POËZIE
VAN
WILLEM BILDERDIJK.
ZWOLSOHE HERDRUKKEN,
OKDER EEDACTIE VAX
Dquot;. F. BUITENRUST HETTEMA, N. A. CRAMER.
J. H. VAN DEN BOSCH. VJapo1
VI
POËZIE VAN WILLEM BILDERDIJK.
ZWOLLE, W. E. J. TJEENK WILLINK.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
041
9 2039
POËZIE
f,
\\IEK.
WILLEM BILDERDLTK.
Napoleon. — Afscheid. — De Kunst der Poezy. De Geestenwareld.
UITGEGEVEN* DOOK
IK R. A. KOLLEWIJN.
ZWOLLE. W. E. ,1. TJEENK WILLINK.
NAPOLEON.
In Maart 1806 was Bilderdijk na elfjarige hallingschap in liet vaderland teruggekeerd.
De plannen door zijn vrienden op \'ttouw gezet om liem aan een eervolle betrekking en een bestaan te li elpen, werden door liet aftreden van den raadpensionaris Scnim-melpenninck verijdeld.
Lodewijk Bonaparte werd koning van Holland. Bilderdijk verwachtte niets van hem en dacht er over naar Brunswijk terug te keeren. Door een toevallige omstandigheid kwam hij in aanraking met den vorst, die zich tot den dichter aangetrokken gevoelde en hem aanstonds op onbekrompen wijze hulp verleende.
Dat Bilderdijk zich begon te hechten aan Lodewijk ligt voor de hand; en ook is het begrijpelijk, dat hij langzamerhand minder ongunstig begon te oordeelen over den machtigen broeder van zijn koning.
Wat hij in Napoleon ook had afgekeurd, als verwinnaar der revolutie ■) had hij hem toegejuicht, als militair genie steeds bewonderd.
Toen hij den 2cn October ISOfi een briefje ontving van Lodewijks secretaris, den heer Dupre, met de uitnoodi-ging, een lierzang te dichten ter eere van Napoleon, kon hij niet besluiten een weigerend antwoord te geven. Na weinige daspn zond hij den Pranschman de later zoo beroemd geworden Ode toe.
\') B. verzekert, dat hij Napoleon „daadlijk (had) quot;beschouwd als den man, geroepen om een nieuwe algemeene monarchy op te rechtenquot; (Briefw. Tydemau, I, 181).
Bilderdijk, Poïzie. i
o ln 1 zelfde jaar werd liet vors gedrukt en algemeen verkrijgbaar gesteld. Even daarvóór had de dichter het aan den bekenden eu invloedrijken J. H. van dei-Palm laten lezen, die hem aanried, de slotstrophe, als eemgszms aanstootelijk, weg te laten \')• Bilderdijk dichtte daarop een ander eindoouplet. Daar dit zijn voorzichtigen vriend ook niet voldeed, werd besloten het vers uit te geven zonder de laatste regels.
Beide slotstrophen werden in 1823 door Bilderdijk be-kend gemaakt in een nieuwe, alleen voor zijn vrienden bestemde uitgave van den Napoleon.
\') Die slotstroplie is er blijkens bet hs. eerst later bijgedicht (ze is onder den datum geschreven, met anderen inkt). Het is dus zeer waarschijnlijk, dat het vers, zooals het aan Dupré weid gezonden, ook uit achttien (en niet uit negentien) stro-phen heeft bestaan.
NAPOLEON.
ODE
MHKE©\' \'AAIOY 2KOIIEI
\'AAAO ©AAONOTEPON
\'EN \'AMEPA lt;Igt;AEINON \'A2TPON.
In DEN HAAG,
By de ERVEN van ISAAC van CLEEF, Boekverkopers van den Koning en der Koninglyke Bibliotheek 1806.
De Held, die zijne oorlogsbaan opende met daden, waardig die des grootst en Veldheers met roem te sluiten; die den Nijl en de Jordaan van den schrik zijns naams deed gewagen: — Napoleon — die aan het monster des sohrikbewinds den laatsten doodsteek gaf, en met éénen wenk de maatschappelijke orde herstelde: voor wien oorlog voeren en zegepralen met dan hetzelfde is, welke menigte, welke dapperheid, welke vorsten of volkeren zich tegen hem verzetten:
_ die de gedaante van Europa vormt en verandert,
gelijk de konstenaar eenen wasklomp herkneedt : die, \'t geen in onze dagen onmogelijk scheen, eene nienwe Wereldmonarchy schept! — zie daar het waardig voorwerp der Pindarische Ode! Green Dichter, wie hy zij, indien hy waarlijk Dichter is, kan daarby koel quot;blijven; onwillig klinkt zijne lier, en golft zijn hoezem van onbekende vervoeringen: het Raadsbesluit des Eeuwigen schijnt hem toe de barensstond te genaken, en zijne uitzichten verliezen zich inde gulden droomen der toekomst!
Goedheid gehad hebt, hem verschelde uwer Werken, voor my, ter hand, te stellen.
Ik bidd u myue grootste dankbetuigingen er voor te ontfan-gen. uwe naam, heeft my, sedert lang, geleerd welke waarde ik er in zetten moet. ik zal niet nalaaten, Mynheer, de gelegenheden te zoeken om u te overtuigen van myne hoogste achting, erkenteuiss en van alle de gevoelens met welke ik steeds ben
MYn Heer
Uw1 dienstwillige dienaar (GeteeTcend)
DüPRÉ,
Secretaris van de Koning.
P. S. Ik had gezegd aan den Dokter Brugmans, dat zo een uitmuntende Schryver als u, moest een Zang stuck (eene Ode) ter eer van den onstervelyken Napoleon, Keyser der Franschen, maaken. deze Vorst zoud vol daan wezen, over de stem van een Hollandsche Lier; en ik zoud alles in \'t werk stellen, en my een eer maaken, hetzelve stuck, in Fransche dichtmaat, te vertaaien.
Hoog Edele, Gestrenge Heer,
Ik heb my op zijn tijd begunstigd gezien met de eer der hoogstvriendelijke letteren Uwer H. E. G. alhoewel in een oogenblik van instorting in mijne kwijnende ziekte, waaruit ik my eenigermate had opgeheven. ïhands stelt my eeuige vordering ten herstel in staat om U te betuigen, mijn Heer, hoe zeer ik my vereerd vinde door het belang hetwelk Gy wel in mijnen geringen letterarbeid wilt stellen. Ontfang mijnen harte-lijken dank deswegens ^ en geloof dat niets by my op hooger prijs staat dan de aanmoediging, waarmede Gy mijnen verzwakten en uitgeputten geest wel wilt te gemoet komen.
Opgewekt door uwe aansporingen, mijn Heer, (die ik door bygevoegde aanmaningen als eene soort van uitdaging der Hollandsche Poëzy aan moest merken), heb ik het gewaagd, mijne voorige baan wederom in te slaan, en op wasschen vlerken de Pindarische Ode (die voorheen mijn vak uitmaakte) op nieuw te beproeven; en dus heb ik de eer. Uw H. E. G. het nevensgaande Dichtstukjen, een Lierzang op den eenigen Napoleon, aan te bieden. Ik kan my niet voorstellen, dat uwe kiesche
Zauggodes zich zou willen vernederen met dien in de Fransche Dichtmaat over te brengen; het geen zeker, om de stoute overdrachten (Metaphores) die onze taal zich veroorlooft, moeilijk genoeg zijn zou; en hoezeer het my boven alle uitdrukking en verbeelding verrukken zou, eene zoodanige eer wacht ik voor my-zelven en mijn werk gants niet. Doch ik heb niet kunnen afzijn, het TJ aan te bieden, als een blijk der uitstekende hoogachting, waarmede ik de eer heb steeds te zijn, enz.
{Ge teekend)
Leyden
den ] 4n October 1806. BILUERDUK.
Achter het slotcouplet (vs. 181—190) staat in de uitgave van 1823:
Dit stuk dus voleindigd zijnde, werd aan een man van vermaardheid en gezag in de Nederlaudsche letteren medegedeeld, die het laatste Couplet wat aanstootelijk vond en het ried te veranderen. Hierop werd het dan ook werk lijk in \'t volgende veranderd, dat echter ook niet genoegzaam vrij geacht wierd van aanleiding tot dezelfde of soortgelijke opvatting als het vorige;
[Hier volgt de op bladz. 13 en 14 in een noot afgedrukte slotstrophe.]
Het laatste Couplet werd derhalve geheel onderdrukt, en het Stuk om in geene tegengestelde aanstootelijkheid te vallen, wanneer het op \'s Konings wil ter perse gelegd worden moest, voorzien van een klein berichtjen, het geen wy hier achter voegen, door den zelfden Geleerde opgesteld en den Dichter ten dien einde vriendschappelijk met deze regels toegezonden:
«Zie daar, mijn Vriend! schoon gebrekkig uitgedrukt wat ik «bedoelde: — Het standpunt des Lezers te bepalen, en by som-»mige uitdrukkingen hem te beletten wat meer of wat anders »te denken, dan in de ziel des Dichters was.quot;
P.
[Volgt het voorberichtje, dat reeds in den druk van 1806 was
opgenomen en blz. 4 is afgedrukt.]
NAPOLEON.
Ode.
Neen, Dichtkunst, \'t is te lang gezwegen;
Wat toeft gy? grijp, 6 grijp de Luit! \'t Heelal zij \'t erfdeel van den degen, De roem is de edelste oorlogsbuit.
Laat de ijdle Faam uit duizend monden De daden van een\' Held verkonden,
Zy schenkt de ware glorie niet; De onsterflijkheid der aardsche Goden, En \'t ambrozijn, hun aangeboden,
Is de adem van \'t betoovrend lied.
Doch wacht u, onbedachte vingeren, Der Goden dischlier aan te slaan! Ontziet u, bliksems uit te slingeren
Die wat hen aanroert doen vergaan! Jupijn beschrij\' des Arends vleugel, Hy siddert voor den zonneteugel;
En Fredrik op den Koningsthroon Moge aarde en hemeltrans verwonderen; Omstraald \'van bliksemen en donderen, Bezwijkt hy voor den Heldentoon.
Van hier, 0 gy, vermcetle slaven.
Die nabootst wat gy niet gevoelt! Die meent, ten wolken op te draven.
Terwijl ge in slyk en modder woelt! Wat zoudt gy Heldendaden zingen.
Die \'t Heldenhart niet door kunt dringen ?
8
Die niet van eigen vlammen blaakt? Neen, d\'aardsclien dampkring uitgesclioten, Het aardrijk met den voet te stooten, ,}0. Zie daar, het geen den Dichter maakt!
Zal \'sAadlaars borst van wellust zwellen
In \'t midden van zijn steile vlucht,
Zoo \'t zwermend kroost der waterwellen Zijn lof durft brommen door de lucht? 35. Neen, durft met hem gelijke pennen
De zon in \'t brandend aanschijn rennen.
En dan, verheft u in zijn1 kring! Gy, Stichters van ontzachbre Rijken,
Waar is hy, die u kan gelijken? 40. Dien voegt het, dat hy u bezing1.
Wie durft, door \'t bruischend hart gedreven.
Op Pindarus verheven baan.
Door stormen en orkanen zweven. En lachen val en afgrond aan? 45_ Op \'t klappren van zijn zwanenschachten
Het aardrijk onder zich verachten.
Verzinken zien in \'t peilloos niet, En, fier op eeuwige lauwrieren. Den eerkrans door een hand versieren, 5q Die geen verwelkbre bloemen biedt ?
Napoleon! diens borst kan gloeien;
Zy voelt zich \'t recht op heerschappy: Zy vordert, waar beur zangen vloeien. Des aardrijks eerbied af als gy. 55 Hy nader\', die haar duiV braveeren!
Hy valt met \'swarelds opperheeren
33. Hs. \'t borlend. 48. Hs. op eigen Kunstlauwneren. 49 B De lofkrans. 50. Hs. en B. Die nooit. 51. Hs. eerste lezing: mijn borst. 53. Hs. en B. haar zangen.
9
Verpletterd, ziiizlend, in het stof. Napoleon! zie daar uw\' Dicliter!
Die zinge u, sohrikbre Eykenstichter! 6U. Die borst heeft adem voor uw lof.
\'t Olympisch Piza drijv\' zijn rossen
Jupijn ter eer\' door \'t stuivend zand: De Gauler sloop\' de wapentrossen, Op \'t eeuwig Kapitool geplant: 65. Wie ziet in \'t ledig ruim der hemelen
Het deinzend licht der starren wemelen,
Wanneer de God des daags verschijnt? Napoleon! Gy treft myne oogen.
En al wat groot heet, is vervlogen! 70. Gy schittert, en \'tHeelal verdwijnt!
Maar leer me, ö Zon, uw licht te malen Dat de oogen blindt en nederslaat; — Dat \'s Dichters scheppende idealen Als zwarte dampen achterlaat! 75. Natuur, aanbid, aanbid haar luister. En sidder van het heilloos duister
Des woesten baaierts, dat zy brak! — Van \'t stofdoorwriemlend slangenbroedsel. Dat, zelf elkanders roof en .voedsel, 80. Zijn angels in uw\' boezem stak!
Natuur! 6 welk een dag van glorie
Na zulk een nacht vol ramp en nood! Hier valt de veder der Historie De grijze Fabel in den schoot! 85. Hier ziet men \'s aardrijks woesten reuzen
Op nieuw de bekkeneelen kneuzen,
59. Hs. eerste lezing- U zinge ik. 60. lis. eerste lezing Mijn borst. 67. Us. en B. Wanneer de middagzon. 75 Hs Natuur! Natuur, aanbid haar. 85. Hs. en B. groven reuzen.
10
En Jupiter ten tliroon lierateld!
Juich, aardrijk! juicht, 6 stervelingen!
Hier moogt gy \'t gloeiend Péan zingen, 90. De gruwbre Python ligt geveld! ^25.
Wat kronkelt hy in hlaauwe kringen
Van Noordmeir tot Tyrrheensche- zee,
Wat klemt en sleept hy in zijn ringen \'t Gestarnte van den hemel meê!
95. Eén Felms (klinkt, ó Heldensnaren!)
Eén Fehus steigert uit de haren:
De wraakhoog flikkert in zijn vuist,
En \'t monster ligt, in hloed en etter Voor \'sjonglings fleren voet te pletter,
100. Door éénen bliksempijl vergruisd.
Waar zijn wy? By Sabéaas stammen.
Met geurige kaneel omscheld?
Wat rook van uitgeblaakte vlammen Doorwalmt het amberaamend veld!
105. Wat Fenix stijgt van deze altaren,
Wat Fenix rijst na duizend jaren
Uit grooten Kareis heilige asch!
Stijgt eerbiedvol, ja stijgt, mijn klanken!
Herrijs met Hem, 0 throon der Franken, 110. Maar, grooter dan ooit zetel was!
Gebergten, boort door lucht en wolken!
Beschanst uw kruin met eeuwig ijs!
Verheft u, saamgespannen volken!
En gy, ó vlam des afgronds, rijs!
115. Vergeefs \'t Heelal in bloed gedompeld.
Met dood en slachting overrompeld!
Vergeefs l De ontembre Held houdt stand.
Hy spreekt, en de aarde schokt haar throonen!
Hy spreekt, en \'t regent Vorstenkroonen! 120. En \'t Noodlot vliegt hem van de hand.
11
De Nijlgod rolt bebloede stroomen:
De Kison wentelt bloedig zand:
De Donau lekt bebloede zoomen:
De Po, de Tyber ligt aan band. 125. Zal de Oder thands den loop bepalen Dier meer dan dertig zegepralen ? —
Dier vlam, die alles overmag? —
Vloeit sneller, vloeit, ja vloeit, mijn zangen! Eeeds heeft by \'t Frankisch juk ontfangen, 130. En de Oostzee draagt de Keizersvlag!
Wat buigt ge u neer, o roekeloozen
Die \'t vlammend krijgslot tegenstreeft! Bezwijken kan hy zonder blozen.
Die zonder wroeging strijdt en sneeft. 135. Maar neen, verkrompen van zyn roede, Verspilt ge u-zelv\' in ijdle woede.
Geslingerd door berouw en spijt;
Als de adder, in \'t gebloemt\' vertreden, Die nog, met platgekneusde leden, 140. Den wandlaar naar de hielen bijt.
Zie, aardrijk, zie uw scepters duiken!
De ontzachlijke Aadlaar is niet meer: Een nieuwe tijdkring gaat ontluiken:
Reeds daalt hy uit de wolken neêr! 145. Gy, Vorsten, op den throon geboren.
Doorziet wat de Almacht heeft beschoren!
Aanbidt, en treedt uw zetels af!
Doet de aarde met u nederknielen; Of — sterft als vrijgeboren zielen, 150. En bonst met kroon en rijk in \'t graf!
Eeeds schittert in een\' gloed van stralen Een scepterstaf van meer dan goud!
122. Hs. De Gihou. 142. Hs. Aadler. B. Arend.
12
Geen aardkreits kan zijn\' glans bepalen, ^65.
Green arm van aarclomzwalpend zout!
155. Is \'t waar, herrijst na zoo veel eeuwen Het eeuwig Godsrijk der Hebreeuwen,
En krimpt de Maan haar horens in?
Verschijnt de middagzon in \'t Oosten,
Om Hagars zwervend zaad te troosten 160. Van d\'overmoed der Muslamin?
Verbeelding, sta! en gy, valt open,
Gy, poorten! die de toekomst sluit!
Een aard, met zoo veel bloed bedropen.
Schiet palmen en olijven uit!
156. Ha. Het eindloos.
135—154. Het hs. heeft in eerste lezing:
135. Maar neen! fry buigt, gy geeft n over!
Aan wien? Een\' Godheid? of een\' Hoover
Aanbidt, of wederstaat en valt!
Laat de aarde met u nederknielen, Of sterft als vrijgeboren zielen, 140. lu wie het bloed der Helden walt!
Gy twijfelt? — Gy, ten throon geboren! Gy, Vorsten! — Neen, dien naam ten hoon. Wat lot het aardrijk zij beschoren,
Waar schoorde lafheid ooit een\' throon ? 145. De Moed vest zetels, Monarchijen;
De Moed-alleen schraagt Heerschappijen;
De Lafheid delft haar eigen graf.
Beef, aardrijk, beef! uw scepters duiken. Een nieuwe tijdkring gaat ontluiken; 150. Een meer dan menschelijke staf!
Hy schittert in een\' kring van stralen. Die scepterstaf van meer dan goud! Wat glans, wat luister zie ik dalen. Die alles opgetogen hondt!
13
165. Het zwaard, gekromd op menschenschonken, De spies, van \'t bloed der Helden dronken,
Doorklieven \'t land als ploeg en spa; En \'t klateren der schriktrompetten Verkondigt blijde vredewetten f 170. En \'t eind van \'s Hemels ongena!
Spoedt aan, o heuchelijke dagen.
Ten koste van wat bloed het zij!
Spoedt aan in \'s Hemels welbehagen! Herstelt des aardrijks Monarchy! 175. Ja, moeten wy door stroomen waden, In zeen van ellenden baden,
Tot dat die groote dag verschijn\'; Wy lijden, dragen, hopen, zwijgen! Hy zal, hy zal ter kimme stijgen, 180. En \'t menschdom zal gelukkig zijn.
18 t 06.
Napoleon! zie duizend tongen
Uw naam verbreiden over de aard! Van Oost tot West uw lof gezongen! Maar zijt gy ook de mijne waard?
179. Hs. ten kimmen. 180. Hs. Eerste lezing; En de aarde. 181—190. Deze regels ontbreken in A. 183. Hs. u lof. _ In het hs. leest men niet 18^0(5, maar: Leijden. 1806.
De nieuwe slotatrophe, waarover in de inleiding werd gesproken, luidde:
Napoleon, ontfang een hulde.
Van Oost tot West u toegebracht.
Doch schoon uw lof \'t Heelal vervulde,
Uw Hechter is het Nageslacht.
14
Is \'t h.eil der aard uw lioofdbedoelen, En kunt gy u gelukkig voelen
In \'t dienstbaar zijn aan zulk een plan. Uw hart quot;besliss\' dit door uw daden; Zoo die geen andre zucht verraden, Welaan, ontfang mijn hulde dan.
Verpletter, donder, bliksem neder. Van Veldstrnik tot den hoogsten Leder:
De Godheid bliksemt voor u heen Maar gijzel \'t krijgszwaard de sched®\' Het aardrijk wacht, het smeekt de Vrede, Zy mangelt aan uw krijgstrofeen.
A ANTEEKENIK6EN.
Het motto is ontleend aan Pindarus\' eerste Olympische ode (1® strophe) en beteekent: Zoele overdag geen ander schitterend gesternte, dat meer warmte geeft dan de zon.
3/4. Versta: Niet het veroverde land zelf, maar de aan die verovering verbonden roem is het edelste, dat een held zich verwerft. De beteekenis van vs. 1—10 is: Een held kan zich niets hoogers verwerven dan roem; de ware roem wordt echter niet verkregen door al^erneene bekendheid, maar door de verheerlijking van een groot dichter.
8. aardscke Goden — helden, vorsten, vgl. vs. 12.
9. H ambrozijn — de spijs, die den goden de onsterfelijkheid schenkt.
8/10. De onsterfelijkheid der helden, of liever nog het ambrozijn dat hun de onsterfelijkheid schenkt, bestaat in enz, 12. dischlier — de lier, die gedurende den maaltijd werd bespeeld. — Het woord schijnt hier gekozen, met het oog op \'t in vs. 9 vermelde ambrozijn: \'s dichters liederen zijn als godenspijs; zijn lier, welke dat ambrozijn schenkt, zou dus ook om die reden een dischlier kunnen heeten.
13/14. Versta: De onbevoegde, die zich waagt aan verheven poëzie, maakt zich als dichter bespottelijk en onmogelijk. Het « woordje wat in 14 staat (blijkbaar welluidendheidshalve) voor A wie, alwie. Vgl. een zin als: wat weerstand bood, werd \' neergesabeld.
15/16. Jujnter moge voortijlen op de vleugelen van den hem geheiligden arend, hij waagt het niet, den zonnewagen te \\ bestijgen en de teugels uit Apollo\'s handen te nemen. — Apollo, de zonnegod, was tevens de god der dichtkunst. De | j gedachte is dus: zelfs de machtige Jupiter waagt het niet, in Apollo\'s rechten te treden (en dus ook niet, zich voor te doen ƒ als god der dichtkunst).
16
17. FredriJc — Frederik de Groote van Pruisen.
19/20. Versta: al was Frederik machtig als een Godheid, toch is hij als dichter verongelukt.
21. Van hier. Weg, van de heilige plaats, waar een goddelijke held op zijner waardige wijze bezongen zal worden. — slaven. Zoo genoemd wegeus hun gebrek aan zelfstandigheid.
26. door kunt dringen voor: hunt doordringen. Dikwijls gebruikt B. onscheidbaar samengestelde ww. alsof zij scheidbaar waren.
27. eigen vlammen — inwendig vuur.
31. Bij den Aadlaar vergelijkt B. een groot man, als b.v. een //Stichter van ontzaclibre Rijkenquot;.
33. V zwermend kroost der waterwellen — muggen. De larven van verscheiden soorten van muggen leven in het water. De variant borlend zou aan kikvorschen doen denken.
37. Versta: En reken u dan onder zijns gelijkeu.
41. *t hruischend hart. Vgl. de in vs. 27 genoemde eigen vlammen.
42. Pindarust de groots\'e Grieksche lierdichter (552—442).
44. Versta: zonder te vreezen voor een ongeluk
45. Versta: Terwijl hij zich op de vleugelen zijner dichterlijke verbeelding verheft. De vergelijking van een dichter met een zwaan is zeer gewoon. Pindarus heet ook de Thebaansche zwaan, Vergilius de Mantuaansche, Vondel de Agrippijnsche enz. Ook in de vier eerste regels wordt de dichter bij een zwaan vergeleken.
48. fier op eeuwige laawrieren — trotsch op zijn onsterfelijkheid.
49. den eerkrans, nl. dien, welken hij, de dichter, wil schenken aan een groot man.
50. De verzen van een waar dichter toch zijn onsterfelijk.
51. diens borst — de borst van een dichter, die dat (het in de vorige strophe genoemde) durft
52. zy — die borst.
56. Versta: Zelfs wanneer hij de machtigsten der aarde op zijn zijde had, zou hij vallen.
58. zie daar uw Lichter — wie zoo fier en machtig is, als de hiervoor beschreven dichter, is waard u te bezingen.
61. 7 Olympisch Piza — Pisa, eene stad in Elis, bij Olympia. Aan de Olympische spelen werd oorspronkelijk alleen door de bewoners van Pisa en omstreken deelgenomen.
63/64. Versta: De Galliër verniele de (op Romes vijanden veroverde) wapenbundels, die op het kapitool werden bewaard. (De geschiedenis vermeldt echter niet, dat de Galliërs ooit tot in het kapitool zijn doorgedrongen.)
65. Versta: Maar dat alles trekt onze aandacht niet. Want wie ziet enz.
17
67. de God- des daags — de zon.
7J. Maar leer me — maar doe meer dan schitteren en leer me. — 6 Zon — Napoleon.
73/74. De werkelijkheid ten opzichte van Napoleon is zoo schitterend en oogverblindend, dat \'s dichters idealen er zwarte dampen bij gelijken. — *5 Dichters scheppende idealen: idealen die de verheerlijkende dichtwerken in \'t leven roepen.
77. haaiert — chaos. Zinspeling op de Fransche revolutie.
80. uw — der Natuur. Versta: der natuur werd door de elkaar vermoordende mannen der revolutie geweld aangedaan.
81. Toen Napoleon nl. de revolutie bedwong
83/84. Het schijnt geen geschiedenis te zijn, maar een fabel der oudheid. Historie en Fabel zijn hier als personen gedacht.\' De Fabel is grijs, oud; zij bestaat lang voor de Historie Aan laatstgenoemde ontvalt de pen, waarmede zij alle belangrijke gebeurtenissen opteekent; het schijnt haar toe, dat Napoleons daden in de geschriften van haar oudere zuster, de Fabel, thuis behooren.
85—87. Zinspeling op den strijd der Titanen tegen Jupiter. quot;Wat in oude fabels vermeld wordt, geschiedt hier: de woeste reuzen (revolutiemanuen) worden verslagen en een godheid (Napoleon) stijgt op den troon.
89. Péan. Paean, lof- en danklied ter eere van Apollo of een anderen god. Vooral na de overwinning werden Paeanliederen gezongen.
90. Python. Een reusachtige draak, door Apollo gedood.
91. hy, de Python, waarbij de dichter aan de revolutie denkt. Bij oude volken is de draak de voorstelling van het booze geweest. Dichters noemen hem dan gewoonlijk blauw of groen (de kleur van den nijd), b v. Vondel in den Lucifer. Misschien had B. bij //blaauwquot; de bijgedachte aan kruitdamp. De quot;Febusquot;, die het monster doodt, is natuurlijk Napoleon.
93. ringen — geledingen van zijn lichaam.
93/94. Deze regels hebben alleen ten doel op de uitgestrektheid en macht der omwenteling te wijzen. — \'i Gestarnte van den hemel: vorsten en rijken.
96. uit de haren. Apollo was geboren op het eiland Delos, Napoleon op Corsica.
100. bliksempijl. Waarschijnlijk dacht B. aan den bliksemflits, waar de adelaar op het door Napoleon ingestelde Fransche wapen op rust.
101. aar zijn wy? Inleidende vraag om op den feniks te komen. — By Sabéaas stammen — bij de hoornen van de Sabaei. De Sa-baei woonden in Gelukkig Arabië; hun land bracht veel specerijen en reukwerken voort.
Bilderduk. Poëzie. 2
18
105. Fenix. De fabelachtige vogel der Egyptenaren, die na een leven van verscheidene eeuwen, in Arabic den dood vindt op een door hem zeiven gemaakten brandstapel van welriekende kruiden; uit de asch (vgl. vers 103/104) werd hij verjongd weder herboren.
109. met Hem — met den als uit de asch van Karei den Grooten
verrezen Napoleon. j- v, i f
IJ3. saamgespannen volken, minder juist voor: volken, die hebt saamgespannen. Doelt op de coalities tegen Iraukrijk.
120. Als een Godheid beschikt hij over het noodlot; hij is a. h. w. het noodlot zelf.
121. Doelt op den slag bij de pyramidcn.
122. In 1799 werd het Turksche leger bij de Kison (eene rivier in Palestina, die uitloopt in de golf van Akka) door Napoleon verslagen.
123. Doelt op de in 1805 aan den Donau geleverde veldslagen te Wertingeu, Günzberg, Dürnstein enz
124. lu 1805 kroonde Napoleon zich zeiven tot koning van Italië. Zijn stiefzoon Eugène de Beaiiharnais benoemde hij weldra tot zij ii plaatsvervanger niet den titel van onderkoning.
125_130. Den l-len October 1806 bood Bilderdijk zijn Ode m
haar oorspronkelijken (naar ik meen, niet bewaard gebleven) vorm aan ünpré aan. Toen hij het gedicht eenigszins gewijzigd liet drukken, plaatste hij er den datum 5 Nov. 1806 onder.— Juist op den 14en October sloeg Napoleon de Pruisen te Jena; dertien dagen later trok hij Berlijn binnen. Zoodra Bilderdijk van de nieuwe overwinningen hoorde, maakte hij er in zijn Ode gehrnik van Vandaar zijn vraag iu vers 125/126 (de Oder is Pruisen) met het dadelijk volgende «vloeit sneller (andera zouden de overwinningen niet quot;bij te houden zijn) en in vers 120 het woordje -reedsquot;. _ _
131—14,0. Dit couplet doelt op de dubbelzinnige houding dei-Pruisische regeering tegenover den Franschen keizer voor het uitbreken van den oorlog (1806).
131/132. De bedoeling is: wanneer gij eenmaal besloten hebt te vechten, weet dan~ ook niet meer van plooien en toegeven.
142. ontzachlijlce Aadlaar — het Dnitsche rijk.
148. de aarde — de bewoners der aarde, de menschen.
149. vrijgeboren zielen — zielen die zich liet slavenjuk kunnen noch willen getroosten. , , i • i
151/152. Reeds nadert de tijd van een meer dan aardsch koniiik-rijk. Zinspeling op het ilijk van Christus, dat naar B. s meening door de overwinningen van Napoleon werd aaugekondig en voorbereid.
19
154. arm van aardomzwalpend zout — zeearm, gedeelte der zee.
156. Het eeuwig Godsrijk der Hebreeuwen. Voornamelijk op eenige verzen uit de Openbaring van Johannes (XX, 2—10) en den eersten brief van Paulas aan de Korinthiërs (XV, 22—28) berust het geloof (chiliasmus), dat kort voor het einde der dingen en het laatste oordeel, een duizendjarig rijk der vromen op aarde zou komen, met Christus als koning. De Israëlieten, eens Gods bondsvolk, nu van Hem vervreemd, zullen dan tot Christus zijn gekomen en het middelpunt uitmaken van het nieuwe, herrezen Godsrijk (vs. 156). Bilderdijk was vast overtuigd, dat het einde van het menschdom nabij was; telkens en telkens weer voorspelt hij den nakenden ondergang van de aarde en hare bewoners. In Napoleon zag hij (voor 1810) den man, die het duizendjarige rijk voorbereidde,
157. Versta: En vermindert de macht der Mohammedanen. Doelt op de nederlagen, aan Turkije toegebracht door Rusland en Oostenrijk (o. a. in 1789), door Napoleon (1799) en door Be-doeïnenstammen (1803),
158. Verschijnt de middagzon in H Oosten — Breekt er voor het Heilige Land en voor Israël weer een beter tijd aan. (Bilderdijk denkt hier aan Napoleons tocht naar Egypte en Syrië. Vgl de aant. bij 156.)
159. Hagars zwervend zaad — de Ismaëlieten. Hier in \'t bijzonder de Bedoeïnen, die als afstammelingen van Ismaël en door dezen van Abraham, tot de Israëlieten behooren.
160. B. stelt hier de Bedoeïnen (nakomelingen van Abraham), tegenover de andere belijders van den Islam, de Mnslamin of moslemen. In 1803 vielen Mekka en Medina in handen van de Wahabiten, een Bedoeïnenstam. Turkije was in Egypte zoo goed als machteloos.
161/162. Let op de tegenstelling tusschen phantasie en werkelijkheid ten opzichte van de toekomst.
164. palmen en olijven zijn de zinnebeelden van overwinning en vrede.
165/166. Vgl. Jesaia II, 4; «zij zullen hunne zwaarden slaan tot spaden, en hunne spiesen tot sikkelen.
171 vgg. In de drie vorige strophen is het naderend Godsrijk bezongen ; in deze laatste vraagt de dichter aan Napoleon of hij zijne krachten aan het voorbereiden van dat rijk wijden wil. Hiervan, zegt hij, zal het afhangen of ik U huldigen wil.
188. Versta: Uw hart doe uitspraak (en doe daarvan blijken) door uwe handelingen.
afschèid.
De abdicatie van koning Lodefl;«k,
f-rrtj\' Sf5~èr ta* .l^f ™=, den aSte\'r\'. die leefde va!,\'een jemgeld, tan d».- Lodewük
^Armoede gebrek, ziekte maakten de Periode van 18W-1813 tot een der ongelukkigste mt Büderd.jks
^Tn\'het laatst van 1810 twijfelde Mj er niet aan, of zijn einde was
£Squot;d3n|quot;|« Ho,l.nS.» «««»;
en //eene ongemeene aandoening verwekte , ,, t
,/censeurquot; bet gebeele slot sebrapte ^
Lebrun, hertog van ™alsa \' (ie dicliter te doen
SSi, l\'Inlamp;Sf— quot; ™ ♦
1) Vgl. Brief wiss. Tydeman I, 391.
21
liefde voor Frankrijk en den Keizer! Hij herinnerde aan zijn Ode Napoleon en zijn verzen tegen de Engelsellen. Zelfs verzekerde hij, dat de voorspelling waarmede Afscheid wordt besloten, betrekking had op //le prospeet d\'une nouvelle prospérité sous la Monarchie qui vient
de s\'établirquot;.....
Het verbod bleef gehandhaafd en eerst in 1S13 kon het gedicht in zijn geheel verschijnen 1).
1
) In den bundel Hollands Verlossing.
AFSCHEID.
Uitgesproken in de Amsterdamsche Afdeeling der Hollandsche Maatschappy van Wetenschappen en Sunsten,
den tienden van Louwmaand des jaars 1811.
Wat wacht gy, breede kring, met uitgerekt verlangen, / Uit \'s afgeleefden mond een\' nieuwen vloed van zangen, \' Als ware eens Dichters aar, aan Kkijn of Po verwant. Met onverdroogbren stroom voor de eeuwigheid bestand, 5. En vloeibaar tot het bloed zal stilstaan in zijn sluizen, ■Zijn adem door de long vergeten zal te bruizen, \' En \'t levenlooze rif in één stort? Waan dit niet. Neen, Dichtkunst is geen wel, die onuitputbaar vliet, \'t Gevoel Verstompt, verhardt; de geest, ter neergezonken, 10. Verstijft: het hel vernuft vervliegt in flaauwe vonken. De sneeuw des Winters, die het wagglend hoofd bezwaart. Stremt de eedier vochten in hun vorming, in hun vaart. En doet de ontstemde ziel, geklemd in harder boeien. Zich vruchtloos worstlend, tot een hooger vlucht ver-\' moeien;
15. Tot, wars van \'t overschot eens levens dat zy haat, \'t Gordyn der eeuwigheid haar stervend opengaat.
Wat dan, wat toeft men hier, wat eischt men
meesterstukken? Wat wil men, dat de snaar zal treffen en verrukken,
23
Die, reeds te lang verrekt, van tranenvocht doorweekt, 20. Tot de ooren naauwlijks nog, maar tot geen harten
spreekt ?
Wat zal de heesehe stem, nog bevende in den gorgel, (Zy, piepend wangeluid van \'t uitgesleten orgel) Wat zal zy? roeren? — of vermaken? — Neen, o neen: Zwijg, nachtegaal, \'tis lijd, de zomer vloog daar heen!
25. Gelukkig mooglijk hy, die, met zich-zelv\' te vreden, Zich-zelv\' ten maatstaf neemt in kunst en kundigheden; Zijn werkelijk bereik voor uiterst eindperk houdt.
Zijn poging acht voor doel, en, hooger, niets beschouwt! Die stervling ia steeds rijk, steeds machtig, steeds verheven !
30. Zijn staamlen durft hy nog der kunst tot voorbeeld geven; En, wie hem deernis toon\' of om zyn dwaasheid lach\', Hy juicht zich-zelven toe, zoo lang hy beuzien mag.
Maar ik, in \'t zedig school der oudheid opgetogen. Mijn vrienden, had van jongs, een hooger wit voor oogen. 35. Geen lof verblindde my, geen naspraak sloeg my neêr. \'k Was dichter, — maar \'t is uit — de dichter is niet meer. f Myn zwakheid vordert rust. Ja, de algemeene moeder, Wier stof wy schepslen zy n, die brood verschaft en voeder, Lijdt, jaren, dat \'de ploeg haar \'t lichaam open rijt\', 40. En brengt haar schatting op, maar eiseht haar rustenstijd. Geen vruchtbre huvvlijkskoets gaat eeuwig voort te
bloeien;
De schoot der moeder sluit, de borst verleert te vloeien, Verschroeit en rimpelt, en de wellust-zelf van \'t bed Vergaat, waar de Ouderdom zijn loden stappen zet. 45. Gy echter, die dit weet, gy, zelf in Febus choren Eoemruchtig, wenscht op nieuw den Grijzaart aan te
hoeren!
Waartoe? op dat hy-zelf voor uwer aller oog Zijn eens verworven kroon met voeten treden moog! Ai! gunt dat luttel loofs, dat eens voor veertig jaren
./
I
24
50. Zijn lokken sieren mocht, die fletse lauwerblaaren, Zijn late grafstee! — Laat het wordend nageslacht Het aanzien, als hy slaapt in de onverstoorhre nacht. En zeggen: „In dees steen ligt een dier vroeger zangeren, ( „Wier boezem meê een sprank van Vondel mocht bezwangeren ;
55. „Die liefde en teêrheid zong met Abtwouds nachtegaal; „En \'t Vaderland vereerde in echt Bataafsche taal!quot; Licht biedt een maagde-hand, vertederd door mijn zangen. Die grafstee nog een bloem, een traantj en van haar
wangen;
Licht treedt een jongling op, die door mijn\' toon gegloeid, 60. Miine asch een \'hulde brengt, aan \'t dankbre hart ontvloeid ,
Of dankt een minnend paar, elkaar om \'t hart geklonken. Aan \'t uitgedoofde stof den oorsprong van zijn vonken. En roept miin schaduw toe: „Rust, zanger, sluimer
zacht!quot; —
Wat zal de schorre toon der ademlooze klacht 65. De vroeger melody, eens dierbaar, doen vergeten? — Ook eerder roem bezwalkt door al te veel vermeten. De worstlaar, eer de tijd zijn reuzenkrachten sleet. Onttrekt zich aan het perk, doorluchtig door zijn zweet, En vreest, der frissche jeugd, die in den bloei van \'t leven 70. Reeds in zijn\'voetstap draaft, zijn grijsheid prijs te geven. Ook ;it, ik schroom, dit uur, hy \'t wanken van mijn
kniên,
De waggelende heup in \'t loopperk aan te biên; Ontslaat my. \'k Laat aan u de zegepalmen over. En schuil met hangend hoofd in \'t lang verschrompeld
lover,
75. Dat stoute jonglingschap (en mooglijk te onbedacht) Zich eigende, eer uw arm nog opwies tot zijn kracht. Benijdt haar niet! Zy had met helmees niet te strijden; Geen kltjn was \'t, wiens triomf haar iemand kon benijden.
Vereul bestond niet, en geen kinker dwong de snaar
25
80. Grewijde galmen af voor Haydens grafaltaar.
Geen tollens nog had toen de speelstift aangegrepen; Geen loots den toon beproefd om zielen weg te sleepen; Van lenneps zangster nog geen vleugels aangeschoeid, quot;Waarmee ze in \'t steile spoor van Thebes Dichter roeit. 85. Geen schenk wist de ernst van Young met waarheid
uit te drukken. Geen hand die lauwren zocht, of moed had, die te
plukken.
Gy, gy-alleen, lannoy, gy echte Dichteres,
Wier tombe, omwemeld van Bataafsche lijkcypres, Ik-zelf met eigen hand uw lijkasch heb geschonken, 90. Verdiende in \'t perk der eer eens Dichters hart te ont-
fonken;
Gy waart me een zegepraal, my dierbaar, mijner
waard! —-
Neen, Hollands Dichtrenoogst was tot dees tijd gespaard.
Maar neen, ik zal by u, by kunst- en lettervrinden, Die heuschheid, die u voegt, geen rechtrenstrengheid
vinden.
95. Gy eert de zwakheid die u voortrad langs die baan. Waarop gy glorie wont, troféëu op mocht slaan Die eeuwen tarten, en des alverwoesters tanden Verslijten, tot deze aard eene andre zon ontbranden. Een\' andren hemel zie, met nieuw gestarnt\' bezaaid, 100. En om een\' andren pool in andre richting zwaait. Gy-zelf, gy zult zijn\' naam aan \'t late kroost vermelden. Zijn overschot ontzien, zijn matte kunst doen gelden. En licht, zyn schraal gebloemt\' verplantende in uw\' hof, Zijn\' naroem leven doen in uw verkregen lof. 105. Wat ducht, wat schroome ik dan? Ja, laat de stroeve
tonen
Des Grijzaarts, na aan \'t graf, den vroeger dichter
honen;
Uw vriendschap vergt geen\' zang, zy wacht geen melody Maar laatste plichten van een stervend hart van my.
26
\'k Voldoe uw weuschen. Ja, mijn borst worde u ontsloten !
110. Dit oogenblik misschien, geliefde kunstgenooten,
Is \'t jongst eens levens, dat steeds hijgend kroop naar
\'t graf.
Licbt breekt liet gunstig lot zijn\' taaien draad hieraf! En zou mijn veege mond u \'t plechtig afscheid weigeren; Mijne afgematte ziel baar kerkerband ontsteigeren, 115. Niet omziend naar uw\'rei, óDichtren, Hollands roem, Met wie ik me ook dit uur verwant en broeder noem\'? Neen, \'k treê gemoedigd op om u die groet te brengen, (Ik ben ze u schuldig), ja! en zonder tranenplengen, Maar vol ontroering, \'k Zocht voor zesmaal negen jaar 120. De moederlijke borst, en, van die borst, de baar. f] \'k Lag in mijn wiegj\' alreeds met natbeschreide wangen v In \'t dorsten naar de dood te smachten van \'t verlangen;
En, zoo ik \'t leven droeg, zoo dit mijn kracht vermocht, | Dit, Dichtkunst, is uw werk, uw hoogste kunstgewrocht ! —
125. Verbloemen wy het niet! veroordeeld steeds te treuren. Door alles wat me omringt het hart te zien verscheuren, Schonkt gy me uw heulsap. Niet die maankop, die,
om \'t hoofd
Des zuizelenden slaaps, gevoel en leven dooft, Maar\'t zacht, wellustig gif, dat, in de borst geslopen, 130. Zich-zelv\' vergeten doet, en droomend voort leert hopen. Verbeelding vleit en streelt, en andere oorden schept. Waar in de ontslaakte geest zijn stoute vleugels klept! - Ach! in dat wiegj\' alreeds, met de eerste levenstogen,
y . i\' (Dus schijnt het) heeft mijn hart dien dichttrek ingezogen.
.J] 135. \'k Bleef aan deze aarde vreemd, en balling op haar grond, j tf En zweefde eia» w.ireld door, die slechts voor my be-
£ * » ...........stond. —
6 Lang, 6 haat lijk perk der eerste dertien jaren! ó Kindsheid, my zoo traag, zoo pijnlijk omgevaren! Wat roemt u \'t menschdom, dat, te onvreden met zyn\'
staat,
27
140. Zyne oogen achterwaarts op uw genoegens slaat! Neen, nimmer roeme ik u. Nooit leerde ik uw vermaken, __JJw spelen, dartelheên, en zorgeloosheid, smaken, \'k Zag smarten om my, \'k vond ze in \'t binnenst van
mijn hart.
En, niets dat laven kon, by \'t doorstaan van die smart. 145. Mijn ziel zocht elders haar bevrediging, en staarde 1 Naar wareldstanden, niet vereenbaar met deze aarde, Naar tgden . . . tijden! — Ach, is \'talles slechts geen
droom,
En wachten ze ons, o God, verhaast ze! koom, ó koom! Steeds streefde ik hen vooruit; steeds zocbt ik in my-
zelven
150. Verzeekring van die hoop, dat uitzicht, op te delven. Verachtte \'t walglijk slijk, van andren nagejaagd. En kwijnde in mijmring weg, belachen of beklaagd.— Zoo won ik \'t perk der jeugd; zoo, rijper levensdagen, En zweette in \'t hard gareel, met wederwil gedragen: 155- Gareel. . . .! Van plicliten? — Neen — wat heeft het
levenslicht
Dat balsem stort in \'t hart, dan welbetraclite plicht ? Waar troost, dan by de plicht? Waar wellust of genoegen, Dan, op haar eedle baan voor haar-alleen te zwoegen? Wie schudt zijn plichten af, dan met zijn zelfgevoel? 160. Neen, wien de plicht bezwaart, is voor Gods bemel koel!
Neen, zalig, wen ik my in d\' arbeid moclit verzaden, Bedrukten nuttig was, (hoe drukkend, zelf, beladen!) Of kennis putten, en haar bronnen tot den grond Vervolgen, waar geen oog haar naspoort; \'t wareldrond 165. Getui gnis vordren van de langst vervloten tijden. En in zijn wording-zelv dat einde doen belijden Dat aanrukt; of den rei der kunsten by de hand Opvoeren tot den roem van \'t dierbaar Vaderland. Maar ach! de nare last van slaap, van lichaamvieren, 170. Van eindloos in een\' kring van dwaasheên rond te
zwieren,
28
En \'t zouteloos genot van wat vermaken heet, Dit (hemel!) was me een juk, en onverdraagbaar wreed. Om dit vervloekte ik soms het daglicht aan de kimmen, Waarin me een razerny verwoed scheen aan te grimmen, 175. Wier yzren zweep my steeds, met elk wie ademhaalt, Naar disch en naehtkoets dreef, in enger kring bepaald. Dan, of myn ziel gedoogde, of zelfs die plicht kon lijden, Wien nooddruft van mijn hart het zoet vond zich te
wijden,
En waar \'t met drift aan hong, als \'t jongsken aan
de speen:
180. Dan voelde ik me enkel leed, en wat ik was, verdween. Dan, docht my, was de hel met duizenden van spoken Ter kwelling van myn ziel in dolheid losgebroken, Wen feest of staatsgewoel my aan my-zelv\' ontstal. Of de arbeid wijken moest voor \'t ij die lustgeschal.
185. Neen, \'k rep van plagen niet; ik noem geen tegenspoeden.
\'k Beproefde \'t, tot hoe verr\' hier rampen kunnen woeden! Maar, God, vergeef my \'t woord dat me uit den boezem
barst;
In \'t leven, hoe \'t ook zij, was leven-zelf my\'t hardst!
En echter \'k heb dat leed reeds half eene eeuw geleden: 190. \'k Heb kwalen doorgestaan, en al de afgrijslijkheden. Die armoê, honger, spijt, en wat de borst verscheurt, Vereenen: \'k heb op de aard wat dierbaarst was, betreurd ,
En leefde (aan u zij dank, o Dichtkunst!) voor mijn
plichten!
Stond voor geweldnaars pal, voor hoon en laster-
schichten;
195. En droeg, door ramp, door nood, door duizend noo-
den heen.
184. A: vreugdgeschal.
29
Een vrij geweten meê, wat zon my ooit tescheen. Gy sfihraagde, gy alleen, gy troostte my in \'t leven: U. leefde ik, u dit hart, my slechts voor u gegeven! En mooglijk, zoo mijn ziel aan \'t eindperk dezer baan, 200. De wieken stouter rept en vrijer iiit durft slaan, Om \'t blijde morgenrood dat voor haar op moet dagen. Te groeten, van dit kleed, dit aardsche kleed, ontslagen. Dat ze u als leidster in haar hooger vlucht erkent. Dan, mooglijk, steiler dan de zonnewagen rent, 205. Strijkt ze aan uw zijde neêr op andre wareldkloten, Van d\' onzen door een\' riem van vuurgloed afgesloten En zielenloutrend licht; en eert voor \'s Hoogsten throon In u een\' troostgezaut van Zijn\' gezalfden Zoon!
Mijn vrienden, ja; gewis, zy is geen spruit van de
aarde,
210. De Dichtkunst, die ons blaakt; zy is van hooger waarde; Zy, boven stof en wolk en lucht en ethervloed In hemelvuur geteeld, van hemelvuur doorvoed. Zy zijgt den mensch in \'t hart met d\'adem van ons leven. Door haar gevoelen we ons aan \'t nietig ons ontheven, 215. Der Almacht nader, en de toekomst doorgevoerd. Dan kent des Dichters hart de Grodheid die hem roert; Dan roept hy siddrend uit, zich-zelv\' en de aard onttogen :
„Een Grodheid blaast my aan, een Godheid uit den
hoogen!quot;
Zgn oogen vonklen, en zijn boezem staat in vlam.-quot; \'
*
220. Geleigeest (want ó ja, gy zijt het) van mijn\' stam, Gy die van \'s Bosfors boord, en waar de kruisaltaren In \'tlang verdelgde puin hun beenders nog bewaren. Mijn vaadren in den held dien Segons lans doorstiet. Geleid hebt waar de Rhijn den Waal in de armen vliet! 225. Gy, die van eeuw tot eeuw de mijnen nooit verzaakte, In hun, sints Holland wierd, voor Hollands dichtroem
waakte.
30
En nog mijn borst ontsteekt in d\'Ouderlijken gloed; Gretuig gy, of ik ooit ontaartte van mijn bloed! 6 Hollands Poezy! wie ooit u heeft gehuldigd, 230. Of wien ge uw\' hoogsten bloei, zoo glansrijk, zijt verschuldigd,
Ook my behoort een deel dier glorie. Ja, ook my! Wie rookte uw outers, wie van al uw priestrenrij, Met zuivrer wierook, of versierde uw Chooraltaren Met edeler gebloemt, met frisscher myrtheblaaren, 235. Op i\'empes heuvels, of aan Peneus boord gegroeid? Wie heeft de Atheensche broos uw Zangster aangeschoeid ,
Den Siciljaanschen halm uw\' tempel opgedragen? Wie ijverde om uw\' roem door \'t wareldrond te schragen. En leerde een vreemde lier te klinken naar uw\' toon, 240. Ot vormde in \'t diepe Noord bewondraars van uw schoon; Ja, huwde uw melody aan \'t lied der Massageten? Maar neen; wat moge ik my op \'t fier bestaan vermeten ! \'t Zegt weinig, \'t geen ik deed, zoo kiesche en zuivre
smaak,
Zoo taal en harmonie myn stoute poging wraak. 245. Doch, leerde ik oor en hart naar d\'aanslag van myn
vingeren
Zich neigen met den toon, en met de snaren slingeren. Ja, kneedde ik taal en maat met vrije en losse hand; Dan — heb ik iets verdiend by \'t zangrig vaderland. Verdiend? Helaas, te min! wat zoude ik, ö mijn
vrinden,
250. My vleien? wat mij-zelv\' door valschen waan verblinden? —
Ach, wat vermocht ik in een leven, zoo vervuld Van arbeid, onrust, leed, en wat ik heb geduld! Hoe zoude ik in den drang der pleitbeslomineringen, In Staats- op Staatsorkaan, met vrijen boezem zingen? 255. In jammer, ballingschap, van echtgenoot en kroost Op \'t hart getrapt, verscheurd ? Helaas! myn voorhoofd i bloost.
31
Neen, zuivre Poëzy eisclit ademtocht van \'tharte; Geen\' boezem, toegeschroef\'d, verwrongen van zyn smarte. Of is \'t op \'t hongrend nest, van slangen aangegrimd, !6ü. Dat, nachtegaal, uw toon door woud en wolken klimt? Of zondt ge om rots en klip, naar aas en voedsel hijgen. En nooddrufts gruwbre kreet in \'t fluitend orgel zwijgen. Daar ze uit uw\' gorgel breekt? Of, als gy \'t jong betreurt ,
Door vijandlijken gier voor uw gezicht verscheurd, !65. Zal dan uw wanhoop nog, in meer dan krijscbend gillen. Den adem die u rest, den laatsten snik, verspillen? Neen, wanhoop heeft haar recht. Des noodlots bliksemslag
Verplette\' \'t arendsjong in \'t steigren naar den dag. \'t Werd, met verlamde wiek en afgeschroeide schachten, 270. Ten hemel afgebonsd om hier in \'t stof te smachten: Zijn vleugels uitslaan, was het alles wat het kon. Maar, ook dat uitslaan-zelf wees andren \'t spoor der zon.
[ Mijn vrienden, ziet te rug uit de eeuw waarin wy leven I Op die my \'t aanzijn gaf r toen by den grond te zweven, 275\'. Toen kruipen, Dichtkunst heette; of liever, rijmery Naar strenggesmede wet, den naam van Poëzy (Dien Goddelijken naam!) zich eigende en onteerde; Toen Monen op de taal, en Pels de maat regeerde. Een valsehe netheid won, gebootst naar Franschen trant, 280. iOp Hollands Pindus veld, en kluisterde \'t verstand. lAch! vondels grootheid was verloren, poot vergeten! , Men draafde in sty ven tred aan Frankjijks gladde keten. En koude Eedekunst, in angstig rijm gekneld. Naradeer en eerplaats in van Dicht- en Lauwerheld.
285. Toen dreef me een nieuwe geest in \'t stoute spoor der
Grieken.
272. Met dezen regel eindiiit A. Onder het fragment staat: Het vervolg hierna.
32
Mijn boezem vloog in vlam: Met nooit beproefde wieken Verhief ik me, als het kroost des ethers, uit zijn nest Door onbekende drift naar hooger lucht geprest. Vermetel! — Maar het lot bekroont een edel pogen. 290. Men zag mijn nieuwe baan met eerstverbijsterde oogen, Doch volgde allengs: En straks was Dichtkunst meer
dan maat;
Werd denkbeeld, werd gevoel. Geen louter praalgewaad Der stugge Ehetoryk volstond, geen enkle klanken, Hoe kunstig saamgehecht: geen wild versprei de spranken 295. Van geest; maar houding, smaak, maar ware dichtren-
toon;
f\'En vondel , lang verguisd, hernam zijn eerste kroon.
ó Gy, aan Pindus voet weleer mijn tijdgenooten, Waar zijt gy? waar, de band die ons zoo vast gesloten. Zoo teêr vereenigd hield? Gy liet my, dierbre rei, 300. Als d\'afgeblaarden tronk in \'t midden van de hei. Of, uit een talrijk woud, door stormwind omgesmeten. Alleen gespaard, maar \'t hoofd door bliksems afgereten. Maar halfontworteld; waar geen wandlaar op zijn tocht By neêrzit; van geen mees, geen leeuwrik meer bezocht; 305. Ja wiens verstorven loof door \'t ritslen van de bladeren De vooglen wegschrikt, en te rug drijft wie hem naderen. Het aardrijk draagt hem nog, maar\'tis met wederzin: Een nieuw gewas steeg op, en drong ten wolken in, En lokt door \'t frissche groen de Veldjeugd in zijn lommer. 310. Zoo helt my \'t matte lijf by\'t overwicht van kommer! Zoo praalt ge in \'t Vaderland, dat, door uw\' toon vergast. Den grijzen Tithon schuwt, van honden aangebast!
Dan, wat beklage ik my ? Of was mijn vlijt verloren ? Vervloog mijn Grieksche zang uit Hollands dichtren-
choren,
315. En laat ik \'t Vaderland de nieuwe bastaardy . Ten roof! Versterft de toon der hooger kunst met my ? Neen, \'k zie een rijker koor van zangers voortgesproten.
33
IEn \'t eenmaal needrig woud hersteld in fierer loten: k Zie Helmers aan Inm hoofd! hem, wiens ervaren hand 320. De Lesbiaansche lier met voller krachten spant,En \'t eenmaal needrig woud hersteld in fierer loten: k Zie Helmers aan Inm hoofd! hem, wiens ervaren hand 320. De Lesbiaansche lier met voller krachten spant,
Met eedier zwier bespeelt; en, \'t eigen vuur in de aderen, Wreekt Loots de moederspraak, de glorie onzer vaderen, In hymnen, hunner waard, en heft uit Hollands puin Thands stuivende op den wind, den lauwer van hun kruin 32o. Der vale Nijd in \'t oog! Zie daar, wie my vervangen! Zy heffen stouter toon ten hemel: rust, myn zangen! \'t Gewelfsel weigert reeds uw\' stemgalm na te slaan, Hy sterft, en kondigt my het naadreud tijdstip aan. ö Neen, \'k beklaag my niet; Mijn leven snelt ten ende. 330. Dank, hemel, de uitkomst spoedt eens loopperks vol
ellende!
Ja! spoed, ó heilrijk uur dat me aan mijn\' band
onttrekt.
En met de koele schaaüw der grafrust overdekt! \'k Vervulde \'tlot. Ik had aan\'t Vaderland myn snaren Gewijd, en, met dit hart, het bloed van uit mijne aaren. 335. \'k Betaalde, \'t Vloot, verteerde; en, wat my overbleef, Behoort met d\'adem \'tnog, en, tot zoo lang ik leef. Ik zag dat Vaderland gelukkig, \'k Zag het zinken, \'k Zag by zijn\' diepen val de woestaardy rinkinken En woelen, als een\' stoet Bachanten, die by \'twee \'0. Den hemel daavren deên van \'t juichend Evoë, En Eazernyen door de heiligdommen spoken.
Ik zag een morgenrood van nieuwen bloei ontloken! Een\' dag beloven — ach! van redding, ja, van roem ! Maar laas! die zon bezweek. Des noodlots ijzren doem : 5. Klonk door de ruimte, en sprak; „Zij Hollands naam
verdwenen!quot;
Wat bleef my sints dat uur, wat kon ik meer dan
weenen!
De naam van \'t Vaderland, van Holland, is geweest.
gt; Zie daar mijn\' laatsten snik; met dien geve ik den geest. « * * *
3
Bildekdijk. Poëzie.
, Waar Meanders zilvren water door zijn kronkelbocliten
schiet,
350. Groet de Zwaan haar stervensstonde met een zacht en
kwelend lied.
\' Dan, dan zuizen lucht noch stroomen; alles luistert,
alles zwijgt,
(Zelfs het lied derfilomelen,) waar die toon ten hemel stijgt. Maar wat zingt gy, veege zangzwaan, in uw kabblend
stroomgebied ? Ach, gy dankt de zuivre plassen, waar zijn volle kruik
van vliet!
355. Ach, gy dankt de groene boorden, in wier dons gy
rusten mocht.
En de loverrijke bosschen, waar gy \'s middags schaduw
zocht!
Wis gy zingt den frisschen stroomen \'t teêr, \'t aandoenlijk afscheid toe; En gy doet, geliefde zanger, wat ik op uw voorbeeld doe! Moog, als u het westenwindtj en op mv blaauwe waterbaan ,
360. My een zachte dood verrassen, in mijn jongste cytherslaan! Roemen u de stroomnajaden van uw\' spiegelheldren plas! ! Slechts één traan in Hollandsche oogen zegg\' van my:
365.
UE DICHTER WAS!
Maar gy, broeders, Gry, behoeders Van den Vaderlandschen roem! Mijn ver scheien Eiseht u schreien, Lijkmuzyk, noch offerbloem.
Uit die rustplaats,
Uit die lustplaats.
Waar mijn ziel de dood ontvliedt,
370.
35
Ziet zy teder Op u neder,
By het stemmen van uw lied:
375. Leent zy de ooren
Aan uw clioren,
Als gy liefde zingt en echt; Als uw tonen Deugden kronen, 380. Waarheid staven, godsdienst, recht:
Als ze in \'t lijden \'t Wee bestrijden En verduren doen aan \'t hart; Moed ontsteken, 35. Helden kweken.
Die niet zwichten voor hun smart.
Ach, de dagen Onzer plagen.
Lieve broeders, gaan voorby. 390. Uit dit duister
Rijst de luister Van een nieuwe heerschappy.
\'k Zie de kimmen Reeds ontglimmen 395. Van een nieuw, een Godlijk licht!
Op de randen Dezer stranden Straalt zyn glans my in \'t gezicht.
Op de randen 400. Van de stranden
Van dien onafzienbren vloed. Die dit leven Houdt omgeven,
En reeds omzwalpt om mijn\' voet.
36
405. \'k Heb het vallen
Van mv wallen,
Hollands Ilium, voorspeld;
\'k Zag het blaken Van uw daken, 410. En uw Hektors neêrgeveld;
De ingewanden Voelde ik branden En verteeren van die vlam: \'k Riep, ik weende; 415. Ja, \'k versteende;
Maar de dag des jammers kwam.
Doch verduren Wy deze uren! 6! De toekomst brengt ons troost. 420. Trojes vallen
Schiep de wallen Van oud Homes heldenkroost
Wat verschijne. Wat verdwijne, 425. \'t Hangt niet aan een los geval.
In \'t voorleden Ligt het heden;
In het Nü , wat worden zal.
Opgaan, blinken, 430. En verzinken,
Is het lot van ieder dag:
En wy allen Moeten vallen.
Wie zyn licht bestralen mag.
435. Of de kronen
Luister toonen.
Volken, Staten, bloeiend staan.
Duurt hun ronde, 440. Maar hun avond spoedt toch aan.
Doch de dampen Dezer rampen,
Doch de nevels dezer nacht, Zullen breken 445. By \'t ontsteken
Van den dag waarop zy wacht.
Mocht myn\' lippen Dat ontglippen Wat mijn brekend oog hier ziet! 450. Mocht ik \'t zingen,
En my dringen Door dit wemelend verschiet!
Ja, zy zullen Zich vervullen, 455. Deze tijden van geluk!
Dees ellenden Graan volenden; En, verpletterd wordt het juk.
Holland leeft weêr, 460. Holland streeft weêr.
Met zyn afgelegde vlag.
Door de boorden Van het Noorden Naar den ongeboren\' dag
4Ö5. Holland groeit weêr!
Holland bloeit weêr! Hollands naam is weêr hersteld! Holland, uit zyn stof verrezen, Zal op nieuw ons Holland wezen; 470. Stervend heb ik \'t u gemeld!
38
Stervend zong ik, Stervend wrong ik Deze heilvoorspelling uit!
\'t Sterflot wenkt my; Gy, herdenkt my Als u \'t juichensuur ontspruit
AFSCHEID-
1. met uitgerekt verlangen — reikhalzend verlangende. JJitge-rekt, eigenl. van den hals; hier bij overdracht van het verlangen zelf.
3. eens Dichters aar — de bron, de stroom van \'s dichters poëzie.
5. sluizen voor aderen. B. denkt aan de eenigermate met schutsluizen te vergelijken kleppen in de bloedaderen (venae).
9. geest — de bezielende kracht.
12. de eedler vochten. Volgens de meening, dat het bestaan en de kracht der menschelijke vermogens afhankelijk zon zijn van de vorming van verschillende sappen (voornamelijk van het zoogenaamde zennwvocht).
13. harder loeien, daar het gevoel verhard, de geest verstijfd, de edeler vochten gestremd zijn.
19. verrekt — te zeer uitgerekt; ontstemd; krachteloos gemaakt.
25 — 32. Misschien is hij gelukkig te noemen, die geen idealen kent en daarom hetgeen hij schept voor het hoogst bereikbare houdt. Hij arbeidt niet met het oog op een hooger doel. In eigen schatting is zoo iemand altijd rijk, machtig, verheven; hij meent zelfs anderen tot voorbeeld te kunnen dienen; en hoevelen hem ook met medelijden of spot mogen bejegenen, zelf is hij steeds met bewondering vervuld voor zijn niets-beteekenende kunstvoortbrengselen.
29. Wel te verstaan: volgens zijn eigen meening.
36. de dichter — de dichter in mij.
37. de algemeene moeder — de aarde.
42. sluiten — voor: zich sluiten. Tot de eigenaardigheden van B.\'s taal behoort ook het herhaald verwisselen van lijdende en bedrijvende, trans., intrans en reflex, w.w.
45/46. in Febus choren roemruchtig — als dichters beroemd.
47—51. Verlangt niet, dat de grijze dichter zal toonen , hoezeer
40
hij zijn roem heeft overleefd. Vergunt hem, dat de lauwerkrans, dien hij zich voor veertig (eigeul. 34!) jaren heeft verworven , de tombe moge versieren van het graf, dat zich zoo laat voor hem opent.
53. In dees steen —• in deze graftombe.
54. boezem accusatief.
55. Ahtwonds nachtegaal — Poot.
61. gel-lonken. Klinken is vastleggen in soldeersel, in lood; ook vastslaan (van spijkers). Elkaar om \'t hart geklonken bet. dus: elkander innig omarmd houdende.
61/62. Misschien herinnert zich het minnend paar, dat het zijne liefde heeft voelen ontwaken bij de lezing van B.\'s gedichten.
64. tfat zal — waartoe zou. Sluit aan bij vs. 48.
66. hezioalkt — wordt bezwalkt, bevlekt.
73. Ontslaat my — vergunt mij heen te gaan.
74. 7 lang verschrompeld lover — de lang verdorde lauweren.
77. haar — die jeugd des dichters.
78. Klijn. Bedoeld wordt Hendrik Harmen Klijn (geb. 1773). Zij, die ik overwon, waren geen Klijn\'s. Men behoeft mij mijne overwinningen dus niet te benijden. 33. denkt hier aan de drie eerepenningen, die hij in prijskampen behaalde. Vgl. vers 91, met Aant. — Wiens is object, genitief bij triomf, wat strikt genomen grammatisch onjuist is. Door gelijkstelling van triomf met overwinning (waarbij zulk een genitief wèl voorkomt) zal B. tot deze constructie gekomen zijn.
79. Te-reul. Abraham Vereul, die in 1770 te Paramaribo geb. werd. Abrahams neef Jan Jacob (f 1807) was ook als dichter bekend; daar B. hier echter levende dichters opsomt, wordt blijkbaar de eerstgenoemde bedoeld. —• Kinker dichtte een cantate: De Nagedachtenis van Joseph Haydn (1810).
81. speelsiift — het plectrum, een staafje vau hout, ivoor of metaal, waarmede de Grieksche dichters de snaren der citer tokkelden.
S3. Van Lennep. David Jacobus, de vader van den romanschrijver, schreef o. a. den beroemden lierzang De Herder op het slagveld van Cannae. Bij vleugels aangeschoeid denke men aan vleugelschoenen als die, waarmede Hermes wordt afgebeeld.
84. Theles Dichter — de lierdichter Pindarus. — roeien voor vliegen komt bij B. herhaaldelijk voor.
85. Schenk. Adrianns Cornells Schenk (geb. 1775) vert. Young\'s Sach tgeduchten.
88. lijkcypres — de trenrcypres, dien men veelvuldig op kerkhoven plant.
88—90. Ofschoon men in deze regels desnoods een zinspeling zou
41
kunnen zien op de uitgave der nagelaten gedichten van Juliana Cornelia de Lannoy door Bilderdijk (in dat geval zou men quot;Bataafsche lij key presquot; moeten opvatten als Hollandsche lijk-verzen), geloof ik eerder, er uit te mogen opmaken, dat B. bij de begrafenis der dichterlijke baronesse is tegenwoordig geweest en tot de dragers der lijkkist heeft behoord.
91. Versta: dat ik U in een dichterlijken prijskamp overwonnen heb, was me een ware zegepraal. — In 1777 ontving B den gouden eerepenning van het Leidsche genootschap Kunst wordt door Arbeid verkregen, voor zijn prijsvers: De waere Liefde tot het Vaderland. Aan Juliana Cornelia de Lannoy werd een zilveren medaille toegekend,
92. tot dees tijd — tot nu, tot den tijd der voorvermelde dichters.
96. trvféen — of: tropeeën, zegeteekenen: bestaande uit een op de plaats der overwinning opgebouwde stellage, waaraan veroverde wapenen werden opgehangen
97. des alvei\'woesters tanden — de tanden des tijds.
108. licht — wellicht. Zijn schraal gehloemf enz. Versta: door hem na te volgen.
106. honen — te schande maken.
108. laatste plichten van een stervend hart — het nemen van afscheid.
114. haar leerherhand, ontsteigeren — zich uit het lichaam verheffen.
124. uw hoogste Icunstgewrocht. Versta: het verwonderlijkste, on-begrijpelijkste, wat gij hebt kunnen doen.
127/128. Heul en maankop bet. papaver. Heul is etymol. waarschijnlijk het Fransche huile. B. bracht het echter in verband met heul = troost en dacht, dat de plant haren naam had gekregen //als de algemeene toevlucht en panacé in pijnen en ziekten.quot; Vandaar dat men vs. 127 bij heulsap zoowel te denken heeft aan troost als aan opium (het sap van de papaver somniferum). Er zijn verschillende soorten van papavers; en B. onderscheidt er hier hlijJLüaar twee, waarvan hij de eene niet, de andere wèl als attribuut van deu Slaapgod beschouwt. Hij zegt: het heul-saj^, dat de dichtkunst hem schonk is niet (afkomstig van) de papaver, die de Slaapgod zich om \'t hoofd heeft gewonden en wier invloed den mensch tijdelijk aan gevoel en leven onttrekt , maar het is (als) de opium, die het verstand benevelt en een onnatuurlijken slaap veroorzaakt, waarin verrukkelijke droomen en gedachten een toestand van ongekende zaligheid teweegbrengen.
130. voort leert hopen — steeds opnieuw hoop doet voeden.
136. Versta: En leefde alleen in een wereld van verbeelding.
42
146. wareldstanden — toestanden.
147. Tijden, van het Godsrijk (vgl. hiervóór aant. iVnp. bladz. 19).
149. hen — die toestandeu en tijden.
150. op te delven. De moeite, waarmede de dichter zich nn en dan aan aardsche beslommeringen en twijfel had te onttrekken, om zijn geloof en hoop niet te zien verzinken, wordt ons door
. ^opdelvenquot; voor den geest gebracht.
[55_172. Om deze regels wel te verstaan, herinnere men zich,
dat Bilderdijk het streven van den mensch naar hooger, beschouwde als een poging tot opgaan in God, tot vereemgmg met het Opperwezen. Wat God wil, verkondigt ons een stem in ons hart; wie naar die stem luistert, hare raadgevingen volgt, nadert God. Vandaar dat plichtsbetrachting het edelste genot van den brave is en dat alleen hij, die de Godsstem in zijn binnenste (— het zelfgevoel; zie aant. bij 159) smoort, zijn plichten kan verwaarloozen. Tot dezen behoorde B. niet. Zijn genot bestoud in werken, hulp verleenen, zich in wijsgeerige beschouwingen verdiepen eu het beoefenen der schoone kansten. Een telkens terugkeerende kwelling was hem de slaap (die hem nooit verkwikte!), de zorg voor het lichaam, en wat andere meuschen gewoon zijn vermaken te noemen.
158. haar — des plichts. B. gebruikt plicht vrouwelijk.
159. zelfgevoel. Bij B. bet. dit woord: gevoel des harten; gevoel, dat niet van buiten behoeft te worden opgewekt, maar zich als uit eigen verkiezing in iemands binnenste doet hooren. Het geweten rekende B ook tot het zelfgevoel.
166. Versta: De wereldgeschiedeais-zelve te doen getuigen, dat het «einde der dingenquot; komen moet, ja reeds nadert. Het eiude der dingen is het Godsrijk.
168. opvoeren — geleiden en tevens verheffen.
173/174. Versta: Daarom (om die van 109—171 opgenoemde ellenden, vervloekte ik soms liet daglicht, dat mij als een furie aangrimde en wie weet welke rampen en ellende zou brengen.
175—178. Die zweep dreef hem als ieder tot eten en slapen en zoodoende in een enger kringetje dan hij wenschte, of de plichten, die hij zoo gaarne volbracht, konden lijden.
179. Hjongsleen — de zuigeling
180. wat ik was. verdween. Versta: zijn persoonlijkheid, zijn ik scheen zich geheel in leed op te lossen. M. a w.: niets bestond dati meer voor hem, behalve leed. B beschouwt zich hier tegelijkertijd als subject eu als object Vgl ook vs. 183
186. ieproeven: hier ondervinden.
196. wat zon my ooit bescheen — waar ik mij ook bevond.
198. u dit hart — voor u leefde (sloeg) dit hart.
43
199. Zoo heeft hier zoowel tijdbep. als onderstellende kracht; het kan zoowel door nu als door indien worden weergegeven. B. wil zijn toehoorders laten uitmaken, óf hij in zijn gedicht Afscheid \'/de wieken stouter reptquot;; vandaar de onderstelling.
208. leidster. Niet leidster maar leidster, geleidster.
205. ze — mijn ziel. uw — der dichtkunst.
205—207. Licht was volgens B. //eene bijzondere stofquot;; vuur, een verbinding van licht met een andere stof (zie B.\'s Geologie, Gron. 1818, bladz. 5). Dat wij de sterren kunnen zien en de warmte der zon gevoelen, bewijst dus, dat de ruimte tusschen die hemellichamen en de aarde is opgevuld met licht en misschien met vuur. De zielen der afgestorvenen, die worden voorbereid tot hooger zaligheid, bewegen zich in dat licht, waarom het zielenlouterend kan heeten.
214. H nietig ons — \'t nietig ik.
216. Herhaaldelijk heeft B. gezegd, dat hij zijn poëzie niet als een uiting der verbeeldingskracht wilde zien beschouwd; zijn dichtkunst was quot;gevoel.quot; Uit zijn hart, waarin hij de gemeenschap met God gevoelde, ontsproot zijn geloof, zijn kennis en ook zijn poëzie. Hoe schooner een dichtstuk is, des te zuiverder is de inwendige (Gods-)stem, die in het hart des dichters sprak, weergegeven. Vandaar dat godsdienst en poëzie in den grond der zaak één zijn. En de ware dichter gevoelt dat; ook weet hij, dat zijn schoonste verzen niet door hem zijn gezegd, maar door de Godheid in hem.
220. B geloofde vast aan den invloed, door geesten op den mensch uitgeoefend (vgl. zijn dichtstuk De Geestenwareld). Daar hij tevens het grootste gewicht hechtte aan bloedverwantschap en afstamming (erfelijkheid), lag het voor de hand, aan te nemen, dat een geest, die zich het lot van een van B.\'s voorouders had aangetrokken, ook met belangstelling den levensloop van diens nakomelingen zou gadeslaan. Zoo ontstond hij Bilderdijk het geloof aan een «geleigeest van zijn\' stamquot;.
221. van \'s Bos fors boord. Blijkens den JJrzijn en Palentijn meende Bilderdijk af te stammen van een (in Constantinopel zetelenden) keizer van het Grieksche of Byzantijnsche rijk en een zuster van den Frankischen vorst Pepijn (den Korten). — waar. In Constantinopel nl. — Jcruisaltaren: Christenkerken. — hun: mijner vaderen.
223. in den held- dien Segons lans doorstiet — in den persoon van hem, die doorstoken werd door Segon\'s lans. — Blijkens den Elius wordt hier bedoeld Diederik van Kleef en Teisterbant, de vader van Heile of Beatrix, die met den Zwaneridder huwde. In den Elius heet de quot;Woestequot; held, die Diederik doodde, Sigon.
44
226. Gedoeld wordt opquot; den dichter Theodore Rodenburgh (begin 17e eeuw) en op Bilderdijk\'s vader Izaak, die niet onverdienstelijke verzen schreef.
227. in d*Ouderlijken gloed — aan het dichterlijk vuur dier voorouders.
235. Tempe. Een bekoorlijke vallei in \'t N. O. van Thessalië, waardoor de Tenens stroomt. Tempe werd door de oude dichters als het schoonste dal van Griekenland geprezen. B. bedoelt met dezen en den vorigen regel, dat hij de Grieksche poëzie.in ons land het schoonst heeft nagevolgd.
236. hroos — cothurnus, tooneellaars met bijzonder dikke of hooge zolen. De bedoeliug van den regel is: wie heeft het Grieksche treurspel bij ons overgeplant? — B. doelt zeker niet zoo zeer op zijn oorspr. treurspelen als wel op zijn vertalingen van So-phokles: Edipus, leaning van Thebe en De dood van Edipus.
237. Den Siciljaanschen halm uvf tempel opgedragen? — Theocritus\' idyllen in uw taal overgebracht. — Theocritus van Syracuse (f ongeveer 245 v. C.) was de schepper der bucolische poëzie. Halm bet. hier herdersfluit (in die beteek. komt ook riet voor). Opdragen is wijden.
239. En leerde een vreemde lier. B. doelt waarschijnlijk op de poëzie zijner tweede vrouw, Katharina Wilhelmina Schweick-hardt, die vóór hare kennismaking met B. gedichten en een treurspel had geschreven in het Engeisch, en daarna een onzer beste dichteressen is geworden. Misschien denkt hij ook aan een, naar ik meen, onvoltooide en onuitgegeven vertaling van zijn Ziekte der Geleerden, in het Fransch.
240. Ik kan dezen regel niet anders verklaren dan als een toespeling op de Ode De Alleenheersching. Aayi het volk van Denemarken (1798) waarvan B. eenige exemplaren aan den Deen-schen gezant te VGravenhage had ter hand gesteld, o. a. om een daarvan aan den Regent van Denemarken, Frederik VI, te doen toekomen.
241. Massageten — een ruw nomadenvolk der Oudheid, wonende tusscheu de Caspische zee en het Aralmeer. ])e bet. van dezen regel is: Ja, ik bracht zelfs verzen uit de taal der Massageten (versta: van ruwe, onbeschaafde volken) in het Neder-landsch over.
245. oor en hart der toehoorders.
246. slingeren — bewogen worden.
248. \'t zangrig vaderland — het dichterlijke deel zijner land-genooten.
255. van echtgenoot en kroost. B. doelt op zijn eerste vrouw, Catharina Rebecca Woesthoven en zijn zoon Elius, die na de
45
scheiding der ouders bij de moeder bleef. Dat 13. in zijn ballingschap door vrouw en kind quot;verscheurd\'\' zou zijn en quot;Op \'t hart getraptquot;, is onwaar.
257—272. Versta: Evenmin als een nachtegaal liefelijk kan zingen in de ure van doodsgevaar of diepe smart, kan het de dichter. Het vogeltje piept en krijscht in zulke oogenblikken; en dat is het, wat men in gelijke omstandigheden van den dichter te wachten heeft. — Als een jonge areud was hij, Bilderdijk, de zon tegengevlogen; maar het noodlot (verbanning, armoede enz.) had hem met geknotte vleugels op de aarde geworpen. Meer dan de vleugels uit te slaan, had hij dus niet kunnen doen; maar toch had zijn stoute poging aan anderen het juiste spoor gewezen.
262—264. Versta: Wanneer gij, nachtegaal, fluitend rondvliegt om aas te zoeken, kunt gij dan de wanklanken inhouden, die de honger u afperst?
265. in meer dan kr ij schend gillen — in iets beters, iets schooners dan enz.
268. H arendsjong. B. denkt daarbij aan zich zelf.
274. op die — op de eeuw, die.
278. Monen. Arnold Moonen gaf in 1706 zijn Nederduytsche Spraelchunst uit. — Andries Pels, (f 1681), een der oprichters van het Kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum, gold lang voor een autoriteit op het gebied van poëzie. Hij streefde vooral naar een gladden, vloeienden vorm.
280. Hollandsch Tindus — den Hollandschen zangberg.
282. gladde keten. Zinspeling op den gladden vorm der verzen. B. doelt vooral op de Rotterdamsche dichtschool, de \'/gladde Maaspoëtenquot; (als Frans de Haes, Pieter Leuter, Joannes Badon en Klara Ghyben).
283/284. Versta: Men hoefde geen dichter te zijn om te weten, wat schoon was; een doode kunstleer deed uitspraak.
287. het kroost des ethers — de arend, die quot;boven lucht en wolkenquot;, dus in den wereldether zweeft.
297. B. denkt hier o. a. aan het echtpaar van Winter, de Lan-noy, Hieronymus van Alphen, Bernardus de Bosch, Hoffham en Uylenbroek.
310. zoo helt my H matte lijf — zoo nader ik het graf (als die half ontwortelde boom).
311. vergast {door) — onthaald op; vermaakt, verlustigd door.
312. Ben grijzen Tithon. Daar Bilderdiik reeds vele jaren den dood had verwacht en niettegenstaande zijn verouderen bleef voortleven, vergeleek hij zich bij Tithon, wien door Zeus wel de onsterfelijkheid, maar geen eeuwige jeugd geschonken was. Tithon werd door Zeus eindelijk uit medelijden in een Krekel
46
veranderd. (B. vond daarin aanleiding, later aan een drietal deelen met gedichten den titel Krekelzangen te geven.)
315. de nieuwe bastaardij — de nieuwe wankunst. B. was met de poëzie zijner tijdgenooten weinig ingenomen. Vooral de üuitsche letterkunde minachtte hij diep.
317. rijker dan in B.\'s jeugd.
320. De Lesbiaansche lier — het lierdicht in \'t algemeen. In dien zin reeds door Horatius gebezigd. Lesbos was het vaderland van vele Grieksche dichters, als Alcaeus, Arion, Terpander euz.; ook van de beroemde dichteres Sappho.
322/324. B. doelt bepaaldelijk op de hymne de Bollandsche faal, in 1810 door Loots gedicht. Daarin wordt de lof van het Nederlaudsch uitgebazuind en een hartig woordje gesproken tot de quot;Basterd Belgenquot;, die hun taal niet op prijs stellen en willen vervangen door het Fransch.
325, Dei\' vale Nijd, datief.
327. Versta: Zelfs geen echo wordt van mijn zangen meer vernomen.
336. \'t — het vaderland
338/341. Zijn diepen val — in 1795. De woestaards zijn de republikeinen, die Willem V hielpen verdrijven. — Bacchanten waren de deelnemers aan de nachtelijke Bacchnsfeesten. Dron-ken en tot dolzinnigheid opgewonden trokken mannen en vooral vrouwen dan veelal in troepen rond. Grove onzedelijkheid, verminkingen en somtijds moord gingen met die feestviering gepaard. —- Ue gewone jubelkreet der Bacchanten was hvo\'è. Razernijen: de verpersoonlijkte menschelijke hartstochten, door den Revolutiegeest als ontboeid, die zelfs het heilige niet ontzien.
342. Zinspeling op het koninkrijk Holland onder Lodewijk Bonaparte.
349/350. Zooals uil den titel blijkt, meende B. iu Afscheid zijn zwanezang te zingen. Het beeld van den stervenden zwaan plaatst hij in Klem-Azië. Daar werden menigvuldige zwanen op de rivieren (van welke de Meander de schoonste is) gevonden; daar was de bakermat der poëzie; Homerus werd er geboren; daarheen trok altijd het hart van onzen dichter, die zich meermalen verlustigde in phantasieën omtrent zijn Uoa-tersehe afkomst. — De Grieken geloofden, dat de zwaan, de vogel van Apollo, onmiddellijk vóór zijn dood een heerlijk lied zong. Waarschijnlijk is Bilderdijk, vooral toen hij de melodieuse slotstrophen van Afscheid dichtte, sterk onder den indruk geweest van het denkbeeld, dat ook hij op het punt stond van het leven en de (aardsche) poëzie vaarwel te zeggen.
354. zijn volle kruik — het volle vat, waaruit de stroomgod het water in de rivier stort. — Zijn slaat op stroom.
359/360. Moge ik thans verrast worden door een zachten dood.
47
even als u in de \'/stervensstondequot; de zachte Zefir, als een bode van den dood, tegenwaait.
361. Roemen n. — Dat u de waternimfen prijzen! Ik benijd n niet, zoo slechts enz.
363. Doelt op zijn mededichters.
367. «. Datief. Bet. van u.
371. de dood. — het aardsche leven.
396/397. Nu ik op \'tpunt sta van te sterven.
398. zijn glans — de glans van dat licht.
401—403. Versta: de eeuwigheid, waarin hij al bijna is opgenomen.
405—415. Blijkbaar heeft B. in deze regels de Trojaansche koningsdochter Cassandra voor oogen gehad (Holland toch stelt hij als Ilium d. i. Troje voor). Cassandra was, door Apollo, de gave der voorspeiling geschonken en de vloek ten deel gevallen, door niemand te worden geloofd. Zij voorzag Trojes ondergang.
407- Hollands Ilium — Holland. — voorspeld. Waarschijnlijk dacht B. aan verzen als MDCCLXXXIV en Gehoortejroet aan den Erfprins van Oranje en Nassau 1787). In het eerste dezer verzen had hij zijn twistende landgenooten gewezen op de mogelijkheid, dat
.... //eens een Heer herleev\', die muiters temmen kanquot;; in het laatste gezegd:
. . . . //\'k Zag (in de toekomst) den Moord, met de Eedbreuk, en \'t Geweld Een\' zetel, op den mond van \'s afgronds poel gesteld. Bestijgen!quot; enz.
Men zal wèl doen, aan dergelijke voorspellingen niet te veel waarde te hechten. Die van 1784 b.v. zal oorspronkelijk wel hebben moeten doelen op een Nederlandsch vorst; die van 1787 op een naderende republiek.
420—422. Volgens de sage werd Alba Longa, de moederstad van Rome, gesticht door Ascanius, den zoon van Aeneas, wien hel gelukt was zich uit het brandende Troje te redden. — Uit het thans ingelijfde Holland zal ook een rijk voortspruiten, machtiger dan het vernietigde.
446. zij — die nacht.
451/452. Mocht mijn blik dringen door, enz.
462. door de hoorden. Holland wordt hier vergeleken bij de zon (naar de voorstelling die de Ouden zich vau haar loopbaan vormden). Het is ondergegaan, maar niet vernietigd; in den nacht beweegt het zich door het Noorden naar het Oosten, waar de dag, nog ongeboren, straks weer aanbreekt. Schooner gaat het weer op, als zelfstandige staat, met de eigen, thans afgelegde vlag
472/73. wrong .... uit — wrong uit de keel.
DE KUNST DER POÈZY.
Tot de schoone gedichten, door Bilderdijk onder koning Lodewijks regcering en nog eenige jaren daarna voorgedragen in geleerde genootschappen, behoort ook De Kunst der Po\'ézy (1809. Gedrukt in Winterhloemen, 1811).
Tot recht begrip van dit vers is het noodig te weten, dat Bilderdijk aan het verstand van den mensch niet die waarde hechtte, die men er gewoonlijk aan toekent. Hij zag in, dat het verstand onbetrouwbaar en bedrieglijk is en meende, dat men naar een andere bron van kennis had om te zien, zoo men tot waarheid wilde komen. In het gevoel dacht hij gevonden te hebben, wat hij in \'t verstand vergeefs had gezocht. Het //innig hartsgevoelquot; deed hem weten of iets schoon, waar en goed, dan wel leelijk, onwaar en zedelijk slecht was. Vandaar ook Bilderdijk\'s afkeer van de philosophen, die altijd te vergeefs langs de slingerpaden der verstandelijke redeneering bij het doel zochten aan te landen, dat hij dadelijk en zonder moeite langs zekerder weg meende te bereiken.
Naar aanleiding van Be Kunst der Po\'ézy schreef Bilderdijk aan een vriend: //Ja, er is eene aesthetica in den mensch; maar [de wijsgeeren] hebben dit overblijfsel van de oorspronkelijke intuitive kennis in zich-zelven en hun aanhang, lang uitgedoofd; en hun willekeurigheden in de plaats te stellen is, de ziel op een punt dat on-middelijk aan de zedelijkheid grenst, in den grond verpestenquot;. Dat heeft hij den philosophen in zijn vers dan ook voorgehouden; maar \'t helpt niet: //Tot nog zit de varkenssnuit in den grond vastgepiktquot;. l)
\') Briefw. Tydemau, Ij 222.
DE KUNST DER POEZY.
UITGESPROKEN
TN DE MAAÏSCHAPPY „FEL IX MERITISquot; TE AMSTERDAM.
I
I They draw Pride\'s curtain o\'er the noontide
Spike up their inch of reason on the point Of Philosophic wit, call\'d argument, And then exulting in their taper, cry: quot;Behold the Sunquot;, and, Indian-like, adore!
/V Natuur, in rijpe jeugd, ging menig\'leeftijd zwanger, Eer ze één\' homerus schiep, één\'waar\', een\'roemrijk\'
zanger!
En, zoo ze in \'t gunstigst uur, na langgerekte dracht, Dat wonder van heel de aard in \'t eind te voorschijn
bracht,
o. \'t Was eenig; en zy-zelv, in d\'arbeid als bezweken. Behoefde een wareldtijd om nieuwe kracht te kweken, Eer ze andermaal \'t Heelal zyn weêrga toonen kon. \'t Gestarnt\' verving de plaats van de uitgedoofde Zon, Om, met ontleenden glans of flaauwe vonkelstralen, 10. De duisterheid der nacht te danken voor zijn pralen. Zoo is, zoo was Virgyl, zoo \'t gantsche Dichtrendom, Dat, na Homerus eeuw, aan Pindus hemel glom.
Wie is homerus dan ? dat treffendste aller wonderen! Wien eeuwen achter een met dartle stoutheid pionderen, Bilderdijk, Puczie. J.
50
15. Daar eoliter, rijk van kvaclit en eigen Godlyk sclioon, Geen stervling hem ontkleedt, noch bystreeft in zijn\' toon! Homerus! Dichter! ja, waarachtig, eenig Dichter: Men rooft den adelaar zijn bliksempijlen lichter In \'tzwavelzwangre zwerk, dan U de kunstpalet, 20. Wier verven, vlammen zijn, van dampen onbesmet; Dan ü dat fix penceel, wiens gadeloos■ vermogen Niet schildert, niet verbeeldt, maar schept .voor mensch-
lijke oogen,
En met gewisser slag de ontroerde harten treft, Dan zelfs uw Jupiter, als hy zijn donders heft.
25. Homeer, gewijde naam, de roem der Zanggodinnen! Natuur heeft hart aan hart gevormd om u te minnen. Verwierp die ü versmaadt. De hemel lacht hem aan, Die op uw\' Heldentoon verrukt ten rei kan gaan; Vergoodt, die voor u knielt, en aan uw tooverzangen 30. Met opgetogen oor, en ziel, en zin, blijft hangen; En wijst ons de eeuwigheid of \'t graf der glorie toe, Naar \'t wierook dat ons hart uw grafzuil rooken doe.
/ Drijf zedig in uw\' kring, ö \'s aardrijks Wachteresse,
6 Teedre Cynthia, wier zilvren nachtkalesse 35. Van Eebus ondergang dit wentlend vlak vertroost! Uw luister is zijn roem, wanneer \'t verbruinend Oost U moedig rijzen ziet, en hem in U herscliijnen. * Aurore strooit voor TJ geen parels en robijnen Of gloênden chryzolieth op \'t zwijgend hemelpad 40. Dat ge optreedt, noch verspilt der wareld morgenschat Aan \'t tooien van uw koets, of hutselt akoleien En rozen, om uw\' voet een frisch tapeet te spreien; — De boschtoon groet u met geen welkoom van om laag; — Daag echter, toorts der nacht, gewenschte Febe, daag! 45. Wy aamen in uw licht een zacht, een teèr genoegen: Uwscheemringdoethet hartmet sombre wellust zwoegen; En geeft aqn \'t leven een verwissling van genot. Maar steiger niet verwaand den fleren zonnegod
s
51
In\'t aanzicht, als hy blaakt! — Gry,Febusgunstelingen, 5ü. Ook U waardeeren wy, ook ons verrukt uw zingen! Ons hart schept in uw\' toon genoegen, \'t zij uw lied Door \'t kabblend stroomgeruisch of\'tbladerritslen schiet; Het zij gy de elpen Luit verliefde boezemzuchten Ontperst, of tranen lokt nog zoeter dan genuchten; 55. Het zij uw snarengreep de donders raatlen doet. De velden overplascht met rookend menschenbloed, En Helden kransen deelt uit Pindus lauwerbosschen: Het zij het U behaagt, het Choorkleed aan te dosschen, En \'t heilige gewelf te vullen met den galm 60. Der Harpen, overdekt met Idumeesche palm.
Zingt, Zangers, zingt! ons hart vereent zich met uw
klanken!
Of, wilt gy, siert de Lier met Bacchus wijngaardranken. En wapent Melpomeen met stijfbebloede dolk! Ontsluit den Hemel ons, of de Acherontsche kolk; 65. Wy volgen, en, gedwee, gedwee in uw geleide. Gaan we op de starrenbaan of zwarte Styx ter weide, Gelukkig in den dwalm van uwen tooverzang.
Dan, wie zijn recht beweert, betwist\' geen hooger
rang!
Geen riethalm in de kreek, wanneer de winden zuizen, 70. Vermeet zich \'t stroomgegolf aan de Echo toe te bruizen; Geen Dichter steek Homeer baldadig naar de kroon! Onheiligen, staat af, hy spreekt de taal der Goon!
6 Gy, die, Oceaan en Vader aller vlieten. Die Hella, Latium, bewaatren en doorschieten, 75. Geheel Europa, in barbaarschheid lang versmacht, Gedrenkt hebt uit uw bron, en leven toegebracht! Homerus, (want aan TJ, aan U is \'t, dat ons Noorden Het edelst voorrecht dankt van zachter wareldoorden;
68. De tekst heeft verkeerdelijk: betwistt\'.
4*
52
Dat. zacht, dat teer gevoel, waar door men\'t schooue
smaakt,
80. Het dierlyk stof verheft, tot God en Engel maakt. En in een\' hooger kring dan \'t nietig slijk mag zweven!) 6 Leer my, wat uw snaar zoo krachtig heeft gesteven, Cw ziel die helderheid, uw\' geest die kracht geteeld. Die door uw trekken, door uw flaauwste kleuren speelt? 85. Meld, meld die kunstgreep my, waardoor gy \'t hart
zoo roerde;
Geen voorwerp ons heschreeft, maar levend voor ons
voerde;
De driften, als een\' zwerm, op uwen wenk gereed. Door \'t menschelijk gemoed by beurten weemlen deedt; En \'t hart als wasch versmolt, vervormde en om kost
kneden?
90. Wy, zangers, dwalen rond in nare onzekeiheden, En grijpen snaren, maar wier wanklank de ooien teigt. Daar de onbedreven hand gegladde tonen vergt. quot;Wy vinden maat, en taal, en denkbeeld, wederstrevig, En worden flaauw voor zacht, en stijf en hard, voor stevig. 95. Jvoom, schenk me uw lessen, gy, voortrefiijkste, en gedoog Dat eens eens stervlings zang uw\' zang gelijken moog!
Vergeefs, vergeefs gesmeekt! Die tijd is lang vervlogen ,
Die harten bruischen zag van \'t ware dichtvermogen! Vergeefs daalde in een wolk Homeer aan Febus zij , KJO. En toonde ons d\'echten greep, de Hemelmelody:
Wie zou \'t verduisterd oog der doffe ziel verklaren. Wie leerde ons, hoe \'t gevoel zich meedeelt aan desnaren? Wie leerde \'t aardrijk ons vergeten, en den waan Die \'t wroetende verstand omnevelt, af te staan? 105. Wie, eindlijk, van het vuur der hooger transen blaken. En valsche wetenschap met Heldenmoed verzaken? Verwijfde weekheid, in gevoelloosheid ontaard. Nam heel die veerkracht weg, die ware grootheid baart. Verbeelding werd gekweekt, maar, in heurvryesprongen,
53
11U. Door teugels van \'t verstand aan alle kant bedwongen. Doortengels van\'t verstand! En welk verstand, helaas! — In harsenschimmen wys; in waarheen, eindloos dwaas!
Natuur, die \'tmenschlijk lot, zoo aaklig op deze aarde. De balsems voor het leed met moederteêrheid gaarde, 115. quot;Weefde in \'t gewrocht van \'t hart de stikziende eigenmin Met wondre mengelstof van bonte draden in. Dat weefsel dekt voor ons het innigst van dat harte, Verbergt ons wond en buil, al kwijnt men van desmarte. En streelt ons met een\' schyn, waarin de ziel zich vleit, 120. In \'t midden van den poel der diepste onwetendheid. Dan bidt men d\' Afgod aan, die \'t waanziek brein zich
smeedde,
En wierookt aan den damp, en noemt den waanzin, rede; Dan heet het, Wijsgeerzyn, voor\'theldre daglicht blind, Te tasten met de hand, of ze ergens schemer vind\'.
125. En echter waagt men dan, om by dit waanbeschouwen. En oorzaak en gewrocht opGodspraakstoon te ontvouwen; Verbijstert door zijn taal, wie twijfelt of gelooft; Legt zwijgen op aan \'t hart, en dringt zich in in \'t hoofd.
o Wijsheid, die om hoog der dingen toomen vierend, 13U. De hulk van \'t groot Heelal naar vasten haven stierend, Met wind en stroomen lacht, hoe lucht en onweer kraakt, En wat u weerstand biedt, uw eigen werktuig maakt. Ziet, ziet ge op menschen neêr, die daar ze in holen duiken. Zich weigren aan uw licht, en dan uw\' naam misbruiken, 135. 6 Wijt hun d\' overmoed dier trotsche dwaasheid niet, Die zich \'t gezicht ontrukt, op dat ze u-zelv doorziet!
\'t Is eigen aan de ziel, de gronden na te sporen Waar door\'t geen is, bestaat. Ons-aller boezems gloren Van wellust, op \'t besef van \'t bovenmenschlijk lot, 140. \'t Gewrocht in de oorzaak-zelv te aanschouwen als een
God.
54
6 Zalig, die het mocht! De woestheid dezer aarde, En wat ooit sterflijk oog als meest verward ontwaarde, — \'t Gezaaide firmament, met vonken overspat, — \'t Onstuimig golfgebmisch van \'t onafmeetlijk nat, —. 145. De giften van \'t geval, dat scepters, bedelstaven. En kroon, en kluister deelt, en vorsten vormt en slaven, — De dood, wiens felle zeis de buigende air versmaadt, En d\' ongevulden halm in \'t opgaan nederslaat, — De boosheên zelfs van \'t hart, — de dwaasheên onzer
droomen, —
150. \'t Zou alles orde zijn, en eenheid, en volkomen;
\'tZou alles waardig aan die wysheid zijn, die\'t dacht. En, in dat denken-zelf, volmaakt te voorschijn bracht.
Doch anders is \'t bestemd, zoo lang wy, stervelingen, Uit hooger sfeer gebonsd in dees bekrompen kringen, 155. Of, door dit enge perk tot ruimer voorbereid.
Hier smachten naar \'t genot der zaalge onsterflijkheid. Ons is op dit tooneel van warring en ellende, Dieweetlust, zoo geroemd, die zucht naar\'t onbekende, Een prikkel, die, gesmeed aan d\' ijzren molenstang, 160. Ons eeuwig rond doet gaan, met onweêrstaanbren dwang.
o Stervling, leer uw\' staat, uw1 stand, u-zeiven kennen! Geen wieken voert uw rug om door de lucht te rennen; Verstout u tot een\' sprong; maar waan geen arendsvlucht. Wanneer gy nederstort en naar uw\' adem zucht!
165. Waar, waartoe dan, verdwaasd, met uitgedachte
vonden,
Gebouwen, in de lucht, op \'t ijdel ruim te gronden? Waar tue Natuur de wet met lijnen afgepaald, En, voor \'t volzeekre hoe, in \'t waauom afgewaaid? Is \'t niets voor \'t dorstend hart, een\' zuivren teug te
leppen,
170. Ten zij men \'t water-zelf de Godheid na kan scheppen ? Is \'t reedlijk hart ontbloot van de inspraak van Gods wet,
55
Ten zy men de Almacht-zelv haar eigen voorschrift zett\' V Of zal de wareldbol niet om zijn aspunt zwaaien, Ten zij ik-zelf bestemm\' wat kracht hem dwing\' te
draaien?
175. Rampzalig dan de mensch, zoo nietig, zoo oraperkt, Die, wat zijn vinger tast, noch waarneemt noch bemerkt; Dan valt het scheppingswerk met krak op krakinduigen, Zoo hy het reeglen moet, en naar zyn inzicht huigen!
Doch, Wijsgeer, delf vrij op, en stel uw stelsels voor. 180. \'k Vergun U, dat gy doolt op \'t ons verbijstrend spoor, \'t Geluste ü, op dien weg uw krachten af te matten! Gy moogt hem met iiw zweet, uw hartebloed, bespatten ; Zijn dorens strekken IJ voor bloem en kruidery! Maar, laat ons \'t lieflijk pad der fraaie kunsten vrij!
185. Doch neen: ook hier, ook hier vermat ge u, op te treden Als meesters; werpt ge n op als Staatsliên van de reden, En zet u in \'t gestoelt\' van d\' ingebeelden waan. Waar nit ge uw wetten geeft. — ó Pindus lauwerblaan. Wat wordt ge! — Een nieuwe Apol staat thands den
Zanggodinnen
.190. Aan \'t hoofd. Buig, Zangberg, buig, en slecht uw hooge
tinnen,
Nog onbereikbaar voor den stervling, en ziju\' voet Verboden! Geef thands plaats aan d\' ongeschoren\' stoet Dier Wijsheidkrameren, die Staten, Vorsten, kronen, Regeeren, en geen kunst, geen wetenschap, verschoonen! 195. Buk, Dichtkunst, voor \'t gezag, dat al wat is, omvat! Het schoone ontleent zij n schoon van hun Orakelblad.
Gelooft gy \'t. Dichters? Gy, tot hooger vlucht geboren ,
Beheerschers onzer ziel! zult gy hun wartaal hooren? Neemt gy hun ketens aan; of kent gy daar gy zweeft, 200. Een\' andren gids dan \'t bloed, dat door tiw aders streeft! Laat gy uw stoute wiek, die de ochtend by \'t ontgloeien
56
In \'t blozende aanschijn vliegt, door \'t vedermes besnoeien.
En gy, 6 harten, die, gevoelig voor zijn lied, In \'t hemelambrozijn dat n de zanger biedt 205. Die godenwellust smaakt, die zorgen af kan koelen. Bereidt ge n, naar hun wet, of vreugde, of smart, te
voelen ?
Gaat, vraagt uw Platoos eerst, eer ge u bewegen laat, Of \'t vrijsta, dat een traan uw\'boezemschok ven-aadt? Of \'t lachjen van uw\' mond zich onbeschroomd durf
toonen ?
210. En beeft, de hooge wet der Rechtbank ooit te honen! Gevoel, en smaak, en schoon, \'t hangt alles aan heur\'
mond;
En wee! die, \'t geen zy wijst, niet onweêrstreef baar vond!
Zoo zag ik menigwerv\' een aantal waanpoëeten, Op rijm en maat gespitst, ten rechterstoel gezeten, 215. Als Ehadamanthen, met gerimpeld aangezicht
Hun hart verschansen voor den indruk van \'t gedicht. Gewapend met een\' wal van monens, zewels, stijlen. De handen toegerust met liksteen, schaaf, en vijlen, Het hoofd met wind vervuld, ziedaar den kring vergaard! 220. Hier voert gerechtigheid het onmeêdoogend zwaard, Den looden evenaar, den blinddoek voor hare oogen. En grabbelt, of de schaal moet dalen of verhoogen. ^Megera staat er by, en zwaait, voor de ongeltoorts. Het schrapmes in de vuist, en gloeit van wrevelkoorts. 225. Geen deernis, geengena, voor\'t minste rijmverbreken! Het vonnis van die Styx zal ieder vrijheid wreken. Wat zeg ik, vrijheid? neen! ja, ieder valsche wet, Die \'t kinderlijk begrip aan taal en reden zet; En elke schoonheid wordt, hoe edel, hoe verheven, 230. Gevoel en smaak ter spijt, gedoemd en uitgewreven! Ach, Orfeus! voor dien throon had nooit uw wonderkracht De dierbre Euridice naar \'t daglicht weêrgebracht. Hier zag ik van deu waals, hier Bellamys bezwijken!
57
Hier, verzen uitgewischt, meerwaard dan Koninkrijken, 235. En, om een taalwet, of een\' klanktoon, nooit verstaan, Den doem des onverstands en \'t moordtuig ondergaan. Daar trad Prokrustes schim uit de onderaardsehe holen In purpren laarzenpraal met zevendubble zolen, En sloeg zijn bedsponde op, en bezigde axt of wind\', quot;240. Op al wat aan zijn maat zich ongelijk bevindt.
Green Theseus schoot tot hulp der schuldelooze woorden. De steelbijl hieuw in \'t wild; meêdoogenlooze koorden Verrekten vers, en stijl, en denkbeeld, en, ai my! Ter gunst\' dier regelmaat, verdween de poëzy.
245. Gelooft niet dat ik boert, mijn Vrienden, of de kleuren Wat aanzette, om het beeld te beter op te beuren. Neen; \'k heb in vroege jengd, by\'t optreên van mijn baan. Als arme zondaar,.meê die Vierschaar uitgestaan: Wat zeg ik? in die Orde ook zelf mijn plaats genomen! 250. Nooit Konzul was zoo fier in \'t oppermachtig Romen; Geen Manlius zoo doof voor de inspraak van het bloed, \'k Heb zelf met dezen bijl op eigen kroost gewoed. En (6 mijn eerste werk! o droeve marteljaren, In beuzelen verspild met zoo veel beuzelaren!) 255. Wat kapte ik, en verlamde, en wrong, en rekte ik uit! Wat dwong ik my \'t gehoor naar \'t platte klepgeluid! — Mijn oor, verstand, gevoel, weêrstonden. \'k Deed ze
zwichten.
\'tWas eenmaal ingezet: „Die knutslary is dichtenquot;! \'t Moest proza zijn in maat; en welk een maat, helaas! 260. Tuttik, tuttik, tuttak, was \'t eeuwig slofgeraas.
En, bleek er, dat een plaats in stouter toonval vloeide; Of was een beeld gekleurd van \'t vuur waarvan men
gloeide;
Of, kwam \'t Poëtisch waar met koel begrip in bots; Of kraakte een flere broos door \'t daaglijksch klomp-
geklots;
265. ó. Jammer! \'t moest eruit, \'t Was snoeien,\'t was verzachten ,
Verandren overal, verbrokkleu, en verkrachten.
Doch zoo de hartstocht sprak, de Dichtèr waarlijk zong, De kluisters afschudde, en den letterkooi ontsprong. Waarin het domme rot van koning Midas spruiten, 270. \'t Gezond verstand ten spijt, de reden op wil sluiten; De laffe bindseltjens der koude taal versmeet;
Gevoel voor woorden gaf, naar stijve vorm gekneed; En \'t vaars van uit het hart, en niet door \'t hoofd liet
vlieten;
Dan vloog de banvloek los der waanwijze Abderieten! 275. Dan was de vrije vlucht der geestdrift, hoog veriia.au, En, ware Poëzy, de afgrijslijkste euveldaad!
Ja, om te zekerder by \'tdroomwerk in te slapen. Werd echte melody tot wanklank omgeschapen; En \'t arme Dichtstuk, eerst zoo rustig op de been, 280. Kroop met een hangend hoofd, en schuw voor \'t daglicht,
heen!
Die dagen zijn voorby, die vijl is afgesleten! De vrije Dichtkunst wrong haar leden uit die keten. En heerscht, gelyk \'t haar voegt. Zy mint gekuischte
spraak,
Maar zwoer die bentleus af van \'t snaatrend eendgekwaak 285. Dier Ziftren, wien de taal geen sprank is van de reden, Maar dwaze willekeur, die sehoolpedanten smeedden.
Doch is dan \'t menschdom steeds, is \'t menschelijk
verstand,
Ten speelpop aan den gril van \'s aardryks dwingeland? Wil, onder \'t woest geschreeuw van recht- en vrijheid
krenken,
290. Geen stervling, vrij van ziel, en zonder voorschrift,
denken ?
Moet de eene of de andre dwaas, of (wil men \'t?) filozoof,
271. De tekst heeft verkeerdelijk: versmeed.
59
Steeds lieerschen op den geest door neevlig bygeloof ? Jloet zede, godsdienst, smaak, steeds valsche meesters
eeren,
Om wat Natuur geLiedt, spitsvondig af te leeren\'? 295. Slaat zelfs de Poezy haar wieken niet meer uit,
Of \'t moet gewettigd zijn door \'s Wijsgeers raadsbesluit?
Dit, dit beklagen wy, mijn Vrienden! dit betreuren, Wier ziel zich-zelv gevoelt. Die banden los te scheuren Is plicht! — Geen Zanger ooit, die \'t menschdom hooger
voert,
300. Zoo lang hem \'t vreemd gareel aan valsche stelsels snoert! Uw hart, uw zelfgevoel, ö Dichters, is uw regel! Dat prent in eiken trek het echt, het Godenzegel; Het kenmerk, dat uw ziel uit geenenslijkhoop stamt. Maar uit die bron van \'t licht, die om Gods zetel vlamt, 305. Die in uw\' adem bruischt, die uitvloeit uit uwe aderen, En, wat uw klanken vangt, der Goden sfeer doet
naderen,
Met wellust overstelpt die aard noch schepsel maalt. Dan, waar de Godheid-zelv de menschlijkheid doorstraalt!
\'k Eerbiedig, ja, uw recht, ik kniel voor uwen drempel 310.6 Wysheid, die, verhuld in nevels, uwen tempel Aan \'t kwijnende verstand ter toevlucht openzet. De reden wapens schenkt, en\'t glippende oordeel wet! \'k Heb meê (en dank zij \'t lot!) als Priester, uw altaren Geofferd, in den sleep der stijve choorsamaren; \' 315. Uw ommegangen nagetrippeld op de maat;
En \'t voorhoofd meê geplooid naar \'t staatlijk pleeggewaad.
Ik drong in \'t diepst trezoor van uwe duisterheden, En leerde \'t waarheidslicht ontwikklen en ontleden; \'k Zag waarheid, als een straal, vau \'s priesters borst-
karkant
320. Afstuitend, en een vonk ontstekend in \'t verstand;
60
Maar —\'kzag die flaairwe vonk verdwijnen, en ver-
quot; rooken
In dampen, die door \'t brein als zwarte schimmen, spoken, En \'t ware licht der ziel verduistren door hun mist; En adem, ziel, en kracht, aan ij dien waan verkwist! 325. Mijn boezem zuchtte en zwoegde, en had noch lust noch
leven;
\'k Greep naar de schaduw rond, die om my scheen te
zweven;
Maar vatte,eene ijdle lucht en lichaamloozen schijn: \'k Besloot , geen Wijsgeer meer, maar waarlijk mensch
te zijn.
Nu zonk dat blaauw verschiet van bergen zonder
toppen,
330. Van wolken, rijk in glans, maar dor van regendroppen! \'k Bleef in my-zelv\' bepaald, doorzocht mijn eigen ziel. En vond de waarheid daar, die zich verscholen hiel. \'kZag alles opgelost in \'t eenig zelfgevoelen; Dit, grondslag van mijn zijn , bewustheid, en bedoelen; 335. Wat is, betreklijk tot mijn wezen, en niets meer j. Ja, \'k gaf de waarheid op, maar vond haar glansrij k weer.
Van toen was Dichtkunst my geen spel meer van verbeelding.
Mijn hart ontschoot den slaap der zwijmzucht, der ver-
eelding;
Het was zich-zelv\' gevoel, en breidde in Hemelgioed 340. Zich tot die polen uit, waar ijs en winter woedt; Omvademde Oost en West, en peilde zee en starren. De Hemel daalde om laag, en de Aarde ontschoot heur
harren;
Een nieuw Heelal ontlook, gelijk de bladerkroon Der frissche lenteroos haar nog verborgen schoon 345. Uit groene zwachtels drijft, voor daauw, en morgenstralen.
En Zefirkusjes, en verliefde nachtegalen.
61
Toen zweefde ik, als de Me vau Hybla, over \'t kruid; Toen breidde ik door\'t Heelal myn stoute vlerken uit, En waagde \'t, adelaars die in de wolken hangen, 350. Te trotsen, en de lucht al steigrend saam te prangen; Ja, in dat licht te zien, waar Dirces fiere zwaan In spïegèK7 ctaarTiy drijft langs de onbezochte baan. En donders, onverwrikt, rondom zich heen hoort klateren; Ut dacht om Ikarus, noch ongenoemde wateren, 355. Wier vloed wellicht een\' naam ontleende van mijn\' val. Ik hoorde in zuivrer stroom der Heemlen maatgsschal. De morgenstarren, die in \'twandlen op hun paden Door d\'ether zuizen als de sprinkhaan door de bladen. Of blaauwende haagdis, die door de doornen glipt. 360. Ik zag geen\' hemel meer, met vonk lend goud bestipt; \'k Zag leven, \'k zag gevoel; \'k zag geesten, meer verheven ,
Maar aan mij n\' geest verwant, door de y die vlakte zweven En \'tal bevolken, \'tal bezielen met hun heir. Ik daalde op \'t veldgebloemt\' in mijn betoovring neêr, 365. En zag gevoel en zin, zag liefde en zelfgenoegen
De schepping, waar zy gaapte, in banden samenvoegen, quot;Wier knoop mijn hart omvatte, en alle heil omsloot. Toen kende ik \'t leven eerst, en wist dat ik \'t genoot: Toen leerde ik in my-zelv\' myn\' gantschen wensch besluiten :
370. Toen zong ik, en geen boei kon mijn verheffing stuiten : \'k Was doof voor d\'ij dien wind die lof en laster fluit, En ademde in myn\' zang mijn\' eigen\' boezem uit.
Mijn Vrienden, laat wien \'t lust, hier andre gronden
stichten!
My is \'t gevoel, de bron; by my, \'t gevoelen, dichten. ■ 375. Xeen, geen verbeelding, dan ontstoken door\'t gevoel, Is Dichtkunst; geen geweld van ijdel klankgejoel Dat dondert, loeit, en bromt, en ooren doof doet zuizen ; treen vinding van \'t vernuft, geen smaakloos letterpluizen; Geen dweepzucht, die den geest, in logge kon\' verstijfd.
62
380. Met gecssels opzweept , en in duizling ommedrijft; Neen, zaolit, neen, teêr gevoel, dat niet in woeste wieling Heromzwiert, maar \'t gemoed steeds uitstort in bezieling, Zicli meedeelt, zich verliest in \'t voorwerp dat men zingt, En geen\' gevergden toon zich ooit van \'t harte dringt.
385. Van hier dan \'t dwaas geklap van valsche Theoristen! De Dichtkunst des poëets, de Godsdienst van den christen, Is één: Geen pijniging, die hersens tergt en prangt; Uitstorting van \'t gevoel, dat heel Gods rijk omvangt. Weg, ijdle kluisters van \'t verhardend letterblokken! 390. De vleugels van de ziel, den vuurgloed aangetrokken, Waar in de Liefde zweeft, en ómgrijpt wat zy vindt, En \'t stoflyk van het stof in \'t stoflyk stof verslindt! Neen, Dichtkunst is gevoel; gevoel, den hand ontsprongen ;
Behoefte van \'t gevoel, door geen geweld hedwongen. 395. Geen Dichter, die het vers of navorscht of gebiedt! Maar, wien het uit den stroom van \'t bruischend harte
schiet!
Wat wiltge, oStagyriet? Is Dichtkunst louter maleu? Natuur haar voorbeeld? /elfs in \'t schoonst der Idealen? Ga, gloei uw koude ziel aan \'t Dichterlijk gevoel, 400. En ken in \'t werk van \'t hart, behoefte zonder doel. Neen, \'t snikken van de borst, het hol en angstig kermen Des weemoeds, heeft geen wit, geen uitzicht op ontfermen; Het hupplen van het rund in \'t frissche klavergroen, Beoogt niet, wien \'t aanschouwt, genoegen aan te doen. 405. De \' iin. de vreugde spreekt, en eischt zich uit te gieten: \'tGe\\w . wil doortocht, ja! in lijden en genieten. Het hart wordt overstelpt, de ziel moet uitgebreid. En vraagt niet, wie ons hoort, en met ons juicht of
schreit ?
Bedwing het, Dichter! ja, niets hoeft dien stroom te
nopen,
63
410. Die in uw\' boezem welt. Hy barst zijn sluizen open. Uw borst verwijdt zich, en uw ingewand wordt vuur. Uw wezen breidt zicli uit door d\'omvang der Natuur. Uw bloed stijgt kokend op, en klemt den stroeven gorgel. En de adem neemt voor spraak den toonklank aan van
\'t orgel.
415. Verbeelding vliegt in vlam, en spiegelt, beeld voor beeld, De zielsbeweging af die door uw aders speelt. Nu zingt ge, en \'tis muzyk; \'t zijn beelden, die als
schimmen.
Door tooverkracht gedaagd, uit donkre nevels klimmen. Maar blinkend, schittringvol, en door hun eigen licht.
420. Ga, Wijsgeer! leer ons thands den kunstgreep van
\'t Gedicht!
Leer, leer den samenhang dier onopnoembre trekken. Die, tot in \'t minste deel, des Dichters ziel ontdekken ! Spoor in \'t bewerktuigd hoofd het fijne weefsel naar; Wat beelden voortbreng\', vorm\', en op hunn\' hoefslag
schaar\';
425. Wat toets de ziel ontzette, en wat haar dring\' tot wcenen ! Ik volg u, \'k zal uw les gewillige ooren leenen. \'k Zal met u, in dat Dicht des menschen ziel bespiên, Den God, uit wien ik stam, in dees mijn schepping zien; Maar leer door koude kunst geen Dichtkunst samenstellen, 430. Die uit de ontroerde ziel onleerbaar op moet wellen! Noch knabbel, als de geit de dartle wijnloot af. Die, spaarde uw tand haar rank, den eêlsten nektar gaf! Neen, Bacchus! laat dat bloed op uw altaren vloeien, Dat de eedle muskadel haar wasdom durft be^no.eipn! 435. Neen, Febus! grijp uw pijl, en wreek uw h i óaom! Zie hier die Kelten weêr, wier woedende oorlogsdrom. Het Noorden afgezakt, en harder dan hun Noorden, Uw outers overvalt met plondren, blaken, moorden. Zend hier uw bliksems, hier uw hagelsteenen weêr 440. Op \'t heiligschennend, op het schrikbaar leger neêr! En\'gy, 6 Soter! gy, o Dicht- en Kunstenkweker,
64
Herrijs! — quot;laar neen, ó neen, hun dwaasheid eischt geen\'
wreker:
In eigen rag verward, waait de eerste morgenlucht Met rups- en keverwolk, hun wijsheid op de vlucht!
445. 6 Plato, zoo vergood! en Platoos volgelingen.
Die de eeuwen bezig hieldt met beurtelings verdringen Van stelsels, rij aan rij, voorby- en afgegaan.
En al uw wijsheid steeds verandren zaagt in waan! Het menschdom werd vermoeid van met uw redentwisten 450. Hun leven, bloed, en ziel, en hoogst belang, te kwisten: Men streed, nu tegen u, dan voor u, even blind, En \'t quot;Wijsgeerlieverei veranderde als de wind.
Geen leeftijd, of, vertuit aan de eene of andre dwaling. Die waarheid heeteu moest en nieuwe lichtbestraling! 455. Gaat, weest eerst duurzaam, eerst bevestigd, eer ge ii
vleit.
Dat Dichtkunst zwichten moet voor uw vermetelheid! Ze is eeuwig, als Natuur, en zal geen wetten eeren. Dan die heel \'t stoflijk, beide, en \'t stofieloos, regeeren. Of waant gy \'t, dat deze aard, als zy haar kring
beschrijft,
460. Uw les ten richtsnoer neemt, en naar uw voorschrift
drijft ?
De Maan haar stand bewaart om uw gezag te erkennen? Of tij en jaarsaizoen in uw gareelen rennen?
Neen, Wijsgeer! zoo uw vlijt die kunstkracht heelt
doorzien,
:t Is tnige en leerling zijn, geen meesterlijk gebiên. 465. Ook Dichtkunst is Natuur: Doorzoek heur rijke schatten ! Leer, wat zy edelst, wat zy Godlijks heelt, bevatten! Beschouw haar in haar werk, wanneer zy harten streelt. Aan liefde en tederheid, aan schrik en angst beveelt! Doorzie haar tuighuis! tel heur wapens en sieraden, 470. Als gy die starren telt die \'shemels kap beladen! Maar waan, indien uw zorg den Dichter kennen doet. De Leeraar niet te zijn, dien ze immer volgen moet.
65
Neen, hebt ge in \'t groot Heelal geheimen aan te bidden, Ook hier versuft uw brein: Kniel neder in ons midden! 475. De Dichter voelt in \'t hart, wat uw besef ontduikt, En wee hem, wien uw band de vrije vlerken fnuikt! Hy is geen Dichter meer. Als de opgeschoten ceder. Ziet Dichtkunst op uw school als op de veldrijs neder, Of lichten rietscheut, die een teder plantjen bindt, \' 480. Maar, voor geen kruin bestemd, die worstelt met den
wind.
Zy, Leermeestres der taal, zy, aller Wijsheid voedster. Behoeft niet, dat uw schoot haar fiere rijpheid koester\'; Zy staat onkantelbaar, onschokbaar, als de zuil Van Hermes, in \'t geraas van \'t daavrend hondgehnil. 485. Uw zuilspits waggelt steeds, en, telkens omgesmeten. Verbouwd, en weêr herbouwd, met gapingen en reten. Heeft vastheid, steun, noch rust. Daar staat zy, fier
in top,
£n heft voor de eeuwigheid haar trotsehe machtspreuk op;
Een leeftijd gaat niet om; haar hoekkanteelen breken, 190. En \'t gantsch gevaarte ligt door eigfi last bezweken. Neen , Dichtkunst, gy, gy leett, oir fiyk als Homeer! Blaas me aan, gevoel der kunst! m wil geen meesters
meer.
Speel het fluitjen vink of sijsjen Kunstmuzyk en zangspel voor! \'t Went aan \'t voorgepiepte wijsjen
Ongevoelig hart en oor.
\'t Leert het spoedig na te gorgelen,
En vermaakt zich in dien toon;
Maar, waar blijft hun kunstloos orgelen? Waar het hartdoordringend schoon?
5
■Bildkhiujk, Poëzie.
66
Zangeres der loovrenzalen,
Die in \'t luistrend woud gebiedt ; 535
En gy, Pindus naclitegalen,
ó Verzaakt n-zelven niet!
505. l.aat. wien \'t lust, vrij noten zetten;
Geef liy regels naar zijn\' waan;
U te binden aan zijn wetten, 540,
Waar, Natuur voor \'t voorhoofd slaan.
\'kSpreek tot TJ, 6 ware Zangeren,
510. Die, als \'t Dichtvuur u bevangt.
Aan o-een ydel hoofdbezwangeren,
Maar aan \'t hart uw vaerzen dankt.
U, die in uw vrije tonen
Nog Homerus schaduw schetst,
515. Al zijn kunst en lauwerkronen
Door verval der eeuw verfletscht.
525.
Ja, uw kunstkracht is gevoelen,
juist gevoelen, met een hart,
Dat, wat drift het door moog woelen,
Nooit hf helder brein verwart.
Dat, in voiic.. ^loed aan \'t vlammen.
Met ziin vlam verbeelding ziedt,
Dat zy dijk doorbruischt en dammen,
En door star en melkweg schiet!
Schiet dan uit, geroerde zielen!
Schiet in louter vuurgloed uit.
Vaart den Dagvorst in zijn wielen.
Maakt den Donderwagen buit.
Dwingt die Thetis in uw armen,
Die voor niemand heeft gebukt,
Dat haar kuiën 11 verwarmen Als gy haar de heupen drukt!
516. Ue tekst heeft: verflescht, wat een drukfout moet zijn.
530.
67
Dan zal \'t Egis der Aaloudheid Bliksemoogen van uw Lier! 535. Alles buigen voor uw stoutheid!
Alles branden van uw vier! Ja, dan zult, dan zult gy ZINGEN,
En uw zang zal waarheid zijn. Waarheid uit de hemelkringen; 540. En des Wijsgeers wijsheid, schijn.
] 809.
5
A ANTEEKENINGEN.
Young\'s woorden staan in het vierde boek der yight Thoughts: Zij trekken het gordijn van hun hoogmoed voor de stralen der middagzon, verbinden hun klein beetje verstand met dat deel van het wijsgeerig vernuft, hetwelk men bewijsgrond noemt, ■en Min, juichende over hun kaarsje, roepen zij uit: «Ziet de Zonquot;, en aanbidden als Indianen.
1. in rijpe jeugd — op volwassen, maar toch jeugdigen leeftijd. In die periode bevond zich de aarde (volgens B) tegen den tijd van Homerus\' geboorte (9° eeuw v. Chr. ?).
5. \'t Was eenig — bleek het eenig in zijn soort te zijn. arbeid — verlossingsarbeid, barensweeën.
6. wareldtijd — wereldleeftijd. Tijd, gedurende welken een planeet of ster bestaat.
7. zijn — Homerus\'.
8_12. Versta: Als de zon is ondergegaan, verrijzen de sterren;
eerst als de duisternis is gekomen, zien wij ze stralen. Zoo is het ook met Vergilius en alle andere dichters, die verrijzen en schitteren konden na den dood van Homerus.
10. zijn slaat op gestarnf (vs. 8). i
11 Zoo is het gesteld met Vergilius; en zoo was het met hem \' gesteld (ook in den tijd, dat men hem meer nog dan thans verhief).
12. Pindm — De Zangberg.
14. wien — dien. Bij B. is wien de gewone accns. sing. masc. van het betrekk. vnw. die.
15. Terwijl nochtans, daar Homerus quot;rijk van kracht enz. is.....
18. den adelaar — den arend van Jupiter.
20. van dumpen onbesmet, niet door rook verduisterd.
26. hart aan hart — veler, aller hart.
27. Versta: Voorzeker lacht hem de hemel aan, die.
69
28. ten rei lean gaan. Oorspr. waren daus en poëzie bii ilc Grieken samenhoorende begrippen; het gebarenspel dat met de voordracht van dichtstukken gepaard ging, werd tot den dans gerekend. Het zingen van hymnen bij godsdienstige plechtigheden werd veelal begeleid door dans in enseren zin.
31/32. Eu (de hemel) maakt ons onsterfelijk of (wat hetzelfde is) schenkt ons een roemrijk graf, overeenkomstig met de verdienste , die er gelegen is in het verheerlijken van Homerus. (Men lette op den climax in 26—32; De natuur verwerpt, wie H. niet acht; slaat goedgunstig gade, wie kan genieten van zijne zangen; vereoodt, wie uit vereering neerknielt en maakt onsterfelijk wie H. (in uit het hart gewelde gedichten!) verheerlijkt.
33—49. Cynthia — Artemis, Diana, de maangodin. Zoogenoemd naar hare geboorteplaats Cynthus op Delos. In dezelfde verhouding als de maan staat tot de 2on, denkt B. zich die van Homerus\' navolgers (de gezamenlijke latere dichters) tot Homerus. Tot Phoebus (den zonnegod en den dichtergod) staan Phoebe (de maan) en de dichters in ongeveer dezelfde betrekking. Vandaar in vs. 49 Febus\' gunstelingen.
35. van — van .... af.
36. \'t verbrninend Oost. Daar de zon in \'t Westen ondergaat, wordt het Oosten het eerst donker.
39. chrysolieth — een edelgesteente van groene kleur.
40. morgenschat. Zoowel in letterl. zin op te vatten als rijkdom van den morgen (die Aurora der zon aanbiedt) als ook in de bet. van morgengave, geschenk, waarmede de bruid na de voltrekking van het huwelijk begiftigd werd.
43. buschtoon —- vogelzang.
44. dagen — te voorschijn treden. — Tebe — Phoebe, de maangodin; de zuster van Phoebus, den zonnegod.
49. Vebm gunstelingen — dichters. Phoebus (Apollo) was ook de dichtergod.
57. Relden, datief. Vgl Ode aan Napoleon, strophe I.
58—60. Versta: Hetzij gij in priestergewaad in het kerkgebouw godsdienstige liederen wilt zingen als de psalmen Davids. David, de koninklijke harpenaar, had o.a. de Idumaeërs of Edomieteu overwonnen; vandaar: harpen, overdekt met Idu-meesche palm = Davidsharpen. Vgl. P alm LX - 2 10-Psalm LXXXI1I : 6—9; Psalm CV1I1 : 10. — Of staat Edom hier voor Judaea (vgl. Geestenwareld, vers 619)? Met den galm dier harpen van Judaea, zou B. in dat geval denken aan de Oudtestamentische religieuse poëzie, die hier dan voor de Gewijde Poëzie in \'t algemeen staat.
70
62. Zingt dithyrambeü ter eere van Bacchus, eu andere vurige
63. Of schrijft treurspelen. Stijf bebloede dolh — een dolk vol geronnen bloed.
64. Acherontsche kolk — onderwereld, hel. De Acheron stroomde, naar de meening der ouden, rondom de onderwereld. — l\'e bedoeling van vs. 64 is: Dat de held van uw treurspel ten hemel of ter helle vare. ^ , .
73 ó Gy — Homenis. Oceaan: In de Gneksche mytliologie had hij bij Thetis drieduizend zonen: hij was de vader aller stroomen. Hier vergelijking met Homerus, den vader aller dichters.
74. Die. Het antecedent is vlieten.
82. wat uw snaar zoo krachtig heeft gesteven — wat uw snaar, uw speeltuig zoo krachtig heeft gemaakt.
92. Versta: Terwijl de hand, schoon onbedreven, nochtans zuivere muziek verlangt.
99. daalde. Tot ons neder nl.
100. greep — greep in de snaren. Vgl. vs. 91.
101. der, genitief.
102. Wie leerde ons — wie zou ons leeren.
105. Wie, eindlijk. Aan te vullen: leerde ons. ^
109. Verbeelding werd gekweekt: B. wilde de «verbeelding met \' erkennen als de bron der poëzie. Hij schreef eens: «Mijn poëzie heeft uiets met de verbeelding te doen. Zij is bloote uitstorting van \'t gevoel en gevolg van overkroptheid. (Brietw. Tyd. I, 301.) Derhalve keurt hij het (kunstmatig) aankweeken
van verbeelding af; vooral wanneer die verbeelding nog door
het waanwijs verstand geregeld moet worden. (Uitvoeriger hierover in mijn Bilderdijk II, 433—435.) . . . .
111/112. Volgens B. ligt de bron van alle ware kennis in het r gevoel. Het verstand is altijd bedrieglijk en onbetrouwbaar.
113. V menschlijk lot, datief
123/124. Dan heet blind rond te tasten, wijsgeer zijn. I)e W1JSquot; geeren kunnen niet anders zoeken dau schemering, mengsel van licht en duisternis.
126. En oorzaak en geiorocht: God eu zijn schepping.
129. Wijsheid — God. — der dingen toornen vierend — alles
besturend. j u it
136. Versta: De dwazen maken zich geheel blind, in de hoop,
te kunnen begrypen.
140. Versta: Met den blik van een Godheid het waarom van alles en zoo het verband tusschen alles te kunnen ^grijpen.
152. Volgens B. is Gods denken reeds scheppen. Wat bestaat
71
is door God gedncht en heeft door en met dat deuken bestaan gekregen.
154/155. quot;Wij, stervelingen, zijn óf uit hooger sferen afkomstig en daaruit verstooten, of wij worden hier op aarde voorbereid tot een bestaan in die hemelsche oorden.
158—160. üe zucht naar kennis, die den mensch voortdurend prikkelt, brengt hem niet verder, maar doet hem rondloopen in een kring. B. denkt aan den stang van den rosmolen, die door een in de rondte loopend paard in beweging gebracht wordt.
1()3/164. Spring, daar gij niet vliegen kunt. Maar wanneer gij ademloos weer neervalt, verbeeld u dan niet, te hebben gevlogen als een arend.
168. Waarom u niet tevreden gesteld met het hoe, maar u verdiept in het nooit te beantwoorden waarom?
169/170. Is water te drinken geen genot, indien men zelf geen water kan scheppen? Is het geen wellust, te zien, hoe God de wereld inrichtte, zoo men niet weet, op welke wijze hij haar schiep en waarom?
171/172. Voelen wij Gods wil niet in ons hart, wanneer wij dien niet zóó goed begrijpen, dat wij er de noodzakelijkheid van kunnen bewijzen? (In dat geval nl. konden wij uit ons zelve Gods wil voorschrijven.)
182/183. hem en zijn hebben betrekking op weg.
184. Voor B. zijn philosophic en wetenschap (zooals quot;menquot; die opvatte en~ opvat) zaken van het verstand. Kunst is gevoels-zaak; en van het Vare gevoel weten de wijsgeeren niets af. (Uitvoeriger handel ik hierover in BilderdijTc, IT, 114—118.)
189/190. Een nieuwe Apol enz. Geen Dichfyror/ bestuurt thans de dichtkunst meer.
192. ongeschoren stoet — de wijsgeeren. Met de ruige baarden der philosophen wordt door de Grieksche hekeldichters meermalen gespot.
196. Versta: Het schoone is (naar hun meening) eerst schoon, als het overeenstemt met hun voorschriften.
200. Versta: Dan uw eigen persoonlijkheid, uw individualiteit.
202. vedermes. Misschien denkt B. hier niet alleen aan het mes, dat de dichters kortwiekt, maar ook aan het pennemes, dat hun \'/stoute pen\'* zou versnijden.
207. Platoos — wijsgeeren in \'t algemeen.
213. De volgende regels doelen op de kunstcritiek der XVIII® eeuw.
214. gespitst op — gescherpt ten opzichte van, geoefend in. Misschien ook heeft B. bedoeld: de ooren gespitst op.
215. Bhadamanthus wordt een van de rechters der onderwereld genoemd.
72
217. Muonen. Zie de aanteekening op blz. 45 bij vs. 278. — IfiUem Sewel (1654—1720) schreef ook een Nederduytsche Spraakkunst — Stijlen. Niet op Simon Stijl wordt hier gedoeld, maar op Klaas Stijl, van wien in 177B verscheen: quot;Beknopte Aanleiding tot de kennis der Spelling, Spraakdeeleu en Zinteekenen van de Nederd. Taalquot;.
221. den Jooden evenaar — de zware (niet fijne, nauwkeurige) weegschaal. De evenaar is eigeul. de stang, die in \'t midden wordt ondersteund en aan wier uiteinden de schalen zijn opgehangen.
223. Grabbelen Het tasten van de geblinddoekte om te voelen aan evenaar qf schalen , of het evenwicht moet worden verkregen door toe- of afdoen van gewichten.
223. ilegera. Eene der Erinnyeu of wraakgodinnen der Grieken.
226. Styx voor onderwereld. Vgl. 215. Om hunne onverbiddelijke gestrengheid worden de kunstrechters met die der onderwereld vergeleken. — Ieder vrijheid wreken —- wraak nemen over iedere (ongeoorloofde) vrijheid. Vgl. de uitdrukking: geleden hoon wreken.
233. Simon van der Waal (1756—1781) werd meerdere malen door de Leidsehe en Haagsche dichtgenootschappen met goud bekroond Vgl. mijn werk over Bilderdijk, I, 475. — Jacobus Bellamy (1757—1786).
237. Prokrustes. Een roover, die bij Eleusis woonde en door Theseus werd gedood (vgl. 241). Prokrustes had voor zijn gasten twee bedden, een zeer lang en een zeer kort. Groote menschen legde hij in het korte en hieuw een stuk van ze af; kleine bracht hij in het groote, waarin hij ze uitrekte, tot zij stierven.
238. De laarzen met zevendubbele zolen zijn brozen of kothurneu, die gebruikt werden door dè Grieksche treurspelspelers De buitengewoon dikke kurken zolen dienden om de gestalte van den acteur grooter te doen schijnen. Dat B. Prokrustes hier uitdost met purperen kothurnen, is waarschijnlijk om hem een indrukwekkend uiterlijk te geven
251. Manluis. De veldheer Titus Manlins, die zijn zoou liet ombrengen, omdat deze het bevel zijns vaders niet had gehoorzaamd.
256. Klepgelwid: vgl 260 en 264.
269. Koning Midas was scheidsrechter in een muzikalen wedstrijd tusschen Apollo en Pan. Hij wees laatstgenoemde den prijs toe. Tot straf gaf Apollo hem ezelsooren.
271. laffe bindseltjens — onbeduidende stopwoorden.
272. naar stijve vorm gekneed is bep. van woorden.
•274. Abderieten. De inwoners van Abdera hadden den naam van
73
stompzinnig te zijn en allerlei dwaasheden uitte halen; nochtans waren zij zeer wijs in eigen oogeu.
277. in te slapen. De bedoeling is: in te doen slapen.
285. reden is hier gebruikt in de beteekenis van geest, ziel.
288. \'5 aardrijks dwingeland. De door B. zoo gehate philosoof.
289. van recht- en vrijheid, krenken. Versta: van het krenken van recht en vrijheid.
806. wat wo klanken vangt — elk, die u aanhoort.
307. die, accns. Het antecedent is wellust.
310. verhuld- in nevels ^ dus niet duidelijk zichtbaar.
314. choorsamaar — priesterkleed. Hier eigenl. de in samaren gekleede priesters. Vgl vs. 28.
315. De Roraeinsche Salii (priesters) trokken eenmaal in het jaar dansende door de stad, naar alle tempels en altaren.
316. Versta: En het voorhoofd gefronst, ernstig gekeken, zooals het hem, die het deftige priestergewaad draagt, betaamt.
319. bostkarkant: een karkant is eigenlijk een halssnoer van edele steenen. B. doelt op de ürim en Thummim van den Israëlieti-schen hoogepriester: een vierhoek van bonte stof, dien hij op de borst droeg, voorzien van twaalf in goud gevatte edele steenen, waarop de namen der twaalf stammen Israëls. Op of in dieu vierhoek bevonden zich de zoogenaamde Urim en Thummim, woorden die beteekenen \'/Openbaring en Waarheidquot;: wat die eigenlijk geweest zijn is niet zeker, misschien wel een paar edele steenen, die de Openbaring en de Waarheid zinnebeeldig voorstelden. De Hoogepriester nam de U. en Th. te baat. om in gewichtige gevallen te beslissen. Hoe dit ging is natuurlijk ook onzeker. Sommigen denken aan een soort van diamanten dobbelsteenen met den naam Jehova; de Hoogepriester wierp ze en maakte uit de ligging den Goddelijken wil op. Vgl. Exod. XXVIII, 30; Num. XXVII, 21.
329. bergen zonder toppen, omdat zij iemand niet zoo hoog kunnen brengen, als hij wenscht, en het rusteloos, afmattend klimmen voor hem blijft.
335. B. geloofde niet aan een zelfstandig bestaan der stof; de stof achtte hij een schepping van den geest, de geest was een schepping van God. Vandaar dat bij in alles één groote eenheid meende te bespeuren; alles stond derhalve tot al het andere in het engste verband; dus ook tot hem. Wanneer zijn \'/zelfgevoelenquot; hem nu den juisten blik op de dingen gaf, zag hij die betrekking van al het andere tot hèm duidelijk in. Vgl. vs. 367.
339. Versta: Nu gevoelde het hart zich zelf; nu voelde het, dat het louter gevoel (voor B. het hoogste!) was.
74
339—372. Beschrijving van de macht van dichtknnst en gevoel.
345. voorfer wiUe van.quot;
347. de bie van üijila. Hybla is de naam van drie steden op Sicilië. Uit een dezer drie plaatsen kwam beroemde honig.
351. Dirces zwaan — Pindanis. Dirce heette een bron bij Thebe, Pindarus\' geboorteplaats.
352. de onbezochte baant hoog aan den hemel. Andere dichters verheffen zich niet zoo hoog als Pindarus in zijne Oden.
354/355. ongenoemde wateren. Toen Icarus zich te hoog op zijn kunstvleugels verhief, smolt het was, waarmede zij bevestigd waren en viel hij in zee. Deze werd toen naar hem de Icarisclie zee genoemd.
356. Zuiverer. — Versta: zuiverder dan die waarin Icarus was neergestort, waarin hij zelf zou kunnen neerstorten. der Heemlen maatgeschal. De morgenstarren enz. Blijkbaar denkt B. aan de volgende plaats uit het boek Job (XXXVIII, 7): ■/Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.quot; Hij doelt hierbij zeker op iets der-dergelijks als de quot;harmonie der sferenquot; bij de Grieken.
361. meer verheven. Versta: dan mijn geest.
366. waar zij gaapte. Versta: waar zij ook gapen mocht.
367. Wier knoop mijn hart omvatte enz. — geheel mijn gevoel, mijn wenschen, geluk enz., dit alles werd door de aldus tot een schoon geheel geworden schepping omsloten. M, a. w. ik verlangde niets, wat buiten die schepping lag; mijn hart verlangde naar niets daarbuiten. Hart is accusatief. Subject van omsloot is knoop.
372. mijn eigen boezem. Versta: het gevoel van mijn eigen boezem.
373. andre gronden stichten — andere grondslagen aannemen, een ander uitgangspunt kiezen.
382. \'t gemoed\' is accus. Vgl. vs. 372.
386/387. De Dichtkunst des poëets, de Godsdienst van den Christen, is één. Daar beide gevoel van iets hoogers zijn: zij zijn te zamen Het Hoogere, dat wij gevoelen in ons hart.
390. aangetrokken. Verl. deelw. met de beteekenis van de gebied. wijs. . .
392. Versta: De liefde (voor God en zijn schepping) vernietigt te midden van het stof (het geschapene) wat het stoffelijks bevat. — Volgens B zijn God en de schepping een zekere eenheid en is hetquot; stoffelijke slechts symbool. Wie zich nu zooveel mogelijk met God hereenigt, ziet het stoffelijke verdwijnen, daar hij steeds vaster tot de overtuiging komt, dat alleen het onstoffe-lijke werkelijk bestaat.
395. Geen Dichter, die — hij is geen dichter, die. — of na-
75
vorscht of gebiedt — opspoort, zoekt, of wel, het willekeurig, op zijn bevel, te voorschijn roept. M. a. w. de ware dichter dicht geheel onafhankelijk van zijn wil.
397. Stagyriet — Aristoteles, in 384 v. C. te Stagira geboren. (Vgl. voor A.\'s theorie der Nabootsing, zijn geschrift over de dichtkunst, cap. I § 4 en cap. IV § 1—7 )
402. heeft. .. geen uitzicht op ontfermen — heeft den blik niet gericht op \'t medelijden der menschen; heeft niet het doelwit, medelijden op te wekken.l
409. Bedwing het. Dichter. Versta: Bedwing dat gevoel, zoo gij wilt; uw poging: is toch nutteloos.
412. door d?omvang de)\' latuur — door de geheele uitgebreidheid der natuur, door het gansche heelal.
423. het fijne weefsel des gedichts. Spoor na, zegt de dichter, boe conceptie en uitvoering in \'s dichters geest zijn ontstaan; ga na, wat hem zijn beelden heeft gegeven, welke eigenaardigheden van den dichter hierbij werkzaam geweest zijn enz
425. toets. Eigenl. aanraking (vgl. het Fr. ww. toucher). Streek v. d. schilder op het doek; in \'t algemeen: aanraking, greep v. d. kunstenaar.
430. onleerhoar — zonder geleerd te zijn of te kunnen worden.
433. Bacchus! dood hem enz. -De bok werd als vijand der wijngaarden aan Bacchus geofferd.
435. wreek uw heiligdom, op de verwoestende philosophen nl.
436—439. Kelten en wel in \'t bijzonder Galliërs, die in 287 v. Chr. in Griekenland vielen en op Delphi lostrokken. Apollo zelf verdedigde zijn orakel en verjoeg de barbaren met donder, koude en sneeuw. Zie Pausanias HspwyviGiz X, 23.
441. Soter. Naam, waarbij verscheiden goden om redding werden aangeroepen. Hier voor Apollo Daar de Grieksche Goden dikwijls zeer verschillende eigenschappen in hun persoon ver-eenigen en macht hebben op velerlei gebied, is het zeer begrijpelijk, dat zij, naar gelang van de eigenschappen, die men op den voorgrond stelt, bij verschillende namen worden genoemd. Apollo-Febus in vs. 435 is de strijdende, Apollo-Soter in vs. 441 de zegenende, kunstminnende godheid.
444. Met rups- en keverwolk — tegelijk met rupsen en kevers.
445. Platoos volgelingen — wijsgeeren in \'t algemeen.
452. wijsg eer liever ei. Versta: de leus der philosophen.
453. of vertuit. Versta: of zij is vertuid.
457/458. De bespiegelende wijsgeeren kunnen aan de natuur niets veranderen. Het is, alsof zij in hun opgeblazenheid aan alles wetten geven; en nu mag het betwistbaar heeten, of het stof-felooze zich aan die wetten houdt, het stoffelijke doet het
76
zeker niet. En toch — dan eerst is een wet van kracht, wanneer de geheele schepping (dus volgens de gewone onderscheiding; het stoffelijke en het onstoffelijke) er zich naar richt. De natuur eert dus de wetten der wijsgeeren niet; de dichtkunst doet het evenmin. Zoo is ook de bedoeling van 463 472: Gij kunt de natuur geen wetten voorschrijven. Gij kunt hare wetten alleen opsporen. Aldus is het óók met de Poëzie gesteld.
470. als — zooals.
472. ze — de dichtkunst.
473. aan te hidden voor: te aanbidden.
47^. oj) de veldrijs. Beter: op het.
479. bindt Versta: kan binden.
483/484. de zuil van Hermes. Vierhoekige zuilen met een Hermes-kop, in Griekenland en Italië veelvuldig voorkomende. In Italië dienden zij veelal voor grenspalen. Hoogstwaarschijnlijk doelt B. hier op een plaats van een der classieke dichters. Welke?
488. voor de eeuwigheid. Wel te verstaan: naar het schijut voor eeuwig.
489. hoelckanteelen — getand steenhouwers- of metselwerk aan de hoeken.
503. Pindas nachtegalen — dichters.
505. Versta: om zich bij \'t spelen of zingen daaraan te houden.
508. Waar — conjunct.
511. ijdel hoofdhezw anger en — vullen van het hoofd met onnutte regels en onnutte wijsheid.
515/516. Al zijn ook kunst en lauweren ten gevolge van het verval der eeuw van minder waarde (dan in Homerus tijd).
519. door moog woelen voor: moge doorwoelen.
523. zy — de verbeelding.
524. schaduw: beeltenis Vgl. vs. 514.
527. Versta; Verhef u hooger dan de zon.
529. die Thetis. Versta: de zee. De bedoeling van het couplet is: Dichter! wees machtiger dan de zon, de donder, de oceaan.
533, Eg is. Aegis, het schild van Zeus (ook dat van Athena), droeg het Medusahoofd, welks aanblik den aanschouwer in steen veranderde. Het bezit van de Aegis waarborgde een ontzaglijke macht: voortzetting der gedachte van het vorige couplet.
539. Waarheid uit de hemelkringen. In tegenstelling met de schijnwaarheid der verstandsphilosopheu.
DE GEESTEN WAR ELD.
Gedicht in 1811, en in dat jaar voorgedragen in de Amsterdamsche afdeeling der Hollandsche Maatschappij van Kunsten en Wetenschappen. Gedrukt in 1814 in den bundel Affodillen.
Van liet bestaan van geesten, die door ingevingen, waarschuwingen, zelfs verschijningen en aanrakingen invloed op den mensch uitoefenden, was Bilderdijk door ïijn «innig hartsgevoelquot; ten volle overtuigd.
Van De Geestenwareld verscheen in 1812 (tweede druk van 1813) eene uitgave \'/met inleiding, analyse en aanteekeningenquot; van Prof. J. David.
D E
GEESTEN WAREL D.
Errat, qvisqve animas nostroruiu fine cculorum Aeslimat, involvit vitreo qvos lucida palla Obice, qveis speculum concrela coagula texunl.
Pküdentius.
Wel hem, die met den voet aan \'t nietig hier beneden
Gekluisterd, met het hoofd ten hemel op durft treden, Zijn maagschap hoven \'t zwerk, in lucht en firmament, En \'t stofloos Geestendom als wachters om zich kent! 5. Ga, Wijsgeer, vraag wat zij, aan oog, aan oor, of handen; Wy vragen \'taan ons hart, en dit gevoelt die handen: Dit juicht in d\'invloed dier bezieling van \'t heelal. Die meer dan \'t leven is in \'t aardse he jammerdal. Hoe! zou een ziel, die groot, die edel kan gevoelen, 10. Gedoemd zijn, in dees kring van \'t zichtbaar niet
te woelen
Het geen men wereld noemt ? dien wezenloozen schijn Die slechts de schaduw is van \'t onbegryplijk zijn! Waarin men vruchtloos grijpt en omtast, steeds bedrogen ;
De hand naar waarheid reikt, maar prooi is van de
logen;
15. En, tuimlende in een nacht van diepe duisternis.
79
Het opgeeft of men zelf — of iets bestaanbaar is! — Hoe! \'k zou op nevelclamp, steeds wolkend rondgedreven, Het scliimgeschemer zien dat om my schijnt te zweven, En zien naar \'t licht niet om, dat uit een hooger oord \'20. Met weerwil door dié mist en haar beroering boort? Dien schemer zonder lijf voor zelfbestandig honen? Ik, dartlen met dien schijn? aan hem mijn hart betrouwen ?
(reeft dan die schaduw-zelv my de overtuiging niet Der wezens buiten haar, waarvan ze zweemsels biedt?
25. Ik-zclf, ik ben geen hand, geen voet, geene ingewanden,
Geen werkend brein; geen snaar, dien vreemde krachten
spanden,
Die andren, niet zich-zelv\' maar die hem aanroert, klinkt, \'k Gevoel my in my-zelv\', en niet in wat me omringt, \'k Ben in dit lichaam niet verdeeld, noch \'t kan me omvangen.
30. \'t Is werktuig voor mijn\' wil, aan wien mijn daden
hangen.
En, zoo de werking ook door \'t werktuig wordt bepaald, Zoo \'t geen de geest bedoelt, hier afwijkt, elders faalt. Zoo zelf mijn wil zich richt naar \'t geen ik uit kan
voeren,
De wensch in \'t diepst der ziel is door geen band te
snoeren.
35. Die toont me, ik ben voor meer, voor andre bezigheên, Voor grootre vatbaar, bruischt door eiken weerstand
heen,
Eischt andre vormen aan het werktuig dat een pogen Te loor stelt, waar \'t naar zucht en opwelt in den hoogen. Ja, als \'t bedwongen vuur, dat, onder de asch bedekt, 40. Hoe werkloos, immer poogt eu naar zyn oorsprong trekt; Zoo stuwt me een aandrift op, die, walgend van deze
aarde,
Eene andre warcld eischt, van min verachtbre waarde;
HU
Roept me eiken oogwenk toe: Hier is nw woonplaats niet; De waarheid is uw rijk, geen ijdel droomgebied!
45. Maar is er waarheid, ach! zoo zijn er, die haar
kennen!
Zoo zweven in haar licht op kleppende arendspennen De wezens, haar naby, en met geen mist omhuld. Als die d\'onzuivren poel van jamm\'ren hier vervult Zoo zijn zy, by de drift, die hier ter terging prikkelt, 50. Met deze onzaalge last, die logheid niet omwikkeld. Die aan dees nevel bindt, en wil en neiging boeit, En naar de lucht gevormd die in dees laagte vloeit. Zoo zijn er Engelen, zoo afgescheiden geesten. Ontslagen van dit jok der ploegende akkerbeesten 55. Dat ons ter neder buigt; dat klemmend, drukkend kleed, Aan plant en dier ontleend, waarvoor de stervling zweet. Dat al zijn zorgen trekt en afdwingt in dit leven. Hem mogelijk tot een vloek en geen gebruik gegeven.
Zoo denk ik duizendwerv\'.— Beheerscher van \'t Heelal, 60. Gy weet het! Maar u deert der menschen ongeval; ü zij \'t verwijt niet, U de schuld niet opgedrongen Der dwaasheid die uw gift, uit louter gunst ontsprongen. Verwoestte! Neen, Gy schieptgeen lichaam in dees stand. Geen aardbol, dus misvormd, kwam uit uw wijze hand: 65. Die breuk by breuken draagt van jammer, van verdelging;
Hier opgeworpen asch, daar volk- en landverzwelging; Door ijzren vorst geklemd; door zonnebrand geschroeid; Gegeesseld door den storm die langs zijn vlakte loeit En \'t hart doorrommelt van den afgrond, uit wiens holen 70. De pest haar dampen slaakt, im door ons bloed te dolen, En die met hollen muil ons aangaapt nacht en dag. En \'t gruwzaam uur verbeidt, dat ons verslinden mag. — Geen aardbol, dus misvormd; maar ook geen stervend
wezen.
Aan sterflijkheid verslaafd, uit nietig slijk gerezen.
81
75. Op lijken azend als het ongecliert der aard,
VVas, Schepper der Iv atirar, uw groot- uw Godheid waard! Xeen, \'t is de mensch niet meer, dien eens uw hand
bootseerde.
Met d\'indruk van U-zelv\', \'t aanbidlijkst schoon, vereerde,
Met d\'adem van uw geest bezielde: ja, wiens ziel 80. De zuivre spiegel van uw Godheid was. Hy viel. Ontaardde; en tot wat graad! Zyn zuiverheid geschonden ; —
Zyn wil verbasterd, ach ! — aan zin en slijk gebonden; — \'t Verstand bezoedeld door den nevel walm van waan; — Zijn lust, zyn kracht, misvormd,enjammerlijk vergaan!— 85. De dood, zijn voedster en beheerscher, in zijne aderen Gezeteld, — wien hy leeft, wiens schrik hy steeds
voelt naderen; — En elke hoofdstof hem ten vijand! Groote God, Dit wierd er van zyn\' staat, en Gy bestemt zijn lot!
Ja, \'t is zoo. Gy bestemt ! en ook dat lot is zegen. 90. H quot;V\' ergroofd, \'t verstoflijkt lijf wordt eenmaal afgelegen, \'t Verval moet groeien en voleinden in \'t vergaan, De weldaad van de dood \'t gekerkerd deel ontslaan; Een zuivrer., fijner stof de vlotte ziel omgeven. Dit werktuig, dan gesloopt, behoort dit eindig leven. 95. Een beter, reeds gevormd, rijst uit zijn binnenst op, En de eedle dagkapel ontwikkelt uit de pop.
Dan zullen we, ö gewis! tot andre hoogte steigeren, De waarheid ons geen licht, het licht geen toegang-
weigeren.
Ons, blinden, zal geen glimp van \'tliier zoo flaauw
gezicht
100. Bedriegen; \'t zintuig zal bestaanbaar zijn voor \'t licht Dat de oogen aan zal doen, en heel ons zyn doorstralen Met zaligheden, door verbeelding nooit te malen, \'t Gevoelen, \'tzien, zal, als één saamgesmolten toon,
bildebdijk, Poëzie. c
82
Te samen vlieten tot één zintuig; streelend, schoon, 105. Welluidend, ■wierookgeur, en nektar, al de leden Doortrekken met de luelit van \'t onverbasterd Eden: De wellust, wellust zijn, geen angel die slechts kwetst; Een bloem, die eeuwig bloeit, nooit afvalt of verfletst; De plicht genieting zijn, en uit- en wedervloeien 110. Der Godheid, van wier vuur ons ingewand zal gloeien; Dan rukken we u te moet, 6 Geesten, daar gy zweeft, U, waar my \'t hart naar trekt van dat het adem heeft!
Maar 6; Verwanten van mijn wezen, Medgenooten Des aanzyns, met mijn geest uit eene bron ontsproten; 115. Naar wie ik zwoege en hijge in mijmerende lust; En, wen de morgenwind mijn grijze slapen kust. De handen uitstrek, als een broeder by \'t ontwaken Naar d\'ouder broeder die hem opwekt! Die in \'t kraken Der bladers somtijds tot my lispelt in de lucht, 120. En met mijn adem paart (ik voel het) als ik zucht! Geen eindelooze kloof houdt my van ü gescheiden. Uw oogen zien op hem, op wien uw harten beiden! Maar ook gy nadert, schoon me onzichtbaar, uit uw kring-Tot d\'in zijn doem en ban verlaten\' sterveling. 125. Neen, Gy verlaat hem niet. Ja, \'k voel het, Hemel-
engelen,
Dat zich uw beden soms aan myne beden mengelen; Dat me uwe zorg bewaakt: Dat ge in mijn drukkend leed Meewarig deel neemt, en uw\' broeder niet vergeet. Hoe zoudt gy \'t? Kan dan de aard, zoo heerlyk by hein-
worden ,
130. Kan \'t menschdom, eens bestemd tot uw volzalige orden, En \'t pronkstuk, waar een God,een Godlijklicht in scheen, U onverschillig zijn ook by deze aakligheên? Gy, zoudt gy voor \'t herstel dier diepvertreden wormen, Geen enklen wensch, geen zucht, geen heet verlangen
vormen ?
135. Veracht, miskent ge in hun, de zucht, de vatbaarheid, Die uit hun jammerstand tot u en de Almacht schreit.
83
Waar de Allerhoogste-zelf, waar zijne onstraflijke oogen Met wellust neêr op zien en Godlijk mededogen? Of haat ge nw broeder, dus vernederd in\'t gewaad 140. Der grove dierlijkheid, die reiner geest versmaadt? üt vreest uw zuiverheid, zoo edel, zoo verheven, De smet die hem hezwalkt, dat zy u aan mocht kleven ?
Neen, medeschepsels, die, in onvervallen staat. Op damethysten throon Gods schepping gade slaat! 14o. Aan t licht dat Hem omringt, uw stralen moogt ont-
. . leenen!
(ry kunt van onheil niet, gy kunt van deernis weenen. En ook de deernistraan is zoeter dan hy \'t weet, Die, meusch, de menschlijkheid, en wat hy is, vergeet.
Doch, weent niet! kent geen\' traan! Gy voelt wat , „ aan onze oogen
loU. Den zilten traan ontperst, meêlijdend. Opgetogen In d\'aanschouw van Gods werk, ontslipt u \'t mensch-
dom niet;
Jiiii cliei baar moet u zyn, waar Hy zijn gunst gebiedt! En Gy, ons eigen bloed! Gy afgescheiden zielen. Die, sints de wareld wierd, doch neen, sints menschen
-k xi vielen,
oo. Het leed doorworsteld van dit sterven boven \'t graf, De ballast afwierpt van dees lichaamlijke draf! 0 6 Zaligen! zou nooit uit hooger hemelsfeeren Üw aandacht tot deze aard, tot de uwen nederkeeren ? Zou nooit de Broedermin meer omzien ? nooit de trouw 60. Des Egaas, teer verknocht aan de onwaardeerbre vrouw Die hem het leven torschte, en \'t aanzijn leerde minnen. Ja, door haar liefde-alleen hem voor zijn God herwinnen. Zijn Heiland schenken kon! wier zoete en teedre zorg Hem d aardschen kommer, en zijn gruwzaamheên ver-
- tt borg!
». Hem vreugde kennen deed, voor vreugde vatbaar maakte, Zich-zelv voor zijn geluk opofferde en verzaakte;
6*
84
En, mooglijk, na zijn dood een leven vol geween In gruwbre rampen slijt, om dees haar trouw-alleen i
Miin Grade, dacht ik \'t ooit, wat waar my \'s Hemels J weelde!
170. Vergeten.... zelfs één uur.... wier hand my zalig streelde ? Xiet ademen voor haar? niet deelen in haar pijn? Xiet troosten? en— by God,met de Lnglen,zalig zijn ? Wat tegenstrijdigheid! — of breken dan de banden Die de onverbreeklyke Echt om harten legt en handen i 175. Is liefde een guichelspel? de teedre huwlijkskoets. Die zielen samensmeedt in d1 overgang des bloeds. Een schandelijk tooneel, waar, in ontleende kleeden, Vermomde beestlijkheid in \'t daglicht op durft treden ?
En Oudren! ziet gy nooit naar deze uw telgen om, 180. Uw vreugde in \'thuwlijksheil, uw steun in d\'ouderdom ? Of, Telgen, die, te vroeg aan klemmende Oudrenarmen Ontrukt, hen achterliet om op uw graf te kermen! Zijn al hun tranen, is de teedre moedersmart,
Is de onbegrijpbre wond van \'t vaderlijke hart 185. Te nietig (ach, wie kent dat ijslijk hartverscheurend Dat ge eens van uit uw vreugd te rug ziet op hun treuren r1 Mijn wichtjens! voelt gy \'t niet, wanneer, zoo lang
doorweekt,
Mijn boezem telkens weêr al bruischende openbreekt, U toeroept, uherroept? — wanneer, als vreugdemalen 190. Zich tooien, \'t feestgejuich zich opheft door de zalen, Myn ziel zich-zelve ontzinkt en om mijn kinders schreit. En alle lust vervloekt, en smelt in tederheid ?
Neen, burgers van den kring waarin mijn wenschen
zweven,
Uw ziel vervreemde niet van d\'oorsprong van uw leven. 195. Ontwikkeld uit zijn\' geest tot deze uw hemelvlucht, Voelt gy u dquot; adem van den boezem die hier zucht, En als de stralen die van \'t lichtend lichaam vloeien,
85
Kiet afgescheiden, maar eenzelvig met zijn gloeien. Hy leefde in TT op de aard, zoo langgy de aard betradt, 2ÜO. En leeft ook thands in U, wat hemel U omvat.
Gaat, spruitjens van mijn lienp! ó tuimelt in vervoering Die duizend heemlen door, by dees mijn zielsberoering: Ik deel ze met U. Juicht! vergeet uws Vaders pijn. Ik eischhet, \'k wenschhetzoo, indien ze u smart kan zijn. 205. Gaat, werpt u in die zee, en zwelgt met volle togen Haar zaligheden in, van licht en alvermogen. Die uit den zetel der volmaaktheid golft en stroomt! Uw Vader koomt tot U, verbeidt hem tot hy koomt! Hier echter (plettre \'t juk der opgelegde plagen 210. Zijn kromgebogen nek nog weinig levensdagen!)
Hier is zijne eenzaamheid in \'s aardrijks woesteny Niet troostloos: \'t Englendom is wie hier lijdt, naby. Een hemel deelt mijn leed; ik voel de troost der hemelen My daauwen in de ziel en door myne aders wemelen. 215. Neen, \'k ben niet eenzaam, niet verlaten, waar ik ga! Gods Almacht drupt op my, Heur wachtstoet volgt my na.
^ Gy bron des levens! God! die \'t al vervult met leven, En stof en wareld schiept om leven uit te geven! Die al wat is bevolkt, en in een druppel nat 220. Miljoenen schepsels, voor gevoel geschapen, vat! Hoe! hebt ge U uitgeput voor \'s menschen stikziende
oogen ?
Is hier uw macht ten eind, oneindig Alvermogen Of hier uw goedheid. God? Breekt hier de kelen\'af Der wezens, wien uw woord \'t besef des aanzijns gaf\'? 225. Zal, van den trotschen mensch die ladder eindloos dalen? Kan zelfs de kleinste mijt zijn uiterst niet bepalen. Dat in \'t onmerkbaar vocht, dat door heure aders streeft. Geen gantsche burgerschap in kleiner wareld leeft ? \' En zal die zelfde mensch in dees ontzettende orden 230. Het hoogste wezen zijn, dat van uw hand mocht worden? Neen, zij hy heer op aard in dit zijn weiflend lot!
86
Verstrekk\' liy \'t reedloos dier uw beeld en Ondergod! Gewis, een zuiyrer geest, waarin uw glans mag schijnen, Vervult de hemelen in \'t choor der Serafijnen; 235. Een\' znivrer spiegel eischt itw luister, \'t Aardschgeslacht Smelt voor uw licht, 5 God! Die luister is ons, nacht.
Gelooft gy\'t sterveling? Gy stofklomp, half verengeld! Gy, aan de dierlijkheid, uws ondanks, vastgestrengeld! Gelooft ge u, in dees staat, dat edel kunstgewrocht 240. Waarboven de Almacht niets gewild heeft of vermocht? Of, zijn er schepselen, meer zalig, meer verheven. Door \'t zintuig niet bereikt, aan \'t stoflijk dier gegeven; Waar blyft, vermeetle menscli, dat hemelschoon verband Der schepping, kenmerk van een alles wij ze hand, 245. Dat alles schraagt, vervangt, en door elkaar doet vlieten Tot onderling behoud, en steunsel, en genieten? Waar blijft dat, zoo die kring, aan aard en menschdom
vreemd,
In \'t geen den stervling treft, belang noch aandeel
neemt? —
Zoo zijn er warelden, geen wareld: niets volkomen. 250. Zoo is het de Almacht niet, die de onbesefbre toomen Der dingen voert; maar \'t zijn gedeeltlijke ondergoon. Verdeeld in wezens, en bedoeling. Hem ten hoon! Zoo is de schepping niets dan stukwerk, niets dan deelen Die onvereenbaar zijn; en \'t scheppen geen bevelen, 255. Maar moeilijk pogen, dat geen doel heeft in \'t Heelal; En de Oppergodheid is een redenloos Geval.
Mijn vrienden, dit \'s dan \'t eind waarvoor wy rustloos woelen!
Ons aanzijn grenst aan \'t niet, heeft oorzaak noch
bedoelen.
Wy droomen, en die droom wordt nimmer waar,
breekt af,
260. Nam aanvang in de wieg, en wordt voltooid in \'t graf.
87
Neen, verr\', neen, eindloos ven-\', dat uitzicht vol
versclirikken! Neen, \'t leven is geen op- en daadlijk nederblikken Van uit en weêr in \'t niet getogen nietigheên. \'t Heeft wezen! Ja, wy zijn, in dit Heelal met één. ^65. Daar is, daar is een G-od, in wien, door wien wy leven; Een stoflijk warelddeel, waarin we omneveld zweven; Een heldrer licht, omhoog, dat (waar ons \'t oog ook ^ faait,)
j In \'t binnenst van ons hart, en onweerstaanbaar, straalt; Eene aard, beneden ons, wier stof ons houdt omvangen; 270. Een hemel die ons toeft, ons uitzicht, en verlangen; En zijn we, in \'t nietig lijf der stoflijkheid verwant, Die hemel reikt ons zelf zijn broederlijke hand.
Ontval me, 6 blinddoek! En, gy oogen, die de stralen Des lichts vergadert om me een beeldtnis voor te malen; 275. Die, naar de zwakheid van miin zintuig ingericht, In d\' afgescheiden straal den luister dempt van \'t licht; Verbreekt uw vochtkristal; verstrooit die kleurpenceelen. Die niet, dan \'t stoflijk dier een schijnbeeld mededeelen; \' Verheldert II! Ik leef voor \'t grover zintuig niet. 280. Neen, opent U voor \'t licht waarby Grods Engel ziet! Leert, leert den indruk van dien etherstroom gevoelen, Die \'t Greestendom omzweeft, waarin hun voeten spoelen. Hun longen ademen; die vloeistof eindloos fijn; Het voertuig dat hen draagt, dat hemelkristallijn! 285. Toont, maalt my dees hun koets, waarin zy opgeheven. Hun broedren op deze aard met wellust tegenstreven, Omstuwen in \'t gevaar, bedekken in den nood En, teder in hun arm outfangen by de dood!
Toont my die koets, dat kleed, dat lichaam, die bedekking ,
290. Uit louter licht verdikt, onvatbaar voor bevlekking; Die zuivre vloeistof, die geene aardsche macht verdeelt. Geen grendel uitsluit; waar Gods ademtocht door speelt; Onzichtbaar in ons licht, maar, waar zijn eigen luister
88
Zich toont, den middag-zelv\' verandrend in liet duister! 295. Docli neen, wat is me uw dienst ? wat zou my\'t zingevoel? Geen hemel; stoflijkheid, zie daar uw eenig doel!
Gr, Wijzen, steeds bedacht, met onafmeetbre schreden Natuur, waarheen ze ook sluipt, op \'t voetspoor na
te treden.
Haar \'t kleed te ontrukken waar ze in wegschuilt,
elk misleidt,
300. En met de poging spot der broze menschlijklieid. Vergeefs bedriegt zy ü met ij die fenoménen;
Gy ziet door \'t sluierdoek van hare omhuldsels henen. Geen golving van de lucht, geen etherstraal van \'t licht. Of prikkling van den smaak begoochelt u \'t gezicht , 305. Geen reukwalm, of geen handbetasting. Voor uweoogen Is alles één gevoel; op ééne wijs bewogen.
\'t Zijn vloei- en prikkelstof, en \'t werktuig dat ze ont-
fangt.
Verscheiden in zijn vorm, waaraan onze indruk hangt. Eén zintuig slechts bestaat in die verscheidenheden: 31Ü. Gevoel. En dit gevoel is zelfbesef en reden.
I Maar vreeslijk dwaalt hy, die, aan\'t uiterlijk vertuit. Dit eindloos rijk gevoel in die beperking sluit!
Geen dierlyk zintuig slechts, het dierlijk schepsel eigen, Vervul digt het in ons, om steeds naar\'t stof te neigen. 315. Neen, de Almacht die ons wrocht, bedeelde ons niet zoo
schaarsch;
Gaf andre vatbaarheên dan voor \'t bedrieglyk aardsch. En wijzigde ons gevoel voor stof en stofloos tevens. Als beider aanverwant, genoot van beide levens. — Of is dit zintuig licht (by \'t sluimrend hart en hoofd 320. Van \'t stoflijke overstelpt) in werkloosheid verdoofd?-— Ach, alle vatbaarheid wordt door de rust bedolven: \\ Het oog ontwent aan \'t licht, het oor aan \'t luchtstroom-
golven :
322. In de oorspr. uitgave: lichtstroomgolven. Reeds door prof. J. David verbeterd.
89
(Jok \'t innig zintuig slaapt, als in een schijnbre dood, Waar \'t eens verward verstand zijn indruk van zich stoot. 325. Zoo doen wy; dit \'s ons lot (Helaas! al te onberaden!) Die \'t hoogst, het troostrijkst goed dus roekeloos versmaden !
Maar lastren wy, daar om, den God der waarheid niet. Zoo thands \'t verschroeid gevoel, geen hemelwaarheid
ziet!
En ach! die vatbaarheid verlangt om v/eêr te ontwaken. 33U. 6 Leeren we onzen trots, onze ydle drift, verzaken! Geen blinde ontkenn\' den dag die opgaat voor \'tHeelal; Geen doove, \'t kunstmuzyk van stem of srnartoonval! Hy trooste zich in \'t leed, maar leere ons niet betwisten. Waarvan gevoel en hart heel \'t menschdom vergewisten!
335. Neen, stervling; neen. Niet slechts het lastdier dat u
torscht,
Het rund, dat met u ploegt, en koren kneust en dorscht. Het ooilam dat u kleedt, de tallelooze dieren, Vereenigd met uw bloed door \'t voedsel uit hun spieren. Of \'t zijsjen in de lucht, dat omfluit om uw\' disch; 340. Zijn \'t voorwerp, zijn \'t Heelal, dat u geschapen is. Ook de Englen leven u. De onzichtbre kring der geesten Omvat u; niet de in \'t stof ter neêr gebukte beesten. Hun invloed stroomt n toe; en geen gevoel ontbreekt. Waardoor hy tot uw hart en in uw binnenst spreekt. 345. Geen stoflijk zintuig, neen, een stoft\'eloos ontwaren Der ziel is \'t, waar zy \'thart hun aanzijn door verklaren. De zemaw treft geen licht dat door de dampkring boort; Geen stem beroert de lucht, en brengt ons klanken voort; Geen arm omtast, geen hand vindt weerstand by bun
naderen;
350. Een zachte ontroering slechts doorwandelt hart en aderen. Geen lichaam botst het onze; een stoffelooze vloed Doorstreeft ons, en vermengt hunn\' hemel aan ons bloed.
Zoo voelde ik, Dichteres van vaderland en vrijheid.
90
LANNOV! in \'t kalme hart n\\v zalige nabylieid, 355. Wanneer men\'t gruwzaamst lot door d\'onverwachtsteu
slag
Ontroofde, \'t Liclit ontzonk den bleekbestorven\' dag, En \'t aardrijk schudde. Ik zag noch hoorde; maar
mijn harte
Smolt weg, als in een droom van nooitgevoelde smarte. Die teedrer, eedier was dan de allerhoogste lust. 360. Een huivring greep my aan, iets hemelsch zich bewust; Mijn tranen droogden, die in \'t rollen van mijn zangen Uwe asch vereerden, en verstorven op mijn wangen; j Uw ziel sprak tot my, en \'k verstond haar, zonder spraak; En mooglijk— Broeders, neen, ik droom niet, maar ik
waak.
365. Vergeeft, mijn Vrienden, zoo mijn tranen hier ontspringen
By de onafzienbre reeks van mijn herinneringen. Ach! geene zijn er dan vervlochten in uw kring, 6 Geesten: \'tis hier meer dan ij die mijmering! Ja, \'kwaak, en \'k heb gewaakt wanneer me uw teedre
zorgen
370. Omwaakten, en de stond, voor \'t menschlijk oog verborgen.
Verkondden, dien het Lot met onverbidbre hand Had afgeteekend tot den val van \'t Vaderland. Ik waakte, ó wie ge ook zijt die voormijnwelzijnwaakte. Wanneer die zelfde zucht my \'t noodlot kenbaar maakte 375. Dat me over \'t hoofd hing. \'k Voelde uw\' kennelijken
drang
In \'t hart: „Verwijder u, voorkoom uw\' ondergang!quot; — Vergeefs! Eene andre macht ons boven \'t hoofd gezeten, \\ Sleepte alles met my voort aan de ijzren jammerketen. Die schrikbre Luchtgeest, die een wareld, zijner waard, 380. Beheerscht, tot Jezus rijk zich zeetien koom op de Aard! De Vijand van den Grod wiens wraak hem moet verdelgen !
91
Die in verwoesting leeft, en bloed-, en tranenzwelgen; En de afgeteisterde aard met feller zweepen knelt, Naar \'t tijdstip van zijn val zijn woeden tegensnelt! 385. Met wien weals Christenen, door heel dit leven, strijden! Wiens juk ons borg verstrekt van eenmaal beter tijden, En op den morgen wijst dier groote Monarchy! — Ja, warend Geestendom, steeds Meldt ge wacht voor my.
Ja, wacht hieldt ge, als nw hand by \'t vij andlij k
bespringen
390. De pnnt verstompte en brak van pook en degenklingen; Of wonden heelde, waar geen Heelkunst iets vermocht; Of storm en vloed bedwong op verren watertocht. Ook waar me een andre krijg met feller kracht bestookte. En \'t slagveld van geen bloed der bleeke lijken rookte, 395. Geen donder des geschnts, geen snelgevleugeld lood. De ontvlamde lucht doorsnorde, in bondschap met de
dood;
Geen spiets, geen heirbijl drilde in \'s krijgsmans ijzren
vingeren;
Maar wolkende ambergeur en wulpsche bloemrankslingeren
De lucht vergiftigden in Weeldes dartle hand, 400. En \'t zintuig wapenden ten aanval op \'t verstand; Of eer en roem zich toonde als \'t loon van gruwelstukken. En worstelde om een hart dat geen geweld deed bukken; Of \'t woedende gebrek.... Ja, zalige Englenry, Gy, dienaars van mijn God, steeds hieldt ge wacht
voor my.
405. Waar ben, waar spreke ik hier? en wie zijn\'t, die
my hooren?
Hoe! schroomt de schampre lach mijn statige ernst te
storen ?
Hier, in eene eeuw vol glans, zoo lier op beter licht, Waar \'t oud vooroordeel met zijn neveldamp voor zwicht! Hier sluit mijn doffe zang onzichtbre rijken open;
92
410. En \'k dnvf van \'t hel verstand gehoor en aandacht
hopen? —
Ja, \'k durf het. Ja, die engbekrompenheid van ziel. Die scepter van gezag, die blinde waan, verviel. Die, offrende aan zich-zelv\', en met den doek voor de
oogen,
Voor Waarheid, hulde zwoer aan Misverstand en
Logen! —
415. Die tijd, toen elke plek in \'thobblig spiegelglas
Aan \'t voorwerp des gezichts (dus dacht men) eigen was; De zwarte staar van \'t oog de meer dan half geblinden In \'t heerlijkst schildery een duistren vlek deed vinden; Toen ruimte, en tijd, en plaats, bestaan en wezen kreeg; 420. En \'t oordeel, \'t zelfgevoel, voor zin- en denktuig
zweeg! —
Thands mogen we in dit dal van waan en hersenschimmen
Het opgestoken hoofd verheffen uit de kimmen. En werpen de oogen naar de Waarheid waar zy straalt; En \'t is geen misdaad meer, te dwalen, zoo inen dwaalt! 425. Geen misdaad, by het licht een ander licht te ontsteken; \'t Gevoel dat ons vervult, vrijmoedig uit te spreken. Of met een\' stouten greep in \'t hangend voortapeet. Den toegang van den dag te vordren door een reet!
Verheven Poëzy, eens bniischend door mijne aaren, 430. Thands kruipend met het bloed, versteven door de jaren! ö Mocht me uw gloed nog eens verheffen! Maar, ó neen, Geen zweven voegt my meer, dit kruipen slechts alleen. Gy echter. Hemeltelg! gy, op geene aard geboren. Geen\' stofklomp eigen! kom, laat uwe Orakels hooren! 435. Gy, kent ge een koud Heelal, uit enkle stof gesticht; Of leven, geest, en gloed, waarheen ge uw\' aanblik
richt ?
Is \'t lichaam, waar ge in leeft ? en kunt ge uw vlucht
bepalen
Tot d\'engen nevelkring waarin wy ademhalen?
93
Neen; hooger geestenrijk, zie daar uw Vaderland! 440. Dat stort ge ons in de borst die van uw aandrift brandt; Dat voert ge ons in \'t gemoet; daar doet uw boezem-
gloeien
\'t Gevoel uws aanzyns als een drop meê samenvloeien Die de Oceaan verzwelgt: Daar voert ge ons hart meê om Door de eindelooze zee van \'tryk gescliapendom, 445. En toont bezieling, kracht, en wil, en zelfbewustheid. Waar zelfs het dorrend blad zich onder de aard te rust leit. Of \'t spruitjen op zijn steel zich naar de luwte buigt. En nieuwe levenslucht uit licht en zuurstof zuigt. Daar leert ge ons met dat goud, dien gloed, dat purper
spelen,
450. Die holle wind en licht op ydle blazen telen;
Maar leven, waar geen voet, geen arendsvlerk ons
draagt,
Waar stof en stoflijkheid dit stof wordt afgevaagd. En de opgetogen Ziel, in God en Geest verloren. Zich dompelt in de bron waaruit zy wierd geboren.
455. Mijn Vrienden, gy die weet wat Dichtkunst heerlijkst
heeft,
Die met haar de aard voorby en verr\' uit de oogen
zweeft,
Gevoelt haar! \'t Is in haar dat Geesten uit den hoogen Uw hart vervullen met dat wellustvol vermogen Dat de Almacht nader koomt, veredelt, schept, bezielt, 460. En waar ge, als met ontzag, in \'t hart voor neder-
knielt.
Ja, \'t lichaam is niet meer dan schaduw, spiegling,
teeken.
Geen wezen: schijnbre kleur door \'t vonklend licht-
straalbreken.
Geen voorwerp eigen, maar de vloeistof waar t in baadt. Die aan \'t zintuiglijk oog slechts aanduidt wat bestaat. 465. Wat is, is zelfgevoel, is willen, kracht, en streven! \'tls geest, en in dien geest berust, en zijn en leven.
94
Mijquot; Broedren, neen, o neen. Wanneer ge nw hand iny
biedt,
\'k Grevoel uw ziel daarin, \'t onmachtig lichaam niet; Uw vriendschap spreekt door haar. Zoo schittert ze
uit mv oogen;
470. Zoo vloeit zy van uw tong, door \'t zielsgevoel bewoquot;:en; Maar hand, noch oog, noch stem behoeft er aan die ziel! Haar kracht, haar invloed blyft, waar \'s lichaams asch
verviel.
Zy blyft. Gewis, zy blijft. Gy tallelooze scharen. Die om, die boven ons, die door ons heen blijft waren! 475. Gy zaagt my, als mijn geest, ter neêr gedrukt door \'t lot, In wreevlig ongeduld zich ophief tegen God,
En de Almacht die hem vormde, in \'t jammer dat my
knaagde,
Met onbesuisde drift voor eigen vierschaar daagde. 6 Nacht van ijslijkheid! 6 grondelooze poel 480. Van wanhoop, nijpende angst, en piettrend doodsgevoel !
Hoe schokt me uw denkbeeld nog, hoe schudt het my
door de aaren En drijft my t bloed te berg\' in de opgestegen hairen! „Ja, (sprak ik, daar mijn oog, steeds overstelpt van\'t nat. Van gloênde spijt verdroogd geen traan meer over had, 485. En de uitgeholde wang, van de opgezette woede. Den schrikbren grimlach droeg waarin de zelfmoord
broedde,)
„ Ja, \'k dronk de wrange kroes des levens tot den grond.— „Bedekt met bobblend schuim, dat in myn morgenstond „My toeblonk en i.. jn oog verbijsterde in zijn kleuren, 490. „Bedwelmde my een poos de waassem van heur geuren; „Maar ook die dronkenschap was smartlyk. — Zy verdween !
„Een windvlaag blies haar weg, en al die glans met een ! „ Wat bleef er ? Walglijk vocht dat aanhing op de lippen, „Den gorgel samenwrong, als weigrend door te glippen.
95
195. „En \'t ingewand verknaagde in childinglooze smart ; „Ja, zelfs den ademtocht verstikkende in mijn hart! — „Ik zwolg haar echter in; en, wat my \'t noodlot mengde, „Geen druppel, dien mijn hand uit dartelheid verplengde, „Uit wederzin vergoot! — Ik heb baar boom geleegd 300. „En zelfs den droessem met den vinger nageveegd. — „ Wst bleef, wat rest er meer, Beschikker van ons leven ? „Ik onderging den doem, my eenmaal voorgeschreven. „Ik wierd, ik zag het licht, ik leed, en ging voorby! „Eeeds sleet mijn kluister door; verlos, en maak my vrij.quot;
505. Zoo sprak ik, als mijn ziel een zacht gevoel ontwaarde. Dat me aan my-zelv\' onthief en aan dees kwijnende aarde. Geen stof meer, docht my, trok mijn denkvermogen aan. Ik ademde geen lucht, noch voelde \'t hart my slaan, Maar was van heldre glans doorwemeld en doortogen. 510. \'t Was heel mijn\' lichaam licht, en duister voor mijne
oogen.
\'t Gevoel mijns aanzyns werd veredeld en vergood. Een hooger zintuig dan my eigen was, ontsproot, En \'k zag door \'t weefsel heen van eigen ingewanden En vezeldraden en gevlochten zenuwbanden. 515. \'k Doorstroomde, als \'t zuiver licht den heldren waterdrop ,
Den dichten stofklomp, en geen afstand hield my op. En wat my overbleef van dit ons schijnbaar leven. Scheen me als een droomverschiet door \'t wakend hrein
te zweven.
Zie daar, dus riep me een stem in \'t binnenst van
: r, my-zelv\', 520. Maar die me als de Echo van een eindloos ruim gewelf, Van alle kant te rug en in één punt gedreven. Verdubbeld tegenklonk en mijn gebeent\' deed beven. „Zie daar, o stervling, wat gyzijnmoet,—watgy wordt. „Thands ligt ge in \'t kiemend zaad! — Zie opwaart.
96
525. Zoo klonk de Godsstem, en wat zag ik? — Myriaden Van wezens, die in \'t licht, ais eigen hoofdstof, baadden. Omringden me, en hun heil vloot over in mijn horst, \'k Bezweek van weelde, en ó, indien ik spreken dorst, (Wat zeg ik? spreken kon, en, vlammen uit mocht
schieten
530. Voor woorden die in lucht en ijdlen klank vervlieten!) Wat maalde ik,in dit uur! wat voerde ik in mijn zang, U eindloos hooger, en met uitgebreider zwang. Dan de arend van \'t gebergt\': ja, waar de wolkgordijnen Deze aard voor \'t hel gezicht der laagste Serafijnen 535. Omhangen, als een tent, die \'t hobblend wiegjen dekt Waarin \'t bekreten wicht zijn tengre leedjens rekt En om de voedster kermt, die in haar moederzorgen Hem duizend weldaan spilt, zijn kindschheid nog verborgen ;
Daar, in een kring geschaard, het rijpere geslacht 540. Zijn schreiende oogjens met genoegen tegenlacht.
Dan .... Maar mijn kracht bezwijkt: ik zuizel van
de ontroering. Vliegt, Geesten, vliegt te hulp in deze zielsvervoering! Steunt, steunt uw stamgenoot, uw broeder, uw verwant! Treedt toe, treedt nader toe, en reiken we ons de hand! 545. Of neen, maar aamt my toe, en vult mijn bruischende
aaren
Met kalmte, en kneedt den toon van mijn verspanneu
snaren
Die de aandacht tergen van het kunstervaren oor! Mijn Vrienden ... ! volgt gy my op dit mijn hobblig
spoor ?
Wraakt gy die geestdrift niet des afgeleefden grijzen? 550. Mag zijn gevoelig hart u al het vuur bewijzen
Waarmeê hy op den rand van \'t hem verzwelgend graf II toeroept: „Onze band breekt door geen sterflot afquot; ? Neemt, neemt een vriendschap aan, voor de eeuwigheid
gezworen! —
Ja, eeuwig is de mensch en voor geene aard geboren.
■*
97
555. Ik ga; het uur genaakt wiens klokslag aaklig klinkt, Wanneer \'t bezwijkend lijf den vrijen geest ontzinkt, En mooglijk, dat ik thands voor \'t laatst uw handen
drukke;
Doch, meent niet dat dat uur my aan uw\' kring ontrukke. Neen: sloop\' de schrikbre macht, die al het aardsoh
verslindt,
560. Het lichaam als het blad dat wegdrijft op den wind. Wat vreest men? — Welk een waan! — Met nevel
overtogen
Verliest men \'t schijnbaar kleed dat zichtbaar was voor
de oogen,
JEn dit\'s vergaan? — Vergaan! — Ons wezen schudt
zich uit.
En laat aan \'t grover stof zijn stofgewaad ten buit; gt;65. En dit heet sterven? — Neen, het is geboren worden. Ons wezen voor dees damp met stralend licht omgorden.— Of, zoo men \'t sterven heet, het is den sterveling Een sterven, niet voor hem die \'t sterflot onderging. De dood berust in ons, in ons, mijn Kunstgenooten, \'70. Door \'tstoflijk wanbegrip in tijd en plaats besloten. Zoo lang die keten ons in \'t nietig leven boeit Dat, in \'t verdierlykt bloed door deze onze aders vloeit. Het leven blijft bestaan; en, aanverwant der hemelen, Behooren wy tot hen, die daar onzichtbaar wemelen; uo. Onzichtbaar, daar de nacht ons sluimrende overdekt. Tot by den morgenwaak het opgaand licht ons wekt. Doch in dit duister-zelf en dagschuw aardmierwroeten, Mag ons een straal dier glans de tastbre mist verzoeten. Ja, in dit duister-zelf. — Ja, zalig Geestendom, i80. Gy vloeit, gy zweeft, gy waart, gy zwiert my stroo-
mende om!
En dees mijn weeke ziel — ? Zy vliet, zy stroomt u tegen. Welaan ! naar hooger kreits den dampkring uitgestegen! Den sluier afgeschud! En gy, o Broedrenry,
Ik toef u boven \'t stof. — Vaartwel en denkt aan my!
7
Buderdijk, Pui-zie.
98
585. Laat beer en nachtwolf aaklig grimmen,
En de afgrond spoken door dit woud;
Ik ben, by monsters, nacht, en schimmen, Op meer dan duizend wachters stout.
Ik duik in schaauw der ranke dennen 590. Mijn moê, maar moedig hoofd in \'tgroen;
Geen vijand, die my aan zal schennen!
Geen woudheer, die my leed zal doen!
Wat gapen my de holle kaken Yan hongrig veldgebroedsel aan? 595. Ik weet, wie om mijn leger waken.
Die machtig zyn, hen af te slaan.
Ontrefbaar slaap ik in die hoede.
En trotsch\', waarheen mijn pad my lei\',
En Hel en Wareld in heur woede, 600. Door nood- en angst- en doodgesohrei.
Een Vorst betrouw\' aan zoudenieren
Zijn schat, zijn leven, en zijn kroon! ,
In \'t midden van mijn lyfstafïieren Cu/I Is \'t veiliger dan op zijn\' throon.
605. Ik zal in \'t eenzaam, niet verdolen Maar vinden brood en legerstee
In wildernis en ondierholen:
De wacht des hemels toch, trekt meê.
99
Ik voel wier hand my hier geleidde, 61(). Wier koelende adem my verkwikt,
In \'t blaak rend zand der dorre heide,
Door feilen middagbrand verstikt.
Eeeds naak ik \'t doel van al mijn zwerven. En groet den standaart van myn hoop; 615. En in dit zielsgevoel te sterven,
6 Eindig\' dit mijn\' levensloop!
Zoo zong met toen nog ruwe galmen Een pelgrim leunende op zijn\' staf, In schaauw der Idumeesche palmen, 620. By \'t naadren van \'t geheiligd graf.
Zoo mag, zoo durf ik met hem zingen,
Op \'t eind van \'s levens woesteny: De Wachtstoet uit de hemelkringen Neemt deel in \'t lot der stervelingen, 625. En, pelgrim, hy omzweeft ook my.
A AKTEEKENINGEN.
De woorden van Prudentius (Hamartigenia, vs. 868 vgg.) beteekenen: Hij dwaalt, die over de zielen oordeelt naar de zwakheid onzer oogen, welke een doorschijnend vlies met een glazen schans bedekt en waarin gestremde vochten een\' spiegel vormen.
2. met het hoofd ten hemel op durft treden — zich met zijn geest tot den hemel durft verheffen.
4-. wachters — beschermengelen
6. handen — maagschapsbanden. Vgl vs. 3
7. Dit — het hart. -- dier bezieling van V heelal y door \'t geestendom.
8. Versta: Het leven der geesten is van meer beteekenis dan het schijnleven der menschen op aarde.
16. Het opgeeft. Namelijk om tot zekerheid te komen.
17. op hoort bij zien (niet bij ilc). — wolhend —.als wolken.
22. dartlen — spelen.
25—27- Versta: Ik ben zelfwerkende wil, geen instrument.
27. andren en zich-zeiv*, datief, voor anderen, voor zich zelf.
29. omvangen — geheel in zich besluiten.
31. ooh . . wordt bepaald — mede . afhankelijk is.
33. Indien mijn wil zelve rekening houdt met de beperktheid mijner vermogens
35. Die — die wensch
37. Verlangt een andere inrichting van een werktuig, (\'s menschen organen).
38. vjaar H naar zucht, \'t is het werktuig, maar H. denkt hier blijkbaar niet alleen aan \'t lichaam (als tegenstelling van de ziel) maar aan den mensch als geheel.
40, zijn oorsprong — den hemel.
43. roept. Het subject is: eene aandrift.
101
45. maar. Tn vs. 44 wordt over waarheid gesproken als iets wat zeker bestaat. Daarop slaat maar terug. Maar als er uu werkelijk waarheid is, dan etc.
49. hy de drift, bij het, ook die geesten bezielende streven naar het hoogere. Zoo zijn zy: Zoo zijn zij dan. Vgl. vs. 53. terging, wijl aan het sterke verlangen niet wordt voldaan
50. omwikkeld. Het woord geeft te kennen, dat B. het lichaam als een niet noodzakelijk omhulsel der ziel beschouwt.
52. En naar de lacht gevormd — Versta: zoo zijn de geesten met .... die logheid niet omwikkeld en {niet) naar de lucht gevormd Ons lichaam is gevormd in overeenstemming met onze dikke lucht; dat der geesten niet.
56. Aan plant en dier ontleend. Voor plant en dier is het lichaam geschikt. Voor den mensch eigenlijk niet.
58. gebruik — nuttig gebruik, nut.
62. dwaasheid — Adams overtreden van Gods gebod.
66. Vuurspuwende bergen en overstroomingen.
70. De pest — de ziekte in \'t algemeen.
74. Aan sterfiykheid, verslaafd. Niet alleen sterft de mensch zelf, maar hij doodt andere wezens om te kunnen leven
78. Doelt op het scheppen van den mensch naar Gods beeld.
88. en Gy bestemt zijn lot! — en Gij hebt dat bepaald! Gij hebt dat zoo gewild!
92. *t gekerkerd deel — de ziel
94. Dit werktuig — het lichaam
96. de eedle dagkapel. Tegenstelling met den nachtvlinder.
99. Geen glimp etc. Versta; geen zwak schijnsel, dat in onze kortzichtige oogen valt.
106. \'t onverbast erd Eden — het paradijs.
112. van dat — sedert dat.
113. Verwanten van mijn wezen — geesten.
120. met mijn adem paart — uwe zuchten vereenigt met de mijne.
122. . op hem — op den mensch. Hier bepaaldelijk op Bilderdijk.
131. En H pronkstuk. Versta: en dat eenmaal het pronkstuk was.
140. die, accus.
142. Versta: Dat de smet, die hem bezwalkt, u (als gij u zijner aantrokt) ook mocht aankleven?
148. Die, ofschoon hij mensch is, enz
151. ontslipt n — ontgaat aan uwe aandacht.
153 afgescheiden zielen — gezaligde geesten.
155. Versta: Nadat gij het leed des levens hadt doorworsteld.
156. Draf. Eigenl. droesem, grondsop. Hier: vuil.
160—168. Doelt op B.\'s echtgenoote, K. W. Schweickhardt.
161. hem , datief. Voor hem.
102
177. in ontleende kleeden, hetzelfde als het volgende vermomd.
191. zich-zelve ontzinkt — door diepe smart wordt terneder-geslageu.
198—200. B. richt deze woorden tot de geesten zijner gestorven kinderen. Hij weet, dat zij niet van hem zijn vervreemd; zij voelen zich nog als deel van zijn geestj zij behooren nog tot hem, zooals de stralen van een lichtgevend voorwerp tot dat voorwerp behooren.
195, zijn* — des oorsprongs; der ouders.
196. Voelt gij u etc. Voelt gij, dat gij zelf adem zijt van mijn borst
201. spruitje-ris van mijn heup — mijne kinderen. In den Bijbel treft men de uitdrukking meermalen aan. Bij de Israëlieten werd de heup als de zetel der mannelijke voortbrengingskracht beschouwd Vgl. o. a. Genesis XLVI : 26; Exodus 1:5; Richteren VIII : 30.
209/210. Versta: moge hij nog slechts weinig dagen te leven hebben!
216. drupt. Oudtestamentische uitdrukking. Vgl. ook het in 214.
221. Hebt Gij niets hoogers kunnen scheppen dan wat wij met onze kortzichtige oogen vermogen waar te nemen?
224. besef des aanzijns — zelfbewustheid, zelfbewust leven.
226/227. Kan zelfs de kleinste mijt het eindpunt van die ladder niet zdó aangeven of in haar bloed leeft nog.. .. enz (D. i. mocht de kleinste mijt dat eindpunt juist meenen aan te geven, dan leeft toch enz.) Vgl. nog: Hij kan het niet inrichten, dat zijn broeder tevreden is = hij kan het niet (zóó) inrichten, of zijn broeder is ontevreden.
229—230. Versta: Indien dan naar beneden geen grens schijnt te bestaan, zou de mensch dan in de richting naar boven de grens reeds vormen?
231. zij hy — moge hij ook al zijn.
236. Zulk een glans kan door ons niet worden waargenomen; is voor ons dus aan duisternis gelijk.
239. in dees staat — in dien toestand van half dier, half engel.
242. Door Hzintuig. Versta: door de zintuigen der menschen.
247. die kring der geesten.
24.9. zoo zijn er warelden — dan zijn er werelden (met goden).
252. Verdeeld in wezens en bedoeling Versta: in wezens (individuen) en in bedoeling. Dus: Verdeeld iu individuen met tegenstrijdige bedoelingen.
263. Versta : van uit het niet getogen en weer in \'t niet teruggeworpen nietigheden (menschen).
103
2(54. *1 — het leven. — mei één — ook, eveneens.
271. der stoflijkheid, datief.
276 iïafgescheiden straal — den straal, dien het oog doorlaat
277. kleur penceel en — lichtstralen in het oog.
277/278. Als ondienstig voor zijn doel, verwerpt de dichter het oog, zooals het is.
285. hun koets Het \'/hemelkristallijnquot; draagt en vervoert de geesten.
291. die, (betrekk. vnw.), accus. Niet vathaar, als het aardsche stoflichaam, voor verdeeling en vernietiging.
293. zijn, welluidendheidshalve voor haar (dier vloeistof).
294. den middag. Versta: den aardschen middag in glans zóó oneindig te boven gaande, dat hij duisternis gelijkt.
295/296. Ook wanneer den dichter de blinddoek ontvallen was, zouden zijn oogen niet in staat zijn, dat waar te nemen, wat hij wilde zien.
295. uw dienst, die der oogen.
296. uw — der oogen.
297. met onafmeetbre schreden. Bep. v. na te treden. Misschien koos B. hier het woord onafmeetbaar om aan te duiden, dat nooit te berekenen valt hoeveel verder de natuurwetenschap door iedere ontdekking in het bijzonder wordt gebracht.
800. Achter dezen regel staat in de oorspr. uitg een punt. Klaarblijkelijk dient deze in een komma veranderd te worden.
301. fenomenen. Zeldzame, wonderlijke natuurverschijnselen.
304. begoochelt u \'t gezicht. Doet u den goeden kijk op de dingen, het juiste inzicht verliezen.
305 Voor uwe oogen — zooals gij duidelijk inziet.
306. één gevoel, dat de indrukken der zintuigen tot ons bewustzijn brengt.
307. vloei- en \'prikkelstof — zenuwvocht, dat zich, naar men onderstelde, in de zenuwen zou bevinden en de bron was der gewaarwordingen. — werktuig — orgaan, zintuig. De natuuronderzoeker laat zich niet door zijn zintuigen (gehoor, gezicht, 303; smaak. 304; reuk, gevoel, 305) bedriegen Hij neemt alles waar door middel van een zelfde gevoel, dat naar gelang van het zintuig waardoor het wordt opgewekt en de stof die op het zintuig inwerkt, wel verschillend schijnt, maar toch één is.
312. in die beperking, van door \'s menschen zintuigen waarneembare dingen.
314. vervuld,igen. De beteekenis van dit woord zal wel moeten zijn vermenigvuldigen. De bedoeling is dan: Niet alleen door onze zintuigen wordt ons gevoel vermenigvuldigd (d. i. op
104
verschillende wijzen opgewekt). Of zou men bij vervuldigen mogen denken aan vervullen?
317/318. Toen de Almacht het gevoel schonk aan den mensch, richtte zij het zoo in, dat hij zoo wel in staat was het stoffelijke als het onstoffelijke te gevoelen. Aan die beiden toch is de mensch verwant. — genoot van beide levens: metgezel van het geestelijk als van het lichamelijk leven.
319. hij *t sluimrend hart en hoofd. Versta: Daar de menschen aan het gevoel het zwijgen hebben opgelegd en hun verstand daardoor op een dwaalspoor is gekomen.
324. zijn indruk — den indruk van het gevoel.
328. Deuk bij verschroeid aan het dooden van zenuwen door middel van schroeien.
336. Deuter. XXV, 4: //Eenen os zult gij niet muilbanden, als hij dorscht.quot; Voor wagens gespannen ossen en vaarzen dorschten het graan: vgl. Jes. XXV11I, 27. Ook Ilias XX, 495—498 (vert. Vosmaer):
Zooals een man in het tuig van het juk breedkruinige stieren Koppelt om \'t heldere graan te vertreden op effenen dorschvloer. Als er de loeiende runders het graan met hun pooten vermorslen. Dus ook Achilleus\' rossen......
340. Versta: Niet die alleen zijn te uwen behoeve geschapen.
342. heesten, accus.
344. hy — die invloed.
345. een stoffeloos ontwaren — een gewaarwording zonder tusschen-komst der zintuigen.
347. geen licht, van hen afstralend nl.
348. geen stem, van hen.
354. Juliana Cornelia de Lannoy, overleden te Geertruidenberg, 18 Febr. 1782.
362. verstorven — verteerden, verdwenen.
367. vervlochten in — in verband staande met.
369 vgg. B. meende, dat hij in sommige oogenblikken de gave had van de toekomst te kunnen voorspellen.
376. Doelt op zijn verbanning in 1795, naar alle waarschijnlijkheid door hem zeiven uitgelokt.
377. Vergeefs. Wel verliet hij zijn vaderland, maar het ongeluk vervolgde hem niettemin. — Eene andre macht — de helsche macht.
379. Die schrikbre Luchtgeest — Lucifer, Satan.
384. zijn val — dien des duivels. — naar — naarmate van.
387. En wijst op het aanbreken van het rijk Gods.
390. Toen B. als advocaat de befaamde Kaat Mossel verdedigde, ontstond er bij het einde van eene der terechtzittingen eenig
105
gedrang in de pleitzaal, waarbij hem (waarschijnlijk bij ongeluk) een lichte bajonetwonde werd toegebracht.
391. B. teekende daarbij aan: //Wonderdadig, in 1784. Longa est fabula, want zij bevat 23 jaar van mijn levenquot;. ( Briefw. Tyd. I, 416). Hij doelde op de wonde aan zijn voet, die hem lange jaren aan de ziekenkamer kluisterde.
398—400. Onzeker waarop dit slaat. Misschien op den tijd kort voor en na zijn eerste huwelijk.
400 V zintuig — de zinnelijkheid.
401/402. Doelt misschien hierop, dat B. volgens zijn zeggen, in 1787 of \'88 procureur-generaal van het Hof van Holland zou zijn geworden, als hij niet verklaard had zich nooit te zullen leenen tot het vervolgen van verleide en meegesleepte patriotten.
403. Gebrek, honger, heeft Bilderdijk te Brunswijk, maar vooral in de periode 1810—1813 geleden.
416. Aan \'t voorvjerp des gezichts — aan het voorwerp, dat men in den spiegel zag.
419. Toen men ruimte en tijd als werkelijk bestaande ging beschouwen in plaats van ze als subjectieve voorstellingen op te vatten. Op het punt van ruimte en tijd was B. het eens met Kant; trouwens, hij meende diens beschouwingen daarover reeds bij Leibnitz te hebben aangetroffen.
420. Toen een juist oordeel, toen intuïtie en zelfgevoel moesten zwijgen, en men slechts luisterde naar hetgeen de zintuigen en het verstand leerden.
428. Door het maken van een opening verlangen, dat het daglicht naar binnen valle.
430. versteven voor verstijfd.
433. Hemeltelg — poëzie.
439. Zie uw vaderland in het hoogere rijk der geesten.
441. in H gemoet — te gemoet.
440—445. Bat stort etc. Versta: het gevoel, het bewustzijn van dat hoogere vaderland. Dat gevoel stort de poëzie ons in \'thart; zij (quot;uw boezemgloeienquot;) doet het bewustzijn van dat vaderland met het bewustzijn van uw bestaan (v\'t gevoel uws aanzijnsquot;) samensmelten, zooals twee druppels inéén kunnen vloeien. — Die de Oceaan verzwelgt. Wij moeten hier, daar B. zoowel drop als Oceaan anders manlijk gebruikt, een onnauwkeurigheid onderstellen. Dus: dien d?Oceaan, of: die d\'Oceaan (voor den Oceaan). Laatstgenoemde opvatting hond ik voor de ware: genoemde gevoelens smelten ineen als een druppel; en die vereeniging (met een drop vergeleken niet om de grootte, maar om hare wijze van ontstaan) is machtiger dan de Oceaan, dien zij in zich vermag op te nemen. —
106
Vaar voert ge ons hart etc. IVlet het bewustzijn dat wij tot een hooger vaderland behooren, worden wij door de Poëzie rondgeleid langs al het geschapene; daardoor zien wij in alles bezieling enz.
449—451. In dat vaderland (met de bezielende gedachte aan dat vaderland in ons) leert gij ons het schijnschoon glimmen der zeepbellen als een spel beschouwen, dat ons liet hart niet raakt; waarlijk te leven, leert gij ons daar, waar enz.
457. in haar. Versta: in 2)oëtische bezieling.
468. Versta: de kleur is niet aan het voorwerp eigen, maar hoort bij de atmospheer die elk voorwerp in \'t bijzonder om zich heeft.
466. Als de komma achter berust vervalt, wordt de zin duidelijker.
475 vgg. Doelt op het voorjaar van 1810. Vgl. mijn werk over Bilderdijk, I, 425, 426.
507. stof) subject.
510. heel mijri lichaam. De apostrophe duidt den derden naamval aan.
526. als eigen hoofdstof — als hun eigenlijk element.
534. laagst — der aarde het dichtst nabij.
539—540. Bedoeling: Evenzoo zullen de geesten, de hooger bewerktuigde wezens, glimlachend kunnen neerzien op de smart der menschen.
546. verswannen — verrekt, valsch.
561. Met nevel overtogen — Bepaling van men. Terwijl men (d. i. de ziel) zich voor een oogenblik als \'t ware door een nevel voelt omgeven (in bedwelming of slaap geraakt) verliest men, enz.
567. den sterveling — den nog levenden mensch, den toeschouwer.
570, Versta: Die door het verkeerde begrip, dat wij van stof hebben, aan de werkelijkheid van ruimte eu tijd zijn gaan gelooven.
575. Daar — terwijl, met ietwat redengevende kracht.
576. den morgenwaak — het sterven.
586. dit wond — de wereld.
588. wachters. De engelen.
591. aan zal schennen — zal aanschennen, aanranden.
599. Hel en Wareld,, voorwerp bij trotschen.
600. deze regel behoort bij 598.
605 vgg. B. schijnt hierbij aan den profeet Elia gedacht te hebben. Vgl. I Koningen XIX, 4 vgg. Zie ook de volgende aan-teekening.
608. Zinspeling op den Engel die de Israëlieten geleidde door de woestijn (Exodus XXIII, 20, 23, XXXIII, 2).
107
616. Moge ik zoo mijn leven eindigen.
617. Of B. het oog heeft gehad op een bepaalden pelgrim, weet ik niet. Misschien bezigt hij deze wending alleen om een vergelijking van zich zelf, den pelgrim naar het Eeuwige Leven en den ouden pelgrim naar het Heilige Graf duidelijk te doen uitkomen.
619. Idumeesche van Idumaea (Edom). Idumaea heette het land ten Z. van de Doode Zee (tot de Aelamitische golf). Later (sedert de 6e eeuw v. C.) werd de naam ook toegepast op Zuidelijk Judaea. Idumeesche palmen daarom = palmen in de omgeving van Jeruzalem.
WOORDENLIJST.
|
N = Napoleon. K = De Kunst der Poëzy. Aanblazen, bezielen, inspi- reeren, A 218, K 492. aandoe.., treffen, G 101. aandosschen, aantrekken, omslaan, omhangen, K 58. aanlachen, toelachen, N 44. aanschoeien, aanbinden, aandoen (van vleugels), A 83. aanschouw, het aanschouwen, G 151. aanzetten, aandikken, K 246. aardomzwalpend, de aarde omgolvend, N 154. adem, stem, K 305, N 10. ademloos, zwak, telkens moetende afbreken om adem te scheppen, A 64. afgelegen, afgelegd, G 90. afgescheiden, zalig, G 53, 153. afgeteisterd, afgemarteld, G 383. afgrond, hel, N 114, G 586, afstaan, zich verwijderen van, zich onttrekken aan, K 104. aft eekenen, bepalen, G 372. aftreden, afstand doen van, aftreden van, N 147. |
A = Afscheid. G = De Geestenwareld. a k o 1 e i, akelei, klokbloem , pantoffeltje, K. 41. all es wijs, in alle opzichten wijs, G 244. ambe ra amend, naar amber riekend, N 104. angstig, angstvallig, kleingeestig, A 283. arends pennen, arendsvleugels, G 46. axt, bijl, K 239. Behoeven aan, noodig hebben, G 471. beiden, wachten, toeven, G122. bekkeneel, hersenpan, N 86. belachen, uitlachen, A 152. bentleus, leuze, wachtwoord van een genootschap, troep, bende, K 284. beproeven, ondervinden, A 186; de proef nemen van, A 82. bereik, het punt, dat bereikt wordt, A 27. beroering, beweging, verwarring, G 20. bestand voor, bestand tegen , A 4. |
109
|
betwisten, betwijfelen, G 333. bevelen aan, heerschen over, K 468. bevestigd, zeker, vast staande, K 455. beweren, handhaven, K 68. bewijzen, toonen, doen gevoelen , G 550. b e z w ij k e n , ondergaan, verdwijnen, A 344. bie, quot;bij, K 347. blinden, verblinden, N 72. bloemrankslinger, festoen, G 398. b o e r t e n , schertsen , K 245. bonzen, storten, N 150. bonzen uit, verstooten uit, K 1 54. bootseeren, vormen, boet- seeren, G 77. breken, verbreken, verjagen , N 77. breken, minder zwaar worden, doorzichtig worden, optrekken (van dampen), A 444. broos, cothurne, tooneellaars, K 264. broos, zwak, G 300. Choor, rei, stoet, G 234. Daar, als, K 199. daar heen, weg, A 24. dag, zon, zonlicht, A 268. dagen, te voorschijn doen komen, bezweren, K 418. deinzen, afnemen, N 66. dempen, matigen, verzachten, G 276. doem, vonnis, veroordeeling, A 344, K 236, G 124. door, door middel van, K 292. doordringen (scbeidbaar), N 26. doorluchtig, beroemd, achtbaar, A 68. |
doorstreven, doorstroomen 9 G 352. doortogen, part. perf., doortrokken, G 509. doorwandelen, doorstroomen, G 350. dringen (door., doorheen-dringen ; leeren kennen, A 451 en 452. duiken, ondergaan, vallen, N 141. duidingloos, onverdraaglijk, wanhopig, G 495. d w a 1 m , benevelende damp , K 67. Echter, toch, K 125. eerder (adj.) vroeger, A 66. eigen, zelfde, A 321. eigenen (zich), zich toe- eigeuen, A 277. engbekrompenheid, groote mate van bekrompenheid, G 401. Fix, krachtig, K 21. Garen,* verzamelen, K 114. G au Ier, Galliër, N 63. geblinde, blinde, G 417. gedeeltelijk, voor gedeelten, voor onderdeden, G 251. geglad, helder, zuiver, K 92. geklap, gepraat, K 385. gelden, waardeeren, A 102. g e 1 ij k e n (met datief), lijken op, N 40. gelust en, lusten, K 181. gemoedisid, opgewekt, moedig, A 117. gen uchten, genoegens, K 54. geroerd, bewogen, geschokt, K 525. geschapendom, het geschapene, heelal, G 444. geval, toeval; noodlot, A 425, G 256; K 145. |
112
|
rif, lijk, A 7. rijmverbreken, fout tegeu het rijm. Vgl. Duitsch Ver-brechen. rinkinken, hevig geraas maken, tieren, A 3-^8. ronde, tijdkring, tijd van bestaan. A. 439. rooken, berooken, A 232 rot, bende, K 269. rustig, flink, schoon, K 279. Schaduw, schim, geest, A 63. schicht, pijl, A 194. schimgeschemer. G 18. school pedant, waanwijze aanhanger van een school of richting, van een bepaald stelsel, K 286. sleep — stoet, K 314. slijten, doen slijten, A 67. slofgeraas, pantoffelgeklep, getik als van sloffen, K 260. s p ij t (ter-), ten spijt van, K 230. spillen, kwistig schenken, overladen met, G 538. spoeden, aanspoeden, aansnellen, naderen, A 330. sprank, vonk, A 54. spruiten, nakomelingen, K 269 staatsliên, bestuurders, K 186. steelbijl, bijl (met een steel), K 242. steen, graftombe, A 53. steigeren, zich verheffen, stijgen, A 268. steil, hoog, N 32. stij fbebloed, K 63. stikziend, kortzichtig, K115. stofdoorwriemlend, in het stof krioelend, N 78. stout zijn op, moedig zijn j bij de gedachte aan, G 588. ! |
streven, zich krachtig voortbewegen , A 460. stukwerk, werk dat bij gedeelten wordt afgemaakt en afgeleverd , G 253. Talleloos, ontelbaar, G 473. talrijk, groot, dicht, A 301. tap eet, tapijt, K 42. tegenstreven, te gemoet gaan, G 286. tergen, pijnlijk aandoen, K 91. toets, trek. Eigenl aanraking. K 425. toeven, wachten, velheiden, G 270. trezoor, schatkamer, K 317. troosten van, troosten met, over, N 160. troosten (zich — in), zich iets getroosten, G 333 tui ge, getuige, K 464. u it ge ven, mededeelen, G 218. uitkomst, einde, A 330. uitschieten, ontsnellen, N28. uitzicht, K. 402. Vaars, vers, K 273. vaart, beweegkracht, A 12. van, door, A 151. vatten, sluiten, bevatten, G 220. veder, pen, N 84. veder mes, pennemes, K 202. verbeelden, afbeelden, K 22. verb ruinend, donker wordend, K 36. verduren, verdragen. dulden, A 383. vereelding, vereelting, K 338. ver eer en met, de eer aandoen van te schenken, G 78. v e r f 1 e (t) s c h t, verflenst, verwelkt, K 516. verflelsen, verwelken, G 108. vergroofd, grover, logger geworuen, G 90. |
113
|
v c r li a r d c n , de vatbaarheid voor iudrukkeu verliezen, A 9. Die vatbaarheid doen verliezen , K 389. verhoogen {inirans.), stijgen, K 222. verklaren, verhelderen, K 101. vermeten (zich — op), zich verheffen on, A 242. verschroeien, dor, donker en rimpelig worden, A 43. verslijten, doen verslijten, A 98. verspannen, slecht gespannen, uitgerekt, valsch, G 546. versteven, verstijfd, verkleumd, G 430. vertroosten van, troosten over, K 35. vertuien, vastleggen, vasthechten, hechten, K 453. vertuit, gehecht, G 311. vervangen, aflossen, doen wisselen, G 245. vervnldigen, verwekken ? G 314 Zie de aanteekening. vlerk, vleugel, K 348. voelen (zich iets —), iets in zich gevoelen, voelen dat hem (haar) iets toekomt, N 52; iets voelen, G 19G. voor, in plaats van, K 94, G 414. voorleden, verleden, A 425. voortapeet, gordijn, G 427. W aanbeschouwen, verkeerd opvatten, slecht beschouwen, K 125. wanen, verkeerdelijk denken aan, K 163. wapentrossen, wapenbundels, N 63. wareldkloot, wereldbol, waren, nu hier, dan daar verschijnen; omdolen, G 388. Bilderumk, Poëzie. |
wasch, was, K 89. waterwellen, golven, N 33. wederwil, weerwil, tegenzin, A 154, G 20. wederzin, tegenzin, A 307, G 499. weide (ter — gaan), zich begeven naar, zich laten leiden (met de bijgedachte aan stille tevredenheid), K 66. weifelend, onzeker, G 231. weigeren (zich — aan), at\'keerig zijn van, K 134. wellustig, verrukkelijk, overheerlijk, A 129. wemelen, levendig bewegen, G 214. wen, wanneer, als, A 161. wetten, scherpen, slijpen , K 313. wezen, bestaan, werkelijkheid, G 264. wieling, draai, omzwaai, K 381. wierook, onz., K 32. wierooken aan, bewierooken, R 122. w ij z e , wijsgeer , philosoof, G 296. w ij z e n, uitspreken (van een vonnis), oordeelen, K 212. winde, windas, katrol, K 239. winnen, bereiken, A 153. wit, doel, A 34. Zaad, nakomelingschap, N 159. zelfbesef, zelfbewustzijn, G 310. zelfbestandig, zelfstandig bestaande, G 21. zelfgenoegen, tevredenheid, K 365. zelfgevoelen, het gevoel des harten, innnerliik gevoel, K 333. |
8
114
|
ziedeu (trans.), doen koken, doen gloeien, K 522. zin, zinnelijkheid, G 82. zin, neiging, Iv 365. zingen, bezingen, N 59. zonneteugel, tengel van den zonnewagen, N 16. zoo, als, toen, K 3. zondenieren, soldaten, G 601. |
znizelend, half bedwelmd, duizelend, A 138. zwang, vlucht, G 532. zwerk, wolken, G 3. zwermend, in zwermen vliegend , N 34. zwijgen, terughonden, A 262. z w ij m z ii c h t, bezwijming, Iv 338. |
V-
— -X—
3L
md,
■lie-
!62. S,