-ocr page 1-

Aquot;

DE WET

VEEAETSENLTKimmftE POLITIE

MET DE VOORSCIIRJFTEN TOT UITVOEK1NG, EENIGE AANTEEKE-KINOEN EN MODELLEN, MEER BIJZONDER VOOR OEMF.ENTE-BESTUISEN, BENEVENS EKN ALriIABETI^GIl\'

/amp;* ij f icmes A /* r* fA /• J

liOOU

/

E. J. L. STOPPEND AA^ X

TK ZWOU.K lll.l

DE ERVEN J. J. TUI,. 1 8 8 7.

. v-......,

-ocr page 2-

-—

©

___—

-ocr page 3-

327»

DE WET

OP HET

VEEAETSENIJKUNDIOt staatstoezicht.

-ocr page 4-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

I c

-

2911 887 8

-ocr page 5-

/57/

y

DE WET

\'■ S S /fO s-.\'-

limiliiDlf, STiiMIHÏ

EN DE

VEEARTSENIJKÜNDIGE POLITIE

MET DE VOORSCHRIFTEN TOT UITVOERING 7 EENIGE AANTEEKE-NINGEN EN MODELLEN, MEER BIJZONDER VOOR GEMEENTEBESTUREN, BENEVENS EEN ALPHABETISCH REGISTER,

DOOR

E. J. L. STOPPEND AAL.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VOORBERICHT.

In de vohjende bladen heb ik yetrackt cdlcs bijeen te brengen wat van belang kan zijn voor hen, die uit den aard hunner ambtsbetrekkingen geroepen roerden, de Wet op het Veeartsenij-kundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie toe te passen.

Oenoen/de wet, zooals zij is geicgzigd en aangevuld bij andere wetten, de koninklijke besluiten tot hare uitvoering en een aantal ministerieele voorschriften, zijn in dit werkje opgenomen.

Eenige aanteekeningen, aan off/cieele stukken ontleend, zijn bij de iretsartikelen gevoegd, ten einde zoo noodig dc bedoeling van den wetgever nader toe te lichten.

Bovemlien zijn dc verplichtingen van den Burgemeester, ingeval eene besmettelijke veeziekte in zijne gemeente voorkomt, in eenigs-zins bek nopten vorm, afzonderlijk behandeld.

Hetgeen nopens dc inrichting der comptabele stukken bij ont-eigening van vee enz. in onderscheidene ministerieele missives en nota\'s van aanmerkingen werd voorgeschreven, is door mij verzameld en naar den aard van het onderwerp gerangschikt.

Voorts zijn, om aan den cisch der practijk te voldoen, verschillende modellen aan dit boekje toegevoegd.

En hiermede geef ik mijn werkje over aan alle belangstellenden, met den wensch dat het welwillend en met toegevendheid moge worden ontvangen.

S.

Hengelo (0.) Juni 18S7.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

INHOUD.

Wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131) tot regeling van liet Veeartsenij kundig Staatstoezicht en de vee-artsenijkundige politie met aanvullende wetten:

Bladz.

§ 1. Van het Veeartsenij kundig Staatstoezicht 1 § 2. Bepalingen omtrent de Veeartsenij kundige

politie............ 12

§ 3. Strafbepalingen......... 74

§ 4. Slotbepalingen..........83

Wet van den 2 Juni 1875 (Staatsblad no. 94), houdende bepalingen betreffende de veeartse-nijkundige politie ten opzichte van paarden van het leger, in verband met de wet van

20 Juli 1870 (Stbl. no. 131)...... 87

Wet van den 8 Augustus 1878 (Stbl. no. 115), houdende vaststelling van bijzondere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee in bepaalde deelen des lands ... 95 Verplichtingen van den Burgemeester ingeval eene besmettelijke veeziekte in zijne gemeente voorkomt. 99

Voorschriften nopens de inrichting der comptabele stukken:

Verantwoording der uitbetaalde gelden door den Burgemeester, krachtens de wet van 20 Juli

1870 (Stbl. no. 131).........104

Verkoop van vleesch en huiden, afkomstig van

onteigend en afgemaakt vee......107

Inrichting der quitantiën........110

Nauwkeurige opmaking der stukken en kosten

voor schrijfloon...........111

Modellen...............112

Naschrift..............147

Chronologische lijst van wetten, besluiten, enz. . 149

Alphabetisch register..........151

-ocr page 10-
-ocr page 11-

WET

VAN DEN 20STEN JULI 1870 (Stbl. No. 131) TOT REGELING VAN HET VEEARTSENIJKUNDIG STAATSTOEZICHT EN DE VEEARTSENIJKUNDIGE POLITIE, ZOOALS DEZE WET IS AANGEVULD EN GEWIJZIGD BIJ DE WETTEN VAN 2 JUNI 1875 (Stbl. No. 94), 8 AUGUSTUS 1878 (Stbl. No. 115), 1 AUGUSTUS 1880 (Stbl. No. 123) EN 15 APRIL 1886 (Stbl. No. 64).

Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden^ Prins van Oranje-Nassau , Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien en hooien lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is het veeartsenijkundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie bij de wet te regelen;

Zoo is liet dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Yan het veeartsenijkundig staatstoezicht.

Art. 1.

Het veeartsenijkundig staatstoezicht omvat:

a. het onderzoek naar den algemeenen gezond-

-ocr page 12-

2 —

heidstoestand van den veestapel en, waar noodig, de aanwijzing en bevordering van middelen ter verbetering ;

b. de handhaving van de wetten en verordeningen in het belang van den algemeenen gezondheidstoestand van den veestapel vastgesteld (a).

(a) Het getal besmettelijke veeziekten is niet gering; de maatregelen, tegen elke dier ziekten te nemen, in de wet te vermelden, is minder wenschelijk te achten. De wet zou daardoor niet alleen zeer omslachtig worden, maar bij het ontstaan van nieuwe ziekten of bij het ontdekken van nieuwe middelen tot stuiting van ziekten, zou telkens wijziging der wet noodig worden. Het is daarom wenschelijk voorgekomen, ook naar aanleiding van de niet onjuiste aanmerking van vele leden, dat het ontwerp te zeer enkel met het oog op de runderpest is geschreven, in de wet alleen van besmettelijke ziekten in het algemeen te spreken, en de maatregelen aan te wijzen die door de Regeering bij liet heerschen van eene dier ziekten kunnen genomen worden en aan den Koning over te laten om bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, eene commissie van deskundigen gehoord, aan te wijzen welke veeziekten tot de besmettelijke gerekend Avorden, en welke maatregelen tegen ieder van haar be-hooren genomen te worden (Mem. van toel.).

— Ook als er geene besmettelijke veeziekte heerscht, hetgeen evenwel zelden het geval is, zullen de vceartse-nijkundige ambtenaren meermalen in de gelegenheid zijn de middelen aan te wijzen, die tot verbetering van den gezondheidstoestand van het vee kunnen leiden. Door verwaarloozing van de regelen der gezondheidsleer lijdt het vee evenals de mensch en het verliest daardoor in waarde. Toepassing dier regelen te bevorderen, ligt op den weg van den districtsveearts (Mem. van toel.).

— Bij deze wet de keuring van vee en vleesch te regelen, zooals door verscheiden leden wordt verlangd, schijnt niet wenschelijk. Het doel dier keuring is toch hoofdzakelijk om te waken tegen het gebruik van slecht vleeschvoedsel door den mensch; dit is een onderwerp

-ocr page 13-

3

van medische politie en zou bij eene wet op de keuring van levensmiddelen geregeld moeten worden (Mem. van toel.).

Art. 2.

Het is onder Onzen Minister van Binnenlandsclie Zaken opgedragen aan districtsveeartsen. Zij worden door Ons benoemd nit personen, die de akte van bevoegdheid als veearts van Kijkswege ontvangen hebben. Zij kunnen door Ons worden geschorst en ontslagen.

Hunne standplaatsen, alsmede de kringen, waarbinnen zij werkzaam zijn, worden hun door Onzen Minister van Binnenlandsclie Zaken aangewezen (a).

Voor iederen districtsveearts worden door Ons één of meer plaatsvervangers benoemd, die, bij volstrekte verhindering van dien ambtenaar, zijne betrekking waarnemen {b).

(a). Zonder een goed georganiseerd veeartsenijkundig staatstoezicht is handhaving der wettelijke bepalingen betreffende de veeartsenij kundige politie niet wel mogelijk.

Aan de Burgemeesters dat toezicht op te dragen, zou voor dezen te bezwarend zijn, en bovendien het doel missen omdat zij meestal niet deskundig zijn. Een waakzaam toezicht van deskundige ambtenaren is raadzaam voorgekomen (Mem. van toel.).

(b) Wanneer in een spoedeischend geval de districtsveearts geroepen wordt, maar afwezig of ziek is, kan de hulp van den plaatsvervanger worden ingeroepen (Mem. van toel.).

— De districtsveeartsen moeten zorg dragen dat brieven of telegrammen van Burgemeesters, ook bij hunne afwezigheid, zoodra mogelijk worden beantwoord. (Missive M. v. B. Z., dd. 10 Januari 1871, litt. A.)

— Bij beschikking van den Minister van Binnenlandsclie Zaken dd. 1G December 1870, no. 198, 9e afdeeling, is

-ocr page 14-

4

de volgende instructie voor de plaatsvervangende districtsveeartsen vastgesteld

Art. 1.

De plaatsvervangende districtsveeartsen oefenen hunne functiën niet uit dan na daartoe te zijn uitgenoodigd. Die uitnoodiging kan alleen uitgaan van:

1°. den Minister van Binnenlandsclie Zaken;

2°. den districtsveearts in wiens kring zij zijn aangesteld ;

3°. den burgemeester van een der gemeenten in dien kring, wanneer deze kennis heeft bekomen van de verhindering van den districts-veearts.

Art. 2.

Zij volgen, bij de uitoefening hunner functiën, de aanwijzingen van den districtsveearts.

Art. 3.

Zij zenden aan den districtsveearts, na afloop van elke drie maanden, een verslag van hunne verrichtingen. Zijn zij gedurende dat tijdvak niet in functie geweest, dan geven zij daarvan schriftelijk kennis aan den districtsveearts.

Op zijn verlangen zenden zij hem onmiddellijk, na het volbrengen eener aan hen opgedragen onderzoek of taak, een verslag van hunne bevinding en van hunne handelingen.

Art. 4.

Processen-verbaal, volgens art. 6 der wet van 30 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), worden door hen niet aan het openbaar Ministerie verzonden, dan na gehouden overleg met den districtsveearts.

Art. 5.

Eoept een burgemeester hunne hulp overeenkomstig art. 1 in, dan nemen zij geene beslissing zonder gehouden overleg met den districtsveearts, spoecleischende gevallen uitgezonderd. In ziüke gevallen zijn zij verplicht onmiddellijk aan den districtsveearts mededeeling te doen van hunne bepalingen.

— De Minister van Binnenlandsclie Zaken heeft te kennen gegeven dat het niet in het belang van den dienst is te achten, om aan ieder der plaatsvervangende districts-

\') Voor de distriots-veeartson is geen instructie vastgesteld.

-ocr page 15-

5

veeartsen een bepaalden werkkring aan te wijzen. Het is den burgemeester vrijgelaten om, bij verhindering van den districtsveearts, den naast bij wonenden plaatsvervanger te ontbieden en, zoo ook deze verhinderd mocht zijn, een der andere plaatsvervangers van den districtsveearts.

(Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 28 Februari 1872, no. 205, 9e afdeeling.)

Art. 3.

Bij de aanvaarding hunner betrekking leggen de districtsveeartsen en de plaatsvervangende districtsveeartsen den volgenden eed (belofte) af in handen van Onzen Commissaris in de provincie:

»Ik zweer (beloof), dat ik de verplichtingen, ver-»bonden aan de betrekking van districtsveearts (plaatsvervangend distriotsveearts) getrouw vervullen zal.quot;

»Zoo Avaarlijk helpe mij God Almachtig (dat beloof »ik)quot; (a).

(«) Bij het voorloopig verslag werd gevraagd: „Waarom het getal eeden alweder vermenigvuldigd? Was dit wel iets meer dan eene ijdele vertooning zonder wezenlijke beteekenis, daar toch niet licht iemand het afleggen van een eed weigeren zou?quot; Andere leden vereenigden zich niet met die beschouwing. Wel zouden zij het afschaffen van alle ambtseeden wenschelijk achten. — Maar hier zou dit ook daarom niet plaats kunnen hebben, omdat volgens art. 6 de processen-verbaal wegens overtreding worden opgemaakt op den eed bij de aanvaarding der betrekking afgelegd.

De Eegeering antwoordde; „Er zijn geen redenen te bedenken, waarom men van de geneeskundige ambtenaren een eed zou vergen en van de veeartsenijkundige ambtenaren niet.quot;

Art. 4.

Bij schorsing van districtsveeartsen bepaalt het besluit of dit geschiedt met behoud, dan wel met ge-

-ocr page 16-

6

heel of gedeeltelijk verlies der bezoldiging gedurende den tijd der schorsing. Onze Minister van Binnen-landsche Zaken bepaalt op welke wijze, gedurende den tijd der schorsing in den dienst zal worden voorzien.

Art. 5.

De districtsveeartsen zijn bevoegd binnen den kring, waarin zij werkzaam zijn, onder vertoon desgevorderd van hunne akte van aanstelling, bij het aanwezig zijn van eene besmettelijke veeziekte («) of wanneer die vermoed wordt, de bij deze wet aan hun toezicht onderworpen erven, weiden, stallen en andere verblijfplaatsen van vee, slachthuizen, winkels of bergplaatsen van vleesch en spek, alsmede diergaarden, tentoonstellingen van vee, vilderijen, penserijen en dergelijke werkplaatsen, zelfs ondanks den wil der bewoners of gebruikers, tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden (b). Zij moeten daarbij voorzien zijn van een schriftelijken last van den burgemeester of den kantonrechter en dien desgevorderd vertoonen (c).

(a) quot;Welke ziekten van liet vee voor besmettelijk worden gehouden, is bepaald bij art. 1 van liet Kon. Besl. van 14 Maart 1880 (Staatsblad no. 31). Zie dat besluit hierachter bij art. 34.

(i) Wanneer besmettelijke veeziekten heerselien of wanneer liet bestaan van zoodanige ziekte met grond vermoed wordt, b.v. wanneer bij denzelfden veehouder verscheiden beesten ziek worden of sterven, dan is het voor een behoorlijk toezicht onmisbaar, dat de districtsveeartsen de bevoegdheid bezitten het vee te onderzoeken (Mem. van beantw.)

— Yleesclrwinkels enz. zijn in dit artikel opgenoemd, omdat het noodig kan zijn uit het onderzoek van vleesch het bestaan eener besmettelijke veeziekte te herkennen.

-ocr page 17-

7

Ook kan zich het geval voordoen dat de districtsveearts, op het spoor zijnde van een aan besmettelijke ziekte lijdend stuk vee, verneemt dat het geslacht is. In dat geval is onderzoek van het geslachte dier noodzakelijk. Voor deze en dergelijke gevallen moet hij de bevoegdheid hebben om bergplaatsen van vleesch binnen te treden. Tentoonstellingen zijn uitdrukkelijk genoemd om aan te toonen dat de districtsveearts het recht heeft in de gevallen bij het artikel voorzien, daar binnen te treden, ook zonder betaling en dat hij niet geweerd mag -worden (Mem. van toel.).

— Teneinde aan een der bezwaren tegen dit artikel te gemoet te komen, is thans bepaald dat de ambtenaren de in het artikel genoemde plaatsen alleen tusschen zonsop-en ondergang mogen binnentreden. Zeer juist is opgemerkt dat art. 10 der wet van 19 April 18(57 (Staatsblad no. 30) verdergingen, zoover bekend is, heeft dat artikel nooit tot eenige moeielijkheid aanleiding gegeven\'(Mem. van toel.).

(c) De bijvoeging, die door sommige leden aan het slot van het artikel verlangd werd, waaruit zou blijken of de lastgeving eene algemeene is dan of zij zich tot een bijzonder erf enz. bepaalt, schijnt onnoodig; zoodanige bepaling komt evenmin voor in art. 5 der wet, regelende het geneeskundig staatstoezicht zonder dat daaruit eenige moeielijkheid is voortgevloeid. Zonder noodzaak zal een burgemeester niet licht de gevraagde machtiging verlee-nen; hij moet haar zelfs kunnen weigeren en hierin bestaat voor den veehouder een voldoenden waarborg tegen mogelijke willekeur van den districtsveearts (Mem. van toel.).

— De vraag of de lastgeving alleen in speciale gevallen zal worden gegeven, vindt hare beantwoording in het artikel zelf. Dit zal alleen dan geschieden, wanneer eene besmettelijke ziekte aanwezig is of vermoed wordt. Aan den burgemeester of kantonrechter dient te worden overgelaten of de bevoegdheid moet gegeven worden om in die gevallen bepaalde erven of stallen enz. binnen te „treden, dan wel of een meer algemeen onderzoek wen-schelijk te achten zij (Mem. van boantw.).

— De bevoegdheid aan de ambtenaren te verleenen, om verblijfplaatsen van vee enz. binnen te treden, moet noch

-ocr page 18-

te uitgebreid noch te beperkt zijn. Bij voldoenden gezondheidstoestand van den veestapel moet die bevoegdheid niet gegeven worden, zij is clan overbodig (Mem. van beantw.).

— In art. 5 der wet van 20 Juli 1870, Staatsblad no. 131, is bepaald, dat de districtsveeartsen de in dat artikel genoemde plaatsen en gebouwen niet mogen binnentreden zonder voorzien te zijn van een schriftelijken last van den burgemeester of den kantonrechter. Deze last zal, zoo noodig, met spoed moeten verstrekt worden en wel op zoodanige wijze dat de bedoeling des wetgevers, die aan dit onderzoek niet alleen een repressief, maar ook kennelijk een preventief karakter heeft willen geven, niet worde miskend.

(Extract-missive M. v. B. Z. dd. 14 December 1870, no. 171, 9e afd.)

— Het schijnt onnoodig in de wet bepalingen oj) te nemen ter voorkoming van besmetting door de ambtenaren. Daaromtrent kunnen door de uitvoerende macht voorschriften worden gegeven. Bovendien is het in het belang der ambtenaren, dat zij de noodige voorzorgen nemen, opdat zij zich niet impopulair maken bij de veehouders (Mem. van beantw.).

Weigering of feitelijke verhindering tot toelating der districtsveeartsen is strafbaar gesteld. Zie art. 35.

Art. 6.

De districtsveeartsen zijn bevoegd van overtredingen der wetten en verordeningen in het belang van den veestapel proces-verbaal op te maken, op den eed bij de aanvaarding hunner bediening afgelegd. Zij zenden de processen-verbaal aan het Openbaar Ministerie («).

(a) Blijkens het voorloopig verslag wenschten eenige leden meer bepaald de verplichting tot het zenden der processen-verbaal aan het Openbaar Ministerie te hebben opgelegd^ en wel onmiddellijk of zoo spoedig mogelijk.

Deze opmerking kwam der Regeering luidens de mem. van toel. niet duidelijk voor.

Dat de districtsveeartsen de processen-verbaal aan het Openbaar Ministerie zonden, werd in de 2e alinea be-

-ocr page 19-

9

paald. Het was niet te verwachten dat zij met de toezending langer zouden wachten dan noodig was.

— De door de plaatsvervangende districtsveeartsen opgemaakte processen-verbaal worden door hen niet aan het Openbaar Ministerie verzonden, dan na gehouden overleg met den districtsveearts. (Zie art. 4 der instructie voor de plaatsv. districtsveeartsen, bij art. 2 der wet onder lett. h.)

Bij Koninklijke Besluiten van den 30 April 1885, nr. 36, en van 25 Februari 1877, no. 25, zijn de officieren, onderofficieren en korporaals van het leger, welke tot beteugeling van veeziekten als hulpmarechaussée dienst doen, alsmede alle ambtenaren van \'s rijks belastingen, bevoegd verklaard om van overtreding dor wetten en verordeningen, ter bestrijding van besmettelijke veeziekten genomen of nog te nemen, te doen blijken. Zie deze besluiten hierna bij art. 29.

Art. 7.

De districtsveeartsen genieten eene vaste bezoldiging uit \'s lands kas, benevens vergoeding voor bureau-, reis- en verblijfkosten.

Zij oefenen de veeartsenijkunst niet uit en bekleeden zonder Onze toestemming geene andere bediening.

De plaatsvervangende districtsveeartsen zijn bevoegd de veeartsenijkunst uit te oefenen. Zij ontvangen geene bezoldiging, maar vergoeding voor reis- en verblijfkosten en vacatiegelden («).

(a) De twee laatste woorden zijn aan dit artikel toegevoegd bij de wet van den len Augustus 1880 i^Stsbl. no. 123). Bij Kon. Besl. van 19 Augustus 1880, no. 3, is het vacatiegeld bepaald op /quot; 3 per dag.

Art. 8.

Jaarlijks geven de districtsveeartsen vóór den 1 April aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een verslag van de werkzaamheden van het veeartse-nijkundig staatstoezicht over het afgeloopen jaar in

-ocr page 20-

10

hunnen kring. Zij zenden van dit verslag een afschrift aan Gedeputeerde Staten der provincie of der provinciën, waarin zij gestationeerd zijn.

Art. 9.

De districtsveeartsen houden, binnen den kring ■waarvoor zij zijn aangesteld, een nauwkeurig toezicht op den gezondheidstoestand van den veestapel en op de handhaving der wetten en verordeningen, in het belang van den veestapel vastgesteld, en viseeren kosteloos de diplomata en de bewijzen van bevoegdheid der veeartsen.

Zij bezoeken zooveel mogelijk de markten, waar handel in vee wordt gedreven, alsmede de plaatsen waar openbare verkoopingen van vee worden gehouden en gelasten de inbeslagneming en afzondering van aldaar aanwezig, aan eene besmettelijke ziekte lijdend vee («).

(a) Het zooveel mogelijk bezoeken van veemarkten sluit niet in zich, dat altijd alle markten door den districtsveearts bezocht behoeven te worden (Mem. van toel.).

Art. 10.

Bij het ontstaan eener de gezondheid van den veestapel bedreigende ol buitengewone sterfte veroorzakende, of eener voor den mensch schadelijke ziekte onder liet vee, of wanneer er vrees bestaat dat zoodanige ziekte van buiten \'s lands zal worden overgebracht , geven zij daarvan onmiddellijk bericht aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, aan den Commissaris of de Commissarissen des Konings van de provincie of de provinciën, waarin zij gestationeerd

-ocr page 21-

11

zijn en aan de districtsveeartsen in de aangrenzende kringen. Zij maken zich, wanneer zich zulk eene ziekte in hunnen kring vertoont, persoonlijk bekend met den aard daarvan en stellen den burgemeester der betrokken gemeente de maatregelen voor, die dadelijk tot stuiting der ziekte te nemen zijn.

Van het voorkomen van voor menschen gevaarlijke veeziekten geven zij ook bericht aan den geneeskundigen inspecteur in den kring, waarin zij gevestigd zijn, en treden met hem in overleg over de voor te stellen maatregelen («).

(a) Deze laatste zinsnede: „en treden met hen in overleg over de voor te stellen maatregelenquot; zijn op het .voorstel van de Regeering aan het slot van dit artikel toegevoegd. — Zij achtte het van belang dat de geneeskundige inspecteur gehoord werd over de maatregelen, welke bij het voorkomen van voor menschen gevaarlijke veeziekten te nemen waren.

Art. 11.

Bij het uitbreken van besmettelijke veeziekten kunnen door Ons tijdelijk buitengewone districtsveeartsen worden aangesteld {«).

Zij genieten bezoldiging en vergoeding voor bureau-, reis- en verblijfkosten uit \'s lands kas, door Ons te bepalen, en hebben, zoolang zij in dienst zijn, dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als de gewone districtsveeartsen.

Zij mogen echter de veeartsenijkunst blijven uitoefenen.

(a) Wanneer het toezicht in gewone tijden op voldoende wijze is geregeld, zal het zelden noodig zijn buitengewone ambtenaren te benoemen. Het is evenwel mogelijk dat

-ocr page 22-

12

de omstandigheden tijdelijke vermeerdering van ambtenaren noodzakelijk maken; in dat geval behoort de Regeering daartoe de macht in handen te hebben (Mem. van toel.).

Art. 12.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken geeft Ons jaarlijks een verslag van de bevindingen en handelingen van het veeartsenijkundig staatstoezicht. Dit verslag wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal medegedeeld en door den druk openbaar gemaakt.

§ 2. Bepalingen omtrent de veeartsenij-kundige politie.

Art. 13.

Wanneer zich bij eenig stuk vee verschijnselen van eene besmettelijke ziekte openbaren, is de houder of hoeder verplicht daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente, waar het vee zich bevindt (flt;).

(a) Dit gebod wordt, evenals in de Code Pénal, beperkt tot vee door eene besmettelijke ziekte aangetast. Wegens het verschil van gevoelen, dat over het al of niet besmettelijke van eene ziekte bestaan kan, is aanwijzing noodig van de ziekte van het vee, die tot de besmettelijke gerekend worden. Is besmettelijkheid der ziekte het ver-eischte tot het verbodene en dus strafbare van de daad, dan ontbreekt het bij de rechterlijke vervolging zelden aan een of meer deskundigen, die in het voordeel van den beklaagde komen verklaren dat de besmettelijke aard betwistbaar is. Daaruit volgt dan straffeloosheid. Dit bezwaar wordt door de aanwijzing van de ziekten, die geacht worden besmettelijk te zijn, ontgaan (Mem. van toel.).

■— Welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden, is bepaald bij art. 1 van het Kon. Besl. van 14 Maart 1880 (Staatsblad no. 31). Zie dat besluit bij art. 34.

-ocr page 23-

13

— Wanneer de veehouder of do hoeder in twijfel verkeert omtrent den aard van een ziektegeval, kan hij èf een veearts raadplegen of aangifte doen dat zijn vee ziek is (Mem. van toel.)-

— Degeen, die het vee onderzijn onmiddellijk toezicht heeft, is de verantwoordelijke persoon.

Ziekteverschijnselen openbaren zich wanneer zij merkbaar zijn; in dat geval behoort aangifte te geschieden (Mem. van beantw.j.

— In de Tweede Kamer is beslist, dat voor de aangifte de eigenaar niet, voor de afzondering wel aansprakelijk zal zijn. Dit komt overeen met de bepalingen van artt. 459 en 460 van den Code Pénal, die bij deze wet worden ingetrokken (Mem. van beantw. Eerste Kamer).

Overtreding van dit artikel is strafbaar gesteld en bij veroordeeling deswege vervalt de aanspraak op vergoeding wegens onteigeningen krachtens de artt. 24 en 25 gedaan. Zie artt. 27 en 39.

In den zin dezer wet is vee: de eenhoevige en de herkauwende dieren en de varkens. Zie art. 42.

Art. 14.

Een stuk vee, dat verschijnselen eener besmettelijke ziekte (a) vertoont, moet onmiddellijk door den eigenaar, houder of hoeder van het overige vee worden verwijderd en zoolang afgezonderd (h) gehouden worden, totdat daaromtrent door den burgemeester, in overleg met den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoed-eischende gevallen met eenen geëxanüneerden veearts, (c) overeenkomstig de bepalingen dezer wet zal beslist zijn.

(a) Welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden ■gehouden, is bepaald bij art. 1 van het Kon. Besl. van 14 Maart 1880 (Stbl. no. 31). Zie dat besluit hierna bij art. 84.

(h) Afzondering van vee, hetwelk vermoed wordt door

-ocr page 24-

14

eene besmettelijke ziekte te zijn aangetast, kan, volgens art. 1G der aangehaalde wet, door den burgemeester, in overleg met den districtsveearts, zijn plaatsvervanger, of bij afwezigheid van beiden, in spoedeischende gevallen met een geëxamineerden veearts worden bevolen. (Art. 2, 2e alinea, van het Kon. Besluit van 14 Maart 1880 (Stbl. no. 31).) Zie dat besluit hierna bij art. 34.

(c) In de artt. 14, 16, 17, 19, 21 en 25 is bepaald, dat bij afwezigheid van den districtsveearts eu van een districtsveearts-plaatsvervanger een geëxamineerd veearts in spoedeischende gevallen kan geraadpleegd worden.

Beide omstandigheden worden te zamen vereischt om het inwinnen van het advies van een geëxamineerden veearts buiten het veeartsenijkundig staatstoezicht staande te rechtvaardigen. De burgemeester kan dezen niet raadplegen dan na zekerheid bekomen te hebben dat zoowel de districts veearts als zijn plaatsvervanger verhinderd zijn over te komen en bovendien moet het geval, waarover geraadpleegd wordt, spoed eischen.

(Extract-missive M. v. B. Z. dd. 14 Dec. 1870, no. 171, 9e afd.)

— Personen, aan wie krachtens de artt. 15 of 1G der wet van 8 Juli 1874, Stbl. 98, een bewijs van toelating tot uitoefening der veeartsenijkunst is xütgereikt, zijn geen geëxamineerde veeartsen in den zin der wet van 20 Juli 1870, Stbl. no. 131. De in die wet vermelde werkzaamheden kunnen aan hen niet worden opgedragen.

(Extract-missive M. v. B. Z. dd. 8 September 1874, no. 52, 9e afd.)

— Zie, in welke gevallen de plaatsvervangende districtsveeartsen moeten geraadpleegd worden, de aanteekening bij art. 2 onder lett. b.

Overtreding van dit artikel is strafbaar gesteld en bij veroordeeling deswege vervalt de aanspraak op vergoeding wegens onteigeningen krachtens de artt. 24 en 25 gedaan. Zie artt. 27 en 39.

Art. 15.

Wanneer, bij het bestaan, binnen of buiten \'s lands, eener besmettelijke veeziekte, de zorg voor het behoud van den veestapel en voor de gezondheid der inge-

-ocr page 25-

15

zetenen het vereischt, kunnen door Ons in- en doorvoer van buiten \'s lands («) en vervoer binnen \'s lands van levend en dood vee, vleesch (b), huiden, haar, wol, mest en verderen afval, veevoeder, gereedschappen en voorwerpen, die bij de behandeling van vee gebruikt worden, en het houden van markten, ver-koopingen, tentoonstellingen en andere vereenigingen van vee verboden, en verbods- en andere bepalingen vastgesteld worden omtrent aangifte, verkoop, behandeling en visitatie van alle in dit artikel genoemde voorwerpen (c), alsmede op de middelen, waarmede zij vervoerd worden (d); een en ander onverminderd de door provinciale en gemeentebesturen vast te stellen reglementen en verordeningen, voor zooverre zij met Onze voorschriften niet in strijd zijn (e).

(a) Betreffende den in- en doorvoer van buiten \'s lands zijn de volgende bepalingen vastgesteld:

KONINKLIJK BESLUIT van den 8sten December 1870 (Sthl. no. 194), houdende verbod van in- en doorvoer van buiten \'s lands van rundvee, schapen, bokken, geiten, versche huiden, versch en gezouten vleesch, ongesmolten vet, mest, onbewerkte ivol, onbewerkt haar, klauwen en hoornen, alsmede van allen afval van genoemde dieren.

Wij WILLEil III, enz.

Overwegende dat op 31 December 1870 de wet van 17 October 18G5 (Stbl. no. 121) en daarmede Onze besluiten van 10 en 20 September 1870 (Stbl. no. 100 en 163) hare verbindende kracht verliezen;

dat echter de uitbreiding van den veetyphus in naburige . rijken maatregelen tot voortdurende afwering vooralsnog noodzakelijk blijft maken;

Gezien art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl.no. 131), welke wet op 1 Januari 1871 in werking zal treden;

-ocr page 26-

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenlandsclie Zaken en van Financien van 17 October 1870, no. 246, 9e afdeeling, en 28 daaraanvolgende, no. 126;

Den Raad van State gehoord (advies van den 29en November 1870, no. 6);

Gelet op het nader gemeenschappelijk rapport van Onze voornoemde Ministers van 3/6 December daaraanvolgende,

172, 9e afdeeling.

no. \' TT ---5

77 1 U. K. en aoo.

Hebben besloten en besluiten:

Art. 1.

De in- en doorvoer van buiten \'s lands van rundvee, schapen, bokken en geiten en van versohe huiden, versch en gezouten vleesch, ongesmolten vet, mest, onbewerkte wol, onbewerkt haar, klauwen, hoornen en van allen afval van genoemde dieren is verboden.

Art. 2.

Dit verbod is niet van toepassing op gezouten vleesch. wol, haar, hoornen en klauwen rechtstreeks aangevoerd uit landen buiten Europa.

Art. 3.

Wanneer bijzondere redenen eene afwijking van dit verbod noodzakelijk maken, kan Onze Minister van Binnenlandsclie Zaken zoodanige afwijking toestaan, onder de noodige voorzorgen tegen overbrenging der besmetting, en met medewerking van Onzen Minister van Financiën.

Art. 4.

Dit besluit treedt in werking op 1 Januari 1871.

Onze Ministers van Binnenlandsclie Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, 8 December 1870.

(get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsclie Zal;en, (get.) F o c k.

De Minister van Financiën,

(get.) van bosse.

Uitgegeven 20 December 1870.

-ocr page 27-

17

KONINKLIJK BESLUIT van 13 Februari 1884, no. 4, houdende toekenning van premiën voor aangehaald rundvee hij verboden invoer.

Wij WILLEM III, enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenland sche Zaken van 31 Januari 1884, no. 115, afdeeling M. P.;

Gelet op art. 1 van liet Koninklijk Besluit van 8 December 1870 (Stbl. no. 194).

Hebben goedgevonden en verstaan:

Aan de ambtenaren der rijks- en gemeentepolitie belast met of bevoegd tot liet toezicht op den verboden invoer van levend vee uit het buitenland, de navolgende premiën toe te kennen voor het vee, door hen gezamenlijk of afzonderlijk aangehaald:

1°. voor elk volwassen stuk rundvee . . . /quot;10.,,

2°. voor elke vaars........... 5.„

3°. voor elk kalf of schaap....... 2.„

met bepaling, dat voor tegelijkertijd aangehaalde stuks vee de premie niet meer dan f 20 zal bedragen.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemeene Rekenkamer, \'s Geavenhage , 13 Februari 1884.

(get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

(get.) heemskerk.

— Het geval heeft zich voorgedaan dat door de ambtenaren der belastingen een stuk slachtvee benaderd is, dat krachtens dispensatie uit Duitschland is ingevoerd onder de voorwaarden U.H.E.G. medegedeeld bij schrijven van 22 Juni 1882, no. 859.

Daar de slachter liet stuk vee weder teruggekocht heeft van de ambtenaren, is het rund door hem geslacht. Maar nu vraagt de betrokken burgemeester, hoe door de politie gehandeld moet worden, wanneer de slachter het stuk vee niet terugkoopt en de benaderende ambtenaren het

^1) Bij besluit van 21 Maart 1884, no. 2, is bepaald dat ambtenaren van \'s rijks belastingen dezelfde premien zullen genieten.

2

-ocr page 28-

18

willen vervoeren. Daarop heb ik geantwoord dat in zoodanig geval de ambtenaren beschouwd moeten worden als de personen, aan wie de dispensatie verleend is; deze zullen dan de voorwaarden hebben na te komen, die aan de vergunning verbonden zijn. Het benaderde stuk vee zal dan naar de door de ambtenaren der belastingen aan te wijzen slachtplaats of den zich daarbij bevindende stal gebracht mogen worden en blijft tot de slachting onder politietoezicht.

Ik heb mijn ambtgenoot van financiën verzocht daaromtrent de noodige voorschriften te geven, waaronder ook zal moeten behooren het voorschrift dat de ambtenaren, die het stuk vee benaderd hebben, van die benadering onverwijld kennis geven aan den burgemeester, opdat het vervoer onder politietoezicht plaats hebbe.

(Missive M. v. B. Z. dd. 1G Juni 1883, no. 922, afd. M. P.)

KONINKLIJK BESLUIT van den 9en April 1884, (SM. no. 48), houdende verbod van in- en doorvoer van buitenslands van levende varkens.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat in naburige landen het besmèttelijk mond- en klauwzeer onder de varkens voorkomt;

Gezien art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131);

Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën van 14 Februari 1884, no. 287, afdeeling Medische Politie, en van 18 Februari 1884, no. 84, Invoerrechten en Accijnzen;

Den Baad van State gehoord (advies van 11 Maart 1884, no. 18);

Gelet op het nader gemeenschappelijk rapport van Onze voornoemde Ministers, van 21 Maart 1884, no. 509, afd. Medische Politie, en van 26 Maart 1884, no. 90, Invoerrechten en Accijnzen;

Hebbe}i goedgevonden en verstaan;

Art. 1.

De in- en doorvoer van buitenslands van levende varkens is verboden.

Art. 2.

Wanneer bijzondere redenen eene afwijking van dit ver-

-ocr page 29-

19

bod noodzakelijk maken, kan Onze Minister van Binnen-landsche Zaken zoodanige afwijking toestaan, onder de noodige voorzorgen tegen overbrenging van besmetting en met medewerking van Onzen Minister van Financiën.

Art. 3.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien der afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financien zija belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst ^ en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den raad van State.

\'s Gbaveotage , den 9 April 1884.

(get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zalcen, (get.) heemskehk.

De Minister van Financien, (get.) geobbee.

Uitgegeven den 20 April 1884.

(è) In de 2e alinea van art. 42 is bepaald, wat men, in den zin dezer wet, door vleesch verstaat.

(c) Tot beteugeling der longziekte onder het rundvee zijn de volgende bepalingen vastgesteld:

KONINKLIJK BESLUIT van den 3 Februari 1877 (Stbl. 7io. 17), houdende vaststelling van nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee, en zulks met intrekking der Koninklijke besluiten van 17 April 1874 (Stbl. no. 59), van 9 October 1874 (Stbl. no. 132) en van 30 Juni 1875 (Stbl. no. 126).

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat ter vervanging van Ons besluit van 17 April 1874 (Stbl. no. 59), aangevuld bij Ons besluit van 30 Juni 1875 (Stbl. no. 126), nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee vastgesteld behooren te worden;

Gezien art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) ° en Onze voormelde besluiten;

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 11 Januari 1877, no. 49, afdeeling IX;

-ocr page 30-

20

Den Raad van State gehoord (advies van 26 Januari 1877,

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsclie Zaken, van 31 Januari 1877, litt. D, 9e afdeeling;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1.

Zoodra een stuk rundvee door longziekte is aangetast, is de eigenaar, liouder of lioeder verpliclit al liet rundvee, hetwelk dientengevolge in verdachten toestand is geraakt, door een geëxamineerden veearts te doen inenten, indien de burgemeester dit beveelt. De burgemeester wint, alvorens dit bevel te geven, het advies van den districtsveearts in.

Ter voldoening der kosten van door den burgemeester bevolen inenting, zal voor elk rund de som van vijftig centen uit \'s Rijks schatkist worden uitbetaald.

Indien geen geschikte entstof voorhanden is, ter beoordeeling van den districts-veearts, verleent de burgemeester uitstel der inenting, tot dat die stof aanwezig is. De districts-veearts voorziet den veearts, met de inenting belast. zoodra mogelijk van goede entstof.

Voldoet de eigenaar, houder of hoeder niet aanstonds aan de in dit artikel hem opgelegde verplichting, dan geschiedt de inenting door de zorg van den burgemeester, onverminderd de tegen den nalatige in te stellen stiai-vervolging.

Art. 2.

Indien van longziekte verdacht rundvee in de weide niet voldoende kan worden afgezonderd, ter beoordeeling van den districts-veearts, moet het, onder de op advies van dezen door den burgemeester te bepalen voorzorgen, naar een stal of ander gebouw worden vervoerd en aldaar ar-arezonderd blijven tot na den afloop van den termijn, vermeld in art. 5 van het Koninklijk besluit van 30 October 1872 (Stbl. no. 105). *)

Art. 3.

Onze besluiten van 17 April 1874 (Stbl. no. 59), van

Het besluit van 30 October 1872 (Stbl. no. 105) is mgo-trokken, en vervangen door dat van den 14 Maart lboü (btbi. no. 31). Zie dat besluit hierna bij art. 34.

-ocr page 31-

21

9 October 1874 (Stbl. no. 132) en van 30 Juni 1875 (Stbl. no. 126) zijn ingetrokken.

Art. 4.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den 3 Februari 1877.

(gel.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

(get.) heemskerk.

Uitgegeven den 10 Februari 1877.

— Het is mij gebleken, dat sommige burgemeesters ter uitvoering van art. 1 van het Kon. Besl. van den 17 April 1874 (Stbl. no. 59) ^ een plaatsvervangenden districtsveearts uitnoodigen de inenting van verdacht rundvee te komen verrichten, naar het schijnt met de goede bedoeling om de inenting te bespoedigen.

Toch heeft deze handelwijs meer dan één nadeelig gevolg. De eigenaar van het verdachte vee wacht de komst van den veearts af en laat alles op dezen en den burgemeester aankomen.

De plaatsvervangende districtsveearts, door den burgemeester ontboden, meent daaraan het recht te ontleenen om reis- en verblijfkosten in rekening te brengen en eindelijk trekt de burgemeester, door een plaatsvervangenden districtsveearts te ontbieden, partij voor dezen tegen de overige geëxamineerde veeartsen, die evenzeer tot het verrichten der inenting bevoegd zijn.

Tegenwerking der veehouders, ontevredenheid van de geëxamineerde veeartsen, die worden voorbijgegaan, en hooge declaratiën van de plaatsvervangers zijn er de gevolgen van.

Ik verzoek U derhalve de burgemeesters hierop te wijzen en hen aan te schrijven voortaan bij het ontstaan van

\') Het aangehaalde besluit is ingeti-okken en vervangen door dat van 3 Februari 1877 (Stbl. no. 17), hierboven vermeld.

-ocr page 32-

22

longziekte, tengevolge waarvan ander vee in verdachten toestand geraakt, den eigenaar van dat vee te herinneren aan zijne verplichting tot inenting krachtens het aangehaald beslnit door een door hem zeiven te ontbieden ge-examineerden veearts en, indien de eigenaar daaraan met met den vereischten spoed voldoet (behalve in het geval voorzien in de laatste alinea van art. 1 van het aangehaald besluit) !), deswege proces-verbaal op te maken en aan het Openbaar Ministerie te zenden.

Het Eijk vergoedt niet meer dan de som van vijltig centen per ingeënt rund; welk bedrag in verband met het slot der circulaire van 21 April jl., no. 200 , •quot;) door den burgemeester aan den veearts, die de inenting neett verricht, tegen quitantie is uit te betalen, doch niet dan na overlegging eener schriftelijke verklaring van den districts-veearts, dat de inenting naar zijn oordeel behoorlijk is verricht en aan het doel heeft beantwoord.

De veearts, die deze belooning onvoldoende acht wegens den verren afstand, kan aan den eigenaar de voorwaarde stellen, dat hij voor zijn vervoer zoige.

Bovendien acht ik het niet ondienstig bij deze gelegenheid de burgemeesters te herinneren aan de laatste zinsnede van art. 2 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), waaruit blijkt dat de plaatsvervangers alleen bij volstrekte verhindering van den districtsveearts diens betrekking

waarnemen. „ f l

(Missive M. v. B. Z. dd. 28 Oct. 1874, no. G1, 9e afd.) _ In art. 2 van het Kon. Besluit van 17 April jl. (Stbl. no. 59) 3) is bepaald dat, indien van longziekte

i-) De hier bedoelde laatste alinea van art. 1 van het ingetrokken Kon. Besl. van don 17 April 1874 (Stbl. no. 59), was o-eliikluidend aan de voorlaatste alinea van art. 1 van het B-0 . Besl. van den 3 Februari 1877 (Stbl. no. 17)\'

Het slot der aangehaalde circulaire luidt als \\olf,t. ie uitvoering van het tweede lid van art. 1 valt op te mcrken dat Mi de declaratiën voor onteigeningen in zake longziekte uit verklaring van den veearts moet blijken of er, en z00 Jf\' ^ntie stuks vee als verdacht moeten worden ingeent. De quitantie van den veearts, die de inenting verricht heeft moet worden overgelegd. ( Zie ook het medegedeelde bij art. 28 ondei lett. 6.)

■■gt;) Het Kon. Besluit van 17 Apnl 1874 (Stbl. Do. 5°)^ ingetrokken en vervangen door het Kon. Besluit \\ an 3 ^ 1 1877 (Stbl. no. 17). Zie dat besluit hierboven bij dit artikel.

-ocr page 33-

23

verdacht rundvee in de weide niet voldoende kan worden afgezonderd ter beoordeeling van den districtsveearts, liet onder de op advies van dezen door den burgemeester te bepalen voorzorgen naar een stal of ander gebouw moet worden vervoerd en aldaar afgezonderd blijven tot na den afloop van den termijn, vermeld in art. 5 van het Kon. Besl. van 80 October 1872 (Stbl. no. 105) 1).

In zoodanig geval kan aan den eigenaar van dat vee ter tegemoetkoming in de meerdere kosten der stalvoedering eene toelage van 10 cents 2) per rund en per dag worden toegekend.

Na afloop van elke maand verwacht ik casu quo daaromtrent door Uwe tusschenkomst eene opgaaf van de burgemeesters, vermeldende de namen van de veehouders, het getal hunner runderen en het aantal dagen van het gedwongen verblijf in den stal gedurende de afgeloopen maand, met bijvoeging van eene verklaring van den veeopzichter, dat dit vee door hem werkelijk bij zijn dage-lijksche bezoeken steeds op stal gevonden is.

(Missive M. v. B. Z. dd. 17 Aug. 1874, 9e afd, no. 284.)

—• In het vorige jaar werd, naar mij gebleken is, meermalen van longziekte verdacht rundvee gedurende den winter in denzelfden stal geplaatst met niet verdacht vee.

Daar dit in strijd is met art. 35 der wet van 20 Juli 1870, (Stbl. no. 131); waarbij het opzettelijk in verdachten toestand brengen of doen brengen van vee met straf wordt bedreigd, verzoek ik U zooveel noodig de burgemeesters in Uwe provincie aan die wetsbepaling te herinneren en hun aan te schrijven voor strenge afzondering van wegens longziekte verdacht vee ook in den winter te waken. — (Missive M. v. B. Z. dd. 20 Oct. 1874, no. 47, 9e afd.)

1

\') Het Kon. Besluit van 30 October 1872 (Stbl. no. 105) is ingetrokken en vervangen door dat van 14 Maart 1880 (Stbl. no. 31). Zie dat besluit hierna bij art. 34.

2

) Bij missive van den Minister van Binnenlandsohe Zaken dd. 10 April 1875, no. 65, 9e afd., is de toelage voor melkvee bepaald op 20 cents por rund en per dag; en zijn de burgemeesters aangeschreven ziob te vergewissen hoeveel stuks melkvee en hoeveel stuks ander vee zich in de stallen bevinden, en te zorgen dat daarvan in de stukken, bij hunne declaratie over te leggen, melding worde gemaakt.

-ocr page 34-

24

— Teneinde verbreiding der longziekte gedurende den aanstaanden zomer in de weiden tegen te gaan, is het noodig dat de van die ziekte verdachte runderen de stal niet verlaten voor dat de termijn, gedurende welken zij verdacht blijven, verstreken is.

De districtsveeartsen worden aangeschreven in geen geval den burgemeester te adviseeren tot het geven van vergunning tot vervoer van zoodanig vee van den stal naar de weide, volgens art. 21 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131).

Gelief hiervan aan de burgemeesters in Uwe provincie kennis te geven, met mededeeling dat voor elk stuk melkvee, dat tengevolge van deze bepaling tusschen 1 Mei en 31 October in den stal moet blijven, aan den eigenaar 20 cents daags en voor elk stuk ander rundvee 10 cents daags zal worden uitgekeerd ter tegemoetkoming in de meerdere uitgaven door de stalvoedering veroorzaakt, en met uitnoodiging die kosten bij voorschot aan de belanghebbenden tegen quitantie, die, wanneer zij het bedrag van f 10 te boven gaan, op zegel moet zijn, uit te betalen.

Na afloop van elke maand verwacht ik door Uwe tus-schenkomst deswege de declaratiën, eene opgaaf van de burgemeesters, vermeldende de namen van de veehouders, het getal hunner verdachte runderen gesplitst in melkvee en ander vee en het aantal dagen van het gedwongen verblijf in den stal gedurende de afgeloopen maand, met bijvoeging van eene verklaring van den veeopzichter, dat dit vee door hem werkelijk bij zijne dagelijksche bezoeken steeds in den stal gevonden is.

Het komt mij in het belang van de veehouders wen-schelijk voor dat zij vooraf worden bekend gemaakt met deze bepaling, opdat zij, die verdacht vee in hunnen stal hebben of vóór den afloop van den staltijd mochten krijgen, tijdig maatregelen kunnen treffen voor de uitoefening van hun bedrijf, voor zoover zij gewoon zijn hunne stallen daarvoor te gebruiken. (Missive M. v. B. Z. dd. 11 Maart 187G, no. 37, 9e afd.)

— Voor bepaalde streken des rijks — door den Minister van Biimenlandsche Zaken bfl aankondiging\' in de Staatscourant aan te wijzen — zijn tot wering der veepest en tot beteugeling der longziekte onder liet rundvee en der

-ocr page 35-

25

pokziekte onder de schapen bijzondere bepaling:en in liet leven geroepen, welke in de vier volgende Koninklijke Besluiten zijn vervat:

KONINKLIJK BESLUIT van den 28 Februari 1877 (Stbl. no. 29), houdende bepalingen omtrent het vervoer van rundvee, schapen, bokken en geiten, enz.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat het tot wering der veepest noodzakelijk is bepalingen vast te stellen omtrent het vervoer van rundvee, schapen, bokken en geiten;

Gezien art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131);

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenland-sche Zaken van 23 Februari 1877^ lit. Q, 9de afdee-ling;

Den Raad van State gehoord (advies van den 27sten Februari 1877 , no. 15);

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 27 Februari 1877, lit. U, 9de afdeeling;

Hebben besloten en besluiten:

Art. 1.

In de door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken bij aankondiging in de Staatscourant aan te wijzen streken is het verboden levend rundvee, schapen, bokken of geiten te vervoeren of te doen vervoeren, zonder vervoerbiljet, afgegeven door den burgemeester der gemeente, waar dat vee zich bevindt.

Op het vervoerbiljet wordt vermeld het getal en de soort van het te vervoeren vee, de weg, die tot aan de plaats van bestemming gevolgd moet worden, alsmede de tijd gedurende welken het biljet geldig is. Het wordt door den burgemeester niet afgegeven dan in de volgende gevallen :

1°. voor het vervoer van vee naar de slachtbank;

2°. bij verhuizing van den eigenaar of houder van vee;

3°. bij vervoer door den kooper van vee op een openbare verkooping.

Indien het vervoer naar eene andere gemeente plaats heeft, zendt de burgemeester, die het vervoerbiljet heeft afgegeven, een afschrift daarvan aan den burgemeester der gemeente, werwaarts het vervoer geschieden zal.

-ocr page 36-

26

Art. 2.

Wanneer de geleider van vee niet van een vervoerbiljet is voorzien, of wanneer het vervoer op een anderen tijd of langs een anderen weg dan in het vervoerbiljet bepaald is, plaats heeft, wordt het vee in beslag genomen en tegen den geleider proces-verbaal opgemaakt.

De slachting van het in het vorige artikel onder 1°. be-•doeld vee geschiedt onder toezicht der politie binnen den door den burgemeester der gemeente, waar het zich na het vervoer bevindt, te bepalen tijd.

Art. 3.

Het houden van markten en openbare verkoopingen van alle vee, voor zoover door gemeenteverordeningen vrijgelaten, is verboden in gemeenten, waarvan de aanwijzing door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis zal worden gebracht. Openbare verkooping van vee van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene blijft geoorloofd.

Art. 4.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de

Staatscourant. . , , ,

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Eaad van State.

\'s Gkavenhage , den 28steii Februari IS 17.

(get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

(get.) heemskerk.

quot;Uitgegeven den 2den Maart 1877.

KONINKLIJK BESLUIT van den 3den October 1813, fStbl. no. 135), houdende bejMlingen betreffende visitatie, aangifte en vervoer van rundvee en het schorsen

van markten en openbare verkoopingen van rundvee, een en ander tot beteugeling der longziekte onder het rundvee.

WIJ WILLEM III, enz.

Overwegende, dat het tot beteugeling der longziekte

-ocr page 37-

27

onder het rundvee noodzakelijk is bepalingen vast te stellen, betreffende visitatie, aangifte en vervoer van rundvee en het schorsen van markten en openbare verkoopingen van rundvee;

Gezien art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131);

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenland-sche Zaken van 13 September 1873, no. 217, 9eafdeeling;

Den Eaad van State gehoord (advies van 23 September 1873, no. 14); .

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 30 September 1873, litt. E, 9e afdeeling;

Hebben besloten en besluiten:

Art. 1.

Het is verboden rundvee te vervoeren uit of naar de gemeenten of gedeelten van gemeenten, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen. Deze aanwijzing wordt door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis gebracht.

In bijzondere gevallen kan de burgemeester vergunning verleenen tot dat vervoer, na daarover den districtsveearts te hebben gehoord en onder de door dezen noodzakelijk geachte voorwaarden.

Art. 2.

Het houden van markten en openbare verkoopingen van rundvee, voor zoover door gemeente-verordeningen vrijgelaten, is verboden in gemeenten, waarvan de aanwijzing door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis zal worden gebracht. Openbare verkooping van rundvee van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene, blijft steeds geoorloofd.

Art. 3.

In de in art. 1 bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten wordt door opzichters al het rundvee opgeschreven.

Deze opzichters worden benoemd en ontslagen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.

Bij de aanvaarding hunner bediening leggen de opzichters in handen van den burgemeester der gemeente, die hun als standplaats is aangewezen, den volgenden eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof) dat ik de verplichtingen, verbonden

-ocr page 38-

2S

aan de betrekking van opzichter van het rundvee, naar behooren vervullen zal.

Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!quot;

(„Dit beloof ik.quot;)

Art. 4.

Op de van het rundvee van eiken eigenaar afzonderlijk door de opzichters in duplo op te maken lijsten wordt dat vee genummerd en beschreven. De lijsten worden door de eigenaars of, bij ontstentenis van dezen, door de houders of hoeders van het vee voor gezien geteekend; één exemplaar wordt aan. den burgemeester toegezonden.

Art. 5.

Yan elke verandering is het op de lijst aangeteekende getal van het rundvee door geboorte, overlijden, slachting of verplaatsing binnen de gemeente of het deel daarvan, volgens art. 1 aangewezen, geeft de eigenaar, houder of hoeder binnen 24 uren kennis aan den burgemeester, die daarvan aanteekening houdt op het bij hem berustend exemplaar der lijst.

Art. 6.

Onmiddellijk en uiterlijk binnen twaalf uren na het overlijden of na de slachting van een stuk rundvee geeft de eigenaar, houder of hoeder daarvan kennis aan den opzichter, die het gestorven of geslachte dier binnen vier en twintig uren na de aangifte moet visiteeren.

Zoolang deze visitatie niet heeft plaats gehad, is het verboden de longen los te maken of eenig deel van het stuk vee te vervoeren.

Art. 7.

De opzichters zijn gehouden al het rundvee, vermeld op de door hen opgemaakte lijsten, ten minste eenmaal \'s weeks te visiteeren en met de lijsten te vergelijken. Veranderingen, in art. 5 vermeld, worden onverwijld op de lijsten aangeteekend en door de eigenaars, houders of hoeders voor gezien geteekend. Vermoeden de opzichters bij deze visitatie of bij die in art. 6 vermeld, dat een stuk rundvee aan longziekte lijdt of geleden heeft, of ontdekken zij ongewettigde verandering in de getalsterkte, zoo geven zij in het eerste geval daarvan onverwijld kennis aan den burgemeester, die handelt als in de wet van 20 Julij 1870 (Stbl. no. 131) is voorgeschreven, en in het laatste geval maken zij op hunnen ambtseed proces-verbaal op van de overtreding.

-ocr page 39-

29

Art. 8.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Minister van Binnenlandsclie Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in liet Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Eaad van State.

\'s Gravenhage , den 3den October 1873.

(get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsclie Zaken,

(get.) geerisema.

Uitgegeven den llden October 1873.

KONINKLIJK BESLUIT van den 17den Augustus 1878 (Stbl. no. 128), houdende vaststelling van nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee, zooals dit besluit is geivijzigd en aangevuld hij besluit van den Men Januari 1879 (Stbl. no. 2).

Wij WILLEM III, euz.

Overwegende, dat het noodzakelijk is nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee vast te stellen;

Gezien art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl.no. 131) en art. 1 der wet van 8 Augustus 1878 (Stbl. no. 115); ^

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenlandsclie Zaken, van G Augustus 1878, no. C, afdeeling Medische politie;

Den Eaad van State gehoord (advies van 13 Augustus 1878, no. 11);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsclie Zaken, van 14 Augustus 1878, lit. K, afd. Medische politie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1.

Het is verboden uit de kringen, door Onzen Minister van Binnenlandsclie Zaken aangewezen, rundvee te vervoeren zonder vergunning van den burgemeester der ge-

\') Zie de wet van 8 Augustus 1878 (Stbl. uo. 115) hierna.

-ocr page 40-

30

meente, waarin zicli liet vee bevindt. Deze aanwijzing wordt door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis gebracht.

Art. 2.

De in art. 1 vermelde vergunning wordt niet gegeven dan na verhoor van den districts-veearts en op diens verklaring dat hem, na onderzoek, van de noodzakelijkheid van het vervoer is gebleken en hij daartegen geene bedenking heeft.

De burgemeester verleent deze vergunning door afgifte van een vervoerbiljet. Dit biljet moet voorzien zijn van het wapen der gemeente; het vermeldt de namen en de woonplaats van den aanvrager, het advies van den districtsveearts, alsmede de namen en de woonplaats van hem, aan wien het rundvee verzonden wordt, omschrijft het vee nauwkeurig door opgave van geslacht, ouderdom, kiemen blijvende bijzondere kenteekenen en wordt afgegeven aan den vervoerder, die zorgt dat liet uiterlijk twaalf uren na aankomst op de plaats van bestemming bij den burgemeester wordt ingeleverd.

Indien het aldus vervoerde vee niet voor de slachtbank is bestemd zendt de burgemeester afschrift van het vervoerbiljet aan den districts-veearts in zijnen kring.

Art. 3.

Het aldus vervoerde vee mag niet met ander vee in aanraking worden gebracht en zonder schriftelijke toestemming van den burgemeester, den districts-veearts gehoord, niet levend van het erf, waarop het zich bevindt, worden verwijderd binnen drie maanden na aankomst aldaar. Bij den dood van liet vee of na verloop van drie maanden na het in de vorige artikelen vermeld vervoer, wordt het vervoerbiljet door de zorg van den burgemeester vernietigd.

Art. 4.

Het is den oudernemers van openbare middelen van vervoer verboden uit een volgens art. 1 afgesloten kring rundvee te vervoeren anders dan in een afgesloten wagen of afgesloten gedeelte van het vervoermiddel op zoodanige wijze, dat het niet in aanraking gebracht worde met ander vee of andere goederen.

De wagen of het afgesloten gedeelte, waarin zich zoodanig rundvee bevindt, moet voorzien zijn van het op-

-ocr page 41-

31

schrift: vee uit afgesloten kring. Het vee mag daaruit niet worden verwijderd dan ter plaatse zijner bestemming. Het is verboden het aldaar te lossen anders dan onder toezicht der rijksveldwacht of der plaatselijke politie.

Het is verboden het vervoermiddel van de plaats van aankomst te verwijderen alvorens het onder toezicht der rijksveldwacht ol der plaatselijke politie en ten koste der-ondernemers ontsmet zij.

Op deze ontsmetting is Ons besluit van 4 December 1870 (Stbl. no. 191) toepasselijk

Art. 5.

Uitvoer van liet vee uit volgens art. 1 afgesloten kringen naar buitenslands kan, behoudens het bepaalde in Ons besluit van 28 Mei 1871 (Stbl. no. 42) 1), zonder vergunning geschieden. In dat geval is het bepaalde in de eerste zinsnede van art. 3 slechts van toepassing tot het tijdstip van inlading in de vervoermiddelen, waarmede de uitvoer plaats heeft. Uit deze vervoermiddelen mag geen vee op Nedeiiandsch gebied worden gelost. Indien het vervoer per spoorweg geschiedt, moeten de wagens, waarin het vee zich bevindt, gesloten zijn.

Art. G.

Al het rundvee, hetwelk zich in volgens art. 1 afgesloten kringen bevindt, wordt door geëxamineerde veeartsen, daartoe tijdelijk door Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken aangewezen, ingeënt en door de zorg van den burgemeester voorzien van een brandmerk met de letter V in den rechterhoorn of, bij gemis van dezen, in den linkerhoorn, of, bij gemis van beide hoorns, in den

1

) Bij besluit vau 28 Mei 1871 (Stbl. no. 42), aangevuld bij besluit van den 18 Maart 1878 (Stbl. no. 20), is het volgende bepaald:

Het is verboden in een schip, naar buitenslands bestemd, veo te laden of vee ter inlading aan te bieden, zonder voorafgaande visitatie van een veearts, van Eegeeringswege daartoe aangesteld.

De visitatie geschiedt niet dan bij dag, tusschen zonsop- en. ondergang.

Van laatstgenoemde bepaling kan door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken tijdelijk ontheffing verleend worden.

-ocr page 42-

32

hoef van liet rechtervoorbeen. Evenzoo wordt al het rundvee, hetwelk in voormelde leringen wordt ingevoerd, binnen drie dagen na aankomst ter plaatse van bestemming door een der daarmede belaste veeartsen ingeënt en tusschen den 7den en lOden dag na de inënting door de zorg van den burgemeester van voormeld brandmerk voorzien. Vóór dat deze merking heeft plaats gehad, mag het niet met gemerkt rundvee in aanraking worden gebracht.

Art. 7.

De met de inënting belaste veeartsen ontvangen uit \'s rijks schatkist eene maandelijksche belooning, waarvan het bedrag door Ons wordt bepaald.

Art. 8.

Ingeval, krachtens art. 2, vergunning tot vervoer van niet voor de slachtbank bestemd vee gegeven is, wordt het vóór den uitvoer ten tweeden male met de letter V gebrand, naast het eerste brandmerk.

Art. 9.

liet op eenigerlei wijze onkenbaar of minder duidelijk herkenbaar maken van het in art. 6 vermelde brandmerk is verboden.

De eigenaar, houder of hoeder van rundvee in een der volgens art. 1 afgesloten kringen, die in het bezit gevonden wordt van rundvee, waarbij het in art. 6 vermelde merk niet duidelijk zichtbaar is, wordt alleen dan geacht niet in overtreding te zijn, wanneer hij bewijst dat het vee binnen de drie laatste dagen in den afgesloten kring is ingevoerd en hij van dien invoer binnen 12 uren aan den burgemeester kennis heeft gegeven.

Art. 10.

Het is verboden buiten den volgens art. 1 afgesloten kring in het bezit te zijn van niet voor de slachtbank bestemd rundvee, gemerkt met eene V of, indien het in art. 2 vermelde vervoerbiljet bij den burgemeester is ingeleverd, met VA7quot;.

Indien het vervoerbiljet, krachtens art. 3 wegens het verstrijken van den termijn van drie maanden na het vervoer, vernietigd wordt, geeft de burgemeester hiervan aan den eigenaar, houder of hoeder eene verklaring af.

Art. 11.

Bij opheffing van de in art. 1 bedoelde kringen wordt al liet zich daarin bevindende rundvee vooraf door de

-ocr page 43-

33

zorg van den burgemeester met een tweede brandmerk, bestaande in een omgekeerde V (^), naast liet eerste gé-merkt. Het aldus gemerkte vee mag vrij vervoerd worden.

Art. 12.

Kalveren worden niet ingeënt eer zij den leeftijd van drie maanden bereikt hebben.

Art. 13.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na afkondiging in het Staatsblad eu in de Staatscourant.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den 17den Augustus 1878.

(gei.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

(get.) k a p p e y nquot; e.

Uitgegeven den 23sten Augustus 1878.

KONINKLIJK BESLUIT van den 7den November 1886 (Slhl. no. 179), waarhij tot beteugeling der pokziekte onder de schapen bepalingen worden vastgesteld betreffende vervoer von schapen, huiden, ruwe onbewerkte wol, klauwen, vleesch, mest en andei\' afval van genoemde dieren, en het schorsen van schapenmarkten en van het ter markt voeren van schapen.

Wij WILLEM, enz.

Gezien art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131);

Op de voordracht van Onzen Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken, van 21 October 1886, litt. A, afdeeling medische politie;

Den Eaad van State gehoord (advies van 2 November 1886, no. 12);

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 4 November 1886, no. 3619, afdeeling medische politie;

Overwegende, dat het tot beteugeling der pokziekte onder de schapen noodzakelijk is bepalingen vast te stellen

3

-ocr page 44-

34

betreffende vervoer van schapen, huiden, ruwe onbewerkte wol, klauwen, vleesch, mest en ander afval van genoemde dieren, en tot het schorsen van schapenmarkten en van het ter markt voeren van schapen;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen;

Art. 1.

Yervoer van schapen en van versche huiden, onbewerkte wol, klauwen, vleesch, mest en van allen afval van genoemde dieren uit of naar gemeenten of gedeelten van gemeenten, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, is verboden. Deze aanwijzing wordt door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis gebracht.

In bijzondere gevallen kan Onze Commissaris in de provincie, daartoe door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken gemachtigd, speciale vergunning verleenen tot vervoer van een of meer der bovengenoemde voorwerpen, onder de door hem te bepalen voorwaarden.

Art. 2.

Het houden van schapenmarkten en openbare verkoo-pingen van schapen en het brengen van schapen op eenige markt mag, ook voor zoover het bij eenige provinciale of plaatselijke verordening is toegelaten, niet plaats hebben in gemeenten, waarvan de aanwijzing door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken door plaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis wordt gebracht.

Openbare verkooping van schapen van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene, blijft, ook in de aangewezen gemeenten, geoorloofd met schriftelijk verlof van den burgemeester, nadat de districtsveearts of plaatsvervangende districtsveearts aan dezen heeft gerapporteerd, dat de schapen aan geen besmettelijke veeziekte lijden.

Deze toestemming van den burgemeester geldt slechts gedurende 7 dagen na hare dagteekening.

Art. 3.

Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de plaatsing in het Staatsblad en de Staatscourant.

Onze minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig inde Staatscourant zal worden geplaatst en waar-

-ocr page 45-

35

van afschrift zal ■worden gezonden aan den Eaad van State.

Het Loo, den 7den November 1886.

(get.) WILLEM.

De Minister van Staat,

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

fyet.) heemskerk.

Uitgegeven den 12den November 1886.

KONINKLIJK BESLUIT van den 16den November 1SS4, (SM. no. 223), waarbij, met intrekking der Koninklijke hesluiten van 1 November 1881 (Sthl. no. 174) en G September 1882 (Sthl. no. 124), bepalingen ivorden vastgesteld omtrent het vervoer van vee langs spoor- en tramwegen en de ontsmetting van veewagens.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat uitbreiding der bepalingen omtrent het vervoer van vee langs spoorwegen tot dat langs tramwegen, noodzakelijk is gebleken;

Gelet op art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) en op Onze besluiten van 1 November 1881 (Stbl. no. 174) en van 6 September 1882 (Stbl. no 124);

Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenland-landsche Zaken, van Waterstaat, Handel en Nijverheid en van Financiën, van 18 Juli 1884, no. 1211, afdeeling medische politie, van 19 Juli 1884, litt. K, afdeeling waterstaat B, en van 22 Juli 1884, no. 03, invoerrechten en accijnzen;

Den Raad van State gehoord (advies van 14 October 1884, no. 18);

Gelet op het nader gemeenschappelijk rapport van Onze voornoemde Ministers, van 4 November 1884, no. 2512, afd. medische politie, van 8 November 1884, litt. D, afd. waterstaat B, en van 12 November 1884, no. 32, invoerrechten en accijnzen;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1.

Vervoer van vee langs spoor- en tramwegen mag alleen in daartoe uitsluitend bestemde wagens geschieden.

-ocr page 46-

36

Art. 2.

De besturen van spoor- en traimvegondememingen zijn verplicht wagens, waarin vee is vervoerd, na elk gebruik te doen reinigen en ontsmetten, met inachtneming van de voorschriften, door Ons vastgesteld of vast te stellen, krachtens art. 31 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131).

Dezelfde verplichting bestaat ten opzichte van alle voorwerpen , waarmede het vee op de terreinen van den dienst der onderneming in aanraking is geweest, als: loopplanken, emmers, voederbakken, touwen enz. en van het terrein, waar de in- en uitlading plaats heeft.

Ter voorziening in de kosten dier reiniging en ontsmetting kunnen de ondernemers van hen, wier vee zij vervoeren, eene geldelijke bijdrage vorderen; de ondernemers van spoorwegen nemen daarbij de bepalingen van hoofdstuk III der wet van 9 April 1875 (Stbl. no. 07) in acht, voor zoover hunne spoorwegen niet behooren tot die, voor welke art. 1 der wet van 9 Augustus 1878 (Stbl. no. 124) veroorlooft van eenige van die bepalingen af te wijken.

Art. 3.

Veewagens, uit den .vreemde binnenkomende, worden aan het grensstation door de zorg van de spoor- of tramwegondernemers gezuiverd en ontsmet, met inachtneming van de voorschriften, in de eerste zinsnede van het vorig artikel vermeld.

Art. 4.

Dit besluit is niet van toepassing bij het vervoer van tot het leger behoorende paarden.

Art. 5.

Onze besluiten van 1 November 1881 (Stbl. no. 174) en van 6 September 1882 (Staatsblad no. 124) worden ingetrokken. \'

Ons besluit van 19 October 1871 (Stbl. no. 104) blijft echter ingetrokken.

Art. 0.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en de Staatscourant.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken, Waterstaat, Handel en Nijverhand en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en

-ocr page 47-

37

gelijktijdig\' in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

\'s Geavenhage, den 16den November 1884.

(get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

(get.) heemskerk.

De Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid,

(get.) van den beegh.

De Minister van Financiën,

(get.) g e o b b e e.

Uitgegeven den 29sten November 1884.

(e) Het is niet wel mogelijk met name de bepalingen te noemen, die door provinciale of gemeentebesturen over dit onderwerp kunnen vastgesteld worden. Die besturen zullen bevoegd zijn^ al zoodanige maatregelen voor hunne provincie of gemeente omtrent de in dit artikel genoemde onderwerpen te nemen, die niet in strijd zijn met \'s Ko-nings voorschriften.

(Mem. van Beantw. Ie Kamer.)

— Bij het in werking treden op 1 Januari 1871 van de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), tot regeling van het veeartsenij kundig staatstoezicht en de veeartsenij kundige politie, vervallen de bestaande provinciale en gemeenteverordeningen betreffende de bij die wet geregelde onderwerpen, met uitzondering van die, welko betrekking hebben op de onderwerpen in artikel 15 genoemd, voor zoover die verordeningen niet in strijd zijn met de daaromtrent bestaande wettelijke voorschriften.

(Extract missive M. v. B. Z. dd. 14 December 1870, no. 172, 9e afd.)

Tegen overtreding der Koninklijke voorschriften, krachtens dit artikel gegeven, is straf bedreigd. Zie art. 35.

Art. 16.

Bij aangifte eener besmettelijke veeziekte door den eigenaar, houder of hoeder, of wanneer een stuk vee vermoed wordt door eene besmettelijke ziekte te zijn aangetast, doet de burgemeester onverwijld door den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van

-ocr page 48-

38

een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen door eenen geëxamineerden veearts (a) het zieke vee, of dat vermoed wordt ziek te zijn, onderzoeken. Deze geeft daarvan aan den burgemeester schriftelijk verslag en, zoo het geval hem blijkt van een besmettelijken aard te zijn, brengt hij daarbij advies uit omtrent de te nemen maatregelen tot beteugeling der ziekte, aan welk advies de burgemeester verplicht is, overeenkomstig de bepalingen dezer wet, onverwijld gevolg te geven, behoudens zijn beroep op onzen Minister van Binnenlandsche Zaken [b).

In gevallen van twijfelachtigen aard (c) wordt aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken terstond kennis gegeven. Deze beveelt een onderzoek en schrijft alle die bij de wet toegelaten maatregelen voor, welke door hem noodzakelijk worden geacht.

(a) Zie de aanteekeningen bij art. 14 onder letter c.

(hl Bij dit artikel wordt aan den veeartsenijkundigen ambtenaar niet meer macht toegekend dan dringend noodig is. Hij is de deskundige die te beslissen heeft, de burgemeester moet verplicht worden zijn advies te volgen, hetgeen te minder bezwaar heeft, omdat de districts-veearts bij het geven van dit advies gebonden zal zijn aan de voorschriften van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur bij art. 34 bedoeld. (Mem. van Toel.)

(c) Er is gevraagd: wie beoordeelt, of er gevallen van twijfelachtigen aard bestaan, hoe men tot de ontdekking komt dat die aanwezig zijn en wie daaromtrent onderzoek doet?

Een voorbeeld zal het best in staat zijn de verlangde opheldering te geven. De districts-veearts heeft een ziek beest onderzocht en vindt wel enkele kenteekenen die doen vreezen dat het door eene besmettelijke ziekte is aangetast, zonder evenwel met zekerheid daarover uitspraak te kunnen doen. Hij gelast afzondering van dat stuk vee, en geeft

-ocr page 49-

39

onverwijld keunis van liet geval aan den Minister; deze kan een nader onderzoek door een anderen deskundige bevelen en daarna de te nemen maatiegelen voorschrijven. (Mem. van Beantw.)

— Gevallen van twijfelachtigen aard, zijn die, waarin bij den districts-veearts twijfel bestaat omtrent den aard der ziekte, of omtrent de aan te wenden maatregelen.

(Extract-missive M. v. B. Z. dd. 14 Dec. 1870, no. 171, 9e afd.)

Art. 17.

Op last van den burgemeester wordt, zoo mogelijk ua overleg met den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen met eenen geëxamineerden veearts (a), de hoeve, het erf, de stal of weide, waar zich door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht vee bevindt of bevonden heeft, door of in tegenwoordigheid van een politiedienaar duidelijk kenbaar gemaakt; de kenteekenen, daartoe gebezigd, blijven daar geplaatst gedurende een tijd, door den burgemeester, na overleg met den districtsveearts, te bepalen, doch niet langer dan honderd dagen na het einde van het laatste geval (lgt;).

(a) Zie de aanteekeningen bij art. 14 onder letter c.

(ft) Het verplaatsen of onkenbaar maken dezer kenteekenen en het namaken of het bedriegelijk gebruik maken daarvan, is strafbaar gesteld. Zie artt. 35 en 39.

Art. 18.

De stof, vorm en grootte van deze kenteekenen worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld en door middel der Staatscourant ter openbare kennis gebracht (a).

-ocr page 50-

40

(a) De Minister van Binnenlandsche Zaken;

Gelet op art. 18 der wet van 20 Jnli 1870 (Stbl. no. 131);

Heeft goedgevonden te bepalen:

1°. dat de kenteekenen gebezigd om, volgens art. 17 dier wet, hoeven, erven, stallen of weiden aan te wijzen, waar zich door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht vee bevindt of bevonden heeft, zullen bestaan uit borden van ruw hout, aan eene zijde glad geschaafd. Deze borden zullen den vorm hebben van een rechthoek, waarvan de lange zijde een lengte heeft van acht decimeters, de korte van vier decimeters.

Op de gladgeschaafde zijde worden met zwarte verf de woorden Besmettelijke veeziekte geplaatst.

De letters moeten eene lengte hebben van een decimeter en een dikte van drie centimeters.

quot;Wanneer de districts-veearts het noodig acht den naam der ziekte te vermelden, wordt deze op het bord geplaatst.

2°. dat de sub 1 bedoelde borden op zoodanige plaatsen, als door den burgemeester, na overleg met den districtsveearts zullen worden aangewezen, ter hoogte van minstens twee en een halven meter boven den beganen grond, met spijkers zullen worden vastgehecht, zoo mogelijk aan daartoe geschikte voorwerpen, of, zoo de gelegenheid daartoe ontbreekt, aan houten palen, die te dien einde in den grond worden geplaatst.

\'s Gravexjiage , 24 December 1870.

(get.) F o c k.

(Decisie Min. v. Binnenl. Zaken dd. 24 December 1870i no. 380.)

Zie de aanteekening bij art. 17 onder lett. b.

Art. 19.

De burgemeester is verplicht om, op advies van den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedei-schende gevallen van eenen geëxamineerden veearts («), vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht of nadat liet hersteld is, van een merkteeken te doen voorzien [b).

-ocr page 51-

41

(a) Zie de aanteekeningen bij artikel 14 onder lett. c.\'

(amp;) Deze merkteekenen onkenbaar of na te maken of er bedriegelijk gebruik van te maken is strafbaar gesteld. Zie artt. 35 en 39.

Art. 20.

De werktuigen tot het merken van vee en de ken-teekeneu, bedoeld in art. 17, zijn voor rijksrekening in iedere gemeente aanwezig («).

(a) Het wegnemen, verplaatsen of onkenbaar maken van deze kenteekenen en het bedriegelijk gebruik maken dezer ken- of merkteekenen is strafbaar gesteld.

Zie artt. 35 en 89.

Art. 21.

Vervoer van vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, is verboden.

Wanneer echter dit vervoer noodzakelijk is, kan de burgemeester, den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen den geëxamineerden veearts («), gehoord, het vervoer doen plaats hebben onder de door dezen aan te wijzen voorzorgsmaatregelen (b).

(a) Zie de aanteekeningen bij art. 14 onder lett. c.

(b) Zie de missives van den M. v. B. Z. dd. 17 Aug. 1874, 9e afd., no. 234, en 11 Maart 1876, no. 37, 9e afd., bij art. 15.

—- De Burgemeester kan natuurlijk alleen ontheffing van dit verbod verleenen voor zooveel de gemeente betreft.

Is vervoer naar eene andere gemeente wenschelijk, dan zal de Burgemeester van die gemeente zijne toestemming moeten geven. (Mem. van Toel.)

■- Overtreding van dit artikel is strafbaar gesteld. Zie art. 35.

Art. 22.

Het vee wordt verdacht gehouden, wanneer de dis-

-ocr page 52-

42

trictsYesartsen daaraan kenteekenen meenen te bespeuren van eene besmettelijke ziekte, wanneer het door smetstof bezoedeld kan zijn, zich met aan eene besmettelijke ziekte lijdend vee in dezelfde verblijfplaats bevindt of sedert een termijn, voor elke ziekte in den alge-meenen maatregel van inwendig bestuur volgens art. 34 te bepalen {«), bevonden heeft, of daarmede in onmiddellijke aanraking is geweest.

De beide laatste bepalingen gelden echter alleen voor vee, dat voor dezelfde ziekte vatbaar is, waaraan het vee lijdt, waarmede het in dezelfde verblijfplaats is of geweest is, of waarmede het in onmiddellijke aanraking is gekomen.

(«) De tijd, gedurende welken het vee als verdacht wordt beschouwd, is bepaald bij art. 5 en de termijn bij dit artikel bedoeld is vastgesteld bij art. 6 van het Kon. Besl. van 14 Maart 1880 (Stbl. no. 3i). Zie dat besluit bij art. 34.

Art. 23.

Onverminderd de bepalingen der wet van 28 Augustus 1851 (Stbl. no. 125) voor alle andere gevallen van onteigening dan die van besmetting bij veeziekten, wordt, wanneer afmaking van vee noodig is, het besluit daartoe genomen door den burgemeester («).

Het vermeldt den eigenaar van het vee of houdt de verklaring in, dat de eigenaar den burgemeester onbekend is, en omschrijft het vee; het beveelt de onmiddellijke inbeslagneming daarvan en moet berusten op het verslag van den districtsveearts, in art. 16 bedoeld.

(a) De bepalingen van de onteigeningswet zijn bij het

-ocr page 53-

43

heersclien der runderpest gebleken te langzaam te werken. De daarvoor in de plaats gestelde bepalingen der wet van den 19 April 1867 hebben nooit tot ernstige moeielijk-heden aanleiding gegeven, niettegenstaande de ruime ondervinding die men daaromtrent heeft kunnen opdoen. (Mem. van Toel.)

Art. 24.

De afmaking geschiedt niet dan na voorafgaande onteigening.

Alvorens tot onteigening ter afmaking over te gaan, benoemt de burgemeester een deskundige om het vee te waardeeren («), waarbij moet worden in acht genomen, dat voor verdacht vee de volle waarde (6), voor vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast, de helft der waarde, die het in gezonden toestand zou hebben, wordt berekend.

De toestand van ziek of verdacht wordt, wat de vergoeding betreft, beoordeeld naar het oogenblik dat het vee in het bezit van den burgemeester overgaat.

Wanneer de burgemeester of de eigenaar of beiden geen genoegen nemen met de waardeering (van welke omstandigheid de burgemeester in zijn straks te noemen proces-verbaal melding maakt), benoemt de kantonrechter terstond bij eenvoudige beschikking, op een verzoek van den burgemeester, twee deskundigen, die met den eersten deskundige beslissen bij meerderheid.

De, hetzij volgens het tweede of volgens het vierde lid van dit artikel, getaxeerde prijs wordt den eigenaar aangeboden en, bij weigering of ontstentenis van den

-ocr page 54-

44

eigenaar, in handen van den gemeente-ontvanger gedeponeerd.

Voor het doen der in dit artikel vermelde aanbieding, zijn de vormen, voorgeschreven bij het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Kechtsvor-dering, niet toepasselijk; de aanbieding Avordt, evenals de andere in dit artikel genoemde handelingen des burgemeesters of die, waarbij deze tegenwoordig is, geconstateerd bij proces-verbaal van den burgemeester op zijn ambtseed opgemaakt.

Zoowel de burgemeester als de eigenaar kan vorderen dat de deskundige of ieder der deskundigen, alvorens te waardeeren, den eed of de belofte aflegge van naar zijn beste weten de waardeering te zullen doen (c). Deze eed of belofte wordt in handen van den burgemeester afgelegd.

Bij afwezigheid van den eigenaar, wordt hij, ten opzichte der bepalingen van dit artikel, vervangen door zijnen gemachtigde ter plaatse waar het vee zicli bevindt, of zoo deze ontbreekt, door den houder of hoeder van het vee.

De koopprijs wordt evenwel ten behoeve van afwezige eigenaars altijd gedeponeerd bij den gemeente-ontvanger.

(a) De waardeering van het vee, dat onteigend racet worden en de afmaking, raceten niet aan eigenaars, houders of hoeders van vee opgedragen worden. Tegen te hocge waardeering moet worden gewaakt; bij twijfel daaromtrent make de burgemeester gebruik van het recht, hera bij de vierde alinea van art. 24 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) gegeven.

(Extract-missive M. v. B. Z. dd. 12 Jan. 1877, no. 65, 9e afd.) •

-ocr page 55-

45

— Uit de verliooren voor de commissie van enquête omtrent de besmettelijke longziekte onder het rundvee is gebleken, dat bij de afmaking van rundvee, door longziekte aangetast of daarvan verdacht, niet altijd de noodige voorzorgen worden genomen tot voorkoming van verbreiding der besmetting. Ik verzoek U derhalve de burgemeesters in Uwe provincie voor te schrijven om, ingeval in hunne gemeente rundvee na onteigening wordt afgemaakt, daarbij het volgende in acht te nemen:

1°. De afmaking geschiede steeds onder voldoend en streng politietoezicht. Geene andere personen mogen daarbij tegenwoordig zijn, dan die er niet bij gemist kunnen worden.

2°. De personen, die bij de afmaking tegenwoordig zijn geweest, moeten, eer zij het terrein verlaten, ontsmet worden volgens de regelen, voorgeschreven bij Kon. Besl. van 4 December 1870 (Stbl. no 191). 1)

3°. Voorts moet de plaats waar de afmaking geschied is en moeten de gereedschappen, die bij de afmaking gebezigd zijn, de gebouwen waar het vee gestaan heeft en de voorwerpen die er mede in aanraking zijn geweest, de laatste voor zoover vernietiging na onteigening niet de voorkeur verdient, volgens voormelde regelen zorgvuldig worden gezuiverd en ontsmet.

4°. De borst en buiksingewanden moeten ten spoedigste worden verbrand of begraven, mede volgens voormelde regelen. Alleen aan den districts-veearts of zijn plaatsvervanger worde vergund entstof uit de longen, zoo deze daarvoor geschikt zijn, te verzamelen.

5°. De huiden moeten onmiddellijk volgens meergemelde regelen worden ontsmet.

6°. Het vleesch en de huiden der afgemaakte runderen moeten niet verkocht worden dan minstens 12 uren na de afmaking.

7°. De verkooping van het vleesch en de huiden der afgemaakte runderen geschiede, zoo dit eenigszins mogelijk is, op eene andere plaats dan die, waar de afmaking heeft plaats gehad. Is die niet wel mogelijk of zijn er

1

Het besluit van 4 December 1870 (Stbl. no. 191) is ingetrokken en vervangen door dat van 9 Juni 1885 (Stbl. no. 125). Zie dat besluit hierna bij ait. 31.

-ocr page 56-

4G

gegronde bezwaren tegen, dan geschiede de verkoop niet dan nadat de ontsmetting snb 3° bedoeld en de verbranding en de begraving van borst en buiksingewanden is afgeloopen.

8°. Bij de afmaking van wegens longziekte verdacht vee worde aanteekening gehouden van het aantal van deze runderen, waarvan de longen reeds de kenteekenen ver-toonen van besmettelijke longziekte. De burgemeester make hiervan melding in de opgaven, die ik binnen 24 uren na de afmaking rechtstreeks van hem tegemoet zie, omtrent den datum der afmaking, het getal der afgemaakte longzieke of verdachte runderen en het bedrag der voor iedere categorie afzonderlijk, uitbetaalde schadeloosstelling.

(Missive M. v. JB. Z. dd. 5 Januari 1878, no. 37, afd. M. P.)

(b) Men wil de volle waarde voor verdacht vee geven, opdat zoo spoedig mogelijk de aangifte gescliiede. Bij aanneming van het amendement zou die prikkel niet bestaan. Immers als de veehouder niet weet welke waarde voor zijn verdacht vee wordt gegeven, zal hij in den regel de aangifte zoo lang mogelijk uitstellen, zonder nog te vervallen in de strafbepalingen. Weet hij daarentegen die waarde, hij zal spoedig aangifte doen en de autoriteit zal maatregelen kunnen nemen.

(Redevoering M. v. B. Z. 2e Kamer Staten-Generaal).

— De vraag of de eigenaar ook dan schadeloosstelling ontvangt, als de houder of hoeder geen aangifte der ziekteverschijnselen heeft gedaan, moet ontkennend beantwoord worden. De eigenaar moet zich niet kunnen verschuilen achter de achteloosheid van den houder of hoeder, aan wien hij de noodige instructie kan geven. (Mem. van Beant.)

(c) Het schijnt wenschelijk het afleggen van een eed door den schatter niet verplichtend te maken. In het algemeen toch verdient het al te zeer vermenigvuldigen van eedsafleggingen geen goedkeuring. (Mem. van toel.)

Art. 25.

Wanneer tot afmaking moet worden overgegaan, of ziektegevallen zijn voorgekomen, die daartoe aanleiding hadden kunnen geven, is de burgemeester verplicht te onteigenen en te vernietigen de voorwerpen, door

-ocr page 57-

47

den districtsveearts of. bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedei-sclieude gevallen door een geëxamineerd en veearts («) aan te -wijzen (b). Deze onteigening geschiedt op de wijze in art. 24 vermeld. Het besluit daartoe wordt genomen op gelijke wijze als dat in art. 23 bedoeld, en daarbij kan de inbeslagneming der voorwerpen bevolen worden.

(a) Zie de aanteekeningen bij art. 14 onder lett. c.

{b) Het scheen niet raadzaam de voorwerpen op te noemen, waarvan onteigening noodig is. De bepaling daarvan blijve aan den districts-veearts. (Mem. van toel.)

Art. 26.

De eigenaar van volgens deze wet afgemaakt vee of van onteigende voorwerpen in art. 25 genoemd, die den aangeboden prijs niet heeft aangenomen, kan dien nog gedurende zes maanden bij den gemeenteontvanger in ontvang nemen.

Na verloop van dezen termijn wordt de som in de kas der gerechtelijke en vrijwillige consignatiën gestort (a). Het bewijs van uitbetaling aan den rechthebbende of van storting in de consignatiekas wordt door den gemeente-ontvanger aan de Algemeene Kekenkamer gezonden.

Voor het overbrengen der gelden naar de consignatiekas zijn de vormen, voorgeschreven bij art. 1442 van het Burgerlijk Wetboek, niet toepasselijk. * De onteigende kan zich, gedurende vijf jaren na de consignatie, aan de consignatiekas aanmelden om alsnog de som te ontvangen. In dat geval worden

-ocr page 58-

48

hem de kosten van overbrenging in consignatie^ door het rijk voorgeschoten, gekort. Na verloop van deze vijf jaren is de vordering van den eigenaar (U) verjaard en vervalt de som aan het rijk.

De kosten blijven in dat geval ten laste van het rijk.

(a) De storting behoort te gescliiecleu bij den oatvanger der registratie van de gerechtelijke akten in de hoofdplaats van het arrondissement.

(Art. 4 van het Kon. Besl. dd. 1 Dec. 1843, no. 45).

{b) Eigenaar. Blijkens het voorloopig verslag 1868/18C9 werd er gevraagd of het gebruik van dat woord hier ter plaatse wel goed was? Er is immers reeds onteigend — zeide men — en men behoorde dus eigenlijk van den gewezen of vorigen eigenaar te spreken? Deze opmerking-is onbeantwoord gebleven.

Art. 27.

De aanspraak op vergoeding wegens de onteigeningen krachtens de artt. 24 en 25 vervalt, wanneer de bij art. 13 voorgeschreven aangifte of de bij art. 14 voorgeschreven afzondering is verzuimd, of wanneer de eigenaar binnen den verboden termijn vee heeft gebracht of doen brengen op stallen, hoeven of weiden , waar eene besmettelijke ziekte heeft geheerscht, of op eenige wijze zijn vee opzettelijk in verdachten toestand heeft gebracht ol doen brengen («).

In geval van bevinding van een dezer strafbare feiten (b) wordt de vergoeding wel volgens artt. 24 en 25 bepaald, maar bij den gemeente-ontvanger ge-seqnestreerd tot na afloop van die strafzaak.

Ingeval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging begint de termijn, vermeld in de eerste alinea van art. 26, van de uitspraak van het eindvonnis (c).

-ocr page 59-

49

In dat geval zendt de gemeente-ontvanger met de quitantie van den onteigende een ongezegeld afschrift van het eindvonnis, waarbij de strafzaak in diens voordeel is uitgewezen, aan de Algemeene Eekenkamer.

(a) Er is gevraagd of de bepaling, dat de eigenaar geen aanspraak lieeft op vergoeding van liet vee ien aandien waarvan hij in overtreding is bevonden, op geheel don koppel slaat, dan wel op die stuks vee, waaromtrent de overtreding eigenlijk heeft plaats gehad. Dit zal van de omstandigheden afhangen. Is het besmette stuk vee wel afgezonderd geworden, maar is alleen de aangifte verzuimd, dan is de eigenaar of houder alleen in overtreding ten opzichte van het besmette vee. Heeft hij daarentegen ook de afzondering nagelaten, dan is hij ook daaromtrent in overtreding.

Dergelijke gevallen hebben zich bij de toepassing der wet van 19 April 1867 reeds voorgedaan en dan is steeds in den zooeven vermelden zin beslist.

Er is Opgemerkt, dat het bij afwezigheid van den eigenaar, te hard zou zijn dezen te straffen voor eene niet door hem gepleegde overtreding. Die hardheid vervalt wanneer men in aanmerking neemt, dat hij aan den houder of hoeder van zijn vee gedurende zijne afwezigheid voorschriften kan geven hoe ingeval van besmetting gehandeld moet worden. (Mem. van toel.)

— De eigenaar, van wiens vee geene aangifte is gedaan, zal niet onder de strafbepaling vallen, want deze is gericht tegen liet niet doen der aangifte door dengene, die er krachtens art. 13 der wet toe verplicht is Het geldt hier alleen het bekomen der vergoeding. (Handelingen.)

(b) Bij art. 10, 20° der wet van 15 April 1886 (Stbl. no. 64) is het woord „misdrijvenquot; vervangen door strafbare feiten.

(c) Deze termijn is aldaar bepaald op zes maanden.

Art. 28.

De schadevergoeding wordt uit de gemeentekas voorgeschoten, waartoe aan den burgemeester, met

4

-ocr page 60-

50

de onteigening belast, op zijne aanvraag het vereischte bedrag door den gemeente-ontvanger tegen quitantie wordt ter hand gesteld. Het voorschrift der tweede zinsnede van art. 114 der wet van 29 Juni 1851 (Stbl. no. 85) geldt daarbij niet.

Zoo de burgemeester ten genoegen van Onzen Commissaris in de provincie aantoont, dat de kas dei-gemeente ontoereikend is voor de betaling of aanbieding, bedoeld in de artt. 24 en 25, worden hem de daarvoor benoodigde gelden ter goeder rekening uit \'s rijks schatkist verstrekt («).

Deze verstrekkingen zijn niet aan de voorafgaande verevening der Algemeene Rekenkamer onderworpen. Evenmin is de bepaling van art. 51 der wet van 5 October 1841 (Stbl. no. 40) daarop van toepassing.

De burgemeester is niet gehouden deswege borgtocht te stellen, doch verplicht van de ter goede rekening ontvangen gelden binnen twee maanden na de dagteekening van het stuk, waarop hem die zijn uitbetaald, rekening te doen aan de Algemeene Eekenkamer, overeenkomstig de bepalingen der in de vorige zinsnede aangehaalde wet.

Van iedere verstrekking wordt door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aan gemeld college mede-deeling gedaan.

Dit artikel is ook toepasselijk op alle onkosten, waartoe de onteigening aanleiding geeft, zoomede op de kosten van aanschaffing van kalk, brandstof of andere zelfstandigheden, die bij het begraven, ver-

-ocr page 61-

51

branden of onbruikbaar maken van afgemaakt of gestorven vee worden aangewend, alsmede op de kosten tot zuivering en ontsmeting van stallen en andere gebouwen (b).

(a) Het voorschieten van de onteigeningssom uit de gemeentekas is geheel in overeenstemming met de wet van 28 Augustus 1851 (Stbl. no. 125). Niet dan bij gebleken noodzakelijkheid moet van die bepaling worden afgeweken (Mem. van Beantw.).

— Het toestaan van gelden ter goede rekening uit \'s rijks schatkist is een maatregel, die alleen iu gevallen van dringende noodzakelijkheid is goed te keuren. Wanneer de gemeentekas hot voorschot dragen kan, moet men niet tot eene zoo buitengewone handelwijze zijn toevlucht nemen (Mem. van toel.).

— Uit de opbrengst der verkoopingen van vleesch mogen geene onteigeningskosten worden bestreden; ware de voor laatstgenoemde kosten tor goede rekening verstrekte som te gering, een suppletoire assignatie is dan aan te vragen.

(Extractmiss. M.v. B. Z.,dd. 12 Maart 1872,no. 11G, le afd.)

{b) Door onderscheidene burgemeesters worden in hunne verantwoordingen wegens ter goede rekening ontvangen gelden in zake besmettelijke veeziekten, onkosten in uitgaaf gebracht, welke niet zijn vermeld in art. 28 der wet van 20 Juli 1870, (Stbl. 131).

Voornamelijk is dit het geval met de kosten van inenting, bedoeld in art. 1 van het Kon. Besl. van 17 April 1874, (Stbl. 59). \')

Daar bedoelde onkosten steeds door de Algem. Eekenkamer in de verantwoordingen worden geroyeerd, komt het mij wenschelijk voor, zoo ter vermijding van noode-looze schrifturen, als van den omslag verbonden aan de storting, dat uit gemelde gelden geene andere kosten worden bestreden, dan die genoemd zijn in art. 28 van gemelde wet.

Gelief de burgemeesters in uwe provincie in dien zin aan - te schrijven, met mededeeling dat voor dergelijke onkosten

\') Het aangehaalde besluit is ingetrokken en vervangen door dat van 3 Februari 1877, (Stbl. no. 17); zie dat besluit bij art. 15.

-ocr page 62-

52

door lien voorscliot-doclaratiën in duplo opgemaakt en door quitantiën gestaafd, door mve tusschenkomst aan mijn departement kunnen worden ingezonden.

Voor zoover ze kosten van inenting betreffen zal, zoo de verklaring van den veearts, waarbij de inenting is gelast, bij eene verantwoording aan de Eekenkamer is overgelegd, zulks uit de declaratie moeten blijken. 1)

(Missive M. v. B. Z., dd 1 October 1874, le afdeeling, no. 13.)

Art. 29.

Wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld, worden besmette hoeven of weiden zoo noodig («) met inbegrip der naast aangelegen landerijen of erven, op last van den burgemeester, die daartoe de hulp van de militaire macht kan inroepen, afgesloten (b).

Vervoer uit en naar het in dien afgesloten kring besloten terrein van de voorwerpen, bij den alge-in eenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 34, aangewezen, is verboden (c).

Uitzonderingen op dit verbod kunnen in zeer bijzondere gevallen door Onzen Commissaris in de provincie worden verleend.

De kleederen der personen, die het bovengemelde terrein verlaten, worden vooraf ontsmet.

(a) Het voorschrift is dus niet imperatief en het zal alzoo afhangen van het oordeel van den districtsveearts en van den burgemeester, of ook tot de afsluiting van de aangrenzende landen of erven moet worden overgegaan. (Eedevoering M. v. B. Z. 2e Kamer Staten-Generaal.)

\') Zie de missive van den M. v. B. Z., dd. 28 October 1874, bij art. 15.

-ocr page 63-

53

(b) KONINKLIJK BESLUIT van den SOsten April 1885, no. 36, omtrent het uitzenden van detachementen als hulp-marechaussée naar gemeenten waar besmettelijke veeziekte heerscht.

quot;Wij WILLEM III, enz.

Het in het algemeen belang wenschelijk achtende bepalingen te maken ter uitvoering van het gestelde in de eerste alinea van art. 29 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), tot regeling van het veeartsenijkundig staatstoezicht en de veeartsenij kundige politie;

Op de voordracht van Onze Ministers van Oorlog, van Binnenlandsche Zaken en van Justitie, van 22 April 1885, lie afd, no. 25, van 25 April 1885, no. 1410, afd. Medische Politie, en van 27 April 1885, no. 113, 3e afd.;

Hebben goedgevonden en verstaan:

A. In te trekken Onze besluiten van 7 en 25 September 1865, nos. 61 en 50, betreffende het uitzenden van detachementen als hulpmarechaussée naar gemeenten waar de veeziekte heerscht.

B. Te bepalen:

1°. In gemeenten waar zich veeziekte voordoet en in alle andere plaatsen waar zulks door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken noodig of dienstig mocht worden geoordeeld, zullen ter bevordering van de uitvoering der reeds genomen of nog te nemen maatregelen tegen de verspreiding dier ziekte, detachementen militairen als hulpmarechaussée kunnen worden verstrekt van zoodanige sterkte en voor zoo langen tijd als de omstandigheden zullen vorderen;

2°. het daartoe noodige getal officieren en minderen zal, na overleg met Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, door Onzen Minister van Oorlog worden beschikbaar gesteld;

3°. op de officieren en onderofficieren, hieronder begrepen de korporaals die deel van voorzegde detachementen zullen uitmaken, zal toepasselijk zijn het Koninklijk besluit van 13 Februari 1845, no. 55 (Stbl. no. 8), betreffende de be-eediging van officieren en onderofficieren bij het wapen „der marechaussee, als ambtenaren belast met het opsporen van misdrijven en als hulpofficieren van justitie;

4°. enz.

Onze Ministers van Oorlog, van Binnenlandsche Zaken en van Justitie, zijn ieder voor zooveel hem betreft, belast

-ocr page 64-

54

met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister van Financiën en aan de Algemeene Eekenkamer.

Het Loo, 30 April 1885.

(get.) WILLEM.

De Minister van Oorlog,

(get.) weitzel.

De Minister van Binnenlandse]ie Zaken,

(get.) heemskerk.

De Minister van Justitie,

(get.) dtt totje vah belliwchave.

KONINKLIJK BESLUIT van 25 Februari 1877, no. 25, houdende maatregelen tot wering der veeziekte.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat de uitbreiding van besmettelijke veeziekte in een naburig rijk strenge handhaving eischt van de tot afwering genomen maatregelen;

Op de voordracht van Onze Ministers van Justitie, van Binnenlandsche Zaken en van Financiën van 22 Februari 1877, 3e afd., no. 112 B, van 23 Februari 1877, lett. F, IXe afd., en van den 24 Februari 1877, no. 44, In- en Uitgaande Eechten en Aceijnsen;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

1°. aan alle ambtenaren van \'s rijks belastingen wordt opgedragen om te waken voor de handhaving van de maatregelen, genomen of nog te nemen ter bestrijding der besmettelijke veeziekte;

2°. van elke overtreding van de tot die ziekte betrekkelijke verordeningen wordt door hen procesverbaal opgemaakt op den eed, bij den aanvang hunner bediening afgelegd.

Dit besluit treedt dadelijk in werking.

Onze Ministers van Justitie, van Binnenlandsche Zaken en van Financiën zijn, ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Algemeene Eekenkamer tot informatie.

\'s Geavenhage, 25 Februari 1877.

(get.) WILLEM.

De Minister van Justitie,

(get.) van lijndenquot; van sandenbueg.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

(get.) hee3iskeek.

De Minister van Financiën,

(gei.) h. j. v. d. heim.

-ocr page 65-

55

(c) Bij art. 7 van het Kon. besluit van 14 Maart 1880, (Stbl. no. 31), zijn verbodsbepalingen vastgesteld omtrent vervoer van vee en voorwerpen uit of naar afgesloten besmette hoeven of weiden. Zie dat besluit hierna bij art. 34.

Vervoer, in strijd met dit artikel, is strafbaar gesteld. Zie art. 35.

Art. 30.

Bij het heerschen van besmettelijke veeziekten, kan, in de gevallen aan te wijzen bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 34, het vastleggen of vasthouden van honden worden geboden in de gemeente of een gedeelte der gemeente waar die ziekte voorkomt, en des noodig in naburige gemeenten («).

De burgemeester brengt op advies van den districtsveearts het ingaan van dit gebod ter openbare kennis, en kondigt evenzeer de opheffing van het gebod aan, 30 dagen nadat het laatste geval van ziekte zich heeft voorgedaan.

Losloopende honden in die gemeenten of gedeelten van gemeenten kunnen door de ambtenaren van politie worden gedood.

Van de verplichting om honden vast te leggen of vast te houden, kan Onze Commissaris in de provincie, den burgemeester en den districtsveearts gehoord, in gemeenten of gedeelten van gemeenten ontheffing ver-leenen.

(a) De bepaling dat in sommige gevallen de honden vastgelegd moeten worden, wordt thans beperkt tot de gemeente die besmet is of een gedeelte daarvan. Dit schijnt inderdaad voldoende. (Mem. van Toel.)

-ocr page 66-

56

Bij art. 3 van liet Kon. besl. van 14 Maart 1880, (Stbl.no. 31), is bepaald, dat het vast leggen of vast houden van honden kan worden geboden bij het heerschen van veepest of van longziekte. Zie dat besluit bij art. 34.

Het laten los loopen der honden, in strijd met dit artikel, is strafbaar gesteld. Zie art. 39.

Art. 31.

Omtrent de verplichting tot en de plaats en wijze van begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens deze wet afgemaakte of aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee, en van andere voorwerpen en de ontsmetting der stallen en andere gebouwen en onschadelijkmaking van mestvaalten, worden de voorschriften gevolgd, door Ons gegeven of te geven (a).

De ontsmetting heeft plaats ten koste van het rijk op aanwijzing en onder toezicht van den districtsveearts (b).

De ontsmetting behoort afgeloopen te zijn binnen 14 dagen nadat het laatste ziektegeval is geconstateerd.

Deze termijn kan door Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken, waar dit noodig blijkt, worden verlengd.

Wanneer de begraving of de verbranding door eenige omstandigheid onmogelijk is op het erf of het land, waar het stuk vee gestorven of afgemaakt is, en geen erf in de gemeente voor den burgemeester beschikbaar is, doet deze de begraving plaats hebben ter naaster lage en vergoedt de daardoor eventueel veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond.

quot;Wanneer liet vee in een stal of eene schuur is ge-

-ocr page 67-

57

storven of afgemaakt en geen gemeentegrond beschikbaar is, wijst de burgemeester een terrein aan voor de begraving of verbranding op minstens 50 meters van stallen, woningen of drinkwaterputten gelegen en vergoedt de daardoor eventueel veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond.

Bij verschil over het bedrag der schade, in de beide vorige zinsneden bedoeld, wordt deze door den kantonrechter begroot bij beschikking op verzoek van de meest gereede partij, zonder hooger beroep.

(a) KONINKLIJK BESLUIT van den Oden Juni 1885 (Sthl. no. 125), houdende voorschriften betreffende het begraven, verbranden of op andere icijxe vernietigen van het volgens de wet van 20 Juli 1870 (SM. no. 131) afgemaald, aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht vee, of volgens de wet van 5 Juni 1875 (Stbl. no. 110) afgemaakte honden en katten, en van andere voorwerpen en de ontsmetting van stallen en andere gebouiven en het onschadelijk maken van mestvaalten.

quot;Wij WILLEM III, enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Bmnenlandsche Zaken, van 20 Aprill885, no. 1018, afd. Medische Politie;

Gelet op art. 31 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) en op art. C der wet van 2 Juni 1875 (Stbl. no. 94);

Den Raad van State gehoord (advies van 26 Mei 1885, no. 9);

Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 3 Juni 1885, no. 1795, afd. Medische Politie;

Hebben besloten en besluiten:

Art. 1.

Omtrent het begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht of volgens de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) afgemaakt vee, van aan dolheid gestorven of wegens dolheid gedoode of volgens de wet van 5 Juni 1875 (Stbl. no. 110) afgemaakte hon-

-ocr page 68-

58

den en katten en van besmette voorwerpen; liet ontsmetten van stallen en andere gebouwen, van huiden van dieren, van kleederen van personen, en andere voorwerpen, alsmede van veewagens en ladingsterreinen van spoor- en tramwegen, en liet onschadelijk maken van mestvaalten, gelden de bij dit besluit gevoegde voorschriften, die geacht worden daarmede een geheel uit te maken.

Art. 2.

Onze besluiten van 4 December 1870 (Stbl. no. 191) en 6 April 1882 (Stbl. no. 49) zijn ingetrokken.

Art. 3.

Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin het geplaatst is.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Nederlandsche Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Eaad van State.

Karlsbad, den 9den Juni 1885.

(get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

(get.) heemskerk.

Uitgegeven den 3den Juli 1885.

VOORSCHRIFTEN betreffende;

1°. het begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht of volgens de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) afgemaakt vee en gedeelten van zulk vee, van aan dolheid gestorven of wegens dolheid gedoode, of volgens de wet van 5 Juni 1875 (Stbl. no. 110) afgemaakte honden en katten, en van besmette voorwerpen;

2°. het ontsmetten van stallen en andere gebouwen, van huiden van dieren, van kleederen van personen en andere voorwerpen, alsmede van veewagens en ladingsterreinen van spoor- en tramwegen;

3°. het onschadelijk maken van mestvaalten. § 1. Het vernietigen van vee, van gedeelten van vee, van honden en katten en van besmette voorwerpen door begraven, verbranden of op andere wijze.

a. Verbrand moet bij voorkeur worden: vee dat aan

-ocr page 69-

59

miltvuur lijdende gestorven of gedood is, vee dat aan veepest lijdende afgemaakt of gestorven is, de borst-en buiks-ingewanden van runderen, die aan besmettelijke longziekte lijdende afgemaakt of gestorven zijn; besmet strooisel, droge mest, hooi, stroo, riet; besmette en door gebrekkige gesteldheid en geringe waarde niet voor ontsmetting geschikte stalgereedschappen, tuigen, dekkleeden van vee, kleederen van mensehen en gedeelten van houtwerk uit stallen en andere gebouwen.

Aan het verbranden van het bovengenoemde moet bepaald de voorkeur boven het begraven gegeven worden in alle gevallen, waar de gesteldheid van den bodem het op behoorlijke diepte begraven niet toelaat en waar voor het begraven van aan miltvuur gestorven vee geen ander terrein dan wei-, bouw- of moesland ter beschikking is. Indien wegens gevaar voor de veiligheid van nabij zijnde gebouwen of gewassen, of wegens een te groot aantal te vernietigen dieren, of wel door andere omstandigheden het verbranden niet op voldoende wijze geschieden kan, heeft begraving plaats.

Na verbranding wordt het niet geheel door vuur verteerde overschot begraven, zoo mogelijk één meter diep.

h. Waar de gelegenheid bestaat om, zonder te groote kosten of andere bezwaren, van vervoer enz., dood vee of gedeelten daarvan te vernietigen door inwerking van kokend water of stoom in gesloten ruimten, moet hieraan de voorkeur gegeven worden boven het verbranden in de open lucht.

c. Bij hot begraven van vee worden te voren de huid en het vleesch geheel onbruikbaar gemaakt door elkander kruisende inkervingen, die tot diep in het vleesch moeten indringen en waarin gegoten worden ruw carbolzuur of wel kooit eer en petroleum. Het vee, de honden en katten en de mede te begraven voorwerpen worden in den kuil overgoten met carbolwater (waarvan de samenstelling in § 2 voorgeschreven is), daarna gelijkmatig bestrooid met eene één decimeter dikke laag gebrande kalk en vervolgens met eene één meter dikke laag aarde bedekt.

, Waar zulks door den burgemeester in overleg met den districts veearts noodig wordt geacht, moet de begraafplaats onmiddellijk na de begraving door eene stevige omheining, die voor vee ondoordringbaar is, afgesloten en gedurende een jaar afgesloten gehouden worden.

-ocr page 70-

GO

Het binnentreden van de omheinde begraafplaats of het ontsluiten der omheining is binnen dat tijdperk verboden, behalve met verlof of op last van den burgemeester. § 2. Het ontsmdtmvan huiden, van stalleyi en andere gebouwen, van Ueederen van personen en andere voorwerpen, alsmede

van veewagens en ladingsteireinen van spoor- en tramwegen.

A. De ontsmettingsmiddelen.

Als ontsmettingsmiddelen worden uitsluitend de volgende gebruikt:

а. Hitte, en wel:

1. Vuur, als gloeiend of vlammend vuur, om vuurvaste metalen voorwerpen een lichten graad van roode gloeihitte te doen ondergaan, of als de vlam eener blaas- of schroei-lamp om de oppervlakte van voorwerpen af te zengen of af te schroeien (zoogenaamd flambeeren).

2. Stoom.

3. Kokend water.

h. Scheikundig werkende stoffen, en wel:

4. Sublimaat (kwikchloride, chloretum hydrargyricum) als sublimaatwater, waaronder voor dit doel verstaan moet worden eene oplossing van 1 deel op 5000 deelen water of 1 gram per 5 liter water.

5. Carbolzuur als carbolwater, waaronder voor dit doel verstaan moet worden eene oplossing van 1 deel ruw carbolzuur, dat ongeveer 50 pet. carbolzuur bevat, in 10 deelen water, of wel eene oplossing van 1 deel zuiver carbol-of phenylzuur in 20 deelen water.

б. Chloorkalk in den vorm van poeder, van choorkalk-melk, gemaakt door vermenging van 1 deel chloorkalk met 10 deelen water en ter bereiding van chloorgas door vermenging van 1 gewichtsdeel chloorkalk met H gewichts-deelen ruw zoutzuur.

7. Zwaveligzuurgas, bereid door verbranding van pijp-zwavel in stukjes, bevochtigd met methylalcohol.

8. Gebrande kalk in den vorm van stukjes en grof poeder en van kalkmelk, de laatste gemaakt door vermenging van 1 deel gebrande kalk met 10 deelen water.

c. Voorafgaande reiniging van te ontsmetten voorwerpen.

Om de uitwerking der ontsmettingsmiddelen, inzonderheid der scheikundige, zoo volledig mogelijk te maken, moet aan de aanwending daarvan eene reiniging voorafgaan, wanneer hetgeen ontsmet moet worden bedekt is

-ocr page 71-

G1

met vuil of aanklevende dierlijke stof, die eene grondige ontsmetting bemoeilijkt of verhindert.

Behalve het verwijderen der onreinheden door afvegen, afschuren, afkrabben, afschaven enz., en door afwasschen, afschuieren, afschrobben, enz. met koud of met heet water, worden als reinigingsmiddelen gebruikt:

Groene zeep, opgelost in heet water tot een sterk zeepsop, en potaschloog of sodaloog, bereid door 1 deel ruwe potasch of ruwe soda, op te lossen in 20 deelen kotend water, er onder te roeren 1 deel gebrande kalk, die te voren door bevochtiging mot water tot poeder uiteengevallen is, en na bezinking der kalk de oplossing af te gieten.

Ingeval van ziekten van dieren, die voor den mensch door besmetting gevaar kunnen opleveren, moet reiniging met ontsmetting gepaard gaan.

B. De ontsmettingswij zen.

I. Stallen en andere gebouwen en zicli daarin bevindende voorwerpen.

Uit de stallen en andere gebouwen worden eerst verwijderd en met de noodige voorzorgen tegen verspreiding van smetstof vervoerd: mest, strooisel, voeder en alle andere te verbranden of te begraven voorwerpen, alsmede het grove vuil, dat van de zoldering, wanden en vloer afgenomen en daarna onverwijld met een der scheikundige ontsmettingsmiddelen in ruime hoeveelheid vermengd moet worden.

Muur-, steen- en pleisterwerken, houtwerk en houten stalgereedschappen, ijzer- en ander metaalwerk worden gereinigd met heet zeepsop of wel met heete potaschloog of sodaloog en ontsmet met sublimaatwater of carbolwater.

Los ijzerwerk behoeft enkel gegloeid te worden.

Het nauwkeurig en sterk afzengen of afschroeien (flam-beeren) is op zichzelf voldoende ter ontsmetting van houtwerk en metaalwerk.

Dekkleeden, touwwerk, enz. worden door stoom ontsmet of wol met heet sterk zeepsop of heete verdunde sodaloog o (1 deel loog op 3 deelen water) gereinigd en met subli-maatwater of carbolwater ontsmet. Lederwerk wordt met warm zeepsop of koude verdiuide sodaloog gereinigd en met ter halve sterkte verdunde chloorkalk melk of met sublimaatwater ontsmet.

-ocr page 72-

C2

Haron kussens mogen enkel ontsmet worden door kokend water of stoom.

Aarden vloeren worden minstens 20 cgt;I. diep uitgegraven. de bodem met sublimaatwater, carbolwater, chloorkalk of gebrande kalk ontsmet en daarna ter dikte der uitgegraven laag met nieuwen grond bedekt, die vast wordt aangestampt.

Losse steenen vloeren worden opgebroken en de ondergrond als aarden vloer behandeld, met reiniging en ontsmetting van de weder te bezigen steenen, of wel in de voegen diep uitgekrabd, door afschrobben met heet sterk zeepsop of met heete potaschloog gereinigd en met sublimaatwater of carbolwater ontsmet.

Gemetselde en cementvloeren worden na reiniging op de genoemde wijze met sublimaatwater of carbolwater begoten, of wel dik bestreken met chloorkalkmelk of kalkmelk.

Houten vloeren worden opgebroken, de ondergrond als aarden vloer behandeld en het niet verbrande of begraven houtwerk op de gewone wijze gereinigd en ontsmet.

Goten, groppen, vaste roosters, zinkgaten, riolen en putten tot afvoer of verzameling van uitwerpselen, stalwater, enz. worden gereinigd met kokend water en kokend heete potaschloog en, na ruime doorspoeling, met sublimaatwater of carbolwater ontsmet. Goten enz., wier wanden niet geheel dicht zijn, worden behandeld als losse steenbevloering.

Ten slotte wordt de stal of het gebouw berookt met chloor of met zwaveligzuur. Voor berooking met chloor is voor elke 10 M3 ruimte benoodigd minstens 3 hectogram chloorkalk. De chloorkalk moet aangewend worden in kommen of schalen, die elk -g tot hoogstens 1 kilogram mogen bevatten. Voor berooking met zwaveligzuur is voor elke 10 M3 ruimte benoodigd minstens Ij hectogram pijp-zwavel. De pijpzwavel moet aangewend worden in vlakke schalen, die elk hoogstens ^ kilogram mogen bevatten. In den stal of het gebouw moeten vóór den aanvang der berooking de lucht en de wanden en voorwerpen zoo vochtig mogelijk gemaakt worden. Zij blijven tijdens de berooking 24 uur gesloten en worden na dien twee dagen goed gelucht.

Afzonderlijke standplaatsen van vee in stallen en andere gebouwen worden, met uitzondering van de berooking, op

-ocr page 73-

G3

overeenkomstige Avijze ontsmet. Daarbij behooren ecliter tot de standplaats van een stuk vee medegerekend te worden de gedeelten van daaraan grenzende standplaatsen, die voor besmet zijn te honden.

Toepassing dezer voorschriften bij bepaalde besmettelijke ziekten.

De ontsmetting van stallen en andere gebouwen en van standplaatsen volgens de vorenstaande voorschriften is alleen geboden ingeval van veepest, longziekte, schaapspokken, kwaden droes, huidworm en miltvuur. Bij miltvuur moet inzonderheid de vloer met de meeste zorg ontsmet worden, maar blijft berooking achterwege.

Ingeval van mond- en klauwzeer is het voldoende goed te reinigen met heet water, voor zooveel noodig met heet zeepsop of heete verdunde sodaloog of potascliloog, en daarna het muurwerk, het houtwerk en den vloer te overgieten of te bestrijken met chloorkalkmelk of kalkmelk. Berooking van den stal mag alleen geschieden als deze van vee geheel ontruimd is.

Ingeval van dolheid kan gehandeld worden gelijk voor mond- en klauwzeer bepaald is, maar blijft berooking achterwege.

2. Huiden. De huiden worden on.tsmet door indompeling gedurende 1\'2 uren in sublimaatwater of carbol water, of gedurende minstens 24 uren in versch bereide kalkmelk, die met hoogstens vijfmaal zooveel water verdund mag worden.

3. Voertuigen. Voertuigen alsmede schuiten, waarmede vee, besmette voorwerpen en mest vervoerd zijn, worden onverwijld gereinigd en ontsmet op de wijze als voor houten ijzerwerk der stallen voorgeschreven is.

4. Kleederen. Het ontsmetten van kleederen zal zich in den regel bepalen tot de bovenkleederen, waarbij het schoeisel bijzondere zorg vereischt. Zijn ook de onderkleederen besmet, dan worden deze in de ontsmetting begrepen. Kleederen, die met van vee afkomstige stoften zooals bloed, slijm, enz. verontreinigd zijn, worden door stoom ontsmet of, na onderdompeling in kokend water of bevochtiging, met zwaveligzuur of chloor berookt. Schoeisel wordt nauwkeurig gereinigd door afwasschen met heet zeepsop en daarna ontsmet met sublimaatwater of carbol-water.

5. Veewagens, gereedschappen en ladingsterreinen van

-ocr page 74-

64

spoor- en tramwegen. De veewagens worden ontledigd van strooisel, mest, voeder, enz. en door afkrabben en uitvegen van het grove vuil ontdaan.

Daarna worden de wanden en vloer met water afgeschrobd en vervolgens begoten of bespoten, totdat zij geheel rein zijn. Voor zooveel noodig moet het afschrobben geschieden met sterk zeepsop of met verdunde sodaloog of potaschloog (1 deel loog op 3 deelen water) en moeten de genoemde vochten heet worden aangewend. Wandbeklee-dingen van leder of linnen worden met warm zeepsop of zoo noodig met wanne verdunde sodaloog afgewasschen.

De goed gereinigde wanden en vloer worden ontsmet door witten met kalkmelk of chloorkalknielk, of door bestrijken met carbolwater of sublimaatwater, of door stoom van minstens 2 atmospheeren (120° C.) op alle te ontsmetten plaatsen van nabij in een straal te doen inwerken, of door stoom van minstens 6 atmospheeren (100° C.) in den dicht gesloten wagen te doen instroomen.

Op overeenkomstige wijze worden gereinigd en ontsmet loopplanken, voederbakken, emmers, touwen en andere voorwerpen, waarmede het vervoerde vee in aanraking is geweest.

Op de terreinen van in- en uitlading worden mest, gebruikt strooisel, enz. zorgvuldig bijeengevoegd, de aarden bodem met water afgespoeld en de bestratingen en hout-bekleedingen met water afgeschrobd. Zoo noodig wordt, na reiniging, de bodem met carbolwater of sublimaatwater begoten.

De uit de wagens en van de voorwerpen verwijderde en de op de terreinen bijeengevoegde stoffen worden naar eene daarvoor bestemde bergplaats vervoerd en aldaar met gebrande kalk bestrooid of niet carbolwater of sublimaatwater bevochtigd.

§ 3. Het onschadelijk maken van mestvaalten. Het onschadelijk maken van mestvaalten geschiedt bij voorkeur door den mest naar bouwland te vervoeren en onmiddellijk onder te ploegen, of anders door overgieten met sublimaatwater of carbolwater, of bestrooien met eene laag chloorkalk of gebrande kalk.

§ 4. Algemeene bepalingen. De districtsveearts beslist in overleg met .den burgemeester of het onschadelijk maken van dood vee in plaats van door begraven geschieden zal door verbranden of op andere wijze.

-ocr page 75-

G5

Voor elk bijzonder geval wordt door den districtsveearts of door den veearts, die hem vervangt, bepaald en aangewezen welke middelen ter ontsmetting aangewend zullen worden, en op welke wijze, voor zoover deze voorschriften verschillende wijzen van handelen toelaten.

De aanwending van sublimaatwater als ontsmettingsmiddel mag uitsluitend plaats hebben in tegenwoordigheid van den districtsveearts, of van den veearts, die hem vervangt.

Voor zooveel noodig worden bijzondere regelen, die bij de uitvoering dezer voorschriften in acht genomen moeten worden, door den Minister van Binnenlandsche Zaken, bij nadere instructie vastgesteld.

Behoort bij Koninklijk besluit van 9 Juni 1885 (Stbl. no. 125).

Mij bekend,

De Minister van Binnenlandsche Zaken,

(gei.) HEEMSKERK.

— Belemmering of verhindering van de ten uitvoerlegging en overtreding dezer voorschriften, benevens het geheel of gedeeltelijk opgraven van begraven vee, vleesch, beenderen of overblijfselen daarvan is strafbaar gesteld. Zie art. 35.

— Ik heb de eer U.H.E.Gestr. mede te deelen, dat mij uit ingekomen ambtsberichten is gebleken, dat door de burgemeesters niet altijd het bij § 4, le lid van de voorschriften, vastgesteld bij Koninklijk besluit van den 9 Juni 1885 (Stbl. no. 125), voorgeschreven overleg wordt gehouden.

Dientengevolge worden bedoelde voorschriften niet altijd op de meest noodzakelijke wijze toegepast en worden o. a. vaak runderen, die aan miltvuur hebben geleden, begraven, daar waar verbranding zeer wel mogelijk zou geweest zijn en ook overeenkomstig § la, le lid, der bedoelde voorschriften zou zijn toegepast, ware de districtsveearts omtrent de wijze van vernietiging gehoord, aangezien de ondervinding onze veeartsen heeft geleerd, dat door begraving van miltvuur-cadavers de smetstof niet wordt vernietigd , maar integendeel in vele gevallen later besmetting Optreedt bij dieren, grazende op de begraafplaatsen.

Mitsdien heb ik de eer U te verzoeken de burgemeesters voor zooveel noodig uit te noodigen bedoeld overleg zoo min mogelijk na te laten.

5

-ocr page 76-

66

(Missive Minister van Binnenlandsche Zaken del. 24 Februari 1886, no. 610, afd. M. P.).

(b) Indien de kosten van ontsmetting niet ten laste van het rijk gebracht worden, bestaat er gegronde vrees dat de ontsmetting niet behoorlijk zal plaats hebben. (Mem. van toelichting, ontw. 1868/69.)

Art. 32.

In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar vee staat of gestaan heeft, hetwelk aan eene besmettelijke ziekte lijdt of geleden heeft, mag geen vee gebracht worden gedurende een termijn , voor elke ziekte te bepalen in den algemeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld (a).

(a) Bij art. 8 van het Koninklijk besluit van 14 Maart 1880 (Stbl. no. 31) zijn deze termijnen bepaald. Zie dat besluit hierna bij art. 34.

Overtreding van dit artikel is strafbaar gesteld. Zie art. 35.

Art. 33.

De burgemeester, al of niet vergezeld van het door hem noodig gekeurde personeel, is bevoegd de weiden, stallen en woningen (a) der eigenaars, houders of hoeders van vee, zelfs zonder hunne toestemming, tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden ter uitvoering van de bepalingen dezer wet of van de krachtens deze wet uitgevaardigde besluiten.

(a) Het binnentreden der woningen tot uitvoering van de bepalingen der wet is noodig in gevallen, waarin de toegang tot den stal door de woning gaat, of waarin stal en woning één zijn, zooals in sommige streken van het rijk het geval pleegt te zijn.

Ook kan deze bepaling noodig zijn, wanneer men met grond vermoedt dat, zooals werkelijk gedurende het heer-schen van de runderpest heeft plaats gehad, kwaadwillige veehouders ziek vee in hunne woningen, soms onder de

-ocr page 77-

67

bedstede, verborgen hadden. (Mem. van beantw. Eerste Kamer.)

— De burgemeester heeft geenszins het recht ten allen tijde elke woning binnen te treden, onder voorwendsel dat hij dit ten behoeve der veeartsenij kundige politie doet. De wet zegt duidelijk dat het enkel is ter uitvoering van de bepalingen dezer wet. (Handelingen.)

quot;Weigering of feitelijke verhindering tot toelating van den burgemeester is strafbaar gesteld. (Zie art. 35.)

Art. 34.

Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur eene commissie van deskundigen gehoord, aangewezen welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden, waarbij tevens wordt vastgesteld welke der in deze wet genoemde maatregelen bij het heerschen of bij liet dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden (a).

(a) KONINKLIJK BESLUIT van den 14den Maart 1880 (Sibl. no. 31), waarhij, met intrekking van het Koninklijk besluit van 30 October 1872 (Stbl. no. 105), nader wordt bepaald ivelke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden en welke dei-in de ivet van 20 Juli 1870 (Stbl. na. 131j genoemde maatregelen bij het heerschen of bij het dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden, zooals dit besluit is gewijzigd en aangevuld bij besluit van den 3Is ten Maart 1886 (Stbl. no. 47j.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende dat herziening van Ons besluit van 30 October 1872 (Stbl. no. 105) noodzakelijk is geworden;

Gezien do artt. 29, 31, 32 en 34 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131);

, De commissie van deskundigen, benoemd bij Ons besluit van 30 October 1879, no. 19, gehoord;

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenlandsehe Zaken, van 3 Januari 1880, litt. H. H., afdeeling Medische politie;

-ocr page 78-

68

Den Raad van State gehoord (advies van 19 Februari jl., no. 5);

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van den 12den dezer, litt. I, afd. Medische politie; Febben goedgevonden en verstaan:

Art. 1.

Yoor besmettelijke ziekten van het vee -worden gehouden:

1°. de veepest (veetyphus) bij herkauwende dieren;

2°. de longziekte bij runderen;

3°. het mond- en klauwzeer (besmettelijke blaaruitslag van den mond en de klauwen) bij herkauwende dieren en varkens;

4°. de kwade droes en huidworm bij eenhoevige dieren;

5°. de dierenschurft bij paarden en bij schapen;

6°. de pokken bij schapen;

7°. het miltvuur bij alle vee;

8°. de hondsdolheid bij alle vee.

Art. 2.

Bij elke der in art. 1 genoemde ziekten zijn de bepalingen der artt. 13 en 14 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) van toepassing.

Afzondering van vee, hetwelk vermoed wordt door eene besmettelijke ziekte te zijn aangetast, kan, volgens art. 16 der aangehaalde wet, door den burgemeester, in overleg met den districtsveearts, zijn plaatsvervanger, of bij afwezigheid van beiden, in spoedeischende gevallen met een geëxamineerden veearts worden bevolen.

Art. 3.

Behalve de in artt. 13 en 14 voorgeschreven aangiften en afzondering moeten de volgende maatregelen worden toegepast;

§ 1. Bij de veepest (veetyphus).

Het door veepest aangetaste vee en het daarvan verdachte moet worden afgemaakt en daarna verbrand of begraven.

De stal of het gebouw, waarin zich door veepest aangetast of daarvan verdacht vee heeft bevonden, moet worden ontsmet.

De op het erf of de hoeve aanwezige mestvaalt moet worden onschadelijk gemaakt.

Het vastleggen of vasthouden van honden kan worden

-ocr page 79-

69

geboden, met inachtneming van het bepaalde bij art. 30 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131).

§ 2. Bij de longziekte.

Runderen, door de longziekte aangetast, moeten worden afgemaakt. De borst- en buiksingewanden van het afgemaakte dier moeten worden verbrand of begraven. De huiden der afgemaakte runderen worden ontsmet.

De plaats in den stal of het gebouw, waar een afgemaakt of gestorven dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.

Het vastleggen of vasthouden van honden kan worden geboden, met inachtneming van het bepaalde bij art. 30 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131).

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken kan afmaking van regeeringswege voor bepaalde streken en bepaalden tijd doen staken en afmaking van verdachte runderen bevelen.

Eigenaars van longziek vee zijn bevoegd dit te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie, onverminderd hunne verplichting tot naleving der overige bepalingen van de aangehaalde wet en van dit besluit. § 3. Bij het mond- en klauwzeer (besmettelijke blaaruitslag van den mond en de klauwen).

De door mond- en klauwzeer aangetaste herkauwende dieren en varkens moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

quot;Wanneer naar het oordeel van den districtsveearts, van zijn plaatsvervanger of, bij afwezigheid van beiden, in spoedeischende gevallen, van een geëxamineerden veearts, het afgezonderd houden van enkele dieren geen nut meer kan opleveren ter voorkoming van de besmetting van den geheelen koppel, geeft de burgemeester, op advies van den districtsveearts of van wie hem vervangt, vergunning de aangetaste dieren in den verdachten koppel te laten verblijven.

De stal of het gebouw, waarin eenig aan mond- en klauwzeer lijdend dier heeft gestaan, moet na afloop van het laatste geval worden ontsmet.

§ 4. Bij den kwaden droes en huidworm. s Wanneer de districtsveearts het noodig oordeelt, moet het aangetaste dier worden afgemaakt en daarna verbrand of begraven.

De plaats in den stal of het gebouw, waar een afgemaakte dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.

-ocr page 80-

70

§ 5. Bij de schurft.

De door sclmrft aangetaste paarden of schapen moeten van de overigen afgezonderd worden gehouden.

§ G. Bij de sciiaapspokken.

In bijzondere gevallen, waar dit door den districts-vee-arts noodig wordt geoordeeld, kunnen door pokken aangetaste schapen worden afgemaakt.

Het afgemaakte dier moet worden verbrand of begraven.

Waar afmaking niet plaats vindt, moet het aangetaste schaap van de overigen worden afgezonderd gehouden.

De stal of liet gebouw, waarin eenig aan pokken lijdend schaap gestaan heeft, moet na afloop van het laatste geval worden ontsmet.

§ 7. Bij het miltvuur.

Het aan miltvuur lijdende dier moet van het overige vee worden afgezonderd gehouden. De stal of het gebouw , waarin zicli door miltvuur aangetast vee heeft bevonden, moet worden ontsmet.

In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districtsveearts , kan afmaking van zieke of verdachte dieren worden bevolen. Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districts-veearts de bevelen van Onzen Minister van Binnenland sche Zaken.

§ 8. Bij de hondsdolheid.

Het door hondsdolheid aangetaste vee moet worden afgemaakt en daarna verbrand of begraven.

De plaats in den stal of het gebouw, waar een afgemaakt of gestorven dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.

Art. 4.

Vee, aan eene besmettelijke ziekte gestorven of aan miltvuur lijdende geslacht, moet door de zorg en op kosten van den eigenaar worden verbrand of begraven.

De brandstollen en andere benoodigdheden, voor het verbranden te bezigen, en de bij het begraven te gebruiken ontsmettingsmiddelen worden hem door den burgemeester op rijkskosten verstrekt.

Art. 5.

Vee, dat volgens artikel 22 van de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) als verdacht wordt beschouwd, blijft in dien toestand:

bij longziekte, 3 maanden;

bij mond- en klauwzeer van herkauwende dieren en varkens, 7 dagen;

-ocr page 81-

71

bij kwaden droes en huidworm, 30 dagen;

bij schurft van paarden en schapen, 15 dagen; bij schaapspokken, 15 dagen;

bij miltvuur, 8 dagen;

bij hondsdolheid van schapen, geiten en varkens, 2 maanden;

bij hondsdolheid van rundvee en eenhoevige dieren, 6 maanden;

alles te rekenen van het eindigen van het laatste geval door herstel of door dood of afmaking.

Het oogenblik, waarop de bij dit artikel bedoelde termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt door den districts-veearts vastgesteld bij schriftelijke ge-dagteekende verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

Zoo verdacht vee van een merkteeken is voorzien, wordt dit, wanneer het vee opgehouden heeft verdacht te zijn, onkenbaar gemaakt.

quot;Voor vee verdacht van longziekte kan de termijn van 3 maanden door den Commissaris des Konings in de provincie met eene maand worden verminderd, indien de districts-veearts of zijn plaatsvervanger schriftelijk verklaart , dat het binnen acht dagen, nadat het in verdachten toestand is geraakt, door een geëxamineerden veearts met goed gevolg is ingeënt.

Art. 6.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), wordt gesteld:

voor veepest (veetyphus) op 15 dagen;

voor longziekte op 3 maanden;

voor mond- en klauwzeer van herkauwende dieren en varkens op 7 dagen;

voor kwaden droes en huidworm op 30 dagen;

voor schurft bij paarden en schapen op 15 dagen;

voor schaapspokken op 15 dagen;

voor miltvuur op 8 dagen.

Art. 7.

Bij afsluiting van besmette hoeven of weiden, ingevolge •-■het le lid van artikel 29 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) is verboden:

*) Deze verklaring is echter niet van de formaliteit van registratie vrijgesteld.

-ocr page 82-

72

a. bij veepest (veetypluis), invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van herkauwende dieren, honden, katten en pluimgedierte en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren en varkens en van versch vleesch, onbereide huiden, haar, vederen, horens, beenderen, klauwen, wol, ongesmolten vet, mest en allen anderen afval en van hooi, stroo en ander veevoeder, touw, koedekken en stal-gereedschap;

b. bij longziekte, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van runderen en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen, van onbereide huiden, mest, hooi, stroo en ander veevoeder;

c. bij mond- en klauwzeer, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van herkauwende dieren en varkens en uitvoer uit den afgesloten kring van onbereide huiden, klauwen, wol, mest en allen anderen afval en van hooi, stroo en ander veevoeder, touw, koedekken en stalgereedschap;

d. bij kwaden droes en huidworm, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren;

e. bij schurft van paarden, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van paarden en bij schurft van schapen, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen;

f. bij schaapspokken, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen;

g. bij miltvuur, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van vee, alsmede uitvoer uit dien kring van melk, daar waar en zoolang als dit door den districts-veearts noodzakelijk wordt geacht;

h. bij hondsdolheid, uitvoer uit den afgesloten kring van vee, honden en katten.

Art. 8.

De termijnen, bij artikel 32 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) bedoeld, worden gesteld:

bij veepest (veetyphus), op 30 dagen voor alle vee; bij longziekte, op 90 dagen voor runderen, doch wanneer de stal of weide, waarin zich geen runderen bevinden, is ontsmet, op 15 dagen;

bij mond- en klauwzeer, op 15 dagen voor herkauwende dieren en varkens;

bij kwaden droes en huidworm, op 15 dagen voor eenhoevige dieren;

bij schurft, op 30 dagen voor paarden en schapen;

-ocr page 83-

73

bij schaapspokken, op 15 dagen voor schapen;

bij miltvuur, op 10 dagen voor alle vee;

bij dolheid, op 3 dagen voor alle vee;

alles te rekenen van den dag, waarop het laatste geval door herstel, door dood of afmaking is geëindigd.

Het oogenblik, waarop de bij dit artikel bedoelde termijn voor het geval van herstel begint te loepen, wordt door den districts-veearts vastgesteld bij schriftelijke ge-dagteekende verklaring, die aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt. 1)

Art. 9.

Ons besluit van 30 October 1872 (Stbl. no. 105) wordt ingetrokken.

Art. 10.

Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na de af kondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Eaad van State.

\'s Gravenhage, 14 Maart 1880.

(get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) six.

Uitgegeven den zes en twintigsten Maart 1880.

— Belemmering of verhindering van de ten uitvoerlegging en overtreding dezer voorschriften is strafbaar gesteld. Zie art. 35.

— Ik heb de eer Uwe aandacht te vestigen op het Koninklijk besluit van 14 Maart 1880 (Stbl. no. 31), waarbij, met intrekking van het Koninklijk besluit van 30 October 1872 (Stbl. no. 105), nader wordt bepaald, welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden en welke der in de wet van den 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) genoemde maatregelen bij het heerschen of bij het dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden.

In dat besluit is, behalve wijziging van enkele punten van het ingetrokken besluit, onder de besmettelijke ziekten = van het vee ook genoemd het mond- en klauwzeer (be-

\') Deze verklaring is echter niet van de formaliteit van registratie vrijgesteld.

-ocr page 84-

74

smettelijke blaaruitslag- van den mond en de klauwen), bij herkauwende dieren en varkens, terwijl liet kwaadaardig klauwzeer bij schapen, het zoogenaamde rotkreupel, niet wordt genoemd.

Van het voorkomen van mond- en klauwzeer moet derhalve voortaan door de houders of hoeders van vee onmiddellijk aangifte worden gedaan aan den burgemeester der gemeente, waar het vee zich bevindt, en tevens moet het aangetaste vee van het overige onmiddellijk worden afgezonderd, waarna het onderzoek plaats heeft bedoeld in art. 16 der wet van den 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131).

Van gevallen van zoogenaamd rotkreupel bij schapen behoeft niet langer aangifte te worden gedaan. Daar echter schapen evenals rundvee, bokken en geiten tot de herkauwende dieren behooren, zijn op deze dieren de bepalingen betreffende het mond- en klauwzeer (in het aangehaald besluit nader omschreven als besmettelijk blaaruitslag van den mond en de klauwen) wel toepasselijk. Verzuim van aangifte of afzondering zou tot strafvervolging van den overtreder leiden.

Teneinde de eigenaars van vee op deze bepalingen opmerkzaam te maken en hun het voorwendsel van onwetendheid bij overtreding te ontnemen, verzoek ik ÜH.B.G. de burgemeesters in Uwe provincie uit te noodigen het bovenstaande door openbare aankondiging ter kennis te brengen van de veehouders in hunne gemeente.

(Missive M. v. B. Z. dd. 5 April 1880, lett. Q., afdee-ling M. P.).

§ 3. Strafbepalingen.

Art. 35.

Belemmering of verhindering van hetgeen geschiedt tot uitvoering van deze wet of van Onze krachtens de artt. 15, 31 en 34 te geven voorschriften, het geheel of gedeeltelijk opgraven van begraven vee, vieesch, beenderen of overblijfselen daarvan, het vervoer van een of meer der in art. 29 bedoelde voor-werpen, in strijd met dat artikel, of met den alge-meenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34

-ocr page 85-

75

bedoeld, naar of uit het in een afgesloten kring gelegen terrein; het opzettelijk in verdachten toestand brengen of doen brengen van vee; het zonder voorafgaande ontsmetting van kleederen verlaten van dat terrein, overtreding der artt. 14, 21 en 32 dezer wet en van hetgeen door Ons krachtens de artt. 15, 31 en 3-4 wordt vastgesteld, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste vijf honderd gulden (a).

Roerende voorwerpen, waarin of waarmede de overtreding heeft plaatsgehad, worden aanstonds of zoodra mogelijk in beslag genomen en door den rechter bij veroordeeling verbeurd verklaard, en, voor zooveel in het belang der gezondheid of ter -wering van besmetting noodig, wordt de vernietiging of het onschadelijk maken daarvan bevolen. Vernietiging of onscha-delijkmaking wordt gelijkerwijze bevolen bij vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, wanneer het algemeen belang dit raadzaam maakt, tegen schadeloosstelling bij het vonnis door den rechter te bepalen [b).

(a) Het eerste lid van dit artikel is aldus gewijzigd bij art. 10, 20° der wet van den 15 April 188C. — Bij art. 11 dierzelfde wet is het minimum der hechtenis gesteld op één dag en dat der geldboete op 50 cents.

(b) De overtredingen, waartegen in dit artikel straf is bedreigd, kunnen alle zulke gewichtige en noodlottige gevolgen hebben, dat de daartegen bedreigde geldboete en gevangenisstraf waarlijk niet te streng is te achten, vooral wanneer bij de toepassing dier straffen door den rechter

\' verzachtende omstandigheden in acht genomen kunnen worden.

Het schijnt dan ook onnoodig tegen elk misdrijf eene afzonderlijke straf te bedreigen (Mem. van toel.).

-ocr page 86-

76

Art. 36.

Wanneer de in beslag genomen voorwerpen uithoofde van gevaar van besmetting niet ter bewaring geschikt zijn, worden deze, na te zijn gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, op last van den ambtenaar, die de voorwerpen in beslag heeft genomen, dadelijk vernietigd of onschadelijk gemaakt.

De geldsom, vertegenwoordigende de waarde van hetgeen vernietigd is, wordt aan den gemeente-ont-vanger in bewaring gegeven. Zij wordt, ingeval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, aan den eigenaar van de vernietigde voorwerpen uitgekeerd (a).

(a) Evenals in art. 14 der wet van 19 April 1867 (Stbl no. 30), wordt in art. 36 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), regelende het veeartsenij kundig staatstoezicht en de veeartsenij kundige politie, bepaald dat „in beslag genomen „voorwerpen, die uithoofde van gevaar van besmetting „niet ter bewaring geschikt zijn, na te zijn gewaardeerd „op de wijze in art. 24 der wet vermeld, dadelijk worden „vernietigd of onschadelijk gemaakt op last van den amhte-„naar, die de voorwerpen in beslag heeft genomen.quot;

De voorschriften tot uitvoering dier bepaling, gegeven bij missive van mijn ambtsvoorganger van 1 Februari 1868, no. 200, blijven ook voor het vervolg van kracht1).

\') De Mer aangehaalde missive is van den volgenden inhoud: Bij art. 14 der wet van 19 April 1867 (Stbl. no. 30) is bepaald dat de lastgeving tot vernietiging en onsehadelijkmaking van de daarbij bedoelde in beslag genomen voorwerpen, die niet ter bewaring geschikt zijn, uitgaat van den ambtenaar die de voor-werpen heeft in beslag genomen.

Daar die ambtenaar een commies der belastingen kan zijn, wien het allicht aan de noodige middelen tot eene behoorlijke en vooral tot eene spoedige uitvoering van dit voorschrift ontbreekt, zoo heeft mijn ambtgenoot van financiën de directeuren der directe belastingen enz. verzocht de betrokken ambtenaren aan te schrijven om bij uitvoering van het bedoelde voorschrift in overleg te handelen met de burgemeesters, bij wien de tot

-ocr page 87-

77

Bovendien zijn ten deze, zooveel noodig in overleg met mijn ambtgenoot van financiën, de volgende voorschriften vastgesteld.

Wanneer bevoegde ambtenaren (der in- en uitgaande rechten of andere) vee of andere voorwerpen wegens overtreding der bepalingen tot wering van veeziekten hebben in beslag genomen en ter beschikking stellen van den burgemeester der gemeente, waarin de aanhaling is geschied, wordt door dien burgemeester allereerst gezorgd dat het aangehaalde geheel afgezonderd blijve en, zoo noodig, onder bewaking worde gesteld. Hij wint vervolgens onverwijld het gevoelen van den districts-veearts in over de vraag of er gevaar van besmetting bestaat en of het vee moet worden afgemaakt; zoo ja, dan moeten ook in die gevallen de voorschriften, gevoegd bij het Koninklijk besluit van 4 December 1870 (Stbl. no. 191) 1), gevolgd worden en wijst de district veearts bij zijn antwoord bepaaldelijk aan welke dier voorschriften op het vee en de verdere voorwerpen moeten worden toegepast. Wordt door den districts veearts vernietiging of onschadelijkmaking noodig geacht, dan geven vervolgens de ambtenaren, die de voorwerpen in beslag hebben genomen, den daartoe vereischten last.

Voor de uitvoering van dien last en van de verdere maatregelen, door den districtsveearts volgens het bovenstaande aanbevolen, zorgt de burgemeester, met inachtneming in de daartoe leidende gevallen van art. 24 dei-aangehaalde wet.

De last der ambtenaren en de uitvoering, daaraan gegeven, worden in het proces-verbaal van den burgemeester vermeld.

vernietiging of onschadelijkmaking bestemde voorwerpen, ten behoeve der waardeering volgens art. 2 der voormelde wet, moeten worden opgebracht.

Ik heb de eer ÜH.E.G. te verzoeken van liet vorenstaande kennis te geven aan de burgemeesters in Uwe provincie, en hen uit te noodigen om in voorkomende gevallen met de ambtenaren, die de vernietiging of onschadelijkmaking hebben gelast, samen te werken ter bereiking van het doel der wet, namelijk eene \'spoedige vernietiging der smetstof.

\') Het Kon. Besluit van 4 December 1870 (Stbl. no. 191) is ingetrokken en vervangen door dat van 14 Maart 1880) Stbl. no. 31). Zie dat besluit bij art. 34.

-ocr page 88-

78

Wanneer de distriets-veearts de vernietiging onnoodig acht, wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in art. 37 der meergenoemde wet.

Een en ander doet echter niet te kort aan de verplichting van burgemeester en ambtenaren, om te zorgen voor de dadelijke vernietiging of onschadelijkmaking in die gevallen, waarin kennelijk gevaar voor besmetting bestaat en de gelegenheid ontbreekt om het aangehaalde voorloopig geheel afgezonderd te houden.

De kosten van het afzonderen en van het onderhoud (opstallen, bewaken, enz.) en van het vernietigen of onschadelijk maken van het vee of de voorwerpen waarmee is overtreden ^ zijn kosten van justitie, over wier voldoening de burgemeester zich zal moeten verstaan met den officier van justitie, behoudens evenwel \'t bepaalde omtrent de kosten van onderhoud in de gevallen, bedoeld bij het 2e en 3e lid van art. 37.

Aan den officier van justitie moeten ook de declaratiën der belanghebbenden worden gezonden wegens de vervoermiddelen , die op last \'van den burgemeester kunnen worden gebezigd, wanneer de ambtenaren de goederen niet zelf vervoeren kunnen (art. !) van het Keizerlijk decreet van 18 Juni 1811, Bulletin des Lois no. 877).

Door mijn ambtgenoot van financiën zullen, wat de ambtenaren der in- en uitgaande rechten en accijnzen betreft, in gelijken geest de noodige bevelen worden gegeven.

Ik heb de eer u te verzoeken de burgemeesters in uwe provincie met de bovenstaande voorschriften bekend te maken.

(Missive M. v. B. Z. dd. 23 December 1870, no. 192, 9e afdeeling.)

— Mijn ambtgenoot van justitie geeft mij in overweging uit de circulaire van 23 December 1870, no. 192, 9e afdeeling, Med. Politie, de bepaling te doen vervallen dat „de kosten van het vernietigen of onschadelijk maken van het vee of de voorwerpen, waarmede is overtreden, kosten

\') Bij missive van den M. v. B. Z. dd. 4 Juli 1882 is bepaald dat de woorden van het vernietiyen of onschadelijk maken van het vee of cle voorwerpen waarmede is overtredenquot; als vervallen zijn te besclionwen. (Zie deze missive hierna.)

-ocr page 89-

79

van justitie zijn.quot; Die kosten zijn, naar zijn oordeel waarmede ik instem, kosten tot wering van besmetting en be-hooren niet tot de gerechtskosten in strafzaken. Bij de vernietiging of onschadelijkmaking heeft de justitie geen belang.

Ik verzoek U ter kennis van de burgemeesters in Uwe provincie te brengen, dat uit de gemelde circulaire de woorden en van het vernietigen of onschadelijk maken van het vee of de voorwerpen waarmede is overtreden, als vervallen zijn te beschouwen.

(Missive M. v. B. Z. dd. 4 Juli 1882, no. 908, afd. M. P).

Art. 37.

Levend vee wordt, wanneer er geen gevaar vau besmetting bestaat, na te zijn gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, vrij gegeven, wanneer daarvoor binnen 8 dagen na de inbeslagneming het bedrag der waarde, benevens hetgeen voor het onderhoud van het vee besteed is, bij den gemeenteontvanger gestort wordt.

Na dien tijd wordt het, op machtiging van den kantonrechter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht.

In beslag genomen voor bederf vatbaar goed wordt, ■vanneer er geen gevaar van besmetting bestaat, eveneens op machtiging van den kantonrechter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie («), zoodra mogelijk in het openbaar verkocht (/;), ten ware het bedrag, gewaardeerd op de wijze in art. 24 dgzer wet vermeld, onmiddellijk bij den gemeenteontvanger mocht worden gestort.

In de gevallen, bedoeld in het 2de en 3de lid van

-ocr page 90-

80

dit artikel, wordt de opbrengst van den verkoop aan den gemeente-ontvanger in bewaring gegeven. Uit die opbrengst worden de kosten van onderhoud van het vee sedert den dag der inbeslagneming tot aan den verkoop gekweten.

Het zuiver overschot der opbrengst wordt in geval van veroordeeling in \'s rijks schatkist gestort, in geval van vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging aan den eigenaar van het vèe of ander goed, dat in beslag genomen was, uitgekeerd.

(a) Zie de aanteekening bij art. 43 onder lett. a.

(b) Zie over den verschuldigden accijns bij verkoop van in beslag genomen vleesch, de missive van den M. v. B. Z. dd. 29 Mei 1879 hierna bij art. 45.

KONINKLIJK BESLUIT van den llden Juli 1874 (SM. no. 109j, waarhij de burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, bevoegd worden verklaard tot het houden van openbare verkoopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131).

Wij WILLEM III, enz.

Op de gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken, van 22 Mei 1874, no. 233, 9e afdeeling, en van Justitie, van den 30sten daaraanvolgende, no. 147, 2e afdeeling a;

Gelet op art. 1 der wet van 22 Pluviose, jaar VII (Bulletin des Lois no. 258), op de arrêtés van 12 Pructidor, jaar IV, en 27 Nivose, jaar V (Bulletin des Lois no. 72 en 101), den openbaren verkoop van roerende goederen betreffende, alsmede op art. 81 der wet op het notarisambt, van 9 Jnli 1842 (Stbl. no. 20);

Willende, ter uitvoering van art. 1 der wet van 22 Pluviose, jaar VII, de ambtenaren aanwijzen, bevoegd tot het houden van openbare verkoopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131);

-ocr page 91-

81

Den Eaad van State gehoord (advies van 23 Juni 1874, no. 13);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 2G Juni 1874, no. 185, 9e afdeeling, en 3 Juli daaraanvolgende, no. 1G1;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen;

De burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, zijn bevoegd tot het houden van openbare verkoopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131).

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister van Financiën en aan den Eaad van State.

Montreux, den llden Juli 1874.

(get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) geertsema.

De Minister van Justitie,

(get.) de veies.

Uitgegeven den een en twintigsten Juli 1874.

Art. 38.

Is, in de gevallen bij de twee vorige artikelen bedoeld , de eigenaar niet in het rijk te vinden en wordt het te zijner beschikking liggende door hem niet binnen zes maanden na het eindvonnis gereclameerd, dan zijn de vier laatste alinea\'s van art. 26 en de laatste van art. 27 van toepassing.

Art. 39.

Overtreding van art. 13 wordt gestraft met geldboete van f 25 tot /\'75.

Het laten losloopen van honden in de gemeenten of gedeelten van gemeenten en binnen den tijd, bedoeld bij art. 30, wordt gestraft met eene geldboete van f 10 tot f 25 (a).

6

-ocr page 92-

82

■Wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar het namaken of het bedriegelijk gebruikmaken van de in deze wet vermelde ken- of merktee-kenen (b).

(a) Bij art. 11 der wet van 15 April 1886 (Stbl. no. 64) is het minimum der geldboete gesteld op 50 cent.

(b) Bij art. 12 dier wet is liet 3e lid van artikel 39 als boven gewijzigd vastgesteld

— Dat hier tegen verschillende overtredingen afzonderlijke straffen worden bedreigd, vindt zijn grond daarin, dat de misdrijven als minder zwaar worden beschouwd of eerder zonder boos opzet kunnen worden begaan, dan die waarin bij art. 35 is voorzien. (Mem. van Toel.)

Art. 40 (a).

Art. 41 (a).

(a) Artt. 40 en 41 zijn vervallen krachtens de wet van 15 April 1886 (Stbl. no. 64) 2).

\') Het ingetrokken 3e lid van art. 39 was van den volgenden inhoud:

De artt. 142 en 143 van het Strafwetboek (het laatste in verband met art. 5 der wet van den 29 Juni 1854, Stbl. no. 102) zijn toepasselijk op het namaken of het bedriegelijk gebruik maken van de in deze wet vermelde ken- of merkteekenen.

-) De ingetrokken artt. 40 en 41 waren van den volgenden inhoud:

Art. 40.

Zoo ingeval van overtreding van eenig voorschrift, hetwelk krachtens deze wet tijdelijk is gegeven, dat voorschrift opgehouden heeft te gelden op het oogenblik dat de zaak voor den rechter, hetzij in eersten aanleg, hetzij in hooger beroep of in cassatie, wordt behandeld, is art. 52 der wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving niet van toepassing. De strafbepaling, zooals zij geldt op het oogenblik dat het misdrijf gepleegd wordt, blijft daarop toepasselijk.

Art. 41.

Art. 463 van het Strafwetboek en art. 20 der wet van 20 Juni 1854 (Stbl. no. 102) zijn op de misdrijven, voorzien bij de artt. 35 en 39, van toepassing.

-ocr page 93-

83

§ 4. Slotbepalingen.

Art. 42.

In deze wet wordt verstaan;

1°. door vee: de eenhoevige en herkauwende dieren en varkens;

2°. door vleesch: alle zachte bestanddeelen (a) van bovengemelde dieren afkomstig, onverschillig of zij al dan niet en hoe zij zijn bewerkt of vermengd, mitsdien ook gezouten, gerookt en hoofd vleesch, spek, hammen, worst, enz.

De bepalingen van deze wet kunnen door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur ook van toepassing worden verklaard op andere in deze wet niet genoemde dieren, wanneer de zorg voor den veestapel dit vereischt.

Schorsing van veemarkten, sluiting van diergaarden en soortgelijke inrichtingen kan door Ons in zoodanig geval worden bevolen. Het daartoe strekkend besluit bepaalt den tijd gedurende welken de inrichting gesloten blijft. Zoo noodig kan die termijn door Ons worden verlengd.

(a) Onder zachte bestanddeelen worden in ontleedkun-digen zin geene vloeibare bestanddeelen bedoeld, dus ook geen melk; zachte bestanddeelen zijn alle lichaamsdeelen behalve beenderen, kraakbeenderen, hoeven en hoornen.

(Mem. van Beantw. Ie Kamer.)

Art. 43.

De stukken, krachtens deze wet opgemaakt en waaromtrent geene afzonderlijke bepaling in deze wet voor-

-ocr page 94-

84

komt, zijn vrij van zegel- en registratierecht, en uitvoerbaar ook vóór dat zij zijn geregistreerd (ft).

Deze vrijstelling van zegel- en registratierecht geldt echter niet ten aanzien der akte van aanstelling, in art. 5 dezer wet bedoeld.

(a) Kraclitens het 2e lid van art. 37 is het daarbij bedoelde proces-verbaal niet alleen vrij van zegel en registratierecht, maar bovendien van de formaliteit van registratie, welk laatste met de stukken bij art. 43 in het algemeen bedoeld, het geval niet is.

(Mem. van Toel.)

Art. 44.

Met het in werking treden dezer wet zijn vervallen de wet van 19 April 1867 (Stbl. no. 30), de wet van 19 December 1867 (Stbl. no. 126), de artt. 459,460 en 461 van het strafwetboek, het art. 19 van den Isten titel 4de sectie en de artt. 13 en 23 van den 2den titel der wet van 6 October 1791, artt. 39 en 40 van het Keizerlijk decreet van 18 Juni 1811, voor zooveel het onderwerp betreft bij deze wet geregeld, en artt. 5 en 6 der wet van 9 Juli 1842 (Stbl. no. 21).

Art. 45.

Voor zoover de toepassing dezer Avet dit vordert, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bijzondere bepalingen vastgesteld met betrekking tot den accijns op het geslacht (ft).

(a) Mijn ambtgenoot van financiën acht het wenschelijk, dat de burgemeesters, in provinciën waar de longziekte onder het rundvee voorkomt, opmerkzaam worden gemaakt dat bij verkoop van gedeelten van onteigend vee daarvan de accijns op het geslacht verschuldigd is.

De accijns is te berekenen tegen 10 pet. der onzuivere

-ocr page 95-

85

opbrengst van den verkoop en daarenboven de gemeente-opcenten waar die gelieven worden.

Het verschuldigd bedrag moet binnen drie dagen na den verkoop met eene gewaarmerkte nota tegen qvütantie worden gestort bij den betrokken ontvanger der accijnzen.

(Missive M. v. B. Z. dd. 3 Maart 1871, no. 204, 9e afdeeling.)

— Door een der burgemeesters is inlichting gevraagd omtrent het verstrekken van documenten tot dekking van versch vleesch, afkomstig van vee, dat wegens longziekte onteigend is, en waarvan dus volgens mijne missive van 3 Maart 1871, no. 204, de accijns eerst binnen drie dagen na den verkoop van het vleesch behoeft betaald te worden.

Ter vermijding van bezwaren, die zich hier en daar hebben voorgedaan, heb ik de eer u te verzoeken, de heeren burgemeesters in uw gewest te dier zake het volgende mede te deelen:

De Eijksontvangers kunnen vóór de betaling van den accijns de noodige geleibiljetten voor het vleesch afgeven op schriftelijke aanvraag van den burgemeester of van den-gene, die hem bij de verkooping vervangt.

quot;Wanneer echter de plaats der verkooping te ver van het kantoor des ontvangers verwijderd is, om bij deze de geleibiljetten spoedig genoeg te kunnen lichten, dan kan die ambtenaar, op aanvraag van den burgemeester of diens plaatsvervanger, aan den commies van den naastbij gelegen post opdragen om op die plaats zelve de geleibiljetten, namens hem ontvangen, af te geven.

Ontbreekt in bijzondere gevallen de gelegenheid om den ontvanger hiervoor tijdig te waarschuwen, dan kan desnoods het vleesch verzonden worden met een schriftelijk bewijs van den burgemeester of diens plaatsvervanger, vermeldende de hoeveelheid, de afkomst van onteigend vee, de bestemmingsplaats, den ontbieder, den vervoerder en den tijd binnen welken het vervoer moet worden volbracht. In dit geval moet steeds zoo spoedig doenlijk van de afgegeven bewijzen aan den betrokken ontvanger worden kennis gegeven.

(Missive M. v. B. Z. dd. 26 Februari 1872, no. 231, 9e afdeeling.)

— Accijns van in beslag genomen vleesch, dat krachtens alinea 3 van art. 37 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no.

-ocr page 96-

86

131) in het openbaar is verkocht, behooren niet tot gerechtskosten in strafzaken en kunnen dus niet als zoodanig worden verevend. Voortaan behooren dus in de koop-voorwaarden door de burgemeesters, de bepaling opgenomen te worden, dat te dier zake verschuldigde accijns door den kooper moet worden betaald.

(Missive M. v. B. Z. dd. 29 Mei 1879, lett. B., Alg. Z. en Compt.)

Art. 46.

Deze wet treedt in werking op den Isten Januari 1871.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministerieële departementen , autoriteiten, collegiën en ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te \'s Gravexhage , den 20 Juli 1870.

(get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsdie Zaken, (get.) fock.

Uitgegeven den vijfden Augustus 1870.

De Minister van Justitie,

(get.) van lilaae.

-ocr page 97-

WET

VAN DEN 2DEN JUNI 1875 (Stbl. no. 94), HOUDENDE BEPALINGEN BETREFFENDE DE VEEARTSE-NIJKUNDIGE POLITIE TEN OPZICHTE VAN PAARDEN VAN HET LEGER, IN VERBAND MET DE quot;WET VAN 20 JULI 1870 (Stbl. no. 131).

Wij WILLEM III, enz.

Allen, die deze zullen zien en hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om, met behoud overigens der alge-meene voorschriften van de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), bijzondere bepalingen vast te stellen voor de behandeling van door besmettelijke ziekten aangetaste of daarvan verdachte paarden van het leger;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1 («).

Bij het voorkomen van eene besmettelijke ziekte onder de tot het leger beboerende paarden, officiers-paarden, voor zooverre zij zich bevinden in stallen, •„bestemd voor paarden van het leger, of met dezen te zamen weiden, daaronder begrepen, treedt, voor de toepassing van de artt. 13, 14, 16, 17, 19, 21, 22,

-ocr page 98-

88

23, 24, 25, 26, 27, alinea 1, 2 en 3 van art. 31 en art. 38 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), de plaatselijke of garnizoens-commandant, daar waar de paarden zich bevinden, in de plaats van den burgemeester en de hoogste in rang aanwezige militaire paardenarts in de plaats van den districtsveearts.

Doet zich het ziektegeval voor bij een paard tijdens de troep, waarbij het behoort, gekampeerd of ingekwartierd is, dan wordt de ter plaatse bevelvoerende officier voor de toepassing van deze wet gelijk gesteld met den garnizoens-commandant.

Bij ontstentenis van een militairen paardenarts wordt de wet door den burgemeester en den districtsveearts toegepast (i).

Wanneer de districts veearts of die hem vervangt, of de in dit artikel bedoelde paardenarts de onteigening noodig oordeelt van een paard of van voorwerpen, toebehoorende aan den ter plaatse commandeerenden officier of aan gemelden paardenarts zeiven, geschiedt de onteigening door den burgemeester.

(a) In de wet tot regeling van het veeartsenij kundig staatstoeziclit en de veeartsenijkundige politie zijn geene afzonderlijke bepalingen omtrent hare toepassing op de tot het leger beboerende paarden opgenomen. Indien daaronder besmettelijke ziekten voorkomen, doet de commandant daarvan aangifte aan den burgemeester; deze ontbiedt den districts-veearts, op wiens rapport de maatregelen door de wet voorgeschreven, worden toegepast.

De ondervinding heeft geleerd, dat vereenvoudiging van dezen gang van zaken wenschelijk is.

Uit den aard der zaak gaan er licht twee of drie dagen verloren alvorens de districts-veearts het onderzoek kan verrichten, terwijl juist bij militaire paarden spoedige be-

-ocr page 99-

slissing veelal noodzakelijk is wegens het gevaar van voortplanting der smetstof onder de talrijke binnen een betrekkelijk kleinen kring aanwezige paarden.

Bepaaldelijk is de spoedige afmaking van de door kwaden droes of huidworm aangetaste paarden zeer raadzaam. (Mem. van toel.)

(b) Yolgens dit artikel wordt de burgemeester vervangen door den plaatselijken of garnizoenscommandant en niet door den korpscommandant, omdat in dezelfde plaats soms verschillende korpsen garnizoen houden, bij ieder van welke zich troepen of officierspaarden kunnen bevinden.

In het geval dat zich eene besmettelijke paardenziekte openbaart, terwijl de troep, waarbij het paard behoort, gekampeerd of ingekwartierd is, voorziet de tweede alinea, terwijl eindelijk de burgemeester en de districts-veearts met de toepassing der wet op militaire paarden belast blijven, ingeval geen militaire paardenarts ter plaatse aanwezig is.

Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer troepen paarden zijn gekantonneerd onder bevel van een onderofficier of wanneer in een klein garnizoen wel officierspaarden zijn, maar geen militaire paardenarts. (Mem. van toel.)

Art. 2.

De militaire paardenartsen, die ten tijde van het in werking treden dezer wet in dienst zijn, leggen binnen eene maand na dat tijdstip — zij, die later als zoodanig in dienst komen, bij de aanvaarding hunner betrekking — in handen van Onzen Commissaris in de provincie hunner garnizoensplaats den volgenden eed (belofte) af:

»Ik zweer (beloof), dat ik de verplichtingen, mij als militairen paardenarts bij de wet betreffende de veeartsenijknndige politie ten opzichte van paarden Vvan het leger opgedragen, getrouw vervullen zal.quot;

»Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat beloof ik)!quot;

-ocr page 100-

90 Art. 3.

De militaire paardenartsen zijn bevoegd van overtredingen der wetten en verordeningen betreffende veeartsenijtnndige politie, gepleegd ten opzichte van tot het leger behoorende paarden en dienstpaarden van officieren, proces-verbaal op te maken, op den eed, door hen krachtens art. 2 afgelegd.

Zij zenden de processen-verbaal aan den ambtenaar of officier, die voor de vervolging van het strafbaar feit heeft te zorgen («).

(a) De artikelen 2 en 3 zijn in de wet gebracht, naar aanleiding van de opmerking in het voorloopig verslag, dat de militaire paardenarts geen eed had gedaan, die hem tot het nakomen der bepalingen van het veeartsenijkun-dig staatstoezicht en de veeartsenij kundige politie verplichtte.

Bij art. 10, 26° der wet van 15 April 1886 (Stbl. no. 84) is dit artikel aldus gewijzigd.

Art. 4.

De in art. 1 vermelde commandeerende officier doet, wanneer een of meer paarden door eene besmettelijke ziekte zijn aangetast of daarvan verdacht worden, hiervan binnen 24 uren nadat dit te zijner kennis is gekomen, mededeeling aan den burgemeester der gemeente , waarin de paarden zich bevinden, met opgave van de ziekte en van het getal der aangetaste of verdachte paarden («).

(a) Het bepaalde in dit artikel kan den burgemeester aanleiding geven om met den districts-veearts in overleg te treden over de maatregelen tot beveiliging van de niet

-ocr page 101-

91

tot het leger belioorende paarden in zijne gemeente. (Mem. van toel.)

— Zie de missive van den M. v. B. Z. dd. 21 Juni 1875 hierna.

Art. 5.

In gevallen van twijfelachtigen aard of bij verschil van gevoelen tusschen den in art. 1 bedoelden commandeerenden officier en den militairen paardenarts, geeft eerstgemelde terstond daarvan kennis aan Onzen Minister van Oorlog. Deze beveelt een onderzoek en schrijft alle de bij de wet bedoelde maatregelen voor, welke door hem noodzakelijk worden geacht.

Art. 6.

Bij de onteigeningen ter zake van het voorkomen van eene besmettelijke ziekte onder de paarden, op welke art. 1 toepasselijk is, hunne afmaking, begraving , verbranding of onschadelijkmaking en bij de zuivering en ontsmetting van stallen en andere gebouwen, waarin zich die paarden bevonden hebben, is art. 28 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) niet van toepassing.

Alle kosten van onteigening van dienstpaarden en voorwerpen van officieren, alle kosten van ontsmetting en alle verdere uitgaven, welke gedaan worden tengevolge van het voorkomen van besmettelijke ziekten onder de tot het leger belioorende paarden, de dienstpaarden van officieren daaronder begrepen, komen ten laste van het rijk en worden geleden op het hoofdstuk der staatsbegrooting voor het departement van oorlog («).

(a) In alle gevallen van onteigening en ontsmetting

-ocr page 102-

92

tengevolge van het voorkomen van besmettelijke ziekten onder de tot het leger behoorende paarden en dienstpaarden van officieren, behooren de kosten gekweten te worden uit het hoofdstuk voor Oorlog der Staatsbegrooting.

Dit is niet slechts overeenkomstig de regelen eener goede comptabiliteit, maar het is bovendien noodig ter voorkoming van moeielijkheden in de uitvoering.

Dit artikel bevat daarom deze bepaling en schrijft tevens voor dat in deze gevallen art. 28 der wet niet van toepassing is, omdat over de gemeentekas niet door een officier beschikt kan worden. (Mem. van toel.)

Art. 7.

Geen tot het leger behoorend aan het rijk in eigendom toebehoorend paard wordt verkocht of ten verkoop aangeboden, tenzij:

1°. door den commandant van het korps, waartoe het behoort, ten minste acht dagen te voren aan den burgemeester der gemeente, waar de verkoop geschieden zal, schriftelijk kennis is gegeven van den dag, het uur en de plaats der verkooping, en

2°. aan dien burgemeester verstrekt is eene, hoogstens tweemaal 24 uren te voren, door den hoogst in rang aanwezigen paardenarts, ter plaatse waar de verkoop geschiedt, onderteekende schriftelijke verklaring, houdende dat het paard door hem is onderzocht en bevonden aan geene besmettelijke ziekte te lijden, en dat hij geen reden heeft om te vermoeden dat het in aanraking of in denzelfde verblijfplaats is geweest met een paard, lijdende aan eene besmettelijke ziekte.

Wanneer ter plaatse, waar de verkoop geschiedt, geen paardenarts is, wordt eene met de sub 2 bedoelde gelijkstaande verklaring van den districtsveearts, bin-

-ocr page 103-

93

nen wiens ressort de verkooping geschiedt, vereischt (a).

(a) Dit artikel heeft ten doel te voorkomen dat paarden tot het leger hehoorende, de besmetting op andere paarden overbrengen. Daartoe moet worden gezorgd dat geen militaire paarden verkocht worden, die verdacht zijn van eene besmettelijke ziekte of daaraan lijden.

Behalve de waarborg, die reeds gelegen is in de verklaring door den paardenarts afgegeven, kan de burgemeester den districtsveearts opdragen om de verkochte paarden te onderzoeken, zoodra zij het eigendom van den kooper zullen zijn geworden, of ter markt of in een veiling voorkomen. (Mem. van toel.)

— Zie de missive van den M. v. B. Z. dd. 21 Juni 1875 hierna.

Art. 8.

Jaarlijks, vóór den 1 sten April, zendt de inspecteur van den geneeskundigen dienst der landmacht aan Onzen Minister van Oorlog een verslag van hetgeen door de militaire paardenartsen ter toepassing van deze wet is verricht en van hunne bevindingen daarbij, van welk verslag tegelijkertijd een afschrift wordt gezonden aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken , teneinde daarvan gebruik te maken voor het aan Ons uit te brengen verslag, bedoeld in art. 12 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) («).

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministerieële departementen, autoriteiten, collegiën en ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

(a) Dit artikel is noodig teneinde de leemte aan te vullen, welke in de verslagen der districtsveeartsen zal ontstaan, wanneer de militaire paarden aan hun toezicht zullen onttrokken zijn. (Mem. van toel.)

-ocr page 104-

94

Gegeven op Het Loo, den 2den Juni 1875.

(get.) WILLEM.

De Minister van Binnenkindsche Zaken,

(get.) heemskerk.

De Minister van Oorlog,

(get.) exderleix.

Uitgegeven den lOden Juni 1875.

— Bij missive van den 21 Juni 1875, 9e afdeeling, no. 59, zijn door den Minister van Binnenlandsclie Zaken, omtrent de uitvoering van bovenstaande wet, de volgende voorschriften gegeven:

Ik heb de eer ü te verzoeken de burgemeesters in Uwe provincie te herinneren, dat op 30 dezer de wet van 2 Juni 1875 (Stbl. no. 94), houdende bepahngen betreffende de veeartsenij kundige politie ten opzichte van paarden van het leger, in verband met de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) in werking treedt en dat derhalve, te rekenen van dien dag, hunne bemoeiing ten opzichte van de in die wet bedoelde paarden, bij het verschijnen van eene besmettelijke ziekte daaronder, ophoudt in al die gevallen, waarin zij de toepassing der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) aan den plaatselijken of garnizoenscommandant of met dezen gelijk gestelde officieren opdraagt.

Indien volgens art. 4 dier wet de burgemeesters van den commandeerenden officier bericht ontvangt van het verschijnen eener besmettelijke ziekte onder militaire of officierspaarden, behoort hij, ingeval andere paarden in de gemeente met besmette of verdachte militaire paarden in aanraking zijn geweest of er om andere redenen gevaar van verbreiding van besmetting is te duchten, het advies van den districtsveearts in te winnen omtrent de daartegen te nemen maatregelen. Van de volgens dat artikel ingekomen berichten behoort hij in elk geval kennis te geven aan den districtsveearts. Evenzoo behoort de burgemeester aan dien districtsveearts kennis te geven van voorgenomen verkoopingen van militaire paarden, zoodra hij van den corpscommandant daarvan bericht heeft ontvangen.

Gelief deze vooorschriften aan de burgemeesters mede te deelen en hun stipte naleving daarvan aan te bevelen.

-ocr page 105-

WET

VAN 8 AUGUSTUS 1878 (Stbl. no. 115), HOUDENDE VASTSTELLING VAN BIJZONDERE BEPALINGEN TOT BETEUGELING DER LONGZIEKTE ONDER HET RUNDVEE IN BEPAALDE DEELEN DES LANDS.

Wu WILLEM III, enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saintl doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bijzondere bepalingen tot beteugeling der longziekte in bepaalde deelen des lands vast te stellen;

Zoo is het, dat Wij, den Eaad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1 (n).

Door Ons kan worden bevolen, dat het rundvee in bepaalde gedeelten van het rijk, door Onzen Minister , met de uitvoering dezer wet belast, aan te wijzen, moet worden ingeënt en gemerkt of een van beide.

-ocr page 106-

9C

Weigert de eigenaar of houder van dat vee die inënting of dat merken toe te laten, dan wordt dat vee door den burgemeester in beslag genomen en zorgt deze dat de inënting of het merken ten koste van den eigenaar behoorlijk geschiedt (b).

Is, tengevolge van eene volgens dit artikel ondergane inënting een stuk rundvee, volgens verklaring van den districts veearts of zijn plaatsvervanger, gestorven , dan wordt aan den eigenaar de volle waarde van dat rund in gezonden toestand vergoed (c).

(et) De in dit wetontwerp voorgestelde bepalingen, die uitsluitend op longziekte betrekking hebben, passen niet in het kader der wet tot algemeene regeling van het Vee-artsenij kundig Staatstoezicht en de veeartsenij kundige politie.

Bovendien zullen die bepalingen slechts voor bepaald aan te wijzen deelen des lands in werking worden gesteld; vandaar dat het de voorkeur schijnt te verdienen deze voorschriften in een afzonderlijke wet samen te vatten, met uitdrukkelijke vermelding evenwel, dat de bepalingen der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) en de krachtens die wet genomen besluiten hare geldigheid blijven behouden. (Mem. van toel.)

(h) Door inbeslagneming wordt hier natuurlijk geen leggen van arrest in den zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoeld, maar bet woord in beslag nemen heeft dan ook in onze wetgeving, bijv. iri art. 44, ^ Wetboek van Strafvordering, eene meer algemeene be-teekenis, waardoor het hier zelfs beter dan in bezit nemen het denkbeeld uitdrukt. Immers, de burgemeester maakt zich van het rund tijdelijk meester, opdat het de kunstbewerking onderga, maar wordt er niet de bezitter van in rechtkundigen zin.

Het opleggen van boete en het aanwenden van andere dwangmiddelen tegen den wederstrevenden eigenaar, komt

\') Thans art. 46 Wetboek van Strafvordering.

-ocr page 107-

103

Hij zorgt voor die inenting, indien de eigenaar, houder of hoeder van het vee niet aanstonds aan het bovengenoemde bevel gevolg geeft, onverminderd de tegen den nalatigen in te stellen strafvervolging. (Besluit 3 Febr. 1877, art. 1.)

Hij doet, op aanwijzing en onder toezicht van den districtsveearts, voor rijksrekening ontsmetting plaats hebben overeenkomstig de voorschriften van het Koninklijk besluit van den 9 Juni 1885 (Stbl. no. 125 (art. 31).

-ocr page 108-

VOORSCHRirTEN

nopens de inrichting der comptabele stukken.

Missives van den Minister van Bmnenlandsche Zaken van den 9 September 1865, litt. H, 9e afd.; 16 Januari 1866, no. 138, le afd.; 20 Januari 1866, litt. (?, Ie afd.; 18 September 1868, litt. c, le afd.; 29 December 1870, lit. A, le afd.; 12 Maart 1872, no. 116, leafd.; 29 April 1872, no. 183, le afd.; 4 Juli 1872, no. 163, le afd.; 30 Juli 1872, no. 104, le afd.; 19 Augustus 1872, no. 178, le afd.; 30 December 1872, no. 174, le afd.; 6 Juli 1873, no. 1, le afd.; 1 October 1874, no. 18, le afd.; 5 Aug. 1875, no. 6, le afd.; 12 December 1876, no. 12, le afd., en 1 Mei 1877, no. 10, le afd.

Verantwoording der uitbetaalde gelden door den Burgemeester, krachtens de wet van den 20 Juli 1870 (SM. no. 131).

De kosten, waartoe de onteigening ingevolge de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) aanleiding geeft, moeten door stukken in originali worden gestaafd.

a. Indien die kosten bij voorschot uit de gemeentekas zijn bestreden, worden do navermelde stukken aan den Commissaris des Konings in de provincie ingezonden.

1°. Het verslag van den in art. 16 der wet bedoelden veeartsenij kundige.

Uit dit verslag moet blijken door welke besmettelijke ziekte het vee is aangetast of daarvan wordt verdacht en welke maatregelen genomen moeten worden om de ziekte te beteugelen.

Het vee en de voorwerpen, waarvan de onteigening noo-dig wordt geacht, moeten daarin nauwkeurig worden omschreven.

2°. Het besluit van den Burgemeester, waarbij overeenkomstig het advies van den geraadpleegd en veeartsenij-kundige de inbeslagneming, onteigening en afmaking van het vee wordt bevolen.

Bij dit besluit kan de inbeslagneming, onteigening en

-ocr page 109-

97

minder noodig voor, zoodra slechts verzekerd is, dat de inenting plaats hebben\'zal. (Mem. van Beant.)

(c) Zie het Kon. Besl. van 17 Augustus 1878 (Stbl. no. 128) bij art. 15 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) hiervoor.

Art. 2.

Eigenaars of houders van vee in de gedeelten van het rijk, in het vorige artikel bedoeld, zijn verplicht den districtsveearts of zijnen plaatsvervangers en den door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, daartoe aangewezen opzichters in de stallen, weiden of bewaarplaatsen van vee toegang te ver-leenen tnsschen zonsop- en ondergang, op vertoon, desgevorderd, van hunne akte van aanstelling (a).

(a) Hij, die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of eene verordening, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar, met de uitoefening vaneenigtoezicht belast, of door een ambtenaar, belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk eenige handeling, door een dier ambtenaren ondernomen ter uitvoering van eenig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

Met den in het eerste gedeelte van het vorige lid bedoelden ambtenaar wordt gelijkgesteld ieder, die krachtens wettelijk voorschrift voortdurend of tijdelijk met eenigen openbaren dienst is belast.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd.

(Art. 184, Wetboek van Strafrecht.)

Art. 3 (n).

Art. 4 («).

-ocr page 110-

98

(a) Artt. 3 en 4 zijn vervallen krachtens de wet van 15 April 1886 (Stbl. no. 04) *).

Art. 5.

De bepalingen der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) en van de krachtens die wet door Ons genomen besluiten blijven, na het in werking treden dezer wet, onverminderd van kracht.

Art. 6.

Deze wet verbindt met den dag harer afkondiging. Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministerieele departementen , autoriteiten, collegiën en ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op Het Loo, 8 Augustus 1878.

(get.) WILLEM. De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) kappeujfe.

Uitgegeven 11 Augustus 1878.

\') Do ingetrokken artt. 3 en 4 waren van den volgenden inhoud:

Art. 3.

quot;Weigering of feitelijke verhindering om de ambtenaren in art. 2 bedoeld in stallen, weiden of bewaarplaatsen van vee toegang te verleenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van eene maand tot een jaar en geldboete van f 100 tot f 500.

Bij herhaling van misdrijf worden de daartegen bedreigde straffen verdubbeld.

Art. 4.

Art. 463 van hot Strafwetboek en art. 20 der wet van 29 Juni 1854 (Stbl. no. 102) zijn op de misdrijven, bij het vorig artikel voorzien, van toepassing.

-ocr page 111-

VERPLICHTINGEN van den Burgemeester, ingeval eene besmettelijke veeziekte in zijne gemeente voorkomt.

quot;Wanneer de Burgemeester aangifte ontvangt dat een stuk vee, door een der besmettelijke ziekten opgenoemd in liet Koninklijk Besluit van den 14 Maart 1880 (Stbl. no. 31) is aangetast of daarvan wordt verdacht, geeft hij hiervan den districtsveearts onmiddellijk bericht (art. 16).

Hij onderzoekt of aan de bepalingen van de artt. 13 en 14 der wet is voldaan en of geen der misdrijven zijn gepleegd, bedoeld in de le alinea van art. 27 der wet.

Hij is verplicht (behoudens zijn beroep op den Minister van Binnenlandsche Zaken) het advies van den geraadpleegden veearts ^ te volgen, omtrent de te nemen maatregelen tot beteugeling der ziekte (art. 16).

Hij gelast, zoo mogelijk na overleg met den geraadpleegden veearts, het plaatsen der kenteekenen, bedoeld in art. 17 der wet.

Hij is verplicht, op advies van den geraadpleegden veearts , ziek, verdacht of herstellend vee van een merkteeken te doen voorzien (art. 19).

Hij kan, na den geraadpleegden veearts te hebben gehoord en onder de door deze aangewezen voorzorgsmaatregelen, ziek of verdacht vee laten vervoeren, indien het vervoer noodzakelijk blijkt (art. 21).

Hij geeft last tot het afsluiten van besmette hoeyen of weiden, zoo noodig met inbegrip der naastaangelegen landerijen of erven, wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld: hij kan tot die afsluiting de hulp van de militaire macht inroepen (art. 29).

Hij beveelt bij het heerschcn van veepest of longziekte,

\') Zie do aauteekenmgen bij art. 14 der wet onder lett. c.

-ocr page 112-

100

op advies van den distrietsveearts, het vastleggen of vasthouden van honden in de gemeente of een gedeelte dei-gemeente waar die ziekte voorkomt en brengt dit gebod ter openbare kennis (art. 30).

Hij kondigt de opheffing van dit gebod aan, 30 dagen nadat het laatste geval van ziekte zich heeft voorgedaan (art. 30).

Hij is bevoegd, al dan niet vergezeld van het door hem noodig gekeurde personeel, de weiden, stallen en woningen der eigenaars, houders of hoeders van vee, zelfs zonder hunne toestemming, tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden, ter uitvoering van de bepalingen der wet of van de krachtens deze wet uitgevaardigde besluiten (art. 33).

Hij onteigent ter afmaking, op advies van den geraad-pleegden veearts, vee, dat aan eene besmettelijke ziekte lijdende is of daarvan wordt verdacht, en vermeldt in zijn daartoe te nemen besluit het bepaalde bij art. 23 der wet.

Hij benoemt een deskundige om het vee te waardeeren, alvorens tot onteigening ter afmaking over te gaan (art. 24).

Hij verzoekt den kantonrechter nog twee deskundigen te benoemen, indien hij of de eigenaar of beiden geen genoegen nemen met den prijs door den deskundige bepaald; de prijs wordt dan bij meerderheid van de drie deskundigen vastgesteld (art. 24).

Hij, zoowel als de eigenaar, kan vorderen dat de deskundige of ieder der deskundigen, alvorens te waardeeren, den eed of de belofte afleggen van naar zijn beste weten de waardeering te zullen doen; deze eed of belofte wordt in zijne handen afgelegd (art. 24).

Hij ziet toe dat bij het bepalen der waarde van het vee art. 24 in acht wordt genomen.

Hij besluit, wanneer tot afmaking van vee is moeten worden overgegaan, of waarneer ziektegevallen zijn voorgekomen, die daartoe aanleiding hadden kunnen geven, tot onteigening en vernietiging der voorwerpen, die dooiden geraadpleegden veearts worden aangewezen (art. 25).

Hij handelt bij deze onteigening op gelijke wijze als hierboven voor de onteigening van vee is bepaald; de inbeslagneming der voorwerpen kan tevens door hem worden bevolen (art. 25).

Hij biedt den eigenaar de door den deskundige (de des-

-ocr page 113-

101

kundigen) geschatte waarde aan en maakt van die, alsmede van al zijne handelingen in zake de waardeering gedaan, proces-verbaal op zijn ambtseed op (art. 24).

Hij handelt bij afwezigheid van den eigenaar van het vee, ten opzichte van de waardeering en aanbieding van den prijs, met den gemachtigde, die den eigenaar vervangt, of bij ontstentenis van deze, met den houder of hoeder van het vee (art. 24).

Hij ontvangt tegen quitantie in voorschot uit de gemeentekas, den gewaardeerden prijs van het vee en de voorwerpen die onteigend zijn en het benoodigde bedrag tot bestrijding van:

1°. alle onkosten waartoe de onteigening aanleiding geeft;

2°. de kosten van aanschaffing van kalk, brandstof of andere zelfstandigheden, die bij het begraven, verbranden of onbruikbaar maken van afgemaakt of gestorven vee worden aangewend;

3°. de kosten tot zuivering en ontsmetting van stallen en andere gebouwen (art. 28).

Indien de gemeentekas ontoereikend is voor het doen dezer betalingen, zoo kunnen hem ingevolge de 2e alinea van art. 28 der wet de benoodigde gelden ter goede rekening uit \'s rijks schatkist worden verstrekt; hij is dan verplicht van de ter goede rekening ontvangen gelden, binnen twee maanden na de dagteekening van het stuk waarop hem die zijn uitbetaald, rekening te doen aan de Algemeene Eekenkamer (art. 28).

Hij betaalt aan den eigenaar den gewaardeerden prijs, of, indien gehandeld is in strijd met de bepalingen van de artt. 13, 14 en 27 der wet, sequestreert hij het bedrag bij den gemeente-ontvanger (artt. 24 en 27).

Hij deponeert dien prijs bij den gemeente-ontvanger, bij weigering tot aanneming of bij afwezigheid van den eigenaar (art. 24).

Hij geeft last tot het afmaken van het vee, tot het verbranden of begraven van vleesch en huiden, die tot gebruik ongeschikt zijn verklaard , en tot het vernietigen ..■van de onteigende voorwerpen. Een en ander geschiedt overeenkomstig het advies van don geraadpleegden veearts en op grond van de besluiten, genoemd in artt. 23 en 25 der wet.

Hij verstrekt den eigenaar, op wiens kosten en door

-ocr page 114-

102

wiens zorg vee — aan eene besmettelijke ziekte gestorven of aan miltvuur lijdende geslacht — moet worden verbrand of begraven, de brandstoffen en andere benoodigd-lieden voor liet verbranden en de bij het begraven te gebruiken ontsmettingsmiddelen. (Besl. 14 Maart 1880, art. 4.)

Hij treedt in overleg met den districtsveearts omtrent de wijze van het onschadelijk maken van dood vee; de districtsveearts beslist of het vee verbrand of begraven moet worden. (Besluit 9 Juni 1885 (Staatsblad 131) § 4.)

Hij doet de begraving of verbranding wanneer die door eenige omstandigheid onmogelijk is op het erf of het land, waar het stuk vee gestorven of afgemaakt is en geen erf in de gemeente voor hem beschikbaar is, plaats hebben ter naaster lage en vergoedt de daardoor eventueel veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond. (art. 31).

Hij wijstgt; wanneer het vee in een stal of schuur is gestorven of afgemaakt en geen gemeentegrond beschikbaar is, een terrein aan voor de begraving of verbranding op minstens 50 meters van stallen, woningen of drinkwaterputten gelegen en vergoedt de daardoor eventueel veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond (art. 31).

Hij verzoekt, ingeval hij bij verschil over het bedrag der schade, in de beide vorige zinsneden bedoeld, de meest gereede partij is, den kantonrechter de schadeloosstelling vast te stellen (art. 31).

Hij kan, in overleg met den districtsveearts, de begraafplaats van wegens besmetting verbrand of begraven vee en voorwerpen met eene stevige omheining doen afsluiten. (Besluit 9 Juni 1885 (Stbl. 131) § 1.)

Hij kan gelasten of verlof geven genoemde begraafplaats binnen te treden of de omheining te ontsluiten. (Besluit 9 Juni 1885 (Stbl. 131) § 1.)

Hij zorgt, wanneer longziek rundvee, overeenkomstig het bepaalde bij de laatste alinea van § 2, art. 3 van het Koninklijk besluit van den 14 Maart 1880 (Stbl. no. 31), door de eigenaars wordt geslacht, dit slachten onder politietoezicht plaats hebbe.

Hij beveelt inenting van wegens longziekte verdacht rundvee overeenkomstig het bepaalde bij art. 1 van het Kon. besl. dd. 3 Febr. 1877 (Stbl. no. 17). Hij wint, alvorens dit bevel te geven, het advies van den districtsveearts in.

-ocr page 115-

107

De bewijsstukken, hiervoren opgenoemd onder no. 1 tot en met 7, moeten bij deze verantwoording worden overgelegd.

In de verantwoording van de ter goede rekening ontvangen gelden mogen alleen de onkosten in uitgaaf worden gebracht, welke zijn vermeld in art. 28 der wet.

Kosten van inenting van vee mogen alzoo niet in deze verantwoording voorkomen.

Voor die uitgaven moeten door den Burgemeester voor-schot-declaratiën in duplo worden opgemaakt en met de daarbij behoorende quitantie aan den Commissaris des Konings in de provincie worden opgezonden.

Indien de verklaring van den veearts, waarbij tot inenting wordt geadviseerd, bij eene verantwoording aan de Algemeene Rekenkamer is overgelegd, zal zulks uit de declaratie moeten blijken.

De kosten van afzonderen en onderhoud van krachtens art. 35 der wet in beslag genomen vee of voorwerpen zijn kosten van justitie en worden door tusschenkomst van den betrokken Officier van Justitie verevend, aan wien de te dier zake op te maken declaration worden ingezonden

Verkoop van vlecsch en huiden, afkomstig van onteigend en afgemaakt vee.

Hetgeen van het onteigend en afgemaakt vee niet verbrand of begraven wordt, kan als rijks eigendom worden verkocht.

Bij Kon. besluit van den 10 September 18CG, no. CG, is bepaald, dat de voorschriften, gegeven bij Kon. besluit van 25 Januari 1820, no. 112, niet op deze verkoopingen toepasselijk zijn.

Volgens art. 9 der wet van 22 Pluviose, jaar VII, is

\') Zie over deze kosten do missives van den Mmister van Biu-nenlandsche Zaken dd. 23 December 1870 en -1 Juli 1882, medegedeeld bij art. 36 der wet. Het iu de missive van 23 December » 1870 aangehaald Keizerlijk decreet van 18 Juni 1811 is echter ingetrokken bij de wet van 18 April 1874 (Stbl. uo. (50), tot vaststelling der tarieven van gerechtskosten in strafzaken, waarvan de gewone rechter kennis neemt. Men raadplege genoemde wet en het Kon. besluit van 18 December 1874 (Stbl. no. 212).

-ocr page 116-

108

voorloopige aangifte voor het houden van deze verkoo-pingen niet noodig; kosten, daarvoor gemaakt, zouden door de Algemeene Eekenkamer 2iiet in verevening worden geleden.

De Burgemeesters of zij die hen vervangen, zijn bij Kon. besluit van den 11 Juli 1871 (Stbl. no. 75) bevoegd verklaard deze verkoopingen te houden.

De kosten, die op den verkoop vallen, kunnen zijn: die van slachten, keuren van vleesch of huiden, accijns 1); adverteeren, enz.

Uithoofde verkoop van vleesch geen handeling is, die krachtens de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) geschiedt, zoo zijn de processen-verbaal of de onderhandsche overeenkomsten van verkoop niet begrepen in de vrijstelstellingen van zegel- en registratierechten, bij artikel 43 dier wet toegekend.

Tot goedmaking van zegel en registratie en alle verdere kosten tot den verkoop betrekkelijk, mogen opcenten worden bedongen; die kosten kunnen dan door verantwoording der geheven opcenten in uitgaaf worden gebracht.

In geval geen opcenten bedongen zijn, kunnen op grond van art. 28 der wet van 3 October 1843 (Stbl. no. 47) zegelkosten nimmer ten laste van het rijk komen en die van registratie en alle andere bijkomende onkosten alleen dan, wanneer naar aanleiding van art. 1502 van het Burgerlijk quot;Wetboek is bedongen, dat die ten laste van de ver-koopers zijn.

Hetgeen na aftrek der onkosten van de bedongen opcenten over blijft, mag in geen geval aan den notaris of deurwaarder, die de verkooping houdt, als salaris worden toegekend, maar er moet vooraf mondeling worden overeengekomen omtrent het bedrag, dat naar billijkheid als salaris zal worden genoten.

De processen-verbaal en verder alle andere bescheiden tot staving van den verkoop moeten in originali worden overgelegd.

Wanneer echter eene verkooping door een notaris of deurwaarder is gehouden, kunnen gezegelde afschriften van het proces-verbaal van verkoop worden overgelegd.

^ Zie over de verschuldigde accijns de missives van den M. v. B. Z., medegedeeld bij art. 45 der wet.

-ocr page 117-

109

De kosten van zegel voor die afschriften mogen liet rijk in rekening worden gebracht. Verdere kosten voor afschriften worden door de Algemeene Eekenkamer niet verevend.

Ingevolge art. 5 der wet van 22 Pluviose, jaar VII. moet bij den verkoop de prijs van ieder toegewezen voorwerp dadelijk in het proces-verbaal in schrijfletters worden omschreven en in cijfers buitenslijns worden vermeld, en moet iedere zitting gesloten en geteekend worden dooiden openbaren beambte en twee ter plaatse wonende getuigen.

Indien bij onderhandschen verkoop gevallen zich voordoen, waarin geene wederzijdsche onderteekende overeenkomsten kunnen worden opgemaakt, zal de Algemeene Eekenkamer genoegen nemen meteene ongezegelde en ongeregistreerde verklaring van den Burgemeester van den volgenden inhoud:

De Burgemeester der gemeente verklaart op den eed (belofte) bij de aanvaarding zijner bediening afgelegd, dat het vleesch en de huid der koe op den onteigend van

alhier, door hem uit de hand zijn verkocht aan

wonende te voor eene som

(in schrijfletters)

Te den 18

Indien een Wethouder, waarnemend Burgemeester, de verkooping heeft gehouden die als zoodanig geen eed of belofte heeft gedaan, dan kan in stede der woorden op den eed (belofte), in bovenstaande verklaring voorkomende,

, , eener plechtige verklaring.

worden gesteld: onder aanbod-----^---

Van 66CLG.

Alleen in de gevallen, waarin geene overeenkomsten kunnen worden opgemaakt, zal met bovenstaande verklaringen worden genoegen genomen, en wanneer niet blijkt dat van onderhandschen verkoop betere uitkomsten zijn te verwachten of de hoeveelheden voor openbaren verkoop te gering zijn, moet steeds openbare verkoop plaats hebben.

Uit den verkoop van vleesch en huiden mogen nimmer onteigeningskosten worden bestreden; de uitgaven moeten zich tot de kosten bepalen, welke uit den verkoop voortvloeien.

De zuivere opbrengst van den verkoop wordt tegen qui-tantie bij een Eijksbetaalmeester gestort en het bedrag dier quitantie in uitgaaf gebracht.

-ocr page 118-

110

Wegens de ontvangsten en uitgaven wordt door den Burgemeester eene afzonderlijke rekening en verantwoording (in duplo) opgemaakt en met de bescheiden (in simplo) rechtstreeks aan de Algemeene Eekenkamer ingezonden.

Bij openbai-en verkoop van in beslag genomen vee of voor bederf vatbaar goed, zijn de processen-verbaal vrij van zegel en de formaliteit van registratie. 1)

De Burgemeesters of degenen, die hen als zoodanig vervangen, zijn bij Koninklijk besluit van 11 Juli 1874 (Stbl. no. 109) bevoegd verklaard deze verkoopingen te houden.

De verantwoording aan de Algemeene Rekenkamer geschiedt op gelijke wijze \'als hierboven is omschreven voor den verkoop van vleesch en huiden.

Inrichting der quüaniien.

Uitgaven van f 3 en daarboven moeten door gespecificeerde quitantiën worden gestaafd, op gezegeld papier geschreven bij sommen meer dan f 10 beloopende 2).

Hiervan zijn uitgezonderd quitantiën wegens de schadeloosstelling voor onteigening, die, onaangezien het bedrag, vrij van zegelrecht zijn.

Voldaan teekeningen zijn door belanghebbenden zelve te stellen; door derden namens hen alleen tegen overlegging eener gezegelde, gelegaliseerde en geregistreerde volmacht.

Personen, de schrijfkunst niet verstaande, kunnen wegens sommen, f 300 niet te boven gaande, quiteeren door middel van een handmerk, gesteld in tegenwoordigheid van twee getuigen, die daarvan door eene onderteekende verklaring op de quitantie doen blijken. Bij betalingen van meer dan f 300 moet in zoodanig geval en ook wegens verhindering door blindheid of verlamming de quitantie notarieel worden opgemaakt. Bij overlijden moeten de gerechtigden tot de nalatenschap voldaan teekenen onder overlegging van doodakte en bewijs van erfrecht. De kosten op een en ander te dragen door de belanghebbenden.

Quitantiën wegens gelden, betaald aan deskundigen

\') Zie over de verschuldigde accijns do missive van den Minister van Binnenlandscho Zaken dd. 29 Mei 1879, medegedeeld bij art. 43 der wet.

Een zegel van vijf cents is voldoende.

-ocr page 119-

Ill

door den kantonrechter benoemd, moeten door dezen worden getaxeerd.

Nauwkeurige opmaking der stukken en kosten voor schrijfloon.

Bij de opmaking der stukken moet worden gezorgd voor nauwkeurige beschrijving van hetgeen onteigend is en voor strikte eenvormigheid, in de aanduiding en spelling der namen en voornamen zoo van de eigenaars van het onteigende als van hen die met de waardeering daarvan belast zijn geweest of aan wie betalingen zijn gedaan.

Volgens missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken dd. 14 Juli 1873, no. 2G9, 9e afd., moet, bij de berekening van belooningen wegens schrijfwerk, bij onteigening van vee of besmette voorwerpen de noodige zuinigheid in acht genomen worden en moet de belooning berekend worden per onteigening en niet per stuk vee of per onteigend voorwerp.

Naar de meening van de Algemeene Eekenkamer is een belooning van f 2 voor iedere onteigening ruim voldoende.

-ocr page 120-

112

Art. 5 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Algemeene lastgeving.

De Burgemeester der gemeente

Gelast den voor den kring aangewezen districts veearts, om de aan zijn toezicht onderworpen plaatsen, vermeld in art. 5 der wet van den 20 Jidi 1870 (Stbl. no. 131), voor zooverre die tot de gemeente behooren, tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden, ondanks den wil der bewoners of gebruikers.

Deze last geldt tot den

, den 18

De Burgemeester mornoernd,

Art. 5 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Bijzondere lastgeving.

De Burgemeester der gemeente

Gezien art. 5 der wet van den 20sten Juni 1870 (Stbl. no. 131).

Gelast den voor den kring aangewezen districtsveearts, om op heden tusschen zonsop-of ondergang (a) van van

beroep , wonende binnen deze gemeente, on

danks den wil van den bewoner (gebruiker) binnen te treden.

, den 18

De Burgemeester voornoemd,

(a) De weide, den stal , enz.

-ocr page 121-

105

vernietiging van de in art. 25 der wet bedoelde voorwerpen worden gelast, en tevens een deskundige worden aangewezen om het vee en de voorwerpen, die onteigend worden, te waardeeren.

In dit besluit wordt verder de eigenaar vermeld, of houdt de verklaring in dat de eigenaar den Burgemeester onbekend is, — het vee en de voorwerpen worden er in omschreven en met het oog op art. 27 der wet moet er uit blijken of al dan niet de bij art. 13 der wet voorge-schreven aangifte of de bij art. 14 voorgeschreven afzondering is verzuimd of dat de eigenaar binnen den verboden termijn vee heeft gebracht of doen brengen op stallen, hoeven of weiden, waar eene besmettelijke ziekte heeft geheerscht of op eenige andere wijze zijn vee opzettelijk in verdachten toestand heeft gebracht of doen brengen.

Indien de inbeslagneming enz. der voorwerpen en de benoeming van een deskundige om het vee of de voorwerpen te waardeeren, bij afzonderlijke besluiten van den Burgemeester geschieden, moeten ook die besluiten worden overgelegd.

3°. De akte van waardeering van den deskundige, die door den Burgemeester is aangewezen; of zijn er twee deskundigen door den kantonrechter benoemd, de akte van de drie deskundigen.

Uit deze akte moet blijken dat bij de waardeering, voor zooveel dit vee betreft, er gelet is op het bepaalde bij de tweede en derde alinea van art. 24 der wet.

4°. Het proces-verbaal van den Burgemeester op ambtseed opgemaakt, waaruit moet blijken dat de eigenaar van het onteigende genoegen heeft genomen met de aangeboden schadeloosstelling of wel dat deze door hem is geweigerd en op grond daarvan gedeponeerd is in handen van den gemeente-ontvanger.

Is de eigenaar afwezig of zijn de gelden bij den gemeente-outvanger gesequestreerd, alsdan behoort het proces-verbaal van depot of dat van sequestratie te worden overgelegd.

5°. Het bewijs van den eigenaar, dat hij den gewaar-deerden prijs heeft ontvangen.

» 6°. Het bewijs van afmaking, begraving of verbranding-van het vee en de voorwerpen die onteigend zijn, opgemaakt door een politiebeambte of van een anderen bevoegden ambtenaar.

-ocr page 122-

106

7°. Het bewijs van een deskundige (veearts of keurmeester) dat liet vleeseh en de huiden geheel of gedeeltelijk voor gebruik ongeschikt zijn.

Overlegging van dit bewijs is geen vereischte; indien uit het verslag van den veeartsenij kundige het bovenstaande blijkt.

8°. De declaratie (in duplo) van den burgemeester wegens de voorgeschoten gelden uit de gemeentekas.

In deze declaratie mogen niet worden begrepen kosten wegens verkoop van vleeseh en huiden, noch daarvan worden afgetrokken de opbrengst van vleeseh en huiden.

De declaration wegens reis- en verblijfkosten en vacatiegelden der veeartseniikundigen moeten in overeenstemming met de daarvoor uitgetrokken artikelen op de Staatsbegrooting afzonderlijk worden opgemaakt. !)

h. Indien de Burgemeester, volgens art. 28 der wet, ter goede rekening gelden uit \'s rijks schatkist heeft ontvangen, is hij verplicht binnen twee maanden na de dag-teekening van het betalingsstuk, waarop hem die zijn uitbetaald, rekening te doen aan de Algemeene Rekenkamer. Die rekening of verantwoording geschiedt bij aanvrage om décharge (in duplo)., welke met de daarbij behoorende verzameling van gedane uitgave (in simplo) rechtstreeks aan de Algemeene Eekenkamer wordt ingezonden.

Indien meer dan eene Assignatie 1) is ontvangen, kunnen de onderscheidene bedragen in een aanvrage om décharge en in een verzamelstaat worden begrepen, mits het tijdstip van verantwoording in acht worde genomen.

Bedragen de gedane uitgaven bij het opmaken der aanvrage om décharge minder dan de aan Assignation ontvangen som, alsdan behoort de Burgemeester het overschietende bedrag bij een rijksbetaalmeester te storten en de daarvoor te bekomen quitantie als bewijsstuk in de verzamelstaat te vermelden en daarbij te voegen.

1

) De Assignatiën op \'s rijks schatkist worden door den Com-missaris des Konings in de provincie afgegeven.

-ocr page 123-

113

Art. 13 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

REGIS TEE van aangiften van door besmettelijke ziekten aangetast of daarvan verdacht vee hinnen de gemeente

NB. Aangifte van vee, lijdende aan eene gewone ziekte, is niet verplichtend.

-ocr page 124-

114

Volgnummer.

Namen en voornamen der

houders of hoeders.

Woonplaats.

Datum der aangifte van het ziektegeval.

Soort van het aangetaste of verdachte vee.

Ouc leru]

1

|

-ocr page 125-

115

Ouderdom en omschrijving Ier uiterlij ke kenteekenen van het vee.

Afloop van het ziektegeval.

-ocr page 126-

116

Artt. 23 en 24 der wet van Vrij van zegel en registratierecht

20 Juli 1870 ingevolge art. 43 der wet van

(Staatsblad no. 131). 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Besluit van den Burgemeester tot onteigening en waardeering van vee. De Burgemeester der gemeente Overwegende, dat hem uit het verslag van den districtsveearts gebleken is dat (a)

toebehoorende aan van beroep veehouder,

wonende te (of: waarvan de eigenaar hem

onbekend is).

(6) Overwegende, dat de eigenaar (of: houder, of: hoeder) heeft voldaan aan zijne verplichtingen omtrent aangifte en afzondering ingevolge de artikelen 13 en 14 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131),

Gelet op voornoemde wet;

Besluit en beveelt tevens:

Het bovenomschreven vee onmiddellijk in beslag te nemen, te onteigenen en te doen afmaken.

Dit vee te doen waardeeren door

den 18

De Burgemeester voornoemd.,

(а) Hier in te vullen: door veepest is aangetast (van veepest is verdacht), door longziekte is aangetast (van longziekte is verdacht), door kwaden droes is aangetast, door huidworm of dolheid is aangetast, door miltvuur of schaapspokken is aangetast, van miltvuur is verdacht, en daarna de omschrijving van het vee te laten volgen.

(б) Of; Overwegende, dat de eigenaar (of: houder, of; hoeder) niet heeft voldaan aan zijne verplichtingen omtrent aangifte en afzondering ingevolge de artikelen 13 en 14 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131).

Of: Overwegende, dat de eigenaar, in strijd met art. 27 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), binnen den verboden termijn vee heeft gebracht (of: doen brengen) waar eene besmettelijke ziekte heeft geheerscht.

Of: Overwegende, dat de eigenaar, in strijd met art. 27 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), zijn vee opzettelijk in verdachten toestand heeft gebracht (of: doen brengen).

NB. De besmette voorwerpen, die mede onteigend worden, kunnen in dit (of in een afzonderlijk) besluit worden vermeld.

-ocr page 127-

117

Art. 24 der wet van Vrij van zegel en registratierecht

20 Juli 1870 ingevolge art. 43 der wet van

(Staatsblad no. 131). 20 Juli 1870 (Staatsblad no 131).

Benoeming van een deskundige.

De Burgemeester der gemeente

Gezien art. 24 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131);

Benoemt als deskundige om het vee dat in deze gemeente ter afmaking moet worden onteigend te waardeeren

wonende te met

last om bij die waardeering in acht te nemen, dat voor verdacht vee de volle waarde, voor vee door eene besmettelijke ziekte aangetast de helft der waarde, die het in gezonden toestand zou hebben, wordt berekend.

Gedaan te , den 188

De Burgemeester voornoemd,

NB. Wanneer de deskundige in liet besluit tot onteigening wordt benoemd, is deze benoeming overbodig.

Art. 24 der wet van

20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Vrij van zogel en registratierecht ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).


Proces-verbaal van heëediging van eenen deskundige.

Op heden den is voor mij

Burgemeester der gemeente

verschenen . bij besluit van den

benoemd als deskundige om het vee, dat in deze gemeente ter afmaking moet worden onteigend, te waardeeren, welke ter voldoening aan art. 24 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), heeft afgelegd den eed (de belofte), van naar zijn beste weten die waardeering te zullen doen.

En is hiervan het tegenwoordige proces-verbaal opgemaakt ten dage en jare als boven.

De Burgemeester der gemeente,

-ocr page 128-

118

Art. 24 der wet van den Vrij van zegel en registratierecht

20 Juli 1870 ingevolge art. 43 der wet van

(Staatsblad no. 131). 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Akte van waardeering van vee. De onclergeteekendc als deskundige daarvoor door den Burgemeester der gemeente benoemd, verklaart op heden te hebben gewaardeerd, overeenkomstig de bepalingen van art. 24 der wet van den 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), het navolgende vee (a)

Qgt;)

welk vee toebehoort aan (c)

veehouder alhier en volgens besluit van den Burgemeester van heden is in beslag genomen om te worden opgemaakt. , den 18

(a) door veetj^phus aangetast.

van „ verdacht.

door longziekte aangetast.

van „ verdacht.

door kwaden droes aangetast.

„ dolheid aangetast.

„ miltvuur aangetast van „ verdacht.

door schaapspokken aangetast.

Bij de waardeering moet worden in acht genomen dat voor verdacht vee de volle waarde, voor vee door eene besmettelijke ziekte aangetast de helft der waarde, die het in gezonden toestand zou hebben, wordt berekend.

(b) Totaal in schrijfletters.

(c) of: van welk vee de eigenaar hem onbekend is.

Art. 25 der wet van den Vrij van zegel en registratierecht

20 Juli 1870 ingevolge art. 43 der wet van

(Staatsblad no. 131). 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Akte van waardeering van voorwerpen. De ondergeteekende

-ocr page 129-

119

als deskundige daaivoor door den Burgemeester der gemeente benoemd, verklaart op heden te hebben gewaardeerd de navolgende voorwerpen

(6)

welke voorwerpen toebehooren aan

veehouder alhier, en volgens beshiit van den Burgemeester van heden zijn in beslag genomen om te worden vernietigd.

, den 18

(6) Totaal in schrijfletters.

Art. 24 der wet van Vrij Tan zegel en registratierecht

20 Juli 1870 ingevolge art. 43 der wet van

(Staatsblad no. 131). 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Verzoekschrift van den Burgemeester om twee deskundigen te benoemen.

De Burgemeester der gemeente

Overwegende, dat door (as)

geen genoegen wordt genomen met de waardeering van het bij besluit van heden ter afmaking in beslag genomen (b) vee van van beroep veehouder, wonende te zijnde (c)

Gelet op art. 24, 4e lid, der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131);

Verzoekt den Kantonrechter te te willen benoemen twee deskundigen, om met den door hem Burgemeester aangewezen deskundige

bij meerderheid te beslissen over de waarde van bovenbedoeld vee.

, den 18

De Burgemeester voornoemd,

(a) in te vollen: hem; den eigenaar van het vee of hem en den eigenaar van het vee.

-ocr page 130-

120

(b) door veepest aangetast, van , verdacht.

door longziekte aangetast, van , verdacht.

door kwaden droes of huidworm aangetast. , dolheid aangetast.

„ miltvuur aangetast, van „ verdacht.

door sohaapspokkon aangetast.

(c) omschrijving van het vee.

Art. 2-4 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Vrij van zegel en registratierecht ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).


Akte van waardeering door drie deskundigen.

De ondergeteekende als deskundige daarvoor door den Burgemeester der gemeente en medeondergeteekenden

als deskundigen daarvoor door den Kantonrechter te

benoemd, verklaren op heden te hebben gewaardeerd, overeenkomstig de bepalingen van art. 24 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), het navolgende vee (a)

(b)

welk vee toebehoort aan (c)

veehouder alhier en volgens besluit van den Burgemeester van den is in beslag genomen om

te worden afgemaakt.

, den 18

-ocr page 131-

121

(a) door veetyphus aangetast.

van „ verdacht.

door longziekte aangetast.

van „ verdacht.

door kwaden droes of huidworm aangetast.

v dolheid aangetast.

„ miltvuur aangetast.

van „ verdacht.

door schaapspokken aangetast.

Bij de waardeering moet worden in acht genomen, dat voor verdacht vee de volle waarde, voor vee door eene besmettelijke ziekte aangetast de helft der waarde die het in gezonden toestand zou hebben, wordt berekend.

(b) Totaal in schrijfletters.

(c) of: van welk vee de eigenaar h onbekend is.

Art. 24 der wet van Vrij van zegel en registratierecht

20 Juli 1870 volgens art. 43 der wet van den

(Staatsblad no. 131). 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Proces-verhaal wegens aanbieding van den gewaardeerden prijs.

De Burgemeester der gemeente heeft op lieden aan den veeliouder

wonende te overeenkomstig art. 24 dei-

wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), aangeboden voor stuks vee, zijnde: 1°. waardig geschat

op (a)

2°.

(6) der waarde, ten bedrage

van

met welke aanbieding de ondergeteekende heeft verklaard genoegen te nemen (c).

Waarvan door mij Burgemeester dit proces-verbaal is opgemaakt op den eed bij den aanvang mijner bediening gedaan en met gemelden onderteekend.

den 18

De Veehouder, {d) De Burgemeester,

-ocr page 132-

122

(a) Waaneer bij de taxatie de tusschenkomst van den kan-tonreclitei- is ingeroepen zou achter don gewaardeorden prijs kunnen volgen;

vrfoor de deskundigen benoemd door den hurgeuieester en den ^kantonrechter, vermits de burgemeester (de eigenaar van het vee) „(de burgemeester en de eigenaar van het vee) geen genoegen heeft „(hebben) genomen met de waardeering, die volgens het tweede lid „van art. 24 der wet aanvankelijk had plaats gehad.quot;

(b) Het volle bedrag of de helft.

(c) of: welke som door voornoemden veehouder is geweigerd en dientengevolge op heden is gedeponeerd in handen van den gemeente-ontvanger.

(d) of: de gemeente-ontvanger.

■Art. 28 der wet van Vrij van zegel- en registratierecht

2Ü Juli 1870 ingevolge art. 43 der wet van

(Staatsblad no. 131 . 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Quitantie wegen-s ontvangst van gelden uit de gemeentekas.

De Burgemeester van verklaart bij dezen van den Ontvanger dezer gemeente ontvangen te liebben de som van

wegens voorschot uit de gemeentekas tot voldoening der kosten van taxatie, verbranding en begraving van

aan toebehoorend door

aangetast het doen der vereischte ont

smettingen, het plaatsen der kenteekenen in art. 17 der wet bedoeld, alsmede het op een en ander gehouden toezicht, enz.

den 18

De Burgemeester voornoemd,

Vrij van zegel en registratierecht ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Quitantie wegens ontvangst van den gewaardeerden prijs.

Ik ondergeteekende van beroep veehouder, wonende te

verklaar bij deze te hebben ontvangen van den Burgemeester der gemeente

-ocr page 133-

123

een som van in voldoening van de (a)

waarde van stuks

vee, op dat bedrag geschat door (b)

welk vee, op heden, als (c)

in beslag genomen en afgemaakt is, volgens besluit van den Burgemeester van heden; dienende deze tot quitantie zonder reserve.

den 18

(a) volle of helft der

(b) don deskundige de deskundigen

de eerste daartoe door den Burgemeester, de beide laatsten door den Kantonrechter te benoemd.

(c) door veetyphus aangetast.

van „ verdacht.

door longziekte aangetast.

van „ verdacht.

door kwaden droes of huidworm aangetast.

, dolheid aangetast.

, miltvuur aangetast.

van „ verdacht.

door schaapspokkeu aangetast.

Art. 24 der wet van

20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Vrij van zegel en registratierecht ingevolge art. 43 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).


Proces-verhaal van depot van den gewaardeerden prijs.

De Burgemeester der gemeente heeft op heden, tengevolge van afwezigheid van den eigenaar

veehouder, wonende te overeenkomstig

art. 24 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) bij den gemeente-ontvanger gedeponeerd voor stuks vee,

zijnde:

waardig geschat

op (et)

(è) der waarde, ten bedrage

van

Waarvan door mij Burgemeester dit procos-verbaal is

-ocr page 134-

124

opgemaakt op den eed bij den aanvang mijner bediening-gedaan en met gemelden gemeente-ontvanger onderteekend.

den 18

De Gemeente-Ontvangeri De Burgemeester,

(ff) in schrijfletters.

NB. Wanneer bij de taxatie de tusschenJcomst van den kan-tourechter is ingeroepen, zou achter den gewaardeerden prijs kunnen volgen:

Tdoor de deskundigen benoemd door den burgemeester en den ^kantonrechter, vermits door den burgemeester (vanwege den eigenaar „van het vee) (door den burgemeester en vanwege den eigenaar „ran het vee) geen genoegen is genomen met de waardeering, die „volgens het tweede lid van art. 24 der wet aanvankelijk had „plaats gehad.quot;

{li) Het volle bedrag of de helft.

Art. 27 der wet van

20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Vrij van zegel- en registratierecht ingevolge art. 43 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).


Proces-verhaal van sequestratie van den gewaardeerden prijs.

De Burgemeester der gemeente Gezien zijn besluit van den 18 , waarbij

het vee van , veehouder,

wonende te , is onteigend.

Overwegende, dat de gelden waarop dit vee is geschat, door

bij den Ontvanger dezer gemeente moeten worden gese-questreerd op grond

heeft heden ingevolge art. 27 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) in handen van gemelden Ontvanger gesteld:

1°. voor waardig geschat op (a)

(b) der waarde, ten bedrage van

Waarvan, door mij Burgemeester, dit proces-verbaal is

-ocr page 135-

125

opgemaakt op den eed, bij den aanvang mijner bediening-gedaan en met geinelden gemeente-ontvanger onderteekend. De Qemeente-Ontvanger, De Burgemeester,

(a) In schrijfletters.

(ft) Het volle bedrag of de helft.

Art. 27 der wet van

20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Vrij van zegel- en registratierecht ingevolge art. 43 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).


Proces-verhaal van aanneming van den gewaardeerden prijs uit handen van den Gemeente-Ontvanger.

Ik ondergeteekende, Ontvanger der gemeente , verklaar, dat de som van gulden, zijnde het bedrag van de (a)

waarde, waarop stuks vee van ,

veehouder, wonende te , zijn geschat

door (/j) , welk vee op den

als (c)

in beslag genomen en afgemaakt is volgens besMt van den Burgemeester dezer gemeente van den 18 , doch welke gelden de eigenaar had geweigerd aan te nemen en dientengevolge overeenkomstig art. 24 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) in mijne handen waren gesteld, heden aan den eigenaar zijn uitbetaald (of: doch welke gelden, bij ontstentenis van den eigenaar overeenkomstig art. 24 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) in mijne handen waren gesteld, lieden aan den eigenaar zijn uitbetaald).

(а) volle of de helft der

(б) den deskundige (of: de deskundigen), de eerste daartoe door den Burgemeester, de beide laatsten door den Kantonrechter te benoemd.

(c) door veetyphus aangetast, door longziekte aangetast, van „ verdacht, van „ verdacht.

door miltvuur aangetast, door kwaden droes, huid worm

of dolheid aangetast.

van miltvuur verdacht, door schaapspokken aangetast.

-ocr page 136-

126

Waarvan deze verklaring is opgemaakt als bewijs van uitbetaling en onderteekend door mij Ontvanger en genoemden eigenaar.

De Eigenaar, De Ontvanger,

Art. 26 der wet van

20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Vrij van zegel- en registratierecht ingevolge art. 43 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).


Proces-verhaal van consignatie.

Ik ondergeteekende, Ontvanger der gemeente verklaar dat de som van gulden, zijnde het be

drag van de (a) waarde, waarop stuks vee

van veehouder, wonende te zijn

geschat door {b) , welk vee, op den

als (c) in beslag genomen en afgemaakt is, vol

gens besluit van den Burgemeester dezer gemeente van den 18 doch welke gelden de eigenaar had

geweigerd aan te nemen, en dientengevolge overeenkomstig art. 24 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131) in mijne handen waren gesteld op den 18 (of:

doch welke gelden, bij ontstentenis van den eigenaar, overeenkomstig art. 24 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), in mijne handen waren gesteld op den 18 ), op heden door mij zijn gestort bij den Ontvanger der registratie van de gerechtelijke akten te

Waarvan dit proces-verbaal door mij Ontvanger is opgemaakt en onderteekend met den Ontvanger der registratie voornoemd

den (Handteekeningen.)

(a) volle of helft der

(b) den deskundige of: de deskundigen, de eerste daartoe door den Burgemeester, de beide laatsten door den Kantonreoliter te

benoemd.

(c) door veetyphus aangetast, door longziekte aangetast, van „ verdacht, van „ verdacht.

door miltvuur aangetast, door kwaden droes aangetast, van „ verdacht, „ huid worm „

door sohaapspokken aangetast, door dolheid „

-ocr page 137-

127

Vrg van zegel- en registratierecht ingevolge art. 43 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Akte van aanstelling van een persoon, met de uitvoering en het houden van toezicht op het afmaken van vee enz. heiast.

De Burgemeester der gemeente Gelet op zijne besluiten van heden, waarbij de inbeslagneming en onteigening is bevolen van door aangetast

alsmede van aan

toebehoorend aan

toebelioorende voorwerpen, met genoemd vee in aanraking geweest;

Heeft goedgevonden:

te belasten met de uitvoering van en het houden van toezicht op het afmaken van gezegd , het verbranden en begraven daarvan en van de hierboven bedoelde voorwerpen, het doen der vereisehte ontsmettingen, alsmede het plaatsen van het kenteeken, bedoeld bij art. 17 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), een en ander op de wijze als aangegeven is in het advies van den districts-veearts van heden no.

18

wonende te

, den

De Burgemeester voornoemd,

Vrij van zegel- en registratierecht ingevolge art. 43 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Bewijs wegens het afmakm enz. van vee en het vernietigen van voorwerpen.

De ondergeteekende

, door den heer Burgemeester der ge-

-ocr page 138-

128

meente bij besluit van den belast

met de uitvoering voor zooveel betreft

Verklaart:

op lieden aan die lastgeving te hebben voldaan overeenkomstig het advies van den districts-veearts te , van den jl. en met inachtneming van de voorschriften der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131), alsmede van de Koninklijke besluiten, die totnadei\'eregeling en uitvoering dezer wet zijn genomen.

, den

Vrij van zegel- en registratierecht ingevolge art. 43 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Verklaring van een deskundige wegens de onbruikbaarheid van vhesch of huiden, afkomstig van afgemaakt vee.

Ondergeteekende veearts (of; keurmeester) verklaart dat het vleesch (of: ^^-n) van het heden afgemaakt aan

vee, onteigend van vee

houder, wonende te geheel (of: met uit

zondering van ) onbruikbaar is.

den 18

-ocr page 139-

129

Vrij van zegel- en registratierecht, ingevolge art. 43 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

DECLARATIE van

Burgemeoster der gemeente ten laste van liet Rijk, wegens gedane voorschotten uit de gemeentekas, uit krachte van de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131). Betaald:

Aan (a)

de (b) waarde van (e)

op den in beslag genomen

en vervolgens afgemaakt blijkens quitantie \'

bijlage no.

Aan

wegens waardeering van voormeld vee, |

blijkens quitantie, bijlage no. de som van Aan

voor geleverde kenteekenen, waarschuwingsborden en werktuigen, bedoeld in de artt. 17 en 20 der bovengenoemde wet.

Te zamen . f

Deze declaratie naar waarheid opgemaakt door mij Burgemeester der gemeente , tot een

bedrag van [cl) , verklarende de

ondergeteekende deze declaratie te zijn deugdelijk en onvergolden (e)

, den 18

De Burgemeester,

(a) Naam en woonplaats.

(J) volle of helft dor

(c) Stuks vee.

(rf) Ia schrijfletters.

(e) Hier te laten volgen; (zoomede dat het vleesch en de *liuid(en), afkomstig van het onteigende vee ten gebruike ongeschikt bevonden door onschadelijk zijn gemaakt) of zoomede dat -wegens de opbrengst der verkooping van het vleesch

9

-ocr page 140-

130

en de liuid(cn), afkomstig van het onteigende vee, rekening en verantwoording zal worden afgelegd aan do Algemeene Rekenkamer) of (zoomede dat wegens de opbrengst van het vleesoh en van de hiüd(en) ter verkoop geschikt bevonden en verkocht, rekening en verantwoording zal worden afgelegd aan de Algemeene Rekenkamer, terwijl het overige als daarvoor niet geschikt,

door l(3rbr?ndm= onschadelijk is gemaakt.

begraving 0

NB. In deze declaratie verder op te nemen alle verdere uitgaven van afmaken, begraven, desinfecteeren, wegruiming van borden, enz., maar niet de kosten van slachten of ander werk, waartoe de verkoop van vleesch of huidon aanleiding geeft. Dat vleesch of huid geheel of gedeeltelijk voor consnmtie of gebruik onbruikbaar zijn, moet steeds blijken uit de verklaring van een deskundige, veearts of keurmeester. Van vernietiging door verbranding of begraving moet steeds het bewijs geleverd worden door eene verklaring van een politiebeambte of van een anderen bevoegden ambtenaar.

Deze declaratie wordt in duplo ingezonden aan don Commissaris des Konings in de provineie.

Hoofdstuk Dienst 18 Artikel

Assignatie op \'s rijks schatkist.

Departement van Binnenlandsclie Zaken. De Betaalmeester te gelieve te voldoen

aan Burgemeester der gemeente

of order, de somma van

Zullende gezegde som valideeren op de, door Zijne Excellentie den Minister van Financiën, ten kantore van voornoemden Betaalmeester geopende credieten, wegens verstrekking van gelden ter goede rekening tot het doen van uitgaven tot onschadelijkmaking van vee aan lijdende.

den 18

De Commissaris des Konings in de provincie

Zegge f

ND. Van deze assignatie moet binnen twee maanden na hare dagteekening verantwoording geschieden aan de Algemeene Rekenkamer. Zij wordt door den Commissaris des Konings in de provincie afgegeven krachtens het 2e lid van art. 28 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131).

-ocr page 141-

131

1)

. 28 der wet van 20 Juli 1870 latsblud no. 131).

Aanvraag om decharge.

DEPARTEMENT VAJT [NENLANDSCHE ZAKEN.

2)

Ye Hoofdstuk.

erkent , ter goeder rekening ontvangen te hebben tot het doen van uitgaven krachtens de wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Dienst 18

1°. de Assignatie No. , dienst 18

groot ...........

2°. de Assignatie No. , dienst 18 groot ..........

i Art.

f

Totaal bedrag der ontvangst .

Terwijl de door hem gedane uitgaven, gespecificeerd op bijgaande verzameling, ingevolge de bijgevoegde bewijzen bedragen .............

IN IE vullen:

1) Naam.

2) Qualiteit.

3) Onderteekening.

Quitte.

18

den

3)

De Algemeene Rekenkamer ontlast den rendant tengevolge der bovenstaande aanvrage en op grond van de overgelegde bewijzen voor de som van

\'s Gkavenhage , den 18

De Algemeene Rekenkamer,

Ter ordonnantie van de Kamer,

No.

DIENST 18 Ve HOOFDSTUK. ARTIKEL.

-ocr page 142-

132

^jrr

Behoort bij de aanvrage om decharge.

VEEZAMELINGr van gedane uitgaven door

DIENST 18

volgens de lüer aangehechte quitantien en verdere bescheiden

g s

lt;D ^

S O \'o S o

Bedrag.

Aanmerkingen.

Naam van den

belanghebbende.

Onderwerp der

gedane uitgaven.

Aldus opgemaakt tot een bedrag van

onder verklaring dat dcvorengemelde uitgaven werkelijk in \'t belang van \'s Eijks dienst hebben plaats gehad.

18

-ocr page 143-

133

ZEGEL.

Proces-verhaal van openharen verkoop van vleesch en huiden.

Op heden den 18 ben ik

Burgemeester der gemeente ten huize van

veehouder, wonende te overge

gaan tot den verkoop van vleesch en huiden, afkomstig van aan gemelden veehouder bij mijn besluit

van den 18 onteigend krachtens de wet

van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), welk vleesch en huiden blijkens verslag van den districts-veearts voor gebruik geschikt zijn.

En heb ik aan de personen, die tot dien verkoop waren bijeengekomen, voorgelezen de volgende

Yoorwaarden van verkoop;

I. De verkooping geschiedt tegen contante betaling aan den meestbiedende.

II. Alles wordt voetstoots verkocht en het gekochte blijft van het oogenblik der toewijzing voor risico van de koopers.

III. Voor bijkomende kosten van verkoop zullen door de koopers worden betaald percent van de koopsom.

IV. De koopers zijn gehouden de koopsom met de opcenten dadelijk op de eerste aanmaning van den verkooper te voldoen.

V. Indien een der koopers in gebreke blijft het gekochte na aanmaning te betalen, behoudt de verkooper aan zich het recht het gekochte weder te verkoopen, zonder dat de gebrekige kooper van de meerdere opbrengst voordeel zal genieten.

VI. Ter executie dezer akte wordt domicilie gekozen in het gemeentehuis te

Hierna heb ik verkocht aan:

van beroep wonende te

voor Zegge f

van beroep wonende te

voor Zegge f

enz. -

Te zamen . f

Deze verkoop is geschied in tegenwoordigheid van van beroep en

-ocr page 144-

134

Tan beroep beiden alhier woonachtig, als

getuigen.

quot;Waarvan dit proces-verbaal door mij is opgemaakt en met voormelde getuigen onderteekend.

De Getuigen, De Burgemeester,

NB. Voor dit proccs-verbaal zijn zegel- en registratierechten versohnldigd.

ZEGEL.

Onclerhandsche verkoop van vleesch en huiden. De ondergeteekende Burgemeester der ge

meente verklaart het vleesch en de huiden,

afkomstig van het aan van

beroep wonende te onteigend vee

welk vleesch en huiden blijkens verslag van den districts-veearts voor gebruik geschikt zijn, te hebben verkocht aan wonende te die door

mede-onderteekening dezer akte verklaart, het bovengenoemde in koop aan te nemen en zich verbindt daarvoor in handen van den verkooper onmiddellijk te zullen betalen de som van

Verder zijn de partijen overeengekomen dat de kosten dezer akte en de verschuldigde accijns door den kooper zullen worden betaald en dat ter uitvoering dezer domicilie wordt gekozen in het huis der gemeente te

quot;Waarvan deze in dubbel is opgemaakt en door partijen onderteekend den 18

NB. Voor deze akte zijn zegel- en registratierechten verschuldigd.

BEKENING en VEBANTWO ORDING, welke hij deze aan de Algmneene Bekenkamer is doende

Burgemeester der gemeente

wegens bij hem ontvangen gelden, voortspruitende uit den verkoop, naar aanleiding van het Koninklijk besluit dd. 14 Maart 1880 (Stbl. no. 81), van

-ocr page 145-

135

vleesch en huiden, afkomstig van ter zake van onteigend vee, krachtens de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131).

ONTVANG.

De rendant brengt in ontvang wegens den verkoop naar aanleiding van het Koninklijk besluit dd. 14 Maart 1880 (Stbl. no. 81), van vleesch en huiden, afkomstig van vee ter zake van onteigend, blijkens proces-verbaal van 18 hierbij overgelegd onder no. 1..........f

De rendant brengt in ontvang\' wegens opcenten geheven op bovengemelde koopsom . „

Totaal . . f

UITGAAF.

De rendant brengt in uitgaaf wegens:

1°. Slachtloon blijkens quitantie no. . f 2°. Keurloon „ „ „ . „ 3°. Accijns „ „ „ . „ 4°. Vervoer van het vleesch blijkens quitantie no.............

5°. Diensten bij de verkooping blijkens quitantie no.

6°. Kosten van omroepen of adverteeren in

courant, blijkens quitantie no. . „

7°. Zegel- en registratiekosten van het procesverbaal van verkoop blijkens quitantie

daarop gesteld..........

8°. Storting bij den betaalmeester te

, blijkens hierbij overgelegde quitantie dd. no. . „

Totaal . . f BOEDEREL.

Ontvang Uitgaaf

f \' f De ontvang bedraagt . . . f De uitgaaf bedraagt . . . „

dus gelijk.

De ondergeteekende verklaart op den eed, bij de aan-

-ocr page 146-

136

vaarding zijner bediening aan den lande gedaan, dat in deze rekening is in ontvang gebracht al hetgeen door hem is ontvangen of moest worden ontvangen en verantwoord, zonder ter dezer zake iets te hebben verzwegen of achtergehouden ; dat verder in deze rekening niets wordt in uitgaaf gebracht ter kwader trouw of hetgeen niet alzoo werkelijk door hem is uitgegeven, terwijl hij verder verklaart voor de gedane betalingen geen giften of gaven te hebben genoten of te zullen genieten, directelijk of indirecte] ijk, maar zoodanig te hebben betaald als zulks volgens de orders van den lande behoort te geschieden.

, den 18

Proces-verhaal ivegens overtreding der wet op het veeartsenijkundig staatstoezicht.

Op heden den 1800 ,

des namiddags te ure, heb ik, veldwachter der ge

meente , mij bevonden in de nabijheid der

hoeve, bewoond door den landbouwer ,

gelegen in de buurtschap van

gemelde gemeente, en heb gezien dat eene roodbonte koe het erf verliet en al grazende langs den grintweg in de richting van het dorp voortliep.

Aan , zoon van voormelden land

bouwer, die in mijne nabijheid op het land arbeidde, heb ik gevraagd of die koe aan zijn vader toebehoorde.

Deze persoon gaf mij ten antwoord, dat die koe niet van hen was en dat hij ook niet wist wien zij toekwam.

Aangezien voormelde hoeve met bijbehoorend erf door besmet is verklaard en dus gevaar voor verspreiding der besmetting bestond, zoo heb ik die koe in beslag genomen, genoemden

gerequireerd mij bij het vervoer behulpzaam te zijn en het rund ter beschikking gesteld van den Burgemeester der gemeente voornoemd.

En is hiervan op dato als boven dit proces-verbaal door mij opgemaakt, op den eed bij de aanvaarding mijner bediening afgelegd.

Xi». Wanneer in beslag genomen vee wordt verkocht, moet de machtiging van den kantonrechter op het proces-verbaal van inbeslagneming worden vermeld. Zie art. 37 en de aanteekening bij art. 43.

-ocr page 147-

137

Proces-verhaal wegens overtreding der wet op het veeartsenijkundig staatstoezicht.

Op heden den 1800

des avonds te ure, heb ik, rijksveldwachter, stand

plaats hebbende te , mij bevonden in de

buurtschap , gemeente ,

ter bewaking van de hoeve, genaamd de Achterkamp, bewoond door den landbouwer , welke hoeve door veepest besmet is verklaard, en heb gezien dat , oud , van beroep , wonende , voormelde hoeve verliet met een pak onder den arm.

Na ingesteld onderzoek bleek mij dat dit pak bestond uit vier koedekken, die in elkander waren gerold.

Ik heb gemelde toen opmerkzaam gemaakt

dat hij zich schuldig maakte aan overtreding der wet op het veeartsenijkundig staatstoezicht, door vervoer dezer voorwerpen van het wegens veepest besmet verklaarde en afgesloten terrein.

Hierop geen antwoord ontvangende, heb ik voormelde koedekken in beslag genomen en ter beschikking gesteld van den Burgemeester der gemeente

En is hiervan op dato als boven dit proces-verbaal door mij opgemaakt op den eed, bij de aanvaarding mijner bediening afgelegd.

-ocr page 148-

138

p

Vrij van zegel en registratie volgens art. 79 der wet van 18 April 1874 rStbl. no. 66).

Requisitoir tot vervoer van overtuigingstukken, met openbare of bijzondere middelen van vervoer.

1) De qualiteit van den lastgever.

2) Naam en strafbaar feit. Zoo de naam onbekend is, wordt daarvan melding gemaakt.

3) Vermelding dei-voorwerpen.

4) Bestemmingsplaats

5) Vervoermiddel.

6) Dagteekening en bandteekening.

7) Qualiteit van den ambtenaar die de voorwerpen overneemt.

8) Dagteekening en bandteekening.

9) Naam en beroep.

10) Bedrag in schrijfletters.

11) Dagteekening, qualiteit en bandteekening.

NB. Worden de kosten als niet dringende behandeld, dan vervalt de toescbatting.

De 1)

In aanmerking nemende: dat de overtuigingstukken in de zaak van 2) en bestaande in 3) moeten worden overgebracht naar 4)

Verlangt, dat voerd met 5)

6)

die voorwerpen zullen worden ver-

De 7) verklaart, dat de bovengemelde voorwerpen ter bestemmingsplaats zijn aangekomen en ontvangen.

8)

Toegeschat aan 9) de som van 10) voor het vervoer van bovengenoemde overtuigingstukken.

11)

Dn

a s I

ii r* !

lt;D \' d»

■sr

a p


Nota: Overtuigingstukken worden overgebracht door de dienaren dei openbare macht of met openbare of bijzondere middelen van vervoer, ter beoordeeling van den ambtenaar van bet openbaar ministerie of van den hulpofficier van justitie. (Art. 9 Kon. besluit van 18 December 1874, Stbl. no. 212.)

Wegens voorgeschoten vrachtpenningen voor openbare vervoermiddelen worden geene quitantiën gevorderd, evenmin als voor betaalde tol-, brug- en veergelden. Voor andere verschotten worden alleen dan quitantiën overgelegd, indien de uitgaaf f 3 of meer bedraagt. (Art. 40 Kon. besluit van 18 December 1874, Stbl. no. 212.)

NB

-ocr page 149-

139

Vrij van zegel en registratie volgens art. 79 der wet van 18 April 1874 (Stbl. no. 66).

Dlgens I 1874

Bewaarders van roerende zaken.

Dienstjaar

kken irden

DECLAEATIE van (naam, voornaam, beroep en woonplaats), wegens bewaring van in beslag genomen roerende zaken.

ö

©

.s.^;

| S

V m

CD ®

fcc c8

Omschrijving.

Bedrag.

O

t; ta

S to

ver-

c3

c?

co

Begrooting

van den rechter.

Aanmerkingen.

n ter

voer

De ondergeteekende verklaart deze declaratie deugdelijk en onvergolden, tot een bedrag van (in scjirijflettersj.

(Dayteekening en handteekening).

NB. In duplo inzenden aan den ambtenaar van het openbaar ministerie.

Uitgaven van f 3 en daarboven moeten door qiütantiën worden gestaafd.

a dei voer. ie of DP-

■mid-lalde 1 dau (Art,

-ocr page 150-

140

Vrij van zegel en registratie volgens art. 79 der wet van 18 April 1874 (Stbl. no. 66).

Onderhoud van in beslag genomen dieren.

Dienstjaar

DECLARATIE van (naam, voornaam, beroep en ivoonplaats), wegens het onderhoud van in beslag genomen dieren.

ö

o

o o k gt; 0 ÏA o o

H

O ö ö ^

H lt;D

bD O

s -s

CD ^

P-i Ö

s-S

^ CD ■tf CC £ M

cS Xgt;

V.

CO

Omschrijving.

ö

fcc

r-H

O

rt O9

CJD © ci

Q

agt; — 003

Begrooting

van den rechter.

Aanmerkingen.

De ondergeteelvcnde verklaart deze declaratie deugdelijk en onvergolden, tot een bedrag van (in schrijfletters).

(Dagteekening en handteekening).

NB. In duplo inzenden aan den ambtenaar van het openbaar ministerie.

Uitgaven van /quot; 3 en daarboven moeten door quitantiën worden gestaafd.

-ocr page 151-

141

Artt. 24 en 36 der wet Vrij van zeffel- en registratierecht

van 20 Juli 1870 ingevolge art. 43 der wet van den

(Staatsblad no. 131). 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Besluit tot afmaking en waardeering van in beslag genomen vee (of: tot vernietiging en waardeering van voonverpen).

De Burgemeester der gemeente

Overwegende, dat blijkens het verslag van den districtsveearts uithoofde van gevaar van besmetting, het afmaken (het vernietigen of onschadelijk maken) wordt noodig geacht van , toebehoorende aan , van beroep , wonende te (of; waarvan de eigenaar hem onbekend is) in beslag genomen wegens overtreding der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131);

Gelet op art. 3G, le lid, van voornoemde wet;

Besluit:

1°. Naar aanleiding van den last van ,

die boven omschreven vee (voorwerpen) in beslag heeft genomen tot de afmaking (vernietiging of onschadelijkma-king) daarvan over te gaan.

2°. Te benoemen om do waarde van dat vee (die voorwerpen) te schatten

, den 18

De Burgemeester voornoemd,

iSfB. Wanneer kennelijk gevaar voor besmetting bestaat en de gelegenheid ontbreekt om bet aangehaalde voorloopig geheel afgezonderd te houden, moot liet onmiddellijk vernietigd worden en behoeft het verslag van don districts-veearts niet to worden afgewacht.

(Zie do missive van den Minister van Binnenlandsohe Zaken dd. 23 December 1879, modogedeeld bij art. 36 der wot.)

Proces-verhaal van openbaren verkoop van in beslag genomen vee (of: voor bederf vatbaar goed).

Op heden den 1800

-ocr page 152-

142

ben ik , Burgemeester der gemeente

, overgegaan tot openbaren verkoop van liet levend vee (of: voor bederf vatbaar goed) van , van beroep ,

wonende te , wegens overtreding van

art. der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), op

den 18 in beslag genomen

door , blijkens proces-verbaal, waarop de

Kantonrechter te zijne machtiging heeft

geplaatst om tot dien verkoop over te gaan, krachtens art. 37 der genoemde wet.

En heb ik aan de personen, die tot dien verkoop waren bijeengekomen, voorgelezen de volgende

Voorwaarden van verkoop:

I. De verkooping geschiedt tegen contante betaling aan den meestbiedende.

II. Alles wordt voetstoots verkocht en het gekochte blijft van het oogenblik der toewijzing voor risico der koopers.

III. Voor bijkomende kosten van verkoop zullen door de koopers worden betaald percent van de koopsom.

IV. De koopers zijn gehouden de koopsom met de opcenten dadelijk op de eerste aanmaning van den ver-kooper te voldoen.

V. Indien een der koopers in gebreke blijft het gekochte na aanmaning te betalen, behoudt de verkooper aan zich het recht het gekochte weder te verkoopen, zonder dat de gebrekige kooper van de meerdere opbrengst voordeel zal genieten.

VI. Ter executie dezer akte wordt domicilie gekozen in het gemeentehuis te

Hierna heb ik verkocht aan:

van beroep , wonende te

voor Zegge f

van beroep , wonende te

voor Zegge f

enz.

Te zamen . f Deze verkoop is geschied in tegenwoordigheid van, , van beroep , en

, van beroep beiden alhier woonachtig, als getuigen.

-ocr page 153-

143

Waarvan dit proces-verbaal door mij is opgemaakt en met voormelde getuigen onderteekend.

De Getuigen, De Burf/erneester,

NB. Dit proces-verbaal is vrij van zegel- en registratiereclit.

Art. 37 der wet van

20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).

Vrij van zegel- en registratierecht volgens art. 43 der wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad no. 131).


Proces-verhaal van sequestraiie van de opbrengst van den verkoop van in beslag genomen vee (of voonverpen).

De Burgemeester der gemeente Overwegende, dat de openbare verkoop van liet in beslag genomen vee (of voorwerpen) van van beroep wonende te

door hera is gehouden den 18 ; lieeft

lieden ingevolge alinea 4 van art. 37 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) in handen van den Ontvanger dezer gemeente gesteld:

1°. voor

de som van (a) zegge f

enz.

Te zamen

quot;Waarvan door mij Burgemeester dit proces-verbaal is opgemaakt op den eed bij den aanvang mijner bediening gedaan en met gemelden Ontvanger onderteekend.

De Ontvanger, De Burgemeester,

(a) in schrijfletters.

Publicatie omtrent liet vastleggen of vasthouden van honden.

Do Burgemeester der gemeente Overwegende dat in deze gemeente veepest (of; longziekte) voorkomt;

-ocr page 154-

144

Gezien het advies van den districts-veearts voor den kring van

Gelet op art. 30 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) en op art. 3, § 1 (of § 2) van het Kon. besluit van 14 Maart 1880 (Stbl. no. 31);

Gelast de honden binnen deze gemeente vast te leggen (of: vast te houden); zullende losloopende honden door de ambtenaren van politie worden gedood en de eigenaars worden gestraft met eene geldboete van 50 cents tot/quot;25.

den 18

De Burgemeester voornoemd.

Publicatie omtrent opheffing van de verplichting tot het vastleggen of vasthouden van honden.

De Burgemeester der gemeente

Overwegende dat dertig dagen verloopen zijn sedert het laatste geval van veepest (of: longziekte) zich in deze gemeente heeft voorgedaan;

Gelet op zijn besluit dd. om de honden

binnen deze gemeente vast te leggen (of: vast te houden);

Gelet op art. 30 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131);

Stelt bovengenoemd besluit buiten werking, op heden.

den 18

De Burgemeester voornoemd,

-ocr page 155-

145

Art. 2 van het Kon. besluit van 17 Augustus 1878 (Staatsblad no. 128).

Vrij van zegel- en het recht van registratie, volgens art. 43 der wet van 20 Juli 1870 (Staatsbl. no. 131).


Vergunning tot vervoer van vee uit de besmette kring.

De Burgemeester der gemeente

Gehoord het verzoek van (a)

om op den 18

uit deze gemeente naar te mogen

verzenden aan {b) een stuk rundvee (c)

bestemd (d)

Gehoord den districts-veearts voor den kring dewelke heeft verklaard, dat hem de noodzakelijkheid van dit vervoer bij onderzoek is gebleken en hij daartegen geen bedenking heeft;

Gelet op het Kon. besluit van 17 Augustus 1878 (Stbl. no. 128);

Verleent den verzoeker de gevraagde vergunning tot vervoer, onder verplichting, dat dit bewijs uiterlijk twaalf uur na aankomst op de plaats van bestemming, door den vervoerder van het vee, bij den Burgemeester der gemeente worde ingeleverd.

( Qemeentestempel.)

den 18

(Handteekening.)

(a) Namen en woonplaats van den aanvrager.

(b) Namon en woouplaats van dengene aan wen het vee gezonden wordt.

(c) Geslacht, ouderdom, kleur en blijvende bijzondere ken-teekenen.

(d) Voor de slachtbank; voor verdere opkweeking, euz.

NB. Dit bewijs moet aan den vervoerder worden afgegeven.

10

-ocr page 156-

146

Art. 10 van het Kon. besluit Vrij van zegel en het recht van van den 17 Augustus 1878 registratie volgens art. 43 der wet

(Staatsblad no. 128). van 20 Juli 1870 (Stsbl. no. 131).

Bewijs van vernietiging van een vervoerhiljet.

De Burgemeester der gemeente verklaart, dat op den 18 door zijne

zorg is vernietigd een vervoerbiljet, waarbij op den

18 door den Burgemeester der gemeente aan (a)

■was vergund een stuk rundvee (amp;)

te verzenden aan (c)

, den 18

De Burgemeester voornoemd.

(a) Namen en -woonplaats van den aanvrager.

(ft) Geslacht, ouderdom, kleur en blijvende kenteekenen. (c) Namen en woonplaats van dengene aan wien het vee was verzonden.

-ocr page 157-

NASCHRIFT,

houdende veranderingen onder het afdrukken voorgekomen, aanvullingen en verbeteringen.

Bij beschikking van den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken van 10 Juni 1887, no. 2012, afd. M. P., is de Instructie der plaatsvervangende distriets-veeartsen, vastgesteld bij beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 1G December 1870, no. 198, 9e afd., en medegedeeld op bladz. 3 en 4 hiervoor, aangevuld geworden.

Art. 1 wordt nu gelezen als volgt:

De plaatsvervangende districts-veeartsen oefenen hunne functiën niet uit dan na daartoe te zijn uitgenoodigd. Die uitnoodiging kan alleen uitgaan van;

1°. den Minister van Binnenlandsche Zaken;

2°. den districts-veearts; in wiens kring zij zijn aangesteld ;

3°. den burgemeester van eene der gemeenten in dien kring, wanneer deze kennis heeft bekomen van de verhindering van den districts-veearts.

De in de eerste zinsnede bedoelde beperking hunner bevoegdheid geldt echter niet, wanneer bij hen gegronden twijfel bestaat omtrent ontduiking der kennisgeving, bedoeld bij art. 13 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131). In dergelijk geval zijn zij gehouden van de aanbieding tot en de uitkomsten van het onderzoek, binnen 24 uren mededeeling te doen aan den Minister van Binnenlandsche Zaken en aan den districts-veearts.

Bij missive van den Commissaris des Konings in de provincie Overijssel, van den 29 December 1870, 3e afd., * no. 4746/37a8) is betreffende do uitvoering van art. 17 dei-wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) het volgende medegedeeld :

Ik heb de eer hiernevens aan IJEdele te doen toekomen

-ocr page 158-

148

afdruk eener beschikking van Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsclie Zaken, van 24 dezer, waarbij de stof, vorm en grootte is vastgesteld van de kenteekenen. bedoeld bij art. 17 der wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131). 1)

Naarmate de behoefte zich daaraan zal doen gevoelen, kan U zich voor gemachtigd houden de bedoelde kenteekenen te laten vervaardigen.

De declaration wegens kosten van het vervaardigen dier voorwerpen kunnen te zijner tijd aan mij worden ingezonden.

Tot het merken van vee volgens art. 19 der aangehaalde wet, zullen volgens de districts-veeartsen, die daarvoor zijn geraadpleegd, geen andere werktuigen noodig zijn dan scharen. 2)

Deze werktuigen zijn overal voorhanden en hot schijnt dus vooralsnog onnoodig de gemeentebesturen daarvan te voorzien.

Desvereischt kunnen zij voor rijksrekening worden aangeschaft.

Bladz. 97, regel 16 v. b., staat: verordening, lees: vordering.

„ 99, „ 10 Y.h., staat: misdi-yven,lees: straf bare feiten.

„ 99, „ 20 staat: herstellend, lees: hersteld.

„ 110, „ 7 v. b., staat: cfe formaliteit van registratie, lees: het recht van registratie.

1

) Zie de hier aangehaalde ministerieele beschikking op bladz. 40 hiervoor.

2

) In de kringen, alwaar het Kon. besluit van 17 Aug. 1878 (Stbl. no. 128) wordt toegepast, zijn echter nu brandijzers be-noodigd.

-ocr page 159-

CHRONOLOGISCHE LIJST VAU WETTEN, BESLUITEN, ENZ.

TH Wet

van

f)

H

1843 „

n

Kon. besl.

n

1865 Missive

n

1866 ,

n

n

n

Kon. besl.

n

1868 Missive

n

n

n

1870 Wet

ii

Kon. besl.

n

Missive

11

n

n

Beschikking

n

Missive

n

BescliikMng

n

Missive

n

T)

n

1871

n

n

Kon. besl.

n

V

n

1872 Missive

11

V

n

15

n

H

n

n

n

n

n

n

n

n

n

1873 „

n

n

n

Kon. besl.

n

1874 Missive

n

Wet

n

Kon. besl.

n

Missive

n

22 Pluviose

vn,

22 „

3 October

1843,

1 December

H

9 September 1865,

16 Januari

18GG,

20 „

ii

10 September

n

1 Februari

1868,

18 September

H

20 Juli

1870,

8 December

H

14 ,

n

14 ,

n

16 „

n

23 .

n

24 „

n

29 „

n

29

n

10 Januari

1871,

3 Maart

11

28 Mei

H

11 Juli

H

26 Februari

1872,

28 „

H

12 Maart

f)

29 April

H

4 Juli

n

30 „

n

19 Augustus

11

30 December

n

6 Juli

1873,

14 ,

n

3 October

n

21 April

1874,

18 April

H

11 Juli

H

17 Augustus

n

art. 5.....

art. 9.....

Stbl. no. 47, art. 28 no. 45, art. 4. . litt, H, 9e afd. . no. 138, le afd. . litt. G, le afd. . no. 66 . . . . no. 200, le afd. . litt. C, le afd. . Stbl. no. 181 . . Stlil. no. 194 . . no. 171, 9e afd. . no. 172, 9e afd. . no. 198, 9e afd. . no. 192, 9e afd. . no. 386 .... litt. A, le afd. . 3e afd., no. 4Ue/.„ss litt. A, le afd. . no. 204, 9e afd. . Stbl. no. 42 . . Stbl. no. 75 . . no. 231, 9e afd. . no. 205, 9o afd. . no. 116, le afd. . no. 183, le afd. . no. 163, le afd. . no. 104, le afd.. no. 178, le afd. . no. 174, le afd. . no. 1, le afd. . no. 209, 9e afd. . Stbl. no. 135 . . no. 200, 9e afd. . Stbl. no. 66 . . Stbl. no. 109 . . no. 234, 9e afd. .

Bladz.

109

107

108 48

104 104 104

107 76

104 1

15

8,14, 39 37 3

76 40 104 147

3

84 31

108

85

4

51,104 104 104 104 104 104 104 111 26 22 107 80,110 22


-ocr page 160-

CHRONOLOGISCHE LIJST VAN WETTEN, BESLUITEN , ENZ.

150

Kon. besl. Missive Wet Missive

Kon. besl.

Missive

7)

Kon. besl. Wet

Kon. besl.

V

Missive Kon. besl. Missive Wet

Kon. besl. Missive

n

1874 Missive

1875

1876

1877

1878

1879

1880

1882

1883

1884

1885

1886

Kon. besl.

1887

Burgerlijk Wetboek, art. 1502 Wetboek van Strafrecht, art. 184

Missive Kon. besl. Wet

Kon. besl. Beschikking

van 8 September 1874,

y, 1 October „

B -0 51 V

n 28 „ v

n 18 December „

„ 10 April 1875,

, 2 Juni „

1 -■l n v

„ 5 Augustus v

„ 11 Maart 1876,

„ 12 December „

„ 12 Januari 1877,

„ 3 Februari ,

* 25 \' ,

, 28 „

„ 1 Mei „

„ 5 Januari 1878,

, 18 Maart

„ 8 Augustus „

n 1\' ïl n

„ 9 Januari 1879,

, 29 Mei

„ 14 Maart 1880,

„ 5 April „

„ 1 Augustus v 19

„ 4 Juli 1882,

, 16 Juni 1883,

„ 13 Februari 1884,

„ 21 Maart

v 9 April „

„ 16 November „

„ 30 April 1885,

„ 9 Jimi „

v 24 Februari 1886,

„ 31 Maart „

, 15 April „

n 15 „ v

m 15 r ^

v 7 November „ 10 Juni

1887,

no. 52, 9e afd. no. 13, le afd. no. 47, 9e afd. no. 61, 9e afd.

Stbl. no. 212 . no. 65, 9e afd.

Stbl. no. 94 . no. 59, 9e afd. no. 6, le afd. no. 37, 9e afd. no. 12, le afd. no. 65, 9e afd.

Stbl. no. 17 . no. 25 . . .

Stbl. no. 29 . no. 10, le afd. no. 37, afd. M. P.

Stbl. no. 20 .

Stbl. no. 115 .

Stbl. no. 128 .

Stbl. no. 2. .

litt. Q, alg. Z en Stbl. no. 31 .

litt. Q, afd. M. P Stbl. no. 123 . no. 3 ... no. 908, afd. M. P. no. 922, afd. M. P. no. 4 ... no. 2 ...

Stbl. no. 48 .

Stbl. no. 223 .

Stbl. no. 36 .

Stbl. no. 125 . no. 610, afd M.

Stbl. no. 47 .

Stbl. no. 64, art. 10, 26 Stbl. no. 64, art. 11 Stbl. no. 64, art. 12 Stbl. no. 179 . . . no. 2012. afd. M. P

C

75, 82 82 33 147 108 97


-ocr page 161-

ALPHABETISCH REGISTER.

Bladz.

Aanbieding

van den getaxeerden prijs, aan den eigenaar

van liet vee............. 43

Aangifte

Verplichting van den bonder of hoeder van vee

tot — van besmettelijke veeziekten..... 12

Bij verzuim van — vervalt de aanspraak op

vergoeding.............46,48

Straf bij verzuim van —....... 81

Vooiioopige — bij verkoop van vleesch. en huiden is niet noodig........... 108

Aanspraak op vergoeding. Zie schadevergoeding.

Accijns

Bij verkoop van gedeelten van onteigend vee

is de — verschuldigd......... 84

Berekening van den —........84, 85

Betaling van den —......... 85

— van in beslag genomen vleesch.....85, 86

Zie ook Koning.

Advies

van den districts-veearts aan den Burgemeester

te geven........... 20, 38, 40, 55, 94

Afmaking van vee

Het besluit tot — wordt door den Burgemeester genomen........... 42

Inhoud van het besluit tot —...... 42

— geschiedt niet dan na onteigening .... 43

— moet niet aan eigenaars, houders of hoeders van

vee opgedragen worden......... 44

Voorschriften nopens de — door longziekte

aangetast..............45, 46

Afsluiting

van besmette hoeven of weiden......52, 71

-ocr page 162-

ALPHABETISCH REGISTER.

Afzondering van vee

op markten en bij openbare verkoopingen van

vee................ 10

— kan door den Burgemeester worden bevolen 13,14, 68

— door den eigenaar, houder of hoeder ... 13

— in stallen........... 20,23,24

Bij verzuim van — vervalt de aanspraak op

vergoeding............. 48

Akte van aanstelling desgevorderd door den districts-veearts bij binnentreden te vertoonen......... 6

— is niet vrij van zegel- en registratierechten. 84 Ambtenaren van \'s Rijks belastingen

waken voor de handhaving der maatregelen tot bestrijding van besmettelijke veeziekten ... 54 -— maken bij overtreding proces-verbaal op . . 54 Zie ook Premien.

Begraafplaats van aan besmettelijke ziekten gestorven of afgemaakt vee............. 59

Afsluiting der —.......... 59

Binnentreding der —........ 60

Begraven

van vee en voorwerpen.......5C, 68, 69, 70

Terrein voor het —.........56, 57

Wijze van — van vee en voorwerpen . . . 58, 59 Bergplaatsen van vleesch en spek. Zie Binnentreden.

Beroep

op den Minister van Binnenlandsche Zaken . . 38 Besmettelijke veeziekten

het daaraan lijdende vee in beslag te nemen en

af te zonderen............10,13

Verplichtingen van den districts-veearts bij het

ontstaan of dreigen van —.......10, 11

Verplichtingen van den eigenaar, houder of

hoeder bij het openbaren van —..... 12

Bij het ontstaan van — kunnen door den Koning verbodsbepalingen vastgesteld worden . . 14,15

— welke ziekten daarvoor worden gehouden . 68 Welke maatregelen bij — toegepast worden . 68—74 Zie ook Burgemeester, Districts-veeartsen, Vee,

Vervoer.

152

-ocr page 163-

ALPHABETISCH REGISTER. 153

Bladz.

Bezoldiging. Zie Districts-veearisen, Buitengewone

districis-veeartsen.

Binnentreden

door den districts-veearts tusschen zons op- en ondergang, in erven, weiden, stallen en andere verblijfplaatsen van vee, slachthuizen, winkels, bergplaatsen van vleesch en spek, diergaarden, tentoonstellingen van vee, vilderijen, penserijen

en dergelijke werkplaatsen................6

De bevoegdheid tot — van den districts-veearts moet noch te uitgebreid noch te beperkt zijn 7, 8

— door den Burgemeester tusschen zons op- en ondergang in weiden, stallen en woningen . . 66,67

Zie ook Burgemeester, Kantonrechter.

Buitengewone districts-veeartsen

worden tijdelijk aangesteld........

— genieten bezoldiging en vergoeding voor bureau-reis- en verblijfkosten.........

Bevoegdheid en verplichtingen van de —

— mogen de veeartsenij kunst uitoefenen ... 11 Bureaukosten. Zie Buitengewone districts-veeartsen,

Districts - veeartsen, Districts - veeartsen -plaatsvervangers.

Burgemeester

is vrij in de keuze van een districts-veearts-plaatsvervanger............

— geeft schriftelijk last tot binnentreden . . 6

— kan alleen in spoedvereischende gevallen een geëxamineerden veearts raadplegen.....13, 14

— doet het door eene besmettelijke ziekte aangetaste vee onderzoeken.........37,38

— is verplicht aan het advies van den districts-veearts gevolg te geven, behoudens zijn beroep op

den Minister van Binnenlandsche Zaken ... 38

— doet kenteekenen plaatsen....... 39

— doet het vee van een merkteeken voorzien . 40

— kan vergunning verleenen tot vervoer van vee 41

— besluit tot afmaking van vee...... 42

— benoemt een deskundige om het vee te waar-deeren............... 43

— verzoekt zoo noodig den kantonrechter nog twee deskundigen te benoemen........

11 11

5

43

-ocr page 164-

ALPHABETISCH REGISTER.

Bladz.

Burgemeester

biedt den eigenaar den getaxeerden prijs aan . 43

— deponeert den prijs bij weigering of ontstentenis

van den eigenaar bij den gemeente-ontvanger . 44

— maakt van zijne handelingen proces-verbaal op 44

— beëedigt zoo noodig deskundigen .... 44

— waakt tegen te hooge waardeering.... 44

— onteigent de voorwerpen, door den districtsveearts aan te wijzen......... 46

— ontvangt gelden uit de gemeentekas ... 49, 50

— kan gelden ter goede rekening uit \'s rijks schatkist ontvangen............ 50

— doet rekening aan de Algemeene Eekenkamer 50

— gelast afsluiting van besmette hoeven of weiden 52

— kan tot de afsluiting de hulp van de militaire

macht inroepen............ 52

-— kondigt den ingang en opheffing van het verbod

tot vastleggen of vasthouden van honden aan . 55

— wijst zoo noodig een terrein aan tot begraving

of verbranding van vee......... 57

— kan afzondering van vee bevelen .... 68

— is bevoegd verkoopingen te houden . 80,108,110

— geeft kennis aan den districts-veearts van het ontstaan eener besmettelijke ziekte onder de paarden van het leger......... 94

— geelt kennis aan den districts-veearts van verkoop van \'s rijks paarden van het leger ... 94

Zie ook Afmaking van vee. Binnentreden, Inenting. Bijzondere bepalingen

tot wering der veepest en tot beteugeling dei-longziekte onder het rundvee en van de pokziekte onder de schapen voor aan te wijzen streken

des rijks..............24, 95

Zie ook Koninklijk besluit.

154

Commandant van het korps geeft den Burgemeester schriftelijk kennis van verkoop van \'s rijks paarden van het leger . . 92 Commandeerende officier

geeft den Burgemeester kennis, indien een of meer paarden van het leger door eene besmettelijke ziekte zijn aangetast of daarvan verdacht ■worden

-ocr page 165-

ALPHABETISCH BEGISTEB. 155

Bladz.

Commissaris des Konings beëedigt de districts-veeartsen, de plaatsvervangende districtsveeartsen en de militaire paardenartsen ...............5,89

— ontvangt bericlit van het ontstaan of dreigen

van besmettelijke veeziekten....... 10

— geeft in zeer bijzondere gevallen verlof tot vervoer uit en naar een afgesloten terrein ... 52

— kan ontheffing verleenen van de verplichting om

de honden vast te leggen of vast te houden . 55

— kan den termijn van verdachtverklaring verminderen ............... 71

— geeft assignatie op \'s rijks schatkist . . . lOu Comptabele stukken. Zie Voorschriften.

Consignatiekas

Storting van den getaxeerden prijs in de —

door den gemeente-ontvanger....... 47

Zie ook Gemeente-ontvanger.

Dedaratiën

Wat bij de — voor onteigening in zake longziekte moet blijken.......... 22

— wegens vergoeding voor stalvoedering. . . 23, 24

— wegens inenting van vee.......52,107

— aan den officier van justitie te zenden . . 78,107

— wegens voorgeschoten gelden uit de gemeentekas 100

— wegens reis- en verblijfkosten en vacatiegelden

van veeartsenijkundigen......... 100

Deskundigen

om vee te waardeeren worden door den burgemeester en kantonrechter benoemd..... 43

— kunnen beëedigd worden....... 44

Zie ook Waardeering.

Diergaarden

Binnentreding van — door den districts-veearts 0

Sluiting van — kan door den Koning worden

bevolen.............. 83

Diplomata. Zie Districts-veeartsen.

Districts-veeartsen

zijn onder den Minister van Binnenlandsche Zaken met het veeartsenij kundig staatstoezicht belast ..................3

Welke personen tot — benoemd worden . . 3

-ocr page 166-

ALPHABETISCH EEGISTEH.

Bladz.

Districts-veeartsen

worden door den Koning benoemd, geschorsten

ontslagen............................3

Hunne standplaatsen en kringen worden door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen ..............................3

Bij volstrekte verhindering van de — nemen plaatsvervangers hunne betrekkingen waar . . 3

— beantwoorden zoodra mogelijk brieven of telegrammen van Burgemeesters....... 3

Voor de — is geen instructie vastgesteld . 4 Schorsing van . de — geschiedt met behoud of met geheel of gedeeltelijk verlies der bezoldiging. . ............. 5, 6

Bevoegdheid van de — tot binnentreden van erven, enz............................6

— zijn bevoegd van overtredingen proces-verbaal

op te maken........................8

-— zenden de processen-verbaal aan het Openbaar Ministerie............. 8

— genieten vaste bezoldiging uit \'s lands kas en vergoeding voor bureau-, reis- en verblijfkosten 9 -—- oefenen de veeartsenij kunst niet uit en beklee-

den zonder toestemming van den Koning geene andere bediening........................9

— zenden jaarlijks verslag aan den Minister van binnenlandsche Zaken......... 9

— zenden afschrift van dat verslag aan Gedeputeerde Staten............ 10

— houden toezicht en handhaven de wetten en verordeningen binnen hunnen kring .... 10

— viseeren de diplomata en de bewijzen van bevoegdheid der veeartsen binnen hunnen kring . 10 —- bezoeken zooveel mogelijk markten en openbare verkoopingen van vee en gelasten de in beslagneming en afzondering van het aldaar aanwezig

aan eene besmettelijke ziekte lijdend vee . . 10

— geven bij het ontstaan of dreigen van besmettelijke veeziekten daarvan bericht aan den Minister van Binnenlandsche Zaken, aan den Commissaris des Konings en aan de districtsveeartsen

in de aangrenzende kringen.......10,11

156

-ocr page 167-

ALPHABETISCH REGISTER. 157

Bladz.

Districts-veeartsen

maken zich met den aard der ziekte persoonlijk bekend.............. 11

— stellen den Burgemeester der betrokken gemeente maatregelen tot stuiting der ziekte voor 11

— geven aan den geneeskundigen inspecteur bericht van het voorkomen van voor menschen gevaarlijke veeziekten......... 11

— treden met den geneeskundigen inspecteur in overleg over de voor te stellen maatregelen . . 11

— geven schriftelijk verslag aan den Burgemeester 38

— geven advies aan den Burgemeester. Zie Advies.

— beslissen op welke wijze onschadelijkmaking

van dood vee moet geschieden...... 04

•— geven schriftelijke verklaring na herstel van

vee aan den belanghebbende.......71, 73

Zie ook Akte van aanstelling, Eed. Districis-veeartsen-plaatsvcrvangers

worden door den Koning benoemd..........3

— nemen bij volstrekte verhindering van den districts-veearts diens betrekking waar ... 3

Instructie voor de —........4, 147

Een bepaalde aan te wijzen werkkring voorde — is niet in het belang van den dienst. . 4, 5

— zijn bevoegd de veeartsenij kunst uit te oefenen 9

— ontvangen geene bezoldiging, maar vergoeding

voor reis- en verblijfkosten en vacatiegelden . 9

Zie ook Eed, Proces-verbaal.

Doorvoer. Zie In- en doorvoer.

Drinkwaterputten. Zie Terrein.

Eed

van de districts-veeartsen en hunne plaatsver

vangers ............................■gt;

— van de deskundigen..................44

— van de militaire paardenartsen..........89

Eigenaar

moet het vee afgezonderd honden..........13

Be getaxeerden prijs wordt den — aangeboden. 43

— kan de beëediging van de deskundigen vorderen 44

— wordt bij afwezigheid vervangen door zijn gemachtigde .............

-ocr page 168-

ALPHABET] SCH HEGISTEE.

Bladz.-

Eigenaar

ontvangt geene schadeloosstelling bij onteigening, als de houder of hoeder geen aangifte

heeft gedaan............46,48

evenmin wanneer het vee niet is afgezonderd geworden of opzettelijk in verdachten toestand is gebracht............. 48

— van den grond..........56, 57

Erven. Zie Binnentreden.

Gedeputeerde Staten.

ontvangen afschrift van het verslag van den

districts-veearts........... 10

Geëxamineerde veeartsen kunnen alleen bij ontstentenis van den districtsveearts en diens plaatsvervanger in spoedei-schende gevallen geraadpleegd worden ... 14

Personen aan wie een bewijs van toelating tot uitoefening der veeartsenijkunst is uitgereikt,

zijn geen — in den zin der wet..... 14

Gemachtigde. Zie Eigenaar.

Gemeentelcas. Zie Gemeeente-ontvanger.

Gemeentelijke verordeningen. Zie Verordeningen. Gemeente-ontvanger

Het bewijs van uitbetaling aan den rechthebbende of van storting in de consignatiekas wordt door den — aan de Algemeene Rekenkamer gezonden .............. 47

— zendt de quitantie en een ongezegeld afschrift van het eindvonnis aan de Algemeene Rekenkamer ............... 49

— stelt tegen quitantie de schadevergoeding uit de gemeentekas aan den Burgemeester ter hand . 50

De geldsom, vertegenwoordigende de waarde van in beslag genomen en vernietigde voorwerpen, wordt den — in bewaring gegeven . . 76 eveneens de opbrengst van verkoop van in beslag genomen vee en goederen......79, 80

Geneeskundige inspecteur ontvangt van den districts-veearts bericht van het voorkomen van voor menschen gevaarlijke

veeziekten............. 11

Zie ook Districts-veeartsen.

158

-ocr page 169-

ALPHABETISCH EEGISTEH. 159

Bladz.

Geneeskundige inspecteur der landmacht zendt jaarlijks verslag aan den Minister van Oorlog............... 93

— zendt afschrift van dat verslag aan den Minister

van Binnenlandsche Zaken........ 93

Gereedschap]ten. Zie Vervoer.

Gevallen van twijfelachtigen aard

wat daardoor te verstaan........38, 39

Haar. Zie Vervoer.

Hoeven. Zie Afsluiting, Burgemeester.

Honden

Het vast leggen of vast houden van — kan

worden bevolen........... 55

Losloopende — kunnen door de ambtenaren

van politie worden gedood....... 55

Zie ook Burgemeester, Commissaris des Konings.

Houder of hoeder

moet den Burgemeester kennis geven van het voorkomen van besmettelijke veeziekte ... 12

— moet het vee afgezonderd houden .... 13 Zie ook Aangifte, Afzondering van vee, Eigenaar.

Huiden. Zie Vervoer.

Hulpmaréchaussée

Bepalingen nopens het zenden van detachementen militairen als —........ 53

Inbeslagneming

van vee door den districts-veearts..... 10

— van vee en voorwerpen door den Burgemeester 42, 47

— van roerende voorwerpen....... 75

In- en doorvoer

Verbodsbepalingen nopens den — van rundvee, schapen, enz. van buiten \'slands ... 15

Idem van levende varkens....... 18

Zie ook Koning, Koninklijk besluit, Minister van Binnenlandsche Zalcen, Premiën.

Inenting

van rundvee van longziekte verdacht kan door

den Burgemeester worden bevolen..... 20

— moet door een geëxamineerden veearts geschieden...............20,21,22

Vergoeding voor —.........20, 22

-ocr page 170-

ALPHABETISCII REGISTER.

Bladz.

Inenting

Uitstel tot — kan door den Burgemeester worden verleend............ 20

— geschiedt door de zorg van den Burgemeester bij nalatigheid van den eigenaar, houder of hoeder

van het vee............. 20

Bij — van rundvee van longziekte verdacht kan de termijn van verdacht verklaring worden

verminderd............. 71

Zie ook Declaration, Koning, Schriftelijke verklaring.

1) dading van vee

Verbod van — in een schip naar buiten \'s lands bestemd, zonder voorafgaande visitatie van een veearts van regeeringswege aangesteld 31 Instructie

voor de districts-veeartsen-plaatsvervangers . . 4,147 Zie ook Districts-veeartsen.

Kantonrechter

geeft schriftelijk last tot binnentreden van erven, enz. G

— benoemt deskundigen om vee te waardeeren 43

— begroot het bedrag der schade van den grond 57

— geeft machtiging tot verkoop van in beslag genomen levend vee en voor bederf vatbaar goed 79

Kennisgeving

van het openbaren van eene besmettelijke veeziekte. Zie Aangifte.

Kenteekenen

Het plaatsen van — bij hoeven, enz. ... 39 Stof, vorm en grootte dezer —.....39, 40

— zijn voor \'s rijks rekening in iedere gemeente aanwezig..............41,148

Kleederen. Zie Ontsmetting.

Koning

benoemt, schorst en ontslaat de districts-vee-artsen..............................3

— benoemt de districts-veeartsen-plaats vervangers 3

— stelt buitengewone districts-veeartsen aan . 11

— kan in- en doorvoer, het houden van markten, verkoopingen, tentoonstellingen van vee, enz. verbieden............. 15

160

-ocr page 171-

ALPHABETISCH REGISTER.

Bladz.

Koning

kan bepalingen vaststellen omtrent aangifte, verkoop , behandeling en visitatie van vee en voorwerpen en op de middelen van vervoer ... 15

— bepaalt de wijze van begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van vee en besmette voorwerpen............. 56

— wijst de ziekten aan van liet vee, welke voor besmettelijk worden gebonden...... 67

Deze wet kan door den — van toepassing-worden verklaard op andere daarin niet genoemde dieren............ 83

— kan schorsing van veemarkten, sluiting van

diergaarden, enz. bevelen........ 83

•— stelt zoo noodig bijzondere bepalingen vast met betrekking tot de accijns op het geslacht . . 84

— kan het inenten en merken van rundvee bevelen in bepaalde gedeelten van het rijk . . 95

Koninklijk besluit

van den 19 Augustus 1880, no. 3, tot vaststelling van het bedrag van het vacatiegeld dei-plaatsvervangende districts-veeartsen .... 9 _ van den 8 December 1870 (Stbl. no. 194) houdende verbod van in- en doorvoer van buitenslands van rundvee, schapen, bokken, geiten,

verscbe huiden, versch en gezouten vleesch, on-gesmolten vet, mest, onbewerkte wol, onbewerkt haar, klauwen en hoornen, alsmede van allen

afval van genoemde dieren....... 15

_ van den 13 Februari 1884, no. 4, houdende

toekenning van premiën voor aangehaald rundvee bij verboden invoer........ 17

_ vaii den 21 Maart 1884, no. 2, waarbij de bepalingen van het Koninklijk besluit van den 13 Februari 1884, no. 4, houdende toekenning van premiën voor aangehaald rundvee bij verboden invoer ook toepasselijk worden verklaard op alle ambtenaren van \'s rijks belastingen .... li

_ van den 9 April 1884 (Stbl. no. 48), houdende

verbod van in- en doorvoer van buitenslands van

levende varkens . . ......... 18

_ van den 3 Febr. 1877 (Stbl. no. 17), houdende

161

-ocr page 172-

ALPHABETISCH REGISTER.

Bladz.

Koninklijk besluit

vaststelling van nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee en zulks met intrekking der Koninklijke besluiten van den 17 April 1874 (Stbl. no. 59), van den 9 October 1874 (Stbl. no. 132) en van den 30 Juni 1875 (Stbl. no. 126)............ 19

— van den 28 Februari 1877 (Stbl. no. 29), houdende bepalingen omtrent het vervoer van rundvee, schapen, bokken en geiten, het houden van markten en openbare verkoopingen van alle vee (in de door den Minister van Binnen-landsehe Zaken aan te wijzen streken des rijks) 25

— van den 3 October 1873 (Stbl. no. 135), houdende bepalingen betreffende visitatie, aangifte en vervoer van rundvee en het schorsen van markten en openbare verkoopingen van rundvee,

een en ander tot beteugeling der longziekte onder het rundvee (in de door den Minister van Binnenlandsche Zaken aan te wijzen streken des

rijks)............... 26

— van den 17 Augustus 1878 (Stbl. no. 128), zooals dit besluit is gewijzigd en aangevuld bij besluit van den 9 Januari 1879 (Stbl. no. 2), houdende vaststelling van nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee (in de door den Minister van Binnenlandsche Zaken aan te wijzen streken des rijks) ... 29

— van den 28 Mei 1871 (Stbl. no. 42), aangevuld bij besluit van den 18 Maart 1878 (Stbl. no. 20), houdende verbod van inlading van vee in een schip naar buitenslands bestemd, zonder voorafgaande visitatie van een veearts, van regee-ringswege aangesteld......... 31

— van den 7 Nov. 1886 (Stbl. no. 179), waarbij tot beteugeling der pokziekte onder de schapen bepalingen worden vastgesteld betreffende vervoer van schapen, huiden, ruwe onbewerkte wol, klauwen, vleesch, mest en ander afval van genoemde dieren, en het schorsen van schapen-markten en van het ter markt voeren van schapen (in de door den Minister van Binnenlandsche

162

-ocr page 173-

ALPHABETISCH REGISTER. 163

Bladz.

Koninklijk besluit

Zaken aan te wijzen streken des rijks) ... 33

— van den 16 November 1884 (Staatsbl. no. 223),

waarhij met intrekking der Koninklijke besluiten van den 1 November 1881 (Stbl. no. 174) en van den C September 1882 (Stbl. no. 124) bepalingen worden vastgesteld omtrent het vervoer van vee langs spoor- en tramwegen en de ontsmetting van veewagens........ 35

— van den 30 April 1885, no. 36, omtrent het uitzenden van detacliementen als liulpmaré-cliaussée naar gemeenten waar besmettelijke veeziekte heersclit.......... 53

— van den 25 Februari 1887, no. 25, houdende maatregelingen tot wering der veeziekte ... 54

— van den 9 Juni 1885 (Stbl. no. 125), houdende voorschriften betreffende het begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens de wet van den 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) afgemaakt, aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht vee of volgens de wet van den 5 Juni 1875 (Staatsblad no. 110) afgemaakte honden en katten en van andere voorwerpen en de ontsmetting van stallen en andere gebouwen en het onschadelijk maken van mestvaalten...... 57

— van den 14 Maart 1880 (Stbl. no. 31), waarbij met intrekking van het Koninklijk besluit van den 30 October 1872 (Stbl.no. 105) nader wordt bepaald welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden en welke der in de wet van den 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) genoemde maatregelen bij het heerschen of bij het dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden,

zooals dit besluit is gewijzigd en aangevuld bij besluit van den 31 Maart 1886 (Stbl no. 47) . 67

— van den 11 Juli 1874 (Stbl. no. 109), waarbij de Burgemeesters of zij, die hen als zoodanig vervangen, bevoegd worden verklaard tot het houden van openbare verkoopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art.

37 der wet van den 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131) 80

— van den 11 Juli 1871 (Stbl. no. 75), waarbij de

-ocr page 174-

1G4 ALPHABETISCH REGISTER.

Bladz.

Koninklijk besluit

Burgemeesters of zij, die hen vervangen, als zoodanig bevoegd worden verklaard tot liet honden van verkoopingen van roerende goederen . 108 Kosten

van inenting van vee.........20, 22

— van stalvoedering..........23, 24

— waartoe de onteigening aanleiding geeft . . 50

— van onteigening van dienstpaarden en voorwerpen van officieren........... 91

— voor schrijfloon.......... m

Zie ook Ontsmetting.

Kringen

waarbinnen de districts-veeartsen werkzaam zijn,

worden door den Minister van Binnenlandsche

Zaken aangewezen.......... 3

Last tot hinnentreclen. Zie Burgemeester, Kantonrechter.

Markten

worden door den districts-veearts bezoekt . . 10 Het houden van — kan door den Koning

worden verboden........... 15

Zie ook Koninklijk besluit.

Merkteeken

wanneer vee daarvan wordt voorzien .... 40

— wordt onkenbaar gemaakt....... 71

Mest. Zie Vervoer.

Mestvaalten

Wijze van onschadelijkmaking van — ... 64 Militaire paardenarts treedt in plaats van den districts-veearts bij het ontstaan van besmettelijke ziekten onder de paarden van het leger........... 88

— maakt bij overtreding proces-verbaal op . . 90

— zendt het proces-verbaal aan het Openbaar Ministerie.............. 90

— verstrekt eene schriftelijke verklaring aan den burgemeester vóór den verkoop van \'s rijks paarden van het leger........... 92

Zie ook Eed-Minister van Binnenlandsche Zaken wijst de standplaatsen en kringen der districtsveeartsen aan............ 3

-ocr page 175-

ALPHA.BEÏISCH HEGISTER. 165

Bladz.

Minister van Binnenlandsche Zaken.

bepaalt de wijze hoe gedurende de schorsing van de districts-veeartsen in den dienst wordt voorzien ..............................6

— ontvangt jaarlijks verslag van de werkzaamlie-

den der districts-veeartsen................9

— ontvangt bericht bij het ontstaan of dreigen

van besmettelijke veeziekten....... 10

— geeft den Koning en de beide Kamers der Sta-ten-Generaal verslag.......... 12

— kan in- en doorvoer van buitenslands toestaan 16, 18, 19

— wijst de streken des lands aan waarvoor bijzondere verbodsbepalingen gelden . . 25, 27, 29, 34, 95

— beveelt, onderzoekt en schrijft maatregelen voor 38 doet mededeeling aan de Algemeene Eekenkamer

van verstrekte gelden uit \'s rijks schatkist . . 50

— ontvangt afschrift van het verslag van den Geneeskundigen Inspecteur der landmacht . . 93

Minister van Oorlog

beveelt, onderzoekt en schrijft maatregelen voor 91 ontvangt jaarlijks verslag van den Geneeskundigen Inspecteur der landmacht...... 93

Onteigening

van vee.............42, 43, 44

— van voorwerpen . ,.........46, 47

— van dienstpaarden en voorwerpen van officieren

van het leger............ 91

Ontsmetting

van veewagens, enz........... 36

— van Ideederen........... 52

— van stallen en andere gebouwen .... 56

Kosten van —.......... 36, 56, 91

Termijn van —........... 56

Wijze van —......... 61, 62, 63, 64

Openbare verkoopingen van vee. Zie Verkoopingen.

Paarden van het leger.

Veeartsenij kundige politie ten opzichte van — 86 Penserijen. Zie Bimientreden.

Plaatselijke of garnizoens-commandant

treedt in plaats van den Burgemeester ... 88 Plaatsvervangende districts-veeartsen. Zie Districts-veeartsen-plaatsvervangers.

-ocr page 176-

1GC ALPHABETISCH REGISTER.

Bludz.

Politie.

Besmette hoeven, enz. worden door of in tegen

1

woordigheid van een — dienaar kenbaar gemaakt 39

Losloopende honden kunnen door de ambtenaren van — worden gedood....... 55

Toezicht der — bij afmaking en slachting van

longziek vee.............45, 69

Premiën.

Toekenning van — voor aangehaald vee bij verboden invoer, aan de ambtenaren der rijks-en gemeentepolitie, alsmede aan alle ambtenaren

van \'s rijks belastingen......... 17

Proces-verbaal

van den districts-veearts-plaatsvervanger ... 4, 9

— van den districts-veearts....... 8

—• van den Burgemeester........22,44

— van de ambtenaren van \'s rijks belastingen . 54

— van de militaire paardenartsen..... 90

Een afschrift van het — van verkoop van

vleesch en huiden mag overgelegd worden indien de verkooping door een Notaris of Deurwaarder is gehouden.......... 108

Zie ook Registratie.

Provinciale verordeningen. Zie Verordeningen.

Prijs

De getaxeerde — wordt den eigenaar aangeboden ............... 43

De koop— wordt bij den gemeente-ontvanger gedeponeerd ten behoeve van den eigenaar . . 44 Quitanticn

wegens inenting........... 22

— wegens stalvoedering......... 24

Inrichting der -—.......... 110

Zie ook Oemeente-ontvanger.

Registratie

Welke stukken van — zijn vrijgesteld. . . 79, 84 Vrijstelling van het recht van — . . . . 83,84 De akte van aanstelling van den districts-veearts is niet vrij van het recht van..... 84

— ook niet het proces-verbaal van verkoop van vleesch en huiden........... 108

-ocr page 177-

ALPHABETISCH REGISTER. 1G7

Bladz.

Beis,- en verblijfkosten

van de districts-veeartsen................9

— van de districts-veeartsen-plaatsvervangers . 9

— van de tmitengewone districts-veeartsen . . 11 Zie ook Declaratiën.

Boerende voorwerpen. Zie Voorwerpen.

Bijkssehatkist.

Storting van gelden in —....... 80

Zie ook Burgemeester. Schadevergoeding. Schadevergoeding.

Wanneer de aanspraak op — vervalt ... 48

— wordt uit de gemeentekas voorgeschoten . . 49,50

— uit \'s rijks schatkist verstrekt...... 50

—-aan den eigenaar van den grond.....56,57

Schorsing

van de districts-veeartsen........3. 5, C

— van veemarkten kan worden bevolen ... 83 Zie ook Koninklijk besluit.

Schriftelijke last tot binnentreden. Zie Burgemeester,

Kantonrechter.

Schriftelijke verklaring

wegens inenting van vee........22,17

— na herstel van vee.........71,73

Zie ook ililitaire paardenarts.

Slachthuizen. Zie Binnentreden.

Sluiting van diergaarden. Zie Koning.

Spoor- en tramivegen

Bepalingen nopens vervoer van vee langs — . 35 Stallen. Zie Binnentreden, Ontsmetting, Terrein. Standplaatsen van de districts-veeartsen. Zie Districts-

veeartsen.

Straffen

tegen overtreding der wet..... 75, 81, 82, 97

Tentoonstellingen van vee. Zie Binnentreden, Koning.

Termijn

van ontsmetting........... 5G

— van verdachtverklaring van vee.....70,71

— van verboden vervoer van vee naar besmette gebouwen, weiden, erven ol\' hoeven . . . . 72,73

Terrein

van begraving of verbranding moet minstens 50 meters van stallen, woningen en drinkwaterputten gelegen zijn.......... 57

-ocr page 178-

Al/PHABETISCH KEGISTER.

Black.

Tramwegen. Zie Spoor- en tramwegen.

Vacatiegelden. ZieDistricts-veeartsen-plaatsvervangers.

Vee

door eene besmettelijke ziekte aangetast, daarvan verdacht of nadat het hersteld is; kan van

een merkteeken worden voorzien..... 40

Yoor — van eene besmettelijke ziekte verdacht, wordt bij onteigening de volle waarde,

voor — door eene besmettelijke ziekte aangetast,

de helft der waarde berekend...... 43

Plaats en wijze van begraven, verbranden,

enz. van —..........5G, 57, 58, 59

In beslag genomen levend — wordt vrij gegeven of verkocht.......... 79

Wat in deze wet door — wordt verstaan . 83 Zie ook Afmaking van vee, Afzondering van vee, Besmettelijke veeziekten, Inenting, Inlading van vee, Verdacht vee. Vervoer, Waardeering.

Veeartsen. Zie Geëxamineerde veeartsen.

Veeartsenijkundig staatstoezicht

Wat het — omvat......... 1,2

— opgedragen aan districts-veeartsen onder den Minister van Binnenlandsche Zaken .... 3

Veeartsenijkunst

Het uitoefenen der — is aan de districts-veeartsen verboden ......................9

Districts-veeartsen-plaatsvervangers en buitengewone districts-veeartsen mogen de — uitoefenen 9, 11 Veemarkten. Zie Markten.

Veevoeder. Zie Vervoer.

Verbranden

van vee en voorwerpen........ 56

Wijze van —-.......... 57, 58, 59

Verdacht vee.

wat daarvoor wordt gehouden.......41, 42

duur van verdachtverklaring . . , . . . . 70,71 . Zie ook Vee.

Vergoeding voor onteigend vee. Zie Vee.

van schade van den grond........56, 57

Verjaring

van de vorderingen van den eigenaar .... 48

1G8

-ocr page 179-

ALPHAUETISCH KEGISTER. 1 09

Bladz.

Verkoopingen

van vee kurmen verboden, worden..........15

— van in beslag genomen vee en goed ... 79

— van vleesch en huiden........ 107

— van \'s rijks paarden van het leger .... 92

Zie ook Aangifte. Burgemeester. Distriets-veeartsen. Koninklijk besluit.

Verordeningen door provinciale of gemeentebesturen vast te

stellen...............15, 37

Verslag. Zie Districts-veeartsen. Minister van Bin-nenlandsche Zalcen. Geneeskundige Inspecteur der landmacht.

Vervoer

van levend en dood vee, vleesch, huiden, haar, ■wol, mest en verderen afval, veevoedergereedschappen en voorwerpen, die bij de behandeling van vee gebruikt worden, kan verboden

worden.............. 15

— van benaderd slachtvee........ 17

— van vee door besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht is verboden....... 41

— van voorwerpen uit en naar een besloten terrein

is verboden............. 52

Zie ook Burgemeester. Commissaris des Ko-nings. Koninklijk besluit. Spoor- en tramwegen.

Termijn.

Vilderijen. Zie Binnentreden.

Vleesch

Wat in deze wet door — wordt verstaan . . 83 Zie ook Verkoopingen. Vervoer.

Voorschriften betreffende begraven, verbranden van vee en voorwerpen en ontsmetting....... 58

— nopens do inrichting der comptabele stukken 104 Voorwerpen.

Besmette —kunnen in beslag genomen worden 47,75 Besmette — kunnen worden vernietigd of onschadelijk gemaakt.......... 75

Zie ook Vervoer.

Waarde van onteigend vee. Zie Vee.

-ocr page 180-

ALPHABETISCH REGISTER.

Waardeering

van vee moet niet aan eigenaars, houders of hoeders van vee opgedragen worden .... 44

Tegen te hooge — moet door den Burgemeester worden gewaakt........ 44

Zie ook Deskundigen.

Weiden. Zie Afsluiting. Binnentreden.

Werkplaatsen. Zie Binnentreden.

Werktuigen

tot het merken van vee zijn voor \'s rijks rekening in iedere gemeente aanwezig .... 41 148 Wet

De bepalingen van deze — kunnen door den Koning ook van toepassing worden verklaard op andere in deze wet niet genoemde dieren . . 83

Welke wetten vervallen zijn met het in werking treden dezer —......... §4

Winkels of bergplaatsen van vleesch en spek. Zie

Binnentreden.

Wol. Zie Vervoer.

Woningen. Zie Binnentreden. Terrein.

Zegel.

quot;Welke stukken van — moeten zijn voor-

zien............ 24.84,108,110

A\\ elke stukken van —recht zijn vrijgesteld ........... 79,83.84,109,110

Zons op- en ondergang. Zie Binnentreden.

170

-ocr page 181-
-ocr page 182-
-ocr page 183-
-ocr page 184-