-ocr page 1-
-ocr page 2-

Stoomdrukkerij van J. B. Woltere.

-ocr page 3-

EEN ONGELUKKIGE OUDEJAARSAVOND VOOR Nquot;, 347.

X0. 347 stoDd in eene achterbuurt van Amsterdam, \'t Had vroeger voor fabriek of weeshuis gediend, \'t Was gaandeweg eene ark geworden, waarin allo menschelijke dieren des velds, die tevreden moesten zijn met een dak tegen den regen en vier muren tegen den wind, eene toevlucht konden vindon, zoolang zij hunne kamerhuur betaalden. Was^het geld op , dan werden zij op gezag van den steeds onzichtbaren eigenaar, zonder vorm van proces, op straat gezet, en namen andere even schamel gekleede bewoners de open ruimte in. Er waren altijd kreupele \' .tafels of stoelen zonder zitting, die werden in-en uitgedragen. Soms bleven de meubels ook wel achter als vergoeding voor de achterstallige week.

Den 31en December van het jaar 1800 en zooveel onzer christelijke tijdrekening merkten eenige jongelieden uit de buurt tegen 111 /2 uur des avonds eene zware kolom rook op, die uit n0. 347 omhoogsteeg. Bedoelde jongelieden meenden hot oudejaarsfeest met geweervuur en voetzoekers te vieren. Om niet te laat te komen, waren zij al vroeg naar buiten geslopen. Zij maakten ■umstonds alarm, toen zij den brand bemerkten. Een kwartier later stond de straat vol nieuwsgierigen en kwamen twee brandspuiten tegelijk opzetten, \'t quot;Waren din van sectio 6 en 7. Doch spuit n0. 6 reed al dadelijk de slang van spuit n0. 7 kapot, ten einde de premie te verdienen. Do bemanning van laatstgenoemde spuit nam daaruit aanleiding om in de naastbij gelegen ^roeg wat moed te verzamelen en daarna do collega\'s van spuit \'j op het lijf te vallen, zoodat de politie weldra de handen vol had met de blusschers, en het brandende perceel de dupe werd. -V0. 347 behoefde slechts aan zichzelf overgelaten te worden om den vuurgod rijke voldoening te tchenken. Is0. 347 was oud on vermolmd. De balken en binten waren onder het vereenigdo

-ocr page 4-

4

knagen van den tijd en de houtwormen reeds lang half verpulverd.

Daar kwam de vlam en lekte zich tot verzadiging toe vol en sloeg hare armen al breeder en breeder uit, cot ze eene vuurzee was, die al wat erin neerviel, verzwelgde, die niets ontzag, geene aanblazing van de buitenlucht noodig had om razend te worden. N0. 347 trapte zelf den geheimzinnigen blaasbalg, \'t Vuur loeide als een dolle stier, die den rook in zware wolken uit zijne neusgaten blies. Alles kraakte en knetterde, zoodat do menigte, ondanks het gevaar, door het schitterend schouwspel vergat, hoe de klok zoo, zoo twaalf uur zou slaan, en het oude mot het nieuwe verwisseld zou worden. »Wator!quot; gilden de brandmeesters en sloegen mot het stadswapen op de nog altijd vechtende spuitgasten. »Water!quot; gilde de menigte, en liet, in haar angst vertrapt of doodgedrukt te worden, geene enkele spuit meer door. gt;Water!quot; gilden de straatjongens, tot ze niet meer konden en ze wonden onderwijl in de gauwigheid de slangen om een paal ot\' staken er met een mes gaatjes in, om \'t uit te schreeuwen van pret, als de fontein hoog opspoot on al de omstanders kletsnat werden. En intusschen brandde n0. 347 rustig door....

Daar drong een reusachtige kerel, met eene ruige muts, door do menigte, ilot zijne breede schouders brak hij zich eeii\' baan. Met zijne zware knuisten, die als een moker neerkwamen, smeet hij do belhamels van spuit 6 en 7 uit elkaar. «Beesten-goed!quot; brulde hij. »Doe je plicht, of ik breek jelui allemaal den nek. Zijn er nog menschen in huis?quot;

Die eenvoudige vraag, met de stem van een stentor uitgesproken , klonk over do hoofden heen en bracht do opeengepakte massa tot bezinning. Men wist niet, of er nog menschen in het huis waren. Men had, in de pret over liet schouwspel en den edelen naijver om de premie te verdienen, aan de mogelijkheid, dat daarbinnen natuurgenooten verbrandden, niet gedacht! Groote God! als die vraag eens een feit betrof! Als die rook eens een of meer menschenlevens verstikt had, voordat hij majestueus in de lucht opsteeg! Ais die vlam eens een moordenaar was in stede van het product van vuurwerkkunst! «Pompen!quot; riepen

-ocr page 5-

5

de spuitgasten. »Iii Gods naam, water!quot; gilde de menigte, alsof\' \'t niet te laat ware....

De man met de ruige muts drong intusschen door, tot hij vlak voor liet brandende huis stond. Hij stoorde er zich niet aan, dat een regen van vuur op hem neerviel. Met één sprong was hij in de vensterbank van een der benedenramen, waarbij hij zich aan de spijlen der ruiten vasthield.

Wat bewoog dien man zich zoo roekeloos in hot gevaar te begeven? Doch hoor, daar klinkt weer zijne forsche stem.

Hondengoed!quot; roept hij. »Jelui laat de menschen verbranden voor een gulden of wat. Waar zijn ze? Zijn allen gered?quot;

Hij wachtte. Een rauwe gil, zooals een mensch in wanhoop dien slaken kan, gaf\' antwoord. Die gil kwam niet uit de menigte, niet van de straat, maar van boven uit het huis. \'tWas de gil van eene vrouw. Had zij de vraag gehoord? Gaf zij antwoord? Wie zal \'t zeggen?.... »Ik kom,quot; antwoordde de ruigmuts, terwijl zijne stem ondanks zijn zelfbedwang trilde. »Je hoort het, ellendelingen! \'t Is hier om een menschenleven te doen.quot;

Met een sprong was hij weer beneden op de stoep, en eer iemand hot beletten kon, of ook maar begreep, wat er gebeurde, verdween hij in het brandende huis. \'t Doet er niet toe, hoe hij daarbinnen de trap vond, hoe hij zich door rook en smook oen pad wist te banen, maar geen vijf minuten nadat hij in den gang van het huis verdween, werd hij op de bovenste verdieping voor het raam gezien. Do menigte, die op eenmaal tot bezinning gekomen was en in adenilooze stilte had verbeid, wat er geschieden zou, begroette zijne moedige daad met gejuich, ja, de spuitgasten van G en 7 hadden in een ommezien begrepen, wat hun te doen stond. Met eene snelheid, die bij de toenmalige inrichting van de brandweer een wonder mocht nee ten, werden de slangen in \'t gereede gebracht en onverdroten kon nu de slangvoerder zijn machtigen straal op het gevaarlijke punt laten spelen. Docli \'t was alweer te laat. De man met de ruige muts werd slechts eenmaal gezien en daarna met meer. Doch die eene keer bleef voor eeuwig gegrift in do herinnering van allen, die \'t geval aanschouwden. Daar stond

-ocr page 6-

hij zwart geblakerd, te midden van eene zee van vuur. De haren hingen hein over het gezicht, maar zijne oogen schitterden en rauw klonk zijne stem van boven: gt;Gij hebt ze laten verbranden. Er is niets meer te redden dan dit kind. Pakt aan en zorgt er voor, ellendelingen.quot;

Men zag nu pas, wat hij in de armen torste. Honderd armen werden uitgestoken om het kind op te vangen. Groote God, \'t was, of men eene bloedschuld zou inlossen, indien \'t ongedeerd beneden kwam.

De man met de ruige muts deed verder zwijgend, wat hem te doen stond, quot;Waarschijnlijk beletten de rook en de hitte hem het spreken. Toch openbaarde zich in deze uiterste ure al de teerheid, laat mij mogen zegden: al de edelmoedigheid van zijn hart. Geene moeder kon zich dieper neerbuigen om naar kind zoo mogelijk te behoeden voor de scherpe keien daar beneden. Zelfs meenen sommigen gezien te hebben. dat hij, alvorens het los te laten, een kus drukte op het kleine gezichtje van het wicht, \'t welk zijn eicend\'.m, zijne erflating aan de wereld, zijn zoenoffer voor God, zijn alles in de ure des doods was.

De man iiet het kind los. quot;t Viel. \'t Kwam op de uitgestoken armen terecht. Goddank! Er ging een juichkreet onder de menigte op. Men bemerkte niet, dat op ditzellde oogenblik de tragedie een ander slot kreeg. Onder een donderend gekraak viel het dak van n0. 347 in.

11. de Veer.

{\' fr^rf rofft\'\'. Agt;n.lt;tzrdo)i\\, O. L. Funke)

DE TWEE VOGELEN.

Twee Vogeltjes zwieren er rond in het land. Ik heb en Ochhaddik genoemd bij de lieden;

I k li e b is zoo mak . dat hij eet uit uw hand; Maar schuw is Ochhaddik en snel in het vlieden.

-ocr page 7-

Iklieb zij in \'t eerst voor het oog niet zoo mooi, Toch gaat hij bij al wie het deeglijk\' waardeeren

Yoor duizend Ochhaddiks, die schittrend van tooi, Op daken of boomen Imn lied kwinkeleeren.

Ik heb leit u daaglijks een eitje van goud In \'t kooitje, tot vriendlijke woon hem gegeven,

En toontjes, waar vredige vreugde van houdt, — Hij zingt ze gestaag en vervroolijkt uw leven.

Doch raaktet gij op een Ochhaddik belust.

En drijft u de zucht om dien vluggerd te krijgen,

Vaarwel dan genoegen I vaarwel dan uw rust I Zoolang als ge leeft, zult ge jagen en hijgen.

Met kloppenden boezem, nu ginder, dan hier. Bespeurt gij hem telkens in pronkende veder;

En denkt gij ten laatste, nu grijp ik het dier. Dan, wip! en wat verder, daar ziet gij het weder.

Geloof me! wie ?t ware genoegen begeert.

Die zorg\' zijn Ik heb in zijn kooitje te sluiten.

En, komt een Ochhaddik, die loos kwinkeleert. Hij kreune zich niet aan het foppende fluiten.

ilr. A. Bogaees.

(Gezamenlijke Dichtwerken. Haarlem, A. C. Kruseman.)

WAT EEN KOKOSBOOM AL GEEFT,

Zeker reiziger trok door die brandend heete streken, waar men mot smachtend verlangen naar oen beschaduwd plekje uitziet en men slechts enkele, ver van elkander verwijderde woningen aantreft, waar men een weinig kan uitrusten. Hijgende en uitgeput door vermoeidheid, terwijl de heete lucht, die hij inademde, zijn brandenden dorst nog vermeerderde, bemerkte

-ocr page 8-

8

hij eindelijk eene alleenstaande hut, van eenige boomen. wier kruinen op lange, rechte en slanke stammen rustten, omgeven. Groote, als vederen gespleten bladeren, deels rechtopstaande. deels bevallig naar beneden hangende, kroonden op eene hoogst sierlijke wijze die statige zuilen en gaven aan \'t geheel een prachtig en liefelijk aanzien. De grond rondom de hut was echter volkomen onbebouwd, en er was geen spoor van Ir.ütuur te zk n. Het gezicht alleen van dit verkwikkend lommer bezielde den uitgeputten reiziger met nieuwen moed; hij spande zijne weinige, hem nog overgebleven krachten in, om dat eenvoudige verblijf, \'t welk hem in dit geval een Eden toescheen, des te spoediger te bereiken, en weldra werd hij met de meeste gastvrijheid onder het schamele dak ontvangen.

De gastheer. den toestand van afmatting en vermoeienis, waarin zijn gast verkeerde, duidelijk bespeurende, diende hem terstond een zuurachtigen drank toe, die hem opfrischte niet alleen, maar hem weder geheel tquot;t zich zeiven bracht. Nadat de reiziger wat uitgerust was. noodigde de Indiaan hem uit zijn eenvoudig maal met hem te deelen, waarop deze onderscheidene spijzen in eigenaardig bruin en blinkend gepolijst vaatwerk opdischte, - n waarbij hij ook nog een bijzonder geu-rigen wijn voegde. Toen de maaltijd geëindigd was, bood hij zijn gast nog sappige confituren aan en besloot met een glas zeer goeden brandewijn.

Onze reiziger, die aanvankelijk slechts werktuigelijk aan zijn-behoefte hal voldaan, ten laatste met meer aandacht een

blik om zich heen en naar buiten te slaan, en zich af te vragen. hoe die arme duivel toch wel aan \'lat alles mocht komen, te meer \'laar deze alies in ruimt - voordiende en steeds aanspoord--om toe te tasten.

De gastheer merkte dat wel, rnaar scheen met heimelijk genoegen de klimmende verwondering van zijn gast gade te slaan. — Deze. zijne nieuwsgierigheid niet langer kunnende bedwingen, z*;ide eindelijk:

— .gt;Bij al het goede, dat ge mij heden geschonken hebt, ontbreekt nog iets, en wel de mededeeling, hoe gij in de be-krompenhf i i en afzondering, waarin gij hier leeft, aan dat alles.

-ocr page 9-

9

wat in Europa een middelmatig vermogen zou verraden, kunt komen.quot;

— »\'t Wordt mij iederen dag gelieel om niet gegeven, en wel door vrienden, die steeds om en bij mij zijn.quot; —

Nu werd het den vreemdeling nog raadselachtiger, en hij waagde dus de vraag:

— »ilaar wie zijn dio vrienden dan toch wel, die \'t zoo goed met u meenen, dat zij u in dit brandend heete klimaat dagelijks van alles komen voorzien?quot;

— sMLjiie Kokosboomen,quot; was het antwoord. — »ïïet water, \'t welk ik u bij uwe komst aanbood, en waardoor gij u zoo verkwikt gevoeldet, schenken mij de nog niet volkomen rijpe vruchten; elke vrucht bevat tennaastenbij den inhoud eener flesch. Deze naar a m ande 1 en s maken d e sp ij s is de inhoud van de vrucht, als zij rijp is; deze melk, die u zoo goed smaakte, is van gelijken oorsprong; die lekkere kool is niets anders dan \'thart of de jonge bladeren van den Kokosboom, maar dit gerecht gebruik ik alleen bij bijzondere gelegenheden, wijl een boom, waaruit ik de hartbladeren weggesneden heb, kort daarna sterft.

»De wijn, die zoo geheel uwe goedkeuring wegdroeg, wordt mij eveneens door mijne Kokosboomen verschaft: daartoe maak ik insnijdingen in de jonge bloemstelen, uit deze wonden vloeit dan een witachtig vocht, \'t welk ik in kruiken opvang, en dat als palmwijn of toddy bekend is. Aan de zon blootgesteld, wordt die wijn zuur en ik verkrijg een goeden azijn, terwijl ik door hem over te halen mij dezen brandewijn verschaf.

Uit het oorspronkelijke sap weet ik tevens suiker te verkrijgen, en zoo is het mij mogelijk uit het vruchtvleesch lekkere confituren te bereiden, terwijl eindelijk al het vaatwerk, waaruit gij gedronken hebt, of waarop ik u de spijzen toediende, die gij gegoten hebt, door mij uit de binnenste, harde schalen der noten gemaakt is.

Maar dat is nog niet alles, ook mijne geheele woning heb ik aan die kostelijke boomen te danken. Hun hout verschafte mij \'t bouwmateriaal; de droge en ineengevlochten bladeren dienden voor het dak; tot een zonnescherm bijeengebon-

-ocr page 10-

Ill

den, maken zij \'t mij mogelijk, zelfs op \'t midden van den dag, uit te gaan, zonder mij aan de verzengende zonnestralen bloot te stellen. Mijne kleederen bestaan uit gevlochten blad-strooken. en evenzoo deze matten, die mij tot verschillend gebruik van zoo groot nut zijn. Deze zeef vind ik bijna geheel bereid aan dat gedeelte van den stam, waar de bladeren ontspringen. terwijl men van die bladeren, door ze op doelmatige wijze te vlechten, scheepszeilen maakt. De haaraehtige zelfstandigheid, die de noten omgeeft, is veel doelmatiger voor het kalfateren van schepen dan vlas. daar zij niet zoo spoedig verrot, als zij in quot;t water komt, sterk uitzet en dus de dichtheid bevordert; van datzelfde kokoshaar maakt men ook bindgaren, touw en kabels. Eindelijk moet ik er nog bijvoegen, dat ik eene uitmuntende olie. die tot bereiding mijner spijzen en evenzeer tot v-rlichting mijner woning dient, door nitpersing van het versche vruchtvleesch verkrijg.quot;

Terwijl de vreemde naar deze rede luisterde, kon hij niet nalaten den armen Indiaan bewonderen, die, hoewel slechts eenige Kokosboomen bezittende, daarmee toch in al zijne behoeften wist te voorzien.

Toen hij zich eindelijk tot zijn vertrek gereedmaakte, zei zijn vriendelijke gastheer:

•— Ik heb reeds sinds eenigen tijd gewenscht aan een mijner vrienden in de stad te schrijven, maar bad geene gelegenheid om hem den brief te doen toekomen; zoudt gij u er wel mede willen belasten?quot;

— \'Zeer zeker,quot; antwoordde de vreemde, en voegde er korts-wijlend bij: wan zult ge u zeker daartoe weder bedienen van behoodigdheden, welke »uwe vriendenquot; u om niet verschaffen?quot;

— Zoo is quot;t,quot; hernam de andere, »en ook dit raadsel zal ik u oplossen. Van het houtzaagsel maak ik dezen inkt, van de bladeren dit perkament, en dat het goed is, blijkt hieruit, dat men van hetzelfde papier eertijds zelfs gebruik maakte voor belangrijke stukk\'--n en om er merkwaardige daden op te schrijven.quot;

H. quot;VVlTTE.

(V m V Utrecht, Gehr. ran dvr Post.)

-ocr page 11-

11

TWEE BRIEVEN OVER HETZELFDE ONDERWERP.

I.

VAN EEKE BEDRIJVIGE HUISMOEDER.

Lieve Trui!

Eindelijk breekt er dan toch eens een rustig uurtje aan, waarin ik 13 een lettertje kan schrijven, \'k Had liet al eerder willen doen, maar men komt er dan met de drukte vaak niet aan toe; gij hebt zelve eene huishouding, en weet dus, dat men dikwijls, door allerlei bezigheden overstelpt, aan de correspondentie niet kan denken. Gisteren avond hoopte ik nog, als \'kmet de wasch klaar was, aan U te gaan schrijven; maar jawel, daar begint ine juist, toen we met rekken zouden beginnen, dat spektakel van die serenade.

Ge moet weten, dat het gisteren juist vijftig jaar geleden was, dat onze dokter Van der Horst hier zijne praktijk begon, en nu had de Geneeskundige Commissie de aardigheid hem eene serenade te brengen. Nu, go begrijpt, ik heb anders niets tegen zoo\'n serenade; ik denk altijd bij zulk soort van dingen: wij zijn zeiven ook jong geweest; maar mij kwam die historie nu gisteren bijzonder ongelegen, want we zouden, zooals ik zei, juist de wasch rekken — we wasschen tegenwoordig eens in de veertien dagen; ziet ge, dan heb ik die week, dat er geene wasch is, niets dan eeno kleine wasch, en nu was \'t juist de beurt van de groote — en nu zult ge zeggen, waarom ik zoo laat \'s avonds aan :t rekken ga, maar mijne lieve, wie komt daar over dag aan toe, als de kinderen je onophoudelijk om de handen loopcn\'? lsTu dan, Mietje en ik hadden pas het eerste stuk goed tusschen de duimen, en daar begon het toe-te-roe-toe. Nu was dat anders nog niets, en ik zou zeggen: Blaas maar toe! — maar dokter woont hier schuin tegenover en dus kregen we \'t lawaai uit de eerste hand.

quot;t Was om tureluursoh te worden, \'k Had kleinen Frits juist in den slaap, maar hij wordt natuurlijk dadelijk wakker door dat

-ocr page 12-

12

gedons op de turksche trom — wat doen ze toch in vredes naam ook met zoo\'n heidensche machine hij een fatsoenlijk Muziekgezelschap — en Mina en Jakob, die tegenwoordig boven achter slapen, ze liooren \'t ook en vliegen me zoo maar in het nachtkostuum en barrevoets naar de voordeur. Ik schel om Geertje — want, doordat het hier zoo in de buurt was, dacht ik. kon er nog wel eens een van de kennissen bij ons komen inloopen. en daarom wilde ik, dat Geertje even zou wiegen, dan kon ik middelerwijl een schoonen kraag omdoen: — maar ik had goed schellen, Geertje, dat ondeugende ding. was ook reeds gevlogen — natuurlijk ook al naar den overkant . naar de muziek.

Nu. ik was Hij voor den ouden dokter, want ik zeg maar altijd: een menscli is geen plank, en als men zijn best doet. wil men ook wel. dat dit bij gelegenheid eens erkend wordt: en wat Tan der Horst betreft, de man had dubbel en dwars verdiend, dat ze hem eens verheerlijkten; maar, de satisfactie van den dokter nu daargelaten, dan zeg ik op mijne beurt, dat zoo\'n serenade aan je eigen huis te ontvangen, voor de huisvrouw alles behalve aangenaam is. Ze hadden dien eigen dag bij den dokter juist het voorhuis geschrobd en daar liepen zij nu maar uit en in, en aan eene mat werd niet gedacht, neen, dat liep maar zoo in éénen door van de natte straat de voorkamer binnen. En daar moest in een oogenblik wijn en gebak wezen, en ééne van de meiden was nog ziek op den koop toe, en eene noodhulp haddon zeniet. De •.•ommissie. die binnenkwam. bleef ook nog al wat, en de schoone gordijnen moesten maar, of er eene verteerde plooi in kwam, dat deed er niet toe, hoog in top gehaald — ik zeg maar, \'t was geen benijdenswaardig hapje!

Per slot van rekening kreeg ik nog knorren van manlief, want we zouden kamemélk eten — ik doe dat eigenlijk meer om de kinderen, dan om ons zeiven; want Anton en ik, wij houden er niet zooveel van, en daarenboven, \'t is nog al een pot, die gedurig toezicht vereischt, — maar, zooals ge licht kunt nagaan, de brij was aangebrand, doordat Geertje naar de serenade geloopen was. en daar kreeg ik natuurlijk de schuld van, enz.

-ocr page 13-

13

II.

VAlf GEERT JOPMANS.

Landbouwer aan den Schapendijk.

Geliefde Margien!

Ik ben door Gods goedheid nog vlug, en hoop, als dat gij met de kinders en de overige huishouding ook nog monter moogt wezen. Mot den wagen hier naar toe, dat kostte mij krek twee gulden min een oord; ik wou ja nog wat afdingen en vroeg al zoo aan den voerman, of dat nou :t allerzuinigste was, maar die vent met zijn blauwe kiel, (konterleur noemden ze\'in, maar hij leek ja veel meer op een paardenkooper als op • •en konterleur, ten. minste ouzo meneer Bondsen ziet er mij vrij .vat knapper uit) nu dan, die konterleur zei; ik most geen praatjes maken, daar dee ze hier niet an, lesbaarlijk asstrant \'j kunnen de menschen toch wezen, en dan nog wel, als je ze de nering gunnen. Als ik dat weten had, dan was ik ja veel liever met de snikke5) gaan, dan was ik veur elf stuivers de man weest. Ja menscli, reizen kost geld, dat heb\'k nou dan s weer merkt, want zo vroegen mij in Zwol veur een stoetje met een snippeltien rookvleeseh, zoo maar twee dubbeltjes af. Maar wat zal me doen? Ik most ja dat riet wel oven zelf gaan zien, en kon toch geen kat in den zak koopen. Nu mot ik zeggen, dat het riet zien geld wel weerd is, \'k heb dan ook den koop klaar kregen voor drie en negentig gulden. Dat \'s een bulte geld, zul je zeggen, maar quot;t is nou in de le.-gt;te tied zoo duur.

Gister avond om tweedonker 3) zoo wat, doe \'k bij Lumme-gies Freerk zat, beurde ik dat er scnaarc zol wezen. Ik dacht, dat mot \'k eens zien, en daarom bin \'k er quot;s nachts maar bleven. En wat doch je nou wel. dat zoo\'n senaare is? Muziek, mensch, muziek met groote luchten. lesbaarlijk mooi, dat kan \'k je zeggen.

\') Vreeselijk brutaal, of\' kurrai\'.

:) Trekschuit.

\') In schemerduister.

\'

-ocr page 14-

14

De muziek in de teut van \'t peerdenspul is er niks bij. Bieke-lijk ^ negen uur begon quot;t. \'t Was veur eon olden dokter, zeiden ze, die had nou krek vieftig jaar prakkezeerd. Toen de muziek met de luchten veur \'t huis van d\'olden man komen was, toen trokken ze daar de gerdienen hoog in de lucht, en toen kon je maar zoo door de glazen in de kamer zien, en alles obstervieren,

wat ze daar doden____miserabel onvrij was dat toch! De lampe

stond midden op tafel, en ik kon zoo maar zien. hoe die heeren daar een glas van de tafel namen, en uutdronken.

En dun dat blazen en toeten, dat ze daar bij die muziek doden, kiek, je zollen er versteld van staan! quot;Wat heb ik vaak bij mij zeiven gezegd: Dat mosten uiis jongens eens zien en heuren!quot;\' Ze hadden er bij de muziek ook een grooten koperen trompetter, dien ze zoo al hen ende weer schoven, en daar kwam \'n geluud uit, net als een roerdomp in den polder.

Nu hoop ik maar, als dat je mien schrift lezen kunt, anders mot je er maar even met naar dikke Koops-Evert gaan, die zal er wel uut wies kunnen worden. Je moesten veural de groetnis hebben van Lummegien. \'k Leuf niet, dat ze hier aarden kan, on ze zoe dan ook al, dat ze braaf wensch had naar der volk5). Ik heb nog al zorge veur ons olde bles, die wol ja, don \'k an de raizo gong, niet goed aan \'t voer. quot;Wat motton de peerden veur do postwagens vreeslik lieden! Stomme beesten, ik had er met te doen! Dat most maar dadelijk in draf. En \'t was een zware wagon, met al die kisten bovenop: dat zeg ik je. Nou. ik kom bij welwezen Donderdag weer in huus. God zogen jgt;-op alle wegen!

TJw geliefde man

Geert Jopmans.

K. Koopjians tan Boeeeren.

{Schoenen op keur. Arnhem , D. A, Thienie.

\') Ruim.

\') \'k tieloof niot, dat ze hier gewennen kan, en ze zei ook reeds, dat ze erg verlangde naar hare familie.

-ocr page 15-

15

DE KAMEEL.

De kameel, een naam, van liet Arabische woord dsjaemmel afkomstig, is met recht aan liet hoofd van de orde der herkauwers geplaatst, ofschoon hij in vele opzichten van de andere herkauwende diereu afwijkt, en wel vooral in zijn gebit. De kameel is een der merkwaardigste dieren der geheele aarde. Hoe weinig hij ook den naam van een fraai dier kan verdienen, en hoe lomp en onbevallig hij er uitziet, do kameel alleen zou in staat zijn, om den zinnelijken mensch de overtuiging op te dringen, dat de schepping en ordening der were! i een werk der Croddelijke Voorzienigheid is; want er is geen dier, waarbij de bestemming van elk schepsel tot een bepaald doel zoo duidelijk blijkt. De Egyptenaar rekent het tot de drie weldaden van zijn zonder palmen, Nijl en kameel onbewoonbaar land, en de Arabier noemt den kameel het schip der woestijn. En inderdaad, zonder dit dier zouden de planten- en regenlooze streken, die zich over het tropische Afrika en Azië als een gloeiende gordel uitstrekken, voor den mensch voor altijd ontoegankelijk gebleven zijn. Zoo dor en onvruchtbaar de landen zijn, die den kameel door de natuur tot woonplaats worden aangewezen, zoo gehard is ook zijn lichaam, zoo weinig eischend is ook zijne natuur.

Honger verdraagt hij langen tijd, en nog langer dorst, en zijn vleezige voet, die op vochtigen, weeken bodem glijdt en moeie-iijk steenharde bergen beklimt, schrijdt met bewonderenswaardige gelijkheid en lichtheid over de zandvlakte, zonder erin te verzinken. Zijn instinkt leidt hem door de wildernis, hij vindt hot spoor te midden van zandheuvels, dio zich eeuwig verplaatsen, zijn reuk bespeurt op groote verte den damp des waters, zijn oor hoort den roover, die \'s nachts om de karavaan heen sluipt, zijne maag bewaart het voedsel voor den dag van gebrek. Ilij 13 geschapen om te ontberen en te dulden. Zoodra de jonge kameel slechts even volwassen is, wordt hem de zadel opgelegd, \'M 1111 brengt hij zijn leven door, lasten dragende en zwoegende, tot hij eindelijk afgetobd ter aarde stort en eene prooi van jak-

-ocr page 16-

16

halzen en gieren wordt. Daarom noemt de Arabier hem ook »vader Jobquot; en »vader van het harde gesteente.quot; En men zie liet geduldige dier geknield nederliggen om beladen te worden. Men zie, hoe het zic4i opricht, moeielijk ais eene machine. ITet lichaam bestaat bijna geheel uit beenderen, pezen en banden en is in staat groote lasten te vervoeren. De drijvers roepen hun Eh, en nu zeilt het zonderlinge mengsel van rund en hert en schaap, als het schip der woestijn, daarheen. De lange struisvogelhals, waarmede hij do kleinste distel bereiken kan. steekt recht vooruit, maar voorop zeilt, als eene loodsboot, de rechtuit gehouden kop, die in de maat der schreden op en neer wiegt.

De karavaan trekt in breede rijen voorwaarts, eerst de ka-meelen. dan de drijvers. Wel voeren de laatsten eene zweep. doch zij behoeven geen slag te doen: slechts met woorden besturen zij het uroote dier. en willen zij den afgematten drager aansporen, dan heffen zij een zwaarmoedigen, eenvoudigen beurtzang aan, die nauwelijks muziek geheeten kan worden. Maar de kameel hoort hem met genoegen; hij steekt den kop luisterend vuornit en sneller schrijdt hij door de woestijn. Niets is gelijkmatiger en vaster dan die gang; doch nog opmerkelijker is het geringe gedruisch. dat hij maakt. De zwaar bevrachte dieren naderen bijna onhoorbaar, want hun stap is niet luider dan die van den naakten voet van don mensch. Zoo legt het trouwe dier weken aaneen, zonder rustdag, den moeielijksten weg af, beladen met een last van vijf tot acht centenaars; en met welk armzalig voedsel! Een paar dorre distels, al loopen-de geplukt, en in gunstige gevallen nu en dan eene handvol twijgen eener mimosa. \') De kameel kauwt de harde doornen, alsof het bladeren waren. Zelfs al vindt men overal bronnen op den weg, toch worden de kameelen niet eens alle avonden gedrenkt. De karavanen uit het westen van Afrika trekken door stre-ken, waar men in acht of tien dagreizen geen water vindt, maaide kameel alleen brengt den mensch toch door die streken heen.

i) Tropisch gewas, tot welks geslacht ook ons kruidje-roor-ino-niet behoort.

-ocr page 17-

17

De kameel kan gedurende dertig- jaren als lastdier gebruikt worden, en de Arabier, lioe hoog hij overigens het dier vereert, denkt er niet aan, hem, als hij ouder wordt, het leven gemakkelijker te maken. »Hoe ouder de kameel, des te beter gewend aan den last,quot; is een oostersch spreekwoord.

Een gunstiger lot is het deel van den rij- of loopkameel, den dromedaris. De dromedaris is geene andere soort dan de gewone kameel, zooa\'s velern meenen, het is een ras tot rijden geschikt en afgericht. De dromedaris staat tot den lastkameel, gelijk het rijpaard staat tot het karrepaard. De rijkameel is over het algemeen slanker en lichter van bouw; zijn glimmend, meestal geelachtig haar bewijst de oppassing, die hij geniet. Een klein oor is het teeken van edele afkomst. Het is een treffend gezicht, het reusachtige dier met den neus dicht aan den grond daarheen te zien ijlen, op zijn rug den zwaar gewapenden, getulbanden ruiter. Yoorbeeldeloos volhardend, legt hij weken aaneen dagelijks een weg van 30 tot 35 uren gaans af. En daarbij is zijn tred zoo zacht, dat, naar Arabische spreekwijze, do ruiter rustig als op een kussen een kop koffie kan drinken.

Er zijn vele rassen van kameelen, doch do twee bultige kameel, camcJus hacirianus, is ongetwijfeld van eene bijzondere soort. De eenbultige wordt gevonden van de monden van den Nijl tot op het Abyssinische hoogland, van de gebergten van Marokko tot in Arab;quot;. Do twecbultige loeft in Tatarije, Thibet, China, enz. Een dicht, wollig haar beschut den tweebultigen kameel voor het ruwe klimaat zijner woonplaats. Ook hij draagt zware lasten en loopt met vasten tred langs steenachtige wegen p de gebergten. Wat hem, behalve zijne twee bulten, van den ■ abultigen kameel het meest onderscheidt, is zijne maag, die -.iet uit vier, zooals bij den laatste, maar uit drie afdeelingen ! \'Cstaat.

Bij al zijne deugden is liet karakter van den kameel toch -■ nszins beminnelijk. Hij is ten hoogste jaloersch en uiterst wraakzuchtig. De Arabieren vertelden aan pollen\' het volgende: Zel;er kameeldrijver had zijn dier zwaar beleedigd, dat is, op ■ eeno of andere wijze ruw behandeld. Do kameel deed geene 1 \'ging om zich te wreken, maar de drijver, die aan de uit-I (tu eirjen Bodem. IV. 5o druk. 2

-ocr page 18-

18

drukking Tan liet oog des diers zag, wat er in liem omging, ■was-gedurende verscheidene dagen op zijne hoede. Eens op een nacht lag hij in zijne tent en had zijn opperkleed buiten de tent over den houten zadel uitgespreid. Weldra naderde zijn kameel, en toen het dier zich, door eraan te ruiken, overtuigd had, dat het zijns meesters gewaad was, en meende, dat zijn meester \'daaronder lag te slapen, ging hij op het gewaad liggen en rolde erover heen en weer, duidelijk met groot genoegen hoorende naar het kraken en breken van den zadel onder zijn gewicht, en volkomen overtuigd, dat de beenderen van zijnen meester allo aan stukken gebroken waren. Xa eenigen tijd stond hij weder op, bekeek de nog met het kleed bedekte massa met zichtbaar welgevallen en verwijderde zich. Den volgenden morgen vertoonde de Arabier zich aan zijn kameel. Hot dier werd zoo woedend, zijn meester ongedeerd voor zich te zien, dat zijn hart brak en hij op het oogenblik stierf.quot;

DR. T. C. WINKLER.

{Natuurlijke geschiedenis van het dierenrijk. Sneck, van Druten en Bleeker.)

DE STIKVALLEI,

Zonder verdere avonturen kwam men op het uitgestrekte plateau van den Djiëng 1). In aloude tijden vond men hier eene groote stad; enkele gebouwen (eon paar tempels) stonden nog ongeschonden daar, om het te getuigen. De koude in deze hoogo luchtstreek was zoo hevig, dat de reizigers hun avondmaal gebruikten bij een groot houtvuur, dat in het midden der passagrahan 2) brandde; \'s nachts legde men zich onder een paar wollen dekens ter ruste. Tiet was eon verrassende overgang, zoo eensklaps in een koud klimaat verplaatst te worden.

\') In de ros. Banjoemaas, eiland Java. \') Herberg.

-ocr page 19-

19

Daar stonden op eene rij eenige bamboo-hnisjes en eenige schrale perzikboomen, maar eene eigenlijke dessa \') zag men niet. Voor de woningen stonden de inboorlingen — in den regel zit de inlander neergehurkt — met eenige kleur op de bruine wangen in wollen dekens gehuld; de paarden waren met lang winterhaar, de honden, van een eigenaardig ras, de Javaansche St. Bernards, met eene dikke vacht bedekt. Patrijzen vlogen voor hunne voeten op, en wie lust had voor het opgaan der zon zich naar het gindsche meer te begeven, zou somtijds een vliesje ijs op de watervlakte kunnen waarnemen!

Hen bezocht do Kawa Dringo, eene heete modderbron, waaruit het zwarte slijk hoog opsprong. Men kwam aan een driehonderd voet diepen trechter van groeten omvang, rondom met hout bewassen. Die sombere plaats, de Pekaraman der inlanders, was de beruchte stikvalléi. Haar bodem, waarop geen grashalmpje groeide, had het aanzien van eene dorre zandwoestijn, van een stuk grond, waarop de vloek gevallen was, van een verlaten slagveld, zooals men het in den droom ziet, van een monster knekelhuis.

Vluchtte een hert voor den reuk van een hongerigen tijger en joeg het in blinde vaart door het hout naar beneden, — slechts twee sprongen over den bodem der vallei, en het stortte voorover, hief nog eenmaal zijn breedgetakten kop op en____stierf.

Do tijger, die zijne prooi schuifelend nasluipt, springt erop met een vervaarlijk gebrul; maar in stede van zich met bloed te verzadigen, verheft hij zich op zijne achterpooten, slaat met de voorklauwon een onzichtbaren vijand van zich af en.... valt dood neder!

Door de versche glagak 2) op do helling des trechters gelokt, gaat de rhinoceros met loggen tred over den bodem naar de andere zijde. Geraamten zinken vertrapt ineen, beenderen en knoken kraken; doch drie, vier schreden verder slaat hij loeiend neer, doet door zijn val den grond daveren en.... sterft!

Eenige dessahonden jagen achter eon wild zwijn, dat recht

\') Dorp

!) Hoog\' rietgras.

-ocr page 20-

20

voor zich uit de struiken in rent. De OTerzijcle van het enge dal schijnt hem nog veiliger schuilplaats toe. lüj tuimelt naar beneden, schiet over den kalen bodem, struikelt, om .... nooit weer op te staan 1

De honden zien hun slachtoffer liggen, vliegen erheen, om

de scherpe haken in het vleesch te slaan en......stikken!

Groote roofvogels drijven, hoog in de lucht, op hunne uitgespreide vleugels en ontwaren met hunne scherpe zintuigen het rottend aas. Pijlsnel schieten zij omlaag. slaan neb en klauwen in den walgelijken buit en.... blijven er ontzield op liggen!

Een behaagziek rijstduifje springt vroolijk en dartel van tak op tak. tot aan den benedenrand der stikvallei; het vermaakt haar, zich steeds door haar makker te zien volgen. Zie, nu laat zij hem zeer dichtbij komen, maar :t is om onverwachts des te verder weg te vliegen; want met eene snelle wending zweeft zij tjilpend dicht langs den bodem naar de overzijde. Halfweg gekomen fladdert zij niet meer, maar ligt, evenals haar makker, levenloos op den grond!

Al wat in de vallei komt, de woud koning zoo goed als het nietigst insect, komt erin om, zonder genade. Want uit den bodem stijgt eene stiklucht op tot eene hoogte van twee tot vier voet, waarin ir^en schepsel kan leven; het koolzuurgas, daar ontwikkeld, blijft boven den bodem hangen, omdat het zwaarder is dan dampkringslucht en door geen wind beroerd wordt. Gij gelooft het niet\'?

Volg mrt uwe oogen den inlander, die daar vóór u de helling afgaat, tot eenige schreden van den bodem. Hij heeft een paar tippen in de hand en een hond aan een touw. Daar slingert hij een vogel in de lucht, kakelend en half zwevend komt deze op den irrond terecht, wil zich oprichten, maar strekt depooten uit \'-n sterft. Met den tweeden gaat het evenzoo. De hond wordt losgelaten om de kippen te apporteeren; hij wil gehoorzamen, en boet het met zijn leven.

AV. A. VAX REES. ƒ ff erin ytsfinosn uit de loophaan von eeu Indisch officier» \'s- GvciWHhamp;gt ei i.i\'hr. .V. J. vmi den Heit vel \'I mn Santen.)

-ocr page 21-

21

WINTER.

Deze winter heeft ongetwijfeld eigenschappen, die in later dagen als aanspraken op ouderwetschlieid zullen kunnen gelden. Hij is op den gewensehten tijd gekomen; in den tijd der lange nachten vóór Kersttijd, als het anders bij somber weereiigedekte lucht een ganschen dag niet licht wordt, is hij gekomen met zijne heldere, vriendelijke dagen; de modderwegen op het punt van grondeloos te worden, heeft hij hard gemaakt, de straten der mistige steden, altijd nat en glibberig, opgedroogd. In de dagen, omstreeks het Kerstfeest, ziet ieder vriend van den winter naar den hemel op, of hij zijne voorboden ook be-speiirt en rekent in den almanak den stand der maan uit — en ziet. in die dagen is hij gekomen. Do altoos terugkéerendehoop op een mooi Kerstfeest heeft hij van zijn kant glansrijk vervuld. Zijne komst was, als die van een »oudcrwetschequot; behoort te zijn, een ernstig optreden, \'t Was geen ongedurig dralen, geen behaagziek spel van beloven en uitstellen, maar »meenensquot; van den aanvang af. Op een mooien morgen bleek het, dat hij beslag gelegd had op alle meren, plassen en vlieten en ze met zijn zegel had verzegeld . . . reeds stonden de kraaien erop en geen half uur later, dat ziende, do jongens ook. En meenens is het gebleven, nu vier weken lang, ernst, doorzettende maai vriendelijke ernst. De maan mocht wisselen on, naar de nieeningder schippers of der geleerden, al of geen invloed trachten te oefenen, do wind mocht afdwalen van Oost naar West, soms mocht het een halven dag dooien, een half uur regenen zelfs, de winter bleef en maakte zich elke gelegenheid ten nutte om de banen effener en gladder te maken. Hij liet er niet meer sneeuw overkomen dan voor \'t gerief en \'t fatsoen der baanvegers noodig was, weerde zorgvuldig allen harden wind van de schaatsenrijders en zorgde, als \'t kon, voor een zonnetje . . .

Voorwaar, verdiensten genoeg!

Maar »ouderwetsch? V ij weifelen. Ouderwetsche winters hadden hot ijs tor dikte van een overrelsquot; botervat in het water. Kraaien en mnsschen vielen plotseling dood uit de stille lucht neder.

-ocr page 22-

22

De Zuiderzee was een bevrozen plas en droeg paard en wagen. Op hot einde vertoonde haast niemand zich op straat. Zelfs de lust tot schaatsenrijden was vergaan en de ijsbaan verlaten. Men vond de ten gevolge van zooveel pretjes reddeloos uitgeputte beurzen aan de stijlen der ophaalbruggen gespijkerd. Men at Paascheieren op het ijs ... .

Tegen zulk een winter ziet onze jonkheid met eerbiedigen schroom op.

lutusschen, al mocht deze winter ook niet ouderAvetsch blijken te zijn, maar afgesneden worden, eer hij tot dien rang kon komen, wij zullen hem in dankbaar aandenken houden. quot;Wel beschouwd, gaat het met die hooggeroemde winters toch ook uiet anders dan met zoo menige grootheid op aarde; hunne faam blinkt alleen op den afstand van tijd en ruimte.

Van dichtebij . . . hebben ze zekere eigenaardige lasten en nukken, die eene onverdeelde bewondering moeilijk maken. Bij een ouderwetschen winter behooren eigenlijk een ouderwotsche turfzolder, eene ouderwetsche vleeschkuip, een ouderwotsche voorraad spek en worst in den schoorsteen en meer dergelijke zaken, waarbij het »ouderwetschquot; de gedachte voegt van degelijkheid en overvloed. En denkt men nu aan de velen, die ouder-wetsch of niet, in tochtige woningen met hunne brandstof en hun dagelijksch brood moeten sukkelen van den eenen dag op den anderen, leven van de hand in den tand, dan verliest zoo\'n hooggeroemde ouderwetsche, die alle behoeften en ontberingen dubbel sterk doet gevoelen, veel van zijne aantrekkelijkheid.

Wij hebben in elk geval reden genoeg om in den winter, dien wij beleven, dankbaar te zijn. Een winter als deze komt als een weldoener en een goede engel in een land en een klimaat als het onze. Wat kan het er bij open winters onuitsprekelijk treurig zijn! En wat duurt zoo\'n open winter lang! Wie dan in den kouden, eentonigen nevel sommige onzer provinciën doorreist, dien dreigt de doodskilheid soms om het hart te slaan. Tien tegen een, dat hij zich op een dijk bevindt, in onafzienbare

-ocr page 23-

23

verte zicli uitstrekkend tussclien eene vaart links en ondergeloo-pen weiland rechts. Waarmede hebben wij hier te doen: met schemering van boven? met aarde of met water beneden? Melancholiek steken hier en daar een paar hekkepalen uit de watervlakte: waar de bodem door eene gelukkige omstandigheid rees, daar hebben zich eenige schapen verzameld ea een paard dik in de wintervacht, maar mot iederen stap in den weeken bodem vertreden zij hunne eigene weide. Boerenhuizen staan hier en daar op hunne erven, als op eilanden in den waterplas, en \'t is gelukkig, dat gij daar wel eens aan den warmen, blinkend geschuurden haard, in droge, wel verwarmde, van welvaart en allerlei levensgemak getuigende kamers, bij een overvloedigen disch hebt aangezeten; anders zoudt gij, van uwen dijk nederziende, bezwaarlijk anders kunnen denken, dan dat men daar met iederen tred het water door de naden van den vloer zag zijpelen, dat de bewoners er zooveel als schimmelplanten of paddestoelen moesten wezen en op zijn best eene soort van kikvorschen . . .

In dien tijd is dit ons land boven beschrijving plat, leelijk, doodelijk droefgeestig. Of het dan daarom ongezond is met zijne kille vochtigheid, durven wij nog niet beweren tegenover het gezag van zoovele deskundigen in, die stijf en strak volhouden, dat bij wind en regen, al hoestende en kuchende de echte Hollander het gezondst leeft. . . . Maar zielen, die een weinig niet de natuur medeleven, voor wie een zonnestraal zooveel is als oen hemelsche groet en glimlach aan hun adres gericht, die gewoon zijn met de schepping om hen heen als mede te klagen, te treuren of te juichen, zij kunnen in de lange schemeringen van een mistigen, regenachtigen, Hollandschen, open winter de veeren wel diep genoeg laten hangen.

(roddank, op zekeren dag, nadat liet den ganschen morgen nog geregend heeft, daar heldert met den namiddag het weer op. Er zijn nog wolkjes, maar zij schreien niet — zij zien hoog, hoog uit de lucht vriendelijk naar beneden, liet is stil in de natuur, als wachtte zij op wat nieuws. Het windje glijdt naar hat Oosten: tegen den avond komt. do dienstmaagd binnen mot het bericht, dat de blauwe stoenen der stoep wit opdrogen en

-ocr page 24-

dat zij het linnen stijf bevroren heeft binnengehaald; dien nacht reeds trekt deze en gene koude nens zich achter de beschermende verschansingen zijner dekens terug.

Daar is de winter gekomen en met hem, welk eene verandering! Het is licht geworden in de natuur, licht ook in de huizen, licht ook in vele zielen der menschen. Do mannen van handel en nijverheid, de groote macht in staat en maatschappij onzer dagen, hebben genadiglijk hunne toestemming gegeven tot eenige weken vorst; na zekeren tijd van stilstand in de zaken, gedurende het doode seizoen, beginnen zij met te grootere levendigheid weder, zoggen zij. Wij overigen, zonder nevengedachten dan de hoop op fraai ijs, halen hem binnen met gejuich en troosten er ons mode, dat, als de vorst nijpen mag, de barmhartigheid te luider zal roemen.

Middelerwijl gaat de winter zijn gang en zet zijn werk voort. Een waar too ver werk! De boomrijke heuvelen van meer bedeelde landstreken hebben in den regel aan zich zeiven en een enkel zonnestraaltje genoeg — het eclit Hollandsch landschap kan niet buiten den winter. Zelfs dat bij uitstek droevig tafereeltje van straks — gij herkent het niet meer. Gij rilt niet meer bij \'t zien. Het komt u niet meer van God en menschen verlaten voor. Maar dan het bosch! Die bruine, met dennenaalden bezaaide grond, hier en daar met sneeuw bepiekt; de afhangende, breede takken der donkere sparren onder eene blanke vacht nog dieper gebogen; de fijne berkentakjes met eene kristalkorst omtogen, waarin bet zonlicht duizenden lichtjes doet fonkelen; het verschiet tusschen de boomen; over hei en golvend duin het karmozijnen neveltje van den winter — o God, wat is uwe schepping schoon!

En de zielen der menschen springen op — in do kleine jongens met roode neuzen, tranende oogen, maar lachend gelaat en tot zelfs in de oude mannen, die nog eens de schaatsen aan-

-ocr page 25-

25

binden — omdat zij \'t niet kunnen laten. De rijkdom grijpt haastig de gelegenheid aan om zijne pracht van paarden en narren, van zijde, fluweel en bont ten toon te stellen. Inmenigen rondslenteren den kerel ontwaakt de baanveger of de koopman van »hiet ende warm.quot; Er is ééne provincie in ons vaderland, die door eene omwenteling in geen grooter ontroering kon gebracht worden, dan thans door het ijs, waar alle doen en denken opgaat in schaatsenrijden, vliegensvlug en uren, uren ver. Er zijn nadenkende, gevoelige zielen, die onder \'t zweven over de spiegelgladde baan zonder inspanning of moeite zich losser voelen van de aarde, vrijer van het logge stof. Allen worden meegesleept en opgebeurd door ééne feeststemming; en de Nederlandsche Brester\'s en Bogaers\'en grijpen naar do lier — hier is de winter huisvriend!

Wees ons gegroet, gij vriendelijke winter, zenuwsterker, zorg-verdrijver, zielverblijder, eerlijke ziel, man van karakter met uw krachtigen handdruk! Indien gij maar niet boos wordt, als wij straks gaan verlangen naar de dagen, wanneer het weerglas dertig, veertig graden zal teekenen.

S. GrOETER.

{Een jaar tevens voor de daghladpera. Amsterdam, G. L. Funke en

P. aan Santen.)

KOUD.

Foei, foei, wat ziet het buiten guur!

Doe nog een schep of wat op \'t vuur.

De kachel — neen, voor brand geen nood; —

Ze moet aan alle kanten rood;

Ik zit er bijna op en toch,

Ik voel de kou van buiten nog.

Hoe houdt men \'t in zoo\'n hut toch uit?

Hier tocht het door de dubble ruit;

Het kind loopt in een kieltje rond,

-ocr page 26-

2G

Terwijl ik kleum in baai en bont. \'t ïfeemt voor de grap een proef gewis. quot;Waar \'t wanner »thiiisquot; of »biiitenquot; is.

quot;Wij eten warm en drinken heet, — En tochtvrij maken we elke reet; Als hout en turf ons niet meer baat. Wij vragen coaks en steenkool raad. Xog rillen wij. Het liefst is ons Te hiiren tussehen dek en dons.

En wat, wat is des armen doel? Een schrale pot en zelden veel; Een luchtig vuurtje, zoo hij stooft, Dat weinig warmt, maar machtig rookt. Een leger, harder dan een wal. En dekens, kort en dun en smal.

Dat arme volk! En kijk die twee: Zij wurmen met zoo\'n zware sleê: Dat moet toch, hoe de wind ook snij, Hoe fijn en snerpend koud het zij, — Dat moet met bibberende leên, De Hemel weet, hoe ver nog heen.

Hei, hola mannen, legt eens aan, En laat vooreerst uw vracht maar staan. Komt in, en ben je koud en stijf, Warmt aan mijn kachel u het lijf. En ben je weer ontdooid en reê,

Xeemt dan uw portie warmte meê!

Daar zijn ze. Hè, wat wordt het frisch. Of nu de vorst al\' binnen is?

Hort dicht de deur! Maar heb ik wel. Dan ia bij hon geen koü in \'t spel: Ik zie hen warm en welgedaan, Als ware \'t zomer, vóór mij staan.

-ocr page 27-

27

Niets heets, maar wat verkwikt en voedt,

Smaakt ze —■ en bekomt ze ook zeker — goed. Maar kijk, zij hebben, rust noch duur. En allerminst bij \'t heete vuur.

ISTu, goede reis! daar staat uw sleê:

quot;Vermaakt u en verwarmt je ermeê!

Dat arme volk! Maar zijn ook zij Uit ander leem gekneed dan wij ?

Of hebben zij ook ander bloed?

quot;Want wat ons deert, dat doet hun goed. Zij —- werken warm zich, is \'t ook guur. En ons — maakt koud hot heete vuur.

Dat zal het zijn — dat is \'t voorwaar,

Want stoof u en verbroei u maar,

quot;Wees voor de kou bevreesd en schuw.

Te nader komt en kwelt zij u;

Maar span u in en val haar aan, — , Zij deert u niet en laat u gaan.

Bied kloek en moedig haar den kop.

Zij ziet met eerbied tot u op.

Maar zoo ge laf zijt en vervaard,

En schuilt in quot;t hoekje van den haard,

Zij vecht het liefst met wie haar vreest. En kwelt heur bangsteu vijand !t meest.

quot;Ware ik nog jong, wat ik dan deê?

Ik ging een eindje met die twee.

De jeugd.. .. maar kijk mijn knaapjes hier: Zij branden zich de broeken schier. Met schaatsen, jongens, naar de baan.

Komt, waagt een kouden neus eraan!

•T. Brester Az. (I ersjjreide en nayelciten gcdiclih n. Derenter, A. ter Gttnm.)

-ocr page 28-

28

MAARTEN HARPERTSZ. 1607-1609.

Wat moed in zulk een teedre jeugd.

Jonkvrouw J. C. de Lannoy,

I.

Het -was een tooneel, het penseel van een Schotel waardig, die onmetelijke zee, slechts aan de cene zijde in hot verre verschiet door de Afrikaansche kust begrensd, op welke twee schepen sinds een paar uren een schouwspel aanboden, naar een strijd van de wilde monarchen der woestijnen van dat werelddeel zweemende. Het koninklijke van den leeuw viel in het eene vaartuig niet te miskennen, de aard van den tijger kwam in elke beweging van het andere uit. Terwijl de houding van het scheepsvolk op het dek van het eerste een vurig verlangen naar den strijd verried, en de bevelen van diens Kapitein bewezen, hoe zeer hij wenschte den wijkende in te halen, scheen het tweed\'1 de vervolging te willen ontsluipen, maar trachtte inderdaad slechts het voordeel van den wind te hebben, om te zekerder te overwinnen. Alle aarzeling, aan boord van welk dei-beide schepen wij ons zullen begeven, houdt op, nu wij bij het middagzonnelicht van dien hemel, dat bijna loodrecht op de blinkende golven en het even blinkend zand der Guineesche kust nederdaalt, op het eerste de Prinsenvlag aanschouwen. Ongeveer veertig jaren v \'r het door ons geschetste oogenblik had de Vader des Vaderlands haar, door zijn ridderlijken broeder, bij Heiligerlee voor het eerst doen ontrollen. Ongeveer veertiü dagen vroeger, had Jakob van Heemskerk haar voor het eerst op den erfvijand van den Staat, op zee doen zegepralen.

Laat ons de groep op de achtersteven van dat schip gadeslaan. De hoed met de pluim, de bonte sjerp, het groote zwaard doen ons in een man van middelbaren leeftijd den bevelhebber vermoeden; van Meteren noemt hem HarbartMartssen, Capiteyn van de Bare, een schip tot die der Admiraliteyt van de Mazé behoorende. Die jongeling in den bloei zijner dagen is de Luite-

-ocr page 29-

nant ïïeinsz; gindsche éénoogige grijskop zijn stuurman; dat knaapje, dat zicli vermetel op den uithoek geplaatst heeft, is de zoon des bevelhebbers.

Jk kan waarachtig niet zien, dat de roover nadert,quot; spiak de vóórlaatste tot den Kapitein, den blik op het schip gevestigd houdende, hetwelk alleen het eentonig gezicht, dat lucht en golven aanbood, afbrak.

AVat, rouwe Grijsbert!quot; antwoordde deze, don pekbroek meteene dier vertrouwelijke benamingen aansprekende, in die dagen niet ongewoon, en van welke de deftige Geschiedenis moijen Boer, lange Hendrik en mooi Lambert bewaarde; — »kunt gij niet zien, dat hij, nu de wind in zijn voordeel is, alle zeilen bijzet om ons op zijde te komen?-—Knaap, reik mij den kijker!quot;

-Hm! Hm!quot; mompelde de stuurman, aan de haren van zijn grauwen baard trekkende, »toen ik bij den Admiraal van Vecre scheep kwam, wist men niets van die verspieders; maar Jacob Simonsz. zei honderdmaal, dat liet uéue oog van rouwen Gijsbcrt scherper zag dan een valk.quot;

Hij komt, hij komt!quot; riep het jongsken, terwijl zijn vader door den vourtreffelijkcn kijker tuurde, wolken deze van Jacob Metius te Alkmaar gekocht had; »zio. Meester Grijsbert! eerst was hij ondi-r het Avolkje, nu is het achter hem!quot;

De droes! zouden de jaren het doen?quot; mompelde de oude. Dat Pieter Claes Rochussoubij ons war\'!quot; zeide de Luitenant, • le Luipart is nauwelijks tegen hem opgewassen, en onze Bare—

Hij schijnt lust te hebben te onderzoeken, of wij al ons kruit üj Gibraltar verschoten,quot; viel llarbart in, en gaf de vereischte i-evelen, ten einde den vreemdeling, zooals hij het verdiende, te ontvangen.

Intusschen naderde het schip inderdaad, en toen zijne witte cn bruine zeilen meer en meer zichtbaar werden, geleek het in zijne vlugge vaart een roofvogel, die gereed is op zijne prooi liuder to schieten. Een bijgelooviger volk dan do Hollanders van ■ u tijd zou het voor een betooverd vaartuig hebben aangezien: er vertoonde zich geen mensehelijk wezen op het dek; onechter getuigde elke wending van eene meestoiiijke hand, die zijne \'■ ating bestuurde. Het was bijna, of die beide eenzame zwervers

-ocr page 30-

30

op de glinsterende oppervlakte van rol liadden gewisseld. De vervolgde scheen de aanvaller te zullen worden; Harbarts hand gaf het teeken en het seinschot viel van het Hollandsohe boord.

Do vreemdeling beantwoordde het door het plotseling ophijschen eener bloedroode vlag, in welke een gouden dolk boven een omgekeerden beker en een gebroken verkeerbord geplaatst was.

ïHoudt u goed, jongens! Yoorde Staten en PrinceMouringh! riep Harbart tot zijn scheepsvolk, en de luide toejuiching, welke die weinige woorden vergezelde, werd eensklaps door eene doodsche stilte gevolgd. Doch het was niet de stilte der verslagenheid, de naam des Allerhoogsten werd in den gebede aangeroepen.

oAmen!quot; klonk hot en, om do uitdrukking van een onzer Historieschrijvers te bezigon, daarna dronck het scheepsvolck malcanderen dm dronck, der yhc,trouwiylieyl toe, en seylde lustick nacr sijnen vijandt.

»Sa, Trompetter!quot; beval Harbart, »blaas luide ons Wilhelmus: hij wete, met wion hij te doen hoeft.quot;

Onwillekeurig paarden zieli do stemmen der bootsgezellen aan de schetterende tonen van hot speeltuig, en het vaderlandsch gezang weerklonk over de golven der Ethiopische Zee. Het roofschip was nog altijd op genoegzamen afstand, om elke losbranding des geschuts vruchteloos te doen wezen; maar do blikken der matrozen teekenden hun ongeduld de ontstoken lont nog niet te mogen bezigen.

»lloinsz T\' riep de bevelhebber don luitenant toe; de jongeling voegde zich bij hem.

«Indien ik sneuvelen mocht. Jonkman! gij kent uw plicht en weet, waar mijne orderbrieven liggen, maar ik heb eene bede als vriend. Mijn jongskenquot; —

«Hier is mijne hand. Kapitein! hij zal in mij een vader vinden; doch die roover is driemaal zoo zwaar gewapend als wij\' liet is misschien de Engelsehe duivel Warde, ot onze vervloekte Simon de Danser; indien ook ik er niet van—\'\' »Dan zal Maiten zich zelvon redden,quot; sprak de knaap, wiens groote oogen even veel openhartigheid als heldenmoed teekenden; »doch do Heer zal mij genadiger wezen, dan u zoo vroeg weg te nemen.quot; voegde hij er bij, die geloovig opslaande.

-ocr page 31-

31

»Iuis mij, jongen! Moeder had gelijk, toen zij u te huis wilde houden.quot;

»En was ik u dan tot last, Yader! of vreest ge, dat ik bang ben? Neen, liever dan als eene oude best bij den haard te zitten, zoude ik in den mast van dien roover klimmen, en zijne vlag met mijne tanden neerhalen.quot;

-Maar er zijn geen honderd realen van achten aan te verdienen, Marten!quot; hernam de vader glimlachende om de drift van den jongen, en zinspelende op de belooning aan den trompetter van Kapitein Cleinsorge geschonken, die een dergelijk waagstuk in den slag bij Gibraltar aan boord van den Spaanschen Admiraal, met gelukkig gevolg ten uitvoer bracht.

»Er is eer bij te behalen!quot; hernam de knaap, »en hebt gij mij niet zelf geleerd, dat glorie meer waard is dan geld?quot;

«Vergeet het nooit, jongen!quot; hervatte Harbart, »en God zal met u wezen ook, wanneer ik —quot;

Het roofschip was onder schot gekomen, de vader ging in den bevelhebber te loor. »Vuur!quot; klonk het en eene donkerder wolk dan aan don azuren hemel ronddreef, omgaf eensklaps de beide zeekasteelen.

II.

»Goeden nacht. Luitenant!quot; zeide rouwe Gijsbert, de raachte-looze hand van Heinsz drukkende, »ik zal u dra volgen, man!quot;

»Xu kan hij mij in geen dikken mist meer een uur lang op den top van den mast laten zitten,quot; merkte een matroos aan.

»Dat gaat n vóór, jongens!quot;

»De roover betaalt boter dan de Staten, hij geeft ons de schoten met rente terug.quot;

Eu de waarheid der laatste opmerking Averd ten koste des sprekers bevestigd, want in den volgenden oogenblik stortte \'uj neder en zijne beide buren mot hem. Een zucht, een vloekt ■•■li »God, ontferm u!quot; was alles wat men hoorde, en drie redelijke wezens waren geweest!

den hoorde liet ter namvernood, want het gebulder van het geschut, het gekraak van masten en zeilen, het gejuich, het

-ocr page 32-

geschreeuw werd steeds heviger, de lafste werd moedig, de bloodste onvervaard. Het gevecht had een vierde uurs geduurd. quot;Waartoe zoude ik u al de ijselijkheden er van schilderen? Hollanders waren nooit laf op zee.

»Vader, gij bloedt!quot; zeide Marten.

»Ik voel het niet, jongen! — Luitenant Ileinsz!quot;

«Luitenant Heinsz is dood!quot; klonk het door Avolken rooks.

»Claes Hendriksz dan?quot;

En Clacs Hendriksz kwam, ontving de bevelen des kapiteins en spoedde zich naar het andere einde van het schip.

sTader. laat lAij den wondheeler halen!quot;

sDenk aan u zei ven het laatst, zoo gij ooit bevelhebber wordt. Marten Iquot;

Eene dubbele laag van het vijandelijk vuur deed een akelig gekerm opgaan; maar met meer tegenwoordigheid van geest dan zijne jaren beloofden, strikte Marten, te midden daarvan, zijn halsdoek los en wond dien om het been van zijn vader: Har-bart was aan do kuit gekwetst.

gt;Arie Goossens!quot; riep do kapitein. Het duurde eene geruime wijl, eer hij verstaan werd; eindelijk verscheen de geroepene, en Harbart deelde hem dezelfde orders mede, welke hij een oogenblik te voren aan CLies Hendriksz gegeven had; doch het was te laat — de vijand enterde.

Arme IhirVart Martssen! hij zsg, dut do bevolen wending verzuimd was. Er rest mij niets clan een eerlijke dood!quot; dacht hij. en snelde den roover te gemoet. xMarten! groet uwe moeder voor mij !quot;

Doch eer de aanvoerders elkander ontmoeten, vielen er drie schoten. Vader! Vader!\'\' kermde eene stem. »Vader! Vader!\' Helaas! do vader zweeg en bleef zwijgen, — Marton knielde bij zijn lijk.

Sir Francis Verney, de bevelhebber van het kaperschip, stond op drie schreden afstands het tooneel aan te staren; een jonge krijger .-i.m zijne zijde zuchtte, het was zijne geliefde Isabeau, in krijgMnansgewaad.

iZult yij mijns vaders dood niet wreken?quot; schreeuwde Marten, zijne tranen afwisschende, het scheepsvolk toe, terwijl hij

-ocr page 33-

33

vlag der Bare zag neerhalen en in dien smaad de bevestiging aanschouwde van het victoriegeroep der roovers.

Vergeefsche bede — de dappersten waren gevallen!

Eer echter dat zinnebeeld van Hollands onafhankelijkheid door den schendigen voet des vijands konde worden vertrapt, beproefde Arie Goossens, wiens rechterhand was afgehouwen, met de wapenen, welke hem overschoten — zijne linkerhand en zijne tanden — hem dat heilige teeken te ontrukken. Zij worstelden eenige oogenblikken, de betwiste vlag werd hun lijkkleed, Goossens sleepte zijn tegenstander mede in zee.

: Zult gij mijns vaders dood niet wreken?quot; herhaalde Marten.

»Prince Mouringh had hem lief, maar ik nog meer, jongen!quot; was het antwoord en Sir Francis zou den dolk, die als een bliksemstraal voor zijne oogen flikkerde en verdween, niet ontgaan zijn, indien de jeugdige krijger den stoot niet in zijn arm had opgevangen.

»Isabeau!quot; riep Sir Francis, en de kreet verried de hevigheid zijner aandoening.

»Ik ben beloond!quot; antwoordde zij, »laat dien knaap in mijne kajuit brengen, het is de zoon des Kapiteins.quot;

Sir Francis gaf de vercischtc bevelen.

»Dank hebbe uw goede wil, rouwe Gijsbert!quot; zuchtte Marten, die, van het lijk zijns vaders afgescheurd, terwijl men hem wegvoerde, den man gewaar werd, die zijne bede had verhoord en er duur voor boette.

»En God — mijne ziele — Marten!quot; — kermde de stervende.

quot;V óór nog de schemering inviel, was de Bare leeggeplunderd en hadden de roovers liet kleine gedeelte harer bemanning, lat niet voor de overmacht was bezweken, in ketenen gesloten en aan boord overgebracht. Verney deed oogenblikkelijk de herstelde zeilen der Fairest ophijschen, en zette zijn tocht voort. \\ lag als een watervogel, wiens neergeslagen wieken slechts de kruinen der golven aanraken, gleed do ranke bodem over den Oceaan, thans door het schitterend gestarnte van den hemel bestraald. Diep in het oosten bleef een vurig gevaarte een ge-ruimen tijd zichtbaar; eindelijk was het, of het met een doffen donderslag in den schoot der wateren wegzonk. ...Mijn Vader!

1 an cxrjen Bodan. IV, 5e druk. 3

-ocr page 34-

34

mijn vader!quot; gilde eene stem op het dek, — het ruwescheeps-Yolk had deernis met den schreienden knaap.

III.

Op een somberen herfstavond van het jaar 1809 kondigde de klok van de Groote Kerk te Botterdam de achtste ure aan, en peinzende telde eene bejaarde vrouw, welke in hare kamer de doffe tonen hoorde, die slagen na. Wekte het uur bij haar eene droevige herinnering op; had zij op denzelfden stond eene grievende tijding ontvangen? Het was niet onwaarschijnlijk; zij droeg het statelijk weduwldeed dier dagen en haar aangezicht was in treffende overeenkomst met dat gewaad van rouwe. Een bijbel lag opgeslagen vóór haar; indien gij over haren schouder hadt gezien, ge zoudt u overtuigd hebben, dat de bladen, op welke zij staarde, tot het Evangelium Lucae behoorden. Vermoedt gij niet, dat zij de opwekking van den jongeling teNaïn gelezen heeft? Een traan vloeide langs hare wangen, zij hief hare stramme hand, om dien af te wisschen, niet van haren schoot op; het was de Heer, die tot hare gelukkiger lotgenoote gezegd had: »En ween niet!quot;

Hij zou het nooit tot haar zeggen!

Eensklaps sprong de oude hond, die zich aan hare voeten had uitgestrekt, onrustig op; gillende vloog hij naar de deur der kamer. Daar hoorde de weduwe een ongewoon gedruisch in den anders stillen gang — het was een lichte tred, eene jeugdige stem!

Zoo hij het was!

Nooit had haar hart in de eerste verrukking der liefde zoo hevig geslagen; zij bestrafte zich zelve met een weemoedigen glimlach over hare ijdele hoop.

Hij was het!

De deur vloog open; Marten Harpertsz viel zijne moeder om den hals; gij eischt niet, dat ik u dat wederzien schildere.

Marton Harpertsz werd later Luitenant-Admiraal van Holland en verwierf zich een roem, zelfs door dien van Michiel Adriaansz niet overtroffen; Joan de Witt getuigde van hem, dat hij een

-ocr page 35-

35

zeeheld was, wiens wedergade vroegere tijden nooit hadden aanschouwd en latere wellicht nooit zouden zien, en Jan Vos sprak slechts waarheid, toen hij zijn bijschrift op \'s Mans beeltenis eindigde met de verzen:

Beschreit dien Watergod, — vergeefsch is \'t zegepralen, De lauwren zijn te dier, die wij met Tromp betalen.

E. J. POTGIETEE.

(Schetsen en verhalen. Haarlem, Kruseman en Tjeenk Willink.)

HET MUSCHJE.

Er zal een hevig onweer komen;

Wat wordt de lucht daar zwart en dik!

De blaadjes trillen aan de boomen.

En ieder bloempje beeft van schrik.

De zon schuilt weg, \'t begint te donkren, Do schuwe zwaluw zoekt het riet;

Ginds zie ik reeds het weerlicht flonk\'ren, — En stil!----was dat de donder niet?

O, als liet onweer los zal breken.

Waar vindt gij, arm, klein muschje, dan

Een schuilplaats, waar ge u kunt versteken, Een dak, dat u beschutten kan?

«Hij. die mij \'t aanzijn heeft gegeven,

\\ ol liefde en goedertierenheid,

Waakt ook gestadig voor mijn leven,

Is altijd tot mijn hulp bereid.quot;\'

3*

-ocr page 36-

3G

»o, Ja, Hij is me een Triend, een vader,

Hij voedt me en kleedt me en mint mij teer,

En is \'t de ■svil niet van dien Yader,

Dan valt geen muschje op aarde neer.

J. J. A. GoEVEEXErK.

EEN VOGELFESTIJN,

Reeds is het veder herfst geworden. De jagers zijn van ochtend al vroeg uitgetrokken, omdat de oostenwind een mooien dag voorspelde; en ook wij willen zooals zij uitgaan en naar »wüd\' zoeken, niet echter om te dooden of cm te verminken, maar alleen om te zien, te luisteren, misschien nieuwe kennissen te maken.

Gaat mede naar de duinen. quot;Wijkt een weinig van den grooten weg af en slaat een pad in, langs die kleine boschjes van berken, lijsterbessen, hagedoorns, die aan de binnenzij der duinen zulke schilderachtige partijtjes vormen. Zet u daar met mij neder in de lekkere herfstzon, die juist nog hoog genoeg staat om ons over gindsche hooge boomen heen te kunnen bereiken. Hoe heerlijk rustig is het hier. Slechts in de verte, van de naaste boerderij af, hoort gij van tijd tot tijd stemmen en dicht bij ons verraadt zich nu en dan een zangvogeltje door zijn vriendelijk gesjilp. En indien gij stil zijt. zal het ook niet lang duren, eer gij er een te zien krijgt. Kijk, daar nadert in het kreupelhout een roodborstje. Het maakt zachte, genoeglijke geluiden, springt van takje op takje, nu eens op^ d^n grond en dan weder wat hooger en ontdekt weldra, dat de doornstruik, waarop hij zich bevindt, ook beziën voortbrengt. Of-schocn geen bijzondere vriend van fruit — voor eene slak of een wurmpje laat hij graag eene bezie liggen — zoo wil hij nu toch wel eens even van de nieuwe vrucht proeven, snoept, onderzoekt en komt tot het besluit, dat de grootste helft al goed rijp is. quot;Welk

-ocr page 37-

37

eene koninklijke weelde voor zoo\'n diertje: alleen ia zulk een overvloed! Hij schijnt zich dan ook recht behaaglijk te gevoelen en al \'t genot van den toestand in te zien. Ziet, hoe hij het kopje nu eens opsteekt en dan weer rechts en links buigt; begeerig rondkijkt met de schitterende oogjes; hier eene besafjukt, maar in zijne brooddronkenheid wegwerpt; ginds trekt aan eene andere, halfrijpe, die nog vrij stevig vastzit aan haar steeltje, zoodat de gansche tak mee in beweging komt, en de kleine snoeper schrikt van het geritsel, dat hij zelf veroorzaakt! Maar nu heeft hij er eene gevonden, die hem. buitengewoon aanstaat, en pikt haar open met zijn aan de punt gebogen bekje en nuttigt haar in eene zegevierende, bijna overmoedige houding.

Niet lang echter blijft hij alleen. Daar komen een paar mee-zen aangevlogen en nog eene mees en nog eene. Het is dan ook de tijd van \'t jaar, wanneer zij overal beginnen rond te zwerven. Zij hebben pas haar nieuwe kleed aan, na de ruiing, en behoeven zich dus niet te schamen om in optima forma \') voorgesteld te worden. Hier is mijnheer de koolmees met zijn zwart kopje, zijne witte wangen, zijne gele borst, en eene breede zwarte streep, als eene lange das daarover heen. Zijn wijfje is juist gekleed als hij, alleen de borststreep is wat smaller. Ginds wipt een pimpelmeesje, met zijne zachte, blauwe en blauwachtige tinten. Die kleintjes daar houd ik voor »zwartequot; meezen, ofschoon zij in kleur niet heel voel van de koohneezen verschillen. Ook zij teren doorgaans op krachtiger voedsel dan bessen: zij zijn zeer goede vrienden van de tuinlui, en helpen hen in dit seizoen de boomen zuiver houden van insekteneieren; zij zijn daarmee den ganschen dag druk bezig en liet is slechts bij wijze van dessert, dat zij zich zulk een zoetigheidje laten welgevallen. Ditmaal schijnen allen er zoo over te denken, t Is, alsof de vogels in de buurt bemerken, dat hier iets bijzonders gaande is en idt nieuwsgierigheid eens komen kijken, of de vondst hun aanstaat. De musschen althans komen er rond voor uit, dat zij veel van vruchten houden en evenzoo

\') In den besten vorm; — naar den oisch.

-ocr page 38-

38

de vinken, die bij zes- en zeventallen te gelijk hier komen nedervallen, eer zij zich straks misschien laten beetnemen in de verleidingen der naaste vinkenbaan. Hier ten minste zijn ze nog veilig. Op dit feest wachten hun geene listen en geene andere beleedigingen, dan die zij zei ven op hunne beurt ook uitdeelen: de bekslagen en stooten, welke afgunst en inhaligheid hier en daar toedienen. De meezen vooral zijn ondeugende, kort aangebonden vogeltjes, die hun korten snavel even licht gebruiken om elkander als om bessen te pikken.

Telkens vermeerderen de gasten. Het middelpunt van het landelijk maal is echter nu niet meer de hagedoorn, maar een groote berberissestrnik, welks vruchten aan de meesten nog beter schijnen te bevallen. Daaromheen springen zij en verdringen zij elkander en huppelen en stoeien zij en schijnen zij verstoppertje te spelen achter de bladen, zoodat wij ze nauwelijks meer kunnen onderscheiden. Daar glinstert iets heldergeels tusschen de takken; het is de kop van een goudhaantje, dat voor de gezelligheid de meezen op hare vlucht gevolgd is, toen zij zijn gewoon verblijf, het sparrenbosch, voorbijvlogen. Zooeven zag ik ook een winterkoninkje, wat zijne grootte aangaat, het kolibrietje onder onze inlandsche vogels. Hoe aardig, vlug en dartel beweegt het kleine ding zich, hoe wipt hij onophoudelijk met zijn staartje, nu eens langs een stam of stengel naar dierlijk voedsel zoekend, dan weer. als terloops een lierberisje snappend. Want ook hij, klein als hij is, noemt dit eigenlijk kinderkost en is zelf een jager in zijn hart. Echte planteters zijn niet ééne soort van vogels, duiven alleen en kroos etende zwemvogels uitgezonderd; maar ook de kloekste jager heeft wel gaarne wat groente of moes bij zijn wildbraad, en aldus kan onze winterkoning het zich zonder schande veroorloven om heden deel te nemen aan dit vnichtenfestijn. Het is een waar volksoploopje onder de vogels: zelfs do schuwe basterdnachtegaal, anders zoo eenzelvig, waagt het ditmaal, zich onder het gezelschap te mengen. Slechts dat boomkruipertje acht zich boven de zaak verheven, klimt rustig door al het rumoer heen, tegen zijn abeelstam op en onderzoekt de spleten van de schors met zijnen snavel; zoo hij al eens, voor de afwisseling, iets plantaardigs wil eten, dan vergenoegt

-ocr page 39-

39

hij zich raet droge zaden van wilde Spiraea of kleinere kruiden.

Het berberissestruikje is al ras geplunderd. Niet dat alles opgegeten is; o neen, liet grootste deel der beziën ligt op den grond verspreid, hetzij als onrijp weggeworpen of met speelsch-lieid vermorst, hetzij, juist doordien zij overrijp waren, onder het stoeien van de steeltjes afgeschud. De zwakste ofbedaardste of voorzichtigste der vogeltjes hebben zich dan ook reeds aan liet gewoel onttrokken en zitten nalezing te houden tusschen \'t gras in de rondte; de gulzigste en sterkste daarentegen zijn van het deerlijk gehavende struikje op een verschen haagdoorn overgewipt. Doch doornbessen na berberissen schijnt voor hen »de boer op den edelmanquot; te wezen. De meesten blijven daar niet lang. Dichtbij echter had reeds van den beginne af een grauwe lijster zijn naam eer aangedaan, en zijn hart opgehaald aan de naar hem genoemde vruchtjes. Op dien nieuwen voorraad doet nu de groote hoop een aanval. De lijsterbessenboom, die dadelijk van eene massa heel en half verdorde bladeren bevrijd wordt, zwenkt voortdurend heen en weder onder het rumoer van dit onverwachte bezoek. Jïbg steeds vermeerderen de bezoekers; ijlings aangevlogen, zetten zij zich neder en buigen tegelijk met hunne knie hunne kleine teenen, zoodat die zich stevig om de takken klemmen, waardoor zij mot hun bek de wiegelende trossen kunnen grijpen. Eensklaps komt een ekster aan, zijn wijfje voegt zich bij hem; die twee krassen, lachen, schateren, pikken in de bessen en brengen den schrik onder de kleine vogels, welke, angstig wegvliegend, geërgerd, op een korten afstand, tegen hen blijven zitten piepen, maar liun intusschen, zeer voorzichtig, de keus uit de schitterendste trossen laten. Onrustig als hij is, blijft de ekster gelukkig niet lang; met vluggen wiekslag schieten beiden naar de overzijde van den duinrug en terwijl wij hen nog even nazien, om den prachtig blauwen weerschijn op hun staart en vleugels te bewonderen, hebben reeds de anderen hunne plaats hernomen, met luid gesjilp elkaar gelukwenschend, dat het veld weer vrij is.

{In V vrije veld. Brieven van een landmeisje aan jonge dames. Amsterdam , C. L. Brinkman.) \'

-ocr page 40-

40

KAPITEIN PULVER ONDER DE VRIJBUITERS,

Harmon Pulver, Kapitein op „de Prina re Paardquot; is niet zijn stuurman Sander Gerritsz. bij stormweder over boord geslagen en door een Spaansch schip opgenomen. Dit schip wordt door vrijbuiters aangevallen en veroverd, zoodat Pulver in gevangenschap geraakt.

Hij vertelt deze lotgevallen in een familiekring op het buitengoed Heizicht en gaat voort op de volgende wijze:

»quot;Wij gingen onder zeil en het duurde zoowat vier of vijf etmalen, dat wij in dat satansclie hok bleven opgesloten zonder zon of maan te zien; alhoewel, dit moet ik tot eer van den vrijbuiter en van zijn kok zeggen, wij kregen, ofschoon gevangenen, beter eten dan op liet Spaansehe schip. Eindelijk, den zesden dag geloof ik, liet men ons op het dek hijschen. Ik keek ereis rond om hoogte te nemen; maar Joost haal me, zoo ik de plaats herkende, waar we ons bevonden; en dat was nog al natuurlijk, daar ik er nooit geweest was. Wij lagen voor anker in eene zeestraat ; althans voor zooverre ik in dien korten tijd heb kunnen bespeuren: het was zout water en zoo helder, dat men het zand van den bodem en al de visschen, die er heen en weer zwommen, onderscheiden kon. Rechts en links een muur van rotsen, die naar mijne gissing wel vijfhonderd voet uit het water oprezen, en zoo steil, dat men zou gedacht hebben, zij waren den dag te voren van elkander gespleten; overal groeiden er boomen en struiken op, waar maar een beetje aarde en een scheur in de rots was om zich op vast te hechten, terwijl het kanaal op sommige plaatsen zoo smal was, dat de takken van weerskanten elkander ontmoetten bij wijze van een berceau, zooals men dat op zijn Franschheet, geloof ik; en dan had men er vogels in van alle soort, dniven en spechten en eenden en nachtegalen, die zongen, dat het een lust was, en witte kraanvogels en zwarte kraanvogels en grijze kraanvogels, die hier en daar stonden te kijken, met eene verwaandheid als een diender voor een Sinterklaaswinkel. Maar ik had niet lang tijd om alles nauwkeurig op te nemen: wij werden

-ocr page 41-

41

in de jol neergelaten en een eind -weegs van liet schip gevoerd, tot wij ons op eene steê bevonden; waar het water een inham in de rotsen maakte. Hier was eene landingsplaats en eene natuurlijke trap in de rots, die wij op moesten; het was er bij wijlen mooi donker, want het hing er zoo dicht van takken en struiken, dat de zon geene gelegenheid had om erdoor te schijnen; en er liepen overal hagedissen, zoo vlug en zoo glinsterend, als ik ze mijn leven niet gezien heb. — Nu! toen wij bovenop de hoogte waren, moesten wij er aan de andere zijde weer af en kwamen zoodoende in eene vallei, waar dan eigenlijk het ware verblijf van de zeeroovers was: en eene goede schuilplaats was het, want wie den ingang tot de zeestraat en het pad over de rots niet kende, zou er uren naar gezocht hebben. Hier bracht men ons in eene groote schuur, waar dag en nacht schildwachten met geladen vuurroeren voor stonden: \'t geen mooi onnoodig was, want al hadden wij willen en kunnen wegloopen, ik weet niet, waar wij heen waren gegaan. Alle dagen kwam men een van de met ons gevangen Senhores 1) halen en die kwam dan niet weerom. »Die is er om koud,quot; zei Sander dan. Maar ik zei: »neen! dan zouden zij ons zoo lang den kost niet gegeven hebben; maar zij geven hun de keus om gehangen te worden of dienst bij hen te nemen: dat is zoo zeerooversmanier.quot; — Wij dachten al: wanneer zal de beurt aan ons komen? toen eens op een dag een allerliefst Juffertje binnenkwam, een meisje van zoo veertien of vijftien jaren, naar ik gis, met een recht vriendelijk gezichtje en een heel net kleedje aan. »Ziju er hier geene Hollandsche zeelui?quot; vroeg zij in zuiver Nederdnitsch. Sander on ik, wij keken elkander aan, alsof wij het in Keulen hadden hooren donderen. »Tot je dienst,quot; zeiden wij allebei: wat is er van je believen?quot; — AVilt ge zoo goed zijn, mij te volgen?quot; zei zij toen weer, met een allerliefst stemmetje. »]STiets liever dan dat,quot; antwoordden wij, want wij hadden mooi onze bekomst van in die stinkende schuur te zitten. Zij ging vooruit; do schildwachten presenteerden het geweer voor haar, krek of zij eene prinses ware ge-

\') Heeren, Pulver duidt met dien nanra de Spanjaarden aan.

-ocr page 42-

42

weest, en zoo wandelden ■vvij achter haar over het veld, totdat wij aan een heel aardig zomerhuis kwamen, dat tussehen hooge kokosboomen gelegen was. Hier stond weer een kerel op schildwacht, die ons met haar doorliet. Zij stootte eene zijdeur open, en wij zagen een man aan tafel zitten met een sitsen, gebloem-den, japonschen rok aan zijn lijf, druk bezig met schrijven. — »Hier zijn de twee Hollanders, Papa!quot; zeide het Juffertje. De vreemde Heer keek op : het was warentig de rooverkapitein. — »Hoe heet je?quot; vroeg hij, terwijl hij mij strak aankeek.

sHarmen Pulver,quot; zei ik. AVat duivel, spreekt UEd. ook al Duitsch?quot;\')

3gt;Gij komt hier om te antwoorden, en niet om vragen te doen,quot; zei hij met eene barsche stem, terwijl hij de wenkbrauwen samentrok. »Hoe oud zijt gij?quot;

»Yijf en veertig jaar,quot; zei ik weer, terwijl ik mijn kop krabde.

»Hoe kwaamt gij op dat Spaansche schip verzeild?quot; vroeg hij alweer.

»Wel!quot; zei ik; »dat wil ik wel ereis vertellenquot; — en zoo zei ik hem do gansche waarheid, van stukje tot beetje. Hij luisterde heel aandachtig toe en vroeg mij vervolgens, hoe lang ik ter zee gevaren had, of ik vrouw en kinderen te huis had en zoo al meer. Toen draaide hij zich naar Sandortje, die ook zijn naam en zijne jaren op moest biechten. »Sandor Gerritsz!quot; zei hij toen, »gij zult vooreerst in mijn dienst blijven, tot zoolang ik eene andere bestemming voor u vinde. Amalia! breng dien knaap naar achteren en zog aan Diego, dat hij hem een stel kleederen bezorge en in zijn werk onderrichte.quot;

»Bij dit gedeelte van Pulver\'s verhaal kon ik 2) niet nalaten verwonderd op te zien. ®Amalia,quot; herhaalde ik, »heelte zijne dochter Amalia?quot;

»Wel ja, Amalia!quot; hernam Pulver, »een mooie naam voor de doclitor van een rooverkapitein. Nu, dat is tot daar aan toe. Het meisje was in allen gevalle een lief en vriendelijk ding: zij wipte de kamer uit en Sander volgde haar, niet recht zeker

\') Duitsch, een der vroegere namen onzer taal.

=) Ferdinand Huyck, een der toehoorders, zoowel als Henrietta en Sasanna, die later voorkomen.

-ocr page 43-

43

of hij wèl of kwalijk dood, geloof ik, want hij keek mij een keer of drie aan in \'t heengaan, als een tolgaarder zou doen, wien zo onzuivere munt in de handen gestopt hebben. xNukomt mijne beurt,quot; dacht ik. — »En gij, Ilarmen Pulver!quot; zei de Kapitein, »gij zult Onderstuurman bij mij worden, overmits ik den mijnen in het laatste gevecht heb verloren.quot; — »Ik bedank u hartelijk,quot; zei ik. — Toen zette hij een gezicht, alsof hij me op wou vreten. »Wat!quot; zei hij, »en waarom niet?quot; vroeg hij, alsof het een Admiraalsbaantje was, dat hij mij gepresenteerd had.

»Wel!quot; zei ik weer, »omdat . . en meteen snuffelde ik in mijn broekzak, waar ik nog, spijt schipbreuk en roovers en al, een klein zakbijbeltje had bewaard; en ik sloeg het open: »kijk!quot; zei ik, en wees hem op het achtste gebod.quot;

»Dat was braaf gehandeld,quot; zeide Henriëtte, en Susanna zag den dikken man met eenigen eerbied aan, alsof zij eene innerlijke belofte deed, van ten minste in do eerste tien minuten den spot niet met hem te drijven.

»En hoe nam. de zeeroover dat op?quot; vroegen wij allen uit één mond.

»quot;Wel, dat viel mee, (zoo als de dronken bottelier zei, toen hij met de gangtrap in zee rolde). — Hij keek wel eerst wat stuursch, maar het maakte toch indruk, merkte ik. »Ik wilgeen theologisch dispuut met u beginnen,quot; zei hij, »anders zou ik u kunnen overtuigen, dat dit artikel, (hij noemde het een artikel; de man was ook niet vast in de leer!) dat dit artikel,quot; zei hij, »op mijn beroep niet toepasselijk is. Ik ben hier zooveel als Souverein, geloof ik,quot; zei hij, »en in oorlog met alle natiën; alleen heb ik nog een gekkelijk zwak voor de Hollanders, ofschoon zij het niet aan mij verdiend hebben. — Ik geef u een uur om u te bedenken,quot; zei hij; en meteen vouwde hij heel bedaard het papier, dat hij geschreven had, dicht en stond op om heen te gaan. — »En zoo ik het nu niet aanneemzei ik, »wat dan?quot;

»Dan wordt gij gehangen,quot; zei hij, op denzelfden toon, alsof hij mij de keus had gelaten tusschen een slok brandewijn en een glas rood en hij stapte de deur uit.quot;

»Uw toestand moet alles behalve vroolijk zijn geweest,quot; merkte ik aan.

-ocr page 44-

44

»0m den drommel niet,quot; zeide Pulver; »maar ik had er mij al zoo half en half op verwacht en mijn besluit was genomen, want ik dacht: men moet toch eenmaal dood en dan nog liever als een Christenmensch gestorven. Zoo ging ik zitten en dacht, ik zal miju laatste uurtje toch zoo goed mogelijk besteden en lezen een kapitteltje uit de Schrift; en met dat ik daaraan bezig was, zoo komt mij dat Juffertje weer binnentrippelen. »Och Kaptein!quot; zei ze, »vertel mij toch ereis wat van Holland; ik hoor zoo graag van HoUand spreken.quot; »Lief Juffertje,quot; zei ik, »dat zou ik met pleizier doen, waarom niet; maar ik heb nu zoo slecht den tijd, want over een uur , weetje, moet ik gehangen worden, en daarom dien ik mijne leste oogenblikken wel te besteden met mijne ziel in een staat van genade te brengen en nog eens aan mijne arme vrouw en zes bloeien van kinderen te quot;denken, die ik te huis heb gelaten.quot; En met voelde ik, dat mijne oogen overliepen. »AVat!quot; zei zij, »hebt gij vrouw en kindoren?quot; en zij begon ook mee te sch.eien, de goede, medelijdende ziel. »En wie wil u laten hangen?quot; vroeg zij, »is het Papa^ _ Jap _ In dat geval, dan zal ik hem zoolang smeeken

en bidden, tot hij u genade geeft.quot; —

_ «Juffertjezei ik, »het hangt van mij af, om te blijven

leven, maar dan moet ik dienst nemen bij uwen vader: zieje, dat kan ik nu zoo maar niet met mijn geweten overeenbrengen.quot; _ „En ^waarom niet?quot; vroeg zij, mot een heel natuurlijk stemmetje. /Ja!quot; zei ik zoo, »oni dat rooversbedrijf, dat strijdt zoo wat tegen goddelijke en menschelijke wetten.quot; Toen keek zij mij heel strak in \'t gezicht, omtrent even strak als haar vader gedaan had. »Ik weet het,quot; zei zij toen, snel sprekende, net alsof zij bang was voor hetgeen zij zeide, »ik weet het: — spreek daar niet over. Gij hebt gelijk: ik ben het slechts ontwend, dergelijke waarheden te hooren. Lees voort en ik zal u niet storen: maar ik wil hier blijven, ik moot met mijn vadei spreken; dat zal zoo niet afloopen.quot;

«Zonderling!quot; zeide Henriëtte, zich een traan uit het oog wisschende: »en hoe kwam de vader van een meisje, dat zoo sprak, aan het hoofd van een roofschip?quot;

«Dat is. wat ik ook dikwijls gedacht heb. Juffertje 1\' zeide

-ocr page 45-

Pulver: »maar UEd. zal nog meer hooren. Juffrouw Amalia dan ging over mij zitten, met de armen gekruist en terwijl zij stipt voor zich keek. Hot uur was nauwelijks verloopen, of daar stapte haar vader weer binnen. »AVie heeft u geheeten hier te komen?quot; vroeg hij aan zijne dochter, »laat ons alleen.quot; — »]^een!quot; zei zijne dochter: »dat doe ik niet, of gij moet mij eerst beloven, dien man vrij te laten. Hij heeft vrouw en kinderen,quot; zei zij, terwijl zij de handen vouwde. »Laat hem gaan, vaderlief, gij znlt het immers aan uwe kleine Amalia niet weigeren?quot; En zoo ging zij voort, terwijl zij hem allerlei lieve woordjes gaf en hij wrevelig voor zich bleef kijken. Eindelijk scheen hij eenigszins tot andere gedachten te komen: hij nam haar bij de hand, zei iets tot haar in \'t Spaansch en bracht haar, half willig, half onwillig, de kamer uit. Ik hoorde echter, dat hij haar buiten de deur een zoen gaf: dat dacht mij een goed voorteeken te zijn. Toen kwam hij weer tot mij. «quot;Wel!quot; zei hij, »hebt gij uw besluit genomen?quot; — Jaquot;, zei ik. — »En wat is het, kort en goed, zonder teksten?quot; vroeg hij, »ja of neon?quot; — »Neen!quot; zei ik. — »Dus hangen?quot; vroeg hij weer. — »Neon! ook niet,quot; zei it, «immers niet met mijn wil.quot; — ^Gij begrijpt toch,quot; zei hij, »dat er geone derde keus overblijft. Ik kan toch niet iemand, die eenmaal hier geweest is, levend laten vertrekken, om, als hij te huis is, mijne schuilplaats te verklikken.quot; — »Hoor, weetje wat, Eaptcin!quot; zei ik; laat mij gerust gaan. al ware het op dezelfde manier, waar ik op gekomen ben, van mijne bezoeken zulje geen last meer hebben, dat beloof ik u; en om aan anderen den weg te wijzen, dan moest ik hem eerst zelf kennen, \'t Is waarachtig beter, dat gij mij het leven schenkt: gij weet niet, hoe het u naderhand nog kan te pas komen; als b.v. de Heeren van de Compagnie u eens bij de kladden krijgen, dan zal het u meer goed doen, als ik in uw voordeel spreken kan. dan dat ik nu aan een van die gindsche boomen bungelde.quot; — Hij scheen even na te denken. Gij kunt onze levenswijs nog niet beoordeelen,quot; zei hij, »ecn man moet weten, wat hij kiest, of wat hij verlaat.quot; Met floot hij en er kwam gt; en aardige jongen m een matrozenpakje binnen, aan wien hij in \'t Spaansch zijne bevelen gaf. »YoIg dien kn::ap!quot; zei hij toen: -die zal u

-ocr page 46-

46

brengen, waar gij wezen moet!quot; Wat zou ik doen? Ik maakte eene strijkage, en ging ons maatje achterna, die mij buitenshuis bracht en naar een ander gebouw, waar de bende gewoon scheen te zijn haar middagmaal te nemen. Hier kwam er een hoop bij elkander, alsof zij van den toren van Babel gestuurd waren, volk van alle natiën en tongen; er waren Portugeezen, Spanjolen, Engelschen, Italiaanders, Franooisen, Hollanders ook, schande genoeg! En ik moest mee aanzitten en zien, hoe het er toeging. Ik moet zoggen, die schelmen hadden eene tafel, of het voor een burgemeester was, vloesch en gevogelte van allerlei soort, en wijn, zooveel hun lustte en van den besten ook. Ik dacht, Pulvertje! dat is allemaal om u te verleiën, maar deze reis zal het hun niet lukken. — Ondertusschen waren er een paar naast mij komen zitten, die vertelden mij, hoe goed zij het hadden onder Don Manoël, zoo noemden zij den Kapitein, en wat eene dwaasheid ik doen zou, indien ik niet met hen bleef; en onderwijl schonken zij mij al in, den eenen kroes voor, den anderen na. Maar ik lachte in mijne vuist en dacht: als het op pooien aankomt, dan ben ik nog niet bang: ik heb een Mük, die kan ertegen, zooals Thomasvaêr in de klucht zeit. En bovendien had ik van al het praten een keel gekregen, zoo droog, of ze van een weverswammes gemaakt was. En ziet, mijne buren raakten allebei zoo mooi bezorgd, dat zij van de bank rolden. Toen kwam er een ander, die wou mij een papier laten teekenen; maar ik smeet hot wat deftig over de tafel heen, waarop er een was, die mij te lijf wou; maar ik gaf hem eenr\' muilpeer, dat hij naar de tweede niet vroeg. Toen vielen zij allemaal op mij aan, en bonden mij en smeten mij in een hok, waar ik tijd had om uit te slapen. Den volgenden morgen kwamen er vier kerels mij halen en begonnen met mij een doek voor mijne kluisgaten te-binden, dat ik niet zien zou, wat zij in \'t vizier hadden. Ik kreeg slechte gedachten, toen zij mij naar buiten brachten en meende, nu was mijn uur gekomen en ik moest maar mijn best doen als een vroom Christenmensch te sterven; maar jawel! ik had pas een eind weegs omgekuierd, of zij smeten mij in eene sloep en na een tijdlang roeiens, merkte ik aan den wind, die mij op mijn front-

-ocr page 47-

47

werk speulde, dat wij kort aan zee waren. Op eens werd ik aan boord van een schip gelieschen. »Zouden zij mij nu naar zeemansmanier aan de ra hangen?quot; dacht ik; maar ook al nietr ik werd tusschendeks gelaten, ik hoorde het anker lichten en wij staken van wal. Hot duurde zeker wel twintig dagen, eer de reis ten einde was en ik bleef al dien tijd beneden, zonder eens op het dek te mogen komen en zonder dat iemand boe of ba tegen mij zei: gij kunt denken, of ik ook het land had. Eindelijk liet men het anker vallen, ik werd alweer geblinddoekt, in de sloep gelaten en aan wal gebracht. Toen mij de doek werd afgenomen, zag ik, dat ik in een klein boschje was, doch waar, wist Joost. Eon van de roovers, die Hollandsch sprak, stond naast mij, en stelde mij een geldzakje ter hand. »Houdaar!quot; zei hij; »en maak, dat je wegkomt. Gij hebt slechts het eerste pad het \' beste te volgen, om menschen te vinden, ilaar zoo ge ons altemet mocht herkennen t\'avond of morgen, draag zorg ons dan niet te verklappen, noch ons na te volgen, ofquot; ... hier maakte hij eene beweging, die ik best begreep. »Geen nood,quot; zei ik, »en goeie reis (zoo als de man, die zich baadde, tegen de haaien zei.)quot; Weg liepen zij, ik stond alleen te kijken, als malle Piet. Maar ik dacht, ik zal den anderen weg kiezen en zoo liep ik dwars door het boschje heen, mooi nieuwsgierig waar ik zou aanlanden, tot ik aan een soort van huisje kwam, waar ik een paar negers vond, die mij te recht hielpen, en mij naar de Havana brachten, want daar was ik geen twee geweerschoten van verwijderd.

Ik kuierde de stad binnen en vond al gauw eene plaats om onder dak te komen bij een ouden landsman, dien ik er wonen wist. »AVel, Kapitein Pulver,quot; zei die, toen hij mij zag »hoe komje zoo uit de lucht vallen?quot; «Patientie!quot; zei ik, »dat zal ik u naderhand w-el eens vertellen.quot; Den volgenden dag ging ik ereis op mijn kuier; maar schoon ik in een paar kooplieden, die ik onderweg ontmoette, twee van Don Manoëls volk meende te herkennen, en schoon er een net getuigd en gekoperd brikje onder Portugeesche vlag in de haven lag, dat al rare vermoedens bij mij deed ontstaan, ik paste wel op, mijn mond dicht te houden, zoolang ik er bleef, \'tgeen gelukkig korter was dan

-ocr page 48-

48

ik eerst vreesde: want er kwam eenige dagen daarna gelegenheid om naar Curaoao te varen, waar ik »de Prins te Paardquot; bij geluk nog vond, die juist het anker zou lichten en je kunt denken, hoe zij allen te kijken stonden, toen zij mij in levenden lijve weerom vonden; want zij dachten niet anders, of ik had uit de groote spoelkom gedronken. Nu vraag ik u, of Kapitein Pulver al rare ondervindingen heeft opgedaan.quot;

Mr. J. van Lemep.

[Ferdinand Huyck. Arnhem, D. A. Thieme.)

DE PIT VAN DE KAARS.

Er is een tijd geAveest — en die tijd is nog zoo lang niet verleden, of er zijn nog eene menigte menschen in leven, die er heugenis van hebben — waarin men in bijna elk huis \'s avonds kaarsen brandde om licht te hebben. Yotkaarsen waren het. Gij weet zeker wel, wat vet- of smeerkaarsen zijn; immers, in de groote steden moge tegenwoordig bijna nergens meer eene vetkaars gebrand worden, op het land zijn zeker nog altijd zulke vetkaarsen in gebruik, want in bijna elk kruideniers winkeltje in de dorpen en in onderscheidene winkels in de steden ook, ziet men nog steeds bosjes vetkaarsen te koop hangen, en dat zou het geval niet zijn, als er niet nog altijd menschen waren, die vetkaarsen kochten en gebruikten. Wat zijn vetkaarsen? Vet van schapen en runderen wordt gesmolten in een grooten ketel en als \'t gesmolten is, neemt de kaarsenmaker een stokje, waaraan op eene rij eenige dikke katoenen draden hangen. Hij dompelt die draden in het gesmolten vet en dan haalt hij hen er weer uit. Aan eiken draadbundel hangt dan een laagje vet, dat weldra stolt. Maar er zit nog niet genoeg vet om de pit, welnu, de kaarsen worden nogmaals en nogmaals in het gesmolten vet gedoopt, en zoo worden zij eindelijk dik genoeg.

Zulk eene vetkaars, al brandde zij, was toch een zeer onvol-

-ocr page 49-

49

•doend middel om licht te hebben: men had een kandelaar noodig om haar er op te plaatsen; als zij eenigen tijd gebrand had, werd zij natuurlijk korter en moest dan op eene zoogenoemde opschuif gezet worden en eindelijk, als zij bijna geheel opgebrand was, en in de pijp, dat is in de pijp van de opschuif\', begon te branden, moest men haar op een prof ij ter tje plaatsen. Daarbij behoorde dan nog een domper om de vlam uit te dooven, als men naar bed ging en eindelijk een snuiterbakje met een snuiter. Een snuiter vooral, want als de kaars eenige minuten gebrand had, moest zij gesnoten borden. Waarom moest dat gebeuren? Omdat er een kop op de pit kwam. Over dien kop op de pit wensch ik een oogenblikje met u te praten.

\'t Zou mij volstrekt niet verwonderen, als een van mijne jonge lezers nu zei; »Wat kan mij zoo\'n kop op de pit van eene vetkaars schelen; wij branden toch geene kaarsen meer, gas, zie je, of eene moderateurlamp, of petroleum, of stearinekaarsen.quot; Juist, stearinekaarsen, ook wel bougies genoemd, bij voorbeeld op de ijlakertjes van de pianino, als uwe zuster \'s avonds muziek maakt. Maar zeg eens, waarom behoeft die stearinekaars niet gesnoten te worden evenals eene vetkaars; waarom komt er geen kop op de pit van eene bougie, evengoed als op de pit van eene vetkaars? Aha, dat weet ge niet. Nu, ik zal het u zeggen, maar dan moet gij mij toestaan, dat ik u eerst zeg, waarom de pit van eene vetkaars wel een kop krijgt, als zij eenigen tijd gebrand heeft.

De vlam van eene kaars geeft een zwarten walm of rook; gij ziet dat zoo niet, maar gij kunt er u gemakkelijk van overtuigen, dat het zoo is, door even een stukje glas boven de vlam te houden: het wordt terstond zwart en dat zwart is niets dan eene soort van roet, koolstof, die door het verbranden uit het vet en de pit ontwikkeld wordt. Zooals het op uw glaasje gegaan is, gaat het ook op de pit. die in de vlam is: het roet, de koolstof zet zich af op de pit en vormt er een bloemkool- of paddestoelvormigen knop op; die knop verhindert de volledige verbranding, de vlam wordt rooder, kleiner, en de kaars moet noodzakelijk gesnoten, dat is, de kop van do pit weggenomen worden.

Ion eirjen Bodem. IV, 5e drnk. 4

-ocr page 50-

50

Nu zult gij missclüon vragen: »Waaroni zet dat roet zich op de pit af?quot; Luister eens; eene vlam van eene kaars komt u voor plat te zijn als een mes, niet waar? Ja, maar zoo is zij toch niet van gedaante: zij is rond, of liever zij gelijkt op eene lange peer, die met den steel naar boven staat. Ook ziet gij duidelijk, dat de vlam van eene kaars uit drie deelen bestaat: de roodachtige top, liet witte heldere gedeelte en het blauwachtige binnenste. Nu is die vlam niet overal even heet, dat scheelt veel; zij is het heetst aan de punt, minder heet waar zij het lichtst is, en nog veel minder heet middenin, dat is rondom de pit, waar zij blauw schijnt. Het is binnen in de vlam, om zoo te zeggen, vrij koud, zóó zelfs dat de katoenen pit daar niet eens volkomen kan verbranden en tot asch overgaan. Die betrekkelijk koude pit nu ondergaat in de vlam juist hetzelfde als uw glaasje van straks, dat bewalmd is geworden: ook de pit wordt met walm, met roet bedekt, dat roetlaagje wordt hoe langer hoe dikker en zoo krijgt de pit een bloemkoolvormigen knop.

Begrijp mij nu goed: omdat het betrekkelijk koud is binnen in de vlam, kan de pit niet volkomen verbranden. Meer naar buiten, naar den omtrek van de vlam is het veel warmer dan van binnen, en even buiten de vlam is het nog veel heeter: buiten de vlam zou de pit wel verbranden tot asch, cn zou er zich geeu roet op kunnen plaatsen. Hadden wij dus maar een middel om de pit buiten de vlam te krijgen, dan waren wij klaar. Nu, dat middel heeft de menschelijke schranderheid gevonden : gij ziet dat aan onze stearinekaarsen. Dat eene stearine-kaars niet gesnoten behoeft te worden, weet ge wel, maar het middel daartoe is dit: het uiteinde van de pit van de stearine-kaars wordt buiten de vlam gebracht; let er maar eens op: de pit van eene stearinekaars, die brandt, is altijd omgebogen ot omgekruld, zoodat haar uiteinde buiten de vlam komt. Daar verbrandt de pit volkomen tot asch, en in het koudste, blauwe gedeelte van de vlam bevindt zicli geen verkoold katoen, waarop het roet zich kan afzetten, want zoodraquot; er een eindje pit verkoold is, gaat het buiten de vlam, waar hot verbrandt.

Hebt gij niisschien gedacht, dat de pit van eene bougie toevallig ZOO omkrulde? Gij begrijpt dan nu reeds, dat zulks in

-ocr page 51-

51

\'t geheel het geval niet is. Neen, met opzet wordt die pit zóó gemaatt, dat zij onder het verbranden moet ombuigen en buiten de vlam komen en de reden, waarom zij zoo gemaakt wordt, weet ge nu. En nu moet ik u nog even zeggen, dat de pit zoo ombuigen moet ten gevolge van de bijzondere wijze, waarop de katoendraden, waaruit zij bestaat, samengevlochten zijn; als de stearinekaarsenmaker de pit in do stearine werkt, weet hij reeds vooruit, dat die pit brandende moet omkrullen en dus niet gesnoten behoeft te worden.

En nu zal het mij pleizier doen, als gij het boven gezegde goed begrijpt, want als gij \'t niet begrijpt, dan is het mijne schuld: ik ben dan niet duidelijk genoeg geweest. Vraag dan maar aan een ouderen broeder of zuster, of die het u nog wat duidelijker wil maken.

Er is nog veel bij het branden van kaarsen op te merken, dat onze belangstelling zeer verdient, zooals bij voorbeeld, dat vetkaarsen afloopen, namelijk dat er meer vet smelt door de warmte van de vlam dan er kan verbranden, terwijl stearinekaarsenniet afloopen en niet druipen; verder dat paraffinekaarsenintegendeel wel druipen, maar niet behoeven gesnoten te worden on dergelijke dingen meer, doch daarover praten wij misschien later eens.

T. C. WmcLER.

{Kennis m Kunst, 1868. Haarlem, A. C. Kruseman.)

SNEEUWKLOKJE.

Do sneeuw is verdwenen — en toch is \'t, of zij Ons enkele sneeuwvlokjes na heeft doen blijven. Die gindsch op den adem van \'t windeke drijven. Dat zacht ze op- en nederschudt, hupp\'lend en blij.

Ik grijp zulk een vlok.... wat verrassend gezicht! De sneeuwbloem wast, zie! aan een groenenden stengel. 0, \'k weet!... Groen en wit in zoo\'n lieflijk gemengel.. Een sneeuwklok ontlook in \'v weer koesterend licht! -

4*

-ocr page 52-

52

Een sneeuwklok: half sneeuw en half bloem, als heraut Van \'t wijken des winters, van \'t naadren der lente, Wie God op het aanschijn de blijmare prentte,

Die ze ieder verkondigt, wiens oog haar aanschouwt.

Zoo groette eenmaal ISToach de duif, die hij \'t lot Der groenende olijf naar zijne arke zag dragon.

Die \'t einde hem spelde der wintersche dagen

En de aard\', die herleefde, in de olijf, die weer bot.

En daarom gezegend, gij lieflijke spruit,

Kind van twee seizoenen, gij sneeuwbloem en sneeuwvlok. Wel eert gij den naam, dien de mensch u gaf: sneeuwklok, Gij luidt als een klokje den wintertijd uit.

J. P. Hasebhoek. {XlvKire Windekelken. Amsterdam, II. Ilüveker.)

EEN DEFTIG BEZOEK.

Toen ik gisteren morgen te Amsterdam mijn koffer pakte, legde ik op verzoek van mijne vrouw, ook een boekje wit papier erin, ten einde dadelijk en dagelijks al mijne bevindingen op te teekenen. Ik zit nu op mijne kamer bij Janssen en zal mijn best doen mij te herinneren, wat ik gisteren beleefd heb na mijne aankomst op »het kasteel.quot;

Mevrouw Janssen en hare doclitorwaren uit, toen ik aankwam; zij hadden eenige noodige visites te maken. Ik dronk dus alleen met mijn vriend koffie. Dat was spoedig afgoloopen. Janssen was zoo ongeduldig om mij zijne nieuwe bezittingen te laten zien, dat hij mij den tijd niet gunde mijne boterham te smeren, maar mij dadelijk medesleepte naar tuinen, stallen, Engelsche schapen, broeikassen, zolders en scluiren, vijvers (naar hij zeide) volvis-sehon en eene jacht — o, waar hot wild even overvloedig is, als de modder bij nat weder in onze geliefde Kalverstraat! — och.

-ocr page 53-

53

wanneer zal ik die wederzien! — Ik zeg, dat het wild overvloedig is en niet in overvloed, omdat ik niet weet, wie het schieten zal, want als ik met Janssen op de jacht moest gaan, zon ik liever als haas of patrijs hem een paar maal in den loop van den dag ontmoeten, dan don geheelen dag naast den loop van zijn geladen geweer wandelen.

Zeer curieus was ook het gezicht eener model-boerderij. door mijn vriend opgericht ten gerieve zijner dochter, die van iets van dien aard van Prinses Marianne op het Loo gehoord hebbende, haar »Paquot; (in Amsterdam heette hij »vaderquot;) geene rust liet, eer hij haar met de boerderij en alles, wat er bij behoort, tevredenstelde.

»\'tls eene dure liefhebberij,quot; zei Janssen; «maar bulten moeten de dames toch iets hebben, en daar de Freules van den Baron van de Sterkevuist ieder een rijpaard hebben, moet ik wel iets voor mijn dochtertje doen!quot;

Na alles afgezien en afgewandeld te hebben, stelde Janssen voor, dat wij in een open koepeltje op eene hoogte in den tuin een glaasje Madera zouden drinken. Ik had mij warm ge-loopen en stond erop, dat we zulks in huis zouden doen, vooral daar ik Janssen nog over eenige zaken sproken moest, welke zijn compagnon me opgedragen had, hem mede tedeelen.

Wij gingen dus naar binnen; ik haalde mijne papieren te voorschijn, en zoodra wij aan de ronde tafel zaten bij het raam, en ik een beetje uitgeblazen had — want ik was doodaf — verdiepten wij ons in onze beurszaken; want wij wilden ze gaarne afgedaan hebben, eer de dames naar huis terugkeerden. Nu was het, dat ik mijn vriend weder herkende; met hart en ziel wijdde hij zich aan zijne geldelijke belangen toe en met eene helderheid en eene vlugheid, die wezenlijk verbazend waren, was Lij juist bezig do kansen cener ingewikkelde speculatie te wikken en to wegen, toen de knecht in de kamer trad met een visitekaartje in do hand, hetwelk hij aan Janssen overhandigde met du woorden:

»Als je blieft. Meneer, daar is oen meneer met dit kaartje, die vraagt, of Meneer oen oogenblikje ■—quot;

»Mijn hemel!quot; riep Janssen, van tafol opspringende, »\\vaar

-ocr page 54-

54

hebt gij Mijnheer gelaten? Breng hem maar dadelijk naar binnen, hoor je! Dadelijk!quot; en terwijl de knecht oogenblikkelijk verdween om aan zijne bevelen te voldoen, vloog Janssen met gejaagde blikken en onrustige gebaren in do kamer rond; hij stopte eene breikous, die zijne vrouw op de tafel had laten liggen, in den rokzak; hij wierp een receptenboek, dat ernaast lag, onder de sofa; hij schoof een groeten leuningstoel vlug bij de tafel, streek met de vingers door het haar, trok zijne boordjes eventjes voor den spiegel terecht, en wierp zich toen, met een Almanach de Gotha \'), — dien bijbel der diplomaten — dien hij haastig van een boekenplankje afgenomen had, in eene zeer gemaakt gemakkelijke houding achterover op zijn stoel, steeds met de meest gejaagde en, naar het mij toescheen, zelfs angstige blikken naar de deur ziende.

»Wat is er te doen?quot; had ik wel tien keer gevraagd, zonder een antwoord te verkrijgen; nu echter wees mij Janssen het kaartje, hetwelk hij nog in de hand hield en waarop ik de woorden las;

BAKON VAN DE STERKEVUIST.

terwijl hij mij toefluisterde: »een eerst bezoek -— komt juist uit Parijs terug! Xog niet hier geweest! Pst! Daar is hij!quot;

De deur werd door den knecht wijd opengeworpen en een lang, mager mensch, van middelbaren leeftijd, overdreven volgens de laatste Fransche mode gekleed, met een j)aar reusachtige zwarte knevels en tot mijne verwondering met eene groote ju-weelen doekspeld oji zijne zwart satijnen das vastgehecht en bonte knoopjes in zijn overhemd, trad met eene diepe buiging binnen. Jlij keek ons een oogenblikje vragend aan en trad daarna op Janssen toe met de woorden; »Ik heb de eer met Mijnheer van den Pauwenburg te spreken?quot;

Janssen kreeg eene kleur tot achter de ooren. Hij was dus erkend, openlijk, in tegenwoordigheid van een derde, door een

\') Een jaarboek, dat opgaven bevat aangaande de vorstelijke stamhuizen , de regeering der verschillende staten enz.

-ocr page 55-

der grootste heeren uit de buurt, als »Heer van den Pamvenburg!quot; Het was blijkbaar te veel!

xO,quot; stamelde hij, »de eer is aan mij —quot;

»Ik ben zoo vrij geweest eerst een kaartje binnen te zenden —quot; zeide de baron.

«Was volstrekt niet noodig geweest!quot; hernam Janssen met een heel wijs gezicht, terwijl ik op den achtergrond geheel in liet vergeetboek scheen te geraken; we hadden al van uwe aankomst gehoord en — en — verheugden ons zoor kennis met u te maken. Neem plaats, als het u belieft, — hier op dezen stoel,quot; en terwijl hij den bezoeker in den fauteuil etablisseerde 1). gaf hij mij een wenk om do papieren op tafel eventjes op te ruimen, wat ik ook deed, terwijl Janssen zelf met veel schijnbare nonchalance 2) een zijden zakdoek wierp over eene oude prijscourant van de Amsterdarasche markt, die ik, als niets ge-heims bevattende, het niet de moeite waard geacht had, te bergen.

»Het zal mijne vrouw en dochter,quot; zei Janssen, »zeerspijten, als zij te huis komen en hooren, dat —quot;

»0,quot; verontschuldigde zich de baron, »het verlies is aan mij; — maar ik hoop, dat het mij vergund zal worden nader bij de dames aan te komen. Ik moet eerstdaags weder in de buurt wezen —quot;

»0,quot; zei Janssen, »bij de familie Kalkoen: die kennen we ook; allerliefste menschen!quot;

De baron antwoordde met eene diplomatieke buiging.

»U heeft ook zeker de familie gekend, die vroeger hier woonde?quot; vroeg Janssen. «TJoo vindt u do veranderingen, welke ik op bot goed heb laten maken?quot;

»Ik kwam tusschenbeide wel bij de vorige bewoners van uw kasteel,quot; zei de baron, »en ik vind alles zeer verfraaid, sedert ik den laatsten keer hier was.quot;

»Als gij niet reeds zulk eene lange wandeling gedaan badt, zou ik u mijne nieuwe stallen willen laten zien,quot; zei Janssen, tot mijn schrik, daar ik er pas uitgekomen was.

In den leuningstoel plaatste. ^ Achteloosheid.

-ocr page 56-

»Ik ben met mijn rijtuigje van liet Huis Sterkevuist overgekomen,quot; hernam de gast. »Ik had iets in het dorp te doen en heb in het logement laten uitspannen.quot;

»Een ander maal hoop ik, dat gij gebruik zult willen maken van mijne stallen,quot; zei Janssen. — »Kom toch en overtuig u eventjes, dat ze de eer waardig zijn!quot;

»Vraag excuus!quot; zei tot mijne verlichting de baron; »ik twijfel er volstrekt niet aan! Een ander maal, heel gaarne. Ik heb heden morgen nog zóóveel te doen!quot;

»Nu dan, in alle geval een glaasje Madera!quot;

»Met genoegen!quot;

Janssen schonk de glazen met eene van vreugde bevende hand in. De baron nam het zijne op, na eene groote, grove hand, met vier of vijf breede ringen versierd, uit een half vuilen, geel glacé handschoen getrokken te hebben, en meer geraas met de slurpende lippen makende, dan men wel van iemand van zijne opvoeding verwacht zou hebben, ledigde hij het glaasje met ééne teug en zette hot voorzichtig op het blaadje neder.

«Heerlijke wijn!quot; zei hij, weder met de lippen smakkende. «Heerlijk!quot;

Deze rondborstige loftuiting verrukte Janssen. Hij boog diep. »Wat zal het mijne vrouw en dochter toch spijten,quot; zuchtte hij weder, «dat zij zoo ongelukkig zijn!quot;

:gt;UE. is al te goed!quot; hernam do baron. «Ik beloof u spoedig weder te komen en ik durf me vleien, dat, als ik eenmaal met de dames kennis gemaakt heb, het haar niet berouwen zal, als ik mij weder aanmeld!quot;

»Hi! hi! hi!quot; lachte Janssen, zich in de handen wrijvende bij doze, naar hot mij voorkwam, eenigszins onbescheiden aardigheid. Hi! hi! hi! Hot zal haar altijd zeer aangenaam zijn, zonder twijfel!quot;

»Is er inmiddels niets, dat ik voor u doen kan?quot; vroeg de baron oj staande.

»Dank je, dank je!quot; zei Janssen vriendelijk. »lk ben al hier in do buurt zoo tamelijk te huis. Ik houd me echter gerecommandeerd.quot;

»Of voor Mijnheer?quot; vroeg de baron zich tot mij wendende.

-ocr page 57-

57

«Dank je wel!quot; zei ik, »ik heb nooit eksteroogen gehad!quot;

«Eksteroog-en ?quot; schreeuwde Janssen.

»Of nagels, die naar binnen groeien, — of \'s winters kou in de voeten?quot; vervolgde de vreemdeling met een innemenden glimlach, en beurtelings tegen mij en Janssen, die met opge-spalkten mond voor ons stond, buigende.

Ik kon mij niet langer houden en proestte van lachen; want ik had al dadelijk in den vreemdeling een rondtrekkenden pédicure1), dien ik wel eens in Amsterdam gezien had, herkend en legde het nu aan Janssen uit.

Het spreekt vanzelf, dat deze, die een mal figuur gemaakt had, woedend werd.

Hij greep den ongelukkigen zoon van Esculaap bij den arm en hem het kaartje van den baron, voor wien hij hem gehouden had, onder den neus houdende, duwde hij hem toe:

«Eksteroogen hier, eksteroogen daar! Hoe komt gij ertoe, om u onder den naam van dezen heer bij de menschen in te dringen?quot;

»Och, beste Mijnheer,quot; steunde do vreemdeling, »ik heb pas heden morgen de eksteroogen van den heer baron gesneden en hij gaf mij een kaartje van hem mede, om mij bij zijne kennissen in de buurt aan te bevelen —quot;

«Als gij uw knecht hadt laten uitspreken,quot; zei ik, «zoudt ge dat begrepen hebben, de schuld is niet aan mijnheer, maar aan u: ge dient hem wel excuus te vragen, dat gij hem van zijn tijd beroofd hebt met uwe praatjes —quot;

»0, volstrekt niet,quot; zei de pédicure. »Ik zal de eer hebben binnen kort bij de dames —quot;

»Loop naar den —quot; begon Janssen, dien ik echter juist bij tijds den mond stopte, terwijl de arme kwakzalver zich terugtrok, al dieper en dieper buigende, zelfs voor den knecht, die, zoodra Janssen de stem verhief, had staan luisteren en zich ternauwernood verwaardigde voor den armen drommel de huisdeur te openen.

^Die ellendeling!quot; bromde Janssen, toen we weder alleen waren. »Ik had hem den nek willen breken!quot;

\') Voetarts, likdoornsnijder.

-ocr page 58-

58

»Ik ben blijde, dat uwe vrouw niet te huis was,quot; zei ik.

»Hm!quot; zei Janssen.

»I[et is zoo onpleizierig een gek figuur te maken voor zijne vrouwquot;, zei ik.

„Ik heb geen gek figuur gemaakt,quot; hernam Janssen. »\'t Was alles de schuld van dien dommen knecht! Oiu zoo eenrondtrek-kenden kwakzalver voor een baron aan to zien!quot;

»\'t Spijt me maar, dat hij 11 zijne meening over uwe stallen niet meegedeeld heeft,quot; antwoordde ik.

Janssen zei niets, maar hij keerde zich om en schelde. »Jan, bromde hij, »neem de Madera weg, — en — en als Mevrouw te huis komt, behoeft ge niet te zeggen, dat er iemand geweest is!quot;

Wij gingen weder zwijgend aan ons werk, maar deze gebeurtenis heeft mijn eersten dag bij Janssen bedorven. Toen zijne vrouw en dochter te huis kwamen, zat Janssen onophoudelijk in angst, dat ik hem verklappen zou, en daar dit hem uit zijn humeur bracht, deed hij den geheelen dag niets dan knorren. Ik was dus hartelijk blijde, toen do lange, kille avond ten einde liep en ik mij naar mijne kamer begeven kon.

M. P. Lixdo.

{Afdrukken van indrukken, door dm Ouden Heer Smits en zijn vriend Mulder. Arnhem, !gt;. A. \'l\'/iieme.)

DE WATERPEST.

\'t Is nauwelijks twintig jaar geleden, dat dit gewas bij ons te lande nog onbekend was. Ecnige jaren vroeger werd het in Schotland gezien, alwaar het, met hout voor don aanleg van spoorwegen, uit Canada, waar het thuis behoort, ingevoerd was. Het bleek echter, dat het daar een ander vaderland gevonden had; want in weinige jaren had het zich derwijze-vermenigvuldigd, dat men heel wat zou hebben willen geven om \'t maar weer kwijt te raken.

Maar tot die dingen, welke men onmogelijk noemt, behoort

-ocr page 59-

59

ook het verwijderen van de Waterpest *), daar, waar deze plant zich eenmaal goed gevestigd heeft.

Zij woekerde zoodanig voort, dat, naar men verzekert, de waterstand eener kleine rivier er in korten tijd niet minder dan een voet door gerezen was. —

Vóór eeuige jaren kwam een stuk van die plant ook te Utrecht in handen van ....

Nu zou men denken, dat die nieuwe eigenaar, do eigenschappen ervan kennende, dit nieuwe gewas zorgvuldig binnen de grenzen van een waterbak of iets dergelijks zou beperken. Dat deed liij ook, maar hij deed meer, naar men zegt.

Hij nam stukjes ervan mee, wanneer hij om de stad ging herboriseeren, d. i. wilde planten ging verzamelen; en dan wierp hij, alweder naar men zegt — maar \'t moet wel zoo wezen — heel onschuldig hier en daar een klein stukje ervan in \'t water, om later eens te zien, of \'t hier ook groeien wilde.

En of \'t er groeide?

Reeds twee jaren daarna waren de singels er zóó goed van voorzien, dat men er karrevrachten vol van opvischte.

Komt ge nu in den zomer te Utrecht, dan vindt ge vaak hier en daar groote hoopen groen op de kanten van \'t water liggen; \'tis de quot;Waterpest, die men uit de grachten moet verwijderen, wil men, dat de vaart niet geheel belemmerd worde. Men voert thans een onvermoeiden strijd tegen dit gewas, maar \'t laat zich niet verwijderen, want het minste stukje, dat in \'t water achterblijft, groeit met ongemeene snelheid weder in alle richtingen voort.

En die aardigheid kost nu jaarlijks aan de stad Utrecht eene vrij belangrijke som, die men wel als eene vaste uitgaaf op \'t budget2) kan brengen, daar ze denkelijk eer vermeerderen dan verminderen zal. In de Rotterdamsche singels komt dit plantje ook al veel menigvuldiger voor, dan men wel wenscht. — Verleden jaar is \'t ook in de nabijheid van Leiden gezien, en dat is geen wonder, want het blijft aan de zwaarden of \'t roer

) Elodea canadensis is de wetenschappelijke naam van deze plant. ) Begrooting.

-ocr page 60-

CO

der schepen hangen, of drijft van de eene plaats naar de andere.

quot;Waar de plant zich eenmaal genesteld heeft, vult zij \'t water veelal zoo volkomen, dat er voor de schepen ten laatste aan geen doorkomen te denken valt.

Dat is dus een vreemde gast, die van de hem verleende gastvrijheid wol een beetje misbruik maakt.

H. quot;Witte.

(\'i Groote in \'t Heine. Utrecht, Gehr. van der Pont, 1873.)

ROCHUS MEEUW1SZ.

Het was Zaterdag vóór Paschen (ó April), toen Bossu met de Spaansche vendels en eenige gewapende landzaten, tezamen 12 a 1500 man, kwam opdagen, om den Briel te hernemen. Hij was in 25 vaartuigen over Zwartewaal en Heenvliet in de Bornisse gekomen, had daar de schepen achtergelaten en was rechtuit op den Briel aangerukt. ^ Grof geschut had hij niet bij zich, omdat hij vóór alles spoed had gemaakt en van die verachte Geuzen geen ernstigen tegenstand vreesde. Trotsch wapperen de roode Bourgondische kruisen en dreunt het krijgsgeschrei der Spanjolen onder het voortrukken door den Xieuw-landschen polder.

Maar eensklaps worden de voorste gelederen tot staan gebracht; de omgehakte boomgaarden versperren hun den weg. En tusschen

\') \'t Verhaal van Don Bernardin de Mendoce aangaande dien baljuw van Vlaardingen, die telkens over en weer vliegt, van Bossu naar de Geuzen en van de Geuzen weer naar Bossu, en door zijn goeden raad, dien Bossu met blind vertrouwen opvolgt, de Spanjaards van den wal in de sloot helpt, — dunkt ons een weinig te onwaarschijnlijk om er geloof aan te hechten. Toch kan \'t wel een grond van waarheid hebben. Mogelijk heeft deze baljuw eerst aan Bossu eenige inlichtingen gegeven nopens den weg, dien hij te volgen had, om zijne troepen naar den Briel te voeren, terwijl hij vervolgens Lurney onderrichtte van de ligplaats der Spaansche schepen, en hem den raad gaf, die in brand te steken. (Xoot van den Schrijver.)

-ocr page 61-

01

de boomstammen en achter de schanskorven liggen de scherpschutters der Geuzen en begroeten met een onafgebroken knetterend geweervuur de Spaansche kolonne. De voorsten dringen terug, terwijl de achtersten nog steeds komen opletten en er ontstaat eenige verwarring. Inmiddels brengen de welgemikte schoten der Geuzen hun een gevoelig verlies toe en Bossu ziet zijne benden reeds half verward in den Nieuwlandschen polder teruggeworpen.

Maar terwijl dit hier gebeurde, is aan de andere zijde der stad een detachement Geuzen uitgerukt onder Treslong en Roobol en trekt langs een omweg naar de Bornisse, om de schepen dei-Spanjaarden in brand te steken, waarvan ze straks do vlammen zullen zien opgaan. Eerst echter zouden ze nog door een ander element bestookt worden. Daar verschijnt op den dijk een man met eene bijl gewapend, en eer nog één Spanjaard zijn musket op hem richten kan, is hij reeds in de diejjte verdwenen. Het is Eochus Meeuwisz., de wakkere stads-timmerman: hij zwemt naar de schutsluis en hakt met forsche slagen do zware schutdeuren open. Daar stroomt de bruisende vloed den polder binnen en den Spanjaarden op liet lijf. Zij vliegen tegen den Nieuwlandschen dijk op en stormen op de Zuidpoort aan, in de hoop die te verrassen of te overrompelen. Maar te wel had Lumey zijne maatregelen genomen. Hier stond hot grof geschut der Geuzen, en zoo geweldig werden do Spanjaarden daarmee begroet, dat zij hals over hoofd in den verdronken polder worden teruggeworpen. En nu ziet ook Bossu van verre de vlammen uit zijne schepen opgaan; zijne soldaten staan tot over het midden in het water, dat steeds hooger en hooger wast, en van den dijk fluiten nog altijd de kogels der Geuzen. Toon was liet; Eedde zich wie kan! Alles snelt in wilde vlucht achterwaarts, woelende en plassende, zinkende en smorende. Eenigen bereiken nog do half verbrande schepen; anderen ontkomen op Xien\\v-Beierland; maar honderden bij honderden zijn verdronken of gestikt in do moerassen. \') Twee Spaansche officieren en zestien soldaten

\') Het juiste getal der gesneuvelde Spanjaarden is niet bekend. (Xoot van den Schrijver.)

-ocr page 62-

02

vielen den Geuzen iu handen en werden terstond aan een molen opgeknoopt.

Eer de avond daalde, was er geen Spanjaard meer te zien, en onder het gejuich der burgerij keerden de zegevierende Watergeuzen in hunne dapper verdedigde stad terug.

»\'t Wilhelmuslied rijst van alom,

»\'t Euischt zangerig en blij,

»Op klank van scheepstrompet en trom »En fluiten en schalmei.

sHet mengt zich onder \'t schor geluid

»Van vuurroer en kartouw »En drukt den dankbren lofzang uit,

»o Geuzen! van uw trouw.quot; ])

Een onsterfelijken dank is \'s lands vrijheid verschuldigd aan don wakkeren stadstimmerman Eochus Meeuwiszoon.

J. Ter Gouw.

(De Eerste April. Am -iterdani, C. L. Brinkman.)

DE HOOIPLUKKERS VAN LOCHEM,

Wie ooit een tocht miar Lochem deed

Om hooi er in te voeren,

Yond daar een kleinen troep gereed,

Tot spijt van alle boeren;

Die plukt daar lustig vlok bij vlok Tot wintervoorraad voor den bok.

Dat is een onbetwistbaar recht.

Een recht van vroeger dagen,

En niemand, hij zij baas of knecht,

Weerspreekt dat ooit door slagen;

\') Mr M. C. Van Hall, met veranderinjj in den laatsten regel van liet woord Leiden in Geuzen. (Xoot van den Schrijver.)

-ocr page 63-

C3

De zweep is daar een argument \')

Bij al de jongens onbekend.

Men vindt in \'t grijs historieblad

Den oorsprong van dat plukken: \'t Is, dat een Spanjaard ook die stad

Behendig in wou rukken;

Licht had Homerus hom verklaard, Hoe Troje viel door \'t houten paard.

Drie wagens waren volgetast

Met hooi, vervoerd door boeren,

Maar moesten nog een andren last

De stadspoort binnen voeren: Er lagen, in hun vollen tooi,

Soldaten onder \'t frissche hooi.

Zij togen stil en statig voort.

En de eerste valbrug over;

Maar vonden tusschen brug en poort

Een afgericliten roover,

Een knaap, die lust in :t plukken had: Wellicht dat hij een bok bezat.

Hij greep, zooveel hij grijpen kon.

En bleef maar vlijtig tasten: Wat schaadt één haring op een ton,

Een vlokje op zulke lasten?

\'t Verlies valt voor don boer niet zwaar Hij heeft het hooi voor \'t maaien maar.

Maar hemel! hoe verstijft hein \'t bloed!

Daar hoort hij iels rinkinken.

Daar voelt hij een gelaarsden voet

En ziet oen sabel blinken.

En met den schrik op \'t bol gelaat Roept hij: »0p burgert! op, verraad!quot;

Bewijsgrond.

-ocr page 64-

64

En eer men \'t doel bereiken kan,

Alet zooveel list beschoten,

Yalt reeds de valbrug voor t gesptin

En wordt de poort gesloten,

En al de burgers lachen luid De warm bepakte Spanjaards uit.

Zij kruipen uit hun broeiend bed,

Bepoederd en bestoven;

Maar \'t goede Lochein is gered,

En \'t blijft; Oranje boven.

De Spanjaards zoeken weer hun nest,

Maar laten \'t hooi toch in de vest.

Sinds is het dus reeds jaar en dag

Een recht van oude tijden,

Dat iedre jongen plukken mag,

AVanneer hij hooi ziet rijden.

En gaat een boer het naar den zin.

Dan zegt hij; »Pluk maar op, er schuilt geen Spanjaard m.quot;

L. Tak deh Broek.

{Neerlanils Bibliotheek. Arnhem, D. A. Thieme.)

DE STRUISVOGEL,

Do grootste aller thans lovende vogels, de struisvogel, bewoont de woestijnen van Afrika en Arabië. Hij heeft eene hoogte van 7 of 8 voet Zijn gewicht staat in verhouding tot zijne grootte, want niet zelden is hij van 90 tot 100 pond zwaar. Kop, hals en pooten zijn naakt; het overige van het lichaam is bij he mannetje met glimmend zwarte cn bij het wijfje met grauwe vederen bedekt, terwijl do groote slag- en staartpennen bij beide geslachten wit zijn. De pooten van den struisvogel dienen hem niet slechts tot zeer geduchte wapenen om den hyena of den

jakhals, die zijne jongen tracht te rooven, met een goei go-

-ocr page 65-

65

raakten slag den kop te verpletteren, maar ook om uiterst snel en lang aaneen te kunnen loopen. Zelfs zonder zich te overhaasten, bedraagt de wijdte zijner schreden 0 voet, doch als de struisvogel vlucht, worden zijne schreden 8, 10, 12, 14 voet wijd en in den tijd van eene minuut wordt misschien weinig minder dan eene Engclsche mijl afgelegd. Zokor is het, dat het beste Arabische paard niet langen tijd mot den struis den wedren volhoudt. Bij zijne wonderbare snelheid voegt zich nog een oog, zoo scherp, dat het slechts door het oog des roofvogels geëvenaard wordt. Het is groot, door een bewegelijk ooglid en lange oogharen beschut en staat, als het oog van den mensch, ver naar voren. Heft de geweldige vogel don drie voet langen kameelshals op, dan overziet hij in de woestijnen, waarin hij leeft, eene ruimte, die ons begrip te boven gaat, maar waarin hem geen vijand verborgen blijft. Gelijk de hoenders, waaraan hij zekerlijk verwant is, voedt de struisvogel zich met zaden, graankorrels en knoppen en spruiten van verschillende planten. Of hij ook wel niet nu en dan een klein zoogdier of kruipend dier verslindt, is niet zeker, maar wel denkbaar; doch dat hij dikwijls onverteerbare stoffen inslikt, zooals steenen, zand, stukken erts enz., is zeker. Deze reeds dooi- de Ouden gemaakte opmerking wordt door nieuwere waarnemers bevestigd. Een tamme struisvogel at een knoop van den rok eens officiers, een andere eene streng paaiden van den hals van eene dame. Op die gewoonte van den struisvogel was de keus van m: mo:ntt ltjc \') gegrond, die bij zekere langdurige belegering een struisvogel, die een hoefijzer verslond, tot zijn wapen verkoos, met het devies: Aurem scd digerit (het is hard, maar wordt toch verteerd).

Het mannetje heeft meestal van twee tot zes wijfjes, die elk tusschen 12 en 1G eieren leggen. Allo eieren worden in hetzelfde nest gelegd, in een kuusteloozen kuil, die in het zand wordt gescharr ld. Het mannetje en de wijfjes broeden beurtelings; zoodra er ongeveer een twaalftal eieren gelegd zijn. begint de vogel

\'j Blaise de Mont Luc, een Fransch edelman, verdedigde de stad öiena in Italië langen tijd tegen de trucpen van Karei V, maar moest haar eindelijk overgeven (1555.)

fan cirjen Bodem. IV, 5e druk. 5

-ocr page 66-

CO

te broeden, terwijl hij met uitgespreide, naar voren gerichte pooten nederzit. Slechts in de heetste uren van den dag- verlaat hij voor eenigen tijd het nest om voedsel te zoeken, en dit zal aanleiding gegeven hebben tot de oude fabel, dat de zon de eieren van den struisvogel uitbroedt, eene fabel, even dwaas als hetgeen omtrent de onverschilligheid van den struisvogel voor zijne jongen verteld wordt. Bespeurt hij, al broedende, van verre een mensch, dan legt hij den kop op den grond neder om zich zooveel mogelijk te verbergen. quot;Wordt liij met zijne jongen vervolgd, dan vluchten de laatsten onder geleide van het wijfje, terwijl hot mannetje, door in kleine kringen rond te loopen, neder te storten, en voort te gaan, alsof hij kreupel was, de opmerkzaamheid van don jager tracht af te leiden van zijne jongen. De broeitijd duurt ongeveer 38 dagen en van de menigte eieren komen er gewoonlijk slechts 30 tot 35 uit, terwijl de overige buiten het nest geworpen worden en misschien wel tot eerste voedsel der jongen dienen.

Het vleesch der jonge struisvogels is niet onsmakelijk , dat der oude is zoo taai als leder en zwart van kleur. Desniettemin eten de Zuidafrikaansche volken gaarne struisvogelvleesch en ook de oude Romeinen schijnen het gelust te hebben. quot;Vooral de hersenen beschouwden zij als eene groote lekkernij en zij besteedden groote sommen om er een schotel van te bekomen. Ook wordt verhaald, dat Heliogabalus \') eens eene pastei van de tongen van GOD struisvogels liet bakken. Het getal dier vogels echter, die in den circus ten pleiziere van het volk gedood werden, gaat alle begrip te boven. Probus 2) liet er op één dag 1000 stuks vermoorden.

Veel hooger dan het vleesch wordt het ei van den struisvogel geacht. Het is zoo groot als eene kokosnoot, weegt omtrent drie pond en heeft den inhoud van 24 hoendereieren, doch is niet zoo smakelijk als do laatsten, hoewel niet minder voedzaam. Ook de eierschaal heeft eenige waarde. Met een netwerk van bamboes omgeven, dient zij tot vaatwerk voor de Bectsjoeanen

\') Romeinsch Keizer, 217—222.

■) Komoinsch Keizer, 276—282.

-ocr page 67-

G7

en Boschjesmannen. De Arabieren geven die schalen als geschenken aan de Maraboets1), terwijl de christelijke Kopten2) haar tot lampen in de kerken gebruiken. Doch gelijk bekend is, zijn de meest geachte gedeelten Tan den struisvogel zijne schoone witte en zwarte slagpennen. Hoe dunner de schacht en hoe langer en golvender de vanen zijn, des te grooter is de waarde; voor een pond der allerschoonste vederen, 70 tot 90 stuks, betaalt men in de Kaapstad gaarne 12 pond sterling. Uit de zwarte vederen vervaardigen de Beetsjoeanen fraaie zonneschermen, die tot het gewone doeleinde of -wel als teeken van droefheid dienen. Het is een aardig gezicht, een wilde, wiens huid weinig minder grof is dan die van het neushoorndier en wiens kleur met eene gepoetste laars wedijveren kan, zijn aangezicht met zulk een prachtigen parasol voor de zonnestralen te zien beschermen.

Dk. T. C. Wixeler.

{Natuurlijke geschiedenis van tó dierenrijk. Sneek, l\'an Druten en Bleeker.)

EEN BAAS-HENGELAAR.

Prettige uren brachten wij door bij Bram Geels, den »kleede-rentnaker,quot; zooals met gele lettors op het glas, dat boven de deur was aangebracht, stond aangeduid. De man had in zijn jongenstijd een ongeluk gekregen aan een zijner voeten, waarvan hot fatsoen geheel was veranderd. Het gevolg was geweest, dat hij in zijne bewegingen belemmerd werd en daarom bij het kiezen van een ambacht op dat treurig gebrek bedacht had moeten zij\'1- Hij werd »kleederenniaker,quot; terwijl hij anders zeker jager

) Mohammedaansche priesters, in Noord-Afrika, die in moskeeën eu gifilkapellen de godsdienstplechtigheden verrichten. Zij worden heilig geacht.

) Nakomelingen der oudo Egyptenaren.

-ocr page 68-

68

of misschien wel koddebeier ware geworden, want er stak van beide naturen in hem. Dit liet hij zelfs in zijn tegenwoordigen vernederden toestand gissen, daar hij het grootst mogelijke aantal uren ontwoekerde aan de snijtafel, om. op liet water in het ranke bootje te dobberen en er menigen visch te verschalken, van de domme magere bloi af tot den slimmen en vetten paling toe.

Ik herinner mij, hoe wij dikwijls met jaloersche blikken hem aanstaarden bij de verhalen vau de wondervangsten, welke hem ten deel waren gevallen, terwijl wij halve dagen zaten te hunkeren naar het nooit te vergeten oogenblik, dat onze dobber naar den grond zou gaan. Ik geloof, het zij met bescheidenheid gezegd, dat hot onderhoud met ons ook voor hem een groot genot is geweest. Als hij op zijne tafel gezeten was, ging de naald wel dubbel zoo gauw door het laken, wanneer wij om hem heen stonden. Het had dan den schijn, alsof hij zich in meer dan fi\'n opzicht wreekte oj) de werkelijkheid en zich te goed deed, niet op hetgeen hij was, maar op hetgeen hij had kunnen zijn. quot;Wij hoorden er echter in het geheel niet minder graag om en bleven altijd het binnenhalen van den fabelachtig grooten snoek aan een snoer, niet dikker dan een hoofdhaar, met liet luidste gejuich begroeten. »,Ta, jongens,quot; zoo liet hij zich eens, en dat was zeker wel voor de tiende maal, hoeren, »;t is warempel waar, waar je zoo\'n naren grondel vangt, daar krijg je geen baars of geen snoek; \'t is, of die zich te hoog voelen voor zulk een gezelschap, en ik kan het best begrijpen ook, dat de stommerds zoo denken; ik zeg altijd maar, dat er differentie 1) van onderscheid moet wezen in stand.quot; Terwijl hij dit zei, nam hij de blauw lakensche pet met groen leêren Mep, die hij gemakshalve naar achter gedraaid had, van het hoofd en liet hij even het tiental sluike haren zien, dat er van het vroeger zoo dichte bosch op den schedel nog maar restte; tevens werden de beide groote blauwe oogen zeer politiek half dicht geknepen.

»Maar, Bram, we hebben toch wel eens een baars gevangen

\') Bram üeels, die geen i\'ranscbman is, gebruikt menig woord te onpas. Di/feniUie beteekent onderscheid.

-ocr page 69-

69

op de plek, waar we ook een grondel uithaaldenwaagde een onzer te zeggen.

»Op denzelfden tijd! Warempel niet. Dat kan niet; dat hou ik impertinent ^ vol. Den volgenden dag kan je er zoo\'n naar ding gevangen hebben, dat strij ik niet tegen; dat is juist, wat ik zeg, daar zoo\'n grondel de plekken opzoekt, waar de groote luï wonen, om er ook voor door te gaan. Maar jelui hebt er eigenlijk geen begrip van wat vissehen is en wat den visschen toekomt. Ik wijt het jelui volstrekt niet, want het is de schuld van je tijd. Er is eigenlijk geen visch meer . . . dan had je in mijn jongen tijd moeten leven!quot;

»En, Bram, hoe lang is het dan geleden, dat je dobbers zoo vol zaten, dat je ze bijna niet op kondt halen?quot;

gt;AVel, dat \'s nog geen veertien dagen geleden, maar ik weet de plekjes ook nog vanouds ... Daar heb je gister — \'t was een slechte wind, een buitenwind, niets te retrappeeren 2) zou jelui zeggen. Toen dacht ik bij me zelf, juist een weertje om den houtwal van Mijnheer Vincent op te zoeken, daar zal het luw wezen; ik had er jelui den vorigen dag wel gezien, maar ik dacht zoo, die zullen me den boel wel niet wegvangen.quot; Bram kneep de oogen weer dicht; we vonden hem nu niet politiek, maar wel scherp en kwetsend. »Ik maakte mijn simmetje los, stopte mijn pijpje, deê mijn vischje aan den haak, een klein vorentje, springlevend, waar ze dol op zijn en wachtte nu maar trankiol, s) dood trankiel. Daar begon het lieve leven, ik merkte zoo wat — een echt visschersoog kan \'t maar alleen — mijn aas was gezien; ik wist nog maar niet zeker door wie... en minder dan een halfponds baars of een ponds snoek wou ik niet hebben; ik ging verleggen; de ander me achterna; ik was er nog niet zeker van; ik ging nog eens verleggen en toen zag ik een schot door het water. Ik heb je, ouwe jongen, murmureerde ik, en weg zonk mijn dobber, alsof hij er nooit geweest was;

\') Onbeschaamd. Bram bedoelt j)evtinent, d. i. behoorlijk, op redelijke gronden.

\' l 15ram wil zeggen attrupeeren, d. i. vangen.

) Trankiel: kalm, bedaard.

-ocr page 70-

70

maar ja wel, niijn hazelaar boog als een hoepel; ik greep mijn sim en toen kwam oom kees even met zijn kop boven water, een infame1) groote kop en een bek, die, zou ik zeggen, nog grooter was ...quot;

:gt;De snoek, waar wij zoo lang op geloopen hebben. Bram?quot;

»Neen, jongentjes, die zit er nog, maar dien haal ik wel den volgenden koer. Het was defectief 2) een baars van drie pond.quot;

Daar brak de katoenen draad van Bram.

»Goed, dat je drieponds baars daar niet aan gezeten heeft,quot; merkte de slimste van ons aan. Bram poogde om de aardigheid te glimlachen, maar kleurde toch meteen.

II. J. SCHDDlEIi.

{De Gid*. Amsterdam, P. X. Van Kampen.)

AVONTUUR VAN PI ET ER SPA.

Hij brak dan aan, die dag van vreugde. Die zooveel schoons verwachten deê; \'t Was \'t intochtsfeest van Willem II, Waar oud en jong zich in verheugde! Gansch Amsterdam was vroeg ter been; De burger, vreemdling, magistraat. Do schutter, eerwacht en soldaat, Het wemelde alles druk dooreen.

Toen Spa zijn vrienden en zijn vrouw Gebracht had, waar men toezien zou, quot;Verdween hij in het feestgewoel. Om hier of ginds, aan een der hoeken. Een goede plaats voor zich te zoeken. Hij liep de straten op en neer. De toevloed werd hoe langs zoo meer. Wat zat hij dikwijls in den drang!

Maar duurde dit den man wat lang,

\') Afidi li wel ijk, Schandelijk.

\') Gebrekkig. liram bedoelt elferlief d. i. werkelijk.

-ocr page 71-

Dan sloeg hij zich er dapper door;

Want zie, hij nam zich stellig voor Om, waar \'t hem wat te drukkend werd, Bijtijds zich uit den weg te maken En voor zijn veiligheid te waken;

Was daarbij \'t uitzicht hem versperd, Nog liever, dacht hij, lijd ik dit,

Dan dat ik weer in de engte zit. quot;Wat menschen zag hij bij den ander!

quot;Wat woelde \'t alles door elkander!

iTaar \'t geen \'s mans aandacht niet ontging, Was hier en daar een vreemdeling,

Juist met zoo\'n potje op \'t hoofd, als dat.

AVat hij voor zich gekozen had. \')

Hij had dus met dit tooisel vrede;

Want, dacht hij, staat het me al wat vreemd, Geen mensch toch, die \'t mij kwalijk neemt, En \'k ben er ook niet éénig mede!

De morgen vlood allengs daarheen,

De klokken sloegen dra halfeen.

Straks was hot uur van d\'intocht daar; Spa kwam mi na veel zoekens klaar.

Toen hij in d\' omtrek van den Dam Eene extra mooie plaats bekwam.

Zoo door de menigt\' heen te sjouwen.

Wie zal het voor gemald ijk hoüen?

Ook Spa gevoelde \'t wicht er van;

\'t Zweet stond op \'t voorhoofd van den man. Green wonder toch! nauw stond hij daar.

Of in oen oogwenk greep hij naar Zijn zakdoek, om \'t gelaat te drogen;

Stel \'s mans verbazing u voor oogen,

Toen uit den zak in plaats van één,

) L it vrees van, evenals bij eeno vroegere gelegenheid in \'t druk gewoel last te hebben van zijn lioed, luid Spa in Amsterdam eene pet L,

gekocht.

-ocr page 72-

Een tweede en derde doek versclieen, Die blijkbaar niet de zijne waren. Nog vreemder stond lüj rond te staren,

Zoodra \'t hem bleek, dat in dien zak Xog moor, dat liem niet toekwam, stak, Ja, zelfs een volle beurs met geld.

Wat was de brave man ontsteld!

Wat angst, wat zorg sprak uit zijn blikken, quot;Wat sloeg hij de oogen schuw in \'t rond! Doch wie zou niet als Spa verschrikken?

Toen deze schier op d\' eigen stond Zich bij den rokboord aan zag grijpen En zich in de armen voelde knijpen.

»Dat had je niet gedacht, schavuit!

Dat valt je tegenquot;, riep een stem Op donderenden toon tot hem. »Een zakkenroller!quot; riep men luid.

— »AVee mij, wat zal me nu gebeuren?quot; Sprak Spa. — »Dat zal je straks bespeuren In \'t logement der politie,quot;

Zei een der beide mannen, die Hem stevig hadden aangevat.

»IIoor, galgestrop! versta je dat?

Kom aan, kom daadlijk met ons mee!quot;

— »Maar menschen, laat me toch met vree Sprak onze held; »hoort, vriendenlief.

Je hebt abuis, ik ben geen dief.

Ik, eerlijk man!quot; — ^Eiquot;, sprak do agent,

»Wat sta jij daar onnoozel, man!

Wat zeg je, dat jij eerlijk bent?

Die zak getuigt er nogal van!quot;

— »\'k Beken, die schijn is tegen mij,quot; Zei Spa, wiens angst ten toppunt klom, »Maar \'k zweer erop, geloof me vrij,

\'k Weet niet, hoe \'k aan die zaken kom, Alen heeft mij vast een kool gestoofd!quot;

— »IIij, die aan volk als gij gelooft,

-ocr page 73-

73

Hij zou een slecht beambte wezen,quot; Hernam de agent, »geaoeg voor nu; De Commissaris zal aan u.

Zoodra \'t hem lust, de les wel lezen. Dat hij jou achter tralies sluit,

quot;Wees daar gerust op, hoor, schavuit! Maar troost je, want daar zijn er meer Van jou kornuiten.quot; — »Lieve Heer!quot; Riep de arme man, »wat komt mij over. Mij op te brengen als een roover.

Het is afschuwlijk!quot; — »Kom, vooruit Weg met dien kerel,quot; riep men luid; En ieder tastte naar zijn zak.

Eeno oude vrouw, daar staande, sprak AVie zou dat zeggen van dien kwant?\' Een ander riep: »wat vroom gezicht! Hij, die \'t niet wist, hij gaf wellicht Zijn zondagsduiten hom te pand!quot; •Ja, al dien schimp en hoon vernam De man, onschuldig als een lam. Hij, die geen schepsel leed zou doen, Hij, steeds zoo kiesch op zijn fatsoen. Die met zijn vrouw in Amsterdam Het koningsfeest aanschouwen kwam, Werd thans, wie had dit ooit gedacht. Door dienders naar do kast gebracht! gt;Hicr, vagebond! ga hier maar zittenquot;. Dus schreeuwde men hem toe, zoodra Hij in de kast was, de arme Spa. »Ja, zie maar rond, je moest nog vitten! \'t Is wel zoo keurig niet en net,

Maar \'t is hier in geen hofsalet!

Het is gemeubeld, zoo \'t behoort,

Voor jou en volkje van je soort.quot; — »Kan \'k nu den commissaris spreken?quot; Vroeg Spa, vol angst en zielsverdriet. «Geduld, geduld! zoo driftig niet,quot;

-ocr page 74-

Was \'t antwoord, Jiom hot hoofd te breken Met zakkenrollers zooals jij,

Dat heeft geen haast, geloof het vrij. Do commissaris heeft deez\' dag En morgen ook de handen vol.

De politie is \'t hoofd op hol;

Het komt door al dat dievenslag,

Dat in de hoofdstad is geslopen;

Maar zijn de feesten afgeloopen,

Dan kim jij er gerust op aan,

Dan zal het aan \'t verhooren gaan.quot;

AVatquot;, schreeuwde Spa, «wat zegt ge daar, \'k Zou zoolang moeten... hoe! is \'t waar? Ik moet hier blijven?... in dit hok?... o Marteling, o wreed verdriet!quot;

Eiep Spa »\'k beroep mij op mijn vrindenquot;. —

»Uw vrinden worden ook gepakt:

We zullen dat complot wel vinden.

Onze ijver is nog niet verzwakt!quot; »Is \'t droom of werklijkhcid?quot; riep Spa,

Nadat men hem verlaten had En hij daar eenzaam nederzat.

»\'k Moest daarvoor dan naar Amsterdam!quot;

Thans deelde en ouderdom en jeugd In \'t algemeene feestgeneucht.

Slechts enk\'le menschen deelden \'t niet: \'t Was juffrouw Spa, \'t was nicht en neef. De onzekerheid, waar Pieter bleef. Die gisteren hen blij verliet.

Had hen een tal van slepende uren Ontelbare angsten doen verduren;

Wel had men ijverig gezocht,

Maar wat of men ook zoeken mocht. De man was hier noch ginds te vinden. Wat vrees doorwoelde \'t hart der vrinden! \'t Een schrikbeeld voor en quot;t andre na

-ocr page 75-

to

Yertoonde zich aan juffrouw Spa.

\'t quot;Was de eerste nacht in ganscli zijn leven

Dat manlief, zonder dat zij \'t wist,

Alleen uithuizig was gebleven;

Wat werd er niet gedacht, gegist? De korte herfstdag liep ten ende,

Nog, nog geen naricht van den man. Waarheen men ook de schreden wendde,

Men bleef er steeds onkundig van! Do vrees was nu ten top gestegen.

Daar komt ineens in \'t duister licht! Een vriend vertelt aan neef en nicht: De politie had acht of negen Van \'t zalckenrollersgild gevat;

Ze had de lucht gekregen, dat Een aantal ran die looze dieven

Zich in de hoofdstad had verspreid. Dat, om elkander te gerieven.

Zich zelf een leuze had bereid.

Om, in het drukkend volksgewoel,

Elkaar te kunnen onderscheiden;

De bende had daarbij het doel.

Om de aandacht van zich af te leiden, Hetgeen men gaande rooven mocht. Den makker in den zak te steken.

Die \'t spoedig zonder taal of teeken, In veiligheid te brengen zocht; De erkenningsleuze was een pet,

Door ieder hunner opgezet;

\'t Model was vreemd en, voegde hij, Er nog in zijn vertelling bij, Een hoedenmaker in de stad Had daar do leevring van gehad; De politie, die \'t had vernomen.

Was door deez\' man op \'t spoor gekomen.

Thans zag men \'t in, de zaak was klaar Een min verstand had plaats gevonden,

-ocr page 76-

TG

Neefs uitleg was ontwijfelbaar!

Deez\' had zich bovendien verbonden Om borg te staan voor Spa, wanneer Men nog mocht twijflen aan \'s mans eer.

Was ook de nacht reeds ver verstreken,

Eechtvaardigheid en medelij\'

Ze bleven thans niet in gebreken En de arme Pieter Spa was vrij.

W. J. Van Zeggelen. (Gedichten. LekJen, D. Noothoven van Goor.)

GERMAAN SC HE RECHTSPLEGING.

De rechtspleging is nog niet ten einde. De nu ingebrachte beschuldiging schijnt ernstig, want de voorhoofden rimpelen en de wenkbrauwen trekken zicli samen. En gij ziet met eenige verbazing op, want, zoo go straks de rechters hebt herkent, thans herkent ge den beschuldigde: het is de driftige, erbarminglooze, die in den waanzin des toorns zijne mishandelde echtgenoote eene wreede straf deed ondergaan. Thans staat hij zelf terecht, en de wandaad, waarvan hij wordt beschuldigd, voert niet minder dan eerloosheid mot zich. Hij is mede geweest onder de uitgetrokken hulpbende. Dat hij nu op het slagveld een gulzig gebruik heeft gemaakt van de spijzen, door de vrouwen aangebracht, dat moge men zijner grove maag, niet hem wijten; dat hij in die ure zich te buiten ging aan den sterken gerstedrank, daarvan kan de oorzaak liggen in den feilen dorst; dat hij bij vernieuwden aanval zijn wapen heeft gevoerd als een waggelende dronkaard, daarvoor is hij zijn eigen lijf verantwoording schuldig; maar dat hij, in het heetst van den kamp uit hot gelid geweken, wijkende een krachtig aandringenden vijand ontvloden is en in de vlucht zijn schild heeft weggeworpen.....dat is eene daad, waarmeê hij de eere van zijn stam

heeft verkort en don krijgsroem van allen ontluisterd.

-ocr page 77-

77

Hier staat de bescliuldiger, die hem aanklaagt; hier staan de getuigen, die het feit met eede bevestigen, zeven in getal; wie zal den misdadiger nog verontschuldigen?

Te vergeefs is liet, dat hij terugwijst op vroegere dapperheid en hier zijn overmatigen dronk in rekening brengt; zulk een vergrijp diddt geene oorzaak, welke dan ook, want het mag niet bestaan.

En de uitspraak der rechters is eenparig deze: Hij worde uitgesloten van het gemeenschappelijk offeren; hij moge niet meer verschijnen in de vergadering der vrijen: hij zij eerloos.

Eu de kring, waarin hij staat, wordt eensklaps ruim, want alien rondom hem heen trekken den voet terug van de plek zijner nabijheid. Dat is het voorspel en wat hem voortaan wachtende is: evenals thans op dit heideperk, staat hij van nu aan in den ganschen stam alleen. Zijne verwanten schamen zich zijner, zijne vrienden begeven, zijne bekenden ontwijken hem; hij is balling te midden zijns volks en zijn erf staat als eene woeste hoeve in de volkrijke vlakte.

Hij jaagt en zijne metgezelion zijn slaven. De vrije man, die hem ontmoet op de heide of in het woud, keert zich van hem af en wendt zijn pad en roept zijne honden van die des eerloo-zen terug. Hij vischt en zijne metgezellen zijn slaven wederom. De vrije man, met wien do golfslag hem in de nabijheid brengt, grijpt haastig de spaan en verbreedt do ruimte, die hen scheidon moet. Hij speelt en zijne dobbelgenooton zijn slaven nogmaals. Geen vrije man zet een voet over zijn dorpel, of liever — genaakt dien.

Hij dwaalt door de mark. Onder de schaduwe eener lommerrijke linde, rondom wier geurige bloesems do mommelende bijen gonzen, zitten eenigo vrouwen bijeen, bezig met liet breken van graan, sommige in een mortier met den stamper, andere tusschen twee steenen. Hij komt naderbij, maar zij slaan, zichtbaar willens, geen acht op hem. Uij spreekt een groet; niemand harer beantwoordt dien. Hij prijst liet maaksel eener schaal en de hooghartige vrouwe, wier eigendom dat is, neemt het vaatwerk terstond op, werpt het verre van zich, zoodat het bij den val in scherven uiteenspat.

-ocr page 78-

78

Aan eene andere zijde spelen knapen met eene geit. Hij nadert hen, spreekt hun vriendelijk toe en streelt een der kleinsten het gelaat. Plotseling ziet een der oudste knapen hem vorschend aan. — »Dat is de man, dien onze vaders hebben weggejaagd uit hun midden!quot; roept hij uit, en verschrikt, of zij een wolf hadden gezien, treden allen van hem af en trekken hunne geit met zich voort.

Het is wederom de tijd, dat men den Vorst een deel der geschenken brengt, die zijn inkomen uitmaken. LIem wordt een zware os gebracht, blank van vacht, met blonde horens; schooner gave ontving hij nooit. Maar nu verneemt hij vanwaar het schoone dier gekomen is en met koude minachting gelast hij zijnen slaven: «Breng dien man zijne gave terug: ik wil geen deel van het besmette uit de hand eens eerloozen!quot;

Zoo is do rampzalige onder zijns gelijken als een levend begra-vene. Geen oog, dat het zijne welwillend toeblikt; geene hand, die de zijne vriendschappelijk drukt; geen voet, die den zijnen gezellig begeleidt. Overal afkeer, terugstooting, verachting. Denken wordt pijnigen: zal hij zijne gedachten uitspreken tegen zich zeiven, hij. wiens woorden niemand een oor leent?

Hij verstompt de scherpte der doornen zijner kwelling in de verdooving der dronkenschap, maar na eiken roes wordt hij ver-achtel ij ker.

Hij is een spooksel geworden, dat omgaat onder de levenden, maar voor wien het leven eigenlijk geene plaatse heeft.

En op een dag was hij verdwenen.

quot;Waarheen? Op die vraag werd geen antwoord gevonden. In den stroom, die de mark begrensde, dreef, door den golfslag overdekt en voortgespoold, het lijk van een zelfmoordenaar.

W. J. Hofdijk.

(Onlt; \\ oory 4aclit. Jlwirh ni, A. C. Kru.ieman.)

-ocr page 79-

79

INKWARTIERING,

Boschdal lag daar zoo stil en landelijk, uit de hoogte gezien, dat men zich niet kon verbeelden, dat do bewoners ooit eenig ander geluid vernamen dan het suizen van den wind en het kleppen humier klok. ATerbeeld u nu, dat te midden dier kalmte eensklaps een ratelend tromgeroffel zich doet hooren! En dit was inderdaad het ongewone geluid, dat op zekeren ochtend plotseling Boschdal uit zijne liefelijke rust wakker schudde. De burgemeester en de achtbare raad, tor raadzale vergaderd, rezen als één man overeind. De notaris en zijn klerk keken elkaar strak aan, met open mond en verbaasde oogen. De dominé, die op eene ladder bij zijn wingerd stond, viel bijkans van hoven neer. De meester, die voor het bord stond, stak in verwarring de natte spons in zijn zak en het krijt in een inktkoker. De schooljongens en meisjes zochten onder de bank naar hunne klompjes en maakten zich gereed tot den aftocht; schuifelend en stommelend als eene kudde schapen, die de hand des herders aan de klink der kooideur hoort. De kleermaker sprong van zijne tafel in zijne muilen. De schoenlapper wierp zijn drievoet om en zijne leest weg. Do melkmeid liet hare karn stil staan. De eenige «dienderquot;, aan wiens alziend oog de veiligheid van Boschdal was toevertrouwd en die op dit oogen-blik, in \'t volle besef zijner grootheid, op de trap van hot raadhuis zijn beheerschenden blik over de leege, zonnige straat liet weiden. vergat zijn plicht en zijne waardigheid en liep met den hoed op \'t hoofd de raadzaal binnen.

\'t quot;Was maar een korte roffel geweest , en toen keerde alles tot de vorige stilte terug. Men keek elkander aan in den Gemeenteraad: de diender pakte zich weer haastig weg; de dominé klom een sport hooger op zijne ladder; de schoolmeester zocht naar zijne spons en het stukje krijt; de kleermaker beklom zijne tafel, en de schoenlapper raapte zijn drievoet op; de melkmeid plompte weer in de karn; maar de jongens en meisjes in de school hielden hunne klompjes aan de voeten en spitsten de ooren.

-ocr page 80-

80

»Ziet hier, kinderen,quot; zei do meester, «wanneer ik deze lijn in een zeker getal gelijke dealen verdeel, bijv. in zes deelen, — ■waar is mijn krijtje gebleven?quot;

»In den inktpot, meester,quot; antwoordde de leerling, die den bewusten inktkoker vóór zich had.

Ran-plan-plan, ran-plan-plan! klonk het eensklaps buiten, \'t Was wel degelijk een. tamboer, die de trom sloeg, flinkweg, in korte maat, zooals alleen een volleerd trom virtuoos die slaan kan.

Xu was er geen houden meer aan. De schooldeur vloog open, en de lieve jeugd, geheel hare toekomst vergetende en den brui van de zesdeelige krijtlijn gevende, stormde hals over kop naar buiten, gevolgd door den meester, bij vrien de nieuwsgierigheid nu sterker was dan de zucht tot orde.

Jawel, daar ratelde het koperen instrument door de straat, dat de ruiten er van trilden. De kleine tamboer sloeg, dat het een lust was, en wiegelde zijn hoofd op de maat heen en weer. Een troep soldaten, het glinsterend geweer over den schouder, den zwaren ransel op den rug, de kleeren wit en \'t gelaat zwart van \'t stof, volgde in gesloten massa den kleinen rumoer-maker; een officier met de oranjesjerp om de heup en de sabel in de hand marcheerde op zij. — \'t Was een verrukkelijk gezicht voor Boschdal\'s oud en jong.

De trom zweeg. »ïïalt!quot; klonk het kommando van den officier. sFront!quot; — En de troep stond, op eene lijn geschaard, midden op de straat. Op een volgend kommando dreunde de grond onder den stoot der geweerkolven, en een oogenblik later duwden de soldaten hunne knellende ransels iu de hoogte, lichtten hunne schako\'s van \'t bezwecte hoofd en hingen met beide handen op den tromp van het geweer. Geheel Boschdal was nu op de been. De burgemeester, omstuwd van zijn Raad, stond op het bordes van het gemeentehuis, blijkbaar met liet voornemen om, evenals de Eomeinsche Senaat, zich desnoods door de invallende bar-barer. te laten afmaken. De diender fluisterde eenige geheimzinnige woorden met het Hoofd der Gemeente en daalde toen de trappen van het raadhuis af.

Tusschen dit gewichtige personage en den officier werden kort daarop onderhandelingen aangeknoopt, die ten gevolge

-ocr page 81-

81

hadden, dat laatstgenoemde de trappen van het raadhuis beklom en den heer Burgemeester te kennen gaf, dat eene buitengewone omstandigheid hem verplicht had, van zijne marsch-route af te wijten en nu te Boschdal inkwartiering te houden.

P. F. BKUNINGS.

(Twee Novellen. Dordrecht, Blussé en Van Braam.)

AMSTERDAM S STICHTING EN OPKOMST.

Tusschen weeke, drasse gronden,

Door geen dijk of dam gestoord, Stuwt, eentonig, klaaglijk rui schend,

De Amstelstroom zijn waatren voort. Doodsche stilte heerscht alomme

In de graiiwe, klamme lucht, Soms verbroken door een windvlaag.

Die door riet en loover zucht, Door \'t geroep eens watervogels.

Op zijn zilvren prooi belust, Of het wiekgeklep eens eibers,

quot;Weergekeerd van zoeler kust. Straks komt daar een visscher landen.

Hunkerend naar rijken buit, Kiest een plekje zich ter woonstee

Aan don lagen oever uit; Straks, daar snellen, als de meeuwen,

Scherend langs de waterbaan. Blanke zeilen, rappe kielen

Over \'t zeevlak liupplend aan, •Tagen nacht en doodschheid henen,

quot;Wekken leven, nieuw bestaan: De Amstel wordt in boei geslagen.

Afgeperkt zijn vrije baan, Waar ter weerszij Mauw^ volkjes

Dartiend kringlen naar omhoog, Van eilt;jen Bodem. IV, 5e flruk. 6

-ocr page 82-

82

En bedrijvigheid en woeling

Alom treffen \'t speurend oog. Amsteldamme gaat ontluiken:

Profetie van schooner dag, Als zij, trotsche Heerscheresse,

Fier den schepter zwaaien mag! Laat de Kenmer \') dreigend naadren.

Roof en moord in zijne vaan. En de vrucht van jaren zwoegens

Straks in tranen ondergaan, Amsteldamme zal ontluiken;

Hulp en steun, waarop zij bouwt; Schuts der Heeren, \'s Graven gunsten,

Zal ze koopen met haar goud. 2) Handel stort zijn vollen horen

Zeegnend nit, zijn overvloed Drenkt als \'t vocht den gragen bodem,

Kweekt vertrouwen, fleren moed. Amstels naam en roem weerklinken

Aan het Noord- en Oostzeestrand, Op de Middellandsche waatren

En in \'t Moskovitisch land. Schooner toekomst nog gaat blinken:

Kracht, die nog in windslen lag. Mannenkracht zal zich ontplooien; —

Zie, reeds gloort de nieuwe dag! — Maar wat nevel dekt deez\' stranden?

Bloedrood bergt de zon het hoofd, Vrijheid, fiere hemeldochter,

I

1

I,

. •

I ;

I f-

ip

\') Do Kennomcra verwoestten Amsterdam in het begin der 13e eeuw 2) Amsterdam kocht bijv. van Graaf AViiiem 1\\ in 1342 bet recht, dat zij eeno vrije stad zou zijn, onder de grafelijkheid van Holland behoorende, en niet meer deel uitmakende van de Heerlijkheid Amstel, die de Graaf in leen bad van Utrecht. ïn 1489 kreeg de stad van Maximiliaan het recht om de keizerlijke kroon boven haar wapen te plaatsen, nadat zij hem het vorige jaar met eeno belangrijke som gelds had geholpen.

-ocr page 83-

83

Zwerft, gejaagd, van schuts beroofd, Dobbrend op de woeste baren.

Tirannie met ijz\'ren voet Trapt de welvaart op het harto,

Plast in edel burgerbloed! \'t Stond geschreven: niet aan d\'Arastel

Daagt het gouden morgenrood; Elders kampt de burgerije

Voor haar recht tot in den dood: De IJstad ligt in smaad gebogen

Onder Alva\'s looden hand, Baatzucht, vuig het onrecht dienend.

Pleegt verraad aan \'t vaderland! ilaar al moog\' de snerpende adem

Van het grimme, felle Noord Toor een tijd den bloei belemm\'ren.

Eens weerklinkt het heuglijk woord, Dat de banden zal verbreken;

quot;Wat in Itnop en hulsel sliep, Barst naar buiten, op de stemme.

Die tot blij ontwaken riep! —

F. J. Haverkamp.

{Zeshonderd Jaren. Amsterdam, Jan D. Brouwer.)

DE METSELAARS IN DE DIERENWERELD.

Reeds bij de viervoetige dieren is aanleiding genoeg om dc volharding, het overleg en de scherpzinnigheid van de arbeiders te bewonderen. Do vos, de das, het konijn en meer anderen maken verbazend diepe holen, waarbij zij nooit vergeten eene menigte vluchtgangen voor de veiligheid aan tc brengen. Do \'noeste soorten van muizen weten het graan, dat zij voor den ginter verzameld hebben, zelfs in don vochtigen grond voor e ui te bewaren door zorgvuldig de kiem van ieder korreltje 1 bijten. Do schijnbaar zoo onhandige egol legt oene merk-

-ocr page 84-

84

waardige slimheid aan den dag, niet alleen doordat hij hot vlugste muisje zoo listig weet te vangen, maar oolj door het overleg, waarmee hij zich rondrolt in een hoop zachte, fijne bladeren en die, op zijne pennen vastgeprikt, als een volgeladen hooiwagen in zijn hol brengt, om er zich een gemakkelijk leger van te bereiden. Aangespoord door zekere voorkennis van het weder, verplaatst het eekhoorntje den ingang van zijn nest van deeene windstreek naar de andere, de mol boort zelfs door steenachtige gronden heen en maakt daarenboven gewelven en woningen, die keurig gebouwd en met mos, gras en droge wortelen zoo ingericht zijn, als men het waarlijk niet verwachten zovi van een diertje, dat er zoo dom uitziet. De eveneens toebereide holen der marmotten zijn daardoor opmerkelijk, dat deze diertjes den ingang er van bij het begin van den winterslaap dikwijls twee tot drie voet diep met steenen en met aarde toeraetselen. Het kunstigste nest der zoogdieren echter is dat van de dwergmuis, dat bijzonder sierlijk uit fijne halmen, biezen, boomschors en bladeren tot een kogel met een kleinen ingang is samengeweven en. tusschen rietstengels en biezen stevig vastgemaakt, zwevend blijft hangen. Aardig zijn ook de dammen der bevers, en deze dieren gaan voor de beste metselaars onder de viervoetige door, ofschoon de verhalen, dat zij paleizen met deuren, trappen en dergelijken zouden bouwen en zich daarbij van hunne breede staarten als troffels bedienen, tot het rijk der verdichting behooren.

Maar als eigenlijke kunstenaars of, op zijn minst genomen, als do kunstigste arbeiders uit de dierenwereld komt de eerste rang aan de vogels toe. Men heeft zelfs hunne werkzaamheden, voornamelijk mot betrekking tot den bouw der nesten, wetenschappelijk volgens verschillende handwerken ingedeeld. Bijna iedere nieuwere geschiedenis der natuur leert ons onder de vogels: metselaars, mijnwerkers, mandenmakers, snijders, wevers, viltwerkers en timmerlieden kennen, terwijl nog andere eene soort van plat of gewelven van mos en kelders in cement weten te vervaardigen. Wij zullen ons zooveel mogelijk tot de bekende soorten bepalen en de merkwaardigste onder de vreemd-slechts in het voorbijgaan behandelen.

Het is een warme lag in den voorzomer, en wij bevinden

-ocr page 85-

85

ons aan den vlakken oever van een moeras of vijver, waar honderden zwaluwen met grooto drukte bezig zijn. Wij voelen ons reeds terstond tot haar aangetrokken, zoo bekoorlijk als zij er uitzien met hare blauwzwarte rokjes en witte broekjes, maar wij krijgen ze nog veel liever, wanneer wij nauwkeurig haren nestbouw gadeslaan. De meeste zwaluwen maken hare nesten van slijk of modderaehtige aarde; de aardige huiszwaluw aan de buitenzijde der gebouwen, de boerenzwaluw onder de daken, op vlieringen, enz. Het nest der eerste, dat meestal vrij hangt of ten minste slechts een geringen steun van onderen heeft, is veel kunstiger dan dat der tweede soort. Beide hebben den vorm van het vierde deel eens kogels, dat der huiszwaluw is nog iets meer halfrond en heeft een nauweren ingang. Bij het bouwen wordt hot eene kluitje na het andere in den snavel aangedragen, ze worden op elkander gepakt, nu en dan met tussehengevoegde lange haren of dunne strootjes bevestigd en nooit wordt voortgcmetseld, voordat het eerste gedroogd is. Op deze wijze verkrijgen de zwaluwnesten zulk eene vastheid, dat zij wel zeven jaren en langer gebruikt kunnen worden. Bij ieder nieuw broedsel behoeven zij dan alleen maar gereinigd en opnieuw van binnen gevoerd te worden. Dit laatste doen de zwaluwen met zachte halmen, wol, veertjes en dergelijken. Onder al deze, tot de metselaars behoorende, soorten acht men de kunstigste de Amerikaansch■ rotszwaluwen, wier bijzonder regelmatige, uit leem en zand gebouwde nesten in rijen naast elkander hangen. De kunstvaardigheid der zwaluwen heeft reeds de opmerkzaamheid van de natuurkenners der oudheid tot zich getrokken, en Phnius verhaalt zelfs de wonderbare fabel, dat zij eens in Egypte in troepen van duizenden een dam tegen de overstroomingen van den Nijl opgemetseld hebben.

Wij hebben echter onder onze bekenden nog andere metselaars, die niet minder goed hun werk verstaan. quot;Wanneer vroeg in het voorjaar het liefelijk gezang van den lijster ons hart verrukt en het bosch met zijne prachtige kerkbogen daardoor in den heiligsten aller tempels herschapen wordt, wien onzer komt het dan in de gedachte, dat deze meester in de zangkunst tevens \'\'-ulk een uitstekend bouwmeester is? In de dichtste takken van

-ocr page 86-

8G

jeneverbes of dennestruik vindt men, eenige voeten boven den grond, zijn nest, dat den regelraatigen vorm van een hal ven kogel heeft en uit leem en koemest is samengesteld. Yan buiten is het met mos bekleed, en van binnen met vermolmd wilgenhout en het speeksel van den vogel keurig gepleisterd eu glad gemaakt. In dit kunststuk ligt echter nog een wonder verscholen, dat tot legenden en bijgeloof aanleiding heeft gegeven en waardoor men in het Harzgebergte van »den blinkenden vogelquot; hoort spreken. quot;Wanneer namelijk het nest door regen of dauw vochtig geworden is, geeft somtijds het vermolmde hout een phosphorachtig licht van zich, zoodat de lijster zelf schijnbaar midden in een gloeiend nest zit.

ISTog bekwamer metselaar is de blauwspecht, dien men ook wel boomkruiper noemt. Deze zoekt zich eene iiolte, een knoestgat in een of anderen boom, of het verlaten nest van een groototo specht uit en metselt den al te wijden ingang met klei- en leemaarde zoover toe, dat slechts zijn eigen klein lichaampje er door kan sluipen, terwijl grootore vijanden buiten moeten blijven. Dit metselwerk droogt in de hitte van den voorzomer zoo sterk, dat er wel moeilijk een roover zou te vinden zijn, die het verbreken kon. Verder moeten wij onder onze inlandsche metselaars den ekster niet vergeten. In de slanke bovenste takken van de dichte kruin der populieren, elzen of andere boomeu en meestal vlak bij de woningen van mensehen, vindt men het nest van dezen listigen dief, die van daar uit op moord en roof uitgaat. Dit laatste gaat ons echter op dit oogenblik niet aan; wij willen alleen den bouw van zijn nest, als tot ons onderwerp behoorende, eens opnemen. Op een grondslag van sterke twijgen brengt de ekster eene dichte laag vochtige aarde aan, die, ofschoon niet tot de kunstigste behoorende , toch eene soort van metselwerk te noemen is; dan volgt eene laag van fijne wortels en takjes en eerst daarboven een kussen van veertjes, haren, enz., waarin de nestholte gemaakt wordt. Ook over zijn nest spant de ekster eene uit losso takjes gevormde bedekking, waardoor hij eene groote uitzondering maakt op de meeste zijner natuurgenooten. Meer echt-\'r dan om den aard van zijn werk verdient deze vogel om

-ocr page 87-

87

zijne slimheid onze opmerking. Ter wille van jonge eenden, kuikentjes, enz., nestelt hij, hoezeer ook door iedereen vervolgd, liefst in de nabijheid der dorpen, maar heeft daarbij door ondervinding van geslacht tot geslacht, of, wil men liever, door instinkt de voorzorg leeren gebruiken, om het nest door de aardlaag, vooral daar hot zoo in de hoogte is, vrij zeker tegen een geweerschot te beveiligen. Hoogst opmerkelijk is het daarbij, dat de eksters, die alleen in de bosschen, ver van menschen nestelen, bijna nooit aarde in hun nest aanbrengen. Wij vinden ergens een verhaal opgeteekend, dat nog meer van het buitengewone vernuft van dezen vogel getuigt. 3Ien wilde namelijk een ekster in hot nest doodschieten, en ofschoon men daartoe vrij groven hagel had genomen, werkte deze niets uit. Men onderzocht later het nest en bevond, dat het tot grondslag in plaats van de gewone klei eene laag ijzer had, hetwelk het dier tot dat doeleinde uit eene ver verwijderde smederij gehaald had.

G. K.

(Volksalmanak. Amsterdam, C. A. Spin.)

HET STRAATGEWOEL IN ROTTERDAM.

Wisselt de beweging op de straten en in do havens op de verschillende dagen min of meer af, ook de uren van den dag hebben invloed op de stoffeering der stadsgezichten. De vroege morgen behoort aan den ambachtsman en den sjouwer, en onder de voertuigen zijn de bakkerswagens en de tweewielige melkkarretjes het rijkst vertegenwoordigd. In de binnenstad vooral staan gansche reeksen van koperen en ijzeren kotels op theestoven, waarin de water- en vuurvronw de buurt van kokend water en kolen voorziet. De voorwerpen van koper bereiken niet altijd hunne bestemming op de voor- of achterbovenkamers der 1 y\'v bevolkte spandenquot;. Soms ver 1 walen zij op geheimzinnige wijze in de winkeltjes van helers en opkoopers. De groen- en melk-quot;larkten zijn overvol, en, des Dinsdag met name, is de Becs-

-ocr page 88-

88

tenmarkt voor den liefhebber van schoon vee belangrijk, hoewel nagenoeg ontoegankelijk. Een weinig later drentelen de talrijke naaimeisjes naar hare winkels, en de uitwonende bedienden naar de respectieve magazijnen. Togen negen uur is de stad vol van de Spes Patriae. \') Dan openen de veelvuldige en veelsoortige inrichtingen van onderwijs hare deuren, en voor eenigen tijd is de schooljeugd uit alle klassen der maatschappij het overheerschend bestanddeel der straatbevolking. Deftige en ernstige kooplieden, die zich naar hunne kantoren spoeden, en ambtenaren, die hunne bureau\'s opzoeken, volgen de zorgelooze jongelingschap. Dan komt voor eenigen tijd betrekkelijke kalmte De arbeid is in vollen gang. maar een groot deel van den arbeid ■wordt binnenshuis volbracht. Van equipages zijn het de rijtuigen van enkele handelaars, die zich naar \'t kantoor laten brengen, eenige afrij wagens en voorts de dokterskoetsen en de vigilantes, waarin vreemdelingen en reizigers rondtoeren.

Ten twaalf uur barst de schoolbevolking wederom uit. In statige rijen trekken de kinders der bewaarscholen naar buiten en enkele andere scholen »wandelenquot;. Wie van kinderen houdt, kan dan zijn hart ophalen in het Park of in de Nieuwe Plantage. — Eén uur, en de kooplieden snellen naar de beurs. Op de kaden wordt het stil. \'t Is schafttijd. De snorrende stoommachines rusten, de ratelende wagentjes, waarmee dr koopwaren van de schepen en booten worden gereden, staan een oogenblik stil. Tegen zakken en balen, op planken en stoepen genieten de sterke werklui hun middagmaal. Vrouw of kind zit er bij en het hondje wordt niet vergeten. — Twee uur. De storm der beweging verheft zich. De schoolkinderen vliegen als een zwerm musschen voort op het geluid der klok. De beurs gaat uit. De arbeid wordt hervat. Do dames komen op straat. De tijd van bezoeken brengen, van boodschappen doen, van wandelen is daar. De equipages rollen over de straten. Op de Singels trappelen de rijpaarden. De kindermeisjes en bakers flaneeren 2) met de haar toevertrouwde schatten. Rusteloos gaat de arbeid voort. Het leven is

\') Hoop des vaderland*.

\') Drentelen rund.

-ocr page 89-

89

in vollen gang. — Omstreeks vier uur gaan de scholen uit. De waterkanten vooral zijn vol van jongens, voor wie het ontrouw element te allen tijde eene groote aantrekkelijkheid schijnt te hebben. Allengs keeren de wandelaars huiswaarts en voor eenige oogenblikken komt de stilte van den etenstijd. — Des avonds is het de drukte eener groote stad. \'t AVordt vroeg stil en donker in Eotterdam. De lichten dor winkels worden uitgedoofd; omstreeks elf uur kan men gansche straten ledig zien. De volksbeweging is. in enkele punten geconcentreerd. 1) Met de rijtuigen, die de bezoekers van gezellige bijeenkomsten te huis brengen, en met de liederen van eene of andere bruidspartij in de achterbuurten, sterft liet gedruisch van den dag weg. Hier en daar klinkt het geraas eener stoomboot, die des nachts hare lading lost. In sommige stadswijken krassen violen en galmen luidruchtige stemmen. Do eenzame wakers slenteren rond bij de opgestapelde goederen op do kade. Een matroos of zwart geblakerd machinist, wien de breede straat soms bijna niet breed genoeg is, tracht zijn vaartuig te vinden. Rotterdam is in rust. De nacht breidt zijne vleugelen uit over de woelige stad. En als de eerste schemering van den morgen aanbreekt, dan gaat het weer in den grooten rosmolen rond, altijd hetzelfde en toch altijd nieuw.

J. Ceaandijk.

(Wandelingen door Nederland. Haarlem, II. D. Tjeenk Willink.)

DE BRAND.

De noodklok bengelde in \'t gehucht. De dorpers, pas in slaap gezonken. Ontwaakten, schrikkende opgeklonken,

En duizelden van \'t wild gerucht, \'t Is brand, \'t is brandI De sparren kraken,

\') Samengetrokken, hepe)\'kt.

-ocr page 90-

90

De wanden scheuren. Stal en schuur En huis en keet zijn rook en vuur. De hooiberg en de houtmijt blaken.

Een vonk was uit do schouw gespat, Het rieten dak had vlam gevat; Nu kronkelt zij langs al de daken.

Ei\'n enkle vonk vernielt een stad.

Verschrik\'lijk is die rosse pracht, Die lichtstroom, eensklaps aangebroken.

Alsof de dagtoorts ware ontstoken

In \'t holste van den zwarten nacht. — Ontzettend is het vuur van kracht:

Geen grendels weten \'t af te sluiten.

Geen dammen zetten \'t perk en paal. Het bijt door hardsteen en motaal. Het perst door wulf en rots naar buiten;

Het sloopt, verslindt, vermaalt tot gruis, Verteert wat mot en roest ontzagen,

Eu \'t marmren hof en \'t leemen huis Wordt opgeschept en weggedragen.

Helpt, helpt! Al feller blaakt de gloed, Al banger kreten doen zich hooren!

Er kan nog meerder gaan verloren Dan enkel huis en have en goed:

Helpt, helpt! het vuur wint voet aan voet! De hulp schiet toe van allerwegen;

t Gevaar ontgloeit den moed te meer; De nokken worden opgestegen.

Het brandend dakhout ploft terneer; De ladders worden toegestoken:

De waterputsen leeggeplast;

Geen staldeur blijft onopgebroken,

\'ieen slagboom op de schaapskooi vast. Goddank, gered is allen \'t leven!

De vuurwolf mist zijn besten buit:

-ocr page 91-

91

\'t Ontwaakt gezin kwam voilig uit,

Het laatste rund werd uitgedreven,

En woester loeit en bruist de vlam En grijpt en golft langs nok en wanden,

Alsof ze grammer sloeg aan \'t branden.

Omdat liet kostbaarst haar ontkwam.

Een zee van vonken stuift naar boven,

Een laaie vuurklomp gloeit en blaakt. Hoe knettert alles, knapt en kraakt!

\'t Is, of de brand niet uit zal dooven,

Voor alle hout tot aseli verstoven En alle steen is puin gemaakt.

En met gevouwen handen staat De nijvre landman :t aan te staren,

Hoe alle vrucht van zooveel jaren,

Van zooveel vlijt in rook vergaat.

\'t Was zuur verdiend en traag verkregen. Wat daar zoo eensklaps wordt vernield; Hoeveel hem God ook nog behield.

Hij kan niet danken voor dien zegen.

Hij staat als roerloos en verdoofd En aan zijn plek als vastgeklonken,

En cijfert na. wat in die vonken

Opnieuw hem telkens wordt ontroofd.

\'t Is, of hij \'t hart zich toe voelt nijpen,

Als hij een rookwolk op ziet gaan En weer een vlam naar buiten slaan;

Maar, hoe^hem \'t schouwspel aan moog grijpen. Toch wil zijn oog er niet vandaan.

Op eens . . . daar stijgt een schrille kreet! «Zijn al de kindren \'t wel ontkomen?

Ik heb er twee slechts meegenomen;

Spreek, spreek, wie van mijn andren weet!quot; — »God!quot; roept mot schrik en huivrend boven De ontstelde vader: »\'k Heb alleen

-ocr page 92-

92

Den oudste bij mij, anders geen!

Waar, waar zijn de andren clan gebleven?quot;

— »Hier!quot; roept een stem van uit de schaar: sik heb er een nog uitgedragen,

Hoe snel de vlam ons na mocht jagen;

Het kind verkeerde in doodsgevaar.quot;

»Maar dan mijn vijfde. .? quot;Wie mag \'t weten? Ik had er vijf! Heb medelij!quot;

Zoo kreet de moeder. »God! sta bij!

Is dan mijn vijfde toch vergeten?quot;-

Men zoekt, men roept: »quot;\\Vaar is \'t? waar is \'t?quot; Men luistert, of zich niets laat hooren;

Maar alles zwijgt; geen mensch, die \'t wist! Men gaf de laatste hoop verloren:

Het vijfde was en bleef vermist.

De vader wringt in zelfverwijt,

In radeloozen angst, de handen.

Laat alles nu tot ascli verbranden!

Hij is nu meer dan alles kwijt.

Een koortskou huivert door zijn aren;

Het vreeslijk denkbeeld stolt zijn bloed:

Het kind in huis en \'t huis in gloed! Het doodzweet druppelt van zijn haren.

En als verwilderd en ontzind,

In woeste wanhoop losgestoven.

Gilt, jammert hij en huilt naar boven:

»0 God! mijn kind! mijn dierbaar kind!quot; Een oogenblik . . . hij is besloten!

Hij wil terug, terug in \'t huis.

Al moet gezocht in \'t gloeiend gruis En \'t leven er bij ingeschoten;

Hij wil terug, hij hoort geen raad;

Hij stoot hen af, die hem omringen;

Hij wil den vuurpoel binnen dringen,

Hij vliegt erheen . . . hij komt te laat.

Hij komt te laat, want, uit een regen

-ocr page 93-

93

Van vonken, nit een wolk van smook,

IJlt, door de kolen en den rook,

De moeder met liet kind hem tegen.

ZLj liad geweifeld noch vertraagd;

Zij was de menigt\' doorgevlogen,

Toen nog gegist en overwogen

En rondgezocht werd en gevraagd.

Zij was in \'t brandend huis verdwenen,

En voor de vlammen onverschrikt,

Had ze in die hel van vuur geblikt En rondgegrepen om zich henen.

Ze zocht, ze riep . . . En hemel! hoor!

Is dat geen stem? . . . Haar polsen jagen; De siddrende armen uitgeslagen.

Dringt zij al diep en dieper door.

En, of haar vlam en hitte stuiten.

En of het vuur en vonken spat,

Daar heeft ze, o God! haar kind gevat En vlucht er gillend mee naar buiten.

Met open hals en vliegend haar Zijgt ze uitgeput en machtloos neder . . .

Eondom haar henen dringt de schaar . . .

Als uit een droom ontwaakt ze weder,

En elk wil weten hoe? en waar?

Zo zwijgt, zo kan geen antwoord geven;

Ze wist niet waar, ze wist niet hoe:

God had haar \'t kind aan \'t hart gedreven . . . Dat voorrecht kwam een moeder too.

H. Tollens Cz. (Gezamenlijke Dichtwerken. Leeuicarden, O. T. X. Suringar.)

ZELFOPOFFERING VAN VAN SCHAFFELAAR.

«Mannen van wapenen!quot; zoide Tan Schaffelaar fier, toen hij hen zag staan, rustende op hunne zwaarden, en hij zag opzettelijk

-ocr page 94-

94

niet naar Frank, die met de armen over elkander stond, alsof alle denkvermogen hem verlaten had: »Grij hebt gehoord, wat Perrol1) verlangt; hij vordert niet meer een dienst, die mv moed en uwe getrouwheid onwaardig is, maar nog altijd mijn leven....quot;

»En gij zult het monster voldoen om ons... viel Frank hem in de rede, en zijne oogen stonden wild iu het hoofd; maar Van Schaffelaar liet hem niet uitspreken en vervolgde fier: »Ook gij. Frank! zijt mij gehoorzaamheid verschuldigd; laat mij spreken. Ik alleen beschik over uw aller leven; want gij hebt mij trouw gezworen. — Mannen! hetgeen gij voor mij gedaan hebt, kau ik nimmer vergelden; ontvangt mijn oprechten dank. Wij zullen allen den toren verlaten; zet daarom de helmen op en houdt uwe zwaarden gereed: de Schaffelaars moeten niet wapenloos zijn, als zij onder hunne vijanden verschijnen.quot;

»Leve Van Schaffelaar!quot; riepen zij allen; zij raapten de helmen op en grepen de schilden aan. \'tWas, alsof hunne krachten herleefden, nu zij den laatsten strijd te gemoet gingen; zelfs Frank vatte weder hoop. Toen zeide Van Schaffelaar; »Het lot, dat ons wacht, zal den eene mogelijk niet toelaten te zien, waar de andere blijft; drukt daarom hier elkander voor het laatst do hand en zegt elkander een laatst vaarwel!quot;

Hij zelf noemde eiken ruiter bij zijn naam, dankte hem nogmaals, en gaf hem de hand. Toen hij Frank de hand schudde, welke in de zijne beefde, zeide hij bedaard: »Houd goeden moed, mijn vriend! de dood is niets! maar....quot; Hier hield hij op: want zijne stem werd minder vast, en hij vervolgde snel: \'Frank! gij hadt mij nog iets te zeggen; dezen nacht wildet «Ü- • • •quot;

»0! nu nog niet!quot; riep Frank huiverend, »later zal ik het u zeggen, nu nog niet!quot;

»Latcr dan,quot; zeide Van Schaffelaar droefgeestig glimlachende.

Het is mij wel; ik zal uw laatsten wil volbrengen, als ik kan. Denk, om hetgeen gij beloofd hebt, indien. ... Gij zult zorgen voor Maria, niet waar. . . vroeg hij treurig.

\') Perrol was de aanvoerder der ruiterbende, die Van Schaffelaar belegerde.

-ocr page 95-

95

»Als liet zoo zijn racet, ja, mijn weldoener!quot; zeide Frank zacht, en Van Sehaffelaar sloeg zijn ge wapenden arm om den ruiter, drukte liem tegen de borst, en riep: «Vaarwel, Frank!quot;

»Maar wij scheiden nog niet!quot; riep Frank, op zijn zwaard slaande, terwijl hij het schild omhing, »eerst moeten nog de Zwarte Ruiters uw. . . .quot; Doch hij zweeg; want Perrol riep luid; »Waar blijft Van Sehaffelaar?quot;

«Ha! hij zal komen,quot; schreeuwde Frank. «Nu gaan wij immers?quot; vroeg hij met drift.

»Ja!quot; zeide Van Sehaffelaar, die nabij de trap stond, zijne wapens in orde bracht, den helm terecht zette en met deernis de zwakte zijner ruiters zag. «Houdt u allen gereed; wij verlaten den toren; maar het schild met mijn wapen kan ik niet achterlaten, het moet mij in den dood vergezellen!quot;

»Ik haal het voor u,quot; riep Frank, en wilde hem voorbijgaan; maar zijn vriend wees hem met de hand terug.

»Van Sehaffelaar!quot; riep Frank, de handen vouwende; maar de aanvoerder zeide gestreng: »lk wil gehoorzaamd zijn!quot; en vervolgde vriendelijk: »zijt gij geen man van mijne bende meer. Frank! dat gij u tegen uw aanvoerder cn vriend verzot?quot;

Moedeloos liet de jonge ruiter het hoofd Toorover zakken en trad terug. »Zoo is het wel!quot; zeide Van Sehaffelaar aangedaan, hem met de hand op den schouder slaande, en hij beklom de trap. Zijne ruiters zagen elkander aan; maar Frank hield alleen het oog naar boven gewend; hij zag den aanvoerder op den omgang komen, en naar de voorste zijde van den toren gaan; hij zag, hoe hij het schild, dat aan den riem hing, losmaakte, met de hand over de kleuren van het wapen streek en het voorts om den hals hing. Toen zag zijn vriend naar hem en knikte hem vriendelijk toe. Frank schepte weder adem; maar daar richtte Van Sehaffelaar zich op; zijn oog was vol edele geestdrift, terwijl het over zijne ruiters ging; zijne stem was aangedaan, maar vol vuur; hij riep: vManncn! ik wil u in geen last brengen, ik moei toch eenmaal sterven.\'\'\' en wenkte hun als het ware zijn laatst vaarwel toe.

jO God! Van Sehaffelaar!quot; gilde Frank, en snelde naar boven; de ruiters volgden hem, zoo machteloos als zij waren, doch. zij

-ocr page 96-

96

konden geen woord uitbrengen. Toen Frank bijna boven aan do trap was, zag hij, hoe zijn vriend op de borstwering van den omgang stond. De zon deed dio gladde wapenrusting schitteren; de witte vederbos werd door den wind licht bewogen en het wapenschild hing op zijn rug. Het hoofd fier opgeheven, stond hij daar als een inetalea standbeeld van den edelsten vorm; toen zette hij de handen in de zijden, en riep luid en vol moed; vllier hebt gij Jan Van Schaffelaar /quot; — en sprong van den toren. . . .

Frank bereikte juist de plaats, waar zijn vriend gestaan had, toen de \\vitte pluim verdween. Een gil, die wanhoop en vertwijfeling verried, ontsnapte hem; reeds had hij den eenen voet op don rand der borstwering- gebracht om zijn vriend te volgen, toon de ruiters hem grepen.. Men. hoorde een doffen slag, vermengd met wapengeritsel, op het kerkhof, en de jongeling, die zijn weldoener verloren had, zon nu achterover in den toren gevallen zijn, indien de ruiters hem niet hadden vastgehouden. Tranen liepen langs de ruwe en gebaarde troniën der mannen van wapenen van Jan Tan Schaffelaar, terwijl zij zijn vriend naar beneden droegen, en een verward geschreeuw zich rondom den toren hooren liet; — zij hadden hun aanvoerder verloren!

J. F. Oltjiaks.

{De Schaapherder. Amsterdam, J. il. E. en G. H. Meijer.)

BROOD,

Hebt gij wel eens brood gebakken? \'t Kon wezen; want ik meen, dat veel menschea dit in huis doen — ook in de stad. Dan moet ik u toch even vertellen, dat ik onlangs in een scheikundig boek bladerde. 7t Is iets aardigs, die scheikunde! quot;Wij maken zooveel spijzen klaar, omdat het zoo »behoortquot;, of omdat zij zoo in een receptenboek staan; omdat het ons zoo voorgedaan is en wij er op onze beurt ook alweer zoo aan gewend zijn. Wij zijn op dit punt gewoon maar blindelings te volgen. Een kijkje in de schei-

-ocr page 97-

97

kunde leert ons dan eerst, hoe liet komt, dat het op deze wijze jaar en dag goed gegaan is en hoe de dingen den naam gekregen hebben van zoo gt;;te behooren.quot; Zulke kijkjes leggen ons ons eigen werk uit. — Ik vond toen onder anderen eene uitlegging van onze geheele bakkerij, een antwoord op verschillende vragen, die men zich onder het bakken allicht doet.

B. v. Waarom heet zemelenbrood toch zooveel voedzamer dan ander? — Zouden die harde, bruine zemeltjes werkelijk zoo krachtig zijn?

3Ien dient daartoe eerst bepaald te weten, wat eigenlijk het voedzame gedeelte van het meel is. Met die voedzame stof kan men kennis maken, door haar even van de rest af te scheiden. Wanneer men zijn meel goed met water vermengd en tot deeg gekneed heeft, en daarvan dan een stukje, onder gedurig toevloeien van versch water, zoolang door eene zeef wrijft, als het water er nog witgekleurd afloopt, dan zal er ten laatste op de zoef eene grauwwitte, kleverige stof over-i\'lijven. die eenigszins op vogellijm gelijkt. Het is deze stof, ■lie de taaiheid aan het deeg1 geeft; om hare kleverigheid noemt men haar kleefstof. Wanneer het melkachtig witte water doorstaan helder is geworden. zal men op den bodem van den pot ; schotel, waarin het zich bevindt, een wit poeder zien liggen; ■Ut is het zetmeel en hieruit wordt de gewone tarwestijfsel bereid. Maar de kleefstof. — dat is de voornaamste voedende stof. Wanneer men de waarde van plantaardig voedsel bepaalt , dan wordt die berekend naar het gehalte aan kleefstof of eene daarmede verwante stof. Letten wij nu even op de zemelen. Wie de moeite neemt, zulk een vliesje goed te bekijken, zal zien, dat e buitenzijde veel donkerder is dan de van meel ontdane binnenzijde. Er is dan ook ontdekt, dat het nog uit twee vliesjes ■ ostaat: een buitenst en een binnenst zaadbekleedsel. Dit laatste nu is zeer rijk aan kleefstof, veel rijker dan het witte meel ^lf; met de zemelen, die men als afval beschouwde, ging dus vroeger veel voedsel verloren, vandaar, dat thans zemelenbrood \'-ulk een goeden naam begint te krijgen. Het is daarmee gegaan als met de eieren, waarvan men ook eertijds het wit wegwierp en \'\'leen den dooier gebruikte, ofschoon gebleken is. dat die veel

J\'nn eifim Bodem. IV. 5e druk. 7

-ocr page 98-

98

minder voedingsstof bevat dan het wit. — Kon men nu het buitenste. minder rijke en altijd zeer harde buitenvliesje verwijderen zonder het binnenste mede te voeren, dat zou zeker heel mooi zijn; zoolang dit echter nog niet gemakkelijk kan. zal men ze maar te zamen in het meel moeten dulden.

Of wel eene andere vraag: Gist, wat is dat? En hoe komt

het, dat daardoor het meel rijst?

Onze gist is niets anders dan eene massa microscopische plantjes, nauw verwant b. v. met de schimmel-plantjes. quot;Wel behooren zij tot de minst ontwikkelde plantensoorten. Meer volkomen planten zouden het zich ook niet laten welgevallen bij troepen tot een pakje gekneed en uitgedroogd te worden. om dan later, bij warmte en vochtigheid, weer op te leven; evenmin als bij een fijner bewerktuigd dier ooit plaats heeft, wat dikwijls genoeg met een worm gebeurt; dat namelijk, als mei. hem in twééën gehakt heeft, aan elk stukje het ontbrekende weer aangroeit en er dus twee wonnen ontstaan. — Die plantjes nn hebben de eigenschap om. waar ze maar kunnen, eene zekeic •rassoort, het kool. uur. te ontwikkelen. Goed fijngemaakt er. alom door het deeg verspreid, vormen zij overal kleine hoeveelheden van dit gas, dat tracht te ontsnappen, maar wordt teruggehouden door het taaie, stijve deeg. Het hoopt zich daartusscher .,p en doet het zwellen, en ons dool — het rijzen — isbereikt. De hitte van den oven, waaraan het brood nu wordt blootgesteld. vernietigt do gistplant, doet natuurlijk het gisten ophouden on verhardt meteen de wanden rondom de koolzuurbeUetjes. zoodat deze in het gare brood terug te vinden zijn. Dit verklaart tevens, waarom het deeg bij het gisten niet al te wan. mag staan, en het water of de melk. waarmede men beslaat niet al te heet mag zijn.

(Brieven van een landmeinji. \'tan jonge dames. Amsterdam, C. L.Bnnl man.)

-ocr page 99-

99

STEMMEN UIT HET VOLK.

Dat het volk er nog voortdurend slag van heeft, zijne gedachten in opschriften uit te drukken, wanneer maar eens weer de oude geest wordt opgewekt en \'t zelf spreken mag, bleek ons ook bij :t Oranjefeest in 1863.

Een Rotterdammer in de Vijversteeg had een droomenden Kees geïmproviseerd:

Keesje lag zoo eens te droomen [t. w. in 1813]

Dat Oranje weer zou komen,

En dat, terwij! de Burgers sliepen,

De Franschen reeds als hazen liepen.

Wat hij droomde, Goddank! dut was waar;

Want Neerland viert dit feest thans na 50 jaar.

Een ander, die op de Botersloot in den kippenheuiel woonde oordeelde, dat hij letterlijk Oranje bovm vierde en schreef boven zijne trapdeur:

k Woon 47 trappen boog,

Wie zou dan niet gelooven Het voorrecht, dat ik thans geniet?

\'k Vier \'t feest Oranje Boven.

Een oud moedertje te Leeuwarden, op de Put, die met Daar staal zij, Neerlands maagd, enz.

!,,e VK!renkaiUquot;s illumineerde, en er met hare poes op den schoot \'i, zat, had dit opschrift bij hare knars:

Ik brand er één, maar liet is een dikken.

Mijne kat zou graag die kaars wel likken,

-Maar ik weer die af met vaste hand,

Daar zij slechts voor Oranje brandt.

^-n «oud strijderquot; (kranten- on redenaarsstijl van die dagen) . lt; e ozenstraat te Amsterdam, had zich Cats herinnerd, die

-ocr page 100-

100

ook praatte van *een koers, die in de pijpe brandtr en boven zijne deur iiiteu zetten;

Mijn levenslicht, reeds iu de pijp,

Heeft 82 jaar gebrand,

Brandt nog met Godes hulp Voor Oranje, Vorst en Land.

1813 — Beleg van Naarden — 1863.

Te Breda, in de Nieuwstraat, was een huis met 50 vlagg -tjes versierd, en las men in den gevrl .

Ik vlag volstrekt niet eiken dag,

Jfaar nu voor ieder jaar een vlag.

Een ijzerkooper in de Groote-Houtstraat te Haarlem, die m. op voorvaderlijke wijze eene kaars-illuminatie op eene piramio-van latjes had aangebracht, schreef daarbij;

Uluraineeren wil ik,

Dat is niet meer als billijk.

Doch door gebrek aan glazen,

Doe ik het, evenals in 1813, met kaarsen.

De man vond er behagen in zirh in dien tijd te eerplaatsen maar hij had er dan ook een rok en kamizool van 1813 b,,

moeten aantrekken.

Niet weinigen hadden hunne beroepsaanduiding op meer min geestige wijze met het Oranjefeest in verbinding gebrar! en zoo het opschrift tot eene advertentie doen dienen, te Rotterdamsch grutter deed zulks met de volgende regelen:

Wie Nederlander is, slaat dankbaar \'t oog naar boven.

Om op dee/,\' blijden dag den Opperheer te loven,

Dat hij d\' Oranjestam hergaf aan Nederland.

Ook ik vier recht verheugd, dit feest van vijftig jaren; \'k Verkoop aan elk wie komt de beste grutterswaren En geef een goede maat, maar alles gaat kontant.

\'k Wensch heil aan Vorst en volk op dezen schoenen dag. En hoop, dat ik nog lang hier Grutter wezen mag.

Mijn buurman K.......Btaat ook \'t Oranje voor,

Ook die vraagt ieders gunst, maar hij als Stukadoor.

-ocr page 101-

101

Zoo echt zeventiende-eenwsch, dat wij, als wij \'t uiet beter wisten, zouden meenen, dat hij \'tuit Jèroense\') gekopieerd had.

Lvenzoo ware tiet volgende vierregelig versje te Maarsen, waarin een advocaat zijn pleiten bij t Oranje te pas zocht te orengen, een plaatsje waanlig geweest in Van den Berg\'s Luyffel-Banq net:

\'k Pieit vóór Oranje, soms ook tegen,

Naar dat de zakeu ziju geleden;

Maar wiJ je Oranje naar het recht,

\'k Verzoek, dat ik uw zaak hesleclit.

jGelief, Heer Advocaat,

Eer dat je pleiten g-aat,

Ons duidlijk uit te leggen.

Wat je eigenlijk wilt zeggen.|

Dan hadden zijn kleermaker en zijn haarsnijder er nog beter \'ajj van. De eerste had boven zijne deur:

Ik hen in \'t vak als lijn verstaald,

1 rek zelfs Oranje door mijn naald.

En de ander:

Een pruikenmaker hen ik niet,

Maar snij eenvoudig haar;

k Zing heden een Oranjelied En heh Oranje om mijn schaar.

b.-ne garen- en lintjull\'ronw te Wageningen zei duidelijk, waar 1 haar om te doen was:

Al wie nu Oranje mint. Koopt hij mij Oranjelint.

En

even rondborstig kwam er een Bosscher kroeghouder oor uit:

Ik limmeneer hier met één vlam Al voor Oranje en Schiedam.

\') Jeroenae verzamelde in een boekdeel een tal van opschriften op iitbangborden enz.

-ocr page 102-

102

Terwijl oen slager te Breda weder den ouden zeventiende-eeirwschen toon aansloeg:

Oranje boven\'

Ik verkoop vleescli, dat kan je braden cn stoven;

Pus, vrienden, gaat niet voort.

Maar koopt eenig-e pondjes bij Keesje van Noort,

Winkeliers, dio een beeldje ol kopstuk tot uithaügteeüe: hadden, lieten dit ook het woord voeren: — zoo te Nieuw vee;, een gaper, die met oranje versierd was:

Ai ben ik maar besterad tot gapen,

\'k Draag toeb Oranje om hoofd en slapen.

Een tabakskooper te Dordrecht had sedert dertig jaren es; tabaksmannetje met oranjelint om den hoed buiten staan : doel. daar hij dit kereltje, ten gevolge eener verordening tegen he* uitstallen, met Nieuwojaar moest innemen, liet hij het een* daarover nog eens zijn beklag doen;

Op last der Heeren van \'t Stadhuis Moet ik met Nieuwejaar in huis,

Al heb ik dertig jaar gestaan hier op het blind.

En steeds versierd geweest met een Oranjelint.

Toch wil ik evenwel als oud Oranjeklant Getrouw zijn aan mijn stad en aan mijn vaderland.

Mr. .1. Van Lennep en J. Ter Gouw.

(Het Hoek der Opschriften. Amsterdam, Gehr. Kraay.)

NEERLANDS ZEEROEM,

liet water is ons element,

De zee bruist onze glorie:

Wat volk, dat Hollands roem niet, ken,\',.

Niet spreekt van zijn victorie?

NV.it land, dut Hollands vlag en vloot. Dat Hollands trouw gpen eerbied bood.\'

-ocr page 103-

103

Het is eeu volk van heldenkraciit.

Dat Evertsens kan tooneu:

Dat Kortenaars heeft voortgebracht.

En Trompen noemt als zonen:

Een Ruiter schiep, op wien heel de aardquot; Met eerbied en bewondring staart.

o G-ij, die zuiver Neerlandsch bloed

Voelt bruisen in uwe aad\'ren!

Aanschouwt den nooit bezweken moed,

De grootheid van uw vaad\'ren!

Dat bij den glans van \'t vaderland De borst van heil\'gen eerbied brand\'1

o Heil\'ge tijd! o gouden eeuw!

Als aller zeeën waat\'ren Den lof van Hollands fleren leeuw

In eiken golfslag klaat\'ren;

En als de naam van Nederland Weergalmend rolt langs rots en strand.

En is de zon des roems gedaald,

Er brak door ramp en duister Een dageraad, die glansrijk straalt.

En rijst met nieuwen luister:

De zee, het perk van Hollands eer,

Zag reeds de heilzon schitt\'rend weer.

H. A. Spandaw.

(Gedichten. Leiden, Noothoven run Goor.)

DE JAPANSCHE STEENHOUWER,

Er was een man, die steenon hieuw uit do rots. Zijn arbeid ^as zeer zwaar, en hij arbeidde veel; doch zijn loon was gering. en tevreden was hij niet.

-ocr page 104-

104

Hij zuchtte, omdat zijn arbeid zwaar was, en hij riep: och, dat ik rijk ware om te rusten, op eene baleh-baleh J) met klamboe 1) van roede zijde.

Er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zij, gelijk gij gezegd hebt.

En hij was rijk. En hij rustte op eene baleh-baleh en de klamboe was van roode zijde.

En de koning des lands toog voorbij met de ruiters voor zijn wagen; en ook achter den wagen waren ruiters, en men hield den gouden pajong 2) boven het hoofd van den koning.

En als de rijke man dat hoorde, verdroot het hem, dat er geen gouden pajong werd gehouden boven zijn hoofd, en tevreden was hij niet.

Hij zuchtte en riep: ik wenschte koning te zijn.

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zij, gelijk gij gezegd hebt.

En hij was koning. En voor zijn wagen reden vele ruiters, ea ook waren ruiters achter zijn wagen, en boven zijn hoofd hield men den gouden pajong.

En de zon scheen met heete stralen en verbrandde het aardrijk, zoodat de grasscheut dor was.

En de koning klaagde, dat de zon hem schroeide in het gelaat en macht had boven hem, en tevreden was hij niet.

Hij zuchtte en riep; ik wenschte de zon te zijn.

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: u zij. gelijk gij gezegd hebt.

En hij was de zou. En hij zond zijne stralen naar boven er naar beneden, naar de rechterzijde en naar de linkerzijde, ei alom. En hij verschroeide den grasscheut op de aarde en het gelaat der vorsten, die op de aarde waren.

En eene wolk stelde zich tusschen de aarde en hem en de stralen der zon stuitten daarop terug.

En hij werd toornig, dat zijne macht weerstaan werd, en hij

1

:) Gordijnen.

2

) Zonnescherm.

-ocr page 105-

105

klaagde, dat die wolk machtig was boven hem, en tevreden was hij niet.

Hij wilde de wolk zijn, die zoo machtig was.

£n er kwam een engel uit den hemel, diezeide: n zij, gelijk gij gezegd hebt.

En hij werd tot eene wolk, en plaatste zich tusschen de zon en de aarde en ving de stralen op, zoodat het gras groen werd.

En de wolk regende in groote droppen op het aardrijk, en deed ue rivieren zwellen, en de banjirs \') voerden de kudden weg.

En zij verwoestte door veel waters het veld.

En zij viel neer op eene rots, die niet week. En zij klaterde in groote stroomen, maar de rots week niet.

En zij werd toornig, omdat de rots niet wijken wilde eu omdat de sterkte harer stroomen ijdel was. En tevreden was zij niet.

Zij riep: aan die rots is macht gegeven boven mij, ik wenschte die rots te zijn.

En er kwam een engel uit den hemel, diezeide: u zij, gelijk gij gezegd hebt.

En zij werd rots, en bewoog niet, als de zon scheen en niet, als het regende.

En daar kwam een man met houweel, en met puntigen beitel, en met zwaren hamer, die steenen hieuw uit de rots.

En de rots zeide: wat is dit, dat die man macht heeft boven mij, en steenen houwt uit mijn schoot? En tevreden was zij niet.

Zij riep; ik ben zwakker dan deze, ik wenschte die man te zijn.

En er kwam een engel uit den hemel, die zeide: uzij, gelijk -ij gezegd hebt.

En hij was steenhouwer. En hij hieuw steenen uit de rots, met zwaren arbeid, en hij arbeidde zeer zwaar, voor weinig loons, en hij was tevreden.

E. Douwes Dekkkr.

(Multatuli.)

{Max Havelaar, Uotterdani. Elzecier-Maatschappij.)

\') Over-irooniinyett.

-ocr page 106-

106

HET KIND EN DE BEDELAAR,

Hoe mat en krank door al haar leen,

Lang hield zij \'t slepend op de been, Of haar gezondheid keeren zou — Margretha, de arme weduwvrouw.

Maar eindlijk zonk ze op \'t leger neer; De koorts nam toe, zij kon niet meer. Eén kind slechts had zij. \'t Was een zoon; Twee roosjes bloeiden op zijn koon:

Zijn oogen waren vriendlijk blauw,

Twee korenbloempjes nat van dauw. En \'t krullend haar was blond en zacht, Gelijk de witste lammervacht.

»Mijn kind!quot; dus riep zij droef te moe Het blij ontwakend knaapje toe,

Toen ze. afgetobd, den langen nacht Weer slapeloos had doorgebracht:

»Ik ben te ziek om op te staan,

En kan niet uit het hutje gaan.

Maar in de la ligt kopergeld,

Door mij nog gist\'ren nageteld;

•STeem dat, daar gij vast hong\'rig zijt, En koop u brood voor uw ontbijt.quot; Het knaapje, als altijd rad ter been. Sprong hupp\'lend naar het dorpje heen, Ging zingend langs de dorenheg.

En telde \'t geld na onderweg;

Maar aan de beek, bij \'t molenrad,

Daar stond een beed\'laar op zijn pad, Gekromd van leen en hoogbejaard.

Met kale kruin en zilv\'ren haard. Met houten stelt — zijn been was stuk -En onder ieder arm een kruk.

Dief kindquot;, sprak hem de beed\'laar aan. «Wees met mijn droevig lot begaan!

-ocr page 107-

107

\'t Is welkom, wat uw hand mij biedt! Illt; at van daag en gist\'ren niet.

\'k Zie, in uw ving\'ren glinstert wat, Och, kunt gij \'t missen, geef mij dat!\': Hot knaapje voelt eens naar zijn maag; G-ezond en jong maakt dubbel graag, En is hij al dat koper kwijt.

Weg is dan \'t brood, weg zijn ontbijt! Dat warme brood! Alsof de geur Uit \'s bakkers open winkeldeur Reeds prikk\'lend in zijn neusje drong Zóó smakte \'t knaapje met zijn tong. Maar als hij \'t neergeslagen oog Weer naar den beed\'laar hief omhoog, Die daar zoo hong\'rig stond en bleek. Toen werd hem \'t kinderharte week. En met één zuchtje, met één sprong. Die !t prutt\'len van zijn maag bedwong. Reikt hij het handje, en \'t kopergeld. Dat zulk een warm ontbijt voorspelt, — Schoon hij van honger watertandt Glijdt in des beed\'laars maag\'ro hand.

»God loone u!quot; sprak toen de arme man, sMeer dan u de armoe loonen kan!quot; En ijlings over struik en heg Smijt hij zijn stelt en krukken weg.

Zijn beed\'laarspak, in lichtgewaad Veranderd, blonk als zijn gelaat,

En zulk een glans der majesteit Lag over \'t voorhoofd heengespreid, Dat hij, daar statig aangetreên , Een Heilige of oen Engel scheen.

Hij hief het knaapjen aan zijn borst. Dat nauwlijks hom meer naad\'ren dorst. En fluisterde met zoete stem,

Zijn lokken strooiend , zacht tot hem :

-ocr page 108-

108

-Gezegend zijt gij, dierbaar kind,

Door (jod en de Eng\'len vroeg bemind! U wacht eens \'s Hemels gloriekroon,

Maar ook op de aarde quot;t heerlijkst loon. Gezegend zij die kleine hand,

Uie vroeg ellende en smart verbant. Zij strooi\', waar gij op aard zult treên. Slechts balseiudrupp\'len om zich heen! Wat zij ook aanroert, ziekte ot pijn Zal voor die hand gevloden zijn!

Smaak zóó, terwijl gij vreugd verspreidt. Van weldoen al de zaligheid!quot;

Hij kust het kind nog keer op keer; Dit voelt van vreugd geen honger meer, .Maar huppelt blij en eens zoo vlug-Naar moeders kluisje in \'t dal terug, ïln klimmend op haar legerstee.

Deelt hij haar zijne ontmoeting mee, En strengelt de armpjes om haar vast; Zij drukt aan \'t hart zóó lief een last. En geeft het jongske zoen op zoen: Wat sprak de ziekf moeder toenV Zij weent en snikt van blijdschap luid, En roept, hem weer omhelzend, uit: Wat frisch gevoel doorstroomt mijn bloed ! Ik heb weer kracht om op te staan Eu met u naar het dorp te gaan.

01 gaaft, geloofd zij God de Heer! Uw moeder haar gezondheid weer!quot;

■Is dat nu waarlijk zóó geschiedVquot; • »ch. kleine wijsneus, vraag dat niet! Hoe quot;t knaapje, toen het ouder was. Een keizer, een prinses genas.

En schatten naliet, rijk ••n groot,

Eu nog bleef weldoen na zijn do\' I.

-ocr page 109-

109

Daar menig godshuis en gesticht

Werd van dio schatten opgericht —

Stant nog in \'t oud verhaal daarbij.

»Maar zou het waar zijn?quot; vraagt ge mij;

Ben sprookjen is \'t van d\' ouden dag.

Waarbij men niet veel vragen mag:

Doch menig sprookje, rijk van zin.

Sluit Christendeugd en wijsheid in;

Ook t sprookje, dat ik hier vertel,

En wat liet leert, onthoud dat wol:

^Milddadigheid, die eed\'le deugd.

Vlecht, waar ze in quot;t hart woont van de jeugci.

Om blonde slapen reeds een kroon,

In \'t oog van God en de Eng\'len schoon!

Zij vindt hier quot;t heerlijkst loon bereid,

Want wèl te doen is zaligheid!

Wie troost brengt in der armen kluis,

Draagt vreugde en zegen mee naar huis!\'\'

En twijfelt ge, ol\' in \'t beed\'laarspak Een Heilige oi\' een Engel stak —

Denk: waar ik leed verzacht of pijn-Kan ik eon zeeg\'nende Engel zijn !

B. Tkk Haar

{Gedichten, A Dilnm , /\'. ,1. l\'hietnc.)

HOE DE HEER DADEL GELD MAAKTE,

Eliaf Dadel is directeur van een tooneelgezelnchap, dat in cle tent, genaamd De Drie Krnnnt, voorstellingen geeft op (ie kermis. Hij is in den morgenstond bezig met luider stem zijne rol te lezen, waarin liij een vriend dringend tiitnoodigt bij hem te komen eten en allerbn heerlijke gerechten opnoemt.

Keeds herhaalde malen heeft een knaap van omstreeks vijftien jaren behoedzaam op de bnitenzijdi- van de deur geklopt, waar-

-ocr page 110-

110

aciiter de uitnoodiging tot den lieerlijken maaltijd gedaan wordt. De jong-eu heeft eene groote oliekruik bij zich nedergezet, en aan de linkerhand draagt hij eene hengselmand, welke n dit oogenblik eene sterke sraeerkaarslucht op het portaaltje in \'t ronde verspreidt.

aWel deksels!quot; prevelt de jongen, »dat schijnt een vet leventje te hebben,quot; en lüj klopt weder op de deur, en loert door den kier, doch — ziet niemendal.

Wij weten liet, lezer, Elias Dadel is »een beetje hardhoorig.quot; De jongen gluurt nogmaals en klopt iets sterker. Goed zoo! De heer Klias heeft het kloppen gehoord; hij legt het manuscript\') ter zijde, treedt op de deur toe, opent haar ten halve, steekt het hoofd naar buiten, en zegt op deftigen toon:

»Wie is daar?quot;

-gt;Ik,:\' is het antwoord: »ben ik hier terecht bij, bij— ik zal maar zeggen, bij het Ürie-Kronenspel, dan zal je \'t wel weten.quot;

».\\lijnheer Elias Dadel, om u te dienen,quot; zegt do eigenaar van lüen naam; »en wat voert u herwaarts?quot;

«Zooveel als compliment van den baas, en hier waren de vetkaarsen en de olioki-uik eu\'t briefje er bij,quot; luidt het antwoord.

»Ha, zoo, knaapje;quot; hervat de heer Elias, terwijl hij zich in zijn geheel, nog altijd in profohd négligé 2) aan den jongen vertoont, »u\\v meester heeft reeds vroegtijdig aan onze bestelling voldaan. De reziseur\') van ons tooneelgezelschap, die met de adminestraasje *) belast is, houdt eigenlijk in de Nachtegaal zijn lozies, maar ik mag u niet vergen derwaarts deze zaken te brengen: Iaat dezelven slechts hier, en verschoon mij, dal ik u in geen voegzamer gewaad mocht ontvangen, noch dat ik

n in mijne kamer kan doen binnentreden, aangezien er.....

weet u.....gelieve slechts hier te geven.quot;

De jongen gevoelt iets bijzonders; \'t is hem vreemd zoo voornaam te worden behandeld: U! ü! — »Wacht, Mijnheer,quot; zegt

\') Handschrift.

■) (Jnyekleeil.

) Rlt;\'\'^iHHeur, Bestuurdt r ih r loonedroorsf\'■lllnyen.

) Atïministratifi, fidn \' r th ,■ zaken.

-ocr page 111-

Ill

hij haastig, «wacht, hier is de kruik: zeven kan olie om je te dienen, en hier —quot; hij haalt de kaarsen uit de mand, »drie pond zessen, en wel de complimenten van den baas, en dat hier het briefje er bij was.quot;

De heer Dadel prijst de gedienstigheid. waarmede de »jonkmanquot; hem de behulpzame hand biedt. ZEd. heeft nochtans geen het minste verstand van olie en kaarsen noch van »derzelverquot; prijzen en zal dus zoo vrij wezen de »kwietansjequot; te behouden, totdat mijnheer Trommelstok, de »rezieseur-zoefleurquot; ten zijnent zal gekomen zijn om het bedoelde briefje in diens handen te stellen . ten einde in den loop van den dag de betaling te doen geschieden. »Ik twijfel geenszins, jonkman, of de waren uws meesters zullen goed worden bevonden,quot; voegt hij er bij: »en gelieve ZEd. mijn vriendschappelijken groet te willen overmaken.quot;

De heer Elias wil. na den jongen allerminzaamst de hand gedrukt te hebben, in zijne kamer terugtreden.

Jozef — zoo heet de jongen — wordt een beetje verlegen met de zaak; hij draait aan den kwast van zijne pot en. op het oogenblik, dat Dadel\'s tweede been binnen de kamer zal verdwijnen, spreekt hij haastig, terwijl hij het waagt den man bij zijne rechter hemdsmouw to trekken: »Ja, maar zip jo. de baas heeft gezegd: »Boter bij de visch hoor; de rekening is vier gulden vijftig, weetje, en de baas is een kwaaie; als ik het niet mee thuis bracht, dan zou hij me eene maling van wat \' en je me schoppen.....vier gulden vijftig.quot;

»En waar houdt men mij voor, dat een zoodanig bevel is medegegeven?quot; spreekt de heer Dadel, zichtbaar beleedigd, terwijl hij een fleren blik op den jongen werpt; zoo fier, alsof hij zegt: ilk eiseh voldoening, Mijnheer!quot;quot;

■Ia, weet je, neem me niet kwalijk.quot;\' zegt Jozef, dieniet zóóveel in den blik heeft gelezen: voor mijn part kon je den heelen boel present krijgen en den baas er nog bij, want zie je, die haalt een eerlijk mans kind het vel over de ooren. Als ik vóór mijn achttiende jaar als heerenknecht kon dienen, dan vas ik al lang gedrost, maar morgen-brengen; al vinden ze ook \'j\'t ik er wol genoog uitzie. :t is altijd hetzelfde liedje: je groeit de liverei uit en — daar ga je mee naar huis toe.quot;

-ocr page 112-

112

!gt;Het verheugt mij, jonkman, dat gij de achterdochtigheid en het weinig »roojale\'\' karakter uws meesters doorgrondt; het pleit voor uwe menschealfennis,quot; herneemt de heer Elias op zeer deftigen toon. Alen zou zich kunnen vertoornen over het wantrouwen. dat jegens ons gevoed wordt, en aanstonds deze vetkaarsen en olie mede terug kunnen zenden, doch, omuwentwi, behoud ik dezelven: mocht men twijfelen aan de betaling.quot; vervolgt de heer Dadel met een fleren glimlach, terwijl hij zijne kamer weer binnentreedt; »wij komen zoo aanstonds terug.\'

»Maar met al die mooie praatjes is hij met de olie en kaarsen in zijne kamer.quot; prevelt Jozef binnensmonds en hij heeft de deur achter zicli dicht getrokken; «de baas zegt, dat zulk volk zo\' kaal als een paling is; ik wist geen raad, als hij niet terugkwam; — ik zal maar eens roepen.....of — nog een

oogenblik wachten. — \'t Is een vriendelijk mensch. — Nor. moest hij me hier eens naar \'t geld laten fluiten! — Hè! dgt; baas schopte me aanstonds de deur uit, of hij zou me aangevei bij \'t gerecht. Heere m\'n tijd, wat zou ik aanvangen. -wat zou m\'n goeie grootvader beginnen! Ik zonder eenige verdienste, en — \'t is toch al armoe bij tijden!quot;

Jozef verschrikt: liet deurslot van Dadel\'s kamer is opengesprongen. Zou hij komen? — Neen, hij komt niet. Even roepen on \'t hoekje: sHm! — zeg!quot; Geen antwoord. — Jozef verston zich om de kamerdeur even in hare hengsels te doen piepen steekt de hand naar binnen en vraagt: »Hoe is het er mee?

De uitkomst is geheel anders dan de jongen zich die heef-voorgespiegeld. De eigenaar van De Drie Kronen beveelt den knaai het vertrekje binnen te treden. Jozef doet het zonder aarzelen, en. op een tweede bevel, drukt hij de deur achter zich dicht.

Het kamertje, ofschoon volkomen hetzelfde gebleven, heel\' niettemin eene geheel andere gedaante dan toen wij er tlt;quot;.; Jozefs komst in vertoefd hebben. De stoelen en de driepootig tafel. straks beladen met een aantal kleedingstukken en voorwerpen van den meest uiteenloopenden aard, toonen zich nu in hun natuurlijken staat; de kist. waarvan het deksel niet heeft willen sluiten, doet ons raden, waar de voorwerpen gebleven zijn. Ook de heer Dadel vertoont zich in eene andere gedaante:

-ocr page 113-

113

een ehainbercloak van eenigszins verschoten groengele gingang 1) omgeeft zijne leden; hij is bij de tafel gezeten, en terwijl hij de eene hand op een vierkant kistje gedrukt houdt, wenkt hij Jozef met de andere hem te naderen.

Jozef nadert.

dvnaap, ziet gij dit kistje?quot; vraagt Dadel op diepen toon.

«Jawel,quot; bevestigt de jongen.

gt;En ziet gij, wat hetzelve bevat?quot; herneemt de man in de chamber-cloak, terwijl hij den knaap het geopende kistje onder de oogen houdt.

:A\\rel zeker: kaartjes,quot; is Jozefs antwoord.

Juist,quot; herneemt Dadel, »en weet gij ook, welk eene waarde elk dezer kaartjes vertegenwoordigt? Gij weet dat niet, ik bevroed zulks; welnu, een gulden of negen en negentig centen, hetwelk hetzelfde beteekent, en terwijl dit »pampiercn\'! geld door geen sterveling ter wereld dan alleen door mij zeiven mag worden daargesteld en zulks telken ure des daags door mij verricht kan worden. zoo beseft gij, dat mijn vermogen slechts geheel afhankelijk van den wil is, om dit »pampierenquot; geld al dan niet te willen vervaardigen of hetzelve in betaling te geven.quot;

Benne dat zooveel als entree-kaartjes?quot; vraagt Jozef, terwijl hij met wijd opengespalkte oogen in het kistje tuurt.

Juist, jonkman,quot; is Dadel\'s antwoord, »dit zijn de eerste rangen; wij hebben trouwens ook kaarten van mindere waarde. Zie hier,quot; vervolgt hij, terwijl hij Jozef een zestal kaartjes toereikt, »wij betalen gewoonlijk meer dan wij schuldig zijn: uw meester ontvangt hier het »zaldoquot; van zes gulden, en dewijl gij een eerlijk borstje zijt. die verstand en doorzicht schijnt te bezitten, schenk ik u nog bovendien dit kaartje, waarmede gij het groot, gereguleerd avondspel van heden in onze schouwburgteut kunt komen bezichtigen!quot;

■iozef blijft den vrijgevigen geldmaker met wijdgeopenden mond eenige oogenblikken aanstaren.

»En, en — kan ik er dan voor niemendal in. . . ontwaakt lui ten laatste.

Geenszins, maar wel op vertoon en weder-afgifte van het

\') Zekore Oostindiache katoenen stof, ïan eigen Bodem. IV, 5e druk.

-ocr page 114-

m

kaartje, hetwelk de waarde van vijftig centen vertegenwoordigt.quot;

»En .... maar .... en kan grootvader er dan mee in . . . . ?quot; stottert Jozef.

»üw grootvader? Zoude Mijnheer uw grootvader onze werk-zaamhedens eveneens willen aanschouwen?quot; herneemt Dadel, en hij ontneemt — niet zonder eene kleine tegenstreving van den jongen — dezen het genoemde entreekaartje, sliert er tweemaal met den nagel van zijn duim overheen, en geeft het hem met de woorden: «Dubbele waarde!quot; ook aajistonds terug.

«Dubbele waarde! hè, allemachtig!quot;

En — zonder een woord meer te zeggen, snelt Josef de deur uit, de trappen af, de straat op.... naar baas Eeuzel.... neen. naar grootvader, naar grootvader, die eens pleizier zal hebben: ja, pleizier: die met hem naar de komedie van De Drie Kronen zal gaan, voor niemendal. Wat zal die goeie, ouwe man \'n schik hebben! .... Doof! dat doet er niet toe, want Joost heeft gezegd, dat het toch allemaal maar »korendanserij op \'n touw en stille pantemiene van houten poppen zonder spreken is.quot; Jozef heeft \'t nooit gezien, en grootvader zeker ook niet, \'t zal vreeselijk mooi wezen, want — die spulle-m\'nheer heeft \'n geld van wat ben je me! Jozef heeft dat gezien, gezien met zijne eigen oogen.

J. J. Cremeh.

(Romantische Werken. Leiden, D. Noothoven Van Goor.,

SPRINKHANEN IN ZUID AFRIKA.

De leeuwenjager staakte voor een oogenblik zijn verhaal, om adem te scheppen, alvorens een tweede te beginnen, toen zijn oog dat van den boer ontmoette, die sedert eenigen tijd met alle aandacht een vreemd verschijnsel aan den horizon waarnam. Het scheen aanvankelijk een lichte rook te zijn, even alsof (!• vlakte op een verren afstand in brand stond.

Kon dit inderdaad het geval zijn? Had iemand het houtgewas in brand gestoken, of was het maar eene stofwolk ? De wind was bijna niet sterk genoeg, om zooveel stof op te jagen en toch scheen hot niet anders te zijn. Wellicht werd de stofwolk ook veroorzaakt

-ocr page 115-

115

door een troep verhuizende springbokken. De wolk toch strekte zich van lieverlede wijder uit, zoodat zij eenige mijlen lang scheen te zijn en van Dijk wist, dat deze dieren soms in kudden trekken, die eene oppervlakte van verscheidene mijlen beslaan.

Hij hield nog altijd het oog op dit vreemde verschijnsel gevestigd, dat al hooger en hooger klom en eindelijk de kleur van eene roodachtige wolk aannam. Zij kwam uit het quot;Westen opzetten en verduisterde reeds de ondergaande zon. Was die wolk soms de voorbode van een onweder? Maar daar zag zij er tocli niet naar uit. Op eens bedekte zij de runderen, die op do weide graasden en men zag deze verschrikt heen en weder rennen.

Nu begon de boer ernstig ongerust te worden. Een kreet van schrik lokte de oude inlandsche vrouw uit de woning. Nauwelijks had deze de wolk gezien, toen zij mede verschrikt en toch met eene zekere uitdrukking van blijdschap uitriep:

»0, Baas! daar komen de sprinkhanen! o , wee de sprinkhanen! de sprinkhanen!quot;

■Ach ja, de sprinkhanen! Gij hebt gelijk/\' zeide van Dijk. Die zonderlinge wolk was niets meer of minder dan een zwerm sprink-lianen! Tot dusver had niemand, behalve dejager, de oude inlandsche vrouw en de afwezige Goliath, zoo iets bijgewoond. Van Dijk en de zendeling hadden wel is waar dikwijls sprinkhanen gezien, maar altoos in een gering aantal eu van verschillende soort, want er zijn in Zuid-Afrika zeer vele soorten van dit insect.

Maar de soort, welke zich nu vertoonde was de echte, gevreesde sprinkhaan. De oude vrouw kende hem zeer goed en hare dikke lippen plooiden zich onwillekeurig tot eene uitdrukking van vreugde; want do wilde stammen zien een zwerm sprinkhanen met evenveel blijdschap naderen. als de Schotsche visschers eene school haringen. Ook de honden begonnen te blaffen en sprongen in het rond, alsof zij op de jacht zouden gaan. /ij kennen deze insecteni^oor hun instinct en verheugen zich over hunne nadering, evenals de Boschjesmannen; want Boschjesmannen en honden verslinden de sprinkhanen met denzelfden smaak.

Op het vernemen dat het sprinkhanen waren, bekwamen allen eenigermate van hun schrik. Zelfs van Dijk scheen er aanvankelijk weinig om te geven. Op eens echter namen zijne gedachten eene andere richting. Hij sloeg het oog op zijne maïs- en boek-

-ocr page 116-

HG

weit velden, op zijn moestuin, en zijne gerustheid maakte plaats voor eene levendige vrees.

Hij herinnerde zich nu, welke verwoestingen deze insecten aanrichten, als zij ergens nedervallen, en wie waarborgde hem, dat zij dit niet op zijn land zouden doen?

De boer had ook allo reden om ongerust te zijn. Wanneer de zwerm inderdaad op zijne velden nederkwam, dan — vaarwel, alle hoop op een goeden oogst! De millioenen en nog eens millioe-nen zouden binnen weinige oogenblikken alles afgeknaagd hebben.

.-Uien stonden den zwerm met een pijnlijk gevoel waar te nemen. Hij scheen nog eene halve mijl verwijderd te wezen.

Evenwel bestond er nog een straal van hoop voor den arnieu boei\'. Er waaide oen noordenwind en de zwerm bevond zich juist ten westen van de kraal. Do zwerm was uit het noorden gekomen, zooals dit in het zuidelijk gedeelte van Afrika bijna altiju het geval is.

Daar evenwel juist ten noorden van zijn land geene sprinkhanen te zien waren, had hij eenige hoop, dat de zwerm voorbijtrekken zou, zonder zijn gewas schade te doen. Overigen-, vertoonden zich een aantal vogelen in de lucht. Men zag den bruinen orikoe met langzamen vleugelslag naderen; hij is de grootste gier. dien Afrika oplevert, de lammergier volgde hen, en ook de kaffer-adelaar, alsmede haviken, valken, raven en kraaien in alle grootten en kleuren. De sprinkhaanvogel wa-echter het talrijkst vertegenwoordigd. Duizenden van die vogels, die ongeveer de grootte van eene zwaluw hebben, schoten voortdurend onder de insecten \'\'ii fladderden dan met een slachtoffe:\' in den bek weder in de hoogte.

De zwerm bewoog zich meer en moer in eene zuidelijke richting en men kon duidelijk merken, dat hij van lieverlede daalde.

»Zij zullen den nacht hier doorbrengen en dan zal ik er eenige zakken vol van halen,quot; zeide de oude inlandschevrouw. die eene hartstochtelijke liefhebster van sprinkhanen was. »Zonder de zon kunnen zij niet vliegen, het wordt nu te koel. Tot morgen ochtend toe zijn zij zoo goed als dood.quot;

Eenige minuten later was do donkere nevel, die den blauwen rand des hemels bedekte, niet meer te zien, maar op een ai-stand zag do vlakte er uit, alsof er een vuur over heen gegaan

-ocr page 117-

117

was. Zij was geheel met de insecten bedekt, waardoor zij. zoover het oog reikte, een zwart voorkomen had.

Yan Dijk dacht nu weder aan zijn vee, dat men nog, hoewel onduidelijk, op de met sprinkhanen bedekte vlakte heen en weer zag loepen.

•«Laat de koeien nog maar eene poos vreten, baas,\'quot; zeide de oude vrouw.

«Waarom?quot; antwoordde van Dijk, »ziet gij dan niet, dat de weide geheel met sprinkhanen overdekt is?quot;

sDat meen ik ook, baas; ze moeten nog eene poos sprinkhanen vreten. Die zijn veel beter veevoeder dan gras,quot; zeide de vrouw.

En waarlijk hot vee verslond de sprinkhanen met den grootsten smaak, zoodat het waarschijnlijk veel moeite gekost zou hebben het naar de kraal te drijven, indien niet het verwijderde gebrul van een leeuw en het klappen van de zweep het een weinig gewilliger gemaakt had. Eindelijk lieten zij zich binnen de omheining opsluiten.

De oude vrouw voorzag zich van een zak en kwam weldra met eene vracht sprinkhanen terug.

Men kan licht begrijpen, dat de arme boer een onrustigen nacht doorbracht. Hij ging van tijd tot tijd eens naar buiten, om zich te vergewissen, of de wind ook veranderd was.

Ook de andere bewoners der nederzetting konden slechts nu en dan een oog sluiten. Men sprak bestendig met elkander, en gelijk te denken is, over niets dan over de sprinkhanen. Onze vriend Saul, de leeuwenjager, was met de natuurlijke geschiedenis van deze insecten reeds bekend.

\'Zij komen uit de woestijn,quot; zeide hij. sDe eieren, waaruit zij voortkomen, liggen in het zand, totdat er regen valt en het gras te voorschijn komt. Dan worden de eieren door de zon uitgebroed en hot jonge insect voedt zich gedurende den eersten tijd van zijn leven met dit gras. Zoodra dit verteerd is, zijn zij gedwongen te verhuizen, om elders voedsel te zoeken.quot;

•Ik heb wel eens gehoord,quot; viel Eduard den jager in derede, s lat sommige boeren groote vuren rondom hunne landerijen branden, om de sprinkhanen daarvan al\' te houden. Ik kan evenwel niet gelooven, dat dl4 helpen zal. daar zij vleugels be-zitten en met gemak over het vuur heen kunnen vliegen.quot;

liet vuur,quot; antwoordde de man, «wordt aangestoken om den

-ocr page 118-

118

jongen sprinkhanen te beletten op het bebouwde veld te kruipen. Deze hebben namelijk geene vleugels, maar slechts pooten. Zij zijn de zoogenaamde loopers en zijn niet ongelijk aan kleine zwarte kikvorschen. Eerst later komen de vleugels te voorschijn en alsdan gaat hunne zwarte kleur in een lichtbruin over. In dezen vorm is hot insect soms nog schadelijker dan wanneer het zijn volkomen wasdom bereikt heeft. Zij bewegen zich in eene en dezelfde richting voort. Wanneer zij over breede, snelstroo-mende rivieren willen trekken, komen zij bij millioenen om het leven en drijven naar zee. Zij laten zich evenmin door vuur als door water in hun tocht stuiten. Millioenen mogen verbranden , doch eindelijk wordt het vuur door hunne lichamen uitgedoofd. De voorste gelederen van den zwerm offeren zich in dier voege op en maken zoodoende eene brug, waarover de volgende hun weg veilig voortzetten. In die streken van Afrika, waar de inboorlingen zich met don landbouw bezighouden, jaagt hunne nadering iedereen schrik aan: doch daar, waar men zich alleen mot de jacht en de veeteelt onledig houdt, worden zij met gejuich begroet. Men begeeft zich dan met zakken en soms met pakossen op weg om sprinkhanen te zoeken en naar de dorpen te brengen, waar men ze bij honderdduizenden droogt en evenals het graan zoldert.quot;

»De vliegende sprinkhanen,quot; merkte de heer Marcus aan, ^schijnen minder eene bepaalde richting te volgen dan hunne jongen. AVrpllk;ht dat de eersten van den wind afhangen. Het gebeurt niet zelden, dat zij door dezen in zee gedreven worden. waar zij dan in groote menigte omkomen. Men heeft hen aan de kust soms bij honderdduizenden aan het strand zien spoelen.

»IIottentot niet bang voor sprinkhaan,quot; zeide de oude slavin. «Hottentot heeft geen maïs, geen boekweit — niets, niets wat sprinkhaan eten kan. Hottentot eet zelf sprinkhaan — wordt vet daarvan. Alles eet sprinkhaan — alles wordt vet in den sprink-hanentijd. Hoezee, de sprinkhaan!\'\'

Deze aanmerkingen waren in hare soort zeer juist. Bijna alle in Zuid-Afrika bekende dieren eten den sprinkhaan. Bij verscheidene volken van dit werelddeel ondergaan ze eene toebereiding, voordat men ze eet, eu de oude vrouw was dan ook den geheelen avond bezig de dooi\' haar opgezamelde insecten gereed te maken.

-ocr page 119-

110

Eerst -vverden zij gedurende een paar uren zeer kort afgekookt, waarna men ze liet uitdampen en drogen, om er vervolgens de pooten en de vleugels af te blazen. Daarna strooide men er een weinig zout over. Ieder proefde eens van dit vreemde gerecht en de kinderen vonden, dat liet niet kwaad smaakte.

Midden in den nacht ging de boer nog eens naar buiten. om naar den wind te zien; toen hij terugkwam, werd de deur gesloten en langzamerhand geraakte ieder in de rust.

De boer zelf sliep wel het minst en was dus blijde, toen de eerste lichtstraal door het kleine venster in zijn vertrek drong. Hij stond op en begaf zich naar buiten, om de treurige zekerheid te krijgen, dat de wind naar het westen geloopen was en vrij sterk waaide. Geheel terneergeslagen en moedeloos keerde hij huiswaarts. Het was nu zoo goed als zeker, dat zijn oogst vernield zou worden; alleen een koele of regenachtige dag kon hem redden.

In beide gevallen moesten de sprinkhanen blijven, waar zij waren. want bij koud of nat weder kunnen zij niet vliegen. De wind zou in dien tijd kunnen omloopen. Helaas, ijdele wensch! Vergeefsche hoop! Een half uur later kwam de zon met Afri-kaanschen glans op en hare heete, schuins op het leger sprinkhanen vallende stralen wekten de raillioenen uit hun slaap op; weldra verhief de zwerm zich en werd door den wind in de richting gedreven, waar het land van den armen boer lag.

Twee uren achtereen duurde de tocht. Gedurende het grootste gedeelte van dien tijd was van Dijk met zijne huisgenooten bij gesloten deuren en vensters binnenshuis gebleven, om eene iinaangename aanraking met deze gasten te ontgaan; want als de wind wat sterk is, vliegen zij den menschen soms zoo hevig in. het gezicht, dat men er nog lang een pijnlijk gevoel van heeft.

Na verloop van dien tijd ging vau Dijk eens naar buiten. Het dichtste gedeelte van den zwerm was voorbij. De zon scheen — maar niet meer op de groene velden en boomen! Er was geen grashalm, geen blad meer te zien; zoo er een vuur over de aarde gegaan ware, dan had ze niet naakter kunnen zijn.

^eg 1 alles weg!quot; zeide hij, met eene diep bewogen stem. Mijn God, uwe hand ligt zwaar op mij!quot;

»Wees niet bedroefd, vadertje,quot; werd hem met een lief stemmetje «gefluisterd; »wij leven immers nog en zijn allen nog bij elkander!quot;

-ocr page 120-

120

Te gelijk voelde hij, dat eene kleine, zachte hand op zijn schouder gelegd werd. Het was die van zijne Marie. Toen was hij te moede, alsof een engel hem aangeraakt had. Hij nam het kind in zijne armen en drukte het teeder aan zijne borst. Het hart was hem lichter geworden.

«Breng mij nu den Bijbel,quot; zeide hij tot Eduard. Het boek werd gebracht en opengeslagen. Vader Marcus las een toepasselijk kapittel voor en toen hij het weder dicht gedaan had, hieven allen een psalm aan. Ten slotte knielden zij neder en de zendeling ging met een plechtig gebed voor.

(Lotgevallen van een Sederlandschen Kolonist in Zuid-Afrika. Botterdam, li. Nijgh.)

WAT EEN SOLDAAT AL MOET DOORSTAAN.

De Hollandsche kurassiers hadden de baan naar Antwerpen afgesneden: de Belgen waren langs alle zijden omsingeld:

Hoezeer de vrijwilligers huilden van woede en zich de vuisten ten bloede beten. er was niets aan te doen; wij moesten de heide verlaten, terugwijken naar Turnhout en verder een doorgang naar het binnenland zoeken, om, ware het mogelijk, aan eene zekere nederlaag of gevangenneming te ontsnappen.

In goede orde, en nog gereed tot hevigentegenstand, trokken zij af naar Turnhout. De stad had het voorkomen van een graf: geen levend wezen was er op de straten te zien; deuren en vensters waren gesloten gelijk in het midden des nachts. Dit vertoog deed een ongunstigen indruk op onzen geest, en het was inderdaad niet aanmoedigend, al de inwoners dus gevlucht of verkropen te zien, alsof zij, reeds vroeger dan dien dag, ons onbekwaam hadden geacht om hunne haardsteden te verdedigen.

In Turnhout bleef ons regiment niet stil; wij trokken de Herenthalsche baan in en slingerden door bosschen, voetpaden en veldwegen immer met versnelden marsch voort.

Het was uitermate heet; de oogstzon brandde onverdraaglij 1 boven onze hoofden; wij hadden eten noch drinken.

Reeds te Casterlee deed de felle dorst het bevel der officieren voor eene wijl miskennen. Er stond in dit dorp, in den hol dt -

-ocr page 121-

121

pastoors, een groote appelboom, overladen met vruchten, die slechts twee maanden later eetbaar zouden zijn. I)e boom werd door honderden mannen bestormd, beklommen, gebroken en ontbladerd. Men smeekte, men vocht om een bete der wrange vruchten.. . De zure smaak, meende men, zou het branden van den dorst koelen.

Zoo bleven wij acht dagen tusschen Lier en Leuven in de grootste hitte dwalen, eiken dag tien of twaalf uren gaande zonder voedsel en drank, en letterlijk verzengd door de hitte. Wij aten de schors der masthoornen en droegen voor den dorst een geweerkogel in den mond: des nachts lagen wij op den grond en verstijfden van den overvloedigen morgendauw.

Men zeide ons, dat wij nog altoos door de Hollanders ing-e-sloten waren, en dat ons gaan en komen voor doel had aan de vervolging des vijands te ontsnappen, om ons omtrent Leuven bij het groote Belgische leger te vervoegen.

Wat hiervan zij, wij kwamen dikwijls op banen en in dorpen, waar het Hollandschc leger ons inderdaad was voorafgegaan; want wij vonden onderweg pompons \') en andere kleine dingen, die onze vijanden al gaande hadden verloren.

Op een middag hield men ons staan in de nabijheid van een dorp, — ik meen, dat het Boisschot heet, — waar nog het stroo lag, dat den Hollanders tot nachtleger had gediend.

Uitgeput van vermoeidheid en van honger. lieten, wij ons op een veld nedervallen om te rusten; wij hadden daags te voren weinig voedsel gevonden, en van dezen dag hadden wij nog niets gegeten.

Mij werd bevolen, dat ik met een tiental mannen van goeden wil naar het dorp zou gaan, om nooddruft voor onze compagnie te zoeken en, met dank of met geweld, te nemen wat er te vinden was.

De stoutste en ruwste vrijwilligers boden zich aan. Toen wij in het dorp kwamen, waren de inwoners gevlucht: wij braken de deuren met kolfslagen open, doeh ontdekten niets, dat eetbaar was.

In het midden van hot dorp vonden wij een man en eene vrouw, die hun huis niet hadden verlaten. Op onzen eisch om brood of ander voedsel te hebben, antwoordden zij ons klagend, dat de Hollanders daags te voren alles hadden weggenomen. Mijne vrijwilligers, door de wanhoop des hongers gedreven,

\') huifjes (ijj sol(l((tegt;tiichlt;tko\\-:

-ocr page 122-

122

begonnen den man met het plat ran den sabel te slaan en hem met nog ergere behandeling te dreigen.

Na langen tegenstand leidde de verschrikte man ons achter in den hof en groef daar uit den grond drie zeer groote rogge-brooden, die in een zak gewikkeld waren. Wij namen de broo-den mede en ook den zak.

Na vruchteloos nog vele ontruimde huizen te hebben doorzocht, kwamen wij buiten het dorp in eene leemen hut, waar eene jonge vrouw met een kind van drie of vier jaar zich bevond. Op onze dreigende vragen haalde zij eene roggeboterham uit de wiege van haar kind; en, ons die toereikende, zeide zij met tranen in de oogen:

»Ziet, vrienden, dit is al, wat mij overblijft: ik had het bewaard voor mijn arm schaapken.quot;

Reeds had een mijner makkers de boterham aanvaard, en meende er een stuk af te bijten; maar de anderen hielden hem met geweld terug en deden hem het geringe stuk brood in den zak werpen.

Door een diep medelijden met de ongelukkige moeder aangedaan. wilde ik haar de boterham doen teruggeven. Te vergeefs; het spreekwoord is waar: hongerige magen hebben geene ooren.

Dan vatte ik de hand der vrouw en vroeg haar, of zij in een naburig dorp voor geld geen brood zou krijgen.

Op haar bevestigend antwoord staken al mijne makkers de hand in den zak; de meesten gaven elk een stuk van vijfentwintig centen: eenig^n gaven iets minder, ik gaf iets meer,

en zoo kroeg de arme vrouw omtrent vijf franken.....Tranen

ontliepen haar nu nog overvloediger; het was van dankbaarheid; hare stem klonk den weldadigen stroopers zegenend achterna.

Onderweg maakten mijne gezellen een komplot aangaande den boterham: zij werd gedeeld; wij kregen ieder een stuk zoo groot als een vinger.

Op het bivak werden de drie roggebrooden eerst met sabelhouwen in groote brokken gehakt en dan verder met messen gesneden. Van den kapitein tot den laatsten soldaat elk bekwam er iets van.

Den li»en Augustus, in den namiddag, gingen wij voorbij de wijnheuvels van het dorp Wesemael, op ongeveer anderhalve mijl van Aerschot. Hier vonden wij vele karren met brood en vleesch, die ons tot voorraad waren bestemd.

-ocr page 123-

I

123

*

Men lüeld het regiment staan, en brandwachten werden op grooto afstanden uitgezet, alsof wij te dezer plaatse op bivak zouden blijven; de weinige jagers te paard, die ons van Turnhout af\' hadden vergezeld, werden op hoogten en op verre banen gezonden. om alle nadering van gevaar in tijds te kunnen vernemen.

Uit elke compagnie riep men eonige stoute mannen te zamen: deze zouden naar Wesemael gaan en halen wat er noodig is tot het koken van vleeschsoep.

Na een half uur tijds stond voor iedere compagnie een groote koeketel, op steenen verheven en met water gevuld. Men hakte het vleesch met sabels aan stukken en legde het in de ketels; vele mannen kwamen toegeloopen met kooien van alle kleuren, met selderij, met ajuin, met salade: al wat maar groen en eetbaar was, wierp men boven de zwemmende bonken vleesch. Do vuren kraakten, de aangehitste vlammen kronkelden rondom de ketels, en al de mannen der compagnie stonden met begeerigen blik en vochtigen mond de veelbelovende bobbels na te zien, die in menigte uit den grond van het ziedende water opklommen.

Men zou meenen, dewijl wij brood ia overvloed hadden, dat de honger ons nu niet aandreef. Inderdaad, zóó was het; doch het raadselwoord van ons innig verlangen naar de vleeschsoep ligt in warm eten. Het was nu reeds eenige dagen geleden, dat wij niets anders dan koud eten genuttigd hadden, en dan nog in ontoereikende hoeveelheid. Nu gingen wij warme soep en warm vleesch eten! In onze meening, — in de meening onzer verhongerde magen, — was niets zoo lekker en zoo onbegrijpelijk versterkend als warm eten.

Reeds toen het water slechts eenigen tijd gezoden had, waren er mannen, die met de punt hunner bajonet, zooals zij op het geweer stak , een koolblad of oen struik selderij poogden op te visschen. De anderen stelden zich tegen deze rooverij, men stiet elkander weg, er werd gevochten en geworsteld tot zooverre, dat de oversten zich verplicht zagen bij eiken ketel twee schildwachtcii te zetten.

Eindelijk, toon de soep eenigen tijd gezoden had en deoogen vet zich boven het water begonnen te vertoonen, riep men •\'ilgemeenlijk, dat het vleesch genoeg gekookt had. Waarschijnlijk zou het nog niet half gaar zijn: maar van den nood werd eene

.

S

t

-ocr page 124-

124

deugd gemaakt: indien het slechts van de warmte was doordrongen , zou het wel goed smaken.

De oversten toonden zich bereid om den algemeenen wensch te voldoen; nog eenige minuten, en het regiment zou eten.

Wie eene gamelle M had, hield ze in de hand gereed: iedereen had zijn knipmes geopend: de lippen verroerden met die eigen-dommelijke uitdrukking van iemand, die zich aan het smaken van lekkere spijzen verwacht.

Op dit uiterst oogenblik komt een jager te paard in vollen draf aangerend en zegt eenige haastige woorden tot den generaal. Onmiddellijk ontstaat het gerofïel der trom, die elkeen te wapen en in zijn gelid roeffe. Het Hollandsehe leger is in onze nabijheid; wij zijn achthonderd, zij waarschijnlijk tienduizend of meer. Daarenboven, wij mogen uiet strijden; onze bevelen luiden, dat wij den vijand moeten pogen te ontkomen, om ous te Deuven met het

leger onder bevel des Konings te vereenigen.....Er is geen tijd

tot beraadslagen: de ketels worden omgeworpen; sommige mannen steken een brok vleesch of eene kool op hunne bajonet; doch het ziedend water, dat hun in den hals of op hunne kameraden druipt, doet hun het geredde voedsel wegsmijten: de oversten dwingen de compagnieën tot een spoedig vertrek .... en eenige minuten later zijn wij verre van daar, op de baan naar Aerschot, nog immer mijmerend aan het warme eten en de lekkere vleeschsoep, die onder ons gezicht over den grond is weggestroomd.

H. CONSCIKNOE.

(/gt; Omwenteling ran 1830. \'lt; Orncenliai/e, Leiden, Arnhem, M. N ijk off, .*). IC. Sijlhoff\', D. .1. Thifine.)

S WINTERSAVOND S.

\'t Is winter. Üe avond is guur en donker; eene vochtige kou, half mist, half regen, spot met overjas en warme onderkleeren en dringt tot het merg der beenderen door. De fladderende gasvlammen geven slechts hier en daar een onzeker licht en dat nog bij vlagen, al naar do oproerige wind het gedoogt. Met schreden zoo quot;root als zijne lange beeneu het hem veroorloven, schrijdt

) Houten nap om uit te eten.

-ocr page 125-

125

mijn vriend Jurgens langs de gracht. Hij is voor geen kleintje vervaard: eene vorsteling met vind en regen, eene vandeling in ruv veer, vaarbij hij zich verbeelden kan met de elementen te kampen, plegen voor den goedigen reus iets bijzonder aantrekkelijks te hebben en ook nu laat zich het eeuvige liedje op zijne zorgelooze lippen evenmin door den vind vegblazen als de gasvlam. Maar heden avond is het hem toch bar genoeg en lüj rept zich voort om onder dak te komen.

Plotseling houdt hij stil met een: »vat zeg je?quot; Links van hem, ergens in de diepte, op den hoek van het pothuis, heeft hij een gekreun vernomen. »Och! mijn lieve Meneertje.quot;

Ook heeft hij iets zich zien bewegen. :t Scheen vel, dat er in dien hoek eene mand met vodderijen stond, indien men dien vormloozen hoop lompen en doeken ten minste een naam vilde geven, maar thans heeft er zich iets uit losgevikkeld en afgescheiden! — »AchI mijn lieve Meneertje.quot;

Mijn vriend Jurgens staat stil; zóó diep droevig, zóó vanhopig veemoedig een toon heeft hij nog nooit vernomen. — » Wat zegje?quot;

\'t Hoopje lompen, dat zich afscheidt, blijkt een kind te zijn, een meisje van een jaar of vijf; de grootere hoop, die in den hoek opgetast blijft, wordt voorondersteld de moeder te vezen, van velke zirh, als \'tnoodig is, nog wel een ander vormeloos hoopje, een wicht van anderhalfjaar kan losvikkelen. Maar \'t is niet noodig ditmaal bij onzen goedigen reus, en de hoop blijft verder in zijn geheel.

Op zijne vraag ontspint er zich tusschen vrouv en kind een beurtzang vol ellende. Een vader, sinds maanden bedlegerig; kinderen door koorts uitgeput; geen brood sinds drie dagen, geen vuur, geen licht: neen, het kleine wicht in reserve behoefde niet op te komen om vriend Jurgens, den reus, te vellen. — »Wel!quot; zegt hij, en hij krabt zich achter \'t oor. (Wat ziet dat kind met haar melancholiek gezichtje er allerliefst uit.) quot;Och Heerequot; zegt hij en zijne hand grabbelt reeds in den zak.

Wat zij er uit ophaalt, verklappen vij niet. Vriend Jurgens\' kleingeld is, zonderling genoeg, altijd op, of niet te vinden, wanneer hij fooicu to geven of bedelaars te woord te staan heeft. Zooveel weten wij. dat al de zegeningen van aarde en hemel, van tijd en eeuwigheid op den zalvendsten toon over het hoofd van het »lieve Meneertjequot; worden uitgeroepen. Met een:

-ocr page 126-

120

snou ju! dat weten wij al langquot; stapt het Meneertje van zes voet verder. Om de waarheid te zeggen, doet het hem toch goed die dankbare woorden te hooren, die hij »al lang weet.\' \'t Is, of er iets warms in zijne keel is. S. (toktee.

{Een jaar levens voor de dagbladpers. Amsterdam, G. L. Funke.)

DE DUIF.

Zoodra haar slag geopend wordt

Dos ochtends, vliegt de duif, Met wijdgestrekte vleugelen

En opgerichte kuif,

In volle vlucht naar \'t hooge dak

En fluks, de breede vlerk In weelde klappend, stijgt zij op

Naar \'t zacht verschuivend zwerk.

Dan zweeft zij op heur blanke schacht

Zoo zwierig heen en weer.

Een witte vlok van schuim gelijk

Op \'t diepe, blauwe meer.

Daar baadt zij in de morgenzon

Haar pluimen, vol van glans.

Door warme zonneverf gekleurd Als \'t wolkjen aan den trans.

Dan eindlijk neemt zij, zwervensmoê,

Naar \'t kleine hok haar keer En strijkt, in telkens nauwer kring

Op \'t houten huisje neer.

Hier trippelt zij zoo dapper rond

En kort met alle macht.

Alsof /.ij uit dat hoog gewest Een blijde boodschap bracht!

G. Waalner.

{Voëzie. tluarlem, . C. de Oraaff.)

-ocr page 127-

INHOUD.

Biz.

H. De Veer, Een ongelukkige Oudejaarsavond voor no. 347 . . 3

Mr. A. Bogaers, De twee vogelen...........6

H. Witte, Wat een kokosboom al geeft.........7

R. Koopmans Vax Boekeres , Twee brieven over hetzelfde

onderwerp......................11

T. C. Winkler, De kameel..............15

W. A. Van Rees, De stikvallei............18

S. Gorter, De winter................21

J. Brester Az. , Koud................25

£. J. Potgieter, Marten Harpertsz...........28

•i. J. A. (roeverxeur, Het muschje...........35

Ken Landmeisje, Een vogelfeatijn............30

J. Van L en nep , Kapitein Pulver onder de vrijbuiters.....40

i. C. Winkler, De pit van de kaars..........48

P. Haseüroek, Sneeuwklokje............51

Oude Heer Smits (M. P. Lindo), Eeu deftig bezoek.....52

H. Witte, De waterpest...............58

J. Ter Gocw, Rocbus Meeuwisz.............60

L- Van den Broek, De hooiplukkers van Lochem.....62

1- C. Winkler, De struisvogel............64

j- Schimmel, Een baas-hengelaar..........67

J. Van Zeggelen, Avontuur van Pieter Spa......70

^ Hofdijk, Germaansche rechtspleging........76

P F. Brunings, Inkwartiering............7a

-ocr page 128-

128

.ƒ. Haverkamp, Amsterdam\'s stichting en opkomst . . . .

K., De metselaars in de dierenwereld.........

J. Ckaasdijk, Het straatgewoel in Rotterdam.......

H. Tollens Cz., De brand..............

J. F. Oltmans, Zelfopoffering van Van Schaft\'elaar.....

Een Landmeisje, Brood...............

J. Van Lennep en J. Ter Godw, Stemmen uit het volk . . .

H. A. Spandaw, Xeêrland\'s zeeroem..........

Mültatuli, De Japansche steenhou%ver.........

B. Ter Haar, Het kind en de bedelaar.........

J. J. Cremer, Hoe de heer Dadel geld maakte......

Sprinkhanen in Zuid-Afrika..............

H. Conscience, Wat een soldaat al moet doorstaan . . . . .

S. Gorter, \'s Wintersavonds.............

ö. Waalner , De duif...............

-ocr page 129-