vier en twintig uren verscheen hem de Engel op nieuw en vroeg hem: »Welk lijden is verschrik-skelijker dat der aarde ot des vagc-»vuurs?quot; — »Hoe is het mogelijk, szeide de ziel, dat gij een waie ïjEnnel zijt. Gij immers hebt mij verssproken , dat \'ik slechts drie dagen in »het vagevuur zoude lijden, terwijl ik «nu reeds vele jaren er in word gei\'ol-»terd zonder de minste hoop op red-sdinw!quot; — »Zoo bedriegt zich eene «lijdende ziel,quot; hervatte de Engel, »gij »be vindt u ter nauwernood een dag in

-ocr page 181-

— 165 —

))liet vagevuur en alreeds klaagt gij »zoü bitter en beschuldigt mij van »leugeritaal: niet de duur maar de «hevigheid der pijnen doen u zoo oor-sdeelen. Een oogenblik schijnt u eene »ceiiw toe. Geloof mij vrij, gij hebt «slechts een enkelen dag geleden: uw «lichaam is nog niet begraven. Mochtet «gij over uwe keuzo berouw gevoelen, »wcet dan, dat God in zijne goedheid »u naar de aarde laat terugkeeren, om »nog één jaar uwe ziekte te verdra-«gen!quot; — «Voorzeker ja,quot; riep de ziel vol vreugde, «hieraan geef ik de voor-«keur; de ondervinding heeft mij van «zienswijze doen veranderen. Liever wil «ik twee, drie, vier jaren ;le smartvolste «ziekte verduren dan ééne, ééne en-«kele uur in de onbeschrijfelijke pijnen «van het vagevuur door te brengen.quot;

De Engel geleidde de ziel wederom naar de aarde; zij vereenigde zich met haar lichaam en de overledene keerde tot ontzetting van de geheele commu-nauteit tot het leven terug. Zoodra de pater de spraak weerom kreeg, verhaalde hij wat hem was wedervaren en zette zijne broeders aan tot de strengste

-ocr page 182-

_ 166 —

boete zelfs voor de geringste fouten, opdat zij in het andere leven niet zouden getroffen worden door de straffen, waarmede de Goddelijke rechtvaardigheid den zondaar foltert.

Hij zelf, hij verdroeg van nu aan zijn menigvuldig lijden met groote vreugde, want hij achtte zich gelukkig daardoor de korte maar vreeselijke straffen des vagevuurs te ontgaan. Na verloop van het jaar stierf hij en weerom verscheen de Engel, om hem naaiden hemel te vergezellen.

Dit verhaal rechtvaardigt de .woorden van den H. Augustinus over de pijnen des vagevuurs: »Ecn enkele uur in de »reinigingsp]aats kan met duizend jaren »folteringen in dit leven niet vergeleken sworden.quot; En hij voegt er bij: sVer-aschrikkelijker zullen voor den mensch ))zijn de vlammen des vagevuurs dan »alle smarten, die op deze aarde hem «treffen kunnen.quot; *)

»1 St. Anton. 4. d. tit li, c. 10. § 4. - Luc. Wadding, ann. Ain. a. 11WJ. n. 9.

-ocr page 183-

— 167 —

32.

Heilige woeker van hen, die hunne goede werken nan de geloovige zielen toevoegen.

IDoe poelt;1 voor den rechtvaardige, rijkelijk zal hel u vergoUlen worden. Sir. 12: \'2.Doe poelt;1 voor den rechtvaardige, rijkelijk zal hel u vergoUlen worden. Sir. 12: \'2.

Wij willen hier niet onderzoeken hoe-vele genaden , gunsten en verdiensten zij verwerven, die hunne goede werken tot lafenis der geloovige zielen opofferen, neen, want met zekerheid mag men aannemen, dat zij, die den hemel bevolken , zich ook voorsprekers in den hemel verwerven, die uit dankbaarheid hen alles zullen verkrijgen, waaraan zij behoefte hebben om hunne eeuwige zaligheid te verzekeren: — nog meer, de Engelbewaarders der verloste zielen zijn in zekere mate verplicht zich jegens hen om wille van het goede, dat zij aan hunne beschermelingen bewezen hebben, dankbaar te bétoonen. De zalige geesten beschouwen hen met liefdevolle blikken, omdat zij hunne scharen vermenigvuldigd hebben. De Moeder van God

-ocr page 184-

— 168 —

verbergt lien onder haren beschermenden mantel, omdat zij tot de zaligheid dor zielen, die met het bloed van haren Goddelijken Zoon zijn vrijgekocht, hebben bijgedragen. Welke genaden, zegeningen , vertroostingen zal Jcsus Christus zelf over hen uitstorten, die in hunne grootmoedigheid aan het verlossingswerk hebben medegewerkt?

Dionysius, de karthuizer, verhaalt dat eene vrome maagd met name Ger-trudis iederen morgen aan de lijdende zielen door een bijzonder gebed toevoegde de verdiensten van aile hare werken, welke zij in den loop van den dag verrichtte, zooals hare gebeden, haar vasten, hare aalmoezen, hare wederwaardigheden , haar boetplegingen, enz. Bezield met een levendig geloof smeekte zij den Heer, Hij moge deze verdiensten naar eigen goeddunken onder de lijdende zielen verdoelen. Jesus liet haar van tijd tot tijd op eene wonderbare wijs hulpbehoevende zielen zien; dan verdubbelde zij hare gebeden en boetewerken en rustte niet alvorens haar bevrijd te hebben. Zeer dikwijls •verschenen haar de verloste zielen en

-ocr page 185-

— 169 —

betuigden haar de grootste erkentelijkheid. Zoo bereikte zij rijker aan verdiensten dan aan jaren haar levenseinde. Op haar sterfbed werd zij door Satan bekoord. Hij fluisterde haar in, dat zij om dc kleinste feilen de grootste pijnen in het vagevuur moest lijden, omdat zij alle hare verdiensten aan anderen had toegevoegd.

Hierop ving zij aan bitter te klagen; »0 hoe ongelukkig ben ik! Na weinige soogenblikken moet ik sterven en eene »strenge rekenschap van alle mijne sdaden afleggen. quot;Wanneer toch zal ik »uit het vagevuur verlost worden, wijl sik zoo lang mijne verdiensten aan «anderen geschonken heb? Ik ga een «ondragelijk lijden zonder hoop van «verlichting te gemoet.quot; — Te midden harer angsten en van hare troosteloosheid verscheen haar de Zaligmaker, haar hemelsche bruidegom, en sprak tot haar: «Waarom zijt gij zoo bedroefd, o Ger-«trudis?quot; — «Heer,quot; gaf zij ten antwoord , «ik ben beangstigd, omdat ik, «daar ik weldra sterven zal, geene «goede werken aanwijzen kan, waar-«inede ik mijne schuld moet betalen:

-ocr page 186-

— 170 —

»Gij weet het, ik heb allen aan de Dgeloovige zielen toegevoegd.quot; — De Zaligmaker zag haar met een blik van welgevallen aan en zcide: «Mijne doch-»ter Gertrudis, opdat gij wetet, hoe »aangenaam mij uwe liefde en barm-»hartigheid voor de geloovige zielen «geweest is, schenk ik u kwijtschelding »van alle straffen, die gij hadt moeten «verduren. En wijl ik beloofd heb elk »goed werk honderdvoudig te vergelden, «zal uwe glorie in de eeuwigheid onein-jxlig grooter zijn, dan gij door uwe «deugd verdiend hebt. Alle zielen, wier «smarten gij verlicht of\' die gij geheel «verlost hebt, zullen u hij uwen dood «te gemoet snellen en onder het zingen «van hemelsche dankliederen het he-«melsch Jerusalem binnenleiden.quot;

De vreugde d(,:r brave maagd over deze Goddelijke belofte was onbeschrijfelijk. Ter nauwernood kon zij deze aan hare medezusters mededeeien, daarna ontsliep zij zacht en zalig in den Heer met den glimlach der rechtvaardige op de lippen. *)

\'i Üion Carthus. De Noviss ap. P. Mart. (1« Rosa De stat. amm. a. 2U.

-ocr page 187-

- dn -

33.

Het bloed van Christus reinigt in het H. Misoffer de zielen van alle vlekken der zonden.

Hij heeft ons rein gewasschen van\'onze zonden in zijn bloed. Apoc. 1 : 5.

Vroeger hebben wij reeds gezegd, dat voor de zielen in \'t vagevuur geen kostbaarder en heilzamer werk bestaat, dan,het H. sacrificie der Mis. Dat is eene geloofsleer der Kerk, uitgesproken door verschillende conciliën en bewaarheid door wonderbare gebeurtenissen.

Onder de studenten bij de universiteit van Keulen bevonden zich twee Dominikanen begaafd met uitstekende talenten; een van beide was de heilige Hendrikus Suso. Daar beide dezelfde studies deden, dezelfde levenswijs leidden en met denzelfden ijver voor godsdienst en deugd bezield waren, vereenigden zij zich door den oprechtsten vriendschapsband. Met het grootste vertrouwen en oprechtste hart spraken zij dikwijls onder elkander over de groote genaden, waarmede de hemel hen had begun-

-ocr page 188-

— -172 —

stigd. De zalige Suso , vertrouwde op zekeren dag zijnen vriend een geheim toe, dat hij hem tot hiertoe verborgen had. Hij toonde hem den naam sJesus,quot; dien hij met een gloeiend ijzer op zijne borst had gebrand om het aandenken aan Jesus nooit uit zijn geheugen te verliezen. De vriend werd op dien aanblik zoo getroflen, dat hij hom verzocht om de wonde te mogen kussen.

Na hunne studiën te hebben voleind, moesten zij van elkander scheiden. Op den vooravond van hun vertrek zeiden zij elkander hartelijk vaarwel en beloofden onderling, dat wie van beide het langste leefde voor den overledene iedere week ter ruste zijner ziel twee H. Missen zoude lezen.

Nadat zij vele, vele jaren God met den grootsten trouw en de innigste godsvrucht gediend hadden, werd een van hen ziek en stierf. Suso ontving de droevige tijding met de grootste overgeving in den wil van God. Hij herinnerde zich echter niets meer van de belofte zijnen vriend gedaan, maar bad veel, zeer veel voor hem en offerde zijne strenge boetewerken den Heer op

-ocr page 189-

— 173 —

tot lafenis der ziel van zijnen vriend. Toen hij op zekeren dag in de kapel in de betrachting was verdiept, stond onverwachts de overledene voor hem. Deze zag bleek en uitgemergeld uit en verweet hem, dat hij zijn gegeven woord niet was nagekomen. Do zalige Suso trachtte zijn onvrijwillig vergeet te verontschuldigen en sprak hem over de menigvuldige gebeden en talrijke boetewerken, die hij dagelijks voor hem had ten olTer gebracht. — »Ach »mijn broeder!quot; zeide de ontslapene, »wat ge gedaan hebt, is onvoldoende: shet bloed van Jesus Christus alleen »is in staat om de mij verteerende «vlammen uit te blusschen; door het sH. Misofler zal ik verlost worden: ik «bezweer u, houd uwe belofte, mijn »vriend, weiger mij niet, waarop ik »met alle recht kan aanspraak maken.quot; Suso beloofde hem woord te houden en las nog meer H. Missen dan hij hem versproken had, om zoo best en spoedig mogelijk zijne onvrijwillig begane fout wederom goed te maken. Op den volgenden dag na de verschijning droegen op verzoek van den zaligen Suso vei-

-ocr page 190-

— 174 —

scheidene paters het H. Misoffer op voor den overledene en Jicrliaalden dit liefdewerk gedurende ettelijke dagen.

Bij het aanbreken van den dag zag Suso zijn vriend voor den tweeden keer, doch niet meer zoo treurig en lijdend; neen, zijn gelaat straalde aan hemelsche vreugde, een klaar schitterend licht omgaf hem, ja hij had het uitzicht van eenen gelukzalige. — »Ik dank u, mijn «dierbaren vriend,quot; zoo sprak hij, jmIooi1 shct kostbaar bloed van Jesus Christus »ben ik verlost en snel nu ten hemel, som Hem te aanschouwen wien , wij »zoo dikwijls te zamen in het Allerhei-»ligste Altaarssacrament hebben aan-»gebeden en Die mij nu door zijn H. «bloed gereinigd heeft.quot; *)

34.

Beter is het verzekerd le zijn, dat men in het vagevuur komt, dan te leven in het gevaar van te zondigen.

Zij wilden liever sterver, dan door onreine spijzen zich Dezoe-delen, 1 Mach. 1. 65.

Het volgend voorbeeld zal den chris-

\') l\'erd. üe Castil. p. 2.1. 2. c. 18. Hist. s. Domin

-ocr page 191-

- 175 —

tolijken lezer overtuigen, dat het verkieselijker is te sterven, zelfs dan nog, wanneer men langen tijd in het vagevuur moet lijden, dan te leven in het gevaar van God te beleedigen. Verder zal hij in hetzelfde voorbeeld vinden de bekrachtiging der katholieke geloofsleer over het vagevuur en van de leer dat de geloovigen der lijdende kerk door onze gebeden kunnen geholpen worden: want het wonderbare feit, \'t geen wij gaan verhalen, is niet door de eene of andere persoon gezien, maar door de inwoners eener geheele stad.

De H. Stanislaus, bisschop van Krakau (1070) had van een landbouwer met name Peter een stuk bouwgrond voor zijne kerk gekocht; hij betaalde de verschuldigde som zonder kwitantie te vorderen of te ontvangen. De verkoo-per lag reeds drie jaren in het graf, toen zijne erfgenamen zich den toorn van den onrechtvaardigen en wreeden koning Bolislaus, die den bisschop vervolgde om een verwijt, dat deze hem had gedaan over zijn ergernisgevend leven, wilden te nutte maken. Zij maakten den bisschop een proces-verbaal en

-ocr page 192-

— 176 -

klaagden hem aan, voor het gerecht dat hij zich op onrechtvaardige wijs een stuk bouwgrond had toegeëigend. Wijl de Heilige de wettelijke formaliteit verzuimd had, werd hij veroordeeld of wel om den koopprijs op nieuw te betalen of wel om liet gekochte en betaalde land aan de aanklagers terug te geven. Bemoedigd door eene inwendige verlichting verklaarde de bisschop, dat de dooden, wier getuigenis een einde aan den strijd zoude maken, hem dat recht zouden verschairen, wat de levenden hem geweigerd en ontkend hadden. Hij vroeg drie dagen uitstel om den overledenen verkooper voor het gerecht te dagen en getuigenis van de waarheid te doen afleggen. De rechters lachten, ja spotten zelfs met dien dwazen voorslag, maar gaven hunne toestemming.

Toen Stanislaus in zijn bisschoppelijk paleis was aangekomen, riep hij zijne priesters te zamen en verzocht hen, dat zij allen drie dagen en drie nachten lang te zamen met hem zouden bidden en vasten, opdat God de zaak mocht ter hand nemen. Don derden dag droeg de bisschop het H. Misoffer terzelfder

-ocr page 193-

— 177 —

rneening op en begaf zich daarna gekleed in zijn bisschoppelijk gewaad met den staf in de hand en den mijter op het hoofd naar het kerkhof begeleid door de priesters en gevolgd van eene groote schare volks. Niet zoodra was hij bij het graf aangekomen of hij gaf het bevel den steen, die het graf dekte weg te nemen en het lichaam op te delven. Men vond slechts dorre gebeeti-deren. De bisschop knielt neer bij het geopend graf, heft deoogen hemelwaarts en bidt God, om een wonder ter verheerlijking van zijnen naam en ton triumf van de rechtvaardige zaak. Hierop roerde hij met zijn herdersstaf aan de dorre overblijfsels zeggende gelijk eertijds de propheet Ezechiël: «Dorre gebeenten aanhoort het woord des Hoeren!quot; In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes beveelt hij dat zij levend worden, om getuigenis van fle waarheid af te leggen.

Welk wonder! terstond bewoog zich het vermolmde gebeente en voegde zich tot een lichaam te zatnen: de doode zet zich overeind, staat op, verlaat het graf en nadert den bisschop, die

12

-ocr page 194-

— 178 —

ter dankzegging hem eerst naar de kerk en dan naar den gerechtszaal geleidde. Hier wachtte hem de koning omgeven van de grooten des lands en zijne rechters. Men meldde hun dat de bisschop Stanislaus met zijne priesters en den ontslapenen Peter piocessies-gewijs in aantocht was. De koning schudde ongeloovig het hoofd. Zie, daar treedt de prelaat de zaal binnen zeggende :

»Sire, hier is de man, die mij den «bouwgrond, waarover het geschil aan-shangig is, verkocht heeft. liij heeft »liet lijk der dooden verlaten om ge-»tuigenis van de waarheid te komen afleg-»gen. Vraag hem, hij zelf zal u ant-»woorden en zeggen, dat ik zijn eigendom «werkelijk gekocht en betaald heb. De »man wordt door een ieder herkend; zijn «graf slaat nog open. God zendt hem «ter ontmaskering van het bedrog. Zijne «bekentenis zal, zoo als ik hoop, van «meer gewicht zijn, dan die der andere «getuigen en van alle verzonne i hand-«teekeningen.quot; Nu nam de verrezene het woord en zeide. «Ik heb den ge-«heelen koopprijs voor den grond uit

-ocr page 195-

— 179 —

»de handen van den bisschop ontvangen »cn mijne drie neven Peter, Sebastiaan Don Jacob hebben niet het minste recht »er op.quot; Hierop wendde hij zich tot zijne neven, bedreigde hen met de straffen der Goddelijke rechtvaardigheid, waaraan men niet kan ontkomen, en voorspelde hun een spoedigen en rampzaligen dood , indien zij op het land bleven aanspraak maken. Onbeschrijfelijk groot was de verslagenheid en ontzetting der geheele vergadering, allen stonden verstijfd cn van schrik als aan den grond vernageld. De erfgenamen waren verpletterd, terwijl de koning te midden der verzamelde menigte een nieuw oordeel velde ten gunste van den H. Stanislaus.

De verrezene was bij de uitspraak tegenwoordig. De bisschop vroeg Peter of hij nog eenige jaren het leven wilde blijven behouden, want Stanislaus hoopte deze gunst voor hem van God te verwerven. »Neen,quot; zeide Peter, »ik wil »liever sterven en tot het graf weder-skeeren dan een ellendig gevaarvol leven «blijven slijten.quot; Peter gaf hun de stellige verzekering, dat zijne ziel in het vage-

-ocr page 196-

— 180 —

vuur was, alwaar hij voor begane zonden nog een korten tijd verschrikkelijk moest lijden, lijden echter dat hij liever verduurde, dan op de wereld in het gevaar te verkeeren van God opnieuw te beleedigen. Hij eindigde doordien hij den bisschop smeekte voor hem tot God te willen bidden, opdat zijne pijnen verkort werden en hij weldra onder het getal der uitverkorenen werd opgenomen. Stanislaus beloofde hem zijne voorspraak en begeleidde hem vervolgens met het gezamenlijke volk en de priesters naar het kerkhof. Nu bad de bisschop de gebruikelijke gebeden der stervenden waaronder de verrezene in het graf neerdaalde. Nogmaals smeekte Peter de aanwezigen voor hem te willen bidden; hierop vielen alle lichaamsdeelen weerom uit elkander en men aanschouwde slechts dorre, vorrnelooze overblijfsels. —

Uit dit voorbeeld moeten wij leeren, dat wij in staat van ongenade meer het leven, dan het vagevuur moeten vreezen. Wij weten immers niet of wij tot ons einde volharden en zalig sterven en toch hechten wij aan het

-ocr page 197-

— 181 —

aardsche leven alsof er geen ander bestond. Welke overschilligheid! welke verblindheid! quot;)

35.

De rechtvaardigen zijn niet eens rein in de oogen van God.

In «we nonen zal geen levende recht-vaaruig bevonden worden. Ps. 142: 2.

De wijze man vergelijkt in de H. schrift den rechtvaardige mot de stralen dei-zon. Gelijk de mensch vlekken ontdekt in de zon, zoo ontdekt God vlekken, onvolmaaktheden, feilen, fouten, gebreken in de Heiligen , van welke fouten zij moeten gereinigd worden in het vagevuur, alvorens tot de aanschouwing van God te kunnen gelangen.

In het klooster der paters-Franciska-nen te Parijs, stierf een hunner, die wegens zijne buitengewone deugden den naam Angelicus (de Engelachtige) ontvangen had. Onder zijne medebroeders bevond zich een leeraar der god-

•) Laurent. Surius et Godefr. Heschen. in Act. Sanct. 7 Maii, in vila s. Stanislai.

-ocr page 198-

— 182 -

gelemUieirt, een man zeer ervaren in het geestelijk leven. Na den dood van genoemden pater verzuimde deze de drie voorgeschreven H. Missen te doen, die quot;dezen moesten worden voor elk afgestorven lid der communauteit. De reden hiervan was, dat hij het als overbodig beschouwde te bidden voor eene ziel,quot;üe zoo volmaakt, ja heilig geleefd had, wijl zij, gelijk hij vermoedde, alreeds de glorie des hemels was ingegaan. Na verloop van eenigen tijd, toen hij m zijne theologische studies verdiept, s morgens vroeg in den tuin rondwandelde, stond onverhoeds de ontslapene voor hem en zeide klagend: «Beste «meester, ik bid u. heb toch medelijden smet mijlquot; Over de verschijningen de bede verstomd gaf hij ten antwoord: »Heilige ziel, moet gij geholpen wor-»den?quot; — »tk brand, ik lijd m het »vagevuur en verwacht, dat gij de diic »voorgeschreven Missen leest. Lv zal «terstond den hemel binnengaan, als »gij ze gelezen hebt.quot;

»Aeh,quot; zeide de Pater, smet vreugde szoude ik ze sedert lang gelezen hebben, shad de ik in het minste vermoed, dat

-ocr page 199-

«zij ii verkwikking aanbrachten: daar »ik echter geen oogenblik twijfelde aan »uw lieilig, engelachtig leven op de »aarde, hoopte ik, dat gij onmiddellijk sna uwen dood tot het zaligend aan-))schonwen van God waart toegelaten. ))Gij immers waart altijd de eerste en ))de ijverigste in het koor, in de kapit-stelzaal, in het gebed en do overweging: «de Regel was u heilig en gij overtraadt sdezen niet in het kleinste punt? leder «bewonderde u en trachtte u na te «volgen? Behalve de voorgeschrevene «godsdienstoefeningen, storttet gij hon-«derd andere gebeden en pleegdet gij «allerlei boete. Neen, ik mocht niet «geloovon, dat gij nog lijden moest in «het vagevuur.quot; — «Helaas,quot; hernam de overledene, «niemand gelooft en «begrijpt het met welke gestrengheid «God den mensch na den dood oordeelt «en straft. In de oogen zijner oneindige «heiligheid zijn zelfs onze beste hande-«lingen niet vlekkeloos. Tot den laat-ssten penning moeten wij voor Hem «nauwgezette rekenschap afleggen. In «weerwil van alle uwe geleerdheid, hebt «gij de Goddelijke heerlijkheid niet be-

-ocr page 200-

— -184 —

«grepen, anders hadt pij mij niet zoo «gruwzaam behandeld.quot;

De pater begaf zich op staanden voet naar de sacristie, op dezelfden dag en do twee volgende deed hij met do grootste aandacht de H. Mis voor den overledene, die hem op den derden dag opgetogen van vreugde zijne verlossing aankondigde.

\'t Is onnoodig hier te vermelden welke indruk deze verschijning op den pater gemaakt had. Hij bevond, dat hij niet genoeg voor God deed en gaf zich moeite, om voortaan alle zijne handelingen meer en meer te heiligen in de vaste overtuiging, dat dit van grooter gewicht zij dan de scherpzinnigste theorieën en navorschingender wetenschap. 1)

1

Fr. Maic. ab UJysiione, Cl roaic. UIin. p. 2\' lib. 4. c. 7.

-ocr page 201-

- 185 —

36.

De verlossing de)\' zielen uit het vagevuur volgt eerst dan, wanneer zij geheel en al aan de Goddelijke rechtvaardigheid voldaan hebben.

Voorwaar ik zejr u: gij zult vandaar nie.t uitgaan tot dal {iij den laat-fd« n j.enr ing zult hebben betaald. Rlalth 5; 26.

Ook de kleinste onvolmaaktheden der rechtvaardigen worden volgens de woorden van den propheet Malachias in het vuur gelouterd: »Hij reinigt de szonen van Levi, hij loutert ze als sgoud.quot; (Mal. 3: 3.)

In het leven van den H. Severinus, aartsbisschop van Keulen, een man die de gaaf der mirakelen bezat, lezen wij, dat hij na zijnen dood aan een zijner kanunniken verscheen en dezen om voorspraak bad , omdat hij in het vagevuur gefolterd werd. — «Hoe is dit »mogelijk,quot; zeide de priester getroflen tot in het binnenste zijner ziel, sgij waart seen zoo vrome en ijverige herder, die »aan het bisdom zoo veel goeds hebt »gedaan: wij allen, wij riepen u aan

-ocr page 202-

— 186 —

»als onzen beschermer in den hemel!quot; s.Vcli!,quot; hernam de bisschop, »God is Miij genadig geweest, omdat ik Hem «van ganscher harte gediend en in zijn «erfdeel goed gewerkt heb: ik heb »Hem echter dikwijls beleedigd door »met overijling mijne breviergebeden 5gt;te doen. Gewichtige aangelegenheden «hielden mijn geest bezig: als de tijd «van gebed daar was, was ik altijd «verstrooid en niet aandachtig, terwijl «ik dikwijls mijne gebeden niet ver-«richtte op den door tie Kerk bestemden gt;)tijd. Thans word ik om die ongetrouw-«heid gestraft. God laat toe, dat ik u «om voorspraak verzoek. Kunt gij ze «mij weigeren!quot; —

De H. Petrus Damianus verhaalt dit feit.

Een zelfde verhaal vinden wij opge-teekend in het leven van Durannus, abt en later bisschop van Toulouse. Deze bisschop leefde zeer vroom en was uiterst bedacht op zijne vervolmaking. Bezield met den geest van versterving en zelfverloochening, hield hij echter zijne tong niet genoeg in bedwang. Toen hij nog monnik was, gaf hij zich dikwijls

-ocr page 203-

— 187 —

aan overmatige vroolijklieid over en verkocht dan allen mogelijken scherts, snakerijen en belachelijke verhalen. Zijn Overste, de abt Hugo, berispte hem om die onvolmaaktheid, spoorde hem tot ingetogenheid aan en sprak hern vaak over het ongepaste van scherts in den mond eens priesters en kloos-terlings, wiens lippen slechts spreken mogen over gewichtige en heilzame zaken naar de woorden van den propheet: »De lippen des priesters moeten »do wetenschap bewaren.quot; (Malach. 3: 7.)

Op zekeren dag voorspelde de abt Hugo den pater, dat hij in geval hij zich niet beterde, deze betreurenswaardige gewoonte zeker in het vagevuur moest boeten. Durannus sloeg deze vermaningen in den wind en zelfs als bisschop bleet\' hij schertsen en jokken. Na den dood werd de voorzegging van zijn Overste waarheid. Hij verscheen aan pater Seguinus, mot wien hij in zijn leven zeer bevriend was geweest en bad hem, dat hij den abt, wiens raadgevingen hij had in den wind geslagen, om diens voorspraak

-ocr page 204-

— d88 —

to verzoeken. Vervuld van groote liefde en door medelijden bewogen riep de abt Hugo allo zijne kloosterlingen te zamen en verzocht hen gedurende eene geheele week het strengste stilzwijgen te bewaren tot lafenis der lijdende ziel. Van harte gaven allen hunne toestemming. Een pater echter vergat zich en liet zich eenige woorden ontvallen. De overledene bisschop verscheen op nieuw en beklaagde zich bitter over de gedane overtreding, welke hen van alle de vruchten van het goede werk beroofd had. Men begon eene nieuwe week in het strengste stilzwijgen en met de ijverigste gebeden. Ternauwernood was de week ten einde, toen de bisschop in zijn bisschoppelijk gewaad aan den abt verscheen; zijn gelaat straalde aan vreugde: hij betuigde zijne erkentelijkheid aan het klooster zeggende, dat hij nu God van aanschijn tot aanschijn ging aanschouwen.

Dit voorbeeld bevat in zich eene gewichtige les voor personen, die zich aan God hebben toegewijd, alsook de verklaring der woorden van den H. Bernardus; »Onder leeken blijft scherts

-ocr page 205-

— 189 —

«scherts, maar in den mond eens pries-»ters is scherts gelijk aan eene gods-»lastering. Hun mond is bestemd om »het H. Evangelie te verkondigen: \'t »is ongeoorloofd dezen voor scherts te «openen en heiligschendend dezen er »aan gewoon te maken.quot;

37.

Het rozenkransgebed is zeer heilzaam voor de jeloovige zielen.

Brengt vruchten voort als eene roos, geplant aan waterbronnen. Sir. 39; 17,

Wat Plinius van de roos beweert, dat zij ons door haren liefelijken geur verkwikt en onze gezondheid ver-frischt, dat mogen wij ook zeggen van het rozenkransgebed. Dit gebed, schenkt innerlijke vreugde en troost, terwijl het de zielen bevrijdt van do zouden en de straffen der zonden.

In het koninkrijk Arragon woonde eene jonge voorname dame met name

\') B. Petrus. Damian. ep. 14 ad Desider c. 7. Vine. Bellovac. Spec. Hist. 1, 26. c. 5. — P. Alex. Segala, Triumph, anim. p. 2. c. 17. ex. 2-

-ocr page 206-

— 490 —

Alexandra. Op zekeren dag hoorde zij cene preek van den H. Dominikus, die haar tot het besluit bracht zich in de rozenkrans-broederschap te laten opnemen. Zij was niet zeer getrouw in het bidden van haren rozenkrans, vergat dit dikwijls, terwijl zij urenlang aan de toilc! tafel doorbracht. Omdat zij beeldschoon was, dongen verscheidene heeren naar hare hand. Hieruit ontstond naijver, ja twist; zelfs kwam het zoo verre dat twee heeren, die het meeste aanspraak dachten te mogen maken, elkander tot een tweegevecht uitdaagden. De dwaze dame was bij het duel persoonlijk tegenwoordig en moest over den uitslag beslissen. Op een gegeven toeken vielen de twee heeren elkander met zulke hevigheid aan dat beide doodelijk gewond ter aarde stortten en na cenige oogenblikken den geest gaven. De families der verslagenen werden hierdoor in den diepsten rouw gedompeld en zwoeren aan Alexandra als de hoofd bewerkster van dit ongeluk den bittorsten haat. Men wachtte haar op en verwondde haar doodelijk. Badende in haar bloed smeekte de onge-

-ocr page 207-

- iöl ^

lukkige om ontferming en de genade haar ten minste den tijd te gunnen om te mogen biechten. Ce woestelingen echter zetten de kroon op hun afschuwelijk werk en sloegen haar het hoofd af: hierop wierpen zij het lijk in eenen put en namen de vlucht om aan den arm den menschelijke gerechtigheid te ontkomen.

Maar Maria, de Moeder der barmhartigheid , wilde de weinige rozenkransen, welke Alexandra ter barer eer en liefde gebeden had niet onbeloond lateu; zij openbaarde den H. Dominikus, die zich in eene andere stad bevond, alle de bijzonderheden van het voorval. De Heilige verschrikte en zoude zicli terstond naar de hem aangeduide plaats begeven hebben, indien gewichtige aangelegenheden van zijne orde hem niet hadden teruggehouden. Eerst na verloop van eenige dagen begaf hij zich naar den put, wierp er een blik in en nadat hij een kort gebed gedaan had, riep hij: »Alexandra, Alexandra, «Alexandra!quot; Een ongehoord wonder had plaats. Onderscheidene personen, die op do komst van Dominikus waren

-ocr page 208-

m —

toegesneld, waren ooggetuigen dat de doode weerom levend werd, haar hoofd zich met het lichaam vereenigde, terwijl het lichaam met bloed bedekt uit den put oprees. Alexandra wierp zich aan de voeten van den Heilige, deed onder het storten van vele tranen eene generale biecht en bedankte God, wiens genade in haar had bewerkt, dat zij zich onder de leden der vereerders van de koningin des hemels had laten opnemen. Zij leefde nog twee dagen om de rozenkransen, die haar tot boete opgelegd waren, te bidden. Van alle kanten kwam men aansnellen om haar te zien en allen spoorde zij aan tot eene getrouwe vereering van Maria.

De H. Dominikus vroeg haar, wat haar toch eigenlijk na den dood was wedervaren? Hierop verhaalde zij drie merkwaardige bijzonderheden: eerstens, dat zij door de verdiensten van het rozenkransgebed in het oogenblik des doods de genade van een volmaakt berouw had verworven, want zonder deze genade ware zij in alle eeuwigheid verworpen geworden: tweedens, dat zij terstond na haren dood door een\' groot

-ocr page 209-

— 193 —

aantal booze geesten was omringd geworden, die zich alle moeiten gaven, om haar naar de hel te slepen, maai1 dat Maria haar was te hulp gekomen en bevrijd had; derdens, eindelijk, dat dc Goddelijke rechtvaardigheid baar veroordeeld had tot tweehonderd jaren boete in het vagevuur, omdat zij de oorzaak was van den dood der twee jongelingen : bovendien zeido zij, moet ik nog vijfhonderd jaren in het vagevuur lijden om de ijdele en onpassende versieringen , welke ik in mijn leven gedragen heb en waardoor ik velen aanleiding tot zonde heb gegeven. — »Doch ik hoop,quot; voegde zij er bij, sdat »de leden van de broederschap van den ))H. rozenkrans door hunne gebeden svoor mij eene vermindering van dien sverschrikkelijken lijdenstijd zullen ver-» werven.quot;

Na twee dagen stierf zij met de meest stichtende godsvrucht en werd zeer plechtig begraven. De H. Domini-kus vcreenigde zicli met onderscheidene andere personen, om de spoedige verlossing der lijdende ziel af te smecken. Zij volhardden in vasten, gebeden,

Gcloovige zielen. 13

-ocr page 210-

— 194 -

boetewerken en in stilzwijgen. Op den veertienden dag verscheen Alexandra den Heilige, lichtend als de sterren aan het uitspansel en verzocht hem, in haar naam de leden der broederschap te bedanken, omdat zij door hunne voorspraak bare verlossing verhaast hadden. Zij zcide verder, dat zij als afgezante van alle zielen des vagevuurs verscheen en hem in haar aller naam verzocht overal het rozenkransgebed aan te bevelen en te bevorderen., omdat het baar eene wonderbare verkwikking verschafte. sMogen,quot; zoo sprak zij, ))de »leden der broederschap aan de geloovige «zielen toevoegen de menigvuldige afla-»ten, die zij verdienen kunnen: daarbij «zullen zij niets verliezen, want die zielen «zullen hunne voorspreeksters zijn, zoo-»dra zij den hemel zijn ingegaan. De «Engelen jubelen over deze godsvrucht «en Maria, de koningin des hemels, «wil de moeder zijn van allen, die haar «beoefenen.quot;

Door deze openbaring tot in bet diepste zijner ziel verheugd, verhaalde de H. Dominikus ze aan zijne leerlingen en arbeidde met verjongden

-ocr page 211-

- 195 —

ijver aan de uitbreiding van liet rozenkransgebed. *)

38.

Varlichting van de pijnen des vagevuurs.

Wij gingen door vuur en water, gij echter geleiddet ons in de verkwikking. ps. 65: 12.

God veranderde de vlammen van den vuuroven te Babylonië in een verfris-schenden dauw en een verkoelenden wind, zoodat de drie Israëlietische jongelingen in plaats van door het vuur te worden verteerd, zich in eene aangename koelte bevonden. Door een geheel tegenovergesteld wonder veranderde God eene bron in een gloeienden oven tot bestrafling van een zijner dienaren.

In de levensbeschrijvingen der beroemde mannen uit de Orde der Cister-ciënsers lezen wij van een zeer geleerden en deugdzamer! abt, dat hij ongelukkiger-

\') P. Alanus de Rui e, p. 5. P«:lt;lt. 52. P. Euseb, Nieremberg. Troph. AJ. 1. 4. c. 2t,«

-ocr page 212-

— 196 —

wijs ccne partijdige liefde voor zijn neef liad opgevat, dien hij zelf opgevoed en voor liet kloosterleven had opgeleid. Langen tijd had hij aan het hoofd van het convent gestaan, toen eindelijk de dood naderde. De monniken vol vertrouwen op zijne wijsheid smeekten hem zijn opvolger aan te wijzen. Ofschoon hij een toonbeeld van onbaatzuchtigheid en een man van groot doorzicht was, liet hij zich ook nu nog door zijne neiging medeslepen en wees zijn neef tot opvolger aan. Deze was nog jong, maar buitengewoon regelmatig en nauwgezet in het onderhouden en naleven der Regels. De abt kwam te sterven door allen diep betreurd. In zijn leven had hij de gewoonte gedurende de recreatie-uren in een kleinen schaduwrijken bloementuin te wijlen, waarlangs oen kabbelend beekje vloeide. Dikwijls zette hij zich hier neder op den oever, om uit te rusten van de lasten van zijn ambt. Zijn neef deed insgelijks.

Op zekeren dag hoorde deze van uit het water eene klagende stem. die hem scheen om hulp te roepen. Verstomd en verschrikt beveelt hij in naam van

-ocr page 213-

— i9l —

God aan liet onzichtbaar wezen om zich kenbaar te maken. De stem was geene andere als die van den overledenen abt. dien de rechtvaardige Rechter in het vagevuur gekluisterd hield om zijne zwakheid bij de keuze. »Ik lijd shier,quot; klaagde hij »de onverdragelijk-»ste smarten des vuurs! ontferm u »mijner, mijn zoon: doe alles wat gij »kunt voor mijn heil, want ik word «bestraft, omdat ik u met te groote «natuurlijke toeneiging bemind heb.quot;

Ter nauwernood had de jeugdige abt dit vernomen of hij legde zijne waardigheid neder en bedankte voor elke andere. Hij sloot zich op in de eenzaamheid en droeg voortaan slechts zorg — voor de zaligheid zijner ziel — Hij bad veel en deed boete voor zijn oom, totdat hij de verzekering zijner verlossing had ontvangen. 1)

1

P. Alex. Segala, 1. c. 1. 2. c. 16, rx. 3. P. Marlm de Kca, de stat. Anim. c. 4.

-ocr page 214-

— -198 —

39.

])(gt; zielen in hat vagevuur beschermen hare weldoeners tegen hunne vijanden.

Uit vrees vluchtten zijne vijanden. 1 Mach. 3: ö.

De dappere Judas Machabeus, de heldhaftige krijger van het volk van Israël, smeekte in het begin van eiken strijd den hemel om bescherming en werd door de zichtbare beschutting der Engelen beloond. Andere voorbeelden van eene zichtbare bovenaardsche bescherming vinden wij ook opgeteekend in de jaarboeken van latere eeuwen: een enkele willen wc hier verhalen.

Daar leefde eens een eenvoudig soldaat, die getrouw zijne plichten vervulde, alle zijne handelingen door eenc goede meening heiligde en meer op Gods hulp dan op eigene krachten bouwde. Onder andere goede oefeningen had hij tot een vasten regel gemaakt, nooit een kerkhof voorbij te gaan zonder ten minste een kort gebed voor de daar ter aarde bestelden hemelwaarts

-ocr page 215-

— 199 —

te zenden. Op zekeren dag ging hij uit zonder wapens bij zich te dragen : de tijden waren onrustig en woelig en eenige zijner vijanden maakten van deze gelegenheid gebruik, om hem te vervolgen. Wijl hij niet in staat was hun wederstand te bieden, vluchtte hij zoo snel en spoedig mogelijk. Weldra kwam hij bij een muur aan, waarover hij door een koenen sprong heenvloog. In der ijl wilde hij zijn loopen voortzetten, toen hij plotseling bemerkte, dat hij zich op een kerkhof bevond. Spoedig herinnerde hij zich zijne gelofte; wat nu te doen? Bleef hij eenige oo-genblikken toeven om te bidden, dan verloor hij den afstand, dien hij door snel loopen had gewonnen; bad hij niet, dan verbrak hij, wat hij aan de geloo-vige zielen beloofd had. Hij bedacht zich niet lang: want het scheen hem toe, dat Gods hulp hem meer kon baten, dan de snelste vlucht. Vol betrouwen knielde hij op de kille aarde en bad het — de Profundis — God beloonde het vertrouwen, dat men op Hem gesteld had.

De vijanden hadden hem gevolgd en

-ocr page 216-

— 200 —

waren ook over den muur gesprongen: hier zochten zij hun slachtoffer. Weldra zagen zij hem geknield biddend met de grootste godsvrucht. Zonder het minste gerucht te maken, naderden zij hem, vast besloten om hun barbaarsch werk te voltrekken, want zij dachten dat angst en vrees hem op deze plaats hadden doen verstijven en hij alle bewustzijn had verloren. Doch in het eigen oogenblik, dat zij hunne zwaarden trekken om hem den doodslag toe te brengen, zie, daar vertoont zich eensklaps een aantal krijgers die den bid-denden soldaat omringen , beschermen en zijne aanvallers terugslaan. Allen vluchtten van angst en ontzetting.

De soldaat had wel is waaiquot; eenig gedruisch gehoord, maar was onbewust van het gevaar, waarirt hij zich bevond. Zoodra hij zijn gebed had geëindigd, werpt hij een blik om zich heen: hij ziet niemand en vervolgt verstomd zijn weg, omdat hij niet begrijpen kon op welke wijze de vijanden hem uit het oog hadden verloren.

Na verloop van eenigen tijd bewerkten beider vrienden de verzoening; men

-ocr page 217-

— 201 —

versprak elkander het gebeurde te vergeten en voor de toekomst in vrede te leven. Nu vroegen de vijanden den soldaat om opheldering over de krijgers, die hem op het kerkhof hadden beschermd. Hij moest hun het antwoord schuldig blijven; hij verhaalde hun echter, dat hij ondanks het gevaar waarin hij zich bevond voor de overledenen gebeden had. Nu betwijfelde niemand meer, dat de geloovige zielen uit het vagevuur toegesneld waren om hem te helpen en te verdedigen. Wijl de faam van het wonder zich heinde en verre verspreidde, ontvlamden de harten der geloovigen aan nieuwen ijver voor do dankbare zielen des va-gevuurs. \')

40.

Dp. liefde tot de geloovige zielen is vindingrijk.

De liefde is lijdzaam, zij is goedertieren ... alles Verdraagt zij 1 Cor. 3:4,7.

De ware christelijke liefde zoekt op

*i Fr. Alex Segala, 1. c. p. 3. c. 24. — Excmpl\' 4 ex hist. vir. Gisterciens.

-ocr page 218-

— 202 —

alle mogelijke wijze in de nooden eil do behoeften van den lijdenden even-mcnsch te voorzien, in het bijzonder echter toont zij zich vindingrijk ten opzichte van de lijdende zielen in het vagevuur. Deze teedere, heilige liefde koesterde eene Dominikanes met name Maria Villani. Dag en nacht was zij er op bedacht om nieuwe werken van voldoening ten gunste der lijdende zielen uit te denken. Op den vooravond van het feest der H. Driekoningen had zij, na eene lange meditatie te hebben gehouden, God het bitter lijden van zijnen Zoon tot troost van de lijders in het vagevuur opgeofferd. Met de grootste aandacht overwoog zij liet lijden in elke bijzonderheid, iedere smart, elk lijdenswerktuig. Den volgenden nacht toonde haar de Heer in eene extase, hoe welgevallig Hem deze godsvrucht was. Zij meende eene lange processie te zien van personen- gehuld in witte kleederen en schitterende mantels met gouden franjes afgezet, waarvan elk een zinnebeeld des lijdens droeg; deze de koorden, gene de geesels. eene derde de zuil, anderen de doornen, de nagels,

-ocr page 219-

— 203 —

het kruis, de lans, de spons, enz. Aan liet spits ging eene maagd met een palmtak in de hand. Op een rijk versierd altaar leiden allen haren zoeten en lichten last neder en ontvingen tot loon eene gouden kroon. De beteekenis dezer verschijning werd haar op de volgende wijs geopenbaard.

De rijk gekleede en schitterende personen waren de zielen des vugevuurs, die door de verdiensten van het bitter lijden van Jesus Christus verlost waren. Deze verdiensten waren haar toegevoegd geworden door bet gebed van Maria Villani en in zinnebeelden daargesteld door de lijdenswerktuigen, welke zij droegen. De maagd, die aan het spits ging, was in afbeelding Maria Villani zelve. —-

Bij eene andere gelegenheid verzocht men haar om op allerzielendag een einde te maken aan een boek, dat zij bezig was te schrijven over geestelijke zaken. Maria echter verontschuldigde zich, omdat zij het voornemen had gemaakt dien dag in gebed, boeteplegingen en andere goede, heilzame werken tot troost der geloovige zielen door te

-ocr page 220-

_ 204 —

brengen. Hierop verscheen haar de Goddelijke heiland en beval haar het boek voort te zetten, omdat het Zijn wil was. De Zaligmaker beloofde haar, dat zij door iederen regel, dien zij op dezen dag neerschreef eene ziel uit het vagevuur zoude verlossen. Vol ijver, lust en vreugde sloeg de Ordesvrouw de handen aan het werk om dien dag veel, zeer veel te schrijven. De duivel van zijnen kant liet haar niet ongestoord; deze beproefde op alle mogelijke wijzen haar van het werk af te houden door verstrooiingen, verstoringen, beletsels en moeiehjkheden van allerlei aard. Maria echter werkte met zoo grooten ijver en zoo vele inspanning, dat zij \'s avonds hare verhandeling had afgewerkt. Vier dagen lang was zij zoo vermoeid en afgemat, dat zij geen vinger kon verroeren: deze vermoeienis zelfs bracht zij aan de zielen ten offer.

Hare zeldzame groote liefde voor de lijdende zielen bestond niet alleen in gebed, in vasten, onthouding 3n versterving; neen, zij verlangde een gedeelte harer bittere en smartvolle pijnen, vooral die des vuurs, in haar eigen

-ocr page 221-

— 205 —

lichaam te mogen lijden. Toen zij op zekeren dag om die genade bad, werd zij in verrukking des geestes in het vagevuur gevoerd. Daar aanschouwde zij eene ongelukkige ziel, die feller dan de anderen door de vlammen des vuurs geteisterd werd, omdat zij van alle kanten door het vuur omgeven was. Door medelijden bewogen naderde zij die ziel en vroeg haar: »waarom zij «zoo verschrikkelijk leed en of zij geene «leniging ondervond?quot; «Reeds langen «tijd bevind ik mij hier,quot;\' was het antwoord, sen word ik allersmartvolst «bestraft voor de overdreven ijdelheid »in opschik en kleeding gedurende «gezonde dagen. Tot nu toe heb ik «nog niet de geringste leniging onder-»vonden, want God laat toe, dat allen «mij vergeten, mijne ouders, broeders «en de geheele familie, ja alle mijne «vrienden. Niemand denkt aan mij, «niemand bidt voor mij! In de wereld «dacht ik slechts aan aardschen opschik, «aan feesten en wereldsche vermaken; «aan God en aan mijne plicht dacht «ik zelden. Mijne eenige en eerste be-«zigheid bestond hierin, om don roem

-ocr page 222-

— 206 —

son den rijkdom mijner familie te svergrooten en tc vermeerderen. Mijne «straf is groot, en niemand denkt aan »mij!quot;

Deze woorden maakten een smarte-lijken indruk op het hart der kloosterlinge. Zij smeekte de ziel dat deze haar toch een oogenblik haar lijden liet gevoelen. In hetzelfde oogenblik meende zij dat haar voorhoofd met een gloei-enden vinger werd aangeraakt. De smart door deze aanraking T.e weeg gebracht was zoo hevig, dat zij uit hare geestvervoering werd opgewekt, flet ingeprent merkteeken bleef twee maanden zichtbaar en veroorzaakte haar de bitterste smarten. Zij bracht deze pijnen te zamen met vele gebeden ten offer voor de ziel, die zij gesproken had. Na twee maanden had zij eene nieuwe verschijning, die haar zeido: »Ik ben dooi- uwe voorspraak uit den svurigen kerker verlost en ga nu ten «hemel.quot; Ook van af dit uur was het merkteeken, dat zij op haar voorhoofd droeg, verdwenen. \')

*) P. Dominic. Marches. Vita Mar. Villan. I. 2. C. 5.

-ocr page 223-

— 207 —

Eene ontslapene vat eene levende bij de hand en smeekt haar om hulp.

Reik den arme uwe hand, opd*f uwe verzoenin-,\' volmaakt zij. Sirach 7; 3ö.

Een der merkwaardigste wonderen, dat God ter gelegenlieid van solem-neele gebeden voor de overledenen wrochtte, had plaats te Mantua in het klooster van den H. Vincentius ten aanschouwe van de geheele commu-nauteit.

Eene Dominikanes, Paula genaamd, bewees na een heilig leven in de beoefening aller deugden doorgebracht en na een dopd kostbaar in de oogen van alle menschen, dat geene vlekkelooze inenschelijke vctlmaaktheden bestaan vooi- het oog van God, die harten en nieren doorgrondt. Maar lijk werd ter kerke gedragen en volgens lofl\'elijk gebruik op de baar midden in het koor geplaatst. De nonnen omringden de eenvoudige doodskist eu zongen te za-

-ocr page 224-

— 208 —

men het — Requiem. — Eene barer medezusters Stephana Quinzana, die door den innigsten vriendschapsband met de overledene verbonden was geweest in oprechte en heilige liefde, naderde de lijkbaar met gevouwen handen om de getijden der dooden te bidden. Eensklaps laat de ontslapene het klein Kruciflks, dat zij in de handen hield, vallen, strekt de linkerhand van zich af en vatte hare vriendin bij de rechterhand. Paula blijft de hard zoo stevig vasthouden, dat niemand in staat is ze los te wringen. De geheele cotnmu-nauteit stond sprakeloos van verstomming en was door vrees als aan den grond vernageld. Langer dan eene uur bleven beider handen saamgedrukt. De overste verscheen en gelastte de overledene in naam van de H. gehoorzaamheid de hand der zuster los te laten: Paula gaf terstond gehoor aan haar bevel.

Wat beteekent eigenlijk dit grijpen, drukken en vasthouden der hand? Stephana verklaarde, dat de overledene Paula haar had willen zeggen: sHelp »mij, mijne zuster! kom mij te hulp »in de smarten, die ik moet lijden! O

-ocr page 225-

— 209 —

«Indien gij de woede der onzichtbare »helsche geesten kendet, waarmede zij sons in ons sterfuur aanvallen: indien »gij wist hoe streng de rechtvaardige «Rechter is, die volmaakte liefde svan ons vordert! Welk vreeselijk ge-))recht! Welke loutering voor de be-»looning! Hoe rein moeten wij zijn om »iler hemelsche glorie waardig te wor-sden! Bid voor mij, wees mijne voor-xsprcekster bij den Hoer! Bid, bid zeer «veel voor mij en doe boetewerken!quot;

Stephana bad en beoefende allo mogelijke goede werken tot lafenis dei-ziel van hare vriendin, totdat zij op hoogere ingeving vernam, dat de poorten des hemels voor Paula ontsloten waren en God haar in liet hemelsch paradijs had opgenomen. *)

.) Fr. Seghizzus. V. A. Stephfmae p. 110, P, Joaft, Bapt. Manni Sacr. Trig. disc. 6. n. 27.

14

-ocr page 226-

— 21Ó —

42.

De gelooviye zielen helpen hare weldoeners.

Wees barmhartig, want een poed loon verzamelt pij u voor den dag van nood. Tobias 4:10.

Verschillende schrijvers spreken over de wonderbare hulp, welke den aartsbisschop van Sevilla Christophorus Sandoval door de arme, lijdende zielen ten deel viel. Reeds als kind had hij de gewoonte om den speelptnning, dien hij van zijne ouders ontving, om zich te vermaken, den anrme te geven met het inzicht om daardoor de geloovige zielen te hulp te komen. Met de jaren nam ook zijne liefde toe tot de lijdende zielen. Alles gaf hij voor haar ten beste. Toen hij als student de universiteit te Leuven bezocht, gebeurde het eensdaags, dat het geld, \'t geen zijne ouders hem gewoonlijk uit Spanje toezonden, cp den bestemden dag niet aankwam. Daardoor geraakte hij in de grootste verlegenheid, want uit gebrek aan geld kon hij nergens zijn middagmaal betalen. Zijne verlegenheid weid bekommernis, die

-ocr page 227-

- m

van dag tot dag grooter werd, te meer, omdat hij eenen arme, die hem in naam der lijdende zielen een aalmoes gevraagd had, niets kon geven. Onder de woorden — swijl ik geen geld heb om de «lijdende zielen door een aalmoes te «troosten, wil ik ten minste voor haar ïbiddenquot; — trad hij de eerste de beste kerk binnen. Hij had zijn gebed nog niet geëindigd , zie , daar nadert hem een jongeling in reisgewaad, die hem vol eerbied en vriendelijk groette. Chris-tophorus stond verstomd, ja was verschrikt over deze ontmoeting: hij dacht aan eene bovenaardsche verschijning. Spoedig bekwam hij echter, toen de jongeling hem vriendelijk toesprak en hem tijding bracht van zijn vader en de andere verwanten en vrienden, alsof hij regelrecht uit Spanje gekomen was. l)e vreemdeling noodigde Cln istcphorus ten eten. Gretig nam de student de uitnoodiging aan, omdat hij den geheelen dag nog niets genuttigd had. Zij zetten zich aan tafel en onderhielden elkander op den vriendschappelijksten toon. Na den maaltijd stelde hem de onbekende vriend eene groote som gelds ter hand

-ocr page 228-

_ 2-i\'i —

ülider de woorden: »Gebruik dit geld snaar goedvinden; uw vader kan het smij altijd teruggeven.quot; Hierop verliet de onbekende bet hotel onder voorwendsel, dat hij nog verscheidene zaken had af te doen. Alle moeiten, die Chris-tophorus zich ook gaf om den onbekenden weldoener weder te vinden, bleven vruchteloos. Noch te Leuven, noch in Spanje had ooit iemand dezen gezien; ook werd het geld, dat juist toereikend was tot den dag waarop de te lang achterwege gebleven geldbrief der ouders aankwam, nooit door de familie terug gevorderd. Sandoval was van gedachte dat God hem op eene wonderbare wijs eene der lijdende zielen, voor wie hij zoo groote liefde koesterde, had ter hulp gezonden. Deze meening deelde ook Paus Clemens VII bij gelegenheid, dat Christophorus naar Rome reisde ter bekrachtiging van zijne benoeming tot bisschop. De Paus ge\'astte hem dit feit bekend te maken, om daardoor in de harten der gelocvigen liefde voor de lijdende zielen op te quot;wekken. Van af dit oogenblik verbreidde zich die godsvrucht al meer en meer

-ocr page 229-

en de aartsbisschop mocht zich verheugen door deze vele zielen voor Jesus\' Kerk te gewinnen. 1)

43.

De H. Communie verschaft aan de zielen in hei vagevuur een gruoten troost.

Plnats uw brood en uwen wijn op het graf des gerechten. Tob. 4: 18.

Wij voltrekken door de H. Communie de heiligste handeling van onzen godsdienst, bewijzen Gode de hoogste eer, bieden Hem verzoening aan voor de zonden, waardoor wij Hem vergramd hebben en doen boete voor de Hem aangedane beleedigingen. De ziel verwekt bij de H, Communie de akten van geloof en aanbidding, van ontmoedigheid en berouw, van hoop, liefde en vurig verlangen, oefeningen die uit hunne natuur zeer verdienstelijk zijn, vooral in die oogenblikken, dat de Goddelijke Heiland, de zon der liefde en der gerechtigheid , met zijne Godheid en

1

P. Hier. Gart. Carmel. P. de Sup, p. 1. c. 13, P. ^lart. de Rpa. lf c. c. 21.

-ocr page 230-

— 214 —

menscliheid, met vleesch en bloed, mot ziel en lichaam gelijk Hij onsterfelijk en verheerlijkt in den hemel is, in de ziel tegenwoordig is. Om deze reden hebben eenige H. Schriftuuruitlcggers de woorden van Tobias — »zet uw sbrood en uwen wijn op het graf des «gerechtenquot; — toegepast op de H. Communie voor de overledenen. , Do eerw. Ludovicus de Blois, een groot meester in het geestelijk leven en een man van zeldzame wijsheid, verhaalt ons van een vromen dienaar Gods, die door eene ziel uit het vagevuur bezocht werd, om hem haar lijden te klagen, het volgende: Zij werd in een verteerend vuur gestraft, omdat zij de heilige Communie zonder genoegzame voorbereiding en met schuldige onverschilligheid had ontvangen. »Gij waart »mijn vriend toen ik leefde,quot; zoo sprak zij, »thans moet gij het nog zijn: ik ))bid u dringend, ontvang eenmaal voor »mij de H. Communie met de meeste «aandacht en godsvrucht: ik hoop dat sda-ardoor mijne verlossing bewerkt «en mijne vroegere lauwheid wordt «afgeboet.quot;

-ocr page 231-

— 215 —

De vriend had haast om den wensch der ziel te vervullen en opnieuw verscheen zij hem in den heerlijksten glans van schoonheid en gelukzaligheid, vervuld met de grootste erkentelijkheid. »Ein-ïdelijk,quot; riep zij jubelend uit, «eindelijk «zal ik het aanschijn van mijn aanbid-Ddeiiswaardigen Verlosser zien: dank ïzij u, honderdmaal dank u, mijn »vriend!quot; — Denken we hier aan den raad, welken de H. Bonaventura ons geeft: de liefde moet u dikwijls tot de H. Communie doen naderen, want niets werkt krachtdadiger tot troost der lijders ui het vagevuur.

Zoo lezen wij ook in het leven van de H. Joanna van het Kruis, eene Franciskanes en groote vereerster van het H. Altaarssacrament, dat de Engelen haar eene geconsacreerde Hostie brachten, opdat zij tot lafenis der zielen konde communiceeren. Toen de zalige op zekeren dag in overweging was, werd zij in den geest vervoerd. Eene andere non kwam in hare cel en wekte haar uit hare zielsverrukking door een onvoorzichtig gerucht. »Ga terug,quot; zeide Joanna opgewonden, en wees voorzichtig.

-ocr page 232-

— 216 —

dat gij het kostbaar voorwerp niet aanroert, dat zich op dien linnen doek bevindt: \'t is het H. Sacrament, dat de Engelen mij gebracht hebbenquot; — »Hoe is dat mogelijk?quot; vroeg de verstomde zuster. Joanna verhaalde haar het voorval, maar gebood haar te zwijgen. — ïEen verstokte zondaaiquot;, die sin de vijandschap met God gestorven swas, had in de laatste oogenb.\'ikken »van zijn leven de H. Communie onswaardig ontvangen. Men had dien «zondaar de H. Communie gegeven, somdat men bij vergissing aan zijne sbekeering geloofde. De Engelen konden »deze onteering niet verdragen. Zij »wilden niet, dat de H. Hostie in dien »onreirien mond rustte en verbleef, sdaarom heblen zij deze aan mij ge-sbracht.quot; — sDe Engelen hebben mij sbevolen,quot; zeide zij verder, «morgen »voor die zielen van het vagevuur te scommuuiceeren, die eene, groote «liefde gekoesterd hebben tot het H. sAltaarssacrament. Bij uwe aankomst swekten zij mij uit de geestverrukking, »opdat ik zoude verhoeden, dat gij het »H. voorwerp aanraaktet.quot;

-ocr page 233-

- 217 —

Inderdaad \'s anderendaags communiceerde Joanna met de teederste godsvrucht en haar werd veropenbaard, dat de zielen voor welke zij gebeden had, in den hernel waren opgenomen. 1)

44.

De H. Communie bevrijdt van lijden in deze wereld en aan lt;jenc zijde des grafts.

Gij hebt in mijn aanschijn eene tafel gesteld tegen hen, die mij kwellen. Ps. 22: 5.

De Godgeleerden beschouwen den boom des levens, die in het midden van het paradijs stond en ieder jaar twaalf vruchten droeg, wier bladeren zelfs het menschdom nuttig waren (Apoc. \'22:2) als eene afbeelding van het H. Altaars-sacrarnent. In het bijzonder is de H. Thomas van Aquine van dit gevoelen. Hij zegt: «Gelijk het verderf en de ïdood ons door het gebruik van de » verboden vrucht toegekomen is, door den

1

Blosus, Mon. Spirit c. 6 — Alex. Segala, I.e. pf 2. q. 10. ex. 6. — Vita Jo. de Gruce c. 7t

-ocr page 234-

— 218 —

sappel van den boom van kennis van goed »eii kwaad, zoo zal de rechtvaardigheid en »het leven ons ten deel worden door de «heilige spijs van den boom des levens, »die is het lichaam des Heeren.quot; Wanneer men de heilige Eucharistie door de vrucht van dezen boom afbeeldt, dan is het zonneklaar hoe heilzaam en aanbevelenswaardig de maandelijksche Commuuie is. De zielen die door deze H. Oefening verlost worden zullen voorzeker onze voorsprekers zijn. Dit verzekert ons Paus Adrianus VI als hij zegt: «Wie »voor de geloovige zielen bidt, verplicht «haar tot dankbaarheid: des te meer »hij , die voor haar de H. Communie «ontvangt.quot;

Dit werk is hoogst aangenaam aan üod, zoo als klaar blijkt uit de woorden van verscheidene Heiligen en uit eonige wonderbare verschijningen. De H. aartsengel Michaël, de bijzondere beschermer der strijdende Kerk, was meermalen tegenwoordig bij de maandelijksche Communie. In het jaar 1615 ontvingen de Paters Jesuïeten in de tegenwoordigheid van eene groote volksmenigte plechtig de maandelijksche Communie

-ocr page 235-

in de kerk Sancta Maria in Transtcvere te Rome. Ook een vreemdeling bevond zich onder hun getal, die uit een der provincies van Italië naar Rome gekomen was, om de -wonderwerken dei-eeuwige stad te aanschouwen. Deze man wandelde in het portaal op en neer, toen hij een armen man zag uitkomen, die hem ter liefde van God om een aalmoes bad. De vreemde man weigerde hem dit. De bedelaar echter hield aan en herhaalde zijne bede tot driemaal toe op den dringendsten toon. Eindelijk opende de vreemdeling zijne beurs en gaf den arme een stuk geld. Plotseling veranderde de arme van spreektrant en zeide tot hem op gebiedenden toon; »Houd uw geld, ik «begeer uw rijkdom niet, maar gij, gij shebt dringende behoefte aan Gods ^barmhartigheid ter bekeering en versbetering van uw leven, omdat gij seen groot zondaar zijt. Weet wel, dat sik van den berg Gargano herwaarts sgereisd ben, om de plechtigheid in sdeze kerk bij te wonen eu u te waar-sschuwen, dat gij van leven moet sveranderen. Sedert twintig jaren leidt

-ocr page 236-

— 220 —

»gij een beklagenswaardig leven en Klaagt de Goddelijke rechtvaardiglieid suit, want in al dien tijd hebt gij door »ge en o enkele H. biecht u van uwe szonden gezuiverd. Spoed u heen en xdoe boete, want het zwaard des Rech-»ters zweeft boven uw hoofd, om uwe «menigvuldige zonden te wreken.quot;

De zondaar stond verstomd over deze woorden en als aan den grond vernageld: de haren rezen hem te berg, want nu wist hij, dat zijne misdaden buiten God aan iemand anders bekend waren. Zijne ontroering werd nog grooter, toen hij den arme voor zijne oogen even als een dwaallicht zag verdwijnen.

De genade Gods werkte in zijn binnenste : hij gaf gehoor aan de inwendige stem der genade, trad de kerk binnen, wierp zich onder een vloed van tranen op de knieën en smeekte een priester om zijne biecht te willen hooren. Na de biecht gaf de zondaar aan den priester verlof, om dit feit van af den kansel aan de geloovigen te verhalen, ten einde hen daardoor tot nieuwen ijver tot het goede aan te zetten: verder betwijfelde hij ook niet, dat eene verloste ijel uit

-ocr page 237-

het vagevuur hem de genade der bekeering verworven had.

De wonderbare bekeering van dezen zondaar op het oogenblik, dat men tot lafenis der lijders in \'t vagevuur bad en communiceerde, bewijst hoe heilig en aanbevelenswaardig en hoe heilzaam tevens deze oefening voor de levenden is, wijl de liefde tot den naaste het innerlijk wezen van het christelijk leven uitmaakt, zoo als Jesus dit meermaals in zijn Evangelie te kennen geeft. *)

45.

De vergiffenis van eene zware helee-diging schenkt bevrijding van een streng vagevuur.

Vergeef, en u zal vergeven worden. Luc. 6: 37.

De heilige kerkvaders Augustinus en Gregorius brengen alle goede werken, die men verrichten kan tot vier akten terug, te weten tot het H. Misoffer, het gebed, het vasten en de aalmoes. God-

\') Jacob. Hautinus, Patroc. animar. 1, 3. torn. 1. art. 3. p. 2,

-ocr page 238-

222 —

geleerden van latere dagen voegen er een vijfde bij, namelijk liet kwijtschelden van ontvangene beleedigingen. Wijl deze akte iets heldhaftigs, iets goddelijks in zich besluit is zij van de grootste werkdadigheid.

Te Bologuc eene stad in Italië leefde eenerijk\'\', voorname weduwe, die slechts een eenigen zoon had, dien zij beminde als den appel harer oogen. Op zekeren dag speelde die zoon met zijne kameraden op den markt, toen een vreemdeling met opzet hun spel verstoorde. Het kind hevig van aard en opvliegend van karakter wierp den verstoorder eenige harde woorden npar het hoofd zeggende, dat hij hen met rust moest laten. De vreemdeling, toornig over de beleediging hem aangedaan, trok zijn degen, viel op den ongelukkigen knaap en doorboorde hem het hart, zoodat deze levenloos ter aarde stortte. Nauwelijks had de onmensch zijne misdaad gepleegd, als hij het afschuwelijke en strafwaardige er van inzag, met den bebloeden degen in de hand wegliep, totdat hij eene openstaande deur bemerkte. Pijlsnel vloog hij het huis

-ocr page 239-

— 223 —

binnen, om zich te verbergen. De ellendeling dacht niet. dat hij in het huis van zijn slachtofl\'er was te recht gekomen ; hij liep de trappen op zonder te weten werwaarts en kwam te recht in het vertrek der ongelukkige moeder. Deze was niet weinig verbaasd bij de plotselinge en onverwachte verschijning van een vluchtenden man, die met bloed bevlekte kleederen voor haar stond. De ontsteltenis echter duurde slechts een oogenblik: haar edelmoedig hart was getroflen, toen de onbekende haar in naam van God om eene schuilplaats verzocht tegen zijne vervolgers. De moeder wees hem eene verborgene plaats aan en versprak hem niet te zullen verraden, omdat zij geloofde dat de ongelukkige in overijling en toorn een moord had begaan, te meer wijl zij niets wist noch vermoedde van de bijzondere \'omstandigheden van de misdaad.

De gerechtsdienaren waren den schuldige op den voet gevolgd en drongen hetzelfde huis binnen. In alle hoeken en kasten, achter alle meubels zochten zij den misdadiger, maar te vergeefs.

-ocr page 240-

— 22-4 —

Zij vertrokken eindelijk onder het uitspreken der woorden: »De dame zal »wcl weten, dat de woesteling haar seenigen zoon heeft vermoord; daarom szal zij hem zeker aan het gerecht »niet onttrekken.quot;

Bij liet hooren van deze woorden meende de arme moeder, dat zij door een doodelijk schot getroflen werd; bewusteloos zeeg zij ter aarde. Toen zij van hare bezwijming bekomen was, geloofde men algemeen dat zij zinneloos was, omdat die slag haar hart tot in het diepste had verwond: maar hemel-sche kracht hield hare ziel staande. In ootmoed aanbad zij de geheime raadsbesluiten van God, onderwierp zich gelaten aan zijn H. wil en beloofde den moordenaar vergiffenis uit liefde tot haren Zaligmaker, die zich voor alle menschen had ten offer gebracht. De genade overmeesterde aliengskens haar hart en grootmoedig besloot zij voor den moordenaar te doen, wat z:j voor haar eigen kind zoude gedaan behben. Zonder te toeven, begaf zij zich in het geheim tot den misdadiger, overhandigde hem eene beurs geld, bezorgde

-ocr page 241-

— 225 —

hem een gezadeld paard en spoorde hem aan zoo spoedig mogelijk de vlucht te nemen.

Hoe beloonde God deze verheven daad van christelijke vijandsliefde? De brave moeder had zich vol kommer en droefheid in hare kamer terug getrokken en bad daar voor haren geliefden ontslapenen zoon, toen deze haar eensklaps verscheen stralende aan een he-melschen glans met den glimlach der zaligen op de lippen en dragende een zegepalm in de hand. «Lieve moeder,quot; zeide het kind, swees getroost, ik breng »u eene blijde tijding; treur niet meer, «moeder lief, ween ook niet, maar besnijd uw kind. Wegens uwe chris-Melijke grootmoedigheid jegens mijn «moordenaar hebt gij mij terstond-«van de vlammen des vagevuurs be-»vrijd. De quot;Goddelijke rechtvaardigheid »had mij veroordeeld gedurende vele «jaren tot de straflen des vuurs voor «mijne menigvuldige fouten, maar «uwe liefdedaad heeft mijne geheele «schuld uitgewischt.quot; Zoo beloont Hij, die zijn leven niet alleen voor zijne vrienden, maar ook voor zijne vijanden Geloovige zielan 15

-ocr page 242-

— 226 —

heeft ten beste gegeven — de vijandsliefde. — *)

46.

Waon\'e van het B. Misoffer voor de overledenen.

Praagt opeen olïer van serech-I ilit\'id en noopt op den lieer. Ps. U ; ti.

Ofschoon wij reeds meermalen over het H. Missollor gesproken hebben, dan tocli willen we nogmaals er op terugkomen , omdat dit alle onze aandacht verdient.

In liet beroemde klooster te Clairvaux, waarvan de H. Bernardus de overste was, bevond zich een pater, die de Regels slecht onderhield, de afzondering weinig beminde en gaarne met de men-schen in de wereld verkeerde. Deze pater kwam te sterven. Men hield de uitvaart en begrafenis met de gewone plechtigheid. Alle monniken omringden zingend en biddend de lijkbaar, toen plotseling een uit hun midden een grijsaard van buitengewone heiligheid eene schaar

•)Nicius Erythr. i- X\' mpl. 8. — P. Setneri, Clirist. lustr. p. 1. disc. 20.

-ocr page 243-

— 227 —

booze geesten meende tot zich te zien komen, zeggende: «Eindelijk zijn wij serin geslaagd: tot hiertoe bezaten wij »iiog geeno ziel uit Clairvaux; deze «echter zal de onze zijn.quot;

In den volgenden nacht zag de grijsaard in een droomgezicht den overledene, die hem al zuchtend en klagend met neergeslagen oogen verscheen : »Giste-»ren hebt gij de vreugde der booze «geesten gezien,quot; zoo sprak de afgestorvene, »nu aanschouwt gij mijne pij-»nen, waartoe de Goddelijke rechtvaar-Mligheid mij veroordeeld heeft, om do «vele fouten, die ik in mijn leven niet «genoegzaam heb afgeboet.quot; Hierna toonde liij hem eene groote, diepe bron: «zie,quot; voegde hij er bij, »de booze «geesten werpen mij voortdurend in «die bron, trekken mij er weder uit, «om mij op nieuw er in te dompelen, »en gunnen mij geen enkel oogen-«blik rust.quot; De monnik ontwaakte diep getroffen. In alle vroegte deelde hij deze verschijning aan den IJ. Bernar-dus mede.

De H. Abt riep het kapittel te zamen en verhaalde, dat God aan den pas

-ocr page 244-

— 228 —

ontslapen pater had toegestaan zijn lijden te openbaren; hij zette hen aan tot getrouwheid in de kleinste zaken en tot eene zorgvuldige vermijding van die listen en lagen, welke de duivel in het bijzonder hun legt, die zich in het klooster bevinden. Alle moesten voor den overledene bidden, vasten en boetewerken doen, vooral echter het H. Misoffer opdragen, opdat de arm van den Goddelijken toorn ontwapend wierd. Op denzelfden dag maakte men reeds een begin met die oefeningen en werden meerdere H. Missen voor den afgestorvene gelezen. Eenige dagen later verscheen hij op nieuw aan den grijsaard, doch niet meer klagend en lijdend, maar ih hemelsche vreugde en heerlijkheid. Op de vraag, in welken toestand hij zich thans bevond, gaf hij ten antwoord; »Ik ben zeer gelukkig: »dank zij de goedheid des Heeren en »de barmhartige liefde mijner medesbroeders.quot; — Op de vraag, doo- welk werk hij het meest was geholpen geworden, greep liij de hand van den grijsaard en geleidde hem naar de kerk waar juist het H. Misoffer werd gelezen.

-ocr page 245-

— \'229 -

^Ziedaar,quot; zoidc hij, »mijn losprijs, de )gt;H. Hostie, ilie de zonden der wereld »wcgneent: niets kan haar weerstand «bieden, dan een hart dat in een af-sgrond van zonden verzonken ligt.quot; — Deze verschijning werd aan de andere paters verhaald en versterkte hen in hun vertrouwen op liet H. Misoffer. *)

47.

De overledenen leeren ons onderwerping aan den Goddelijken wil.

AlUn. die in de graven zijn, znll.jinl.ï stemme Godshooren. Jo.m. 5: 28.

Op verschillende plaatsen van de H. Schrift vinden we opgeteekend op welke wijze de Goddelijke voorzienigheid zich van de dooden bedient om onwetenden te leeren, behoeftigen te helpen, on-gehoorzamen tot onderdanigheid aan den wil van God te brengen.

Een eigenaardig wonder werd te Hildesheim gewrocht door den H. bisschop Godehard. In die stad leefden onderscheiden misdadige en hoovaardige

\') Henr. Gran. German. Magn. specul. cxempl. dist. 3. ex. 16. De vir. iliustr. Ord. Cist.

-ocr page 246-

-- 23Ö —

mannen, die er slechts op bedacht waren om op de rechten der kork inbrenk te maken. De bisschop liet niets onbeproefd om hen van den slechten weg, dien zij bewandelden, af te voeren. Aanvangs zocht liij ze te gewinnen door goedheid en zachtmoedigheid: maar te vergeefs. Niet alleen sloegen zij alle terechtwijzingen en berispingen in den wind, maar ook dreven zij den spot met alle openlijke plechtige vermaningen, zoodat de bisschop zich ten laatste genoodzaakt gevoelde, om hen in den ban van dc H. Kerk te slaan.

Do ongelukkigen bekommerden zich hierover bedroefd weinig. Toen de bisschop den volgenden dag tot het altaar trad om de H. Mis te lozen, waagden eenige der roekeloossten het in weerwil van liet uitdrukkelijk verbod dc kerk binnen te gaan. Godehard zag hen, keerde zich naar hen toe en zeide met luider stemme: »Ik beveel dat alle gc^xcom-»municeerden in den naam van God don ))H. Geest op staanden voet de kerk , »wclllt;e zij door hunne tegenwoordigheid «ontv ijden, verlaten? De goddeloozen echter bleven tot ergenis der aanwezige

-ocr page 247-

— 231 —

geloovigen op hunne plaats staan en gaven geen gehoor aan het bevel van den bisschop.

Eensklaps openen zich onderscheidene graven , die zich in het binnenste der kerk bevinden; overledenen kornen te voorschijn en hegeven zich naar de kerkdeur alsof hun het bevel van den bisschop gold. Op dit aanzicht vluchtten ook de ware schuldigen verschrikt over deze wonderbare gebeurtenis. Inderdaad onder de overledenen bevonden zich eenigen, die in den kerkdijken ban geslagen waren, wien echter die toestand onbekend was, waarom zij ook in de kerk waren begraven geworden. Zij waren, gelijk wij zien zuilen, niet ter helle verwezen, omdat zij zich in hun sterfuur door een berouwvolle biecht met God hadden verzoend.

De bisschop zelf was zeer getroffen over het wonder en verliet na het H. Misoffer te hebben opgedragen spoedig de kerk om het gebeurde nader te onderzoeken. De verrezen dooden wachtten hem voor de kerkdeur in de nederigste houding en schenen hunne vrijspreking af te smeeken. De bisschop

-ocr page 248-

— 232 —

wendde zich te midden van eene groote volksmenigte tot hen zeggende: »Door ))de kracht, die ik van onzen Heer Je-))sus Christus ontvangen heb, ontsla »ik ii van den ban van de H. Kerk en sspreek u van hem vrij in den naam des »Vaders, des Zoons en des H. Gcestes, sopdat deze kerkelijke straf geen hin-sdernis meer zij voor uwe glorievolle op-»name in den hemel. Moge uwe lichamen »tot hunne graven wederkeeren en «daar den dag der opstanding verbeiden.quot;

De dooden, die ootmoedig op de knieën zaten, verhieven zich terstond en keerden stilzwijgend naar hunne graven terug. \')

48.

I)e vereering eens Heiligen bevrijdt eene ziel uit het vagevuur.

De Heilige schenkt mij vreugde om zijne ontferming. Sir. 4; 22.

Den groet, dien de Machabeërs te Jerusalem hunnen broeders in Egypte toezonden sGegroet zijn de broeders in «Egypte van hunne broeders te Jerusa-

\') P. Godel. Hinschenius, Act. Sancl. 4 Maii, n. 70

-ocr page 249-

— 233 —

slemquot; past de kardinaal Hugo toe op de geloovige zielen in liet vagevuur. Hij beweert, dat de zielen dezen roep onophoudelijk toesturen aan hunne gekloonde broeders in den hemel, om op deze wijs hunne voorspraak te verwerven , terwijl do Heiligen dien groet beantwoorden door hunne voorspraak en gebeden. Het volgend verhaal zal deze gedachte ophelderen.

In den kerkelijken Staat in de omstreken van Loretto ligt het stadje Recanati. Daar woonde eene vrome dame, die hare beide zonen den zaligen Luchesius onverpoosd aanbeval en hun eene groote godsvrucht voor haren schutspatroon had ingeprent. Zij wie-schen op in vroomheid en deugd, toen onverhoeds eene geldkwestie twist en tweedracht onder hen zaaide. Zij geraakten in een hevigen strijd: de eene gaf den andere een slag in het aangezicht; deze door den toorn overmeesterd greep zijn degen er. stootte dien in het hart van zijnen broeder. De moordenaar nam de vlucht, maar ontkwam niet aan de handen van het gerecht. Men ontdekte hem, hij werd in verzekerde bewa-

-ocr page 250-

— 234 —

ring gebracht, gerechtelijk verhoord en tot de zwaarste straf veroordeeld. Omdat zeer vele moorden in de provincie hadden plaats gehad, hadden de rechters besloten de strengste straffen op de misdadigers toe te passen. Gelijk de wreede menschen, van welke Virgilius spreekt, gaven ook zij bevel om den moordenaar op het lijk van zijn offer te binden en hem levend te begraven. Met ontzetting, ja met afgrijzen vernam de jonge man zijn verschrikkelijk oordeel. Reeds in den volgenden nacht werd het vonnis in stilte voltrokken op het kerkhof der paters Franciskanen. Den volgenden dag bemerkten eenige kinderen, die bij het graf speelden, dat de aarde onder hunne voeten beefde en zich bewoog. Verschrikt riepen zij om hulp. De paters, die in de kerk bezig waren met het zingen der getijden, snelden toe en groeven de aarde op. Nadat zij eenige spaden diep waren, hoorden zij duidelijk een versmoord gekreun: zij werkten met ij ver en spoed voort en herkenden alras eene stem, die hen smeekte, met de grootste voorzichtigheid dieper te graven. Kortom, zij vonden eindelijk de beide broeders

-ocr page 251-

— 235 ~

levend. De kinderen hadden reeds de gebeurtenis door geheel Recanati verbreid. De goeverneur, de adel, de bisschop, de geestelijkheid en het volk, allen waren toegesneld. Men ondervroeg de jongelingen: de vermoorde antwoordde het eerst zeggende: »Toen ik mij doo-sdelijk getroffen gevoelde, schonk ik «terstond mijnen broeder van ganscher »harte vergiffenis en beval hem ten szeerst aan de Goddelijke barmhartigsheid en den zaligen Luchesius, dien »ik van af mijne kindsheid in het bijszonder vereer. Deze zalige heeft mij »niet alleen in mijnen dood bijgestaan, smaar ook de genade verworven tot »het loven te mogen terugkeeren om «boete te doen.quot;

Hierop nam de tweede het woord: »Toen ik op het lichaam van mijn «broeder was gebonden en mij tot «een onvermijdelijke!! dood veroordeeld «zag, nam ook ik mijne toevlucht tot on-«zeü patroon, den zaligen Luchesius, «verwekte een oprecht berouw en deed «de gelofte in de Seraphijnsche Orde «te treden, wanneer de zalige mij door «zijne tusschenkomst van dit groote

-ocr page 252-

— 236 —

ïgevaar verloste. In zoo verre de menscbe-»jijke gerechtigheid mij vrijspreekt, zal ik «dadelijk mijne gelofte gestand doen.quot;

l)e moeder der beide jongelingen bevond zich onder de eersten op de plaats der gebeurtenis. Zij smolt weg iu tranen en kon in den beginne geen enkel woord uitbrengen. Na eenige oogenblikken verhaalde zij aan de aanwezigen , dat zij haar geheel vertrouwen op den zaligen Luchesius gesteld en hem er aan herinnerd had, dat het heil barer beide zonen zijne zaak-was, omdat zij ze van hunne geboorte af aan hem had toegewijd en aanbevolen. In deze oogenblikken echter had zij ze op eene bijzondere manier aan hem aanbevolen, opdat zij aan de straffen der eeuwige verdoemenis mochten ontkomen. De eene die van den dood verrezen was keerde terug naar het ouderlijk huis en beoefende er een streng boeteleven, terwijl de andere zijne gelofte nakwam, in een klooster der Franciskanen trad, waarin hij een voorbeeldig leven leidde. \')

quot;i P Bonifacius Bngatta De admi. Orb Ci istiani A. 2. 1. « c. 2. Annales Min. an. 1542 n. 15.

-ocr page 253-

— 237 —

49.

Liefde der Engelen tut de gelooviye zielen in het vagevuur.

En hij zal zijne Engelen zenden ... en zij zullen zijneuitvprkorenen bijeen vergaderen. Mafth. 24: 31.

Vele kerkvaders zijn van gevoelen, dat God van tijd tot tijd Engelen naar het vagevuur zendt, om do lijdende zielen te bezoeken en te troosten. Geen bezoek, geen troost kan haar meer welkom zijn dan het aanzien eens bewoners van het hemelsch Jerusalem, wiens onuitsprekelijke gelukzaligheid ook eenmaal haar aandeel zal zijn. De openbaringen der H. Birgitta spreken veel, zeer veel over de verschijning der Engelen in de reinigingsplaats: ook op andere plaatsen vinden we deze opge-teekend; eene van die verschijningen willen wij hier laten volgen.

De eerw. zuster Paula van de H. Te-resia, eene Dominikanesse uit het klooster der H. Cutharina te Napels, koesterde eene buitengewone godsvrucht voor de zielen der lijdende kerk en werd in haar leven niut wonderbare

-ocr page 254-

— 238 —

verschijningen begunstigd. Toen zij op zekeren dag met de meeste godsvrucht bad, werd zij in den geest naar het vagevuur verplaatst. Daar zag zij onzen Verlosser, omstuwd van Engelen, verscheidene lijdende zielen uitkiezen om met Hem de vreugde des hemels te gaan genieten. Toen Paula dit bemerkte, wendde zij zich tot haren hernelschen Bruidegom en vroeg Hem: »0 Jesus «waarom kiest gij dezen uit de ontel-»bare menigte?quot; — ))Ik heb haar uit-»gekozen,quot; hernam de Zaligmaker, sdie »m haar leven grootmoedige werken «van liefde en barmhartigheid béoefend shebben: zij verdienen, dat ik baar op «dezelfde wijs behandel naar mijne «woorden: de barmhartige zal barm-shartigbeid verwerven.quot;

Zuster Paula bad de gewoonte iederen zaterdag ter oere van Maria, de Moeder der barmhartigheid, te bidden tot lafenis der geloovige zielen in bet vagevuur. Op een dezer avonden, aan Maria toegewijd, werd zij nogmaals in verrukking des gees les in het vagevuur gevoerd. Hare verbazing was overgroot, toen zij alles in hemelsch licht aanschouwde.

-ocr page 255-

— 239 —

Terwijl zij onderzoek deed naar de oorzaak dezer zalige verandering, zag zij de Moeder Gods begeleid van ontelbare Engelen, wien zij beval, do zielen, die haar in heur sterfelijk leven vereerd hadden tc verlossen en naaiden hemel te geleiden. Dit gezicht vervulde Paula met innige vreugde; maar die vreugde werd tevens vermengd met bittere smart jegens die zielen, die niet uitverkoren waren en om het aantal harer zonden nog in het vagevuur moesten lijden. «Naar de menigte uwer «zonden zal het aantal wonden zijn,quot; zegt de H. Schrift (Deut. 25: 2.) De hoovaardige en eerzuchtige wordt door verootmoedigiiigen ven»vleringgestraft: wie zijne zinnen bevredigd heeft door ongeoorloofde vermaken, zal door het vuur worden verteerd: immers in de openbaringen van den H. Joannes lezen wij: »Hoe schooner gij u hebt gemaakt «en schitterender geleefd, des te grooter «zullen uwe pijnen en folteringen zijn.quot; (Apoc. \'18: 7.)

Paula zag niet alleen de Engelen in het vagevuur nederdalen om do geloo-vige zielen te troosten, maar hoorde

-ocr page 256-

— 240 —

ook hoe de Engelen om voorspraak en verlossing baden.

In het klooster der H. Catharina had men de loffelijke en vrome gewoonte iederen avond de vespers der overledenen te bidden. Op zekeren dag echter liet men deze oefening achterwege om het buitengewone en drukke werk. De Heer, die aan de vermoeide nonnen hare gewone rust niet ontnemen en van den anderen kant aan de lijdende zielen den gewonen troost wilde verschaffen, zond eene schare Engelen, die de plaats der Ordesvrouwen in het koor innamen en met hemelsche stemmen het oflicie zongen. Paula, die nog in het gebed verzonken lag, hoorde het wonderbaar psalmengezang: zij luistert, opent de deur harer cel en ziet de hemelsche schaar len getale van het gewone koor. 1)

1

Vila 1\'aulae a S. There 4.

-ocr page 257-

TWEEDE DEEL.

INLEIDING.

Wijl aangehaalde beweeggronden velen wellicht onvoldoende schijnen, en Gods welbehagen noch zijne eer hen beweegt tot eene werkdadige liefde voor de geloovige zielen in het vagevuur, zoo willen wij in dit tweede gedeelte in het bijzonder spreken over het nat en het voordeel, \'t geen uit deze god*-vrucht voortvloeit voor die menschen, die medelijden hebben met de geloovige. zielen in het vagevuur. Er bestaat geen werk, dat verdienstvoller en heilaanbrengender is voor de leden der strijdende als der lijdende Kerk, naar de uitspraak van de H. Schrift: ))Als ge goed doet, zie wel toe wien »gij het bewijst, dan zult ge dank voor »uwe weldaden inoogsten.quot; (Sir. 12; 1)

-ocr page 258-

— 242 —

De geleerde pater Martinus de Roa uit de Sociëteit van Jesus zegt: »De »voldoeningen, die wij aan de levenden stoevoegen, moeten wij gelijk stellen »met de schatten, die wij aan een «zeeschip hebben toevertrouwd. In de »oogen van God verliezen wij wel is «waar nooit hare verdiensten, maar «dikwijls rijst de vraag of het broze «vaartuig geene schipbreuk lijden on «jammerlijk zijn graf in de golven zal «vinden. Ons leven is gelijk aan eene «gevaarvolle zeevaart: hevige stormen «steken er onophoudelijk in op en «dreigen het scheepje in de diepte te «storten; en zoo gaan de goederen, die «wij den evennaaste toevoegen dikwijls «verloren.quot; Integendeel het gebed, dat wij op de overledenen toepassen, gaat in geen geval verloren; want van den eenen kant verstrekt onze voorspraak onfeilbaar zeker hun tot voordeel, omdat daardoor hunne schulden worden verminderd en hunne intrede in het hemelsch paradijs wordt bespoedigd, terwijl van den anderen kant iedere verloste ziel in den hemel onze voorspreekster en beschermster zijn zal.

-ocr page 259-

~ m —

Niet alleen van uit de hoogte der hemelen, maar ook van uit de diepte des vagevuurs zullen zij onze beschermsters zijn; want omdat zij zich zeiven niet helpen kunnen in haar lijden, zullen zij voor de levenden gi oote genaden vragen. Dit is het eenparig gevoelen van twee beroemde godgeleerden van den kardinaal Bellarminus en pater Suarez. De laatste zegt als volgt: ))Dcze H. ï zielen zijn zeer dierbaar aan het hart »van God: de liefde zot haar aan om »ons te beminnen, omdat zij in het salgemeen weten aan welke gevaren »wij zijn blootgesteld en welke groote «behoefte wij hebben aan de genade »Gods. Waarom zouden zij dan in weer-»wil van haar persoonlijk lijden niet »voor ons bidden? Wij zijn arme be-))woners van een tranendal, schuldena-»ren des Heeren en wij. wij bidden »voor onzen evenmensch. De 11. Patri-jarchen, die in den schoot van Abraham »de komst van den Goddelijken Ver-»losser te gemoet zagen, baden voor »de levenden op de aarde; en dit ook Kleden volgens de woorden van de H. »Schrift de propheet Jeremias en de

-ocr page 260-

— 244 —

»hoogepriester Onias.quot; Zoo spreekt Suarez.

De zielen in het vagevuur zijn de welbeminde kinderen van God; zij bevinden zich in staat van heiligmakende genade, daarom hoort en verhoort God hunne gebeden, üe H. Catharina van Bologne verzekert ons, dat zij, zoodra zij do eene of andere genade noodig had, duze steeds door do tusschenkomst der geloovige zielen heeft verworven. Nog meer, zij getuigt ons, dat, indien zij de Heiligen in den hemel vruchteloos om voorspraak aanriep, de zielen in het vagevuur haar nooit onverhoord lieten henengaan.

Zonneklaar is het, dat de macht der zielen tijdens haren proeftijd in de reinigingsplaats kleiner, geringer is, dan die, welke bnnr na hare opname in don hemel wordt medegedeeld, tiet valt niet te betwijfelen, dat de eerste genaden, welke zij na hare vereeniging met God van zijne oneindige barmhartigheid afsmeeken, hare weldoeners zal gelden, die haar door hunne gebeden de poorten des hemels hebben ontsloten en het hemelsch Jerusalem binnengeleid.

-ocr page 261-

— 245 —

Zeker is het tevens dat zij hare weldoeners in alle nooden en gevaren zullen ter hulp snellen. Zij zullen zijn onze getrouwe beschermsters in alle ongelukken des levens, in ziekten, in vervolging enz., maar in het bijzonder zullen zij ons de hulprijke hand bieden in zielsgevaren, in bekoringen, in moedeloosheid en vooral in de ure van onzen dood. De kardinaal Baronius verhaalt, dat eene vrome persoon in haar sterfuur door den duivel verschrikkelijk bekoord en gekweld werd. Eensklaps zag zij den hemel voor hare oogen geopend; eene groote schaar heiligen daalde neder en beloofde haar de overwinning. Ontsteld maar ook verheugd over deze wonderbare bescherming vroeg zij; »wie toch heett »mij deze onverwachte beschermers «bezorgd?quot; — »\\Vij zijn zielen, die »gij door uw gebed uit het vagevuur sheht verlost: nu komen wij u onze «erkentelijkheid betuigen en zullen u «onmiddellijk ten hemel geleiden.quot; Na deze woorden overleed de stervende zacht en zalig in den Heer met den glimlach der rechtvaardige op de lippen. Ja zouden, \'t geen niet aan te nemen

-ocr page 262-

— 246 —

di; geloovige zielen zich ondankbaar toonenden hare weldoeners vergeten, dan voorzeker zal de oneindig goede God hun, die de lijdende zielen met hunne gebeden ter hulp komen, hot verdiende loon niet onthouden. Jesus heeft ons nadrukkelijk beloofd barmhartig te zijn jegens de barmhartigen: voorzeker zal hij dus barmhartig zijn jegens hen,, die de lijdende zio\'en uit het vagevuur den hemel hebben binnengevoerd. Do H. Bernardinus zegt: ))Het is verdienstvoller aan eene af-))gestorven ziel iets goeds te bewijzen, »dan aan eenen levende, al ware liij »arm, krank, gevangen of hongerig.quot;

En inderdaad hoe grooter de ellende, des te grooter de waarde van troost en verkwikking. Welke ellende, welken nood, welke droefenis treffen wij in het vagevuur aan? — Do H. Thomas van Aquine leert, dat alle voldoeningen, die wij aan de geloovige zielen toevoegen, voor ons verdienstvol zijn en ons honderdvoudig na den dood vergolden worden.

-ocr page 263-

— 247 —

1.

Een groot zondaar wordt door eene ziel des vagevuurs gered.

Gij zijt een helper en beschermer geworden en hebt mijn lichaam gered van het verderf. Sir. 51: 3.

Meermalen heeft Maria, de koningin des liemels en de moeder der barmhartigheid, zich van de geloovige zielen bediend, om zondaars te bekeeren of rechtvaardigen tegen dreigende gevaren te behoeden.

In de provincie Aragon in Spanje leefde een edelman, die eeno echtge-noote had van eene zeldzame schoonheid, begaafd met de voortreffelijkste hoedanigheden naar den geest en het hart. Door haar lieflijk uiterlijk trok zij de oogen van een ander edelman op zich, die haar overal op den voet volgde. De jonge vrouw vreesachtig en kuisch waakte als eene ware christin zorgvuldig over hare deugd van onschuld en vermeed met de grootste omzichtigheid alle ontmoetingen, die deze haar

-ocr page 264-

- 248 —

wilde afdwingen. De zaak bleef niet del

lang verborgen en kwam spoedig ter te

oore van haren man. Jaloezie ontwaakt kei

in diens hart; hij vreest verraad, slaat zin

zijne vrouw dag en nacht gado, ofschoon vr

zij rein en kuisch daar staat en schijnt aa

geene rust te kunnen vinden dan in re

den dood van zijn mededinger. Hij rijdt la

alzoo op zekeren morgen onder voor- bc vendsel van handelszaken in gezelschap | hi

zijner vrouw en van een enkelen be- e(

dii naar naar een afgelegen landgoed. w

\'S avonds roept hij zijne gemalin tot si

zich in eene eenzame kamer, sluit de a

deuren af, trekt een geladen pistool o

uit zijn zak en dreigt haar den kogel c door het hart te jagen, indien zij wei- v c

gert aan zijn wil tc voldoen. Verschrikt lt; en verstomd belooft zij goedschiks te ge

hoorzamen. Terstond dicteerde hij haar een brief aan het adres van den jongen ridder, waarin zij dezen verzocht tot haar te komen in afwezigheid van haren man: op een bepaald uur en langs een bestemden weg konde liij haar aantreffen en spreken. Toen de brief geschreven was, werd deze den dienaar ter hand gesteld met het bevel om hem onmid-

-ocr page 265-

— 249 —

dellijk on in het geheim aan zijn adres te bezorgen. De bediende deed nauwkeurig wat hem bevolen was. De lichtzinnige, jeugdige ridder, verrukt van vreugde, trekt zijn beste riddergewaad aan, stijgt te paard en hegeeft zich op reis. De weg, dien hij insloeg, leidde langs cene plaats waar verschillende boosdoeners aan galgen opgeknoopt hingen. In dien tijd liet men de lijken eenige dagen aan de galg hangen ter waarschuwing van anderen en om den struikroovers vrees aan te jagen. Deze aanblik herinnerde den ridder, dat hij op dien dag den rozenkrans nog niet gebeden had: eene vrome gewoonte, die hij zich ondanks zijn slecht en teugelloos leven, had eigen gemaakt. Hij begon te bidden zonder na te denken, dat hij op het punt stond den zoon van haar te beleedigen, die hij om bescherming en hulp aanriep. Hij bad den rozenkrans tot lafenis der opgehangen hoosdoeners, omdat hij in de meening verkeerde, dat zich niemand over hen ontfermde. De barmhartige God beloonde rijkelijk dit liefdewerk. Eensklaps hoort iiij den kreet: »Blijfstaan, niet verder!quot;

-ocr page 266-

— 250 -

Ontsteld zag do ridder naar allo kunten, maar ontwaarde slechts de lijken en gaf\' het paard de sporen. Nogmaals riep dezelfde stem: «Halt , rijd niet »verder!quot; De onbezonnen jongeling kende geen vrees; hij steeg van het paard af, om te zieti of een der opge-hangenen nog levend was en dien kreet had geslaakt. Werkelijk een onder hen zeide hem op smeekenden toon: »Heb «medelijden met mij en snijd den strop sdoor, die mij verworgt.quot; Verstomd on door medelijden bewogen snydt hij de koord door. Het lichaam valt op de aarde, zet zich echter spoedig overeind en staat op. De misdadiger staat in levenden lijve voor zijn weldoener, betuigt hem zijn besten dank en verspreekt hem nooit te zullen verlaten en als een getrouwe knecht steeds te willen dienen. De verliefde ridder wijst liet dankbare aanbod van de hand en verklaart dat hij zijn weg alleen wil vervolgen: »Maar,quot; hervatte de sandere, weet gij niet dat zeer groote sgevaren u op uwe reis bedreigen? ))\'t Gaat om uw leven: ik wil u redden; »laat toe, dat ik u mijne dankbaarheid

-ocr page 267-

— 251 —

»betuig!quot; Toen de ridder bemerkte , dat zijn plan bekend was, maakte hij gecne tegenwerpingen meer, maar steeg te paard en verzocht zijn gezel het ook te bestijgen. Weldra zagen zij het landgoed voor zich liggen; eene ladder stond bij den muur. Dc vurige jongeling wilde onmiddelijk de ladder opklimmen. «Geduld,quot; zeide zijn begeleider, sik svrees eenig ongeval en raad n mij het »ecrst zo te laten beklimmen: leen mij «echter uw hoed en mantel.quot; Zoo gezegd, zoo gedaan. Uij beklom in allerijl de ladder, die hem geleidde naar een raam, dat men met opzet geopend had. Op hetzelfde oogenblik hoorde men hot gekletter van wapenen, bedreigingen, verwcnschingen en na eenige seconden werd een met doodelijke steken door-vlijmd lichaam uit het raam geworpen. Ondanks de hekomen wonden stond het spoedig van don grond op en fluisterde den jongen ridder toe: siSnel, zeer snol »te paard, redden we ons!quot; Nadat beiden zich op oenigen afstand hadden verwijderd, zeide de gewonde: »Hebt »gij nu de schoone ontvangst gezien, »ctie u verbeidde? De echtgenoote der

-ocr page 268-

— 252 —

))jeug(1ige vrouw wachtte u op, om u »te vermoorden. Zeg me, indien deze »in zijn plan geslaagd ware, waar bevond «zich dan op dit oogenblik uwe arme sziel. Dank Maria, de moeder der barm-sliartigheid; zij lieert u gered, omdat «gij iederen dag getrouw uw rozenkrans Dhebt gebeden: bedank ook degeloovige «zielen in liet vagevuur; gij hebt er )gt;eenigen uit dien vurigen kerker verlost, ))toeii gij nog in staat van genade waart »cn heden waren\' zij de middelaarstors »uwer redding. Verander van leven en »leer God vreezen.quot; — Middelerwijl waren zij wederom bij de galgen aangekomen: de onbekende metgezel steeg van het paard af, lei zich den strop wederom om den hals en verklaarde, dat God hem op eene wonderbare wijze gezonden had. om hem ter hulp te komen. De ridden keerde huiswaarts met geheel andere gevoelens. Zijn geschokt gemoed vond geene rust dan na den Heer het ofler van zijn geheel leven te hebben gebracht. De reste zijner dagen bracht hij door in de beoefening van boetple-gingen en werken van godsvrucht: hij werd een voorbeeld van heiligheid, van

-ocr page 269-

— 253 —

heldhaftige zelfverloochening en versterving en bovendien een groot beminnaar van de geloovige zielen in het vagevuur. Zoo beloont God het geringste werk, dat men voor de zijnen doet. 1)

2.

De geloovige zielen in het vagevuur geven antwoord op de gebeden, die voor haar gestort worden.

Door het geloof spreekt de doode nu nog. Heb. 11 : 4

Het is een verfoeilijk, door de II. Schrift veroordeeld werk, zich van de tooverkunst of het spiritisme te bedienen om de doodon te ondervragen gelijk Simon de tooveraar deed; maar prijzenswaardig is het voor hen te bidden, want zeer dikwijls hebben de afgestorvenen op onze gebeden geantwoord. Men verhaalt van den 11. bisschop Briston, die eene buitengewone liefde tot de lijdende zielen koesterde, barer dagelijks in het H. Misoller in-

1

J. de Alloza. Coelum stel. Mariae, 1. 3. c. 3. ex. 60 — P. Car. Bev. Exam. 1. V d. 3. ex. 4.

-ocr page 270-

— 254 ~

dachtig was, zoo vaak hij kon de tt. Mis voor haar opdroeg, \'s nachts opstond om op hare graven te bidden en ontelbare andere goede werken voor haar verrichtte, dat hij op zekeren dag, toen hij op het kerkhof zat te bidden en het — zij rusten in vrede — uitsprak, ccne menigte stemmen hoorde antwoorden: — amen, amen, amen !

In het leven van den zaligen Fran-ciscus de Fabriano, een minderbroeder, treffen wij een zelfde voorbeeld aan. Deze pater had de vrome gewoonte om allo zijne gebeden en goede werken in vereeniging met de verdiensten van het bitter lijden van Jesus Christus tot troost van de geloovige zielen in het vagevuur op te dragen. Hij had eene zeldzame liefde jegens de lijdende zielen: hij weende en sidderde bij de enkele gedachte aan hare folteringen. Op zekeren dag hoorde hij op het einde der H. Mis, die hij voor haar had opgedragen bij het — Requiescant in pace — in de bijna ledige kerk een aantal stemmen — Amen — antwoorden. De kloosterling beschouwde dit—Amen — als den jubelzang van die zielen die,

-ocr page 271-

~ 255

H. door het opdragen van het kostbaar

op- zoenoffer verlost waren.

den De H. Gregorius van Tours maakt ge-

\'ooi- wag van een wonderbaarder feit. In het

lag, diocees Bordeaux kwamen twee priesters

den bijna terzelfder tijd te sterven na een

uit- uiterst stichtend en deugdzaam leven

rde te hebben geleid. Zij werden begraven

— in dezelfde kerk maar op verschillende

an- plaatsen, ieder aan een uiteinde van het

Ier, tegenovergelegen schip: Terwijl de

an. priesters bij beurten de getijden zongen,

om hoorde men plotseling zeer duidelijk

in de stem tier overledenen. Elk had plaats

het genomen in een der beide koren. Hunne

tot stemmen waren zoo welluidend en aange-

het naam, dat de aanwezigen overgelukkig

one waren, want zij waren overtuigd, dat God

en; dit wonder had gewrocht om hun aller

:elc geloof te versterken. *)

ze-der ra-

ital De

___-—--

j. P. Jo. Bagatta. De. admirab. Orb. Christ. I,

llG, 8. c. 1. — Idem, 1. c. 1. (I. c. 2,

I

-ocr page 272-

_ 256

3.

In da allerheiligste maagd Maria vinden wij de hoop op enne spoedige verlossing uit liet vagevuur.

Bij mij is «He genade van waiidei én wijsheid, hij mij aile litiop van loven endeu^d. Si-rach. 24: 25.

Onder tie godsdienstige oefermigen ter eere van de moeder van God, die ons met eenc blijde hoop voor het andere leven vervuilen, neemt het scapulier do eerste plaats in.

De H. Simon Stock had op zekeren dag — het was den 10 Juli 1^51 — een visioen, dat hij zelf\'op de volgende wijze duidelijk beschreven heeft: »Toen ik,quot; zoo verhaalt hij, »dic niets dan stof en sasch hen, mijne ziel voor God uitsiorttc »en Maria, mijne Goddelijke meesteres, «bezwoer, dat zij, na aan onze Orde »veroorloofd te hebben, zich met den «titel «Broeders der allerzaligste Maagd «te tooien, ook nog zoo genadig en goed ))was zich door ccnig zichtbaar teeiseu ))haror gunst als onze Moeder te open-

-ocr page 273-

— 257 —

«baren; on toen ik dus mijn gebed, «vergezeld van zuchten, tot liaar richtte, sis zij mij eindelijk verschenen, omringd «van eene schaar Engelen, en met een \' «scapulier in de handen, zeide zij tot \'e «mij: Ontvang, lieve zoon, het scapulier j «uwer Orde als een voorrecht voor u van «en alle kinderen van Carmel, als een «bijzonder kenteeken uwer Broederschap, «ais een onderpand des vredes en des T|,n «bondgenootschaps voor eeuwig! Dit is ^|j0 «een teeken der zaligheid, eene be-|let «schutting en bescherming in gevaren, ca- «Wie sterft met dit heilig kleed bekleed «zal niet in liet eeuwige vuur verstoo-|,(,r «ten worden.quot;

vjquot; De zin der belofte is, dat de heilige

uj_ Maagd voor de stervende medebroeders !00 der Karmelieter-Orde en de boetvaar-f.n dige dragei\'s van het scapulier de ge-((0 : nade verwerft, dat zij in den staat van (,s ; doodzonde niet door den dood overvallen •de worden.

!cn Dezelfde openbaring aangaande de

jquot; \' zegeningen van het srapulier viel ook IC(j Paus Joannes XXII ten deel. Hij be-ell schrijft het visioen en vermeldt eene n_ duidelijke belofte door Maria hem zoo

Geloovige zielen 17

-ocr page 274-

— 258 —

troostvol gegeven in eene bul van liet jaar 1316. ))Ik sprak de liefderijke beschermster en bevrijdster der zielen in het vagevuur, »ik, die de moeder »der barmhartigheid ben, ik zal \'s Za-»terdags na uw dood nederdalen en »allen bevrijden, die ik in het vagevuur ))zal vinden en ik zal hen geleiden naar Kien heiligen berg des eeuwigen le-»vons!quot; — Maria spreekt tot hare vereerders gelijk de Heer tot zijn volk in het derde boek van Mozes: ))Op »(lien dag zal uwe vorzoening en de «reiniging van alle uwe zonden plaats «grijpen: gij zult gezuiverd worden voor sden Heer.quot; (3. Mozes. 1(gt;: 30.)

In de annalen der paters-Karmelieten vinden wij onderscheidene wonderbare feiten opgeteekend, die de hooge waarde en de kracht van het scapulier bevestigen.

Te Otranto, eene stad van hel koninkrijk Napels, woonde eene voorname dame, die met de grootste aandacht en den meesten ijver de preeken van een pater-Karmeiiet bijwoonde. Deze zocht naar best vermogen de godsvrucht tot Maria voort te planten en te verspreiden. Hij gaf zijnen toehoorders de

-ocr page 275-

— 259 —

verzekering, dat ieder Christen, die het H. scapulier draagt en een vroom en christelijk leven leidt, alsmede de lichte plichten, die de broederschap oplegt, vervult, in zijn sterfuur de bescherming van Maria zal ondervinden; zij zal hom I \'s Zaterdags na den dood uit de vlammen van liet vagevuur verlossen. De dame, door deze vocrdeelen aangezet, liet zich in de broederschap inschrijven en had het vaste voornemen gemaakt de regels ervan nauwkeurig te onderhouden. Hare godsvrucht nam toe met den dag; dag en nacht bad zij ter eere van Maria en stelde een onbeperkt vertrouwen op de bescherming der gezegende Maagd. Om eene genade bad zij in het bijzonder, namelijk om \'s Zaterdags te mogen sterven ten einde zoo korten tijd mogelijk in de vlammen ■ van het vagevuur te moeten lijder. Haar gebed werd verhoord.

Na verloop van ettelijke jaren werd zij tot den dood toe krank en erkende in weerwil van de geruststellende verzekeringen der geneesheeren, dat haar levenseinde nabij was. Zij was verheund dat zij ging sterven in de hoop, dat zij

I

-ocr page 276-

— 260 —

na haren dood God spoedig van aanschijn tot aanschijn zon aanschouwen. Het kwaal nam weldra zoo lievig toe, dat de artsen op zekeren dag verklaarden dat zij den eerstko-menden woensdag niet meer zon beleven. »Crij vergeet u nogmaals, want »ik zal drie dagen langer leven en «eerst \'s zaterdags stervenquot; zeide de dame. — De uitslag rechtvaardigde hare woorden: door hare smarten met gelatenheid en overgeving aan Gods wil te verdragen, werd zij van hare zonden gereinigd, \'s Zaterdags-avond overleed zij zacht en zalig in den Heer.

De brave dochter was diep bedroefd over het verlies van hare goede moeder: uren en uren verwijlde zij in hare kamer om voor de dierbare afgestorvene te bidden. Daar ontving zij liet bezoek van een dienaar Gods, die kwam om haar te troosten: »Hoiid op, mijn kind,quot; zoo sprak hij, »houd op te weenen en swees opgeruimd, ja vrolijk van harte. ))Gij hebt uwe moeder ip de aarde «verloren, maar aan haar eenebescherm-«ster gevonden in den hemel, want ik »geef u de stellige verzekering, dat zij

-ocr page 277-

— 261 —

aari- )gt;heden Zaterdag, dank zij degroote goed-

liou- ))heid van Mai\'ia, uit het vagevuur be-

zoo I svrijd en den hemel is binnengegaan,

eren »yerheug u en lofprijs Maria, ons aller

tko- t «Moeder.quot; *)

)ole- 1

vaut i 4.

en ?

; fle Di; didrel klaagt den overledene op

Tare hel zwaarste aan.

gO- Satan heeft verlangd u te ziften

•i als de turwe. Luc. 22: 31.

iden De duivel begeleidt de dooden tot

Ksod voor den rechterstoel van God en is

hun strengste aanklager. Hij wil ze

oefd ten minste in het vagevuur storten,

Ier: wanneer hij hunne eeuwige verdoeme-

lare nis niet kan bewerkstelligen.

cno De H. Anselmus had een zijner

;oek monniken met name Osborn te recht

om gewezen tot stiptere nakoming van de

id,quot; Regels, omdat deze sedert eenigen tijd

en een minder stichtend leven leidde. Na

rlc. zijne bekeering leefde de pater nog ver-

mie schillende jaren in de beste gevoelens

rm- tot groote vreugde van den H. Abt, die

i ik -li—

•• \'i Phyloe. Caputus. Hisl. Mlracul. imaj?. D Virpr.

Z1J Caini\'ia, c tl. - Carmelus tliaumatur^us, an 1613,

I _

-ocr page 278-

— 262 —

hem zeer beminde. In den bloei zijnor jaren echter werd hij door eene krankheid aangetast, die hem ten grave sleepte. Anselmus verpleegde den zieke met vaderlijke goedheid: wijl hij echter zag dat deze sterven ging, bad hij den zieke, dat deze hem toch na den dood mochte inlichten over den toestand, waarin hij gestorven ware. De stervende beloofde dit en overleed.

Terwijl de paters de gewone gebeden bij het lijk verrichtten, had de abt zich in zijne kamer terug getrokken , om ongestoord met de meeste aandacht en godsvrucht de Goddelijke barmhartigheid te knnnen aanroepen. Hij stortte vele tranen en bad dringend voor het heil der ziel des afgestorvenen. De slaap overmandde hem te midden van zijn liefdewerk. Nu had hij de volgende verschijning: »Verschillende eerbied-»waardige gestalten gekleed in witte gt;kleederen traden de kamer van den «overledene binnen en zetten z\'ch neder »om het oordeel te vellen. Anselmus «hoorde niets, maar ongerust vroeg »lüj zelf zich af welk hunne uitspraak «mochte zijn? Op hetzelfde oogenblik ver-

-ocr page 279-

— 263 —

«scheen hem lt;le overledene in persoon «met een ontsteld, doodsbleek aangezicht, »als hadde hij een hevigen strijd ge-sstreden. »Hoo mijn zoon, vroeg hem de »abt, hoe luidt uw vonnis? — Hij gaf sten antwoord: tot driemaal toe is de «slang tegen mij opgestaan, maar de «dienaren des Heeren hebben mij be-«schermd en gered.quot;

Hierna ontwaakt de H. Anselmus en zag niets meer. Hij erkende dat zijn droom van groote beteekenis was en legde zich dezen volgender wijs uit. Osborn werd door den duivel bij den oppersten Reel iter driemaal aangeklaagd, eerstens van de zonden, die hij van af den doop tot aan zijne intrede in de Orde bedreven had, tweedens van die gebreken, welke hij begaan had van af zijne intrede tot het afleggen der klooster gelofte, en derdens van die fouten waaraan hij zich had schuldig gemaakt tot aan den dood. De vijand echter had moeten wijken, omdat de zonden dei-eerste levensjaren afgeboet waren door het grootmoedig vaarwel zeggen aan de wereld: de gebreken van het tweede tijdperk door de algeheele overgave en

-ocr page 280-

— 264 —

godsvrucht, -waarmede hij zijne gelofte had afgelegd en de fouten van het laatste gedeelte van zijn leven waren uitgewischt geworden door het godvruchtig ontvangen der laatste H. H. Sacramenten en het beoefenen van boete werken.

De helsche aanklager was op alle kanten verslagen en moest de vlucht nemen. Onder de dienaren des Heeren, die den overledene beschermd en gered hadden , verstond de H. Ansehnus de goede Engelen, die de helsche slang tot zwijgen brachten en ze beletten de kudde van Jesus Christus te benadcelen. De goede abt wilde toonen, dat hij als geestelijke vader zijn kind waarlijk bemind had en las derhalve een half jaar lang de heilige Mis voor hem, wijl hij van harte de folteringen des vagevuurs wenschte te verkorten. Kon hij zelf dit liefdewerk niet verrichten, dan droeg hij dezen last aan een andere op; ook had hij bevolen dat in andere kloosters voor den afgestorvene gebeden en het H. Misoffer opgedragen werden. \')

*) Godefried, Henschen. Acta S me 24 aj ril. n 70

-ocr page 281-

- 265

Alwie de geloovige zielen des vaye-vuurs niet te hulp komt. moet lang in het vagevuur lijden.

Wie niet bemint, blijft in den dood. 1 Joan. 3: 14.

De H. Bcrnardus prijst in do levensbeschrijving van den H, Malacliias dc godsvrucht van dezen prelaat jegens de geloovige zielen, terwijl hij zijne zuster laakt, omdat zij geheel andere gevoelens koesterde. Toen Malacliias slechts diaken was, woonde hij gaarne de begrafenissen bij , vergezelde de dooden naar het kerkhof en begroef ze dikwijls met eigene handen, wijl dit werk van barmhartigheid hem bijzonder geëigend scheen, om zich in de deugd van ootmoed en van naasteliefde te bevestigen. Deze tweede Tobias werd dooi- eene vrouw of liever door den vijand van het menschelijk geslacht bekoord. Zijne zuster, die uiterst wereldsgezind was, hield het voor eene onteering barer voorname familie, dat haar broeder de

-ocr page 282-

— 266 —

dooden begroef en zeide hem op noi\'-schcn toon: ))DommeJongen welk schoon shandvverk oefent gij uit? J.nat naar »de woorden van de H. Schrift de «dooden zeiven hunne dooden begraven.quot; (Luc. : 60) — Malachias antwoordde haar bedaard, maar in ernst: »Arm »kind, wat zegt gij? Gij kent de woor-»den van het H. Evangelie, maar ver-sstaat ze niet!quot;

Hij bleef volharden in de uitoefening van zijn nederig werk, terwijl God hem beloonde met de grootste vertroostingen. Van den anderen kant liet de hemel de lichtzinnige vermetelheid zijner zuster niet ongestraft. In den bloei harer jaren kwam zij te sterven en moest verschijnen voor den Goddelijken Rechter, die alles tot het kleinste toe weegt op de schaal zijner eeuwige en onverbiddelijke rechtvaardigheid. — Malachias had veel, zeer veel van haar te lijden gehad, maar nu haren dood dacht hij slechts aan den nood harer ziel en bad dringend voor hare zielerust. Na langen tijd meende hij haar in een droomgezicht te hebben gezien. Zij stond treurend in zwarte kleederen gekleed in het

-ocr page 283-

— 267 —

portaal der kerk en smeekte hem, dat hij toch medelijden met haar zoude hebben, omdat zij dertig dagen lang niet de minste verkwikking ot\' leniging ondervonden had. De Heilige ontwaakte en herinnerde zich onmiddelijk, dat hij gedurende eene maand geene mis meer voor haar had gelezen. Waarschijnlijk had God dit vergeet toegelaten, om daardoor de vroegere gevoelloosheid der overledene jegens de geloovige zielen te bestraffen.

Haar vrome broeder droeg reeds den volgenden dag het H. Misoffer voor haar op. Een dag of vier daarna had hij eene tweede verschijning, waarin hij zijne zuster zag, staande zuchtende op den drempel der kerkdeur, juist alsof men haar belette de kerk te betreden. Ma-lachias volhardde in zijne gebeden, deed dagelijks de H. Mis tot lafenis harer ziel, totdat hij eindelijk in een derde visioen haar bij het altaar zag staan. Zij was gelukkig, omgeven van een stralenkrans en eene groote schaar zielen, die even als zij pas schenen verlost te zijn. — Hieruit zien we weer duidelijk, zegt de H. Barnardus, de-

-ocr page 284-

— 268 —

kracht van de H. Mis; zij reinigt ons van de zonden, en maakt ons aangenaam in de oogen van God.

Wij mogen hier niet stilzwijgend voorbijgaan de genade, waarmede do H. Malachias begunstigd werd voor de groote liefde die hij den overledenen toedroeg. Op zekeren dag had hij al zijne kloosterlingen te zamen geroepen. Daar hij hen over den dood onderhield, vroeg hij eensklaps aan een ieder hunner, op welken dagen op welke plaats zij het liefste sterven wilden ? De eene noemde dit de andere dat feest, deze noemde deze plaats, een tweede eene andere. Toen de beurt aan Malachias gekomen was, zeide hij, dat hij het liefste wilde sterven in het klooster Clairvaux, dat onder de leiding van den H. Bernardus stond, omdat daar terstond na den dood voor de ruste der ziel van den overledene vele H. Missen door de kloosterlingen werden opgedragen. Als sterfdag noemde hij allerzielendag om de menigvuldige gebeden, die de Kerk op dien dag voor de geloovige zielen hemelwaarts zendt. Zijn wcnsch ging in vervulling. Op

-ocr page 285-

— 2()9 —

zijne ruis naar den Paus Eugenius III werd liij door eene zware ziekte geteisterd en te Clairvaux op het ziekebed geworpen. Daar liij zijn dood met rassche schreden voelde naderen, riep hij uit met den koninklijken propheet: »Hier is de plaats mijner ruste; ik heb sdeze uitgekozen en hier zal ik wonen.quot; (Ps. 134 : 44)

Inderdaad op allerzielendag gaf hij zijne ziel weder aan de handen van zijn Schepper, om de kroon der rechtvaardigheid te ontvangen. *)

ü.

De geloovige zielen beschermen hare weldoeners op eene wonderbare wijs tegen hunne vijanden.

Wanneer een heirleger tegen mij opstond, zal miine ziel niet vreezen. Psalm 26 : 3.

In het eerste deel hebben we reeds gesproken over de wonderbare bescherming, die een soldaat ondervond door de tusschenkomst der geloovige zielen

\') St. Bernardus, Vita S. Malacbiae.

-ocr page 286-

- 270 —

in het vagevuur, om de werkdadige liefde, die hij haar toedroeg. Gelijk wij lezen in de H. Schrift, dat hemel-sche legioenen toesnelden om de Israëlieten tegen Sennacharib en den koning van Syrië te helpen, zoo vinden we ook in de annalen der Kerk opgctee-kend, dat de lijdende zielen hunnen weldoeners op wonderbare wijs zijn te hulp gekomen. Eusebius, hertog van Sardinië werd met zulk een wonder begunstigd.

Deze vorst koesterde eene zoo groote godsvrucht voor de lijdende zielen in het vagevuur, dat hij zich niet met zijne gewone en talrijke aalmoezen, welke hij tot haren troost wegschonk, tevreden stelde, maar ook al de inkomsten, die hem uit eene zijner steden aankwamen ter harer gunste verdeelde. Daarom noemde men deze plaats — de stad Gods. —- Al het geld dat van deze stad in de schatkist vloeide, werd besteed voor goede werken en tot onderhoud van een bestemd aantal priesters, die dagelijks het H. Misoll\'er moesten opdragen tot lafenis der geloovige zielen. De duivel haatte deze vrome stich-

-ocr page 287-

- 271 -

ting en hitste don koning van Sicilië Ostorgus, die groote rijkdommen en talrijke troepen hezat, op, om aan Eusebius onder een nietig voorwendsel den oorlog te verklaren. Ostorgus begaf zich op marsch, sloeg het beleg voor de stad Gods en maakte zich van deze meester. Toen de hertog deze tijding vernam, was hij zoo zeer bedroefd, als hadde hij de helft zijner staten verloren. Op staanden voet riep hij zijne officieren te zamen, vroeg liuti raad en besloot alles te wagen om den vijand te verdrijven. Een leger werd op de been gebracht, beduidend zwakker dan dat der Sleilianen. In weerwil van die zwakte trok hij op en rukte hij voorwaarts. Eensklaps meldden hem de afgezonden bespieders, dat verschillende legioenen, zoowel ruiters als voetvolk, allen gekleed in witte kleederen met witte banieren in aantocht waren. De hertog is geschokt tuL in het binnenste zijner ziel; want van den eenen kant vreesde hij een list des vijands en van den anderen bekroop hem het voorgevoel, dat God zelf hem hulp zond.

Eindelijk noemt hij een besluit, en

-ocr page 288-

zendt vier herauten vooruit om de zuak te onderzoeken. Halfweg ontmoetten zij vior afgezanten van hot vreemde leger, die hen naderden, van harte groetten en hun zeiden: sWeest niet «bevreesd, wij zijn de heirscharen van sden sterksten koning en komen tot «bescherming van uwen vorst: dat hij »kome om met onzen opperbevelhebber »te beraadslagen.quot; — De hertog rukte met zijne leger voorwaarts en veree-nigde zich met de strijders, die hem van den hemel waren gezonden. Toen Ostorgus het vijandelijk leger zag, de witte kleederen en de onbekende legioenen werd hij met angst en vrees bevangen. Hij zond verspieders uit, die hem weldra kwamen boodschappen, dat die krijgsscharen slechts door een wonder konden verschenen zijn, want niemand in den lande wist van waar en hoe deze gekomen waren. Nn zond Eusebius gezanten tot Ostorgus om de — stad Gods — op te eischen. Ostnrgus was hierover zeer tevreden, nam alle voorwaarden aan, vergoedde de veroorzaakte schade en trok ijlings af, terwijl Eusebius God verheerlijkte en zijne onbe-

-ocr page 289-

— 273 —

kende helpers dankte. Hierop zeide hun aanvoerder: »Weet wel, o Vorst, »dat bijna alle deze krijgers zielen zijn. «die door uwe gebeden, goede werken, »aalmoezen cn vrome stichtingen uit sliet vagevuur zijn verlost: haar had »de Heer de taak opgelegd, om u uit »uwen nood te redden. Volhard in uwe «godsvrucht tot troost dei- lijdende zie-»len en vergeet nooit, dat gij door hare «verlossing u zoo veel vrienden en «voorsprekers in den hemel verwerft, «als gij zielen van het vage/uur be-«vrijdt.quot; — Na deze woorden verdwenen allen: de hertog viel op dj knieën en dankte de goede God, die nooit de zijnen verlaat. *)

7.

\\erschijniiigen en openharingen uit liet andere leven.

Wij weten, dat wij van den dood in het leven overgeplaatst worden. 1 Joh. 3: 14.

We hebben reeds verschillende ver-

quot;) H. Qrandgermanus, Magn. Spec, oxernp. dist. e*. IS». K. AlêXi Segala, 1, c. p. 1 saitiag. 2,

18

-ocr page 290-

_ 274 —

scliijningcn en openbaringen over liet geheim van liet andere leven aangehaald. Van den eenen kant dienen deze tot beschaming der goddeloozen, die durven beweren, dat nooit iemand uit het rijk der dooden is teruggekomen en van den anderen om de geloovigen te stichten. Wederom willen we twee daadzaken verhalen.

De H. Thomas van Aquine koesterde eene teedere liefde jegens de zielen in het vagevuur en was harer zeer dikwijls indachtig in het H. Sacrificie dor Mis, in zijn gebeden en andere goede werken. In den tijd dat hij leeraar var. de Godgeleerdheid was bij de universiteit te Parijs, had hij eene verschijning van zijn zuster, die als abdis des klocs-ters van de H. Maria te Capua overleden was. Deze smeekte haren broeder, om medelijden met haar te hebben, omdat zij verschrikkelijke pijnen lijden moest in de vlammen der reinigingsplaats. De H. Thomas ving aan voor haar te bidden, te vasten en zich te versterven, terwijl, hij daarenboven zijne vrienden verzocht om te zamen met hem te bidden. Hij verwierf de verlossing

-ocr page 291-

— 2?5 ~

et zijner zuster. Te Rome, werwaarts de

e- Overheid hem had gezonden, had hij

ze eene tweede verschijning zijner zuster

lie in vollen glans van hetnelsche vreugde

lit cn heerlijkheid. Zij kondigde hem hare

en verlossing aan en opname in den hemel,

on Thomas nam deze gelegenheid waar

ee en vroeg zijne zuster: waar zijn de twee ordesbroeders, die in den laatsten

de tijd gestorven zijn? Zij gaf ten ant-

in woord: de eene met name Arnold heeft

k- een hoogen trap van heiligheid in den

Ier hemel bereikt, omdat hij den Paus met

de moed tegen den Duitschen keizer Fre-

ar. derik verdedigd heeft en om die reden

si- hevig is vervolgd geworden: Landolph

ng echter, de andere broeder, moet nog

s- in het vagevuur lijden en ziet smach-

ïi - tend naar hulp uit. Zij voegde i r nog

er, bij: ))Gij, mijn broeder, haast u , om

;n, »de werken, die gij onder handen hebt

len ))te voleinden, want weldra zult gij u

ys- smet ons in het paradijs vereenigd zien,

wr »waar een heerlijke troon als loon u

te swacht voor alles wat gij voor de Kerk

jne »Gods gedaan hebt.quot;

em Bij eene andere gelegenheid toen de

ing Heilige in de kerk van den H. Domi-

.

quot;i

i

-ocr page 292-

— 276 —

nikus te Napcis zat te bidden, zag hij eensklaps broeder Romanus, die zijn opvolger was op den leerstoel der Godgeleerdheid te Parijs. Wijl riiomas dacht, dat deze nog onder het getal der levenden behoorde, stond hij op, snelde hem te gemoet, wilde hem groeten en naar de reis en de gezonu-heicl vragen. R.onnanus echter verklaaide hem, dat zijn aardsch leven een einde genomen en hij reeds de kroon des eeuwigen levens had ontvangen; verder dat hijquot; door God gezonden was om hem in zijnen arbeid aan te moedigen. In den beginne was Thomas ontsteld en verschrikt. Hij bekwam echter weldi a en stelde alsdan den broeder eene viaag over een punt, dat hem na aan het harte lag: sBen ik in staat van heilig-»makende genade?quot; De overledene glimlachte , gaf Thomas een bevestigend antwoord met de verzekering, dat zijne werken welgevallig waren in de oogen van God. Hierop vroeg Thomas den afgestorvene: in welken toestand hij Romanus zich bevond? Romanus zeide, dat hij op dit oogenblik in den heinel was na vijftien dagen in hot vagevuur

-ocr page 293-

— 277 —

te hebben moeten lijden; lijden, dat hij zich op den hals had gehaald door ongetrouwheden, die hij op do aarde niet voldoende had afgeboet. Eindelijk verlangde Thomas van de ziel eenige Godgeleerde verklaring over de aanschouwing van God. Ten antwoord werd hem gegeven het negende vers van den zeven en veertigsten psalm: «Gelijk wij het gehoord hebben, zoo «hebben wij het gezien in de stad van »den Heer der heirkrachten.

Nadat de ziel deze woorden had gesproken, verdween zij en liet in het hart van den engelachtigen leeraar achter oen groot verlangen naar de vereeni-fiing met zijn aanbiddenswaardigen Verlosser.

üit deze twee daadzaken blijkt, dat de H. Thomas uit eigene ondervinding spreekt wanneer hij ons verzekert, dat God zich dikwijls van de lijdende zielen in het vagevuur bedient, gelijk van do Engelen, als afgezanten tot onze onderrichting, *)

mI\'JL JWMarrfil Vi!a S- Aq.miat - F. Dom. Mar. Alaruties Diar. Domimp. 7. Mart.

-ocr page 294-

Do (jehoorzame behoeft niet lang in het vagevuur te lijden.

Gij zult zijn gelijk een gehoorzame zoon des allerhoogsten, en hij zal zich uwer meer ontfermen dan eene moeder. Sir. 4: 11.

Ecu dei\' heerlijke voorrechten van de gehoorzaamheid quot;bestaat hierin, dat zij ons voor de pijnen des vageviuirs bewaart of wel ze vermindert. Dit is gemakkelijk te begrijpen: want wie den wil vati God door de Overheid uitgesproken nauwgezet ten uitvoer legt en nakomt, leeft steeds in volmaakte overeenkomst met dezen H. wil en kan uooit voor die handelingen bestraft worden. Daarom zegt de H. Joannes Clirnacus van de oprechte gehoorzaamheid, dat zij is ons schild in het strenge gerecht van God.

De zalige Dominikanes Emilie, Overste van het klooster der H. Margareta te Vercel li, sprak dikwijls met eene groote voorliefde tot hare medezusters over de groote verdiensten van de gehoorzaamheid met hot oog op het vagevuur. Een

-ocr page 295-

— 279 —

der Regels hield in, dat men buiten den maaltijd niot durfde drinken zonder bijzonder verlof der Overste: deze echter gat bijna nooit hare toestemming, om de zusters de gelegenheid te geven zich in kleine zaken te versterven. Zij was er echter op bedaclit, dat men steeds in hare weigering met liefde berustte, doordien zij de kloosterlingen aanzette haren dorst den Heiland, die aan het kruis een veel grooteren dorst geleden had, op te offeren, en haar tevens den raad gaf den gewensch-ten drank voor het andere leven te bewaren en haren Engelbewaarder toe te vertrouwen tot aan het oogenblik, waarop zij naar dozen zouden smachten in de vlammen van het vagevuur.

Eene der zusters, Cjcilia genaamd, werd op zekeren dag hevig door den dorst gekweld en vroeg de Overste óm verlof te mogen drinken. De Overste stond het niet toe en bemoedigde de zuster dit kleine offer te brengen uit liefde tot don gekruiston Zaligmaker. Dit viel de arme zuster zeer zwaar; zij gehoorzaamde echter en bracht haren hernel-schen bruidegom dit offer met volle

-ocr page 296-

— 280 —

overleving. Korten tijd daarna stierf zij. Na een dag of zes verscheen zij in bemelsche glorie aan moeder Emilie. Zij verhaalde haar onder de levendigste dankbetuigingen, dat zij wegens cene ongeregelde aangehechtheid aan hare ouders tot de straffen van hot vagevuur was veroordeeld, maar spoedig er van was bevrijd geworden, omdat zij uit gehoorzaamheid zich in het drinken verstorven had. Nog meer, zij voegde er bij, dat den derden dag na hare begrafenis haar Engelbewaarder ir. het vagevuur was nedergedaald, dragende in zijne hand het water dat zij den Heer had opgeofferd: mot dit water bluschte hij de vlammen, die haar van alle kanten omringden en voerde haar met zich ten hemel.

De zalige moeder Emilie wees eene andere zuster te recht met name Maria Isabella, omdat deze een afkeer had van het koorgebed en de voorkeur gaf aan een gezellig onderhoud. Ter nau-wernood was het laatste vers gezongen of zij was reeds builen de kerk. Op zekeren dag weerhield haar de Overste en vroeg haar, welke dringende nood-

-ocr page 297-

- 281 —

zakelijkheid haar toch altijd noopte om het eerste het koor te verlaten? De zuster nam geene uitvlucht ter hand, maar bekende openhartig en rondborstig, dat zij zich in de getijden verveelde en de andere zusters haar te langzaam gingen bij het verlaten der kerk. — »Wcl nu ,quot; hernam de Overste, »wat »zult gij toch in do vlammen van het «vagevuur doen, wanneer het u nu «lastig valt, om met ons de psalmen ))te zingen? Ik wil u beschermen voor »de verschrikkelijke folteringen van »het vagevuur en derhalve beveel ik mi, dat gij in de toekomst uwe plaats »eerst verlaat na alle anderen.quot; — Do zuster gehoorzaamde met de grootste onderwerping en God beloonde hare gehoorzaamheid, doordien Hij haar van den afkeer en de verveling bevrijdde, waarmee zij steeds in het koor geplaagd werd; Hij schonk haar groeten troost in het gebed, zoodat zij voortaan langer dan alle andere zusters in de kerk verwijlde: Nog meer. God verkortte daarenboven hare pijnen, die zij in het vagevuur moest lijden, want voor elk uur, dat zij uit gehoorzaamheid door-

P

-ocr page 298-

bracht in gebed, verminderde Hij hare folteringen met eene uur. — Verder vinden wij opgeteekend in het leven der II. Emilie, dat zij door hare ijverige gebeden bewerkte dat liet driedaagsche vagevuur van haren vader in een lijden van drie uren veranderd werd. 1)

9.

Liefdevolle overgaaf\' voor de zielen des vagevuurs.

Wij moeten voor onze broeders ons leven len beste geven. 1 Jo. 3: 16.

De naam van pater Joannes Eusebius Nieremberg, de schrijver van zeer vele godsdienstige werken is zeer bekend; aan weinigen echter zijne goJsvrucht tot de lijdende zielen in het vagevuur, voor welke hij voortdurend allerhande boete-werken verrichtte en menigvuldige geboden stortte. Aan het hof van Madrid bevond zich onder zijne biechtkinders eene voorname dame, die onder zijne

1

F. Dominic. M. Marches. 1. c. Vila B. K-niliae. 3. maü.

-ocr page 299-

— 283 —

geestelijke leiding een hoogen graad van volmaaktheid bereikt had. De dame werd door eene boosaardige koorts geteisterd , waartegen de gencesheeren geen middel wisten. Toen men haar van het gevaar, waarin zij verkeerde, verwittigde, werd zij zeer bedroefd, niet alleen om de vele goede werken, die zij onvoltooid moest laten, maar ook uit vrees voor het vagevuur. Pater Eusebius wendde alles aan om haar te bemoedigen, in den wil Gods met overgeving te berusten en de H.H. Sacramenten te ontvangen. Wijl onrust en vrees haar hadden bevangen, stelde zij van dag tot dag uit, totdat zij eindelijk in eene soort van slaapziekte viel en bewusteloos was. De gedachte, dat deze ziel de heilige sacramenten met vol verstand had kunnen ontvangen en nu wellicht zonder die genademiddelen stierf\', bedroefde den biechtvader uiterst: hij begaf\' zich naar de kapel gelegen naast de kamer der stervende. Hier droeg hij het Misoffer op met de meeste aandacht en smeekte God, dat Hij de zieke zoo lang liet gebruik harer zielskrachten zoude wedergeven, totdat zij

-ocr page 300-

— 284 —

de laatste H. Sacramenten had ontvangen: daarna bood hij zelf zich aan de Goddelijke rechtvaardigheid aan als offer van alle de folteringen, die de stervende in het vagevuur te wachten stonden, ten einde deze van haren angst te bevrijden en tot eene gewillige aanname van den dood te brengen. Dit liefdevol gebed w-as zeer aangenaam in de oogen van God; want slechts weinige oogenblikken later kwam de dame tot zich. Zij scheen geheel veranderd, verlangde uit eigen beweging deH. sacramenten en ontving ze met de stich-tendste godsvrucht. Toen zij van pater Eusebius vernam, dat zij geene vrees meer behoefde te hebben voor hot vagevuur, overgaf zij zich met vreugde in den wil van God en stierf in vrede. — Weldra bemerkte men, dat het gebed van den pater was verhoord geworden, want van af dit oogenblik was zijn geheel leven, zestien jaren lang, tot aan zijn dood een aanhoudend martelaarschap en hevig vagevuur: geene geneesmiddelen vermochten zijne smarten te lenigen: zijn eenige troost bestond ill de herinnering aan hare oorzaak,

-ocr page 301-

— 285 —

Door zijne gebeden werden vele zielen uit het vagevuur verlost en de pijnen van anderen verzacht. Dagelijks bad hij voor haar den rozenkrans, om vele aflaten te verdienen. Tot deze godsvrucht noodigde hij alle geloovigen uit in een werkje, dat hij afzonderlijk daartoe had geschreven. Het verlies van zijn rozenkrans, die met zeer vele aflaten voorzien was, baarde hem bittere smart, daarom leende hij dagelijks, \'t geen toen nog geoorloofd was, van een vriend diens rozenkrans met vele aflaten verrijkt. Toen hij op zekeren dag zich meer dan naar gewoonte met het beoefenen van goede werken had bezig gehouden, herinnerde hij zich eerst \'s avonds laat, op een oogenblik dat hij zijnen vriend niet meer kon bezoeken, dat hij zijn rozenkransgebed nog moest verrichter. Pater Eusebius wierp zich op de knieën, bad de lijdende zielen om vergiffenis, offerde zijne goede meening en den wensch op om alle mogelijke aflaten voor haar te gewinnen. Terwijl hij nog bad, hoorde hij aan de zoldering van zijne kamer een eigenaardig gedruisch. Hij werpt een oogslag naar omhoog en

-ocr page 302-

— 286 —

ziet tot zijne verbazing zijn eigen rozenkrans met alle medailles naar beneden vallen. Hij twijfelde geenszins, dat de geloovige zielen hem dezen hadden teruggebracht: hij nam den rozenkrans van de vloering op en bad eerbiedig vijf tientjes. Dit feit overtuigde hem r.o-ï meer van het nut van den rozenkrans te bidden voor de zielen in het vagevuur.

Men verhaalt nog een anderen zeer schoonen trek uit zijn leven. Toen hij in zekeren nacht in het koor van het keizerlijk College te Madrid zich met bidden onledig hield, verscheen hem de vroegere professor der Godgeleerdheid, die voor eenige dagen gestorven was. De afgestorvene bad Eusebius, om medelijden met hem te hebben, omdat hij tot do verschrikkelijkste pijnen in het vagevuur veroordeeld was. De oorzaak van zijne straf lag hierin, dat hij aan zijne Oversten dikwijls de fouten van anderen zonder genoegzame liefde en op eene overdreven wijs had bekend gemaakt: daarom werd zijne tong in het bijzonder door een verteerend vuur gefolterd. De Goddelijke barmhartigheid

-ocr page 303-

— 28? —

had door de tusschenkomst van Maria toegestaan, dat hij om zijn gebed kwam smeeken. Hij hoopte dat zijn vroegeren vriend Eusebius hem dit niet kon weigeren. De pater werd door deze woorden tot in het binnenste der ziel getroffen. Hij beloofde den vvensch van den overledene na te komen, begaf zich naar zijn Overste en deelde dezen alles mede. In alle vroegte van den volgenden dag las hij de H. Mis voor do ziel van den afgestorvene, die hem verschenen was en volhardde voor haar iu gebed en boetplegingen. Weldra verscheen zij hem opnieuw met een aan blijdschap stralend gelaat en verkondigde hem, dat zij door zijne gebeden van alle pijnen en folteringen was verlost geworden. \')

\') Alphons de Andrada^ Vita P. Jos. Nierember-gii. S. J. c. 9.

-ocr page 304-

_ \'288

10.

Naar de maat der goede werken, die zij in haar leven verricht hebben, zullen de gelouvige zielen den vagevuurs deel hebben in onze gebeden.

Ieder zal ontvangen naar hetgeen hij in zijn licnaam gedaan heeft, hetzij goed ot\' kwaad. 2. Gor. 5: 10.

De Goddelijke rechtvaardigheid veroordeelt de mensclicn tot zwaardere of mindere straflen naar het getal en oc boosheid der bedrevene zonden. Wie in zijn leven zich onbarmhartig jegens dc armen heeft gedragen, zal na zijn dood medelijden noch barmhartigheid vinden. Wie zijn lichaam afgodisch vereert, aan dat lichaam geenen lust, geen verlangen ontzegt, zal de smartvolste pijnen zonder de minste verlichting moeten lijden. Integendeel dc barmhartige , milddadige mensch zal in het vagevuur voor zijne verdienstvolle aalmoezen leniging, de boetvaardige ziel voor hare zelfverloocheningen troost en verkwikking in het lijden vindon.

-ocr page 305-

— 289 —

De Duitsche keizer Otto IV was een grootmoedige weldoener van alle kloosters en streng, zeer streng ten opzichte van zich zeiven geweest. Daarom vond hij groote verlichting in de pijnen van het vagevuur door de gebeden der dankbare kloosterlingen, ja zelfs eene spoedige verlossing. De keizer was zeer godvruchtig gestorven en iedereen dacht, dat deze in den hemel ware. Maar op zekeren dag verscheen hij aan zijne tante, die abdis van een klooster was en smeekte haar voor hem te willen bidden. Dien morgen stond zij bij het raam der spreekkamer. Eensklaps hoorde zij aan de deur kloppen, terstond opende deze zich en zie! de keizer trad biddend binnen: »Ik ben het andere leven in-sgegaan, zeide hij op den smartvolsten »toon, en word gefolterd in de vlam-»men van het vagevuur. Ach, indien »gij slechts een weinig medelijden met «mij hebt, zoo bewijs het mij, ik be-»zweer het u. Zet de kloosters hiervan sin kennis, noodig ze uit om voor mij »te bidden: meermaals moeien de «kloosterlingen den psalter voor mij «bidden en zich geesclen gedurende het Geloovige zielen 19

-ocr page 306-

— 290 —

D— de profundis — bovendien zeer «dikwijls herhalen den — onze Vader — »eri het — wees gegroet. Deze vrij-»willige voldoeningen zullen mij reini-sgen, hiervan ben ik overtuigd; want »aan de geestelijke Orden heb ik veel »goeds gedaan en God wil mij door »liaar bevrijden.quot; — De keizer mocht in waarheid zoo spreken, want een jaar voor zijnen dood had hij bij een grooten hongersnood alle kloosters geholpen door de rijkste liefdegiften.

De abdis gaf hiervan bericht aan alle kloosters en overal begon men dadelijk de gewenschte gebeden te storten en de verlangde boetewerken te verrichten. Na een dag of vier verscheen de afgestorvene wederom aan zijne tante op dezelfde plaats, maar in eene veranderde gestalte. Hij was van een hemelseii licht omgeven, dat door zijn schitterenden glans de oogen verblindde. Hij dankte haar met de roerendste woorden en wenschte den rijksten zegen aan zijne weldoeners, die door hunne gebeden hem den hemel hadden binnengeleid. *)

\') Thorn Cant. i. 2. Anum c. 35. n. 19. — The-ophyl. Rayn. 1. c, p. 2. 1.3. p. 6. q. 6.

-ocr page 307-

— 291 —

H.

Maria voert op den feestdag harer hemelvaart vele zielen ten hemel.

Opvarend tiaar den hooRe, heeft hij de gevangenschap gevangen gevoerd. Ephes. 4; 8.

De apostel prijst den triumf des Verlossers, die op den dag van zijne hemelvaart de zielen, die in het voorgebergte der hel reikhalzend naar zijne komst nitzagen, met zich ten hemel opnam: »Hij is opgevaren naar den shooge, en heeft de gevangenschap «gevangen gevoerd. (Ephes. 4; 8.)quot; Gerson looft de gezegende Moeder

Ivan God op dezelfde wijs zeggende; »Zij trad in het rijk van haren zoon, «gevolgd van eene talrijke schare ver-»loste zielen uit het vagevuur en ieder «jaar bevrijdt zij op den feestdag van «hare hemelvaart eene groote menigte.quot; De H. Petrus Damianus bevestigt deze meening door het verhaal der volgende verschijning.van God op dezelfde wijs zeggende; »Zij trad in het rijk van haren zoon, «gevolgd van eene talrijke schare ver-»loste zielen uit het vagevuur en ieder «jaar bevrijdt zij op den feestdag van «hare hemelvaart eene groote menigte.quot; De H. Petrus Damianus bevestigt deze meening door het verhaal der volgende verschijning.

Bij het Romeinsche volk bestond de schoone gewoonte om in den nacht

-ocr page 308-

— 292 —

van Maria-Hemelvaart met brandende kaarsen in de handen de hoofdkerken der stad te bezoeken. Onder deze menigte bevond zich eens eene zeer vrome dame. Toen deze dame op zekeren dag de kerk »Ara coeliquot; was ingegaan en ter nauwernood op de knieën zat, zag zij op een kleinen afstand eene haar welbekende vrouw, die sedert een jaar gestorven was. Over dit wederzien was zij ten hoogste verwonderd. Gaarne hadde zij de overledene aangesproken maar het was zeer moeielijk om door de volksmenigte heen te dringen. Derhalve plaatste zij zich in een hoek der kerk in de nabijheid der deur. Zoodra de overledene haar naderde, vatte zij de hand van deze zeggende: »Zijt gij niet mijne meter Marozia?quot; ».Ta,quot; hernam de verschijning, »ik ben het.quot; »Maar »hoe komt het, dat ik u heden onder »de levenden terugvind, daar gij toch «verleden jaar gestorven zijt? Waar ))zijt gij nu?quot;

«Tot heden,quot; zoo luidde het antwoord, »heb ik de vreeselijkste pijnen in het gt;1 vagevuur moeten verduren, omdat ik ))veel gezondigd had. In mijne jeugd

-ocr page 309-

— 293 —

»beminde ik ijdelen tooi en wereldschen »praal, nuttelooze gesprekken met mijne »vriendinnen en gaf mij daarenboven «over aan verkeerde neigingen. Wel is swaar heb ik die zonden dikwijls ge-»biecht en ofschoon God mij de eeuwige «schuld heeft vergeven, dan toch moest sik de welverdiende tijdelijke straf af-))boeten: het vagevuur met zijn naam-sloos lijden was mijn lot. Op het huidig sfeest heeft de koningin des hemels, vol «medelijden jegens de lijdende zielen in ))het vagevuur den strengen Hechter «gebeden èn mij èn vele andere zielen «de genade verworven om op den feest-»dag barer Hemelvaart het hemelsch «paradijs in te gaan. Door hare mach-»tige voorspraak zijn heden meer zielen «verlost dan de stad Rome inwoners telt. «Daarom bezoeken wij allen heden, gij «ziet mij slechts, vele anderen zijn nog «bij mij , de aan Maria toegewijde «heiligdommen, ten einde haar naar «best vermogen te bedanken en hare «barmhartigheid te lofprijzen.quot;

De dame gevoelde zich zeer getroffen dooi\' deze woorden, maar wist niet of zij aan het gezegde mocht geloof

-ocr page 310-

— 294 —

schenken. Marozia bemerkte dit en voegde er bij: »Opdat gij niet twijfelt »aan de -waarheid mijner woorden, «luister naar het volgende: gij zult »het toekomende jaar op het feest van ))Maria-Hemelvaart sterven. Leeft gij »langer dan den genoemden dag, dan «betracht alles wat gij nu gehoord en «gezien hebt als ijdele inbeelding, her-ssenschimmen en begoochelingswerk.quot; De verschijning verdween na deze woorden.

De dame bleef nog eenigen tijd in de kerk, en zij twijfelde geen oogenblik meer aan de groote genade, die God haar door deze vermaning had laten ten deel vallen. Terstond zeide zij vaarwel aan de ijdclheden der wereld, kleedde zich eenvoudig, droeg een boetegordel, bracht hare laatste levensdagen door in stille afzondering en strenge versterving en naderde zeer dikwijls tot de heilige Sacramenten van biecht en Communie. Op deze wijs hoopte zij de straften des vagevuurs, die zij docr hare zonden verdiend had, te verkorten.

Op de vigilie van het feest werd zij krank tot stervens toe en weldra be-

-ocr page 311-

— 295 —

vond zij zich aan den rand van het graf. Op den feestdag van Maria-Hemelvaart overleed zij in de zoete hoop, dat zij na haren dood de kracht der moederlijke goedheid van Maria zoude ondervinden. *)

12.

Het goede, dat wij in ons leven hebben gedaan, wovdt na den dooi rijkelijk beloond.

Doe goed aan uwen vriend voor den dood. Geef en neem en heilig uwe ziel. Sir. 14: 13. 16.

Wij hebben reeds gelezen op welke wijs een keizer na zijnen dood voor het goed dat hij den kloosters bewezen had, beloond werd. Paus Benedictus VIII voedde eene groote liefde voor \'t klooster Clugny en droeg den H. abt Odilo eene bijzondere vereering toe. Hij bewonderde zijne groote vroomheid en in het bijzonder zijne oprechte godsvrucht tot de geloovige zielen in het vagevuur.

\') S.Petr. Damiani, Opus. 31. p. 2. c. 3~Theopb. Rayn. Hel. Spir. p. ü. ». 3, p. 3. P

-ocr page 312-

— \'296 —

Aan dezen abt zou liet feest van allerzielendag zijn oorsprong te danken hebben. De paus verleende den H. Odilo de voornaamste voorrechten en bestreed alle onkosten, toen de H. abt naar Rome kwam, om de graven der heilige martelaren te bezoeken.

Na zijn dood ontving de paus het loon voor deze heilige getrouwe vriendschap. Eenige dagen na zijne teraardebestelling verscheen hij aan Joannes, bisschop van Porto, en deelde dezen mede, dat hij tot een naamloos lijden was veroordeeld, omdat zijn levenswandel niet beantwoord had aan de verhevenheid en de waardigheid van zijn ambt, doch hij hoopte verlichting, indien de abt Odilo voor hem bad: »lk bid u,quot; zoo sprak hij verder, »geef »hem kennis van mijnen toestand. Zeg stot mijnen opvolger Joannes, dat hij «onmiddelijk eenen bode naar Clugny «zonde, om de vrome kloosterlingen uit »te noodigen voor mij te willen bidden.quot;

Nauwelijks had Odilo de boodschap ontvangen, of hij schreef in zijn klooster buitengewone boetewerken en talrijke gebeden voor tot lafenis van de ziel

-ocr page 313-

— 297 —

van den afgestorvenen weldoener. Ook in onderscheidene andere kloosters van zijne Orde gaf hij hetzelfde bevel en allen begonnen te zamen met onver-moeizamen ijver te bidden; tevens werd zeer dikwijls het H. Misoffer voor den overledene paus opgedragen.

Deze heilige oefeningen hadden slechts eenige dagen plaats gevonden, of Edelhert, procurator en aalmoezen-verzorger des kloosters werd met eene verschijning begunstigd. Het scheen hem toe alsof eene eerbiedwaardige gestalte do kapittelzaal binnentrad. Een heerlijke mantel schitterende aan edelgesteenten en parels golfden haar om de schouders: eene groote menigte mannen in witte kleederen kwamen haar achterna. Zij naderden onverwijld de zitplaats van den abt, bogen zich neder voor den H. Odilo tot op de aarde, alsof zij hem en zijne monniken wilden dankzeggen voor eene bijzondere genade.

Edelhert was op dien aanblik ten hoogste verwonderd en wenschte van harte den naam te kennen van den hem onbekenden persoon. Eensklaps hoorde hij duidelijk de volgenden woor-

-ocr page 314-

— 298 —

don: sDeze is paus Benedictus, die door suwe gebeden en die van uwen H. abt »uit het vagevuur is bevrijd geworden.quot; Alvorens zijne intrede in den hemel te doen, wilde hij hier komen, om zijne weldoeners te bedanken en hun te verzekeren, dat hij voor den troon van God hun voorspreker zoude zijn. 1)

13.

Groot en hevig zijn de pijnen in het vagevuur.

Hij loutert ze als goud en zilver. Ma lach 3: 3.

Seneca, een beroemd wijsgeer dei-oude tijden, was van gevoelen, dat het lijden van dit leven den wijze niet mocht ter aarde drukken: want, zeide hij, is het klein, dan is het niet de moeite waard om er over te spreken, en is het groot, dan is het van korten duur. Helaas! dit kan men niet zeggen van het lijden in het vagevuur, waar de smarten en folteringen even aan-

1

Vincent. Bellov. Spec. Hist. 1. 24. c. 105 Tiie-oph. Rayn. 1. o. p. 2. 8. 1. p. 7.

-ocr page 315-

— 299 —

houdend als hevig zijn. Daar schijnen de uren dagen, de dagen maanden, de maanden jaren te zijn en de jaren eene eeuwigheid. In het vagevuur zal volgens de uitspraak van Thomas a Kempis eene uur hjdens onverdragelijker zijn, dan honderd jaren op deze wereld doorgebracht in de beoefening der strengste boetvaardigheid.

Een vreeselijk bewijs vinden wij opgeteekend in de annalen van de paters Kapucijnen. Pater Hippolytus de Scalvo, een groot dienaar Gods, was met eene oprechte liefde voor zijne medemenschen als ook jegens de lijders in het vao-e-vuur bezield. Dikwijls bracht hij zijne gebeden en verstervingen voor de zielen in het vagevuur ten offer en trachtte door liartroerende en boeiende sermonen m de harten zijner toehoorders dezelfde liefde op te wekken. Hij wilde dat de eerstelingen van den dag haar toebehoorden. Terstond na het opstaan bad hij de getijden der overledenen voor haai en liet niet na den geheelen da^ van den vroegen morgen tot den laten avond voor de leniging harer smarten of harer verlossing te werken. Hij had

-ocr page 316-

— 300 —

slechts een onvolmaakt begrip van de verschrikkelijke pijnen des vagevuurs. Door het volgend visioen leerde hij de volle waarheid kennen.

Hij was in de hoedanigheid van Ge-neraal-hevolmachtigde naar Vlaanderen gereisd, om daar waai- valsche leeringen en ketterijen ingang hadden gevonden, eenige kloosters op te richten om \'t ware geloof\' te verdedigen en te verbreiden. Toen hij zijne zending volbracht had, werd hij in een der kloosters tot guar-diaan en novicenmeester aangesteld. Met een nauwgezet geweten en eene groote zorgvuldigheid kweet hij zich van de plichten van dit dubbel ambt en was slechts bemoeid, om de jonge kloosterlingen in alle deugden van hunnen staat in te wijden en ze tot volmaaktheid op te voeren. Een onder hen maakte grooten voortgang op den weg der heiligheid, toen hij eensklaps door eene doodelijke ziekte aan het ziekebed werd gekluisterd. Ongelukkiger wijs was de pater afwezig en konde den zieke zijn zegen noch de laatste absolutie geven voor den ras naderenden dood. Dit deed hem bitter leed en zette hem aan.

-ocr page 317-

— 301 —

om mot nog meer ijver en grootero volharding dan gewoonlijk te bidden voor de rust der ziel van den ontslapene, die het eerste jaar van het noviciaat nog niet voleind had. In den eersten nacht na den dood van den jongeling was hij na het officie in de kez\'k teruggebleven om te bidden. Hij was geheel in zijne betrachting verslonden, toen hij eensklaps den overledene langs wien de vlammen omhoog warrelden zag voor zich staan. De stem deed allen twijfel verdwijnen. De jongeling wendde zich met luid gestenn en geklaag tot zijn vroegeren Overste en klaagde zich aan over eene kleine begane fout: sMijn vader, gij die zoo »vol liefde en barmhartigheid zijt, o-eef »mij uwen zegen om mij uit de folte-»ringen, die ik voor mijne ongetrouw-»heid lijden moet, te verlossen, bovendien »leg me eene boete op; de goedertieren ».lesus laat toe dat ik ze volbreno-e: »Hij heeft mc tot u gezonden.quot; D

Pater guardiaan ontstelde met hevige ontzetting: kommer, medelijden, afschrik maakten zich van zijn hart meester en vurig wenschte hij, dat die geest hem

-ocr page 318-

— 302 —

mocht verlaten: daarom hernam hij spoedig: In zoover het in mijne macht sis, ontsla ik u van uwe zonden en »zegen u: en wijl ik, gelijk gij zegt, »ook de boete bepalen moet, zoo leg »ik ii op om tot aan de prime (omstreeks 8 uren \'s morgens) in het va-s ge vuur te blijven.quot; De goede pater dacht dat hij uiterst goed geweest was, omdat hij zoo weinige uren van lijden als boete had opgelegd: maar de jongeling was als door den bliksen getroffen geheel en al terneergeslagen. Met luider stem riep hij: »0 vader, gij hebt een sonmeedoogend hart en geen medeslijden met uw ongelukkigen zoon. sWel hoe, zoo streng bestraft gij eenc »fout, voor welke gij mij in mijn leven «slechts eene lichte geeseling zbudet opgelegd hebben? Neen, gij hebt geen begrip gt;)van de folteringen in het vagevuur.quot;

Na deze woorden verdween de verschijning. De pater echter gevoelde dat hem de haren te berge rezen. Berouw, verwondering en vrees voerden in zijn hart onderling strijd. Hij dacht na op een middel, om zijne uitspraak te veranderen. God gaf hem de gedachte in

-ocr page 319-

— 303 —

om de broeders tot het koorgebed samen te roepen. Toon allo paters, de ge-heele communauteit, verzameld waren, verhaalde hij hun het gebeurde en beval terstond in weerwil van hot vroege en ongewone uur het officie te bidden. Op staanden voet begon men met de prime. —

Gedurende de vijf en twintig jaren, die hij nog leefde konde hij de \'herinnering aan dien nacht niet uit zijn geest verbannen en in zijne preeken herhaalde hij dikwijls de woorden van den H. Ansel-mus: De kleinste pijn van het vagevuur is grootor, oneindig grooter dar. do grootste smart in het leven op tie aarde. \')

14.

De vrees voor het vagevuar beteugelt de zinnelijkheid.

Die in wellust geleefd hebben, zullen van verre slaan uit vrees hunner kwalen. Apoc. 18: 9 10.

De gedachte aan het smartvolle lij-

n 13 quot; ^arce11, Me\'iscon. Annal. Capuc. a. 1(518

-ocr page 320-

— 304 —

den, dat wij eens voor een weekelijk en zinnelijk leven moeten verduren, is een sterk scliild tegen de aanlokkingen des vleesches. Ieder redelijk mensch, moet in de bekoringen met een H. monnik uitroepen: »Kort is de lust, seemvig de straf, \'t Is slechts een «strijd van een oogenblik, die mij moei-»lijk valt; strijd ik niet, dan wacht ))mij eindelooze smart!quot; — Dezelfde woorden zeide ook een overledene tot den eerw. Stanislaus Choscoca, een uitstekenden man uit de orde der Do-minikanen. Op zekeren avond bad hij in den tuin den rozenkrans, toen hij naast zich hoorde kreunen en klagen. Hij keek naar alle kanten rond, zag echter niemand en vroeg: «Wie jammert hier »zoo bitter? Kan ik wellicht iets voor »u doen?quot; — Geen antwoord, alleen nieuwe zuchten en nieuwe klachten. Stanislaus in de gedachte, dat de booze geest hem door een list in het gebed wilde verstoren, maakt het kruisteeken zeggende: »In den naam van Jesus »Christus beveel ik u te zeggen , wie »gij zijt en wat gij begeert.quot; Hierop hoorde hij de woorden: »Ik ben eene

-ocr page 321-

— 305 —

»ziol uit het vagevuur; op deze plaats «moet ik mijne zonden af boeten: ik »lijd vreeselijk. Indien de christenen «slechts een flauw begrip hadden van »de pijnen, waarmede de zonden in do «eeuwigheid gestraft worden, dan zou-))den zij elk wereldsch genot vluchten. ))God gelast mij u het volgende te «zeggen, opdat gij hot oVeral verkon-»diget: ook de kleinste overtredingen «der Goddelijke wet worden in het «andere leven streng gestraft; voor «deze bedriegelijke, korte vreugde moesten wij naamloos lijden.quot;

Dezelfde geschiedschrijver vermeldt niet of het dezelfde ziel geweest is, die nog eenmaal aan pater Stanislaus is verschenen. Hij verhaalt slechts, dat de pater bij den aanblik der vurige vlammen wenschte te vernemen, of dat vuur vrecselijker was dan het vuur der aarde? De ziel gaf hem ten antwoord: «Het «laatste is met het eerste vergeleken «slechts een verfrisschende wind.quot; En wijl de pater nog twijfelde, voegde hij er bij: »Ik zou het wel eens willen «beproeven, als het mogelijk is, doch «onder voorwaarde, dat mijn toekomstig

20

-ocr page 322-

— 30(3 —

«lijden in het vagevuur daardoor ver-«minderd wordt.quot; —

»Achquot; hernam de ziel, »een mensch sis niet in staat om een gedeelte van sonze smarten te verdragen. Wanneer »gij u echter overtuigen wilt, steek ))dan uwe hand tot mij uit, ik ben er »zeker van, na deze proeve zult gij «alles aanwenden om onze folteringen »te ontgaan.quot; Stanislaus stak onverschrokken de hand uit en de overledene liet een brandenden zweetdroppel op de hand van den pater vallen. De smart hierdoor veroorzaakt was zoo onverdra-gelijk, dat de pater een gil uitstiet en bewusteloos ter aarde viel. De kloosterbroeders snelden toe en verpleegden hem met de meeste zorg. Na verscheidene geneesmiddelen te hebben aangewend kwam Stanislaus wederom tot zich. Toen men hem ondervroeg over \'t geen hem overkomen was, verhaalde hij het toeval met aandoenlijke woorden: hij vervulde allen met eene heilzame vrees en eene diepe verachting voor de wereld en hare ijdele vreugden. Tegelijk bad hij zijne medebroeders dit leerrijk, vreesaanjagend voorval overal

-ocr page 323-

— 307 —

te verhalen, om daardoor anderen te waarschuwen en te behoeden voor het lijden van het toekomstig leven.

Stanislaus leefde nog een jaar, maar was steeds lijdend aan de bekomen smartelijke wonde. In zijn sterfuur herhaalde hij andermaal zijn verhaal, terwijl hij in de harten zijner medebroeders trachtte op te wekken vrees voor de oordeelen Gods en te bewijzen de noodzakelijkheid van boetvaardigheid op deze wereld.

Deze gebeurtenis had eene heilzame uitwerking niet alleen in dit convent, maar ook in alle andere kloosters. Eenieder vernieuwde en vermeerderde zijne goede voornemens, bestreed moedig de geringste fouten, riep met grootere godsvrucht en dieperen ootmoed de hulp Gods aan en velde een strenger oordeel over zich zeiven, alvorens de heilige Sacramenten te ontvangen. 1)

1

P. Jac. Hautin, S. J. Patroc. anim. I. 1. c. 6.

-ocr page 324-

— 308 —

15.

Smartvol geklaag der geloovige zielen in het vagevuur.

Eene stem is gehoord van geklaag, geween en veel geschrei. Jerem. 31: 15.

De tiran Dionysius had in zijne vindingrijke wreedheid eene onderaardsche gevangenis doen bouwen met groote onkosten. Hierin kon men noch spreken, noch zuchten, noch klagen zonder dat dit alles vernomen en gehoord werd door eene opening, die in de zoldering op eene kunstmatige wijze was aangebracht. Welke jammerkreten en klaagtonen moesten daar de ooren der bespiedende wachters treilen. Een vader klaagt over zijn kind, een broeder over den broeder, eene vrouw over haren echtgenoot, dat zij hen gruwzaam vergeten en hunner niet indachtig zijn.

Treffen wij niet een zelfde beeld aan in het vagevuur? Hoe vele ongelukkige zielen mogen met recht klagen over hunne ontaarde erfgenamen, die hunner niet meer indachtig zijn, niet het kortste

-ocr page 325-

— 309 -

gebed storten, noch de geringste versterving voor hen opofferen, geen penning ais aalmoes geven en nooit eene H. Mis laten lezen tot lafenis of troost hunner zielen!

De beroemde kanselier van de Universiteit te Parijs, Joannes Gerson, een even geleerd als heilig man, deelt ons de woorden mede, welke eene overledene moeder door de toelating van God tot haar ondankbaar kind sprak: «Mijn »zoon, mijn dierbare zoon! denk toch »een weinig aan uwe arme moeder. »Aanhoor mijn geklaag en mijn gesmeek. »Zie de smarten, waarmede de Heer «mij heeft getroffen; betracht den vu-jmgen kerker, waar een verteerend svuur mij verslindt; mag uwe liefde »klein, ja gering zijn, kom mij toch »to hulp in deze onverdragelijke folte-»ringon, wier hevigheid geen verstand »kan begrijpen, geene tong vermag uit »te drukken. Bied mij uwe hulprijke shand en verlos mij door uwe gebeden, «aalmoezen en verstervingen. Eene en-»kele traan, voor uwe arme moeder «vergoten, is wellicht voldoende en «toereikend, om de mij verteerende

-ocr page 326-

— 310 —

«vlammen uitte blusschen of ten minste share kracht te verzachten. Ach, hoe »kaii een zoon weigeren of talmen, om »zijne moeder tc helpen! Toen ik nog sin leven was, toondet gij u altijd be-sminnenswaardig, gehoorzaam, dank-sbaar; altijrl waart gij bereid om alles »voor mij te doen. Hoe komt het toch, »dat gij nu liefdeloos, vergeetachtig, «ondankbaar zijt, gij, die mij op het «sterfbed onder tranen de heiligste be-«loften deedt, gij, die u onder eed yer-«plichtet alles te doen tot lafenis mijner «ziel? Waarom hebt gij mij slechts «gedurende mijn aardsch leven bemind? «Ben ik nu uwe moeder niet meer? «Zijt gij nu ontslagen van de plichten, «die gij als christen zoon te vervullen «hebt? Ach, indien in uw hart slechts «eene vonk liefde glimt, hoor dan mijne «zuchten, heb medelijden mot mijne «folteringen, help mij! Want indien de «zoon zijne moeder vergeet, tot wien «zal ik mij dan wenden?quot;

Wij laten op de jammerklachten eener moeder de klaagtonen van een zoon volgen. In de levens der Heiligen lezen we, dat eene moeder over het

-ocr page 327-

— 311 —

vroegtijdig verlies van haren zoon, die het beste beloofd had, ontroostbaar was. Zij weende zich bijna blind, zoodat op haar van toepassing waren de woorden van den propheet Jeremias: Vs nachts »weende zij zonder ophouden en hare ))tranen liepen over hare wangen.quot; (Je-rem. ] : 2.) Deze naamlooze kommer baatte den overledene niet, omdat de arme moeder in hare overmatige smart den zoon vergat in hare gebeden, aalmoezen en verstervingen en nooit eene zielemis tot lafenis zijner ziel liet lezen. De zoon werd gefolterd en gepijnigd in het vagevuur en klaagde bitter over de nuttelooze, natuurlijke en menschelijke liefde, die hem in geenen deele helpen kon. Hij verzocht God, om zijne moeder te mogen verschijnen, ten einde haar tot eene werkzame liefde te bewegen. God verhoorde den zoon en begunstigde de moeder met een visioen. Zij zag een groot aantal jongelingen, die eene prachtige stad naderden. In aller haast zocht zij naar haar kind en werkelijk zij zag haar zoon. Hij was de laatste en sleepte zich moeizaam voort, omdat zijne kleederen druipnat waren en den gang zeer

-ocr page 328-

- 3i2 -

verzwaarden. Door medelijden bewogen riep de moeder; »Mijn kind, mijn zoon, »waarom volgt gij die schitterende «schaar achterna? Ik zag u gaarne »aan het spits uwer lotgenooten.quot;

De zoon antwoordde zuchtend: »Lieve »moeder, de nnttelooze tranen, die gij som mijn verlies weent, doen mij ach-»terblijven. Ween niet meer en droog »uwe tranen af: geef u niet meer »over aan eene onvruchtbare en blinde »smart, maar heb goeden moed; hebt »gij mij waarlijk en werkelijk lief, «wilt gij mij den hemel openen, dan »moet gij mij toevoegen alle de ver-«diensten uwer goede werken, laat H. «Missen voor mij lezen, geef aalmoezen »en bid veel voor mij. Hierdoor alleen «kunt gij mij uwe moederlijke liefde «bewijzen: gij zult mij uit de zui-«veringsplaats verlossen en het hemelsch «paradijs binnenvoeren, waar ik onseindig gelukkiger ben dan op de «wereld.quot;

De verschijning verdween maar maakte oen diepen en heilzamen indruk op het hart der moeder. Van af dit oogenblik leerde de droevige moeder haren plicht

-ocr page 329-

— 313 -

beter beseffen en was zij er slechts op bedacht om dien met alle mogelijke zorg en nauwgezetheid te vervullen. *)

46.

De grootste straf in het vagevuur is de derving van Gods aanschijn.

Mijne ziel dorst naar God, den sterken levenden bod: wanneer zal ik komen en verschijnen voor het aangezicht van God. Ps. 41: 2.

Wijl de tijdelijke straffen in het andere leven naar de mate der schuld van een ieder in het bijzonder verschillend zijn, daarom leeraren beroemde Godgeleerden, dat eenige zielen in het vagevuur slechts gestraft worden door

O O mt

de derving van Gods aanschijn en geene andere lichamelijke of zielesmart te verduren hebben. Eene verschijning der allerheiligste maagd Maria aan de H. Birgitta versterkt hen in hun gevoelen. Deze groote dienares Gods zag in dit visioen, dat een bijzonder vagevuur be-

•j Tliom. Canlipr 1. 2. Apum, c. 53 i). 17.

-ocr page 330-

— 314 —

stond voor de verlangens der ziel , waarin zij, die gedurende hun leven op de aarde onverschillig jegens God geweest waren, een tijd lang gestraft werden met de berooving van Gods aanschijn. Deze tuchtiging is allersmart-volst: de zielen gevoelen dat zij in God alleen hare rust, hare zaligheid vinden, ter wij I eene even machtige kracht haar steeds van God verwijderd houdt. Verschillende zielen hebben in hare verschijningen veropenbaard hoe ontzettend groot deze straf is. — De volgende gebeurtenis onderzocht en waar bevonden door den vikaris-generaal van den keurvorst van Trier had plaats in het groothertogdom Luxemburg.

Op allerhciligendag zag een vroom meisje eensklaps de ziel oener dame, die kort te voren overleden was. De dame zeide haar, dat hare smartelijkste pijnen in het vagevuur bestonden in de berooving van het zaligend aanschouwen van God. Zij was gekleed in witte kleederen, gehuld in een witten sluier en droeg een rozenkrans in hare hand. Zoo verscheen zij meermalen in het bijzonder in de kerk, waar zij naast

-ocr page 331-

— 315 —

liet meisje knielde en de geboden volgde met de grootste aandacht en den diep-sten eerbied, \'t Was gedurende de H.Mis: bij de Consecratie straalde haar gelaat van heilige liefde en vreugde, zoodat het bevoorrecht meisje vol verwondering verklaarde, dat zij nooit iets schooners had gezien. Waarschijnlijk had zij de kerken tot hare woonplaats verkozen, omdat Jesus, naar wiens aanblik zij reikhalsde daar tegenwoordig was onder de gedaante van brood. In alle geval wilde zij zijne tegenwoordigheid genieten, omdat het haar nog niet vergund was, Jesus van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen. Bovendien kon zij nergens beter dan in de kerk aan de verlangens harer vriendin beantwoorden. Deze bad onverpoosd voor haar en liet dikwijls aan het altaar der Moeder Gods stille H. Missen lezen tot lafenis harer ziel. Op zekeren dag was het brave meisje met andere vriendinnen bezig de sieraden van het Moedergodsbeeld te verwisselen. Allen kusten de voeten van het beeld, terwijl eenige harer jeugdige vriendinnen haar aanzetten de voeten van Maria nogmaals te kussca in plaats

-ocr page 332-

— 316 —

van de ziel, die haar af en toe verscheen. Zij deed het. Op hetzelfde oogenblik zag zij de afgestorvene, die haar vriendelijk bedankte en verzocht drie H. Missen te laten lezen, omdat zij ze beloofd had, maar aan bare belofte was te kort gebleven: daarom moest zij nog meer lijden. Toon het meisje na het bijwonen der derde H. Mis de kerk wilde verlaten, zag zij de ziel met een aan blijdschap stralend gelaat toesnellen. Deze stak hare armen uit, alsof zij hare weldoenster, die hare pijnen had verkort en verminderd wilde omhelzen. Op dezen aanblik knielde het meisje en bad met uitgestrekte armen vijf onze vader en vijf wees gegroetjes ter eere van de vijf wonden des Verlossers. De overledene kwam al nadelen nader en hield hare armen uitgestrekt, totdat het meisje haar gebed had geëindigd.

De lijdende ziel betuigde hare weldoenster op verschillende manieren haren dank en gaf haar vaak gewichtige wenken. Zoo zeide zij haar, dat zij nooit eene gelofte mocht doen zonder de volkomene zekerheid te hebben deze ten uitvoer te kunnen leggen, omdat

-ocr page 333-

— 317 —

öod strenge rekenschap vordert van de volbrenging der Hem gedane gelofte.

Verder waarschuwde zij haar met allen ernst tegen elke, ja de kleinste leugen, omdat deze is een gruwel in de oogen van God, die de eeuwige waarheid is. Dan zette zij haar aan tot eene kinderlijke godsvrucht ter eere van Maria en in het bijzonder ter ver-eering van de zeven smarten, die de moeder van God leed op den Calvarieberg, toen zij aan de voeten van het kruis stond met een bloedend hart en de wonden van haren zoon betrachtte. ))Ieder keer,quot; zoo zeide de ziel, »als gij »een beeld van Maria ziet, herhaal de »drie volgende beden van de litanie ))van Lorette: «wonderbare Moeder, «troosteres der bedrukten, koningin van «alle Heiligen.quot; Hoe meer gij deze «verhevene beschermster der christenen «bemint, hoe trouwer en ijveriger gij «haar dient, des te machtigere voor-«spreekster zal zij voor u zijn in de «verschrikkelijke oogenblikken des oor-«deels.quot; Ten slotte beval de ziel haar, dat zij alle gebeden en goede werken voor de lijdende zielen in het vagevuur

-ocr page 334-

- 318 —

moest opofferen, omdat haar daardoor eene groote verlichting ten deel viel.

Toen de ziel op zekeren morgen het jonge meisje in dezer voege onderrichtte, klonk aan een nabijzijnd altaar het teeken der Consecratie; onmiddelijk begaf de dame zich derwaarts en boog zich aanbiddend ter aarde: iederen keer ook boog zij hot hoofd bij het uitspreken der namen Jcsus en Maria.

Door de bijna dagelijksche verschijningen was eene groote vertrouwlijk-heid ontstaan tnsschen dc ziel en bet meisje. Dit laatste wist zeer wel, hoe gelukkig hare vriendin uit de andere wereld was, wanneer het de H. Sacramenten mocht ontvangen. Op zekeren dag noodigde de dame het meisje uit om den derden december, feestdag van den H. Franciscus Xaverius de heilige Sacramenten te gaan ontvangen in dc kerk der Jesuieten. De ziel der dame was ook tegenwoordig en bleef steeds zitten aan de zijde van het meisje, totdat het de tamelijk lange dankzegging gedaan had. Het bad veel, zeer veel voor de lijdende ziel, die het hartelijk bedankte, en de blijde boodschap me-

-ocr page 335-

— 319 -

dedcelde, dat haar lijden weldra een einde nam en zij God zou aanschouwen : den achtsten december, den schoonen feestdag der onbevlekte Ontvangenis van Maria, zon zij den hemel ingaan na eerst afscheid van het kind te hebben genomen. Werkelijk op den genoemden dag verscheen zij in zulken stralenden glans, dat hare vriendin niet in staat was de oogen op haar te vestigen. Zij woonde de H. Mis bij, beval haar op nieuw de godsvrucht tot Maria aan en beloofde het kind, dat zij zijne voorspreekster zoude wezen in den hemel en het daar verwachtte. Den tienden december verscheen zij voor den laatsten keer onder het H. Misoffer ; hare glorie schoen nog grooter; eerbiedvol boog zij voor het altaar, groette daarna hare vriendin en snelde ten hemel. Een hemelschbode (men gelooft dat het haar Engelbewaarder was) kwam haar te gemoet, omhelsde haar tee-derlijk en geleidde haar naar den troon der allerheiligste Drievuldigheid. \')

\') Euseb. Nierenberg. De pulchritudineDei, 1.2. c. 11.

-ocr page 336-

— 320 —

17.

De straffen des vagevuurs zijn in evenredigheid der begane fouten.

Hij zal eenieder vergelden naar zijne werken. Matth. 1»gt;: 27.

De heidenen hebben in hunne mythologie over bijzondere straffen gefabeld , die eenige boosdoeners, zooals Tantalus, Tizius voor hunne groote misdaden moesten lijden. In deze fabelen lag iets waars, waarvan de heidenen zich geene rekenschap geven konden.

De H. Corpreus, bisschop van Ierland, was eens na de vespers in de kerk gebleven , toen hij eensklaps een bleek , afgrijselijk, vreemdsoortig gekleed wezen zag voor zich staan. De hals was ringvormig met vlammen omgeven, de schouders waren bedekt met een vuilen, verscheurden mantel. De dienaar Gods was niet verschrikt, want hij wist, dat God de zijnen beschermt. Derhalve zag hij de verschijr.ing aan en vroeg haar, wat zij begeerde; ))Ik »ben de ziel van een ontslapene.quot; — «Waarom zijt gij zoo vreeselijk mis-

-ocr page 337-

— 321 -

xvormd?quot; — Mijne zonden zijn hiervan »de oorzaak. Weet wel, ik ben Mala-»chias, de vroegere koning van Ierland; »in mijn lioog ambt kondeik veel goeds sdoen, maar helaas, ik deed het »niet!quot;

De verstomde bisschop vroeg verder: »Ik dacht, dat gij alle fouten van uw «leven door oprechte boetvaardigheid ï.iiadt afgeboet?quot; — «Ach,quot; antwoordde de ziel, sik wilde geen gehoor geven «aan mijnen biechtvader, maar verlangde, «dat deze aan mijne luimen toegaf en «om dit doel te bereiken, waagde ik het «zelfs hem een gouden ring te schen-»ken. Derhalve omgeeft een vurige ring «mijnen hals; deze veroorzaakt me vree-«selijke smarten en knelt me als een «gevangene. Dc ongetrouwe biechtva-«der kan mij insgelijks niet helpen: hij «draagt een zelfden meer glooiender «halsband en lijdt meer dan ik.quot;

De H. bisschop bewonderde de Goddelijke rechtvaardigheid, die den mensch straft, waardoor deze gezondigd heeft en verlangde te weten. wat den ge-scheurden en vuilen mantel beteekendc ? «Dit armzalig kleedingstuk,quot; hernam

Gcloovige zielen 21

-ocr page 338-

— 322 —

de overledene, «dient tot straf voor ))k

»mijne gevoelloosheid. Op zekeren dag jk ))bad noij een bedelaar om een aalmoes;

»ik zond hem echter tot de koningin, de

»die, omdat zij weinig medelijden be- ygt;c

«zat, den armen man dit soort van »1: »zak gaf, waarmede ik mij nu tot

»mijne beschaming moet kleeden.quot; v( De Heilige vroeg hom verder, waarom

hij verscheen en wat hij begeerde? — »( »Ik werd door booze geesten gefolterd,quot;

luidde het antwoord, »maar het psal- zi

Mnengezang, dat zij haten, heeft ze op d

»de vlucht gejaagd: een oogenblik heb- v

«ben zij me verlaten en God laat toe, k

))dat ik u verschijn om uwe hulp in te lt;!

«roepen.quot; d

Hierop liet de ziel een gil hooren en 1

jammerend zeide zij : »Ach, daar komen i

«mijne beulen terug! Eer ik u echter (

«verlaat, mijn Vader, wil ik u vooraf «voor uwe gebeden en goede werken, «indien gij ze voor mij wilt verrichten, «beloonen: ga op die plaats, daar vindt «gij honderd onsen goud en duizend «onsen zilvers, die ik gedurende de «belegering van Dublin voor de Noor-«rnannen verborgen heb. Van deze som

-ocr page 339-

— 323 —

»kunt ge naar goedvinden gebruik ma-»ken.quot; —

Neen, driewerf neenantwoordde de bisschop, »ik wil niet rijk worden »op deze wereld, mijn schat is in den «hemel. Voor u echter wil ik alles doen, »wat ik vermag.quot; — Na deze belofte verdween de geest zeggende: «Wee, »wee hem, die geen goed doet, zoo lang »de tijd hem daartoe verleend is!quot;

Zoo spoedig mogelijk riep de bisschop zijne domheeren te zamen, deelde hun de verschijning mede en vroeg hun wat men het beste voor die ziel doen kon? Men kwam tot het besluit, dat de bisschop voor den koning en de domheeren voor den biechtvader zouden bidden: daarenboven verplichten zij zich een bepaald getal dagen te vasten, om daardoor aan Gods rechtvaardigheid te voldoen. Zes maanden lang waren zij hunne belofte getrouw nagekomen, zie, daar verschijnt de koning op nieuw aan den bisschop, maar nog niet in den glans van hemelsche glorie.

Op de vraag in wolken toestand hij zich bevond, ontving de bisschop ten

-ocr page 340-

— 324 —

antwoord, dat het wel is waar beter ging, maar nog niet heel goed.

Derhalve volhardde men een geheel jaar in gebed en versterving. Nu verscheen Malachias stralende aan het licht van het hemelsch paradijs. De koning zeide tot den bisschop, dat hij terstond ten hemel ging en bedankte hem van ganscher harte.

Nog voegde hij er bij, dat zijn biechtvader, dank aan de vrome gebeden dei-priesters , den volgenden dag uit het vagevuur verlost werd. Toen de bisschop vroeg, waarom zij beioen niet op denzelfden dag bevrijd werden, antwoordde de koning, dat de gebeden van den H. bisschop aangenamer waren in de oogen van God, dan de vereende gebeden van zijn domkapittel. \')

*i Bolland. Acta Sanctoru tl. Vita S. Corprei, 6 Mart.

-ocr page 341-

— 325 —

18.

Dankbaarheid der zielen in het vagevuur.

Wij willen u goed vergelden, voor \'t geen gij ons bewezen hebt.

I Machab. 10: 27.

De H. Philippus Nerius koesterde eene teedere liefde jegens de geloovige zielen in het vagevuur. Hij bad veel voor haar en schonk haar de verdiensten van alle zijne goede werken; vooral voegde hij ze haar toe wier geestelijke leidsman hij geweest was, want hij was van gevoelen, dat hij haar meer verschuldigd was, omdat hij in zijn priesterlijk ambt aan het heil barer zielen gewerkt had. Hem verschenen vele afgestorvenen, om door zijne gebeden verlost te worden en terstond gedacht hij hunner in zijne gebeden. — Zijn levensbeschrijver verhaalt, dat zijn gebed altijd met een wonderbaren uitslag bekroond werd. De Heilige deed dit met des te meer genoegen, omdat de geloovige zielen in het vagevuur hem merkwaardige, ja wonderbare genaden verwierven. Na zijn dood zat een pater-

-ocr page 342-

— 326 —

Franclskaan te bidden in de kapel, waar zijn lijk was uitgesteld. De ontslapene verscheen hem in het stralend licht der verheerlijking, omgeven van eene schaar van zalige geesten. De liellijke uitdruk van goedheid , die zich in alle trekken van den Heilige aftee-kende, bemoedigde den verbaasden pater, zoodat hij vragen durfde, wie toch zijne begeleiders waren? De Heilige antwoordde: dat het ofwel leden zijner Orde waren of wel zulke, die hem hadden goed bewezen, of wel die hij zelf door zijne gebeden uit het vagevuur had verlost: deze allen kwamen hem te genioet om hem het hemelsch Jerusalem binnen te leiden.

Deze opofferende liefde tot de zielen in het vagevuur ging van den stichter op de ganscbe Orde van het Oratorium over. Pater Magnonte werd niet moede voor de geloovige zielen in het vagevuur te bidden en ook hij, gelijk de H. Philippus Nerius, ondervond dikwijls het gelukkig gevolg zijner vrome gebeden. In de stad Aquila woonde eene juffrouw met name Elisabeth. Rijker aan deugden dan aan aardsche schatten

-ocr page 343-

— 327 —

beklaagde zij zich op zekeren dag, dat zij om hare geringe middelen niet het klooster koude intreden. Zij wenschte slechts eene zaak, namelijk den hemel-schen bruidegom van ganscher harte toe te behooren. De pater zeicle baai-vooraf, dat Jesus haar weldra tot het

Ibruilofsmaal zoude roepen en zij zich daarop moest voorbereiden. En inderdaad het meisje stierf na eene korte

[krankheid den dood der Heiligen. Deze was pas overleden, toen den pater op wonderbare wijze geopenbaard werd, dat zij niet lang in het vagevuur behoefde te lijden. Daarom in plaats van met de familie te treuren, troostte hij haar en wenschte haar geluk, omdat zij weldra eene machtige voorspreekster in ; den hemel zou bezitten.Zijne voorzegging ■ werd waarheid. De ontslapene verscheen ; aan een barer broeders in de schoonste

(heerlijkheid der uitverkorenen zeggende: »Zeg tot mijnen vader, dat hij geene I «aalmoezen behoeft te geven voor de ; «verlossing mijner ziel. Ik zeg pater ; »Magnonte hartelijken dank voor zijn «gebed; hij, de barmhartige vriend »mijner ziel, hij heeft mij verlost.quot;

-ocr page 344-

— 328 —

Dezelfde vrome kloosterling besteedde de beduidende aalmoezen, welke hem ■werden toegezonden, deels voor den armen, deels voor heilige Missen en deels tot lafenis der geloovige zielen. Hij zelf beminde en beoefende de armoede en had in zijne kloostercel eene offerbus, die hij — de bus der zielen — noemde. Zoo volgde hij den Goddelijken Zaligmaker na, van wien de eerw. Beda getuigt dat hij in eene olTerbus de gaven der geloovigen had bewaard om ze onder de armen en zieken te ver-deelen. Bij den overvloed zijner aalmoezen voegde P. Magnonte zijne geboden, zijn vasten, zijne verstervingen, zijn nachtwaken, zijne verzaking aan de wereld en hare ijdelheden. Zijn gloeiende ijver dreef hem zoo ver, dat hij den Heer verzocht, dat deze hem een gedeelte van de pijnen der lijdende zielen zoude geven om haar lijden te verminderen. Zijn heldhaftige wensch ging in vervulling. Hij werd door de gruwzaamste smarten geteisterd, die hem rauwelijks veroorloofden, van plaats te veranderen en toch ondernam hij tot heil der zielen verschillende groote en verre reizen.

-ocr page 345-

— 329 —

— Zoo kan mon met recht op hem toepassen den lof, welken een Romeinsch geschiedschrijver aan een roemrijken veldheer geeft, die ten gevolge van de wonden, die hij in een gevecht had bekomen, hinkend huiswaarts keerde: «Iedere schrede teekent zijn roem.quot;

De zielen in het vagevuur waren hem niet ondankbaar. Een groot deel der talrijke en kostbare genaden, die hem ten deel vielen , dacht Magnonte , dat hij aan hare voorspraak te danken had. God had hem begiftigd met de gave van in de toekomst te lezen, verborgen en geheime zonden te ontdekken en de listen van Satan te verijdelen. Daar echter de wereld meestal grooter gewicht hecht aan de voordee-len van liet tegenwoordig leven dan aan de goederen van het toekomstige, zoo wil ik hier verhalen op welke merkwaardig wijs P. Magnonte dooide voorspraak der lijdende zielen uit een groot gevaar gered werd.

Hij was op de terugreis van zijne bedevaart naar Loretto en bevond zich te Norcia, in de nabijheid van een beroemd heiligdom van Maria, in weerwil

-ocr page 346-

— 330 —

van alle tegenwerpingen en waarschuwingen zijner reisgenooten, wilde hij daar stilhouden en het H. Misoffer volgens zijne gewone intentie opdragen voor de geloovige zielen. Na gedane dankzegging reisde men verder. Men moest eene gevaarlijke landstreek doortrekken , waar verscheidene moorden waren gepleegd worden. Het geheel gezelschap viel in de handen der roevers: alle reizigers werden in ketenen geklonken en aan boomen gebonden, om de weerloozen te kunnen uitschudden en kwellen. In dit oogenbik verschenen op den naasten berg twee kinderen, die luid om hulp schreeuwden voor de gevangenen, juist als of zij de geheele omstreek wilden te zamen roepen.

De roovers twaalf in getal vuurden op de kinderen. Maar te vergeefs; deze kwamen zonder de minste vrees al nader en nader bij en verdubbelden hun hulpgeschreeuw. De roovers namen de vlucht als dooi- eene hoogere macht gedreven. De kinders bevrijdden de gevangenen van de boeien en voerden ze op den rechten weg. Daarna verdwenen

-ocr page 347-

— 331 —

zij plotseling, zonder dat iemand wist, wie zij waren of van waar zij gekomen waren. De H. pater ecliter geloofde zeker, dat zij hunne bevrijding te danken hadden aan do geloovige zielen in het vagevuur en God toegelaten had, dat deze in de gedaante van een kind hun waren te hulp gesneld, om de leer van het Evangelie te bevestigen: »Indien gij niet aan kinderen »gelijk wordt, kunt gij het rijk der «hemelen niet ingaan.quot; *)

19.

Het oog der Goddelijke rechtvaardigheid ziet zelfs de geringste fouten.

De hemelen zijn niet rein in zijne oogen. Job. 15: 15.

Wij mogen nooit verzuimen voor de overledenen te bidden, hoe heilig zij ook geleefd hebben , hoe stichtend zij ook zijn gestorven. Wanneer de heldere zonnestralen in eene kamer schijnen, dan zien we aanstonds in deze ontel-

\') J. Maroian, Congr. Orat. 1, 1. 2, c. 29.

-ocr page 348-

— 332 —

bare van te voren onzichtbare stofve-zeltjes dwarlen; evenzoo is het gesteld met de kleine onvolmaaktheden en fouten, die aan onze oogen ontgaan, maar opgemerkt worden door het alziende oog van God. Hoe vele zielen denken wij, dat de gelukzaligheid zijn binnengegaan, terwijl zij nog in het vagevuur gefolterd worden! Wie b. v. kan het gelooven, dat menige ijverige kloosterling, die zijn leven heeft doorgebracht in de beoefening van alle mogelijke deugden, na zijn dood nog vele, vele jaren in het vagevuur heeft moeten lijden ? De H. paus Gregorius de Groote verhaalt eenige voorbeelden in zijne — Gesprekken. —

Onder anderen verhaalt deze paus ons in woorden, die iemand doen verbazen, het lot van Paschasius, kardinaal-diaken der Roomsche Kerk. Deze leefde in roep van groote heiligheid, beoefende alle mogelijke goede werken, beminde de armen, mistrouwde zich zeiven en stichtte allen, die hem kennen leerden. Vooral nam hij ter harte de uitbreiding en voortplanting des geloofs en schroef ter verdediging hiervan ver-

-ocr page 349-

— 333 —

schillende werken, die door den paus Gregorius goedgekeurd en aanbevolen wierden. In het jaar 498 moest een nieuwe paus verkozen worden; Pas-chasius echter deelde niet in de meening der andere kardinalen. Hij gaf zijne stem aan Laurentius niettegenstaande alle anderen de hunne op Symmachus hadden uitgebracht. De laatste werd als de ware plaatsbekleeder van Christus op aarde aanerkend: \'t is een van die pausen, die uitmuntte door de heiligheid van leven en in de lijst der Heiligen is opgenomen. Paschasius volhardde in zijn gevoelen.

Toen hij eeuige jaren later stierf met de grootste gevoelens der stichtende godsvrucht, beschouwde een ieder hem als een Heilige en dacht, dat hij in den Hemel was. Op den dag zijner begrafenis was een door den duivel bezetene de lijkbaar genaderd, had de dalmatica des lichaams aangeraakt en was terstond van den boozen geest bevrijd. Maar de oordeelvellingen van God zijn anders dan die der menschen. Na verloop van eenigen tijd viel de H. Ger-nianus, bisschop van Capua, in eene

-ocr page 350-

— 334 —

zware krankheid en begaf zich op raad der geneesheeren naar eene badplaats om de gezondheid te herwinnen. Daar verscheen hem Paschasius in de gedaante van iemand, die hard en veel werken moest. Paschasius zeide, dat God hem hiertoe had veroordeeld, om hem te vernederen en te doen afboeten zijn gedrag jegens den paus Symmachus. Hij smeekte den bisschop hem toch te hulp te komen door zijne gebeden, daarvoor zoude hij zich altijd dankbaar be-toonen.

Germanus gaf gehoor aan het verzoek, droeg het H. Misoffer voor den overledene op, gaf aalmoezen en bad zeer veel voor den afgestorvene.

Eenige dagen later werd hem de verlossing der verschijning geopenbaard 1)

1

S Greg. 1. 4, Dial. c. 40. — Baronius Ar nales, a. 498.

-ocr page 351-

— 335 —

20.

De cjeloovige zielen in het vagevuur roepen tot ons om hulp.

Gij riept tot mij en ik heb u uit de hand uwer verdrukkers verlost. Jud. 10:12

In zijne oneindige goedheid ziet de barmhartige God met een blik van ■welgevallen neder op den mensch, die Hem ootmoedig en met vertrouwen aanroept. Hij heeft beloofd den biddende alles te geven.

God heeft toegelaten, dat men af en toe duidelijk het smeeken der geloovige lijdende zielen hoort, die in hare folteringen onze hulp aanriepen. Een of twee voorbeelden heb ik u reeds verhaald , maar wil hier er nog eenige mededeelen getrokken uit de geschiedenis der Sociëteit van Jesus.

Pater Jacobus Rem , die door eene zeldzame godsvrucht en een waren apos-tolischen ijver uitmuntte, koesterde eene vurige liefde tot de lijdende zielen. Hij was professor aan het College te In-golstadt en offerde alle zijne gebeden,

-ocr page 352-

— 336 —

zijn vasten, zijne verstervingen, enz. aan God op tot lafenis der lijders in het vagevuur. Zeer dikwijls verschenen zij hem en smeekten om zijne gebeden, \'s Nachts kwamen de zielen bij hem aan het bed en spraken met hem nu met zachte dan met luider stem, terwijl zij hem verzochten om zijne gebeden. Terstond begon hij dan te bidden en vergat zijne nachtrust. Vele inwoners van Ingolstadt, kooplieden, burgers, bedienden verzekerden onder eedc, dat zij dikwijls op den in de buurschap van het College gelegenen kerkhof stemmen hadden gehoord, als kwamen zij uit de graven, zeggende: »Vader Jacob, «ontferm u onzer; ons lijden is groot »en bitter, verwerf onze verlossing.

Hieruit mag men besluiten, dat het gebed des paters zeer aangenaam was in de oogen van God en hoogst voor-deelig voor de lijdende zielen. Vooral bad hij echter tot Maria, tot haar die gezegd had. sik ben de moeder der slijdende zielen in het vagevuur.quot;

quot;Onder de vele verschijningen waarmede de pater werd begunstigd en waarvan zijne levensbeschrijvers gewag

-ocr page 353-

— 337 —

maken willen we slechts spreken van die van den pater Franciscus Assi, die hem verscheen, om hem te bedanken voor zijne weldoeners: en op de vraag in welken toestand hij zich bevond, zeide: »Ik ben onuitsprekelijk gelukkig.quot;

Dit antwoord vervulde pater Rem met hemelsche vreugde on in latere dagen sprak hij nooit over deze gebeurtenis zonder den zoetsten troost te smaken.

Niet minder stichtend was de godsvrucht en de liefde van pater Joseph Anchiéto, den apostel der bewoners van Brazilië, tot de geloovige zielen in het vagevuur. Gelijk alle weldoeners legde hij zich vooral toe op het gebed en de versterving van zich zeiven. Toen hij zich nog in liet College te Baja bevond, werd hij eens in allerijl tot een zieken man geroepen, die tamelijk ver van de stad woonde. Op de terugreis overviel hem de nacht. In de nabijheid van een meer hoorde hij luide zuchten en klaagtonen, die uit de aarde schenen op te stijgen. Zijn begeleider stond stokstijf van schrik en durfde niet eens adem scheppen. Pater Anchiéto

22

-ocr page 354-

— 338 —

echter, die reeds aan soortgelijke bovennatuurlijke kennisgevingen gewoon was, zeide heel bedaard: j)Laten wij »nederknie]en en vijf onze vaders en »wees gegroetjes bidden ter eere van »de vijf\' wonden tot lafenis der geloo-»vige zielen, die op deze plaats haar «vagevuur moeten ondergaan en onze hulp aanroepen.quot; Nadat zij gebeden hadden, was alles stil, als ware de leniging onmiddelijk gevolgd en ook nooit heeft men iets dergelijks meer op deze plaats gehoord.

Bezit het kort gebed van Anchiéto zulke kracht, welke genaden heeft hij dan niet verworven door het opdragen van het H. Misoffer. Op het feest van den H. Joannes, den evangelist, bevrijdde hij door eene H. Mis een ordesbroeder, die in den voorafgaanden nacht te Lo-retto gestorven was, zoo als hem werd geopenbaard onder het memento voor de overledenen. *)

•j Jacob. Hautinus. Patroc. animarum. C. 2. a. 2.

-ocr page 355-

— 339 —

21.

Wat wij voor andere, zielen doen, komt onze ziel ten voordeel.

Met dezelfüe maat, waarmede gij meet, zal 11 wederom gemeten worden. Luc. 6: 38.

In het tweede boek van Mozes vinden we eene wet, volgens welke een misdadiger hetzelfde leed moest ondergaan, gelijk hij zijnen medemensch had aangedaan. »Oog voor oog, en tand voor tandquot; (2. Mos. 21: 24.)

Zoo ook gaat liet met ons gedrag jegens de overledenen. Ahvie voor de lijdende zielen noch gebeden, noch op eenige wijze hoegenaamd ook, hare pijnen heeft verminderd, zal insgelijks Tia zijne dood met verlatenheid werden bestraft.

Wij lezen een belangrijk voorval in de jaarboeken van de ongeschoeide karmelieten, \'t geen de bovenstaande waarheid bevestigt. In het stadje de los Angelos in riieuw-Spanje stierf een deugdzame kloosterling in het klooster van onze lieve vrouw van

-ocr page 356-

— 340 —

heil. Niettegenstaande hij braaf en god-vreezend had geleefd, had hij toch na zijn dood behoefte aan de gebeden van anderen en wijl hij door de levenden vergeten werd, moest hij verschillende jaren in het vagevuur blijven. Op zekeren dag verscheen hij aan eenen broeder van zijne Orde, met name Petrus van de Heilige Maria, een waar dienaar Gods. Nadat de overledene aan dezen de hevigheid zijner pijnen had geschilderd, verzocht hij hem in zijnen naam den Pater Overste te verzoeken eenige H. Missen tot lafenis zijner ziel te willen lezen, omdat zijne verlossing daarvan afhing. Petrus kweet zich terstond van den last hem opgedragen. De Overste Dominicus schonk geen geloof aan den broeder en hield het geheel verhaal voor eene uitvinding eener opgewondene inbeeldingskracht. Hij liet dus geene enkele H. Mis lezen.

Na een dag of tien verscheen de afgestorvene voor den tweeden keer en klaagde Petrus bitter over zijn leed, terwijl hij hem aanzette om het medelijden van zijn Overste gaande te maken, Nu geloofde de Overste aan de

-ocr page 357-

— 341 —

verschijning. Op zijn bevel droegen verschillende paters het H. Misoffer voor hun ontslapenen medebroeder op. Weldra zag men het uitwerksel van dit liefdewerk. In een zekeren nacht zagen de monniken onder het zingen van het officie eene lichtkogel, die ten hemel zweefde. Eer zij verdween, wendde zij zich eerst tot Petrus dan tot den Overste en betuigde door teekens hare dankbaarheid.

Pater Dominicus echter, die den wensch van den overledene niet had willen nakomen, werd daarvoor bestraft. Na eenige jaren stierf hij in een ander klooster, werwaarts men hem gezonden had. Wel is waar hij had een heilig leven geleid, maar wie weet niet uit eigene dagelijksche ondervinding, dat wij zwakke menschen zijn en dagelijks in zonden vallen volgens het woord van den H. Gregorius; «Ook vrome zielen »worden met het aardsche stof bevlekt.quot;

Tot straf werd hij in het vagevuur teruggehouden en na een geruimen tijd gefolterd te zijn, werd het hem vergund om de hulp zijner medebroeders te aanroepen. Hij verscheen den leekebroeder

-ocr page 358-

— 342 —

Joseph van den H. Antonius, terwijl deze in het bosch hout sprokkelde en verzocht hem, om terstond den pater Overste te verwittigen, dat hij, pater Dominieus, vreeselijke pijnen in het vagevuur moest lijden en aan meerdere H. Missen behoefte had. De overledene noemde haar aantal en voegde er bij: ))Ik was verplicht die H. Missen te »lezen, doch was een weinig nalatig: »de dood verraste mij eer ik mijne «belofte vervuld had.quot; — Broeder Joseph belastte zich gaarne met die taak, begaf zich tot den Overste en verhaalde hem het voorval. De Overste wist niet of hij gelooven of twijfelen moest, de zaak scheen hem te buitengewoon : maar de eenvoud en de goedhartigheid van den broeder deden elke vrees voor een spel der verbeelding of begoocheling verdwijnen. In weerwil hiervan verzuimde de Overste het verzoek van den overledene na te komen. God had dit vergeet toegelaten, om op die wijs in hem te strallen dezelfde fout, waaraan hij zich had schuldig gemaakt ten opzichte van den kloosterbroeder. De verschijning herhaalde zich, Broeder Jo-

-ocr page 359-

— 343 —

seph begaf zich op nieuw tot den Overste : de ziel smeekte hem om toch medelijden met haren eilendigen toestand te hebben. Pater Overste gaf bevel, dat verschillende paters het H. Misoder voor haar zouden opdragen. Van dit oogenblik af zag de broeder niets meer, waaruit men besloot, dat de overledene God van aanschijn tot aanschijn aanschouwde.

Gelijk wij aan ieder verhaal en elke verzekering van verschijningen geen

geloof mogen hechten, dan toch ver-li*

dienen overdreven terughouding en verzuim ten opzichte der overledenen gelaakt te worden, omdat deze een zeker kenteeken zijn van hoogmoed of kleinhartigheid. *)

22.

Buitengewone godsvrucht jegens de geloouige zielen in het vagevuur.

Tot medelij len bewogen vergoot hij tranen , want hij gedacht da overledenen \' Machab. 4: 37.

Hier moeten wij melding maken van

quot;» P. Franciscus a St. Maria, Chronic. F. F, Car-mej. Discalc t. \'A 1. 7. 44.

-ocr page 360-

— 344 -

een cerw. dienaar Gods die nooit moede werd te bidden voor de levenden en de afgestorvenen en den priesters zelfs tot een voor- en toonbeeld dienen kan. quot;Wij spreken des te liever van dien denaar, omdat wij in zijn leven verschillende verschijningen aantreffen, welker geloofvv; anligheid boven allen twijfel verheven is. Deze vrome chiisten droeg den naam van Gratianus Ponzoni een medelid van de Congregatie gesticht door den H. Carolus Boromeus en later aartspriester te Arona. Gedurende zijn geheel leven koesterde hij de innigste en medelijdenste liefde tot de geloovige zielen in het vagevuur. Gelijk alle ijverige Christenen, die Gods vertoornden arm willen ontwapenen en de lijders uit het vagevuur verlossen, bad hij veel, zeer veel met de grootste aandacht, tuchtigde zijn lichaam door geeselslagen, vasten en nachtwaken en droeg daarenboven een haren boetkleed. Ook verrichtte hij nog andere buitengewone werken van godsvrucht.

De liefde zette hem aan om op het voorbeeld van Tobias de dooden te begraven. \'s Morgens vroeg begroef hij

i I!

ti-.

-ocr page 361-

— 345 -

met alle zorg de armen, verlatenen en verachten met eigene handen. Op zekeren dag heerschte eene aanstekende krankheid te Arona waardoor een groot aantal soldaten van Napels, die iu genoemde stad in garnizoen lagen, uit het leven werden weggerukt. De doo-degraver had den moed niet de lijken te begrawn , omdat hij zelf bevreesd was door de ziekte te worden aangetast. De aartspriester berispte hem om die zwakheid, bemoedigde hem, ontbood hem tot zich en gaf hem goeden raad. \'s Nachts gingen beide de dooden opzoeken om hun de laatste eer te bewijzen. Hij was bezield met dien ijver, die, naar de woorden van den apostel Paulus, de vrees verdrijft; daardoor werd hij waardig bevonden, dat zijne gebeden gelijk die van zijn voorbeeld Tobias aangenaam waren in de oogen van God en door de Engelen werden ten hemel gedragen.

De H. priester vol apostolischen ijver had bovendien een groot aantal van die ongelukkige zieken bijgestaan en zorg gedragen, dat hunne lijken op het kerkhof der kerk, die hij moest bedienen , werden begraven. Op zekeren

-ocr page 362-

— 346 —

dag kwam hij na de vespers in gezelschap van den goeverneur van Arona Don Alphonsus Sanchez liet kerkhof voorbij. Plotselijk bleef hij stil staan en schoen door eene wonderbare gebeurtenis als aan den grond vernageld. De goeverneur verschrikt , richtte ook zijne blikken naar het kerkhof. De aartspriester wendde zich tot hom en zeide: «Mijnheer, ziet ook gij die processie »van dooden, die de gesloten kerk-))deur nadert?quot; — »Ja,quot; antwoordde de goeverneur, »ik zie wat gij ziet en ))kan mijne oogen niet gelooven!quot; De priester die zich op deze wijze overtuigde, dat \'t geen goochelsptl of inbeelding was, erkende dat deze zielen te kennen gaven, groote behoefte te hebben aan de gebeden der kerk: daarom liet hij door een plechtig gelui der klokken het volk ter kerke roepen. Alsdan deelde hij den aanwezigen mede, dat hij den volgenden dag een solemneelen dienst voor de geloovige zielen in het vagevuur hield, noodigde allen daartoe uit en verzocht hen goede werken te doen.

\'t Was hern onvoldoende dat hij zelf

-ocr page 363-

— 347 —

eene barmhartige liefde koesterde tot de lijdende zielen, maar deze zocht hij ook naar best vermogen door preeken en onderrichtingen bij anderen en in het bijzondere bij de priesters te bevorderen. Derhalve liet hij op het kerkhof eene doodekapel bouwen, waarin alles aan de overledenen herinnerde eu tot gebod voor dezen aanzette. Alle zijne werken hadden deze zijne lievelingsgods-vrucht tot doel en hij hoopte daardoor welgevallig te zijn in de oogen des Hoeren. Het geld dat gedurende den recreatietijd in zijn huis met onschuldige spelen gewonnen werd, besteedde hij aan H. Missen tot lafenis der geloovigo zielen. Niemand verzotte zich daartegen en legde gaarne het gewin in eene daartoe bestemde bus. 1)

1

P. Mare. Anlonius Rosse, S. J. Vila venera-biljs Gratiani Ponzoni. c. 8f

-ocr page 364-

- 348 —

23.

Kleine aalmoezen uit een goed hart gegeven verschaffen de geloovige zielen groote verlichting.

Hebt gij weinig, wees dan zorgvuldig om ook van het weinige iets met goedhartigheid mede te deelen; daardoor verzamelt gij u een goeden loon op den dag van nood. Tob. 4: 9. lü.

De oude Tobias beval zijnen zoon in het bijzonder aan de deugd van milddadigheid en de zorg voor de overledenen, twee zaken, die met eikander zeer nauw in verband staan. In betrekking hierop lozen we in de annalen der ongeschoeide Augustijnen de volgende belangrijke geschiedenis:

Intusschen dat het klooster van de H. Maria te Aversa gebouwd werd, had pater Hilarius van den H. Antonius een ijverige kloosterling, die de werkzaamheden leidde, zich terug getrokken in een gasthuis gelegen in de buurt van de kerk van den H. Franciscus. Op zekeren dag wilde een leek met name Joannes Baptista, aan wjen het

-ocr page 365-

— 349 —

Opzicht over de metselaars was opgedragen, den pater de H. Mis dienen in de genoemde kerk. De pater offerde de H. Mis op voor de geloovige zielen in het vagevuur, terwijl Joannes in dezelfde meening de H. Communie ontving. Hilarius noodigde den laatste op zijn sober middagmaal. De opzichter begaf zich op het bepaald uur naar het gasthuis. Toen hij was binnengetreden, vond hij op de binnenplaats een rijkgekleeden jongeling van een innemend uiterlijk, die hem verzocht pater Hilarius te roepen , omdat hij dezen iets van groot belang had mede te deelen. In den beginne verontschuldigde Hilarius zich om het ongelegen uur, gaf echter ten slotte toe aan de bede van den vreemde, ging tot dezen, vroeg naar het doel van zijn bezoek en hoorde met verbazing, dat de jongeling verzocht om ter liefde van God met hem het middagmaal te mogen deelen. De jongeling scheen zoo rijk en voornaam, dat de pater meende, dat deze zelf beter aalmoezen geven kon, dan van een armen monnik eten verlangen. De pater stemde eindelijk toe in het verzoek van den

-ocr page 366-

— 350 —

Vreemden gast, liet hem een oogetiblik wachten en begaf zich middelerwijl tot den korf, waarin hij zijn brood bewaarde. Het brood, dat hem in de handen viel, was juist het beste. De pater wist niet of hij den jongeling dit brood of een ander, wat minder goed was, zon geven; hij meende echter in het binnenste van zijn hart eene stem te vernemen, die hem zeide: »\\Vaarom »die keuze? Wie weet of God u niet »een Engel gezonden heeft? De vreem-»deling is immers binnen gekomen, «terwijl de huisdeur gesloten was!quot; Hij nam het brood te zamen met het beste wat op de tafel stond en bracht het den jongeling onder de verontschuldiging van hem te vergeven, wijl het zoo min was ; dat hij hem ongelukkiger wijs niet meer geven kon, omdat hij door hem was verrast.

Middelerwijl begonnen do pater en Joannes hun middagmaal; zij konden slechts weinig gebruiken. Een zekere vrees had zich van beiden meester gemaakt , omdat zij niet begrepen, hoe deze voorname vreemdeling in eene afgesloten binnenplaats gekomen was.

-ocr page 367-

— 351 —

blik I De pater kwam op zijn eerste vermoe-svijl i den terug: )gt;Die jongeling is zoo schoon,quot; oocl I zeide hij, shij kan een hemelsbode szijn.quot; — «Waarom kan het niet even «goed eene ziel uit het vagevuur zijn, «waarvoor we dezen morgen hebben «gebeden?quot; Toen zij dachten, dat de jongeling mot zijn eten klaar was, ging Joannes tot hem. Do vreemdeling stond bij zijne komst op en zeide: «Mijn «broeder wij willen God bedanken en «een onze vader en wees gegroet voor «de geloovige zielen in het vagevuur «bidden.quot; — Hierop wierp hij zich op

Ide knieën, vouwde de handen te zamen, richtte de oogen hemelwaarts en bad met do grootste aandacht. Vervolgens wendde hij zich naar de deur en vatte iet I den opzichter bij de hand onder de sm , woorden: «Ga heen en zeg aan pater 1 «Hilarius dat hij niet meer behoeft te en | «bidden voor de ziel van zijn overledenen len I «vader, want in deze stonde gaat zij ire ■\' sten hemel.quot; Na dit te hebben gezegd re- • verdween de jongeling gelijk de nevel 10e voor do zonnestralen. De opzichter stond me \' als aan den grond vernageld van ont-as. . zetting. Eindelijk riep hij: «Pater, pater

de De dit

3ed in em om liet :m-m , s!quot; het,

-ocr page 368-

— 352 —

Hilarius!quot; Met alle moeite kon hij deze woorden uitspreken. De pater stond voor het raam en keek te vergeefs naar alle kanten rond. Toen deze zijn naam hoorde noemen, liep hij in allerijl naar beneden en vond Joannes bewusteloos ter aarde liggen. Het kostte hem veel moeite om den opzichter tot bewustzijn te brengen. Met de diepste ontroering vernam hij het verhaal der verschijning. Beiden prezen God, die in hunne tegenwoordigheid een wonder had gewrocht, en hen eene ziel had laten zien in die hemelsche schoonheid, waarmede Hij zijne uitverkorenen bekleedt. Zorgvuldig nam men de borden weg, waarvan de jongeling zich had bediend. — Dezelfde kroniek verhaalt dat, toen men den doodzieken zoon van eene der eerste weldoensters van hot klooster, die het uit hare fondsen had laten bouwen, op een dier borden een weinig eten bracht, daardoor zijne gezondheid heeft wedergekregen. \')

\') P. Epiphanius, Chron. F. F. August, Discalc. cap. 28.

-ocr page 369-

— 353 —

24.

Hoe rein wij moeten zijn in de oogen van God.

Wie kan zeggen^: mijn hart is rein , ik ben vrij van zobde? Prov. 20: 9.

De H. Augustinus leert, dat er geen mensch bestaat, die niet beeft en siddert, wanneer de Goddelijke rechter zijn leven zonder barmhartigheid doorvorscht; allen ook de rechtvaardigen zelfs de Heiligen zullen sidderen, ja, de reinste ziel is niet zonder vlekken. Het verhaal van de volgende gebeurtenis zoude ongelooflijk schijnen, indien zij niet door den kardinaal Jacobus Vitrij geboekt ware.

De kardinaal verhaalt, dat in het jaar 1208 op een dorp in de omstreken van Luik eene zeer bi-ave weduwe leefde, die door den innigsten vriendschapsband verbonden was met Maria van Orguies, zeer bekend in de katholieke Kerk door haai- vroom en stichtend leven, Deze weduwe had twee dochters, die in de grootste onschuld en reinheid des harten waren opgevoed. Beide doden de

Geloovige zielen. 23

-ocr page 370-

— 354 —

gelofte van maagdelijke zuiverheid, trokken zich terug in de eenzaamheid en dienden tot een lichtend voorbeeld aan de geheele parochie. De moeder werd ziek en bevond zich weldra aan den rand van het graf. Zoodra Maria dit vernam, begaf zij zich tot de stervende, om deze te troosten en moed in het hart te spreken. O wonder! zie, toen zij de kamer binnentrad, zag zij de Moeder Gods aan de lijdenssponde der kranke staan. De koningin des hemels verpleegde de zieke met alle moederlijke zorg. Gelukkige ziel, die waardig werd bevonden in den laatsten strijd verkwikt en gesterkt te worden door haar, die wij begroeten met den titel van — Troos-teresse der bedrukten, bid voor ons! — Op hetzelfde oogenblik ontwaarde Maria verschillende duivels, die alles beproefden om de kranke te bekoren, maar de H. Petrus verscheen met het zege-teeken van het H. Kruis in de hand en als door den bliksem getroffen vluchtten de helsche geesten. Hiermede echter was de rijke ketting van hemelsche genade nog niet gesloten. Maria ook •was na den dood der deugdzame weduwe

-ocr page 371-

— 355 —

bij de plechtigheid der begrafenis tegenwoordig en zag onder deze de Koningin des hemels van maagden omgeven, die met hemelsche stemmen de psalmen voor de overledene zongen. Het scheen haar toe, dat God de plaats van den dienstdoenden priester had ingenomen en op deze wijze, zegt de levensbeschrij-j ver, vereenigde zich de zegepralende kerk met de lijdende, om eene getrouwe dienares van de moeder van God te vereeren.

Gij zult zonder twijfel denken, dat eene met zoo vele en zoo groote genaden begunstigde ziel regelrecht naar den hemel is gegaan? Neen, God kan in weerwil van zijne oneindige barmhartigheid niet de kleinste vlek in ons verdragen.

Na de plechtige uitvaart trok Maria zich terug om eene overweging te houden. Gedurende deze geraakte zij in verrukking des gecstes en zag in dezen toestand de ziel der godvreezende weduwe, die om eenige onvolmaaktheden tot de grootste pijnen, van het vagevuur veroordeeld was. De Heilige ontstelde ten ergste bij dien aanblik. Terstond gaf zij hiervan kennis aan de beide

-ocr page 372-

— 356 —

dochters, met welke zij zich vereenigfle door het gebed , vasten , aalmoezen en andere verstervingen. Alle drie volhardden in dit liefdewerk , totdat de overledene op nieuw verscheen aan Maria, maar nu omgeven van een stralenkrans. Zij hield een boek in de hand, wellicht het H. Evangelie, om aan te duiden , dat zij was geweest eene getrouwe dienaresse van Jesus, die den schooiien hemel had verlaten, om de menschcn op de aarde te onderrichten en wiens geboden zij nauwgezet had onderhouden.

Uit dit voorbeeld kunnen wij leeren, dat wij de strenge oordeelvellingen van den gerechten God vreezen en op onze hoede moeten zijn voor de ontelbare kleine fouten, die wij zoo lichtzinnig bedryven; want elke fout, hoe klein zij ook is, moeten wij door lijden en tranen afboeten. Dit verhaal leert ons verder met welke liefde Maria, de hulp dei-christenen , waakt over hen, die haar aanroepen en getrouw dienen. 1)

1

Laar. Surius, 2H jun. Vit. Vener. Mariae Orrnac 1 2 c. •!

-ocr page 373-

— 357 —

23.

Door onrechtuaardig verworven goed wel te besteden kan men de lijdende zielen in het vagevuur hidp verwerven.

Maakt u van den onrechtvaardigen Mammon vrienden , opdat, wanneer gij te kort schiet, zij u in de eeuwige woningen ontvangen! Luc. 16: 9.

De raad van tien Goddelijken zaligmaker om het onrechtvaardig verworven goed in verdiensten en voldoeningen te veranderen, werd door Zacheüs ter harte genomen en gevolgd; want na zijne hekeering maakte hij goed het bedrog, dat hij had gepleegd; de helft zijner goederen gaf hij den armen en wat hij iemand te kort had gedaan, gaf hij vierdubbel terug. Velen, zeer velen hebben zijn voorbeeld nagevolgd. Woekeraars en kooplieden, die zich op eene onrechtvaardige manier hadden verrijkt, erfgenamen van goederen, wier rechtmatig bezit te betwijfelen viel, hebben vrijwillig afstand gedaan van hunne vergiftige rijkdommen, om zich schat-

-ocr page 374-

— 358 —

ten van genade te verwerven. Door zulke handelwijs werd eene geioovige ziel uit de folteringen van het vagevuur bevrijd.

In eene stad van Hongarije had een ruw soldaat, om te voldoen aan de wraakzucht van een zijner medeburgers, een moord gepleegd, voor welke snoode daad hij van dezen eene belangrijke som gelds ontving. Nauwelijks had hij het loon ontvangen of alreeds ont waakte zijn geweten en werd hij door den vreeselijksten angst en de bitterste gewetenswroegingen gefolterd. Gepraamd door het verlangen naar vergiffenis werpt de soldaat zich eindelijk aan de voeten van een priester, biecht zijne zonden onder een stroom van tranen en ontvangt de kwijtschelding. Hij deed de belofte om voor het geld, dat hij voor den beganen moord ontvangen had, eene beeltenis van de smartvolle Moeder Gods te laten maken, verder drie H. Missen te doen lezen en eindelijk ter eere van het H. Altaarssacramcnt twaalf kaarsen te offetvn.

Omdat hij talmde in het volbrengen zijner belofte, verraste hem de dood

-ocr page 375-

— 359 —

en ging zijne ziel naar het vagevuur. God in zijne ondoorgrondelijke barmhartigheid liet toe, dat de soldaat aan een braaf meisje verscheen, met name Regina, dat haar leven sl» et in maagdelijke reinheid en groote volmaaktheid. Hij sprak tot haar: «Bruid van Christus, »ik verzoek u ter wille van Qods liefde «mijne vrouw op te zoeken, die u twee »honderd gulden zal geven, \'t Is bloed-»geld. Luister nu, wat gij in mijn «naam met dat geld moet doen. Crij «moet een belofte vervullen, die ik in «gezonde dagen heb gedaan. Eerstens «moet gij laten vervaardigen eene af-«beelding van de smartvolle Moeder »van God, tweedens drie heilige Missen «laten lezen en eindelijk twaalf kaarsen «ontsteken voor het Allerheiligste, ter-«wijl gij het geld dat nog overblijft «onder de armen moet verdeelen.quot; — Het vrome meisje echter waagde het niet uit verschillende beweeggronden om don haar opgedragen last ten uitvoer te leggen. De overledene verscheen haar onderiusschen nog tweemaal en bezwoer haar, dat zij ter liefde van Jesus hem zijn verzoek niet zou afslaan

-ocr page 376-

— 360 —

De maagd wilde van niets weten; zij zeide, dat zij dit onmogelijk doen kon, dat hij haar in rust moest laten en dat zij zich niet kon moeien met geldzaken, waarvoor zij niet het geringste bewijs had. — »Goedantwoordde de ziel, »ik zal u niet in rust laten, zoo lang »gij mijne bede niet verhoort: begeef u »werwaarts gij wilt, want gij zijt de neenige lot welke ik mij wenden mag.quot;

De verschijningen bleven geen geheim, maar kwamen spoedig ter oore van een der aanzienlijksten der stad. Deze had innig medelijden met de lijdende ziel en besloot op eigene kosten de beloofde beeltenis te doen vervaardigen , ten einde de belofte na te komen. Derhalve ontbiedt hij een beeldhouwer geeft dezen in last het beeld te vervaardigen en zegt hem, dat hij terstond de handen aan het werk moest slaan om den arbeid te verhaasten. Maar de beeldhouwer had juist geen passend hout voorradig en begaf zich dus op weg, om het zoeken. Hij kwam in het houtmagazijn en onderzocht mot opmerkzaamheid de gevelde boomen. Terwijl hij hiermede bezig was, zag

-ocr page 377-

— 3G1 —

hij een bleeken grijsaard naderbij komen, die op een stok leunde en veel gelijkenis had met den overledene — «waarheen sgaat gij en wat zoekt gij?quot; vroeg hij den beeldhouwer. »Ik zoek een goed «stuk hout,quot; luidde het antwoord, som seene afbeelding van de smartvolle «Moeder Gods te beitelen, maar tot nu »toe heb ik geen passend gevonden.quot; Dit hout is te groen, dat is te week, maar deugt niet om er een beeld van te maken. «Spaar u alle verdere moeite,quot; hernam de onbekende, »ik zal uwe «schreden leiden; zie, daar ginder ligt «een boom, die sinds vier jaren is af-«gekapt: dat hout is droog en hard, «en juist gelijk gij het wenscht en «zoekt.quot; Do beeldhouwer volgt den grijsaard , ziet het hout en keert tevreden huiswaarts. Terstond slaat hij de handen aan liet werk, spoedt zich naar best vermogen en voleindigt het

(beeld in korten tijd. De lastgever gaat ; het bezichtigen, vindt het wonderschoon j en ontbiedt den beeldhouwer om het verdiende loon te komen halen.beeld in korten tijd. De lastgever gaat ; het bezichtigen, vindt het wonderschoon j en ontbiedt den beeldhouwer om het verdiende loon te komen halen.

Middelerwijl verscheen de ziel van den overledene op nieuw aan Regina

-ocr page 378-

— 3G\'i —

en zeide haar wederom , het zij noodzakelijk , dat het beeld betaald werd van het geld , dat men als loon voor den moord ontvangen had; want dit geld mocht alleen tot afboeting gebruikt worden: hadde de familie het reeds verbruikt, dan moest zij dit door den verkoop van huismeubelen en huisgereedschappen op nieuw te zamen brengen; deed zij dit niet, dan moest hij nog langeren tijd in het vagevuur lijden, omdat hij zijne schuld niet voldoende had afgeboet. Eindelijk werd zijne bede verhoord. Men bracht het beeld tot Regina, plaatste het op een klein altaar en legde het gold daar naast. De ziel verscheen nu verheerlijkt en met een aan vreugde stralend gelaat. Zij betuigde haren dank en herhaalde nogmaals de bede om toch het geld tot het bestemde doel te gebruiken. Hierop verdween zij. De priester, die het beeld inzegende, getuigt, dat hij onder de ceremonies der wijding duidelijk eene stem gehoord heeft, die vreugdevol do volgende woorden zong: O mijn Heer en God! Gij zijt mijne toevlucht en mijn troost, mijne hoop

-ocr page 379-

— 363 —

en sterkte; thans zal ik Je eeuwige gelukzaligheid ingaan, welke Gij voor hen- bereid hebt, die u beminnen. )

20.

De oprechte naastenliefde volgt de lijdende zielen aan c/ene zijde des grafs.

De vriend bemint ten allen tijde. Prov. 17: 17.

Een ware vriend vergeet den vriend niet, al is deze ook aan zijne lichamelijke oogen ontrukt. Deze woorden sprak herhaald pater Diego Luinez, de tweede generaal der Jesuïeten tot de zonen van den H. Ignatius. Hij wilde, dat de zielen aan gene zijde des grafs hun ook dierbaar waren, daarom bemoedigde hij ze niet alleen met woorden, maar bijzonder door zijn eigen voorbeeld. Hij bracht voor de geloovige zielen in het vagevuur ten olïer een groot gedeelte van zijne gebeden en verstervingen als ook van zijn Apostolischcn arbeid. De andere

\'» P. Gar. Casal\'sch, 8. T Stim div amoris c 59.

-ocr page 380-

_ 36-4 —

paters volgden zijn voorbeeld getrouw na en muntten steeds uit door hunne innige en oprechte liefde voor de ge-loovige zielen, zoo als wij dit vinden opgeteekend in een boek getiteld: — Helden en oflers der liefde uit de Sociëteit van Jesus. — Aan dit boek ontleenen we het volgend verhaal.

In liet midden der 47 eeuw werd de stad Munster in Westphalen door eene besmettelijke ziekte geteisterd. De dood greep met wreede hand om zich heen en rukte ontelbaren uit het leven weg. De vrees, door de ziekte te worden aangetast deed weldra groot gebrek ontstaan aan ziekenbezorgers. In deze hachelijke oogenblikken bood zich de pater Jesuïet Joannes Fabricius grootmoedig tot dit liefdewerk aan, hij bezocht de zieken, diende hun de geneesmiddelen toe, verkwikte en verpleegde ze naar best vermogen, en bemoedigde ze hun lijden aan te nemen uit de hand van God met volle overgeving. Hij hoorde hunne biecht, voorzag hen van de heilige sacramenten der stervenden, stond hen bij in den doodstrijd en begroef ze met eigene handen. Dan

-ocr page 381-

— 365 —

droeg hij het H. Misoffer op tot zielerust der overledenen. Zijn geheel leven was eene ketting van werken van liefde voor de lijdende zielen in het vagevuur. Zoo dikwijls de voorschriften der Kerk hem dit toelieten, droeg l\'Ü de H. Mis voor haar op en zette andere priesters | ook daartoe aan. Op zijn aanraden had-? den de Jesuïeten te Munster een dag j van iedere maand toegewijd aan de i zielen in het vagevuur.

IGod liet ook hier toe, gelijk in vele andere gevallen, dat de verschijningen der lijdende zielen beloond werden en haar aantal vermeerderde. Deze verzochten hem om hare bevrijding door zijne gebeden te verhaasten, gene betuigden hem haren besten dank voor hare verlossing. Een wonderbaar werk van liefde verrichtte de pater op zijn sterfbed. Met eene bewonderingswaardige grootmoedigheid schonk hij aan de geloovige zielen, die God op eene bijzondere wijze wilde begunstigen, de verdiensten van alle goede werken zoo als van Missen, aflaten, boeteplegingen, enz. die in de Sociëteit van Jesus voor de overledenen opgeofferd werden. — Verheven U-t ament! —God liet ook hier toe, gelijk in vele andere gevallen, dat de verschijningen der lijdende zielen beloond werden en haar aantal vermeerderde. Deze verzochten hem om hare bevrijding door zijne gebeden te verhaasten, gene betuigden hem haren besten dank voor hare verlossing. Een wonderbaar werk van liefde verrichtte de pater op zijn sterfbed. Met eene bewonderingswaardige grootmoedigheid schonk hij aan de geloovige zielen, die God op eene bijzondere wijze wilde begunstigen, de verdiensten van alle goede werken zoo als van Missen, aflaten, boeteplegingen, enz. die in de Sociëteit van Jesus voor de overledenen opgeofferd werden. — Verheven U-t ament! —

-ocr page 382-

— 366 —

Andreus Simoni, een pater uit dezelfde Sociëteit, droeg de lijdende zielen eene gelijke liefde toe. Hij was geen priester en ïoch zocht hij op alle mogelijke wijzen de verdiensten van het H. Misoffer op haar toe te passen. Hij kwam zelfs tot het besluit om vele H. Missen op zijne kosten te laten lezen. Daar hij echter arm , zeer arm was, bleef hem niets anders over dan tot dit doel te bedelen. God zond hem vele rijke giften. Broeder Simoni was portier bij het College van den H. Andreas te Rome. Door dit ambt was hij in de gelegenheid om Kardinalen, Prelaten en andere hooggeplaatste personen , die het College van tijd tot tijd bezochten, een aalmoes te vragen. Om hunne toeneiging te gewinnen en hunne beurzen gemakkelijker te ontsluiten, bood hij hun schoone bloemruikers aan. Van harte gaarne lieten zich allen door deze vindingrijke liefde gewinnen en grepen diep in hunne zakken met vrijgevige hand. Toen Andreus sterven ging, kwamen tot de grootste verbazing dei-aanwezigen de zielen, welke hij vertroost had, onder eene zichtbare gedaante tot

-ocr page 383-

- 367 —

hem; zij bemoedigtJcn hem en stonden hem ter zijde in het verschrikkelijk oogenblik, waarop de ziel de eeuwigheid inging. 1)

27.

Openbarinjen van de andere zijde des grafts.

Hij openbaart het diepst nit de duisternis en hrenKt in hel licht de scha-auwe des doods. Job. 12: 22.

De Orde der paters Theatijnen heeft ten allen tijde uitgebL-nkeu door hare werkzame liefde voor de geloovige zielen. Een hunner paters met name Hieronymus Meaza heeft een leen •ijk en stiehtei.d boek geschreven, dat tot titel draagt — Dagelijksche vermaningen te bidden voor de overledenen. — Een even ijverige maar meer bekende voorspreker voor de lijdende zielen was de H. Andreas Avellinos, een priester uit dezelfde Orde. Deze ontwaarde dikwijls, wanneer hij met eene engel-

1

P. Philp. AleKamb. Heroes et Victim, charir. S. 1. a. 1656. — P. Joan. Rlio. Var. Virt. Hist. ]. 4. n. 5.

-ocr page 384-

— 368 —

achtige godsvrucht en aandacht voor de lijdende zielen bad , een geheimen innerlijken tegenstand, als wilde iemand hem met geweld van het gebed afhouden : op andere tijrien daarentegen smaakte hij groote vertroostingen en gevoelde zich tot het gebed gedrongen. Hij erkende, dat hij in het eerste geval vergeefsche gebeden hemelwaarts zond, omdat de ziel voor welke hij bad ter helle veroordeeld was, waar geene verlossing is te hopen; in het tweede geval echter dat de ziel in het vagevuur was en door zijne gebeden vertroost werd. Meestendeels droeg Andreas het H. Misoffer voor haar op, terwijl de overledenen van hunnen kant hem dikwijls bekend maakten met den toestand der ziel, waarvoor hij bad. Had de ziel voor welke hij zijne gebeden hemelwaarts richtte, geene behoefte meer aan gebed, dan scheen eene onzichtbare hand hem in de sacristie terug te houden; bad hij echter niet te vergeefs dan baadde zijne ziel in de zuiverste vreugden en het zoetste genot.

Hier -willen wij een klein -u trek uit zijn leven verhalen: Toen pater Salaro

-ocr page 385-

— 369 —

uit dezelfde orde op sterven lag hoorden de aanwezige paters en broeders een luid geruisch en meenden, dat de stervende een hevigen strijd had te strijden met de helsche geesten. Zij allen, zij verdubbelden hunne gebeden. Na den dood vernam men niets moer van het geruisch maar anc^st en zorg kwelden de paters. De heilige Andreas was op zekeren dag in de overweging verslonden. Toen hij die had geëindigd, troostte hij zijne medebroeders zeggende: Weest onbezorgd; ik heb eene verschijning gehad van de ziel van pater Sa-laro: hij heeft me gezegd, dat helsche geesten hem werkelijk aanvielen en in dat beslissend oogenblik in het eeuwig verderf wilden storten: daar hij echter de zonden, waarvan de duivels hem beschuldigden, niet bedreven had, namen zij vol schaamte de vlucht en rnocht hij zacht en zalig in den Heer ontslapen.

Deze verzekering van den Heilige, die bekend stond als een bevoorrechte vriend van Jesus, vervulde aller harten met onuitsprekelijken troost en over-groote vreugde. Van dit oogenblik trad de H. Andreas op als de Apostel dezer

n

-ocr page 386-

— 370 —

godsvrucht. Ettelijke dagen na het afsterven van den H. Andreas, bad eene deugdzame kloosterlinge van het klooster Sancta Maria del la Sapienza in de kloosterkerk de getijden der dooden voor den overledene. Eensklaps kwam eene bij aangevlogen, die gonzend om haar zweefde. Eindelijk zette het diertje zich neder op den brevier der nonne en vloog dan eerst weg, na zij het officie gebeden had. Ter zelfder tijd ondervond Magdalena, zoo heette de zuster, eene innerlijke onverklaarbare vreugde. Na een ernstig beraad met geleerde mannen en rijp overleg betwijfelde niemand het meer, dat God haar had willen te kennen geven, dat zijn getrouwe dienaar het hemelsch paradijs was binnengegaan. *)

\') Pentaleuchus morluorum, t. 4. c. 29. n 6.

-ocr page 387-

— 374 —

28.

Waarde van het lijden, dat wij op de aarde verdragen.

flet lijden van dezen tijd is niets in verpeliik met de toekomstige heerlijkheid. Ad Rom. 8: 18.

Diepe ontroering maakt zich onwillekeurig van ons meester, als wij lezen, welke strenge boete eenige heilige mannen hebben beoefend niet voor fouten, die de straffen der hel, neen, maar slechts de folteringen van het vagevuur verdienden. Wij willen hier niet herinneren aan de HH. Chry-sostomus, Hieronymus, Antonius, Joannes Climacus, Hilarion en anderen, neen; maar wij kiezen bij voorkeur een voorbeeld uit latere tijden, dat wij geboekt vinden in de annalen der pa-ters-Capucijnen.

Broeder Antonius Corso zocht dooide strengste boeteplegingen alle mogelijke fouten, van welken aard zij ook waren, uit te wisschen. Hij stelde zich

-ocr page 388-

niet alleen tevreden mei het stiptst onderhouden der strenge ordesregelen, maar legde zich daarenboven vele zware boete werken en kastijdingen op, die hij zonder bovennatuurlijke versterking niet kon verdragen. Vele, zeer vele jaren droeg Antonius een hemd van paardeharen met ontelbare punten naar binnen gekeerd, die zijn lichaam aanhoudend verwondden. In de grootste winterkoude droeg hij een slechten lichten mantel, die hem tegen de vorst niet beschermde. —- Hij sliep slechts drie uren op houten planken en bracht het overige gedeelte van den nacht met bidden door. Zijn vasten schijnt ongelooflijk; in al den tijd van zijn kloosterleven nam hij over den anderen dag geene andere spijs dan een weinig water en brood met eenige onsen droge vijgen. Hoe ouder Antonius werd, des te weiniger nuttigde hij en nam ten langen laatste slechts driemaal in de week wat brood en water. lederen nacht geeselde hij zich op het gruwzaamst ter gedachtenis aan het bitter lijden van den Goddelijken Zaligmaker. In de goede week geeselde hij zich vijf uren,

-ocr page 389-

— 373 -

omdat hij het getal der geeselslagen wilde bereiken, die de Heiland had ontvangen. De duivel beproefde herhaalde malen om Antonius van deze vreeselijke boetedoening te doen afzien.

Wat de brevier van de H. Petrus van Alcantara zegt, mag men ook toepassen op broeder Antonius: »Door aanhoudend nachtwaken, vasten , gce-selen, door allerhande soort van versterving bracht hij zijn lichaam in knechtschap; hij had de belofte gedaan om zijn lichaam geen oogenblik rust te vergunnen.

Zonder twijfel zult gij denken, dat de ziel van Antonius na een zoo streng boetvaardig leven regelrecht den hemel is ingegaan — neen, driewerf neen, hij had een kort vagevuur te verduren. Deze H. kloosterling behoefde geene lichtzinnigheden der jongelingsjaren af te boeten; neen, wantin onschuld trad hij in het klooster en schreed hier dagelijks voorwaarts op den weg der volmaaktheid. Hij was een bijzondere vriend der armoede en ontbeeringen en om zijn ootmoed wars van elke verheffing. In kinderlijken eenvoud was

-ocr page 390-

— 374 —

hij gehoorzaam aan allen en in alles en overtrof allen in ijver, liefde en godsvrucht. De herhaalde en op nieuw overwonnen bekoringen verhieven hem zoo hoog boven hot rijk der aarde en der zinnen, dat men geloofde, Antonius zij reeds in het bezit van God, dien wij eerst na den dood zullen bezitten.

Waarom moest deze heilige kloosterling, die zijn leven aan de beoefening aller deugden en aan alle boetplegingen had toegewijd, nog in het vagevuur lijden? De annalen geven ons hiervan de verklaring. Wij vinden er het volgende in opgeteekend. Antonius verscheen na zijnen dood aan den ziekenbewaarder des kloosters Joannes genaamd. Deze broeder vroeg hem, of hij oneindig gelukkig was, omdat hij het doel zijner wenschen, de aanschouwing van God, bereikt had? «Dank zij der Goddelijke barmhartigheid,quot; antwoordde de ziel, «mijne zaligheid is. verzekerd: door de ^verdiensten van het bitter lijden van sJesus heb ik die kostbare genade ver-»worven. Ik ben echter veroordeeld tot »de straffen van het vagevuur, wijl ik in »de oogen van God nog niet geheel en

-ocr page 391-

— 375 —

»al rein was.quot; — »Hoe, gij bevindt u »in het vagevuur, mijn broeder,quot; riep de ziekenoppasser verstomd uit, »on-»danks uw zoo gestreng en boetvaardig »leven? Dat is onmogelijk, want welk »lot zal dan ons onvolmaakte menschen »trefren!quot;

sik beb tegen de H. armoede ge-»zondigd,quot; zeide de ziel, tegen de deugd, »die onze Seraphijnsche Vader zoo «dringend aan zijne zonen aanbeveelt. «Toen men het klooster van den H. «Joseph oprichtte, zocht ik eenigen «voorraad met overdreven zorg. Ik dacht «niets kwaads te doen, maar ik had «mij beter moeten onderrichten over «mijne verplichtingen, den aard en de «wijs, om die te vervullen. Dit heb ik «dus te danken aan mijne nalatig-«heid en de opperste Rechter heeft het «zoo aangezien, want hij kan niet de «geringste vlek zien in zijne uitverko-«renen.quot; — De ziekebroeder wilde weten of Antonius veel te lijden had? Hierop antwoordde de ziel, dat hare pijniging in het vuur gering was, maar dat de vertraging van het zaligend bezit Gods in den hemel haar naamlooze, onver-

-ocr page 392-

— 376 —

dragelijke smarten veroorzaakte, omdat na den dood do ziel met onweerstaanbare kracht tot haren Schepper wordt aangetrokken. Alles wat van God scheidt, doet haar de bitterste smarten ondervinden. De ziel voegde er nog bij, dat hare straf van korten duur zou wezen | en zij weldra zou worden toegelaten tot het zaligend aanschouwen van Hem, in wiens heilig oog de hemelen niet zuiver zijn. 1)

\'29.

Het fiebed van den rechtvaardige ontwapent- den vertoornden arm Gods.

De Heer verhoort het gebed der rechtvaardigen. Prov. 13: 29.

i

Toen Gods vertoornde gerechtigheid de Joden voor hunne voortdurende on-^e trouwheid wilde tuchtigen, wierp Mozes zich biddend voor den Heer ter aarde en weerhield door zijn ootmoedig gebed den straflcnden arm des Heeren. God neigde zijn oor terstond naar den

1

Annalcs Patr Capncc. a. 1548. P. I. B. Mami* Sacr. Trig. .disc. 6. n. 29.

-ocr page 393-

— 377 ~

biddende en zeide: «Laat mij begaan, »dat mijn toorn over dat volk losbarste !quot; Daarna echter verhoorde hij het dringend smeeken van zijn getrouwen dienaar. »De arm des Heeren werd ontwapend, zoodat hij zijn volk »niet strafte.quot; Soortgelijke wonderen van barmhartigheid treffen wij ook aan in het nieuw verbond, die door God gewrocht werden niet alleen ten gunste van de levenden, maar ook ten voor-deele van de geloovige zielen in het vagevuur.

Simon Germanus, aanvangs een rijk voornaam heer en beroemde geleerde, later abt in een Cistercienserklooster, hadeene fout bij zijne uitstekende deugd. Hij wilde allo zijne onderhoorigen tot de hoogte van zijn eigenen ijver verheffen en was derhalve dikwijls strenger dan een wijs bestuur van zijn klooster dit vorderde — Hij was bezield met den ijver van Elias, maar vergat de goedheid van onzen Zaligmaker. Simon stond in nauwe geestelijke betrekking met de vrome Luitgardis, die hem zoowel in het leven als bij den dood groote diensten bewees.

-ocr page 394-

— 378 —

De vrome abt stierf tamelijk jong; de Goddelijke rechtvaardigheid veroordeelde hem om zijn overdreven ijver tot de straflen des vagevuurs. Toen Luitgardis den dood van den abt vernam, was zij zeer bedroefd, omdat zij vreesde, dat Simon door zijne groote gestrengheid zich in het andere leven bittere smarten had op den hals gehaald. — Daarom zocht zij door vasten, bidden en menigvuldige boetingen haren Goddelijken bruidegom tot goedheid voor zijnen getrouwen dienaar te bewegen. Zij had eene verschijning van Jesus, die haar zeide: «Schep moed, »mijne dochter, uwe gebeden zullen »niet vruchteloos zijn.quot; — Met onver-moeiden ijver ging zij voort met bidden en na eenigen tijd hoorde zij eene inwendige stem, die tot haar sprak: «Wees gerust, binnen korten tijd zal Simon van zijn lijden verlost worden.quot; Hierop hernam de vrome maagd. »Goe-sdertierenste Heiland, ik smeek u, «schenk alle vertroostingen, welke Gij «wellicht in de overmaat uwer barm-»hartigheid voor mij uwe onwaardige «dienstmaagd bestenr.d hebt, aan uwen

-ocr page 395-

— 379 —

«dienaar Simon en bevrijd hem van »de pijnen des vagevnurs ; want ik zal wiiet ophouden met zuchten en »weenen, totdat ik bepaald zeker ben, »dat hij de eeuwige gelukzaligheid »is binnengegaan.quot; Deze woorden bewogen het hart van Jesus. Jesus verscheen op nieuw aan zijne getrouwe bruid vergezeld van de ziel van Simon en zeide: «De vrede zij met mi, mijne geliefde bruid ! Ziehier de ziel »voor welke gij zoo ijverig hebt gesbeden 1quot; Op deze woorden wierp de maagd zich plat tor aarde en dankte haren Verlosser voor dezegroote genade. Simon, die in eene zee van onnoembare vreugden verzonken scheen, dankte Luitgardis allerhartelijkst, noemde haar zijne verlosseres en deelde haar mede, dat hij zonder hare voorspraak nog elf jaren in het vagevuur had moeten lijden, nu echter was alles afgeboet en snelde hij ten hemel.

Na verloop van een korten tijd had dezelfde maagd eene andere wonderbare verschijning. Paus Innocentius III was onmiddelijk na het concilie van Lateranen gestorven. Luitgardis zag

-ocr page 396-

— ?80 —

zijne ziel te midden van vlammen die oprezen en daalden en met altijd nieuwen gloed zich om hem kronkelden. Verstomd over dit gezicht vroeg zij: ))Hoe komt het, dat gij een zoo \'groote sen volmaakte paus, ons aller vader »en voorbeeld, die gruwzame folterin-))gen lijden moet?quot; »Ik word voor sdrie fouten gestraft,quot; antwoordde In-Mocentius. »Door deze had ik bijkans »mijn eeuwig heil op het spel gezet. »Maar Maria, de moeder der barm-»hartigbeid, heeft voor mij in het «sterfuur een volmaakt berouw ver-»werven; hieraan heb ik mijne redding «geheel te danken. Ik moet echter nog »jaren lang in het vagevuur lijden, »itdien gij mij met uwe gebeden niet »te hulp komt. Maria was het wederom, »dic mij de genade verwierf, dat ik »uwe hulp durfde aanroepen. Ik bid »u, heb medelijden met mijne arme »ziel.quot;

De dienares Gods werd door deze openbaring smartelijk aangedaan. Terstond riep zij hare kloosterlingen te zamen, deelde hun de verschijning mede en verlangde, dat allen hare

-ocr page 397-

— 381 -

goede werken voor den vader der christenheid, die door allen bemind en vereerd werd, zouden opofferen. De kloostervrouwen beantwoordden aan het verlangen harer overste en met recht mag men aannemen dat Goi hare gebeden om ontferming verhoorde. Kardinaal Bellarminus zegt van deze verschijning: »Zoo dikwijls ik aan deze j)verschijning denk, word ik met vrees «bevangen. Als een groote paus, dien »de menschen voor een heilige hielden »op het punt stond zijn eeuwige ge-»liikzaligheid te verspillen en wijl hij »dit schrikwekkend lot ontging tot aan »het einde der wereld in het vagevuur smoest lijden, moet dan niet ieder «christen beven en de geheimste plooien van zijn geweten onderzoeken om de «kleinste fouten uit te roeien?quot; *)

\'» Laur. Sur. 46. Jun, Vita S. Luitcard 1. 2. c. 4. 7. 9. — Bellarmin, de gemitu columb. 1.2. c. 9.

-ocr page 398-

— 882 —

.

30.

Eene straal van hemclsch licht in het vagevuur.

Het licht schijnt in de duisternis Joan. 1.

De Goddelijke voorzienigheid heeft meermaals te kennen gegeven op welke wijze zij in de zuiveringsplaats tegelijk de slechte daden bestraft en de goede beloont. De H. Magdalena van Pazzis verscheen eens tan eene nonne terstond na den dood stralend aan hemelsch licht, terwijl de handen geen glans van zich gaven. Op deze wijs boette zij eenige kleine vergrijpen tegen de gelofte van armoede gedurende haar kloosterleven begaan. •—• Eene andere maagd verscheen haar in een gewaad, dat van buiten slechts vuur scheen te zijn en van de binnenzijde met leliën versierd was: het vuur beteekende de straf, welke zij moest ondergaan voor haren overmatigen opschik; de leliën gaven de belooning te kennen voor hare onbevlekte reinheid.

1

-ocr page 399-

— 383 —

Een kanselredenaar der Dominikaner-orde verscheen na zijnen dood aan een i kloosterbroeder in een prachtig gewaad in met een gouden kroon op het hoofd. Over de beteekenis hiervan ondervraagd, gaf hij het volgend antwoord, dat de ernis mantel de zielen verbeelden, die hij door zijne sermonen gered had en de eeft gouden kroon het loon was voor zijne elke getrouwheid in het naleven der Ordes-ïlijk regelen en voor de zuivere meening, iede waarmede hij alle zijne werken had zzis trachten te verrichten. Hij voegde er ler- y| ook bij, dat zijne tong moest lijden, sch ; om eenige nuttelooze woorden te heb-ms ben gesproken.

tte Hier laten we nog een ander voor

de beeld volgen, dat ons verhaald wordt lar door pater Franciscus van Gonzaga, ;re bisschop van Mantua, in zijn boek: — id, Over den oorsprong der Seraphijnsche te Orde. — Op de Kanarische eilanden, 3n in het klooster der onbevlekte ontvan-;le genis, gestold onder de bescherming in van Onze Lieve Vrouw der palm, le woonde een man Gods, Joannes de Via. n Deze werd gevaarlijk ziek en men gaf hem tot oppasser eenen novice met

-ocr page 400-

— 38i —

name Ascensio. Deze novice was nog jong, maar reeds ver gevorderd op den ■weg der volmaaktheid en kweet zich met vreugde van het nieuwe ambt. In weerwil van alle verpleging en zorgen nam de zieke niet toe in beterschap, maar stierf in de stichtendste gevoelens van godsvrucht. De goede kran-kenbewaarder sloot hem do oogen, woonde de plechtigheden der begrafenis bij en trok zich daarna terug om voor den overledene te bidden. In dit liefdewerk volhardde de novice verschillende dagen. Op zekeren avond toen hij met verdubbelden ijver den Heer bad, zag hij eensklaps een zijner Ordesbroeders voor zich staan. Deze was omgeven van een lieflijk en zacht licht, dat aanstonds de geheele cel verlichtte, Alles was plotseling verdwenen. Do verschijning herhaalde zich, maar de goede broeder was zoo erg buiten zich zeiven, dat hij niet in staat was iets te vragen. Bij de derde verschijning schepte 1 hij moed en vroeg: »Wie zijt gij? »waarom kemt gij zoo dikwijls her-»waarts; in den naam van God ver-szoek ik u te antwoorden, opdat ik

-ocr page 401-

— 385 —

»wete, wat dat alles beteekent.quot; De geest hernam: »Ik ben de ziel van Jo-sannes de Via, die u den besten dank »zeggen moet voor de vele gebeden, »die gij dagelijks voor mij hebt gc-»stort. Aan de Goddelijke barmhartig-»heid heb ik het te danken, dat ik »mij onder de uitverkorenen in de reini-»gingsplaats bevind. Ik ben nog niet »waardig om het aapschijn van God ))te aanschouwen, omdat ik eene zonde »van verzuimenis moet afboeten. Na-»mei ijk ik heb in mijn leven ver-sscheidene getijden voor de overledenen, «waartoe ik door den Regel verplicht »was, door mijne schuld vergeten te »bidden. Thans bid ik u dringend, ter «wille van de liefde die gij mij hebt «toegedragen en nog meer uit liefde »tot Jesus, zorg te dragen, dat deze «getijden gebeden worden; want eerst «dan, als ik van mijne schuld ben «ontslagen, word ik tot de eeuwige «gelukzaligheid toegelaten.quot; Broeder Ascensio begaf zich op staanden voet tot pater Guardiaan en verhaalde hem de drie verschijningen. De overste hechtte geloof aan de woorden van don broe-Geloovige zielen 25

-ocr page 402-

_ 386 —

der, riep alle paters te zamen en deed de verzuimde gebeden verrichten. Ter nauwernood waren de getijden ten einde, zie: daar verschijnt Joannes den braven novice op nieuw, maar schooner en stralender dan te voren. Hij dankte hem van harte , beloofde zijn beschermer en voorspreker te zijn en toonde hem hierop zijne beide begeleiders. De eene ter rechterzijde was de H. Fran-ciscus \\an Assisië, de roemrijke Ordesstichter, de andere ter linker zijde de H. Bernardinus van Siëna. Beide waren uit d( n hemel nedergedaald, om in persoon Joannes tot loon van zijne getiomvheid in het kloosterleven den hen el binnen te voeren. *)

•) Fr. Fr.inc. Goi zaga. De orig. Seraph. Heiig p, 4. d. 7.

-ocr page 403-

— 387 —

31.

Wie gedurende zijn leven de II. Sacramenten versmaadt, valt na den dood in de handen der Goddelijke recht vaardigheid.

Zij kennen de geheimen van God niet, hopen niet op de belooning der rechtvaardigheid. .wap. 2: 22.

Wij willen hier niet nader verklaren op welke manier de H. Sacramenten de onuitputtelijke bronnen van genezend water en de schatkamers der genaden, deugden en verdiensten zijn: wij willen hier niet spreken van de ondankbaarheid en onverschilligheid van hen , die wel de hetnelsche goederen wenschen, maar geen ijver aan den dag leggen om die onnoemlijke rijkdommen te verwerven; ook niet uitweiden oven hen, die in deze onfeilbare heilsmiddelen hunne genezing niet zoeken. Wij willen slechts aantoonen op welke manier deze onverschilligheid, dwaasheid en ondankbaarheid na den dood bestraft wordt.

In het eerste voorbeeld spreken we over eene kloosterlinge, die zeer lauw

-ocr page 404-

_ 388 —

was in het streven naar volmaaktheid en dikwijls zonder den minsten beweeggrond van de Tafel des Heeren terugbleef; in het tweede toonen wij u een priester, die in zijne laatste ziekte talmde te ontvangen het H. Oliesel, het schild des heils, dat de Heer ons volgens de leer van de Kerkvergadering van Trente in den laatsten strijd aanbiedt.

In het jaar 1589 stierf in het klooster van Onze lieve Vrouw der Engelen eene door hare medezusters zeer geëerde non. Spoedig na haren dood verscheen zij aan de H. Magdalena van Pazzis en bad haar, dat zij haar toch mocht te hulp komen, omdat zij tot een smartvol vagevuur veroordeeld was. De H. Magdalena knielde voor het H. Sacrament, toen zij zag dat de overledene ook neerknielde met de uitdrukking van den diepsten eerbied. Haar uitzicht was vreemdsoortig, zij droeg een vurigen mantel; de vlammen schenen haar te verteeren: slechts de borst bleef ongeschonden , omdat eene soort van sluier deze beschermde. Magdalena stond verstomd, dat zij eene harer medezusters in die folteringen zag. Zij

-ocr page 405-

— 389 —

verlangde hiervan de oorzaak te kennen en ontving ten antwoord, dat deze ziel moest lijden, omdat zij te weinig godsvrucht had gekoesterd tot het H. Altaarssacrament en van tijd tot tijd met onvoldoende voorbereiding de H. Communie had ontvangen, niettegenstaande de Regel van het klooster een veelvuldiger naderen tot de H. Sacramenten voorschreef. Nu moest de ziel tot straf iederen dag in de kloosterkerk terugkeeren, om aan het H. Sacrament de verschuldigde eer te bewijzen : thans brandde zij van zuivere liefde en heiligen ijver voor Jesus onder de gedaante van brood verborgen en vereenigde zich met Hem zoo best mogelijk zij kon. Zij gevoelde diepe dankbaarheid jegens God, die haar tot loon harer ongeschonde maagdelijke zuiverheid een sluier gegeven had , die haar tegen der vlammen woedende kracht behoedde. Dit bericht trof j Magdalena tot in het diepste van haar hart: zij nam terstond het besluit, om de ziel met alle middelen, die haar ten dienst stonden te helpen, totdat haar geopenbaard werd, dat de over-

I

-ocr page 406-

— 390 —

ledene de eeuwige gelukzaligheid -was binnengegaan. Magdalena herhaalde dikwijls het verhaal dezer verschijning, om hare geestelijke dochters tot een ijverig, eerbiedig en aandachtig ontvangen der H. Sacramenten aan te zetten.

De straf, die den priester ten deel viel, was nog grooter. Hij had de toediening van het H. Oliesel opgeschoven, \'t geen te strafbaarder was, omdat zijn biechtvader en de aanwezigen hem op het gevaar van zijnen toestand hadden opmerkzaam gemaakt en tevens dringend verzocht, om alle zijne zielsaangelegenheden te regelen, opdat hij sterkte verwierf tegen de aanvallen van den boozen geest. Hij was te zeer ontsteld over de nabijheid van den dood en liet zich het H. Oliesel niet toedienen, uit dwaze vrees, dat dit Sacrament zijnen dood zoude verhaasten. Er lag geene misachting voor dit H. Sacrament in zijne weigering, neen, alleen een betreurenswaardig bijgeloof, waardoor hij zelf zich van de kostbaarste genaden beroofde. Het concilie van Trente leert, dat wij dikwijls door het

-ocr page 407-

— 391 ^

H. Oliesel de lichamelijke genezing verwerven, indien de gezond leid voorJee-lig is aan het eeuwig belang der ziel. De priester verschoof het toedienen zoo lang, dat hij zonder dat kostbaar heilmiddel stierf.

Terwijl men alle toebereidselen maakte voor zijne teraardebestelling, stond God toe, dat de overledene in tegenwoordigheid van alle aanwezigen de oogen opende en zeide: ))De Heer heeft mij veroordeeld tot honderd jaar lijden in »het vagevuur, wijl ik door mijn te lang «uitstellen mij vrijwillig van de loutering »beroofd heb, welke dit sacrament be-»werkt. Alleen de gebeden en goede »werken zijn in staat om dien tijd te «verkorten. Hadde ik volgens plicht het »H. Sacrament der stervenden ontvan-»gen, dan ware ik door hunne kracht «genezen geworden en hadde tijd ge-«had om boete te doen.quot;

Na deze woorden sloot de overledene wederom de oogen en keerde terug tot het rijk der dooden. 1)

1

Vincent Puccini Vita St. Maria Magd. de Pal. p. 1. c. 29. Mich. AUx. Hortus past. Tr, ieot. 2,

-ocr page 408-

— 392 —

32.

Verhooring onzer gebeden.

Tk zal u troosten, mangd, dochter \\an Sion. Jerera. L: 2. 13.

Wij lezen in de openbaringen van de H. Brigitta, dat het God dikwijls behaagde, door hare voorspraak aan de geloovige zielen barmhartigheid te bewijzen. Nog meer genaden schijnt hij gegeven te hebben aan de dochter der H. Brigitta, met name Catharina, die in een maagdelijk huwelijk leefde. Op zekeren dag zat Catharina te bidden in de Sint Pieterskerk te Rome, voor het altaar van den H. evangelist Joannes. Eensklaps zag zij dat eene dame haar naderde, die een wit gewaad met bonten cingel en een witten sluier met zwarten mantel droeg. Catharina vroeg haar naar haren naam en vernam, dat de dame in Zweden gestorven en herwaarts [gekomen was om haar de tijding van den dood van Gida, hare schoonzuster, te brengen. Zij zeide, dat de ziel van deze in het vagevuur was en aan hare hulp be-

-ocr page 409-

— 393 —

hoefte had. Catharina verzocht de vreemde, dat zij te zamen tot hare moeder zou gaan om deze dit droevig bericht mede te deelen. De dame echter weigerde en zeide, dat het haar niet vrij stond, om der moeder een bezoek te geven; dat zij slechts deze boodschap had voor Catharina en wederom moest vertrekken, na ze te hebben afgelegd. De dame voegde er nog bij, dat zij, Catharina, aan het gezegde niet behoefde te twijfelen, want binnen kort zou een bode uit Zweden haar dezelfde tijding brengen, te zamen \'met de gouden kroon der afgestorvene, die ze aan haar had vermaakt, opdat zij zich barer in heure gebeden zoude herinneren. Na deze woorden verwijderde zich de verschijning. Catharina liep haar achter na en vroeg een ieder, die haar ontmoette, of zij niet eene dame gezien hadden, maar alles te vergeefs. Niemand had de vrouw gezien, ofschoon verschillende personen het gefluister van het gesprek gehoord hadden.

Nu ging Catharina tot hare moeder en berichtte haar de wonderbare gebeurtenis. Brigitta zeide haar glimla-

-ocr page 410-

— 394 —

chend, dat ook zij in hare overweging eene zelfde verschijning had gehad; dat Gida godvruchtig in den Heer was ontslapen en de vreemde dame in de basiliek de overledene zelve geweest was. God had Gida toegestaan, de hulp harer verwanten in te roepen.

Werkelijk, na korten tijd kwam een bode uit Zweden. Ingewald, officier van koning Karei, was belast om in persoon de erfenis der vorstin te overhandigen. Het was eene kunstvolle en kostbare kroon, die de overledene de gewoonte had te dragen ter gelegenheid, dat aan het hof werd feest gevierd. De kroon kwam te rechter tijd, want de beide Heiligen waren van alle geldmiddelen verstoken. Met ijver volhardden zij in de werken van liefde, die zij terstond begonnen en volbrachten na de afreis van den officier des konings en putten zich uit door te vasten, bidden en nachtwaken. Ja, men weet, dat de H. Brigitta aan de kerkdeur aalmoezen inzamelde, om het ontvangen geld onder de armen te mogen verdeelen. \'t Is buiten twijfel, dat de deugdzame vrouwen weldra de verlos-

-ocr page 411-

— 395 —

sing barer beminde verwante van God verwierven, omdat, gelijk baar levens-bescbrijver zegt, haar leven vol wonderen is. *)

33.

God openbaart somtijds het lot der overledenen ter onderrichting der levenden.

Hij openbaart het diepe en verborgene, hij weet wat in de duisternis is. Daniel 2: 22.

God openbaart somtijds aan de men-scben gedeeltelijk, wat bun te wacbten staat aan de andere zijde des grafs, om ben tot grooteren ijver in den dienst des Heeren aan te sporen. Eene der leerrijkste openbaringen vinden we op-geteekend in de akten der heiligverklaring van den H. Bernardinus van Siëna. In bet diocees Nocera, in het koninkrijk Napels, stierf een knaap met name Blasius, in den jeugdigen ouderdom van elf jaren. Toen men de doodskist

\') Laurent Surius et Godefr. Henschen. S. J. Act. Sanct. 24. Mart. Vita S. Cathar. c. 4.

-ocr page 412-

— 396 —

sluiten wilde, bewoog de doode plotseling de handen en de armen, slaakte een smartvollen zucht en verviel wederom in zijnen schijnbaren doodslaap. Groot was de ontsteltenis der aanwezigen. Eenigen vielen op de knieën, vouwden de handen en baden; anderen waren van gedachte, dat de knaap slechts bewusteloos was en wendden alle mogelijke middelen aan om hem tot het leven terug te roepen. En werkelijk de jongeling bewoog zich opnieuw en scheen zachtjesaan adem te halen. Terstond werd de geneesheer te hulp geroepen en beproefd om het kind te doen herleven. Alles te vergeefs! Den vijfden dag wendde de geheele familie zich tot den H. Bernardinus van Siëna, die haar de gewenschte genade verwierf. Blasius scheen uit een zwaren slaap te ontwaken, opende de oogen, erkende de aanwezigen en verhaalde hun geheimen van het andere leven.

Merkwaardig; in de eerste veertien dagen was Blasius niet in staat om zich te bewegen, de tong alleen was vrij. Zijn verhaal was het volgende: ))Ik ben werkelijk \'gestorven. Toen ik

-ocr page 413-

— 397 —

»den geest had gegeven zag ik den »H. Bernardinus van Siëna tot wien »ik altijd eene bijzondere godsvrucht »gehad heb. Hij riep mij en zeide, dat shij mijn geleider wilde zijn en ik «niets mo.est vreezen: verder, dat ik «alles, wat ik zag, nauwkeurig in mijn «geheugen moest prenten, opdat ik «dit later kon verhalen. Hierop voerde «hij mij met bliksemsnelheid in de «hel, waar ik eene ontelbare menigte «verdoemden zag, van welke verschil-«lende mij bekend waren. Anderen «noemde mij de Heilige bij den naam en «hij zeide mij, dat deze in eeuwigheid «moesten lijden voor hunne hoovaar-odigheid, gierigheid, onbarmhartigheid, «onkuischheid, godslasteringen en dieve-«rijen. Terwijl ik met ontzetting dit vree-«selijk schouwspel betrachtte , zag ik «eene schaar duivels een rnensch van «onze omstreken, een bekenden woe-«keraar, die pas gestorven was ter «helle sleuren; de booze geesten wierspen hem in de vlammen op eene «plaats waar ondoordringbare duisternis «heerschte. De zoon van dien man, die «dit verhaal hoorde, nam terstond het

-ocr page 414-

— 398 —

«besluit om alle de schatten van zijn «vader onder de armen te verdeelen »en in het klooster te treden, ten seinde door verloochening van zich szelven en andere goede werken het «strenge gerecht van God te ontgaan.

»Ik was zeer verheugdvervolgde Blasius, «dat de H. Bernardinus mij «van deze plaats van folteringen weg-»voerde en tot het hetnelsch paradijs «geleidde: daar zoude ik aanschouwen «de heerlijkheid der getrouwe dienaars «van God. Ik zag het glorierijke heir «der martelaren met palmtakken in «hunne handen; het schitterend koor «der maagden, met witte leliën ver-«sierd en tallooze Engelenscharen: boven «alle de hemelorden verhief zich de ko-«ningin des hemels; haar hoofd prijkte «met eene starrenkroon, de schitterende «zon is haar kleed, en hare schoonheid «en heerlijkheid overtreft alles. Geene «menschelijke tong is in staat om de «heerlijkheid der allerheiligste Drievul-«digheid uit te drukken. De H. Ber-«nardinus maakte mij opmerkzaam op «de glorie van den H. Franciscus van «Assisië, wiens heilige vijf wonden als

-ocr page 415-

— 399 —

«sterren schitterden: zijne geestelijke szonen omringden hem; een groot «aantal van hen waren door de gesbeden van hunnen H. Vader van het «vagevuur bevrijd geworden: de H. «Franciscus geniet het voorrecht om «op zijn feestdag in het vagevuur «neder te dalen, om zielen te verlossen, «die of leden of beschermers of weisdoeners zijner Orde geweest zijn.

«Eindelijk voerde de H. Bernardinus «mij in het vagevuur: hier zag ik de «veelvoudige straffen, waardoor de zon-«daar moet gelouterd worden voor den «hemel. Ik zag er verschillende verswanten en vrienden. Toen deze zielen «mij bemerkten, verzochten zij mij, «dat ik toch, na op de aarde te zijn «wedergekeerd, hunne verwanten, vrien-«den en bekenden zoude aansporen tot «het gebed, opdat zij door hunne goede «werken den vertoornden arm van God «mochten ontwapenen; hun lijden zoude «dan een spoedig einde nemen en zij «zouden hunne weldoeners zegenen.quot;

De knaap, die dit alles had gezien, kwam den vijfden dag door de tus-schenkomst van den Bernardinus tot

-ocr page 416-

— 400 —

het leven terug en kwam wederom tot zulken toestand dat hij alles, wat hij had gezien, kon verhalen. Dit deed hij in de grootste kalmte en overtuiging; alles, wat hij zeide, was in volkomen overeenstemming met de geloofsleer, zoodat men meende te hoeren een uitstekenden Godgeleerde in plaats van een onwetend en ongeleerd kind. De knaap zeide tot een der toehoorders. »Uw vader is aan dien dag gestorven ,quot; hij wordt in het vagevuur «gefolterd en beklaagt zich bitter, dat »gij zijn testament, waarin hij eene be-spaalde som gelds bestemd heeft voor «aalmoezen, H. Missen en gebeden »niet ten uitvoer legt.quot;

Tot een tweede zeide hij: »uw vader »die twee jaren geleden begraven is »lijdt naamloos veel in het vagevuur: »hij klaagt over uwe ongetrouwheid, «want bij zijn afsterven hebt gij hem »de heiligste beloften gedaan, om voor szijne zielerust te bidden, hetgeen gij »tot nog toe niet gedaan hebt.quot;

Wij willen ons verhaal niet te lang maken, maar dit slechts er bij voegen, dat Blasius een ieder met nauwkeu-

-ocr page 417-

— 401 —

righeid zeide, wat elk doen moest om aan zijne bloedverwanten en vrienden de gewenschte rust te bezorgen. *)

34.

Een kort gebed zelf helpt de geloo-vige zielen.

Een woord is beter, dan eens gift.

Sir. 18:17.

De groote kerkleeraar, de H. Hiero-nymus, beschrijft in een zijner werken de eenvoudige begrafenis van den heiligen Antonius door den H. Paulus en laakt daarna de dwaasheid van hen, die voor hunne afgestorvenen of voor zich zei ven overdreven plechtige lijkdiensten doen plaats grijpen, doordien zij het sterfelijk licliaan willen vereeren door het kostbaarste fluweel, den fijnsten marmer en de kunstvolste praalgraven en wenschen, dat de overledene in de lijkredenen hemelhoog verheven en geprezen wordt.

»vVaartoe,quot; zegt de Heilige, ))dicnt

\'j Acta Sanctor. Galland, Append ad £0 Mail.

-ocr page 418-

— 402 —

»dat kostbaar fluweel? Waartoe deze Mjdelheid, die zelve niet zwijgt te mid-»den van het zuchten en geween? ))De lichamen der rijken worden toch »te midden van goud en zijde eene »prooi der wormen?quot;

En toch worden er vele, zeer vele menschen gevonden, die meer gewicht hechten aan dat uiterlijk vertoon, dan zorg dragen voor de ziel des overledenen. Op deze wijs geeft de mensch blijken van liefde en droefheid, die den overledenen tot niets baten en hem dikwijls ten nadeel verstrekken. Een klein aalmoes, een kort gebed, hebben meer waarde dan vele tranen, zijn kostbaarder en voordeeliger dan alle uiterlijk praalvertoon.

Een voornaam burger uit Venetië zond den prior der Theatijnen, Petrus Paulus Montorsono eene groote som gouden rijksdaalders, opdat deze in zijne kloosterkerk een plechtigen lijkdienst zou houden tot rust der zielen van zijne voorouders. De kloosterling, die de armoede gestreng onderhield, deed een solemneelen zieledicnst vieren, maar Jegde meer gewicht op de godsvrucht

-ocr page 419-

— 403 —

dan wel op de uiterlijke pracht. Den wereldling scheen dit onvoldoende, want hij zond den goeden pater een bode met de bittere klacht over de spaarzaamheid, waarmede deze de zaak had ten uitvoer gelegd, niettegenstaande hem tot bestrijding der onkosten eene belangrijke som gelds was ter hand gesteld. De \'prior begreep terstond, dat hij met een man te doen had, wiens hart niet was doordrongen van den geest des geloofs, maar ingenomen van de ijdelheden der wereld. Deze ziels-blindheid deed den armen pater leed; hij zocht derhalve naar een middel, om den rijken man hiervan te genezen en tot waarlijk christelijke gevoelens op te wekken. Hij had eene geschiedenis gelezen, die bijna over het zelfde geval handelde en hoopte, dat God ook hier zou te hulp komen, want »zijn arm is sterk en zijn oor voor onze gebeden geopend.quot; Vol vertrouwen vat hij zijnen gast bij de hand en voert hem in het aangrenzend vertrek. De pater neemt uit de secretaire de som gelds, die hij van den rijke ontvangen en nog niet had aangeroerd.

-ocr page 420-

— 404 —

Up een vel papier schreef hij den psalm »de profundis,quot; terwijl hij een aanwezigen broeder uitzond om eene weegschaal te halen. Toen deze was teruggekomen, lei de prior de som op de eene schaal en het vel papier op de andere, en zie, o wonder! het laatste woog het zwaarste.

Tweemaal herhaalde men de proef: tweemaal met denzelfden uitslag. De ontstelde bode maakte het H. Kruis-teeken; hij snelde terstond naar zijnen heer, om hem de wonderbare gebeurtenis te verhalen. Deze niet min verschrikt, loofde de Goddelijke voorzienigheid , dat zij hem had doen erkennen in welke mate een aandachtig gebed alles in waarde overtreft. Van af dit oogenblik had hij meer eerbied voor pater Mon-torsono, liet hem om vergifl\'enis vragen voor do onbezonnen klacht en beloofde in het vervolg christelijker te denken en de nietige goederen dezer aarde tc verachten.

Ter gedachtenis aan deze gebeurtenis deed men een beeld vervaardigen dat den kloosterling voorstelt met de weegschaal in de hand.

-ocr page 421-

— 405 —

Uit dit verhaal durven wij echter niet het gevolg trekken, dat korte gebeden altijd toereikend zijn, om de geloovige zielen uit het vagevuur te verlossen: zij zijn wel is waar kostbaarder dan goud, want goud heeft geene waarde in de oogen des Heeren. Ursula Benincasa, eene H. bruid des Verlossers, had dit begrepen en heeft tot lafenis der geloovige zielen de grootste smarten willen verdragen. Terwijl hare zuster Christina in den doodstrijd lag, beklaagde Ursula haar bitter om het lijden, dat de stervende in het andere leven stond te wachten. Daar Ursula echter vernomen had. dat barmhartige en grootmoedige zielen, gelijk de H. Catharina van Siëna, zich met het lijden, dat anderen in het vagevuur verduren moeten, beladen hebben, nam zij het besluit dit voorbeeld na tc volgen.

Zij smeekte den Heiland, dat Hij haar toch hier op de wereld zou laten afboeten de smarten die hare stervende zuster in het vagevuur lijden moest. Hare zuster kwam te overlijden; in hetzelfde oogenblik was Ursula in ex-

-ocr page 422-

— 406 —

tase verslonden en zoodra zij wederom tot zich was gekomen, riep zij uit: «Ik sdank u, o God, voor de oneindige »barmhartigheid, welke Gij aan mijne »zustcr hebt bewezen ter wille van »mijii armzalig gebed?quot; Zij noodigde alle hare medezusters uit om het Te Deum te zingen. Men had dezen lofzang nog niet geëindigd, toen Ursula door de hevigste smarten werd aangegrepen, die haar gedurende geheel haar leven bijbleven. 1)

35.

Het gebed der rechtvaardigen voor de geloovige zielen in het vagevuur is zeer heilzaam.

Gij verwektet een doode uit de onderwereld van den dood door het woord van God den Heer. Sirach 48: 5.

Deze aangehaalden tekst vinden we opgeteekend in de H. schrift, waaide lof van Elias wordt verkondigd dooiden propheet, wiens gebeden naar de uitspraak van den H. Augustinus een

1

flist. Orb. Theat. p. 1. 15. a. 1580. P. Jo. Ba-gata. Vita V. ürsulae. p. 2. e. 0.

-ocr page 423-

— 407 —

machtige sleutel des hemels zijn voor allen, omdat hij den zoon der weduwe van Sarepta tot \'t leven terugriep.

Dit is ook van toepassing op die barmhartige christenen, die door hunne godvruchtige gebeden de geloovige zielen uit het vagevunr verlossen en het hemelsch paradijs binnenleiden. In deze godsvrucht blonk vooral uit de H. Teresia, wier gebeden met het rijkste loon bekroond werden. Zij zelve zeide, dat de duivel allo mogelijke inspanningen had gebruikt, om haar van dit vroom gebed af te houden. »Op den avond van allerzielendag,quot; zoo verhaalt de Heilige, »trok ik mij »op mijne kamer terug om de getijden »voor de geloovige zielen te bidden; «eensklaps verscheen me een verschrik-»kei ijk dier, \'dat zich op mijn boek «nederzette en mij belette verder te »hidden. Ik verdedigde mij door het »H. teeken des kruises en de helsche «vijand trok zich terug tot driemaal ))toe. Ter nauwernood had ik een nieuw sbegin met liet gebed gemaakt, of het «kwam weder naderbij en nam dezelfde «plaats in. Het was mij niet mogelijk

-ocr page 424-

— 408 —

«het gcrlrocht te doen vertrekken, dan »nadat ik eerst het boek en daarna »het dier met wijwater had besproeid. ))Toen ik dit had gedaan, vluchtte het »in allerijl en liet mij mijn gebed be-»daard ten einde brengen. Na vol-sbrachte taak zag ik een aantal zielen »uit het vagevuur verschijnen; aan dit »gebed hadden zij slechts behoefte om «verlost te worden uit het vagevuur »en derhalve wilde de booze vijand «mij daarin verhinderen.quot;

Zij had nog vele andere verschijningen en verzekert ons, dat van alle de zielen, wier lot haar werd geopenbaard, slechts drie onmiddelijk na den dood den hemel zijn ingegaan.

We willen hier twee van hare visioenen verhalen. Eene barer kloosterlinge was gestorven. De Heilige was bij het officie der dooden tegenwoordig. Toen men een aanvang maakte met de eerste les van het vroeg-gebed zag zij de ziel der afgestorvene, ten hemel snellen. Den anderen keer zag zij de ziel van een pater jesuiet; zij offerde voor hem te zamen met den priester de hostie der verzoening en het kost-

-ocr page 425-

baar bloed van Jesus Christus aan den hetnelschen Vader op. Plotseling zag Teresia den Verlosser zeiven verschijnen, die met naamloozo goedheid de aan blijdschap stralende ziel wenkte en ten hemel voerde.

Toen Teresia bemerkte, dat haar gebed door God werd verhoord, ontvlamde haar hart aan liefde tot de ge-loovige zielen in het vagevuur. Zij zelve bad niet alleen persoonlijk, maar ook verbreidde zij deze H. godsvrucht naar best vermogen in alle kloosters van hare orde. Den tweeden november van ieder jaar nadat men het Requiem gezongen had , kwamen alle kloosterlingen te zamen om eene onderrichting te aanhooren over den aard en de wijs, waarop zij de geloovige zielen helpen konden: elke kloosterlinge gaf dien dag de schriftelijke verklaring, dat zij in het volgend jaar het een of ander goed werk verrichtte of wel persoonlijke versterving of wel lange gebeden of een ander geestelijk werk van barmhartigheifl tot lafenis der lijders in \'t vagevuur.

Bernardinu\'s van Mendoza had bij

-ocr page 426-

— 410 ^

notarieele akte een huis en een schoonen tuin te Valladolid bestemd tot den aanbouw van een klooster ter eere van de moeder Gods. Hij liet de H. Teresia ontbieden, smeekte haar dien bouwgrond in bezit te nemen en terstond de handen aan het werk te slaan, alsof hij een voorgevoel had van zijn aanstaanden dood. Deze vrome stichting zoude zijne ziel tot groot voordeel verstrekken. De Heilige, door dringende kloosterlijke onstandigheden verhinderd, kon eerst na verloop van eenige maanden een aanvang met den bouw maken. De schenker werd schielijk door eene heete koorts geteisterd, die hem de spraak ontnam, zoodat hij niet in staat was zijne biecht te spreken. Hij stierf berustend in Gods wil vol geloof en berouw. Teresia bevond zich juist te Alcala, toen zij deze treurmare vernam, \'t Smartte haar bitter, dat de stervende de laatste H. Sacramenten niet meer had kunnen ontvangen en bad derhalve des te meer voor de rust zijner ziel. God openbaarde haar, dat de zieke in staat van genade was afgestorven en de naastenliefde, welke

-ocr page 427-

— 411 —

hij had beoefend, hem vele genaden door de voorspraak van Maria, aan wie hij het klooster had toegewijd, had verworven: verder, dat de ziel van Mendoza uit het vagevuur zou verlost worden op den dag, dat in de kloosterkerk eene H. Mis voor de communiteit werd gelezen.

Van dit oogenblik af kon de Heilige niet meer rusten: ter nanwernood kon zij den tijd afwachten, waarop zij naar Valladolid mocht reizen , om de kapel te openen ten einde den weldoener van haar klooster te bevrijden. Eerst echter moest zij het klooster te Avila bezoeken en daar eenige dagen vertoeven. Toen zij op zekeren morgen in het gebed was verdiept, verscheen haar Jesus, die haar verzocht om alles te Valladolid zoo te regelen, dat de ziel, welke naar hare verlossing reikhalsde, spoedig verlost werd. Op staanden voet zond de H. Teresia den pater Julianus van Avila vooruit, om de goedkeuring der geestelijke overheid, ten einde een begin te mogen maken met den aanbouw van het klooster. Na korten tijd kwam zij zelve te Valladolid aan en

-ocr page 428-

— 412 —

beval den metselaars een begin te maken. Spoedig bemerkte zij, dat het lang zou duren eer de bouw was afgewerkt, daarom verzocht zij voorloopig eene hulpkapel te mogen bouwen voor haar en de aanwezige kloosterlingen. Dit werd haar toegestaan. Toen pater Avila de eerste H. Mis in deze kapel las en in het oogenblik, dat hij de H. ïeresia de communie reikte, zag hij, dat deze in extase was verslonden, gelijk dit dikwijls gebeurde. Later vernam de pater, dat juist op het oogenblik dat de Heilige tot de communie wilde naderen de ziel van Mendoza haar was verschenen , glanzig als de zon en schitterend in de heerlijkheid der uitverkorenen. De ziel had haar met de meeste blijken van dankbaarheid gegroet en snelde dan ten hemel. Do vreugde der Heilige was onbeschrijfelijk ; want nooit had zij mogen hopen, dat deze mis, in de hulpkapel opgedragen, kan beschouwd worden als het offer dat do Goddelijke Verlosser verlangde. *)

\') Vita Theiesiae, c, 31. 38. P. Fr. Ribera, Vita T. Tber. 1. lt;J. tO. Ig.

-ocr page 429-

— ^3 -

36.

Maria beschermt een harer vereerders, die haar aanroept ten gunste der geloovige zielen.

Ik leg mijne woorden in uwen rnund en met de schaduw mijner hand bedek ik u. Isaias 51 : 16.

De genade, waarmede in de vorige eeuw een dienaar van Maria werd begunstigd , is even wonderbaar als die, welke in vroegere tijden den H. Gre-gorius den wonderdoener ten deel viel. Deze H. bisschop vluchtte onder do vervolging van Decius op eenen berg, werwaarts hem de vijanden onder aanvoering van een verrader volgden. De Heilige was in extase verslonden, toen zijne vijanden de spelonk betraden, waarin hij zich had verborgen. Deze ontwaarden hein niet, want God had zijn dienaar onzichtbaar gemaakt en moesten bij gevolg onverrichter zaken huiswaarts keeren. De H. Gregorius van Nyssa verhaalt dit wonder. De verrader, zegt de Heilige verder, werd zoo erg door schrik aangegrepen, dat

1

-ocr page 430-

Mi

hij zich bekeerde. Een ander dienaar van Maria werd met een zelfde genade begunstigd: we laten hier het verhaal volgen. Eene innige liefde tot de ko-nigin des hemels gepaard met eene buitengewone godsvrucht jegens de ge-loovigc zielen waren de oorzaak dat deze dienaar Gods nooit verzuimde \'s avonds de litanie van Loretto voor de verlossing der laatsten te bidden. Gelijk gewoonlijk had ook hij verscheidene vijanden, die hem onverpoosd vervolgden, ja besloten hadden hem bij de eerste de beste gelegenheid te dooden. Toen hij in zekeren nacht rustig sliep, gelukte het zijnen vervolgens om zijn huis binnen te sluipen en tot in het slaapvertrek door te dringen. Zachtjesaan naderden zij het bed en trokken hunne dolken. Doch , o wonder, zij ontdekten niemand, het bed stond ledig. De Goddelijke voorzienigheid had haren getrouwen dienaar met een beschermenden sluier omgeven en onzichtbaar gemaakt voor de oogen zijner vervolgers. De moordenaars dachten eerst, dat hun ofler zich wellicht in een ander vertrek be-

-ocr page 431-

— 415 —

vond; zij doorvorschten het geheele huis, wierpen alles het onderste boven, openden alle kasten en kisten, keerden nogmaals terug tot het slaapvertrek en trokken eindelijk af vol woede, dat zij in hnnne booze oogmerken niet geslaagd hadden.

Hier mag zeker toegepast worden het woord van den H. Joannes; »Hij ^verblindde hunne oogen, zoodat zij smet de oogen niet zagen.quot;

Deze wonderbare redding uit levensgevaar was zonder twijfel de belooning voor zijne oprechte godsvrucht tot Maria en de geloovige zielen in het vagevuur. Dit wonder was echter niet het eenige noch het zonderlingste. Op zekeren avond had dezelfde man een weinig meer gedronken dan gewoonlijk ; de slaap overviel hem vroeger dan naar gewoonte, en hij wilde reeds naar bed gaan. Eerst wilde hij nog de lauretanische litanie bidden. Hij ving aan, maar nauwelijks had hij de helft gebeden, of hij werd door den slaap zoo overmand, dat hij niet verder bidden kon. De vijanden stonden op den loer. Toen deze het oogenblik gunstig

ver-lipen r te j het ocli, liet ?oor-die- | luier I

-ocr page 432-

— 416 —

Oordeelden, wierpen zij zich op het bed. Zij zagen slechts de helft van het lichaam en dachten, dat andere woestelingen reeds hun offer hadden vermoord en het lijk gedeeld. Ontsteld van ontzetting bij dien aanblik vluchtten zij in der haast. God had ditmaal het vorige wonder slechts ten deele hernieuwd, omdat het gebed alleen voor de helft was afgedaan. Zoo luidde de uitspraak van hem, die op wonderbare wijze gered was, zoo dikwijls hij dit voorval verhaalde.

Zijne vijanden zagen hem \'s anderendaags gezond en welbchouden en dachten aanvangs een geest te zien. Toen zij van [hunnen schrik bekomen waren, verlangden zij opheldering van do toedracht der zaak; derhalve verzoenden zij zich met elkander, verhaalden hunne twee moordaanslagen en vernamen op deze wijs de wonderbare redding. 1)

1

P. Carfora, Cler.Regul. Fortuna hom 1. c D, 10.

-ocr page 433-

— 417 —

37.

Het goud en zilver der deugden moet dikwijls in het vagevuur gelouterd ivorden.

Goud en zilver moet in het vuur gelouterd worden. Num. 31, 32.

God gaf aan Mozes het bevel, om het goud en het zilver, dat voor het Tabernakel en de heilige vaten gebruikt werd, zorgvuldig te reinigen van alle metaalschuim.

Dit is naar de verklaring van alle uitleggers der H. Schrift het zinnebeeld van de reinheid, welke de zielen, die den hemel willen ingaan, moeten bezitten. Zij worden door het vuur gelouterd volgens de woorden van den propheet Malachias; »Hij zal de zonen van Levi louteren en ze reinigen als goud en zilver.quot; (Mal. 3, 3.) Ondanks de schoone deugden, waarmede zij hunne zielen versierden, hebben de rechtvaardigen meestal behoefte aan dat zuiverend vuur, om waardig te verschijnen voor het aanschijn van den driemaal heiligen God. De inhoud van dit boekje bewijst deze waarheid zon-Geloovige zielen 27

-ocr page 434-

_ 418 —

neklaar; inmiddels laten wij een ander voorbeeld volgen.

Eene dame uit Milaan, Cornelia Lam-pugnana, was door den innigsten vriendschapsband verbonden met eene nonne van de derde orde van den H. Domi-nikus. Cornelia was een waar voorbeeld van getrouwheid aan het geloof en gedurende haar geheel leven als maagd, cchtgenoote en weduwe eene nederige navolgster van de H. Fran-ciska Romana.

Op zekeren dag hadden de beide vriendinnen zich naai\' de kerk della Rosa begeven. In eene der kapellen spraken zij over de kortheid des levens, over de noodzakelijkheid, dat men steeds tot den dood moestquot; zijn voorbereid, en deden elkander ten slotte de belofte, dat wie van beiden het eerste stierf aan de andere zoude verschijnen, mits God het toestond.

Vijf jaren later werd Cornelia voor den rechterstoel van God geroepen: hare vriendin had in lien tijd de gedane belofte vergeten. Toen deze drie dagen later in hare cel voor het kruisbeeld op hare knieën zat te bidden,

-ocr page 435-

— 419 —

hoorde zij zich bij haren naam noemen. Terstond erkende zij de stem en riep vol vreugde: );Cornelia, wat ben ik blij »u te hooren! Zeg spoedig, waar gij «zijt, smaakt gij reeds het geluk God ))te aanschouwen, dien gij met zoo »groote liefde gediend hebt?quot; — »Necn, nog niet,quot; hervatte de stem, terwijl deze er bij voegde: »0. hoe verschil-slend is het oordeel des Heeren van »dat der menschen! Ik lig nog geker-skerd in de zuiveringsplaats ea moet »er nog eenigen tijd verblijven, om seenige fouten van mijn leven af te sboeten. Maar dank zij de groote goed-»heid van mijn Verlosser, mijn lijdens-»tijd zal weldra een einde nemen.quot; — Een oogenblik later voelde de non, dat iemand haar bij de hand vatte, terwijl zij dezelfde stem hoorde vervolgen: «Kom met mij, gij zult wonderbare dingen zien!quot; — Nauwelijks had zij eenige schreden gedaan, toen zij bemerkte, dat zij zich in een tuin bevond, beplant met wijnstokken, op wier bladeren iets te lezen stond. »Leesquot; zeide de verschijning. De non boog zich voorover en vond alle hare feilen en fouten,

-ocr page 436-

— 420 —

waarin zij dagelijks uit menschelijke zwakheid viel, op de bladeren geschreven. Over dit wonder verstomd vraagt zij, wat die bladeren en geschrevene aanklachten toch eigenlijk beteekenden? De afgestorvene gaf haar hierover eene nadere verklaring. »Wees niet verbaasd, mijne zuster,quot; zoo sprak zij. »Hebt gij «vergeten het woord, dat de Goddelijke «Verlosser bij het laatste avondmaal »sprak: ik ben de wijnstok en gij zijt »de ranken? Zie, dit; bladeren betee-»kenen uwe handelingen; deze zijn niet sgeheel rein en het is hoogst noodza-»kelijk, dat ze gelouterd worden, an-»ders kunnen we den hemel niet ingaan. «Troost u, mijne zuster, want als gij «uw binnenste doorvorscht, zult gij «slechts weinig vinden, wat in uwe «handelingen verkeerd is; gij hebt uwe «maagdelijke zuiverheid onbevlekt be-«waard en uw hemelschen bruidegom «met standvastige liefde gediend. Owe «fouten zijn niet zoo talrijk als de «mijne, zoo als ge dadelijk zien zult. Eenige schreden verder kwamen zij in een tweeden wijnberg: hier lag bijna de geheele aarde met bladeren bedekt

De hiek

-ocr page 437-

— 421 —

De nonne wilde lezen, maar de ziel hield haar terug: »Jesus wil niet. dat sgij nu mijne menigvuldige fouten ont-»dekt. Hij wil me die beschaming bessparen. Lees alleen wat op de naaste «bladeren geschreven staat.quot; — De zuster deed dit en bevond, dat alle zonden begaan in Godshuis, nuttelooze gesprekken, oneerbiedige houding, fouten, waarover Cornelia zeive vroeger de kloosterlinge berispt had, stonden opge-teekend. »0 goedertierenste Jesusquot; riep nu de laatste uit, »van waar komen deze «menigvuldige fouten eu hoe kan men »ze af boeten ? Hoe komt het, dat deze, »nadat gij zoo dikwijls tot de H. Sa-scrarnenten van biecht en Communie »zijt genaderd, en zoovele aflaten hebt «verdiend, nog aanwezig zijn, om u »aan te klagen?quot; »Weet, mijne zuster,quot; hernam de ziel, »dat ik door mijne «verstrooidheden en mijne traagheid «slechts weinige aflaten verdiend heb, «ten hoogste drie of vier. Derhalve moet «ik nu lijden, doch ik ben vol vertrou-»wen, dat de Goddelijke Verlosser mij «weldra zal bevrijden. Reeds nu ver-«troost hij mij door het glanzig licht,

-ocr page 438-

m

»(lat mijn kerker verlicht. Mijn engelsbewaarder verspreidt het om zich henen »en deze getrouwe vriend, die aanhou-»dend voor mij bidt, zal mij eene «spoedige vereeniging met Jesus en «Maria bezorgen.quot;

De verschijning verdween onder het uitspreken der volgende woorden: ))Bid voor mij, vrede zij met u!quot; De zuster twijfelde aan \'t geen zij gezien had en wist niet wat zij ervan gelooven moest. Daarom verscheen haar Cornelia andermaal, riep haar bij den naam enzeide: »Wat gij gisteren gezien en gehoord »hebt, was geene zinsbegoocheling, »geen hersenschim. Alles was waar. Ik »ben Cornelia en kom, om de belofte ))te vervullen, welke wij aan elkander «gedaan hebben in de kerk della Rosa. »Ik verzoek u dat gij te zamen met »uwe kroostervrouwen drie Salve Re-»gina\'s voor mij bidt; de eerste ter »eere van de zuiverheid van Maria, do «tweede ter eere van hare volmaakte «gehoorzaamheid en de derde ter eere »van hare nederigheid; iederen dag «komt Maria tot mij en troost mij in «mijn lijden, dat zijn einde nabij is,quot;

-ocr page 439-

— 423 —

Voor de laatste maal verscheen Cornelia op Maria-Hemelvaart. Zij vertoonde zich aan hare vriendin in den glans van hemelsche glorie, omdat zij van het vagevuur was bevrijd en den hemel ingegaan.

Moeten wij niet beven en sidderen voor het verschrikkelijk oordeel van God, die de geheimste plooien van ons hart doorvorscht! Ja met recht noemt de H. Gregorius van Nazianze het vuur der zuiveringsplaats, het laatste doopsel.

Alleen door het doopsel des waters kunnen wij op de aarde opgenomen worden onder het getal der leden van de strijdende kerk; geen andere weg geleidt naar het eeuwige Jerusalem, naar het rijk der zegepralende kerk, wanneer wij onze ziel bevlekt hebben, dan de vuurdoop in de zuiveringsplaats. \')

\') Hippol. Fortus, Vita Cornol, Lampugnanae c. ib.

-ocr page 440-

— 424 —

38.

De aalmoezen, die wij geven tot lafenis der geloovige zielen, worden zeker beloond.

Aalmoezen vinden barmhartigheid.

Tob. 12. 9.

Niet elkeen is in staat om een rijk aalmoes te geven gelijk de dappere held Judas Machabeus, die, na eene inzameling gedaan te hebben, twaalf duizend drachmen zilvers naar Jerusalem zond, opdat er voor de zonden der gesneuvelden een ofl\'er zou worden opgedragen; maar allen kunnen navolgen het voorbeeld der arme weduwe van het Evangelie, die door den Heer geprezen wordt, omdat zij een penning in de offerbus wierp, want zij gaf, zoo als de evangelist Marcus bemerkt, zooveel als zij kon. Eene arme vrouw te Napels volgde haar voorbeeld en werd daarvoor beloond. Deze vrouw kon ter nauwernood den honger harer kinderen stillen, omdat haar man een arme dag-looner was, die iederen avond het gering zuur verdiende loon te huis bracht.

-ocr page 441-

— 425 —

Door den nood gedwongen maakte hij schulden, weshalve hij op zekeren dag in de gevangenis werd geworpen. Hij moest betalen en kon dit onmogelijk. De zorg voor het geheele huisgezin drukte nu op de schouders der ongelukkige moeder, die niets anders had dan hare beide handen en een onbeperkt vertrouwen op God. Zij bezwoer de Goddelijke voorzienigheid haar toch te helpen en in het bijzonder haren man te bevrijden, omdat de armoede en niet eene misdaad de oorzaak zijner gevangenis was. De arme vrouw mocht niet eens hopen zijne geheele schuld te kunnen afbetalen. Men beval haar aan in de gunst van een lijken en edeltnoedigen heer. Vol vertrouwen legde zij haren toestand bloot in een smeekschrift; zij ontving slechts een klein aalmoes. Wat zal zij nu beginnen? Troosteloos snelde zij naar de kerk en smeekte God, dat hij haar niet moge verlaten, maar hulp zenden. Het was zonder twijfel haar engelbewaarder, die haar, terwijl zij biddend en weenend voor het altaar zat, ingaf, dat zij hare toevlucht zoude nemen tot

-ocr page 442-

— 426 —

de geloovige zielen in hot vagevuur. Bemoedigd en vertroost begeeft zij zich naar de sacristie, haalt een klein stuk geld uit den zak met het verzoek om eene stille H. Mis voor de overledenen te laten lezen. Een priester, die juist gereed stond om tot het altaar te treden, gaf gehoor aan haar verzoek. Zij zelve, zij woonde de H. Mis bij met de grootste aandacht.

Vol vertrouwen verlaat zij de kerk. Op hare terugreis ontmoette zij een vriendeiijken grijsaard, die haar aanspreekt en ondervraagt naar dc oorzaak van den kommer, die op alle hare trekken lag afgeteekend. Zij verhaalt alles openhartig. De grijsaard scheen diep getroffen; hij sprak eenige bemoedigende woorden tot haar cn gaf haar een briefje met den last, dit den heer, wiens woning hij nauwkeurig aangaf, te bezorgen en ter hand te stellen.

De vrouw begaf zich terstond op weg, zocht den heer op en overreikte dezen den brief. Onmiddelijk herkende hij de hand van zijnen vader, die voor korten tijd overleden was. «Van waar komt deze brief?quot; riep hij uit. «Wie

-ocr page 443-

— 427 —

heeft u deze woorden, mij zoo dierbaar, ter hand gesteld?quot; — «Mijnheer,quot; antwoordde de verschrikte vrouw, seen «edelmoedige grijsaard sprak mij aan sop straat; ik verhaalde hem mijn on-»gelukkigen toestand en hij gaf mij »dit schrijven met het bevel het u ter »hand te stellen. Ik weet niet, wat het »inhoud, hij heeft mij niets gezegd. »Zijne gelaatstrekken hadden veel gesgelijkenis met die van het portret, »dat daar boven de deur hangt!quot; Nu las de heer don brief voor: »Mijn zoon, »uw vader is zoo even uit het vage-svuur verlost en dankt deze genade »aan eene arme vrouw, die heden »morgen eene H. Mis voor de overle-))denen heeft laten lezen. Zij brengt u »dezc weinige regels, ik beveel u haar «dringend aan, omdat zij in grooten snood verkeert.quot;

Ten tweeden, ten derden maal, ja herhaald, leest de diepgetroffen zoon den brief, dien de dierbare hand zijns vaders hem geschreven heeft. Hierop wendde hij zich tot de arme vrouw, die hem bevreesd aanstaarde en niets verstond van \'t geen was voorgevallen.

-ocr page 444-

- 428 —

«Arme moeder,quot; zoo sprak hij geroerd, »door een klein aalmoes hebt gij hem, »die mij het leven heeft gegeven, den »hemel geopend, thans wil ik u ge-slukkig maken. Ik zal voortaan zorg »dragen voor u en uw gezin, niets zal ))van stonde af u meer ontbreken.quot;

Verbeeld u de vreugde en het geluk van het arme gezin, en neem ter harte de christelijke leer, welke in dit verhaal ligt opgesloten; namelijk dat iedere weldaad, die wij aan de ledematen dei-lijdende kerk bewijzen, hoe gering en klein deze ook zij, groot is; daardoor zullen wij veler genaden waardig worden. 1)

39.

De geloovige zielen des vagevuurs roepen uwe gebeden in.

Bidt onk voor ons tot den Heer, onzen God; uant wij hehben tegen den fleei jjezondipd en zi.n toorn is van ons niet afgekeerd. Barüch 1:13.

Volgens verschillende uitleggers van de H. Schrift worden de geloovige zie-

1

P. Gregor. Corfora. Fort. hom. 1. 1. c. 9.

-ocr page 445-

— 429 —

len in het vagevuur op dezelfde wijs als Job getuchtigd. Wonden bedekten zijn geheel lichaam, zoodat hij zelf zich niet meer kon helpen; slechts zijne tong was gespaard gebleven; onophoudelijk riep hij: ontfermt u mijner, gij ten minste mijne vrienden. (Job 19: 21.) Ook de arme lijdende zielen vermogen in het vagevuur niet het minst voor zich zeiven te doen, om hare pijnen te verminderen. Haar staat het alleen vrij om de gebeden der levenden in te roepen. Ja, van tijd tot tijd laat God haar toe, dat zij aan die personen verschijnen, die haar helpen kunnen.

Er bestaat eene oude overlevering in de omstreken van Worms, dat men daar gedurende verscheidene nachten krijgslegioenen, deels ruiters, deels voetgangers gezien heeft. Gewoonlijk begonnen deze verschijningen kort na middernacht en verdwenen bij het krieken van den dag. Het scheen alsof de soldaten zich terugtrokken in eene spelonk van den naasten berg om den volgenden nacht af te wachten. Niet verre van daar lag het klooster Lim-

-ocr page 446-

— 430 —

burg door paters bewoond wier nachtrust door dit rumoer gestoord werd. Dit bewoog een H. Monnik te zamen met eenige zijner medebroeders om in den nacht het klooster te verlaten, ten einde aan de onbekende soldaten te vragen, wie zij waren en wat zij wenschten ? Eenige dagen van te voren namen zij liunne toevlucht tot het gebed, smeekten God om hulp en bijstand, verlieten dan eerst liet klooster en begaven zich naar de spelonk, waarin het legioen zich steeds terugtrok en verdween. Toen de krijgsbroeders naar buiten stormder., maakte de moedigste der kloosterlingen het H. kruisteeken en beval hun in naam der allerheiligste Drievuldigheid te zeggen, wie zij waren, waarom zij verschenen, wat zij wenschten en welk doel zij hadden? Een der geesten nam het woe rd: »Wij szijn geene levende soldaten, maar de »zielen van eene groote menigte afge-sstorvene krijgers, die op dit slacht-»veld als vijanden tegenover elkander «stonden. Hier zijn wij gesneuveld en sbcgraven: hier ook moeten wij do spijnen des vagevuur» verdragen. Uwe

-ocr page 447-

— 431 —

))oogen zien wel is waar niet de vlam-«imen, die ons omringen en vertee-| »ren, maar zij doen ons versclirikkeliik »lijden.quot;

In den beginne was de kloosterling over deze openbaring zeer verschrikt; spoedig echter verstoutte hij zich verder te vragen: «Kunnen wij u helpen, »dan doen we dit van harte gaarne?quot; — «voorzekerquot; was het antwoord, »gij «kunt het. Door uwe gebeden, uwe ver-»stervingen en in het bijzonder door het »H. Misoffer dat in uwe kerk zoo vaak «wordt opgedragen, kunt gij zeer ge-«makkelijk «onze verlossing bewerken. «Wij roepen tot u, helpt ons! Wij onge-«lukkigen, wij vermogen niets voor ons «zeiven te doen, wij moeten lijden, al-«tijd lijden.quot; En in hetzelfde oogenblrk «riepen alle zielen te zamen op een klagende toon: «Bidt voor ons, gij vaders, «bidt voor ons!quot; Na deze woorden verdween alles, maar op het eigen oogenblik gloeide de kruin van den berg, even als of daar een groot vuur was ontstoken. De kloosterlingen erg verschrikt keerden naar huis terug en begonnen terstond met de gebeden en

-ocr page 448-

— 432 —

goede werken, die zij hun beloofd had ^oord den. Van dien dag af hoorde men nieti vergal meer van het nachtelijk geruisch.

Na dit voorbeeld laten wij een andei volgen even leerrijk en merkwaardig Een kloosterling had de vrome gewoonte, om zoo dikwijls hij een kerkhof voorbij gir,;g een kort gebed b. v «Heer geef haar de eeuwige rust,quot; te bidden voor de zielen der overledenen die daar begraven lagen. Op zekeren dag ging hij diep in gedachten verzonken een kerkhof voorbij zonder aan zijne gewone vrome gewoonte te denken. Op eene wonderbare wijs werd hij er aan herinnerd. Eenige dooden die uit hunne graven schenen op te rijzen riepen met luider stem de woorden van den psalmist: »De voorbij-»gangers zeggen niet: de zegen des «Heeren zij over u.quot; — Op hot hooren van die woorden bleef de pater staan; Wj was verschrikt, maar terstond zeide hij de slotwoorden van den tekst »Wij zegenen u in den naam des Hee »ren.quot; — De overledenen keerden ter stond naar hunne graven terug, als t«-h ware hunne pijnen door deze weinige

oont

God

De

het

de/el

dezel

jelijl

God

was;

tus,

licht

mee

delij

Voo

goei

V00I

-ocr page 449-

— 433 —

fd had moorden verlicht geworden. De pater

i nieti ^ei-gat nooit meer zijne vrome ge-

1\' . vvoonte. *)

andei]

lardigj 40

e ge-j

kerk-l^0^ dai ivij voor onze overledene b. vJ ouders en verwanten bidden. t,quot;\' td lenen,|

ïkcreiJ

ver-J \' ^at r\'e zielen die in

t aail\'ic^ vagevuur lijden zielen zijn van

den-rcze\'^\'lt;; na\';\'Iur a\'s onzf! en onder dezelfde wet hebben geleefd, dat zij gelijk wij kinderen en evenbeelden van God zijn, vrijgekoch door en rein ge-wassclien in het bloed van Jesus Christus, met ons een en hetzelfde geestelijk lichaam vormende, dunkt me moet moer dan voldoende zijn om uw medelijden tot die zielen op te wekken. Voor haar allen moeten we bidden en goede werken doen, maar bijzonder voor haar, die op de aarde met ons

werd oden )p te ivoor orbij-i des ooren taan zeide ekst Hee-ter-, al. inige

*) Thritemns Chronic, an. 10fgt;8. P. Da\'iral. Ca-techisinus Miistor. p 3. c. 8. t. 20. — Piiilipp. Dautrem. S. J, Paedagogus chrstianus. ». i. p. 2, c. 19. § 2.

SS

Dat wij aan onze on i^rs het goeie vergelden,, is Gode aanu^na.im.

I. Timoth. 5: 4.

-ocr page 450-

— 434 —

verbonden waren door den heiligen band des bleeds of der nature. Moeten niet de kinders aan de ouders, de ouders aan de kinderen en broeders en zusters onderling elkander de behulpzame hand bieden? Wij willen hier twee stichtende voorbeelden aanhalen, die ons aan de vervulling van dezen plicht herinneren.

De H. Elisabeth, dochter van Andreas, koning van Hongarije en van de koningin Gertrudis, koesterde eene zeer groote liefde jegens de geloovige zielen in het vagevuur. Zij naaide rnet eigen hand de doodskleêren, betaalde voor de armen de begrafeniskosten en volgde de lijkstoeten tot op het kerkhof, terwijl zij in haar hart tot God bad, dat Hij voor zijne schepselen een barmhartige rechter moest zijn. Stierf een harer bloed- of aanverwanten dan verdubbelde zij hare gebeden. Na den dood harer moeder Gertrudis werd zij niet moede te bidden en goede werken te doen. In zekeren nacht verscheen haar de overledene in rouwkleederen met een treurig, droevig en smeekend gelaat, zeggende: sMijne »doohter, ziehier aan uwe voeten uwe

-ocr page 451-

— 435 —

«ongelukkige moeder, die u verzoekt «uwe godsdienstoefeningen te vermeer-«deren. Bid voor mij, help mij; ik lijd «verschrikkelijk, wijl ik geen goed ge-»bruik gemaakt heb van de macht, ))die aan mijne lianden was toever-strouwd. Ter liefde van alles wat ik «voor u gedaan en geleden heb, smeek ))ik u, doe wat ge kunt , om mij te ï verlossen.quot;

Elisabeth ontsteld en bedroefd stond onmiddelijk op, om door tranen en gebed de barmhartigheid des Heeren te verwerven. De slaap overmande haar in haar liefdewerk. Nu zag zij hare moeder voor de tweede maal, maar geheel veranderd, in het wit gekleed met een van blijdschap stralend gelaat : op hare lippen lag de glimlach der gelukzaligen, terwijl zij aan Elisabeth haren dank betuigde voor de gebeden, die haar de hemelspoort hadden ontsloten.

De H. Elisabeth van Portugal deed \'t zelfde voor hare dochter Constantia, koningin van Castilië. Groot was de droefheid der familie en der onderdanen, toen een onverwachte dood haar wegrukte uit het midden der levenden.

-ocr page 452-

— 436 —

Toen Elisabeth het smartelijk verlies vernam, begaf zij zich met haar echtgenoot naar de stad Samaren. Een kluizenaar volgde den koninklijken stoet achterna terwijl hij met luider stem riep: «veroorloof me toch, dat ik den »koning iets vrage 1quot; Men wees hem echter af. De koningin bemerkte hot en gaf bevel den kluizenaar tot haar te voeren. Hierop verhaalde deze haar dat de koningin Constantia hem meer malen verschenen was en hem drin gend had verzocht, om aan hare moeder mede te deelen, dat zij in het vagevuur gekerkerd lag. Verder dat men voor hare verlossing éen jaar lang hel H. Misoffer moest laten opdragen. Toen de kluizenaar deze boodschap had afgelegd, trok hij zich terug en verscheer niet weder. De hovelingen, die alle gezien en gehoord hadden, spotten lui( en dachten, dat de kluizenaar of we een bedrieger of wel een zinneloozi was. De H. koningin echter wendd( zich tot haren echtgenoot en vroej dezen naar zijne meening. »Ik geloof, zeide hij , »dat het beste en zekerst jus de H. Missen te laten lezen, welk

«men )gt;van plicl »tenl: snen met name van een lt; sDiei ïgroi sik »lost Dit i tabel dach H. ]V liad kerk zij 1\' (leeli laats zen 1 het zegg aaln\'

19 V(

-ocr page 453-

— 437 —

»men op eene zoo buitengewone wijze «van ons verzocht heeft: \'t is eene «plicht der ouders en van ware naas-stenliefde H. Missen voor de overlede-snen te laten opdragen.quot; Men belastte met deze heilige taak een priester met name Ferdinand Mendez. Na verloop van een jaar verscheen Constantia in een droom aan hare moeder zeggende; «Dierbare moeder, door de ondoor-sgrondelijke barmhartigheid Gods ben »ik van de pijnen des vagevuurs ver-«lost; nu snel ik naar den hemel.quot; Dit visioen vervulde het hart van Elisabeth met den grootsten troost; zij dacht echter niet meer aan de 3(35 H. Missen, die zij voor de overledene liad laten lezen en begaf zich naar de kerk om God te bedanken. Daar vond zij Ferdinand Mendez, die haar mededeelde dat hij den vorigen dag de laatste H. Mis ter harer intentie gelezen had. Nu herinnerde zich de koningin het voorval en liet God openlijk dank zeggen door plechtige missen en rijke aalmoezen. \')

\') .lac. Montanus et Lanrent. Surius in Vita 19 Nov. - Jac. Fuligat, S. J. Vita S. Elisabeth.

-ocr page 454-

— 436 —

Toen Elisabeth het smartelijk verlies vernam, begaf zij zich met haar echtgenoot naar de stad Samaren. Een kluizenaar volgde den koninklijken stoet achterna terwijl hij met luider stem riep: »veroorloof me toch, dat ik den «koning iets vrage!quot; Men wees hem echter af. De koningin bemerkte het en gaf bevel den kluizenaar tot haar te voeren. Hierop verhaalde deze haar, dat de koningin Constantia hem meermalen verschenen was en hem dringend had verzocht, om aan hare moeder mede te deelen, dat zij in het vagevuur gekerkerd lag. Verder dat men voor hare verlossing éen jaar lang het H. Misoffer moest laten opdragen. Toen de kluizenaar deze boodschap had afgelegd, trok hij zich terug en verscheen niet weder. De hovelingen, die alles gezien en gehoord hadden, spotten luid en dachten, dat de kluizenaar of wel een bedrieger of wel een zinnelooze was. De H. koningin echter wendde zich tot haren echtgenoot en vroeg dezen naar zijne meening. sik geloof,quot; zeide hij , »dat het beste en zekerste »is de H. Missen te laten lezen, welke

-ocr page 455-

— 437 —

»men op eene zoo buitengewone wijze ))van ons verzocht heeft: \'t is cene »plicht der ouders en van ware naas-«tenliefde H. Missen voor de overlede-«nen te laten opdragen.quot; Men belastte met deze heilige taak een priester met name Ferdinand Mendez. Na verloop van een jaar verscheen Cunstantia in een droom aan hare moeder zeggende: «Dierbare moeder, door de ondoor-sgrondelijke barmhartigheid Gods ben ))ilv van de pijnen des vagevuurs ver-»lost; nu snel ik naar den hemel.quot; Dit visioen vervulde het hart van Elisabeth met den grootsten troost; zij dacht echter niet meer aan de 365 H. Missen, die zij voor de overledene had laten lezen en begaf zich naar de kerk om God te bedanken. Daar vond zij Ferdinand Mendez, die haar mededeelde dat hij den vorigen dag de laatste H. Mis ter harer intentie gelezen had. Nu herinnerde zich de koningin het voorval en liet God openlijk dank zeggen door plechtige missen en rijke aalmoezen. 1)

1

.Tac. Montanus et Laurent. Surius in Vita 19 Nov. - Jac. Fuligat, ö. J. Vita S. Elisabeth.

-ocr page 456-

— 438 —

41.

De zielen moeten in het vagevuur blijven, totdat zij den laatsten penning betaald hebben.

Hij leverde hem over aan de beulen, totdat hij de geheeie schuld betaalde.

Matth. 18: 34.

Een groot aantal zielen worden in den kerker des vagevuurs teruggehouden , omdat zij op de wereld hare schulden niet hebben afgedaan. Zij het, dat de schuldenaars de eeuwige vreugde niet kunnen binnengaan, omdat de schuldeischers op de aarde in alle ellende wegkwijnen, zij het wellicht, dat God de gebeden niet verhoort, welke voor hen verricht worden, die anderen schade hebben veroorzaakt, in elk geval wij weten van vele visi oenen, dat wij hunne schulden afbetalen kunnen en mogen, ja zelfs moeten.

De eerw. pater Augustinus van Es-pinosa uit de sociëteit van Jesus muntte in het bijzonder uit door zijne buitengewone liolile jegens de \'ijdende zielen, In zijne liefde was hg zeer vindingrijk

-ocr page 457-

— 439 —

en dacht slechts aan hare verlossing. Met de toelating van God verschenen hem dikwijls de geloovige zielen des vagevuurs, nu eens om hem te bedanken voor de hulp, die hij haar had verleend, dan weer om zich in zijne gebeden aan te bevelen. Onder anderen verscheen hem op zekeren dag een man, die bij hem als zeer rijk bekend stond en hem vroeg, of de pater hem nog kende ? »zonder twijfelquot; gaf de pater ten antwoord, »ik her-))inner mij zeer goed, dat gij slechts «weinige dagen voor uwen dood aan »mij uwe biecht hebt gesproken.quot; — «Dat is waarheid,quot; zeido de overledene. »Heden kom ik u verzoeken, dat gij ))in mijne plaats aan de Goddelijke «rechtvaardigheid zoudet voldoen. Ik xkan niets voor mij zei ven doen en ))hoop, dat gij mijn verzoek zult aan-«hooren. Wanneer gij mij eenige schre-»den wilt vergezellen, dan zal ik u »nog beter verklaren, wat gij voor mij «doen moet.quot; — De pater zeide, dat het hem niet vrijstond zonder verlof het klooster te verlaten, maar den overste om de permissie wilde vragen.

-ocr page 458-

— 440 -

Hij ging naar boven, verhaalde het voorval aan pater rector en kreeg het gevraagde verlof. In hetzelfde oogen-blik begaven verscheidene paters op verzoek van hun overste zich naar de kapel, om daar te bidden.

De geest in menschelijke gestalte vatte Espinosa bij de hand en voerde hem zonder een enkel woord te spreken op eene brug in de nabijheid der stad. Daar verdwijnt de geest voor een oogenblik, maar komt spoedig terug met eene groote beurs, gevuld met geld. Hij overreikt een gedeelte van den inhoud aan den pater en beiden keeren terug naar de cel van den laatste. Daar geeft het visioen den pater de roste van het geld te zamen met een briefje zeggende: »Op dit «papier vindt ge opgeteekend de namen svan allen, wien ik geld schuldig ben »en aangegeven de som , die iedereen «toekomt. Terzelfder tijd hab ik eenige »goede werken bestemd en legaten «besproken, waarvoor ik wensch , dat »)ji) i en gedeelte van dit geld besteedt »tot lafenis mijner ziel. Ik smeek u, »niijn vader, betaal mijne schulden, ver-

-ocr page 459-

— 441 —

))vul de goede werken en besteed het ove-»rige geld tot goede doeleinden. Niemand zal het geld voordeeliger on heiliger sbesteden dan gij.quot; Na deze woorden verdween de verschijning en de pater ging in allerijl zijn overste opzoeken om dezen alles te verhalen. — Weldra ontbood men de schuldeischers en noemde hun de verschuldigde som , waarover allen verstomd stonden. Nu werden alle schulden vereffend en het overige geld aan goede werken besteed.

Na een dag of tien verscheen de overledene wederom aan pater Espi-nosa en bedankte hem voor zijne spoedige en liefderijke hulp in het bijzonder echter voor de H. Missen, die hij voor hem had laten lezen. Meer dan alle andere goede werken hadden deze er toe bijgedragen om hem de poort des hemels te ontsluiten: nu zou hij dien ingaan, om daar zijn weldoener nooit te vergeten en zich steeds dankbaar te betoonen voor de ontvangene weldaden. — Men durft aannemen, dat de pater aan dezen vriend de groote en ontelbare genaden had te danken, waarmede

-ocr page 460-

— 442 —

hij overladen werd, en die hem vormden tot een der volmaaktste en heiligste leden van de societeit van Jesus.

Dit voorbeeld leert ons, dat wij de teruggave van geleend geld of van andere zaken niet moeten uitstellen tot aan ons sterfuur. Indien wij onrechtvaardig goed of geleend geld tot onzen dood bewaren en onze erfgenamen tot restitutie verplichten, dan gelijken wij naar slangen, die eerst na haren dood tot iets nuttig zijn. In den vuurgloed van het vagevuur zullen we erkennen hoe berispelijk deze handelwijs is. Een gevierde schrijver zegt met alle recht: wat ge in gezonde dagen geeft, is goud; wat ge stervend geeft, is zilver en wat ge door anderen na uwen dood geven laat, is gelijk lood. *)

\') P. Jos. Nadaci, Annal. dier. memorab. 4. Febr. P. Jac. Hautin. Patr. defunct, 1. 3. q. 2. a* 3.

-ocr page 461-

— 443 —

42.

De zielen, die uit het vagevuur verlost zijn, snellen hunne weldoeners na den dood te gemoet.

Zij kwamen hem te gemoet.

4 Reg. 2 : 15.

Toen keizer Karei V. Tunis veroverd had, schonk hij de vrijheid aan 20,000 christene slaven, die in de hardste slavernij zuchtten. Vervuld met de oprechtste dankbaarheid jegens hunnen weldoener omringden hem de verlosten, zegenden en dankten hem.

Gelijk deze keizei\' oogsten allen, die aan kranken de gezondheid, aan gevangenen de vrijheid, aan armen vreugde schenken heil- en zegenwen-schen en innige dankbaarheid. Waar echter zullen wij grootere en oprechtere dankbaarheid aantreflen dan in het vagevuur, dan bij de lijdende zielen, wier gevangenschap alle folteringen overtreft? Zij snellen hare weldoeners, die haar uit dien kerker verlost hebben, na den dood te gemoet, om hen jnbelend het hemelsch paradijs

-ocr page 462-

binnen te leiden. Dit feit ondervond de H. Margaretha van Cortona.

Margaretha was eene groote zondares. Door Grods genade bekeerde zij zich oprecht en werd eene groote Heilige. Onder de vele deugden, die zij na hare bekeering met heiligen ijver beoefende, blonk vooral uit hare liefde jegens de zielen in het vagevuur, voor wier verlossing zij tijd en rust, ja alles ten ofler bracht. Een heerlijk loon viel haar daarvoor ten deel. In haar sterfuur zag zij een groot aantal zielen, die door haar bevrijd waren, toesnellen, om haar te begeleiden op den weg naai\' het hemelsch vaderland. Eene dienares Gods te Canello in verrukking des geestes was ooggetuige van dit wonderbaar en troostvol visioen.

De oprechte, echt christelijke liefde tot de overledenen omvat op de eerste plaats cn bij voorkeur de ouders. Dit vinden we wederom opgeteekend in het leven van de H. Margaretha. Haar vader en hare moeder waren dood: met den grootsten ijver offerde zij op tot lafenis hunner zielen H. Missen, Communiën en alle hare goede wer-

-ocr page 463-

— 445 —

ken. God openbaarde haar, dat zij de zielen van hare ouders lang voor den bepaalden tijd uit het vagevuur verlost had door hare gebeden. Nooit vergat zij te bidden voor eene dienstmaagd, Gilla genaamd, die in haar huis was komen te sterven. Een Engel verscheen en deelde haar mede, dat Gilla slechts een korten tijd in het vagevuur behoefde te lijden en, dank zij aan de gebeden van Margaretha, op den dag van Maria-boodschap door vier Engelen den hemel zoude worden binnengeleid.

De Heilige bad voor alle overledenen en werd met verscheidene verschijningen begunstigd.

Twee kooplieden werden in eene onveilige streek door roovers aangevallen en vermoord. Beide verschenen aan Margaretha en zeiden haar: »Vóór »onzen dood konden wij de absolutie »niet meer ontvangen, maar hadden »nog tijd om een akte van berouw te «verwekken. Wij hebben dank aan de »goedheid van God en de voorspraak svan Maria den slag, die ons het leven sontnain, met overgeving en tot af-»boeting van onze menigvuldige fouten

-ocr page 464-

— 446 -

»ontvangen. Daardoor zijn wij ontko-»men aan de eeuwige straffen der hel, »maar moeten verschrikkelijk lijden in »het vagevuur, want in gezonde da-»gen hebben we ons dikwijls schuldig «gemaakt aan bedrog en logentaal. »Wij verzoeken u, getrouwe dienares »van God, aan onze verwanten te zeg-»gen, dat zij onze onrechtvaardigheden igt;herstellen, onze schulden afdoen en «aalmoezen geven tot lafenis onzer «zielen. U echter smeeken wij om wille «van het medelijden, dat gij de ge-«loovige zielen \'toedraagt, voor ons te «willen bidden, opdat de Heer onzen «lijdenstijd verkorte.quot; Met liefde nam Margaretha deze taak op zich en vervulde ze met vreugde. Zij stelde zich niet alleen tevreden, dat zij zelve naar best vermogen voor de lijdende zielen bad, maar haalde ook wereldlijke en geestelijke personen daartoe over. De zaligmaker gaf haar op zekeren dag het volgende bevel: »Ga,quot; zeide de Heiland, «ga tot de minderbroeders en «zeg hun in mijn naam, dat zij in «hunne gebeden meer moeten denken «aan de geloovige zielen in het vage-

-ocr page 465-

— UI —

»vüur, wier aantal op dit oogenblik «groot is, omdat niemand voor haar »bidt: zeg hun verder, dat zij de ar-«moede beter moeten onderhouden en »niet vergeten het gebod zicli niet te »bemoeien met wereldsche aangele-»genheden, want daardoor zullen zij »zich voor het andere leven zware «straffen op den hals halen. Waarom «hebben zij in hunne kloosters ver-«schillende cellen ?quot; De kloosterlingen namen in dank de waarschuwing van Margaretha aan en deden voortaan wat deze hun gezegd had.

Wijl de ijver der Heiligen tot de lijdende zielen zoo groot en vruchtbaar is, moet het ons niet verwonderen, dat zij door hunne gebeden een groot aantal zielen verlossen en dat de gelukkige en dankbare zielen hunne weldoeners na den dood te gemoet snellen, om ze vreugdevol den hemel binnen te voeren. *)

.1 BoÜ,?n?.us\' Acta Sanctorum, Vita S. Marga-rethae 22, Febr.

-ocr page 466-

m —

43.

Een tweevoudig wonder.

Wee u roover ? zult ook gij niet beroofd worden? Is. 33: 1.

Merkwaardig is de hulp, welke de geloovige zielen verleenden aan een priester, maar merkwaardiger de bekeering van twee boosdoeners, die hem naar het leven stonden.

Pater Ludovicus Monaci uit de Orde der reguliere Choorheeren, een getrouwe vriend der lijdende zielen, maakte op zekeren dag alleen eene reis in gezelschap van zijn Engelbewaarder. Op een schemeravond bevond hij zich te midden eener woestenij, hij verhaastte zijne schreden en bereikte spoedig eene herberg. Om den tijd goed te besteden bad hij den Rozenkrans voor de overledenen, opdat deze hem toch voor elk gevaar zouden behoeden. God maakte het vertrouwen van Ludovicus niet te schande. Niet verre van het dorp, dat de pa;er trachtte te bereiken, hadden zich twee bandieten verborgen, die om hunne misda-

-ocr page 467-

— 449 —

den door hunne medeburgers werden verstoeten en voor het gerecht moesten vluchten.

Van verre zagen zij den pater aankomen en besloten terstond om dezen aan te houden, omdat hij alleen was. Zij verborgen zich in eene hinderlaag en wachtten hun offer op met het doel om het, indien het zich te weer stelde, te dooden. Een oogeiiblik daarna hoorden zij het geschal eener trompet; in alle haast staan zij op en vluchten weg. De pater naderde met rassche schreden ; hij zag een soldaat, die met trom-pettengeschal hem voorafging, terwijl een groote schaar van het hoofd tot de voeten gewapende soldaten zich om hem verdrongen. De pater zelf\' scheen zijne begeleiders niet te zien, ging bedaard zijn weg onder liet bidden van den Rozenkrans als ware hij alleen geweest. De roovers hielden den pater voor een officier, die op hen was afgezonden om hen te vervolgen en gevangen te nemen, daarom namen zij in allerijlde vlucht.

Op deze wijs bereikte de kloosterling gelukkig het \'dorp, waar hij een gast-

Geloovigc zielen 29

-ocr page 468-

— 450 —

huis opzocht om er te overnachten. Ook de roovers naderden behoedzaam tot de eerste huizen en wonnen inlichting in, werwaarts de soldaten, die zij gezien hadden, getogen waren. Verstomd ziet men lien aan en zegt hun, dat men niet een soldaat in \'t dorp heeft gezien, maar, dat een arme pater zijn intrek in de In rherg genomen heeft. De roovers zijn ontsteld, wijl zij in de vaste overtuiging waren , dat zij zie\' niet vergist hadden. Zij begeven zich naar de herberg, naderen den pate en knoopen een gesprek met hem aan. Zij vroegen hem, waarheen hij zich begaf, van waar hij kwam en ten slotte verstoutten zij zich hem te vragen , waar zijne beschermers gebleven waren? Monaci wist hierop geen antwoord te geven: »Ik ben alleen ge-»kotneii,quot; zeide hij, »en begrijp niet, »wat gij zeggen wilt.quot; »Welaan, dat «heeft God voor u een wonder gewrocht; »wij bezweren het u, gij hadt een «sterke geleide bij u, die u gered heeft: «berouwvol en openhartig bekennen »wij , dat wij u wilden overvallen en »dooden.quot;

-ocr page 469-

— 451 —

De pater stond niet weinig verschrikt [over deze bekentenis en dacht bij zich zelvcn, dat het goed mogelijk was dat de zielen, voor welke hij in die oogen-blikken bad, hem te hulp waren gekomen. Dit vermoeden gaf hij rondborstig te kennen, hetgeen de roovers zoo erg aangreep, dat zij tot het besluit kwamen om dezelfde godsvrucht te beoefenen. De pater spoorde hen aan om in deze gedachte te volharden, maar vooreerst dat zij zich met God moesten verzoenen. Terstond toonden zij zich hiertoe bereid: een aangrenzend vertrek weid in eene biechtkapel veranderd , waarin de eene na de andere eene oprechte en berouwvolle bekentenis hunner zouden aflegden en beloofden voortaan God getrouw te dienen.

Indien ook wij door onze gebeden tot lafenis voor de geloovige zielen niet zoo groote genaden verwerven, dan toch mogen we nooit vergeten, wat de H. Gregorius zegt, dat de duivel, aan een struikroovcr gelijk, ons op onzen levensweg bekoort, om ons de schatten der heiligmakende genade te ontrooven en dat de bescherming van

-ocr page 470-

— 452 —

de zielen, die wij door ons gebed van het vagevuur verlost hebben, ons in dezen strijd van het grootste nut is. *)

44.

Wie nint luistert naar God* woord , ivordt in het vagevuur bestraft.

De Heer doodt en maakt wederom levend, hü voert in en uit de hei. 1 Reg. 1.7.

God in zijne oneindige barmhartigheid waarschuwt zeer dikwijls den mensch alvorens hem te tuchtigen, waarschuwingen, die den in onverschilligheid insluimerenden Christen wakkerschudden moeten. Beantwoordt de ziel niet aan zijne liefdevolle uit-noodiging, dan grijpt God de tuchtroede en is de tuchtiging voorbij, dan is Hij wederom vol goedheid en barmhartigheid. Zijne God lelijke voorzienigheid bedient zich gewoonlijk van zulke medewerkers, die vol medelijden zijn jegens de geloovige zielen iu het vagevuur. Op deze wijs koos God Samuel uit om Saul te bekeeren en tot

\') Greg. Carfora, Fortuna hominis 1. 1. o. 10.

-ocr page 471-

— 453 —

den afgedwaalden David zond hij den propheet Nathan.

Wij willen hier twee voorbeelden verhalen, die deze leer bevestigen en te gelijker tijd aantoonen, dat wij ons veel, zeer veel moeten laten gelegen | liggen aan de waarschuwingen en raadgevingen van heilige personen.

Nicolaus Zucchi uit de sociëteit van Jesus, een man van groote heiligheid, had de zielen van drie zijner biecht-kinders geheel en al voor God gewonnen. \'t Waren drie gezusters uit eene zeer voorname familie: alle drie hadden besloten in het klooster te treden en als novicen worden zij aan hare medezusters tot toonbeeld gesteld. Een edelman had aan de jongste, alvorens zij in het klooster trad, zijne hand aangeboden; zij echter van haren kant had hem niet eens een oogslag waardig geacht, wijl zij vast besloten had Jesus alleen toe te behooren. De jonge man echter voedde de hoop haar in de wereld te doen terugkeeren. Hij schreef haar brief op briof\', waarin hij haar aanzette, om de ledige, droevige kloosterruimte te verlaten en met hem

-ocr page 472-

— 45-4 —

de vreugden dor wereld te genieten. Toen Pater Zucchi dit vernam was hij zeer bedroefd, hij smeekte dringend God, dat deze aan de zuster moed en de genade der volharding mocht schenken. Op zekeren dag toen hij door de straten van Rome wan delde, ontmoette hij den edelman. Hij naderde hem en zeide hem bescheiden en met ernst; «Mijnheer, wil van nu »aan eene dienares des Heeren niet ))meer lastig vallen, wil geen tegen-»strever des hemels zijn. Om Gods wil sdenk aan het heil van uwe eigene »ziel en wacht u wel van aan anderen »ten verderve te verstrekken: want ik ))zeg het u vooruit, binnen kort zult »ge staan voor den rechterstoel van »God; dan zult ge de waarde der deugd »en de nietigheid der aardsche liefde sleeren kennen.quot; Wijl de jonge man eene goede opvoeding had genoten en Pater Zucchi groote achting toedroeg verontschuldigde hij zich allerhoffelijkst zeggende, dat hij over de ontvangen wenken wilde nadenken en verwijderde zich na minzaam en eerbiedig groeten De voorzegging van den kloosterlin.

-ocr page 473-

— 455 -—

ging in vervulling, eer de edelman zich had bekeerd; hij stierf veertien dagen na hot gehouden gesprek, üp zekeren avond bevonden zich de drie novicen in de overweging, toen de jongste tot driemaal toe gevoelde , dat iemand haar bij het kleed trok. Tegelijker tijd hoort zij de woorden: begeef u terstond naar de spreekkamer! »Zij zag niets en zonder eene bijzondere genade had de vrees haar moeten afschrikken; maar moedig stond zij op. nam het licht en ging naar de spreekkamer. Daar trof zij een man, die met groote schreden door do kamer op en lieer wandelde. AVie zijt ge,quot; zoo sprak zij tot hem, »wat voert u in dit uur hierheen en waarom hebt ge mij laten ontbieden?quot; üe vreemde trad nader zonder een woord te spreken, opent zijnen mantel en de non herkent haren vroegeren vervolger, wiens hals, handen en voeten met vurige ketenen waren beladen. Dit was de welverdiende straf voor de strikken, die hij aan de bruid van Jesus Christus gespannen had. Smee-kend riep hij tot haar: «Bid voor mij!quot;

i

i

i

-ocr page 474-

— 456 —

en verdween in het eigen oogenblik Zonneklaar was het, dat hij zich in het vagevuur bevond, wijl hij om hulp bad. Hoe veel gelukkiger zoude hij geweest zijn, indien hij terstond den raad van Pater Zucchi gevolgd had, die hem smeekte om toch van leven te veranderen.

Dezelfde kloosterling bewijst in zijne lijkrede op Pater CarraiTa, generaal der sociëteit van Jesus, eene andore waarheid, die ons hier bezig houdt, namelijk dat, indien wij met vreugde gehoorzamen aan de stem Gods voor de straflen van het vagevuur behoed blijven. De pater werd eens bij een voornamen jongeling ontboden, die in den bloei zijner jaren op het schavot sterven moest. De veroordeelde verkeerde in de meening, dat hij deze zware straf niet verdiend had en daarom was het veel moeielijker hem tot eene volkomen onderwerping aan Gods wil te bewegen, dan wanneer hij door de wroegingen van zijn geweten beangstigd werd. Met Gods genade slaagde de pater er in den ongelukkige te gewinnen; hij verklaarde hem.

ilat d( langt.

-ocr page 475-

tel -

dat de Goddelijke rechtvaardigheid verlangt, dat voor alle zonden voldoening gegeven wordt en hij bracht hem zoover in zijne terechtstelling eene zekere waarborg te zien, dat God hem genadig wilde aannemen. De jongeling onderwierp zich aan den wil van God met zoo groote gelatenheid, dat hij zeide gaarne te sterven en den dood als eene genade te beschouwen. Het volk was zeer gesticht over deze christelijke gevoelens , welke de veroordeelde nog op het schavot aan den dag legde.

Deze overgeving beviel aan God en de pater, die den jongeling in den dood bijstond, verklaart, dat hij de ziel op het oogenblik der onthoofding zegepralend heeft zien ten hemel snellen, waar de Engelen haar terstond eene kroon overreikten.

Hij gaf aan de moeder van den onthoofde, die gebukt ging onder de bitterste smarten, deze troostvolle verzekering en toen hij op zijne kamer was gekomen, zeide hij door ontroering en vreugde overmeesterd: »0 de gelukkige! o de zalige!quot; Een priester vroeg hem, of men voor den over-

-ocr page 476-

m

ledene niet veel moest bidden en H, Missen laten lezen? De pater gaf ten antwoord; »Datis onnoodig; verheugen »wij ons, want ik geef u de verzeke-»ring, dat deze ziel niet eens door liet «vagevuur is gegaan!quot; — Op een anderen dag juist toen hij een goed werk verrichtte, brak hij plotseling af: zijne gelaatstrekken veranderden, hij zag hemelwaarts als ware hij getuige geweest van een wonderbaar tooneel, terwijl hij herhaald uitriep; »Ö gelukzalig lot! o gelukzalige jongeling!quot; En wanneer men hem vroeg, wat hij zeggen wilde, zeide hij; »De ziel van den «onthoofde is mij verschenen in hare »vol Ie heerlijkheid en glorie.quot; 1)

45.

Werkzame liefde tot de geloooiye zielen in het vagevuur.

Gelijk een vim? wordt uw ijver ontstukeu. Ps. 78: 5.

De H. Kerk looft met recht den grootcn ijver van den H. Luddvicus Bertrandus, die om de zondaars te

1

Dan. Bartol Vita P. Zucchi 1. c. 9. — P. Vincent. Caralïa l. 2. c. 7.

-ocr page 477-

— 459 —

bekeeren alle mogelijke goede kunstgrepen uitdacht en aanwendde, ja zelfs zijn eigen leven op het spel zette. Niet minder liefde koesterde hij ook tot de lijdende kerk. Als novicemeester verlangde hij, dat alle zijne onderhoorigen de Regels nauwgezet onderhielden en bestrafte elke overtreding zeer streng. Hij placht te zeggen, dat de liefde hem verplichtte nu door geringe boet-plegingen voor do fouten te voldoen, die later in het vagevuur dikwijls streng bestraft worden.

\'s Vrijdags na het morgenofficie hield hij gewooidijk kapittelzitting, waarin ieder zijne overtredingen vau den Regel bekende en vergiffenis kreeg. Hier legde hij zware kastijdingen op, maar zeide tevens tot zijne novicen, dat alleen ware, vaderlijke liefde hern hiertoe aanzette. Het grootste gedeelte der boete-werken nam hij op zich, hij vastte op water en brood, geeselde zich op zijne cel tot bloedens toe, om daardoor de onvoldoende boete zijner novicen te vergoeden en ze voor de straften van het vagevuur te bewaren.

Tot troost der geloovige zielen weende,

-ocr page 478-

— 460 —

bad en verstierf hij zich. Dikwijls verschenen zij hem, dankten hem voor hare verlossing en verzochtcn hem om nog meer te bidden. Groot was zijne vreugde, wanneer hij vernam, dat deze of gene ziel was verlost of van hare pijnen verlicht geworden; maar ook groot was zijne smart, bij de tijding, dat zij nog lijden moesten.

Toen hij te Valencia Overste was, stierf pater Peter Glioret een plot-selingen dood. De heilige Bertrandus was daarover zeer bedroefd, want bij was overtuigd, dat de overledene een lang en smartvol vagevuur te verduren had omdat deze de laatste H. Sacramenten niet bad ontvangen en bijgevolg van vele genaden en aflaten verstoken was. Een gebeele maand lanj zag Ludovicus bedrukt en zwaarmoedig, uit; zijn lichaam verging van hartzeer en werd verzwakt door het beoefenen van buitengewone boetewerken. Op zekeren morgen verscheen de pater hem met een aan blijdschap stralend gelaat in het koor tot de grootste verwondering van zijne medebroeders. Na het oflicie omringden alle hem en

-ocr page 479-

— 461 —

vroegen hem naar de oorzaak zijner vreugde. Hij gaf ten antwoord, dat de onzekerheid van het iot waarin pater Glioret zich bevond tot hiertoe de oorzaak was van zijne droefheid; dat dit leed echter in vreugde was veranderd van af liet oogcnblik, dat hij vernomen liad, dat de ziel des paters niet alleen gered, maar reeds uit het vagevuur verlost was. Meer zeide hij niet voor liet oogenblik, maar aan een broeder vertrouwde hij toe, dat de Heer hem eerst het naamloos lijden van den overledene had laten zien en daarna zijne glorie in den hemel had getoond, welke deze te danken had aan de gebeden en goede werken van den Heilige.

Men begrijpt heel licht dat, indien de gebeden van Bertrandus zoo krachtdadig waren , het heilig Misoffer dat hij dagelijks opdroeg nog vruchtdra-gender zijn moest. Zijn ijver en zijne godsvrucht verdubbelde hij steeds op allerzielendag, op welken dag de (mesters in Spanje drie heilige Missen durven lezen. Dan verschenen hem de zielen en baden hem die H. Missen voor haar op te dragen. In zekeren

-ocr page 480-

— 462 —

nacht knielde hij na het Officie in het koor, toen hij de ziel eens kloosterlings zag tot zich treden. Deze was van vlammen omringd, wierp zich aan de voeten van Ludovicus en vroeg hem om vergiflenis voor een beleedigend woord, dat zij voor langeren tijd hem had toegevoegd; de verschijning voegde ei bij, dat zij om deze fout nog in het vagevuur moest lijden. Ik smeek u mijn vader, lees éene H. Mis voorrnij; dan hoop ik van mijne smarten bevrijd te worden.

Hei

Ee ran ene tot o De f doen door verk de z een, eene kaïn

l\'le?

aan\' wijl den vuu bed was dat ger

De H. Ludovicus schonk haar ver-gilïenis en beloofde haar, dat hij den volgenden morgen tot afboeting de H. Mis voor haar zoude opdragen. In den volgenden nacht verscheen de ziel op nieuw oin hetzelfde uur schitterend, met eene heerlijke kroon op het hoofd en een zegepalm in de hand; zij ze gende haren weldoener, zeide . hem dank en snelde dan, lich: als ocne duif naar den hemel. *)

\') Diario Dominic. 10 Oct. Vita S. Ludovici Bertrandi.

-ocr page 481-

— 463 -

46.

Heilige gerneemchap tusschen de lijdende en strijdende Kerk.

Dient elkander door liefde des geestes. Gal. 5; 13.

Eene onbemiddelde vrouw te Dole in Frankrijk, Hugnette Boy, werd door 3ene zware ziekte aangetast, die haar tot op den rand van het graf voerde. De geneesheer wilde eene aderlating doen, sneed echter de ader bij ongeluk floor, zoodat de zieke in levensgevaar verkeerde. Den volgenden morgen ziet de zieke bij het aanbreken van den dag een jong, in het wit gekleed meisje met eene zeer bescheiden houding in hare kamer treden dat zich ter hater verpleging aanbiedt. De kranke neemt dat aanbod met vreugde aan en onverwijld slaat het vreemde meisje de handen aan het werk; zij ontsteekt het vuur, kleedt Huguette en maakt het bed. O wonder, toen zij door het meisje was aangeraakt, gevoelde de kranke, dat zij van stonde at\' van hare ziekte genezen was. Verstomd betrachtte zij

in het, srlings s van tan de -in om ■voord, i had fde ei in het

-ocr page 482-

— 464 —

de onbekende met meer aandacht, maar deze snelde heen onder de belofte van spoedig terug te komen. Groot was de verwondering. Het nieuws van de plotselijke genezing verbreidde zich met bliksemsnelheid door geheel Dole. Niemand echter was in staat om de zaak op te helderen of eenige inlichting te geven.

Toen de avond gekomen was, kwam dit meisje terug in dezelfde kleeding en houding. Zij groette de kranke en zeide: « Weet, mijne lieve nicht, dat »ik uwe tante ben Leonarda Collin ))die voor zeventien jaar stierf en u «erfgename maakte van mijn klein ver-»mogen. Aan de Goddelijke voorzienig sheid heb ik te danken, dat ik niet ben «verloren gegaan. Maria, die ik steeds smet kinderlijke liefde vereerde, heeft «mij deze onschatbare genade verwor «ven. Door een schielijken dood werd ili «weggerukt uit het getal der levenden «ik had eene zware zonde op mijn gc «weten en konde ze niet meer biechten «Ik ware eeuwig ongelukkig geweest, «indien de moeder van God mij geen «berouw had verworven. Zoo sloot zich

-ocr page 483-

— 465 —

»de afgrond onder mijne voeten; zes-))tieu jaren reeds word ik gefoltrrd in »het vagevuur. De Heer heeft mij toe-«gestaan u onder het geleide van mijn ))Engelbewaardcr te bezoeken en u «veertig dagen te dienen. Heb de goed-»heid en doe drie bedevaarten voor »mij naar die lieiligdommen van Maria »iiie ik u zal noemen, dan zal ik den «hemel ingaan.quot;

De kranke kon slecht geloof hechten aan dit verhaal; zij vreesde een list van den duivel en zeide derhalve alles aan haren biechtvader, Orland genaamd uit de sociëteit van Jesus. Deze gaf haaiden raad, dat zij het visioen met het exorcismns der Kerk moest bedreigen, omdat als de booze vijand hier in het spel was, hij zich dan moest kenbaar maken. Inderdaad de kranke sprak hare bedreiging uit, maar het meisje zeide geheel kalm, dat zij de gebeden der kerk geenszins vreesde, wijl deze alleen gericht waren tegen deti duivel en de verdoemden en niet tegen lijdende zielen, die zich in de genade Gods verheugen. De zieke vrouw liet zich nog niet overtuigen: »Hoo kunt gij

lil

\'fHl

I

30

-ocr page 484-

— 466 —

»mijne tante Leonarda zijn, zoo sprak szij , ik weet nog zeer goed dat deze »oud en rimpelig uitzag, gij echter, »gij zijt een schoon jong meisje. Ver-»der was mijne tante twistziek, ver-»drietelijk en eigenzinnig; gij echter. »gij zijt zachtmoedig, vreedzaam, toe-»ge vend, vol geduld en liefde.quot; — «Gij »moet weten, mijne dochter,quot; antwoordde het visioen, «dat gij hier niet »mijti lichaan van vroeger aanschouwt »dat lichaam rust in het graf en zal «eerst ten jongsten dage verrijzen. Ik «heb een etherisch lichaam, opdat ik «met u zoude kunnen spreken en «om uwe gebeden verzoeken. Wat mijn «hevig, twistachtig karakter betreft «kan ik u verzekeren, dat ik gedu-«rende de zestien jaren in het vage «vuur doorgebracht geduld en zacht-«moedigheid heb geleerd. quot;Wij zijn in do »genadc bevestigd en gekenteekend met «het zegel der uitverkorenen, derhalve «kunnen wij nooit meer het kwaad «willen noch doen.quot;

Nu was alle verdere twijfel onmo gelijk... Dankbaar nam de zieke alle diensten aan, die de overledene haar

-ocr page 485-

— 467 -

veertig dagen lang bewees. Zij kwam en ging weg op bepaalde uren; in hare gesprekken met liare nicbte verhaalde zij veel van het andere leven, doch sprak met niemand anders en werd door niemand gezien als door Huguette. Toen de zieke wederom geheel en al hersteld was, deed zij de drie bedevaarten en van dit oogenblik namen het lijden en de verschijningen van Leonarda een einde. Nog eenmaal vertoonde zij zich aan hare nicht en verzekerde haar, dat de stonde harer verlossing geslagen had. Haar stralende glans geleek naar de sterren en op haar gelaat lag vrede en vreugde ge-teekend. Zij bedankte Huguette en beloofde haar, dat zij voor haar, voor hare geheele familie en voor allen, die haar dierbaar waren, zoude bidden. *)

quot;) Theoph. Raynaud. Heter. Spir. p. 2. sect. 3 p. 5. p. 9.

-ocr page 486-

— 468 —

47.

De liefde jegens vrienden en verwanten mag geen einde namen met den dood.

De liefde duurt altijd, i. Cor. 13:8.

De ware, christelijke naastenliefde is niet gelijk aan eene vlam, die spoedi door den wind wordt uitgebluscht; zij blijft bestaan en duurt voort ook dan als de geliefde personen voor onze oogen zijn verdwenen; zij vergezelt hen aan gene zijde des grafs.

De eerw. Catharina Paluzzi, stichteres van een klooster van Dominicanessen in het diocees Nepi, leefde op den vertrouwelijksten en vriendschap-pelijksten voet met eene deugdzame maagd Bernardina genaamd. Deze heilige vertrouwelijkheid moest niet alleen bestaan gedurende den korten tijd van dit aardsche leven , neen , maar de beide vriendinnen hadden elkander beloofd, dat zij ook na den dood elkander zouden beminnen en helpen: wie het eerste stierf, moest aan de overlevende

-ocr page 487-

— 469 —

verschijnen en als God het toeliet haar inlichten over de geheimen van het andere leven. Bernardina stierf het eerst; Catharina stond hare vriendin ter zijde in het sterfuur en herinnerde haar nogmaals aan de gedane belofte. »In »het bijzonder verzoek ik u om twee szaken,quot; zeide zij, «eerstens laat mij »\\veten, waar uwe ziel zich bevindt na »Gods oordeel, opdat ik voor u bidde »in geval gij het noodig hebt en twee-»dens, zoude ik gaarne weten of mijn «leven welgevallig is in de oogen des ))Heercn, want voor Hem alleen wil »ik leven en sterven.quot; De stervende beloofde, dat zij hare verplichtingen zou nakomen en overleed zacht en zalig in den Heer berustend in den wil van God.

Catharina hoopte, dat do vriendin haar spoedig zoude verschijnen, liet echter middelerwijl geen oogenblik en geene gelegenheid voorbijgaan, zonder voor deze te bidden en goede werken te verrichten. Onophoudelijk smeekte zij God, dat Hij haar uit het vagevuur zou verlossen, in geval Bernardina in dien vuuroven gefólterd werd. Weken

I

III llll

i ■ i

1

-ocr page 488-

— 470 —

en maanden vervlogen zonder dat Ca-tharina het minste vernam, of Bcrnar-dina nog aan haar dacht. Nu bestormde zij den hemel door hare gebeden, opdat de Heer aan hare vriendin zoude toestaan , wat deze tijdens haar leven beloofd had, want in hare getrouwheid konde zij de gedane belofte niet vergeten. Juist een jaar na den dood verscheen haar Bernardina op een oogenblik dat zij in de overweging was verzonken, en werd in den geest tot de Franciscanerkerk gevoerd. Daar ontdekte zij in eenen hoek eene bron, waaruit een dikke rook opsteeg; daarna zag zij uit deze eene gesluierde men-schelijke gestalte te voorschijn treden, die allengskens meer en meer licht verspreidde, totdat zij aan hemelsche schoonheid schitterde, terwijl eene schare Engelen en Heiligen haar te gemoet snelde.

Dit schouwspel bracht Catharina in de grootste verwondering; zij zag en erkende hare overledene vriendin. Zeer verheugd over de aanvangs schrikverwekkende verschijning liep zij Bernardina tegemoet en vroeg haar, waarom

-ocr page 489-

— 471 —

t Ca-ü\'nar-gt;rmde op-

zoude leven

vheid | mei binnenging. ^Prijzen wij den Heer ver- | «voor deze genade,quot; riep Catharina uit, dood j ))ik ben zoo verheugd over uw geluk, een I »als ware \'t het mijne: zeg me nu : was »ook of mijn leven den Heere aange-snaam is en of ik Hem door mijn tc-»genwoordigen levenswandel eenmaal »zal bezitten en van aanschijn tot aan-sschijn aanschouwen?quot; — «Gewis Ja, sgij bewandelt den rechten weg,quot; zeide de ziel, «verblijd 11, mijne veelgeliefde «zuster, de Heer heeft u bestemd om sgroote zaken ter zijner eer te ver-«richten. Hij heeft mij. wijl gij mij als »uw eigene persoon behandeldet een «gedeelte uwer verdiensten toegevoegd. «Lange, lange jaren moet gij nog op «de wereld blijven: uwe kroon in den «hemel hebt gij nog niet afgewerkt, «veel moet gij tiog doen.quot; — Na deze woorden nam de gelukkige ziel hare vlucht naar den hemel, Catharina\'s hart

zij niet spoediger gekomen was, van waar zij kwam en of zij nu eerst het vagevuur verliet? De ziel nam het woord en zcide, dat zij inderdaad een geheel jaar lang in de reinigingsplaats was gekerkerd geweest en nu den he-

-ocr page 490-

— 472 —

oiiclorvond dc grootste vreugde: want de zekerheid, dat hare vriendin eeuwig bij God was en zij zelve welgevallig was in de oogen van haren hemelschen bruidegom, vervulde hare ziel met on-uitsprekelijken troost.

Bovendien bracht Catharina zich niet alleen ten ofler voor die zielen, waar mede zij verbonden was door den band des bloods of der vriendschap, neen, zij bad ook voor alle zielen in het vagevuur. Toen haar dierbare vader stierf, bracht zij anht dagen door in het gebed, in vasten en strenge boelplegin-gen, om Gods barmhartigheid voor hem af te smeeken. Zij bad Maria, de Moeder der goedheid en smarten, om wille van den doodsangst, dien zij aan dc voeten van het kruis ondervonden had, als middelares voor de ziel haars vaders op te treden. Op den laatsten dag van het octaaf liet zij een plechtigen ziele dienst houden en vele stille H. Missen lezen.

Terwijl zij dezen dienst bijwoonde, werd zij geheel in extase verslonden en zag haren Holland vergezeld van hare patrones de heilige Catharina van

-ocr page 491-

~ m -

Siëna. Hij voerde haar in liet vagevuur; daar hoorde zij de klaagtonen van haren vader, die haar met allen aandrang smeekte voor zijne verlossing te bidden. Deze klachten vervulden haar hart met onbeschrijfelijke smarten; de tranen vloeiden haar langs de wangen. Zij wendde zich tot den Heer, dat Hij meer zijne barmhartigheid, dan zijne rechtvaardigheid zoude indachtig wezen. Ook smeekte zij de H. Catha-rina, opdat zij dooi\' hare machtige voorspraak haar lijdenden vader zoude te hulp snellen en uit het vagevuur verlossen. Zij zelve Catharina, zij bood zich aan God aan om voor de zonden van haren vader te voldoen aan de Goddelijke rechtvaardigheid. De Verlosser, door deze kinderlijke liefde getroffen, wierp een blik in de vlammen van het vagevuur en voor dien almachtigen blik, die hemel en aarde beheerscht, verdeelde zich terstond het vuur: de ziel werd bevrijd en do Heer nam haar met zich naar het rijk van glorie en heerlijkheid. — Catharina was van vreugde buiten haar zelve en liet niet na de Goddelijke barmhartigheid te

-ocr page 492-

— 474 —

prijzen, die zoo spoedig hare smeekingen had verhoord. *)

48.

Het is dwaas op vreemde hull) te rekenen.

Op wien vertrouwt ge dan ?... zie gij vertrouwt op een gebroken riet stok. Isaï. 36: 5. 6.

sdan «levei

De zalige Catharina van Genua placht te zeggen: »Wie reeds hier op do we-»reld zijne zonden afboet, betaalt met »ëen kwartje duizend rijksdaalders; wie «echter do afbetaling zijner schulden «uitstelt tot in het vagevuur moet daar »voor een kwartje duizend rijksdaal-))ders geven.quot; Dat wil zeggen, dat wij tijdens ons leven aan de Goddelijke rechtvaardigheid kunnen voldoen door de geringste werken van boetvaardigheid , maar in het andere leven gepijnigd en gefolterd worden voor de kleinste zonden in dier mate «dat de pijnen «des vagevuurs smartelijker zullen zijn.

quot;i Diario Dominicano. Vita S. Catli. Paluzzae, 16 Oct.

-ocr page 493-

— 475 —

»dan al hetgeen de menschen in dit «leven kunnen lijden. S. Augustinus.

Wij mogen dus ons niet op anderen verlaten en denken, dat deze na onzen (lood voor ons zullen bidden. O het is oneindig voordeeiiger eenmaal op de wereld te zeggen: «ontferm U mijner, »0 God!quot; dan duizendmaal na den dood te herhalen: «ontfermt u mijner, gij sten minste, mijne vrienden!quot; David bad na zijn zondenval den «Misererequot; en verwierf barmhartigheid; de rijke vrek herhaalde dezen na zijn dood, maar te vergeefs: zijne jammerkreten bleven onverhoord; \'t was te laat!

Deze waarschuwing geldt in \'t bijzonder den wereld ling, die weinig of in \'t geheel niet aan zijne eeuwige zaligheid denkt, alsook den vromen christen, ja zelfs den kloosterling, wijl deze zeer dikwijls van te weinig vrees zijn doordrongen voor de strenge oordeelvellingen van God.

De cerw. Dionysius de Carthuizer was in de nabijheid van Roermond tegenwoordig bij het afsterven van oenen novice. Men had den jongeling zijn naderenden dood aangekondigd. Hij scheen

-ocr page 494-

— -470 —

een grooten angst te hebben voor de strallen in het vagevuur, omdat hij eene vrijwillige belofte, namelijk om dagelijks tweemaal alle de psalmen te bidden niet nauwgezet was nagekomen. Om hein in liet verschrikkelijk oogen-te bemoedigen en te troosten, beloofde hem Dionysius, dat hij in zijne plaats deze belofte wilde vervullen. Hij had den oprechtsten wil dat te doen; maar te midden zijner tallooze en vermoeiende bezigheden, welke hij als Overste had te vervullen, vergat ook hij zijne belofte. Nu verscheen hem de overledene met het droevigste aanzien zeggende: «ontferm u mijner!quot; — Verstomd en ontsteld wilde Dionysius hem verklaren , dat hij niet uit gebrek aan liefde zijne belofte vergeten had. De ziel onderbrak hem en riep op den smart-volsten toon: «Ach, indien gij slechts »het duizendste gedeelte van mijne «pijnen lijden moest, dan zoudet ook »gij geene verontschuldiging aannemen »cii mij geen oogenblik meer op uwe »hulp laten wachten!quot;

Dionysius maakte zich ook schuldig aan eene andere fout, die niet minder

-ocr page 495-

quot;T!

— ill —

opvallend is. Hij verloor zijn vader door den dood en was daarover zeer bedroefd , omdat hij hem teer lief had. Hij wenschte te vernemen in welken toestand de dierbare ziel des vaders zich bevond en bad derhalve den hemel hem dit te openbaren. Op zekeren avond had hij zich na hot vespergebed op zijne cel teruggetrokken, waar hij God met allen aandrang bad, hom dezen troost niet te onthouden. Eensklaps hoorde hij eene stem, die hem toeriep: «Waarom laat gij u door ijdele nieuws-sgierigheid bekruipen. Bid niet om te «weten in welken toestand de ziel van »uwen vader zich bevindt, maar bid «liever voor hare verlossing , • want in «geval zij in het vagevuur lijdt, zullen «uwe gebeden u en haar voordeelig «wezen!quot; Deze waarschuwing deed Dio-nysius geheel en al van gedachte veranderen; van af dit oogenblik bad hij ijverig tot lafenis van de ziel zijns vaders. Weldra ondervond hij het nut van zijn gebed: want reeds in den volgenden nacht zag hij de ziel van hem te midden der vlammen van het vagevuur en hoorde de woorden: «ontferm

I f

-ocr page 496-

— -478 —

Ju mijner, ontferm u mijner, mijn »zoori, heb medelijden met uw onge-))lukkigen vader! Help mij door uwe »goede werken, doch spoed u en ver-»geet geen enkel oogenblik dezen kin-sderplicht!quot; De kloosterling verdubbelde zijn ijver en volhardde in het gebed, totdat li j op eene wonderbare wijs de zekerheid ontving, dat de dierbare ziel van zijn vader uit het vagevuur verlost was.

Deze en soortgelijke verschijningen vermeerderden zijne innige godsvrucht jegens de geloovige zielen, terwijl hij door dagelijksche orderrichtingen ze zocht te verlevendigen in het hart zijner medebroeders. Toen de beroemde Joannes van Leuven stierf, baden de Carthui zers veel voor zijne zielerust, ofschoon het heilig leven, dat deze had geleid deed hopen, dat hij geen gebed noodig had. In zijn leven was Joannes een onomkoopbaar verdediger der recht vaardigheid, een ijverige verkondiger van het Evangelie geweest; zijne zeden waren streng en onberispelijk; aan het welzijn van anderen gaf hij steeds de voorkeur boven het zijne. Joannes was

-ocr page 497-

— 479 —

de weldoener van vele kloosters, onder anderen ook van dat der Carthuizers: hunne Abdij te Roermond had veel, zeer veel aan hem te danken. Op zijn eigen verlangen was hij onder het koor der kerk begraven geworden, om ten minste na den dood in het gezelschap der monniken te zijn. Neen, ook Joannes hoe heilig hij had geleefd en hoe milddadig- hij was geweest ontkwam niet aan de folteringen van het vagevuur. Toen de zieledienst plaats had, werd de lijkbaar omgeven van een dikken rook en vlamnien. Dionysius werd bij dit aanzien zeer ontsteld, omdat hij niet wist of daardoor het vuur der hel of het vuur van het vagevuur werd aangeduid. De duivel bleef natuurlijk niet ten achter hem voor te spiegelen, dat het het vuur der hel was en alle gebed voor den overledene bijgevolg nutteloos was. Dionysius liet echter den moed niet zinken: een jaar lang volhardde hij in het gebed en in de beoefening van alle mogelijke goede werken. Op den verjaardag van het afsterven werd wederom in het klooster een solemneele dienst gevierd tot lafe-

-ocr page 498-

— 480

nis der ziel. Ook ditmaal werd de lijkbaar omgeven van rook en vlammen, maar zij waren niet zoo dik en minder vreeselijk van uitzicht, waaruit Diony-sius besloot, dat God hem wilde te kennen geven, dat de straffen van Joannes verminderd waren, ofschoon deze nog ver van den hemel verwijderd was. Met een nieuw vertrouwen volhardde men in het gebei en op den tweeden verjaardag zag men een schitterend licht de lijkbaar omgeven ten teeken, dat Joannes het hemelse!i vaderland was binnengegaan. *)

Besluit.

Het is eene heil\'ge en heilzame gedachte voor de overledenen te bidden. 2. Machab. 12: 46.

Mijn wensch is dat door deze voor-beelden de liefde tot de geloovige zielen in het vagevuur in de harten van velen opgewekt en verlevendigd wordt. Hunne verscheidenheid en hare gewaarborgde geloofwaardigheid bieden een rijken stof tot nadenken aan. Immers de graad

\') Bolland. Acta Sanctor. 2 Mart. Vita V. Dionys. Carth.

-ocr page 499-

- 481 —

van menschelijke volmaaktheid wordt gemeten naar de maat der liefde, die wij God en onzen evenmensch toedragen. Op de liefde rust het geheel gebouw der christelijke deugd. Ieder ware christen moet eene oprechte, krachtdadige liefde koesteren jegens alle de leden der lijdende kerk, onze broeders en zusters in Christus Jesus.

Door voor hen te bidden bewijzen wij ten eerste dat wij God beminnen, doordien wij zijne barmhartigheid zoeken na te volgen: »Weestbarmhartig, «gelijk uw Vader barmhartig is.quot; Voor wie kunnen wij grootere barmhartigsheid beoefenen dan voor die ongelukkige, hulpbehoevende zielen, die den Heer zoo dierbaar zijn? Zij zijn zijne dochters, zijne bruiden, de erfgenamen van zijn rijk, waarnaar zij reikhalzend uitzien. De groote heilige Thomas van Aquine bewijst zonneklaar en overtuigend , dat de geestelijke werken van barmhartigheid meer waarde hebben, dan de lichamelijke. Daar het zeker is, dat wij een Gode welgevallig werk verrichten wanneer wij hongerigen spijzen, dorstigen laven, gevangenen bezoe-

Geloovigc zielen 31

IJ

-ocr page 500-

— 482 —

ken, enz. zoo zal God met grootere vreugde een liefdewerk aannemen, dat tot doel heeft de verschrikkelijke smarten der lijdende zielen te verzachten, van die zielen, die zich zeiven niet helpen kunnen , haren dorst naar God te stillen en ze te voeren uit den vu-rigen kerker tot de hemelsche glorie.

Onze godsvrucht tot de geloovige zielen is ten tweede eene getuigenis van oprechte, christelijke naasteliefde. Wanneer de H. Petrus Nolascus zich gelijk Jeremias den schooneu titel ^vriend zijner broedersquot; verwierf, omdat hij zijne persoon, zijn leven en zijne goederen tot bevrijding der chris-tene slaven uit de slavernij ten ofler bracht, komt dan die heerlijke naam niet met meer recht toe aan die ge-loovigen, die door hunne gebeden, aalmoezen en boetewerken hunne kermende broeders de deur van den vuuroven des vagevuurs openen en hen in eeuwige vreugde, in eeuwige vrijheid voeren ? Het is zonder twijfel een heilig werk, als wij anderen in hunnen nood te hulp komen, armen, kranken en ongelukkigen helpen , maar voorzeker

-ocr page 501-

— 483 —

is liet verreweg veel beter weldoeners van hen te worden , die onbeschrijfe-lijke pijnen lijden en niet bij machte zijn zich zeiven te helpen. De naasteliefde moet geordend zijn en zich regelen, gelijk de godgeleerden zeggen, eerstens naar de grootere of\' mindere behoeften, en tweedons naar de verdiensten der personen, die zij helpen wil.

Kan eene grootere verplichting bestaan dan lijdende zielen, die zich in den grootsten nood bevinden, te helpen ! AN ie heeft, als er van verdiensten spraak is, een grooter recht op onze liulp dan deze uitverkorene bruiden van Jesus Christus, die versierd met do genade Gods zeker eens den hemel zullen ingaan? Bestaat er een grootmoediger werk van barmhartigheid, dan haar het bezit van God, een Goed dat alle goederen oneindig in waarde overtreft, te bezorgen?

Wanneer wij op ons eigen voordeel bedacht zijn, dan zullen we ondervinden , dat geen ander werk van liefde ons voordeeliger en heilaanbrengende!\' is. God beloont het vaak op deze wereld door buitengewone genaden, door

-ocr page 502-

_ 484 —

vermeerdering van ons geloof, door versterking der hoop en der liefde, door innerlijke vertroostingen in onze rampspoeden, door bijzondere bescherming in gevaren. Hieraan kan men niet moor twijfelen na dit boekje met aandacht te hebben gelezen, ofschoon wij slechts oen honderdtal voorbeelden hebben vermeld. Herinneren wij ons b. v. de wonderbare bescherming welke Judas Machabens ondervond tot loon voor zijne liefde jegens de overledenen. Nadat hij zijne gave naar Jerusalem had gezonden tot lafenis der gesneuvelden, zond de Heer hem een gouden zwaard, waarmede hij altijd als overwinnaar uit den strijd trok: en opdat er geen twijfel daarover zou ontstaan, dat dit zwaard het loon was voor zijn goed werk, liet God het hem ter hand stellen door twee dooden, don hoogen-priester Onias en den profeet Jerernias. De laatste zeido hem: «Ontvang dit sheilig zwaard als een geschenk van (iod, swaarmede gij de vijanden van mijn »volk Israel zult overwinnen.quot; \'2. Mach. 15: 16. Judas ondervond weldra de waarheid dezer woorden, want met

-ocr page 503-

— 485 —

zijn klein leger doodde hij 35,000 vijanden. Wanneer wij dezen vromen en kloeken veldheer navolgen, dan zullen wij ook begunstigd worden met bijzondere genaden in den geestelijken strijd, dien wij onverpoosd strijden moeten tegen de vijanden van ons eeuwig heil.

Wij kunnen niet beter eindigen dan met fle woorden van den H. Bernardus: »Stnat op en snelt de lijdende zielen ))te hulp, bidt voor haar door zuchteu jgt;en geween, ja bidt voor haar, en »brengt den Heer de H. Mis ten offer.quot; Welaan dan! mogen uwe gebeden, uw vasten, uwe aalmoezen, uwe boetple-gingenen verstervingen, uwe godsvrucht bij het H. Misoffer aan de lijdende zielen de gewenschte rust verzorgen: hier op de wereld zullen zij u te hulp komen, wanneer gij inden doodstrijd ligt: zij zullen u versterken, troosten, bemoedigen en wanneer gij genaden in de oogen van God hebt gevonden zullen zij u jubelend het rijk van glorie en heerlijkheid binnenleiden. Twijfelt gij nog aan hare dankbaarheid, machten liefde? Neen, dat is onmogelijk. De eenvou-

-ocr page 504-

— 486 —

digsto, christelijke waarheden veroorloven dezen twijfel niet. Do H. Geest zelf verzekert Iwt ons: »l)oe goed aan »den rechtvaardige, het zal n dubbel «vergolden worden.quot; Sirach 12: i.

-ocr page 505-

— 487 —

DEEDE DEEL.

De heldenakte der liefde tot lafenis der yeloovige zielen.

Deze liefdedaad bestaat hierin, dat men tijdens het leven alle zjjne werken van voldoening, alsook de gebeden en goede werken, die ons na den dood bij wijze van voorspraak worden toegevoegd aan de ge-loovige zielen in het vagevuur schenke, doordien men ze nederlegt in de handen der allerzaligste Maagd Maria, opdat deze goede Moeder ze aan die zielen toevoege, welke zij uit het vagevuur wil verlossen.

Van deze heldendaad der liefde willen vele christenen niets weten, zeggende: Wanneer wij alles weggeven , wat blijft ons dan nog over? Waarmede zullen wij onze schulden afdoen? Hoe zullen wij onze tjjdelijke straffen atboeten? Zullen wij dan in het sterfuur niet naakt, van alle verdiensten ontbloot voor den troon van God verschjjnen? Wat zal ons dan wedervaren, welk zal ons lot zijn? Op alle deze vragen antwoorden wij: Ieder goed werk dat in staat van genade verricht wordt, heeft eene viervoudige vrucht, te weten; de vrucht van voldoening, de vrucht van verdienste, de vrucht van verzoening en de vrucht van erlanging; dat

-ocr page 506-

— 488 —

wil zeggen, door ieder goed werk verdient men vermeerdering van hcmelsche heerlijkheid , alsook vele genaden naar de ziel en het lichaam voor zich zeiven en voor anderen voor wie wij onze gebeden tot God richten : daarenboven verminderen wij voor God onze tijdelijke straffen, welke wij schuldig zijn te lijden voor onze zonden. Wat wjj den geloovigen zielen in het vagevuur geven is de persoonlijke vrucht, welke ons gewordt uit die voldoeningen en voorspraken. Alleen wat boetend is in de goede werken, welke wij verrichten, kunnen wij aan de geloovige zielen toevoegen, terwijl de vruchten van verdienste, verzoening en erlanging aan niemand kunnen toegevoegd worden.

Wat blijft ons dus over? Door ledergoed werk waarvan wij de voldoeningswaarde aan de geloovige zielen toevoegen, schenken wij haar een rijke aalmoes en verrichten wij een tweede goed werk, waardoor wij vermeerdering van heiligmakende genade en een nieuwen graad van hemelsche glorie verwerven. Hoe rijk aan verdiensten wordt hij, die alle zijne goede werken aan de geloovige zielen toevoegt! Hij deze vermeerdering van verdiensten komt nog de beduidende vermeerdering van verwervende kracht der goede werken. Immers door ons geschenk, door onze aalmoes maken wij alle verloste zielen tot onze zaakgelastigden en voorspreeksters bij God en wij zeiven, wij

-ocr page 507-

— 489 —

zullen spoedig ondervinden welke groote kracht het gebed van die dankbare zielen bij God bezit. Dat verzekert ons uitdrukkelijk de H. Catharina van Bologna, als zij zegt: «wanneer gjj eene genade van den «liemelsehen Vader wilt bekomen, dan vraagt «Hem die door de tussclienkomst der lij-«dende zielen in het vagevuur, voorzeker «zult gij deze dan verkrijgen. Dikwjjls heb «ik door de voorspraak der geloovige lijders «in het vagevuur genaden verworven, die ik »door geene andere tusschen komst kon ver-»werven.quot;

Daarenboven de verdiensten van voldoeningen onzer goede werken gaan voor ons niet verloren ; integendeel hunne waarde valt op ons terug in de rijkste maat. In de akte eener zoo grootmoedige liefde ligt eene groote voldoening voor onze zonden opgesloten ; want indien de aalmoes, die men zijnen evenmensch geelt om hem in zijnen nood bij te staan volgens de uitspraak van den H. Geest »van zonden reinigt en maakt »«lat wjj barmhartigheid en liet eeuw ig leven vinden. (Tob. 1 \'i. 9),quot; op eene bijzondere wjjs voldoening schenkt; welke voldoening voor onze zoiidestraffen zal ons dan die grootmoedige en geestelijke aalmoes van de heldendaad der liefde verschatten? — Verder verzekert ons de Goddelijke Heiland, dat wie iets verlaat om zjjnen naam het honderdvoud zal ontvangen. (Matth. 19. 29.)

-ocr page 508-

— 490 —

Op ecne andere plaats zegt Hij; «voorwaar »ik zog u: zoo dikwijls gij dit aan een »mijner geringste broeders gedaan hebt, hebt «ïij het mij gedaan. (Mattli. \'25. 40.) Hoe rijkelijk zal de Goddelijke Verlosser ons be-loonen , wat wij voor de bruiden van zijn allerheiligste Mart, die in het vagevuur gelouterd worden, gedaan hebben ? Het vertrouwen, dat wij aan de woorden van den Zaligmaker schenken moeten, maakt het ons tot een eereplicht, dat wij onze lijdende broeders en zusters te hulp komen en deel moeten nemen aan deze geldleening van verdiensten ten gunste en tot lafenis van de zielen in het vagevuur. Een aardsch vorst schrjjft eene geldleening uit en verplicht zich door zijn koninklijk woord vijf procent ten honderd te betalen; en zie, honderden, ja duizenden haasten zich deze uit-noodiging te beantwoorden. En de Koning der koningen spreekt, verpandt zich door eene Goddelijke belofte honderdvoud te betalen en dc mensch durft talmen?

Deze grootmoedige akte der liefde mag vergeleken worden met het wonder van de vermeerdering der broeden in de woestijn. Zjj die eenige gerstebrooden en visschen gegeven hadden, ontvingen nadat vierduizend raenschen gegeten hadden en veriadigd waren, veel meer terug dan zij in den beginne bezaten. I)e Goddelijke zegen vermeerderde de gave niet alleen tot voordeel

-ocr page 509-

— 491 —

der schare, die hongerig was, maar ook ten bate der schenkers. /00 komen ook de goede werken , welke wij aan de geloovige zielen toevoegen niet alleen dezen maar ook ons ten goede. De Heer vergeldt ze honderdvoudig. Wij lijden geen verlies, maar winnen altijd bjj deze akte van liefde: wij bewijzen ons zeiven den grootsten dienst, wanneer wij op deze wijs ons de lijdende zielen in het vagevuur dienstbaar maken. Op zekeren dag gaf de Verlosser aan zijne dienares de H. Gertrudis, die alle hare goede werken en gebeden aan de zielen in het vagevuur toevoegde, de volgende verzekering: »\\roor do «liefde, welke gij den geloovigen zielen hebt «toegedragen, doordien gij van alle ver-«diensten van uwe goede werken tot haver «lafenis hebt afstand gedaan , schonk ik u »op dit oogenblik kwijtschelding van alle «straffen on schulden, die gij in den gloeien-«den kerker des vagevuurs hadt moeten «Ijjden en bovendien zal ik u ieder bijzon-«der goed werk, dat gij voor haar verricht, «hondervoud vergelden.quot; Zie voorbeeld 3-2.

Niets mag ons dus weerhouden om deze akte van liefde aan de geloovige zielen te bewijzen en moeten wij naar best vermogen er altijd op bedacht zjjn ons allerijverigst toe te leggen op de beoefening van goede werken. Daarbij komt nog, dat onze Moeder de H. Kerk deze heldendaad harer kinderen met nadruk aanbeveelt en de schatkist harer

-ocr page 510-

— 492 —

aflaten opent voor hen, die deze daad beoefenen. Paus Benedictus XIII heeft den 23 Augustus 1728 hun , die de vruchten of verdiensten hunner voldoeniügswerken aan de geloovige zielen toevoegen de volgende aflaten verleend, goedgekeurd en bekrachtigd door Pius VI den ii December 1788 en door Pius IX den 2tgt; September 1852.

1. De priester, die de Gelofte van de heldenakte der liefde gedaan heeft geniet voor zijne persoon de gunsten van het pri-vilegieerd altaar alle de dagen van het jaar

2. De geloovigen kunnen iederen dag waarop zjj de II. Communie ontvangen een vollen aflaat verdienen alleen toepasselijk op de geloovige zielen in het vagevuur daarenboven moeten zij dien dag eene kerk of openbare kapel bezoeken en daar eenigen tijd bidden ter intentie van zijne Heiligheid

3. Op dezelfde wijs en onder dezelfde voorwaarden kunnen zij iederen maandag een vollen aflaat verdienen, indien zij de II. Mis hooren tot lafenis der geloovige zielen.

4. Eindeljjk kunnen zjj toevoegen aan de overledenen in het vagevuur alle de aflaten die tot heden verleend zijn en in het vervolg der tijden nog zullen verleend worden al mochten die aflaten enkel voor de levenden zjjn gegeven. Benedictus XIII, Pius VII, Pius iX deer. 29 Sept. 1852-20 Nov. 1854.

Annmarking. De zieken, grijsaards, land-

-ocr page 511-

— 493 —

lieden, reizigers, gevangenen enz. die \'a maandags de IT. Mis niet kunnen bjjwonen, mogen dit tot dat doeleinde \'s zondag* doen. Wat Je kinderen betreft, die hunne eerste II. Communie nog niet gedaan hebben en die geloovigen. die niet in staat zijn te oommu-niceeren, kan de bisschop aan zijne onder-hoorige biechtvaders de volmacht geven om voor dezen de Communie in een ander werk van godsvrucht te veranderen. Pius IX, deer. 20 Nov. 1854. Maar de Mis van \'s maandags kan alleen door die van den zondag vervangen worden. Dit kan door geen biechtvader veranderd worden.

AKT VAN Ol\'UFrailNf!.

Hemelsche Vader, in vereeniging met do verdiensten van Jesus Christus en Maria offer ik U op voor de geloovige zielen in het vagevuur do verdiensten van voldoening mijner goede werken van mijn geheel leven te zamen met de verdiensten van alle goede werken en gebeden, die voor mij na mijnen dood bij wijze van voorspraak worden opgeofferd. Alle die verdiensten leg ik in de zuivere handen der onbevlekte Maagd Maria, opdat zij ze aan die zielen toevoege, welke zij uit het vagevuur wil verlossen. O mijn God, neem dit offer goedgunstig aan en laat mij om wille van dat offer barmhartigheid bij U vinden en dagelijks in gemide toenemen.

-ocr page 512-

Gebeden voor de geloovigen die «verleden zijn, naai\' den Romein-schen Brevier.

Het vroeggebcrt.,

UitnnodU/intj. Den Koning voorwien alles leeft, komt, laat ons aanbidden.

Uitiwodiginy. Den Koning voor wien alles leeft, komt, laat ons aanbidden.

Psalm !H.

1. Komt, laat ons voor den Heer vroolijk zijn, laat ons met blijdschap zir.gen voor God, onzen Heiland;

2. Laat ons met lof zijn aanseliijn gaan ontmoeten en met lofzangen vroolijk voor Hem juiehen.

Den Koning voor wien alles leeft, komt, laat ons aanbidden.

3. Want de Heer is een groote God; en een groot Koning boven al de goden ; want de Heer zil zijn volk niet verstoeten;

4. in zijne hand zijn al de grenzen der aarde, en de hoogten der bergen aansohonwt llji

Komt, laat ons aanbidden.

5. Hem behoort de zee toe, en Hij heeft haar gemaakt; ook het vaste land , hebben zijne handen gevormd:

6. komt! laat ons aanbidden on neder-

-ocr page 513-

— 495 —

vallen voor God; laat ons weenen voor den Heer , die ons geschapen heeft;

7. want Hjj is do Heer onze God, en wjj zijn volk en de schapen zjjner weide.

Den Koning voor wien ulles leeft, komt laat ons aanbidden.

8. Wanneer gij heden zjjne stemme hoort; zoo volhardt uwe harten niet;

9. Zooals bij de terging ten dage der verzoeking in de woestijn geschiedde, alwaar uwe vaders mij getergd, beproefd en mijne werken gezien hebben.

Komt, laat ons aanbidden.

10. Veertig jaar lang was ik bezig met dat geslacht, en sprak: hun hart dwaalt altijd af.

•H. En zij hebben mijne wegen niet erkend ; daarom heb ik in mjjn toorn gezworen, dat zjj in mijne rust niet zouden komen.

Den Koning voor wien alles leeft, komt. Iaat ons aanbidden.

Heer! geef hun de eeuwige rust;

En het eeuwige licht verlichte hen.

Komt, laat ons aanbidden.

Auliv. Den Koning voor wien alles leeft, komt, laat ons aanbidden.

I. De drie votr/ende psalmnn cn leunen zijn

voor (Jen nuwnduij cn den dondenlag.

Psalm .quot;i.

Tuezany. Leid mij o Heer, mijn God! voor uwe oogen op den rechten weg.

-ocr page 514-

— 496 —

I. Hoor mijne woorden, o Heer! Iet op mijne luide smeeking.

\'2. Verneem de stem van mijn gebed, mijn Koning en mjjn God

3. Want tot u zal ik bidden Heer! vroegtijdig zult gij mjjne stem verliooren.

4. Ik zal \'s morgens voor u staan en zien, dat Gij geen God zijt, die de onrechtvaardigheid wilt

5. Dc boosaardige zal bij u niet wonen; en dc onrecht vaardigen zullen vooi\' uwe oogen niet bestaan.

(i Gij haat allen, die de ongerechtigheid oefenen; Gij zult allen, die leugentaal spreken , verdelgen.

7. De Heer zal van den bloeddorstigen en den bedrieger een afschuw hebben ; doch ik zal door de volheid uwer barmhartigheid in uw huis ingaan.

8. En vol vreeze voor u, bij uw heiligen tempel aanbidden.

9. Heer! geleid mij naar uwe gerechtigheid ; leid mij voor uwe oogen , wegens mijne vijanden op den rechten weg.

10. Want in hun mond is geene waarheid: hun hart is ijdel.

II. Hunne keel is een open graf; zij handelden bedriegelijk met hunne tongen : oordeel hen, o God!

12. Laat hunne aanslagen mislukken; verstoot hen wegers de menigte hunner

-ocr page 515-

— 497 —

boosheden, want zij hebben U o Heer, tot gramschap aangezet.

13. En allo die op U hopen zullen zich verblijden; zij zullen eeuwig juichen; en Gij zult onder hen wonen.

ii. En alle die uw naam liefhebban, zullen in U roepen, want Gij zegent den rechtvaardige.

15. Heer! Gij hebt ons met uw welbehagen als met een schild gekroond.

lieer! geef hun de eeuwige rust: En het eenwig licht verlichte hen.

Toezang. Leid mjj, o Heer, mijn God! voor uwe oogen op Jen rechten weg.

Keer ü tot mij o Heer, en red mijne ziel; want in den dood is er niemand, die U gedenkt.

Psalm 0.

1. Heer, straf mij niet in uwe verbolgenheid , en tuchtig mij niet in uwen toorn.

2. Ontferm U over mij, o Heer! want ik bon zwak; genees mij, o Heer! want mijno beenderen zijn ontsteld.

3. Kn mjjne ziel is zeer ontroerd , en Gij Heer! ach hoe lang nog?

4. Keer U tot mij, o Heer, en red mijno ziel; behoud mij om uwe barmhartigheid.

5. Want in den dood is er niemand, die U gedenkt; en wie zal U in het graf belijden ?

6. Ik ben het zuchten moede; ik zal

32

let op I mijn

-ocr page 516-

— 498 —

eiken nacht mijn bed wasschcn, en mijne rustplaats met tranen bevochtigen.

7. Mijn oog is wegens de gramschap vervallen; ik ben onder alle mijne vijanden verouderd.

8. Wijkt alle van mij, die ongerechtigheid bedrijft; want de Heer heeft de stem van mijn geween verhoord.

9. De Heer heeft mijne smeeking verhoord; de Heer heeft mijn gebed aangenomen.

10. Laat al mijne vijanden bepchaamd en zeer ontsteld worden; laten zij ijlings terug-keeren en schaamrood worden.

Heer, geef hun de eeuwige rust;

En het eeuwige licht verlichte hen.

Toezatif/. Keer U tot mij, o Heer, en red mijne ziel; want in den dood is er niemand, die U gedenkt.

Dat hij toch mijne ziel niet grijpe, gelijk een leeuw, terwjjl er niemand is om te verlossen of te behoedeu.

Psalm 7.

quot;1. Heer mijn God, op U heb ik gehoopt; bevrijden verlos mij van alle mijne vervolgers

2. Opdat men mij niet versoheure gelijk een leeuw, als ik zonder hulp en redding ben.

3. Heer mijn God! wanneer ik dit gedaan heb; wanneer er ongerechtigheid in mijne handen is.

-ocr page 517-

— 49t) —

4. Wanneer ik het kwaad, waarmede zij mi) beloonden, vergolden heb , zoo mag ik billijk door mijne vijanden nedergestort en verijdeld worden.

5 De vijand vervolge mjj : hij grjjpe mjj, hij vertrede mij levendig op de aarde, hij verandere mijne heerlijkheid in stof.

6. Sta op, Heer! in uwen toorn, en hef u op tusschen de grenzen mijner vijanden.

7. Sta op , Heer mijn God, naar het gebod hetwelk Gij hebt bevolen: en de vergadering der volken zal U omringen.

8. En koer hunnentwille weder op de hoogte: de Heer oordeelt de volken.

9. Oordeel mij , o Heer, volgens mjine rechtvaardigheid en naar mijne onschuld, die over mij is.

quot;10. Laat de boosheid der zondaars vernietigd worden en Gij, o God, die de harten en nieren doorzoekt, zult den rechtvaardige veilig leiden.

•H. Mijne billijke hulp komt van den [leer, welke verlost, die oprecht van harte zijn.

12. God is een rechtvaardig rechter, machtig en lankmoedig; vertoond Hij zich wel al de dagen?

13. Wanneer gij u niet bekeert; zoo zal Hij zijn zwaard zwaaien, zijn boog heeft Hij reeds gespannen en toegerust.

14. Hij heeft het doodeliik getuig daarop gelegd. Hij heeft zijne pijlen voor de woedenden vervaardigd.

-ocr page 518-

— 500 —

15. Zie! Hij ging met de ongerechtigheid om; hjj werd van smarte zwanger, en de boosheid baarde Hij.

16. Hij opende een poel en groef hem uit; hij viel iti den kuil, dien hij gemaakt had.

17. Zijne smart zal op zijn hoofd terugkomen; zjjne boosheid zal op zjjn schedel nedervallen.

18. Ik zal den fleer naaj zijne gerechtigheid belijden; en den naam des Heer en des Allerhoogsten lofzingen.

Heer, geef hun de eeuwige rust: En het eeuwig licht verlichte hen.

Toezang: Dat hij toch mjjne ziel niet grijpe gelijk een leeuw, terwijl er niemand is om te verlossen of te behoeden.

Vers. Van de poort der hel;

Antw. Verlos, o Heer, hunne zielen.

Onze Vader, enz.

Eerste Les.

Job 7, vers 1G—21.

Spaar mij, o Heer, want mjne dagen zijn niets. Wat is toch de inenscb, dat Gjj hem verheft? of waarom houdt Gjj uw hart jegens hem genegen? Des morgens vroeg bezoekt Gij hem, en beproeft hem onvoorziens.

Hoelang vertoeft Gij mij te sparen en te vergunnen, dat ik mijn speeksel moge verzwelgen ?

Heb ik gezondigd, wat zal ik U daarvoor

-ocr page 519-

— 501 —

doen, o hoeder der menschen ? Waarom hebt Gij mij tegen U overgesteld, en ik ben mij zeiven tot een last? Waarom neemt Gij mijne zonden niet weg, en waarom vergeelt Gij mij mijne ongerechtigheid niet? Zie van nu af zal ik in het stof slapen: en zoo Gij mij des morgens vroeg komt zoeken, zal ik er niet moer wezen.

Anlw. Ik geloof dat mijn Verlosser leeft; en ik op den jongsten dag uit de aarde zal verrijzen.

En in mijn vleesch zal ik God mijn Zaligmaker aanschouwen.

IVrs. Dien ik zelf zal zien en[geen ander, en wien mijne oogen zullen aanschouwen. En in mjjn vleesch zal ik God mijn Zaligmaker aanschouwen.

Twkkdk Li s.

Job 10, \\ers t—7,

Mijn leven valt mjjno ziel verdrietig; ik zal mijne woorden tegen mij laten begaan, ik zal spreken in de bitterheid mijner ziel.

Ik zal tot God zeggen ; veroordeel mij niet: geef mij te kennen: waarom Gij mij aldus oordeelt? vindt Gij liet gotd, dat Gij mij der lastering overgeeft; mij het werk uwer handen verdrukt: on de goddeloozen in hun voornemen biji-taml biedt? Hebt Gij vlecschebjke oogen ; of ziet Gjj, geljjk een mensch ziet ? Zijn uwe (lagen als des men-sclien dagen? Of uwe jaren als menschelijke

-ocr page 520-

— 502 —

tijden üm naar mijne boosheid onderzoek te doen, en naar mijne zonde te vernemen? En te weten , of ik ook iets goddeloos bedreven heb, nademaal ev toch niemand is, die uit uwe haud zoude kunnen verlossen.

Arilw. Die Lazarus nu reeds riekende uit het graf hebt opgewekt;

Geef hun o Heer! ruste, en eene plaats van genade.

VefS. Die zult komen de levenden en do dooden te oordeelen, en do wereld door het vuur. üeef hun, o Heer, ruste en eene plaats van genade.

Deriik Les.

Job 10, vers 8—12.

Uwe handen hebben mij gemaakt, en mjj rondom geheel de gestalte gegeven; en werpt Gij mij zoo onverwachts ter neder? Redenk toch, bid ik U, dat Gij mij als kleiaarde gevormd hebt; en mij tot stof zult doen wederkeeren! Hebt Gij mij niet als melk gemolken en doen stremmen als kaas? Gij hebt mjj met vel en vleesch bekleed: met beenderen en zenuwen hebt Gij mij samen-gehecht. Gjj hebt mij het leven gegeven en gunst bewezen : uw toevoorzicht heeft mijnen geest bewaard.

Anlw. 0 [leer, waar üal ik mij, wanneer

-ocr page 521-

— 503 —

Gij de aarde zult komen oordeelen, voor het aanschijn uwer gramschap verbergen?

Want ik heb in mjjn leven zeer gezondigd?

Vers. Ik ben bevreesd voor mijne bedre-vene misdaden, en schaam mjj voor U, wit mjj toch niet veroordeelen, als Gij ten oordeel zult komen. Want ik heb in mjjn leven zeer gezondigd?

Vers. Heer! geef hun do eouwigo rust: cn het eeuwige licht verlichte hen. Want ik heb in mijn leven zeer gezondigd.

Als-men slechts drie osalmen cn lessen bidt, dan gaat men tol het lofgebed over.

[1. Dc vohjcnde psalmen en lessen zijn voor den dinsdag en vrijdag.

Psalm 22.

Toezanri lljj heeft mij op de plaats zijner weide nedergezet.

I. De Heer bestuurt mij, en niets zal mij ontbreken; Hij heeft mij op de plaats zijner weide nedergezet.

i. Hij heeft mij bij een verkwikkenden waterstroom opgevoed ; Hij heeft mijne ziel teruggebracht.

3. lljj heeft mij geleid op de paden der gerechtigheid, wegens zijn naam.

4 Zoo ik ook reeds te raidden der soha-duwe dos doods raag gewandeld hebben; ik

-ocr page 522-

— o04 —

zal geen kwaad vrcczen ; want Gij zijt metl want 1

mij. j wnctit

quot;B. Uwe staf en lierdersftok zijn liet, diei g, ( mij troosten. 1 euv

6. Gij hebt voor mijn aangezicht eon 1 wcn i disch bereid, tegen over hen , die mij l 7. kwellen. 1 cn ai

7. Gjj hebt mijn hoofd met olie gezalfd; ! 8. en hoe kostelijk is mijn bedwelmende beker! 1 geda

8. En uwe barmhartigheid zal mjj al do | 9 dagen mijns levens volgen. f (jaav

9. Opdat ik in lengte der dagen in het | icer( huis des Ueeren wone. j K

Heer! geef hun de eeuwige rust: I gele

En het eeuwig licht verlichte hen. 1 wep

Toezang. Hij heeft mij op de plaats zijner 1 1

weide nedergezet. j i,ar

Denk niet, o Heer, aan de zonden mijner { yer

jeugd en aan mijne onwetendheden. I 1

I ovi

Psalm 24. 1 is

1

Tot U, o Heer, heb ik mijne ziel op- 1 geheven, mijn God, ik vertrouw op U, laat I vv mij niet beschaamd worden. I w

-ocr page 523-

— 505 —

want Gij zijt God mijn Verlosser, en op U ■wacht ik den ganschen dag.

6. Gedenk, o lieer, aan uwe ontfermingen, en uwe barmhartigheden, die van de eeuwen af geweest zijn.

7. Denk niet aan de zonden mijner jeugd, en aan mjjne onwetendheden.

8. Naar uwe barmhartigheid wees mij gedachtig, wegens uwe goedheid, o Heer.

9 De Meer is liefelijk en rechtvaardig, daarom zal Iljj don dwalenden den weg leeren.

10. Hij zal de zaclitzinnigen naar do wet geleiden, Hij zal do zachtmoedigen zijne wegen leeren.

11. Alle do wegen des Hoeren zjjn barmhartigheid en waarheid voor hen, die zijn verbond en zijne getuigenis zoeken.

12. V\\ \'egens uw naam. o lieer, zult Gij over mjjne zonde verzoen lijk zjjn; want zij is groot.

13. Wie is de menscli, die den Heer vreest? Iljj onderwijst hem op den weg, welken hjj gekozen heeft.

14. Zijne ziel zal in het goede verblijven; en zijn geslacht zal het land beërven.

15. De lieer is de grondvest van h- n. die Hem vreezen: en zijn verbond is, om het hen bekend te maken.

10. Mijne oogen zijn steeds op den Heer; want Hij zal mijne voeten uit den strik uittrekken.

-ocr page 524-

— 506 —

17. Aanschouw mij en ontferm U over mij; want ik ben eenzaam en arm.

18 De benauwdheden mijns harten hebben zich vermeerderd; verlos mij uit mijne behoeften.

19. Zie mijne nederigheid en mijne moeite aan ; en vergeef mij al mijne zonden.

\'20. Zie op mijne vijanden; want zij zijn vermeerderd; en haten mij met een on-rechtvaardigen haat.

21. Bewaar mijne ziel en verlos mij: laat mij niet beschaamd worden, omdat ik in U hope

\'22. De onsclmldigen en oprechten hangen mij aan, omdat ik op U wachtte.

23. O God verlos Israël uit alle zijne verdrukkingen.

lieer! geef hun de eeuwige rust: En het eeuwig licht verlichte hen.

Toezang. Denk niet, o Heer, aan de zonden mijner jeugd en aan mijne onwetendheden.

Ik geloof de goederen des Ileeren te zien in het land d(r levenden.

Psalm 2G.

1. De lieer is mijn licht en mijn heil, wien zal ik vreezen?

2. De Heer is de beschermer mijns levens, voor wien zal ik van vreeze beven ?

3. Wanneer de kwaaddoeners tegen mij aanrukken, om mijn vleesch te eten ;

-ocr page 525-

— 507 —

4. Mijne vijanden, die mij kwellen; zoo zijn zij ontzenuwd, en vallen neder.

5. Indien er ook een heirloger tegen mij opstond , zoo zal mijn hart niet vreezen.

0. Verheit er zich een veldslag tegen mij, zoo zal ik daarin hopen.

7. Eene zaak heb ik van den Heer begeerd, deze wil ik zoeken, dat ik al de dagen mijns levens moge wonen in het huis des lleeren.

8. Opdat ik de geneugten des lleeren aanschouwe en zijn tempel bezoeko.

9. Want Hjj heeft mij ten dage des on-heils in zijn tabernakel verborgen : Hij heeft mij in het verborgene zjjner tente beschermd.

10 Hjj heeft mij hoog op oene rots nedergezet: en thans zijn hoofd boven mijne vijanden verheven.

•H. Ik ben er rondom gegaan en heb in zijne woontente met vreugdegeroep geofferd; ik zal zingen en den lieer met psalmen prijzen.

12 Heer, verhoor mijne stem, waarmede ik tot U roepe; ontferm U over mij, en verhoor mij.

13. Mijn hart heeft tot U gesproken, mijn aanschijn heeft U opgezocht; ik wil , o Heer, uw aangezicht zoeken.

14. Keer uw aangeziaht niet van mij af; wijk niet in gramschap van uw dienaar.

15. Wees mijn helper; verlaat en veracht mij niet, üod! mijn Heiland.

-ocr page 526-

— 508 —

16. Want mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten; doch de Heer beeft mjj opgenomen.

17. Meer, onderwijs mij in uw weg; en leid mij wegens mijne vijanden op de rechte baan.

18. Geef mij niet over aan den wil van hen, die mij kwellen ; want valscbe getuigen zijn tegen mij opgestaan en de boosheid loog tegen zich zelve.

19. Ik geloof do goederen des Heeren te zien in het land der levenden.

20. Wacht op den Heer, gedraag u mannelijk ; uw hart versterke zich en vertrouwe op den Heer

Heer ! geef hun de eeuwige rust ■ En bet eeuwige licht verlichte hen.

Tuezaitg. Ik geloof de goederen des (leeren te zien in het land der levenden.

Vers. De Heer plaatse hen bij de vorsten.

Anlw. Bij de vorsten zijns volks.

Onze Vader, enz

Viekdk T,i:s.

Job 13, vers 22 -2K,

Geef mij antwoord: hoe groot is het getal mijner ongerechtigheden en zonden? Toon mij mijne misdaden en overtredingen. Waarom verbergt Gij uw aangezicht : en houdt mij voor uw vijand? Tegen een blad, dat door den wind wordt medegenomen, toont Gij uwe macht; en een dorren stoppel

-ocr page 527-

oO!) —

Vervolgt Gjj; want Gij schrijft bitterheden tegen mjj: en wilt mij vernielen om de zonden mijner jeugd Gij hebt mijne voeten in de boeien gesloten; Gij geeft acht op alle mijne paden, en let op alle mijne voetstappen.

Daar ik als \'t gene aan het verrotten is en gelijk een kleed, dat van do mot wordt opgegeten, vergaan zal.

A/itw Wees mij gedachtig o God ! want mijn leven is een wind.

Dat ook dos menschen gelaat mij niet aanschouwe.

Vers. Uit de diepte roepe ik tot U , o lieer! Heer, verboor mijn gebed Dat ook des menschen gelaat mij niet aanschouwe.

Vijfde Les.

Job 14, vers 1 — 6.

De mensch uit eene vrouw geboren leeft een korten tijd en wordt vervuld met vele ellende. Hij komt op en wordt vertreden gelijk eene bloera; hij vliedt weg als eene schaduwe en blijft nooit in denzelfden toestand. Kn gevvaardigt Gij U op hom uwe oogen te vestigen en hem met U in het gerecht te trekken? Wie kan hem zuiver maken, die van onzuiver zaad ontvangen is? Zijt Gij het niet alleen? Des menschen dagen zijn kort ; het getal zijner dagen hangt van U af: Gij hebt hem palen gesteld, welke niet kunnen worden over-

-ocr page 528-

schreden. Wijk een weinig van hem af, opdat hij ruste: totdat zijn gewenschte dag als van een huurling aanbreke.

Autw. Wee mij, o Heer, omdat ik in mijn leven zoo veel gezondigd heb; wat zal ik ellendige doen? waar zal ik vluchten dan tot U mijn God ?

Wees mij genadig, als Gjj ten jongsten dage kotvM-n zult.

l\'ers Mijne ziel is zeer ontroerd, maar kom haar. o Heer, te hulpe. Wees mij genadig, als Gij ten jongsten dage komen zult,

Zesde Les.

Job I\' , vers 13—16;

Wie zal mij geven, dat Gij mij zoo lang in het graf in veiligheid brengt en mij verbergt, totdat uwe verbolgenheid zij voorbijgegaan en mij een tijd bepaalt waarin Gij mij moget gedachtig wezen? Meent gij dan, dat een mensch, die eens gestorven is, weder leven zal? Al de dagen waarin ik nu strijd, leef ik in de verwachting , totdat mjjne verandering koma.

Gij zult roepen en ik zal U antwoorden: Gij zult het maaksel uwer handen uwe rechterhand toereiken. Gij hebt wel mijne schreden geteld: doch wees mijne zonden genadig.

Antw. Gedenk toch mijne zonden niet, o Heer!

-ocr page 529-

- 511 -

Als Gij de wereld door het vuur zult komen oordeelen.

Kers. quot;Leid mij o Heer mijn God! voor uwe oogen op den rechten wog. Als Gjj de wereld door het vuur zult komen oordeelen.

Kers. Heer, geef hun de eeuwige rust: en het eeuwige licht verlichte hen.

Antw. Als Gij de wereld door het vuur zult komen oordeelen.

III. Dc volgende psalmm en lessen zijn voor tien woensdag en zaterdag.

Psalm 39.

Toezang. Laat het U behagen, o Heer, mij te redden; Heer, zie op om mij te helpen

1. Met een vurig verlangen heb ik den Heer tegemoet gezien en Hij is mij genegen geweest.

\'2. Hij heeft mijn gebed verhoord: Ilij heeft mjj uit den poel der ellenden en het slijk der vuiligheid uitgetrokken.

3. Hij heeft mjjne voeten op eene rots gesteld; Hij heeft mijne schreden bestuurd.

4 Hjj heeft een nieuw lied in mijnen mond gelegd, een lofzang voor onzen God.

5. Velen zullen het zien en vreezen ; en in den Heer hopen.

G. Gelukzalig is de man, die op den naam des Heeren vertrouwt; en niet op ijdelheden en bedriegelijke dwaasheden ziet.

sm af\' ite dag

-ocr page 530-

— 512 —

7. Heer, inijn God! Gij hebt uwe wonderdaden vermenigvuldigd; en in uwe gedachte is niemand U gelijk.

8. Ik heb ze verkondigd en van dezelve gesproken ; zij zijn bovenmate veelvuldig.

9. Slacht- en spijsoffers hebt Gij niet begeerd; maar Gij hebt mij ooren toebereid.

10. Brand- en zondoffers hebt Gij niet gewild; toen sprak ik, zie! ik kom.

11. In den inhoud van het boek staat van mij geschreven, dat ik uw wil zal volbrengen ; mjjn God, daarnaar heb ik getracht, en naar uwe wet in het binnenste mijns harten.

12. Ik heb uwe rechtvaardigheid in do groote vergadering bekend gemaakt: zie ik zal mijne lippen niet tegenhouden; lieer, Gij weet het.

13. Ik heb uwe rechtvaardigheid in mijn hart niet verborgen; ik heb uwe waarheid en uwe zaligheid verkondigd.

14. Ik heb uwe barmhartigheid en waarheid voor de groote gemeente niet verborgen.

15. Maar o Heer, verwijder toch uwe ontferming niet van mij; uwe goedheid en ■waarheid hebben mij steeds beschermd.

16. Want de smarten, die mij omringen, zijn zonder getal, mijne ongerechtigheden hebben mij aangegrepen en ik kon ze niet zien.

17. Zij zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd, en mijn hart heeft mij verlaten.

-ocr page 531-

— 513 —

18. Laat het U behagen, o Heer, mij te redden; Heer, zie op, om mij te helpen.

19. Laten zij gezamenlijk beseliaamd on verschrikt worden, die mij naar het leven staan, om het te ontnemen.

20. Laten zij terugwijken, en schaamrood worden, die mij kwaad willen.

21. Laten zij op staanden voet hunne schande dragen, die tot mij zeggen: ila! zeerwel!

2-2. Laat alle, die U zoeken , juichen en zich in U verblijden, dat zij, die uw heil beminnen, steeds zeggen : de Heer zij hoog geprezen.

23. Naardien ik arm en behoeftig ben, zorgt de Heer voor mij.

24. Gij zijt mjjn helper en mijn beschermer, mijn God, vertoef niet.

Heer, geef hun de eeuwige rust: En het eeuwig licht verlichte hen.

Toeznn\'}. Laat het u behagen, o Heer, mij te redden: Heer, zie op, om mij te helpen.

Genees mijne ziel, o Hoer; want ik heb tegen U gezondigd.

Psalm 10.

1. Gelukkig hij die opmerkzaam is op den behoeftige en den arme; de Heer zal hem ten dage des oordeels verlossen.

2. De Heer beware hem: hij behoude hem in het leven; hij make hem gelukkig

Geloovigc zielen 33

-ocr page 532-

— 514 —

op aarde; en levere hem niet over aan den wil zijner vijanden.

3. De Heer sta hm Wj op het bed zijnet Bmarte; Gij hebt geheel zij» bed in zijne krankheid omgekeerd.

4. Ik heb gezegd: Heer, ontferm U over mij; genees mijne ziel, want ik lieb teyeii U gezondigd.

5. Mijne vijanden hebben kwaad tegen mij gesproken; wanneer zal hij sterven wanneer zal zijn naam vergaan?

6. En als er iemand binnenkwam, om te zien, zoo sprak hij ijdele (li)igen , hij ver g: de de zich boosheid in zijn hart.

7. üij ging buiten, en vei haalde daarover

8. Tegen mij fluisterden nlle inijnu vijan dm; zij bedachten kwaad tegen mij.

9. Zij besloten eene booze daad tegen mij: zal dan hij die slaapt, niet weder O) staan ?

10. Zelfs zijn bondgenoot, op wien ik mij verliet, die mijn brood at, hi\'\'l zijn voet tegen mij op, om mij te doen vallen.

11. Maar Gij, o Heer, ontferm li ovlt; mij, en wek mij weder op, zoo zal ik lu hen vergelden.

12. Daaraan heb ik erkend, dat gjj uw ■welbehagen in mij gehad hebt; dooi dien mijn vjjand zich niet over mij verbMjden zat.

13. Want Gij hebt mij wegens de onschuld aangenomen; Gij hebt mij in eeuwigheid voor uw aanschijn bevestigd.

-ocr page 533-

— 515 —

14. Gezegend zij de Heer, de God van Israël, van eeuw tot eeuw: het geschiede. Heer! geef hun de eeuwige rust: En het eeuwige licht verlichte hen.

Torzang. Genees mijne ziel, oHeer; want ik heb tegen u gezondigd.

Mijne ziel dorst naar den levenden God; wanneer zal ik komen; en voor het aangezicht Gods verschijnen?

Psalm 41.

1. Gelijk het hert verlangt naar de waterbronnen , zoo verlangt ook mjjne ziel naar U, o God !

\'2. Mijne ziel dorst naar den sterken levenden God; wanneer zal ik komen en voor het aangezicht Gods verschijnen ?

3. Mijne tranen zijn dag en nacht mijne spijze; want dagelijks zegt men tot mij ; waar is uw God?

4. Daaraan denk ik, en mijne ziel stort zich in mij uit; naardien ik tot de plaats van den wonderbaren tabernakel, tot in het huis van God zal doordringen.

5. Met de stem van jubelzang en dankbare belijdenis; onder de blijde toonen eens gastmaals.

(5. Waarom zijt gjj bedroefd mijne ziel? Waarom ontrust gij mij?

7. Hoop op God , want ik zal hem nog belijden: Hij is het heil van mijn gelaat en mijn God.

-ocr page 534-

— 516 —

8. Mijne ziel is in mij ontroerd; daarom zal ik U gedachtig zijn in het land aan den Jordaau en aan Hermons klein gebergte

9. De eene afgrond roept den anderen toe , bij het ruischen uwer watervallen

10. Al uwe hooge vloeden en golven stortten over mij heen.

-11. Des daags beveelt de Heer zijne goed heid; en des nachts is zijn lied bjj mij.

12. liet gebed tot den God mijns levens ik zal tot God spreken: Gij zijt mijn beschermer.

■13. Waarom hebt Gij mij vergeten? en waarom ga ik treurig voort, terwijl de vijand mij verdrukt.

14. Als mijne beenderen verbroken worden, honen mij mijne vijanden, die mij kwellen.

15. Terwijl zij mij dagelijks vragen : waar is uw God? Waarom zijt gij bedroefd mijne ziel ? waarom ontrust gij mij ?

16. Hoop op God want ik /.al hein nog belijden: Hij is het heil van mijn gelaat en mijn God.

Heer! geef hun de eeuwige rust: En het eeuwige licht verlichte hen.

Toezang. Mijne ziel dorst naar den levenden God; wanneer zal ik komen en voor het aangezicht Gods verschijnen?

Vers. Geef de zielen die ü belijden niet den wilden dieren prijs.

-ocr page 535-

iaarom Antw. En vergeet niet voor altoos de ui aan zielen der armen.

in ge- Onze Vader , enz.

Zevende Les.

Job 17, vers 1 — 3 en 11-13.

Mijn geest is uitgeput, mijne dagen gaan korten ; daar is voor mij niets overig dan het graf, ik heb niet misdaan en evenwel ziet mijn oog niets dan bitterheden. Verlos mij. Heer, en stel mij naast U , en laat dan, wiens hand het ook zij , tegen mij strijden. Mijne dagen zijn voorbij; mjjne gedachten zijn verijdeld , en pijnigen mijn hart. Zjj veranderen den nacht in den dag en ik wensch dat na de duisternis het licht weder aanbreke.

Hoezeer ik hoopte, het graf is toch mijn huis, en in de duisternis heb ik mijn bed gespreid. Tot de verrotting zeg ik , gij zjjt mijn vader: en tot de wormen, gij zjjt mijne moeder en mijne zuster. Waar is dan nu hetgene ik zoude verwachten? En wie beschouwt mijn geduld ?

Antw. De vrees voor den dood ontroert mij, die dagelijks zondig en geene boetvaar-heid pleeg.

Want in de hel is geene verlossing, wees mij genadig o God, en behoud mij.

• ers. Behoud mij, o God, in uwen naam en verlos mij door uwe kracht. Want In

-ocr page 536-

— 518 —

de hel is geene verlossing. Wees mij nadig, o God, en behoud mij.

Achtste Lus.

Job 19, vers 20-27.

Daar mijn vleesch rerteerd is, zoo kleeft mijn gebeente aan mijn vel, alleen de lippen om mijne tanden zijn bewaard gebleven. Ontfermt u mijner, ontfermt mijner ten minste gij mijne vrienden, want de hand des Heeren heeft mij geraakt. Waarom vervolgt gjj mij evenals God, en verzadigt gij u met mijn vleesch? Wie zal mij verleenen, dat mijne redenen opgeschreven worden? Wie zal het :nij vergunnen, dat zij in een boek aangeteekend met eene ijzeren griffel in eene looden plaat gesneden, of met een beitel in een keisteen uitgehouwen worden ? Want ik weet dat mijn Verlosser leeft; en ik ten jongsten dage uit de aarde zal verrijzen. En ik zal weder met mijn vel bekleed worden en mijnen God in mijn vleesch aanschouwen. Wien ik zelf en niet een ander zien zal, en wien mijne oogen zullen aanschouwen; deze mijne hoop is in mijn boezem gelegd.

Antiv. Wil mij o Heer, niet naar mijne werken oordeelen; ik heb niets waardigs in uwe oogen gedaan; daarom bid ik uwe Majesteit,

liat Gij, o God! mijne boosheid wilt uit-■wisschen.

Vers. nijne c nijne ï aêid w

-ocr page 537-

— 519 —

Vers. Heer, wasoh mij nog meer van nijiie onrechtvaardigheid, en zuiver mij van biijne zonden. Dat Gij, o God, mijne boosheid wilt uitwisschen.

\' kleeftl Negende Lks.

e(;,n del Job 10, vers 18-22.

■rd ge-

rmt uj Waarom hebt Gij mij uit den moeder-want jschoot doen voortkomen? Och dat ik toch raakt, jvergaan ware, zonder dat een oog mij ge-\'d, enjzien hadde, zoo zoude ik geweest zijn, als \'ie zal!of ik niet geweest ware; van den moeder-schre-1 schoot weggedragen naar het graf.

innen, I Zal de kortheid mijner dagen niet spoedig eenejeen einde nemen? Laat mij dan toe, dat ik mijne smart een weinig beweene; eer ik ga om niet weder te keeren naar het donker land, bedekt met de duisterheid des doods; naar het land der ellende en duisternissen, alwaar de schaduwe des doods en geene orde maar een eeuwigdurend afgrijzen woont.

Antw. Verlos mij, o Heer, van de wegen der helle, Gij, die de metalen poorten verbroken , de hol bezocht en hun het lic\'it gegeven hebt, opdat zij U zouden zien, Die in de pijnen der duisternissen waren; Fers. Uitroepende en zeggende: Gij zijt jiekomeu onze verlosser.

Antw. Die in de pijnen der\'duisternUsen waren

-ocr page 538-

— 520 —

Vers. Heer! geef hun de eeuwige rust; en het eeuwige licht verlichte hen.

Anlw. Die in de pijnen der duisternissen waren.

Het lofgebed.

Psalm 50.

Toezang. De vernederde beenderen zullen voor den Heer juichen.

i. Ontferm U over mij, o God, naar uwe groote barmhartigheid.

•2. En naar de menigte uwer barmhartigheden wisch mijne ongerechtigheid uit.

3. Wasch mij nog meer van mijne ongerechtigheid, en zuiver mij van mijne zonden.

4. Want ik erken mijne ongerechtigheid en mijne zonde staat gedurig voor mij.

5. Tegen U alleen heb ik gezondigd en kwaad voor U gedaan: zoodat Gij in uwe woorden gerechtvaardigd wordt, en overwint, als men U beoordeelt.

C. Want zie! ik ben in ongerechtigheid ontvangen , en in zonden heeft mij mijne moeder ontvangen.

7. Zie, Gij hebt de waarheid lief: Gij hebt mij het onbekende en geheime uwer wijsheid geopenbaard.

8. Besprong mij met hysop en ik zal gezuiverd wordeVi; Gij zult mij wasschen en ik zal witter worden dan sneeuw.

-ocr page 539-

— 521 —

9. Aan mijn gehoor zult Gij blijdschap en vreugde schenken en mijne vernederde beenderen zullen juichen.

10. Wend uw aanschijn van mijne zonden af, en delg al mijne boosheden uit.

11. Schep in mij, oGod! een zuiver hart, en vernieuw een rechten geest in mijn binnenste.

l\'i. Verwerp mij niet van uw aanschijn, en neem uw heiligen Geest niet van mij weg.

13. Schenk mij wederom de vreugde uws heila, on versterk mij met oen bereidwil-ligen geest,

14. Ik zal den boezen uwe wogen leeren, en de goddeloozen zullen tot IJ bekeerd worden.

15. Verlos mij van de bloedschulden, o God, God mijner zaligheid en mijne tong zal uwe rechtvaardigheid verheffen.

10. Gij zult mijne lippen openen Heer, en mijn mond zal uwen lof verkondigen.

17. Want hadt Gij eene offerande begeerd, ik zou U die gegeven hebben; maaide brandoffers zijn U niet aangenaam.

18. Een bedrukte geest is Gode eene offerande; een gebroken en verootmoedigd hart, zult Gij, o God! niet versmaden.

19. Heer, doe naar uw goeden wil aan Sion wel, opdat de muren van Jerusalem worden opgebouwd.

20. Dan zult Gij het offer der rechtvaar-

-ocr page 540-

— 622 —

diglieid ontvangen, offeranden en brandoffers: dan zullen zij kalveren op uw altaar leggen.

lieer! geef hun de eeuwige rust: En het eeuwige licht verlichte hen.

Toezang. De vernederde beenderen zullen voor den Heer juichen.

Verhoor, o Heer! mijn gebed, tot U zal alle vleeseh komen.

P;3\\I.M 64.

1. U, o God, betaamt quot;sen lofzang in Sion; en in Jerusalem zal raen U geloften betalen.

\'2. Verhoor mijn gebod; tot U zal alle vleeseh kornen.

3. De woorden der goddeloozen hebben ons overweldigd; maar Gij zult onze zonden Tergeven.

4. Zalig is hij, dien Gij hebt uitverkoren en opgenomen ; hij zal in uwe voorhoven wonen.

5. Wij zullen vervuld worden niet de goederen van uw huis; uw tempel is heilig, hij is wonderbaar in gerechtigheid.

6. Verhoor ons, o üod , onze heiland! toeverlaat van alle de einden der aarde en die ver zijn over de zee.

7. Die de bergen vastzet door uwe kracht, en met macht zijt omgord , die de diepte der zee beroert, het geridsch harer baren.

8. De volken ontzetten zich en die aan

-ocr page 541-

— amp;amp; —

het einde der aarde wonen zijn bevreesd voor uwe teekenen: Gij doet het begin van den morgen- en avondstond juichen.

9. Gij hebt de aarde bezocht, haar wel bevochtigd; Gij hebt haar zeer verrijkt.

10. [Je stroom Goda is met wateren vervuld ; Gij hebt hunne spijze toebereid: want zoo is zij ingericht.

11. Drenk hare voren, vermeerder hare gewassen; door hare regendroppelen zal zij vroolijk uitspruiten.

1quot;2. Gij zult den jaarkring door uwe goedheid zegenen: en uwe velden zullen met vruchtbaarheid vervuld worden.

13. De schoone plaatsen der woestenij zullen vet en de heuvelen met vroolijkheid omgord worden.

14. De rammen der schapen zijn bekleed en de dalen met koren overladen; zij zullen roepen en een lofzang aanheffen.

Heer! geef hun de eeuwige rust: En het eeuwige licht verlichte hen. Toezang. Verhoor, o Heer, mijn gebed ; tot U zal alle vleeseh komen.

Mij heeft ondersteund, o Heer! uwe rechterhand.

Psalm 62.

1. O God, mijn God, tot U waak ik bij \'t krieken van den dag.

2. Mijne ziel dorst naar U; en hoe menigmaal dorst naar U mjjn vleeseh!

-ocr page 542-

— 524 —

3. In een woest, ongebaand en waterloos land! Alzoo vertoon ik mij voor U in het heiligdom, om uwe macht en heerlijkhoid te aanschouwen.

4. Want uwe barmhartigheid is beter dan het leven , mjjne lippen zullen U prijzen.

5 Alzoo zal ik U gedurende mijn leven prijzen; en mijne handen in uw naam opheffen.

0. Laat mijne ziel als met reuzel en vettigheid verzadigd worden ; zoo zal mijn mond met juichende lippen lofzingon.

7. Wanneer ik op mjjn bed mij U herin-nere, zoo denk ik des mo \'gens aan U ; want Gjj zijt mijn Helper geweest

8. En ik zal onder de scbaduwe uwer vleugelen juichen ; mijne ziel volgt U overal: uwe rechterhand heeft mij ondersteund.

9. Doch zij stonden mij te vergeefs naar het leven; zij zullen in het onderaardsche nederdalen; zij zullen aan het zwaard overgegeven, en den vossen ten deel worden,

10. Maar de koning zal zich in God ver-bljjden : men zal allen prijzen, die bij Hem zweren; omdat de mond van hen, die booze dingen spreken, is toegesloten.

Psalm 00.

1. God ontferme zich over ons, en ze-gene ons; Hij late zijn aangezicht over ons lichten, en ontferme zich over ons.

-ocr page 543-

— 525 —

2. Opdat wij op aarde uwen weg erkennen , en uw hpil onder al de volken.

3. Dat de volken u loven, o God, dat al de volken U loven.

4. Dat de heidenen zich verheugen, en juichen: want Gij oordeelt de volken naar billjjkheid, en r\'cht de heidenen op narde.

5. Dat de volken U loven , o God, dat al de volken U loven; de aarde heeft hare vrucht gegeven.

6. God zogene ons, onze God, God zegene ons; en dat alle do einden der aarde Hem vreezen

Heer! geef hun de eeuwige rust: En het eeuwige licht verlichte hen.

Toezamj. Mij heeft ondersteund, o Heer uwe rechterhand.

Van de macht der hel; verlos, o Heer, mijne ziel.

Gezang van E/.echias.

Isaïas 38.

•1. Ik sprak: in de helft mijner dagon zal ik naar de poorten des grafs gaan.

2. Ik zocht naar het overige mijner jaren. Ik sprak: ik zal den Hoer mijnen God in het land der levenden niet zien.

3. Ik zal geen mensch en geen inwoner der ruste voortaan meer aanschouwen.

4. Mijn levenstijd is weggenomen en Vein mij weggevoerd gelijk eene herderstent.

5. Mijn leven is als oen wuversweb afge-

-ocr page 544-

— 526 —

sneden; toen ik nog eerst begon, heeft Hij mij afgesneden; van don morgen- tot den avondstond zult Gij mjj doen eindigen

G. Ik hoopte nog tot den morgenstond; gelijk een leeuw, alzoo ook heeft Hij al mijne beenderen verbroken.

7. Tusschen den morgen- en avondstond zult Gij mij doen eindigen; ik zal roepen als eene jonge zwaluw: ik zal zuchten ge Ijjk eene duif.

8. Mijne oogen zijn verzwakt, door het opzien naar omhoog.

\'J. O Heer ! ik lijd geweld : antwoord toch voor mij. Wat zal ik zeggen, of hoe zoude Mij voor mij spreken, daar Hij zelf het gedaan heeft.

10 Ik zei voor U in de bitterheid mijner ziel nl mijne jaren herdenken.

11.0 Heer, indien men zoo leeft, en het leven mijns geestes daarin bestaat, zoo zult Gij mij kastijden, en laten leven. Zie ik zal in mijne bitterste droefheid den vrede vinden.

12. Doch Gij hebt mijne ziel behouden opdat zij niet zoude vergaan; Gij hebt al mjiiie zonden achter uwen rug weggeworpen.

13. Want de hel zal ü niet loven, en de dood zul U niet prijzen; zij. die ten grave dalen, zullen op uwe waarheid nkt wachten.

14. De levende, ja hij die leeft, zal U loven, gelijk ik heden doe: de vader zal den kinderen uwe waarheid bekend maken.

-ocr page 545-

— 527 —

15. Heer, behoud mij, zoo zullen wij in het huis des Heeren allo de dagen onzes levens onze lofzangen zingen.

Heer! geef\' hun de eeuwige mat: En het eeuwig licht verlichto hen.

Tnezanq. Van de macht der hel , o Heer, verlos mijne ziel.

Al wat ademt love den Heer.

Psalm 148.

4. Looft den Heer van uit de Hemelen; looft Hem in het Allerhoogste.

2. Looft Hem alle zijne Kngelen; looft Hem alle zijne heirscharen

3. Looft Hem zon en maan; looft Hem alle de sterren en het licht.

4. Looft Hem hemelen der hemelen . en alle de wateren, die boven de hemelen zijn: dat zij den naam des Ileeien loven.

5. Want Hij sprak, en zij zijn gemaakt; Hij gebood en zjj zijn geschapen.

6. Hij heeft ze voor altoos en eeuwig bevestigd; Hij hee\'t ze eine wet voorgeschreven, die niet zal vergaan.

7. Looft den Heer, die op de aarde zijt, draken en alle de afgronden.

8. Vuur, hagel, sneeuw, ijs en stormwinden , die zijn bevel volbrengt.

9. Bergen en alle de heuvelen, vruchtdragend houtgewas en alle de cederboomen.

10. De wilde dieren en al het vee; dc kruipende dieren en de gevleugelde vogelen.

-ocr page 546-

— 528 —

11. Koningen (leraarde, benevens alle de volkeren; vorsten en alle de rechters dei-aarde.

12. Jongelingen en maagden, ouden te zamen met de jongen; dat zij den naam des Heeren loven; want zijn naam alleen is hoog verheven.

IS. Zijn room strekt over hemel en aarde, en Hij heeft de macht zjjns volks verhoogd.

14. Hij zij geloofd door alle zijne heiligen ; door de kinderen Israels , het volk dat Hem nadert.

Psalm 149.

1. Zingt den Heer een nieuw lied; zjjn lof weergalme in de vergaderingen der heiligen.

2. Dat Israël zich verheuge in Hem, die het gemaakt hoeft; en Sions kinderen juichen in hun koning.

3. Dat zij zijn naam in zangrijen loven; op den pauk en het psalter zijn lof bespelen.

4. Want de Heer heeft een welbehagen in zijn volk; en Hij zal do zachtmoedigen verheffen tot de zaligheid.

5. De heiligen zullen in de heerlijkheid juichen; zij zullen zich in hunne rustplaatsen verblijden.

6. Godes lofspraken zullen in hun mond en tweesnijdende zwaarden in hunne handen zijn.

-ocr page 547-

— 529 —

7. Om wraak over de heidenen te oefenen; en de volkeren te bestraffen.

8. Om hunne koningen in ketenen te sluiten ; en hunne Edelen in ijzeren kluisters.

9. Opdat zij aan hen het oordeel voltrekken, dat beschreven staat. Deze Eer is voor alle zijne heiligen.

Psalm 150.

1. Looft den Heer in zjjn heiligdom, looft Hem op den on wrikbaren troon zijner kracht.

\'2. Looft Hem in zijne mogendheden: looft Hem naar zijne menigvuldige grootheid.

3. Looft Hem met bazuingeschal; looft Hem op het psalter en de harp.

4. Looft Hem op de pauk en in zangkoren; looft Hem met snarenspel en fluiten.

5. Looft Hem met welluidende klink-trommels, al wat ademt love den Heer!

Heer! geef hun de eeuwige rust.

En het eeuwig licht verlichte hen.

TiiczaiK/. Al wat ademt love den Heer.

l\'ei\'S. Ik heb eene stem uit den hemel gehooid welke tot mij sprak:

Antiv. Zalig zijn de dooden, die in den Heer sterven.

ToKzamj. Ik ben de verrijzenis en het leven; die in mjj gelooft, al ware hij gestorven, zal leven. En al wie leeft en in mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.

34

-ocr page 548-

— 530 —

Lofzang van Zacharias.

Luc. 1.

1. Gezegend zij de Heer God van Israël, want Hij heeft zijn volk bezocht en verlost.

2. Hij heeft ons een hoorn van zaligheid opgericht, in het huis zijns dienaars David.

3. Zooals Hij door den mond zijner heilige profeten heeft gesproken; die er van alle de tijden geweest zijn.

4. Dat Hij ons zoude verlossen van onze vijanden; en uit de hand van allen, die ons haten.

5. Om onzen vaderen barmhartigheid te bewijzen; en zijn heilig verbond gedachtig te zijn.

G. Den eed, welken Hij aan Abraham onzen vader gezworen heeft; dat Hij zich ons zoude geven.

7. Wanneer wij van de hand onzer vijanden zijn verlost, Hem zonder vrees te dienen;

8. In heiligheid en rechtvaardigheid voor zijn aanschijn, gedurende alle onze dagen.

9. En gij kind, zult een profeet des Al-lerhoogsten genaamd worden; want gij zult voor liet aanschijn des Heeren uitgaan, om zijne wegen te bereiden.

iO Om zijn volk de kennis der zaligheid te geven; ter vergiffenis hunner zonden.

11. Door de ingewanden der barmhartigheid van onzen God; waardoor Hij, die nu verschijnt van boven, ons heeft bezocht.

-ocr page 549-

— 531 —

12, Om diegenen te verlichten, die in de duisternis en de schaduwe des doods zijn gezeten; en onze voeten op den weg des vredes te besturen.

Heer! geef hun de eeuwige rust:

En het eeuwig licht verlichte hon.

Toezantj. Ik ben de verrijzenis en het leven: die in mij gelooft, al ware hij gestorven, zal leven ; en al wie leeft en in mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.

Onze Vader, enz.

Vers. En leid ons niet in bekoring.

Antw. Maar verlos ons van den kwade.

Psalm 1 \'29.

1. Uit de diepten roep ik tot U, o Heer! Heer, verhoor mijne stem.

2. Laat uwe ooren opmerkzaam zijn op de stem mjjner snieeking.

3. Zoo Gij de ongerechtigheden gadeslaat, o Heer I Heer, wie zal er bestaan.

4. Want bij U is genade, en om uwe wet heb ik U verbeid, o Heer!

5. Mijne ziel heeft op zijn woord verbeid; mijne ziel heeft gehoopt op den lieer.

0. Dat Israël van den morgenstond af tot den nacht toe op den Heer hope.

7. Want bij den Heer is barmhartigheid on bij Hem is overvloedige verlossing.

8. En Hij zal Israël verlossen van alle zijne ongerechtigheden.

Heer 1 geef hun de eeuwige rust:

-ocr page 550-

— 532 —

En het eeuwig licht verlichte hen. Vers. Van de macht der hel;

Antw, Verlos, o lieer, hunne zielen. Vers. Pat zjj in vrede rusten.

Anlw. Amen.

Vers. O Heer, verhoor mijn gebed; Antw, En mijn geroep kome tot U.

ALG-EMEENE GEBEDEN.

Voor ile afgestorvene liisscliop-pen en priesters.

0 God, die uwe geestelijke dienaars onder de apostolische priesters met de bisschoppelijke (of priesterlijke) waardigheid begaafd hebt: geef, bidden wij, dat zij ook in hun gezelschap u in alle eeuwigheid mogen leven, door Christus onzen Heer. Amen.

Voor de afgestorven broeders, bloedverwanten en weldoeners.

0 God, uitdeeler der genade en minnaar ■der zaligheid der menschen; wij bidden uwer goedertierenheid, wil de broeders , bloedverwanten en weldoeners onzer vergadering, die uit deze wereld gescheiden aijn door de voorbede der H. Maria altijd maagd, met alle uwe heiligen de gemeen-Bchap der eeuwige zaligheid verleenen.

-ocr page 551-

— 533 —

Voor de g^eloovigc overledenen.

0 God, schepper en verlosser van alle geloovigen, verleen den zielen uwer dienaars en dienaressen vergiffenis van al hunne zonden; opdat zij de genadige kwijtschelding, naar welke zjj altijd verlangd hebben door godvruchtige gebeden mogen verwerven. Die leeft en heersoht in alle de eeuwen. Amen.

Vers. Heer! geef hun de eeuwige rust;

A»tw. En het eeuwig licht verlichte hen.

Vers. Dat zij in vrede rusten.

Antiv. Amen.

GEBEDEN ONDER DE H. MIS VOOR DE OVERLEDENEN.

INTROÏTUS.

Heer! geef hun de eeuwige rust, en dat het eeuwig licht hen verlichte. Mjjn God! in Sion moet men U loven en in Jerusalem zal men geloften doen. Verhoor mijn gebed, want alle vleesch moet tot U komen.

God hemelsche Vader, ontferm U over de zielen in het vagevuur. Zjj zijn het werk uwer handen; vervul haar verlangen! Doe haar in vrede rusten!

God Zoon, Verlosser der wereld, ontferm U over de zielen in het vagevuur. Doe haar

-ocr page 552-

— 534 —

de vruchten van uw lijden en uwen dood genieten! Maak haar zalig!

God heilige Geest, ontferm u over de zielen in het vagevuur. Gij hebt haar geheiligd; verlos haar uit hare pijnen!

DE COLLECTE.

O God! die door uwe oneindige barmhartigheid altijd gereed zijt te sparen en te vergeven; wjj bidden U ootmoedig voor de ziel van uwen dienaar N ivan uwe dienares NV) die Gij (heden) uit deze wereld hebt doen scheiden, geef haar niet over aan het geweld van den vijand en vergeet haar niet eeuwig; maar beveel aan uwe H. Engelen haar te ontvangen en in den hemel te voeren, opdat zij na in U gehoopt en geloofd te hebben, de straffen der hel niet lijde, maar de eeuwige zaligheid geniete. Door onzen Heer Jesus Christus uwen Zoon, die leeft en heerscht met ü in de eenheid van den II. Geest in de eeuwen der eeuwen. Amen.

EPISTtL VAN DEN II. PAULUS AAN DIE VAN TESSALON1KA.

Broeders, wij willen niet, dat gij onwetend zijt van hetgene gij weten moet, aangaande degenen, die ontslapen zijn, opdat gij u niet bedroeven zoudt, gelijk de andere menschen, die geene hoop hebben. Want indien wij

-ocr page 553-

~ 535 —

gelooven, dat Jesus Christus gestorven en verrezen is, zoo moeten wij ook gelooven, dat God degenen , die in Jesus ontslapen zijn, ook mo\' Hem zal opvoeren. Ook zeggen wij in den uaara des Heeven, dat wij, die leven en die tot zijn komst overblijven, degenen die ontslapen zjjn niet zullen voorkomen. Want zoodra het roepteeken door de stem van den aartsengel en door den klank der bazuin zal gegeven zijn, zal de Hoer zelf van den hemel dalen, en zij, die in Jesus Christus gestorven zijn, zullen het eerst verrijzen. Daarna zullen wij , die in het leven zijn overgebleven , te zamen met hen opgevoerd worden in de wolken om den Heer te ontmoeten, en zoo zullen wij eeuwig leven met den Heer. Troost dan elkander niet deze waarheden.

ORADUAI.E.

Heer! geef haar de eeuwige rust en het eeuwige licht verschijne haar. De godaoh tenis der rechtvaardigen zal eeuwig zijn; hij vreest geene kwade tijding.

TRACTUS.

Verlos, Heer! de zielen van allo overledene geloovigen van de banden barer zonden en geef door den bijstand uwer genade , dat zij verdienen het oordeel van wraak te ontgaan, en de zaligheid van het eeuwige licht te genieten.

-ocr page 554-

— 536 —

treurqezakg der kerk.

Diet Irne.

De tcornedag. die dag srelt aan,

Als de aarde in rlammen op zal gaan, ({plijk Sibyl en David spellen.

Wat angst treft dan niet ieders borst, Wanneer hij, de Opperhemelvorst. Het vonnis over de aard komt vellen;

En \'t graf, op schel bazui.igeluid, Van schrik verbleekt, zjjti pchoot ontsluit, Om alle stof te zien ontwaken,

Terwijl natuur, verbaasd en stom,

Dien onafzienbren volkendrora Des Rechters vierschaar ziet genaken.

Dan wordt het schuldboek aangebracht, \\\\ aarin heel \'t menschelijk geslacht Zijn goed en kwaad 7al zien geschreven; En heeft de Rechter \'t pleit beslist, Zoo is daarbij geen feit gemist Geheim of openbaar bedreven.

Ach mij, ellendige, als ik ben.

Die hier in \'t stof reeds schuld beken Hoe zal ik \'t vonnis daar ontvluchten? Wie keert dan \'t vreeslijk oordeel af. Der mij beschoren hellestraf ,

Daar zelf de Heiligen nog duchten?

-ocr page 555-

— 537 —

Gij Heer, ontzachtbre Majesteit, Die louter, uit barmhartigheid,

Den uwen \'t Rijk des hemels opent, o Red ook mij, door uw genè,

En kom mij Jesus\' bloed te sta,

Waarop ik , vol vertrouwen hopend,

Alleen mijn uitzielit heb gesteld. Ach, Rechter, eer Gij \'t oordeel velt, liedeiik,datGe ook om mjj kwaamt sterven. Dat Gij ook mij kocht met uw bloed. Ach, zie mij kermend aan uw voet. Ach, laat mij uw gunst niet derven.

Gij hebt mij onvermoeid gezocht,

Aan \'t folterhout mij vrijgekocht.

En is dat al voor mjj verloren? o Rechter, streng, maar liefderijk,

Geef mij van uwe ontferming blijk, Vóórdat uw toornedag zal gloren.

Ik zucht, met fchaamte op \'t aangezicht, Te pletter liggend onder \'t wicht Van tallooze en afgrijsbre zonden: En toch nog blijft de hoop mij bij;

Want heeft de Moorder aan uw zij, Maria zelfs geen heil gevonden ?

Wel is mijn bede uw oor niet waard, l\'och Gij, die licht vergeeft en spaart. Zult mij aan \'t vuur der hel niet wijden. Maar eerder aan uw rechter zij, Een plaats bestemmen ook voor mjj, Bij \'t bokken en lamren scheiden.

-ocr page 556-

— 538 —

Wanneer Gij \'t doemtal van uw stoot En neerploft in der vlammen schoot, o, Zij mijn lot dan met de vromen! In \'t stof geblikt, voor U geknield, Roep ik, hot hart met rouw bezield; o, Laat me in \'t einde tot U komen.

Ja wel vol jammer breekt hjj aan, De dag, als de aarde in vlam zal staan Gelijk Sibyl en David spellen;

De stond, als \'t schepsel in het gericht Gedaagd wordt voor God? aangezicht, Üm \'t eeuwig vonnis te zien vellen.

o Rechter, vol langmoedigheid!

Verhoor de zondaar, die hier schreit, Bewust van \'t kwaad, door hem bedreven Ach, geef, door \'t overkostbaar Bloed, Waarmee Gij hebt voor ons geboet. Die op U hopen, \'t eeuwig leven.

EVANGELIE VOLGENS DEN HEILIGKN JOANNES.

In dien tjjd zeide Martha tot Jesus: «lieer «waart Gij hier geweest, mijn broeder zou «niet gestorven zjjn; maar ik weet, dat God »U ook alles zal toestaan, watGjj hem zult «vragen.quot; Jesus antwoordde haar: »uw bioe-oder zal verrijzen quot; Martha zeide Hem ; nik «weet wel, dat hij vemjzfii zal op den jongston «dag.quot; Jesus antwoordde; »lk ben de ver-«rijzenis en het leven; die in mij gelooft,

-ocr page 557-

— 539 —

«ofschoon hij ook dood ware, zal leven; en «die leeft en in mij gelooft, zal in eouwig-«Iieid niet sterven, gelooft gij dit ?quot; Martha antwoordde Hem: «Ja, Heer, ik geloof dat «Gij de Christus, de Zoon van den levenden tGod zijt, die in do wereld zijt gekomenquot;

OFFERANDE.

Hoer Jesus Christus, Koning der heerlijkheid! verlos do zielen van alle overledene geloovigen van de straffen der hel en van den diepen afgrond; verlos haar van den muil des leeuws, dat de hel haar niet verslinde , en dat zij niet in de duisternissen nedervalle, maar dat veeleer uw H. Engel Michaël gewapend met den standaart des kruises haar tot het heilige licht brenge, hetwelk Gij weleer aan Abraham en zijne nakomelingen beloofd hebt.

Wij offeren U Heer, offeranden en gebeden: ontvang die bidden wij, voor die zielen, wier gedachtenis wij heden vieren. Doe haar, Heer, na den dood, geraken tot het leven, dat Gij aan Abraham en zijne nakomelingen beloofd hebt.

Wees bijzonder indachtig de ziel van uwen dienaar N. (uwe dienares N.) voor welke wij U dit zoenoffer en deze gebeden opdragen: opdat zij, volkomen gereinigd door het bloed van Jesus Christus onzen Verlosser, moge ingaan tot de eeuwige rust.

-ocr page 558-

— 540 —

DIJ HET ORATE FRATRES

Bidt, broeders, opdat nijjn en uw offer aangenaam zjj bij God, den almachtigeii j; Heer. — De Heer neme liet Offer uit uwe handen aan tot lof en verheerlijking van zjjnon naam, ook tot heil van ons en van zijne geheelo heilige Kerk.

Verl ge s rolled welke Door welbe men ■ het U wagei billijk houd(

een

God word U tO!

ging

van ziele schu heid doet D gen volli dooi verf oog\' als op van

IJK PREFATIE.

Tot U, o God. verheffen wij onze harten en zeggen uwe Goddelijke Majesteit dank. Want het is. in waarheid, waardig en rechtvaardig. billijk en heilzaam, dat wij U heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige Gud, altijd en overal dank zeggen, door Christus onzen Heer; door wien de Engelen uwe Majesteit loven, de Heerschappijen U aanbidden , de Machten voor U sidderen De Hemelen en de krachten der hemelen -met de gelukzalige Serafienen vereoren (J met eenparige blijdschap. Vergun bidden wij U, dat wij ook onze lofzangen bij de hunne voegen en met hen in ootmoed uitroepen: Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God der heirscharen. Hemel en aarde zijn vervuld van uwe heerlijkheid. Hosanna in het Allerhoogste! Gezegend zjj Hij, die komt in den naam des lleeren. Hosanna iu liet Allerhoogste.

-ocr page 559-

— 544 —

VOOR DE CONSECRATIE.

Verhoor, o genadige God, onze ootmoedige smeekingen en verleen de genade der volledige kwijtschelding aan de zielen, voor welke wij in het bijzonder moeten bidden. Door den naam en de verdiensten van uw welbeminden Zoon, die op zich heeft genomen voor ons te zullen voldoen , smeek ik het U. O liefderijke üod! Ik zou het niet wagen de werkingen van uwe heilige en billijke rechtvaardigheid te willen tegenhouden; maar ik weet, dat Gij liever als een Vader van barmhartigheid, dan als een God van strenge wraak wilt aangeroepen worden. Ach! uwe overgroote goedheid neigt U tot vergeving; voldoe dan aan die neiging van uw Goddelijk hart. Om de liefde van U zeiven, verleen aan die bedrukte zielen eene volledige kwijtschelding van de schulden, welke uwe rechtvaardige gestrengheid haar wel billijk, maar zoo smartelijk doet boeten.

Door den geheiligden arbeid van uw eeni-gen Zoon, onzen Verlosser; doorzijn smart-vollen doodstrijd; door zijne dierbare tranen, door het bloed dat Hij zoo overvloedig vergoten heeft en \'tweik Hij nog in dit oogenblik door de handen van den priester als een offer van verzoening zal opdragen op het altaar; door de oneindige verdiensten van zijn leven en dood; door de onbevlekt-

w offer chtigeii it uwe g van ?n van

harten (Jank. rocht-

\'!) u

uwigo door rgelcn en U leren, melen vn U idden ijj de I uit-r, de zijn a in die ia in

-ocr page 560-

— 54\'i —

heid en al de deugden der allerheiligste Maagd Maria; door al de verdiensten, be-oefeningen, voldoeningen en goede werken van alle uwe Heiligen; verleen, o God, verleen aan de zielen de vervulling van hare vurige begeerten , doe haar, uw Goddelijk aanschijn genieten. Amen.

BIJ m: OPOFFERING VAN DE H. HOSTIE.

Wees gegroet, Jesus Christus, mijn Verlosser en Zaligmaker, mijne hoop en toevlucht. O Jesus, eeuwig Woord des Vaders, ware zoon van Maria, mijn God en mijn al; die aan het kruishout U zeiven aan uw hemelschen Vader hebt opgedragen, maak mij deelachtig aan de verdiensten van uw heilig lijden en aan uw waarachtig Lichaam en Bloed hier op het altaar wezenlijk , waarachtig en zelfstandig tegenwoordig onder de gedaante van brood en wijn, nu en in het uur van mijnen dood.

BIJ DE OPHEFFING VAN DEN KELK.

Wees gegroet, waarachtig en levend Bloed, dat uit de wonden van mijn Verlosser gevloeid en met zijn H. Lichaam in dit heilig Sacrament vereenigd is. 0 dierbare schat, o heilig bad, van het kostbaarste en zuiverste Bloed, wasch en reinig mij van alle mijne zonden, versterk mijne ziel ten eeuwigen leven. Amen.

-ocr page 561-

u

NA DE CONSECRATIE.

Jesus Christus, die hier waarachtig onder (ie gedaante van brood en wijn tegenwoordig zyt, ik aanbid u met een levendig geloof. Laat niet toe, smeek ik U dat dit uw kostbaar Bloed te vergeefs voor mjj op het altaar des kruises gevloeid heeft, maar geef, door uw lijden en uwen dood, dat ik onder het getal uwer uitverkorenen worde opgenomen, en U in eeuwigheid in uw onbevlekten luister aanschouwen en bezitten moge.

UK GEDACHTENIS DER OVERLEDENEN.

Wees ook, o Heer, uwe dienaren en dienaressen gedachtig, die ons met het teeken des geloofs , den anker der hope en het vlammend hart dor liefde voorgegaan zijn en in den slaap des vredes rusten.

Neem hen, bidden wij U, o Heer, en allen , die in Christus rusten in de plaats van verkwikking, van licht en vrede op.

Laat ook ons, zondaars, uwe dienaren, die op de menigvuldigheid uwer ontfermingen vertrouwen eenig deel en gemeenschap hebben met uwe Heiligen... in wier gemeenschap, wij U bidden niet om onze verdiensten, maar na ons vergeving geschonken te hebben ons op te nemen. Door Christus, onzen Heer. Amen.

OU

-ocr page 562-

— SM —

BIJ HET GEBED DES HEEREN.

Onze Vader, die in de hemelen zijf, geheiligd zij uw naam. Ons toekorae uw rijk. Uw wil geschiede op de aarde als in den hemel. Geef ons heden ons dagelijksch brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren. En leid ons niet in bekoring: maar verlos ons van den kwade. Amen

Verlos ons, bidden wij U, o lieer, van alle verleden , tegenwoordig en toekomend kwaad; en verleen ons door de voorbede der zalige en roemrijke Maagd en Moeder Gods Maria, van de heilige Apostelen Petrus en l\'aulus, en Andreas en van alle Heiligen, genadig vrede in onze dagen, opdat wij door den bijstand uwer barmhartigheid geholpen, altoos bevrijd mogen blijven van zonden en van alle verontrusting beveiligd zijn. Door denzelfden Heer Jesus Christus, uwen Zoon, die met U\' in de eenheid dos li. Geestes leeft en heerscht door alle eeuwen der eeuwen. Amen.

De vrede des Heeren zij altijd met ons.

BIJ HET AGNUS DEF.

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, geef hun rust.

Lam Gods, dat de zonden der weveld wegneemt, geef hun rust.

-ocr page 563-

=— 545 —

Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, geef hun de eeuwige rust

ONDER DE NUTTIXG.

Heer, Jesus Christus, die volgens den wil van uwen Vader onder medewerking van God den H. Geest, door uwen dood de wereld hebt levend gemaakt en verlost: door dit uw allerheiligste Lichaam en Bloed ombind mij en de overledene geloovigen van alle zonden en straffen, en laat allen, die in U geloofd hebben, eeuwig met U vereenigd worden.

Laat, bidden wij, Heer! de nutting van uw heilig Lichaam en Bloed, waaraan de overledene geloovigen in hun leven zoo dikwijls deel genomen hebben, hun ook na hunnen dood tot verlossing en zaligheid voordeelig zijn.

Laat, ïleer, dit offer, dat wij uwer Majesteit hebben opgedragen den levenden en overledenen fot heil verstrekken.

Geef. dat wij die nog in het leven zjjn, door dit offer vergiffenis van het verledene, en genade, en sterkte tegen toekomende gevaren verkrijgen ; maar vooral laat deze offerande den overledenen geloovigen tot vertroosting en verlossing dienen, opdat zij door haar gezuiverd en gereinigd, en van alle banden der zonden ontslagen mogen ingaan tot het eeuwige leven.

Geloovigc zielen 35

-ocr page 564-

— 546 —

NA. DE NLTTING.

Verhoor, o Heer, de ootmoedigo gebeden, die wij voor de verlossing van at\'e overledene gelcovigen voor den troon uwer barmhartigheid opzenden; zuiver hen van alles wat hen van het genot der zaligheid verwijderd houdt, en laat hen voor U gerechtvaardigd worden door het Bloed van Jesus Chrisfus, uwen Zoon, dat eens voor hen aan het kruis vergoten, nog dagelijks op onze altaren wordt opgeofferd.

Geef\' inzonderheid, almachtige God! dat de ziel van uwen dienaar N. (van uwe dienares N.) aan welke wij heden herinnerd werden , door deze offerande gezuiverd en van hare zonden ontslagen . vergiffenis bekome en binnen ga in de eeuwige rust. Door Jesus Christus, onzen Heer. Amen

BIJ llüï EINDE W;R H. MIS

O God! Gij zult mij ook eens van de narde roepen en ik weet niet wanneer. Misschien ben ik maar weinige schreden van het graf verwijderd. Leer mjj nu m|jiic plichten vervullen, cpdat ik in de ure des doods mij niets te verwijten hebbe. Leer mij den tijd, dien ik nu nog heb, zorgvuldig waarnemen, en niet verschuiven tot eene onzekere toekomst, opdat de nacht des doods, waarin niemand meer zal kunnen werken, mij niet onverhoeds en voor dat ik bereid

-ocr page 565-

— 547 —

ben, overvalle. Laat mij nooit vergeten, dat al het aardsche vergankelijk is; dat noch aanzien, noch rijkdom, maar alleen de goede werken, mij volgen kunnen in de eeuwigheid. Leer mij ook het lijden dezes levens met geduld en standvastigheid verdragen, opdat het mij een eeuwigdurend geluk voort-brenge. Met berusting in uw heiligen wil, stel ik mijn langeren of korteren levensloop en alle zijne wisselvalligheden ter uwer Goddelijke beschikking. Maak mij ijverig in het geloof, getrouw aan U en in de onderhouding uwer geboden. Bewaar mij van een haastigen, onvoorzienen en onge-lukkigen dood. Laat mij voor mijn sterven de laatste heilige Sacramenten waardig en met vol bewustheid ontvangen. Laat mij sterven onder de bescherming van de allerheiligste Maagd Maria, van mijn bewaarengel en van mijne hemelsche beschermers. Ontferm U over allen, die in doodstrijd liggen. Versterk de zwakken; help alle kranken; wees den weezen een Vader en een beschermer der weduwen; vertroost hen, die met treurige harten hunne tranen voor U uitstorten; wees ons allen genadig; ja ons zegene de aln achtige God , de Vader, en de Zoon en de H. Geest. Amen.

PEG IN VAN\' HET II. EVANGELIE VOLGENS JOANNES.

In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was

-ocr page 566-

_ 548 —

God. Dit was in den beginne bij God. Alles is door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is niets gemaakt, hetgeen gemaakt is. In Hetzelve was het leven, en het leven was het licht der menschen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen. Er werd een mensch van God gezonden, wiens naam was Joannes. Deze kwam tot getuigenis om getuigenis te geven van het licht, opdat allen door hem zouden gelooven. Hij was het licht niet, maar om getuigenis te geven van het licht. Hat waarachtig licht was, hetwelk iegelijken mensch verlicht, die in deze wereld komt. Hij was In de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. In zijn eigendom is Hij gekomen, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zoo velen als Hem aangenomen hebben, aan hen heeft Hij macht gegeven , kinderen Gods te worden; aan hen die in Zijnen naam gelooven; die niet uit den bloede, noch uit den wil des vleesches , noch uit den wil eens mans, maar uit God geboren zijn. En het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijne herrljjkbeid gezien, eene heerlijkheid als des Eenigge-borenen van den Vader vol genade en waarheid.

-ocr page 567-

— 549 —

BIECHT-GEBEDEW.

Voor de Biecht.

Vader! ik heb gezondigd voor U, ik heb raij onwaardig gemaakt uw kind genoemd te worden. Maar ik hoor en erken de stem, die mij terugroept van den weg des ver-derfs : \'t is uwe stem, hemelsohe Vader, de stem des eeuwigen Erbarmers. Zie, ik volg ze en keer terug met het kinderlijk vertrouwen, dat ik om Jesus\' wil genade bij U zal vinden. Gij hebt ons toch verzekerd, dat Gij den dood de» zondaars niet wilt maar dat hij zich bekeere en leve.

Met een getroffen hart dank ik U, al-goede Vader, voor den tijd, dien Gij mij tot boetvaardigheid hebt geschonken en voor de zoo lankmoedige en zegenrijke verleende genade, dat ik mjj aan de ellende der zonde weder kan onttrekken,

Gij hebt zoo heerlijke vruchten in mij gelegd om het goede uit te werken en ach, ik heb daarvan een zoo slecht gebruik gemaakt ! In plaats van ze tot uwe verheerlijking en mijne zaligheid aan te wenden , heb ik mij daarvan bediend tot uw mishagen en mijn verderf! Gij gaaft me dat kostbare geschenk, het verstand, opdat ik zoude weten te onderscheiden wat goed en kwaad is, ten einde de gevolgen mijner

-ocr page 568-

— 550 —

daden in te zien en mijne neigingen te be-heerscUen. Maar ach! hoe weinig acht heb schri) ik geslagen op de uitspraken van het ver-stand: hoe dikwjjls heb ik mij aan mijne .requot;\' verkeerde neigingen overgegeven. Uwe ge- llc openbaarde wet toonde mij uw wil, gaf mij 7,00 de middelen tot gelukzaligheid aan de hand, uwe maar ik wandelde naar mijne lusten en on overtrad uwe hoogst wijze geboden ! Gij Scn\' gaaft mij den vnj-ti wil , opdat ik niet ge-dwongen zoude zijn te bezwijken voor de ,v booze bekoringen; maar ik liet me door S mijne zinnelijke begeerten, door de aan- quot;er loksels der zonden wegslepen.

Ach! in welke ellende stortte ik mij door b\'ö deze vergrjjpen, want onder alle kwalen is quot;JU de zonde het treurigste en het vreeselijkste. ® J In zonde heeft het hart geen vrede , zelfs , dan, wanneer het geweten voor het oogen- * blik is gesmoord, üe zonde brengt in de l\' ziel eene verschrikkelijke omkeering, nim- wl\' mer ophoudende foltering van den inwen- . digen mensch. Ook is het de vloek der zonde, die overal verminkt, overal schade aanbrengt zoowel aan ons zeiven als aan . andere menschen: want de meeste, de ge- U,1 voeligste kwalen, waaronder wij zuchten hebben hun oorsprong in onze overtredingen, i ^

Uwe geboden, Vader, zjjn zoo rechtvaar- \' dig , zoo vereerenswaardig , zoo liefdevol! Gij beoogt steeus ons waar welzijn, Gij 0 grondt U op wijsheid en goedertierenheid ; 11

-ocr page 569-

— 551 —

i te be- weigert ons niets, dan wat ons schadelijk; cht heb schrijf ons niet voor, dan wat ons nuttig en heilzaam is Uwe voorschriften opvolgen brengt tot de ware gelukzaligheid. Hoe kon ik toch, daar ik het niet durf loochenen, zoo vijandig bandelen tegen mij zeiven en uwe geboden overtreden ! Hoe kon ik zoo onbezonnen het zoete en duurzame genoegen , dat de deugd schenkt, verruilen voor genoegens, waarvan mij niets is overgebleven, dan de treurige herinnering dat ik gedwaald heb en de bittere gewaarwording der kwade gevolgen ! Hoe kon ik zoo dwaas, voor het genot van schijngoederen, ware, blijvende goederen wegwerpen , den vrede mijner ziel ondermijnen, en mij daarvoor bestendige inwendige verwijtingen op den hals halen.

Nog meer. wien heb ik door deze misdaden beleedigd? U, mijn hemelsche Vader! wien ik mijn bestaan, mjjne bewaring en alles wat ik bezit, te danken heb; IJ, die mij dagelijks mot zoo vele weldaden overlaadt ; die mij de grootste weldaad daardoor batoondet, dat Gij Uw Zoon als Verlosser in de wereld zondt. Door Hem openbaardet Gij mij uwen wil, hoe Gij gediend wilt worden opdat wij eeuwig gelukkig worden. Ach! hoe kon ik een zoo goedertieren Vader beloedigen Hoe kon ik zoo vermetel, zoo ondankbaar jegens ü zijn, om vermaken\' ua te ja^un, die ik weet dat U mishaagden?

-ocr page 570-

— 552 —

Hoe kon ik mijne hoogere bestemming zoo zeer vergeten, mij aan de leiding van lage begeerten overgeven en mij daardoor verwijderen van U, die de hoogste liefde, de inhoud van alle volmaaktheid zijt!

Maar zie, barmhartige Vader! ik keer tot U terug. Neem uw rouwmoedig, beterschap belovend kind genadig aan! Ja, ik wil mij bekeeren! ik zal de wegen der zonden verlaten, mij van mjjne slechte gewoonten losrukken, mijne verkeerde gezindheden veranderen, mijne onbehoorde neigingen beteugelen. Voortaan zal ik mij niets meer veroorloven, wat U onbehagelijk is; veel meer wil ik door goede handelingen trachten voor het begane kwaad naar n\'ijne krachten te voldoen en mij nooit meer van U scheiden. Dit is mijn ernstig voornemen. Schenk mij daartoe uwe kracht en uwe genade.

Om vergiffenis mijner zonden te verkrijgen wil ik den priester den toestand mijner ziel openbarén; met zorgvuldigheid mijn hart en mijn leven navorschen , om alle mijne zonden oprecht te bekennen. Heer! zend uw heiligen Geest opdat hij mijn verstand verlichte en ik den toestand mijner ziel duidelijk inzie en de begane zonden van harte berouwe. — Onderzoek des gewetens. —

akte van berouw.

Goedertierenste God! ik geloof in U, om-

-ocr page 571-

— 553 —

dat Gij da eeuwige wijsheid en waarheid zijt; ik hoop op U, omdat Gij zoo goedertieren als machtig zijt; ik heb ö boven alles lief, omdat Gij het allerhoogste , beminnelijkste Goed zijt. Met dit geloof, deze hoop, deze liefde berouwt het mij van harte U beleedigd en mij onwaardig gemaakt te hebben, om uw kind genoemd te worden. Ik verfoei mijne zonden en afdwalingen niet alleen omdat ik deswege verdiend heb door U gestraft te worden en uwe belooning heb verbeurd, maar vooral omdat ik gezondigd heb tegen U, die mijn opperste Goed zijt; wien de hoogste eer en liefde toekomt. Laat mijn berouw genade vinden! Ik zal mij ernstig verbeteren; aan alle zonden en gelegenheden van zonden wil ik vaarwel zeggen; elk gevaar tot zondigen wil ik vermijden ; het kwaad dat door mijne schuld ontstaan is, zoo veel mogelijk trachten goed te maken en zoo te leven dat ik U welgevallig zij. — Neem, goedertieren God! dit ernstig voornemen, dat ik met den bijstand uwer genade hoop uit te voeren, met vaderliefde op, en schonk mij vergiffenis door de verdiensten van Jesus mijnen Verlosser !

Ska lt;le Biecht.

In ootmoed bid ik U, barmhartige God! laat U deze mijne gedane biecht aaugenaain zijn, en verleen mij uwe genade, dat de

-ocr page 572-

— 554 —

oude mensch in mij met Jesus, mijnen Verlosser, gekruisigd zij, zoodat ik voortaan de zonde niet meer dienü, maar uit hare strikken gered, alleen U. mijn God en Vader! in heiligheid en gerechtigheid diene al de dagen van mijn leven.

Plechtig heb ik U belofte gedaan en Gij weet, Alwetende! hoe ernstig ik besloten heb mijne belofte te vervullen: ik heb U do belofte gedaan, om van nu af de wetten uwer rechtvaardigheid met een getrouw geweten na te komen, ton einde ü, mijn Vader, door geene zonde , geene enkele zonde meer te beleedigen. Ach! hoe zoude het ook mogelijk zijn, dat ik U ooit weder beleedigde, nadat Gij mij zoo groote genade geschonken hebt, dat ik op den weg der deugd en der zaligheid konde terugkeeren! Hoe zoude ik zoo dwaas zijn mij den zaligen vrede op nieuw door terugkeer in de vorige blindheid te ontrooven.

Neen, nimmermeer zal ik mij weder, van U afscheiden, nimmer wil ik door eene voorbedachte zonde mij uwer genade onwaardig maken. Ik zal waken over mijne begeerten en neigingen; elke gelegenheid tot zonde vermijden en steeds met zorgvuldigheid en voorzichtigheid wandelen voor uw heilig aanschijn als een getrouwe navolger van Jesus.

Ja, van dit oogenblik, o mijn God. wil ik U eeuwig beminnen, en zoo goed het mij

-ocr page 573-

— 555 —

mogelijk is, door mijne kinderlijke gehoorzaamheid , duor vrome onderwerping aan uw vaderlijken wil, door eene ijverige overweging uwer geboden en door eene getrouwe vervulling mijner plichten, datgene zoeken te heratellen, wat ik in mijne verblindheid tot hiertoe verzuimde. Ten einde dit besluit niet, gelijk zoo vele opgevatte voornemens, zoo spoedig weder verkoele, wil ik het dikwijls vernieuwen. Ik wil mijne gedachten vaak tot U, o God, verheffen ; mijne betrekking tot ü , ook in het gewoel der we reld steeds voor oogen houden en alle middelen, die de Godsdienst mij aan de hand geeft, aanwenden om de tegenwoordige stemming mijns harten te bewaren.

Maar, o Heer! voor wien mijn gansch hart openstaat. Gij kent mijne zwakheid om weder in zonden te hervallen. Wat ben ik uit mjj zeiven onvermogend ! Al mijne kracht komt van U! Daarom bid ik U in den naam en door de verdiensten van mijn Goddelijken Verlosser, kom mijne zwakheid te hulp; versterk en bevestig mijn wil door do alvermogende kracht uwer genade ! Geef mij een zoo diepen afkeer van de zonde en een zoo volstandigen ijver in het onderhouden van uwe heilige geboden, dat ik mij nimmer weder tot het booze late verleiden; dat ik in al mijn doen naar uw welgevallen streve en den zaligen troost van een goed geweten tot aan het einde mijns levens beware!

-ocr page 574-

— Ö66 —

Vrienden beminnaar des berouwvollenzondaars, Jesus Christus, Gij die in de wereld gekomen zijt, om te zoeken en zalig te maken wat verloren was! laat in alle gevaren en bekoringen, die mij zullen omringen, het aandenken aan uw voorbeeld en lijden mij bijstaan; opdat ik U, mjjn Heiland zonder voorbehoud en onafscheidelijk toebehoore en niet in de ellende der zonde hervalle, waaruit uwe barmhartigheid mij thans gered heeft.

Heilige Geest, trooster aller bedroefden, U zjj dank, dat Gij mij uit mijn rampzaligen staat teruggebracht, mijn geweten weder gerust gesteld, mijn hart weder tot uwe woning bereid hebt. Verleen mij den bijstand der hemelsche gaven , wier bron gij zijt; opdat ik bestendig blijve op den weg der bekeering en toeneme in inwendige volmaaktheid.

Heilige Maria en gij Heiligen Gods, bidt allen voor mij voor den troon des Aller-hoogsten om de genade der volharding in het goede; opdat ik na mijn verscheiden uit dit leven Gods barmhartigheid eeuwig met U in het licht der zaligheid moge loven en prijzen. Amen.

GEBED OM DE GENADE TE VERZOEKEN NIET MEER IN DE ZONDE TE HERVALLEN.

Zie, nu ben ik genezen ; ik wil niet meer zondigen; ik heb mijne ziel gewasschen in

-ocr page 575-

— 557 —

izon- het bloed van het Lam. Ach! ik zal haar

d ge- niet meer bevlekken. Ik heb barmhartigheid

laken bekomen. Neen, ik wil mijn Verlosser niet

n en meer vergrammen : ik wil een nieuw leven

, het beginnen en van dag tot dag meer vorde-

i mij ringen in de deugd maken. Mijn hart, o

mder Heer, zal zich voortaan niet meer van U

more afkeeren; maar Gij, mijn God ! versterk mij,

ralle, want ik ben zwak, reik mij eene behulp-

;ered zame hand, en verwijder U niet van mij: want indien Gij U van mij verwijdert, kan

den, ik niets ter zaligheid. Stort uwe vrees in

ligen mijne ziel, opdat ik nooit van den weg

\' ge- uwer geboden afwijke en Gij door mij in wo- j eeuwigheid gezegend en geloofd wordet.

tand Amen.

zijt; -

der

vo1- COMMUNIE-GEBEDEN.

lier\' Vóór de heilige Comuiunie.

\' i\'1 OPWEKKING DKS GELOOFS.

den

wjg O Jesus, eeuwig Licht, zend de stralen

ven uwer klaarheid uit, en verlicht mijne ziel: dat ik de wonderbare liefde erkenne, die uw Goddelijk hart bewoog het glorierijke j-PU Sacrament uws Lichaams en liloeds, dit groote gastmaal des eeuwigen levens, voor ons arme pelgrims dezes sterfelijken levens in te eer stellen. Zie, in dankbaar aandenken gedenk in ik uw laatste avondmaal, dal Gij met zoo

-ocr page 576-

— 558 —

groot verlangen vóór uw heilig lijden met daald(

uwe leerlingen hieldt; en diep doordringen borge

die heilige woorden mijne ziel. O heilige lijkhe

plechtigheid , o voorwaar Goddelijke groot- genen

moedigheid en liefdadigheid ! Zwijgend wacht- in de

ten de heilige Engelen, die uwe Majesteit aflegf

onzichtbaar omgeven , en zagen vol diepe dien

bewondering het hoogste wonder uwer al- noem

machtige liefde, die aan do kinderen der word

mcnschen de kostbaarste schatten des eeuwi- heme

gen Vaders, als een blijvend gedeukteeken en en v(

eigendom, totaan het einde dertijdc^n overgaf, onstc

Stil naderde de eerste stonde, de tijd uws 0

bitteren doods, en terwijl uwe vijanden de heid

gal bereidden, bcreiddet Gjj den zoetsten Gjj s

honig, het brood d^ s levens, om allen, die Lich

in U gelooven , te voeden tot het eeuwige zijn

leven! Met hemelsche milddadigheid naamt Ja, ■

Gij het ongezuurde brood, dat zoo vele van

eeuwen uw Sacrament had afgebeeld, ver- gjj

hieft uwe heilige oogen ten hemel en ver- niet

andcrdet het in uw heilig lichaam. En het

zie, daar verdwenen de schaduwen des teel

ouden verbonds; want het lang afgebeelde voo

zinnebeeld was nu door wezenlijkheid ver- eim

vuld. Gij

O blik mijns Verlossers, die tot in het vor

hoogste der hemelen doordrong! Gij zaagt lijk

opwaarts met de oogen uws lichaams en all(

uwer ziel, om ons te leeren, dat Gij ons hel

geen aardsch en vergankelijk brood, maar liel

het «levendige brood, dat van den hemel bc

l

-ocr page 577-

— 559 —

daalde,quot; het brood der Engelen, het verborgen manna geven wildet, dat alle lieflijkheid in zich bevat, en dat slechts diegenen waardig zijn te ontvangen, wier wandel in den hemel is, die den aardschen mensch afleggen en den nieuwen mensch aandoen, dien uw apostel den heraelsohen mensch noemt; opdat ons daardoor bekend zoude worden, dat dit brood, hetwelk van den hemel kwam, ons opwaarts zoude voeren en voor ons een kiem worden der gelukzalige onsterfelijkheid.

O wonderbare nederdaling en milddadigheid van het Goddelijke Hart van Jesus! En Gij spraakt: «Neemt en eet; want dit is mijn Lichaam.quot; Niet eene bloote uitnoodiging zijn deze milde woorden: «Neemt en eet!quot; Ja, zij zijn een Goddelijk bevel, de vervulling van uwe vroegere, plechtige woorden: Zoo gij het vleesch van den Zoon des menschen niet eet en zijn bloed niet drinkt, zult gjj het leven niet in u hebben! En dit gedenk-teeken uwer liefde zal voortdurend blijven voor al uwe uitverkoornen; want tot het einde aller tijden bemindet Gij de uwen en Gij gaaft de macht aan uwe apostelen. de vorsten en priesters uwer kerk. het natuurlijk brood in bet levendig brood, dat Gjj aan allen die in U zouden geloover., beloofd hebt, dat is. in het Goddelijk Sacrament uwer liefde voortdurend te veranderen, toen Gjj hun bevolen hebt, dit te doen tot uwe gedachtenis.

-ocr page 578-

— 560 —

O mijn dierbaarste Verlosser! met een getrouw en waarachtig geloof, geloof ik aan dit wonder uwer almachtige liefde, en ben bereid voor dit geloof uwer heilige, katholieke en apostolieke kerk, bloed en leven te vergieten. In diepen ootmoed aanbid ik deze zoo grootmoedige en Goddelijke liefde, en nader tot het Sacrament uws allerheiligsten Liohaams met eerbied en dankbare liefde: opdat ik het leven hebbe. Want al-zoo hebt Oij bevolen, barmhartige .lesus, die ons allen, zondige mensehen als wij zijn, tot uw hoogheilig gastmaal geroepen hebt, wanneer wi) slechts met het bruiloftskleed, met een gereinigd geweten daarbij verschijnen, gelijk Gij door de wonderbare ootmoedigheid getoond hebt, toen Gij uwen leerlingen de voeten waschtet; ten einde hen daardoor voor te bereiden, om dit Goddelijk Sacrament in alle reinheid te ontvangen.

O verleen mij, liefdevolle Verlosser van onze zielen, een rein hart, en ontsteek mijnen honger naar dit gastmaal uwer liefde, opdat ik deze Goddelijke weldaad dikwijls ontvange. Laat niet toe, cat ik in doodelijke traagheid verzinke, die nii; van uw Goddelijk Sacrament verwijdert en mij van uwe zoete genade berooft; want dikwijls behoeft mijne zwakke, kranke en hongerende ziel deze spijze des levens, die mij versterkt, om mij zelven te overwinnen; die mij uit mjjne ver-

-ocr page 579-

sti-ooidlicid roept, rajjne vrijheid temt, mijne booze gewoonten beteugelt, mijne ziel met hoinelselio vreugde verzadigt, mijne trotsch-heid deemoedigt, de vlammen mijner zinnelijkheid verkoelt, de banden der zonde verbreekt, welke mij aan schepselen willen verbinden. en mij vriendelijkheid en werk-dadigo liefde jegens mijnen naaste ingeeft.

Sta mij heden bij met uwe hemclsohe genade, mijn (iod, daar ik mijn geweten in de bron des berouws gereinigd heb, en bereid mijn hart, tot uwe hoogheilige ontvangst; opdat ik door deze heilige Communie in de liefde gesterkt. U, het leven, in tijd en eeuwigheid in mij hebbe. Amen.

OPWEKKING VAN HOOP.

Tot U, o Jesus, mijne hoop, heb ik mijne ziel opgeheven; op U, mijn God, vertrouw ik ; en ik zal niet tot schande worden! Want Gij alleen zijt immers mijn heil, o God van mijn hart; en zonder ophouden vloeit uit uw Sacrament, dat uwe liefde ons heeft ingesteld, troost en barmhartigheid voor allen , die in ootmoed tot U naderen! Daarom treed ik met hoop, vol vertrouwen, tot uw heilig altaar, waar Gjj zelf, do arts en het geneesmiddel des levens, wachtende zijt, en hen, die zich van U verwijderen, zoo vriendelijk toeroept, dat z|j zullen komen en dat Gij hen geneest! Zie, o mijn Heiland, mijn hart is zeer krank; diep zijn de won-

ao

-ocr page 580-

— 562 —

den, die de zonden mijner ziel sloegen ; bestendig behoef\' ik de hemelsche artsenij, en zoo groot is mijne ellende, dat mijn gemoed noch troost noch vreugde in uwe zoete tegenwoordigheid ondervindt! O ontferm U, verhoor heden mijn ootmoedig gebed, en laat mijn roepen tot U komen ! Want door uwe barmhartigheid gevoel ik, dat ik nog niet zonder redding verloren ben ; daar ik mijne krankheid erken . en nog de kracht in mij ondervind, tot li, den almachtigon arts, te komen en om hulp te roepen.

O liefderijke Heiland, die steeds bereid zijt ons armen te helpen : in het stof gebukt, bid ik uwe groote barmhartigheid aan. Gij zelf verschijnt, om mij te heelen , en wel met geene geringere artsenij dan met uw kostbaar Bloed, waardoor Gij de wereld aan het kruis verlostet. Zoo zeer vernedert zich uwe allerheiligste Majesteit, dat üjj zelf de spijs der artsenij en het leven mijner ziel wordt: en Gij verdonkert den glans uwer Goddelijke giorie, onder de nederigste gestalte, om den armen uit het stof te verheffen en in zijn huis in te keeren, die in den glans uwer heilige heerlijkheid zoude verblinden en van schrik verstijven!

O Jesus, Koning der glorie, ik gevoel mij in diepe verslagenheid: ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak inkomt! Nochtans behoeft mijne ziel uw hoogvev-heugend bezoek grootelijks , daar ze door

-ocr page 581-

— 563 —

veelvuldige krankheden aangetast, en bijna zonder levenswarmte, zonder liefde versmacht. Zij moet den zoom van uw sacramenteel gewaad aanroeren, de artsenij outvangen van uw allerzuiverst Vleesch en Bloed; want uw heilig Bloed, dat eenmaal zoo smartelijk aan het kruis voor mjjne verlossing vloeide, en de gloeden der hel verdelgde, die ik verdiend had, vloeit in dit Goddelijk Sacrament als een balsem, die alle krankheden der ziel wegneemt, en ze met gloeden des eeuwigen levens ontvlamt! O Goddelijke geneesheer, reinig ze op nieuw van alle vlekken, die uw Goddelijk evenbeeld misvormen. en voltrek mjjne verlossing! Alleen in uw Bloed, o Goddelijk Lam, wordt de ziel rein. Dit Goddeljjk bloed is de kelk des heils, die haar verkwikt en versterkt; alleen door zijne kracht volhardt zij tot het einde.

Kom dan, o barmhartige Jesus, neem mijne krankheden weg; heel door uwe Goddeljjke tegenwoordigheid alle nielnatsch-heid; en laat mij ondervinden, dat Gij die milde arts zjjt, dien de kranken behoeven ; en die hen niet alleen helpt , maar ook verheugd en rijk maakt; en hun door de wonderbare artsenij de hemelsche gezondheid verleent, die hen vernieuwt tot eene eeuwige jeugd.

-ocr page 582-

— 5G-4 —

OPWEKKING TOT LIEFDE.

O spijs der liefde, verzadiging aller gelukzalige burgers dca eeuwigen rijks, Gij Jesus, beminneljjkste Koning des hemels, door wiens aanblik alle Heiligen verzadigd worden; welke ziel kan uwer gedenken en U niet liefhebben ? de wonderen uwer goedheid overwegen en niet vai liefde gloeien? Uwe glorie en schoonheid betrachten, zonder van eene levendige begeerte ontvlamd te worden, om zich met U te vereenigen!

O Jesus, wien de liefde in ons tranendal voerde, die uwe onafmetelijke Godheid met het lichaam onzer sterf!ijklieid bukleeddet, en ons de spijs der onsterflijkheid wildet geven, opdat wij arme kinderen der men-achen verheugd en verzadigd zouden worden, zie, ik heb U lief; en ora U; inniger te kunnen liefhebben, kom ik tot ü! Verorden de liefde in mijn hart; dat ik niets boven U, niets nevens U. niets buiten U beminne; dat ik al het geschapene onder U, in U en om uwent wil lioi\'hebbe! O konde ik U met zulke vurige liefde beminnen, dat mijne liefde den haat aller verworpenen tegen U, mochte vergoeden! Hadde ik alle harten in mijne macht, die U niet beminnen, ik zoude alle krachten inspannen, om ze tot uwe liefde te ontvlammen.

O glorierijk Sacrament, spijs der liefde, yerzegel mijn hart en mijnen mond, om U

-ocr page 583-

— 565 —

lief te hebben en te loven ! Ontvlam mij met eene liefde, die in eeuwigheid niet uitdooft. Kom, o Jesus, geef mij uwen Geest, opdat ik U door U zelven beminne en love; want, liadde ik duizend harten, nimmermeer zoude ik U daarmede naar waarde kunnen liefhebben; hadde ik duizend tongen. nimmermeer zoude ik U daarmede waardiglijk kunnen loven; hadde ik hot loven van alle menschen, nimmermeer konde ik U genoegzaam dienen! Kom daarom, o mijn eeuwig Geliefde! Wees zelf in rajjn hart uwe glorie, uwe rust en uwe liefde; en ontvlam alle krachten mjjner ziel. dat zjj van vroolijken jubel in uwen lof wogvloeie. Amen.

GKBEt).

Almachtige, eeuwige God, zie, ik, onwaardige zondaar, nader tot het Sacrament van uwen eeniggeboren Zoon onzen Heer Jesus Christus! Als krank zijnde, nader ik den arts des levens; onrein zjjnde, de bron du-barmhartigheid: blind zijnde, bet licht der eeuwige klaarheid ; behoeftig en arm zjjnde, den lieer des Hemels en der aarde, naakt zijnde , den Koning der glorie.

Daarom smeek ik U. de volheid van on-meteljjke rijkdommen, dat Gij in uwe milddadigheid li over mjj ontfermet, mijne naaktheid kleedet; opdat ik den Koning der koningen, den Heer der heeren , in diepen eerbied en ootmoedigheid, berouw en aan-

-ocr page 584-

— 566 —

dacht, reinheid en geloof, en met het krachtigste voornemen en de reinste bedoeling tot heil mijner ziel ontvange.

Verleen mij, Heer, dat ik niet alleen het Sacrament des Lichaams en Bloeds mijns Goddelijken Heilands, maar ook de gansche kracht en werking des Sacraments ontvange! o milddadige God, geel\' mij het Lichaam uws eeniggeboren Zoons, on zes Heeren Jesus Christus, dat llij van de onbevlekte maagd Maria aannam; en laat mij Hem zoodanig ontvangen, dat ik daardoor waardig worde, bij zijn geestelijk lichaam ingelijfd en tot zijne ledematen geteld te worden! Liefderijkste \\ ader, verleen mij, dat ik uwen Geliefde, welken ik mij voorneem hior op de reis te ontvangen, eenmaal met een vlekkeloos aangezicht eeuwiglijk aanschouwe ; die met U en den heiligen Geest leeft en regeert, God van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.

ll.VUTUITSTORTING VOOtt JKSUS.

Ik hoor uwe weldadige stem, o Heer Jesus: »Komt tot mij, gij allen, die met jimoeite en arbeid beladen zijt en ik zal u «verkwikken.quot; «Komt, eet het brood, dat «ik u bereid heb; drinkt den wijn, dien ik »u gemengd heb.quot;\'

O hemelsch woord van het iioddelijk vaderhart, hoe lieflijk klinkt gij in de inwendige ooren van allen, die in het land dezer

-ocr page 585-

— 567 —

ballingschap, in de hitte des daags zuchten! Gij hebt, o eeuwige liefde, niet vergeten de armen, die hier beneden omzwerven! »Een gedenkteeken uwer wonderen hebt Gij, o Vader dor ontfermingen, ingesteld; spijs hebt Gij gegeven aan degenen, die U vreezen! Eten zullen de armen en zich verzadigen, en prijzen zullen z|j den naam des Heeren in alle eeuwigheid.quot;

Zoo volg ik dan uwe milde uitnoodiging, o mijn God, en nader tot het roemwaardig Sacrament, waarin mijn geloof verlicht en gesterkt, mijne hoop vermeerderd en verhoogd, waar mijne zwakke liefde ontvlamd en tot heilige werken aangespoord wordt! Eeuwig, o mijn liefderijke Verlosser, wil ik uwe ontfermingen lofzingen: ik wil uwe liefde prijzen voor het wonderbare gedenk-teeken, dat do ziel hoog boven de aarde tot U verheft: waarin zij zich met U, haren Goddelijken Geliefde, van aangezicht tot aangezicht, onderhoudt, en dikwijls door zoo zoete, hemelsche gewaarwordingen doorstroomd wordt, dat, wanneer zij van U terugkeert, de voorbijgaande wereld haar verdriet, en zij in onuitsprekelijke begeerte ontgloeit, om opgelost te worden en eeuwig bij Christus te zijn. 0 bron des vredes, die de wereld niet kent! llemclsch manna, dat Gjj, o God, voor diegenen verborgen hebt, die naar U, hun leven, hongeren en dors ten! Zoete verkwikking der zielen, die door

-ocr page 586-

— 568 —

moeiten en arbeid gekweld, onophoudelijk zuchten naar hare Terlossing uit de banden dezes vleesches ! onderpand des eeuwigen levens, dat de menschen voor den dood behoedt; oorsprong der reinheid en van alle henielsche deugden, band der liefde en zoete eendrachligheid onder de kinderen Gods!

Kom, o Jesus, mijne liefde; kom , o mijn alles; kom, o zoet leven mijner ziel; verheug haar door uw liefdcriik bezoek ; vervul haar met uwen heiligen troost, die alle vreugde dezer aarde oneindig te boven gaat! Kom, o zoet Paradijs op aarde en doorstroom mjjn hart met de heilige bekoringen des hemelschon vaderlands! ü laat mij in liefde voor U wegsmelten, laat mij U in heilige vreugde ontvangen, wien mijne ziel meer lief heeft dan zich zelve! O kom en voer mij in do wonderbare kamer van uw milddadig hart, in het Paradijs der (iodde-lijke wellusten : dat mijne ziel in overmaat uws heiligen kelks, zi:h zelve niet meer kenne, en geheel in \'J omgekeerd , met uwen verrukten apostel uitroepe: »lk leef, «niet meer ik , maar Jesus leeft in mij!quot; Amen. Kom. lieer Jesus!

O Meer! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt, maar spreek alleen een woord en mijne ziel zal gezond worden. Het Lichaam van onzer Heer Jesus Christus beware mijne ziel tot het eeuwige leven. Amen.

-ocr page 587-

— 569 —

SCHIETGEBEDEN.

Heer der Ileirkrachten! hoe liefelijk zijn uwe tabernakelen! nijjnc ziel wensclit en bezwijkt van verlangen naar de voorzalen van het Huis des Heeren. Ziel en lichaam haken met vroolijkheid naar den levenden God. Pb. S3.

Kom. Heer Jesus! Apoc. 22.

Mijn hart is bereid, mijn God! mijn hart is bereid. I\'s. 56.

CJcIxmIcii na «!e SS. Coiiiiminie.

Ik dank U, Heir, heilige Vader, almachtige eeuwige God. dat Gij mij, uwen onwaardigen knecht , zonder mjjne verdiensten , uit loutere barmhartigheid met het kostbaarste Lichaam en Bloed van «wen eeniggeboren Zoon, onïen 1 leer .lesiis Christus, verzadigd hebt. Ik bid U, o God. laat deze heilige communie mjj niet tot schuld en tot oen oordeel, maar tot heilzame voorbede en vergeving bevorderlijk zijn. Deze zjj mij een wapen des gcloof\'a; een schild van den goeden wil; deze make mjj bekwaam om mjj van mijne boosheden to reinigen, mijne begeerlijkheid en mijne zinnelijke driften te dooden; liefde, geduld, ootmoed en gehoorzaamheid te vermeerderen; tegen alle aanvallen van zichtbare en

-ocr page 588-

— 570 —

onzichtbare vijanden mij krachtig te verdedigen; mijne vleeschelijke, zoowel als mijne geestelijke neigingen te beteugelen, en U, mijnen eenigen en waren God aan te hangen. Ook smeek ik tot U, voer in uwe barmhartigheid mij zondaar tot dat onuitsprekelijk blijde gastraaal, waar Gij met uwen eeniggeboren Zoon en den heiligen Geest, het ware Jicht, de volle verzadiging de eeuwige vreugde, de voleinde blijdschap en volkomen gelukzaligheid zijt door Jesus Christus onzen Heer. Amen.

DE ONEINDIGE LIEFDE GODS.

Oneindige Majesteit, in het geloof mijner nederigheid bid ik U aan! In den afgrond mijner nietigheid verzonken , zie ik op tot uwe wonderbare grootmoedigheid en mijn diep stilzwijgen roept tot U! Wat ben ik voor U, Heer! dat Gjj mij met zoo wonderbare liefde bemint, dat Gjj uwe oneindige glorie, die hemel en aarde vervult, ja, als het ware, U zeiven vernietigt, om onder de gedaante des broods in het zondige hart van uwen knecht binnen te keeren , en zijne arme ziel te gewinnen! De heilige Engelen verstommen en vieren stilzwijgend de grootheid uwer ontfermingen.

O diepte der wijsheid, volheid des troos-tes, afgrond der liefde! O wonderbare God, hoe hoog verheft Gij het werk uwer handen ! O gloed van stralen, dje jn de diepste

-ocr page 589-

— 571 —

afgronden heen dringt, opdat alle harten , welke Gij voor U schiept, waarachtig ervaren, dat Gij deze met almachtige Godsliefde bemint.

O onmetelijke Majesteit, hoe verspilt Gij de schatten uwer eeuwige heerlijkheid aan onwaardig stof! Waarlijk, Gij zijt de oneindige liefde, onze Vader, en, als aan Gods kinderen, ontsluit Gij ons de rijkdommen van uw vaderhart, opdat wij , U hier in het stof nog erkennen en dat door deze erkentenis onze begeerte en liefde tot U ontvlamd worde! Uit oneindige liefde doet Gij dit; niet omdat uw knecht dit om U verdiende; want niets behoort hem, dat zoo groote liefde zoude waardig zijn.

O verlicht mjj, Goddelijke klaarheid, die zich in mijn arm hart uitstortte; verdrijf mijne bliudheid, verscheur den sluier mijner neiging tot zonden, die mij verhindert uwe oneindige schoonheid in mijn binnenste te aanschouwen. Maak de diepten mjjns harten wijder en vervul deze met het vuur va» uwen zoeten Geest; opdat ik ontvlamme, om U lief te hebben; want zie , mijn God, ik heb U lief; doch mijne liefde is arm, beperkt, behoeftig en hoogst onvolkomen; en ik kan U niet inniger liefhebben , wanneer Gij zelf mij geene meerdere liefde mededeelt!

Ontferm U heden mijner, mijn God, die ü over mij ontfermdet, en voleind uw God-

-ocr page 590-

— 572 —

deljjk werk, dat Gij in onuitputbare milddadigheid begonnen hebt! O Jesus, die nu in mijne ziel woont, geef U aan mij te verstaan; toon mij uw beminnelijk en zalig aangezicht, dat de Engelen begeeren te aanschouwen. dat zoo vele koningen en propheten verlangden te zien, en welks aan-scboiiwing alle hemelen eeuwig met ver-nikking vervult! Zie, immer zucht mijne ziel naar U, on zij zal nimmer rusten , tot Gjj, haar eeuwige en innig Geliefde, aan haar hart spreekt. O Jesus, mijn Heiland en Zaligmaker, bewaar mij voor alle onvolkomenheden van dit zondige leven, opdat ik eenmaal waardig bevonden worde, U, mijnen hemelschen bruidegom, ver van alle duisternissen, in het licht der glorie, in do vergadering uwer Heiligen, eeuwig te aanbidden en lief te hebben.

OI BKI) OM VI m.ICIITING EN VOUtARDINO.

O Jesus, eeuwig licht van het eeuwig licht, die thans de duistere diepten mijner ziel barmhartig bezocht en verlicht hebt; Verlosser mijner ziel, wijk niet van rajj ! Uw licht en waarheid glanze voortdurend rondom mij, o levendige genadezon! opdat de dag niet dale en do nacht niet aanbreke. Want zie, met akeligen schrik dreigt de nacht des doods, de nacht der wereld, de nacht der zonde, de nacht der droefenissen, de nacht der verzoekingen, de nacht der

-ocr page 591-

— 573 —

verwijdering uwer tastbare, Goddelijke genade! O verlaat mij niet, hoeder der men-schen! want reeds komt deze lange nacht aanspoeden , om mij in hare dikke duisternissen te begraven.

Ach, in groote vreezo verlaat ik uwe heilige plaatsen; want zie, van allo zijden zal het licht zich verwijderen! Zoo snel de liefde verkoelt, zoo snel groeit de boosheid aan, en wat zal van mij worden, wanneer Gij, mijn licht, mij zoudt verlaten ? Wee mij; want reeds verlengen zich de schaduwen des avonds ! De zuivere erkenning van God en van uwe eeuwige liefde dreigt van mij te wijken, en met alle macht wil de wereld de tallooze ijdelheden harer duisternis en vergankelijke lusten mij als ware goederen voorstellen! Jesus, bijjf bij mij; gij zijt het licht dee wereld, waarin alleen wij alle zaken kunnen zien, gelijk zij zijn, opdat wij niet het kwaad goed, en het goed kwaad noemen.

Ik wil U, Heer, niet loslaten, tot Gij mij gezegend hebt! Worstelen zal ik met U in den nacht, geljjk de patriarch Jacob , tot het morgenrood van eenen nieuwen dag begint. O verander, gelijk eens den zijnen, ook den mijnen in eenen nieuwen naam. Verleen mij eenen nieuwen naam, eenen nieuwen geest, een nieuw leven!

Roer de zenuw mijner heup aan, opdat de liefde dezer wereld in mij verslappe, en

-ocr page 592-

— 574 -

de vrije neiging van mijnen wil versterke en nimmermeer dan naar IJ en tot Goddelijke dingen gericht blijve! Bestraal, met uw Goddelijk licht, alle doolhoven mijns inwendigen en uitwendigen levens, opdat ik het smalle pad niet misse, welk tot het leven leidt; maar kloekmoedig daarop voort-wandele. tot alle schaduwen verdwijnen en de dag di\'r eeuwige glorie aanbreke, waar het Goddelijk licht uwer klaarheid allo harten met den jubel van eeuwige zaligheid vervult! Amen.

GKliED OM DEN GODDELI.IKEN ZEGEN.

Goedertierenste Jesus, die thans in uwe wonderbare barmhartigheid onder het dak uws onwuardigen knechts zijt binnen gegaan, en hem tot de eer verheven hebt, om U, den koning des hemels en der aarde, te herbergen; ik smeek tot U, laat de kracht en liefelijkheid van uw Sacrament nimmer van mij wijken en houd mij in bestendige reinheid des lichaams en der ziel. Zegen mij, Heer, gelijk Gij het huis van Obe-dedom zegendet, die de ark des verbonds, het voorbeeld van uw glorierijk Sacrament, herbergde; en gelijk Gij de glorierijke maagd Maria, die U bij de menschwording in haren kuischen schoot ontving, met de volheid van allen zagen begiftigdet, die haar in de glorie harer onbevlekte maagdelijke moederwaarde immer staande hieldt en beschermdet.

-ocr page 593-

— 575 —

Alzoo zegen Heer, het huis mijner ziel, die U in heilige vreugde opnam: ten einde ik de eer waardig blijve, een levendige tempel Gods te zijn! Verleen mij, als eene levendige bondkist, waarin Gij uwe woning opsloegt, dat gelijk daar , ook in mij , de tafelen uwer geboden tot eene levendige vervulling bewaard worden, en uw heilige wil het bestendige richtsnoer mijns willens zij. Verleen mij ook, gelijk eene levendige begraafplaats van uw heilig lichaam, de mirre der afsterving en de vastheid eener rots, opdat ik mijne booze neigingen over-winne en U onveranderlijk aanhange.

O Jesus, die ü in de heilige Communie als den teedersten Vader jegens mij betoon-det, verleen mij , dat ik in uwe liefde vast gegrond worde, en dat mijn hart steeds op U, als op zijn eigenlijk eenig en waarachtig middelpunt, doele. Geef mij eenen kinderlijken zin jegens U, vervul mij met den geest der gehoorzaamheid, der eerbiedigheid, der liefde en des vertrouwens, opdat ik in al mijne ellenden met hartelijkheid en vertrouwen vluchte, gelijk een kind tot zijnen innigstbeminden Vader. Als de liefderijkste bruidegom ontvingt Gij heden mijne ziel in uw wonderbaar gastmaal! Omvat deze steeds inniger met de lelie-armen uwer kuischheid, dat ik noch in het leven, noch in den dood van U gescheiden worde.

Dit was het doel der instelling van uw

-ocr page 594-

— 576 —

Goddelijk Sacrament, dat, krachtens hetzelve, de ziel tot de innigste vereeniging met U zoude gebracht worden; want Gij, o mijn Goddelijke Heiland, wist, dat het schepsel veel zekerder in U blijft dan in zich zeiven: gelijk aan den waterdruppel, die alleen en voor zich afgezonderd spoedig verdroogt; maar met de zee, zijne bron vereenigd, bestendig wordt behouden. /00 voer mij dan, 0 Heer, uit mij zeiven en neem mjj in U op; want in U leet ik, maar in mij sterf ik; in U ben ik gezond, maar krank in mij zeiven; standvastig in Ü, maar zwak in mij zeiven; en alleen in Ü is nijjn heil, mjjne zekerheid, mijne sterkte en mijn leven! Ö God, mijn beschermer en het doel mijner hoop in eeuwigheid! Amen.

Zie, o goede en allerzoetste Jesus, voor uw aangezicht werp ik mij op de knieën

-ocr page 595-

— 577 —

en bid en smeek U met de grootste vurigheid der ziel, dat Gij in mijn hart levende gevoelens van geloof, hoop en liefde, een oprecht berouw over mijne zonden en een standvastigen wil om U niet meer te be-leedigen wilt inprenten, terwijl ik met groole aandoening en droefheid des gemoeds uwe vijf wonden bij mij zeiven overweeg en in den geest beschouw, wat de propheet David reeds van U , mijn Jesus, gezegd heeft; Zij hrifhen doorboord mijne handen en voeten; alle mijne beenderen hebben zij geteld. Psalm 21: 17, 18.

Alle geloovigen kunnen iederen dag een vollen aflaat verdienen, indien zij de volgende voorwaarden vervullen:

1. Zij moeten waardig naderen tot de HH. Sacramenten van Biecht en Communie.

% Daarna het bovenstaande gebed bidden met een berouwvol hart en met innige godsvrucht voor een beeld van den gekruisigden Jesus.

3. Dan nog 5 onze vaders en vijfmaal het wees gegroet volgens de meening van den Paus.

Cfr. Clemens VIIl, Benedictus XIV, Pius VII, Leo XII, Pius IX, 31 Juli 1858. —-Volgens verklaring van Z. H. Leo XII van 17 Sept. 1825 kan men dezen aflaat ook toepassen op do zielen in het vagevuur.

Geloovigc zielen 37

-ocr page 596-

— 578 —

Wij bidden U, o Heer. wil ons verlossen uit de banden onzer zonden door uwe on eindige goedheid en door do voorspraak dei allerheiligste en onbevlekte maagd Maria, als ook van de HH. apostelen Petrus en Paulus en van alle Heiligen ons , uwe dienaars, onze woon- en haardsteden bewaren, alle onze verwanten, vrienden en bekenden van zonden reinigen en met deugden versieren, ons heil en vrede schenken, onze zichtbare en onzichtbare vijanden verre van ons verwijderd houden, de Insten des vlee-sches beteugelen, de gezondheid der lucht behouden, aan onze vrienden en vijanden liefde verleenen, uwe stad beschermen, onzen opperherder, den Paus N. sparen , alle geestelijke overheid, alle vorsten en het ge-heele christene volk voor alle ongeluk behoeden. Uw zegen zij ten allen tijde over ons en schenk eeuwige rust aan alle ge-loovige zielen in het vagevuur. Door Christus onzen Heer. Amen

Volgens een besluit van Paus Leo XII van 9 .luli \'18-28 verdienen alle geloovigen 40 dagen aflaat zoo dikwijls zij dit gebed storten met een berouwvol hart en met aandacht en een aflaat van 100 jaren en 100 qnadragenen, ii dien zij dit bidden eiken zaterdag gedurende eene maand.

Ziel van Christus. heilig mij.

Lichaam van Christus, maak mij zalig.

T

-ocr page 597-

— 578 —

Bloed van Christus, drenk mij.

Water uit de zjjde van Christus, wasch mij.

Ljjden van Christus, versterk mij.

O liefderijke Jesus, verhoor mij.

In uwe heilige wonden, verberg mij.

Gedoog niet, dat ik van Ugescheiden worde.

Tegen den boozen vijand, bescherm mij.

In mjjn sterfuur roep mij

En gebied mij te komen tot U,

Opdat ik U met uwe Heiligen love

In alle eeuwigheid. Amen.

Volgens een decreet van de congregatie der aflaten van 9 Januari 1864 heeft Paus Pius IX, zaliger gedachtenis, aan het storten van dit gebed de volgende aflaten verleend :

1. Een aflaat van 300 dagen door alle geloovigen te verdienen telkenmale als zij het bidden niet berouw en aandacht.

2. Een aflaat van 7 jaren dagelijks eenmaal te verdienen door alle priesters, als zij het bidden na do II. Mis te hebben opgedragen en door alle geloovigen, die hetzelfde gebed v i richten na waardig de H. Communie te hebben ontvangen.

3. Een vollen aflaat te verdienen, eenmaal in den loop van iedere maand op een dag naar goedvinden door allen, die de vrome gewoonte hebben dit gebed te verrichten eenmaal daags geduiendo de geheele maand, onder voorwaarde dat zij biechten.

-ocr page 598-

— 580 —

communicecren en eenigen tijd bidden tot intentie van Z. H. den Paus.

KRUISWBG-OEFENING tot lafenlH der geloovlge zielen.

VÜORBEREIDINGSGEBI\'I).

O God, barmhartige Vader! zie goedgunstig op de zielen in het vagevuur neder en heb medelijden met haar, wees haar genadig! \'t zijn toch uwe kinderen, Jesus, uw eenige Zoon heeft ze door zijn bloed vrijgekocht en de H. Geest heeft ze tot zijne tempels verkozen. . . Genadige God! doe haar barmhartigheid en verlos ze uit de verschrikkelijke vlammen . . . Dierbare Jesus! gedenk dat Gij zoo overvloedig voor haar voldaan hebt en gestorven zijt, opdat zjj eeuwig zouden leven; verlos haar spoedig uit dien zuiveringskerker, van waar zij tot U verzuchten, opdat zjj met de Kngelcn den lof van God in allo eeuwigheid mogen zingen: lieilic/, heilig, heilig, de Hwr, ile God der heirkrnchlc.n!

Ach konde ik iets ter barer verlichting doen! .. . Tot dat einde zal ik deze oefening van den kruisweg verrichten. U smeokende, lieve Jesus, de aflaten te willen toevoegen

aan de zielen van.....

O Maria ! ontferm u over de lijdende

-ocr page 599-

— 58i —

zielen . . . Gij zijt hare Moeder ... en zjj zijn uwe kinderen. .. Bid ook voor mij , opdat ik met eerbied en aandacht deze oefening verrichte.

Kersfe Statie.

Jesus wordt ter dood veroordeeld.

V. Wij aanbidden U, Christus, en loven U;

R. Omdat Gij door uw II. kruis de wereld verlost hebt.

O Jesus! wie had kunnen denken, dat Gij zoo vernederd en zoo schandelijk veroordeeld zoudet worden ? . . . Uwe eenigste misdaad was vwe liefde; want Gij wildet uit liefde sterven, om ons het leven te geven. O Jesus, ik smeek U door deze liefde medelijden te hebben met de zielen in hot vagevuur ... Zij zijn om hare zonden rechtvaardig tot het vuur veroordeeld! maar gedenk, dat Gij voor haar voldaan heb: en ter dood zijt veroordeeld, opdat zjj eeuwig zouden leven . .. Lieve Jesus, ik smeek U , mij ook barmhartig te zijn en mij voor alle ook voor de kleinste zonden te bewaren tot welker boating de zielen zoo groote pjjnen in het vagevuur moeten Ijjden.

O Maria! bid voor haar, opdat zij van hare zonden ontslagen worden. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet.

Ontferm U onzer. Heer, ontferm U onzer.

-ocr page 600-

— 68\'2 —

O God! wees ons, zondaars, genadig.

Heer, geef haar de eeuwige rust; en het eeuwig licht versehijne haar.

Twei\'dc Statie.

Jcsus neemt het kruis op zijne schouders.

Wij aanbidden U, enz.

O Jesu-i! met wat liefde hebt Gjj uw kruis omhelsd ? . . . Met wat blijdschap hebt Gij het op uwe schoaileren genomen, om voor onze zonden te voldoen en voor onze schulden te boeten?... Gedenk, o Jesus! de zielen in het vagevuur: zie, hoe zwaar haar kruis, hoe groot haar Ijjden is! zij zuchten in een vuur, dat onverdragelijker is dan alles , wat men in dit leven kan Ijjden. Zoudt Gjj, o dierbare Jesus, geen medelijden met haar hebben? Gedenk, bid ik ü, dat Gij uw kruis met zooveel liefde voor haar gedragen hebt ... Ik bid U ook, lieve Jesus, U over mij te ontfermen, opdat ik mjjn kruis geduldig moge dragen, zonder U in het minst te vergrammen.

O Maria I bid voor haar, opdat God haar kruis verlichte.

Onze Vader Wees gegroet. Ontferm U onzer. O God, wees ons, enz.

Heer, geef haar, enz. Zie eerste statie.

ISnrdp Statie.

Jesus vult de eerste maal onder het kruis.

Wij aanbidden U. enz.

-ocr page 601-

— 583 —

Dierbare Jesus! hoe gaat Gij zoo gebukt en kruipende onder uw kruis?... Hoe bezwijkt Gij hier zoo machteloos onder de grootheid uwer smarten?... Is het niet om ons te verliehten en uit het lijden te redden? . . . Ach. lieve .lesus ! ik smeek U door deze uwe goedheid de zielen in het vagevuur gedachtig te willen zijn: zjj Ijjden zoo groote smarten en wenschen zoo vurig Gods aanschijn te aanschouwen; zij worden zoo hevig tot U, haar opperste Goed, gedreven, dat ze van verlangen zouden sterven, indien het haar mogelijk was te sterven; wees haar dan genadig; het zijn uwe vrienden; en nu valt Gij onder het kruis, om haar uit de vlammen op te richten en tot den hemel te voeren. O Jesus! wees mij ook genadig; richt mij op uit de zonden, en laat niet toe dat ik in dezelve hervalle.

O Maria, moeder der bedrukten, bid voor de zielen in het vagevuur.

Onze Vader. Wees gegroet. Ontferm U onzer. O God, wees ons, enz.

Heer, geef haar, enz. Zie eerste statie.

Vierde Statie.

Jesus ontm gt;ct zijne bedrukte moeder. Wij aanbidden U, enz.

O Maria, wat snijdende zwaard doorboorde uw hart, toen gij Jesus, mismaakt, bebloed, onkenbaar en kruipende onder zijn kruis,

-ocr page 602-

— 584 —

ontmoette!. .. Hoe vaak hadt gij zijn minnelijk aanschijn met liefderjjke blijdschap aangezien, maar nu was het vol stof, vuiligheid en bloed. Ach, wat droevige oogslag! Maar hoe bitter is het voor de zielen in het vagevuur dit aanschjjn eenigen tijd te moeten derven en hoe verzuchten zij: O God! wanneer zal ik komen en voor uw aanschijn verschijnen f . . .

O Maria door de droefheid , die gij in het ontmoeten van Jesus gevoeldet, bid ik u, u over die zielen te erbarmen. Lieve Jesus! werp Gij ook een genadigen blik op die zielen, gelijk Gij hier uwe moeder met medelijden aanzaagt. Maar, lieve Jesus! en gij, moeder Maria! vergeet mij ook niet: niijne ziel is zoo vol vlekken en onreinig-heden door mijne dagelijksche gebreken; zuiver mij van deze want ik verfoei ze van gansoher harte. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet. Ontferm U onzer. O God, wees ons, enz.

lieer, geef haar, enz. Zie eerste statie.

Vijfde Static.

Simon draagt gedwongen het kruis van Jesus.

Wij aanbidden U, enz.

Tot welke ellende zie ik U hier gebracht, lieve Jesus ! Gij zijt niet meer iu staat, om uw kruis nog verder te dragen en moet geholpen worden? Ach, welke smart! Om onzent

-ocr page 603-

— 585 —

wil hebt Gij U zoo ver laten brengen, lieve Jesus! O welke liefde ! . . . Ontferm U dan over do zielen in het vagevuur: zjj lijden zoo veel, en kunnen zich zeiven niet helpen, omdat de iijd van te kunnen verdienen, voor haar voorbij is. O hoe reikhalzen zij naar U, o God! Wees haar dus genadig, lieve Jesus! Gaarne zou ik ze uit het vagevuur verlossen: daarom offer ik U thans al mjjn doen en lijden tot lafenis harer zielen op... Sta mij ook bij, lieve Jesus, opdat ik hier voor mijne schulden voldoe, want naderhand is er geen tijd meer.

O Maria, de zielen uwer kinderen lijden in het vagevuur! verlos haar, opdat zij met u in den hemel God verheerlijken. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet Ontferm IJ onzer. O God, wees ons, Heer, geef haar enz. Zie eerste statie.

Xetide Static.

Veronica zuivert het aanschijn van Jesus.

Wij aanbidden U, enz.

Uw minnelijk, maar mismaakt en bebloed aangezicht, dierbare Jesus , baarde medelijden in het hart van Veronica en praamde haar uw aanschijn te zuiveren. O hoe aan-aangeuaam was U dit, want met liefde drukte Gij het afbeeldsel van uw aangezicht in haren doek! O Jesus, Iaat uw hart ook tot medelijden bewogen worden bij het zien der pijnen, dfe de zielen in het vage-

-ocr page 604-

— 580 —

vuur lijden; wasch haar in uw dierbaar bloed, opdat zij van allo smetten gezuiverd U in den hemel eeuwig loven en danken. .. Zuiver ook mijne ziel, lieve Jesus, en versterk mjj ten einde haar niet meer te be vlekken met nieuwe zonden, maar te versieren met alle deugden , opdat zij nooit in de zuiveringsplaats kotne,

O Maria, bid voor de zielen in het vagevuur, opdat zij gezuiverd worden en sta ons bjj, opdat wij de kleinste zonde mogen vluchten Amen.

Onze Vader. Wees gegroet. Ontferm U onzer. O Ooil, wees ons. Heer, geef haar, enz. Zie eerste statie.

Weveiule Statie.

Jesus valt de tweede maal onder hel kruis. Wij aanbidden U, enz.

Dierbare Jesus, hoe meer ik uw lijden overweeg, des te grooter en smartvoller komt het mjj voor! Helaas, ik zio U reeds de tweede maal onder uw kruis bezwijken, zonder door iemand geholpen te worden. Wee mij ellendige! wat zal er van mij geworden, als ik met den last mijner zonden eens voor uwe rechtbank zal verschijnen?... De zielen van velen mijner kennissen en vrienden zijn bereids verschenen ; maar velen hunner zjjn ook plichtig bevonden er. liggen daarom in het vagevuur te branden: diar

-ocr page 605-

— 587 —

If

II

moeten zij voor de gerinr/ste harer fouten tot den laatsten penning boeten . . . Heer Jesus, wees haar om haar Ijjden genadig!... Wij ook, wij bidden U, ons barmhartig te willen zjjn en uwe genade te geven, opdat wij alle, zelfs de geringste zonde vermijden en de schulden door ons gemaakt, door de boetvaardigheid afkoopen.

O Maria! neem ons als uwe kinderen bij de hand, opdat wij niet struikelen en trek de zielen der geloovigen uit den lijdenskerker, opdat zij in den hemel verheerljjkt worden. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet. Ontferm U onzer. 0 God, wees ons. Heer, geef haar, enz. Zie eerste statie.

Achtste Statie.

Jesus vermaant de weenende vrouwen.

Wij aanbidden U, enz.

Heer Jesus, doe mij gelijk deze vrouwen over U weenen. Ach, hoe groot is uw lijden, maar ook hoe groot is mijne boosheid! Om mijne zonden hebt Gij willen lijden! O Jesus, vergeef me mjjne ondankbaarheid ... Ik smeek U daarenboven om genade voor de geloovige zielen . .. ach, heb medeljjden met haar! Zij roepen onze hulp in: ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, gij, ten minste mijne vrienden , want de hand des Heeren heeft mij geraakt... O Jesus, wij bidden

111

4

lil! I i;

n

-ocr page 606-

— 588 —

U, kom uwe dienaren te hulp, die Gij door uw dierbaar bloed verlost hebt.

0 Maria! wij zuchten al weenende tot U; wees ons en de geloovige zielen genadig. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet. Ontferm U onzer. O God, wees ons. Heer, geef haar, enz. Zie eerste statie.

üüegende Statie.

Jcsus valt de derde maal onder het kruis.

Wij aanbidden U, enz.

Zie, daar ligt Jesus onmachtig plat ter aarde. Zie, hoe de beulen Hem slaan, stoo-ten en met voeten stampen!. . . O Jesus, ik heb medelijden met U . . . 0 God, hemelsohe Vader! waarom laat Gij dit toe? waarom zendt Gij Jesus geene hulp? O ziel, \'t is tot boeting voor uwe zonden, die Jesus op zich genomen heeft ; zijne rechtvaardigheid eischt voldoening ; daarom is voor Hem geene genade, totdat Hij door zijnen dood do schuld zal betaald hebber.... O mjjn God, ik schrik voor uwe rechtvaardigheid, die zonder r/enade voldoening eischt... Hoe smartvol Ijjden de geloovige zielen onder de slagen dier strenge rechtvaardigheid en hoe verzuchten zij om genade! Hoe lang valt haar elk oogenblik? O mijn God, ik bid U om wille van het bitter lijden van Jesus heb medelijden met haar... O mijn

-ocr page 607-

— 589 —

God, wijl Gij naderhand zonder barmhartigheid kastijdt, wil ik liever nu voor mijne zonden voldoen. Moge ik hier met Jesus onder het kruis bezwijken, doch spaar mij in de eeuwigheid.

O Maria, offer uwe overvloedige voldoeningen voor de geloovige zielen aan God op. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet. Ontferm U onzer. 0 God, wees ons. Heer, geef haar, enz. Zio eerste statie.

Tieiiile static.

Jesus wordt ontkleed en niet gal gelaafd.

Wij aanbidden U, enz.

O Jesus, welke pijn leedt Gij toen do beulen ö de kleoderen met geweld uitrukten ! Helaas! met de kleederen rukten zij ook het vel van uw lichaam; op die wijs, lieve Jesus , werden uwe pjjnen vernieuwd en uwe wonden verdubbeld. Daarbij proefdet Gij de bitterheid van de gal... ach, welke pjjnlijke toestand! Dierbare Jesus, gedenk dat lijden en ontferm ü over de zielen in het vagevuur, want zij Ijjden naamloos Teel. De hemelsche genoegens zjjn haar tot nu toe ontzegd; zij worden mot de bittere gal van een vlammend vuur gelaafd. O Jesus, heb medelijden met haar! üok bid ik U medelijden met mij te hebben en mij zuiver van alle zonden te bewaren, om niet in die plaats van folteringen te komen.

ij door

tot U; nadig.

rm U haar,

-ocr page 608-

— 590 —

Onthecht mijn hart van de wereld en versterk mij om den kelk van lijden te drinken.

O Maria, bid voor de geloovige zielen, opdat zjj God spoedig aanschouwen en Hem in eeuwigheid loven. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet. Ontferm U onzer. O God, wees ons. Heer geef haar, enz. Zie eerste statie.

Elfde Static.

Jimus wordt aan het kruis gcnajcld.

Wij aanbidden U , enz.

O Jesus in welken ellendigen toestand zie ik U aan het kruis genageld. Helaas! uwe handen, uwe voeten en alle uwe ledematen zjjn zoo strak gespannen, dat Gij U zeiven niet kunt bewegen en alle uwe beenderen kunnen geteld worden. Dierbare Jesus, hoe hebt Gij ons zoo kunnen beminnen?... Ik smeek U bjj die liefde de zielen in het vagevuur genadig te willen zijn .. . zie, hoe zij in het vagevuur gekruisigd zijn zonder zich zeiven te kunnen helpen . .. ach! haar lijden ie. groet, naamloos groot, want de geringste pijn van het vagevuur overtreft de grootste pijn, die men in dit leven zoude kunren lijden. Heer Jesus, wees haar genadig, en offer de verdiensten van uw kruis ter liarer verlossing aan uw hemelschen Vader op . .. Verleen ons de kracht dat wij onze driften krui-

-ocr page 609-

— 591 —

sigen ten einde naderhand niet gestraft te worden.

O Maria, ofter uwe smarten voor ons en de geloovige zielen aan God op. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet. Ontferm U onzer O God, wees ons. Heer, geef haar. enz. Zie eerste statie.

Twaalfde Statie.

Jesus sterft aa,i het kruis.

Wij aanbidden U, enz.

0 ziel, sla uwe oogen hemelwaarts. . . •Tesus na olies volhracht te hebben, beveelt zich aan God en ster/t voor uwe zaligheid. O zalige doodl .. . Jcsus gaat van het Ijjden tot de glorie! O ware ik zoo gelukkig! O konde ik hier alles voldoen en uit liefde tot God sterven De zielen in het vagevuur konden bereids bjj God zijn; maar om eenige fouten en onvolmaaktheden waarvoor zij hier niet geboet hebben, moeten zjj thans nog branden. O ziel. vermijd nu alle, ook de kleinste zonde en wees ijverig in het vervullen uwer plichten ... O Jesus, wees ons en do zielen in het vagevuur genadig; gedenk dat Gij voor ons en voor haar gestorven zijt.

O Maria! vergeet niet. dat gjj onder het kruis onze moeder geworden zijt. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet. Ontferm U onzer. O God, wees ons. Heer. geef haar, enz. Zie eerste slatie.

-ocr page 610-

— 592 —

lïcrtiende Statie.

Jesus wordt van het kruis afgedaan.

Wij aanbidden U, enz.

Ziedaar, Maria, uwen zoon Jesus: ontvang Hem voor de laatste maal op uwen schoot. Neem de doornen niet eerbied uit zijn hoofd . . . Bezie zijn geheel lichaam en besproei het met uwe tranen . . . Maria, hoe waart gij toen te moede? Mij dunkt dat uw hart met zeven zwaarden van droefheden werd doorstoken en van liefde kwijnde. 0 Maria, doe mij thans in uwe droefheden en liefde deelen : cn wanneer mijne ziel van de wereld zal scheiden, ontvang haar

dan in uwe armen..... Vergeet echter

de geloovige zielen ook niet. .. aanschouw haar Ijjden. Laat uwe tranen bij het kruishout vergoten op haar vloeien, opdat de vlammen gebluscht en zij voor Gods troon gebracht worden; om Mem eeuwig te aanschouwen. Amen.

Onze Vader. Wees gegroet. Ontferm U onzer. 0 God, wees ons. Heer, geef haar, enz. Zie eerste statie.

Vcertiemlc Statie.

Jesus wordt in een nieuw graf gelegd.

Wij aanbidden U, enz.

() ziel, voeg u bij deze lijkstaatsie. .lesus,

-ocr page 611-

Uw God en uw al wordt begraven! Gij ook gij zult u spoedig ter couwige rust ueder-leggen. Do gcloovige zielen, velen uwer kennissen hebben reeds dit lot ondergaan: hunne lichamen zijn door de wormen verteerd. terwjjl de zielen nog worden gefolterd in bet vagevuur. . . Hoe vurig verlangen zij God to bezitten. Lieve losiis, ik maak nu een vast vnornemmi. mij voortaan met allen ijvi\'i4 va-i mijne plichten te kwijten, om na mijnen nood iii:\'t gepijnigd te worden. Ik zal nu voor imjne zonden boeten en uit liefde tot U gaarne alles lijden. Ik smeek U, dierbare .lesus, tot de geloovige zielen neder te dalen en haro boeien los te maken . opdat zjj met U ten hemel opvliegen.

O Maria, denk aan de tranen, die gjj bjj Jesus\' graf gestort hebt en heb medeljjden met de zielen in het vagevuur.

Onze Vader. Wees gegroet. Ontferm U onzer. O God, wees ons. Heer, geef haar, enz. Zie eerste statie.

SI.UITOKin D.

O God, ik bedank U voor de genade, die Gij mij op den kruisweg verleend hebt: ontvang deze oefening tot verlichting Van do zielen in hot vagevuur en maak de zielen vu Ti NT. N. aan de aflaten deelachtig.

O God, heb medelijden met de geloovige

3s

-ocr page 612-

— 59i —

zielen, die zoo vurig wensclien U te bezitten en tot ons smachtend verzuchten opdat wij haar zouden te hulp komen. O barmhartige God, wees haar genadig! Hoe smartvol is het voor haar uw aanschijn te derven. — De liefde trekt ze tot U, maar uwe rechtvaardigheid houdt ze terug! — U niet bezitten is de grootste aller straffen. O God, ik bid U, heb medelijden met haar: zij immers zijn uwo vrienden , uwe bruiden, uwe kinderen, voor welke Gij reeds eene plaats in den hemel bereid hebt. Welke vernederingen , armoede en pijnen heeft Jesus niet voor haar geleden! Ach . wees haar om zijnent wil barmhartig. Gedenk daarbij, o God , dat die zielen tempels van God den H. Geest zijn, in welke Hij woonde, zielen die in zijne liefde uit de wereld zjjn gescheiden. Vergeef, bid ik U, door de verdiensten van Jesus Christus al hare schulden; dit zal tot uwe eer verstrekken, want in den hemel zullen zjj onophoudelijk met de Engelen zingen: heilig, heilig, heilig!

U God, vergeet mij ook niet: gedenk, dat ik aan zoo vele gevaren van zondon ben blootgesteld: versterk mjj, opdat ik u nooit meer vergramme, want de zonden mishagen U zoo zeer, dit Gij genoodzaakt zijt om ons te straffen. O God, versterk mij, opdat ik de zonden nauwkeurig ver-mijde en alles in een zuiver inzicht verrichte, alleen om U te behagen.

-ocr page 613-

— 595 —

O Maria, open voor ons en voor de zielen in het vagevuur de ingewanden uwer barmhartigheid en bid voor ons. Amen.

Voeg hier nog bij 5 Onze Vaders, 5 Wees gegroet en 5 Eere zij den Vader, enz. ter eere van de vijf wondan van Christus, — en 1 Onze Vader, 1 Wees gegroet en 1 E^re zij den Vader tot intentie van Z. H. den Paus.

KORTE GEBEDEN VERRIJKT MtT AFLATEN toevoegelijk aan de geloovige zielen.

Heilig, heilig, heilig de Heer God der heirscharen: de aarde is vol van uwe heerlijkheid: eer zij den Vader, eer zij den Zoon, eer zij den H. Geest.

100 dagen aflaat dagelijks eenmaal. Vollen aflaat eenmaal in de maand te verdienen, indien men iederen dag dit {iebed stort, biecht, com niuniceert en bidt til intentie van \'A. Heiligheid den Paus. Clemens XIV, 26 Junii 1770.

Dat de allerrechtvaardigste, allervorhe-venste en allerbeminnenswaardigste wil Gods geschiede, dat hij geloofd en in alle eeuwigheid boven alles verheerlijkt worde.

100 dagen eenmaal daags: een vollen aflaat eenmaal te verdienen in het jaar op een dag naar goedvinden, indien men dagelijks dit gebed bidt, biecht, communiceert en bidt tot intentie van Ziine Heiligheid. Pius VII, 19 Maii 1818.

Eeuwige Vader, ik offer U op het dierbaar bloed van Jesus Christus tot delging

bezit-opdat barm-imart-3 der-r uwe ü niet | God,

;ij im-, uwe plaats •nede-s niet ir om bij. o d den zielen n ge-e ver-ilden; mt in iet de

denk, ondon t ik u onden Izaakt rsterk 5 ver-t ver-

-ocr page 614-

— 596 —

mijner zonden en voor de noodzakelijkheden der H. Kerk.

100 darren aflaat, zoo dikwijls men dit gebed met godsvrucht en aandacht bidt. Pius VII, 29 Martii 1817.

Lof en dank zij nu en ten allen tijd aan het allerheiligste en Goddelijk Sacrament des altaars.

100 dacen aflaat eenmaal daaes: 300 dagen op alle de donderdagen van het gtheelu jaar en vollen aflaat eesimaal in de maand door h»\'n te verdienen die het dagelijks bidden onder de gewone voorwaarden als boven. Pius VI, \'24 Maii 1776.

Mijn Jesus barmhartigheid.

100 dagen aflaat iederen keer als men het bidt, Leo XII, 1824 en Pius IX, 23 Sept. 1857.

Jesus, mijn God, ik bemin U boven alles. 50 dagen aflaat. Pius IX, 7 Maii 1854.

Zoetste Jesus, wees mij niet een rechter maar een zaligmaker.

50 dagen aflaat: vollen aflaat te verdienen onder de gewone voorwaarden door hen, die dagelijks dit gnlied verrichten : eenmaal in het jaar op den feest.Isg van den H Hieronymus Aeinihanus 20 Juli.

Bemind zij overal het allerheiligste Hart van Jesus!

100 dagen aflaat eenmaal daags. Pius IX, 23 Sept. 1800 aan den overste der Missionarissen te Issoudun.

Jesus zachtzinnig en nederig van harte, maak mijn hart gelijk aan het uwe. 300 dagen aflaat. Pius IX, 25 Jan. 1868.

-ocr page 615-

- 597 —

Het kruis is mijn zeker heil, het kruis wil ik altijd aanbidden, het kruis des Hee-ren is met mij, het kruis is mijne toevlucht.

30U dagen eenmaal daags. PiuslX, 21 Jan. 1874.

Jesus, Maria, .losepli! ik schenk u mijn hart, mijn geest on mjjii loven. Jesus, Maria, Joseph! staat mjj bij in den doodstrijd. Jesus. Maria, Joseph! dat mijne ziel in vrede met u schelde.

3U0 dagen allaat iederen keer als men het bidt. Pius VII, 2S Apr. 1807.

Zoet hart van Maria, wees mijne toevlucht!

300 dagen iederon keer als men liet bidt: vollen aflaat eenmaal in de maaud onder de gewone voorwaarden als hoven.

Dat het Goddelijk Hart van Jesus en het allerzuiverste hart van Maria overal en ten allen tjjde worden gekend, geloofd, gezegend, bemind, gediend en verheerlijkt.

6ü dagen eenmaal daa^\'.s: vollen aflaat te verdienen op de feestdag(\'ti van de Geboorte, hemelvaart en van het H hart van Maria, door hen, die gedurende den \\an het jaar dagelijks dit gebed bidden onder de gewone voorwaarden.

In uwe ontvangenis, o Maagd Maria, zijt gij onbevlekt geweest; bid voor ons den Vader, wiens Zoon, Jesus, gjj door den H. Geest hebt ontvangen en gebaard.

100 dagen aflaat zoo vaak men dit gebed herhaalt. Plus VI, 21 Nov. r,lt;B.

Gezegend zij do heilige er. onbevlekt ontvangenis der allerzaligste Maagd Maria!

10() dagen aflaat. Pins yi, 21 Nov. 1793.

-ocr page 616-

— 598 —

O Maria, gij die zonder zondo de wereld zijt ingetreden, verwerf mij van God de genade dat ik zonder zondelast uit deze scheide.

100 dasen aflaat dagelijks eenmaal. Plus IX, 27 Marl. 1Ö63.

Engel Gods, die mjjn bewaarder zijt, verlicht mij, bewaar mij, begeleid mij en regeer mjj, gij, o Engel, wien ik door de Goddelijke voorzienigheid ben toevertrouwd.

100 dagen aflaat zoo dikwijls men dit gobed herhaalt. Pms VII, quot;15 Mail 18;21.

LITANIE,

Heer, ontferm U over ons, §

Christus, ontferm U over ons. IL

Heer, ontferm U over ons, g g

Christus, hoor ons. 2.

Christus, verhoor ons, quot;tS ^

God hemelsche Vader, g ®

God Zoon, Verlosser der wereld. 2. lt;3 God heilige Geest, = p.

Heilige Drieeënheid, een God,

H. Maria, bid voor hen (hem of haar). H. Moeder Gods, bid voor hen (hem of haar.

H. Maagd der maagdon, bid voor hen (hem of baar .

II. Michaël, aartsengel, bid voor hen (hem of haar),

-ocr page 617-

— 59!) —

Alle H. kooren der zalige Geesten, bidt

voor hen (hem of haar).

H. Joannes de dooper,

H, Joseph,

Alle H. Aartsvaders en Propheten, H. Petrus, St

H. Paulus, ~

H. Joannes, quot;c-

Alle H. Apostelen en Evangelisten, gr H. Stephanus,

H. Laurentius, 6

Alle H. Martelaren, °

H. Gregorius,

H. Ambrosius, 3

H. Augustinus, O

H. Hieronymus, g

Alle II. Bisschoppen en Belijders,

Alle H. Leeraars, 2-,

Alle H. Priesters en Levieten, —

Alle II. Monniken of Kluizenaars, i

II. Maria Magdalena,

H. Cafharina,

H. Barbara,

Alle II. Maagden en Weduwen,

Alle Gods lieve Heiligen,

Wees genadig, spaar hen (hem of haar) o Heer.

Wees genadig, verhoor ons voor hen (hem

of haar) o Heer.

Van alle kwaad, verlos hen (hem of haar)

o Heer.

Van uwe gramschap ,

-ocr page 618-

— GOO —

Vmi do pcstrcnghi id uwer rechtvaardigheid,

verlos hou (lictTi of haar) o Heer. Van langdurige pijnen,

Van den kiujjtnUen womi des geweterB, Van liet ijseiyk vuur,

Van eene langdurige droefheid,

Van de ondragelijke koude,

Van de verschiikkelijke duistenjissen, Van het schromelijk weenen en klagen, o Door uwe wonderbare menschwording, 5-Door uwe heilige geboorte,

Door uw allerzoetsten naam.

Door uw heilig doopsel en vasten, =

Door uwe diepe vernederii g, s*

Door uwe vaardice gehoorzaamheid, g Door uwe oneindige liefde, 0

Door uwe benauwdheden en kwellingen, ^ Door uw bloedig zweet, S

Door uwe banden en boeien, ^

Door uwe doornen kroon, 0

Door het dragen van uw kruis, _

Door uw bitteren dood, gquot;

Door uwe allerheiligste wonden, r-

Door uw kruis en bitter lijden,

Door uwe heilige verrijzenis.

Door uwe wonderbare hemelvaart,

Door de komst van den 11. Geest, den

vertrooster,

In den dag des oordeels,

VVjj zondaars , wij bidden U , verhoor ons.

Die de zondares vergiffenis verleend en den

-ocr page 619-

— 601 —

t

moordenaar verhoord hebt, wij bidden u, verhoor ons.

Die uit genade zalig maakt.

Die de sleutels des doods en der helle

hebt, „

Dat gjj onze ouders , vrienden en wel-doeners uit de verschrikkelijke vlam- c* men wilt verlossen , g

Dat (Jij alle de overledene geloovigen 2 van hunne pijnen wilt bevrijden, quot;

Dat Gij U over hen, die geene bijzondere-quot; voorbidders op deze wereld hebben, ^ wilt ontfermen, g.

Dat Gij hen allen sparen en hun vergif- §

fenis der straften wilt schenken.

Dat Gij hunne verlangens wilt vervullen, § Dat Gjj hen in het gezelschap der uit- ■°°

verkorenen wilt opnemen.

Zoon Gods,

Lam Gods, dat wegneemt do zonden dei-wereld, geef hun (hem of haar) de ruste. Lam Gods, dat wegneemt de zonden dei-wereld, geef hun (hom of haar) de ruste. Lam Gods , dat wegneemt de zonden dei-wereld, geef hun vliem of haar) de eeuwige ruste.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, ontferm U onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Onze Vader en?.

-ocr page 620-

— 602 —

V. En leid ons niet in bekoring.

li. Maar verlos ons van den kwade.

V. Van de poort der hel.

R. Verlos Heer hare zielen.

V. Dat zij rusten in vrede.

F!. Amen.

V. Heer, verhoor mjin gebed.

R. En mijn geroep kome tot U.

Laat ons hidden.

O God. Schepper en Verlosser van alle geloovigen, verleen aan de zielen uwer dienaren en dienaressen ve-geving van al hunne zonden , opdat zij ce kwijtschelding, naar welke zij altoos verlangden, op ons ootmoedig smeeken, mogen verwerven. Amen.

V. Heer, geef hun de eeuwige rust:

R En het eeuwige licht verschijne hun.

V. Dat de zielen der afgestorvenen, door de barmhartigheid Gods rusten in vrede.

R. Amen.

DE VESPERS OF HET AVONDGEBED.

Psalm 114.

Toezang: Ik zal den Heer in het land der levenden behagen.

-ocr page 621-

— G03 —

i. Ik bemin den Heer omdat Hij de stem mijner bede verhoort.

•i. Omdat Hij zijn oor naar mij geneigd heeft, daarom zal ik Hem in mijne dagen aanroepen.

3. De doodsangsten omringden mij, en de gevaren der hel overvielen mij.

4. Ik vond kwelling en smart; en riep den naam des Heeren aan

5. Verlos, o Heer, mijne ziel. De Heer is barmhartig en rechtvaardig, onze God ontfermt zich.

0. De Hoer beschermt de kleinen ; toen ik vernederd was, bevrijdde Hij mij.

7. Keer, mjjne ziel in uwe rust in ; want de Heer heeft u welgedaan.

8. Want Hjj heeft mijne ziel van den dood bevrijd; mijne oogen van de tranen en mijne voeten van den val.

9. Ik zal den Heer in het land der levenden behagen.

Heer, geef hun de eeuwige rust;

En het eeuwige licht verlichte hen.

Toezang: Ik zal den Hoer in het land der levenden behagen.

Psalm 110.

Toezang: Wee mij, o Hoer, dat mjjne vreemdelingschap zoo lang duurt.

1. Ik riep in m[jn rampspoed tot den Heer; en Hij heeft mij verhoord.

-ocr page 622-

— 604 —

2 Heer, bevrijd mijne ziel van de booze lippen en van de bedricgelijke tong.

3. Wat zal men u geven, of\' u tot eene valsche tong bijvoegen?

4. Scherpe pijlen eens machtigen en verwoestende kolen.

5. Wee mjj, dat mijne vreemdelingschap zoo lang duurt, dat ik bij de inwoners van Cedar wone, langen tijd is mijne ziel eene vreemde geweest.

6. Ik was jegens hen, die een vrede haatten , vredelievend ; als ik hen toesprak, bestreden zij mij zonder reden.

Heer, geef hun de eeuwige rust;

En het eeuwige licht verlichte hen.

Toezang: Wee mij, o Heer! dat mijne vreemdelingschap zoo lang duurt

Psalm 120.

Toezany: De Heer behoede u voor al hot kwaad; de Heer beware uwe ziel.

1. Ik heb mijne oogen naar de bergen opgeheven; van waar mij hulpe komen zal.

\'i. Mijne hulp komt van den Heer; die hemel en aarde gemaakt heeft.

3. Hij late uwen voet niet uitglijden; Hij sluimere ook niet die u behoedt.

4. Zie, Hij die Israel bewaart zal niet sluimeren noch slapen.

5. De Heer behoede u, de Heer is uwe hpacherming; Hij is aan uwe rechterhand.

-ocr page 623-

— 605 —

6. Op den dag zal u de zon niet branden, noch de maan des nachts.

7. De Heer behoede u roor al het kwaad; de Heer beware uwe ziel.

8. De Heer beware uwen ingang en uwen uitgang; van nu af tot in eeuwigheid.

Heer, geef hun de eeuwige rust;

En hot eeuwig licht verlichte hén.

Toi\'za\'n:7; De Heer behoede u voor al liet kwaad; de Heer beware uwe ziel.

Psalm 1\'29.

Toezang. Zoo Gjj de ongerechtigheden gadeslaat, o Heer! Heer, wie zal er bestaan?

1. Uit de diepte roep ik tot U, o Heer! Heer, verhoor mijne stem.

2. Laat uwe ooren opmerkzaam zijn op de stem mjjner smeekingen.

3. Zoo Gij de ongerechtigheden gadeslaat, o Heer! Heer, wie zal er bestaan?

4. Want bjj U is genade, en om uwe wet heb ik U verbeid, o Heer!

5. Mijne ziel heeft op zijn woord verbeid ; mijne ziel heeft gehoopt op den Heer.

6. Dat Israel van den morgenstond af tot den nacht toe op den Heer hope.

7. Want bij den Heer is barmhartigheid en bij Hem is overvloedige verlossing.

8. En Hjj zal Israel verlossen van alle zijne ongerechtigheden.

Heer, geef hun de eeuwige rust;

En het eeuwige licht verlichte hen.

-ocr page 624-

— 606 —

Toezang: Zoo Gij de ongerechtigheden gadeslaat o Heer! Heer, wie zal er bestaan.

Psalm 137.

Toezang: Veracht de werken uwer handen niet, o Heer !

1. Ik zal U, o Heer, uit geheel mijn harte loven, omdat GjjJ de woorden mijns monds gehoord la-bt.

2. ik zal U in het aanschouwen der Engelen lofzingen ; ik zal in uw heiligen tempel aanbidden en uwen naam prijzen.

3. Wegens uwe barmhartigheid en uwe waarheid; want Gij hebt uw heiligen naam boven alles groot gemaakt.

4. Ten welken dage ik U aanroepe; zoo verhoor mij: Gij zult de kracht in mjjne ziel vermeerderen.

5. Dat alle de koningen der aarde U prijzen, o Heer; want zij hebben al de woorden uws monds gehoord.

C. En dat zij de wegen des Heeren bezingen ; doordien de heerljjkheid des Heeren groot is.

7. Want de Heer is hoog verheven en ziet op het nederige; het hooge kent hij van verre.

8. Als ik ook in het midden der verdrukking wandele; zoo zult Gij mij in het leven behouden; Gij hebt over den toorn mijner vijanden uwe hand uitgestrekt; en uwe rechterhand heeft nnj verlost.

-ocr page 625-

— 607 —

Hol.. quot;e IIet!r za\' T00r mü vergelden: o \' \' ,u.we barmhartigheid duurt eeuwig; veracht de werken uwer handen niet.

neer, geef hun de eeuwige rust-tn het eeuwige licht verlichte hén.

oezaquot;0: Veracht de werken uwer handen niet, o tl eer!

„^rs:, \'j. heb eene 8tl\'m uit den hemel gehoord, die tot mij sprak;

Antw- Zalig zijn de dooden, die in den Heer sterven.

Toezan;,: Al wat mij de Vader geeft, zal tot mij komen: en ik zal hem, die tot mij Komt, met buiten werpen.

Igt;e lofzang der nllcrlielligfite Maagd.

Lucas 1.

1. Mijne ziel maakt groot den lieer.

2. En mijn geest verheugt zich in God mijnen Zaligmaker.

•i. Want Flij heeft de nederigheid zijner dienstmaagd aangezien ; want ziet, van nu af zullen mij al de geslachten zalig spreken.

4. Want Uij heeft mjj groote dingen bewezen , die machtig is; en zijn naam is heilig.

5. En zijne barmhartigheid strekt zich uit van geslacht tot geslacht over hen, die Hem vreezen.

. .ij- H|J \'jeeft door zijnen arm kracht doen blijken; Hij heeft hen verstrooid, die in de gedachten huns harten hoovaardig waren.

-ocr page 626-

— (jü8 —

7. Hij heoft de machHgen van hunnéri troon afgezet, en de nederigen verhoogd.

8. De hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en de rijken ledig weggezonden.

9. Zjjner barmhartigheid gedachtig, heeft Hij Israel zijn kind aangenomen.

*10. Gelijk Hij tot onze ouders heeft gesproken : tot Abraham en zijn zaad in eeuwigheid.

lieer, geef hun de eeuwige rust;

En het eeuwige licht verlichte hen. Toezunc;: Al wat mij de Vader geeft, zal tot mij komen; en ik zal hen, die tot mij komt, niet buiten werpen.

Onze Vader. enz.

Vers. En leid ons niet in bekoring.

Antiv. Maar verlos ons van den kwade,

Wanneer de getijden voor de overledenen met negen psalmen eti negen lessen worden gebeden, zoo billt men niet den navolgenden psalm oLoot mijne ziel den Heer, enz. maar wel de uaaniu volgende verzen, antwoorden en het bijtondergebed,

PSAI.M 145.

Loof mijne ziel den Heer; ik zal den Heer in mijn leven loven; ik zal mijnen God lofzingen, zoo lang ik zijn zal.

\'2. Wilt niet op vorsten vertrouwen, op menschenkinderen, bij wien geen heil is.

3. Zijn geest zal er uitgaan, en het zal in deszelfs aarde terugkeeren; ten dien dage zullen alle hunne gedachten vergaan.

-ocr page 627-

— 609 —

4. Gelukkig hij, die den God van Jacob tot een beschermer heeft, die op den Heer zijnen God hoopt, die hemel en aarde, de zee en alles wat daarin is, gemaakt heeft.

5. Die eeuwig de waarheid bewaart, die hen, welke onrecht lijden, recht doet wedervaren ; en den hongerlgen spijze geeft.

6. De Heer ontbindt de geklui\'sterden; de Heer verlicht de blinden.

7. De Meer reikt de neergeslagenen op-de Heer hoeft de rechtvaardigen lief.

8. De lieer bewaart de vreemdelingen : Hij zal de weezen en weduwen beschermen; en de wegen der zondaars vernielen.

9. De Heer zal eeuwig heerschen, uw God, o Sion! van geslacht tot geslacht.

Heer, geef hun de eeuwige rust;

En het eeuwig licht verlichte hen.

Vers. Van de poort der hel;

Antw. Verlos, o Heer, hunne zielen.

Vers. Dat zij in vrede rusten.

Antw. Amen.

Vers O Heer! verhoor mijn gebed.

Antw. En mijn geroep kome tot U.

ALÖEMEENE GEBEDEN.

Voor de afgeDtorrene bUnohoppen rm prlmlem.

0 God, die uwe geestelijke dienaars onder de apostolische priesters met de bisschoppe-

Gel. zisleii. 39

-ocr page 628-

— 610 —

lijko (of priesterljjke) waardigheid begaafd hebt: geef, bidden wij-, dat zij ook in hun gezelschap in alle eeuwigheid mogen leven; door Christus onzen Heer. Amen

Voor eenea man, die overleden Id.

Wij bidden U, o Heer! ontbind de ziel van uwen dienaar N.: opdat hij der wereld afgestorven, voor U leven moge: en reinig hem door de genade uwer bannhartigste goedertierenheid van al hetgene hij dnor de broosheid des vlcesches in zjjn menschelijken omgang misdaan heeft. Door Christus onzen Heer Amen.

Voor »«der en moeder wnnneer xi} beiile overleden zijn.

O God, die ons bevolen hebt, vader en moeder te eeren, ontferm U goedgunstig over de ziele mijns vaders en mijner moeder, en vergeef hunne zonden ; en maak, dat ik hen in de vréugde des eeuwigen lichts moge aanschouwen.

Voor Bfgentorvene broeder», bloedver-wnnten en weldoeners»

O God, uitdeeh r der genade, en m\'nnaar der zaligheid der menschen ; wij bidden uwer goedertierenheid wil de broaders, bloedverwanten en weldoeners onzer vergadering

-ocr page 629-

— 611 —

die uit doze wereld gescheiden zijn. dooide voorbede der H. Maria altijd maagd met allo nwe Heiligen de gemeenschap der eeuwige zaligheid verleenen. Door Christus onzen fleer. Amen.

Toor een |ierNoon vnu liet mannelijk gCNlatlit.

Verleen, o Heer, een gunstig oor tot onze bede, waardoor wij uwe goedertierenheid ootmoedig smeeken: dat Gij de ziel van uwen dienaar, welke Gij uit deze wereld hebt doen scheiden in het land van vrede en licht verplaatsen en de gemeenschap uwer Heiligen wilt deelachtig doen worden. Door onzen Heer Jesus Christus uwen Zoon, die met U leeft en heerscht in de eenheid des heiligen Geestes God in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Voor een pertioun v«n het vrouwelijk genlarht.

Wij bidden U, o Heer, ontferm U volgens uwe goedertierenheid over de ziel uwer dienares, en herstel haar nu van de besmettingen der sterfelijkheid gezuiverd, in het erfdeel der eeuwige zaligheid. Door onzen Heer, enz. Amen.

HIJ een Jenrggt;etlJde.

O God, Heer der vergiffenis! geef de ziel

-ocr page 630-

612

van uwen dienaar (of dienares) waarvan wij de verjaring van den begraafdag heden gedachtig zijn de plaats der verkwikking, de zaligheid der rust en de klaarheid des lichts. Door Christus onzen Heer. Amen.

Uebed op «llcrzlelendag.

O God, schepper en verlosser van al de geloovigen, verleen de zielen uwer dienaars en dienaressen vergiffenis van alle hunne zonden; opdat zij de genadige kwijtschelding, naar welke zij altijd verlangd hebben door godvruchtige gebeden mogen verwerven. Die leeft en heerscht met God den Vader, in de eenheid des H. Geeates.God in al de eeuwen der eeuwen. Amen.

Vers. Heer, geef hun de eeuwige rust;

Antw. En het eeuwige licht verlichte hen.

Vers. Dat zij in vrede rusten.

Antiv. Amen.

Deze verzen worden ook achter de voorgaande gebeden gezegd.

-ocr page 631-

INHOUD.

Bladzijde :

Inleiding...........1

-15

\'22

20

35

iO

EERSTE DEEL.

J. Aalmoezen geven en goede werken doen voor de geloovige zielen is eene voortreffelijke godsvrucht ....

2. De christen berooft zich zeiven van vele genaden indien hij de geloovige zielen niet bijstaat.......

3. God verhoort de gebeden die door godvruchtige genootschappen voor de geloovige zielen verricht worden

4. Het uitstel der bekeering tot in het doodsuur is de schuld , dat de ziel veel moet Ijjden in het vagevuur

5. De barmhartigheid jegens de geloovige zielen bewerkt het heil der ziel en dikwijls de gezondheid des li-chaams.........• .

lt;5. Hoe de nuttelooze woorden in het vagevuur gestraft worden ....

7. Eene ziel wordt tot afboeling harer straf naar de aarde terug gezonden

-ocr page 632-

— 614 —

Bladzijde :

8. Wij verschaffen door te bidden en te vasten groote verlichting aan de zielen in het vagevuur.....45

9. Voorspraak van eene vrouw die vol geloof is..........40

■10. De hemel beschut de rechtvaardigen 54

11. Christina\'s martelaarschap der liefde tot lafenis van de geloovigc zielen

in het vagevuur.......00

12. Maria de Moeder van God is ook de moeder der geloovige zielen in

het vagevuur........65

13. God schenkt aan de Heiligen in den hemol groote genaden ten gunste van

de lijders in het vagevuur . . . 6!)

14. Vele zielen worden uit het vagevuur verlost door de gebeden van een Heilige.........

15. De smarten van een overledene vallen ten deel aan een levende . . 78

16. De dankbaarheid der geloovige zielen jegens hare weldoeners ... 82

17. De straften des vagevuurs schijnen den geloovigen zielen van langen duur...........

18. Het Ijjden in het vagevuur is in evenredigheid van het bedreven kwaad 97

19. De hemel zegent hen, die voor de lijders in het vagevuur bidden . . 101

20. Ondankbaarheid der erfgenamen jegens hunne weldoeners.....107

-ocr page 633-

— 615 —

Bladzijde :

\'ül. De lijdende zielen bedanken quot;hare

weldoeners . . . . quot; . . . .112 quot;22. Te vergeefs verwacht men in het vagevuur de hulp van anderen , als meu op de aarde geene goede werken verricht heeft......116

23. Eene ziel krijgt vermindering van straf omdat zij in haar leven een kleed heeft weggeschonken . . .122 ■2i. Het vreeselijk lijden der geloovige zielen, die op de wereld ergernis

hebben gegeven ....... 120

■25. Wie het hemelrijk wil binnengaan,

moet rein zijn van alle vlekken . 131 20. Bewonderingswaardige gemeenschap tusschen de levenden en de overledenen ...........137

quot;27. Eene kleine voorspraak verlost de

zielen van een groot lijden . . .144 28. Wonderbare droomen verwekken vrees voor den dood en het vagevuur ...........149

^20. De overvloedige aflaten zullen de armoede der overledenen verzachten ............152

Ï50. De Heiligen die wjj in ons leven vereerd hebben , helpen ons na onzen dood..........157

31. Wie op de aarde raet gelatenheid lijdt, blijft van de vlammen des va-gevuurs bevrijd.......162

-ocr page 634-

— 616 —

Bladzijde

32. Heilige woeker van hen, die hunne goede werken aan de geloovige zielen toevoegen.........167

33. Het bloed van Christus reinigt in het H. Misoffer de zielen van alle vlekken en zonden......171

34-. Beter is het verzekerd te zyn , dat men in het vagevuur komt, dan te leven in het gevaar van te zondigen ...........174

35. De rechtvaardigen zjin niet eens rein in de oogen van God . . .181

36. De verlossing der zielen tit het vagevuur volgt eerst dan als zij geheel en al aan de Goddelijke rechtvaardigheid voldaan hebben . . .185

37. Het rozenkransgebed is zeer heilzaam voor de geloovige zielen . . ISO1

38. Verlichting van de pijnen des va-gevuurs..........195-

39. De zielen in het vagevuur beschermen hare weldoeners tegen hunne vijanden..........198

40. De liefde tot de geloovige zielen is vindingrijk.........201

41. Eene ontslapene vat eene levende bij de hand en smeekt haar om hulp...........207

42. De geloovigo zielen helpen hare weldoeners .........210

43. De Communie verschaft aan de

-ocr page 635-

— 617 —

Bladzijde r

zielen in het vagevuur een grooten troost...........21 ï

44. De H. Communie bevrijdt van lijden in deze wereld en aan gene zijde des grafs.........217

45. De vergiffenis van eene zware be-leediging schenkt bevrijding van een streng vagevuur.......221

46. Waarde van het H. Misoffer voor

de overledenen........ 226-

47. De overledenen leeren ons onderwerping aan den Goddelijken wil. 229

48. De vereering eens Heiligen bevrijdt eene ziel uit het vagevuur . . . 232

49. Liefde der Engelen tot de geloovige zielen...........237

TWEEDE DEEL.

Inleiding...........241

1. Een groot zondaar wordt door eene ziel des vagevuur» gered .... 247

2. De geloovige zielen in het vagevuur geven antwoord op de gebeden, die voor haar gedaan worden .... 253

3. In de allerheiligste Maagd Maria vinden wij de hoop op eene spoedige verlossing uit het vagevuur. . . . 25(gt;

4. De duivel klaagt den overledene op het zwaarste aan.......261

-ocr page 636-

— 618 —

Bladzijde:

S. Alwie de geloovige zielen des vage-vuura niet te hulp komt, moet lang

in het vagevuur lijden.....265

•6. De geloovige zielen beschermen hare weldoeners op eene wonderbare wijs tegen hunne vijanden.....269

7. Verschijningen en openbaringen uit

het andere leven.......273

8. De gehoorzame behoeft niet lang

in het vagevuur te lijden .... 278

9. Liefdevolle overgaaf voor de zielen

des vagevuurs........282

10. Naar de maat der goede werken, die zij in haar leven verricht hebben , zullen de geloovige zielen des vagevuurs deel hebben in onze gebeden ...........288

\\\\. Maria voert op den feestdag harer hemelvaart vele zielen ten hemel 291

12. Het goede, dat wij in ons leven hebben gedaan, wordt na den dood rijkelijk beloond.......295

13. Groot en hevig zijn de pijnen in

het vagevuur........298

14. De vrees van het vagevuur beteugeld de zinnelijkheid.....303

15. Smartvol geklaag der geloovige zielen in het vagevuur......308

16. De grootste straf in het vagevuur is de derving van Gods aanschijn ...........313

-ocr page 637-

— 019 —

Bladzijde:

17. De straffen des vagevuurs zijn in evenredigheid der begane fouten 320

18. Dankbaarheid der zielen in het vagevuur ..........325

19. Het oog der Goddeliijke rechtvaardigheid ziet zelfs de geringste fouten 331

20. De geloovige zielen in het vagevuur roepen tot ons om hulp .....335

21. Wat wij Voor andere zielen doen,

komt onze ziel ten voordeel . . . 339

22. Buitengewone godsvrucht jegens de geloovige zielen in het vagevuur . 313

23. Kleine aalmoezen uit een goed hart gegeven verschaffen de geloovige zielen groote verlichting .... 348

24. Hoe rein wij moeten zijn in de oogen van God.......353

25. Door onrechtvaardig verworven goed wel te besteden kan men de lijdende zielen in het vagevuurr hulp verwerven ..........357

26. De oprechte naastenliefde volgt de lijdende zielen aan gene zijde d s

_ grafs...........363

27. Openbaringen van de andere zijde

des grafs..........367

28. Waaide van het lijden, dat wij op

de aarde verdragen......371

29. Het gebed van den reahtvaardige ontwapent den vertoornden arm van God.......• . . . 37«

-ocr page 638-

_ 620 —

Bladzijde :

30. Eene straal van hemelsch licht in

het vagevuur........382

31. Wie gedurende zijn leven de 11. Sacramenten versmaadt, valt na den dood in de handen der Goddelijke rechtvaardigheid.......387

32. Verhooring onzer gebeden . . . 302

33. God openbaart somtijds het lot der overledenen ter onderrichting der levenden..........395

34. Een kort gebed zelfs helpt de ge-loovige zielen........^01

35. Het gebed des rechtvaardigen voor de geloovige zielen in het vagevuur

is zeer heilzaam.......\'06

36. Maria beschermt een barer vereerders , die haar aanroept ten gunste van de geloovige zielen . . . . 413

37. Het goud en zilver der deugden moet dikwijls in het vagevuur gelouterd worden.......417

38. De aalmoezen , die wij geven tot lafenis der geloovige zielen, worden zeker beloond........421-

39. De geloovige zielen des vagevuurs roepen uwe gebeden in .... 428

40. God wil dat wij voor onze overledene ouders en verwanten bidden . 433

41. De zielen moeten in het vagevuur blijven , totdat zij den laatsten penning betaald hebben .....438

-ocr page 639-

— 621 —

Bladzijde :

42. De zielen, die uit het vagevuiir verlost zijn, snellen hunne weldoeners na den dood te gemoet . . . 443

43. Een tweevoudig wonder .... 4i8

44. Wie niet luistert naar Gods woord wordt in het vagevuur bestraft . . 452

45. Werkzame liefde tot de geloovige zielen in het vagevuur.....458

46. Heilige gemeenschap tusschen de lijdende en strijdende kerk . . . 402

47. l)e liefde jegens vrienden en verwanten mag geen einde nemen met den dood.........468

48. Het is dwaas op vreemde hulp te rekenen..........474

Besluit...........480

DERDE DEEL.

De heldenakt der liefde tot lafenis der

geloovige zielen ,.......487

Het vroeggebed........494

Het lofgebed.........520

Algeraeene gebeden . .....522

Gebeden onder de H. Mis voor de overledenen ..........533

Gebeden voor de H. Biecht .... 549

Gebeden na de H. Biecht.....553

Gebeden voor de H. Communie . . . 557 Gebeden na de H. Communie . . . 569

-ocr page 640-

— 62\'2 —

Bladzijde :

Kruisweeoefening . - • \' • • ; \' 580 Korte gebeden verrijkt met aflaten toe-voegehjk aan de geloovige zielen in

het vagevuur . .......^

Litanie voor de overledenen ■ • • • f3* De vespers of het avondgebed . . . -

-ocr page 641-
-ocr page 642-
-ocr page 643-
-ocr page 644-