RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
■
0534 2054
-4p ^
gids
DOOR HET
Stedelijk Museum van Oudheden
TE UTRECHT
1)001!
Mr. S. MULLER Fz.
Met illustratiën
^■v :x.
J. L. P.IOI.TKRS
ITJUOCHT
IsüJ
SN F.I PKUHDUt K VAN II. C. A. TIIIFMK TK NIJM K\' i K N •
Ons museum van oudheden is een der oudste in ons vaderland. Meer dan elders moeten te Utrecht voortbrengselen van oude kunst aanwezig geweest zijn, die bewaard verdienden te worden; maar ook meer dan elders zijn ze verwaarloosd, totdat de burgemeester jhr. mr. H. M. A. J. Van Asch van Wijck (men vindt zijn portret in de vestibule van hot museum) er zich op toelegde, te redden wat nog te redden viel. Hij was het, die zijne medeleden in het college van Burgemeester en Wethouders tot samenwerking opwekte, en tengevolge daarvan (1830) gemachtigd werd, nu en dan ITtrechtsche oudheden voor do stad aan te koopen. Het begin der verzameling was klein : het duurde tot 5 September 1838 eer het museum voor het publiek kon geopond worden. De collectie was toen geborgen in vier zalen op de bovenverdieping van het stadhuis en bevatte eenige oude beeldhouwwerken; uit de ütrechtsche kerken, geteekende stadsgezichten en schilderijen. Ten gevolge van de verbouwing van het stadhuis in 1844 werden successievelijk drie nieuwe zalen daarbij gevoegd, die gedeeltelijk voor nieuw verkregen voorwerpen (vooral schilderijen) noodig waren, doch ook vele heterogene en onbelangrijke zaken bevatten, bestemd om de te groote ruimte te vullen. In 1846 werd een begin gemaakt met den aanleg eener muntverzameling.
Zoo lang was er toenemende bloei merkbaar, maar reeds het aftreden van den burgemeester spoedig na de opening van het museum (1839) moet nadeelig gewerkt hebben ; de dood van zijn ijverin-en helper N. Van der Monde (1847) zal de belangstelling hebben doen verflauwen. Hoe hetzij, er volgde een lang tijdperk van achteruitgang en verwaarloozing. Wel werden voortdurend nieuwe aan-
1
2
winsten verkregen, maar de lust en de tijd, om die allo behoorlijk te exposeeren, ontbraken blijkbaar. De chef der stedelijke secretarie W. A. Boers en de archivaris J. W. L. Raven, aan wie achtereenvolgens het toezicht over archief en museum was opgedragen, waren te overladen met werkzaamheden van anderen aard, om de geheele reorganisatie van het museuni, die allengs noodig werd, ter hand te nemen. Op portalen, binnenplaatsen, zolders en bergplaatsen van het stadhuis en andere stedelijke gebouwen hoopten zich de nieuwe aanwinsten in volkomene wanorde op. Tot overmaat van ramp werd het museum in 1872 beroofd van zijne grootste aantrekkelijkheid voor het publiek, de stedelijke schilderijen, die naar het museum Kunstliefde overgebracht werden. Zoo vertoonde het museum tal van ledige vakken, wier getal nog had kunnen vermeerderd worden, indien alle daar niet thuis behoorende voorwerpen verwijderd waren. En toch bezat de gemeente veel, dat tot sieraad van het museum had kunnen strekken, maar dat nu voor het publiek onzichtbaar was en verwaarloosd werd. In dezen toestand (1873) werd het museum bezocht door d\'Amicis, die getuigde: „il palazzo municipale con-serva qualche vecchia chiave e qualche vecchio stendardoquot; en de verzameling daarmede aan de algemeene bespotting prijsgaf.
Toen ik in het begin van 1874 tot archivaris was benoemd, werd dan ook van een museum nauwelijks gerept. Met verwondering vernam ik uit de nieuwe verordening, dat „in het archiefquot; eenige „voorwerpen uit vroegeren tijd bewaard werden\', waarvoor ik zou hebben zorg te dragen. Reeds aanstonds bleek mij die zorg geene sinecure : het museum was ontoonbaar, en toch, zooals eene inspectie der stedelijke gebouwen my weldra toonde, zeer rijk. Spoedig werden voorstellen tot reorganisatie gedaan; een crediet werd toegestaan, en in October 1874 is het museum tijdelijk gesloten. Eerst 18 Januari 1875 werden de zalen heropend met een getal nommers, dcrtiymaal grooter dan hetgeen de laatste editie van de oude lijst der verzameling aangaf, terwijl bovendien het museum van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap thans voor het eerst voor het publiek toegankelijk werd gemaakt. De catalogus van het Stedelijk museum verscheen in 1878.
De toestand was nu dragelijk, en aan liet onderhoud werd voortdurend de hand gehouden. De vermeerderingen bleven toestroomen, en het was in eene dringende behoefte, dat voorzien werd door de opening in 1884 van eene nieuwe zaal. ledig gelaten door de ver-
tf
huizing van het oude archief. Bezoekers van buiten de stad kwamen geregeld iu grooten getale het museum bezichtigen. Levendig herinner ik mij, hoe Vosmaer na een bezoek aan de collectie mij opzocht, alleen om te vertellen, dat de bezichtiging hem „oen genotquot; was geweest. Enkele buitenlanders ^ wijdden zelfs in hunne reisherinneringen aan het museum eenige bladzijden, waarin zij Saftleven\'s teekeningen van de ruines van den Dom vermeldden en (volkomen terecht) het „poppenhuysquot; als een zeldzaam kunstwerk prijzen en beschrijven. Maar bij onze stadgenooten was het museum jiiet populair ; het was niet wat het zijn kon en moest. De collectie was ongelukkig geplaatst en niet gemakkelijk toegankelijk, en bovendien noodzaakte de aard der localiteit tot eene rangschikking der voorwerpen, die meer aan een pakhuis dan aan eene behoorlijk geordende verzameling deed denken.
Aan dien toestand is thans een einde gekomen. Indien een Utrechtsch burger voortaan (met den correspondent der Nieuwe Rotterdammer Courant) het er voor houdt, dat het museum voornamelijk of zelfs bij uitsluiting „naalden en spelden uit den steentijdquot; bewaart, dan heeft hij dit aan zich zeiven te wijten : eene verontschuldiging voor zijne onkunde bestaat niet meer. Toen in het voorjaar van 1888 het Hoogeland door de gemeente was aangekocht, verhieven zich reeds spoedig stemmen, die de wenschelijkheid betoogden, dat het woonhuis tot stedelijk museum werd ingericht. De gemeenteraad besloot daartoe op 25 April 1889 en op 1 October 1890 zijn do oude museumzalen op het stadhui» voor hot publiek gesloten.
Hot gebouw Hoogeland is in 1825 door den architect Suys gebouwd voor jhr. \\V. E. Ram; de beide vleugels zijn later toegevoegd door den architect Zoeher. De polychrome decoratie van de iu Griekschen stijl gebouwde gevels is gevolgd naar de in de laatste jaren ontdekte overblijfselen van dergelijke versieringen op tempels te Athene en Olympia, op Sicilië, in Klein-Azië enz. 2) Evenals het inwendige van het museum een beeld moet geven van do decoratie van oude vertrekken, levert hot uitwendige ons thans eene
\') G. II. Boughton, Sketching rainMcs in Holland. (1885.) — II. M. Donghty, Friesland meres. (1800.)
De ontwerpen van de decoratie zijn vervaardigd door nn wijlen den heer J. N. Land ré volgens mijne aanwijzingen, waarbij ik dankbaar gebruik maakte van de voorlichting der hh. dr. L. .1. Morell en F. .1. Xienwenhnis. De uitvoering van het decorath-ve schilderwerk is van onzen stadgenoot I. Viveen.
GIDS DOOR HET
voorstelling van de versiering van gevels in oude lijden, niet ge-phan taseerd, maar zooals volgens echte modellen de stijl van het gebouw medebrengt.
Nadat de noodige herstellingen en veranderingen in het buis waren verricht, werd in den nazomer van 1890 niet de inrichting daarvan tot museum begonnen. Eerst worden de groote voorwerpen volgons de vooraf ontworpen systematische indeeling der verzameling ingemetseld en vastgeümmerd, en in de laatste weken van 1890 heeft dc verbui-zing plaats gehad. Op 4 Juni 1891 is bet museum plechtig geopend.
Wenden wij ons uit de vestibule, versierd met eenige geteekende naam- en wapenborden van bestuurders van Utrechtsche gasthuizen en gilden, linksom, dan betreden wij de twee vertrekken, die het museum van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap en de aan de stad gelegateerde collectie van jhr. H. W\'. Bosch van Drakestein van Oud-Amelisweerd bergen. Beide bevatten uitsluitend voorwerpen uit de oudste perioden onzer geschiedenis, vooral Eomeinsche, doch ook voor-Germaansche, Germaansche en Frankische oudheden.
Het museum van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap werd in 1842 gegrondvest door den aankoop der verzameling van den bekenden oudheidkundige dr. L. J. F. Janssen, en in 1848 met de toen aangekochte collectie oudheden van den heer Balfoort naar het stadhuis overgebracht. Sedert is het herhaaldelijk (bet laatst in 1865) door schenking en aankoop van kleine partikuliere verzamelingen vermeerderd. Verreweg het grootste deel der collectie is afkomstig van opgravingen te Vechten, waar eene belangrijke Romein-sche vestiging bestaan beeft. Wat de opvolgende eigenaars van dit terrein, jkvr. Van Tuvil van Serooskerke de Pagniet en jhr. Bosch van Drakestein van Oud-Amelisweerd, merkwaardigs verzamelden, is hier bijeengebracht; en ook de kern der overige aangekochte collectien werd door Vechten geleverd. Ook de weinige voor-Germaansche steenen voorwerpen zijn grootendeels niet ver van bier, te Hilversum, gevonden. Maar de (iermaansche overblijfselen, die hier bewaard worden, stammen meestal uit verder afgelegen streken. De heeren Janssen en Kahuys groeven ze op in bet Kleefschc en in Noord-Brabant, en zij zijn dus bier eigenlijk misplaatst. Daarentegen zijn de Fraiikisehe voorwerpen weder bijna alle zuiver
4
STKDELIJK MUSEUM VAN OUDHEDEN.
Utrechtsch : de heeren Brugmans, Simons en Ivahuys verkregen 7.0 uit het in de I rankische pofiode zoo belangrijke Wijk bij Duurstede.
De eerste voorwerpen, waarop ik uwe aandaebt vestig, zijn de drie eenige nog bewaarde Romeinscbe voorwerpen van eenig belang,
f, GIDS DOOR HET
die in den bodem onzer gemeente zijn gevonden, en die gelukkig alle aan de stad Utrecht behooren. Links naast den ingang vindt gij het zware, zeer beschadigde altaar, dat in 1777 opgegraven werd in den tuin van een huis aan de Hamburgerstraat; daarboven prijkt het kleine marmeren Herculesbeeld, gevonden in den grond bij den kruitmolen in de Weerd. Beter bewaard is de groote grafsteen, die het volgende vertrek versiert en die omstreeks 1740 werd opgegraven op eene boerenplaats achter de Maliebaan.
De Germaansche grafurnen, die ge binnentredende rechts in de wandkast ziet, behagen door hun uiterlijk weinig; maar zij zijn merkwaardig, omdat zij ons den allerlaagsten trap der kunstindustrie aanschouwelijk voorstellen. Op den eersten aanblik onderscheidt men daarvan het dan volgende Romeinsche vaatwerk, edel van vorm en fijn van grondstof en bewerking, dat in de rijkversierde schalen en kommen van de roode terra sigillata (ge vindt eene küst vol fragmenten in de tweede zaal) zijn glanspunt bereikt. De tallooze kleine Eomeinsche lampjes, alle met ornamenten of beeldjes versierd, die in de eerste zaal geborgen zijn, behooren tot dezelfde soort van producten. Ook het om zijne zeldzaamheid merkwaardige Romeinsche glaswerk, dikwijls zeer fraai van bewerking, is hier door goede staaltjes vertegenwoordigd; eenige ongeschondene fles-schen in het glazen kastje, fragmenten van veelkleurig glas in de toönkast. Aardig zijn ook de pijpaarden beeldjes: het glazenkastje bevat; vele fragmenten, maar het fraaiste stuk, een dwerg in Romeinsch kostuum met een beschreven boekrol in de hand, vindt gij in de collectie Bosch van Drakestein.
Overigens geven de hier bewaarde voorwerpen den bezoeker zeker niet den indruk, dat de Romeinsche kunstindustrie zoo hoog stond als toch inderdaad het geval was. De reden is slechts gedeeltelijk gelegen in de omstandigheid, dat hier, op dezen uithoek der Romeinsche aarde, niet veel bijzonder fraaie zaken zullen zijn voorgekomen ; de toestand, waarin vele stukken door een verblijf van eeuwen in den grond verkeeren, is mede schuld. Indien gij u de mantelgespen, de haarnaalden, de armringen met hunne klokjes, dê schrijfstiften en inktkokers, de sleutels, de scharen en de stukken van bronzen kookpannen laat toonen, zult gij bij aandachtige beschouwing erkennen, dat vele fraai van vorm en bewerking zijn.
Andere voorwerpen, als de huidschrapers, die men in het bad gebruikte, de tangetjes voor het uittrekken van grijze haren, de dobbel-
7
steenen en de spinschijfjes, zullen u meer om hunne bestemming interesseeren. Zeker valt uw oog op de vele reusachtige kruiken met puntigen voet, waarvan er een in den hoek staat. Het zijn graan-kruiken, die in den grond der kelders gegraven en met een platten steen gesloten werden; van de paard- en handinolens, die dienden om het graan voor huiselijk gebruik te malen, vindt ge verscheidene steenen langs de wanden, waaronder een (helaas! van niet onbetwiste echtheid) met eene merkwaardige opdracht aan Ceres, de godin van den landbouw.
De twee marmeren beelden van Aesculapius en Hygieia, den god en de godin der gezondheid, die ge in do eerste kamer ziet, zijn zeker bezienswaardig, doch hunne afkomst is onbekend. Op den grond onder de toonkast liggen verscheidene dakpannen, die u met de halfronde bedeksels der voegen een denkbeeld geven van een Romeinsch dak. Op zich zelf zijn de in de tweede kamer ingemetselde baksteenen van geen belang; merkwaardig zijn ze alleen om de daarin gedrukte merken, die u de legioenen, wier soldaten ze gebruikten, of wel de namen der fabrikanten aanwijzen. De fraaie collectie Romeinsche gesneden steenen uit zegelringen, die met de merkwaardigste stukken uit de groote collectie Romeinsche munten in de twee toonkastjes der tweede kamer tentoongesteld is, trekt reeds van zelve uwe aandacht. Nog wijs ik u op de verzameling Romeinsche gewichten in de toonkast van het eerste vertrek, -op een fakkelhouder van gebakken aarde, die aldaar in de wandkast geplaatst is, — op een koperen plaatje in het glazen kastje (een der merkwaardigste voorwerpen in de collectie), waarop vermeld staat, dat een soldaat zijne gelofte aan eene godheid heeft betaald, -en op een klein altaarsteentje, dat daarbij staat, gewijd door een Frankisch soldaat van het 30e legioen.
Van de overblijfselen uit Frankischen tijd vestig ik uwe aandacht op twee uit paardebeenderen vervaardigde schaatsen, gevonden te Wijk bij Duurstede, — op verscheidene sleutels en kammen - en op de vele kralen van gebakken en verglaasde aarde, die onzen voorouders als halssieraad gediend hebben. Wellicht is uit dienzelfden tijd het gedeelte van een merkwaardigen vloer, samengesteld uit gewrichten van beenderen, die voor eenige jaren werd opgegraven aan den Wittevrouwensingel en thans in de wandkast van het eerste vertrek bewaard wordt. Misschien is hij echter veel jonger en behoort dan eigenlijk niet in deze collectie. Zeker is dit laatste het
c;ri)h door het
geval met eenige andere, niet minder interessante voorwerpen, die gij in de toonkast dezer kamer ziet; zij zijn gevonden indoZwit-sersche paalwoningen en dus veel ouder dan hunne omgeving.
Thans betreden wij het eigenlijke Stedelijke museum van oudheden. Vooraf moet ik u mededeelen, dat do rez-de-chaussêe eigenlijk slechts de aanvulling der verdieping bevat. Men heeft daar (nagenoeg in dezelfde orde als boven) vereenigd alle nommers, die of te zwaar waren om boven zonder gevaar geplaatst te worden, of door hun al te zeer verminkt uiterlijk de zalen zouden ontsierd hebben. Ook voorwerpen, waarvan in de antieke kamers reeds exemplaren voorhanden waren, vonden hier een onderkomen : het ging toch niet aan, een vertrek met twee schoorsteenmantels of twee plafonds te versieren. \\ erwacht dus van de benedenste serie kamers niet te veel; vele voorwerpen zijn bezienswaardig, en enkele vertrekken vormen zelfs een vrij goed geheel, maar de fraaiste voorwerpen vindt men hier niet.
De eerste zaal is gewijd aan de kerkelijke oudheden; de gothiek zwaait hier bijna zonder uitzondering den staf. Het eerst valt ons oog trouwens op twee voorwerpen uit ouderen tijd: de twee doodkisten, die het midden van het vertrek innemen. De zware, met primitieve ornamenten versierde steenen kist met deksel, opgegraven op het Domplein in den tuin van den heer Van Lunteren en door hem aan het museum geschonken, behoort denkelijk bij de overoude St. Salvatorskerk, die daar vroeger gestaan heeft; de kist dagteekent toch op zijn laatst uit de 9e eeuw en heeft gewis aan een aanzienlijk persoon tot rustplaats verstrekt. Jonger en vrij wat eenvoudiger is zijn buurman, lt;lr eigenaardige uit losse brokken tufsteen samengestelde kist, die als een gt;loli) geplaatst werd over het lijk, dat met het hoofd op een uitgeholden steen in de aarde rustte. Deze kist heeft aan een monnik der St. I\'aulus-abdij in de Hamburgerstraat tot rustplaats gediend en kan dus niet ouder zijn dan uit het midden der llc eeuw.
Langs het plafond van dit vertrek vindt\' men afgietsels van de gebeeldhouwde gewelfsleutels der St. Jacobskerk, die, toen de kerk voor eenige jaren bij gelegenheid der restauratie besteigerd was, werden vervaardigd. gt;.iet zoo aantrekkelijk is de verzameling fniLT-
8
9
menten van beeldhouwwerken, die de bank langs den binnenmuur tentoonstelt; toch verdienen zij bewaard te worden. Het meeren-deel is afkomstig van opgravingen bij de restauratie van het Grootauditorium en bij het plaatsen der fundeeringen van Jan van Nassau\'s standbeeld. Vooral het laatste werk leverde veel; waarschijnlijk werd op deze plaats het puin geborgen, dat afkomstig was uit de in 1587 afgebrokene St. Salvatorskerk. Het vervolg dezer verzameling vindt ge aan de andere zijde der kamer langs den muur onder het raam : verschillende van de daar geplaatste geschondene beelden verdienen uwe aandacht wegens de fraaie bewerking en stemmen u tot dankbaarheid aan den schenker der collectie, den heer G. C. Van Dijk. Boven deze bank zijn verscheidene grafsteentjes uit de 15° en 16® eeuwen ingemetseld ; de meeste zijn afkomstig uit de St. Mariakerk, andere uit de kapel van hot St. Hieronymus-huis (later Remonstrantsche kerk), de rest uit verschillende Utrechtsche kerken. Slechts een der daaronder begravenen is eenigszins bekend : het is de oudste Utrechtsche archivaris, de stadsklerkTielman Momfelen (f 1489).
In den hoek tusschen de twee vensters staat eene welbekende curiositeit: de kolom uit do St. Mariakerk met de afbeelding van den stier, op wiens huid de pijler zou gegrondvest zijn, toen eene wel de fundeering onderwoelde, — eene afbeelding dwaselijk aan den beroemden schilder Jan Van Sc or el toegeschreven. Minder bekend, maar curieuser is hetgeen gij daarboven ingemetseld ziet: de eenige relieken van het oude romaansche Domkoor van bisschop Adelbold (1023), dat reeds in de 2r helft der 1 3\'\' eeuw afgebroken werd. Ze zijn voor eenige jaren teruggevonden bij het herstel van de steunbee-ren van hot nieuwe koor, waarin ze met het beeldhouwwerk naar binnen gemetseld waren; de versierselen en lijnen dezer consoles en lijsten, evenals die van de drie groote basementen van dezelfde herkomst, die op den grond staan, zijn uiterst eenvoudig. Vrij wat verandering merken wij op bij de beschouwing van eenige fraaie fragmenten van het gothieke beeldhouwwerk van den tegenwoordigen Dom, dat eenige jaren geleden bij de eerste restauratie van het gebouw uil de gevels verwijderd werd en thans in den muur over do fragmenten van den ouden Dom is ingemetseld. Daaronder op den grond eindelijk ziet gij een reusachtigen gewelfsleutel, met gebeeldhouwde eikebladeren omgeven, en die aan niet minder dan acht gewelfribben ten steun moet hebben gestrekt. Het kolossale stuk, waarschijnlijk afkomstig uit het Predikheerenklooster, werd onlangs ontdekt onder eene stoep
10 cans door het
op liet Predikheereiikerkhof en door den heer R. Diks aan het museum geschonken.
In het volgende vertrek vinden wij overblijfselen van bet mid-deleeuwscho huis bijeen, voorzoover ze boven in de gothische kamer geene plaats konden vinden. De rijkversierde schoorsteenmantels hebben hier de eereplaatsen. De meest kostbare, uit steen gebeeldhouwd, vindt gij langs den wand rechts; ze zijn alle uit de löe of het begin der 16e eeuw. Als den fraaisten noem ik u dien met den Christus, afkomstig uit het H. Kruis-gasthuis aan de Biltstraat, en den daarboven geplaatsten, nog geheel gepolychromeerd, die ons de wapens vertoont van den stadsraad Jacob Yan Asch (t voor 1531) en zijne echtgenoote, vastgehouden door personen in het kostuum van dien tijd. Ook een derde schoorsteenfries, met de gekleurde wapens van bisschop David van Bourgondië, het sticht Utrecht en het Domkapittel, verdient de aandacht ; het is afkomstig uit een huis op het Domplein. Rijker versierd is de
houten schoorsteenmantel met St. Maarten en twee familiewapens, die in het midden van het vertrek is opgesteld en door de heeren Van de Hagt geschonken werd. Doch meen daarom niet, dat hij uit eene voornamere woning afkomstig is; ik ontdekte hem in eene kleine arbeiderswoning in het Achterom. Het materiaal, waaruit het stuk vervaardigd werd, leende zich gemakkelijk tot eene versiering met snijwerk, en in de l1\' helft der 16,: eeuw ontbrak hot niet aan ontwikkelde werklieden, die voor eene kleinigheid hunne kunstvaardigheid ten beste gaven. Onder den mantel merkt gij op een zeer oud haardplaatje met een persoon in het kostuum Henri lil (geschonken door den heer (i. Brenkman te Lienden) en daarnaast een middeleeuwschen doofpot, die nog tot voor enkele weken in de Buurkerk zijne oorspronkelijke bestemming vervulde (een geschenk
11
van don heer C. W. Dorksen); boven den pot hangt een puthaak uit de 16e eeuw.
Fraaier is de bekleeding der zoldering: de geïmiteerde balken worden gesteund door gebeeldhouwde en nog niet de oude polychromie bedekte consoles uit het huis Proeysenburch aan de Oudegracht ; verzuim niet de console links naast de deur te bezichtigen, die een aardig figuurtje van een edelman uit den tijd van Karei V vertoont. Daarnaast ziet gij boven de deur eene gebeeldhouwde voorstelling: het is een afgietsel, waarvan het origineel staat boven de poort van het huis van den Domheer Everard Zoudenbalch in de Donkerstraat. Het Bourgondische kostuum der elegante vrouwenfiguurtjes, die het wapen van den stichter vasthouden, doet u terecht besluiten, dat deze omstreeks 1480 moet geleefd hebben. Minder fraai, maar merkwaardiger dan dit beeldhouwwerk zijn de in dit vertrek aanwezige fragmenten van twee veel oudere Utrechtsche gevels, die der huizen Clarenbureh en Fresenburch. Midden op den vloer ziet ge de middelstijlen van drie vensters van Clarenbureh, bestaande uit gekoppelde romaansche kolommetjes ; zij wijzen vooreerst op de 12quot; eeuw als den tijd, dat dit huis gesticht werd, en verkondigen verder, dat de gevel niet minder zwaar was dan die van de andere versterkte huizen der patricische geslachten, die vroeger den omtrek der Bakkersteeg bewoonden. Irts jonger maar veel fraaier was de beroemde gevel van Fresenburch, uit den eersten tijd der gothiek, merkwaardig om de veelkleurige verglaasde tegels, waaruit hij was opgebouwd. In de beide hoeken naast den schoorsteen vindt gij de profielen van de vensters der beide onderste verdiepingen, opgebouwd uit de enkele bewaarde fragmenten, die daarin gemetseld zijn volgens eene bij de afbraak van het gebouw vervaardigde opmeting.
Op de bank naast de deur ziet gij verschillende fragmenten van bouwmaterialen. Het bezienswaardigst zijn de oude haardsteenen: verscheidene fraaie uit de 2quot; helft der 16quot; eeuw en enkele zeer merkwaardige middeleeuwsche (een met den Bourgondischen vuursteen en vooral een met een geharnasten ruiter). Boven de bank trekken uwe aandacht twee fraai gebeeldhouwde consoles uit de 11quot; eeuw met jachtvoorstellingen ; de binnenzijden bewijzen, dat ze vroeger van boven door een gebeeldhouwden steeneu band verbonden waren. Of ze van een schoorsteenmantel afkomstig zijn, dan wel te zamen in eene kerk het beeld van een heilige te paard hebben gedragen (zooals ik dit in eene Duitsche kathedraal zag), kan ik niet met
12
zekerheid zeggen. Even onzeker is de herkomst van liet merkwaardige tufsteenen fries, dat de consoles bekroont. Hot stelt een vesting-
\' o
muur uit het begin dor 13° eeuw voor, tusschen welks kanteelen de gehelmde hoofden der verdedigers te voorschijn komen. Het stuk heeft zeker als bekroning gediend, wellicht van eene graftombe.
De drie volgende afdeelingen (de oude kelders van het Hooge-land) zijn ingericht voor de bewaring van gevelsteenen. Deze meestal ruwe en eenvoudige voorwerpen zijn daar voldoende geplaatst ; maar gij vergist u, indien gij meent, dat zij allen onbelangrijk en leelijk zijn. De twee ruiters in den hoek van de eerste afdeeling rechts zijn niet kwaad ; de „dubbele kandelaar\' is als afbeelding niet zonder belang, evenmin als het wapen van paus Adriaan VI uit een huis in de Potterstraat; curieus is ook de afbeelding van het mythische Komeinsche kasteel „Romenborchquot;, dat de dichtende verbeelding van oude historici in de Hamburger- (of Rodenbur-ger-)straat plaatste. Daarachter, naast het raam, ziet gij een prach-tigeu steenen leeuw; met zijn makker, wiens kop ge aan de overzijde ziet, heeft hij eenmaal hot stadswapen voor de Wittevrouwenpoort beschermd. Het was de Utrechtsche beeldhouwer Xicolaos Van Damast, die in 1652 de modellen voor dit leeuwenpaar vervaardigde.
De tweede kelder-afdeeling is minder vol, maar bevat fraaiere en merkwaardiger zaken: middeleeuwsche gevelsteenen. Zie eens, hoe fraai bewerkt die steenen met St. Maarten en de H. Maagd zijn, die vroeger huizen in de Woerd en de Stroosteeg versierden. Ook het groote wapen van den abt van St. Paulus, Gerrit Van der Xyenkerck, uit de St. Pauluspoort (Korte Nieuwstraat) verdient uwe aandacht, evenals hel laatste der heiligennisjes (hoek Heerenstraat en stadswal), die vroeger bijna alle hoeken van Utrechts straten versierden. Aan de andere zijde van het vertrek ziet gij de steenen uit de L trechtsche waltorens, \\ ooreerst den eerwaardigon fundatie-steen van den Smeetoren van, 1145, zeker wel het oudste gedenkstuk van dien aard, dat ons vaderland bezit. Dan de curieuse afbeeldingen van een wolf en een vos uit de torens van dien naam, waarbij denkelijk behoort de groote kop van een gehehnden persoon, die wel den oorlogsgoc 1 Mars zal voorstellen, wiens beeld in hef bolwerk Sterkenburg bij de Tolsteegpoort prijkte. De drie stukken dagteekenen hoogstwaarschijnlijk uit den tijd, toen keizer Karei V
13
de stad Utrecht met een krans van nieuwe vestingwerken omgaf (omstreeks 1540). Aan den uitgang dezer afdeeling vindt ge eindelijk ingemetseld de beide fraai gebeeldhouwde stoenen uit de vroege renaissance-periode, die jarenlang als stoeppalen dienst gedaan hebben voor het huis van prof. Donders (een geschenk van prof. Van Leeuwen). Hunne bestemming blijkt niet met zekerheid : ze zijn van onderen vroeger langer geweest dan thans, en zij kunnen dus even goed tot de omlijsting eener poort behoord hebben, als dat zij reeds oorspronkelijk tot schamppalen bestemd zijn geweest.
De derde kelder-afdeeling vertoont u de fraai gebeeldhouwde gevelsteenen van de le helft der 17° eeuw : rechts tal van stijlvolle leeuwenkoppen en satyrs in allerhande vormen (de zes beste zijn een geschenk van prof. Snellen), links de fraaie mannen- en vrouwenbusten uithuizen aan het Oudkerkhof, de Oudegracht (Gaardbrug) en de Vischmarkt (de twee laatste stellen zijn gewis van denzelfden maker). De merkwaardigste steen is die aan het einde met de geschilderde buste van den beruchten hertog Karei Van Gelder, eene afbeelding, die gewis uit zijn tijd (ca. 1525) dagteekent, doch blijkens de steenen omlijsting ruim eene eeuw later moet zijn bijgewerkt. Gij kunt eene kopie naar dit interessante stuk thans weder zien prijken in den gevel van de societeit Sic Semper, van waar de steen afkomstig is.
Hot volgende vertrek bevat overblijfselen van woonhuizen uit den renaissance-tijd, de roemrijke 161\' eeuw. Het zijn meestal gebeeldhouwde schoorsteenmantels, die hier uwe aandacht vragen. Het prachtstuk der kamer is zonder twijfel de gepolychromeerde mantel, die het midden van den muur links inneemt en geschonken werd door Jhr. Mr. J. Van der Feltz. Hij is afkomstig uit eene bovenkamer van het huis op de Kromme Nieuwe gracht naast de Remonstrantsche kerk, dat eenmaal den u uit Van Lennep\'s Pleegzoon bekenden jhr. Jacob Mom herbergde, wiens wapen met dat zijner echtgenoote Cornelia Van Culenborch het fries versiert. Doch ziehier een raadsel, dat niet gemakkelijk op te lossen is. Mom kocht het huis in 1613, deed het verbouwen en werd in 1621 wegens de samenzwering tegen prins Maurits onthoofd ; do schoorsteen zou dus uit dien tijd moeten dagteekenen. Doch ieder kunstkenner is op het eerste gezicht dadelijk bereid te verzekeren, dat dé
tigd lt;ioor de merkwaardige collectie haardsteenen, die ge (in de oorspronkelijke dispositie) hier ingemetseld ziet; ook zij wijzen op den tijd van Karei V. want ge zult zoo minslonds zien, dat omstreeks 1620 een geheel ander type in gebruik was.
De groote stellage rechts vertoont u nog tal van schoorsteen-fri ••z.-n uit dcnzelfden tijd. Het groot-te, rondloopende friiniet dlt;- afbeelding van Salomo\'s, eerste recht, is uit de groote secretarie van het oude -tadhuis afkomstig, waar h\' t blijkbaar bij de stichting van het gquot;blt;di\'.v in 1546 wi-rd gt-plaat-t. Daarl)Oven zilt;-t ge er twee,
GIDS DOOK HF.T
15
die ik fraaier acht en die beide, behalve de destijds voor rechtszalen geliefde voorstelling, die ik u zooeven noemde, ook de geschiedenis van Susanna afbeelden. Merkwaardig is hot, dat beide friezen blijkbaar gemaakt zijn naar hetzelfde origineel, hoewel de vervaardigers eene geheel verschillende behandeling der figuren hadden en hun model zeer vrij gevolgd moeten hebben. \\ an waar deze steenen komen ? Ik kan het niet niet zekerheid zeggen, doch het is waarschijnlijk, dat het onderste fries afkomstig is uit do kapittelzaal der St. Mariakerk, het bovenste uil de rechtszaal van den bis.-choppe-lijken officiaal naast den Domtoren. — Niet minder fraai in hunne soort zijn eenige andere friezen op dezelfde bank, met smaakvolle renaissance-or namen ten versierd en zoo fijn en edel bewerkt, dat zij de vergelijking met het beste, wat deze perode hier te lande opleverde, niet behoeven te schuwen. Alle zijn uit l trechtsche huizen afkomstig: twee daarvan werden geschonken door den heer AV. A. Van Rijn en door mej. A. S. \\V. C. De Vree.
Belangrijk zijn de gebeeldhouwde steenen van Willem \\an N oort\'s prachtiger» gevel van het oude stadhuis, die ge aan de overzijde ziet. De fraaiste overblijfselen van dezen gevel vindt ge echter boven, evenals het in dit vertrek behoorende beeldhouwwerk van het geveltje met het beeld van Karei V : beide overblijfselen waren te hoog om in de beneden-verdieping eene plaats te vinden. De daardoor ledig gelatene ruimte is zeer onwaardig ingenomen door de fulterwerktuigen, die ge op het midden van den vloer ziet. Het zijn twee werktuigen o»n to radbraken ; op de ijzeren pen aan het hoofdeinde van een hunner werd in horizontale richting een wiel bevestigd, waarop de geradbraakte lichamen werden tentoongesteld. Voor het venster ziet gij een geeselpaal (voor een paar jaar gekopieerd naar den llaar-lemschen paal, om de Utrechtsche ijzers behoorlijk ten toon te stellen) en de galgkist van den beul met den bak, waarin hij zijne bi\'and-ijzers (die ge aan den muur ziet hangen) gloeide. Deze weerzinwekkende collectie had eene, plaats moeten vinden in een afzonderlijk kamertje boven, dat echter door de verbouwing van de trap vervallen is; zoo is het gekomen, dat deze voorwerpen (laat ons hopen tijdelijk) de omgeving van het renaissance-huis ontsieren.
Ook het volgende vertrek, dat ons het llollandsche huis uit de 17*\' eeuw vertoont, bevat hoofdzakelijk overblijfselen van schoor-
16
steenen : de schoorsteenmantel was destijds het middelpunt vau elkü kamer, waaraan de kwistigste versiering werd aangebracht. De schuins geplaatste mantel voor u, van omstreeks 1620, is afkomstig uit de herberg de Koekoek aan liet Zwarte water; de beelden, die hem steunen (geschonken door den heer J. T. Kok), zijn van onbekende afkomst. De doofpot ontbreekt weer niet. Let op do haardsteenen, bekroond door een grooten halfronden tegel van 1603, ingemetseld zooals zij door den schenker (den heer R. Diks) gevonden werden in een huis in de Hamburgerstraat. De gewoonte, om haardsteenen voor dit doel te gebruiken, was toen reeds in hare laatste dagen. Beschouw even de groote collectie van deze steenen, die links naast het raam opgesteld is, en waarbij ge, als gij nauwkeurig toeziet, fraaie ornamenten kunt opmerken en ook aardige voorstellingen van David, Esther, Judith en vooral van Susanna, naast enkele afbeeldingen van evangelisten en heiligen, die eindelijk plaats maken voor Philips II, den Hollandschen leeuw en de Hollandsche maagd. Als ge deze collectie nagaat, zult gij bevinden, dat er geen jongere steen voorkomt dan van 1621. De reden is, als ge het vertrek rondziet, duidelijk: het groot aantal ijzeren haardplaten, dat hier langs de muren prijkt, bewijst, dat deze bekleedsels van schoorsteenboezems omstreeks dien tijd de haardsteenen begonnen te verdringen. Wel waren de haardplaten reeds ouder (wij ontmoetten er reeds een van omtrent 1570), maar omstreeks 1650 werd hun gebruik algemeen. De hier bewaarde platen geven u de helden der republiek, den zegevierenden Tromp en den jeugdigen Willem III, door de Hollandsche maagd geleid, te zien, naast den Hollandschen tuin, het Nassausche wapen en andere dergelijke voorstellingen, terwijl Neptunus en Susanna, hoewel ze aan oudere tijden herinneren, toch zeker ook van het midden der 17quot; eeuw dateeren.
Bij die haardplaten behoort eene andere soort van bekleed ine van den achterwand der schoorsteenboezems: de bekende blauwe muurtegeltjes, die niet als de haardsteenen vuurvast waren, en dus door de ijzeren platen beschermd moesten worden. Ook daarvan vindt ge hier mooie en merkwaardige staaltjes: ik wijs u op de fraaie ruiterfiguurtjes aan de linkerhand van den binnentredende, op de (jongere) tegels met vergulde arabesken, en op de 18quot; eeuwsehe afbeeldingen van een ganzenbord en een uilenbord in paarse verf. Daarmede zijn wij reeds gekomen tot jongere tijden
17
dan die, waartoe de groote schoorsteen niet gedraaide marmeren zuilen behoort. Dit fraaie stuk, een geschenk van mr. F. N. M. Eyck van Zuylichem, is afkomstig uit een huis aan de Kromme Nieuwe gracht. De houten kap is modern en gevolgd naar de prachtige gesneden kap uit het midden der 17,; eeuw in het huis van den heer Martens op het St. Janskerkhof; de typische gedraaide vorm der zuilen bewijst echter, dat deze schoorsteen iets jonger is: ik dateer hem van omstreeks 1680. Werp nog oen enkelen blik op de daarnaast ingemetselde schoorsteeapilasters van gehouwen steen, van gebakken aarde of zelfs van gips; ze behooren alle tot het type en den tijd, waarvan de schoorsteen uit de herberg de Koekoek ons reeds een staaltje leverde; daarboven vindt ge groote halfronde haardsteenen, die alle bezienswaardig en fraai van teekening zijn. Eene opzettelijke beschouwing verdient echter nog het meesterstuk van smeedwerk, dat het midden van den vloer versiert. Het is het stoephek van een huis aan de Gaardbrug, dat menig Utrechtenaar zich nog herinnert, maar dat thans, ontdaan van de eeuwenheugende verflagen, u zijne fijne gedraaide koordjes en zijne gesmede ijzeren rozen in al hunne fijuheid en elegantie vertoont.
Thans gaan wij de trap op en bereiken de verdieping. Ik wil uwe aandacht niet anders dan in het voorbijgaan vestigen op den fraaien aanblik, dien de uitgebouwde koepel van deze zijde af oplevert, want in de orde, die bij de expositie is gevolgd, behoort ge den koepel nog niet te bezichtigen. Ik noodig n dus uit om dadelijk linksom te slaan, waar ge twee kabinetjes niet schilderijen vindt.
De stukken hangen hier niet om hunne kunstwaarde (er zijn heel zwakke stukjes bij !) maar om do afbeeldingen, die zij ons geven van ITtrechtsche stadsgezichten uit ouden tijd. In het eerste kabinetje vindt ge den Oudnnmster, de overoude kerk, die tot 1587 op het kerkhof van dien naam verrees, — de kloostergang der St. Maria-kerk, dit merkwaardige oude bouwwerk, dat, zooals de heer Hanau, die do schilderij schonk, n aantoont, schandelijk verwaarloosd wordt en toch uitnemend schilderachtig is, — het oude fraaie stadhuis, zoo spoorloos verdwenen — en het aardige gebouw Bellevue, dat boven op den stadswal naast de Maliepoort stond. — Het Iweede
18 gids bocR iiëï
kabinetje stelt u in staat, eene wandeling langs de oude wallen te maken: het toont u de middeleeuwselie Weerd- en Wittevrou-wenpoorten, Karei V\'s citadel Vredenburg, die in 1577 voor de woede der burgerij bezweek, en de overblijfselen van zijn bolwerk Sterkenburg (twee schilderijen uit de jeugd van onzen B i 1 d e r s), — doch ook vriendelijker gezichten op de Maliebaan met de Maliepoort.
Gij vraagt mij, waarom ge hier mist de fraaie collectie geteekende stadsgezichten, die ge u op het stadhuis herinnert gezien te hebben : S a e n r e d a m\'s prachtige kerkgezichten en S a f 11 e v e n \'s interessante ruines van den Dom ? Waarde bezoeker! zij zijn voorloopig naar het archiefgebouw overgebracht, waar ook de tallooze andere gezichten te Utrecht, die de stad bezit, in portefeuilles rusten. Er was op het Hoogeland geene plaats om deze omvangrijke collectie op te hangen ; wellicht zijn er middelen te vinden, om ze later op beknopter wijze daar weder ten toon te stellen. Ik hoop, dat ge deze teleurstelling vergeten zult, als ge u omwendt en het stadsgezicht in natura ontdekt, dat de verdieping van het bekende huisje aan de Jansbrug met het beeld van keizer Karei V u biedt. Fraai beeldhouwwerk en dat de meesterhand ook verraadt door de gelijkenis van het portret, beter uitkomende dan vroeger, nu do oude kleuren, die onder de dikke verflaag bij het schoonmaken teruggevonden zijn, hersteld zijn. Slechts enkele zóó rijk versierde geveltjes zijn nog in ons land bewaard : alleen te Zwolle en te Groningen ken ik er twee uit denzelfden tijd als dit, doch het Utrechtsche werk is van een beeldhouwer, die hooger stond dan zijne K\'-i/.cr Kart-i v. Xoordsche broeders.
De volgende kamer, die wij nu binnentreden, is gewijd aan de herinneringen van het stedelijk bestuur, de gilden en schutterijen. Helaas, dat Utrecht betrekkelijk zoo weinig daarvan bezit! Het meest in het oog valt het schoorsteenstuk uit de vergaderzaal van het gerecht in bet oude stadhuis. De grisaille-schilderij is van dim bekenden teekenaar Jacob Buys (1775), maar meer aan-
19
dacht verdient de rijke Louis XV-lijst met het stadswapen, gesneden door den beeldsnijder Hendrik Van Cote. De beide schilde-rijen links, die u, volgons de overlevering. Utrechts burgemeesters niet hunne boden en de oversten der vier vierendeelen met de stads-banier afbeelden, kent gij: zo zijn tallooze malen afgebeeld. Doch hier vindt gij de origineele schilderijen, door Willem Van Swaenen-burch in 1658 op last van het stadsbestuur geschilderd; ook de modellen, die hem gediend hebben, ziet ge daaronder hangen in de fraaie teekeningen, die Joost Va n Attevelt een jaar vroeger voor den magistraat maakte naar schilderingen in de Buurkerk en het Duitsche Huis. Het blijkt uit de vergelijking, dat alleen het bovenlijf der burgemeesters met de roode kovel behoorlijk gedocinnenteerd is; de rest en ook de stadsboden met hunne 17« eeuwsche pruiken zijn gephantaseerd door Swaeneuburch. De zoogenaamde vier hoofdmannen heeft hij wel nauwkeurig gevolgd ; maar uit het bijschrift blijkt, dat zij niets meer zijn dan vier gewone Utrechtsche burgers, die met het gildenleger uittrekken. Merkwaardig blijft echter do oude stadsbanier met St. Maarten, dien de jaloerschheid van Karei V uit Utrecht\'s wapen verbande.
Het prentje, dat daaronder hangt, is curieus: het is eene nieuw-jaarsprent, door de boden van prins Willem I in 1584 aan de Staten van Utrecht aangeboden, waarop hunne quittantio voorkomt voor de daarvoor ontvangene fooi. Beschouw ook de beide schilderijen ter weerszijden van het schoorsteenstuk goed : zij beelden twee belangrijke voorvallen uit de Utrechtsche geschiedenis af : de ontvangst van prins Willem III na hot vertrek der Franschen in de op merkwaardige wijze versierde Statenkamer en de aflezing op de stoep van hetzelfde gebouw van het regeeringsreglement, waarmede de prins onmiddellijk de regenten-aristocratie aan banden legde (1673). Dat deze maatregel veel rancune veroorzaakte, bleek eene eeuw later (1786), toen op de Neude een nieuw regeerings-reglement, door de volkspartij met geweld doorgedreven, beëedigd werd; hoe zot het tooneel geweest is, toont u het schilderijtje, dat boven de deur hangt. — De twee kussens met het stadswapen eindelijk verplaatsen u in onze eeuw: daarop rustte tot 1851 toe de burgemeester, als hij de stedelijke verordeningen uit een venster van het stadhuis den volko verkondigde en voorlas. — Do stedelijke ambtenaren zijn in dit vertrek slechts schaars vertegenwoordigd. Gij vindt er den langen koperen hoorn van den nachtwacht in de Weerd,
GIDS DOOR HET
reeds sedert 1652 buiten gebruik. En in den hoek eene collectie staven van buurtschouten (eene soort van wijkmeesters, door de bewoners eener straat gekozen), rijk versierd met veelkleurige linten en georneerde banden en knoppen van zilver, koper en lood, die de opvolgende waardigiieidsbekleeders daaraan hebben doen hechten om hunne namen te vereeuwigen.
De collectie munt- en penningstempels der stad (waardevol, maar weinig bezienswaardig) en de slapers van de oude Utrechtsche maten en gewichten (van belang voor de juiste kennis van het gewicht, in oude stukken vermeld) bezichtigt gij zeker nauwelijks. Meer zullen u interesseeren de koperen platen naast het raam, die u do onuitgevoerde plannen tot uitlegging der stad veraanschouwelijken, in 1664 en 1670 door den burgemeester Henrick Moreelse en den zonderling jhr. Everard Mays ter gemaakt. Als gij daarmede vergelijkt de derde hier opgehangen koperen plaat, gegraveerd door den beroemden goudsmid Adam Van Yianen, die u den plattegrond onzer stad in 1598 en twee aardige gezichten op hare oost-en westzijden vertoont, zult ge opmerken, hoe stout deze uitleggingsplannen waren, die groote plekken geheel onbebouwd weiland op eens bij de stad annexeerden.
Belangrijke voorwerpen, afkomstig van onze oude schutterij, ziet gij in den boek tusschen de vensters. Gij vindt er de trom van de compagnie Zwarte knechten, de pieken der schutters van 1783 en de vermakelijke afbeelding van de exercitiën van Gordons vrijcorps in het Sterrenbosch in 1784 (geschonken door dr. Broers), terwijl de uniform van een Vrijwil ligen jager van 1831 en de schuttersvaandels uit dat jaar u aan latere tijden herinneren. Veel ouder zijn daarentegen de twee merkwaardige donderbussen, die tegen den wand hangen, en de fraaie hellebaard, gevonden in oen kelder van de ruïne De Haar; doch het alleroudst is zonder twijfel de middel-eeuwsche maliënkolder, die op de ïrasselsche heide gevonden is.
Ook wat van de Utrechtsche gilden over is, vindt ge hier bijeen, lli-t merkwaardigst zijn de vier koperen platen met do namen en merken der Utrechtsche goudsmeden van 1598—1740; ze zijn van groot belang voor de kunstgeschiedenis om hun inhoud, maar ook o]) zich zelve levert de vergelijking van het fraaie ornament op de oudste plaat (gegraveerd in 1598 door Erst I\'etersz. Knijf) met de jongere een treffend beeld van den achteruitgang der kunst ook in de 1T\'1 eeuw. Droevig stemmen u ook in dit opzicht de
STEDKIJ.IK MUrilCl\'M VAN Ol\'DIIKDKX. 2o
zilveren bodeteekenen en versiersels van de lijkklcoden derUlreclit-sche gilden. Alleen die der Zakkendragers van 1611 zijn fraai ; de andere zijn minder dan middelmatig, zelfs die van de Htofjes-werkers van 1766, hoewel toch dit gild, opgericht kort na de Fransche refuge, het beroemde Utrechtsche fluweel schijnt vervaardigd te hebben. Met meer belangstelling zult ge de drie gilde-proeven van bet Bijlhouwers- of timmermansgild uit de vorige eeuw-beschouwen, die de heer Th. J. Van Everdingen onlangs schonk ; de beide wenteltrappen en de gepaneelde deur zijn inderdaad goed gemaakt en men begrijpt, dat de kundige werkman zijn meesterstuk, waarmede hij het lidmaatschap van zijn gild gewonnen had, bewaard heeft, al had het ook geene eigenlijke kunstwaarde. Aardig is eindelijk nog de groote 18° eeuwsche schilderij, volgens de overlevering afkomstig van het Utrechtsche Drapiersgild, die u de lakenweverij in al de phasen, die zij doorloopt, aanschouwelijk voorstelt. Het is trouwens eene herinnering uit vroegere eeuwen, want in den tijd, toen de schilderij vervaardigd werd, had de Utrechtsche lakenweverij niet veel te beteekenen.
Thans betreden wij de serie antieke kamers, die, langs de voorzijde van bet gebouw gelegen, u achtereenvolgens de decoratie van een woonvertrek sedert de 15® eeuw in beeld brengt. Het fraaie gothieke deurtje in den hoek, met den fraaien klink van gesmeed ijzer (afkomstig uit de St. Paulus-abdij) geeft toegang tot het woonvertrek uit bet laatst der 15° eeuw. Treedt binnen met eerbied, want gij bevindt u op historisehen bodem. De prachtige vloer van gekleurde tegels, dien gij hier ziet en waarvan de wedergade mij niet bekend is, werd eenmaal betreden door geene mindere personen dan keizer Karei AT en zijn zoon Philips 11, toen zij iu 1540 en 1549 de gasten waren van den Domdeken Joban Van der Vorst van Loenbeke en den deken van St. Jan Thomas Van Nykcrcken, die achtereenvolgens het buis bewoonden aan de noordzijde van het St. Janskerkhof, uit welks groote zaal de vloer afkomstig is. Jhr. inr. J. L. A. Martens, die het huis sloopen deed en er een tuin naast zijne woning van maakte, deed een goed werk, toen hij de helft van den bij de afbraak in den grond ontdekten vloer 1) aan
1
De andere helft ligt nog iu den tuin, behalve een kleine hock, die onlangs naar het Amsterdamschc Kijksmuseum werd overgebracht.
CIDS DOOR HET
de stad schonk, en de tegels met zooveel zorg op hakken deed plaatsen, dat het patroon geheel bewaard bleef. Het is een dei-grootste voordeelen van de verhuizing van het nmseum, dat dit merkwaardige stuk (tia jaren op den zolder van het stadhuis gelegen te hebben) thans ingemetseld en tentoongesteld is kunnen worden. De vloer is uit de 14e eeuw, zooals de vrouwenfiguur op de geheel gelijksoortige tegels uit de zaal der St. Paulus-abdij, die rechts aan den wand hangen, bewijst. Zoo hooge ouderdom geeft hem recht eenigszins versleten te zijn, eu alleen wanneer ge de schitterende afbeelding van de wederhelft, die voorkomt in het boek van den heer De (Jeer van Oudegein over het Oude Trecht, beschouwt, zult ge u een denkbeeld kunnen vormen van den glans, dien zulk een tegelvloer aan eene zaal bijzette. Gij zult u dan verheugen, dat de omstandigheid, dat geheel gelijke tegels voorkomen onder do overblijfselen van den straks vermelden vloer der St. Paulus-abdij en ook gevonden zijn bij de afbraak van het Bisschopshof 1), recht geeft tot de conclusie, dat eene Utrechtsche fabriek deze vloeren vervaardigd heeft.
Met rood, de geliefkoosde kleur der middeleeuwen, voert in dit vertrek di n boventoon. Meent nii-t, dat het de bedoeling is, de helderwitte muren daartegen blijvend te doen afsteken : reeds is het patroon (uit het koor der voormalige Weeskerk) gekozen, dat daarop in zachtgroene tint zal geschilderd worden, zoodra de geldmiddelen het toelaten. Het hoogst merkwaardige gezicht op Utrecht in de löe eeuw, waarvan ge den doortrek (volgens het thans vernietigde origineel in het gewelf d«-r St. Jakobskerk vervaardigd en geschonken door den heer F. J. Nieuwenhuis) thans voorloopig over het raam ziet hangen, zal dan in eene sprekende randversiering (even-een- uit het koor der Weeskerk) eenigszins hersteld daarop geschilderd worden. Iteed- nu voegt het eigenaardig bij het plan van Utrechts vrijheid, dat in 1540 op last van het stedelijk bestuur geschilderd werd door den schilder Evert Van Schavck. ter vi rduid\' lijking van de uitspraak dlt; r landvoogden- Maria Van Hongarije ovt de grenzen der -tad.-vrijheid (1539). Het Muk is wat groot voor het icte te lage vertrek, en ook de groote balksleutels
2-1
1
Volgfii.» ft-n tl\'.\'.! in lui Museum van het Keninklijk Oudhciilkundig r»; Arn*t« r\'l:ijn.
RTKDKLI.IK JirSKlTM VAX oriMIKDKN.
niet de symbolen der vier evangelisten, die de wapens derfamiliën De Vooclit van Rynevelt, Kam, Lantscroon en Wttenham vasthouden, zullen in de liooge zaal van liet huis Clarenburch beter voldaan hebben dan bier.
Doch beschouwen wij den schoorsteen, het middelpunt der kamer. Hij is geschonken door den heer 13. Van Straaten en afkomstig uit een kloosterhuis der St. Mariakerk, waaraan de voorstelling van de H. Maagd met Moeder Anna en het Jezuskind herinnert, die tus-schen de wapens der onbekende stichters (wier namen ongetwijfeld met de op het fries voorkomende letters L. en A. beginnen) prijkt. Niemand, die den schoorsteen ziet, zal vermoeden, dat hij het jaartal 1561 tweemaal op zijne zijden draagt; allerminst nu hij (geheel volgens de oude, onder de verflaag ontdekte kleuren) gepolychromeerd is. Dit laatste is niet het geval met het fraaie dessus de porie, dat naast den schoorsteen boven eene deur uit het Regulierenklooster (door Regenten van het Weeshuis geschonken) is aangebracht. Het is een afgietsel van het fraaie beeldhouwwerk in de zaal van het huis van Everard Zoudenbalch in de Donkerstraat, dat niet gepolychromeerd was; doch de omgeving in dit vertrek eischte eene kleurversiering. Ook voor de vensters was eenig gekleurd ornament noodig: de overblijfselen van geschilderd glas uit de hooge koorramen van den Dom voorzagen op passende wijze in deze behoefte.
Als versiering vindt ge in het vertrek een paar eeht Utrechtsche stukken: een beeld van St. Maarten, afkomstig van het huis Wiers (geschonken door mr. Kneppelhout van Sterkenburg), —• een portret van den Utrechtschen paus Adriann VI, op wien de geheele stad trotsch was, uit de kapittelkamer van Oud munster, nog eene afbeelding dezer oude, in 1587 afgebrokenc kerk, — en eindelijk een passionaal, geschreven in het klooster Bethlehem buiten de Weerd. bevestigd onder een huisaltaar!je, dal een zoogenaamd .-tal-letje van Bethlehemquot; vertoont.
Doch verreweg de merkwaardigste versiering levert de uitstalling in den hoek naast den sehoorsteen. Het i- eene collectie overblijfsels eener fabriek van heiligenbeeldjes in gebakken pijpaarde, die in het begin der 16e eeuw moet beslaan hebben aan de Tolsteegpoort, waar in 184-1 de meeste dezer beeldjes en beeldvormen aan scherven in don grond gevonden zijn. Voor de kennis van het bedrijf der ,beeldedruckersquot; of „hilligebaekersquot; en hunne leehniek
cms DOOI: UKT
is deze ontdekking van veel belang; doch ook artistiek hebben de producten waarde : bezie slechts de geschondene groote H. Maagd en de complete beeldjes van St. Pieter, St. Barbara (2 typen), St.
Catharina en de H. Maagd. De fabriek vervaardigde ook reliefs, waarvan ge een ongeschonden exemplaar (in afgietsel naar het origineel in het South Kensington Museum) aan den wand ziet hangen ; de overeenkomst van type van deze St. Catharina met die der Utrechtsche fabriek waarborgt m. i. (met de Hollandsche inscriptie in den rand) hare Utrechtsche herkomst. Andere geschondene relief-, aan de Tolsteegpoort gevonden, ziet ge boven op de lainbri-seering staan, naast groote beeldvormen (slechts gebrekkig bewaard), die een groot contrast leveren met de collectie zéér kleine beeldjes, die ge in het wandkastje vindt. Ook daaronder vindt ge nog fraaie figuurtjes en cuneuse voorstellingen, maar de meeste zijn kunsteloos.
Hetzelfde kunt ge niet zeggen van het wandkastje zelf, met zijn prachtig, geheel ongeschonden beslag van gesmeed ijzer. Ik ontdekte liet ingemetseld in eene kast van het kasteel Ysselstein, kort voor de afbraak, en was zoo gelukkig het te redden; ontdaan van de dikke verflaag, maakt het een uitnemend effect en verlevendigt het hooge houten beschot, dat volgens middeleeuwschen smaak de kamer omgeeft. I \'e daarin aangebrachte uitslaande bladen, waarop behalve de beeldjes ook verschillende types van middeleeuwsche
STEDELIJK MUSEUM VAN OUDHEDEN*. 20
potten en pannen tentoongesteld worden, zijn nagevolgd naar de aardige afbeelding eener middeleeuwsche kamer op een miniatuur van Balthasar Behem\'s Codex picturatus der stad Krakau van 1505; in oude Hollandsche inventarissen van dien tijd worden zulke inrichtingen herhaaldelijk vermeld: zij heeten „neerslach-buytfetquot;. Ook het kleine kastje, dat aan de andere zijde tegen den muur staat, is gevolgd naar een miniatuur in Lacroix\' bekend werk Moeurs et usages au Moyen-age; het dient nu om de collectie middeleeuwsche kannen (vroeger in eene kast weggesloten) ten toon te stellen. Gij ziet daarbij de bekende Jacobakannetjes in hunne verschillende typen, en ook de fraaiere baardmannetjes uit de 16e eeuw; het eene kannetje, dat door een nagebootst koord omslingerd wordt, is merkwaardig. Doch veel precieuser zijn de groote middeleeuwsche tinnen schenkkannen, die het kastje bekronen ; zij zijn de eenige overblijfselen van het oude, in 1758 verkochte „stadstinquot;, dat in den stadskelder O]) het Oudkerkhof bewaard werd en de door de stad gegeven diners opluisterde.
Het laatste meubelstuk, dat de kamer bevat, is do toonkast, die helaas ! niet in den stijl past, daar zij reeds vroeger vervaardigd is in den stijl, die voor het meubilair van het museum gekozen was. Zij bevat het kostbaarste van het geheele vertrek, de verzameling zegelstempels, waaronder bepaaldelijk het 14e eeuwsche zilveren zegel van den Dom een zeldzaam kunstwerk is, terwijl tal van kleinere middeleeuwsche zegels de opmerkzaamheid verdienen. De zegels van bisschop Philips van Bourgondië en van het St. Antonius-gasthuis buiten de Weerd zijn bijzonder fraai, terwijl ook dat van het 11. Kruisgasthuis, waarop de drie beschermheiligen van het gesticht, St. Sebastiaan, St. Adriann en St. Jnliaan, zijn afgebeeld, de aandacht verdient. De laatste stempel is een geschenk van de erven ïs. J. Kamperdijk.
Als wij de deur openen, zien wij een geheel verschillend tooneel voor ons. Wij bevinden ons in de rustige omgeving van een vertrek van omstreeks 1600, waar het deftige eikenhout den toon aangeeft. Bij de samenstelling van deze kamer (die tegenwoordig de antieke kamer bij uitnemendheid schijnt te moeten heeten!) is nu eens niet toegegeven aan de neiging, om dergelijke vertrekken uit te mon-
30 GIDS DÓÓR 11 KT
steren niet tnipjes, hoekjes, afgeschoten ruimten en dergelijke popperige grilligheden meer. Mijns inziens zijn dergelijke inrichtingen in -trijd met den eenvoud van het oud-Hollandsehe woonvertrek; zij staan daartoe in dezelfde verhouding als onze moderne geveltjes in oud-Hollandschen stijl vol uitbouwseltjes en krulletjes tot de echte vroolijke, maar soliede en degelijke oude huizen.
Alleen de galerij, die als doorgang van eene bovenkamer naar eene andere schijnt te dienen, geeft aan dit vertrek een eigenaardig cachet. Doch het bestaan van zulk eene inrichting is behoorlijk gedocumenteerd: lees slechts de geestige beschrijving, die Alberdingk Thijm daarvan in eene zijner schetsen geeft. Toch is deze galerij niet uit een huis afkomstig: reeds het kunstige snijwerk, nog bedekt met de overblijfselen der oude klenrversiering 1), en de voor het vertrek iets te groote afmetingen wijzen op eene weidschere bestemming, en inderdaad zien wij dan ook de oude orgel-galerij der Buurkerk voor ons, die sedert de afbraak jarenlang op den zolder van het stadhuis heeft gelegen en eerst thans, nu zij geplaatst kon worden, schoongemaakt en pasklaar gemaakt is. Alweder een groot voordeel van de verhuizing van het museum !
Snijwerk en klenrversiering maken het aannemelijk, dat deze galerij iets te oud is voor haar tegenwoordige omgeving : ik houd ze voor te fraai om later dan do 2e helft der 16e eeuw gedateerd te worden. Uit denzelfden tijd zijn de vier groote balksleutels van onbekende herkomst, met de wapens der Utrechtsche familiën Van de Spiegel, Berehmaker, Bylant en eene onbekende. Doch de andere balksleutel- igeschonken door den beer J, Van der Keilen te Rotterdam) zijn afkomstig uit het kasteel Ysselstein, en wel uit het deel, dat van het begin der 17quot; eeuw dagteekende; de daarop aanwezige en nu opgefrischte rood-gouden polychromie lieb ik er op aangetroffen, maar ik twijfel of ze oorspronkelijk is. De afbraak van het kasteel Y,-selstein leverde ook het merkwaardige wollen behangsel, dat nigt;-r weinig bijdraagt om den rust\'gen toon van het vertrek te verhoogen en dat bovendien eenig is in zijne soort. Hetzelfde kan ik niet zeggen van de gepaneelde deur (uit een huis op de Ganzenmarkt) en ewnmin van de besebilderde ruitjes van het venster;
31
ik heb er (ook hier te Utrecht) fraaiere gezien, h. v. de in de auctie Van Romondt verkochte raampjes, die ik zoo gaarne nu hier zou geplaatst hebben. Maar toch is het venster, zooais het is, merkwaardig genoeg. Slechts één raampje (dat met liet fraaie ijzeren beslag) is oorspronkelijk; de overige zijn uit oude Utrechtsche geschilderde ruitjes samengesteld volgens een patroon, dat ik in een huis te Woudenberg vond. Het geschilderde glas bewijst alweder den achteruitgang der kunst: het ruitje van 1570 met het wapen van den stads-architect Henrick Van Noort (een geschenk van het Muntcollege) is het fraaiste; het schild van 1625 met den naam van den thesaurier van St. Marie (afkomstig uit de pastorie te Buren en geschonken door den heer J. J. Bosch) is almede nog zeer fraai, hoewel minder streng van stijl. Maar de overige ruitjes van 1650 en 1660, die toch goede specimina der kunst van hun tijd zijn, staan merkbaar lager; zij heeten afkomstig te zijn uit de Buurkerk, doch ik kan dit niet gelooven.
Thans een enkel woord gewijd aan de beide hoofdmeubels van het vertrek: den schoorsteen en de kast. De schoorsteenkap, gedateerd 1631, is van onbekenden oorsprong, doch zeker XJtrechtsch werk, want ik heb eenmaal ook eene kast met geheel dezelfde kopjes in het fries hier te Utrecht gevonden. De beide karyatiden uit den-zelfden tijd, die de kap dragen (geschonken door mr. Kneppel-hout van Sterkenburg) zijn niet leelijk ; en al zijn ze slechts van gebakken aarde, toch stammen zij uit het kasteel Vossenstein onder Doorn. De blauwe tegels uit oen huis in de Lichte Gaard (geschonken door den heer J. Serton) en de haardplaat met de eleLrant getee-kende voorstelling van een wandelenden heer en dame (afkomstig uit de huizen van het St. Magdalena-k loos ter en geschonken dooiden heer H. J. A. Van Son) kleuren met de beide eigenaardige koperen lampjes goed bij het geheel en geven een lati-r type van schoorsteenversiering weder, als dat met de haard-teenen, die wij reeds kennen.
De herkomst van de fraaie kast uit denzelfden tijd kan ik niet opgeven. Zij werd vroeger voor het museum aangekocht tot berging van aardewerk ; de kolommen en de laden in de kap zijn toen aangebracht. Ik moet uwe bijzondere aandacht vestigen op de kannen, die de kast bekronen. De groote in het midden met de drie Gratiën en twee der Zeven vrije kunsten is niet alln-n een uniek stuk, maar ook een der fraaiste werken, die bekend zijn uit de
32 «IDS DOOR HET
beroemde fabriek van mr. Jan Emen* te Raeren, wiens initialen niet het jaar 1578 op den buik voorkomen. Ook het kistje, met
fraai bewerkt leder overtrokken en met ijzeren banden beslagen, is, hoe zwaar beschadigd ook, een fraai stuk; hot is een geschenk van het gemeentebestuur van Rhenen en waarschijnlijk uit het gasthuis aldaar afkomstig.
Van het verdere meubilair noem ik allereerst den grooten lezenaar op fraai bewerkten voet, die reeds meer dan eens in buiten-landsche tijdschriften als model werd afgebeeld. Hij is afkomstig van het Hof van Utrecht en heeft denkelijk den advocaten gediend om hunne papieren en aanteekeningen onder het pleiten uit te spreiden; van daar de groote lengte van het blad. De bank met beweegbaren rag, afkomstig uit het stedelijk poli-Kan, in 15Ts v r.viamicJ «i...» .T. Ein. iis tiehuis, is zoo ingericht, dat men Uaoivn. beurtelings aan de tafel zitten
of zijne voeten voor den haard warmen kan. Een ingenieus idéé, dat ik echter niemand aanraad zonder meer over te nemen, want op deze bank zit men in beide richtingen ongemakkelijk ! De linnenkist (een geschenk van den heer A. \' . \\ an \\ loten) is een voorbeeld, hoelang traditiën onder de boeren standhouden; ik houd haar voor niet ouder dan deze eeuw; en toch is zij in deze kamer niet misplaatst. Xolt;r sterker voorbeeld van hgt;-t conservatisme der boeren levert de merkwaardige, met gesneden ornamenten geheel bedekte betimmering, die ge naast h\'-t raam zilt;-t (ongelukkig in een hoek, die door het gedeeltelijk bctimni\'Ti-n van hlt; t raam en het aanbrengen van geschilderd glas veel te donk\'-i\' irewordenj ; zij i- afkomstig uiteen huis te Wilnis ••ii waar-i iiijnlijk ni\'-r ouder dan d*■ vurige eeuw, maar de vormen
STEDELIJK Ml\'SEI\'M VAN OUDHEDEX. 33
van enkele harer versieringen herinneren zelfs aan de vroege middeleeuwen.
Aan den wand hangen nog verschillende voorwerpen, waarop ik uwe aandacht vestigen moet. Allereerst de fraaie schilderij van J oost Droochsloot, die het afdanken der waardgeldei\'s op de Xeude voorstelt (geschonken door mr. J. Van Doelen) en het gezicht op de stad omstreeks 1660 (een geschenk van mr. S. C. Van Musschen-broek). Het portret boven den schoorsteen stelt zekeren A. Anschuts voor, denkelijk een deken van het Apothekersgild, in welks bezit het stuk gevonden werd. Dit alles is speciaal Utrechtsch, maar de (leelijke) zinnebeeldige voorstelling van Alva\'s tyrannic (geschonken door mr. J. Hinlopen) was door het geheele land zeer geliefd; men vindt ze herhaald op tal van schilderijen en ze is zelfs gegraveerd. Van het fraaie marmeren relief, het portret van een grijsaard, kan ik alleen mededeelen, dat het Fransch werk is en een geschenk van mr. F. N. M. Eyckvan Zuylichem; het andere relief in terracotta, dat de smederij van Vulcanns voorstelt, is daarentegen weder Utrechtsch: het stamt uit de verzameling van de Teeken-academie en is gevolgd naar eene 16quot; eeuwsche gravure van Corn. Bos. Utrechtsch is ook het curieuse portret van den priester Jacob Vlieger op twee muurtegels ; immers het is gevonden in een huis van de Viesteeg, maar de voorgestelde persoon is mij onbekend. Dit geldt niet van de drie andere kleine portretjes aan den wand : het kleine fraaie schilderijtje stelt den bekenden Utrechtseben burgemeester dr. C. Booth in zijne jeugd voor, de twee teekeningetjes geven ons de portretten van de professoren Schotanus en Demaets (twee steunpilaren der rechtzinnigheid) van de hand hunner vrome vereerster, onze beroemde Anna Maria Van Schurman.
Terwijl ik uwe aandacht in het voorbijgaan nog vestig op de klok met het wapen der provincie Utrecht, den tinnen kroes met het portret van prins Willem III, den merkwaardigen hoed uit den tijd van prins Maurits (gevonden bij het afbreken van een muur in het Burgerweeshuis) en de aardglobe, waarop de reis van het schip Berkenroede van Batavia naar Amsterdam in 1731 is aangeteekend (vreemd genoeg gevonden in den Dom!) geleid ik u ten slotte naar de toonkast voor het raam. Gij vindt er niet veel bezienswaardigs. Wellicht zullen de looden stempels, die door de waardijns aan het laken gehecht werden ten bewijze, dat het goedgekeurd was. de kleine rookpijpjes, die jjv zoo dikwijls op de schilderijen van Ostade
3
(UDS DOOP, HET
ziet afgebeeld, — de enkele fraaie meshechten van gesneden hout of geëmailleerd brons — of de insigaes van den kapitein der burger-compagnie Pekstokken uwe aandacht trekken. Doch zeker is dit het geval met een paar voorwerpen, die toch zeer onbeduidend zijn ; een visitekaartje van 1747 (van den naar Oost-Indië vertrekkenden ,onderkoopman Van Schuier\'\') en eone invitatiekaart vooreen diner in het Nieuwe kasteel van Antwerpen op de Ganzenmarkt uit wat lateren tijd; het zal u in het oog vallen, dat beide doodeenvoudig geschreven zijn op een stuk van eene oude speelkaart. Meer luxe ziet ge in eene andere invitatiekaart, die toch slechts het diner van het gerecht van Tolsteeg geldt (1807); zij is met vergulde letters op eene zwarte blikken plaat geschilderd en vertoont de afbeelding van den hoofdschotel op den diseh: een vetten kalkoen.
De deur doorgaande, zijn wij alweder eene eeuw verder: het volgende vertrek geeft ons eene voorstelling van eene kamer uit het jaar 1700 l). Eigenlijk had ik daarvoor een ouderen stijl gewenscht : aan onze roemrijke 17e eeuw meende ik verschuldigd te zijn, twee vertrekken aan haar te wijden. Voor deze zaal had ik op de jaren 1660—1680 het oog, het tijdvak van het notenhout en het gedraaide ornament, dat nog onder den invloed stond van Jakob Van Campen en Pieter Post, de kunstenaars, die ons Amsterdams stadhuis en het Trippenhuis hebben nagelaten. De stijl dezer periode is niet zeer populair en toch verkies ik hem boven dien der 18e eeuw. Als hoofdbestanddeel van dit vertrek was het poppenhuis als aangewezen, dat op zich zelf reeds eene zoo volledig mogelijke reproductie van den bedoelden stijl geefr. Ook de schoorsteenmantel voor het vertrek stond reeds gereed: het is die met de gedraaide zuilen, dien wij beneden zagen. Maar daar kwam het fraaie geschenk van heeren notarissen, di; kolossale schoorsteenmantel, mijne indeeling in de war brengen ! Dit prachtstuk mocht niets minder dan eene in het oog vallende plaats innemen ; bovendien, het was voor alle andere kamers te hoog. En zoo is deze kamer met hare
\'i Ik ir\'-ef »!»■ !••-( hrijvinjr v;m «iit vertrvk. zoi.als lu-t oorlanir ua lt;!lt;• plaatsing plafond \' j wonlcn zal: \\v;i.irgt;ch ijnlijk toch zal lt;!•\' verantlerirn;
vóór \'ilt;\' v. r-cliijriiiiL\' v.mh df/i-n t\'i\'ls voltooid zijn. 11« t plaatjV vertoont ««•hter riquot;.\' \'Iwi ouden toestand met een ander behangsel tii /.onder plafond.
34
STEDELIJK MUSEUM VAN OUDHKDEX.
deuren en lambriseeringen, die met den schoorsteen moesten harmo-niëeren, onwillekeurig iets jonger van stijl geworden dan ik gewenscht had; ze is nu eigenlijk niet style-Louis XI\\, maar style-Régence. Zij heeft dus het zware overladene karakter van het eerste tijdvak behouden ; maar de strengheid van stijl is verdwenen, de ronde lijn aanvaardt de regeering, de verf vervangt de natuurlijke houtkleur.
Gelukkig is een deel van het decoratief der kamer trouwens nog uit den sroeden tijd. Het prachtige plafond verdient allereerst uwe aandacht. De drie hoofddoeken, geschilderd door eene onbekende hand uit lt;lc \'2\'\' beli\'t der 17\'\' eeuw, die wel eene meesterhand mag heeten, zijn afkomstig uit een huis Achter St. Pieter en komen thans in lt;le caissons der zoldering (ingelicht volgens de onlangs in het Trippenhuis ontdekte) weder tot hun recht. Zij waren deerlijk verhavend, half gewitkalkt, gescheurd en beschadigd, toen de stad ze aankocht, en gij moogt de heeren H. A. \\ an Beuningen, ,Mr. J. lloëll en 31r. W. J. Koyaards van den Ham wel bijzonder dankbaar zijn, dat zij de zeer hoogc restauratiekosten hebben willen dragen, want waarlijk, ik weet niet, of gij anders wel ooit gele-genheid zoudt gehad hebben om de doeken te bewonderen! De vijf kleinere plafond-vakken, die minder in het oog vallen, zijn in den stijl der hoofddoeken beschilderd door onzen stadgenoot H. Harte mink; het plafond is daardoor thans geheel gevuld.
Ik hoop, dat de kleur van balken en wanden u voldoet; het donkerblauw, dat den hoofdtoon voert, is de kleur van den tijd. Men kan bijna zeker zijn, wanneer de verf van oud houtwerk wordt afgekrabd, onder de jongste witgrijze verflaag eene lichtgele te vinden; daaronder komt dan het groen, de geliefkoosde kleur der 18e eeuw, voor den dag, eindelijk donkerblauw, dat op het einde der 17e eeuw in gebruik was. Ldders heb ik dit zoo gevonden, en ook hier, op het houtwerk der deuren en kasten, was dit het geval; ik heb dus de kleur slechts hersteld. Ook het behangsel der kamer komt deze herstelling rechtvaardigen; de prachtige lap goudleer van den schoorsteen (afkomstig uit een huis op de Kromme Nieuwe gracht en geschonken door den heer Jhr. Mr. J. \\an der Feltz) is donkerblauw, en ook in de groote, fraaie stukken goudleer, die het vak aan de andere zijde van den schoorsteen geheel vullen (afkomstig uit het hu,- van den schenker Ds. \\.. Schouten Hz. aan dc Xieuwe gracht) voert deze tint den boventoon. Keniggt;zins schril steekt daarentegen bij het houtwerk at het behangsel van de
37
GIDS DOOR HET
andere zijde van het vertrek, met figuren van grijs laken, verlevendigd door wat groen en rood, opgelegd op wit linnen grond. Toch verdient het de aandacht, en ik was blijde, toen ik het in een der voor de academie aangekochte huizen op het Oudmunster-kerkhof onder het nieuwere behangsel ontdekte. Het is toch een goed staal van een behangsel uit een burgerhuis van het begin der 18eeeuw: wel vreemd maar niet leelijk. Beter voldoet het dan ook dan de lap uit het kasteel Ysselstein, die aan de andere zijde der kamer naast het raam hangt: goudleer-imitatie, zooals blijkt uit den gelen grond (die ongelukkig door het bijschilderen iets te hard en te rossig is geworden). Andere lappen van dergelijke behangsels, die in dien tijd zeer gewoon waren, bezit ons museum nog, maar het fraaiste patroon (uit Den Haag) vindt gij in hot Rijksmuseum.
Reeds het plafond en het goudlederen behangsel maken deze zaal tot de rijkste der serie antieke kamers, maar den meesten indruk maakt de schoorsteenmantel, afkomstig uit het venduhuis Achter St. Pieter, en geschonken door heeren Notarissen ter gelegenheid van de inrichting van het museum. Hot kostbare stuk, vroeger half door het plafond, half achter eene tribune verborgen, komt thans beter tot zijn recht. Daartoe werkt ook krachtig mede, dat boven den spiegel de plaats, vroeger door een stuk gobelin-behangsel gevuld en sedert jaren ledia:, thans is ingenomen door een afgietsel van den in hout gebeeldhouwden roof van Proserpina, die in datzelfde huis een anderen schoorsteenmantel in geheel denzelfden stijl versiert. Bij den schoorsteenmantel behooren zeer goed de belegsels van deuren en penanten; zij zijn afkomstig uit het archiefgebouw op den Drift en geschonken door de heeren W. Van Willigeuburg en W. A. G. Jansen. Iets ouder van stijl (maar toch niet zóóveel, dat ze hier misstaan) zijn de twee aardige wandkastjes, die, al zijn ze niet fraai gesneden, met hare herstelde kleurversiering oen goed effect maken ; zij beboeren zeker tot den tijd, toen de Agnieten-kazerne, waar ik ze vond, tot Ambachts-kinderhui- werd ingericht (1674).
()ok de meubelen van het vertrek verdienen bijzondere aandacht. Gij vindt hier het bekende prachtig gesnedene tafeltje, waarop volgens de overlevering de geloofsbrieven van do gevolmachtigden ter rtrecbtscbe vf des-onderhandoling (1712) door den magistraat zijn in ontvangst genomen; den fauteuil, voor prins Willem IV in 1747 vervaardigd door Corn. Koopman, en in de vroedschap geplaatst, om te gebnnken wanneer Zijne Hoogheid de vergadering eershalye
39
presideerde; en de fraaie geldkist van den stedelijken thesaurier. Beter dan dit alles is de jongste aanwinst; de buste van een onbekend aanzienlijk persoon, in bruikleen gegeven door het OudK.-C. kerkbestuur van St. Geertmida: beter, want zij draagt op den rug de veelzeggende woorden: „R. Verbuist fe. 165 6,\' en is dus bet werk van Xeerlands beroemdsten beeldhouwer. Doch ook dit kunststuk moet in de schaduw treden voor het glanspunt van het vertrek: het „poppenhuys.quot;
Het poppenhuis is in 1674 — 1690 bijeengebracht door eene voorname dame, die waarschijnlijk te Amsterdam woonde ; sedert 1738 kennen wij zijne lotgevallen, totdat het in 1866 door mevr. Pi pers-berg geb. Holfzhey aan de stad werd geschonken. Inderdaad is het een kunststuk : de kast moge overtroffen worden door de prachtige met zilver ingelegde wanden van het poppenhuis in het Rijksmuseum (dat naar de overlevering door Czaar Peter besteld, maar wegens de hooge kosten niet aanvaard werd), de inhoud van on^ meubel is daarentegen kostbaarder en fraaier. Ik kan u niet elk voorwerp aanwijzen, dat waarlijk kunstwaarde heeft: er zijn er te veel ; alleen de allerbeste stukken noem ik u. In het voorhuis ziet ge alleen vier fraai gesneden ivoren reliefs, en het kantoor levert niets. Maar de wanden der saletkamer bestaan uit drie schilderijen van den bekenden F. De Moucheron. Let op het tafereel boven den schoorsteen der kunstkamer, dat eene microscopische lijdensgeschiedenis van Christus vertoont, en op het geëmailleerde balsemdoosje met Jaël en Judith, dat op de fraai gesneden en ingelegde barnsteenen tafel ligt. Doch schooner zijn de schilderijen in dit vertrek, alle van de hand van bekende schilders: G. Hoet, J. Van Hugbten-burgh, H. Saftleven en W. Van Mieris. De muntcollectie, die in de laden van het kabinet schuilt, is niet bijzonder merkwaardig : de kleine omvang, meer dan de zeldzaamheid der stukken heeft blijkbaar de keus bepaald. Maar het is jammer, dat de prentverzameling. die in de kunstboeken op den grond geborgen is. niet te zien is: gij zoudt er fraaie kleine gravures kunnen opmerken, bijna alle uit de eerste helft der 16° eeuw en van de hand van meesters als II. S. Behaim. II. 1gt; i n k. H. A ld eg re ver en A. Durer. De slaapkamer vertoont behalve de schilderijen van W. V a ii M i e r i s, P. Van S 1 i n g e 1 a n d e. a. niets merkwaardigs dan alleen (onder den schoorsteen) een gedreven zilveren schotel, die blijkbaar eenmaal voor andere doeleinden gediend
40
heeft. In de kraamkamer wijs ik u terloops een paar kleine reliefs door F. V a u Boss u i t en het portret van den bekenden Zeemvschen muntmeester Mart. Holtzliey, doch vestig uwe bijzondere aandacht op de drie fraaie miniaturen op ivoor in gesneden barnsteenen lijsten, die boven de alkoof hangen en die niemand minder voorstellen dan Lode wijk XIV niet zijne gemalin en zijn eersten minister, kardinaal De Mazarin. De twee andere miniaturen (evenals «Ie spiesrel in gesneden ivoren lijsten) behooren blijkbaar daarbij; maar merkwaardiger is het groote miniatuur uit de eerste helft der 16\' eeuw, dat volgens de overlevering Philips den Seboone voorstelt. Toch is dit nog niet het kostbaarste voorwerp van het vertrek: onder den sehoorsteen ziet gij een agaten reukvaasje, met geëmailleerd goud versierd en in witte verf beschilderd niet zeer fijne voorstellingen van Neptunus, Bacchus, Apollo en tafereelen uit den boerenstand. De kinderkamer vertoont minder bezienswaardigs : gij ziet er echter een fraai gesneden houten relief en vooral een uitnemend gedreven zilveren kachel met tafereelen uit den boerendans. De keuken, in 1831 door dieven van zijn zilveren meubilair beroofd, b\' /.it niets kostbaar- meer, en de zolderverdieping kunnen wij spoedig doorloopen, om alleen nog een blik te werpen op den tuin, die volgens onze denkbeelden niet fraai, maar curieus aangelegd is.
Wij hebben thans alle meubels van dit vertrek bezichtigd. Gij ziet, dat de qualiteit hii-r de quantiteit moet vergoeden. Het vertrek is ledig; zelfs de fauteuil, die in het volgende vertrek behoort, staat hier alleen als aanvulling. En toch ware hier zoo gemakkelijk te helpen I Ik keu de plaats hier ter stede, waar een geheel meubilair in den -tijl van dit vertn-k (de stoelen alweder bekleed met stof van dezelfde blauwe kleur als de lambriseering) in portaal en kast en vliering ongebruikt ver-eliolen -raat; ik heb den zolder betreden, waareene m-rkwaardige ka-i met deuren van gobelin-behangsel in dezen zelfden -uil vgt; quot;T iedi-r- oeitr verborgen I Doch genoeg, ik moet u nog de -cbilderijeii vertf\'onen. Slechts vier daarvan, portretten van burge-mee-ter I\'. V t van Winssen en zijne echtgenoote D. La Court 1171 i:J 1 .-n vat prof. L. Van de Poll met zijne vrouw door ,M. Gil lig bele ■!•■ n bier te huis, evenals het groote schoorsteenstuk uit de kaj.ittelkamfr van St. Marie, dat den stichter der kerk, keizer Ller.drik IV. rm.et afbeelden (een geschenk van den heer D. Van den Bo-eh;. 1)quot; andere portretten, van prof. Reland door Colasius en van jirof. \\Ve--eling door Quinkhard, zouden beter in de vol-
STKDKM.IK MI\'SKfM VAN OrDIIKDICN.
gende kamer passen, evenals het daaronder hangende kunstwerk van geknipt papier, in 1777 door Grog. Re nart. aan de stad aangeboden.
Thans nog een blik geworpen in do heide wandkasten en in do toonkast. Do eene wandkast, bekroond door twee tinnen collecte-borden van de Benmurde Weerd en door een scheerbekken van Japansch porselein mot het wapen van Utrecht uit het laatst der 17° eeuw, geeft n het glaswerk te zien. Zeer oud is het niet, en dus ook meestal niet zeer fraai. Slechts de bekers van het Collegium Willebrordi met het geëtste beeld van den schutspatroon, en van de Aahnoezenierskamer met de elegante bloemkransen (geëist in 1736 door C. Van Borckeloo) zijn bezienswaardig. De andere onderscheiden zich meest door zonderlinge voorstellingen en zotte inscripties, zooals b. v. die van de burgercompagnie Turkije (1764):
„Diiiir \'t aanlrijk drinkt het regenvoeht.
Door \'t boomgéwas het nat uit lt;1«\' aardt\' word gezoojxeu,
De zee zich zat slurpt aau de lochl,
De zou uit zee met sterke tooge,
Terwijl lt;!(• uiaau haar dorst lescht aau de zon,
Dus alles drinkt wat drinken kon,
Waarom dan zouden ook ireen Turken drinken ijmiitcu vquot;
De andere wandkast levert meer bezienswaardigs. Allereerst verschillende kleedingstukken, waaronder ik u Icon een ü\'i\'breid kindermutsje (gevonden onder de papieren van een Hoornsehen advocaat van 1575) en twee fraaie waaiers nit de vorige eeuw (geschonken door freule M. A. Taets van Amerongen), den eenen met eene fraaie walerverfteekening van Mozes in het biezen kistje, den anderen (jonger doch kostbaarder) met idyllische tafereelen op ivoor. Het zilveren beeldje daarboven is hel laatste overblijfsel van den beroemden spiegel in de l\'trechtsche raadkamer, welks zilveren lijst in 1688 gedreven was door den l treehtschen zilversmid Jan Willaertsz. Uwe aandacht valt allicht op het kleine zijden patroon-tasehje ; het is afkomstig van een kapitein der burgTCompagnie Pekstokken. Twee voorwerpen herinneren aan l uvehi- oudeindustrie; het model van den haspel, waarop de zijde gesponnen werd in het beroemde Zijdebalen buiten de Weerd (geschonken door jhr. (i..I. Beeldsnijder van Voshol) en het stalenboekje der bekende lakenfabriek Kemees, Floris, Elin en t\'o. (een geschenk van mr. J. 11. .--choberi.
42 GIDS DOOR HET
in éénon adem genoemd worden dc
-tanding van (\'hri-tus (omstreeks 1570), gevonden in de Louwerstraat
Stedelijk museum vax oudiiedex.
en gesctonken door den heer J. P. Van der Keilen; evenmin de degen met gedreven zilveren gevest uit; de 17\'\' eeuw, en allerminst de Toledo-kling met schildpadden gevest en zilveren emblemata. Maar toch, al is zij verre van fraai, wellicht zou ik dit geschenk van den heer J. C. Uylenberg het meest ongaarne missen : het is toch de statiédegen van een der studenten, die in 1736 bij het tweede eeuwfeest onzer hoogeschool plechtig ,more majoruni\' of „met de kapquot; gepromoveerd zijn. Aan ditzelfde feest herinnert ook do zilveren trompet, die in de vitrine ligt ; op het officiëele diner, dat de feestelijkheid bekroonde, gaf de stadstrompetter daarmede bij eiken toast het sein tot het lossen van het geschut. Maar toch niet voor dit doel werd de trompet vervaardigd; zij is het eerste proefstuk, door Utrèchtsche trompetmakers geleverd (1659), en werd door de stad, als een model voor het vervolg, van den maker Isaack Schoot aangekocht. Vrij wat raadselachtiger is de geschiedenis van het stuk, dat daarnaast ligt: de fraaie paarlemoeren voorstelling van O. L. V. ter Nood Gods in gedreven koperen randwerk van 1535. Het is het slot van een priestermantel, dat vroeger ,bruts\' (ons „brochequot;) heette ; de overlevering beweert, dat het fraaie stuk gevonden werd bij de afbraak van het stadhuis. Eindelijk vestig ik uwe aandacht op twee curieuse voorwerpen, die nu eens geene kunstwaarde hebben : het middeleeuwsche collectebordje, waarmede de beheerders der Armenpot van St. Jacob onder de preek het geld ophaalden, en de raadselachtige stembus met gegraveerd zilveren handvatsel en rand uit het jaar 1610, welks achttal letters ik evenmin vermag te ontcijferen als ik het wapen op het handvatsel aan eene bepaalde familie kan toeschrijven.
De volgende twee kamers zullen ons niet zoo lang ophouden: er is minder te zien. Do eerste;, die thans volgt, is ingericht in den gracieusen stijl van omstreeks If-iO, den Ijouis X\\ -stijl, die door zijne elegantie sterk contrasteert met zijnen zwaarmoedige!! voorganger. Ik hoop. dat bet vertrek u behaagt : mij althans voldoet de groengouden kleur van het houtwerk zeer wel. Ik zeide u reeds, dat hei de modekleur van den tijd was, en ik achtte mij dus verplicht, toen ik op den marnieren si hoorsteenmantel uit de stadsschool op het St. Pieters-kerkhof den boezem en het schoorsteenstuk plaatste uit de zijkamer van hel voor de academie aangekochte huis op het
CIDS DOOR HET
Oudmimster-kerkhof, dien boezem (mot belioud van het oude verguldsel) groen te laten verven, hoewel hij (evenals de lijst) vroeger met eene grauwe kleur besmeerd was, die het fraaie schoorsteenstuk en grisaille geheel niet deed uitkomen. Dezelfde kleur gaf ik ook aan de lambriseeringen, eveneens uit het huis op het Oudmunster-kerkhof, maar versierd met afgietsels van de fraai gesnedene, vergulde ornamenten der penanten in de groote zaal van het Fundatiehuis van Renswoude, die uitnemend in den stijl pasten. Op dezen getinten grond komen ook de geschilderde behangsels (uit de tuinkanier van het voor de academie aangekochte huis op het Oudmunster-kerkhof) beter tot hun recht. Zij hebben geene kunstwaarde, maar eenige daarvan (vooral het groote stuk over de deur, dat het buitenverblijf der familie Loten aan de Groenekan voorstelt) geven eene hoogst eigenaardige voorstelling van een Hollandsch landschap uit de vorige eeuw. In vertrouwen wil ik u wel mededeelen, dat de stukken eigenlijk voor deze kamer te jong zijn (ik meen zelfs, dat op één daarvan het jaartal 1807 gevonden is); denkelijk zouden de tijdgenooten van Lodewijk XV aan een arcadisch landschap met badende nymphen de voorkeur gegeven hebben boven onze typische echt-Hollandscho laan. Over verschil van smaak valt niet te twisten : ik voor mij acht een Hollandsch landschap meer kenmerkend voor eene Hollandsche kamer dan een buitenlandsch, en ik verkoos dus deze behangsels, die bovendien bet voordeel hadden, dat ze tot. mijne beschikking waren, terwijl de andere mij ontbraken. — De andere zijde der kamer vertoont een nog merkwaardiger behangsel : een imitatie-gobelin, geweven doek, waarop de voorstellingen geschilderd zijn. Het procédé getuigt, dat de stukken dagteekenen uit een tijd, toen deze industrie reeds in verval was. Inderdaad het is werk uit het midden der 18° eeuw, zooals niet alleen de kostumen der in bet bosch aanwezige personen, maar ook de zeer fraaie rand in Louis XV-stijl bewijst, die de voorstelling van boven al-luit. Ik reken het doek, dat ik in een der voor de academie aangekochte huizen op het Oudmunster-kerkhof ontdekte, eene belangrijke aanwinst voor onze antieke kamers : dergelijk werk is zeer zeldzaam, en jammer is het alleen, dat het blijkbaar geen Hollandsch maar Duitsch fabrikaat is.
Veel is verder in dit vertrek nog niet te zien. Een plafond met ornamenten moet nog gemaakt worden, als de middelen beschikbaar zijn ; het is voorlonpig toonbaar. Meiibelrn zullen zeker bij gelegenheid wol
■If.
STEDELIJK MUSEUM VAX OUDHEDEN\'.
eens te krijgen zijn: de bekende stoelen en tafels en kabinetten niet ronde grillige lijnen en koperen beslag komen nog tallooze malen voor, en ik hoop zelfs een fraai stel wel eens te zullen veroveren. — De beide groote fauteuils zijn in de raadkamer en op den rol van het Hof geplaatst, toen prins Willem IV als stadhouder optrad ; de vergulde lustres stammen uit de oude Aalmoezenierskamer, en de twee portretten door Quinkhar d zijn die van den bekenden Utrechtschen orientalist prof. David Mill en zijne echtgenoote. De schoorsteenmantel is nog geheel kaal; ik vertrouw, dat hij eerlang wel zal voorzien worden van eenige bibelots in Sèvres-porselein, zooals menige huisvrouw ze nog bezit.
En thans spoedig verder; anders vrees ik, dat gij te veel acht slaat op de (leuren van deze kamer, die nog geheel niet in stijl zijn, evenmin als het weinig passende ge.-childerde dessus de porte. Ook hier moet gij geduld oefenen : mettertijd zal dit wel in orde komen !
Wij betreden thans de laatste kamér der serie, een vertrek in Louis XVI-stijl. Het igt; de betimmering eener echte Utrechtsche kamer, die gij in haar geheel hier voor u ziet: eene der beide achterkamers en suite in het afgebrokene huis van mevr. de douairière Bosch op het St. Janskerkhof (thans gcineente.-chool). Ik hel) ze uit de afbraak gered en op den zolder van het stadhuis geborgen : én thans, na vele jaren, ben ik daar blijde over, want waarlijk, vindt gij dit vertrek niet fraai en smaakvol? Ziet gij wel,!.....uitnemend de vergulde lijsten en ornamenten aan en boven den spiegel zijn gesneden, hoe fijn de kleur is van het houtwerk en van de zijden behangsels ? Ik kan het gerust vragen, want niet mij komt de eer van de samenstelling toe; het is zeker een Parijsch artist, die in 1791 de kamer voor een Utivchtsch patriciër heeft ingericht. Immers dit getuigen de inscripties ,1*. gt;. fee. Aquot;. 1791 a Paris.quot; die op de beide panneaux boven de deuren voorkomen. Ik heb zooveel eerbied getoond voor den smaak van dezen kunstenaar, dat ik niets aan zijne ordonnantie wranderd heb. Ik had gaarne, om wat afwisseling van kleur in de s -rio kamers te brengen, de zijden behan^\'-els geel gezien - de kleur, die in dien tijd zoo geliefd was en die zoo goed uitkomt op wit-gouden lambriseeringen; welnu, ik heb hi t niet gewaagd, mijn ideaal te verwezenlijken. Het fraaie plafond is
4
49
50 CUDS DOOR HET
opnieuw gegoten volgens stukken van den rand en van het middenstuk, die op mijn verzoek uit het oude plafond gezaagd en bewaard waren. Alles is geheel als in het huis op liet St. Janskerkhof : de afmetingen van de lange zijden zijn even groot gemaakt als de oude; alleen die van de andere zijden moesten wat ingekort worden.
Hot vertrek is ietwat kaal; de stijve en koude stijl van omstreeks 1800 doet het gebrek aan meubels hier meer nog dan elders uitkomen. Maar het euvel is hier ook het gemakkelijkst te verhelpen; menige keuken, menig portaal bewaart oude verwaarloosde meubels uit dezen tijd. Ik heb nog zijde van het behangsel voorhanden, en ik kan ze dus met geringe moeite opknappen. Doch de meubels mogen niet te ordinair zijn, anders steken zij te veel af bij het eenige meubel der kamer, het fraaie rood-gouden penant-tafeltje, dat naar men zegt uit het paleis van koning Lodewijk op den Drift afkomstig is, en alleen het gebrek heeft, niet in de kleur der kamer te zijn.
De wanden van het vertrek zijn integendeel vol genoog. Uit do portretten kunt ge geen besluit trekken omtrent de politieke gezindheid van den bewoner. Prins Willem V en zijn vertrouweling, do bekende overste Pesters (wier portretten, het laatste geschilderd lt; loor J. F o u r n i e r, geschonken werden door mr. J. J. Van der Hagen van den Heuvel en den heer li. baron van Hardenbroek) hangen hier in goede harmonie naast den patriotschen burgemeester Cypriaan Borger (eon gips-medaillon door C op man, geschonken door mr. W. P. Sautijn Kluit) en naast tal van herinneringen aan C. G. Visscher. Deze laatste collectie geeft eenigszins den onevenredig diepen indruk weder, dien het sneuvelen van dezen jongeling in de schermutseling te Vreeswijk op de ütrechtsche burgerij gemaakt heeft. Wij vinden hier hot naar zijn lijk geschilderde portret en eene geteekende kopie daarvan, de afbeelding zijner plechtige begrafenis, het model voor zijn onuitgevoerd grafmonument in de Buurkerk, en gedeelten van zijn uniform met andere herinneringen aan hem, alles door do familie met eerbiedige zorg bewaard en voor eenige jaren aan de stad geschonken. Fraaier dan dit alles is hot prachtige, aan den jongen Frans Van Mier is toegeschreven miniatuur-portret van den hoofdschout A. A. De Ruevor (omstreeks 1750), dat in don donkersten hoek hangt, goed beschermd tegen de inwerking van hot licht. Eindelijk vindt ge nog tegen de penanten twee lustres style-Louis
STEDELIJK MUSEUM VAX OUDHEDEN\'. 51
XVI uit de Aalmoezenierskamer. Op den schoorsteen -;oekt ge nog vergeefs eene pendule met hoekvazen; doch ook hierin kan weder gemakkelijk voorzien worden, want de stijve koperen of vergulde penduletjes met strenge klassieke voorstellingen zijn nog in overvloed in de rommelkamers onzer huismoeders te vinden.
De rest van het in dit vertrek aanwezige verplaatst u in onze eigene tijden. Vooreerst de buste van onzen honderdjarige .J. Lorette, naar men zegt sprekend gelijkend (geschonken door den vervaardiger, den heer P. M. J. S wil lens) en eene afbeelding van een lid van den Utrechtschen weerbaarheidsbond (1868); dan een relief in terracotta, voorstellende Hector\'s afscheid, van onzen stadgenoot den beeldhouwer J. Rijnbout (1831), met twee voorwerpen, vervaardigd in 1836 en 1837 in de bekende Utrechtsche tapijtfabriek van Ga r-jeanne achter Zonnenburg. De inktkoker op den schoorsteen vertoont u in een sprekend voorbeeld, met hoe leelijke geschenken ons stedelijk bestuur nog in 1849 den ijver der geneesheeren in de cholera-epidemie beloonde; fraaier is de zilveren beker, in 1867 geschonken aan mr. A. G. J. baron Taets van Amerongen, majoor-kommandant der schutterij; maar de vier albums, aan burgemeester Kien in 1864 aangeboden bij zijne 25jarige ambtsvervulling (geschonken door baron De Watteville) zijn weder niet van dien aard, dat de kunstsmaak van den gehuldigde daardoor bijzonder kan gestreeld zijn. Eindelijk ziet gij nog in den hoek het met de premie bekroonde model van Jan van Nassau\'s standbeeld, dat boven het bekroonde beeld het voordeel heeft, dat de kop althans eenigszins gelijkt op het bekende portret van den graaf.
Eindelijk moet ge de toonkasten op het midden van den vloer niet voorbijgaan. De Utrechtsche munten zullen alleen aan kenners belang inboezemen, al is vooral de collectie bisschoppelijke munten, die aan het Provinciaal Utrecbtscli Genootschap behoort, zeldzaam volledig en kostbaar. Maar onder de penningen (recht tegenover den uitgang) zijn verschillende bezienswaardige stukken. Ik noem u de fraaie 16-eeuwsche penningplaten op paus Adriaan VI en bisschop George van Egmond (vervaardigd door den Utrechtschen stempelsnijder Steven Van Holla ut), den zilveren penning van 1573, de prachtig gedreven penningplaat op de gouden bruiloften van Floris Janss. en Jan Floriss. Van de Nypoort (een uniek stuk), den zilveren penning, door de Staten van Utrecht in 1700 aangeboden aan Agues Blok, toen zij de heeren op hare bui-
GIDS DOOR HET
tenplaats Vijverhof bij Nieuwersluis onthaald had op zelfgeteelde ananassen, en den kostbaren gouden penning op den vrede van Utrecht, geschonken door de familie De Beaufort.
Thans hebben wij de serie antieke kamers geheel doorloopen. De deur, die wij thans openen, geeft ons toegang tot de afdeeling kerkelijke oudheden. Ongelukkig heeft de verdeeling der lokalen mij gedwongen u eerst in de jongste afdeeling, die de protestantsche kerk vertoont, binnen te leiden. Of eigenlijk niet in de protestant-sche kerk: zij heeft zoo weinige fraaie zaken aan ons museum geleverd, dat ik geene kans zag, zelfs dit kleinste der vertrekken daarmede te vullen. Ik heb er de kerkelijke oudheden in renaissancestijl vereenigd, en dus ook enkele voorwerpen moeten opnemen, die op den katholieken eeredienst betrekking hebben.
Het eerst valt u de groote preekstoel in het oog. Eigenlijk is het geen kerkelijk voorwerp: het is de katheder uit het derde auditorium der hoogeschool boven de kloostergang van den Dom, dat alleen des Zondags als kerk voor de Hongaarsche studenten diende en daaraan zijn naam ontleende. Velen van u hebben dit meubel nog in zijn luister gekend, maar toen ik het op den zolder van het gebouwtje ontdekte, scheen het nog slechts eenr hoop brandhout, Eer.-t thans komt het houtwerk, van de verf ontdaan en behoorlijk in elkander gezet, weder beter tot zijn recht. Maar het is en blijft eene ruïne: het snijwerk van consoles en achterwand alleen getuigt van de kunstvaardigheid van den stads-architect Hen-rick Aertsz. Struys en den stadstimmerman Jan Hen rick s 1644); de voorzijde is geheel weg, de achterwand is ter halverwege van vurenhout bijgewerkt, en de kolommetjes met hunne fraaie kapiteeltjes zijn door rechte steunsels moeten vervangen worden.
Naast den katheder ziet ge het fraaie middenkoorraam der St. Jacobskerk, in 1599 geschilderd door Reyer Van Zij 11 en door de Staten van Utrecht aan de kerk geschonken. De twee gehar-na.-ten hebben vroeger dan ook het wapenschild der provincie vastgehouden : dit is thans verdwenen, en slechts de spreuk onder het wapen is over. Maar hoe ook verminkt, hetgeen ons rest (vooral de beide schildhouders en het vergulde fries met Xeptunus) getuigt luide van de bekwaamheid van den schilder, en de heer dr. W. P ley te. die het -tuk voor ons redde en op kosten van het
52
8TKDELIJK MUSEUM VAN OUDHEDEN.
Provinciaal Utrechtscli Genootschap restaureerde, verdient den warmen dank onzer burgerij. Eenigszius bij dit schilderwerk behooren de orgeldeuren derzelfde kerk, in 1608 geschilderd door Roel off Van Zij 11; maar zij behagen weinig en hangen dan ook boven de deur. Wellicht is echter de verhavende toestand der stukken mede schuld, doch ik aarzel om veel geld aan hun herstel te besteden.
Fraaier zijn de beide in hout gesneden beelden van het orgel van den Dom, die eene halve eeuw ouder zijn en koning David ah harpspeler en een persoon in antieke kleederdracht, die den bas bespeelt, voorstellen. Uit denzelfden tijd zijn de overblijfselen der meesterlijke kanunniken-banken van het Domkoor,
als wier maker eene rekeni ng van 1563 ons Anthonis Peterss.
doet kennen. Eene der beide karyatiden, die het verhemelte boven den zetel van den bisschop droegen, is geschonken door dr. Fock, de andere is afgegoten op het origineel in het Aartsbisschoppelijk museum ; dit is ook het geval met de twee daarbij behoorende zitbankjes, op wier gebeeldhouwde „miséricordesquot; de staande geestelijken gedurende den dienst konden leunen. Eindelijk dag-teek ent nog uit dezelfde 16° eeuw het afgietsel van het kroon-ornament van bet middenkoor-bek der St. Jacobskerk, in 1566 gegoten door J an De C lerck te Antwerpen, dat gij aan de overzijde naast het raam ziet. en het fraaie houten beeldje van St. Job uit de poort van het St. Jobsgasthuis aan den Vleutenschen weg (geschonken door Regenten der Gods- en gasthuizen), dat geplaatst is op een gebeeldbouwden sluitsteen uit hetzelfde gesticht, geschonken door den heer A. Nijland.
58
54 GIDS DOOR HET
Al het overige in deze kamer is uit de 17° eeuw. Uit liaar begin dagteekent de fraaie gesnedene lijst van de memorietafel van bisschop Bernulf in de St. Pieterskerk (1603), waarvan ge hier eenige details in afgietsel ziet, — de kolossale lijst van het gildenbord der Mandenmakers in de St. Jacobskerk (1639), waarvan, helaas! door vocht eenige fraaie details losgeraakt en verloren zijn, — en de koperen schilden van de kronen der St. Jacobskerk met de insignes der schenkers (1639—1645): ik wijs u op de schilden met den paardmolen en met den grooten stoel van mandewerk, alsook op het driehoekige voorwerp met afbeeldingen van zakkendragers, dat de kroon van dit gild versierde. Jonger zijn de afgietsels der fraaie consoles van de banken der St. Pieterskerk, die de plank dragen, waarop de kroonschilden staan; ik houd ze voor niet ouder dan 1660. Het jongste eindelijk (omstreeks 1680) schijnen mij de srebeeldhouwde friezen der kerkbanken van den Dom, die (in afgietsel) den wand aan de overzijde vullen. Uit de laatste helft der 17eeeuw is ook het curieuse relief van gebakken aarde, dat de H. Maagd voorstelt en volgens een dwaas verhaal in den grond der St. Mariakerk gevonden zou zijn. Op de katheder vindt ge eindelijk nog een paar zandloopers van Utrechtsche preekstoelen, en kroon, wereldbal en zwaard van het reusachtige beeld van keizer Hendrik IV, dat eenmaal het koordak der St. Mariakerk versierde; de traditie beweert, dat ze overoud zijn, maar er is niets van aan : het geheele beeld werd in 1781 vernieuwd. Als ge eindelijk naar boven ziet, zult ge een stuk van een versierd houten gewelf zien, dat hier misplaatst en alleen wegens gebrek aan ruimte ondergebracht is ; ik zal er u later meer van verhalen.
Gaan wij thans verder. Wij treden dan de volgende afdeeling van het museum binnen, die de overblijfselen der middeleeuwsche kerk bevat. Vanouds was dit gedeelte de pièce de resistance van ons museum, waardoor het zich van alle andere gemeentelijke verzamelingen onderscheidde en waarvan enkele stukken zelfs aan het Hijksmu.-eum benijdenswaard konden schijnen. Stel u daarom niet V\'.\'.r. dat alh-s even fraai en even ongeschonden zal zijn; ons land i- zóó arm aan dergelijke- overblijfselen, dat reeds het bezit van .-\'.•hoi)dlt;-n \' xemplaren van den tweeden rang een voorrecht is. En al i- het natuurlijk, dat onze stad, waar de meeste kerken
STEDELIJK MTSET\'M VAN OUDHEDEN.
bestaan hebben en de meeste vernield zijn, ook bet meest van kerkelijke overblijfselen bezit, — als men bedenkt, dat juist de band des sloopers het museum zoo rijk gemaakt heeft, dan kan niemand zich verbazen, dat die rijkdom niet onbesmet is. Doch laat ik u zonder verder vertoef rondleiden.
In den hoek rechts van den binnentredende vindt gij de oudste voorwerpen. Allereerst het hoogst merkwaardige relief van St. Jan Baptist, dat lang omgekeerd als trede van het koor der St. Janskerk gediend heeft, doch vroeger met het pendant (dat denkelijk nog wel als trede dient) in het oxaal der kerk was ingemetseld. Het beeld (geschonken door Kerkvoogden) dagteekent uit den tijd van de stichting der kerk (lle eeuw) en is waarschijnlijk afkomstig uit een der ambonen of lezenaars, die ter weerszijden van het koor stonden, zooals dit nog bij de romaansche kerk te St. Odiliënberg het geval is. Naast onzen St. Jan (die met de tympans der oude kerkdeuren van Egmond en Zwolle bet e enige beeld is, dat ons land uit zoo vroegen tijd bewaart) zien wij twee kapiteelen van rooden zandsteen uit bet portaal der zusterkerk van St. Pieter, die bij de laatste restauratie der kerk verwijderd zijn, en een fraai kapiteeltje uit de oude abdij Oostbroek, onlangs daar opgegraven en door mr. W. J. Koyaards van den Ham aan het museum geschonken. Onze voorraad romaansch beeldhouwwerk is daarmede, helaas! uitgeput — op twee prachtstukken na, die wij straks in den koepel zullen ontmoeten.
De muur naast den ingang der zaal vertoont u op vier gothieke consoles van onbekende herkomst (ik vermoed, dat ze uit het koor der St. Mariakerk zijn) vooreerst een zeer fraai, nog gepolychromeerd en merkwaardig onbeschadigd steenen beeld van Utrechts beschermheilige St. Maarten, afkomstig uit den Dom, en aan de andere zijde twee hoofdelooze, maar zeer fraaie en nog gedeeltelijk gepolychromeerde beelden van St. Eligius en St. Catharina, die beide allerwaarschijnlijkst uit de afgebroken St. Salvatorskerk afkomstig zijn, hoewel het een (een geschenk van den heer 1\'. A. Serton) gevonden werd bij het bouwen van bet huis op den hoek van het Wed, het andere (geschonken door den heer H. Van Dijk) bij het fundeeren van het standbeeld van graaf Jan Van Nassau. Boven de beelden ziet gij afgietsels van vele tympans met fraai gebeeldhouwde engelen, die de teekenen van het lijden van Christus drasren : de origLneelen versieren in den Dom den oostwand eener
kids dooi: iii:t
PI
-ff.
: ^«0
, -j -
• j
^ . jr
w.
kapel. Ook voor de afgietsels dei1 twee aardige houten figuurtjes, die het middenkooihek der St. Jaeobskerk versieren en nu ter weerszijden van den ingang opgehangen zijn, vraag ik even uwe aandacht. Wendt ge u dan om, dan ziet ge boven de deur rechts afgietsels van eenige fraaie kapiteelen uit den Dom, en daarnaast in de groote nis de reproductie van het prachtwerk, dat het Domkoor versiert: liet Heilige Graf, dat, al is het benedengedeelte moedwillig geschonden, toch vooral in het bovengedeelte een rijkdom van edele vormen en sierlijke details vertoont, die dit werk stempelen tot het meesterwerk van deze periode in ons land. Ik maak u opmerkzaam, dat gij hier vindt hetgeen in den Dom ontbreekt, namelijk de losse fragmenten van beelden, die bij het ontdekken der groep achter een muur in het graf lagen en die men het raadzaam heeft geacht te verwijderen. Het zijn alle overblijfselen van twee rijkgekleede engelenbeelden, die bij het Christusbeeld gestaan hebben, en waarvan hier eene hand aan het hoofdeinde over i-, terwijl het origineel nog eene hand aan het voeteneinde vertoont.
STEDKLUK MUSEUM VAN OUDHEDEN.
Misschien het fraaiste voorwerp dor kamer is het (helaas ! geschon-dene) grafmonumentje in den hoek naast het Heilige Graf, dat afkomstig is uit het koor der St. Mariakerk en nog de oude kleurvorsiering vertoont. Het stelt u een kanunnik dier kerk voor, knielende voor den gekruisten Christus, en van zijn beschermheilige vergezeld. De twee andere grafreliefs om den hoek, die u beide knielende kanunniken of monniken aan de voeten der H. Maagd voorstellen, zijn vrij wat minder fraai; zij stammen denkelijk uir do kloostergang der St. Mariakerk (of uit rle St. Paulu--abdij). Daarboven draagt eenc console uit de St. Mariakerk eene fraai gestyliseerde buste van St. Jan Baptist, die nu een^ niet (zooals bijna alle voorwerpen, die ik u beschreef) uit de artistiek zoo hoog ontwikkelde 15e eeuw dagteekent, maar ouder en dus belangrijker is; het stuk werd gevonden in den grond van het Oudmunster-kerkhof en geschonken door den heer H. Van Dijk. Het igt; geflankeerd door afgietsels van twee fraai gebeeldhouwde monsters, die als spuwers (gargouilles) dienen aan ramen van hel Domkoor.
In den hoek der kamer eindelijk ziet gij de helft der doopvont van Vreeland (geschonken door den heer Van den Andel aan het Prov. Utr. Genootschap), en daarboven, op eene goed gesneden houten console met beeld van St. Jan Evangelist (afkomstig uit het St. Cecil ia-klooster) een fraai, doch gemutileerd beeld van een knielenden kanunnik, dat alweder tot de op het Oudmunster-kerkhof gevondene zaken behoort. Ter weerszijden ziet gij de afgietsels van twee kleine gebeeldhouwde monsters ; zij zijn hier geplaatst, omdat gij de origineelen, die als knoppen dienen aan de steenen leuning van de trap naar het archief kamertje van den Dom, zeker nooit zult aanschouwd hebben; in tijden als de 15e eeuw is men niet zuinig met het aanbrengen van een geestig ornament, al is men onzeker, of het ooit veel bewonderd zal worden !
Richt thans uwe oogen op het midden der kamer, waar tusschen do ramen een altaar verrijst. Het is geen echt altaar, maar eene tribune, getimmerd om eenige voorwerpen behoorlijk te exposeert\'n. In den voet ziet gij een steenen relief van onbekende herkomst, dal eenmaal zeker een altaar of een Heilig Graf versierde. De mugt;i-ceerende engelen, die er op zijn afgebeeld, zijn merkwaardig: de beide uiterste hanteeren fluit en viool, terwijl een der middelste een klein orgel bespeelt, waarin de ander meteen blaasbalg lucht blaast. De altaardeuren zijn die van het altaar der Schuitenvoerder^ in
57
58 Gins DOOR HKT
de St. Jacobskcrk.\'[Fraai zijn ze niet: de voorstellingen van St. Cfemens en de H. Maagd, met St. Sebastiaan en Moeder Anna laten uit èen artistiek oogpunt te wenschen over. Doch de stukken zijn merkwaardig, vooreerst als de eenige Utrechtsche altaardeuren, die bewaard bleven, — dan om het gezicht op Utrecht in de 16e eeuw, dat wij denkelijk op den achtergrond zien — en eindelijk om de zonderlinge wijze, waarop zij bewaard bleven. Als gij u de deuren laat openen, ziet gij, dat op de keerzijde teksten geschilderd zijn. Inderdaad, toen de schuitenvoerders in het laatst der 16e eeuw van geloof veranderd zijn, hebben zij eenvoudig hunne altaardeuren omgekeerd en de keerzijden beschilderd, zooals de gewoonte hunner nieuwe kerk dit eischte : zoo hebben de protestansche gildenborden de katholieke altaardeuren gered! — Op het altaarblad ziet gij het missaal der St. Ewouts-broederschap in de St. Nikolaaskerk, dat met de goederen der broederschappen aan de stad gekomen is. Het missaal is ingericht volgens den Utrechtschen ritus, hoewel liet in 1497 te Parijs gedrukt werd ; het miniatuur, dat openligt, werd in het boek gevoegd door schenking van mr. Jan Willemsz., vicaris iler St. Mariakerk en zeker lid der broederschap. Vier beeldgroepjes, vroeger gepolychromeerd en geverfd, versieren verder het altaar, — het vierde in afgietsel, terwijl het origineel, afkomstig uit de kerk aan de Biltstraat, berust onder dr. Fock.
De fraai gebeeldhouwde profielen en lijsten, die boven het altaar hangen, zijn afgegoten op de oude vensterversieringen en gootlijsten van het Domkoor. Maar de -stukken geschilderd glas, die de vensters daarnaast vullen, bréngen u eenigszins uit de stemming: gij ziet toch onmiddellijk, dat de fragmenten uit eene veel latere periode stammen dan de rest van het vertrek. Inderdaad het zijn wapens uit de koorvensters der St. Janskerk uit de 2e helft der 17eeeuw; voor hun tijd ziju zij fraai genoeg, maar toch ziet men duidelijk, dat zij uit de periode van het verval der glasschilderkunst dagteeke-nen ; zie maar eens, hoe de verf overal heeft losgelaten ! Ik had u gaarne dezen ontstemmenden indruk in deze omgeving bespaard; doch waar anders was voor deze stukken plaats te vinden ?
Wend u thans om, en gij ziet midden op den vloer eene lange schilderij, aan twee zijden beschilderd. Het is het bord, dat vroeger hing boven de broodtafel der Armenpot van Sr. Jacob en het bedrijf van potmeesters in beeld brengt (1562). Men ziet hen de schotels met spijs aan de vaste bedeelden uitreiken, de zakken turf rond-
STEDELIJK MUSEUM VAN OUDHEDEN. 59
zenden en aalmoezen brengen aan huiszittenden en zieken. De keerzijde der schilderij geeft eene voorstelling van het laatste oordeel met eene aansporing in rijm, om met het oog daarop weldadigheid te oefenen. — Achter deze schilderij ziet gij een klein gipsmodel van het merkwaardige grafmonument der twee heeren van Ysselstein met hunne gemalinnen, dat sedert het laatst der 14e eeuw de Ysselsteinsche kerk versiert en voor eenige jaren door het Provinciaal ütrechtsch Genootschap gerestaureerd werd.
In den anderen hoek der kamer staat een afgietsel van het versierde gedeelte van Utrechts merkwaardige banklok, die nog steeds in den Buurtoren hangt, maar thans uitrust van de groote rol, die zij in het vroegere stadsleven speelde. Deze klok toch was het, die de burgerij samenriep ter verdediging der stad of tot het blusschen van brand, tot het hooren aflezen van eene keur of een vonnis. Vooral het laatste kwam bijna dagelijks voor, en hot opschrift der klok herinnert dan ook aan het dikwijls voorkomende misdrijf van diefstal en aan de verbanning (het ,uitluidenquot;), waarmede vele misdrijven gestraft werden. Doch niet alleen als historische antiquiteit verdient de banklok onze belangstelling; ook hare fraaie versiering doet haren maker, den beroemden Utrechtschen klokgieter Steven Butendiic (1471) eer aan: de vier medaillons vertoonea de kruisiging, de verzoeking in de woestijn, het bezoek der drie koningen en de aanbidding der herders.
Hef ten slotte uwe oogen nog op naar het plafond. Boven de deur ziet gij eene rij gebeeldhouwde houten sleutelstukken van balken, die heiligen voorstellen; ze zijn fraai en eene aandachtige beschouwing wel waard, hoewel ze niet ouder zijn dan het begin dor 16° eeuw. Slechts drie daarvan werden geschonken doorjhr. J. L. F. Coenen van \'s Gravesloot, maar alle zijn toch uit hot Wittevrou-wenklooster afkomstig. — In het midden van het plafond bemerkt gij nog twee voorwerpen, die gij niet aanstonds zult kunnen thuisbrengen. Het zijn twee vakken uit de koorsluiting van het houten gewelf dor kapel van het St. Agnes-klooster (thans Agnioten-kazerne), die ik van een zekeren ondergang gered bob ter wille van de merkwaardige beschildering. Wanneer gij goed toeziet, zult gij in het midden der vakken ontdekken voorstellingen van de kruisiging en de graflegging van Christus en daaromheen randen met prachtige gekleurde gothieke ornamenten. Fraai, maar ook merkwaardig om het procédé, waardoor ze vervaardigd werden: met
GIDS DOOR HET
60
gloeiende stempels werden de omtrekken der ornainenton op het hout gebracht en de kleuren daarna met waterverf er op geteekend. Het effect is fraai ; alleen hebben de stukken in den loop dei-eeuwen door de teerheid der verf zoo geleden, dat het patroon slechts ternauwernood meer kenbaar is. Wellicht zal de toestand door vernissen nog wat Ie verbeteren zijn, maar men aarzelt iets te veranderen aan versieringen, die uit haren aard zoo licht te bederven zijn.
Een staaltje van een dergelijk plafond zagen wij reeds in het vorige vertrek aan de zoldering hangen. Het is uit denzelfden tijd. doch veel eenvoudiger dan dit: trouwens het is dan ook niet afkomstig uit een gesticht, maar uit een partikulier huls (hoek Domsteeg en Domplein), in het begin der 16\'\' eeuw gebouwd dooiden kanunnik ten Dom Anton Van Aemstel van Mijnden. Het overblijfsel van dit laatste plafond is een geschenk van freule De Beaufort, die daardoor de stad bijzonder aan zich verplicht heeft; want als gij ten slotte den koepel betreedt, herkent gij onmiddellijk het ornament op hel plafond. Inderdaad, het ordinaire gekleurde papier met bouquetten, dat de zoldering van dit lokaal versierde, heb ik doen wegnemen, en het plafond is nu beschilderd met het echt Utrechtsche middeleeuwsche patroon, dat ik op het fragment uit Anton van Mijnden\'s huis gevonden had. Zijn de geldmiddelen toereikend, dan hoop ik later op dezelfde wijze in de beide andere aan de kerkelijke oudheden gewijde kamers het plafond van hel St. Agnes-klooster te reproduceeren; gij zult dan eens zien, hoe fraai de patronen der beide stukken inderdaad zijn.
De koepel (eenmaal de serre van het, Hoogeland) is zoo goed het ging eenigszins tot kapel ingericht. De glazen deur is vervangen door een boog, gesteund door de zeldzaam prachtige romaansche zuiltjes uit de St. 1\'aulus-abdij ; ik vergis mij : de zuilen stammen niet van daar, ze zijn eerst enkele weken oud, maar de basementen en kapiteelen zijn echte voorwerpen uit de 12c eeuw, en het is -lechts Ie bejammeren, dat de vier roofvogels, die de hoeken van het eone kapiteel vormen, hij het eeuwenlange pikken in de lichamen der gedoode duiven hunne koppen verloren hebben. — Ook de vlooi- van den koepel, uil roode achtkantige tegels, afgewisseld door kleine zwarte steentje-, is oud ; uil verschillende pariikuliero
quot;I\'KUKI.I.IK MUSEUM VAN lt; ii: I JU KD i;X .
huizen, meestal uit het voor de academie aangekochte huis op het Oudmunster-kerkhof. Doch daarom is hij in dit heiligdom niet misplaatst: het koor van den Dom is nog eenvoudiger geheel met vierkante roode bakken geplaveid.
Als ge om u heenziet, zult gij bemerken, dat het kapelletje tevens als eerezaal voor de fraaiste kerkelijke kunstvoorwerpen van het museum dienst doet. Op het midden van den vloer ziet gij do graftombe van een ridder uit het geslacht van Drakenborch uit het laatst der 14e eeuw, of liever het beeld alleen, want de tombe is van hout, nagebootst naar de Ysselsteinsche uit denzelfden tijd. Helaas ! ook het beeld zelf is sterk gerestaureerd: de beenen, de handen en verschillende details zijn nieuw. Van de herkomst kan ik u niets zeggen; dat het stuk uit de kapel van het quot;Wittevrouwen-klooster zou stammen, is slechts eene door niets gewaarborgde overlevering. Ik vond het beeld in verschillende stukken, verspreid over eenige lokalen van het stadhuis, en kon slechts vernemen, dat het iu 1838 daarheen overgebracht was uit liet bolwerk de Morgenstér.
Het geschilderde glas (dat helaas! te weinig aaneenpast om eene rustige, warme tint in het kapelletje te brengen)
is alles, wat wij uit de middeleeuwen bezitten: zoover ik weet is het ook het eenige in ons geheele land. Alles is afkomstig uit den Dom: de fraai geteekende drakeu op rooden grond uit de hooge koorramen, de rest uit het venster eener aan de zuidzijde van het koor aangebouwde kapel. Gij ziet op di\'fraaie teekeninir. die de heer F. J. Xieuwenhuis voor het museum heeft willen vervaardigen, hoe de stukken daar in elkander gepast hebben. De fraai gestyliseerde wapens doen mij denken, dat het Lrla- gesticht is door keizer Maximiliaan en zijne gemalin Maria Van Bour-gondië.
De vier heelden, die op consoles langs den muur staan, stellen
lt;31
GlUri DOOR HET
62
voor St. Joris en St. Ajpuv, St. Paulu- en Sr. Magdalena. Ze zijn uit het laatst der 15e eeuw en gevonden bij het afbreken der St. Mariakerk. Beschouw ze goed, want gij zult niet veel zulke goed geconserveerde en nog geheel gepolychromeerde steenen beelden uit dien tijd in onze musea vinden. De twee houten beeldgroepen, die de besnijdenis van Christus en de aankomst der Drie koningen voorstellen, zijn wat jonger cn ook voel minder fraai, hoewel de eerste groep niet onverdienstelijk is. Doch prachtig zijn de gesneden houten balksleutels uit het laatst der 15e eeuw, die boven tusschen de ramen zijn opgehangen. Ze zijn afkomstig uit de bekende St. Hieronymus-school en stellen de vier groote kerkvaders Sr. Gre-gorius, St. Hieronynius, St. Ambrosius en St. Augustinus met twee onbekende personen voor. Andere voorstellingen der drie eerstgenoemde heiligen vindt ge op de fraaie, nog met de oude polychromie bedekte gewelfsleutels van onbekende herkomst, die daaronder hangen. Zij worden geflankeerd door het gepolychromeerde medaillon van de II. Maagd uit een huis aan de Ganzenmarkt, dat de erven J. Vromans onlang- aan het museum schonken. Twee andere gewelf-
STEDELIJK .MUSEUM VAN OUDHEDEN. 63
sleutels uit de St. Nicolaaskerk, die. St. Maarten en een anderen bisschop voorstellen, ziet gij boven den boog van den ingang hangen. Eindelijk nog de vier reliefs in renaissanee-stijl, die eigenlijk niet in deze zuiver gothieke omgeving behooren. Twee daarvan in albast (een stalletje van Bethlehem en het II. Avondmaal) zijn. naar men zegt, afkomstig uit het quot;Wittevrouwen-klooster; doch de pendanten (evenals deze gemerkt T. T. met een huismerk) zag ik voor eenige jaren bij een logementhouder te Xanten. Fraaier zijn de beide andere reliefs in marmer en albast, van onbekende herkomst, doch geschonken door de heeren mr. J. G. A. Royaards en mr. W. J. Both Hendriksen; zij stellen de geeseling en de graflegging van Christus voor. Het versierde en vergulde lijstje der tweede voorstelling verdient de bezichtiging.
Thans zijn wij weder in het portaal en staan gereed de tweede trap te beklimmen. Doch vooraf moet ge eenige oogenblikken wijden, allereerst aan het waarlijk prachtige beeldhouwwerk van den gevel van het oude stadhuis (in 1546 gebouwd door W i 1-lem Van Noort), dat de deur ter linkerzijde omlijst, doch helaas! min gunstig geplaatst is. Dan aan het bekende beeld der Gerechtigheid uit de oude vierschaar, gebeeldhouwd door Johan Van Damast (einde der 17° eeuw). En eindelijk aan de leelijke, doch curieuse schilderij, die boven de trap hangt en u een kijkje geeft in een gasthuis van omstreeks 1620; gij zult er bij aandachtige beschouwing vermakelijke bijzonderheden opmerken.
Eindelijk de hooge trap op, waarop gij, boven komende, opmerkt twee in liet museum wei wat mis-liv plaatste herinneringen aan de inas-
64 CIDS DOOK HET STEDELIJK MUSEUM VAN OUDHEDEN\'.
kermle van 1841 en het volksfeest op het Vreeburg van 1872. En dan treedt ge liet laatste vertrek van liet museum, de modelkamer, binnen, waar gij niet lang behoeft te vertoeven. De modellen van de Vréeswijksche sluis van 1825 en van den Dom in de jaren 183G —1840 zijn alleen als historische documenten belangrijk, omdat deze gebouwen niet meer of althans niet meer in dezen toestand bestaan. Hetzelfde geldt in hoogere mate van de beide oorspronkelijke modellen, die gediend hebben bij den bouw van het onderstuk en den toren der oude Wittevronwenpoort; zij zijn vervaardigd in 1G49 en 1652 door den architect HL Az. Struys en den beeldhouwer C1 a e s V a n D a m a s r.
Ten slotte vestig ik uwe aandacht niet op de vele modellen van nog bestaande, onbelangrijke moderne gebouwen, maar op het aardige papieren behangsel style-Empire, afkomstig uit het Suiker-Imis op het Lucasbolwerk en geschonken door den heer J. T. Kok. Fraai is liet niet (hoewel de ornamenten in style Néo-grec nog zoo slecht niet zijn), maar merkwaardig in zijne dwaze voorstellingen en zonderlinge tinten. En toch is het Fransch werk: de beginletters van den naam van den fabrikant „P. J. Bou i. . ..\' komen opliet papier voor. Maar het is ook het product van eene kunst in hare opkomst : oudere papieren behangsels dan dit heb ik nooit gezien, en ik vond het stuk daarom belangrijk genoeg om er hier eene plaats voor te zoeken, die beneden ontbrak.
Thans gaan wij scheiden ; mijne taak is volbracht. Ik zal u nog naar beneden geleiden en maak dan mijne buiging ten afscheid. Mag ik onder-tellen, dat het bezoek der verzameling u voldaan heeft en u de overtuiging heeft geschonken, dat hier zonder groote kosten, alleen door geduld en oplettendheid een waarlijk bezienswaardig geheel i- verkregen, waarin zelfs eenige voorwerpen van zéér groote kun-twaarde zijn opgenomen? Zoo ja, dan vraag ik als bewijs uwer dankbaarheid slechts dit, dat gij uwe vrienden en bekenden, vooral uwe l\'trechtsche medeburgers, opwekt tot een druk bezoek. De overbrenging en nieuwe inrichting van het museum heeft veel moeite, veel zorg en veel geld gekost; maar die moeite zal ruimschoots beloond zijn, als het gelukt ons museum daardoor te heiveheppeii van eene balivergetene curiositeit in eene waarlijk populaire gelegenheid tot uitbreiding onzer kennis en tot oefening van den smaak.