Dr. 0. SEEMANN\'S
Kast 219 Pl.t Xn.2
^ ^ ^ ^ ^ ^^ ^ ^ ^ CT)
|
LEG A. A. T gt;
VAN WIJLEN (X
Dr. L. J. MORELL. |
/
Dr. O, SEEMANH\'S
\' MYTHOLOGIE EN KUNST
Het boekje, dat Dr. O. Seemann onder den titel gt; Mythologie der Griechen und Römet, unter steter Hinwelsung eiuf dte kUnstlerischc Darstellung der GottJieiten, als Leitfaden fiir den Se/ml- und Selbstunterrichtquot;, in iSSo heeft uitgegeven, kan ook in Nederland met vrucht gebruikt worden. De duplex libelli dos heeft mij tot de bewerking er van doen besluiten, en mij den lust gegeven om te beproeven een leer- en leesboek te leveren, dat velen zou kunnen nuttig zijn cn met graagte worden ter hand genomen. De inhoud van het Nederlatulsche werkje is veel uitgebreider dan van het oorspronkelijke. Want om het gebruik zoo algemeen mogelijk te doen zijn. moesten, vooral met het oog op de gymnasiasten, zoowel rn het mythologische als in het archaeologische gedeelte, tal van. zaken worden opgenomen, -welke het oorspronkelijke boekje mist.
Moge dezen arbeid, waaraan ook uitgever en drukker vee! zorg hebben besteed, ecu welwillende ontvangst te beurt vallen
dk. a. halherstadt.
1 N If O U 1).
KKKSTE GliDKKI.lK.
1. Algeraecnc opmerkingen overdo Mylliologic dei (Irieken
en Romeinen........... gt; 1
2. De bronnen voor de kennis der Mythologie van de Grieken
en Romeinen........................o
3. Algemeene eigenschappen der Goden.......7
Tweede gedeelte.
1. Ontstaan van goden en wereld • .......II
2. De goden van den Olympos:
Zeus (Jupiter)..............j^.
Hera (Juno)..................^
Pallas Athena (Minerva) .... 9(.
Apollon.................,0
Artemis (Diana) ..... ..»n
A res (Mars) . . ......
Aphrodite (Venus)............/(-
Hermes (Mercurius) . ...
ITephaestos (Viilcanus) . . .
Ilestia (Vesta) . ...
..........
Tanus..........r,
J ............lt;,
Quirinus..................06
3. Godheden van minderen rang :
a. Dienstdoende godheden:
Eros (Amor).............
De Muzen..... ..........-(i
Chariten (Gratiën)..........•jo
Themis en de Horen ...... 7\';
Nike (Victoria) ...............r-
lris.......... . ■ 78
Hebe (Juventas)...... . ^ yó
Ganymedes............ 79
INHOUD.
I\'.la.lz.
b. Hemellichamen:
Helios (Sol)..............................70
Sélene (Lima)................................SI
Eos (Aurora).........................81
De sterren.......................82
l)e winden..................................8B
c. lt; lodhcdcn van geboorte en genezing:
Asklepios (Aesculapius)..........................S\'i
Eileithyia, I Ivgieia, Salus .......................86
d. Godheden van voorbeschikking:
De Moiren iParcen)............................87
Nemesis. Tyehe (Fortuna). iV^athodaemon (IJonus Evenlus). S7
4. I3e godheden der zee en der overige wateren ;
Poseidon (Neptunus)..........................80
Amphitrite............................03
Triton en de Tritons ............. 03
Het geslacht van Pontos:
Nereus en de Nereïden........................04
Thaumas, Phorky-, Keto......................0()
Proteus....................................05
Glaukos .................................00
Ino Leukothea en Melikertes. . . ..........0(3
De Sirenen..................................07
Het geslacht van Okeanos.......... . 08
5 De godheden der aarde en der onderwereld . • •
Gaea (Tellu ) . . ......................100
Rhea Kybele (Magna Mater Idaeai . ... \'101
Dionysos (Bacchus of Liber) ..................102
De Nymphen......................110
[)e Satyrs........................• li-»
Silenos........................115
Grieksche en Romeinscho bosehdaemonen:
Pan............................MO
Silvanus ..... ......................110
Faunus en Fauna....... . . . • . 110
Priapus............ .....i\'il
Satumus en Ops ........... ... Pil
Vertumnus en Pomona ... 1
Flora. ................Pi\'J
Pales........................124
Terminus.................. 121-
Demeter (Ceres)......... .... 125
VI
INHOUD. VII
Bladz.
i\'ersephone (Proserpina).................I\'M
Hades (Pluto)................................133
De onderwereld.............. . 135
De Erinyen (Furiën)...............i37
Ilekate........ .........\'M-0
De slaap en de dood.............ill
6. Romeinschc godheden van hui hul.s en tie familie:
De Penaten..............................142
De Laren ...............................\\ \\ \\.
De Larven, Lemuren en Manes....................145
Derde gedeelte.
1. De Heroën..............................147
2. Schepping en voortijd .......................149
3. Plaatselijke heroënsagen:
Lapithen en Centauren ............. i.Vi
Thebaansche mythen:
Kadmos..................................157
Aktaeon........ ....... . i rgt;lt;)
Amphion en Zethös.............i(U)
Korinthische mythen:
Sisyphos.......... ...... 107
Glaukos.................i(\'»S
Bellerophon en de Amazonen , Hgt;S Mythen van Argos:
lo....................................173
Danaos en de Danaïden......................174
Proetos en de Proetiden ....... . . i 75
Perseus................\'170
De Dioskuren................181
Herakles.....................184
Attische my 1 hen :
Kekrops............ ... \'202
Erechtheus of Erichthonios..... . . . ^20.\'gt;
Theseus......... .... 204
Mythen van Kreta:
Minos en de Minotauros..........\'211
Talos........... ..........213
Vierde gedeelte.
Gemeenschappelijke ondernemingen uit den jongeren heldentijd :
De Kalydonische jacht .............214
INHOUD.
Ue Argonautentocht .... .......
De Thebaansche cyclus...........
De Trojaansche sagenkring.........
a. De heldengeslachten van den Trojaanschen ourlog:
De Dardaniden............
De Pelopiden.............
De Aeakiden.............
Nestor. Aias uit Lokri, Diomedes, Odysseus . .
b. De oorlog..............
c. De terugkeer...........• •
d. De sage van Aeneas..........
Mythische priesters en zangeis.......
Register.................
Chronologische label van tie kunst der Grieken en Komein in verband met hunnen godsdienst........
XOlt; IDZAKEI.IJKK VERBETERINGEN.
Lees op blz. 5 r. 39 hebben; li r. 28 Titanen; 71 r. 37 wijnranken; 80 r. 10 pijlers; 89 r. if) bewoont; 138 r. 22 jageressen; 14S r. 23 chaire; 192 r. 36 en 193 r. 7 helhond; 200 r. 45 appelen.
Verbeter het lidwoord op bladz. 10 r. 7; (gt;3 r* 13gt; 97 \'• 37 cn 221 r- \'■ Lees op blz. 40 r. 23 en 41 r. 2 Tauris; 48 r. 22 llephae-stos; \'39 r. 5 Klytaemnestra; 160 r. 11 A-ktaeon; 176 r. 11 en 225 r. 5 Melarapus; 203 r. 18 Amphiktyon; 205 en 20H hoezen; 214 r. 25 A-dmetos.
Andere afwijkingen in de spelling der eigennamen verbetere men naar het Register.
HI
EERSTE GEDEELTE
1. Inleiding,
Mythen zijn de dichterlijke verhalen omtrent de geboorte, het leven en de daden der oude heidensche goden en halfgoden of heroën. Het woord Sage, eigenlijk de vertaling van het Grieksche mythos, wordt bij voorkeur voor de geschiedenissen der helden gebezigd. Sprookjes of sproken zijn in het algemeen een product der vrij scheppende phantasie; maar talrijke sproken zijn uit goden- of heldensagen daartoe ingekrompen. Aan de mythen ligt een ware gebeurtenis te grondslag; en wel een menschelijke handeling of een natuurverschijnsel. Maar het is dikwijls moeilijk de oorspronkelijke kern te zuiveren van het omhulsel, waarin zij door dichterlijke toevoegsels verborgen geraakt, of waarmee zij door verbinding van gelijksoortige denkbeelden samengesmolten is. Uit de vergelijking van de mythologieën der verschillende volken — inzonderheid van den Indogermaanschen stam — blijkt, dat de meeste mythen hunne verklaring vinden in de natuurbeschouwing der menschen en in hun nadenken over de werkende en scheppende krachten der natuur, die inzonderheid aan de Europeesche en Aziatische volken als handelingen en toestanden van op zich zelf staande goddelijke wezens voorkwamen.
Men stelde zich die wezens eensdeels als welgezind, anderdeels als vijandig gezind jegens den mensch voor, en men trachtte daarom door allerlei middelen hunne gunst te winnen of hunnen toorn af te wenden. Wel kan men aanvankelijk slechts zeer onbepaalde, phantastische voorstellingen gehad hebben van de vormen dier goden, omdat zij zich onder de meest verschillende vormen in de natuur vertoonden. Maar toen de menschen uit den kinderlijken toestand van het oorspron-
Inleiding.
kelijke menschdom tot een hoogeren trap van geestesontwikkeling kwamen, hielden ook de goden gaandeweg op voor hen slechts gepersonifieerde natuurkrachten te zijn. Men ging hen houden voor vrij handelende wezens, die zich zelf gebonden achtten aan onveranderlijke wetten van zedelijkheid en recht, en kende hun in overeenkomst met die denkbeelden een lichamelijke gestalte toe, waarvan de hoofdtrekken zijn als die van den mensch (anthropomorphisme). Vervolgens bracht men die belichaamde krachten of verschijnselen met elkaar in verband en schiep kunstige genealogieën van goden; ja zelfs vereenigde men ze tot een grooten staat van monarchaal karakter.
Hoofdzakelijk echter was dat de ontwikkelingsgang der Grieksche Mythologie. Bij de volken van Italië bleven de goden steeds bloote natuurbeheerschers. die op het gemoed der menschcn weinig indruk maakten. Omtrent de gestalte of levenswijze, oorsprong, verwantschap en dergelijke zaken der goden hadden de Italiaansche volkeren geen scherpe voorstelling, geen bepaalde denkbeelden, — dus ook geen mythen. Eerst later, toen de Romeinen met hunne Grieksche naburen in wetenschappelijk verkeer kwamen, en de letteren en kunsten van dezen in hun land invoerden, namen ze ook de voorstellingen der Grieken omtrent het godendom over, pasten de eigenschappen en verhalen omtrent de Grieksche goden en godinnen op de hunne toe, en vereenzelvigden wat in de natuur en hare verschijnselen in beider landen overeenkomst had; zoodat van een zuiver Romcinsche godenleer slechts in enkele gevallen, bijv. in dat van Janus sprake is.
Zoo naijverig als de Romeinen waren in het staatkundige, zoo toegeeilijk en verdraagzaam waren zij in het algemeen op elk ander gebied. Hun rechtswezen verloor onder den invloed van het verkeer met het buitenland zijn zuiver nationaal karakter ; in kunst, wetenschap en wijsbegeerte beheerschten de Grieken hen, en alle vreemde volksstammen vonden in Rome een plaats voor hunne goden.
\'2. liroimm voor de kennis der Mythologie.
De voorstellingen, die de volken van Zuid-Europa in den vóór christelijken tijd van hunne goden hebben gehad, zijn ons of uit de letterkundige werken bekend, die zij ons hebben nagela-
De bronnen voor de kennis der Mythologie.
ten, of uit producten van beeldende kunsten en bouwkunst.
Bijna elke schrijver der oudheid zou in aanmerking kunnen komen, wanneer er vraag is naar bijdragen tot de kennis der Mythologie; maar voor de kennis der hoofdzaken is het voldoende, om zich te bepalen lot de dichters, epische, dramatische en lyrische, en de prozaschrijvers, die reeds in de oudheid zich op de studie der mythen hebben toegelegd.
In de eerste plaats komt dan èn om zijn oudheid èn om de belangrijkheid Homerus ter sprake, (omstreeks 900 v. C.), wiens heldendichten zoo in de oudheid als in den nieuweren tijd gelijkelijk gewaardeerd worden. De Ilias en de Odyssea, — wij laten de vraag omtrent de eenheid dier gedichten hier buiten behan: deling, •— bevatten het eerste de gebeurtenissen van het tiende jaar van den Trojaanschen oorlog, het tweede de verhalen omtrent den terugkeer en de zweiftochten van Odysseus; zij beschrijven de grootste gemeenschappelijke onderneming der Grieksche vorsten, en bezingen dus de daden der helden, der mannen uit den vóórtijd. Daarmee zijn schilderingen van de godenwereld verbonden ; zoodat Homerus en de later te noemen Hesiodus reeds vroeg als de scheppers van den volksgodsdienst werden beschouwd, en voor ons een rijke sagenschat en vele volkssproken, die reeds in den tijd vóór de Dorische volksver huizing aan de Grieken behoorden, bewaard zijn gebleven.
Aan navolgers van een Homerus ontbrak het niet, en menige gebeurtenis in de godenwereld werd uit den mond des volks opgevangen en in den vorm van den heldenzang gebracht. Daaraan danken wij gedichten als: den lofzang op Hermes, op Apollon, op Demeter en anderen, waarvan de inhoud bij de beschrijving van de voorstelling dier goden of godinnen zal worden meegedeeld.
De verwantschap van de goden en godinnen onderling en met de helden of vorsten, die op aarde leefden en van god-delijken oorsprong heetten te zijn, — met andere woorden de genealogie van goden en helden, — deelde Hesiodus (achtste eeuw), aan zijn volk mee. Of liever gezegd : hij gaf vasten vorm aan de talrijke voorstellingen, die daaromtrent onder de menschen verspreid waren, en vulde (ongetwijfeld) de leemten aan met eigen scheppingen. Dat werk van Hesiodus heeft den naam van Theogonie, d. i. ontstaan der goden.
De dichters van den Epischen Cyclus, dat zijn zij. die de Homerische gezangen navolgden, leverden aan de beel-
3
Inleiding.
dende kunst en aan de Romeinsche dichters menig schoon gedeelte, maar van de oorspronkelijke werken der Cyclici bezitten wij meestal zeer weinig. Behouden bleven echter de Argo-nautica van Apollonius van Rhodus (200 v. C.) of enkele werken van andere mythologen, b. v. van Antoninus Liberalis (150 n. C.).
Onder de lierdichten bevatten de zangen van Pindarus (522—442) menige belangrijke sage, die hij in de lofdichten op de overwinnaars in de heilige spelen of omtrent de plaats hunner geboorte, of omtrent hun geslacht, of naar aanleiding van andere zaken, invlocht; vooral vele plaatselijke sagen zijn door dezen dichter tot onze kennis gekomen.
Met meer willekeur dan de bovengenoemden, bearbeidden de dichters van het treurspel vele mythen en sagen. Zij maakten die óf tot het hoofdonderwerp hunner stukken, óf zij vlochten die als lyrische deelen in hunne stukken in. Aeschylus (\'525—456) koos zijn personen meestal uit den goden- en he-roënkring, en in overeenstemming daarmee is zijn taal verheven en forsch. Sophocles (497—-406) ontleende zijn onderworpen en karakters voor een groot deel aan de Homerische poëzie, en ook Euripides (480—405) behandelde in zijn tragedies, evenals in het satyrdrama, slechts mythische personen en toestanden.
Van de Latijnsche dichters, die bronnen bevatten voor de Mythologie van Grieken en Romeinen, komt in de eerste plaats Vergilius (70—19 v. C.) in aanmerking. Zijn zwerftochten van Aeneas, het grootste epos der Romeinen, op vele plaatsen een waardig pendant van de gedichten van Homerus en van hoogere vlucht dan de werken van diens navolgers, onder den invloed van de keizerheerschappij geschreven, deelt omtrent de lotgevallen van hen, die door den val van Troje geleden hadden, en ten slotte op Italischen bodem een tweede vaderland vonden, menige sage als historisch feit mee.
De schepping der wereld, de verklaring van tal van natuurverschijnselen, de oorsprong van een menigte zaken op aarde, door een zeer lossen draad aaneengeregen, vormen het werk van Ovidius (43 v. — 17 n. C.), de Metamorphoses, d. i. de vormverandering Zooals we boven in het algemeen hebben aangewezen, heeft inzonderheid Ovidius veel aan de Orieksche mythenschrijvers en Cyclici ontleend, en zijn de Metamorphoses evenals de Fasti ruime bronnen voor de Grieksch-Romeinsche godsdienst- en sagenleer.
4
De bronnen voor de kennis der Mythologie.
Behalve de genoemde Latijnsche dichters kozen Valerius Flac-cus voor zijn Argonautica, en Statius voor zijne Thebaïs, de Griek-sche mythen als poetische stof. Zij leefden in de eerste eeuw naC.
Van de belangrijkste prozaschrijvers komt als de oudste Herodotus (484—427), maar Apollodorus (150 v. C.) van Alexan-drie vooral als de geleerde in aanmerking, die de bestaande verhalen in het kort opschreef, zonder toevoegsels van ejgen phantasie, en die op den grondslag der genealogie de sagen van helden en goden tot eene Bibliotheek verbond. In Latijnsch proza schreven Varro, de tijdgenoot van Caesar, en Hyginus, de tijdgenoot van Keizer Augustus, belangrijke boeken over mythologie en godsdienst.
Daar bij de onkritische opvatting der oude geschiedschrijvers soms sagen en mythen door hen voor even waar als de feiten uit den historischen tijd werden opgeteekend, zoo is er ook in de werken der historieschrijvers veel, dat voor de mythologie belangrijk is, bewaard gebleven. Ephorus van Cumae (vierde eeuw vóór C.) en anderen, die algemeene geschiedenis schreven, hielden zoodoende de herinnering aan den oorsprong of de stichting van vele steden of tal van andere sagen levendig. Hunne nalatenschap diende in menig stuk hunnen navolgers als leiddraad; zoo b. v. aan Diodorus Siculus, den tijdgenoot van Caesar en Augustus. Livius (60 v. C. — 16 n. C.) wijdde in zijn geschiedenis van de stad Rome een lange rij hoofdstukken aan den vóórtijd der Romeinsche geschiedenis; en evenals hij die kennis aan zijn voorgangers had ontleend, hebben vele Romeinsche geschiedschrijvers na hem de s\'dch-tingssage van Rome of de vestiging van vreemdelingen in Italië medegedeeld.
Op eigen aanschouwing en onderzoek, zoowel van de mythen als van belangrijke stoffelijke overblijfselen, berusten de werken van Strabo (30 v. C. geboren), den geograaf, en van Pausanias (150 na C.), die voor de oude kunst van veel belang zijn. Beiden teekenden in hunne beschrijvingen van reuen door verschillende landschappen, vooral omtrent Griekenland, tal van lezenswaardige zaken op, en deelden velerlei mee omtrent godsdienstige plechtigheden en den oorsprong daarvan. In de derde eeuw na C. leefden de oudere en de jongere Philostratus, die zich op mythologie en kunst toegelegd hadden, en daarover werken hebben nagelaten, niet van belangrijkheid ontbloot.
5
Inleiding.
Aan de verklaring en uitlegging der mythen en sagen waagden zich reeds kort na den tijd van Alexander den Groote vele beoefenaars van wijsbegeerte. Euhemeros, de atheïst, is de meest bekende van hen. Hij hield de godensagen voor verhalen, door de poi:zie opgesmukt, omtrent menschen. die wegens hunne verdiensten door de groote menigte tot goden waren verheven. Andere wijsgeeren zagen in den ouden godsdienst slechts allegorieën. De vergelijkende mythologie, een wetenschap van den nieuweren tijd, heeft voor goed aan het Euhemerisme een einde gemaakt.
Ook onder de kleine geschriften van Plutarchus, een auteur van groote beteekenis voor de kennis der oudheid, houdt er zich een met de verklaring van sagen en heilige gebruiken bezig, en niet onbelangrijke bijdragen leveren de wijsgeeren Apuleius, uit de tweede, en Macrobius, uit de vijfde eeuw, in hunne verklaringen en beschouwingen van de Grieksche mythen. Eindelijk kunnen wij uit de strijdschriften der oudste kerkvaders, als Clemens van Alexandria, of Augustinus, onze kennis van de heidensche mythologie eenigszins aanvullen.
Het tweede belangrijke hulpmiddel, dat ons de voorstelling en den werkkring van de goden der Grieken en Romeinen doet kennen, geven ons de overgebleven kunstproducten aan de hand. Want meer dan eenig volk zocht het Grieksche vroeg naar uitdrukking van de innerlijke voorstellingen omtrent de godenwereld. De bouw- en beeldhouwkunst, toon- en dichtkunst stelden zich in dienst van godsvereering en mythologie ; en hoe duidelijker de geschiedenis van het menschdom wordt, des te helderder is het in te zien, dat godsdienst en kunst samengestrengeld waren, en de eerste aan de laatste vorm en inhoud voorschreef. Ja, het geloof stond in de oudheid vast, dat de beelden van de goden, in tempels of heilige wouden aanwezig, eens van den hemel gevallen waren, en dat boven-aardsche wezens de geheimen van de beginselen der kunsten voor de menschen hadden ontsluierd: de priesterkasten, die over elke heidensche religie waakten, hoedden en leidden tevens de kunsten. De kunst was het middel, dat de priester aan de hand had, èn om de tempels op te sieren èn om den volke de ideeën over goden en helden in tastbare voorstelling voor oogen te houden. Reeds in de gedichten van Homerus is van godenbeelden in hout en steen sprake.
6
Algemeene eigenschappen der goden.
Zooals de dichter de vrijheid had om de sage of mythe naar eigen behoefte of opvatting te verwerken, zoo verwerkte ook de plastiek de bestaande typen van goden of helden naar eigen opvatting. De beeldhouwer of de schilder koos het moment, dat hem het meest aantrok, en het materiaal of de kleur, die hij het geschiktst achtte voor zijn doel, om een ideaal van zijn god uit te drukken of een held te vereeren. En geen land was voor de ontwikkeling der kunst zoo geschikt als Griekenland. AVant terwijl de natie geen politiek overwicht zocht onder de volken van Europa, spoorde de wedijver tusschen de verschillende steden en staten de kunstenaars tot inspanning aan. De spelen maakten, dat de menschen zich in den bloei des levens in de schoonste vormen aan ieders oog voordeden, in den godsdienst of in de poezie was het mystieke bijna onbekend : alles ademde vrijheid en zucht naar het schoone en edele; dieren waren, op één uitzondering na, nooit, zooals in het oosten, deel van een godenbeeld, maar dienden slechts als attribuut. Zoo waren de tempels der goden, zelve dikwijls wonderen van bouwkunst of beeldhouwkunst, ware museën. Om de hoofdgodheid groepeerden zich verwante goden; wijgeschenken, als zetels, schilden, drievoeten, kastjes en andere zaken, waarop voorstellingen uit de goden- en heldensagen waren aangebracht, hielden bij het volk den zin voor godsdienst en kunst tegelijk levendig. Menig overblijfsel van die tempels helpt ons, om de geschreven mythologie beter te begrijpen en de ontwikkelingsgeschiedenis der oude kunst (archaeologie) te leeren kennen, en dikwerf leveren grafteekens, munten, opschriften, stukken van wetten, verdragen of andere openbare mededee-lingen op steenen tafelen, bovendien een twintigduizend vazen, die aan den tand des tijds weerstand hebben geboden, bijdragen tot onze kennis van de godsdienstige denkbeelden der beschaafdste volken in Europa uit de vóór-christelijke eeuwen.
3. Algemeene eigeiiscluiiipeu der y-odcn.
In de gedichten van Homerus leeren wij een periode kennen, waarin het geheele stelsel van een godenstaat met een eenhoofdig bestuur reeds vastheid heeft gekregen. Bij hem hebben de goden, wat hun uiterlijk voorkomen betreft, ook een volkomen menschelijke gedaante; hij dacht zich hunne gestalte slechts grooter, schooner en majestueuser dan die
7
Inleiding.
van de menschcn, en gaf hun nooit wanstaltige, phantasti sche grootte.
Evenals in schoonheid en grootte overtroffen de goden de raenschen natuurlijk ook in macht en sterkte. Om eens aan Thetis zijn belofte te bevestigen, w-nkte Zeus met het hoofd. Maar bij die geringe beweging twas heel de Olymp geschokt\'\'. Met dergelijke krachten zijn ook de overige goden en godinnen toegerust. Wel is waar zijn zij als lichamelijke wezens aan plaats gebonden en kunnen zij dus nooit alomtegenwoordig zijn, maar op eigenaardige wijze ruimden de dichters en priesters van den Griekschen godsdienst dit bezwaar uit den weg. Zij lieten namelijk de goden de grootste afstanden in den kortst denkbaren tijd afleggen. In een oogwenk verheft zich Athene van de rotsige hoogten van den Olympos naar Ithaka, of Zeus van de Aethiopiërs naar den Olympos; en Poseidon, de beheerscher der zee, komt in drie of vier uren van het Thracische Samos naar Aegae op Euboea.
Aan het gemis der alomtegenwoordigheid kwam de phan-tasie der dichters of van de volksmenigte nog op een andere wijze te gemoet. De goden konden namelijk op onmetelijke afstanden hooren en zien. Ja. grenzen voor hun gehoor kent men niet. Want overal werd tot hen gebeden, zonder dat men wist, waar zij zich bevonden. Zoo ook zag Zeus van den hoogen Olympus neer op het doen en lijden der stervelingen, en op den hoogsten top van de Ida beschouwde hij alle voorvallen rondom de muren van Troje.
Daarentegen hebben zij ook dezelfde stoffelijke behoeften als de menschcn, in zoo verre, als zij slaap, tot herstel van krachten, en spijs en drank behoeven. Maar zij kunnen het gemis van die zaken langer lijden, en het soort van spijs of drank is van edeler gehalte. Ambrosia (onsterfelijkheid) en Nrektar dienen tot onderhoud van hun godenbloed.
sEen bloed, niet aangekweekt door voedzaam brood en wijn. Maar iets, dat vloeibaar schijnt, waardoor ze onsterfelijk zijn.\'\'
Kleeding is hun onmisbaar, en de godinnen inzonderheid besteden evenals sterfelijke vrouwen daaraan bijzondere zorg. Het was geenszins in overeenstemming met het oude volksgeloof, dat de kunst van later dagen de godenbeelden naakt voorstelde,
In verband met de genoemde stoffelijke eigenschappen, moeten dus de goden en godinnen ook op natuurlijke wijze
8
Algemeene eigenschappen der goden.
in het leven komen en een ontwikkelingsgang hebben; maar ook daarin geschiedt alles met buitengewone vlugheid. Zoo rijst Hermes, b. v,, kort na zijne geboorte, uit de wieg om runderen van Apollon te stelen ; en terwij! hij in den ochtend geboren is, speelt hij reeds des middags op de door hem uitgevonden lier. Apollon kreeg, toen hij ter wereld was gekomen, uit de handen van Thetis nektar en ambrosia en werd onmiddellijk daarop zoo groot en sterk, dat hij zijn attributen, boog en harp, kon in ontvangst nemen. Maar de groote voortreffelijkheid van de goden boven de menschen, bestaat in de onsterfelijkheid der eersten. Eenmaal in het bezit hunner lichaaras- en geesteskracht verouderen zij nooit, blijven ze eeuwig jong en schoon, en overvalt hun nooit eenige ziekte. Terwijl de menschen door rampen en onheilen worden bezocht, leven de goden gemakkelijk en onbekommerd voort; zij zijn de zaligen, die al hunne wenschen kunnen bevredigen. Toch laten Grieken en Romeinen hunne goden aan alle men-schelijke aandoeningen onderworpen zijn; laten hen smart en vreugde gevoelen, en hun wonden toebrengen aan lichaam en ziel. Aan Diomedes, den zoon van Tudeus, b. v. gelukte het den Krijgsgod zelf te wonden, daar, »waar hij zijn gordelband »zoo nauw gesloten hield om \'t god\'lijk ingewand,quot;
De goden overtreffen den mensch aanmerkelijk in eigenschappen des geestes. Zij staan op het hoogste standpunt van zedelijkheid, verafschuwen slechtheid en ongerechtigheid als onreinheid van ziel, en straffen alle handelingen, die uit zulke eigenschappen voortvloeien. Maar daarnaast zien we de goden dezer volken toch ook vervallen tot allerlei ondeugden en dwaasheden, bedrog, leugen, haat, nijd, wreedheid, ijverzucht, en tot eigen voldoening listen smeden tegen elkaar en tegen de zwakke menschen.
In den zin, waarin zich de beschaafde mensch een Opperwezen voorstelt, dacht zich dus de mensch van den vóor-christelijken tijd zijn God niet. Geen heidensche goden zijn in den vollen zin heilig, alwetend of almachtig. Hun vermogen strekt zich zeer ver uit, zij zijn met buitengewoon vele dingen bekend, zij kunnen willekeurig den loop der natuur verhinderen en wijzigen, stormen, ziekten en andere rampen te weeg brengen, zij kunnen zich en anderen allerlei gedaanteverwisselingen laten ondergaan, dinge i doen, zooals men in tooververhalen leest; —maar oneindig is hunne macht
9
Inleiding.
geenszins. Dikwijls zagen de mindere goden kans om door lagen of listen den vader of de moeder der goden te misleiden. EnZeus zelf, wiens macht veel hooger is dan van de andere goden, van wiens besluit en wil het geheele wereldbestuur afhangt, is onderworpen aan de Moira, d. i. het van eeuwigheid tot eeuwigheid besliste lot; of hij bindt zich zeiven en anderen door den vreeselijken eed bij den Styx, — sdien zwaarsten en krachtigsten eed voor het heilrijk godendomquot;, — alsof hij zich zelf aan de vernietiging prijs geeft, wanneer hij onwaarheid verkondigt of meineedig wordt.
Wat voor den mensch genot mag heeten, uitspanning na den arbeid, is voor de goden alledaagsch. Zij leven in zoet niets-doen, en zoeken, evenais de rijken der aarde, den tijd met zulke zaken door te brengen, die hun slechts genoegen en afwisseling schaffen. Zij houden gezamenlijk maaltijd en vereenigen zich daartoe in het hooge paleis van Zeus, op de in wolken gehulde toppen van den Olympos. Daar genieten zij, door Hebe bediend, het heerlijke citerspel van Apollon en het prachtige gezang der Muzen, afgewisseld door den eigen gezelligen kout. Maar aan den anderen kant is hun samenzijn niet altijd van vreedzamen of vroolijken aard. De verheven goden hebben ook wel eens twist, en somtijds komen, -- als ware het om de eentonigheid van hun eigen bestaan te breken, — kleine samenzweringen voor ; bijv. ten tijde van den Trojaanschen oorlog tusschen Hera, Poseidon en Athena tegen Zeus. Ais de elementen in de natuur met elkaar in strijd geraakten, moest de lichtgeloovige mensch wel spoedig aan een strijd zijner goden denken.
Eindelijk zij nog opgemeikt, dat alle goden en godinnen tot een groot geheel vereenigd zijn, en zoo een punt van overeenkomst te meer opleveren met de aardsche toestanden. Als hoofd en middelpunt daarvan wordt Zeus (Jupiter) door Grieksche en Romeinsche dichters de vader der menschen en koning der goden genoemd. Zijne heerschappij is echter alleen over de goden in den hemel onbeperkt. Want over de machten der zee en der wateren voert Poseidon het gezag, en de aardsche en onderaardsche machten zijn aan Hades of Pluton onderworpen. Een drietal van hoofdgoden beheerschte dus al het bestaande, het zichtbare zoowel als het onzichtbare.
IO
TWEEDE GEDEELTE.
1. Ontstiiiui yjiii goden en wereld.
De sagen van het ontstaan der wereld, vervat in de Kosmogonie en die van het ontstaan der goden, Theogonie genoemd, zijn allen van Griekschen oorsprong ; al zijn ons ook tal van deze sagen door Romeinsche dichters bekend geworden.
De wereld nu ontstond, volgens de algemeene inzichten van de oude wereld, uit den Chaos ; en eerst de lateren spraken van een baaierd. Het begrip immers van chaos is niet dat van ; »wanschikkelijk gevaarte en ruwe mengelklomp, een lompe plompe zwaarte van zaden, strijdig en gemengeld ondereen, in \'t wilde op een getast,quot;\' — maar het duidt alleen de gapende, onmetelijke, duistere ruimte aan. De wijze nu, waarop de wereld uit die duisternis voortkwam, wordt bij de verschillende dichters zeer verschillend voorgesteld. Want voor elke wijsgeerige beschouwing was op dat punt plaats, en de ouden hadden geen gewijd scheppingsverhaal. Maar toch was het meest het denkbeeld in zwang, dat Gaea (Ge) of aarde op onverklaarbare wijze uit Chaos was ontsproten; dat bij diezelfde gelegenheid Tartaros, de onderwereld, zich afscheidde en daarna Eros, de liefde, die aan het al vorm en verband gaf. En later bracht Gaea den hemel, Uranos de bergen en de zee. Pontos, voort. Ook huwelijkten de sagen Gaea met Uranos of met Pontos uit, en daaruit ontstonden de eerste goden, die de nieuwe wereld bevolkten. En zoo heeten de Titanen, Cyclopen en Centimanen (Hekatoncheiren of honderdarmige reuzen) kinderen van Uranos en Gaea. terwijl vele goden van de zee Pontos en Gaea als hunne ouders moesten eeren.
A. Geslacht van Uranos. Volgens Hesiodus zijn er twaalf Titans, en wel de zes manlijke: Okeanos, Koios,
Tweede gedeelte.
Kreios, Hyperion, lapetus en Kronos, en de zes vrouwelijke: Theia, Rheia, Themis, Mnemosyne, 1\'hoebe en Tethys. Hunne beteekenis is duister, maar zeer waarschijnlijk stelden zij elementen in de natuur voor. De Cyclopen of rondoogigen zijn; Erontes, donder, Steropes, bliksem en Arges, weerlicht; zij vormen dus samen de voorstelling van de onweersverschijnselen. De Centimanen of honderdarmigen zijn Kottos, Briareus en Gyges. Ook dezen vertegenwoordigen de natuurkrachten; misschien wel aardbeving, watervloed en storm, die den menschen schade aanbrengen.
E. Geslacht van Pontos. Uit de verbintenis van Gaea en Pontos werden geboren de mythische godheden der zee : Nereus, Thaumas, Phorkys, Keto en Eurybia, die weder zelf een talrijke nakomelingschap hadden. Nereus, die de gunstige, kalme zee voorstelt, is de vader der Nerëiden of zeenimfen. Thaumas stelt het majestueuse der zee voor en heeft Iris, den regenboog, en de Harpyiën, d. w. z. de rukwinden, tot dochters. En alle gevaren en rampen, die de sterfelijke menschen op zee ondergaan, zijn in Phorkys en Keto voorgesteld. Zij vormen het ouderenpaar van de vreeselijke Gorgonen en Graiën.
Verschillende Titanen worden weer met elkaar verbonden om nieuwe geslachten in het leven te roepen. Van Okeanos en Thetis stammen de talrijke Okeaniden of zeenimfen af; van Hyperion en Theia de godheden van het licht: Helios, zon, Selene, maan, en Eos, dageraad ; van Koios en Phoebe de godheden van den nacht; Leto, de donkere-, en Asteria, de sterrenrijke nacht. Maar het belangrijkste Titanenpaar is dat van Kronos en Rheia, die Zeus voortbrachten en den overgang vormen tot de heerschappij over de wereld.
üranos nu was bevreesd, dat zijn jongste zonen, de geweldige Cyclopen en Centimanen, hem eens de heerschappij zouden ontrooven. en verborg ze daarom terstond na hunne geboorte in den diepen afgrond onder de aarde. Gaea, daarover vertoornd, bracht staal voort, maakte er een sikkel van, ruide toen de Titanen tegen hunnen vader op en wist den jongsten en stoutsten van hen, Kronos, tot een afschuwelijke daad over te halen. De zoon boeide den vader, sloeg hem een onherstelbare wond en dwong hem afstand te doen van de heerschappij, ten bate van zich zelf. Maar deze had niet lang genot van de op zoo wreede wijs verkregen macht. De vloek van den vader, die hem had voorspeld, dat hij hetzelfde
Ontstaan van goden en wereld.
leed door zijn eigen zoon zou ondergaan, werd vervuld. Geen voorzorg baatte Kronos, —- zelfs niet dat hij zijne kinderen terstond na\' de geboorte verslond ; — tegen het verwachte onheil. Reeds waren vijf kinderen, namelijk Hestia, Demeter, Hera, Hades en Poseidon, op de vermelde wijze uit den weg geruimd, toen de bedroefde moeder door een fijn gesponnen list hetzelfde lot van haar jongsten zoon Zeus trachtte af te wenden. Zij stelde namelijk haar argwanenden en nijdigen echtgenoot in plaats van een kind een steen in doeken gewikkeld ter hand, en hij verslond dien gretig zonder iets te bemerken.
Aan het altaar van Jupiter op het Museum van het Capitool te Rome is dit verhaal in relief gebracht. Kronos neemt daar, op zijn troon gezeten, den steen uit handen van Rheia, die voor hem staat. Het schalksche gelaat van Rheia vormt met de stroeve trekken van den wereldvorst een geestige tegenstelling.
loen Zeus behouden was liet Rheia hem in een grot van den berg Dikte op het eiland Kreta door Nymphen opvoeden. De geit Amalthea zoogde hem, bijen brachten hem honig ; en opdat het geschrei van het kind zijn bestaan niet zou verraden aan zijn argwanenden vader, moesten de Kureten, een college van negen priesters voor de dienst van Rheia, door wapendansen, met geraas en geschreeuw gepaard, de stem van het kind onhoorbaar maken.
Zoo in het geheim tot een krachtigen godenzoon opgegroeid, onderwierp Zeus zijn wreeden vader en dwong hem tevens door een middel, dat hem Gaea (of Metis, het verstand,) had aan de hand gedaan, de vroeger verslonden kinderen weer op te geven. Den steen, dien Kronos het eerst opgaf, stelde Zeus als herinneringsteeken aan zijn eigen redding in Pytho of Delphi. Eenige Titanen, als Okeanos, Themis, Mnemosyne en Hyperion, schikten zich zonder morren naar de heerschappij van den nieuwen wereldbestuurder. Maar de anderen verbonden zich met de Cyclopen en Centimanen en ondernamen een tienjarigen oorlog tegen hem. Eerst na afloop daarvan werden zij bedwongen en tot straf in den Tartaros geworpen, dien Poseidon met ijzeren pootten voor altijd afsloot.
Ais tooneel van dezen geweldigen strijd van de woeste wezens tegen de goden, die al het goede gaven, noemde men I hessalië, een land, dat oe duidelijkste sporen vertoont van allerlei beroeringen in den bodem. Zeus met de zijnen streden
Tweede gedeelte.
van den Olympos af tegen de Titanen, die op den daar tegenover liggenden berg Othrys waren.
De Titanen werden, omdat zij eigenlijk nooit als goden werden vereerd, in de oudheid niet dikwijls door kunstenaars voorgesteld. Een uitzondering maakt Kronos; wat verklaarbaar is, als men weet, dat ds Romeinen Saturnus, den god van den oogst, met hem vereenzelvigden. Hij had gewoonlijk een stroeve en strenge gelaatsuitdrukking en een doek over het achterhoofd, waardoor de geheimzinnigheid van zijn karakter werd aangeduid. Zulk een buste is op het museum van het Vatikaan in Rome aanwezig (Fig. i).
Na de onderwerping der Titanen werd de heerschappij van het heeial verdeeld, en wel zoo, dat Poseidon heer werd over de zee cn alle wateren, Hades koning werd over onderwereld en schimmenrijk, Zeus het overige voor zich hield; behalve dat de aarde en de Olympos ook wel beschouwd werden als gemeen terrein.
Maar de nieuwe toestand was nog geenszins vast. De nog steeds mokkende Gaea bracht met Tartaros hun jong-sten cn geweldigsten zoon Typhoeus, den orkaan, in het
14
Ontstaan van goden cn «-erold.
leven, een monster met honderd vuurspuwende drakenkoppen, en hem zond zij uit om de heerschappij van Zeus te vernietigen. Toen ontstond een geweldige krijg, die hemel en aarde deed trillen, totdat Zeus den vreeselijken reus bedwong door herhaaldelijk zijn bliksem tegen hem te slingeren en hem met kracht in den Tartaros neer te storten. In de gedichten van Pindarus en Vergilius echter begroef Zeus hem onder den berg Aetna op Sicilië; en het vuur en de vlammen, die daar uit de rotskloven ten hemel stijgen, getuigen van de rustelooze maar machtelooze woede van den Titan.
Een ander stuk poëzie is de strijd, die tegen de wereldheerschappij van Zeus gevoerd werd door de Giganten of reuzen, die uit het bloed zouden zijn voortgekomen, dat uit het gewonde lichaam van Kronos op aarde was gedropen. De gevaarlijksten onder hen waren Alkyoneus, Porphyrion, Enkelados, Ephialtes e. a. Van de Phlegraeïsche velden in Thessalië optrekkend wilden zij den Olympos bestormen en stapelden daartoe de bergen Ossa en Pelion op elkaar. Maar Zeus sloeg hun werk uit elkaar overwon hen in een heeten strijd, waaraan alle goden deelnamen, en de vermetelen moesten het lot der bedwongen Titanen deelen. De heerschappij van Zeus bleef voortaan onaangetast, en geen vijandelijke aanval stoorde meer de aangename rust der Olympische goden.
IS
Tweede gedeelte.
Eerst in later dagen gaf de kunst hun het lijf van een geschubden draak, terwijl het bovenste deel menschelijke vormen had. Zoo zien zij uit op de beroemde Camee in het museum te Napels, waarop Zeus op een raet vier paarden bespannen rijtuig tusschen hen door rijdt en zijn bliksem tegen hen schiet. (Fig. 2.)
De breedste voorstelling van den reuzenstrijd werd in de oudheid gevonden in Pergamos, den zetel van het rijke en kunstlievende vorstenhuis der Attaliden. Het groote altaar van Zeus aldaar was met een marmeren relief van 2,30 hoog en ongeveer 120 meter lang versierd. Een belangrijk gedeelte van dat prachtwerk, in 187S en 79 weergevonden en naar het museum te Berlijn gebracht, geeft reeds verscheidene groepen te zien, waaronder aan eene de naam van de groep van Zeus toegekend wordt. Daar komt de Oppergod van den achtergrond naar het midden aanstormen, nadat hij pas een Gigant aan zijn rechterzijde met den bliksem heeft neergeworpen en diens beide schouderbladen middendoor gekliefd heeft. Van dezen naar den linkerkant over een op de knie gevallen reus heenstappend, wendt hij zich tot een derde reusachtig groote figuur, die rechtop staat en hem den linkerarm in een leeuwenvel gewikkeld voorhoudt. Zeus houdt hem met zijne linkerhand de aegis voor de oogen, terwijl hij met zijn rechterhand zeer waarschijnlijk een werptuig op hem neerslin-gert. De beide armen zijn op een klein stuk na afgebroken ; de aegis is geheel behouden ; de kop van Zeus is helaas ook weg. Maar breed en krachtig is de naakte borst van den god, zijn geheele houding zoo krijgshaftig, als slechts denkbaar is, de plooien en vouwen in zijn gewaad ferm en breed uitgewerkt, zoodat ook daaruit de onstuimigheid van den oorlogvoerenden god spreekt. — Bij de andere groep ziet men de dne koppige Hekate levendig deel nemen aan den strijd. Twee grimmige wolfshonden helpen haar; een daarvan bijt een ouden reus met zooveel woede in den nek, dat deze neervalt en den adem uitblaast. Zij zelf weert met fakkel en zwaard twee slangenkoppen van reuzen af, die een aanval op haar wagen. De eene bijt namelijk in den rand van haar schild, de andere knaagt en trekt aan haar kleed. Van de linkerzijde snelt Ares haar te hulp. (Fig. 3 en 4).
2. Do goden van den Olympos.
Zeus. (Jupiter).
Aan het hoofd van de hemelsche goden en veel sterker dan dezen, die het heelal bestuurt en alles beheerscht, die met zijn hand al wat schepselen draagt aan een keten naar boven kan trekken, staat Zeus, (bij de Romeinen Jupiter). De naam, die hem bij beide volken gegeven is, wijst op een verwantschap met de verecring van het lichtende uitspansel, en bij beiile volken wordt hij voorgesteld als de vader van al wat leeft en zich beweegt in de natuur, wiens handen zegen en overvloed verspreiden over velden en beemden. Alle verschijnselen aan het hemelruim gaan van hem uit Hij verza-
i6
De goden van den Olympos. Zeus.
melt de wolken en verstrooit ze, schiet de bliksems en doet den donder rommelen, laat het regenen, sneeuwen, hagelen of dauwen. Door zijn Aegis te schudden, een fonkelend schild, »dat enkel ijzing baart,quot; waaraan honderd kwasten afhangen en in welks midden het vreeselijke Gorgonenhoofd, dat ijse-lijk monster, dat der menschen moed verdooftquot;, is gehecht, brengt hij storm en onweer te weeg of jaagt hij de vijanden op de vlucht. En omgekeerd doet Zeus onweer bedaren, en toovert hij een helderen hemel voor het oog der hem dierbare stervelingen. Alle elementen der natuur worden door zijn machtwoord in bedwang gehouden. Naast den algemeenen naam Zeus als vader van goden en menschen, vinden we dus tal van namen aan zijn heerschappij over de elementen der natuur ontleend, als: wolkenverzamelaar, zwartgewolkte, donderaar enz.
Veel belangrijker en eerbiedwaardiger dan als heer over de stoffelijke natuur, is Zeus in den vóór-christelijken tijd als het wezen, waarvan onomstootelijke orde en harmonie, zoowel in de stoffelijke als in de zedelijke wereld, uitgaan. Naar strenge en onveranderlijke wetten ordent en bestuurt Kronion of Kronides, geheel in tegenstelling met de luimen en de willekeur van zijn vader en voorganger Kronos, den staat dei-goden, en is hij voor de stervelingen de handhaver en beschermer van alle staatkundige orde. Aan hem ontleenen de koningen op aarde hunne heerschappij en hunne rechten, en hem zijn zij voor de goede waarneming hunner plichten verantwoording schuldig. Zwaar drukt zijn hand op die vorsten, die zich overmoedig op hunne macht verheffen en het recht schenden. Zij zien in najaarsstormen en holle stroomen hun goed verloren gaan, hun werk slechten.
Zeus verkeert onzichtbaar in de senaats- en volksvergaderingen. Hij geeft den beraadslagers verstand en overleg in den geest, en waakt over het behoorlijk ten uitvoer brengen dei-genomen besluiten. De bij hem gezworen eed staat onder zijn hoede; meineed wordt door hem zelf (den Deus Fidius der Romeinen) gestraft, de meineedige door zijn bliksem getroffen. De grenzen van het land maken een voorwerp zijner zorgen uit, zijn geleide is reet de manschappen, die ter verdediging van het vaderland uittrekken. Staatkundige en burgerlijke vereenigingen rekenen op zijn bescherming, en inzonderheid waakt hij over het gezin, de familie, de kern en den grond-
17
Tweede gedeelte.
slag van het geheele staatswezen. Elke huisvader was in zekeren zin een priester van Zeus, en bracht hem op gezette tijden, of zoo noodig ook op andere tijden voor zich of namens het gezin offers. Midden in het voorhof stond gewoonlijk een altaar voor Zeus, (in kleinere gezinnen gold de huiselijke haard als zoodanig,) en daar vonden vreemdelingen, ballingen, kortom allen, die een toevluchtsoord zochten, hulp en bescherming. Zeus Xenios (Jupiter Hospitalis) neemt de verdwaalden onder zijn hoede en straft hen, die hulpeloozen vreemdelingen onbarmhartig de deur wijzen, of het recht der gastvrijheid op eenige wijze schenden.
Op welke wijze de oppergod aan de stervelingen zijn goed-of afkeuring openbaarde over hunne handelingen, leeren ons honderden gevallen. In hun bijgeloof gewoon elk natuurverschijnsel aan andere dan aan natuurlijke oorzaken toe te schrijven, maakte men uit donder en bliksem, uit de vlucht der vogels, te Dodona b. v. uit die der heilige duiven, uit droomen, fniezen en uit tal van dergelijke zaken den wil van den god op. Men vroeg zijn goed- of afkeuring en verzekerde zich van zijn steun door bemiddeling van het orakel te Dodona, in Epirus, waar Zeus de hoogste orakelgod was, of men liet zich de toekomst openbaren door den mond van zijn meest-beminden zoon Apollon, of men bad, bij voorkeur aan het altaar van den oppergod, dat hij uit den hoogen hemel een teeken mocht zenden ter aanduiding van zijn wil. Bij de Romeinen had Jupiter geen eigenlijk zoodanig orakel; met des te grooter angstvalligheid en bekommering letten zij dus op allerlei verschijnselen in den dampkring; en de leer van de uitlegging en verklaring dier verschijnselen was omvangrijk en moeilijk.
Het schijnt dat reeds in de vroegste tijden de dienst van Zeus de nationale godsdienst der Grieken was geworden. Op vele plaatsen was een zetel van dezen god van bijzondere be-teekenis. De oudste dienst was wel die van den Pelasgischen Zeus te Dodona, in een tijd dat de Grieken zelfs nog geen tempels bouwden voor hunne goden. Men vereerde den god daar in den heiligen eik, welks ruischen den goddelijken wil aan de menschen openbaarde. Ook op den top van het gebergte lomaros. aan welks voet Dodona lag, werd Zeus, voor wien meestal de plaatsen van vereering op bergtoppen geleden waren, aangebeden. Aan de Sellen, kluizenaars, die nooit hunne
iS
De goden van den Olympos. Zeus.
voeten wieschen en op den grond sliepen, was de zorg voordien dienst opgedragen. Maar de aanzienlijkste plaats van alle werd Olympia, aan den noorderoever van den Alpheus in Elis, in een bijzonder schoone natuur gelegen. Daar werden de beroemde vierjaarlijksche spelen, evenals die te Nemea in Argolis, ter eere van den god gevierd, en gansch Griekenland kwam daarheen. Omstreeks 450 v. Ch. had Libon, uit Elis, er den tempel voor Zeus voltooid, die in Dorischen stijl, op een na, de grootste van de Peloponesus was. En niet minder dan de natuurlijke ligging lokte de kunst van Phidias bezoekers naar dezen tempel, waarin diens beroemd werk, het door de geheele oudheid bewonderde beeld van Zeus, was opgesteld.
In Italië was de dienst van Jupiter even algemeen verspreid als in Griekenland. Het beroemdste heiligdom, dat hem daar was opgericht, was ongetwijfeld de tempel, dien de Tarquinii op het Capitool hadden gebouwd, maar die door brand verloren is gegaan. Sulla liet een nog veel schooneren in de plaats stellen. En ook werd het oude aarden beeld in de cella vervangen door een beeld van goud en ivoor, dat de Grieksche kunstenaar Apollonius naar het beeld van Phidias in Olympia vervaardigd had.
Op Kreta, de geboorteplaats van Zeus, had men Aziatische denkbeelden met Grieksche vermengd, en Arkadië, dat hem als Zeus Lykaios vierde, stelde er evenzeer roem op zijn geboorteplaats te zijn geweest. Als een god, die bloedige offers eischte, vreesden hem de Minyers in Thessalië en Boeotië; en ook in Attika was nog veel, dat aan Zeus als een toornig god, naast veel, dat aan ouden natuurdienst herinnerde.
De Grieksche Mythologie heeft aan Zeus een tal van sterfelijke en onsterfelijke gemalinnen en een bijzonder groote nakomelingschap toegekend. Maar al waagden de blijspeldichters soms den ergerlijksten scherts met de talrijke liefdehistories van Zeus en de daardoor opgewekte ijverzucht van Hera, toch stelden zich de Grieken steeds den oppergod als het ideaal van zedelijkheid en trouw voor. Ongetwijfeld werden voorstellingen omtrent de voortbrengende kracht der natuur uit verschillende streken vereenigd, en met het gronddenkbeeld van Zeus verbonden ; of de Grieksche phantasie wilde elke wijze van voortbrenging onder eenige mythe brengen. Zoo is Metis, het verstand, de dochter van Okeanos, in de oudste Theogonie
19
Tweede gedeelte.
aan Zeus verbonden. Maar hij verslindt haar uit vrees; dat haar zoon hem de heerschappij over de wereld zou ontnemen, die hij met zooveel moeite verworven had; en in plaats van dezen komt nu onder den mokerslag van Hephaestos uit zijn hoofd de Pallas Athena voor den dag. Zijne tweede goddelijke echtgenoot was Themis, de gerechtigheid, een dochter van een Titan, die moeder werd van de Moiren en Horen. In Dodona heet Dione (Cf. Di os en Juno), de moeder van Aphrodite, zijne gemalin, en daarom deden ook priesteressen bij den tempel aldaar dienst. In Arkadië is het Maia, de moeder van Hermes. Demeter (Ceres), de moeder-aarde, wordt bij hem de moeder van Persephone, de godin van den plantengroei; Eurynome, een dochter van Okeanos, geeft het aanzijn aan de Charites, Mnemosyne aan de Musen, Leto (of Latona) aan Apollon en zijn zuster Artemis. Hera is de jongste van al de onsterfelijke gemalinnen van den oppergod en de jongere mythologie zag in haar de eenig wettige echtgenoot. Zij is zijn zuster en de moeder van Ares, Hephaestos en Hebe.
Maar ook onder de sterfelijke vrouwen koesterde Zeus voor menige meer dan gewone genegenheid ; het meest wel voor de schoone Semele, de dochter van den Thebaanschen koning Kadmos, de moeder van den god Dionysus (Bacchus). Zijne betrekkingen tot Leda, Danaë, Alkmene, Europa en lo, zullen bij de sagen der heroën besproken worden.
Zuiverder is in dat opzicht de Romeinsche Mythologie, daar deze van die talrijke verbintenissen geen kennis draagt. Eerst onder den invloed der Grieksche poëzie en godsdienstleer maakte men Jupiter tot zoon van Saturnus (Kronos) en Ops (Rhea), tot echtgenoot van Juno en vader van Minerva ; welke laatste godinnen in den tempel op het Capitool met hem vereenigd waren. Als jonge god droeg hij den naam van Vejovis, had hij pijlen in de hand en verleende hij bescherming aan hulpeloozen. Overigens had Jupiter ook bij de Romeinen tal van bijnamen ; als Fulminator, die den bliksem werpt, Pluvius, die den regen geeft, Stator, die de vlucht staakt, enz. naar de verschillende openbaringen, waarin hij zich voordeed. Als Jupiter Feretrius wijdde hem de zegevierende veldheer de aan den vijand ontnomen wapenrusting, spolia opima. De Idus der maanden en andere belangrijke dagen waren hem heilig, en de landman vierde bovendien in verband met
20
;• i - /pus van Otricoli (1»1/
De goden van den Olympos. Zeus.
zaai- en oogsttijd te zijner eer menig feest. De Romeinsche spelen, in de maand September, de groote of Capitolijnsche spelen en de Feriae Latinae waren de groote feesten voor alle burgers en bondgenooten van Rome.
Bij de groote verbreiding van den dienst van Zeus en de menigte tempels, die voor hem waren opgericht, waren dan ook de voorstellingen en beelden van dezen god zeer talrijk. Maar het verhevenst in opvatting en het schoonst van uitvoering was het bovengenoemde werk van Phidias (500—432 v. C.) in Olympia. Geen Griek kon gelukkig sterven, die niet eens in zijn leven den op een hoogen troon zittenden Zeus had aanschouwd Het geheele stuk was 40 voet hoog, het voetstuk 12, en bestond uit een houten kern met platen goud en ivoor belegd, zoodat het ivoor de onbedekte deelen voorstelde: van het gelaat, den hals, de borst en de handen. Deze samenstelling had den naam van chryselephantinos, en de zoo vervaardigde beelden vervingen de polychrome, d. i. uit gekleurde marmers bewerkt. Op de vlakke rechterhand hield de god een Nike (godin der overwinning), ook van goud en ivoor; in de rechterhand den koninklijken scepter, op welks spits een adelaar was aangebracht. Hoe uitvoerig de beschrijvingen ook zijn, die de oude schrijvers ons van dit beeld gegeven hebben, men kan zich toch slechts een zeer flauwe voorstelling maken van de majesteit, die uit het gelaat van dit beeld sprak. Phidias had zich ten doel gesteld, om in Zeus niet slechts den almachtigen vorst van den Olympus voor te stellen, bij wien geen mensch zich in lichaamskracht of verstand kon vergelijken, maar ook den goedertierensten en genadigsten onder goden of menschen, den schenker van zegen en voorspoed. ,,IIet golvend godenhaar, op de achtbre kruin bewogenquot;, zooals het zich recht boven het voorhoofd verhief en dan aan de beide kanten gelijkmatig neergolfde, gaf aan het gezicht een uitdrukking van fierheid als in een leeuwenkop en van zelfbewuste kracht. Het voorhoofd was hoog, de neus van krachtige vormen, een opbeurende, bemoedigende trek speelde om den zacht geopenden mond. De sage meldt, dat Phidias na de voltooiing van zijn arbeid Zeus om een teeken van goedkeuring vroeg en de god toen door de open dakruimte van den tempel een bliksemstraal schoot, tot bewijs dat hij zijn afbeeldsel erkende.
Dat verheven werkstuk, een der zeven wereldwonderen, is, zoo al niet geheel ongeschonden, op de oorspronkelijke plaats gebleven tot de laatste keer, dat de Olympische spelen gevierd werden in 393 n. C.
Onder de beelden van Zeus door Grieksche en Romeinsche kunstenaars vervaardigd en nog overgebleven, staat in kunstwaarde wel bovenaan het in de vorige eeuw te Otricoli gevondene, uit Carrarisch marmer gehouwen en thans in het Vatikaansche Museum aanwezig. (Fig. 5.) Kalmte, majesteit en goedheid vormen vereenigd de grondtrekken van dit edel gevormde gelaat, maar toch zag men in dit beeld ten onrechte een navolging van den Zeus van Phidias. — Van minder waarde, maar toch ook zeer bekend, is de zittende marmeren kolossus, bekend als de Jupiter Verospi, ook in het Vatikaan te vinden. (Fig. 6.) — Ten derde noemen wij de in Pompeji gevonden buste van Zeus, thans in het Museum te Napels, en ten laatste een schoon bronzen beeld te Paramythia
21
Tweede gedeelte.
in Epirus gevonden, en nu in het Britsche Museum te Londen bewaard. — Nog komen in aanmerking twee munten uit Elis, waarvan er eene in het Museum te Florence, de andere in dat te Parijs bewaard wordt. (Fig. 7).
Uit vergelijking van de verschillende uit de oudheid bewaarde kunstproducten, die op Zeus betrekking hebben, blijkt, dat de kunst hem bij voorkeur als den goeden wereldbestuurder voorstelde, die in het volle bewustzijn van zijn macht, trotsch en kalm op de hoogten der hemelen
De goden van den Olympos. Hera.
Hera (Jnno).
De gade en zuster van den oppergod is zijn tegenbeeld Hera, door Homerus de oudste van de drie dochters van Kronos en Rhea genoemd. Men moet haar opvatten als de vertegenwoordiging van de lucht en den dampkring; want zij is evenals haar goddelijke echtgenoot meester over alle lucht- en hemelverschijnselen, en met hem deelt zij alle eerbewijzen. Het uitgangspunt van alle haar betreffende mythen ligt in haar huwelijksleven; daarin zochten de dichters de stof voor hunne producten, en dikwijls bezongen zij in liederen het heilige huwelijk van Zeus en Hera, dat in de lente met offers en huwelijksplechtigheden in alle plaatsen werd gevierd, die aan Hera heilig waren. Dat waren de Anthesphoriën op Samos of Euboea, in Argos en Athene. Ook de huiselijke twisten van het hemelsche paar om de politiek van den op-
23
Tweede gedeelte.
pergod. of de plagerijen, waarmede Hera de sterfelijke vrouwen, die haar gemaal behaagden, vervolgde, maakten onderwerpen uit van volkssagen of mythen. En zoo staat dan ook Hera wel bekend als de ijverzuchtigste en kijfachtigste aller godinnen; — een denkbeeld echter dat de plastische kunst evenmin als de godsdienstleer ooit heeft uitgewerkt. Daar bleef ze steeds de goedertierene, eerbiedwaardige godin, de moederlijke beschermster van het vrouwelijk geslacht.
In het algemeen maakte de betcekenis van Hera als godin der natuur bij het volk spoedig plaats voor die van de beschermster van het huwelijk; in haar ligt de hoogste uitdrukking der huwelijkstrouw. Zij bevestigt de verbintenis, waakt over de huishouding, verleent haar zegen daarop, en komt bij de geboorte te hulp, In die hoedanigheid is zij de moeder van Eileithvia.
Haar dienst was oorspronkelijk niet algemeen. Argos en Samos zijn de meest bekende zetels van haar dienst, en daarom heet zij ook dikwijls de Argivische. De steden, die zij boven alle liefhad waren volgens Homerus Argos, Mykene en Sparta. Ook in Boeot\' - vereerde men haar. De meest bekende tempel van haar was het Heraeon tusschen Argos en Mykene, in 423 v. C. gebouwd, waar het schoonste en kostbaarste standbeeld voor deze godin was, door Polycletos uit goud en ivoor vervaardigd. Te Olympia vierde men te harer eer de Heraeën.
De Romeinen vereerden Juno (Jovino) algemeen als de godin der geboorte en beschermster van het huwelijk, en uit die beteekenis voor het familieleven sproot die van schutsgodin der stad Rome en van het geheele Romeinsche rijk voort. Als zoodanig was haar voornaamste heiligdom op het capitool, waar haar in den tempel van Jupiter een bijzondere cella was gewijd. Het belangrijkste feest te harer eer waren de Ma-tronaüa, die op den eersten Maart gevierd werden. Op dien dag trokken alle matronen van Rome naar den tempel der godin op den Esquilijnschen heuvel en vereerden haar met bloemen en offeranden. Haar waren ook als de godin der geboorte (Juno Lucina) de eerste dagen van elke maand gewijd (ka-lendaej. De otters, die haar gebracht werden, waren jonge koeien, de haar heilige gans en kraai; in later tijd ook de pauw
Onder de overgebleven beelden, die op Juno betrekking hebben, dagtee-kent een op SamtMTgefondeh reeds, uit de eerste jaren der vijfde eeuw v. C. maar het beroemdste is de kolossale, buitengewoon schoone, algemeen a\'s
24
SHI
ÉÊéssÊi
\' \' \' V \' V ■ -: - ® . ■ .....
■/_;. ; ; .v;;:::-v..; ;; v:. /
ï
De Goden van den Olympos. Hera.
25
Juno Ludovisi bekende marmeren buste. Dat gelaat, zoo majestueus en eerbiedwaardig, dat het Göthe als ..een rhapsodie uit de Iliasquot; voorkwam, is een ideaal van vrouwelijke schoonheid, dat op zeldzame wijze bevalligheid en waardigheid, de voornaamste sieraden van eene vrouw, in zich veree-nigt. — Dan volgt in kunstwaarde de Juno Barberini in het Vatikaan
jf
te Rome, een staande figuur van meer dan gewone menschengrootte, merkwaardig om de plooiingen in het kleed, iets waardoor zich ook de Juno Farnesi in het Museum te Napels onderscheidt. — Ter laatstgenoemde plaats is ook een kop van Hera ^fig. 9) aanwezig van buitengewone schoonheid en strenge uitdrukking, die misschien wel het meest de opvat-
Tweede gedeelte.
ting van Polycletos weergeeft, welke ook op munten van Argos gevonden wordt. — In Weenen i.-; nog een Juno van Ephesus afkomstig.
De kenmerken in de afbeelding vau Juno zijn de uitstekende kin, die vastberadenheid en standvastigheid aanduidt, eenigszins gekrulde lippen, sprekende neusvleugels, groote ronde oogen, hoog en edel voorhoofd. Hare attributen zijn scepter en diadeem, de sluier der gehuwde vrouw, die evenwel bij de volledige statuën meest is weggelaten, de offerschaal in de hand, de granaatappel, als zinnebeeld der liefde, de pauw of gans aan hare voeten; ook wel de koekoek, de bode der lente.
Een kolossale statue in het Vatikaan (Sala Rotonda), bekend als Juno Lanuvina, stelt haar voor als schutsgodin der kudden; zij is daar met een dierenhuid bedekt.
Pallas Athena (Minerva).
Bij de Grieken bestonden omtrent de geboorte dezer godin verschillende sagen. De meest algemeene was die, volgens welke zij uit het hoofd van Zeus gekomen is, nadat Hephaestos dit met zijn bijl geopend had. Een oproer van de elementen, aardbeving en het hruischen der zee kondigden de aanwezigheid der godin aan, die in volle wapenrusting, met de lans in de hand en onder het aanheffen van krijgsgezang, het eerste levenslicht aanschouwde.
Pallas vertegenwoordigt in de natuur den zuiveren helderen aether, dien de ouden als de edelste en machtigste natuurkracht beschouwden, en waarom zij haar met haar vader Zeus in nauwe verwantschap brachten. Zij schenkt licht en leven, en verspreidt zegen. Zij is tevens de godin der wijsheid, de verpersoonlijking van overleg en scherpen blik, de vertegenwoordiging van haar vader ten opzichte van het verstand, waarmee hij het lot der wereld bestuurt en regelt. Geen sterveling is haar dierbaarder dan de schrandere Odysseus, en zij zorgt voor zijn echtgenoot en zijn zoon, Penelope en Telemachos.
Hieruit vloeien de overige zijden van haar wezen voort. Zoo is zij beschermgodin der steden (Promachos, Pylaemachos), en al wat de belangen van deze in oorlog en vrede kan bevorderen gaat van haar uit, vindt zij uit en bewerkt zij. Als godin van den oorlog geleidt zij de uittrekkende troepen, moedigt zij de manschappen aan tot den strijd en verleent zij overwinning en buit; door de macht harër armen beschermt zij steden en burchten. Bij Homerus treedt zij bovendien met eenige helden afzonderlijk, als Odysseus, Achilles of Diomedes, in overleg, en beschermt zij hen door haar raad. Zij heeft het menschdom geleerd het
26
De goden van den Olympos. Pallas Athena.
paard te temmen en voor zijn doel te gebruiken, schepen te bouwen, op de krijgstrompet en de fluit te blazen. Als krijgsgodin draagt zij in den regel helm, schild, lans en het vreeswekkende Gorgonenschüd of Aegis, dat volgens Homerus aan Zeus behoort, en dat zij dan van haar vader leent. Bij de latere dichters en op de overgebleven kunstproducten is de Aegis een pantser met drakenschubben en met slangen omzoomd, terwijl zich in het midden de kop der Medusa bevindt, die ieder, die hem aanziet, in steen verandert.
Een zegenrijke godin was de Athena van den vrede. Al wat de welvaart en beschaving der menschen kon bevorderen, al wat in zedelijken of stoffelijken zin den mensch nuttig kon zÜn) g\'ng van haar uit, of was, zooals men zich dat voorstelde, van haar invloed afhankelijk. Dus werden alle nuttige uitvindingen aan hare liefde toegeschreven. Zij schonk den stervelingen egge en ploeg, spinrokken en weefstoel, het verwen van geweven stoften en tal van kunsten, die de vrouwen beoefenden, Deze voorstelling werd zelfs door de dichters zoo uitgebreid, dat zij tot de beschermgodin van alle wetenschappen, kunsten en handwerken werd gemaakt.
Onder den naam van Athena Hygieia is zij dan de godin der genezing, die heilzame lucht schaft, kwade ziekten afweert en den wasdom en bloei der jeugd bevordert.
De dienst van deze godin, die voor elke zijde van het men-schelijk leven beteekenis had, was zeer algemeen verbreid ; maar nergens werd zij meer vereerd dan in Athene, waar zij de eigenlijke beschermheilige en godin van het land was. Het beroemdste heiligdom was door Perikles voor haar opgericht op de Akropolis en van Pentelisch marmer. De overblijfselen van dezen tempel voor de maagdelijke godin, het Parthenon, wekken nog de bewondering der wereld. Geheel Athene scheen in zekeren zin haar bijzonder eigendom, omdat zij in een wedstrijd met Poseidon, den god der zee, de overwinning had behaald. Toen namelijk Zeus de heerschappij over Attika had toegezegd aan dengene, die het nuttigste geschenk voor dit land zou scheppen, deed Poseidon het paard ontstaan. Maar Athena liet den olijfboom ontspruiten, nuttiger voor Attika dan het geschenk van Poseidon Die olijfboom nu bleef in den tempel van Erechtheus heilig, en was onvergankelijk. Ja, nadat de Perzen hem bij de inneming der stad verbrand hadden, schoot hij weer frisch uit den grond op.
27
Tweede gedeelte.
Andere plaatsen van vereering der godin waren Argos en Korinthe; en ook in Sparta, Arkadië, Boeotie, Thessalië en op het eiland Rhodus stond zij in hoog aanzien.
De Minerva der Romeinen is reeds vroeg met de Grieksche Pallas vereenzelvigd; maar bij hen is zii. zooals de etymologie van haar naam reeds aanwijst, verreweg meer de beschermgodin van kunsten, wetenschappen en bedrijven dan de krijgsgodin Zij vormde daar de drieëenheid met Jupiter en juno, was schutsgodin van stad en rijk, en had daarom haar eigene cella in den tempel van Jupiter op het Capitool. Ook op den Aventinus en den Coelius had zij tempels, en sedert 61 v, C. ook een op het Veld van Mars, door Pompeius haar gewijd.
Het voornaamste feest van Athena waren de Panathenaea, om de vier jaren met groote staatsie gevierd. In feestelijken optocht brachten dan de Atheensche vrouwen een door de meisjes in Athene kunstig geborduurd rijk saffraankleurig kleed, Peplos. aan de godin op den burg. Ridderspelen, lichaamsoefeningen en wedstrijden in muziek of wetenschap waren met die feesten verbonden. Jaarlijks werden de kleine Panathenaea gevierd. Vele vazen, aan de overwinnaars op die spelen ten geschenke gegeven, gewoonlijk zwart van kleur, met den naam van den archon van het jaar en een teeke-ning van het spel, waarin de zege werd behaald, zijn nabij den tempel van Athena Polias opgegraven, en worden in het Varvakeion, (Museum) te Athene bewaard. De Quini:luatrus maquot; jores, van 19 tot 28 Maart in Rome gevierd, kenmerkten zich vooral door de wedstrijden van alle beoefenaars van kunsten en wetenschappen, terwijl de schooljeugd, wier schutsgodin zij was, in die dagen volkomen vrij was van eiken arbeid. De minores werden den ij* quot; Juni inzonderheid door de fluitspelers gevierd.
In alle tijden der oudheid vond de kunst in een voorstelling der maagdelijke Minerva een geliefkoosd onderwerp. Reeds in den oudsten tijd, toen men nog evenmin hel brons wi-.t te gieten als het marmer tot beelden te bewerken, en zich er bij bepalen moest om de beelden der goden vrij ruw van hout te houwen (xoanai, ko/.en de kunstenaars bij voorkeur het beeld van l\'alias voor hun werk. lgt;eze houten beelden stellen de godin meest in staande houding voor met de speer in de hand als verdedigster eener stad, en dragen den naam Palladia. I.ichtgeloovig allt; de menschen waren, hielden zij het er voor, dat deze uit den hemel «aren gekomen en veiligheid verschaften tegen aanvallen van vijanden. Steden als Troje, Argos, Athene, Koine e. a. beweerden allen het oor
28
De goden van den Olympos. Pallas Athena.
spronkclijke wonderbeeld te bezitten. Reeds een leerling van Daedalus den mythischen vader der kunsten, kende men als den vervaardiger van zittende beelden van Athena, en onder de Pisistratiden en in den bloeitijd der Grieksche kunst wedijverden do beroemdste meesters met elkaar in de uitwerking van het beeld dezer godin. Boven allen ecliter staat Phidias, met het beroemde beeld der Athena Parthenos, reeds boven vermeld, tw aalf meter hoog; een staande figuur, met goud en ivoor belegd, van majestueuse schoonheid, en het prachtstuk van den prachtigen tempel. Eerst tijdens de woede der volksverhuizing ging dit stuk spoorloos verloren. Hare houding was kalm, ze was geheel bekleed met den chiton, zooals dat regel is bij deze maagdelijke godin. In de linkerhand had zij de speer, die den rand aanraakte van het op den grond staande schild. Op het bin-nenvlak van dat schild was de strijd der Giganten geciseleerd, op het buitenvlak de slag der Amazonen. In de rechterhand droeg zij de Nike met den krans op het hoofd. De ongekleede lichaainsdeelen waren met ivoor belegd, de oogen waren van schitterend diamant, de kleederen, wapens en andere sieraden van gedreven goud, zoodat de waarde van het goud aan dit beeld de buitengewone som bedroeg van 44 talenten (circa 15 ton goudsj. — Behalve dit werk, dat het beroemdste was, heeft Phidias nog vijf beelden van de maagdelijke godin nagelaten, waaronder een kolossaal koperen standbeeld, 70 voet hoog, op last der Atheners, van den buit bij Marathon behaald, vervaardigd, en dat als monument op de Akropolis diende. Het stelde de godin voor als de krijgsgodin (jr^o\'aa^os) in krijgshaftige houding met het schild in de hoogte en de lans rechtopstaande. — Prachtig is ook de marmeren buste, zeker een werkstuk uit den tijd der Romeinsche keizers, maar toch in een karakter, dat de ontwikkelde Grieksche kunst er aan gegeven heeft. Vroeger bewaard in de Villa Albani te Rome is deze thans in de Glyptotheek te Münchcn. De godin draagt (zie het titelblad) een nauw sluitenden helm, die van boven met een slang, het teeken der slimheid, versierd is. Het met slangen omzoomde borstharnas valt als een kraag langs de schouders neer en wordt in het midden in plaats van met een gesp door den Gorgonenkop bijeen gehouden. Die kop vormt een scherpe tegenstelling met het reine en edele gelaat der godin. - Op het Vatikaansche Museum in Rome is ook een zeer schoone buste, waarin de vormen en uitdrukking zachter en jeugdiger zijn. — In een buste te Napels, bij de opgravingen van Pom-peji gevonden, zijn de trekken ernstiger, bijna mannelijk, hoewel niet minder schoon.
Onder de behouden statuën wekt het eerst onze belangstelling een marmeren beeld, in het jaar 1859 in Athene nabij de Pnyx, het oude plein der volksvergaderingen, gevonden en in het Theseum bewaard (tig. 10). Onbetwistbaar hebben wij in dit beeld een copie in het klein van de beroemde Athena Parthenos van Phidias. Het is echter, behalve het gelaat, niet voltooid. — Niet oorspronkelijk Grieksch, maar toch van groote kunstwaarde is de Pallas Giustiniani in het Vatikaansche Museum (Braccio nuovo). Het diende vroeger zeker als tempelbeeld, misschien wel van den tempel van Minerva in Rome, die oudtijds op de plaats stond, waar het beeld gevonden werd. In overeenstemming met de op vatting van Minerva bij de Romeinen is de uitdrukking in dit beeld vreedzaam, al zijn ook hier helm en speer aanwe/ig. — Van twee bij Vel-letri gevonden statuën is de eene in hel Museum van het Capitool te Rome, de andere is een van de schoonste stukken in het Louvre te
2()
Fig. io, Pallas Giustiniani in het \\ atikaan.
Parijs. Ook deze stellen de godin voor als de schenkster van zegen aan het land. die de werken des vredes bevordert, zacht en ernstig. Dezelfde uitdrukking iigt in de Minerva van Famesi in Napels en de naar deze
Tweede gedeelte.
De goden van den Olympos. Pallas Athena.
gemaakte Minerva van Hope in Londen. — Daarentegen stelt haar als krijgsgodin voor een te Herculanum gevonden standbeeld, naar Napels overgebracht, en de beroemde statue in het Louvre, om den halsband gewoon-
Fig. ii. Athena Polias in de Villa Albani.
lijk Minerve au collier genoemd, en een in de groote zaal der Villa Albani, een voortreffelijk Grieksch werkstuk, in de houding der Athena Promachos, met een leeuwenhuid in plaats van een helm op het hoofd.
(fig. n).
31
Tweede gedeelte.
De grondtrekken, die wij uit de verschillende voorstellingen van Minerva samenvatten, zijn dus in de eerste plaats de uitdrukking van hoog zedelijken ernst, die met het karakter eener kuische en hoogst zedelijke maagdelijke godin in overeenstemming is. De gesloten mond en de volle uitkomende kin doen aan een vastberaden en zelfstandig karakter denken, houding en oogopslag duiden kracht en waardigheid aan.
Onder de dieren, die aan Minerva als attributen worden gegeven, tellen we de slang, het zinnebeeld der slimheid, den uil. dat van diep denken, den haan, om den strijdlust aan te duiden. Over Aegis, speer en helm is reeds gesproken. De helm is soms met grijpvogels versierd, het symbool van de alles verpletterende kracht der godin. De statuên zijn altijd geheel gekleed, zooals het bij deze kuische godin behoort.
Apollon.
Gelijk Athene de geliefkoosde dochter is van Zeus, zoo is Phoibos Apollon de meest geliefde zoon. Hij is als Phoibos een god van het licht, en wel, de zuiverste en krachtigste van de lichtgoden. Hij beteekende oorspronkelijk slechts de zon. Zijn moeder was Leto (Latona), die den nacht vertegenwoordigt. Door Hera\'s naijver voortgedreven, zwierf Latona van de eene plaats naar de andere om hare kinderen Apollon en Artemis ter wereld te brengen Want, ging de heilige legende, men vreesde overal voor de verschijning van den machtigen god. Nadat zij veel gezworven had, plaatste Poseidon het eiland Delos, dat nog geen vast eiland was geweest, op vier in den bodem der zee bevestigde zuilen, en schonk zoo aan de beminde van den oppergod een rustplaats.
Apollon. de hemelsche. haat alle onreinheid en onzedelijkheid, en trekt onmiddellijk na zijn geboorte tegen alle booze machten der duisternis te velde. Hij doodt met zijn pijlen den reus Tityos, de slang Python, een monster, dat in het dal Pleistos bij Delphi menschen en vee uit den weg ruimde, en de overmoedige Aioaden, toen zij den hemel wilden bestormen. In deze en vele dergelijke mythen wordt Apollon verheerlijkt als de kracht der lentezon, die de duistere machten van den winter verdrijft.
Andere overoude sagen hebben een geheel tegengestelde zijde van dezen god bewaard en berusten op zijn wezen als vreeselijken god des doods, die verderfelijke ziekten zendt over menschen en vee. en met zijn ver treffende pijlen velen naar de onderwereld jaagt. Gelijk de zon met haar verwarmende stralen den ijzigen winter verdrijft, verzengt zij alles en doodt zij
De goden van den Olympos. Apollon.
bij de toenemende hitte des zomers eiken bloei. De sage heeft dit natuurverschijnsel gepersonifieerd in het ongeluk van Hya-kinthos. Toen deze namelijk Apollon boven Zephyros koos, viel hij, doordien de diskos hem trof, waarmee zij speelden.
De god van het licht is bij uitbreiding van zijn voorstelling ook de beschermer geworden van straten en huizen en. met Hermes, van de gymnasia of oefenscholen. Als zinnebeeld daarvan placht op zijde van elke huisdeur een spits toeloo-pende pilaar te staan, die elke betoovering en booze bezoedeling moest helpen afwenden. Dit hangt geheel samen met zijn voorstelling als den god der geneeskunst; want evenals hij verderf en dood kan toezenden, kan hij elke lichamelijke kwaal stuiten of wegnemen. Daarom wordt hij zelf Paean en Aeskulaap de zoon van den ongehuwden god genoemd Ook hun, die gewetensknaging hebben en zich van schuld bewust zijn, schaft hij als een verlosser troost en bevrijding van zonde. Hij neemt hen, die door de Furiën vervolgd worden, in genade aan, gelijk hij daarvan een blijk gaf bij Orestes. Zoo kalmeerde Apollon door muziek de opgewonden gemoederen, en noodde hij tot rust na inspanning. Het instrument, dat de god bij voorkeur in de hand hield, was de citer of phorminx; die bespeelt hij zelfs bij de maaltijden der goden zoo meesterlijk, als een god dat alleen kan, en de Musen, die hij aanvoert, doen dan daarbij haar liefelijk gezang hooren. In verband met die eigenschappen worden dan ook de mythische zangers der oudheid, Orpheus en Linos zonen van Apollon (Musagetes) genoemd.
Met het oog op de Grieksche nationaliteit kreeg Apollon de grootste beteekenis als de god der voorspellingen. Zijn orakel behield tot in late dagen belangrijken invloed op de staatkundige richtingen, evenzeer als op de lotgevallen van vele familiën. Het eigenaardige van de orakels van Apollon lag daarin, dat de god niet door waar te nemen teekenen de toekomst openbaarde, maar door de persoon, uit wier mond het orakel verkondigd werd, in een aan razernij grenzenden toestand te brengen. Meestal waren het vrouwen of meisjes, die of op plaatsen, waar een algemeen erkend orakel was gevestigd, antwoord gaven op de gedane vragen, of zulke, die als Sibyllen alleen woonden en dat deden in naam van Apollon. Oudtijds bestonden er vrij vele orakels van Apollon, bijv. op Klaros, nabij Kolophon, Didymae, nabij Miletos, aan de
33
Tweede gedeelte.
rivier Ismenos, bij Thebe. De S\'.bylle Herophile, van wie de Sibvllijnsche boeken afkomstig waren, bracht hare kunst van Ervthrae up de Westkust van Klein-Azië naar Cumae over. Maar allen werden overvleugeld door Delphi. De raadgevingen van dit orakel waren gedurende langen tijd van Grieken lands bestaan, inzonderheid voor den Dorischen stam, beslissend, en oefenden eeuwen lang een overwegenden invloed uit. Door het kauwen van laurierbladeren of door de gasdam i:en, die uit den grond onder den heiligen drievoet opstegen, geraakte de Pythia of Priesteres in bedwelming. Met het schuim op den mond en onder stuiptrekkingen in bijna zin-neloozen toestand, deelde zij dan aan den in de geheimen ingewijden priester van den tempel de godspraken mee. Nog in de vierde eeuw wordt melding gemaakt van het orakel van 1 gt;elphi, hoewel zijn aanzien reeds in de eerste eeuw vóór C. niet groot meer was. Den drievoet der Pythia heeft Constantijn de Groote naar Constantinopel overgebracht.
Het is niet te verwonderen, dat de tempel van Delphi door allerlei wijgeschenken gaandeweg zoo rijk werd, dat men het bedrag van zijn goederen op 10,000 talenten (ongeveer 25 millioen guldens) geraamd heeft. Tijdens de Pisistratiden werd een prachtige tempel gebouwd in plaats van den ouden, die afgebrand was. In de nabijheid was de plaats der Pythische spelen, die telkens in het derde jaar eener Olympiade werden gevierd.
Ook Delos was een plaats, om den eeredienst van dezen god beroemd. De heilige plekken lagen aan den voet van den berg Kynthos, terwijl het geheele eiland als de geboorteplaats van den god hem gewijd was, en er dus geen lijk mocht worden begraven. Ook daar werden om de vier jaren spelen gevierd, waarvan men de instelling aan Theseus toeschreef. Overigens werd Apollon overal, d. i. zoowel in Griekenland als in K.lein-Azië, waar de Grieksche koloniën waren, vereerd, en vond men plaatsen aan hem geheiligd.
Onder dezelfde benaming kenden de Romeinen dezen god, en zij hadden dien van de Grieken overgenomen, daar zij, b\'.j gelijke behoefte aan openbaringen omtrent de toekomst, van hunne eigene goden slechts een ja of neen konden gewaar worden. Ook won de voorstelling van Apollon als god der gene-/.ing zeer vroegtijdig veld bij hen, en de eerste tempel voor hem werd in Rome in 439 v. C. opgericht, naar aanleiding eener
34
1 quot; ^
De goden van den Olympos. Apollon.
zware pest. Maar veel hooger vlucht nam de dienst van Apollon onder Keizer Augustus. Deze schreef het geluk zijner overwinning bij Actium voornamelijk aan de hulp van dezen god toe en hij liet hem daarom een prachtigen tempel op den Palatinus bouwen, die zijn roem ontleende aan het prachtige beeld van Apollon met den citer, door Skopas vervaardigd. De spelen ter eere van Apollo, reeds tijdens den tweeden Punischen oorlog ingesteld, werden door keizer Augustus zeer uitgebreid.
Uit den archaïstischen tijd zijn de Apollon van Thera en van Orcho-menos, die de blijken dragen van de geringe anatomische kennis der kunstenaars. Reeds veel hooger staat de Apollon van Tenea, thans te Munchen. De musecn te Parijs en te Londen bezitten merkwaardige bronzen beelden naar den Apollon van Didymae, een werk van Kanachos, waaraan ook het type ontleend is voor oude munten van Miletos.
In elk voortbrengsel van de beeldende kunst komt Apollon als een zeer jeugdig god voor, zonder baard, van schoone, krachtige gestalte, met rijke neervallende lokken, een gelaat vol majesteit en rustigheid. Dat zijn de grondtrekken, die Skopas en Praxiteles, meesters uit de jongere Attische school (400 330), in hunne werken hebben uitgedrukt. Het hoofdwerk van den eerstgenoemde was een marmeren standbeeld, dat den God voorstelde als Pythischen Citerspeler (Kitharoedos) met de Phorminx in handen en met een kleed, dat tot de voeten reikte. Dat kostbare stuk sierde den tempel op den Palatinus. — Praxiteles, de jongere tijdgenoot van Skopas, verwierf zich roem met den Apollon van brons, loerend op een hagedis.
Als de god in zijn vreedzame, verzoenende houding wordt voorgesteld, is de citer zijn vast attribuut, de chlamys steeds zijn kleed. Maar niet minder dikwijls heerscht in de overgebleven kunstwerken de opvatting van strijd en wraak, en dan is zijn beeld meest naakt of halfnaakt, en met boog en pijlkoker gewapend. In die opvatting is het schoonste en beroemdste van alle overgebleven beelden van Apollon dat van het Belvedere in het Vatikaan, nabij het oude Antium, (thans Nettuno geheeten), in 1503 gevonden. Het werk is ongetwijfeld van Romeinschen oorsprong, en de houding is te veel op effect berekend, om zelfs maar aan een voorbeeld uit den bloeitijd der Grieksche kunst te kunnen doen denken; maar toch maakt deze Apollon een verrassenden indruk, door het dichterlijke der opvatting en de schoonheid van bewerking en uitvoering Het trotsche zelfbewustzijn van den zegevierenden god is in het gelaat en in den geheelen stand van het lijf onvergelijkelijk schoon teruggegeven. Op het punt om in den strijd te gaan houdt hij den linkerarm met de Aegis, het zinnebeeld van vrees en schrik, ver van het lijf af. De slang, die tegen een boomstam naast hem opkruipt, is een zinspeling op de macht van de duisternis, die de god bestrijdt (fig. 12). — Verwant aan den Apollon van het Belvedere, waarvan lig. 13 den kop in grooterafmeting voorstelt dan fig. 12, en mede een kunstwerk van den eersten rang, is de kop van Apollon, die in 1S66 in Rome werd gevonden enthans in het museum te Basel is.
Bijna even schoon als de genoemde beelden is de zoogenaamde Apollino van de Galerij der Uffizi in Florence, een jongelingsgestalte,
35
i i
|
i
Tweede gedeelte.
36
die zich in een aangename rust vermeit. Hij is ongekleed, de vormen zijn zeer zacht en teeder. Hij houdt den linkerarm op een naast hem staanden boomstam en spelend den boog in die hand; den rechterarm heeft hij om zijn hoofd geslagen.
Kvcn bevallig is de Apollon van Famesi in het Museum te Napels. Met dc linkerhand houdt hij de lier, terwijl hij met de rechter de snaren tokkelt en dus in zijn spel afleiding zoekt. Schoon is de uitdrukking in het gelaat van den god, die geheel in zijn spel is verdiept. Ook de
De goden van den Olympos. Apollon.
37
gans aan zijne voeten vangt vol verrukking de hemelsche tonen op. — De ouden meenden dat de gans van muziek hield. — Vrouwelijk week is
de vorm en dweepend de gelaatsuitdrukking in de beelden, die Apollon als Pythischen citerspeler in den langen Jonischen chiton gekleed voorstellen. In dien geest zijn de twee belangrijkste; een (fig. 14) in de Glyp-
38 Tweede gedeelte.
totheek te Munchen, vroeger de Muze van Berberini genoemd, rustig in zijn houding, en de zoogenaamde Ap. Musagetes op het Vatikaan, levendiger en in dansende beweging, dien men wel voor een navolging van het meesterwerk van Skopas hield. De god draagt een laurierkrans, en
hemelsche geestverheffing spreekt uit zijn trekken. De forsche lier, bij welks tonen de god /.elf schijnt te zingen, hangt aan een dwars over de bor-)t zittenden band en draagt de afbeelding van Marsyas, dien Apollon bij een muzikalen wedstrijd overwon.
De goden van den Olympos. Artemis.
Ook het aantrekkelijke beeld van Apol Ion, die de hagedis doodt, een werk, dat meermalen nagevolgd is, is in voortreffelijke navolging op het Vatikaan aanwezig. Het beeld (lig. 15) in marmer, stelt den god voor in den leeftijd tussehen knaap en jongman. Hij leunt daar tegen een boom, waartegen een hagedis opkruipt, en volgt in spanning de bewegingen van het dier, om het op het geschikte oogenblik met een pijl in den boom te boren.
De belangrijkste attributen van Apollon zijn de boog, de pijlkoker, de lier en de lauwerkrans, die hem steeds herinnerde aan Daphne, die hoe vurig ook door den jongen god bemind, zijn liefde versmaadde en in een laurierboom werd veranderd. Daarbij komen nog de drievoet en de Omphalos (navel), het beeld van den navel of het middelpunt der aarde, dat men zich gelegen dacht in den tempel te Delphi, waarop de god dikwijls zittend werd afgebeeld, als symbool der voorspelling. Dikwijls ook werd Apollon voorgesteld als staande op den Omphalos, zooals bij een marmeren beeld, onlangs in het theater van Dionysos in Athene gevonden. Onder de dieren zijn hem gewijd: de wolf, de hinde, de vledermuis, de zwaan, van welken men zegt, dat hij vóór zijn dood een klaaglied zingt, en andere dieren, die men meende, dat van muziek hielden, namelijk de gans en de dolfijn.
Artemis {Diana).
Zij is het vrouwelijk pendant van haar tweelingbroeder Apollon, met wiens beeld als natuurgodheid zij geheel overeenstemt. Evenals hij verspreidt zij of licht en zegen, of dood en verderf. Zij bevordert wasdom en groei, verafschuwt slechtheid en onreinheid en bestrijdt die, waar zij ze ontmoet. Zij is in de kunst om den boog te hanteeren even ervaren als Apollon en schiet hare pijlen tegen monsters en reuzen, of tuchtigt de trotsche stervelingen, zooals zij dit de dochters van Niobe heeft gedaan. De jacht is haar lievelingsbezigheid. Als moedige jageres rent zij met pijlkoker en boog in gezelschap eener schaar van wakkere nimfen door berg en dal. En zoodra de jacht afgeloopen is, neemt zij gaarne een versterkend bad in de frissche bron, of zij houdt op de bloemenvelden met hare nimfen, die allen een hoofd kleiner zijn dan zij, reidansen, of zij verheugt zich in Delphi met de Muzen en Cha-riten. Het hart harer moeder Leto trilt dan van vreugde, en vol van moederliefde ziet deze naar de onschuldige spelen harer beminnelijke dochter.
De maagdelijke godin werd vooral door de jonggehiuvde vrouwen vereerd. Tot aan het huwelijk was zij de beschermgodin der meisjes en ging zij haar voor in goede zeden en kuischheid. Hoe streng zij elke overtreding van de plichten
39
Tweede gedeelte.
der kuischheid strafte, toont de mythe van Kallisto aan. Om haar aan de vervolging van Artemis te onttrekken, moest Jupiter haar als berin aan den hemel plaatsen. En de geschiedenis van Aktaeon, die in een hert veranderd en door zijne honden verscheurd werd, leert, dat zij ook mannen vervolgde wegens schennis van maagdelijke eerbaarheid.
Oorspronkelijk schijnt Artemis als godin van de maan te zijn voorgesteld, het waardige evenbeeld van Apollon als Helios of Zonnegod. Gaandeweg trad die voorstelling op den achtergrond, totdat zij in het tijdperk, dat de verschillende godsdienstige denkbeelden zich in elkaar oplosten, weder met Selene, Phoebe of de Romeinsche Luna werd vereenzelvigd.
De Spartaansche Artemis Orthia, verschilde grootelijks van de nationaal Grieksche Artemis. Aan deze werden in Lakonië rnenschen geofferd, totdat Lykurgos dit afschafte en in plaats daarvan op het jaarlijksche feest der godin een zeker getal knapen voor haar beeld liet geeselen. Dat is ook de Artemis, aan wie Iphigenia, de dochter van Agamemnon, in Aulis zou worden geofferd, voordat de Grieken naar Troje konden uitzeilen. En terwijl nu de Skythen ook een godin vereerden, aan wie bloedige menschenoffers werden gebracht, werden die beide godinnen vereenzelvigd ; en ontstond de sage dat Iphigenia door ^de godin naar Tauros was gevoerd en later in gezelschap van haar broeder Orestes het beeld der godin van daar naar Griekenland heeft gebracht.
De Diana der Romeinen, die reeds vroeg met de Artemis der Grieken werd gelijk gedacht, is ook oorspronkelijk godin van de maan, en had een zeer oud heiligdom op den berg Algidus bij Tusculum. Het mannelijke tegenbeeld is Janus (Dianus). Diana was ook bij de Romeinen de beschermster der vrouwen, die haar hielp de barenssmarten te dragen; bij de Grieken verleent meer Hera dan Artemis die hulp. Maar toen Servius Tullius deze godheid tot het hoofd en de beschermgodin van het bondgenootschap der Latijnen maakte, kreeg Diana staatkundige beteekenis, en werden haar op den Aventinus bosch en tempel gewijd. Steeds werden op den i3\'\'n Augustus, den stichtingsdag van dezen tempel, eene koe ten offer gebracht, en den slaven, die haar als een beschermgodin vereerden, een vrije dag geschonken. Maar ook in Italië schijnt zij oudtijds met menschenoffers te zijn geëerd, en in het bosch bij Aricia stond een heiligdom, waaraan derge-
4°
De goden van den Olympos. Artemis.
41
lijke offers verbonden waren. Orestes of Hippolytos zouden dien eeredienst uit Tauros daarheen hebben overgebracht.
Op^Delos heeft men een houten beeld van Artemis, dat uit de zevende eeuw \'afkomstig nog de armen aan het lijf vast en de beenen niet ge-
Tweede gedeelte.
scheiden heeft. Op vazen van Melos heeft men voorstellingen van Arte-mis van misschien nog ouderen tijd.
Maar vooral maakte de jongere Attische school Artemis met voorliefde tot onderwerp van behandeling. De houding was steeds jeugdig, slank, vluor ter been er. niet vol van vormen; meestal heeft zij, met het oog op de jacht, boog en pijlkoker bij zich, is haar kleed hoog gegord, en heeft zij kretensische schoenen aan de voeten, om vlug en onbelemmerd door het woud te kunnen snellen.
Het beroemdste van de behouden beelden is de zoogenaamde Diana van Versailles (fig. 16), oorspronkelijk uit de Villa van Keizer Hadri-anus bij Tibur, nu overgebracht naar het 1. -uvre in Parijs, waar het een hoofdsieraad is en den Apollo van Belvedere waardig. Het stelt de godin voor, die het wild beschermt, en daarom is juist het oogenblik gekozen, waarop zij een vervolgde hinde te hulp gekomen is en met edelen toorn naar den jager uitziet. Met de rechterhand grijpt zij een pijl uit den koker, die haar over den rug hangt, links heeft zij den boog.
Een niet minder schoon werk in marmer, op het Vatikaan, geeft ons de godin in levendiger beweging, op het oogenblik, dat zij haar doode-lijken pijl heeft afgeschoten en vol spanning naar de uitwerking daarvan staat te zien. De jachthond aan haar zijde wijst er op, dat zij een wild dier heeft gewond, dat de hond wil gaan aanbrengen. Met den recht uitgestrekten arm houdt zij den boog vast, terwijl de rechterhand den pijl heeft afgetrokken. Zij trekt zegevierend haar voet omhoog, en de uitdrukking van lierheid over de behaalde overwinning ligt over haar gelaat. Teederder en zachter zijn de vormen van de Artemis, die den slapen-den Endymion bespiedt. Ook deze bevindt zich op het Vatikaan. Als lichtgodin iLima) komt Diana gewoonlijk voor ten volle gekleed, met fakkels in de handen.
De hoofdzakelijke attributen van Diana zijn boog. pijlkoker en speer, de fakkel als symbool van de godin, die licht en leven schenkt. Van de «lieren zijn haar de hinde, de hond. de beer en het everzwijn gewijd.
Arcs {Mars).
Arcs, de zoon van Zeus en Hera, vertegenwoordigt den oorlog van de vernielende zijde gezien, die menschen en landen te gronde richt, in tegenstelling van Athena, die den oorlog met beleid voert. Hij was oorspronkelijk wel de god van den stormachtigen, bewolkten hemel, en als zijn geboortegrond noemt Homerus Thracië, het land, waar steeds storm heerscht. Zijn dienst was dan ook in dat land veel algemee-ner dan in de overige deelen var. Griekenland. Homerus schildert in de Ilias zijn beeld met levendige kleuren, als van een mannen moordenden, wreeden krijgsgod. Niets schaft hem meer genoegen dan het woeste krijgsgewoel, hij wordt het vechten en moorden nooit moede. Van top tot teen in metaal geharnast, met een ruischenden helmbos en trillende lans.
42
De goden van den Olympos. Ares.
het schild van ossenleer in de linkerhand, rent hij over het slagveld en verslaat met onweerstaanbare kracht al wat hij ontmoet. Sterk en handig is hij volgens Homerus tevens de vlugste aller goden. Maar niettegenstaande zijn sterkte overwint hem Athena ; want moed met overleg gepaard vermogen in den oorlog meer dan ongetemde kracht. Kn toen Diomedes hem met hare hulp wondde, schreeuwde hij als tienduizend soldaten tegelijk.
Phobos en Deimos, de verpersoonlijkte vlucht en schrik, die zich in den slag voordoen, begeleiden hem steeds en de dichters noemen hen wel zonen van Ares en Aphrodite.
In Griekenland zelf stond de god niet in bijzonder hoog aanzien. In Thebe gold hij als de pestverspreider, en verbond men Aphrodite aan hem als gemalin, hoewel zij gewoonlijk die plaats naast Hephaistos, den god van het vuur, inneemt. Uit de verbintenis van Ares en Aphrodite sproot Harmonia voort, die, aan Kadraos gehuwd, de stammoeder werd van het Thebaansche volk. Bij de Atheners was hij de god der wraak, en had hij hun door een zoon van Poseidon (Neptunus) te dooden aanleiding gegeven tot het instellen van den Areopa-gos. Alkamenes had voor zijn tempel in Athene een beroemd beeld vervaardigd. Ook was zijn dienst algemeen in het oorlogzuchtige Sparta.
Bij de Romeinen stond Mars in veel hooger aanzien. Reeds de oudste volksstammen in Italië ruimden hem onder hunne goden een belangrijke plaats in. Het kwam met het karakter der oudste bewoners van Italië, die van veeteelt en landbouw hun bedrijf maakten, geenszins overeen in Mars een oorlogsgod te vereeren ; maar veeleer riepen zij hem aan als den god der lente, die met geluk den kwaden winter bestrijdt, die hun groei en wasdom van kudden en vruchten beloofde, of van wien zij redding van onheil en verderfelijke ziekten verwachtten. Maar toen het strijdlustige Rome zich boven de zustersteden verhief, moest de god weldra het kleed van den stillen vréde afleggen en het schitterend harnas van den oorlog omgespen. Zoo werd hij naast Jupiter de aanzienlijkste god van den staat en het volk der Romeinen. Numa reeds gaf hem een eigen priester (flamen) en stelde te zijner eer voor de eerste (of tweede maal) het priesterschap der Saliers in. De sage geeft als de aanleiding daartoe op, dat koning Numa op zekeren ochtend voor den ouden koningsburg aan den
43
Tweede gedeelte.
voet van den Palatijnschen heuvel biddend zijn handen naar Jupiter opstak, om diens bescherming en gunst voor den jeugdigen Romeinschen staat af te smeeken. Als gunstbetoon liet toen de god een aan beide kanten uitgesneden langwerpig rond metalen schild (ancile) uit den hemel vallen. Tegelijk verkondigde een stem, dat de duur van het Romeinsche rijk verzekerd was, zoolang dat schild behouden bleef. Numaliet het heilige schild, dat men als het schild van Mars herkende, zorgvuldig bewaren en vervolgens, om te voorkomen, dat het gestolen werd, door den kunstenaar Mamurius elf aan het oorspronkelijke volkomen gelijke schilden vervaardigen. De zorg voor al dezen werd aan de twaalf Saliërs opgedragen, die uit de deftigste Romeinsche familiën bijeen gelezen werden. Zij moesten de schilden telken jare in Maart, welke maand aan Mars gewijd was, in feestelijken optocht door de straten van Rome dragen, daarbij krijgsdansen uitvoeren en ouderwetsche liederen zingen. De vereering van Vader Mars drong sedert de dagen van Numa al meer in de gemoederen des volks door. Zoo dikwijls de Romeinsche legers ten strijde trokken, moest de opperbevelhebber zich naar den tempel van den god op den ouden koningsburg begeven, daar het heilige schild en de lans schudden, die aan het beeld van Mars hingen, en uitroepen; Waak, Mars! De eenvoudige geloovigheid liet zelfs dezen god, hoewel onzichtbaar, vóór het leger uitgaan, als het stormloopen moest, en gaf hem den bijnaam Gradivus. In den oorlog tegen de vereenigde Lukaniërs en Bruttiërs (282 v. C.) vuurde een onbekend jongman van buitengewone grootte en schoonheid, toen de Consuls aarzelden om aan te vallen, de troepen tot een stormloop tegen het leger der vijanden aan ; hij was ook de eerste, die met een stormladder den muur beklom. Maar toen men den dapperen held zocht, om hem den verdienden zegekrans te geven was geen spoor van hem te vinden. Wie kon dat nu anders geweest zijn dan de goede Vader Mars ? Te zijner eer verordende dus ook de Consul Fabricius eendank feest van drie dagen.
Natuurlijk kreeg ook Mars van den oorlogsbuit zijn behoorlijk deel. Nederlagen schreef men aan zijn toorn toe, en door buitengewone zoenoffers trachtte men dien af te wenden.
Het volksgeloof maakte hem tot vader van Romulus en Kemus, de stichters der stad, en een Vestaalsche maagd tot
44
De» goden van den Olympos. Ares.
de moeder dier kinderen. Maar elders heet Xerio zijn gemalin, hoewel die, zooals het schijnt, geen openlijke vereering in Rome genoot.
Metus en Pallor begeleiden Mars, overeenkomstig het Griek-sche denkbeeld van Phobos en Deimos, en Bellona, die zelf een tempel op het veld van Mars in Rome en eigen priesters, de Bellonarii, had. In Pontus en Cappadocië vereerde men in dien zin Enyo. Deze is dan een zuster van Mars, en hijzelf heeft ook soms den naam van Enyalios.
In Rome was hem de Campus Martius, het veld van Mars, dat zich westelijk van den heuvel Quirinalis tot aan den Tiber uitstrekte, en waar de jongelingschap een ruim terrein voor lichaamsoefeningen vond, geheiligd. Daar was op last van keizer Augustus, na de overwinning op de moordenaars van Caesar, een tempel ter eere van Mars gebouwd in Grick-schen stijl, die alle andere heiligdommen van dien god in rijkdom en kunst verre achter zich liet. Drie zuilen zijn nog aanwezig en getuigen van den ouden roem. In de maand Maart werden wedrennen te zijner eere gehouden; en op de Idus of 13«quot; van die maand hielden de Fratres Arvales, een oud priestercollegie, optochten, baden zegen op den oogst af en de landlieden brachten hem dan een zwijn benevens een schaap en een stier (suovertaurilia) ten offer. Hetzelfde gebruik had plaats op de Idus van Oktober; en het paard, dat dan zegevierde, werd hem geofferd. De beide oudste wijken der stad. Sacra Via en Subura, streden dan om den kop van het geslachte dier; want uit het bezit daarvan voorspelde men zich grooten zegen.
De oude kunst stelde Mars als een groot, forsch gebouwd jong man voor. uit wiens trekken zich overleg en kracht doen kennen. Steeds komen in zijn afbeeldingen voor kortgelokt, krullend haar, kleine oogen, breede neusvleugels, sprekende van hartstochtelijk, heftig karakter. Onder de weinige overblijfselen der hem hetrelfende kunst is de Mars Ludovisi in de hoofdzaal der Villa Ludovisi in Kome het beste. Hoewel velen dit beeld voor een copie naar een werk van Skopas houden, is het echter veeleer toe te kennen aan Lysippos uit Sikyon, den hoofdvertegenwoordiger van de kunst in de Peloponesus uit de vierde eeuw. De god is voorgesteld in een oogenblik van rast na den strijd, en in tegenstelling met zijn gewonen aard in droomende stemming. Maar de aan zijn voet hurkende kleine liefdegod verklaart de oorzaak van zijn toestand. Want de Amor ziet met zegevierenden lach naar den god op. alsof hij zich verheugt, dat de stoerste en ontembaarste aller goden toch ook eens voor zijn macht moest bezwijken (fig. 171.
45
Tweede gedeelte.
Xa dit oorspronkelijk Grieksche werk, — al is het ook van latere periode in de kunst, — volgt een oorspronkelijk Romeinsch, nl. de Mars Üorghese van het Louvre. Daarin werd de voorstelling gegeven, hoe Mars door de list van Hephaestos geboeid werd
Buiten deze hoofdwerken dient nog vermeld te worden de buste van
Mars uit de Glyptotheek te Munchen met veel uitdrukking in den kop (tig iS).
De kenmerkende attributen van Ares zijn de helm, gesierd met wolfshonden en grijpvogels, lans en schild. De wolf, het paard en de specht algt; voorspellende vogel (gelijk hij andere goden de duif) staan in zijn bijzondeïe gunst.
De goden van den Olytnpos. Aphrodite.
47
Aphrodite (Venus).
Aphrodite is in de gedichten van Homerus een dochter van Zeus en van Dione. De laatste is een godin, die het vochtige element in de natuur vertegenwoordigt en bij de Pelasgen in
hoog aanzien stond. Maar volgens Hesiodus en de latere Grieksche dichters werd Aphrodite uit het schuim der zee geboren en betrad zij het eerst het eiland Cyprus, dat haar boven alle landen dierbaar was. Haar oorsprong is ongetwijfeld in het Oosten te zoeken, en kan men haar vergelijken met de Astarte der Pheniciërs. Zij stelt de scheppingskracht in de natuur voor, en werd bij de Grieken beperkt tot de godin der schoonheid en zinnelijke liefde. Zóó ten minste is de gangbare voor-
Tweede gedeelte.
stelling der dichters. Maar die is geenszins volledig en slechts geldend voor de Aphrodite Panderaos, de aardsche, de godin der lente, door wier invloed alle groeikracht in dieren- en plantenwereld herleeft. Want naust de aardsche Aphrodite stond de Aphrodite Urania, een hemelsche godin, die zegen en vruchtbaarheid verspreidde, en een Aphrodite Pontia, die schippers en zeelieden beschermde, wind en golven bestuurde en aan de schepen een kalme en voorspoedige reis verschafte. Haar dienst was dus bij voorkeur op de talrijke eilanden, zooals op Cyprus, ICos, Kythera en de havenplaatsen der zeeën, die de Grieken bevoeren, te vinden, zooals Korinthe, Knidos in Karië, of op den berg Eryx in Sicilië.
De dichters schilderen Aphrodite af als de schoonste en liefelijkste der godinnen ; tegen hare betoovering is zelfs de verstandigste niet bestand, de wilde dieren in het woud bezwijken voor haar macht en volgen haar als lammeren. Het onbegrijpelijke van haar tooverkracht ligt in den gordel der bekoring, dien zij ook kan afleggen of aan anderen leenen. Maar in dezelfde mate als zij de liefde bij anderen verwekt, is die voor haar behoefte. Talrijke — dikwerf onsamenhangende — sagen vertellen van hare verbintenissen met goden of bevoorrechte stervelingen. Nu eens heet Ares, dan weer Hephaes-tos haar gemaal. De laatste voorstelling is de algemeenste en ging uit van Lernnos, de hoofdplaats van den dienst van Hephaestos ; misschien om het verrassende van de verschijning van de schoonste en liefelijkste der godinnen aan de zijde van den leelijken, hinkenden god. Van deze verbintenis worden geen vruchten vermeld; uit die met Ares echter Eros, of ook Deimos en Phobos. In andere plaatselijke sagen is ook sprake van een verbinding tusschen haar en Dionysos of Hermes.
De sage van haar liefde voor den schoonen Adonis is uit Azië afkomstig en heeft bij hare tochten door de Grieksche volksstammen talrijke wijzigingen ondergaan. De kern dier sage is nog duidelijk en bevat het denkbeeld van het wegsterven der natuur in den herfst en haar herleven in de lente. De schoone door Aphrodite hartstochtelijkbeminde Adonis wordt op jacht door een wild zwijn gedood. Ontroostbaar over dat verlies houdt ze niet op met haar vader Zeus te smeeken, dat deze het gevloden leven weer zou geven. En deze staat dan eindelijk toe. dat Adonis slechts een deel van het jaar in het schimmenrijk behoefde te blijven, den overigen tijd op
De goden van den Olympos. Aphrodite.
aarde. Het borstelige monster is blijkbaar niet anders dan het zinnebeeld van den ijzigen winter, door welks kouden adem alle leven der natuur ophoudt.
Zeer gewikkeld is deze godin in de sagen vau Troje. Zij is het eigenlijk, die de aanleiding tot den Trojaanschen oorlog in het leven riep door Paris in het bezit van Helena te stellen. Dat was de belooning voor zijn uitspraak in haren strijd met Hera en Athena, toen zij hem de vraag hadden voorgelegd : wie de schoonste van haar was. En bij Anchises, den broeder van koning Priamos van Troje, werd zij moeder van den braven held Aeneas.
Gaarne neemt zich de godin de lieden aan, die ongelukkig waren in de liefde, en helpt bijv. den heldhaftigen Peleus aan het bezit der zeenimf Thetis. En onbarmhartig straft zij hen, die trotsch en overmoedig zich tegen haar verzetten; de sage van den Atheenschen prins Hippolytos getuigt daarvan. Hij werd ongelukkig, toen hij de liefde zijner stiefmoeder Phaedra niet wilde beantwoorden. En de schoone Narcissus, die de liefde der nimf Echo versmaadde, werd met onbevredigde liefde tot zich zelf bestraft.
Tot het gevolg van Aphrodite behooren de Horen en de Gratiën, die haar kleeden en opsmukken, verder Eros, Pothos, Himeros, (Liefde, Verlangen, Begeerte), waarbij zich soms de huwelijksgod Hymen of Hymenaeos voegt.
De Romeinsche Venus, wier naam schoonheid beteekent, was bij de volksstammen van Italië ook oorspronkelijk de godin der lente, waarom haar ook de maand April gewijd is. Reeds vroeg kreeg zij ook staatkundige beteekenis, doordien men haar weldadigen invloed toeschreef op de bevordering van eendracht tusschen de burgers en op het gezellige leven. Maar langzamerhand vereenzelvigde men haar met de Aphrodite der Grieken, en werd zij te Rome ook gaandeweg de godin van den zinnelijken lust en der geslachtsliefde. Naar hare verschillende opvattingen had zij drie heiligdommen, nl. als Murcia, als Cloacina en als Libitina. De eerste duidt de godin der myrten (kuische liefde) aan, en als zoodanig had zij een tempel aan de helling van den Aventinus, gebouwd door de Latijnen, die Ancus Martius daar had gevestigd. De tempel der Cloacina werd opgericht na de verzoening tusschen Romeinen en Sabijnen wegens den maagdenroof, en op den eersten April vierden de vrouwen haar ter eer feest. Den naam Libitina droeg Venus als godin des doods; in haren
49
4
Tweede gedeelte.
tempel werden de doodregisters en alle begrafenis-benoo-digdheden bewaard, de priesters van haren tempel waren tevens de lijkbezorgers in Rome, en van elk lijk moest aan den tempel een munt betaald worden. Het schijnt vreemd dat juist Venus in dien zin kon vereerd worden. Maar het is, wanneer men eenigszins met de mythologische voorstellingen der ouden vertrouwd wordt, niet te verwonderen, als uitersten elkaar aanraken of als twee verschillende naturen in een godheid zijn samengekomen. Meermalen vindt dat bijv. bij de Chthonische of aardgoden plaats. Bij de oude heiligdommen kwam in Caesar\'s dagen nog de tempel van Venus Genetrix, de huwelijksgodin, dien Caesar in den slag bij Phar-salus had beloofd, maar waarvan hij de voltooiing niet meer bijwoonde. Venus is verder nog onder tal van bijnamen bekend, die hare verschillende functiën kenmerken.
Aphrodite of Venus is door de oude kunstenaars met buitengewone voorliefde tot onderwerp van behandeling gekozen. Want het vraagstuk, om door beitel of penseel de verbinding van volkomen vrouwelijk schoon met de hoogste liefelijkheid uit te drukken, laat talrijke oplossingen toe. Vooral de jongere Attische school, die zich bij voorkeur aan de voorstelling van jeugdige, liefelijke godengestalten wijdde, legde zich vooral op zulke toe, waarbij het naakt minder aanstootelijk scheen. De Venus van Knidos, het beroemdste werk van Praxiteles, stond bij de bewoners van dat eiland zoo hoog aangeschreven, dat zij dat beeld op hunne munten sloegen, waarvan nog een enkele bestaat. Dat Praxiteles deze godin geheel naakt voorstelde, wijst tegelijk op het verval van het volksgeloof en van de kunst. Van nu af krijgt, behalve bij de godenbeelden in de tempels, de naakte voorstelling de overhand. Overigens maken slankheid en sierlijkheid met volheid in vormen verbonden het karakteristieke der Venusbeelden uit. Het gelaat is zeer ovaal en de oogen zijn niet groot en hebben een uitdrukking van verlangen, de mond is klein, wangen en kin zijn vol en rond.
Van de in grooten getale overgebleven Venusbeelden staat algemeen het hoogst aangeschreven, het meer dan levensgroote in het Louvre te Parijs opgestelde beeld, op het eiland Melos in 1820 gevonden. Het bovenlijf is naakt, van de heupen hangt een licht kleed neer. De hoogverheven uitdrukking in het gelaat, de bekoorlijke volheid en schoone verhouding in alle deelen wekken om strijd tot bewondering op. Doordien de armen afgebroken zijn, kan men slechts gissingen maken over het denkbeeld, dat den kunstenaar voor den geest stond, en vermoedt dus, dat zij in de linkerhand een appel hield (dat beteekent Melos), of het metalen schild van Ares. Uit het gelaat spreken vroolijke, trotsche eigenliefde. (Fig. 19.) Men vermoedt, dat het werk dagteekent uit de vierde eeuw vóór C.
Als godin der overwinning (Venus Victrix) is de Venus van Capua bekend, die onder de puinhoopen van het Amphitheater dier stad gevonden en thans aanwezig is in het Museum te Napels. De vormen van het
So
De goden van den Olympos. Aphrodite.
51
ook daar naakte bovenlijf zijn niet zoo krachtig en frisch als bij de Venus van Melos maar wecker en breeder. De beroemdste van allen is echter de zoogenaamde Mediceïsche Venus, in de Galerij der Uffizi te Florence, vroeger in de Villa Medici in Rome. Zij behoort tot de nieuwe Attische
Tweede gedeelte.
school, aan welke wij tegen het einde der tweede eeuw v. C. nog eer» korten bloei der Grieksche kunst danken, liet werk, ongetwijfeld in Rome voortgebracht, is van de hand van Kleomenes uit Attika. Voorgesteld alsof zij uit het bad komt, Venus Anaduomene, is zij geheel naakt. Dit
beeld is de jeugdigste opvatting van allen, die over zijn, en munt uit door de volkomene regelmatigheid en schoonheid in vormen, maar mist elk spoor van goddelijken adel en verhevenheid. De nieuwere kritiek heeft de vroegere overschatting weten te breidelen.
Aan huiselijker opvatting doen denken de in het bad zittende Venus van het Vatikaan, de mindere nabootsingen daarvan in Florence en in Napels en de Venus, die hare sandalen losmaakt, in de (Glyptotheek te
52
De goden van den Olympos. Hennes.
Munchen. Het goddelijke is hier geheel teruggeweken voor de aantrekkelijke vrouwenfiguur. Hooger is weer de opvatting in eenige navolgingen van de Venus van Knidos, die het Vatikaan en het Museum te Munchen bewaren, alsmede de zeer bevallige Venus Genetrix in de Villa Borghese te Rome. Fig. 28.
De attributen wisselden af naar de omstandigheden, waarin haar beeld werd opgevat. In de dierenwereld zijn haar de duif, de musschen , als symbolen der vruchtbaarheid, en de dolfijn van de zeewezens geheiligd; in de plantenwereld : de myrt, de roos, de appel, als symbool der liefde, de papaver, van de vruchtbaarheid en de lindeboom, met wier bast de kransen werden bijeengehouden.
Hermes [Mercurius).
Hermes is de zoon van Zeus en van de regengodin Maia, een dochter van Atlas, en behoort thuis in Arkadië, waar hij in een grot van den berg Kyllene het eerste levenslicht aanschouwde. De geschiedenis zijner jeugd leeren wij uit een Homerische lt;d. i. niet van Homerus zelf) hymne. Daarin wordt op vermakelijke wijze meegedeeld, hoe hij terstond na zijn geboorte zijn slimmen en sluwen aard openbaarde. Overeenkomstig de natuur der goden zich wonderbaarlijk snel ontwikkelend, springt hij reeds vier uren na zijne geboorte van den schoot zijner moeder, en maakt de eerste lier door over de schaal eener schildpad snaren, van darmen gemaakt, te spannen en vervolgens met een stok daarop slaande, zong hij van de liefde van Zeus en Maia. Door buitengewonen trek naar vleeschkost gedreven, snelt hij tegen den avond in de luren gewikkeld naar Piërië, en steelt Apollon vijftig runderen van de kudde af. Toen hij twee daarvan geslacht en er heerlijk van gesmuld had, keerde hij tot zijne moeder in de grot der Kyllene terug, en ging, alsof er niets was voorgevallen, rustig in zijn wieg liggen. Apollon nu bemerkte den gepleegden diefstal spoedig «n ijlde den brutalen roover na, maar hij hield zich onschuldig en loochende zijne daad hardnekkig. Ondertusschen liet Apollon zich daardoor niet afschrikken, maar daagde den kleinen schelm uit om met hem voor den troon van hunnen vader Zeus op den Olympos te gaan en dezen te laten beslissen. Nu kreeg Apollon zijn runderen weer, maar ruilde die weldra in voor de lier, die hem zijn jongste broeder gaf. Zoo wordt Hermes de god van vee en weide, en richt Apollon zich sedert geheel tot de kunsten aer Muzen. Om de volkomen verzoening te bevestigen schonk Apollon zijn broeder nog den
53
Tweede gedeelte.
gouden tooverstaf, waarmee hij geluk en zegen kon schenken aan wien hij wilde. Sedert dien tijd leefden beide in innige vriendschap en liefde verbonden, als de twee even beminde zonen van Zeus.
Naast Apollons oorspronkelijke beteekenis van den vriendelijken, lieven zonneschijn, stelt Hermes regen en wind voor. Regen en zonneschijn zijn beide gaven van den hoogsten god, of mythologisch gesproken, zijn zij zijne zonen. Maar beide zijn na het afleggen hunner natuurvoorstelling, weldadige, voor het menschdom heilzame wezens, en dus kan het niet anders of Hermes moet met Apollon vele eigenschappen gemeen hebben. Het hoofdonderscheid bestaat daarin, dat Apollon, de lichtgod, de hoogere geestesontwikkeling vertegenwoordigt. Hermes het praktisch verstand.
De belangrijkste factoren, die we in het bestaan van Hermes erkennen, zijn dan ten eerste de god van den groei-zamen regen, en bij uitbreiding de god, die alle goede gaven schenkt, in de meest verschillende omstandigheden van het menschelijke leven. Zooals hij de vermeerdering der kudden bevordert, geeft hij ook geluk bij alle menschelijke ondernemingen, vooral van handel en bedrijf. Aan de Grieken, die ten allen tijde sluwe en winstbejagende kooplieden waren, moest Hermes als beschermer van straten en wegen, en als vriendelijke gids van reizende kooplieden bijzondere eer waardig schijnen. Dus richtte men op de landwegen de bekende Hermen op, d. z. steenen pilaren of houten palen met een of meer koppen er op; dit laatste vooral bij kruiswegen, om tegelijkertijd als wegwijzers te dienen. Dikwijls ook waren die Hermen in de straten of op de pleinen opgericht. Hermes begeleidt niet alleen de kooplieden en reizigers, maar hij geeft hun ook verstand en overleg om anderen met goed gevolg te foppen. En zoo moest de god het goed vinden, dat zelfs dieven en bedriegers, die een onderneming op touw zetten, hem om hulp smeekten, dewijl hij zelf zijn loopbaan geopend had met een buitengewoon listigen diefstal. Elk toevallig voordeel, elke gelukkige vondst, winst van spel of lot, werd aan de gunst van Hermes toegeschreven, en hij was in het algemeen voor het maatschappelijk leven van groote beteekenis en van ingrijpenden aard.
Hermes is do snelle bode van Zeus en de slimme uitvoerder zijner bevelen. In deze laatste functie schilderen hem de
54
De goden van den Olympos. Hermes.
epische dichters vooral. Met hulp zijner met gouden vleugels voorziene schoenen, vliegt hij sneller dan de wind over land en zee, om den last van zijn vader of van andere Olympische goden te volbrengen. Zoo bracht hij aan de nimf Kalypso het bevel over, dat zij Odysseus moest laten vertrekken, of aan Aegisthos om hem voor den moord van Agamemnon te waarschuwen. Ook waren de uitvoeringen van hem opgedragen bevelen dikwijls van moeilijken aard. Zoo doodde hij den honderdoogigen bewaker van lo, aan welk feit hij bij Homerus den naam dankt van Argosdooder. De natuurlijke grond van deze sage zal wel zijn, dat de god van storm en regen door het aanvoeren en drijven der wolken den sterrenhemel onzichtbaar maakt.
Als bode en heraut der goden is hij een voorganger van alle herauten op aarde, die in de oudheid de onmisbare vertegenwoordigers der koningen waren bij allerlei moeilijke onderhandelingen ; daarom draagt hij altijd den herautenstaf (caducëus). Het is de staf, dien hem Apollon eens schonk en die uit drie takken bestond, waarvan de eene het handvatsel vormde, terwijl de beide andere als een vork uitliepen, welker tanden op het einde van boven met elkaar verbonden waren. Eerst in later tijd heeft men van deze tanden slangen gemaakt. Met dezen staf nu bracht Hermes, wien hij wilde in slaap, en deed hij slapenden ontwaken. Maar vooral geleidde hij er de zielen mee naar de onderwereld, in zijn merkwaardige functie als psychopompos. Elke ziel aanvaardde, na uit het lichaam gescheiden te zijn, den tocht naar de onderwereld onder geleide van den god, en zoo voerde Hermes ook in bijzondere gevallen, b. v. wanneer bij doodenorakels geesten werden opgeroepen, de zielen der gestorvenen naar de bovenwereld terug. Zoo is hij ook de bemiddelaar geworden der streng gescheiden stoffelijke en geestenwereld. Hem bad men ook om goeden slaap, want de droomen komen óf van den oppergod óf uit de onderwereld, en hij bracht die dan aan de slapende menschen.
Zijn verhevenste voorstelling echter is die, welke men hem als beschermgod van de opvoeding der jeugd gaf. Inderdaad kon geen god geschikter schijnen om aan de Grieksche jeugd als voorbeeld gesteld te worden, dan de lichamelijk en geestelijk even vlugge bode der goden. Hij is de vlugste looper en handigste diskoswerper en vuistvechter, en hoewel geenszins zoo
55
Tweede gedeelte.
hoog ontwikkeld van geest als Apollon, is hij toch in de hoogste mate verstandig en vernuftig; iets, waarop de Grieken hoogen prijs stelden. Worstelperken en oefenplaatsen golden als instellingen van hem; zijn beelden stonden daar. En nu maakten dichters hem in verband met zijne laatstgenoemde betrekkingen tot uitvinder van de taal, het letterschrift en de uitlegkunde. Ook als god der welsprekendheid werd hij geëerd, en hem werden misschien daarom de tongen der offerdieren gewijd. Men offerde hem verder gewoonlijk lammeren en bokken; de haan is hem bijzonder heilig van de dieren.
De Romeinsche Mercurius levert weinig vermeldingswaar-digs op. Zijn naam wijst op de beteekenis, die hij voor de Romeinen had (mercari =; handel drijven), van handelsgod, en toont overigens weinig verband met den Griekschen Hermes ; hij was bij voorkeur de god der Plebeiers en werd eerst na de verdrijving der Koningen, bij gelegenheid eener groote duurte, tegelijk met Ceres onder de goden opgenomen. De vereenigin-gen van kooplieden vereerden in hem hun beschermheilige en offerden hem en zijne moeder Maia op de Idus van Mei; want op dien dag was in 495 v. C. de eerste tempel voor hem in Rome gebouwd. Bij de Capeensche poort was het zoogenaamde water van Mercurius, waarmee de kooplieden zich en hunne waren besproeiden ter beveiliging tegen onheil.
De plastische voorstelling van Hermes heeft gelijken tred gehouden niet de ontwikkeling van de denkbeelden over dien god. Uit de reeds vermelde oudervvetsehe Hermesbeelden vloeiden de eerste kunstwerken voort, die hem nu eens als herder, een ram dragend, dan eens als heraut en bode der goden opvatten, en steeds als krachtig gebaard man voorstelden. Eerst later kreeg Hermes den jeugdigen vorm, en is dan zonder baard voorgesteld, in de volheid van jeugdige kracht, met breede borst, slanke, krachtige ledematen, kroes haar, kleine ooren, mond en oogen, zoodat bevalligheid en kracht zich op wonderlijke wijze in zijn trekken vereenigen. Om zijn fijne lippen speelt een vriendelijke, goedige trek, zijn blik is verstandig en uitvorschend, zijn hoofd voorwaarts geneigd en in denkende houding. Dat zijn de grondtrekken in de behouden Hermesbeelden.
Om zijne groote schoonheid is in de eerste plaats te vermelden het levensgroote bronzen beeld van den rustenden Hermes, die, in Herculanum gevonden, thans in het Museum te Napels is. Het stelt hem voor als (len bode der goden, die om een oogenblik te rusten op een rots is gaan zitten. Hij is ongekleed, en heeft slechts de vleugels aan de hakken en kruiselings over de voeten gesnoerde riemen.
Als beschermer der worstelschool stelt hem een prachtig marmeren beeld in het Vatikaan voor, dat altijd als type zal gelden van edele lichaamsontwikkeling. Over het fijne gelaat ligt een waas van treurigheid.
56
De goden van den Olympos. Hennes.
57
De goden van den Olympos. Hephaestos.
volg van dien val. Blijkbaar is de grondgedachte dezer mythen, dat het vuur in de gedaante van den bliksem uit den hemel op aarde gekomen is.
Oorspronkelijk was Hephaestos het element van het vuur, en werden alle werkingen van het vuur tot hem teruggebracht. Uit de open kraters der vulkanen breekt het aardvuur los, en dus moest Hephaestos in het hart der vuurspuwende bergen zijn ovens en smidsen hebben. Een der werkplaatsen van dezen god was dus de berg Moschylos op Lemnos, de hoofdplaats van zijn vereering; een andere is de bodem van den vuurspuwenden bergEtna op Sicilië. En uit de waarneming, dat in de buurt van zulke bergen de wijnbouw uitstekend gelukt, vormde zich de sage van de innige vriendschap tusschen Hephaestos en Dionysos. De weldadige werking van het vuur openbaart zich bij de aanwending er van tot het smelten van metalen, allerlei gereedschappen en werktuigen tot nut van den mensch helpt het vuur vervaardigen. Geen wonder, dat men in Hephaestos den uitvinder van allen kunstigen arbeid in metaal ging erkennen, en hem als den beschermgod eerbiedigde van alle werklieden en kunstenaars, die vuur gebruikten bij hunnen arbeid. Daardoor kwam hij in nauwe betrekking tot A.thena, de godin der kunst; en in de stad Athene, den hoofdzetel van kunsten en wetenschappen, werden deze beide godheden gemeenschappelijk vereerd, en vierde men feesten ter eere van hen beiden te zamen. In de dichtkunst ontwikkelde zich dan ook de voorstelling van Hephaestos voornamelijk, als die van den artistieken smid, den god der smeden. De dichters vertellen gaarne van het prachtige bronzen paleis, dat hij zich op den Olympos had gebouwd, waarin zich ook een groote smidse bevond met twintig kunstige blaasbalgen. En voor de andere goden had hij daar onvergankelijke paleizen gebouwd, en daarin allerlei kunstig huisraad aangebracht, zooals vrij loopende tafels of drievoeten, die van zelf naar de eetzaal der goden gingen en na afloop van het maal weer terugliepen. Hij zelf bediende zich tot steun bij het loopen van twee kunstig uit goud vervaardigde maagden, aan wie hij spraak en beweging had ingegeven. Onder anderen vermelden de dichters als werkstukken van hem de Aegis en den scepier van Zeus, den drietand van Poseidon, het schild van Herakles, de wapenrusting van Achilles, waarbij vooral het schild in buitengewone schoonheid uitmuntte, e.a.
59
Tweede gedeelte.
6o
De goden van den Olympos. Hestia.
gebracht worden bij verbinding van schoonheid en kracht.
De heilige plek, dezen god gewijd, was in Rome het Vol-canal, bij het Comitium, en uit die plaats zou men opmaken, dat hij oudtijds voor de Romeinen van staatkundige betee-kenis was ; het was geen eigenlijke tempel, maar een overdekte vuurplaats. Een werkelijke tempel was voor Vulcanus op het veld van Mars gebouwd, nabij den Circus Flaminius, waar ook het hoofdfeest, de Volcanalia, op 23 Augustus met allerhande spelen werden gevierd. Onder anderen werden dan visschen verbrand, die den god als bewoners van het water steeds vijandig moesten zijn.
Door de Grieksche en Romeinsche kunstenaars werd hij voorgesteld als een krachtig, volwassen, gebaard man. Hij is altijd kenbaar aan het te korte linkerbeen, aan den scherpen en vasten blik van zijn geestige oogen en de vast gesloten lippen. Tot zijn attributen behooren het smidsgereedschap, de os-aal toeloopende werkmansmuts, en het korte bovenkleed, dat werklieden en kleine burgers droegen (fig. 24).
Behalve eenige kleine figuren van brons te Londen en te Berlijn, en een onlangs gevonden buste in marmer in het Vatikaan bezit men geen noemenswaardige voorstellingen van dezen god.
Hestia [Vestd).
Hestia, de dochter van Kronos en Rhea, vond, naar het schijnt, eerst betrekkelijk laat algemeene vereering. Haar naam komt in de Ilias evenmin als in de Odyssea voor. Zij is de beschermgeest van den mensch, dien zij veiligheid in zijn woning waarborgt, en wordt daarom bij voorkeur in het vuur op den haard, als het middelpunt van het geheele huiselijk leven, vertegenwoordigd en vereerd. De huiselijke haard was in het leven der oude volken van oneindig hoogere be-teekenis dan in het leven der hedendaagsche. Hij diende niet alleen voor het gewone doel van huiselijk gebruik, maar hij was tevens het heilige altaar in het huis, waarbij de beelden der huisgoden werden opgesteld en waarop naar voorouderlijk gebruik de vader des huizes bij alle belangrijke gebeurtenissen in het huiselijk leven als priester offers bracht. En nooit werd er geofferd, of Hestia, waarin men het levendige middelpunt van het geheele familieleven eerde, kreeg het haar toekomende deel.
Gelijk de staat een familie vormt in uitgebreiden zin des woords, werd de beschermgodin van het huis natuurlijk ook
Tweede gedeelte.
62
pels haar in Griekenland gewijd.
De goden van den Olympos. Hestia.
Een veel belangrijker rol speelt de dienst van Vesta in het openbare leven der Romeinen. Aan de helling van den Palatinus, naar het Forum gericht, had Numa Pompilius, naar gemeld wordt, den oudsten tempel voor Vesta gesticht. Die was rond en niet groot in omtrek, eigenlijk slechts een overdekte haard, waarop als zinnebeeld van de levensvlam van den staat, een eeuwig vuur brandde. Ook hier namen ongehuwde vrouwen, oorspronkelijk vier, later zes, den dienst waar: inzonderheid rustte op haar de taak om bij het onderhoud van het vuur dagelijks de godin voor het welzijn van het Romeinsche volk te bidden. Het uitgaan van het heilige vuur was het noodlottig voorteeken van naderend onheil voor den staat, en berokkende der onachtzame priesteressen straf. Deze werden door den Pontifex Maximus gekozen onder de meisjes van zes- tot tienjarigen leeftijd uit de aanzienlijkste familiën, en bleven dertig jaren lang, onder verplichting van een streng kuische levenswijze, aan den dienst verbonden. Dan eerst konden zij, zoo zij het wenschten, tot het leven in de maatschappij terugkeeren en zelfs huwen.
Een ander heiligdom had Vesta in Lavinium, waar de Romeinsche Consuls na aanvaarding van hun ambt een plechtig offer moesten brengen. Het feest van Vesta werd op 9 Juni gevierd, en dan gingen de Romeinsche vrouwen barrevoets naar den tempel op en brachten er spijsoffers,
In het huiselijk leven vereerden de Romeinen Vesta niet minder dan de Grieken, maar zij verbonden aan de vereering van Vesta die der met haar innig verbonden Penaten,, der goede schutsgoden, die voor de dagelijksche benoodigdhe-den en levensmiddelen zorg droegen.
Overeenkomstig haar innerlijk karakter legde de kunst in het beeld dezer godin steeds de uitdrukking der strengste kuischheid. Zij is meestal in zittende houding of in rustigen stand en vol ernst in het gelaat. Het oude Rome kende een beroemd zittend beeld van Vesta, met twee kandelaars, van den grooten beeldhouwer Skopas van Paros, waarvan ons echter geen navolging of eenig ander spoor meer bekend is.
Hare hoofdzakelijke attributen zijn de offerschaal, de fakkel, het sim-pulum of de schep, bij de plengoffers gebezigd, en de scepter.
Zij kon om haar kuischheid en heiligheid slechts geheel gekleed worden voorgesteld: en in die moeilijkheid ligt misschien de oorzaak, dat men dit beeld zelden als werkstuk koos. De zoogenoemde Vesta van Giustiniani, die in de verzameling van Prins Torlonia in Rome Jis, heeft geenerlei at-tributen en wordt daardoor van twijfelachtige beteekenis. De godin is daar overigens in staande houding, heeft de rechterhand in de zijde en wijst vol beteekenis met den wijsvinger der linkerhand naar boven (fig. 25).
63
Tweede gedeelte.
Janus.
Een der voornaamste goden bij de Romeinen was de aan de Grieken geheel onbekende god Janus. Oorspronkelijk een licht- of zonnegod was hij het mannelijk evenbeeld van Diana (Jana) en had veel overeenkomst met Apollon, zoover deze als god van een natuurlijk element beschouwd werd. Maar langzamerhand werd hij in het algemeen de god van eiken oorsprong en van elk begin, en daardoor kreeg hij zeer groote beteekenis, zoowel voor het staats- als voor het familieleven der Romeinen. Zoo is Janus dan ten eerste de god van elk begin in tijd; hij opent de rij van de maanden des jaars met den naar hem genoemden en hem gewijden Januari. De Kalendae Januariae of de Nieuwjaarsdag was de hoofdfeestdag voor dezen god. Dan werden huizen en deuren met kransen en laurieren versierd, want de laurier heeft volgens het geloof der ouden een reinigende kracht, en is een voorbehoedmiddel tegen betoovering en booze ziekten. Vrienden en verwanten kwamen elkaar dan geluk wenschen en brachten elkaar geschenken, vooral lekkernijen, (b. v. dadels en vijgen in laurierbladen gewikkeld), tot aangename inleiding van het nieuwe jaar. De god zelf kreeg een koek als offer, met wijn en wierook, en aan zijn beeld werd een nieuwe lauriertak gehangen. Op eiken eersten dag der maanden werd dit offer herhaald, want Janus opende ook de maanden; een functie, waaraan hij den naam Junonius ontleende, want de kalendae waren Juno evenzeer als Janus heilig. Maar ook elke dag wordt door hem geopend : hij is de portier van den hemel, opent er \'s ochtends de poorten en sluit die \'s avonds.
Uit zulk een god van elk tijdbegin ontstond licht een beschermer en begunstiger van elke menschelijke onderneming. En daar de Romeinen zich met buitengewoon bijgeloof aan den aanvang van elke daad hechtten, en den uitslag van elke onderneming bijna onder onmiddeilijken invloed dachten van het begin, is liet begrijpelijk, dat zij het begin van elke belangrijke zaak onder de bescherming van Janus stelden. Tot de be langrijkste gebeurtenissen in het staatkundig leven nu behoort ten eerste het uittrekken der weerbare manschappen naar den oorlog. Aan Janus bracht dus de veldheer van den tocht het offer; en gedurende den geheelen krijg stond zijn tempel open
64
De goden van den Olympos. Janus.
om aan te duiden dat de god mee was uitgetrokken en het leger behoedde. De Consuls moesten bij het aanvaarden van hun ambt om zijn zegen op hunne handelingen smeeken, de Curiën hem aanroepen om zegen op hunne beraadslagingen ; en elk gewoon burger zocht door gebeden en geloften de gunst van Janus, overtuigd, dat op een gezegend begin een zegenrijk einde zou volgen. De landman bracht, eer hij begon te zaaien of als hij op het punt was den rijken oogst binnen te halen, een offer van koek en wijn aan Janus Con-sivius. De koopman, die zijn handelsreis begon, de zeeman, die het anker lichtte, allen riepen den god om zijn zegen aan, en als Agonius stond deze Janus aan het hoofd van de bedrijven en bezigheden der menschen. Bij alle gebeden en alle offeranden werd Janus, de god van elk begin, het eerst aangeroepen, zelfs nog vóór Jupiter; alsof de portier van den hemel aan de gebeden der menschen toegang moest verlee-nen tot de hooge goden.
Uit dat denkbeeld van oorsprong vloeit voort, dat Janus de schepper geacht wordt van bronnen, rivieren en stroomen op aarde, zoodat de bronnimfen zijn echtgenooten en Fontus en Tiberinus zijn zonen genoemd worden. De Sabijnen ondervonden eens tot hun groot ongerief, dat Janus bronnen uit de aarde kon slaan. Zij werden namelijk, toen zij na den maagdenroof den oorlog tegen Romulus en zijn volk begonnen waren en door een opene poort de stad binnendrongen, door een met geweld uit de aarde stijgende heete zwavelbron tot snellen aftocht genoopt.
Deze legende schildert den god tegelijk als bewaker dei-stadspoort, en bij uitbreiding van deze voorstelling was hij bewaker van alle toegangen. Straten en steden maakten een voorwerp zijner zorgen uit, als deurwachter en hoeder zijn hem de Penates en Lares nauw verwant. Vandaar, dat boven de deuren het beeld van den wakenden god was aangebracht met twee aangezichten, nl. het eene naar binnen, het andere naar buiten gekeerd.
Tempels had Janus niet in den gewonen zin des woords. Zijn heiligdommen waren juist de poorten op drukke plaatsen of kruiswegen opgericht, soms overwelfde doorgangen, waarin een beeld van hem was geplaatst. Het oudste heiligdom te zijner eer, dat met deuren werd afgesloten, was waarschijnlijk het reeds vermelde aan het Forum.
65
5
Tweede gedeelte.
Quirinus.
Ook Quirinus is een uitsluitend Romeinsche godheid, die meegerekend werd tot de hemelgoden van eersten rang en die groote overeenkomst heeft met Mars. Deze was de stamgod der Latijnen, Quirinus kwam onder Titus Tatius als de god der Sabijnen in Rome. Jupiter, Marsen Quirinus vormden sedert de drieëenheid van beschermgoden voor den Romein-schen staat. De Quirinalis, naar den god genoemd, wiens tempel er lag, was de plaats van vestiging der Sabijnen, en Numa droeg de zorg er voor aan een afzonderlijken priester op. De hem gewijde feestdag viel op 17 Februari. Maar langzamerhand overvleugelde de dienst van Mars dien van Quirinus, en toen werd Quirinus met Romulus vereenzelvigd.
66
De goden van den Ülyrapos. Eros.
3, Goden van minderen rang.
a. Ondergeschikte godheden.
Eros.
Onder de goden, die Aphrodite steeds vergezelden, schijnt Eros alleen inderdaad goddelijke eer te hebben genoten. Pothos, Himeros en Hymenaeos schijnen slechts zinnebeeldige figuren te zijn geweest, waaronder eenige van de werkingen, die de godin der liefde uitoefende, werden voorgesteld. Hij gold in den regel als zoon van Aphrodite en Ares, en men stelde hem voor als een knaap aan de grens van den jongelingsleeftijd van betooverende schoonheid. Onafscheidelijk van hem is de gouden boog, waarmee hij uit zijn stillen schuilhoek zijn nooit missende pijlen afschiet, die de verterende maar tegelijk zoete smarten van liefdewonden veroorzaken. Zeus zelfs is tegen de werking dier pijlen niet bestand; met andere woorden: de liefde is machtiger dan eenige natuurkracht, zij heeft onvermijdelijken en albeheerschenden invloed.
Daar liefde steeds wederliefde eischt, schiep de verbeeldingskracht der dichters een broeder en metgezel voor Eros in Anteros, die dus ook een zoon van Aphrodite moest zijn. Daar de kleine Eros, zoo gaat de mythe, niet groeien kon, gaf hem zijne moeder op raad van Themis dezen broeder tot speelgenoot, en toen groeide en bloeide de knaap en was altijd vroolijk in diens bijzijn, maar treurig in zijns broeders afwezigheid.
Eros werd niet slechts als de god gevierd, die de liefde tusschen de beide seksen doet ontbranden, hij stichtte ook vriendschap en liefde tusschen jongelingen of tusschen mannen. Daarom werd zijn beeld ook in de gymnasia of oefenscholen gevonden tusschen die van Hermes en Herkules, en daarom brachten de Spartanen hem offers vóór den slag, daarmee te kennen gevende, dat zij in de uren van gevaar op de trouw en gehechtheid van hunne landgenooten als op een bolwerk staat maakten.
Bij de Romeinen droeg de zoon van Venus den naam van Amor of Cupido, maar verschilde in karakter geenszins van den Griekschen Eros, behoudens dat hij geen openbare vereering genoot
67
68 Tweede gedeelte.
De beteekenisvolle fabel van de liefde van Amor tot Ps3\'che( de ziel, werd, hoewel zij van betrekkelijk laten tijd is, door de kunst dikwijls uitgewerkt. Deze fabel verhaalt namelijk hoe de schoonste van drie koningsdochters Amor minde, dien zij nooit aanschouwd had, en zij door hem werd bemind, totdat zij zich liet verleiden om hem van aangezicht tot aangezicht te zien. Toen bleef Amor weg en liet haar n\'.et hare smart alleen, totdat zij gelouterd was en onsterfelijk werd.
De kunstenaars volgden de dichters na wat betreft den leeftijd, waarin zij Eros voorstelden. Een der beroemdste kunstwerken uit de geheele oudheid was de Eros van Praxiteles, die door Nero naar Rome werd overgebracht, maar bij een brand onder Titus verloren ging. In lateren tijd koos men een kinderlijker voorkomen voor den liefdegod, omdat de kindergestalte meer overeenkwam met de slimme streken, die de dichters van
Eros in omloop brachten. Er zijn uit de oudheid betrekkelijk vele groote en kleine standbeelden van Eros bewaard gebleven. Tot de belangrijkste rekent men den Torso, (gebroken beeld) (tig. 27), in de standbeelden-galerij van het Vatikaan. den zoogenaamden boogspannenden Eros van het museum op het Capitool te Rome (lig. 28) en de beroemde groep van het museum op het Capitool, die de omhelzing en den kus %\'an Amor aan Psyche voorstelt. Van de in de tweede plaats genoemde zijn andere.
. ...
De goden van den Olympos. Eros. gg
w.
srE-s, t ïssr-»
neep astiek der oudheid is Amor gewoonlijk van vleugels voor-
Fis
Mnemosyne in het Vatikaan.
der drbloemen kJhPijI fquot; boog™ dikwiJ1s de brandende fakkel On-rozenbekranTt Somsls tokHvm dikwii^ -t
Venus, om de huwelijksvreugde voó^Te5 slelfe^ H ^-?\'\' \'quot;J
vleugels^ en^a\'ltijd Te ^
Tweede gedeelte.
7°
Muzen.
Pindarus verhaalt ons, dat de Muzen haren oorsprong daaraan te danken hebben, dat de goden na de onderwerping
der Titanen Zeus smeekten, om nieuwe wezens te scheppen, die de herinnering aan zoo groote daden als de goden verricht hadden door de kunst van het lied zouden kunnen ver-
De goden van den Olympos. Muzen.
eeuwigen. En ter voldoening aan die bede schonk Zeus aan Mnemosyne (fig. 29), de herinnering, het moederschap over negen Muzen, die het tegenwoordige, het verledene en het toekomstige in liederen wisten te brengen en door haar bevallig gezang, begeleid door Apollons snarenspel, de harten der hemelingen moesten streelen, als deze in het hooge paleis van Zeus vergaderd waren.
De beteekenis der Muzen als natuurkrachten of elementen is zeker die, dat zij oorspronkelijk bronnimfen waren. De dienst der Muzen is in het Thessalische landschap Pierië, aan de Oostelijke helling van den Olympos, inheemsch. Talrijke beekjes stroomen daar van de steile rotshoogten neer, en het geruisch en geritsel der naar het dal vlietende wateren smelt er tot een harmonisch geluid samen. De waarneming dezer natuurlijke muziek leidde van zelf tot het geloof, dat de bronnimfen tevens godinnen van de zangkunst waren. Eerst in later tijd noemde men den Boeotischen Helikon of ook den Parnassos als haren zetel, omdat de heilige Kastalische bron aan den voet van dezen berg welde. Oorspronkelijk zijn de Muzen slechts zingende godheden ; maar nu en dan, vooral op vazen, zijn ook Muzen geschilderd, die een muziekinstrument bespelen. Ook treden zij in den ouderen tijd slechts in koor op, en de bijzondere functies, die men haar als beschermsters van den een of anderen tak van kunst of wetenschap heeft toegewezen, zijn uitvindingen van lateren tijd. Zoo werd Klio de muze der geschiedenis, Melpomene van het treurspel, Terpsichore van de danskunst, Polyhymnia van het godsdienstig lied, Thalia van het blijspel, Urania van de slerrekunde, Euterpe van lyrische poëzie, Erato van erotische poëzie, gebarenkunst en rekenkunde en Kalliope van de epische poëzie en de wetenschap in het algemeen.
Waarschijnlijk dagteekent de indeeling der Muzen naar de wetenschappen uit den Alexandrijnschen tijd, en in overeenstemming met de toegekende functitn waren de attributen. Kalliope had een rol of een blad en een stilus of schrijfstift, Klio evenzoo een rol en een griffel, dikwerf ook een kist met boeken, Euterpe een tweepijpige fluit, welpomene het heldenmasker, een knuppel of zwaard en een krans van mijnranken, I erpsichore lier en citerpen, Erato een groot snaren-instrument, Thalia het blijspelmasker, den klimopkrans en een krommen staf, Urania de hemelglobe in de eene en een stokje in de andere hand, terwijl Polyhymnia slechts kenbaar is aan haar ernstig denkend gelaat en hare meer gesloten kleeding. — Verscheidene museën in Europa zijn in het
71
De Romeinen vereerden vele zingende en voorspellende bronnimfen en noemden die Camenae, waartoe de nimfEge-ria, die in de dagen van Numa zeer veel tot vestiging van de Romeinsche toestanden bijdroeg, behoorde. Zij werden door de Romeinsche dichters met de Muzen vereenzelvigd.
72 Tweede gedeelte.
De goden van den Olympos. De Chariten.
De Chariten of Gratiën
De Chariten komen gewoonlijk in het gevolg van Aphrodite voor; zij moeten haar kleeden en opsmukken, maar dikwijls ook begeleiden zij andere goden ; want al het schoone en aantrekkelijke, zoowel van stoffelijken als van geestelijken aard, gaat van haar uit, of wordt aan haar invloed toegeschreven. Zij heeten Aglaia, Euphrosyne en Thalia, en worden de dochters genoemd van Zeus en de Okeanide Eurynome, of door latere dichters van Dionysos en Aphrodite. Zonder haar is het menschelijk leven eentonig en zelfs de zalige goden gingen niet zonder de Chariten aan een feestmaal; ja, waar de menschen ooit om genoegen of om feest te vieren bijeenkwamen, riepen zij eerst de Chariten aan en plengden haar den eersten beker. Muziek, welsprekendheid, fraaie kunsten in het algemeen en dichtkunst in het bijzonder kregen van de Chariten hoogere wijding. Pindarus noemt zijn liederen een geschenk van haar. Bovendien geven zij ook dapperheid, wijsheid, milddadigheid, dankbaarheid, kortom alle deugden, die den mensch tot sieraad strekken en aangenaam maken in de oogen zijner medemenschen. Bij de Romeinen hadden deze goddelijke wezens den naam van Gratiën.
De kunst stelde de Chariten of Gratiën als slanke, bloeiende maagden voor met vroolijk, onschuldig gelaat. Dikwijls hebben zij bloemen, vooral rozen of myrten in de hand. Maar dikwijls kent men haar daaraan, dat zij elkaar de hand geven of de armen om elkaar slingeren, en dan hebben zij geenerlei attribuut. De oudste kunst had slechts gekleede Chariten, gaandeweg verminderde men de bekleeding, en onder Skopas en Praxiteles, toen het naakt in zwang kwam, liet men die geheel weg. Men heeft uit de oudheid geen gave groepen behouden. De moderne beeldhouwers leverden echter van de Chariten stukken van hooge kunstwaarde, zooals Raffael naar een zeer geschonden groep in Siena, of Canova, wiens Gratiën in Petersburg zijn. lien oud reliëf is ook in het Vatikaan van de Gratiën, die elkaar bij de hand vasthouden.
Themis en de Horen.
De Horen zijn verwant met de Chariten en dochters van Zeus en Themis. Ook zij komen gewoonlijk in een drietal voor : Eunomia, Dike en Eirene, en vertegenwoordigen den regelmatigen loop der natuur en de afwisseling der jaargetijden. Hare moeder moec dus wel Themis zijn, de idee van
73
Tweede gedeelte.
de wet der eeuwige wereldorde, de dochter van Uranos en Gaea, die tot de hoogste goden behoort. En Themis, die vervolgens elke wettige orde vertegenwoordigt onder goden en menschen, roept op last van Zeus de hemelbewoners tot de vergade-
ringen op, zooals zij ook de volksvergaderingen beheerscht en de gastvrijheid beschermt.
Evenals Themis hebben ook hare dochters, de Horen, een ondergeschikte plaats. Bij Homerus zijn zij de dienaressen van Zeus, die de hemelpoorten bewaken, en met wolken afsluiten of deze weer weg schuiven. Zij komen ook als
74
De goden van den Olympos. Nike.
dienaressen en gezellinnen van andere godheden voor, bijv. van Hera, Aphrodite, Apollon en de Muzen. Zij bewaken evenals hare moeder elke wettige orde in de menschelijke maatschappij, onder hare hoede gedijt al wat edel, goed en schoon is.
Over den eeredienst der Horen bij de Grieken weten wij weinig. De Atheners vierden te harer eer het feest der Horen, maar kenden er slechts twee; nl: Thallo, den bloei, en Karpo, de rijpheid. Sedert 375 vóór C. erkenden zij ook Eirene, den vrede, ter viering van de overwinning op de Spartanen bij Leukas. Eerst in betrekkelijk lateren tijd nam men vier Horen aan in overeenstemming met het getal der jaargetijden.
Themis kreeg van de kunstenaars steeds de weegschaal in de rechter-, en een palmtak in de linkerhand. De Horen zijn meest bekoorlijke meisjes, hoog opgeschort en dansend, met bloemen, vruchten en kransen getooid. Later gaf men haar attributen, die aan de jaargetijden doen denken, zooals op een reliëf in het Museum Campana (fig. 32.). Eireue met den Plutos (rijkdom) op den arm (tig. 33) is, naar het oorspronkelijke van Kephisodotos, een prachtig marmeren beeld en een der schoonste stukken van de antieken te Munchen.
Nike (Victoria).
Nike (overwinning) is de personificatie van de onweerstaanbare, zegevierende macht, die de hoogste hemelvorst door zijn bliksems uitoefent. Maar zij bevindt zich ook bij Pallas Athena, die de Atheners zelve als godin van de zege eerden. Zij schijnt in Griekenland niet veel afzonderlijke tempels of feesten gehad te hebben, daar zij veelal slechts in het gevolg der haar bevelende godheden voorkomt. Daarentegen was de vereering van Victoria bij de krijgszuchtige Romeinen veel algemeener. Zegevierende veldheeren lieten op het Capitool beelden van deze godin ter herinnering aan hunne daden plaatsen. Van dien aard was het prachtigste het beeld, dat Augustus na den slag bij Actium liet opstellen. De 12 April was een feestdag voor deze godin.
De Victoria is in dei) regel van vleugels voorzien; palmtak en lauwerkrans, de bekende onderscheidingsteekenen voor betoonden moed, zijn hare attributen. Groole beelden van deze godin zijn zeer zeldzaam; maar in 1875 \'s te Olympia de Nike weer opgegraven, die de Messeniörs hebben laten opstellen ter herinnering aan hunne overwin-
75
76
ning oj) de Spartanen in Sphakteria ten jare 425 vóór Chr. Het is te betreuren, dat dit oorspronkelijk (irieksche werk zeer geleden heeft; de groote uitgespreide vleugels zijn bijna verloren gegaan, de armen zijn
zich op aarde wil neerlaten; met den rechtervoet raakt zij het als basis gevormde stuk rots even aan, het linker, bijna geheel bloote, been is nog vrij. De opvatting der geheele figuur is zoo breed en forsch mogelijk, (fig- 34)- In het museum te Cassel is een schoon stuk in brons, en in de vereenigde Koninklijke Musccn in Munchen een schoon hoog-reliëf in terracotta (fig. 35).
Tweede gedeelte.
Iris.
De regenboog, die als het ware hemel en aarde met een brug verbindt, werd gemakkelijk als de vlugge bode der goden voorgesteld. Reeds Homerus kent Iris als zulk een bode; de lateren stellen haar meer bepaald in dienst van Juno. Zij is zoo buitengewoon vlug, zegt Homerus, dat zij als hagel of als sneeuw, die uit de wolken vliegt, van het eene einde der wereld naar het andere ijlt; ja, tot op den bodem der zee of in de diepte van de onderwereld neerdaalt om de bevelen der goden over te brengen of eenigen anderen last uit te voeren.
De Iris werd evenals de Nike steeds van vleugels voorzien, en is overigens van deze slechts door den herautenstaf (caducëus) duidelijk te onderscheiden. In het Britsch Museum te Londen is een zeer beschadigd Iris-beeld van het oostelijke gevelvlak van het Parthenon te Athene.
Hebe.
Hebe is de dochter van Zeus en Hera en een beeld van de natuur in haren bloeitijd. Maar buiten deze wijsgeerige beteekenis heet zij de nektarschenkster der Olympische goden bij feestelijke maaltijden. Dat karakter komt overeen met de zeden der Grieken uit den patriarchalen tijd, toen zelfs op koningsdochters, zoolang ze jong en ongehuwd waren, de taak rustte, om de mannelijke huisgenooten en gasten te bedienen. Do liederen en sagen uit den tijd na Homerus spreken niet meer van Hebe als schenkster der goden. Zij heeft haar dienst overgedragen aan Ganymedes, den Tro-jaanschen prins, die naar den hemel was opgeroepen, en trad toen in het huwelijk met Hercules, die onder de goden was opgenomen. Zij komt dan ook meestal met Hercules vereenigd voor en werd ook met hem samen vereerd.
De Juventas(-tus) der Romeinen komt in den grond met de Hebe der Grieken overeen ; maar de Romeinen brachten die, gelijk zoovele andere godheden, in verband met hun staatswezen en vereerden in haar de eeuwige, onverwelkbare kracht van den staat. Een afzonderlijke kapel had zij in den tempel van Jupiter op het Capitool en sedert 291 ook een afzonderlijken tempel.
Portretten van deze godin schijnen in de oudheid zeer zeldzaam te
7»
m g?P m \'
- ......
:
; : -1
De goden van den Olympos. Ganyraedes.
zijn geweest; van al de gevonden beelden kan men er geen met zekerheid voor dat van Hebe houden; maar des te meer stelde de kunst op sier-vazen en in reliüfs het huwelijksfeest van llebe en Herkules voor. Zij ziet gewoonlijk uit als een bevallig kuisch meisje, nektar schenkende uit een kan, zooals ook het motief is in Canova\'s beroemd werk.
Ganymedes.
De zoon van Tros, den koning van Troje, werd door den adelaar van Zeus opgenomen en op den Olympos gebracht. Zoo verhaalt Apollodorus ; en bij Ovidius is het Zeus zelf, die zich in een adelaar veranderd heeft, om zijn lieveling naar den hemel te voeren. Maar de andere dichters spraken over Ganymedes slechts als den schenker der goden.
De roof van Ganymedes was een geliefkoosd onderwerp voor de oude kunstenaars. Het beroemdst is de groep van Leochares in brons, uit de vierde eeuw, nagevolgd in de beroemde statue van Ganymedes op het Vati-kaan (fig. 36). Uit het gelaat van den schoonen knaap spreekt de onderwerping, en bij het bewustzijn, dat de adelaar, de vogel van Zeus, hem opneemt, de voorsmaak van de zaligheid der goden. De hond, die jankend tot hem opziet, moet de voorstelling van het zweven voor den beschouwer verduidelijken, de herdersfluit op den grond duidt zijn bezigheid op aarde aan. — Vermeldingswaardig is ook de sprekende groep in het museum te Napels, waar Ganymedes met de rechterhand op den adelaar rust en vertrouwelijk met hem praat, evenals de raannertorso in de zaal der Niobiden te Berlijn, misschien van gelijk motief. Ook de moderne kunst vond smaak in de fabel van Ganymedes, getuige de liefelijke groep van Thorwaldsen: Ganymedes, die den adelaar uit een schaal te drinken geeft.
b. Hemellichamen.
Helios {Sol).
De god van de zon is een der weinige godheden, die hunne beteekenis als natuurgod onveranderd hebben behouden. De vereering van Helios is zeker van Azic naar Griekenland gekomen, maar zij bieef tot weinige plaatsen beperkt, waartoe vooral Rhodus behoorde. Daar vierde men ter eere van de Zon jaarlijks een groot en prachtig feest met gymnastische en muzikale spelen. De dichters schilderen den Zonnegod af als een schoon jonkman met schitterende oogen,
79
Tweede gedeelte.
met glanzige haarlokken en een gouden helm op het hoofd. Goden en menschen het daglicht te brengen is zijn dagelijksch werk en bij de Aethiopiërs in het Oosten verrijst hij eiken ochtend uit de zee, om langs het hemelgewelf zijn loop te volbrengen, rijdende op den met vier vurige paarden bespannen zonnewagen. Hoe de Zon echter telkens van het punt van aankomst in het Westen weer aan het uitgangspunt in het Oosten komt, melden de dichters niet. In het verre Westen of, volgens anderen, in het Oosten heeft de Zon een schitterend paleis
... op pijlen .schoon in het pralen,
Met louter goud, robijn en levendige stralen,
Het dak is wit ivoor, de valdeur flonkert schoon
Op zilvre drempels. Hier staat kunst bij kunst ten toon
Xog rijker dan de stof. ....
Op Thrinakia had hij de beroemde tuinen, die de Hesperi-den bewaakten ; en op dat eiland had hij ook zeven kudden van runderen en zeven van voortreffelijke schapen, en in elke kudde vijftig stuks, wier getal onveranderlijk bleef: een allegorie van de driehonderdvijftig dagen en nachten des ouden maan-jaars. Als vader van Helios wordt Hyperion genoemd, als moeder Theia, beide kinderen van Titanen, en daarom heet hij zelf ook wei een Titan. Bij zijn gemalin Perse, de verderfelijke, een dochter van Okeanos, had hij Aeëtes tot zoon, die in de sage der Argonauten bekend is als de Koning van Kolchis; een dochter van hem is de toovergodin Circe. Even bekend is zijn zoon bij Klymene, Phaëthon, wien tot verderf van hemzelf en van de wereld de vader voor één dag den zonnewagen ter leen gaf. Helios ziet en hoort alles; misdaden, in het verborgen bedreven, bracht hij aan den dag, bij eeden en plechtige bezweringen riep men hem als getuige aan. Runderen, schapen, bokken en vooral witte paarden werden hem geofferd.
De Sol der Romeinen, oorspronkelijk een Sabijnsche god, viel geheel met Helios samen ; later ook met Apollo. Hij was de beschermheer van de renbaan, maar bijzondere vereering genoot hij niet.
De kunst maakte van Sol een schoonen jongeling met een krans om het hoofd, die zooveel zonnestralen schoot als er maanden in het jaar zijn. Mij staat op een vierspan en zijn mantel fladdert om de schouders.
So
De goden van den Olympos. Eos,
Vooral op Rhodos was de Zonnegod dikwijls het voorwern van studie, en sedert 291 v. C. trof de Kolossus van Rhodos, een standbeeld in zuil-vorm, eiken beschouwer. Chares van Lindos, een leerling van Lysippos, wordt als de vervaardiger genoemd van dit 70 Grieksche ellen hooge stuk, dat tot de zeven wonderen der wereld gerekend werd, maar ongelukkig genoeg reeds na 66 jaren bij een aardbeving te gronde is gegaan. In de oudheid vertelde men, dat de schepen aan het begin van de haven tusschen de beenen van het beeld konden doorvaren.
Selene (Lima).
Zooals Artemis en Apollon tweelingen zijn, zijn het ook Helios en Selene. Maar Selene, de maangodin, genoot bij de Grieken misschien nooit godsdienstige vereering. De dichters kennen haar witte armen toe, schoone lokken, en een diadeem van stralen op het hoofd. Des avonds stijgt zij uit den heiligen stroom Okeanos op, en rijdt op een met twee witte paarden bespannen wagen langs het hemelgewelf. Zij is teeder en schuchter, en koestert heimelijk liefde voor schoone jongelingen, die zij in den slaap kust. Zoo minde Selene den schoo-nen prins Endymion in Elis, dompelde hem voor eeuwig in slaap en legde hem in een grot van den berg Latmos ter ruste, waar zij zich eiken nacht in zijn schoon gelaat vermeit. Dit onderwerp was een geliefkoosde stof voor de dichters.
In lateren tijd werd zij veelal met Artemis, Hekate en Persephone verwisseld, en bij de Romeinen met Luna. Voor deze was een tempel op den Aventinus, misschien door Ser-vius Tullius gewijd, en de Circensische spelen stonden onder hare bescherming, evenals onder die van Sol.
Selene of Luna draagt een halve maan op het voorhoofd, een sluier over het achterhoofd en een fakkel in de hand. Een slapende Endymion is dikwijls uitgewerkt op sarcofagen en grafsteenen. (Zie Artemis). Zulk een marmeren beeld uit den Romeinschen keizertijd is in Stockholm; een goed reliëf ook in het keizerlijk vertrek op het Capitool te Rome.
Eos [Aurora).
Eos is evenzeer een dochter van Hyperion en Theia, en dus een zuster van Selene en Helios. Zij was eerst gehuwd met den Titan Astraeos, en uit dat huwelijk werden de winden Boreas, de Noorden-, Zephyros de Westen-, Euros, de Oos-ten- en Notos, de Zuidenwind geboren. Men leest in deze inkleeding natuurlijk het verschijnsel, dat met het opkomen van
6
Si
Tweede gedeelte.
den dag zich de wind verheft. Toen Astraeos om zijn deelneming aan den opstand der Titanen tegen de regeering van Zeus in den Tartaros was neergeploft, sloeg Eos het oog op den schoonen jager Orion. Maar de goden gaven geen toestemming tot die verbintenis, en doodden Orion door de pijlen van Artemis. Daarom koos zij zich Tithonos, een Tro-jaanschen prins, en verkreeg voor hem van Zeus de gave der onsterfelijkheid ; maar daar Eos vergeten had om tegelijkertijd ook blijvende kracht en onvergankelijkheid te vragen, kromp haar jonge man op het laatst tot een klein oud mannetje ineen, dat aan de godin geen behagen kon inboezemen. Een zoon van dit paar was Memnon, de bekende vorst der Aethio-piërs, die door de hand van Achilles sneuvelde, toen hij den Trojanen te hulp kwam. En over den dood van dien zoon weent Eos eeuwig, en telken dage vallen hare tranen als dauwdruppelen op aarde.
De dichters stellen Eos voor als een prachtige godin met schoone lokken en rooskleurige armen en vingers, zooals de levenwekkende ochtendstond zich over de aarde voordoet. Vroolijk en krachtig rijst zij zeer vroeg in den ochtend van haar legerstede, en in den safraangelen mantel gekleed, spant zij haar paarden Lampos en Phaëthon (glans en schit tering) in, om, voordat de Zonnegod op zijn vurigen wagen komt, diens weg met rozen te bestrooien en de komst van den dag aan te kondigen.
Dezelfde denkbeelden en fabelen nu verhaalden de Romeinen van Aurora. Maar behalve deze is nog de Mater Ma tut a als godin van den dageraad met haar te vergelijken, welke de Romeinsche vrouwen in tijd van nood aanriepen. Ook als godin van de zee en der havens werd zij vereerd, zooals de Grieksche Leukothea.
Op vazen of gesneden steènen vindt men dikwijls voorstellingen van deze godin. Zij stuurt een vierspan of spant de paarden van den zonnegod aan, zweeft op vleugels door de lucht of stort dauw op de aarde. Op de groote fries uit Pergamos, die den reuzenstrijd voorstelt, staat zij boven op het paard om voor den jeugdigen Helios uit te rijden.
De sterren.
Voor de mythologie zijn slechts enkele sterren van betee-kenis Ten eerste de ochtend- en avondster, Phosphoros en
82
De goden van den Olympos. De Winden.
Hesperos, die in vroegere eeuwen voor twee geheel verschillende wezens werden gehouden, en als schoone knapen met fakkels in de handen werden voorgesteld. Verder Orion, de gemaal van Eos, dien wij reeds hebben vermeld, en die, na door de pijlen van Artemis getroffen te zijn, aan den hemel werd geplaatst. De hond van den jager Orion is Sirios, die opgaat in den heetsten tijd van het jaar en dien men door een oifer bevredigde. Ook van andere sterrebeelden kende men allerlei mythen, bijv. van de Hyaden. die opkomen tegen den tijd, dat storm en regen de zee beroeren, en de schipper naar veilige haven keert. Zij werden door de goden naar de sterren over gebracht uit medelijden, omdat zij zich niet konden troosten over den dood van hun broeder Hyas, die door een leeuw op de jacht was gedood. De Pleiaden of sterren van de scheepvaart zijn met haar verwant; want als zij zich in Mei vertoonen, begint het gunstige getij voor de vaart. Zij zijn zeven in getal — het zevengesternte — en werden door de goden naar den hemel verplaatst. Ten slotte dient Arktos, de berin genoemd te worden, waarvan de sage meldt, dat zij de Arkadische nimf Kallisto was geweest, die Arkas had voortgebracht, en door Zeus aan den sterrenhemel werd gebracht, om haar aan de vervolgingen van Artemis te onttrekken, aan wie zij de gelofte van eeuwige kuischheid had afgelegd.
De Winden.
De vier hoofdwinden waren zonen van Eos en Astraeos, en werden, als men een zeereis ging ondernemen, met gebeden en offers vereerd, om hunne gunst te winnen. Zij bleven echter steeds hunne zuivere beteekenis als natuurverschijnsels behouden, en hadden daardoor geen beteekenis in de mythologie. Vooral vreesde men den ruwen noordenwind Boreas (Aquilo), dien men wegens zijn stormachtige aanvallen als een verme-telen meisjesroover voorstelde. Hij zou zoo ook Oreithyia, de dochter van Erechtheus, toen zij aan de oevers van den llis-sos in Attika speelde, hebben ontvoerd. En zij brachten de Boreaden Kalaïs en Zetes voort, die in de Argonautensage bekend zijn. Boreas stond bij de Atheners in zeer groote gunst; zij richtten voor hem een kapel en een altaar op, omdat hij in hunnen oorlog tegen de Perzen de vloot van Xerxes bij het voorgebergte Sepias had verstrooid.
83
Tweede gedeelte
Zephyros is daarentegen de liefelijke bode der lente, en was daarom gehuwd met Chloris, eene der Horen. De Romeinen noemden hem Favonius (favere =: begunstigen), omdat hij een zegenrijken invloed uitoefen t op de plantenwereld.
De woonplaats der besproken winden dacht men zich even als van Notos en Euros, óf gescheiden óf vereenigd, in den berg der winden op het fabelachtige eiland Aeolia gelegen, dat met koperen muren en steile rotsen omgeven was, en waar zij onder het bevel stonden van hun koningAeolos. De dichters geven echter -omtrent dezen Aeolos en zijn woning de meest verschillende verhalen.
Karakteristiek zijn de reliëfs van de vier hoofd- en de vier bijwinden aan den zoogenaamden Toren der winden te Athene. Het gebouw zelf is achthoekig en nit de laatste periode der Grieksche bouwkunst met twee kleine, ieder op twee zuilen gedragen, open ruimten en een halfronden uitbouw, aan welks gevel de beelden der acht winden in reliëf zijn gebracht.
c. Goden van de geboorte en de geneeskunst.
Asklepios (Aesculapius).
De behoefte aan goden, die de geboorte onder hunne hoede namen en de genezing bevorderden, deed zich eerst laat gevoelen. Homerus maakt nog geen melding van Asklepios, en de dienst van dezen god, dien men een zoon van Apollon noemde, schijnt zich van Epidauros, waar zich het beroemdste heiligdom van hem bevond over de oude wereld te hebben verspreid. Hier hadden de priesters een inrichting voor zieken gemaakt, die een grooten naam verworven had. Een der gebruikelijkste geneeswijzen was, dat men de zieken in den tempel te slapen legde, nadat zij veel gebeden en geofferd hadden; dan verscheen hun de god in den droom en openbaarde hun het juiste geneesmiddel. Deze geneeswijze is bekend onder den naam van incubatio.
Toen in 291 vóór C. een zware pest stad en land teisterde, en de Sibyllijnsche boeken dien weg tot redding aanwezen, haalde een gezantschap Aesculapius van Epidauros, en werd de dienst van den god te Rome ingevoerd. De heilige slang volgde de gezanten vrijwillig, en koos het eiland in den Tiber tot woonplaats. Daar bouwde men den tempel voor Aesculapius en richtte men voor hern in 13 vóór C. een verguld standbeeld op De genoemde incubatio werd ook te Rome toegepast,.
84
De goden van den Olympos. Asklepios.
85
In de kunst werd Aesculapius gewoonlijk als een gebaard man van rijpen leeftijd voorgesteld, met zeer edele gelaatstrekken, niet ongelijk aan die van Zeus, die van welwillendheid en hu Ipva ardigheid getuigen. Steeds vergezelt hem de slang, het symbool van steeds vernieuwde levenskracht, die óf door hem gevoed en gestreeld wordt, of zich om zijn staf kronkelt
Tweede gedeelte.
(fig, 37). In dien geest is een beeld van hem te Berlijn. Als andere attribu ten worden hem toegevoegd een schaal met drank, een bosje kruiden
of een pijnappel: eindelijk vindt men ook wel een hond bij hem, als zinnebeeld van de waakzaamheid, die den arts eigen is.
Er zijn nog vrij veel beelden van Aesculapius overgebleven. Op Melos heeft men een buitengewoon grooten schoonen kop gevonden, die naar het Britsch Museum te Londen is overgebracht; een zeer schoon beeld zonder kop werd in Athene nabij den tempel van Zeus gevonden (fig. 38). Beroemde standbeelden zijn verder nog te Florence Parijs, Napels, en te Rome een portret van hem zonder baard.
Het groote uit gouden ivoor gevormde beeld van den cod uit den tempel in Epidauros is spoorloos verdwenen. Uit den archaïstischen tijd bestaat nog een reliëf, waarop Asklepios en Mygieia op stoelen zittend een haan ontvangen uit handen van offeraars. De tempels van Asklepios en Mygieia inzonderheid waren rijk aan wijgeschenken, en een men\'gte daarvan zijn bij de opgravingen ten Zuidwesten van de Akropolis te Athene gevonden, waar eens het heiligdom van Asklepios is geweest.
Als godin van de geboorte vereerden de Grieken Eilei-thyia, welke naam oorspronkelijk slechts een bijnaam van Hera was als beschermgodin der barenden; als beschermgodin der gezondheid Hygieia, dochter van Aesculapius.
De Romeinen hadden geen behoefte aan een afzonderlijke godin voor de geboorte, maar zij vereerden een wezen, dat met Hygieia gelijke beteekenis had, nl. Strenia of Salus, en de kraamkamer stond onder de hoede van Carna of Cardea, van wie men geloofde, dat zij de booze Strigae afweerde, die \'s nachts de zuigelingen het bloed komen aftrekken. In het algemeen werd Carna ook als beschermster van lichamelijke welvaart beschouwd.
Een andere dergelijke godin was Anna Perenna, die haren vereerders lang leven en voortdurende gezondheid schonk, en voor wie op de Idus van Maart, vooral door de Plebs, feest werd gevierd. De algemeene welvaart of Salus Publica kreeg in 311 vóór Chr. een tempel op den Quirinalis en in later
86
De goden van den Olympos. Nemesis, Tyche.
dagen had zij evenals Apollo en Aesculapius gouden standbeelden in Rome.
d\'. Godheden van voorbeschikking.
Moiren (Pareen).
Moira duidt het deel aan van levensjaren en lotgevallen, dat aan elk individu van de geboorte af is toegewezen. Ieder individu heeft dus zijn eigen moira. Het was weer een heilig drietal, waartoe de Grieken, hoewel bij Homerus daarvan nog geen sprake is, de gezamenlijke bedeelingen aller stervelingen brachten: Klotho, de spinster, Lachesis, de lotsbeschikking, Atropos, de onafwendbare. Die duistere onnaspeurlijke machten van het noodlot waren dochters van den nacht.
De Romeinen voegden eerst onder den invloed der Grieken eene Paree toe aan de twee, die bij hen oorspronkelijk werden vereerd. Het onveranderlijke noodlot bij hen heet: fatum.
De kunst week af van het aigemeene denkbeeld, dat het grijze, strenge vrouwen waren, maar zij stelde haar steeds in den bloei der jaren voor. Aanvankelijk hadden zij gelijke attributen. De voorstelling, dat Klotho den levensdraad spint, Lachesis dien vasthoudt en Atropos dien afknipt, is van lateren datum en in de kunst niet algemeen gangbaar geworden. Daarentegen gaf zij Klotho een spinnewiel, aan Lachesis een rol perkament, aan Atropos een weegschaal, of ook een klok, waarop z\\] het stervensuur aanwijst. Een antiek reliëf in marmer van Romeinschen oorsprong, op een slot bij Berlijn bewaard, geeft de drie Farcen te zien, waarbij Klotho aon het spinnen is, Lachesis een lot trekt en Atropos op een open rol wijst.
Nemesis, Tyehc (Fortund), Agathodaemon (Bonus Evcnlns).
De beteekenis van Nemesis is eigenlijk het toedeelen van het behoorlijke deel en in verband daarmee het gevoel van ontevredenheid over het onbehoorlijke. Hare vereering is uit den tijd na Homerus; want bij dezen is er van-Nemesis als godin nog geen sprake. Zij is de godin der gelijkheid en billijkheid, waakt over het evenwicht in de zedelijke wereld en draagt zorg, dat geluk en ongeluk den mensch naar behooren toekomen. Daaruit vloeide later het denkbeeld van wraak voort en werd zij het, die overtredingen en misdaden strafte en dus zeer verwant werd aan de Furiën.
In Rome had zij een tempel op het Capitool, hoewel zij in het volksgeloof der Romeinen nooit wortel schoot.
Tweede gedeelte.
De verschillende opvattingen van Nemesis zijn ook in de kunstproducten voorhanden. De goede en welwillende godin van billijkheid in alles werd voorgesteld als een ernstige, nadenkende maagd met de attributen van maat en bestuur, nl. el, toom, scheepsroer. Als de wreekster van de slechte daden der menschen heeft zij vleugels, staat zij op een wagen, door grijpvogels getrokken, en heeft zij een geesel of een zwaard in de hand. Een antiek geschonden marmeren beeld van haar is in het Vaticaan.
Tyche, het goede geluk, is naar men gewoonlijk aanneemt een dochter van Okeanos en Tethys, en had in tal van Asia-tische en Grieksche steden tempels en beelden, omdat men haar hield voor de godin, die de steden beschermde en staande hield. Gaandeweg ontwikkelde zich het denkbeeld, dat zij ook ongeluk aanbracht, en zoo kreeg zij overeenkomst met de Fortuna der Romeinen, waarin men de bron zag van alle dingen, die onverwachts den mensch overkomen. Servius Tullius, de voorlaatste koning van Rome, zou haar dienst hebben ingevoerd: hij was dan ook, zoo iemand, wel een gunsteling van het geluk. Hij bouwde voor haar onder den naam van Fors Fortuna een tempel, en stelde den 24 Juni als feestdag voor haar in. Later breidde haar dienst zich ver uit, en als godin van den geheelen slaat (Fortuna populi Romani) en als beschermster van talrijke bijzondere belangen (Fortuna privata;, en kreeg Fortuna, al naar de functiën, die men haar toeschreef, tal van bijnamen Onder de groote menigte tempels en kapellen waren het beroemdst die te Antium en die te Praeneste.
Het belangrijkste attribuut, dat de kunst haar toevoegde, was het scheepsroer, dat haar als bestuurster van de lotgevallen der menschen kenmerkt, of ook een scepter. De horen van overvloed of de jonge Plutos op den arm stellen haar als de schenkster van alle goede dingen voor. De latere opvatting, nl. van zoowel heil als onheil aan te brengen, plaatst haar op een bol of op een rad. Onder de bestaande groote producten van de oude kunst is te vermelden de copie, die op het Va-tikaan is, van een oudtijds in Antiochia aanwezige Tyche van Eutychides uit Sikyon. De godin draagt hier als beschermheilige der stad een muurkrans op het hoofd en een korenschoof in de rechterhand.
De Romeinen vereerden naast Fortuna nog als godin van het bestaande geluk Felicitas, voor wie Lucullus een tempel bouwde, die met de door Mummius uit Korinthe geroofde kunstschatten werd opgesierd. Maar bovendien ontwikkelde zich bij de Grieken en bij de Romeinen het begrip van en het geloof aan beschermgeesten en geleigeesten voor ieder mensch en voor elk voik afzonderlijk. De daemonen der Grie ken en de Geniën der Romeinen werden gedacht als onzicht-
SS
De goden der zee, Poseidon. 8y
bare raadgevers en leiders, die van de geboorte tot aan den dood in alle levensomstandigheden waarschuwend of troostend optraden. Op verjaardagen werden hun dan ook wijn. koeken, wierook en kransen geofferd.
4. De godheden der zee en der overige Wiiteren.
Poseidon (Nepiutius).
Poseidon, de jongere broeder van Zeus, ook een Zoon van Kronos en Rhea, hebben we reeds als bestuurder van een deel van liet heelal leeren kennen. Als jongere broeder was hij aan Zeus ondergeschikt, en de sage schrijft ook den oorsprong van Zeus\' oppermacht toe aan de erkentelijkheid zijner broeders voor de bevrijding uit de macht van een wreeden vader. Poseidon houdt zich echter niet op den Olympos op, maar in de diepte der zee, waar hij met zijne gemalin Am-phitrite in de nabijheid van het eiland Aegae een gouden paleis bewoond. Oorspronkelijk was hij evenals de goden, die we in de theogonie hebben behandeld, Okeanos en Pontos, het vochtige element zelf, maar langzamerhand ontwikkelde hij zich tot een zelfstandig gebieder. Reeds bij Homerus is hij niet meer de zee zelf, maar de machtige en sterke beheerscher, die met krachtige armen de aarde houdt en omvat. Hij is van een onstuimig en geweldig karakter, zooals de zee zelf, en als hij met den drietand, het teeken zijner waardigheid, op de zee slaat, dan verheffen zich de golven in snelle beweging, verbrijzelen de schepen en overstroomen breede zoomen van het land. Evenzoo brengt hij aardbevingen voort, verbrijzelt hij rotsen of doet hij eilanden verrijzen; en een enkel woord of een blik van hem zijn voldoende om den onstuimigsten storm tot bedaren te brengen. Toen b. v. door de vervolging van juno de schepen van Aeneas op zee waren veistrooid, bedwong Neptunus de spelende winden aldus:
Tweede gedeelte.
„Gij winden! wat is dit?
Zijt gij op uwen stam zoo stout en zoo vermeten !
Durft gij de zee en lucht, ook zonder dat wij \'tweten, Dus brouwen onder een? bedrijven dit geweld?
Ik zweer men zal u dit .... Maar beter het ontsteld En bijster onweer eerst beslecht in zijne palen;
Gij zult mij dit hierna afgrijselijk betalen!
Vertrekt op staanden voet, zegt uwen koning aan:
Ik voer de watervork, de zeevoogdijen staan Bij lotingen aan mij ; hem zijn ze niet bevolen.
Uit den aard van zijn wezen is Poseidon de hoofdgod van alle beroepen en bedrijven, die met de zee te maken hebben ; dus van de visscherijen, scheepvaart, zeehandel. In hem vereerden zeelieden hun beschermgod, hem offerden zij vóór de onderneming van een vaart, hem dankten zij met offers na de gelukkige thuiskomst van een gevaarlijke reis.
Poseidon werd dan ook hoofdzakelijk vereerd bij de loniërs, den Griekschen stam, die zich het meest met de zeevaart bezig hield. Bij hen had hij de meeste altaren, beeldenen tempels, in de zeeplaatsen en havens, op de eilanden en voorgebergten. Oe voornaamste plaatsen, waar Poseidon werd vereerd, waren Korinthe, om welks bezit hij met Helios gestreden had. en in de nabijheid waarvan de Isthmische spelen ter eere van dezen god werden gevierd, Mykale, met het Panionion, waar de loniërs hunne nationale feesten vierden, Pylos, Athene en de eilanden Rhodos, Kos en Tenos.
Een god, welks karakter zoo diep ingreep in het leven der zeevarende volken, werd, zooals te denken valt, ook het middelpunt van vele plaatselijke sagen. Zoo treedt hij als de besliste vijand van Troje op, omdat koning Laomedon hem eens gro-veliik beleedigd had. Toen Apollon en Poseidon voor Laomedon de muren der stad hadden gebouwd, weigerde de koning de uitbetaling van het verschuldigde loon. Daarover vertoornd, zond Poseidon een vreeselijk zeemonster, dat de velden verwoestte en de menschen doodde, totdat men ten einde raad, op aansporing van het orakel Hesione, quot;s konings dochter, aan het monster opofferde. Te rechter tijd daagde echter nog Herakles als redder op. Het uitzenden van zulke vraatzuchtige monsters, die blijkbaar slechts voorstellingen zijn van zeestroo-mingen, die de kustlanden verwoesten, wordt dikwijls in de sage vermeld: zoo o a. in de Perseussage, waarin Andromeda,
9°
De goden der zee. Poseidon.
de dochter van Kepheus, koning der Aethiopiërs, door Perseus gered werd.
Ontelbaar zijn de sagen, waarin Poseidon als vader van inlandsche heroën verschijnt. De merkwaardigste van dien aard is de sage van Theseus, en er is in het algemeen geen stad of landschap in Griekenland, waar men zich niet op een stichter of stamvader van goddelijke afkomst weet te beroepen. Zoo deed het veranderlijke, stormachtige karakter der zee Poseidon
voortbrenger worden van vele reuzen en monsters. Zoo is hij door zijn huwelijk met de nimf Thoosa, een dochter van Phor-kys, de vader van den woesten Polyphemos, die door Odysseus werd gedood, met het gevolg da.t deze zich Poseidons on-verzoenlijken haat op den hals haalde. Ook de reus Antaeos,
Tweede gedeelte.
met wien Herakles streed, wordt een zoon van Poseidon genoemd, om nu niet te spreken van Prokrustes, Kerkyon, de Aloiden en andere dergelijke wezens.
Het geliefkoosde dier, dat ook door hem in het leven zou zijn geroepen, is het paard, een voorstelling, waartoe de huppelende en dansende baren der zee aanleiding kunnen gegeven hebben. In Athene zou Poseidon met deze schepping hebben gewedijverd tegen de godin Athena, (z. a.) In de inheemsche sage van Korinthe is Poseidon vader van het bekende gevleugelde paard Pegasos, waarvan Medusa de moeder zou zijn geweest, hetgeen een beeldspraak kan zijn van het temmen der paarden, een kunst, die aan Poseidon wordt toegeschreven. In verband met deze dingen is dan ook Poseidon bij voorkeur de beschermer der renbanen, had daarom in alle renbanen een eigen altaar, en werd door ieder deelnemer vóór het begin van den wedstrijd aangeroepen.
Behalve het paard gold ook de dolfijn als hem gewijd ; onder de boomen genoot de pijnboom die eer, zeer waarschijnlijk, omdat van dat hout schepen werden gemaakt. Als offers dienden hem zwarte stieren, paarden, evers en rammen. Het is te denken dat Neptunus bij de Romeinen, die geen zeevaarders waren, niet hoog stond aangeschreven. Zijne functie van beschermer van renbaan en paard, waarom hij ook Neptunus Equester heet, is in Rome het belangrijkst, en de eenige tempel, dien Neptunus in Rome had, stond aan den Circus Flamininus.
Plastische kunst en poëzie gingen bij de voorstelling van Poseidon hand aan hand. Hij is in grootte en gestalte aan zijn broeder Zeus gelijk, heeft een krachtig gewelfde borst, donkere neervallende lokken en glinsterende oogen. Oat het karakter van den vorst der zee onstuimiger was dan van den hemelvorst, drukten de kunstenaars daardoor uit, dat zij hem hoekiger vormen in het gelaat gaven en verwarder haartooi, dan aan Zeus eigen waren. Ook is zijn gelaatsuitdrukking strenger en ernstiger. Hij mist dien vriendelijken glimlach, die om de lippen van den vader der goden speelt. Eigenaardig is ook de stand, dien men Neptunus gaf: want bij voorkeur liet men hem met één been op een verhevenheid steunen (fig- 39).
Afbeeldingen van Poseidon uit de oudheid zijn zeldzaam. Een schoon borstbeeld van hem is op het Vaticaan, een ander, dat zeer waarschijnlijk hem voorstelt, op de Villa Albani in Rome. maar het beste beeld van hem, uit de oudheid afkomstig, is te voorschijn gekomen bij de opgravingen in Pergamos, ()ok hierbij herinnert de kop aan Zeus. en tegelijk aan den Laoklt;»on van het Belvedère. Het voornaamste attribuut is de drietand, dien hij gewoonlijk in de rechterhand heeft; soms wordt die
92
De goden der zee. Triton.
vervangen door den roeiriem; een band, op de wijze van een diadeem om zijn haren gelegd, duidt hem dikwijls als heer over de zee aan (fig. 40).
Amphitrite.
Amphitrite, de dochter van Nereus, was Poseidon\'s echtgenoot, door hem van Xaxos geroofd. Volgens een andere sage ging dat niet gemakkelijk, maar ontweek zij zijn herhaald aanzoek en vluchtte naar Atlas, waar de dolfijn van Poseidon haar ontdekte en zijn meester in handen speelde. Het echtpaar verheugde zich in den zoon Triton en de dochters Rhode en Benthesikyme.
In Rome was Amphitrite een onbekende godheid. Salacia heette de gemalin van Neptunus.
De kunst maakte van haar een jeugdige, schoone, slanke figuur, gewoonlijk naakt of half gekleed, aan de zijde van Poseidon of alleen op den wagen rijdende. Op gesneden steenen is zij dikwijls voorgesteld zittend op den rug van een krachtigen Triton of rijdend op een zeepaard of een dolfijn. Haar haren vallen gewoonlijk los langs de schouders neer. Hare attributen zijn de koninklijke diadeem en scepter, en ook zwaait zij wel eens den drietand van haar gade. Een prachtig reliëf in marmer, dat wellicht een copie is naar een werk van Skopas, stelt de bruiloft voor van Poseidon en Amphitrite. Deze groep is in Rome gevonden en nu op de beeldengalerij te Munchen aanwezig.
Triton.
Triton (de ruischende) heeft nooit openlijke vereering ondervonden, al was hij een zoon van Poseidon en Amphitrite. Ja, in later dagen werd hij zelfs vernederd tot een zeemonster van fabelachtige beteekenis. De beschrijving van den dichter Apollonius van Rhodus, die met de voorstellingen van de plastische kunst overeenstemt, doet hem kennen als een wezen met een menschelijk bovenlijf, terwijl het onderlijf in een in twee deelen gesplitsten vischstaart eindigt. En weldra dacht de kunst aan een geheel geslacht van zulke Tritons, die in de zee het evenbeeld vormen van de Satyrs op het land.
De Tritons zijn als daernonen der zee van phantastisch uiterlijk voor de hoogere kunst van weinig beteekenis. Zeer dikwijls echter worden zij gebezigd tot opsiering van fonteinen en waterbouwwerken. Bij de verbinding van het menschelijk bovenlijf en den vischstaart voegde men nog wel eens de voorpooten van een paard. De zoo ontstane figuur heetlchthyo-centaur. Op het Vaticaan is een goed behouden groep te zien : Triton met ee;i Xereïde op den rug.
93
Tweede gedeelte.
Het geslacht van Pontos.
Nereus en zijne dochters.
Onder de kinderen van Pontos, die bij de Theogonie besproken is, vertegenwoordigt Nereus de zee van haar vriendelijker!, aantrekkelijken kant, en ziet er dus uit als een welwillend, goedig grijsaard. Hij is de goede behulpzame daemon van de Aegaeische zee, waar hij met zijn vijftig lieve dochters op den bodem woont. Evenals alle watergeesten heeft hij de gave der voorspelling en is hij een buitengewoon verstandig man en iemand van veel ondervinding, die reeds menig zeeman, die storm beloopen had, hulp heeft verschaft. Zeker maakt hij niet voor ieder van zijn gelukkige eigenschap gebruik. Toen bijv. Hercules hem op zijn tocht naar de Tuinen der Hesperiden opzocht, om van hem gewaar te worden, hoe hij het best in het bezit van de daar bewaarde gouden appelen kon komen, onttrok hij zich aan diens aandringen, door zich in allerlei gedaanten te veranderen. Maar te vergeefs. Hercules liet hem niet los, voordat hij hem den gewenschten afloop had meegedeeld. Aan Paris deelde hij daarentegen gaarne alle toekomstige lotgevallen mee.
Nereus\' gemalin was een dochter van Okeanos, en de vijftig (of volgens anderen honderd zeenimfen), die den menschen vriendelijk en welwillend gezind waren, waren zijne dochters. Zij waren een sierlijk en lief slag van wezens, die de schippers door hun vroolijk spelen en dansen opwekten, of hun, als ze in gevaar verkeerden, hielpen en redding verleenden. Zij vormden in vroolijk juichend koor het vaste gevolg van Poseidon en Amphitrite. Behalve Amphitrite, die Poseidon onder haar had uitgekozen, werd ook Thetis, de moeder van Achilles, door de dichters gevierd. Zij is het gewoonlijk, die de rei aanvoert en door hare schoonheid en bevalligheid zelfs Zeus bekoorde. Maar bevreesd voor de uitspraak van het orakel, dat de zoon van Thetis grooter zou worden dan zijn vader, huwde hij haar uit aan Peleus, den zoon van Aeakos.
De beeldende kunst stelde Nereus voor als een oud man met dunne, grijze lokken; zijn attribuut was de scepter of de drietand. Zijne dochters, de Nereïden, waren bevallige meisjes; in den oudsten tijd licht gekleed, later meestal op dolfijnen, tritons of andere zeemonsters, die de phan-tasie schiep, rijdende. Het eenige belangrijke marmerwerk in dien geest is in de galerij der Üffizi te Florence bekend als de Florentijnsche Nereïde op een zeepaard.
94
De goden der zee. Proteus.
T/iaumas, Phorkys, Keto.
De wereld van de rijkste en prachtigste verschijnselen, die de zee aanbiedt, vindt haar uitdrukking in Thaumas, den tweeden zoon van Pontos. Hij was gehuwd met Elektra, de dochter van Okeanos, en de vlugge bode der goden Iris en de schrikkelijke Harpyiën waren hunne kinderen. De Harpyiën stellen de stormen voor; het waren gevleugelde wezens, half mensch, half vogel, met het gelaat van meisjes en met vederen van gieren over het geheele lichaam. Zij zien er bleek en mager uit, en worden steeds door den honger gekweld. Zij zijn het meest bekend uit de sage der Argonauten: daarlatende dichters haar optreden als de kwelgeesten van den blinden koning Phineus, dien zij telkens, als hij zich aan tafel begaf, de opgezette spijzen roofden en wat zij niet meer lustten bezoedelden. Kalaïs en Zetes verdreven haar toen naar de Strophadische eilanden, waar Aeneas ze nog ontmoette. Zij golden bij de ouden ook als de geesten van een snellen dood en werden gewoonlijk bij de twee of drie geteld.
Het eenige vertrouwbare stuk, dat deze wezens voorstelt is hel zoogenaamde Harpyiënmonument van Xanthos, een grafteeken in 1S38 door een Engelschman ontdekt. Alle reliëfs, die dat werk versierd hebben, zijn thans in het Britsch Museum te Londen. De Harpyiën, die daarop voorkomen, hebben een vrouwelijk bovenlijf, groote vleugels en vogelpcoten, en dragen op hare vlucht kleine figuren, die de zielen der dooden voorstellen.
Thaumas\' zusters, Phorkys en Keto, stelden de zee van haar schrikwekkenden kant voor. Alle angsten en gevaren, die de zee doet ondergaan, zijn voorgesteld in dit paar zusters en in de met haar verwante Gorgonen, Graicn en den Draak der Hespeiiden. (Zie bij Perseus).
Proteus.
Proteus is een godheid van minderen rang. een oud man en dienaar van Poseidon, die in de Trojaansche sage dezelfde rol speelt als Nereus in de Herkulessage, en ook de kunst verstaat om de toekomst te raden. Hij houdt zich in den regel op het eiland Pharos op, en daar zocht Menelaos, toen hij op zijn terugkeer van Troje naar Aegypte was verdwaald, hem op, om van den »eerlijken grijsaardquot; de toekomst te vernemen. Maar Proteus was niet goed geluimd en door zich achtereen volgens in een leeuw, een draak, een panter en een ever
95
Tweede gedeelte.
te veranderen, zocht hij zich aan de aanzoeken van den held zoolang te onttrekken, totdat hij afgemat werd en toegeven moest. Men noemde hem ook wel den herder, die de zeevis-schen en andere zeedieren hoedde; Psamathe, het zand, wordt zijn echtgenoot genoemd.
Op de beeldwerken is hij meestal als een \'! riton voorgesteld met den krommen staf; de vischstaarten beginnen bij hem reeds bij de dijen.
Glaukos.
Onder de minder aanzienlijke daemonen der zee behoort Glaukos genoemd te worden, die in de Argonautensage voor -komt. Zijn dienst behoort thuis in Anthedon, in het landschap Boeotië gelegen, en was buiten deze plaats niet veel verspreid. Van daar, dat hem geen prachtige tempels werden vereerd. Maar te meer veroverde hij zich een plaats in de harten van de schippers en visschers, zooals het in het algemeen natuurlijk is, dat het mindere volk aan de hun nader bijkomende minder aanzienlijke daemonen en hunne betrekkingen meer hechtte dan aan de hooge en voorname godheden. Zooals de sage meldt, was Glaukos oorspronkelijk een visscher ia Anthedon en kwam hij meer bij geluk dan door wijsheid aan zijn goddelijkheid. Toen hij namelijk op zekeren dag eenige visschen gevangen en de reeds halfdoode dieren op een graszode naast zich had gelegd, zag hij met verbazing, dat deze, doordien hij ze met een hem onbekend kruid aanraakte, weer levend werden en in zee sprongen. Nu at hij zelf ook van het kruid en gevoelde zich terstond van een zoo vreemd, zalig en geestverheffend gevoel doordrongen, dat hij in zijn opgewondenheid in zee sprong, waar hem Okeanos en Ihetis van al het men-schelijke, dat hem nog aankleefde, reinigden en onder de zeegoden opnamen. Buiten Anthedon werd hij op vele eilanden en op de kusten van Griekenland vereerd als een vriendelijk, zachtmoedig god, die alle schipbreukelingen en op zee verdwaalden met raad en daad bijstond.
Ook bij wordt als een Triton voorgesteld, met een ruig en harig uiterlijk, een lichaam vol mossels en zeewier, en hoofdhaar en baard in groote hoeveelheid, zooals den zeegoden gewoonlijk eigen is.
fno Lcukothca en Melikertes.
Ook Ino verkreeg, evenals Glaukos. door een sprong in het
gö
De goden der zee. De Silenen,
water onsterfelijkheid en goddelijke natuur. Zij was een dochter van Kadmos, een zuster van Seniele, de moeder van Dionysos, en gehuwd met Athamas, koning van Orchomenos. Na het ongelukkig uiteinde van Sernele nam zij den jongen Dionysos ter verpleging bij zich. Maar Hera wreekte zich daarover door Athamas met waanzin te straffen. Deze verbrijzelde in dien toestand zijn eerstgeborene, Learchos, die Ino hem geschonken had, tegen een rots en wilde ook den tweeden zoon Me-likertes, dien Ino op den arm droeg, dooden. In allerijl zocht nu de ongelukkige Ino zich met haar kind te redden. Maar toen haar in razernij verkeerende gemaal haar tot den Isthmos had vervolgd en zich haar geen hoop op redding voordeed, stortte zij zich van de rots Molyris in zee, waar zij door de Nereïden vriendelijk werd opgenomen en onder de zeegoden geplaatst werd met den naam Leukothea. Melikertes heette als zoodanig Palaemon. Beiden golden voor weldoende daemonen die hun, die in nood verkeerden of schipbreuk leden, bij storm op zee, vriendelijk hulp verstrekten. Zoo werd bijv. Odysseus, toen hij reeds een wissen dood voor oogen zag, bij een schipbreuk aan de kust van het eiland Scheria door een sluier gered, dien hem Leukothea toewierp. Palaemon werd voornamelijk te Korinthe vereerd. Men wist daar namelijk te verhalen, dat eens het lijk van een schoonen jongeling in de haven was geraakt, dit door koning Sisyphos en diens broeder gevonden en opgenomen werd, en toen oorspronkelijk te zijner eer de Isthmische spelen gevierd werden.
De Romeinen vereenzelvigden hem met hunnen Portumnus, een havengod.
Met zekerheid kan men geen oude gedenkstukken aanwijzen, die op deze zeegoden doelen; misschien is wel de sehoone op een dolfijn rijdende jongeling in de Aegyptische kamer der Villa Borghese in Romo een Palaemon.
ZV Sirenen.
Ook de Sirenen worden onder de goden der zee geteld. Zij zijn het best bekend uit de Odyssee door het geval van Odysseus, die haar echter gelukkig ontvoer en door haar gezang niet betooverd werd. Hij had dan ook den voorzorgsmaatregel genomen om de schepelingen de ooren met waste vullen en zich aan den mast te laten binden. Voor ouderparen
97
7
Tweede gedeelte.
der Sirenen staan geboekt de riviergod Acheloös en een der Muzen of Phorkys en Keto. Homerus kent slechts twee, de latere poëzie kent wel drie of vier Sirenen en mengde ze in verschillende sagen, bijv. in die der Argonauten of die van den roof van Proserpina, die op Sicilië thuis behoort. Demeter zou haar namelijk de gedaante van vogels gegeven hebben, omdat zij hare speelgenoot Proserpina, niet waren te hulp gekomen, toen Pluto, de god van de onderwereld, haar kwam schaken.
Evenals fle Harpyi8u zien Sirenen in de kunstproducten er uit als meisjes met vleugels en vogelpooten; soms ook als volslagen vogels met meisjeshoofden, of ook met armen en halfmenschelijk bovenlijf; zij hebben soms muziekinstrumenten in de hand. Daar haar gezang aan hen, die zij bekoorden den dood aanbracht, lag het voor de hand, dat zij als doods-genicn op grafmonumenten werden aangebracht.
Het geslacht van Okcanos.
De talrijke nakomelingschap van den ouden Okeanos is onder de watergeesten van veel beteekenis. Het zijn de drieduizend Okeaniden of Okeaninen en de rivieren, die over de geheele aarde verspreid zijn. Men stelde zich namelijk van den oorsprong der rivieren voor, dat zij uit den Oceaan, die rondom de aardschijf stroomt, ontsprongen, onder de aarde naar de bron vloeiden en aan de oppervlakte zichtbaar werden.
Okeanos zelf is volgens de sage der Theogonie de oudste zoon van Uranos en Gaea, en dus evenals zijn gemalin Tethys een Titan. Maar daar hij geen deel had genomen aan de samenzwering der Titanen tegen de heerschappij van Zeus, was hij vrij van het smadelijk lot zijner broeders, en hij kon vrij en onafhankelijk zijn oud rijk blijven behouden. Zijn woning lag aan den verren westelijken rand der aarde, en hij kwam nooit in de vergaderingen der goden.
Ook de riviergoden stonden bij de Grieken hoog aangeschreven wegens hun invloed op de vruchtbaarheid der landen, maar hun dienst was steeds van geheel plaatselijk karakter. Slechts Acheloös, de grootste rivier van Griekenland, nabij Dodona, vond op verschillende plaatsen vereering. Men meende dat de riviergoden óf op den bodem der rivieren woonden óf in rotsgrotten nabij de bron, en in overeenkomst met de grootte der rivieren hield men die goden voor teedere knapen, voor krachtige mannen of voor grijsaards. Allen echter
98
De goden der aarde.
hebben in overeenstemming met het karakter van hun element de kunst van vormverandering, zooals wij die reeds hebben leeren kennen ; en met de watergeesten hebben zij ook de gave der prophetie gemeen.
De stroomende wateren stonden ook bij de Romeinen in reuk van heiligheid. Fontus, de zoon van Janus, gold als god van alle bronnen in het algemeen, en daaronder was Tiberinus de aanzienlijkste. Men meende, dat in de bronnen voorspellende nimfen en toovenaars woonden, zooals Egeria, die Numabijstond.
99
De kunst gaf aan de riviergoden gaarne die vormen van dieren, welke de wateren zelf dikwerf aannemen, dus van de slang of van den stier, of ook wel eens menschelijke gedaante met .stierekoppen. Daarnaast werd ook de volledige menschengedaante gangbaar, terwijl zij dan wel door kleine horens boven de beide slapen werden gekenmerkt. Hunne attributen zijn kruiken en horens van overvloed, zinnebeelden van den zegen, dien zij verspreiden. Afbeeldingen van riviergoden zijn niet zeldzaam; de schoonste is de Nijl, een werk uit de dagen van Keizer Augustus. thans op het Vatikaan ifig. 41).
5. (iodlieden van (ie annlc en de onderwereld.
Naast de goden van den hemel en van de wateren staat een rij van goden, die op de oppervlakte der aarde of in haren diepen schoot gevestigd, daar aanhoudend werkzaam zijn en zoodoende in de nauwste betrekking staan tot het menschelijk leven. De dienst voor die goden was bij de Grieken van een zeer levendigen en hartstochtelijken aard, die aan de Romeinen langen tijd vreemd bleef en eerst laat bij hen werd opgenomen. Men beschouwde den schoot der aarde van den eenen kant als den oorsprong van elk leven in de natuur, maar van den anderen kant ook als het graf, dat steeds open staat, waarin elk aardsch bestaan, na zijn tijd volbracht te hebben, weer vervalt. Vandaar dat de dienst dezer goden tweeledig was. Men vierde namelijk vreugdefeesten ou r het herleven der natuur en treurdagen over haar afsterven. Kn die
Tweede gedeelte.
vreugde en smart plachten dan soms op de luidruchtigste en hartstochtelijkste wijzen kenbaar gemaakt te worden, wat met het woord orgiastisch wordt aangeduid. Allicht mengde zich iets geheimzinnigs in de vereering dezer godheden, die reeds door hun verblijf meer vrees en schuwheid verwekten dan de lichtende hemelgoden, en wier toorn, zich openbarende in de onvruchtbaarheid van den bodem, veel aanleiding gaf tot groote vrees. Eigenlijke mysteriën of geheimen dienst vindt men slechts in Griekenland, in de godsdiensten van Italië is zoo iets vreemd. Wij verdeelen nu de goden in die op de aarde leven en den groei der vruchten en de welvaart der kudden bevorderen, en de goden, die in de onderwereld wonen,
Gaea (Tellus).
In de eerste plaats is de aarde Gaea (Tellus) zelf de moeder van alles te noemen : zij is een der oudste scheppingskrachten in de Kosmogonie, onmiddellijk uit den chaos voortgekomen, kreeg echter eerst later een meer persoonlijken en plastischen vorm, en werd nooit van beteekenis, wat eeredienst betreft; reeds vroeg werd zij door scherper tastbaarder wezens, zooals Rhea, Hestia, Demeter en Themis vervangen. De dienst van I ellus in Rome was van meer beteekenis, al werd ook deze door den dienst van Geres en van andere verwante godheden zeer beperkt.
Zoo is dan Gaea in hoofdzaak de godin, die alle leven en wasdom in de natuur voortbrengt, de moeder, die met liefderijke zorgvuldigheid voor al haar schepselen zorg draagt. Als zoodanig verheft haar Hesiodus in de Werken en Dagen, (een boekje, dat men ook Landbouw en Kalender zou kunnen noemen), en een oude hymnus in Dodona zegt van haar: Gaea geeft vruchten, noemt haar daarom moeder. Zij deelt met Demeter en andere godheden, die zegen en welvaart verspreiden, ook de eer van kweekster en voedster der jeugd te heeten, en in die functie heeft men haar dikwijls op oude afbeeldingen voorgesteld. Maar gelijk diezelfde aarde ook het graf bevat voor alle bestaande wezens, die al wat leeft met onverbiddelijke strengheid in haar duisteren schoot verbergt, was zij ook godin van dood en onderwereld, en werd aangeroepen evenals de schimmen van afgestorvenen ; inzonderheid bij het bezweren van verdragen en als getuige bij
IOO
De goden der aarde. Rhea-Kybele.
eeden. Dat zij reuzen als Tityos en verschrikkelijke monsters heeft voortgebracht, is reeds vermeld. In Delphi was een zeer oud heiligdom van Gaea; zij gaf daar oorspronkelijk orakels. Overigens werd zij ook in Athene, Sparta, Olympia en Tegea vereerd.
In Rome werd zij ooic als godin van het huwelijk gevierd en had zij een tempel op de plek, waar eerst het huis van Sp. Cassius was geweest. Bij den aanvang en bij het einde van den zaaitijd bracht men haar offers. Op de Paganalia werd haar evenals aan Ceres een drachtig zwijn als zoenoffer gebracht, om bij haar de vruchtbaarheid van het jaar te bewerken.
T)e oude kunstenaars stellen Gaea op reliëfs voor als te halver lijve uit den bodem stijgend; zij lieeft dikwijls een sleutel in de hand, waarmee zij den grond opent. Op zulk een reliëf in het Museum Chia-lamonti in het \\ atikaan ziet men haar den jongen Krichthonios aan zijn verzorgster Athena overgeven; ook op het grootsche reliëf van l\'erga-mos (blz. 16).
Rhea-Kybele (Magna mater Idaea).
Reeds vroeg hebben wij Rhea leeren kennen als de dochter van Uranos en Gaea, de gemalin van Kronos, de moeder van Zeus en van de overige goden. Een eeredienst schijnt zij slechts in zeer beperkten omvang gehad te hebben, totdat men haar vereenzelvigde met de Phrygische Kybele. Deze was het symbool van de vruchtbaarheid der natuur in Azië, evenals Isis in Aegypte, en werd in Lydn en Phrygië algemeen onder den naam van »groote moederquot; vereerd. Door het verkeer dezer landen met de Grieksche volkplantingen kwam haar geraasmakende eeredienst naar de Grieksche moederstaten, zooals die tegen het einde van den tweeden Punischen oorlog op aanwijzing van de Sibyllijnsche boeken ook naar Rome werd overgeplant. Attalos, koning van Pergamos, was bij deze gelegenheid welwillend genoeg om den Romeinen een heiligen steen over te laten, die door de inwoners van Pessintis voor de »groote moeder\'\'zelf werd gehouden. Deze steen werd, nadat hij naar Ostia overgebracht was, in feestelijken optocht door de Romeinsche vrouwen Rome binnengehaald, en die dag, de ice April, bleef een vaste feestdag, die met groote spelen onder leiding van den Praetor werd gevierd. Toch schoot deze eeredienst in Rome
lor
Tweede gedeelte.
nooit recht wortel gedurende den geheelen tijd der republiek, omdat daarbij nooit een Romein als priester dienst mocht doen. Onder de Keizers won de vereer ing der Magna Mater in belangrijkheid door invoering van een nieuw feest van zeer hartstochtelijken aard, dat in het begin der lente viel, en waarin zij gevierd werd als de godin, die velden en wijnbergen van vruchten voorziet.
Het eigenlijke vaderland van Kybele\'s dienst was het land van Pessinus in Galatië, een ruw bergland vol kloven; vooral het gebergte Dindymus. Daarnaar heet K.ybele ook wel Dindyraene. Hier hadden van die gedruisch makende optochten plaats, en reed zij op een door leeuwen of panters getrokken wagen onder de wanklinkende muziek harer geleiders, die Korybanten of Kureten heetten. De mythen, die op deze godin betrekking hebben, zijn van een evenzoo wild, phantastisch karakter als haar geheele dienst. Het meest bekend is de mythe van haar beminden Atys of Attis. Hij was een jongeling uit Phrygië, zoo buitengewoon schoon, dat de groote moeder der goden hem tot haren gemaal uitkoos. Aanvankelijk beantwoordde hij hare liefde, maar weldra werd hij haar ontrouw en verliefd op de prinses van Pessinus. Daarom trof hem de wraak der vertoornde godin. Want toen de bruiloftsgasten aan het feestmaal zaten, trad zij tusschen hen op en sloeg alle aanwezigen met pa-nischen schrik en verstandsverbijstering. Attis vlood naar het gebergte, doodde zich in een aanval van waanzin, en de godin zelf stelde te zijner eer een groot treurfeest in ten tijde der lente-nachtevening. De priesters der godin trokken onder den ruischenden klank van handpauken en fluiten naar het gebergte om den verloren Attis te zoeken. Eindelijk werd hij namelijk een beeld, dat hem voorstelde gevonden, en dan gaven zich de priesters aan de uitbundigste vreugde over, dansten in woeste geestdrift rond en sneden zich bloedige wonden.
Afbeeldingen van Rhea-Kybele zijn zeldzaam. Een zittend beeld van haar is in het Vatikaan; een Kybele op een leeuw rijdende kan men in de Villa Pamfili bij Rome zien. Haar vast attribuut is de handpauk.
Dionysos, Ba cc hos (Lib er).
Dionysos of Bacchos is bij Grieken en Romeinen de god
I02
De goden der aarde. Dionysos
van den wijnbouw en den wijn; maar in uitgebreiden zin, ook de god van den herfst en den oogst, die de vruchten rijpheid verleent tot voedsel voor den tnensch, en hem zoodoende alle weldaden der beschaving, hoogere zedelijkheid en staatkundige orde ten deel laat vallen.
Als zijn geboorteplaats komt Thebe in aanmerking en als zijne moeder Semele, een van de dochters van Kadraos, die de hemelvorst Zeus zijn liefde had waardig geacht. Haarzelve echter stortte die liefde in het verderf. Want de ijverzuchtige Hera naderde haar in de gedaante harer min Beroë, en wist haar argwaan gaande te maken, of haar minnaar werkelijk degeen was, dien hij zich noemde. Door haar sluwe taal gelukte het haar eindelijk Semele over te halen, dat zij haren minnaar op de proef zou stellen, doordien zij hem eerst zou laten zweren, dat hij alles zou doen wat zij van hem wenschte gedaan te hebben, en hem dan zou verzoeken, om zich aan haar in zijne goddelijke gestalte en majesteit te vertoonen. Tevergeefs bezwoer Zeus haar van dien dwazen wensch af te zien; zij bleef op de vervulling van haar wensch aandringen en kwam nu ongelukkig om het leven, daar Zeus haar in den vollen gloed van zijn bliksem naderde, en zij geheel tot asch werd verteerd. Maar haar nog niet geboren zoon redde Zeus het leven, en hij liet hem door Hermes aan de nimfen van Nysa brengen om op te voeden. Zoo ontwikkelt zich de druif met haar verhittend vocht door de samenwerking van de krachten der natuur in de aarde met den gloed van boven. De ligging van Nysa is niet juist bekend; men verstaat er een streek onder aan den bergPangaeos in Thracië. Een latere sage geeft Ino, de zuster van Semele, als eerste pleegmoeder van Dionysos op.
In de eenzaamheid van liet woud opgegroeid, en in den strijd tegen wilde dieren sterk geworden, plantte nu Dionysos den wijnstok, bedronk zich met zijn verpleegsters aan den uit de druif getrokken drank, en zwierf toen met veel klimop en laurierkransen bedekt en in geleide van een talrijke schaar van Nymphen, Satyrs en andere boschdaemonen in de wouden rond, die het luide gejubel zijner opgewonden vereerders van beiderlei sekse weerkaatsten. De sage laat nu de voltooiing zijner opvoeding over aan Silenos, den zoon van 1\'an. Van dezen meester en van zijn overige volgelingen vergezeld, trekt hij uit om onder de volken der aarde zijn dienst en den wijn-
Tweede gedeelte.
104
bouw in te voeren. Maar hij plant niet slechts druiven; hij betoont zich een waar weldoener der raenschen, door overal steden aan te leggen, zachtere zeden aan te brengen, en de menschen aan een maatschappelijk leven te gewennen. Vree-selijk echter trof zijn toorn hen, die zijne weldaden van de hand wezen, Zoo sloeg hij Agave, de moeder van Pentheus, koning van Thebe, die hem niet wilde opnemen, benevens andere Thebaansche vrouwen, zoodanig met razernij, dat zij den koning in haren waanzin voor een wild everzwijn aanzagen en verscheurden. Toen Lykurgos, een koning in Thracië, de voedster van Dionysos uit de Nysaeische velden verjoeg, sloeg de god hem met krankzinnigheid, zoodat hij zijn eigen zoon Dryas voor een wijnrank aanzag en hem doodde. Vervolgens sloeg de god zijn land met groote onvruchtbaarheid, totdat het volk hem naar den Pangaeos bracht, waar hij door paarden werd verscheurd.
I^Onder de talrijke mythen, die de wonderbare macht van Dionysos verkondigen is het meest bekend die van de bestraffing der Tyrrheensche zeeroovers. Toen hij eens van Ikarië naar Naxos wilde varen, wilden dezen hem in de boeien slaan om hem naar Italië te brengen en als slaaf te verkoo-pen. Maar op een enkelen wenk van den schoonen godenzoon vielen zijne ketenen van de handen, druiventakken en klimopranken slingerden zich om mast en zeilen en dwongen het schip tot stilstand, terwijl de Nymphen haar gezang aanhieven. Verschrikkelijke angst greep echter de schippers aan ;
De goden der aarde. Uionysus.
zij stortten zich over boord en werden in dolfijnen veranderd.
Ken schoone in reliëf gebrachte voorstelling dezer gebeurtenis, uit de besle dagen der (irieksche kunst dagteekenend. is nog in Athene op liet zoogenaamde gedcnkteeken van Lysikrates. Indrukwekkend schoon is het beeld van den god, die daar onbekommerd vroolijk neerzit en met ziju 1 eeuw speelt.
Het eiland Naxos is een der belangrijkste plaatsen van zijn eeredienst en daar huwde Dionysos ook Ariadne, de dochter van Minos. Haar had namelijk de Attische heros Theseus van Kreta geschaakt, nadat zij hem met een kluwen uit den Labyrinth had geholpen; maar toen zij op het eiland Naxos waren gekomen liet hij haar óf uit eigen beweging, óf omdat de god het hem in een droom had bevolen, slapend achter. Wie kan de smart beschrijven, de wanhoop schilderen van Ariadne, toen zij zich bij haar ontwaken verlaten en eenzaam zag op een vreemde kust. Maar wie ook hare vreugde en verrassing, toen terstond daarop Bacchos van zijne tochten door Indië teruggekeerd, haar daar vond en tot zijn bruid en levensgezellin maakte. En hoewel de dichters het niet meededen, mogen we toch op gezag van het volksgeloof wel aannemen, dat Zeus haar de onsterfelijkheid verleende, die hij aan zijn zoon reeds lang te voren had toegestaan om diens buitengewone en talrijke verdiensten jegens het menschdom. In Athene vierde men ter eere van beiden een dankfeest voor den oogst, en dan werden wijnranken met druiven er aan in feestelijken optocht door de straten der stad gedragen.
De dienst van Dionysos heerschte overal, waar Grieken wijn bouwden; dus in het eigenlijke Griekenland en in Klein Azië, \'l\'hracië, Macedonië en in Italië. Men bad hem aan als Lyaeos, d. i. die de zorg verdrijft, en richtte groote, bij de groote menigte zeer gewilde feesten aan, die in het algemeen een zeer luidruchtig karakter hadden. Omstreeks den tijd van den winter-zonnestilstand waren er treurfeesten. Het vervallen van de druif gaf dan aanleiding tot de voorstelling, dat de god ziek was, vervolgd werd door de booze geesten van den winter en daarom in de zee of in de onderwereld een toevlucht had gezocht. Men leed met hem en gaf aan de bekommering over het verdwijnen van den god door allerlei woeste gebaren uiting. Aan deze winterfeesten van Dionysos. die öm het jaar plaats vonden, namen slechts vrouwen en meisjes
Tweede gedeelte.
opgeblazen en met olie de kunst beproeven moest,
2. De Lenaeën. die in Januari in de stad werden gevierd, en wel op de plaats, waar volgens een oude overlevering de
io6
De goden der aarde. Dionysos.
eerste wijnpers was geplaatst. Hier was het Lenaeon, een van de beide hoofdtempels van den god. Het middelpunt van het feest was weer een groote feestelijke optocht met de heilige symbolen van den god, waarop een groot feestmaal volgde, waarvoor de stad Athene het vleesch verschafte. Het jonge mos, dat men bij deze gelegenheid dronk, verhoogde niet weinig de vroolijke stemming, zoodat het weer niet ontbrak aan allerlei scherts en moedwil.
3. De Anthesteria werden in Februari op den nquot;, 12» en 1311 dag van de maand Anthesterion gevierd, en wel uit vreugde over de terugkomst van Dionysos uit de onderwereld, m. a. w. de herleving der natuur uit haar winterslaap. De eerste dag heette de opening der vaten (Pithoigia), omdat men dan voor het eerst den nieuwen wijn aftapte. De tweede dag, het voornaamste deel van het feest, heette het Kannenfeest (Choës). Dan vonden feestelijke optocht en groote maaltijd plaats, waaraan de gasten met bloemkransen op het hoofd deelnamen. Aan de slaven werd bij deze gelegenheid menige vrijheid toegestaan, zooals bij de Romeinen op de Saturnalia. Op den derden dag maakte men een einde aan de feestelijkheid; die dag heette het pottenfeest (chutrae), omdat dan potten met allerlei gekookte peulvruchten werden neergezet, als offer voor de zielen der afgestorvenen, die op dien dag, zooals het volk geloofde, op de bovenwereld kwamen.
4. De groote- of stads Dionysia, het hoofdfeest van den God, werden in Maart met buitengewone pracht gevierd en was het eigenlijke lentefeest der Atheners. Zij duurden eveneens verscheidene dagen en plachten een zeer groote menigte vreemdelingen van nabij en van verre naar Athene te lokken. Dan schitterde de stad met haar fijnen kunstzin in de oogen van allen, en kwam het altijd scherpe vernuft van de geestige Atheners ten gehoore van velen ; want massa\'s menschen woelden vroolijk door elkaar heen op de ruime pleinen en straten der beroemde stad. Het hoofdnommer van het programma was een groote processie, waarbij een oud houten beeld uit den tempel van Dionysos door de straten werd gedragen, Tegelijk hadden feestmalen plaats en komische optochten met allerlei vermommingen; groote uitvoeringen van nieuwe treur- en blijspelen met prijsuitdeelingen aan de overwinnaars in den wedstrijd besloten liet feest.
Ook de volken in Italië vierden in Maart, en wel op den
107
Tweede gedeelte.
17quot;quot;, het feest der Liberalia. Maar daar behield dit feest in het algemeen een eenvoudig cn landelijk karakter, zooals bij de kleine Dionysia der Attische boeren. Men schertste veel, maakte veel grappen en zette raaskers op, uit boomschors gesneden; ook trokken op dien dag de jongelingen, die 17 jaar oud waren geworden, de toga virilis aan. Maar het hoofddoel van het feest was den god om vruchtbaarheid te bidden voor den wijnbouw, en met de zedelooze Bacchanalia, die later door den invloed der Grieksche mysteriën in Rome ingang vonden en trots de strengste maatregelen van de overheid te Rome (186 vóór C.) niet geweerd konden worden, hebben deze onschuldige oogstfeesten niets te maken.
Als wij in het kort de beteekenis, die Dionysos of Bacchos in den eeredienst der oude volken heeft, nagaan, dan blijkt, dat hij in zijn oorspronkelijken aard de vooi tbrengings-en groeikracht voorstelt in de natuur. Zooals Deme-ter (Ceres) aan de stervelingen het koorn en in het algemeen alle veldvruchten schenkt, zoo geeft Dionysos hun de boomvruchten en meer bijzonder den wijn. Vervolgens is hij de god, die tegelijk met den wijnstok en den vruchtboom den menschen alle zegeningen der beschaving laat ten deel vallen, zoodat hij ook inditop-l-ig. 44. Marmeren kop van zicht S,echtS een invulling is van het den jongen Dionysos te begrip der groote godin Demeter, Rome, op het Capitool. waar zij maatschappelijke ontwikkeling teweeg brengt en bevordert. Vandaar dan ook, dat Bacchos bij de Grieken en Romeinen vele tempels en feesten met De-meter gemeen had. Aan den anderen kant echter valt zijn wezen met Apollon samen en komt Bacchos naast Apollon dikwijls als vriend en aanvoerder der Muzen voor, omdat hij niet alleen het gemoed der menschen vroolijk en kalm stemt, maar ook tot geestdrift voor de kunst kan opwekken.
Tal van gedenkteekenen zijn er over om ons de voorstellingen, die de oude kunstenaars van Dionysos hadden, kenbaar le maken. In den oudsten tijd werd hij zeer majestueus voorgesteld en ontijrak de baard nooil, al lag tevens een uitdrukking van een zalig gevoel over zijn gelaat. Pc zoogenaamde Sardanapallos, een statue op het Vatikaan bewaard, is
De goden tier aarde. Dionysos.
109
een schoone voorstelling van Diouysos in den besproken zin (tio. 4;) Bij alle majesteit en waardigheid zweeft toch een lichte glimlach om den weinig openen mond, waardoor men weer aan het type van Zeus herinnerd wordt. In deze oude opvatting is een schoone buste te zien in het Museum Chiaramonti op het Vatikaan, en een andere zeer .reprezen
bronzen in Napels. In de dagen van Skopas en Praxiteles gaf men lt;len god van het natuurgenot jeugdiger vormen, en de beelden van igt;ionysi)S uit dezen lateren tijd zijn dan ook licht te herkennen aan de bijna vrouwelijke gelaatstreki;en, de rondheid in alle lichaamsvormen cn de bevalligheid in alle bewegingen. Een beroemd overblijfsel van die •atere opvatting is de jonge Dionysos in het Louvre te l\'arijs, verder
Tweede gedeelte.
de zittende Torso van het Museum te Napels, een andere schoone Torso in het Vatikaan. Ook is zeker voor een kop van Dionysos te houden, die vroeger verkeerdelijk aan Ariadne werd toegekend^ een jeugdige kop, van zeer veel uitdrukking, dwepend en toch vol bezieling, die op het Museum van het Capitool aanwezig is in de kamer van den Stervenden Worstelaar (fig. 44). Twee zeer schoone figuren van brons zijn in de Uffizi te Florence in de tweede kamer der brons werken. Karakteristiek voor dezen god i.s het zachte, schoon gelokte haar langs de schouders in krullen neervallend, in den regel doorvlochten met een krans van wijn- en klimopranken. Verdere attributen van den god zijn de Thyrsosstaf, de hoofdband, de dwars over de borst hangende dierenhuid, dikwijls de eenige bekleeding, de drinkbeker in de hand. Ue dieren, die hem vergezellen, zijn leeuwen, tijgers en panters, en buitendien zijn hem de stier en de bok als zinnebeelden van vruchtbaarheid heilig: de bok is ook het gewone offer voor hem. Onder de planten is hem behalve den wijnstok en den klimop ook de laurier heilig om zijn gènot-verheffenden invloed.
Onder de persoonlijkheden, die in de sagen van Dionysos voorkomen, bekleedt Ariadne een belangrijke plaats uit het oogpunt van kunst. Het beroemdste overblijfsel uit de oudheid is een werk op het Museum van het Vatikaan in Rome: een meer dan levensgroote figuur van marmer, voorstellende de slapende Ariadne, is buitengewoon schoon en misschien naar een origineel Grieksch stuk ontworpen (fig. 45). Meer bekend nog is de moderne schepping van Dannccker: Ariadne op den panter te Frankfort a. M.
De Nymphcn.
In het gevolg van Bacchos bevinden zich eenige mindere godheden van de aarde. Het talrijkst en meest verbreid van dezen zijn de Nymphcn. de in beeld gebrachte voorstelling van het rustelooze leven en werken in de natuur, wier werkzaamheid zich over het groote heelal uitstrekt. Zij openbaren zich in het ruischen van de beek of het vlieten van de bron, evenzeer als in het opschieten der wortels in- of van de jonge plant boven den grond. Het zijn teedere, bevallige maagden, die als ze ook al den mensch in het algemeen vriendelijk en welgezind zijn, toch de nabijheid van de woning der men-schen vermijden, de drukte van de maatschappij vlieden, en zich schuw terugtrekken naar de stille eenzaamheid van berg en bosch. Daar leiden zij een opgeruimd, gezellig leven in grotten en bergkloven, daar houden zij zich met nuttig werk bezig, spinnen en weven, daar voeren zij hare bevallige reidansen uit en zingen vroolijke liederen, of zij duiken met hare teedere lichamen in het parelende schuim van stille bronnen en beken. Gaarne sluiten ze zich ook aan bij die
I IO
De goden der aarde. Xymphcn.
111
hoogere godheden, die bij uitnemendheid de natuurkrachten in hunne macht hadden, en vormen bij hen een dienstvaardig gevolg. Vandaar zien wij ze deelnemen aan de wellustige tochten
V
Tweede gedeelte.
1. Waternymphen, waartoe in uitgebreiden zin ook de Oke-aniden en de Nereïden behooren, in beperkten zin ook de Nymphen van de wateren op de aarde, en van beken en bronnen, die meer bepaald Naiaden heeten. Zij zijn de weldadige voedsters van de planten, voeren aan deze groeikracht toe en helpen zoo middellijk menschen en vee onderhouden, waarom zij in hooge achting stonden, al konden ze ook als godheden van minderen rang geen aanspraak maken op afzonderlijke tempels. Zij hebben evenals de Zeenymphen de gave der voorspelling en begunstigen zang- en dichtkunst.
2. Bergnymphen of Oreaden, waartoe ook de Nymphen der dalen en afgronden (Napaeën) behooren, een zeer wijd vertakte familie, die naar de bijzondere bergterreinen ook bijzondere namen dragen. Maar geen van deze allen is in de sagen beroemder geworden dan de Boeotische nimf Echo. In liefde ontstoken voor den jongen Narkissos, een zoon van den riviergod Kephisos, bleef hare liefde onbeantwoord. Daarover vertoornd, verteerde haar die liefde langzamerhand totdat van haar geheele wezen niets overbleef dan de stem en het gebeente versteende. Maar Aphrodite wreekte op Narkissos, die in zijn ijdelheid de liefde der schoone nimf had versmaad, de beleediging van haar geheel geslacht. Toen hij eens aan den Helikon op jacht was en dorstig zich aan een zilverklare beek te drinken legde, maakte de godin dat hij op zijn eigen beeld verliefd werd. welk zich in den waterspiegel aan hem vertoonde. Daar nu deze zijne liefde nooit bevredigd werd, verteerde hem het verdriet en werd hij in de naar hem genoemde bloem veranderd, die het beeld bleef van lafhartige schoonheid.
In het Museum te Napels is een bronzen beeld van buitengewone sclioonheitl, Narcissus voorstellende, die naar dc Kcho luistert, indien dit beeld niet voor een jongen liacchus moet worden gehouden (fig. 46). Ken kostl jaar k!c-;n bronzen beeld ook in het Museum te Berlijn en een kopie daarvan in dc Galerij der Ulïizi te Florence; het is een teeder jongeling met het hoofd naar links gebogen, in welks trekken een zachte melancholie gelegd is, en dien men gewoonlijk voor een Narcissus houdt.
3. De Dryaden of Hamadryaden (Boomnymphen) zijn zeker later opgekomen. Men geloofde, dat de duur van haar leven samenhing met dien van de door haar bewoonde boomen, en dat het vallen of de overgang van de boomen haren dood ten gevolge had. Zij konden dus niet tot de onsterfelijke godheden gerekend worden.
I 12
De goden der aarde. De Satyrs.
De vereering der Nymphen was in Griekenland overoud en ging vandaar naar Rome over. Men bracht haar bokken en lammeren, melk en olie ten offer.
De kunst stelde ze steeds als liefelijke meisjes voor, gewoonlijk in vrij lichte kleeding, met bloemen en kransen in de hand. De Naiaden worden ook wel als waterschepsters voorgesteld, of van andere attributen voorzien met betrekking op haar element.
De Satyrs.
Tegenover de Nymphen, die het natuurleven vertegenwoordigen, staat een menigte van mindere bosch- en waterdaemonen van het mannelijk geslacht. Zij heeten Satyrs, Silenen en Pans ; een grenslijn tusschen al deze wezens is zeer moeielijk te trekken. Gewoonlijk verstaat men onder Satyrs of Faunen de eigenlijke berg- en boschgeesten, en acht ze onafscheidelijk van Dionysos, dien zij evenals de Bacchanten begeleiden en wien zij ouderworpen zijn. Zinnelijkheid, moedwil en schalkschheid zijn de grondtrekken in hun karakter. Wegens hun half dierlijken wellust stelde men hen ook als halve beesten voor: zij hadden stompe neuzen, gemeene gelaatsuitdrukking, sluik haar,
ooren als een bok en een bok-kestaart aan den rug bij overigens menschelijke ledematen. Zij houden evenals de nimfen veel van muziek en dans, spelen op de syrinx,
fluit, cimbalen, tambourin en castagnetten, en zijn hartstochtelijk aan den wijn overgegeven evenals hun heer en meester.
Maar terwijl de wijnroes bij hem tot geestverheffing en verhoogde stemming leidt,
werkt hij bij genen slechts op de lagere zinnelijkheid en brengt hen tot allerlei vermetele streken.
i gt;e kunstenaars in de oudheid hebben zeer dikwijls voorstellingen trachten te geven van Satyrs. Maar spoedig lieten zij de arschrikwekkendt\', half dierlijke vormen ter zijde en behielden slechts om de karakieristiek
114
Tweede gedeelte.
_
den stompen neus en de spitse ooien, soms ook het bokkestaartje. De attributen van Bacchus, nl. de voorhoofdsband en de klimopkrans worden ook aan hen toegewezen. Bijzonder schoone antieke Satyrs heeft men in de kunstverzamelingen te Munchen, Rome, Napels en Horence, waaronder de Satyr op het museum van het Capitool de beroemdste is, die tegen een boomstam leunt om van zijn fluitspel uit te rusten (fig. 47).
Als navolgingen van beroemde stukken uit de oudheid hebben naam de Inschenkende jonge S-tyr. te Dresden, te Rome, in de Villa l.udo-visi en elders voorhanden. De beroemde Faunus Barbeiini uit het beel-
mPmmm
WrnmmMm
Wr mm
WÊÊÊÊÊÊSm
: i
De goden der aarde. Silenos.
denmuseum te Munchen een dronken slaperigen Satyr voorstellend, is een kunstwerk van den eersten rang uit den nabloei der Grieksche kunst. In dezelfde verzameling is ook een lachende oude Satyr van marmer, uit de Villa Albani en bekend onder den naam van Faunus met de vlek, een kop vol uitdrukking, waarin de hoogste graad van zinnelijk genot meesterlijk weergegeven is ffig. 48). Beroemd zijn verder nog de dansende Faunus in de Villa Borghese in Rome, het levensgroote bronzen beeld in het Museum te Napels en de Satyr, die muziek speelt, in de Uffizi te Florence..
Tot dezen kring behoort ook de dansende Bacchante, een reliëf in marnier van het museum Modena te Weenen (fig. 49).
Silenos.
Silenos heette in de gewone sage een oudere satyr, die Dionysos verzorgd en opgevoed had en later zijn trouwe gids op zijn dwaaltochten was. De dichters schilderen hem als een reeds oud wordend man, met stompen neus en een kaal hoofd, veel haar op de borst en de schenkels, en bovendien met zulk een dikken buik, dat hem het gaan moeilijk viel. Hij rijdt dus bijna aliijd op een ezel de Bacchanientroep vooruit, aan beide kanten door Satyrs vastgehouden, die den halfdronken man ondersteunen.
Ook op de figuur van Silenos hebben de oude kunstenaars zich dikwijls geoefend, en zij stelden hem voor of als opvoeder van den jongen Bacchus met het kind in de armen en vol liefde op hem neerziende, waaruit dus elke komische trek werd geweerd, of als den onverzadelijken maar steeds gemoedelijken wijnzweiger. In dal geval is de wijnzak zijn vast attribuut en verder de Thyrsos en de klimopkrans, dien wij ook bij andere figuren van den kring van Bacchus vinden. Een bijzonder fraaie groep, Silenos als oppasser van den kleinen Bacchos, vriendelijk het kind toelachende, vindt men in hel Museum van het Louvre te Parijs (fig. 50). Kopieën in Braccio nuovo van het Vatikaan en in Munchen.
Naast den eenen Silenos, bekend als den opvoeder van Bacchos. nam men een menigte van Silenen aan. Men kan de aanleiding daartoe niet meer met zekerheid weten. Misschien stelden zij een bijzondere soort van natuurgodheden voor. en wel het stroomende en opwellende water, of mogelijk ging men alle oude Satyrs Silenen noemen.
Twee persoonlijkheden, die tot het geslacht der Silenen behooren en een belangrijke rol spelen in de sage van Dionysos, verdienen bijzondere vermelding, namelijk Marsyas en Midas. Marsyas was zooals alle Satyrs meester in het fluitspel en ging met Apollon. die d-j citer bespeelde, een wedstrijd aan. Hij, die den strijd zou verliezen, zou zich geheel en al
Tweede gedeelte.
ter beschikking stellen van zijn tegenpartij. En Apollon maakte een gruwelijk misbruik van de behaalde overwinning. Hij hing namelijk Marsyas aan een denneboom op en stroopte zijn huid af. Als de plaats van dit voorval wordt een hol genoemd nabij Kelaenae in Phrygië. waar de rivier Marsyas ontspringt.
Myron, een tijdgenoot van Phidias, heeft Marsyas voorgesteld op het oogenblik, waarop Athena de fluit had weggeworpen. Een kopie daarvan is in Rome op het museum van het Lateraan.
Midas is de fabelachtige stichter van het Phrygische rijk in Klein-Azië, die uit Macedonië daar zou zijn gekomen. De sage noemde hem den zoon van Kybele, die haren lieveling met buitengewone schatten overlaadde. Maar het ging hem toen als zoovele stervelingen in zulke omstandigheden. Zijn hebzucht groeide even spoedig als zijn vermogen aan en verleidde hem tot de domste dingen. Op zekeren dag nu was een dronken Silenos uit het gevolg van Bacchos in den bloementuin van Koning Midas verdwaald, werd door den koning gastvrij opgenomen, tien dagen lang schitterend onthaald en toen teruggebracht. Uit dankbaarheid stond Silenos hem toe een wensch te doen. En toen gaf Midas als zijn verlangen te kennen, dat al wat hij aanraken zou goud mocht worden. Natuurlijk werd de vervulling van dien wensch hem tot groote kwelling, en hij kon slechts gered worden, door zich op bevel van den god in de rivier Pactolos te baden, die sedert dien tijd goud bevatte. — Een latere fabel maakt Midas tot scheidsrechter in een muzikalen wedstrijd tusschen Apollon en Marsyas, bij welke gelegenheid hij de bekende ezelsooren kreeg, omdat hij ten gunste van Marsyas had beslist. In deze fabel ligt natuurlijk de verklaring van het sileenachtig wezen van Midas.
Grieksche en RomeinscheBoschdaemonen.
Fan.
Pan, de herder, is een overoude Grieksche bosch en herdersgod, die oorspronkelijk slechts door de bewoners der Arkadische berglanden en andere herdersvolken vereerd, eerst later algemeen erkend werd en tot hoogeren rang kwam. Volgens het gewone verhaal is hij een zoon van Hermes en de nimf Penelope, een dochter van Dryops. Zijne moeder schrikte geweldig, toen zij het kind voor het eerst zag ;
Ue goden der aarde. Pan.
want het had horens, was geheel met haar begroeid en had bokspooten. Maar zijn vader droeg hem in een hazevel gewikkeld naar den Olympos en vertoonde hem aan de overige goden, die niet weinig behagen vonden in den vreemd uit-zienden kleinen boschduivel.
In Pan zagen de Grieksche herders van oudsher hunnen krachtigsten bescherrner, en daarom waren hem ook bij uitstek de bergspelonken, waar men op den avond of bij dreigend onweer het vee heen dreef, heilig. Dergelijke Pansholen waren bij menigte in de Arkadische bergen, maar ook aan den voet van de Akropolis te Athene, aan den berg Par-
nassos en op vele andere plaatsen. Men stelde hem zich voor als een zeer vroolijk en levenslustig god, die bij voorkeur als jager door het bosch zwierf, en daarom stond Pan bij de jagers even hoog aangeschreven als bij de herders. Ook de vischvangst en bijenteelt stonden onder zijne hoede.
De herdersgod is ook een liefhebber van muziek. Als hij \'s avonds van de jacht thuis komt, zoo verhaalt de Homerische hymne, dan speelt hij zoete melodieën op de door hem uitgevonden herdersfluit, de Syrinx, en dan bezingen de Oreaden den lof der goden en voeren vroolijke reidansen uit. De fabeldichters maakten Syrinx tot een nimf, waarop Pan vurig verliefd was geraakt, maar die zijne liefde ontvlood; en toen Pan haar toch steeds vervolgde, smeekte zij Gaea om een toevlucht, en deze veranderde haar bij die gelegenheid in riet. Daaruit sneed toen Pan zeven pijpen van gelijkmatig
quot;7
Tweede gedeelte.
verschillende lengten, voegde die naast elkaar en kreeg toen de zoogenaamde Syrinx.
Even hartstochtelijk als van muziek houdt Pan van dans. Hij is, zooals de dichter Pindarus zingt, gt;de volmaaktste danser onder de goden \'\' Het liefst danste hij op bloemenvelden in gezelschap van de bergnimfen en deed allen om de potsierlijke sprongen lachen, die hij alleen met zijn bokspooten kon maken.
Als boschdaemon heeft Pan ook de gave van voorspelling; ja, volgens sommigen zou hij die gave aan Apollon hebben medegedeeld. Zeker is het dat hij een zeer oud orakel had bij Akakesion in Arkadië.
Daar het eenzame, woeste berglandschap en het dichte overoude woud bij de eenzame reizigers gewoonlijk angst opwekken, helde men er toe over om elke plotseling opkomende en onverklaarbare vrees aan den invloed van Pan toe te schrijven, en sprak men van Panischen schrik. Men verhaalde dat hij er van hield, om den reiziger door allerlei vreemde geluiden en stemmen schrik aan te jagen. Daaruit ontsproot \'ook de sage, dat hij Zeus in den krijg tegen de Titanen belangrijke diensten heeft bewezen. Toen hij namelijk op een door hemzelf uitgevonden schelptrompet begon te blazen, werden de Titanen plotseling door schrik bevangen ; een verhaal, dat evenzoo luidt, als omtrent den Triton in den reuzenstrijd, De Atheners voerden den eeredienst van Pan eerst in, toen hij hunnen bode op weg naar Sparta er om gevraagd had, en zij geloofden, dat hij hun in den slag van Marathon geholpen had.
Dat zijn de oudste en eenvoudigste elementen in het karakter van Pan. Hij kreeg hoogere beteekenis, toen men hem als begeleider der sGroote Moederquot; ging beschouwen en hem in den kring van Bacchus plaatste. Van toen af zag men in hem een vertegenwoordiger der natuurlijke voortbrengingskracht, evenals in den Attis van Phrygié, en maakte men hem ten uevolge van verkeerde opvattingen van zijn naam (al) tot god en schepper van het heelal. En toen Pan eens in het gevolg van Dionysos was opgenomen, vervielen dichters en kunstenaars er spoedig toe om vele groote en kleine Pans (Pa-nisken) aan te nemen, die dan ook licht met Satyrs of Silenen werden verwisseld.
De hoofdtempel van Pan was in Arkadië. Men bracht hem
!Je goden der aarde. Faunus,
koeien, geiten, schapen en drankoffers van me\'k, honig en mos.
In de kunst onderscheidt men een oude en een jonge voorstelling van Pan Ue oudste Ls uit den besten tijd der Gricksche beeldhouwkunsten is, behalve de opkomende horens aan beide zijden van het voorhoofd, geheel raensehelijk. In later rijd gaf men hem volwa-sen horens, een langen geitenbaard en bokspooten. Een overgebleven muurschildering uit 1 ler-culanum, thans te Napels, ifig. 51 : bewaart de herinnering aan de jongere voorstelling. Syrinx en herdersstaf, bij afwisseling een dennekrans, zijn zijne aitributen.
Silvunus.
Silvanus is een boschgod. die in Italië thuis behoort en met Pan zeer veel overeenkomst heeft. Zijn naam (van silva bosch) duidt geheel zijn functie aan. en hij, die den measchen gunstig gestemd is, den wasdom van boomen en planten bevordert en de veehoeders onder zijne bescherming neemt, heeft het bosch tot woonplaats. Als het te pas komt, is hij een even plaagzieke spookgeest als Pan, die den eenzamen reiziger gaarne kwelt en onverwachts doet schrikken. Maar men strekte het gebied zijner werkzaamheid ook verder uit (ian het bosch en beschouwde hem ook als den zegenenden god van tuinen en ooftgaarden. In dien geest is hij verwant aan Terminus, den god van de grenzen en van het grondeigendom, die akker, tuin en huis tegen allerlei rampen beschermde. Men offerde aan hem de eerstelingen van velden boomvruchten. Vrouwen hadden geen toegang tot zijne plechtigheden. Hij had twee tempels in Rome : een op den Viminalis, een anderen op den A vent in us.
In de beeldende, zoowel als in de dichtkunst is hij een grijsaard, op de wijze der landlieden opgesmukt, die bloeiend priemkruid en leliën van zich schudde. Als attribuut had hij ook we! een tüinmes.
Faunus ni Fainw..
In karakter nauw verwant aan Silvanus was Faunus, een der oudste inheemsche goden van Italië, een goede geest in het gebergte, op beemden en weiden, in wien de herders hun beschermengel zagen, omdat hij het vee vruchtbaar maakte en de schadelijke roofdieren van hen weerde. Als vruchtbaarheid schenkende god heet hij Inuus, als beschermer tegen het wild Lupercus (eigl. die den wolf weert . Hij verkeert evenals
Tweede gedeelte.
Pan gaarne in het woud, waar hij ook nu en dan den menschen schrik en angst op het lijf jaagt. Ook overvalt hij hen \'s nachts in huis en kwelt hen met kwade droomen en schrikbeelden (Incubus). Hij heeft evenals Pan de gave der voorspelling en openbaart zich in droomen of op andere wijzen. Daarom heette hij ook Fatuus en had hij een beroemd orakel aan de vlakte te Tibur aan de bron Albunea. Maar toen de dichters tot het verdichten van een menigte van Faunen waren overgegaan, lag het voor de hand ze met de Grieksche Satyrs te vereenzelvigen.
Ter eere van dezen zeer populairen god vierde men verschillende feesten, waarop men hem bokken offerde en melk en wijn plengde. De Faunalia werden gevierd op de Nonae (511) van December ; dan gaf men zich aan vroolijkheid en uitgelatenheid over, hield feestmalen en gunde ook den slaven menige vrijheid. Het eigenlijke verzoeningsfeest voor Silva-nus waren de Lupercalia, die op 15 Februari met inachtneming van zeer ouderwetsche gebruiken gevierd werden. Het merkwaardigste daaronder was het rondloopen der Luperci of priesters van Faunus, die nadat zij het offer hadden gebracht slechts met een schootsvel, gesneden uit de huid der geofferde bokken, gekleed van den tempel des gods. die op den Palatijnschen berg gelegen was (Lupercal), door de straten van Rome liepen, en allen die hun ontmoetten met riemen sloegen, die evenzoo uit de huid der offerdieren waren gesneden. Kinderlooze vrouwen Hepen hun opzettelijk te gemoet, omdat men geloofde, dat door die riemslagen de kinderloosheid, die in de oudheid tot schande werd aangerekend, afgeweerd kon worden. Als verzoendag heette die dag dies februatus (van februare = reinigen), en daarnaar heeft de maand haar naam.
Het vrouwelijk pendant van Faunus en toch niet zijne echtgenoot is Fauna, een godin die aan het veld zegen en wasdom schenkt, ook Maia en Bona Dea genaamd. In den nacht van 3 op 4 December brachten de vrouwen haar ten huize van den fungeerenden Consul of Praetor ürbanus een van ouds heilig offer, waarbij geen mannen werden toegelaten.
Wat de voorstelling van !\' aunu betreft, deze kwam geheel overeen met die van Pan, waarmee hij meest werd verwisseld. Een in rood marmer vervaardigd beeld van Kaunas, Uiitmunlend van bewerking) uit den tijd der Komeinsclie Keizers is op het museum vati het C apitool in Rome aanwezig. Het beeld i-gt; weiliehl aan een origineel van l\'raxiteles ontleend.
I 20
De goden der aarde. Satuinus.
Priapus.
Het schijnt dat de dienst van den bekenden tuin- en veldgod Priapos(-us) langen tijd in de streken aan den Hellespont gevestigd bleef: want de oudste dichters spreken er niet van. Hij was een daemon van eiken weelderigen plantengroei een zoon van Dionysos en Aphrodite. Men kende hem invloed toe op de vruchtbaarheid van geiten en lammeren en bracht ook bijenteelt en vischvangst onder zijn hoede. Bij voorkeur echter bleef hij beschermgod van tuinen en wijnbergen. Men offerde hem ezels, wat dichters aa leiding gaf tot allerlei schertsende verhalen over den haat van Pria-pos tegen dat dier. Bovendien schonk men hem de eerstelingen der korenschoven en veldvruchten en drankoffers van melk en honig. Zijn dienst kwam in Italië tegelijk met dien van Venus, zonder dat men hem met een inheernschen veldgod vereenzelvigde.
Voor de hoogere kunst heeft deze godheid geen beteekenis. Men placht tamelijk ruwe herraesachtige beelden, uit hout gesneden, in de tuinen Ic plaatsen. Zijn vaste attributen waren het tuinmes en een knots.
Saturnus en Ops.
Tot de oudste inheemsche goden van alle Italiaansche volksstammen, die landbouw en veeteelt beschermden, behoo-ren Saturnus en Ops. Aan Saturnus nu schreef men de invoering van den landbouw toe,, de vruchtenteelt en den wijnbouw, en vereerde hem dus als den grootsten weldoener van het menschdom, die niet slechts stoffelijke welvaart bevorderd maar ook hoogere zedelijkheid op de wereld had gebracht. Toen de Romeinen de Grieksche mythologie hadden leeren kennen, vereenzelvigden zij Saturnus met Kronos. en daaruit vloeide de sage voort, dat Saturnus naar Italië was gevlucht, toen hern zijn zoon Jupiter van den troon had gestooten. en hij, toen Janus hem gastvrij had opgenomen, zijn zetel aan den voet van den Capitolijnschen heuvel had gekozen. Daarna veree-nigde hij de menschen. die toen nog niet in vaste woonplaatsen waren gevestigd, tot een staatkundige gemeenschap, en voerde een tijdlang zelf het bestuur, dat als de gouden eeuw bekend is. Ter herinnering aan dien gelukkigen tijd, toen
I 2 I
Tweede gedeelte.
de menschen nog van geen wereldsche zorgen en beslommeringen kennis hadden, vierde men van 17 tot 20 December de Saturnaliën, Dat feest, dat met verschil van beteekenis in de hedendaagsche Carnevals voortleeft, werd vooral in Rome schitterend gevierd. Uitbundige vroolijkheid heerschte dan in de geheele stad, die zich in allerlei scherts en jokkernij kenbaar maakte, elk verschil van stand scheen als weggenomen, rechtbanken en scholen waren gesloten, in de winkels werd niet verkocht. De hoofdfeestdag was de £9 December, een bij uitstek genoegelijke dag voor de talrijke slaven en slavinnen, want op dezen dag was niemand slaaf in Rome; men liet hen zich kleeden als vrije lieden, en vorderde niet slechts geen dienst van hen, maar zelfs werden zij aan tafel bediend door de meesters en mochten eten en drinken, zooveel zij wilden : in het kort, zij mochten op dien éénen dag van het jaar al de kwellingen der slavernij vergeten. Rijke Romeinen plachten op dien dag hun disch beschikbaar te stellen voor iedereen en met elkaar te wedijveren in de wijzen, waarop zij hunne gasten ontvingen. Met deze feesten was een feestoffer aan Sa-turnus verbonden, en gedurende die dagen nam men het beeld de wollen linten af. die het geheele overige deel van het jaar om zijne voeten waren gewikkeld, opdat de god zich niet kon verwijderen en den no idigen zegen meenemen; in de feest-nachten werd de tempel met waskaarsen verlicht. Ook openbare spelen in den circus verhoogden de vreugde van dit echt Romeinsche volksfeest
Reeds Tarquinius Superbus was begonnen den hoofdtempel aan te leggen voor Saturnus, maar eerst in de eerste jaren na invoering van den vrijen staatsvorm kon die worden voltooid. Hij lag op de helling van het Capitool aan den kant van het forum, en onder den bodem was een gemetseld gewelf, waarin het aerariurn, de staatskas van Rome, bewaard werd. Den god, van wien alle welvaart uitging, vertrouwde men ook de hoede over de staatskas toe.
Als echtgenoot van dezen god en als beschermvrouw van zaad en oogst noemde men Ops, wier dienst dan ook nauw met dien van Saturnus verbonden was, terwijl ook haar beeld in zijn tempel geplaatst was. Op 25 Augustus, den laatsten dag van den dorschtijd, werd te harer eer een oogstfeest gehouden.
Saturnus en Ops werden ook geeerd als beschermgoden van huwelijk en opvoeding der kinderen ; want het lag voor
De goden der aarde. Flora.
de hand om hen. die groei en wasdom van het plantenrijk beschermden, ook de hoede over te laten over het opkomende menschdom.
Saturnus wordt altijd voorgesteld ais een oud man met een tuinmes of zeis tot attribuut.
Vertnmnus en Pomona.
Niet geheel ongelijk aan Saturnus en Ops zijn Vertnmnus en Pomona, maar de werkzaamheid dezer laatsten blijft beperkt tot de zorg voor den groei van tuinvruchten en ooft. Vertnmnus (van v e r t o) ziet op de aanhoudende veranderingen en wisselingen, die de plant vertoont van het oogenblik, dat zich een knop voordoet, tot den tijd der rijpheid. Daarom schreef men dezen god. ook een Proteusnatuur toe, d. i. zooals wij reeds weten, de eigenschap om verschillende gestalten aan te nemen. De eerstelingen van bloemen en vruchten waren voor Vertnmnus
Zegen op de vruchten gaf ook Pomona, wier naam reeds daaraan doet denken en die dus tot gemalin van Vertumnus werd gemaakt. P)eide godheden hadden te Rome een eigen priester of Flamen; maar die in gering aanzien was.
De kunst stelde dezen god als een sclioonen jongeling voor, met een kroon van korenaren of loof 0111 het hoofd en een horen van overvloed in de rechterhand, die wel eens afgewisseld werd door een schaal met tuinvruchten of een tuinmes. Pomona geleek in de oude voorstelling zeer op de Ilore van deu herfst: een schoon meisje met takken van vrucht boomen in de hand. Men kan echter niet met zekérheid op overgebleven stukken wijzen.
Flora.
Tot de landbouwgoden van minderen rang behoort ook Flora, de godin van bloemen en bloesems, bij de Sabijnen en in het algemeen in de binnenlanden van Italië zeer geëerd. Men zegt dat Numa reeds dien dienst onder leiding van een afzonderlijken priester in Rome zou hebben gebracht, maar later kreeg zij de hoogere beteekenis van een moederlijke godin, tot w:e de vrouwen hare gebeden richtten, als zij meer dan menschelijke hulp noodig hadden. Haar feest (de Floralia) werd onder groote uitgelatenheid gevierd van 28 April tot 1 Mei. De deuren der huizen werden dan niet bloemkransen versierd, en ook droeg men bloemen in het haar. Sedert den
123
Tweede gedeelte.
eersten Punischen oorlog kwamen nog afzonderlijke spelen daarbij, die een zeer vrooiijk en opgewonden karakter hadden, en in plaats van op groote dieren voerde men toen in den circus jachten in op allerlei klein wild, zooals hazen, reeën en dergelijke.
Flora werd voorgesteld als een More van de lente : een meisje in den bloei der jaren met bloemkransen gesmukt. Eene schoone levensgroote figuur is in het Museum te Napels, de Flora Farnesi, afkomstig van de baden van Caracalla in Rome (fig. 52). Het is twijfelachtig of de zoogenaamde Flora van het Museum op het Capitool inderdaad een Flora is; het is een levensgroot beeld van marmer met een krans op het hoofd.
Pales.
Pales of Pares is een oude herdersgodin der Italische volken, die in verband wordt gebracht met den naam Palatium, een heuvel van Rome, waar waarschijnlijk oudtijds een herders-kolonie was gevestigd. Haar smeekten de herders in Italië om vruchtbaarheid en gezondheid bij de kudden. De feestdag van de stichting van Rome, de Palilia, de 21 April, gold tegelijk als een feestdag voor haar. Daarbij ging het zeer landelijk toe en hadden zeer ouderwetsche gebruiken plaats, waaronder het merkwaardigste is, dat de herders tot reiniging hunner zonden door een ontstoken stroovuur sprongen en ook hun vee door het brandende stroo lieten springen. Men offerde aan de godin gierstkoeken en melk.
Men bezit geen voorstelling van deze godin.
Terminus.
Terminus moet, al werd hem ook geen invloed toegekend op het gedijen van het zaad en de vruchtbaarheid der kudden. toch tot de goden van den landbouw gerekend worden: want onder zijn bijzondere hoede stond de grens. In overeenstemming daarmee is hij de beschermer van het bijzonder eigendom, alle grenssteenen waren hem geheiligd en de plaatsing daarvan ging met godsdienstige plechtigheden gepaard En om het volk de belangrijkheid van een zekere, vertrouwbare grens te doen inzien, stelde koning Numa de Terminalia, een feest voor den grensgod in, dat op den 2311 Februari gevierd werd. De eigenaars van elkaar belendende stukken
124
De gudcn der aarde. Demeter
grond bekransten dan den grenssteen en offerden den god een koek, een lam of een big.
In uitgebreider zin werd nu ook Terminus de god, onder wiens schots en hoede de grenzen van den staat werden gesteld. Als zoodanig had de god een kapel in den tempel van Minerva op het Capitool, en in het midden van den tempel van Jupiter op het Capitool stond een beeld van hem. De sage verkla-art de aanleiding tot dit laatste daarmee, dat, toen Tarquinius Priscus den groeten tempel voor Jupiter wilde aanleggen, wegens de beperkte ruimte verscheidene reeds bestaande heiligdommen moesten worden weggeruimd, wat slechts met toestemming der betrokken godheden mocht gebeuren, Door Auguria, waarneming van de vlucht der vogels, om hunne toestemming gevraagd, scheen het, dat allen wel voor den oppergod wilden wijken, behalve Terminus. Zoodoende werd zijn beeld in den tempel van Jupiter ingesloten.
De afbeeldingen van Terminus zijn zonder waarde voor de hoogere kunst. Zij hadden het karakter der Hermesbeelden.
Demeter (Ceres).
Demeter, een dochter van Kronos en Zeus, is naar hare beteekenis de moeder der aarde, naar haar inhoud een bijzondere uitdrukking van de overoude voorstelling der\'aardgodin, verbonden met het denkbeeld van hare betrekkingen tot de natuur en de menschelijke beschaving. Haar schreef men bij uitnemendheid het gedijen der veldvruchten toe, en men maakte haar vervolgens tot de beschermster van alle bezigheden, die met den landbouw in nauwere of meer verwijderde betrekking staan. Zij zou den menschen den landbouw onderwezen hebben. Daardoor wordt de Demeterdienst verheven tot een eigenlijken eeredienst; want zij onttrok de menschen juist door den landbouw aan hun lagen staat van jagers- en herdersleven, en betoomt hunne aanvankelijke ruwheid en woestheid door wet en recht. Zoo wordt zij de zegenrijke hemelsche godin.
In dit opzicht, dus als de stichtster van staatkundige en burgerlijke orde, valt haar beeld samen met dat van Dionysos, wiens heilzamen invloed op menschelijke ontwikkeling en rechtstoestand wij hebben leeren kennen. Vandaar het nauwe verband van die beide groote godheden in de mysteriën, waar Dionysos-Bacchos als zoon van Demeter en bruidegom van
125
Tweede gedeelie.
Kore-Persephone optreedt. En om die nauwe betrekking van Demeter tot het menschelijk geslacht in den eersten grondslag van een welgeordende staatsinrichting, werd zij voor de stichtster van het huwelijk gehouden — het huwelijk toch is de noodzakelijke grondslag der burgermaatschappij — en voor de godin, die de volksvergaderingen leidde en beschermde.
Onder de heilige sagen, die zich aan den naam van De-meter vastknoopen, is geene meer bekend en vóórhaar dienst van meer beteekenis, dan die van den roof harer dochter Persephone of Kore. Deze speelde eens met de Okeaniden op de bloemrijke velden van Henna op Sicilië en vermaakte zich niet bloemen plukken en kransen vlechten. Maar toen zij een oogenblik hare vriendinnen verlaten had om een narcis te plukken, opende zich plotseling de grond voor hare voelen ; uit den gapenden bodem rees Hades ofPluton. zittend op een wagen door snuivende paarden getrokken, en de beheerscher van de onderwereld schaakte het angstig schreiende meisje, wier verzet niets baatte, met de snelheid van den storm. N\'og eer hare speelgenooten haar misten, was Persephone reeds in de duistere onderwereld. Maar Zeus wist er van ; ja, hij had zijn broeder buiten de moeder om het schoone meisje beloofd. Spoedig miste nu Dimeter haar dierbaar kind, en toen zij van niemand kon gewaar worden, waar het gebleven was, ontstak zij fakkels en dwaalde vol kommer haar spoor zoekende negen dagen en nachten lang door alle landen der aarde, totdat haar eindelijk de alziende en alhoorende Helios met het gebeurde in kennis stelde en ook niet verzweeg, dat de schaking door Hades met medeweten van Zeus had piaats gegrepen. Vertoornd en bekommerd trok zich nu de godin uit den kring der overige goden in stille eenzaamheid terug, terwijl inmiddels elke vruchtbaarheid op aarde ophield en een algemeene hongersnood het menschdom dreigde te vernietigen. Tevergeefs zond toen Zeus een bode na den anderen om de vertoornde moeder tot terugkeer naar den Olympos te overreden. Zij zwoer niet te zullen terugkeeren en geen vrucht te laten wassen, totdat haar haar dierbaar kind zou zijn weergegeven. Toen moest Zeus er wel toe overgaan om Hermes naar de onderwereld te zenden en den beheerscher er van te verzoeken, dat hij Persephone weer naar de bovenwereld zou brengen. Met vreugde vernam zij het gegeven bevel; maar bij het afscheid gaf Hades aan Persephone een graan-
De goden der aarde, üemeter.
korrel te eten, waardoor zij aan hem gebonden werd. en niet meer voor altijd bij haar moeder kon teiugkeeren. Daarop kwam door bemiddeling van Zeus een verdrag tot stand, waarbij bepaald werd, dat Persephone twee derden van het jaar op de bovenwereld bij hare moeder zou blijven en den overigen tijd van het jaar in de onderwereld aan de zijde van haren echtgenoot. En zoo rijst zij dan elk jaar met de terugkomst der lente uit de diepte van het onderaardsche rijk op tot wellust en vreugde harer goddelijke moeder, om in het einde van den herfst weer neer te dalen in het rijk der schimmen en der duisternis.
De beteekenis van deze mythe is niet moeielijk te vinden: het is de zinnebeeldige voorstelling van de afstervende en herlevende plantenwereld, een tooneel dat zich jaarlijks voor onze oogen herhaalt. Als Kore gedurende de wintermaanden in het nik van Hades vertoeft, schijnt de natuur bedroefd en in rouw over het verhes der dochter. In de Mysteriën te Eleusis werd dit regelmatige wegsterven en herleven van het plantenrijk als het zinnebeeld van een verhevener gedachte opgevat; van de onsterfelijkheid der ziel. Aan ieder raenschenleven afzonderlijk valt het lot van Kore ten deel: ieder levend wezen wordt de prooi van den ijskouden, onverbiddelijken dood, maar slechts om tot een schooner en kostelijker leven te verrijzen na de duisternis van het graf.
In nauw verband met deze schoone, beteekenisvolle mythe staat een andere, die de stichting der mysteriën in Eleusis verklaren moet. Toen Dcmeter na het verlies harer geliefde dochter tegen Zeus en alle Olympische goden wrokkend in de gedaante eener arme oude vrouw over de aarde dwaalde, kwam ze ook in Eleusis. De dochters van Keleos, Koning dezer stad, zagen, aan de maagdenbron gekomen om water te halen, haar daar op een steen zitten en boden haar een dienst aan in het huis harer ouders, waar zij de verpleging kon op zich nemen van een voor korten tijd geboren knaapje Demophon. De godin, die zich Deo noemde, nam het aanbod aan en vond nu gastvrijheid in het huis van Keleos, terwijl zij tevens de verzorging van den jonggeboren prins ten taak had. Den prins nu kreeg zij zoo lief, dat zij het plan opvatte hem onsterfelijk te maken en hem daarom bij dag met Ambrosia zalfde en des nachts in den gloed van het haardvuur hield. Toen echter op zekeren nacht de moeder van het kind haar bij die bezigheid bespiedde en het
Tweede gedeelte.
kindergeschrei haar stoorde, kon Demeter haar welmeenende bedoeling niet verwezenlijken. Maar daarop openbaarde zij haar ware persoonlijkheid aan Keleos en gelastte hem een tempel inEleusis te stichten, en toen die tempel door hare hulp spoedig gereed was, wijdde zij hem en eenige andere vorsten van Eleusis, Tripto-lemos, Eumolpos en Diokles. in de heilige gebruiken van haren dienst in. Aan Triptolemos, die ook wel de zoon van Keleos genoemd wordt, droeg zij de taak op om den landbouw en haar dienst verder te verspreiden en leende hem daartoe een met draken bespannen wagen, waarop hij door de landen der aarde rondtrok, overal de zegeningen van den landbouw brengende en de menschen vereenigende door staatkundige orde. Niet overal echter wilde men hem goedschiks opnemen, en de godin moest menigmaal de verachters harer gaven met straffende hand tot de aanneming dwingen, zooals bij Lynkeus, den vorst der Skythen,ofErysichthon, den koning van Thessalië. Maar eindelijk zegevierde hare zaak, en de dienst van de heilschen-kende godin van den landbouw breidde zich uit over de ge-heele bebouwde aarde. Hoofdplaats van den eeredienst van Demeter bleef Eleusis, een liefelijk gelegen stadje aan de golf van Salamis, ook nog nadat het alle zelfstandigheid verloren had en van de Atheners afhankelijk was geworden; de mysteriën, die op den roof van Kore betrekking hadden, werden te Eleusis en te Athene gevierd.
De Eleusinische mysteriën worden onderscheiden in groote en kleine ; de eerste werden in Athene gevierd in de maand Anthesterion (Februari) en waren een soort van voorbereiding tot de groote Eleusinia, die negen dagen lang in de maand September, deels in Athene, deels in Eleusis plaats vonden. Aan de geheime plechtigheden mochten echter zij alleen deelnemen, die in de mysteriën waren ingewijd. Het glanspunt van het feest was de groote, plechtige optocht, die op den vijfden dag van Athene naar het vier uren ver gelegen Eleusis plaats had. Alle deelnemenden, soms wel dertig duizend, droegen mirtekransen en, daar men eerst met het vallen van den avond uit Athene trok, fakkels in de hand.
Van\'minder beteekenis dan de Eleusinia zijn de Thesmo-phoria, een feest, dat men in het begin van November ter eere van Demeter vierde als godin van huwelijk en wetgeving.
De Ceres der Romeinen komt met Demeter in allen deele overeen. Zonder twijfel is zij een oorspronkelijk Italische god-
De goden der aarde. Demeter.
heid, maar reeds in de eerste jaren na de stichting van de Republiek werd haar dienst met dien van den toen ingevoerden
dienst van Demeter vereenzelvigd. Ceres bleef echter bij uit. stek de godheid der 1\'lebeiers, cn over haar tempel waren
9
129
Tweede gedeelte.
I30
ook slechts plebeische Aediles aangesteld. Het hoofdfeest van Ceres en van de met haar verbonden godheden Liber en Libera viel op 19 April, de lentemaand in Italië, en was bij uit-
nemendheid aan de goden van den landbouw gewijd. De Cerea-lia werden met een grooten optocht geopend, waarbij alles in het wit gekleed ging en plechtige offers en spelen in den
De goden der aarde. Persephone.
Circus werden gehouden, waarvan de leiding aan de plebeï-sche Aediles was opgedragen.
De Romeinsche vrouwen vierden buitendien in Augustus de plechtigheid van het terugvinden van Proserpina, bij welke gelegenheid zij in het wit gekleed de eerstelingen der vruchten offerden. Het gewone offer, dat men aan Ceres bij Grieken en Romeinen bracht, was het zwijn, als zinnebeeld van vruchtbaarheid, bovendien koeien, de eerste vruchten en honigraat.
De uitdrukking in het gelaat dezer godin is altijd verheven en waardig, minzaam en zachtaardig. Hare hoofdzakelijke attributen zijn de fakkel, een krans van korenhalmen in de hand en een krans van korenaren in het haar gevlochten, maankop en een korf met bloemen. Onder de niet vele beelden dezer godin uit de oudheid is bekend: de terracotta buste, waarschijnlijk van Tanagra afkomstig uit de vijfde eeuw, maar van meer beteekenis is een grootsch, kolossaal beeld in het Museum op het Capitool, met een moederlijk, vriendelijk gelaat. Men houdt dit stuk voor de goede kopie van een origineel uit de school van Phidias. Vervolgens een schoon marmeren beeld bij Knidos gevonden van Demeter, op een troon gezeten, en thans in het Hritsch Museum te Londen. Op een jongere bewerking wijst een beeld in de Villa Borghese in Rome, met prachtige bekleeding. In het Museum te Napels is een schildering uit Pompeji (fig. 53)» die haar voorstelt als de godin, die op haren troon gezeten den landbouw zegent, in de eene hand een brandende fakkel houdende, die uit twee bloemkelken in elkaar is gezet, in de linkerhand een korenschoof, Tn Athene is een reliëf uit Eleusis bewaard, waarop het knaapje Triptolemos tusschen de twee godinnen Demeter en Persephone geplaatst is (fig. 54).
Persephone (Proserpina).
In Persephone, dat is, die het licht vernietigt, lt;fe godin der onderwereld, die de Atheners liever met den mystieken naam van ICore bestempelden, liggen twee verschillende begrippen opgesloten. Eensdeels namelijk is zij als de gemalin van den beheerscher der onderwereld overeenkomstig met dit begrip eene duistere, daemonische macht, die al wat leeft meedoogenloos heentrekt naar den donkeren schoot der aarde, waarom dan ook het graf den naam had van de kamers van Persephone. In die beteekenis alleen kennen haar Homerus en de latere schrijvers der heldendichten ; zij komt daar alleen voor als de stroeve, naast haar ernstigen gemaal tronende beheerscheres van het uitgestrekte schimmenrijk, waarin het gedwongen verblijf eiken mensch het treurigste en jammerlijkste lot toescheen. Aan den anderen kant echter is zij juist de Kore, het zalige kind der alvoedende, goedige, zegen-
Tweede gedeelte.
132
schenkende moeder-aarde, dus de verpersoonlijking der nooit ophoudende groeikracht in de natuur, waardoor jaarlijks de weelderigste plantengroei zich voor onze oogen ontwikkelt om in het najaar weer in het niet te zinken. In engeren zin is
zij ook het zinnebeeld van den graankorrel, die in de aarde gebracht een tijd lang voor onze oogen rust om zich daarop tot een nieuw leven te verheffen. Het lag voor de hand om aan dit laatste denkbeeld dat van onsterfelijkheid vast te
De goden der aarde. Hades.
knoopen, waarvan Persephone dan ook in de geheimenissen of mysteriën het zinnebeeld is geworden. Wel weten wij slechts weinig bijzonderheden van de mysteriën, maar het is ons bekend, dat zij ten doel hadden zuiverder en beter voorstellingen van het leven hiernamaals te verspreiden, dan in het volksgeloof der Grieken gangbaar waren. Terwijl naar dit volksgeloof de zielen in de onderwereld slechts het doffe en treurige schijnleven leidden van schimmen, werd den ingewijden verklaard, dat de dood een wedergeboorte der ziel was, een overgangsperiode tot een schooner en glansrijker bestaan, mits de mensch door een rechtvaardigen en den Goden welgevalligen levenswandel de zaligheid verdiend had.
Aan de Romeinen, die in het algemeen alle voorstellingen omtrent de onderwereld aan de Grieken ontleend hebben, was de dienst van Proserpina, — het woord is slechts eene omzetting van het Grieksche Persephone, — oorspronkelijk geheel vreemd. Zij verbonden met haar een oude landelijke godheid van vruchtbaarheid, Libera, het vrouwelijk tegenbeeld van Liber of Bacchus, onder welken naam zij dus hetzelfde aanduidt als het Grieksche Kore.
Men offerde aan Persephone als eene onderaardsche godin zwarte, onvruchtbare koeien; afzonderlijke tempels schijnt zij niet te hebben gehad.
Voor de kunst was Persephone van weinig beteekenis; beelden van haar zijn zeer zeldzaam. Men stelde haar voor óf als de liefelijke dochter van Demeter, óf als de strenge ernstige vorstin van het schimmenrijk en als zoodanig kent men haar aan den scepter en den diadeem. Anders zijn hare attributen korenaren, maankop, de fakkel, als symbool der Eleusinische mysteriBn, de granaatappel en de narcis. Een schilderij uit Pompeji. in het Museum te Napels voorhanden, stelt haar als de vorstin van de onderwereld voor, gesluierd en met een schaal vruchten (fig. 55).
Huies (Pluto).
Dezelfde dubbele opvatting, die wij in Persephone hebben leeren kennen, vinden we ook bij haar echtgenoot Hades of Aidoneus, d. w. z. de onzichtbare, zooals hij bij de epische dichters heet, om de geheimzinnige duisterheid, waarin zijn persoon zoowel als zijn rijk gehuld zijn. Volgens de oude voorstelling is hij de besliste onverzoenlijke vijand van alles wat leeft, aan wien men niet zonder ijzing en vrees kan denken en van wien Homerus dan ook zegt, dat hij onder alle
133
Tweede gedeelte.
goden het meest door de menschen wordt gehaat. Maar spoedig baande zich een gematigder voorstelling betreffende Hades weg, en trad die zijde van zijn karakter op den voorgrond, waarnaar hij niet slechts uit den schoot der aarde aan de planten voedsel schaft maar ook een onmetelijken rijkdom van edele metalen in zijn onderaardsche gangen en mijnen ten nutte van den mensch oplevert. In dezen zin noemde men hem Pluton of Pluteus, den rijkmaker.
Hades behoort tot de oudste Grieksche godheden, is evenals Poseidon een broeder van Zeus en kreeg, toen de drie zonen van Kronos de wereld met elkaar verdeelden, het binnenste der aarde als zijn eigen en hem uitsluitend toebehoo-rend rijk, waarvan hij de poorten vast gesloten hield, opdat zonder zijn toestemming geen ziel weer zou terugkeeren in het licht der bovenwereld. Daar hij alle menschen zonder onderscheid, als hun bepaalde levensduur verstreken is, inde onderwereld trekt, heet hij ook wel Polydektes, d. i. die velen opneemt. En van de wijze en de middelen, waardoor Hades
zijne macht over de stervelingen uitoefent, had men in de oudheid begrippen geheel in overeenstemming met de duistere opvatting, die men van den god zelf had. Men beschouwde hem als een geweldig roover, sterk en verschrikkelijk,— zooals hij ook voorkomt in de mythe van den roof van Persephone, — die met snelle paarden zijn buit voortsleept. Later trad ook daaromtrent een gematigder opvatting op, en droeg men het ambt van de zielen der gestorvenen naar de onderwereld te geleiden aan Hermes op, die dus in deze kwaliteit de dienaar werd van Pluton of van den onderaardschen Zeus, gelijk hij
dat ook is van den Olympischen Fig. 56. Kop van Hades ZeUS.
Hoe ook het oorspronkelijke duistere begrip omtrent den onverbiddelijken doodsgod in den loop der tijden gewijzigd is, toch behield hij steeds voor de Grieken ijls huiveringwekkends. Daarom werden misschien be-
KU
De goden der aarde. De onderwereld.
halve den roof van Proserpina in het geheel geen mythen van hem gedicht. Hij heeft ook, behalve in het Triphylische en in het Elische Pylos, bijna geen tempels. Men offerde hem zwarte schapen, maar wendde, terwijl men het offer bracht, het gelaat af.
Zooals de Romeinen dezen god van de Grieken hebben leeren kennen, behielden zij ook de voorstellingen omtrent hem en noemden hem Pluto of Dis Pater. Hij had geen tempel, maar met Proserpina samen een onderaardsch altaar op het veld van Mars, dat éénmaal \'sjaars open kwam en gebruikt werd om de zwarte stieren te offeren.
De kunst heeft van dezen god, wiens naam men zelfs vreesde uit te spreken, weinig werk gemaakt. Van daar zijn weinig antieke afbeeldingen van hem te vinden. Stroeve gelaatsuitdrukking, gesloten lippen en woest neervallend haar kenmerken hem. Zulk een afbeelding is in het paleis van I\'rins Chigi te Rome (fig. 56). Een buste in het Vatiknan herinnert aan het Zeustype. Zijn attributen zijn scepter en offerschaal, soms ook een tweetandige vork of een sleutel.
De Onderwereld.
Het is hier de plaats om de denkbeelden te bespreken, welke de oude Grieken en Romeinen van het toekomstige leven en de verblijfplaatsen der gestorvenen hadden. Omtrent de R.omeinen evenwel dient men in het oog te houden, dat zij oorspronkelijk aan geen doodenrijk in het inwendige der aarde schijnen te hebben gedacht, maar alle daarop betrekkelijke voorstellingen van de Grieken hebben overgenomen. Intusschen schijnen ook bij de Grieken de denkbeelden omtrent dat punt niet altijd gelijk te zijn gebleven. Reeds in de gedichten van Homerus lezen we geheel verschillende aanwijzingen omtrent de ligging van het doodenrijk. Volgens eene plaats in de Ilias lag het onder de schijfvormige aarde, slechts door een dun dak van de bovenwereld gescheiden, zoodat Hades bang was dat het scheuren zou, bij gelegenheid dat de goden aan den strijd tusschen Grieken en Trojanen deel namen.
Toen springt de gogt;l des Schim men rijks van zijnen zetel op En geeft een Itiiden i;il en ziel verbleekt naar boven.
Bedrukt dat zulk een schok het aardrijk mocht doorkloven En \'t onverlicht gebied, den hemel zelfs ten schrik,
Zich eindelijk openen zou voor niensch- en godenblik
Tweede gedeelte.
Maar uit de Odyssee valt op te maken dat het Schimmenrijk niet onder de geheele aardoppervlakte ligt, maar in het verre Westen van de aarde, aan gene zijde van den Oceaan of op een eiland daarin. Zoo onbepaald en duister dus bij Homerus nog de denkbeelden omtrent de ligging van het Schimmenrijk zijn, even onbepaald is wat vermeld wordt omtrent de levenswijze der zielen. De onderwereld doet zich voor als een woeste, dorre ruimte, waarin men niet voor zijn genoegen komt, en waar de gestorvenen slechts als schaduwen en droombeelden rondzwerven. Nergens is eenig verschil tus-schen dezen merkbaar; want van een doodengericht is nog geen sprake. Het zoogenaamde Elysium, waarheen de bijzondere Hevelingen der goden gebracht worden, is bij Homerus nog geen afdeeling der onderwereld, maar een geheel onbepaald in het Westen gedacht land, de eilanden der gelukzaligen. Bij de latere dichters daarentegen worden de grenzen van de onderwereld duidelijker en scherper. Het is een uitgestrektheid in het binnenste der aarde, waarheen verschillende toegangen leiden uit de bovenwereld en die door de rivieren den Kokytos, den Pyriphlegethon, den Acheron en de Styx doorstroomd wordt. De Styx nu stroomt in vele kringen om de geheele onderwereld heen, en men kan ze slechts overtrekken met hulp van den veerman Charon, dien men als een gemelijk oud man met een ruwen baard dacht. Daarom gaven de Grieken aan de overledenen ook een obolos (een koperen munt van 6 a 7 cent) in den mond, zoodat de ziel van den gestorvene niet om het ontbreken van het veergeld behoefde te worden afgewezen. Aan den overkant waakte Aeakos, een neef van Pluton. met den vreeselijken hellehond Kerberos aan zijn zijde, een driekoppig monster, dat niemand belet om het huis van Pluto in te gaan, maar ieder om het te verlaten. Alle zielen moeten, in de onderwereld gekomen, terecht staan voor Minos, Rhadamanthys en x\\eakos. Op hunne uitspraak komen de rechtvaardigen in het Elysium, waar zij de eeuwige zaligheid genieten, maar de boosdoeners in den Tar-taros, waar de Erinyen en andere booze geesten hen vervolgen. Zij, die beslist goed noch beslist slecht waren, blijven op de Asphodelosweide, waar zij als schaduwen een eentonig bestaan hebben en geenerlei afleiding.
Zeer rijk aan poëtische stof was de onderwereld door de straffen, die de booswichten daar te lijden hadden.
De goden der aarde. De Erinyen. 137
Daarvan zijn de meest bekende Tityos, Tantalos, Sisyphos, Ixion en de Danaïden. Tityos lag namelijk, omdat hij de handen naar Leto had uitgestrekt, op den grond vastgebonden, terwijl twee gieren hem de steeds aangroeiende lever afknaagden. Tantalos moest eeuwig honger en dorst lijden, want hij, — de voorvader van Agamemnon en Menelaos, de zonen van Atreus, met wien de goden zelfs vriendschappelijk omgingen, had het gewaagd om hunne alwetendheid op de proef te stellen en hun het vleesch van zijn zoon Pelops als spijs voorgezet. Boven zijn hoofd hingen nu de kostelijkste vruchten, maar zoodra hij er naar wilde grijpen, joeg een windvlaag ze buiten zijn bereik de hoogte in ; langs zijne voeten stroomde het zuiverste water, maar als hij wilde drinken verdween het water plotseling in den bodem. Sisyphos, koning van Korinthe, die door tal van misdaden den toorn der goden had opgewekt, leed in de onderwereld de straf, dat hij een rotsblok tegen een hoogen berg moest opwentelen, dat dan telkens weer naar de vlakte rolde. Ixion, een zeer overmoedige booswicht, onderging de straf van met handen en voeten op een altijd wentelend rad gebonden te zijn. De Danaïden, die in den huwelijksnacht op last van hun vader Danaos hare echtgenooten hadden gedood, moesten een vat met doorboorden bodem vullen. Maar het wijze nageslacht vergeleek de straf van Tityos bij de kwelling, die de eerzuchtige zich veroorzaakt, Tantalos bij den gierigaard, die zich elk genot ontzegt, het werk van Sisyphos, bij den eindeloozen kommer der stervelingen, het rad van Ixion bij de veranderlijkheid der fortuin, en het vat der Danaïden bij de alles verspillende weelderigheid.
De Erinyen. (Furiën).
De dienaressen van Hades en Persephone zijn de Erinyen of Furiën, die daarom ook in de onderwereld haar blijvende woonplaats hebben : Tisiphone die moord wreekt, Alekto die niet rust en Megaera de vijandige. Het gaat met dit drietal evenals met de drie Gratieën, de drie Farcen en d.g.1. De Grieken stelden zich elke niet bepaalde hoeveelheid van zulke wezens in het heilig drietal voor. Volgens de oorspronkelijke beteekenis wreken en bestraffen zij elke stoornis door goden of menschen in de zedelijke orde te weeg gebracht. Maar toen later het
Tweede gedeelte.
denkbeeld der wrekende Nemesis zich al meer ontwikkelde, werd de beteekenis der Erinyen meer beperkt, en werd haar als speciaal gebied barer werkzaamheid van strafpleging de familie toegewezen. Onverbiddelijk vervolgen zij elke schennis van de door de natuur geheiligde banden des bloeds, inzonderheid moord van bloedverwanten. De belangrijkste treurspelen, die de Grieksche letterkunde kent, ontleenden aan deze voorstelling betreffende de wraakgodinnen hunne stof. Overweldigend en aangrijpend zijn de schilderingen van wraak en vervolging, voortgezet tot in het late nageslacht, om de euveldaden van een voorvader. Met de scherpzinnigheid, een god eigen, ontdekken zij begane misdaden; zij zijn vlug en onvermoeid in het vervolgen. Om die laatste eigenschap zegt men dat zij metalen voeten hebben. Hare gelaatstrekken zijn nijdig en als die der Gorgonen, woesten moordlust leest men uit hare blikken en de slangen, die in plaats van haren het hoofd omslingeren, spuwen dood en verderf op de ongelukkigen, die zij als haar offer hebben uitgekozen. De snelste vlucht helpt zoo iemand niet, er is geen plaats, waarheen zij hem niet vervolgen, geen afstand, waaivoor zij terugdeinzen. Onder het in de hoogte zwaaien der fakkels jagen zij den zondaar achterna als vlugge jagerinnen, die het spoor vervolgen van het opgejaagde wild en rusten zij nooit, voordat zij hern tot waanzin of ter dood hebben gebracht.
Dat is het beeld der Erinyen in hare eene opvatting en van hare schrikwekkende zijde gezien. Maar zooals wij twee denkbeelden zagen opgesloten in Hades en Persephone, dewijl zij eensdeels als onverbiddelijke wreede godheden anderdeels als goden van den vruchtbaren schoot der aarde voorkomen, zoo staat ook bij de Erinyen tegenover de genoemde strenge harde opvatting een vriendelijke welwillende geest. Zoolang de menschen onder de wetten van bloedige wraak stonden, het vreeselijke recht van vergelding van oog om oog en tand om tand, vond het denkbeeld van de onverbiddelijkheid en onverzoenlijkheid der wraakgodinnen ingang. Maar toen de ruwe natuurtoestand week voor zachtere zeden en de maatschappij zich instellingen maakte, die het leven van eiken burger waarborgden tegen willekeurige aanvallen, toen kon het denkbeeld van bedaarde en zegen verspreidende Erinyen plaats vinden. De dichterlijke mythologie heeft de/e verandering aan een bepaalde gebeurtenis vastgeknoopt. De stichting van den Areo-
*
De goden der aarde. De Erinyen.
pagos in Athene en de verzoening door deze overoude eerwaardige rechtbank bewerkt voor den moedermoord van Orestes, was de aanleiding daartoe. Toen deze namelijk om den moord aan zijn beroemden vader Agamemnon gepleegd te wreken, zijne moeder Klytaemnaestra en haar schandelijken verleider Aegisthos had uit den weg geruimd, zwierf hij langen tijd op aarde rond, ver-vo\'gd door de Erinyen en bijna waanzinnig, totdat Apollon en Athem, de goede lichtgoden, zich zijuer erbarmden. Apollon zuiverde Orestes aan zijn altaar te Delphi en verdedigde toen zijn beschermeling voor den door Athena ingestelden Areopa-gos, door welken Orestes werd vrijgesproken. Want Athena, die meestemde, wierp een witten bal in de stembus, waardoor de stemmen voor onschuldig van gelijk aantal waren als die voor schuldig; en in dat geval volgde vrijspraak. In het eerst waren de Erinyen over den uitslag vertoornd en bedreigden Attika met kinderloosheid en onvruchtbaarheid, maar door de vriendelijke en herhaalde overredingen van Athene gelukte het om haar door de belofte te verzoenen, dat in Athene aan den heuvel van den Areopagus een tempel voor haar zou worden gesticht. En sedert zij daar den haar gewijden zetel hadden ingenomen, werden ze onder den naam van Semnae (eerwaardigen) of Eumeniden, d. i. welgezinden, als heilaanbrengende godinnen vereerd. Wel bleven ze nog steeds misdaden vervolgen, maar ook namen zij van nu af den berouvvvollen zondaar in genade aan en bewezen zij hulp en welwillendheid aan alle brave menschen.
Over den oorsprong der Erinyen zijn er verschillende sagen. Volgens Hesiodus werden zij in het leven geroepen door de eerste afschuwelijke misdaad, die sedert het begin der wereld begaan werd. Zij waren namelijk dochters van de aarde en ontstaan uit de bloeddroppels, die van de wonde vloeiden, welke de eigen zoon aan Uranos toegebracht had : en zijn zij dus de belichaamde vloeken en verwenschingen, die de vertoornde vader op het hoofd van zijn roekeloozen zoon uitstiet. Daarentegen noemt Sophocles haar dochters van Gaea en Skotos (nachtelijke duisternis), Aeschylos kortweg dochters van den nacht. Behalve het genoemde heiligdom te Athene hadden zij een tweede in de nabijheid der stad ; een heilig vlek in Ko-lonos bekend als het laatste toevluchtsoord van den ongeluk-kigen Oedipus. In Athene hadden ze ook een jaarlijksch feest, waarop haar dankoffers van melk en honig werden gebracht.
139
Tweede gedeelte.
De kunst volgde in de opvatting der Erinyen Euripides na en stelde ze voor als vlugge jageressen, met speer, boog en pijlkoker gewapend, of ook met fakkels, geeselroeden of slangen in de handen. Om hare vlugheid aan te duiden voorzag men haar van vleugels aan hoofd en schouders.
Hekate.
Ook Hekate behoort tot de geheimzinnige godheden der onderwereld. Aan de Romeinen bleef haar wezen niet onbekend, maar zij genoot bij hen toch geen openlijke vereering. Gewoonlijk ging zij door voor een dochter van den Titan Perseus en van Asteria. Zij beheerschte in hoofdzaak de geheime krachten der natuur, waaruit zich laat verklaren, dat de verschijning dezer godin iets spookachtigs en ijzingwekkends heeft gehad. Zij is inzonderheid de godin van elke
nachtelijke verschrikking, zooals zij dan ook \'s nachts met de geesten der gestorvenen vooral op kruiswegen en begraafplaatsen ronddoolt, ofook nachtelijke schrikbeelden uit de onderwereld naar boven jaagt, zooals bijv. het menschen verslindende spook Empusa en dergelijke kindersprookjes meer.
Zooals de naam Hekate, d. i. die van verre het doel treft, schijnt aan te duiden is zij oorspronkelijk eene godin van de maan; evenwel niet aan Arte-mis of aan Semele gelijk, maar aan de maan in den stand, dat zij als nieuwe maan nog onzichtbaar is. Daar de ouden zich geen rekenschap konden geven van de verschillende standen der maan, heerschte algemeen de meening dat de onzichtbare maan in de onderwereld huisde. Haar dienst was niet algemeen in het openbaar verspreid, maar des te grooter was hare beteekenis voor de mysteriën. Men placht kleine afbeeldingen van haar aan de huizen en stadspoorten te plaatsen.
140
De goden der aarde. De slaap en de dood.
waarmee men den invloed meende te verhinderen van boosaardige betoovering. Men vereerde Hekate door op den laatsten dag van de maand spijzen te plaatsen voor het met kransen behangen beeld aan de huisdeuren. Deze spijzen werden door arme menschen weggenomen en droegen den naam van de maaltijden van Hekate. Op driesprongen plaatste men houten beelden van de godin niet drie aangezichten en offerde haar daar honden ten zoenoffer voor de gestorvenen, wat in den regel op den dertigsten dag na den sterfdag gebeurde. Men offerde ook voor haar, evenals voor de andere onderaardsche goden, zwarte schapen en drankoffers van melk en honig.
Hekate werd in drie beelden voorgesteld en heette ook triformis, wat waarschijnlijk geheel samenhangt met de drie fazen van de maan. volle, halve en nieuwe maan. Zulk een voorstelling levert een bronzen beeld op in het Museum van het Capitool. De eene figuur heeft een sleutel en koorden in de hand, waardoor zij zich als degeen doet kennen, die de poort van de onderwereld opent, en draagt op het hoofd een diskos, de duistere maanschijf; de andere figuur heeft in de beide handen fakkels als beeld der geheimzinnige godin, op het voorhoofd een halve maan, waaruit een lotusbloem steekt; de derde figuur eindelijk draagt een Phrygische muts, waaraan een diadeem met zeven stralen vast is, tot aanduiding van de volle maan, heeft een mes in de rechterhand en een slangestaart in de linkerhand, waarvan de bedoeling niet duidelijk is. Aan het altaar van Zeus te Pergamos was een groep van Hekate.
De Slaap en de Dood.
De Slaap en de Dood zijn, volgens de denkbeelden der ouden, tweelingbroeders, zooals Hesiodus verhaalt, uit den Nacht zelf voortgekomen, wonende in de onderwereld. Vandaar komen zij de menschen op aarde overvallen, de een als een zachte menschlievende god, de ander hard en wreed. Maar naast deze vooral door de dichters en kunstenaars verder uitgewerkte voorstelling kende men aan den dood ook nog geheel van den slaap gescheiden een weinig vriendelijk karakter toe, daar men of de gewelddadige wijzen van sterven als vrouwelijke godheden van schrikwekkend voorkomen ging uitwerken, de zoogenaamde Keren, of Apollon en Artemis onder de goden van den hemel, Pluto en Persephone onder de onderaardsche godheden tot goden van den dood maakte. De Romeinen namen ook nog een persoonlijken doodsengel aan, Orcus, dien zij als een gewapend krijgsman voorstelden, die den menschen doodelijke wonden toebracht. Toch hebben alle
141
Tweede gedeelte.
deze afzonderlijke goden van den dood geen groote beteeke-nis voor eeredienst of kunst.
Vooral was de kunst er steeds op uit om het schrikbeeld van den dood te verzwakken en Thanatos op zijn broeder Hypnos te doen gelijken. Dikwijls vormen zij een groep, slapend of staande; de Dood heeft dan een omgekeerde fakkel in de hand, de Slaap papaverstengels of een hoorn, waaruit hij een vloeistof laat druipen. Gewoonlijk zijn beiden krachtige jongelingen. Het voortreffelijkste zeer waarschijnlijk van dien aard is de zoogenaamde groep van San Ildefonso in Madrid (fig. 58).
Naast den slaap en den dood noemt Hesiodus ook de droo-men kinderen van den nacht; bij andere dichters heeten zij zonen van den slaap en wonen ze in het verre Westen nabij de onderwereld. Deze woning heeft in de bekende beschrijving van Homerus twee poorten, een ivoren, waardoor de zoete bedriegelijke, en een van horen, door welke de ware voorspellende droomen komen. Een bijzondere god van den droom is Morpheus, dien de dichters voor een zoon van Hypnos (slaap) laten doorgaan.
6. Huis- en familieboom J»iJ de Romeinen.
Er blijven nog eenige mindere goden ter behandeling over, die in den huiselijken godsdienst der Romeinen een belangrijke rol spelen. Wij hebben reeds opgemerkt dat de bewoners van Italië slechts met schroom en angstvalligheid tegen de groote godheden van hemel en aarde opzagen. Daarom lieten zij het aanroepen en de vereering van dezen meestal aan den openbaren dienst over, terwijl zij voor hunne kleine persoonlijke aangelegenheden zich liever tot eenige mindere godheden wendden, die zij voor gemoedelijker hielden, geheel zooals nog in Italië de geringe man zich met zijn wenschen en beden liever tot zijn beschermheilige dan tot het Opperwezen richt.
De Penaten.
De Penaten ot beschermgoden van den penus of voorraadskamer zijn de goede geesten des huizes bij de Romeinen,
142
Ig
WsÊMÊm
|É |
De goden der aarde. De Penaten.
onder wier bescherming de huishouding gesteld was, en die dus bovenal voor de behoefte van dagelijksch brood zorgden. Hunne namen, geslacht of getal, zijn onbekend, blijkbaar omdat de groote menigte met die onbepaalde voorstelling genoegen nam. Gewoonlijk evenwel komen ze bij tweetallen voor. Ook het volksgeloof van de volken in het noordelijk Europa erkende zulke goede geesten, die in het huis verkeerden, zonder er ooit bepaalde benamingen aan te geven. Het heiligdom der Penaten is de haard als het middelpunt des huizes, die naast den dienst, dien men er van had voor huiselijk gebruik, in de eerste plaats een gewijde plek was. Hij lag in de eenige groote ruimte, die het Romeinsche huis bezat, het atrium, waar het gezin kwam eten en de bezoekers werden ontvangen. Op dezen haard brandde een altijddurend vuur ter eere van de Penaten en van Vesta, en in de onmiddellijke nabijheid daarvan werden, nadat de invoering van godenbeelden algemeen was geworden, ook de beelden der Penaten opgesteld, meestal zoo klein als poppen en in de mindere huizen ruw van hout gesneden. Geen gebeurtenis in het gezin, hetzij van genoegelijken, hetzij van treurigen aard kon plaats vinden, of de Penaten namen er deel aan. Evenals den Laren gaf men hun deel aan het dagelijksch maal door een gedeelte daarvan op bijzondere daartoe bestemde schotels voor hunne beelden neer te leggen.
De staat is in de oudheid slechts een uitbreiding van het begrip familie : dus had men naast de Penaten van het huis ook Staatspenaten. En evenals de haard het middelpunt was van elke familie afzonderlijk, zoo is de tempel van Vesta dat voor den geheelen staat. Hier was dus ook de zetel hunner vereering en de Pontifex maximus, de opperpriester, bracht hier de offers aan de Penaten van den staat, zooals elk hoofd eener familie die in huis brengen moest. In het allerheilige van den Vestatempel waren ook beelden van Penaten van meer dan gewone heiligheid, en Aeneas zou die volgens de sage reeds uit Troje hebben meegebracht. Over het getal of het uiterlijk dier beelden kan men niets zekers weten, want behalve den Pontifex en de Vestaalsche maagden, mocht niemand dit gewijde vertrek betreden. Het behoeft nauwelijks vermeld te worden dat men den Penaten bijzonder veel invloed toekende op den voorspoed en de welvaait van den staat en het volk van Rome.
I43
Tweede gedeelte.
Op Denariën van de Romeinsche republiek vindt men twee jeugdige koppen met het opschrift: Uei Penates.
De Laren, Larven en Manen.
Evenals de Penaten zijn ook de Laren beschermgoden van huis en familie, en daardoor worden zij dikwijls met elkaar verwisseld. Men hield hen in het algemeen voor zalige geesten van voorouders, die als beschermgeesten werkzaam zijn voor de welvaart en den bloei der familie. De plaats hunner vereering was evenzoo de huiselijke haard in het Atrium, waar hunne uit hout of was vervaardigde beelden gewoonlijk in een eigen kast, het lararium genoemd, bewaard werden. Bepaald was de vereering van de Laren des huizes op den eersten dag van elke maand, op de Nonae en op de Idus : behalve dat zij deel kregen, evenals de Penaten, aan alle gebeurtenissen, die in de familie plaats grepen. Zij kregen evenals de Penaten van eiken maaltijd hunne portie en bij elk familiefeest werden zij bekranst. Als de jonge zoon de mannelijke toga aantrok, wijdde hij zijn bulla, een soort van talisman, in goud of zilver, onder gebeden, plengingen en wierookoffers aan den Lar ; als de vader des huizes op reis ging of daarvan terugkwam werden de Laren aangeroepen en bekranst. Want bloemen en kransen zijn hun de liefste offers.
Het begrip van Laren van huis en gezin breidde zich uit tot Laren van geslachten, stad en staat. Het schijnt dat ze niet zeer verschilden van de bij de Grieken vereerde heroën. In elk geval golden de mythische stichters van den Romein-schen staat, Romulus en Remus, als Laren van den staat; men voegde later uit vleierij voor Augustus daarbij nog den genius des Keizers. Hun priester was de Pontifex Maximus, en altaren en kapellen waren voor hen ingericht op de hoeken der straten. Hun feest op den tweeden Mei heette Compitalia.
In tegenstelling met de Laren, de goede en heilige geesten der voorouders, dacht men aan de zielen van vele gestorvenen als aan ronddolende kwade geesten of spoken, die onheil stookten en schrik verwekten of wel zinsverbijstering teweeg brachten bij ieder, dien zij ontmoetten. Dat geloofde men in de eerste plaats van de zielen van hen, wier lijk onbegraven bleef, of bij wier begrafenis een of andere godsdienstige ce-
144
De goden der aarde. De Lares.
remonie niet was vervuld, zoodat ze niet tot rust konden komen Deze noemde men Larven en Lemuren. Om die vertoornde geesten te verzoenen werd jaarlijks op den negenden, elfden en dertienden Mei het feest der Lemurien of de Le-muralia gevierd, waartoe, zooals meegedeeld wordt, Ramus, die vermoord was, geraden had. Elke huisvader moest in die dagen des middernachts zekere plechtigheden verrichten en enkele formules uitspreken om de booze geesten te bannen. Op die dagen waren de tempels gesloten en werden geen bruiloften gevierd.
In jiet algemeen echter werden de zielen der afgestorvenen als manes of als goede geesten vereerd. Men geloofde, dat ze na de begrafenis van het lijk hoogere wezens waren geworden, die wel gewoonlijk in het binnenste der aarde vertoefden, maar nog invloed hadden op de bovenwereld. Door offers konden ze uit de onderwereld opgeroepen worden. Een algemeen feest voor de dooden, waarop alle manes met offers en plengingen bedacht werden, vond in Februari plaats. De offers werden op de rustplaats der dooden neergelegd en waren natuurlijk naargelang van het vermogen des offeraars, zeer verschillend.
145
10
DERDE GEDEELTE
DE HEROËN.
Inleiding.
Een veel vreemder en rijker wereld dan wij in het voorgaande gedeelte hebben leeren kennen, doet zich aan onze oogen voor, als we tot de heroënsagen overgaan. Dat de omvang van dezen sagenkring grooter is wordt licht verklaarbaar, als men bedenkt in wat menigte van afzonderlijke bestanddeelen het Grieksche volk sedert overoude tijden opgelost schijnt. Daar namelijk elk der talrijke landschappen, eilanden, steden en stadjes hunne bijzondere instellingen op mythische stichters en stamvaders der bevolking terugvoerden, die men voor godenzonen of ten minste voor vrienden der hemelingen hield, ontstond reeds daaruit een groote menigte van plaatselijke heldensagen. Deze mythische stedenstichters zijn evenwel niet de eenige helden, die de Grieksche sage kent. De pogingen om den duisteren oorsprong van elk menschelijk bestaan te verklaren, en \'de kloof aan te vullen, die den historischen tijd van het raadselachtige begin des menschdoms scheidt,met wezens, die den overgang vormden van de majestueuse, grootsche gestalten der Olympische goden tot de zwakke menschen, die aan dood en alle mogelijke rampen van het aardsche leven onderhevig zijn, dat streven moest geheele rijen van heldensagen doen ontstaan, die deels gemeenschappelijk eigendom van alle stammen en zoo van de geheele Grieksche natie geworden zijn, deels een plaatselijk of landschappelijk karakter behielden. Zooals men de geheele godenwereld indeelde in goden en daemonen, dat zijn wezens die wel den goden gelijk, maar in macht en wijsheid veel lagere geesten zijn, in de lucht, het water of op de aarde werkzaam, zoo dacht men ook juist over het verschil tusschen heroën en menschen. De laatsten verschillen in hun aard niet van de eersten; beiden zijn sterfelijk
Inleiding.
en vallen den onverbiddelijken dood ten deel, maar de heroën bezitten een mate van lichaamskracht en behendigheid, moed en volharding in gevaren, zooals bij gewone menschenkinderen in den regel niet wordt aangetroffen. Tot deze heroen telde men echter geenszins alle menschen uit den mythischen voortijd, maar slechts de uitstekenden uit dien tijd, die vorstengeslachten, welke door stoute en verbazingwekkende daden alles uit den weg hadden geruimd, wat de maatschappelijke ontwikkeling in den weg stond ; hetzij, dat zij het land hadden gezuiverd van woeste roovers en wilde dieren, hetzij dat ze moerassen opgedroogd, bos-schen tot bouwgrond gemaakt, of rivieren in een geregelden loop hadden gebracht. Zij doen zich door hunne daden als menschen van buitengewone begaafdheden en goddelijke kracht kennen, hebben daardoor het voorkomen van godenzonen en moesten noodzakelijk een anderen oorsprong hebben gehad als de groote menigte der aardbewoners, die uit leem vervaardigd of uit steenen en boomen ontstaan zijn. Eenigen dezer helden hebben misschien inderdaad geleefd en waren misschien de voorvaders der latere vorstengeslachten, waarvan een duistere overlevering melding maakt; maar de meesten danken hun bestaan zeker slechts aan de scheppende kracht der verbeelding. Hierbij komen in de derde plaats — en deze klasse is de talrijkste — zulke helden, die oorspronkelijk belichamingen waren van natuurverschijnselen en als zoodanig vergood en met plaatselijke plechtigheden gevierd werden ; maar later bij de vorming van nieuwe staten uit den openlijken dienst geweerd werden, slechts in het volksgeloof voortleefden en zoodoende tot heroën werden verminderd. Menigeen van die heroën, bijv. Herakles, werd later, zij het ook in gewijzigde opvatting, weer tot god verheven.
Een eigenlijke vereering der heroën met gebed en offer bestond vóór de verhuizing der Herakliden zeker niet; er is ten minste bij Homerus nog geen sprake van, en ook later was, afgezien van de heroën, van wie men meende dat zij om hunne buitengewone daden onder de goden waren opgenomen en aan wie men daarom een eigenlijken tempeldienst gaf, nauwelijks verschil tusschen heroën- en doodenvereering. Wat het lot der heroën betreft na hunnen dood, dan maakt Homerus geen verschil tusschen hen en de gewone stervelingen; allen moeten naar het treurige rijk van Hades. Slechts eenige uitverkorenen en aan Zeus verwante personen waren boven die duistere bestemming verheven en naar de eilanden der gelukzaligen ge-
47
Derde gedeelte.
bracht om er voort te leven. Maar Hesiodus laat alle heroën, aan wie hij het eerst den naam van halfgoden geeft, naar de genoemde eilanden heenvoeren, waar Kronos heerschappij voert. Hier daagt voor het eerst het denkbeeld van gerechte vergelding in de toekomstige wereld op, in een onzekeren vorm en dien Homerus nog niet kent. Hesiodus beschouwt duidelijk het verblijf in het Elysion als een belooning voor verdienstelijke handelingen, in het leven verricht. Dat denkbeeld won gaandeweg veld, vooral in de mysteriën. Men verhief zich gaandeweg tot een denkbeeld van onsterfelijkheid der ziel, hield het er voor dat de zielen der afgestorvenen nog voortdurend op geheimzinnige wijze buiten hun graf werkzaam waren, en zocht hen daarom door geschenken gunstig voor zich te stemmen. Zoo verdween elk wezenlijk verschil tusschen de vereering der heroën en die der dooden.
De beste grafmonumenten, die vervaardigd zijn, zijn uit de vierde eeuw. Maar noch deze, noch die van vroegeren tijd geven ons zekerheid omtrent het geloof der Grieken aan onsterfelijkheid. Zij bevatten gewoonlijk den naam, de familiebetrekkingen, woonplaats en dgl. van den overledene, afbeelding van allerlei voorwerpen of toestanden, die op den overledene betrekking hebben, op den dood in het algemeen, of op de plechtigheden, b. v. een lijkmaal, de teraardebestelling, Charon met de boot, enz. en het vaarwel (Chaive) of afscheid van de vrienden en familie. In de graven werden tal van voorwerpen, vooral van terracotta, gevonden, die den overledene bij zijn herleven of voortleven aangenaam moesten zijn. Ook op vazen, zooals de lekythos, een langwerpig smalle vaas met één oor, waarvan liet Varvakeion te Athene vele bevat, vindt men die motieven geschilderd.
Wij zullen van de groote menigte heroënsagen slechts die bespreken, welke de poëzie of de beeldende kunst bij voorkeur tot stof van behandeling kozen, en beginnen met die, welke betrekking hebben op de schepping en beschaving van het menschdom. Daarop kunnen de belangrijkste plaatselijke sagen volgen en eindelijk die, welke betrekking hebben op gemeenschappelijke ondernemingen uit den jongeren heldentijd.
Schepping en voortijd.
Schepping: en Voorlijd.
Over den oorsprong van het menschdom zijn de sagen zeer verschillend. Het oudste is wel zonder twijfel het verhaal, dat menschen voortgekomen zijn uit rotsen en boomen. Een andere meening geeft te kennen, dat het menschdom van jongeren oorsprong is en eerst door Zeus en de Olympische goden werd in het leven geroepen. Een derde sage is, dat de Titan Prometheus, de zoon van lapetos en Klymene (of naar Aeschylus Themis) menschen heeft vervaardigd uit klei en water en Athena hun de ziel inblies, waarbij alleen onbeslist is of dit vóór of na den zondvloed van Deukalion heeft plaats gevonden. Evenals men vele meeningen had over den oorsprong van den mensch, zoo was er ook allerlei denkbeeld over den vóórtijd. Volgens sommigen heeft zich de mensch uit een geheel ruwen en hulpeloozen toestand door de hulp der goden gered op allerlei fabelachtige wijzen, volgens anderen leefden de menschen aanvankelijk in een zalige en gelukkige gemeenschap met de goden — d. i. de gouden eeuw — en gingen zij eerst achteruit, toen ze zich door hun overmoed van dat geluk beroofden.
Reeds bij de behandeling van Dionysos en Demeter is gebleken, hoeveel de goden bijdroegen tot de ontwikkeling en de vestiging van het menschdom, maar de merkwaardigste en meest verbreide sage van zulken inhoud is die van Prometheus, lapetos, gehuwd met Klymene, de dochter van Okeanos, had vier zonen: den krachtigen Atlas, den overmoedigen Menoetios, den listigen Prometheus (vooruitziende) en den onnoozelen Epimetheus (nabetrachter). Aan Prometheus hecht zich het denkbeeld, dat het vuur de menschelijke ontwikkeling het eerst in groote mate bevorderd heeft; en dat vuur zou de Titan van den hemel gehaald en de menschen het gebruik er van geleerd hebben. Toen nu Zeus zag, dat het vuur uit zijn hemel tot allerlei dagelijkschen arbeid gebezigd werd, veroordeelde hij hem, die zulk een misdaad begaan had, tot de vreese-lijke straf om in het land der Scythen aan een rots geklonken te worden, terwijl een adelaar bij dag de lever, (door de ouden beschouwd als de zetel der booze lusten), die eiken nacht aangroeide, afknaagde.
Het denkbeeld, dal met het begin van beschaving ook menige te voren ongekende ramp het menschdom trof, is de in-
Derde gedeelte.
houd van de mythe van Pandora. Zeus namelijk liet de men-schen het geschenk van Prometheus wel behouden, maar om zich toch op hen te wreken, liet hij door Hephaestos uit aarde en water een aantrekkelijke vrouwenfiguur maken, waarin de goden leven stortten en waaraan zij zooveel toevoegden, dat zij te recht Pandora (de van alles voorziene) kon worden genoemd. Aphrodite gaf haar verleidende liefelijkheid, Athena onderwees haar in allerlei kunstvaardigheid, Hermes verleende haar het betooverende van vleitaal en sluwe listigheid, de Horen en Chariten sierden haar met bloemen en fraaie kleeren op, enz. Maar Zeus gaf haar een gesloten doos, waarin de meest verschillende rampen vervat waren, en zond haar zoo voorzien in geleide van Hermes naar den dwazen Epimetheus, die trots de waarschuwingen van zijn broeder, om een geschenk van Zeus aan te nemen, haar bij zich opnam en tot zijn echtgenoot maakte. Maar door die eerste vrouw kwam het meeste leed over de menschen; want Pandora opende uit nieuwsgierigheid de doos, waaruit toen een gansch heir van plagen en rampen over de aarde uitgingen. En toen Pandora zich gehaast had het deksel weer te sluiten,\' bleef slechts de bedriegelijke hoop achter. Zoo is dus door de vrouw het eerste kwaad in de wereld gekomen, en vooral de dood. — Merkwaardig helpen ons de namen der in deze sagen voorkomende personen, bij de verklaring der allegorie. De naam Prometheus wijst ons ongetwijfeld op het streven van den menschelijken geest naar uitbreiding van kennis en onderzoek, die den scheidsmuur tus-schen hem en de godheid opgericht tracht weg te ruimen, maar voor zijn vermetelheid gestraft wordt. De Prometheus aan de rots gekluisterd wordt dan de uitdrukking van het lijden van een mensch na te stoute zelfverheffing, waarbij de trek in de sage merkwaardig is, dat zijne redding slechts kan plaats hebben, wanneer een onsterfelijke vrijwillig in plaats van hem den dood wil ondergaan.
Tot een geheel anderen sagenkring behoort die van de vijf geslachten der menschen. Het eerste of gouden geslacht van de in vele talen zich uitdrukkende menschen hebben de goden in het leven geroepen. Het leefde vrij van eiken dwang en onbekommerd, want de aarde leverde alles zonder bewerking, wat tot levensonderhoud noodig was, het werd niet bezocht door de gebreken van den ouderdom, en zonder smarten of ziekten zonken de menschen, als door een diepen slaap bevan-
15°
Schepping en voortijd.
gen, in het eeuwige leven weg. Wij weten niet hoe het gouden geslacht ophield te bestaan, maar wel wordt verhaald, dat deze menschen na hun verdwijnen als goede geesten in het bovenaardsche werkzaam zijn, terwijl zij de sterfelijke menschen beschermen en redden. Daarop schiepen de Olympische goden, een tweede, veel zwakker, het zilveren geslacht, bij het gouden niet te vergelijken in lichaam of geest. Deze menschen brachten den tijd in weekelijkheid en traagheid door, en wilden zelfs aan de goden de eer niet geven, die hun toekwam. Toen verdelgde Zeus hen in billijken toorn van de aarde en schiep het derde geslacht der sprekende menschen, dat het bronzen genoemd werd. Deze lieden waren verschrikkelijk en gewelddadig, van reusachtige gestalte en groote kracht. Oorlog en strijd waren hun eenige lust. Hunne wapens en gereedschappen waren van brons, het ijzer kenden ze nog niet. Dit snoode geslacht behoefde Zeus niet te verdelgen; het verdelgde zich zelf in moorddadigen en bloedigen strijd. Naar de gewone opvatting werd dit booze geslacht door de overstrooming tijdens Deukalion vernietigd.
Deze is volgens de sage een zoon van Prometheus. Zijne vrouw is Pyrrha, de dochter van Epimetheus en Pandora. Daar nu Zeus besloten had het verderfelijke geslacht van de bronzen eeuw door een overstrooming te verdelgen, waarschuwde Prometheus tijdig zijn zoon; en deze bouwde zich nu een ark, welke hij en zijn vrouw betrokken, toen het water zich verhief. Negen dagen en nachten zwierven zij op de stroo-raen rond, toen het vaartuig zitten bleef op den berg Parnassos in Boeotië. Deukalion ging naar buiten en bracht een dankoffer aan Zeus, en daarom vervulde Zeus zijne bede om vernieuwde schepping van een menschelijk geslacht. Deukalion en Pyrrha kregen nu door Hermes last om steenen achter zich te werpen, waaruit de nieuwe menschen zouden voortkomen. Dat is de oudste Grieksche sage; maar latere dichters hebben uit den bijbel der Israëlieten meer en meer overgenomen, zoodat ten laatste Deukalion evenals Noach dieren in de ark neemt, om de soorten te bewaren, en na het zakken der wateren ook een duif laat uitvliegen.
Prometheus menschen vormende is meermalen het onderwerp geweest der beeldende kunst. In deze voorstelling zit hij op een rots, en heeft een beeld van leem voor zi. h, waarin Athene leven blaast. Het ingeven van een ziel wordt voorgesteld doordien Athena den mensch een vlinder
quot;5i
Derde gedeelte.
op het hoofd zet. Prins Torlonia te Rome heeft in zijn verzameling een statue van Prometheus uit den besten Griekschen tijd.
Plaatselijke Heroën sagen.
Lapt then en Centauren.
Van groote beteekenis voor de plastische kunst en tevens van zeer hoogen ouderdom, is de in Thessalië thuis behoorende sage van de Lapithen en Centauren. Homerus laat reeds den ouden Nestor optreden om te verhalen, hoe hij in zijne jonge jaren aan de gevechten van de vorsten der Lapithen, Pirithoös, Kaeneus, e. a. heeft deelgenomen. In deze voorstelling van Homerus zijn de Centauren blijkbaar geen dae-monen, maar een oud Thessalisch bergvolk van reuzenkracht en dierlijke woestheid, die hunne ruwe zinnelijke natuur op geen wijze konden bedwingen. Er is dan ook geen sprake van een halfdierlijke gestalte; zij bewoonden de bergstreek van den Oeta en den Felion in Thessalië, en, door de Lapithen van daar verdreven, trokken ze zich naar de hoogere bergstreken terug.
Wat nu den krijg van de Lapithen met hen betreft, dan werd die, in de gewone voorstelling daarvan, als een strijd opgevat van de beschaafde Hellenen tegen de onbeschaafde ruwe overblijfselen van den Pelasgischen voortijd. Daarom hield zich misschien de beeldende kunst ten tijde van haren bloei in Griekenland met voorliefde met dat onderwerp bezig. Als aanleiding tot dien strijd wordt opgegeven de vermetelheid van den door den wijn verhitten Centaur Eurytion, die Hippodamia, de bruid van den koning der Lapithen, Pirithoös, op de bruiloft zelf wilde schaken. Alle aanzienlijke Centauren waren uitgenoodigd en zaten mee aan, maar bij het einde van den strijd moesten zij het onderspit delven. De sage laat ook Theseus .en Nestor, als vrienden van Pirithoös, een werkdadig aandeel nemen aan den strijd en de overwinning behalen, maar de voorvechter der Lapithen Kaeneus, de worger, de reus, die door Poseidon onvervvondbaar gemaakt was, blies den laatsten adem uit onder de massa boomstammen en rotsblokken, waaronder de Centauren hem letterlijk begroeven.
Sedert de dagen van Pindarus schijnt het in zwang te zijn gekomen, om zich de Centauren als samenstel te denken van mensch en paard.
152
Schepping en voortijd
153
wat ile beeldende kunst spoedig overnam. De oude kunst nu stelde het zoo voor, alsof de menschelijke gedaante was samengesmolten met het lijf en de achterpooten van een paard. De sedert Phidias meer ontwikkelde kunst verving den ouden door een schooneren vorm, en verbond aan de borst van een volledig paardenlichaam een menschelijk bovenlijf, beginnende bij den navel, zoodat de dus gevormde Centauren vier paar-denpooten en twee menschelijke armen en handen hadden Dit beeld is in tal van overgebleven gedenkstukken der kunst bekend. In de eerste plaats noemen wij de reliëfs van de fries van het zoogenaamde Theseion in Athene. Het Theseion — in de middeleeuwen diende die tempel tot kapel van den heiligen George — zou op raad van Cimon gebouwd zijn, toen hij het gebeente van Theseus, den Attischen heros, van het eiland Skyros naar Athene had overgebracht. Behalve eenige nader te bespreken belangrijke beeldhouwwerken, heeft deze tempel op de westelijke- of achterfries in Parisch marmer een voorstelling van den strijd
der Lapithen en Centauren op de bruiloft van Pirithoös. Hel moment is zoo gekozen, dat nog niet beslist kan worden welke partij de overhand zal behouden, waardoor het den kunstenaar, wiens naam onbekend is, mogelijk werd om levendigheid en veelzijdigheid te brengen in de verschillende vechtende partijen. — Een andere rij van prachtige voorstellingen, vol kracht en leven, uit den Centauren strijd zien wij in overgebleven geschonden metopen van het Parthenon in Athene. Deze heerlijke, prachtige tempel, eenendertig meter breed en zeventig meter lang, in Dori-schen stijl gebouwd, vertoonde op een groot deel der tweeennegentig metopen van de buitenste tempelfries, een menigte van de belangrijkste, levendigste tooneelen uil den reuzen- en uit den Centaurenstrijd. Van deze metopen zijn negenendertig nog aan den tempel voorhanden, meestal echter zeer beschadigd; zeventien bevinden zich in het Britsch Museum, een in het Louvre te Parijs. In het jaar 1687 gedurende den oor-\'og van Venetië met Turkije, viel midden op het marmeren dak een bom, die den binnen bewaarden vcorraad kruit deed ontbranden, en
Derde gedeelte.
154
bracht zoo aan dit schoone overblijfsel uit de oudheid onherstelbare schade toe. Betrekkelijk goed zijn nog de metopen van de zuidzijde afkomstig, die ten getale van zeventien (het getal van de metopenplaten op de zuidelijke lange zijde was in het geheel tweeëndertig), uitsluitend tooneelen uit den Centaurenstrijd te zien geven. Hier ziet men een gebaarden Centaur met een geschaakte vrouw, die hij stevig in zijn armen sluit, wegloopen en over het lijk van een gevelden tegenstrijder heenrijden, daar hem weer in een woester gevecht met een vijand van menschelijke gedaante bezig zijn of de nederlaag lijden. Van de schoonheid en de vrije opvatting dezer prachtige composities kan men slechts door persoonlijke aanschouwing een denkbeeld krijgen (fig. 59).
Aan deze beide grootsche gedenkstukken der Grieksche plastiek sluit zich waardig aan een in 1820 gevonden fries van den tempel van Apollon Epikurios te Bassae bij Phigalia in Arkadië, thans in het Britsch Mu-
scum. De tempel was gebouwd door Iktinos, die ook den tempel van het Parthenon in Athene heeft gebouwd: waaruit blijkt dat ook de tijd van het plastische ornementwerk van dien tempel in de periode van bloei der («rieksche kunst viel. Hij bevat evenzeer een rij zeer levendige voorstellingen uit den strijd van Lapithen en Centauren. In de op zich /.elf staande groepen en tooneelen uit den heeten strijd, die hier voor onze oogen plaats heeft, heerschte even zoo groote veelzijdigheid als levendige karakterteekening, zoodat men besluiten mag dat de ontwerper dezer prachtige stukken een groot kunstenaar is geweest (fig. 60). — Eene vierde algemeen geroemde voorstelling van den Centaurenstrijd uit de oudheid was te zien in het westelijk gevelvlak van den tempel van Zeus in Olympia (omstreeks 450 vóór Chr. door Libon uit Elis gebouwd, den grootsten tempel van den Peloponesus in Dorischen stijl), een werk van den Atheenschen beeldhouwer Alkamenes, die bij zijn tijdgenooten als de bekwaamste leerling van den grooten Phidias gold. Bij de opgravingen sedert 1875 voor rekening van het Duitsche rijk in Olympia ondernomen, werden verscheidene brokstukken van dezen Centaurenstrijd weergevondeTï, zoodat men /.ich eenig denkbeeld kan maken van de
Schepping en voortijd.
155
rangschikking der figuren. Tn het midden stond de grootste figuur, namelijk van den toornigen Apollo, gelastend den strijd te staken; hiervan
is tot heden slechts de\' prachtig?, in ouderwetschen stijl gevormde kop gevonden. Rechts en links sloten zich tien figuren van vechtende Lapithen
Derde gedeelte.
en Centauren aan benevens vrouwen, die door de eene partij geroofd, door de andere verdedigd werden. Het geheel is verbazend stout en behoort zeker tot de belangrijkste groepen der Grieksche oudheid.
ISetialve de reliëfcomposities, die vermeld worden, zijn nog eenige voortreffelijke op zichzelf staande beelden van Centauren uit de oudheid over. Daaronder nemen naast den Borghesischen Centaur in het Louvre van Parijs een eerste plaats in de beide Centauren van het museum op het Capitool. Zij zijn van zwart marmer en werden in de Villa van Keizer Hadrianus bij Tivoli gevonden, waar vele oude kunstschatten weer aan den dag zijn gekomen. Heide zijn van voortreffelijke bewerking, en dragen op het lichaam van een paard het bovenlijf van een ouden en van een jongen satyr (fig. 61). Ook de Centaur in de dierenzaal van het Va-tikaan met den Amor op den rug, die hem de beide handen vasthoudt, is een aardig werk.
De beroemdste der Centauren, de leermeester van vele helden uit den sagentijd, was Chiron, een wijze en geneeskundige. Daar hij door zijn beschaving en karakter zoo geheel verschilde van zijn ruwe stamgenooten, meende men hem ook een anderen oorsprong te moeten geven als aan de overige Centauren en hield hem voor een zoon van Kronos en Phi-
Schepping en voortijd. Kadmos.
lyra of Phyllira, een dochter van Okeanos. Homerus, bij wien nog geen sprake is van de paardengestalte der Centauren, verklaart hem voor den rechtvaardigste aller Centauren en noemt hem een vriend van Peleus en leermeester van den jongen Achilles, dien hij in de heelkunde en gymnastiek onderwees. Met deze beide helden was hij bovendien verwant door zijne dochter Endeïs, de moeder van Peleus. Later liet men steeds meer mythische helden aan zijn onderwijs deelnemen, als: Kastor, Pollux, Theseus, Nestor, Meleager, Dio-medes e. a. Sedert werd ook de muziek tot zijn vakken van onderwijs gerekend, waartoe misschien de naam zijner moeder aanleiding gaf. Hij woonde in een hol van den Pelion ; de latere mythendichters verplaatsten hem na de verdrijving der Centauren door de Lapithen op het voorgebergte Malea. Daar zou hern Herkules bij ongeluk met een gifiigen pijl gewond hebben, en, daar de wond ongeneeslijk was, onderging hij in plaats van Prometheus den dood en ging naar de onderwereld.
Het denkbeeld dat de Centauren zich met tic kunsten cn wetenschappen bezig hielden, zooals dat door de sage van de opvoeding van Achilles weid in het leven geroepen, gaf zoowel aan de antieke als de moderne kunst dikwerf aanleiding tot geestige vindingen in genoemden zin,
T h e b a a n s c h e M y t h e n.
Kadmos.
De bekendste der Thebaansche sagen is die, waarin de stichting van Thebe bezongen wordt. Kadmos was een zoon van Agenor, koning van Phoenicië, en werd, toen Zeus Europe naar Kreta had ontvoerd, door zijn ouders uitgezonden om zijn verloren zuster te zoeken. Door zijn moeder Telephassa begeleid kwam hij naar Thracië, en van daar naar Delphi, waar hij bevel kreeg om alle verdere nasporingen te staken, maar daarentegen een koe te volgen, die aan beide kanten het teeken van de maan zou dragen ; dat wil zeggen; gevlekt zou zijn met vormen van halve manen, en op de plaats waar deze zich zou neerleggen, een stad te stichten. Kadmos gehoorzaamde; en toen hij in Phocis de aangeduide koe gevonden had. volgde hij haar. Zij bracht hem naar Boeotië en legde zich eindelijk bij een heuvel neêr- hier stichtte dus Kadmos den naar hem genaamden burg Kadmea. Maar eerst had hij nog
\'57
Derde gedeelte.
een gevaarlijk avontuur. Toen hij namelijk op bevel van het orakel de koe wilde offeren, zond hij eenigen zijner makkers weg, om uit een bron in de nabijheid water te halen. Dezen werden door een draak van Ares, die de bron bewaakte, gedood. Toen ging Kadmos zelf heen, doodde het monsteren zaaide op raad van Pallas de tanden in den grond. Daarop verrezen uit den aardbodem geharnaste mannen, die spoedig handgemeen werden en in blinde woede elkaar op vijf na doodsloegen. Deze vijf hielpen nu Kadmos de stad bouwen en werden de stamvaders der adellijke geslachten van Thebe. Zij werden naar dezen oorsprong ook Sparten, d. i. gezaaiden, genoemd. Maar om het vermoorden van den draak te boeten moest Kadmos acht jaren lang slavendienst doen bij den ver-toornden^ Ares. Toen die tijd om was, was Ares voldaan, en gaf hij hem bovendien Harmonia, zijne dochter bij zijn echtgenoot Aphrodite, ten huwelijk. Uit dezen echt werden vier in de sage beroemde dochters geboren: Auto-noë, Ino, Semele en Agave. Nadat Kadmos langen tijd over Thebe had geheerscht, moest hij op hoogen leeftijd met zijne vrouw Harmonia naar de Enchelees in Illyrië reizen: hetzij dat hij, volgens het verhaal van enkelen, door Amphion en Zethos, verdreven was, hetzij om eenige andere aanleiding. Ten laatste gingen beiden in slangen over en werden door Zeus naar de Elyseesche velden gebracht.
Zoo luidt de vreemde mythe, die den vroegeren oudheidkundigen veel hoofdbrekens heeft veroorzaakt. Men neemt het tegenwoordig meestal zoo op, dat Kadmos oorspronkelijk een plaatselijke vorm is voor Hermes, en de naam Kadmos hem aanduidt als den persoon, die het eerst in Boeotië eenige beschaving en orde heeft gebracht. Zeker zijn vele deelen van deze sage overoud ; vooral het verslaan van het monster, waardoor de natuurlijke hinderpalen worden aangeduid, die de bebouwing van het land in den weg stonden. Boeotië was ten allen tijde een zeer moerassig land, en Ares, aan wien de draak heilig is, gold als een verderf aanbrengende, ziekte zendende godheid. Evenzoo moet het zaaien der draken-tanden en het opschieten van geharnaste mannen verklaard worden als het zinnebeeld van de autochthonie der Theba-nen ; d. i, dat zij de eerste bewoners van dat land waren en niet van elders daarheen gekomen.
158
Schepping en voortijd. Aktaeon.
159
Aktaeon,
Van de potgevallen van drie dochters van Kadmos, Ino, Semele en Agave, is reeds sprake geweest. De oudste Autonoë huwde met Aristaeos, zoon van Apollon en kreeg een zoon
en krijgsman van hem te maken. Maar toen hij een krachtig jonkman geworden was, trof Aktaeon een droevig ongeluk. Op een jachtpartij aan den berg Kithaeron werd hij namelijk door zijn eigen honden verscheurd, daar hem Artemis ineen hert had veranderd. Als aanleiding tot den toorn dier godin
Derde gedeelte.
wordt vermeld, dat Aktaeon zich beroemd had, bekwamer te zijn in de jacht dan de godin, of dat hij de kuische godin in het bad had bespied. De laatste opvatting behield ten laatste het veld, ja men wees zelfs op den weg tusschen Megara en Plataeae de rots aan, waarop Aktaeon de godin zou hebben gezien. Men vereerde hem in Boeotië met heroïsche offers en bad hem om bescherming tegen de verderfelijke werkingen van den verdorrenden zonnegloed in de hondsdagen. Waarschijnlijk was de door honden verscheurde Aktaeon eenvoudig een beeld van de door de drukkende zonnehitte verwelkende natuur.
De beeldende kunst heeft de vormverandering en den dood van Aktaeon met voorliefde behandeld. In het Britsch Museum bewaart men een kleine mannergroep, in 1774 gevonden, voorstellende hoe Aktaeon zich verdedigt tegen twee honden, die hem aanvallen.
Amphion en Zethos.
Naast het vorstengeslacht, dat van Kadmos afstamde, en dat na de verbanning van dezen door diens zoon Polydo-ros gevestigd werd, staat een ander Thebaansch vorstengeslacht uit Hyria of Hysia afkomstig, waaruit Amphion en Zethos waren gesproten. Nykteus (de nachtelijke) was Koning van Thebe en had een buitengewoon schoone dochter, Antiope genaamd. En toen Zeus haar in gedaante van een Satyr verscheen. schonk zij hem haar hart. Maar uit schaamte voor haar vader ontvluchtte zij het hof en vond opname bij Epopeus en zijne gemalin, het koningshuis van Sikyon. Nykteus daarover verstoord rustte zich tot den oorlog uit tegen Epopeus om hem tot uitlevering zijner dochter te dwingen, maar moest onverrichter zake terugkeeren. Bij zijn dood beval hij zijn broeder Lykos (het licht), die hem in de heerschappij opvolgde, de volvoering van de wraak. Lykos overwon en doodde Epopeus, verwoestte Sikyon, en voerde Antiope als krijgsgevangene mee. Bij Eleutlierae aan den Kithaeron gekomen, werd Antiope moeder van de tweelingen Amphion en Zethos. Zij werden te vondeling gelegd, maar terstond door een medelijdenden herder gevonden en opgevoed. Antiope werd gevangen gehouden in het huis van Lykos en moest de smadelijkste bejegening ondervinden van zijn echtgenoot Dirke, totdat het haar eindelijk mocht gelukken te ontkomen. Door een vreemd toeval vond zij hare
i6c
Schepping en voortijd. Amphion en Zethos.
roeders, die mtusschen tot krachtige mannen waren opo-e-groeid, weer in de eenzaamheid van den Kithaeron. Hen quot;nu bracht zij door het verhaal harer rampen tot zulk een drift.
dat zij besloten zich op vreeselijke wijze op Dirke te wreken Z.j gingen namelijk Thebe veroveren, versloegen Lvkos en onden Dirke aan de horens van een stier, die haar voort zou slepen totdat zij dood was.
Een ander verhaal luidt, dat\'Dirke op een feest van Bacchus
161
Derde gedeelte.
op den Kithaeron kwam, daar hare weggeloopen slavin vond en haar voor straf door de herders aan de horens van een stier wilde laten binden. Toen herkenden nog juist bijtijds Amphion en Zethos hunne moeder en voltrokken nu aan de wreede Dirke de aan een ander toegedachte straf. Haar lijk wierpen zij in de bron bij Thebe, die Dirke heet.
()nder de kunstwerken, waartoe de straf van I Hrke stof leverde, is het beroemdste de zoogenaamde Farnesisehe stier (Toro Farnese) in het Museum te Xapels (fig. 64). Die wereldberoemde groep in marmer gaal, enkele herstellingen van later dagen niet meegerekend, voor het oorspronkelijke werk door van de broeders Apollonios en Tauriskos uit Tralies in Karië. behoorende tot de kunstschool van Rhodus, die in de derde eeuw voor Chr. /.eer bloeide. De kolossale groep, de grootste, die ons uit de oudheid overgebleven is, was oorspronkelijk te Rhodus opgesteld en kwam onder Augustus in het bezit van den kunstliefhebber Asinius Pollio te Rome. In 1547 werd zij in de Thermen van Caracal la bij Rome teruggevonden en in het paleis Farnese opgesteld, van waar zij met al de bezittingen der Farneses in 17S6 naar Xapels kwam. Voor de juiste voorstelling van deze groep is eigen aanschouwing het eenige middel.
De plaats der gebeurtenis is op de rotsige hoogte van den Kithaeron. De even schilderachtige als gevaarlijke stelling der beide krachtige jongelingen op de rotspunten is zoo genomen, om eensdeels aan de geheele groep een pyramidalen stand te geven, anderdeels om de buitengewone sterkte der mannen duidelijk te laten uitkomen. \\Vant zij moeten in staat zijn om het vreeselijke dier met zelfvertrouwen en vaste hand in toom te houden, daar een enkele onverwachte zijsprong aan Amphion ten minste kans zou geven om in de diepte te vallen. Dat de tijd van de handeling op een feest van Bacchus valt, is uit tal van aanwijzingen duidelijk. De gevlochten cista mystica, die bij feesten van Dionysos gebruikt werd, 1.\'at zelfs geen twijfel over en de huid eener ree, die Dirke om heeft, bevestigt dit ten overvloede. Verder de op hare voeten neergevallen klimopkrans en de gebroken thyrsos; ook de herdersjongen, die rechts van haar zit en vol smart aan haar lotgevallen deelneemt, heeft de attributen van Bacchus bij zich. De lier, die vlak achter Amphion tegen een boomstam is geplaatst, wijst op zijn bekende liefde voor de toonkunst. De vrouwen-liguur op den achtergrond is Antiope. Op een camée in Napels en op vele munten en kleine kunstwerken in Pompeji is de Farnesisehe stier gegraveerd.
De sage veitelt van de beide broeders verder, dat zij na de verdrijving of den moord van Lykos de heerschappij in Thebe verkregen; maar eigenlijk schijnt alleen Amphion koning te zijn geworden. Tusschen beiden heerschte het grootste verschil in wezen en karakter. Zethos is ruw en streng en een hartstochtelijk jager. Amphion daarentegen, een vriend der Muzen, wijdde zich geheel aan dicht- en toonkunst. Weik een groot
102
Schépping en voortijd. Amphion en Zethos.
kunstenaar hij was, toonde hij terstond, toen de broeders begonnen de tot nog toe onversterkte benedenstad Thebe met muren en sterke torens te omgeven. Want, terwijl Zethos met reuzenkracht de noodige blokken steen er heen bracht en op elkaar stapelde, behoefde Amphion slechts de lier ter hand te nemen en zijne schoone stem daarbij te laten klinken, en de grootste steenbrokken begaven zich van zelf daarheen en voegden zich gehoorzaam bij elkaar. Daarom werd ook Amphion steeds met een Her in de hand, Zethos met een knots voorgesteld. Het staat ontwijfelbaar vast, dat de Thebaansche Dioskuren, evenals de Spartaansche Kastor en Polydeukes, die ochtend- en avondster zijn, een natuurverschijnsel aanduiden, al is dat ook thans niet nader te verklaren.
Amphion is verder in de sage beroemd geworden door den treurigen ondergang zijner zonen en dochters. Hij huwde namelijk Niobe, de dochter van Tantalos, den koning van Phrygië en vader van Pelops. Dat huwelijk was gelukkig in de hoogste mate ; de goden schenen den vollen zegen te hebben uitgestort over dit verheven vorstenhuis. Een groote menigte van schoone en bloeiende kinderen groeide welig in het paleis, tot vreugde van hun roemrijken vader en tot trots hunner overgelukkige moeder. Maar uit dien onbewolkten hemel van zalig geluk zouden zij plotseling neergestort worden in den nacht van rouw en ijselijke wanhoop, door den overmoed van Niobe; denzelfden overmoed, die ook haren vader Tantalos had aangezet om vermetel spel te drijven met de goden van den Olympos. De ongelukkige geloofde om het groote getal harer heerlijke kinderen gelijk te staan met Leto, daar die slechts twee had: ja zelfs verbood zij de Thebanen offers te brengen aan I.eto en haar kinderen en wenschte goddelijke vereering voor zich. Maar toen trof haar de wraak der beleedigde goden. Alle kinderen van het Thebaansche vorstenhuis werden op éénen dag door de onfeilbare pijlen van Apollo en Diana gedood. In \'s levens lente bloeiend werden zij geknakt,zooals teedere lentevruchten verwelken onder de zengende zonnestralen. De ouders overleefden dien einde-loozen kommer niet. Amphion beging zelfmoord en Niobe, die van smart verstijfde, werd uit medelijden door de goden in een steen veranderd en teruggevoerd naar den berg Si-pylos in haar geboorteland Phrygië. Maar zelfs de steen houdt niet op tranen te storten.
Dat is de korte inhoud der schoone sage, waarvan mytho-
Derde gedeelte.
graphen en dichters elk onderdeel bijna op hunne wijzen hebben behandeld. Zeer verschillend zijn de opgaven omtrent het getal kinderen, dat nu eens twaalf heet, zooals bij Homerus, dan eens twintig, zooals bij Hesiodus en Pindarus, dan eens veertien, zooals bij de treurspeldichters, die mede dikwijls deze stof hebben uitgewerkt; Niobe was de titel van een stuk van Sophocles en van een van Aeschylus. Maar steeds bleef het getal der zonen gelijk aan dat der dochters. Het omstandigst en meest phantastisch is de beschrijving van Ovidius. De dichters hebben haar steeds een zuiver ethisch karakter gegeven door den ondergang van het geslacht voor te stellen als een gevolg van de zware zonde der moeder; maar ongetwijfeld is ook de grond van deze sage in de natuur der dingen te zoeken. De weelderige bonte pracht van den lentebloei verbleekt onder de gloeiend heete stralen der zon en verwelkt geheel, en zoo dikwijls die periode ook weerkeert maakt zij diepen indruk op ieder, die gevoel heeft voor de natuur. De aan phantasie zoo rijke Helleen is het nooit moede geworden om deze tooneelen in de schoonste beelden voor te stellen.
Evenals eerst de treurspeldichter» de Niobesage, die hun zoo ruime stof verschafte, recht uitgewerkt hebben, zoo heeft zij ook in de beeldende kunst eerst de volle aandacht getrokken, toen deze het eenvoudig episch karakter van den ouden tijd had afgelegd en de aangrijpende uitdrukking van hartstocht en zieleleven begon uit te werken. Die neiging tot het hartstochtelijke, dal effektbejag werd richting in de kunst tijdens Praxiteles en Skopas, de zoogenaamde jongere Attischesdiool.
Uit dezen tijd, de vierde eeuw vóór Chr., is de in de oudheid zoo beroemde Niobegroep afkomstig. Plinius zag ze nog in den tempel van Apollon Sosianos in Rome opgesteld, maar ook toen wist men niet meer bepaald te zeggen of zij het werk van Praxiteles of van Skopas was; en toch kan geen mindere dan zulk een meester de vervaardiger zijn geweest van deze tragedie in steen. Al zijn ook oorspronkelijke stukken dezer heerlijke groep verloren, we hebben kopieën van verreweg het grootste deel. IJe Niobidengroep te Florence is geen Grieksch oorspronkelijk werk, maar Romeinsche navolging, zooals uit de ongelijkheid in de bewerking en uit het verschil in de gebruikte marmersoorten blijkt. Deze groep werd in 15S3 nabij de kerk van het Lateraan in Rome gevonden, en gekocht door Kardinaal Medici om zijn villa aan den Monte Pincio te versieren. In 1 775 werd de groep naar Florence gebracht en sedert 1794 staat zij in de galerij der Uffizi. In latere dagen werden op verschillende andere plaatsen koppen en geheele figuren gevonden, waarin men deels namaaksel-. van Florenlijnsche stukken, deels ontbrekende leden erkende. Zoo is er in het Museum van het Vatikaan een dochter op de vlucht, van voortreffelijke bewerking, (zij mist echter hoofd en armen,) een vallende dochter, een vluchtende zoon; het Museum op het Capitool bezit een sneuvelenden en een knielenden zoon en twee dochters. liuiten Italië is
Schepping en voortijd. Amphion en Zethos.
de schoone zoogenaamde Ilioneus van de Beelden verzameling te Mun chen misschien een der Niobiden ; van den dood liggenden zoon heeft men zoowel te Dresden als te Munchen beelden.
Nooit was er verschil van meening omtrent de voortreffelijkheid der Niobegroep, en het toppunt van verdienste heeft in grootte en in rang de figuur van Niobe zelf. In het gelaat evenals in de geheele houding der ongelukkige koningin vertoont zich een zoo verheven, edele opvatting, dat, als ook geen stuk van de Grieksche oudheid tot ons ware gekomen
als die figuur, zij alleen reeds luide getuigenis zou afleggen voor de hooge volkomenheid en scheppende kracht der Grieksche kunst. Omtrent de orde, waarin de groep opgesteld moet worden, deelt Lübke mee: Men moet aannemen, dat Apollon en Artemis buiten de groep staan. In de hoogte boven het oog der menschen staande hebben zij juist hun werk van verdelging en wraak begonnen : dat is uit elke beweging duidelijk, vooral uit de houding der vluchtende personen, die verschrikt naar boven zien of zich met hunne kleeren trachten te dekken. Een der zoons ligt reeds dood neer, een ander houdt zich in zijn val nog even aan de rots vast ■en richt het stervend oog starend opwaarts, vanwaar hem het verderf
Derde gedeelte.
getroffen heeft. Een broeder tracht te Inat zijn zuster, die gewond aan zijn voeten is gevallen, met zijn kleed te beschermen en in zijn armen op te vangen; een ander is op zijn knieën gevallen en beproeft vol pijn met de hand naar de wond op den rug te komen, terwijl de opvoeder den jongste zoekt te beschermen. Al de anderen vliegen instinktmatig naar hunne moeder alsof zij, die hen zoo dikwijls redde, ook redden kon voor den wrekenden arm der goden. Zoo snellen allen van beide kanten als golven
eener ontzettende vlucht naar het midden heen, waar zij legen de hooge gestalte van Niobe als tegen een rots breken. Zij alleen blijft ongeschokt in al haar leed en blijft tot in het laatste oogenblik moeder en koningin. Terwijl zij haar jongste dochtertje, dat zelfs hare prille jeugd niet tegen de wrekende pijlen der godin bewaarde, in haar armen opving en zich over haar stervende lieveling heenbuigt om het te beschutten, richt /.ij het trotsche hoofd naar boven, voordat zij met hare linkerhand haar door smart benepen gelaat met haar kleed kan bedekken, en zoekt met een blik, waarin smart en zielenadel te lezen zijn, de wrekende godin. In dezen blik van den heerlijken kop ligt evenmin trotschheid als smeeken om medelijden. Slechts de uitdrukking van innig treffende smart en
Schepping en voortijd. Sisjphos
majesteit, die /ich heldhaftig schikt in het onveranderlijke lot, dat de goden hebben toegedeeld, is Niobe waardig. In deze wonderschoone gestalte ligt dan ook het geestelijke zwaartepunt van het geheel, de verzoening, die bij een tooneel zoo vol ijzing en verschrikking het gemoed tot tragisch medelijden schokt. En dezelfde schoonheid ligt ook in de andere deelen van het werk over alle figuren en schaft dezen een adel, waarin zelfs het ontzettende van zulk een vreeselijke gebeurtenis tot reinheid en zachtheid stemt.
Niet gelukkiger dan Amphion was Zethos in zijne huiselijke omstandigheden. Hij huwde Aëdon, (d. i. de nachtegaal), een dochter van Pandareos, een vriend en makker van Tantalos, die ten zijnen dienste een levenden, bronzen hond uit den tempel van Zeus op Kreta stal en daarom in steen werd veranderd. Aëdon nu, afgunstig en kwaad om het geluk van Niobe, die vele schoone kinderen had, terwijl zij slechts een enkelen zoon, Itys, (zooals hem de treurspeldichter noemt, of Itylos, zooals Homerus) had, wilde bij nacht den oudsten zoon barer schoonzuster dooden, maar trof bij vergissing haar eigen zoon. Zeus ontfermde zich over haar en veranderde haar in een nachtegaal. In dezen staat beweent zij in gerekte, smartelijke tonen haar bitter verlies. Over het einde van Zethos zwijgt de overlevering, maar in Thebe wist men toch het gemeenschappelijke graf der Boeotische iJioskuren aan te wijzen. Na hunnen dood nam met Laios, den zoon van Labdakos en kleinzoon van Polydoros, weer het geslacht van Kadmos den Thebaanschen koningstroon in.
Mythen van Korinthe.
Sisyphos.
Als stichter van Korinthe of Ephyra, zooals de oudste naam is, noemt de mythe Sisyphos. den zoon van Aeolos. Daar de Korinthiërs wegens de ligging hunner stad tusschen twee zeeën natuurlijk tot een vergoding van dit element moesten komen, is het niet onwaarschijnlijk, dat Sisyphos een overoude voorstelling is van de rusteloos op- en neergaande zeegolven. Deze verklaring is echter geenszins zeker, en de voorstelling van Sisyphos, die in de onderwereld zonder ophouden een steen op den top van een berg moet wentelen, kan eer op de zon betrekking hebben, die, als zij tijdens het zomerstilstandspunt haar toppunt bereikt heeft, weer neerglijdt om op den kort-
167
Derde gedeelte.
sten dag het spel weer van den beginne af te herhalen. In elk geval was het steenen wentelen aanvankelijk geen straf, maar het werd dat eerst later, toen men zich met het denkbeeld van een vergeldende gerechtigheid vertrouwd had gemaakt. Toen moest natuurlijk ook voor Sisyphos een bijzondere misdaad uitgevonden worden, en vandaar dat die dan ook zeer verschillend wordt opgegeven. Nu eens werd hij gestraft op last van Zeus, omdat hij, toen deze Aegina, de dochter van den riviergod Asopos, heimelijk uit Phlius geschaakt had, door zijn sluwheid het geheim had ontdekt en aan den vader verraden; dan weer, omdat hij reizigers op weg overviel en met groote steenen dooddrukte en dgl. Daar de Korinthiërs slimme kooplieden waren, dichtte men hun mythischen stichter ook een geraffineerde slimheid toe. Onder de fabelen, die over hem in zwang waren, is geene zoo bekend als die, waarin Sisyphos den dood met list in de boeien wist te slaan, zoodat niemand meer sterven kon en Ares moest gezonden worden om hem weer vrij te maken.
Glaukos.
In de sage is Glaukos een zoon van Sisyphos en Merope. Ook dezen houdt men voor een symbolisch wezen, dat oorspronkelijk samenviel met Poseidon en eerst later tot de Heroën verlaagd werd. Hij heeft vooral naam gekregen door het ongelukkig einde van zijn leven. Toen hij namelijk bij gelegenheid der lijkspelen ter eere van Pelias in lolkos aan den wedstrijd met den wagen deel nam, werd hij door zijn paarden, die schuw waren geworden, verscheurd. Anderen plaatsen het tooneel dier gebeurtenis naar Potniae bij Thebe. Na zijn dood gold Glaukos als een booze daemon, die de paarden schuw maakte.
Bellerophon en de Amazonen.
De derde Korinthische landheros is Bellerophon of Belle-rophontes. Bij hem is het verband tot de zon zoo duidelijk, dat over de verklaring van deze mythe geen twijfel kan bestaan. Als hij de zoon van Poseidon of van Glaukos wordt genoemd, dan lag die geslachtsrekening het meest bij de Korinthiërs voor de hand, die de zon dagelijks uit zee zagen komen.
In Korinthe geboren en opgevoed moest hij om een onbe-
i68
Schepping en voortijd. Bellerophon.
kende oorzaak, want dat hij den Korinthischen edelman Belle-ros zou gedood hebben berust op een onware etymologie — zijn vaderland vermijden en vond hij gastvrijheid bij koning Proetos te Tiryns. Daar werd de vorstin, wier naam zeer verschillend wordt opgegeven, verliefd op den schoonen sta-tigen jonkman. Maar de listen van deze vrouw hadden geen gevolg en daarom belasterde zij den jongen gast bij haren gemaal. Dientengevolge zond Proetos hem naar zijn schoonvader lobates. koning van Lycië, met een brief, die in geheim schrift de opdracht aan lobates bevatte om den overbrenger te dooden. Daarmee begint de loopbaan van den held Bellerophon, en lobates tracht zich van het verzoek af te maken door Bellerophon op allerlei gevaarlijke ondernemingen uit te zenden. Ten eerste dan droeg hij hem op, om de Chimaera te dooden, welke strijd in een terra cotta van Melos bewaard is gebleven. De Chimaera was een monster, dat het land verwoestte, van voren een leeuw, in het midden een geit, van achteren een slang, zooals Homerus het beschrijft; of dat de drie koppen van een leeuw, een geit en een slang had naar Hesiodus verhaalt. Volgens dezen dichter was de Chimaera een dochter van Typhon en Echidna, was bijzonder vlug en sterk en had een vurigen adem. Maar Bellerophon bedwong het monster met hulp van een gevleugeld paard Pegasos, waarop hij zich hoog in de lucht verhief en van boven neer het monster doodde.
De geschiedenis van Pegasos luidt aldus. Hij was een zoon van Poseidon en Medusa en, toen Perseus Medusa het hoofd afsloeg, sprong de Pegasos uit den romp der verslagene. Dit paard nu werd door Bellerophon gevangen, toen het zich op Akrokorinthos had laten vallen om uit de bron Pirene, die daar was, te drinken en de godin Athena hielp hem het dier toomen en aan zijn wil onderwerpen. Zoo bezat Bellerophon den Pegasos dus reeds in Korinthe. Volgens een andere overlevering zonden de goden hem het paard eerst, toen hij tot den strijd tegen de Chimaera was uitgetrokken. Wat nu de beteekenis van die worsteling betreft, dan heeft men wel eens aan een vuurspuwenden berg gedacht, maar men moet niet vergeten, dat alle draken, slangen of monsters van dien aard vuur spuwen, zonder dat men daarom aan vulkanen behoeft te denken. Daarin ligt slechts een zinnebeeldige aanwijzing van de woede en het gevaarlijke dezer monsters.
169
Derde gedeelte.
die niets bijzonder merkwaardigs heeft, üe strijd van Belle-rophon met de Chimaera wijst veelmeer op de door de kracht der zón ontstaande opdroging van gevaarlijke beken, die de landerijen overstroomen.
Het tweede waagstuk, dat Bellerophon door lobates werd opgedragen, was legen cle Solymen gericht, een vijandig volk, dat nabij Lycie in de bergen woonde. En toen hij ook dat met geluk had volbracht, zond lobates hem tegen de oorlogszuchtige Amazonen uit, in de hoop dat hij door haar een wissen dood zou vinden. Ma;ir ook van dezen tocht keerde hij ongedeerd terug, zooals vele helden der oudheid. Hercules,Theseus, gelukkig tegen dit volk van vrouwen hebben gestreden. De Amazonen, die Homerus reeds in het voorbijgaan vermeldt, vormden een vrouwenstaat, waarin geen man werd toegelaten dan om het uitsterven van het volk te voorkomen. Daarentegen oefenden zich de vrouwen reeds van de jeugd af in den krijg, zoodat zij niet alleen sterk genoeg waren om haar land te verdedigen tegen vijandelijke aanvallen, maar zelfs uit eigen beweging groote roof- en plundertochten ondernamen. De ligging van dit rijk, dat men aanvankelijk in het hooge Noorden of in het verwijderde Oosten zocht, wordt gaandeweg nauwkeuriger bepaald. Men zocht de Amazonen in Cappadocie aan de rivier de Thermodon met een hoofdstad Themiskyra, of in het land der Skythen aan de oevers van het meer Maeo-tis en verdichtte, dat uit de vereeniging van Amazonen en Skythen de Sarmaten voortgekomen zijn. Latere schrijvers kenden bovendien nog Amazonen in het Westen van Libyë. Onder de sprookjes omtrent de Amazonen is geen smakeloozer dan dat zij zich de rechterborst hadden uitgesneden en gebrand om bij het hanteeren van den boog geen stoornis te ondervinden. De aanleiding tot dit sprookje gaf zeker de naam van dien stam, die echter niet van Griekschen oorsprong is en tot heden niet verklaard kon worden. Van Thermodon ondernamen de Amazonen groote tochten tot aan de kusten der Aegaeische zee, en men vertelde later van een inval der Amazonen in Attika om Theseus te beoorlogen. Ook in den oorlog van Troje waren zij onder de koningin Penthesilea Priamos tegen de Grieken te hulp gekomen.
Het laatste middel, dat lobates te baat nam om den god-delijken held uit den weg te ruimen was, dat hij hem uit een hinderlaag liet overvallen. Maar Piellerophon versloeg alle aan-
17°
l-\'ig, 67. Amazone te Utrlijn.
vallers, en sedert liet lotates alle vervolging varen en verzoende zich met Bellerophon, gaf hem zelfs zijn dochter ten
Derde gedeelte.
huwelijk en aandeel aan zijn regeering over Lycië. Maar pas was Bellerophon op het toppunt van geluk gekomen, toen hem te midden van aardsche macht, grooten rijkdom en bloeiende kinderen, de snelle wisseling van het lot jammerlijk trof. Met waanzin geslagen dwaalde hij in eenzaamheid rond, de nabijheid van menschen vermijdend, totdat hij eindelijk op treurige wijze omkwam. Pindarus verhaalt dat hij zich den haat der goden op den hals had gehaald, doordien hij op den Pegasos naar den Olympos wilde vliegen, en alleen doordien Zeus een paardenvlieg zond, die het woedend geworden paard stak, wierp dit zijn ruiter af en vloog het alleen naar de kribbe van Zeus, om voortaan den donderwagen te trekken. Euripides maakte van het treurige einde van Bellerophon het onderwerp eener indrukwekkende tragedie, waarvan nog brokstukken overgebleven zijn. Maar in Korinthe werd Bellerophon als een heros geëerd en had hij een heiligdom in het beroemde cy-pressenbosch van Poseidon.
Zeer dikwijls heeft de Grieksche kunst voorstellingen geleverd van Amazonen. Steeds zijn het krachtige, bloeiende vrouwenfiguren op Ar temis of op Nymphen gelijkend, maar met steviger armen. Zij zijn bijna altijd gewapend met de karakteristieke, lange, dubbele strijdbijl (bipennis) en het halvemaanvormige schild. Uit een anekdote van Plinius kan blijken, hoe gaarne de Grieksche kunstenaars Amazonen vervaardigden. Beroemde beeldhouwers namelijk, Phidias, Polycletos, Phradmon en Kresilas gingen op verlangen tier Ephesiërs een wedstrijd aan, wie de schoonste Amazone kon leveren. Het werk van Polycletos werd bekroond, zoodat men mag aannemen dat het Amazonenbeeld van dezen het ideaal het naast bij kwam. Wij weten echter niets meer daarvan dan dat het van brons was en naast de beelden van andere kunstenaars in den tempel van Artemis te Ephesos was opgesteld. Omtrent de Amazone van Phidias weten we, dat die tegen een speer steunde; daarentegen had Kresilas een gewonde Amazone vervaardigd. Buitendien weten we nog van een Amazone van Strongylion, later in het bezit van Nero gekomen, die dooide schoonheid harer beenen uitmuntte.
Onder de vele Amazonenbeelden, die nog over zijn, gelden eenige voor navolgingen der beroemde bronzen van Ephesos. Men kan duidelijk drie verschillende grondtypen herkennen; de eerste is die der gewonde Amazone, die meermalen voorkomt en tot het origineel van Kresilas gebracht wordt. Het hoofdexemplaar van dien aard is de Amazone op het Capitool met een open wond aan de rechterborst, waarvan de linkerhand het kleed aftrekt. De trekken zijn bitter en pijnlijk. Op den linkervoet steunende trekt zij den rechtervoet wat naar de hoogte, waardoor de geheele gestalte iets aantrekkelijks en gemakkelijks krijgt. Het is jammer, dat de rechter opgeheven arm slecht bijgewerkt is.
Het tweede type is dat van de Amazone met de speer, met een weinig opgetrokken knie, waarvan het hoofdexemplaar een meer dan levensgroot
172
Schepping en voorlijd. lo.
marmeren beeld is, vroeger in de Villa Mattei opgesteld, sedert Clemens XIV in het Vatikaan. Waarschijnlijk hebben wij daarin een in den strijd afgematte Amazone voor ons, op het punt om den boog neer te leggen, nadat ze reeds schild, helm en strijdbijl heeft afgelegd. Men is geneigd dit werkstuk tot het origineel van Phidias in Ephesos terug te brengen.
De derde eindelijk zou naar het type van Polycletos zijn, de rustende Amazone, in twee even schoone exemplaren voorhanden, een in Braccio nuovo op het Vatikaan, een ander in het Museum te Berlijn (fig. 67) in 1869 in Rome gevonden. Alle deelen van het beeld zijn van gelijke, buitengewone schoonheid; het fijn besneden gelaat, de houding der armen, het even opgetrokken linkerbeen. Ook deze Amazone heeft onder den rechterarm een wond, die den pijnlijken trek in het gezicht verklaart. liet sierlijke lint is aan den linkervoet met de spoor bevestigd, die slechts aan een voet gedragen werd. Een klein bronzen beeld, in de Uflizi te Florence stemt in allen deele met het Berlijnsche stuk overeen. Het Museum te Dresden bezit een Amazone, die van den strijd uitrust, met een kop door Thorwaldsen aangebracht, maar van veel minder kunstwaarde dan de anderen. Een strijdende Amazone met den helm op het hoofd (bronzen beeld uit Herculanum) is in het Museum te Napels te vinden. Ook is er een stervende Amazone van schoone opvatting, afkomstig van de wijgeschenken van Attalos IT, koning van Pergamos, aan de Akropolis van Athene.
1
De Mythen van Argos.
lo.
Op de grens van den mythischen voortijd van Argos ontmoeten we Inachos, een naam, waaronder ook de rivier van dat landschap bekend is. De Argiven vereerden hem als den eersten stichter van beschaving na den zondvloed van Deuka-lion. Zijn dochter is de om hare schoonheid beroemde lo, omtrent wie een overoude mythe bestaat, door dichters of mythenschrijvers zeer opgesmukt. De korte inhoud is deze: lo, priesteres van Hera, trok door hare schoonheid de aandacht van Zeus tot zich. Maar toen Hera dat bemerkte, veranderde zij uit jaloezie lo in een blinkend witte koe en liet haar door den (alzienden) Argos Panoptes bewaken. Daarentegen zond Zeus zijn Hermes om de koe te rooven en deze sloeg met zijn tooverstaf den wachter in slaap en doodde hem. Hermes ontleende daaraan den naam van Argiphontes. d. i. die den Argos doodt. Hera nam daarover wraak door op lo een paardenvlieg te zenden, die haar (waanzinnig maakte en) al voortdreef door de landen van Europa en verwijderde streken van Azië, totdat zij eindelijk in Egypte rust vond.
173
Derde gedeelte.
waar zij door Zeus hare vroegere gestalte terugkreeg en het leven schonk aan Epaphos, die koning van Egypte werd en Memphis bouwde. Deze sage is later op allerlei wijzen opgesmukt. Vooreerst werden met de uitbreiding van de kennis der aarde de zwerftochten van lo al grootei gemaakt. Maar de juiste verklaring dezer mythe dankt men eerst aan den verdienstelijken navorscher en kenner der oudheid, F. A. Wekker. lo, de dwalende, is de maan, wier schijnbaar onregelmatige loop en tijdelijk verdwijnen voor de oudste volken zeker een hoogst merkwaardig verschijnsel was. De gedaante van een koe is een overoud, in de oude wereld verspreid beeld van de maangodin. Zoo is o. a. ook de Isis der Egyptenaren gehoornd. De wachter der koe (of maan), is de honderdoogige Argos; ra. a. w. de sterrenhemel. Dat Hermes dien doodt, is het beeld van den regengod, die met zijne wolken de maan en de sterren aan het oog der men-schen onttrekt. Dat de schijnbare stoornissen in den loop der maan voor de ouden een onverklaarbaar verschijnsel waren en als een zinsverbijstering werden opgevat is niet vreemd; wij ontmoeten gelijke voorstellingen ook bij de zonnehelden Bellerophon en Herakles. In het Zuidoosten — voor de Grieken is dat in Egypte komt dan lo, in hare vroegere gestalte, als volle maan weder op.
Danaos en zijne dochters.
In de sage heet Danaos een nakomeling van lo. Want haar zoon Epaphos had een dochter Libya, die met Poseidon gehuwd, twee zonen. Agenor en Belos, had, waarvan de laatste over Egypte, de eerste overPhoenicië heerschte. Belos huwde met Anchirrhoë, de dochter van Nilos, en kreeg twee zonen, Aegyptos en Danaos. Tusschen deze broeders nu, waarvan de eerste vijftig zonen, de andere vijftig dochters had. ontstond een vijandschap, waardoor Danaos het land moest verlaten en het oude geboorteland zijner stammoeder lo weer moest opzoeken. Op een schip met vijftig roeibanken, zo^als toen voor het eerst werd gebouwd, kwam hij met zijn vijftig dochters te Argos aan, waar hem de daar regeerende vorst Gelanor, een nakomeling van Inachos, de regeering overgaf. Als koning van Argos zou hij nu een hoogere beschaving in het land hebben gebracht; hij groef
174
•Schepping en voorwereld. Proetos.
in die streek, te voren arm aan water, slooten en kanalen, en voerde den eeredienst van Apollon en Demeter in. De sage verhaalt nu verder, dat de vijftig zonen van Aegyptos hun oom naar Argos volgden en hem dwongen zijn dochters aan hen te schenken. Maar Danaos gaf, om wraak te oefenen, aan zijn vijftig dochters, die allen op één dag zouden huwen, dolken, om daarmee hare echtgenooten in den nacht te vermoorden. Allen gehoorzaamden dit bevel, behalve Hyper-mnaestra, die het eens gesloten huwelijksbond eerde en haren man Lynkeus spaarde, en ook later met hulp van Aphrodite, verzoening tusschen Lynkeus en Danaos bewerkstelligde. Haar echtgenoot volgde dan ook later Danaos in de heerschappij op, en werd door zijn zoon Abas de stamvader der beide groote helden van het landschap Argos; Perseus en Herakles. Van later dagteekening is het verhaal, dat de Danaïden in de onderwereld, tot straf voor hare misdaden, in een bodemloos vat water moesten scheppen, en reeds dikwijls is de opmerking gemaakt, dat deze straf bij de begane misdaad niet het minste past. Men moet dus in het oog houden, dat het denkbeeld van straf in de onderwereld later opgekomen is. Oorspronkelijk dacht men, dat in het rijk van Hades de handelingen van de bovenwereld werden voortgezet. Daarin ligt de sleutel tot verklaring van deze mythe, die onmiskenbaar de aanwijzingen bevat op de kunstmatige besproeiing van het land, door Danaos aangebracht.
De kunst stelde de Danaïden voor als Nymphen met emmers in de hand. In het Museum op het Vatikaan is een prachtig exemplaar, waarvan de armen goed zijn bijgewerkt. De half gesloten oogen geven wel eetiigermate verdriet te kennen over het vruchtelooze van haar arbeid.
Proetos en de Frottiden.
Akrisios en Proetos waren tweelingzonen van den bovenge-noemden Abas en deze twee haatten elkaar zoozeer, dat de dichters hen reeds vóór hunne geboorte laten vechten. Proetos, wien Tiryns bij den dood zijner ouders ten erfdeel viel, moest eindelijk voor zijn broeder wijken en vluchtte naar Lycié bij koning lobates. Deze gaf hem zijne dochter Periboea of Sthe-neboea tot vrouw en herstelde hem weer in Tiryns, waar de Lycische werklieden (kyklopen), die hij had meegebracht, een
\'75
Derde gedeelte.
sterken burg voor hem bouwden, waardoor hem niet slechts het bezit van Tiryns veilig was, maar het hem ook mogelijk was zijn heerschappij tot aan Korinthe uit te breiden. Omtrent de dochters van Proetos, de drie Proetiden, weet de sage verder mee te deelen, dat zij trotsch op hare schoonheid en op de macht van haren vader zich boven de goden wilden verheffen en daarom met een walgelijke ziekte waren bezocht en waanzinnig geworden, zoodat zij de nabijheid van menschen ontweken en ronddoolden in de bosschen en bergen van Arka-dic. Maar in Arkadia leefde toen een priester en waarzegger Melampos, van wien de sage vertelde, dat hem eens, toen hij sliep, slangen de ooren hadden uitgelikt en hij dientengevolge de taal der vogels had leeren verstaan. Dezen Melampos nu wist Proetos voor zich te winnen, en deze nam het herstel en de verzoening der dochters op zich. Toen dit dan ook gelukt was kreeg hij de hand van Iphianassa en met zijn broeder Bias deel aan de regeering in Tiryns. Zoo kwam het geslacht der Amythaoniden in Argos; de gave der voorspelling was in dit geslacht erfelijk en de beroemdste er uit is Amphiaraos.
Perseus.
Danaë, die het geluk had door den hoogen beheerscher van den Olympos bemind te worden, was een dochter van Akrisios, en daar deze uit vrees voor de uitspraak van het orakel, dat hij door zijn kleinzoon zou gedood worden, zijne dochter in een onderaardsch gewelf opsloot, ging Zeus uit liefde tot haar in een gouden regen over en naderde haar door de zoldering van hare gevangenis heen. De groote held Perseus werd haar zoon. — Het is buiten twijfel dat ook aan deze mythe het zoo dikwijls terugkeerende natuurverschijnsel te gronde ligt van een kortstondige verbinding tusschen den hemel en de aarde. Want Danaë stelt het landschap Argolis voor en hare gevangenis is de in den donkeren on-aangenamen winter met wolken bezette hemel. Haar he-raelsche zoon is de in de lente terugkeerende zon, die dan als een waar held den strijd aanvaardt tegen de machten der duisternis en des doods.
Wat in de Apollo-sagen het afschuwelijke monster Python beteekent, is in de geschiedenis van Perseus de Medusa. De sage vertelt namelijk verder dat Akrisios, nadat hij kennis
176
Schepping en voortijd. Perseus.
had gekregen van de geboorte van zijn kleinzoon, moeder en kind in een kist liet sluiten en in zee werpen om het hem door het orakel bedreigde lot te ontgaan. Maar wat vermag menschelijk overleg tegen de raadsbesluiten van Zeus! De kist landt op het rotsige eiland Seriphos, waar de vis-scher Diktys die geheel uit zee trekt en met zijn broeder Po-lydektes, den heer van het eiland, de vondelingen opneemt. De laatste wenschte daarop Danaë tot echtgenoot en maakte haar, toen zij dit aanzoek van de hand wees, tot zijn slavin; Perseus, wiens wraak hij vreesde, zond hij, toen hij groot geworden was, op een gevaarlijke onderneming uit, om hem uit den weg te ruimen. Hij liet hem namelijk het hoofd van een der Gorgonen, Medusa, halen, een schrikwekkende, gevleugelde maagd, die met hare zusters, de dochters van Phorkys en Keto, aan den uitersten, westelijken rand der aarde, aan de oevers van den Oceaan, woonde.
Perseus gaat op weg, hoewel nog niet wetende hoe hij een zoo gevaarlijk waagstuk zou ten uitvoer brengen. Maar in zijn verlegenheid kwamen Hermes en Athena, die alle helden beschermden, hem te hulp en spraken hem moed in. Ten eerste toonden zij hem, hoe hij zich de voor zijne onderneming noodige voorbehoedmiddelen kon verschaffen, namelijk een onzichtbaar makende wolkenkap, een betooverende reistasch en een paar gevleugelde schoenen. Deze wonder-zaken waren in het bezit der Nymphen, waaronder men hier de waternymphen heeft te verstaan. Maar alleen van de Graiën kan men den weg naar deze Nymphen gewaar worden en dat zijn evenzeer dochters van Phorkys en Keto. Zij zijn afgrijselijk leelijk, als oude vrouwen reeds op de wereld gekomen en hebben samen slechts één oog en één tand, die zij elk op hare beurt gebruiken. Zij wonen in het verre Westen, aan de grens van het in den nacht gehulde land der Gorgonen en worden daarom door den dichter Aeschylus haar voorpost genoemd. Naar deze Graien voerden de beschermgoden Perseus. Hij nu ontnam haar met geweld den tand en het oog, dwong haar om hem den weg naar de Nymphen te vertellen, verkreeg van haar zonder moeilijkheid de ge-wenschte zaken en vloog toen, op zijn gevleugelde schoenen door de lucht gedragen, naar het verblijf der Gorgonen. Gelukkig voor hem sliepen zij. Athena, die hem was gevolgd, wees hem, wie onder de drie zusters Medusa was; want de
177
Derde gedeelte.
beide andere, Stheino en Euryale genaamd, waren onsterfelijk. Zij wees hem verder, hoe hij voorzichtig met den rug naar haar gekeerd haar moest naderen en, met hulp van het spiegelgladde schild van Athena en het hem van Hermes gegeven sikkelvormige mes, Medusa het hoofd moest afsnijden ; want het aanschouwen van de gezichten der zusters veranderde eiken mensch onmisbaar in steen. Perseus deed alles geheel, zooals hem geraden was, en verwijderde zich met het hoofd der Medusa, dat hij met bliksemsnelheid in zijn tasch had gestoken, terwijl zijne wonderlijke nevelkap hem onttrok aan de vervolgingen der inmiddels ontwaakte zusters. Maar uit den romp der gedoode Medusa ontsprongen het gevleugelde wonderpaard Pegasos en Chrysaor, de vader van Geryones. Naar Seriphos teruggekeerd versteende Perseus den onbillijken Polydektes door middel van het hoofd der Medusa, dat hij vervolgens aan Athena ten geschenke gaf. Maar zijn weldoener Diktys maakte hij tot koning van het eiland en ging zelf naar zijn geboorteland Argos terug.
Zóó zijn de grondtrekken dezer mythe, waarover wij geen oudere bronnen hebben, al is zij zelf ook nog zoo oud. Reeds de ouden hadden veel hoofdbrekens met den waren achtergrond dezer tooneelen te zoeken en niet minder verschil is er in de meeningen der nieuweren. Eenige aanspraak op waarschijnlijkheid heeft wel de verklaring van Medusa als volle maan, die wijken moet voor den zegevierenden zonneheld Perseus en diens schitterenden stralenglans. Maar aan den anderen kant pleit ook vee! voor de verklaring, dat Medusa een gevaarlijke onweerswolk is, die door den zegevierenden zonneheld van den hemel wordt weggevaagd.
Aan deze oudere kern knoopen zich later nog jongere sagen vast, die de verdere lotgevallen en heldendaden van Perseus bevatten. De meest bekende daaronder is de redding van Andromeda, een onderwerp, door Euripides in een beroemd stuk behandeld en ook na hem door dichters en kunstenaars te baat genomen. In het kort is zij van den volgenden inhoud. Cassiopeia was de gemalin van Kepheus, koning van Ae-thiopie. Daar zij zich vermeette schooner te zijn dan deNereïden zelfs, verzochten deze Poseidon haar te straffen. Deze stond het haar toe en bezocht het land niet slechts met overstrooming, maar zond buitendien nog een grimmig zeemonster, dat men-schen en vee verslond, liet orakel van Ammon beloofde redding
178
Schepping en voortijd. Perseus.
179
indien de prinses Andromeda aan het monster ter verzadiging werd gegeven. Met tegenzin gaf de koning aan de smeekingen des volks gehoor en liet Andromeda aan een rots nabij de zee binden. Zoo vond haar Perseus op zijn terugtocht van de onderneming tegen Medusa, In een oogen-blik hulpvaardig, viel hij het monster aan, doodde het en
bevrijdde de bevende Andromeda, die nu aan haar verlosser werd uitgehuwelijkt. Lateren, wien die afloop te eenvoudig was, dichtten er bij dat Perseus om het bezit van Andromeda nog den strijd met haren oom Phineus doorstaan moest, met wien zij vroeger verloofd was geweest. En tegen hem moest dan de Medusakop voor de eerste maal den goeden dienst bewijzen om Phineus met zijn krijgslieden te doen versteenen.
Derde gedeelte.
Het slot der Perseussage wordt gevormd door den terugkeer van den held naar Argos. Perseus verzoent zich nu wel met zijn grootvader Akrisios, die uit angst voor hem naar de sterkte Larissa was gevlucht, maar daar het orakel toch vervuld rnoest worden, werd hij onschuldig zijn moordenaar. Bij gelegenheid van kampspelen, die de bewoners van Larissa te zijner eer ingesteld hadden, doodde hij Akrisios door een ongelukkigen diskosworp. Ook in dezen trek der sage ligt onmiskenbaar een aanwijzing op de beteekenis van Perseus als natuurverschijnsel; want de diskos wijst evenals in de sage van Hyakinthos op de zonneschijf. Perseus verwisselde nu, angstvallig om de erfenis van zijn grootvader, dien hij gedood had, te aanvaarden. Argos met Tiryns, dat Megapenthes, de zoon van Proetos, hem afstond. Daarop stichtte hij de steden Midea en Mykenae en werd door zijn huwelijk met Andromeda de stamvader van vele helden, waaronder Herakles de beroemdste was. Zijn zoon Elektryon namelijk werd vader van Alkmene, en van een anderen zoon sproot Amphitryon voort. Perseus genoot, zooals Pausanias bericht, zoowel in Argos als in Athene en op het eiland Seriphos de eer der heroën; hij had daar n.1. heiligdommen.
Op het gebied der Grieksche kunst is Perseus van groote beteekenis. Zijne gewone attributen zijn de gevleugelde schoenen, het kromme mes, waarmee hij de Medusa had gedood, en de helm van Mades. In gestalte en kleeding gelijkt hij zeer op Hermes.
Onder de kunstwerken, waarbij Perseus in aanmerking komt, is het belangrijkst een schoon reliëf in marmer in het keizerlijk vertrek van het Museum op het Capitool, de verlossing van Andromeda voorstellende, ilet zeemonster ligt dood op den grond, en Andromeda komt vol vreugde haastig van dc rotsen af, waarbij Perseus haar behulpzaam is. Houding en uitdrukking zijn zeer eigenaardig, maagdelijke schroom aan den eenen, trotsch bewustzijn aan den anderen kant. Op te merken valt dat Perseus vleugels aan de voeten en aan het hoofd heeft. Met eenige wijzigingen vertoonen een muurschildering in Pompeji en een reliëf in marmer in het Museum te Napels hetzelfde motief (fig. 6S;.
Ue afbeelding der Medusa treft men meest slechts als masker aan. Men bracht zulke maskers, waarvan het bijgeloof meende, dat ze ongeluk afweerden, op pantsers, schilden, vleugeldeuren en zulke stukken aan. Zoo was het gezicht der Gorgo op de Atheensche munten gestem peld, totdat dit onder de Pisistratiden vervangen werd door een Athena. In deze voorstelling onderscheidt men een oudere en een jongere opvatting. I)e oudere kunst beijverde zich namelijk slechts om het vreese-lijke en afschrikkende van het Medusahoofd te laten uitkomen. Men deed moeite om het gelaat een uitdrukking te geven van woede en grootst mogelijke woestheid, daar men tot de uitgestoken tong en het schitteren
i8o
Schepping en voortijd. Perscus. 1S1
der evenals bij een ever vooruitspringende tanden zijn toevlucht nam. Opmerkelijk igt; bij deze oudste Gorgonenkoppen, die ons dikwijls op munten, edelgesteenten en aarden gereedschappen onder de oogen komen, dat het haar niet als slangen gestrengeld is, maar stijf en glad over het voorhoofd neervalt, waardoor de leelijke breedte van het gelaat nog meer uitkomt. Ook zijn er geen andere slangen aan te zien, dan die. welke als een band om den hals schijnen geknoopt te zijn. Zeer verschillend is hiervan de jongere voorstelling van den (lorgonenkop. Aan de jongere meer op effect berekende richting was het hoofdzakelijk te doen om het met den dood eindigende leven een kunstmatige uitdrukking tc geven.
Daarbij kon gt;lechts het effect vermeerderd worden, als het leelijke Me-dusagelaat werd omgewerkt tot een ideaal van schoonheid, rietschoonste voorbeeld van die richting, die sedert Praxiteles optrad, is de Medusa Kondanini uit het beeldenmuseum te Munchen. zoo geheeten, omdat het uit het paleis Rondanini kwam. liet is een marmeren masker van voortreffelijke bewerking. Deze Medusa heeft, evenals vele andere uit latere dagen, vleugels aan het hoofd. Van veel minder kunstwaarde i-. een Medusamasker in het Museum te Keulen; betere exemplaren heeft het Vatikaan ; een schoone Medusa in proHel is in de hoofdzaal der Villa l udovisi bij Rome,
Dc Dioskuren.
In de zuidelijke landschappen van de Peloponnesus, Lace-daemonie en Messenië, maken de Dioskuren de stof uit der voornaamste mythen. Tvndareos en zijn broeder Ikarios waren
Derde gedeelte.
de oudste vorsten in Lacedaemon. Door hunnen halfbroeder Hippokoön verdreven, vonden zij vriendelijke ontvangst bij The-stios, den beheerscher der oude stad Pleuren in Aetolië. Deze gaf hun zijne dochters tot vrouwen, namelijk aan Ikarios Po-lykaste, die moeder werd van Penelope, later de echtgenoot van Odysseus, aan Tyndareos de schoone Leda, die de Dios-kuren Kastor en Polydeukes of Pollux voortbracht. Tyndareos werd later door Herakles weer in zijn heerschappij te Amy-klae hersteld. Behalve de beide genoemde zonen had Leda nog twee kinderen, in den Trojaanschen oorlog overbekend, Klytaemnestra en Helena. Nu bestond er een overoude sage van de liefde van Zeus voor de schoone Leda en dat hij haar in de gedaante van een zwaan bezocht had, maar wie onder de kinderen van den goddelijken oorsprong waren en welke niet, is uit de sagen niet op te maken. Bij Homerus is alleen Helena een dochter van Zeus. Klytaemnestra en haar beide broeders worden kinderen van Tyndareos en daarom Tynda-riden geheeten. Later kwam de naam Dioskuren op en het geloof, dat zij beiden zonen van Zeus waren, en nog later vond het geloof ingang, dat Kastor sterfelijk was en Polydeukes onsterfelijk. Toen Kastor in den strijd met de zonen van Apha-reos gesneuveld was, wilde zijn broeder Polydeukes niet van hem scheiden en bewerkte hij bij zijn vader Zeus, dat zij bij elkaar mochten blijven op voorwaarde, dat ze afwisselend een dag om den anderen in den Hades en op den Olympos mochten doorbrengen. Zoo was hun leven verdeeld tusschen sterfelijkheid en onsterfelijkheid.
De volgende sagen bestaan er over hunne heldendaden. Toen zij groot waren, muntte Kastor uit in de kunst om paarden te besturen; Pollux echter was een gevreesd vuistvechter, doch wordt ook wel een vaardig ruiter genoemd. Zij oorloogden hel eerst tegen Theseus, die hunne tienjarige zuster Helena had weggevoerd en bevrijdden haar door de verovering van Aphi-dnae ; daarna namen zij deel aan den Argonautentocht, waarbij Polydeukes zich door een overwinning op den grooten vuistvechter Amykos grooten roem verwierf, en namen ook deel aan de jacht op het Kalydonische zwijn. Hunne laatste onderneming was de roof der Leukippiden, de dochters van Leukippos, koning van Messeniü. De aanleiding tot dezen strijd met hunne neven, de Aphariden, was dat de meisjes met hen verloofd waren ; of de strijd ontstond bij gelegenheid van een stroop-
l82
Schepping en voortijd. Dioskuren.
tocht, toen zij het niet eens konden worden over de verdeeling eener geroofde kudde. In het kort: Kastor werd door Idas, een der Aphariden gedood, waarover Polydeukes vol woede Lynkeus dood sloeg en Zeus zelf Idas met den bliksem trof.
De verklaring van de mythe der Dioskuren ligt niet ver af. Men neemt echter vrij algemeen aan, dat het overoude lichtgodheden waren in de Peloponnesus, die na de komst der Doriërs tot heroën verminderden. Zij worden gewoonlijk als ochtend- en avondster beschouwd of ook als de ochtenden avondschemering. Maar deze natuurlijke beteekenis is weer niet volgehouden na hunne later opgekomen apotheose.
I gt;er(le gedeelte.
de toppen der masten te zien is en door de schippers nog als een goed voorteeken voor het spoedig eindigen van den storm gehouden wordt Deze verklaring is hoogstwaarschijnlijk de juiste. In Sparta gingen de Dioskuren door voor de bijzondere beschermers van den staat en als de toonbeelden van oorlogsmoed voor de jongelingschap. Zij hadden er vele heiligdommen. Het overoud symbool, dat de Spartanen ten oorlog trekkende steeds meevoerden, waren twee evenwijdig liggende, door dwarshouten verbonden balken. Maar ook buiten Sparta hadden zij feesten en tempels, zooals bijv. in Man-tinea, waar altijd vuur voor hen werd onderhouden; en te Athene, waar zij onder den naam Anakes vereerd werden. Daar werd hun feest met paardrijden gevierd en de Olympische spelen stonden meer bepaald onder hunne bescherming : hunne afbeelding placht in de Palaestra aanwezig te zijn. Zij gingen in het algemeen door als daemonen, die menschlievend waren, gaarne met de menschen omgingen en al wat goed en braaf was bij dezen bevorderden. In Rome hadden ze een tempel op het Forum, waarvan nog drie rijke en kostbare zuilen over zijn, die men vroeger verkeerd den tempel van Jupiter Stator noemde.
De kunst placht de Dioskuren voor te stellen als jonge helden met edele gestalte van slanke, krachtige vormen. Hun karakteristiek kenmerk is de punthoed, met een glinsterende ster op den top. Gewoonlijk zijn zij naakt of licht gekleed. Bijna altijd zijn ze op hun paard gezeten of staan er naast het bij den toom of aan den teugel houdend.
De beroemdste der overgebleven Dioskuren is de zoogenaamde kolossus van Monte Cavallo te Rome, vier meter hoog. De beelden zijn met de daarbij hehoorende paarden van zeer schoone verhoudingen en staan op het plein van den Quirinalis, die om hen Monte Cavallo heet. Het zijn geen oorspronkelijke stukken, maar zij zijn wel onder Augustus naar Grieksch bronswerk uit den bloeitijd der kunst vervaardigd. Van veel minder waarde zijn twee Dioskuren op de trap van het Capitool. In het Britsch Museum is een prachtig relief in marmer uit de dagen kort vóór Phidias afkomstig, dat den paardentemmenden Kastor voorstelt en gevonden i^ in de Villa van Keizer Hadrianus bij Tivoli. Blijkbaar tracht Kastor het wild opspringende dier, dat hij bij den teugel vast heeft, met een krachtigen ruk tot staan te brengen (fig. 70).
Herakles.
Op de mythen der landen, oudtijds bij voorkeur door de Aeoliërs bewoond, volgen het gemakkelijkst de Dorische sagen. Herakles werd hoofdzakelijk bij de IJoriers vereerd, bij hen
184
Schepping en voortijd. Herakles.
stond hij in het grootste aanzien, maar oorspronkelijk zijn de mythen dezen held betreffende, het gemeenschappelijk eigendom van alle Aeolische stammen, en is hij bij hen stamheros, om later de nationale held van Hellas te worden.. Er is geen Grieksche mythe, waar zich aan den oorspronkelijken inhoud zoo vele in- en uitheemsche stukken hebben vastgeknoopt als deze, zoodat zij de omvangrijkste en meest samengestelde van alle Grieksche mythen geworden is. Wij zullen ons bepalen tot de meest eigenaardige en tot die, welke tevens voor de geschiedenis der kunst het belangrijkst zijn.
De oudste bron voor de kennis van de mythen van Herakles is wederom Homerus, bij wien de grondtrekken er van reeds voldoende uitgewerkt zijn: de haat van Hera, de dienstbaarheid bij Eurystheus en de werken, waardoor hij zich vrij gemaakt heeft, hoewel slechts het halen van den Kerberos uit de onderwereld afzonderlijk genoemd wordt, zijne tochten tegen Pylos, Ephyra, Oechalia en Troja. Onvertrouwbaar zijn de verzen, waarin van zijn vergoding en huwelijk met Hebe sprake is, in de Odyssee. Zij zijn in strijd met de opvatting omtrent zijn dood in de Ilias, en dragen geheel het kenmerk van er in later dagen te zijn tusschengeschoven. De Ilias spreekt van hem als van een groot held der oudheid, die gestorven is, en wien de Moira en de vreeselijke toorn van Hera bedwongen hebben. Ook is Herakles bij Homerus nog geheel de nationale held der Grieken, zijn krijgstochten laten hera nog niet verder gaan dan tegen Troje, zijn wapenrusting is dezelfde als die der overige krijgslieden. Maar in bijzonderheden wordt zijn beeld verder uitgewerkt in de Theogonie van He-siodus en in het Schild van Herakles. In hoofdzaak komt de held van Hesiodus met dien van Homerus overeen. Duister is nog steeds het vraagstuk of de vergoding van Herakles onder invloed der Phoeniciers heeft plaats gevonden, of onder eenigen anderen invloed. In de achtste eeuw vóór Chr. doet zich de godheid van Herakles als een beslist feit voor.
Geboorte en jeugd van Herakles.
Het terrein, dat de sage koos voor den eersten leeftijd van Herakles, is voornamelijk Boeotië. Amphitryon, zoon van Alkaeos en kleinzoon vau Perseus, moest met zijn bruid Alk-mene, dochter van Elektryon en evenzoo een kleindochter
Derde gedeelte.
i S6
van Perseus, wegens bloedschuld uit Tiryns vluchten en werd toen opgenomen \'door Kreon, den toenmaligen koning van Thebe. Om aan een belofte te voldoen, die hij aanAlkmene had afgelegd, ondernam hij een krijgstocht tegen de roofzuchtige Teleboën (Taphiërs), die de broeders van Alkmene hadden gedood. Toen deze onderneming gelukkig was afgeloo-pen. zou de bruiloft in Thebe worden gevierd. Maar inmiddels werd de hooge vorst van den Olympos smoorlijk verliefd op de schoone bruid en in de gedaante van Amphitryon, die afwezig was, bezocht hij haar. Na eenigen tijd bracht Alkmene twee knapen ter wereld en wel Herakles, van godde-lijken, Iphikles van sterfehjken oorsprong. Zeus had nu voor Herakles de heerschappij bestemd over alle nakomelingen van Perseus, maar de list en ijverzucht van Hera verhinderden dat. Zij bewerkte, dat de echtgenoot van Sthenelos, een oom van Amphitryon, twee maanden vroeger dan den gewonen tijd, Eurystheus ter wereld bracht. En daarmee nog niet tevreden zond Hera, volgens latere verdichtsels, twee slangen naar de wieg van den godenzoon, toen hij acht maanden oud was, om hem te dooden en de heerschappij aan den zwakken Eurystheus te verzekeren. Maar reeds in die dagen gaf Herakles getuigenis van zijn goddelijke afkomst en verstikte de slangen tusschen zijn handen, zooals Pindarus in een schoon gedicht bezingt. Wat ouder geworden, werd hij in Thebe door voortreffelijke leeraais opgevoed. Maar terwijl hij in alle ridderlijke en krijgshaftige spelen snelle vorderingen maakte, bleef hij in de fraaie kunsten achterlijk en doodde hij zelfs zijn meester Linos in een driftige bui, om een scherpe terechtwijzing, die hij om zijn onhandigheid verdiend had. Tot straf zond hem Amphitryon toen naar den berg Kithaeron om de kudden aldaar te hoeden, en dat herdersleven zette Herakles voort tot aan het einde van zijn achttiende jaar. In dezen tijd plaatste de Sophist Prodikos, een tijdgenoot van Sokrates, de door dezen uitgevonden, bekende allegorie van Herakles aan den kruisweg, waar hij, door twee vrouwen toegesproken, haar de voorkeur geeft, die onder eenvoudig uiterlijk hem noodt om het pad der deugd te bewandelen, dat steil en moeilijk is, boven de fraai opgesmukte figuur, die hem langs den weg van zinnelijk genot en vervulling van lusten ten laatste in het verderf zou storten. Toen hij volwassen was, en zooals Apol-lodorus verhaalt, was hij toen vier el lang, en tot het volle bezit
Schepping en voorlijd. Herakles,
zijner reusachtige krachten was gekomen, verrichtte hij zijn eerste groote heldendaad door het verslaan van den leeuw op den Kithaeron. De leeuwenhuid, die hij sedert steeds over had, is misschien ook afkomstig van den Nemeischen leeuw. Daarop bevrijdde hij door een gelukkigen veldtocht de The-banen van de schandelijke belasting, die zij aan Erginos, Koning van Orchomenos, moesten opbrengen. Bij deze gelegenheid verloor Amphitryon het leven. De dankbare Kreon gaf nu zijne dochter Megara aan Herakles ten huwelijk, en haar jongere zuster aan Iphikles.
Herakles in dienst van Eurystheus.
De tzvaalf werken.
Het tweede deel van het leven van dien held omvat zijn werkzaamheden ten dienste van Eurystheus, Koning van My-kenae of van Tiryns. Het getal dier werken is eerst in den Alexandrijnschen tijd, toen men Herakles met Baal, den god der Phoeniciërs, had vereenzelvigd, op twaalf vastgesteld, omdat men overeenstemming zocht tusschen het getal zijner werken en de teekens van den dierenriem. Dat hij die werken verrichten moest in dienst van Eurystheus, wordt gewoonlijk als een gevolg van Hera\'s listen voorgesteld om de opperheerschappij aan Eurystheus te verschaffen. Maar het schijnt een oude trek in deze sage te zijn. dat Herakles zich die vernedering moet laten welgevallen tot verzoening voor den moord, dien hij in razernij had gepleegd op de kinderen, die hij met Megara had. Later keerde men de orde om en liet Herakles krankzinnig worden tengevolge van den eisch, dien Eurystheus hem deed om zich aan hem te onderwerpen. De werken nu van Herakles, èn om dc hoofd- èn om de bijzaken zoo beroemd, waren :
t . De strijd tegen den Nemeischen leeuw, een monster, voortgebracht door Typhon en Echidna, op welks huid elk wapen afstuitte, en dat zich had genesteld in de streek van Nemea en Kleonae. Toen geen middel baatte om het uit den weg te ruimen, dreef Herakles het in een hol en verstikte het in zijne armen. Den kop gebruikte hij voortaan in plaats van een helm, de huid ais een ondoordringbaar pantser.
2. De Lernaeische hydra, een monster, dat ook als vrucht
Derde gedeelte.
van Typhon en Echidna wordt opgegeven, een groote waterslang, waarvan het aantal koppen bij de dichters zeer verschillend wordt opgegeven, terwijl op oude gesneden steenen gewoonlijk zeven te zien zijn. Zij maakte de streek van Lerna in Argolis onveilig en roofde menschen en vee. Op dit avontuur nam Herakles den zoon van zijn broeder Iphikles mee, lolaos, die sedert op meer tochten als zijn trouwe gezel voorkomt. Toen de held de hydra door pijlen te schieten uit zijn hol had gedreven, ging hij er onversaagd op los, greep ze met de handen en sloeg haar met een krom zwaard de koppen af. Maar tot zijn schrik groeiden twee nieuwe koppen telkens op de plaats der afgeslagen koppen aan. Toen liet hij lolaos een naburig bosch in brand steken en ging nu met de hem door zijn makker aangereikte brandende blokken heen en weer over den hals, totdat hij de slang had gedood. Met de gal van het giftige beest bestreek hij zijn pijlen, die sedert ongeneeslijke wonden toebrachten.
3. Het Erymanthische everzwijn huisde in het Arkadische bergwoud Erymanthos en verwoestte daarvandaan de velden van Psophis. Herakles dreef het den met sneeuw bedekten berg op en ving het toen levend, zooals hem bevolen was. Maar toen hij met het reusachtige dier op zijn rug in Myke-nae kwam, schrikte Eurystheus zoo hevig, dat hij in een vat kroop. Dit geestige tooneel is dikwijls op vazen voorgesteld. Aan dezen tocht knoopt men ook het aandeel van Herakles in den Centaurenstrijd vast. Toen hij namelijk op weg honger en dorst had, begaf hij zich naar zijn vriend, den Centaur Pholos, die blijkbaar onder de Centauren van Arkadië een rol vervult als Chiron onder de Thessalische Centauren. Pholos nu opende ter eere van zijn gast een vat wijn, dat in zijn hol lag en allen Centauren gemeenschappelijk behoorde. Door den geur, dien dit vat wijn verspreidde, werden nu alle Centauren, die wijd en zijd op het gebergte Pholoe woonden, aangetrokken en zij gingen den zwelgenden held met rotsblokken en boomstammen te lijf. Maar hij verdreef hen met pijlen en brandend hout en bleef na moeilijken strijd meester. Naar het hol van Pholos teruggekeerd, vond hij zijn vriend dood liggen. De ongelukkige had een pijl getrokken uit het lichaam van een der gesneuvelden, om dien van nabij te beschouwen, maar dien ongelukkigerwijs op zijn voet laten vallen, en was aan die wond gestorven.
Schepping en voortijd. lierakles.
4. De Kerynitische hinde, een dier aan de Arkadische Artemis geheiligd met gouden horens en metalen hoeven, het zinnebeeld van onvermoeidheid, moest Herakles levend vangen. Met de grootste inspanning vervolgde hij het een jaar lang over berg en dal, totdat hij het ten laatste, toen het naar Arkadie teruggekeerd was, bij de rivier Lados ving en naar Mykenae bracht.
5. De verdrijving der Stymphaüden, roofzuchtige, menschen-etende vogels met ijzeren klauwen, snavels en vederen van staal, die zij als pijlen konden afschieten, en de streek om het meer Stymphalis in Arkadië bewoonden. Eenige van dezen doodde Herakles, andere verjoeg hij door het ge-druisch van een metalen klapper, zoodat ze niet terugkwamen. Blijkbaar is deze omstandigheid een later toevoegsel, om te verklaren hoe de Stymphaüden in de sage der Argonauten weer voor den dag komen.
6. Het reinigen van de stallen van Augias, De buitengewone rijkdom aan vee van Augias was spreekwoordelijk geworden. Zijne stallen, in Elis gelegen, bevatten drie duizend runderen, en voor een tiende deel van den stapel bood nu Herakles den koning aan de stallen op één dag schoon te maken. Toen Augias dat voorstel aangenomen had, leidde de held den Penëus of den Alpheus of, zooals derden verhalen, beide rivieren door de stallen om het vuil af te drijven. Maar Augias weigerde het bedongen loon uit te betalen, toen hij vernam dat Eurystheus dat werk aan Herakles gelast had, en haalde zich daarmee de vreeselijke wraak van Herakles op den hals.
7. De Stier van Kreta was door Poseidon op de bede van koning Minos uit zee opgekomen om als offer te dienen. Maar dewijl Minos door de schoonheid van het dier ingenomen het stal en bij zijn kudden voegde, maakte Poseidon den stier dol. Herakles ving nu op bevel van Eurystheus het dier en bracht het levend naar Mykenae. Maar het dier werd nu door Eurystheus weer vrijgelaten, om nog eens dienst te doen in de sage van Theseus te Marathon.
8. De paarden van Diomedes, den koning der woeste en oorlogszuchtige Pistonen in Thracië werden gevoed met allen, die ongelukkig op dat strand landden. Plerakles moest nu deze ontembare menschenetende paarden levend binnen Mykenae brengen, liet daarom eerst Uiomedes, evenals hij zelf de
Derde gedeelte.
vreemdelingen had behandeld, door zijn eigen paarden opeten en volvoerde verder zijn last met goeden uitslag.
q. De gordel van Hippolyte was het begeerde voorwerp van Admete, de dochter van Eurystheus, en Herakles moest nu dit geschenk van Ares aan de koningin der Amazonen halen. Na vele avonturen in Themiskyra geland, kon hij dien gordel om niet van Hippolyte krijgen. Maar Hera verbreidde in de gedaante eener Amazone het gerucht dat men de koningin wilde wegvoeren, en toen deden de Amazonen een gewapenden aanval op Herakles en de zijnen en in den strijd, die toen volgde, sneuvelde Hippolyte, wier gordel Herakles toen meenam. Op zijn terugkeer had hij nog een avontuur. Laomedon, koning van Troje, had Apollon en Poseidon, die hem bij het bouwen der vestingmuren van Pergamon hadden geholpen, in het bedongen loon bedrogen. Daarover vertoornd zond Apollon een ziekte en Poseidon een zeemonster, dat aan land en rnen-schen groote schade berokkende. Op raad van het orakel werd nu de prinses Hesione aan het monster als aas blootgesteld. Herakles bood zich tot strijd tegen het monster aan, mits de koning hem tot belooning de paarden zou geven, die zijn vader Tros als vergoeding voor den geroofden Ganymedes van Zeus had gekregen. Toen Laomedon dat voorstel had aangenomen, doodde Herakles het monster, maar de Koning brak ook aan Herakles zijn woord, en haalde zich daardoor de wraak van Herakles op den hals, die later zou vervuld worden.
ie. De ossen van Geryones, den drievoudigen gevleugelden reus, te halen was zelfs voor Herakles een werk van inspanning. Geryones was de zoon van Chrysaor en Kallirrhoë, d. i. de schoone stroom, een dochter van Okeanos, en woonde in het verre Westen, in de landen, waar de zon ondergaat op het roodstralende eiland Erytheia, en daar weidden de schoonste, vetste kudden. De weg naar het fabelachtige Erytheia was zoo lang, dat men hem onmogelijk dien weg heen en terug kon laten afleggen, zonder hem tevens eenige avonturen toe te dichten. Gewoonlijk laten de dichters hem de heenreis afleggen door Libyë en dan in het zoogenaamde zonneschip, dat hij Helios door pijlen te schieten dwong uit te leveren, naar Erytheia overzetten. Hier doodde hij den herder, die de kudden bewaakte, met de honden, maar werd, toen hij de kudde wilde wegdrijven, door den eigenaar achterhaald, die echter
I go
Schepping en voortijd. Herakles,
in den hevigen strijd, daarop ontstaan, niet bestand was tegen de juist treffende pijlen van den held. De terugreis geschiedt volgens de oude sage zóó, dat hij eerst weer in het zonne-schip over den Oceaan terugvaart en van Tartessos door Iberië. Gallië en Italië den weg te voet aflegt. Hij vocht nog met Kelten en Liguriërs en bedwong den reus Cacus in de streek van het latere Rome, een avontuur dat ook Livius vermeldt, omdat de Romeinsche sage daaraan de invoering van den dienst van Herakles in Italië verbindt. Toen hij ten laatste na vele lotgevallen bij Eurystheus teruggekomen was, offerde deze de runderen van Geryones aan de Argivische Hera.
Nu had Herakles tien werken volbracht; maar omdat Eurystheus het dooden der Lernaeische slang — zooals Apollo-dorus verhaalt — niet wilde laten gelden, omdat hij dit met hulp van lolaos had gedaan en het reinigen van de Augiasstallen niet meetelde, omdat hij daarvoor beloond was, moest hij twee andere werken verrichten.
11. De appelen der Hesperiden te halen was nog moeilijker dan de boodschap om de runderen van Geryones. Het waren gouden appelen, toevertrouwd aan de zorgen van de Hesperiden of Nimfen van het Westen, het huwelijksgeschenk, dat Hera had gekregen van Gaea, toen zij met Zeus huwde. De Hesperiden lieten ze bewaken door den verschrik-kelijken draak Laden, die ook een zoon was van Typhon en Echidna. Maar dit hinderde Herakles minder dan de geheele onbekendheid met de ligging van den tuin der Hesperiden, waardoor hij vele omwegen maken moest, voordat hij aan het verlangde doel kon komen.
Hij begon dus met zich omtrent de plaats te vergewissen en reisde door Illyrië naar den Eridanus of Po, om bij de Nimfen, aan die rivier wonende, naar den weg te vragen. Dezen verwezen hem naar den alwetenden grijzen zeegod Nereus, dien hij in den slaap overviel en zoolang stevig vasthield, totdat hij de verlangde wetenschap had opgedaan. Toen trok Herakles over Tartessos- naar Libyë, waar hem de reus Antaeos tot een wedstrijd uitdaagde. Deze geweldige zoon der aarde, wiens lengte buitengewoon was en door sommigen op 60 el aangegeven wordt, kon door Herakles slechts daardoor worden overwonnen, dat hij hem met beide armen in de lucht dood drukte. Want zoodra Antaeos op den grond
191
Derde gedeelte.
kwam, putte hij nieuwe krachten uit de aarde, zijne moeder. Dit gedeelte der sage is van Libyschen oorsprong en ons door Grieksche schrijvers medegedeeld.
Van Libye ging Herakles naar Aegypte, waar de wreede koning Busiris heerschte, die gewoonlijk de vreemdelingen, die in zijn land kwamen, opving en aan Zeus offerde. Ook Herakles zou dit lot ondergaan, maar hij rukte de boeien, die men hem aanlegde, af en sloeg den koning met zijn zoon dood. Hier vond hij een rijk gevulde tafel en tot groot geluk voor de blijspeldichters, die nu en dan den goeden eetlust van dezen held bespotten, deed hij zich aan dit maal zeer te goed.
Uit Aegypte trok hij naar Aethiopië, waar hij Emathion, zoon van Tithonos en Eos, die de vreemdelingen wreed mishandelde. doodsloeg, ging over zee naar Indië en kwam zoo aan den Kaukasus, waar hij Prometheus bevrijdde, door den adelaar dood te schieten, die de lever van den ongelukkige afknaagde. Toen Prometheus hem den verderen weg naar de Hesperiden had beschreven, kwam hij door Skythië in het land der Hyperboraeërs, waar Atlas de zuilen des hemels op zijn schouders torschte. Hier was het einde zijner tochten. Want Atlas haalde op zijn verzoek de appelen der Hesperiden voor hem. terwijl Herakles zoolang het hemelgewelf o p zich nam. De blijspeldichters voegden daaraan de aardigheid toe, dat Atlas, eenmaal het genot smakende om van zijn vracht af te zijn, geen lust toonde om zijn plaatsvervanger af te lossen, maar zelf de appelen naar Eurystheus wilde brengen. Herakles was echter nog slimmer. Doende alsof hij het goed vond, verzocht hij Atlas hem slechts zoolang af te lossen, totdat hij, om met meer gemak den last te kunnen dragen, een kussen op zijn rug had gelegd. En toen Atlas in zijn onnoozelheid hem dien dienst bewees, liet zijn vriend hem natuurlijk staan en liep weg. Een andere overlevering deelt mede, dat Herakles zelf in den tuin was gegaan en den honderdkoppigen draak, die bij den boom lag, doodde.
!2. Kerberos was de hellehond en dezen haalde Herakles naar de bovenwereld : het was het stoutste waagstuk van Herakles, wordt reeds bij Homerus verhaald en altijd het laatste onder de werken geplaatst. Hermes en Athena begeleidden hem op den tocht daarheen, terwijl hij vroeger nooit hunne hulp had noodig gehad. Bij het voorgebergte Taenaron
192
Schepping en voortijd, Herakles,
in Lakonie daalde hij naar de onderwereld, en dicht bij de poort van Hades ontmoette hij de groote helden Perseus en Pirithoös aan een rots gekluisterd, omdat zij Persephone hadden willen rooven. Theseus kon hij losmaken, maar den ander niet, daar de aarde hevig begon te beven, toen hij den man aanvatte. Na menige andere ontmoeting kwam hij eindelijk bij den beheerscher van het schimmenrijk, die hem den hellehond wilde overlaten, als Herakles hem zonder wapens te gebruiken kon meenemen. De held werd ook over dat woedende dier meester, bond het en bracht het aan Eurystheus om het daarna terstond aan zijn meester terug te brengen. Met het vervullen van deze opdracht werd Herakles uit de dienbtbaarheid van Eurystheus ontslagen.
De daden van Herakles na z ij n dienstbaarheid.
i. Terstond volgden de moord aan Iphitos en de strijd met Apollon. Uit zijn dienstbaarheid ontslagen begaf de held zich terug naar Thebe, waar hij zijn echtgenoot Megara aan lolaos tot vrouw gaf, en trok op tegen Oechalia, waar koning Eurytos, een beroemd boogschutter, zijne schoone dochter lole met hare blonde lokken, tot echtgenoot uitloofde aan dengene, die hem enzijn zonen in de kunst om met den boog te schieten zou overtreffen. Waar Oechalia bg is niet zeker ; nu eens zocht men het in Thes-salië, dan in de Peloponnesus op de grens van Arkadië en Mes-senië, eindelijk op het eiland Euboea nabij Eretria. Ofschoon nu Herakles een glansrijke overwinning bij den wedstrijd behaalde, weigerde Eurytos den uitgeloofden prijs, en verweet hem dat hij zijn eigene kinderen had vermoord en een smadelijke dienstbaarheid bij Eurystheus had ondergaan. Ziedend van loorn ging de held weg, en toen hij kort daarop des konings zoon Iphitos ontmoette, stortte hij hem van den hoogen toren op zijn burg in Tiryns neer. Naardien deze valsche trek niet in overeenstemming is met het overige karakter van den held, verzon men later dat Iphitos een vriend van Herakles en bemiddelaar bij zijn vader was geweest, en dat Herakles slechts in een nieuwen aanval van krankzinnigheid die daad had verricht. Zij had dan ook de ernstigste gevolgen. Nadat Herakles eerst bij de menschen te vergeefs middelen van verzoening en reiniging had gezocht, ging hij naar Delphi en vroeg aan het Orakel troost en hulp. Maar ook Apollon,
93
Derde gedeelte.
bij wien het vorstenhuis van Oechalia in hooge gunst stond, wees hem af. Daarom drong Herakles met geweld den tempel binnen en nam reeds den heiligen drievoet weg, om op eigen hand een orakel te stichten, toen de vertoornde god zelf deze snoode poging kwam beletten. En nu zou zonder twijfel een ontzettende gebeurtenis hebben plaats gegrepen, indien niet Zeus zelf, de vader van goden en menschen, ware opgekomen om een heilloozen strijd tusschen zijn twee dierbare zonen te voorkomen. Met een verschrikkelijken bliksemstraal scheidde hij de strijdenden van elkaar. Herakles kreeg nu van de Pythia bevel om zich door Hermes voor den tijd van drie jaren als slaaf te laten verkoopen en zoo den moord, aan Iphitos gepleegd, te verzoenen.
2. Zoo kwam Herakles in dienst van Omphale; doch is dat deel der Heraklesmythe van Lydischen oorsprong en slechts in de Grieksche sagen ingeweven. De Lydiërs toch vereerden Sandon, een zonnegod, den stamvader van het geslacht hunner koningen, die in menig opzicht met Herakles overeenkomt. Het Oostersche karakter van den Lydischen Herakles komt mede terstond daarin uit, dat hij geheel en al aan wellust en zinnelijkheid overgegeven in het verkeer met vrouwen zelf een vrouw wordt en zich door zijn meesteres Omphale zelfs vrouwenkleederen laat aantrekken, terwijl zij met zijn leeuwenhuid bekleed en zijn knots in de hand den held speelt. Maar niet altijd zou de wezenlijke held in deze geheele werkeloosheid blijven; nu en dan gevoelde hij de oude zucht tot handelen en tot koene waagstukken weder. Zoo tuchtigde en boeide hij de Kerkopen, een slag van belagende kabouters, die de reizigers allerlei gemeene scheldwoorden durfden toeroepen. Verder doodde hij den slechten Syleus, die de voorbijgangers dwong in zijn wijnberg te graven, een feit dat Euripides stof gaf tot een satyrdrama.
3. Aan den tocht tegen Troje nam Herakles deel met vele andere Grieksche helden, zooals Peleus, Telamon, Oikles, nadat zijn dienstjaren bij Omphale om waren. De aanleiding tot dien tocht lag in de wraak, die hij nog voedde tegen Laomedon ; en menige held had zich bij hem aangesloten. De stad werd verwoest en Laomedon met al zijne zonen behalve 1\'odarkes vielen door de pijlen van Herakles; maar ook Oikles sneuvelde. Hesione schonk hij aan zijn vriend Telamon, en dit werden de ouders van Teukros, En daar Hesione verlof
194
Schepping en voortijd. Merakles.
kreeg om een der krijgsgevangenen voor haren sluier los te koopen. koos zij haar broeder Podarkes. Deze nam toen den naam aan van Priamos, d. i. den losgekochte, en plantte het huis der Dardaniden in Ilios voort.
4. De Peloponesische krijgstochten waren mede het gevolg van wraak, en wel tegen Augias. In Arkadië verzamelde He-rakles een menigte Grieksche helden en rukte daarmee Elis binnen. Maar terwijl de aanvoerder ziek was, werd het leger door de dappere zonen van Aktor of van Molion, neven van Augias, overvallen en met groot verlies teruggedreven. Eerst nadat Herakles de zonen van Molion, toen zij op weg waren naar de Isthmische spelen, bij Kleonae in een hinderlaag overvallen had, gelukte het hem in Elis te komen, waar hij den koning Augias doodde en diens zoon Phyleus, zijn vriend, het rijk in handen gaf. Toen stelde hij ook de Olympische spelen in. Hij trok verder tegen Pylos op, hetzij omdat koning Neleus de Molioniden hulp had verleend, hetzij omdat hij hem na den moord van Iphitos middelen tot reiniging had geweigerd. De oorlog van Herakles in Pylos werd later door de dichters zeer opgesmukt; men maakte er een grooten go-denstrijd van, waarbij een deel der Olympische goden voor Neleus, een ander deel voor Herakles partij trok. Een hoofdmoment is in dit tooneel het tweegevecht van Herakles met den sterkste der kinderen van Neleus, Periklymenos, die van Poseidon, den bekenden beschermgod der Pyliers, de eigenschap had gekregen om zich in allerlei dierengestalten te kunnen veranderen. Ook hier is natuurlijk de afloop de volledige overwinning van Herakles. Neleus werd met elf krachtige zonen gedood; de jongste, Nestor, bleef als stamhouder over.
Met dezen tocht tegen Pylos is die tegen Lacedaemon te verbinden ; en wel meer bepaald tegen Hippokoon den koning, een halfbroeder van Tyndareos, die door hem verdreven was. Op dezen krijgstocht stond hem Kepheus, koning van Tegea, bij met zijn twintig zonen, en daaraan knoopen de Tegeaten een sage vast omtrent het verblijf van Herakles in hunne stad. Hij zou namelijk met de zuster des konings, de schoone Auge, die priesteres was van Athena, gehuwd zijn en een zoon hebben gekregen, Telephos, die voor dichters en kunstenaars geen onbelangrijk wezen was. Auge namelijk verborg het kind, dat zij ter wereld had gebracht, in een bosch der godin Athena. Deze, over die heiligschennis verbolgen, zond hongersnood
195
Derde gedeelte.
over het land, waarop de koning Aleos het inmiddels ontdekte kind liet te vondeling leggen en de moeder over zee als slavin verkoopen. Auge kwam toen naar Mysië, waar koning Teuthras haar tot zijn gemalin verhief. Telephos, door een hinde gezoogd, werd gered, vond na vele wonderlijke lotgevallen zijne moeder weer en werd de opvolger van lijn grootvader. Als koning kreeg hij twist met de Grieken, die tegen Troja optrokken en werd door Achilles gewond. Hij geleek van al de zonen van Herakles het meest op zijn vader.
5. Deianira, de dochter van Oeneus, (koning van Aetolië, in zijne landen geroemd omdat hij er den wijnbouw had overgebracht, den vader van de Aetolische helden Meleagros en Tydeus), was een meisje zoo schoon, dat de Aetolische riviergod Acheloös en de heldhaftige Herakles naar hare hand dongen en tot een wedstrijd overgingen, die inzonderheid Sophocles in de Trachiniae en Ovidius in de Metamorphoses hebben behandeld. Acheloös nam verschillende gestalten aan, o;n den held te ontgaan: het baatte hem niet; toen hij zich ten laatste in een stier had veranderd en zijn tegenstander hem een hoorn had uitgetrokken, moest hij zich voor overwonnen verklaren. Herakles gaf hem zijn hoorn terug en kreeg van den ander daarvoor den hoorn der geit Amalthea. Na zijn huwelijk met Deianira leefde Herakles eenigen tijd gelukkig en tevreden bij zijn schoonvader Oeneus en werd vader van Hyllos. Maar onopzettelijk een moord begaan hebbende, ging hij naar zijn vriend Keyx in Trachis, aan den voet van den Oeta, en ontmoette bij het oversteken der rivier Evenos den Centaur Nessos. Hij liet toen, zelf te voet doorwadende, Deianira door hem de rivier overdragen. Maar de Centaur aangetrokken door de schoonheid van zijn last, wilde met haar vluchten. Daarop trof Heracles den Centaur met zijn pijl, en doodde hem; maar deze gaf bij zijn dood aan Deianira een hoeveelheid van zijn geronnen bloed om daarvan een tooverzalf te maken, die haar altijd de liefde van haar man zou verzekeren.
In Trachis gekomen en door Keyx gastvrij opgenomen, bestreed Herakles eerst de Dryopes en hielp den Dorischen koning Aegimios tegen de Lapithen ; vervolgens hield hij een beroemd tweegevecht met Kyknos, den zoon van Ares, nabij Iton aan de golf van Pagasae. Hij doodde zijn vijand niet alleen, maar w-ondde zelfs Ares, die zijn zoon te hulp was ge-
196
Schepping en voortijd. Herakles.
komen. Hesiodus heeft, dien strijd bezongen in een bekend gedicht :gt;Het schild van Herakles.quot;
Laatste lotgevallen en Apotheose.
Het einde van Herakles wordt gewoonlijk in verband gebracht met zijn wraaktocht tegen Eurytos en wij vernemen daaromtrent het meeste uit Sophocles\' treurspel, de Trachiniae. Uit Trachis trok Herakles, die de smadelijke behandeling van Eurytos niet verduwen kon, met een leger naar Oechalia. Stad en burg werden bestormd, de koning en zijn zonen gedood, de schoone lole, die ongehuwd was gebleven, kwam den overwinnaar in handen. De held trok met grooten buit weg, hield aan het voorgebergte Kenaeon, tegenover de Lokrische kust, stil en bracht daar zijn vader Zeus een plechtig dankoffer. Toen geloofde Deianira, gekweld door jaloezie op lole, dat het meer dan tijd was, om van de tooverzalf gebruik te maken, die Nessos haar had verschaft. Zij zond haren echtgenoot daarom een wit ofifergewaad, dat ze eerst met de uit het bloed bereide zalf had bestreken, en niets kwaads vermoedend trok de held het kleed aan. Maar nauwelijks had het vuur op den offerhaard het gif verwarmd, of het drong in het lichaam van den ongelukkige en verteerde zijne leden. Door hevige smarten gekweld trachtte hij het kleed uit te trekken. Maar vergeefs! Het kleefde als een pleister op de huid vast, en bij het aftrekken van het kleed scheurde hij geheele stukken uit het lichaam. In de woede zijner smart greep hij toen den heraut Lichas aan. den brenger van het nootlottig geschenk, wierp hem tegen een rots in zee te pletter, en liet zich daarop ijlings naar Trachis overbrengen, waar Deianira op het vernemen der gebeurtenis vol berouw en wanhoop zich zelf had gedood. Overtuigd dat hij reddeloos verloren is, trekt hij van Trachis den Oeta op, legt er een brandstapel aan en wil door snellen dood een einde maken aan zijn smarten. Maar in zijn omgeving wil niemand den houtstapel in brand steken, totdat bij toeval Poeas, de vader van Philoktetes, er langs komt en hem den liefdedienst bewijst, waarom deze ook den boog en de pijlen van den held kreeg. Maar toen de vlam hoog opsteeg, daalde onder hevige donderslagen een wolk van den hemel, en een vierspan door Athena bestuurd droeg den held op naar den Olympos, waar hem de goden met vreugde be-
197
Derde gedeelte.
groeten en Zeus hem, die nu een god was geworden en ook met Hera was verzoend, de hand schenkt der lieve Hebe.
Herakles als God.
Het is bijna onmogelijk om alle bijzonderheden, die in de mythen van Herakles voorkomen en die uit in- en uitheemsche sagen tot één stuk zijn verwerkt, tot de gronddenkbeelden der werkelijkheid terug te brengen. Het staat vast, dat afgezien van de Grieksche en Aegyptische verhalen, die op den Griek-schen Herakles zijn overgegaan, in den laatste natuurmythen met historische en zinnebeeldige mythen zijn samengegroeid. De historische factoren der mythen zijn blijkbaar de krijgstochten tegen de Dryopes, Augias, de Pyliërs en de Hip-pokoöntiden. Het zijn krijgsverrichtingen van den geheelen Dorischen stam, vereenigd in den eenen stamheld. Daarentegen is de natuurmythe onmiskenbaar in de meeste der zoogenaamde Athla. Het schijnt dat Hercules oorspronkelijk het symbool van de kracht der zon was, die over de duistere machten in de natuur zegeviert, maar, door den dienst van Hera uit Argos verdrongen, afgedaald is tot een Heros. Toen hij voor de tweede maal de onsterfelijkheid had gekregen, vatte men in een tijd. dat de Grieksche goden vrij algemeen hunne eigenschap als natuurgoden hadden afgelegd, de zaak van een ethische zijde op, en maakte men Herakles tot het zinnebeeld der hoogste zedelijke kracht, die alle zwarigheden en hindernissen glorierijk overwint. Dichters en wijsgeeren der Grieken wedijverden er in om hem in dien zin aan de jeugd als schitterend beeld voor oogen te houden en aan te toonen, hoe men door wilskracht en zedelijk bewustzijn, trots duizenden bezwaren, alles vermag. Dat is ook de zin van de bekende allegorie van den sophist Prodikos; Herakles aan den kruisweg. In de openbare godsdienstige vereering der Grieken werd Herakles dan ook in de eerste plaats als de beschermgod der Gymnasia gevierd, zooals hem af/.ondei lijk het Gymnasium Kunosarges was gewijd. De tweede beteekenis van den als go:l vere erden Herakles was die van een heiland en weldoener zijner natie, die zich in een moeilijk en werkzaam even buitengewoon verdienstelijk heeft gemaakt, zoowel door het bestrijden van reuzen en wilde dieren als door de onderwerping van hinderlijke en verderfelijke natuur-
199
krachten, of door het uitroeien van menschenoffers en andere barbaarsche zeden van den voortijd, en die bij elke gelegen-
Derde gedeelte.
heid als een welwillend, en vriendelijk god den menschenhulpen bijstand verleende. In dien zin heet hij Soter of redder en Alexikakos, d. i. die rampen weert. Op verschillende plaatsen van Griekenland waren tempelfeesten voor hem. In Marathon, waar men zich beroemde hem het eerst als god te hebben vereerd, vierde men om de vier jaren spelen voor hem. waarbij zilveren schalen als prijken werden uitgereikt. De vierde dag der maand, die als de dag zijner geboorte gold, was hem gewijd.
De oude kunst zocht in lierakles vooral het beeld van reusachtige lichaamskracht voor te stellen : daarom stelde zij hem meest als volwassen man en zelden als kind of als jongeling (ephebos) voor. Om duidelijk te zien. waarin vooral de uitdrukking van stoffelijke kracht gevonden wordt, lette men bij de Heraklesbeelden op den vorm van hals en nek. Niets brengt spoediger die voorstelling teweeg dan de korte nek met opgeloopen spieren, vooral als die sluit aan een breede, volle, gewelfde borst. Duidelijk springt die bijzonderheid in het oog, als men daarbij vergelijkt de gestalte van den idealen god Apollo : wiens hals buitengewoon slank en lang is. Verder behoort bij een volledig 11 eraklestype in evenredigheid tot zijn kolossaal lijf een kleine kop, kroes haar, sterk uitspringende jukbeenderen, gespierde armen en beenen. Zoo is voornamelijk door Myron en Lysippos het type uitgewe. kt. — In de geschiedenis van Verres, landvoogd van Sicilië, komt een Meraklesbeeld voor, dat bekend is als de groote kolossus van Tarente, en dat de Romeinen na de verovering der stad op het Capitool oprichtten. Keizer Constantijn liet hem vandaar naar zijne residentie Konstanlinopel brengen, waar hij inden zoogenaamd Latijnschen kruistocht van het jaar 1204 in den smeltkroes kwam. Lysippos had in dat beeld een treurenden lierakles voorgesteld, wat nooit iemr.nd te voren had beproefd te doen. De held zat ongewapend. met den linker elleboog steunende op het opgetrokken linkerbeen, terwijl hij het hoofd treurig en peinzend in de opene hand hield. Ook een antieke camee bewaart een kopie van dat beeld van Lysippos. Deze beroemde kunstenaar had ook in grootere compositie de twaalf werken van lierakles vervaardigd, welke groep, oorspronkelijk bestemd vooi Alyzia, een havenplaats in Akarnanië, later mede naar Rome is gebracht.
Onder do overgebleven Heraklesbeelden wordt de eerste rang ingenomen door het kolossale marmeren standbeeld van het Museum te Napels, bekend als de lierakles van Farnesi, die in 1540 in de Thermen van Caracalla gevonden is (fig. 71). De held is in staande houding, niet trotsch of zegevierend, maar met den linkerschouder steunende op de met «ie leeuwenhuid bedekte knots. Die houding, het half op de borst hangende hoofd en de ernstige gelaatsuitdrukking duiden genoeg aan, dat deze lierakles al den druk gevoelt van zijn moeilijk leven. Mij wordt zelfs niet vroolijk gestemd door de gedachte van het naderend einde zijner slavernij, en de drie appels der Ilesperiden, die hij in de rechterhand achter zich houdt als teeken van de jongste overwinning, trekken zijne gedachten niet af van het verledene. Om dat motief en op grond van eer voorhanden kopie, op den naam van Lysippos staande, hield men tot nog toe het beeld voor de navolging van een overigens
200
Schepping ca voortijd. Herakles. 201
onbekend werk van Lysippos. Inmiddels is onder de vondsten van Humann in Pergamum, een voorstelling uit de sage van Telephos, een gesehonden Herakles gevonden, wiens geheele houding — want hij steunt ook op zijn knots zooveel onmiskenbare overeenkomst met den Herakles Farnesi heeft, dat we over het model, dat de kunstenaar voor zich had, niet langer kunnen twijfelen.
Hooger in kunstwaarde dan liet genoemde is een werkstuk van den Athener Apollonios : het mist thans kop, armen en beenen, en is beroemd geworden als de Ileraklestorso \\ an het Belvedère op het Vatikaan. Onder Paus Julius den Tweede werd het gevonden op de plaats van het voormalige Theater van Pompeji. waarvan het waarschijnlijk een sieraad heeft uitgemaakt. — Een prachtig borstbeeld van den jeugdigen Herakles, met wijnranken om het hoofd, is in het Vatikaan op het Museum Chiaramonti, — Een der oudste voorstellingen van Herakles bevat een reliëf uit Korinthe: de held schiet een pijl af en de leeuwenhuid ligt bij hem Groepen. Bij voorkeur stelde men Herakles niet in rustende houding voor, maar bezig in een of ander bekend tooneel uit zijn veelbewogen leven. Daardoor zijn zoowel in beelden als in reliëfs, maar vooral op een menigte beschilderde vazen, tal van herinneringen, die op het leven van Herakles betrekking hebben, behouden. Wij vermelden hier in de chronologische orde zijner daden de voornaamste overblijfselen.
a.) Strijd tegen de slangen. Aan dat onderwerp besteedde reeds de beroemde schilder Zeuxis tijd en moeite. Herakles worgt de slangen tot groote verbazing van Amphitryon en Alkmene, die er bijstaan. Men heeft dien slangenstrijd nog in verscheidene beelden, waarvan een in de Üftizi te Florence beroemd is, en in een schilderwerk uit Herculanum in het Museum te Napels.
b.) De twaalf werken zijn natuurlijk dikwijls oehandeM, behalve het reeds bovengenoemde van Lysippos. Een nog bestaande groep in marmer op het Museum van het C\'apitool, Herakles in strijd niet de Hydra, schijnt van dien kring te zijn. Tot de merkwaaidigste overblijfselen behooren de reliëfs der metopen in het Thesëum te Athene. Alle tien metopen van de Oostzijde dezes tempels bevatten tooneelen uit de geschiedenis van Herakles, en negen daarvan liehooren tot de zoogenoemde twaalf werken; nl. de Leeuw, de hydra, de hinde, hel Erymanthische everzwijn, de paarden van Diomedes. Kerberos, de gordel van Hippolyte, Geryon en de Hesperiden. Op de tiende plaat is de strijd met Kyknos. Van minder beteekenis zijn de overblijfselen van den prachtigen tempel van Zeus in Olympia, die om treeks 450 vóór Chr. voltooid werd. De metopen van de vóór- en achtergevels des tempels bevatten elk zes werken van Herakles. Van de/e heeft men in 1829 het gevecht met den stier van Kreta, den stervenden leeuw, een stuk van den strijd met Geryon us en eenige andere fragmenten weergevonden en naar de Louvre te Parijs gebracht. Onder deze is slechts een frissche en levendige voorstelling van het avontuur met den stier van Krela volledig behouden. Van de overige metopen kwamen bij de opgravingen op last van de Duitsche regeering, verricht tusschen 1875 en 1SS0, de nog ontbrekende in min of meer gaven staaf aan den dag. (gt;nder die van den Oostelijken gevel is het best bewaard de voorstelling van Atlas, die aan Herakles de appelen der Hesperiden mengt; erger zijn die van het Erymanthische everzwijn en van Augias bedorven. Onder de Westelijke zijn het best
Derde gedeelte.
bewaard het reliëf van den slier van Kreta en van de Stymphaliden.— Ook de tempel van Athena op Aegina stelde tooneelen uil het leven van Herakles voor: het oostelijk front o. a. het gevecht van hem en Telamon, den zoon van Aeakos, koning van Aegina, tegen Laomedon.
c.)quot; Bijkomende werken (Parerga). Onder de bijwerken of parerga van den held werden het meest de gevechten met de Centauren behandeld. Zoo heeft men nog de beeldengroepen in hel Museum te Florence, voorstellingen op vazen van Volei en andere. De ontmoeting met den Centaur Nessos is zeer karakteristiek voorgesteld op een schilderwerk van Pompeji, thans te Napels. Nessos li^t nederig voor Herakles, die den kleinen Hyl-los op zijn armen heeft, en schijnt hem te smeeken om Deianira te mogen overdragen. - Herakles in strijd met den reus Antaeos is voorgesteld in een beroemde groep te Florence in het paleis Pitti. — Een merkwaardige „bevrijding van Prometheus quot; is te zien aan de ook overigens schoone sarcophaag van Pamphilus op het Capitool. Ook het wegnemen van den drievoet was een zeer geliefkoosd onderwerp.
d). Herakles en Omphale maakten het onderwerp uit van een tal van overgebleven kunstproducten uit de oudheid : het belangrijkste daaronder is een schoone marmeren groep van Farnesi in het Museum te Napels. lt; )mphale heeft de leeuwenhuid om haar schoone leden geslagen en de knots van Herakles in de hand en lacht hem uit, die meisjeskleeren aan heeft en een spinrokken vasthoudt.
e.) Ook de romantische geschiedenis van Telephos trok vele kunstenaars aan, wier werken bij de opgravingen in Pergamum in den jongsten tijd voor den dag zijn gekomen. Waarschijnlijk was de geheele geschiedenis van Telephos en zijne moeder Auge op het door koning Kumenes II opgerichte altaar van Zeus, waar ook de reuzenslang was aangebracht, voorgesteld in een marmeren fries, die langs de binnenzijde der Attika liep, en ongeveer 1.58 hoog was. Telephos was de held van het landschap Pergamos. Het Museum te Napels heeft een schoon schilderwerk van het oogenblik waarop de hinde, diehem de borst geeft, Telephos vindt; Herakles is daarbij aanwezig. Met museum van het Vatikaan ( lt; hiaramonti) bevat de schoone groep van Herakles met den kleinen Telephos op den arm.
M y t h e n van Attika.
Kekrops.
W at Kadmos was voor Thebe, was Kekrops voor Attika, n.1. de grondlegger van menschelijke beschaving in zijn land. Men heeft ook van hem in later fijd een vreemdeling gemaakt, die uit Sais kwam in Beneden-Aegypte, een overlevering, waarvan het dwaze duidelijk is aan te toonen. De echte oud-Attische sage kent hem slechts als autochthoon, als eersten uit den grond zelf ontstanen mensch, van wien men verhaalde, dat hij van boven man, van onderen slang was. Als stichter van den Atheenschen staat heet hij de stichter van den burg, die Kekropia was genoemd, en de instelling van
Schepping en voortijd. Mythen van Attika.
het huwelijk en van de eerste staatkundige wetten worden hem toegeschreven. Misschien was hij evenals Kadmos slechts een plaatselijke opvatting van Hennes, als god van den regen, die later heros werd. Wat aan deze voorstelling veel steun geeft is het feit, dat zijne drie dochters, Aglauros, Herse en Pandrosos, als goddelijke wezens werden vereerd. Onder Kekrops kwam de beroemde strijd tusschen Poseidon en Athena voor om het bezit van het Attische land, die door hem ten gunste van Athena werd beslist (zie blz. 27). Deze wedstrijd vindt hare verklaring in natuurverschijnselen, wanneer men weet, dat in Attika het jaar zich over twee getijden laat verdeelen, en wel een kouden, natten regentijd (Poseidon) en een drogen, warmen zomer (Pallas). Zij schijnen dus voortdurend om de heerschappij over het land te strijden. Kekrops werd opgevolgd door Kranaos, die misschien zijn zoon was, en onder wien de zondvloed van Deukalion plaats greep. Daarop volgde, na de verdrijving van Kranaos, Amphitryon als koning van Athene, een zoon van Deukalion, die weer door Erechtheus van de heerschappij werd beroofd.
Erechtheus of Erichthonios.
Erechtheus of Erichthonios is inderdaad slechts de tweede Kekrops, de stichter van den Attischen staat na den zondvloed, zooals gene vóór die periode was. Ook hij is autochthoon, en heeft dus evenals Kekrops de gedaante van een slang. Maar van hem wist de sage ook te vertellen, dat Gaea hem na zijne geboorte door de godin Pallas liet verplegen. Deze gaf hem eerst aan de dochters van Kekrops, hare dienaressen en priesteressen, in een gesloten kist over; en toen zij uit nieuwsgierigheid tegen de bevelen der godin de kist hadden geopend, vervielen zij in waanzin. Erichthonios echter werd nu in den tempel der godin op den burg door haar zelf op gevoed en later koning van Athene. Van hem werd verder hetzelfde verteld als van Kekrops, dat hij namelijk den Atheenschen staat zou hebben geordend, den eeredienst ingevoerd en den strijd tusschen Athena cn Poseidon zou hebben uitgemaakt. Het graf van Erechtheus was te zien in het Erechtheum, den ouden, heiligen tempel van Athena Polias, op de Akropolis, waar ook de door de godin gegeven onvergankelijke, eerste olijfboom bewaard weid.
203
Derde gedeelte.
Van de dochters van Erechtheus worden verder in de sagen vermeld; Orithyia, die door Boreas geroofd werd en moeder was van Kalaïs en Zetes, die in den tocht der Argonauten een belangrijke rol spelen, en Prokris, de echtgenoot van den schoonen jager Kephalos, een zoon van Hermes en Herse, de dochter van Kekrops. Eos roofde hem, zooals ook reeds boven gemeld is, maar kon hem niet doen wankelen in de liefde, die hij aan Prokris gezworen had, totdat zij door haar ijverzucht de oorzaak werd van haar eigen dood. Want toen zij, in het bosch verscholen, haren gemaal wilde bespieden, werd zij door dezen voor een wild dier aaangezien en onvoorzichtig gedood.
Na den dood van Erechtheus heerschte volgens de Attische treurspeldichters Ion in Athene, de stamvader van den lonischen volksstam. Maar daarmee wordt slechts te kennen gegeven, dat de tijd der Pelasgen in Attika een einde neemt en de heerschappij van den lonischen stam begint. De latere Attische sage kende nog een tweeden Erechtheus, een klein zoon van den bovengenoemden, een zoon van Pandion, die gehuwd was met de nimf Zeuxippe. Deze had nog een tweelingbroeder Butes en twee dochters, Prokne en Philomela.
Theseus.
Zooals Herakles de held is van den Aeolischen stam, is Theseus die van den lonischen. Daarom werd hij ook terecht de tweede Herakles genoemd ; want hij heeft vele trekken met dezen gemeen, en de naijver van den lonischen stam deed alles om vooral in den roem van hun held niet ten achter te staan bij den Aeolischen. Men beijverde zich om ook hem voor te stellen als een held, die door tal van daden en werken ten dienste der menschheid, door onge-loofelijke opofferingen en menig avontuur, de bewijzen had gegeven van zijn buitengewone deugden. In de oudheid wordt geen onderneming van eenige beteekenis vermeld, waaraan niet Theseus deelnam. Zelfs liet men hem een reis naar de onderwereld ondernemen, evenals Herakles gedaan had.
Wat in de eerste plaats de geboorte van den held betreft, zoo ging als zijn vader Aegeus door, koning van Athene, die volgens de mythologische geslachtstafels een achterkleinzoon van Erechtheus was. Nadat Pandion, vader van Aegeus, door
204
Schepping en voortijd. Mythen van Attika,
de zonen van zijn broeder Metion, verdreven was, had hij zich naar Megara begeven en was bij koning Pylas aldaar gastvrij opgenomen Uit Megara ondernamen toen de zonen van Pandion, Aegeus, Pallas, Nisos en Lykos een wraaktocht tegen Athene, die met de verdrijving der Metioniden en de inzetting van Aegeus eindigde. Zoo ver gaat de traditie in de mythe. Waarschijnlijk heeft echter nooit een koning van dien naam in Athene geregeerd, en is Aegeus (golvenman) slechts een bijnaam van Poseidon, den god der zee, die de voornaamste god was der zeevarende loniërs. Aegeus nu bleef, hoewel twee malen gehuwd, zonder erfgenaam en ging op reis naar het orakel om raad te vragen. Op weg daarheen kwam hij bij Pittheus in Troezene, huwde diens dochter Aethra en kreeg een zoon, dien hij Theseus noemde. Bij zijn vertrek uit Troezen borg hij zwaard en sandalen ondereen grootrotsblok en droeg Aethra op, om hem hunnen zoon naar Athene na te zenden, zoodra deze in staat mocht zijn dien steen voort te wentelen en het zwaard zijns vaders daaronder weg te halen. Onder de verstandige leiding van Pittheus, die hem in de kunsten der muziek en gymnastiek goed liet onderwijzen, wies nu Theseus tot een krachtig man op, terwijl onder zijne leeraren ook de Centaur Chiron wordt genoemd; want het was volstrekt noodig, dat hij, die voor een echten held wilde doorgaan, het onderwijs van dezen centaur had genoten.
Toen Theseus nu zestien jaren oud was, bracht zijne moeder hem bij den grooten steen, waaronder zijns vaders schoenen en zwaard verborgen lagen. Hij hief dien met weinig moeite op en begon nu zijn heldenloopbaan.. De daden uit zijn jonge jaren bestaan in de wegruiming eener reeks gevaarlijke hinderpalen, die zich aan hem voordeden op zijn reis van Troezene naar Athene. Gewoonlijk spreekt men van een cyclus van zes van dergelijke avonturen.
1. Het eerste was de moord aan Periphetes gepleegd tus-schen Troezene en Epidauros. Periphetes was een zoon van Hephaestos en lam, evenals zijn vader, greep de reizigers aan met een ijzeren knots en doodde hen ; vandaar heeft hij den bijnaam Korynetes of knotsdrager.
2. Op den Isthmos ruimde hij Sinis, een tweeden geweldigen roover, uit den weg. Deze spande de vreemdelingen aan pijnboomtakken, welke hij neergetrokken had. en heette daarom Pityokamptes of pijnboombuiger; met de takken naar de hoogte
205
Derde gedeelte.
gevoerd vielen de gebondenen spoedig verpletterd neer. Theseus liet Sinis evenzoo sterven.
3. Het Krommyonische varken doodde hij in de boschrijke streek van Krommyon.
4. Niet ver daarvan huisde Skiron op de rotsen aan de grens van Megara, een monster, dat de reizigers dwong hem de voeten te wasschen en ze dan door een trap met den voet van de steile rotsen afstiet. Theseus liet hem denzelfden sprong doen.
5. Kerkyon, de reus, die nabij Eleusis alle voorbijgangers tot een tweegevecht uitdaagde, werd door Theseus verslagen.
6. Bij zijn vertrek uit Eleusis wachtte hem de laatste strijd, en wel tegen den wreeden Damastes, die de vreemdelingen in een bed legde en de stukken van het lichaam afhakte, die te lang waren voor dat bed. In een ander geval rekte hij hun de ledematen uit en werd naar deze eigenschap Prokrustes genoemd. De krachtige hand van Theseus maakte een einde aan zijn daden en zijn leven.
Naar Athene gekomen vond hij zijn vader Aegeus gevangen in de netten der toovenares Medea, die van Korinthe naar Athene was gevlucht. Zij was reeds op het punt om den on-welkomen gast door gif uit den weg te ruimen, toen Aegeus nog te juister tijd zijn zoon herkende aan het zwaard, dat hij bij zich had, en hem beschermen kon tegen het dreigende verderf. Medea moest vluchten. Maar nieuwe rampen dreigden van den kant der Pallantiden, die reeds op de erfenis van het koningschap van Aegeus hadden gerekend. De vijftig zonen van Pallas ondernamen een strijd, maar werden door Theseus deels verslagen, deels verdreven. Hierbij sloot zich de grootste onderneming van den held, de bevrijdingstocht naar Kreta, aan.
Athene was namelijk afhankelijk van Minos, Koning van Knos. Dewijl diens zoon, de jeugdige Androgeos, door de inwoners van Athene en Megara arglistig vermoord was of volgens een andere opvatting door Aegeus tegen den stier van Marathon was uitgezonden en gedood, ondernam Minos een wraaktocht. Kerst trok hij op tegen Megara, waar Nisos. de broeder van Aegeus, koning was. Dezen bedwong hij met behulp van Nisosquot; eigene dochter, Skylia, die uit liefde tot Minos haar vader in den slaap het purperen haar uittrok, waarvan, zooals het orakel had voorspeld, zijn leven afhing. Nadat hij Megara
2o6
Schepping en voortijd. Mythen van Attika.
ingenomen en Nisos gedood had, trok Minos verder tegen Athene op. Ook hier zegevierend legde hij den overwonnen Atheners de boete op om elk negende jaar, of zooais wij zeggen om de acht )aar, zeven knapen en zeven meisjes lot voedsel aan den Minotauros op te zenden. Dat monster huisde op Kreta en bestond uit stier en mensch. Reeds twee malen was die cijns geleverd, en bij de komst van Theseus in Athene zou de derde termijn vervallen. Terstond bood toen de jonge held uit eigen beweging aan om zich onder het getal te laten opnemen der door het lot aangewezen offers. Hij was besloten den strijd tegen den Minotauros te aanvaarden en zijn leven te wagen om Athene te bevrijden van deze smadelijke schatting. Onder geleide van Aphrodite voer hij naar Kreta, en weldra ondervond hij, van hoeveel beteekenis de bescherming juist van deze godin voor hem was. Want zij ontstak hartstochtelijke liefde voor den held in het hart van Ariadne, de dochter van Minos, die elke aanleiding zocht om hem het waagstuk te doen uitstellen. En toen geen overreding baatte om hem van zijn voornemen af te brengen, gaf zij hem een kluwen, met hulp waarvan hij zich weer uit den doolhof van het Labyrinth kon redden, nadat hij den Minotauros had gedood. Ariadne volgde daarop Theseus op den terugtocht, maar werd door hem op Naxos achtergelaten, waar zij de bruid werd van Dionysos, den goddelijken zoon van Seniele (vgl. blz. 105). Vervolgens landde Theseus op het eiland Delos, waar hij ter eere van de kinderen van Leto het feest Delia instelde. Eindelijk naar Athene teruggekeerd betoonde hij de grootste dankbaarheid voor zijne redding aan zijn goddelijke beschermster door den eeredienst van Aphrodite Pan-demos in te voeren. Ter eere van Dionysos en Ariadne stichtte hij de Oschophorien, waaraan ook Athena deel had, ter eere van Apollon eindelijk de Pyanepsia, welke op den zevenden dag van de maand gevierd werden, die Pyanepsion heet en samenvalt met het einde van October.
De gelukkige terugkomst van Theseus van den tocht tegen Kreta is tevens de oorzaak geweest van den dood voor zijn ouden vader Aegeus. Toen namelijk de vader, die aan het strand het terugkeerende schip van zijn zoon verbeidde, zag, dat zwarte zeilen waren geheschen in plaats van witte, zooals afgesproken was in geva! van een gelukkigen uitslag, stortte hij zich, vreezende dat alles verloren was, in zee. Naar hem heet dat
207
Derde gedeelte.
water nog de Aegaeische zee; als te minste niet het verhaal uitgevonden is om juist den oorsprong van den naam der zee te verklaren.
De overige daden van Theseus zijn moeilijk in zekere tijdsorde te brengen. Als koning vereenigde hij de landschappen van Attika, die tot nog toe op zichzelf stonden, tot een stedelijke gemeente en stelde ter herinnering aan deze gebeurtenis de Panathenaea in.
Daarna of te voren bedwong hij den zoogenaamden stier van Marathon en offerde hem in Athene aan Apollon Delphinios. Dat zou dezelfde stier geweest zijn, welken Herakles levend van Kreta had meegebracht. Vervolgens stond hij zijn vriend Pirithoös, koning der Lapithen, in den oorlog tegen de Centauren bij. Met dezen Pirithoös ondernam hij een tocht tegen Lacedaemon en schaakte er Helena, de zuster der Dioskuren. Uit liefde voor zijn vriend Pirithoös vergezelde hij hem naar de onderwereld, om Persephone te schaken. Maar de vorst van de onderwereld, over dit stout bestaan vertoornd, liet beiden door de wraakgodinnen in boeien leggen en aan de rots smeden. Theseus werd daarop door Herakles weer bevrijd. (Vgl. bl. 193). In zijn afwezigheid hadden de Dioskuren hunne zuster weer uit Aphidnae teruggehaald, waar zij werd gevangen gehouden.
In vereeniging met Herakles ondernam hij den tocht tegen de Amazonen en kreeg als prijs de koningin der Amazonen, Antiope of Hippolyte. Volgens sommigen volgde zij hem vrijwillig naar Athene, huwde hem en werd moeder van den door de treurspelen beroemd geworden Hippolytos. Phaedra, namelijk Ariadne\'s zuster, de tweede vrouw van Theseus, werd op den schoonen jongeling verliefd, die tal zijner tijdgenooten in adel van karakter en kuischheid overtrof, en op wien ook alle pogingen zijner tweede moeder afstuitten om hem te verleiden. Toen echter Theseus thuis kwam, stelde zij hare misdaden als de zijne voor, en Theseus, in woede ontstoken, bad Poseidon om zijn ontrouwen zoon uit den weg te ruimen. Poseidon, gebonden door de vroeger aan Theseus gedane belofte, zond nu, toen Hippolytos met zijn wagen langs het strand reed, een wilden stier (d. i. een stortzee) en maakte de paarden schuw, zoodat Hippolytos van den wagen neerstortte en dood werd gesleurd. Deze geschiedenis, voorgevallen in Troezene, waarheen Theseus ge-
20S
Schepping en voortijd. Mythen van Attika.
vlucht was, kozen de treurspeldichters tot onderwerp van schrikwekkende stukken. Vooral de Hippolytos van Euripides is beroemd.
Aan de schaking van Antiope knoopte de dichtkunst later nog een tweeden Amazonenkrijg vast, door Theseus alleen ten einde gebracht in de nabijheid van Athene. De Amazonen zouden namelijk een inval gedaan hebben in Attika, om Antiope te bevrijden. Maar zij, verliefd op Theseus, wilde niet terugkeeren, streed moedig aan de zijde van Theseus tegen hare zusters en werd gedood. Ten slotte zou Theseus nog deel hebben genomen aan de Kalydonische jacht en aan den Argonautentocht.
Het einde van Theseus was, naar algemeen verhaald wordt, dat hij door Menestheus met behulp der Dioskuren van de heerschappij van Athene beroofd, zich naar het eiland Skyros begaf, waar hij door koning Lykomedes gastvrij werd
ontvangen, maar later verraderlijk omgebracht. Zijn zoon Demophon zou later de heerschappij zijner vaderen hebben teruggekregen en zijn gebeente werd later op bevel van het Delphisch orakel door de zorgen van Cimon van Skyros naar Athene overgebracht. Uit Cimons dagen bestaat ook nog de tegenwoordig als Museum dienende Theseustempel. De achtste dag der maand was hem gewijd en op den achtsten van Pyanepsion werd voor hem het feest der Thesea gevietd,
\'4
Derde gedeelle.
lie kunst volgde in de voorstelling van T h e s e u s de dichters en my-thenschrijvers na en vatte hein ook als een tweeden Herakles op. Slechts komt hier het karakteristieke verschil tusschen den Dorischen en lonischen stam in aanmerking. Zoo als de eene den anderen in kracht van geest en lichaam overtrof, verraadt de Ionische nationale held aan den eenen kant een hooger geestesleven, aan den anderen kant heeft hij een slanker lichaam, dat aan grooter behendigheid en vlugheid aoet denken, dan de Ionische held. De lichtere en elegantere vormen van Theseus ademen niet die stierachtige, door zichzelf overwinnende kracht van Herakles, maar een kracht, die vlugheid en handigheid onderstelt. Het gelaat is aangenamer, het hoofdhaar minder gekroesd dan hij Herakles, een haard heeft hij gewoonlijk niet. Zoo stelde hem de ontwikkelde kunst voor : de jongere school trachtte de lichaamsvormen nog gemakkelijker en sierlijker te maken. Wat eindelijk de kleeding van Theseus aangaat, hij draagt nu eens, evenals Herakles, leeuwenhuid en knots, dan eens de chlamys en den petasos van de Attische jonge mannen. Kunstproducten zijn van hem in veel minder aantal over dan van Herakles. Mits de opvatting juist is, dan heeit het liritsch .Museum een Theseus, waarvan de waarde tegen vele honderden andere stukken opweegt. Onder de behouden gevelbeelden van het Parthenon bevindt zich namelijk het beeld van een man, die onverschillig op een leeuwenvel uitgestrekt ligt (fig, 72). Behalve den neus, de voeten en de handen is het stuk goed behouden, en behoort het tot de groote groep van den oostelijken gevel, welke het eerste verschijnen der pas geboren Athena onder de verbaasde goden voorstelde, liet is de gestalte van een kraehtigen jongeling, grootsch van vormen, het ideaal van mannelijke schoonheid. Een schoone bronzen groep, Theseus tegen den Minotauros strijdende, werd voor korten tijd bij Aphrodisias in hetboven-dal van den Maeander gevonden en wordt thans bewaard in het Museum te Berlijn.
Aan den bovenvermelden zoogenaamden Theseustempel te Athene zijn nog acht metopenplaten met reliefs, waarin daden van Theseus voorgesteld worden, maar zij zijn geschonden Van een der voortreffelijkste, den strijd met Periphetes voorstellende, bezit het Museum te Berlijn een afgietsel in gips (in de zaal van den Farnesischen stier).
De strijd van Theseus tegen de Amazonen, die een inval in Attika hadden gedaan, is nog over in een groote fries, die met de reeds vroeger vermelde voorstelling van den oorlog der Lapithen en Centauren den muur der Cella van den tempel van Apollon in Phigalia sierde en thans in het Britsch Museum is. Onder de strijdende Grieken is Theseus duidelijk kenbaar aan leeuwenvel en knots, die hij tegen de rijdende Amazone slingert, waarschijnlijk tegen eene, die de bende aanvoert. Op een reliëf van de villa Albani in Rome is de voorstelling aanwezig van Theseus, die zijns vaders schoenen en zwaard onder het rotsblok voor den dag haalt.
Ook op zeer schoone vazen zijn tafereelen uit het leven van Theseus geschilderd. Een der beroemdste is die van Euphronios, uit de vijfde eeuw.
210
Schepping en voortijd. Mythen van Kreta.
M y t h e n van Kreta.
Minos en de Minotaur os.
De mythen van Kreta zijn door den invloed van Phoenicische en Phrygische sagen duister en moeilijk, en de inheemsche bronnen ontbreken. Als oudste koning van het laad gold algemeen Minos, de zoon van Zeus en Europe, die bij Homerus een dochter van Phoenix genoemd wordt. Later maakte men van dezen Phoenix een Phoenicisch koning, die te Sidon woonde en Agenor heette. Toen ontstond ook de sage, dat Zeus haar in de gedaante van een stier geroofd had, en met den schoo-nen last op zijn rug naar Kreta was overgezwommen. Daar bracht zij Minos en Rhadamanthys, volgens anderen ook Sarpedon voort, en huwde er later Asterion, die de kinderen van Zeus als de zijne opvoedde en bij zijn dood aan Minos de heerschappij liet. Het is niet uit te maken hoe en wanneer die sage ontstaan is, en evenmin kan men er de natuurverschijnselen uit opmaken. Men ziet in Europe gewoonlijk een godin van de maan, en verklaart hare ontvoering naar Kreta als de verplaatsing van den dienst der Syrische Astarte naar dat eiland.
Minos heerschte op Kreta, nadat hij zijn broeders verdreven had, van welke Sarpedon naar Lycië en de vrome Rhadamanthys naar Boeotic was gegaan, en huwde Pasiphaë, die de dochter van Helios en Perseis genoemd wordt. Hunne zonen zijn Katreus, die zijn vader opvolgde, Deukalion, Glaukos en Androgeos, hunne beroemdste dochters Ariadne en Phaedra. Minos gaf wijze wetten aan zijn land en breidde de heerschappij ter zee uit over de eilanden der Aegaeische zee, en zelfs tot Attika.
Om zijn aanspraak op het koningschap te bevestigen, bad hij Poseidon om een stier uit zee op te zenden, dien hij dezen dan zou offeren. De god verhoorde zijn gebed, maar door de schoonheid van het dier verblind, voegde Minos dezen stier bij zijn kudde. Tot straf deed toen de god de echtgenoot van Minos liefde opvatten voor den stier en bracht zij den Minotauros voort, een monster, halt mensch, half stier, dat Minos in den door Daedalus gebotiwden Labyrinth liet opsluiten. Tot voeding van dit monster dienden menschen ;
21 I
Derde gedeelte.
en men nam daartoe deels misdadigers, deels jongens en meisjes, die door onderworpen landen als schatting moesten worden geleverd. Dit bleef zoo, totdat Theseus naar Kreta kwam en met hulp van Ariadne den Minotauros doodde. Tot zoover gaat de raadselachtige, mythische overlevering, die eenvoudig daardoor te verklaren is, dat de Minotauros oorspronkelijk niets was dan een oude afgod van den Phoenicischen zonnegod Baal, dien men zich in de gestalte van een stier voorstelde en aan wien men menschenoffers placht te brengen. De dood van den Minotauros door Theseus beteekent dus de overheersching van de in Kreta doorgedrongen hoo-gere Grieksche beschaving over de barbaarschheid der Phoe-nicische menschenoffers.
In de nauwste betrekking tot het koningshuis te Kreta staat Daedalos, de beroemdste kunstenaar van den mythischen tijd. Hij was een zoon van Metion en achterkleinzoon van koning Erech-theus en uit Attika zijn geboorteland naar Kreta gevlucht, omdat hij uit jaloezie over de kunst zijn zusterszoon Talos had vermoord. Hier bouwde hij den Labyrinth voor koning Minos, een gebouw boven den grond met vele dwaalgangen, tot woning voorden Minotauros, benevens vele andere beroemde kunstwerken. Na Theseus bij de overwinning van den Minotauros geholpen te hebben, sloot Minos hem met zijn zoon Ikaros in den Labyrinth. De geschiedenis zijner vlucht heeft Ovidius zeer schoon bezongen. Hij maakte zich namelijk vleugels en voorzag daarmee ook zijn zoon. Ikaros viel toen in de naar hem genoemde Ikarische zee en verdronk. Daedalos ontkwam naar Cumae en vervolgens naar Sicilië, waar hem koning Kokalos opnam. Toen Minos hem hierheen vervolgde en de uitlevering van den vluchteling vorderde, werd hij niet slechts afgewezen, maar op aandrijven der dochters van Kokalos zelfs gedood. Daedalos behield den naam van Vader der Kunsten.
Van de bovengenoemde zonen van Minos is Deukalion bekend om zijn deelneming aan de jacht op het Kalydonische everzwijn en als vader van den voor Froje strijdenden held Ido-meneus, en Giaukos door zijn ongelukkig uiteinde, dewijl hij als een kleine jongen bezig met het vervolgen van een muis in een openstaand honigvat viel. Maar de Korinthische priester Polyidos of. zooals anderen verhalen, de god der geneeskunde, Asklepios zelf zou hem weer in het leven teruggeroepen hebben.
212
Schepping en voortijd. Mythen van Kreta.
Talos.
Dc mythe van Talos, den ijzeren man, wijst evenzeer op Phoenicischen oorsprong en op het afschuwelijke gebruik van menschenoffers. Talos was geheel van ijzer en onkwetsbaar. Hephaestos of misschien Zeus had hem aan Minos gegeven voor achter op het eiland Ivreta, dat hij dan ook driemaal daags omliep. Als hij vreemdelingen zag aankomen, sprong hij in het vuur en maakte zich gloeiend heet om dan de^an gekomen mannen aan zijn borst te drukken, zoodat zij onder een Sardonischen lach stierven. Toen hij de Argonauten door steenen te werpen wilde beletten om het eiland te naderen, deed de list van IMedea hem sneuvelen. IMedea wist hem namelijk den spijker uit het hoofd te trekken, die den adet vasthield, welke bij I alos in een stuk van onder tot boven doorliep; en zoo bloedde hij dood.
VIERDE GEDEELTE
(Jcniceiischaiiiicli.jkc oiMlcriiciniii^cii van tien Jongeren licldenlijd.
De Kalydonisc/ie jacht.
De sage van Meleagros en de Kalydonische jacht is ook zeker oorspronkelijk slechts een natuurmythe, in een landschap thuis behoorende en van denzelfden geest, als de vroeger besproken sagen van enkele landschappen; maar de betee-kenis van natuurmythe is hier reeds vroeg op den achtergrond gekomen door de behandeling, die de epische en dramatische dichters haar lieten ten deel vallen. De dichters namelijk verstonden het geheim om motieven van zedelijken aard in de verhalen in te vlechten, en daarop richtte zich dan de alge-meene belangstelling. In den loop der tijden deed men ook telkens meer helden uit Griekenland deel nemen aan deze jacht en breidde zoo hare beteekenis uit. Als aanleiding tot dien tocht wordt algemeen de toorn van Artemis opgegeven over het verzuim ten haren opzichte, door den koning van Kalydon in Aetolie begaan. Deze had namelijk bij zijn groot dankfeest, dat hij na een wijnoogst had gehouden, toevallig of opzettelijk aan Artemis vergeten te offeren. Om dit verzuim te straffen, zond Artemis een ever, buitengewoon groot en wild, dat de velden van Kalydon wijd en zijd verwoestte en slechts door inspanning van veler krachten kon bedwongen worden. Daarom noodigde Meleagros, de ridderlijk dappere zoon van Oeneus, de beste en dapperste helden van Griekenland tot deelneming aan deze jacht. Tot hen behoorden de Dioskuren Kantor en Pollux, Theseus en zijn vriend Pi-rithoös, Idas en Lynkeus, de zonen van Aphareus, Ad-
Gemeenschappel. ondernemingen. De Kalydoniscbe jacht, 215
metos uit Pherae, lason uit lolkos, Iphikles en lolaos uit i\'hebe, Peleus, de vader van Achilles, Telamon uit Salamis, Ankaeos en de schoone jagerin Atalante uit Arkadië, alsmede Amphiaraos, de bekende ziener uit Argos. Nadat de oude Oeneus de talrijke gasten negen dagen lang uitstekend onthaald had, werd de jacht geregeld, het reusachtige dier, dat de grootte had van een os, in netten gelokt en uit zijn schuilhoek opgejaagd. De eerste wond bracht hem de vlugge Atalante toe. Maar toen daarna Ankaeos zich met zijn strijdbijl tegen het woedende dier wierp, scheurde het hem met een zijner vreeselijke slagtanden het lijf open, zoodat hij dood neerviel. Een gelijk lot trof Hyleus en velen der meegebrachte honden, totdat eindelijk een gelukkige speerworp van Melea-gros het ondier doodelijk wondde, dat nu met hulp van de overigen spoedig geheel verslagen werd. Meleagros kreeg, zooals hem toekwam, den prijs der overwinning, namelijk den kop en de huid van het gedoode dier; maar toen hij uit liefde voor de schoone Atalante haar den kampprijs afstond, op grond dat zij de eerste wonde aan het everzwijn had toegebracht, verwekte dat grooten nijd in de harten van de broeders van Meleagros\' moeder Althaea, Plexippos en Toxeus, zonen van koning Thestios in Pleuron. Zij wachtten dus Atalante af en ontnamen haar den buit weer. Daarover vertoornd doodde Meleagros hen; en nu ontbrandde de oorlog tusschen de Aetoliërs en de Kureten van Pleuion. Aanvankelijk zegevierden de Kalydoniërs, maar toen Meleagros, omdat zijne moeder uit smart over den dood harer broeders, hem vervloekt had, zich toornig uit den strijd had teruggetrokken, konden zij geen stand meer houden in het open veld, en zagen weldra hunne stad door de vijanden nauw ingesloten. Tevergeefs bestormden in dezen nood de oudsten en priesters der Kalydoniërs den moedigen Meleagros met gebeden, tevergeefs smeekte hem zijn oude vader en zijn zusters en zelfs zijn moeder, om medelijde i te hebben met de benauwde stad, Meleagros liet zich evenmin bewegen als Achilles voor Troje, toen hij toornig was op Agamemnon wegens den roof der slavin Brisëis. Maar eindelijk vermocht zijn gade, de schoone Kleopatra, het hart van Meleagros te vermurwen. Hij gespte zijn wapenen aan en deed aan het hoofd der zijnen een uitval tegen de aanstormende vijanden. Schitterend was de overwinning door de Kalydoniërs behaald, maar de
vernomen en hem door Apollo\'s pijlen van de aarde weggerukt.
Dat was de oudste vorm der sage, zooals die reeds in groote trekken in de Ilias voorkomt. Maar voor de treurspel-
Gemeenschappel. ondernemingen. De Argonauten.
dichters was dit einde van het leven van een held niet treurig genoeg: en zij verdichtten er bij, dat de Farcen kort na Me-leagros\' geboorte bij zijne moeder Althaea waren verschenen en verkondigd hadden, dat haar zoon niet langer zou leven, dun het toen op den haard liggend stuk hout zou branden. Althaea haastte zich nu het hout weg te nemen en zorgvuldig in een goed gesloten Inde te bergen. Toen echter Me-leagros de broeders van Althaea had gedood, legde zij in de eerste smart en uit toorn tegen haar zoon het hout weer in het vuur, en zoo moest de edele en dappere jongeling in den bloei zijner jeugd en schoonheid een prooi des doods worden. Althaea benam zich, met het ongelukkig uiteinde van haren zoon bekend, vol berouw over hare voortvarendheid het leven.
Een buitengewoon schoon marnieren beeld, dat Meleagros voorstelt, is aanwezig in het Belvedere van het Vatikaansche Museum. De held is voorgesteld in den eersten bloei van mannelijke schoonheid, zonder baard, met de krachtige vormen, die aan Hermes doen denken : in de gelaatsuitdrukking ligt eenige zwaarmoedigheid. In de oudheid kende men een prachtige voorstelling van de Kalydonische jacht van de hand van Skopas, bewerkt voor het oostelijk gedeelte van den tempel van Athena Alea in Tegea, waarbij de ever met Meleagros, Theseus en Ata-lante de middengroep vormen ; maar al het plastische sierwerk van dezen tempel is spoorloos verdwenen.
JDc Argonauten.
Het is met de Argonautensage evenzoo gegaan als met de sage der Kalydonische jacht. Oorspronkelijk slechts een Thes-salische natuurmythe, zwol zij onder de handen der dichters tot een groote, allen Grieken gemeenschappelijke sagenmassa aan, waarin de geschiedenis van het gouden vlies de kern uitmaakt. Athamas, zoon van Aeolos en koning der Minyers verstiet zijn eerste gemalin Nephele (wolk) om met Ino, de dochter van Kadmos, te kunnen huwen, maar hield de kinderen van Nephele (wolk), Phrixos (regenbui) en Helle (lichtglans), bij zich. Ino schonk Athamas twee zonen, Learchos en Meli-kertes, die zij natuurlijk in elk opzicht boven de stiefkinderen voortrok en te wier gunste zij hen geheel uit huis trachtte te verdrijven. Toen nu, hetzij door Nephele zelve, (zij wordt namelijk door sommigen een godin genoemd) of op haalbeden tot bestraffing van Athamas langdurige droogte over het land kwam, overreedde Ino haren gemaal om Phrixos als
Vierde gedeelte.
2l8
zoenoffer voor Zeus te slachten en daardoor een einde te maken aan de droogte. Of Helle dit lot ook deelen moest is onzeker, maar Nephele kwam thans haren met den dood bedreigden kinderen te hulp door hun een gevleugelden ram met gouden vacht toe te zenden, dien Hermes haar tot dat doel verstrekt had. Op dien ram gingen zij zitten, ten einde over zee naar Kolchis te ontkomen. Onderweg viel Helle in de naar haar genoemde zee, maar Phrixos geraakte gelukkig in Kolchis of Aea. waar hij den ram offerde aan Zeus, die de vlucht beschermt, en de huid als een onderpand van zegen in het bosch van Aea door een vreeselijken, nooit slapenden draak liet bewaken. Het werd nu de taak van de helden van den Aeolischen stam om dezen schat uit het vreemde land terug te brengen en daardoor het onheil, dat op het land en het volk der Minyers drukte, te bannen. Athamas zelf trok zich namelijk het ongeluk, dat hij zijn land berokkend had, zoo zeer aan, dat hij er waanzinnig van werd en Ino met hare kinderen wilde dooden. Maar deze redde zich en haren zoon Melikertes ten minste door in zee te springen, nadat Learchos door den razende tegen een rots was verpletterd, (vgl. blz. 97). Athamas vluchtte naar Kpirus en de heerschappij ging op zijn broeder Kretheus over. Deze huwde met l yro, de dochter van zijn jongeren broeder Salmoneus, koning van Elis, die hem drie zonen schonk, van welke de oudste Aeson heette. Deze volgde zijn vader in de heerschappij op, maar werd spoedig daarna, door zijn stiefbroeder Pelias verdreven, een zoon van Tyro en Poseidon, zooals men zeide. Met moeite redde Aeson zijn kleinen zoon lason tegen de listen van zijn oom, door hem bij den Centaur Chiron, die vele helden opvoedde, te brengen. In het hol van Chiron wies de jonge held op tot een lieveling van goden en menschen, en toen hij twintig jaren oud was ging hij naar lolkos terug om van zijn oom de hem toekomende regeering te vorderen. Pelias, die niet openlijk met geweld durfde optreden tegen den moedigen jongen held, trachtte zich van den onwelkomen gast te ontslaan door hein tot een allergevaarlijkste onderneming aan te lokken. Hij verklaarde zich vrijwillig uit de regeering te zullen terugtrekken, als lason hem het gouden vlies uit Kolchis terugbracht. En deze zou geen ware held geweest zijn, als hij niet terstond dat waagstuk op zich had genomen. In de haven van lolkos liet hij een sterk schip van vijftig roeiriemen bou-
Gemeenschappel. ondernemingen. De Argonauten.
wen, dat naar zijn bouwmeester Argos Argo werd genoemd, en verzamelde de helden, die aan zijn uitnoodiging om aan de avontuurlijke vaart deel te nemen gehoor hadden verleend.
De oudere sage kent als deelnemers aan die vaart slechts helden uit den stam der Minyers, zooals Akastos, Admetos en Periklymenos ; maar toen men later als den tijd, waarin de Argonautentocht plaats had, een menschenleeftijd vóór den Trojaanschen oorlog opgaf, mocht geen der helden van eenige beteekenis, die toen konden geleefd hebben, ontbreken. En zoo voegde men naderhand de Dioskuren, de Boreaden, Te-lamon, Peleus, Meleagros, Tydeus, Iphitos, Theseus, Orpheus, Amphiaraos en zelfs Herakles er bij. Maar reeds omtrent Hera-kles is het duidelijk, hoe ongepast het is dezen tot een ondergeschikten persoon te maken, en daardoor kwam hij spoedig weer op den achtergrond. Men verzon toen, dat hij in Mysië werd achtergelaten, toen hij daar aan land was gegaan om zijn lieveling Hylas te zoeken, dien de bronnimfen hadden geroofd. Overigens vulde men het getal der Argonauten tot vijftig aan, in overeenkomst met het getal roeiers.
De vaart nu ging van lolkos eerst naar het eiland Lemnos, vervolgens over den Hellespont naar Kyzikos, waar de Doleones hen vriendelijk ontvingen. Daarop kwamen de Argonauten in Bithynië, waar hun de Bebryken vijandelijk gezind waren en Polydeukes of Pollux hunnen koning Amykos in een vuistgevecht doodde. De grootste moeielijkheid bood de vaart dooiden Bosporos aan, omdat hier aan den ingang van Pontos of de zwarte zee twee vreeselijke rotsen waren, die zich voortdurend bewogen en nu eens naar de oevers aan beide zijden terugweken, dan weer in het midden van den Bosporos tegen elkaar sloegen, waaraan zij den naam van Symplegaden ontleenden. Dat alles geschiedde met zoo groote snelheid, dat zelfs het snelste schip geen tijd genoeg had om er door te komen. De Argonauten waren dus in groote verlegenheid. Daar hielp hun de groote ziener Phineus, die te Salmydessos in Thracië woonde, met zijn raad; want de Argonauten hadden zich zijn dankbaarheid waardig gemaakt door de Harpyiën te verdrijven, die den koning veel schade berokkenden. Aan hem dankten zij het ook, dat zij zonder aanmerkelijke schade van de Argo door de Symplegaden heen kwamen, en van dat oogenblik stonden ook deze rotsen stil. Toen dit avontuur goed volbracht was, voer men langs de zuidkust van Pontos op het doel aan
219
Vierde gedeelte.
Dat is in de oudere sage het geheel mythische Aea, waarvoor eerst later de naam Kolchis opkomt. Hier was de woonplaats van den machtigen koning Aeetes, een zoon van den zonnegod. Aan lason nu was opgedragen met list of met geweld hem het gouden vlies te ontwringen.
Van dit oogenblik af treedt de tweede hoofdfiguur der ge-heele Argonautensage op den voorgrond, en wel Medea, de prinses. Slechts door hare liefde is lason in staat de buitengewone moeilijkheden over te komen, die zich hem in den weg stellen. Aeëtes namelijk verklaart zich bereid om hem de vacht af te staan, als lason hem twee opdrachten met goed gevolg kon vervullen. De eerste was, dat hij de door Hephaestos aan den koning geschonken stieren, die vuur snoven en ijzeren hoeven hadden, voor een ploeg moest spannen en daarmee een braak veld omploegen. Als dat gehikt was, moest hij draken-tanden in de voren zaaien, die Aeëtes hem zou verschaffen, en de daaruit opschietende geharnaste mannen dooden. lasons hart trilde op het vernemen van zulk een wensch van Aeètes. Maar Medea, die een toovenares en priesteres van Hekate was, had voor alles goeden raad. Zij gaf den held een zalf, om hem tegen den vurigen adem der stieren te behoeden en hem tegelijkertijd onovertreffelijke kracht te geven. Zoo volbracht hij de eerste taak. Maar onder de geharnaste mannen wierp hij, zooals Kadmos eens in een dergelijk geval had gedaan, op raad van Medea een zwaren steen, waarop dezen in blinde woede elkaar aanvielen en uit den ruimden.
Aan \'s konings wensch was voldaan. Maar Aeëtes, die wel bemerkt had, dat lason slechts met hulp zijner dochter overwinnaar was gebleven in den strijd, weigerde op dien grond de uitlevering van de vacht. Toen roofde lason die des nachts uit het woud van Ares, nadat Medea den wakenden draak door een toovermiddel had in slaap gebracht. Nog in denzelfden nacht begaven zich de Argonauten, die Medea als de toekomstige gade van lason naar Griekenland volgde, weer op hun schip en lichtten het anker. Tevergeefs trachtte Aeëtes toornig de vluchtelingen in te halen. Medea wist hem op te houden door haren jongsten broeder Apsyrtos mee te nemen, dezen te dooden en zijn ledematen stuksgewijs in zee te werpen.
Over den weg, dien de Argonauten op de terugreis namen, bestaan de meest verschillende opgaven. Eenigen laten hen
220
Geineenschappel. ondernemingen. De Argonauten.
221
de Phasis opvaren naar den Oostelijken Oceaan en vervolgens door de Roode zee en de woestijn van Libyë, waar de Argo twaalf dagreizen ver gedragen moest worden, naar het meer van Triton, en daarna in de Middellandsche zee komen. Anderen
zoeken een doorgang door den Istros of Donau en den Eridanus of Po naar den Westelijken Oceaan, om den Argonauten gelijke avonturen te laten hebben als Ulysses. Eindelijk landt lason gelukkig in lolkos en stelt hij zijn oom Pelias het gouden vlies ter hand. Maar deze wilde er toch nog niet toe overgaan om hem de regeering zijns vaders af te staan, zoodat Medea hem
Vierde gedeelte.
niet sluwe list uit den weg ruimde, door de dochters van Pelias te doen gelooven, dat zij een toovermiddel bezat om oude raenschen weer jong temaken. Volgens de voorschriften vanquot; Medea nu slachtten zij haren vader, sneden hem in stukken en kookten zijn ledematen in een ketel, die met allerlei kruiden gevuld was, in de blijde verwachting, dat hij weer jong daaruit zou te voorschijn komen. lason vermeesterde nu zijn vaderlijk rijk, maar werd spoedig daaruit verdreven door Akastos, den zoon van Pelias, en vluchtte met Medea naar Korinthe. Zijn laatste lotgevallen zijn algemeen bekend. Toen hij daar zijn toestand trachtte te verbeteren door een huwelijk met Krëusa, dochter van koning Kreon, bereikte hem de wraak van Medea op vreeselijke wijze. Zij zond aan de bruid een vergiftigd kleed toe; dat aan deze een rampspoedigen dood bereidde, doodde daarop de kinderen, die zij bij lason had, en vlood zelf op een wagen met gevleugelde draken naar Athene, waar zij een tijd lang bij koning Aegeus opname vond. Maar lason doodde zich, of kwam om door een balk der rot geworden Argo, die op hem viel.
Antieke kunstwerken, die op de Argonautensage betrekking hebben, zijn zeldzaam. Vcnndüngswaardig is een sehoon reliëf uit het museum van liet Lateraan in Rome, waarop Medea, de tignut links, onder de dochters van Pelias de voorbereidselen maakt om den koning te vermoorden (fig. 74 i. Ook de zoogenaamde Cista Ficoroni van het Collegio Romano in Rome bevat opmerkelijke voorstellingen uit de Argonautensage, bijv. dc landing in Hithynie en de bestraffing van Amykos.
De Thebaansche Cyclus.-
De zeer tiagische geschiedenis van het huis der Labdaki-den in Thebe heeft aan dichters en kunstenaars van Gritken-land ruimschoots stof opgeleverd. Overrijk aan belangwekkende karakters cn gebeurtenissen gaf dat geslacht aanleiding tot een geheelén cyclus van epische en dramatische bewerkingen. De epische gedichten, die ons de juiste kennis der sagen zouden verschaffen, zijn helaas verloren gegaan op weinige brokstukken na, van minder beteekenis, terwijl zeer belangrijke stukken over zijn van de drie groote treurspeldichters Aeschylus, Sophocles en Euripides, waarvan de onderwerpen binnen den kring der Thebaansche sagen vallen.
Het gewone verhaal nu is dat Laïos, kleinzoon van Kadmos, van Apollon\'s orakel den raad had gekregen om geen kinde-
Gemeenschappel. ondernemingen. Thebaansche cyclus.
223
ren voort te brengen, dewijl zijn zoon hem zou dooden en zijn eigene moeder zou huwen. Toen zijn gemalin lokaste evenwel een zoon baarde, besloot hij dezen te vondeling te leggen om het voorspelde noodlot te ontgaan. Maar de jongen, wiens voeten doorgestoken en gezwollen waren en die daarom Oedipus genoemd werd, vond op den berg Kithaeron niet den gewenschten dood, maar werd door Korinthische herders gevonden en bij Polybos, koning van Korinthe, gebracht. Door hem, die zelf kinderloos was, als kind aangenomen, wies de jonge Oedipus in het geloof op, dat Polybos en zijn vrouw Merope zijn echte ouders waren, totdat op zekeren dag de toespelingen van Korinthische jongelieden twijfel bij hem gaande maakten omtrent het geheim zijner afkomst. Om achter dat geheim te komen reisde hij naar het orakel te Delphi, maar ontving slechts de raadselachtige aanwijzing om niet naar het vaderland terug te gaan, omdat hij zijn vader zou dooden en zijn moeder zou huwen. Daardoor was hij bang om naar Korinthe terug te keeren en sloeg den weg naar Thebe in, rnaar zou in waanwijsheid juist den afloop bewerken, dien hij zoo zorgvuldig trachtte te vermijden. Inmiddels ontmoette hem zijn vader Laïos, die ook voornemens was een reis te doen naar het orakel te Delphi om daar raad ie vragen tegen de sfinx. Hij doodde hem zonder hem te herkennen, toen hij juist op een smallen weg met hem slaags was geraakt. Daarop in Thebe aangekomen, baande hij zich, door het Thebaansche land van de sfinx te bevrijden, den weg tot den tioon en tot de hand zijner moeder lokaste. De sfinx nu die de gedaante van een maagd en van een leeuw had, was door Hera, die om welke reden ook op Laios vertoornd was, uit Aethiopië gezonden om het Thebaansche land te verwoesten. Op een rots in de onmiddellijke nabijheid der stad liggende, hield zij eiken voorbijganger aan met het bekende raadsel: welk schepsel is \'s ochtends viervoetig, op den middag twee- en op den avond drievoetig? Daar nu de sfinx ieder, die het raadsel niet kon oplossen van de rots in een diepen afgrond neerstortte, zag zich na den dood van Laios zijn zwager Kreon genoopt, om den troon en de hand der koningin-weduwe als prijs uit te loven aan hem. die het raadsel der sfinx zou oplossen. Oedipus deed dat, en bevrijdde zoo het land van een verschrikkelijke plaag, daar de sfinx zich toen zelf in den afgrond stortte.
Vierde gedeelte.
De oorsprong der Slinxmythe was reeds in de oudheid niet meer duidelijk. Vermoedelijk is de sfinx een zinnebeeld, dat reeds uit den godsdienst der Aegyptenaren overgebracht was, en waaraan men slechts een andere beteekenis gaf. Terwijl namelijk bij de Aegyptenaren de sfinx het symbool was van de koninklijke waardigheid en de vereeniging ■ voorstelde van wijsheid en kracht, schijnt het, dat door de Grieksche sfinx de verpestende, gloeiende hitte van den ïomer werd uitgedrukt. De voorstelling van een rustig liggenden leeuw met het bovenlijf en het hoofd van een schoone vrouw is een navolging van de oorspronkelijk mannelijke sfinxen der Aegyptenaren. Bij dezen vond de kunst smaak in het voortbrengen van groote sfinxkolossen uit granietblokken gehouwen. Een merkwaardig stuk daarvan is nog over in de reuzensfinx van koning Chephren nabij de pyramiden van Cizeh, van welke slechts nog de kop, die 9\'/3 meter hoog is uit het zand der woestijn uitsteekt. Oe Grieksche kunst onthield zich steeds van zulke monsterachtige werken. Bovendien kende zij slechts vrouwelijke sfinxen en wijkt zij ook hierin van de Aegyptische af, dat zij den leemvenromp nog van vleugels voorzag.
Nadat nu Oedipus de heerschappij over Thebe en de hand van lokaste had verworven, genoot hij jaren lang ongestoord geluk, omringd van vier kinderen, die hij onbewust in bloedschande had voortgebracht. Maar door de geheime overleggingen der goden wordt eindelijk de vreeselijke waarheid aan het licht gebracht. lokaste hangt zich op, en Oedipus steekt zich in wanhoop de oogen uit. Met deze vrijwillig opgelegde straf niet tevreden, dwingen hem de hardvochtige Thebanen nog stad en land te verlaten, zonder dat zijn inmiddels volwassen zonen Eteokles en Polynikes zich om hun vader bekommeren. Xadat Oedipus zijn zonen vervloekend het land verlaten had vond hij, door zijn getrouwe dochter Antigone op zijn lange zwerftochten vergezeld, eindelijk een toevluchtsoord in het woud der Eumeniden in Kolonos bij Athene. Zijn graf werd daar, tengevolge van een oude orakelspreuk, een gewijde plek van Attika.
Maar aan de onnatuurlijke zonen ging de vloek van den mishandelden vader in vervulling. De oudste, Eteokles, verdreef zijn broeder Polynikes, die nu hulp ging zoeken bij Adrastos, koning van Argos. Deze Adrastos was een kleinzoon van Bias, uit het geslacht der Amathyoniden en door zijn huwelijk met de dochter van den rijken Polybos in de regeering over Sikyon gekomen. Hij nam den voortvluchtigen Polynikes niet alleen gastvrij op, maar maakte hem ook tot schoonzoon en gaf hem de belofte, dat hij hem gewapenderhand aan de heerschappij in Thebe wilde helpen. Adrastos zocht nu de
224
Gemeenschappel. ondernemingen. Thebaansche cyclus. 225
overige helden van Argos tot deelneming aan den tocht over te halen : wat allen goed vonden behalve Amphiaraos, den zwager van Adrastos, die even uitmuntend was in moed als in beleid. Hij was de achterkleinzoon van den beroemden ziener Me-lampos, den broeder van Bias, en had van hem de gave der voorspelling geërfd. Daar hij nu krachtens zijn kunst wist dat de oorlog ongelukkig zou afloopen, weigerde hij zijn medewerking en trachtte den oorlog te verijdelen, en toen Polynikes evenals de even driftige Tydeus, ook een schoonzoon van Adrastos, niet nalieten hem met beden over te halen, onttrok hij zich aan de ontmoetingen met zijn verwanten door de vlucht. Maar Polynikes kocht de echtgenoot van Amphiaraos Eriphyle door een prachtigen halsketting om, dien eens Harmo-r.ia op haar huwelijksdag met Kadmos ten geschenke had gekregen, om het verblijf van haar gade te verraden ; en toen moest Amphiaraos zich tegen zijn wil bij den tocht aansluiten. Lgt;e afloop nu daarvan was, zooals Amphiaraos dien had voorspeld. De aanval op de stad Thebe werd niet alleen geheel afgeslagen, maar al de aanvoerders uit Argos, behalve Adrastos, die zich door de vlugheid van zijn paard kon redden, kwamen bij die gelegenheid om het leven. Polynikes zelf viel in een tweegevecht met zijn broeder Eteokles, dien hij op zijn beurt met de lans doorboorde. In de jongere sagen volgt dan het verhaal, dat Adrastos naar Attika is gevlucht en met hulp van Theseus de Thebanen dwong om de plechtige begrafenis der gesneuvelde helden toe te staan. Dit verhaal heeft zijn ontstaan te danken aan de vaderlandsliefde der Attische tooneeldichters. Het beroemde treurspel van Sophokles, Antigone getiteld, rust op de voorstelling, dat Kreon, de nieuwe vorst van Thebe, wel toestemde in de begrafenis der overige helden, maar Polynikes als aas liet liggen ; en toen nu Antigone tegen het uitdrukkelijk bevel des konings toch haren broeder had begraven, moest zij ter dood worden gebracht. Maar Kreon ondervond de vreeselijke gevolgen van zijn besluit, daar zijn eigen zoon Haemon, die met Antigone verloofd was, zich uit wanhoop over het lot zijner bruid doorstak.
\'i\'ien jaren later vereenigden zich de zonen der gesneuvelde helden met Aegialeus, den zoon van Adrastos, om den dood hunner ouders op de Thebanen te wreken. Dezen tocht noemt men dan ook den krijg der Epigonen of nakomelingen. Daar zij niet, evenals hunne ouders, tegen den duidelijk uit-
Vierde gedeelte.
gesproken wil van de goden handelden, maar onder gelukspellende voorteekenen uittrokken, bereikten zij hun doel. Laoda-inas, de onbezonnen zoon van Eteokles, die thans koning was over Thebe, werd in een beslissenden slag nabij Thebe verslagen, en viel, na zelf Aegialeus gedood te hebben, door de hand van Alkmaeon, een zoon van Amphiaraos. Nu konden de Thebanen de stad niet meer houden, maar trokken bij nacht en duisternis op aanraden van den ouden blinden waarzegger Tiresias, die onderweg aan de bron van Tilphusi den dood vend, uit de stad, om deels in Thessalië, deels elders, een toevluchtsoord te vinden. Nadat de zegevierende vorsten der Argiven de stad geplunderd en gedeeltelijk verwoest hadden, wijdden zij een groot deel van den buit in Delphi, en daaronder ook Manto, de dochter van Tiresias, die gevangen was gemaakt, stelden Thersandros, den zoon van Polynikes tot koning in Thebe aan, en vele der gevluchte inwoners keerden naar de stad terug. Thersandros nam later deel aan den oorlog tegen \'l\'roje, en verloor daar het leven.
De Trojaansche sagenkring.
De Trojaansche oorlog is de vierde en beroemdste der gemeenschappelijke ondernemingen van den jongeren heldentijd. De bronnen daarvan zijn ruimer dan omtrent eenige vroegere periode .van de mythische geschiedenis, omdat de beide grootste nationale epische gedichten der Grieken, die aan Homerus als vervaardiger worden toegekend, voor ons zijn bewaard. Als het belangrijkste voor het doel van dit werkje, deelen wij het voornaamste mede omtrent de geslachten der helden in den Trojaanschen oorlog.
Dc Dardaniden.
Dardanos was de stamvader van het vorstenhuis in Troje. 11 j was een zoon van Zeus en van Elektra, een dochter van Atlas, en kwam van Samothrake, volgens anderen uit Arkadie of Italic, naar het noordwestelijk gedeelte van klein-Azië tus-srhen don berg Ida en den Hellespont, waar hij van koning Teakros land kreeg om er een kolonie te stichten. Bij een dochter van den riviergod Simois, of naar anderen van Ska-
2 26
Gemeensehappel. ondernemingen. De Pelupiden.
mandros, kreeg hij een zoon, Tros, aan wien het volk zijn naam ontleende. De zonen van Tros waren Hos, Assarakos en Ga-nymedes. Den laatste, die gelijk alle leden van den stam der Dardaniden van buitengewone schoonheid was, verhief Zeus tot zijn schenker, en hij maakte hem onsterfelijk (vgl. blz. 79). Hos en Assarakos werden de vaders van twee andere lakken in het geslacht der Dardaniden. Assarakos bleef op den zetel van den Dardanischen stam : zijn zoon was Kapys, zijn kleinzoon Anchises, de vader van Aeneas. Daarentegen reisde Hos naar de vlakte van Skamandros en stichtte Ilion of Troje. Toende stad gereed was, bad hij Zeus om een teeken van gunst, en op den anderen ochtend vond hij voor zijn tent het beroemde Palladion, een beeld in hout gesneden van Pallas Athena, van welks bezit voortaan het geluk en de welvaart van Troje afhankelijk was. Na den dood van Hos, heerschte in Troje zijn zoon Laomedon, voor wien Poseidon en Apollon den burg Per-gamon bouwden. Reeds vroeger hebben we gezien, dat deze koning door het verbreken van zijn woord den toorn van He-rakles opwekte, en oorzaak werd, dat deze held de stad innam en verwoestte. Van zijn zonen hield hij slechts Priamos over, door wien de stam der Dardaniden op nieuw krachtig opbloeide, daar hij zoowel bij zijn wettige vrouw Hekabe (Hecuba) als bij talrijke bijwijven een groote menigte zonen en dochters voortbracht.
De Felopiden.
Door het geslacht der Pelopiden werd hoofdzakelijk de ondergang van Troje bewerkt. Zij leidden hun oorsprong af van Tantalos, koning van Phrvgië, die door zijn voorbeeldeloos fortuin en door zijn plotselingen val naam heeft gekregen. Hij was een zoon van Zeus en Pluto, d. w. z. overvloed en rijkdom, en woonde in zijn burg op den berg Sipylos, waar hij rijke dreven en vruchtbare akkers, twaalf dagreizen ver tot aan den berg Ida en de Propontis, had. De goden keurden hem zooveel vriendschap en zooveel vertrouwen waardig, dat zij hem aan hun tafel noodigden. Maar door dit ongehoorde geluk ontstond in dezen zwakken sterveling zooveel overmoed, dat hij zich de grootste euveldaden tegen goden en menschen veroorloofde. En toen hij eindelijk zelfs, om de alwetendheid der goden op de proef te stellen, zijn zoon Pelops slachtte
227
Vierde gedeelte.
en hun dezen aan stukken gebraden voorzette, meenden de onsterfelijken, dat de maat zijner misdaden vol was, en trof hem de wrekende hand der goden. De mythe laat ons echter in het onzekere omtrent het einde van het rijk en het leven van Tantalos. De gewone sage weet slechts te vertellen van zijn bekende straften in de onderwereld, dat hij de heerlijkste vruchten voor oogen hebbende en tot aan den hals in het water staande toch eeuwig honger en dorst moest lijden, of, zooals anderen verhalen, door een boven zijn hoofd zwevend rotsblok in eeuwigen angst verkeerde.
De kinderen van Tantalos zijn Pelops en Niobe. Van het ongelukkige lot van Niobe is reeds sprake bij de Thebaansche mythen geweest. Pelops werd door de kunst van Hermes in het leven teruggeroepen, en in plaats van het schouderblad, dat hem ontbrak, doordien Demeter dat reeds had opgegeten, gaf deze hem een ivoren stuk. Pelops wies weder op onder de zalige goden op den Olympos, werd vervolgens op de aarde neergelaten, en ging toen naar Elis om de hand der schoone Hippodamia, de dochter van koning Oenomaos te verwerven. Maar Oenomaos wilde die slechts schenken aan dengene, die hem in den wedren zou overwinnen; wie echter overtroffen werd door hem, zou zijn waagstuk met den dood moeten boeten; want Oenomaos doorboorde hem in het voor-bijrennen onmisbaar met zijn krachtige lans. Reeds hadden dertien beroemde jongelingen op die wijze den dood gevonden, toen Pelops verscheen, besloten om het gevaarlijke avontuur te ondernemen. Plij kwam zegevierend uit den strijd voor den dag door de hulp van Poseidon, die hem een paar onvermoeibare gevleugelde paaiden had gegeven, en door de list van Myrtilos, \'s konings wagenmenner, die óf door Pelops óf door Hippodamia omgekocht, vóór het begin van den wedren heimelijk de lenzen uit den wagen van zijn meester had genomen of door einden was had vervangen. Dientengevolge kwam Oenomaos, daar de wagen tijdens den rit brak. om het leven, of hij doodde zich zelf, toen hij zich overwonnen zag. Pelops kwam nu in het bezit van Hippodamia en van de heerschappij over Elis, maar beloonde Myrtilos kwalijk voor de bewezen diensten, daar hij, om zich van zijn verplichtingen jegens hom te ontdoen, hem in zee stortte. Zijn vader, als hoedanig Hermes genoemd wordt, verhief hem daarop tot voerman onder de sterren.
228
Gemeenschappel. ondernemingen. De Pelopiden. 229
Een reeds door de oudheid beroemd en door Pausanias uitvoerig beschreven plastische voorstelling van den wedstrijd tusschen Pelops en Oenomaos, afkomstig van den oostelijken geveldriehoek van den tempel van Zeus in Olympia, is bij de opgravingen te dier plaatse weer aan den dag gekomen. Paeonios van Mende wordt als de schepper van die prachtige marmeren beeldhouwwerken geroemd; hij was een van de beste leerlingen van den grooten Phidias. De groep stelt niet den strijd zelf, maar het oogenblik vóór de opening van den strijd voor In het
midden staat de alle anderen overtreffende, maar helaas zeer beschadigde figuur van Zeus zelf, ter linkerzijde van hem l\'elops\'en Ilippodamia, ter rechter, Oenomaos en zijne gemalin Sterope ; dan volgen op beide zijden de vierspannen en eenige andere tot nog toe niet met zekerheid bepaalde figuren. De hoeken van den driehoek werden door de in liggende houding aangebrachte riviergoden Alpheos en Kladeos gevuld.
De zonen van Pelops en Ilippodamia waren Atreus en
Vierde gedeelte.
Thyestes. Met voorliefde behandelden de treurspeldichters hunne lotgevallen, vol van gruwelijke misdaden. Deze dichters schijnen trouwens de meeste dier gruwelen te hebben uitgedacht; want bij Homerus wordt geen spoor er van gevonden. Ten eerste dan begingen Atreus en Thyestes een moord aan hun stiefbroeder Chrysippos, en moesten daarom met hunne moeder het land verlaten, totdat zij werden opgenomen bij hunnen zwager Sthenelos, een zoon van Perseus in Mykenae of bij diens zoon Eurystheus. Na den dood van den laatste erfden zij de heerschappij der kinderen van Perseus in Argos, en voortaan woonde Atreus in den trotschen koningsburg van Mykenae.
Hiervan is nog de zoogenaamde Leeuwenpoort, het oudste gedenkstuk der Grieksche kunst, over; en in den naasten omtrek daarvan hebben de opgravingen van Schliemann sedert 1874 wel twintig duizend voorwerpen van de oudste (irieksche nijverheid aan den dag gebracht. Schliemann meent zelfs de graven van Agamemnon en der overige slachtoffers, door Klytaemnestra en Aegisthos gemaakt, te hebben gevonden.
Maar weldra ontstond er onverzoenlijke vijandschap tusschen de beide broeders. Toen dientengevolge Thyestes uit Argos moest vluchten, nam hij om zich te wieken den jongen zoon van Atreus mee, Pleislhenes genaamd, voedde hem op als een eigen kind, en zond hem later naar Mykenae om Atreus te dooden. Maar hij werd ontdekt, gegrepen en ter dood gebracht. Toen echter Atreus vernam, dat hij zijn eigen zoon had laten dooden, zon hij op een vreeselijke wraak aan zijn listigen broeder. Hij deed het voorkomen alsof hij zich wilde verzoenen, en riep Thyestes met de zijnen naar Mykenae terug; maar togn deze op het woord van zijn broeder vertrouwende teruggekeerd was, liet Atreus heimelijk de beide jonge zonen van Thyestes vatten, slachtte ze, en zette zijn broeder het afschuwelijk maal voor. Vol ontzetting over een zoo onmen-schelijke en onnatuurlijke wreedheid, deed Helios, de zon, zijn paarden zwenken, en keerde naar het Oosten terug; Thyestes vluchtte op nieuw onder vreeselijke vervloekingen, die hij over het geheele geslacht van Pelops uitsprak, en ging naar \'I hesprotos, koning van Epirus. I.ater gelukte het hem om zich met hulp van den eenigen hem nog overgebleven zoon Aegi-sthos op zijn broeder te wreken. Atreus werd door hem gedood bij gelegenheid, dat hij aan het zeestrand een offer bracht, en nu kreeg Thyestes de heerschappij in Mykenae. Agame-
230
Gemeenschappelijke ondernemingen. De Aeakiden.
mnon en Menelaos, zonen van Atreus, vloden voor hun woesten oom naar Sparta, waar koning Tyndareos hen gastvrij ontving, en hun zijn beide dochters Klytaemnestra en Helena tot echt-genooten gaf. Met zijne hulp veroverde toen Agamemnon het rijk zijns vaders, doodde Thyestes en verdreef Aegisthos. Maar Menelaos bleef in Sparta, waar hij Tyndareos opvolgde, totdat de door Paris gepleegde schaking van Helena aanleiding gaf tot den Trojaanschen oorlog.
De Aeakiden.
Na de Atriden hebben de Aeakiden verreweg het belangrijkste aandeel aan den Trojaanschen oorlog, zoodat m en gerechtigd is tot de uitspraak, dat deze oorlog inderdaad een glorierijk feit is van die beide heldengeslachten en van de volken, waartoe zij behoorden, de Achaeërs in Argos en de Hellenen in Phthia. Aeakos was de stamvader der Aeakiden, om zijne wijsheid en rechtvaardigheid beroemd en later rechter in de onderwereld, een zoon van Zeus en van de dochter van den riviergod Asopos. Hij heerschte op het eiland Aegina en had tot gemalin de dochter van den wijzen Centaur Chiron, die Endeïs heette. Deze baarde hem twee zonen. Peleus en Telamon. Toen zij groot waren, moesten zij om dezelfde redenen als de zonen van Pelops het land verlaten; zij hadden namelijk uit ijverzucht een stiefbroeder, dien hun vader boven hen voortrok, gedood. Peleus begaf zich naar Phthia, waar de rijke Eurytion uit het dal van den Spercheios hem opnam en hem het derde deel van zijn gebied benevens de hand zijner dochter schonk. Later nam Peleus ook deel aan de jacht op het Kalydonische everzwijn bij welke gelegenheid hij het ongeluk had zijn schoonvader te dooden. Daarom verliet hij Phthia en begaf zich naar lolkos. waar hij deel nam aan de lijkspelen door Akastos ingesteld ter eere van zijn vader Pelias, die door de listen van Medea was gedood. In lolkos ging het hem, zooals Bellerophon bij Proetos. Toen hem Astydamia, de gemalin van Akastos, niet tot ontrouw kon verleiden, belasterde zij hem bij haren man, die toen een aanslag smeedde op het leven van Peleus. Om hem den dood te berokkenen liet hij hem. toen zij eens op het Peliongebergte gejaagd hadden en de vermoeide Peleus ingeslapen was, alleen en onbewaakt achter. Hij zou ook door de Centauren gedood zijn, als de goden zich
231
Vierde gedeelte.
niet over hem hadden ontfermd en hem door Hermes een zwaard van wonderbare kracht hadden laten geven, waarmee hij den aanval der woeste woudbewoners afsloeg. Daarna doodde Peleus den trouweloozen Akastos met zijne gade, nadat hij lolkos met hulp der Dioskuren had ingenomen. Tot loon voor zijn kuischheid gaven de goden hem Thetis, de schoone dochter van Nereus, tot echtgenoot, een onsterfelijke gade aan een sterfelijken man. Zij schonk hem slechts één zoon, Achilles, den grootsten en dappersten held van den Trojaanschen oorlog. Een jongere sage verhaalt nog, dat Thetis haar gemaal spoedig na de geboorte van Achilles weer verliet, omdat hij haar stoorde, toen zij, evenals Demeter den zoon van Keleos (zie blz. 127), haar kind in het vuur wilde onsterfelijk maken: van deze sage weet Homerus echter niets. Nog later dichtte men er bij, dat zij haren zoon in het water der Styx gedoopt had en daardoor, behalve de verzenen, waarbij zij hem had vastgehouden, onkwetsbaar had gemaakt. Ook hem gaf men, evenals allen beroemden helden, Chiron tot leermeester, onder wiens leiding zich bij hem die wonderlijke vlugheid van lichaam heeft ontwikkeld, waarin hij ai zijn tijdgenooten verre overtrof. Behalve Chiron noemt Homerus ook Phoenix, den zoon van Amyntor, als opvoeder van den jongen Achilles. Opgewekt en vastbesloten trok de jonge Achilles naar den oorlog tegen Troje, hoewel vooruitziende en zich bewust, dat hem de terugkeer niet zou ten deel vallen. De jongere sage voegde hier nu weer bij, dat zijne moeder hem, om hem te onttrekken aan het vroegtijdig einde van zijn leven, vrouwenkleeren aangetrokken en naar Skyros had gezonden, om hem daar in het huis van koning Lykomedes te verbergen, waaruit hem de list van Odysseus lokte.
Van Telamon, den tweeden zoon van Aeakos, komt de niet minder beroemde held Aias af. Telamon had na de vlucht der beide broeders uit de ouderlijke woning een nieuw vaderland gevonden in Salamis, waar hem koning Kychreus, een zoon van Poseidon, zijne dochter tot vrouw gaf en bij zijn dood de regeering naliet. Telamon huwde later, na den dood zijner eerste gade, Periboea, een dochter van Alkathoös, een zoon van Pelops, uit het naburige Megara, die hem Aias baarde. De sage verhaalt veel van de innige vriendschap van Herakles en Telamon, waarom deze ook deelnam aan den Trojaanschen veldtocht van zijn dapperen vriend. Van daar bracht hij de gevangene Trojaansche prinses Hesione mee. de moeder van
Gemeenschappelijke ondernemingen. Nestor, Aias uit Lokri, enz. 233
zijn tweeden zoon Teukros, die als boogschutter roem verwierf. Dat zulk een vermaard held als Telamon ook mee deed aan de Kalydonische jacht en aan den tocht der Argonauten, spreekt wel van zelf. Bij een zoo ridderlijk en wakker vader nu staat zijn zoon Aias, dien de dappere held Herakles op zijn armen gedragen, en op wien hij den zegen van zijn vader Zeus had afgesmeekt, niet achter. Hij is grooter van gestalte en geweldiger in kracht dan alle andere helden, maar heeft bij den vluggen, snellen Achilles vergeleken, iets plomps en zwaars. Zijn reusachtig schild kenteekent hem evenzeer, als de zware verderfelijke lans Achilles. Zijn halfbroeder Teukros staat hem als de beste Grieksche boogschutter waardig ter zijde.
Nestor, Aias uit Lokri, Diomedes, Odysseus.
Bij de hiervoren genoemde helden uit den stam van Pelops en Aeakos sluiten zich nog eenige uitstekende legerhoofden aan, waaronder de eerste plaats wordt ingenomen door den grijzen Nestor uit Pylos, wiens wijze raad den Grieken voor Troje even onontbeerlijk was als de heldenmoed en onverschrokken dapperheid van Achilles en Aias. Hij was de jongste van Neleus\' twaalf zonen. En Neleus was weer een zoon van Poseidon en Tyro (zie blz. 218), een tweelingbroeder van Pelias, door wien hij verdreven was, toen hij in Messenië een tweede vaderland vond. Zijn daar gevestigde heerschappij en de roem van zijn huis leden een geweldigen schok door de vijandelijkheid van Herakles, die alle zonen van Neleus op Nestor na doodde. Maar na dezen plotselingen val verhief zich door Nestor het geslacht tot nieuwe grootheid. Hij streed als jongeling tegen de naburige bewoners, de Kpeiers en Arka-diërs, en herstelde de heerschappij zijns vaders in haarganschen omvang. Aan den strijd van de Lapithen tegen de Centauren, aan de Kalydonische jacht en aan den Argonautentocht neemt hij, evenals andere helden, deel. En hoewel reeds op zoo hoo-gen ouderdom zijnde, dat hij reeds over het derde menschen-geslacht heerschte, kon hij toch den lust niet weerstaan om mee op te trekken tegen Troje.
Aias uit Lokri. ter onderscheiding van zijn reusachtigen naamgenoot ook de kleine genaamd, was een zoon van koning Oileus, die evenmin als zijn geslacht door eenig ander feit bekend is, dan dat hij ook aan den Argonautentocht deel nam. Aias stak
Vierde gedeelte.
onder de helden voor \'l\'roje uit door zijn vlugheid in het werpen der speer en in snelheid van loopen overtrof hem slechts Achilles. Hij komt steeds in een wollen pantser voor en ook zijn manschappen, de Opuntische Lokricrs, waren lichtgewapend.
Diomedes stamde af uit het geslacht van de meer genoemde Aeolische Amythaoniden. Zijn vader was de onstuimige Ty-deus, die in den oorlog der zeven vorsten tegen Thebe omkwam. Diomedes, die niet weinig van de woeste, ongetemde natuur zijns vaders had, maakte natuurlijk dien oorlog mee en volgde later zijn grootvader Adrastos in de heerschappij van Sikyon op. Hij herstelde zijn grootvader van vaderszijde, den ouden Aetolischen koning Oeneus. die door de zoons van zijn broeder Agrios onttroond was, in de regeering. In de Ilias komt hij voor als een lieveling der godin Pallas Athena, en Homerus ruimt hem een belangrijke plaats in onder de helden der Grieken voor Troje. In de dichterlijke voortbrengselen uit den tijd na Homerus heeft hij bijzondere beteekenis als de roover van het Trojaansche palladium.
Odysseus eindelijk, de populairste der helden uit den Tro-jaatischen sagenkring, was een zoon van Laërtes op Ithaka en van Antikleia, dochter van den beroemden Autolykos, die aan den Parnassos woonde en om zijn groote slimheid beroemd was, van wien dus de kleinzoon zijn slimheid en zijn zin voor allerlei sluwe plannen geërfd heeft. Door zijn brave en kuische echtgenoote Penelope, dochter van Ikarios. een broeder van Tyndareos, koning van Sparta, staat Odysseus in nauwe familiebetrekking met de Atriden en volgt daarom, hoewel ongaarne, de uitnoodiging van Menelaos. om deel te nemen aan den Trojaanschen oorlog. Ook hij wordt door Pallas bijzonder begunstigd om zijn verstand, welsprekendheid, rechtvaardigheid, bedrevenheid in alle ridderlijke oefeningen en onverschrokkenheid in gevaren.
De oorlog.
De Ilias, de voornaamste bron voor de kennis van de Trojaansche heldensagen, behandelt de eerste negen jaren van den krijg in het geheel niet, en vat al de gebeurtenissen uit het tiende jaar slechts samen in de betrekkelijk korte episode van den twist tusschen Achilles en Agamemnon tot aan den dood van Hektor, een verloop van eenenvijftig dagen. Slechts bij
234
Gemeenschappelijke ondernemingen. De oorlog.
gelegenheid en in enkele aanwijzingen is er sprake van de aanleiding tot den krijg en de gebeurtenissen der verleden tijden. Het verhaal van den krijg moet dus aangevuld worden uit andere, thans niet meer bestaande heldendichten uit den Trojaanschen cyclus.
Eris was niet uitgenoodigd op de bruiloft van Peleus en Thetis en wreekte zich over die veronachtzaming door een twist te veroorzaken om een appel, die het opschrift droeg gt;Aan de schoonstequot;. Toen de godinnen Hera, Athena en Aphrodite om het bezit daarvan twist kregen, verwees Zeus haar naar Paris als scheidsrechter. Deze zoon van koning Priamos was wegens een kwaden droom, dien zijne moeder, toen zij van hem zwanger was, had gehad, na zijn geboorte op den berg Ida te vondeling gelegd ; maar, door herders gevonden. werd hij als herder opgevoed. Hij besliste den strijd ten gunste van Aphrodite, die hem de schoonste vrouw op aarde als prijs had beloofd. Toen de jonge man. die evenzeer om zijn schoonheid*als om zijn vlugheid beroemd was, spoedig daarna bij een feestspel door Priamos ingesteld al zijn broeders overwon, werd hij door de profetes Kassandra herkend en door Priamos weer in genade aangenomen. Nu volgt de reis van Paris over zee, toen hij onder anderen ook aan het hof van Menelaos in Sparta kwam, waar hij gastvrij opgenomen en onthaald werd. Toen ontstak Aphrodite in het hart dei-jonge gemalin des konings noodlottige liefde voor den gast, en hij verblindde haar door zijn betooverende schoonheid en den oosterschen rijkdom zijner kleeding. Terwijl Menelaos op reis naar Kreta was, en hare broeders, de Dioskuren, in den strijd met de Aphariden bezig waren, volgde Helena haren verleider naar Troje. Daar men hare uitlevering in Troje weigerde, viel het Menelaos gemakkelijk om geheel Griekenland voor het plan van een wraaktocht te winnen, vooral daar een groot deel der Grieksche vorsten, die vroeger om de hand van Helena gedongen hadden aan Tyndareos bij eede beloofd hadden, om den door Helena uitgekozen minnaar bijstand te verkenen, zoodra deze van eenige zijde beleedigd of aangevallen mocht worden. In de Boeotische haven Aulis verzamelden zich de welbemande schepen der Grieksche helden, ten getale van elfhonderd zesentachtig, die in het tweede boek der gedichten van Homerus worden opgesomd, waarvan Agamemnon, die tot hoofdaanvoerder gekozen was, alleen honderd
Vierde gedeelte.
had geleverd. Maar, toen Agamemnon Artemis had beleedigd door een hinde te dooden, die aan deze godin heilig was, volgde er windstilte en kon de vloot niet uitzeilen. Om nu den toorn der godin te verzoenen moest Iphigenia, de dochter van Agamemnon, op bevel van den priester Kalchas ten offer gebracht worden; maar in het beslissende oogenblik nam de godin haar weg, bracht haar naar Tauris over en stelde haar daar tot priesteres des tempels aan; in de plaats van Iphigenia had de godin zelve een hinde op het altaar gelegd. Nu zeilde de vloot gemakkelijk uit en hield rust te Tenedos tegenover de Trojaansche kust. Bij een feestmaal werd toen Philoktetes, die de pijlen en den boog van Herakles bezat, waarvan het orakel de verovering van Troje had afhankelijk gesteld, door een slang in den voet gebeten en wegens zijn jammerklachten en den kwaden reuk zijner etterende wonden naarLemnos gebracht, waar men hem aan zijn lot overliet. Daarna landde men aan de Trojaansche kust, waar de Trojanen onder Hektor en Aeneas te vergeefs het landen trachtten te beletftn, nadat Protesilaos zich aan den dood bad opgeofferd en het eerst aan land was gesprongen. Ook Kyknos, de stoute zoon van Poseidon, die te Kolonis in Troje heerschte en den Trojanen was te hulp gekomen, kon het voortdringen der Grieken niet beletten. Hem worgde Achilles, daar hij voor het zwaard over zijn geheele lichaam te hard was en ondoordringbaar als ijzer, met een riem om den hals.
Toen nu de Grieken hun scheepskamp hadden opgeslagen, begon de eigenlijke krijg. Maar deze bepaalde zich toch, daar verscheidene pogingen om de stad te bestormen door de Trojanen met gelukkig gevolg werden afgeslagen, tot stroop- en plundertochten in de naburige streken, waarbij meestal Achilles de hoofdrol vervult. De eerste negen jaren van den krijg zijn arm aan belangrijke gebeurtenissen, en slechts de dood van Troïlos, den jongsten zoon van Priamos in een tweegevecht tegen Achilles, en de dood van Palamedes uit Euboea, die aan het hoofd van de vredelievende partij der Grieken stond, door de lagen van Odysseus bewerkt, geven episoden, die van eenige beteekenis zijn in de vervelende eentonigheid van het beleg. Eindelijk nam in het tiende jaar de zaak een andere wending door den toorn van Achilles om eene slavin, die hij bad buitgemaakt en die hem door Agamemnon ontnomen was. Met dezen twist begint de Ilias. Nadat Achilles mokkend en zich van elke verdere deelneming onthoudend zich in zijn tent had te-
Ciemeenschappelijke ondernemingen. De oorlog.
mggctrokkcn, werden de Trojanen, die hein meer dan eenigen anderen Griek vreesden, weder stouter en waagden zich buiten de muren, die zij reeds lang niet meer verlaten hadden, in net open veld. Bij de eerste ontmoeting met den vijand verleende hun Zeus op het dringende smeeken van Thetis een zege. Hektor dreef de Grieken naar hun scheepskamp terug, en was leeds op het punt om den brand in hunne schepen te slingeren, toen Achilles door de beden van zijn viiend 1\'atro-klos zich liet overhalen, dat hij hem vergunde om in de wa-pemusting van Achilles aan het hoofd der Myrmidoniërs den benauwden Grieken te hulp te komen. De Trojanen weken weer terug, maar Patroklos, die hen met al te grooten ijver vervolgde, werd in het woeste strijdgewoel door Hektor verslagen en van zijn wapenrusting beroofd. Menelaos echter redde zijn lijk na een bloedigen hardnekkigen strijd, geholpen door den grooten Aias en andere helden. Sedert had Achilles geen andere gedachte dan den dood van zijn geliefden vriend op Hektor te wreken. Hij kon nauwelijks wachten, totdat hij uit de werkplaats van Hephaestos een nieuwe wapenrusting kreeg, die zijn goddelijke moeder voor hem had laten vervaardigen. Zoodra hij die in handen heeft, verschijnt hij opnieuw in het strijdperk, en Hektor, het bolwerk en de steun van alle Trojanen, valt weldra voor zijn stormachtigen aanval; maar Achilles was tevens grootmoedig genoeg om het lijk van den gesneuvelde op de beden van den ouden Priamos hem terug te geven.
Op een van de Korinthisehe vazen in het Museum du Louvre, die in schoonheid haar weerga niet heeft, een groote Kelebé, is liet vertrek \\an Hektor geschilderd, terwijl hij zijn strijdwagen beklimt en deleden zijner familie afscheid van hem nemen. Zij dagtcekent uit de zevende eeuw. Zoo zijn de begrafenis van Patroklos, de strijd van Achilles en Troïlos en vele andere tooneelen uit den Trojaanschen oorlog motieven voor schilderingen op vazen geweest.
De plechtige begrafenis van Hektor vormt het slot der Ilias. De verdere gebeurtenissen tot aan den dood van Achilles en den strijd om diens wapenen behandelt de Aethiopis van Ar-ktinos uit Milete, van welk werk we ongeveer den inhoud kennen. hoewel het geheel verloren is geraakt. Achilles verrichtte voor Troje nog allerlei schitterende daden, die blijkbaar in de oude sagen onbekend waren. Eerst verschijnt terstond na Hektors dood 1\'enthesi\'eia, de koningin der Amazonen, op het tooneel om den Trojanen te helpen. Aan het hoofd harer krijgshaftige schaar streed zij zoo dapper, dat de Grieken in het
237
Vierde gedeelte.
nauvv geraakten, totdat Achilles de moedige dochtervaquot;^ overwon Na haren aftocht kregen de \'Irojanen nieuwe hulp
sS?SSS3SSg
volgens zich ook met den - o moede het
Hoen vSlen het doodslot treffen. Toen hij met zijn Myrmi-C d ■ Skaeische poort wilde binnendringen, velde een door
* H»a va,,..» Sr;-
speldrchters aanslot ^ hlnVelijk met Polyxena, de
sluipmoord sterven gt; En toen ontslond een
schoone dochter \\an ^ , •• die een geheelen
heftige krijg om „a .lie .i.sp.n-
■linS SK in hit e^er der Grieken, en Thetis betreurde met neerschten ui het le^ vroegen dood zeventig
^ oehe^ en even zooveel nachten met z^oo roerende klaag-
gen aft z^i \'oden en menschen tottranenstortenbewogen
zangen, dat zij aoa , schoonheid en zooveel deugd.
c^rrSt i %*% zx oXquot;quot;
e, op, maar ■«. «►•*gt;»*«
Odysseus toe. over welke beleemging leven benam.
lophoUe\'s SulndddeTde Aias het treurige einde van den Telamomer. het tooneel verdwenen was, werd
i i eiquot; s ^
2^8
Gemeenschappelijke ondernemingen. De oorlog,
altijd op Lemnos aan zijne wonden lijdende was, er heen gehaald en door Machaon genezen. Door Philoktetes werd nu Paris gedood, en Odysseus voerde in vereeniging met Diomedes de gevaarlijke onderneming uit, om verkleed binnen Troje te sluipen en het palladium van den burg weg te nemen, aan welks bezit het behoud der stad verbonden was. Hij was het ook, die den jongen zoon van Achilles, Neoptolemos, uit Skyros naar het Grieksche leger haaide, omdat, volgens het orakel, ook zijn aanwezigheid noodig was tot verovering der stad. Eindelijk, en dat is wel zijn grootste verdienste, werd op raad van Odysseus door Epeios het beroemde houten paard gemaakt en door hem de geheele listige aanslag gebrouwen, die ten slotte den val der stad ten gevolge had, welke in het veld niet bedwongen kon worden. Dertig uitgelezen Grieksche helden verborgen zich in den buik van het paard, de overige Grieken verbrandden het scheepskamp en trokken in schijn af, waarop de door Sinon misleide Trojanen het on-gelukspaard onder gejubel en gejuich binnen de stad haalden. Te vergeefs trachtte de priester van Apollon, Laokoon, zijn landgenooten van dat dwaze voornemen af te brengen; hij vond geen gehoor; en toen nu zelfs, terwijl Eaokoon aan het strand een offer aan Poseidon wilde brengen, twee slangen uit zee opkwamen en hem met zijn beide zonen verstikten, zagen de Trojanen daarin een straf van den hemel voor zijn stout verzet en werden zij zelfs in hun besluit versterkt.
De dood van Laokoon en zijn zonen is in een der heerlijkste kunstgewrochten van do geheele oudheid voorgesteld, dat zeer waarschijnlijk lot den tijd der Diadochen behoort. De beroemde groep van Laokoon werd in 1506 door een Romeinsch burger gevonden in een wijnberg, nabij de voormalige Thermen van Titus en tegen een aanzienlijk bedrag aan Paus julius den Tweede overgedaan, die het oj» het Vatikaan lid brengen. De rechterarm van Laokoon is bijgewerkt, maar, zooals uit een later gevonden kopie der groep in Napels bleek, verkeerd, llci tooneel, dat voorgesteld is (fig. 76., bestaat eigenlijk uit drie verschillende momenten, die door de drie kunstenaars Agesandros, Alhenodoros en P«gt;-lydoros, allen van Rhodus, met veel smaak vereenigd zijn. De oudste zoon is nog ongedeerd en schijnt in het eerst zoo licht door de slangen omslingerd, dat men zou meenen, dat hij het dreigende verderf nog ontkomen kan, en dal hem meer de liefderijke deelneming voor zijn edelen vader bezig houdt, dewijl hij klagend naar dezen opziet, dan de hem zelf kwellende smart. Laokoon zelf, die natuurlijk het midden inneemt, igt; voorgesteld op het oogenblik, dal hij door den slangebeel doodelijk gewond op het altaar neerstort en zich vergeefs inspant om zich weer op te heffen7 zooals dan ook de linkerhand nog slechts onbewust dc gt;langen tracht af te weren. Zijn tegenstand, tot op het laatst met alle kracht
239
Vierde gedeelte.
tegen de opdringende machten gericht, dreigt te verlammen en zijn edel gelaat drukt een smartelijk verzet tegen de goden uit, als wilde hij hun vragen, waarom zij toch zulk een ontzettend lot over hem hadden beschoren. Deze waardige, besliste houding maakt reeds de schoonste tegenstelling uit tegenover zijn lichaam, dat door de hevigste smarten gekweld wordt. IX\' jongste zoon, aan zijn rechterzijde, ligt reeds in de laatste doodstuipen. Zuo de linkerhand ook nog bewust naar den kop der slang grijpt, er is toch geen sprake meer van afweren. Hij valt als een geknakte bloem neer, om in het eerstvolgend oogenblik den laatsten adem uit te blazen.
In den nacht, die op het verschrikkelijk einde van Laokoon volgde en waarin de vreugdefeesten der Trojanen over den aftocht der Grieken gevierd werden, keerde op een door Sinon gegeven vuursein de Grieksche vloot in alle stilte uit Tenedos terug, waar zij zich verborgen had gehouden. Het leger drong de stad binnen, nadat de in den buik van het paard verborgen helden er uit gekomen waren en de poorten voor hun vrienden ontgrendeld hadden. Verschrikkelijke plunderingen en moorden hadden nu plaats : toch waagden de Trojanen nog een laatsten wanhopigen tegenstand. Maar het lot der heilige stad naderde zijn vervulling. Priamos viel bij het altaar van Zeus door de hand van Neoptolemos en met hem verzonk Troje\'s roem in asch en puin. De mannen werden gedood, vrouwen en kinderen met den rijken buit als gevangenen weggesleurd, om het treurige lot der slavernij te ondergaan. Onder dezen was ook de grijze vorstin Hekabe met hare talrijke dochters en schoondochters. Zij, die al het onheil had gesticht, Helena, vond men ten huize van Ueïphobos, die na zijns broeders dood met haar was gehuwd en Menelaos zou zijn trouwelooze gade in zijn woede hebben doorstoken, als niet in het beslissend oogenblik hare schoonheid hem weer had ontwapend.
De plaats van liet oude Troje is volgens de resultaten, die de onderzoekingen en studiën van Schliemann hebben opgeleverd, zeker wel het tegenwoordige Missarlik. Maar de wetenschappelijke wereld in het algemeen stemt niet in met het beweren van dezen geleerde, dat de op die plaatsen bij de opgravingen gevonden voorwerpen mogen doen denken aan tie toestanden, die Homerus beschrijft. De zaken, in Santorin en Hissariik aan het licht gekomen, zijn voortbrengselen van nijverheid uit de hooge oudheid, maar missen voldoende kenmerken om de groepeeringen van den heer Schliemann te wettigen.
De terugkeer.
Nadat de Grieken nog Polyxena op het graf van Achilles in Sigeum hadden geslacht, maakten zij zich tot den terugtocht
240
Gemeenschappelijke ondernemingen. De terugkeer.
gereed. Maar slechts weinigen hunner was het beschoren, om zonder eenig ongeluk thuis te komen of een aangename thuiskomst te vinden. Wat ten eerste het lot der beide Atriden betreft: Agamemnon landde, na gelukkig een storm op de kust van F.uboea ontkomen te zijn, aan het vaderlijk strand, maar «erd door den aanslag zijner echtgenoot Klytaemnes-tra, die intusschen met Aegisthos, toen hij naar Argos was teruggekomen, gehuwd was, met diens hulp verraderlijk gedood. In zijn lol deelde ook de Trojaansche profetes Kas-sandra, de bekende dochter van Priamos, die haar landge-nooten steeds den ongelukkigen afloop en den val van Troje voorspeld, maar daarvoor slechts spot en smaad ingeoogst had; een bevestiging van den ouden regel, dat een profeet in zijn eigen land niet geëerd is. Zij was bij de verdeeling van den Trojaanschen buit Agamemnon als slavin ten deel gevallen. Het treurige levenseinde van den opperaanvoerder der Grieken, met al de daaraan verbonden noodlottige gevolgen, heeft den Griekschen treurspeldichters stof geschaft voor vele stukken. De wraak namelijk over de aan Agamemnon begane misdaad mocht niet uitblijven Orestes, de eenige zoon van Agamemnon en Klytaemnestra, was tijdens de vreeselijke daad, die een einde maakte aan het leven van zijn vader, door zijn oudere zuster Elektra uit huis verwijderd en naar zijn oom Strophios in Phokis gebracht. Deze voedde hem met zijn eigen zoon Pylades, die ongeveer van gelijken leeftijd was als zijn neef, zorgvuldig op, en weldra werd tusschen deze beide jongelieden een vriendschap geboren, die om hare trouw en bestendigheid spreekwoordelijk is geworden. Zoodra Orestes volwassen was, zon hij op niets anders dan op de woeste wraak, die hij op den arglistigen Aegisihos en zijne moeder, Klytaemnestra, nemen zou, voor den verraderlijken moord aan zijn beroemden vader gepleegd. Door zijn vriend Pylades geleid, keerde hij acht jaren na zijn ballingschap naar Mykenae terug en doodde niet slechts Aegisthos maar ook zijne moeder Maar terwijl hij zoo een plicht vervulde, laadde hij de zwaarste schuld op zich, door haar te dooden die hem het leven had geschonken, en weldra zag hij zich door de wraakgodinnen vervolgd, die zich aan zijn verzenen hechtten en hem rusteloos voortdreven door de landen der aarde, totdat hij eindelijk van het orakel in Delphi den raid kreeg om uit Tauris het beeld van Artemis te halen en naar
16
241
Vierde gedeelte.
Attika te brengen. Toen hem dit door den bijstand zijner zuster, die hij in Tauris terugvond, gelukt was, werd Orestes door Apollon verzoend (vgl. blz. 138). Van de talrijke toonee!-stukken, die de hier in het kort medegedeelde lotgevallen van het huis en de kinderen van Pelops behandelden, zijn nog over : de Agamemnon, de Choëphoren en de Eumeniden van Aeschy-I03. de Elektra van Sophokles en de Elektra en de Iphige-nia in Tauris van Euripides.
De broeder van Agamemnon, Menelaos, werd op zijn tocht huiswaarts bij het voorgebergte Malea door een hevigen storm overvallen, dreef naar Kreta en Aegypte af, en keerde vandaar eerst zeven jaren later met Helena en de buitgemaakte schatten naar Sparta terug. Den overigen tijd van zijn leven bracht hij in roem en geluk door.
Veel treuriger is het lot van den Lokrischen Aias. Bij de verwoesting van Troje was hij in den tempel van Pallas op den burg gedrongen, had de priesteres Kassandra, terwijl zij het altaar en het heilige beeld der godin omvat hield, weggesleept en mishandeld, en daarom liet de godin zijn schip bij het voorgebergte Kaphareus vergaan. En nog zou hij het leven er behouden afgebracht hebben, daar het hem had mogen gelukken om op een rif te komen. Maar zijn overmoed en pralerij, dat hij de goden voor zijn redding niet noodig had, maakte zoozeer den toorn van Poseidon gaande, dat deze met zijn drietand de rots spleet, waarop Aias in zee viel en verdronk.
Diomedes, Philoktetes en Idomeneus kwamen wel ongedeerd thuis, maar werden spoedig daarop uit hun land verbannen en trokken alle drie naar Italië, waar Diomedes steden stichtte en nog lang als heros goddelijke eer genoot. Zoo keerde ook Teukros goed en wel naar Salamis terug ; maar zijn vader Telamon wilde hem niet weer toelaten uit toorn, dat hij het leven van zijn broeder Aias niet beter bewaakt had en diens dood niet gewroken had. Daarom verliet Teukros zijn land nogmaals en vestigde zich op het eiland Cyprus. Maar de meeste wederwaardigheden dichtte de sage aan Odysseus toe, wiens trouwe gade Penelope en zoon Telemachos door de vrijers zeer in moeilijkheden werden gebracht. Eerst tien jaren na de verwoesting van Troje was het hem vergund het vaderlandsche Ithaka weer te zien en zich op de onbeschaamde vrijers, die zijn have en goed hadden opgemaakt, te wreken. De/,e lotgevallen vormen den inhoud der (Jdyssee;
Geraeenschappel. ondernemingen. Aeneas,
maar de dichters na Homerus verhalen, dat Odysseus gedood werd door Telegonos, een zoon, dien hem Kirke zou geschonken hebben, toen hij op zijn tochten bij haar geland was
De sage van Aeneas.
In verband met de gebeurtenissen van den Trojaanschen oorlog staat de sage van Aeneas. Wanneer en hoe die sage tot haren vorm gekomen is. is niet nader aan te toonen. Wij kennen haar hoofdzakelijk uit de verhalen der Romeinsche geschiedschrijvers en dichters, en de laatste, schoonste gedaante heeft haar Vergilius in zijne Aenëis gegeven. Aeneas, uit een zijlinie van het regeerende Dardanische vorstenhuis gesproten, een zoon van Anchises en Aphrodite (Venus), trachtte na de verovering van Troje door de Grieken de brandende stad nog een tijd lang met moed te verdedigen, maar trok zich, ziende dat elke tegenstand nutteloos was, met de zijnen naar den berg Ida terug, waarbij hij zijn ouden gebrekkigen vader op de schouders droeg. Op die vlucht verloor hij zijn echtgenoot Kreüsa, maar redde hij zijn zoon Ascanius en de beelden der Trojaansche Penaten. Niet langer door de Grieken opgespoord, die hem zelfs, zooals sommigen verhalen, vrijen aftocht gunden, omdat hij altijd den vrede en de uitlevering van Helena had aangeraden, ging hij uit de haven Antandros onder zeil, om zich een nieuw vaderland te zoeken aan den anderen kant der zee Met twintig schepen zeilde hij in de lente uit, bezocht eerst Thracië, en daarna het eiland Delos, om er het orakel van Apollon te raad -plegen. Dit ried hem den oorspronkelijken zetel van zijn geslacht op te zoeken. In de meening, dat daarmee het eiland Kreta bedoeld was, — want van daaruit zou eens Teukros, een der mythische koningen van Troje, naar Klein Azië gekomen zijn, — zocht nu Aeneas dat eiland op, maar spoedig daarna werd hem in een droom door zijne penaten zijn dwaling opgehelderd en hij aangespoord om naar Italië te gaan. Z .-o maakte hij zich nogmaals op, maar werd door een vreeselijken storm in de Ionische zee voortgeslingerd, had op de Strophaden een ontmoeting met de Harpyiën en aan den anderen kant het genoegen om in de stadButhrotum inEpirus zijn bloedverwant, den Trojaanschen prins Helenos, weer te vinden. Deze had namelijk, nadat hij door Neoptolemos gevangen genomen en van Troje weg-
243
Vierde gedeelte.
gevoerd was, na den dood van dezen, de heerschappij over een deel van zijn rijk gekregen en nu zijn vroegere me-deslavin Andromache, eens de gade van Hektor, gehuwd. Nadat Aeneas, vriendelijk ontvangen, een tijd lang bij zijn dierbare landgenooten en bloedverwanten had vertoefd, zette hij de reis naar Italië voort, maar vermeed om de vele Grieksche volkplantingen, die er waren, de Oost- en Zuidkust en landde op het eiland Sicilië. Hier vond hij gastvrije ontvangst bij Acestes, den zoon van den Sicilischen stroomgod Crimisus en van eene edele Trojaansche vrouw. Egesta, maar verloor zijn ouden vader Anchises, en begroef hem op den berg Eryx. Thans voor de overvaart naar Italië gereed, werd Aeneas op nieuw door een storm overvallen, dien hij aan de listen der godin Juno te danken had, en naar de kusten van Afrika weggeslingerd. Hier laat de dichter Vergilius hem onthalen door de Phoenicische Dido, die, volgens de schepping der dichters, Carthago gesticht heeft. Tevergeefs poogde Dido hem bij zich te houden: op bepaalden last van Jupiter moest Aeneas Carthago verlaten, bezocht hij nog eens Sicilië, en landde toen inderdaad aan de Italiaansche kust nabij Cumae. Hier haalt hij raad bij de beroemde Sibylla van Cumae, vaart, nadat hij met haar in de onderwereld was geweest, voort tot aan den mond des \'Fibers en landde in het gebied van Laurentium, waar koning Latinus hem welwillend opneemt en hem met de hand zijner dochter Lavinia, plaats aanbiedt voor het stichten eener nieuwe stad. Zoo gemakkelijk echter zou de held nog niet aan het doel zijner tochten komen. Amata, de gemalin van Latinus, begunstigde veeleer het huwelijk harer dochter met Turnus. den koning der Rutuliërs, wien zij reeds de hand harer dochter had toegezegd, en zette hem tot een strijd tegen Aeneas aan. Bloedige krijg volgde, totdat eindelijk Turnus in een tweegevecht met Aeneas viel. En daar ook Latinus het leven verloor, volgde hem Aeneas, als gemaal van Lavinia, in de regeering op en stichtte eene stad, die hij ter eere zijner gade Lavinium noemde. Na zijn dood werd hij als een god geëerd.
Dc Tr )jaansc:he sagenschat bood. evenals aan de dichtkunst, ook aan bccldhoun - en schilderkunst een menigte dankbare onderwerpen. Enkele tooneelen. zooals het oordeel van Paris, zijn met bijzondere voorliefde in beelden ^ebrncht, oijv. in een ^root relief, in de hoofdzaal der \\ ilia
244
Gemeenschappel, ondernemingen. Aeneas.
245
Ludovisi te Rome. Zeer beroemd is ook de onder den naam Pasquin • bekende groep (op den hoek eener straat in Romei. die een held van Troje, Aias of Menelaos, voorstelt, die zijn stervenden vriend, waarin men zich misschien Patroklos of Achilles kan denken, in zijn armen opvangt en uit den strijd wil wegdragen. Het jonge, schoone lichaam van den
gedooden held vormt door zijn slap nederhangende ledematen een Scherpe tegenstelling met den volwassen mannelijken krijgsman, die den doode in zijne armen houdt. De groep is zeer beschadigd, maar een zeer grootsch werkstuk. Kr bestaan twee kopieën in Florence, de een in het pnleis Pitti, de andere in de Loggia de Lanzi ; (lig. 77 fragmenten van een
derde kopie, uit de villa van Hadriantls bij Tivoli afkom.stig, zijn in het vertrek van de busten in het Vaticaansch Museum. Met gebruikmaking dezer verschillende exemplaren heeft de beeldhouwer Kicei uit l\'Iorence
flemeenschappel. ondernemingen. Aeneas.
een nieuwe volledige groep vervaardigd, waarvan een schoon afgietsel in het Museum te Berlijn is.
Van schoone stukken uit de oudheid verdienen nog vermelding de bruiloft van Peleus en Thetis op de zoogenaamde Franco is-vaas in Napels, de terugkeer van Helena op een reliëf in terra cotta van de vroegere verzameling Campana, thans in de Louvre (fig. 78), de groep Elektra en Orestes in de Villa Ludovisi le Rome en de beroemde Aegineten te Munchen. Onder dien naam verstaat men de overblijfselen eener marineren gevelgroep van den tempel van I\'alias op Aegina, die daar in 1811 werden opgegraven. Zij stellen een gevecht voor tusschen Grieken cn Trojanen. De kunsilievende Lodewijk I van Meieren liet de Aegineten aankoopen. door Thorwaldsen en Wagner herstellen en in de beel-denver/ameling te Munchen opstellen als het schoonste gedenkteeken der zoogenaamde Archaïsche kunst. Onder de moderne meesters hebben vooral Carstens, Thorwaldsen, Cornelius, Clenelli en Preller, in de Odyssee-land gt;ehappen, de Trojaansche sagen met voorlreflelijke kunst behandeld.
Zieners en ziingers uil den voortijd.
Onder de priesters en profeten van den mythischen voortijd hebben we reeds kennis genomen van Melampus, Amphiaraos, Tiresias en Kalebas. De ouden kenden aan Tiresias een leeftijd toe van zeven of zelfs negen menschengeslachten, zoodat hij alle lotgevallen bijwoonde, die de stad Thebe troffen, totdat zij door de Epigonen werd veroverd. Zeven jarenoud verloor hij zijn gezicht, volgens het verhaal van sommigen, door Athena gestraft, omdat hij haar in het bad had gezien, of volgens anderen, omdat hij de geheimen der godin had verraden. Hij was evenals alle beroemde zangers der oudheid bedreven in de taal der vogels, kende de diepste geheimen der natuur, en genoot daarom tot aan zijn dood een steeds stijgend aanzien bij de Thebanen. Op hoogen ouderdom tengevolge van politieke verwikkelingen uit zijn land verbannen, stierf hij onderweg, en nog in 200 na Chr. wees men bij Haliartos zijn graf aan.
Onder de voortvluchtige Thebanen, die in de krijgsgevangenschap der Argiven geraakten, was ook Manto, de dochter van Tiresias, evenzeer als waarzegster beroemd. Door den overwinnaar met een groot deel van den buit aan Apollon toegewijd, werd zij op last van dezen god naar Klein-Azië gebracht en stichtte daar het orakel te Klaros bij Kolophon. Daar huwde zij met Rhakios van Kreta en werd moeder van Mopsos, een ziener, die later het orakel te Mallos in Ciiicië stichtte.
Met de namen van mythische zangers, die ons zijn overgeleverd. zijn gedeeltelijk zeker ook oude beoefenaars van dicht-
247
Vierde gedeelte.
kunst bedoeld, maar soms zijn in die namen slechts enkele richtingen en soorten der dichtkunst gepersonifieerd. Zoo iets is waarschijnlijk het geval met Linos, den mythischen zanger, omtrent wien in Argos, Thebe en Euboea verhalen bestonden Een volk in den natuurstaat zal bij voorkeur de klachten over het afsterven en vergaan der bloeiende natuur in poezie brengen. Men dacht zich den bloei gaarne, zooals de mythe van Hyakinthos aantoont, onder het beeld van een schoonen knaap, die door een worp van den diskos gedood of door wilde honden verscheurd wordt; beide zinnebeelden van de schroeiende zonnehitte. Uit de klaagzangen over den dood van den schoonen, jongen Linos, die van oudsher bij den wijnoogst gezongen werden, ontstond waarschijnlijk de mythe, die Linos zelf tot zanger heeft gemaakt.
Gelijksoortige weemoedige gewaarwordingen knoopen zich aan den naam van Orpheus vast, die dikwerf een broeder van Linos genoemd wordt, maar geen Aeoliër is, en tot de Thra-ciers in Piërië behoort. Het meest bekend omtrent hem is het verhaal van zijne liefde tot de schoone nimf Eur3\'dike, die hem door een plotselingen dood ontrukt werd, doordien haar een slang in den voet stak. Nu vervulde hij berg en woud met zoo vreeselijk roerende klaagzangen, dat de wilde diereu van het woud door de toovermacht der tonen bedwongen, hem als lammeren volgden, ja zelfs boomen en rotsen zich bewogen. Het verlangen naar zijn beminde dreef hem eindelijk naar de onderwereld, om van den strengen heer der schimmen te verzoeken, dat hij haar zou vrijlaten ; en inderdaad trof zijn klaagzang zoozeer, dat hij zelfs aan de Eri-nyen tranen van medelijden ontlokte en de metalen borst van den vorst der Styx roerde. Hij liet Eurydike vrij op voorwaarde, dat Orpheus niet naar haar zou omzien, totdat zij op de bovenwereld zouden zijn. Daar deze echter het verbod overtrad, werd zij hem weer ontnomen ; en Orpheus, wanhopig geworden, zwierf door het Thracische gebergte, en werd bij nacht door razende Bacchanten verscheurd.
()p de Villa Albani in Rome is een relief in marmer bewaard van bijzomlcrt* ^choonhcid, en zeker uit den tijd kort na Phidias, de vernieuwde scheiding der geliefden door Hermes voorstellende (fig. 79). De ri^uur rechts is Orpheus, en Eurylikc /elf vol zielcsmart raakt hem zacht P den schouder. I ferm es vat haar om haar weg te brengen bij de re1 hterhand, vol deelneming met het minnende paar, dat hij nu voor eeuv.van elkaar zal scheiden. Een gelijk motief, even/eer een schoon Grieksch werkstuk, i~ in een reliëf van het museum te Napels uitgewerkt.
24«
\'S* 79- ( cn l any\'iikc ; ccn rclicl in marmer.
REGISTER VAN EIGENNAMEN\'.
voorkomende op de biz. S tot 248, met aanwijzing van de kzuantlteit der voorlaatste lettergrepen.
|
Abas 175. Acestes 244. Achclöös OS, 196. Acheron 186. Achilleus, (—es) 09, 82, 157, 282 vlg. Ad mete 1(.)0. Admotos 215, 21lt;.). Adonis 48. Adrastos 224. Aeakos 94, 130, 281. A (\'don 1G7. Aeotes 80, 220. Aegeus 204, 222. Aegialeus 225. Aegimïos 196. Aegïna 168. Aeginêten 247. Aegis 17, 27, 59. Aegisthos 188, 231, 241. Aegyptos 174. Aenëas 4, 143, 227, 248. Aeolïa 84. Aeölos 84, 107, 217. Aesculapius, zie Askle- pios. Aeson 218. Aethiopis 287. Aethra 205. Aetna 15, 00. Agamemnon 138, 231, 241. Agathodaemon 87. Agaue 101, 158. Agênor 157, 174. 211. |
Aglaia 73. Aglauros 203. Agonius 65. Agrïos 234. Aias de Telamoniör 232 vlg. Aias van Lokri 233,242. Aidöneus 138. Akastos 219, 231. Akrisios 175, 180. Aktaeon 40, 1quot;gt;9. Aktoriden 195. Alokto 137. Aires 190. Alkaeos 185. Alkamenes 48, 154. AlkathÖös 232. Alkmaeon 226. Alkmêne 180, 185. Alkyöneus 15. Aioaden 32. Aloïden 92. Althaea 215, 217. A malt In\'a 18, 196« Am:ita 24 1. Amazonen 168,190,2\' gt;8. Ambrosia 8. Amnion 178. Amor, zie Eros. Amphiaraos 176, 215, 219, 225, 247. Amphiktyon 203. A mphlon 158. Am phi trite 98 vlg. Amphitryon 180, 185. |
] Amykos 182, 219. Amythaonïden 17(), 224. Anakes 184. Anchirrhöë 174. Anchises 49,227,248. Anclle 44. Androgeos 206, 211. Andromache 244. Andiomoda 9 \', 178. Ankaeos 215. Anna Perenna 86. Antaeos 91, 191. Antcros 67. Anthesphonën 23. Anthesterïa 107, 128. Antigone 225. Antikleia 284. Antilóchos 238. Antiope 100, 20^. Aphiireus 214. Aphariden 182. Aphrodite 20, 43, 47, vlg. 78,75,158,248. Apollon 132 vlg. 4\' 58, 02, 75, 80, ^1. 108, 139, 193. Apollomus 10,162. Apsyrtos 220. Aquilo, zie Boreas, Areopiigos 43, 139. Ares 42, 00, 15^, 168, 190. Argiphontes 173. Arges 12. |
|
250 Argo 219. Argonauten 80, 217. Argonautïca 4, 5. Argos Panoptes 55,173. Ariadne 105, 109,207. Aristaeos 159. Arkadië 19, 118. Arktos 83. Artemis 32, 89 vlg. 81, 159, 235. Ar val es 45. Ascanïus 248. Asklepïos 33, 84, vlij. 212. Asöpos 1(58, 231. Asphodelosweide 136. Assarakos 227. Astarte 47, 211. Asteria 12. Astenon 211. Astraeos 81. Astydanüa (eia) 231. Atalante 215. Athamas 97, 217. Athrna, zie Pallas. Atlas 93, 192. Atrens 229. Atropos 87. \\ttaliden in Pergaraos 1«), 101, 173,202. Attis, Atys 102. Ange 195. Augeias (Augias) 189, 195. Aulis 40, 235. Auróra, zie Eos. Autolykos 234. Autonoë 158. Baal 212. Bakchos, zie Dionysos. Bakcbante 114. Belleröphon 168, vlg. Bellöna 4\'gt;. Bel os 174. Benthesikyme 93. Beroc 103. i,gt;iagt; 176, 225. Bona dea 120. Boreaden 219. Boreas 81, 83. Bri.ireus 12. |
Register. Brontes 12. Busiris 192. Butes 204. Gacus 191. Caducëus 57, 78. Caraënae 73. Canova 69, 73. Capitolijnsche spelen 21. (\'ardoa 86. Carna 80. Carstens 87, 247. Cassiopeia 178. Cenümanen 11. Ceres, zie Demeter. Chaire 148. Chaos 11. Chares 81. (\'hariten 20, 39, 73. Charon 136. Chephren 224. Chimaera 169. Chiron 156, \'159,205, 21S232. ( hloris 84. Chrysiior 178, 190. Chryselephantinos 21. Chrysippos 230. Chthonische goden 49 Circe, zie Kirke. Cleacina 49. Compitalïa 144. Cumae 34. Cupido, zie Eros. Cyclopen, zie Kuklopes.j Cyprus 47. Daedalos 29, 212. Daeraonen 87. Damastes 206. Danaë 177. Danaïden 137. Danaos 137, 174. Dannecker 109. Daphne 39. Dardanos 220. Deianira (eira) 196. Deimos 43, 45. Deïphöbos 240. Delia 207. Del os 32, 34, 41,207. Delphi 13, 32, 34gt; 02, 101. |
Demeter 13. 20,56, 98, 108, 125, vlg. Demöphon 127, 209. Deo 127. Deukalïon, zoon van Prometheus, 151. Deukalïon, zoon van Minos, 211 vlg. Deus Fidïus 17. Diana, zie Artemis. Dido 244. Didymaeisch orakel 33. Dike 74. Dikte 13. Diktys 177. 1 lindymene 102. Dindymus 102. Diökies 128. Diomêdes, zoon van Tv- deus43,157,234,242. Diomêdes de Thraciër 189. 1 )ióne 20, 47. Dionysïa 106. Dionysos 20, 39, 4^, 58, 73, 102, vlg. Diosküren 163,1^1.208, 219. Dirke 160 vlg. Dis pater 135. Dodöna 12, 18, Doris, echtgenoot van Nereus, 94. Droomen 142. Dryades 112. Dry as 104. Dry ops 110. Echidna 109,188. Echo 49, 112. Egerïa 72,99. Egesta 244. Eileithyia 86. Eirêne ( - Irene) 74. Elektra, dochter van Atlas 95, 226. Elektra, dochter van Agamemnon 241. Elektryon 180, 185. Eleusinia 128. Eleusis 127. Elysium 136. |
Register.
25 1
|
K math ion 192. Empfisa 140. Endcis 157, 231. Endymïon 42, 81. Enkelados 15. Envalïos, Enyo 45. Eos 12,81, vlg. 204,23s. Epaphos 174. Epcios 239. Ephialies 15. Epidauros 84. Epigonen 225. Epimctheus 149. Epopeus 160. Erato 71, vlg. Erechtheion 27, 203. Erechtheus 83, 203. I-\'.rgïnos 187. Erichthonïos 101. Erinyes 33, 137, 224. Eriphvle 225. Kris 235. Eros 9, 45,49,67, vlg. Krymanthische z\\vijnl88. Erysichthon 128. Eteokles 224. Euhemëros 6. Eumenïdes, zie Erinyen. Eumolpos 128. Eunomia 74. Euphrosyne 73. Europa 157, 211. Euros 81. Eurvale 178. Eurybïa 12. Eurydïke 24S. Eurynöme 20, 58, 73. Eurystheus 180, 230 Eurythïon 152, 231. F.urytheia 190. Eur vlos 193, 1(.)7. Euterpe 71, vlg. Eutychides 88. Farnesische stier 1(51. Fasti 4. Fatiius 87, 120. Fauna 119. Faunaha 120. Faunus 119. Favonïus, zie Zephyros. Felicïtas 88. |
Flamen 43. Flora 123. Fontus 65, 98. Fortüna, zie Tyche. Furiën, zie Erinyes. Gaea 11, vlg. 75, 100, 139, 203. Ganymëdes 78, vlg. 227. Gehlnor 174. Genii 88. Geryones 17^, 190. Giganten 15. Gigantomachia 15, vlg. , Glaukos Pontios 96. Glaukos, zoon van Minos 211, vlg. Glaukos, zoon van Si- syphos 1(58. Gorgoneion, zie Aegis. Gorgonenkop 17, 177. 180. Gradivus 44. Graiën 12, 95, 177. Gratiën, zie Chariten. Gyges 12. Hades 13,126, 133,vlg. Haemon 225. 11 amadryaden 112. Harmoma 43, 158,225. Marpyicn 12, 95, 219. Hebe 78, vlg. Llekabe Hecuba) 227, 240. Fiekate 16, 140. Hektor 237. Helena 49, 182, 208, 231, 235, 242. Helikon 71. Helios 12,40, 79, vlg. 90, 211. 230. Helle 217. Hephaestos 20, 43, 40, 58. Hera 13, 20, 23, vlg. 40, 49, (54, 75,\'103. Htriikles 59, 67,78,90, 184, vlg.20S,219, 232. Hermes 33, 48,53,06, 116,134,173,203,218. I lerophile 34. |
Herse 204. Hesiöne 90, 190, 104, 232. 11 esperiden 80, 95,1(.) 1 Hesperos 83. IIestia 13, 61, 143. 11 imeros 49, 67. llippïos, zie Poseidon, llippodamla (eia) 152, 228. Hippokoon 182, 105. Hippolyte 190, 20s. I lippolytos 41, 49, 20v\'. Horen 20, 49, 74, vlg. Hyaden 83. Hyakinthos 33. Hydra 187. Hygieia 86. II ylas 219. Hyleus 215. Hyllos 196. Ilymenaeos (Hymen)49, 67, 70. Hyperion 12, 80, 81. I lypermnestra 17 5. Hypnos 141. lapdtos 12, 149. lason 215, 218. Ichthyokentauren 93. Idas 183, 214. Idomeneus 212, 242. I kanos 181, 234. 1karos 212. Iktïnos 154. Ilias 3, 235. Hos 227. Inachos 173, vlg. Incubatio S4. Incubus 120. Ino Leukothea 82. 9(5, 158, 217. Inüus 119. lo 173, vlg. lobates 169. lokaste 223. lolaos 1S8, 191, 215. löle 197. Ion 204. Iphianassa 176. Iphigenia (eia) 40,230. I pin kies 18(3, 215. |
Register.
252
|
Iphïtos 193, 210. Iris 12, 78, 95. Isis 101, 174. Ismenisch Orakel 34. Isthmische spelen 97. Itylos (Itys) 167. l\\ïon 137. J anus 2,40,04,99,121. Juno, zie IT era. lupïter, zie Zeus. Juventas 78- Kabiren 60. Kadmos 20,43,97,103, 157, vlg. 167,217. Kaeneus 1\')2. Kalaïs 83, 95, 204. Kalchas 236. Ivalliope 71, vlg. ivallirrhoë 190. Kallisto 40, S3. Kalydonische jacht 1(S2, 914 Kalypso 55. Kanachos 35. Kapys 227-Karpo 75. Kassandra 235, 241. Kastalia 71. Kastor 157. 182. 214. Katreus 21 1-Kekrops 202. Keleos 127. Kentauren 152. Kentaurenstrijd 153. Kephalos 204. Kepheus 91, 178, 195. Kephisodötos 7quot;». Kephisos 112. Kerberos 136, 192. Keren 141. Kerk» I pes 194. Kerk yon 92, 206. Keiynitische hinde 189. Keto 12. 95, 177. Keyx 196. Kirke of Circe 80. Klaros, Orakel 33, 247. K konirnes 52. Kleopatra 215. Klio 7i, vl \'. |
Klotho 87. Klymone 80, 149. Klvtaemnestra 138,182. 230,241. Knidos .rgt;0. Kofos 11. K oka los 212. Kokytos 136. Kolchis 80,218. Kolónis 236. Kolönos 139,224. Kolossus v. Rhodus 81. Kolossus van Monte Cavallo 184. Kora 120. Korybanten 1()2. Korynctes 205. K ottos 12. Kranaos 203. K rei os 12. Kreon 18(5, 222, 225. K res ilas 172. Kreta 13,19. 105, 167, 189. Kretheus 218. Krefisa, vrouw van la- son 222. Kreugt;a, vrouw van Aeneas 243. Kronos 12. 61, 156-Kurcten 13, 102, 215. Kybele, zie Rheia Kychreus 232. Kyklopcs •.), 60, 175. Kyknos 196, 236. Kyi lone 53. Kynosarges 198. Kynthos 34. 48. Labdakiden 222. Labdakos 167, 222. Labyrinthos 105, 207. I.achcsis 87. Ladon 191. Laertes 234. Laïos 167, 222. Lampos 82-Laodamas 226. Laökoon 239, vlg. Laomëdon 90, 190, 194. 227. Lapithen 152, 196. |
Laren 65, 144. Larven 144-Lat in us 244. Latmos 81. Lavinïa 244. Learchos 97. 217. Leda 182. Lemuralïa 145. !,em rires 144. Lenaea 106. Leo chares 79. Lernaeïsche hydra 187. Leto (Latona) 12. 20, 39, 163. Leukippïden 1^2. Leukippos 1S2. Leukothea, zie Ino. Liber, zie Dionvsos. Libera 133. Liberalia quot;108. Libitina 49. Libon 19, 154. Libya 174. Lichas 197. Linos 33. 186, 248-Luna, zie Selene. Lupercalia 120. Lupercus 119. Lyaeos 10quot;gt;. Lykaios 19 Lykomcdes 209. 233. Lykos 160, vlg. 205. Lyknrgos 194. Lynkeus 12^. 17quot;gt;, Isquot;J. 214. Lysikrates 105. Lysippos 45, 200. Machaon 239. Magna mater 101. Maia 20, 53, 55. Manes 144, vlg. Manto 220,247. Marathonische stier 189, 206. Mars, zie Ares. Marsyas 38. 115. Mater inatiita ^2. Matronalïa 24. Medêa 206. vlg. 220. Medusa \'169, 17«. Megaera 137. |
Register.
|
Megapcnthes 180. Megara 187. Melampus 170 225,247 Meleagros 157,214,219, Melikertes 97, 217. Melos 42, 49. Melpomene 71^ vlg. Memnon 82, 238. Menelaos 05, 231, 240. Menestheus 209. Menoetïos 149. Mercurius, zie Hermes. Meröpe 168, 223. Metamorphoses 11. Metis 19. Metion 205, 212. Metiomden 205. Metöpen 158. Metus. zie Phobos. Midas\' llf). Milêtos 33, 35. Minerva, zie Pallas. Minos 136, 20f), 210. Minotauros 20G. Min vers 19. Mnemosyne 12, 20, 71. Moiren 20, 87. Moliomden 195. Molyris 97. Mopsos 248. Morpheus 142. Mosychlos 59. Mulcïber,zie I lephaestosJ MurcVa 49. Muzen 20, 39, 71, 75. Mvkr-nae 230. Myron 116, 200. Myrtilos 228. Mysteriën 127. JSTa iaden 112. Xarkissos 49, 112. Xaxos 105. Xektar 8. Xeilos (Xilus) 174. Xeleu\'s 195, 238. Xemrsis 87, 137. Xemeïsche leeuw 1S7. Xeoptolomos 239, vlg. X\'ephrle 217. Xeptnnus, zie Poseidon. Xercïden 94, 1 12, 178. Xereus 12. Xerio 45. . Xessos 196. . Nestor 152, 157, 195, 233. Xike 75. Xiube 1(;3. Xisos 205, vlg. Xotos 81. X\'uina 43, 123, vlg. Xvkteus 160. Xymphen 13, 110, vlg. Xysa 103. October 45. Odyssee 3, 242. Odysseus 91, 234. : Oedipus 139, 223, vlg. , Oeneus 196, 215,234. Oenomaos 228. j Oïkles 194. Oïleus 233. Okeaniden 12, 98. vlg. 112. Okeanos 11, 58, 80. Olympïa 19, 57, 77, 155, 229. Olvmpische spelen 21, 184, 195. Olympos 14, vlg 59, 71. Omphale 194. Omphalos 39. Onderwereld, zie Tarta- ros. Ops 121. Oreaden 112. Oreithyïa 83, 204. Orestes 33, 10, 13^, 241. Orion 82. Orkos 141. Orpheus 33. Oscho ph o rïën 207. Ossa 15. Othrvs 14. Pacan 3-Paeonïos Pagan al ia lol. Palaemon 97. PalamOdes 236. Pales 124. 220. |
Palladïon 28, 227, 234, 239. Pallas, zoon van Pan- dïon 206. Pallas Athena 20,24, vlg. 43,40,75,177,203,242. Pallor, zie Deimos. Pan 103, 116, vlg. Panathenaea 28, 208. Pandarëos 167. Pandion 204. Pandora 150. Pandrösos 203. Panisken 118. Parcen, zie Moiren. Paris en oordeel van Paris 49, 235. Parnassos 71. Parthenon 27, 78, 153, 210. Pasiphrië 211. Pasquino 243. Patröklos 237. Pegasos 169, 178. Peirithöos 152, 208,214. Peleus 49, 94, 157, 215. 219, 231. Pelïas 168, 221. Pelïon 15. Pel ops 163, 227, vlg. Penaten 63, 65, 142, vlg. Penelope, nimf 116. Penelope, vrouw van ()dysseus 227, 234. Pen th es i 1 ea(ei a)l 70,237. Pentheus 104. Pergamos 16, 101. Pergamenische ruïnen 82. 201, vlg Pcriboea. dochter van lobates. 175. Periboea, dochter van Alkathöos 232. Periklymt-nos 195, 219. Periphêtes 205. Perse 80. Perseis 211. Persepliöne98.126, 131. 208, vlg. Perseus, Titan, 140. Perseus, halfgod 91. 160, 176. vlg. |
|
254 Phaedra 40, 208. Phaüthon SO, 82. l\'hidïas 19,29,172,1-^4, 229. I\'hiloktclcs 197, 231). Philomela 204. Phil via 1 •quot;gt;lt;). i\'hineus 05, 179,219. Phlegraeïsche velden 15. Phobos 48, 4quot;gt;. Phoebe 12. Plioenix 211. 23o. Pholos Phorkys 12, 91. 9\'quot;gt;, 177. Phosphoros ^2. Phrixos 217. Phvleus 19\'). Pit\'rie 53, 71. Pittheus 205. Pityokamptes 205. Pleiaden So. Pleisthenes 23\'\'. Plexippos 215. Plutfus i:u. Pluton, zie Hades. Plutos 7quot;). Podarkes 194. I\'oeas 197. I\'olyhos v. Korinthe22B. Polybos v. Sikyon 224. Polychrömos 21. l\'olydektes, zie Hades. Polydektes, koning 177. Pi»lvdeiikegt;( Pollux \'157. 1*2. 219. Polydoros I\'iO, 1()7. Pulyhymnïa 71 vlg Polyidos 212. Polykaste 182. PolyWêtos 24, 172. 1\'olyneikes (nikes^ 224. Polyphömos 91. Polyxena 240. Pomona 123. Pontos 11, vlg. 94. Poqihvnon 15. Poseidon 13, 27, 32, 59, lt;»2, 89, vlg. 174,178, 20s, 242. Potbos 49. Praxiteles 35. 49.57, 73, 109, iigt;4. |
Register. Priamos 49, 195, 227. Priapo? 121. Proetiden 175 vlg. Proelos 169, 175, vlg. Prokris 204. Prokne 204. Prokrustes 92, 206. Prometheus 140, 157, 192. Proserpina, zie Perser- phone Protesilaos 236. Proteus 95. Psamathe 9f). Psyche (58. vlg. Pyanepsia 207, 209. Pylades 241. Pylas 205. Pyriphlegethon 13(). Pyrrha 151. Pythïa 34. Python 13, 32. Quinquiitrus 21. Quirinalia 45. Quinnus 66. Rhadamanthys 1 .quot;gt;lt;), 211. Kheia (Rhea\'i 12,vlg. 20, 61, 101. Rhode 93. Romulus 44, 144. Salacia 93. Salii 43. Salmoneus 21s. Sal us S»). Sandon 194. Sarpëdon 211. Saturnalia 122. Saturnus 14. 20, 121. Satyr 103, 113. Selëne 12, 40, S1. Sell en IS Semele 97, lo3, 158. Si by lie 33, 244. Silënos 103, 115. Silvan us 110. Simoïs 226. Sinis 2o5. Sinon 239. Sipylos VVA. |
I Sirenen 97, vlg. Sirios 83. Sisyphos i)7. 157, 167 vlg. Skamander 226, Skiron 201), Skopas 35, 45, 63. 78, 109, 164, 217. Skotos 139. Skylla 206). Sol, zie Helios. Sparten 15S. Sphinx 223. vlg. Steröpes 12. Stheino 17 s. Stheneboea 175. Sthenelos 1S6, 280. Sirenia S(). Strigae S6. Strophios 241. Stymphaliden 1S9, St\'vx 136, 233. Syleus 194. Symplegaden 211). Syrinx 117. Talos, de ijzeren 212. Talos, neef van Daeda los 212. Tantalos 137. 163,227. Tartaros 19, 15, 136. Teiresias (Tir.) 226, 217. Telamon 104, 219, 231. Teleboï 186. Telegonos 243. Telemachos 242. Telephassa 157. Telephos 195. Tellus, zie (iaea. Terminus 124. Terpsichore 71. vlg. Tethys 98. Teukros, koning v. Troje 226. Teukros, zoon van Telamon 194,233,242. Tenth ras léf). Thalia, Muse 71 vlg. Thalia, Gratie 71. Thallo 75. Thanatos 141. Thaumas 12, 95. |
Register,
|
Thebaïs quot;gt;. Theia 12, 80. Themis 12, 20, 67, 74, vlg. Theogonïa 3. Thersandros 22(5. Theseion 153^04.209. Theseus 34, 01, 105, 152, 204, 219. Thesraophoriün 128. Thesprotos 230. Thestios 182, 215. Thetis 12, 40, 58, 94, 232. Thoosa 01. Thorwaldsen 09, 79, 173, 247. Thrinakrïa SO. \'J\'hyestes 230. |
: Tiberinus 65, 00. Tisiphone 137. Tit men 11, 80, 11*. Tithönos 82, 102. Tityos 32, 137. Toxeus 215. Triptolcmos 12s, 131. Triton 93. Troïlos 236. I Tros 227. Toren der Winden 84. Turn us 244. Tyche 83. Tydeus 234. Tv n dare o s 1*1, 195, 231. Typhöeus 14. Typhon 100, 187. Tyro 21s. |
Urania 41, vlg. 71. Uranos 11, 75, 139. Venus, zie Aphrodite. Vertumnus 123. Vesta, zie Hestia. Vestaalsche maagden 60. Victoria, zie Nike. Vulcanus, zie llcphae-stos. Zephvros 33, 81, S4. Zetes 83, 95, 204. Zethos 158, 160. Zeus II), vlg. lt;»lt;). Zeuxis 201. Zeuxippe 204. |
CHRONOLOGISCH OVERZICHT
VAX DK CXNTWIKKEUNG DER KUNSTEN BIJ DE GRIEKEN EN ROMEINEN, IN VERBAND MET DEN GODSDIENST.
EERSTE PERIODE.
\' Ü1\' \'l\'\'1quot; Iieroön tot de J)orisehe volksverluilzin^ (1104).
De Phoeniciërs brachten de voortbrengselen van Aegyptische en Assyrische kunst aan de Grieken over. Het schijnt dat Cyprus het belangrijkste punt van verkeer tusschen Griekenland en Azië was.
In de oudste vorstelijke paleizen, waarvan men kennis draagt, bevatte de middelste ruimte, door zuilen omgeven, het altaar van Z e u s De woon- en andere vertrekken lagen daarom heen.
Aan den berg Sipylos bij Magnesia zag men de tranen stortende Niobe in driemaal de natuurlijke grootte en ruwe, nauwelijks herkenbare lijnen.
1
b ■ I
I IOC.
IOOO.
Bij Homerus is sprake van houten en steenen godenbeelden.
TWEEDE PERIODE.
Aan 1104 lol hel einde der l\'er/isclie oorlogen (4(gt;!().
Plan van de Grieksche tempels. De tempel is een langwerpig vierkant, half zoo breed als lang en op een hoogte gebouwd ; men berei te hem dus langs trappen. De muren hebben bijna nooit vensters en zijn door zuilen omgeven, die op gelijken afstand van elkaar zijn geplaatst. De schachten der zuilen zijn altijd rond, zwellen van onder naar het midden op (entasis), om van daar naar het kapiteel toe weer dunner te
worden, en hebben altijd groeven (canneluren). Op de balken, door de kolommen gedragen, rusten de dakbalken. Het dak loopt aan de lange zijden schuins op en vormt aan de smalle kanten een vlakken gevel.
Als de rij kolommen alleen aan den oostelijken smallen kant staat, dan is de tempel een prostylos ; zijn de kolommen aan de beide smalle zijden aangebracht, dan spreekt men van een am phi pro stylos ; zijn de vier zijden met kolommen omgeven, dan is de tempel een peripteros; en zijn de kolommen voor de helft of een derde in den muur gevat, dan is hij een pseudoperipteros. Twee volledige zuilengangen om den tempel maken dezen tot een dipteros ; ingeval de binnenste rij kolommen ontbreekt, heet hij pseudodipteros. Bij kleine tempels zijn soms tusschen de vooruitspringende deelen der zijmuren zuilen geplaatst: zulke tempels heeten antentempels. Bij zeer groote gebouwen zijn soms twee rijen kolommen door de geheele lengte van het schip heen geplaatst, waarop zich een galerij verheft van een tweede rij zuilen, die het dak dragen. De middenste ruimte bleef dan ongedekt en maakte den tempel tot een hypaethraaltempel. Uit den voorhof of pronaos kwam men door een deur in het voornaamste deel van den tempel, naos, (cella), waarin het beeld der godheid stond; daarachter was de opisthodomos, (achterhuis), door muren gesloten of door zuilen aan de buitenzijde open.
Vóór de zevende eeuw kent men vijf typen van tempelbouw. iu Den metalen tempel, b. v. van Apollon in Delphi, van Athena Chalkioekos in Sparta, de schatkamer van Myron. vorst van Sikyon. 2° Van hout, b. v. in Metapontum, den Sekos van Poseidon Hippios bij Mantinea, door Hadrianus in een marmeren gevat. 3° Gemengde stijl, hout van boven en het overige van steen, b. v. van Zeus te Nemea of van Zeus Larissaeus te Ko-rinthe. 4quot; Grottentype, b. v. van Apollon op den Cynthoste Delos. 50 Den steenen vierkanten, b. v. op den berg Ocha te Euboea.
Dorische en Ionische stijl. De Dorische zuil, onder Aegyptischen invloed ontstaan, heeft geen basement. Het Ionische basement heeft in den eenvoudigsten toestand een holkeel met daarop liggend kussen, maar gewoonlijk bestaat het uit twee zware, ronde banden of kussens (tori), afgescheiden door een holle lijst en rustende op een plint. Door kleine wijziging wordt het basement in een Ionisch en Attisch verdeeld.
De schacht der Dorische kolom heeft sterke entasis in het profiel, en twintig (soms zestien) lichte canneluren ; de Ionische heeft vierentwintig diepe canneluren en zwakke entasis ; de canneluren zijn daarbij boven en beneden rond afgesloten en door een smallen band van elkaar gescheiden.
17
258
Bij het Dorische kapiteel ligt een gedrukt kwartrond onder de vierhoekige dekplaat, die op een door ringen, gewoonlijk een hollijst met insnijdingen, omsloten hals rust. Het Ionische kapiteel btstaat uit een dekplaat met bladwerk versierd, waaronder een tweede, aan beide zijden spiraalvormig samengerold. waar zich zoogenaamde voluten of wrongen vormen, die zich bevallig aan den hals aansluiten. De vlakke zijde der voluten is gecanneleerd. De hals der kolom bestaat uit een eier-lijst (echinus) op een kwartrond, en daaronder loopt een smalle parellijst. Bij rijkere versiering van het Ionisch kapiteel bestaat de dekplaat uit twee in elkaar liggende gecanneleerde wrongen, en onder den hals is dan een met bladwerk versierde rand, die door een smal parelsnoer aan de schacht verbonden is.
De dekplaten (abaci) der zuilen dragen gezamenlijk de balken, of liever de door de architraaf gedragen fries, die uit triglyphen en metopen bestaat. De architraaf is bij de Dorische orde glad en rechthoekig, door vooruitstekende lijstjes van de fries gescheiden; bij de Ionische bestaat zij uit verscheidene voor elkaar uitspringende platen, door een vlakke of versierde lijst gekroond.
De fries der Dorische orde is in triglyphen verdeeld; dat zijn meer hooge dan breede vooruitspringende platen met twee loodrechte groeven ingesneden en halve groeven aan de einden. Zij dragen de kroonlijst (geison). De vierkante ruimten tusschen de triglyphen. die op gelijke afstanden van elkaar staan, metopen genaamd, deden oorspronkelijk als vensters dienst, maar waren later gesloten platen, met allerlei reliëfs voorzien Bij de Ionische orde is de fries geheel vlak of versierd met planten, ornementen, offergereedschap, opschriften enz. en heet daarom zophoros. Bij de Dorische fries zijn een triglyphe boven elke kolom en één in het midden geplaatst; de hoektriglyphen zijn aan het einde. Aan de bovenlijst dei architraaf bevindt zich onder elke triglyphe een kleine band van gelijke breedte, waarvan een rij druppelen neerhangen. Bij de Dorische orde zijn aan het ondervlak van de vooruitspringende kroonlijst, steeds boven de triglyphen en soms ook boven de metopen. de zoogenaamde kraagsteenen of mutuli aangebracht; dat zijn schuinsche platen, even breed als de triglyphen, met drie rijen knoppen, in aantal en plaatsing overeenkomende met de droppelen der architraaf. De voorzijde der kroonlijst is meest met bladwerk versierd. De gootlijsten sima) der fron tispice loopen uit in palmetten, akroteria en leeuwenkoppen. Ken akroterion bevindt zich ook op het midden van het tym panon of frontispice. Door palmetten worden ook de tegeldaken der lange zijden aan het gezicht onttrokken. Aan de voorzijde vervangen beelden, dieren, griffioenen enz. dikwijls de pal-
259
metten. — De Ionische kroonlijst is met lijstwerk en zacht oploopende profielen versierd ; de vooruitspringende plaat onder de gootlijst komt daarbij het meest uit, en onder deze zijn kleinere lijstvormen, als eier- en parellijstjes aangebracht, die den overgang vormen tot de tandlijst.
De zoldering boven de zuilengang werd in vierkante, verdiepte vakken (cassetten) ingedeeld, en versierd met rosetten, sterren enz. van steen of verguld brons op blauwen grond. Om den wand der cella loopt een fries van steenen platen, dikwijls met reliëfs versierd. De deur werd door een zeer eenvoudige architraaf omvat.
650. De kist der Kypseliden, uit Korinthe, in den tempel van H e r a te Olympia, van cederhout met beeldwerken in vijf vakken, deels in hout gesneden, deels met goud en ivoor ingelegd; de verzen daarop zijn nog boustrophedon. Daarop is o. a. een beeld van de Nacht met een zwarten en een witten knaap in de armen, den dood en den slaap voorstellende. De Kypseliden wijdden ook een beeld aan Zeus in Olympia.
Klearchos uit Rhegium vervaardigt het eerste gedreven standbeeld van Z e u s voor den burg te Sparta ; de deelen waren met nagels aan elkaar gehecht.
M e 1 a s van Chios werkt het eerst in Parisch marmer. 630. Rhoekos bouwt een tempel voor He ra op Samos
in lonischen stijl.
615. Glaukos, de uitvinder van het ijzersoldeeren, maakt
een beroemd voetstuk voor een mengvat te Delphi. 605. Het Heraeon te Olympia, in Dorischen stijl gebouwd, een peripteros van zes zuilen ; het huis zelf was een an-tenternpel met portaal en opisthodomos; een der twee zuilen in laatstgenoemd gedeelte was van hout.
Tempel te Korinthe in Dorischen stijl, waarvan nog zeven zuilen en een stuk der architraaf over zijn; de zuilen zijn raonolithen (één steen).
In Dorischen stijl is ook de tempel te A s s o s, met granieten reliëfs ; aan de architraven waren figuren van dieren, waarbij, sommigen althans, met elkaar vechten. Een reliëf stelt H e r a k 1 e s voor, die een in een visch uitloopenden daemon aanvalt. De figuren strekken zich, wat ook bij oude Etrurische en Romeinsche reliëfs voorkomt, over de geheele breedte der platen uit.
600. Op Sicilië had men een Dorischen tempel met zeer ruime zuilengang, lange, smalle cella, portaal en posticum.
T heodoros van Samos vindt het bronsgieten uit. Men schrijft hem den ring van Polykrates toe en zijn eigen beeld in brons, met een vijl in de rechter . en
26o
een vierspan, door een vlieg bedekt, in de linkerhand. Tempel van Ze us in Selinus.
R h o e k o s giet een beeld van de Nacht in brons. 500. Nieuwe tempel voor Artemis in Ephesos, waaivan Chersiphron het ontwerp had gemaakt, K r o e s o s den bouw steunde, M etagenes de architraaf had gelegd, P a e o n i o s het werk voltooid had. De tempel stond op een hoogte van tien treden, de zuilen waren
van wit marmer.
D i p o e n o s en S k y 11 i s van Kreta bewerken erts
en marmer.
De gewelfde bouwstijl der Etruriers is nog kenbaar in steenen torens met grafkamers op Sardinië (Nuraghen).
-80. Metopen van den oudsten tempel te Selinus (th. Palermo),
voorstellende hoe Perseus Medusa doodt in het bijzijn van Athena. H e r a k 1 e s draagt twee Kerkopen weg. De Medusa is zeer leelijk, de andere figuren zijn grof van lijnen en gedrongen, hebben groote oogen. breed voorhoofd, grooten neus, het bovenlijf inhetfiont en de beenen in profiel.
K1 e a n t h e s van Korinthe teekende voor het eerst
schaduwbeelden.
570. Tempels te Phokaea en te Kolophon. — le Athene een tempel voor Z e u s, Dorische dipteros, onder P i s i s 11 a-tos begonnen, onder de Romeinsche Keizers \\oltooici. 550. Troon van A pol Ion te Amyklae, door Bath ykl es van Magnesia gebouwd. Aridikesen lelephanes verbeteren het lijnteekenen.
In i860 vond men in Sparta een vierkante, drievoet
hooge pilaar; daarbij bevond zich op de smalle zijden een
opwaarts gerichte slang, op de breede zijden een vrouw, die door een man met een zwaard, aan den anderen kant met een sikkelvormig wapen in de hand, aangevallen wordt.
548. Tempel te Delphi, in Dorischen stijl, door Spintharos gebouwd.
Tempel vnn Athena Chalkioekos te Spaita en van Kybebe in Sardes. De eerste is misschien ouder. 530. E k p h a n t o s vindt de schilderkunst met ééne kleur uit; (door middel van gestampte tegels).
Reliëf van Samothrake, voorstellende Agamemnon en zijne herauten. Hel lichaam van den koning, die op een stoel zit, is glad en vlak ; de figuren zijn slanker dan in de metopen van Selinus; de baard is puntig.
Vele werken der Etrurische beeldhouwkunst zijn van
201
gebrande kleiaarde, zooals allerlei vazen, urnen, tempelversiersels, zelfs godenbeelden. De stijl is ruw en plomp en de gestalten zijn grof van behandeling, vooral in de reliëfs op de vazen van ongebrande zwarte aarde. De Etruriërs vervielen licht tot uitersten in hunne voorstellingen van strengheid of teederheid. In de kunst van brons te gieten hebben zij het zeer ver gebracht.
Marmeren beelden van zittende mannen en vrouwen waren opgesteld tusschen de haven en de stad Miletos.
Kleine beelden van Aphrodite uit Cyprus, met een bloem in de eene hand, en met de andere haar kleed opnemend ; de gelaatstrekken zijn Aziatisch.
A p o 1 1 o n te Thera van marmer, naakt, met neerhangende armen, in stokstijve houding, (misschien van 560). 520. Eu mar os onderscheidt door lichtere kleur de vrouwenvan de mannenbeelden.
A p o 11 o n van Tenea bij Korinthe, slank van lichaam, met een flauwen glimlach, de beide voeten plat op den grond.
Beelden van Cyprus, op die van A p ol lo n van Tenea gelijkende; eenige met een Aegyptisch voorschot, andere met lauwerkransen; een Torso te Berlijn, dat in de kleeding Aegyptische en Assyrische vormen verraadt, heeft een medusakop.
Plan van de Etrurische tempels. De breedte staat tot de diepte als vijf tot zes, en het gebouw is in twee helften verdeeld. Het voorste of anticum bevat de voorzaal, met rijen van vier zuilen elk, in Dorischen stijl, maar met een basis ; de hoogte der zuilen is een derde van de breedte van het gebouw; de afstand tusschen de middenste zuilen was grooter dan tusschen de overige. Het posticum of de achterste helft bevatte drie cellen naast elkaar, elk van een deur voorzien, waarvan de middenste de breedste is. In elke cella is een godenbeeld. Soms zijn de twee zijcellen door zuilenrijen vervangen. De balken zijn van hout, de dwarsbalken steken ver over de architraaf uit en dragen het voordak; de gevel, steiler dan bij de Grieken, is met beeldwerk van gebrande klei versierd.
Griekenland (met de koloniën).
S/ijl van de beelden tot omstreeks 500.
De lichaamsvormen zijn gespierd, gewrichten en spieren komen flink uit, de proportiën zijn kort en gedrongen. Eigenaardig is de daarmee gepaard gaande versiering; de kleeding
202
is eenvoudig en met regelmatige plooien, de haren zijn sierlijk gevlochten of vallen in lokken neer; de hand is bij het vasthouden van een scepter, van vruchten, of bij het opnemen van het kleed, fraai gevormd; de personen loopen dikwijls op de punt van den voet. Het hoofd ligt achterwaarts, de neus is spits, de mond glimlacht, de oogen zijn vlak, evenzoo de wangen, de kin is dik, de ooren zitten hoog.
In den tijd vóór de Perzische oorlogen en lang daarna had men houten beelden, met ivoor en goud bedekt, die daarnaar chryselephantine beelden genoemd worden.
Groot-Griekenland.
De oudste voorbeelden van beschilderde vazen zijn vaatwerk met dieren en andere ornamenten beschilderd. Deze
vazen zijn rondom met lijnen opgesmukt, enkele malen zijn ook
goden- en daemonenbeelden er aan toegevoegd. De jongere Corinthische vazen ontkenen hunne onderwerpen aan de Griek-sche heldensagen ; de beelden zijn donkerzwart op gelen grond, evenals bij de oudste vazen. De teekening komt overeen met die op de reliefs; de naakte deelen zijn grof. de kleederen zijn zeer kunstmatig geplooid en de kop heeft een uitdrukking van stijfheid ; evenals bij reliëfs waren eenige naakte lichaams-deelen bont geverfd.
510. Uit den Ar- Van Etrurischen oorsprong bestaan nog chaistischen tijd de beeldwerken Chimaera (in Ho zijn geen werken rence). de Wolvin (Capitool te Rome), meer over; maar de Redenaar (Florence), M ars van in denzelfden geest Todi (Vaticaan), de Knaap met de bearbeid zijn Pal- gans (Leiden). De dieren zijn breed en las (een torso) in ferm van opvatting; de menschen droog Dresden; de klee- en doodsch opgevat, maar nauwkeurig ding is nauw aan- van bewerking. Kr zijn ook nog vele klei-gesloten en regel- nere beelden. Zeer schoon zijn de hei-matig geplooid, op men. schilden, pantsers, vazen, sierkast-den breeden rand jes en vooral de vele fraai gegraveerde van voren zijn elf spiegels. Gewoonlijk zijn goden- en heikleine goed getee- denmythen, soms tooneelen uit het da-kende reliefs\'. Ver- gelijksch leven genomen, en met veel der worden er toe aantrekkelijkheid uitgevoerd, vooral on-gebracht de P a 1- der den invloed der Grieksche kunst. 1 a s uit Hercula-
num en een A r te- De schilderkunst versierde de wanden m i s uit Pompeji. der grafkamers met schetsteekeningen Ook het Altaar der in lichte kleuren, uit het dagelijksch le-twaalf goden (te ven of uit het leven na den dood. De
Parijs) en een marmeren voetstuk van een drievoet uit Delphi, voorstellende den roof en het herstel daarvan door H e r a k 1 es.
500. De groepen in den gevel van den tempel van Pallas op A e g i n a (zie blz. 247 ). De westelijke groep stelt den strijd voor om het lijk van Patroklos. Athena staat in haar volle wapenrusting in het midden, maar neemt geen deel aan den strijd. Hare kleeding is symmetrisch geplooid en haar mantel valt in scherpe plooien neer. Rechts van haar ligt Patroklos, om wiens lijk de partijen strijden. Eén beeld is verloren gegaan. Van de oostelijke groep zijn slechts vijf beelden behouden: zij stelde den strijd van He-rakles en Tclamon tegen Laome-don van Troje voor om den gesneuvelden Oikles. De gestalten zijn schoon en natuurlijk, de bewegingen krachtig en levendig, spieren en pezen met zorg bestudeerd, maar de kop wat te groot, de kin vooruitstekend, de neus kort en dicht aan den mond. de oogen dwars, en allen vertoonen nog den stijven onbeteekenenden glimlach.
500— 450. KallonenOnatas, beeldhouwers in Aegina. Van Onatas kent men de D e m e t e r Melaina te Phigalia e. a.
497. A g e 1 a d a s in Argos, leermeester van P o 1 y k 1 e t o s , Myron en Phidias, beroemd door zijn bronzen beeldwerken in Olympia.
Hypaethraaltempel van Poseidon in P a e s t u m, waarvan nog de zuilen en de trappen, die naar
figuren zijn door groene takken gescheiden. Men heeft zulke schilderingen in Tarquinii, Veii en Chiusi gevonden.
Veel naam heeft een sier-kastje van N 0 v i u s P1 a u-t u s, bekend als de Fico-ronische kist (te Rome), met voorstellingen uit de Ar-gonautensage.
De bewerking van steen is in den oudsten tijd ruw en lomp, de voeten staan in profiel, het bovenlijf in front. Van lateren tijd zijn de albasten aschkisten (in het museum te Volaterrae), waarvan het deksel het beeld der overledenen bevat : de hoogrelicfs op de zijden bevatten voorstellingen uit het leven na den dood of uit de Grieksche mythen. Ue figuren staan dikwerf in twee rijen achter elkaar. De kunstwaarde is geiing.
Canopen zijn aschurnen met het hoofd of de buste des overledenen als deksel; soms hebben zij armen.
R o m e
lïronzen beelden worden voor verdienstelijke mannen op het Forum opgericht.
Grieksche kunst in Rome. De tempel van Ceres bij den Circus Maximus in Etrurischen stijl met beeldhouw- en
264
|
boven voeren, over zijn. Kimon van Ivleonae ontwikkelde in zijn figuren meer beweging en gaf aan de kleeding meer natuurlijkheid. 493. Hegias (of Hegesias) en R r i t i o s in Athene. A g e 1 a d a s vervaardigde een groep van Harmodios en Aristogiton. 486. A r i s t o k 1 e s te Sikyon en zijn meer bekende broeder K a n a c h o s, bekend om zijn kolossaal beeld van A p o 11 o n te Miletus. Wellicht is ook een kop van A p o 11 o n in het Britsch Museum van hem. 480. Reliëf van de Villa Albani, voorstellende de opvoeding van Dionysos door L e u k o t h e a ; of misschien is het een grafreliëf met een beeld van de overledene en hare familie. Te Agrigentum een tempel van C 0 n-cordia; later een christenkerk. 470. Pythagoras uit Rhegium vervaardigde vooral beelden van overwinnaars in de kampspelen en van de mannelijke goden. Hij maakte zich los van de overgeleverde kunstvormen en bereikte groote natuurlijkheid en harmonie in de deelen. De hinkende P o 1 y-p h e m o s en misschien ook de stervende A m a z o n e te Weenen zijn van hem. Op een grafmonument van X a n t h o s in Lycië heeft men twaalf reliëfs van voorstellingen der Harpyien en van offerceremoniën. M y r o n vervaardigde beelden van goden, helden e 1 dieren. Van zijn werken zijn beroemd de Diskoswerper, de Satyr en de Koe; bijna allen in Aeginetisch brons en /.00 natuurlijk mogelijk. Reliëfbeeld van A r i s t i o n door A r i s t o k 1 e s, in rustige houding en beslisten stap, zorgvuldig bewerkt. R a 1 a m i s was een veelzijdig kunstenaar. maakte beelden van dieren, vooral paarden, gereedschappen, vrouwen, goden enz. Hij gaf het eerst uitdrukking aan schilderwerk versierd, doorSp. Gas sius ingewijd. |
Sp. C a s s i u s liet zijn eigen beeld op het Forum oprichten. Rort daarna werd uit de verbeurd verklaarde goederen van C a s-s i u s het eerste bronzen godenbeeld opgericht, en wel voor Ceres. De Romeinsche tempels hebben geen geheel vast plan; slechts enkele dingen staan bij allen vast: bijv. geen peripteros. maar aan de voorzijde een porticus, die op een zuilenrij staat van twee of drie zuilen diepte. De trap is slechts aan de voorzijde tusschen de verlengde zijmuren ingesloten, Gewoonlijk is er slechts één cella. Er waren ook wel pseudoperipte-ri; en v :oral voor V e s t a zijn koepeltempels door een zuilengaanderij omgeven te Rome en te Tivoli. Onder die zonder zuilen is het Pantheon merkwaardig. |
265
het gemoed. De Ramdragende Hermes en de Treurende Penelope zijn van hem beroemd.
Te Agrigentum was een tempel van H e r a en een van Z e u s, een pseudoperipteros ; aan de binnenzijden des tempels rustte het dak op Atlanten, die door pilasters werden gedragen.
De tempel van Theseus was in Dorischen stijl onder K i m o n aangelegd en een peripteros ; later werd hij kerk van St. George en bleef daardoor behouden.
DERDE PERIODE.
(4(!!)-42:{).
In de eerste helft dezer periode heerscht de verheven stijl; de kunstenaars verheffen zich in hunne werken tot majesteit en bevalligheid. Onder de handen van Phidias en Polykletos kreeg de kunst een nationaal karakter en heerschie geheele afwezigheid van het hartstochtelijke. S k o-pas, Praxiteles en Lysippos bereikten het ideale in de kunst, door bevalligheid met verhevenheid te verbinden en elk individueel karakter tot zijn recht te laten komen; bovendien kreeg de kunst een meer algemeen menschelijke richting. Het meer hartstochtelijke trad later op den voorgrond, zonder echter nog het effect te bejagen, dat aan volgende perioden eigen is. — De bouwkunst bereikte haar toppunt in deze periode, in Griekenland in Dorischen. in Klein-Azië in lonischen stijl. In Athene en de Peloponnesus koos men de Attische basis. — De schilderkunst sloot zich nauw aan bij de beeldhouwkunst. De kunstenaars hielden de verschillende beelden op afstand van elkaar, om de trekken niet in elkaar te laten loopen. Zij gaven aan hunne schilderijen veel licht en vermeden sterke afkortingen.
468. Het reliëf van E 1 e u s i s, voorstellende hoe D e m e t e r en hare dochter een jongeling de wijding toedienen (blz. 130).
De gevelgroepen in den tempel van Theseus in Athene zijn verloren, de achttien metopen, de fries van den Pro-naos en den Opisthodomos meestal behouden. Zij stellen de daden van H e r a-k 1 e s en Theseus voor.
Tempel van de ongevleugelde Nike,
rechts aan den ingang tot de propy-laeën ; Ionisch, amphiprostylos.
266
School V;
Athene.
|
463. Phidias (500 — 432), leerling van H e g i a s en A g e 1 a d a s, de meester van den verheven stijl. Zijne hoofdwerken zijn van Athena in goud Plataeae, het metalen Athena P r o m a c h Akropolis, met het voetstuk 70\' hoog, dat bij zijn dood nog niet voltooid was, de stiijd der Centauren op het schild van Mys naar een teekening van Parrhasios, Tempel van Apollon D i d y-m a e o s bij Miletus, door P a e o-n i o s uit Ephesus en D a p h n i s uit Miletus herbouwd ; dipteros met 10 zuilen: Ionisch. 454. Het Parthenon door I k t i n o s en Kallikrates gebouwd, een prachtwerk in Dorischen stijl, hyp-aethraal, peripteros, 227\' 1. 101\' b. De cella was door twee rijen zuilen in drieën gesplitst. In den Opistho-domos werd waarschijnlijk de staatskas bewaard. Later is het een tempel voor Maria geworden en in 1687 verwoest. Tempel te Selinus, Dorische hoofdtempel ; te Agrigentum een Doiische tempel voor Z e u s O 1 y m p i o s, aan de binnenzijden droegen gigan-tenbeelden het dak. Het beeld en ivoor te beeld der op de o s Tempel te Kgesta. 444. Het beeld van Athena in het Parthenon, ook in goud en ivoor, in 438 voltooid en gewijd. De naakte deelen waren van marmer, de oogen edelgesteenten, gewaad, haar en wapenen van goud ; de hoogte bedroeg 40\'; op de rechterhand hield zij een 6\' hooge Nike met gouden krans. De helm was versierd met een sphinx en twee grijpvogels ; op de buitenzijde van het schild waren gevechten van Amazonen ; op de binnenzijde de strijd van de goden met de reuzen; aan den rand der sandalen gevechten van Centauren ; aan het voetstuk de geboorte van Pandora. (blz. 29). 436. De Propylaeën in Athene door M n e s i kl es gebouwd. |
Polygnotos, in 463 door K i m o n naar Athene geroepen, schilderde in de Poikile den strijd van Theseus tegen de Amazonen, den val vanTroje, den slag van Marathon ; verder in den tempel van Theseus, den tempel der Dioskuren en de pinakothek in de Pro-pylaeën. Zeer beroemd waren zijne schilderijen in de L e s c h e van Delphi, de inneming van Troje, U 1 y s s e s in de onderwereld, om de harmonie in de deelen, de fijnheid van teekening en de uitdrukking in de figuren. Plet waren gekleurde onitrekkenop gekleurden grond, zonder schaduw, perspectief of modelleering, in slechts vier kleuren. Apollodoros, de skiagraphos genoemd, voerde het modellee-ren der beelden door licht en schaduw in, en werkte dus op de illusie. |
267
Langs een trap kwam men op een vierkant platform, waarop zuilengaanderijen met een gevel gekroond en twee gebouwen op de vleugels, waarvan het linker een antentempel was, met drie zuilen in het front; van binnen waren zij door Pol y-g n o t o s beschilderd.
De kunst dier dagen had haar toppunt bereikt in de beeldhouwwerken van het Parthenon, die door Phidias ontworpen en onder zijn leiding uitgevoerd werden. Slechts weinige figuren aan de gevels zijn behouden gebleven : nl. op den oostkant de eerste komst van Athena in den godenraad, ten westen de wedstrijd van Athena en Poseidon om het bezit van Athene. Van de 39 Metopen in hoog reliëf zijn 17 te Londen, 1 te Parijs ; velen zijn zeer schoon, andere zwaar en stijf, en zeker door leerlingen van F h i d i a s gemaakt. De fries, 522\' lang, stelde den feestelijken optocht bij de Pana-thenaea meesterlijk voor; 400\' zijn nog over. Van hem waren het wijgeschenk der Atheners in Delphi, bestaande uit dertien bronzen beelden: het eenige historische daaronder was het standbeeld van M i 11 i a d e s, en het beroemde beeld van Z e u s, in den tempel te Olympia. De troon van den god was van ceder-
lonische school.
De gunstige kenmerken dezer school bestonden in de zachte kleuren en de volmaaktheid der modellen. Sedert dezen tijd werd gaandeweg de monumentale muurschildering door het paneel vervangen.
Z e 11 x i s (■430—390) uit Heraclea in Groot-Griekenland, later in Ephesus gevestigd, had in de oudheid roem verworven door de beval ■ ligheid zijner vrouwenfiguren en levendige uitdrukking van toestanden.
Tempel van Ze us te Olympia door Li bon gebouwd.— Tempel van Nemesis te Rhamnos. — Tempel van De-meter te Eleusis, onder leiding van I k t i n o s , met pro-pylaeën, naar de Atheensche gevolgd. De tempel was vier
hout met versierselen in reliëf van goud, ivoor, ebbenhout en edelgesteenten. Het voetstuk droeg beeldwerk, de voetbank vele sieraden, de kasten waren door Panaenos beschilderd. De troon was in ronden vorm en opgesierd met Nikebeelden, aan de dwarsbalken waren reliëfbeel-den met voorstellingen van gevechten, inzonderheid van Herakles en Theseus. Het beeld van den god 40\' hoog, op een voetstuk van 12 \', heeft de Nike in de rechter, den scepter en den adelaar in de linkerhand. Het bovenlijf was naakt en van ivoor, om het benedcnlijf hing een gouden mantel, met bloemen en beelden rijk voorzien. In 432 was het voltooid, en in de 5e eeuw na C. werd het met den tempel verbrand.
268
kant, i66/ elke zijde. Het dak was gewelfd en het werk van X e n o k 1 e s , met een opening voor het licht. De ruimte was in vijf dwarsschepen verdeeld.
429. Het Erechtheum, tempel van Erechtheus in Athene, stiet met den rug aan den tempel van Athena Polias, beiden niet Ionische zuilen. Zuidelijk van den laatsten lag het Pan-drosion, waarin Karyatiden het dak droegen.
425. Tempel van ApollonEpikurios, te Bassae bij Phigalia in Arkadié, door Iktinos gebouwd; Dorische pe-ripteros. Het hypaethron wordt er gedragen door halve zuilen met voluten. De fries boven die zuilen heeft prachtige reliëfs van Amazonen- en Centaurengevechten.
Leerlingen van Phidias en van M yV o n.
|
Alkamenes vervaardigde de beroemde Aphrodite in den tuin en de beelden op den achtergevel van den tempel van Z e u s te Olympia. 425. Ago rakritos, bekend door een beeld van N e m e s i s in den tempel te Rhamnos. P a e o n i o s vervaardigde de beelden in den voorgevel van den tempel van Z e u s in Olympia. Aphrodite van Melos, in 1S20 gevonden, de Karyatiden voor het Erechtheum weeker dan het beeldhouwwerk van het Parthenon, en de fries aan den tempel der ongevleugelde Nike zijn uit deze school. |
K r e s i 1 a s, bekend dooreen beeld van P e r i k 1 e s en een gewonde A m a z o-n e ; (copie in het museum van het Capitool.) Kallimachos vervaardigde de lamp in het Erechtheum. Hij is ook de schepper van de Korinthi-sche zuil, die zich inzonderheid door haar rnetakan-tusbladen gevuld kapiteel scherp van de andere orden onderscheidt en bij de Romeinen de meest gewilde |
School van Argos en Sikyon.
|
400. Zij werd door P o 1 y-k 1 e t o s tot volmaaktheid gebracht, hoewel deze bij Phidias achterstond in het vervaardigen van godenbeelden; maar uitmuntende beelden schiep hij van kampvechters en helden. Hij maakte hoofdzaak van de zuiverheid in vormen en harmonie in de deelen bij veel lichaamskracht, zoodat zijn Oorypho- |
Noch van Athene, noch van Argos oorspron kelijk is de fries van den tempel van A p o 11 o n te Bassae, bij Phigalia in Arkadië, een gevecht van Amazonen en een slag van Centauren voorstellende. De opvatting is evenals de uitwerking meesterlijk, maar dikwijls ook zijn de bewe- |
269
|
ros als lcanon ging gelden voor de proportiën ; vervolgens legde hij het zwaartepunt van het lichaam het eerst in het ééne been. Beroemd van hem waren de D i a-d u m e n o s, de A p o x y o m e-n o s en een Amazon e, waarmee hij over Phidias zegevierde. Al deze werken waren in brons ; van goud en ivoor was het beeld van H e r a voor den tempel te Argos. Zijn leerling N a u k y-d e s maakte de ter zijde staande H e b e. Van N a u k y d e s was ook de D i s k o b o 1 o s bekend. 394. De L e e u w van K n i-dos ter herinnering aan de overwinning vanLysander, in liggende houding, 10\' lang. De grootste nauwkeurigheid en helderheid van teekening kenmerkte de school van Sikyon, en zij leverde de voortreffelijkste voortbrengselen van de encau-stiek, d. i. de kunst om in was te branden en te schilderen. |
gingen woest, zooals de school van Phidias of van Polykletos niet heeft gekend. Ionische school. P a r r h a s i o s uit Ephe ■ sos voerde de leer der proporties in de schilderkunst in, en gaf de hoogste uitdrukking aan de gemoedsbewegingen. Timanthes, de mededinger van Parrhasios, behoorde niet tot de Ionische school, maar arbeidde in denzelfden geest en was beroemd om zijn offer van I p h i g e n i a. In dit stuk kwam de smart in het gelaat van Agamemnon tot haar recht, zooveel de kunst dat vermag. |
Nieu w-Attische school.
390. Skopas uit Paros bouwde den schoonsten tempel in de Peloponesos, nl. dien van Athena Ale a te Tegea. De buitenste zuilenrij was Ionisch, de binnenste beneden Dorisch, boven Korinthisch. Skopas muntte verder vooral uit door de voorstelling van hartstochten. Hij versierde den tempel ook met gevelgroepen: de Kalydonische jacht en den strijd van Achilles met T e 1 e p h o s. Verder waren beroemd ; Apollon K i th a r o e d o s (blz. 35 en 37), door Augustus naar Rome gebracht, een razende Bacchante, een zittende Mars, Aphrodite, voor het eerst geheel naakt, Thetis de wapenrusting, door V u 1 c a n u s vervaardigd, aan haar zoon brengende, de groep van Eros, H i m e r o s en P o t h o s, Achilles door zeegoden naar het eiland I.etike gebracht.
370. Van Kephisodotos is de groep van Eirene met P 1 u t o s (blz. 75) teeder, innig en voortreffelijk uitgevoerd.
365. Praxiteles, een veelzijdig kunstenaar, werkte in
2/0
marmer en brons, stelde bij voorkeur jonge menschen voor en helde tot het teeder vrouwelijke over. Zoo bewerkte hij dikwijls Aphrodite en Eros. Aan A p o 11 o n en B a c-c h o s gaf hij een jeugdiger voorkomen, maar ook stelde hij beelden voor van H e r a, A t h e n a, Poseidon en De-meter, Steeds stelde hij zich ten doel om het zinnelijk aantrekkelijke aan edele, grootsche opvatting te verbinden Zoo waren er vijf voorstellingen van Aphrodite, waaronder die van K- n i d o s, naakt, maar haar kleed willende opnemen, een gekleede in Kos, Eros van Thespiae, A pol Ion Sau-roktonos in brons, Satyr Periboëtos in Athene, een andere Satyr tegen een boomstam geleund.
360, Leochares is bekend door den Ganymedes, dien een adelaar naar boven voert.
Uit deze school zijn ook de reliëfvakken aan de borstwering des tempels van de Nike A p t e r o s te Athene. De groep der kinderen van Niobe, uit een tempel in Klein-Azië overgebracht naar het heiligdom van Apollo Sosianus in Rome, is naar het oorspronkelijke van Praxiteles of S k o p a s.
353 Reliëfs uit het Mausoléum van S k o p a s , Leochares, T i m o-t h e o s , P y t h i s en B r y a x i s.
Friesplaten, brokstukken van leeuwen,
ruiters, een vierspan in marmer, het beeld van M a u s o 1 o s. Eenige platen van de fries, een amazonenstrijd voorstellende, zijn in Genua.
338. Van de Leeuw van Chaero-nea van marmer, 12\' hoog, zijn nog brokstukken ter plaatse te vinden
A p e 11 e s vereenigde de goede eigenschappen van de scholen van loniii en Sik y on. Fijnheid van tee-kening en eenheid en samensmelting der kleuren vereenigden zich met diepte van opvatting. Een beroemd werk van hem is een Anadyomene,
uit den tempel van Aesculapius op Kos, door Augustus naar den tempel van Caesar te Rome gebracht.
Hij maakte meermalen het portret van
Alexander, b.v.
P olykles bekend om de Hermaphrodite. S i 1 a n i o nquot;s stervende I o k a s t e in brons, doodsbleek.
De vazen in Yol-sci gevonden, bewijzen dat de teekening nog stijf en streng symmetrisch was ; andere schijnen onder invloed van Polygnotos en zijn leerlingen vrijer behandeld, zooals de te Nolagevondene aanduiden : de beelden zijn licht op donkeren grond of glinsterend zwart op een roode vaas.
P a u s i a s schilderde kinderen, dieren en bloemen, en is beroemd door zijn kunst der verkleiningen.
Melanthios.
Protogenes.
T h e o n zocht in zijn werken vooral op de verbeeldingskracht des aanschouwers te werken.
den tempel
voor
271
van Artemis te Ephesus, met den blik- Antiphilos koos sem in de hand. zijn tooneelen uit het
337. Tempel van Minerva te dagelijksch leven. Priëne door P y t h e o s gebouwd. lo- Graveerkunst, nische propylaeën. Pyrgoteles sneed
Hermogenes bracht belangrijke een zegelring voor wijziging in den omvang en de plaatsing Alexander en ander zuilen (eustylos). Hij bouwde den deren zeer volkomen, tempel te Teosvoor Dionysos, en In Groot Griekenland dien van Artemis Leukophry- werden zeer schoone n e te Magnesia, den eersten peri- muntstempels gesne-pteros, den tweeden pseudoperipteros. den.
335, De school van Argos en Sikyon behield haar naturalistische richting. L y s i p p 0 s was haar hoofdvertegenwoordiger; hij vervaardigde meest portretten van brons, en legde zich vooral toe op uitdrukking van lichamelijk schoon en hel denkracht. Hij wijzigde de leer van Polykletos, door den kop kleiner en het lijf slanker te maken. Hij maakte ook sta-tuën van Alexander, Hercules e. a. helden. Maar ook groepen, b.v. Alexander met 25 ruiters en negen voetknechten bij den Granikus. Dan wordt genoemd een Zeus-beeld te Tarente, 60\' hoog, en zijn Apoxyomenos. Ook het eerste allegorische werk, den Kairos (juisten tijd), schrijft men aan L y s i p p o s to?.
Nicias zeer degelijk schilder, beroemd door zijn vrouwenbeelden, behoorde tot de school van Sikyon.
Lysistratos, een broeder van L y s i p p o s, goot het eerst gezichten in gips af. De Biddende Knaap behoort waarschijnlijk tot den tijd van Lysip pos.
In Argos, Sikyon en Athene legde men zich sedert dien tijd al meer toe op het maken van portretten. Een dergelijk voortreffelijk beeld bezit men in de statue van Sophokles.
VIERDE PERIODE.
(322—14:«).
De kunst legde zich toe op het effect, en zocht dat of door het nemen van kolossale of door zeer kleine ve hou lingen te bereiken, In de schiiderkimst vernemen we niet meer van meesters van den eersten rang.
De portretten van vorsten toonden in het begin dezer periode nog adel en grootschheid van opvatting. Dikwijls ook werden zij in den zin van godenbeelden gemaakt en van dergelijke attributen voorzien, zooals Alexander met een hoorn van A m m o n of met een leeuwenhuid, Demetrios P o 1 i o r k e t e s en S e 1 e u k o s I in de gedaante van een
|
stier. 320. Demetrios Phalereus laat F h i 1 o s den voorhof bij den tempel van Deraeter te Eleusis bouwen. (12 Dorische zuilen.) Tn het monument van Thrasyllos en T h r a s y k 1 e s te Athene was een beeld van li i o n y s o s in zittende houding, ir. et een drievoet op den schoot. Als Mikrotechnen of kunstenaars van klein werk werden door de ouden steeds genoemd Myrmekides van Athene (of M i 1 e t e) en Kallikrates van Lacedaemon. Zij stelden zich steeds ten doel een vierspan te maken, dat een vlieg kon bedekken. 318. Beelden van Beschermgodinnen van steden. Eutychides vervaardigde de Tyche van Antiochië (blz. 88). Aan hare voeten staan de rivier Orontes als jonkman, aan hare zijden S e 1 e u-k o s en A n t i o c h o s. Het geheel stond in een tempel met vier zuilen. 301. Tempel van D e m e t er te Pae-stum (peripteros, dorisch), — begin van verval, — en te Milete een tempel van A p o 11 o n D i d y m a e o s, hypaethraal met schoone reliefs vanbinnen, grijpvogels met een lier en schoone versieringen, 295. Tempel van Z e u s te Aezani in Phrygië (pseudoperipteros). Het mozaiekschilderen wordt veel beoefend, Een zeer schoon werk van dien aard is de strijd tusschen Grieken en Perzen, de Slag van Alexander genaamd, 280. Tempel van Ze us te Kyzikos, waarbij de voegen van het marmer met goud zijn belegd. Standbeelden van Pythagoras, |
De laatste uitmuntende kunstenaar der hoogere schilderkunst was T i m o-machos, van wien naam hadden: Ai as, Iphi geniainTau-ros, M e d e a, op het punt hare kinderen te dooden, en andere zaken. In dezen tijd ontwikkelde zich ook de Rhypa-rographie (kladschilderwerk) of Rhopo graphic (kleinigheden schilderen), zooals genrebeelden, stillevens enz. Verder deGryllen, d. z, schilderijen door den uitvinder An ti-p h i 1 0 s zoo genoemd, waarin hij iemand van die benaming aanduidde (varken). De beroemdste Rhopograaf was P i-r a e i k o s, die barbiers- en schoenmakerswinkels of drgl voorstelde. De vazenschilde-ring neigde tot weelderigheid; de grond is zwart, de figuren zijn in roode klei,geel en wit komen nog |
|
A 1 k i b i a d e s en H c r-m o d o r o s van Ephesus. naar Grieksche modellen. |
daarbij; de teekening is niet correct. de bewerking slordiger dan vroeger. Vele dgl. vazen vindt men in Beneden-Italië. |
R o m e
304- M. F a b i u s P i c S a 1 u s op den Quirinalis.
298. Appius Claudius wijdt schilden met de afbeel dingen zijner voorouders in den tempel van Rell o a a.
295 Kolossaal beeld van
beschilderde den tempel van
School van R h o d
u s.
292. Chares, een leerling van I.ysippos, giet het buitengewoon groote beeld van Helios (blz. 81). — A r i s t 0 n i-d a s, bekend door een beeld van A t h a m a s, berouw gevoelende over zijn dwaasheid. Om fraai rood te krijgen had hij brons onder het ijzer gemengd.
281. Age sa n d r os, A the-nodoros en Polydoros vervaardigden de groep van T/aokoon. (blz. 239).
279. Van onbekende hand is een bronzen beeld van A p o 1-1 o n S o t e r of Apotropaeos (blz. 38).
26,3. Apollonios en T a u-riskos vervaardigen de Far-nesische Stier (blz. 169).
239- Pyromachos en anderen stelden de overwinning voor van A 11 a 1 o s I. Uit deze school zijn de stervende Galliër en A r r i a en P a e t u s
School van Pergamon.
220. Tempel van Zeus te Sy-rakuse, door H i e r o II gebouwd, en van Athena op Ortygia, Dorisch.
181. De F au n u s fB a r b e-
Jupiter op het Capitool, uit de wapenen van het heilige legioen der Samniten, door Sp. C a r v i 1 i u s gewijd ; vóór de voeten van den god Hgt het beeld van C a r v i 1 i u s, uit het vijlsel gegoten.
292. Eerste zilveren munt te Rome met vlakken stempel en een leelijken kop van Roma; de keerzijde draagt den naam van de Driemannen van het Muntcollegie.
250. Sarkophaag van L. Corn. Scipio Barbatu s met Dorische triglyphen, getand kroonwerk, dc hoeken met kronkels gedekt.
194. M. P a c u v i u s uit Rudiae beschildert de n tempel van Hercules op het Forum Boarium.
181. M. F u 1 v i u s N o-b i 1 i o r voorziet den tempel van Hercules M u-s a r u m met bronzen beelden uit Ambrakia.
176. Q. F\'u 1 vius Fquot; 1 accu s bouwt een tempel voor Fquot; o r t u n a E q u e-s t r i s.
148. Q. C a e c i 1 i u s M e-tellus Numidicus laat
8
r i n i), in dronkenschap \\oorge-
stcld _ .
\\ n t i o c h o s E p i p h a n e s van Syrië laat door den Romein C o s s u t i u s den tempel van Z e u s O 1 y m p i o s in Konn-thischen stijl herbouwen.
N a i46 v- c-
Under den invloed van talrijke Grieksche kunstproducten landen die ondet Romeinsche heerschappij Montlen, en 10
V i r t\'u s, een periptero, .onder «uilen vanachter™, door
M;!2r^L^tefes uil Groot-Griekenland vervaardigde beel-deï vw d« tempel van ] u pi te r en Ju „ o van Me-
1 e-s UK 1 e o m ü n e s van Athene, de zoon van A poll o d o-78. K 1 c o men c , Medici in den geest der
ros. vervaardigde de ) equot; lHet\'beeld bestond uit elf dee-— ■ J - - van A s 1 n 1 u s r o 111 0.
K i e o m e n e s, een zoon van den vorigen schiep het prachtige Hermesbeeld. dat ook wel voor een Germanicus gehouden werd.
\\ p o 11 o n i o s van Athene het (de Torso van) den rustenden H e r c u 1 e s na schoon van lijnen en krachtig van ledematen, Glykon de Athenervormde naar het oorspronkelijke van 1.) sip
p o s den Hercules F a r n e s 1.
In de dagen van Caesar en der Keizers in de eeuw na hem zijn werken voortgebracht, die men langen tijd voor de schoonste producten van den Gnek-schen beitel hield. ,
A r k e s i 1 a o s vervaardigde de V c-nus G e n e t r i x voor het forum van
door Heiquot;modor os uit Sa-lamis een tempel bouwen voor Jupiter Stator. De tempel van Juno te Rome door P o 1 y k 1 e s en D i o n y s i o s met beelden versierd.
de T h c s p i a d e n
54. A p p i us
C 1 a u d i u s P u 1-cher en zijn neef Claudius 1\' u 1-cher en Marei u s R c x bouwen het Propylon van den tempel te K le us is
48. Caesar
bouwt o. a. den tempel der Venus G enetrixen den tempel van 1\' o r tuna V i r i 1 i s
|
metzeszuilen.psen-doperi[)teros, Ionisch. aan den Ti-bei\'. 46 Koepel tempel van Vesta, met twintig Korinthi-sche zuilen en een dak van raarmer-steenen. 29. Augustus bouwde vele tempels en hernieuwde tweeëntachtig. De tempel van A pol-1 o P a 1 a t i n u s was van Cararisch marmer. de zuilen van Punisch. 25. Het Pantheon doorValeriu s van Os\'ia op last van M. V i p s a n i u s A g r i p p a gebouwd, rond met koepeldak en een voorportaal van 16 zuilen, van binnen geheel marmer. 22. Tempel van Jupiter T o-n a n s. 16. Tempel van Quirinus, Dorisch. 2. Tempel van M ars U 1 t o r op het forum A u g u s ti (ruinen) Na C. 1. Tempé\' van Athena Arch get s in Athene nu t een beeld van Lucius Cae sai-op den gevel. Tal van tempels van A u g u s t u s op |
Caesar, M e n e 1 a o s en de groep M e-rope en Aepytos ook wel voor Orestes en Elec.\'tra gehouden). Van A g a s i a s van Ephesus is de Bor-ghesische kampvechter, uitmuntend om de kennis der anatomie, die er in doorstraalt. M a r s y a s, aan den boom hangend en ziin straf afwachtende. Apollo van het Belvedere en de D i a n a van Versailles. Zie blzz. 36 en 44. Standbeelden, portretten en busten dei-keizers zijn in menigte voorhanden, dikwijls in godengestalte en naakt of met de lans in handen als statuae Achilleae, of het bovenlijf naakt en een pallium om de lenden, met den bliksem of een ander attribuut van J u p i t e r in de hand. De keizer, die na zijn dood door den Senaat geconsacreerd was, werd steeds zittend voorgesteld met de toga om, den scepter in de hand en een stralenkrans om het hoofd. Diogenes volgde in zijn Karyatiden voor het Pantheon die van het Krech-thëum na. De slapende Ariadne op het Vatic a an. Rustende N ij 1 met zestien kinderen om zich heen, als beeld van de zestien el hoogte, waartoe de Xijl zwelt. De Tiberstroom in den geest van den Nijlstroom. Beeld van P u d i c i t i a. Zeer gezocht waren de muurschilderingen op atte kalk (al fresco), of met lijmverf op drogen grond aangebracht. De wand is gewl rood, geel, zwart, blauw, groen of paarsch: de onderwerpen zijn meest danseressen. P)acchanten, Geniën, Centauren enz , of tooneelen uit de mythologie. De graven van Cestius, de S\'aso-niers, en de huizen van Pompeji en Her-culanurn hebben vele overblijfselen be- |
276
Claudius als een Jupiter op een camee
Zenodoros stelde keizer Nero voor met zeven stralen om het hoofd no\' hoog ; later werd het beeld als Sol gewijd.
beelden en schil-
Vooral breiden zich de voorstellingen op sarkophagen uit, sedert de eeuw der A n t o-n i n i. Meestal zijn het tooneelen uit de sagen van goden of helden, met betrekking tot het leven of den dood des overledenen ; dikwijls naaide beste voorbeelden der ouden. Maar in tijd de kunst in dienst
der nieuwe kerk over, en neemt de periode, dat de heiden-sche godsdienst op het werk der kunstenaars als godsdienst invloed heeft, een einde.
75. Tempel van Pax met een schat derijen ; in het midden kruisgewelf.
81. D o m i t i a n u s vernieuwt met zuilen van l\' e n t e-1 i s c h marmer den in 80 verbranden tempel van Jupiter C a p i t o 1 i n 11 s.
ii6. Pallas van Velletri in den stijl van 500 vóór C. Tal van voorstellingen van A n t i n o ü s als mensch, heros of god.
130. Tempels van Venus en Roma, pseudodipteri, door Hadrian us ontworpen, aan elkaar grenzend ; de cellen hadden een gewelfd dak van koper en prachtige zoldering. Hadrian us voltooide verder den tempel van Zeus Olympics in grooten omvang, bouwde een tempel voor Hera en Zeus Panhellenios, een kolossalen tempel te Kyzikos en een tempel voor Zeus Serapis te Jeruzalem.
A ris teas en Papias uit Aphrodisias vervaardigen Centauren uit zwart marmer.
138 Sedert de eeuw der A n t o n ij-n e n gaat de kunst achteruit. De keizerinnen werden nog dikwijls als V e-n u s voorgesteld met de kenmerken van den tijd. Antoninus Pius sticht een tempel van Antoninus en Faustina in Korinthischen stijl.
Tempel van Helios in Palmyra met propylaeën omgeven ; in Petra een rotstempel met willekeurig behandelde vormen, en in Heliopolis een tempel voor Baiil alseenGrieksche tempel aangelegd.
het algemeen gaat omstreeks dezen
verschillende plaatsen.
37. Tiberius bouwt een tempel voor Hercules te Cora in Latium.
71. De tempel van Jupiter C a-p i t o 1 i n u s, door Vespasianus hersteld.
waard. Beroemd zijn de Aldobrandini-sche Bruiloft en de wegvoering van de Hrisëische door Achilles.
De apotheose van H o m e r u s. relief van Archelaos uit Priëne.
triompheerende (in \'s Hage).
Bij de Uitgevers dezes is mede verschenen en alom verkrijgbaar:
Dr. F. van Cappelle, Latijnsche Grammatica voor alle klassen der Nederlandsche Gymnasiën, 4\'\' veel verbeterde en vermeerderde druk. gr. 8° . . . f 3.
______ Latijnsch Leesboek voor
Eerstbeginnenden, voornamelijk ten gebruike bij de Latijnsche Grammatica van denzelfden schrijver.
Postformaat..............^ i-
Dr. F. Dübner, Grieksche oefeningen voor eerstbe-ginnenden Vrij bewerkt door Dr F. van Cappelle ,
Rector te Doetinchem. en Dr. A. Halberstadt, Leeraar te Leeuwarden 4quot; verbeterde druk. Postform. » 1. L. Herrig, Premières lectures francjaises, Fransch leesboek voor de lagere klassen der Hoogere Burgerscholen enz. Voor Nederland bewerkt door J, H. Meijer. Officier de I\'lnstruction publique enz.
3e druk. roy. 8°.............8 i-
Dr. F. W. C. Krecke, Beginselen der Algemeene Natuurkundige Aardrijkskunde Met 4 Kaarten en 20 Houtsneëplaten gr. 8quot;. — 9« verbeterde en
vermeerderde druk...........» 1.
__ Handboek der Algemeene
Natuurkundige Aardrijkskunde. Met 5 Kaarten en Houtgravuren, roy. 8°. — 4« verbeterde druk . . »4. Prof. C. A. J. A. Oudemans, Eerste beginselen der Plantenkunde. Met 424 Figuren in den tekst.
31- druk. postformaat...........»2.
___ amp; Prof. Hugo de Vries,
Leerboek der Plantenkunde ten gebruike bij het hooger onderwijs. 1quot; deel. Leerboek der Planten physiologic door Prof. Hugo de Vries, royal 8(\'.
Met vele figuren ...........»3-
_______Idem 20 deel. Vormleer en
Rangschikking, door Prof. C. A. J A. Oudemans,
roy. 8°. Met vele Figuren.........»5
____ Idem. 3quot; deel. Handleiding
bij het vervaardigen van microscopische praeparaten uit het plantenrijk, voor Eerstbeginnenden bewerkt
door Prof. Hugo de Vries. roy. 8°..........1
H. G. van de Sande Bakhuijzen, Gronden der Werktuigkunde. Met vele Houtgrav. 2\'- druk, gr. 8quot;. » 2