-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

Ató C, if

De Zoetwatervisscfien in Kederland

en de kunst om ze te vangen.

DOOK

}i. /Valdertnk,

Secrcldris der Vcrccniginfj Ier hevorderiny der Zoctuxilcrvisscherij in Groningen.

Uitgave Noorman amp; Co., Groningen 18!)!).

-ocr page 4-
-ocr page 5-

VOORBERICHT.

Als vaste medewerker van het weekblad „Avicli.tiraquot; heb ik in dat blad van tijd lot tijd verschillende artikelen «e-schreven, in betrekking tot de Zoetwatervisscherij. Naar aanleiding daarvan zijn mij over dat onderwerp meermalen inlichtingen gevraagd. A. zou gaarne iels meer willen weten van zekere vischsoort, B. wenschte te worden ingelicht omtrent de beste wijze van vangen, C. zon gaarne onderricht willen worden omtrent de inrichting van een aquarium, enz. enz. Steeds heb ik die vragen naar mijn beste weten beantwoord, doch in den laalsten tijd is mij zoo dikwijls om inlichting gevraagd, dat ik onwillekeurig de overtuiging heb gekregen van de wenschclijkbcid, van een beknopt handboek, waarin gemakkelijk is te vinden, hetgeen men ten aanzien van de visscherij, en wel speciaal van de Zoetwatervisscherij, w il weten. Ik heb getracht zoodanig boek saam te stellen. De vrucht van dit mijn pogen wordt t hierbij aangeboden. Hij de samenstelling heb ik eensdeels geproliteerd van de ervaring, welke ik jaren lang als amateur-visscher heb kunnen opdoen , anderdeels van hetgeen ik in verschillende werken van bekwame dierkundigen heb gelezen.

-ocr page 6-

Ik heb den inhoud zóó gemaakt, dat zelfs de eenvoudigste visscher dien kan begrijpen, terwijl ik de raadpleging er van heb willen vergemakkelijken door toevoeging van een alphabetischen klapper. Aan den lezer de beoor-deeling in hoever ik in mijn pogen ben geslaagd.

H. AALDERINK,

Secretaris der Vereeniging ter bevordering

1899.

der Zoelwaiervisscherij in Groningen.

Groningen,

-ocr page 7-

-A. F 13 E E E 1 X C t I. De Vissehen.

HOOFDSTL\'K 1.

Alof.mkkne HKS(;iiiu,)viN(i

Mol den naam ..vissehen\' worden in hel algemeen heslem-peid dii\' koud-ioodhloedige 1), in Iiel waler levende gewerv elde dieren, welke geen hals en een sleehls nil eenen hoe/.em en eene kamer beslaand harl hel)j)en. door kien wen ademen, zic h vermenigvuldigen door eieren (kuil), die soms in hel moederliji\' nilhroeden, en wier opperiuiid. heizij deze zooals in den regel hel geval is met schuhhen is bekleed, heizij zij geheel naakl schijnl, van verschillende \\innen als bewe-gingswerkluigen is voorzien. Hoewel meesl alle vissehen een samengedrnkl liehaam hebben, is de lichaamsbouw loch zóó verschillend, dal men op grond daarvan is gekomen lol een onderscheiden van niel minder dan 12000 soorlen. Deze alle Ie noemen, zou bijna ondoenlijk zijn, maar ligt ook aller-minst in de bedoeling, waar. zooals in hel voorbcrichl reeds is gezegd, word! beoogd een beknopt werk, speciaal geschikt, om als leiddraad ol handleiding te dienen voor hen. die zich met de zoclivalrrvisKchrrij bemoeien. Van het genoemde groot getal soorten kunnen duizenden, althans wal de bijzonderheden betrelt. onvermeld blijven, omdat 1 i leven in zout water, terwijl van het overblijvend \'4 ook nog maar alleen die soorten zullen worden behandeld, welke men in Nederland aan-trelt. loch is het vrij zeker niet ondienstig, bij de

1» Dc slakprik uilge/ondenl. wiens lgt;loclt;I ongekleurd is.

4

-ocr page 8-

l)cs(.\'linjvinlt;gt; der visschon in het nlgemoen, waaraan dit iiool\'d-sluk is gewijd, korteiijk U- wijzen op hei belangrijk versehil onderling.

Zooals reeds is opgemerkt, hebben de vissehen meestal eene langwerpige, aan de zijden samengedrukte gedaante, maar er zijn ook rolronde, die op den bodem der wateren in bet slijk rondkruipen, en bolvormige, die aan de oppervlakte van bet water blijven. Men heeft er met hoogen rug en plat vissehen, kleine en groote, I raaie en alzichtelijke. ()ok zijn de kleuren zeer versebillend. Voor een groot deel wordt dit verschil veroorzaakt door pigmentvorming of aanzetting van kleurstof. Veel bangt eebter ook af van den toestand, waarin de vissebeu zieb bevinden. In den rijtijd en in het geveebt h.v. verloonen zieb de kleuren bel levendigst. Ook bet water is op de kleur van groolen inx loed. Zoo is gemakkelijk Ie zeggen, of \\ isch boven veen- dan wel boven kleigrond heel! geleeld. De \\ (\'engrond brengt ongemerkt zijn zwarte kleur op de sebnb-ben of de lederlmid over. Daarentegen is de kleur meer blank, iikh\'Iquot;zilvei\'acblig, indien de \\ iseh uil kleis!reken koml. Op lal van andere nilerlijke versebillen zou nog kunnen worden gewezen, zooals h.v. op bel verscbil van vinnen, schubben, kieuwdeksels, enz., doelt onwillekeurig zou dil werk Ie uitgebreid worden, werd daaromlrenl bier in bijzonderheden gelreden. Trouwens, uit de hierna te vermelden groepeeringen zullen die versebillen althans in hoofdzaak, blijken. Met een enkel woord zij hier echter melding gemaakt van de vinnen. Men heeft er twee soorten: onparige en parige. De rug-, de aars- en de staartvin maken de onparige uil. terwijl de borst- en de buikvinnen de parige zijn Kik dezer werktuigen beeft z.ijne eigene functie. Volgens \\V. Vrolik is de sllt;ilt;trlnin als het ware een bewegelijk roer, dat het lichaam van den \\ isch met eene wrikkende beweging vrij snel voortstool. De borstvinnen regelen, evenals zwaarden van hel schip, de zijdelingscbe beweging en de wendingen van den viscb, waarbij zij somtijds ook als roeiriemen werkzaam zijn en de voortgaande beweging bevorderen. De rugvinnen maken het klieven van het water bij het oprijzen

-ocr page 9-

3

gemakkelijk; de buikvinnen veii)reeden zijne oiulervlakle, waardoor de viseh gemakkelijker in hel water wordt oj)ge-houden. Al de vinnen tezamen zijn ongetwijfeld een middel, waardoor de visschen hij hunne snelle beweging in evenwicht worden gehouden.

De slotsom der onderzoekingen van den heer Vrolik is. dat de hooldkracht, waardoor de viseh wordt voorthe-wogcn, zijn staart is en dat de vinnen daarhij slechts hulpmiddelen zijn, waaronder de horstvinnen uitmimlon. Deze zijn van eenig gewicht voor de beweging der visschen naar voren en vertoonen daartoe eene merkwaardige inrichting. Worden zij voorwaarts bewogen, zoo bieden zij haren scherpen voorkant, om het water te doorklieven; keeren zij achterwaarts lenig, zoo doen zij dit met hare breede vlakte, waardoor alsdan het verplaatste water tegen het lichaam van den viseh wordt aangedrukt.

Hel spreekt van zeilquot;, dat met het groot verschil in niler-lijken vorm gepaard gaal een groot verschil in geraamlc. liet geraamte der visschen is hoogst merkwaardig wegens zijn verbazenden rijkdom van vormen. Volgens de Kncvdopaedie van Winkler Prins, waaraan wij veel van hel hiervermelde hebben ontleend, doorloopt het van de eenvoudigste gedaante, die hel op den embryonalen toestand van hoogergeorganiseerde dieren doel gelijken, eene reeks van trappen, om tol hoogere \\oikonienheid op te klimmen. Hel geraamte der visschen is verdeeld in kop, romp en staart. De ribben zijn niet door een borstbeen verbonden, wijl dit laatste steeds ontbreekt. Hel zenuwstelsel is bij de visschen slecht ontwikkeld. De hersenen, zoo zij niet geheel ontbreken, zijn zeer klein. Ook hel gezicht is niet best. Hel zien van den viseh geschiedt onder veel ongunstiger omstandigheden dan dat der zoogdieren en vogels.

De geringe boeveelheid licht op groole diepte onder water belet den viseh om veral\'zijnde voorwerpen duidelijk te onderscheiden. De gevolgtrekking schijnt derhalve gereclilvaar-(\'\'gd, dat de oogen kortzichtig zijn en hunne laak het best

-ocr page 10-

i

kunnen vervullen, wanneer zij nabijzijiule voorwerpen terstond seiierp en duidelijk ondersehciden. Dit is o.a. bewezen door den heer Theodoor Beer op het zoölogisch station „Napels,quot; door middel van talrijke en zorgvuldige onderzoekingen op heendervissehen, hij welke ondeizockingeutcAcus de verrassende ontdekking werd gedaan, dat de bedoelde visschen hunne oogen toch ook op grooteie afstanden kunnen laten werken en wel door de lens naar achteren, dus tegen het netvlies, te verschuiven.

Dit laatste is ook alleszins aannemelijk, want een feit is het, dat in het water geworpen aas spoedig wordt opgemerkt.

Ook het gehoor is volgens velen niet scherp. I ilwendige ooren oi gehooropeningen zijn hij de meeste visschen niet aanwezig. Toch ontbreken de gehoororganen niet. \\ ol^ens Von Daehr vormt zich, h.v. hij de blei. het voorste vak der zwemhlans tot een gehoorwerktuig.

Maar al is dit werktuig en in het algemeen de gehoortoe-stel van den \\ isch onvolkomen, toch is het bewezen, dat het bij sommigen vrij goed werkt Karpers en goudvisschen kunnen door Huilen worden gelokt, om zich \\ooi dt voedering aan de oppervlakte van het water te vertoonen, en dil zouden ze niet doen. indien ze ól\' niet ót hoogst moeilijk

konden hooren.

liet is evenwel zeer goed mogelijk, dat een fijn gevoel het gezicht en hel gehoor te hulp komt. Verbazend vlug wordt althans elke beweging in of nabij het water door den visch opgemerkt.

liet reukorgaan (bijna alle visschen hebben twee neusgaten, ui leen de Prikken hebben één) is vrij sterk ontwikkeld Van daar dal velen, om ze te vangen, zich van reukwerk bedienen, als muskus, duivelsdrek, anijsolie en dergelijke.

De adem ha lings werk tuigen zijn eveneens goed ontwikkeld Mij eene enkele groep, waartoe de Lepidosiren behooren. heelt men eene dubbele wijze van ademhalen opgemerkt. Hij

deze visschen is tot een ademhalingswerkluig de zwemblaas

vervormd, een soort van toestel, die. hoewel niet bij alk

-ocr page 11-

visscheu aanwezig, dient om den waterbewoners het dalen en rijzen mogelijk te maken. De ademhaling der vissehen geschiedt overigens nahij den ingang van het spijsverteringskanaal, waar de hogen der mondholte steunsels en dragers zijn der meestal duhhele rijen kieuwen. Hij de ademhaling komt het ingeslikte water uit de mondholte door de kieuwspleten tusschen de kieuwen. Va11 hier wordt hel geloosd door de uitwendige kieuwspleet of door zijdelingsehe openingen. Tot de eigenaardige hulporganen der ademhaling door kieuwen hehooren de hovenste gedeelten der voorste kieuwhogen, welke de ziuirslol\' opnemen. Van ademhaling door longen is hij de meeste vissehen geen sprake. De bloedsomloop geschiedt door een samengesteld en gesloten vaatstelsel. Het dicht hij de keel gelegen hart, dat niet, zoo-als hij de zoogdieren en vogels, in eene rechter- en linker-iu-lft is verdeeld, maar het best is te vergelijken met de rechter haclheirt der zoogdieren, hestaat hij nagenoeg alle vissehen uit een ruimen boezem en eene sterk gespierde kamer De eerste ontvangt het aderlijk bloed en de kamer voerl dit langs een opklimmenden slagaderlijken stam naar de ademhalingsorganen. Men heelt dus ook hij de vissehen wel degelijk aderlijk en slagaderlijk bloed, maar het slagaderlijk bloed stroomt niet, zooals bij de zoogdieren, naar de tweede (linker) hartheilt, die het voortperst door de aorta (hooi\'dslagader) naar alle deelen van het lichaam, zoodal het opnieuw eene (linke snelheid krijgt, maar rechtstreeks uit de ademhalingswerktuigen in de aorta. Die miiulere snelheid been natuurlijk tengevolge, dat minder snel zunrstol\' naar de verschillende deelen des liehaams wordt gevoerd, de oxvdatie dus minder snel plaats heell en er ook minder warmte wordt ontwikkeld. \\ andaar dat de vissehen kondhloedig zijn.

Alle vissehen bezitten eene groote vette lever en meestal ook eene galblaas en mill. De nieren dienen voor alsehei-\'\'ii\'M der urine, welke door twee pisleiders gevoerd naar de pisblaas, geloosd wordt in of aelitcr de geslaebtsopcMiing ot in den endeldarm.

-ocr page 12-

6

Wijl vele der vissollen zeer vraatzuchtig zijn, is gezorgd voor eene llinke maag. In den regel is deze zeer wijd. Soms is zij verlengd tot een ruimen blinden zak.

De anus, dienende tol afvoer der verwerkte stollen, ligt meestal ver naar achteren en alleen hij eene enkele soort wordt zij dicht hij de keel aangetroffen.

De geslachtsdeelen zijn, uitgenomen hij de mannelijke Pla-giostomcn, uiterlijk niet te ouderscheiden.

Hij sommige soorten zijn enkele gegevens voor de heoor-deeling. Zoo heelt h.v. een mannelijke zalm een haak aan de bovenkaak eu een mannelijke snoek een minder lang lichaam en een min oi\'meer slompen kop. De inwendige onderscheidingstcekenen zijn echter des te duidelijker. De eierstokken zijn meestal gepaarde handvormige zakken, die beneden de nieren aan de zijden van het darmkanaal eu de lever gelegen zijn. De eieren ontstaan aan de hinnenste dwarsplooieu van den eierstok en komen in den rijtijd in de ruimie der zich sterk uilzeltende zakken. Hij de mannelijke visschen wordt de hevruchtende stof uil eene onderhuiks-ol uit eene achter den anus gelegene opening geloosd. Verreweg de meeste visschen vermenigvuldigen zich door eieren (kuit); slechts enkelen, zooals h.v. de rog en de haai, hrengen levende jongen ter wereld. Kwam van ieder eitje een visch, spoedig zou het water overbevolkt worden, maar duizenden eit jes gaan door gemis van beveiliging en door verkeerde invloeden verloren. Meestal geschiedt de vermenigvuldiging eenmaal per jaar. In den rijtijd, welke, zooals later zal blijken, voor alle visschen lang niet dezellde is, komen de beide geslachten in groote scholen bijeen en worden ondiepe, rustig gelegen broedplaatsen opgezocht, waarvoor soms lange tochten worden ondernomen. Zoodra het wijfje zich van hare eitjes heeft ontdaan, worden deze door het mannetje met hom bevrucht Slechts bij enkele, die levende jongen voortbrengen, heefl bevruchling plaals op de wijze als bij de zoogdieren.

Ook onder de visschen zijn er, zij het dan ook niet vele.

-ocr page 13-

/

welke, zeker tengevolge van onvoldoende ontwikkeling der geslaehtsdeelen, onvruehtbaarzijn. Bastaarden, d. w. z. vissehen, deels behoorende tot deze, deels tot gene familie, zijn niet zeldzaam.

Vermelding verdient nog, dat er ook vissehen zijn, zooals b.v. de sidderrog en de sidderaal, die een soort electrisehen toestel in zich hebben, nl. eene reeks van vliezige platen, welke te zamen eene galvanische kolom vormen. Zij maken veelal van dezen toestel gebrnik voor het bemachtigen van hunne prooi. De vissehen voeden zich toch meestal met dieren. De vraatzucht, welke aan velen eigen is. doel hen zelfs jacht maken op gelijknamige natnurgenooten. Meermalen gebeurt het, dat b.v de eene snoek den ander oppeuzelt. Ken enkele maal heeft de schrijver van dit werk zelfs een snoek gevangen, die zulk een grooten collega te pakken had genomen, dal de kop van dezen reeds gedeeltelijk was verteerd, terwijl de nog geheel gave staart den roover uit den bek hing. (leidt bij sommige vissehen dus voor goed het recht van den sterkste, niet bij alle. Sommige kleine soorten zijn zóó goed door moeder natuur bewapend (men denke slechts aan het stekelbaarsje), dat de sterke zich wel tweemaal zal bedenken, voor bij den aanval op den kleine minder sterke waagt.

liet voedsel der visscben beslaat niet uilsluilend uit dierlijke stoffen. Ook plantaardig voedsel is gading, althans voor sommige soorten.

De planlenelers versmaden evenwel ook geenszins dierlijke spijs, /ij genieten meestal van beide. Hel ligl voor de band. dat juist de kennis van betgeen de vissehen liet helste hebben, gevaarlijk voor hen kan worden. Menigmaal wordt de zucht naar lekkernij oorzaak, dal /ij een kijkje boven water nemen, om niet weer terug te keeren. Lang kunnen de vissehen niet buiten hun element, loeit sterven niet alle leven spoedig, wanneer zij buiten hel water zijn, In hel algemeen leven «Ie rolronden langer dan de zijdelings saamgedrukten Veel lian^t in dil opzicht ;,l van de kieuwspleet, waardoor hel water wordt geloosd.

-ocr page 14-

Sommige soorten, die huig op hel droge kunnen leven, hebben tusscben de beenderen van den kop cellen, welke tot be-wjiarplaats van water dienen. Dit is zeker ook het geval met den karper, van wien bekend is, dat hij, aan den nil* opgehangen, wel weken aaneen buiten het water kan leven. Ook de paling kan bel lang builen het water volhouden. Zelfs sterft hij spoediger, wanneer hij wordt bewaard in een toh of emmer met water, dan in een zonder water. Dit laatste feit vindt zijne oorzaak waarschijnlijk hierin, dat tijdens het verblijf in den emmer slijm los raakt, dal zich verspreidt door het water en, ól zich zet tusscben de kieuwen, óf de toetreding van zuurstof in het water belemmert. Zonder /nurstof kunnen de vissclien niet leven, zelfs al zijn ze in hmi elemenl. Hebben ze echter voldoenden luchttoevoer en water, dan kunnen vele vischsoorten een zeer hoogen ouderdom bereiken. Zelfs zijn er voorbeelden van karpers, snoeken en palingen, die meer dan anderhalve eeuw hebben geleefd.

Tal van andere bijzonderheden zouden nog kunnen worden bijgebraehl, zooals b.v. het vermogen van eene enkele soort, om zich door hel uitstrekken der vinnen eenige oogenblikken boven het water zwevende te houden, of om zich, zooals met eene andere soort, welke in de keerkringen te huis behoorl het geval is, bij hel uitdrogen der wateren in het slijk te begraven en slapende den regentijd af te wachten, liet vermelden van een en ander wordt echter om het bestek van dit werk achterwege gelaten. Alleen voor bijzonderheden, eigen aan soorten of familiën. welke hier te lande in zoetwater leven, zal later eene plaats worden ingeruimd

-ocr page 15-

HOOFDSTLK il.

VeKDEKI.INC, ()|- liANt\'iSCMIKKINCi DKIi VISSCIIKNquot;.

Zooals in hel vorige hooldsluk reeds is medegedeeld, is het ■ i !;il \\ isfhsoorlen bijna legio. Daarin cene regeling ol\'rang-hikking te maken was zeker een moeilijk, maar tevens hoogst , (quot;uiig werk. Toeh hehhen tal van geleerden zich daaraan i waagd en bestaan er versehillende rangschikkingen. Heeds Aiistoteles verdeelde de visschen in hoofdsoorten, nl kraak-li: i\'iiige en beenige. Die verdeeling is later voortgezet en lot crdere volkomenheid gebraclit. Twee rangschikkingen t er, welke veel worden gebruikt. De nieuwste is die van .lohs. Muller, welke de visschen verdeel! op grond van ana-imische verschillen, bv. het al ol\' niet aanwezig zijn van ;iüien, de meerdere ol\'mindere ontwikkeling der hersenen, de udheid van het geraamte, den bouw der zwemblaas, enz. ; quot;( wel deze rangschikking vrij zeker bij streng wetenschap-olijke personen de xoorkem xerdient, is hel dienstig geacht lt;iil werk te vermelden die van den beroemden dierkundige ier, omdat diens verdeeling der \\ isschen zich meer baseeii uitwendige kenleekenen en dus meer begrijpelijk is xoor i, U reen.

1\'ok (.uvier onderscheidt twee reeksen ol hooldsooi\'len. 1 r de geaardheid van het geraamle. dat bij velen kraak-quot;iiig blijlt, maar bij anderen door de opneming van kalk been overgaat. De eersten noemt hij knutkbcrni^c. de Men hcciüf/c visschen.

lol de brpnifje visschen bi hooien verreweg hel groolsl il soorlen. Hij hen zijn meestal ware duidelijke schubben 11 \'s de mond aan hel vooreinde van Hen kop gelegen, de geaardheid der rugvinnen worden de hccniijrn onder-Sl liciden iw stekelvinnii/m en nwi-krinnif/cn. Terwijl bij deeerslen

-ocr page 16-

10

de rugvin stekelachtig is en geheel of in het voorste deel door onverdeelde stralen ondersteund wordt, hehhen de weekvin-nigen een rugvin van buigzame uit dwarse leden bestaande, aan het uiteinde gesplitste stralen, waarop echter de eerste en tweede straal dikwijls eene uitzondering maken.

Tot de slckchunnifien behooren o.a. de volgende soorten, waarvan de zoete wateren en zeeën van ons vaderland voorheelden opleveren: baarzen, ombervisschen, makreelen, zee-brasems, harders, lipvisschen, zeehanen, zeeduivels, |)uil-alen, lluitbekken en zeenaalden en tot de ivcckviiuiiijcn-. de zalmen, karpers, snoeken, haringen, meervallen, schelvisschen, platvisschen en alen.

Hij de kraakhrcnif/c visscben is de huid niet met ware schubben bezet, maar ruw of met stekels of schilden. De mond is meestal eene dwarsspleet aan de onderzijde van den kop of een ronde zuigmond. Hij eene enkele ook eene overiangsche spleet. De kraakbeenigen laten zicli onderscheiden in de familiën, hij welke de kieuwen aan den rand vrij en met een kieuwdeksel bedekt zijn, zooals hij de klompvisch en de steur en in die, hij welke de kieuwen ann den huitenrand met de huid verbonden zijn en het kieuw-deksel ontbreekt, zooals bij de roggen, hamen en prikken.

Hlijkt uil het vorenstaande reeds, dat men heelt twee hoofdsoorten, die op hare hem t ieder weer onderscheiden worden in Iwee soorten, die soorten zijn weer verdeeld in ordenen de orden in fnmiliën.

In het geheel heeft men elf orden, waartoe gerekend worden te behooren 2\'.) fnmiliën. Volgens Hurgersdijk, aan wiens werk „De Dieren, geschetst in hunne levenswijzequot; veel is ontleend. is de verdeeling d:iaiquot;v;m zoouls in de volgende Inhei is vermeld

-ocr page 17-

TABELLARISCH OVERZICHT

R

O.MTIUXT 1)1,

A N (1 S C H I K K I X G 1) K P» \\\' 1 S S C H I-: N

Aantluiiling (Kt l\'aniiliën mei vermelding

der geslaehlen welke daartoe hehooren en in Nederland wo rden a angetroiï\'en.

Aanduiding der orden.

b i.i z o n i) i: h li k i) )•: N

HUZONimUlIKDI-.N-

l )c kop is niet buis- lt;il j Unitvonnig verlengd . de buikvinnen /.ijn onder of dicht achter de borst- ^ vinnen.

l\'crsUv

wecde.

De kop is niet buis- of nuitvormig verlengd . lt;lc buikvinnen zijn voorde borstvinnen aan de keel geplaatst.

Kenschetst zich door sterk verlengden kop.

1 Bddrsaclüii/cn.

liaars, zeebaars, koning der poon- ol zeebarbeel. postje en pieterman.

2. Omhcruisschen.

()inigt;ervisch ol\' Om-brina.

Makrcelachtiycn. Makreel. /.waardyisch. zonnevisch. konings-visch, borsmakreel

l. Scliuhninniycn. braam- of zeebliek

,\'). llanh\'rai\'IUiqcii.

Harder, koornaar-visch.

(gt;. IJ} wisse hen. Lipvisch.

7. y.ccbrasvinacht\'Kjen. Zeebrasem.

8. Schil tl ivumfKjcn.

Zee- of knorhaan -donderpad . stekel-li .ars.

«.). Piuldt\' nisscht\'ii.

iloozenbek ol\'zeeduivel.

10. Slijmnissrhcn.

lioterviscii. puitaal zeewoir. slijmvisch . postillon of pitvisch . snottoll\'.

11 l.inloisschcn. 1» 12. I^lnilhckttchliijcn. 1»

nebben laiulen of stekels aan lt;len raint van liet liieinv-deksel He kop w quot;iel gniole plalen .

van den kon zijn niel opgezwollen door liolte i. Iicbbcn tanden op het midden en aetder aan hel «elie\'iH;\'1^ equot; 1 « c schubben op het licbaain. Zijn zee- en zoetwaterMSSchen.

Hebben tanden of stekels aan den rand van hetèjeiiw-deksel en den kop groolendeels met si;ii;l\',,quot;7\' ,

beenderen van den kop bezdten mees al iiollcn o; quot; springende lijnen omsehreven en de kop heelt \' een gezwollen voorkomen: er zijn geen landen \'i\'

hemelte. de schubben zijn meestal groot en dun. /ijn na^e noeg uitsluitend zeevisschen.

Hebben «een tanden ol\' stekels aan het kieuwdeksel en kleine quot;iadde of geen sthnbben, soms op de zijslreep mei groolere platen: iiebben de rugvin ï\'1quot; nVl\' v-;,,

stralen en achter (le rugvin eenige kleine \\ inneljes /.ijn zeevisschen.

De rug-, staart- en aarsvin zijn grooteiitleels met schubben bedekt.\' Het licbaain is sterk samengedrukt \'\'II ^\'

Ier zijde gezien eene ronde ol\' langwerpige sehi)l\\oi nicn 1. mei een rugvin. He bovenste keelgalsl.ecndei-en zijn met sponsachtig. Zijn zeevisschen.

Hebben de rug-, slaarl- en aarsvin (inbcscliul Zijn zeevisschen mei langwerpig, weinig samengedrukl en nagcnolt;^ rond lichaam, met twee rugvinneii, kleinen mond en klemt

lippen.

Hebben geen schubben op de ongepaarde vinnen, een verlengd maar zeer samengedrukl lichnain. een rugvin cn groole vleezige lippen. Zijn zeevisschen en komen \\etl \\ oot in warme zeeën.

Ziin zonder schubben op de vinnen en hebben een verlengd en samengedrukl lichaam met eeu rugvin : de lippen

zijn klein en niet vleezig.

Kop groot, lichaamsvorm dikwijls zeer vreemd, He borstvinnen van gewonen vorm. zijn niet geslceld; de onder de

oogkas quot;degene plalle beeiiseliubben zijn groot, van achlereu mei liet vooikienwdeksel verhouden en bedekken als eeu schild de wangen: men viudl bij eenigen vrije stekels voor de rugvin, gelijken veel op baarzen.

Hebben groolen kop He beenderen, die met den handwortel overeen stemmen, zijn verlengd en maken de borst-vinnen gesleeld. de huid is uaakt ol\' mei beenachlige kor-relljes bezel.

lïelrekkelijk kleine kop, een gerekt liclinam . de rugvin, tiiv\'enoequot; (iver de geheele lengte van den rug. He buik vinnen ontbreken ol\'zijn klein. I lel lichaam is van nialige lengle, een weinig sainengedrnkt. de limd is naakt ol met kleine schubben en met slijmachtige oppervlakte: de rugvin is met buigzame stralen.

Kop klein, licliaam lang bandvorinig. rugvin bijna over de geheele lengte van den rug. geen ol\'kleine biiikvinneii.

He kieuwdraden zijn als de landen eeuer kam nevens elkander geplaalst. He huid is met schubben bedekt ol naakl. Zijn zeevisschen.


He kieuwen zijn breede, geplooide pla en en gdijkm kleine pluimpjes, die paarsgewijze op de l,quot;K.\'il \'

plaatst zijn : hel lichaam is hoekig en mei dunne schilden gepantserd. Zijn zeevisschen.

Troskictnvifjen. Zeenaald.

-ocr page 18-

Hecll de achler de

Imikvinnen l hor.sl\\iniUMi *

Vierilc

Vijfde.

Heeft aan de

/fsdr.

(zijn nieesl /(ielwatervis-schen. lt;

de buikvinnen keel.

t/ijn meest /eevisschen.)

Hebben «gt;een bnikvin-11. 7AfIni(irIili(/i\'n.

Zalm. spiering, vlaj*-zalni, Iionting.

l.\'t. lüirjH\'rachlidcii.

Karper. bari)eel. zeelt, grondel, voorn, blei, modderkruiper.

Ui. Siun\'kdi\'Iilit/t\'n.

Snoek, geep. inakreel-

geop.

17. Ilarinyuchliycn.

Haring, elft. ansjovis.

IS. Mct\'rndlachlitu\'ii. Meerval.

lü. I\\iih(\'ljitmviH\'htilt;n\'n. sclielvisch, wijting, kwab- oi puitaal. meun, stokviscb. 20. I\'litlnissclirii ufschnllcn scli(»l, griet, hcilhot.

tOIig.

21. Aiihiclilii/cn Aal, smelt.

Zijn met sebubhen bedekt en hebben behalve de gewone rugvin, op den rug boven de aarsvin eene /oogenaamde vet vin . een vin /omler stralen.

Hebben geen vetvin : de huid is met sebuhben bedekt: de bovenlip wordt geheel tloor de tussebenkaaksbeenderen. niet door bovenkaaksbeenderen gevormd: de mondopening is klein, de kaken zijn meest zonder tanden, de rugvin is op het midden van den rug geplaatst.

Hebben schubben, geen vetvin: de bovenkaak wordt mede geheel door do tussehenkaaksbeenderen gevormd De mond is groot en voorzien van scherpe tanden ; de rugvin is meest achter op den rug, tegenover de aarsvin gelegen.

Zijn zonder vetvin. doch met schubben: de bovenkaak wordt alleen in liet midden olquot; voorste gedeelte door de tussehenkaaksbeenderen, op de zijden door de bovenkaaksbeenderen gevormd: de rugvin is meest in het midden van den rug. tegenover de buikvinnen geplaatst.

De huid is ólquot; naakt óf met beenachtige schilden beklee»! Hij sommigen is ecu vetvin, bij anderen niet.

Het lichaam is symmetrisch en van langwerpige gedaante. Het is voorzien van eene groote zwemblaas en van 1 tot rugvinnen.

Zijn zijdelings samengedrukt. Hechter en linkerzijde zijn niet gelijk . de beide oogen liggen aan eene zijde van den kop: terwijl de mond scheef is. Ken zwemblaas wordt niet aangetrolVen.

l\'.ehalve de buikvinnen ontbreken ook niet zelden de overige vinnen; zijn zeer, dan zijn ze zeer klein. Het zijn allen langwerpige visschen met zeer kleine, soms met het ongewapende oog haast niet te onderscheiden schubben. Sommigen leven in zoet water, anderen in de zee.


ZcVOIldc. Zeevisschen zonder

buikvinnen. De boven-[ kaak verbindt zich met

L de tusschenkaaksbeen-

I deren, waardoor de bek

i niet vooruitgestoken kan

worden.

fDczv nissclwn morden ook wel tol tie heenige tüsschen (jerekend. doeh I ile perheeniiifi (lesehiedl

I eerst laai en (Hinolkoinen.)

S\'lt;i(iktkiil:i(n\'ii.

Klomp- of maanvis» li.

De kaken zijn op het voorste gedeelte met eene uit zeer kleine tandjes bestaande stof overdekt.

Hebben gewone tandei

hoorn en kofj\'er-nis chen. 1 •

AchlsU\'. Hebben buikvinnen.

NV\'cndc /i.in /.ee\\is^hen met \' met eene dwars aan de ondervlakte van den kop gelegen numilope-ning. I h bben vijf kieuw -spleten aan weerszijden van den kop.

Tlrildr. Hel geraamte blijft op vrij lagen trap van ontwikkeling. Hrt lichaam is wormvormig zonder borst- of buik \\ innen equot; met gladde huid zonder srhu bb.Mi

De mondopening i,-. kringvormig. Hebben vleezige lippen, doch geen kaken. De (1 :\'i 7 kieuwen liggen aan w eerszijden \\ an den slokdarm Hebben een hart en rood bloed.

Kilde. Met overlangsche spleet als mond.

21. Slrnraehliijen.

Sleur.

2.\'). //(. 11ii\'issehi n.

loai, hondshaai, schoorhaai ofzeecngel.

2(i. liri/nissehen.

r(.n. pijlstaai tr(»g.

1 21» SI ik prik ken 1)

li Komen niel voor in Nederlaml

)/\' In mprei-

. Prikken dchtiijeir prik.\'

2.S. Mii.iines. 11

De mond is als eene dwarsspleet aan de onderzijde van den kon gelegen. Het zijn Zeevisschen. waarvan velen echter de rivieren opzwommen.

Hebben een langwerpig lichaam. De kieuwspleten zijn zijdelings gelegen, hebben duidelijke vrije oogleden. De borslviimen zijn nooit voor den kop uitgebreid.

Hebben de kieuwspleten aan de onderzijde van bet nicest platte lichaam. De oogleden ontbreken of zijn met den oogbol saamgegroeid. De borstvinnen zijn dikwijls voor den kop uitgebreid.

Hebben 2 rugvinnen en 7 uitwendige kienwgaten aan weerszijden, de neusholte is een blinde zak, demondope nini\' i^ zonder of met zeer kleine baarddraden.

Hebben geen rugvinnen, soms 7 kieuwgaten aan weerszijden soms 7 en (1 en ook wel aan weerszijden I: de nensholte is ook in de mondholte geopend. De mond is voorzien van baarddraden.

Dij deze familie is slechts de eerste aanleg van een wervelkolom aanwezig; het hart ontbreekt en wordt dooi het kloppen der grootere vaatstammeii vervangen. Het bloed is kleurloos, kieuwgaten ontbreken. De hersenen zijn niet van het rnggemerg te onderscheiden. Het lichaam is zijdelings saamgedrukt.


-ocr page 19-
-ocr page 20-
-ocr page 21-

HOOFDSTUK III.

Uu/()m)i;iiiii;i)i;.\\ dkh in Xkdkiu.and vookkomendk zok i watkhvissciikn.

De Baars. (ajb. i.)

(Perca fluviaiilis.)

Vraagt moii den hengelaars, welken viseh /ij hel lielsl aan hun aas zien hijten, dan zullen van de honderd personen negen en negentig den Baars noemen. Niet alleen is deze viseh niet zijne groote, ronde, onhew eeglijUe oogen zonder oogleden verreweg de fraaiste en voor de smullers een der fijnste, maar zijn hijten is zóó Hink, dal men daaraan in de meeste gevallen wel kan zien. dal men met een vraatzuehtigen, met een der meest gevreesde movers van het zoetwater te doen heeft. Jammer, dat de hengelaars zieh in den regel met kleinen moeten tevreden stellen. Slechts een enkele maal worden haarzen van 1 2 kg. of hooger gewicht thuis gebracht. Toch zijn er wel grooter. De grootste lengte hedraagl a I decimeter en hel hoogste gewicht 1 ki^. Dal dezulken slechts zelden worden aangetrolfen, is vooreen deel te wijten aan moeder natuur, welke niet aan allen gelijke groeikraciil schonk, maar voor een ander deel aan de menschcn, die ze te vroeg uit him element verwijderen. Ook kan een deel worden geschreven op rekening van de vraatzucht van andere dieren en van de weinige naastenliefde, welke «ie baars zelf hezil. De zoo gewilde waterhewoner maakt er locli volstrekt geen gewetenszaak van, om ook de kleinen van zijn eigen geslacht te verslinden, hoewel de Snoek hem in dil opzicht nog verre overtref!.

Zooals reeds is opgemerkt, is de haars onder de visschen

-ocr page 22-

in verschillende opzichten de eerste. Aan een Iraaien lichaamsbouw paart hij schoone kleuren. In den regel is hij aan de rugzijde groenachtig hruin, welke kleur naar de huikzijde verloopt in geelachtig wit. Aan weerszijden van de rugvin of\'vinnen, (want de baars heelt er twee), vindt men a 7 donkere strepen, welke echter niet doorloopen over den buik. De uiteindeii der vinnen zijn meestal rood. Het ligt echter voor de hand, dat. de gesteldheid van het water ook van invloed is op de kleur van de baars. In veengaten zijn er wel gevangen, die over hel geheel zoo donkergekleurd waren, dal zij meer geleken op Zeelt dan op Baars. Lang behoeft men echter niet, wat de soort betrel\'t, in twijlel te staan, want de Haars laat, vooral als hij pas is gevangen, goed bemerken, dat hij lol lt;le slekeh imiigen behoor!. Ook aan de kienw-deksels, welke zonder schubben zijn, heelt hij 2 ol 3 stekels. Zijn bek is vrij groot en voorzien van lijne diehtstaande landen, welke de gedaante hebben van achterwaarls gekromde haakjes. Aan de onderkaak heel\'1 hij geene baanldraden.

De Baars, die vlug in zijne bewegingen is, dank zij de gladde bekleeding en hel in een soort van kiel eindigen van zijn lichaam, heelt hel zwak gezelschapzoel te zijn. Vooral in den schaarlijd worden meermalen groole scholen aange-trolï\'en en hel gebenrl dikwijls, dal de hengelaar, die één baars vangt, spoedig zijn net gevuld heel\'l, als hij althans niet hel ongeluk heel\'! een, dien hij meende te bemaeliligen, weer iti liet water te laten vallen.

Wormen schijnen voor deze vischsoorl eene lekkernij te zijn, maar vooral ook de roode scharen en de slaarl van kreel\'len; verder zijn kleine vissehen, salamanders, kikvorschen, larven van walerinseclen en dergelijke van zijne gading. De Baars heel\'l bepaalde lijden van den dag, waarop hij, in gezelschap van andere, zijne rool\'lochten doel; hij gaal daarbij listig te werk. Ilij jaagt zijne prooi zooveel mogelijk naar den oever, waar ontkomen minder gemakkelijk is. Bij de vervolging is hij dikwerl zoo drii\'lig, dal vervolgde en vervolger op den oever geraken, Is hij door zijn vraalznchl voor den

-ocr page 23-

13

hengelaar iiicl moeilijk le vangen, ook den nel-visseher wordt hij gemakkelijk ten deel. Zijne stekels doen hem allieht in de mazen der netten verwarren, vooral waar die netten daarop geheel zijn ingericht, zooais hij de zoogenaamde haars-netten en schakels (treemkes). Gelukkig voor hem is zijne gewoonte, om zich op le houden op plaatsen, waar veel waterplanten zijn Daar heelt hij, althans hij den net-visscher veel kans om aan het gevaar te ontkomen, omdat de netten dan al licht op de planten en niet op den grond komen te liggen en hij dus gelegenheid heelt onder de netten door le zwemmen.

De Baars komt niet alleen in ons vaderland, maar in hijna geheel Europa voor. Behalve tegen den tijd van het kuit-schieten, in ous land meest April en Mei, houdt hij zich lielsl op in vrij diep, stroomeud water. In den schaarlijd echter zoekt hij de ondiepe plaatsen. Veel wordt hij dan aange-IroHen in sloolen met weinig wateren veel ruigte, liet wijl jelegt Ik\'lsl daar hare van een dik slijm omgeven eieren /ij ontdoet zich er van, door zich tegen harde voorwerpen te wrijven. Het kuit, hlijlt daaraan hangen. Is dit geschied, dan verwijdert de visch zich met slingerende bewegingen. Zoodoende wordt een lang kronkelend snoer gevormd, waarin de eitjes, soms wel tot een getal van 200.00(1 a 300.000, hij groepen van 3 of \') in mazen gelegen zijn Vrij spoedig nadat hel mannetje (de zoogenaamde homhaars) ze heelt hevrucht, komen uit de eitjes Jongen, .lammer, dal van dezen, ook door de zorgeloosheid van den haars zeil. hel meereudeel eene prooi wordt van groolere visschen en van sommige vogels.

Volgens Dr Burgersdijk is de Baars eerst in hel derde Jaar voor voorlplanling geschikt en zijn de wijljes wel .quot;) a 0 malen meer in aantal dan de mamuijes.

De schuhhen. ook op de wangen en hel kieuwdeksel aanwezig, zijn klein, liggen in regelmatige rijen en bedekken elkander dakpansgewijze. De vrije rand dezer schubben is algerond en bezit, hoewel bijna onzichtbaar, lijne. aehlerwaarls gerichte landjes. Wee dengenen, die den Baars moet out-

-ocr page 24-

14

scluil)l)c\'n, vooral wanneer liet slijm, dal den viseli onigeet\'l, droog is geworden. Het host doet men, hel heest eerst Hink nat te maken en hel dan uil te rekken, door met het plat van het mes op den staart \'e driiivken en den kop dan aan te trekken. Ook is het wensehelijk met het schrappen te heginnen hij den rug, strijkende van den staart naar den kop, om dan verder de zijden te doen in verticale richting, nl van den rug naar den huik.

Het Postje, (u/7). 2.)

lAcerina cerna of Perca acerina).

I)e verkleiningsuitgang „jequot; duidt reeds aan, dat men hier niet te doen lieert met een (/rooi waterbewoner. Neen het hetreft hier een vischje van hoogstens 1\' ^ a 2 decimeter lengte, l-\'.n toch is ;ie hier hedoeldc visch in zeker opzicht geducht. \\\'raagt het maar den hengelaar, die, zoodra hij lie! hoestje aan zijnen haak heelt, hot met de meeste voorziclitighoid hehandelt. [Iet zijn do scherpe stekels, waarvoor men wol respect moot hehhon. Xiot alleen do stralen van de rugvin met verlengstuk zijn zoor scherp, maar vooral ook do kleine stekels aan de oiigotando kieuwdeksols. Van deze wapenen weet liet Postje (hij do hengelaars nog moer hokond ouder don naam van „schele jongenquot; omdat het mot zijn groote oogon wat turend kijkt), zich aardig good te hodionon, ook wanueor oen hengelaar zich vennoot hel eenige voelen hoogor to hrengen, dan waar hot in don regel verkeert. Meestal zwemt hot hoost je zoor diep, even hoven don hodem van hol water. Zijn hijtou is vrij torsch. Mot het ooii op do prachtige hewegingon, welke do dohher maakt, wordt do verwachting van den hengelaar onwiilekcniri^ hoog gespannen. Kerst oen lorscho heet. waardoor de dohher oeiiigszins onder do oppervlakte van hel water komt te staan en dan een zacht voort-

1- lgt;il slijm komt ui! lt;lc rij lijnc pimljcs. welke l;mgs heide zijilen \\aii hel lichaam, evenwijdig met den ru^ worden aim^elrollen.

-ocr page 25-

1.\')

zwemmen of loopeii. Wellichl lieert het vischje aan dit loopen juist den naam \\ an l\'osl te danken. Jammer dat men in de ver-waehtin^. welke dooreen en ander wordt opgewekt, zoo leelijk wordt teleurgesteld, in plaats van voor een viseh van eenig belang, gaat men zich sehrap zetten voor een bijna onziehlbaar wezen. Dikwijls slaat men er over verbaasd, hoe een diertje van zoo kleine afmetingen zich dmTt verstouten te bijten aan een worm van bijna gelijke lengte en dan nog wel met zulk eene hevigheid, dat het meermalen zieh zeil vastbijt, (iaat hel vangen met den hengel vrij gemakkelijk, minder gaat dit met de netten. Ten opzichte van het Postje is de uitdrukking van ..door de mazen gaanquot; zeer toepasselijk. Alleen het fijn-mazige krnisnet ol\' de totehei is gevaarlijk voor hem.

De vorm van hel Postje komt vrijwel overeen met dien van den Paars. Toch is liet van kleine baars gemakkelijk Ie onderscheiden, in de eerste plaats is het lichaam van voren een weinig lager en van achteren een weinig hooger. Verder vindt men op den kop, die zonder schuhhen is, talrijke op rijen geplaatste groeven, en is de rugvin, ofschoon met een verlengstuk, toch niet dubbel. Vooral is het echter de kleur, welke hel Postje van den Baars onderscheidt, terwijl ook de aarsviu korter is. Aan de rugzijde is het vischje licht olijfbrnin en aan den buik zilverwit met fraaie kleurschakeeringen. Van donkere strepen, zooals hij den Paars, is hier geen sprake. Daarentegen heeft hel bruine vlekjes langs den rng en op de rng- en de slaartvin. De schuhhen zijn fijnen meestal bedekt met een ietwat slijmerig vocht, /ij zijn op lange na niet zoo moeilijk te verwijderen als die van den Baars. Sommige fijnproevers vinden het Postje een recht fijn vischje en stellen het zelfs naast den paling. In ieder geval is het vleesch niet minder smakelijk dan dat van den Baars. De leefwijze stemt, ook wat de vermenigvuldiging hetreft, vrij wel overeen met die van laatstgenoemde vischsoort. De rijtijd is echter eene maand vroeger, n.l. in Maart en April. Ook het Postje wordt in bijna alle landen van Kuropa aangetroffen, ofschoon hel niet zoo algemeen voorkomt als de Baars. Opmerkelijk is het, dat

-ocr page 26-

men in sommige vanilon ol\' waloiljes l)ijna altijd l\'osl vangt, terwijl er daarentegen op andere plaatsen zelden ol\' nooit worden gevangen. De bewering is daarom geenszins gewaagd. dat het Postje gaarne in gezelsehap van zijnsgelijken leeft.

De Rivier-donderpad {alb 3)

iCottus-gobio.i

Dit is een eigenaardig klein visehje, ter lengte van t 1 d.M. en met weinig hoogte. De kop is meer breed dan hoog en met eene zaehte, naakte hnid hekleed Aan het kieuw deksel is eene platte punt en aan den hoek van het \\ oorkieuw deksel een kleine gekromde doorn . waarmede het zoo noodig zijne \\ervolgers traeht te verwonden. De snuit is kort, de mond Hink met lauden bewapend en de mondopening klein. De zijstreep loopt vrij parallel met den rug. Hel liehaam is glad eu zonder schubben liet henedeugedeelte is witachtig; de bovendeelen daarentegen zijn meestal brnin, soms ook wel grijs met bruinaciitige stipjes. De i\'ug is voorzien van twee vinnen, waarvan de eerste ol voorste van lijne slekels xoor-zien eu minder lang en hoog is dan de laatste ol\' achterste zonder stekels. De buikvinnen zijn zeer smal, doch vrij lang en geplaatst vóór de borstvinnen, welke rond en ongeveer zoo lang zijn als hel lichaam hoog is. De staart is waaiervormig eu vrij groot De aarsvin begint en eindigt bijna lerzellder hoogte als de laatste rugvin Veel wordt de rivier-donderpad, die lang huilen het water kan leven, in ons land niet aaugetroH\'en liet liel\'sl is hij in strooniend helder water met steenachtigen grond. Kvenals de grondel kruipt 1\'quot;J gaarne onder steeuen. Hij is hijzonder ving, dank zij zijne vrij groote vinnen De rijtijd is in December, Januari en Februari Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uil kleine schaaldieren.

liet vleesch van den rivier-donderpad is niet erg gezocht.

-ocr page 27-

17

De Stekelbaars. 15 stekelige-

(Gasterosteus aculeatus.)

(10 Stekelige: Gasterosteus pungitius.)

Van dezen visch, die zijn naam onlleent aan de stekels, welke hij op den rug en aan den buik heeft, kan met reeht worden gezegd: klein maar dapper. Kik, die den Slckcllxtitis {(ijh. \'i)a.en h. eens een tijd je met aandaeht in zijn élement heelt gadegeslagen, zal moeten getuigen, dat er weinig waterbewoners zijn, zóó bedrijvig en zóó vol moed, als dit hijna sehuhloos diertje. En wie heeft de gelegenheid niet eens gehad tot dit gadeslaan\'? In elke sloot, poel of ])las, waar hel water niet al Ie vuil en de stroom niet al le sterk is. wordt het beestje aangetroffen en soms in zeer groot aantal.

Kr zijn twee soorten, de gewone stekelbaars met 3 stekels of doornen en de kleine, die er meestal 10 heeft, doch ook wel S o!\' (.) cn somtijds 11.

De eerste soort, nl. die met .\'5 stekels, is ongeveer 1 -i decimeter lang. liet heestje, welks lengte en hoogte tot elkander staan ongeveer als 1 tot I, heelt een vrij scherpen, ietwat snoekachtigen op. De stekels, welke de voorste rugvin vervangen en dns geplaatst zijn voor de weeke rugvin, zijn zeer stevig en walde voorsten betreft, groot cn met gelande randen. Dit laatste is ook het geval met de stekels, welke de buikvinnen vervangen. Wee dengene, die met deze stekels in aanraking koml. Zelfs voor groote vissehen kunnen ze noodlottig zijn. hislluctmalig richt het slekelbaarsje zijn wapenen op, zoodra bel wordt aangevallen. Zoodoende bestaat er voor den vijand alle kans, dal de stekels hem iu keel of slokdarm «hingen. Aan de ruglijn wordt eene reeks van zes, alle uit l even groote, beenachtige plaatjes gevonden, terwijl ook iij breede beenplaaljes op de zijden van den romp worden aangetroffen. Deze plaalbedekking is evenwel niet bij allen gelijk. Vandaar dal sommigen beweren, dat er verschillende soorten drie-doornige stekelbaarsjes bestaan. Hel Ider bedoeld verschil is echter zoo miniem, dat daarvan

-ocr page 28-

IS

hier nicl verder melding wordt gemaaUt. Liever wijzen wij op hei verseiiil lussehen den gewonen enden kleinen stekel-haars. Dil onderscheid hestaai niet alleen in het getal stekels (de kleine heelt er, zooals hiervoor reeds is opgemerkt, van aeht tot elf), maar ook de liehaamshouw is iets anders. De tiendoornige stekel baa rs is meestal iets kleiner dan die met drie doornen. Ook is het lichaam ranker en zijn de allen even lange ongetande rngstekels minder Ibrseh dan hij den gewonen stekelbaars. Aan de ruglijn heeft de kleine stekelbaars eene reeks van kleine plaatjes, die de rngstekels dragen; er is echter geene pantsering op de zijden van het lichaam. Soms vindt men op de zijden van den staart achter de weeke rugvin een verheven lijn ol kiel, welke bestaat uit eene rij van kleine schubben.

De kleur der stekelbaarsjes is in hel algemeen nog al vrij verschillend en ook niet ten allen tijde gelijk. In den regel zijn ze aan de rugzijde olijfgroen, en aan den buik en bij de wortels der vinnen geel of witachtig, legen den schaartijd, omstreeks Mei (sommigen beweren dat de rijtijd tweemaal in het jaar plaats heeft. nl. ook in .luli of Augustus) wordt echter deze groene kleur meer blauw en het wit meer rood of roodachtig. Vooral dan is hun lichaam glanzend. Zooals reeds hiervoor is medegedeeld, zijn ze bedrijvig en vol moed. Dit blijkt vooral bij het bemachtigen van hun prooi. Allerlei kleine insekten vervolgen zij. Ook vischkuit is van hunne gading, ja zelfs sparen zij geen kleine vischjes. Wormen , langer dan ze zelf zijn, worden moedig aangepakt en dikwerf wordt om het bezit daarvan door 2 of meer gevochten. .Inist in zulk een gevecht komt hunne kracht en hunne vlugheid van beweging uit. Kenmaal eenen worm beet hebbende, laten zij dezen niet licht weer los. Den jongen, die naar stekelbaarsjes gaat visschen, is dit heel goed bekend. Een vischhaak is overbodig. Hij bindt n.l. aan een stokje een eindje garen en aan het uiteinde hiervan een niet al te grooten worm. Zoodra het wormpje te water wordt gelaten, schieten de vlugge beestjes daarop los en bijten zoó

-ocr page 29-

1!»

daarin, dal /.ij de toegeworpen prooi niel weer kunnen loslaten, vóór dal zij door den kleinen visseher op den wal zijn geiiaald. .Inisl hunne gulzigheid is er sehuld aan dat menig stekelbaarsje verzeilt in eeue nauwe lleseh of, in het gunstigsle geval, in een aquarium. Is dit laatste he-hoorlijk ingericht en wordt tijdig gezorgd voor watei-verversching, dan kunnen de aardige beestjes daarin vrij lang leven, vooral wanneer er eenige planten in hel water worden aangebracht.

Opmerkelijk is, volgens tal van schrijvers, de zorg en de \\\\erl\\/.aaniheid, welke de stekelbaarsjes aan den dag leggen in den schaartijd. Hel mannetje zorgt voor een nest. Hel graait daarvoor niet slechls, zooals niet den grondeling hel geval is, een kuiltje in den grond; neen, hier is bepaald sprake van nest homo. Eerst wordt een geschikt plaatsje opgezocht en dan wordt aan hel werk getogen. Het gewone drie-doornige sic keibaarsje boort een gaatje of kuiltje in den bodem en weet daarvan door het aanbrengen en bevestigen van grassprietjes of wortel vezeltjes, een hoogst doelmatig nestje le maken. Het tien-doornig stekelbaarsje daarentegen brengt het neslaan, niel op den bodem van hel water, maar iels hooger, lusschen de takken ol aan de bladen van waterplanten. Heide soorten bij den bouw zóó doeltretfend le werk, als waren zij met menschelijk verstand begiftigd. Van hel slijmachtig vocht. dat de oppervlakte van de huid glibberig houdt, weten zij uitstekend partij te trekken. Het is voor hen, wat voor den metselaar de kalk en het cement is. Vooral het nestje van de kleinste soort is prachtig en iioogsl doelmatig. Zoo worden voor den bouw ook juist die materialen ^e-bruikt, welke eene kleur hebben, welke het nestje niel gemakkelijk doel ontdekken. Heeft het mannetje alles gereed, dan begeeft hij zich naar een troep wijfjes. Xiet de i eiste de beste wordt maar gekozen. Xeen, bij gaat behoorlijk monsteren. Aan haar, die hij hel meest geschikt ■\'nlit. wordt het hof gemaakt en zoodra hij zijn liefde eenigs-zins ziel beantwoord, wordt door hem de weg naar de

-ocr page 30-

20

cchlelijkc woning ingeslagen. Xa den ingang daarvan nog wat wijdei\' te hebben gemaakt, wordt het wijfje, dat gevolgd is. binnen gelaten. Zoodra hel hare eitjes uitgestooten en zicli verwijderd heeft door den uitgang, die tegenover den ingang is aangebracht, treedt het mannetje binnen en zorgt voor bevruchting. Deze manoeuvre van wijfje en mannetje wordt zóó dikwijls herhaald, totdat er een behoorlijk aantal eitjes aanwezig zijn, zij liet dan ook van verschillende wijljes. l) De uitgang van het nest wordt dan door het mannetje gesloten. Diens werkzaamheden zijn daarmede echter niet afgeloopen. Zorgvuldig bewaakt hij het welvoorziene nest en iedere vijand wordt verdreven. Blijkt het een te zijn, die den trouwen wachter te machtig is, dan ziet hij door lisl te verkrijgen hetgeen hij door kracht en moed niet kon bewerken. Door ijverig heen en weer te zwemmen tracht hij de aandacht af te leiden, hetgeen soms ook gelukt. Gehikt het niet, dan wordt bet nest verwoest, doch laat het jaargetijde dit nog toe, dan wordt die verwoesting spoedig weer gevolgd door eene nieuwe werkzaamheid als boven is omschreven. Het mannetje schijnt wel onvermoeid te zijn. Ook tijdens lt;le eerste levensdagen der jongen blijft hij nog de lrouwe bewaker. Zonder aan eene goede verzorging van eigen lichaam te denken, waakt hij er voor, dat de kleintjes, die na omstreeks 10 a 1 1 dagen ter wereld komen, bijeen blijven en beschermt ze, lotdat hij ze in staal acht, zelf voedsel le vinden en aan de vijanden door hunne vlugheid te onlkomen. Wel kan dus van den mannetjes-slekelbaars worden getuigd, dat hij een goed huisvader is.

ti lift stekelbaarsje le^t naar gelang van zijn liehaamsbonw groole. maar weinig eitjes

-ocr page 31-

De Snoekbaars

iLucioperca Sandra.)

Dezen visch, ook wel Sander (ufb. .3) genaanul, zou in ili( werk, dal zich bepaalt lol de inheemsehe zoelwalervissehen, eigenlijkg een plaats behoeven le worden ingeruimd, omdat hij lol dusver niet kon gerekend worden hier te lande voor te komen. Toch heelt het feit, dat er in den laatsten tijd over gedacht wordt, hem inlieemsch le maken en het bericht, dat onlangs te Hoenza-Driel door een visscher in één trek 1 1 snoekbaarzen werden gevangen, het wenschelijk gemaakt, hier enkele bijzonderheden te vermelden.

Zooals de naam reeds aangeell, is liet een dier van twee-slachtigen vorm. Gelijkt de kop op dien van een snoek, de romp heeft meer van dien van een baars. Hij heeft evenals deze 2 rugvinnen. De stralen daarvan geven hem ook alle recht, om\' bij de slekelvinnigen le worden gerangschikl.

De donkere strepen langs de rugzijden zijn niet zoo ver doorloopend als bij den gewonen baars en gelijken meer op vlekken. De zijstreep loopt parallel met den rug. De kleur is voor een deel gelijk aan die van den baars, voor een ander deel aan die van den snoek. Van deze twee heeft hij ook geërfd de groole roofzucht, welke hem bezielt. Niels is veilig \\oor zijne aanvallen; zells eigen jongen verschoont hij niet. De Sander is zeer vruchlhaar. 1 lel getal zijner eieren is evenals lgt;ij den baars, énorm groot. Door hel mannetje worden de eieren met zorg bewaakt en met moed verdedigd, (leen visch zal het spoedig wagen, zich van die eieren meester te maken. Ook zorgt het mannetje, dooi- beweging der hors!vinnen, dal hel water hoven de eitjes in slroommg blijft en dat zich dus daarop geen voorwerpen hechten, welke ze onvruchlhaar kunnen maken.

Zooals boven reeds is medegedeeld, koml de Snoekbaars m ons vaderland lot dusver nog maar zelden voor; anders ls dit in Dnitschland, waar men sedert ItS.Sli alle moeite hi Ut gedaan om de rivieren daarmede te bevolken. Vooral

-ocr page 32-

22

is hel de visscherij-vereenigin^ voor hel (Iroolhciiogdom Hessen, welke (huiraan \\eel heelt gedaan. De nilzellingcn van jonge snoekbaars in hel Ilessisehe Hijagchied w erden lol dusver mei goed gevolg bekroond. 1 hans worden daar jaarlijks vele cenlenaars gevangen, zóóveel zelfs, dal hel gewield van den gevangen snoekbaars aanmerkelijk meer is, dan dal van alle in den Hijn gevangen paling, snoek, karper en baars. In hoever hel slagen van de pogingen, om ook in Nederland de Sander meer inheemseh le maken, gewensehl is. zal de tijd moeien leeren, maar zeker is het, dal de andere viseh-soorlen in den snoekbaars een gevaarlijken vijand meer znllen hebben. Door i)r. Kerberl is hierop reeds ernstig gewezen. Volgens „Uombonts Ai lis\' /.egt hij o.a.: „Onder „de jonge zalmen, die van boven komen, zal de Snoek-.,i)aars ter dege opruiming honden, voorzeker zeer ten nadeele van de zalmvisscherijen, die daardoor over „eenige jaren op het versehijnsel zullen wijzen, dal de zahn-vangst afnemend is. Wal baat het poolen van miliioenen ..jonge zalmpjes in den Hijn, wanneer men tegelijkertijd zorgt „voor de vermeerdering van een der ergste roofvissehen?

Voorziehligheid zij dus bij de proefnemingen om den Snoekbaars inheemseh le maken, aanbevolen. Laat men voor proeven in ieder geval plaatsen kiezen, waar geen zalm wordt aangelrollen, want al is de Snoekbaars zeer welsmakend en zijn wil vleeseh boven dal van de gewone vissehen te stellen, toeh overtreft hij in dit opziehl den zalm niet. Ook is hij niet zoo groot. De veertien, waarvan wij in hel hoofd dezes gewag maakten, hadden sleehts een gewield van een tol vijf pond; maar een feil is hel, dal er in Dnitsehland veel grooler worden gevangen. Daar zijn exemplaren van zes tol elf pond geen zeldzaamheid. Zelfs is er te Worms een buil gemaakt, die KI pond woog.

-ocr page 33-

De Zalm.

(Salmo salar.)

Is cr in ons vaderland één visch, die zeer gewild is en toch weinig wordt gebruikt, dan is het de \'/.(dm (cifb. (gt;). Alleen het uitspreken van zijn naam doet menigeen reeds watertanden. Jammer dat het vleeseh zoo duur en slechts voor enkelen verkrijgbaar is. Doch niet alleen is de Zalm een lekkere visch, hij is ook mooi van vorm en teekening. Al moet hij volgens l)r. Salverda gerekend worden te behooren tol de zeevisschen, toch meenen wij hem, als ook in zoete wateren gevangen wordende, hier als zoodanig te moeten behandelen. De eigenlijke zalm, die in onze rivieren wordt aangetroffen, heelt een kleinen kop met spitsen snnit en middelmatige oogen; de borstvinnen, ongeveer ter lengte van den kop, zijn laag geplaatst; de buikvinnen, die nader bij de aars- dan bij de borstvinnen staan, zijn belrekkelijk klein. De bek is ruim voorzien van stevige, puntige, eenigszins haakvormige tanden, alleszins geschikt om zelfs vrij groole na-tuurgenooten te verslinden. De buikvinnen zijn achter de borstvinnen geplaatst. Het lichaam, met kleine schubben bedekt, is lang, soms wel 1 a 11 4 M., doch niet sterk samengedrukt, terwijl daarop aanwezig is een niet door stralen ondersteunde rug- ol vetvin. De kleur van den Zalm is verschillend. Volgens Dr. Hurgersdijk is over het algemeen de oude visch (zomer- of winterzalm genoemd) aan de i\'iigzijde zwartachtig bruin met blauwen weerschijn, welke kleur op de zijden lichter wordt en op de buikzijde in zilverachtig wit overgaat. Hoven de zijstreep vindt men eenige niet talrijke, zwarte, ronde vlekken, terw ijl de rug-, vel- en slaartvin donkergrijs, de overige vinnen lichter gekleurd /ijn. De jonge zalmen, SI. .lacobszalmen of SI. .lacobjes geheelen, zijn van boven meer olijfkleurig en op de zijden niet eene rij van groole zwarte vlekken geteekend. Tegen den lijd der voorlplanling worden de Zalmen in het algemeen en vooral de manneljes, don-ke nier en krijgen zij een rooden gloed of roodc vlekken op

-ocr page 34-

21

den buik. Hunne onderkaak is in dien tijd ook een weinig langer en bovemvaarls gekromd. regen den seliaarlijd, wanneer het vleesch het smakelijkst en prachtig rood is, zwemmen de Zalmen de rivieren op. In April verlaten zij lie zee, om op ondiepe plaatsen in het zoete water de voor de vermenigvuldiging noodige functiën te verrichten. Voor den tocht in de rivieren hehhen zij echter nog al wat tijd noodig, terwijl ook niet alle zalmen tegelijk optrekken. Naar men meent, hangt hier veel af van den leeltijd. Allen hebben dit echter gemeen, dat zij zich op hun tocht niet door hindernissen laten storen. De stroom kan bijna niet zoo sterk zijn, ol zij welen zich daar tegen in te werken, llnn spierkracht is buitengewoon groot. Des noodig weten zij door vrij groote luchtsprongen hun doel te bereiken; door het lichaam krom te buigen en plotseling wederom te strekken, kunnen zij soms 12 voet hoog springen. Zij volgen steeds den loop dei- rivier, al loopt deze door een meer. Volgens gedane onderzoekingen kiezen zij steeds denzellden stroom, als waarin zij geboren werden. In verband hiermede is het dienstig geacht, bepalingen te maken op het vangen van den Zalm. Zoowel hierdoor als door kunstmatige teelt tracht men te voorkomen, dat onze rivieren aan Zalm verarmen. Jaarlijks worden (luizende jonge Zalmpjes, kunstmatig gekweekt, in onze rivieren losgelaten en al gaan daarvan ook honderden door allerlei oorzaken verloren, toch verdient deze maatregel zeker aller toejuiching.

Voor het kuitschieten zoekt het wijfje, gewoonlijk door een of meer mannetjes begeleid, eene ondiepe zandige plek op. Zi j maakt daar met den staart of met de snuit eenen vrij grooten kuil en legt daarin, terw ijl het mannetje op den loer ligt, bare eitjes, welke de grootte van een erwt hebben, liet duurt eenige dagen voor het eierleggen is algeloopen. Nadat het mannetje de kuil heeft bevrucht, wordt ze door hel wijfje met zand bedekt, waarna de oude zalmen den lerugtocht aannemen, om in zee van de vermoeienissen van den zwerftocht uitleruslen en weer nieuwe krachten te verzamelen. De

-ocr page 35-

Icruglocht gaal veel sneller dan de tocht de rivier op. Volgens sommigen is het langdurig verhlijf in het zoele water hij liet opgaan, zeer bevorderlijk voor het tot volkomen rijpheid brengen der eieren. Kehler is hel een feit, dat de terugtoeht ook veel gemakkelijker is dan de heenreis, omdat dan stroom-afwaarts kan worden gezwommen. Vrij lang duurt hel, soms wel 3 a 4 maanden en langer nog, voor de eitjes zieh lot jongen ontwikkelen. Veel hangt in dezen af van hel weder. Hij het iiitkomen zijn de jongen i 1\'^ eM. lang. Zij iiehhen een zeer groolen kop en groole oogen en zijn hleeki)riiin van kleur met ü of 10 donkergrijze seheeve stre])en. Ilnn groei is in den eersten tijd niet sterk. Zij honden zich dan stilletjes op de ondiepe zandige plaatsen, waar zij geboren werden. Den eersten zomer worden zij ongeveer 1 decimeter, maar daarna groeien zij zoo hard, dat als zij l(i maanden zijn, zij in den regel eene lengte van .\'5\' ^ decimeter hehhen. Bij deze lengte krijgen zij de kleur der oude zalmen en begint ook de trek naar zee. Zij hegeven zich echter niel rechtstreeks in het zoute water, maar trachten eerst daaraan wal te gewennen, dooi- zich weken lang op te houden aan een der riviermonden.

Als een bewijs hoezeer de jonge zalmen in kleur van de oude verschillen, zij hier vermeld, dat men langen tijd, vooral in hngcland, de eersten als mest op hel land heelt gebruikI. Hel was een schaapherder, die het eerst door proeven, beslaande in het merken der jonge vischjes, bewees, dal men werkelijk met jonge zalmen te doen had. .lammer dat de jongen nog altijd groot gevaar hebben, niet lot groole, vangens-waardige zalmen op te groeien. Niel alleen dal de roof-\\i.sschen er vele verslinden, maar ook vissehers ontzien zich belaas! niet, om de nog betrekkelijk kleine visschen te vangen. Helukkig beginnen velen in te zien, dat het oogenblikkelijk \\oordeel hetwelk deze vangst oplevert, niel opweegt tegen hel nadeel, dat aan het vischwater ol liever aan de vischvarigst in de toekomst wordt toegebracht. Kn dat dit nadeel voor ons knul groot zou kunnen worden, bewijzen de hooge pacht-

-ocr page 36-

2()

somiiu\'ii. welke voor lid hcvisschon onzer rivieren woiden gemaakt en de groote winsten door enkele niaatscliappijen en sommige particulieren behaald.

De Spiering-.

Salmo eperlanus.

Deze vischsoort kan een kenner door middel van den neus wel aanwijzen. Het is een eigenaardige lucht, welke de spici\'iiijj ((tfb. 7) verspreidt. Al is er maar één in of op het net geweest. dadelijk verraadt zich dit. Somtijds weet de visscher van die lucht partij te trekken, omdat zij die visschen lokt of aantrekt, voor wie de spiering cene lekkernij is, zooals h.v. voor den paling.

Maar behalve door de lucht, is de spiering zeer goed te onderkennen door zijn lang, dun en vrij doorschijnend lichaam en door zijne vlugge bewegingen. Als een bliksemstraal kan hij hel water doorklieven. I lij gelijkt, wat lichaamsbouw be treil, vrijwel op den zalm; hij is eenigszins ranker, terwijl de kop naar evenredigheid grooter is. liet is geen groote visch. Ken lengte van 11 - a 2 decimeter mag gerust als maximum worden aangenomen. i)e kleur is aan de zijden zilverwit op den rug grijsgroen en aan den buik iets rood. De vinnen zijn witgeel. De rug- en buikvinnen zijn vrij smal en beginnen ongeveer op de hellt van het lichaam; de aarsvin is lang en in de nabijheid van de lerm ontwikkelde staartvin geplaatst. De onderkaak steekt vrij ver voor de bovenkaak uit. De landen zijn lau^; het kieuw-deksel is van lt;S stralen voorzien. De schubben zijn betrekkelijk groot, maar zeer dun. Zij zitten zoo los aan hel lichaam dat, wordt de spiel ing maar eenigszins over elkander geschoven, zij bijna alle loslaten. lu den rijtijd, voor de kleinen April en Mei cn voor de grooten Juni en Juli, is het lichaam der mannetjes, evenals ook het geval is met de

-ocr page 37-
-ocr page 38-

, .lijf : h;:;-

\'

-ocr page 39-

27

mamicljcs voorns, van kleine verhevenheden voorzien. De spiering, die zieh mei visehkuil, inseklen en viseld)roe(l, ze U\'s van eigen soort, voedt, is eigenlijk, evenals de zalm, een zee-viseii. In hel voorjaar trekken ook zij de rivieren op. Zij zien er niet tegen op, ook zijwegen in te slaan. Bijna in alle stroomende wateren worden ze aangelroHen. Zij seinden daar hun knit, en in Angustiis kan men dikwijls groote scholen jongen in onze wateren aantreffen. Ook de ouden treft men meest bij geheele partijen aan, eene omstandigheid , die mede-hrengt, dat ook de vangst soms zeer overvloedig is. Hoe klein deze viseh ook is, toeh wordt daarin gedurende sommige lijden van hel jaar een vrij belangrijke handel gedreven. Vooral in Kngeland en Duitsehland sciiijnt de spiering zeer in den smaak Ie vallen, heigeen van Nederland minder goed kan worden gezegd.

De Vlagzalm.

(Thymallus vulgaris.)

Deze viseh wordl niet veel in ons vaderland aangelrollen. l\'.venals de l\'orol \\iiull men hem in de nabijheid van Maastricht, ni. in het rivierlje de Geid. In legenslelling mei den gewonen zalm, leel\'l hij niet in zee. Hij is en blijl\'l in zoel, lielst sterk slroomend water, mei kiezelachligen ol\' zandigen bodem, waar hij zich voedt mei allerlei walerdicrljes, inseklen visehkuil en visebbroed. De oUujzdlm uifb. A\') is een x-rijgroote en lekkere viseh. Zijne lengte bedraagt van .quot;) lol (idccimeler. In hel algemeen heell hi j veel van den gewonen zalm, maar zijn kop is kleiner, terwijl de schubben grooter zijn. De mond is klein en eveneens de landen, welke zoowel aan de kaken en de beenderen van hel gehemelle, als aan hel ploegbeen wor-den aangelioH\'en. De rugvin is even boog als hel lichaam; zij begint tegenover bet midden der borstvinnen cn slrekl zich naar achteren een weinig verder uil dan de buikvhmen.

-ocr page 40-

De hovcndeelcn zijn geelachtig grijs hruiii, hetgeen onder de zijstree]) in liet zilvergrijs overgaat. Op de zijden van het lichaam worden zwarte stippen aangetroflen, terwijl op de vliezen der rugvin vierkante donkere vlekken zijn. De vinnen hebben overigens de kleur der bovendeden.

De rijtijd is April en Mei. Het liefst wordt de kuit op met grint ot zand bedekten grond geschoten. Waar in den laatsten tijd pogingen worden aangewend tot verbetering van den vischstand en tot veredeling van de zoetwatervisch, is bet te bopen, dat het mag gelukken, ook de vlagzalm meer iuheemscb te maken, omdat voor dezen viscb, evenals voor de forel, een vrij hooge prijs is te bedingen.

De Houting.

«Coregonus oxyrhynchus.gt;

Deze viscb, ook wel Adchisch (a/7). !!} genoemd, heeft wat lichaamsbouw betreft, veel overeenkomst met den spiering. 1 lel grootste verschil bestaat ten aanzien van de lengte. i)e verhouding isals 1 tot 2. Terwtijl de spiering van O.lj tot 0.2r)M. is.beeft de houling, welks vleesch zeer gewild is, eene lengte van 0.30 tot 0. lö M, Ook is de kop van den laatste scherper. Hij den spiering steek! de benedenkaak aanmerkelijk vooruit, maar bij den houling is dit het geval met den snuit. Deze, bekleed met eene zachte zwarte huid, is voorzien van een kegelvormig verlengstuk, waaronder de meestal landelooze mond verborgen is. Wel hebben de adelvisschen, wanneer zij jong /ijn, tanden, maar het gaal hun als de elft; bij het klimmen van den leeftijd slijt het gebit af of valt uil. De voorste rugvin, welke hooger is dan bel lichaam, loopt evenals de staart vrij scherp uil en is verder naar voren geplaatst dan de buikvinnen. De laatsten tellen 12 stralen, zijnde 15 minder dan de tamelijk lange aarsvin. Terwijl de bovenvinnen een loodkleur hebben, zijn de ondervinnen wil. Deze kleur beeft

-ocr page 41-

de viscli ook aan den buik. Hoogcr op krijgt men andere kleuren. ïn de nabijheid van de bijna geheel rechl loopende zijslreep heeft men een zilverkleur, terwijl de hovendeelen van het langwerpig, zijdelings samengedrukt lichaam verschillende kleuren vertoonen, zooals groen, grijs en bruin. l-Acnals de meeste zalmvisschen voedt de houting zich mot insekten, vischkuit, vischhroed en dergelijke.

Ook de adelvisch behoort eigenlijk in zee tehuis. In hel najaar, wanneer de rijtijd aanbreekt, trekt bij de rivieren op om kuit te schieten. In den regel bepaalt bij zich echter alleen tol den mond of den benedenloop der rivieren. De jongen blijven aldaar, totdat zij i 1 decimeter lang zijn. Opmerking verdient, dat de puntachtige snuit, vooral in den rijtijd, zich sterk ontwikkelt en bel meest in bel oog springt.

De Forel.

Beekforel: Trutta fario.

Regenboogforel; Salmo irrldea.

Is er eene vischsoorl, waarin in den laalsten tijd veel belang wordt gesteld, dan is het de Forel. Het ware te wenscben, dat deze viscb in ons vaderland zóó menigvuldig werd aangetroHen als b.v. de voorn. Hij zou dan aan velen een middel van bestaan kunnen verscbalfen, wijl zijn meestal wil, soms roodachtig vlecsch zeer gezocht is en duur wordt betaald. Tot dusver vindt men de forel echter maar op enkele plaatsen in Nederland. Slechts in de Geul bij Maastricht en in enkele heekjes in Gelderland is zij lot heden aangetrolTen, maar wellicht is de tijd niet ver meer, dal zij ook op andere plaatsen is te vinden. Het is alliums te hopen, dal de pogingen, om de forel meer inheemsch te maken, succes zullen hebben. Kn dat hierop kans bestaal, daarvoor strekken lot borg de vorderingen, welke in den laalsten lijd beeft gemaakt de kunstmatige vischkweekerij, waarover later eenige bijzonderheden zullen worden medegedeeld. De torellen zijn prachtige visschen. Veel overeenkomst hebben

-ocr page 42-

;!o

/.ij mcl don gewonen zalm. De laalstc is nog wel zoo slank. Ook heelt de lorei een Uorleren meer afgeronden siuiit, terwijl het plocgschaaiheen van voren eene korte driehoekige plaat vormt, die aan den achterdwarsrand met 3 ol\' I tanden bezet is en naar aehleren staartvormig uitloopt, en met eene dubbele rij sterke landen bewapend is. Kr zijn verschillende soorten van forellen. Voor het zoete water in ons land komen bijna nilslmtend in aanmerking de lt;icwonc beek ford (d/ h. !l) en de rcijeulxxxjforel (üfl). 10). Verschil in vorm is er tnsschen beide haast niet. Ook de kleur is vrij gelijk. Alleen is de regen-boogl\'orel wal dichter bezet met vlekken ol\' stippen en heelt deze langs hel lichaam eene mode streep, welke loopt onmiddellijk van den rand van het kieuwdeksel tot aan hel einde van de aarsvin. Ook is haar staart iets minder gevorkt dan die van de gewone lorei en de rugvin iets zwarter. In hel algemeen zijn de forellen van boven donker olijfgroen mei zwarte slippen en zijn de zijden groenachtig i^eel met roode vlekken. De buik is meer blank. De niet hooge rugvin is donker met lichten rand. terwijl de borst-en buikvinnen, althans bij de gewone forel, hoog geel zijn-Men hechte aan deze kleuren echter niet te veel. omdat ook bij dezen visch de gesteldheid van het water, de leeftijd en het jaargetijde daarop van grooten invloed zijn. Soms ontbreken de vlekken geheel en is de hoofdkleur veel donkerder of lichter. De forellen hebben in den regel eene bekwame lengte. Visschen van I en .quot;) decimeter zijn volstrekt geen bijzonderheden. Zij zijn niet gemakkelijk te vangen, omdat zij zeer schuw en ontzettend vlug in hunne bewegingen zijn. liet liefsl zijn zij in Hink stroomend wateren hoven zandigen of kiezelachtigen bodem, (iaarne verschuilen zij zich achter sleenen, boomstronken en dergelijke, om vandaar onverwacht hun prooi te bespringen. Daarbij maken zij een duchlig gebruik van hunnen staart, zóó zelfs, dal /.ij soms een Mink eind hoven den waterspiegel komen. De jonge lorellen voeden zich met insekien. vischkuit, jonge vischjes en in het algemeen met kleine waterdieren, maar

-ocr page 43-

31

voor de ouden is niels veilig. Deze leggen eene vraat/.nelil aan den dag, welke voor die van den baars en den snoek niel onderdoel.

De rijtijd van de forel is van Oeloher lot December. Kvenals de zalm, legt liet wijfje baar eitjes in een kuiltje. Nadat ze hevrnebt zijn, worden ze met zand bedekt en na ongeveer C» weken komen de jongen te voorsebijii, die reeds na 3 maanden de gedaante der onden bezitten.

De Karper.

De gewone of blauwe. (Cyprinus carpio.)

De Steenkarper. „ carassius.

De Bittervoorn. .. amarus.i

De karperaebtige visscben worden in meer dan 100 soorten verdeeld, maar van dit- soorten treft men sleebts weinige aan in ons vaderland. Onder de inbeemsebe, allen met \\ rij diep ingesneden of gevorkte staartvin, bekleedt de eigenlijke karper ((Cyprinus carpio) de voornaamste plaats. Ilij heelt een lange rugvin, die boven de buikvin begint tot boven de aarsvin zieb uitstrekten langer is dan de korteaarsvin De eigenlijke karj)er. die zeer oud kan worden, (naar men zegt kan bij wel 1\' ^ eeuw leven) wordt weer verdeeld in 3 soorten, ii.I. de lt;ilt;\'wou(\' of blamvkarpcr 12), de slem-, Lrnis-, of

imuuikdipcr ((\'.ijprinus carassius/ {afh. I.\'l) en de billcrvoorn (cijprinus amarus) {afh. I\'d.

De eerste beeft 2 korte baarddraden aan den bovenkaak, een matig gebogen rug, vrij dikke vleezige lippen en een vrij diep ingesneden staartvin. Ilij beeft den gewonen visebvorm , met dien verstande evenwel, dat bij ietwat ronder is dan b.v. de baars. Zijn kleur is meestal blauwacbtig olijfgroen. N\'andaar ook zeker de naam blauwkarper. De meesten hebben een paar rijen groote selmbben op de zijden van bet licbaam. docb er zijn andere, die gebeel van scbubben zijn ontbloot. De eersten noemt men spiegelkarpers en de laatsten lederkarpers. De scbubloozen worden eebter in onze wateren

-ocr page 44-

32

niet veel aangetrolfen; de spiegelkarpers daarentegen veel. Zelden zal de karper worden gevonden in snelslroomende rivieren. liet liefst houdt hij zich op in nieren of veen-plassen niet slijkcrigen grond. Ook hij hruggenhoofden vertoeft hij veel, wellicht, omdat aan het paal- en steenwerk zich meermalen insekten hechten, welke van zijne gading zijn. Hehalve hiermede, voedt hij zich met plantaardige stoffen en met wormen. De voorkeur geelt hi j echter aan de eersten. Vandaar dan ook, dat meest met hrood of aardappel naar hem wordt gevischt. Vooral in den herlst is hij gezelschap-zoet. Meermalen hebben visschers het geluk gehad hij onstuimig weder in een trek mei de zegen honderden, ja duizenden kilo\'s te vangen. \') In andere nelten, zooals hv. schakels, laat de karper zich niet hest vangen, omdat hij, voelt hij zich in het nanw gehracht, handig gehruik weet te maken van zijnen staart. Hij springt liever over dan in het net. In den paartijd (Mei en .Inni)verdwijnen degroote troepen. Deze lossen zich dan op in kleine troepjes, hv. van 3 of I. Volgens Dr. Burgersdijk ziet men meestal 1 wijfje, gevolgd door 2 of 3 mannetjes en is het niet onwaarschijnlijk, dat sommige mannet jes zich ook wel voegen hij de wijfjes van andere karpersoorten, waardoor verhastering ontstaat. Wellicht is het ook hieraan toe te schrijven, dat sommige karpers uitzondering maken op den algemeenen regel van groote vruchtbaarheid. De lengte en het gewicht van den karper zijn zeer verschillend. Zijn de meesten ongeveer 3 of I decimeter, ook zijn er die 1 meter kunnen halen en i 20 K.G. zwaar zijn. In den regel is het karpervleesch vrij smakelijk. maar met dal van de grootsten is dit niet altijd hel geval. Van dezen is het laai en hijua niet gaar te koken. Taai is ook het leven van den karper. Menigmaal is het geheurd. dat een karper weken achtereen huilen zijn élement in hel leven werd gehouden en dat, nieltegenstaande men hem had opge-

1» /no vingen lt;le visschers \\V. Fennema en W, IFofmeyer Ie Woudsend in den herfst van 1S% op de OudegaslerbreUken in 12 trekken met de zegen -4500 K.lt;i.

-ocr page 45-

33

hangen. Dit ophangen geschiedde eehler op bijzondere wijze. Een paar ronde gaatjes waren in de rugvin aangebracht; daardoor was een zacht, niet snijdend bandje gestoken, waarmee de visch aan een in den zolder geslagen spijker bevestigd was. Zoo nu en dan werden de kieuwen met een nat doekje een weinig bevochtigd en werd aan den ex-waterbewoner eenig in melk geweekt wittebrood toegediend.

Ofschoon de karper niet snel groeit, is hij toch zeer ge-schikt voor kweekvisch. Vooral in Duitschland en Oostenrijk heeft men dit ingezien. Daar zijn karperkweekerijen, waarmede in den regel goede zaken worden gemaakt. Gelukkig begint men ook hier te lande meer het belang in te zien van het kweeken van visch, speciaal van karper. Zoo heelt de beer Mansholt te Westpolder, gemeente l Irmn, Groningen. in den laatsten tijd eene belangrijke oppervlakte van zijne boerderij voor karperteelt ingericht en hebben ook eenige leden der aid. Amsterdam van de Vereeniging ter bevordering der Ned. visscherij onlangs een proef in die richting genomen, door in de vestingwaleren van hel fort Ie Spaarndam 201)0 jonge Gallicische karpers los te laten. Voor het welslagen dezer proeven is echter een vereischle, dat men den visch zooveel mogelijk in zijne leefwijze te hulp komt en vooral, dat men hem \'s winters bij vriezend weer gelegenheid geelt, om zich in de diepte Ie verbergen, zonder dat de noodige toevoer van versche lucht wordt afgesneden. Hij heelt dan anders niet veel eischen, beweegt zich weinig en schijnt als in een winterslaap te verkeeren. Anders is hel tegen den tijd van kuitschieten. Ilij is dan zeer bewegelijk en zoekt ondiepe plaatsen op, liefst voor/ien van waterplanten.

De tweede ondersoort van den eigenlijken karper, nl. de slrrn-, kruis- of maankdrprr ((\'.uprinus (lanissius), (afh. 13) is quot;^an den hlauwkarper zeer gemakkelijk Ie onderscheiden door zijn hoog en kort liciiaam, dal zekeren maanvorm heeft. Ook misl de maankarper de baarddraden. terwijl zijn staart fraai ingesneden is. De kleur is aan den rug donker olijfhruin en aan de zijden geelgroen. Ook zijn er, die iels brons-

-ocr page 46-

34

kleurig zijn. Deze zijn in den regel ook iels kleiner en hebben een minder hooge rugvin. De steen-, kruis- of maankarper wordt zelden in stroomend water aangetroffen, maar daarentegen veel in stilstaande wateren, als graehten om boerenplaatsen, veenplassen en dergelijke. Waar men één vangt, vangt men in den regel meer, want, al leelt deze karper niet evenals de blauwkarper in groote troepen bijeen, toeb is bij zelden alleen. Zijn vleescb is niet, althans minder lekker dan dat van laatstgenoemde. Ook ten opzichte van hel gewicht moet hij het den blauwkarper gewonnen geven. Kruis-of maankarpers van 1 K.G. zijn zeldzaamheden. In den regel wordt hij ook niet langer dan .\'5 a 1 decimeter.

De 3e ondersoort van den eigenlijken karper, nl. de biller-nooru, (dfh.l\'i) is nog veel kleiner dan de kruiskarper. Mij bereikt slechts eene lengte van enkele cM., terwijl de kop daarvan \' 4 gedeelte inneemt. Kvenals de kruiskarper heelt hij een kort, gedrongen lichaam met hoogen rug. Ook bij hem wordei geen baarddraden aangetroffen. De aarsvin is tamelijk lani en zonder harden stekel. Hij is zilverkleurig, met groen-aehtigen rug. De schubben zijn vrij groot. Aan weerszijdei van den staart, welke laatste even lang is als de romp, vind men een glanzige blauwe streep. In den rijtijd (van Mei to Augustus) is de kleur van den bittervoorn zelfs zóó mooi dat bij dan volgens velen alleszins kan concurreeren met dei goudvisch. Hij de wijfjes ontwikkelt zich in dien tijd eem dunne, lange, wormvormige buis, waarmede de eieren gelegi worden.

Verkeert de kruiskarper gaarne in stil water, de bittervoon verkiest stroomend helder water en niet al te weeken bodem Volgens Dr. Burgersdijk is deze kleine visch, die ook wel hi de voornsoorten wordt ingedeeld en bijna doorzichtig is, zee opmerkelijk. Zijn darmkanaal is zeer lang en spiraalvormi saamgerold, waarmede samenhangt de bewering, dat hi niet anders dan plantaardig voedsel nuttigt.

Zijn vleesch komt niet als voedsel in aanmerking, uit omdat het bitter is, zooals de naam doet vermoeden, maa omdat het vischje te klein is om als gerecht te dienen

-ocr page 47-

35

De Goudvisch.

Cyprinus auraiius.

I)e/c visch liecf\'l veel ovcrecnkomsl mcl den steen-, kruis-, of maankarper, maar is lang niel zoo hoog van rug. De ijoiulinsch (ufl). /.3) heeft meerden gewonen vischvorm, maar niel de gewone vischkieur. In den regel is hij, zooals de naam reeds aanduidt, goudkleurig, min of meer rood getinl. In den wilden staal is hij echter eenvoudig grijs groen. Sommige hehhen hij de goudkleur zwarte stippen, terwijl enkele zilverkleurig of grijs-hruin zijn. Ook hij dezen visch zijn temperament en omgeving op de kleur van grooten invloed. Tegen den rijlijd is /.ij hel fraaist. Bij de tamme exemplaren wordt op den kop dichl hij den hek meest al een klein hlaasje aangelrolfen.

De goudvisch is eigenlijk geen inheemsche visch. Naar men wil, is hij omstreeks 1728 van uit China in Europa ingevoerd. In Nederland kwam hij van uil Engeland. Daar heelt men groole goudvischhoeven. Zco ligt er een nahij Tunhridge Wells, (eigenaar de heer James Wels) welke (i groole vijvers hevat, die elk / (iOOO waarde aan visschen vertegenwoordigen. Ook in den slaat Indiana (Vereenigde Stalen) worden 2 \\\'an zulke hoeven gevonden, waarvan de een 10, de andere .\'}() acres groot is. Volgens opgaaf zou de grootste niet minder dan 20().()()() gondvisschen hevatten. In ons vaderland heeft men zoodanige hoeven niet. Slechts enkele vijvers zijn mei gondvisschen hevolkl. Met is evenwel bewezen, dat zij hier niel alleen in het leven kunnen worden gehouden, maar dal zij zelfs in helrekkclijk kleine vijvers willen telen. Men heeft er echter voor te zorgen, dat, waar /.ij zijn, in de eersle plaats snoek cu \\ erder zooveel mogelijk aal en haars worden weggehouden, want deze vraalzuchligen gaan met de gondvisschen niel zoo \\ i icndschappelijk om, als de laalsten wel met andere walerhc-^ oners. Ook ganzen en eenden /ijn minder passend in de nahijheid. Al worden de gondvisschen nooit hijzonder zwaar en ^rooC toch hlijven allen niel zoo klein en iicht, als velen nm\'I meenen. In goed aangelegde en zooveel mogelijk van

-ocr page 48-

3fi

vijanden gezuiverde vijvers, zijn vissehen \\\':in .gt; .) heclo-grani geen bijzonderheden. Zij voeden zieii nieesl mei pianlaardige sloften. In gevangenschap, d. w, z. wanneer men ze, om te genieten van de prachtige kleur, in glazen kommen laat zwemmen, zijn miereneieren, gedroogde m-sekten of stukjes onwel alleszins welkom. \') De ervaring heeft bewezen, dat men ze daarmee langen tijd, zelfs jarenlang, in het leven kan houden. Voor dit laatste is evenwel in dc allereerste plaats noodig: tijdige verversching van bet water. Zij, die een of meer goud vissehen in hunne luiis-kamer ter versiering bebben, moeten er voor waken, dat zoodra het heest aan dc oppervlakte komt en een smakkend geluid laat hooien, terstond het water wordt ververscht en dat bet nieuwe water, wat temperatuur betreft, niet te veel verschilt met het oude. Verzuimt men dit. dan kwelt men den viscb en beloopt men de kans hem spoedig te zien sterven. Voor bel uitnemen van den viscb dient een netje te worden gebruikt, opdat bel slijm, waarmede de buid omgeven is, onbeschadigd blijfl. Men kan hel veelvuldig ververschen van liet water echter voorkomen, door bij 100 gram water li voegen 1 droppels eener oplossing van \' 2 gram Salicylznm op :\'gt;()() gram water. Volgens verzekering van een goudviscb-handelaar hier te lande kan men zoodoende bel walei minstens 2 maanden frisch en helder houden. Ook kan he! lang goed houden bevorderd worden door eenige mossel schalen of kleine kiezelstecnen op den bodem van het glas li leggen, welke echter van tijd tol lijd gereinigd moeten worden Voorts zorge men, dal dc vischkom, welke vooral eene wijdi opening moet hebben, sta op eene koele, althans niet zonnigi plaats. \'s Winters dient er voor gewaakt te worden dal hel water niet bevriest, want, al is hel wel gebeurd, da\' ingevroren goudvisschen later weer geheel bijkwamen ei rondzwommen alsof er niets gebeurd was, het kan ooi

1, [„ ,1.- inximicii Novcmhcr. December. .Inminri on Februari moei men niet \' sl.rlils weinig bijvoeileren, in Maarl. April en Mei iels meer en in ile overige maanc. langzamerhand nog weer iets meer.

-ocr page 49-
-ocr page 50-
-ocr page 51-

«ebeuren, dal hel vischglas door de vorsl barsl imi de visch stert\'l. Olschoou niels gaal hoven regenwaler, kan loch ook leidingwater zeer goed voor hel bewaren van goudvissehen worden gebrnikl. Men lette er evenwel op, dat hel leidingwater door de sterke liltratie altijd schraal is en er dus een weinig meer bijgevoederd moet worden dan bij gebruik van regenwater.

Beweert men, dal de vissehen in hel algemeen, geen best gehoor hebben, de goudvissehen seliijnen op dezen regel eene uitzondering te maken, want hel is een teil, dat ze door Huilen aan de oppervlakte van hel water kunnen worden gelokt.

De Barbeel.

Cyprinus barbus.

Barbus fluviatilis.

1 lij, die den grondel kent, kent ook den barbeel (a/V). Ilgt;). Heide vissehen hebben vrij gelijken liehaamshouw. De barheel is in hel groot, wat de grondel in hel klein is. Het verschil in grootte staat L als i tot 1 en hel getal voel- of haard-draden; als 2 tot 1. De barbeel heelt er I, waarvan hel eerste paar ver naar voren en hel tweede aan den mondhoek zit. Aan de rugvin liecl\'t hij doornen, maar niet aan de aarsvin. Heide vinnen loopen puntig uil. De staart daarentegen is minder scherp, terwijl de insnijding niet driehoekig, maar meer holrond, meer gall\'elvonnig is, terwijl zij van eene zwarte omlijsting is voorzien. De lippen zijn dik. De bovenste steekt eenigszius vooruit.

De zijstree]), bij den grondeling eenigszius gebogen, is hij den barbeel meer recht en ook iels lager. Kvenals de eerste, houdt ook de laatste zich gaarne op hoven steen- of zandgrond. De barheel wordt echter op lange na niet zoo algemeen in ons vaderland aangetrollen als de grondeling. Tot dusver is hij slechts gevonden in rivieren, nooit in niet snel stroo-mende wateren. (iaaine verschuilt hij zich achter groote steenen, van waar hij onbemerkt zijn prooi beloert. Deze bestaat niet alleen uit levende dieren, als insekten en kleine

-ocr page 52-

38

visschcn, maar ook uit krengen en uil plantaardige stoffen. Hij leeft gezellig en wordt op sommige plaatsen meermalen in grooten getale aangetroffen. Zijn vleesch wordt door velen met smaak gegeten, maar is niet pleizierig te gebruiken om de veie graten, welke daarin zitten. Over het algemeen varieert de lengte van 6 tot 8 decimeter en is liet gewicht i 1 K G. Volgens Sciilegel is de rijtijd Mei en Juni. Naar men beweert kan het eten van de kuit voor den mensch zeer nadeelige gevolgen hebben. In Duitsehiand wordt de kuil door de landlieden als braak- ol\' purgeermiddel gebruikt.

De hovendeelen van den barbeel zijn groengrijsaehiig met een metalen weerschijn, welke kleur naar onderen allengs in een zilverwit overgaat. Daarentegen zijn de buikvinnen, de aarsviu en de wortel der staartvin min ol\' meer oranjerood.

De Zeelt.

(Tinea vulgaris.)

Deze visch, ook wel slci. nuiilhoinl cu loiiii\'gvnaamd/is door hare kleur gemakkelijk van de andere teonderseheiden. I)e zcell (lt;(//). 17) is donker met eenigszins goudaehligen lint. Hare .sclnd)l)en zijn klein, maar zitten Ier dege vast op den dikken, een weinig slijmachtigen huid. Zij heell twee kleine voeldraden en geen stekels aan rug- en aarsvin. De staartvin is nagenoeg rec ht of een weinig ingesneden. De buikvinnen. die bi j de man-neljes veel grooter zijn dan bij de wijljes, hebben stralen. De kleur der vinnen is zwartachtig, dat naar den wortel in donkergrijs overgaat.1) Zeer groot wordt de zeelt in den regel niet; I a .) dccimeler kan gerust als maximum lengte worden aangenomen, maar zij is naar evenredigheid dik. Zeelten van \'1 kilo zijn geen zeldzaamheid. In vorm heeft zij veel van een kleinen blauwkarper, maar hare zijden zijn een weinig platter. Ook bestaat er verscheidenheid van vorm. Dc een

1» In Duitschlnnd heeft men zcll\'s cene soort, die sterk goudkleurig is en daarom goud/eelt wordt genoemd.

-ocr page 53-

39

is veel meer langwerpig dan de andere. Vandaar dat sommigen de langwerpigen als eene afzonderlijke soort beschouwen. Veel wordt de zeelt aangetrolfen op modderige plaatsen, waar weinig of geen stroom is. Zij voedt zich met kleine insecten, maar voornamelijk met plantaardige stollen. L\'ilge-zonderd een klein gedeelte des jaars, leidt zij een stil lui leven. Zelfs de schakelvisscher met zijn jaagstok kan haar moeilijk in beweging krijgen en meermalen gebeurt hel, dal zij in een der zakken van het net verdwaalt, zonder dat dit door den visscher aan de kurken bemerkt wordt. Meest ligt zij stil en vooral in den winter, wanneer zij zich in het slijk verbergt. Alleen in den voortplantingstijd, in Mei en Juni, in den lijd dal de Vlier en de llagedoorn bloeien en bij mooi weder komt zij wal meer in beweging en aan de oppervlakte van het water. Zij is liefst in gezelschap, zij het dan ook, dat men haar niet in groote troepen aantreft. In den riilijd wordt een wijfje mecslal vergezeld door Iwee mannetjes. De zeelt groeit zeer snel en is bijzonder vruchtbaar. De dierkundige llarmer vond in een ex. van 2\' 2 pond niet minder den .\'JÓO, llt;S2 eieren. Het vleesch is niet erg gezocht, maar toch vrij fijn, mits het geheel ontdaan zij van de huid.

Vooral ook door haar laai leven is zij zeer geschikt voor exporthandel en het is hekend, dat speciaal in Duilschland, vrij hooge prijzen voor deze karpersoort worden gemaakt.

De Grondel.

(Gobio fluviatilis.)

I)v(/r(gt;n(l(\'l(dfh.M\'), ook wel grondelinggenoemd, kan, wal de grootte en het gewicht betreft, met de meeste visschen niet eoncurreeren. Hij is de kleinste van het karpergeslacht. In den regel wordt hij niet langer dan 1 decimeter en niet zwaarder dan 1 2 dekagram. Hij heeft een bijna gladden. eenigszins breeden kop, met een vrij dikken voel-draad aan elk der mondhoeken, een vrij hooge rugvin.

-ocr page 54-

40

smalle luiikviimen en een niel tiiep gevorklen slaarl. De huid, die ecu weinig slijnuielilig is, heeft aan de rugzijde eene hlauwaclilig olijfgroene kleur; de zijden zijn meer hiauw en de huik meer wil. Op den rug en aan de zijden zijn zwarte stipjes. Men ontwaart ook dikwijls langs den hoven-rand van de zijstreep eene zilveraelitige overlangsehe streep en hoven deze ó tot () zwartaehtige vlekken. Ofschoon de grondeliug in ons vaderland niet zooveel wordt aangetrollen ais h.v. in Duitschland, vindt men hem, vooral op plaatsen waar liet water helder en de hodem zandig is, toch meer dan men denkt. Aan vangen doet men hier te lande weinig, tenzij met hel doe! om hem als aas te gehruiken voor hel vangen van roofvisch, vooral van aal. Toch is het vleesch volgens kenners, goed van smaak. Het is min of meer zoet, vrij grol\' en stevig, terwijl het daarenboven de eigenschap heeft van licht verteerhaar te zijn. Hel gehruik er van wordt zelfs aan koortslijders veroorloofd. Vaugl men den grondeling aan den haak, dan is hij vrij levendig. Anders is hij vrij lui, zoodal Iiij wel eens de luilak onder de visschen wordt genoemd. Wil men hem met den hengel vangen, dan moet men niel haastig zijn en diep laden, wan! hel visclije hijl zeer langzaam en zwcml langs den hodem Als aas kan men gehrniken wormen, een slukje lijnkoek, vliegen of andere insekteu. Ook worden daarvoor wel gehrnikt versche nog niet geheel rijpe gerst-korrels, waarvan de huilensle schaal of holster verwijderd is. Men kan het vischje lokken dooi\' oeverzand in het water te wei pen of door met een tuinhark hel water min of meer Iroehel Ie maken. In Duitschland wordt de grondeling ook wel op andere wijze dan met den hengel gevangen, nl. door middel van rijshossen, vooral wanneer deze van den wijnstok afkomstig zijn. Deze hossen worden met een lijn en een slok in den grond gesloken. Het vischje gaal in die hossen nestelen. Men moet echter, wil men succes hehhen, de hossen vhii} ophalen en lerslond een uel daaronder honden, wijl de vlugge dierljes anders nog weer zouden onlkomen.

Ook vangt men den grondeling in kleine wateren mei

-ocr page 55-

41

zii in lilden, wierigeu bodem wel door middel van manden van wilgenteen. Men plaatst deze slroomahvaarls en bedekt ze met een bundel kruiden of groen. Boven den stroom ofwel boven de plaats, waar de korf is geplaatst, gaat men dan het water omwoelen en rumoer maken. De viselijes nemen versehrikt de vlueht en zoeken hun heil in de mand. Ook worden ze wel door middel van dicht gemaasde fuiken, waarin lijnkoek, gevangen. De lijnkoek is echter niet noodig, wanneer men den grond bovenstrooms gaat omwoelen of door drijfnetten de grondelhigcn als het ware naar de fuik jaagt.

Ook wordt wel als lokaas gebiuikt kaas, waaraan eenig reigervet of anijsolie.

De beste tijd van vangen is van Juli lot September. Op de andere tijden ties jaars bevindt zich het visehje méér in de diepte.

Omstreeks het midden van de maand Mei begint de gron-d\'.\'ling met het kuitschieten, dat ongeveer eene maand duurt. Als bijzonderheid kan worden vermeld, dat de wijfjes hare eitjes leggen in nestjes ol kuiltjes, welke gemaakt zijn dooide mannetjes. De laatsten bewaken de eitjes, totdat de jongen zijn uitgekomen. Verder schrijft men aan den grondeling veel tact toe, om zich voor zijne vijanden te verbergen. Hij voedt zich niet weekc plantendeelen, maskers van insekten, wormen, \\ ischbroed en het vleescb van doode in het water rottende dieren.

de Winde of windvoorn de Serpeling of witvisch het Alvertje of nesteling

de Blank of gewone voorn de Hesseling meun

Leucisscus. Abarnus.

De voorn behoort blijkens zijn licbaamshouw tot hel karpergeslacht. llij beeft eene korte rugvin, bijna even lang fis de aarsvin. Heide zijn zonder stekel. Ook zijn geen

-ocr page 56-

12

haarddnuien aanwezig. Het lichaam, vrij dicht bezet met ■sclmhhen, is langwerpig en niet hijzoiuler hoog. De mondholte is zonder tanden, maar daarentegen zijn in het keelgat jsterk ontwikkelde tanden, welke met vlakke, vaak gegroeide kronen wrijven tegen een hard glazuur, dat een aanhangsel is van het achterdeel der grondvlakte van den schedel. De voorn voedt zich veel met weeke, min of meer in ontbinding verkeerende plantaardige stoffen, maar ook zijn insekten hem welkom. Zell\'s zijn er, die kikvorschen en kleine visschen niet versmaden. Hij groeit snel en leeft gezellig. Men trelt-hem aan hij groote troepen en het is meermalen gebeurd, dat in een schakel meer dan .quot;)() sinks tegelijk werden gevangen. De vermenigvuldiging is sterk en het schijnt, dat de kleinen evengoed aan de voortteling deelnemen als de grooten; want menigmaal worden in den herfst nog geenszins volslagen visschen met vrij rijp kuil aangetroffen. Het is eigenaardig, dal de mannetjes in den rijtijd kleine verspreid staande kegelvormige luiidaanhangsels op den kop en de scbnbhen hebhen, die later weer verdwijnen. Tot deze vischsoort, ook wel met den algemeenen naam van ..hraadvischquot; aangeduid, behooren minstens 7 geslachten, welke hier inheemsch zijn. nl. de sneep, de ruisch of rietvoorn, de blanke of gewone voorn, de hesseling of meun, de winde of wind voorn, de sei peling of witvisch en het alvertje of nesteling.

Deze geslachlen onderscheiden zich door de volgende kenmerken:

De sneep {(tj\'b. 10), ook wel snijdei\'shoek en schoorsteenveger ishorl enxgenoemd, heeft eene lengte van t 3 a l decimeter. De \'siiuil breed en ki\'aakheeidg, terwijl de bovenkaak. die lensvormig verlengd is. hij de onderkaak vooruilsleekt. De schuhben zijn klein, de oogen grool, de zijslreep een weinig naar beneden gebogen, terwijl het buikvlies, bij opening van den visch, geheel zwart hlijkt te zijn. Zwart, althans donker, is ook de kleur der hovendeelen van hel lichaam; de zijden daarentegen ziju zilverachlig wit en de aars-, huik- en horstvinnen roodachtig. De sneep komt veel in onze rivieren voor en

-ocr page 57-

13

liondl zich liefst op boven steenachtigen en zandigen bodem. Zijn vleesch is week en min of meer zoet en wordt dientengevolge weinig gebruikt. De rijtijd is omstreeks Mei

De ruiscli- oï riclDoom (alb. 20), met sterk naar beneden gebogen zijstreep, is iels kleiner. Zijn liebaam is hoog en ineengedrongen. Hij beeft eene naar boven gekeerde mondopening en op de onderkeelgatsbeenderen aan weerszijden 2 rijen tanden. De aarsvin is niet langer dan de rugvin, welke tegenover de ruimte tnssebcn de karmijnroode luiikvinnen en de aarsvin is geplaatst. De rietvoorn, die, zooals zijn naam reeds aanduidt, zich gaarne op met riel begroeide plaatsen beweegt, is aan de rugzijde brninachtig groen, op de zijden geelachtig en aan den buik zilverwit. De schnbben zijn tamelijk groot en aan den wortel donkergroen. Kvenals bij den sneep is de l ijtijd in Mei. Ook zijn vleesch is weinig gewild.

De blanke- of cjcwüik\' voorn (afb. ?/) iieeft veel overeenkomst met den rietvoorn. De zijstreep is iets minder gekromd en hel lichaam iets minder gedrongen. De mondopening is niet naar boven gericht. Hij beeft maar eene enkele rij landen. De rugvin slaat tegenover de buikvinnen. De kleur van den blankvoorn is op den rug meestal groenachtig zwart, aan de zijden lichter en aan den buik zilverachtig. De aarsvin en de buikvin zijn rood. De eerste is de hellt langer dan de rugvin. De iris van het oog is goudgeel met eenen groenen kring. Ook van deze veel voorkomende voornsoort is het vleesch niet erg gezocht. De rijtijd is in Mei.

De hessclinfi (ajb. 22), veelal meun en ook wel viesvisch genaamd, is, wat den kop belrelt, grooter dan de gewone voorn. Ook is, hij iels ronder en lijner beschubd, terwijl de rugvin meer naar achteren is geplaatst. Hij heeft een platten snuit met ver naar achteren gespleten mondopening; de rugzijde is olijfgroen, verder is hij aan de zijden fraai zilverachtig wil. De rug-, borst- en staartvinnen zijn groenachtig, terwijl de buikvinnen en de aarsvin eenigszins oranjekleurig schijnen. Hij voedt zich met kleine waterdiertjes en plantaardige stoffen en schiet in hel \\ oor jaar kuit. Zijne gebeele lengte bedraagt i 3 decimeter.

-ocr page 58-

11

De winde of wiitdvourn (a/7\'. quot;23) wal geslalte, grootte

en leefwijze betreft, vrij wel op den hesselmg. Zijn schubben zijn evenwel kleiner en talrijker, terwijl de aarsvin een weinig langer en de kop iets minder hoog is. Ook zijn de vinnen meer karmijnrood gekleurd.

De serpeliug of irihusch {afb. ?\'/) is kleiner dan de hiervoren aangeduide voornsoorten. Ilij is Ie herkennen aan den spitsen kop. degroote oogen en zijne langwerpige gedaante. De hoogte van het lichaam is geringer dan de lengte van den kop en gaat omstreeks .quot;) maal in de geheele lengte van hel lichaam, zonder de staartvin. De onderkaak is een weinig korter dan de snnil. De huik is afgerond. De staart is vrij kort, terwijl de aan haren wortel geelachtige en overigens zwart gestippelde schubben middelmatig zijn. De hoofdkleur van dezen visch is, wat de bovendeelen betreft, blauwachtig olijfgroen. Overigens is hij meer zilverachtig wil. Ilij houdt zich hel liefst op in helder water met weinig stroom. De rijtijd is in Mei en .hmi.

Het iilncrljc ol de nc.slclinu [afb. 23) is nog weer kleinerdande serpeling. De lengte van dit veel voorkomend vischje is i 2 decimeter, liet lichaam is sterk zijdelings saaingedrukt en loopt zelfs tusschen de buikvinnen en den aars een weinig scherp uil. De aarsvin is langer dan de achter de buikvin geplaatste rugvin. De zijstreep daalt spoedig met aanzienlijke buiging naar beneden. De mondopening is naar boven gekeerd en de onderkaak uitstekende. Het vischje is aan de rugzijde groen-blauwachlig en aan de buikzijde zilverachtig. Om zijn vleesch wordt het alvertje, dat in Mei en Juni kuit schiet, niet gevangen, maar wel om zijne licht uitvallende schubben. Deze zijn zilverglanzig en verloonen van een middelpunt uilgaande stralen. Om deze eigenschap worden ze vooral in I)iiitscbl:nid veel gebruikt tot het maken van valsche parelen.

-ocr page 59-
-ocr page 60-
-ocr page 61-

1.quot;)

De Blei. i Abramis.)

Brasem. (I Kolblei. (

Lange Blei. (

(Cyprinus Brama.) ( .. Blicca.)

Heckeli. I

Tol do karperachtige visschen hchoorl ook tic hlci. Deze visdi. I)ij wien volgens Von Haehr, hel voorsle valv van de zwenihiaas hel gehoororgaan uilmaakl, lieell een korle rugvin ^ ecu \\rij lange aarsvin, heide zonder slekel. en een lainelijk hoog maar vrij plal lichaam. Ook hij heefl geen haard-draden en is Meer in ondersoorten ol\' geslaehlen verdeeld. Men onderscheidt de hlci in: brctscm, kolblei en laiu/c. hlci. De grootste en in liet algemeen meest lorsehe is de eerste, n.l. de bidscm (a/7». 26\'). Deze heell meermalen eene lengte van I ad decimeter en een gewicht van \'2 !gt;\' 2 kilo.1) Het breed ge-hogen of hoog gewclld lichaam is vleezig en sterk zijdelings saamgedrukt. Zijn kleur is groenachtig zwart op den rug en op den huik wil, terwijl de zijden min ol\'meer loodkleurig zijn. Hij heelt een betrekkelijk kleinen kop en mondopening, 2 rijen tanden en groole oogen. De schubben zijn dicht, vrij klein en min ol\'meer glanzend. De aarsvin is zeer lang. De borstvinnen zijn eenigszins puntig en hebben de lengte van den kop. De huikvinnen hebhen de grootte der horstvinnen en liggen tusschen deze en de aarsvin, welke laatste diep gevorkt is. De rugvin eindigt tegenover den aars, welke ongeveer in hel midden ligt van den al\'sland lusschen den achterrand der kieuwdeksels en hel begin der slaarlvin. De zijstreep vorm! eene beurdenwaarts gekromde lijn. In den voorlplantingstijd lt;v;in April tot .Inni) \\iudt men aan hel lichaam der mannetjes stompe kegelvormige \\\\ rallen, die aanvankelijk wil zijn, doch later geelachtig worden. Hel is dan vooral dal de brasem in groole troepen wordl aangclroHen en gemakkelijk is Ir vangen. I )(■ hoog zwangere wijfjes zoeken, in den regel gevolgd door verscheidene mannelj \'s, voor haar kroost een warm plekje op ondiepe plaatsen, waar de voorjaarszon hel water

1

In IHiilscliland zijn er wel gevanyen vim S til k.K.

-ocr page 62-

(mi (It\'ll bodem koestert. In prooien getale tuiinelcn hier de liomniers en wijfjes door elkander, dol van ijver en blind voor gevaar. Alle voorzichtigheid uit het oog verliezend, geraken ze soms op hel droge en geven in ieder geval door him gespartel en geplas den visseher eene zekere aanwijzing. waar voor hem een slag is te slaan. Door middel van de zegen (want met andere netten is de brasem moeilijk te vangen, tenzij niet expresselijk gemaakte brasem-netten) kan dan dikwijls een belangrijke buit worden gemaakt, soms van .quot;)()() kilo\'s en meer. Naar men wil, worden de eieren meest in den nacht gelegd en duurt het maar weinige dagen, dat deze uitkomen. Zoodra de jonge visschen als bij duizenden zijn te voorschijn gekomen, trekken de ouden weer naar de diepte. Zij bewegen zich liefst boven een leemaclitigen grond en gaan in liet slijk woelen om wormpjes, insekten en waterplantjes op te doen. liet vleesch van den brasem is niet zeer fijn. Daarbij komt, dat het wegens de vele graten moeilijk te eten is. In andere landen wordt het vleesch wel gerookt of gezouten, maar in Nederland geschiedt dit, voor zoover mij hekend, niet.

De kalhlci (dfl). 27) ook wel kolbliek, platter of alleen blei genaamd. is minder lorsch dan de brasem, maar nagenoeg van gel ijken vorm, iets platter. Haar kleur is blank met kleine zwarte stipjes, terwijl de borst- en buikviiinen roodachtig zijn. De zijstreep is nagenoeg recht, de aarsvin is korter dan bij den brasem en de snuit stomper. Daarentegen zijn de kop, de oogen en schubben grooter en is de staart hooger en korter. De iris van het oog is van boven groen met goudgeel afgewisseld en voorliet overige zilverachtig. Haar leefwijze komt \\ rij wel met die van den brasem overeen. De rijtijd is in Mei en in .luni. Ook de kolblei komt menigvuldig in onze wateren voor.

Veel minder wordt hier aangelrofTen de derde ondersoort der blei, nl. de Imujc blei {tijh. \\gt;S). Deze visch is min of meereen bastaard. Zij schijnt half blei, half voorn te zijn. Hare kleur is zilverachtig grijs, aan den rug olijfgroen, doch aan den buik

-ocr page 63-

1

-ocr page 64-

mmm.

-ocr page 65-

17

wil. De lange blei heeft veel overeenkomst mei de kol blei. Hare lengte is ook vrij gelijk, maar zij is minder hoog, terwijl de aarsvin korter is. De rngvin is /.warlaehtig met okergeel gemengd. De horst- en luiikvinnen, de aarsvin en de onderste helft van de staartvin zijn iels roodaehtig. Aan de ondervinnen kan men zwarte slipjes onderscheiden, terwijl er donkergele slipjes zijn aan elke schub van de zijslreep en gele en blauwzwarte op hel kieuwdeksel.

De Modderkruipep.

De groote. (Cobitis fossilis.)

De kleine. ( talnia.)

Ken eigenaardige visch mag gerust de iiioddcrkruipi-i-(nfh. Hl) genoemd worden. Men noemt hem ook wel weervisch, meerpoel en donder- of weeraal. Deze twee laatste benamingen heef! hij te danken aan de groote hoeveelheid éleclricileil, welke zijn lichaam kennelijk heval en die hem onrustig maakl, zoodra de temperatuur drukkend is. Veeltijds wordt de modderkruiper in een vischkom of aquarium gehouden als een soort weerprofeet. Is er slecht weer ophanden, dan is het beeslje haast niet in zijn apparlemenl te houden, terwijl hel daarentegen stil ligt, wanneer het weder fraai en bestendig is. De modderkruiper heelt een lang lichaam en een kleinen kop. Zijn huid is slijmerig en van kleine schubben voorzien. Aan den bek zijn van (i 10 voeldraden. Hij heeft geen stekels aan de rug- en de aarsvin. Zijne buikvinnen zijn sterk naar achteren geplaatst; de slaarlvin is roodachtig, lerwijl de mondopening gevormd wordt door gezwollen lippen. In Nederland worden 12soorten van dezen visch aangel rollen, nl. degrooleen de Liciiic moddcikniijx\'r {djh. .\'iO). Voorheen schijnt er nog eene .\'ïe soort te hebben beslaan, nl. de baardmodderkruiper, maar deze is in de laatste Jaren weinig ol niet voorgekomen. Hel verschil Iusscheu den grooien en den kleinen modderkruiper beslaat niet alleen in de lengte van hel lichaam (de eersle is a 1 decimeter en de laalste slechts 1 a l1^), maar ook in

-ocr page 66-

l.S

aiulerc opziclitcn. l)c groole hoiult cr 10, de kleine (i voel-draclen op na. De eerste, met geelachtigcn huik, is bruinachtig zwart met vijf gele en hruine overlangsche sliepen en donkere vlekjes, de kleine met zijn door zwarte vlekken gemarmerden kop, is wat de hovondeelen hclren, rosaciitig hiuin en wat de ondcrdeeien aangaat geelbruin, naar den hek meer witachtig en aan weerszijden met drie overlangsciie rijen zwarte vlekken. De groote verkeert Helst in stille wateren met modderachiigen hodem, terwijl de kleine hij voorkeur N\'erloel\'l in stroomend water met zaïuligen en stecnachtigen grond. Beide worden hier te lande niet iu groote hoeveelheden aangetrofTen, doch de groote soort nog het meest, \'s Winters verbergt de modderkruiper zich in hel slijk, hetgeen hij ook doel, wanneer quot;s zomers zijne verhlijlplaats droog wordt. Wel 2 maanden kan hij buiten water. Hij verkeert dan in eene soort van slaap, waaruit hij ontwaakt, zoodra hij weer iu liet water wordt gehrachl. Volgens I)r. Murgers-dijk heelt de inothlerkruiper in gevangenschap de gewoonte, zijn snuit nu en dan hoven do oppervlakte van hel water te steken en luclit te slikken, waarbij hel kieuwdeksel stevig gesloten wordl gehouden. De lucht dringt dan door de darmen en wordt door liet uiteinde van hel darmkanaal als Maasjes weer uiigestooten, maar veranderd, geheel op dezelfde wijze als hij de ademhaling. I lier heeft men dus eene ademhaling door middel van de darmen. Het voedsel van den n odderkruipei bestaat uil wormpjes en de maskers van inseklen. De rijtijd is vroeg in hel voorjaar, uiterlijk Mei. llelvleesch dezer vreemdsoortige visschen wordt niet veel gehrnikt, maar door sommigen voor eene lekkernij gehouden.

-ocr page 67-

I!l

De Snoek.

(Esox lucius.)

in de Ned. Visscherij-Coiiranl van 2!) Oct. 1lt;SU2 werd een zeer lezenswaardig opslel geplaatst over „de wapenen der waterdieren. Daarin kwam het volgende voor: „In onze zoete wateren leeft ook een soort viseh, die er een ontzaglijk gebit oj) nahoudt, namelijk de snoek, die ook om zijn vraatzucht wel de haai van het zoete water genoemd wordt. Alles wat leen is van zijn gading; niets is voor hem veilig; jonge eenden trekt hij naar heneden, duikende watervogels pakt hij hij den kop, visschen van allerlei soort worden door hem ingeslikt en hij ontziet zelfs daarbij zijn eigen familieleden niet. Een visscher, die wel eens met zijn gebit heeft kennis gemaakt, zal er wel voor zorgen, dal hij in het vervolg op eenigen afstand blijft van den bek van een snoek.quot; Het vorenvermelde moge sommigen wat overdreven voorkomen. toch valt op de waarheid daarvan niets af te dingen. De snoek (ajb. ■gt;]) is de schrik van alle waterbewoners en wordt dan ook met het meeste ontzag behandeld. Het is hem aan te zien, dat hij niet te vertrouwen is. Hij heeft ietsonverge-noegds in zijn uiterlijk en is zich kennelijk bewust van zijne overmacht. Wanneer hij zich omwendt of zijn bek met vlijmscherpe tanden opent, neemt alles wat in zijne nabijheid is de vlucht, (leen waterdier is voor hem veilig, dan alleen de kleine stekelbaars, voor wiens doornen hij eerbied schijnt te hebben. Wat hij eenmaal heeft gegrepen, kan zich ook verloren rekenen; want zijne tanden slaan binnenwaarts, zoodat loslaten hoogst moeilijk gaat. Kn dat er bij hem nog al iets naar binnen wordt gewerkt, bleek eens bij zekere gelegenheid, toen in de maag van een i \'2 K.d. /.waren snoek nog vrij onverteerd werden aangetroffen, \'i waterratten, een groote pad en eenige kleine visschen. Algemeen is dan ook het beweren, dat een snoek in een week ongeveer hel dubbele van zijn gewicht aan voedsel noodig heeft. Volgens sommigen gaat hij op geregelde tijden ter jacht, maar veel is er zeker voor te

-ocr page 68-

50

zeggen, dat de jachttijden in verband staan met de ledigheid der maag. Gaarne verschuilt hij zich achter een voor-uitstekenden hoek of bocht, om plotseling op zijn prooi los te schieten. De visschers houden met deze voorliefde ook rekening. Onwillekeurig leeren zij de plaatsen kennen, waar de snoek zich gaarne ophoudt, en vrij zeker kan men zijn, dat, waar eens een snoek wordt gevangen, later allicht ook een tweede en een derde zal worden buit gemaakt.

De snoek is een fraaien visch. Zijn romp is nagenoeg overal van gelijke hoogte, uitgezonderd het achtergedeelte, dat sterk afneemt lot op meer dan de helft. Hij heefl een grooten spitsen, platten bek en een lang slank lichaam, dat aan de zijden niet erg is platgedrukt. Hij is bedekt met fijne schubben en van een dikke huid voorzien. Een vetvin is niet aanwezig, terwijl de rugvin evenals de aarsvin ver naar achteren is geplaatst. Zijne kleur is zeer verschillend en hangt veel af van den leeftijd en de geaardheid van den grond, waarboven hij Ie,\'ft. Over het algemeen is hij van boven olijfbruin of zwartachtig, op de zijden grijs gevlekt, en op den buik wil, soms met enkele zwarte stippen. De borst- en buikvinnen zijn lichtbruin of roodachtig, doch de overige vinnen iets donkerder. Hel zijn vooral de drie achterste vinnen, waardoor hij zijn lichaam een pijlsnelle vaart kan geven.

De schaartijd is voor den snoek Maart en April, in welke maanden hij gemakkelijk is te vangen. Hij schijnt dan blind te zijn of te veel te droomen over liefde. Zeer lang kan hij dan staan aan of nabij de oppervlakte van het water, zoodat men hein door strop, kogel of harpoen gemakkelijk kan verrassen.

Omtrent de lengte en het gewicht, welke de snoek kan verkrijgen, bestaan verschillende opgaven. In Hombouts ..Artisquot; wordt gesproken van snoeken van \'2 Metei en 70 pond, maai\' meer aannemelijk is eene lengte van 1 Meter en een gewicht van hoogstens 20 Iv.G. Kn dat de snoek hard groeit, bleek mij meermalen. Binnen een jaar werden kleinen, die

-ocr page 69-
-ocr page 70-

. 91

■ ■ •

- Ife. ■

-ocr page 71-

51

door hunne geringe afmeting in lt;le aalfuik verzeilden, zóó groot, dat zij in het volgend seizoen in schakels konden worden gevangen, waarvan de mazen een cylinder doorlieten van .\'gt;2 inM. middellijn. De leeftijd van den snoek is moeilijk met zekerheid te bepalen. Hier te lande is bewezen, dat hij wel eene halve eeuw oud kan worden. In 1lt;S(.)2 toch werd door een schipper op de Dieze een snoek gevangen, die hij onderzoek om het achterlijf een koperdraadje had, dat echter voor een goed deel door een vrij dikke vleeschlaag overdekt was en een metalen plaatje droeg met het jaartal 181.\'}. In de laatste afdeeling van dit werk wordt echter gesproken van een in Duitschland gevangen snoek van 2()7 jaar.

D e E 1 ft.

(Clupeo Alosa.)

Deze visch heeft, wat leefwijze betreft, veel van den zalm. Ook hij behoort eigenlijk in zee te huis, maar trekt in het voorjaar bij scholen de rivieren in, om zich daar te vermenigvuldigen. Kveneens bestaat wel eenige overeenkomst wal den lichaamsbouw betreft. De zalm is echter slanker. Ook heelt de clfl Utfh. .T2) grootere hoogte; de kop is stomper en de rugvin en de aarsvinnen zijn eenigszins breeder of for-scher. Daarentegen zijnde buikvinnen iets smaller. Ook heeft de zalm niet, zooals de elft, zekere zaagtandachtige insnijdingen aan den buik. De kleur van den elft komt vrij wel overeen met die van den haring, tot wiens geslacht hij ook behoort. Op den rug is hij staalblauw, iets groenachtig, terwijl de zijden en onderdeelen zilverwit zijn De rug- en de staartvin zijn boven grijs en de overige vinnen vuil wil. Aan weerszijden van den rug heeft de elft verschillende ronde zwarte stippen of vlekken. Bij de jonge visschen komen deze het meest uit. Worden ze niet meer aangetrolfen of zijn ze onduidelijk, dan mag genist worden aangenomen, dat de visch al op leeftijd is, hetgeen tevens

-ocr page 72-

aan het ^emis van tanden is te bemerken. Slechts de jonden hel)hen landen in de kaken, doch deze tanden verdwijnen met de jaren.

Het middenkaakbeen iieel\'t van voren eene tamelijk diepe eenvondige insnijding, terwijl ook de staart van eene vrij diepe insnijding is voorzien.

In verhouding tot het geheele lichaam heelt de ell\'l kleine schnhhen. .Meermalen bereikt deze visch, die zich met allerlei waterdiertjes, vischkuit en jonge vischjes voedt, eene lengte van li tot lt;S decimeter en nadert hij het gewicht van tot I K G. De trek van uit zee naar de rivieren geschiedt m April en Mei, terwijl in Juni en Juli de kuit wordt geschoten. Na deze werkzaamheid trekken de oude visschen naar zee terug. Het ligt voor de hand, dat de mensch van dien Irek-tijd gebruik maakt, om ze in zijne netten te doen verzeilen. Meermalen geschiedl dit met veel, op andere tijden mei betrekkelijk weinig succès, waaruil wordt afgeleid, dat de trek, wal de hoeveelheid visch betrel\'l. vrij ongelijk is.

Met vleesch van den elft is zeer gezocht, maar iels Iranig. Het wordt zoowel versch als gerookt gegeten.

De Kwab- oT Puitaal.

(Gadus Lota of Lota Vulgaris.)

Deze visch schijnt een bastaard te zijn. Terwijl hel achtereind lijkt ()|) dal van een aal, doet hel vooreind aan een gewonen visch denken. Op fraaien lichaamsvorm kan deze gevinde wnlerhewoner geen aanspraak maken. Ook de klenr is verre van praclilig. De hoofdkleur is lakgeel. hetgeen op den onderkanl in wil, en op den bovenkani in bruin overgaat. Daarenboven vind! men op het lichaam zwarle vlekken, zoodat de visch wel gemarmerd lijk! Verder is de l.iiHihiidl ((///). i gemakkelijk Ie onderscheiden aan zijne in een punt uilloopende slaarlvin en aan zijne twee rugvinnen.

-ocr page 73-

Is de eerste of voorste van deze twee maar klein, de laatste is des le grooter en loopt evenals de aarsvin, geheel tol de staartvin. De horstvinnen zijn rond en vrij goed ontwikkeld; daarentegen zijn de iniikvinnen klein en de voorste stralen daarvan pnntig en onregelmatig lang. De huid is van kleine selmhben voorzien en in den regel slijmerig. De lengte is ongeveer .\'5 decimeter. Op ongeveer het midden van het lichaam is de aars ol\' uitmonding van het darmkanaal. De hoogte van den visch staat tot de lengte t als I 5. De kop is niet groot. De kin is van een voeldraad voorzien. De kaken en het ploegschaarheen zijn met eene hreede rij landjes gewapend.

Veel komt de kwabaal hier le lande niet voor. Hij voorkeur houdt hij zich op in diep strooniend water. Men vangt hem niet gemakkelijk, wellicht tengevolge van zijne gewoonte, om zich onder steenen, hoomwortels en dergelijke voorwerpen te verschuilen. Vooral in hel najaar verzeilt hij wel eens in een aalfuik en geheurt dit, dan is dit een leeken, dat men de fuiken wel kan opbergen, wijl, als de kwah verschijnt, de aal verdwijnt. Hel vleesch van den puilaal is voor sommige personen eene lekkernij, maar verreweg de meesten wenschen hel niet le eten, omdat de kwah voor hen een visch is van verdachte kleur en vorm.

(ïeiijk de meeste zijner collega\'s leeft deze walerhewoner van inseklen en jonge visschen. Kvenals als de gewone aal heelt de kwabaal een laai leven.

Volgens prof. II. Schlegel is de rijtijd in februari en Maart.

De Aal or Paling

(Anguüla Vulgaris.I

Allereerst wordt opgemerkt, dat (Kil en jxilirni uifh. .7\'n niet, zooals velen meenen, twee verschillende vischsoorten zijn. Zoodanig verschil bestaal er niet, tenzij men de grooten paling en de kleinen aal wil noemen. Wel heeft men.

-ocr page 74-

zooals straks zal worden vermeld, verscheidenheden, hoofdzakelijk in opzicht lol den kop, maar deze wetligen niel de meening, dal de een aal en de andere paling is.

De aal of paling onderscheidt zich van de andere vis-schen op in hel oog loopende wijze en wel voornamelijk door hel slangvormig lichaam. Van voren is hij rond, doch naar den staart zijdelings saamgedrukl. Bnikvinnen heelt hij niel, maar de rugvin en de aarsvin zijn groot en vormen, nilloopende, eene ptmlige staartvin. De borstvinnen zijn evenals de kienwgaten klein. Ook de kop is verre van groot en in den regel zeer spils. Kr zijn echter, welke op dezen regel uilzondering maken. Vandaar dal sommigen spreken van rijnkoppen en dik- of jankoppen olquot; grolalen. Ook voor den Kngelschcn nalunrkundige .larrel was de hi\'eedle of hel puntige van den snuit een moliel\' voor hel maken van onderscheid. Volgens hem beslaan er punlsnuiligen, hreed-snuiligen en alen mei middehnaligen snuit. De mond wordt alleen door de tusschenkaaksbeenderen, nit\'l door de hoven kaaksbeenderen begrensd, terwijl de slijmhuid oogenscliijulijk geen schubben beval. Toch heel\'l onze gewone zoetwater-paling lijne, dunne schubben, maar deze bedekken elkander niet en zijn vrij diep in de lederhuid gelegen. De kleur van den aal is zeer verschillend en niel te allen tijde gelijk, tenzij men ook hier weer slaat voor eene verscheidenheid. In het voorjaar toch wordt meestal aal gevangen, twijiclachtig donker op den rug en van ietwat roode kleur op den buik, terwijl in hel najaar de aal bepaald donker op den rug en blank aan den buik is. Sommigen noemen de eerslen ropaal, de anderen schieraal; doch hoewel ook dil heenwijst naar verschil, zijn er toch maar twee soorten van aal olquot; paling, n.1. de zoetwaleraal en de zeeaal. De eerste heeft 111 a 1 Ki wervelbeenderen, de laatste lóli; hij den eersten begint de rugvin op geruimen afstand van den kop, bij den laatslen onmiddellijk achter den kop. Ook is de eerste kleiner en komt de zeeaal nooit in zoetwater voor. Kr zijn echter ook nog andere verschillen. De kop van den zeeaal

-ocr page 75-

DO

is smaller, terwijl de bovenkaak voor de onderkaak uitsteekt. Ook heeft hij behalve de kleine tanden eene rij groote, en is dc kleur van het lichaam aan de rugzijde grijshruin.

Het zwemmen van den aal gaat schijnbaar vrij moeilijk. Hij .schroeft of wringt zich als het ware door zijn élement. Vooral wanneer hij zich snel wil verplaatsen, kost dit hem veel inspanning. Het water biedt weinig steun aan de hewe-gingsorganen. Bij het voortbewegen vervuil de staart een hoofdrol. Terwijl de onparige vinnen schroefvormige bewegingen uitvoeren, beschrijft de staart eenigc golvende lijnen. Hel zijn de borstvinnen, waardoor de aal van rich-ling verandert. Hij gebruikt deze evenals de roeiers hunne roeispanen. De zwemblaas stelt hem in staat in het water le rijzen ol\' te dalen. Meestal bevindt de aal zich aan of in den bodem. De weersgesteldheid heeft op zijne bewegingen grooten invloed. Hij ruw weder is hij veel in beweging, vooral als die weersgesteldheid gepaard gaat met duisternis. Daarentegen ligt hij \'s winters bijna altijd stil. Hij houdt dan verblijf in de diepte, in het slijk en den modder, waaruit hij eerst hij verandering van weder te voorschijn komt. In den winter eet de aal weinig of niet. Hij is anders een veelvraat en zon zeker niet aarzelen op groole dieren jacht le maken, ware het slechts dat zijn van zeer scherpe landen voorziene bek wat grooter afmeting had. Door de kleinheid van mond moet hij zich tevreden stellen met visch-knit, kleine dieren, zooals wormen, jonge kikvorschen, kleine visschen en dergelijke. Ook aast hij veel op krengen. Zells heeft men hem een enkele maal uit een cadaver zien kruipen. Dil neemt niet weg, dat zijn vlcesch, zoowel gestoofd als gebraden of gerookt, recht smakelijk is en duur betaald wordt. Vandaar dat de aal een belangrijk handelsarlikel is geworden. Ook de taaie huid heeft handelswaarde. Deze wordt veel gebruikt aan dorschvlegels.

De aal groeit snel, zooals meermalen is opgemerkt door houders van kunstmatig aangelegde aalvijvers. Palingen van I a 5 centimeter waren na 1\' 2 jaar ö a (i decimeter lann. Hoe

-ocr page 76-

56

/,\\vn;ir cii lioe oud ze kiinuen worden is tnoeilijk te liepalen. NOlgens d ■ verzekering van vele visseherlieden van l)ei()ej), vangt men in het zoete water zelden palingen zwaarder dan .\'5 k.g. Kr zijn eeiiler nog wel zwaardere, wijl in den zomer van 18lt;S() le lleerenveen in cene droge sloot een paling werd gevonden, welke een gewielit had van l12 k.g. Zeker is liet, dat de aal zeer oud kan worden. Door l)r. Venema wordt in zijn werk „De visseherij in de provincie (Ironingenquot; een voorbeeld aangehaald van een paling, welke van 13 Dec. hSLW tot KSC).\') in hel bezit was van een en dezelfde familie. De bedoelde paling was dus minstens \\M jaar. De vraag blijft echter, boe-veel Meimaanden bij reeds luid beleefd, toen hij in het bezit der familie kwam. Dit en liet feit, dat een dier in den regel langer in vrijheid dan in gevnngenschap leeft, doet vermoeden, dat voor den aal een leeftijd van 4(1 a öO jaar alles zins mogelijk is. In liet Allnun der Natuur is zells sprake van palingen van \'.KI jaar.

Wil men een aal lang in het leven houden, dan drage men vooral zorg voor zijne slijinbuid. Kene min of meer ernstige beleediging van dc/.c kan den dood van het dier veroorzaken. Wordt eene beleediging ontdekt, men ver-zuime inet, de aal terstond in stiooinend water te brengen. Hij heeft dan veel kans zich weer le herstellen, terwijl bij in stilstaand water bepaald sterfl. Eigenaardig is ook, dat een gevangen aal in een emmer mei water spoediger dood gaat dan in vaatwerk zonder water. Vrij zeker is dil hieraan toe le sebrijven, dal bet slijm van de huid bel betrekkelijk kleine volume water le veel vervuilt, zoodal de kieuwen niet meer naar belmoren bare functien kunnen verrichten. Ken feit is bet althans, dal ook andere vischsoorlen spoedigsterven, wanneer zij met den aal eene beperkte ruimlen deelen, waarin bel waler niet telkens verwensehl wordt. Met leven van den aal is anders bijzonder laai. Zoo is wel beweerd, dal palingen, die zonder verbri jzeld le worden, door vogels als spijs genuttigd werden, zich in korten lijd door het darmkanaal heenwerklen en na kennis gemaakt le hebben met het in-

-ocr page 77-

o/

wendige van den vogel, hun leven weer in een meer passend élement gingen voorlzellen. Ook is iiel gebeurd, dal een aal, die des Zondagsmorgens gevangen en van de huid en ingewanden ontdaan was, des Dinsdags d a.v., toen hij in moten gesneden en ge/ou ten werd, nog spiert rekkingen te zien gal\'. (ïelukkig mag men aannemen, dal, zoodra de Uop is vernield, hel eigenlijke leven oplimidl en er dus van geen bewust lijden meer sprake kan zijn. Ware het anders, de taaiheid van hel leven zou voor den aai een bron van smarten zijn.

Omtrent de voortplanting heelt langen lijd twijfel beslaan. Verreweg de njeesle vissehers welen daarvan weinig oi\'niels. Sommigen durven zelfs beweren, dal de aal levende jongen moei voorlhrengen, omdal zij in hel lieliaam nooil knil hebben aangelrolTen, maar wel kleine op wormen gelijkende diertjes. Toch is deze bewering onjuisl. De nalnurvorsehers\') hebben den paling reeds lang als een eierleggenden viseherkend en uilgeniaakl, dat de bovenbedoelde diertjes spoel wormpjes zijn. De Hussisehe geleerde Syrske was een der eersten, zoo niet de eerste, die dil heeft onldekl. Hij vond in de vrouwelijke paling zekere slof. hij de vissehers onder den naam van aalvel bekend. Door middel van hel mieroseoop lelde hij in de kuit van een paling, die .\'5 iv.G. woog, ruim D.OOO.OOO eieren. Door andere geleerden is deze meening over de voorlplanling alleszins bevestigd. -)

Onze zoelwalerpaiing is volgens hel vrij algemeen beweren uil zee afkomstig. In hel voorjaar, zoo is vermeld in eene in Duitsehland uilgekomen broehure \\aii den heer .1. \\\\\' Vogel, komen geheele seiiaren kleine \\ i.ssehen de monding der rivieren in en zoeken hel zoetwater op. Hel zijn alleen de wijfjes, die deze toehten volvoeren; de manneljes blijven aan de monding achter. Zijn de palingen in de bovengelegen

1\' Niet allo. Hlanrhard sprak lot-h in IWiC» o|KMilijU als /.ijne meeiiiiiff uit, »i;«l «Ie :i:il liooj^slNvaarscliijnlijk ongeschikt is tot vooiiplantin^ on dat hij eerst verandering nun\'t onderdaan alvorens hij aan de wet van \\ ermeni^vnhli^ing zal Kunnen voldoen.

2) Volgens prof. (i. H (irassi te Koine /.on een viseh. tol du toe hekend onder den naam van; .Leptoeephalus hrevirostris, de larve van den gewonen aal «»1 paling zijn.

-ocr page 78-

58

wateren een ;i twee pond zwaar geworden, dan trachten zij de zee weer te hereiken, om daar kuil te schieten, in donkere nachten hekken zij snel stroomafwaarts , om de gehoorteplnats, de zee, weer op te zoeken, die dan ook meestal hun graf wordt; want een paling schijnt maar eenmaal knit te schieten en vervolgens te sterven. Die trek heeft plaats uitoriijk tegen het eind van de maand Xovemher.

De mannetjes onderscheiden zich van de wijfjes door een geringere grootte , door een eenigszins kleinere rugvin, een spitser hek, glanzende zijden en sterk te voorschijn tredende oogen. liet kuitschieten schijnt ongeveer in\'t laatst van December of l hegin van Januari te vallen. Zekerheid omlrent de grootte der palingeieren heeft men niet. wijl nog niemand rijpe kuil van den paling gezien heelt.

Iedere paling, die ten onzent gevangen wordt, bezit vol-j^ens de anatomische onderzoekingen van dr. Zacharias een geelachtig wit orgaan in den vorm van een band en ter breedte van een vinger, dat zich opgevouwen langs de ge-heele wervelkolom uitstrekt en reeds in 1780 door den Deen-schen nalnnronderzoeker Muller voor een eierstok werd gebonden.

Voor zoover thans de bijzonderheden van de voorlplanting van den paling hekend zijn . kan men als zeker aannemen, dal alle palingen, die meer dan 25 mijlen diep landwaarts, in de binnenwaleren hun verblijf houden , benevens hel grootste deel van die, welke in brak water leven, wijfjes zijn, maar wijfjes met onrijpe eieren.

l egen het einde van den zomer gevoelen de grootsten, die reeds eenige jaren ond zijn en zich van de jongere onderscheiden door een donkergrijze kleur, een aandrift om stroomafwaarts U\' zwemmen, (iedurende dien tocht groeien de eiljes in den eierstok tot ongeveer de dubbele grootte, van 0.1 lot 0 2! mM . maar blijven alsnog voor het bloote oog onzichtbaar en bereiken nooit hunne volkomene rijpheid . zoolang de wijIjespaling nog niel den riviermond heeft verlaten en zich met de daar rondzwemmende maimetjes naar de diepten der

-ocr page 79-

zee heeft begeven , waaruit nog nooit een enkele opgehaald is. in hel voorjaar komen eene ontelhare menigte jonge palinkjes ter grootte van 5 lolScM. de monding derstroomen hinneimvemmcn, zoodal men als bewezen müg beschouwen , dat de geboorte gedurende den winter in het diepe zeewater plaats vindt.

Deze tochten der palingen, waarhij zij allerlei hinderpalen, zelfs watervallen, weten te overwiuueu, geven den vischteler eene vingerwijzing, iioe hij de vreemdelingen uit de zee in zijne wateren opnemen en lol zijn voordeel opkweeken kan. Met is daarbij van belang, door hel wegnemen van hinderpalen den toegang voor de jonge dieren gemakkelijk le m;i-ken door middel van slooten. Heeft men die gelegenheid niet, dan moet de toevluchl genomen worden lol hel onl-hieden van jonge visschen uit stroomafwaarls gelegen visch-water. Voor eene verzending per spoor is hel aan le hevelen, Iweejarige visschen le nemen , w ijl deze meer weerstands-verinogen bezillen.

Wat de voedering en de verpleging van den paling aangaal. dient men te bedenken , dal ieder rustig slroomend en nog meer ieder slilslaand water een rijken overvloed van allerlei kleinere en grootere walerdierljes beval, ja, dal zelfs in een druppel een heirleger iufusiedierljes zijn le ontdekken. Al die levende wezenljes vormen in den eersten lijd hel ge-schiklsle voedingsmaleriaal voor den jongen paling. Deze is echler, vooral in hel wanne jaargetijde, buitengewoon vraal-zuehtig. Iu betrekkelijk korten lijd heefl bij hel water gezuiverd, zoodal de teler er op bedacht moet zijn, den voorraad le vermeerderen. W il men uu geheel volgens de regels den paling van voedsel voorzien, dan zei men in de nahijheid van den vijver een kisl oi\' een Ion . die men mei slijk uil sloolen en eenige emmers waler uil een poel of moeras ge-deellelijk vuil. Vervolgens vischl men met een net van gaas eenige slootjes af, spoell den inhoud eveneens in de Ion , hrengl daarin nog wal walerplanlen . en eeuige koemesl en overgiet len slotte hel geheel mei eene hoeveelheid waler.

-ocr page 80-

60

Wanneer de zon daarop eenige dagen schijnt, ontwikkelen zieli in die massa eene ontelbare menigte diertjes. Iedere week giet men de ton ledig in den vijver. Doet men dit voorzichtig en brengt men telkens nieuw water op hel overgeblevene, dan heelt men een geruimen lijd voedsel. Het spreekt van zelf, dat oudere palingen hehoelte hebben aan meer degelijk voedsel.

De Prik ol\' Lamprei.

iPeiromyzon Fluviatilis.I

De prikken Uifb. ■\'{■\'gt;) zijn vrij wel de minst bewerktuigde visschen. Zij hebben een wormvormig lichaam en geen borst- ol\' buikvinnen. Hun huid is slijmerig en bevat geen schubben. Volgens i)r. Hurgersdijk bestaat de wervelkolom uit eene eenvoudige streng en zijn er geen ribben aanwezig. Wel is er een schedel lol omsluiling der hersenen . maar deze is zoo onvolkomen , dat men de verschillende onderdeelen niet kan onderscheiden. De kaakbeenderen ontbreken; de lippen worden slechts door eenige kraakbeenderen ondersteund. De mondopening is kringvormig en omgeven door vleezige lippen. Aan den bovenrand der mondholte worden hoornachtige tanden aangetroHen en wel, behalve vele kleinere, i ol\' \'2 grootere; aan den onderrand is een soort plaat, welke in verschillende punten uitloopt. Hel darmkanaal loopt rechl naar adderen en laat ternauwernood eene afscheiding tusscben maag en darmen ontwaren. Van de zwemblaas is bij de Prikken geen sprake. Daarentegen is het hart vrij goed ontwikkeld. Aan weerszijden van den slokdarm liggen de kieuwen en wel in (gt; a 7 paren van zakken met spicrachligen voor samentrekking vatbaren wand. Deze kieuwen staan met den slokdarm in verbinding door een enkele bins. De oogen zijn groot en duidelijk zichtbaar. Hel reukorgaan is niet dubbel, maar enkel en bezit eene tusscben de oogen gelegene opening naai\' builen. Naar achteren is lui verlengd door een gesloten kanaal en vormt hel alzoo een gesloten zak

-ocr page 81-

fil

De ademhaling heeft op hijznudere wijze plaats. De j)rik-ken, ook wel negcnoogen genaamd, zuigen zic-h met den mond vast en laten dus niet door dezen het water tot de kieuwen komen. Dooi- (i ofquot; 7 openingen aan weerszijden van den hals gaat het water zoowel in als uit. Zij hebben twee dooi- kraakheenige stralen ondersteunde rugvinnen, waarvan de achterste met de staartvin vereenigd is.

Hoe onvolkomen de vinnen ook zijn, kunnen de prikken zich goed in het water voortbewegen. In niet snelstroomend water werken zij zich slangsgewijze voort, terwijl men beweert, dat zij zich in sneller stroomend water weten vooruit te brengen door het doen van vrij groote sprongen, waarbij zij zich dan telkens aan steenen vastzuigen, om daar voor een volgenden sprong weer kracht te verzamelen. Ook schrijn men aan hen wel de slimheid toe, dat zij zich de snel-stroomende rivieren laten opvoeren door zich vast te zuigen aan beter tegen den stroom opgewassen natuurgenooten, zooals zalmen, elften en dergelijke. In ieder geval is het een feit, dat zij zich aan dergelijke visschen vasthechten eu ze niet weer verlaten, dan nadat ze zich aan hun vleesch hebben te goed gedaan. Met hunne tanden vijlen zij de huid der groote visschen zoolang, tot er diepe wouden in het lichaam zijn aangebracht.

Niet alle prikken kunnen echter gerekend worden zoet-watervisschen te zijn. Men heeft er \'A soorten, n.l. grooten, middelsoort en kleinen. De eersten en laatsten zijn eigenlijk zeeprikken. terwijl de middelsoort (groot ongeveer A a I decimeter) de zoetwaterbewouer is. Deze is zilverwit van kleur met olijfgroene of groenachtig blauwe bovendeden en is kleiner en ranker van gestalte dan de zeeprik. Verder is het voorgedeelte van het lichaam naar evenredigheid veel langer, waardoor de eerste rugvin ook veel ver \'er naar achteren begint. Omtrent de voortplanting is weinig bekend Het kuitschieten heeft plaats van half April tot half Mei.

Van October lot Maart, wordi in ons land van bel vangen der prikken werk gemaakt en wel door middel van fuik-

-ocr page 82-

()2

vormige korven of maiulen, welke bevestigd worden aan een touw of reep, aan liet eene einde waarvan zich een anker bevindt. Veel worden ze gevangen in de Maas en de Merwedé bij Werkendam en Woudrichein, vanwaar ze naar de zeeplaatsen worden gezonden, om daar te worden gebruikt als aas bij de kabeljauwvangst.

-ocr page 83-

A K 13 E E L 1 N O II.

Het Vissehen.

VOORWOORD.

Het noemen van bovenvermeld woord heel\'l voor mij cn ik weet, voor velen met mij , altijd een soort aantrekkelijkheid. Ik weet niet, hoe het is, maar ben ik eens wal minder opgeruimd , wal gedrukt, ol\' wil het gesprek eens minder goed vlotten , zoodra liet visschen ter sprake komt , verdwijnen de nevels en krijgt de tong weer meerdere élas-ticiteit. Dan komen mij de vele genotvolle oogenhlikken voor den geest, welke ik aan het visschen heb te danken. Ik herinner mij allerlei scènes, bij vischpartijen wel heleeld, allerlei verhalen, bij het visschen wel gehoord ol\'gedébiteerd in de velerlei andere genietingen , door ol\' bij de visscherij va\'! gesmaakt. Doch, zoo vraagt er wellicht iemand, is het genot, dat het visschen oplevert, wel werkelijk genot •? Wie deze vraag op de lippen mocht hebben, heeft zeker nooil aan vischparti/en deel genomen en ik cursiveer het woord inschjHirlijen, omdat er, helaas, sommigen zijn, die hel woord vischpartijen synoniem achten met znip- en zwelg-pailijeu. en ik voor mij daarlusschen steeds groot verschil wil gehouden hebben.

1quot;-IIlt;, die eene vischparlij heelt bijgewoond, zal m. i. moeten erkennen, dat „visschenquot; werkelijk genot medebrengt. 01 ^t\'iticl de hengelaar niet, die zijn hengel niet tevergeefs heeft uitgeworpen, maar het voorrecht heeft een Hinken baars van \'lil bet water naar zijne visebmand of zak te doen verhuizen. Welk een oogenblik van genotvolle spanning tusschen

-ocr page 84-

64

lu\'t statig verdwijnen van zijnen dobber en bet besluit om de iu)^ nooit geziene, welke de oorzaak van dat verdwijnen is, tot verantwoording te roepen! En is het voor den net-visscber geen onhescbrijlelijk genot, wanneer hij de kurken van zijn net in het water ziet dansen en het groot en lorseh lawaai, dat er wordt gemaakt, hem de vrij zekere komst van een snoek aankondigt\'? Voorzeker! (Ie kunt het zien, dat de vissclier genot heeft, dat hij gelukkig is.

Doch laai ik mij niet te veel op eigen standpunt plaatsen, maar mij ook eens indenken in de positie van hem. die zoo gaarne den hengelaar ..een luiaard \' noemt, of van hem, die hel visschen met nellen eene zaak aeht. goede banden onwaardig. .la, ik moei dan erkennen, dat er wel nuttiger zaken zijn te behartigen, zaken, waardoor meer persoonlijke en algemeene belangen worden gebaat, maar toch eischt de eerlijkheid , tevens te erkennen, dal zelfs het hengelen, vooral als ontspanningsmiddel, zijne liehtzijde heeft. Zoowel dal visschen, als de visseherij in bel algemeen, eischt toeh, dal men zich beweegt in de open lucht, in de vrije natuur, waar zoo veel en zoo velerlei is te genieten, en dal reeds /egt veel. Waar ik echter zeker beu dat er velen zijn, die hart voor visschen en visseherij hebben, acht ik verdere bewijsvoering onnoodig.

Doch, al ware hel ook, dat de visseherij als middel van ontspanning weinig te genieten gaf, dan nog rest altijd de visseherij als tak van nijverheid, als middel van bestaan. Hij goeden viscbsland kunnen duizenden hun brood met of door de visseherij verdienen. Hel zijn toch geenszins alleen de visschers. die hij de visseherij belang hebben, maai\' ook lal van anderen, als viscbverkoopers. netlenfahrikaulen. louwslagers. pomp- en blokmakers, seheepslimmerlieden enz. enz. lie! is daarom, dat ik bet alleszins de moeite waard acht. in de volgende afdeeling het visschen en de tegenwoordige visch-tnigen le hespreken. l)il /oude vrij overbodig zijn, waren ile wateren no;.; /00 vischrijk als ze 1 l.)() jaar voor (.hrislus

-ocr page 85-

65

schijnen geweest le zijn. Ilerodolus tocli verhaalt, dat in het land der Peoniers, aan hel meer Frasins, de bewoners, die in paalwoningen leefden, slechts een valluik in hunne luit hadden te openen en een leege mand in hel water te laten zinken, om ze eenige oogenhlikken later vol visch weer te kunnen ophalen. Die toestand is echter langzamerhand veranderd, of liever verminderd. Na verloop van tijd moesten allerlei middelen worden bedacht om de waterbewoners le verschalken. Zoo gebruikte men eerst haken, uit hertshoorn vervaardigd, en pijl en hoog om de visschen le bemachtigen. Ook werden in den winter palen op het ijs geplaatst, waaraan van hoven een groote tak bevestigd was, aan eene zijde voorzien van een louw met een haak van onderen. Aan dien haak bevestigde men aas en bracht hem dan door een gal onder het ijs. Beet nu een visch in het aas, dan raakte de bevestiging los en door de veerkracht van den tak, dien men hij liet vaslmaken van den haak sterk gebogen had, werd de visch uit het water geslagen. Hen ander midddel om visschen te bemachtigen was hel zetten van visclulammen. Men sloeg voor dil doel over de geheele breedte van de rivier palen in den grond, ongeveer een halven meter van elkander. Daarachter werd, ook van palen, een soort van kamertje gemaakt. I usschen de laatstbedoelde palen werd vlechtwerk aangebracht, hchalve tusschen die, welke toegang lot de kamert jes verleenden. \\ isscheu, die zich lieten verschalken en in de kamertjes terecht kwamen, werden nu gemakkelijk gevangen. In Husland vindt men hier en daar nog van die visclulammen. Ofschoon dit middel nog hoogst primitief is, heeft men hel zich ook daarbij reeds gemakkelijk weten le maken. Hij den ingang van het kamertje heeft men n.1. een fijnen draad gespannen, welke met een belletje in verbinding slaat. Zoodra nu een visch in het kamertje komt. stool hij legen den draad en komt hel belletje in beweging, waardoor de visscher dadelijk van de iiankomst van den visch wordt verwittigd. Direct wordl dan hel net opgehaald, dal onder het kamertje hangt en zoo de huil naar boven gelrokken. In den laalslen lijd b \'eft men

-ocr page 86-

(■)()

het zelfs zóóver gebracht dal het net, zoodra er visschen boven zijn, mechanisch naar boven gaat, zoodat de visscher \'t alleen maar behoeft te ledigen.

Hoe in den tegernvoordigen lijd in Nederland de zoetwater-visch wordt gevangen, zal in de volgende hoofdstukken dezer afdeeling worden vermeld.

-ocr page 87-

HOOFDSTUK I.

Met vissclicii mot schakels of troeinkos.

a. die netten.

Wil men zicli zooveel mogelijk verzekeren van eene goede viingsl, dan is een eersle vereischte, dal men i)este nellen lieefl. \\ ooral is dit het geval, wanneer men wil visschen met schakels of Ireemkes. Deze driewandige netten, ook wel war- ot polsnellen, vloeinetlen olquot; vlonwen genoemd en vrij gelijk aan drijlnetten ol kleelgaren. geel ol epervier, moeten niel alleen soliede zijn, maar ook\' berekend voor het water, diit men wenscht tehevissehen. Wil men h.v.zijngelnk beproeven ineene sloot van plm. i vaam breedte en 1 Meter diepte, dan zijn netten van gelijke of kleinere afmetingen bepaald onvoldoende. In ieder geval behoort de lengte meer te zijn. Aan beide einden moeten de nelten Hink aan het land kunnen sluiten, terwijl er tevens nog eenige ruimte in hel nel moet blijven. Is het eerste noodig, om den viscli zooveel mogelijk de gelegenheid tol ontkomen Ie benemen , de rnimle in hel net is vereischte, om hem in staat te stellen , Hink schol Ie maken en zich ferm te verwarren. Staan de nellen strak te water, dan is de kans op vangen geringer en daarentegen die, om défecle ol gescheurde nelten te krijgen en om den viscli door de nellen te laten schieten , veel grooter. Doch niel alleen moeten de schakels ruim te water slaan, zij dienen ook, wal de boogie of diepte betreft, ruim gemaakt Ie zi jn. De viscli moet gelegenheid hebben om overal , waar hij tegen bet net stool , ^■illt; te maken. In den regel stelt men zich tevreden, wanneer daarvoor onderaan, dus bij de looden , gelegenheid is, maar dit is niet voldoende. Vandaar dat sommigen de schakel 111 bet midden wat opnemen, om de ruimte van net niel «\'Heen in hel ondergedeelte te hebben, maai- ook boogerop. \\ oor de samenstelling moet geen zninigbeid ten opzichte van l\'el garen worden betracht. Men moet er aan denken, dal

-ocr page 88-

68

men hier heeft te doen mei netten, waarin de visch moet verwarren. Hoe meer garen in het net wordt verwerkt, des te beter zal het vangen, indien althans dat garen doelmatig wordt aangehracht. Het moet evenwel niet te dik zijn, vooral niet het ingaren, d.w.z. het garen van het Uisschennet met kleine mazen. Hoe dunner het is, des te gemakkelijker zal de visch er zich in verwarren. Aan de dunheid mag echter niet de soliditeit of sterkte worden ten offer gebracht. wijl er niets onplei-zieriger voor den visscher is, dan de visschen door bet net te zien schieten. Het touw der zoogenaamde laddermasten, dat zijn de groote mazen, welke aan weerszijden van het tusscbennet zijn, moet minstens eens zoodikofzwaarzijnalsdat der kleine mazen. Zij toch dienen, om bet net op te bonden en aan den visch de gelegenheid te geven tot het maken van zakken . zonder welke het vangen van groote ol\' dikke waterbewoners bijna onmogelijk is. Ook behoort te worden gelet op bet goed aFhangen der schakels. De netten mogen geene neiging hebben tot oprollen, wat hijvoorbeeld het geval wordt . wanneer ze ongelijkmatig worden opgesimd of wanneer voor sim touw wordt gebruikt, dat niet volkomen doodgeslagen is, maar nog neiging tot kronkelen bezit. Het simtouw behoeft evenwel niet dik te zijn. Dik touw maakt de netten maar onnoodig zwaar. Ook bier mag echter niet de soliditeit uit het oog worden verloren. Gevaar voor breken mag niet bestaan. Voor het doen drijven van het boveneind der netten is het wensch\'elijk ronde kurken te gebruiken, welke ingeregen knunen worden. Ditzelfde geldt ook ten aanzien van de aan het ondereind te bevestigen loodeu. Deze moeten gegoten en niet geslagen lt;gt;l geknepen zijn, wij! ze in bet laatste geval allicht opengaan en aanleiding tot baken geven. Ook moet er voor gezorgd worden, dal hel vastzetten van loodeu en kurken zóó geschiedt dal doorschieten onmogelijk is. Verder is bel voor een goed behoud der netten noodig, dat aan ieder dei\' einden van de sim een tlinke strop is, opdat bij hel uitzeilen daarin tic jaagslok ol het overhaallouw bevestigd kan wor-

-ocr page 89-

69

den. Is er geen strop, dan wordt daarvoor allicht een der hoeken van het net gebruikt, waardoor deze spoedig in treu-rigen toestand geraakt. Om dit en in het algemeen hescha-digiiig der schakels te voorkomen, is het noodig, dat men niet alleen tijdens het visschen de noodigc voorzichtigheid in acht neemt, maar vooral ook, dat men na het visschen de netten terstond schoon maakt 1) en ze op eene doelmatige plaats ophangt te drogen. Ken hoofdvereischIe voor een goed behoud der schakels en van netten in het algemeen is echter, dat ze Mink in de taan worden gehouden. Zuinigheid in dit opzicht bedriegt de wijsheid. Een gulden, uitgegeven voor eikonschors of caoutchouc (want ook dil laatste is een zeer goed middel voorliet tanen der nelten) bespaart minstens een rijksdaalder aan onderhoud. Ook wage men het niet, de nelten s nachts te laten staan in den tijd, dat de hierna bij de luiken te bespreken kokerjulTers in het waler aanwezig \'\'ijn. In één nacht zouden deze kleine maar op sommige lijden hoogst kwaadaardige beestjes de netten zoogoed als geheel waardeloos kunnen maken. De door de laan verkregen dor- ol hardheid garandeert niet geheel tegen beschadiging.

Ken gelijksoortig nel als de .schakel is lui drijfnet . dal in Zeeland ook wel Geel ol Kpervier wordl genoemd.

Dit vischtuig wordt in de groole rivieren voor hel vangen van zalm, ellt en sleur gebruikl. liet is een driedubbel nel met kurken aan de boven- of dolreep en met looden of kogels aan de ondersim, liet eenige verschil bestaat hierin, dal hel (Ir ij fuel langer is dan de gewone schnkcl en ook iels sterker, iiij het gebruik wordl het eene einde met een louw aan 2cn vaartuig bevestigd en hel andere einde aan een lon-uelje, dal de plaats moet aanduiden waar het net eindigl l-en minder samengesteld warnet is voorts het klcrfudicii, \'lal. van lijn garen geknoopt, in den regel eene lengte heef! van 1.) en eene breedte van 1 a I1 ^ meter.

1

\\Vanneer men de netten bij de ondersim neemt en Hink iiilsrliiull. /ui :d veel vuil verdwijnen. liet overblijvende moet zoo goed mogelijk nitge/odit worden, omdat zelfs een klein strootje verwarring kan veroorzaken.

-ocr page 90-

70

lgt;. Het visschen.

Do vraag „hoe moet met schakels of lieemkes worden gc-vischr.\'quot; is niel gemakkelijk te beantwoorden, omdat daarbij veel arhangt van de omstandigheden, waaronder het plaats heelt, vooral van de plaatselijke gesteldheid. Wenscht men slooten van eenige lengte te bevisschen, dan moet „vakschcidingquot; plaats hebben. d w z. telkens moet men een deel der sloot met de netten afzetten. Het vak tnssehen de netten mag, — wil men althans scherp visschen, niet grooter zijn dan p.m. 15 M., tenzij de sloot weinig diepte heelt. Meerdere grootte ol\' lengte schaadt bepaald de vangst, vooral die van snoek en baars. Is het evenwel eene kleine sloot, welke men wenscht te bevisschen, dan handelt men geenszins verkeerd door de schakels in het midden der sloot te plaatsen, zóó, dat ze evenwijdig loopen met beide wallen. Hij niet al te wijde slooten heeft deze wijze van visschen wel eens aardig snccès bezorgd. Het is daarbij echter ver-eisehte , dat men rnim zóó veel net heeft. als de lengte der sloot bedraagt. omdat de schakels dan aan de beide dammen moeten aansluiten. Het te water brengen of inzetten der netten moet met de meeste omzichtigheid geschieden. Zoolang de schakels niet te water zijn , moet gedrniseh zooveel mogelijk worden gemeden. Het ligt toch voor de hand, dal men anders de visschen niet tnssehen de netten krijgt, maar ze vooruit drijft. Door het plaatsen van een keernet kan dil nadeel ook niet worden voorkomen, omdat zoodanig net bij de wet is verboden.

Vischt men alleen , dan moet voor hel uitzetten natuurlijk de toevlucht worden genomen tot den jaagstok (roljer), welkedaar-toe van onderen met een witten bal met flinke ijzeren prop is voorzien , doch voor zoover hulp aanwezig mocht zijn . kan het over!rekken der netten niet genoeg worden aanbevolen. Niet alleen wordt hierdoor, voor een groot deel althans. — het verjagen van de visch voorkomen, maar

-ocr page 91-

71

tevens is het trekken aan een lijn veel gemakkelijker clan het hanteeren van den jaagstok.

De schakels moeten flink ruim te water staan en ferm aansluiten. In sommige provinciën, h.v. Friesland, mag met niet meer dan twee schakels tegelijk worden gevischt. In (ironingen echter ziel men meermalen met 3, 4 en nog meer schakels tegelijk visschen, en voor zoover dit laatste niet in strijd wordt geacht met wel ol\' provinciaal reglement, is liet bepaald aan le bevelen. In de eerste plaats bezet men de visch daardoor beter, maar ook kan in weinig tijds meer terrein worden algevischt. Met is toch noodig, wanneer de netten te water staan en het al\'polsen is afge-loopen , een wijle te wachten, vóór dat de netten worden opgehaald. Men moet de visch, die door het polsen wel in beweging, maar niet in de schakels is gekomen , gelegenheid geven, dit na het polsen alsnog le doen. Dit wachten nu, voor de vangst zoo gewenschl \') vereiseht minder tijd, wanneer men 3, 1 ol\' meer nellen achter elkaar le water heelt en afpolst, dan dal slechts 2 schakels le water staan en men dus maar één vak heelt af le polsen.

Ook dit „afpolsenquot; is geen onverschillige zaak. Veel leven maken is minder noodig : met overleg moet worden gepolst. De jaagslok moet lenig, voldoende lang en toch niet zwaar zijn. Om den jaagslok op voldoende lengte le brengen , is het gewenschl, dal men er door quot;l aanbrengen van bussen, losse stukken kan opzetten. Hij bel polsen mag hij niet aan de oppervlakte van het water blijven , maar moet bij zooveel mogelijk langs den grond worden gewerkt , opdat ook de vischsoorlen , welke zich meestal in de diepte ophouden , zooals zeelt en karper, in beweging gebrachl en gedwongen worden, de toevlucht tot de nellen te nemen. Ook is het een vereischle, dal de wallen aan weerszijden Hink worden geraakt , omdat vooral des zomers jnisl daar

1gt; Soms wordt door wachten meer verkregen dan door het polsen. Het is wel gebeurd. dat visch, \\an welke men wist, dat /ij zich tusschen de netten bevond, niet door liet jagen of polsen werd bemachtigd, maar enkel door het laten staan der schakels.

-ocr page 92-

de meeste visch Ie vinden is. Men z;tl prakliscli handelen door met liet polsen te beginnen in het midden van het door de netten afgezette vak , omdat de zich daar bevindende visch naar een der zijden moet uitwijken en dan slechts weinig ruimte heelt te doorzwemmen om in aanraking met het net te komen. Heginl men daarentegen onmiddellijk achter de netten, dan loopt men gevaar, dat de visch, welke natuurlijk in hot andere net terecht moet komen, daar niet zal aanlanden door de groote ruimte, welke hem van dat net scheidt. De kans voor bet blijven rondzwemmen is in dat geval veel grooter. Vischt men niet alleen , dan is bet doelmatig aan weerszijden der sloot Ie polsen en moet er zooveel mogelijk voor worden gezorgd, dat zij, die polsen juist tegenover elkander blijven, opdat de visch zal kunnen weten, waar hij heen moet om rustig water te vinden. Moeten de visschers aan één kant blijven, hetzij doordal de wal aan de overzij verboden terrein is, hetzij doordat bet land daar te drassig is, dan is bel wensche-lijk, dat de een, met kleinen pols, den wal waarop hij zicli bevindt, voor zijne rekening neemt en de ander dien aan de overzij met bet midden der sloot. Ook is bet bepaald noo-dig. den pols onmiddellijk langs de netten te laten glijden , omdat het meermalen gebeurt, dat de visch, vooral bij Noordenwind , wanneer hij niet recht wil schieten, vlak tegen de schakels aanligt, zonder zóódanige beweging ie maken, als noodig is, om zich daarin te verwarren.

Vischt men slechts met 2 schakels en been men bet geluk Hink beweging in liet net te krijgen, dan moet men bet net niet terstond ophalen, omdat door bet uithalen de andere visch, welke zich nog tusscben de nellen mocht bevinden, weer vrijen doortocht krijgt. Heter doel men door den visch, welke de beweging veroorzaakt, zooveel mogelijk te hestoppen, d. w. z. door ter plaatse, waar hij kennelijk zit, zoo overvloedig net te brengen, dal hij zich hoe langer zoo meer daarin verwart. Heelt men daarentegen meer netten te water, zoodat achter de schakel, waarin de visch is opge-

-ocr page 93-

73

merkt, nog een andere staal, dan geldt ook hier liet spreekwoord; „Hebben is hebben en krijgen de kunst.quot; Meermalen is het gebeurd, dat visch. die al eenige beweging had gemaakt, maar die men een poosje had laten zitten, verdwenen was, toen het tot ophalen kwam Hierbij dient men ook niet te vergeten, dat visch en vooral snoek, welke eens in aanraking is geweest met netten, voor de tweede maal niet zoo gemakkelijk daarin verzeilt. Ook kunnen er zich gevallen voordoen, waarin ving ol\'onmiddellijk ophalen bepaald noodig is. Men denke aan het geval, dal zich een (linke paling door het net wil wringen. Door vlug op te halen, heelt men de kans, hem op den wal te krijgen, waardoor dikwerl levens belangrijke beschadiging der netten wordt voorkomen.

Voor het ophalen der schakels kieze men het laagste gedeelte van den wal. Optillen van het net is voor de vangst ongewenscht. Zachtkens moet bet langs de oppervlakte van hel water worden gesleept, opdat alles, wat er in zit, ook in de vischmand terecht kome. Als men sleept, gaan dikwerl ook nog die waterbewoners mee, welke geen zak hebben geschoten, en maar eventjes achter de kieuwen vasl-/.itlen. Heelt men het net geheel ingevaamd en tegen den wal, dan trekke men liet gerust op. Van uitslaan ol\' uitvallen is dan geen sprake meer, omdat de visch door de vamen is omsloten. Hij bet uitnemen der gevangenen, moet zooveel mogelijk kneuzen worden voorkomen. Wil men den visch lekker en ooglijk houden, dan is zachte behandeling bepaald vereischt. Ook kan dikwerf door eenig overleg zeer gemakkelijk worden verkregen, belgeen bij geweld ol\' overhaasting veel moeite zou kosten. Meermalen zit de visch in zakken en heelt hij zich zóó vast gewoeld, dat uithalen bijna eene onmogelijkheid schijnt. Mink uithouden en uitschudden van het net zal dan vaak redding en uitkomst geven. Men behoort zooveel mogelijk na te gaan, hoe de visch heeft gescholen. In geen geval moet er geweld worden gebruikt. Het ligt voor de hand, dat vorenstaande wenken niet in dllcii deele kunnen worden gevolgd bij het bevis-

-ocr page 94-

schen van wijde vaarten en grachten. Toch kunnen ze ook daar voor een groot deel in praktijk worden gebracht.

Het schakelvisschen in groote wateren heeft echter nog hijzoiulere eischen. Daarhij is het bezit van een bootje en van handigheid om daarmee te kunnen omgaan een allereerste vereischte. Het is toch noodig, met het net, dat bepaald lang en zooveel mogelijk evenredig diep behoort te zijn, een halven ciikel of een groot langwerpig vierkant te beschrijven, en dit is zonder bootje bijna ondoenlijk, even ondoenlijk als het is, de visch bij het uitzetten van het net in de wallen te behouden, als men door slecht schipperen te veel leven in het water maakt. Het te bevisschen halfrond of langwerpig vierkant neemt men niet licht te lang, maar wel te breed. Het inbrengen van wijdmazige tusschen-netten is echter altijd eene goede zaak, vooral met het oog op de aanwezigheid van brasem. Heeft men geen tusschennet-ten, in Friesland bekend onderden naam van wijd-, of blei-baars- en brasemnetten en daar ook wel atzonderlijk in gebruik, (zie de Notitie aan het slot van dit hoofdstuk) en is men toch overtuigd, dat er brasem aanwezig is, dan doet men wel, aan de ondersim, dus bij de looden, touwen te bevestigen en door middel van deze den onderkant van het net op te tillen en binnenwaarts te brengen, zóó dat de schakel hol komt te staan, en de brasem, die meestal tegen het net ligt, daarin komt te liggen. Door onder-en bovensim zoo goed als te gelijk op te trekken, (de ondersim moet even eerder in de hoogte worden gebracht) kan men dikwijls tal van brasems tegelijk vangen. Ook is het bepaald aan te raden, het bootje tusschen de netten te brengen en dit hij het afpolseu hehoorlijk dienst te laten doen \'). Na het visschen moeten de netten dadelijk uitgeschud en, zoo noodig, in schoon water doorgespoeld worden. Vuil

1\' Hel li^t voor lt;le hand, dat men hij het visschen met of van mt de hooi op de uindriehtin^ moei letten. Voor een hehoorlijk uitlaten of in/ellen van het net en ook voor het ^oed schipperen is het wenschelijk voor den wind le visschen. Het ophalen kan gevoegelijk tegen den wind in plaats hebben.

Het net moet den wind rechthoekig snijden omdat de visch. en vooral de baars, den kop steeds tegen den wind heeft.

-ocr page 95-

/a

wegleggen is verderfelijk en vuil opdrogen zeer schadelijk. Heeft men dadelijk geen lijd voor schoonen, men werpe de nellen niel op een hoop, wijl ze dan broeien, maar zclle ze eenvoudig in schoon water, om ze later heler onderhanden te nemen. Na het schoonen moeten ze aan de looden worden opgehangen om le drogen. Spoedig drogen is bepaald wenschelijk. maar toch geforceerd, dat is le vlug drogen, schadelijk. Hangt men h.v. de netten in sterken zonneschijn, dan worden ze hard en zullen ze spoedig breken. Ophangen aan de kurken is minder ge.venscht met hel oog op de in het net aanwezige zakken, welke dan te veel naar beneden gaan. Zoodra de schakels droog zijn, is het wenschelijk ze op le vamen, bij elkander le binden en op eene hichlige plaats op te hangen. Ken en ander moet zóó geschieden, dal de netten geheel klaar zijn, als men ze later weer te water wil brengen.

N\'otitii-;. Klei-, brasem- en haarsneUcn zijn eigenlijk niel, zooals de schakels, «/ry/ïiellen, maar meer .s7fw;nu\'llcn. Zij zijn in den regel ook niel zoo diep, lerwijl zo niet zóóveel lood bezwaard worden, dal de kurken hel nel niet aan de oppervlakle van het water houden, maar hel slechts in het water doen staan. Al deze nellen, welke om hunne wijde mazen, met den algemeenen naam van wijdnelten worden aangeduid, zijn in den regel van zeer fijn garen gemaakt en zóó ingerichl, dat zij, als hel ware, lappen vormen, welke gemakkelijk aan elkander kunnen worden gehechl, zoodal daarmede zelfs de breedste wateren kunnen worden afgezet. Polsen of jagen doel men hij deze nellen weinig of niel.

-ocr page 96-

HOOFDSTUK II.

Het vissclicn met fuiken.

lt;i. I)k nkttkn.

(I\'lliken, honken, knhbcn of Iroimncls, ljoelen en (Utlkonx\'it.)

I\'uikrn /ijii roiuie, over hoepels gespannen, Ireelilervormige nellen mei kleine mazen , voor zoover zij voor aalvangsl dienen en mei groolere, zoo zij voor de vaugsl van andere viseh gei)ez.ii»d worden, /ij zijn voorzien van 2, i! uiquot; meer inkelingen en van 1 ol \'2 vleugels voor hel opvangen van de viseh.

Wie zich aailuiken aanseiiall . moei in de eerste piaals le rade gaan mei het water, dal hij wensehl te hevissehen. Heelt hij groole of w ijde wateren gepacht , waarin geen nil-moiidingen zijn van slooten ol\' andere kleine wateren , dan zijn éénvlengeiige luiken voor hem voldoende en bepaald aan le raden. Daarentegen zijn tw eevlengeiige 1) hoogst wensehe-lijk. wanneer zich in het vischlerrein nauwe gedeelten ol\'wel slangen , duikers, pompen, vonders en dergelijke hevinden. Hel)!)en de Iweevleugelige voor, dat men daarmée h.v. een pomp geheel kan omsluiten, ol\' een nauw visehteirein geheel kan al\'zetten . zoodat hij goede inriehting der netten alles wordt opgevangen , wat wind en stroom daardoor ol daarlangs voeren. hij de één vlengeiige hehoel\'l minder op wind en stroom te worden gelet, wijl deze zóó kunnen worden geplaatst , dat zij h.v. evengoed hij oosten- als hij westenwind vangen en evengoed hij noordelijken als hij zuidelijken stroom. Hij heiden dient echter terdege op de inrichting te worden gelet. De vleugels kunnen niet licht te lang of le hoog zijn. Onvoldoende lengte olquot; hoogte brengt steeds minder goede vangst mee. Men dient in hel oog te houden , dal de vleugels ile opvangers van de paling zijn en dat dus . waar de/.e kort of weinig hoog zijn ,

Ij !»lt;• gewone fMc/ifuiken liehben altijd twee vleugels

-ocr page 97-

//

de gcschiklheid om op to vangen ook gering is. Mei hel oog hierop is ook hel visschen alleen mei kubbcn. niel aan le raden al zijn hel dan ook dnhhele (/ro;ïJHit\'/j ofdil zijn knhben mol voor en achter een ingang. Doelmatiger dan deze zijn dan nog de tjoclcii, een soort fuik met losse aan een le rijgen deelen. Hel vooreind wordt hel midden lijf en

het achterste gedeelte kul) genoemd. Aan de tjoelen is althans een vleugel naar hoven , welke door kurken gapende o!\' drijvende wordt gehouden. Hel ondergedeelte van de tjoel, vloer geheeten, wordt door lood op den grond gehouden. Ook moeten de vleugels der fuiken met overleg gesimd zijn. Xiel le zwaar louw dient daarvoor gehruikl le worden, terwijl hij hel simmen er aan gedacht moet worden , dal de vleugels altijd eenigszins hol le water slaan. De aanshiiling van vleugel of vleugels met den mond of mei de eerste kul) der fuik moet zeer geleidelijk zijn. De hoepels moeien aan den binnenkant , waarlangs de aal moet glijden , hijna niel mel kbaar wezen. Zooveel mogelijk dienl de fuik een gladde Irechter te zijn , waardoor of waarlangs de paling zich zonder eenige stoornis kan bewegen. Vooral is hel een voreiscble, dal de kelen flink openstaan. Nooit kan er te veel op worden gelet, of de touwtjes, welke de kelen moeien openhouden, behoorlijk vast zitten. Het spreekt van zelf, dal, waaide paling moeite heeft, in de fuik le komen, de kans op eene goede vangst zeer gering is. Hij tweevleu-gelige fuiken is hel voor hel openhouden van den mond (lui gedeelte net vóór den eersten hoepel, welk gedeelte vooral niel te klein moet zijn) noodzakelijk , dal aan den onderkant lood en aan den bovenkant kurk wordt aangebracht, liet lood moet bewerken, dat de fuik steeds behoorlijk op den bodem ligt, en de kurk, dal lui nel zooveel mogelijk naar boven, dus open wordt gehouden. Ken tweevleugelige fuik moet, te water slaande, veel opeen ..wijden gaperquot; gelijken. Hel aantal kubben van eene fuik moei minstens twee, doch behoeft naar mijne meening ook niet grooler dan le zijn. I)ezc kubben, welke de eigenlijke bewaarplaatsen of de gevange-

-ocr page 98-

78

nissen van do visch zijn , moeten minstens de lengte van een giooten paling hebben. Hink in elkaar slnilen of schuiven en uit den aard der zaak zoo dichl mogelijk zijn. Wat de wijdte der mazen betretl, moet men natuurlijk zorgen, niet in strijd le komen met de plaatselijke of provinciale reglementen op de visscherij. Telkens als er gevischt is, moeten deze kubben worden nagezien. Ken gaatje vooral in de achterste kub zou de geheele vangst verloren kunnen doen gaan. Men vergde nooit, dat de paling eene énorme kracht , vooral wringkracht kan uitoefenen en dat, vindt hij ook maar een klein gaatje, hij alle moeite doet, dit zóóveel te vergrooten, dat hij er door kan komen. Hierbij sluit zich geheel aan de verplichting om de fuik goed le sluiten . hetzij door middel der afzonderlijke touwtjes, die aan het eind behooren te zitten , hetzij door het touw, voor de aanhechting van den staartstok bestenul. Tot dit laatste moet men evenwel slechs in tijd van nood de toevlucht nemen , omdat dan onwillekeurig het net zelf in een knoop komt te zitten, hetgeen gevaar voor spoedig bederl medebrengt.

Hoe hel geheele beloop der fuik moet zijn, om goed le vangen , is moeielijk aan te geven. NVil men netten koopen, dan zal men wel doen , ze op liet land zoo le laten uitzetten, als ze le water behooren le staan. Wanneer men zich dan recht voor de fuik plaatst, moet men als hel ware een nauw toeloopenden trechter voor zich zien. Hel eind van het nel moet juist in het midden zijn van den mond der fuik. De verschillende kubben moeten voldoende ruimte voor rondzwemmen aanbieden , terwijl de kelen goed geopend en zoo in verband met elkander moeten slaan , dal zij eene trapsgewijze vernauwing vormen. Hij eenvleugelige moet de vleugel met eene tong voorbij den eersten hoepel loopen, lol aan de eerste inkeling, welks opening door de long in tweeën wordt verdeeld. Aan den binnenkant der nellen moei weinig of niets van de hoepels kunnen worden bemerkt. Het is mij altijd voorgekomen, dal aan gegalvaniseerd ijzeren hoepels de voorkeur moet worden gegeven boven hoepels van

-ocr page 99-

79

hout. Xicl alleen voorkomt hel ijzer de aan dit laatste eigene neiging tot hel doen drijven der netten , maar ook zijn de ijzeren hoepels veel solieder en weinig gevaarli jk voordenellen.

Van welk lonw ot garen de luiken dienen gemaakt te zijn, is eene vraag van minder overwegend belang, als men slechts zorgt, dal het sterk is en dat de grondslol Hink laan wil opnemen. Vooral hij fuiken is goed en dikwijls lanen bepaald noodzakelijk. Ook moei terdege op de weersgesteldheid worden gelet. Is hel warm, broeiend weder, of is liet water vuil. dan mag men zijne luiken nooit langer dan twee maal 21 uren laten slaan. Vooral in het laatste geval is hel noodig, dat] de nellen, vóór dat ze te drogen worden gezel, in schoon water Hink worden uitgespoeld. Eene schaduwrijke plaats is te verkiezen boven eene zonnige plek.

Kindclijk nog eene opmerking omtrent de stokken, welke voor het uitzetten moeten worden gebezigd. Deze behoeven niet dik. maar moeten toch Hink stevig zijn. Hovendien is een ronde vorm, althans voor het boveneinde gewenscht, terwijl ze van onderen puntig moeten zijn. Hij hel aanbinden der netten moet er voor gezorgd worden, dal de vleugels strak langs den stok komen te zitten en wel op zoodanige hoogte, dal, wanneer de slok in den grond slaat, het net juist den bodem raakt. Daarentegen moet de staart van de fuik even hooger staan, doch in elk geval zóó laag, dal hel achtereind altijd lager is dan de ingiing.

Hel spreekt van zeil\', dat op lanen en weersgesteldheid niet ol\' althans minder behoeft te worden gelet, wanneer de fuiken van teen ol twijg zijn, in welk geval zij aalmanden of korven worden genoemd. Toch is het noodig dat ook deze zoo nu en dan eens worden schoongemaakt en nagezien. Vooral op het goed scherp blijven van de twijgen, welke de inkelingen vormen en op een goed sluiten van de staart b.v. door middel van een bosje hooi of stroo of door een klosje hout moet worden gelet.1) Verder kan nooit genoeg gezorgd

1\' Meermalen wordt aan de opening, «lie toegang ^eeft [,,( i,ej inwendige van de mand. een kokertje van netwerk bevestigd, waarvan het vrije uiteinde met draden aan \'len binnenwand wordt bevestigd. In «lie gevallen behoeft «Ie ingang van twij^ niet zoo scherp lc zijn.

-ocr page 100-

80

worden voor een slil en in goede richting blijven liggen van de mand. Xiel alleen moet men de vleugels vastzetten, maar ook het achtereind eenigszins bezwaren. Ofschoon aalmanden over het geheel minder zorg eischen, zijn netiïiiken toch hel meest aan te bevelen, vooral ook omdat er zoo weinigen zijn, die een goede aalmand kunnen maken. Daarenboven zijn aal-korven nog al tamelijk vlug versleten, en minder gemakkelijk te hanteeren. Voor het bewaren eischen zij veel plaats, terw ijl ook lang niet elke plaats voor bewaring geschikt is. Zij mogen niet in de zon, maar moeten droog en Irisch liggen. i)il laatste komt er natuurlijk minder op aan bij ijzeren luiken, waarover hierna zal worden gesproken. Alleen zij hier nog vermeld, dat men ook nog luiken heel\'t met losse, als het ware op zich zeil staande verlengstukken voor de vleugels, n.1. luiken met zoogenaamde dicht/.etting of staal-visscherij. Teneinde in sommige breede vaarten de vischen de gelegenheid tot doortocht te beletten en ze te dwingen de toevlucht tot de luik te nemen, worden door middel van keer- ol\' leinetten (in Holland worden daarvoor meest teenen horden of schuttingen gebruikt) de zijgedeelten algesloten. Alleen een vaargeul blijlt open en daarin wordt dan eene zóó groote tweevleugelige luik geplaatst, dal geen opening openblijlt. De aal, die, stroomatwaarts gevoerd, met den staart het lei- of keernet raakt, schiet vooruit en doel dit zoo dikwijls, lot hij eindelijk de opening vindt, waar de luik is geplaatst Onwillekeurig geraakt hij daarin, zonder veel kans te hebben weer daaruit te komen.

Kindelijk nog een paar opmerkingen omtrent de stokken. Deze moeten zoo veel mogelijk recht en zoo ver van elkander verwijderd slaan, dat de fuik en vooral de vleugel Hink gestrekt is. Voor het goed inzetten is eene hooi zeer gewenscht, maar heeft men deze niet, dan late men aan het boveneind van zijn gewonen sprini^pols een bus maken, zoo bol. dat daarin precies het bov eneind der fuikslokken past. Daarom is het ooi; gewenschl, zooals hiervoor is opgemerkt. dal de slokken aan bel boveneind rond zijn.

-ocr page 101-

81

b. HKT VlSSCHEN.

Voor goed l\'uikvisschcn zijn in de eerste plaats noodiggoede netten met l)iji)eliooren, maaiquot; ook is eenige kennis van visschen onmisbaar. I och kan liet een goed visseherman gebeuren, dat hij met beste netten en met den best moge-lijken wil op eene beste plaats toch nog niets vangt. Er zijn tijden, dat de aal stil liid, of, om een vissehersterm te ge-hruiken, niet loopt, en dan is het onmogelijk, hem door middel van aallnikcn te vangen. Zoo zal men b.v. bij mooi, licht weder zelden veel aal in de luiken krijgen, maar daarentegen is de kans om te vangen groot hij donker. Innig weder. Donkere maan, wind en regen, ziedaar gunstige l\'actoren voorde paling vangst. Wel wordt des voorjaars ^ bij Iraai weder ook wel eens aardig gevangen, maar dan is het meestal met afgaande maan en bij sterken dauw. De beste kans heeft men ontegenzeggelijk in het begin van den herfst en in het algemeen zoo lang hel niet vriest. Hij het intreden van vorst kan men de netten gerust gaan bergen; want dan is bet juist, dat de paling stil ligt, zóó stil zelfs, dat de broodvisscher er met zijn aalschaar op uil gaat, om den begeerden gladhuid te prikken. Ligt liet dus meermalen niet aan den visscher of aan zijne netten, dat er weinig wordt gevangen. toch kunnen beiden veel tot eene goede vangst bijdragen. De visscher moei met oordeel visschen, d.w.z. hij moet zorgen, dat bij zijne netten goed. zoo voordeelig mogelijk plaatst. Het is bekend, dat de aal of paling zich gaarne met den stroom laai afdrijven, d.w.z. hij zwemt wel met den kop in den stroom op, maar met mindere snelheid dan hel waler afstroomt. Daarom dienen de aalfuiken steeds tegen den stroom in ie worden gcplaalsl. Is er weinig of geen stroom, dan moet ook op de windrichting worden gelei. Steeds moeten de netten zóó worden gezet, dat zij het best den paling kunnen opvangen. Houdt men dit in hel oog,

1 /ie over de beschadiging der fuiken in hel voorjaar door neltenhijlers het hier achter volgend opstel.

-ocr page 102-

82

dan wordt men van zelf geleid tot de minst wijde plaatsen, waar, wijl de stroom daar het sterkst is — ook het minst vuil aanwezig is. Vooral in den zomer is het groen, dat in de slooten wordt aangetrolfen, hij het visschen nog al lastig. De stand der netten is evenmin eene onverschillige zaak. In het algemeen moet er voor gezorgd worden, dat de fuiken flink aan den wal sluiten, wijl de aal zich meer langs den kant dan in het midden van het water beweegt. Ook moeten zij gespannen te water staan. Zij, die tie netten langer dan een dag en nacht te water houden, doen wel, den tweeden dag de netten op nieuw te spannen, wijl het garen of touwwerk hij het drogen krimpt en te water altijd weer eenigszins uitzet. De mond ol de eigenlijke ingang der fuiken moet wel op den hodem, maar vooral niet in het slijk staan. Ook de achterste kuh of staart mag vooral niet met het slijk in aanraking komen, wijl dit niet alleen gevaar voor spoedig vergaan der netten meehrengt, maar tevens voor sterven van de gevangen aal of paling. Meermalen werd eene goede vangst geheel bedorven, door dat men zich vooraf niet genoegzaam had vergewist van de aanwezigheid van slijk. De visch, die gevangen wordt, moet in de luiken kunnen blijven leven, want sterft zij in de netten, dan is onmiddellijk het ooglijke er af en meteen de smaak en de waarde. De vleugels der fuiken behooren zooveel mogelijk loodrecht te water te staan, zóó echter, dat rekening wordt gehouden met walglooiingen, vaargeulen, enz. Bij het visschen niet éénvleugelige fuiken in slooten doet men wel door twee achter elkander te plaatsen, wijl de praktijk leert, dat, hoe vreemd dan ook, in de tweede dikwerf meer wordt gevangen dan in de eerste. Het is volstrekt geen vereischte steeds op diep water te visschen, wijl somtijds in ondiep water meer wordt gevangen dan in diep. Visschers op diep water hebben meermalen ontwaard, dat limi buit geringer was dan van collega-visschers, welke in kleine slootjes hadden gevischt, zóó ondiep, dat een gedeelte van de fuik boven het water uitstak. Bij het vis-

-ocr page 103-

o o O.)

schen met tweevleugelige fuiken moet het water zooveel mogelijk worden afgespannen en in ieder geval dat gedeelte worden bezet, waarlangs de meeste stroom of trek is. Met is voor den fuik-visscher ccmi eerste vereischte, het terrein zijner operatiën uitstekend te kennen. Hij moet trachten op Ie sporen, waar een vlakke bodem wordt aangetroll\'en, waar geulen zijn, waar duikers ol vonders zich bevinden, enz , en van dat alles moet hij voor zijne visscherij Irachten pari ij te trekken. Doch al is de visscher ook op al deze punten actief, dan nog zal zijne vangst schraal zijn, wanneer zijne fuiken niet deugen. Met de eene fuik wordt veel, met de andere bijna niets gevangen. De oorzaak hiervan ligt geheel aan de inrichting, aan de wijze, waarop de fuik is gemaakt. Zij moei zóó zijn ingerichl, dat hel den paling gemakkelijk wordt gemaakt, daarin te verzeilen en moeilijk, ja onmogelijk, om daaruit te komen. Het is daarom noodzakelijk, bij aankoop Mink uil de oogen te zien.

Hel vangen kan men echler wel eenigszins bevorderen \'\'1 de luiken lokaas Ie doen ol door de ingangen met \'•en reukmiddel (b.v. reiger- of anijsolie) te bestrijken. Als lokmiddel kunnen zeer goed worden gebruikt ontkiemde hennepkorrels, ingewreven met poltebakkersklei, een weinig koemest. gestooten evenvorlel, zoethout en honig. Hij gemis van deze stotfen kan ook iets blinkends, b.v. een kleine lumspiegel of iels dergelijks in de fuik worden gelegd,

\' Hksuiadkwxc, deu itikkn dooi \\i-;iquot;ri:\\iii.rrKns i;\\ middk-i.ex tem voomkominc; daaiivan.

\\\\olk lu ik-visscher schroomt niet, in bet vooijaar zijne netten \'lil Ie brengen in sloolen mei weinig of geen stroom\',\' Wie eemge ervaring als visscher lieell , weet, dat er gedurende 11 . eerste helft des jaars en \\ooral in de maanden April , 111 \'\'ini, zich zekere dierljes in die slooten bevinden, U1 ke ontzettend schadelijk zijn voor de netten. Met zijn de

-ocr page 104-

84

zoogenaamde .. iiellcn-hijlcrs ook wel _ kokcr-juffcrs ge noemd. Den laalsten naam hebben zij te danken aan de kokertjes, waarin zij zich schuil houden en welke zij in het water steeds medevoeren. Met hei oog op hunne groote schadelijkheid vermeld ik, dat ze mij eens hinnen twee maal 21 uren eene nieuwe luik geheel waardeloos hebben gemaakt. Meermalen heb ik getracht, wat meer van deze diertjes gewaar te worden en speciaal omtrent de middelen, welke men kan aanwenden om de netten legen hun beet te beveiligen. Veel wijsheid heb ik in deze zaak echter niet opgedaan. Ik ben te weten gekomen. dat de door mij bedoelde zespoolige, zwartkoppige diertjes van ongeveer 1 a 11 j centimeter lengte, in de wetenschappelijke wereld worden gerangschikt onder de familie ..Lininophilusquot;: dat hel eigenlijk poppen of larven zijn, die lot zekere mate van ontwikkeling in hel water leven en in meestal stekelige kokers of huisjes wonen , welke in den regel van plantaardige sloffen zijn samengesteld. De gevaarlijkheid dezer koker-bewoners voor de nelten is niet altijd dezelfde; zij daalt of klimt naargelang hunner ontwikkeling, zoodat er enkele lijden zijn, waarin hunne aanwezigheid den visscher-man niet bevreesd behoeft Ie maken. In den zomer of nazomer (hel juiste tijdstip kan moeilijk worden aangegeven omdat vele zaken en vooral de weersgesteldheid daarop van invloed zijn) verlaten zij hunne kokertjes en meteen het water. Als vlinders. Libellulas, gaan zij hel dan hoogerop zoeken en laten zoo niet den vlsscherman, dan toch zijne nellen geheel met vrede.

Wal ik bij mijn onderzoek evenwel niel ben te wetei; gekomen, is een specifiek middel om den visscher Ie vrijwa ren legen de schade . welke de nellenbijlers kunnen veroor zaken. Wel is mij raad verstrekl en heb ik dezen ook enkeli malen opgevolgd. Zoo heb ik mijne netten, welke ik vroeger steeds door middel van eikenschors liet lanen , eens llinl-iaten doortrekken van caoutchouc; heb ik eens een paai fuiken eenigszins vel gemaakt door middel van lijnolie en

-ocr page 105-

85

hel) ik tevens een wenk opgevolgd , om de fuiken van zeer wollig garen te laten maken, waartegen hel hijtmateriaal van de neltenhijters niet bestand zoude zijn; maar noch het een, noch het ander galquot; het gewenscht succes. Ongetwijleld z:il wel een afdoend middel tegen de nettenhijters i)estaan. Tol dusver lijkt mij vermenging van eenig koperzuur door de taan nog het beste toe. Toch meen ik de aandacht nog op iets anders te moeten vestigen.

Voor eenige jaren werd mij door een vriendenhand een Duitsch Sportblad toegezonden. Ik vond daarin eene aangestreepte advertentie, waarbij zekere firma zich beleefd aanbeval voor de levering van „ijzeren fuiken.\' Onwillekeurig dacht ik hierbij aan de schadelijkheid der kokerjuffers. In mijne verbeelding zag ik ze reeds wanhopig op de ijzeren slaven bijten en ik besloot, eens nadere inlichtingen in te vinnen. Ik schreef naar eene Duitsche firma en binnen enkele dagen had ik een boekje in mijn bezit, bevattende tal van afbeeldingen van ijzeren fuiken met opgaaf van sa-menstclling, prijs, enz. Alles kwam mij zoo aannemelijk voor, dat zeker eene proelbestelling zou gevolgd zijn, ware niet eene langdurige ziekte tusschenbeide gekomen. welke mij belette aan mijn voornemen gevolg te geven.

Voor proefneming door anderen meen ik echter te moeten mededeelen, dat de door mij bedoelde vischfuiken (Fischreuse) te verkrijgen zijn bij den heer Rudolf Weber, Haijnau 1 (Silezie). Deze firma is, volgens de mij toegezonden prijscourant, houdster deral leste Deutsche Haubthier-fallenfabrik.quot; Zij heelt 2 soorten van fuiken. De eene is eene gewone cylinder van ijzerdraad, saamgehouden en stevig gemaakt door ijzeren hoepels. Zij heeft Iwee ingangen, welke geheel ingerichl /.ijii als bij de hier te lande gebruikl wordende fuiken, n.1. trech-lersgewijze. Deze ingangen zijn ook niet van ijzerdraad, maar van sterk netwerk. De fuik, die van boven een hand-\\alsel heelt, is lang 120 cM., iioog 55 cM. en heeft eene doorsnede van (12 cM. Maar gewicht bedraagt 8 kilogram. Voor

-ocr page 106-

86

het uitnemen van de visch is een deurtje aangebracht, dat met een haugslotje gesloten kan worden.

De prijs van deze soort is lö mark, doch de firma heeft er ook van lt;S() mark. De laatsten zijn echter ingericht voor „NachHangquot; en voorzien van een toestel voor „elektrische Hc-leuchtung.quot;

De tweede soort is eene meer samengestelde. Zij bestaat uit een vischhehouder en vier aan te hechten vleugels. De vischhehonder is 1 meter lang en 32 cM. in het vierkant. Hij heelt twee ingangen, niet van net, maar van ijzerdraad en hiedl ook goede gelegenheid voor het uitnemen en bewaren der visch. De prijs van dit vischtuig is 10 mark en met de aan te hechten vleugelwanden \'12 mark. Deze vleu-gelwanden zijn 1 meter lang en 32 cM. hoog. Zij kunnen op doelmatige wijze aan den vischhehouder worden verhonden en heslaan ieder uit twee gedeellen, scharniersgewijze aan elkander gehecht. De pennen dezer scharnieren zijn echter zóó lang, dat zij tevens kunnen dienen voor het vastzetten der luik. Over het geheel komt deze soort mij nog wel zoo doelmatig voor als de eerste, liet vermogen om op vangen is aanmerkelijk grooter.

Voor zoover na deze inlichting iemand tot bestelling mocht besluiten, zal hij wel doen, duidelijk op te geven, lurlkc fuiken hij verlangt, aal- dan wel vischfuiken, terwijl hel levens raadzaam is mede le deelen. welke wijdte, volgens de bestaande bepalingen, de mazen der netten hier te lande mogen hebben. De lirma zal dan daarmede rekening kunnen houden.

Hest vangen wordt verzekerd . maar ofschoon ik voorhands in dit opzicht net-fuiken zou prefereeren, is toch het feil, dat de ijzeren fuiken niet onderhevig zijn aan allerlei invloeden van weer en water en tevens ongevoelig voor den anders zoo gevaarlijken beet dei kokerjidlers , \\ol-doende om eene afdoende proefneming aan te bevelen. Bleken de ijzeren fuiken werkelijk doelmatig te zijn, dan zouden ze zeker spoedig bij de liefhebberij-visschers in

-ocr page 107-

87

den smaak vallen, wijl hel vooral voor hen dikwerf bezwaarlijk is, ter voorkoming van schade aan hunne nellen , zelfs hij zoogenaamde ontijden, naar het water te gaan en de nellen op den wal le brengen. Een dag langer slaan, bij de gewone netten soms zoo gevaarlijk, zou dan weinig Ier zake doen en slechts strekken tot ver-grooling van de vangst. Nog zou een welgeslaagde proef kunnen medebrengen, dal ook hier te lande sommigen zich op hel „makenquot;quot; van ijzeren fuiken gingen toeleggen en zoodoende een nieuwe tak van nijverheid in quot;t leven werd geroepen.

-ocr page 108-

HOOFDSTUK III.

Het visschfii met *lt\' zegen of sein eu den ijroiiteiizak.

De zegen is een treknet, dat, naar gelang van het water, dat men wil hevisschen en de soort visch, welke men hoopt te vangen, van ÖO .quot;)()() M. lang is. De langste zegens ge-i)riiikl men op de rivieren voor de zalmvisseherij. Meermalen hebben deze eene lengte van 400 -500 M. De zegens voor het vangen van den gewonen zoetwatervisch varieeren meestal Uisseben lt;S0 en l.\'iO M De hoogte regelt zich naar de diepte van het water. Ia den regel zijn ze minstens 2 M. hoog. Zi j worden van driedraads garen gemaakt. Het geheele net is omsimd door Hink stevig touw. Aan den bovenkant zijn vrij groote in niervonn gesneden kui\'ken ot\'houljesaangebraebl. terwijl aan de benedensim looden ol kogels zijn bevestigd, zóó zwaar, dat zij zekerheid geven, dat het nel, wanneer bet wordt voortgetrokken, steeds langs den bodem gaal. Het visehtnig bestaat inden regel uit 3 deelen, n.1. twee even groote vleugels en een groote kuil ot\' zak. De laatste wordt meestal nog wat dichter gebreid dan de vleugels: omdat de zak de verzamel- ot\' bewaarplaats is van alles, wat de vleugels opvangen. Teneinde de plaats aan te wijzen, waar de zak ziel) bevindt en tevens, om te kunnen nagaan, ot\' bet net goed door bet water wordt getrokken, doet men in hel midden een tonnetje (Irijven, waaraan men menigmaal tevens kan zien, ot\' zich in den zak veel dan wel weinig visch bevindt. De vleugel- ot\' wel de zijsimmen worden voorzien van galTels, d.w.z. van dikke, ronde, van onderen met lood bezwaarde stokken met twee ijzeren oogen ol\'haken, waaraan de lijnwordt bevestigd, waarmede het net wordt voortgetrokken. Heiligt voor de band, dat het minder goed zou zijn. de lijn rechlstreeks aan de sim te hechten, omdat hel nel daardoor te veel zou worden opgetrokken en ook te veel zou lijden. Door de gall\'els krijgt

-ocr page 109-

89

men een gelijkmaligen (rek liin^s de geheele zijde van hel net, lerwijl levens de kanlen van liet water heter worden medegenomen of nitgevischt.

Van vrij gelijksoortige inriehting als de zegen is de (ironlcn-zctk. Dit net is als het ware eene kleine zegen, zonder zak, maar zoo ingerieht, dal liet over een groot deel vangt, liet geheele heloop van dit nel is meer kuilvormig, even als hij een spieringzegen. De hoogte ervan is vrij belangrijk en wel omdat het juist wordt gehrnikl voor hel altiekken van diepe veengaten en dergelijke. Zoowel hij hel vissehen met den gronlenzak als mei de zegen dient op de richting van den wind te worden gelet. Men moe! n.i. zooveel mogelijk vóór den wind vissehen, niet alleen omdat dit verre hel gemakkelijkst is, maar vooral ook. omdat de stroom meest gaal met den wind en de viseh juist stroomopwaarls zich he weegt.

Hij hel voorttrekken van het viselitnig moet er voor gezorgd worden, dat heide vleugels zoo gelijk mogelijk avan-ceeren en wel totdat men komt op de plaats, waar men het nel wil ophalen. Hier moei men nalnnrlijk een der einden doen zwenken.

Hij hel hevissehen van groole plassen of meren moet men een weinig anders Ie werk gaan. Dan moei de vleugel, welke door hel diepste gedeelte van \'iel watergaal, den anderen vleugel steeds iels vooniil zijn. Dit is noodig, opdal dr viseh, die moehl willen ontkomen en daarvoor de diepte opzoekt, op dien vleugel komt te stnileii en daardoor weer naar den kuil wordt geleid. Wanneer men niet hel voorttrekken is hegonnen, mag meiynii\'l rnslen. Men moet volhouden, lot dal men wil ophalen. I lel nemen van rust zou den viseh doen vluehten, waartoe nalnurlijk altijd wel eenige gelegenheid is. omdat geen keernet mag worden gehrnikl. Men moet altijd in liet oog houden dal de visehzieh niel gaarne laai vangen, iiile^ni-deel; vooral de oudjes Iraehlen op allerlei wijze aan hel nel te ontkomen. Men onde snoek h.v., die hoog iu het waler staal, zal iu den regel hij de nadering van hel nel den kop

-ocr page 110-

zoo diep mogelijk in de modder drukken en den staart omhoog houden, liet net moet dan wel over hem heen strijken. Ongeveer zoo doen ook de brasems, welke zoo plat mogelijk op den grond gaan liggen, terwijl de karpers zich vaak door springen weten te redden. Men meene dan ook niet, dat een water, waardoor een zegen is getrokken, altijd geheel is leeggevisdil. Niet alleen gaan enkelen onder het net door, maar ook langs de zijden ontkomen er, vooral wanneer de oevers nog al met riet zijn bezel. Hoewel in den regel niemand gaarne achter het net vischt, zijn er toch sommige schakel-visscliers, die gaarne, bij zoogenaamde ruige wallen achter de zegen visschen. Menigmaal gelukt het dan, in de schakels te vangen, wat aan het treknet is ontkomen.

Dit is echter volstrekt niet altijd het geval. Bij effen bodem en kale wallen is de zegen een vischtuig, dat niets overlaat dan de kleinen, welke door de mazen kunnen. Van daar dat hei alleszins is toe Ie juichen, dat het zegen-visschen in sommige provinciën van ons vaderland of geheel verboden 61\' beperkt is lot enkele maanden, of tot wateren van bepaalde breedte.

Het is verbazend, hoeveel visch soms door een trek met de zegen kan worden gevangen. Meermalen krioelt het

-ocr page 111-

HOOFDSTUK IV

Het visschcn met liet aalniaiimet, het waainet, liet aal-Jaagnet en het hoepnet.

Het (lalradmncl, in sominige gevallen ook aal- of paling-kast genoemd, wordt uilslnilend gehrnikl l)ij sluizen en watermolens, dus op plaatsen, waar het water en ook de viseh door eene bepaalde opening trekt of svordt geleid. De wijdte en de vorm van het vooreind, het raam natmirlijk ilaaronder begrepen, regelen zieh naar die opening. Ken en ander moet men zoo maken dat de opening geheel wordt afgesloten, opdat de viseh wel in hel net moet tereehtkomen. Het lichaam van hel nel is in den regel, evenals hij eene luik , trechler-vormig. rond en spils toeloopend. De lengte is vrij aanzienlijk. Veelal wordt als achterste eind een losse aalkuh gebruikt, hetgeen den visscber vooral bij het ophalen len goede komt. Men kan dan even bet aeblereind lieblen en de vangst bemachtigen, zonder dat liet vooreind behoeft te worden uitgehaald of verplaatst. Vooral met het oog op den sterken stroom, welke er doortrekt, behoort hel net van best materiaal te worden gemaakt. Moet men bel vischluig bij eene sluis gebruiken, dan de schotdeur niet geheel opengezet, maar tempere men den stroom zóó, dat er geen kans op vernieling bestaat. Ook is het goed, niet te lang met ophalen te wachten, vooral wanneer men ontdekt dal de aal loopt. Vischluig en viseh zouden anders allicht gevaar loopen beschadigd te worden. Veel aardigheid is aan hel visschen met het aalraamnet niet en evenmin aan dat met hel waaim\'l. Dit vischluig wordt uitsluitend bij sluizen gebruikt. Het is een vierkant net. dat, niet opgespannen, veel gelijkt op een kruis-nel ot totebel. Opgespannen heeft hel echter meer van een schrobnet. In den regel wordt er aal mee gevangen. Daartoe

-ocr page 112-

92

wordt liet door twee mannen (het/iju meest stroopers, die tot het waainet hun toevlucht nemen) in schuine richting tegen het hout- of rijswerk geplaatst, terwijl een derde man op den kant hoven het net zijn best doet, om door stampen en stooten de aal uit het rijswerk op liet net te krijgen, dat dan zoo spoedig mogelijk wordt opgehaald.

Voor een liefhehher-visscher zijn het aaljucuj-nel en het hoepnet meer gewilde vischtuigen. Hij heide moet de visch in het net worden gewerkt. Het auljuaynel gelijkt veel op een schakel zonder ladder- ot groote masten. Het is dus éénwandig. De hovensim is evenals hij de schakels voorzien van kurken en de ondersim van looden. Aan de zijden heeft men eciiter, hetgeen hij de schakels niet het geval is, stokken, welke aan de heide einden zijn voorzien van in lood ^ bevestigde ijzeren oogen. Door middel van een touw, dat aan deze oogen is bevestigd, wordt de ondersim iets vroeger op-gelrokken dan de hovensim en wel binnenwaarts, opdat bij het ophalen de visch als het ware in een kuil komt te liggen. Tot vorming van dezen kuil heeft het net eene aanzienlijke hoogte en wordt het zakvormig opgesimd. Hij het vis-schen zijn minstens twee personen noodig. Dit is ook het geval met het hoepnet, dat, wat vorm betreft, een groot schepnet gelijkt. Sommigen meenen, dat èn met het aaljaagnet èn met hel hocpncl uitsluitend aal wordt gevangen, maar dit is eene dwaling. Allerlei visch wordt daarmede bemachtigd, helaas, ook veel kleine. Vooral het aaljaagnet met zijn kleine mazen is voor de visch ter dege kwaad. Door het water getrokken werkt het als ecu zegen en vangt het zoo goed als alles weg. Van daar dat dit trekken in enkele provinciën is verboden. Tevens is hier en daar bepaald, dat men het net niet tegen de wallen of houtvlotten mag optrekken om daar te worden gekeerd. In het belang van de kleine visch moet die keering boven liet water geschieden. Het aaljaagnet, waarbij een goed schepnet onmisbaar is, kan bijna overal worden gebruikt, omdat men het net bijna zoo lang kan maken als

li l)i| lood dicnl tevens om ilc drijfkrarhl van hel hout een weinig Ie temperen.

-ocr page 113-

93

men maar wil. Bij hol hoepnet daarentegen moet men zich bepalen tot slooten. Wil men met dit net succes hebben, dan dient er voor gezorgd, dat de hoep aan beide zijden don wal raakt en dat tijdens het jagen geen beweging met het net wordt gemaakt. Voelt de houder er van beweging, dan moet terstond eenigszins scheppende worden opgehaald. Eenige zwenking naar den wal is daarbij altijd gewenscht. Verder is noodig, dal het nel ietwat achterover in het water is geplaatsten dat de man, die polst, den pols niet alleen Hink langs de wallen en den bodem laat gaan, maar ook bedenkt, dat de aal, waarom het toch in de eerste plaats is te doen, niet vlug zwemt. Langzaam en secuur polsen is hier bepaald noodig.

-ocr page 114-

/

HOOFDSTUK V. ,

liet vissclini nu t tott\'boi of\' de kniism t.

Het kruisnct ol\' de tolehcl dankt zijn naam aan hel kruis waaraan het net wordt ix-vesli^d. Dit kruis wordt in den re^el van hout, in een enkel geval van metaal gemaakt. Ken vereisehte is. dat het zeer sterk zij, omdat het alles moet dragen. Zoo mogelijk neme men er voor een stuk hout. dut kruisvormig is gegroeid. De vier stokken welke moeten dienen voor de uitspreiding en spanning van het net, steekt men iu ijzeren heugels, welke aau de armen van liet kruis zijn vastgemaakt en zóó ingericht, dal zij de stokken niet loslaten ouder het vissehen. De bedoelde stokken moeten zoo liehi mogelijk, maar toch sterk eu eenigszins veerkrachtig zijn, om hehoorlijke 1) spanning van het net te verkrijgen. De lengte en stand er van regelen zich naaide diepte van het water, dat men wenscht te hevisschen en de hoegrootheid van hel nel. Ofschoon geen bepaald vereisehte, is het loeh wenschelijk, dat het kruis zeil\' boven de oppervlakte blijft, omdat het ophalen anders te veel leven geeft. Onder aan de vier stokken moet eene kleine gleuf of insnijding zijn, om daarin de lissen te brengen, waarmede het net aan de slokken wordt gebonden. De grootte van hel nel, dal met hel oog op hel vangen van aal klein-mazig kan zijn. aan de vier zijden met doodgeslagen louw omsimd eu aan de hoeken vau llinke lissen voorzien is, hangt af van de wijze, hoe men wil vissehen. Wenscht men van den wal, dus niet van uil een boot zijn geluk Ie heproeveu, dan is ecu net van 12 a lvgt; vaam ruim voldoende, omdat men den toestel dan telkens moei verplaatsen en hij groolere aimeling de lasl te zwaar zou worden. Anders is hel. wan-

1\' lU-l nel iiKK.\'t. Ii:mlt;4eii(l(\' nnn «Ie slokken, oen wnni^ hol /ijn n| /:ik hohhen.

-ocr page 115-

95

neer men een hooi te zijner beschikking heeft. Die hoot hehoort plat van hodein te zijn; in ieder geval vast op liet water te liggen, en niet te wankelen, zoodra men den hef-hoom, welke op een der kanten moet worden aangehrachl voor een gemakkelijk ophalen van het net, in beweging brengt. De bedoelde hefboom, of liever de dwarslat of wipper daarvan, die met een stevig touw aan het mkldelpunt van het kruis is gebonden, vervangt dan liet touw, waarmede hij, die van den wal viseht, zijn net naar hoven trekl. De laatste heeft ook wel een dwarslat of wipper noodig, doch deze moet dienen om legen den wal te staan en te voorkomen, dat het nel hij het ophalen te veel naar den wal wordt getrokken. Met het oog op deze bestemming wordl de naar achteren dik uitloopende wipper in den regel voorzien van een dwarslat, welke bij het wippen den noodigeu steun en stevigheid aanbrengt en uilglijden voorkoml. Hij hel totebel-visschen is het noodig, dat het net rechlslandig in het water komt te staan en ook rechtstandig wordt opgetrokken; zooveel mogelijk moeten de vier hoeken van hel nel gelijktijdig in en uil hel water komen. Ook doel men wel door op wind en stroom te lellen en niet minder op de eigenschap der vissehen, om steeds inden stroom op te zwemmen. Vooral hij hel gebruik van een handtotebel kan de wind hoogst lastig zijn. Vóór deu wind afvisschen is bij eenigszins harden wind liet hesl. De stroom daarentegen is zeer gewenscht, mils hij niet zóó sterk zij, dal de loeslel in beweging komt. Het is loch uoodig, dal hel nel geheel stil in hel water ligt. wan! bij de minsle beweging gaan de vissehen vluchten, welke hoven hel net zijn. Ook hij lui ophalen moet zooveel mogelijk geweld worden vermeden. Men moet hel mi met vaste hand boven water trachlen te brengen en bij aanwezigheid van visch, hetgeen al spoedig door gespartel merkbaar is, deze zoo spoedig mogelijk met een schepnet (ook wel schephaven. gebhe, llt;uil of strijknet geheeten \') verwijderen. Wil men goed lote-

li Uel schepnet is cen «liep /aknet, geregen aan een lioulen of ijzeren hoep. die lgt;e-vesligd is aan een langen Mouten slok, al naar gelang men hel wil (■ehruiken

-ocr page 116-

96

hel-visschen, dan is het gcwenschl, niet alleen te zijn, opdat ile een zich met het ophalen en inlaten van het net kan heiasten en de ander voor de visch kan zorgen. Moet men zich echter alleen behelpen, dan doet men wel aan de voor-sim een touwtje te hinden, opdat men daarmede, des vereiseht, het net Hink naar zich loe kan halen en de visch rechlstreeks in de hoot kan laten vallen. Hij weinig stroom is het niet raadzaam lang op een en dezcllde plaats te blijven. Vooral over dag, wanneer men meestal andere visch dan aal vangt, moet men veel van plaats verwisselen. Voor hel vangen van paling is de nachl de besle lijd en dan speciaal de donkere nachten van Seplember, Odoher en November, wanneer harde wind en regen gepaard gaan met eene zoele temperatuur. Mei vangen kan men wei ietwal bevorderen, door aas boven of in hel net le brengen, dat scherp riekt, maar veel succes geelt dil toch niet.

-ocr page 117-

HOOFDSTUK VI.

Het vissclu\'ii mot den slagliiuner, kren- of steekuet, en met liet werpnet.

Het eerstgenoemd visclituig gelijkt veel op een grooten sneeuwsclniiver, waarvan het hord wal breed is nilgevallen, en bestaat, in plaats van uit hout, uit een zakvormig net. Het houtwerk bepaalt zich tot een langen, ronden slok, waaraan twee lange, een scherpen driehoek vormende beenen, aan den slok verbonden, niet alleen door een ijzeren schroef bij het kruispunt, maar tevens iets lager dooi- een liouten dwarsligger. Het net, dal, zooals hoven reeds is opgemerkt, zak- of kuilvormig is, reikt niet verder dan lot bedoeld dwarshout, en wordt daaraan, even als aan de lange zijstukken, gehecht door middel van bandjes of touwtjes. Hel ondereind is voorzien van een flinke sim, die bij hel vissehen geheel langs den bodem wordt gebaald. Hel nel wordt vrij dicht gebreid, in hel hijzonder de kuil. Deze wordt als de drager niet alleen van de viseh, maar soms ook van heel wat vuil, meestal van wat tlikkergaren gebreid. Hel vischluig moet sterk worden gemaakt, omdat men hij hel vissehen betrekkelijk veel kraclit moet aanwenden. Met een slag wordt het in hel water geslagen en daarna zoo spoedig mogelijk langs den bodem naar den wal gehaald. Soms gebruikt men den xhtyhamer ook wel op eenigszins andere wijze, n.l. meer als een groot schepnet. Men haalt het nel dan niet naar zich toe, maar till hel op. Men kan bijna altijd zien, waar niet den slaghamer ge-vischl is. Meestal laai hel duidelijke sporen achter in den vorm van hoopjes vuil, waartusschen helaas ook kleine viseh. Vooral met het oog op dit laatste is de werking er van nadeelig en hebben sommige provinciale besturen hel raadzaam geachl, liet gebruik te verbieden. Minder schadelijk

-ocr page 118-

08

is het luerpnc.l. V) Daarmede wordt op lange na niel zooveel kleine visch vernield. De werking er van is ook geheel anders. Zooals uit de omschrijving der inrichting zal blijken, is het meer een grijpnet. Staat het te water, dan lijkt het veel op een omgekeerden roemer zonder poot. De hoogte van het net is van 3 5 M. en de middellijn van den door den rand beschreven cirkel 1 2 a 15 M. Aan dezen rand zitten vrij zware looden kogels, in de onmiddellijke nabijheid waarvan lijnen zijn aangebracht, die binnendoor naar boven loopen en wel door een ring, welke boven in hel net is aangebracht. Even achler dien ring loopen alle lijnen samen. Hij den knoop, die ze samenhoudt. heelt men een dikkere lijn, welke strekt om het visebtnig uit te werpen en op Ie halen. Vooral het eerste is geen gemakkelijk werk. Het net wordt baansgewijze opgevouwen op den arm gelegd en wel zóó zorgvuldig, dal hij bel uitwerpen geen kans voor haken of warren bestaal. Hij bet werpen komt handigheid te pas. Het moei juist zóó geschieden, dal bel geheel uitgespreid daar in het water komt, waar men hel wil hebben. De plaats, waar bet lerecbt komt is toch geen onverschillige zaak. Men dient er voor te zorgen, dal het nel in schoon water terecht komt, opdat het richtig samentrekken niet door veel watergroeu worde belemmerd. Dat samentrekken, ook bevorderd door de ronde kogels, welke hoofdzakelijk dienen, om hel net mei de noodige snelheid le doen zinken, geschied! meestal hij rukjes, totdat men zich door de lengte van de lijn heelt vergewist, dat hel net zich geheel bcel\'l gesloten en de visch gevangen is. Het is wenschelijk, daler hij het visschen met hel werpnet 2 personen zijn. Voor een gaal dit hoogst moeilijk. Zijn er twee, dan kan de een zich belasten met hel werpen en trekken en de ander mei alle overig werk. Kindelijk wordt nog opgemerkt, dat hel van belang is, dat alle lijn, die gebruikt wordt. Mink doodgeslagen is en dus niet kronkelt.

1» Hel vischtuig, in Limburg bekend onder den naam van Geel ol l£pe\\vier lieefl met het werpnet veel overeenkomst, doch is grooter dan dit

-ocr page 119-

HOOFDSTUK VIL liet vissclicii mot (U1 aalscliaiir of aaltuik en mot den ol^or.

De (idlscluiai\' of luik is een vischluig dal, wal den vorm helrefl, liet l)e.sl le vergelijken is met een zoo wijd mogelijk uilgeslrekle ijzeren hand, waarvan de dnim en pink pnnlig, de overige vingers meer gewoon, rondgelopl zijn. Hel liovengedeelle van die hand, dus hel iiegin van den pols, is hol of i)nsvormig, zoodal daarin een lange, vrij dikke slok gesloken kan worden. De vingers ol\'de landen zijn plal en vrij dun maar niel scherp, en worden breeder, naarmate /ij den handpalm of de dwarsstaal\' naderen. Het gevolg hiervan is, dat de tanden onderaan, dat is hij het uiteinde, vrij wijd, maar hoven dicht hij elkander staan. Zij zijn allen aan tie hinnenzij voorzien van i) a (gt; tegenover elkander slaande haakjes, zoodat het voorwerp, hetwelk eenmaal daar tnsschen is geraakt, niel gemakkelijk daaruit kan komen. Do tanden moeten stevig, maar toch iels veerkrachtig zijn, zoodat ze, voor het verwijderen van de gevangen aal. iels naar elkander kunnen worden getrokken. In verhand hiermede hehhen de heste soorten aan de landen verlengstukken, welke aanzienlijk smaller zijn dan de bovengedeelten. Hij dergelijke inrichting worden, om het geheel de noodige stevigheid te doen hehondeu, de huilentanden aan elkander verhonden door een ijzeren handje, dat echter niel de binnenlanden raakt.

De aalsehaar wordt bijna alleen bij vorst gehrnikt, in ieder geval bij koud weer, wanneer men zeker kan zijn, dat de aal niet in beweging is, maar siil ligt. Op goed geluk steekt men dan in den liefst met modder hedektcn bodem. Hel liilt;t voor de hand, dal dikwijls le vergeels wordt gestoken, wijl men moeilijk kan weten, waar aal aanwezig is. Sommigen ineenen dit te kmmen zien aan kleine helletjes in de dunne ijskorst, doch meermalen is gehleken, dat die

-ocr page 120-

100

meening onjuisl is. Meer Juist is het beweren, dat de aal graag ligt op plaatsen, waar vuil is saamgestroomd en in de nabijheid van palen, maar ook dit is geenszins zeker. Alleen is de trefkans daar iets grooter dan b.v. midden in het water. Treft de schaar, dan voelt men dit duidelijk. De aal, die zich zoo veilig in den modder waande, maar mi tusschen de tanden van de schaar beklemd zit, wordt zoo spoedig mogelijk uit zijne hachelijke positie verlost. Het ligt voor de hand, dat, naar male zij klein is of naar gelang men met meer kracht heeft gestoken, de aal hoog of laag in de schaar of luik zit.

(ielijksoortig visehtnig als de aalschaar is de elger. Ook hier beeft men te doen met een ijzeren staaf, waaraan, hetzij rechthoekig, hetzij in één lijn met den stok, eenige soortgelijke tanden met haakjes zijn bevestigd als bij de aal-schaar. De elger wordt rechtstandig in den slijkgrond gestoken en in dien stand een eind voortgeduwd of getrokken, waarbij men zooveel mogelijk zorgt elke beweging te voelen. Zoodra eenige beweging wordt bemerkt, baalt men op en verwijdert men den gevangene.

Met mees! wordt de elger gebruikt door schippers en in den laatsten tijd vooral op stoombooten. Door middel van ringen en touwen weet men dit visehtnig zulk een stand te geven, dat hel gemakkelijk onder het zeilen of stoomen, door één man kan worden bediend. Menig schipper kan getuigen, dal het visschen met den elger soms rijkelijk wordt beloond. Jammer, dal de aal, die tnsschen de tanden komt, meestal deerlijk wordt verminkt en minder verkoopwaarde heeft. Om die verminking zooveel mogelijk te voorkomen, is bet noodig, er voor Ir zorgen, dat de landen, zoowel aan de uiteinden als aan de zijden, niet schei]) zijn en dat men, zoodra eenige beweging wordt gevoeld, dadelijk ophaalt. Voor eene mooie visscherij kan hel visschen met de aal-schaar of den elger niet doorgaan. Het zijn dan ook meest broodvissehers, «iie tot deze vischluigen de toevlucht nemen.

-ocr page 121-

HOOFDSTUK VIII.

Het vissollen met den Ankerliiiil en het Oigonet, met de Gebbe, den Uos- of Oesterhaain en met de Vesaan of (\'laireux.

lt;/. I)i-: Ankeukuil en het Gigoxet.

i)il vischluig hcslaat uit ecu vierkant houten raam, wam-van iedere zijde eene lengte heelt van 3 a I M. Ter voorkoming van slijtage van het net, dat daaraan verhonden woidt, zijn de kanten van het hout meestal algerond. De dikte er van is 1 O.lö M. De 4 zijden worden niet geheel hij de uiteinden aan elkander verhonden, zoodat op de hoeken eenig overstek bestaat. Het uet is zeer lang en loopt spits toe evenals een molenzak of eene luik. Het moet worden gehreid van Hink sterk garen, omdat men er slechts mede vischt in groote rivieren met veel stroom. Met het oog op de gewoonte der visschen om tegen den stroom in te zwemmen word! het net ook zoo geplaatst. Hij liet gehruik heeft men bepaald een vaartuig noodig. Zoowel hij het te water laten als hij het ophalen wordt het vischtuig hevestigd aan een over een katrol loopende en hoven aan den mast bevestigde lijn, welke op hare beurt weer is hevestigd aan de knup van twee kleinere tot elkander gebrachte lijnen, loopende van uit de kruispimteu aan de bovenzijde van bet houten kwadraat. Ook aan de onderzijde is dergelijk touwwerk. Aan bet ondertouw wordt een anker bevestigd, dat dient om den kuil aan den onderkant vast te leggen.\' Hel spreekt vanzelf, dat waar het raam èn van hoven én van onderen vastzit, bet net als een luik te water komt te staan en dat, wanneer bet anker wordt gelicht, het opdrijven van den onderkanl meewerkt tot de sluiting van het net.

Het (jigonet is in vorm vrij gelijk aan den Ankerknil. De ingang heeft echter niet den vorm van een kwadraat

-ocr page 122-

102

maar meer van een driehoek, gevormd door een paar kruiselings opgestelde palen, welke tevens dienen voor vastzetting van het net. Dit vischtuig wordt weinig in ons vaderland aangelrolTen. Slechts in sommige deelén van Zeeland wordt het gebruikt.

h. De (quot;iKiiiu-; en de Bos of Oeveuhaam.

Deze heide netten, welke in het Noorden des lands weinig worden gebruikt, hebben vrij gelijken vorm en vrij gelijke strekking. Het zijn groote, eenigszins eigenaardig ingerichte schepnetten, bevestigd aan een langen stok. Het raam van de (lebbe vormt een langbeenigen driehoek, terwijl dat van den Hos ol\' Oeverhaam meer rond loopt en schop-vormig is. In den regel gebruikt men voor het raam hout. maar ook ijzer is daarvoor geschikt, mits het niet te zwaar en met de noodige afronding worde gemaakt. Vereischte is, dat het net, Insschen de heenen van den houten driehoek of den ijzeren heugel in te brengen. Hink zakhoudend en breed is. Teneinde allerlei visch te kunnen vangen, moeten de mazen niet groot zijn. In den regel heelt de stok eene lengte van 3 a l M. en bedraagt de grootste breedte tusschen do heenen van den driehoek, dus de basis, van 1 lot 2 Meter.

c. Het Schkohnet of oe Loopbaan, Wadi: of Wad.

Dit is een vierkant nel met eenig zak gebreid. Aan de ondersim lieel\'l men looden en aan de bovensini kurken. Hel wordt gespannen door twee parallel loopende stokken, welke aan het ondereind iels, maar bij de kurken een Hink eind buiten het net steken. De visscher moet deze lange einden bij hel visschen, waartoe hij zich zelf te water moet begeven, in de hand houden. Met den onderkant moet het

-ocr page 123-

103

vischtuig langs den grond strijken, waarloc dc aangebrachte looden natiuirlijk meewerken. In den regel wordt slechts op ondiepe plaatsen met dit vischtuig gevisclit.

cl. De Vesaan of Claamp;ux.

Dit slechts in Limhurg hekend vischtuig gelijkt veel op een zegen zonder zak, of wel op een schakelnel zonder lad-derniasten. Het heelt eene lengte van i \'20 Meter. Van hoven zijn kurken, terwijl aan de onderzij geen looden, maar steenen aangehracht zijn en wel niet onmiddellijk aan de ondersim, maar op eenigen alstand daarvan. Om er mee le visschen zijn 3 of I personen noodig en eene hoot. Aan weerszijden van de hovensim bevindt zich een lijn. Dat aan de rechterzijde is voorzien van gekleurde plankjes en die aan de linkerzijde van een geverfd tonnetje, zoodat men steeds kan zien, waar de einden van het net zich bevinden. Teneinde de visch zooveel mogelijk in het net te krijgen, wordt tijdens het ophalen aan de tegenovergestelde zijde van het water gepolst.

-ocr page 124-

HOOFDSTUK IX.

Het vissclien iiiiar zalm en elft.

Dil visschen geschiedt op tweeërlei wij/.c. Men heeft groot-en kleinvisscherijen, n.i. visseherijen door middel van de zegen en visschei\'ijen met drijlnetten, zoogenaamde llonwen en zalmsteken. In den regel zijn het geen particulieren, die de zalm- en ell\'tvisscherij uitoefenen, maar Maatschappijen. Dit komt, omdat het recht om te visschen in de rivieren, waarin zich zalm ophoudt, legen hooge sommen wordt verpacht. De voornaamste zalmvisscherijen treft men aan in de Onde Maas, de Lek, de Merwede en de Waal. De zoogenaamde groot-visscherij is die met de zegen. Zij geschied! in daarvoor geschikt geoordeelde en min of meer voor dil doel ingerichte riviervakken. Men maakt ter plaatse n.l. sleepkaden, ophaalholletjes enz. Door middel van een sleepbootje wordt dezegen stroomopwaarts gebracht, meestal tol op de grens van het gepachte rivierwater. Daar wordt hel net dwars over de rivier gespannen. Daarna wordt de eene vleugel verhouden aan een op de sleepkade geplaatsten ijzeren geleider. Die vleugel wordt dan verder, hetzij door mannen, hetzij door paardenkracht stroomafwaarts getrokken, lei wijl men op het sleepboot je zorgt, dat de andere vleugel niet achter blijft. Zoodra men nabij de grens is van het gepachte vak, doet men dezen vleugel zwenken tot nabij den vooraf geplaatsten bol. De lijn wordt nu, om haar te kunnen opwinden, bevestigd aan een op den wal geplaatsten draaischijf, welke door paarden in beweging wordt gebracht. Met het opwinden wordt doorgegaan, totdat beide vooreinden van de zegen nabij den ophaalbol zijn. Hel verdere ophalen geschiedt dan door mannen.

Vooraf wordt echter door het plaatsen van een tweede zegen gezorgd, dat de visch tijdens het omtrekken niet kan

-ocr page 125-

105

onlkomeii. Die tweede zegen vangt dan op, wat aan de eerste ontwijkt.

Zoodra men aan den hol of zak is gekomen, wordt met het oog op het groote springvermogen van den zalm, zoo voorzichtig mogelijk opgehnald. Alles wat nu het net blijkt te bevatten, wordt door middel van een groot schepnet in een vischbewaarder overgebracht, waarin de gevangenen moeten verblijven, totdat men ze goed te gelde kan maken, hetgeen in den regel niet lang duurt.

De groote visscherij mag evenwel niet gedurende het geheele jaar worden uitgeoefend. Vooral met het oog op Duitschland, waar geklaagd werd over benadeeling der visscherij in den Boven-Rijn is bepaald, dat de groote visscherij jaarlijks moet zijn gesloten van 15 Aug. tot 15 October. Het vangen van zalm op andere wijze is evenwel niet verboden. Vandaar lat men bedacht beeft op andere wijze tevisscben, n.1. door middel van zalmsteken. Dit zijn uit palen en rijshout samengestelde schotten, waarmede een gedeelle van de rivier wordt afgesloten, en waaraan eenige zijpalen zijn bevestigd tot vastzetting van een of meer groote fuiken. Het plaatsen van deze steken mag niet geschieden dan met vergunning van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, die bij het verleenen er van natuurlijk het oog houdt op de belangen der scheepvaart.

De palen, voor de bedoelde afsluiting benoodigd, worden in eene rechte lijn, ongeveer haaks, uit den oever en wel op i 5 M, afstand van elkander geplaatst. Zij moeten worden ingeslagen en zijn zoo lang, dat zij i 2 M. boven den waterspiegel uitsteken. De eindpaal is echter nog veel hooger, omdat deze tevens als baak moet dienen. Op dien paal staat een mand, waarin \'s avonds licht wordt ontstoken. De schipperij kan dus reeds uit de verte den zalmsteek bemerken. Tusschen de palen wordt rijs gewerkt, zóó hol, dat geen visch maar wel de stroom daardoor kan trekken. Dit rijswerk moet de geheele diepte van de rivier afsluiten en dus reiken tot aan den bodem. Aan de voorzijde der

-ocr page 126-

106

alsluiliiig wordt verticaal nog ecne kloinere gemaakt, zoodat er een rechthoek ontstaat, op het korte einde waarvan palen worden geslagen voor de bevestiging der fuiken. Het iigt voor de hand, dat waar de zalm steeds tegen den stroom in zwemt, hij stuit legm de gemaakte alsluiting. Onwillekeurig schuift hij dan daarlangs om de diepte op te zoeken en komt hij zoodoende in de fuik. De grootte van de steek hangt af van de breedte der rivier. Kr moet natuurlijk voldoende ruimte en diepte voor de scheepvaart overblijven. IJij ijsgang en andere buitengewone omstandigheden moeten de steken worden opgeruimd en ook gedurende den tijd. wanneer de groote visscherij geopend is. Dat er nog al veel zalm gevangen wordt, blijkt o. a. hieruit, dat in 1897 alleen aan den zalmalslag te Kralingen niet minder dan ;59l)(.)() zalmen en 3.\'5,.)2.\') elften werden aangevoerd.

Van regeeringswege wordt de zaimvangst ook bevorderd. In de laatste lt;S jaar zijn voor rekening van den Staat der Nederlanden in het hovenstroomgebied van den Hijn niet minder dan 10.722.iS.quot;)() jonge zalmpjes losgelaten t.w.

in KSO! : 27.(100 .. KS02: K017..quot;)(l()

KS\'.KK l.KÖ.UOO 181)1: 1.021.200 „ 181)5: 1.510.150 .. 1800: 1.801.200 .. 1807: 1.120.000 KS08: 1.700.000

-ocr page 127-

HOOFDSTUK X

Het poeren, imieren of hodden.

Een poer, puier ol\' pooier is een zeer eenvoudig visehluig. Hel i)eslaal sieciils uit eene wrzanieliiig reiden wonnen, welke geregen zijn in wollig slop- ol\' breigaren en trosvormig hangen om een rond of langwerpig rond stukje lood, zóó hol, dal daardoor kan worden gestoken het snoer ol\' louw, dat noodig is om de wormen in het water te laten zakken en daaruit weer op le halen, eene werkzaamheid, welke voortdurend moet gebeuren. Ken poer te maken is zeer gemakkelijk, maar niet aangenaam, omdat het garen door de ge-heele lengte van de vele wormen moet worden gelrokken, hetgeen altijd eenigszins griezelig is. Dal hel garen wollig moet zijn, is bepaald noodig. In de wol toch moeten de landen van den aal min of meer vastraken. Zij vervult ietwat dezelfde rol, als de haak hij den gewonen hengel. De eigenlijke poer wordt gehecht aan een kleinen stok met een eindje snoer, dal slechts even langer beboert te zijn dan hel water diep is, waarin men wil visschen. Voorgoed vangen moei de visscher gezeten zijn ót\' op een zeer lagen wal, óf in eene boot, die laag op het water ligt. Kan men de laatste niet verkrijgen, dan is het noodig, dat men een waschvat of iets dergelijks in het water heelt liggen, zóóver met water gevuld of beladen, dat de rand slechts even boven het water uitsteekt. Dit laatste is noodig, omdat de aal in den regel spoedig van de poer afvalt. Zoodra hij boven het water is en bemerkt, dat men hem op verkeerd terrein wil brengei;, werkt hij zich los en dan moet men zorgen, dal hij binnen boord terecht komt.

Hel poeren zelf gaal geheel op het gevoel en slechts door ervaring leert men, wanneer en hoe men moet ophalen.

-ocr page 128-

108

Met geweld ophalen is nooit gewenscht. Rukken doet de aal te vroegtijdig loslaten. Het ophalen moet min of meer sleepend gebeuren, maar dan met toenemende snelheid. Wenschelijk is het ook bij dit visschen te profiteereu van de \\vetenscha]gt;, dat de aal gaarne zich langs den wal of bij palen ophoudt en dat hij over dag weinig in beweging is. De beste tijd voor hel poeren is in het voorjaar en den herfst en dan \'s avonds en \'s nachts bij eene lichte koelte uit hel Zuid-Westen. Voor menigeen is het poeren een waar genot. Jammer dat de aal, die men vangt, meestal zeer klein is.

-ocr page 129-

HOOFDSTUK XI.

Het Iieiigeloii of het angelyisscheii.

Het mooiste visschen is nog altijd dat met den hengel, vooral wanneer de viseh wat wil hijten. Tal van beoefenaars telt dan ook deze tak van sport. Het hengelen is eene zeer onde kunst, welke hoe langer zoo meer tot een iioogen trap van volmaaktheid is gebracht. Had men eertijds tot hengel een lompen natuurstok en tot snoer een eind touw met beenen haak, thans staat men verbaasd hoe fijn alles is ingericht, zonder dat die fijnheid afbreuk doet aan de sterkte. Het ligt voor de hand dat de inrichting van hel hengelgereedschap niet altijd gelijk is. Het verschilt naar gelang van de soort visch, waarnaar uien wenscht te hengelen. Voor het vangen van groote rootvisschen heeft men natuurlijk zwaarder vischtuig noodig dan voor het vangen van kleine. Ook het aas verschilt. Wil men met veel kans op succès visschen, dan is eene vrij nitgehreide kennis noodig van den aard en de gewoonten der visschen, terwijl tevens noodig is eene groote mate van ervaring hij liet kiezen van goede plaatsen en eene bijzondere bedreven-beid in het hanteeren van den hengel.

Alvorens het hengelen naar bepaalde vischsoorten te bespreken, willen wij eerst de bijzonderheden van enkele soorten hengels kortelijk beschrijven. Allereerst dan ei. de (jcivone ook wei werp- of /looc/bengel geheetcn. Onder den gewonen hengel verstaat men een stok of roede, hetzij van bamboesriet, heizij van licht doch laai en veerkrachtig honl. Voor het gemak laat men dezen bengel dikwijls nil verschillende deelen beslaan, doch is dit het geval, dan dienl men te zorgen, dat alles door bet aanbrengen van pennen en metalen bussen. Hink in elkander sluit, zonder gelegenheid te laten, voor belangrijke uitzetting of inkrimping. Hij de

-ocr page 130-

110

gewone veel gebruikle inschuifhengels ( tevens wandelstokken) is dit dikwijls niet ol althans niet genoeg het geval. Worden deze nat, dan kunnen ze vaak niet weer in elkander worden geschoven, voor ze weer door en door droog zijn, terwijl het ook menigmaal geheurt, dal zij bij dit in elkander schuiven scheuren. De beste gewone bengels zijn öl\' de bamboesbengels uit één stuk ol\'die, welke gemaakt zijn van twee stokken, n.1. van een 1 2 M. lang ondereind van gewoon best doch laai iioul zonder oeslen of kwasten en van een nole-boomboulen spils ol\' boveneinde, zoo mogelijk geheel rechl ol een weinig gebogen. De verbinding van beide deeleu kan geschieden ölquot; door middel van een koker ól\' door insnijding en omwinding met bindgaren. Ter voorkoming van inwalering dient de bengel donker groen geverfd le zijn. Het ondereind moet scherp loeloopcn, leneinde den hengel des. verlangd onder hel visschen in den grond le kunnen sleken. Aan het boveneinde moet eene kleine inkeping zijn, opdat bel snoer daarin zal kunnen worden bevestigd, zonder dal dil kans heelt voor afglijden. Hel snoer bij den gewonen hengel passende, dus geschikt voor hel vangen vau allerlei visch, behoell niet zeer lang le zijn b.v. 1 2 M. of althans iets korter dan de slok, tenzij, hetgeen nooit kwaad kan, de hengel zoo is ingericht, dal een deel ervan in reserve kan worden gehouden. Ken kort snoer is in de meeste gevallen verkieselijk, dewijl men dan niet alleen meer kracht heeft om den visch uil het water le halen, maar ook hel aas gemakkelijker kan worden aangeslagen. Veel hangt in dezen naluurlijk ook af van de gesteldheid van bet terrein, waar men vischl. Zijdesnoer is le verkiezen boven dat van hennep, maar ook de snoeren van paardenhaar kunnen uilmimlend zijn, vooral wanneer de laalslen zijn gemaaki van de slaarlharen van bruine of voskleurige hengslen. De haren uil de slaarlen van merrjën zijn minder geschikt, omdal deze door hel urineeren meeslal broos zijn. Hel lastigste van de paardenharen snoeren is, dal de knoo-pen wel eens los gaan. heigeen natuurlijk niet liet geval is

-ocr page 131-

Ill

hij de hennep- en zijde snoeren. Hij hel koopen van laalsl-genoemde mag men eehler wel goed toekijken, wijl meermalen voor zijden snoeren worden verkocht Russische hen-nepsnoeren, die gelijk als de zijden snoeren zijn gesponnen en gevernist. Aanvankelijk bewijzen de laatsten ook dezelfde diensten, doch na eenigen tijd heginnen zij te rafelen. Zij zijn hoogstens twee jaar hrnikhaar. terwijl de zijden en ook paardenharen snoeren bijgoede verzorging verscheidene jaren mee kunnen. Om ze lang te kunnen gebruiken moet men ze telkens nadat gevischt is. Hink drogen, ze nu en dan insmeren of bestrijken met spek of lavendelolie, ze daarna opwinden op een klos zonder scherpe kanten en ze eindelijk op eene droge plaats bergen. Velen hebben de gewoonte, terstond aan hei snoer den haak of hoek te bevestigen, doch dil is niet aan te bevelen.

De ervaring heeft geleerd, dal voor hel vangen „van allerlei visch het aanhcchten van afzonderlijke Kngelsclu\' ondersnoeren ter lengte van 3 of I decimeter zeer ge-wenseht is. Deze ondersnoeren, bij ons hekend onder den naam van kattendarm of zijde-, cremerin- of kemelshaar aanhechtingen zijn of kunnen althans zeer sterk zijn, zóó zelfs, dat geen visch, ook al is hij van aanmerkelijke grootte, ze kan breken. Teneinde zich zooveel mogelijk van de deugdelijkheid Ie vergewissen, proheere men ze voor lol koop over Ie gaan. Dil kan gemakkelijk geschieden als volgl. Men neme den haak in de linkerhand, hrenge het andere eind van hel ondersnoer lussehen de landen en slrijke nu met di» rechlerhand stevig over tien darm. Men moet dan een hoogen loon hooren. Met het oog op de vele namaak, is deze maatregel bepaald noodig. De bedoelde ondersnoeren hebben ook dit voordeel dal de haak, welke uil een sluk staal gevijld moet zijn, zooals met die uil Limerick hel geval is, bijna nooit los gaal. De aanhecbling is onver-helerlijk. Daarenboven doel lui cremerin lui aas bijna al-lijd in beweging zijn, belgeen nalunrlijk den visch nog meer lot bijten uillokl. Voor de aanhechting van het hovensnoer make men gebruik van eene lus.

-ocr page 132-

112

Hel is lang niel hetzelfde, welken haak men hij hel vis-schen gei)ruikl. De groolle en inrichting er van hangt al\' van do soort visch, welke men wenschl le vangen. In hel algemeen zijn kleine haken heter dan groote, omdat kleine visch niet licht hijl aan groote haken, maar groote visch daarentegen wel aan kleine. Voor den gewonen hengel zijn haken mei oogen minder gewenschl. Deze staan lom per en lt;ie ervaring heeft geleerd, dat vooral de kleine visch liever hijl aan haken, welke door middel van omwinding met zijde aan het snoer zijn verbonden.

Men doet wijs, vóór dat men gaat visschen, zich le vergewissen, of de aanhechting van den haak nog voldoende is. Door hel roesten van hel staal wil zoo gaarne eene zwakke steè ontslaan. Dit neemt echter niel weg de wenschelijkheid, dal elk hengelaar bovendien nog eenig reserve-snoer bij zich heeft.

Ook de vorm en \'e lengte van den dobber, die verschuifbaar moet wezen, zijn geen onverschillige zaken, tenzij men. zooals enkelen doen, alleen op het gevoel vischl. Men heeft dan natuurlijk geen dobber noodig. Wanneer men niet bepaald naar groote visch hengelt, is een dikke dobber niet aan le raden. Allicht zou de visch daardoor worden verjaagd, te meer, daar ook hel lood, waardoor men den dobber in het water laat staan, dan grooler moet zijn. Ook is het bijlen van kleine waterbewoners aan dikke dobbers bijna niet of althans minder merkbaar.

igt;ij lichle hengelsnoeren passen lichte dobbers. Drijvers of pcnneschachlen zijn nog beter, omdat hieraan zelfs de minste beweging, die de visch aan hel aas veroorzaakt, is le zien. Men maakt deze schachten op verschillende wijze. De een gebruikl daarvoor bet holle gedeelte van de veer, dat op beide einden met een weinig lak wordt dicht gemaakt en door middel van kleine ringetjes (van dezelfde veer), zoo aan het snoer wordt gehecht, dal liet gemakkelijk verschuifbaar is. Anderen daarentegen gebruiken juisl liet dichte gedeelte, d. w. /. dal stuk, waarin zich een bijzonder soort cel-

-ocr page 133-

113

weefsel bevindt. Het snoer wordt eenvoudig daardoor getrokken en klaar is de zaak. Het is dit gedeelte, dat in den regel ook wordt gebezigd voor het maken van kleine drijvertjes, te rijgen in dat gedeelte snoer, hetwelk hoven water hlijft. Dit laatste is zeer aan te bevelen, omdat hel ophalen min of meer helemmerd of onzuiver wordt, wanneer het hovensnoer is gezonken, terwijl, gaat men dit eerst hoven water hrengen, allieht zooveel beweging ontstaat, dat de viseh vlucht of ophoudt te hijten.

Aan te geven wanneer de hengelaar juist moet ophalen, is iioogst moeilijk. Alles hangt hier al van de omstandigheden en vooral van de wijze van hijten. Doel deze vermoeden, dat het aalbeet is, dan dient niet vlug te worden opgehaald. Al is de dobber reeds een poosje onder de oppervlakte van het water, dan kan men nog gerust wat wachten. De aal toeh zuigt vaak eerst een tijdje aan hel ondereinde van den worm en eerst als hij den smaak daarvan krijgt, gaat hij tot Hink toebijten over. Lijkt de beet forseh, zoodat men vermoedt, dat een baars of snoek den dobber naar beneden haalt, dan behoefl met hel ophalen niet zoolang le worden gewacht. Deze visschen spelen in den regel niet lang met het aas, maar verslinden het meestal spoedig.

bij eene trippelende beweging van den dobber, zonder dal deze onder water komt, hetgeen meestal bij plat-ol wilvisch het geval is, dient eene llinke heel te worden afgewacht, lenzij eene loopemle of opwippende beweging aan den dobber word! bespeurd. In hel laatste geval kan men gerust ophalen, omdat de viseh het aas dan in den bek heefl.

\'•aal de dobber bijna onmerkbaar naar beneden, dan is hel vrij zeker, dal een post die beweging veroorzaakt en is hel niel noodig zich te haasten, omdat deze zich meermalen ^elf vastbijt. Hoogst ongaarne laai dit vischjc hel aas glippen. Doch zooals gezegd is, veel hangt al\' van omstandigheden.

Hoe men moet ophalen is beter te zeggen. Dit dient nooit met geweld te geschieden, omdat dan allicht de hek van

-ocr page 134-

114

den visch scheuren of het snoer breken zal. Laat hel zink dit eenigszins toe, dan trachte men den visch met een klein stevig\' tikje vast te slaan. Is dit gelukt, dan trekke men hem langzaam naar de oppervlakte en hale hem, des noodig met behulp van een schepnet, op den wal. Bij een kleine zink gaat (lil likken moeilijk. Men doet dan wel door recht in de hoogte op te halen en zoo men aan hel snoer de richting kan bemerken, waarin de visch zicii beweegt, altijd zóó te trekken, dat de haak in den hek wordt opgehaald.

Het aas voor den gewonen hengel wordt geregeld naaide soort visch, welke men wenscht te vangen. Voor wit-visch neme men b.v. brood, geprepareerd beschuit of in-sekten; voor karper, aardappel of brood, vermengd met een weinig honig; voor baars en snoek, wormen, maden of kleine visch enz. (Zie verder hel afzonderlijk hoofdstuk aas.) Niet, dat deze visschen ook niet aan iets anders willen bijtenj maar aan het opgenoemde geven zij veelal de voorkeur.

Hel ligt voor de hand, dat de haak zooveel mogelijk in hel aas dient te worden verborgen. Ook behoort men er voor te zorgen, dal hetgeen men gebruikt niet le vlug wordt door- of afgebeten. Aardappel b.v. moet niet te gaai-gekookt zijn en brood en beschuit door bijvoeging van roode menie, anijsolie ot iets dergelijks, laai gemaakt worden. Bij hel gebruik van wormen moet de haak achter den kop worden ingebracht, opdat het dier ook met dat lichaamsdeel nog lokbewegingen zal kunnen maken. Hel achtereind, dal buiten den haak blijft, mag niet lang zijn, opdat de visch weinig of geen gelegenheid hebbe van den haak vrij le blijven. Hel gebruik van zoogenaamde blauwkoppen is altijd aan te bevelen, maar voor baars zijn ook de meer korte, roodgekleurde wonnen best. Dauwpieren zijn meer geschikl voor snoek en aal.

Is het om deze vischsoorten le doen, dan is een onder-snoer van cremerin, katten- of zijdedarm, of hoe men dat bij alle visschers welbekende goedje ook wil noemen, minder ge-

-ocr page 135-

115

wenscht. Beter is het dan, om aan het bovensnoer dat van sterke trens, liefst flink getaand en met olie ingesmeerd moet zijn, een ondereind van gedraaid of gevlochten koperdraad met eenigzins naar huiten staanden haak te maken, aan het hoveneind waarvan een niet te klein stukje lood bevestigd is. Ook is dan een dobber of drijver, minder noodig omdat dit visschen het best op liet gevoel kan geschieden. Vooral wanneer het aas, dat men gebruikt, niet erg beweeglijk meer is, dient men het zelf in beweging te houden. Steeds moet men het langzaam door het kroos of kruid laten zinken tot ongeveer op den bodem, omdat zich daar meestal, ten minste bij koud weer, de groote of dikke visch ophoudt. Men blijve vooral ook niet te lang, b.v. nooit langer dan twee minuten op dezelfde plaats. Krijgt men niet spoedig heel. dan kan men vrij zeker aannemen, dat Ier daar plaatse geen groote visch zit, wijl vooral snoek en haars niet lang wachten met op bel aas aan te vallen. Voelt men beet, dan dieut een weinig te worden toegegeven, opdat de visch hel aas naar binnen kan werken. Zoodra men denkt, dat dit geschied is, trachte men door een klein stevig rukje den visch vast te slaan en hem door aanhalen en laten schieten zoo te vermoeien, dat hij geschikt wordt om in hel schepnet te worden gelaten.

Met het oog op het laten schieten is het wenschelijk, dat het snoer niet alleen sterk, maar ook lang zij. Voor hel vangen van groote ol zware visch kieze men een hengel, door een rolletje en een paar ringen geschikt gemaakt voor het bergen en laten alloopen van reserve snoer.

In het algemeen kan hij bet visschen nooit Ie groote stille worden in acht genomen Alles dient men te vermijden, wal den visch kan doen schrikken en vluchten. Dicht langs den walkant loopen is verkeerd en eveneens het veel loopen ol slooten in het vaarluig, dat voor het visschen wordt gehruikt.

Waar men visschen moet om succes te hebben is moeilijk aan te geven, maar men dient eenige rekening te houden

-ocr page 136-

11G

mei de diepte van liel water, met plantengroei en dergelijke /aken. Diep water is altijd meer gewenseht dan ondiep, vooral in het najaar. Daarom en ook om den dobber of drijver op maat te kunnen stellen, verznhne men niet vóór het vissciien te peilen, hetgeen gemakkelijk kan geschieden, door aan den haak een klein kogeltje te hechten. Men kan den kans op vangen eenigszins bevorderen, door op bepaalde voor het visschen geschikt geachte plaatsen zoo mi en dan wal aas in het water te werpen. Onwillekeurig verzamelen zich daar devisschen.

Voor het verkrijgen van eene goede vangst is ook de tijd, zoowel van het jaar als van den dag, niet zonder invloed. Juli, Augustus en September zijn in het algemeen de beste maanden. hoewel October en November met hun meer ruw weer ook nog best kunnen zijn voor het vangen van snoek en baars. Midden op den dag te visschen geeft in den regel weinig. Wil men veel kans op vangen hebben, dan dient men met liet krieken van den dag te beginnen, wanneer de visch het happigs! en de natuur het mooist is. Ook \'s avonds wil hel bijten meermalen best, zoodat gerust kan worden aanbevolen, om den vischdag te verdeelen in drie gedeelten en dan hel middengedeelte voor rusüijd te gebruiken.

I-Zen goed visscher let ook op wind en stroom. In den regel werkt hooge, d. w. z. Xoordelijke ot Oostenwind ongunstig, maar Zuide- en Westenwind daarentegen voordeelig. Zoel ol zacht weer is bepaald gunstig, als er geen onweer aan de lucht is. Mocht het beginnen te donderen, dan rolle men gerust de hengels op en wachte met hel visschen tol het onweer voorbij is, wanneer somtijds de genomen rusllijd door dubbele vangst wordl vergoed. Daar de visch in den stroom opzweml , althans den bek heelï gekeerd naar den stroom, moet men met die gewoonte rekening houden, terwijl natuurlijk ook op den stroom moet worden gelei, als in de nabijheid fabrieken zijn, wier alval het water kan verontreinigen. Al zegt hel spreekwoord, dat het in Iroebel water goed visschen is, voor goed vangen met den

I

-ocr page 137-

117

hengel is zuiver water een eerste vereischte. Het gaat den visch in bedorven water, als den mensch in bedorven lucht. Van eetlust is er dan geen sprake en deze dient er toch te zijn zoo men den visch door middel van aas wil vangen.

h. Die Sxaphf.xgei,.

Deze hengel onderscheidt zich van den vorigen slechts hierdoor, dat de schacht oi\' dobber, welke zoo klein mogelijk moet zijn, zich geheel hij den haak bevindt. Een zink is er haast niet aan. Het aasdrijit bijnagehecl aan de oppervlakte van bet water. De haak moet niet groot zijn, omdat daaraan klein aas moet worden geslagen. In den regel bestaat dit uil vliegen, kevers en dergelijke. De lijn moet sterk maar weinig in het oogvallend zijn, terwijl de visscher er voor moet zorgen, dat hij de zon in den rug heelt. Het ligt voor de hand, dal men zich van dezen hengel slechts bedient bij warm, helder weer, wanneer de visch hoog zwemt. Het zijn meestal karpers, meunen en vooins, welke met den snap-hengel worden gevangen, maar ook lorei laat zich daarmee zeer goed bemachtigen.

De lengte van het snoer en den stok hangt af van de ge-steldheid van het terrein, maar toch zijn in het algemeen een lange hengel en een lang snoer zeer aan te bevelen. Vischt men in eene snel stroomende rivier, dan is een schacht of dobber vrij overbodig. Men kan dan door langzaam het lichte snoer telkens tegen den stroom in te trekken en dan weer te laten schieten, vrij wel hetzelfde resultaat verkrijgen.

Krijgt men aan den snaphengel beet, dan beboert men met het ophalen niet lang te wachten, omdat het aas klein is en dientengevolge door den visch vlug verorberd wordt. Het zoogenaamde tikken, dat is, het vastslaan door middel van een kleinen stevigen ruk. kan hier moeilijk worden toegepast, omdat door het bijna algeheel gemis van zink de visch

-ocr page 138-

118

door eenc kleine beweging toch reeds uit het water wordt getild.

r. I)k Looimiknoei. (Topgaard.)

Deze hengel dankt zijn naam vrij zeker aan de gelegenheid, welke hij aan den visch geeft, om met het snoer weg te zwemmen of weg te loopen. Zooals hieruit reeds valt af leiden, heeft men hier te doen met een hengel met een zeer lang snoer. Is de stok 3 a 1 M., dan kan de daaraan te bevestigen lijn gerust IK a 20 M. zijn. Voor het hergen van deze groote hoeveelheid snoer wordt de hengelroede aan het ondereinde voorzien van een rol met handvat en hoogerop van versehillende ringen. De lijn wordt door de ringen van heneden naar hoven getrokken. De dikte er van en de soort vmi ondersnoer, alsmede het aan te hechten aas hangen af van de soort van visch welke men wenscht te vangen. Voor roofvisch is naliuirlijk zeer sterk materiaal noodig, en moet men voor ondersnoer koperdraad of vioolsnaar gehrniken. Voor andere visch kan men met een gewone lijn en dobber en een ondersnoer van katten- of zijdedarm volstaan. Zoodra een visch zich vastbijt, spant hij alle krachten in om weder vrij te komen. Door zijn pogen loopt de overgebleven lijn van de rol af. Zoodra dit gebeurt, moet men door een klein rukje trachten den haak nog wal vaster te slaan, want meermalen is bel gebeurd, dat de visch, die slechts losjes vastzat, door naar boven te zwemmen, zich weer vrij werkte. Ook zorgt men er voor, dat het snoer altijd eenigszins gespannen blijft. Dit is minder noodig, wannner de visch zich flink vast beeft gebeten, hetgeen men allicht bemerkl, doordat de gekwelde zich dan meestal in de diepte begeeft. Men kan dan volstaan met bet afloopen van de lijn een weinig te bemoeilijken, door haar met de hand zacht tegen den stok te drukken. Men moet den visch niet heftig pareeren, want dit lokt onwillekeurig tegenstand uit. Een zacht pareeren, gevoegd bij het naslcepen

-ocr page 139-

119

van tic lijn mat den reeds half gevangene genoeg af. Langzamerhand begint men het snoer op te rollen en dit kan gerust met meer kracht ot spoed geschieden, zoodra men weet, dat de visch zich reeds op zijde legt. Men kan hem dan zonder veel gevaar zoover uit het water halen, dat hij lucht moet happen. Is dit geschied, dan heeft men gewonnen spel. Zelfs de grootste visch laat zich dan gemakkelijk verder behandelen.

d. Nachthengels (Aalreepen), Nachtsxoeren, (Rolsnoeren en Dobbers.)

Onder nachthengel verstaal men ecu vrij sterk touw, bevestigd 6f aan in den grond gestoken stokken of hengels 6f aan andere voorwerpen, en voorzien van tal van snoeren. Deze snoeren mogen niet lang zijn. Eene lengte van l1 -M. is voldoende. Zij worden op zoodanige afstanden van elkander aan de lijn gehecht, dat zij onmogelijk in elkander kunnen komen. Wil men alleen aal vangen, in welk geval de naam aalreep wordt gebruikt, dan is het noodig ze te voorzien uitsluitend van de gewone witte, groote aal-haken en ze vrij diep, bijna op den grond te laten hangen, met kleine vischjes of dauwpieren als aas. Heter is het evenwel hier en daar ook een snoer aan te brengen met kleiner haak, ander aas en minder diep geladen. Ook is het niet kwaad, een enkclea an te brengen berekend voor het vangen van snoek of andere groote visch en dus voorzien van levende visch als aas. De vangkans wordt dan veel grooter, omdat de aal lang niet altijd bijl.

Meermalen worden de snoeren ook te water gelaten, niet aan een lijn vastgehecht. Zij worden dan voorzien van een klem, plat, aan de kanten afgerond plankje en hebben minstens eene driedubbele lengte. Men noemt ze rolsnoeren. wanneer zij van snoekhaken met koperdraad en levend aas worden voorzien en dobbers, zoo de lijn rechtstreeks aan een aalhaak is bevestigd en aan deze een dood vischje of een

-ocr page 140-

120

dauwpier als aas wordt gelmükl. Hij dobbers wordt hot plankje meestal aan het einde van het snoer vastgemaakt. Het dient dan eensdeels als haspel voor dat gedeelte snoer, hetwelk niet noodig is om den haak niet het aas op den grond te doen rusten en anderdeels om den visseher de plaats aan te duiden, waarheen de viseh met het snoer is gezwommen. Door sommigen wordt hel plankje niet geheel aan het eind vastgemaakt. Zij reserveeren een gedeelte snoer aehter hel plankje, voorzien dit gedeelte van een stukje lood en laten het dan werken als rem. Het voortsleepen van den dobber wordt dan iets moeilijker.

Hij liet inzetten van de naehtsnoeren dient men eenige om-ziehtigheid in acht te nemen, opdat ze goed komen te liggen, niet in de war geraken en vooral het aas niet wordt besehadigd. Zoodra de haak daar eenigs/.ins door komt, is de is de kans om te vangen veel geringer.

Bij dobbers is vroegtijdig ophalen bepaald noodig, niet alleen omdat /.ij anders, althans in hel publiek vaarwater, gevaar loopen, door schippers opgepikt of door de schepen medegesleept te worden, maar ook en hoofdzakelijk, omdat de aal. zoodra de dag komt, allerlei pogingen doet zich los te wringen, teneinde in den modder te komen, waarin hij zich s daags meestal ophoudt.

c. I )i: Zi. i in.m.ki.. (Zktu.i.n, Fi.ki n.)

Deze bengel is speciaal bestemd voor hel vangen van roof-visch, als baars en snoek. Vandaar dat het snoer sterk en de haak niet te klein moet zijn. In den regel maakt men de lijn van dik trens ol dun klapkoord. Ook kan Hink gewast bindtouw worden gebruikt, maar dan zorge men voor behoorlijke dikte. Hel is noodig de lijn Hink lang te maken b.v. minstens 10 Meter. Hel snoer, met levende visch en bij gebreke daarvan met een groenen kikvorscb als aas, wordt niet diep in het water gehangen en voor het overige, althans

-ocr page 141-

121

bij fleuren, gewonden om een rol of gaffel. Deze laatste is een stukje hunt van driehoeivigen vorm en voorzien van een klein spleetje voor hel losjes vastzeilen van het snoer. Zij wordt op hare beurt weer bevestigd aan een stevigen slok, die, voorzien van eene scherpe punt, in zóó schuinen stand in den wal wordt gestoken, dal hel aas gedwongen wordl steeds op eene geschikte plaats in het water rond te zwemmen. I let ondereind van de lijn moet niet terstond met het ondereinde van den haak aansluiten. Als klein ondersnoer wordl een gedraaid dubbel eindje koperdraad gebruikt, aan beide einden waarvan eene lis ofquot; oog moet zijn voor de aanhechting van lijn en haak. De laatste is dubb.d, mag niet broos zijn en is daarom in den regel van koper. Hij moet zoo gemaakl zijn, dat hij gemakkelijk kan worden aangehecht en afgenomen. 1 lel vischje, dat als aas moet dienen, zij niet te groot, b.v. van .) 10 centimeter. f)e aatdiechling kan op Iweeërlei \'•vijze geschieden. Vooreerst kan men het koperdraad door bek en darmkanaal werken, zóó, dat het achter uilkoml. Daar wordt het dan zóóveel aangetrokken, dat de dubbele baak juist met den steel en met de punten naar buiten in den bek komt te liggen. Meest geschiedt de aanhechting echter als volgt: Met een lijn mesje, of bij gebreke daarvan met een der punten van den haak, maakt men aan een der rugzijden van het viscbje en wel ongeveer bij hel begin en het uiteinde van de rugvin een paar kleine openingen in de buid. In hel gaatje bij den staart wordt nu hel koperdraad gestoken. Men sclnnfl dit zoo dicht mogelijk langs de huid, totdat het uil hel andere gaatje te voorschijn komt. Daarna geschiedt natuurlijk de aanhechting. De baak kom! ook hier dichl bij den kop en met de punten naar buiten le zillen, terwijl de steel zooveel mogelijk onder de huid van bet vischje wordt verborgen. Het is van groot belang met «-\'en en ander voorzichtig te werk te gaan. Zal hel vischje \'■mg in leven blijven, en dit is bepaald noodig, wijl de snoek 1 \'i baars niet gemakkelijk aan doode visch bijlen, dan mogen nóch de inwendige deelen nóch de schubben beschadigd

-ocr page 142-

122

worden. Ook moet, zooals van zelf spreekt, het aanhechten vlug geschieden, omdat het vischje niet lang buiten het water kan zijn.

Hij het gebruiken van een kikvorsch als aas, kan de aanhechting soortgelijk geschieden. Ook hier werkt men het koperdraad op den rug onder de huid door en zorgt men er zooveel mogelijk voor, dat het heest zich vrijelijk kan bewegen. Gebruikt men zetstokkon, dan is aanhechting van een dobber niet noodig, omdat men dan door middel van de gafiel met een klein spleetje de lengte van hel zink kan regelen. Heelt men geen stokken dan moetdevisch door middel van kurk op de gewenschte hoogte in liet water en door een afzonderlijk lijntje met lood van den wal worden gehouden. Het snoer of liever de rol, waarop dit is gerold, zal dan natuurlijk aan iets anders moeten worden vastgemaakt, hetzij aan waterplanten. steenen of iets dergelijks, maar het liefst nog aan kleine in den grond geslagen of getrapte stokjes. De aanhechting zij steeds zóó, dat het onmogelijk kan losgaan of breken. Wijl de zoo geplaatste zetlijnen weinig in het oog loopen, gebeurt het meermalen, dat men ze niet kan terugvinden. Dit kan men voorkomen door ze systematisch te plaatsen, d. w. z. naar een bepaalden regel. De eerste plaatst men b.v. op den hoek van eene sloot, of recht tegenover een hek of wring, of bij, gemis van een gemakkelijk te herkennen voorwerp, hij een in het land te maken kuil en vandaar neme men verder vaste afstanden, b.v. 30 ot 10 voets lengten. Het kan dan niet missen of men vindt de geplaatste lijnen alle terug, tenzij ze zijn gebroken of losgemaakt. Ook kan natuurlijk een kleine haak oi\'dreg bij het zoeken goede diensten bewijzen, doch met het oog op de mogelijkheid van Hinken buit aan de lijnen, is dit middel minder gewenscht. Dan toch moet dadelijk de meeste voorzichtigheid in acht worden genomen. De heftige slagen van den vastgebetene moeten dadelijk zacht worden gepareerd, hetgeen bij dreggen niet altijd mogelijk is. De visscber met zetlijnen doet wel, steeds van schepnet voorzien te zijn, maar is hij dit niet. dan moet hij den snoek, althans

-ocr page 143-

123

wanneer deze van eenige afimiing is, niet aan de lijn op den wal trachten te brengen, maar wel tot aan den wal. Is Inj daar aangeland, dan grijpt men hem mei de hand en wel onmiddellijk achter den kop en nog liever in de ooghollen, waar men natuurlijk Hink houvast heeft. Men zorge hierbij vooral geen kennis te maken met het gebit van den gevangene, wijl dit onlzeltend scherp is en een snoeke-beet niet gemakkelijk geneest. Het ligt voor de hand, dat men ook bij zetlijnen de meeste kans van vangen heeft, wanneer men op het terrein blijft. Men kan dan het geleidelijk verloop der zaak eenigszins bevorderen. Wanneer, door hel afloopen van de lijn, van aanbijten blijkt, (hij het uitzeilen dient men zooveel mogelijk Ie zorgen, dal hel snoer niet le vast in hel spleetje van de gaffel wordt getrokken) dan neme men den slok in de hand. Zoodra (ie snoek hel vischje heeft gegrepen, gaat hij daarmee naar de diepte, waar hij hel dood bijl. Vervolgens zwemt liij er mee naar zijne gewone standplaats, waar hij hel inzwelgl. Bij dit wegzwemmen loopt de lijn naliiurlijk steeds verder af. Blijkt nu, dat hij verder wil zwemmen dan de lijn lang is, dan brenge men den snoek door lichte rukjes in de meening, dal zijn prooi hem tracht le ontkomen. Hij zal zich dan met inslikken haasten, hetgeen aan eene trillende beweging van de lijn wel is le bemerken. Men wachte dan nog een oogenblik en doe nu door een tamelijk sterken ruk den haak dieper in hel vleesch dringen. Hierna kan men gerust met het inhalen van de lijn beginnen, waarbij men zorgt, dat de visch daar aan den wal komt, waar deze zóó laag is, dat men den ze gemakkelijk kan grijpen.

I it de snelheid waarmede de lijn alloopt en den weg, welken de snoek inslaat, kan men vrij zeker zijne grootte alleiden. Is de snelheid aanzienlijk en zwemt hij stroomopwaarts, dan kan men gerust aannemen, dal hij groot is, ^ ijl kleine snoeken, zelfs nog die van 2 a 3 pond, in den \'egel niet zoo snel en dan stroomafwaarts zwemmen.

-ocr page 144-

/\'. De Wekpuexgel

Deze hengel noemt men zoo omdat men de roofvisschen, welke daarmede worden gevangen, zoodra zij hijten, op den wal werpt. Men gebruikt daarvoor een stevigen langen stok, waaraan eene sterke lijn, met aan liet einde eenen ketting van messing of koperdraad en een gewonen haak, doch van het sterkste nommer. Als aas wordt een lok-visfhje, Helst t en grondeling gehrnikt, die door middel van kurk en lood op eene bepaalde diepte in het water wordt gehouden en dien men den haak aan de rugzijde door het vleesch steekt, zóo, dal de ruggegraal uii\'l gekwetst en het diertje niet iu zijne bewegingen belemmerd wordt. Om het visehje zooveel mogelijk den loolvisch te doen lokken wordt het een der borstvinnen algesneden, waardoor het genoodzaakt is steeds in het rond te zwemmen. Daar waar men mi vermoedt dal roofviseh aanwezig is, wordt de hengel voorzichtig iu hel water geworpen. Steeds houdt men den dobber ol de kurk in hel oog. Ontdekt men nu dat het lokvischje onrustig wordt, dan kan men zeker zijn dal diens vijand nadert en doel men wel zijne aandacht te verdubbelen. Heeft men den hengel uil de hand gelegd, dan is het noodig hem terstond voorzichtig weer op te nemen, (iaat de dobber nu geheel naar de diepte, dan vatte men den stok met beide handen en doe een Hinken ruk. Voelt men dat raak is geslagen, dan haalt men onmiddellijk op en brenge den mover op liet droge, l il hel bovenstaande blijkt, dat het visschen met den werphengel veel overeenkomst heeft, eensdeels met het visschen met den gewonen hengel en anderdeels met dat met den zelhengel liet is echter veel spannender dan het eerste en vruchtbaarder dan het laatste. Met den werphengel wordt veel meer gevangen dan met den zelhengel, hetgeen vooral hieraan is te danken, dat het lokvischje door den gewonen haak in zijne bewegingen veel vrijer blijft dan bij den dubbelen haak van de zetlijn.

-ocr page 145-

Bij den eersten greep pakl de snoek den lokvisch over dwars aan; hij gaal daarop naar den grond, waar hij hem zoo in den hek omdraait, dal de kop naar achteren komt. Van dezen eersten greep moet de visseher partij trekken. De haak dieïTf dan stevig te worden ingeslagen, waarhij het meermalen gebeurt, dal de hek van den snoek lot den snnil-ring inschenrl. Onmiddellijk ophalen is dan van het grootste belang, omdat de viseh anders te veel gelegenheid heelt nl\' om hel snoer door le hijten 61\' om zieh van den haak los le maken. Mocht hel hlijken, dal de haak niet heelt igt;elrofïcn en plal in den hek lieert gelegen, dan dient men oogenhlikkelijk een ander lokaas aan te slaan, waarna zal hlijken dal de snoek ook hieraan spoedig gading maakt.

l il hel zinken van den dohher kan veelal worden afgeleid welke soort viseh heelt aangeheten. iüj snoek gaat de dohher hijna loodrecht naar beneden; de baars daarentegen trekt hem eerst een eindje onder water heen en weer, om hem daarna schuins naar de diepte te halen. De meun gaat nog anders te werk. Hij grijpt wel naar den lokvisch, maar laat deze weer los, zoodra hij hespenrl, dat hij niet lerslond mee wil. Zijn eerste greep is dikweii\' zóó heilig, dal de hengel word! meegesleept, maar de ervaren visseher laat zich hierdoor niet tot ophalen verlokken. Hij wacht stil den tweeden beet al\' en haalt op zoodra hem blijkt, dal viseh de met hel aas siroomopwaarts zweml.

Hij deze visscherij moet men dikwijls van plaals veranderen. Men late hel snoer maar stil met den stroom aldrijven, maar zorge er voor, weinig ol\' geen rumoer le maken, wijl dil aanleiding zou zijn lol vluchten van den viseh. Ook late men zich niet weerhouden door de minder fraaie weersge-sleldheid. Is bij hel visschcn met den gewonen hengel helderen slil weer zeer gewenschl, met den werphengel gewapend li\'ekke men gerust uil bij eenigszins slonn- en regenachlig weder, vooral wanneer de wind uil hel Westen of Zuiden waait. Hel ruwe weder doel de kleine viscb onwillekeurig uaar de diepte verlunzen. De groote roofvisch krijgt daar-

-ocr page 146-

126

door min of meer gebrek aan kleine visch en wordt dientengevolge happiger op den lokvisch.

Bij het visschen met den werphengel is hel meenemen van een schepnet minder noodig, omdat de visch rechtstreeks uit zijn element wordt verwijderd. Wil men met den werphengel veel snccès hehhen, vooral ten aanzien van roof-visch, dan is het raadzaam den dag te voren op de plaats, waar men wil visschen, lokvisch te brengen, hetgeen op de volgende wijze kan geschieden. Zoodra men geschikte lokvisch heeft, doe men deze in een helder gondvischglas, dat tot aan den rand gevuld wordt met water. Daarna dekke men het glas met niet te dicht linnen, dat vastgemaakt wordt door Hink bindtouw, waarvan een zoo groot eind moet overschieten, dat men het glas op den bodem van het water kan laten zinken, met behoud van gelegenheid om daaraan hoven de oppervlakte van het water een stuk kurk te binden, opdat dit altoos de juiste plaats zal kunnen aanw ijzen, waar men het glas heeft laten zinken.

(j. Dr-: Spotiiengel. (Si.kkim.un.)

Onder dezen naam is bekend iedere sleep- of drijfhengel waaraan in plaats van natuur-, kunstaas wordt gehecht, dus aas waarmede men den visch Ibpl en bespot. Men heeft kunstaas van verschillenden aard. Hier zijn het heel kunstig nagemaakte vliegen of andere insekten; daar zijn het metalen vischjes, zóó natuurgetrouw nagebootst wat vorm, grootte en kleur betreft, dal ze bijna niet van echte vischjes zijn te onderscheiden. Vooral hel Kngelsche knnstaas is prachtig en soliede. Het verdient de voorkeur hoven het Fransche, dat meest uit chenille vervaardigd is en gewoonlijk fantasie-vliegen zijn. Wel kost het Kngelsche kunstaas ook meer, maar op den duur gaat hef er ook mee. Niet altijd echter heeft men met het kunstaas veel succés. Zoo werd indertijd door mij tegen den prijs van 90 cent aangeschaft een zeer aardig uitgevonden

-ocr page 147-

127

kunstaas. Het was een vischje, gemaakt van l)lilv, in den vorm van een grondeling. De kleuren waren daarop zoo overeenkomstig de natuur aangebracht, dat men hel voorwerp bepaald in de hand moest hebben, om mei overtuiging te kunnen verklaren, dal hel heusch geen naluurvisch, geen werkelijke grondeling was. Door het geheel liep een soliede koperdraad, die, bij den bek voorzien van eene lis voor de aanhechting van het snoer, bij den slaarl slrekle lol aanhechting van eenen driearmigen hoek, die wel fijn, maar loch zeer soliede bleek le zijn.

Meermalen heb ik met dit kunstaas mijn geluk beproefd, docb slechts een enkele maal mocht het mij gelukken iels daarmee te vangen. Waaraan dit slecht succes was le wijlen, heb ik mij moeilijk kunnen verklaren. Eensdeels heb ik hel toegeschreven aan hel feil, dal bel kmisl-vischje zich niet gemakkelijk in hel water bewoog en anderdeels hieraan, dal een grondeling een meer gewild aas is voor aal of paling dan voor snoek en baars. Sedert heb ik nooit weer met kunstaas gevischt, maar mijn heil bij de netten gezocht. Toch heb ik nog meermalen met kunstaas zien visschen en de overtuiging bekomen, dal toch wel degelijk met zulk aas iets is le vangen, zelfs al is het zeer eenvoudig, zeer primitief ingericht. Prachtige baarzen en snoek, doch meestal baksnoek, heb ik wel zien vangen door middel van hel zoogenaamd lepeltje,1) dal eigenlijk niets meer is dan een lepelblad, glad geschuurd of gepoetst, voorzien van een haak mei drie landen en zoo aan den hoek en het snoer bevestigd, dal hel eene wentelende beweginlt;* maakt, zoodra hel door hel water wordt gelrokken of gesleept. Deze beweging, gevoegd bij hel blinkende van het metaal, waarvan het lepelblad is gemaakt, schijnt vooral de roof-visschen in verzoeking te brengen.

Het leelijke van zulk een lepeltje en van al hel kunstaas, dal ik lol dusver heb gezien, is evenwel, dal hel om iets le vangen steeds in beweging moet blijven. Wanneer men niet m een boot zit en kan zeilen, moet men loopen en altijd

1\' Ten op/ichlc van de vraag in hoever dit vissehen geoorloofd is. wordt verwezen naar hel hieraehter geplaatst opstel.

-ocr page 148-

weer loopen, zal men iels vangen. Steeds moei hel kunstaas van tien grond en zooveel mogelijk draaiende worden gehouden, heigeen nog niel zoo erg zou zijn, indien voor dal loopen hel lerrciu altijd maar geschikt was; maar hoe dik-werl gebeurt het, dal öl\' de wal hijna onbegaanbaar ói\' hel water zoo mei allerlei groen ol\' vuil bezet is, dat óf de hoek vast geraakt, 61 het kunstaas juist door dat vuil of groen zóó wordt omgeven, dal het in geenen deele meer op aas, maar veeleer op een vischversehrikker gelijkt. In verband hiermee is bij mij meermalen de vraag gerezen, of niet nog een heler kunstaas beslaat ol\' is Ie fabriceeren.

Algaande op de vorderingen, welke de kunst op ieder gebied maakt, is hel m. i. zeer goed mogelijk, dat bier ol\' daar reeds een kunstaas wordt gevonden, waarbij men niel sluit op de bezwaren, welke verhouden zijn aan hel gebruik van dal, I welk tot dusver onder mijne oogen kwam. Ik weet h.v. wel, dal voor een paar jaar in Amerika palent is gevraagd voor een aas, dal den naam van kimsl-naluur-aas zou kunnen dragen. Het is een glaasje, waarin een klein levend visehje wordt gedaan, dat door het met een vrij lijn samengeslelden haak omgeven glas eeuige malen vergroot en levens voor aanbijten bewaard wordt. Van hel succes dezer nieuwe vinding heb ik echter niel gehoord. In ieder geval komt het me voor, dal er vrij zeker nog wel een ander en beier kunstaas te maken is. Kik visscher met niet al te bekrompen blik, weel loeh, dat visch gaarne visch verslindt, maar ilal zij niet minder graag sommige insecten verorbert. Mn w it\'n is het onbekend, dal hel beste middel om visch en mooie visch te vangen, bestaat in hel gebruik van hel zoogenaamde oever-aas, dat evenwel slechts gedurende een paar maanden des jaars en dan nog lang niet op iedere plaats is te verkrijgen. Ik bedoel hiermee de Halt, in de welenschap-pelijke wereld bekend onderden naam van ..Kphemeridaequot;. \')

1» Volgens Dr. l«rr/i:M\\ lïos zijn Haften lt;I.pliemcridae) ^ledige, (Itinnc cn leere Iinsri lm mcl omolkonu-n moinMeelcn. voelsprieten en \'2 ol\' I» clraalt;lvorn«i^e verlen^sels aan f aclitcrliji\'. Zij paren in «ie Inelit. waarna het mannetje weldra sterft, terwijl het wijfje zich naar het w;iter spoedt om daarin hare eieren te le^en. (jewooidijk zijn ook de wijfjes eenige nren later dood.

-ocr page 149-

12!)

Zou liet nu niet mogelijk zijn, die Haft zóó na te maken, dat hel namaaksel voor een visschenoog niet van eene echle Haft is te onderscheiden? Met spreekt van zelf, dat, zoo de namaak gelukte, nog iets zon moeten worden gevonden, wat aan het kunstaas eene draaiende beweging zou kunnen schenken, doch dit zou m. i. geen bezwaar opleveren, omdat het draaivermogen ook in of hij den dobber zou zijn aan te brengen. Met het beoogde aas zou ik toch niet liefst slechts op het gevoel willen visscheu, zooals lol dusver bij gebruik van hel mij bekend knnstaas geschiedl.

Het zou zeker alle vischlief hebbers hoogst aangenaam zijn, indien de een of ander werktuigkundige kon goedvinden zijne talenten en krachten eens in de aangegeven riebtingaan te wenden. Hij slagen zou hij niet alleen kunnen rekenen op de dankbaarheid van talloos velen, maar ook op behoorlijke belooning zijner moeiten, wijl m. i. niemand zou aarzelen, om zich voor het bekomen van een practiscb kunstaas eene geldelijke opolferiug te getroosten. Het spreekt van zelf, dal hel snoer, aan het kunstaas te bevestigen, in ovcreenslemming moet zijn mei de soort visch, welke men wenschl te vangen.

Hel mcnigvuldigst komt ilc SI. .lans-vlieg voor CE. nlbipenncs .\'i, vooral aan de oevers van Maas. Waal en Rijn, Kort voor zonsondergaan komen de larven uit het water. In-wijl zij aan rielslengels en walerplanlen zitten, barsl liun omhulsel en hel volkomen insect komt Ie voorschijn: in lallooze menigte ziel men ze dan hoven hel waler vliegen: voor iniddeniachl zijn alle dood.

Behalve de genoemde heefl men nog de !•:. \\ ulgala. welke lgt;ruinaclilig is en bruine vleugels heefl; de/e wordt vooral aan de oevers van den l.fsel gevonden: /ij leel\'t 2 a :! \'lügen. I-iene andere (Cloë diptera). die bier nooit in groot aantul voorkomt, lieeft \'1 vleugels en leeft 11 en meer dagen.

De larve «Ier 1. beeft een lang gerekt liel.aam mei (\'»poolen, sterke tangvormige boven-1 ^:ik. 2 borslelvormige voelsprieten en 15 uitsteeksels aan t aehlerlijf. liet lichaam !»«• 1 ial uit 7 ringen, waaraan Ier \\veers/ij«len fijne, vedervonnige uitsteeksels zitten, welke ;lls ^\'euwen dienst doen en altijd in beweging zijn. Zij leefl asl larve 2 A :\'gt; jaar en lioudt zicb dan op in den bodem en de oevers der rivieren, enz. Men heeft er zelfs «\'«angelroflen in door wormen doorboorde boomwortels.

-ocr page 150-

130

/i. Met Visschen met Kixstvliegex.

Deze visscherij wordt vooral loegepast in Engeland, waar men daarvoor ook de beste hulpmiddelen aantreft. Wil men succès met (lil visschen hehhen, dan moet het volgende in acht worden genomen.

In ile eerste plaats is noodig een lange, lichte maar toch sterke stok. De veel in den handel voorkomende vischhen-gels kan men er wel voor gebruiken, maar dan moeten ze minstens uil 1 a 5 stukken of deelen bestaan. Ook moeten ze aan het ondereind voorzien zijn van een Engelsche rol of winde en van de uoodige ringen. Het snoer toch, dat men noodig heeft, is heel laug, minstens 2.\') Meter. Hel wordt voorzien van drie ondersnoeren van rood cremerin van ietwat ongelijke lengte, en waarvan de einden hoven, dus hij liet hovensnoer, samenloopen. Aan ieder der einden van hel cremerin bevind! zich ecu kunstvlieg, voorzien van een kleinen maar sterken haak. De vlieg aan liet langste eind is grooter dan die. welke zich aan de heide andere J_ 30 a 10 cM. hooger gelegen einden bevinden, liet aanbrengen van meer dan drie vliegen is niet gewenscht. Ken dobber wordt bij dit visschen niet gebruikt, omdat alles daarop is ingericht, dat het snoer uit zich zelf blijft drijven. Het uitwerpen er van eischt nogal eenige vaardigheid. De kunst is om de vliegen zóó te werpen, dat het schijnt alsof ze spelende uit de lucht komen vallen. Men laat ze dan met den stroom afdrijven, en geeft ze eene min of meer trillende beweging. Is de lijn tol op de volle lengte afgewikkeld, dan worden de vliegen schuins over den stroom gelrokken, doch nooit eerder legen den slroom. dan wanneer zij bijna den oever hebben bcreikl. Dan herhaall men den worp óf boven óf beneden de eerste plaats en wel boven, indien men stroomopwaarts en beneden als men slroomafwaarls vischl. Men begint met bol uitwerpen steeds nabij bel punl, waar men staal en verlengt den worp bestendig, loldal men niet verder kan. Heginl men mei hel snoer ver te werpen, dan zal men allichl de

-ocr page 151-

visschcn, welke zich diclil aan den wal bevinden, op de vluchl drijven.

Bij het uitwerpen moet men den hengelstok hoog optillen, zóó dat de laagst hangende vlieg en de daarop volgende het eerst in het water komen en lt;le derde langs de oppervlakte glijdt. Deze laatste spartelt als het ware nog even hoven het water, terwijl de heide anderen reeds daarin drijven. De vliegen moeten niet tegen den stroom op ge trokken worden, tenzij men wil hengelen naar meerlbrel of zalm. Krijgt men heel, dan is een schninseh opwaarts draaien van het handgewricht voldoende, om den visch vasl te slaan. Hemerkt men dat het een is van groote armetingen, dan laat men lui snoer alloo-pcn, doch altijd zóó, dal het gespannen hlijl\'t Alleen wanneer de visch rukt laat men vieren. Blijkt oveiinigend dat het dier moe wordt, dan treedt men meer handelend op. Langzaam heginl men dan op te winden, allijd echter nog hedaclit op de mogelijkheid van lievig verzet. Is de tegenstand geheel opgehouden, dan trekt men den visch stroomalwaarls naar eene plaats, waar men hem gemakkelijk op het droge kan halen. Bij dit naar den wal halen en in het algemeen hij het opwinden van hel snoer, moet zooveel mogelijk rukken en schokken voorkomen worden, wijl dit lot tegenstand zon prikkelen. Heeft men hem eenmaal onder zijn hereik. dan dient het schepnet te worden gehmikt. Onthreekt dit, dan moet men hel heest óf naar een laag gedeelte van den wal trekken en hem van onderen optillende daarop smijten óf hem krachtig in de oogen grijpen. Ken vatten hij den rug heeft meeslal ontsnappen tengevolge. Beter is dan nog lui grijpen onmiddellijk achter de kieuwen Kindel ijk dient de visscher te bedenken, dat hel voor lui welslagen van zijn pogen noodzakelijk is, dat alles vermeden moet worden, wal den visch kan doen schrikken. Zoo moet hij zich. als dit althans iets mogelijk is, altijd tegenover de zon plaatsen, opdat de schaduw van den hengel niet op lui water valk-. Ook moet hij zich zeil zoo veel mogelijk schuil honden en zorgen, dal mogelijke kijkers zich verdekt o|gt;stelleii.

-ocr page 152-

Alles moei er op worden aangelegd, dal de visch niels van zijne belagers bemerkt. Juist, wanneer hij zich geheel alleen of uitsluitend onder zijne naluurgenooten waant, zal hij het vlugst aanbijten en niet aan vluchten denken.

/. Hengelen naak Baars.

Ofschoon over het algemeen, althans in de noordelijke provinciën, de resultaten van het visschen met den hengel dikwijls onbevredigend zijn, en men meestal de hengelaars ziet tehuis-komen met eenige plattertjes in een touwtje of netje, soms aangevlijd met een paar zeer kleine aaltjes of palingen, toch worden bier en daar ook nog al vrij belangrijke vangsten gemaakt. Zoo werden in hel hegin van September 189.quot;) door de heeren Van Terwisga en De Hie te .lome (Friesland) met den hengel in drie uur lijds 120 baarzen gevangen tot een gezamenlijk gewicht van (i.quot;) kilo. Ook in de provincie (ironingen was de vangst van baars met den bengel toen vrij belangrijk. Bewijst dit, dal de maanden Augustus en September wel degelijk de schaartijd zijn van den baars, bet feit, dat die goede vangsten bijna alle werden gedaan op stille plaatsen, meestal op meren, bewijst tevens, dat de baars zich daar het liefst ophoudt. Kennelijk geeft deze viscbsoort aan weinig bevaren waters de voorkeur boven onze gewone kanalen, waar zij dagelijks door stoom- en scheepvaart wordt verontrust. Zij, die hun geluk in deze kanalen beproeven, komen dan ook meestal zonder baars te huis. Elk hengelaar dient er op te letten, dat deze visch die zelve zich in hel water ook weinig beweegt, van stilte houdt. Meestal en steeds bij onweder of schralen, lt;1. i. hoogen wind, ligt de baars onbewegelijk in de diepte, met den bek in den stroom gekeerd. Slechts bij Zuiden wind of bij zoel weder toont hij zich iets meer bewegelijk en waagt hij zich ook aan de oppervlakte. Hel is dan, dat hij zich gemakkelijk laat verschalken, vooral wanneer het vangen nog wordt be-

-ocr page 153-

133

gunstigd door ecnigt\'ii wind. Een mooier vangen dan baars is er voor den hengelaar niet. Zijn heel is zoo f\'orsch en de slag zoo zeker. Daarenboven is baars ook vrij wel de mooiste en lekkerste viseh.

Het is een waar genot, een Hinken baars uit liet water te balen of hem gekookt of gebakken op den schotel te zieu liggen. Toch is iedere baars niet even mooi en even smakelijk. Zoo is b.v. die, welke in veenachtig water wordt gevangen, altijd donker gekleurd en iets grondig van smaak. Heter is die uit de klei- of zandstreek. Deze is blank en prachtig komen daarop de zwarte strepen uit, welke van den rug naar den buik loopen. De kleibaars is meestal vet en malsch. Dat er groote ol\' liever zware baars wordt aangetroffen, bewees o.a. eene vangst door middel van schakels gedaan in een vijver te Groningen. Onder anderen werden toen te voorschijn gebracht prachtige baarzen lot een gezamenlijk gewicht van 5 kilo. Kr zijn evenwel nog zwaardere. Voor eenige jaren heb ik er een gezien, die alléén de hein van dat gewicht vertegenwoordigde. Niet alleen verslinden zij veel natuurgenooten, maar de hooge leeltijd maakt hen voor lekkerbekken ook minder gewild. Hoewel door sommigen ook wel andere middelen worden gehruikt, als geprepareerde stukjes vleesch, maden enz., is het mij altijd voorgekomen, dat daar, waar men geen levende garnalen kan machtig worden, een krullende worm (lielsl blauwkop) liet beste middel is om met succès naar baars te hengelen, terwijl daarop volgen kleine zoet-water-vischjes, als grondelingen, kleine wit-visch en vooral spieringen, welke laatste door hunne hianke kleur en door de reuk, welke zij verspreiden, eene bijzondere aantrekkelijkheid voor den baars schijnen te hehben. In hoeverre voor het vangen van baars de plomp de voorkeur verdient boven het gewone snoer met kurk, kan ik op grond van eigen ervaring niet verzekeren, maar het ligl voor de hand, dat, terwijl het snoeiquot; met kurk overal lang niet lot haar recht kan komen, met de plomp bijna overal kan worden gevischt, ook zelfs op plaatsen waar vrij dik kroos aanwezig

-ocr page 154-

134

is. Kn dal (ie baars juist op deze plaatsen gaarne vertoeft, is vrij algemeen bekend. Niet allen zijn het er echter over eens ol onder hel bruine kroos wel zooveel baars is le vangen als onder het groene. Hel kan zeer goed zijn, dat de baars minder goed aardt onder bruin, dan onder groen kroos, maar vóór dit voor goed is uil te maken, zullen m. i. verschillende herhebbers zich moeten uitspreken, en zou men eigenlijk ook moeten gaan visschen in polders ol sloolen, waarin werkelijk tweeërlei kroos aanwezig is. Hoe liet echter zij, het is mij altijd voorgekomen, dat onder iedere soort kroos wel is te vangen, mits de kroos-laag niel te dik en liet water niet te ondiep zij. De baars en trouwens ieder andere visch moet zich behoorlijk kunnen bewegen en levens ook kunnen zien, alles wal zich in of onder hel kroos ontwikkelt, omdat dit meestal zeer gewild voedsel voor hem is.

/\'. I IKNCKI.KN NAAI\'. KAHI\'ER.

Is de karper met vischwanl moeilijk le bemachtigen, omdal hij iu den regel zijn kop in den modder steekt en daardoor het net over zich been laat glijden, ook is bet lang niel ieder gegeven, hem aan den hengel te vangen. Slechts enkelen gelukt het hem aan hel snoer en in den vischzak te krijgen. Daarbij komt, dat hij lang niet op alle plaatsen is te treilen Men dient naar hem le zoeken. Veel kans op vinden heen uien bij bruggenhoorden en w al beschoeiingen, allhans. als hel walei daar diep is. Om te welen le komen ol\' bij aanwezig is. wordt mei veel suecès hel volgend middel aangewend. Men neemt een stukje eikenhout en make dit zóó zwaar, helzij door bespijkering hetzij op andere wijze, dat het wil zinken. In dil plankje worden een aantal zoo groote en zoo diepe gaatjes geboord, dat men daarin droge witte

-ocr page 155-

130

boontjes kan plaatsen en wel zóó, dat de helft van ieder boontje in. en de andere heli\'t boven het hout zit. Daarna maakt men de boontjes nat; zij zwellen dan natinuiijk op. Hierdoor komen ze Hink vast in hel bont te zitten. Heeft men zich daarvan overtuigd, dan worden aan bet plankje een paar touwen bevestigd, waarmede het te water wordt gelaten en wel tot bijna op den bodem. Zijn er nu ter plaatse karpers, dan vallen deze al spoedig op de boontjes, hun lievelingskost, aan en stoeten ol zuigen daaraan zóó, dat men dit dadelijk kan bemerken aan de einden van de touwen, welke men boven water aan een stok of ander voorwerp heelt gebonden. Gesehiedt dit niet, dan kan men veilig aannemen, dat ter plaatse geen karper aanwezig is en dient de proef op eene andere plaats te worden herhaald. Heeft men echter eenmaal beweging aan de tonwljes ontdekt, dan werpe men gerust den karperhengel in de onmiddellijke nabijheid van het plankje. Deze hengel kan zeer eenvoudig zijn ingericht. Hoofdvereischte is, dat hij sterk zij. Men make het snoer van gedraaide groene zijde of trens. Een al/onderlijk ondersnoer is geen vereischte en veel minder nog eene aanhechting van koperdraad. Van doorbijten is hier geen sprake. Tweeerlei haken worden voor de karpervangst gebruikt, als platte, liggende en gewoon ge-hogene. Met de eersten wordt op, met de laatsten even hoven den grond gevischt. lüj de eersten behoort een half liggende, hij de laatsten een met de oppervlakte van het water gelijkstaanden dobber. Vereischte is bij heiden, dat zij groot en zeer soliede zijn en dat er vooral iiissehen den weerhaak en de steel Hink ruimte is. Hij een liggenden haak wordI het lood een eindje hooger aanjjebraebt dan bij den staande waarbij de aanhechting onmiddellijk hoven de steel gesehiedt. Wijl de karper meestal de gewoonte heeft den haak met bet aas eenigszins in de hoogte te lillen, kan men gerust ophalen, zoodra de dohber eene liggende houding aanneemt. Het opslaan geschiedt met een rukje. Kerst slaat men den visch vast, om later snoer met visch langzaam naar

-ocr page 156-

136

boven te werken. Hoewel hel niet wenschelijk is den karper heftig te pareeren, is toch strak houden van het snoer bepaald vereischte. De viseh moet zachtjes worden afgemat. Zoodra liij dit i)lijkt te zijn, gebruike men het l)ij de karpervangst onmisbare schepnet. Zoo spoedig mogelijk moet liet gevaar voor breken van het snoer worden voorkomen en dat dit werkelijk beslaat zal ieder erkennen, die weel welk een kracht de karper bezit en dat er karpers worden gevangen van ! en zelfs meer kilo\'s.

Als aas wordl meestal 61 aardappel óf brood gebruikt, het laatste vermengd met stroop en fijn gemalen boonen-meel. Ook wordt door het brood wel eens wat geurende olie gekneed, zooals anijs- ol citroenolie of iels dergelijks. Zoowel van de aardappel, welke niet al te gaar moet zijn, ais van het brood, kan gerust een flink stuk worden aangeslagen. Vat bij het opslaan de haak den visch niet, dan li:de men toch hel geheele snoer naar boven, omdat door liet ruk ken ol tikken, hel aas allicht word! door- of afgeslagen. terwijl de karper volstrek! den haak niet mag bemerken. Ook is diepe stilte noodig. Wil men den kans op vangen vergroolen, dan doel men wel op de plaatsen waar men wil visscben, geregeld wat aas te strooien. De visch hecht zich dan aan de plaats en zal bepaald te eeniger tijd de moeite belooneu door ook te bijten aan het aas, dat aan den haak is gehecht.

/gt;\'. I I KT IIKNGKI.KX \\.\\ AH FoiU-X.

Ilij. die in ons land forellen wil vangen, moet zich de moeite gelrooslen, niel alleen, om naar de omstreken van Maastricht en speciaal naar het riviertje de Geul te reizen, maar ook, om zich lijn en licht doch levens sterk hengelgereedschap aan te schallen. Men bedenke, dat men bier te doen heeft met een krachtigen visch van eenige kilo\'s. Hel best is, ecu

-ocr page 157-

137

snoer te nemen, waarvan een groot deel v:m cremerin is. Alleen dal gedeelte, wat in voorraad hl ijlt (want een snoer waarvan ^ de liellt in reserve blijft en langs den hengel loopt komt mij het hest voor) kan van trens of zijde zijn. Ook de haak moet zeer licht wezen, omdat vooreerst hot aas dal daaraan moet worden bevestigd niet groot is, maar vooral, omdat een en ander zoo wat drijvende moet blijven en gebonden worden.

Der forel moet het lijken, alsof de bromvlieg welke wordt aangeslagen, bij ongeluk in het water terecht komt. Zij zal met te meer vrijmoedigheid daarop lostrekken, want men bedenke, dat het eene zeer schuwe visch is, die, om gevangen ti\' worden, niets bijzonders moet bemerken. Kven snel :ils /.ij op het aas toeschiet, verwijdert zij zich ook weer hij het ontdekken van eenig gevaar. Hij, die kans op vangen wil hebben, moet dezen visch verrassen. Is het terrein met .-iet begroeid, dan kan men zich dnarachter verschuilen, maar anders znl men wel doen om, zoodra men nabij de plaats is, waar men de forel hoopt te treilen, eene liggende houding aan te nemen, (lemakkelijk visschen is het dus niet, maar de moeiten worden dubbel vergoed, wanneer men het geluk heelt, dat de a:ni den haak geslagen vlieg wordt hin-nengeslikt. Ken kleine ruk is dan voldoende om tien visch vast te slaan. Dadelijk ophalen is ongeraden, wijl men dan wel eens wat te veel van de sterkte van het hengelgereed-schap kon eischen. Zaehtkens moet men aantrekken, om terstond weer te laten vieren, zoodia men bemerkt, dat de visch zijn kracht wil toonen. Hoewel het moeilijk is, moet men toch zijne nieuwsgierigheid naar den onbekende bedwingen totdat deze blijk geeft van vermoeid te zijn. Dan hale men de forel zoo dicht mogelijk naar den wal, om haar verder door middel van een schepnet daarop te brengen. Precies aan te geven, waar ze in eene rivier of beek te vinden is, gaat moeilijk, maar veel trefkans heeft men, wanneer men zich verborgen opstelt h.v. bij een inham, achter uitstekende steenen en dergelijke. Ook achter riet

-ocr page 158-

wordt ze veel aangetrolTen, waar zij dan loei t op de insekten, welke van de planten mochten afvallen. Ofschoon de forellen niet hij dozijnen worden gevangen, zijn er toch enkele personen, die, door ervaring op hel vangen afgericht, honderden ponden per jaar huil maken. Ook worden er lokmiddelen dikwijls met succes toegepast. Zoo wordt meermalen even hoven den haak een klein rood lapje aangebracht, waarop men eenige droppels sterk riekende olie heeft gedaan, h.v. anijsolie, muskus-, lijn- of hennepolie, rosmarijn en vooral olijfolie. Jammer, dat ons vaderland lol dusver niet meelquot; plaatsen telt, waar het vangen mogelijk is en dat daar, waar dit het geval is, zooveel wordt gestroopt. Met hel oog op den rijtijd is hel verboden de forel van Nov. tot Maart te vangen, maar juist dan moeten, volgens gelezen berichten, de langs de (ieul wonende hoeren zich niet onlzien om haar door middel van fuiken en korven machtig le worden. Dit slroopen moet reeds eene zóó belangrijke vermindering der hoeveelheid hehben leweeggehracht, dat, terwijl vroeger gedurende den geheelen vischlijd honderden hengelaars uil Behië in ons land op lorei kwamen visschen, deze thans nog alleen komen in die maanden, waarin hel visschen in hun eigen land verboden is.

De vangst van forel gelukt liet best in troebel water en hij zwoel, regenachtig weder. Als aas worden behalve insek-leu ook regen- en meelwormen gebruikt. Zalmkuit, een weinig gedroogd, gerookt spek, kogeltjes van honig, vet, kamfer en rot wilgenhout kunnen ook alszoodanig diensl doen, alsook kogeltjes van een mengsel van 3 lood saffraan, een handvol fijn gemalen jeneverbessen, een handvol keukenzout met gerstemeel en een weinig brandewijn. In Kngeland waar veel aan hel forellenvisschen wordt gedaan, bezigt men meest kunslaas, Behalve kunstvliegen en kunstvischjes, worden daar nog andere nagemaakte dieren gebruik!, als sprinkhanen, kikvorsehen en dergelijke, die alle zeer hedriegelijk zijn nagehootst.

Kindelijk zij nog medegedeeld, dal evenals vele andere

-ocr page 159-

139

visschen, ook de forel zeer gevoelig is voor licht en dal dus, zoowel hij hel hengelen als hij hel nel-visschen, daarvan pari ij kan worden gclrokken.

I. Het mi-;.\\c.ku:\\ naak Hkasi;m.

Als aas kan men hierbij gehnnken stukjes onldopte garnaal ol erwten. De laalsten moeten zoo gekookt worden, dat ze goed week zijn, doch de hulsels niet verliezen. Dit laatste kan men doen door hel waler geheel te laten afkoken en ze alleen door den damp volkomen week te laten worden. Op de aldus gekookte erwten, doet men eenige droppels .•mijsolie en een weinig kamfer-spirilns. Met dil aas visehl men op de gewone wijze, dicht langs den grond, doch altijd met sterk gereedschap. In Kngeland, waar men bijna altijd vischt met een snoer, voorzien van een eind zijdedarm en een pennenschacht als dobber, gebruikt men voor hel brasemvangen meestal goed gereinigde wormen. Ook vischt men daar wel met maden of stukjes pastei. In dit geval haalt men op, zoodra men bespeur! beet te hebben In hel algemeen houdt zich de brasem liefst daar op, waar de stroom een bocht maakt en weinig beweging is. Men kan eene goede vangst zeer bevorderen, door op den dag voorafgaande aan dien, waarop men wil visschen. geschikt grondaas te leggen. Igt;ij die gelegenheid moet men levens de diepte van hel waler onderzoeken, opdal lijdens hel visschen het waler uiel in be-weging behoeft te worden gebracht. De brasem heell eene eigenaardige wijze van bijlen. Hij baalt den dobber niet naar beneden, maar lilt hel snoer op, zoodal bij een slaanden drijver, deze eene liggende houding verkrijgt. Zoodra dil wordl bemerkl, kan men gerust ophalen, omdat de viscb dan den baak in den bek heelt.

Hkt iii;\\c.i:i,i:n xaais Zkki.t.

Olschoon niet veel naar zeelt wordt gevischt, kan men haar \'och zeer goed aan hengels vangen. De vangst is vrij onzeker

-ocr page 160-

140

en hol geduld van den hengelaar wordt gewoonlijk sterk op den proef gesteld. Wil men snecès, dan Ls het wen-schelijk den avond te voren op verschillende plaatsen grond-aas te leggen, wijl liet moeilijk en voor het wegvluchten ook niet goed is, veel visschen op dezellde plaats te verzamelen. Voorts moet men plaatsen zoeken waar de bodem effen en met eenige planten voorzien is. Ken gewone doch sterke hengel kan worden gebruikt. Voor snoer moet waterkleurige ol groene zijde worden gehruikt. Ook is paardenhaar goed, maar dan zooveel mogelijk gelijk gekleurd. Zoo men geen rolhengel heeft, dient de snoer toch minstens (i a 7 M. te zijn. I)c haak, welke dicht hij, maar niet langs den hodem moet sleepen, moet \\an een dikken regenworm worden voorzien. De visch speelt 2 a 3 minuten met het aas, zonder het te verslinden. De dohher beweegt zich al heen en weer, zonder onder de oppervlakte van het water te komen. Dit laatste geschiedt eerst. wanneer de visch met het aas wil wegzwemmen. lil ij kt dil, dan is liet tijdstip gekomen om op te balen. Dit kan zeer goed met een rukje geschieden. Wanneer dan blijkt, dal de visch is vastgeslagen, wordt hij verder opgehaald, zooals men met alle groole visschen doet. De zeelt wordt ook wel gevangen met zoogenaamde slapende lijnen. Men werpt dan \'s avonds, als men den volgenden morgen wil visschen, op de plaats welke men geschikt acht, eenig grondaas, beslaande uit verschillende gekookte graansoorten. ais rogge, gerst, Inner, boonen enz., welke met aarde vermengd, tot hallen worden gekneed. Den volgenden dag brengt men dan zijne lijnen uit, voorzien van regenwormen. De lijnen moeten door middel van houtjes of prikken behoorlijk worden vastgezet en mogen niet ver van eikander liggen, opdat men ze behoorlijk in het oog zal kunnen houden Zoodra blijkt dat een dobber naar heneden gaat, wordt opgehaald. De beste tijd voor het hengelen is\'s morgens vroeg en s avonds laat. Alleen bij zeer warm weder ol hij /achten regen hijt de zeelt den ganschen dag. Ook bij het fuik-visschen worden voor de vangst van deze vischsoort meer-

-ocr page 161-

141

malen lokmiddelen gel)ruikt. Zoowel tol verrotting overgegaan vleesch als de ingewanden van hazen en konijnen, met petro-leuin besprenkeld, worden meermalen alszoodanig aanbevolen.

ii. Het iikxgei.ex naak Voohx, Bu:i ent (ikondemngex.

Voor het vangen van voorn en blei kan men kogeltjes brood en beschuit gebruiken, eenigszins taai gemaakt door middel van honig ot eenige druppels sterk riekende olie. Stukjes gekookte aardappel en vliegen zijn echter ook best, mils de aardappelen niet al tc gaar gekookt en de vliegen niet te klein zijn. Diep laden is volstrekt geen vereischle. Vooral bij zacht weder zwemmen de blei en voorn hoog. Beiden hebben eene eigenaardige manier van bijlen. In den regel ziel men den dobber niet Hink naar beneden gaan, maar een ietwat trippelende beweging aannemen. Soms ziet men ook, dal hel snoer eenigszins wordt opgewipt. In beide gevallen kan men gerust ophalen, omdat de viseh dan het aas in den bek heeft. Het nemen van bijzondere voorzorgen, om den aangeslagen viseh niet te laten ontkomen, is minder noodig, omdat het hier geen visschon he treft welke eenige kilo s wegen. Nog minder beboert dil te geschieden bij hel hengelen naar grondelingen. Voor het vangen van dit kleine visehje, moet men zoogenaamde roodloopcrs gehruiken, kleine wormen, afkomstig vanonderden meslhoop of tussehen de sleenen. Ook kunnen stukjes lijnkoek en ossenhersens als aas gebruikl worden. Vereischle is verder dat men langs den grond vischt. Om de vangst te bevorderen, doet men wel, eenig zand in hel waler te werpen of den grond eenigszins om Ie woelen. De vischjes in den omtrek worden daardoor gelokt. Hij hlei en voorn is hel strooien van eenige broodkruimels, vermengd met een weinig anijs-of meikerverolie. gewenscht.

-ocr page 162-

HOOFDSTUK XII.

Onircoorloofrte wijzen van visschcn.

a. Het Modderen.

Dil kan slechts ^cschietlen in sloolcn ol gedeelten daarvan en in kleine vijvers. Het bestaat alleen uit hel troebel maken van het water door den op den bodem liggenden modder naar hoven te werken, ofwel, wanneer geen modder aanwezig is, door den bodem zóó om te wroeten, dat hel water kleiig wordt. De visch krijgt hel dan te benauwd en is gemakkelijk aan de oppervlakte door middel van een schepnet te vangen. Meermalen heb ik deze wijze van visschen zien toepassen door jongens, die in daarvoor geschikt geachte watertjes eenvoudig gingen baden.

/gt;. Ontploffing.

Hel meest eenvoudige middel, dal men hiervoor gebruikt, is een gewone steenen kruik, voor de helft gevuld met fijne ongebluschte kalk. Deze kruik wordt gesloten met een kurk. waarin echter door middel van een gloeienden priem, een gaatje is geboord. De kruik wordt na voorzien Ie zijn van een eindje touw waaraan een hosje stroo, rechtstandig te water gelalen, in welken stand zij tengevolge van het stroo onder water ook hlijft. Door het in de kurk gebrande gat dringt nu het water langzaam naar binnen, waardoor de kalk wordt gebluscht en gassen ontstaan, welke op het laatst zóó krachtig worden, dat zij de kruik met een sterken knal doen bersten. De ontplofting heeft op de zich in de nabijheid bevindende visschen zulk een verdoovenden invloed, dat zij Hauw aan de oppervlakte komen drijven en gemakkelijk zijn te vangen.

-ocr page 163-

143

c. Yergiftioing.

Men vermengt brood, dat mei sterken drank is bevochtigd, met gemalen kokkelboonen, dat zijn de zaden van Anamirta roe li lus ol\' Menis penmim cocculus, die als vergift Pierotoxine bevatten. Dit mengsel, waarop vooral de witvisch schijnt verzot te zijn, werpt men op eene vischrijke plaats in het water en binnen korten lijd zal men zien hoe de gevolgen hiervan zijn. Honderden visschen komen aan de oppervlakte nog redding zoeken, maar te vergeefs. Dat het gebruik van op deze wijze gevangen visch niet is aan te raden, ligt voor de hand, ofschoon sommigen beweren, dat hij vlug schoon maken van de gevangen dieren, deze nog zonder gevaar voor de gezondheid kunnen worden genuttigd.

Een minder sterk gif voor de visschen is het zaad van de m\'le Koningskaars, do Wolhloem, (Vehascum Thapsus). Door dit zaad worden de visschen slechts voor een wijle verdoofd. Vooral in Hink stroomend water kan dit middel minder kwaad, maar toch zou het wenschelijk zijn, dat beide zaken niet anders mochten worden verkocht, dan op voorschrift van geneeskundigen.

(I. Bijt hakkkn.

Iüj kingdurigen xoisl krijgen de visschen hoe langer zoo meer hehoefte aan versche lucht. Ilierop wordt meermalen door stroopers gespeculeerd. Bij nacht en ontijden worden • loor hen gaten of hijten in liet ijs gekapt en zoodra zich nu daarin voor het happen van lucht, visch vertoont, wordt deze huil gemaakt, hetgeen heel gemakkelijk gaal, omdat de dieren Hauw worden . onder het ijs wegkomen en \'lus gemakkelijk met een schepnet zijn te verschalken. Ook

-ocr page 164-

144

worden we] bossen stroo in de gehakte bijten of\' gaten gestoken, In deze bossen kruipen de naar lucht snakkende visschen, vooral aal, die zich bij het ophalen niet zoo spoedig kunnen verwijderen, of de strooper heeft ze reeds op het ijs gewipt.

-ocr page 165-

HOOFDSTUK XIII.

Kciiiifc in het huiteiihnid toegcjiaste «ijzen van visschen.

a. I Iet vissciikn mkt kkn Pompokn of Kai.khas.

Men neemt een pompoen en snijdl (iaarvan liet bovengedeelte af. De kern wordt er uitgenomen, zoodat alleen liet viTichtvleesch overblijft. In de ontstane holle ruimte worden nu een aantal vrij kleine hengelbaakjes aangebracht, welke gehecht zijn aan zijden snoertjes van verschillende lengte, waarvan echter het langste niet meer dan een paar centimeter buiten den pompoen uitkomt. De haakjes moeten in het vleesch worden verstopt, deels aan den rand, deels binnen in. De uiteinden der snoertjes bindt men samen, terwijl de knoop, door het samenbinden ontstaan, getrokken wordt door het gat, waar vroeger de steel zat. Door middel van een prop wordt er voor gezorgd, dat de aanbijtende visschen den knoop niet door kunnen halen.

Teneinde den pompoen drijvende te houden, worden er twee plankjes aan bevestigd, door bindgaren onderling verbonden. Het drijl vermogen dezer plankjes moet zoo groot zijn, dat de vrucht een weinig onder de oppervlakte van liet water blijft hangen. Heide plankjes worden voorzien van een touw. Aan het eene wordt een steen bevestigd, die als anker dienst moet doen, terwijl het andere naar den wal loopt , om don visscher de gelegenheid te geven , liet zonderling vischtuig, zoodra hij dit wenscht, naar zich toe te trekken. IleL ligt voor de hand, dat de visschen, die zich aan het vruchtvleesch willen vergasten, met de naakjes in aanraking moeten komen Zoodra zich een heeft vastgebeten, kan men dit terstond bemerken. Wordt hevig aan den pompoen gerukt, dan moet men met het naar zich

-ocr page 166-

146

toehalen niet dralen, omdat het dan zeker een groote visch is, maar is het rukken zwak, dan is er geen haast en kan men gerust nog eens afwachten of bij den kleine, die reeds vastzit, nog niet een groote wil komen. Het spreekt vanzelf, dat men er telkens voor moet zorgen, dat de bloot gekomen haakjes weer zorgvuldig worden weggestopt, wijl anders het doel niet wordt bereikt.

b. Het Strikken, Haken en Schieten. l)

Het is bekend, dat snoeken 2) in het voorjaar dikwerf zoo hoog in bet water slaan, dat men ze geheel kan bespieden. Roerloos blakeren zij zich uren lang in de voorjaarszon en óf zij nu daardoor zonneblind worden , öl dat de warmte hen droomerig maakt, zeker is liet, dat men ze alsdan bij het toepassen van eenige voorzichtigheid, gemakkelijk met strikken kan vangen. De snoekenstrik bestaal uil een sterken houten bengel, waaraan een l 2 M. lange sterke koord is bevestigd, aan het ondereind waarvan is aangebracht een strik van sterk fijn koperdraad. Ook heelt men wel het geheele snoer van koperdraad, hetgeen echter met het oog op de beweeglijkheid niet is aan te raden. Sommigen meenen, dat de strik zachtkens van achteren om het lijf van den snoek moet worden gebracht en ik heb van zulk strikken ook wel succès gezien, maar beter is het, te beginnen l)ij den kop, in welk geval men ook hel vlugst is bij de plaats, waar men met den strik moet wezen, om te kunnen ophalen, n.l. even achter den kop. Het ophalen moet rechtstandig, ietwat scluiins naar den kop geschieden en vrij forscli, opdat de snoek geen tijd liebbe voor tegenweer. In plaats van een strik wordt ook wel een haak ge-bruikt, die iiatnurlijk vrij groot moet zijn. De opening er-

1» Deze van visschen wordt ook in N\'etlerland wel toegepast.

2) Ook aal ziet men in de eerste niaamlen des jaars meermalen roerloos in slooten staan met de eene helft van het lichaam boven en de andere helft nog in den modder-

-ocr page 167-

147

van moei minstens I1\'2 cM. zijn. Zoodra de haak Hink onder den visch is aangebracht, haalt men met een forschen ruk op.

Een enkele maal wordt ook snoek bemachtigd door middel van schietgeweer. Wil men succes, dan mag de snoek niet al te diep in het wafer zijn en dient men altijd iets lager aan te leggen, dan de visch schijnt te staan. Schiet men met eene buks, dan behoort de kogel onder den visch door te gaan, wijl raken gevaar voor te zoek raken zou meebrengen. De schok, door het schot veroorzaakt, is van zulk een invloed op de ingewanden van den visch, dat het beest een oogenblik buiten westen raakt. Juist van dit oogenhlik moet gebruik worden gemaakt om hem te bemachtigen. Langzaam handelen past hier niet, omdat de verblufte zich vrij spoedig van den schrik herstelt.

c. Het vischsteken in eene hoot hi.i fakkellicht.

Volgens sommigen is er niets meer amusant en voordeelig dan deze wijze van visschen, welke vooral in Duitschland wordt toegepast. Zij wordt uitgeoefend in de vriendelijke, stille zomernachten, wanneer de visch aan de oppervlakte van het water speelt. Noodig zijn 1quot;. drie man in eene hoot: 2quot;. een zak vol vette, fijn gespleten, kurkdroge kien lt; pi.j\'ihoomenhout ), waaraan vooral de wortel, en het heneden-gedeelte van den stam bij den wilden pijnboom zeer rijk is;

een licht, bestaande uit een met wijde mazen gebreide draadkort, die met drie kettinkjes, welke zich weder tot een ketlinkje vereenigen, in evenwicht wordt gehouden. Die eene ketting, 1 I voet lang, wordt vastgemaakt aan een stevigen stok van 1(1 tot 20 voet lengte. Deze stok woidt vastgehouden door hem, die in het midden van de hoot zil en door middel van de in den korf brandende kienspaan de oppervlakte van het water verlicht en wel vooral vóór

1 ï-lectrisch licht lokt in nog meerdere mate de visschen.

-ocr page 168-

148

tie boot, daar de man mei den steker voorin staal om op de visschen te loeren. De derde man is de stuurman aan het roer, van wiens bekwaamheid veel afhangt. Hij moet de hem dooiden steker met de hand aan le geven bevelen getrouw opvolgen. Hijna onhoorbaar, zoodat de visch niet wordt verjaagd, moet hij (ie boot sturen, nu naar rechts dan naar links, nu voor- dan achteruit, al naar het signaal van den steker. Naast zich hcell hij den zak met kien en zoodra de korf niet meer voldoende licht, draait hij deze naar zich loe en brengt daarin nieuwen voorraad.

In stil cn helder water, vooral dit laatste is een ver-eischte, ontgaat dan bijna niets aan hel oog van den steker en heeft deze slechts uil te zoeken welke visschen hem het steken waardig voorkomen.

Hel ligt voor de hand, dat de gevangen visschen niet lang kunnen worden bewaard. Door het steken worden zij zeer gehavend, hetgeen niet ie verwonderen is, wanneer men weet, dat de sleekvork bestaat uil een langen stok met op het einde een ijzeren vork met .) of (i tanden, welke aan beide zijden van tegenover elkander slaande weerhaken zijn voorzien.

(1. 11KT VISSCHEN MET GBOOTE KORVEN\' EN ZAKKEN.

Op stiiie diepe plaatsen laai men in het water een vrij groote korf zinken. Aan dezen korf zullen drie louwen worden vastgemaakt en wel zóó, dat bij hel naar boven halen de mand een rechten stand blijft behouden. In de mand doel men een mengsel van aas, als ontkiemde korensoorten, gekookte peulvruchien en aardappelen, wormen, afval uil hel slachlliuis en dergelijke. De bodem van den kort moei daarmee minstens 1 decimeter bedekt zijn. Over de opening van de korf wordt een net aangebracht, voorzien van eeiu inkeling als bij de fuiken, zoodal de ,visch gemakkelijk iu de korf kan komen, zonder veel kans le hebben zich weer

-ocr page 169-

149

daaruit tc verwijderen. Zoo nu en dan wordt de mand opgehaald, waarbij hel zal blijken, dat deze manier van visschen goede resullaien kan geven. Vooral schippers kunnen haar gemakkelijk toepassen.

Op vrij gelijke wijze als hierboven is omschreven wordt ook wel met zakken op aal gevischt. Het ondereind van den zak wordt dan voor bel zinken bezwaard met steen, terwijl hel verder, evenals bel boveneinde, gespannen wordt gehouden door middel van een hoepel. De zak, waarin groene erwlen-slroo wordt gedaan, met daarop eenige erwten als aas, komt le hangen tusscben twee in den grond gesloken slokken, en wel in eenigszins schuine richting en met de opening naar (ien slroom gekeeld. Boven het afsluilnel met inkeling kan men, om de kans le vefgroolen, gemakkelijk eenige in draden geregen erwten laten hangen.

c. Het visschen met de hand,

Felkens als er een stoomboot le Aden voor anker koml, zwemmen een aantal kleine jongens er om heen en duiken naar de geldslukken, die de passagiers bun in hel water toewerpen.

/ij hebben daarin ongelw ijleld een groole vaardigheid, maar de besle zwemmers in de wereld zijn de visschers van de Nicoharische eilanden.

De Xicobaren visschen met de hand. Zij varen in hunne lichle bootjes rond, luren in hel water en zoodra zij een gunstige gelegenheid zien, duiken zij recht oj) hunne gevinde prooi neer. Doorgaans zijn de visschen zóó verschrikt, dal /|j been en weer en op en neer springen, zonder in een bepaalde richting voort le zwemmen. De duiker heelt dus woiniquot; moeite, om ze le bemachtigen.

Kén visch le grijpen en hoven le brengen, wordt echler ■nel der moeite waard geachl. Ken man moet twee visschen Iegelijk kunnen grijpen - in elke hand één. Dit geschiedl

-ocr page 170-

150

dikwijls en de beste zwemmers doen dit ook zeer gemakkelijk. Als iemand zijn moed in liet water wil toonen, maakt hij jacht op een haai - dikwijls tweemaal zoolang als hij zelf.

Voor vele visschers op de kust van zuidelijk Indië is het jacht maken op haaien eenigszins wat de vossenjacht te land voor de Engelschen is.

f Het visschen met schapen blazen.

De hlazen worden sterk opgeblazen en vastgebonden aan een snoer, half zoo lang nis liet water diep is. Aan de blaas wordt verbonden een sterk ondersnoer, voorzien van een levend vischje. Ken en ander wordt nu aan wind en water prijs gegeven en gedurende den nacht Ie water gelaten. Den volgenden morgen toont het op en neergaan van de blaas al spoedig, of er een roofvisch aan den haak zit.

In Engeland geeft men aan de blazen verschillende kleuren en gaat men weddenschappen aan, welke kleur het meest succes zal aanbrengen.

(/. Het visschen met Honden.

Volgens een in ..de Xederlanderquot; van 2!} Maart 1lt;S(.)5 opgenomen uittreksel uit liet in Engeland verschenen werk ..Trans-Siberiën Savagesquot; hebben de wilden van het Saghaliën eiland eene bijzondere manier om zalm en lorellen te vangen. Deze visschen, die volgens den schrijver daar zoo in menigte worden aangetroffen, dat men haast geen steen in het bijna glasheldere water kan laten vallen, zonder er een te treffen, worden door hen aldus bemachtigd: Hij troepen van 1 ;5() man en met een gelijk aantal honden trekken de eilanders naar de kust. Op zeker punt splitst zich de troep in tweeën. De eene helft der mannen en honden blijft staan,

-ocr page 171-

terwijl de andere ongeveer 200 meter verder trekt. Op een gelijktijdig signaal worden de honden van hunne respectieve staanplaatsen losgelaten. Regelrecht zwemmen zij de zee in, allen achter elkander op eene rij. Men verkrijgt alzoo twee zwemmende honden-colonnes. Op een woesten, scherpen kreet der eilanders wendt de rechtercolonne zich links en de linker rechts, totdat de beide voorste honden elkaar genaderd zijn. Op een volgend sein zwemmen zij daarna op eene rij naar de kust, in een lialvemaanvormigen boog naderkomend.

Hoe meer de honden nu het strand naderen, des te groo-ter wordt het getal visschen, dat men te zien krijgt. Door het geplas der viervoeters worden ze al vooruit gedreven, totdat ze eindelijk op zulk ondiep water komen, dat de hen vervolgende honden met hunne pooten den grond kunnen bereiken. Bliksemsnel werpen deze zich dan op de visschen en houden ze in den bek, totdat hun meester ze in ontvangst heeft genomen. Tot belooning ontvangen de honden steeds den kop van den door hen gevangen visch. Opmerkelijk is het, dat de honden, die voor deze visscherij zoo uitstekend afgericht zijn, voor liet meerendeel zoo maar in de bosschen worden opgevangen en alzoo half wild zijn. Of men onze in-landsche honden ook zoo zou kunnen dresseeren, is niet met zekerheid te zeggen, maar stellig is ook hier de visch voor liet gespartel van honden bang. Zoo is liet mij gebeuld, dat hij zekere gelegenheid, toen ik aan het schakelvisschen was, zich een toeschouwer bij mij voegde, die een hond bij zich had. Terwijl ik nu even met den nieuwsgierige een praatje maakte, veroorloofde de viervoeter zich om, wellicht uitgelokt door de beweging welke aan een der kurken was te hemerken, zich te water te begeven, liet gevolg daarvan was, dat bijna terstond veel meer leven in de netten kwam en dat de zet, welken ik eerst hijna als verongelukt beschouwde, nog zeer hest werd. Van die ondervinding profiteerende, bracht ik een der schakels op vrij grooten afstand te water. Met behulp van zijnen

-ocr page 172-

meester werd de hond nu opnieuw le water gelaten. In vrij rechte richting doorzwom hij het geheele afgezette vak. Op nieuw was het resultaat gunstig. Wel kreeg ik geen belangrijke hoeveelheid visch, maar toch scheen zoo wat alles, wat zich iu het afgezet terrein hevond, in de netten le zijn geraakt. Toen ik althans het door den hond al-gejaagde water nog eens ging hevisschen en nu bij kleine gedeelten en met den jaagstok, kreeg ik bijna geen leven.

Ik heb later de proef nooit weer herhaald, maar waardoor het in de Nederlander overgenomen verhaal mijne aandacht opnieuw op de zaak werd gevestigd, acht ik het niet ondienstig er op te wijzen, dat ook iiier te lande de honden wellicht met succes hij de visscherij zouden zijn te gebruiken. Niet, dat ik deze landbewoners ten allen tijde te water zou willen jagen: integendeel, ik zou ze, althans zoolang ze niet voldoende tegen nat en kou gehard zijn, alleen des zomers voor de visscherij willen gebruiken, alleen ,\'an b.v., wanneer de weersgesteldheid van dien aard is, dat hel voor den hond een genot is eens te water te gaan en voor den mensch moeilijk, veel of lang met den jaagstok le werken. Kene uitstekende dressuur zal ook aan het visschen met honden vooraf moeten gaan. Heeft men den hond toch niet flink onder appèl, dan zal hij allicht meer bederven dan goed maken. Streng moet hij luisteren naar hel bevel van zijnen meester, (iaat hij b.v. vooruit ioopen op den kant van den wal, dan zal bij allicht de visch verjagen, vóór dal ze door de nelten is omsloten. Men behoeft toch volslrekl geen visscher te zijn om te weten, dat de visch uiterst fijn boort of gevoelt. Hij liet minste gerucht of de minste beweging verplaatst zij zich meestal en die verplaatsing is natuurlijk schadelijk, wanneer ze nog niet door netten is omsloten, Mocht de een of ander eens een proef willen nemen, bij neme daarvoor eene sloot, waarin een dam is, opdat de visch, begaat de hond al eens eene verkeerdheid, niet voor goed zal kunnen ontvluchlen.

-ocr page 173-

/l. VlSSCHKRIJ ONDEK HKT I.ls.

In de noordelijke deden van de Vereenigde Staten, waar hel ijskleed zoolang de wateren bedekt, doet men op groote sehaal aan de vischvangst onder het ijs. Xatimrlijk dal liet hij de hevige koude, die daar lieerscht, onmogelijk is in de open lucht te werken aan dat hetrekkelijk weinig beweging vorderend hedrijt. Hel vissehen wordt daarom uitgeoefend in kleine verplaatsbare hutten op liet ijs.

Binnen een kleine ruimte ziel men een paar vissebers onbewegelijk op een bank zitten, gebogen over hel gat in hel ijs, waarin hun meestal met een stukje rauw vleeseh voorziene visehhengel neerhangt. De vangst van een enkelen dag bedraagt soms honderden ponden, en zalmen van 1quot;) en 20 pond zijn geen zeldzaamheid. Is de vangst niet meer de moeite waard, dan laadt de visscher zijn huisraad en zijn kaeheltje op sleden, breekt zijn bul af en bouwt die iels verder weer op.

Daartoe worden eenige dikke blokken ijs in de rondte opeengestapeld, die aaneenvriezend een stevigen buitenmuur vormen. Het horen van hel visebgat is bij de geweldige dikte van het ijs een zwaar en moeilijk werk; bijlen en breekstangen worden er bij gebruikt en opmerkelijk genoeg doen de slagen bij hel uithouwen van het ijs de viseh niet schrikken en verjagen ze niet; maar zoodra is niet de opening gereed, ol\'een eenigszins hard geluid, zelfs bet dreunen van voetstappen op hel ijs, doet de vissehen schuw de vluehl nemen. Vandaar dat de vissebers gedurende het vangen zich zoo stil mogelijk houden. Soms wagen zij zich ver van den wal, vele kilometers de groote meren op. Niet alleen door vissebers van beroep, ook wel uit liefhebberij wordt deze vangst beoefend. Het komt intusschen niet zelden voor, dat er in het voorjaar, vissebers verongelukken als zij zich te ver hebben gewaagd en ze door een plotselingen dooi worden overvallen.

-ocr page 174-

VlSCHVANGST MET MUZIEK.

De dierkundigen zijn het er lang niet over eens, of de visschen, die, zooals bekend is, stom zijn, ook het gehoor missen. Onder de argumenteu, die er voor pleiten, dat de visschen een goed gehoor bezitten, bevindt zich ook de wetenschap^ dat in sommige streken de visschers, om de visschen te lokken, nuiziekinstrumenten laten klinken. Zoo duwen o. a. de Serviërs, om de visschen te lokken, een eigenaardig houten muziekinstrument in het water, dat zij „bucskaloquot; noemen, liet is een soort van houten mes met greep, dat aan zijn uiteinde een dunne, ronde, in scheeve richting geplaatste houten plaat draagt. Ais de visscher deze bucskalo in liet water duwt. ontstaat een ver weg te hooren geluid, dat de visschen onmiddellijk aantrekt, die begeerig naar het in het water aan den hengel hangende aas happen en daarin zoo ijverig zijn, dal zij zelfs naar de hand van den visscher grijpen, als deze zich dicht hij de oppervlakte van het water bevindt. Deze methode van visschen wordt voornamelijk aan den Donau in de nabijheid van Dubrovicza en Dnbovacz van Mei tot liet midden van Juni en later in September in den nacht beoefend. Zij vormt er echter geen afdoend bewijs voor, dat de visschen het geluid ook werkelijk hooren, want het is even goed mogelijk, dat zij de door het duwen veroorzaakte trilling in liet water voelen en nieuwsgierig naar het punt van uitgang zwemmen.

-ocr page 175-

A F I) K E I . I X O III.

HOOFDS\'i l\'K I.

BeXOODIGDHKDKX lil.l het VISSCIIF.N.

1, Een boot. Wie zich een vaartuig kan aanschalï\'en, zorge dat liet zóó zij, dat het gemakkelijk over land in allerlei poelen en plassen kan worden getrokken. Het mag dns niet lomp en zwaar zijn. Voor het vastliggen en tevens om het gemakkelijk over land te kunnen slepen, moet de bodem van een kiel zijn voorzien. Wil men er geen groote reizen mee maken, dan is eene platgehodemde hoot, eene zoogenaamde schouw, met riemen, voldoende. Zeil. roer en zwaarden zijn dan niet noodig en evenmin kloeten ol\' hoornen. Ook zetstokken kunnen achterwege worden gelaten. Daarvoor kan men de riemen gehruiken, indien de hoveneinden daarvan althans wat spits worden gemaakt, zoodal men ze gemakkelijk in den hodem kan drukken. De boot kan dan aan de in den grond gestoken riemen worden vastgelegd. Wen-sciielijk, ja, noodig is evenwel, dat in het vaartuig een vischbewaarder, een zoogenaamde kaar ol\' bun wordt gemaakt, welke behoorlijk gedekt, tevens tot zitplaats zal kunnen dienen. Deze vischbewaarder moet echter niet dieper zijn dan de bodem van de boot, omdat anders hel roeien wordt bemoeilijkt. Vooral voor den net-visscher is een schep- of hoosgat onmisbaar en in verband hiermede natuurlijk ook een hoosvat of waterschepper. Hij, die van uit de boot met netten vischt, krijgt telkenmale bij bel ophalen eene belangrijke hoeveelheid water aan boord, dal zoo spoedig mogelijk en op de minst geruischmakende wijze verwijderd moet worden. Het bankje voor in de boot, waarop de roeier

-ocr page 176-

156

zal plaals nemen, moei op klossen liggen en mag niel vastzitten. Het moet gemakkelijk weg te nemen en te verplaatsen zijn.

Een liöofdvereischte is voorts, dat aan ofquot; in lt;le boot weinig is, waaraan de netten kunnen blijven haken. Zijn er al bier of daar krammen noodig, dan bebooren deze van ronden vorm te zijn.

Vaartuigen met zeil zijn voor net-visscbers niet aan te bevelen, tenzij men ze noodig heelt voor bet afleggen van belangrijke afstanden. De tuigage neemt te veel ruimte en is iiij bet vissehen al te hinderlijk. De meeste net-vissebers, welke verre reizen doen, houden er dan ook twee booten op na, n.1. een voor het zeilen en een voor bet vissehen.

2. Hen (liddfjlxtrc lokvischbewaardcr. De bengelaar, die zieb buiten eene boot moet redden en toeb met levende vischjes naar snoek en baars wil vissehen, kan niet beter zijn aas bewaren dan in een ouden soldaten- of menageketel. Voor den noodigen bicbttoevoer dient men dan in het deksel eenige gaten te slaan. Onder hel vissehen kan deze ketel door middel van een touw in het water worden gehangen, hetgeen de lemperatimr daarbinnen laag houdt en dus zeer gewenseht is voor het in leven blijven der vischjes.

ü. Ecu nel, iikiiiiI of lasch voor hel bewaren van de lt;je-vaiujen visch. Voor zoover men aan een net de voorkeur geeft, dient dit kleinmazig te zijn, omdat bij eenigszins wijde mazen, de aal zieh spoedig daardoor werkt. Sommigen laten in het visehnet een hoepel maken en leggen hel dan met de viseh in het water. J)il is echter niet aan te bevelen, omdat de viseh, wanneer de hoeveelheid nog al belangrijk is, bijna altijd sterft en in bet water gestorven visch veel spoediger bedeiil en onooglijk wordt dan andere, welke een meer ge-welddadigen dood steiit. Wil men de gevngen viseh lang goed houden, dan beware men ze in eene mand of lasch, waarin eenig gras of stroo. Ken mand of tascb heeft ook nog dit voor, dat men daarin ook verschillende andere vis-scberijbenoodigdheden kan bergen. Vraagt men, hoe deze moet zijn ingericht, dan verwijs ik alweer naar een mili-

-ocr page 177-

I.*)?

tail- equipementssluk n.1. naar den inspectiezak, l)ij verkorting ook wel alleen spekzak genoemd.

Wil men een mand of korf voor het bewaren der visch, dan late men deze aan de buitenzijde rond en aan de naar het lichaam gekeerde zijde eenigszins hol maken, terwijl het deksel van een zichzelf sluitend deurlje moet zijn voorzien, zoo groot, dat de gevangen visch daardoor kan worden gelaten.

k Een haak o] haler. Deze kan, wat vorm betreft, vrij gelijk zijn aan de haken, hij schippers in gebruik. Waar hij slechts behoeft te dienen voor het aanhalen of losmaken van het snoer, wanneer dit achter waterplanten, boomstronken of andere voorwerpen is vastgeraakt, kan hij echter veel lichter zijn. De punt moet zoo scherp mogelijk wezen, op-dal de haak desnoods ook gebezigd kan worden voor het op den wal brengen van groote visch.

.v Een schepnet. Dit net kan hoogst eenvoudig zijn. Zoo mogelijk hechlc men hel aan een ijzeren beugel, eenigszins hol gebogen, en van aehleren voorzien van een soort bus, waarin juist hel boveneinde van den slok van den haler of haak past.

lt;). Een (liej)lo()(l of meeHijn. Voor dal men beginl Ie \\ is-schen dient men eerst de diepte van het water te peilen. Daarvoor gebruikt men een tamelijk lange lijn, waarin tal van ronde en vierkant gesneden slnkjes kurk en aan hel einde waarvan een stukje lood is bevesligd. De slok van den haak of haler kan ook hier weer dienst doen. Daarmee kan men de lijn brengen, waar men wenscbl Ie peilen.

7. Een blikken bus of doos. Deze is noodig voor hel bewaren van bel aas. Indien dit nil wormen of inseklen heslaal, dienen in hel deksel gaatjes Ie worden aangebrachl.

lt;S. Een mes, eenicj louw of Irens, een paar haken en dobbers en eeni(j lood. Hij bel si uk raken van hel snoer zijn dit alle onmisbare zaken.

Hel li^l voor de hand, dal voor hem, die mei nellen en mei eene hooi vischl, nog velerlei andere zaken benoodigd

-ocr page 178-

158

zijn; zoo h.v. een pols en een paai- lijnen. De eerste voor hel overspringen van slootcn en voor het verdragen en de laatste om de netten over te trekken of de hooi voort te trek ken.

Nog tal van andere zaken zonden kunnen worden genoemd, maar veel hangt in dezen af\' van de wijze waarop men wil visschen.

h. W\'i.izi: om zi:u- i:i:n Hiat.ki.snoe» tk maken.

Indien men een degelijk en tegelijk goedkoop snoer wenscht Ie hehhen, make men het zelf. Dit kan zeer gemakkelijk, omdat alle deelen er van afzonderlijk zijn le verkrijgen. Zoo zijn hijna overal le koop de klosjes zijde of strengen ongebleekt garen, waarvan men door vlechten sterke trens kan maken. De meeste ijzer- en galanteriehandelaren hehhen wel alzonderlijke dohhers en hoeken of haken, alsmede ondersnoeren van zijde of kattendarm, eremerin of l^ngelsch gras voorhanden. In den laatsten lijd is echter een zijdekoord of trens in den handel gehracht, zoo goedkoop en tevens zoo deugdelijk, dat zelf vlechten niet meer is aan te hevelen, vooral waar men hierhij ook nog de kans beloopt, dat het zelf gedraaide snoer in het water kronkelt.

Het ondersnoer van eremerin ol Kngelsch gras kan men niet namaken, omdat de wijze van bereiding hiervan aan slechts weinigen hekend is. Slechts eenige Kngelsche fabrikanten weten dit goedje in uitstekende kwaliteit te leveren. Trouwens voor alle hengelhenoodigdheden heeft Kngeland de primeur. Ook de Kngclschc hoeken of haken zijn uitstekend, terwijl de aanhechting er van aan het eremerin of kattendarm onverbeterlijk is. In den tegenwoordigen tijd zijn de verschillende onderdeden van een hengelsnoer zoo goed en goedkoop te verkrijgen, dat zeil maken daarvan niet zóó is aan te bevelen, als vroeger. Iets anders is het, wat betreft het maken tot een geheel van de verschillende onderdeelen. Men kan het snoer dan geheel naar eigen wrkiezing inrichten.

-ocr page 179-

159

Wil men echter ook voor de onderdeden ci^en krachten inspannen, dan doe men dit ten aanzien van den dobber. Deze kan zeer goed dooi- den visscher zelf worden gemaakt. De grootte ervan rcgell zieh naar de viscli, voor het vangen waarvan het snoer is bestemd. In elk geval neme men een zoo gaaf mogelijke kurk, snijdt of slijpt deze kegelvormig en brandt door het midden met een ijzeren pen of priem een zóó groot gat, dat men daardoor een penneschacbt kan steken, welke van onderen voorzien wordt van een door omwinding vast te zetten koperen trensje of oogje, bestemd voor het doorlaten van de lijn. Het ligt voor de hand, dat vóór de schacht in de kurk wordt gestoken, de lijn ook door het daarin geboorde gat moet zijn gebrach(. De penneschacht moet zoo in de kurk passen, dat de {lobber wel te verschuiven is, maar toch niet bij het inwerpen of ophalen van het snoer verschuift. Ofschoon een geverfde kurk mooier slaat en vooral een wille van boven platte dobber prachtig onder water lijkl, is toch aan een ongeverfde de voorkeur te geven, omdat bij helder water zells het minst in bel oogvallend voorwerp de visch min of meer schuw maakt.

Voor het visscben naar kleine visch zijn pennescbachten alleen voldoende. Men maakt deze als volgt: Twee schachten worden daar, waar de veer begint, schuins afgesneden en lt;le kleinste ongeveer .1 mM. in de grootste geschoven, zoodat de punten van beide bloot blijven. De plaats waar de schachten elkander bedekken, wordt uu stevig omwoeld mei een draad, welke door middel van in spiritus opgeloste schellak gevernist wordt. Van een grootere schacht worden twee ringen gesneden, ongeveer zoo breed als de schacht dik is. Door beide trekt men vervolgens de lijn, om ze daarna te gebruiken voor bel vastzetten van de samengestelde schacht ter plaatse, als dit met het oog op de diepte van het water noodig is. Ook kan men te werk gaan als volgt: men snijdt de schacht af, stopt met een stukje houl of kurk hel afgesneden eind en sluit ze met pik of lak

-ocr page 180-

KiO

nog meer, om liet indringen van het water te beletten. Nu wordt in het stukje hout of kurk een koperen oogje bevestigd , waardoor men het snoer kan trekken. Een paar droppels gesmolten lak op de reeds gestopte opening gebracht en onder liet bekoelen met de vingers spits inloopend geknepen, maken dal het oog vast blijft zitten. Doormiddel van een vooraf in de lijn aangebracht ringetje, geschoven om het boveneind, kan de schacht dan verder op de verlangde hoogte worden gehouden.

Voor het staande maken van dobbers of schachten wordt hel gebruik van theelood aanbevolen, dal vrij dicht bij den baak moet worden aangebracht.

Voor de aanliecbling van bet ondersnoer aan bet hoven-snoer moet veel zorg worden gedragen. Zij geschiede zóó, dal geen dikke knup of knoop ontslaat en locb van los gaan geen sprake kan zijn.

Wil men aan een ondersnoer twee ol meer haken hebben, dan moeten de meerdere baken door omwinding worden vaslgebechl. Men doe dit als volgt: Nadat de zijdedarm in lauw water behoorlijk geweekl en het uiteinde met de landen een weinig plat gebeten is, legt men ze legen den binnenkant van den haak of boeksleel en windl daarom been en wel van beneden naar boven een gewasten draad. Hoven aangekomen, gaat men nog eens met het omwinden door, lol dat men beneden is. waar de draad niet met een knoop, maar door middel van doorsteken wordt vaslgezet. Dit doorsteken moet niel eenmaal maar meerdere malen geschieden.

Ook is hel niel verkeerd, voor de omwinding den darm eenige malen om den baaksteel te slingeren. Haken mei een gedraaiden sleel of mei eene al platting op bel eind daarvan verdienen de voorkeur.

Hel aanbrengen in bet snoer van eenige stukjes dichte penneschacbl als drijvertjes is zeer aan te bevelen.

-ocr page 181-

HOOFDSTUK II.

Vischaas en »le middelen tot verkrijging en bewaring daarvan.

a. Dierlijk Aas.

1. De Regenworm komt alszoodanig liet eerst in aanmerking, omdat hij de lievelingskost is van bijna alle visschen. Behalve door wrikken en delven, kunnen ze worden verkregen door:

o. ze \'s avonds of \'s nachts, vooral nadat het geregend heeft, met een lantaarn te gaan zoeken. Ze liggen dan boven den grond en kunnen bij eenige voorzichtigheid gemakkelijk worden gegrepen.

b. het aftreksel van de groene schalen van walnoten op die plaatsen te gieten, waar men op grond van gaten ol wormhoopjes, hunne aanwezigheid vermoedt.

Over liet algemeen worden de wormen daar veel aangetroffen, waar de grond steeds vochtig en vettig is, h.v. bij meslhoopen, onder uitgelooid eikenschors (kif of run), in sloolswallen, onder planken, steenen, enz. Heeft men een goeden voorraad, dan doet men wel, ze voor het gebruik te reinigen en laai te maken, hetgeen kan geschieden door ze eenige uren te leggen in versch water, dat gedurig vernieuwd wordt, of door ze te doen in een pot met vochtig mos, dat zoo nu en dan verwisseld en met eenig honigwater besproeid wordt. Het is aan le bevelen, het busje, waarin men de wormen bewaart, vooraf met een weinig honig te bestrijken, wijl de lucht daarvan dienstig is om de visschen te lokken.

De groote dauwpieren worden gewoonlijk gebruikt voor het vangen van groote visch; de zoogenaamde blauwkoppen voor het bemachtigen van baars, terwijl de vlugge, roode zandloopers voor allerlei kleine visch in aanmerking komen.

-ocr page 182-

lf)2

Witte en groenachtige wormen gebrnike men niet dan bij uitersten nood.

Ter voorkoming van gebrek aan wormen, hetgeen bij langdurige droogte wel het geval wil worden, doet men goed, in den tijd dat zij gemakkelijk te verkrijgen zijn, een voorraad te verzamelen. Daarvoor vuile men een kist of bak voor 2/3 met aarde, doe daarin de wormen en bedekke ze met graszoden. Zoo nu en dan lichte men de zoden even open brenge daaronder ecu weinig nat koffiedik. Maandenlang kan men ze dan goed houden, vooral wanneer men zorgt, dal de zieken terstond verwijderd worden en de kist in een kelder wordt geplaatst, waarin zoo nu en dan een enkele zonnestraal valt.

2. De gele Meel worm, waarmede men ook nachtegalen voedert, is voor de meeste vischsoorten eveneens eene lekkernij. Hij wordt zóó aan den haak geslagen, dat iiij zoo lang mogelijk blijft leven eu zich goed kan bewegen.

.\'5. De Vleeschmaden zijn vooral voor den baars een gewild aas en deze zijn gemakkelijk te kweeken.

Men vult een pot met droge klei, legt over den pot kruisgewijze twee stokjes en hangt in het midden daarvan een stuk lever. De zich hierin spoedig ontwikkelende maden vallen op de aarde in den pot en kunnen dan gemakkelijk verzameld worden.

Ook kan men een kreng in de zon laten rotten en deze, zoodra maden worden ontdekt, in een in den grond te graven gat duwen, dat men vervolgens door eene llinke graszode bedekt.

De grootste maden zijn natuurlijk, ook met hel oog op de aanhechting, de beste. Vandaar dat het gebruik van Engerlingen, eene groote soort maden, welke men bij sommige dieren tusschen huid en vleesch vindt, zeer is aan te bevelen

I. De Velwonnen, zooals die dikwerf bij kaarsenmakers en zeepzieders in oud vet worden aangetroffen en de meeste boomrupsen, kevers, krekels en sprinklmnen.

5. Dc Kikvorschen, vooral de groene en de gele. Kan men over geen kleine kikvorschen beschikken, dan kan men ook

-ocr page 183-

163

de achterdeelen van groote gebruiken. Aan clobbers worden deze zelfs veel gebruikt.

6. De vliegen zijn, althans voor liet meerendeel, ook een gescbikt aas voor visscben, vooral de blauwe of bromvlieg. Ook kan de gewone huisvlieg zeer goed worden gebruikt. Een bijzonder best middel om viscb te vangen is hel Haft, een viervleugelig insect, dat echter maar enkele dagen leeft. ^

7. De kleine oisschen, die evenals de kikvorschen speciaal worden gebezigd voor liet vangen van roofviscb. Voor bet vangen van groote witviscb komen garnalen sterk in aanmerking.

lgt;. Plantaakdig Aas.

1. lal van vruchleii: als aardbeziën, kersen, druiven, frambozen, kleine pruimen en stukjes van perziken, abrikozen, kalebassen en kwetsen. Wil men biermede echter goed vangen, dan is hel noodig de visscben vooraf aan dit aas te gewennen. Eenige dagen te voren dient men dan ter plaatse, waar men wil visscben, stukjes van hel te gebruiken aas in hel water te werpen.

2. Versche gepelde gerste- en roggekorrels en stukjes aardappel.

c. Gemengd Aas.

1. Kogeltjes van geronnen bloed met roggemeel, waarop een weinig honig en rotte kaas.

Dobbelsteentjes van rotte, ongezouten gewone kaas of kanterkaas.

• gt;. Brood kogeltjes zoo van witte als van roggebrood, een en ander vooral versch en vermengd met een weinig honig en inenic ol met lijn gestampte roode steen en anijsolie.

1 Deeg van half gaar gekookte paardenbobnen met liouig, muskus en gerstemeel, of van brood, honig en duivelsdrek, quot;I van oude kaas, meel, olie en een weinig kamfer.

11 Zie iiDot op pag. I2.S.

-ocr page 184-

164

5. Een mengsel van 1 drachme saffraan, 8 lood ossenbloed, 5 lood geratemeel en versch brood, met daardoor heen gewerkt gesmolten geitensmeer.

0. Stukjes vleesch, vooral lever en long, overgoten met een weinig riekende stof, zooals muskus, anijsolie, honig, bever- of laurierolie, of zoo dit te verkrijgen is, reigerolie; zelfs petroleum is niet geheel te versmaden. Men moet er echter wel op letten, dat van ai dit riekende goedje slechts een weinig moet worden gebruikt. Veel zou juist tengevolge hebben, dat de visch zich ging verwijderen.

d. Fop- of Spotaas.

Hiervoor kunnen niet alleen worden gebruikt nagemaakte vischjes, vliegen, torren, spinnen en andere insekten, maar bijna alle blinkende voorwerpen, al gelijken ze weinig op dierlijk aas. liet is zelfs gebleken, dat snoek en baars, in navolging van makreel, zich door een rood lapje tot bijten laten verlokken.

e. Aas om visschex op bepaalde plaatsen te lokken. 1)

1. Op fijn geraspte oude rotte kaas doet men het bezinksel van boomolie en wel zooveel, dat het geheel eene vloeibare brij wordt. Men neemt biervan \'/^ KG., mengt hieronder li grein kamfer en doet daarbij zooveel meel en tarwezemels, dat men daarvan ballen kan maken, welke op den kachel of in de zon worden gedroogd. De harde ballen heeft men dan slechts in het water te leggen, waar men wil visschen.

2. Men vermenge 1 K.(i. versch roggebrood met 1/4 K.G. honig en 2 grein duivelsdrek en make daarvan balletjes. Ook zijn balletjes van verkruimd en met honig en zemels ver-

1) Hij hel gebruik van lokmiddelen dient niet tc veel uitgestrooid te worden en moet men steeds op dezelfde plaats blijven.

-ocr page 185-

165

mengd wittebrood goed, doch de visschen krijgen hierin spoedig tegenzin.

3. Men kookt een pot erwten, totdat zij bersten en bindt dan, zonder het nat af te gieten, den pot dicht niet een stuk tiommeivel of ecne blaas. Hierin worden met een paknaald enkele gaatjes gestoken, zóó groot, dat men de erwten wel zien kan, maar dat deze er niet door kunnen. Nu laat men den pot zinken op de plaats, waar men later wil visschen en wel zóó, dat de opening met den stroom komt te liggen. Het vocht, dat nu uit den pot sijpelt, lokt ver in het rond de visschen, die de lekkernij wel zien, maar niet kunnen krijgen.

-ocr page 186-

HOOFDSTUK III.

a. Is HET HENGELEN IN GESLOTEN VISCHTIJD VEKBODEN\'?

Meermalen ziet men in gesloten vischtijd lieden er met den hengel op lostrekken. Men doet alsof het hengelen in gesloten vischtijd alleszins geoorloofd is. Dit is evenwel niet het geval. Volgens art. 11 der wet lot regeling der jacht en visscherij, bepalen Gedeputeerde Staten jaarlijks den lijd van opening en shilling der visscherij. Dat doen zij dan ook en in de desbetrefTende besluiten kan men lezen, dat „de visscherijquot; gesloten zal zijn van .... tol ... , mei uilzondering evenwel van het vangen van aal, door middel van aal-korven, aalfuiken of wel iels anders. Waar nu wordt gesproken van „de visscherij \' ligt hel voor de hand, dat alles hieronder begrepen is, behalve dal, wal hij name is uitgezonderd. Ook lette men er wel op, dat art. 27 der wet bepaalt, dat niet alleen het verkoopen en Ie koop uilslallen van visch. gedurende den gesloten vischtijd verboden is, maar ook hel vervoeren\'? Dit laatste maakt hel bengelen in gesloten vischtijd bepaald onmogelijk. Een hengelaar is het om visch te doen en hoe zal hij deze nu te huis krijgen, als hij ze niet mag vervoeren .\' Men kan, naar mijne meening, zelfs verder gaan en beweren, dat de dienaren van Hermandad recht hebben te gaan verhaliseeren, zoodra zij maar iemand in den gesloten vischtijd zien hengelen. Zij behoeven er geenszins op te wachten, dat er juist visch wordt gevangen en wel, omdat artikel 21 der wet bepaalt, dat onder visschen wordt verstaan: „hel le water brengen, lichten of ophalen van viscbnetlen, korven ol andere vischluigen, alsmede het bezigen van andere middelen, om visch te vangen of le dooden. Niemand zal toch durven beweren, dat de hengel geen visch-luig is, of geen middel om visch te vangen. Naar mijne meening kan dus hij, die in gesloten vischtijd hengelt.

-ocr page 187-

167

met recht worden bekeurd, onverschillig of hij vangt of niet.

Wellicht vindt de vrij algemeene opinie, dat dit niet het geval is, haar oorsprong in de wet zelve. De bepaling, vervat in art. 13, dat geen vischakte wordt vereischt voor het visschen met den hengel in de hand, wordt kennelijk door velen opgevat als een vrijbrief voor het hengelen in het algemeen. Nogmaals echter, dit is onjuist. Men gelieve er ook wel op te letten, dat de bedoelde wetsbepaling spreekt van: „hel visschen met den hengel in de hand.quot; Verreweg de meeste visschers hebben de gewoonte met meer dan één hengel te visschen, waardoor het hun onmogelijk wordt, steeds tie hengels in de hand te hebben, terwijl anderen, al hebben ze ook maar één hengel, toch gaarne dien hengel op den grond leggen ol in het water. Slechts enkelen, — en dat zijn dan ook juist de echte liefhebbers, — ziet men bij voortduring met den hengel in de hand, zoo lang toppende, dat zij hunne moeite door Hink beet beloond krijgen. Van deze laatsten slechts spreekt de wet en al wil ik nu gaarne toegeven, dal de wet niet in alle opzichten volgens de letter en in engen zin behoort le worden opgeval, toch moet ik er oj) wijzen, dal de woorden „met den hengel in de handquot; met opzet in de wel zijn opgenomen. Zoo is mij o. a. uit de toelichting, gegeven hij de behandeling, gebleken, dat men door die woorden de eerlijkheid heeft willen bevorderen. Men heeft de meening verkondigd, dat hij, die den hengel in de hand heeft, minder in slaat is le rooven van hetgeen zich op den grond bevindt, waarop de hengelaar staal. Ook uil dien hoofde zou dus een gerechtsdienaar kunnen hechten aan de woorden: „met den hengel in de hand.quot;

lgt;. Js HET VISSCHEN MET EEN Hl.INKEHT GEOOREOOEI)?

Ziedaar eene vraag, welke reeds vele malen is gedaan.

-ocr page 188-

168

De meeningen hierover liepen zeer uiteen. Dit is niet te verwonderen waar ook zij, die de wet moesten uitvoeren het er niet over eens waren. Terwijl b.v. in de provincie Groningen het visschen met den bliiikcrt toegelaten en dus als „geoorloofdquot; beschouwd werd, ging men de „blinkertvisschersquot; in Friesland vervolgen. Zoo werd in 181)5 een spoorwegconducteur te Huizum bij Leeuwarden vervolgd, terwij hij visschende was in eene spoorsloot tus-schen Roordahuizum en Grouw, welke in verbinding staal met ander vischwater. Op de procedure, welke daarvan het gevolg werd, meen ik de aandacht hier te moeten vestigen, omdat zij heelt geleid tot eene eindbeslissing, tol een arrest van den Hoogen Raad, waarnaar men zich voortaan zal kunnen richten.

Het procesverbaal, tegen onzen blinkertvisscher opgemaakt, werd opgezonden aan het kantongerecht te Leeuwarden. Na rijpe overweging achtte de kantonrechter het feit bewezen, maar vond hij toch geene termen tot veroordeeling. Zijne meening was, dat een stok met een snoeier aan, een hengel is, en dat deze niet van aard verandert door het aas, dal aan liet snoer bevestigd wordt. En waar nu het visschen met een hengel geoorloofd is, achtte bij hel bewezen feit niet strafbaar en onlsloeg dientengevolge den gedaagde van rechtsvervolging. Het Openbaar Ministerie kon zich evenwel bij deze beslissing niet neerleggen en kwam dientengevolge bij de rechtbank te Leeuwarden in beroep. Daar vond het steun bij den Substituut-Officier van Justitie. Deze was met het Openbaar Ministerie van het kantongerecht van meening, dat het visschen met den blinkert eigenlijk is visschen met een sleeplijn, een vischtuig, waarmee men goede baarzen en snoeken vangt en dal daarom is opgenomen onder de vischtuigen, voor wier gebruik eene akte en vergunning noodig is. Hel feit. dat bij het visschen met den blinkert veeltijds de sleeplijn aan een stok wordt voortgetrokken, maakt dat vischtuig nog geenszins tot een hengel, evenmin als een totebel een hengel wordt.

-ocr page 189-

169

omdat er een stok aan verbonden is. De blinkert, zoo werd volgens de Leeuwarder courant aangevoerd, behoort eigenlijk achter een langzaam voorlgeroeid boolje te worden gesleept en is dan eene sleeplijn in optima lorma. Door het sleepen krijgt het lepeltje, dat blinkend is en daarom blinkert wordt genoemd, eene draaiende beweging, welke de visschen verlokt er op los te schieten en er naar te bijlen, waardoor zij in aanraking komen met de onmiddellijk onder hel lepeltje zillende haakjes. Zonder sleepen geelt de blinkert geen succes. Men heelt hier dus wel degelijk te doen met eene sleeplijn, een vischtuig, dat nooit een hengel kan worden door daaraan een slok le binden. Dit, gevoegd bij de omstandigheid, dal een hengel onder de vrijgestelde vischluigen is opgenomen, omdat hij weinig schade doel aan hel vischwaler, hetgeen toch nooit van den „blinkertquot; zal kunnen worden gezegd, gaf den Snbstiliiut-Onicier van Juslilie vrijheid, veroordeeling le requireeren.

In hoever de rechtbank te Leeuwarden op dit requisitoir is ingegaan, is mij tot mijn spijl niet hekend, maar wel heb Ik in hel Nieuws van den Dag een bericht gelezen omtrent de eindbeslissing door den lloogen Raad in deze kwestie genomen. Volgens dit blad is de korte inhoud van die beslissing, of liever van hel ter zake door den lloogen Raad geveld arrest, door hel „Paleis van Jusliliequot; als volgt medegedeeld:

„De omstandigheid, dal zeker vischtuig uilslnilend asl zoodanig kan worden gebezigd, wanneer hel gedeeltelijk door hel water wordt gesleept of getrokken, helel niel, dal vischluig te heschouwen als een hengel in den zin der wel op de jacht en visseherij, in wier arll. 13 en 2 niets is le vinden, wal de daar gegeven vrijstelling zou beperken lol den hengelaar, die bij het water stilstaat of zil.

Lvenmin beslaat er grond om eenig verschil in den aard van het vischluig le vinden in de omslandigheid, dal daarbij geen werkelijk aas wordt gebruikt, zooals wormpjes.

-ocr page 190-

170

vischjes of ander voedsel, maar een blinkend stukje metaal, dat door tie visschen voor een zwemmend vischje kan worden gehouden.

De wetgever heeft den hengel vrijgelaten, mits deze in de hand worde gehouden. Hieruit volgt ten eersten, dat elke hengel, waarmede zonder akte in de openbare wateren van den slaat mag gevischt worden, het bezit eener visch-akte vereischt, zoodra hij aan den wal of aan een vaartuig wordt vastgelegd; ten tweeden, dal de aan den oever of aan een vaartuig vastgemaakte hengel (zelangel of sleepangel), die volgens de wel zonder akte niet mag worden gebruikt en die deels ais ongeoorloofd visehtuig in eenige provincie kan verboden zijn, als hengel in de hand gehouden, volgens de wel valt onder hel in openbare wateren vrijgelaten visehtuig.

Ook uil hel Heglement op de uitoefening der jacht en visscherij in Friesland kan men opmaken, dal eene zoogenaamde sleeplijn, bevestigd aan een vaartuig (zoodat zij zonder toedoen van den visscher blijlt werken), in Friesland een verboden visehtuig is, maar dat dit visehtuig, als hengel in de hand gehouden, volgens hel reglement geoorloofd is, omdat dil reglement bepaalt, dat hengels door het water gesleept mogen worden. \'

Bovenvermeld arrest is, dunkt mij, duidelijk genoeg. De onzekerheid, of met den blinkerl mag worden gevischt, is daardoor vrij wel weggenomen. Als men slechts zorgt, dat de blinkert verbonden is aan een stok, dien men in de hand houdt, dan mag men vrij daarmee visschen. Men wordt dan beschouwd als „hengelaar,quot; ofschoon ook mijns inziens de blinkert voor het vischwater veel schadelijker is dan de gewone hengel.

-ocr page 191-

HOOFDSTUK IV.

Aanleg; van vijvers en in het bijzonder van visclivi jvers.

Onder het woord „vijversquot; wordt door velen verslaan een betreidvtlijk kleine waterplas, zijn water ontvangende van hel daaromheen expresselijk aangelegde terrein. Moge dit begrip in hel algemeen vrij juist zijn, voor een vischvijver, als waarop in dit hooldslnk wordt gedoeld, is de omschrijving niet geheel volledig. Voor een vischvijver is noodig, dal men den wateraan- en al\'voer geheel naar willekeur kan regelen, zoodal men zich altijd meester kan maken van de visschen welke daarin zijn. Acht men dit laatste niet noodig, dan kan de aanleg van een vijver zeer eenvoudig zijn. Men behoeft er dan slechts voor te zorgen, dat zij plaats heeft daar, waar een klei- of leem-achlige bodem wordt aangelrolfOn en dat de grond die in den vijver afwatert, voldoende oppervlakte heeft om voor droog worden te vrijwaren. Voor zoover men echter een vijver mocht wenschen op een terrein, waar geen klei ol leem is te vinden, dan is hel noodig deze grondsiolfen aan te voeren, 61 in den vijver hier en daar wellen ot pullen Ie graven, zoodat hel invloeiend hemelwater woi\'dt aangevuld door grond- of welwater.

Hij den aanleg van vischvijvers moei voorls in hel oog worden gehouden de bestemming, welke men daaraan wenschl te geven, wijl b.v. de aanleg van broed vijvers anders moet zijn dan die van kweekvijvers en die van hewaarvijvers weer verschilt van de beide vorige

In hel algemeen dien top de navolgende punten te worden gelet: 1. De plaats van aanleg moet zóó te worden gekozen, dat gemakkelijk toevoer van slroomend water kan worden verkregen, zoodat er nimmer watergebrek kan ontslaan en levens tijdige verversching mogelijk is.

-ocr page 192-

\'1. Hel omliggend terrein moet zooveel mogelijk afwateren in den vijver, opdat met het daarop vallend regenwater tevens stoffen in den vijver vloeien, welke den visch tot voedsel kunnen strekken. Een zeer laag gelegen plaats kieze men dus voor vijverterrein.

3. De vijver moet over het geheel zoo diep worden gegraven, dat er geen gevaar voor bevriezen bestaat; mocht dit niet hunnen met het oog op de hestemming, (hij hroedvijvers moet althans een gedeelte minder diep zijn), dan grave men daarin kelders, waarin de visschen \'s winters hij strenge vorst een heenkomen kunnen vinden.

I. De bodem, welke voor liet gemakkelijk atvisschen zooveel mogelijk vlak moet wezen, dient evenals de wallen\'of dijken waterdicht of\' waterkeerend te zijn, waarvoor liet gebruik van klei of leem zeer is aan te bevelen. Het weerstandsvermogen van de dijken moet gelijken tred houden met de grootte van den vijver. I loc grooter vijver, des te sterker moeten de dijken zijn. De hoogte moet in verhouding lot de breedte van den voel staan ongeveer als 1 tot \'1 en de breedte boven tot die beneden als 1 lot 4.

Voor alle waterkeeringen kieze men steeds de beste of meest soliede grondstoffen. Al zijn deze bij de aanschaffing meer kostbaar, op den duur blijken zij nog voordeeliger te zijn.

Zoowel de aan- als de afvoer van hel water moet behoorlijk door aan- en afvoerbuizen kunnen worden geregeld, welke /.oo lang moeten zijn dal zij eenige decimeters buiten den dijk uitsteken. De afvoerbuizen welke men gebruikt voor hel laten leegloopen worden natuurlijk zoo laag mogelijk aangebracht. Hij het maken der buizen moet er echter op gelet worden, dat stroopers geene gelegenheid hebben den vijver binnen weinige uren le laten droogloopen en alzoo zich gemakkelijk van den daarin aanwezigen visch meester te maken. Men doel dus wel ze zoo af le sluiten dal ze alleen met een sleutel kunnen geopend worden. Ook is hel, ter voorkoming van slrooperij, wenschelijk, hier en daar op alleen voor den eigenaar gemakkelijk le herkennen

-ocr page 193-

173

plaatsen, paaltjes in den bodem te slaan. Het afvisschen bij nacht wordt daardoor zeer bemoeielijkt.

6. De vijver zij niet al te klein, want pro rato levert een groote vijver niet zooveel werk als een kleine. Daarenboven komen kleine vijvers bij stroopers het eerst in aanmerking. Ook moet de bevolking van den vijver niet te talrijk zijn, wijl dit allicht ot tot sterfte öf tot vermagering of lot tragen groei van de visch aanleiding geeft.

7. Om den vijver mogen geen hooge booinen worden geduld, wel daarentegen eenig struikgewas en dan op plaatsen waar dit voor het afvisschen niet hinderlijk is.

8. Bij het bevolken van den vijver, moet men, wal de soort van visch betreft, te rade gaan met de gesteldheid van den bodem, de leefwijze en de handelswaarde der visschen.

\'.). Met het oog op de dijken is het niet gewenscht, pas gereed gekomen vijvers terstond vol te laten loopen. Men vuile den vijver langzaam en slechts gedeeltelijk. Hel werk moet tijd hebben om te kunnen bevestigen. Ook is het wenschelijk, het eerste water, nadat hel eenigen tijd in den vijver heeft geslaan, weer te laten afvloeien.

Hkt onderhouden van Vischvijvehs in het algemeen.

In de eerste plaats is daarvoor noodig groole zorg voor hel in- en uitlaten van hel water. Hij hel inlaten dient vooral te worden gelet op de kwaliteit van het bnilen-waler. Dit moet geheel zuiver zijn. Voorts wake men voor verstopping, door voor de inlaat eenc soort van tilireer te maken, wat gemakkelijk kan gebeuren door om de toevoerbuis een mand te plaatsen of liet water door een of meer roosters Ie laten loopen.

Bij het laten afvloeien van hel water dienen gelijksoorlige maatregelen te worden genomen, niet alleen om ver-

-ocr page 194-

stopping lc voorkomen, maar vooral ook om geen visch te verliezen.

In den zomer late men hel water zoover afvloeien dat liet mogelijk is den bodem van den vijver behoorlijk te onderzoeken. Blijkt daarbij iels niet goed in orde te zijn, dan dient het gebrek zoo goed mogelijk hersteld te worden. De vijver behoort minstens eenmaal om de (i jaar drooggelegd en bezaaid te worden, opdat de bodem niet zuur en het zich daarin bevindende slijk door lucht en zon van kwalijk riekende vochten gereinigd kan worden.

Doel eenige sterfte onder de visch vermoeden, dat hel water in den vijver aan zuiverheid te wenschen overlaat, dan kan men, wanneer geheel droogleggen voorhands onmogelijk is, door het inwerpen van eene goede hoeveelheid houtskool, lijdelijk verbetering verkrijgen.

Hij aanwezigheid van heestergewas om den vijver, doel men wel, de bladeren zooveel mogelijk uit den vijver te houden. Zijn ze in het water geraakt, dan verwijdere men ze door schepnet of schuimer.

Voor een goed behoud van de walglooiing en van de dammen of dijken, dient men bij het gebruik daarvan zoo voorzichtig mogelijk te zijn.

C. Vl-IVKHS VOOIi IIET TELEN E\\ AAMvWEEKKN VAN ZEKERE

soorten Visch.

Zooals reeds is opgemerkt, eischen de bovenbedoelde vijvers een aanleg, waarbij is gelet op de leefwijze der vischsoort, die men wenscht le kweeken. Welke soort men ook neme, hel is wenschelijk dat men daarvoor drie vijvers heeft en wel een voor het kuit schieten en voor de eerste ontwikkeling van het broed; een voor de eenjarige visschen en een voor de verkoopbare visschen.

-ocr page 195-

1)C eerste, de zoogenaamde kuitvijver, moet hoogstens s/4 M. diep zijn en naar de kanten zóó oploopen, dat aan den wal geen halve decimeter water staat. Eenig watergewas daarin is zeer gewenscht, zoodat men den groei daarvan moet bevorderen. De visch moet gelegenheid hebben zich door het schuren aan het een of ander te ontdoen van de kuit of hom.

Ook moet hier ter dege worden gewaakt tegen hel bimien-dringen van roofvisch of andere vijanden van hel jonge broed. Zells moet het indringen van soortgelijke visschen worden belet, opdat geen bastaarden zullen worden gekweekt.

Door liet maken van een diepe geul of groef, welke zooveel mogelijk zuiver, dus slijkvrij gehouden moet worden, dient men aan de visschen gelegenheid te geven den winter goed door te komen.

De tweede vijver, die voor den wasdom der jonge visschen is bestemd, moet natuurlijk in de allereerste plaats aan die bestemming kunnen beantwoorden. Daarvoor moet de vijver zoodanige afmetingen hebben, dat hij voor de daarin geborgen bevolking voldoend voedsel aanbiedt. Voor de beoordeeling hiervan moet niet alleen worden gelet op de gesteldheid van den bodem, maar ook op de gelegenheid tot ver-versching van het water. Ook bij dezen vijver is hel aanbrengen van kelders, geulen of groeven noodzakelijk, niet alleen met liet oog op den winter, maar ook om de visch gelegenheid le geven, in den zomer koele plaatsen op te zoeken.

De derde vijver, die voor bewaring van degroote, verkoopbare visschen, moet ook diep en groot van afmeting zijn, maar zóó ingericht worden, dat men hem gemakkelijk kan afvisschen. De bodem dient derhalve vlak te zijn, terwijl aan een der zijden een opsleepplaats moet gemaakt worden. Waterplanten zouden hier lastig zijn en dienen dus te worden geweerd. Overigens is ook hier goede gelegenheid voor waterverversching zeer gewenscht en behoeven de roosters voor de afvoerbuis natuurlijk niet zoo dicht te zijn.

De ruimte laat hier niet toe in het breede te onischrij-

-ocr page 196-

17()

ven, hoe de inrichting moet zijn van vijvers voor be-paalde vischsoorten, maar toch vinden enkele mededee-lingen of opmerkingen van algcmeenen aard hier eene plaats. Vijvers voor zeelt zijn niet bepaald noodig. Deze visschen gevoelen zich in elk niet of weinig stroomend water te huis, mits daarin slechts eenig slijk aanwezig is. Gevoegelijk kunnen ze in de vijvers voor karpers worden geplaatst. AV/r/wvijvers moeten een vlakken bodem van vette klei of modder hebben. Hoe vetter en zwaarder de grond is, waarhoven hij zwemt, des te heter groeit de karper. De vijvers behoeven niet diep te zijn, maar voor een vrij diepen kelder als winterverblijf dient te worden gezorgd. Vooral wanneer er geen voldoende toevoer van versch boezemwater is te verkrijgen, moet Hink worden bijgevoederd. Graan komt daarvoor in de eerste plaats in aanmerking.

Vijvers voor forellen en bcirbeelen moeten afzonderlijk ingericht zijn, wijl de leefwijze dezer visschen van die der karpers te veel verschilt. Forellen- en barbeelenvijvers moeten voldoen aan de volgende voorwaarden; 1. een zandigen en van groote steenen voorzienen bodem; 2. eene aanzienlijke diepte; zuiver en stroomend water; t. een hooge oever met elzenstruiken bezet en .quot;). eene eenigszins schaduwrijke ligging. Voor voeding gebrnike men gezwollen gerstekorrels of brenge men in den vijver grondelingen of smeer-lingen, wier broed den forellen een welkom voedsel is. Het best groeien de forellen echter nog, wanneer men den arm eener heek door den vijver kan leiden en wel zoo dat men den toevoer naar omstandigheden kan regelen. Voorts moeten de forellenvijvers van zoogenaamde sprongen worden voorzien, wijl deze vischsoort, even als de zalm tot eene aanmerkelijke hoogte kan springen. Zoowel aan den ingang als aan den uitgang van den vijver worden dubbele, vrij nauwe honlen roosters aangebracht, waartusschen men een soort fuik plaatst, in welke de visch terecht komt, zoo zij al door den rooster mocht geraken. Hel ligt voorde hand, dat zooveel mogelijk gewaakt moet worden tegen roofvisch.

-ocr page 197-

Blei en alle andere vreedzame visschen kunnen in bijna iederen vijver worden gebracht, vooral wanneer de bodem iets zandig en met steenen vermengd is.

Ook de vijvers voor snoek vereiscben geene bijzondere zorg. Hier is eveneens een zandige bodem en de aanwezigheid van veel waterplanten geweiischt. In liet belang van de voeding dient men te zorgen voor eene rijke bevolking van kikvorschen. Kan men deze niet machtig worden, danbrengemen inden vijver visschen van geringe soort ofwaarde, maar met sterk vermogen tot vermenigvuldiging b.v. voorn. Ook kunnen gestorven dieren als voedsel dienen, mits ontdaan van de huid. Is de snoek niet al te groot, dan kan men ook gerust groote karpers en zeelten in den vijver brengen, die door de groote hoeveelheid kuit, welke zij schieten, voor den snoek heerlijk voedsel opleveren. Hoogst wenschclijk is, dat snoekvijvers aanvoer hebben van zuiver welwater ol\' beekwater. Het in te brengen water mag echter niet te koud zijn.

Veel zorg vereischt de inrichting van een «a/vijver. In de eerste plaats mag geen stroomend water in de nabijheid zijn; want al slaat dit niet met den vijver in rechtstreeksche verbinding, toch zullen de palingen het weten te bereiken, tenzij men den vijver omgeeft met dicht gegalvaniseerd ijzerdraad, dat niet alleen Hink boven de oppervlakte van water en wallen uitsteekt, maar minstens ook een 1 2 Meter onder den bodem van bel water is aangebracht. Voorts moeten de aalvijvers niet le klein zijn en holle oevers hebben, voorzien van boomwortels of steenen. Voor voedsel moeten kleine vis-sciien, zoo mogelijk grondelingen, worden ingebracht. Des vereischt kan men dat voedsel ook vervangen door ander dierlijk voedsel, terwijl groene en droge erwten lot aanvulling kunnen dienen.

Voor baars heeft men geen bijzonderen vijver noodig. Deze vischsoorl weel zich bijna overal in le dringen en is moeilijk •ut le roeien. Niet alleen vermenigvuldigt hij zich sterk.

-ocr page 198-

178

maar weinigen hebben den moed hem aan te vallen, terwijl hij zeilquot; alles rooft.

Wil men vijvers voor eene bepaalde vischsoort, dan raadplege men allereerst de geaardheid, grootte en ligging van het beschikbare terrein. Men brcnge een en ander in verband met de leefwijze der beoogde vischsoorten. Bij geschiktheid voor vele soorten kieze men vooral die, welke eene groote handelswaarde vertegenwoordigen, al moet het broed dan ook van verre worden aangevoerd. Al eischt dit ook eenige buitengewone uitgaven, toch late men zich niet verleiden goedkoope soorten te kweeken. Ook boude men in het oog, dat het beter is den vijver met te weinig dan met te veel visschen te bezetten. In het eerste geval vergoedt de betere groei het kleiner getal. Daarbij komt, dat visch, die door Ie weinig voedsel in mindere conditie is geraakt, zich daarvan niet gemakkelijk herstelt en dat daarenboven het vleesch minder smakelijk is. Het in den vijver groeiend riet, moet jaarlijks worden afgesneden, waarbij men wel doet, niet te dicht aan den wortel te komen, omdat dit den aangroei te veel bevordert. Beter is het de overblijvende stoppels te laten afrotten. Voorts moet men bij langdurige vorst zorgen voor het hakken van bijten. Dit moet zoo geschieden, dat bij eenigen wind de gaten met elkander in verbinding staan.

(I. Het iutvisschen der vijvehs.

Het spreekt van zelf, dat bij vijvers, waarin geen gelegenheid is om het water te laten afvloeien, van (///visschen moeilijk sprake kan zijn. Wanneer de vijver niet met zorg aangelegd en onderhouden is, kan men zelfs geen zekerheid verkrijgen, dat bij het «/Visschen alle groote visschen worden

-ocr page 199-

179

1 gevangen, ook al gebruikt men een zegen, hel vischtuig, dat . \\ daarvoor anders als het meest afdoende is te beschouwen.

Voor het n/Zvisschen van een vijver is afloopen van het

i water bepaald noodzakelijk. Met overleg dient dit te ge-

l schieden. Nadat men zich vergewist heelt van den goeden staat der afvoerkanalen en voor de roosters de noodige voor-

e 13 steeknetten heeft geplaatst, zoo noodig nog met korven daar-

i achter, begint men met hel water heel zacht te laten afvloeien, e leneinde den visschen gelegenheid te laten, zich van de ;ï oppervlakte naar de diepte te begeven. Vooral wanneer de t vijver met riet bezet is, moet men zeer omzichtig te werk I gaan. De visschen verwijderen zich ongaarne daaruit. Loopt e nu het water hard weg, dan blijven allicht visschen achter, e welke een prooi worden van kraaien of andere roof-;, dieren. Eerst dan, wanneer men kan aannemen dat alle n visch zich in de diepte heeft teruggetrokken, kan sterker d worden gestrcomd. Zoolang het afstroomen duurt, dient ïl men natuurlijk ter dege te waken tegen dieven. Tamme n en wilde eenden of ganzen dienen verwijderd Ie worden, e lerwijl men kraaien, raven, meeuwen en dergelijke verjaagt ;e door schieten. Ook moet men zorgen voor verwijdering van !- liet vuil, dat zich hier of daar mocht ophoopen of vaslzetten.

ii Zoodra het water uit bet bovengedeelte van den vijver is ge

vloeid, moéten de blootkomende riethosscben en kuilen worden onderzocht, terwijl al het noodige wordt aangebracht voor sorteering en berging van de visch. Is de vijver bijna geheel leeg geloopen, dan moet men zoo spoedig mogelijk niet bet opzamelen en schiften doorgaan. Men ga evenwel niet Ie haastig te werk. Kr mag geen visch in bet slijk vertrapt of door verkeerd aanvatten beschadigd worden. Vooral in liet laatst mag daarom ook niet te hard worden gestroomd.

-ocr page 200-

180

Heeds bij het opzoeken moet soort hij soort worden gedaan. Bij het opzoeken moet de visch niet worden gesmeten of, zooals hij sommigen gewoonte is, in de oogen aangevat. Sommigen meenen ten onrechte, dat dit zacht hanteeren ten aanzien van de aal niet noodig is. Wil men deze vischsoort lang bewaren, dan dient ook zij voorzichtig te worden behandeld. Zoo veel mogelijk moet men zich van het schepnet bedienen.

Heeft men niet dadelijk goede gelegenheid tot verzending, dan kan men gemakkelijk tijdelijke bewaarplaatsen maken, door naast het afvloeiingskanaal eenige kanalen te graven van 1 a l1 ^ M. diepte met een evenredige breedte, welke door het afvloeiende vijverwater gevuld, maar ook door buizen weder geledigd kunnen worden. Daarin kunnen de visschen ge-ruimen tijd zonder nadeel worden bewaard. De beste tijd voor het uitvisschen van een vijver is een koele of regenachtige dag en wel vroeg in den morgen, als de warmte dei-zon zich nog weinig doet gevoelen. Moet de visch dadelijk verzonden worden, dan is de avond beter, omdat het transport dan gedurende den koelen nacht kan geschieden. Heeft men verschillende vijvers, dan dienen de wintervijvers in bet vroege voorjaar te worden leeggevischt en de kuitvijvers in het begin van den herfst. Met het oog op de koele temperaluur, welke men dan in den regel heeft, behoeven daarbij niet de voorzorgen te worden genomen als bij het uitvisschen in den zomer. Intusschen moet men er steeds op bedacht zijn, dat, waar visch van den eenen vijver in den anderen moet worden overgebracht, de temperatuur van het water niet te veel mag verschillen. Te groot verschil zou allicht ziekte, in ieder geval stilstand van groei gedurende eenigen tijd tengevolge hebhen.

De zoogenaamde strekvijvers, de vijvers bestemd voor de groote visch, kunnen meer te allen tijde worden uitge-vischt, mits men zeker zij, dat dit niet door vorst onmogelijk wordt gemaakt. Het ligt echter voor de hand, dat men ten aanzien van deze vijvers moet letten op den tijd.

-ocr page 201-

181

(He sedert het inzetten van de visch is verloopen. Voor het behoorlijk groot worden is natuurlijk lijd noodig en voor de meeste visschen moet die tijd niet te nauw worden berekend. Vrij vlug groeien bij voldoende voeding b.v. de snoek en de voorn, maar minder vlug de aal, de baars en de karper.

Eindelijk dient men bij het uitvisschen der vijvers nog hierop bedacht te zijn, dat snoek en zeelt zich gaarne in het slijk verschuilen en dit met de paling nog meer het geval is. Vooral de dikke palingen komen in den regel eerst den volgenden dag of nacht te voorschijn.

Kunstmatige Vischteelt.

Door toenemend waterbederf, vermeerdering van stoomvaart, voortdurende strooperijen en nog andere oorzaken is de gevinde bevolking van het zoele water in Nederland op lange na niet meer zoo talrijk als vroeger. In bijna alle provinciën hoort men klagen over ontvolking en over schrale vangst en die klachten zijn geenszins overdreven. Er zijn althans plaatsen in ons vaderland, waar het onmogelijk is, zelfs voor den bekwaamslen visscher, om met het visschen, dal vroeger zulk een ruim beslaan opleverde, nog brood le verdienen. Gelukkig hebben de klachten verschillende mannen wakker geschud om pogingen aan le wenden dezen wegkwijnenden tak van nijverheid weer lol den ouden, althans tot meerderen bloei le brengen. In vele provinciën zijn visscherij-vereenigingen opgericht, welke zich ten doel slellen, door allerlei wettige middelen de zoelwatervisscherij op le heffen uit haren staat van verval. Een der middelen, lot welke men daarvoor de toevlucht zal moeten nemen, is de kunstmatige vischteelt. Sedert jaren heeft men dit in andere landen reeds ingezien. Men meene niet, dal hel kunstmatig kweeken van visch eene uilvinding der laatste jaren is. Heeds de Romeinen waren geraffineerde vischkweekers.

-ocr page 202-

182

Zij verslonden zelfs de kunst om zoulwatervisschen lot zoetwaterhewoners te maken en ook omgekeerd. Ook in China verzamelde men voor lang reeds vischkuit, deed ze in kisten uitbroeien, om daarna dg kleine visch naar verschillende rivieren of stroomen te zenden. In Duilschland werd de kunstmatige vischleell reeds voor meer dan eene eeuw met goed gevolg beproefd. Een zekere Jacobi publiceerde toen in de Duilsche taal over dit onderwerp een geschrift, hetwelk in het Latijn vertaald en door Dichamel du Monceau in eene verhandeling over visschen in het algemeen opgenomen werd. In Scholiand nam in 18.\'}3 Mr. Shaw reeds proeven met eieren van den zalm, waarvan in 1810 de resultaten werden gepubliceerd.

Den groolslen stool ten goede heeft echter in de laatste jaren Frankrijk gegeven. Een eenvoudige visscher, met name Joseph Remy te la Hresse, die lol zijn groot leedwezen liet aantal visschen in het door hem bevischte terrein zag verminderen, kwam er toe de oorzaak van die vermindering eens na te sporen, ilij kwam tol het resultaat, dal deze gelegen was in hel niet tol zijn recht komen van de vischkuit, die door tal van roofvisschen werd verslonden of door andere oorzaken verloren geraakte. Ilemy\'s eerste gedachte was dus de kuil te verzamelen en deze in kisten, die in de rivier moesten geplaatst worden, tegen hel gevaar te beschermen. De visscher van la Bresse imd de hoofdoorzaak van hel kwaad, dal hem in zijn bestaan bedreigde, ontdekt en tevens een middel gevonden om verbetering in den toestand aan te brengen. Hel verzamelen van kuit bleek echter nog al moeilijk te zijn en vooral toen zich meer met de zaak gingen bemoeien, kwam men al spoedig tol de vraag, of hel niet beter zou zijn, om de zwangere visschen voor het kuitschieten te vangen en dan de eieren op eene veilige plaats lebewaren, lot dal het jonge broed groot en sterk genoeg zou wezen, om zich zelf le voeden en le onderhouden. Gesteund door zekeren Gcbin loonde Remy, dat deze vraag bevestigend moest worden be-

-ocr page 203-

183

antwoord. De proeven, op kleine schaal door hem genomen, overtroffen alle verwachtingen. Geen wonder clan ook, dat de regeering van Frankiijk zich deze belangrijke ontdekking aantrok. Zij zag spoedig in, hoe juist het resultaat van het denken van den eenvoudigen visscher kon leiden lol opbeuring van den ongelukkigen toestand der zoctwaler-visscherij. Zij stichtte te Versailles en Mahnairson visch-broed-inrichtingen en droeg dc leiding daarvan op aan de beide mannen, die ter zake het incest hadden gedaan, n.1. aan Remy en Gehin. De eene stroom na de andere werd nu stelselmatig van millioenen jonge visschen voorzien. Het duurde niet lang, of te Huningen werd eene centrale broed-inrichting van allerlei vischsoorten opgericht. Van hier werd niet alleen geheel Frankrijk, maar werden ook Engeland en Duilschland van visch of liever van vischeieren voorzien. Langzamerhand werd hel toch dienstig geacht in de inrichting de eitjes niel lol volkomen rijpheid te laten komen, maar ze te verzenden, kort voor het uitkomen. Het bleek, dat men ze, verpakt in houten doozen en met vochtig mos bedekt, zonder schade kon verzenden. Zelfs eieren, welke op deze wijze verpakt, eene reis van twaalf dagen hadden gemaakt, bleken nog voor het beoogde doel geschikt te zijn.

De vermeerdering der visschen heeft men dus vrij wat in zijn macht en men zal wijs doen, door althans dat gedeelte wafer in ons vaderland, waar het leven der visschen nog niet door fabriekswater wordt bedreigd, zoo productief mogelijk te maken. Het is te hopen, dat niet alleen particulieren zich meer en meer de zaak der visscherij gaan aantrekken, maar vooral ook dc regeering. Laaf zij zorgen voor eene goede bevolking van het rijkswater en dan zorge verder iedere corporatie of particulier voor het water onder zijn beheer ol administratie. Kostbare, grootsche inrichtingen, zooals h.v. die in Frankrijk, behoeft ons land niet. In Nederland kan men het wel af met eenvoudige broedinrichlingen. De wijze van doen is trouwens eenvoudig en weinig kostbaar. Ze is in hoofdzaak de volgend? :

-ocr page 204-

184

Zoodra de tijd van liet kuitschielen en daarmede de rijpheid der eieren daar is vangt men de wijfjesvissclien en ontdoet ze van de kuit, door ze met de hand uit de huikholte te persen. Men neemt daartoe den visch met heide handen heet. De rechter omklemt het voorgedeelte, zoodat de kop zoo goed als geheel daaruit steekt; met de linker wordt het achtergedeelte vastgehouden en wel zóó, dat de duimen van heide handen aan de eene en de vingers aan de andere zijde komen. Men houdt den visch nu hoven een overal even wijden schotel, welke, al naar de wijze van bevruchting, welke men wenscht toe te passen (men heeft n.1. twee wijzen van hevruchting, langs den drogen en langs den natten weg) al of niet gevuld wordt metcenig water. !n geval van natte hevruchting moet in den schotel, welke van hinnen glad dient te zijn, ± 1 d.M. water staan. Daarin vallen dan de eitjes, welke men, door met duim en voorvinger zacht de heide zijden en de buikholte te wrijven aan den visch ontlokt. Men houdt hiermee vol, totdat men geen succes meer heeft, als wanneer den visch de vrijheid wordt hergeven. De mannelijke visch komt nu aan de heurt. Door gelijke behandeling wordt hij van de hom ontdaan. Ls dit geschied, dan wordt ook aan hem de vrijheid hergeven tot tijd en wijle men hem weer noodig heeft. Het komt er vooral op aan zich er van te overtuigen, dat deze hom rijp is. Het vocht van den hommer mag voor eene goede bevruchting niet blauwachtig en dun. maar moet vrij dik en geel wit zijn. In het laatste geval kan men er zeker van wezen, dat de spermatuosen, welke Juist de bevruchting moeten bewerkstelligen, krachtig hun werk zullen verrichten. Is werkelijk zoodanige hom verkregen en in den zelfden schotel gevallen, waarin ook de kuit is verzameld, dan bevordert men de bevruchting door zachtjes in de hom te roeren. De vloeistof, welke dan een witte kleur krijgt, laat men \' 2 dagen rustig staan. Na dit tijdsverloop gaat men

1) Kenners gaan hierbij niet alleen af op den scliaarlijd. maar ook op uiterlijke ken-teekenen van de viscli. b.v. de huikdikte, de geslachtsopening en/.

-ocr page 205-

185

na of er werkelijk bevruchting heeft plaats gehad. Men kan dit zien, doordat op deeitjes welke bevrucht zijn, een zwarte stip ontstaat, terwijl de niet bevruchte geheel wit worden.

Hij de droge bevruchting, welke dit voor heeft, dat naar rato veel meer eieren bevrucht worden, omdat de eitjes, wanneer zij in het water vallen door wateropzuigen eenigs-zins minder geschikt voor bevruchting worden, gebruikt men meermalen eene zeef. Het water, dal dan nog door het wrijven van den visch tegelijk met de kuit of hom mocht vallen, verdwijnt door die zeef, terwijl datgeen waarop het juist aankomt, daarop blijft. In den regel gelukt deze wijze van bevruchting zoo goed, dat geen 5 quot; n eitjes ais onbevrucht verwijderd behoeven te worden.

De bevruchte eieren doet men ter verdere vorming in overal doorboorde blikken bussen, die t 1000 eieren kunnen bevatten op eene laag rivierzand. De bussen worden vervolgens, indien zij althans de eitjes van sahnoïden heval-ten, in eene snelvlietende, heldere, niet al te diepe beek geplaatst en wel een weinig in bet zand. Bestendige waterver-versching is niet alleen noodig voor de onbelemmerde ademhaling van het embryo, maar ook ter voorkoming van licderf door aanhechting van schimmelplanten of dergelijke. De lijd voor de ontwikkeling benoodigd is natuurlijk niet lgt;ij alle vischsoorten gelijk. Hij de zalmsoorten bedraagt deze 1 I maanden. Hij de geboorte komt de staart het eerst te voorschijn, daarna de kop en het laatst de romp met navelblaasje, uit welks inhoud de jonge visch zich gedurende de eerste 5 a (i weken voedt. Het verdwijnen van het blaasje is voor den kweeker het teeken, dat de jonggeborene in hel water moet worden geplaatst, waarin hij den eersten tijd zijn voedsel moet zoeken. De jonge forellen b.v. zet men bet best nit in de mondingen der in de rivier uilloopende beken met zandigen of steenachtigen bodem, welke plaats Zl.i van zelf verlaten, zoodra zij in zich de kracht gevoelen, om den strijd om het bestaan in den hoofdstroom te aanvaarden. Het ligt voor de hand, dat men bij bet bewaren

-ocr page 206-

18G

tier kunstmatig gekweekte visschen vooral op den leeftijd moet letten, wijl anders de ouderen zich allicht van de jongeren meester maken.

Ofschoon het kunslmatig leien en kweeken van visch zich tot dusverre nog alleen tot de fijne of lot de dure soorten bepaalt, n.1. lol zalmen, forellen, karpers en dergelijke, is het aan geen twijfel onderhevig, of het kan ook op onze gewone zoetwatervisschen worden toegepast, met uilzondering natuurlijk van den aal of paling, hij wien lol dusver niet zoo gemakkelijk kuil en hom was te onldekken en wiens voortplanting, althans in hoofdzaak, in zee plaats heeft.

Het kweeken van aal kan nog wel geschieden. Men dient dim jongbloed aan den ingang der rivieren le bemachligen en (iil over le brengen naar bijzonder zorgvuldig aangelegde en afgesloten vijvers, welke men, zoo noodig, kunstmatig van geschikt aas kan voorzien.

-ocr page 207-

HOOFDSTUK VI.

Vijanden van de Zoetwaterviscli.

De eerste dezer roovers is de Otter (Lnlra Vulgaris), cene groole, slerk gebouwde martersoorl, welke meer dan 1 M. lengte heelt. Hij graaft zich holen aan den kant van liet water onder boomwortels, bouwt daar zijn nest, waarin het wijfje in April of Mei van 2 tot J jongen werpt. De olter is een best zwemmer en kan het lang onder water uithouden. Hij voedt zich bijna iiitsluilend met visch en neemt hij voorkeur de beste soorten; als dessert versmaadt hij niet een kikker en wat vischeieren. Wanneer hij dieren als ratten, eenden of waterwild aanvalt, dan kan men daaruit afleiden • lal er aan visch gebrek begint te ontstaan. Hij zoekt dan weldra andere, meer vischrijke plaatsen op, waar hel vernielingswerk wordt voortgezet.

Nauwkeurige besludeering heeft aangetoond, dat de volwassen otter, in gevangenschap, per dag een kilo visch voor zijn onderhoud noodig heeft. Hij is echter niet met hel noodige alleen tevreden. Hij is een lekkerbek en eet slechts enkele deelen van den bemachtigden visch, meestal de hersenen, de ingewanden of een stuk van den rug. Ai heel ras laai hij den aangebeten visch liggen om alweder een nieuwe prooi op te zoeken. Men rekent dan ook, dat de otter ten minste drie kilo visch per dag doodt. Het is onzen visschers genoegzaam bekend, dal hel dier zich niet ontziet de fuiken te verscheuren om er uil te halen, wat van zijn gading is.

De schade, die door één otter wordt aangebracht, kan dus als volgt worden berekend: .\'JC).quot;) dagen a .quot;5 kilo is l- 1100 i^ilo a 15 cents per halve kilo /\' 330 per jaar.

Hierbij dient nog opgemerkt le worden, dat de otter gehoor-, gezicht- en reukorganen heeft, die onverbeterlijk zijn;

-ocr page 208-

188

hij is bovendien zeer vreesachtig, oplettend en bewegelijk, zoodat hij zijn vijanden zeer licht ontkomt en voor den jager uiterst moeilijk te vangen is.

Na den otter komt als vischdoodend viervoetig dier: de iiHtlcrspitsnmis (Surex fodiens). Dit is een zeer mooi diertje van 10 12 cM. lengte, waarvan de staart echter -t de helft inneemt. Men treft dit beestje bijna in alle wateren aan. Het woont meest in zelf gegravene gangen, waarvan een altijd in het water uitmondt. De zwemkunst verstaat het voortreffelijk. Zijn groote vraatzucht maakt hem voor vischkuit en broed hoogst gevaarlijk. Zelfs waagt hij zich soms aan groote visschen.

Onder de vogels worden vele vischvijanden aangetroffen. Zoo is een gevaarlijke vischeter de Aalscholver of Cormoran. Dit is een zeer mooie vogel, donker groen gevederd met gouden glans en een paar licht groene oogjes.

De Aalscholver maakt veelal zijn nest in de hoogste hoornen van afgesloten bosschen waarin weinig verkeer is; hij legt gewoonlijk f eieren en dan 2 maal per jaar.

Zijn voedsel bestaat meestal uit paling; hij is zoo gebekt, dat hij een aaltje van (gt;() centimeter gemakkelijk opslokt; hij heeft per dag, volgens vertrouwbare schrijvers, 3 a 4 kilo viscb noodig voor zijn onderhoud of per 365 dagen ongeveer 1100 kilo a 20 cent per 1 2 kilo 440 gulden.

(iehikkig kan dit cijfer iets worden verlaagd, omdat deze vogel in den winter naar Xizza en Monte Carlo trekt.

De Reiger {Arden cineru). Deze vogel heeft eene lengte van 1 M. en eene vlucht van t 1.70 M. Hij houdt zich altijd op in de nabijheid van water, is zeer schuw, vischt niet alleen bij dag, maar ook wel bij heldere nachten, altijd met zijne pooten, die eene zekere voor de visschen aanlokkelijke lucht verspreiden, in hel water staande. Zells groote visschen zijn van zijne gading. Professor Metzger schat zijn noodig voedsel aan viscb op 120 kilo per jaar. Hij prefereert karper en baars boven de gewone witvischjes. Maar Von den Borne, de beroemde pisciculteur en verdelger der

-ocr page 209-

189

vischvijanden, heeft eens in een reiger 12 karpertjes gevonden van omstreeks 15 centimeter.

Naar matige berekening verobert hij voor 24 gulden visch per jaar.

De heer Hasselbach, vischkweeker te Zwaansprong, leverde dit onderwerp ook eene belangrijke bijdrage.

Deze heer toch ving voor eenigen tijd een reiger in een klem, die hoogstens drie kwartier aldaar aanwezig geweest kon zijn. De maag van het dier bevatte een-en-dertig éénjarige torellen, die alle nog tamelijk gaaf te voorschijn kwamen. De reiger werd in tegenwoordigheid van het personeel der inrichting geopend en nagezien. De visch, die uit de maag te voorschijn kwam, vertegenwoordigde een waarde van /\' 0.20.

De Ijsvogel (Alccdo ispidd). Deze vogel, (lie, wat teekening en kleurenpracht betreft, een der eersten in de vogelwereld is, heeft eene lengte van 16 17 cM. Hij heeft een langen spitsen snavel en korten staart en leeft ongezellig in de nabijheid van beken, rivieren of vijvers. In den regel beloert hij zijn buit, zittende op palen, twijgen of steenen. Bijna uitsllillend kiest hij kleine visch, waarom hij vooral voor broeden kweekvijvers zoo gevaarlijk is.

Voorts zijn voldoende als vischdieven bekend de grooteen kleine. Zeemeeuwen of Kobben, welke zich bij onstuimig weder veel in onze streken ophouden, terwijl eindelijk ook zoowel de tamme als milde eenden, maar vooral ook de duikers iProdiceps cristatus) als zoodanig kunnen worden gekwalificeerd. Wel bestaat hieromtrent bij sommigen twijfel wat de eenden betreft, maar zeker is liet, dat deze ook gaarne vischkuit verorberen.

Onder de aniphibiën zijn het de padden en kilcvorschen en vooral de groene, die als vijanden van den visch moeten worden aangemerkt. In viscbvijvers, tenzij het snoek-vijvers zijn, moeten deze zooveel mogelijk worden geweerd. \' Zie hieromtrent de afzonderlijke opstelletjes over de kikvorsch als vischdiet en de slachting orïder de karpers door padden.)

-ocr page 210-

190

Van de insekten richten de volgenden dikwerf belangrijke schade onder het vischbroed aan t.w,;

I)e Zwemkever (Dylicus nuirgiiiulis) en de larve van dezen, de Riuj zwemmer (Nolonecla glcnicd), de Mei vlieg en larve, de Zuiyslak (Lijmimca), de Borchlak (Pknwrbis), de Wcdervloo en de Kokerjuffer, (de laatste ook wel bekend onder den naam van Nellenbijter.) Voorts heeft men nog de Karper luis, Honger-wonn of Bloedzuiger. Men treft deze veel aan bij karpers, die schrale voeding hebben. Zijne lengte bedraagt 1 a 2cM.;dekIeiir is grijsgeel met donkere ringen. De staart is een weinig lichter en breeder dan liet overige lichaam. Zij hechten zichsomsin menigte aan de karpers en liefst aan de magersten, zeker, omdat zij bij dezen het gemakkelijkst de bloedvaten kunnen vinden. Ook de draadwonn is een niet te minachten vijand. Deze is wit van kleur en zóó lang, dat wanneer men hem ergens ziet liggen, men hem allicht voor een katoenen draad zou houden. Zijne lengte bedraagt i 1 a Meter. Hij voorkeur houdt hij zich op in stilstaand water, in poelen en slooten. Doch niet alleen onder de dieren worden vischvijaiulen aan-getroffen, ook planten bedreigen dikwijls ernstig het leven der visschen. Zoo o.a. de Waterkers en de Scliiininelplnnl, welke laatste zich meermalen op de visschen hecht en zich zoo ras uitbreidt, dat de visch daarmede geheel overtrokken wordt. Gelukkig wil deze plant niet gedijen in schoon, stroomend, veel hiehthoudend water, terwijl haar ook eene welige groei van waterplanten hinderlijk is.

Nog eene andere plant, n.1. de W\'aicrpesl (Elodea canadensis) is voor de visschen zeer gevaarlijk. Ontdekt men dal deze onder de vijverbevolking voortwoekert, dan kan men niet beter doen, dan den vijver zoo spoedig mogelijk droog te leggen. Hij eenige vorst zal de plant dan zeker spoedig sterven.

-ocr page 211-

191

De Kikvorsch als vischdief.

Aan een Duitsch blad is hieromtrent het volgend ontleend, afkomstig van een vischkweeker uit Frcywaldau.

,.l)at de groene waterkikvorsch voor den vischkweeker niet alleen niet nuttig, maar integendeel zeer schadelijk is, hel) ik in het jaar 1848 ondervonden. Ik woonde destijds te Som-merfeld en had in de waterreservoirs, welke ik in mijn bedrijf noodig had, kleine hoopen steenen met waterplanten en struikwerk aangebracht. Weldra nestelden daarin rupsen, spinnen, kevers en dergelijke. Verder verschafte ik mij, wijl ik een groot vriend van visschen ben, jong broed van allerlei visschen, vooral karpers van 1 a 2 cM. lengte. Ik gaf ze evenwel niet terstond de volle vrijheid, maar sloot ze. om het oog er over te kunnen houden, in kleine ruim ten op. Daar ik mijne jonge vrienden dagelijks bezocht en voeder toediende, bemerkte ik, dat er in de reservoirs ook talrijke groene waterkikvorschen voorkwamen, die er hun werk van maakten de aanwezige rupsen, spinnen en andere insekten uit het struik-werk te vangen. Ik vermaakte mij met deze jacht der groenrokken en hoorde met welgevallen hun gezang. Doch, helaas! toen de heeren onder de insekten eene tamelijke opruiming hadden gehouden, namen zij de vrijheid hunne magen met een kostelijker spijs te vullen. Ik werd lot mijn schrik gewaar, dat mijn voorraad jonge visschen met den dag verminderde, zonder dat ik daarvan de oorzaak kon vinden. Kindelijk zag ik tot mijne niet geringe verbazing een dikken groenrok in een der broedbakken klimmen en met wellustige gretige oogen mijne vischjes bekijken. Op eens grijpt hij lot mijne verbazing met de voorpooten een kleinen karper en schuift dien in zijne maag. Deze manoeuvre werd tot driemaal toe Iterhaald en het is inderdaad te verwonderen, dat drie visschen in zijne maag ruimte konden vinden. Ik sloeg zonder te wachten, den mover dood en men begrijpt, dat ik zijne lamilie op dit terrein verder geheel uitroeide.quot;

-ocr page 212-

Slachting oxdeh de Karpers door Padden.

Onder de mededeelingen, door den heer Duchernhn aan de Academie des Sciences le Parijs gedaan, komt o.a. het volgende voor, dat zeer belangwekkend is voor ieder, die hij de visscherij hetrokken is.

Een der vrienden van den lieer Duchernim had in zijn park een vijver, rijk bezet met karpers, die het gansche jaar dooi uitstekend gedijden met uitzondering van het vroege voorjaar, wanneer de sterfte zeer aanzienlijk was. De doodc karpers, welke op de oppervlakte van bet water dreven, werden alle blind gevonden, terwijl een soort van huid buniuquot; oogen en zelfs hun kop omgaf. Inwendig werd daarentegen niets abnormaals gevonden. Om de oorzaak van dat verschijnsel te vinden, werden alle levende karpers in den vijver onderzocht en nu bevond men, dat bij alle zieke karpers aan den kop een groote pad zich vastgehecht had met zijne nageh in de oogen van den visch. Het arme slachtoffer, dat ziel; van zijn belager niet had kunnen bevrijden, was eindelijk in den strijd van uitputting bezweken. Of het gif van de pa\'! daartoe iets had bijgedragen is onzeker.

Een ander verhaalt het volgende: Op een dag iu den heeten zomer zag ik een grooten karper op de opper vlakte van het water drijven met eene pad op den kop Wegens de groote vermindering der karpers liet ik den vijver ledigloopen en vond van de 70 of lt;S() karpers, die ik er in-lüezet had, nog slechts zes in leven en deze ziek en venna-

O 7 O

gerd, ieder had een pad op den kop zoo vast zitten, dat dezi niet dan met moeite er van verwijderd kon worden.

-ocr page 213-

HOOFDSTUK VII.

(I. Is MKT IIKXCKi.KX Ml.I\' mkkk DAN kkn IIKMIHI, GIvWKXSCHT\'.\'

Het is aan te raden om althans te begiimen met één hengel. Wil hel goed bijten, dan heeft men daarmee voldoende bezigheid, terwijl hij het zoeken naar eenc gesehikle \\ isehplaats het overbrengen van Iwee afgerolde hengels lastig is. Alleen wanneer het blijkt, dal er wel viseh is, maar dat deze niet wil toebijten, kan men een tweeden hengel er hij nemen. In dil geval moeten de snoeren ongeveer vier Meier van elkander verwijderd zijn en zóó gelegd worden, dal zij drijvende onmogelijk in elkander kunnen verwarren. Meer dan Iwee hengels te hebben is niet raadzaam. In den regel laat dan de verzorging van de snoeren en vooral van hel aas Ie wensehen over; ook moet men veel le veel heen en weer loopen, waardoor men licht de visch verjaagt. Met het snoer meèloopen, zooals door ^ u ii gedaan wordt, is bepaald verkeerd. Alles moei worden vermeden . wal den visch vreesachtig kan maken.

^ Waak k\\- aan wki.kkx kaxt van iikt wvri-it mokt woudkx

(ikukxcihij).

In hel algemeen kan men zeggen, dal de hengel daar moei worden uitgeworpen, waar men le voren lokaas heeft quot;itgeslrooid of waar hel lei rein er gimslig voor is. Ken lage XNa\'\' mei eenig riet aan den kanl en daarachter een vrij \'i^\'P water, zijn omstandigheden waarop men moet lellen.

Sommigen meenen, dal aan dien kanl moet worden gevischl, uaarf)p wind en stroom slaan. Dil is niet aan le hevelen.

-ocr page 214-

m

Men plaatse zich steeds niet den rug in den wind. Men heeft dan niet alleen het voordeel, dat men het snoer gemakkelijk in het water kan krijgen en de dobber niet naar den wal wordt gedreven, maar ook, dat de visschen aan den kant waar men vischt, niet door den golfslag worden gestoord om naar voedsel rond te zien. De kans op bijten is dan grooter, terwijl zwak heet ook veel gemakkelijker aan den dobber is te zien. Tevens heeft men veel minder met het drijvend vuil te kampen, dan aan den kant. waarop wind en stroom slaan. Daar slaat de viseh meer slil en aast veel minder. Verder vissche men gerust daar. waar men meeuwen op viseh ziel azen, mits hel water daar zuiver is. Zij azen op de visscheu, welke uil vrees voor snoek en baars de vlucht nemen en zich aan de oppervlakte van het water vertoonen.

Het is niet raadzaam le visscheu in water, waarin even h voren schapen zijn gewasschen. De visschen schijnen in dil water niet best te kunnen leven.

c. Hoi: dk ki.ickding van dkn visschkij moet zi.in.

Voor hem, die met netten vischt, komt het er minder op aan, hoe hij gekleed is, mits hij maar zorge, dat zijm kleeding van waterdichte stof gemaakt is en zoo weini, mogelijk voorzien van knoopeu, waaraan de netten gemakkelijk blijven haken. Vetlederen laarzen ol wel klomplaarzen zijn het meest geschikt. Voor den hengelaar is echU i aan te bevelen eene kleeding van grijze stof met een paai soliede jachtscboenen en slobkousen. itte boorden nl glimmende knoopen passen niet, terwijl vele en groot»\' zakken in jas of kiel en broek zeer aan le bevelen zijn.

-ocr page 215-

19ö

cl. Di-: visscHEx als Wkehpkofetex.

l il de wijze, waarop de visschen bijten, uil de hoeveelheid der gevangen visch en nil de grootte der visschen, die nabij den oever komen om voedsel te zoeken, kan men met tamelijke zekerheid het weder voorspellen, dat in de eerstvolgende dagen is te wachten. Al is hel weer ook nog zoo mooi en de visschen bijten niet of raken liet aas maar even aan zonder het in te slikken, dan kan men gerust aannemen, dal binnen 1lt;S nren regen, storm of nevel is te wachten. Wordt /00 nu en dan eens een enkel vischje gevangen, dan dreigt verandering, maar bijlen de visschen Hink, zelfs bij ongunstig weder en hoogen wind, dan volgt mooi weer en in elk geval een regenvrije dag.

c. Middki.kn om oe (;i-:va\\ge\\ viscii lang levend te houden.

Hel ligt voor de hand, dal men de visch om ze lang levend lc houden, zoo weinig mogelijk moet beschadigen. Maar \'•ene voorzichtige behandeling alleen is niel voldoende. De gevangen \\ isc li dient zoo spoedig mogelijk overgebracht te worden in een doelmatige bun, kaar of vischbewaarder. Deze moet niet alleen voldoende ruimte aanbieden voor de hoeveelheid visch, welke men wenscbt te bewaren, maar moet ook zoo ingericht zijn, dat de visch zich zeil niet iwin beschadigen. De wanden er van moeten glad en van zulke groote ronde gaten voorzien zijn, dat toestrooming van versch water zeer goed mogelijk is. Het spreekt van zeil, dat de gaten van aalkaren kleiner moeten wezen dan quot;lie voor de bewaring van gewone visch. Dat men aal afzonderlijk bewaart, is ooi: daarom goed, wijl andere visch, /l\'lls slei, in gezelsciiap van aai spoedig sterft. Men dient \'Ie ligplaats van den vischbewaarder met overleg te kiezen l\'-ene schaduwrijke plek, zoo mogelijk met matigen stroom, is daarvoor bel meest geschikt. Sterke stroom zoowel ids

-ocr page 216-

196

stilstaand water zijn minder geschikt. Ook om niet te veel in het oog te loopen voor hen, die minder nauwgezet van geweten zijn ten aanzien van eens anders eigendom is het gewenscht, den vischhewaaider zóó Ie bevrachten , dat hij niet hoven de oppervlakte van het water uitsteekt. Aalkaren kan men gerust lot op den bodem laten zinken, mits er niet te veel slijk aanwezig is. Vooral bij bewaarplaatsen van aal is het een vereischte, dat de binnenwanden geheel glad zijn. De glibberige aanslag, welke zich bij liet gebruik tegen de wanden afzet, moet men vooral niet verwijderen, daar deze juist dienstig is om den huid van de paling legen beschadiging te vrijwaren.

Is het niet noodzakelijk de visch lang levend te houden maar slechts gedurende eenige dagen of uren, dan kan dit gemakkelijk worden verkregen door een weinig hrandewijn. liet is voldoende den gevangenen een in dit vocht gedoopt stukje brood in den bek te duwen en ze dan met met sneenw ol\' ijs. ol\' bij gebrek daaraan, mei slroo te overdekken. Met wijn of bier kan men hetzelfde succes verkrijgen . mits deze niet zuur zijn. De visschen kunnen geen alcohol verdragen. Op liet eerste gezicht gelijken zij geheel verstijfd, doch de roes verdwijnt spoedig weer, wanneer men het stuk brood verwijdert en den visch in linnen doeken wikkelt, welke men nat maakt. Doet men hem vervolgens in een bak met versch water, dan zwemt hij spoedig weer lustig rond.

Voor liet eenige dagen levend houden van aal is hel voldoende ze te bedekken met vochtige aarde of versch gras, dat zoo nu en dan moet worden bevochligd.

/. Middi.i i;\\ om doodi; Visr.n lano vhhsch tk iioi\'dkn.

Hoewel de visch ontegenzeggelijk liet lekkerst is, wanneer ze terslond, nadat ze gevangen is, gekookt wordt, kan hel toch ook gebeuren, dat bewaren noodig is.

Sommigen meenen ten onrechte dat doode visch hel langsl

-ocr page 217-

197

i*oo(l hlijl\'l lusschen of onder gras. Bedekking met shoo verdient echter de voorkeur. In elk geval is het een ver-oischte, dat de viscli eerst van de ingewanden wordt ontdaan.

Moet /.ij worden verzonden, dan gehrnikc men daarvoor manden van wilgentwijg, terwijl het voor eene voire reis tevens wenschelijk is, ze lusschen ijs to leggen. Het is meermalen gehemd, dat visch, verzonden van uit Nederland, en verpakt in ijs en stroo, na 2 :i .\'5 dagen reizons nog geheel versch op do plaats van bestemming aankwam.

Viscli, welke reeds geheel toegemaakt is, bewaart men hol langst in geglazuurde steenon potten op frissclio, koele plaatsen, waar geen zon kan konion, terwijl het imvrijvon mot oenig zout natuurlijk hot good houden zeer bevordert. Kon ander middel om visch lang goed te houden is het in-wikkelen in linnen en het daarna bedekken mot eonc laag zand. Mocht er hij hot koken eene minder frisscho rouk aan zijn, dan zal een stukje honlskool in hol water dien spoedig doen verdwijnen.

ƒ/. Wki.kk Visciiiiakia di-: hi:sii-: zijn i:\\ mok mi:\\ zi: lil-WAAKT.

\\ ischliaken vau koper zijn voor don gewonen hengel niet aan te hevelen. Xiet alieen woi\'don zij spoedig stomp en roesten, maar ook wil de visch er niet zoo goed aan hijton, als aan de gewone lijno kngelsciie haken met hun glad politoer, geschikte buiging, scherpe punt en voldoende hardheid. Deze haken zijn in verschillende nnimners te ver-krijgen. De grootte regelt zich naar de visch, welke men vangen en hel aas dal men gebruiken wil.

Do nieuwste soorten liehhen in plaats van platte, gedraaide stelen, welke eigenschap zeer leu goede komt aan eene stevige aanhechting van de zijdedarm.

-ocr page 218-

198

Voor dobbers blijven altijd de groote witte haken met langen steel aantebevelen, welke zeer laai zijn en dus niet gemakkelijk door de aal worden stukgedraaid.

Om de haken voor roest te bewaren, moeten ze in droge tarwezemelen olquot; in tot poeder gestampte ongehluschte kalk worden bewaard.

li. Hok mkn de voois hkt i.okkia dku vissciikn zi;i-:h aan

tk hkvklen ukic.f\'.uolik vebkiujgt.

Deze olie kan men niet bij den apotheker bekomen. Men dient ze zelf te maken en dit kan op de volgende wijze geschieden.

Men neemt zoo mogelijk een mannetjes reiger en hakt hein, na geplukt te zijn, geheel lijn. Het gehakt wordt in eene groote stoplleseh gedaan, welke men door een blaas hermetisch alslnit. Deze llescb word! na twee a drie weken in warme mest ol op eene andere warme plaats gezet. In \'ien tijd gaat het vleesch rotten en wordt eene olieachtige zellstandigiieid verkregen, welke men in een andere llesch igt;iel , die luchtdicht afgesloten op eene niet te warme plaats bewaard wordt. Vermengt men nu met deze olie lijn gewreven koek van hennepzaad ol\' broodkruimels, honig en een weinig balsem, dan verkrijgt men een aas, waarop de meeste visschen, maar vooral de karpers, verzot zijn.

Ziel men op tegen de hierboven vermelde werkzaamheden, dan kan men de visschen ook wel lokken door het aas met hel merg uil de beenderen van den reiger te bestrijken.

Iets oveh Snoek.

Dat snoek zeer oud, groot en zwaar kan worden is bewezen door een exemplaar, dat. van een ring voorzien, den

/ -yu; /ryi,*-j-\'\' /1 Ahj/t /// yY 1/* - - \' \'

-ocr page 219-

199

.nlen Octobei- door keizer Frederik li in een meer, het

zoogenaamde ..Kaiserswogquot; l)ij Kaiserslaulern werd gezel. Volgens de overlevering werd deze snoek eerst tien (kien Xov. 1497, alzoo 2(17 jaar later, terug gevangen en bleek het toen. dal liet dier 19 voet (schuh) lang en 350 pond zwaar was. Men meent, dat deze snoek is afgebeeld op de brug te Heilbronu.

Meermalen gebeurt bet, dal snoeken, welke men in bepaalde door netten afgezette watervakken beeft gezien of op andere wijze heeft ontwaard, plotseling spoorloos verdwijnen. Het scbijnt dan, dat zij 61\' langs óf door 61\' onder de netten zijn doorgegaan. Dit is lang niel altijd bel geval. Meermalen kan men de verloren geacble visseben nog vangen door de nellen sliiletjes een tijdlang te laten slaan. Somlijds welen de snoeken zicb te verbergen, zooals o. a. blijkt uit navolgend verbaal van Baron von Kbrenkreulz. In zijn „Angelliscbereiquot; zegt deze o.a. hel volgende :

„In bel Osnabrueksebe verkeerde ik een lijdlang op een landgoed, vanwaar een weg een eind weegs liep langs eene sloot, bijna gevuld met slijk. Niemand vermoedde daarin viscb. Daar de sloot geen loevoer bad, droogde zij gedurende den beelen zomer bijna gebeel uit. Terw ijl ik eens daarlangs wandelde, zag ik in een kleinen waterplas een kleinen snoek slaan. Hij gebrek aan iels beiers, nam ik een bark, waarmede ik hem daebl Ie vangen. De snoek verdween eebler. Ik woelde met de hark in bel slijk en nu ontdekte ik niet één. maar verscheidene visseben, die met de koppen naar boven kwamen en naar luebt en water hapten. Ik kon ze met de banden grijpen en kreeg lol verbazing van alle slol-bewoners een dozijn groote en kleine snoeken, waaronder een van lt;S pond.quot;

-ocr page 220-

200

/. I)K VlSSCHKm.I ALS HOKHKNIJKDHIJF.

Zoowel in het huiten- als in het binnenland begint men hoe langer zoo meer in le zien, dat de visscherij een w instgevend nevenbedrijr van den landbouw kan worden. Ver-sehillende bewijzen zijn daarvoor hij te brengen. Zoo b.v. de onlangs plaats gehad hebbende benoeming van een speciaal visseherij-eonsnlent voor liet koninkrijk Beieren, aan welk ambtenaar is opgedragen, om met de daar te lande beslaande Visscherij- en Landbouw-vereenigingen samen te werken tot opbeuring der visscherij; het door den Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw genomen initiaticl tot opleiding van een jongmensch uitsluitend voor de zoct-watervisscherij en visehteelt hier te lande, enz. enz.

Het is daarom, dat ik meen ook aan bovenvermeld onderwerp een paar bladzijden te moeten wijden.

Het is mij bekend dal bij de meeste huurovereenkomsten de landeigenaren liet recht van jacht en visscherij aan zich houden. Dit is m.i. een scheeve toestand, eene inbreuk op hel recht van gebruik, dat hij verhuur wordt verleend. Met komt mij voor, dat vele landbezitters dit zullen toestemmen en daarom ook wel genegen zullen zijn, het visehrecht, op aanvrage, aan de huurders al\'te slaan. L\'itgaande dan van de veronderstelling, dal ieder hoer in hel lot zijn zathe behoorend water mag visschen, wil ik wijzen op een teil, mij hekend uil den lijd, toen ik nog beambte was ter secretarie van Leen wardcradeel.

Jaarlijks kwam toen bij mij voor het aanvragen van ecut\' vischakle, de landbouwer lgt;. onder (ioutum. Mijne ambilu voor visscherijzaken deed mij hem eens vragen, ol hij nogal wat ving enwaar hij zooal vischle. Hel antwoord daarop luidde „Ik viscb nooil anders dan in de slooten van mijn eigen land. terwijl de vangst van dien aard is, dal ik niet alleen mijn eigen gezin minstens twee maal in de week van viscb kan voorzien, maar levens meermalen dal van mijn knecht. ZelL zon ik, als ik dit wilde, van mijn overvloed kunnen vcr-koopen. \'

-ocr page 221-

201

Ziedaar eene verklaring, die le denken geeft en deze verklaring staat niet alleen. .laren achtereen lieh ik zeil\' met velerlei tuig gevischt, doch uitsluitend \'s morgens vóór S en quot;s avonds na ö uur. Toch mocht het mij in dit korte tijdsbestek meermalen gelukken, belangrijke hoeveelheden visch te bemachtigen. Niet dat ik nooit platzak t luns kwam. Meermalen is mij dil overkomen, maar toch bestaat bij mij op grond van jaren lange ondervinding, de overtuiging, dat in het algemeen met visschen wel eene bijverdienste is le maken. mits men een goed vischterrein heelt. Zulk een terrein nu .kan menig boer gemakkelijk bekomen. Hij heelt er slechts voor te zorgen, dat de slooten zijner zathe behoorlijk diep en schoon worden gebonden en dat is immers toch ook in het belang eener goede afwatering van zijne landen.

Waar goed en diep water is, komt de visch als van zelf. Bovendien kan men hel bevolken bespoedigen en de visch-rijkheid bevorderen , door eenige pootvisch uit het publiek- in bet particulier water over te brengen. En heeft men eenmaal visch in zijne slooten, welnu de groote vruchtbaarheid en de snelle groei van de meeste vischsoorten zijn er borg voor, dat er visch blijft. Slechts zeer strenge w inters kunnen algeheele sterfte meebrengen. Van de slechte gevolgen der stoomvaart heeft de slootvisch weinig of niets te vreezen, terwijl er, althans bij polderslooten, ook gemakkelijk voor gewaakt kan worden, dat fahriekwater helleven van de gevinde waterbevolking komt bedreigen.

Kan de hoer alzoo gemakkelijk een goed vischterrein hekomen, ook hel vangen vu de visch brengt weinig kosten mee. Alleen de eerste aanschafling van bel vischtuig zal eene eenigszins belangrijke uilgaal vorderen, h.v. al naargelang van hel soort vischtuig, van /\' 1.1 lot / |().

De kosten van onderhoud bepalen zich eveneens to.l een zeer klein bedrag, indien men althans behoorlijk voor zijne netten zorgt. Ikiilen hel groot genot, dat hel vangen opleverl. zullen moeiten en kosten ruimschoots door de vangst worden vergoed. Mocht men echter tegen .zelf vangenquot; bezwaar hebben.

-ocr page 222-

202

welnu, vcipac\'lilon gcel\'l ook voordeel, (laarne wil ik erkennen. dal dit voordeel niet groot is, omdat de pachtsommen in den regel niet belangrijk zijn, maar dit is dikwerf een gevolg lt;gt;! van mindere visehrijkheid van hel water, 61\'van afspraak onder de gegadigden. Op grond van voorheelden uit mijne onmiddellijke omgeving duiT ik verklaren, dat men hij eenige eoneurrentie voor een goed visehwaler, vooral tegenwoordig, ook een goede prijs kan worden bedongen. Maar al is de paehtsom betrekkelijk klein , in een tijd van malaise moet op de kleintjes worden gelet. Daarenboven kan men met de vissrherij op andere wijze veel meer verdienen, n.1. door vischleeit of vischkweek. I)aarvoor zijn echter visehvij-x\'ers noodig, omtrent den aanleg en het onderhoud waarvan in Hoofdstuk IV de noodige aanwijzingen worden gevonden.

Met het oog op de hooge prijzen, welke, vooral in hel buitenland, voor zoetwatervisch worden besteed, durf ik het nemen van proeven in deze richting aan te bevelen. Zoo betaalt men tegenwoordig in Duitschland voor levende aal : van 50 -60 cent per 1 j Kg.

snoek : ., IT)

slei ; „ 1(S 80 „

kar])er: ., 12 -1quot;)

en blei; .. 20—80 .. v 1-j „

Is het wonder, dal deze prijzen in den laatsten tijd reeds velen de oogen hebben geopend? Speciaal in frankrijk en Duitschland levert de goed verzorgde vischleeit in vijvers den landbouwers aanmerkelijke verdiensten. In eerstgenoemd land zijn reeds meer dan 200.000 II. A. voor deze teelt bestemd, terwijl in Duilschland hel getal ischkweekerijen dagelijks toeneemt. In Holieme is er zelfs een landgoed met niet minder dan .\'ÜIO vischvijvers. met eene gezamenlijke oppervlakte van .quot;)()()() M A.

Het ligt Noor de hand. dal de w insten van dergelijke groot»\' inrichtingen pro rato meer zijn dan die, welke men door het exploitecren van enkele vijvers zal verkrijgen. Vooral hel feil. dat men zich bij bepaalde vischhoeven geheel aan de

i

i

-ocr page 223-

203

visscherij kan wijden en alios in hol groot kan omzetten, brengt meerdere winst mee, maar dit neemt niet weg, dat ook vischteelt of vischkweek op kleine schaal niet voordeel kan worden gedreven. Volgens den heer Van der Sniekt, nabij Brussel, kan door hem niet de vischteelt eene netto winst worden gemaakt van / 1lt;S0 a f 11)0 per H A. 1)11 bedrag komt mij geenszins overdreven voor, als men althans hij de teelt ol\' kweek eenigszins praetisch te werk gaat. Men moet er voor zorgen, in de vijvers slechts die soorten te bren-i-cn, van welker groei en hooge waarde men overtuigd is Heelt men zelf geen „edelequot; soorten, men zorge ze te verkrijgen. In den laatsten tijd levert de verzending van visclibroed of kuit naar vene oorden geen bezwaar meer op, terwijl de prijs van een en ander ook niet van dien aard is, d.tl men zich met het oog daarop van de aanschaffing moet onthouden. Voor de voeding der visschen kan men gebruik maken van veel, dat toch reeds in de boerderij voorhanden is. zooals afval uit buis en keuken en vooral van de slacht. Ook graan is een zeer geschikt hijvoeder terwijl natuurlijk ook de witvisch, welke in de gewone slooten mocht wor-licn gevangen, als zoodanig in naiimerking kan komen. Met bclrekkelijk weinig opoffering kan de landbouwer levens visch-kweeker zijn, terwijl de ervaring zal leeren.dat tegenover die opoffering vrij groote voordeden staan, mits, en «iit ineen ik te moeten herbalen, men praetisch te werk gaat en nuttig gebleken wenken inaebt neemt.

k. Bijzondkhk Vanc.sten, enz.

1 Dat aan visschers soms aardige verrassingen ten deel vallen, ondervond in 18!!.quot;) H. Jelsma te Oudeschoot (Fries-land). 1 )(gt; man had zeibengels in de Petgaten en iiij bet op-lialen daarvan ontdekte hij. dal er geen snoek of baars aan ^at. maar een groote onbekende vogel, die bij bet oppikken van het aasvischje den haak mee naar binnen had gekregen.

-ocr page 224-

204

2. Ken ander, niet minder vreemd resullaal werd verkregen door den zelliju-visseher O. S. Ie Langezwaag, Aan een en dezelfde iijn werd door hem tegelijker lijd een baars en een paling gevangen. De paling, die eerst aan de lijn en daarna door den baars gevangen was, meende door de kieuwen van den laatste te kunnen ontkomen, waardoor beiden een buil van den visscber werden.

■gt;. Op hel landgoed ..Klarenbeekquot; gemeente Doornspijk werd in 189() een snoek gevangen, lang 64 cM.. die, zooals bij hel schoonmaken bleek, een anderen snoek ter lengte van 39 cM. had verzwolgen.

Ook werd voor eenigen lijd in hel buitenland een snoek gevangen van IJl1\' pond, die een barbeel van 0 pond en een pijlkarper van 3 pond in zijne maag had,

I. In Juli bS\'.Ml bad de visscber 1). L. Schakels le (laasl-ineer liet geluk, aan een zijner dobbers een zilveren oorijzer op te halen van vreemden vorm, terwijl in December 48i),S door een der zalmvisscliers onder Willige Langerak mei drijlnetlen een oud geweer werd opgevischt, dal nog geladen bleek te zijn.

ö. Door den visscber .1, (i. Otter le (iiethoorn werd onlangs in hel Henlakkerwijde een karper bemaehligd, welke ruim IC) halve kilos gewiehl had.

6. In Januari 1881, werd volgens Schim bij hel onderzoek van eene brug le Zurich in enkele uren meer dan 101\'quot; K.(i. barbeelen gevangen, waarvan echter de grootslen nici meer dan 3 K.(i. wogen. De vissehen lagen verscheidene voelen hoog op elkander.

7. Hij eene in 181)8 in de Oukooper polder gehouden schakelparlij werd door den heer (quot;.. W . van Ommeren o. a

-ocr page 225-

20.quot;)

ruim 100 K.fi. brasem gevangen, terwijl in dal zeilde jaar door een kermisreiziger le Akkrnm (Friesland) door middel van een gewonen hengel een snoek werd bemachtigd van 11 KG.

lt;S. Dal op sommige plaatsen ook met don hengel nog wel eens wat is te vangen, wordt bewezen dooreen bericht, voorkomende in de Leeuwarder courant van Maart 189(). Volgens dal bericht werd door de viscbclub ..Xoordwolde,quot; in één seizoen, niet minder dan ()7() K G. visch, in hoofdzaak snoek, met den hengel gevangen. Alleen in Jaiuiari en l\'cbriiari werd in de Nieuwe Linde 220 K.G. snoek buit gemaakt.

9. In 1897 werd door een paartje, dal langs den Maas-sluischen dijk te Vlaardingen wandelde, in een sloot een /alm ontdekt en gevangen van ruim 215 pond, die bij verkoop /\'22.(.)() opbracht.

10. Door den visscher M. Visser onder Leeuwarden werden in 1(SU(S in het Slotermeer in een trek 10 snoeken gevangen, welke te zamen 53 K.G. wogen.

-ocr page 226-

HOOFDSTUK VIII.

Iiirichtiim van aquaria.

(I. Alüemeene opmerkingen.

Men heeft verschillende soorten van aquaria. Naargelang van inrichting onderscheidt men ze in Ac/A-, Ixik- en hekken-(Kjnaria. De eersten, welke veel voorkomen, bestaan uit een groot. wijd, kelkvormig glas. De laatsten zi.jn niets anders dan een gemetseld bassin, van binnen met eene kleilaag bedekt. De bakaquaria zijn het moeilijkst te maken. Zij zijn samengesteld nil glasplaten, geval in een geraamte of span werk van hout of ijzer. Vooral hel zuiver dicht maken is niet gemakkelijk. Hel best doet meti dit, door de glasplaten, welke zoo dik moeten zijn, dal zij Hink tegen den druk van het water bestand zijn, Ie vatten in gummi en cement. In de sponningen, waarin de platen moeten worden gezel, brengt men over de geheele lengte, doch Ier halver hoogte eerst gummi, dat door verwarming iets week wordt gemaakt. Daarin plaatst de men glasplaat welke vervolgens wordt vastgezet, door de in de sponningen nog overgebleven ruimte aan te vullen mei beste cemenl. dat in bet water spoedig zoo hard wordt al steen. Ook kan men voor het laatste wel gips nemen , maar cement is te preiereeren. Het spreekt van zeil, dat deze aanxuilinii boven geen vereisehte is, maar loch moei men zorgen, dal ook daar de glasplaten zoo vast zitlen, dat zij bij vei-plaalsing van hel aquarium niet in beweging kunnen komen Ook dient men er voor Ie zorgen, dat de glasplaten lood-ivcht komen te staan. Niet alleen verkrijgt men daardoor de grootste hodemruimle, maar ook een goed gezicht van Ier zijde en wal vooral van belang is, een gelijkmatigen druk van het water.

-ocr page 227-

207

Voor een verplaatsbaar hakaqiiariuni moet lui geraamte ot spanwerk niet te licht zijn, Is het van ijzer, dan doet men wel, het te laten vertinnen. In elk geval is meniën zeer aan te hevelen. Voor liet gemakkelijk verplaatsen is het noodig, onder de poolen rolletjes aan te brengen. terwijl de versc hillende verbindingen zoo soliede moeten zijn, dal zij hij het verdragen niet los kunnen geraken.

Bij elk aquarium moei voor goede gelegenheid lot water-verversching gezorgd worden. Is de toevoer van verseh water gemakkelijk, omdat de inrichting van boven open is, minder gemakkelijk is de afvoer van het vuile water. Daarvoor moet een pompje ol\' een gummi zuigertje worden gebruikt; beter is het nog. in ol hij den bodem een atVoerbuisaau te brengen, welke door middel van een kraantje geopend ol\' gesloten kan worden. Het aanbrengen van een alVoerbuis dient echter met de meeste zorg te geschieden, omdat anders allicht eene voortdurende lekkage ontstaat.

Hij een bakaquarium kan de bodem van verschillend materiaal zijn. Het best is bont met eene llinke laag cement daarover. Echter moet alles, wat men gebruikt, van dien aard zijn, dat het geen invloed op de gesteldheid van bet water kan hebben. Zoo is het gebruik van Amerikaansch greenen bout bepaald af te raden, om de sterke terpentijn-of harslucht, welke dit bout verspreidt. ,

Het aanbrengen van een rots van tufsteen is zeer aan te bevelen. Heelt men gelegenheid haar uit één stuk te doen bestaan, des te heler, maar anders moeten voor den voel de grootste stukken worden gebruikt.

Deze worden dan door middel van cement aan elkander gehecht, doch zóó, dat er gangen overblijven.

Op dit l\'uudainent wordt de eigenlijke rots gebouwd. Wil men daaruit een fontein doen ontspringen, hetgeen zeer tot verlraaiing strekt en in plaatsen mei drinkwaterleiding zeer gemakkelijk kan geschieden, dan dien! men natuurlijk te zorgen voor gelegenheid lol het aanbrengen van een pijp. Kan, met bel oog op de afmetingen van het aquarium, de

-ocr page 228-

208

kruin der rots nog al eenigc breedte verkregen, dan is het wen se he lijk, het gedeelte dat hoven water uitsteekt, zóó uit te hollen, dat ter weerszijden van de fontein een plant, h.v. eene dracaena, kan worden geplaatst.

Voor men de planten in het aquariiim plaatst, zorge men voor het aanbrengen van eene llinke laag rivierzand, vermengd met moerasaarde en geheel gezuiverd van steenen. Sommigen meenen, dat planten in een aquarium minder noodig zijn. maar dit is onjuist. In een goed aquarium moeten planten aanwezig zijn, omdat lussehen dieren en planten eene voortdurende wisselwerking plaats heeft. De eersten nemen hij hunne ademhaling voortdurend zuurstof op en geven hij de uitademing daarvoor koolsto! in den vorm van koolzuur terug, terwijl hij de planten juist bet omgekeerde geschiedt, /ij voorzien dus in de eerste levensbehoelten van elkander. Heeft men alleen diereu in hel aquarium, dan wordt het water voortdurend voorzien van het uitgeademde koolzuur, dat op den dnnr schadelijk werkt door te groote hoeveelheid, omdat de opzniging van lucht aan den waterspiegel altijd veel langzamer gaat dan het zuurstofverbruik der in hel water levende dieren. Planten zijn dus onmisbaar. Zij zijn de zunrslofbronnen voor de bevolking van het aquarium, zooals soms duidelijk is te zien aan de fijne luchlblaasjes, welke zich aan de bladeren of steelen bechlen. Daarentegen trekken de planten weer voedsel uit de uitwerpselen der dieren en alle tol rotting overgaande stollen. welke anders schadelijke gassen zouden ontwikkelen. Welke planten men dient te kiezen, hangt veel al van de ruimte. Is deze nog al belangrijk, dan kunnen eenige groote planten in aanmerking komen als: iralcr-violcn {Unlomiis linhrllalns), Kdlnms {Acoi\'ds (aiUiiiuis), ijrle /iiHutrdlflirii {Iris l\'xfndacoris) Diiih\'rpldiilrn (.S/Kf/v/r/-lüuiu Raniosinn), Wdlcriiotcii (\'l i\'dpa naldiis), Kiknorschlool (.I lisntd l\'hinliKio) en andere. Is daarentegen de ruimte beperkt, dan moet men zich wel bepalen lot Eenden kroos, Scheeilini/, KoontUruil {(.era lopliiillnin deiucrsuiu). Pijlkruid

-ocr page 229-

20!»

{SiKjiltdrid Sayyillifolia), Duizendblad {Mijriophijlluin spica-luin), Kikuorschheel (Uydrocharis inorsns ranoe), gewone Waler.slcr, Wuterinunl en dergelijke. De hoog groeiende planlen worden zooveel mogelijk aan eene zijde in eene groep i)ij elkander geplaalst en wel zóó, dal de lijne wortels lamelijk diep in het zand komen. Men moet er echter voor zorgen, dat voor de dieren eene vrije speelplaats over-hlijfl. Zijn er planten aangebracht, dan hestrooit men den bodem met kleine kiezelsteentjes, waardoor het geheel niet alleen een zindelijk aanzien verkrijgt, maar tevens voorkomen wordt, dat de bodem te veel door de waterbewoners wordt omgewoeld.

Is zoo alles aangebracht behalve de dieren, dan late men het water langzaam invloeien. De vulling moet zeer geleidelijk gaan. liet eerste water moet men, nadat het een paar dagen in het aquarium is geweest, weer laten wegvloeien, omdat daarin onwillekeurig stollen worden opgenomen, welke minder goed zijn voor de dieren.

liet is moeilijk aan te geven, welk water in een aquarium \' hruikt moet worden. Zou men oppervlakkig zeggen, dat heek- ol\' ri ierwater het best is, toch is dit niet onvoorwaardelijk aan te bevelen, omdat het dikwijls stollen bevat, welke in een aquarium schadelijk zijn. Welwater is goed, inits hel niet te hard. niet te kalkhoudend is. Hron- ol\' welwater, eenigszins geliltreerd door een zandigen bodem, is goed, maar nog beter is water uit eene drinkwaterleiding, mils hij de iiltratie niet te veel aluin is gebruikt. Het best van alles is regenwater.

Igt;ij het inbrengen van water moet men er op bedacht \'ijn, dat de temperatuur niet te veel verschilt met die, waaraan de dieren gewoon zijn. Ken groot temperatnursver-M\'hil werkt steeds nadeelig. Hiermede dient men ook bij de plaatsing van hel aquarium rekening te honden; vooral tegroote ^■nnile schaadt. Hoewel Incbt en licht hooldvereischten zijn, ln:in het aquarium niet aan de volle middagzon worden bloot-^■steld. Men moei er voor zorgen, dat de temperatuur van

-ocr page 230-

210

het water niet stijgt hoven 16° R. Met het oog hierop is het dienstig het aquarium niet onmiddellijk hij een lichtraam te plaatsen. Ook moet men de zon door middel van een rolgordijn kunnen afschutten. Gelukt het door de/.e voorzorgen niet, de temperatuur voldoende al\' te koelen, dan herstelle men tilt door toevoeging van versch water, dat hij het inhrengen zooveel mogelijk verspreid moet worden. Ook kan men een lageren warmtegraad verkrijgen door hel acpiarinm te omhangen met een wollen doek, die nat wordt gemaald en gehouden door een klein deel er van in het water te laten hangen. Moet zoo \'s zomers voor te groote warmte worden gezorgd, \'s winters dient men bevriezen te voorkomen. Geen ijslaag mag in hel aquarium komen, wijl deze te veel de lucht al-sluiten en alzoo het leven der dieren in gevaar brengen zou

Wanneer hel water door in- en uilloopen voortdurend wordt ververschl, is schoonmaken van het aquarium minder noodig. Is dit niet het geval, dan moet men zoo nu en dan lol schoonmaak overgaan. Dit moet bepaald geschieden, wanneer het waler troebel wordt of een min of meer 011-aangenamen reuk begint te verspreiden. In een gezond aquarium is hel waler helder. Al is nu eene licht geelachtige kleur nog geen bewijs, dal het bedorven en voor de dieren nadeelig is, toch doel men wel, zoo nu en dan het water te vergelijken met dat wal voor de vulling wordt gebruikl

Hlijkl daarbij een belangrijk verschil in kleur, dan is vcr-versehing bepaald aan Ie raden. Vaak schoon maken kan men echter voorkomen door zoo spoedig mogelijk alles \\v;:l dood is uil hel aquarium te verwijderen.

Ook is het goed, zoo nu en dan door middel van een pomp ol kleinen blaasbalg wal lucht in hel waler te brengen.

Hij het schoonen moeien ook vooral de glasplaten goed gereinigd worden, omdat zich daarop allicht een groene aanslag vastzet, welke hel gezicht belemmerl en aanleiding geelt h»! nieuwe vervuiling.

-ocr page 231-

211

h. De dikhkx van hkt Aqi ahum.

\\roor eene goede keuze van dieren werd door mij geraadpleegd „Das Siisswassenujiiariuin van I\'quot;. A. Roszma/ier. lier-zien door A. L. Hrelun. Vojgens dil werk lieel\'l men niel Ie zorgen voor inlïisiedierljes, omdal deze van zeil worden ingebracht, vooral door hel aanbrengen van planten. Wanneer er eenmaal infusiediertjes in hel water aanwezig zijn, vermenigvuldigen zij zich snel, zoodal er in zeer korten tijd milliarden van deze kleine, bijna onzichtbare diertjes liet aquarium bevolken.

leder rottend blaadje en bijna elke bladsteel der levende planten, worden er zoo door bezet, dat zij schijnen over-liukken te zijn met eene teedere vlokkige vacht, welke zich onder liet mikroskoop oplost in werelden van inrusorien.

I il de klasse der Mosdicrljcs neme men de Vcdcrbosch lioli/l» {Pliinuilclld-fïdinjxiiiiildUi) en de zoclwalcrzumm (Iltü-njoiiclld Sl(ujnoniiu). De eerste hecht\' hare vertakte, riet-\\orinige polypen-stokken aan den onderkant van het eende-! roos, terwijl de laatste soms met eene vrij dikke laag, de bladen en wortels der waterplanten overdekt. Van de wormen dient gekozen te worden het iiHiIrrsliuificlji- (Xais), dat door zijne scharlakenroode kleur en zijne lengte in het water mooi uitkomt.

\'iij de keuze van insekten zij men vooral voorzichtig, om-\'lal daaronder eenige zijn, die soms het water verlaten en in \'i\' kamer lastig kunnen worden, en anderen die als ernstige vijanden van de visschen en hun kuit kunnen worden beschouwd, zooals b.v. de zincnikcDcr, de ntf/ziix\'inincr, de uxilcr-Sl liiir/)i(icii t\'D anderen. Men bepale zicli iiooldzaivelijk lot die insekten, waaruit later \\linders komen, dus tot de larven 111 poppen van de Libcllru. \\\'e!e der dieren, welke men in de \'aiiwe zomerlucht met hunne schilterende kleuren en lijn ge-^1 ven vleugels snorrende de lucht ziet en hoort doorklieven, /ijn vroeger alziclilelijke waterdieren geweest. Doch, hoe a\'zii !itelijk zij ook mogen zijn, toch is er eene geldige reden

-ocr page 232-

1

212

om ze in hel aquarium op te nemen. Die reden ligl in een zonderling werkluig dat zij hebben, n.1. het zoogenaamde vang-masker, hetwelk zij aan den onderkant van het gezicht dragen cn waarmede zij hun voedsel vangen, dat uit alleilei dieitjes bestaat. Is het aardig te zien, hoe voorzichtig zij bij (lil vangen te werk gaan, niet minder interessant is het de wijze te bespieden, waarop aan een hoven den waterspiegel nil-stekenden stengel het leelijke waterdier in een mooien vlinder verandert. Men ziet, hoe de nieuw geborene haiv vroegere gestalte ais een ledig foudraal verlaat en men staat lm- over verbaasd, iioe de vier groote vleugels plaats hebben kunnen vinden in de kleine scheeden, welke slechts een gering gedeelte van den platten rug der pop bedekken.

Ofschoon de larven der Kokci jiijftrs (Pliniyctneen) niet zelden er«e verwoestingen onder de planten van het aquarium aanrichten, verdienen ze toch niet geheel buitengesloten te. blijven en wel met het oog op hare werkzaamheid en de grillige keuze van bouwslolVen. I it de meest verschillende zaken vervaardigen zij zich met grooten ijver eeue buisvormige woning, welke zij even getrouw medesleepen als de slakken haar huis. Meestal hebben zij alleen het voorste gedeelte vim bet lichaam met de zes poolen builen hel kokertje, (iat stekelig en van vezels of hout gemaakt is. Dat sommige dezer kokerjuffertjes lastig kunnen zijn, ondervinden dikwMs de fuikvisschers, die in bepaalde lijden des jaars ter de^e moeten oppassen, dal hunne nelten niet geheel door hen vernield worden.

Verder breuge men in hel aquarium eenige krcefldicim (Aipris, Daphnid en (Ajclops, welke laatsten als wille lichaamp \' S zich met rukken in het water voortbewegen, maar zich ook dikwijls aan den binnenkant van hel glas vaslzetleu. Wanneer men ze nauwkeurig met een loupe beschouwt, zal men o ntwaren, dal di\' wijfjes aan het achtereind van haar lichai ni mooie eierzakken medesleepen, waaruil zoo nu en dan le jongen le voorschijn komen.

De klassen der spiimcii cn Lrecfldicrcn bieden voor het

f

}

I

i \'

[If

li

F

m

. -

P ■

!

I.\'\'

|

r quot;

N

■ v :

tl ■

IK; f B-V

p^l f

h

-ocr page 233-

213

aquarium eene ruime keuze aan, zooals de ivatervloo (Gain-nutraiis Pu lex), de waterpissebed (Acellus aquaticus) en vooral de waterspin (Argijroneta aquatica). Deze laatste dient niet te worden vergeten, omdat zij, haar luchtleven getrouw, in het water altijd omgeven is door eene luchthlaas, zoo groot als eene kers, zoodat het dier op een grooten in het water ronddrijvenden zilverkogel gelijkt. Een rivierkreeft (Astdeus flainatilis) i)ehoort ook mee te tellen in de bevolking van het aquarium, doch zoodra hij steiTt, moet men hem onmiddellijk verwijder en, wijl zijn lijlc anders alle overige bewoners het leven kost. Ook zorge men vooral voor goede voeding, waartoe mosselvleesch goed kan dienen.

Van de weekdieren neme men eenige soorten der kleine zoetwatermossels, als Unio batavus, Crassus, Picioram en liunides, welke in i)ijna alle wateren voorkomen, maar door luin stil leven in het aquarium minder in het oog vallen. \\ den achten het onmogelijk, zoetwatermossels lang in het leven Ie houden in glazen, maar er zijn voorbeelden, die deze meening weerspreken.

Van de waterslakken zijn er vele voor het aquarium ge-schikt. De poelen en plassen in ons vaderland bieden ver-srliillende soorten aan \\\'an de modderslakken is de Lim-nucus Stacjnalis de grootste. Hare eigenaardige ontwikkeling is zeer interessant. Hel zaad legt zij meestal aan den onderkant der op het water drijvende bladeren en ook zeer dikwijls aan de hinnenzijde tegen hel glas. In het laatsle ^eval kan men, gewapend met een loupe, den outwikkelings-i^ang gemakkelijk volgen. Men ziet dan. hoe van tijd tot lijd hel dojerkogeltje grooter wordt en onder heslendige •\'iswenteling zich langzamerhand lol een diertje met de he-rt\'nnendc kleine schaal ontwikkelt, dat eindelijk zijn nest verlaat, om zich over de planten beneden den waterspiegel !\' verspreiden. Twee zomers zijn voldoende, om van het diertje, dat eerst zoo groot is als een mosterdzaadje, een volwassen slak met haar huisje van een paar duim lengte \'( doen worden De meeste slakken brengen het echter niet

-ocr page 234-

21 I

zoo ver, omdat zij een zeer gewild voedsel voor de vissehen zijn. Van de Moerussldkken {I\'dluiUiuD, zijnde Viinpani en de lutscidld aan te bevelen, vooral de eerste, omdat deze meest in stilstaand water leelt. De moerasslakken brengen levende jongen ter wereld en zijn voor de planten niet schadelijk, omdat /.ij zieli voeden mei dierlijk voedsel. Zij hebben o.a. deze eigenaardigheid, dat zij. zoodra zij zich in haar buisje hebben teruggetrokken, den ingang afsluiten met eene stevige deur, bestaande uit een hoornachtig deksel, hetwelk boven op het achterste intrekbare gedeelte van hel dier is vastgegroeid en nauwkeurig in den buitensten rand der opening past. Op dezelfde manier handelt de kleinere (leksrlslak (IHHujnid lenld cnldUi). Niet ten onrechte wordlde/.e wel de (IciiriDdclilcr geheelen. Hij de geringste stoornis trekt zij zich snel in haar huisje terug, dat zij sluit met een deksel , niet hoornachtig, maar gevormd uit eene vaste kalkmassa. Ook dienen de nurpcrslakkni {Pldiiorl\'is corncus) niet in het aquarium te worden vergeten, evenmin als de liivicrzii\'cnisldkkrii iXcriliiid Ihmidlilis) en de Kdinslakkrii iVulvdld), waaronder vooral de Vuliutld l\'iscindlis de a;iii-dacbt verdient om haar bijzonder ademhalingsorgaan, daler uitziet als een sierlijk boompje, dat bij de geringe stoornis voorzichtig teruggetrokken wordt.

Tal van andere diertjes, veel in poelen en plassen voorkomende. behooren nog in aanmerking te komen voor plaat-sing in het aquarium. Voor geen van allen beboelt men bevreesd te wezen, omdat zij bijna zonder uitzondering vc-or den mensch onschadelijk zijn. Alleen met de wdlcrwr: \'j-Inis dient men wat omzichtig te werk te gaan, omdat h: :ii steek nog al pijnlijk is. Voor de lUocdi\'fjels beboelt men n iK niet bevreesd te zijn. omdal deze niet dadelijk bijten.

Van de vissehen kunnen al naar gelang van de i»roolU\' van hel aquarium enkele ol meerdere worden opgeun-men. In de allerlaatste plaats komen in aanmerking ronl-visschen . zooals snoek \'? , bddvzcu . siiockbcidrzcu , /gt;quot; dien en dergelijke. De karperachtige vissehen zijn betel

-ocr page 235-

215

schikt, vooral de zeelt, mei hare zwarte eenigszins goudgele huid; verder de steen- ol mcuinharper met zijn hoogen rug, kort lichaam en een weinig hronsachtige kleur, de alom geliefde (joudi\'iscli, de kleine gvoinleliny met zijn vrij dikken voeldraad aan elk der mondhoeken, enz. Ook mogen niet worden vergeten sommige voornsoorten, zooals de rietvoorn met zijn karmijnroode huikvinnen, de serpeliny met zijn spitsen kop, groote oogen en langwerpige gedaante en het atvertje met zijn zilverghmzige sehuhhen. De post, ile modderkruiper en de shikprik zijn eveneens zeer geschikt, maar in de allereerste plaats en voor alle anderen komen in aanmerking het drie- en het acht-ol meerdoornig slekellxKti\'sje. Kenige van deze dappere en vooral \'s voorjaars Iraaie vischjes /ijii in een goed acpiarinm bepaald onmishanr.

Omtrent hare hijzoiulerheden en die van de andere visch-sooiten verwijzen wij naar Aid. 1 van dit werk.

Ofschoon velen afkeerig zijn van lt;le aiuphibiën, hehooren toch van dezen, althans enkelen, in het aqnariinn. Zij verdienen vooral belangstelling, omdat zij in hare gedaanteverwisseling den overgang vormen tnssclien de kruipende dieren en de visschen.

Van dezen komt vooral in aanmerking de Vinirpdd IHom-binator ic/nens), een aardig beestje, met \\\'imrroode of oranje-gi\'le vlekken aan den buik; verdeiquot; de gewone kikvorseh, \\\\aarvan men in hel voorjaar in de slooten zoo gemakkelijk de eieren en larven kan hemachtigen. Deze eitjes enlar\\en ,i;even niet alleen gelegenheid, de wondervolle gedaanteverwisseling dezer dieren gade te slaan, maar zijn levens een nilstekend voedsel voor visschen en salamanders.

Van deze laatsten moet men zoo mogelijk i) soorten in bet lupiarimn brengen, n.1. den l\\lt;iin-Slt;d(tnuiiider /Triton cristci-his), den Vinir-Sditmutncler [Triton iijncus) on den (jestreepte ^idonuinder {Triton laen iet us). N\'oor den gesti\'eeple is rchter noodig, dat in het a(|iiarinm eene kleine rots wordt aan-^(\'hrncht, omdat hij zich in de tweede helft des jaars het helst in vochtige spleten ol holligheden verliergt.

-ocr page 236-

216

Ook heeft men nog den (jci\'lckle SdUuuaiulcr (Salamandra maculalo), iiie gaarne boven op den top van de aquarimn-rots zit en zelden in liet water aldaalt.

Eindelijk is ook nog van de rcpliliën oi kruipende dieren een enkele voor liet aquarium geschikt, n.l, de hagedis en de poelschildpad, welke laatste eveneens gaarne eene plaats op de rots heeft en hel liefst een kleinen regenworm als versnapering ontvangt.

liet ligt voor de hand, dat men nog meer dieren voor plaatsing in het aquarium zou kunnen aanbevelen, doch in de vorengenoemde heeft men zeker reeds goede keuze.

-ocr page 237-

HOOFDSTUK IX.

(t. Wl-NSCIII-U.IKIIKII) VAN MKKH OI\' HI- I KH POM lMi; TOKZICtlT.

Algemeen wordt geklaagd over schrale vischvangst. Hei is mij gebleken, dal sommige liel hebbers zelfs geen akle meoiquot; aanvragen, omdat, zooals zij zeggen, er toch geen \\ isch meer te vangen is. Vanwaar dit treurig verschijnselquot;.\' Vele en velerlei zijn de oorzaken hiervan. Moeien rn bederf van het water door fabrieksafval èn vernieling van kuit door de m den laalsten lijd zoo vermeerderde sloom-aart als lioofdoorzakeii woiden beschouwd, eene niet onheil ngrijke bijoorzaak is liet onvoldoende toezicht, dal op de visscherij wordt uitgeoefend. (ieenszins wil ik beweren, !:il de personen, liians mei dat loezicht belast, hun plicht verzaken, de heoordeeling daarvan is aan anderen, maar naar het mij wil voorkomen, is hel onvoldoende meer gelegen in het aantal der op- of toezieners en de wijze, waarop zij te werk gaan. Hij dit laalste heb ik vooral liet oog op hel veelal surveilleeren in nnifonu. Dat blauwe I akje met die gladde kuoopen is zoo van verre le zien, en niet zóó, dat hel bevorderlijk is aan vlug en bedekt handelen. Xaar mijne meening zou liet surveilleeren in hurger-l lccdiiifj het zoogenaamde ..snorren zeer bevorderen. Ook de personen zelf, met het toezicht belast, dienen zooveel mogelijk voor het publiek onbekend le blijven. De mannen der wel moeten niet van aangezicble bekend zijn. Hij herkenning wacht men allicht mei de legen de wel strijdige liandelingen. Kr moet tol vermeerdering, ja belangrijke vermeerdering van het getal onbezoldigde rijksveldwachters ol speciale jacht-en visscherijopzieners worden besloten. Kn nu moge men meenen, dat onbezoldigde ambtenaren in den \'egel niet veel werk van hun baantje maken, alleen de bekendheid , dal meerdere personen zijn aangesteld , die

-ocr page 238-

218

kunnen procesverbaliseeren, terwijl men niet weet wie dit zijn en waar zij wonen, zal reeds veel strooperij voorkomen

Ik hen zeker, dat, werden wat meer zoogenaamde stille verklikkers aangesteld, men niet zoo dikwijls zon zien, dat verpaelite wateren door anderen dan de daarop reclillieb-benden worden bevischt, of dat geheele stroomen water worden verpest door het inwerpen van vergift 1). Was men wat meer onzeker, of onder de nieuwsgierigen, die meermalen bij het vissehen komen kijken, zich ook mannen der wet bevinden, vele netten zouden haastig van wijdere mazen worden voorzien, terwijl ook het stil inzetten en ophalen van zetlijnen , dobbers en dergelijke niet meer zoo menigvuldig zou voorkomen. Dat een en ander thans werkelijk meermalen gesehiedt. kan ik op grond van eigen ervaring verklaren. Dikwerf heb ik tot mijn leedwezen kunnen eonslateeren, dat in door mij gepaeht water door anderen was geviseht en noj* wel met verboden viseh-tnig n.l. met den slaghainer, getuige het opgehaalde groen en de massa kleine viseh, welke men op den wal had laten liggen. Kn, hoe menigmaal is het gebeurd, dal ik bij hel sehakelvissehen ingezette zetlijnen over den jaagstok kreeg. Doeh genoeg. Zeker is hel, dat vermeerderd en verbeterd toezicht tal van overtredingen aan hel lielit zon brengen en dit toezicht is wellicht te verkrijgen zonder n|-oo|e geldelijke offers. Onbezoldigde rijksveldwachters of speciale jacht- en visseherijop/.ieners zijn m i., zooals ik boven reeds schreef, voldoende, lui al is van dezen niet die ijver te wachten als van bezoldigde ambtenaren, indien men als regel aanneenit, de laatslen steeds uit de eersten kiezen, zal lt;le kans op promotie allicht lot meer gelrouwe plichtsbetrachting leiden. Ook zou men den ijver kunnen

1

Hier in C.ioningcn worden danrloe meestal «cnmlcn koggelhoonen .volkshei l ining) gebruikt.

Ik-tcr koHrlhoonen. lt;U\' zalt;lcn van Mcnispermuni cocculns 1. ( occulus suheros D l ., slingerplanten, welke in Neilerl.- en Britscli Imlië Ie luiis behooren. De kokkel zaden liel)bcii cenc verdoovendc uitwerking.

-ocr page 239-

219

aanmoedigen door het uitloven van premiën. Wat zou er tegen zijn, om h.v. de helft der boeten of\'het geheele bedrag van het verbeurdverklaarde vischtnig aan hem te doen nit-keeren, die de overtreding lieelt geconstateerd. Het verlies daardoor geleden, zon liet rijk rnimseboots worden vergoed door meerdere opbrengst van liet visebrecht, want verbeterd toezicht zal niet alleen de hoeveelheid visch doen toenemen, maar vooral ook den bist tot visschen en dientengevolge ook het getal vischakten.

/\'. Wenschei.i.ikiikio van maat oi\' di: vissciikn.

De heer \\V. F. Dil, visscher en visciilumdelaar te Koog a d Zaan, bepleitte in een ingezonden stuk, opgenomen in de Viaardingsche- of Nederlandscbe Visscheiijconrant van .\'li .lamiari ISOl, de wenschelijkheid van een verbod lot verkoop van ondermaalsche visch. Ook mij kond zoodanig vei\'bod gewensebt voor. \\\\rel heel\'l men Ibans eenige garantie, dal niet al te kleine visch zal worden gevangen, doordal in de provinciale reglcmenlen bepalingen zijn opgenomen om-Irenl de grootte der mazen van de netten, waarmede gevischt wordt, doch deze bepalingen voorkomen niet en knnnen niet voorkomen, dat er veel kleine visch wordt gevangen. Moe gering zijn loch de al\'mctingcn der mazen van aaHniken. kruis- cn hoepnet ten. aalraanmel ten, enz. enz., en toch wordt daarmede niet uitsluitend aal gevangen. Daarenboven , al hadden ook deze netten eene maaswijdte als is voorgeschreven voor zegen, schakels en dergelijke, dan nog zon de vangst van kleine visch niet onmogelijk zijn. Door de netten ruim in te zetten, is liet mij dikweiT gebikt visch te vangen, welke bi j spanning der nel ten steeds ontsnapte. Ook is hel mij \\vigt;| gebeurd, dat ik met wijdmazige netten nog visch ving. welke ik als lierhebber-visscher niel wilde behouden. Men denke hierbij slechts aan den kruis- of maankarper met /ijn hoogen rug, aan den baars, die zoo gemakkelijk aan

-ocr page 240-

kieuwen of stekels bli.jlt haken en aan meer anderen. Daarbij komt,-dal aan de bepalingen omtrent de wijdte der mazen weinig de hand wordt gebonden Hoogst zelden worden dooide daartoe bevoegde beambten de mazen der netten gemeten. De eontróle is trouwens ook nog al moeilijk, want niet alleen moet de meting geschieden als de netten nat zijn, dus onder liet visschen, maar ook past de visseher, die zieli bewust is met kleinmazige netten te visschen, in den regel wel op, dat dil niet wordt ontdekt. Hoe dit echter ook zij, dat er tegenwoordig veel kleine visch wordt gevangen, daarvan leveren dikwijls de vitrines van vischverkoopers de zichtbare bewijzen. Bepalingen tot wering van den verkoop en van het ten verkoop in voorraad hebben van zulke kleine visch zijn daarom bepaald gewenscht, en al is het ook, dat men met het oog op de verschillende soorten van visch misschien op eenige moeilijkheid zal stuiten, deze moeilijkheden zijn wel te overwinnen, terwijl de controle op overtreding veel gemakkelijker zal zijn. In ieder geval komt mij een verbod tot verkoop van ondermaatsche visch voor als in het belang der vis-scherij In Duitschland heeft men dit al sedert jaren ingezien en al is men daar, wat de verschillende Staatjes betreft, nog lang niet tot eenheid gekomen omtrent de maat zelve, het beginsel wordt toch algemeen toegepast. Men meet daar den visch van den kop tot het einde van den staart en zóo gemeten moeten de verschillende vischsoorten de volgende minimum-lengte hebben:

aal van 30 40 cM.

snoek •• 30—35 ,,

baars „ 13 ló .,

karper * 20—30

zeelt „ 20—25

Meun .. 18 2!»

Blank- en rietvoorn 13 15 .,

Blei en Brasem _ 20 30 _

Wat zou er tegen zijn om in Nederland eveneens te handelen.\' Men zou hier gevoeglijk het middencijfer van de daar

-ocr page 241-

221

gekiende minima kunnen nemen. Zoodoende zouden alle bepalingen omlrent de wijdie der mazen kunnen vervallen. Het spreekt voorts van zelf, dat hij invoering van maat op de viscli voor alle visehsoorten een minimum lengte moet worden vastgesteld.

-ocr page 242-

U I rr rr R E K S E L

in dp:

WET tol regeling der JAGT eu VISSCHERIJ,

van i)i:\\

l.\'idcn Juni IS.\')} {SI.hl. no. S7J

Art. 1. Ieder die zijn eigen grond of water, of de gronden of wateren van anderen, waarop hij jagtregt heeft of waarin hij tot visschen quot;eregtigd is, bejaagt of bevischt, moet voorzien zijn van ecne daartoe hetrekkelijke acte, op de eerste vordering te vertoonen aan de met liet toezigt op de jagt en visscherij belaste ambtenaren.

Art. 2. Om eens anders grond of jagt-of vischwater i)ij vergunning, huur of pacht te kunnen bejagen of hevisschen, moet men daarenboven voorzien zijn van een schriftelijk bewijs van den eigenaar of rechthebbende overeenkomstig liet vorig artikel te vertoonen.

Deze bepaling is niet toepasselijk, wanneer het jagen of visschen plaats grijpt in gezelschap van den eigenaar of regthebbende, noch ook op pachters of huurders, ten ware het jagt- of vischregt bij de overeenkomst van pacht of huur zij voorbehouden.

Ten aanzien van de gronden en wateren, vermeld in artt. 577 en 579 van het Hurgerlijk Wetboek, wordt de Staat als regthebbende beschouwd.

Tot het visschen in deze wateren, met den hengel in de hand. wordt noch acte noch vergunning vereischt.

liet schriftelijk bewijs, in het le lid bedoeld, is, even als de verdere in deze wet gevorderde schriftelijke vergunningen van eigenaar of regthebbende, vrij vnn zegel en registratie.

Ail, li. Het j;igi- en vischregt, dat derden op gronden of wateren van anderen hebben, kan door dezen worden afgekocht, al ware hel tegendeel uitdrukkelijk bedongen.

Hel besluur der domeinen is tot dien afkoop bevoegd op de voorwaarden, door Ons vast le stellen.

Hij geschil over den af koopprijs, wordt deze door de regtbank van het arrondissement, waarin de gronden of wateren zijn gelegen, na verhoor van deskundigen, bepaald.

-ocr page 243-

22;\')

Bij vervreemding kan het jugl- of vischregt niet van den grond of het water worden afgescheiden.

Art. 4 enz.

Art. 5. De jagt- en vischaeten worden, hij verzoekschril\'l op ongeregeld papier, aangevraagd aan Onzen Commissaris in de provincie, waarin de verzoeker woonachtig is, en door dien Commissaris, volgens het door Onzen niet de zaken der jagl en visseherij belasten Minister vastgesteld model, uitgegeven.

Voor minderjarigen worden de verzoekschrilten ingediend door luinne ouders of voogden.

De acten gelden van den 1 Julij tot en met den 30 Junij van het daaropvolgend jaar en zijn voor geheel het Rijk van kracht.

Art. (i. Onverminderd het zegelregt volgens de wet. hetwelk, ook hij niet afhaling der eenmaal aangevraagde acte, ten laste des verzoekers hlijft, wordt hetaald: voor enz.

voor eene groote vischacte tol het gebruik van alle geoorloofd visch tuig, vijf gulden;

voor eene kleine vischacte tot het gebruik van één geoorloofd visch-tuig in de acte te vermelden, een gulden en i\'ij/ïuj cenls.

Het blijft aan Onzen Commissaris in de provincie voorbehouden, nnn daglooners of arbeiders voor de uitoefening van het jagtbedrijf, vermeld bij art. 15 lil. lt;/, en aan kennelijk onvermogenden voor de uitoefening der visseherij met één vischtuig, kostelooze vergunning li\' verleenen, mits van het onvermogen voldoende blijke, en iloor l)e-langhebhenden de schriftelijke toestemming der eigenaren worde overgelegd, waarvan in de vergunning melding wordt gemaakt.

De kostelooze vergunning wordt aan de ambtenaren, me! het toe-zigt belast , op de eerste vordering vertoond.

Arl. 7. Kene acte dienl alleen voor hem, op wiens naam zij is afgegeven.

De meester kan echter ook eene acle bekomen ten behoeve van zijn jager of visscher.

Inwonende zonen beneden den ouderdom van achttien jaren, mogen, zonder acte op eigen naam, bunnen vader of diens jager jagende ver gezellen.

Art. lt;S. Kene groote jagl- of groote vischakte geeft de bevoegdheid lol uitoefening van alle jagl of visseherij, niet verboden bij deze wel quot;I bij de verordeningen, bedoeld in de beide volgende artikelen.

1

-ocr page 244-

221

Art. !). Voor zooverre daarin niet reeds voorzien is, wordt voor elke provincie door de Staten, onder Onze goedkeuring, een reglenieiit op de uitoefening der jagt en visscherij vastgesteld tot aanwijzing;

ii. enz.

c. van de soort der vischtuigen en de grootte van de mazen dor vischnctten; en

(/. van de breedte, vereisdit voor de grachten bedoeld bij arlt. 12 en 13.

Art. 11). De wijze van uitoefening der zalm visscherij wordt door Ons, na de Ciedeputeerde Staten géhoord te hebben, geregeld.

Art II. Gedeputeerde Staten bepalen jaarlijks den tijd van opening en sluiting der jagt en visscherij. Onze Commissaris in de provincie doet daarvan aankondiging, ten minste acht dagen vóór de opening en sluiting.

Op gelijke wijze bepalen zij, of eenige visscherij niet geopend dan wel beperkt moet worden, hetzij in de geheele provincie, hetzij in bepaalde plaatsen, alsmede enz.

Art. i:i. Geene vischacte wordt vereischt:

ii. voor hen, die den houder eener vischacte, daarbij zelf tegen woordig, behulpzaam zijn in het handterén van een vischtuig, dn\' door één persoon niet kan worden beheerd, de zalm-en prikvisscherij alsmede hel visschen met schakels of wargarens daaronder begrepen.

/i. voor het hevisschen door den eigenaar of regthebbende van vischwater, dat met geen ander in verbinding staat, of van vischwatei gelegen in buitenplaatsen en lust- of bonwhoven, door muren, schut tingen, rasters of grachten geheel afgesloten; de gracht van afsluiting zelve onder zoodanig vischwater begrepen;

c voor het visschen met den hengel in de hand.

Art. 14 enz.

Art. 19. Met is verboden te jagen of te visschen in gesloten jagl of vischlijd.

In open jagt of vischtijd mag niet anders worden gejaagd en go vischt dim mol inachtneming van hetgeen bij doze wet en bij do regio meuten en verordeningen, in de artl. 9, ID en II bedoeld, is voor geschre ven.

Dit arlikol is niet van toepassing op eigenaren of rogthebbendo! van vischwater, dat met geen ander in verbinding staat.

Art. 21) enz.

-ocr page 245-

Art. 24. Door visschen wordt verstaan liet te water brengen, ligteii ol ophalen van visclinetten, korven of andere visehluigen, alsmede het bezigen van alle andere middelen om visch te vangen ofte dooden.

Art. 2quot;). Behalve in de wateren, bedoeld in art. 1.\'!/), is het verboden: «. kuit van visch op te vangen;

h. met de zegen vissehende, den kuil tiil het water te halen al-vurens dien in het water te hebben omgekeerd;

r. te visschen elders dan in rivieren, stroomen, nieren en plassen, wanneer het water met ijs bedekt is, tenzij met toestemming van Onzen Commissaris in de provincie;

(/. visch te vangen door vergil\' of bedwelmende middelen.

r. door keernetten, of andere daarmede gelijkstaande middelen, din visch den doortogt te beletten, hieronder begrepen het gebruik van visclinetten lot keering van visch. Deze bepaling is niet van toepassing op het gebruik van val- of digtnetten ter verlenging der vleugels van de luiken, gesteld lot het vangen van aal en paling; /\'. te visschen met den harpoen of met strikken.

Art. 2(5 enz.

Art. 27. liet verkoopen, te koop uitstallen, vervoeren van wild of visch in gesloten jagt- of vischtijd is verboden, maar wordt nog gedurende veertien dagen na die sluiting toegelaten.

Ook enz.

Wild ol visch, vervoerd uit eene provincie waar de jagt en vis-sclierij is geopend, naar of door eene provincie waar die is gesloten, wordt gedekt door eene verklaring van oorsprong, ook bij splitsing, af te geven door het hoofd van hel bestuur der gemeente, waar de afzender woonachtig of waar het wild geschoten of de visch gevangen is.

Het vervoer van visch, afkomstig uit vischwater dat met geen ander in verbinding slaat, vermeld in art. lil. /gt;, wordt op dezelfde wijze gedekt.

\\\\ihl of visch van buiten \'s lands in- of het Rijk doorgevoerd, wordt gedekt door een buitenlandsch of transito-paspoort.

De aanvragen Ier bekoming van zoodanige verklaring van oorsprong ^ van het paspoort, amede die stukken zelve, zijn vrij van zegel.

\' ■aalslbedoelde w orden bij de eersle vordering aan de met hel toe-\'-\'gt op de jagt en visscherij belaste beamblen vertoond.

In den gesloten jagl- of vischtijd zijn de beambten, vermeld in art. dezer wel, mits, met uitzondering der maréchaussée, voorzien van \'umiie aden van aanslelling, bevoegd de middelen van vervoer en de

-ocr page 246-

goederen die gedragen worden te onderzoeken, en na te gaan of er wild ol\' visch ot\' eijeren vervoerd of verkocht worden in strijd niet de wet of de verordeningen, in artt. !), II) en 11 bedoeld.

Weigering of verhindering van dit onderzoek wordt gestraft over eenkomstig artikel 10, le lid.

Art. \'ilt;S enz.

Art. 36. De beambten der Rijkspolitie zijn belast met het toezigt op de jagt en visseherij, zoowel in hel algemeen, als diegenen in het bij zonder, welke daartoe door Onzen met de zaken der jagt en visseherij belasten Minister bepaaldelijk zullen worden aangesteld.

Zij waken tegen de overtredingen van deze wet en der in artt. 9, 10 en 11 bedoelde verordeningen.

Tot gelijke waakzaamheid zijn de maréchaussée, de dienaars van justitie en gemeentelijke politie, de beambten der Hijks- en plaatselijke middelen verpligt.

Onze met de zaken der jagt en visseherij belaste Minister stelt, op verzoek der eigenaren van of regt hebbende op gronden en wateren, en in hun belang, ook oiilw/i11 diijlt;1 c hniiiihlcn van Rijkspolitie aan en ontslaat hen des noodig.

Tot het opsporen en staven van overtredingen dezer wet en der in artt. 9, 1(1 en 11 bedoelde verordeningen zijn alle voormelde beambten bevoegd alle gronden, behalven die in art. 12a genoemd, te betreden.

Art. ;!7. De in art. ;gt;() vernielde beambten, met uitzondering der maréchaussée, zijn verpligt bij bekeuringen of andere ambtsverrig-tingen, hunne acle van aanstelling, des gevorderd, te vertoonen.

Art. 38. De beambten, in art. 36 opgenoemd, doen van de overtredingen dezer wet en der iu artt. 9, 10 en 11 bedoelde verordeningen blijken bij schriftelijke relazen of processen-verbaal, die op heeln daad, immers zoo spoedig mogelijk, worden opgemaakt op den eed, bij den aanvang hunner bediening afgelegd, ofwel binnen Iweeni i! vier en twintig uren na de sluiting worden beëedigd voorden kanton-regter of voor hel hoofd van het gemeentebestuur, hetzij ter plaatse waar de daad gepleegd is, hetzij waar de beambten, of één hunner, wonen.

De overtredingen kunnen, ook zonder zoodanig verbaal, door de bewijsmiddelen, in het Wetboek van Strafvordering vermeld, wonie» gestaafd.

Art. 39. De opgemaakte relazen of processen-verbaal worden aan

-ocr page 247-

den officier van Justitie bij de regtbank van het arrondissement, waarin de daad gepleegd is, opgezonden.

Indien de zaak niet in de gevallen en op de wijze, in art. 51 en 52 vernield, wordt afgedaan, zendt de officier het relaas of proces-verbaal aan den ambtenaar van liet Openbaar Ministerie bij het kantongeregt, onder welk regtsgebied het feit gepleegd is, ten einde volgens het Wetboek van Strafvordering te worden behandeld en vervolgd.

Stelt echter de overtreding slechts daar het jagen of visschen op eens anders grond of water, of wel het vangen van lijsters, leeuw-rikken en vinken, het zoeken of rapen van kievits-eijeren, zonder de schriftelijke vergunning van den eigenaar of regthebbende, bedoeld in art. 2, le lid, ar1. 21 e of art. 22, zoo kan de beklaagde de regts-vervolging voorkomen of stuiten door het indienen eener schriftelijke, ongezegelde, verklaring van den eigenaar of regthebbende, dat deze wegens het feit, den beklaagde ten laste gelegd, geene vervolging verlangt.

Deze verklaring moet, met betaling der reeds gemaakte regtskosten, ■ i|) stralle van verval, den officier van justitie worden ingeleverd binnen veertien dagen na de bekeuring.

Art. 10. De overtredingen dezer wet en der verordeningen in artt. 9, 10 en II bedoeld, worden, behoudens het bepaalde in de twee volgende artikelen, gestraft: de jagtovertredingen niet eene boete van tien lot twintig gulden, de visscherijovertredingen met eene boete van drie tot tien gulden.

Indien de overtreding enkel bestaat in het niet op de eerste vordering vertoonen van de reeds verkregen acte, kostelooze vergunning, het consent ot\' de buitengewone magtiging, wordt eene boete opgelegd van drie gulden in zake van jagt, of van een gulden in zake van visscherij.

De verbeurdverklaring van het geoorloofde jagt - of vischtuig en andere voorwerpen, in art. 4öc opgenoemd, wordt in de gevallen van het 2e lid van dit artikel niet toegepast.

Art. II. Het dubbel der bij het vorig artikel bedreigde boelen, met ui\' zonder gevangenisstraf van ten hoogste zeven dagen, wordt opgelegd, wanneer de overtreding is begaan:

n. door een der beambten, in art. \'Ui vermeld;

des nachts, waardoor verslaan wordt meer dan een uur vóór zonsopgang of meer dan een uur na haren ondergang;

lt;\'. bij feitelijken wederstand tegen de bevoegde beambten, onverminderd de ter zake van dien wederstand ingevolge het Wetboek van Strafregt op te leggen straf;

-ocr page 248-

228

d. door personen, die, binnen de laatste twaalf maanden aan de overtreding voorafgegaan, wegens overtreding der verordeningen op de Jagt en visscherij zijn veroordeeld, of door vrijwillige betaling de vervolging hebben voorgekomen; — deze bepaling is niet toepasselijk o]) de gevallen van het 2e lid van art. 10;

e. met behulp van zoogenaamde afdraaijers, stokgeweren, pistolen of andere verborgen wapenen, lange netten, damnetten, wild- of konijnenstrikken, of middelen om den visch door bedwelming te vangen;

f. op de gronden of wateren, omschreven bij art. 12« en art. l\'Sb.

Dezelfde straf wordt opgelegd wanneer de overtreder tijdens de bekeuring bevonden wordt bij zich te hebben een of meer der voorwerpen, bedoeld onder lit. e van dit artikel.

Art. 42 enz.

Art. 13. Bij elke veroordeeling wordt tevens door den regter bepaald, dat, indien de veroordeelde twee maanden na daartoe te zijn aangemaand, in gebreke blijft, de boeten of geregtskosten te voldoen, of de verbeurdverklaarde voorwerpen uit te leveren, of de daarvan bij de schatting of het vonnis, overeenkomstig art. 45 bepaalde geldswaarde te voldoen; de opgelegde straf door gevangenisstraf zal worden vervangen.

De duur dezer gevangenisstraf is, in de gevallen van art. 40 van drie tot zeven dagen, in die van art. 41 van zeven tot veertien dagen, en in die van art. 42 van veertien dagen tot ecne maand.

Deze gevangenisstraf en die krachtens art. 42 op te leggen, mogen te zamen den duur van zes weken niet te boven gaan.

Art. 44 enz.

Art. 51. De bekeurde ter zake eener overtreding, waartegen geld boete zonder gevangenisstraf bedreigd is, kan zich binnen veertien dagen na zijne bekeuring bij den officier van justitie der regtbank van het arrondissement, waarin de overtreding is gepleegd, aamnel den, ten einde door vrijwillige betaling eener te bepalen som, de strafvordering en de verbeuring van het ongeoorloofd jagt- of vischtuij; en der in art. 45c opgenoemde voorwerpen te voorkomen.

De officier van justitie, des noodig na gehouden overleg met Onzen (quot;.ommissaris in de provincie, van oordeel zijnde, dat de ligte aard der overtreding of verzachtende omstandigheden eene schikking tollaten, bepaalt de boete voor jagtovertredingen op niet minder dan drie en niet hooger dan vijftien gulden, voor visscherij-overtredingen op niet minder dan één en niet hooger dan tien gulden, en de waarde

-ocr page 249-

229

van licl jagl- of vischtuig en andere voorwerpen op niet hooger dan vijftien gulden.

Fn hel geval bij de tweede zinsnede van art. 40 omschreven, kan de boete tot op een gulden of, in zake van visscherij, tot op vijflid cents worden verminderd.

Aan den o flic Ier wordt, binnen den door hem Ie bepalen termijn, de quilantie van den bevoegden ontvanger der registratie door of van wege den bekeurde overgebragt.

Bij gebreke hiervan wordt de strafvordering voortgezet.

Art. 52. Onverminderd de bepaling van het voorgaand artikel is, waar het geldt de daar bedoelde overtredingen, art. 254 van het Welhoek van Strafvordering toepasselijk, niet dien verstande, dat de bekeurde de regtsvervolging kan voorkomen door vrijwillig het maximum der geldboete te betalen met de kosten, en de aan de verbeurdverklaring onderworpen voorwerpen af Ie geven of de waarde daarvan Ie voldoen.

Art. 5:5 enz.

-ocr page 250-

PROVINCIALE REGLEMENTEN

OP DE

Uitoefening der Jagt en Visscherij,

nog mui krcichl op I Januari 1800.

-----O \'---

i) K E N T II E.

Art. I. l)c uiloefening van de jagl op waterwild is niet anders toe gelaten dan op en langs het water van nieeren, rivieren, stroomen, diepen en uitgeveende plassen en op drassige en moerassige gronden.

Art. 2. De jagt op grof wild wordt toegelaten gedurende den tijd waarop die op klein wild geopend is.

Art. 3. Tot het visschen zal van geene andere dan de volgendt vischtuigen mogen worden gebruik gemaakt:

Zegen, treknet of sein; wade, wad of schrobnet; schakels, treenikes, warnet of polsnet; hoepnet of fuiken; kubbe of kobbe (klein hoepnet kruisnet of totebel; kreu, steeknet, slagnet of slaghamer; werpnet; vischkorven; aalscharen; dobbers; zetlijnen of zetangels.

Art. 1. De mazen der vischnetten, waardoor verstaan wordt twee maal de lengte van eene der zijden van de vierkante maas, zullen geene kleinere dan do volgende afmetingen in Nederlandsche strepen mogen hebben:

Zegen, treknet of sein; de vleugels 10 strepen, de kuil 2.) strepen.

Al de overige in art. 2 genoemde nelten 2.\') strepen, mei uitzondi\' ring van de kubben van de aalfuiken, die op 20 strepen worden bepaald.

Art. .quot;gt;. De breedte, vereischl voor de grachten, bedoeld in arl. 1-leller a en art. Ki letter /gt; van de wel van l.\'i .lunij 1iS.\')7 (SlaatsbLnl no. 87), lot regeling der .lagt en Visscherij, wordt bepaald op nünsleiis l Nederlandsche ellen.

-ocr page 251-

231

Art. (5. De afstand der palen, vermeld in art. .\'i2 letter h derzelfde wet, mag niet meer zijn dan 1000 Nederlandsche ellen, terwijl rondom elke eendekooi minstens acht dergelijke palen, die 2 ellen boven den grond oi boven het water zullen uitsteken, evenwijdig aan elkander moeten zijn geplaatst.

F R I E S L A N I).

Arl. 1. Behoudens de bepaling van aii. 2 der wet, is de afzonderlijke jacht op waterwild, bedoeld bij art. 15, lett. d. dier wet, geoorloofd op alle wateren en hunne oevers, alsmede langs de kusten, moerassen, petten, plassen, grachten en slooten ; terwijl het jachtbedrijf, sub lett. /\'in hetzelfde artikel genoemd, overal mag worden uitgeoefend.

Art. 2. De afstand der palen, bedoeld bij art. .quot;gt;2, lett. h, der wet, mag niet grooter zijn dan 1200 M., genieten uitliet midden der eendenkooi, zullende rondom elke kooi minstens 13 dergelijke palen, die 2 M. boven den grond of hel water (zomerpeiD uitsteken, op gelijke afstanden van elkander moeten worden geplaatst.

Art. 3. De jacht op grof wild wordt toegelaten gedurende den tijd, waarop die op klein wild geopend is.

Art. 4. De breedte voor de grachten, bedoeld bij arl. 12, lett. n. en art. 13, lett. b, der wet, wordt bepaald op ten minste 5 M., te nieten uit den bovenwal.

\\rt. .quot;). De vischtuigen, waarmede de uitoefening der visscherij geoorloofd is, zijn de volgende:

Zegens (seinen), wijdnetten, baarsnetten, bleinetten, brasenmetten, hotnetten, schakels, vischfuiken, tjoelen, hoepnetten, kruisnetten of totebellen, aalfuiken, aalkorven, dobbers, zetlijnen, en hengels.

Schepnetten mogen alleen gebruikt worden, om gevangen viscb op te scheppen, over te zetten of te vervoeren.

Art. 6. Het is verboden

te visschen met zegens, welke langer dan 1.25 M. zijn;

I\' met zegens te visschen van een halfuur na zonsondergang lot een halfuur vóór zonsopgang;

c. met zegens te visschen in andere wateren of kanalen dan de

-ocr page 252-

f

\' ll

2:52

volgende: liel Tjeukvrmccr, de (iroolc Ilri\'kken in Lemslcrland, hel Sinter meer, de Morm, het Oud Karrc, de Oorden, de Fluessen, het Ileei/er meer. het Groote Gcmstmeer, het Xdiulmeer, de Vlakke llrekken, de Hintjiuiel, de OmJei/d\'sler lirekkcn, de Idscf/d\'.slerpoelen, hel Jenljemeer, het Koevordenneer, de Ijuujioecrdenoieleu henesten de trambaan, de Ztviirli\' en Wille lirekkcn, de Goïittjarijpslerjweleii, het Siieekernieer, (k\' Terktiplrslei/ioelen, de Terhornslerpoelen, het Pikmeer, de Wijde He in Idaarderadeel, de Sjlebiinrsler Ee, de Wijde Ee in Smallinuerhnid, de Oiidena\'slerzdiuliiuj, de Eeslei\'zaudiiuj, de Kruisdobbe, de IW\'.s

ter:lt;iiulinlt;i, het Eerneii\'oiidslerwijd, de Wijde Ee in Tieljerksleradeel. het Xoordenneer, het Simmeerdermecr, de Leijen, het Bcn/iimermeer, de Groote en (ie Kleine wielen, de Sierdswiel, de Zwarte Broek, de lloidii\'ielcn en de Sanjes;

d. niet twee of meer zegens naast ot\' tegen elkander in te vissehen; c. met de zegen te vissehen binnen den afstand van 100 M. van te water staande schakels, wijd- , blei-, brasem-, bot- of baarsnetten;

/\'. met wijd-, baars-, blei-, brasem- en botnetten vissehende, meer dan 1200 M. net te water te hebben;

lt;/. met schakels te vissehen, welke langer dan 12 M. zijn;

h. met schakels vissehende, meer dan drie schakels tegelijk te water te hebben;

de in art, 5 genoemde visclitnigen, met uitzondering van de zegens en de hengels, door het water te trekken, te sleepen of voort te duwen, of die te doen trekken, sleepen of voortduwen.

Art. 7. Do mazen der vischtuigen moeten, terwijl zij nat zijn, kun nen omvatten een cylinder, eene middellijn hebbende:

voor de vleugels en de kuil of zak der zegens van 37 m.M.

wijd-, blei-, brasem- en botnetten van . . . 52

baarsnetten van.............\'Jil

schakels en binnenruiken van......33 „

hoepnetten, kruisnetten of totebellen en

buitenvischfuiken van..........11

de kobben der aalkorven, die voorzien moeten zijn van ten minste 12 openingen van . . 11 de kobben der aalfuiken en tjoelen van . . II ., het lichaam der aalfuiken en tjoelen van . . 13 „ de vleugels der aalfuiken en tjoelen van . . 16 terwijl de mazen der aalfuiken en tjoelen niet grooter mogen zijn dun de omtrek van een cylinder, eene middellijn hebbende:

voor de kobben van.............IS m.M,

het lichaam van............21

de vleugels van............20

ïjr \' ^

l:

-ocr page 253-

Art. H. Dit reglement, zooals het is gewijzigd bij heshiit der Staten van den 16 .luli 1896, treedt in werking niet den aanvang van het visehseizoen van 1897.

E L I» E R L A N I».

Art. 1. De uitoefening der afzonderlijke jachten op waterwild is geoorloofd langs en op de Zuiderzee, de rivieren, beken en weteringen , nieren, plassen, banken, strangen, kolken, moerassen en lage venen.

Art. 2. In de maanden Januari, November en December is het jagen op grof wild toegelaten.

Art. De vischtuigen, waarmede de visscherij mag worden uitgeoefend, zijn: zegens, schakels, werpnetten, fuiken en aalkorven, totebellen, kuilen, of schep- en strijknetten, dobbers, lleuren, hengels, elgers of aalstekers en soortgelijke.

De grootte der mazen wordt bepaald als volgt:

a. voor de zegens, met uitzondering van die tot de spieringvangst gebezigd worden, op minstens II) strepen voor de vleugels en ÜO strepen voor de kuil;

h. van de kuilen of schepnetten, op minstens 60 strepen.

Door de grootte der mazen wordt verstaan de lengte van twee zijden der maas nat te melen.

Art. 4. De breedte der grachten, bedoeld bij artt. 12 en 13 der wet van l\'i Juni 1857, wordt bepaald op I ellen van boord tot boord.

Art. 5. De afstand der palen nil het midden van eendenkooien gemeten, wordt vastgesteld op 753 ellen, niet uitzondering der verkregen rechten van bezitters van bestaande eendenkooien op eenen grooteren «Island, en behoudens de rechten van derden.

GK ON 1 N (i EN.

Art. I. De uiloefening van de jacht op waterwild, door middel van het schietgeweer, is niet anders toegelaten dan op en langs bet water en op drassige en moerassige gronden, voor zooverre die gronden niet als bouwlanden in gebruik zijn, of wel, als bouwland ge-lgt;riiikl zijnde, van de vruchten zijn ontbloot.

-ocr page 254-

234

l)c uitoefening van die jacht niet slagnetten mag overal plaats hebben, waar het geoorloofd is te jagen.

Art. 2. In de binnenwateren der provincie mag niet anders worden gevischt dan met de navolgende vischtuigen:

De schakels of Ireemkes, vischfuiken, aalfuiken en aalkorven, de totebel of het kruisnet, het aalraamnet, het werpnet, het hoepnet, dobbers of (loggers, fleuren, (zetangels, zetlijnen),hengels,aalschaar(tuuk),aaljaagnet.

Met de totebel en liet hoepnet mag slechts worden gevischt, onder voorwaarde, dat ile visch niet anders dan met het schepnet en boven het water er worde afgenomen.

De fuiken mogen niet door het water worden getrokken. Schepnetten mogen alleen gebruikt worden om gevangen visch op te scheppen, over te zetten of te vervoeren.

Het aaljaagnet moet bij het visschen steeds in hel midden van het water worden gehouden en mag niet tegen de wallen ot houtvlotten worden opgetrokken om daar te worden gekeerd. Die keering zal niet anders mogen geschieden dan boven hel water, waarin men vischt. Het net zal niet als treknet mogen worden gebezigd.

Art. De mazen der vischtuigen moeten, terwijl zij nat zijn, kunnen

omvatten een cylinder, een middellijn hebbende:

voor de schakels van................32 m.M.

voor de vischfuiken in de vleugels van.........35 ,,

in den kuil van...................30 ,,

voor de totebel in het hoepnet............10 .,

voor het werpnet van...............gt; 25 ,,

voor het aaljaagnet en het daarbij te bezigen schepnet van 10 ..

terwijl de mazen van hel aalraamnet en de aalfuiken niet grooter mogen zijn dan de omtrek van een cylinder, een middellijn hebbendr van 1.\') m.M., voor hel aaljaagnet en het daarbij te bezigen schepnet niet kleiner dan 10 m.M.

Art. I. De breedte voor grachten bedoeld bij art. 12 en 13 der Wel. wordt bepaald op tenminste vier el, te rekenen van boord tot boord.

LIMBI R O.

Arl 5. De vischtuigen, waarmede de visscherij mag worden uitgeoefend, zijn, behalve de in de artt. 7 en 8 genoemde, de volgende:

De zegen, de geel (cpervier), het kleefgaren, de fuiken of steeknetten, de bos- of oeverhaam, het kruisnet, het werpnet, de grontenzak, de

-ocr page 255-

235

tronmien, de palingkas aan de watermolens, de stulpkorven, de paling-of aalkorven, de kubben (korven zonder vleugels), de reepen, de zet-hengels, de palingschaar, de hengel, de aalfuik, de aalzak

Van laatstgenoemd vischtuig mag echter geen gebruik gemaakt worden bij watermolens tijdens de sluizen getrokken worden.

Art. (i. De mazen der vischnetten in hel vorig artikel bedoeld, mogen niet kleiner zijn dan vijftien millimeter van knoop tol knoop, langs het louw, nat gemeten.

Deze bepaling geldt echter niet voor

a. het kruisnet,

h. de aalfuik en de ntilzak, wanneer zij gebruikt worden aan palen, die in den grond zijn vastgezet;

van welke vischtuigen de mazen kleiner, doch niet kleiner dan tien millimeler mogen wezen, insgelijks van knoop tot knoop, langs het touw, nat gemeten.

Worden de in art. ö genoemde vischnetten, — fuiken en trommen daaronder begrepen, — gebruikt in de Geul of in eene der zich in dat riviertje uitstortende beken, genaamd de (quot;lulp, de Kysbeek, de Selzer-heek, de Mechel en de Landeus, dan mogen ze niet anders dan van garen of touw vervaardigd en de mazen niet kleiner zijn dan dertig millimeter van knoop tot knoop, langs het garen of touw, nat gemeten.

Art. 7. De gewone visscherij op elft, gedurende den tijd van der-/clver doortocht in de Maas, mag alleen plaats hebben met liet groot vischnet, genaamd Sahina, waarvan de mazen eene opening van (i vierkante centimeter moeten hebben. De visschers zijn verplicht, aan den opziener der jacht en visscherij kennis te geven van den dag, waarop zij voornemens zijn, met deze vissciierij een aanvang te maken, is de opziener der jacht en visscherij van oordeel, dat de tijd dier visscherij verstreken is, dan heeft hij de bevoegdheid om die alsdan te doen ophouden.

Art. 8. De eigenaars of pachters der visscherij in de Maas mogen binnen ieder kantonneinent (waterafdeeiing) slechts tweemaal \'s jaars en wel in den loop der maanden Juli, Augustus en September de visscherij uitoefenen met hei net genaamd de Vesaan (Clarieux), waarvan de mazen eene opening van .\'5 centimeter raceten hebben; zij zijn gehouden aan den opziener der jacht en visscherij bij tijds kennis te Meven van den dag, waarop zij voornemens zijn, zich met die visscherij bezig te houden.

Daar, waar de beide oevers der Maas aan Nederland loebehooren, kan in bijzondere omstandigheden door den Inspecteur der jacht en

-ocr page 256-

visscherij of door den Commissaris der Koningin bijzondere vergun-gunning verleend worden om deze visscherij ook nog in de maand October uit te oefenen.

Art. !). In den gesloten vischtijd is liet alleen geoorloofd met korven op paling en met het klein kruisnet en den daartoe gebruikelijken hengel op avelen te visschen.

Het is geoorloofd met de in art. (i vermelde vischtuigen zoowel bij dag als bij nacht te visschen.

De visschers mogen zich ten allen tijde in de uitoefening der vis scherij van ponten of schuiten bedienen.

N 0 0 K l) - K li A B A N T.

Art. I. De uitoefening der afzonderlijke jachten op waterwild is go oorloofd op rivieren, meren en veenplassen, hunne stranden en oevers, in moerassen, op lage en drassige heiden, broek- en poldergrondcn m in de bosschen, die met water bezet zijn.

Art. 2. De jacht op grof wild is, gedurende de maanden November en December geoorloofd, mits alsdan tevens de jacht op klein wil i geopend zij.

Art. 3. Als vischtuigen mogen niet gebruikt worden:

De kuil, de oeverhaam, de sehrobbe, de aalzak of de molenzak bij watermolens, lijdeus de sluizen getrokken worden.

Art. 4. De mazen der vischnetten mogen niet kleiner zijn dan Iquot;gt; millimeter van knoop tot knoop, langs het touw nat gemeten.

Hiervan zijn uitgezonderd:

de aalzak en de aalfuik, wanneer zij gebruikt worden aan palen, die in den grond zijn vastgezet;

het kruisnet of totebel;

de ankerkuilen en slaalboomen;

de spieringzegens, waarvan de mazen echter niet kleiner mogen zijn dan 10 millimeters, van knoop tot knoop, langs hel touw nat gemeten.

Art. 5. De oeverbreedte der grachten, bedoeld bij art. 12 en 13 der der wel van 13 Juni 1857 (Staatsblad No. 87) wordt bepaald op niinstens l meters, gemeten uit den beganen grond.

-ocr page 257-

237

Art. (i. De palen, dienende tot afpaling der eendenkooien, moeten gesteld worden op eenen afstand van hoogstens 7rgt;() meters uit het midden der kooi en mogen niet verder dan 200 nieters van elkander verwijderd staan.

iN 00 R D - H 0 L L A N I).

Art. 1. Behoudens de bepaling van art. 2 der wet van 13 Junij IS.quot;)?, Staatsblad no. 87, is de uitoefening der afzonderlijke jagt op waterwild, bedoeld bij art. 15 lilt. d dier wet, geoorloofd op alle wateren dezer provincie en langs de oevers dier wateren, alsmede langs de zeekusten zoowel buiten als binnen gaats, en der eilanden, op lage en moerassige gronden, rietlanden en nagebleven onverveende strooken vaste grond in voormalige veenderijen, terwijl het jagtbedrijf, onder letter fin hel laatstgenoemde artikel vernield, overal mag worden uitgeoefend.

In de maanden Januarij, November en December is hef jagen op grof wild toegelaten.

\\rt. 2. Het is verboden met andere vischtuigen te visschen dan met: zegen, snoekschakels, baarsschakels, zinkschakels, staande schakels, puiten, baarsnetten, botnetlen, bleinetten, vloeinetten, palingfuik, hen-fuik, sluisfuik, kruisnet of totebel, schepnet of gebbe, werpnet, aal-korven, fleuren, dobbers, hengels, aalreep, staande spierlngnetten.

Art. 3. Het is verboden:

te visschen met zegens, welke langer dan 125 meter zijn en waarvan de kuil meer dan 1 :j van de geheele lengte bedraagt.

Art. 4. De grootte van de mazen der vischnetten, waardoor verstaan wordt de strekkende lengte van 2 zijden der vierkante maas, nat te meten, mag niet minder zijn dan;

de vleugels.................10 millimeters.

de kuil..................20

voor de schakels...............(i5

voor de fuiken; \'i

de vleugels . ...............25

het voorlijf.................20

ti Hij hel besluit der Staten van il Julij ISilT, waarbij ilc iiierboveii vermelde afmetingen voor de mazen der fuiken zijn vastgesteld, is bepanid. dat gedurende .\'ï jaren na \'l^it besluit ook nog mag worden geviseht met fuiken, waarvan de mazen de afmetingen \'lebben die bij de vaststelling van dat besluit van kracht waren, d, i. voor de vleugels hel lijf 2(1 en de kubbe 12 millimeters,

-ocr page 258-

238

het achterlijf................1\' millimeters.

de kubbe .................1\' *

voor het kruisnet ol\' totebel...........\'■i-gt;

ile baarsnetten..............

de botnetten...............90 »

de bleinetten...............\'quot;O

de vloeinetten..............70

„ de puiten................ö0 ,,

liet schepnet of gebbe...........12

het werpnet...............30 ,,

ile staande spierinynetten..........28

De meting der mazen van de in dit artikel genoemde vischnetten moet, op de eerste vordering van de met het opzicht der jagt en vis-scherij belaste beambten, worden toegelaten.

Art. 5. De breedte der grachten, vermeld in arl. 12 en 11! der wet tot regeling der jagt en visscherij, wordt bepaald op drie meter, gemeten uit den beganen grond.

Art. »gt;. liet bepaalde bij de artikelen 2, :i en I zal tot 1 Januarij 1881) niet toepasselijk zijn op de visscherij in het IJ.

Art. 7. Dit reglement treedt in werking met 1 Jannarij 1877.

0 V E K IJ S K L.

Art. t. De afzonderlijke jacht op waterwild mag alleen op hel water, langs de stranden, oevers van meren, veenplassen, rivieren en beken, mitsgaders in lage, waterachtige of moerassige landen en langs slooti n bij lage landen gelegen, worden uitgeoefend.

Art. 2. In de maanden October, November en December is het jagen op grof wild toegelaten.

Art. :i Mei is verboden met andere dan de volgende vischtnigcn te visschen, Ie weten:

Zegen of Ireknet; schakels (war- of klevergaren, bleinel, wal- lt;gt;1 pooknet); fuik, (aalfuik, vischfuik, bong); \'kruisnet of totebel; gebhe islag- of steekliaam, schep- of ruitwade); werpnet; aalkorf (aalkubbn; zetlijn of lleur; werplijn; aalreep; dobber; aalelger iaalschaan; hengi l, stokroede, topgaanle, ipoen; aal- of palingkast; sleeplijn.

-ocr page 259-

239

Art. 4. De grootte der mazen van de vischnetten — waardoor

wordt verstaan de lengte van éêne zijde der vierkante maas, tusschen de twee knoopen nat te meten — mag niet minder zijn dan;

20 mM. voor de vleugels der zegen;

13 „ ilen kuil der zegen;

11 ,, „ de spieringzegen;

20 de schakels;

10 „ „ de voorlichamen en vleugels der aalfuiken

(.) ,, „ de achterlichamen der aalfuiken;

7 „ „ den kuil der aalfuiken;

22 „ de vleugels en voorlichamen der vischfuiken;

20 de achterlichamen en den kuil der vischfuiken;

15 „ „ de bongen;

5 „ „ de kruisnetten,

10 „ „ gehben;

20 de werpnetten.

Art. 5. De grachten, bedoeld in de artt. 12 en 13 der wet van Ki •luni 1857 (Staatsblad nr. 87), moeten eene breedte hebben van ten minste vier meter, gemeten uit den bovenkant der boorden.

Art. (i. De afstand, waarop de eigenaar eener eendenkooi verplicht is haar te doen afpalen om de bescherming der jachtwet te genieten, wordt vastgesteld op 1130 nieter, gerekend uit het midden der kooi; de palen moeten ten minste 2 meter boven den grond of boven het water uitsteken en mogen niet verder dan 200 meter van elkander verwijderd staan.

V T R E C II T.

Art. 1. De uitoefening der afzonderlijke jagten op waterwild is niet geoorloofd dan op het water, alsmede langs de stranden, de oevers van meren, veenplassen, rivieren, weteringen, mitsgaders in waterachtige, moerassige of lage landen.

Het vangen van waterwild met slagnetten mag overal worden uitgeoefend.

Art. 2. In de maanden October, November en December is het jagen op grof wild toegelaten.

Art. 3. De vischtuigen, waarmede de visscherij zal mogen worden uitgeoefend, zijn;

-ocr page 260-

240

zegens, schakels, vlouwen, puiten, trommels of tuimelaars, baarsnetten, bleinetten, vloeinetlen, drijfnetten, palingfuiken, henfuiken, sluisfuiken, snoekfuiken, kruisnetten of totebel, strijkhaam, gebbe, schep- of strijk netten, aalkorven, eigen of aalstekers, fleuren, aalsnoeren, stekken, dobbers, pooijers, hengels.

Art. 4. Het is verboden.

Te visschen met zegens, waarvan «Ie kuil meer dan 1 3 van de gc-heelc lengte bedraagt, of welke langer dan 12.\') M. zijn.

Met twee of meer zegens naast of tegen elkander in te visschen.

Art. ,quot;gt;. Met de strijkhaam, gebbe, liet schep- of strijknet mag alleen gevischt worden door houders van groote vischacten, tot het vangen van kleine visch voor aas aan dobbers en fleuren.

Art. (i. De grootte der mazen van de vischnetten, waardoor wordt verstaan de strekkende lengte van twee zijden der vierkante maas, nai (jcniclcn, mag niet minder zijn dan:

Voor de zegen:

de vleugels iO millimeters.

de kuil ;?()

.. schakels .quot;gt;() ,,

., vlouwen 70 „

„ .. fuiken:

de vleugels M het lijf 20 de kubbe 12

Voor het kruisnet of totebel 20 millimeters.

„ de baarsnetten 60 .,

bleinetten 100 ,,

.. vloeinetten 70 ,,

„ puiten, tuimelaars of trommels 50 ,, „ ., gebbe, strijkhaam, het strijk- of schepnet 20 „

Art. 7. De breedte der grachten, vermeld in de artt. 12 en lli der wet tot regeling der .lagt en Visscherij, wordt bepaald op minslcns Meters, gemeten van boord tot boord uit den bega en grond.

Art. 8. De afstand der palen, bedoeld bij art. 32, litt. /\', der wet tol regeling der .lagt en Visscherij, mag niet grooter zijn dan 800 Meters, gemeten uil bel midden der eendenkooi, zullende rondom elke kooi minstens 8 dergelijke palen, die 2 Meters boven den grond of het water (Zomerpeili uitsteken, op gelijke afstanden moeten worden geplaatsl.

-ocr page 261-

211

De eigenaars van bestaande eendenkooijen worden gehandhaafd in hun regt van afpaling, op den afstand hij de oprigting toegestaan.

Art. 9. Dit reglement treedt in werking op 1 .Mei 1881.

Z E E LAN 1).

Art. 1. Hij liet uitoefenen der afzonderlijke jacht op waterwild zal alleen gejaagd mogen worden op en langs het water en op lage moe-nissige gronden, en zal zulks bepaald verboden zijn op bouw- en hooilanden, lot het gewone jachtveld behoorende, waarvan de oogst nog niet is afgeloopen.

Ook het jagen op rijsbermen en bekleedsels van het buitentalud der dijken is onder de uitsluiting begrepen.

Art. 2. Tot hel vangen of dooden visch in de binnenwateren der i\'rovincie zullen geene andere vischtuigen mogen worden gebezigd dan:

Aalkorven (korven, vischkorven, willigen, weüën); fleuren (zetlijnen); Iquot;u ik en (slehielten); Hengels; Kniisnel (loteheli; Schakels (vloii wen, wargarens; Stolpmand; Trommels (balfuiken); Werpnet; Zegen (sleepnet);

!\'rang-, praam- of schrobnetten, mits alleen in groote waterplassen en kreken, en met uitsluiting alzoo van het gebruik derzelven in slooten, watergangen en vaten;

Beugelnetten, mits de middellijn van den hoepel of beugel niet grooter zij dan 90 Nederlandsche duimen.

Schepnetten mogen alleen gebruikt worden om steurkrahben te vangen en gevangen visch op le scheppen, over te zetten of te vervoeren, mits de middellijn van den hoepel of bengel niet grooter zij dan 50 Nederlandsche duimen.

\\ischluigen onder eetie andere benaming bekend, doch bij een besluit van Gedepuleerde Staten verklaard tol een der hierboven genoemde te behooren, worden gehouden in dit artikel le zijn opgenomen. \')

Art. De grootte der mazen van de vischnetten, lol de vischvangst gebezigd wordende, over derzelver grootste lengte gemeten, zal moeten \'iju ten minste:

voor de zegen (sleepnet): de vleugels 2.\'), de kuil 20 Nederlandsche sli epen;

lieileputeerdc Slalen lu-hhcn itrnchlens dil voorschrift verklanrd . (Int:

visohnel, in sommige gedeelten «Ier l\'rovim-ic onder den nnnm \\:ni lt;iigo hektrnd. \'quot;•l/ij lol de slel-, hel/ij l(»l de prang-, praam- ol\'s( hrol)nellen helutorl:

quot;\'•I visfhtnig, bekend onder den naam van dobbers olquot; doggers, lot de llenren In-hoort.

-ocr page 262-

212

voor de fuiken: de vleugels en het lichaam 2.\'), de kuil en kruik 20 Nederlandsche strepen;

voor de schakels; 50 Nederlandsche strepen;

voor het kruisnet: 18 Nederlandsche strepen:

voor de trommels; 25 Nederlandsche strepen;

voor de werpnctten: l!() Nederlandsche strepen;

voor het prang-, pr.tam- of schrobnet: 25 milimeter;

voor het beugelnet: l!0 Nederlandsche strepen.

Art. 4. De oeverhreedte voor de grachten, die buitenplaatsen, hisi of bouwhoeven omgeven en die bedoeld zijn bij art. 12« en art. Ki/» der wet van lli Juni 1857 (Stbl. no. 87i, wordt bepaald op drie ellen.

Z r T I) - II (► I. L A N D.

Art. 1. De uiloefening der afzonderlijke jagten op waterwild is nit l geoorloofd, dan op het water, langs de stranden, oevers van meerei!. plassen, rivieren, milsgaders op moerassige landen.

Art. 2. Het is verboden met andere dan met de volgende vischluigc i te visschen, als met:

Zegens, schakels, fuiken, trommels, vlouw-, vloei- en vleetnetten, driji-netten, kruisnetten, gebben, steekhamen, werpnetten, zonnetten, schroli netten, stolpnetten, raanmetten, kuilnetten, aalkorven, prikkorven, dol bers, aalsreepen, botlijnen, ileuren, hengels, topgaarden, peuren, a;il scharen, schephaven, schut wand en stekken.

Art. 3. De grootte van de mazen der vischnetten, waardoor verstaan wordt\' de lengte van twee zijden der vierkante maas (te zamen gene mem, na! te melen, mag niet minder zijn dan:

voor de zegens:

de vleugels -ID Ned. strepen,

„ kuil 20 „

„ schakels 65 ., fuiken:

de vleugels 25 hel lijf 20 „

de kubbe 13 „

., trommels 30 „ vlouw-,

vloei- en | nellen 70 Ned. strepen,

vleet- \'

kruisnelleen en gebben 20 Ned. strepen.

-ocr page 263-

213

Do meting der mazen van de in dit artikel genoemde vischnetlen moet, op de eerste vordering van de met liet opzigt op de .lagl en Visscherij belaste beambten, worden toegelaten.

Art. 1. De breedte van de grachten, bedoeld bij de artt. 12 en 13 dei-Wet, wordt bepaald op ten minste ;} ellen, te nieten uit den bezanen grond.

-ocr page 264-

it I

ij

if

OVERZICHT

VAN 1)F:X

Tljil van openimj en sluiting tier vissclierij,

in de verscliilleiide provinciën.

SiV

3 /

li

Datiiiii in ISDS vaslgesleld voor;

NAAM der Provincie.

A A N MT\' K KI NCi 1\'N.

Sluiliii\';.

Opening.

1 Juni. on 1 en 1.\'» Au^. voor ilt\' /o^cii. wat betreft het Leekster en Znidlaarder meer.

1 Juni. en 1 voor de zegen.

2.3 April, doch voor raainpalingfniken en ankerknikn l.\'i Aug.

Ui Mei

!.\'» Juni voor anker-kuilen 1.\'» Aug. voor spiering/«\'gen

I Juni.

1 No\\. voor het staande spieringnel.

Drenthe

1

Sept.

Friesland.

1^ ; • - j • I

gSf?

(ïelderland

I

I

(ironingen 1 Juni.

ilï

rrp-Mi\'

yi\'i

Limhurg.

N -Brabant

N Holland

Ovcrijsel.

1 Juni.

mB ftquot;.\' \\ik.~: I

/•M-innd.

/.-Holland .\'.I Mei.

11 Maart: het vis-si hen met de zegen blijft gesloten in de gemeenten Anloo. liorger. (iasselte. Hoogeveen. Odoorn. Hod en en Sinilde.

1 Januari.

liet vissehen in de rivier de Linde is alleen verboden in Maart, April en Mei.

1 Maart voor raam-palingruikcn en an-kerkuilen. \\\'oor ander visfhtuig.\') Maart.

1 Maart.

1 Novend)er.

1 April voor anker-kuilen en spiering-netten.

1 Maart voor bet staande spieringnet.

1.quot;» Maart overig vischtuig.

1 Ajnil.

I Maart \\oor de rivier de Linde.

1 Maart

1\'. Maart

liet vis.seben met het schrobnet is evenals alsdal met de zegen geoorloulii n, 1 «\'ii i:gt; Aug. Palingvangst door middel \\an fuiken en aalkorven is altijd toegelaten.

De j)alingvisscherij door midc aalfuiken is steeds geoorloofd.

De visscherij met spieringiu ttcn :ill •. geoorloolVI in l\'ebr.. Maart en April. Hei vangen van paling door middel v ui a:i!-fuiken en aalkorven is ten allen lijh geoorloofd. !)«• sluiting strekt /: li ni\'l uit tot de rivieren de ISiJn. Lek. Maas. Waal en I.lsel. noch tot de takkfii strau-gen en kolken, niet door dammen sluizen afgesloten.

Het vissehen met aalfuiken i^ -di\'i\'ii-geoorloofd.

In IS1K) wenl het tijdstip van iuitiiiw bepaald op IS Maart in verband u 1« aanhangig onderzoek o]gt; verseli il.-n : adressen.

De gesloten vischtijd betreft nli- n rivieren de (ieul en «Ie zich daMiui nii-stortende beken de (ïulp, «te l\'.ijsl ■ k i Selzenbeck. de Mecbel en de Lom ^ («een sluiting \\oor overig viseh -

De visscherij met aalkorven. : iM ; bers. p:dingfuiken en met de (iel.i \' het \\angen van aas is altijd gen. 1 • :

Het vissehen met den spiering/

alleen geoorloofd in februari, M «H \' April en gedurende de eerste quot; i\'-\\an Mei.

Het vissehen met palingfuiken ei net en dat naar spiering is van lt;iquot; -i . ting uilgesloten.

Hel v issehen naar aal of jjalinu \' 1 | toegestaan, doch alleen door mid i- l\' p

aalkorven.

\\\'an de sluiting /ijn uitgezoii\'i\'quot;\' de v isseherij naar paling door n \' van fuiken, aalscbaren, aalkorvr i i! bers en poeren en/», de visschei :j aas door middel van de (iebbe.


•II

1

I April \\oor het krnisnet I 1 Mei voor ander vischtuig.

-ocr page 265-

I N H O V I).

I loOI-DSTUK i.

If. ill.

AFDEELIXG I Dc Visscheii.

Algcnieone hesclirijving .... Verdeeiing ol\' rangschikking der

N\'isst-heii.........

IJijzoiulL\'iiiodoii dcr in Xt\'dt\'ihnul voorkomeiule Zoelwatci x issiiien

üiulz,

!

lt;)

11


Ai-i)i:i;i.ix(i ii.

IIrt vissciicn en do viscliluincii.

VOOHWOOIUJ.........

1. llel visschen met soluikels of Ireein-kes, ook wel war- olquot; polsnellen vloeinellen ol\'vlouwen geiuunnd

II. Mel \\ issehen met luiken ot\'lonken

III. I let visschen met den zegen (de

(ironleiizak liieronder begrepen) i\\. liet \\isstlien mei hel aalraamnct hel warnet, het aaljaagnel en

hoepnet .........

V. llel \\ issehen met den lolchcl. ol hcl krnisnet (hierbij levens helsehep-ol\' slrijknet genoemd) .... \\\'I llel visschen mei den slayhamer ol kien- ol sleeknet en mei hel

werpnel.........

\\ II llel \\ isschen met «Ie aalschaar ol\' en den elaer.....

f

()7 TC)

lt;S8

i) I

1)7 lt;)lt;)

-ocr page 266-

li u ■■

®!ul

24(5

\'5:

i:

blad/..

Het visschen met den ankerkuil, het ^igonet, de gebbe, de bos-ol oeverhaam, hel schrobnet of loopbaan, de wade of wad en de

Vesaad of Cloireux..........101

Het visschen naar zalm en elft . . 104 Het poeren of bodden (hel visschen met pooiers).....107

Hel hengelen.........109

Ongeoord visschen......112

Eenige in hel bnilenland toegepaste

visch wijzen................1 1,1

AFDEEL1NG III.

Bcnoodigdheden bij bet visschen 1 N\'ischaas en de middelen lol verkrijging en bewaring daarvan 101 Over gesloten vischlijd en visschen

met een Hlinkerl............1(17

Over vischvijvers..............171

Kunslmatige vischteelt..........181

Vijanden van de zoelwatervisch 1lt;S7 Allerlei voor hengelen, Aas, bewaren van visch enz............l!).quot;\')

Inrichling van Atpiaria .... 2(10

Polilieloezichl........217

Wettelijke regeling der visscherij in

Nederland........222

Alphabetische Klapper.....21.1

Hoofdstuk VIII.

Wij ÜJ

[H |h tl

IX.

X.

Xi, XII. XIII.

1

lli\' |te£ \'.-t :;

•li i|; U : r

iPi ,;f ;i ■■

m sl^l ;\'s

I.

II.

III.

IV.

V.

VI.

VII.

VIII.

IX.

X.

li

i

||(

ERRATUM.

j;ag. ;5() afbeelding beekforel moet zijn (afb. 00)

regenboogforel „ „ (afb. 66)

f iï

-ocr page 267-

ALPH ABETISCHE KLAPPER.

bladz.

Aal...........53

Aaljaagnet ........ !)2

Aalraamnel........!)1

Aalrepen.........lli)

Aalschaar.........(J(J

Aalluik..........99

Aas...........161

Acerina cerna..............14

Ademhaling................4

Anguilla vulgaris......53

Ankerkuil.........101

Aquaria.......20(5—21()

Baars....................11

(hengelen naar) .... 132

Barbeel.........37

Horlms lluvialilis......37

Heekforel.........30

Hcenige visschen............9

Bewaren van visch.....195

Bitlervoorn........31

Hianke of gewone voorn. . . 43

Klauw karper.......31

Blei...........45

(hengelen naar).....lil

Hlinkerl (hengelen met dei . . 107

liodden..........107

Hoerenbed rij l\' (visschen alsi . 201)

Hooi...........155

lgt;os- of oeverhaain.....102

brasem . . ,.......45

(hengelen naar) . . . 139

lïijl bakken........143

bijzondere vangsten .... 203

Giaireux.........103

blad/..

Clupeo Alosa.......51

Cobitis fossilis.......47

„ lalnia.......47

Coregonus oxyrbynchus ... 2S

Coltis-gobio................1(5

Cyprinus Abarnus.....41

,, amarus......31

,, anratius.....35

„ barbus......37

Bliecca......45

,, Hrama......45

carassius.....31

carpio......31

dobula......41

erytrophthalmus . 41

Jcses............41

Leuciscus .... 11

nasus......41

ritnlus......41

Dieplood.........157

Drenthe.........23(1

Drogen der netten .... 75

Drijfnet.........Oil

Eieren iknili ............fi

Kin..................51

KI ger..........100

Kpervier.........0!)

Esox hifi us................Ifl

Forel..........29

(bengelen Tiaar) .... 13fi

Kop- of spotaas......164

Kriesland.........231


-ocr page 268-

bhui/.

Iquot;1 ui ken.........76

Ciadus Lola........52

fiaslerosleus aculealus ... 17

pungitius ... 17

Gebbe..........102

Geel...........69

Gehoor....................1

Gelderland........23Ii

Gemengd aas.......163

Geraamte v. d. visch .... 3

Gesloten vischlijd.....166

Gezicht v. d. visch..........3

Gigonet.........101

Gobio tlnviatilis......31)

Grondeling........30

„ (hengelen naar) . . 111

Groningen........233

Grontenzak........Slt;S

Goudvisch.........35

Haak of haler.......157

Haft..........12!)

Haken.....65, 112, 116, 107

Hengelen.......100, 103

Hengelsnoeren zelf te maken . 158

Hesseling..................13

Honden (visschen met) . . . 150

Honting.........28

.laagstok.........71

Kalabas (vissclu\'ii met) . . . 145

Kaïper..........31

„ (hengelen naar) . . . 131

Kikvorsch ■ . ,.....101

Kieeding v. d. visscher . . . 101

Kleefgaren........60

Kolblei....................16

Korven ol zakken i\\ isschen met) I IS

Kraakbeenige visschen ... 0

Kreu...........07

Kruisnet.........01

blad/,

Kubben..........77

Kunstaas.........128

Kunstmatige vischteelt . . . 181

Kunstvliegen.......Kil)

Kwabaal.........52

Kweekvijvers.......17.\')

Ijange blei........-lli

Lamprei.........lill

Levend houden van visschen . Illö

Limburg.........234

Lokaas........164, 198

Lokvischbewaarder.....156

Loopbaan.........1112

Loophengel........!1S

Lucioperca Sandra.....2!

Maat op de visschen ... 21!)

Modderen.........112

Modderkruiper.......17

Muziek (visschen met). . . . 151

Nachthengels.......11!)

Nestbouw.........10

Nettenbijters.......M

Noord-Brabant.......236

Noord-Holland.......

üeverhaam........i\'1-

Ongeooidooldc wijze v. visschen 112

Ontploffing........112

Overtrekken der netten ... \'l\'

Overijsel.........2I1S

Overzicht v. d. tijd van opening

en shilling der visscherij . . 211

Padden.........i!»2

Perca acerina.......H

Ihiviatilis......H

l\'etroniyson lluvialilis .... 611

Plantaardig aas......Iii:gt;

Poeren, puieren......lquot;\'

Politietoezicht.......21.


-ocr page 269-

b ladz

Pompoen (visschen met een). 14.\'

Postje.......... 14

l\'rlk...........(il

Proviiu-iale Reglementen. . . 2.\'i(

liangscliikklng Regenboogforel Heigerolie. . ,

Reukorgaan . .

Rivierdónderpad............Ki

Rolsnoeren........119

Ruis- of Rietvoorn.....42

Salmo Eperlanus.....2(i

Iridea.......29

Salar........23

Schakels.........07

Schapenblazen (visschen met . 150

Schepnet.........157

Schieten.........146

Schrobnet.........102

Scrpeling.........44

Sim (boven en onder) .... 69

Slaghamer........97

Snaphengel........117

Sneep..........42

Snoek.........49. 198

Snoekbaars........21

Snoeren.........110

Spiering....., . . . 26

Spothengel........126

Staannetten........75

Steeknet.........lt;,)7

Steenkarper........31

Stekelbaars................17

Stekelvinnigen..............9

Steken..........147

Strikken.........t-Ki

I al)cl (Rangschikking der vis M\'hcn i Insscben . . . 10 en 11

Ihymalhis vulgaris.....27

Tinea vulgaris ....... 38

Vinnen....................2

Vischdammen.......65

Vischteelt........,181

Vischvijvers........171

,, luitvisschen van) 178

., (onderhouden van) 173

Vlagzalm.........27

Voorn..........II

„ (hengelen naar). . . . 141

Vijanden v. d. Zoetwatervisch 187

\\\\ aai net.........91

Wade..........102

Weekvinnigen . . .... 9

Weerprofelen (visschen alsi . 195

Werphengel........121

Werp ii cl..........98

Wettelijke regeling.....222

Winde of windvoorn .... II

Witvisch..................II

Wormen.........161

Ijs (visscherij onder het) . . 153

IJzeren fuiken.......85

IJzeren hoepels ... . 78

Xalm..................23

Zalm visscherij.......104

Zeelt...........38

(hengelen naar) .... 139

Zegen..........88

Zethcngel.........120

Zeeland.........211

Zuid-Holland ......212

2U)

bladz.

i \'J\'joelen..........77

Totebel.........94

I Treem kes.........67

i Trutta fario........2!)

1 Utrecht.........239

I

1 V ergiftiging. . . .... 143 Vesaan..........1(13


-ocr page 270-

Hit!

It li

Handelaren in Yisscherijartikelen.

C. (i. Sluijter, Gravenstraat 26, Anisterdam. Hcngel-Sport-Artikclen.

i I

J ]

V

m

.). 15. W ijs ^ Zoon, Singel b/h- Koningsplein. Anislcrdam.

Znden en Voederarlikelen.

r:? -

r

(1. Prince óc Zonen, Gouda.

FuhriUanlen van Visschersiiaren en aanverwanle

O

a r I i k e 1 e n.

Firma .1. Josephns, \'.s Gravenhafjc. l\'nhrikanl van X isehlikenr.

(Zie de annonce op pag. 255.)

S. Eisveld Bosch, Viseinnarkl K \'22\'A. (rroninyen. Hamboeshengelslokken in verschillende lengten.

G. H. Bodewes Wz., Marlcnshock.

Touwslaüerii. \\\'isschersi;aren (lohan.

fSi

I

i!, {

lit

V. \\\\r. Landstra. Sneck.

Hennep- en Katoen \\\'ischgarens. Simmen en

inen.

I Ie

I

1

i

-ocr page 271-

251

Zwakman amp; Co., Winkel.

Xeeml een proef met gezuurd (geen zuur) hoeder brood van Zwakninn amp; Co.. en nieu blijl\'l hel voeren \\rraag prospeet us.

A. C. van Beek, Woerden.

Fabrikant van oebtendvoeder voor lioenders \\\'raag gratis cireulaire en prijscourant.

(i. G. Posthumus, Dwarsnoord, Workinn.

(Friesland.)

Zeilmakerij en Taandcrij,

\\lle soorten Touwwerk en aanverwante artikelen

-ocr page 272-

K-K- Kenqelaarsl

Wij ver/cndcn \\oor den spotprijs van f 5 IVanco onder remhours een Pakket, inhoudende onderstaande artikelen, waarvan de qnalileit gegarandeerd wordt.

1 groote vSnoekiepel, 1 kleine dito. 1 niekel Kunstviseh mei 2 haken. 10 yard sterk paardehaar Snoer, lö yard ijzersterk Lepelsnoer, 15 yard prima Zijdensnoer, 1 eompleel zijden N\'isehtuig met lijnen dobber. 2 haken enz.. 1 eompleet paardehaar N\'iseli-tuig met dobber. 2 haken enz.. 1 Kunstvliegen. 1 Couvert met 4 dozijn gesorteerde Kngelsrhe Maken. 2 dozijn gesorteerde Maken aan Italiaansehe darmen. Busje voor haken te bewaren. (gt; Visehpennen in 2 grootlen. .\'J Stekelvarkeii[)ennen. 1 Worm-doos. Alles le (|ualiteil.

S. WEINBERG,

(;i!()XiN(ii:\\.

Importeur van luigelseh. I\'ransch en Duitseh \\\'isehluiii.

Jr quot; \' \'

a

3

a

(3 a

a

a

a §

a

I

-ocr page 273-

25:?

Touwslagen] en Zeilmakerij.

Opgericlit 1S*25.

G. PEIHCE amp; ZOÏTEN,

«« GOUDA. em.

Fahrikanlcn van tillc soorlcn Msschcrsydirns, ZeiUjaren, BimUjaren, Paklomv,

ji Hddiu-, (rordijn- cn .laloiisickoord. K Meubel-. Schilderij- en Spief/elkoord,

rlj^^deDloehleii- S: (jeshKjen l^iardeideidsels.

____.0

/Ule ^oorfeyi

ZOOWKL VOOM

.^■5lt; vfer

Binnen ei Is de Zee,

\' •»« »ii-» lt;ƒ,,•» «i* «;,» i4v «;»■» lt;ü» «jt» ♦;,» »lt;gt; wi» wi» •»«*\'\'\'

met alle aanverwante artikelen,

1 erlelt;jeiuvo()i(li(fer van \\el- en Zijde/ahrieken

J-riï^J PSj^f IS ..L BXOiXiÖl\'.

^ê)c?

f

gt;1

-ocr page 274-

2.\') I

^;|A.tAt.A.t.A.t.A.t.AAAAAAAAAA.t..tiAAA. ..AA*.—

I

I G0R1NCHEM. ^ lÉif

^ gt;10/ ill

Mi\' ei • ?!i\' lr

en touwwerk. :\'it *•

- :;:|| o|

KATOEN VISCHGAREN. gt;| x/ ^

Specialiteit in Drummentouw. :|^ (i

■ - :\'i vt;

)-QQlt;^£lt;^--^^PGQ(^^^QQQQQiQ)QQQQlt;SQ^^\'^J;^i^--^i(^Qf^-É\\ I S? si 11 t t t t t t t t t t t t t t t t t M t t t M t ♦ t ♦ t t • ♦ ♦ t • t ♦ t ♦ t f . ? ■ v ,

i * I;

1 vl/

1 vi/ e

J VI/ I.

4 vi/ h

1 vl\'

1 VI/ 1 VI/

1 i

Soedkoopst en best adres voor; ... Alle soorten Vischnetten, ^

2ege«5, Fuiften,

Baarsnetten,

Bleinetten, Lood SIM, KATOEN,

Brancloetelgfaren enx- |

Vischhoeken p. 1000 stuks f 1.00, c.

Fabriek van alie soorten van visscliersgaren

-ocr page 275-

I VISCHLIKEUR. %

\\i/ __-J-

| Ilet is van algemeene bekendheid, dal «Ie visschon \\j/ •jj meer op den reuk dan op hel gezicht hun voedsel vin- $|gt; )( den; ook is \'l een feil, dal zekere reuken de eigenschap jjj | iiezillen lien van verre alslandcn cn dicj)lcn le lokken. \\i/ % Nu zijn wij erin geslaagd een preparaal le i)ereiden, f\'. genaamd Visclilikeur, welks geur zich aan hel aas mede- ^ « deell zonder in hel wider op le lossen en waarop de \\i/ fj. visch hijzonder geslekl is. Onze Visclilikcnr (uil gezonde ^

* en welriekende planlen bereid) is dan ook een onover- Sjj t Iroffen lokmiddel en wordl door vele visschers mei gun- lt;jgt; Jl\' slig gevolg aangewend. Men gebniikl onze Visclilikeur ^

op wormen, miereneicren, geronnen bloed, kaas,gekooide $\'! graankorrels, deeg, korlom op alle a;is. Indien men vj/ j|j a I droppels bij hel aas voegl, verspreidl dil vol- ly, jjj doenden geur om (ie visschen le lokken. ^

li;- Onze Visclilikeur is ook le gebruiken hij de NH-Vis- \\i/ J\'j sclicrij. In dal geval neeml men een circa 10 cM. grool

* lapje, beslrijkl hel mei de likeur, roll hel vasl in elkaar ^ 1\', en bevesligl hel in het midden van fuik ot\' net. Ver- vi/

krijgb^r in flacons van 20 en 00 cents bij de

Firma J. JOSEPHUS, Den Haag. ^

* Wedcrvcrkooprrs (/cnnKK/d.

%* Bij de Uilgevers dezes is mede verschenen

I I. AAI.I mWIXK.

ONZE DEFENSIE.

Prijs f 1.90

M. BOKMA 1)1-: HOEH,

„Landbouwkundige SLudle.quot;

Prijs 40 cent.

m. bokma ni-: boi-:b ,

Samenwerking op het gebied der Zuivelbereiding.

Prijs 15 cent.

-ocr page 276-

quot; 1 - . . I ■

, — ---------------—

IS i i rèil

-ocr page 277-
-ocr page 278-
-ocr page 279-