DE LIJDENDE JEZUS.
VIJFTIG MEDITATIËN
voor de Vasten
(van Quinquagesima tot Paschen,)
DOOR EEN R. K. PRIESTER.
.........
Met kerkelijke goedkeuring.
......./- .......W.Sa\' .rr.. 1
IKv^S^i ilsl
TWEEDE DRUK..
O. MOSMANS ZOON, \'s-HERTOGENBOSCH.
l/AFRinATUR.
Datum BREDiC, 24 Januarii 1885.
P. J. GABRIEL,
Can. Libr. Cens.
INLEIDINGL
Waarde lezer, de ijver, waarmede gij dit boekje ter hand neemt, doet mij gelooven, dat gij een ware en brave Christen zijt of ten minste wilt worden. Maar een ware en brave Christen moest nooit een enkelen dag laten voorbijgaan zonder op het lijden van zijnen Zaligmaker te denken, zonder te overwegen wat de goede Jesus heeft willen lijden, om ons te verlossen en zalig te maken. Zeker zult gij dus deze dagen, door de heilige Kerk daartoe bijzonder bestemd, in de overweging van Jesus\' smarten doorbrengen, en, om u daarin te gemoet te komen, u daartoe een iveinig te helpen, heb ik deze meditatiën opgesteld, jees ze dan met aandacht, denk hij het lezen, vooral an die ivoorden, welite eenigen meerderen indruk op ■■ maken, nog eens goed er over bij u zeiven na, en \'as het op u zeiven toe, dan zullen zij niet zonder rucht voor u geschreven zijn. En ivilt gij ze met tog meer vrucht lezen en overwegen, ivees dan zoo ■oed vóór uwe meditatie het volgend gebed, na dezelve ■.et tweede te lezen.
Gr IB quot;BEID
vóór de
MEDITATIE.
God, ik geloof, dat Gij uwen eenigen Zoon hebt afgezonden, om mij te verlossen; ik geloof, dat Jesus, wiens lijden ik ga over-wecren, uw goddelijke Zoon is, God van alle eeuwigheid en Mensch van af den tijd, dat Hg voor ons de menschelijke natuur heeft aangenomen in het zuiver lichaam van Maria. Ik betrouw op de verdiensten van dien goddelijken Zaligmaker, ik hoop door zijne oneindige verdiensten zalig te worden; want ik hoop dat deze verdiensten mijne goede werken U aangenaam en mij verdienstelijk zullen maken. 0 hoe vurig bemin ik U en uwen goddelijken Zoon Jesus, die voor mij den dood wilde ondergaan! Ik heb berouw over mijne zonden; ik wil ze betreuren en er oprechte boete over doen. Zegen mg dan in deze meditatie, geef mij een nederig en zuiver harte, verlicht mijn verstand en mijnen wil, opdat deze woorden een heiligen indruk op mij mogen maken en ik alzoo een ware en brave Christen, een navolger van Jesus, moge worden. Glorie zij U, God den Vader, God den Zoon, en God den heiligen Geest, één God in drie personen. Amen.
G- IB DB IB ID
na de
MEDITATIE.
dank, o God, voor de genade mij in deze meditatie geschonken. Geef, dat ik nooit de boosheid der zonde uit het oog verlieze, om welke Jesus zooveel heeft uitgestaan. Bewaar mij voor de bekoringen of geef mij ten minste de gratie om dezelve geheel te overwinnen. Door uwe hulp hoop ik Jesus na te volgen in zijne ootmoedigheid en in alle deugden, waarvan Hij ons zulke schoone voorbeelden in zijn Igden geeft.
Als gij dan, waarde lezer, het lijden van uwen Zaligmaker gedurende eenigen tijd hebt overwogen, vergeet dan ook de smarten van zijne en uwe Moeder Maria niet. O, zij heeft ook zooveel voor u geleden; wat Jezus leed, dat leed ook Maria, als Moeder, voor zoover zij het konde lijden. Een zevenvoudig zwaard heeft haar Hart doorboord. Denk dan eiken dag, na uwe meditatie over het lijden van Jesus, een weinig aan hare smarten, en zij zal voor u bidden en u des te meer vruchten doen trekken uit uwe overwegingen.
Qiiinquaaresima.
Ecce ascendimus Jerosolymam, et consummabuntur omnia, qrwi scripta sunt per prophet as de Filio hominis, Luc. XVIII : 31.
Ziet, wij gaan opwaarts naar Jerusalem, en alles zal volbracht worden, hetgeen door de Profeten geschreven is over den Zoon des menschen.
at willen wij ook doen in deze dagen, niet waar, beminde Christenen, wij willen ook in den geest naar Jerusalem gaan; wij willen getuigen gaan zijn van alles, wat door de profeten aangaande het lijden van Jesüs voorzegd is. Ja, wij willen in den geest naar Jerusalem gaan, om daar te bezoeken _ al die plaatsen door het lijden van
Jesüs verheerlijkt, wij willen op die droeve plaatsen zeiven Jesus\' smarten overwegen. Volgt my dan, dierbare christenen, in denhof van Olijven, waar Jesus water en bloed zweette, in het huis van Caïphas en het paleis van Herodes , waar Hij zoo veel smaad en vernedering moest ondergaan, in het gerechtshof van Pilatxjs , getuige van zijne geeseling en bittere kroning. Drukken wij Jesus\' bloedige voetstappen op den smart-vollen weg naar Calvarië en zijn wij daar getuigen
9
van zijn heilvollen dood. 0, die overweging zal ons goed doen, zij zal ons de boosheid der zonden doen begrijpen, zij zal ons de liefde van Jbsus duidelijk doen beseffen, zij zal ons zijne groote deugden ter navolging aanbieden, zij zal ons leeren, dat lijden de weg is naar den hemel, en dat wij niet dan langs den lijdensweg van Calvarië tot de ware verrijzenis en hemelvaart kunnen komen.
Jesus leed voor ons, Jesus leed met geduld en onderwerping; wij lijden, omdat wij het verdiend hebben of omdat het ons noodig is ter zaligheid; maar lijden wij ook met geduld en onderwerping? O mochten wij van Jesus leeren gaarne te lijden, vooral geduldig en onderworpen te lijden; wat zouden wij gelukkig zijn, welk een schat van verdiensten zouden wij kunnen vergaderen, en hoe goed zouden wij hier op aarde reeds voor onze zonden voldoen ! Laten wij toch eens voor goed begrepen, dat lijden ons deel moei zijn op aarde om naar den hemel te gaan; was er een andere weg ten hemel, Jesus zou ons dien hebben aangetoond; maar neen, geen andere weg staat open voor de bannelingen, kinderen van Eva. Alleen het lijden doet ons gevoelen, dat wij niet voor het geluk dezer aarde geschapen zijn, het doet ons begrijpen, dat wij tot iets grooters zijn geroepen, dat de tijd van ons leven op deze aarde slechts een proeftijd is, om door lijden ons te reinigen en te zuiveren en te bereiden voor de eeuwigheid.
Jesus, ik wil met U gaan lijden, ik ben beschaamd dat ik tot heden nog zoo weinig voor U heb willen lijden, nog zulk een afschrik had van al wat smartelijk of verdrietig was. Voortaan zal het lijden mij aangenaam zijn, omdat ik dan tot uw gezelschap behoor, omdat ik dan op den weg ten hemel ben.
10
Jesus, leer mij lijden, leer mij gaarne, met geduld en onderwerping, lijden! Gelukkige dagen der heilige Vaste; vroeger was ik misschien afkeerig van dien heiligen tijd; vroeger zag ik misschien met afschrik die boetedagen te gemoet, thans ben ik er bigde om; ze zullen mij gelegenheid geven met Jesds te lijden, met Hem te leven, voor mijne zonden te voldoen, Jesus na te volgen en verdiensten voor den hemel te vergaderen.
O Maria , die zoo onschuldig waart en toch zooveel moest lijden met Jesus, leer mij Jesus en u navolgen en met u lijden. Amen.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Ik zal trachteu, gedurende deze heilige Vaste, eiken dag een weinig na te denken op het bitter lijden van Jesus-Christüs. Ik wil daartoe gebruik maken van deze overwegingen, of, zoo ik daartoe geene gelegenheid heb, dan zal ik bij mij zeiven eene overweging doen over een of ander punt zijns lijdens; ik zal mij voorstellen Jesus te zien. Hem te hooren. Hem te spreken en Hein te troosten door in den geest met Hem te lijden.
2. Ik wil mij eiken dag tot Paschen toe eene kleine versterving opleggen, hetzij door vasten, door ontbering van het een of ander vermaak, hetzij door lijden of iets dergelijks.
3. Ik wil ook eiken dag iets goeds ter liefde van Jesus verrichten, b.v. eene aalmoes geven, een gebed storten, eene bijzondere oefening van deze of gene deugd doen enz.
4. Eiken dag met Jesus en Maria beginnen en
O O
evenzoo eiken dag eindigen. Amen.
II.
iVIilJiii«la}£ «a Quinquagesima.
Desiderio desideravi hoc Pascha mandneare vohiscum, antequam patiar. Ltrc. XXII : 15.
Vurig heb ik verlangd dit I\'aaschlam met u te nutten, vóór ik ga lijden.
§11 waarom zoude J11 waarom zoude Jesus toch zoo vurig naar dit Paaschlam verlangd hebben? Zeker, Iesus verlangde naar het uur, waarop Hij voor ons kon gaan lijden, ons een groot bewijs zijner liefde kon geven, ons kon verlossen door zijn dood. Maar was dit de voornaamste reden, waarom Jesus zoo vurig naar dit Paaschlam verlangde? Neen, Christenen, leest de geschiedenis van dit Avondmaal en ge zult begrijpen, wat de voornaamste drijfveer bij Jesus was. Terwijl zij nu aten, nam Jesus het (ongedeesemd) brood, dankte God, brak het, gaf het aan zijne leerlingen en zeide; Neemt en eet, want dit is Mijn Lichaam. En evenzoo den kelk met wijn nemende, dankte Hij God, reikte deze hun over, zeggende: Drinkt hieruit allen: Want dit is Mijn Bloed, dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden. Doet dit tot Mijne gedachtenis.
Begrijpt gij nu, waarom Jesus naar dit Paaschlam zoozeer verlangde? O, Hij wilde, vóór zijn sterven, bij „het afscheid, dat immer zoo treffend is, ons het grootste, het verhevenste bewijs zijner liefde achterlaten, namelijk Zich zeiven met Godheid en
12
Menschheid, met ziel en lichaam, waarlijk, wezenlijk en zelfstandiglijk. Wel had Jesus reeds vroeger van dit heilig Geheim gesproken, wel had Hij dit H. Sacrament reeds beloofd aan zijne Apostelen, maar de instelling er van had Hij, in zijne goddelijke wijsheid, bepaald op het treffendste oogenblik van heel zijn aardsche leven, op het uur, waarin Hij dat aardsche leven voor ons welzijn ging opofferen.
Als een vader sterven gaat, laat hij het beste, wat hij bezit, aan zijne kinderen na, en spreekt tot hen de treffendste woorden van heel zijn leven; zoo deed ook de goede Jesus; vóór zgn sterven schonk Hij ons het beste, wat Hij, ofschoon God zijnde, ons geven kon, en dat in de eenvoudigste en duidelijkste, maar tevens meest treffende en roerende woorden. O die goede Jesus, Hij wil met ons blijven. Hij wil onder ons wonen, en nogtans Hij kende onze onverschilligheid, onze ondankbaarheid, onze vermetelheid. Hij wist, dat zoo velen Hem zouden vergeten. Hem zelden of nooit zouden komen bezoeken; Hg voorzag al die oneerbiedigheden in zijn goddelijk bijzijn van zoovele onverschillige menschen; Hij telde reeds al de heiligschennissen nog te bedrijven door ketters en slechte katholieken. Niets kon Hem weerhouden om met ons te blijven. O, hoe treffend is het Veertiguurs-gebed, dat in vele kerken op deze dagen gevierd wordt, hoe gelukkig zijn de Katholieken, die in deze dagen vooral, waarin de wereldlingen, naar de gewoonte der heidenen, zich aan schandelijke buitensporigheden overgeven, hunnen God, in het allerheiligste Sacrament uitgesteld, kunnen aanbidden en Hem openlijk ten minste eenige boetedoening en herstel van eer kunnen brengen voor de vele beleedigingen Jesus aangedaan!
13
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Verwek eene akte van levendig geloof aan Gods tegenwoordigheid in het heilige Sacrament des Altaars, eene akte van hoop en betrouwen op Jesüs, die ons van daar toeroept: Komt tot Mij allen, die belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken; vooral eene akte van liefde tot dien goeden Jesüs , die dag en nacht ter uwer liefde daar rust op het Altaar.
2. Beween uwe onverschilligheid van vroegere dagen, misschien oneerbiedigheden, ondankbaarheden, ja, wie weet, heiligschennissen. Treur ook over de goddeloosheid der wereldlingen, vooral in deze dagen.
3. Indien het n eenigszins mogelijk is, ga dan uw Jezus bezoeken in zijn heilig Sacrament. Doe zulks toch dikwijls; en als gij niet werkelijk kunt communiceeren, tracht dan Jesus op eene geestelijke wijze te ontvangen.
4. Vergeet niet, eiken morgen en avond driemaal het »Wees gegroetquot; te bidden.
III.
Dinsclagf na Qiiinqxiajyosima.
Amen, dico vohis, quia unus vestrum Me tradi-
turus est. Matth. XXVI : 21.
Voorwaar, Ik zeg u, één van u zal Mij verraden.
ok Judas, de apostel, die Jestjs zoude verraden, bevond zich aan tafel en nam deel aan het heilig Sacrament van Jesus\' Vleesch en Bloed, ofschoon hij reeds met de opperpriesters der Joden de som bepaald had, waarvoor hij Jesus zoude overleveren. Het is waarlijk moeielijk te weten, waarover wij hier meer verwonderd moeten staan, over de goedheid van Jesus, die den verrader duldt, ja hem zelfs spijst met zijn eigen Vleesch en Bloed, of over de onbeschaamdheid van Judas , die het wagen durfde deel te nemen aan het heilig Avondmaal. Jesus wilde nogtans den verrader doen begrijpen, dat Hij wel degelijk zijne booze plannen wist, dat Hij in zijn hart las, en al die helsche aanslagen kendei, tegen Hem bereid. Daarom zeide Hij: Amen, dico vobis, quia unus vestrum Me traditurus est, voorwaar. Ik zeg u, één uwer zal Mij overleveren. Op die woorden ontzetten zich de Apostelen; angstig vragen zij beurtelings aan Jesus: numquid ego sum, Dominet Ben ik het, Heer; en ook Judas drijft de onbeschaamdheid zoo ver, dat hij dezelfde vraag durft doen. Ja, gij zijt het, zeide Jesus tot den snoodaard, op een toon -voor hem alleen verstaanbaar. En wat
15
doet Judas nu ? Staat hij verplet?... Bekeert hij zich...? Valt hij op zijne knieën neder, om zijnen goeden Meester vergiffenis af te smeeken ? O hij had daartoe zoovele redenen! hoe goed was Jesüs voor hem geweest, ofschoon Hij al zijne boosheid kende! Moest die goedheid hem niet de verzekering geven, dat Jesxjs hem ook nu vergeving zoude schenken? Wat doet hij dan? Hij hoort die woorden aan, gaat heen en verraadt ten spoedigste zijnen goedhartigen Meester. O de zonde moet toch wel een vreeselijk monster zijn, daar zij den mensch tot zulk eene monsterachtige ondankbaarheid kan brengen. Vervloekte geldzucht, gij verstokt het hart van den zondaar zoodanig dat het bijna voor geene betere gevoelens meer vatbaar is. Welk eene waarschuwing voor ons, om ons nooit aan de zonde over te geven! want ook dan zullen wij er wellicht zoodanig de slaaf van worden, dat de beste vermaningen zonder uitwerking blijven. Zien wij het niet dagelijks? Hoe dikwijls worden wij van den predikstoel of in den biechtstoel, door een braven priester of zorgvollen vader gewaarschuwd voor de zonde! Hoe dikwijls is ons de gruwelijke boosheid er van voor oogen gesteld!
Wij moeten bekennen, dat er geene grootere boosheid, vermetelheid en ondankbaarheid is dan de doodzonde en in weerwil van die waarschuwingen; in weerwil van die bekentenis, en ofschoon wij overtuigd zgn dat God alles weet en alles ziet, durven wij toch nog zondigen, soms groofe zonden van ontucht, vloeken of iets dergelijks bedrijven! Komt dat niet dicht bij de soddelooze verstoktheid van Judas?
16
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. God vurig bidden om een levendigen afschrik te krijgen van het eenige kwaad, dat op deze wereld is, van de zonde. Overdenken dat de zonde, vooral de doodzonde, een opstand is tegen God, eene roekelooze vermetelheid en eene zwarte ondankbaarheid.
2. Tracht eene kleine boetpleging te doen, om eenigszins de oneer te herstellen, welke gij doorvroegere zonden God hebt aangedaan. En mocht ge nog op dit oogenblik aan zonden, misschien aan doodzonde plichtig zijn, val dan op uwe knieën, om uw God vergiffenis af te smeeken, en blijf niet verstokt als Judas.
3. Neem vooral geen deel aan de dwaze uitspattingen van deze dagen, en bid voor de onge-lukkigen, die zich daardoor laten verleiden.
4. Stel u bijzonder onder Maria\'s bescherming. Bid het dMemorarequot; »Gedenk, o allergodvruchtigste Maagdquot; enz. (Heilige Bern.)
IV.
Ascli woensciagf.
In hac node, antequam gallus cantet, ter Me negahis. Matoi. XXVI : 34.
In dezen nacht, voor dat de haan zal kraaien, zult gij Mij driemaal verloochenen.
? ^^öoas is zeker eau afschrikkend voorbeeld voor den ongelukkigen zondaar, die reeds zoozeer aan de zonden is verslaafd, dat hij niet meer luistert naar de vermaningen, dat hij doof is voor de stem van zijn geweten en volhardt in het kwaad. Maar al zijn wij nog zoo ver niet in de boosheid gekomen, al hebben wij nog geene gehechtheid aan het kwaad, al zijn wij zelfs geheel vrij, ten minste van groote zonden, dan mogen wij toch daarop niet te veel betrouwen. Wij zijn en blijven altijd aan groot gevaar blootgesteld om in zonde te vallen, vooral als wij vermetel genoeg zijn om op ons zeiven te steunen. Een voorbeeld daarvan zal ons Petrus geven. O hoe gélukkig voelde zich Pktrus bij het laatste avondmaal, hoe gelukkig was hij, toen hij het eigen Vleesch en Bloed van Jesüs, zijn God en Meester, mocht ontvangen! O. hij gevoelde zich zoo sterk, dat hij niet kon gelooven, dat iets ter wereld hem ooit van zij nen God zoude kunnen aftrekken. Toen nu Jesus tot zijne Apostelen zeide: omnes vos scandalurn patiemini in Me, in ista node, in dezen nacht zult gij allen aan Mij geërgerd worden; toen zeide Petjujs
2
18
vol geestdrift: al wierden zij allen aan U geërgerd ik zal nimmer geërgerd worden. Maar Jesus hernam: voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen. En ook naar deze woorden luisterde Petrus niet; hij riep uit: al moet ik met U sterven, ik zal U niet verloochenen. Petuxis meende oprecht, hetgeen hij zeide; o hij gevoelde zich zoo vol van dankbaarheid en liefde tot God, dat hij op dat oogenblik liever zoude gestorven zijn, dan iets te doen, wat Jesüs kon bedroeven. Maar hij was vermetel, hij rekende op eigen krachten, hij dacht niet aan het uur van bekoring, hij vergat de kracht der verleiding. En daarom wilde Jesus hem waarschuwen. O had hij die waarschuwing beter ter harte genomen, was hij nederiger, minder vermetel geweest, nooit zoude Petrus zoo diep gevallen zijn; maar helaas, hij is bezweken en geeft ons daardoor een treffend voorbeeld van onze eigene zwakheid. En wij, die nog geen Petrussen zijn, die zooveel minder vurige liefde tot God, zooveel minder gevoel van dankbaarheid bezitten, gaan wij in onze vermetelheid soms niet nog verder dan Petrus? Hoe dikwijls worden wij gewaarschuwd, hoe dikwijls roept eene liefdevolle stem ons toe: niet meer bij die persoon, niet meer in dat huis, wees niet vermetel, ga niet meer naar dat gezelschap, ge zult zeker weer in zonden vallen ? Doch wij luisteren niet, wij doen als Petrus, wij vertrouwen op onze eigene krachten, gaan.... en hezwijhen.
19
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Leer uit het voorbeeld vaa Petrus nooit vermetel op u zeiven te vertrouwen. Denk, dat gij meer redenen hebt dan Petrus, om mistrouwen op uwe eigene krachten te hebben.
2. Vraag den heiligen Petrus , om voor u te bidden, opdat ge voortaan wat voorzichtiger moogt zijn in uwe woorden, werken en gedachten. Draag die eiken dag aan God op, en bid Hem u voor zonden te bewaren.
3. Maak eene goede intentie voor eiken dag der groote vaste. Offer die versterving op, nu eens tot boete voor uwe zonden, dan eens ter verkrijging van deze of gene deugd, soms voor de geloovige zielen, of iemand der levenden.
4. Bid Maria, opdat zij u den waren geest van boete en versterving verkrijge.
V.
Dondex-clag\' na A schwoensdag.
Pater, venit hora. Joan. XVH:!.
Vader, de ure is gekomen.
fa de waarschuwende woorden, welke wij gisteren hebben overwogen, hielda de waarschuwende woorden, welke wij gisteren hebben overwogen, hield Jesus eene treffende rede tot zijne Apostelen. Hij troostte hen bij zijn afscheid door de belofte, dat Hg hun eene plaats in den hemel ging bereiden. Hij wekte hen op, om in zijnen Naam te bidden en alles in
20
zijnen Naam aan den bemelschen Vader te vragen. Hij sprak hen van den Heiligen Geest, dien Geest van waarheid, die hun alles zoude leeren, Hg beloofde hun dien Heiligen Geest, dien Trooster te zenden, Hij wekte hen op tot vurige liefde, tot het goed onderhouden der geboden, en beloofde hun den vrede. Vervolgens voorzegde Hg hun, hoe de wereld hen zou vervolgen, maar hoe zij zich moesten troosten niet hunnen goddelijken Meester, die evenzeer door die wereld vervolgd was; Hij wees hen op de eeuwige belooning, die hen hierna daarvoor zoude wachten en beloofde hun den zegen des bemelschen Vaders.
Welke treffende en opbeurende woorden , hoe juist werden die ten allen tijde bewaarheid, maar vooral iu deze droeve dagen, waarin de Stadhouder van Jesus en zijne getrouwen door de wereld zoo gehaat en zoo vervolgd worden. Maar geen nood, Jestjs is onze Beschermer, niemand kan ons schaden. Roerend vooral is het gebed, hetwelk Jesus na dit Sermoon uitsprak, Hij bad voor zijne verheerlijking, voor het heil zijner Apostelen en voor het welzijn van allen, die in Hem zouden gelooven. En nu, zeide Jesus is het uur daar: mijn lijden gaat beginnen, het grootsche werk der Verlossing wil Ik gaan voltrekken.
O christen, uw uur is reeds lang gekomen, reeds lang was het uur daar, om te beginnen aan het werk uwer zaligheid. Het uur uws levens is reeds ver verstreken, wanneer zult gij met ernst aan uwe zaligheid gaan denken en de hand aan het werk slaan ? O moge het dit uur, moge het deze vaste wezenI Al te lang reeds hebt gij uwe bekeering uitgesteld! Hebt gij u nu nog niet lang genoeg aan het gevaar blootgesteld om in de hel te worden geworpen V Hebt ge niet lang genoeg uw hemel verwaarloosd?
21
Zal het geen tijd worden om van leven te gaan veranderen? Stel dan niet langer uit, laat u niet weerhouden door lafhartige vrees voor moeielijkhedeu op den weg der bekeering te vinden. De duivel bedriegt u, laat u niet door hem verschalken. Kom, ga Jesüs volgen, volg Hem op zijnen bloedigen lijdensweg en zijn Bloed zal u reinigen, zal u den vrede uws harten geven en u gelukkig maken.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Overdenk goed de woorden van Jesus, waarin Hij ons zegt, dat de wereld Hem haat en zijne dienaren. Wij kunnen dus niet te gelijk vrienden der wereld en vrienden van Jesus zijn. Nemo potest duohus dominis servire — niemand kan twee heeren dienen.
2. Begin u oprecht te bekeeren, \'tis misschien uw laatste uur, en misschien de laatste genade, welke gij ter uwer bekeering in dit leven zult ontvangen.
3. Bid vandaag eens met bijzonderen ijver voor
u-zelven en voor de bekeering van....... uie ge
weet dat bekeering noodig hebben.
4. Bid vurig tot Maria , de toevlucht der zondaren : Ave maris Stella etc. » Wees gegroet Ster der zeequot; enz.
VI.
1quot; quot;Vr-ytlagf in «ie Vaste.
Ilac cum dixisset Jesus egressus est cum discipulis suis trans torrentem Cedron. Joan. XVIII: 1.
Als Jesus dit gesproken had, ging Hij met zijne discipelen uit over de beek Cedron.
K^l^\'aar 8\'aa^ d*111 •i® goede, de liefdevolle Jesus, \'^y|| daar gaat Hij om voor ons te lijden en te sterven! O wonderbare liefde van den (iod-mensch tot ons! Hij daalt van den hemel neder, Hij neemt de menschelijke natuur aan, Hy leeft drie-en-dertig jaren in ons midden, Hij onderwijst ons door woorden en voorbeelden, en nu gaat Hij lijden
en sterven voor ons..... voor ons, die Hem en
zijnen hemelschen Vader zoo diep gegriefd en beleedigd hadden, voor ons ondankbaren, die in weerwil van al zijne goedheden, toch voortgaan om Hem op nieuw te beleedigen. Ga, lieve Jesus, ga, zijn er velen, die U niet willen volgen, die U ondankbaar zijn en blijven, och er zullen toch ook zoo velen door U gered en zalig gemaakt worden. Ga, lieve Jesus, ga, och als Gij ons niet gaat verlossen, wat zal er van ons geworden, ellendig op aarde, eeuwig ongelukkig hierna. Ga, lieve Jesus, ga en geef mij de kracht om U te volgen, om even als Gij, gaarne te lijdea. Mijn God, hoezeer ben ik verplicht om geduldig te lijden! Hoe vele zonden heb ik te boeten, hoe vele gebreken te verbeteren, hoe vele deugden
23
aan te leeren, hoe arm ben ik nog aan verdiensten voor den hemel. Iloe noodig is het dan dat ik lijde. En toch, lieve Jesus, gevoel ik zulken afkeer van al wat lijden is. O Jesus versterk mij, ik wil, ik moet, ik zal U volgen op uwen lijdensweg.
Jesus gaat en wijst ons door zijn voorbeeld den weg aan, dien wij moeten bewandelen. Maar terwijl Jesus gaat, zie ik ook Judas heengaan, hij slaat een anderen weg in, hij doet niet als de overige Apostelen die Jesus volgen; neen hij gaat, om aan de booze driften van zijn hart toe te geven, hij gaat om geld te verdienen, al is het ook bloedgeld, al zal het ook het leven van zijnen dierbaren Meester kosten.
O, hoe velen volgen Judas na, hoe velen volgen de driften van hun hart in plaats van Jesus , hoe velen zoeken de eer en de grootheid van deze wereld, hoe velen de vuile, de schandelijke vermaken des vleesches, hoe velen het geld. Niets kan hen weerhouden ; zij weten, dat zij hunne ziel daardoor in het ongeluk storten, zij weten dat zij Jesus daardoor grieven en beleedigcn, dat zij Hem, op zekere wijze, als opnieuw kruisigen, gelijk de Apostel zegt, doch niets schijnt hen te kunnen weerhouden. Zij leven maar voor de wereld, voor de eer, voor de vermaken en voor het geld.
Heb ik ook vroeger Judas niet gevolgd, heb ik ook * vroeger geene groote zonden bedreven en daardoor Jesus verlaten om Judas te volgen ? Mijn God, wat heb ik gedaan! Hoe dwaas, hoe vermetel, hoe ondankbaar was ik. Jesus , voortaan wil ik U volgen, al kost het mij ook nog zoo veel, met U wil ik lijden en sterven!
24
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Maak een vast besluit om Jesus te volgen. Lijden er .ydeu alléén is de weg naar den hemel. Dien weg is Jesus gegaan, dien hebben de Heiligen gevolgd, wilt gij in den hemel komen, lijd dan met Jesus, doe boetvaardigheid en lijd met geduld en onderwerping.
2. Verfoei uwe vroegere afdwalingen, vraag Jesus nogmaals om vergiffenis, overweeg trouw zijn lijden en bid Hem, om Hem te mogen navolgen.
3. Geloof niet, dat de wereldlingen waarlijk vermaak genieten; neen christenen, het ware vermaak is alleen in de onschuld of in de boetvaardigheid te vinden.
4. Bid Maria de Moeder van smarten, die op het voorbeeld van haren goddelijken Zoon zoo veel en zoo geduldig geleden heeft, dat zij u leere lijden met onderwerping.
VIL
1 Za.tertlag\' in de quot;Vaste.
Tristis est anima me a usque ad mortem.
Matth. XXVI: 38.
Mijn ziel is bedroefd tot den dood toe.
; Elf oen Jesus aan den hof, Gethsemani geheeten, gekomen was, zeide Hij tot Zijne leerlingen : V,\'^/p Zit hier neder, terwijl ik derwaarts ga, en bidt. En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedteus, Joannes en Jacobus met zich, en begon
25
droevig en zeer beangst te worden. Toen sprak Hij tot hen: Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe; verbeidt bier en waakt met Mij. Nog vóór dat Jesus alzoo iets uitwendigs geleden bad, werd Hij droevig en beangst, ja bedroefd, gelijk Hij zelf zegt, tot den dood toe. Hij wilde doen zien, dat de smart, welke Hem van binnen verteerde, veel grooter was, dan al de pijnen, die men Hem in zijn licbaam zoude aandoen. En waarom was Jesüs zoo bedroefd? Vreesde Hij misschien de naderende folteringen, den allergruwzaamsten marteldood? Was Hij, de kracbt en sterkte der Martelaren, die aan zoovelen den moed zoude geven om gelaten, ja met vreugde de wreedste tormenten ter liefde Gods te ondergaan; die aan teedere maagden de kracht gaf, om zingende, als naar een bruilofstfeest gaande, het schavot of den brandstapel te beklimmen; was Hij nu beangst, benauwd voor den dood? O neen, christenen. Hij had vurig naar dien dood verlangd, Hij verlangde er nog vurig naar, dewijl Hij meer onze redding, onze zaliging verlangde dan wij zeiven; Hij ging dus met moed den dood tegen. Waarom was Hij dan bedroefd? 0, er waren daarvoor zoovele redenen. Vooreerst zag Hij zich beladen met al de zonden, die ooit door menschen gepleegd zijn, die thans bedreven worden en nog ooit zullen worden gedaan. En als wij nu lezen van sommige boetvaardigen, dat zij van droefheid over hunne zonden zooveel geleden hebben, ja gestorven zijn, wat zal Jesxjs dan niet hebben gevoeld, die oneindig beter de boosheid der zonden kende en wist hoe zij God beleedigen.
Jestjs was bedroefd, om uwe zonden, christenen, om die zonden, bedreven in bet geheim en in het openbaar, om die ontuchtige taal, om die afscbu-
26
welijke zinnelijke lusten en begeerten van die dartele jongelingen en meisjes, om die godslasteringen, die dronkenschap, die goddelooze vergaderingen, die overtredingen der geboden van God en van de heilige Kerk, om al die groote zonden, die nog dagelijks gebeuren, en die Hij allen voor oogen had. Ja, Hij zag ook u, christen, Hij zag al het kwaad, dat gij reeds bedreven hebt en nog zult bedrijven, en dat alles verscheurde Hem het hart. Hij was bedroefd, bedroefd tot den dood, als Hij er aan dacht, dat Hij voor allen ging lijden, voor allen den hemel ging verdienen, en dat er niettemin zoovelen zouden verloren gaan, door hunne eigene schuld, omdat zij geen voordeel wilden doen met zijn lijden, maar in weerwil van al zijne liefde, zich zouden verdoemen en zijn lijden voor zich nutteloos zouden maken. Hij was bedroefd omdat wij ons zeiven niet goed beminden. Eindelijk was Hij bedroefd, om ons te leeren, dat er eene ware droefheid is, dat ook wij moeten bedroefd zijn over onze zonden en over die, welke door anderen geschieden, en om ons te leeren, hoe wij ons in de droefheid moeten gedragen.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Als ge nog bekoring gevoelt tot de zonden, als deze of gene verleider bij u komt om u tot zonden te brengen, als ge in een verkeerd gezelschap u bevindt, of bij alle gelegenheid tot kwaad, verbeeld u dan Jesus te zien, die u klagende toeroept: tristis est anima mea usque ad mortem\', mijn ziel is bedroefd tot den dood toe. Zult ge dan den moed hebben om in de zonden toe te stemmen ?
27
2. Ook de Paus treurt, even als Jesus, in deze dagen, omdat er zoovele ongelukkige katholieken zijn, die hunne Moeder de heilige Kerk bedroeven en hun Vader den Paus verlaten. Ook de priesters zeggen, tristis est anima me,a, omdat er ook onder de katholieken zooveel zondaars gevonden worden.
3. Verwek een waar berouw over uwe eigene zonden, en bid ook voor de zondaars, en treur ook over de zonden, die door anderen gedaan worden.
4. O Maria , offer uwe smarten aan Jestjs op tot voldoening mijner zonden, en bid voor my om een waar berouw.
VUL
l ■ Zoiitlufj; in lt;le quot;Vaste.
Pater, si possibüe est, transeat a me calix iste, verurntamen non sicut ego volo, sed sicut Tu. Matth. XXVI: 39.
Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen kelk van mij voorbijgaan; nogtans niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt.
fog nauw had de goedeog nauw had de goede Jksus deze woorden van droefheid tot zijne beminde Apostelen gesproken of Hij verwijdert zich ook van dezen en ging alleen. Daar in de eenzaamheid viel Hij op zijne knieën neder, wierp zich met het aanschijn plat ter aarde en bad tot driemalen toe: Vader, indien
lael mogelijk is, laat dezen kelk van Mij voorbijgaan, a
nogtans dat niet mijn wil, maar dat uw wil geschiede. d
Door dit gebed wil Jesus ons leeren, dat wij in i
droefheid zeker mogen bidden, om van die smart o
verlost te worden, doch tevens dat wij ons aan den 1
goddelijken wil moeten onderwerpen. God weet het t
beste, wat ons noodig is; misschien is die droefheid {
een laatste middel van God om ons tot bekeering 1
aan te zetten, wie weet hoeveel geestelijk voordeel i
in die beproeving voor ons ligt opgesloten; bidden wij dus gerust om verlost te worden, maar voegen wij er even als Jestjs bij: dat niet mijn wil, o God, maar dat uw wil geschiede. Leereu wij hier ook van Jesus, hoe wij ons gebed moeten storten, vooreerst in de eenzaamheid; als wij willen bidden, verdrijven wij dan van ons, zoover wij kunnen, alle gedachten aan onze tijdelijke bekommernissen, zoeken wij eene afzonderlijke plaats voor ons gebed in de kerk of in ons buis; want ofschoon wij overal kunnen bidden, als zulks noodig is, moeten wij daarvoor toch altijd de geschiktste plaats uitkiezen. Bidden wij met nederigheid; ziet, Jesus valt op zijne knieën neer en bidt met het aanschijn plat ter aarde. Vernederen wij ons ook diep voor God, vragen wij Hem vergiffenis over onze zonden en bidden wij dan met onderwerping en met volharding. Jesus herhaalde zijn gebed tot driemalen toe, om ons op te wekken tot volharding in het gebed, al worden wij ook niet dadelijk verhoord. De droefheid van Jesus scheen in het eerst, in weerwil van zijn gebed, nog toe te nemen. Hij geraakte in doodsangst. Hij begon water en bloed te zweeten, zoodat de grond gepurperd werd door zijn kostbaar bloed; doch eindelijk kwam een Engel uit den hemel om Hem troost en versterking
29
aan te brengen. Als wij maar volhouden in het gebed, dan zal God ons zeker verhooren, Hi] zal of ons dat kruis, die droefheid, die tegenspoed, die beproeving ontnemen, of Hij zal ons moed en sterkte geven, om het met geduld en met verdiensten voor den hemel te dragen. Slaat nu, christen zielen, nog een blik op uwen J^sus, die daar bijna stervend ter aarde ligt, hoort die zuchtende stem: Pater, si possibile est, Vader, indien het mogelijk is, laat dien kelk van Mij voorbijgaan , dat echter niet mijn wil, maar dat Uw wil geschiede; ziet Hem daar water en bloed in doodsangst zweetende, ziet dien grond rood van het bloed uws Verlossers. Wie is de schuld van die smarten, wie heeft zich bezoedeld aan dat kostbaar goddelijk bloed ? Gij, christen, toen gij zondigdet, toen gij uw God verliet om het kortstondig en kort daarop verbitterd vermaak der zonde te genieten, toen waart gij de beul van Jesus, toen Hij daar dat bloed zweette, dacht Hij aan u en uwe zonden. Ach ziel, denk daar aan!
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Weer alle verkeerde droefheid, die niet van God komt, van u af, en bid om de ware droefheid, dat is: een oprecht leedwezen, niet over tijdelijk verlies of ij dele zaken, maar over het eenig kwaad dat er is, over de zonden, en een vast voornemen die nooit meer te bedrijven.
2. Als u iets kwelt, of eenig kruis u drukt, of tegenspoed u vervolgt of andere droefheid u overkomt; bid dan met Jesus: Vader, indien het mogelijk is, laat dezen kelk van mij voorbijgaan, dat echter niet mijn wil, maar uw wil geschiede.
30
3. Verbeeld u dikwijls tegenwoordig te zijn in den hof van Olijven, verbeeld u Jesus daar te zien, water en bloed zweetende om uwe zonden, opdat gij daardoor meer en meer afkeer zoudt krijgen van dezelve, en ze destebeter zoudt beweenen.
4. O Maria, troost der bedrukten, wees onze troost in droefheid, onze bijstand in gevaar, onze hulp in het uur des doods en onze voorspreekster bij God! Amen.
IX.
gt;1:11111« Ina don 1quot; IZondagf in tie quot;Vaste.
Sic non potuistis una hora vigilare Mecum.
Matth. XXVI: 40.
Alzoo hondet gij niet één uur met Mij wahen.
%v§Ma een lang gebeden te hebben, stond Jesus op en begaf zich naar zijne leerlingen, sWpfë, Petiitjs , Joannes en Jacobus. Dan dezen in-plaats van met Jesus te waken en te bidden, hadden, waarschijnlijk vermoeid en afgemat door al wat dien dag was voorgevallen, zich aan den slaap overgegeven. Zoo zijn de menschen, zij belooven veel maar doen weinig. Petrus wilde met Jesus den dood ingaan en zie, hij sliep, toen Jesus in doodstrijd lag. Waarom zoeken we toch nog zooveel troost bij die zwakke armen van vleesch, laat ons alleen op God betrouwen.
Simon dormis, slaapt gij Petrus, zeide Jesus, als wilde Hij hem op zachten toon zijne onstandvastigheid
31
i verwijten. Sic non potuistis una hora vigilare Mecum.
, Alzoo kondet gij, die voor Mij wildet sterven, zelfs
geen enkel uur met Mij waken, om Mij te troosten en met Mij te bidden. Ach, tot hoevele christenen zou Jesüs ditzelfde verwijt mogen voegen. Helaas, men slaapt gedurende heel zijn leven. Iemand die slaapt, vergeet alles waarvoor hij moet zorgen, of althans hij denkt er niet aan. En wat doen zoovele ouders, zij moeten zorgen voor hunne kinderen, voor hunne dienstboden, maar zij slapen, zij denken er niet aan. Hoe handelen de meeste menschen, zij moeten zorgen voor hunne onsterfelijke ziel, voor hunne eeuwige gelukzaligheid; maar neen, zij zijn geheel zorgeloos ia dat punt, zij denken niet aan hunne ziel, zij vergeten de eeuwigheid. Altijd bezorgd voor het tijdelijke, voor de ijdeiheid dezer wereld, hebben zij geen tijd, om voor het eeuwige, het onvergankelijke te zorgen. En eenmaal in het oordeel zullen zij, helaas te laat, het verwijt van Jesüs hooren: Sic non potuistis una hora vigilare Mecum. Heel den tyd van uw aardsche leven, n geschonken, u alleen gegeven om u zeiven heilig te maken, hebt gij met ijdelheden, met nietigheden, met droombeelden doorgebracht en gij hebt geen uur met Mij kunnen waken, geen enkel uur kunnen vinden om voor uwe onsterfelijke ziel, voor uwe eeuwigheid te arbeiden. O christenen, vergeet nooit de woorden, welke Jesus daar in den hof tot zijne Apostelen zeide: vigilate et or ate, zit non intretis in tenta-tionem, waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring valt.
Indien de apostelen-zelven, door Jfisus-zelven onderwezen, die Jesus altijd tot voorbeeld hadden, nog zoozeer het waken en bidden noodig hadden, hoe noodzakelijk zal het dan wel voor ons arme schepselen wezen. Helaas eene treurige ondervinding heeft ons
32
menigmaal geleerd hoe zwak wij zijn en als wij de oorzaken van onzen val in de zonden nasporen, zijn deze dan niet ontstaan, dewijl wij zorgeloos voort-wandelden , en waken en gebed uit het oog verloren ?
Vertrouwen wij toch nooit op onzen goeden wil en eigen krachten, Spiritus quidem promptus est, caro autem in firma, de geest is wel bereid, zeide Jesus , maar het vleesch is zwak. Dus waken op onze oogen, waken op onze ooren, op onze tong, ons gevoel, op alles en dan ons gewapend met een goed gebed!
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Goed overdenken, waarom God ons op deze wereld heeft geplaatst. Wat doen wij voor onze ziel ? Wat doen wij niet voor ons lichaam, voor ons tijdelijk bestaan? O vergeten wij toch nooit het groote doel onzer schepping.
2. Onderzoeken wij ons of we op dit uur niet nog slapen, of wij wel getrouw al onze plichten nakomen, die God ons heeft opgelegd.
3. Vigilate et orate. Gulden les van Jesus, vergeten wij die nooit, \'tis de zekere weg naar den hemel. Allen die in de hel liggen, zijn daar gekomen door gebrek aan waken en bidden. Door waken en gebed zijn de heiligen tot de glorie gekomen.
4. Bid vurig het »Memorarequot; en drie »Wees gegroetquot; tot Maria, opdat zij ons leere te waken en te bidden.
**lt; vt gt;v* *vlt; •gt;* «^ wc aa^lt; quot;w ••« •$• «w *v*
X.
Dinsrtiisf na lt;loii 1\' Zontlag in d© Vaste.
Vinit hora, ecce Filius ho minis tradetur in manus peccatorum. Makc. XIV; 41.
De ure is gekomen: ziet de Zoon des mensclien zal overgeleverd worden in de handen der zondaren.
fan, het uur was gekomen, door de goddelijke Voorzienigheid bepaald, waaropan, het uur was gekomen, door de goddelijke Voorzienigheid bepaald, waarop Jesus zoude overgeleverd worden in de handen zijner vijanden; en let wel, wat de heilige Geest zegt: in mnnus peccatorum, in de handen der zondaren. 0 het zijn niet de Joden, niet die woedende soldaten, o neen, die zijn slechts de uitvoerders, maar het zijn de zondaren, in wier handen Jesus wordt overgeleverd, het zijn de zondaren, die Jesus zoovele smarten en den dood aandoen. Terwijl Jesus nog sprak tot zijne Apostelen, hoorde men in de verte het geruisch van eene naderende menigte, men hoorde het gekletter van wapenen en een verward geroep van baldadige troepen. Ziet, zeide Jesus toen, ecce appropinquavit qui Me tradet, daar nadert hij, die Mij zal overleveren; en inderdaad, daar naderde de ongelukkige Judas, de apostel, die zooveel liefdeblijken van Jesus had ontvangen, die nog kort te voren deel had gehad aan zijn goddelijk Vleesch en Bloed, die nog zoo pas geleden^ door Jesus was vermaand en gewaarschuwd. Daar nadert hij, met verraad in het hart, daar nadert de booswicht om onder den schijn van vriendschaps-
3
34
betuiging, het teekeu van verraad te geven. Quern osculatus fuero, ipse est, tenete Eum, Hij, wien ik een kus zal geven, die is het, houdt Hem aan; dat was het afgesproken teeken van Judas, om aan dien troep te kennen te geven wie Jestjs was. 0 Judas, hoe diep zijt gij gevallen! Vervloekte geldzucht, hoe ver hebt gij een Apostel gebracht! Welk eene heiligschennis, onder den naam van vriendschap het hatelijkste verraad! Ave Rahhi. zeide Judas, wees gegroet Meester, en hij gaf Hem een kus. Welk eene taal in den mond eens verraders! Welk eene handeling van den trouw-loozen heiligschenner! Waarom verpletterde hem de donder niet, om Gods eer te wreken, waarom vernietigde hem de bliksem niet, waarom scheurde de aarde zich niet open, om hem levend te begraven, om hem levend in de hel te doen nederdalen! Zacht wat, verontwaardigde christen, zeker, die booswicht had zulks verdiend, hij zoude niet zwaarder gestraft zijn, dan hij schuldig was, maar als God ieder terstond strafte, wat zou er van u geworden zijn? Hebt gij weleer ook niet dikwijls, even als Judas, uwen God diep beleedigd? Hebt gij misschien niet, even als Judas, ook soms op onwaardige, op heilig-schennende wijze uwen God en Heer aan de heilige Tafel ontvangen. O, op dat oogenblik, riep ook Jksus uit: ecce appropinquavit qui me trad et, zie daar komt iemand naar de heilige Communiebank om mij even als Judas te verraden, onder den uiterlijken schijn van godsvrucht nadert hij met gebogen hoofd, met saamgevouwde handen, maar het is om Mij in zijn vuil hart te ontvangen, om Mij aan den duivel, die thans in zijn hart woont, over te leveren. Ook toen was de donder gereed u te verpletten, ook toen zou de bliksem n vernietigd hebben, ook toen was
35
alles tegen u gewapend, had Gods barmhartigheid u niet gespaard, om u tijd tot bekeering te geven. O maak spoedig gebruik van dien tijd!
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Jesus gaf zich geheel vrijwillig aan het lijden over, niet voor dat zijn uur gekomen was, konde men Hem schaden. Wordt het geen tijd, dat wij ook vrijwillig boetvaardigheid gaan doen, is ous uur niet reeds lang verschenen? Maak dan een goed gebruik van de heilige Vaste. Kunt gij niet lang spijzen derven, zoek dan andere wijzen van versterving, er zijn er in overvloed.
2. Hebt gij ooit het ongeluk gehad Judas te volgen door heiligschennis, beween dan hartelijk vandaag nog die boosheid, en tracht ze te herstellen door dikwijls waardig te communiceeren.
3. Bezoek dikwijls Jesus in het heilig Sacrament, om de oneer te herstellen, die Hem daar wordt aangedaan, vooral door diegenen, welke Hem onwaardig ontvangen.
4. Vergeet nooit om Maria\'s voorspraak in te roepen, vooral als gij eenig Sacrament wilt gaan ontvangen.
XI.
Wooiislt;1ks ii:i lt;leii 1 ■ Zonrtagf in lt;le quot;V
Amice, ad quid venisti? Matth. XXVI: 50.
Vriend, waartoe zijt gij gekomen1?
hQBVBel redenen had Jesus niet om aan Judas liar(^e verwijtingen te doen hooren, hoeveel redenen om hem aanstonds voor zijne euveldaad te straffen, doch Jesus wil ons een voorbeeld geven van zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid. In ( plaats van verwijtingen, in stede van straffen zegt Jesus tot den ongelukkigen verrader op zachten toon: Amice, ad quid venisti1? Vriend, waartoe zijt gij gekomen ? Juda , osculo Filium hominis tradis ? Judas , verraadt gy den Zoon des menschen met een kus? Welk een zachtmoedigheid, welk eene les voor ons, die aanstonds driftig worden bij de minste beleediging en die, ware het in onze macht, dadelijk den schuldige of vermeend schuldig zouden straffen. Hoe verhard en versterkt in het kwaad moet Judas niet geweest zijn dat hij, in weerwil van die liefdevolle woorden, nog volharden bleef in zijn boos verraad! O Judas, hoort gij niet aan die zachte stem, merkt gij niet uit die liefdevolle woorden, dat Jesus bereid is u te vergeven? Vriend, zegt Hij tot u. Hij wil u nog dien teederen naam van vriend geven; vriend, waartoe zijt gij gekomen? Judas begrijpt gij nu hoe men van klein tot groot komt? Eerst die gedachte, vervolgens die gehechtheid aan het geld, dan eene kleine
37
onrechtvaardigheid, nu eene grootere en eindelijk wordt Judas zoo ver door die drift medegesleept, zoo diep door die zonden verblind, dat hij voor niets meer terugdeinst, en om een handvol geld zijnen goddelijken Meester verraadt. En welk verraad? Judas verraadt gij den Zoon des menschen met een kus? O reeds de koninklijke psalmist David overdenkt in profetischen geest die afschuwelijke huichelarij: Si inimicus maledixissif. mild, indien mijn vijand Mij verwenscht had. Mij openlijk had beleedigd, vervolgd, susfiiiuissem utique, Ik zou het nog hebben kunnen verdragen, tn ve.ro
o ... o 7
homo unanirnis, maar gij die met Mij omgewandeld hebt, die mijn vriend, mijn Apostel waart, wien Ik gespijzigd heb met mijn eigen Vleesch en Bloed, moet gij Mij zoo schandelijk behandelen ? Treffende woorden voor Judas, welk een wonder van hardnekkigheid in het kwaad was hij, om er niet door getroffen te worden. Maar passen wij diezelfde woorden eens op ons zeiven toe. Zoude Jesus datzelfde niet ons kunnen toevoegen: Mijn vriend, want Ik heb u altijd getoond, dat Ik u beminde, waartoe zijt gij gekomen ? vroeger waart ge zoo braaf, zoo onschuldig, zoo godsdienstig, vroeger naderdet ge zoo gaarne en zoo dikwijls tot de heilige Sacramenten, vroeger waart ge zoo ijverig, zoo vurig in het gebed en nu? Waartoe zijt gij gekomen? Wat is er geworden van die reine, schul-delooze ziel, van dat zuiver, vlekkelooze hart ? Helaas, langzamerhand zijt ge afgeweken, dieper gedaald, en eindelijk geheel in de zonden gevallen! Hetgeen ge vroeger niet durfdet denken, durft ge thans te doen, hetgeen vroeger door u werd gevlucht, wordt thans door u gezocht. Vriend, waartoe zijt gij gekomen?
38
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Herinner u de dagen uwer onschuld, den gelukkigen tijd uwer eerste heilige Communie en overweeg hoe verre gij van die teedere onschuld zijt afgeweken.
2. Verbeeld u Jestjs te zien en Hem tot u te hooren zeggen: Amice, ad quid venisti?
3. Val in den geest voor Jesiis op uwe knieën neer, doe niet als Judas , verhard u niet, blijft niet verstokt, maar beken uwe schuld, vraag vergiffenis en Jesüs zal u alles vergeven. Bereid u tot eene goede en oprechte biecht.
4. Uw beste toevlucht zij de H. Moeder Gods, val haar te voet. Zij zal voor u tot Jesus, haren goddelijken Zoon, gaan, en gelijk Zij reeds voor duizenden heeft gedaan, Zij zal voor u vergeving bekomen. Vergeet nooit Haar aan te roepen.
XII.
nonderdag\' na den 1quot; Kondag; in de Vaslegt;
K(]o sum. Jo ANN. XVIHI: 40.
11c hen het.
schijnt, dat de troep, die Judas vergezelde, niet goed gelet had op het teeken door Judas gegeven , zij schenen te aarzelen, niet wetende wien zij moesten aangrijpen; Judas ofschoon in zijn kwaad volhardende was toch zoodanig verplet door
39
de toepraak Tan Jesus, dat hij geene bevelen of teekens meer kon geven. Alstoen naderde Jesus zelf die verachtelijke bende en vroeg bem: Quem quceritis ? Wien zoekt gij ? zij antwoordden : Jesus van Nazareth. En Jesus antwoordde: Ego sum; Ik ben bet. Docb op betzelfde oogenblik, bij bet uitspreken dezer korte woorden deed Hij ze allen achterover ten gronde vallen. Jesus wilde bier zgne Almacht toonen, Hij wilde dat volk doen zien en doen gevoelen, dat Hij vrijwillig zich in hunne handen overgaf, dat Hij door niemand kon gedwongen worden. Toen echter Peteus zag, dat men de handen aan Jesus wilde slaan, ontvlamde zijn vroegere ijver en zonder nadenken of zonder het getal der vijanden te tellen, trok hij zijn zwaard, hakte op de menigte toe en hieuw een dier beulknechten, Malchus genaamd, bet rechteroor af. Jesus echter berispte dien overdreven ijver van Peteus, raapte dat oor van den grond op en herstelde het, door een wonder, aanstonds op zijne plaats.
Wonderlijke zaak! Noch dat mirakel waardoor Jesus hen allen deed achterovervallen, om zijne macht te toonen, noch dit wonder, waardoor Hij blijk gaf van zijne oneindige goedheid, maakten eenigen indruk op die bedorven harten. De gewoonte van zondigen, van slecht te leven, maakt iemand zoo ongevoelig dat noch de vrees voor Gods Almacht, noch de gedachte aan zijne goedheid iets op hem uitwerkt. Moeten wij dat ook niet dagelijks zien en betreuren! Hoevele zondaars blijven niet ongevoelig, in weerwil van al wat God ter hunner bekeering wel wil aanwenden. Nu worden zij verschrikt door dreigende ziekten, door den plotselingen dood van een\'hunner kennissen, door de woorden eener predikatie, waarin hun de verschrikkelijkheid der oordeelen Gods wordt
40
afgemaald, maar te vergeefs; dan eens worden zij opgewekt om te betrouwen op Gods goedheid en barmhartigheid, door een liefderijk priester, die hen zoekt te bekeeren, door de bede van een\' stervenden vader, of door de tranen eener treurende moeder, of door de smeekingen van een onschuldig kind, maar te vergeefs, zij zijn en blijven de oude zondaars: bekeeren zij, \'t is slechts voor een oogenblik, \'t is niet oprecht gemeend. O zondaars, eenmaal zal er een tijd komen, dat Jesiis nog nadrukkelijker, dan thans door zijne priesters of door andere middelen, u zal toeroepen: Ego sum. In uwe laatste ziekte, op uw wanhopig sterfbed, in het uur van uwen akeligen dood, in uw bijzonder oordeel zal Jesxjs voor u staan en zeggen: Ego sum. Hier ben Ik, dien gij in uw leven niet hebt willen kennen, dien ge versmaad hebt, om u over te geven aan den duivel en zijne bedrie-gelijke vermaken. Ego sum: Hier ben Ik, waar is iju die wereld, die ge zocht, waar zijn die vermaken, om welke ge Mij bebt versmaad. Hier beu Ik, niet meer als uw Vader, uw Vriend of uw Verlosser, maar als uw Heer, uw Rechter, uw Straffer.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Schrikken wij bij het herdenken, hoezeer de zonde iemand kan verharden en verblinden, en hebben wij het ongeluk om in eene groote zonde te vallen, gaan wij dan aanstonds naar den biechtstoel, om vergifienis te bekomen.
2. Denken wij dikwijls aan ons bijzonder oordeel,
41
aan den angst die den zondaar zal aangrijpen in dit uur, waarop Jesus voor hen staande zal zeggen: Ego sum; geef rekenschap, van al uwe woorden, uwe werken en uwe gedachten.
3. Overwegen wij hoe troostend dezelfde woorden van Jesus » Eqo sumquot; zijn voor de braven. Daarmede troostte Jesus zoo menigmaal zijne leerlingen, zeggende Ego sum, no lite timere; vreest niet. Ik ben bet. Als wij braaf en deugdzaam zijn zal Jesus ook ons die troostwoorden toevoegen in droefheid, in tegenspoed, in lijden, in sterven: Ego sum, nolite timere: vreest niet, Ik ben het, Ik zend u die droefheid over tot uw bestwil. Ik kom u troosten en zalig maken.
4. O Maria, sta ons bij in alle droefheid en moeielijkheid in dit leven, maar vooral in het uur van onzen dood. Amen.
xm.
Vrijdag ii» den 1quot; Zondag in de Vaste.
Hcec est hora vestra et potestas tenebrarum.
Luc. XXII; 52.
Dit is uw uur en de macht der duisternis.
4^ji/ oor dat Jesus zich overgaf en zich liet gevangen nemen, wendde Hij zich nogmaals tot de gewapende bende en zeide: gij zijt op Mij afgekomen, als ware Ik een struikroover, met zwaarden en stokken, om Mij te grijpen. Dagelijks nogtans
42
zat Ik te leeraren in den tempel; toen hebt ge Mg niet aangehouden, maar, wilde Jesus zeggen, toen kondet gij niet, ofschoon het voor den uiterlijken schijn geene moeite zoude gekost hebben, want mijn uur was nog niet gekomen; het uur, door de Goddelijke Voorzienigheid bepaald om Mij over te leveren, was nog niet daar; maar nu is het er, dit is uw uur, {het uur waarop God toelaat, dat Ik in uwe macht val,) en de macht der duisternis; het oogenblik, waarop God duldt dat de macht der duisternis, het kwaad zal zegevieren. Maar dit alles, voegde Jesus erbij, is geschied, gelijk het voorzegd staat, het strekt tot bewijs dat de profeten de waarheid gesproken hebben en het bevestigt dus te meer dat Ik de ware Godsgezant, de waarachtige Messias ben, gekomen om de wereld te verlossen. Christenen, begrijpt gij wel goed de beteekenis dezer woorden van Jesus ? Dit is uw uur en de macht der duisternis, Jesus wil ons leeren, dat God soms voor een tijd toelaat, dat het kwaad in deze wereld zegeviert, maar zijne Goddelijke Voorzienigheid duldt zulks om wijze, ofschoon voor ons soms ondoorgrondelijke , redenen. Zijne wijsheid weet uit het kwaad goed te trekken, zijne Voorzienigheid laat het voor een tijd toe, om later des te beter ons te doen zien, hoe nietig de mensclielijke plannen, de kracht der duisternis is tegen de waarheid, tegen God.
o \'o
Verontrust u dan nooit, al ziet gij hier op aarde soms den rechtvaardige onderdrukt en den zondaar in voorspoed. God wil zulks, om den rechtvaardige te beproeven, hem boete te laten doen voor zijne bedrevene fouten, hem te oefenen in de deugd. God wil zulks, om den zondaar toch nog het weinige goede, dat in bem is, te vergelden, dewijl God niets onbeloond wil laten, en dewijl hij hierna toch eeuwig gestraft zal
43
worden. Misschien ook gunt zijne goedheid aan den zondaar dien voorspoed, opdat hij, door dat goede getroffen, nog tot inkeer kome, en zich bekeere; want, zegt God, nolo mortem peccatoris, sed ut magis convertatur et vivat, Ik wil den dood des zondaars niet, maar liever dat hij zich bekeere en leve. In alle gevallen geschiedt zulks om wijze redenen. Hoe menigmaal werden de Heiligen hier op aarde onderdrukt, mishandeld, ja naar het schavot gesleept en ter dood gebracht, maar is al die onrechtvaardigheid hun niet tot groot geluk geweest, en juichen zij thans niet om de ondergane beleediging? Hoe dikwijls is Gods Kerk hier op aarde aangerand, hoevele Pausen zijn gebannen, vervolgd, gekerkerd en ter dood gebracht; hoe menigmaal worden de kerken ontheiligd, de kloosters geplunderd, de priesters verjaagd, de kloosterlingen bespot? Dat was of is het uur en de macht der duisternis. Maar is de Kerk niet altijd zegevierend uit den strijd gekomen, zijn de kerken niet hersteld, de kloosters weer opgebouwd, de priesters teruggeroepen en de kloosterlingen weer vereend ? En hebben al die wederwaardigheden niet gediend, om Kerk, godsdienst en priester meer in luister te verheffen, en heel de wereld een duidelijk bewijs te geven dat de katholieke Kerk het werk van God is en nooit zal kunnen vergaan?
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Wij hebben ook een uur van macht, christenen, dat is van vrijen wil in dit leven, wij kunnen braaf zijn of ondeugend, rechtvaardig leven of zonden doen, maar het uur van ons leven is kort; God duldt u zondaar, Hij duldt uwe zonden, maar pas op, vrees....
44
vrees voor uw leven, weldra, misschien onverwachts, zal het eindigen. Wat zullen wij doen? Zullen wij misbruik maken van onze vrijheid, en ons aan de zonden overgeven, of zullen wij onzen vrijen wil gebruiken, om God des te beter te dienen en zoo den hemel, door zijne hulp, waardig te worden?
2. Verdragen wij geduldig de onderdrukking, de beleediging ons door anderen aangedaan. Denken wij dat God zulks toelaat om wijze redenen, onderwerpen wij ons aan zijne Voorzienigheid en aanbidden en danken wij in alles Gods heiligen wil.
3. Bidt voor de heilige Kerk in de dagen van onderdrukking, opdat de uren van beproeving mogen verkort worden, en de heilige Kerk weldra zege-viere over hare vijanden. Bidt voor de vervolgers der heilige Kerk, opdat zij mogen bekeeren.
4. Beveelt u zeiven eiken morgen en avond onder Maria\'s bescherming. Amen.
XIV.
Zaterdag1 na den 1quot; Zondag in de Vaste.
Comprehenderunt Jesum et ligaverunt Eum.
Joann. XVIII: 12.
Zij hebben Jezus aangegrepen en Hem gebonden.
Amniedaar dan onzen goeden, liefdevollen Zalig-maker, ziedaar onzen Jesus in de handen zijner vijanden. Die handen, welke Hij zegenend zoo menigmaal uitstrekte, met sterke ketenen geboeid,
45
die voeten, waarmede Hij op aarde rondwandelde om wel te doen, met boeien geketend. Welk een schouwspel! Waar zijn nu de vrienden van Jestjs? Waar zijn de Apostelen? Helaas, ze zijn gevlucht, op het zien dat men Jestjs aangreep! Waar zijn diegenen, die Hij met zoovele weldaden heeft overladen, die kreupelen, wien Hij den gang, die lammen, wien Hij Je kracht, die blinden, wien Hij het gezicht, die dooven, wien Hij het gehoor, die zieken, wien Hy de gezondheid heeft weergegeven ? Helaas, allen hebben Hem verlaten, niemand is bij Hem om Hem te helpen of ten minste eenigen troost aan te bieden. Hij is alleen in het midden van bloedgierige beulen, die Hem slaan, die Hem slaan, die Hem stooten, die Hem kwetsen, die Hem beleedigen, die Hem voortduwen en voortslepen, als was Hij een redeloos en weerspannig dier. O hoe juichen thans de vijanden van Jesus- Hoort hoe zij Hem beschimpen en bespotten, juist omdat Hij van allen verlaten is. Hoe zachtmoediger Jesus is, des te wreeder worden die beulen, hoe meer Hij verdraagt, hoe meer Hij moet verdragen.
0 lieve Jesus, waarom wildet ge toch dit alles lijden, was het niet genoeg een\' wreeden dood te sterven, moest men ü als een misdadiger boeien, als een wild dier mishandelen. O christenen, zegt Jesus , Ik lijd dat alles, omdat de zondaars van alles misbruik maken om Mij te beleedigen. Ik schenk hun een tong om te bidden en mijnen Hemelschen Vader te loven, en zij maken er misbruik van, om God en elkander te vervloeken en te verwenschen, om zedelooze taal te spreken of ontuchtige liederen te zingen, om leugentaal, achterklap, laster en wie weet welke zonden meer te bedrijven. In plaats van
46
te luisteren naar Mijne woorden en naar de taal der priesters en brave menschen, gebruiken zij hunne ooren om vuile taal of andere boosheid aan te hooren. Hunne oogen dienen slechts, om slechte dingen, zedelooze zaken te aanschouwen, in plaats van die te werpen op mijn Kruis en op mijn Lijden. Ik gaf hun ledematen, handen om te werken, voeten om te gaan, krachten des geestes en des liehaams, en welk wreede zonden doen zij met die handen, die zij misbruiken tot diefstal, ontucht en verdere zonden! Zij begeven zich zelden of nooit naar de kerk om te bidden, minder nog naar den biechtstoel, om hunne zonden te belijden, maar zij gaan naar wereldsche bijeenkomsten, naar kermis en danspartijen, naar personen, met wie ze goddelooze verkeering hebben, naar gezelschappen van ongebondenheid, naar huizen, die beter den naam van duivelscholen zouden dragen. Hun geest is gestadig bezig met op kwaad te denken, nieuw kwaad uit te vinden, middelen uit te denken om ook anderen tot het kwaad te brengen. Daarom wil Ik in alle mijne ledematen lijden, daarom ben Ik geboeid aan handen en voeten, daarom word Ik gestooten, geslagen en voortgesleept, daarom moet Ik al die balddadigheden zien, al die verwenschingen aanhooren. O nacht, o vreeselijke nacht! wie zal ooit vermelden al wat de Godmensch in die duisternis heeft geleden; nooit brak akeliger nacht aan, nooit heerschte vreeselijker duisternis! Maar ik begrijp het o Jesus ; ook de duivel kiest den nacht voor zijne helsche vermaken, als de wereld gerust wil zondigen, kiest men den nacht, zoekt men de duisternis! O booze wereld, o christen, die zondigt, hoeveel smarten hebt gij Jesus in dien nacht gekost!
47
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Leg u toe op de versterving. Versterf, ter liefde van den geboeiden Jesus, van tijd tot tijd, uwe oogen, uwe ooren of uwe tong. Overkomt u pijn of smart denk wat Jesus geleden heeft in al zijne ledematen.
2. Ach die vervloekte nachtvermaken! wanneer heeft die jongeling die gruwelijke zonden geleerd? waar heeft dat meisje hare onschuld verloren ? Ouders, gij waart te huis, misschien gerust te bed, en uwe kinderen bezochten nachtvermaken, verloren hunne onschuld, vielen in bittere zonden. Zullen zij uwe onachtzaamheid u niet eenmaal, maar misschien te laat, misschien in de hel verwijten?
3. Denk aan die kloosterlingen, die een groot deel van den nacht in het gebed doorbrengen, eu begeef u nooit ter ruste, zonder eerst goed gebeden en aan Jesus lijden, vooral in dien nacht, gedacht te hebben.
4. Overweeg welke smarten Makia leed, toen Zij in dienzelfden nacht de schrikkelijke tijding vernam, dat haar lieve zoon Jesus door zijne vijanden was aangegrepen, geboeid en mishandeld. Wees met Haar en troost Haar door een waar berouw en een beter leven.
af»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»»
XV.
Tweede Kondag van de Vaste»
Unus assistevs ministrorum didit alaparn Jesu.
Joann. XVIII: 22.
Een van de dienaren, die daar stond, gaf aan
Jesus eenen kaakslag.
erst bracht men Jesus naar Annas, den sclioon-vader van Caiphas , wetende welk eene ontaarde «srr^y vreugde deze smaken zoude, als hij Jesus in hechtenis zag; en van daar leidde men Hem naar Caiphas, den hoogepriester. Daar waren reeds de priesters en schriltgeleerden en ouderlingen bijeengekomen, om Jesus te oordeelen. Bijna alle verheugden zich op het zien der gevangenneming van Jesus en waren bereid om Hem te beleedigen. Van waar toch die haat der joodsche priesters en schriftgeleerden tegen den zachtmoedigen Zaligmaker? Welke redenen hadden
o o
zij cm Jesus zoo te vervolgen? Eene hatelijke ondeugd bezielde hen, zij konden niet dulden dat het volk Jesus bewonderde en naliep; al het volk zeiden zij, volgt Hem en daarom haatten zij Jesus, zij misgunden Hem de gunst des volks, die zij voor zich alleen wilden behouden, ü hoe blind maakt ons de nijd en de afgunst. In plaats van te onderzoeken, waarom Jesus zoo bemind werd, waarom men Jesus overal volgde, en zoo tot de waarheid te komen, gaven zij slechts gehoor aan hunne eigenliefde, luisterden zij naar de
49
taal der afgunst, en veroordeelden zij Jesüs , omdat Hij meer, dan zij, geacht werd.
Ellendige ondeugd, hoevele slachtoffers maakt gij ook thans nog in de wereld! Hoe ongelukkig en misdadig zijn zjj die door u worden beheerscht: onge-gelukkig, want het geluk van een ander maakt hun verdriet uit, knaagt aan hun hart en ontneemt hun den vrede; misdadig, want wat is meer strijdig met de liefde, en hoevele zonden bedrijft men niet uit afgunst! Cain vermoordde zijn broeder Abel uit afgunst, de eerste moord, en wel een broedermoord, was dus reeds een gevolg dier ondeugd. En hoeveel moorden, oorlogen en andere droevige gevolgen heeft de afgunst in de wereld gebracht. Wat is de reden van de meeste achterklap en lastertaal ? Is het niet dit akelig gebrek ? O bidden wij toch dat God ons voor die booze neiging behoede en trachten wij liefde tot elkander aan te kweeken. De hoogepriester ondervroeg Jjsstjs over zijne leerlingen en zijne leer. Jesus antwoordde: Ik heb openlijk tot de wereld gesproken; Ik heb altoos in de Synagoge en in den tempel geleerd, waaralle de Joden samenkomen en in het verborgen heb Ik niets gesproken. Wat ondervraagt gij Mij ? ondervraag hen, die gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb: zie, zij weten, wat Ik gezegd heb. Op deze zoo gematigde, maar duidelijk zijne onschuld bewijzende woorden, gaf één van de dienaren, naar men wil, dezelfde Malchtjs, wien Hij het oor had hersteld. Hem eenen kaakslag, zeggende: Antwoordt Gij aldus den hoogepriester? Jesus antwoordde hem; Indien Ik kwalijk gesproken heb, geef getuigenis van het kwaad; \'zoo niet, waarom slaat gij Mij ? Zachtmoedige Jesus , hoe is het mogelijk, dat Gij zoo verduldig die beleediging verdraagt? Een gemeene dienstknecht,
4
50
een ondankbare booswicht, vermeet zich een kaakslag te geven op dat gelaat, dat eeuwig de bewondering en vreugde van Engelen en Heiligen zal uitmaken, en in plaats van dien onverlaat te straffen, hem aanstonds zijne misdaad te doen boeten, geeft Gij hem slechts zachte woorden ten antwoord! O Jestjs , deze zachtmoedigheid alleen is mij een bewijs, dat Gij God zijt en oneindig in geduld. O hoe gevoel ik thans hoe verre ik nog van de volmaaktheid verwijderd ben; bij de minste beleediging, bij het kleinste onrecht gevoel ik mij tot gramschap opgewekt, en, ware het in mijne macht, hoe spoedig zoude ik mij wreken. O Jestjs, uw voorbeeld leert mij die drift te onderdrukken, ter uwer liefde zal ik voortaan zachtmoedig zijn ook bij de grootste beleediging.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Als gij het ongeluk hebt door de ondeugd van afgunst te zijn aangetast, leer dan hiér de droevige gevolgen dier zonde kennen; deuk dat de afgunst niemand meer schaadt en verdriet aandoet, dan hem die er aan onderworpen is. Vlucht dan die zonde, vooral in het begiu, zoodra gij ze voelt opkomen, en ge zult u voor vele zonden en voor vele droefheid behoeden.
2. Bemin niet alleen uwe vrienden, maar zelfs uwe vijanden, zelfs hen die u vervolgen en onrecht aandoen. Deze liefde zal u vrede en genoegen op aarde aanbrengen en u den hemel waardig maken.
3. Jesus mag wel zeggen: leer van Mij, dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben. Vanwaar
51
komt onze gramschap, onze onverduldigheid ? Omdat wij niet ootmoedig zijn even als Jesus, en dus de minste, soms slechts vermeende, vernedering niet kunnen verdragen.
4. Maria , gij hebt Jesus nagevolgd in nederigheid, zachtmoedigheid en liefde, bid voor ons, opdat ook wij ons toeleggen, om die deugden te beoefenen en de aarde zal een hemel worden.
^ y
XVI.
IHaandas na den 3n Kondag van de Vaste.
Adjuro te per Deum vivum, ut dicas nobis, si tu es Christus, Filiits Dei. Matth. XXVI: 63. Ik bezweer u hij den levenden God, dat gij ons zegt, of gij de Christus, de Zoon Gods, zijt.
jadat Jesus geheel den nacht verder aan den moedwil der bende was overgelaten, nadat ^men heel dien akeligen nacht door Hem bespot en beleedigd had, na vele verguizingen en mishandelingen, werd Jesus des morgens vroeg weder in den Raad der Joden gebracht, die nu voltallig was om te gaan oordeelen. Eene menigte valsche getuigen traden tegen Jesus op, maar niemand daagde op om Hem te verdedigen. Zoo gaat het gewoonlijk in de wereld; zoodra men ongelukkig wordt, dan verlaten ons de vorige vrienden, dan wordt men aan zichzelven overgelaten, dan is er niemand meer om ons te verdedigen,
52
maar iutegendeel, dan begint de vuile laster, en verstrooit en verspreidt allerlei uadeelige geruchten tegen ons. Hoe velen hebben dat in de wereld ondervonden , en nogtans blijft men de wereld beminnen en die ondankbare wereld naloopen. Wordt er van iemand in de wereld kwaad gesproken, dan aanhoort men dit met een zeker vermaak, vooral ¥an personen, die in de wereld ter goede faam bekend zijn; het is, alsof men zich verheugt, dat er ook iets op die personen te zeggen valt, en zelfs hij, die dat kwaadspreken afkeurt, heeft toch gewoonlijk den moed niet, om openlijk voor de waarheid en het recht uit te komen en den kwaadspreker te berispen of te logenstraffen. Doet hij het echter, tracht hij de eer van dezen of genen die aangerand worden, te verdedigen, o dan staan verscheideuen tegen hem op en maken de beschuldiging gewoonlijk nog grooter en erger. Men mag van iemand zooveel kwaad spreken, als men wil, maar goed van iemand te zeggen, is in de wereld gewoonlijk onverdragelijk.
Troost u dan, christen, wanneer lastertaal u vervolgt en beleedigt; troost u met den onschuldigen Jesus, die ook hier zoo wordt belasterd, maar vergeld nooit kwaad met kwaad, en onthoud u ooit iets ten na-deele van uwen naaste te spreken. Hoe de joden echter hun best deden om valsche beschuldigingen tegen Jesüs aan te halen, het mocht hun niet gelukken eene gegronde reden ter veroordeeling bij te brengen, de een sprak den ander tegen, en verontzenuwde daardoor zijne en des anderen getuigenis. Eindelijk toch kwamen twee valsche getuigen, zeggende: wij hebben Hem hooren zeggen: Ik kau den tempel Gods afbreken en na drie dagen weder herbouwen. Maar ook die getuigenis was niet voldoende om Hem te
o o
53
veroordeelen. Toen stond de hoogepriester op en zeide tot Jesus : Antwoordt Gij niet op hetgeen dezen tegen U opwerpen ? Maar Jesus gaf geen antwoord.
Hoe wijs handelde Jesus en welk eene les voor ons, wanneer wij belasterd worden; laten wij zwijgen en geduldig die beleedigingen ter liefde Gods verdragen; ons eenig antwoord op al die lastertaal moet zijn: een heilig en onberispelijk leven. Soms echter, wanneer het noodig is, dat wij onze eer verdedigen, om daardoor geene ergernis aan anderen te geven, moeten wij spreken, maar dan zij onze taal, als die van Jesus, vol eerbied en waardigheid.
De hoogepriester, ziende dat alle die getuigenissen niets beteekenden, bepaalde zich eindelijk bij deze plechtige ondervraging: Adjuro te per Deum vivum, ut dicas nobis, si tu es Christus, Filias Dei. Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij de Christus, de Zoon Gods, zijt. Toen wilde Jesus niet langer zwijgen, toen was het uur van spreken gekomen, en met waardigheid zeide Hij: Gij hebt het gezegd, Ik ben het, maar Ik zeg u, weldra zult gij den Zoon des menschen zien zitten aan de rechterhand Gods en komende op de wolken des hemels. En heel de vergadering stond als verplet op die woorden.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Hoeveel heeft Jesus in dien zwarten nacht geleden! Denken wij er wel ooit aan, vooral gedurende de slapelooze uren van den nacht. Vergeten-wij dan nooit aan Jesus te denken, in den geest met Hem te lijden en te treuren over de zonden.
54
2. Wanneer wij belasterd worden , moeten wij ons bij Jesus scharen, die zoo diep verguisd en belasterd werd. Jesus was de onschuld zelve, Hij kon niet zondigen, Hij kon geen kwaad doen, en toch liet Hij toe, dat men zijne eer aantastte. Moeten wij dan, die zooveel kwaad gedaan en zoovele straffen verdiend hebben, niet geduldig die verongelijkingen verdragen, blijde zijnde, dat wij iets mogen lijden, ter voldoening voor onze zonden?
3. Zwijg, waar spreken geene noodzakelijkheid is; het zal u zelden berouwen niet te hebben gesproken, maar hoevelen moeten het jaren en jaren lang betreuren, dat zij onvoorzichtig zijn geweest in het spreken.
4. O wat leed Maria bij al dat lijden Jesus aangedaan , lijd met haar, leer van haar geduldig en met onderwerping té lijden. Amen.
XVII.
Uinsdag na den 3quot; Zondag- van de Vaste.
Amodo videbitis Filium hominis, sedentem a dextris virtatis Dei et venientem in nubibus caili. Matth. XXVI: 64.
Van nu af aan zult gij den Zoon des menschen zien, zittende aan de rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.
had de goddelijke Zaligmaker dan plechtig, voor den verhevensten Raad der Joden zijne Godheid verkondigd. Hij bekommerde zich niet om den haat dier vergaderde priesters, Hij beleed openlijk, dat Hij de beloofde Messias, de Zoon van
55
God was, ofschoon Hij wist, dat men Hem daarom zoude veroordeelen en den dood schuldig verklaren.
Durven wij ook openlijk voor Jesus uitkomen! Ach, hoe vele katholieken in onze dagen schamen zich openlijk de zgde van Jesus te kiezen, openlijk hun\' heiligen godsdienst te verdedigen, als die wordt aangevallen, openlijk te toonen, dat zij goede katholieken zijn, als er dwalende ketters of goddelooze katholieken bij zijn ! O hoeveel lijdt de heilige Kerk in deze dagen van die lafhartigen! Het is eene zekere waarheid, dat wanneer er niet zoovele bange katholieken gevonden werden, dat , wanneer ieder volgens zijn geweten ook openlijk durfde handelen, die booswichten, die thans Godsdienst en Kerk aanranden, hunne pogingen zouden laten varen. Maar zij kennen de laf hartigheid van die halve christenen, zij weten hoevelen er gevonden worden, die gaarne twee heeren zouden dienen, de wereld hier op aarde, en tevens God om hier en hierna gelukkig te zijn. Die dwazen, hoeveel kwaad doen zij door die trouwelooze lafhar-tigbeid, hoe versterken zij de goddeloozen in hunne boosheid en hoe vermeerderen zij het verdriet van hunne Moeder de heilige Kerk. Neen, wij moeten, vooral in deze bittere tijden, er voor uitkomen, dat wij tot de eenig zaligmakende Kerk behooren, dat buiten die Kerk, die eenige ware Kerk, geene zaligheid te vinden is; wij moeten toonen, dat die Kerk het recht heeft ons te gebieden en dat wij Haar moeten gehoorzamen. Wij moeten doen zien, wie de ware kinderen zijn, opdat de goeden van de kwaden worden gescheiden. Wij mogen geen deel uitmaken van de kinderen des duivels, wij moeten openlijk hunne handelwijze afkeuren.
Jesus beleed dan hier openlijk dat Hij de Zoon
56
van God was, en als de Zoon van den levenden God, en als Rechter van levenden en dooden, als God van eeuwigheid, sprak Hij een plechtig vonnis over den Hoogepriester en zijnen boozen Raad uit, zeggende: Van nu af aan zult gij den Zoon des menschen zien, zittende aan de rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels. Als wilde Hij zeggen: Daar gij, als hoogepriester, in den naam van heel het volk. Mij als den Messias hebt verworpen, zult gij, van nu te beginnen, van Mij als uwen Goddelijken Rechter, de straf dier verwerping ondervinden. En hoezeer zijn die woorden bewaarheid èn opzichtens het joodsche volk èn opzichtens Caïphas en de overige leden. Van dien tijd af was het joodsche volk verworpen en het leeft slechts voort, om des te beter die verwerping aan de wereld te doen zien. Christenen, wat zal er wel omgegaan zijn in het hart van Caïphas, die daar staat in gezag tegenover Jesus, en zooveel misbruik van zijn gezag maakt, hoe zal het hem te moede geweest zijn, toen hij in zijn stervensuur eensklaps Jksus voor zich zag, dien hij hier zoo beleedigt. Hoe zal hij zich herinnerd hebben aan die woorden, van Jesus: weldra zult gij den Zoon des menschen zien zittende aan de rechterhand der kracht Gods. Ach, wat baat het hier op de wereld groot te zijn, in aanzien en gezag te zjjn gesteld, vooral als men misbruik durft maken, van die grootheid en van dat gezag, ons slechts door God gegeven.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Schaam u nooit een goed katholiek te zijn. Kom er overal voor uit, dat gij uw Godsdienst verstaat, dat gij een gehoorzame zoon der Heilige Kerk wilt
57
zijn. Doe niet als die lafhartigen, die zich over Jtsus schamen. Die zich Mijner zal geschaamd hebben, over dien zal Ik Mij schamen in eeuwigheid.
2. Als iemand in uw bijzijn den Godsdienst in hare leer, in hare wetten, of in hare priesters durft te beleedigen, vraagt Jesus van u openbare belijdenis van uw geloof; zorg daaraan te beantwoorden en kom rond voor Jusus uit.
3. Wat is gelukkiger dan tot den eenig waren Godsdienst te behooren. Leven wij volgens hetgeen Hij ons leert en voorschrijft en wij behoeven niet te vreezen voor het oordeel.
4. 0 Maria , bid voor mij, opdat ik nooit de zwakheid of lafhartigheid hebbe om mij over uwen Jesus te schamen. Neen, Maria, ik wil mij op uwe zijde en die van Jesus scharen, neem mij op iu uw gezelschap, opdat ik ook in eeuwigheid met u bij Jesus moge wezen. Amen.
XVIII.
IVoensdag* na den Siquot; SKondag van de Vaste.
Blasphemavit. Matth. XXVI: 65.
Hij heeft God gelasterd.
jlilquot; oen de eerste indruk dezer plechtige woorden ^ van den Zaligmaker voorbij was, kreeg de boosheid, die reeds te diepe wortelen in het hart van dien hoogepriester geschoten had, weer de bovenhand, ja, zij nam toe, naarmate zij een oogen-
58
blik was onderdrukt geweest, verplet door die onverwachte taal. Hij stond dan op, scheurde zijne kleederen en zeide: Blasphemavit, Hij heeft God gelasterd, waartoe hebben wij nog getuigen noodig, ziet, ge hebt nu allen zijne godslastering gehoord, wat dunkt u?
Schandelijke taal in den mond eens opperpriesters! Neen, Caïphas, niet Jesus, maar gij hebt God gelasterd, gij lastert Hem op dit oogenblik door uwe goddelooze woorden, waarmede gij God den Zoon, den tweeden persoon van de heilige Drievuldigheid loochent en Hem durft beleedigen. Blinde opperpriester, heeft Jesus dan geene getuigenis genoeg van zijne Godheid gegeven, zijt gij zelf geen getuige geweest of hebt gij ten minste niet uit duizend monden de getuigenis gehoord van al die wonderen, die Hij alleen door de kracht van zijn Woord, door zijn Goddelijken Wil heeft verricht? Is zijne Leer, die Hij dagelijks en openlijk verkondigde, niet Goddelijk? Kunt gij er iets in aanwijzen, dat in strijd is met de goede zeden of met het verstand, en moet gij niet die edele grondstellingen bewonderen, die verhevene zedeleer, die zoo verre al de wijsheid der oude wijsgeeren Overtreft? Zijt gij dan onbekend met de heilige Schrift, waarin duizenden profetieën staan, die alle volmaakt in Jesus worden bewaarheid! Is die aandrang van het volk, dat Jesus zocht, ofschoon Hij tegen deszelfs hartstochten predikt; is het gedrag, het edele, zachtmoedige gedrag van Jesus te midden van al die beleedigingen, dan geen bewijs genoeg reeds voor zijne Godheid! O Caïphas, gij hebt oogen om te zien, en gij ziet niet, gij wilt niet zien, gij hebt ooren om te hooren, maar gij wilt niet luisteren.
Ziedaar het gevolg der zonden, de hardnekkigheid
59
en verblindheid. Als ik die ongelukkige blindheid overweeg, dan eerst begrijp ik hoe het mogelijk is, dat iemand zijnen God durft lasteren, eene godslastering , een vloek durft uitspreken. Dikwijls vraag ik mij-zelven af: zoude een mensch, en vooral een Christen, die zijn gezond verstand bezit, toch zoo ver durven gaan, om moedwillig te vloeken, moedwillig en in koelen bloede eene godslastering uit te braken ! Hoe, een christen, die weet hoe nietig hij is uit zich zeiven, hoe hij geheel van God afhankelijk is, hoe God hem elk oogenblik kan straffen, enkel door zyn wil oogenblikkelijk in de hel kan doen neerstorten, hoe, een christen zou dat durven wagen? Hij zal zich tegen God durven verzetten en zijnen Vader en weldoener uittarten? Het is ongeloofelijk en nogtans het gebeurt! Ja zoover gaat de verblindheid, om aan zijne gramschap toe te geven, aarzelt men niet zijnen God, zijnen Schepper te vervloeken! Onge-lukkigen, gij doet het werk des duivels! Ach, dat de duivel God vervloekt, het is nog te begrijpen, hij is van God veroordeeld tot eeuwigdurende vreeselijke tormenten en hij heeft geene hoop nog ooit door God in genade te zulleo wrorden aangenomen. Maar gij, die nog hoop hebt om naar den hemel te gaan, maar gij, gij die u nog dagelijks overladen ziet met Gods weldaden, dat gij als een duivel, durft vloeken, dat is waarlijk onbegrijpelijk. Ach, rampzaligen, wacht tot dat ge in de hel ligt, om uw duivelsch werk te doen, dan hebt gij eene eeuwigheid lang er den tijd toe, maar zoolang God u duldt, ach beleedigt dan toch die oneindige goedheid niet!
60
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Als wij een opperpriester, als Caiphas, zoo diep zien vallen, dan moeten wij eene heilige vrees voor ons zeiven gevoelen, dat, hoe verre wij ook meenen in de deugd bevestigd te zijn, wij toch altijd in gevaar zijn van in zonden en zware zonden te vallen. Laat ons dus eiken dag vurig bidden, opdat wij toch nooit het ongeluk hebben in zonde te vallen, want de eerste brengt tot de tweede en men is spoedig diep gevallen.
2. Wekken wij in ons zei ven een heiligen afkeer op van de godslastering, waken wij over ons zeiven om niet in gramschap te vallen, die gewoonlijk de eerste oorzaak van het vloeken is.
3. Loven en verheerlijken wij dikwijls den naam van God, zeggen wij dikwijls, vooral als wij eene godslastering mochten hooren: geloofd zij Jesus-Christüs; om zoodoende de oneer te herstellen die God door die vreeselijke zonde wordt aangedaan.
4. Spreek altijd, en nooit zonder goede reden, den naam van Jesus en dien van zijne heilige Moeder Maria , met den meesten eerbied uit.
XIX.
nonclertlag- nn tien Squot; SBondag van «te Vaste.
Heus est mortis. Matth. XXVI: 66.
Hij is des doods schuldig.
deze wereld vinden de boozen gewoonlijk meer bijval dan de braven, vooral wanneer die goddelooze menscben in eenig gezag geplaatst zijn. Dat ondervond ook Caiphas, die godvergeten opperpriester, die in die booge waardigheid de eerste moest zijn, om in Jesus te gelooven en zicb aan Jesus te onderwerpen. Zoodra bij bad uitgeroepen: hlasphemavit, reus est mortis; Hij beeft God gelasterd. Hij is den dood schuldig, riepen in éénen adem bijna alle leden van den boogen raad uit: reus est mortis: Ja, Hij beeft den dood verdiend; en de weinigen, die beter oordeelden, en nog ten voordeele van Jesus badden willen spreken, vonden geen aanhangers en durfden den mond niet meer te openen.
Had Jesus , betgeen eene onmogelijkheid is, waarlijk God gelasterd, dan verdiende Hij ook den dood.
Immers wat is erger dan een godslasteraar? Een dief vergrijpt zicb aan bet goed van den evennaaste, een kwaadspreker aan den goeden naam, een moordenaar aan zijn leven, een onkuiscbaard aan zijn licbaam en zijne ziel, een verergernisgever aan de ziel van zijn evenmenscb, maar de vloeker gaat verder, bij randt God zeiven aan. Vreeselijke zaak, do Engelen en Cberubienen, al de Obooren der Engelen
62
zingen onophoudelijk het Sanctus, Sanctus, Sanctus Dominus Deus Sabaoth, heilig, heilig, heilig de Heer, de God der legerscharen; en de nietige sterveling durft uitroepen: vervloekt zij.... doch laten wij zwijgen, \'tis te afschuwelijk. En wat voordeel heeft hij van zyne godslastering? ach, ik kan begrijpen, dat een dief steelt, hij is begeerig naar het goed van een ander en vindt daar genot in; ik begrijp dat een onkuischaard zondigt, hij is een zinnelijk dier geworden , hij kent geen ander vermaak; ik begrijp de gierigheid, de heerschzucht en verdere zonden; maar waarom vloekt men, welk nut, welk voordeel, welk genoegen is daarin gelegen? \'tls enkel boosheid,
\'t is genoegen in de boosheid, \'t is duivelachtig.....
Ja een Godslasteraar verdient den dood; en ik sta niet verwonderd, dat in het Oude Testament, in de wetten der Joden geschreven staat, dat een vloeker moet gesteenigd worden.
Maar wie is hier de godslasteraar? Is het Jestjs, de onzondige, die niet zondigen kan? Is het Jestjs, die de waarheid spreekt, als Hij zich voor den Zoon Gods verklaart? Of zijt gij het Caiphas, die Jestjs, uwen God, durft lasteren eu beleedigen en Hem des doods schuldig verklaart ? O Caiphas , ge hebt reeds lang uw vonnis gehoord, hier op aarde kondet gij zegevieren, kondet gij het onrecht boven het recht doen heerschen, maar gij, en alle menschen, zijn des doods schuldig; gij zyt gestorven en stondt voor het oordeel!
O, mediteerende christenen, zeggen wij tot Jesus: neen lieve Jestjs, niet Gij, maar wij zijn des doods schuldig, wij allen hebben den dood verdiend in den val van onzen eersten vader Adam, en wij hebben nog meer die straf ons op den hals gehaald door die
63
verfoeielijke doodzonden, die wij ongelukkig zoo dikwijls hebben bedreven. Maar Gij neemt dat alles op U, o lieve Jesus, Gij wilt des doods schuldig verklaard worden en den dood sterven, om ons van den eeuwigen dood, dien wij verdiend hebben, te verlossen, om door uwen dood ons het leven te verkrijgen. 0 God, heb dank daarvoor, ter uwer liefde willen wij ook den dood sterven, namelijk, wij willen dood zijn voor de vermaken onzer zinnen, voor de genoegens dezer wereld, voor alles wat u mishaagt. Wij willen alleen leven voor U, aan wien wij dit en het eeuwig leven te danken hebben; wij willen hier op aarde voortaan zoo gaan leven, dat Gij ons hierna waardig oordeelt, om eeuwig met U te mogen leven in den Hemel. Amen.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Hoe dikwijls hebben wij den dood verdiend! Ach hoevele doodzonden op ons geweten! Hebben wij ze genoeg uitgewischt door onze boetvaardigheid, door eene goede oprechte biecht ?
2. Het is zeker, dat wij den eeuwigen dood der hel verdiend hebben, maar het blijft toch altijd onzeker, of die straf ons geheel en al is kwijtgescholden. Zeker wij mogen en moeten vertrouwen, dat God ons vergeving heeft geschonken, maar wij mogen toch niet ophouden droefheid te hebben over onze zonden en boetvaardigheid er over te doen.
3. God alleen weet of wij niet nog in doodzonden
64
\'/uilen vallen; laat ons dus maar altijd waken en bidden, opdat zulk een bitter ongeluk ons nimmermeer overkome, en wantrouwen wij altijd ons eigen zeiven.
4. Maria is de troost der christenen, en de Moeder van barmhartigheid. Onder hare bescherming moeten wy niet vreeze, noch voor het, verledene, noch voor het tegenwoordige, noch voor de toekomst.
XX.
Vrijdag^ na den 3quot; Kondag van de Vaste.
Aon novi hominem. Matth. XXVI: 72.
Ik ken dien man niet.
^Jx^jog leed Jesus niet genoeg! Terwijl dit alles met Jesüs plaats had, terwijl Jestis voor den ïWwfa raad der Joden stond en Caiphas en zoovele leden Hem des doods schuldig verklaarden, had in het voorhof des opperpriesters iets plaats, wat meer nog dan al deze beleedigingen Jesus griefde. Gij herinnert u, dat Petrus met Jesus in den hof was, doch op de vlucht ging met de andere Apostelen, zoodra hij Jesus in de macht der vijanden zag. Van den eersten schrik bekomen, wilde Petrus toch meer van nabij weten, hoe het met zijnen goddelijken Meester zoude afioopen, en daarom volgde hij den stoet van verre. Toen Jesus binnengebracht was bij Caiphas, wist hij door toedoen van een\' ander leerling, die bekend was in het huis van den opperpriester, in datzelfde
65
voorhof door te dringen en zich te mengen onder
o o
de talrijke dienaren van Caiphas, om des te beter en des te spoediger den uitslag te vernemen.
Onvoorzichtige Petrus, waarom begeeft gij u in het gezelschap der goddeloozen? Weet gijniet, aan welk gevaar gij u blootstelt? herinnert gij u de waarschuwing van Jesüs niet meer? deukt gij niet meer om de woorden, die Hij nog dezen nacht tot u heeft gesproken: voor de haan tweemaal kraait, zult ge mij driemaal verloochend hebben ? Helaas, Petrus is reeds op de helling, weldra zal hij vallen en de droevige voorspelling van Jesüs bewaarheiden! Niet lang was Petrus in dit gezelschap geweest, of reeds begon de beproeving. Eene dienstmaagd meende hem te erkennen, enzeide: Ook gij waart met Jesus den Galileër. Petrus schrikte, zijn moed ontzonk hem en hij verklaarde voor allen, dat hij zulks niet was, dat hij Jesus niet kende. O Petrus, waarom vlucht gij niet, als gij den moed niet hebt openlijk voor Jesus uit te komen? waarom blijft gij dan daar te midden zijner vijanden? Christenen, wij volgen dikwijls Petuus na; soms komen wij onverwachts, misschien zonder onze schuld in een verkeerd gezelschap ; maar in plaats van dan aanstonds heen te gaan, als wij niet openlijk het goede kunnen of durven voor te staan, blijven wij half uitveimetelheid, betrouwende op onze eigene krachten, half uit menschelijk opzicht, uit vrees dat men met ons den spot zal drijven, en zoo blijven wij in hetr gevaar en zoo bezwijken wij. Zoo viel ook Petrus; nog nauw was die eerste dienstmaagd verdwenen, of eene tweede naderde en erkende hem , en nog iemand, die daarbij was, vroeg: Zijt gij ook niet een zijner leerlingen? En voor de tweede maal loochende de arme Petrus
5
66
zijnen goddelijken Meester. Nog bleef Petrus in dat gevaarlijk gezelschap; maar helaas, hoe duur moest hij zijne roekeloosheid betalen! Ongeveer een uur later, trad iemand binnen, een bloedverwant van Malchus , wien Petros het rechteroor had afgehouwen; deze hem erkennende riep uit: Waarlijk ook deze was met Hem; en de overigen hem naderende, zeiden: Ja, gij zijt een van hen, die bij den Galileër waren, uwe spraak zelve verraadt u. Toen deed de ongelukkige Apostel een duren eed, en hij zwoer, dat hij Jesus niet kende. Ach welk een diepe val! Hoe grievend voor Jesus ! Petuüs, de prins zijner Apostelen, dien Hij aan het hoofd der anderen had gesteld, Petrus verlaat Hem niet alleen, maar verloochent Hem hier openlijk! Dan Jesus had medelijden met Petrus , Hij keerde zich om en zag Petrus aan, en die blik trof het hart van den Apostel. Op hetzelfde oogenblik kraaide de haan voor de tweede maal, en Petrus , als ontwakende, herinnerde zich de woorden van Jesus : Vóór de haan tweemaal zal gekraaid hebben, zult ge Mij driemaal hebben verloochend. Hij vluchtte, doch helaas, het was te laat, de zonde was bedreven! Welk eene waarschuwing voor ons!
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Hoe dikwijls begeven wij ons in het gevaar, wij die zooveel zwakker zijn dan Petrus , die zooveel liefde niet hebben voor Jesus, als Petrus gevoelde! Moeten wij voortaan niet voorzichtiger gaan zijn en ons aan geen gevaar meer blootstellen?
2. Onderzoeken wij wat ons tot de zouden gebracht
67
heeft, en wij zullen bevinden, dat de gewone oorzaak was, dat wij ons roekeloos aan liet gevaar blootstelden.
3. Als wij in een verkeerd gezelschap ons bevinden, of in eene gelegenheid van zonde komen, laat ons dan aanstonds de vlucht nemen. Vluchten is het zekerste, misschien het eenigste redm\'idel, dat ons zwakken overblijft.
4. O Maria , onze toevlucht, neem ons onder uwe moederlijke bescherming. Aan hoeveel gevaren zijn wij, uwe zwakke kinderen, niet blootgesteld! Als wij een Petrus zien vallen, hebben wij wel redenen, om bang voor ons zeiven te zijn; doch als gij ons wilt bijstaan, dan hebben wij niet te vreezen; geef dan dat wij naar uwen raad luisteren en altijd uwe hulp blijven afsmeeken. Amen.
XXI.
Zaterdag na cleii Siquot; Zoiidaj; in de Vaste.
Et egressus forasPetrv,s jievitamare. LüC. XXII: 62. En Petrus, naar buiten gegaan zijnde, weende hitter.
\' at had toch Petrus tot dien diepen val gebracht ? Hij beminde toch zoo hartelijk Jesus , zijnen goddelijken Meester; hij sprak toch in waarheid volgens zijn hart, toen hij verklaarde, dat hij bereid was met Jesus te sterven. Hoe kwam het dus, dat hij zoo quot;spoedig bezweek? Helaas, Petrus was op de eerste plaats vermetel geweest: al zouden allen zich
68
aan TJ ergeren, ik niet, ik nooit, had hij durven zeggen, en daarbij te veel op zijne eigene krachten gerekend. Een tweede fout, door Petrus begaan , was, dat hij in den hof van Olijven , toen Jesus zgn\' strijd begon, en hem gewaarschuwd had te biddden, zich door den slaap liet overmeesteren. O had hij dien tijd gebeden, had hij door een vurig gebed zich voorbereid, om zijnen goddelijken Meester bij te staan , hij zou niet bezweken zijn. Eindelijk Pktrus had zich in het gevaar begeven; waarom vermeed hij, de Apostel, niet het gezelschap van die ruwe, ongodsdienstige, aan Jesüs vijandige, dienstboden van den opperpriester ? Hij wist dat hij in gevaarlijk gezelschap kwam, dat hij zich aan de bekoring ging blootstellen, maar hij dacht sterk genoeg te zijn, om zich voor val te behoeden. En daarom is die groote Apostel zoo diep gevallen.
Helaas, volgen wij Petrus niet na in zijnen val? Hoe dikwijls zijn wij vol vermetel betrouwen op onze eigene krachten! hoe dikwijls denken wij, neen tot zulk een zonde zoude men mij niet kunnen brengen, voor mij is die persoon, dat huis, dat boek, die courant niet gevaarlijk. Welk eene vermetelheid vooral voor zulke christenen die bij ondervinding weten, hoe zwak zij zijn! Hoe gaat het met ons gebed? Hoe zelden bidden wij, en als wij dan nog bidden, hoevele vrijwillige verstrooiingen, met welk eene verkeerde gesteldheid? En waarom bidden wij? Soms om iets wat geheel strijdig is met onze geestelijke belangen; gewoonlijk vergeten wij aan God de kracht te vragen om aan d( bekoringen, die ons zullen overkomen, weerstand \'e kunnen bieden. Ja wij doen erger, wij stellen ons moedwillig soms aan de bekoring bloot, wij zoeken, soms met veel minder redenen dan Petrus,
69
gevaarlijke gezelschappen, gevaarlijke vermaken, tooneelspelen, bals en andere vermaken ; wy beminnen en zoeken het gevaar en bezwijken als Peïrüs. Doch zijn wij, even als die Apostel, niet slechts ééns, maar meermalen bezweken. hebben wij hem gevolgd in zijnen val, laten wij hem dan ook volgen in zijne treffende bekeering. Nog nauw had Jesus een blik op hem geworpen, nog nauw herinnerde hem het kraaien van den haan aan zijnen voorzegden val, of hij ging heen, vluchtte weg van die gevaarlijke personen, bij welke hij zich bevond en hij weende bitter. Ziet, christenen, daar een oprecht voorbeeld van bekeering, vluchten en tranen storten. Het ware berouw is spijt over het verledene en vast voornemen om niet meer in de toekomst te zondigen. Wat beteekent al ons berouw, wat zullen al onze tranen uitwerken, als wij later ons weder in de gelegenheid gaan stellen om dezelfde zonden te bedrijven ? Neen, evenals Petrus moeten wij alles verlaten, wat ons aanleiding tot zonde gaf, ten minste voor zoover het ons mogelijk is. Hoe dikwijls zijt gij gevallen in die verkeering, waarom blijft gij die persoon zoeken ? Hoe dikwijls in die herberg, waarom blijft gij daar heengaan? Hoe dikwijls in dat gezelschap, waarom blijft men er u in vinden? Neen, dat is geen oprecht berouw; gij moest tranen storten, telkens als ge wederom aan die persoon dacht, waarmede ge vroeger gezondigd hebt. Zoo deed Petrus, alles herinnerde hem aan zijnen val, alles deed hem tranen storten; kwam de nacht, dan dacht hij aan dien akeligen nacht, waarin hij Jesus had verloochend; hoorde hij het kraaien van een\' baan, de herinnering deed hem in tranen uitbarsten; zag hij het huis van Caiphas, dan overviel hem de diepste smart; kortom,
70
alles stemde hem tot een gedurig berouw; doe ook zoo, en uwe bekeering zal oprecht zijn.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Leer, door het voorbeeld van Petrus gewaarschuwd , nooit vermetel op u zeiven te betrouwen; bid, vooral in het uur van bekoring; en stel u nooit moedwillig of zonder voldoende redenen aan het gevaar van zonde bloot.
2. Leer van Petrus, wat er noodig is tot een goed berouw, tot eene volmaakte bekeering: De gratie Gods, door een blik van genade op uw hart geworpen, het vluchten der gelegenheid, en eene ware droefheid des harten, niet voor een oogenblik, maar voortdurend heel ons leven lang.
2. Hoeveel meer zonden hebben wij gedaan dan Petrus ? Petrus is dadelijk bekeerd, en wij, wij stellen onze bekeering van dag tot dag uit. Zoude het geen tijd worden, daaraan eens ernstig te gaan denken?
4. O Moeder Maria., toevlucht der zondaren, verkrijg mij bij uwen goddelijken Zoon Jesus de gratie eener oprechte bekeering. Bid voor mij, opdat ik niet slechts treure over het verledene, maar ook de beste besluiten make en boude voor de toekomst. Amen.
XXII.
Dertle Zoiwlajr iix de quot;Vaste.
Abiens, laqueo se suspendit. Matth. XXVII: 5.
Heengaande verhing hij zich met een strop.
ïWw ij hebben Petrus zien vallen tot onze droefheid, nmM doch tot onzen troost hebben wij hem zien ■£$0^: opstaan, en tranen van een waar berouw zien storten. En dit bleef Petrus doen, heel zijn leven lang, zoodat de sporen der tranen op zijn gelaat duidelijk zichtbaar waren, door de diepe groeven welke zij er gevormd hadden. Ook Judas hebben wij zien bezwijken, maar helaas, wij zullen den troost niet hebben ook hem tranen te zien stortin en zich te zien bekeeren. Toen Jhdas zag dat Jesus veroordeeld was, kreeg hij spijt over zijne misdaad, of liever over den slechten afloop van zijn verraad. Nog altijd had hij gehoopt, dat Jesus zich aan zijne beulen zoude hebben onttrokken en dat hij daarom het geld zoude kunnen genieten, zonder dat uit dat verraad verder nadeel voor Jesus volgde. Doch nu zag hij, dat de joodsche Raad Jesus des doods schuldig had verklaard en dat Jesus zich geheel aan zijne vijanden overliet. Ach, had hij nu nog maar, even als Petrus, op Jesus betrouwd, was hij nu nog maar met berouw in het hart teruggekeerd, even als Petrus zoude hij vergiffenis hebben bekomen; maar neen, zijn berouw was geen goed, geen waar berouw; het was spijt, wrevel over den slechten uitslag, maar geene droefheid over bet kwaad. Hij werd nu door wanhoop aangedreven; dat geld, hetwelk hij ontvangen had, kon hij niet meer zien, het gezicht er van alleen pijnigde hem;
72
hij bracht het terug bij de oversten der priesters en bij de ouderlingen, zeggende : Peccavi, tradens san-cjuinern justwn; ik heb gezondigd, door rechtvaardig bloed u over te leveren. Maar de goddeloozen zijn even ongevoelig voor elkander als vijandig aan de braven; zij bekommerden zich zeer weinig over den wanhopigen staat van Judas en zeiden eenvoudig: Quid ad hos? tu videris. Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien. Ziedaar de gevolgen der zonden; men zondigt om de wereld te believen, om met den grooten hoop mede te doen, en als de zonde ons ongelukkig heeft gemaakt, dan durft men bij God geen troost zoeken, en men is van de menschen verlaten. De oversten der priesters namen het geld; maar vreezende dit in de schatkist te leggen, dewijl het een bloedprijs was , en dus volgens hunne meening ongeoorloofd, zoo kochten zij daarvoor een potten ■ bakkers-akker, die voortaan dienen zoude tot begraving van vreemdelingen. Wonderlyk werd hierdoor bewaarheid de voorzegging van den profeet Jeremias : En zij namen de dertig zilverlingen, den prijs van den op prijs gestelde, dien zij van de kinderen van Israël gekocht hadden; en zij gaven die voor den akker des pottenbakkers, gelijk de Heer mij bevolen heeft. Welk eene huichelarij bij die goddelooze ouderlingen, zij vreezen niet Jesus, die onschuldig is, tot den dood toe te vervolgen, en zij worden of houden zich als afgeschrikt door deze kleine overtreding om die som in de schatkist te werpen. Hoe vele menschen zoeken zich een uiterlijk van deugd te geven, door overdreven stipt in sommige kleinigheden te zijn, terwijl zij in het geheim soms aan de grofste zonden zich plichtig maken! Judas had het geld in den tempel neergeworpen voor de voeten dier oversten,
73
en door wanhoop heengeslingerd, liep hij naar buiten en verhing zich met een strop. Ongelukkig uiteinde; Judas deed nog meer kwaad door zijne wanhoop, door niet meer op Gods goedheid te willen betrouwen, dan door zijn verraad aan Jesus gepleegd. Misschien hebben wij vele zonden op ons geweten, misschien hebben wij lang in zonden geleefd; doch laat on» toch nooit wanhopen: Nolo mortem peccatoris, zegt God, sedut mag is convertatur et vivat; Ik wil den dood des zondaars niet, maar liever dat hy zich bekeere en leve. Werpen wij ons dus vol betrouwen in de. armen dier goddelijke barmhartigheid!
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Wien willen wij ter navolging kiezen. Petrus of Judas? Willen wij met Petrus treuren, ons bekeeren en naar den hemel gaan, of met Judas wanhopen en in de hel nederdalen? Dat dan ons berouw oprecht en voortdurend zij.
2. Schrik, op het zien van het noodlottig uiteinde van Judas, over de gevolgen der zonden. Eenmaal is de maat der boosheid vol; zijn wij dan op onze hoede, en zorgen wij in geene enkele zonde vrijwillig toe te stemmen.
8. Vlucht de huichelarij. Wees altijd openhartig en rechtzinnig, in uw gedrag, in uwe woorden, vooral in het heilig Sacrament der Biecht! Steun nooit op de hulp der goddeloozen.
4. O Mauia, had Judas uwe hulp ingeroepen, hij was niet tot wanhoop vervallen. Ik roep u aan, ik neem tot u mijn toevlucht. Verkrijg mij een waar berouw, als Petrus, een groot betrouwen op Gods barmhartigheid, en geef dat ik u nooit vergete. Amen.
XXII.
Mliuinlil}^ na, den 3quot; IZonclagr in «ie quot;Vaste.
Et vinctum adduxerunt Enrn, et tradiderunt Pontio
Pilato praesidi. Matth. XXVII: 2.
En zij leidden Hem gebonden weg, en leverden Hem over aan Pontius Pilatus, den landvoogd.
VjxsSj\'ada.t de leden van den Hoogenraad der Joden bijna met eenparige stemmen Jesus des doods schuldig hadden verklaard, stonden zij in woede op; het was hun niet genoeg hunne verbittering tegen den Godmensch in woorden te hebben lucht gegeven, het was hun niet genoeg het doodvonnis over Hem te hebben uitgesproken; neen, zij begaven zich tot Hem, spogen Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten. En andere blinddoekten Hem, gaven Hem kaakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus; wie is hij, die U geslagen heeft? Welke beleedigingen\'. o wat leed Jesus in dat vreeselijke uur!
Maar weet gij, Christenen, wanneer die beleedigingen tegen Jesus herhaald worden, wanneer Jezus evenzoo, ja misschien nog meer lijdt, weet gij waaraan Jesus dacht op dat gruwzame oogenblik? Aan die gezelschappen en bijeenkomsten, waar godsdienst en zeden worden aangerand, waar jongelingen en eer-vergetene meisjes bij elkander komen, om elkander het kwaad te leeren en tot het kwaad aan te zetten. Daar wordt Jesus evenzeer beleedigd, daar ook vindt men bedorvene menschen, die onder elkander wed-
75
ijveren om Jesus het meest te beleedigen door vuile kwinkslagen, zedelooze gebaren, eerlooze handelingen enz. Vooral gebeurt dat op die danspartijen, nachtvergaderingen , in die schouwspelen die tegenwoordig vooral zoo diep gevallen zgn. Ongelukkige tijden, die wij beleven! Het schijnt dat de menschen niet meer bij elkander kunnen komen, of Jesüs moet beleedigd worden door gesprekken of handelingen tegen de zeden of tegen den Godsdienst.
Jesus was dan des doods schuldig verklaard; doch welken dood zou hij sterven? O, Hij moest, volgens der Joden begeerte, den smadelijksten dood, den dood des kruises sterven; en dewijl zij daartoe de macht niet hadden, gaven zij Hem over aan Pontius Pilatus, den Komeinschen landvoogd, opdat deze Hem tot den kruisdood zoude veroordeelen. Intusschen is Jerusalem ontwaakt, met het aanbreken van den dag vernemen de inwoners dat Jesus dien nacht gevangen genomen en reeds van den raad veroordeeld is. Ieder snelt derwaarts om den algemeen bekenden, en zooveel opspraak wekkenden gevangene te zien; sommigen verheugen zich, omdat ook zij Jesus haten, anderen worden gedreven door nieuwsgierigheid, om te hooren hoe Jesus zich zou verdedigen. Om het paaschfeest waren vele vreemdelingen in de stad aanwezig; deze allen vermeerderden het aantal. En zoo wordt de goddelijke Zaligmaker gebonden door de straten van Jerusalem geleid als een misdadiger, in het midden van eene menigte volks, waarvan velen Hem openlijk beleedigen en bespotten. O, dierbare Jesus , welk eene diepe vernedering! Hoe leert Gij mij hier duidelijk, dat Gij nederig en zachtmoedig van harte zijt! Hoe geduldag en gelaten verdraagt Gij al die beleedigingen! En ik. ik ben zoo hoovaardisr. ik kan het minste
78
digen; zij zeiden, dat Hij het volk tot oproer aanzette, dat Hij verbood schatting aan den keizer te betalen, en dat Hij zich voor den Christus, voor den Koning uitgaf. Pilatus begreep zeer goed, dat al die beschuldigingen valsch waren; maar hij vreesde het joodsche volk, hij wilde de gunst van dat volk behouden; en daar zijn geweten hem waarschuwde om geenen onschuldige te veroordeelen, zoo zocht hij naar middelen om zich van deze zaak te ontdoen, zonder de gunst des volks te verliezen en zijn geweten te kwetsen. Dan de middelen, die hij koos, werden al erger en erger, al meer onrechtvaardig en beleedigend voor Jesus, totdat hij geheel en al toegaf aan den schandelijken en onrechtvaardigen eisch der Joden.
Zoo gaat het met vele menschen in de wereld, zij willen God en de wereld te gelijk dienen, hoe duidelijk ook Jesus gezegd heeft: Nemo potest duobus dominis servire. Niemand kan twee heeren dienen. Zij worden gewaarschuwd door hun geweten en zoeken daarom naar middelen om beide, de wereld en hun geweten te voldoen, in plaats van ridderlijk de partij van God en hun geweten te kiezen. Daardoor raken zij al verder en verder van den rechten weg af; zij worden zoo verblind, dat eindelijk de wereld zegeviert en het geweten onderdrukt wordt. Christenen, ons rijk is niet van deze wereld, gelijk Jesus tot Pilatus zeide, toen deze Hem vroeg, of Hij Koning was: Regnurn rneum non est de hoe mundo; Mijn rijk is niet van deze wereld. Zoo moeten ook wij denken en daarnaar handelen. Waarom zijn wij op deze wereld geplaatst ? Is het om hier rijk te worden, en schatten bijeen te vergaderen? Is het om hier eer en grootheid te genieten en in aanzien te zijn? Is het om hier allerlei vermaak te zoeken, en de
79
slaaf onzer driften te worden? Men zoude zeggen van ja, als men het leven van vele menschen, zelfs christenen, naziet; zij schijnen maar voor de wereld te leven, en niet te denken, dat er na dit, nog een ander, een eeuwig leven is. Maar wij christenen, wij weten en moeten het weten, dat wij slechts op aarde zijn, om beproefd te worden voor den hemel, of wij den hemel waardig zijn. Wij mogen ons dus niet hechten aan de goederen dezer wereld, wij moeten en mogen de eer en de grootheid hier op aarde niet zoeken, wij mogen de vermaken der wereld niet genieten; ons rijk is niet van deze wereld, ons rijk, ons vaderland, onze eeuwige bestemming is alleen de hemel. Quam sordtt tellus, cum ccelum axpicio! hoe vuil is de aarde, zeide de heilige Ignatius, als ik den hemel beschouw! Laten wij dan slechts voor den hemel werken.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Het best, bij alle onrechtvaardige beschuldigingen die ons worden opgeworpen, is te doen als Jesus, er geen antwoord op te geven, vooraleer de noodzakelijkheid zulks vordert, en zoo wij moeten spreken, dan bedaard en zachtmoedig er op te antwoorden. Dan zal iedereen ten spoedigste van onze onschuld overtuigd zijn, gelijk Pilaïüs dit van die van Jesus was.
2. Wat hebben wij al gedaan voor deze wereld! Handelden wij niet alsof de wereld ons voortdurend verblijf moest zijn, alsof er geene eeuwigheid was? Hoe veel voor die vergankelijkheid, hoe weinig voor de eeuwigheid!
3. Wij kunnen geen twee meesters dienen; laat
80
ons dus altijd God alleen dienen, die ons zijn wil te kennen geeft door ons geweten of door zijne heilige Kerk en hare dienaren.
4. Maria, ik wil aan Jesus toebehooren; leid gij mij op den weg, bid gij voor mij, opdat ik u na-volge; dan ben ik zeker, dat ik ook Jesus volg. O Moeder, verlaat mij niet, zoolang gij mij nog niet bij u ziet in den hemel. Amen.
XXV.
VV oenstlajy na lt;len 3m Zondag; inde quot;Vaste.
Quid est veritas ? Joann. XVIII: 38.
Wat is waarheid\'?
ƒ iKJw oe meer Pilatüs met Jesus sprak, en zijne waardige houding overwoog, des te meer werd hij van zijne onschuld overtuigd. Jesus bad hem gezegd: Mijn rijk is niet van deze wereld; zoo mijn rijk van deze wereld ware, zouden gewis mijne dienaren gestreden hebben, opdat ik den Joden niet werd overgeleverd; nu echter is mijn rijk niet van hier. Toen zeide Pilatus tot Hem: Zoo zijt Gij dan Koning? Jesus antwoordde: Gij zegt het, het is zoo. Ik ben Koning. Daartoe ben Ik geboren, en daartoe in de wereld gekomen, om der waarheid getuigenis te geven, een iegelijk die uit de waarheid is, hoort mijne stem. Jesus verklaart dus plechtig, dat Hij Koning is. Zijn rijk omvat de wereld, maar is niet van de wereld.
81
Hij is geen aardsche vorst, die door krijgsgeweld eene wereld-monarcliie sticht. Zijn rijk is een geestelijk rijk. Het is het rgk der goddelijke waarheid. Eenieder, die tot dat rijk wil behooren, moet Jesus als Koning erkennen en Hem gehoorzamen door het onderhouden zijner geboden.
Behooren wij tot dat rijk? Erkennen wij Jesus als Koning en onderhouden wij zijne geboden? Helaas, men maakt er minder zwarigheid in, de geboden van het rijk der waarheid te overtreden, dan die van een aardsch rijk, omdat men de aardsche straffen meer vreest dan de geestelijke, die nogtans veel zwaarder zullen zijn, dewijl ook de overtreding veel erger is. Denken wij er aan, dat onze Koning alles ziet, elke overtreding gadeslaat en in het harte leest met welke meening wij zijne geboden volbrengen?
Pilatus vroeg aan Jesüs: Quid est Veritas\'? Wat is waarheid? Maar als vreesde hij het antwoord op deze zoo gewichtige vraag, hij ging zonder antwoord af te wachten andermaal naar buiten tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geene schuld in Hem. Pilatus bevond zich op den goeden weg; aan niemand beter, dan aan Jesus, de eeuwige Waarheid, kon hij deze vraag doen. Dan hij durfde het antwoord niet afwachten, zijn geweten stond op het punt om door de waarheid te ontwaken, maar hij vreesde die ontwaking, hij was bang voor de gevolgen. Arme Pilatus, o, hadt gij hier naar de waarheid geluisterd, gij zoudt zulk een langdurigen strijd met uw geweten hebben voorkomen, en ge zoudt niet geëindigd hebben met de stem van uw geweten te verkrachten. Wellicht waart gij, getroffen door de waarheid, uit den mond der eeuwige Waarheid zelve vernomen, door de waarheid overwonnen, hadt gij u tot Jesus
6
82
bekeerd, en zoudt gij den moed gehad hebben de onrechtvaardige eischen der Joden af te wijzen.
O hoe dikwijls gebeurt zulks nog in de wereld! Hoe menig protestant ziet, bij het beschouwen der Katholieke Kerk en van het goede, dat zij verricht, een straal dier waarheid in zijn hart opkomen. Hij begint zich af te vragen: Zoude daar de waarheid zijn? maar hij vreest het antwoord op die vraag, hg vlucht dien straal, en blijft in de duisternis. Zoo menig zondaar wordt, soms in het midden zijner vermaken, door zijn geweten gewaarschuwd; de waarheid begint voor hem te schijnen, maar hij vlucht dat licht, hij is bang voor de gevolgen ! Ach zondaar, weet gij wat waarheid is ? Het is eene waarheid, dat gij sterven zult, dat de dood u onverwachts kan overvallen; het is eene waarheid, dat gij voor het oordeel Gods zult staan, en dat ééne doodzonde genoeg is om u voor eeuwig in de hel te storten. Overweeg die waarheid, zij is voor u verschrikkelijk, doch van het hoogste belang.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Stellen wij er eer in onder den standaard van onzen Koning Jesus te mogen strijden; hoevele ongelukkigen in deze wereld volgen den standaard des duivels, ter wille van de zinnelijke lusten, van het goud of van de eer dezer wereld.
2. Wat doen vele menschen, om hier op aarde de vriend eens konings te zijn. Hoevele vleiers omgeven den aardschen koning, hoe dient men hem, en waarom ?
83
Om een weinig goud of een weinig eer. Jesus , onze liemelsche koning, zal oneindig grootere belooningen aan ons geven.
3. Laten wij nooit bang zijn voor de waarheid. Dat de vreeselijke waarheden dienen om ons eene heilzame vrees voor de zonden in te boezemen, en de troostrijke, om ons liefde en betrouwen op God in te storten.
4. Bidden wij Maria opdat wij waardige soldaten van Jesus-Christtjs worden, altijd getrouw onder zijnen koninklijken standaard dienen, en met moed strijden tegen de vijanden onzer ziel. Amen.
XXVI.
Donderdag na den 3n Zondag in de Vaste.
Remisit Eum ad Herodem. Luc. XXIII: 7.
Hij zond Hem naar Herodes.
fiLATUs verklaarde alzoo aan de Joden, dat hij geene schuld iniLATUs verklaarde alzoo aan de Joden, dat hij geene schuld in Jesus konde vinden, doch dit weerhield de Joden niet, om Hem des te heviger te beschuldigen. Jesus echter gaf op dit alles geen antwoord, en toen Pilaïüs Hem vroeg, of Hij niet hoorde, welke getuigenissen men tegen Hem inbracht, of Hij niets antwoordde op al die beschuldigingen, zweeg Hij evenzeer. Maar zelfs dit zwijgen maakte niet minder indruk op Pilatus ; meer en meer werd hg overtuigd van Jesus\' onschuld en bewonderde hij
84
Hem, maar ook meer eti meer begon hij de Joden te vreezen, die hun geschreeuw tegen Jesüs verdubbelden.
n lt;o
Toevallig echter verneemt hij onder al dat geroep der Joden, dat Jesus uit Galilea afkomstig was, en nu hoopte hij een middel gevonden te hebben, om zich van deze netelige zaak te ontdoen. Juist was Herodes, de viervorst van Galilea, in die dagen met zijn hof te Jerusalem, en Pilatus zond dan Jesüs naar deze toe. om door hem geoordeeld te worden. Heiiodes had reeds veel van Jesus hooren spreken; reeds lang was hij begeerig den mau te zien, van •wien zoovele monden spraken, en van wien men zooveel wonderen verhaalde. Hij was dus niet weinig verheugd, dat die man voor zijn rechterstoel gebracht werd, en hij hoopte dat Jesus nu wel, op zijn verzoek, een wonder zoude doen, om zóó verlost te worden. Ach Herodes verheugde zich dan slechts in het zien van Jesüs , om getuige te kunnen zijn van het eene of andere wonder: niets dan nieuwsgierigheid deed hem naar Jesus verlangen, geen enkele begeerte naar de waarheid kwam in hem op, hij wilde slechts zich en zijn hof met Jesüs vermaken. Neen, hij verdiende dan ook niet de waarheid te mogen kennen; en dat zelfde geluk van Jesus te mogen ontvangen, dat voor anderen van de grootste waarde zou geweest zijn, was voor hem nutteloos, ja zelfs schadelijken noodlottig, dewijl hij een slecht gebruik van die groote gratie maakte.
Waarom trekken wij niet meer vrucht uit de predikatiën welke wij aanhooren, uit de goede boeken welke wij lezen, uit de goede voorbeelden die ons voor oogen worden gesteld? Het komt, dewijl wij, even als Herodes , niet door begeerte naar de waarheid, maar enkel door nieuwsgierigheid worden aangedreven.
85
Wij letten meer op het talent van den spreker, op de schoonheid der volzinnen, op de wonderlijkheid der geschiedenis, dan wel op de waarheid, die ons voor oogen wordt gesteld, en daarom blijft al dat goede zaad in ons hart uitgestort zonder vrucht.
O _ O _
Ziedaar het misbruik der gratie. God, in zijne goedheid en liefde tot ons, geeft ons gedurig gratie in overvloed; als wij er beter op letteden en een beter gebruik van die gratie maakten, zouden wij spoedig heiligen zijn; maar helaas, hoe menige waarschuwing van ons geweten wordt niet geteld, hoe menige vermaning van onzen Engelbewaarder wordt niet aangehoord, hoe menig opwekkend sermoon blijft zonder indruk, hoe menig goed voorbeeld wordt niet eens opgemerkt! Hoevele gelegenheden om goed te doen, om den hemel te verdienen laten wij voorbijgaan! Is het wonder, dat zoovelen, aan het eind huns levens, met ledige handen zullen staan en met Petrus moeten zeggen: Prceceptor, per totam noctem laborante#, nihil cepimus, Meester, wij hebben den ganschen nacht van dit leven gearbeid en niets voor den hemel opgedaan.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Schoon voorbeeld van gelatenheid en geduld, dat Jesüs ons geeft. Ach mochten wij Hem toch navolgen in die zachtmoedigheid. In plaats vau scheldwoorden met scheldwoorden, verwensching met verwenschingen, beschuldigingen met beschuldigingen te beantwoorden, moeten wij op het voorbeeld van Jestjs, kwaad met goed vergelden en ... zwijgen,
2. Wat voert ons naar het sermoon, waarom lezenquot; wij de levens der heiligen, wat brengt ons
86
eei pr zo Ji
ii G] in Ik ai h
d z s V
........................................................................... 1
XXVII. t ,
,
Vrijdag na ilen 3quot; Zondag- in de Vaste.
Illusit indut,urn veste alba et remisit ad Pilatum. 1
Luc. XXIII: 11.
Is7a Hem heschimpt, en een wit Meed aangedaan te hebben, zond hij Hem tot Pilatus terug.
^^^®eiioües deed Jesus, toen Hij voor zijn hof\'
s^on,i\' ve^e vragen, doch Jesus gaf op geen enkele antwoord. Wat mag wel de reden geweest zijn, waarom de goede Zaligmaker Hero des een antwoord weigerde, zoodat Hij geen enkel woord in zijn bijzijn heeft gesproken? Jesus gaf antwoord aan een Judas, een trouwloozen Apostel, toen hij Hem kwam verraden; Jesus verwaardigde zich te antwoorden aan den ontaarden Malchus, die Hem
bij die groote kerkelijke plechtigheden? Is het soms niet meer nieuwsgierigheid dan ware liefde tot God?
3. Hebben wij nooit misbruik gemaakt van Gods gratie? Hoeveel rijker konden wij zijn voor den hemel, hoe meer afkeerig tot het kwaad en geneigd tot het goede!
4. 0 Makia , nooit hebt gij een enkele gratie laten verloren gaan, altijd hebt gij, zoo volmaakt mogelijk met de gratie medegewerkt. Daarom waart gij dan ook vol van gratie. Bid voor mij, opdat ik immer een goed gebruik der heilige gratie make. Amen.
87
een kaakslag gaf; Caiphas zelf, de goddelooze opperpriester, ontving een antwoord van Jesus, en even zoo Pilatüs, de heiden, de lafhartige. Waarom wilde Jesus tot Hkuddes niet spreken? Herodes, mijne Christenen, was een onkuischaard, hij leefde openlijk in schandelijke ontucht, en daarom wilde Jesus, de heiligheid zelve, die van deze zonden den grootsten afschuw heeft, door zijne stilzwijgendheid toonen, hoezeer Hij die zonde verachtte.
Helaas, hoevelen zijn er thans, ook onder christenen, die aan die gruwelijke zonde plichtig zijn! Geene zonde is, ongelukkig, meer verspreid onder de men-schen; jong en oud, arm en rijk, onwetend en geleerd, bijna allen maken zich slaaf van die zonden! Vandaar dan ook dat die zonde de meeste zielen naar de helle sleept. O hoe schandelijk is dat kwaad! Ofschoon die zonde overal verspreid is, en onder alle standen, zoo is er toch geene, waarvoor men zich meer schaamt in de bedorven wereld, geene, die men meer zoekt te bedekken voor het oog der menschen, geene, welke meer verzwegen wordt in den biechtstoel: een duidelijk bewijs, hoe gruwelijk die zonde is zelfs in het oog van hem die er aan onderworpen is! Schan-delijke maar tevens verderfelijke zonde! voor de ziel brengt zij de gehechtheid aan het kwaad, de verslaafdheid aan die drift, de verstoktheid in die zonde en zoo den onboetvaardigen dood, dus de hel, de ongelukkige eeuwigheid aan. En hoevele straffen komen er voor het lichaam uit voort. Vanwaar komen de afzichtelijkste ziekten, de meest afschuw wekkende kwalen? Wat maakt van sommige jongelingen, in den bloei huns levens, levende geraamten, wat voert een talloos heir van folterende smarten aan; wat is het verderfelijkste voor een mensch? Niets anders
88
dan de ontucht. Deze is de bron van meest alle kwaad naar ziel en lichaam, de bron der meeste ketterijen, de oorzaak der meeste oorlogen, kortom van al bet bederf. Zoodra iemand zich aan die zonde overgeeft, verliest hij zijne godsvrucht, wordt hij meer en meer verblind, en spot met al wat heilig is. Wij zien dit in Heuodes ; hij werd vergramd, omdat Jesus hem niet wilde antwoorden, en in plaats van de fout bij zich zeiven te zoeken en zijn gebrek in te zien en Jesus vergiffenis te vragen en beterschap te beloven, wilde hij zich wreken op den Zaligmaker, Hij deed Hem dan als een zot, als een zümelooze behandelen, trok Hem een wit kleed aan, tot teeken van onnoozelheid en liet Hem aldus, onder de spotternij van zijn hof en van het volk naar Pilatus terugleiden. Eerlooze Herodes, wat denkt gij op dit oogenblik, nn gij dood en geoordeeld zijt, over dien spot, dien gij Jesus hebt aangedaan ? Lacht gij thans nog met uwe hovelingen ? Houdt gij nog den spot met Jescs? O jongeling, als gij braaf leeft en niet met de wereld wilt mede doen, zal menig ander jongeling u bespotten, maar eenmaal komt er een tijd, dat die onverlaten het zich zullen beklagen en zullen uitroepen: Ergo erravimus! Wij hebben dan gedwaald! wij beschouwden hen voor zinneloozen, die niet met de wereld meededen, maar ziet, wij zijn rampzalig en zij: ecce quomodo computati sunt inter Jilios Dei, ziet, hoe zij gerekend worden onder de kinderen Gods, en hun deel is onder de heiligen!
\' o
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Vrees, vermijd, vlucht de zonde van onzuiverheid. Geene zonde heeft de wereld meer verderf
89
aangebraclit. Denk aan den zondvloed, aan Sodoma en Gomorrha, en zoovele andere bewijzen, hoe God reeds op aarde die zonde straft. Wat dan in de helt
2. Bid vurig eiken dag om de heilige deugd van. kuischheid te bekomen. Zij is het sieraad van den Christen, en maakt ons zoo aangenaam aan God.
3. Als de wereld met ons spot, omdat wij deugdzaam willen zijn en hare vermaken ontwijken, laat ons dan denken aan het uur des doods: vragen wij ons zei ven af, of die spotters even zoo zullen spotten op hun sterfbed.
4. Vergeet nooit eiken morgen en avond driemaal het » Wees gegroetquot; te bidden, om door de voorspraak der onbevlekt ontvangene en zuiverste Maagd Maria van God de heilige deugd van kuischheid te bekomen. Verwek in de bekoring en dikwijls door den dag een kort schietgebed tot haar en zij zal u helpen.
XXVIII.
SEaterdag- na den 3quot; Kondag- in de Taste.
Quem vultis dimittam vobis, Barabbam, anJesum,
qui dicitur Christus. Maïth. XXVII: 17. Wien wilt gij, dat ik u vrij geve, JBarabbas of Jesus, die Christus genoemd ioord.t ?
foo stond danoo stond dan Pilatus weder voor denzelfden moeielijken tweestrijd, welken hij had trachten te ontwijken door Jesus naar Herodes te verzegden. Hekodes zond Hem terug en wederom wist Pilatus niet wat te doen; hij was overtuigd
90
van Jesus\' onschuld en tocli durfde hij Hem niet loslaten uit vrees voor de Joden. Zelfs zijne vrouw liet hem waarschuwen om toch Jesus niet op te offeren aan de baldadige wenschen der Joden, maar de vrees behield de bovenhand en hij zocht naar een nieuw middel om zich van deze netelige zaak te ontdoen zonder de Joden te kwetsen. Het was een recht, dat de Romeinen aan de Joden, bij het ontnemen hunner onafhankelijkheid, hadden gelaten of geschonken, bm jaarlijks, omstreeks Paschen, aan een\' beschuldigde of veroordeelde de vrijheid te mogen geven. Hieraan dacht Pilatus, en nu meende hij een middel te hebben gevonden, om Jesus vrij te maken met toestemming der Joden zeiven. In die dagen zat juist een geduchte booswicht gevangen, Baeabbas genaamd, een oproermaker, gevreesd door het volk, dewijl hij zelfs een manslag begaan had bij een oploop. Pilatus twijfelde niet, of het volk zoude Jesus boven Barabbas stellen, en hij liet dus aan de Joden de keus over om een van beiden vrij te laten. Wien wilt ge, zeide hij, dat ik u vrij geve, Barabbas of Jesus, die Christus genoemd wordt ? Hoe ongelukkig wordt Pilatus, hij verliest al meer en meer den moed en moet al meer en meer aan de onrechtvaardige eischen der Joden toegeven. Welk eene vernedering doet hij hier den onschuldigen Jesus niet aan! Welk eene beleediging voor den goddelijken Zaligmaker op ééne lijn gesteld te worden met een Barabbas, een oproermaker en moordenaar!
O christen, zulk een strijd is voor u dagelijks te doorstaan met uwe driften. Uwe driften trachten eiken dag u tot zonden te brengen, als met geweld u er toe te trekken. Doet gij even als Pilatus tegenover de Joden, zijt gij bang uwe driften tegen
91
te werken, dan zult gij al zwakker en zwakker worden en eindelijk als Pilatüs bezwijken. Maar doet gij, gelijk Pilatus had moeten doen met de Joden, weerstaat gij in den beginne aan uwe driften, verwerpt gij aanstonds eiken onbelioorlijken eisch, dan zal het u gemakkelijk vallen over uwe driften te blijven heerschen. Had Piiatus maar dadelijk zijn gezag getoond, en openljjk de onschuld van Jesus verdedigd en de Joden met kracht weggezonden, hij had de overwinning behaald, maar nu was zijne lafhartigheid de schuld dat de overmoed der Joden gedurig toenam. Daar stond dan de heiligheid zelve, daar stond de goede Zaligmaker, die heel zijn leven niet dan goed gedaan had, niet dan goed konde doen, aan de zijde van Bakabbas, die heel zijn leven niets geleerd en niets gedaan had dan kwaad. Zoo stond daar dan het goede naast het kwade, de hemel naast de hel, God naast den duivel, en de Joden moesten kiezen! Christen, ook voor u staat die keus open op deze wereld. Dagelijks moet gij kiezen. Van de eene zijde staat God en belooft u na dit leven eene schoone eeuwigheid, in dit leven rust en vrede van uw geweten, voor de kleine opofferingen, die Hij van u vraagt, voor geduldig lijden, volhardend gebed, trouwe plichtsvervulling. Aan de andere zijde staat de duivel, hij belooft u (maar nooit houdt hij zijne belofte, hij bedriegt u), hij belooft u vermaken in de wereld, hij stelt u de zonde als aanlokkelijk voor, hij maakt u wijs, dat dat alleen de ware vreugde hier op aarde is; maar wat hierna? Wien kiest gij? Kiest gij hier lijden en hierna vreugd, of hier vreugd en hierna eeuwig lijden? Ook gij moet nu uwe keus doen!
92
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Principiis ohsta, sero medicina parat ur cum mala per iongas invaluere moras. Weersta in den beginne, want het geneesmiddel komt te laat, als de kwalen, door verzuimenis, verergerd zijn. Zoo gaat het zeker met onze driften! Laat ons ze gedurig en in het hegin tegen gaan, dan is het gemakkelijk; geven wij ze toe, dan zullen we weldra slaven van dezelve zijn.
2. Welk eene vernedering voor Jesus! Als gij vernederd wordt, deuk dan aan die vernedering en troost u met Jesus.
3. Wien kiest gij ? O weet het wel, de duivel belooft het vermaak, maar geeft het niet! Indien er eenig oprecht vermaak in de wereld is, dan is het bij hem te vinden, die voor God leeft, en God boven alles bemint, en het aardsche versmaadt.
4. O Maria, wil voor ons bidden, opdat wij altijd op onze hoede zijn; wij dragen een gevaarlijken vijand met ons om, dat is, onze driften; maar wij behoeven er niet voor te vreezen, als gij met ons zijt, als gij ons beschermt, als gij voor ons bidt. Daarop durven wij dan ook vertrouwen. Amen.
www*wwww*wgt;**wwwwwwvwwwwwgt;*gt;ilt;9*)*(w5«wwwwgt;*?*t
XXIX.
vierde zondag in de vaste.
Tolle huur, et dimitte nobis Barabbam.
Luc. XXIII: 18.
Weg met dezen en laat ons Barabbas los.
et was zeker reeds zeer vernederend voor den VJ^-Jr goddelijken Zaligmaker op ééne lijn gesteld te worden met Barabbas als ware Hij een groote booswicht; maar hoeveel meer beleedigend was het voor Hem, toen al dat volk, opgeruid door de priesters der Joden, uitriep: tolle Hunc, et dimitte nobis Barabbam; neem dezen weg, weg met Hem, en laat ons Barabbas los, laat Barabbas vrij! Verbaasd stond Pilati\'s op dezen kreet des volks; zulk eene ondankbaarheid had hij niet durven verwachten. Hij toch wist hoeveel goed Jesus aan dat joodsche volk gedaan had, hoe velen hij gered en geholpen had, en, ofschoon hij ook wist, hoezeer de nijd en afgunst tegen Hem waren, toch kon hij niet gelooven, dat men een Barabbas boven Jesus zoude stellen. Vol verontwaardiging riep hij dan ook uit: Quid igitur faciam de Jesu? Wat zal ik dan met Jesus doen? En het ontaarde, het ondankbare joodsche volk schreeuwde: Crucifige, crucifige Eum, kruisig Hem, kruisig Hem! O ondankbare Joden, Hceccine reddis Domino Deo tuot Reeds duizend jareu te voren» vroeg u de groote Profeet: Is dit dan de dank aan den Heer uwen God? Papule stulte et
94
insipiens! Dwaas en onverstandig volk, beantwoordt gij zoo de weldaden, die God u bewijst. 0 wat heeft die goede God voor u niet gedaan? Quid dehui ultra facere vineas mece et non feci ? Wat heb Ik, zegt God, meer voor u kunnen doen, dan Ik gedaan heb ? Ik heb u gekozen tot mijn uitverkoren volk, Ik zond u patriarchen en profeten, en eindelijk mijnen eenigen Zoon, om u te verfossen en u zalig te maken. Drie-en-dertig jaren woonde Hij in uw midden, driejaren lang heeft Hij voor u gepredikt, u met weldaden overladen, uwe zielen genezen, en alles gedaan, wat ge maar voor uw geluk kondet verlangen. En waar is nu uwe dankbaarheid? Wat ontvangt nu Jesus voor al die weldaden? Den onzinnigen kreet: tolle Ilunc, weg met Jesus; Crucifiye Eurn, kruis Hem. kruis Hem!
O christen, terecht zijt gij verontwaardigd tegen die baldadige, zwart ondankbare Joden, maar keer die verontwaardiging tegen u zeiven. Overweeg of gij niet nog meer ondankbaar zijt dan het Joodsche volk, telkens als gij eene doodzonde bedrijft. Wat heeft God voor u gedaan? Hg heeft u uitverkoren tot lid zijner ware Kerk door het H. Doopsel, terwijl zoo velen van die genade verstoken blijven. Hij deed u opvoeden van brave ouders in den eenigen waren godsdienst, dien der Katholieke Kerk, terwijl zoo velen in de dwaling worden onderwezen en opgebracht. Hij onderwees u in zijne Christelijke leer door uwe priesters. Hij reinigde en heiligde u door zyne H. Sacramenten, kortom, Hij heeft u van het eerste oogenblik uws levens af met allerlei weldaden naar ziel en lichaam overladen? wat goeds hebt gij, dat gij niet van God hebt ontvangen? En waar is uw dank? Gij moet kiezen tusschen den duivel en
95
uw God. De duivel wekt u op tot de doodzonde, stelt u het vermaak der zonde voor als aanlokkelijk en schoon. God integendeel tracht u van de zonden af te schrikken, Hij wekt u op tot de deugd, Hij belooft u hier rust en vrede des gewetens en hierna een eeuwig gelukkig leven. Hij vraagt, dat gij uit dankbaarheid, uit erkentelijkheid voor zijne weldaden Hem uw hart zult geven; meer vraagt Hij niet. En wien kiest gij ? Bij elke doodzonde zegt gij, zoo niet met woorden, dan toch door uwe werken: tolle Hunc, weg met God, weg met Jesus ; dimitte nobis Barabbam, ik kies de partij van den duivel! En gij weet wat Jesxjs lijdt door de doodzonde; de Apostel Paultjs zegt, dat gij door de doodzonde Hem opnieuw kruisigt; gij roept dus uit: Cruci/ige Eum, ik bekommer mij niet om Hem, kruis Hem, kruis Hem! En al die ondankbaarheid voor een oogenblik van valsch vermaak!
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
2. Wat verwekt meer afschuw bij de menschea dan ondankbaarheid, en kan er grootere ondankbaarheid gevonden worden dan door de doodzonde Jesus als opnieuw te kruisigen? Is dat niet den duivel boven God, de hel boven den hemel stellen?
2. En waarom wordt Jesus verstoeten? Waarom stemt men toe in de doodzonde? Helaas, om eene nietigheid, om een ellendig vermaak van eenige oogenblikken, om het vuil genot van eenige dierlijke verlustigingen, die weldra zullen worden opgevolgd door angst en knaging des gewetens; om een handvol
96
geld, dat weldra verteerd is; om eer en aanzien in de wereld, waarvan Salomon zegt: ijdelheid der ij delheden!
3. Moet ge niet verbaasd staan over uwe eigene boosheid in het bedrijven der doodzonde, en over uwe groote dwaasheid en ondankbaarheid? O ti-eur, beween die rampzalige oogenblikken, waarin ge riept door uwe werken: weg met Jesus, kruis Hem!
4. O, Maria, toevlucht der zondaren, verkrijg mij een waar berouw, breng mij tot ware boetvaardigheid , doe mij enkel voor Jesus voortaan leven !
XXX.
IMaanilag\' na den 4:quot; Zondag in de Vaste.
Tune ergo apprehendit Pilaius Jesum, et flagellavit. Joann. XIX : 1.
Toen nam Pilatus dan Jesus, en geeselde Hem.
f\' rvw loeder was Pilatus verslagen; het voor Jesus fy-y?\' vernederende middel, door hem gebruikt om ziot zeiven te redden, was mislukt, had hem in nog moeielijker omstandigheid gebracht; hij zag in, dat hij dat volk niet meer kon tevreden stellen, zonder Jesus te vervolgen. Van erger tot erger overslaande, besloot hij den goddelijken Zaligmaker, dien hij zoo dikwijls onschuldig verklaard had, van Wien hij nog datzelfde oogenblik gezegd had, dat hij geene schuld in Hem kon vinden, te doen geeselen.
97
om daardoor het medelijden op te wekkeu en zoo niet gedwongen te worden om Jesüs onrechtvaardig ter dood te doen brengen. En ziet, mediteerende Christenen, nu begint een treffend, een vreeselijk tooneel; men sleurt Jesus naar het voorhof van het rechthuis; daar vergadert bijna de geheele afdeeling van woeste soldaten. Men rukt Hem de kleederen van het lichaam, men bindt Hem aan handen en voeten vast aan eene kolom en men begint! Meer dan een vol uur hoort men niets dan het gedruisch der lederen geeselriemen met ijzeren punten voorzien; elke slag is eene diepe wonde, bij elke roedeslag spat het goddelijk Bloed naar alle zijden. Weldra is het lichaam overdekt met wonden, het vleesch is overal verscheurd; maar op die oude wonden slaat men nieuwe, totdat de beenderen ontbloot zijn. De grond is bedekt met bloed, zelfs stukken van het vleesch liggen hier en daar verspreid. De beulen zijn vermoeid, maar andere treden in hunne plaats, om op hunne beurt door nieuwe te worden vervangen. De woeste soldaten zouden het eindelijk zelfs moede worden, zoodat de bloedgierige joden hen opwekten en tot meerdere woede aanspoorden. En Jescs?.... Hij leed, en Hij zweeg!
O, mijn dierbare Jesus, wat hebt Gij in dat vreeselijk uur bitter geleden! En met welk een geduld en met hoe groote zachtmoedigheid! En ik ben ongeduldig en ik klaag en ik jammer bij de minste ongesteldheid, bij de geringste pijn, in de kleinste ziekte! Maar Jesus, waarom liet Gij u toch zoo wreedelijk mishandelen; was het niet genoeg, dat Gij voor ons gingt sterven ? waarom die wreede geeseling? Ach mijn ziel, Jesus leed hier om ons een klein begrip te geven van de boosheid der zonde,
7
98
Hij leed vooral voor de ontucht. Het was vooral om voor die schrikkelijke zonde van onkuischheid te boeten, dat Hij heel zijn lichaam aan stukken het slaan door die schrikkelijke geeselriemen. Maakt niet de ontuchtige een misbruik van heel zijn lichaam, en is de zonde des vleesches niet de meest algemeene onder de kinderen des menschen? O wat gruwzame zonden van ontucht werden niet gepleegd vóór den zondvloed, zoodanig dat God spijt had dat Hij den mensch had geschapen en dat Hij allen, op Noach en zijn huisgezin na, door het water deed omkomen. Hoevele zonden van onkuischheid geschiedden in Sodoma en Gomorrha, bij de heidensche volken en zelfs bij het joodsche volk. Hoevele dier zonden worden nog dagelijks bedreven niet slechts door turken, ketters of onge-loovigen, maar zelfs door hen, die den naam van Christen willen dragen. Al die zouden had Jksus voor oogen, en deze deden Hem meer pijn, meer fol-ring telijden dan al die geeselslagen. Geene zonde onteert dan ook meer den mensch, den Christen; Com-paratus est jumentis insipientihus et similis factus est illis; de onkuischaard, zegt de profeet, is vergeleken bij de redelooze dieren en hij is er aan gelijk geworden. En inderdaad, de ontuchtige gevoelt het zelf, als hij zich aan die onteerende drift heeft overgegeven, hoe bitter hij zich vernederd heeft, hij schaamt zich over die driften en toch hervalt hij telkens weer in die afschuwelijke zonde. O hoe moeielijk is het, om zich daarvan te beteren, men wordt redeloos, men wordt gelijk aan het dier. God, bewaar ons voor die vernederende zonde; doe ons aan uwegeeseling denken!
99
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Hebt gij ooit die akelige zoude bedreven, o, heb dan heel uw leven berouw over het deel dat gij gehad hebt in de geeseliug. Denk dat dat goddelijk Bloed daar om u vergoten is, en bid Jesüs u door zijn Bloed van die vuile zonden te zuiveren.
2. Als gij bekoord wordt tot de zonde van ontucht, verplaats u dan in den geest in het voorhof van het rechthuis van Pilatüs; zie en overweeg wat daar gebeurt en waarom; ik geloof niet dat gij nog den moed zult hebben om in die gruwelijke zonde toe te stemmen.
3. Bid dagelijks om de heilige deugd van zuiverheid, en bid ook veel voor de bekeering der ongelukkige slaven van de ontucht; zij zijn zwaarder geboeid dan de ongelukkigste galeislaaf. Heb medelijden met hen en bid voor hen.
4. Heilige Maria , Maagd der Maagden, door uwe heilige zuiverheid bid voor ons en verkrijg voor ons de liefde tot die heilige deugd. Geef dat wij in alle bekoringen uw hulp inroepen en verkrijgen. Amen.
XXXI.
■Mnstlag- iia den 3quot; Zondag in de Vaste.
Et plectentes corovam de spi.nis, posuerunt super caput ejus. Maïth. XXVII: 29.
En zij vlochten eene kroon van doornen, en zetteen die op zijn hoofd.
t iteerende Christen, verplaats u nog eens in ien geest in het gerechtshof van iteerende Christen, verplaats u nog eens in ien geest in het gerechtshof van Pilatus ; leschouw nog eenmaal wat daar gebeurt; xie dió bloedgierige beulen, door het zien van het bloed nog meer opgewekt; zie die ontaarde en ongevoelige Joden\', die de beulen gedurig aanwakkeren; zie den grond en de muren met bloed bespat; zie eindelijk Jesus, met dien bebloeden en ontvleeschden rug. Vreeselijk schouwspel! Zult gij nu het durven wagen , om een geeselriem te nemen, en zelf Jesüs te geeseleu en zijne wonden te vermeerderen! O neen, zult gij uitroepen, welk een onmensch zou daartoe in staat zijn! En nogtans, dat hebt gij misschien dikwijls gedaan, telkens namelijk wanneer gij uw vermaak zocht in de ontucht, telkens als gij eene doodzonde van onzuiverheid bedreven hebt! En dat zoudt ge doen, als ge voortaan nog zoo ongelukkig waart Jksüs door de ontucht te beleedigen. Ja, erger dan de pijnen der geeseling zijn voor Hem de zouden der ontuchtigen. Maar wat geeft een slaaf der ontucht er om of Jüsus daardoor lijdt of niet, hij is gevoelloos voor alles, behalve voor zijne dierlijke lusten ; daarmede
101
is hi) gedurig bezig en kan hij niet werkelijk zich aan die zonden overgeven, dan is zijn hoofd toch vol gedachten aan, vol begeerte naar die schandelijkheid. Daarom was het Jesus niet genoeg met zijn lichaam voor die zonden te boeten, ook het hoofd moest gepijnigd worden, om die onteerende gedachten en begeerten in het hoofd der zondaren en zondaressen.
Toen men moede was van de geeseling, toen men geene plaats meer vond op het gebenedijd lichaam van Jesus voor een\' geeselslag, vond de woedende baldadigheid der bloedbeulen eene nieuwe foltering uit. Zij plukken groote lange doornen en daarvan een kroon vlechtende, plaatsen zij die op het hoofd van Jesüs, en met hunne stokken sloegen zij op dezelve, om zoo de doornen diep in het hoofd van den Zaligmaker te doen doordringen. Volgens de
o o o
overlevering drongen meer dan zeventig doornen in het H. Hoofd, en weldra was heel zijn gelaat met bloed overdekt, en waren zijne haren door het bloed aan elkander geplakt. Gruwzame smarten, die het hart eens tijgers tot medelijden zouden stemmen, maar niet de wreede beulen, niet degoddelooze Joden. Zij namen een riet, en gaven Hem dat in de hand, en zij legden een versleten purperen mantel op zijne schouderen. Toen bespotteden zij Hem, knielden voor Hem neder en zeiden: Ave, rex Judaiorum: Wees gegroet, o koning der Joden. En zij sloegen Hem op het hoofd en op zijn gelaat en zij spuwden Hem in het aangezicht en zij lieten Hem allerlei verguizingen ondergaan.
Wanneer zullen wij toch eens oprecht medelijden met Jesüs gevoelen? Bloedt ons hart niet bij de gedachte aan al die vreeselijke folteringen ? Zullen wij nu voortaan nog durven zondigen? Helaas ja.
102
men zal voortgaan met de zouden, in weerwil van al dat lijden van Jesus. Nog altijd zullen er hoovaar-digen worden gevonden, die de eer en het aanzien boven Jesus stellen en dag en nacht aan die ijdelheden zullen denken. Nog altijd zullen er onkuischaards zijn, die Jesus zullen blijven beleedigen, door woorden, werken, gedachten en begeerten. Nog altijd zullen er gierigen blijven, die het geld zullen stellen boven huune ziel, boven den hemel, die tot alles in staat zijn, als er maar geld bijeen valt te schrapen. Nog altijd zal men afgunstigen zien, die niet kunnen dulden dat een ander gelukkig is, en hun vermaak vinden iu eens anders verdriet. Nog altijd zullen de gram moedigen in toorn losbarsten bij den minsten aanstoot, en om die nietigheid God en hunnen evenmensch vervloeken en verwenschen. Nog altijd zullen er menschen zijn, die maar leven zullen om te eten en te drinken, zonder aan God te denken, nog altijd menschen , die niets voor God willen doen, voor wie alles te veel is, wat God van hen vraagt ! Zult gij van dat getal zijn of zult gij aan Jesus denken.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Verplaats u dikwijls bij de geeseling van Jesus, om een waar berouw te krijgen over uwe vroegere zonden, om een heiligen afschrik te bekomen van het kwaad en om de bekoring te overwinnen.
2. Vraag vergiffenis over al de zonden, welke gij door vrijwillige gedachten en begeerten hebt bedreven. Denk hoe Jesus daarvoor geleden en geboet heeft in de pijnlijke krooning met doornen. Verwerp
103
voortaan aanstonds elke onbehoorlijke gedachte en denk aan de liefde van uwen God, van uwen Jesus.
3. Spot nooit met Jesus, dus ook nooit met zijn heiligen Godsdienst, met zijne Kerk, of met zjjne priesters: Nolite tang ere christos rneos, raakt mijne gezalfden niet aan, zegt God. Ach hoe benauwd zullen het die spotters hebben op hun sterfbed!
4. Overweeg wat Maria leed, toen zij dit alles omtrent Jesus moest vernemen; o hoeveel deel nam zij in zijn lijden, hoe offerde zij ook hare smarten op tot onze bekeering! Gaan wij dan door Maria tot Jesus , vragen wij door hare tusschenkomst, vergiffenis van het verledene en bewaring voor de toekomst. Amen.
XXXII.
^Woensdag na den 4quot; Zondag? in de Vaste-
Ecce Homo. Joann. XIX: 5.
Ziet den mensch.
fa deze gruwzame mishandeling werda deze gruwzame mishandeling werd Jesus weder voor Pilatus gebracht, die versteld stond op bet zien van de onmenschelijke behandeling Hem aangedaan. Het kon nu niet anders, zoo meende hij, of de harten der Joden moesten vermurwd worden op het zien van den deerniswaardigen toestand, waarin Jesus gebracht was. Hij toonde dan Jesus aan het volk en zeide: Ecce homo, ziet daar
104
den mensch. Als wilde hij zeggen: ziet hoever men dezen mensch mishandeld heeft; ternauwernood kan men er nog een mensch in herkennen, zijn hoofd is als een bloedklomp, zijn lichaam ééne opene wonde, hij is onherkenbaar. O boe werden hier de woorden, welke de Profeet reeds zooveel jaren te voren in den mond van Jesus legde, bewaarheid: Vermis sum et non homo, oppi obrium hominum et abjectio plebis: Ik ben een worm en geen mensch meer, de smaad der menschen en het uitvaagsel des volks.
Ach christen, verbeeld u, dat God de Vader u Jesus in dien toestand voor oogen stelt en ook tot u zegt: Ecce homo, ziedaar den mensch. Ziedaar mijn goddelijken Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb, ziedaar de schoonheid des hemels, de vreugde der Engelen, het eeuwig genot der gelukzaligen. Ziedaar den Godmensch, om uwentwil mensch geworden, om u te redden en zalig te maken. Ziedaar het uitwerksel uwer zonden, ziedaar in welken ellendigen toestand uwe zonden mijnen eenigen goddelijken Zoon gebracht hebben. O christenen, mochten wij die twee woordjes gedurig in onzen geest prenten, gedurig voor onze oogen zien ! In elke bekoring tot zonde: Ecce homo; zoude ik durven toestemmen en Jesus aldus folteren ? Als gij een persoon ziet, met wien ge vroeger misschien hebt gezondigd, of die u thans een steen des aanstoots is, zegt dan: Ecce homo; denkt aan Jesus en vraagt u zeiven af: zoude ik de smarten van Jesus willen vernieuwen? Verbeeldt u op den gevel van elk slecht huis, slechte herberg, huizen van weelde en wereldsche vermaken te lezen: Ecce homo, en zegt dan tot u zeiven: daar in dat huis, te midden van die vermaken beult men Jesus, geeselt men Jesus, kroont men Hem met doornen, bespot men Hem. Zoude ik deel
105
daarvan willen uitmaken, zoude ik dat huis willen binnentreden en mij daar vereenigen met de beulen van Jesus Christus? Neen, God, duizendmaal neen; neen, wij hebben lang genoeg deel gehad in de folteringen U aangedaan, lang genoeg waren wij geschaard onder uwe beulen, lang genoeg hebben wij even als de Joden uwen dood gezocht; het zal niet meer gebeuren; wij gaan weenen over onze zonden, wij gaan dat goddeloos gezelschap vluchten , wij willen uwe partij kiezen, wij komen tot U. Dag en nacht zullen wij den gefolterden Godmensch voor oogen houden, om dag en nacht onze zouden te betreuren, om dag en nacht aan Jestjs\' liefde te denken, om dag en nacht vooruit te gaan in het goede. O God, wij rekenen op uwe groote barmhartigheid, wij weten, dat wij de schuld zijn van het vergieten van het bloed uws goddelijken Zoons, maar wij weten ook dat datzelfde bloed gevloeid heeft, om onze zonden uit te wisschen. Wij komen dan tot U, zoo wij hopen, met waar berouw in ons hart, en ook wij durven U Jksüs aanbieden, zeggende: Ecce homo. O God, o beste Vader van barmhartigheid, zieniet neder op onze zonden, die talloos zijn, op onze verdiensten, die nietig zijn, maar op uwen Jesus r die voor ons heeft geleden en heeft voldaan. Zie, wat Hij geleden heeft om voor ons te boeten, om ons te redden; neem dat lijden aan en red ons door de verdiensten van dat goddelijk bloed voor ons door Hem vergoten. Amen.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1* \'JEcce homo. Sla dikwijls een oog op den lijdenden Jesus. Zorg altijd een kruis of eene afbeelding
106
van het lyden van den Godmensch in uwe kamer te bezitten, om geen enkelen dag, ware het mogelijk, geen eukel uur te laten voorbijgaan, zonder aan het lijden van Jesus te denken.
2. Ecce homo. Leer de boosheid der zonde kennen, leer de zonde verachten, leer de zonde vluchten. Denk er aan, dat gij eenmaal dienzelfden Jesus in het oordeel zien zult, niet meer als lijdenden mensch, maar als goddelijken Rechter van levenden en dooden.
3. Ecce homo. Betrouw op God, op zijne goedheid en barmhartigheid, die zijnen eenigen Zoon voor ons heeft ten beste gegeven en Hem dat alles liet lijden, om daardoor onze zonden uit te wisschen.
4. Roep Maria, de Moeder van Barmhartigheid ie hulp. Zij zal haar goddelijken Zoon, zoo versmaad en verguisd, den hemelschen Vader aanbieden, om voor u vergiffenis te verwerven. O Maria , bid voor ons, vergeet ons nooit. Amen.
fs was in staat het hart der Joden te treffen; ngevoelig bleven zij voor de smarten van a Godmensch; en gelijk een wild dier door het zien van bloed wordt opgewekt tot bloedvergieten, wordt aangehitst om te verscheuren, zoo scheen ook
107
1\',.
het gezicht van het bloed van Jesus hen op te wekken tot meerder bloedvergieten. Zij riepen dan nog harder dan vroeger: Crucifige, crncijige Eum, kruis Hem, kruis Hem! Mijne ziel, verbeeld u Jesus hier te hooren zeggen tot zijn volk, tot dat ontaarde jood-sche volk: Popule metis, quid feci tibi, aut quid molestus fui: responde mild; mijn volk wat heb Ik u gedaan, of waarin heb Ik u gehinderd; geef mij antwoord. Hij had dat Joodsche volk met zoovele weldaden overladen, het was altijd zijn bevoorrecht volk geweest. Hij had het verlost uit de slavernij van Egypte, verlost uit de overheersching van zoovele andere volken; Hij had het zoo menigmaal de overwinning geschonken over al zijne vijanden. Hij schonk het H. Patriarchen, wijze Profeten, goede koningen, Hij had alles voor zijn volk gedaan. Nu was hij zelf gekomen, om in persoon hier te helpen, te verlossen en zalig te maken. En nu! Wel mocht Jesus dan uitroepen: mijn volk, mijn bevoorrecht volk, wat heb Ik u gedaan, dat ge Mij thans zoo woedend vervolgt, dat ge thans met zooveel gruwzaamheid mijn dood, den dood des kruises voor Mij eischt!
Zeker gevoelt gij u verontwaardigd over dat ondankbare geslacht; maar als Jesus tot u eens zeide: Mijne ziel, voor u deed Ik nog meer, dan voor al dat volk, u heb Ik bevoorrecht door duizenden weldaden boven ongeloovigen, joden, turken, ketters en zelfs boven zoovele andere christenen, en nu: waar is uw dank? Door uwe zonden vervolgt gij Mij, als de Joden, door die akelige doodzonden zoekt ge Mij opnieuw te kruisigen. Popule meus, mijne ziel, wat heb Ik u gedaan, waarin ben Ik u hin-? Heeft Jesus geen recht om zoo tot ons te
-
108
spreken, en wat zullen wij antwoorden ? Ach helaas, Jesxjs is ons hinderlijk, zijn godsdienst is ons hinderlijk, zijne priesters zijn ons hinderlijk, en waarom? omdat zij ons niet gerust in de zonden laten voortleven, omdat zij ons niet vleien, maar de waarheid zeggen; omdat zij ons gedurig doen denken aan de straffen der zonden. Zij benemen ons de gerustheid in het kwaad, en in het midden der bedorveue vermaken komen hunne bedreigingen ons voor den geest en maken ons de vermaken bitter. Daarom kunnen wij Jesus en /ijn H. Godsdienst en zijne trouwe priesters niet lijden, en trachten wij, door alles af te keuren , hunnen invloed te verminderen zoo bij ons zeiven als bij anderen. Maar denken wij er wel aan, hoeveel kwaad wij daardoor doen? Denken wij wel aan de verergernis daardoor door ons gegeven? Jesus zeide tot Pilatus : hij die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft grootere zonde. Zoo is het ook met hem die verergernis geeft. Zeker, die de zonde bedrijft is schuldig, maar hij die zonder wettige reden oorzaak, vrijwillige oorzaak is dat een ander zondigt, is nog veel schuldiger. Als gij dan door uwe taal, of door uwe handeling den godsdienst en zijne priesters in minachting brengt en door de wereld doet veroor-deelen, of als gij anderen door uwe zedelooze woorden of door uw slecht voorbeeld tot zonde opwekt, dan geeft gij ergernis, en zijt nog meer schuldig dan zij die u volgen. Vreeselijke zonde van verergernis, ge zijt een handlanger des duivels; als de duivel den mensch niet rechtstreeks tot de zonde kan brengen, dan kiest hij den zondaar uit, om door hem, ook een ander te verleiden tot zonde. Hoevelen in de wereld die verergernis geven, door onkuische woorden en werken, door godsdienstelooze taal en door schan-
109
delijk voorbeeld! O, wat zal Jesus die on gelukkigen eenmaal eeu bitter verwijt toevoegen. Ach, zalJESüs zeggen, Ik leed en stierf voor de zielen, om ze te redden en zalig te maken en gij.... verergernisgevers, gij maakt mijn lijden en dood nutteloos voor uw eigene ziel en die van hen, welke gij verleidt Gij ontrooft ze aan Mij en geeft ze aan den duivel. Zij was geschapen en door Mij verlost om eeuwig haren God te loven en gij zijt de schuld, dat zij eeuwig in de hel zich zelve, u en haren God en haren Verlosser en Zaligmaker vervloekt.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Waarom haten wij Jesus? Wat kwaad heeft Jesijs ons gedaan? En nogtans de zondaar schijnt Jesus te haten; hij weet hoeveel smarten hij God aandoet door de zonden, en hij houdt niet op met zondigen, hij zoekt gedurig zijn vermaak in Jesus te vervolgen. Akelig vermaak! Is dan de zonde of het vermaak der zonde zoo aanlokkelijk, dat gij daarom uw God, uw weldoener, uw Verlosser, uwe eigene ziel, uwe eeuwige zaligheid wilt versmaden! Voor eenige minuten vermaak eene eeuwigheid van smarten kiezen! Weegt dat vermaak tegen de eeuwigheid op? O dwaze!
2. Zorg toch, dat gij nooit verergernis geeft. Hoevele doodzonden kunnen het gevolg van eene verergernis zijn en hoevele doodzonden kan men dus door eene zonde van verergernis bedrijven! Hoe moeielijk is het kwaad, door verergernis gesticht, te stuiten; hoe moeielijk dus die zonde te herstellen. Welk eene boetvaardigheid is daartoe noodig:!
O O
110
3. Hebt gij vroeger verergernis gegeven, tracht dan door een boetvaardig en braaf leven de gegevene ergernis zooveel mogelijk te herstellen, \'tis misschien de eenigste wijze van herstel, die gij kunt geven.
4. O Maria, bewaar mij voor die groote zonde, help mij om het gestichte kwaad te herstellen en bid God voor mij om vergiffenis. Amen.
XXXIV.
Vrijdag na den \'l:n Kondag in de Vaste»
Si Hunc dimittis, non es amicus Ccesaris. Joann. XIX; 12.
Als gij Dezen loslaat, zijt gij geen vriend des keizers.
fileile middelen, door Pilatus aangewend, om Jestjs vrij te krijgen en tevens de gunst des volks niet te verliezen, waren dan te vergeefs. Hij had reeds zooveel toegegeven aan dat ontaarde volk, hij had tegen zijn geweten, tegen zijne verklaring dat Jesx\'s onschuldig was, tegen het verzoek zijner echtgenoote, tegen alle recht en wetten in, den Zaligmaker doen geeselen. Hij zag welk misbruik men van die eerste strafoefening gemaakt had, hoe men Jesus veel gruwzamer mishandeld en gefolterd had, dan door hem was toegelaten; en in weerwil van dat alles, was de haat der Joden steeds toegenomen en werden de kreten van: kruis Hem,
Ill
kruis Hem, verdubbeld. Zijn toestand werd moeie-lijker eu moeielijker, dewijl hij te zwak, te lafhartig-was, om tegen het volk in te werken. Dit begrepen de priesters, die Jksus bijzonder haatten, en daarom spoorden zij het volk des te meer aan, om den dood des Zaligmakers te eischen en deden het uitroepen: si Hum: dimittis, non es amicus Ccesaris; als gij Dezen vrij laat, zijt gij geen vriend des keizers. Dat was te veel voor Pilatüs ; niet alleen de gunst van het volk, maar ook de vriendschap des keizers te verliezen, dat was te erg en nu bezweek hij; de stem des gewetens werd onderdrukt, hij gaf toe en hij liet Jesus aan de beulen over, om Hem te kruisigen. Ellendige menschenvrees! Pil mts , wat baat u de gunst des volks, wat voordeel kan u de vriendschap des keizers aanbrengen! Dwaze, die ge zijt, misschien ja voor den korten tijd dezer wereld zult gij er eenig voordeel bij behalen, maar wat zal het zgn op uw sterfbed? Zal dat volk u dan redden? Zal de keizer uw leven ook maar een uur kunnen verlengen? Zal het u eene verontschuldiging zijn in het oordeel, dat gij het gedaan hebt om de gunst des volks of de vriendschap des keizers ? Dwaze Pilatüs , gij stelt dan die gunst, die vriendschap boven de gunst en de vriendschap van uwen God, boven de rust van uw geweten! Weet gij dan niet hoe wankelbaar het volk is, hoe veranderlijk de vriendschap der grooten, hoe onzeker de toegenegenheid eens keizers! O, gij hebt het ondervonden; kort na deze zwakheid, na deze verkrachting van uw geweten, na deze onrechtvaardige uitspraak, stond datzelfde volk, om welks gunst gij dit kwaad deed, tegen u op, veroordeelde u dezelfde keizer, om wiens vriendschap te bewaren gij den onschuldige ver-
112
oordeeldet! O slaaf der menschen, aan welke wreede slavernij onderwierpt gij u vrijwillig!
Zeker, Pilatüs was een dwaze, een lafhartige, mijne christenen, maar hoe vele Pilatussen worden er nog tegenwoordig gevonden! Hoe velen, die om de gunst der wereld bereid zijn met hun God te breken en hun geweten te verkrachten! Tot hoe vele zonden geeft de menschenvrees ook thans nog aanleiding ! Men hoort in een gezelschap onzedige taal, en menschenvrees belet ons die ontuchtige woorden af te keuren, soms lacht men nog er mede, uit vrees, dat men voor te godsdienstig zal worden gehouden. Men is in een gezelschap waar de eer van den naaste wordt aangerand, en men durft hem niet te verdedigen uit vrees voor de menschen. Een goddelooze valt in ons bijzijn uit tegen den godsdienst en priesters, en menschenvrees sluit ons den mond. Hoeveel doet men om der wereld te behagen, hoeveel laat men dan, hetgeen men doen moest, uit vrees voor deu spot der wereld. Men vreest dikwijls naaide kerk te gaan, tot de Sacramenten te naderen enz., en men keurt zoo vaak iets uiterlijk goed, dat het geweten afkeurt. Schandelijke slavernij !
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Hoe meer men zijnen driften toegeeft, des te meer vorderen zij en des te grooter slaaf wordt men. Hoe meer men zijne driften beteugelt, des te gemakkelijker kan men ze bedwingen en is men meester van zich zeiven.
113
2. Die zich Mijner schaamt, zegt God, over dien zal Ik mij schamen in eeuwigheid. Is het geene schande bevreesd te zijn om te toonen, dat men vriend van God is, dat men zijne rechten wil voorstaan, en dat men niet wil dulden, dat Hij in ons bijzijn wordt beleedigd.
3. Wij veroordeelen de christenen, die, uit vrees voor de folteringen, bezweken en hun geloof afzwoeren; maar doen wij niet erger als wij uit menschenvrees zondigen! Die ongelukkigen bleven in hun hart getrouw, het waren slechts de wreede pijnen, die hen dwongen en wij vallen af om nietige vrees voor iets wat eigenlijk niet bestaat of niets beteekent.
4. O Maria , doe ons ridderlijk en openlijk voor Jesus , uwen goddelijken Zoon, uitkomen. Dat wij ons toch nooit schamen vrienden van God te zijn.
XXXV.
ZatetMiagf voor Passie-Zonclag\'.
Sanguis Ejus super nos et super Jilios nostras.
Matth. XXVII; 25.
Zijn bloed home over ons en over onze kinderen.
indelijk was dan Pilatus bezweken, uit laf-hartige menscbenvrees, uit vrees de vriendschap des keizers te zullen verliezen, had bij het onrechtvaardige doodvonnis toegelaten. Om zich echter nog zooveel mogelijk te verontschuldigen en te bewijzen,
8
114
dat hij niet dan gedwongen, aan hunne onrechtvaardige eischen toegaf, liet hij water halen, waschte zijne handen en riep uit: Innocens ego sum a sanguine justi hujus; vos videritis; Ik ben onschuldig aan het bloed van dien Rechtvaardige, gij moogt toezien! Hoe Pilatus! gij onschuldig? Maar uw eigen geweten veroordeelt u, zegt u juist het tegendeel! weet gij dan niet, dat gij alle recht en wetten met voeten treedt, dat gij het onrechtvaardigste vonnis uitspreekt, dat ooit werd uitgesproken! Zeker, zij die u tot dat kwaad hebben gedwongen, die Jesus nog beter moesten kennen en vereeren dan gij, zij hebben meer schuld, maar daarom zijt gij niet verontschuldigd. Gij waart genoed van Jesüs\' onschuld overtuigd, uw geweten heeft u genoeg gewaarschuwd, gij zijt dus schuldig voor God en zult rekenschap van die onrechtvaardigheid afleggen.
Ach, mediteerende Christenen, laat ons onszei ven nooit verontschuldigen, dat wij tot de zonde als gedwongen zijn geworden, dat de verleiding zoo sterk, de bekoringen zoo menigvuldig, en de gelegenheid zoo gemakkelijk was. Heeft God ons niet genoeg gewaarschuwd door de stem van ons geweten, door de waarschuwing onzer priesters. Biedt Hij ons niet gedurig zijne gratie aan om alle zonden te vermijden, en is het niet onze eigene schuld, wanneer wij door verzuim, door nalatigheid of door niet te waken en te bidden, in de zonde vallen?
Op die woorden van Pilattjs riep het volk als uit eenen mond: Sanguis Ejus super nos et super filios nostros, zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! Verschrikkelijke verwensching! Maar ook welke verschrikkelijke gevolgen! Van dat oogenblik af is het Joodsche volk vervloekt, en draagt het teek en der
115
vervloeking met zich om, ter getuigenis van de Godheid van Jesus-Ohristus en de waarheid van den door Hem gestichten Godsdienst. Zonder koning, zonder wetten, zonder vaderland, zonder tempel, nu hier, dan daar verbannen en verjaagd, overal veracht en miskend blijft het bestaan, om de menschen een\' afschrik in te boezemen voor de verwensching, en voor het miskennen van den Godmensch, den Zaligmaker!
Ongelukkige Christenen, ook onder u zijn er soms, die vreeselijke verwenschingen tegen zich zelven, tegen hunne naasten, soms zelfs tegen God durven uitbraken! Siddert gij niet voor u zelven? Ouders, soms vervloekt gij uwe kinderen, en tot uw eigene straf verhoort God uwe schrikkelijke bede en straft Hij u in uwe kinderen. Rampzalige kinderen eens vaders, die zijnen God durft lasteren, of zijn evenmensch of zich zelven of u durft verwenschen! Ach waart gij gestorven in den schoot uwer moeder, of ten minste na gezuiverd te zijn door het H. Doopsel, dan zoude uw eigen Vader u niet bedorven hebben, en het kwaad geleerd! Had die wreedaard u vermoord in de wieg, hij had u uw lichaam ontstolen, maar uwe ziel was gered, en nu, nu is hij door zijne verwenschingen, die gij navolgt, de schuld van den dood uwer ziel en dikwijls ook van uw lichaam! Zondaars, beeft, bijt liever uwe tong aan stukken , dan nog ooit eeue godslastering of eene verwensching te durven uitspreken. Zeggen wij Christenen met de Joden, maar niet in den geest der Joden, maar in den geest van Christus : Sanguis Ejus super nos et super jilios nostros. O ja, Jesüs , uw bloed kome over ons en over onze kinderen; doch niet om ons te straffen, maar om ons te reinigen en te .heiligen. Amen.
116
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Wie onzer is onschuldig aan het bloed van dien Rechtvaardige? Wie onzer durft zeggen, dat hij nooit gezondigd heeft, en dus geen deel heeft gehad in liet lijden van Jesus ! Ach, treuren wij dan daarover en trachten wij onze schuld af te wasschen iu datzelfde bloed, dat wij door onze zonden zoo dikw^ls, ongelukkig, hebben vergoten.
2. Wekken wij gedurig in ons hart een afschuw op van elke verwensching. Vermijden wij zelfs die onbehoorlijke uitdrukkiugen, die ofschoon niet gemeend, toch altijd eenige gelijkenis hebben met die akelige zonde.
3. Ja, Jesus! uw bloed moet ons reinigen en zuiveren en heiligen, vooral in het heilig Sacrament
o 1 o
der Biecht en in het Allerheiligste Sacrament des Altaars. O Jesus, geef ons de genade, dat wij die hoogheilige Sacramenten dikwijls en waardiglijk ontvangen mogen.
4. 0 Mama , bid voor ons Jesus , dat Hij zijn bloed over ons doe nederdalen, opdat wij, gezuiverd van al onze zonden en gebreken, voortaan Hem heilig dienen en alleen voor Hem leven. Amen.
^ ^ ^ y ^ 3^^ yv^
xxxvi.
passio-ZoiMlag-.
Tradidit eis, mlt; crudfigeretur. Matth. XXVI: 26.
Hij leverde Hem hun over, om gekruisigd te tvorden.
foooo is dan het vonnis geveld: Jesus , de God-menscli, de Zaligmaker, die niets dan weldeed, zal sterven, zal den smadelijken dood des kruises sterven, om door zijn kruis en door zijn dood ons te redden en zalig te maken. In aller ijl wordt nu een ruw kruis aaneengewerkt, touwen, ladders, spijkers, alles wat noodig is tot de kruisiging, wordt met drift bijeenvergaard, om maar spoedig tot de strafoefening te kunnen overgaan. Je?us bescliouwt dat alles met geduld en gelatenheid, Hij onderwerpt zich aan den wil van zijnen hemelschen Vader, en met blijdschap aanvaardt Hij dat kruis, dat middel onzer zaligheid.
O kruis, o minzaam kruis, riep weleer de Apostel Andiieas uit, toen hij gekruisigd zoude worden, o kruis zoo vurig bemind, zoo vurig verlangd en eindelijk aan mijn verlangend hart gegeven, kom, ik omhels u, ik bemin u! Vuriger nog dan zijn leerling omhelsde Jesüs zijn kruis! O, mij dunkt, ik hoor Hem ook uitroepen: O kruis, waarnaar Ik drie-en-dertig jaren heb verlangd. Ik ga u verheffen; tot nu toe waart gij een werktuig van schande. Ik zal u ver-heerlijken! Gij kruis, zult voortaan de eerste plaats bekleeden in de christelijke wereld, als werktuig
118
barer verlossing. Gij zult schitteren in de paleizen der vorsten en verblijven in de hut van den arme; gij zult prijken op de hoogste toppen der torens, om van verre door allen te worden aanschouwd, om het eerste te zijn, wat men van eene christene stad in het oog krijgt! O kruisf gij zult de troost zijn van de bedroefden, de steun der zwakken, de leidsman der verdwaalden, de raad der twijfelachtigen, liet licht in de duisternis, het richtsnoer in dagen van voor- en tegenspoed. Gij kruis, gij zijt de sleutel des hemels, de volharding der rechtvaardigen, de bekeering van den zondaar. Hoeveel tranen zult gij drogen, hoevele rampen zult gij afwenden, hoeveel zegen zult gij aanbrengen! Ja, christenen, het kruis is voor ons de weg naar den hemel, zonder kruis geen hemel voor ons, het teeken, dat God ons liefheeft, zal het kruis zijn, als Hij ons met zijn kruis bezoekt.
Hoe menige zondaar zou volharden in zijn kwaad, niets kan hem bekeeren, hij is doof voor de stem van zijn geweten, doof voor de beden van een braven vader of godvruchtige moeder, doof voor de vermaningen van den priester, blind voor de goede voorbeelden van anderen. Niets kan hem treffen, dan het kruis. God zendt hem het kruis over en nu in die ziekte, in dien tegenspoed, in die verlatenheid, nu keert hij terug tot God; het kruis verlicht hem, het kruis bekeert hem, het kruis brengt hem op den weg naar den hemel. Die man zal op den weg des voorspoeds weldra zijnen God vergeten, hij zal, medegesleept door de vleierijen der wereld, die den voorspoed omgeven, met de wereld mededoen en het pad der deugd verlaten ; maar God wil hem behouden. Hij zendt hem het kruis, het kruis van tegenspoed, van armoede! Gelukkig kruis, zonder u werd die man
119
ongelukkig en misscliien met hem heel zijn huisgezin! Ja gelukkig kruis, dat dien jongeling op het ziekbed nederwerpt, gij bewaart hem voor de verleiding. Gelukkig kruis, dat dat meisje doet kwijnen; immers, was zij gezond, zij zou zich door de wereld laten misleiden, hare onschuld, hare ziel, hare zaligheid verliezen. O Jesus , doe ons de waarde van het kruis kennen, en het beminnen.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Zorgen wij toch, dat wij in onze kamer een kruisbeeld hebben, dat ons gedurig aan den dood van Jesus voor ons herinnert. Trachten wij ook altijd een kruis bij ons te dragen, want wij kunnen nooit genoeg aan onze verlossing en onzen Verlosser denken.
2. Zijn wij niet bang om ons kruis te dragen? En hoe dikwijls hebben wij dat kruis niet verdiend? Hoeveel zwaarder moest het zijn, om evenredig te zijn aan onze misdaden.
3. Leeren wij van Jesus ons kruis geduldig, met liefde, met onderwerping aanvaarden. Bidden wij Hem, opdat wij het geluk mogen hebben ons kruis op te nemen en Hem te volgen. Die zijn kruis niet opneemt en Mij niet volgt, is Mijner niet waardig, zegt Hij.
4. O Maria , gij, hoe rein en onschuldig ook van het eerste oogenblik uwer onbevlekte ontvangenis, hebt nogtans een kruis, een zeer groot kruis moeten dragen; leer mij u navolgen eu even geduldig en gelaten het mijne opnemen. Amen.
XXXVII.
Maandag1 na Passie-Zondag1.
Et hajnlans sibi crucem exivit in eum, qui dicitur Calvarice, locum. Joann. XIX: 17.
En zijn kruis dragende, ging Hij uit naar de plaats, luelke Calvarië heet.
p4|b|faar gaat dan Jesus, de Verlosser, daar gaat Hij gebukt onder dat zware, dat schandelijke kruis, dat zoo drukt op zijne schouderen, die reeds zooveel hebben geleden door de geeseling. Daar gaat Jesus, de liefdevolle Zaligmaker; elke schrede is eene nieuwe smart, laat een bloedstreep achter. O ongelukkig Jerusalem, gij verdrijft uwen Jesus, uwen Verlosser; rampzalige stad, nu zal de vloek u treffen, weldra zal uwe schoonheid wijken, weldra zullen uwe paleizen verwoest worden en van uwen trotsclien tempel zal de eene steen niet op den anderen blijven, ü ondankbaar Jerusalem, nu is uwe vernietiging nabij; koningin der steden, meesteres van zoovele volken, uw lot zal schrikvol wezen, uwe verwoesting zal alle harten doen sidderen, allen zullen beven bij het hooren van al het gruwelijke dat bij uw einde zal plaats hebben. Hongersnood, pest en oorlog zal u verderven, twist en tweedracht zullen in uw midden heerschen, het broederbloed zal van binnen stroomen, terwijl buiten de vijanden een bloedbad aanrichten. Ouders zullen strijden tegen hunne kinderen , de kinderen zullen opstaan tegen hunne ouders,
121
moeders zullen haar eigen kind verslinden, door radeloozen liouger tot wanhoop gebracht! Waarom ook verstoot gij Jesus! Waarom miskent gij uwen Verlosser, waarom brengt gij uwen Zaligmaker, den Godmensch, ter dood !
O Christenen, Jerusalem is het afbeeldsel uwer ziel. Rampzalig de ziel, die Jesus door de zonde verstoot en als ter dood brengt! Ongelukkig reeds hier, wacht haar een nog vreeselijker uiteinde, een eeuwig ongeluk. Neen Jesus, wij willen U niet verstooten! niet verlaten! Wij hooren uwe stem: si quis vult post me venire, abneget se.metipsurn, et tollat crurem suam, et sequatur me; indien iemand na Mij wil komen, die verloochene zich zeiven, en neme zijn kruis op en volge Mij. Jesus, dat willen wij doen, gaarne doen. Wij willen ons zeiven verloochenen, wij willen ons zeiven niet zoeken, noch de vermaken, noch het gemak, noch de zinnelijke lusten, noch de eer, noch het geld, noch iets van deze wereld; U alleen en niet anders, al het overige slechts zoover het noodig is, zoover Gij het wilt. Wij willen ons kruis opnemen, niet het kruis door ons zeiven gekozen, maar het kruis, dat Gij ons overzendt. Gij alleen weet, welk kruis het best voor ons is, welk kruis ons ten hemel moet brengen. Wij willen U volgen overal, o Jesus, niet slechts op den berg Thahor, waar Gij wordt verheerlijkt, maar ook op Calvarië op Golgotha , waar Gij lijdt en sterit. Ja Jesus , wij willen lijden in de wereld, wij weten dat lijden de weg naar den hemel is, Quoniam per multas trihulationes oportet nos intrare in regnum ccelorum, wij weten, dat wij slechts door vele kwellingen in den hemel kunnen komen. Wij kunnen niet te gelijk hier en hierna den hemel hebben. Laat
122
ons dan hier lijden, om hierna gelukkig te zijn. Welk een troost voor lijdenden! Het lijden, het kruis is dus een teeken van vriendschap dat God ons geeft, is een middel, misschien het eenigste middel voor ons, om zalig te worden. De Heiligen, o Jesüs, hebben dus ook met blijdschap hun kruis gedragen; hoe geduldig leed Maria, de zuivere onbevlekte Moeder, die geheel zonder zonde was; hoe geduldig en gelaten leden de Apostelen en de Martelaren ! Was het leven van alle Heiligen niet een gedurig kruis, maar met onderwerping aan Gods wil gedragen? En ik, die door mijne zonden zooveel straffen verdiend heb, ik zou durven klagen en morren, als Gij, o Jesus , mij uw kruis overzendt! Dwaze, die ik was! Het zal niet meer gebeuren, lieve Jesus, gaarne wil ik lijden, gaarne voortaan mijn kruis opnemen, tot voldoening voor de zonden, welke ik heb bedreven, tot voortgang in de deugd en volmaaktheid, om met U hier te lijden en zoo eens met U verheerlijkt te worden. Amen.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Bid God, opdat ge nooit meer het ongeluk hebbet, om uwen Jesus uit uw hart te verstooten, en door de doodzonde Hem als opnieuw te kruisigen. Hoe ongelukkig, hoe diep te beklagen is de ziel in doodzonde! En welk bitter lot wacht haar na dit leven!
2. Wij kennen niet genoeg het geluk, dat in het kruis ligt opgesloten, de verdiensten welke wij daardoor kunnen verkrijgen! Wij zijn nog niet genoeg overtuigd van de noodzakelijkheid, die wij hebben
123
om geduldig te lijden, willen wij eenmaal het geluk hebben van zalig te worden.
3. Klagen of morren wij nooit meer, over tegenspoed, armoede, ziekte, pijn, beleedigingen of wat dan ook. Nemen wij ons kruis op, verloochenen wij ons zeiven en volgen wij Jestjs!
4. O Maria , welk een schoon voorbeeld van geduld en onderwerping in het dragen der kruisen hebt gij ons gegeven. Bid voor ons, opdat wij met u ons kruis gewillig opnemen en wij zonder klagen Jestjs navolgen. Amen.
XXXVIII.
Dinsdag\' na JPassie-aSondagr.
Ducebantur autem et alii duo nequam cum Eo , ut interjicerentur. Luc. XXIII: 32.
En er werden ook twee anderen, misdadigers, met Hem geleid, om gedood te worden.
fm den H. Godmensch nog meer smaad aan te doen, om Hem nog meer met de misdadigers gelijk te stellen, werden te gelijk met Hem twee boosdoeners ter strafplaats geleid, om den dood te ondergaan. Zoo werden de woorden van den Profeet vervuld:m den H. Godmensch nog meer smaad aan te doen, om Hem nog meer met de misdadigers gelijk te stellen, werden te gelijk met Hem twee boosdoeners ter strafplaats geleid, om den dood te ondergaan. Zoo werden de woorden van den Profeet vervuld: Et cum iniquis reputatus est, en Hij is gelijk gesteld met de boozen. Scharen wij ons bij dien droevigen stoet, maar niet om met die
124
onbedachtzame menigte Jesus te beschimpen en te verwenschen, maar om met Hem deel te nemen in zijn lijden en door ons medelijden Hem te troosten. Hoe dwaas handelt toch het volk, hoe lichtzinnig is het in zijne handelwijze! Nog slechts korte dagen te voren had datzelfde volk van Jerusalem Jestjs plechtig binnen zijne muren gehaald, zij hadden hunne kleederen op den grond gespreid en met palmtakken in de hand Hem begeleidende, hadden zij luide geroepen : Hosanna filio David , Hosanna den Zoon van David, gezegend Hij die komt in den naam des Heeren: en ziet, diezelfde menigte beschimpt en bespot nu denzelfden Jesus en drijft Hem hare poorten uit.
Kan men dan dwazer handelen dan op de wereld te rekenen, te vertrouwen op volksgunst en ter wille der wereld zijnen God te verlaten en Hem te belee-digen? En toch hoe velen zijn aan die dwaasheid schuldig, hoe velen stellen heel hun betrouwen op machtigen der aarde, op geld, eer en aanzien. Hoe velen doen kwaad, doen groote zonde om maar der wereld welgevallig te zijn, om met de wereld mede te doen. Hoe zullen zij het zich eens beklagen zoo dwaas gehandeld te hebben, als zij zien dat de wereld hen verlaat. 0 jeugd, zoolang gij jong en sterk en gezond en bevallig zijt; o rijken, zoolang gij geld hebt; o machtigen, zoolang gij in eer en aanzien zijt, zal de wereld u vleien; maar zoodra gij uwe jeugd, uw geld, uw aanzien verliest, dan zal die vleiende wereld u verlaten, u beschimpen en bespotten. Waarom zijt ge dan zoo dwaas u aan de wereld te hechten? Verlaat haar eer zij u verlaat, en hecht u aan Jesus, die u ten allen tijde zal helpen en bijstaan. O wat lijdt die goede Jesus! Na een vreeselijken
125
nacht vol verguizingen, na die bloedige geeseling, na die pijnlijke kroning, na al dat bloedverlies moet Hij uu nog een ruw zwaar kruis voortsleepen en dat tegen een berg op. Geen wonder dan ook, dat ik Jesüs weldra zie bezwijken, ja, herhaaldemaal zie vallen onder zijn kruis. Ach, hoeveel pijnen veroorzaakt Hem elke val; telkens worden daardoor zijne wonden vernieuwd, telkens begint zijn bloed opnieuw te vloeien. Maar meer dan die pijnen smart Hem onze val, ons gedurig vallen in de zonden. Hoe menigmaal heeft Hij ons opgericht van dien val in de zonden door zijn H. Sacrament der Biecht; hoe dikwijls hebben wij Hem plechtig beloofd niet meer te zullen hervallen, hoe dikwijls hebben wij het vaste besluit genomen, ons niet meer in de gelegenheden tot zonden te begeven; maar hoe zwak, hoe onstandvastig zijn wij! Nog pas hebben wy den biechtstoel verlaten, nog slechts eenige dagen zijn onze besluiten, onze goede voornemens gemaakt, of ziet, wij zoeken wederom dezelfde gelegenheden op, wij vallen en hervallen weder in dezelfde zonden. Is dat geene droevige waarheid? Om onze zwakheid te helpen, om voor onze onstandvastigheid te boeten wil Jesüs zoo dikwijls bezwijken, en al die vernieuwde pijnen lijden. Maar zal onze onstandvastigheid blijven duren ? Zullen wij dan nooit eens met ernst een deugdzaam leven beginnen? O ja, lieve Jesus, dixi, nunc coepi, hoec mutatio dextra; Excelsi: ik heb gezegd, nu ben ik begonnen, deze bekeering komt van God. Ik wil, ik wil met ernst, voorgoed. O Jesus, wil mij bijstaan!
126
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Wat zijn wij hoovaardig, hoe zoeken wij de eer en de achting der raenschen, hoe schuwen wij de minste vernedering! Leeren wij van Jesus de nederigheid beoefenen, de eer der wereld versmaden en de vernederingen beminnen.
2. Hoe dikwijls zijn wij in de zonden hervallen! Hoe menigmaal hebben wij onze beste voornemens verbroken! Zoude het geen tijd worden, om eens oprecht te bekeeren? Stellen wij daarom onze goede besluiten onder de bescherming Gods en onder de voorspraak van Maria.
3. Bedank Jesus vurig voor al wat Hij voor u en om u geleden heeft. Keer met den verloren zoon terug tot uws Vaders huis en blijf voorgoed bij Hem.
4. Dat Mama uwe Moeder en uwe bescherming zij. Stel al uwe goede voornemens onder haren bijstand, bid haar om volharding in het goede, en zij zal voor u eene ware, oprechte en standvastige bekeering verkrijgen. Amen.
XXXIX.
W oentlajj 11:1 Passie-Zondag;.
Sequehatur autern Ilium multa turba populi.
Luc. XXIII: 27.
En Hern volgde eene groote schare van volk.
van het Paaschfeest bevond zich eene
menigte vreemdelingen te Jerusalem,
_____a Jesüs dus ter strafplaats werd geleid,
volgden Hem niet alleen bijna geheel Jerusalem, doch ook een zeer groot aantal vreemdelingen. Onder deze menigte waren misschien velen, die in hun hart deernis hadden met Jesüs, ofschoon zij Hem niet als den Messias erkenden, doch zij durfden van dat medelijden geene blijken geven; wellicht waren er ook velen, die Hem voor den waren Messias, voor den Zaligmaker hielden, doch zij waren te bevreesd, om deze genegenheid te doen kennen. Zoo scheen Jesus van allen verlaten; zij die medelijden met Hem hadden, vreesden de joden; zij die Hem erkenden, waren niet minder bevreesd, en de Apostelen waren allen gevlucht. Is er dan niemand om Jesus eenigen troost te geven ? Heeft er dan niemand den moed om Jesüs eenige blijken van genegenheid te toonen? Heeft de vrees dan allen aangegrepen ? Neen, Christenen, wat geen enkele man durfde, dat vermocht eene vrouw! Ziet, zij dringt onbevreesd tusschen de beulen door, ziet, hoeveel\' moeite zij heeft, zij wordt teruggestooten, bespot, geduwd, geslagen; maar niets kan haar
128
weerhouden. Telkens teruggeduwd keert zij telkens weder, totdat het haar gelukt tot bij Jesus door te dringen en Hem te omhelzen en te troosten! Wie is zij? Wie heeft dien grooten moed? Wie is onbevreesd voor die beulen? O, uw hart heeft het geraden! Het is Mama, de Moeder van Jesus! Wat vermag eene moeder niet, en vooral zulk eene Moeder! Op het zien van die moederliefde staan zelfs de.beulen verstomd en wordt heel die stoet teruggehouden, men blijft roerloos staan.
O Christen, welk een treffend oogenblik toen Maeia haren Jesus ontmoette. O wat leden die heiligste harten toen om onze bittere zonden! O hoe werd bij al dien troost, welken zijne Moeder Hem gaf, het lijden van Jesus verzwaard door haar te zien lijden! Nooit beminde een zoon vuriger en oprechter zijne moeder dan Jesus, onze Zaligmaker; nooit dus ook leed een zoon zooveel als Jesus leed, bij het zien der smarten zijner beminde Moeder! En hoeveel leed Maria, hoe groot waren hare smarten! Mij dunkt, ik zie haar in den nacht, waarin Jesus werd gevangen, eenzaam zitten, biddend in hare kamer; eene waarschuwende vrees belet haar rust te nemen, zij gevoelt eene ongekeude angstigheid, zij bidt vuriger en vuriger. Daar klopt men op hare deur, de heilige Joannes, de vertrouweling vau Jesus, treedt binnen ! Zij leest op zijn gelaat, wat er gaande is, zij zegt: hora est, het uur is daar; zij werpt zich weder op de knieën, offert aan God zijn en haar lijden, en na een kort gebed, spoedt zij zich met den heiligen Joannes en Maria Magdalena om Jesus te kunnen ontmoeten. Welke doodsangsten stond zij uit by Caiphas, bij Herodes, bij Pilatus! Welke verscheurende smarten, dewijl zij tot haren goddelijken Zoon
129
niet konde naderen. Daar verneemt zij, dat het doodvonnis is uitgesproken, zij ziet in de verte het kruis dat men op Jesus\' schouderen gaat leggen, en zij plaatst zich op den weg, welken Jesus moet betreden, om Hem daar nog eenmaal te ontmoeten! En daar staat zij nu bij Jesus ! Moeder, gij alleen, die ooit bij een pijnlijk sterfbed van een teergeliefd kind hebt gezeten, gij alleen kunt u een gering denkbeeld vormen van hetgeen Mama hier leed! Maar gij kondet nog uwe kinderen bijstaan, kondet hen zooveel mogelijk helpen en hunne smart verlichten, maar Maria wordt teruggestooten! Ziet, men is hersteld van de ontroering, en men duwt Maria weg, om Jesus voort te sleuren en naar de strafplaats te slepen! O, indien Maria hier van droefheid niet stierf, kwam het door een wonder van Gods Almacht, die haar bestemde, om ons een voorbeeld te zijn, hoe wij ons in onze droefheid aan Gods heiligen wil moeten onderwerpen.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Volgen wij Jesus dikwijls op zijnen lijdensweg naar Calvarië. De beste gelegenheid daartoe hebben wij door dikwijls den heiligen kruisweg te doen, in den geest van ware boetvaardigheid en met een waar berouw.
2. Leeren wij van Jesus veel liefde te hebben voor onze ouders, en die liefde te blijven behouden ook in gevorderden leeftijd; elkeen wil wel bekennen, dat een kind zijne ouders moet eeren, maar men vergeet of schijnt te vergeten, dat men nimmer ophoudt
9
130
kind te zijn, al wordt men ook oud en al heeft men zelfs voor kinderen te zorgen,
3. Wy zien, dat de Heiligen zei ven, dat zelfs de heilige Moeder Gods hier door veel lijden en droefheid den weg naar den hemel heeft moeten bewandelen. Laten wij dus ook geduldig ons kruis opnemen en Jesus volgen.
4. O Mabia, door die droevige ontmoeting met Jesus bid voor mij, opdat ik ook altijd Jesus zoeke en liever met Jesus lijde, dan mij met de wereld vermake. Amen.
XL.
Donderdag\' na Passie-Zondag-.
Hunr angariaverunt, ut tolleret crucem Ejus,
Matth. XXVn : 27.
Dezen dwongen zij, om zijn kruis te dragen.
fjTe goedejTe goede Jesus had zooveel geleden door al de ü onmenschelijke mishandelingen, die men Hem ^ had doen ondergaan, door het aanhoudend bloedverlies en door het herhaald vallen onder het kruis, dat de beulen begonnen te vreezen, dat Hij niet levend tot op Calvarië zoude komen en zij dus het helsche genoegen niet zouden kunnen genieten, om Jesus te kruisigen. Zij besloten dus iemand te nemen, die Jesus zoude helpen in het dragen van het kruis, doch er was niemand te vinden, die den in zijn oog vernederenden last op zich wilde nemen. Bij het uitgaan
131
der poort van Jerusalem echter ontmoetten zij een landman, een vreemdeling, die terugkeerde van zijnen akker. Deze man werd tegen zijn zin gedwongen het kruis achter Jesüs op te nemen en Hem te volgen tot op den berg. 0, hadde Simon van Cyrene geweten welke last hem werd opgedragen, had hij geweten wie Christus was, en hoe verdienstelijk werk hij hier verrichtte, met hoeveel vreugde zoude hij het kruis hebben opgenomen, en er was geen geweld noodig geweest om hem er toe te brengen. Doch wij, Christenen, wij benijden in zeker opzicht Simon van Cyrene, wij zouden vurig verlangen in zijne plaats geweest te zijn, en wij zouden ons gelukkig, bovenmate gelukkig rekenen, indien ons die eer te beurt viel. Maar hebben wij dan geen geloof? Zijn wij dan niet overtuigd, dat als wij hier op aarde geduldig lijden, wij het kruis van Jesus verlichten en schatten van verdiensten bijeenvergaderen! Maar zoo is de geneigdheid van vele menschen; zij verlangen altijd groote zaken te doen; was het nog in de dagen dei-vervolging , zij zouden den marteldood willen sterven; waren zij rijk, zij zouden alle liefdadige inrichtingen bijstaan; waren zij bij Jesus geweest, zij zouden Hem getroost en geholpen hebben; maar als het er op aankomt hiervan ook maar een klein bewijs te geven, als zij een weinig moeten vasten, aan eenige ziekte lijden, wat pijn onderstaan, eene beleediging moeten verduren, kortom, een klein kruisje moeten dragen, dan bezwijkt hun moed, dan weigeren zij als Simon, zonder te denken aan al de groote verlangens, die zij ooit gehad hebben, zonder er aan te denken, dat zij daardoor het kruis van Jesus kunnen verlichten, zonder er aan te denken, dat zij door geduldig te lijden zoovele verdiensten kunnen bekomen. Wat
132
maken wij grootsche plannen, wat nemen wij moedige besluiten in sommige oogenbikken van devotie, maar wat komt er van die plannen, hoe lang duren die voornemens? Tot de eerste beproeving de beste; dan beginnen wij te klagen, te morren, ea weigeren wij ons kruis op te nemen en Jesos te volgen. Waar blijft dan onze moed, om voor Jesus iets te doen? Volgen wij liet voorbeeld van die godvruchtige vrouw, welke, gelijk de overlevering ons verhaalt, door de woeste beulen henendrong, aangemoedigd door het voorbeeld van Mama, en die met een doek het aanschijn van Jesus afdroogde. Dat was een ware troost voor Jesus, en daarom beloonde Hij haar terstond, door zijne aanbiddelijke gelaatstrekken op haren doek af te prenten, gelijk zulks nog heden te aanschouwen is. Hoe goed is toch Jesus; niet het minste, wat wij voor Hem doen, blijft onbeloond! Wat zijn wij dan dwaze schepselen! Wij doen zoo veel voor de wereld, en zij spot met ons, zoo niet nu dan later; wij doen zoo veel voor het tijdelijke, en wat is het anders dan ijdelheid der ijdelheden: Vanitas vanitatum. Wij doen zoo veel voor de eer, en het aanzien, en wat beteekent al die eer? het is een rook, die ras verdwijnt en niets dan een onaan-genamen geur achterlaat. Hoe veel konden wij doen voor Jesus, hoe veel verdiensten konden wij vergaderen; hoe veel uren, hoe veel dagen, hoe veel maanden en jaren gaan verloren voor ons, zonder iets voor den hemel. Elk woord, dat wij spreken, elke gedachte , die wij koesteren, elk werk, dat wij verrichten, kon eene nieuwe verdienste voor den hemel zijn, als wij het met Jesus voor God deden, maar helaas, voor wien zijn onze woorden? Waaraan denken wij het meest ? Wat doen wij en waarvoor werken wij ?
133
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Het is niet genoeg te zeggen, dat wi] ons kruis willen dragen, dat wij Jesus willen helpen, wij moeten zulks toonen door geduldig den tegenspoed te dragen, de beleedigingen aan te nemen, ziekte of smart of pijn te onderstaan.
2. Alles wat ons in deze wereld overkomt strekt tot ons welzijn, geeft ons verdienste als wij er een goed gebruik van weten te maken. Krijgen wij verdriet, laat ons geduldig met Jesus dat kruis opnemen. Schenkt God ons vreugd, danken wij God er voor, en dat het ons aanwakkere, om des te meer voor God te willen doen en te meer te willen lijden.
3. Hoe vele verdiensten laten wij verloren gaan, vooral zij die in het zweet huns aanschijns moeten werken. Welke taal wordt er soms onder het werk gesproken? Welke gedachten heeft men? In plaats vau schatten voor den hemel, levert het werk ons dikwijls straffen voor de hel.
4. O Maria , bid voor mij, opdat God mijn hart zuivere en reinige, en zijn afbeeldsel in mijne ziel prente, opdat ik Hem altijd voor oogen houde, nooit meer beleedige en eiken dag in de deugd vooruitga. Amen.
XL I.
Vrijdag na Passie-SEondag.
Filice Jerusalem, nolite flere super Me, sedsuper vos ipsas Jiete, et super filios vestros. Lüc. XXIII: 28. Dochters van Jerusalem, weent niet over Mij, maar loeent over u zelven, en over uwe kinderen !
• nder de menigte, die Jesus nu volgde, bevonden zich eenige vrouwen van Jerusalem, die ofschoon Hem wellicht niet voor den Zaligmaker herkennende ja misschien Hem als een grooten booswicht beschouwende, echter medelijden met Hem hadden, op het zien van zijn bitter lijden, en weenden. Maar Jesus keerde zich om tot haar en zeide: Dochters van Jerusalem, weent niet over Mij, maar weent over u zelven en over uwe kinderen.! Want ziet, er zullen dagen komen, waarin men zeggen zal: Zalig de onvruchtbaren, en de schoot die niet gebaard heeft, en de borsten die niet gezoogd hebben! Alsdan zal men tot de bergen beginnen te zeggen: Valt op ons: en tot de heuvelen: Bedekt ons. Immers indien zij dit aan het groene hout doen, wat zal aan het dorre geschieden?
Heilzame en liefdevolle vermaning van Jesxis!
Wie weet welken indruk die woorden op die medelijdende vrouwen hebben gehad, en of zij daardoor niet tot bekeering, tot de leer van Jestjs zijn gekomen. Maar die woorden zijn ook voor ons uitgesproken. 0 hoe zeer hebben wij over ons zelven te weenen
135
en over onze kinderen! Over ons zelven! Ach aan hoeveel zonden zijn wij plichtig! Wat hebben wij in al die jaren, die wij beleefd hebben, niet gedaan tot ons eeuwig ongeluk! Hoe dikwijls hebben wij de hel, den eeuwigen dood verdiend! Althans hoe menigmaal hebben wij Jesus bedroefd, hoevele jaren nutteloos doorgebracht! Hoeveel verdiensten laten verloren gaan! En over onze kinderen! Waar zijn de ouders, die zich niet beklagen over hunne kinderen? Waar de meesters, die geene redenen hebben om te treuren over hunne dienstboden? De kinderen willen wijzer zijn dan hunne ouders, schamen zich over hen, en storen zich niet aan hunne bevelen. De dienstboden denken er niet eens aan, dat zij eerbied en onderdanigheid aan hunne meesters verschuldigd zijn; als ik mijn werk doe, wat heeft hij dan verder van mij te vorderen, zegt men, zonder te willen inzien, dat de eerste zorg des meesters moet zijn over de zielen zijner dienstboden te waken! Maar wat erger is, zijn soms de ouders en de meesters niet zelven de schuld van het bederf hunner kinderen en ondergeschikten? Gaan zij hen voor met goede voorbeelden, door dikwijls te naderen tot de H. Sacramenten en door een braaf en godvruchtig leven ? Ontstichten zij hunne onderhoorigen niet dikwijls door hun onbehoorlijk gedrag? Ja, zijn er geene ouders, geene meesters die rechtstreeks hunne kinderen, hunne onderdanen tot het kwaad aanzetten of er aanleiding toe geven? Ongelukkige meesters, het is u niet genoeg, dat uwe dienstboden al hunne lichaamskrachten u ten offer brengen, moet ook hunne onsterfelijke ziel u ten dienste staan, en moeten zij bij hun tijdelijk leven ook hun eeuwig leven u ten offer brengen! O, uwe verleiding roept om wraak ten
136
hemel! Indien zij dit aan het groene hout doen, wat zal dan aan het dorre geschieden! Indien de rechtvaardige zelfs moet lijden, indien de brave reeds gestraft wordt om kleine fouten, wat zal dan aan den goddelooze geschieden? Welke straffen wachten dan eenmaal die goddelooze verleiders van dienstboden en kinderen ! O ongelukkigen, denkt, ach ik bid u, denkt aan uw oordeel! Groote God, zal dat kind in het oordeel zeggen, ik heb de hel verdiend, ik moet bekennen, dat mijn doemvonnis rechtvaardig is, maar wie is de schuld er van, de grootste schuld? Mijne ouders, door hunne slechte voorbeelden; door hunne nalatigheid heeft die dienstbode mij bedorven ; zij verdienen, meer dan ik, den eeuwigen dood der hel. En het kind zal zijne eigene ouders vervloeken, ja misschien ze eeuwig vervloeken en verwenschen in de hel. Even zoo zal die arme dienstbode zeggen: Rechtvaardige God, ik was arm, ik was een wees, ja ik heb de hel verdiend, omdat ik toestemde in de zonde, maar wee mijn verleider, die mij dwong door mijne armoede, die misbruik maakte van mijne verlatenheid.
GO DVEUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Onze zonden zijn onze kinderen. Nooit kunnen wij die genoeg betreuren, altijd moeten zij voor onze oogen staan, om boete er voor te doen: et peccatum meum contra me est semper, zegt de Profeet.
2. Zoo vreeselijk groot en betreurenswaardig is de zonde, dat Jestjs hier wil zeggen: de zonde is meer te betreuren dan al mijne pijnen en smarten; ween dus niet over Mij, maar over uwe bittere zonden.
137
3. Als groote heiligen bevreesd waren op hun sterfbed, als zij nog moesten lijden in het vagevuur, wat zal er dan van ons, van het dorre hout geworden! Zij zijn het groene hout, omdat zij vruchten voortbrengen; waar zijn onze vruchten voor den hemel, waar zgn onze verdiensten, onze goede werken?
4. Maria, uw voorbeeld en uwe voorbede heeft reeds zoo vele heiligen in den hemel gebracht, verkrijg voor mij de genade, dat ik hier zoo leve, dat ik eenmaal na dit leven bij U in den hemel God moge loven. Amen.
XL II.
Zaterdag vóór Palm-SEondag»
Erat autem hora tertio.; et crucijixerunt Eum.
Marc. XV: 25.
Het was nu de derde ure en zij kruisigden Hem.
fpaarpaar is dan eindelijk Jesus op Calvarië aan-g gekomen! Ziet, men werpt het kruis voor ^zijne voeten neder; de een brengt ladders, een ander touwen, een derde hamers en spijkers en verdere behoeften mede. Ieder der beulen maakt zich gereed om zijn beulwerk te gaan beginnen en dat alles gaat vergezeld van de schandelijkste smaadwoorden. Maar Jesus lijdt en zwijgt! Hij werpt een blik op het kruis, op al die folteringen, op al die toebereidsels, en opnieuw offert Hij zich voor
138
ons aan zijnen Hemelsclien Vader op; opnieuw verklaart Hij voor ons aan een kruis te willen sterven, om ons te verlossen, om den Hemel voor ons te openen.
O, mij dunkt, ik zie Jesds daar voor ons, dat is, voor alle menschen staan en ik hoor hem ons toespreken: O gij menschen, ziet, wat Ik reeds voor u heb uitgestaan en nog voor u zal gaan lijden; komt, zondaars, en overweegt wat uwe zonden Mij gekost hebben en nog kosten zullen! Komt, hoo-vaardigen, en ziet, hoe Ik, om uwen hoogmoed tot de diepste vernedering ben gebracht! Komt, geldzuch-tigen, en ziet hoe Ik, om uwe geldzucht, van alles, zelfs van mijne kleederen beroofd word! Komt, ontuchtigen, en ziet, hoe Ik, om uwe zinnelijke lusten, in alle mijne ledematen ben gepijnigd en gefolteid! Komt, schaamtelooze vrouwen, en ziet, hoe Ik, om uwe schandelijke kleeding, naakt en beroofd van kleederen in schaamte hier sta! Komt, dronkaards, en ziet, hoe Ik, om uwe gulzigheid, den hevigsten dorst moet lijden en den bitteren smaak van wijn met myrrhe moet proeven! Komt, afgunstigen, en ziet, hoe Ik om uwe lastertaal, om uwen haat en nijd, van iedereen beschimpt en gelasterd, van iedereen gehaat en vervolgd word! Komt, verwenschers en godslasteraars, en hoort, hoe men Mij, om uwe vloeken en verwenschingen, de vreeselijkste verwen-schingen doet hooren! Komt, gij alle goddeloozen, en ziet, hoe Ik, om uwe onverschilligheid en ongodsdienstigheid, allerlei smaad en verguizing moet ondergaan! O vos omnes qui transitis per viam, attendite et videte, si est dolor simt dolor meus: O gij allen, die voorbijgaat, overweegt en ziet of er eene smart is gelijk aan de mijne! O zondaars, wat
139
moet Ik voor u lijden! O rechtvaardigen, vergeet het nooit, wat Ik voor u heb onderstaan; lijdt met Mij, nooit zal uwe smart de myne kunnen evenaren!
Intusschen zijn de beulen gereed; zij bevelen.... en Jjisus gehoorzaamt!! Jesus legt zich neder op het kruis. Hij strekt zijne handen uit en hoort!! GoltjotJia weergalmt van de hamerslagen, die de wreede nagelen door de handen en voeten van den Godmensch doen dringen! Vreeselijk oogenblik! hoe woedend slaat men op die nagelen, met welk geweld rukt men handen en voeten naar de voor hen bestemde plaats; welke ruwe kracht heeft men noodig om den linkerarm en vooral de linkerhand zoover te brengen, dewijl hij was ineengetrokken door de kruisiging van den rechterarm! Maar Jesus lijdt en zwijgt! Zijne wonden openen zich opnieuw, het bloed vloeit op alle plaatsen uit zijn lichaam, en door het oprichten van het kruis en door den schok van het planten worden al zijne smarten hernieuwd!
O Jesus, gekruisigde Jesus, wat lijdt Gij veel, en lang, en smartelijk! En ik zoek het gemak, en de zinnelijkheid en de rust. Alles, wat ik voor U moet doen is mij te veel! Een weinig vasten, te veel; Een weinig waken, te veel! Eene kleine ziekte, te veel! Een geringe pijn, te veel! Eene beleediging, te veel! Alles te veel, ik kan, ik wil mij niet versterven ! Is dat op U gelijken, is dat U navolgen! Kan ik met den Apostel zeggen; ik ben met Christus gekruisigd? O Jesus, leer mij lijden!
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Verbeeld u Jesus te zien staan bij zijn kruis, verbeeld u dat Jesus op zijn kruis wijst, u zegt.
140
wat Hij voor u Leeft gedaan en u afvraagt, wat gij uit dankbaarheid Hem weergeeft!
2. Val voor Jesüs op uwe knieën neder en zeg Hem: O Jesus in plaats van met U te lijden, heb ik uw kruis verzwaard, beb ik met de beulen U gepijnigd; maar het zal niet meer gebeuren; ik zal gaarne lijden om te voldoen voor mijne zonden.
3. O Jesus, ik wil de versterving gaan beoefenen. Uitwendig zal ik mij versterven in mijne oogen, in mijne tong, in al mijne ledematen , in eten en drinken, in alles; maar vooral wil ik mij inwendig versterven , mijne driften onderdrukken, mijn kruis met liefde omhelzen en achter U dragen, om ü te volgen.
4. Maria , gij, die nooit uwen God door eenige zonde hebt bedroefd, hebt nogtans heel uw leven in versterving doorgebracht! Dat uw voorbeeld mij leere hoe dubbel noodzakelijk voor mij de deugd van versterving is. Amen.
oo o o o oo o o
XLIII.
Palm-Zondag-.
Pater, dimitte illis: non enim sciunt, quid faciunt.
Ltjc. XX1H: 34.
Vader, vergeef hun, want zij weien niet, wat zij doen.
Pestjs hing dan aan het kruis, zijne vijanden zegevierden, en konden zich nu in zijnen doodstrijd verlustigen. Maar nog was het hun niet genoeg, zij moesten ook nu nog Hem bespotten en zij riepen Hem toe: Alios salvos fecit, Seipsum
141
non potest salvum facere: anderen lieeft hij gered, zich zeiven kan Hij niet redden; Si rex Israel est, descendat nunc de cruce et credirnus Ei: als Hij de koning van Israel is, dat Hij nu van het kruis af kome, en wij gelooven aan Hem.
O lieve Jesüs, verdraag die beleedigingen, daal niet van uw kruis, neen, blijf daar om ons te verlossen ; wat moet er van ons geworden, als Gg aan die uitdagingen wilt beantwoorden, als Gij ons niet verlost. Uie ongelukkige spotters zullen U toch niet gelooven, zij zullen het aan de macht des duivels toeschrijven, en U evenzeer vervolgen. Hebben zij Lazarus niet verrezen gezien, zijn zij geene getuigen geweest van honderden mirakelen door U gedaan? Helaas! ocidos habent et non vident, aures et non audiunt, zij hebben oogen om te zien , maar zij willen niet zien; zij hebben ooren om te hooren, maar zij willen niet luisteren.
Zoo gaat het nog in onze dagen met zoovele ongeloovigen, ook onder de Christenen; zij willen niet zien, zij willen niet overtuigd worden, en zelfs een mirakel zou niet in staat zijn hen te bekeeren. Is het geen mirakel van lankmoedigheid, dat God hen verdraagt, hen nog tijd geeft om te bekeeren en hen niet dadelijk straft volgens hunne verdiensten. Jesüs lijdt en zwijgt.... maar neen, ik vergis mij, ik zie, Hij opent den goddelijken mond. Wat zal Jesüs zeggen? Is eindelijk zijn geduld ten einde, is eindelijk de misdaad ten toppunt gestegen? Zal Hij nu zijne veroordeeling, zijn vloek niet uitspreken over die ontaarde Joden en die oumenschelijke beulen? Mijne pel, gij oordeelt Jescs volgens uw eigen hart, volgens uwe gevoelens. Neen, Jesüs spreekt geen vonnis uit, neen, Hij vervloekt en veroordeelt die
142
onverlaten niet, ofschoon zij het zeker verdienden. Hij wil u beschaamd maken over uwe wraaknemings-zucht; hoor wat die goede Jestjs zegt en vergeet nimmer die treffende woorden: Pater, dimitte illis: non enim sciunt, quid faciunt; Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. Waarlijk goddelijk voorbeeld! Welk eeue liefde! Midden onder het verwenschen en beschimpen, midden onder de fol-terendste smarten, voor zijne verwenschers, voor zijne beulen te bidden! En wij, hoe grammoedig zijn wij bij den minsten smaad ons aangedaan, hoe zouden wij ons wreken als wij er vermogen toe hadden! Wanneer zullen wij Jesus eens navolgen, wanneer onze vijanden beminnen en voor hen bidden ? Vader, zeide Jestjs, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. O neen, de beulen kenden Jesus niet, zij wisten niet, dat zij hunnen God, hunnen Verlosser en Zaligmaker kruisigden, anders zouden zij het niet gewaagd hebben; maar gij, zondaar, gij wist het, dat gij God beleedigdet door uwe zonden, gij wist het, de Apostel Paultjs heeft het u gezegd, gij wist, dat gij door uwe zonden uwen Jesüs als opnieuw gingt kruisigen en toch deedt gij die booze zouden. Kunt gij ook tot uwe verontschuldiging bijbrengen, dat gij niet wist, wat gij deedt? En toch het is eene waarheid, gij weet niet wat gij doet als gij zondigt, want de zonde, de doodzonde is zoo groot, is een zoo afschuwelijk kwaad, dat niemand de boosheid er van kan begrijpen. Neen, kendet gjj de ware boosheid, de gruwelijkheid der zonde, gij zoudt ze niet kunnen bedrijven, al waart ge nog duizendmaal boozer dan nu! Hoe ijselijk is de zonde, laten wij ze nooit meer bedrijven; bidden wij ook: Vader, vergeef het mij, want ik wist niet wat ik
143
deed, en ofschoon ik ook nu nog de geheele afschuwelijkheid en hatelijkheid der zonde niet kan begrijpen, zoo gevoel ik toch thans zulk een afkeer van dezelve, dat ik, met uwe hulp, toch betrouw ze nooit meer te znllen bedrijven. Daarom, o Vader, vergeving!
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Stoor u niet aan verwenschingen, u onrechtvaardig toegestierd, aan beleedigingen u ten onrechte aangedaan. Jesüs is uw voorbeeld, verdraag geduldig, bid voor uwe vijanden.
2. Welk een schoon gebed van Jesus ! Volgen wij Hem na? Kunnen wij eiken dag gerust bidden in het »Onze Vaderquot;: Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren? Weet het wel, als wij onzen vijanden niet vergeven, dan mogen wij op geene vergiffenis rekenen, ja dan is ons dagelijksch gebed in het Gebed des Heeren eene bede om straf, namelijk om door God behandeld te worden, gelijk wij onze vijanden behandelen, dus om geene vergeving te bekomen.
3. Vader, vergeef mij de zonden; nooit heb ik het beter ingezien dan thans, hoe vreeselijk boos de zonde is; ik wil ze vluchten, ik wil ze nooit meer bedrijven. O Vader, vergeving!
4. Lieve Moeder Maria, God zal mij zeker vergeven als gij voor my bidt; nooit zal ik meer in zonde vallen, als gij mij beschermt. Bid dan voor mij en wees mijn beschermster. Amen.
XLIV.
IWaantla^ in de Ooede IVeek.
Hodie Mecum eris in Paradiso. Lüc. XXII: 43.
Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.
rjSgffloe goed is toch Jesus, mijne Christenen, en 111 et welke liefde vergeeft Hij niet alleen aan zijne vijanden, maar bidt Hij zelfs voor zijne vervolgers! 0 laat ons dat goddelijk voorbeeld navolgen, laten wij, als ware Christenen, elkander uiterharte vergeven. Indien wij in ons hart nog eenigen haat, nog eenige afgekeerdheid van dezen of genen vinden, ontdoen wij ons dan aanstonds van die kwade neiging en bidden wij voor hen. Paschen is nabg, welk beter middel zullen wij aanwenden, om zelf vergeving te bekomen, dan door vergeving te schenken aan allen, die ons ooit iets misdeden. Bemerkt, hoe krachtig het gebed is in die gevoelens uitgesproken; het gebed van Jesus wordt aanstonds verhoord, heeft dadelijk eene heilzame uitwerking. In den beginne namen de booswichten, die met Jesus gekruisigd waren, deel aan de beschimpingen tegen Hem uitgebracht; maar toen een dier ongelukkigen dit treffende, bewonderenswaardige gebed hoorde, begreep hij, dat hier meer dan menschelijke liefde aanwezig was, hg gevoelde het, dat Jesus de ware Messias, de ware Verlosser was, hij kwam tot inkeer op het zien van zulke liefde en openlijk betreurde hij zijne zonden. Hij berispte zijnen medemakker, beleed openlijk in
145
JEsus te gel ooven, en vroeg Hem: Domine, memento mei, cum veneris in regnum tuum: Heer, gedenk mijner, als Gij in uw rijk zult gekomen zijn En de goede Zaligmaker, die gekomen was, om de zondaars te zoeken en zalig te maken, antwoordde hem aanstonds : A men, dico tihi: hodie Mecum eris in paradiso : Voorwaar, ik zeg het u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn, dat is, in die plaats waar de uitverkorenen thans nog verblijven, totdat de hemel voor hen geopend wordt.
O zondaren, welk een troostend voorbeeld! Hoe groot, hoe uitgestrekt, hoe spoedig is Gods barmhartigheid! Een oogenblik van een waar berouw, eene enkele bede en die booswicht, die misschien heel zijn leven God beleedigd had, werd van zondaar een heilige, van vijand een vriend van God, van een diep ongelukkige de gelukkigste mensch der wereld. Zullen wij nu nog ooit wanhopen aan Gods goedheid en barmhartigheid ? Moet dit voorbeeld ons niet aansporen, om ook spoedig ons in de armen dier barmhartigheid te gaan werpen en bij God vergeving te gaan vragen in den biechtstoel. Weerstaat dan niet langer aan de stem van uw geweten, maar bekeert u in deze dagen van bijzondere genade. God wacht u, Hij verlangt ook tot u te zeggen, door den mond van zijn\' priester: absolvo te, ik ontsla u van alle uwe zonden, ik neem u weder aan tot mijn vriend, ik geef u opnieuw recht op den hemel. Zoo groot kunnen uwe zonden niet zijn, zoo talrijk kunnen uwe misdaden niet wezen of door de verdiensten van Jesus zullen ze alle worden uitgewischt, als gij maar met den goeden moordenaar den moed hebt u oprecht te be-keerenquot;, uwe schuld bekent, een waar berouw hebt en God om vergeving smeekt. Maar spot niet met
10
146
Gods barmhartigheid, laat u niet misleiden tot vermetelheid en zegt niet, dat gij u later nog zult kunnen bekeeren, misschien op uw sterfbed. Thans wordt u de genade aangeboden, later misschien niet meer. Indien gij thans Gods barmhartigheid versmaadt, wie zegt u, dat gij later die genade nog zult hebben. De goede moordenaar bekeerde zich dadelijk, toen hij de genade ontving, hij zoude ongelukkig gestorven zijn, had hij aan die genade weerstand geboden. Alle zondaren willen zich later, zeker op hun sterfbed, bekeeren, maar dan ontbreekt hun dikwijls de tijd of de goede wil en de meeste sterven in onboetvaardigheid. Let op, hoe aan de andere zijde van Jesüs een booswicht onboetvaardig sterft! Naast Jesus sterven en toch voor de hel! Welk eene les!
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1, Weest barmhartig en u zal barmhartigheid geschieden. Hoeveel moet God u vergeven, en zult gij uwen evennaaste niet gaarne kwijtschelden het nietige, in vergelijking van hetgeen gij jegens God misdaan hebt. Gij kunt geene ware liefde tot God hebben, als gij al uwe evennaasten niet oprecht van harte bemint.
2. Betrouwen wij altijd op Gods oneindige barmhartigheid ; onze zonden mogen groot en talrijk zijn, maar Gods goedheid en barmhartigheid is oneindig grooter. Hij is een Vader, die met blijdschap den verloren zoon ontvangt; Hij is een Herder, die het verloren schaap gaat opzoeken, het op zijne schouders
147
neemt en met vreugde naar den schaapstal terugbrengt. Men moet wel diep ongevoelig zijn, om koud te blijven voor zulke goedheid.
3. Hoe vermetel is het zijne bekeering uit te stellen! Kan de dood niet onverwachts ons overkomen; zullen wij in staat zijn later eene goede biecht te spreken; moet God ons ten dienste staan als wij maar willen ? En zullen wij den oprechten wil hebben? Dwaasheid en vermetelheid daarop te durven rekenen!
4. O Mama, bid voor mij, opdat ik aanstonds tot Gods barmhartigheid mijne toevlucht neme. Amen.
XLV.
■tinsdag\' in de Ooede-IVeek.
Ecce Mater tua. Joann. XIX: 27. Ziedaar uwe Moeder.
i nder aan den voet des kruises stond Maria, de Moeder van Jesus, met Maria Magdalena en den H. Joannes, den Apostel. O wat leed die goede Moeder bij het zien toebereiden van de kruisiging, hoe was elke hamerslag ook een dolksteek voor haar Moederhart. Hoe griefden haar die schandelijke bespottingen en verguizingen, die Jesus werden aangedaan ; maar zij zag haren goddelijken Zoon geduldig lijden en op zijn voorbeeld leed zij in stilte, geduldig en onderworpen. Zij vereenigde zich met het gebed van Jesus en ook zij bad voor de beulen, die haren
148
Zoon en dus ook haar zoo gruwelijk beleedigden. Welken troost ondervond zij toen Jesus de zaligheid beloofde aan den berouwhehbenden moordenaar, en hoe verheugde zij zich in het vooruitzien, hoe velen door Jesus den hemel zouden bekomen. De goede Jksüs wilde tot op het laatst bewijzen, hoe Hij zijne Moeder beminde, welke zorg Hij yoor haar droeg. Hij sprak dus tot Maria, zijne Moeder: Mulier, ecce Jilius tnus: Vrouw, ziedaar uw Zoon; en vervolgens zeide Hij tot Joannes: ecce Mater tua, ziedaar uwe Moeder. De heilige Joannes verbeeldde daar heel het menschelijk geslacht, en van dat oogenblik af aan hebben wij Mama tot onze Moeder, tot onze voorspraak ontvangen.
Van dat oogenblik af aan is Maria onze Moeder geworden en heeft zij niet opgehouden alle moederlijke zorg voor ons te dragen. In den hemel bidt zij gedurig voor ons, en als wij onze toevlucht tot haar nemen, dan werpt zij zich voor de voeten van Jesus neder, dan herinnert zij Hem aan het plechtig oogenblik onder het kruis, waarop Hij haar tot Moeder van ons aanstelde, en zij verkrijgt al wat zij voor ons vraagt. O hoezeer bemint ons Maria! Niemand op aarde, dan alleen eene moeder, kan begrijpen hoe groot de liefde is van eene moeder voor haar kind; zij bemint het meer dan haar zelve, meer dan haar eigen leven. Maar Maria overtreft in liefde verre de teederste der moeders, hare liefde is nog veel grooter, veel langduriger, veel uitgestrekter. Wij moeten ons dus gedurig aan Maria aanbevelen; God wil ons geene gratie uitdeelen dan door de handen van onze verhevene Moeder; doch Maria is ook altijd bereid onze gebeden te verhooren en bij God de gratie voor ons te verkrijgen. Gaan wij dan met betrouwen altijd
149
tot die goede Moeder! Doet alzoo niet elk rechtgeaard kind? Kent dat het hart eener teedere moeder niet, en durft het niet in alle omstandigheden zijn toevlucht tot die moeder nemen ? Éene aardsche moeder, al bemint zij ons nog zoo teer, kan dikwijls onze gebeden niet verhooren, uit gebrek aan macht; maar Maria, onze Moeder in den hemel, kan alles voor ons verkrijgen , wat ons dienstig is, wat zij voor ons vraagt. God kan haar niets weigeren, haar Goddelijke Zoon verheugt zich haar alles te geven, wat zij verlangt. O hoeveel zondaren zijn door hare voorspraak heiligen geworden, hoevele ingewortelde gebreken zijn door hare tusschenkomst uitgeroeid, hoeveel barmhartigheid heeft zij voor hen verworven! Ja, ik durf zeggen, dat geen Heilige zich in den hemel bevindt, die zijn geluk niet aan Maria\'s voorspraak te danken heeft, en in de hel zou geen enkele verdoemde zijn, indien hij oprecht zijn toevlucht tot Maria had genomen. Maar ik zeg: oprecht zijn toevlucht nemen; het is niet trenoef zoo eenio-e gebeden ter hare eer te storten,
o o _ o o _ t\'
van tijd tot tijd haren bijstand in te roepen ; wij moeten toonen door ons gedrag, dat wij ons willen beteren, dat wij hare kinderen willen zijn, dat wij hare deugden willen navolgen. Dan, maar ook dan alleen, kan en zal Maria loonen onze Moeder en voorspraak te zijn.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Doen wij als Maria en Magdalena en de heilige Joannes. Plaatsen wij ons dikwijls aan den voet des kruises. Overwegen wij Jesits\' lijden en smarten, en bidden wij Hem om door een geduldig lijden deel te hebben aan zijne verdiensten.
150
2. Bedanken wij Jesus Toor zijne groote goedheid, ons Maria, tot Moeder te geven, ons tot kinderen van Maria te benoemen. Doen wij als Joannes deed, erkennen wij van dit oogenblik af Maria voor onze Moeder en doen wij alles wat een oprecht kind voor zijne dierbare Moeder doen moet.
3. Laten wij geen dag voorbijgaan zonder Maria\'s hulp en bijstand af te smeeken. Stellen wij ons grootste betrouwen op Haar; maar bedenken wij wel, dat niemand een waar kind van Maria zijn kan, zoolang hij haren goddelijken Zoon, haren Jesus bedroeft door zijne zonden.
4. O Maria , gy zijt dan mijne Moeder, en gij wilt moederlijke zorg voor mij dragen; het hangt dus maar van mij af om door uwe voorspraak eeuwig gelukkig te worden. Geef dat ik nooit nalate u te beminnen, u als mijne ware Moeder te vereeren en aan te roepen. Amen.
XL VI.
Woensflag in de (woede-fVeek.
Di\'.us mem, Deus rneus, utquid dereliquisti Me?
Matth. XXVII: 46.
Mijn God, mijn God, ivaarom hebt gij mij verlaten.
^mJiet slechts de zondaar moet in dit leven lijden, als hebbende straf verdiend door zijne zonden, fWp% maar God wil, dat ook de rechtvaardige lijden zal, om hem voor den val in de zonde te behoeden
151
en tevens om liem te beproeven, om hem gelegenheid tot verdiensten te geven, door het geduldig verdragen van die smarten. liet gebeurt daarom, dat soms de rechtvaardige meer lijdt dan de zondaar, meer in deze wereld moet worstelen met rampen en wederwaardigheid , dan hij die God gedurig beleedigt. Doch de rechtvaardige, de deugdzame Christen lijdt met geduld, met onderwerping; de getuigenis van zijn geweten, dat hij aan geene groote zonde plichtig en bijgevolg een vriend van God is, geeft hem kracht, om met moedige gelatenheid de zwaarste bezoekingen te ondergaan. Om echter zijne deugd nog tot meer volmaaktheid te brengen, om hem nog rijker in verdiensten te maken, laat God, in zijne oneindige wijsheid, soms toe, dat de brave zich als geheel van Hem verlaten bevindt, aan eene onbeschrijfelijke droefgeestigheid of zwaarmoedigheid is overgegeven en gedurende eenigen tijd in vrees en ongerustheid verkeert. Om echter in die zware beproeving gerust te kunnen zijn, en ook, al schijnt men van God verlaten, zich toch nog geheel op God te vertrouwen en in Hem te berusten, heeft Jesüs voor ons aan het kruis ook dergelijke verlatenheid willen ondervinden eu, tot onzen troost in die beproevende oogenblikken, gaf Hij die verlatenheid openlijk te kennen en riep Hij uit; Deus me us, Deus meus, utquid dereliquisti Me; mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten ? Als wij dan, niettegenstaande ons aanhoudend streven om braaf en deugdzaam te zijn, om getrouw onze godsdiensbplichten te vervullen, om ijverig alle zonden te vluchten, toch soms vreesachtig worden, door geestelijke kwellingen worden aangerand , en geen troost, geene opbeuring meer vinden, zelfs in die heilige zaken, die ons vroeger zoo gelukkig
152
maakten, laten wij ons dan niet aan verkeerden twijfel, aan angst overgeven, maar roepen wij met Jesus uit: Ach God, waarom hebt Gij mij verlaten? Kom tot mij met uwen troost, met uwe opbeuring! Gij weet, hoe ik verlang met ü in vrede en vriendschap te leven. Verlaat mij niet, maar kom mij te hulp. En laat ons dan verder in geduld en onderwerping het oogenblik afwachten, waarop God ons zijn aangenaam bijzijn weer zal doen gevoelen.
Evenmin als Jesus door God was verlaten, ofschoon God in die laatste oogenblikken de werkzame kracht zijner ondersteuning aan Hem onttrok, opdat niets aan zijn lijden zoude ontbreken, evenmin heeft God u dan verlaten , maar is Hij dikwijls het dichtste bij u , en op het punt om u met de grootste vertroostingen te overladen. Door het menigvuldige bloedverlies en door de myrrhe, welke Hij vóór de kruisiging had genuttigd, leed Jesus aan hevigen dorst, en Hij wilde ook dit lijden aan ons kenbaar maken, zeggende : Sitio, Ik heb dorst; en aanstonds stak een soldaat eene spons op de punt zijner lans in een vat met azijn en bood Hem te drinken. Jesus leed dien hevigen dorst om te voldoen voor die zondaren, die zich schuldig maken aan overdaad, voor die gulzigen, die altijd over eten en drinken denken of spreken , en er altijd op uit zijn de keurigste spijzen voor zich te zoeken; Hij leed vooral voor die dronkaards, die door het overmatig gebruik van bedwelmende dranken ziel en lichaam ten onder brengen. Maar de grootste dorst van Jesus was niet die des lichaams, maar die zijner ziel; Hij dorstte naar onze zielen, naar onze zaligheid. Hij verlangde zoo vurig ons allen te redden, niemand uitgezonderd. O mochten wij ook zulk een dorst gevoelen, mocht ook ons grootste verlangen
153
bestaan in onze ziel te redden en de zielen van anderen zalig te maken!
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Indien God ons beproeft en wij ons van Hem als verlaten bevinden, zonder dat wij ons aan groote fouten plichtig kennen, mogen wij even als Jesüs, ons op zachtmoedige wijze bij God als beklagen, dat Hij ons heeft verlaten; wij mogen Hem verzoeken ons ter hulpe te komen, doch wij moeten op de eerste plaats Hem smeeken om geduld en onderwerping in die beproeving, wetende , dat alles, wat God doet, oneindig wijs is en welgedaan.
2. Geven wij ons nooit over aan verkeerde, overdreven vrees. Als wij door kleingeestige kwellingen, door scrupulen of andere pijnen des geestes worden aangerand, denken wij dan, dat nooit iets wat overdreven is, van God kan komen, non in commotione Dominus, van God komt geene overdreven onrust, maar altijd rust en vrede. Al waart gij de grootste zondaar, en al ontwaakte nu eerst uw geweten door Gods genade, dan zoudt gij u nog niet overdreven gejaagd gevoelen, maar gij zoudt in vrede diep uwe zonden betreuren, en met bedaardheid u naar den biechtstoel begeven, en u geheel aan uwen biechtvader onderwerpen; al wat overdreven is, komt en is een list van den duivel.
3. Bid dagelijks voor de bekeering der zondaren. Toon ijver, niet slechts voor uwe zaligheid, maar ook voor die van anderen.
4. quot;O Mama , Moeder des vredes, bid voor ons om rust en vrede van geweten. Amen.
LXVII.
Witte-Uondenlagr.
Consummatum est. Joan. XIX: 30. Het is volbracht.
mocht Jesus zeggen: Sitio, Ik heb dorst. Heel zijn leven had Hij gedorst naar onze zielen, heel zijn leven had Hij besteed om ons te onderwijzen, om ons een voorbeeld te geven; vurig had Hij verlangd naar den dag van zijn lijden, om door zijne smarten en zijnen dood onze zielen te redden en zalig te maken. Hij kon er dus nu gerust bijvoegen; consummatum est, het is volbracht. Alles wat noodig was voor het verlossingswerk volgens de goddelijke raadsbesluiten heb Ik volbracht, het groote werk is volvoerd, consummatum est. Diezelfde woorden mochten ook zoovele heiligen na Jesus en op zijn voorbeeld herhalen. Wat hebben zij gedurende hun leven niet gedaan, om Jesüs na te volgen! Zoo ook werden zij door een vurigen dorst verslonden voor de zaligheid der zielen, al hun doen en streven was om zich zeiven en anderen zalig te maken. Ziet die Apostelen: welk een ijver drijft hen de gansche wereld door, om overal het heil des Evangelies te gaan brengen, overal Jesus te gaan prediken, overal zielen voor Jesus Christus te winnen , en om met hun bloed de waarheid hunner woorden te bevestigen. Ziet die Martelaren; alles versmaden zij in de wereld, eer, roem, rykdom, vermaken, alles om hunne ziel zalig
155
te maken; openlijk prediken zij Jestjs en dien gekruisigd, in weerwil van tormenten en schavotten; blijmoedig sterven zij den marteldood, opdat uit hun vergoten bloed, als uit een heilig zaad, nieuwe Christenen zouden voortkomen, nieuwe menschen voor den hemel! Ziet die H. Belijders: sommigen geven door hunne buitengewone verstervingen aan de wereld een voorbeeld, hoe men alles moet verlaten, om Jesus te winnen, hoe men aanhoudend tegen zich zeiven moet strijden, om den hemel te bekomen; anderen bezoeken onbekende gewesten, om daar, verre van bloedverwanten en kennissen, het kruis van Christus te gaan planten, het Evangelie aan die veriatenen te verkondigen en zoo menschen voor den hemel te winnen. Geen liefdewerk voor de zaligheid der zielen is uit te denken of het is door hen gesticht, bevorderd en behartigd! Welk een ijver bezaten soms niet teedere Maagden voor hare eigene zaligheid en die van anderen.
.9 .
Hoevelen hebben blijmoedig het schavot beklommen, om hare zielen te redden, hoevelen hebben kloosters gesticht of zich er in opgesloten, om daar gedurig voor de zaligheid der naasten te bidden. Welk eene opofferende liefde toonden zij niet bij de verpleging van zieken in de hospitalen en van gekwetsten op de slagvelden, hij de opvoeding van kinderen, bij de zorg voor ouderlooze of verlatene kinderen? En hoevelen toonen nog in deze dagen dienzelfden ijver? Hoevele priesters prediken Gods woord, bedienen de H. Sacramenten, helpen de zieken met een\' ijver dei-eerste Christenen tijden waardig! Hoevelen verlaten ook nu nog hun vaderland om in de ijskoude landen, of onder verzengde luchtstreken den waren godsdienst
o . 0
te gaan verkonden? Hoevele kloosterlingen, zoo mannen als vrouwen, bezweren de goddelijke gram-
156
schap over de boosheid onzer dagen, en weerhouden de straffen Gods door hunne vurige gebeden in de stilte der kloosters. Hoevelen offeren hun leven, hunne jeugd, hunne krachten, alles wat zij bezitten, op voor zieken, voor armen, voor gekwetsten, voor ouden, voor weezen, voor veriatenen. Hoe gelukkig konden al die ijverigen uitroepen: consurnniatum est. Hoe blijde zullen zij, die thans nog aan de zaligheid der zielen arbeiden, eens die woorden uitspreken! Maar wat zal het zijn met hen, die een gedurigen dorst hebben naar de zonden? Wat met hen, die zoovele verergernissen geven en zoo zielen voor de hel trachten te winnen? Ook hun leven gaat voorbij! Hoe zullen zij in het doodsuur gestemd zijn?
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Hoe ongelukkig is de zondaar! Hoe meer hij zijne driften toegeeft, des te meer roepen die driften: sitio, nog meer, nog meer! De ontuchtige weet, dat hij zijne gezondheid en krachten ondermijnt, doch de driften roepen : sitio, nog meer; de dronkaard ziet dat zijne zaken achteruitgaan, dat vrouw en kinderen gebrek lijden, dat zijn lichaam bezwijkt, maar de driften roepen: sitio, nog meer, nog meer; en zoo met iedere gewoonte van zonde! Welk eene slavernij!
2. Als anderen zooveel gedaan hebben en nog doen voor de zaligheid der zielen, zullen wij dan koud blijven en er niets voor doen? Welk een onderscheid bij God tusschen een jongeling, die braaf leeft en anderen zoekt zalig te maken, en den we-
157
reldsclieu jougeling die zich zeiven en anderen ter helle leidt! Tusschen eene religieuse, die voor God geheel leeft en voor de zaligheid van den evennaaste, en het ongelukkige meisje, dat hare ziel in het verderf stort, en de zielen van zoovele anderen door hare schaamtelooze kleeding, manieren enz.
3. Zorgen wij, dat wij eenmaal ook gerust mogen zeggen: Consummatum est; ik hoop alles gedaan te hebben, wat God van mij vraagt!
4. O Maria , sta ons bij en help ons onzen plicht te volbrengen! Amen.
XL VIII.
Gioede-V r ijriag;.
Pater, in manus tuas commendo spiritum rneum. Luc. XXIII: 46.
Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest!
oe is het met ons gesteld? Kunnen wij ook met Jesus zeggen: Consummatum est, alles is volbracht? Durven wij met de hand op het geweten verklaren, dat wij al gedaan hebben, wat God van ons vraagt, dat wij geleefd hebben, gelijk wij moesten leven, voor het doel, waartoe God ons heeft geschapen? Zoo ja, dan zullen wij er ook eeifmaal in het uur des doods met Jesus mogen bijvoegen: Pater, in manus tuas commendo spiritam rneum, Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest.
158
Maar helaas, hoeveel hebben wij ons zeiven te ver-wijten; hoe dikwijls zyn wij te kort gebleven aan onze plichten, hoeveel hebben wij gedaan, dat wij niet mochten doen, dat wij moesten vermijden; hoeveel hebben wij verzuimd, dat wij nogtans verplicht waren te doen! Op dit oogenblik dus mogen wij nog niet zeggen: consummatum est, ik heb mijn plicht volbracht; maar van nu af aan willen wij er ernstig aan denken, van nu af aan zullen wij beter op onze plichten gaan letten. Om dit te beter te doen, moeten wij ons eiken avond afvragen: Mag ik heden zeggen: Consummatum est ? Heb ik gedaan, wat ik moest doen ? En is het antwoord ongelukkig ontkennend, dan moeten wij aanstonds God om vergeving vragen en zoo den plicht vervullen, die na de zonde op ons rust.
Wachten wij niet tot op ons sterfbed, met het herhalen van Jesus\' woorden: Pater, in manus tuas commendo spiriturn meum; maar doen wij dat eiken dag en dikwijls door den dag, maar zeker eiken morgen. Ja, wij moeten eiken morgen onzen geest in de handen des Heeren bevelen, dat is, wij moeten eiken morgen al ons doen en laten, onze woorden, werken en gedachten, ons verstand, ons geheugen en onzen wil aan God opdragen, toewijden en zijnen goddelyken zegen daarover afsmeeken. Dat is het middel om heilig te leven, om getrouw onze plichten te volbrengen en de zonden te vermyden. Als wij dezen regel getrouw onderhouden, als wij eiken morgen ons zeiven geheel onder de bescherming Gods stellen, en eiken avond Hem om vergeving smeeken van de bedrevene fouten, dan zullen wij gerust zijn op ons sterfbed, dan zal de herinnering aan het verledene ons niet beangstigen, en met vreugde zullen wij Jesus nazeggen: Vader, in uwe handen beveel ik mynen geest, Hoe gelukkig
159
is hij, die altijd den dood voor oogeu houdt en zich dagelijks tot denzelven voorbereidt! Moge de dood dan al onverwachts komen, hij zal hem niet onvoorbereid aantreffen! Maar hoe roekeloos leven vele menschen! Zelden of nooit denken zij aan den dood, en in plaats van er aan te denken en zich er toe voor te bereiden, werpen zij die akelige gedachte zoodra mogelijk verre van zich af. Daardoor worden zoo velen door den dood verrast, daarom sterven zoo velen onvoorbereid. En o, wat moet het zijn op het sterfbed als men heel zijn leven niet of weinig aan den dood heeft gedacht, als men met volle recht vrees moet hebben, om rekenschap af te leggen van zijn leven, als men misschien een heel leven in zonden heeft doorgebracht.
Hoe vreeselijk moet het stervensuur van den zondaar wezen, als alles hem angst en schrik aanjaagt: het verledene, dat hij zoo slecht heeft besteed, het tegenwoordige, waarop hij alles moet verlaten, en het toekomende, waarvoor hg zooveel heeft te sidderen. God beware ons voor dergelijken dood! O neen, Jesus, van nu af aan bevelen wij heel ons leven in uwe handen, eiken dag zullen wij met U beginnen, eiken dag hopen wij met ü te eindigen, en eenmaal hopen wij met U gerust onze ziel in de handen van onzen Hemelschen Vader over te kunnen geven. Jesus sprak deze woorden met buitengewone kracht uit, met luider stemme, alweder om te toonen, dat de dood zelf geen vermogen op Hem had, als Hij niet wilde. Hij wilde ons bewijzen dat Hij geheel vrijwillig, uit liefde tot ons, den dood ontving. Ka deze woorden braken zijne oogen, zijn heilig hoofd zeeg op zijde, en----Hij stierf.
160
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Wij moeten bijtijds ouze rekening in orde brengen! Wij moeten eiken dag bereid zijn te sterven, dewijl de dood ons eiken dag kan treffen. Doen wij dus altijd onzen plicht, om gerust te kunnen zeggen: Consummatum est, het is volbracht.
2. Zoodra wij ontwaken moet onze eerste verzuchting tot God gericht zijn; wij moeten aanstonds zeggen: Vader, in uwe handen beveel ik voor dezen dag en voor alle dagen mijns levens, mijnen geest, al mijn doen en laten, alles. Herhalen wij dat eiken avond, na eerst God vergiffenis te hebben afgesmeekt voor onze zonden.
3. Zij sterven niet onvoorbereid, die er altijd aan denken dat zij sterven moeten. De gedachte aan den dood is een der beste middelen, om zich voor de zonden te wachten en braaf te leven. De rechtvaardige, al wordt hij door den dood verrast, zal in vrede wezen.
4. O Maria, sta mij bij in mijn stervensuur, wees gij dan mijn troost en mijn vertrouwen. Op u hoop ik en in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden in dit mijn vertrouwen. Amen.
XLIX.
Katerdag vóór Pasclien.
Inclinato capite tradidit spirit urn. Joann. XIX:30.
Met gebogen hoofd gaf Hij den geest.
sterft... de wereld is verlost! Jesus sterft... val van Adam is hersteld! Jesus sterft... jir^^ God heeft het menschdom vergeven, het weer in genade aangenomen! Wij zijn weer kinderen Gods, we hebben weer recht op den hemel, alles door de verdiensten van Jesus-Chuistus ! Welk een verheven geheim! De Schepper sterft voor zijn schepsel, God geeft zijn leven voor den mensch, Hij, die beleedigd was, offert zich op voor den gene, die Hem beleedigde! Wonderbare liefde! Mogen wij die ooit, ik zeg niet, vergeten, maar zelfs uit het oog verliezen, er ook maar een enkelen dag niet aan denken ? Maar welk eene verplichting legt die liefde ons op! Zullen wij nu ondankbaar zijn? Zullen wij geen gebruik maken van die genade, ons zoo liefderijk aangeboden? Zal de dood van Jesus voor ons nutteloos zijn? Zal zijn bloed voor ons te vergeefs zijn gestort? Helaas, dan zijn wij dubbel schuldig, dan verdienen wij dubbele straf! En nogtans hoe velen leven ondankbaar, voor hoevelen is Jesus tevergeefs gestorven! zij weigeren die genade, zij willen er geen gebruik van maken, want zij willen niet ophouden met zondigen, zij willen niet deugdzaam leven! God bewaar ons voor zulk eeu ongeluk! Jesus sterft.... eene dikke duister-
11
162
nis bedekt uren lang het gansche aardrijk, heel de natuur verkondigt haren rouw. De zon weigert haar licht aan de aarde, de maan verbergt zich aan het uitspansel, de aarde schudt en beeft, de steenrotsen splijten vaneen, de graven openen zich en vele lichamen van heiligen treden uit hun graf te voorschijn! Het voorhangsel in den tempel scheurt van boven tot beneden, een teeken des hemels, dat het gedaan is met der Joden godsdienst, dat de godsdienst van Jesus, het licht des Evangelies dien vervangt, diens plaats gaat innemen. De honderdman, die als hoofd der wacht onder het kruis was geplaatst, werd getroffen op het zien der wonderen en op het hooren van de luide wonderbare stem van den stervenden Jesus; hij klopte op zijne borst tot teeken vau berouw en bekeering, en riep uit: Vere Mc homo Filius Dei erat, die man was waarlijk de Zoon Gods! en die met hem waren, verklaarden met hem: Ja, Hij was Gods Zoon! Zietdaar de eerste vruchten van den dood van Jesus, zij bekeeren zich, en worden ijverige Christenen.
Welk een indruk zal de overweging van dezen dood en deze wonderen op mij maken? Is mijne ziel ook niet in duisternis, is mijn hart geen steenrots, ben ik niet verblind alsof een voorhangsel, een sluier mij belet het ware te zien. 0 God, hernieuw dan in mij die wonderen van uwen dood, verdrijf die duisternis, vermurw dat onbuigzame hart, neem weg of verscheur dien sluier en doe mij zien, tref mij met uwe genade. Dan zal ik als die honderdman en als die hem volgden, ook op mijne borst kloppen en U voortaan met woord en daad belijden! O ja, lieve Jesus, mijn besluit is nu genomen, ik heb dan uw lijden overwogen, ik heb gezien hoeveel smarten en tormenten Gij om mij geleden hebt, ik ben getuige
163
geweest van uw bloedig zweet in den hof van Olijven, van uwe verguizingen in dien akeligen nacht van uw lijden, ik zag U als een zachtmoedig lam te midden van bloedgierige wolven, ik zag ü als een zinnelooze door Jerusalems straten gesleept, ik overwoog uwe geeseling, uwe kroning met doornen, ik volgde ü op uwen bitteren kruisweg, ik hoorde de hamerslagen op Golgotha, ik stond met uwe heilige Moeder onder het kruis en thans heb ik U zien sterven. Ach, als ik bedenk hoeveel deel ik in al dat lijden had, als ik naga hoe eene doodzonde genoeg was om U dat alles te doen ondergaan, dan treur ik, maar niet als zij die geene hoop hebben; neen, uw lijden predikt mij, ja, de boosheid der zonden, doch het verkondigt mij nog luider uwe barmhartigheid. Daarom, o lieve Jesüs, mijn besluit is genomen, geene zonden meer, ik ben dood voor de wereld en hare vermaken; voor U, voor U alleen zal ik leven! Amen.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Jesüs sterft. Vergeet dat nooit. Hij is voor u gestorven, gestorven om u te redden en zalig te maken. Omhels met vurigheid een kruis, druk het op uwe lippen, op uw hart en roep uit: 0 God, die uw leven voor mij ten beste wildet geven, ik geef U het mijne, ik wil voor niemand, voor niets dan voor U leven!
2.» Jesus sterft aan een kruis. Zult gij nu nog langer in alles uw gemak zoeken, de voldoening uwer zinnen ? Sterf aan al uwe driften, aan al uwe
164
verkeerde vermaken, aan al uwe gebreken, aan alles wat niet Jksus is, en Jesus zal u een nieuw leven schenken.
3. Doe vandaag, als gij eenigszins kunt, met aandacht den kruisweg, overweeg goed bij elke statie, bid met vurigheid, en beloof Jesus voortaan immer getrouw te zullen zijn.
4. O Maria , Moeder van Jesus , bid voor mij, opdat ik deze thans gemaakte voornemens nimmer verbreke. Verlaat mij niet in dit leven, opdat ik eens eeuwig met Jesus leve. Amen.
o
.......L........
Pasclien.
Non est hic, surrexit et dm, sicat dixit.
Matth XXVIII: 6.
Hij is hier niet, want Hij is verrezen, gelijk Hij gezegd heeft.
Qg nauw was Jesus gestorven of Hij werd quot;wjg verheerlijkt. Zijne ziel, die even als zijn lichaam, met de Godheid vereenigd bleef, daalde neder in het voorgeborchte der hel, waar de zielen van de heilige Oudvaders en allen, die in Gods liefde gestorven waren, bewaard werden tot het oogenblik, waarop zij in Jesus\' gevolg den hemel zouden binnentreden. 0 wie schetst de blijdschap dier heilige zielen bij de komst van Jesus , met welk een vreugdevollen eerbied hebben zij Hem ontvangen, nu zouden ze welhaast hare banden verlaten en naar den hemel vliegen! 0 hoe blijde zal eene ziel zijn, die hier in
165
Gods genade sterft, als zij Jesus ziet, om met Hem van aardsche banden ontslagen, ten liemel op te stijgen!
Er stond geschreven: erit sepulehrum Ejus glorio-sum, zijn graf zal heerlijk zijn; en ziet, aan het lichaam van Jestjs viel de grootste eer te beurt; Hij was als misdadiger aan een kruis gestorven onder de grootste vernederingen, en met den grootsten eerbied wordt zijn lichaam van het kruis afgedaan, niet door de beulen, maar door twee der eerwaar-digsten en rijksten van Jerusalem, en zijn lijk wordt neergelegd in een nieuw in de rots gehouwen graf, het schoonste van Jerusalem, waarin nog niemand was begraven.
Zoo wordt de brave na dit leven verheerlijkt, al moet hij hier op aarde miskend, veracht en in armoede en verlatenheid leven; zijn strijd, zijn lijden duurt slechts tot aan den dood; en eer zijn lichaam wordt begraven, geniet hij reeds het hoogste geluk en lacht hij met al de wederwaardigheden des levens. Juist het tegenovergestelde heeft plaats met de wereld-lingen, al zijn zij hier gelukkig en in aanzien. Hun geluk, hunne eer dient tot aan het stervensuur, maar wee dan die ongelukkigen! Wat kiest gij, mijne ziel, hier het geluk en hierna eeuwig ongeluk, of hier het kruis van Jesus en hierna zijne verheerlijking? Ziet hoe zijn graf verheerlijkt wordt, hoe zijn kruis vereerd is in gansch de wereld; en de heiligen, die Hem hebben nagevolgd, hoe worden zij gevierd; wat eer geschiedt aan de martelaren, die ook op een schavot hun leven moesten laten voor Jesus ; wat eer valt niet te beurt aan zoo vele heiligen, die hier op aardë in armoede en smaad moesten leven! Op den derden dag van Jesus\' dood en dus des Zondags morgens begaven zich heel vroeg eenige godvruchtige vrouwen,
166
■waaronder Maria, de Moeder van Jestjs, en Maria Magdalena , naar liet graf om het lichaam van Jesüs te balsemen, doch het graf was met een grooten steen bedekt en onderweg zeiden zij tot elkander: Quis revolvet nobis lapidem ah ostio rnonumenti, wie zal ons den steen afwentelen van het graf? Deze zwarigheid echter weerhield haar niet, zij spoedden zich voorwaarts en toen zij bij het graf kwamen, zagen zij den steen reeds afgewenteld. Zij daalden dan in het graf neder, doch ziet, het lichaam van Jesüs was er niet meer te vinden, en toen die vrouwen nader rondzagen, bemerkten zij eensklaps twee Engelen, die tot haar zeiden: Nou est hic, surrexit enim, sicut dixit: Hij is hier niet, want Hij is verrezen gelijk Hij gezegd heeft. En inderdaad, Jjisus was des morgens zeer vroeg verrezen, terwijl het graf bedekt bleef; en de wachters, door Pilatüs, op verzoek der Joden, rondom het graf geplaatst, waren van schrik als dood ter aarde neergevallen en hadden vervolgens de vlucht genomen. Zoo bevestigde Jesüs door zijne verrijzenis de waarheid zijner leer, toonende door dit groote wonder, dat Hij God was en dus de eeuwige Waarheid zelve. Ook wij willen bekeeren, ook wij willen aan Jesus gaan toebehooren; toonen wij dan dit door eene ware verrijzenis, vreezen wij niet voor de moeielijkheid, die het ons zal kosten, wij overdrijven dezelve en dit mag ons niet afschrikken, want zij zal als verdwijnen zoodra wij maar moedig de hand aan het werk slaan. De vrouwen gingen voorwaarts, ofschoon zij niet wisten wie voor haar den zwaren steen zoude afwentelen; zoo moet ook gij doen, keer niet terug uit vrees voor die moeite; als gij komt om u oprecht te bekeeren, zult gij even .als die vrouwen, den steen reeds afgewenteld vinden.
167
het zal u geene moeite meer kosten. Maar bekeer oprecht, verlaat de gelegenheid tot het kwaad; dat men ook van u kunne zeggen: non est Mc, hij is niet meer in dat slechte gezelschap, hij komt niet meer in dat gevaarlijke huis, hij is verrezen, oprecht bekeerd gelijk hij gezegd heeft.
GODVRUCHTIGE OEFENINGEN.
1. Wat baat het den mensch de geheele wereld gewonnen te hebben, als hij zijne ziel verliest. Ware woorden, mijne Christenen, laat ons die ernstig overwegen! Hier gelukkig zonder lijdenen hierna is eene onmogelijkheid; laten ons dan hier gaarne lijden, blijde ons kruis opnemen; als wij onze ziel maar winnen, maar redden, dan zijn wij rijk genoeg. Ziel verloren, alles verloren, ziel gewonnen, alles gewonnen!
2. Laten wij ons niet afschrikken van de bekeering door de vrees voor moeielijkheden. De duivel zoekt ons te bedriegen, ons diets te maken, dat het bekeeren zoo zwaar zal vallen, doch gelooft hem niet, Jesus zal ons den steen doen afwentelen door zijnen Engel of door zijnen priester; beproeven wij het maar en niets zal ons meer medevallen dan het werk der bekeering.
3. Toonen wij onze oprechte bekeering door het schuwen en vermijden der gevaren. Na Paschen moet men ons niet meer vinden, waar gevaar voor onze zielen is, wij moeten de door ons gegevene ergernis herstellen door openlijk van onze bekeering blijken te geven.
4. O Mama, doe ons oprecht verryzen, bid voor ons, opdat wij niet meer hervallen, opdat wij eens eeuwig met u, uwen goddelijken Zoon in den hemel mogen loven, danken en prijzen. Amen.
MANIER OM DE
HEILIGE MIS TE HOOREN
met overweging van het lijden en den dood onzes Heeren Jesus-Christus.
Onderrichting.
De overweging van het lijden en den dood van Jesus Christus is de heilzaamste oefening, waaraan wij ons gedurende het heilige Misoffer kunnen overgeven. Toen Jesus Chr istus het verhevene Sacrament van zijn Lichaam en Bloed instelde, beval Hij ons, zooals de heilige Apostel Paulus verklaart, van met erkentenis, telkens dat wij deze heilige geheimenissen zouden vieren, zijn lijden en zijnen dood le gedenken. Elke reis, zegt Jesus Christus, nadat Hij het heilige Sacrament des Altaars had ingesteld, elke reis dat gij van dit brood zult eten en van dezen kelk drinken, zult gij den dood van den Heer verkondigen (en gij zult er de gedachtenis van vernieuwen,) totdat Hij de levenden en de dooden kome oordeelen.
Dit is even alsof Hij gezegd had: »Ik geef Mij aan u, om u tot spijs en slachtoffer te verstrekken; van heden af begin Ik mijn Lichaam en mijn Bloed aan God, mijnen Vader, op te offeren voor uwe zaligheid; morgen zal ditzelfde Lichaam geslachtofferd worden aan het kruis, en mijn Bloed zal vergoten worden! Dit Lichaam en Bloed zal in het vervolg het zoenoffer zijn,hetwelk gij voor uwe zonden moet opdragen; allen moet gij daaraan deelachtig worden. Het is daarom, dat gij telkens als gij mijn Lichaam en mijn Bloed zult opofferen, dat gij het zult uitdeelen, dat gij u
169
er mede zult voeden, gij mijnen dood zult indachtig zijn, denzei ven zult vieren en verkondigen; gij zult alom verkondigen, dat telken reize, als gij mijn Lichaam en Bloed op het Altaar ziet, het even is, alsof gij de vernieuwing zaagt van mijnen dood aan het kruis. Gelijk Ik Mij op den Calvariëberg ga opofferen, zoo ook zal Ik Mij op de altaren slachtofferen; daar zal Ik op eene bloedige, op de altaren op eene onbloedige wijze zijn; maar het zal altoos dezelfde offerande, hetzelfde slachtoffer wezen; het zal altoos mijn Lichaam, mijn Bloed, mijnen dood zijn, die voor u zullen verbeeld en opgedragen worden; het zal de kracht van mijnen dood wezen, die steeds zal vernieuwd worden. Gij zult dan tot de Christenen zeggen, dat telken reize, als zij tegenwoordig zullen zijn in deze groote ge-heimis mijner liefde, zij die bijwonen met dezelfde gevoelens, welke zij zouden gehad hebben, zoo zij ook getuigen waren geweest van de bloedige offerande, welke Ik morgen voor de zaligheid aller menschen ga opdragen.
Het lijden en den dood van onzen Zaligmaker moeten dan, bij voorkeur, onzen geest bezig houden, terwijl wij het heilige Misoffer bijwonen. Alles vergemakkelijkt ons-deze heilzame overweging, dewijl al de plechtigheden der heilige Mis, al wat de priester aan het altaar zegt en verricht , al zijne werken de verschillende houdingen welke hij aanneemt, en zelfs tot zijne priesterlijke kleederen, alles, in één woord, eenige omstandigheid van het lijden en den dood van Jescs aanduidt.
Er zijn twee manieren om dit smartelijk lijden, gedurende de heilige Mis, te overwegen; de eerste is, van er achtervolgens al de voornaamste omstandigheden van te door-loopen, en er teedere genegenheden met heilige voornemensbij te voegan. Ik beken echter, dat deze manier, welke bestaat in het geheel des lijdens te omvatten, diegene niet is, welke mij de beste voorkomt; inderdaad, de geest heeft nauwelijks den tijd, vooral onder eene gelezene Mis, om al de smartende vertoogen van het lijden te overloopen; hij kan slechts met haast van het eene tot het andere overgaan, en het is hem onmogelijk, van aan elk in het bijzonder de
170
noodige aandacht te verleenen, om er al de gedragregels uit te trekken, die er in besloten zijn.
Ik vermeen dan, dat het nuttiger zoude zijn zich onder elke Mis te bepalen, bij ééne eenige omstandigheid van het lijden des Zaligmakers, en hoe weinig men ook het gebruik kenne van bet inwendig gebed, zal echter de oefening niet noo moeielijk zijn, als men het zich wel zou kunnen verbeelden; men behoeft zich hier slechts een ontwerp te vormen, en het volgende komt mij deswege zeer eenvoudig voor.
Na de verlichting en genade van den heiligen Geest afgesmeekt en eene oefening van vereeniging met alles wat de heilige Kerk, door de bediening des priesters, doet, verwekt te hebben, zal men een punt, welkdanig ook, van het lijden nemen; van het begin der heilige Mis tot aan de Ojferande, zal men het geschiedkundige daarvan door-loopen: van de Offerande tot aan het Pater Noster, overweegt men de lessen, welke Jesus ons in die omstandigheid zijns lijdens heeft willen geven, en men zal zijn leven aan die lessen toetsen, of zich daarover onderzoeken; eindelijk van het Pater Noster tot aan de laatste gebeden, zal men, ten einde geestelijk te communiceeren, zoo men hel niet werkelijk doen kan, eene oefening van berouw verwekken over zijne ongetrouwheden aan de lessen van Jesus Chuis-tds; men zal, voor de verbetering van zijn leven, voornemens maken, geene onbepaalde en algemeene, maar geheel bijzondere; men zal trachten een vurig verlangen tot de heilige Communie in zich op te wekken, en aan Jesus, even alsof men het geluk had Hem in zijn heilig Sacrament te ontvangen, de genade vragen, die Hij weet ons noodig te zijn; en daar het heilige Misoffer bijzonderlijk en wezenlijk eene oefening van liefde is, zal men Hem ook al de leden zijner lijdende en strijdende Kerk aanbevelen, en voornamelijk degenen, die eene bijzondere aanspraak hebben op onze gebeden. Den overigen tijd zal men aan de dankzegging besteden.
Dewijl deze laatste wijze, zoo als men ziet, hoogst voor-deelig, nogtans aan eenige geioovigen een weinig moeielijk
171
zou kunnen schijnen, wanneer zij hunne aandacht lang op een en hetzelfde voorwerp moeten vestigen, zal ik aan deze eene reeks van overwegingen en genegenheden geven, op elke der voornaamste omstandigheden des lijdens, en die volgens de volgorde der heilige Mis rangschikken.
Ofschoon ik getracht heb deze zooveel mogelijk te verkorten ; het ontwerp nogtans gevormd hebbende van iedere der voornaamste omstandigheden des lijdens aan te raken, zullen misschien verscheidene dezer overwegingen en genegenheden te lang zijn, om gedurende de deelen der heilige Mis, hiervoor aangeduid, te kunnen gelezen worden. Ik heb die daarom in verscheidene onderdeelen verdeeld, opdat de lezer zich zou kunnen onledig houden met hetgeen hij zal verkiezen. Overigens is het niet noodzakelijk de volgorde te houden, welke ik heb gegeven; zulks is willekeurig, en men kan de overweging over een punt des lijdens verlengen buiten het deel der Mis, waaronder ik \'t gesteld heb. Men zal zelfs wel doen, zijne lezing te onderbreken en en te staken, zoodra men ontwaren zal, dat zij voedsel geeft aan den geest en aan het hart, om stof te geven aan het inwendig gebed, en men zal de lezing der volgende overwegingen tot op eenen anderen dag verschuiven.
Wat de overweging moet voorafgaan.
Laten wij beginnen ingekeerd te zijn, door ons aan de tegenwoordigheid Gods te herinneren, en ons voor Hem te verootmoedigen; door ons onwaardig te erkennen, om zijnen heiligen tempel binnen te treden en de geheimenissen zijner liefde bij te wonen.
Aanroepen wij Jesus Christus, dat Hij zich gewaardige ons te verlichten, te treffen, te zuiveren, te veranderen , en ons de eindelooze verdiensten van zijn lijden en zijnen dood toe te voegen.
Laten wij der heilige Drievuldigheid het lijden en den dood van Jesus opofferen, en haar smeeken onze offerande aan te nemen, als eene oefening onzer diepe aanbidding en levendige dankbaarheid: laten wij Haar bidden om het goddelijk slachtoffer te aanvaarden tot boeting onzer zonden.
172
en om ons, ten aanzien van hetzelve, de ons noodige genade te vergunnen. Laten wij ons hier voorstellen de verkrijging eener bijzondere genade, zooals deze of die deugd, de uitroeiing van dit of dat gebrek; en trachten wij onze geheele overweging daarnaar te richten; laten wij hier nog aanbevelen degenen, voor welke wij bijzonderlijk verlangen te bidden.
Smeeken wij eindelijk ook Maria, om voor ons te bidden, opdat wij levendig doordrongen worden van dezelfde gedachten, die haren geest vervulden, en van dezelfde gevoelens , welke haar hart bezielden gedurende het lijden van haren goddelijken en teêrgeliefden Zoon.
Geheel tot Jesus en Maria, voor de heilige Mis.
O goede Jesus! wees indachtig dat ik een dier
o o
ongelukkige schapen ben, voor welker zaligheid Gij U op aarde zijt komen slachtofferen. Helaas! ik dwaal nog in wegen die mij van U verwijderen: ach! gewaardig U mij tot uw hart te doen naderen, en liet mijne op het uwe te verwarmen. Maak dat ik, in uwe wonden lezende de boosaardigheid der zonde, die U eenen zoo wreeden dood deed ondergaan, om aan de goddelijke Rechtvaardigheid te voldoen, en de liefde welke Gij mij betoond hebt, door zooveel voor mij te willen lijden, dat ik, dit lezende, van den eenen kant de zonde leere vreezen en verfoeien, en van de andere zijde van liefde voor U, o mijn edelmoedige Zaligmaker, brande.
En gij, allerheiligste Maagd Maeia, die een zoo groot deel hadt in het lijden van uwen Zoon, och! verwerf mij, door de verdiensten uwer smarten, de genade, ten minste iets van dat medelijden te gevoelen, dat uwe ziel bij den dood van Jesus doordrong: verwerf mij den ingang in die fornuizen der heilige liefde, waarin uw hart brandt, opdat ik, aldaar alle aardsche genegenheden verliezende, ook door die gelukkige
173
vlammen moge branden, die de zielen heilig op de aarde en gelukzalig in den hemel maken.
de priester gaat uit de sacrist1j naar het altaar, om den kelk op te stellen.
Jesus gaat, na het laatste Avondmaal, naar den Hof der Olijven
Hoe droevig was voormaals het vertoog, hetwelk Koning David gaf, toen hij, vluchtende voor eenen ondankbaren zoon, blootsvoets, in eene sombere stilzwijgendheid , schier zonder dienaren, treurig de beek Cedron doorwaadde, om zich naar den berg der Olijven te begeven!
O mijn Jesus! welk oneindig hartverscheurender vertoog geeft Gij mij niet op dezelfde plaatsen! Gij, de Koning der koningen! Gij, de Schepper van het heelal! Zonder ander gevolg dan eenige bloode leerlingen , zie ik U, het hart door de wreedste droefheid verscheurd, die zelfde beek Cedron overgaan.
Maar hetgeen mij nog meer in U dan in uwen dienaar David treft, is, dat Gij deze beek overtrekt om de slagen van eenen booswicht te gemoet te gaan, die U aan uwe wreedste vijanden gaat overleveren. Het is uwe liefde voor de menschen, voor mij, rampzaligen zondaar, die U uwe smarten folteringen en versmadingen doet te gemoet snellen.
O mijn goede Jesus ! ik zal met U de beek Cedron, overgaan; beurtelings zal ik daaruit drinken op den weg der boetvaardigheid, en dezelve door mijne tranen van berouw doen opzwellen. O Jesus ! wiea ik zoozeer beleedigd heb, maak dat mijne tranen nimmer opdrogen.
HET BEGIN DER HEILIGE MIS.
de priester aan den voet des altaars.
Jesus in den Hof der Olijven.
geliefde eenzaamheid, waarheen Jesus zich zoo menigwerf begaf, om de dierbare vertroostingen van zijnen Vader te smaken: gij aiedt mg niets meer aan dan schrikbeelden van verwoesting. Eene diepe droefheid doorgrieft het hart van mijnen Zaligmaker: Hij zit nedergeknield, in de houding van eenen misdadige, de handen hemelwaarts geheven, het aangezicht met tranen overgoten, en de aarde met een bloedig zweet bevochtigende, hetwelk door eenen doodelijken angst uitgeperst wordt en nederzijpt.
Wat is er dan toch, dat Hem in eene dusdanige neerslachtigheid werpt? Welke droevige, welke drukkende gedachten vervullen zijnen geest?
O mijne ziel! Hij denkt aan de zouden aller menschen, aan de zonden die de glorie zijns Vaders beleedigen, aan uwe zonden, aan de zonden die Hem tot de wreedste doodstraf zullen veroordeelen; Hij deukt aan zoo vele versteende zondaars, die hun eeuwig verderf zullen inloopen, ondanks alles wat Hij gaat lijden om hen te redden en zalig te maken, en, als verplet onder het gewicht der droefheid, valt Hij met het aangezicht ter aarde neder, de ontferming zijns Vaders afsmee-kende; maar Hij heeft zich met de ongerechtigheden der wereld beladen, om zijne rechtvaardigheid te bevredigen, en zijn Vader aanschouwt Hem niet
175
anders dan als een slachtoffer, dat opgeofferd moet worden: Jesus bidt, en Hij schijnt verlaten te zijn.
O mijn edelmoedige Zaligmaker! Gij loost zuchten, het is om mijn hart te raken; Gij weent en snikt; en waarom ? om mij ten minste eenige zuchten af te persen. Gij stort uw bloed, om mij tranen van berouw te doen storten. Zou ik ü in deze droefheid, in deze doodsangsten, met onbetraande oogen, met een koud en onverschillig hart kunnen aanschouwen? Neen, o Algoede! op het zien mijner zonden, die de oorzaak uwer wreede doodsangsten zijn, roep ik met U uit: mijne ziel is bedroefd tot den dood! Ach, hoe zeer smart het mij, ü zoo veel droefheid veroorzaakt, zoo zeer beleedigd te hebben. O mijn Verlosser! dit leedwezen zal zoo lang als mijn leven voortduren; ik zal mijne droefheid tot aan gene zijde van het graf dragen. Hoe gelukkig zou ik mij rekenen, zoo dit leedwezen levendig, krachtdadig genoeg was, om mij hier aan uwe voeten van droefheid te doen sterven!
Heilzame Opwekking.
Vrome zielen! niet zelden wordt gij gedrukt door dorheden, door walging; alles valt u alsdan moeielijk in de dienst van uwen God: gij gelooft u als verlaten in de nren van dezen geestelijken nacht. Rijst uit uwen droom op; laat den moed niet zinken; het zijn deze stonden van beproeving, welke God toelaat om uwe godsvrucht van alle eigenliefde te zuiveren; houdt stand, verflauwt in niets van uwe heilige oefeningen; nimmer zullen zij verdienstiger zijn geweest, dan in deze oogenblikken van benauwdheid en beslommering, waarop gij zult meenen die met mindere volmaaktheid dan immer volbracht te hebben. Komt u alsdan ondersteunen, u troosten en aanmoedigen door het zien van het voorbeeld uws goeden Meesters in zijnen doodsangst al het ware van zijnen hemelschen Vader verlaten Hij heeft zelf die walging, die
176
moedeloosheid, die verlatenheid willen verduren, om u te leeren, hoe gij u in die tijden van beproeving moet gedragen. Onderwerp u even als Hij: vraag, liet is u toegelaten; vraag met Jesus Christus, om van dezen smartkelk verlost te worden, maar voeg er ook aanstonds met Hem bij: dat echter, o mijn God, uw en niet mijn wil geschiede! Wacht met geduld de wederkomst der kalmte en verlichting af: de hemelbode zal, zoo het noodig is, u komen vertroosten. Wees gerust, uw God is in de uren van dorheid nader bij u, dan gij het wel meent, ofschoon Hij door zijne liefkoozingen, u zijne tegenwoordigheid niet laat gevoelen. Een dag heiliglijk doorgebracht in die dorheid der ziel, is in de oogen van God van grootere waarde, dan geheele jaren in de vertroostingen.
de priester, aan het altaar. — db introïtus.
Jesus door Judas verraden.
De verrader, de barbaar, met weldaden van zijnen teederen Meester overladen, verraadt Hem door eenen kus; bij levert Hem zijnen doodelijken vijanden over! Is er eene straf pijnlijk, gruwelijk genoeg, ora een dusdanig onmensch te straffen?
Rampzalige die ik ben! ik verontwaardig mij tegen Jüdas; maar helaas, o mijn goede Zaligmaker, ben ik zelf de verrader niet, die ü zoo menigwerf aan uwe wreedste vijanden, aan duizende verschilleude hartstochten, aan den duivel, aan de zonden overgeleverd heb? Hoe dikwijls heb ik de wandaad van Judas niet vernieuwd, met uw aanbiddelijk Lichaam, uw dierbaar Bloed te onteeren, te ontheiligen, door onwaardige communiën, en U alzoo, onder den sluier der teederheid, eenen trouweloozen kus te geven!
En nogtans, o God vau goedheid! geeft Gij mij, om mijn hart te raken, zoo als aan Judas, den zoeten naam van vriend. Maak dat ik de onboetvaardigheid
177
van uwen apostel niet volge, maar dat mijn hart door droefheid verbrijzeld, uwe eindelooze barmhartigheid bewege, om mij vergeving te schenken. O Jesüs ! ontferm U over eenen ondankbare, die zulks niet meer wil wezen.
gedurende den kyrie, den gloria. en de gebeden.
Jesus hij Annas en Caïphas.
De Zaligmaker, aan zijne vijanden overgeleverd, wordt van den eenen rechterstoel naar den anderen gesleept. Bij Caïphas blinddoekt men Hem, en spuwt men Hem iu het aangezicht. Engelen des vredes! welk vertoog voor u. Bij Annas geeft een onmensch Hem eenen geweldigen en onteerenden kaakslag. Aarde! hebt gij geene afgronden meer om hem in te zwelgen ? Jesus heeft niets dan afgronden van barmhartigheid!
O mijn Zaligmaker! open die voor mij, die ü zoo dikwijls doodelijk vergramd heb. Mijne zonden zijn even zoo vele heiligschendende kaakslagen, die ik uw goddelijk aangezicht heb toegebracht. O mijn God! het is billijk, het is rechtvaardig, dat alle schepselen tegen mij opstaan; en echter doet het minste gebrek aan eerbied, de geringste verachting mij in klachten, in verontwaardiging uitbarsten, soms zelfs vervoert de gekwetste hoogmoed mij tot woede.
Het kost mij zoo veel te vergeven; de ongevoeligheid, de wraakzucht, de haat zelfs schietcn wortelen in mijn hart: o! hoe veel lijdt Gij om mijne ijdele gevoeligheid en om de tallooze fouten, waarin de geest van wraakzucht mij doet vallen, opzichtens den naaste die mij beleedigd heeft; hoe veel Igdt Gij om deze alle te boeten. Ach! zoo ik ten minste uwe | stilzwijgendheid te midden van den smaad, waarmede Gij overladen wordt, naleefde! maar neen, ik
12
178
beantwoord de beleedigingen met beleedigingen, en ik rand meedoogenloos den goeden naam aan van dengenen, over wien ik reden meen te hebben van my te beklagen. Vergeving, o verduldige Jesus! vergeving smeek ik U; ik zal vergeven, ik vergeef van nu af aan allen die mij beleedigd hebben, opdat ook Gij bewogen wordet mij te vergeven. Van heden af, zal ik, door uwe almogende genade bijgestaan, getrouw uw geduld, uwe onderwerping navolgen, en ootmoedig bekennen, dat de menschen mij nog niet bejegenen, gelijk mijne onwaardigheid het verdient.
aan den epistel en graduaal.
Jesus wordt door Petrus verloochend.
Was het onder uwe Leerlingen niet genoeg, o Jesus ! dat Jtjdas U verraden, uwe Apostelen U lafhartig verlaten hadden ? Moest nog Petrus zelf uwen smaad, uw wee ten toppunt doen stijgen, met zich te schamen ü voor zijnen liefderijken Meester te erkennen, U op de stem eene van eenvoudige dienstmaagd verloochenende? Ach, hoe zeer moest deze ondankbaarheid uw gevoelig hart grieven.
O goede Jesus ! de heilige Petrus verloochende U slechts in eene omstandigheid; maar ik, plichtiger nog dan hij, hoe menigwerf heb ik zijne zonde niet vernieuwd door een laag en lafhartig menschelijk opzicht! Een enkel woord, een enkele grimlach van den kant der losbandigen, zijn genoeg geweest om mij te doen zeggen, dat ik U niet kende, dat Gij de Meester niet waart, welken ik diende.
Hoe menige teedere blikken hebt Gij U niet gewaardigd op mij, zooals op den heiligen Petrus , te werpen, om mij met eene heilzame schaamte te overdekken, om my al mijne lafhartigheid te doen
179
gevoelen, om mij tot U weder te roepen; hoe vele genaden hebt Gy mij niet verleend, om mij tot de getrouwheid weder te brengen!
Zijn mijne tranen even zoo waardig geweest om te vloeien als die van den heiligen Pethus? Helaas! hoe lang heb ik, integendeel, niet aan de genade wederstaan! Zijn zij oprecht, overvloedig, liefdevol, aanhoudend geweest? Ach! hoe vele getuigenissen van het tegendeel staan tegen mij op!
O tranen van den heiligen Petuxjs ! o diepe droefheid! o oprechte bekeering! o volmaakt voorbeeld van boet-doening! gij zijt de veroordeeling der mijne!
O Jesus ! de zonde is mijn werk; de boetvaardigheid, is dat uwer genade: open voor mijn hart de kostbare bron van die genade, opdat zij in mijne oogen eene overvloedige bron van tranen doe ontstaan, die mij van mijne zonden reinigen; of liever wasch die in uw bloed; het is door dit alleen, dat ik de vergiffenis er van kan hopen. Bloed van mijnen Heiland, reinig mij!
aan het evangelie.
Jesus wordt naar Pilatus en Herodes geleid.
Nadat de dag der grievende smarten op den nacht der ongehoordste versmadingen gevolgd is, wordt de onschuldige Jesus, gekluisterd, van een woedend volk omringd, naar Pilatüs geleid. Men beschuldigt Hem van verleiding en oproer, Hem, den onderdanigsten der menschen, en die zoo openlijk gezegd had, dat men aan de machten der aarde de hun verschuldigde gehoorzaamheid moest bewijzen. Jesus verdraagt deze logentaal met gelatenheid; hij antwoordt niets om zich te rechtvaardigen.
O Gij, de gerechtigheid zelve, onwaardiglijk gelasterd : Gij leert mij, even als Gij, de onrechtvaardigste
180
lasteringen stilzwijgend verdragen, en Gij dooft in mijn hart het minste verlangen tot wraakneming uit.
Pilatus erkent de onschuld van Jesus ; edoch hij is lafhartig genoeg om zijne verdediging niet op zich te nemen. Om zich van Hem te ontdoen, zendt hij Hem naar den koning Herodes, die Hem, in tegenwoordigheid van zijn geheel hof, met een wit kleed doet omhangen, pm aan te duiden, dat Hij hem als een zinnelooze aanziet, omdat Hij op zijne vragen niet had willen antwoorden, noch zijne ijdele nieuwsgierigheid voldoening geven, door in zijne tegenwoordigheid mirakelen te doen.
O Jesus , de wijsheid zelve! men durft U als een zinnelooze behandelen! Helaas! hoe menigwerf heb ik zelf dezen boozen mensch niet nagevolgd, wanneer ik zoo dikwijls met uwe heilige leerstellingen spotte, wanneer ik de heilige oefeningen der Kerk als belachelijk deed voorkomen, en op hare en uwe bedienaars de gal mijner hekelzucht, of de bittere scherts mijner ongodsdienstigheid uitbraakte!
Ach! ik smeek TJ, allerbarmhartigste Jesus! wil mij, om mij te straffen, nooit, gelgk aan Heiiodes , de stem uwer heilige inspraken weigeren. Voortaan wil ik niemand meer, dan U, voor leeraar en meester.
aan den credo.
Jesus wordt iveder tot Pilatus geleid; men stelt Hem achter Barahbas.
Naar Pilatus wedergeleid, onder het geschreeuw en getier van het woedende volk, is het om aldaar nog den bloedigsten smaad te ondergaan. Pilatus, van zijne onschuld overtuigd, vermeent het middel gevonden te hebben om Hem te redden. Tijdens het paaschfeest was hij gewoon een gevangene, volgens
181
de keuze des volks, in vryheid te stellen. Die onrechtvaardige rechter vreest niet den Prins des vredes gelijk te stellen met een oproerling; den God aller gerechtigheid met een dief; den oorsprong des levens met een moordenaar; den Heilige der Heiligen met
7 o o
een boosdoener, een eerlooze—en nogtans geeft men dezen eerlooze de voorkeur! Wij ivillen Jesus niet; dat Hij gekruisigd worde, stel Barahhas in vrijheid.
Ach, mijn goddelijke Meester! hoe menigwerf heb ik U denzelfden smaad aangedaan als de Joden, door die hartstocht, dezen optooi, dit vermaak, dat gezelschap boven U te verkiezen!
0 goede Jesüs ! vergeef mij; het smart mij U aldus geminacht te hebben, de voorkeur gegeven te hebben aan het onwaardigste wat bestaat, aan de zonde, boven U. Voortaan wil ik U voor alles stellen ; Gij zult het eenigste goed zijn, waarnaar ik zal verzuchten. Ik heb mij vast voorgenomen liever duizend dooden te sterven, dan de wereld en mijne hartstochten nog boven U te stellen. Verleen mij de volharding in dit voornemen, mij door U ingegeven; ik bemin ü uit geheel mijn hart, en verlang ü altoos meer en meer te beminnen.
aan de okfeuande.
Jesus wordt gegeeseld.
Vereenig u hier met den Priester in de opdracht, welke hij aan God doet, van de geschenken die op het altaar zijn, en die eerlang in het Lichaam en Bloed van Jesüs Christus zullen veranderd worden, en draag u zeiven geheel aan den Heer op; zeg tot Hem met toegenegenheid:
0 mijn God! ik ofler ü alles op , wat ik ben, al wat ik heb; mijnen geest, mijn hart, mijn verstand, mijnen wil, mijne gedachten, mijne verlangens, mijne woorden, mijne werken, Ik weet het, die gift welke ik U aanbied, is uwer
182
niet waardig: maar Gij vraagt mij die, zooals zij is, en ik draag ü dezelve op, met schaamte overdekt dat ik U niets beters aan te bieden heb. Maar even als dit brood en deze wijn weldra in het Lichaam en Bloed van Jesus Cheistus, uwen goddelijken Zoon, zullen veranderd worden, gewaardig U ook mij alzoo, door zijne eindelooze verdiensten, in eenen nieuwen mensch te herscheppen, op wien uwe blikken zich met Jesus Cheistus kunnen vestigen.
Pilatus steeds onrechtvaardig en bar baarsch, hopende de vijanden van Jestjs door een gevoel van meêdoogen te bewegen, veroordeelt Hem tot de geeseling; hij gelooft de woede dezer bloeddorstige menigte te zullen bevredigen, met gedeeltelijk hunne eischen in te willigen. Lafhartige Pilatus! aldra zult gij zien dat er geene schikking met de vijanden van Uod en van zijne heilige Godsdienst mogelijk is, en gij zult niets inoogsten, dan de schande uwer onrechtvaardige inwilligingen, dan de wroeging van gekomen te zijn tot de toestemming in den dood zelfs des Rechtvaardigen , dan de wanhoop van u met de afschuwelijkste gruweldaden bezoedeld te hebben.
O mijrie ziel! dat het voorbeeld van Pilatus tot uwe onderrichting strekke: verwerp van haar begin af alle menschelijke vrees; neem openlijk, zonder zwakheid, de party van uwen God en van de deugd; ■wijk nimmer van de eenige uwer plichten, zoo gij niet, zoo als Petri\'s , van val tot val, en eindelijk in den afgrond wilt nederstorten: want de boozen zullen zich niet bevredigen met eene halve overwinning: gij zult dan slechts vrij zijn , wanneer gij hun gestadig den ouwankelbaarsten wil zult toonen, van in alles aan de wet van uwen God getrouw te zijn.
0 goede Jesus ! ik maak hiertoe, aan uwe voeten, het vast voornemen: Gij zijt het die mij hetzelve ingeeft; ach! gewaardig U het te zegenen.
183
O Heer! reeds neemt de wreede doodstraf, de foltering eenen aanvang. Beschouw, o mijne ziel, hoe uw Zaligmaker lijdend, het hoofd nedergebogen, de oogen ten gronde gericht, met schaamte overdekt, de wreede behandeling afwacht!
Zijne beulen komen, met zweepen gewapend, even als zoovele bloeddorstige tijgers, op het schuldeloos slachtoffer af. Helaas! reeds stroomt zijn Bloed van alle kanten; reeds is alles, de handen der beulen, hunne roeden, de kolom en de grond met zijn Bloed geverwd!....
De woedenden slaan niet meer dan op wonden, het geheele Lichaam van Jesus is niet meer dan ééne wonde, van het hoofd tot aan de voeten; men kan zijne door de woede der beulen ontbloote beenderen tellen.
Wreedaards! op wien werkt gij uwe razernij uit? Houdt op! houdt op! gij hebt u misgrepen; de man welken gij foltert, is een onschuldige, een heilige; ik ben de plichtige; mij behooren de zweepen, de folteringen, om zoovele onzedigheden in mijne kleeding, zoovele zinnelijkheden, zoovele onkuischheden, zoovele ontheiligingen van een lichaam, zoo menigmaal met het vleesch van mijnen God vereenigd, te boeten.
0 met wonden bedekte Jesus! ziedaar dan den staat, waarin onze ongerechtigheden U gebracht hebben! Dat uwe grenzelooze liefde voor altoos geloofd zij! En Gij, wees bemind zoozeer Gij het verdient, van alle menschen, van de zondaars, van mij vooral, die meer dan elk andere uwe beulen geholpen heb om U zoo onmenschelijk te slaan.
184
gedurende de secreten en prefatie.
Jesus wordt met doornen gekroond en met eenen \'purperen mantel omhangen.
De woede is nog niet verzadigd. O goede Jesus ! men herinnert zich dat Gij U koning verklaard hebt, en men maakt van U eenen tooneel-koning!
Er is geen,koning zonder troon; en men doet U op eenen morsigen, verachtelijken houten blok neder-zitten: het is mijn hoogmoed, mijn dorst naar eer en ijdele onderscheiding in deze wereld, die U dezen smaad heeft doen onderstaan.
Er is geen koning zonder kroon; en de onmenschen vlechten een krans van scherpstekende doornen om uw hoofd, zij drukken er die met geweld in, uw hoofdschedel is doorboord, uwe haren zijn uitgerukt: ziedaar uwe kroon! 0 edelmoedige Jesus! het zijn de ongeregeldheden mijner verbeeldingskracht, welke Gij hebt willen boeten: zoo vele ontuchtige gedachten, zoo vele ongeregelde verlangens.
Er is geen koning zonder koninklijken mantel; en eene oude, slechte purperen lomp, op uwe bebloede schouderen geworpen, ziedaar den mantel uwer koninklijke waardigheid! Alzoo wildet Gij de straf dragen van mijne pracht en van mijne verkwistingen, om een zondig, een aardsch lichaam op te pronken.
Er is geen koning zonder schepter; en een zwak riet in uwe gebondene en in boeien geknelde handen, ziedaar uwen schepter! Op dit gezicht herinner ik mij (maak, o Jesus! dat het met het diepste leedwezen zij) al de werktuigen mijner zonden, al de schepselen die ik tot mijne ongeregeldheden heb doen dienen.
Er is geen koning zonder hulde; men knielt voor U neder, men smaadt, men beleedigt U, ziedaar de
185
hulde die U aangeboden wordt. Helaas! ik gedenk met de bitterste droefheid de menigvuldige oneerbiedigheden , welke ik in uwe tegenwoordigheid, in uwen heiligen tempel, voor uw altaar, op het .oogen-blik waarop uwe liefde U op hetzelve deed afdalen,, bedreven heb.
Uwe beulen kenden U niet; maar ik, ik wist wie Gij zijt, en ik liet echter niet na ü te beleedigen. Ach! wat zal er van mij geworden, zoo Gij met mij volgens de strengheid uwer gerechtigheid handelt? Genade, o mijn Zaligmaker! uw Bloed zelf, hetwelk ik heb doen stroomen, roept om barmhartigheid voor mij.
aan het begin tan den canon.
Jesus wordt aan het volk vertoond.
Ziedaar den mensch, zegt Pilatus , terwijl hij Jesus aan het volk vertoont in dezen staat, zoo geschikt om de versteendste harten te vermurwen. Ach, hoe doelmatig verwittigt hij niet, dat hij een mensch is; nauwelijks heeft hij er den schijn van behouden. Maar het volk, verre van er door bewogen te worden, verdubbelt zijne razernij: het roept uit: dat Hij sterve! kruisig Hem! kruisig Hem!
Wel hoe! in dezen jammerlijken staat, o onschuldige Jesus , vindt Gij geene de minste deernis in het midden van een volk, hetwelk Gij met weldaden overladen hebt! En ik, misdadige, ik, zoo rechtmatig gekweld, gestraft uithoofde mijner tallooze zonden, ik word ontsteld, gram; omdat ik menschen aantref, die ongevoelig zijn aan mijne smarten. Ach! ik zal voortaan niet meer beroerd worden, zoo de menschen geen belang stellen in mijne rampen, zoo zij in dezelve geen deel nemen; in U alleen zal ik troost zoeken. Is het mij niet genoeg, zoo Gij ü slechts gewaardigt
186
teeder op mijn lijden te blikken? Is mijn hartzeer, zijn mijne pijnen zelfs reeds geene weldaad uwer barmhartigheid, daar zij mij de noodwendigheid doen gevoelen van mij met U te verzoenen, en uwe rechtvaardigheid te bevredigen?
aan den memento of gedachtenis der levenden, Jesus wordt ter dood veroordeeld.
Pilattjs , de tot het einde toe onrechtvaardige rechter, verschrikt door de bedreigingen der woedende Joden, veroordeelt Jesus ten laatste tot de schandelijkste , de wreedste doodstraf: Hij laat hem hun over, om gekruisigd te worden.
O Jesus ! o Gij, de deugd zelve! Gij verdient niets dan hulde en lof betuigingen, dan liefde en dankbaarheid, en men veroordeelt U om te sterven; en, zonder den mond te openen om U te beklagen, gaat Gij nevens uwe beulen, even als een zachtmoedig lam! En ik, in uwe oogen met zonden overdekt, ik, die zoo geringe smarten te dragen heb in vergelijking met de uwe, zoo kortstondige pijnen, daar ik de eeuwige straffen verdien, ik mor, ik waardeer de gunsten niet welke Gij mij bewijst, door mij de gelegenheid te verschaffen van, reeds in dit leven, mijne misdrijven te kunnen boeten. Met welke vurigheid zouden de verworpelingen zich met dit lichte kruis beladen, hetwelk ik ondragelijk vind, zoo zij zich door hetzelve van hunne veroordeeling konden vrijkoopen!
Gezegend zij uwe barmhartigheid, o Jesus! sla mij in dit leven, straf mij op aarde, zooals het U behaagt, maar spaar mij in de eeuwigheid. Ach! dat mijne gelatenheid in het lijden, hetwelk ik maar al te zeer verdiend heb, U bewege, om de nederige
187
bede te verhooren, welke ik U toestier, zoo voor mij, ongelukkig verloren kind, ondankbaren zoon, als voor allen voor welke de liefde het mij ten plicht maakt te bidden. (Duid hier de personen nan)
aan de consecratik en de opheffing.
Jesus met zijn kruis heiaden, klimt op den Calvarieberg.
Ziehier uwen God, uwen Zaligmaker, uwen Rechter, wees gedurende eenige oogenblikken in vrome overweging: om zijne eindelooze Majesteit te aanbidden, om Hem te bedanken voor zijne groote liefde jegens u, om Hem vergiffenis te vragen van uwe zonden. Hem te bidden om de overvloedige gaven zijner genade over u uit te storten; smeek Hem, dat ] fij in uwe ziel eene geheele verandering van gedachten en gevoelens uitwerke, opdat gij gelijkvormig wordet aan uw goddelijk voorbeeld.
Nadat het kruis bereid is, aanschouwt Jesüs hetzelve: hij neemt het met drift aan en legt het op zijne doorwonde schouders. »Kom, zegt Hij alsdan, kom, geliefd kruis! het is reeds drie en dertig jaren, dat Ik naar u verzucht, dat Ik u zoek; Ik omhels u en druk u aan mijn hart, dewijl gij het altaar zijt, op hetwelk Ik besloten heb mijn leven voor mijne schapen op te offeren.quot;
O vertoog, dat den hemel bedroeft, en waaraan de aarde onverschillig zal zijn! zal het ook mij altoos ongevoelig laten?
Helaas! ik ben het reeds veel te lang geweest: ik betreur dit uit den grond mijns harten; voortaan wil ik geheel liefde, geheel dankbaarheid zijn.
Genade dan, genade, o Jesus! in den naam van uw Bloed! genade voor eenen ondankbare, die het niet meer wil wezen! Ach! laat niet toe dat uw Bloed vruchteloos voor mij gestort zij: duld niet dat het kind uwer smarten de werken uwer liefde nutteloos make.
188
vekvolg van den canon.
Jesus bezwijkt onder het gewicht van zijn kruis: Simeon van Cyrenen helpt Hem hetzelve dragen : godvruchtige vrouwen van Jerusalem storten tranen over zijn lijden.
Nauwelijks kan de Man van smarten zicli recht houden. Ach! hoe treedt Hij voort met gebogen lichaam, met. bevende knieën! O mijne ziel! volg Hem op het voetspoor, dat overal zijn bloed achterlaat: Hij valt onder het gewicht dat Hem ter neder-drukt; Hij staat op, om opnieuw te vallen. Weet gij wat zijn hart op dat oogenblik verscheurde? Helaas! Hij zag in de toekomst uwe onstandvastigheid in zijnen dienst, uwe aanhoudende hervallingen: beschouw Hem nu, en zie, of Hij niet allezins waardig is uwe liefde te vestigen. O Jesus ! help mij; ik wil U door mijne schandelijke ongestadigheden in uwen dienst niet meer beleedigen.
O gelukkige, duizendwerf gelukkige Simon van Cyrene, die gekozen werd om Jesüs eenige verlichting toe te brengen en zijn kruis met Hem te dragen! O mijn Zaligmaker! waarom geniet ik hetzelfde geluk niet? waarom kan ik niet een deel uwer smarten en droefheden dragen ? Maar helaas! zondaar, zoo als ik ben, wel verre van die te verlichten, verzwaar ik die nog dagelijks door duizende ongetrouwheden. Zal ik nog voortgaan in mijne ongevoeligheid en boosaardigheid ?
Neen, met uwe genade zal ik uwe smarten niet rueer vermeerderen; ik zal aan uw lijden, aan uwe teederheid voor mij niet meer ongevoelig zijn: van heden af meng ik mijne tranen met die der heilige vrouwen van Jerusalem, en het is om mijne zouden te beweenen, die de oorzaak zijn geweest van uwe
189
folteriugeu. 0 barmhartigvolle Jesus! verwerp een rouwig en verootmoedigd hart niet.
aan den memento of de gedachtenis der overledenen.
Jesus ontmoet zijne Moeder,
O, welk hartverscheurend vertoog voor het hart eener teedere Moeder! de ontmoeting van eenen eenigen Zoon, van eenen teér geliefden Zoon, zwemmende in zijn Bloed, door de slagen zijner beulen geheel verscheurd! Helaas, ik ben het, o Maria! ik groote zondaar, die uwen boezem met dat zwaard van droefheid doorstoken heb. Het schijnt mij toe, dat ik mij deze regtmatige verwijting hoor toestieren; »wat heb ik u dan gedaan, wat heeft u mijn goddelijke Zoon gedaan, dat gij ons aldus behandelt? Ach! houd op met ons te folteren, heb deernis met onze smarten.quot;
Al te teedere verwijting voor eenen boosaardige als ik, die niets dan uwe gramschap verdien; maar de teederheid zelve uwer klacht leert mij, dat Gij eene allerbarmhartigste Moeder zijt; ik durf dan nog hopen, dat Gij vergiffenis voor mij zult vragen. 0 goede, o goedertiere Maria ! bid voor mij, zondaar ; en daar ik onwaardig ben verhoord te worden, bid in mijnen naam voor de verlossing van die vrome zielen, welke uw Zoon vrijgekocht heeft, maar die nog niet zuiver genoeg zijn, om Hem in den hemel te aanschouwen; bid vooral voor diegenen, welke meerdere aanspraak op mijne gebeden hebben. Ach! gewaardig u den mededoogenden Jesus , voor mij en voor hen, het bittere leedwezen aan te bieden dat ik gevoel, van Hem bedroefd, en, door de menigte mijner zonden, van mij verwijderd te hebben.
190
aan het pateu noster.
Jesus wordt van zijne kleederen ontbloot.
Zeg het Pater Noster met den Priester.
Als Jesus met groote moeite tot op het toppunt v.\'in den berg gekomen is, trekken zijne beulen Hem opnieuw zijne kleederen uit, in zijne bloedige wonden vastgekleefd: maar welk geweld!... met welke wreedheid !... Zij rukken geheele stukken van zijn aanbiddelijk Vleesch mede af. Zij gebieden Hem onbeschoft zich op het kruis neder te leggen en zich uit te strekken, om aan hetzelve vastgespijkerd te worden... en de Almogende gehoorzaamt!
En ik, verworpen schepsel! ik ben tegen U opgestaan o mijn God! ik heb zoo menigmaal geweigerd aan uwe wet te gehoorzamen, aan uwe heilzame inspraken gehoor te geven. Maar heden, getroffen door uwe onbegrijpelijke onderwerping, wil ik, door uwe genade geholpen, aan uwe uituoodigingen niet meer weder-staan: ik wil mij in alles naar uwen heiligen Wil schikken, en mij van die ongeregeldheden ontdoen, die uwe grievende smarten veroorzaakt hebben. Maak dat ik zonder aarzelen aan dat schuldig vermaak, aan die onrechtvaardige winst, aan die uitzinnige hartstocht verzake, die U zoolang mijne aanbiddingen en mijne liefde onttrokken hebben.
O mgn God! o mijn Zaligmaker! o mijn Vader! Uw Bloed roept luider dan mijne wederspannigheden, het vraagt genade voor mij. O goede Jesüs! vergeef mij, doe my over al de bekoringen zegepralen, en bevrijd mij van den eeuwigen dood.
aan den agnus dei.
O goddelijk Lam, dat U hebt willen slachtofferen
191
om mij te redden, en zalig te maken: helaas! ik heb uwe eindelooze liefde miskend: maar ik heb er leedwezen over, myn hart is van droefheid verbrijzeld: ik smeek U , heb medelijden met mijne ongelukkige ziel: ongelukkig, omdat zij plichtig is in uwe oogen.
O Lam vol zachtmoedigheid, in het midden der vijanden die U pijnigen; ik zal nimmer moede worden uw mededoogen in te roepen, want mij zijn uwe grootste barmhartigheden noodig: ontferm ü dan mijner, verhoor eenen misdadige, die zijne zonden verfoeit en in U hoopt.
O Lam Gods! dat door uw goddelijk Bloed al de ongerechtigheden der wereld uitwischt: wisch ook de mijne uit; gewaardig U uw Bloed te vermengen met de tranen van boetvaardigheid, welke uwe overgroots genade mij doet storten, en mijne bezoedelde ziel zal opnieuw aangenaam in uwe oogen worden. O beminnelijk Lam! o mijn Vader! o mijn edelmoedige Zaligmaker! vergeef de menigte mijner beleedigingen; zij zijn mij leed; ik bemin U, ik wil U voortaan altoos beminnen.
aan de communie.
Hetzij gij werkelijk communiceert, of slechts geestelijk, door het levendig verlangen van weldra dit geluk te kunnen genieten, werp u, in den geest, in het hart van Jesc» , en vernieuw Hem zonder voorbehoud de offerande van geheel u zeiven. Hij geeft zicb, in het verhevene Sacrament zijner liefde, geheel aan u: zijn Lichaam, zijn Bloed, zijne Ziel, zijne Godheid, niets zondert Hij uit.Zoudtgij den ontrouwen Saül willen navolgen, en voor u behouden hetgeen uwe hartstochten meest kan streelen, en zijne blikken verontwaardigen? Hij wil u met zijne eigene zelfstandigheid voeden: zoudt gij voor Hem slechts een gierig en bekrompen hart hebben? Beantwoord zijne mildheid door uwe edelmoedigheid , en gij zult aldra ondervinden, dat Jesus zich
192
in milddadigheid niet laat overwinnen: vraag hem, in ruil van uwe geheele opoffering, de genade; waarnaar uwe behoeftige ziel zoo dorstig is, en gij zult Hem edelmoedig en heerlijk vinden in zijne geschenken.
Jesus wordt gekruisigd.
O mijn Heer en mijn God! in welken staat zie ik U! Hoeveel kost het ü mij de middelen te bezorgen, om mijne beleedigingen te herstellen, om mij de hoop des hemels, en mijne rechten tot de eeuwige gelukzaligheid, welke ik door mijne zonden verloren had, ■weder te geven.
A an het kruis gehecht, strekt Gij uwe armen uit tot alle zondaars, tot mij in het bijzonder, die, door het misbruik van zoo vele genaden, plichtiger dan al de andere ben. De beulen doorboren uwe handen en voeten, zonder door uwe grievende smarten getroffen te worden. en zij brengen U, o teeder Lam! zoo ver, dat Gij geen zucht kunt lozen, die geenen nieuwen dolk in uw hart stoot.
O mijne ziel! verbeeld u ook, wat de goede Jesus moest lijden door de schokken, welke men onbe-schoftelijk het kruis deed ondergaan, om het op te richten en vast te zetten; wat een lichaam moest lijden, dat alleen op wonden rustte, een met doornen doorstoken hoofd, waarop Hij moest steunen. 0 gij allen die voorbij gaat, komt en ziet of er eene smart is, gelijk aan de zijne!
O gekruiste Jesus! al mijne liefde waardig! nagel mijn ondankbaar, mijn onstandvastig hart aan uwe voeten, opdat het zich niet meer van U verwijdere. Dat deze wil, die zoo menigwerf tegen U opstond, aan uw kruis gehecht, onwrikbaar in uwe liefde blijve! 0 goede Jesus, o mijn goede Meester! vestig mg voor altoos in uw gevolg op den weg der zaligheid.
193
Maak hier eenige voornemens, geene onbepaalde en algemeene, die gewoonlijk zonder uitwerking blijven (gelijk de )ƒ. Pranciscus de Sales zegt), maar de eenige voornemens, tegenovergesteld aan uw hoofdgebrek, overeenkomende met uwe gesteltenis, gericht tegen de bekoringen waaraan gij meest onderworpen zijt, en tegen de naaste gelegenheden van zonden waarin gij u bevindt.
aan de laatste gebeden.
De doodstrijd van Jesus; zijn dood.
Eindelijk is het jongste uur gekomen; Jesus, het goddelijk Slachtoffer, gaat den geest geven; en het is terwijl Hij nog woorden van barmhartigheid eu liefde uitspreekt; het is al biddende, latende zijn Bloed spreken voor zijne beulen, belovende het Paradijs aan eenen booswicht, wiens hart, eindelijk geraakt, om vergeving smeekt; het is terwijl Hij ons zijne Moeder geeft, die Hem gedurende negen maanden in haren kuischen schoot gedragen had; het is terwijl Hy haar al de liefde nalaat, welke Hij ons toedroeg; het is eindelijk terwijl Hij aan alle menschen zijnen brandenden dorst naar hunne zaligheid betuigt. Geheel zijn leven was eene langdurige oefening van liefde tot ons; zijne laatste zucht was er de voltrekking van. O einde, een zoo schoon leven waardig!...
De goddelijke Rechtvaardigheid is voldaan, het Paradijs is geopend, wij zijn voor de hel niet meer bestemd. Ach! met welke dankbetuigingen zullen wij immer zooveel liefde, zulke onbegrijpelijke weldaden kunnen erkennen? Wanneer de gansche natuur in rouw en afgrijzen gedompeld is, op het zien van haren lijdenden en in de overmaat van smarten stervenden Schepper, zouden dan alleen wij het
13
194
eenige doelwit van zoovele smartende opofferingen, ongevoelig blijven?
Aanhoor dan, o mijne ziel, de liefdevolle uitnoodi-ging van uwen Zaligmaker.
»Ik vergeet de misdaad, die mijne marteling ver-»oorzaakt heeft: tusschen hemel en aarde verheven, »is dit slechts om uw middelaar te zijn: Ik bedek »u met mijne wonden, om u te beschermen: mijn »hart is slechts geopend, om u daarin te ontvangen: »kom dan in hetzelve mijne teederheid genieten; »werp u in mijne armen, zij zullen u aan den boezem »eens teederen Vaders drukken: mijne handen, of-» schoon door u doorboord, kunnen niet dan u zegenen : »miju mond, voor de klachten gesloten, verzekert »u den vredekus, zoo gij bewilligt in Mij te besminnen. Zeg Mij, wat heb Ik voor u kunnen doen, »hetwelk Ik niet gedaan heb? Zult gij nog boos genoeg »zijn, om mijne smarten door nieuwe zonden te «vernieuwen?quot;
O goede Jesus! neen, mijn hart zal niet harder zijn dan de rotsen, die bij uwen dood openscheurden: het is geraakt, diep ontroerd; voltrek deszelfs bekeering en hecht het voor altoos aan U: liever wil ik duizendmaal sterven, dan U nog vergrammen: van dit oogenblik af bemin ik U uit al mijne krachten. O onuitsprekelijke goedheid, o eindelooze beminnelijkheid! maak dat ik niet meer leve, dan om ü te beminnen, en dat ik U beminnende sterve.
aan het laatste evangelie.
Jesus in het graf.
Aanbiddelijke Zaligmaker! duld dat ik, na U in den loop uws lijdens gevolgd te hebben, U ook tot aan het graf volge, om U aldaar te beminnen, dewyl Gij aldaar altoos mijn God zijt.
195
Na zoovele folteringen, o mijn Zaligmaker! was het tijd een begin van rust te genieten. De onschuld uws levens, en nog meer de goddelijkheid van uwen Persoon vorderen eene eervolle begrafenis, een heerlijk graf, een rustig en vreedzaam verblijf; men bezorgt het U, Heer, na nw lichaam gebalsemd te hebben, dat in een nieuw graf wordt nedergelegd; maagdenhanden vervullen dezen plicht, en de Engelen des vredes blijven gestadig bij U: laat mij toe, mij bij hen te vervoegen, en U mijne aanbiddingen aan te bieden.
Maar maak, o goede Jesus! dat ik U geene dorre en onvruchtbare hulde bewijze. U beschouwende in den staat, waartoe de dood U heeft gebracht, zal ik mij zeiven dikwijls aanzien, als reeds in mijn graf liggende, reeds tot stof overgegaan; en dit gezicht zal mij de wereld naar waarde doen schatten; het zal mij van de ijdele en onbestendige goederen onthechten, om mij aan U alleen, het eenig ware en eeuwig goed, te hechten.
Begraaf alzoo, bid ik U, met U al mijne verlangens, al mijne zinnen; wikkel mij, als in eenen zweetdoek, in de kostbare verdiensten, waardoor Gij mij hebt vrijgekocht; balsem mij met den voortreffelijkeii balsem uwer deugden; stel mij in de wonde, welke de lans uw hart toebracht, opdat het mij tot een graf verstrekke, dat rijker dan alle marmeren tomben is. Het is daar, dat ik, ongevoelig voor al de goederen der wereld, op de aarde zal leven als een vreemdeling, in afwachting dat ik U in het hemelsch Vaderland moge genieten. Amen.
Aanroeping lol bel Kruis, na de heilige His.
Wees gegroet, o geheiligd hout. Kruis van onzen Verlosser; ik vertrouw u mijne gevoelens. Wees
196
steeds mijne eenige hoop in de gevaren, mijn sterkte in de strijden, mijn troost in al mijne pijnen. En mocht ik u, vooral in het verschrikkelijke uur dat mijnen loop hier op het ondermaansche zal eindigen, in dien vreeselijken strijd, wanneer al de machten der hel tegen mij zullen samenspannen, mocht ik u dan in mijne bevende handen knellen, op u mijne stervende blikken vestigen, u op mijne reeds verstijfde lippeü drukken, en eindelijk in uwe armen mynen laatsten zucht geven, geheiligd door de liefde van Jesus, die de zonden der wereld uitwischt. Amen.
O-EIBIEZDIElSr welke na elke gelezen Mis in de Eerken gebeden worden.
Driemaal het »Wees gegroetquot; enz.— Vervolgens eenmaal:
Wees gegroet, o Koningin, Moeder van Barmhartigheid;
Ons leven, onze zoetheid en onze hoop, wees gegroet.
Tot U roepen wij, ballingen, kinderen van Eva.
Tot U smeeken wij, zuchtend en weenend in dit dal van tranen.
Daarom dan, onze Voorspreekster, ach sla op ons uwe zoo barmhartige oogen.
En toon ons, na deze ballingschap, Jesus de gezegende vrucht uws lichaams.
O goedertierene, o meêdoogende, o zoete Maagd Maria.
v. Bid voor ons, H. Moeder Gods.
R. Opdat wij de beloften van Christus waardig worden.
197
LAAT ONS BIDDEN.
O God, onze toevlucht on onze kracht, verhoor de godvruchtige gebeden Uwer Kerk, en geef dat wij door de voorspraak der glorierijke en onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria, van den H. Joseph, van üwe gelukzalige Apostelen Petrus en Paulus en alle Heiligen, datgene met der daad mogen verwerven, wat wij in de tegenwoordige behoeften ootmoedig vragen. Door denzelfden Christus onzen Heer. Amen.
300 dagen Aüaat, (Leo XIII, 6 Jan, 1884).
LiT-A-nsriE
ter eere vai liet lien m om Heer Jesns-Clriste.
/^gljgeer, ontferm U onzer.
y-qamp;fY Christus, ontferm U onzer.
^—^5 Heer, ontferm ü onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons
God, Hemelsche Vader, ontferm ü onzer.
God Zoon, Verlosser der wereld, O
God, Heilige Geest,
H. Drievuldigheid, één God, ®
Jesus, om onze zonden in den hof der Olijven benauwd ^ en bedroefd tot den dood, cl
Jesus, door een Engel versterkt, opdat wij onze hulp g in allen nood van den Hemel zouden leeren verwachten, g Jesus, die uwen verrader met minzaamheid hebt ont- ^ vangen, om ons de zachtmoedigheid te leeren,
198
Jesus, van uwe leerlingen verlaten, opdat wij op God
alleen zouden leeren vertrouwen, ontferm ü onzer. Jesus, van de Joden gebonden, om ons van de zonden
te ontbinden,
Jesus, voor Annas en Caïphas valschelrjk beschuldigd
opdat wij alle ongelijk zouden leeren verdragen, Jesus, door Petrus verloochend, opdat wij onze zwakheid zouden leeren kennen, en ons zeiven mistrouwen, Jesus, door Herodes met een wit kleed bespot, omdat
wij het kleed der onschuld verloren hadden;
Jesus, achter Barabbas gesteld, opdat wij ons nooit
boven anderen zouden verheffen,
Jesus, wreedelijk gegeeseld en met doornen gekroond, opdat wij de gemakken en alle eerzucht zouden verfoeien, Jesus, gelasterd, bespuwd en geslagen, opdat wij onze
zinnen zouden versterven,
Jesus, aan het volk ten toon gesteld, opdat wij uw O voorbeeld voor oogen hebben en daarnaar leven zouden, S; Jesus, door Pilatus aan uwe vijanden overgeleverd, om 2
ons van onze vijanden te verlossen,
Jesus, met het kruis beladen om ons te leeren ons kruis ^ met vlijt te dragen, g
Jesus, aan het kruis genageld, opdat wij ons vleesch met g zijne driften en begeerlijkheden zouden kruisigen, ^ Jesus, die naakt aan het kruis hebt gehangen, opdat
wij voor alle oneerbaarheid zouden schromen,
Jesus, tusschen twee moordenaars gekruisigd, om ons de
vernederingen te leeren beminnen,
Jesus, die den goeden moordenaar in genade hebt ontvangen, opdat wij nooit zouden mistrouwen,
Jesus, die, aan het kruis hangende, voor uwe vijanden hebt gebeden, om ons onze vijanden te leeren beminnen, Jesus, met gal en mirre gelaafd, opdat wij onze tong van
alle zonden zouden bewaren,
Jesus, die stervende, uwen geest in de handen uws Vaders bevolen hebt, opdat wij, stervende, onzen geest in uwe handen zouden bevelen.
199
Jesus, die voor ons den bitteren dood gestorven zijt, om ons de boosheid onzer zonden te leeren kennen, ontferm (J onzer. q
Jesus, die ons door uwen dood het leven gegeven hebt, g.
opdat wij niet voor ons, maar voor ü zouden leven, S5 Jesus, wiens zijde na uwen dood geopend is, om daarin g onze zonden en zwakheden te verbergen, O
Jesus, begraven en den derden dag verrezen, opdat g wij gestorven en begraven van de zonden, tot een g deugdzaam leven zouden verrijzen, ?
Wees genadig, spaar ons Heer.
Wees genadig, verhoor ons. Heer.
Van alle kwaad, verlos ons. Heer.
Van alle zonden
Door uw bloedig zweet, ^
Door uwe geeseling, g-
Door uwe doornen kroon, 01
Door uw kruis en lijden, 2
Door uwe allerheiligste vijf wonden, ?
Door uwen dood en uwe begrafenis, ^
Door uwe heilige verrijzenis, g
Door uwe wonderbare hemelvaart, ^
In den dag des oordeels.
Wij zondaren, wij bidden ü, verhoor ons.
Dat uw heilig lijden ons leere hoe zwaar en schrik- ^
kelijk de zonde is , om welke Gij zoo veel geleden hebt Dat wij, door het overdenken uwer pijnen en smarten, alle ziekten, pijnen en tegenspoed geduldig mogen amp; verdragen, s
Dat wij in allen angst, droefheid en nood ons tot cj
tJ keeren en uwe hulp afsmeeken,
Dat wij alle schande, verachting, en tegenspoed, met ® overgeving aan Gods wil, mogen ontvangen , g* Dat wij de valsche beschuldigingen en onrechtvaardige o oordeelen naar uw voorbeeld mogen verdragen, 0 Dat Gij ons de vruchten van uw lijden wilt mededeelen, p Dat wij door de kracht van uw kruis den duivel, dequot; wereld en het vleesch mogen overwinnen,
200
Dat wij in uw Bloed van alle zonden mogen gereinigd
worden, wij bidden U, verhoor ons. ^
Dat Gij ons wilt verleenen ons kruis dagelijks op te^ nemen en ü gaarne na te volgen, tr
Dat wij gaarne uw H. Lijden met liefde en dank-
baarheid dikwijls overdenken, §
Dat wij, dagelijks bemerkende, dat Gij uit liefde voor ^ ons gestorven zijt, door wederliefde jegens ü ont-^, stoken worden, 2i
Dat wjj onzen troost in uwe H. Wonden mogen vinden, üf Dat Gij ons door uw kruis en uw bitteren dood in ° het uur onzes doods wilt versterken, §
Dat Gij ons door uw lijden in uwe heerlijkheid wilt brengen, 5° Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
spaar ons, Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt,
verhoor ons. Heer.
Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, ontferm O onzer.
Heer, ontferm U onzer.
Christus, ontferm ü onzer.
Heer, ontferm ü onzer.
Christus, hoor ons.
Christus, verhoor ons.
Onze Vader, enz.
LATEN WIJ BIDDEN.
Almachtige, eeuwige God, die onzen Zaligmaker het vleesch hebt doen aannemen en den dood des kruises doen lijden, opdat de mensch het voorbeeld zijner ootmoedigheid zoude navolgen; geef genadig, dat wij in lijdzaamheid ons kruis mogen dragen, en in de glorie zijner verrijzenis mogen deelen, door denzelfden Jesus Christus, onzen Heer. Amen.