quot;eeks 2 f
1ste druk |
ji
Iwolsr •wolsr •
éerdrükken
2\' REEKS: V.
^ . a
Y 0 N D E L S l E E: U W E N D A L E R S
uiTGhGi:* DOOH
Dr. ,Frf BUIT EN RU SI HtlTLMA.
I
■Kpli
lt; ZWOLLE W. É. .1. TJKKNK VIL LINK
Prij* iny f 0. .j,
V.V. N0
Kast 15, Pl.H
VONDELS LEEUWENDALERS.
ZWOLSOHE HERDRUKKEN
ONDER EEDACTIE VAN
E. F. BUITENRUST HETTEMA, X. A. CRAMER, J. H. VAN DEN BOSCH.
TWEEDE REEKS! TEKST-UITGAYEN. V.
VONDELS LEEUWENDALERS.
ZWOLLE W. E. J. TJEENK WILLINK.
VONDELS LEEUWENDALERS,
UITGEGEVEN DOOK
F. BUITENRUST HETTEMA.
V-quot;- t r\\
.■ r ..H
! v. \'W i
/f; ,\'/
\\* \' •\'/■\' \'v.v-v
ZWOLLE W. E. J. TJEENK WILLINK.
EEN-EN-ANDER VOORAF.
De Leeuwendalers is de feest-uiting van Vondel bij de vrede van Munster.
Maar — men weet het — onverdaclit is dit niet gebleven. Hij had er boze bedoelingen mee. Anders was hij wel met wat anders voor den dag gekomen! Zelfs zijn waar-sehuwing er niets in te zoeken, wees er op! —
n\'i Puntisre van \'t stuk ontleent het aan de herinneringen, die het opwekte. Men verwondert zich misschien, dat de politieke toespelingen zoo gering zijn in dit gelegenheidsspel, en de overeenkomst tusschen werkelijkheid en poëzie zich schijnt te bepalen tot den gestoorden en herstelden vrede en de vrijverklaring der jSToordzij. Maar de staatkundige beteekenis steekt meer in den geest dan in de feiten van het stuk. Dit zal vooral uitkomen, wanneer wij het oor leenen aan de gesprekken, tusschen de wederzijdsche Heemraden en Heerschappen gevoerd.quot;
//Vooreerst blijkt al spoedig, dat hij de oorzaak van den strijd in geen zeer edele beweegredenen zocht. Als Vrerick toch van de //ondanckbre tijdenquot; gewaagt, zegt Lantskroon:
„ Omlanckbaer wel te recht voor veel genoten goet.
In puis, die neering baenle, en weelde, en overvloedt. Die baerden hovaerdy, verwaent en trots, en smadich: Zoo quam de tweedraght voort, te bijster en baldadig;\'\'
en dit wordt hem door niemand tegengesproken.quot;1)
\') Jonckbloet, Letterk., blz. 260 en 261.
vt
Maar is tegenspraak wel nodig? \'t Wordt toch niet gezegd als aanklacht tegen de Noordzij.
Integendeel, nergens blijkt dat aan die zijde de oorzaak alleen Mzoolit wordt.
Gevonden wordt deze in een «hovaerdy, verwaent en trots, en smadieh,quot; waardoor celck om eigen schuit moet bloedenquot;.
Want aan beide kanten deugt er veel niet.
Vrerick erkent:
„De slimsten onder ons versteuren zulck een\' zegen,quot; en Lantskroon geeft toe :
„De slimsten onder ons zijn van geen beter aert.quot; \')
Waarop kon slaan een antwoord als Vrerick geeft: „Dat leert d\'ervarenheit aen uwe en mijne zy.quot;!)
Beide, Noord- en Zuidzij, hebben schuld.
Dat blijkt ook als Warner en Govaert tegen elkaar kibbelen, en krakelen.
De een geeft de ander niets toe.
Maar is niet opmerkelik dat Govaert\'s knecht doet moed-willighlyck wat Warner\'s hond uit woestheid doet.
„Die moedtwil is te grootquot;. *)
De noordelike Warner staat op zijn recht —
„d\'ene haen is d\'ander nietquot;; \'•
maar toch, hij wil \'t lam vergoeden: //wie weigert (Govaert) een lam?quot;
Vondel had meer dan eens kunnen opmerken hoe de Noordnederlanders stonden op hun recht: //hac nitimurquot;; wat hun dit waard was; maar ook hoe ze toegaven aan de tegenstander, zo deze zijn recht vroeg.
Hoe ze zich niet door dreigen lieten ontmoedigen, evenmin,--als Warner.
\') J. citeert ook deze beide regels, later; maar cursiveert alleen „slimstequot; aan de Noordzij, niet aan de Zuidzij!
1) \'t Is de weerslag op: Hoe menigh . . . . (vs. 710).
\') Vs. 751. quot;) Waarom juist \'Goudlakens\'?
3) Zie slot 2e bedrijf.
vn
Dc //Heemraad der Zuidzijde,quot; zegt Jonokbloet, /\'is met vrij wat schooner kleuren gemaald, dan die van \'t Noorden; maar vooral wordt Lantskroon veel flinker en edelaardiger voorgesteld dan Vrerick. Diens grootste verdienste ligt in hetgeen hij-zelf aldus uitdrukt:
«Mijn naeiii is vijck van vreê, \'t is vrede al ivat ick wenschquot;.
Datzelfde wenschen ook Lantskroon en de zijnen: maar aan de Noordzij houdt men meer het eigen-, dan het algemeen belang in \'t oog.quot; \')
«Welnuquot;, vervolgt hij, //\'t is aan de Noordzij, dat ons die baetzucht geschilderd wordt.quot; -)
Maar — niet door de Zuidzij wordt dit als verwijt geuit; Volckaert van de Noortzij zegt het zelf.
Ongetwijfeld: Vondel kende de feiten, wist dat Zeeland o, m, de vrede tegenhield uit \'winst\'.1) Maar was \'t ook niet waar:
„Het spreeckwoort zeit: in troebel water is \'t goet visschen.quot; Men vindt er meer zo:
„Een ieder vlamt op winst. De spinne spint haer webben Om winst: om winning vlieght de by naer beemt en boseli. Om loutre winning zit de vliegb op koey en ros. Om winning zweetenze al, de kleinen, en de grooten. Om winst piekt d\'oievaer de kickers uit de slooten. Om winning loopt de kat uit muizen in het velt.
Als ick \'er vet by wordt, wat roert my wien het geit.quot;
Maar niet alleen in\'t Noorden, even goed in\'t Zuiden. 2) En — zo dacht de mindere man. — Dwars en tegenstribbelend tegen de overheid, die \'t beste wist en voorhad, en die verantwoordelik werd gesteld, ook voor wat zij niet verhelpen kon:
„D\'onweteude gemeente ontzagh zich uoit haer schuit En misdaet op den hals der Heerschappen te laden.quot;3)
1
) Evengoed erkent hij dat \'t Noorden overwonnen had. Zie
2
de verklaring van Verdam op vs. 603.
3
Vgl. vs. 604, 609, 621/2, 630. =) Vs. 475.
TUI
Zo is \'t hier, zo is \'t daar! Als Yolckaert moedeloos z\'n gemoed lucht geeft met;
„d\'Een liouwt, en d\'auder breeckt: Wilt hoop van vrede is hier?quot; \') is Heereman van geen ander gezindheid;
„Wy lesschen vast den brant; een ander blaest in\'t vier.quot; quot;)
De waarheid zegt Warner;
„De knechts verguizen nu de meesters en de bazen.quot; 3)
Die regeerders zijn van een ander gevoelen dan de gemene man. Wat bij Vondel te meer klemt, omdat hij niet tot het volk zieh neigde, maar tot de heerschappen; de //aertse goden\'\' waren zijn vrienden.
Volckaert, Heemraet van de Noordzij, is voor de vrede, hij berispt Warner; als deze zijn «gemakquot; niet houdt, dan stelt men hem wten spiegel van \'t gemeenquot;.
De quot;Heemradenquot; en //Heerschappenquot; zijn anders gezind. Wie van hun de beste is? Als men vergelijken wil, zou er dunkt me, kans wezen dat de Noordelike beter indruk maakte als de Zuidelike broeder.
De Zuidzijder Heereiuan mag zich onderscheiden //door zekere schilderachtige mystiek, en door zekere vindingrijkheid, die aan listigheid grenst ... de heemraad uit het Noorden integendeel is de man van \'t gezonde verstand, de goedrondheid, de goedhartigheid, een vijand van windmakerij en een die nauwelijks gelooven kan, dat iemant trachten zou ten koste van anderen //wel te varenquot;. ^
Heerschap Vrerick is prakties evangelies, buigt zich voor de noodzakelijkheid, en is stipt aan de wet gehecht.
Lantskroon is iilozofies, zoekt diplomatics naar een middel om het vonnis van Pan krachteloos te maken.b)
De Zuidzijder treurt als een radeloze; hoeveel bezadigder houdt zich zijn amtgenoot. Had Vondel hier de oude Hooft voor ogen?
\') Vs. 723. \') Vs. 723. 3) Vs. 725. k) Alberdingk Thijm, Gids, blz. 341. \') Alberdingk Thijm, blz. 342.
IX
Lantskroon wil zelfs noch eens kiezen; Heereman doet aan Vrericks pleegdochter Hageroos, eigenaardige voorstellen ter wille van Lantskroons pleegzoon. Vreriek is tot opofferingen bereid; Vreriek is bezorgd voor Noorden Zuidzij; «(Pan) eischt ons Adelaert, dat bitter valt te zwelgenquot;; voelt met Adelaert medelijden; is de eerste om hem te beloven zijn laatste verlangen te volbrengen.
Waar Lantskroon bluft;
„De vroomsten onder ons zijn oock tot pais genegen/\'
daar keert Vreriek met de erkenning;
„De sliinsteu omler ons versteuren zulek een\' zegen.quot;
\'t verdere boos-worden; //een zacht antwoord doet de toorn bedaren.quot; Lantskroon antwoordt dan ook;
„De slimsten onder ons zijn van geen beter aert.quot; \')
Als Lantskroon wrokt;
Gliy zout dit tartewee wel levendigh gevoelen.
\'t Valt mackelijck zijn vlack in Js anders bloet te sjoelen.quot; 1)
Dan is \'t antwoord;
Wy strijden niet: ick heb mijn sterckheit niet te roemen.quot;3)
Vreriek — als een Vondel met zestigjarige levenservaring, verheft zich boven de //aertsche omstandigheitquot;. Gode gehoorzamen, zichzelf verloochenen, zichzelf opofferen, is de overtuiging van Vreriek.4) — Hij kent //de kracht des gebedsquot;; 5) is de man van \'t initiatief. Hij dankt — als Maurits bij Nieuw poort — \'t éérst Pan, na de heerlike uitkomstquot;.0) Hoe anders is ook Vrerieks verhouding tegenover \'t volk, vergeleken met die van Lantskroon.
Zo is deze grote Vreryck werkelik Prederik Hendrik die Vondel toejubelt;
■) Vs. 620-622.
■) Vs. 1548 9. \') Vs. 1522.
quot;) Vgl. o. m. vs. 1346, 1643, 1645, 1687, 1748; vgl. ook blz. 73, v.v. 5) Vgl, vs. 702.
«) Vgl. vs. 1897.
X
//Prins Vrederyck Henrik heeft zijnen naem met de daet, en alle zijne oorloglistriomfen, en laurieren met eenen eenigen quot;Vredetriomf, en den gezegenden olijftak gekroont.quot;
Vrerick, die hij bezingt in zo menig gedicht. Op wie hij \'t Wilhelmus varieerde met Frederick!
Vondel had met de Leeuwendalers geen bedoeling om Noord te kleineren tegenover Zuid!
Zou iemant die //Pax optima rerumquot; acht, met de naam Vreerijck lumder goeds bedoeld hebben als met Adelaert?
Adelaert, Laniskvoon naast Volckaert wijzen wel op de meer aristokratiese Zuidzij, tegenover de Noordelike bewoners als van burger-kom-af.
En Hageroos?
Deze, //de vertegenwoordigster van de jeugdige Republiek (is) — zoo men niet wil zeggen een beminnelijker — dan toch een belangrijker, veel volkomener persoonlijkheid dan Adelaert;.. . Vondel (heeft) met blijkbare voorliefde het karakter van Hageroos behandeld. \')\'
De Noordzij is God Pau\'s hart ! Pan, de heidense Al-god, den onbekende die wij nu kennen, //in wien wij leven en zwevenquot;; die alles regelt en bestuurt ten beste, al zijn zijn raadslagen ook onbegrijpelik; van Pan zelf, die de vrede ten slotte mogelik maakt, de pleegdochter van Vrerick, is Hageroos, een spruit.
Vondels feestuiting is een vredesjubel!
Die de vrede wil, moet niet de oorzaken van //\'t krakeelquot; gaan oprakelen en uitpluizen.
«Niemant t\'ontstichtenquot; ^, is Vondels doel.
//Geen woord dus van de opofferingen, die men zich daar getroost, van de verdrukking die men verduurd bad; geen zweem van ingenomenheid, zelfs niet met de politieke zijde der questie.quot; 1)
Maar is dan geheel zonder enige betekenis dat 12 aan de Noordzij, en maar 7 aan de Zuidzij gedurende die 20-jarige beproevingstijd zijn gevallen ? 4)
Slechts terloops wordt hiervan even gewaagd. Niet
1
) Jonckbloet, blz. 263. \'\') Vgl. vs. 1589/90!
om de betekenis van de grote worsteling eu z\'n enorme gevolgen voor de wereldtoestanden te verkleinen, maar omdat bóven dit alles vrede ging: wat geeft gekijf en gekibbel tegenover vrede?
Dieper op die zaken ingaan liad oude wonden en veten weer opgereten !
wWy hebben slechts eenige verwen en geuren, die ons voornemen dienen konden, uitgezocht, en onder een gemengt, en het beloop van oorloge en vredehandel aldus in het klein ten ruighsten ontworpen, om alle hatelij ck heit te schuwen; anders had men de bloem van deze verzieringe netter op de zaeck zelf konnen passen.quot;
Om de vrede zelf verheugde zich Vondel allereerst: „Pax optima rerum.quot; \')
Want niet anders is «het wit der oorelogen, (dan) D e n Vrijdom, uw bevochten errefgoed.quot;;)
Maar de uitkomst was noch niet naar zijn wens. Beide Nederlanden waren gescheiden.
Als profeet voorspelde hij de hér-eniging! quot;En dichters zijn niet deurgaens zulcke ongeluckige Waerzeggers, of men ziet zomtijts, oock buiten alle hope, gebeuren het geen zy een goede wijl te vore spelden.quot;
Hebben wij niet in meer dan één opzicht deze hereniging zien worden?
Dit is de diepe zin van een stuk, «niets anders dan een Lantspelquot;.1)
Toen, in zijn tijd, was deze profesie een iedeaal; die toestand idyllies. En Vondel symboliezeerde in een herdersdrama wat hem voorzweefde; zijn vredes-iedeaal, ten opzichte van noord- en zuid-Nederland, verheerlikte hij in de Leeuwendalers.
1
) Verwijs, Leeuwendalers, Inleiding.
De Leeuwendalers zijn geen oorspronkelik werk, \'/Vondel maakte daarbij gebruik, zij liet ook een matig gebruik, van Italiaanscbe voorbeelden. Zoowel herinneringen aan den Aminta van Tasso als aan den F ast or Fido van Guarini bebben hem bij het sehrijven van de Leeuwendalers voor den geest gezweefd.quot; \')
Van Heiten toont in den brede aan -), dat wdc scène, waar de maagdensehennende onverlaat Adelaert in de gelegenheid stelt zijn geliefde te redden en aan zieh te verplichten, aan de Aminta ontleend is. Hageroos in haar hartstocht voor de jacht en haar minnaar in zijn volharding vertoonen sterke trekken van gelijkenis met Silvia en Aminta. Uoch het voornaamste in Hageroos\' karakter is niet die wilde liefhebberij, welke haar in hoofdzaak alleen als middel dient om een beter gevoel te bedekken. Zij is in dit opzicht de meest volstrekte tegenstelling van de koude en ongevoelige Silvia, die voor Aminta werkelijk geheel onverschillig is en eerst bij den vermeenden dood van haar amante tido zich door een soort van medelijden laat vermurwen en door berouw tot liefde (?) bewegen. Evenals Hageroos, weet (de Amarilli van Guarini), door plichtgevoel gedreven, voor haar geliefde die neiging te ontveinzen, hem met een soort van stugheid op een afstand te houden, en staat hem schijnbaar slechts met het grootste wederstreven te woord. Gelijk Hageroos zich zelf verloochenend Adelaert den raad geeft \'/Een andre te beminnenquot;, evenzoo doet Amarilli Mirtillo hetzelfde middel aan de hand. Wanneer evenwel ook Guarini\'s ninfa die ontveinzing niet meer nor dig voorkomt, wanneer of zij of Mirtillo zal moeten sterven, dan mag de getrouwe minnaar de waarheid vernemen. Ook bij Adelaert treedt naast den karaktertrek, dien hij met Aminta gemeen heeft, een andere niet minder gewichtige te voorschijn, waarin hij hemelsbreed van den laatste afwijkt. Spreekt Tasso\'s pastor steeds van het voornemen om zich te dooden en door zijn dood zich op zijn geliefde te wreken, tracht hij ook werkelijk dat plan te volvoeren, de Leeuwendaalsehe held denkt aan zoo iets in de verste verte niet. De Kei moge
\') Jonckbloet, blz. 250.
1) Tijdschrift Letterkunde, II, —71.
xni
voor mogelijken zelfmoord angst koesleren, bij hem zelf bespeurt men, na de laatste afwijzing door Hageroos, slechts een gevoel van wrevel tegen de ondankbare. Toch heet hij, die opgehouden heeft eenig geluk van de toekomst te verwachten, den niet gezochten dood welkom en is gaarne bereid dien te ondergaan. In de ontmoetingen tusschen Adelaert en Hageroos is voorts de aanwezigheid van den hond der jageres een gedeeltelijke navolging van het tooneel in de Pastor Fido tusschen Silvio en Dorinda. Evenals Hageroos op eenmaal bij \'t ontwaren van Hazepoot door dankbetuigingen in den steek laat, zoo breekt Silvio bij \'t weerzien van Melampo de liefderijke ontboezeming van Dorinda plotseling af, om zich geheel aan zijn redeloozen jachtgezel te wijden.
Meerdere punten van overeenkomst met de Pastor (zijn), behalve het gewichtige bestanddeel der fabula, het zoenoffer, de naam van Mirtillo, hem gegeven naar den myrteboom, waaronder hij werd gevonden, en de naam van Hageroos, deze toegekend wegens de roos op haar arm en het vinden der weeze in ween hagequot;; de overeenkomst in het aantal (20) jaren, na wier verloop de beide vondelingen herkend worden; maar vooral de gelijkenis tusschen het verwijt, door den Satiro tot een soort van vrouwen gericht en den lof, welken Adelaert zijn geliefde toekent, die
verfde noit haar wang met moerbay, of morellen.
Zy looght noch bleickt geen hair.
Hoe duidelijk herinnert verder de uiting van den Rei:
daer is de hont, haer jaghtknaep, die zoo noo
Gebonden gaet, als gby wel gaerne gingt gebonden
Aen \'t hairsnoer van een wijf.
aan de woorden, door Corisca den onbeschaamden aanvaller, den Satiro, toegevoegd.
Guarini\'s Arcadische jager toont zijn godsdienstzin door reeds \'s morgens vroeg, vóór \'t openen der kapel, de Goden te willen vereeren, waaraan Vondel zonder twijfel gedacht heeft, toen hij Adelaert van de vroegtijdig ter jacht optrekkende Hageroos liet zeggen.
Wat eindelijk de verwantschap betreft tusschen de bekende ode van Adelaert aan de //vrede en vrientschapquot;
xiv
en de woorden van ïasso\'s Dafne, zoo vestig ik de aandacht op het feit, dat, terwijl Vondel, op de //trecke-beekende duivenquot; na, zijn voorbeelden niet aan het dierenrijk ontleent, in de Aminta uitsluitend uit dit gedeelte der schepping de bewijzen voor de natuurlijkheid der min gehaald worden, Guarini daarentegen, bij de behandeling van hetzelfde thema, naast //Ie monstruose fere, i veloci delfini, 1\'orche graviquot;, enz. ook, «il cielo, la terra, il marequot; en de morgenster te pas brengt (evenals de Neder-landsche dichter //de bare, de zee, den klimop, den hemel en \'t aertrijokquot;).
Met meer waarschijnlijkheid zou men aan de Aminta (ofschoon natuurlijk evengoed aan de i\'Vifo) als voor
beeld kunnen denken bij een andere uiting in onze pastorale, nl. bij de aan Hageroos gerichte woorden van den Rei:
Ghy ziet vol hartewee de duiven treekebecken,
En elcke wederga genegen tot heur ga.
De beeckzwaen bruist vol viers het witte wijfken na. En strengelt hals om hals; zy weet van wederkussen, Daer \'t kille water zelf haer\' gloet niet weet te blussen.\')
Alberdingk Thijm\'■) neemt met A. S. Kok1) aan, dat Tasso\'s Aminta vooral de bron is. quot;Volgens hem zou Vondel in de onderdeelen wel een paar elementen uit de Pastor Fido hebben overgenomen, nl. het beeld van het //zwijnquot; des oorlogs, en den //Blinde Wouterquot;, maar, wat de hoofdzaak betreft, niets anders dan de idee van de verplichting tot een jaarlijksch zoenoffer, waarvan, volgens een godspraak, eerst in een zeker geheimzimiig aangeduid geval de Arcadiërs (Leeuwendalers) konden ontheven worden.quot;
J. ten Brink was evenzeer tot deze konkluzie gekomen. ^2)
Jonckbloet wees ook al op die beide stukken.
Hier citeren we alleen dat //bij Vondel het meisje afkerig is, niet zoals de Pastor Fido de jongman; .... dit \'/werd hem aan de hand gedaan door Tasso\'s Amintaquot; 3)
1
^ Vondel, in eenige van zijn vrouwenkarakters, 1864.
2
\') Deze citaten van blz. xn, tot hier, uit Tjdtckr/ft 1892,
3
) Jonckbloet, blz. 257. Zie blz. 250, (hiervoor, blz. xn).
XV
Maar \'/het hoofddenkbeeld van dit stuk ontleende Vondel aan Rodenburg\'s Trouwen Batavier. Het kan niet worden betwijfeld, of Vondel het stuk van zijn voorlooper heeft gekend. Hij ontleende daaraan niet slechts de namen van Heereman en Vrederijck; maar ik geloof niet te ver te gaan, wanneer ik zeg, dat Rodenburg hem op het denkbeeld gebracht heeft om eene Italiaansche Pastorale op vaderlandsche toestanden toepasselijk te maken. Dit alleen verklaart ons, hoe hij er toe kwam om dezen idyllischen vorm te kiezenquot;. \')
«Zijn vriendschappelijk verkeer met Tesselschade heeft er misschien toe bijgedragen om meer bizonder zijn aandacht aan Italiaansche kunst te wijden, daar hij dan bij haar onuitgegeven en verloren vertolking van Tasso\'s Gerusalemme ter zijde stond.quot; -)
ünger beschrijft aldus de ediesies van de Leeuwendalers in zijn Bibliographie tan Vondels Werken, 1888, blz. 91: 414. i. I. V. Vondels i Leeuwen- | dalers. [ Lantspel. | Pax optima rerum. | bignet; putje met nelck zyn leurty \\ t\'Amsterdam, Gedruckt by Jacob Lescaille. | Voor Abraham de Wees, Boeckverkooper op den Middeldam, ] in \'t nieuwe Testament, in \'t jaer m. d. c. xlvii. (viii), 69 en (3) blz. 4°.
BI. IH—VIII lt;le opdracht aan „Den Htere Michiel le Blon, Agent iler Kroone en Koninginne van Zweden. By de door-luclitigste Majesteit van Groot Britanjequot;; bl. 1 en 3 „Inhoudtquot; en bl. 2 de lijst der „Pcrsonaedjenquot;.
Achter het treurspel het gedicht „Herderskont tnsschen Melibens en Tityr (3 blz.)quot;
NB. Van deze editie bestaan ook vele ex. met het jaartal m.d.c.xlviii. Naar het mij voorkomt, heeft dit zich aldns toegedragen : Er was reeds een goed gedeelte vau de oplaag met het jaartal m.d.c.xlvii in den handel gebracht, toen de font in het jaartal op den titel bleek. Terstond werd op de nog overige ex. met de hand het cijfer VII in VIII veranderd. Voor zoover ik heb kunnen nagaan, zijn deze uitgaven geheel en al
\') Aid., blz. 250.
\') Jan ten Brink, Geschiedenis (ed. Elzevier), blz. 429. — Vgl, Alb. Thijm, Gids 1879 , I, blz. 335.
XV [
gelijk. Deze met het cijfer quot;VIII moeten dus eenvoudig als A
titeluitgaven beschouwd worden. I |
445. li. J. V. Vondels [ Leeuwen- | dalers. | Lantspel.
1 Pax optima rerum. | Vignet: putje met nelck zyn leurtquot;.
j t\'Amsterdam, Gedruckt by Jacob Lescaille. [ Voor yo
Abraham de Wees, Boeckverkooper op den Middeldam) m | in \'t nieuwe Testament, in \'tjaer m. d. c. xlvii. (viii,)
69 en (3) blz. 4°. [|e
Ofschoon ,op den titel het jaartal 1047 is afgedrukt, is deze [oc
uitgave toch veel later verschenen. Papier, letter, versieringen, na;
enz. wijzen reeds op het eerste gezicht op een later tijdstip. las
Vergelijkt men met dezen druk dien van 1696 (n0. 447), dan merkt men in beide op hl. VIII hetzelfde laat-17e eeuwsche cul-de-lampe op. \')
De tekst is niet vrij van drukfouten (vs. 355, 636, 1929). In den titel van Le Blon leest men hier „majesteitquot; en „Bhitanjequot;, in den vorigen druk; „MAjESTEiTquot; en „BritanJequot;; op bl. 7 reg. 7 v. b. leest men hier „klarequot;, en in n0. 445 „klaerequot;. ■)
446. in. I. V. Vondels | Leeuwen- | dalers. | Lantspel. ü | Pax optima rerum. | Vignet: putje met nElck zyn beurt.quot; o] | t\' Amsterdam, | Ter Druckerye van Kornelis de Bruyn, te
Boeckdruc- | ker, in de Gravestraet. do loc lxi. 71 blz. 8°. vl
Bl. 3—6 opdracht, bl. 7 en 8 „Inhoudtquot;, bl. 8 lijst der „Personaedjenquot;, bl. 9—67 het lantspel en bl. 68—71 „Herderskout tusschen Melibeus en Tityrquot;. ^
447. iv. J. V. Vondels 1 Leeuwen- | dalers. | Lantspel. | Pax optima rerum. ( Vignet; putje met nElck zyn Beurtquot; | t\'Amsteldam, | Voor Joannes de Wees, Boeokverkoper
op den Middeldam, | in \'t Nieuwe Testament, in \'tJaer 1
1696. (vin), 69 en (3) blz. 4°. a
Bl. III—VIII opdracht, bl. 1 en 2 „Inhoudtquot;, bl. 2 lijst der „Personaedjenquot;, bl. 3—69 het Lantspel en daarachter „Herderskoutquot; (3 blz.)
\') Maar — veel scherper afgedrukt, wat m. i. op eerder jaar wijst. B. H.
\') Evenmin als uquot;. 444. Zie de noten. B. H. 3) Zie verder de noten. B. H.
xvir
Volgens Unger zou men fins in de ediesie van 1G47 een I hebben bijgesolireven. Blikbaar ocbter is deze I er later bijgedrukt.
\'t Komt mij voor dat de eerste eksemplaren werkelik in \'47 noch zijn uitgegeven. In Oegstmaent lC t7 diclit Vondel: «De getemde Marsquot;, twp hope van \'ilen algemeenen vredequot;. \')
In Augustus werd aan do Nederlandse gezanten voor de vredesonderhandelingen, die toen in Holland vertoefden, door de Staten-Generaal gelast ten spoedigste naar Munster terug te keeron nmet volkomen en volstrekten last om het tradaat finaal te sluiten. -)
Dit was een uitkomst na \'t lang traineren van de onderhandelingen, die al jaren vroeger, in 161:5, waren aangevangen.
Toen maakte Vondel zich op om zijn blydschap over de vervulling van deze zijn hartewens te uiten.
Hij kon niet vermoeden, dat eerstin 1648, de SOJan., de vrede gesloten zou worden. En zelfs toen gingen de rati-ficatiën noch langzaam: eerst 15 Mei konden ze uitgewisseld. De 5e Junie is de vrede in de Vereenigde Nederlanden openbaar afgekondigd: de Zeeuwen toch bleven er zicli tegen verzetten, en zelfs protesteren na de uitwisseling van de ratificatiën. Üp de 30 Mei besluiten de Staten van Zeeland zich bij de zaak neer te leggen.
Zo verklaart het zich ook dat een stuk, in \'47 al uitgegeven, eerst opgevoerd werd de 7, 11, 14 Mei en 2, 23 Julie.1)
Ik vergeleek de volgende eksemplaren :
1C47 (J), 1647 (j), 1648 (j), 1661, 1696. — En wel die uit de Amsterdamse en Utrechtse Bibliotheken, van 1647, en 1048, alsmede al de eksemplaren, toebehorende aan de heer Unger.
Inzonderheid deze laatste, als ook de heren Bibliothecarissen, betuig ik mijn dank voor hun welwillende bereidwilligheid.
1
) Wybrunts, Dietsche Warande, X, 433.
\'•) Die van Penon zag ik niet! Zie zijn Bjdr. Ned. Letterk. FF, üfl. Vosdkl, LeeuKendalers. 2
XVIIl
De tekst is afgedrukt naar de ediesie van 1647 , met Britan]e. Wat gewijzigd is, werd in de noten vermeld.— Evenzo de varianten uit 16d\'7 (J.), alsmede die van de uitgaaf van 1661. Al wordt medegedeeld in het Voorbericht van de uitgever Kornelis de Bruijn, dat //wy hebben, in \'t geheel, een eenparige speliinge gehouden, en ons doorgaans gewacht voor de wanstal der grove incktvlac-ken, volgens de stellinge van onzen Nederlandtschen Homerus, in de nareeden van zyn Lucifer gedaenquot;, zo kan liet toch wezen dat Vondel deze druk ook lieeft nagegaan. \') Van de drukken, na zijn dood verschenen, zijn geen varianten opgenomen.
l)e namen zijn voluit boven de tekst gezet; in de oude drukken staan ze verkort voor de regels.
Aan hun, die me met raad en daad bijstonden bij\'t bewerken van deze uilgaaf, zeg ik gaarne mijn dank.
Zw., Julie 1899. B. H.
\') TJit 1661 zijn niet opgenomen tie spel-varianten als: maeien (~ maejen), kraeien, vrolyck, gruwlyck, zyne, olyftaek, koningkiyeken, eigentiyk (— lijek), roe (— roe), bö, twelck, baldadig^, plaeg^den, 1 re, blaken. — Tenzij deze ook in 1647 (J.) voorkomen.
Drukfouten zijn niet genoteerd; evenmin de afkorting ë dure, byte, bassê enz. Evenmin dat na een . geen hoofdletter volgt, midden in den regel. [Vgl. de variant uit 1647 (J). vs. 1661.]
J. V. VONDELS
LEEUWEN-
DALERS.
LANTSPKL.
PAX OPTIMA RERUM.
[V i gn et.j
1\' AMSTERDAM, Gedruckt by Jacob Lescaille.
Voor Abraham de Wees, BoeekverkoopeF op den Middeldam, in\'t nieuwe Testament, in \'tjaer m.d.c.xlvh.
(1047 (j), 1048 : Virjnel; EIck zyn bevrt. — ]fi47 (J), 1G01: benrt.) — 1CG1: Ter Druckerye van Kornelis de Bruyn, Boeckdruc | ker, iu de Gravestraet. do loc lxi.
DEN HEERE
MIC HIE L LE BLON,
AGENT DER KROONE EN KONINGINNE VAN ZWEDEN
BY DE DOORLUCII TI RUSTE
MAJESTEIT VAN GROOT BR1TANJE.
M YN Hekr,
Dichters zijn niet dcurgaens zulcke ongehickige Waer-zeggers, of men ziet zomtijts, oock buiten alle hope, gebeuren het geen zy een goede wijl te vore spelden. Dat getuight ons de profecy des Stroomgodts van de Maze, die, eenige jaren geleden, den Hollanderen dit voorzong:
Zoo wort met vier het eeuwigh vier gebluscht:
Zoo vreet de vlam des hemels taeie roe:
En 11 knrick houdt de heirhaen van August,
En sluit de poort van \'t gruw lijck oorloog h toe.
Dees vrolijcke dagh, dees gouden dagh is ten lange leste eens opgegaen. Wv hooren de zilvere vredetrompet den Vrede inblazen. Wy beleven het geenwe naulix geloo-ven, nanielijek het gewcnschte einde des eeuwigen oor-looghs, die den ganschen weereltkloot met zich omtrock, en in een gedurige bloetkoortse en onruste hielt. Prins Vrboebyck Heniiick heelt zijnen naem met do daol, en alle zijne oorloghstriomfen, en laurieren met eenen eenigen quot;Vredetriomf, en den gezegenden olijftack ge-kroont, en ons den Vrede, zijnen lesten adem, tot een
1647 (j), 1648: MAJESTEIT VAN GRÜOT/BRlTANjE.
4
geluokigh (estement nagelaten. Hierom magli de Hol-\\ lantsclie Meleker, in de schadnwe des beukebooms gedoken, den bemel en hem wel Ier eere zingen:
1 O Mae lelief, iele hou gewis ecu God(, 25 Ecu Godthcil, hoi}) oujs aen dit vreedzacm lot.
lek wil hem oock opoffren mijn gedaehten ,
Eti lam en vacrs, hei puick der kudde, slachten;
Dewijl lij my la et loeiden zoo gerust,
Eu spelen icat mijn hert begeert, eu lust.
30 Wy mosten dan mode op het spoor van Virgilius (die in \'t geruste bezit van zijn hoeve eu lantgoet herstelt, Augustus aldus met Herderszangen eerde) den Hoogen mogenden Hoeren Staten, d\'assche van den Nassauschen Vredeheit, uit Keizerlijcken stamme, Willem, zijnen ö6 eenigen zone. Prince van Oranje, en onze Burgemees-teren, die getrouwe Vredevaderen, dit Lantspel toespelen, het welck wy uwe E. opdragen , die een rechtschapen Necrlanders aert, uit den bioeienden welstant der Nederlanderen niet dan blyseliaj) kunt scheppen, en 0 wiens onbloedigh ampt eigentlijck bestaet in Vrede tus-schen drie en vier Kroonen aen te voeden en t\' onderhouden, en Koningkrijcken door zachte zijde banden van vrientschap en ecndraglit onderlingh te verbinden. Heer-lijcke pallaizen zijn zelfs Koningen en hun Gezanten en m Agenten zoo aengenacm niet, of het lust hun zomtijts, ten platten lande, by simpele herders en ackerluiden, zicli te vermeiden, en hoffelijcke grootsheit en pracht voor kleenheit cn eenvouwigheit tc verwisselen, (ihy naemt, om u zomtijts van gewightige bekomineringcu öo wat t\'ontlasten, altijt, geenen lust in historischilderyen van Vorsten, Vorstclijcke personaedjen, en trotse liol-gebouwen, maer oock dickvvils in kunstige lantschappen, dorpen, cn gelmchten, van boeren cn herderen bewoont; en zaeght\'er met genoegen zelfs dc Goden uit den 65 hemel, in de gedaente van sterflijcke menschen, den stockouden Klemon en Baucis, onder hun rieten dack vergasten, hun schamele hut in cenen rijeken tempel, hen beide in boomen veranderen. Hierom durven wy
21. 1647 (J), 1661: testament — 22. 1661: henkeboom— 24. 1647 (J), 1661: Matelief —
5
den Heer Agent te vrypostiger ditmael aen den boeren-60 discli noodigen, op natuurlijok veltgewas, in tecne korf-kens, lioute nappen, en aerdewerek aengcreclit. Uwe goetrontheit en rustiglicit zal ons open hart aenzicn, dat zicli en anderen, op dit gezegende vredefeest wenscht, uit danekbaerlicit voor ziilek een oniiitsprekeiijcke deught 65 en bemelsche weldact, te veniuioken, en in liet groen spelen te voeren, zonder gal, zonder ergbwaen, zonder do helderlieit van dien seboonen zomerschen zonnesobijn, en dat zuivere hemelblaeuw met een allerminste neveltje gt; te rimpelen en misverwen. Honigbbyen zullen uit deze
7n bloemen niet dan bonigb en nekter zuigen. Indien by ongeval een spinnekop bier venijn uit treoke; bet komt by baron aert, niet by de bloem toe. De Voorredenaer zal bet wit van dit werek ontvouwen. Wie bier te diep in verzinckt, en neuswijs, in alle personaedjen vaerzen 75 en woorden, gebeimenissen zoeckt, zalze\'r niet visscben. Wy bobben slecbts eenige verwen en geuren, die ons voornemen dienen konden, uitgezoebt, en onder een gemengt, en bet beloop van oorloge en vredebandel aldus in liet klein ten ruigbsten ontworpen, om alle bate-so lijokbeit te sebuwen; anders had men de bloem van deze verzieringe netter op de zaeok zeil\' kounen passen, ü\'aeloutheit getuight nergens dat de Heidenen Pan,maer wei Diane, menscbeu opofferden. Evenwel brengen wy Pan op bet tooneel; eensdeels dewijl de veerijekbeit der 85 Nederlanden ecu Veegodtbeit vereisebt; anderdeels om iet grooters aen te wijzen, \'t welk van bet Heidendom door dien zeldtzameu afgodt uitgebeelt wert. Want die vervloeckte afgodery, en het menighvouwdigh verdeelen van het enekele en eenige Wezen der Godtheit in on-\'jo telbare bygoden, ter zijde gestelt, zoo schilderde Pan haer wat groots en waerachtighs voor d\'oogen. Pan is in bet Griekseb A L gezeit, en de natuurwijze Heidenen wouden door zijn heelt dc gelieele Natuur, of liever de Godthcid, die zich iu alle scbcpseleu uitstort, uitbeelden. 95 Zijn bovenste deel vertoont den hemel; zijn onderlijf en ruige bocksvoeten, het aertrijck met zijn ruighte, en bossohaedjen, en boomen, en steenklippen. De roode * trom betekent bet vier, dat om hooge zweeft: de horens
63. 1661: vredefeest, — 74. 1661: personaedjen, —
i
6
op het voorhooftj de maen: do lange baert, de zon met ion hare stralen: de gespickelde luiit om het lijf geslagen, de starren: do gekringkelde wiehelstock in d\'eene hant, het ronde jaer, \'t welck /.ijn begin aen het einde knoopt; het spooltuigh van zeven ongelijke fluiten aen een go-kleot\'t, de zeven dwaelstarren en het goddelijck muzijok 106 der overeenstemmende hemelklooten. Zy wouden met 1\'an liet zelve zeggen, dat Anchises geest tegons Eneaszoide: Een innevloeiend Geest voedt hemel, nerde en zee,
Be klare zon en maen, en alle sterren mee.
Een eenigh geest, gestort door \'s weerelts lijf en leden, 110 Beiveeght dit groot gevaert, van hoven tot heneden.
lu zulck eeneu zin, cu niet anders moet men vatten deze woorden van eenen anderen Poeet:
Al wat gluj ziet, in \'t lang en breê,
Is Godt, het zy dan lucht , of zee.
lis D\'allerootmocdighste en wijste Filosoof, die in den derden hemel, ja in den Paradijze, tor schole voor, pooghdo zelfden bygeloovigon Athenoron den waoraohtigon Godt, in wien wy leven en zweven, levendigh in to boezeinon door het opschrift van hun oigon anaer, den onbk-120 kunukn godt loogowijdt. Hot zal den Agent gelieven onze onnozele toonoelscbildory aldus of andersins een luttel te helpen ontsehuldigon, nu wy, naer den aert der woelige Poëzye en hare vrylioit, onder de schors van oen vorziersol, toeleggen, om jeughl on burgorye )25 by dozo gelegenhoit vormakelijck le stichten, niomant t\'ontstichton, met dit Lantspol, dat niet te plat en ploni]) van toon moet vallen, nochte hooger dan zijn behoor-lijcke maet rijzen, en welcks onbebloet tooneel doorgaens vast en stil staet: golijok hot Sjiol oook niet bloot bo-i:gt;o hoorde te wezen van gezonde looringou en zodon, on die beide van outs hor gepreze eigendommen, de llor-konnisse en den Overgangk, hier van zwarichoit on ver-legenlieit in blyschap om geluck, hot welck uwe E. in zijn doorluchtigh Agentschap toegewonscht wort van
U\'we JE. dienstschuldige JOOST VAN DEN VONDEL.
115. 1661: wijsstc —
I N H 0 U D Ï.
Toen de Leeuwendiilcrs, dom- vrede en voorspoet ver-waent en baldadig geworden, oji de feestspelen van vee-en jaghtgod Pan de groote lantmaeltijt hielden, gebeurde het dalze, al beschoneken, en droncken, van woorden 5 tot vuisten, en messen quamen. Waerandier, Helt ge-noemt, om zijn sterekheit, en vromicheit, een zoon des Woudtgodts; en Duinrijck, een zoon van Pan, zich midden onder het gevecht werpende, om onheil te verhoeden, en hevigen te scheiden, lieten\'er onnozelijck lo hun leven. Wondt- en Veegod en hierom gestoort, plaegden het lantschap, dat sedert noit rust hadde: want Zuidtzy en Noortzy bleven door haet en niit gedeelt, en be-schadighden, en quetsten elckandere dagelijcks; do Zuidt-zijde onder Lantskroon; de Moortzijde onder Voickaert, 15 en zijn Medelieemraden. Godelieve, Waerandiers weduwe, was oj) haer mans lijck overleden, en had ceneri zoon nagelaten, Adelaert genoemt, dien Lantskroon aennam, en opvoedde. Vredegunt, Duinrijcks zwangere weduwe, wert gedwongen met Kommerijn, wiens man onnozelijck so neergeleit was, in duin te vluchten, gelijck meer andere vrouwen; daerze van een schoone dochter beviel, en op haer verscheiden leggende, Kommerijn, wiens borsten zy gezogen hadde, haren nierekring gaf, en belofte van haer nam, datze het kint, alzoo zy voor vergift vreesde 26 (want men uit boosheit Duinrijcks bloet zocht te vernielen | zoude onbekent op I leem ra cl Volckaerts werf te vondeling leggen, en des zelfs herkomste twintigh jaren verbergen. Aldus wert dit kint met een bloetroos op den arm geboren, in de hage gevonden, Hageroos hier ao naer geheeten, en ürooten Vrerick overgelevert, die het zorglivuldigh opvoedde. Kommerijn uit haer armoetje geschiipt, en hier langer geen lieil te gemoet ziende,
6. 1661: vromigheit — 10. 1661: Veegoden,—
8
vertrock naer eon vreemt gewest, daerze zich armelijck eu eerlijck beholp. Vcrsclieide voorspoken van aen-35 staendo zwariclieden, en oen vreesselijcke staerlstar voor liaer vertreck opkoinende, on do lantzaten dreigende, beweegden hen raet tc vragen by Vclleede, Priesteriti en Waerzeglistcr van Pan, die jaerlijcks eenou jongeling, ten gezetten dago -wettigli by keur en lot getrooken, ■tn eischic, om tot een zoenoffer der gequetstc üodthcit ge-stelt te werden ten doelo dos Wildemans, hun van Pan opgezonden: en hoewel men ondertusschen dickwils by Vellcede om een uitkomst aenhielt; zy troosteze niet dan met dubbelzinnigh antwoort. Na twintigh jaren 46 keerde Kommerijn, ondt en arm, weder, op het verschijnen van Vredegunt, haar radende den sclmilhoeok der ballingschappe, oock door tweedracht en oproer ge-steurt, tc verlaten, en het vaderlant en d\'oudc buurt te bozoccken, daerze heur geluck zou vinden. Zy quam\'er so dau juist ten zelvcn dage, dat het bloedigh lot op Adelaert viel, cn hy na vele moeite ten docle des Wildemans gcstelt wert. Hageroos uit minne, en door Adelaerts langdurige gedienstigheit bewogen [te meer, alzoo hy haer, effen te voren op de jagtit, des schoffeerders handen 66 ontweldighde] boodt zich aen voor hem te sterven: maer Pan verschenen, schutte dien scheut, en schortte het offer, niet zonder een duistre uitspraeek, waer over d\'omstanders verbacst stonden. Kommerijn, op dit gerucht aenkomende, cn hoorende den naem van Vrede-60 gunt noemen, geraeckte in gespreek met hun, broght dc gelegenheit der geboorte van Hageroos aen den dagh, en wert voor haer getrouwicheit beloont. Toen zagh men den dagh door het orakel, sloot liet huwelijck van Adelaert cn Hageroos, beide uit Aekergoden gesproten; 66 en verecnighde en verzoende in dit pacr \'/iiidtzijdc en Noortzijde. Lantskroon kende de Noortzijdc van Leeuwen-dael voor een Vuyheit op zich zelve. M(!n verwelkomde cn omhelsde malkandere van wederzijde, en hier op ging de bruiloft in.
Het tooneel r er toont Leeuwendael. De Jley bestoet uit Ixenwendaters.
85, 1661: zwarigheden — o7. 1661: offer — 62. 1661: getrouwigheit — 68. 1661: werderzyde —
PERSONAEDJEN.
Kommeryn. Fredeyunts minnemoeder.
I!i.indb Wouter. Roeper, en bode.
Adklaeiit. Lantskroons mesterkint.
Hagbküos. Gr oo te Vrericks voetster hint.
ühy van LeEUWENDALEUS.
Heereman. lleemrael van de Ziddtzijde. Volckaert. Heemract van de Noortzijde. Lantskroon. i
Heerschappen.
VRERtCK. gt;
Warner. (
„ j Huismdhs.
Govaert. \'
Veli.keue. Priester in en IVaerzeyyer\'ni van Pan.
De Wildeman.
Pan. Fee-en-jaghtciodt.
J. V. VONDELS LEEUWENDALERS.
T, A N T S P 1? L.
VOORREDENAER.
Schoon nu alle personaedjen Ree staan, om op (lees stellaedjen, Op dit groene speeltooneel,
In dit boere lantprieel,
Uit te komen, en uw ooren Haere rol te laten hooren;
Noch zent my Taelleie hier Eerst vooruit (\'t is haer manier) Om onze Aemstelnymf te groeten, En met reden te gemoeten;
Want zy niet begrijpt, noch weet Hoe Melpomens Treurpoëet, In Taelleies dienst getreden.
Dorpen kiest voor groote steden; Mangelt al de pracht van \'t hof Voor een stulp, en ackerstof; Leiendack voor riete daken; Tabberts, die van purper blaecken, Voor een ruwe huismans py; Koningklijcke leckerny Voor wat melcks, en rogge korsten; Koningen en rijcke Vorsten Voor een\' lantman, slecht genoegh; Scepters voor een scliup en ploegh ; Kroonen, trots om op te roemen, Voor een krans van boterbloemen;
21. 1661: loggekorsten —
12
Treurzang voor een boereliet Op een fluit, of herdersriet.
Goelijke Aemsteljoffer, Juister, ;«) Zaeghtghe Apollo niet zoo duister
Schuilen in een\' herdersrock,
Met een\' hazelaeren stock.
En een\' staf de schapen drijven ?
Lees dan wat al d\'Onden schrijven, as Zaeghtghe Paris, en Adoon ,
Elek een Koningskint en zoon.
Niet op \'t velt de harten winnen Van hun Nymfen en Godinnen?
\'k Gaef den Dichter ongelijck. o Maer de stadt is nu te rijck
Om een Lantspel te begapen,
En een dorp, vol herdersknapen. Herdersspelen, het is nacht,
Roept de Heere- en Keizersgracht. 45 Wegh met herderinne, en boeren.
Legh ons marmersteene vloeren.
Treek de gevels hemelhoogh;
Trots van buiten in het oogh.
Bouw de zalen trots van binnen, öo Dat een storremleêr de spinnen
Daer bestorme, reis op reis.
KI eet den wandt van \'t graftpallais In tapijt: ontzie geen kosten.
Dat de schoorsteen met haer posten 66 Vry van louter marmer glimm\'.
Dat de stoep by trappen klimm\', Als een troon , en kunst van leunen Onzen Adel ondersteunen.
Dat de rijekdom, vol ontzagh, go Door een ysre trali lach\'.
En beschimpe een\' kermiskinekel,
SS. IfiGl: nymfen — godinnen? — 47. 1047 (J); Treckt 50. 16G1: stoovremleêr —
13
Die hier kraem en poppewinckel Komt bekijcken uit het groen;
En verbaest om \'t nieuw fatsoen,
Stockstijf staet en gaept daer buiten, En vergeet zijn\' mont te sluiten.
Zacht Mejotter, niet te prat:
Amsterdam is tot een staclt Uit de groene zo gewassen,
Uit haer veen, en vissehersplassen.
Laeck den huisman niet te veel.
Rome roept met luider keel:
\'k Haelde voortyts met genoegen Burgemeesters van de ploegen:
Die in dorp en acker school.
Klom op \'t gouden Kapitool.
Hooptghe, als Eome, noch wat verders? Danck den hemel: danck uw Herders, Guooten Vberick, Vooght van \'tlant: Danck der landen rechte hant. Ons Stadthuis met al zijn Heeren,
Die het zwijn des oorlooghs keeren, Dat de weerelt ommewroet.
Zat en dol van menschenhloet,
Maer wie zal de paiskroon spannen Onder ons doorluchte mannen, Vredevaders, nimmer moe?
Zingze prijs en eere toe.
Noem nu elek een\' lantbeschermer,
Waert een heelt van gout, of marmer. By \'t gekroonde wapenkruis.
Midden voor ons nieuw stadthuis; Dat gebouwt op die pylaren,
D\'eeuwigheit, ontelbre jaren. Kan verduren, zonder last,
Schoon de Nijt hier tegens bast.
Laet den Dichter dan geleiden 69. 1047 (J) zoo — 1G01: zoo — SO. ICGl: rechtehaut
14
Door de Nederlantsclie weiden Met een Lantspel deze vreught; ion Dat u toone, hoe de Deught
Zoo van hooge als lage Heeren Haere rol in boerekleeren Uitvoer\' met een\' boeretael;
Hoe dit kleine Leeuwendael 105 Dnrf lieel Neerlant overschreeuwen,
Dat met wapenen , vol leeuwen , (Nu getoomt, en mack, en tam) Brullende te velde quam.
Lanïskuoon honde \'t woort van Spanje, no VRERicK ga hier voor Oranje;
Heereman van genen kant,
Vblckaert hier, voor Staet van \'tlant, \' Dat gereten aen twee dealen,
Zuidt- en Noortz^\' hoort krackeelen. 115 Zie eens hoe een Wildeman
ü wat groots verbeelden kan,
En den oorloogh weet te schilderen,
Daer de menschen door verwilderen, En alle ackers, wilt en woest, 120 Maejen eenen jammeroegst.
Zie wat Wildaert u kan dwingen,
Die de bloem der Jongelingen Jaerlicks eischt, en helt op helt Deerlijck schiet, en nedervelt, 125 Eer in \'t loof van Haeghsche linden
Wy door Godt een uitkomst vinden, Die partyen, korts zoo schuw,
In een paer te gader huw\'.
Leen dan leerzaem ons uw zinnen, 130 Want men gaet de rol beginnen:
Looptze op uw genoegen af,
Danck den Dichter, dieze gaf.
114. 1647 (J): krukeelen — 124. 1647 (J): Deerlijk 127. 1647 (J): sou —
HET EERSTE BEDRYF.
KOMMER YN. BLINDE WOUTER.
Ter goeder nre toont de klaere morgenstrael, Ken veurbo van de zon, my \'t oude Leeuwendael, Het vleek van mijn geboorte, en zyn beplante wallen, Waerlangs de versolie Beeok zaolitzinnigh komt gevallen, 5 De zandige oevers schaeft, en Zuidt-en-Noortzy deelt; Terwijl een morgenlucht in \'t boomloof ruischt, en speelt. Hier rijst de Leenwenbrugh, en ginder breit de linden, Waer onder my ter sluick mijn vryer wist te vinden. Zijn bevende armen uit, en is aireede krom,
in En gemelijck, als ick, van hoogen ouderdom. Aen deze zijde plagh de koe van room te zwellen; Aen d\' andre \'t weeligli ooft, en pruimen, en moerellen. Ick zie de lantkappel des Veegodts in \'t verschiet. En \'t schamel dack des Godts, gedeckt met mosch en riet, is Daer \'t volck om zegen bidt. Ick zie ons boerehuizen. En hoore, zoo my dunckt, van veer de baren bruizen. Ter goeder ure broght ick \'t hier al steenende aen, In \'t kriecken van den dagh, op \'t kraejen van den haen. Die vast den huisman weckt, en duizent nachtegalen, 20 Gewoon hun\' wilden zangk te leeren aen de dalen. O goede vader. Pan, ghy zegenaer van \'t vee.
Mijn komst mishage u niet, in mijn geboorteste,
/. 1(547 (J), 1061: klare — ö. 1647 (.1), 1061: Zijfe en Noortzy — 22. 1661: -stee —
Voadel , Leeuwendalers. 3
16
Den zeilsteen van mijn hart, zoo krach tel ij ck bewogen. Heeft Vredegunt my hier in deze streeck getogen, 26 Zoo stierme voort te recht met dezen krommen stock, Waer op ick leun en steun; verdelgh den bittren wrock, En wortel van \'t krackeel, indien het noch blijft duren. En legh een\' bant van vrede om zuloke nagebnren. Maer luister: wat bediet dat ysselijck getoet, no Gevolght van iemants stem en galm, die my gemoet? Hoe vat ick deze leus, en onbekende reden? Men wort door vragen wijs: hier komt hy aengetreden. Verstout u, Kommerijn, en vraegh hem naer bescheit.
WOUTER.
Ghy Leeuwendalers, rijst; de zoendagh, lang beschreit, as Het gruwlijck jaergety verdaeght u om te loten. De Wildeman heeft noch zijn pijlen niet verschoten: Hy eischt den Jongeling, tot boete van \'t geschil. Ghy Leeuwendalers, op: gehoorzaemt \'s hemels wil. KOMMERYN.
Ay Roeper, wat bediet dit blazen van den horen, 40 Dit roepen voor de zon ? wat komt my hier ter ooren ? Wat eischt dit jaergety? wat wil de Wildeman, De Jongeling, en \'tgeen ick niet begrijpen kan?
WOUTER.
O bestemoêr, ghy zijt te grijs en out van dagen. Om naer de jammeren van Leeuwendael te vragen: 45 Al \'t omgelegen lant gewaeght van \'t ongeval. Dat jaren heeft geduurt, en eeuwigh duren zal. Ten ■/.}\' de Woutgodt zelf\', of vader Pan dit keere. Wy vieren dezen dagh, dit feest, geen\'mensch ter eere, Noch reuckloos, maer door last, jaGodtheèn tot een\' zoen, so En offren liaer een\' man, om erger te verhoên. Het Leeuwendaelsch krackeel was reedehoogh geloopen. En d\'aerde had het bloet der Ackergoón gezopen. Wanneer Velleede ons riedt met haren eigen mont. Voor dezen Wildeman, dien vader Pan ons zondt.
27. 1661; blyf —
17
56 Een\' Jongelingk, by keure en lotinge uitgekoren, Te stellen, tot een wit en boete van Godts toren. Wy zagen twintighmael den bloessem aen den boom, Dat hier de zode dreef in eenen roeden stroom Van dit onnozel bloet, uit hoogen noot vergoten; 00 En sedert heeft ons ramp de Grodtheit noit verdroten. Gliy zult, eer noch de zon de westkim raecken kan. De jaerlyoksche offergaef zien offeren aen Pan, En dien rampzaligen, van \'s Wilden pijl getroffen En Wildemans geweer, ter aerde hooren ploften, es lek blaze met den dagh aldus het hooghtijt in. Men vraeght d\' Orakels vast, en \'s lants Waerzeggerin, Door welek een middel best dees roe werde afgebeden; Maer zy vertroost ons slechts met dubbelzinnigheden. Dat Pan genezen zal de langgeproefde smart, 70 Wanneer de wilde boogh hem micke naer zijn hart. Wy zien dien tijt te moet, en tellen dagh en uren, Te lang, ocharm, vergeefs.
KOMMEUYN\'.
En blijft die twist noch duren ? Wat Wildeman is dit, die dus het lantschap quelt? WOUTER.
75 Een gruwzaem boschgedroght: hij houdt zich op het velt, In bosth, in duin, aen strant, en leeft by raeuwekruiden. En dorre wortelen, dan Noortwaert, dan ten Zuiden, Waer hem een buy, in \'t brein gestegen, henedrijf. Een holle boom is \'s nachts zijn slaepstal, en verblijf, so Men zagh hem onder dack, gebouwtmetmenschenhanden, Noit rusten. Hy erkaeuwt de boomschors met de tanden, Eu valt op d\' aerde plat voorover met zyn borst, En slorrept plassen uit, tot lessing van den dorst. Wanneer de zee begint het avontvier te dooven, s5 Dan leunt hy op zyn\' rugh, en roockt, gelijck een oven. En ronckt, dat koe noch kalf kan rusten hier ontrent. De meuschen loopeu voor, wanneer hy loopt en rent,
75. 1001 : houd — So. 1G61: zyn —
3*
18
Noch sneller dan een paert. De vrijsters ziet liy garen, En lachtze ininlijck toe, die anders van bedaren 90 Noch vrientschap weet, en grimt gestadigh even nors. Zijn grof gebeente is ruigh bewassen met een schors. De handen, vingers, voet en teen gelijcken wortelen. Zijn eicke hielen treên de kaien zelfs te mortelen. Hy wandelt barevoets, en spoelt de voeten niet. 95 De baert is groen, als gras: de locken schijnen riet, En biezen onder een, en lieten zich noit kemraen. Of scheeren, noch met strick, of lint en hairsnoer temmen, Hy spalckt twee uiens op, en geeft u een gezicht, Gelijck door een lantaerne een kaers by avont licht, loo Een bondel pijlen, boogh, en knodts verstrecktzijn wapen. Die wappren aan den boom, waer in hy \'s nachts gaet
slapen.
Maer zeghme, bestemoer, indien men \'t weten magh. Wat jaeght u hier, zoo vreemt, in nwen ouden dagh, In dit geplaeght gewest ? Wie zytghe die zorghvnldigh ins Naer onze ellende vraeght? Ghy zijt geen antwoort
schnldigh.
Doch meltme nietemin uw\' naem, en uit wat oort Ghy eenzaem herwaert koomt; maer spoedigh: ick
moet voort.
KOMMERVN.
O lantsknecht, schroom niet eens te vragen naer wat
zaecken
Het u believe, en \'t geen my vry stae aen te raecken. no Mijn naem is Kommerijn, dit lant mijn vaderlant. Ick zocht uit dezen twist, aen eenen andren kant, Nootdruftigheit en rust, gestooten uit mijn eigen; En teegh den Rijn op, toen de staertstar ons quam dreigen, Gelijck een roode roede, en menigh vronwmensch vloot ns Om \'t Leeuwendaelsch gevecht, in bittren baerens noot.
8.9. Ififil : laghtze — 93. 1661 : eyckehielen —■ !)3. 1661: kaeien — 06. 1647 (J): nooit — 104. 161.7 (J): ge-plaegt — 100. 1661: niet te min -— 107. 1661: komt — 115. 1661: barensnoot —
19
Nu oproer my verbiet by vreemde oock stil te leven, Zoo koom ick dus uit noot den Rijnstroom afgedreven, En zoeck mijn avontuur, en oude kennis liier. ü knaep, mijn ouderdom viel zuur, en staetine dier; 120 Indien ick mijn fortuin u levendigh zou melden. Ü weide, o boterkarn, o kampen, klavervolden, Weest hartelijck gegroet: zijt anderwerf gegroet, Wel eer gezegent lant, en vleck: mijn weerkomst moet Mijn iantsliên tot geen\' last, en my tot rust gedyen.
WOUTER.
125 Indien mijn korte tijt het eenigbzins kost lyen, \'k Had lust uw avontuur wat breeder te verstaen. Nu jaeght mijn ampt my voort, en dwingt my om tegaen. Ghy Leeuwendalers rijst: de Zoendagh is geboren; Op op, en treckt het lot: verzoent der Goden toren.
KOMMERYN.
130 Wat hoor ick hier al nieuws, och och, maer luttel goetsV O Kommerijn, most ghy, na zoo veel tegenspoets En kommers en verdriets, noch hooren d\' ongelucken. Die uw geboorteplaets en Leeuwendalers drucken? Waer heeft u d\' ouderdom ten leste toe gespaert, 136 Daer menigh zoo gerust zoo stil ten grave vaert? Tot noch toe hebtghe dan vergeefs met uw gebeden Geworstelt, en om hulp met vader Pan gestreden; Naerdien hy \'t vleck bezwaert met zulck een\' wreeden
eisch,
En zich niet zoenen laet dan och door menschevleisch. 140 Afgrijslijck zoenaltaer! ick ben mijn hoop ten ende, Ten zy de hemel \'t radt van \'slants fortui ne wende. En zette ons lantschap weêr in zijnen eersten staet. Verlost van nyt en twist, en bittren burenhaet. My schrickt voor dezen dagh. Wat moet een mensch beleven!
145 Wat uitkomst zal ons Pan in zoo veel jammers geven! Maer kijck eens, wie komt hier met zulck een blijde vlaegh In \'t aenzicht? \'kWil hem gaenbeluistren uit dees haegh. 123. 1047 (J): weerkomst — 139. 1661: dan, och! —
20
180
ADELAERT. HAüEROOS.
ü Sclioone zon, ghy ryst wel schoon En heerlijck uit den oostertroon, 150 En treckt tot u al \'s weerelts oogen;
Maer met een krachtiger vermogen Verrijst mijn zon, die opgeweckt, Zoo vele harten tot zich treckt, En waerdiger is aengebeden 155 Van al wat ademt hier beneden.
\'k Verwachtze nu, schier afgepijnt: Hoewelze slechts voor andren schijnt, En niet voor my, wanneerze uit jagen, In niemant minder schept behagen loo Dan in een\' minnaer, die zoo trouw,
Zyn zinnen hing aen zulck een vrouw. En in een\' doolhof van gedachten Om haer verdwaelt geheele nachten, Geheele dagen, op het spoor, 165 Daer hyze vont, en stracks verloor:
Gelijck een hart, dat niet te vangen. Den jager py night met verlangen. Ick zieze, en wilze aen dezen kant Al stil verwachten. Zy houdt stant, ito Voor ons kappelle, als jagers plegen.
En groet den Godt, op hoop van zegen; Dewijl, zoo vroegh voor zonneschijn, De deuren noch gesloten zijn. Zie Hazepoot van blyschap springen. 175 Zy heft haer stern op om te zingen.
En zal gewis den voglezangk Ontsteken aen dien zoeten klanck.
HAGEROOS.
Nu ren de hazepooten.
185
190
195
üO\'
2C
Mijn trouwe haze wint,
153.
1Ö47 (J), 1661: veele.
21
180 Door duin, eu over slooten,
Voorby, en grijp gezwint Dees hinde, die geen honden Grijpen konden.
ADELAEIIT.
Mijn nuchtre Hageroos, die met den dageraet, 186 Belust op koelen dauw, zoo geurigh open gaet.
En \'t velt een\' geur verleent, die alles kan verquicken; Hoe wensche ick u ten dienst iet oirbaers te beschieken. Behaeght het u, dat ick den hont by \'t leizeel ley. Of hazen onderscheppe, of \'t vlugge wilt verbey, 190 En keere in zynen loop, of uwen boogh help1 dragen? Grewaerdigh my die gunst, dat ick u onder \'t jagen Magh dienen, of daer ghy wat adems schept in \'t groen.
HAGEROOS.
Een minder dienaer kan het Hageroos wel doen. Neen Adelaert, ick ben om niemants dienst verlegen, 195 En minst met u gedient. Ick ken genoegh de wegen. En holen, daer de haes zich heimelijck onthoudt.
ADELAERT.
Alleen eu onverzelt te jagen, is \'t niet stout? Wie weet wat Saters, hier en daer, in duin, en kuilen, In heggen, ruighte, en riet, zich bergen, en verschuilen ? 200 Wat schoonheit blijft in velt en wouden on beloert ? Hoe dickwils wort eenmaeght van Boschgoónaengesnoert, Mishandelt, en gesleurt in duistere speloncken? Wie \'t vier te dichtgenaeckt, verzengt zich aen de voncken. Of brant zich in de vlam: men koom\' het niet te na.
1IAGE1100S.
206 Ick leedt in \'t jagen noit de minste schimp, of scha: \'tls veiliger dan oit: en quaem my iet \'t ontmoeten, Mistrouwen blijft mijn borgh: \'k verlaet my op mijn
voeten.
ADELAERT.
Maer d\'eerbaerheit vereischt gezelschap op de jaght. 192. 1661: dat ghy —
22
IIAGEROOS.
Dat vinde ick aen mijn\' hont, myn troost, mijn trouwe
wacht.
ADELAEKT.
sio iit\'ii liont, die redenloos sleclits bijten kan, en bassen?
IIAGEROOS.
ïwee eigenschappen, die ons dienen, honden passen.
AÜELAERT.
Geluokigh dier, hebt ghy met haer de jaght gemeen? IIAGEllOOS.
Indien u \'t jagen lust, sla voort, en jaegh alleen.
ADELAERT.
Helaes! ick jaegh vergeefs, en vang alleen de schimmen.
IIAGEROOS.
216 Ghy raeskalt, als ghy plaght. De zon is reede aen
\'t klimmen.
Zie daer hoe zy den top van bosch en boom verguit. De tijt verbiet dien kout. Ghy leertme vast gedult. Met eenen dezen hont. Ay, zie hem \'t leizeel trecken. Hy janckt van vierigheit, en wenscht zijnpadt te recken. ADELAERT.
25n lek hoop niet dat u reede een luttel kouts verveelt.
IIAGEROOS.
\'t Is wonder dat een zoon, gewonnen en geteelt Van Godtheên, zoo verblint lafhartigh blij ve, en teder. Zich zelve tegens my zoo klein kenne, en verneder\'. En najancke eene maeght, die maegh noch moeder kent; »25 Een maeght, die dagelicks door woudt en weide rent. En meer behagen schept in hazen, en konijnen, In dootsche wildernisse, en zandige woestijnen. Dan in de tronien van al de jonge jeught.
Die zich ten reie schickt, en noemt de min een deught 2:in Van \'s levens lentebloem, en schept vermaeck in verven Van lip en wang, die ras verbleecken, en versterven. Ay Adelaert, my deert uw dwaes en blint bejagh.
222. 1661: verblint, — 224. 1047 (J); die maeght —
23
Verander van beraet, zoo raet u helpen tnagh.
Bestee den tijt voortaen in nutter oeffeningen, 235 Of zie naer uws gelijck: of zoeck by jongelingen Gezelschap hier en daer. Beschry een brieschend paert, Dat geene weerga hebbe in snelheit, vlught en vaert, En ren om strijt door \'t velt: of win den prijs met schieten: Of kaets en kolf om prijs: of zwem door breede vlieten: 240 Of luchtigh met een pols gesprongen over hegh, En slooten: of den kloot geschoten by den wegh. Dit past een\' helt, een\' borst, die vroom is, en rechtschapen. Dit voeght een\' man, als ghy, en welgebore knapen. Een vrijster achteraen te loopen door het stof, 2« En noch zoo laegh te zien, verdient geen\' krans van lof. Verschoon uw fiere jeught: betoom uw bijstre zinnen: My deert uw tijtverlies, daer niet en valt te winnen.
ADELAEET.
Och, of ghy waerheit spraeckt, en deernis kreeght met my: Ten minste zonde ick noch aen uwe slincke zy, 250 Of achter op nw spoor, langs heggen, hoornen, vlieten. Door duin en dal, uw\' troost en schaduwe genieten: Of lesschen uwen dorst met water, als kristal, Geschept uit beeck, of bron, in een gezoncken dal: Of, daer ghy nederhuckte, een bedt van bloemen spreien, 255 En decken, daerghe sliept, uw hooft met groene meien: Of wiegen u in slaep, met mijne Duitsche tluit: Of huwenze aen uw keel, een goddelijck geluit. Dat duizenden verruckt, die in de boomen hangen. Of luisteren in \'t riet, van uw muzijck gevangen. 260 Veranderde \'tgeluck my heden in een\' hont.
Patrijs, of snellen haes, ick vloogh u in den mont: Ick woude u al het my ne. en lijf en ziel en leven Ootmuedigh tot een\' buit en roof ten beste geven.
H AG-EUOOS.
Niet hooger, Adelaert: ghy houdt noch streeck, noch maet. 265 Wat is \'er, dat zich niet van vryers zeggen laet?
262. 1661: lijf, en ziel, —
24
Ay, spaer dien roof voor u, of liever voor een andere. Gelijckheit paert zich best en vreedzaam by malkandere. adeIjaeuï.
Gelijckheit niet van goet en staet, maer van gemoedt: Gelijckheit van gemoedt best vrede en vrientschap voedt; 270 Waer deze ontbreekt, moet vrede en vrientschap ook
ontbreken;
Waer buiten ick noch goet, noch bloef, noch af komst reken. De vrede en vrientschap houdt de weerelt in den bant. De hemel drijft op haer: de bare kust het strant. De zee omhelst de duin, de duiven treckebecken, 275 Het dartel klimop klimt, en hart en hinde lecken Elckandere, op \'t muzijck van een\' gelijcken aert. De hemel met zyn bruit, het aertrijck, dus gepaert In liefde en eendraght, wint ons maght van groente en
telgen,
Terwijlze gratigh is met zon en dauw te zwelgen. 280 Mijn lieve Hageroos, mijn dauw, mijn lentevuur, Woudt ghy u spiegelen aen d\'edele natuur, Gelijckghe met de zon u spiegelt in de beecken; Ick zagh een zon van troost voor my de nevels breecken. Die nu uw aengezicht beroeren, vlaegh op vlaegh, 285 Zoo menighmael ick u vergeefs om oorlof vraegh, En aensta om wat gunst en voordeel te genieten, Tot loon van trouwe min. Het zou u eens verdrieten Dat ick geketent sleip die zware minneboey, Gedurigh quijne, en treure, en nimmer groey\', noch
bloey\';
200 Gelijck vertreden groen, of gras op muur, en pannen. De meit ontlast het vee zijn uiers, styf gespannen Van zoete melck en room, wel tweemael alle daegh: En ick, die, dagh op dagh, u mijn ellende klaegh. Wort nimmermeer ontlast van \'t juck der minnezorgen.
hageroos.
295 Het zy ghy \'savonts kermt, of opzingt met den morgen.
269. 1661: voed: — 277. 1647 (J): aertrijck dus —
25
Ghy houdt al eenen toon, eu gaet den zelveu gangk. Zoo schept de koeckoeek lust in zijnen ouden zangk. Men leitme, dagh op dagh, en kermt en klaeght aen
d\'ooren.
Ga zoeck een, die het lust uw jammerklaght te hooren. 300 lek houde u niet, noch acht my zulcke diensten waert, Noch reken het voor dienst, dat ghy u zelf bezwaert. Ick zoeck geen bloem of roos te plucken op uw\' doren.
ADELAEET.
Ghy noopt met weigeren mijn liefde noch met sporen.
HAGEROOS.
Verzoeckme niets, op dat u niets geweigert wert.
ADELAEllT.
;!05 \'k Verzocck slechts artseny tot quot;troost van mynesmert. HAGEROOS.
Ghy zoeokt verkeert een kruit, dat elders liefst wil
spruiten.
ADELAEllT.
De min beheerscht mijn hart: wie kan de minne stuiten, In \'t heetste van haer jaght;\' Ick ben iny zelf geen
vooght.
HAGEROOS.
En wat belet u toch te doen wat ghy vermooght, :nn En wilt, en wenscht?
ADELAEllT.
Wat \'s dat?
HAGEROOS.
Een andre te beminnen.
ADELAEllT.
Verplant dien ouden boom: verzet mijn jonge zinnen.
HAGEROOS.
üw vader, door de kracht, die hem de hemel gaf, 315 Verwrickte en ruckte een eick van haren wortel af; Vertilde een\' molesteen; en dreef, vol viers, vol torens, Een gildos, dat hy plofte; en wrong een\' stier de horens
301. 1647 (J): dienst —
26
Uit zijnen norssen kop, en won den naam van Helt, Daer niemant voor de vuist hem wachten dorst in \'t velt; 320 En zoudtghy aeneen maeght, een weeskint, u verhangen? Um my, een slechte maeght, met bleecke en dootsche
wangen
Graen bucken naer het graf, in \'t hartje van uwjeught? Verkleinen uw geslacht, en \'s vaders naera, en deught? Ay Adelaert, ghy zult zoo wijs zijn, en bedaren 335 Van deze razerny.
ADELAEET.
Wanneer de wilde baren Niet langer tegens strant en hooge duinen slaen, De leeuwrick zode, en gras, de nachtegael de blaên. De koe de klaver schuwe, en \'tknijn de diepe holen; 330 Wanneer de Noortstar verre in \'t Zuiden om ga dolen, De winter sneeuw en ys, de zomer zaet ontbeer\', Dan neemt de min van my, mijn hart van u zijn\' keer.
HAGEKOOS.
Mijn Hazepoot wil voort: hy ruckt het zeel aen flarden.
ADELAEET.
Vergun my eerst een\' kus.
HAGEKOOS.
335 Hoe qualijk kunt ghy \'t harden ?
ADELAERT.
Och H age roos, een\' geur van uwen rooden mont, Een luchtje van uw ziel, mijn roos, mijn morgenstont, Verquick mijn\' flaeuwen geest, gelijck de wint de kruiden.
HAGEKOOS.
Ick ga, en hope, eer \'t licht ons toestrale uit den Zuiden, 340 Te keeren met een hinde, en vetten buit gelaên.
ADELAEKT.
Zoo moet ick noch zoo lang in uwe stralen braên, Oock daer het dichte loof, of dack van riete hutten Het schaap, dat lommer zoeckt, kan deeken, en beschutten ,
335. 1647 (J): qualijck —
27
Voor \'t steken van de zon, die op den middagh schijnt, :t46 En inzwelght al liet nat, waer na de weide qnijnt? Neen zeker, Adelaert: het velt staet voor u open: Het staet u vry op \'t spoor van uw vriendin te loopen; Te volgen hare vlught, als Hazepoot den haes; Te wachten op haer leus, als zy den horen blaes\'. :i50 Dat geit heur na: z\'is nu al wijt vooruit gevlogen.
KüMMERYN. A DELAERT.
Hou stant, o jonge helt, en dienme uit mededogen Ten minste met een woort of twee, een enekel woort.
AD BLAK KT.
Wel moeder, wat \'s uw vraegh? wat zoekt ghy? ik
moet voort.
KOMMEllVN.
Ick koom hier vreemt gegaen, en had u wat te vragen. :ió5 Wat dochter is het, die daer buiten loopt uit jagen? Het schijnt of ghyze kent, en zomtijta onderhoudt.
ADELAERT.
Ick kenze maer te wel: een kennis die my rouwt. En eeuwigh rouwen zal, zoo d\'onderlinge kuntschap Niet verder ga, en zy verstookt geen nader vruntschap neo Wil houden met een ziel, die haer zoo trouw bemint. En woudtghe weten wie de vader van dit kint, En moeder zy? Zy weet van vader noch van moeder. De Groote Vrerick wert haer trooster en behoeder. En voedeze eerlijck op: men noemtze Hageroos: acr. Hoe schoon de morgenstont, iioe schoon oock d\'avont
bloos\';
Zy hoeft noch avontstont noch morgenstont te wijeken. Wanneerze in onze beeck zich toie, en ga bek ij eken, En spiegelen, dan zietze alleen heur wederga.
KOMMERYN.
Zoo hoor ick, z\'is een wees.
351. 1601: , uit mededogen, — 364, 1601: voetze —
28
ADELAEET.
370 Alle eere waerdigh, ja.
Gliy zoeckt met vragen slechts haer afkomst te beschamen.
Een zaeck vernoeght mijn\' geest: zy paert twee gaven
t\'zamen,
De goelijrkheit, endeught: ick schel het d\'af komst quijt; Het zy hier meê hoe \'t wil; dies hou uw rust. De tijt :\'76 Ontdeckt het al.
KOMMERYN.
Ja wel, ick zie my zelve bijster, En blint en stom. Hoe vrijt ghy zulck een slechte vrijster, Een onbekende wees\'? ghy schijnt te braef van aert.
AUELAERT.
Ay moeder, laeckze niet: z\'is my zoo lief en waert. 3«o Als eenige Vorstin in vorstelijcke hoven.
Ick hoefde een goude tong om al haer deught te. loven,
KOMMEBYN.
Het minnende oogh bedrieght, en schat oock \'t leelijk
schoon.
ADELAERT.
Ay, spreeck zoo reuckloos niet: dat gaet mijn eer, mijn
kroon,
Ja Venus kroon te na, en Venus roozetacken. 385 Heur gaven zagh men noit door nijt of opspraeck vlacken. Al wieze ziet, bemintze oock tegens zijnen danck. Zy houdt met eenen wenck zoo menigh oogh in dwangk Als haer belonckt. De felste en vreesselijckste stieren Bedaeren in \'t gevecht, waer zy voor by komt zwieren. 390 De boterbloem verguit de weide op haren tredt. De stroom gevoelt een\' gloet in \'t koelste van zijn bedt. Wat zou men van den mont al zeltzaemheên vertellen? Een moerbay, rijp van pas, geen moerbay, twee morellen. Wat zou men roemen van dat levendige git, 396 Of liever van de kool, die onder \'t voorhooft zit,
377. 1661: blint, — 393. 1661: den —
29
En gloeit iny al te heet? wat zou men van de vlechten, Zoo geel en eêl, als gout en barrensteene hechten, Verhalen, daer mijn hart en ziel zich in verstrickt?
KOMMERYN.
Ick hoor, ghy hebt de bloem van \'t lantschap uitgeplekt.
AUELAERÏ.
400 Ja wel te recht de bloem: men praetme van geen tulpen, Noch van Augustus zelf. Geen parlemoere schulpen Zijn schooner dan dit vleesch. Zy hangt van melck en bloet Te wonderlijck aen een. Maer zwijgh: de horen toet. Wat suf ick langer hier? men hoort den horen blazen. 405 Ick volgh mijn Hageroos, gelijck heur hont de hazen.
KOMMERYN.
Het heughtme, hoe weleer mijn Koeman, als een leeuw, My nabrulde, in myn jeught: nu treur ick, arme weeuw. En ga met eenen voet, of liever met drie beenen In \'tgraf: zoo krimpt de tijt al lachende, of met steenen. 4io Hy gafme dwers bescheit, al vraeghde ick zonder ergh. \'t Is beter dat men dit een oude kennis vergh\', En omzoeck\', wie noch leef, wie doot zy, en begraven. Hoe breng ick noch dit schip behouden in de haven? Waer blijft dit oude wijf? heur oogen vallen toe 415 Van onlust: \'t lichaem is van \'t lange reizen moe. Waer ga ick in een schure, of hoibergh, of in heggen Best rusten dezen dagh? geen eten gaet voor\'t leggen. Hoe slaeptme \'t hart in \'tlijf! Nu went uw1 tragen tret. Naer dezen huisman toe: de vaeck is \'t zachtste bedt.
REY VAN LEEUWENDALERS.
KEER.
.t20 Wat sleipt een staertstar al ellenden
En jammer na?
Als Goden zulck een\' voorbo zenden, Dan dient men dra
398. 1G47 (J): hert — 416. 1661: hoybergh — 422. 1GG1: -bo —
30
Dees springkaêr naer te speuren, 26 Te mercken uit
Wat bron het spruit, J)at vleck en volck zal treuren.
TEGKNKEER.
Wy zagenze, als een ronde roede. Ten Westen staen «O Van \'tOosten; als een zwaert, dat bloedde.
En halve maen,
Dit lantsohap dreigen, uit ons teken, Den Steen bock van Den vader 1\'an,
435 Vergramt op deze streken.
KEER.
De zee scheen mede ons ramp te voelen, En uit den bant Gesprongen, \'t voorspoock aen te spoelen. Een wal viseh strant. 440 De waterblazers, zijn gezellen,
Aen \'t blazen luit Met open snuit,
Daer zanden hem bewellen.
TEGENKEEll.
Wy loopen vast naer vrouw Velleede 445 Om troost; zy spelt,
Maer geeft geen uitkomst op ons bede.
Ons vleck en velt Blijft qnijnen: vee, geboomte en mensehen Een ieder klaeght, 460 Een ieder vraeght,
Maer sterreft onder \'t wenschen.
31
HET TWEEDE BE DRY F.
HEERBMAN. VOLCKAERT. IIEY. De tnaen, ua middernacht, ecu poos met eenen nevel Betrocken, en vermomt. bescheen daer na den gevel Van onze lantkappel, veel blijder danze plagh, 465 En schiep uit eenen nacht (\'t is vreemt) een\' klaren dagh. ])e nachtuil, vledermnis, en nachtrave, uit hun nesten Gevlogen, lang voor dagh, begaven zich ten westen. En kozen piepende de zee, en \'t zandigh strant. Het vee rees t\'effens op. Het dorre en drooge lant, too Dat eene wijl de lucht om regen scheen te prachen, Zach groener, en begost de melckmeit aen te lachen. Wat dit bediet, versta een wijzer, die het hooft Op zulcke tekens slijpt, en gaerne wort gelooft In zijne wichelkunst; wy slaen \'er naer in\'t hondert, 46ó En eeren \'t geen met recht de schrandersten verwondert. Het zy dan wat het wil, het brenge ons heil in\'t lant, Byzonder dezen dagh; nu Pan den wraeckboog spant. En daghvaert al liet dorp om \'t otter te bereiden.
vülckakrï.
Het volck vergaêrt, om hier den Heeraraet te verbeiden. 470 Wat grimmeit \'er een drang van menschen onder een. Zoo man, ais wijf, en niaeght, en knecht, en groot, en kleen. En oudt, en jongk. Wat raet ? Hoe sti 1 len we die zwarmen ? De mannen morren vast: de vrouwen hoort men kermen. O vader Pan, versterek den Heemraet met gedult: 476 D\'onwetende gemeente ontzagh zich noit haer schuit En misdaet op den hals der Heerschappen te laden. Zy volght haer onbescheit, en laet zich naulijcks raden. Dit buldrende onweêr waeit hier jaerlijcks op de kust. En steurt, een maent vooruit, de Raden in hun rust: 4^0 Maer gaenwe nietemin haer minnelijck gemoeten. De burgery genaeckt, gereet om ons te groeten.
key.
Welbore mannen, Pan behoede u lang gezont: Wy wenschen \'t uit ons harte, en uiten \'t met den mont.
Vokdkl, Leeuwendalers. 4
32
heebeman.
Ghy vrome burgers, lang moet vader Pan u spaeren, 4-85 En liaekin uw geluok in top met uwe jaeren: Ons jammert u te zien zoo jammerlijck gestelt. De koeien eten gras en klaver, langs liet velt; Ghv eet uw eigen hart, beknelt gelijck met hoepen Van stael, zoo menighwerf de Zoendagh uitgeroepen, ion Den Heemraet roept te hoop, op dat hy wijsheit schaff\'. En langkzaem zich berade, om d\'opgeleide straf Te schutten naer hun maght, of immers te verminderen •, Het welck men noit voorheen kost keeren, noch verhinderen.
Betrouw ons \'t beste toe: men handelt hier ter steê 96 Niet ruw, en onbedacht: het kost ons kindren meê. Hier geit noch goet, noch bloet, noch haet, noch gunst,
noch voordeel. De hooiden staen gelijck: de blinde strijekt het oordeel. hey.
Welbore mannen, ghy spreeckt redelijck en wel. Beschuldighden wy u, zoo most de lantkappel, doo Waer uit men\' t lot verwacht, met boosheitzich besmetten. Als ghy de lotbus laet voor vrouw Velleede zetten, Die eenen naem uit twee beslote ceêlen treckt. En noemt hem, die ten zoen des grammen Veegodts
streckt,
Voor \'t Leeuwendaelsch gewest. Neen mannen, wy betrouwen
505 U beter toe. Het volck, dat zich geneert met bouwen En karnen, past een hart zoo rein, als melck en room. Geen erghwaen: neen by Pan, wy achten u te vroom. Daer schort het niet, dat wy van daegh u komen moeien. \\Vy gaen met koeien om, maer slaghten paert, noch koeien, 610 Die achteruit slaen, en hun voer met voeten treên. Wy zijn met Heemraets keur en loting wel te vreên, En komen slechts, geport door \'thuilen, en het schreeuwen
502. 166]: besloten — 311. 1647 (J); Icing —
!1
33 Ij
Van \'t vrouwvolck, als ghy ziet, ons wijven, en ons
weenwen.
En oude besten, elok voor ander dus belaên;
sis l)e vryster om een\' knecht, de moêr om \'t kint begaen,
De zuster om den broêr, de poten om liaer neven.
Wy bidden, stelt de keur, en uwe stem te geven Tot loting, uit tot dat de zon de middaglilijn Vergulde, en loop\' voorby, en uit den zuiden schijn\'.
520 Men heeft dan tijts genoegh om \'t offer te bereien,
ïe zuivren aen de beeck, te kranssen, te beschreien.
Ay mannen, doet zoo veel ons vrouwluy tot gerijf.
Al die hier huilen, rijt de doot van a?igst door \'tJijf.
HEEREMAN\'.
\'t Is reden dat het bloet zijn eigen bloet beklage,
526 De moeder voor haer kint, haer vleesch, oock zorge drage.
Niet min dan eenigh dier, of\' vogel voor het jong.
De koe bemint het kalf, en liekt het met de tong:
De merrie, in de weide en stal, het weeligh veulen.
De zwaluw aest het nest, en vaert\'er mede uit speulen:
6.!n En wat maeckt d\'oievaêr van \'t hooge nest al werck?
Toen over menigh jaer het oosteint van ons kerek Verbrande, zagh men zelf hoe d\'ouden, zoo bewogen,
Dan uit dan in den roock, rontom de jongen vlogen.
En troosten hun gebroet, het kale en naeckte kroost;
535 Dat piepte vast om hulp; maer als \'er langer troost Noch redding quain, en \'t stroo in lichten brant geraeckte.
Zoo vlogen vaêr en moêr op \'t nest, dat brande, en kraeckte,
En lieten zich tot asnh verbaruen met hun nest.
Natuurlijck doet het al, wat leven teelt, zijn best 540 Om d\'afkomst ga te slaen, te helpen, te behoeden.
Al zweert ons niemant dit, wy kunnen \'t wel bevroeden:
Een mensch is block noch steen; veelminder vaêr, en moêr.
11EY.
De Heemraet vat het recht, als mannen, wien hut roer
513. 1661: wyven — 518. 1661: luting, uit, — 537.
11647 (J): vaer, en moer —1647 (J): vaer, en moer —
4*
m
34
Van deze Vryheit past te houden, en te sturen. 545 Zoo lang ghy Heereman en Volckaert elck zijn buren Verdadight, kan ons dorp noch overende staen. VOLCKAERT.
Maer \'tis geen noot, datze al zoo bijster zijn belaên: Het lot geit een\' alleen, en nimmermeer ons allen.
HE Y,
Een ieder zorght dat dit zijn bloet te beurt moght vallen. 550 Eer \'t lot bekent is, vreest een ieder wien het geit.
VOLCKAERT.
Waer toe de kenr van \'t lot dan langer uitgestelt? Het lotrecht ga zijn\' gangk, zoo raeckt men uit dit vreezen.
11KV.
Geen huisman is zoo wijs, die weet wat dit magh wezen: Ons vrouwvolek heeft te nacht vervaerelijck gedroomt. H EE HEM AN.
655 Het vrouwvolek isbynachtweltienmael meerbeschroomt Dan over dagh. Des nachts verdubblen en verslimmen De zorgen. D\'avontzon verlengt de zwarte schimmen. Maer laet ons hooren: waer komt dit gedrootn op uit?
KEY,
\'k Geloof Velleede zou niet raên wat dit beduit. 560 Met oorlof, dat wy dus vrypostigh \'t hart uitschudden. Een groene weerwolf greep een lam uit al de kudden. En sleipte \'t by de keel al bloênde langs den wegh; Dit droomde Duif, en hoe, ter zijde uit eene hegh. Een bock, zoo root als vier, hem quam op \'t lijf gesprongen,
565 Dat hy dien roof terstont most slaecken, en gedwongen. Verandert scheen van aert, ja maeker dan een lam. Ons Maghtelt zagh den vloet nocli hooger dan de Dam: En toenze kreet, als of de zeesluis door wou breken, Zoo viel het water kort, en hielt zijn oude streken. 570 Maer Elsbuur zagh ons dorp belanden op een wrack Aen d\'allernaeste duin. Een dorre tuineick sprack Bescheidelijck, en broght in \'t licht geheimenissen Van wonderlijck belang, die Godtscbalck niet zou gissen,
35
Noch Waermont, die by nacht, gelijck de katten, ziet. 676 Twee stammen, versch geplant aeu weêrzy van den vliet, Vereenighden van zelf, voor Lutgers slapende oogen. En werden met een schors bekleet, en overtogen. Ick zwijgh van andren praet, het luide zot, of vroet; De wijven zien wat nieuws uit droomen te gemoet. 5»ü Zy hopen op geluck, en dat de kans kan keeren.
UEEREMAN.
Wy wenschen \'toock. De hoop op beter kan niet deeren. Wy zullen met de keur heel langzaem gaen te werek. Een ieder brenge vast geschencken naer de kerek, En bidde dat het naer ons wenschen uit magh vallen.
BEY.
5»6 Dat geef, dat gunne ons Pan, behoeder van de stallen.
VOLCKAEBT.
Hier komen Lantskroon zelf en Groote Vrerick aen: Die beide moeten eerst elckandere verstaen. En polssen, eerwe noch op \'t wightigh stuck vergaren.
HEEREMAN.
\'t Valt mackelijcker vee dan menschen te bewaren; 590 Men stuur\' het hoe men wil, wie stuurt het elck te pas? Nu gaenwe, Volekert: \'k wou wel dat het avont was.
LANTSKROON. VRERICK.
De noot verdaghvaert ons in \'t jaer maer eens te zamen.
VRERICK.
Ick wensche, kost het zijn, iet heilzaems te beramen.
LANTSKROON.
lek mede: ons onheil heeft nu lang genoegh geduurt, ü\'jö En menigh jeugdigh borst dit met den hals bezuurt. Het zaet van tweedraght teelt zoo wrange en bittre
vruchten.
VRERICK.
Zoo gaet het, daer de buur zijn\' buurman niet magh
luchten.
598. 1G47 (J): wichtigh —
36
LANTSKHOON.
\'k Vervloeck het al wat zaet van twist en tweedraglit
zaeit.
v RE RICK.
Men heeft van wederzijde een\'oegst van ramp geraaeit, coo En meer dan eens in \'tjaer: men maeit het al le dage.
LANTSKHOON.
Men kent den vrede best, na \'et voelen van die plage. Wat middel om aen rust te raecken onderling? v ui; RICK.
Indien uw Zuidtzijde eerst ons Noortzijde onderging.
LANTSKHOON.
Maar niemant weet van schuit, en schuift het op een
ander.
VllEHTCK.
ii05 Zoo blijft men overhoop krackeelen met malkander.
LANTSKHOON.
Van weerzy wort vereischt een scheitsman van\'t geschil.
VREHICK.
Het scheiden valt zeer licht, daer ieder luistren wil.
LANTSKHOON.
Men most elekanderen al \'1 oude leet vergeven. En reppen niet van \'t gene aen weerzy wert misdreven, (an Wat eens gedaen is, kan men nimmermeer ontdoen.
VREHICK.
Verstont een ieder dit, wy raeckten aen den zoen.
LANTSKHOON.
Noch staet ons echter scherp te luistren wat het lot zeit.
VREHICK.
Eerst onderling verzoent, en echter met de Godtheit. LANTSKHOON.
Ghy spreekt zeer wel: de mensch verzoen\' zich eerst met
mensch.
VREHICK.
oir, Mijn naem is rijck van vre: \'t is vrede al watick wensch. 601. 1601: \'t — 614. 1061: mens — 61ö, 1G61: vreê—■
87
LANTSKKOON.
Mijn naein de kroon des lants: ick lielji den lantvre
kroonen.
VUER1CK.
Och, wenschtenze al om pais, en vrede, die hier woonen!
LANTSKKOON.
Mijn Heemraet Heereman wenscht hartelijck om vree.
VREHICK.
Mijn Heemraet Volckert wenscht nit al zijn hart dit meê.
LANTSKKOON.
cao De vroomsten onder ons zijn oock tot pais genegen.
VllERICK.
De slimsten onder ons versteuren zulck een\' zegen.
LANTS KROON.
De slimsten onder ons zy n van geen\' beter aert.
VRERICIC.
De baetzucht treckt genot uit \'s anders qualijekvaert.
LANTSKKOON.
Men banne d\'eige liefde, om eemuael te beginnen.
VRERTCK.
G2b Zoo most men om \'t genot zijn\' nabuur niet beminnen. Maer koopen pais en vrede, oock met zijn eige scha.
LANTSKROON.
Wy mercken het gebrek; maer \'t heelen komt te spa. \'t Grebreeckt aen vreedzaemheit: dit kruit wil qualyck
wassen.
Dewijl men sloft op \'t wiên van \'t onkruit wel te passen, fiso Een ieder past met vlijt zijn nabuurs hot\' te wiên, In \'s anders wooning gaeuw, ent\'huis niet naeu te zien; Dies leggen huizen wilt en woest, en zonder zeden.
VRERICK.
Het domme en stomme vee gehoorzaemt eer de reden. Men leit het zonder toom, en drijft het zonder stock: cao Het vecht wel onderling, maer voedert geenen wrock; Het nut gemeene weide, en zal geen\' macker pramen:
616. 16G1: -vree —
38
Genaeckt de wreede wolf, liet steeckt dehoorenst\'za men: Zoo beeft het in \'t gemeen te vyant, of te vrient. Verstont dit Leeuwendael, het wert \'er van gedient.
LANTSKROON.
640 \'t Is kunst zijn eigen nut en nadeel recht te kennen.
V RERTCK,
De schade leer\' den mensch, die traegh tot deught kan
wennen.
Een ezel stoot maer eens zich aen den zelveu steen; De mensch wel zevenmael, en denckt niet om zijn
been.
LANTSKROON.
De reuckelooze voel\' zijn jammer dan in \'t ende.
VRER1CK.
646 Zoo varen menighten ten grave in hun ellende.
LANTSKROON.
Zy wijten het zich zelfs, die niet te raden zijn.
VRERTCK.
Met reden, want zy zelfs zijn oirzaeck van hun pijn, Oock dat onschuldigen om zulck een woestheit lijden, Met recht beklagens waert, in onze ondanckbre tijden.
LANTSKROON.
650 Ondanckbaer wel te recht voor veel genoten goet, In pais, die neering baerde, en weelde, en overvloet; Die baerden hoovaerdy, verwaent, en trots, en smadigh: Zoo quam de tweedraght voort, te byster en baldadigh, In \'t midden van het feest, geviert ten roem van Pan. oü5 Men at \'er, en verdronck de zinnen in de ka»,
Zoo dat men tot gevecht en messen quam, van woorden.
VRER1CK.
Hoe bulderde in dien storm het Zuiden tegens \'t Noorden ?
LANTSKROON.
Den sterken Waerandier en üuinrijck stent dat dier.
VREKTCK.
(ieluckigh voeren zy uit dat krackeel van hier:
LANTSKROON.
ceo Wel eerelijck, maar voor hun vrouwen ongeluckigh.
39
VRUttICK.
De hemel zette om hen zyn aenzicht droef en drnckigh. En bleef\' veel dagen staen in die bedruckte ploy. De koey vergat het gras; het paert zijn voêr en hoy: Het bosch verschoot zyn groen: de boom vergat te
groeien.
GGo Hoe zagh \'er \'t vleck toen uit, dat heerlijck plagh te
bloeien,
Gelijck een wyngertranck, die langs den gevel klimt? Hoe is de weerelt voort, gelijck de munt, verslimt; LANTSKKOON.
Hoe wortze dagelijcks, van schalek en slim, noch slimmer?
VRERICK.
ïen zy een Godt dit keere, ons onheil redt zich nimmer. LANTSKROON.
070 Wie zelf zyn handen rept, die wort van Godt geredt.
VRERICK.
Het slimste is, dat de twist al heeft zijn ploy gezet.
LANTSKROON.
Men wanhoop\' niet: de tijt verandert de gemoeden.
VRERICK.
\'t Waer lang geschiet, vergat de wrock de wraeck te
voeden.
LANTSKROON.
Ick ra voor eerst, dat elck den andren willigh wijck\', «75 En meerder minder niet om baet verongelijck\'.
Zoo kost recht vaerdigheit den vrede haest gemoeten.
VUERICK.
Och quaemze, en stroiden wy olijven voor haer voeten! Ick zaegh dit oude vleck vergroot, en uitgeleit.
LANTSKROON.
Wat raet, nu ons de keur aireede is aengezeit? 880 Wou Pan zich met een\' bock of witten ram vernoegen.
VREUICK.
Al gischte hy een kudde, ick riedt dat wyze sloegen. 666. 1647 (J): wijngertrank —
40
LA.NTSK1100N.
Zou \'t oock geraden zijn te zien of \'t kon volstaen?
VREKICK.
En quaem Jat avontuur dan avreohts te beslaen?
LANTSKROON.
Men gaf dan tijts genoegh het geen wy liem beloofden.
VRERICK.
osrgt; En trof de wilde knodts dan \'t volek, en al de hoofden ?
LANTSKROON.
Het was om beters wil een stoute kans gewaeght.
VRERICK.
\'t Is haest gewaeght, dat lang en eeu wigb wort beklaeght.
LANTSKROON.
Men moght zich liever eerst bevragen by Velleede.
VRERICK,
De Priesterin van Pan zou staen op d\'oude zede.
LANTSKROON.
G90 Vermagh een Godtheit niet te scheiden van haer recht?
VRERICK.
De meester laet zich niet bedillen van den knecht.
LANTSKROON.
De Godtheit kan en magh den schuldigen wel sparen.
VRERICK.
Wanneer haer dit behaegh\', dan zal zy \'t openbaren.
LANTSKROON.
Maer \'t wachten valt te lang: men stort vast jeughdigh
bloet.
VRERICK.
G95 Wat middel voor dit quaet, of liever noodigh goet?
LANTSKROON.
Ick raem \'er naer, en wensch dat wij een middel vonden.
VRERICK.
De tijt is kort: wy staen aen dezen dagh gebonden Wel stip; de Roeper heeft ons lang te keur gedaeght, En \'t gansclie lant rontom van \'s volcks gekerm gewaeght. 700 Het volck verzuimt zijn vee, en heeft noch hart, noch
zinnen.
41
LANTSKROON.
Wat baet gekerm, indien het kermen niet kan winnen?
VRBE1CK.
Gekerm heeft menighinael der Goden wrock verzacht.
LANTSKKOON.
Maerin geen twintigh jaer: zy luistren naergeen klaght: Met deernis hoort de mensch het blaten van de lammeren.
VllERICK.
70s Onnoosle dieren, och, men moet zich uwer jammeren.
LANTSKKOON.
Men vint oock menschen, die niet min onnozel zijn.
VRERIOK.
Onnooslen in der daet, onnozelen in schijn.
LANTSKROON.
De schijn bedrieght\'er veel, en is gewoon te liegen.
VllERICK.
De schyn kan menigh mensch, doch nimmer Godt bedriegen.
LANTSKROON.
710 Hoe menigh zeilt den schijn en schaemte en eer voorby?
VRERICK.
Dat leert d\'ervarenheit aen uwe en mijne zy. De schapen laten zich van stof en vuilnis wassen; Daer \'t zwijn zich mest in slijck en modderige plassen. De menschen aerden elek naer een byzonder dier. 715 Wie op de troni merckt, bekent het aen den zwier, Oock dickwils aen \'t geluit, en zoo verschelde klancken.. LANTSKROON.
My dunckt ick hoor geluit: sta vast: het wil \'er wancken. Hier komen Warenar en Govert naer ons toe.
\'t Zal best zijn datwe gaen: ick ben dit buldren moe. 720 De Heemraet komt met hun, die magh hun klaghten
hooren.
VRERTCK.
Vergeefs de rust gezocht: ick geef\' den moedt verloren. 710. 1GG1; , en schaemte, —
42
VOLCKAERT. HEEREMAN. WARNER, (iOVERT.
D\'Eeii bouwt, en d\'ander breeckt: wat hoop van vrede
is hier?
IIEEKEMAN.
Wy lesschen vast den brant; een ander blaest in \'t vier.
VOLCKAERT.
Men viert den offerdagh met buldren en met razen.
WAUNER.
7^5 De knechts vergnizen nu de meesters, en de bazen: Dat tuight dees arme haen, met zijn\' gebroken poot.
GOVEKT.
Eu wat getnight dit lam? ick vischte \'tuit de sloot, Daer Warners dogh het joegh. Wat kan een lam verbeuren ?
Zoo \'t niet verdroncken waer, ick zou het feest niet steuren 7;!o Om zulck een kleinicheit: maer ieder moeit zijn scha. Die hont bast nacht en dagh zoo vee als menschen na: Hy bijtze oock wel in \'tbeen, en komtze al stil bestoken. WARNEB.
En had mijn haen zijn\' poot by ongeval gebroken; lek trooste \'t my; maer nu komt Goverts knecht zoo wijt, 7^5 Dat hy moedtwillighlijck een\' eicken kneppel smijt In \'t hondert, in den hoop, daer al de hoenders pieken De boeckweite op mijn werf. Zijn dit geen fraeje sticken? De kneppel treft den haen, die tuimelt ginder heen. Men loopt naer Rookam zien, en ziet \'er hoe zijn been 740 By\'t lijf, gelijck een slet, blyft hangen. Wiekan\'theelen? Nu krijt al \'t huisgezin, en steeckt wel vijftien keelen En kloeken t\'etfens op. Op zulck een buurgerucht Nam Goverts knecht by tijts, huis uit, huis in, de vlught. Het was hem oock geraèn.
HEEREMAN.
745 \'t Is lang genoeg gekeven.
Laet Grovert hem een\' haen gewilligh wedergeven.
730. 1661; kleinigheit —
43
Men vechte om geenen haen, om geen verdroncken lam.
WARNER.
O Eookam, oeh, hoe hangt uw dubble kroon en kam Zoo slap, gelijck uw baert. Wie kan dees scha vergoeden ? 750 Waer vint men uws gelijck? Neen Govert, ghy zult
bloeden:
Die moedtwil is te groot.
GOVERT,
En wie vergoedt mijn lam?
WARN EK.
Men wijte een\' dollen dogh dat dit om \'t leven quam.
VOLCKAERT.
De meester van den dogh moet zelf de schuit vergelden. WARNER.
756 Wie weigert hem een lam? Maer zelden, al te zelden, Zagh iemant zulck een\' haen, als Rookam, in ons vlec.k. Wat haen, hoe bits hy was, boot hem vergeefs den beek ? Wie was niet doof of blint, die zich in \'t perek liet hooren ? Waer vocht oit haen zoo trots, met slaghpen, beek en
sporen ?
760 Al stack hy op zijn aêm, al quam langs \'t lijf het bioet Gedropen van het hooft, noch hielt de kamper moedt. Dat \'s vyants veder stoof: dan stont hy als een muurwerek. Hoe trots was hy van gangk! Wat droegh die gast een
uurwerek
In zynen kop! Hoe Heks, hoe klaer en helder plagh 766 Hy lant en dorp rontom te wecken voor den dagh! Bezie zijn pluimen vry, die roode en goude veeren. ü Rookam, wie dit ziet, die moet zich uwes deeren.
GOVERT.
Ghy zwyght nu wat al schade ons Zuidtzy heeft geleên. Haer honighkorven zijn de kappen afgesneên, 770 En om wat honighs ging de gansche stock verloren.
WARNER.
Ghy liet nw\' waterhont ons vogelkoien stooren
759. 1647 (J): beek, —
44
Om eenen teelingk, en verjoeght de gansohe vlught. Zoo wort de koy geschent: de vogel schuwt dees lucht.
GOVERT.
tihy houwt van boven neêr, dat boom en stam verwatert, 775 En uitgaet: is \'t niet fraey? dan lacht men, dat het
schatert.
WARNER.
Ghy licht een anders fuick, en zinckt haer in de kil, 01\' vischt in \'s buurmans sloot en wateringe al stil.
GOVERT.
Ghy zet by schemering \'t verlaet al heimlijck open, En laet een\' bracken vloet in velt en ackers loopen, 7amp;o Die quijnen jaren lang, vergeven door dien wrock. WARNER.
Hoe dickwils taste nw herck wel over in ons block?
GOVERT.
Ghy tast wel achter om naer iemants schaer, en kouter. Of\' draeght ons koren van den molen: wie is stouter?
WARNER.
Ghy melckt een anders koe, by klaren lichten dagh; 786 Hat bleeck niet lang geleên, toen Melcker quam op slagh.
GOVERT.
Ick wist dien buit zoo stil by avont niet te morssen. Als Grijp, die \'s nachts wel durf op \'t velt ons gerven
dorssen.
WARNER.
Had Gijs den springhengst korts den staert niet afgeknipt Om \'t paertshair? evenwel is hy \'t gevaer ontslipt.
GOVERT.
790 Wie stack den driescht in brant? wie queet zich lest zo
wacker.
En wierp by doncker nacht dat onkruit in den acker?
WARNER.
Wie groef ons knijnshol op? wie dorst ons watering Vergeven, dat men niet dan doode visschen ving?
773. 1661: koei — 777. 1661: flscht —
45
GO VERT.
Wie zagh ter middernacht, waniieerdemenschen droomen, 795 Die nachtrave Eerycks ooft afschudden van de boomen?
WAKNER.
W aer vont men oit in\'t lant een visschers maet zoo kloeck, Dat hy o[gt;\'t lant een\' haen kon visschen met een hoeck ? GOV BRT.
Niet waer? die, toen liet sneeu aen boom en tak bleef
hangen,
De duiven op het voêr kon met zijn slaghnet vangen?
I1ËEKEMAN.
snn Waer toe dit bits verwijt? de tweedraght groeit en wast In top, terwijl men kijft, en bast en wederbast.
Dees droeve dagh gebiet den buretwist te staecken. Door schelden zal men traegh tot eenigheit geraken.
VOLCKAERT.
Dat \'s recht: oock is het hier geen tijt van lang te staen: 806 Men zal terstont te kercke, en dan te keure gaen.
WA 11NER. VULCKAERT. De Heemraet hoor\' my eerst: ick heb een woort te spreken.
VOLCKAERT.
Wat zoektghe rust, of twist, en altijt wint te breken? Zoo raeckt men niet gelijck; zoo wort geen dorp geredt.
WARNER.
Dat onrecht dient hem eerst met recht betaelt gezet, sin Hoe roept men dus om vrede? ick kan den vrede missen. Het spreeckwoort zeit: in troebel water is \'t goet visschen: Want geen krackeel zoo klein, men haelt\'er voordeel uit. Waer slagen vallen, valt gemeenelijck goe buit. VOLCKAERT.
Zoo woudtghe om eige baet den pais wel eeuwigh derven, 8)6 Al zou \'er jaer op jaer een lantst of tien om sterven ?
S14. 1661; cigebuct —
46
WARNER.
Men sterft maar eens. Wie sterft, die is zijn\' kost gekocht.
VOLCKAKRT.
0 zotte Warner, zwijgh: wat spreeckt ghy onbedocht! Zou een, om by \'t verdriet van velen wel te varen, En om een buick vol broots, zoo menigli man bezwaren? 820 Dat leert de reden niet; de domste koe van \'t lant, Indienze spreken kon, gebruiokte meer verstant. Zoo zal men langkzaem \'t vier van ons krackeelen lessen. Wat is \'er bloets gestort, en vleiseh gekerft met messen! Hoe menigh bruieker lants vervochten by den dronck, 825 Verzopen in \'tgelagh! Wat heeft dit out en jongk. En man en wyfbeklaeght! Hoe zagh men zoo veel hinders Versterven jaer op jaer van d\'ondren op hun kinders! De mannen eerst, en dan de wijven hantgemeen, Plockhairen vaêr en zoon, de vrienden onder een! 830 Wat hoorde \'teen geslacht het ander niet verwijten. En spuwen in \'t gezicht, met krabben, slaen, en bijten! En houdt ghy Warner noch dit kluwen in de war? Zoo gaf men u te recht den naern van Wareuar.
WARN EK.
Men vint \'er meer dan ick, die passen wat te hebben. »35 Een ieder vlamt op winst. De spinne spint haer webben Om winst: om winning vlieghtde byenaer beemten bosch. Om loutre winning zit de vliegh op koey en ros. Om winning zweetenze al, de kleinen, en de grooten. Om winst piekt d\'oievaer de kickers uit de slooten. 840 Om winning loopt de kat uit muizen in het velt. Als ick \'er vet by wordt, wat roert my wien het geit. VOI.CKAERT.
lek rade u hou gemaek: men zal den haen vergoeden. En zoo ghy ons bestaet een nieuw krackeel te broeden, Men stelt u lichtelijck ten spiegel van \'t gemeen. WARN KR.
845 En breng ick Leeuwendael noch heden op de been.
S25. 1617 (J), 1661: wat —
47
Het wil de Heerschappen en al den Heemraet lieugen. Laet zien wat Warner kan: laet zien wat zy vermengen. Daer gaat de pocher heen. 0 Rookam, arme haen, \'k Wil Grovert noch van daegh het been in stucken slaen.
REY VAN LEEUWENDALERS.
KEEK.
a60 Brengt vrolijck pijnloof, groene meien;
Brengt kaes, en boter, geel als gont: Brengt room, en bloemen uit de weien. Ter Lantkappelle, om Pan gebouwt. Komt herwaert; komt hem nader: 865 Vereert nu zuivel, bloeifi, en tack:
En looft den goeden Vader:
Begroet hem, dien het heiligh dack Beschut voor wint, en regen.
Hy gunne ons zijnen zegen.
TEGENKEEB.
seo ü bocksvoet, geitoor, fiaitevinder,
Gespickelt met uw lossevel;
Grhy wispelstaert dan hier, dan ginder;
(ihy langcbaert, zoo zoet op spel Van dunne rieten, zeven »06 Aen een gekleeft; uw horens staen
Op \'t voorhooft, spits en even,
Grelijck een boogh, of halve maen:
Root aenzicht, die uw hairen Bevlecht met pynboomblaren:
s7o Verdiende ghy by d\'eerste Goden
Een achtste plaets, en most de Nijl -.Zich buigen onder uw geboden;
Hielt out Athenen uwen stijl; SGl. Iü61: losse vel —
Vondel, Leeuwendalers. f)
48
Most Rome uw feesten vieren; 876 Begrijptghe \'t wezen van Natuur,
Zoo veel gestamde dieren,
De lucht, het water, aerde, en vuur; En 7ijt ghy \'t Al in allen,
O Vooght van jaght en stallen;
TEGEN KEER.
880 Zoo blusch den brant der lantgeschillen:
Vereenigh Zuidt- en Noorderzy: En zijtghe met een\' bock te stillen.
Ja heele kudden; eisch het vry. Ontslaze, jJie u eeren,
885 Van \'t heillooze otfer, van dit bloet.
En is het lot te keeren.
Ontlast ons: eisch een zachter boet. Ons vee, geen vleesch van menschen; Het ooghmcrck van ons wenschen.
HET DERDE B E D R Y F.
HAGERÜÜS. REY.
890 Het diende nader niet: ick was alree beknipt,
Maer ben, ter goeder tijt, den schender noch ontslipt. KEÏ.
Wat zeghtghe, Hageroos? wie droegh zo luttel kennis. Dat hy een zuiverheit, zoo wit als sneeuw, met schennis En schande smetten wou, zoo reuckloos, en ontzint?
HAGEBOOS.
896 Ick weet niet wie het was, of wat hem had verblint. Hy quam my stil aen boort, en speelde vast den stommen, Om door stilzwijgentheit zijn boosheit te vermommen,
878. 1647 (J): al — 885. 1661 : heilooze —
49
Een boosheit, die fjewis haer straf gevoelen zal; Want niemant schimp\' met Pan; hy ziet ons over al, 900 In hol, en achter duin, in ruighte, en onder hagen.
BEY.
Zoo gaet het haer, die op het zoenfeest loopt uitjagen. Alleen, en onverzelt; nu alle de gemeent.
Bekommert en beducht, al hangends hoofts, beweent D\'onzekerheit der keure, en \'t zekre lot van \'t outei-. 906 De Heemraet gaet te keur, verdaeght van blinde Wouter: En scheptghe noch vermaeck in jaght, en wilt, en duin?
IIAGEBOOS.
Ick zoeck mijn eige niet, raaer Leenwendaels fortuin, En had een hinde op \'t spoor, met meining, na het vangen, Haer voor \'t gemeene beste in ons kappel te hangen; 9io Of Pan hier door vermorwt, een vrolijcke uitkomst gaf.
KEY.
Vergeefme dan dat ick onwetende n bestrafï\': () deeghlyckheit, ghy zijt wel waerdigh, datzeudancken. Een ander zit en slijt den dagh met ydel jancken; Grhy slaet de bant aen \'t werck: een ander kyft en tiei\'t, dig En steurt zijn buurmans rust; ghy draeght u vroom,
en viert,
Het feest in eenzaemheit, en zonder tijt te spillen, Verzoeckt door otferhande en hinden tirodt te stillen. Vergeefme dat ick u bedilde, zonder slot.
\'k Geloof geen sterflyck mensch behoedde u, maer een
Godt,
930 Van wien ghy zekerlijck uw afkomst wel mooght rekenen, Naev dienze zich ontdeckt door geen onwisse tekenen. Dat by u lange spaer\', die boven zit aen \'t roer. Laet hooren hoe het ging, en wat n wedervoer. HAGEROOS.
Ick wist het leger, daer een hagelwitte hinde, 92C In dichte ruighte en riet, dat \'s jagers oogh verblinde. Zich \'dagelijcks onthielt, dies teegh ick derrewaert.
899. 1661: schimp —
50
Maer vont bet ledigli nest. Mijn wintbont, heet van aert, Was toghtigb om liet wilt in \'t wilde na te sporen, En kreegh verlof, en stoof door zant, en hegb, en doren, a:\'.o En kreupelbosch in duin, en snuffelde over al.
Zoo miste ick hem daer na, en hoorde geen geschal. Myn yver voerde my terwijl naer waterplassen,
Daer, aen den voet van duin, de beeck begint te wasschen. En door de biezen ruischt. Hier viel ick plat ter néér, 935 En zagh, na eene poos, de hinde, die van veer
Allengs genaeckte, en scheen henr hart te willen laven. Ick loofde tlucks aen Pan dat puick der otfergaven. En had den pijl al ficks op mijne pees gezet.
Zoo dra de hinde (|iiam, en lobberde in dit wedt. 940 Maer onder \'t micken komt een onverlaat, een schenner, ü Godtbeit van de jaght, alweter, hertekenner. Bescherm mijn zuiverheit, en geef getuigbenis Hoe Hageroos zich droegh; boe zy \'t ontworstelt is.
REY.
Ontstel ii niet: hy zal den Rechter niet ontsluipen. 945 Nu wisch de tranen af, die langs uw kaecken druipen, \'k Verlang hoe dit verging, \'k Geloof ghy bleeft beschut Door uw onnozelheit, uw toeverlaet, en stut. De deugt behoeft geweer, noch boogh, noch pijl, noch
wachter.
HAGEROOS.
Hoe beeft mijn hart van angst! by quam my op van
achter,
950 (jelijck een looze vos een velthoen grijpt, wel stijf. Hy sloegh met alle maght. zijn armen om mijn lyt. Noch vaster dan het veil een eicke kan omvatten; En ick, om \'t allereelste en waertste van mijn schatten. Mijn eerbaerheit, in noot te bergen, nam al heel 955 Myn toevlught tot mijn stem, en stack een kloek, en keel Zoo luide en schricklijck op, datze over hegh, en tuinen Ging wentelen in zee, door d\'omgelegen duinen.
947. 1647 (j): slut. — i)ö3. 1647 (J); allereelste —
51
Op znlck een\' luiden kreet liep Adelaert hem in, En greep dien onverlaet by \'t hair, by kop , en kin, 060 Dat hy gedwongen wert my bange maeght fe slaeeken: Kn ick, zoo dootsch en wit om \'t hooft, gelijek een laken, Begafme herwaert aen, al omziende, en beducht Hoe \'tAdelaert vergingk, na mijn verbaesde vhight.
tlEY.
C) eerbre jongelingk, men zal u eeuwigh roemen, 965 En vlechten krans op krans van bladeren, en bloemen. Met maeghdevingeren gelezen, en geplnckt.
Ghy lijdt niet dat de denght en schoonheit wort verdruckt. Een Godtheit heeft van daegh u heer lij ck begenadight, Besehoncken met dien prijs, dat ghy een Maeght
verdadight.
97n Hoe voeglit u zulck een lof, gelijek een pijnloofkrans Onze Opperpriester!n. De roos verliest haer\' glans En geuren, maer uw lof zal nimmermeer versterven.
HAGEROOS.
Hy moet\' verdienden loon naer zijne deught verwerven.
REV.
Dat loonen staet acu u: dat hebt ghy in uw maght.
HAG BROOS.
975 Mijn maght is wonder kleen. Die heusche vryer acht Geen loon; hy volght de deught van zelf, alleen uit reden.
REV.
Hy volght oock Hageroos met zuchten, en gebeden, Gelijek de schaduw \'t lijf. Hy volght u waerghe gaet. Des middaeghs, \'s avonts spade, en met den dageraet. 980 Dat weten zou eu maen, en oock de morgenstarre. Hy volght u in het dorp, eu by de straet, eu verre Van honck, wanneerghe jaeght, en stuift door \'tgullezant. Vergeit nu eens zijn deught, en biè hem mont, en liant. HAGEROOS.
Ghy paert den zomertijt met onze winterbuien,
964. 1647 (J): eewigh — 966. 1647 (J): maegdevin-geren — 982. 1647 (J): wannerghe — 983. 1661: bie —
52
98j De lely met het sneeuw, ons Noorden met dat Znien. \'t Verdrietme dat hy my dus naloopt, vroegh en spa. IIEY.
Hoe nualijck quam het u van dezen dagh te sta? HAGEKOOS.
Het (juam te stade of niet, iuk aohtme des onwaerdigh. Hy houde zich gerust, en voor een rijcker vaerdigh. 990 Hy zoecke eeii van bekent en overout geslacht. Zoo lang als d\'overbuur zijn\' overbuur veracht, Eu dwers vall\', kan geen min en liefde op beide
kleven.
REV.
Hij vryde u voor de doot: misgunt ghy hem het leven?
HAGEKOOS.
Neen zeker; dat hy leve, en bloeie hondert jaer.
REY.
99o Misloonde knaep, hoe valt u \'t miunejuck zoo zwaer, Gelyck het ros den ploegh door vetten klay te trecken. Ghy ziet vol hartewee de duiven treokebecken. En elcke wederga genegen tot heur ga. De beeckzwaen bruist vol viers het witte wyfke na, inoo En strengelt hals om hals; zy weet van wederkussen, Daer \'t kille water zelf haer\' gloet niet weet te blussen; En ghy, getrouwe knecht, beschermer van haer eer. Verwacht van Hageroos geen\' troost noch vrientschap
weêr.
O winterroos, te scherp gewapent met uw\' doren. HAGEROOS.
looó Hy ach uw\' den dorenstruik.
KEY.
Hou op zijn min met sporen Te noopen, dagh op dagh, door \'t afslaen van een beê. Ick zie hem van een duin noch plompen steil in zee. Of worgen aen een pees, of van een eicke ploffen, loio Of van zijn\' eigen pijl, en eige bant getroffen.
1004. 1661: uw — 1005. 1617 (J): dorenstruick —
53
Ay Hageroos, ay, schut zijn ongeval, gelijck
Hy u beschutte, eer ghy te vallen quaemt in sly ok.
HAGEROOS.
Ick ga in ons kappel my zelve danckbaer toonen, En zal het Adelaert, zoo dra hy koora\', beloonen 1015 Met danckbaerheit, gelijck een eerbaer hart betaemt. En een van kleine maght.
KEY.
Zy vint zich zelf beschaemt Om zyn getrouwicheit. Ick zagh haer wangen blozen. My docht de minne doock in lommer van die roozen. 1020 Hoe kan een edel hart, tot alle deught bereit,
Vergelden zulck een trouw met wederwaerdigheit ? Z\'ontveinst haer minne, en weet zich wonderlijck te
wachten;
Maer \'t mist ons, zienwe niet het pit van haer gedachten.
ADELAERT. REY.
Wie joegh ter weerelt oit geluckiger dan ick?
BEV.
1025 O jongelingk, ghy zijt nu wonder in uw schick. lek heb \'t verslagh al wech.
ADELAERT.
Van wio?
REY.
Van uw vriendin ne.
ADELAERT.
Och, waerze mijn vriendin! Hoc gloeit mijn hart van
minne,
lose Noch vieriger dan oit!
REY.
W aerom ?
ADELAERT.
Ick hoorde, en zagh Haer eerbaerheit, en deught, daer zy ter aerde lagh,
1018. 1661: getrouwigheit —
54
En kreet, en spoogh, en beet dien schender, dien
schoffeerder
loss In \'taenzieht; maer vergeefs, had 1\'an haer geen verweerder
Gezonden; had ick haer niet daetelijck ontzet.
Waer is zy?
KEY.
Ter kapelle, en stort \'ei- haer gebedt. Voor Pan, en heeft belooft uw trouwe daet te kroonen.
ADELAERT.
1040 Zoo hoop iok in het hart, dat edel hart, te woonen. Wat tijding brengtghe my, zoo snel op \'t ongezienst! \'k Geloof het geen ghy zeght. Hoe kan in \'t ende een
dienst
Na vele diensten eens een vrijsters hart bewegen! Och Adelaert, ghy liept, door hagel, sneeuw, en regen, HM5 Niet ydel noch vergeefs uw Venus achter aen; Een uur betaelt het al.
REY.
Nu blyf een luttel staen: Versteur haer aendacht niet; verwachtze hier ter stede.
ADELAERT.
Hoe springt dit dier: sta stil. Ick breng haer\' jaght-
hont mede.
lobo Hy janckt om zijn bazin, en rnisteze al een wijl. Ay lieve, hou hem wat: \'k wil achter eenen stijl Aen ons kappeldeur gaen verschuilen in het duister. Op dat ick heimelijck d\'aendachtige beluister\'. En mercke op heur gelaet: de minne maecktme stout.
REY.
1066 Ga heen: maer geen kappel noch outer wert gebouwt Op dat een vryer daer zijn vrijster zou beloncken. \'k Vergeef het hem nochtans: hy is van liefde droncken. En raeskalt in dien droom: men naem het anders vremt. Dat hy, terwijl het dorp de namen telt, en stemt
1041. 1661: my —
55
men Tot loting, op fle jaght zijn harteblat ging vinden, Wiens ooghtnerck hooger ziet, en liever Pan met hinden J)an menschenbloet verzoent. Bezie hem eens: hoe stijf Hoe stockstijf gaept de knecht? Kan niemant aen een wijf Geraecken, zonder dus door \'t velt te loopen brullen, wbs Gelijck een wilde hors? het hair met spogh te krullen? Te huilen als een hont? ick nam \'er liever geen. Al schonck men my de keur uit al het boereveen. Zy hoeven \'t jawoort niet zoo byster t\'overloven. Mijn min is vier, noch kool ; men hoeftze niet te dooven; 1070 Al pratenze dat l\'an, in Oostlant, by een\' vliet.
Zijn mallicheden zocht, en naerpeurde in het riet: Dat hy, om d\'oude inaen by avont te begorden,
(iing mommen, als een bock, ja zelf een bock most worden; Indien men \'t zeggen magh, daer \'t niemant ziet, en hoort. 1076 Wel vryer, wel hoe dus? heeft zy uw oogh bekoort?
ADBIjABRT.
Bekoort? ja wel te recht: nu worde ick eerst gevoelijck. Al smolt menze al in een, geen schoonheit is zoogoelijck. Zoo degelijck als zy. Wat heb ick daer gezien! Ken beelt van zuiver sneeuw, met neêrgeboge knien, 10amp;0 Noch witter dan het vel, waer meê zich Pan bekleede.
KEY.
£11 schepte ghy geen\' troost uit haer oprechte bede?
ADÈLAERT.
Ja honigh, want zy badt: o Pan, beloon het hem, Die my te hulpe quam op myne heesche stem. Hoe kan zoo groot een deught by my haer\' geur vergeten ? 1085 Bescherm hem, nu de Éaet te keure is neèrgezeteu.
REY.
Zoo gaet het vast, ghy spant alleen de kroon in \'t hart?
AUELAERT.
Alleen, en anders geen. De bruit is mijn. Ick tart Zoo. meuigh jongman, als by dochters oit verkeerde-Geen dochter vieriger oit Godt en d\'ouders eerde
1073. 1661: mommen —
56
logo Als zy, gewis een spruit van goddelyck geslacht. Och, wist men eens wie haer ter weerelt heeft gebraght; Al schijnenze uit het kroost haer moeders aert te gissen.
REY.
Een dochter, zoo als zy, kan licht de moeder missen. ADELAERT.
By vlagen met gedult, tot dat d\'onkundigheit 1096 Van haer geboorterecht, dat noch verholen leit.
Allengs haer in den krop en in het hooft kootn\' schieten: Dan zitze, en smilt, als sneeuw: dan gietze heele
vlieten
Langs hare wangen neer: dan berstze in klaghtenuit: Dan slaet de wedergalm in duin en dal geluit, noo En helpt konijn, en haes, en jaght, en wilt op hollen: Dan huiltze d\'oogen uit, wel root en dick gezwollen. Dan duncktme schijnt die zon door eenen regenboogh: En ick, in ruighte en riet gedoken, schroom om hoogh Te zien, en d\'eenzaemheit van mijn Princes te steuren. Hoe ü moeder, roeptze dan, ick zie uw lijf verscheuren Van eenen wreeden• wolf; u uitgaen, zonder troost; Of verre van uw vrucht, om hulp noch uitzien. Oost En West; of in een graft verdrincken, en versmooren. Pan smijtze uitzinnigh uit al wat haer komt te voren, mo Dan denck ick: zagh de zon wel oit zoo vroom een kint. Een wceskint, dat zoo teêr zijn moeder noch bemint. En niet vergeten kan?
REY.
Wat noot is \'t? Groote Vrerijck, Een Heerschap zoo geacht, zoo lantrijck, en zoo veerijck, nis Bemintze zoo, gelijck den appel van zijn oogh.
ADELAERT.
Ja wie bemintze niet? wie zet haer deught te hoogh? Zy verfde noit haer wang met moerbay, of morellen. Zy looght noch bleickt geen hair. Zy zoeckt geen jonggezellen.
1113. 1661; Grote —
57
Zy schuwt de ledigheit, al even kloeok, en knisch; 1120 Het zyze jaege in dnin, of ueerzitt\' binnen\'s huis, En overpeinze al stil wie alles kan besturen. Dat tuigbt het huisgezin: dat tuigen al de buren. O Hageroos, uw vier ontvonckt mijn ziel, als stroo.
IIKV.
Vat aen, daer is de bont, haer jaghtknaep, die zoo noo 1126 Gebonden gaet, als ghy wel gaerne gingt gebonden Aen \'t hairsnoer van een wijf. Zy beele uw zoete wonden : lek ga vernemen wien de keur liebbe uitgeplekt.
AÜEIjAERT.
lek volgb, zoo ras als hier mijn zaecken zijn beschickt.
HAGEROOS. ADELAERT.
Zyt ghy dat, AdelaertV o Koning van de helden, n:in Hoe kan ick uwe deught, uw vromicheit vergelden, Die minder ben van staet, en slecht, en min gezien? \'t Is billijck dat ick dit naer mijne maght verdien\'. Gebruickme t\'uwen dienst, uw leven lang, in eere.
ADELAERT.
Ghy Schoonste bietme meer dan ick op u begeere, ii;ih 01\' oit verdienen kost. Wie zou een maeght in noot Verraden? dat waer schande. Ick breng u Hazepoot: Hy springt en janckt om u, van blyschap en verlangen.
HAGEROOS.
Koom hier, mijn toeverlaet: koom herwaert: kus mijn
wangen,
Mijn lippen, raont, en hant: dat ick u stryeke, en streel\', iho En afwissch\' stof, en zweet. Geen molsvel, geen fluweel Is zachter dan dit vel. Hebt ghy uw vrouw gevonden? Waer staeektghe, toen ick riep?
ADELAERT.
Geluckigh zyn de honden: Zy worden zelfs gevrijt, geliekt, gestreelt, gekust. HAGEROOS.
1146 Wat zeght ghy, Adelaert?
58
ADELAERT.
lek zegh, het is een Insl Te zien met welrk een gunst en liefde oock stomme dieren Den mensch bejegenen, en die hun weldoen vieren; Nodh schelt de domme mensch de dieren redeloos.
HAGKROOS.
Hbo J)e dieren zijn getrouw, de menschen overboos:
Dat zaeghtghe, daer ick lagh verlegen, en verlaten. Wat dochter wandelt vry op vrye heerestraten. Zoo zulck een boosheit niet gestraft wert naer den eisch. Wy wachtten u een wijl, en keecken reis op reis 1166 Bekommert om. Hoe zijt ghy endelijck gevaren? Een schrickelijcke kreet qnam dringen door de blaren. En baerde een nieuwe vrees: mijn voeten werden vhigb.
ADELAERT.
Ick vleugelde dien gast de handen op den rugh. En trapte hem op \'t hart. Uw bont quam aengesprongen 1160 Op dat benaut geschrey. Had ick hem niet bedwongen, Hy had den booswicht voort verscheurt, gelijck een wilt.
HAGEROOS.
Mijn toeverlaet, mijn troost, mijn boogli, mijn pij 1, mijn
schilt,
Myn Hazepoot, hebt ghy mijn ongelyck gewroken:\'
ADELAERT.
Het scheen als of de hont uw tranen had geroken, 1166 Uw kuischeit, en gekerm. Hy beet met zijnen mont In \'t zant, in dezen boogh, dien hy \'er liggen vont. De booswicht zong gena. Ick dreef hem voor my henen. En ondervraeghde vast; waer op hy zich met weenen Ontschuldighde, hoe min den mensch zoo wijt vervoert. 1171 Hy had aen \'t Braesscmmeir uw schoonheit korts beloert, Toen ghy met Zwaentje, daer ter jaght, u wieseht en
bade;
Hy, juist van \'t spoor gedwaelt, hier aenquam, tot zijn
schade,
1165. 1661: kuisheit —
59
En door de biezen zagh, by klare middaghzon, Uw sohoonheit, die de zon in top verletten kon, 1176 En sedert in zijn brein zoo diep een voetstap plantte, Dat zicli zijn achterdocht vergeefs hier tegens kantte, En uitgeborsten was tot zulck een onbescbeit. hageroos.
Heel fraey.
adelaekt.
Hy kermde, en kreet: de min heeft my verleit: 1180 Beschaem mijn ouders niet, verdien ick dit te boeten. Verschoon een\' mensch: een paert met alle vier zij n voeten Kan struickelen; zoo kreegh ick deernis met zyn smart, En bont hem d\'armen los.
itageroos.
Wel edel is uw hart. 1185 \'k Vergeef het hem, zoo rein als of het noit geschiede.
adelaert.
Dien ouden klnitboogh nam ick\'hem, en brenge en biede U dien, op datghe my hier eeuwigh by gedenckt.
hageroos.
Ick ben te vrede, dat ghy dit een ander schenckt.
adelaert.
Ick bidde u, laet dien boogh in uw slaepkamer hangen.
hageroos.
1190 \'t Was mijn gewoonte noit van iemant iet t\'ontfangen.
adelaert.
Ick bidde u, weiger my zoo klein een vrientschap niet.
hageroos.
Ghy zijt een grooter waert. Het oogh, dat alles ziet, Grondeert mijn hart, en weet iioe zeer ick u bezinne.
adelaert.
Zoo toon ten minste blyck van ongeveinsde minne ii9D Te my waert; bleeck myn trouw, zoo trouw als gout,
in noot.
hag eroos.
Al lengde ick uwen tijt door mijn verhaeste doot. Noch bleef uw goude deught en weldaet onvergouden.
60
ADELAEKT.
lek zie men zoecktme slechts aen \'t lange touw te houden. HAGEROOS.
O borst, ghy houdt u zelf: ga hene, waer \'t u lust.
ADELAEKT.
1200 Pat lijtghe niet. Helaes, ter werelt wort geen rust, Noch troost, noch laefenis voor mijne quael gevonden. Des avouts rust het wilt in nest, en hol: de honden Gaen rusten, na de jaght, in \'thock; het vee op stal; De vogels in geboomte en heggen over al:
1205 Maer Adelaert, ocharm, magh rust noch lust gebeuren.
HAGEKOOS.
\'k Heb lust by wijlen \'t wilt. zijn rust in duin te steuren, Met brack, en hazewint; by wijlen met een\' valck Te. vliegen over \'t velt; daer hy, doortrapt en schalck. De vogels in haer vlught. versteure, en weet te grijpen: i2io Maer ree ten dans te staen, op al wat vryers pijpen, Verraaecktme niet. Hebt ghy wat stemruighs in den zin. Zon breng wat stemmighs voort: ick luister naer geen
min.
ADELAEKT.
Een molock houd de kars voor musschen onbedorven: Een honighbie verjaeght de snoepers uit de korven: 1213 Een neske koeckoeck broet een anders eiers uit;
Zoo vinde ick \'t ledigh nest: een ander strijekt den buit. Zoo heb ick deze roos vergeefs in \'t bijster weder Beschut. Wat. baet het. hoe zich Adelaert verneder\', Haer diene, dagh en nacht, en gaslae, eu behoe? 1220 Zy luickt voor andren op, en sluit den boezem toe Voor zijn gedienstigheit. Ick wil die grijnzen schuwen. En eenzaem, diep in duin, van \'t wijvenaenzichtgruwen; Vermijdenze, als een slang, verguit en glat. van vel. \'t. Verdriet my in den gloet van zulck een schoone hel 1225 Te jammeren van pijne; of \'t water op de lippen Te vangen, daer het eb de tonge ga ontglippen;
1205. 1661: och arm, — 1219. 1661: ga sla —
61
Of bleeck en afgevast te zien den leckren disch, Dewijl het nuttigen den tant verboden is;
üf zulck een boomloos vat met water op te vullen. 1230 lek wil, gelijok een stier, door wondt en weide brullen. Maer raeze ick ooek van minne? o al te wulpscbejeught, Betrouw geen vrouwvolck meer: zy loonen niemants
deught.
WOUTER. ADELAERT.
Waer vint men Adeiaert? my dunckt ick hoor hem
spreken.
ADELAERT.
Wel Wouter, hebtghe blint in mijn fortuin gekeken? 1236 Wat brengtghe goets? Hoe na is \'t vonnis nugevelt?
WOUTER.
Ja wel, hoe prael iok dit? De namen zijn getelt.
ADELAERT.
Zegh op, hoe ging het toe? \'k Verlang het lot te weten. Hoe nu? hoe dus? my dunckt ghy ziet alree bekreten. Nu huil niet, slechte bloet: het sterven is ons lot. 1240 Een mensch is slof, en breeckt, gelijck een aerde pot.
WOUTER.
Men kan een broke pot noch wel te zamen smeeren, Maer menschen niet. Ay my, kost ick dit jammer keeren.
ADELAERT.
Laet hooren hoe het ging: of viel het lot op u?
WOUTER.
Wat zal ick praten? angst maeckt blinde Wouter schuw. 1246 De Heemraet had een wijl gekeven, dat het roockte. En \'t bloet van wederzy, gelijck een ketel, koockte,
1227. 1047 (J), ICfil: bleeck. fn 1047 (j) en 1048 staat kloeck; met iukt in alle eksemplareu verbeterd in Bleeck; in t\'t\'n (Unger) is de -u- minder dnidelik verbeterd. Blijkbaar is \'t van dezelfde hand. Vermoedelik deed de uitgever bet.
1232. 1001: lonen — 123S. 1047 (J), 1061; alreê — 1244. 1001: praten: —
62
Wanneer men ging te keur: liet was oook tijt te gaen; En Lantskroon zette zich met Vrerick boven aen. De stemmen gingen om b3\' beurte, en broghten t\'zamen 12üo Van weerzy twalef uit, dat \'s vierentwintigh namen. Men tekende de rol, al was \'t met wederzin Van elcke zy: toen riep men blinde Wonter in, Die most uit al den Loop twee cyferletters noemen, lek wreef mijn handen vast, en morde al stil: gansch
bloemen,
1256 Dit kost geen koe, noch kalf: het kost \'er menschevleisch. Het Heerschap graeude vast, en porde reis op reis. Wat zou men doen? Grhy weet ick ben gezworen bode. En roeper van ons dorp. In zulck een versche zode Van vierentwintigh maets te grabbelen zoo los, 1260 Zoo reuckloos naer een paer: het is geen bot of pos.
ADKLAERT.
Laet hooren wie ghy koost, het zy dan pos, of snoeoken : Wie \'t wezen magh of niet: ick ben niet veer te zoecken. WOUTER.
Met oorlof, brave borst, ick noemde drie en tien. En badt terstont gena. Daer kost een blinde zien 1206 Wie om zijn hooft bestorf. Hoe mompelden de monden. De mannen om de banck? lek wert terstont gezonden Om Hartman, daer hy zat, en praette by zijn moer. Daer lagh een huis, gelijck een hoisehuur; al de vloer Bezet van \'t naeste bloet, van vrienden, volck, en buren. 1370 Op \'t huilen loeiden stracks de stallen, en de schuren. En weiden om het huis. De zuster hallef doot.
Viel Hartman om den hals, die kreet: het doet geen noot: Geen Hartman is zoo weeck, dat hy om \'t lot zou zwijmen. Toen quam \'er Maetelief, en Kees, en lange Tymen. 1276 Zijn oude vryster Baers die keeck onaertigh bang: De tranen biggelden, als knickers, op de wang. Hy zoendeze eens, en riep: ghy blijft geen weduw zitten.
1268. 1661: hoyachuur; — 1271. 1661; zuster, — 1274. 1661: Matelief, —
63
O schoonheit, zoo ick sterf, verklaerme met de gitten, Die in uw aenzicht staen: ick min u, by mijn ziel.
ADELAERT.
1260 \'k Verlangme doot: raaer zegh waer \'t ander lot op viel.
WOUTER.
Verlang zoo niet: het wil u tijts genoegh bedroeven.
adblaert.
Nu blinde knecht, zegh op: waer toe dit lange toeven V
WOUTEK.
De naem, daer \'t lot op viel, is u te liet\' en waert. Misschien uw beste vrient.
ADELAERT.
1285 Al was het Adelaert,
Ick ben het lot getroost, en kan het leven missen.
WOUTER.
Wat noot is \'t dat men \'t noem\' ? ghy kunt het zellefgissen. ADELAERT.
Zoo hoop ick dezen dagh te sterven met den krans. WOUTER.
Ghy moet met Hartman voort gaen loten om de kans. i29n lek daegh u uit den naem des Heemraet en hun allen. De Zuidt- en Noortzy vreest op wien het lot wil vallen. adelaert.
(relnckige Adelaert, schep moedt: ghy zult altoos Niet zuchten, onbeloont van fiere Hageroos,
Die uwen dienst versmaet, en zultze nochtans minnen, 1295 Veel meer dan eenigh haen bet puick van al zijn binnen. Beschut door zijnen beck, en pen, en spore, en poot. De waere liefde is taey, en overduurt de doot. Behaeghde \'t haer uit gunst myn\' krans te helpen strengelen.
En onder eicke bloem een\' druppel daeuws te mengelen, i.\'wn Die langs haer wangen druipe; ick storref waert benijt.
Nu \'t lot des doots getart: zy wachten: het is tijt.
%
12S4. 1661: u — 12S7. 1661: noem ? — 128S. 1661: hond ick — 1291. 1647 (j), 1648: Zuidt-en-Noortzy —
Vokdel , Leeuwendalers. G
64
Een ander trille, en beve, en hoor\' van \'t sterven noode; lek hoor geen blij der maere, en volgh van zelf den bode.
|{,EÏ VAN LEEUWENDALERS.
KEEK.
O Zorghelijcke lotery,
1306 Wie van die beide treckt zich vry?
Hier schuilen doot en leven In eene zelve bus al stil.
Het lot magh vallen hoe het wil;
Een karei moet \'er kleven.
1310 De Zuidtzy bidt voor Adelaert :
De Noordtzijde acht haer\' Hartman waert. Hoe \'t valle, \'t valt otieven.
TEGEN KEER.
Het bloet van beide is ongelijck;
Maer \'t blinde lot zal arm noch rijck,
isib Noch hoogh noch laegh verschoonen.
Het bloet der Goden sneuvelde oock,
Toen al ons vreught verdween, als roock. O Wout- en Veegodts zonen,
Uw deught blijft eeuwigh buiten \'t graf: 1320 Uw naem neemt toe, en nimmer af:
Geen winter scheut uw kroonen.
TOEKEER.
De nederlaegh van Waerantlier, En Duinrijeks jammer hebben \'t vier Van \'s hemels wraeek ontsteken. 1326 Hoe maecktze \'t Leeuwendael zoo bang?
üch Ackergoden, och, hoe lang Zult ghy uw zonen wreken?
1804. 1647 (j), 1648, 1661: zorghelijcke —1647 (J), 1661, — in 1647 (j) en 1648: Hoe valle; de 7 met inkt bijgeschreven; denkelik door de uitgever.
65
HET VIERDE BE DRY F.
WOUTER. VELLEEDE. VI IE RICK. AÜELAERT. VüLC KA E RT.
Ghy Intgebroeders, die Je lotbus elok by \'t oor Gevat hebt, Adelaert en Hartman, irk ga voor, 1330 Dies volgbt: de Heemraet volge; en, na den Heemraet,
beide
De Heerschappen, ter steê, daer \'t bittre lot u schelde. Nu staet gelijek, en zet de goude lotbus zacht Op dezen drievoet neêr, voor ons kappelie, en wacht Op uwe knien de komst van Priesterin Velleede, 1336 Die altijt spreekt met Pan: hy waert in deze stede. Als zy de derde reis den offerhoren hoort,
Zult ghy haer zien in quot;t wit verschijnen in de poort. En flucks na d\'nitspraeck, stil en stom naer binnen deizen. Verbeitze een\' oogenblkk met zuivere gepeizen,
1340 En steurt d\'orakels niet door woorden, of gebaer: Zy neemt niet slot\' en traegli het out kappelampt waer. En zal, gelijekze plagh, verschenen, ons ontdecken Des Veegodts wil en eisch, en \'t lot rechtvaerdigh
treckeu.
VELLEEDE.
Het lot eischt Adelaert: men offre hem aen Pan.
VKEMCK.
1346 Vertreck niet, Lantskroon, blyf: vertreck niet, Heereman. Gehoorzaemt \'t heiligh lot; verdraeght het lot geduldigh. Waer looptghe zoo verbaest? O jongeling, beschuldigh, Bezwaer geen sterflyck mensch; de Godtheit kiest u uit. En wil datghe o[) uw borst dit jaerlijcks onweêr stuit. 1360 Rijs op: ontschuldigh ons: het lot heeft u gekoren. ADELAElt\'J\'.
Ick achtme heden eerst ter goeder tijt geboren,
133S. 1647 (J): flucks, —
6*
66
En schatte zulck een doot wel duizent dooden waert. Wie in de bloem der jeught aldus ten grave vaert, Bestulpt met geenen zerck al t\'effens zijn gebeente,
1365 En naetn, die op de tong des lanls, bjr zijn gemeente, (iednrigh leeft en zweeft, ja t\'elckens weder groent, Gelijck een jonge telgh. Wat wacht men dan? verzoent Den hemel door mijn bloet, dat keere uw ongelucken. Zoo zal iek zelf mijn borst en boezem openrucken,
1360 En pal staen, als een pael; mijn aengezicht geen verf, üe lindeboom zijn kleur verschieten, daer ik sterf.
VOLCKABRT.
Van twintigh daelde geen zoo welgemoedt ter zielen. De Doot joegh andren voor; ghy volght haer op de hielen. Zoo vrolyck, ofze u leidde op eene bruiloftsfeest.
1366 Men twijfelt wie van bey het meeste schriokt en vreest. De Doot is stout, en trots: ghy tartze, en zijt noch stouter.
VRERICK.
Welaen dan, volgh, \'t is tijt, het spoor van blinde Wouter, En voegli ii tusschen beide, als \'t immers wezen moet. Hoe raeckt onze offerwijze op eenen betren voet?
li EE11E M AN. L A N T S K R ü t) N. 1370 Helaes! wat ongeluck, wat rampspoet komt u over?
IjANTSK K(gt;ON.
Zoo treft de blixemstrael de leste telgh en lover Van onzen lauwerboom, den stereken Waerandier, Uit \'s Woutgodts struick geteelt, gesproten. Nu is hier Geen tack noch telgli van Wout-eu Veegodt meer voorhanden,
1375 By alle ons wetenschap; want geen der ommelanden Oit taei of teken broght, waer Duinrijeks weduw bleef. Die zwanger van een vrucht, haer huis met hope steef. Dat \'s Veegod ts afkomst lioch in hare vrucht zou bloeien, Gelijck een willigh plagh aen onze beeck te groeien.
1362. 1661: wel gemoedt — 1377. 1661: Die, —
67
1380 Zoo gaet in \'t endt de boom met zijnen wortel uit. Wat raet? dees loting is geen menschelijck besluit. Wie durf zich tegens Godt en zijn kappelarapt zetten?
HEEREMAN.
Het ga zoo \'t wil, zoo \'t kan; gliy moet dien scheut beletten. LANTSKKOON.
Wat middel om dien ree gespannen boogh t\'ontgaen?
IIEEREMAN.
1385 lek hoop ons Zuidtzy zal tot uitstel noch verstaen.
LANTSKKOON.
De Noortzy nimmermeer: oock heeft de Grodt der wouden, Noch Pan, noch Wildeman noit boete quijtgeschouden. Al stilde men het dorp, ghy stilt den Wilden niet.
HEEREMAN.
Ghy weet wel hoe hy lacht, wanneer hy maeghden ziet. LANTSKROON.
Ciso Wat vordert dit? hier heeft geen dochter in te zeggen. Die schutter zal den boogh en knodts niet nederleggen, Om \'t loncken van een maeght: hy is te woest en wilt.
IIEEREMAN.
Hy zal \'t verzeker doen.
LANTSKROON.
Ghy spreeckt te rijck en milt. IIEEREMAN.
1395 Ay Heerschap, laet my slechts al heimelyck betj\'en. LANTSKROON.
Ga bene, neem een proef. Het schijnen razeryen. Mijn hoop verdwijnt in roock. O edelaerdigh bloet. Heb ick u voor een pijl zorghvuldigh opgevoedt, Gelijck mijn\' eigeu zoon? Wat baten al mijn zorgen? 1400 üntzincktghe\'savontsmy in \'t schoonste van uw\' morgen ?
11A G E R O ü S. IIE E R E M A N.
Ellendige Adelaert, hoe treft het lot uw hooft! Beschermer van mijn eer, wat avontuur berooft
68
My heden van uw hulpe, en trouwe, versch gebleken? Het lot schelt suffers quijt. De deughden en gebreken 1406 Zijn even waert by Pan, die geene kennis draeght: Al roept men dat de deught den Goden zoo behaeght. O vryers, houdt uw rust, al hoortghe maeghden schreien, In duin, op \'t eenzaem velt, of wilde woeste heien; En werpt u om geen maeght in \'t uiterste gevaer; 1410 Men loont u averechts. Nu zult ghy op een baer Den dooden Adelaert, te jammerlijck doorschoten. Zien dragen naer zijn huis, en alle lijckgenooten Zien kermen, zonder maet, oj) dat ontijdigh lijck, Daer Lantskroon zit en treurt, bemorst vanstofenslijck. 1416 Zoo treft een Noortsche buy den roem van alle hoven. Den bloessem, die den boom een\' rijckdom dorst beloven: Zoo bijt een ongedierte een wijnranck, datze qnijnt; Zoo stickt de mist een bloem, dat al haergeur verdwijnt.
II EE HEM AN.
O Hageroos, \'t is waer, ghy toont uw gunst met klagen, i tco Maer ydel. Had men \'t hart een schoone kans te wagen, lek zaegh hem ongequetst en scheutvry voor dat punt. Genees den vromen helt: beproef eens wat ghy kunt. HAGEROOS.
Ghy raest: hoe kan ick hem in zulck een\' schijn genezen? My dunckt ghy schimpt met my; oock schijnt het aen
uw wezen;
1426 Doch \'t is geen schimpens tijt; men neem\' geen tijtverdrijf Uit \'sanders ongeluck; dit nootlot eischt zijn lijf.
HEEREMAN.
Geloofme zonder schimp, ick wensehte hem t\'ontzetten.
HAGEROOS.
Al quaem hier Herkules, hy kost dit niet beletten. HEEREMAN.
Hier hoeft geen Herkules, maer eer een Circe toe.
HAGEROOS.
uao De Wildeman is schalck; hoe zou dit toegaen? hoe? 1417. 164i7 (J): eeu\' ongedierte — 1419. 1001: waer —
69
HEEBEMAN.
De schoonheit nam wel eer een schalcker gast gevangen.
HAGEBOOS.
Ay Heemraet, zwijg: ghy zoeckt my slechts met roode
wangen
Van kier te jagen: zwijgh: ick hoor u met verdriet.
HEEREMAN.
Ick bidde u luister eerst: ghy vat mijn meining niet. U3amp; Af en wil uw eerbaerheit bevlecken, noch beschamen Metzaeoken, die noch maeght nocheerbre vrouw betamen: Betrouw ons beter toe, en neem deu voorslagh in: Mishaeght het u, zoo volgh dan vry uw\' eigen zin.
I1AGEROOS.
Laet hooren hoe ghy meent een\' wolf in slaep te wiegen.
ir RE REMAN.
1 40 Ulysses kost wel eer den Grrieckschen Reus bedriegen, En aen den ramsbuick vast, ontsloop dat bloedigh hol. De blinde taste slechts den rugge, ruigh van wol, En docht niet om den gast, die hangende aen de vloeken Uit \'s menschevreters muil behendigh wert getrocken.
HAGEROÜS.
1445 (ielijck den Wildeman by geenen blindeman.
HEEREMAN.
Te loozer is de vont, die hem beguighlen kan. Die scherp en helder ziet uit alle bey zijn oogen. De boschgalm heeft zelf Pan met haer geluit bedrogen. Ga hene, ga verschalck dien onbesuisden gast.
HAGEROOS.
1450 Indien het mooghlijck zy, vooral oock buiten last Van eere en zuiverheit, my waerder dan mijn leven. Zegh op, \'k verlang wat list ghy listigh weet te weven In dees verlegenheit.
HEEREMAN.
De list gaet boven maght. U55 Het vrouwvolck ringeloort en knevelt mannekracht. Een schoonheit, opgepronckt met aengename treken. Bleef zelden in \'t begin van haren aenslagh steken.
70
Verzuim niet, zeven sterck, zoo dactJijck heen te gaen, En treek uw bruiloftskleet en beste rocken aen, 1400 D\'een geel, en d\'ander root, of goutgeel, als de doiers. Of blaeuw, als korenblaeuw, of paers, of noch wat moiers. Dan bint de vlechten op met lint, dat gout verdooft. Een zilvre riem om \'t lijf: een roozekrans om\'t hooft: De kralen om den hals: een verschgepluckte ruicker UG6 Van bloemen in de hant: een doos met lecker suicker Beveel een andre maeght; een fiesch met Rijnschen wijn, Een\' korf met glazen, rein en klaer van kristalijn. Een lietboeck en een fluit aen anderen te dragen. Gemoet hem dus in \'t bosch. Ghy zoudt een\' G odt behagen, U70 Bekooren onverziens, in \'t heetste van zijn jaght. My dunckt ick zie hem staen: hy huilt van pijne, en lacht. De knods, de boogh, de pijl begint den Reus t\'ontzijgen. Hy noodight u in \'t groen. Ghy zult hem binnen krijgen, Rontom belegeren, verovren met een\' lonck,
147ü En brengen glas op glas; daer zoete dronck op dronck. En fluit en boschgezang zijn zinnen zoo betover\', Dat hy in uwen schoot, of slaeprigh achter over. Zich zelf in \'t gras vergete, en zy n gety verslaep\'. Hy rijze \'s morgens vry, en rispe, en geeuwe, en gaep\', 1480 Maer verge ons niemants bloet, als \'t zoenfeest zy verstreken,
En d\'eischer van dien eisch het gantschejaer versteken. Zoo berght ghy Adelaert, dat Lantskroon zelf u verght. Ay, bergh den helt zijn lijf; hy heeft uw eer geberght: Zoo zal het groene wondt, de vogel in de hagen, 1485 Gansch Leeuwendael, en elck van uwe deught gewagen.
HAGBttOOS.
Ick kocht dien jongen helt zijn leven met mijn doot. Maer wacht u, zoo my dit, gelijck het kost, ontschoot: De helt bleef ongeredt, en ick, in smaet, en schande. Zou ongeacht by elck, geschonden achter lande
1481. 1647 (J), 1661: gausclie — 1488. 1661: smaet — 1489. 1661: zou,\' —
71
1490 Gaen dolen: neen, ick ben den schender pas ontgaen, En wil zoo reuckeloos my zelve niet verraên. Die raet is vol gevaers: ick zie geen\' troost voorhanden. IIBEREMAK.
Zy height zich des: ick byt van boosheit op mijn tanden. De vryers zijn te heet: de vrysters veel te koel. 1496 Hy liep zich doot, en zy blijft zitten op haer\' stoel.
VOLCKAERT. VRERICK.
Wat raet met Lantskroon nn ? dat Heerschap valt ons
tegen ?
VKEKICK.
Wy zijn gewisselijck om zijn fortuin verlegen.
Indien ons Hageroos dit lot te benrte viel, M\\- dunckt de wilde boogh zon eer mijn eige ziel ison Doorschieten, en mijn hart dat scherpe punt gevoelen. VOLCKAERT.
De mensch is stock noch block: maer kan dit tegen woelen let vorderen? ghy weet het vonnis leit gevelt.
VRERICK.
Zy weten \'t oock, en best de vader, wien het geit.
VOLCKAERT.
Geen vader, maer een vooght, en slechts een voestervader.
VRERICK.
unc Geloofme vry, geen kint ging oit zijn ondren nader Aen \'t hart, als my dees spruit, mijn lieve Hageroos. Het opvoên wortelt diep van langer hant. Ick koos Geen eigen kint voor dit: zoo treft my \'t mededoogen. Ick houze ruim zoo waert als d\'appels van mijn oogen, löio En voel by my hoe \'t hart van Lantskroon zy gestelt; Het hart, een naeuw begrijp, en al te klein een velt Voor zulcke vyanden; de noot aen d\'eene zijde. De \'liefde aen d\'andre zy. Hier gaet een sterck getijde.
léyi. 1647 (J): zelveu —
72
VOLCKAEKT.
De liefde moet in \'t endt toch luistren uaer den noot.
VREEICK.
uio Zoo licht niet: neen zy lijdt en waeght eerst stoot op
stoot.
VOLCKAERÏ.
Dan hobbelt het gemoet te langer hene en weder.
VHE1UCK.
Een boom valt nimmermeer met eenen slagh ter neder.
VOLCKAERT.
Hoe gaat men hem dan best met klem van woorden aenV
VKERICK.
Men moet hem minnelijck met reden ondergaen. VOLCKAEKT.
1520 Heeft reden oock de maght hem over stach te werpen ?
VREllICK.
Zoo dra niet: neen, men dientze allengs wat meer te
scherpen.
VOLGKAT. RT.
Hy voert zijn tegenreên, het loop\'dan hoogh of leegh. VRERICK.
Men wioke in redens schael wiens reden zwaerder weegh\'.
VOLCKAERT.
Indien hy, als de tong van deze schael, wou luisteren.
VRERICK,
iü3ü Hoe zon, hoe kan hy \'t recht van \'t billijck lot verduisteren?
VOLCKAERT.
Maer een benevelt brein en luistert nergens na.
VKERICK.
Tn \'t eerste niet: het hoort nochtans, al hoort het spa.
VOLCKAERT.
Wel Heerschap, het wort tij t: wy dienen werck te spoeden.
VKERICK.
Laet my begaen, en schuw hardtneckigheit te voeden 1516. 1647 (J): heene — 1523. 16C1: redeusschael —
73
1630 Door eenigli dreigement, of seheltwoort, fel en bits. Wie zacht een duin beklimt, genaeckt allengs het spits.
VREEJCK. LANTSKRÜON. VOLCKAERï. H E E R E M A N.
Velleedes uitspraeck klonok zoo luidt, gelijok een donder In d\'ooren van het volck; liet geef dan niemant wonder. Dat ghy verslagen zit om uwen Adelaert;
isue Want voesterkinders zijn den voestervadren waert; Te meer, zoo deuglit en geest en gunat, hun aangeboren En ingeschapen, oogh en hart en zin bekooren ; Dit leert d\'ervarenheit den mensch, van hant tot hant. De huisman mint veel meer zijn opgequeeokte plant, 15-to En die hy meste en snoeide om weeligh op te komen. Dan aengekoehten gront, bezet met oude boomen; Eyzonder als zy tiere en voortbreng\' zulk een ooft. Dat alle boomgaerts tart, en strijckt de kroon van \'t hooft. Zoo hangen wy ons hart aen \'t geen wy zellefs bouwen. 1545 En zou een woeste bijl dien stam ter neder houwen; Zy ging eerst door ons hart dan door dien jongen stam. LANÏSKKOON.
Indien uw Hageroos dit quot;onheil overquam,
Grhy zoudt dit hartewee wel levendigh gevoelen, \'t Valt mackelijek zijn vlaok in \'s anders bloet te spoelen. U60 Men voelt zijn eigen eerst, een anders weedom lest. Een vreemden oordeelt vreemt, een vader allerbest.
VREK1CK.
Wy strijden niet: ick heb mijn sterekheit niet te roemen. Mijn dochter en uw zoon zijn uitgeleze bloemen; Hoewel men zijn geslacht, en niet haer ouders, kent, 1556 Al sehijntze ons ongemeen. Ick hoopte uw abele ent Te zetten op mijn hout: nu schijnt my dit t\'ontsehieten. Zoo loopt ons hoop in \'triet: en wy, ocharm, genieten Dén bloessem, niet de vrucht, van \'t lang gehoopte goet.
1Ö36. 1061: eu geest oulbr. — 1537. 1G61: hart, — 133S 1647 (J), 1661: ervareutheit — 1557. 1061: ueh arm, —
74
LANTSKEUON.
Ick vat dit vonnis niet: dees bloedige uitspraeck moet lóoo Wat anders in den zin dan in den klanek beduiden. volckaeet.
Wel Heersrliap, vat ghy niet de woorden zoo die luiden?
HEEREMAN.
Leert ghy het Heerschap dan der Goden spraeck verstaen ?
VREKICK.
Nu Heemraên, luistert toe, en hoort ons reden aen.
VOLCKAERT.
Zal Heereraan my nu der Goden spraeck vertokken?
VRERICK.
lóós De Godtheit schuilt in bosch, in wateren, en woleken: Indien het anders waer\', men had geen tolck van doen. Velleede weet en leert hoe iemant Godt verzoen\'.
LANTSKKOON.
Velleede leert het ons, indienwe dit begrijpen.
VRERICK.
Men hoeft, daer klaerheit is, de herssens niet te slijpen. U70 De woorden brengen \'tmeê: de woorden leggen klaer. Doch zoo ghy middel ziet hem (zonder lantgevaer En plagen op den hals van \'t arme volck te halen) Te redden; wijs het aen. Men kan inaer eens verdwalen In zulek een wightigh stuck. Ghy hoort den eisch van
\'t lot.
LANTSKROON.
ig7ü lek hoor den eisch of niet. Is Godt nu tegens Godt?
VRERICK.
Geensins: geen Godtheit spraek noch oit zich zelve tegen. LANTSKRUON.
\'t is dan noodzaeckelijck hier anders meè gelegen.
VRERICK.
Geef reden van dat woort, indien ick \'t vatten zal. LANTSKROON.
Eischt Pan een\' ram, of bock, of stier uit onzen stal? 1579. 1661: ram —
75
VBERfCK.
ibso Hy eischt ons Arlelaert, dat bitter valt te zwelgen.
LANTSKROON.
Hy eischt dan \'t bloet van Helt, die schoot geen andre
telgen.
VREKICK.
Wat raet? wie verreght Pan een andere offerboet?
LA.NTSK ROON.
Hy eischt dan \'s Woudtsgodts neef\', ten zoen van\'s vaders
bloet ?
VRBE1CK.
Wat sterflijck inensch kan Grode of durf hem wetten
stellen ?
LANTSKROON.
1585 Een ongevoelijck mensch kan licht een oordeel vellen.
VRERICK.
lek oordeel niet, maer spreeck Velleedes oordeel na.
LANTSKROON.
Zoo schut men met mijn ramp een algemeene scha.
VRERICK.
\'t Gemeen heeft deze scha nu twintigh jaer gedragen. LANTSKROON.
De bloessem van ons zijde is zevenmael geslagen.
VRERICK.
1590 Het lot, viel twalefmael de Noordtzy fel te beurt.
LANTSKROON.
Dit achtste weeght veel meer dan al wat ghy betreurt.
VRERICK.
Men houde ons buiten schuit: dat lot was hem beschoren.
LANTSKROON.
lek heb hem hierom niet tot mijnen zoon verkoren.
VRERICK.
Al sneuvelt hy, wy staen in tal noch ongelijck.
%
1584. 1661: gode, — 1585. 1647 (j), 1648, 1661. — 1647 (J): ongevoelijrh —
76
LANTSKROON.
1606 Het scheelt slechts vier: uw zijde is ruim zoo volleckrijck. Dees eenige overtreft alle anderen in waarde.
VRERTCK.
Hier geit geen waerde of bloet, of wie hem won, en baerde.
LANTSKROON.
Hervat de keur nog eens.
VRF.RICK.
Beschimp het recht van Godt. 1600 Dat lydt de Noordtzy niet: zy houdt zich vast aen \'t lot. HEEREMAN.
Het dient haer nu: zy dorst, het eertijts tegenstreven.
VOLCKAERT.
Toen viel het ongelyck; zy most het nochtans geven.
HEEREMAN.
Zy keeck oock bang genoegh.
VOLCKAERT.
Maer banger niet dan ghy.
VRERICK.
1606 Nu Heemraet, houdt gemack, en rust van wederzy.
LANTSKROON.
Men zal de Godtheit eer door zulck een offer tergen.
VRERICK.
Zoo most de Godtheit zelf ons niet dit offer vergen.
LANTSKROON.
Zoo most men godlijck bloet niet hangen aen de keur. VRERICK.
Uit keurkrackeel ontstont dan licht een erger scheur. LANTSKROON.
1610 Het ga zoo \'t kan, zoo \'t wil: men moet zich noch beraden.
VRERICK.
Hoe lang beraên? men moet het offer niet verspaden. LANTSKROON.
Men stelle een\' onverlaet of booswicht in zijn steê.
lo(J6. 1661: eenige offer treft alle — 1609. 1647 (J): eeu ander —
77
VRER1CK.
Dat brengt het lantgebrnick noch zoenrechtgeensins mee.
LANTSKROON.
Verander hef gebruick: de noot verkeert de zeden, v RE RICK.
leu Men is uit hoogen noot tot dit altaer getreden.
LANTSKROON.
Wanneer geneest ons Pan van znick een lange smert?
VKERICK.
Zoo dra de wilde boogh hem micke naer zijn hart. LA NTS K HOON.
Velleede spelde dit vergeefs een ry van jaren.
VRERICK.
Te zijner tijt zal Pan verzachten, en bedaren.
LANTSKROON.
1620 En ondertusschen komt dees lantplaegh om inyn\' zoon.
VRERICK.
En om meer anderen. Zoo wort men ramp gewoon.
VOLCKAERT.
Ja Heerschap recht, zoo leert een lantheer meê gevoelen Hoe dit een lantman smert.
H EEREMAN.
Grhy zoeckt uw moet te koelen 1625 Met schimpen op den Heer. Wat quelt ons Volckert nu!
VOLCKAERT.
Wat quelt ons Heereman! Hoe na zal \'t recht, om u üf \'t Heerschap hier van daegh zijn\' gang niet konnen
krijgen ?
VRERICK.
Terwijl men handelt, laet, ay laet denHeemraetzwijgen, lt; M\' spreken met bescheit: men geef de reden plaats, lesn Ghy waert, voor \'tlantgeschil, van outs getrouwe maefs. Al ging de vreê van honck, zy kan noch weder komen:
Ï(i24. 1661: » — 1626. 1647 (J), 1661: hoe — 1627. 1661: Heerschap, — 1647 (J); diiegh\' — 1628. 1661: laet ay — de — 1630. 1661 : van ons —
78
Zy groeit wel weder aen, als afgehouwe boomen. Wat my belangt, ik zie de vruchten van den twist, En hoe men in den twist van weêrzy zich vergist, ]63sgt; En door \'t vergissen elck om eige schuit moet bloeden. Nu dient men noch by tijts het quaetste te verhoeden, Op dat geen boozer lucht zich in dees pleitkoorts meng\'. En Zuidt- en Noordtzy beide om hals en have breng\'; Dies laet ons elck met raet en daet den oirbaer ramen. IjANTSK koon.
ifitn Verschoont mijn\' zoon, en brengt van wederzy te zamen Wat voort tot pais, en vrede, en rust gedyen kan. lek geef mijn stem aen u.
VRERICK.
Gehoorzaem vader Pan: Wy zullen morgen vroegh van \'t ander gaen beginnen. 164b Wie andren winnen wil, moet eerst zich zelf verwinnen. De kudde volght den ram gewilligh op zijn spoor. Getroost u Adelaert, en geef het recht gehoor. LANTSKROON.
Wat baet nu al myn zorgh, zoo menigh jaer gedragen ? lek rechte een\' winthont af, en wörgh hem voor het jagen. 1650 lek vockte een veulen aen, en jaegh het in zijn doot. lek leerde een\' schoonen valek, en drenckhemindesloot. Neen Adelaert, myn zoon, ick geef u zoo niet over. lek ly niet, dat men my beguighele, en betover\'. Hack beueken af tot brant: legh rijsboseh op het vier: 166b Hou eick en elzen om: verschoon den lanwerier: Verschoon het eeuwigh groen: laet ander loof verweleken. lek voedde hem niet op om koe of schaep te meieken; Een kudde of ossendrift te drijven langs den wegh; Of braem en bes om loon te lezen op een hegh; i66n Maer naer den eisch des struieks, waeruit hy is gesproten; Geensins om zulck een\' schat te hangen aen dit loten.
1632. 1661: bomen. — 1638. 1647 (j), 1648: Zuidt-en-Noortzy — 1648. 1647 (•)): zorg, — 1651. 1647 (J): een — 1653. 1661: niet at — 1653. 1661: beguichele —
Indien de boogh hem trof, wie heeldeoit znlckeen smert? My dunekt die droef heit viel my, als een steen, op \'t hart. Men sla wat anders voor; men kreuck\' dit bloedigh oordeel. 1065 Green vonnis leit zoo vlack, of godlijck bloet heeft voordeel.
WOUTER. LANÏSKROÜN. VKERICK.
Och heerschappen, staetby: och Heeraraet, staet ons by: De Zuidtzijde is in roer, en al de Noorder zy. Men graeft de paden op; de huisman raept vast steenen. De meester en de knecht, het dorp is op de beenen. 1670 De wijven hnilen vast. De koe, het kalf, al \'t vee Dat bulckt en blaetze na. Ick huil mijn hart in twee. De jongers komen voort met voreken, sclmp, en liaecken. Met zeissen, stook en tang: een ieder past te raecken. De zonnewagen hangt en helt al steil en schuin 1075 Voor over in de zee, geen hantbreet boven duin.
LANTSKROON.
Wat vraeght ghy naer de zon? laet ros en wagen rollen.
WOUTER.
Och Heerschap, zinkt dezon, zooraekt hetlantaen\'thollen. Men wacht den Wildeman; hy stapt al brullende aen; Hy weet van dit krackeel. Wie kan hem tegenstaenV in so Hy ruckt de booinen uit met aerde, en stronck, en wortel. Verrascht hy Leeuweudael, hy trapt het vleck te mortel, Of zet het al in brant want lieint is of ontrent. Och, komt de Wildeman, zoo loopt het op een endt. De maeghden staen gereet om Adelaert te leien,
igsö ïe wasschen in de beeck, te kranssen, te beschreien; Zy wachten sleehtsop\'twoort; och mannen, geef het woort.
VR KlirCK.
Ku Heerschap, kort beraet; men wil ons fel aen boort. Ay, geef u zeiven toch, om beters wil, gevangen.
(j A NTS KROON.
Och \'Adelaert, mijn zoon. Zoo ga het lot zijn gangen.
1072. 1061: schup — 107/. 16611 zo — 167S. 1661: aen ; — 16S!J. 16 7 (J): zo — 1661: —
\\gt;)M)Ki., Leeuwendalers. Y
80
KEY VAN LEEUWENDALERS.
KEER.
1690 Nu volgh ons volgens \'t lantgebruiok,
Helaes! een hardt gelagh:
Wy gaen met becken, krans en kruick U naer de zuiverplaets geleien, En zuivren, kranssen, en beschreien. 1095 Toen Oostwey *), ouder dan de dagh
Gestarrent zon en maen,
De zon zagh ondergaan,
En d\'eerste reis voorover rollen,
Geraeckte al \'t lantschap aen het hollen; nno Het klonck met schap en tang
Op beckens, en keeck bang:
Het huilde en kermde: o smart, O keer dien gouden kloot.
Hoe valt ons d\'oude nacht op \'t hart 1705 Voor eeuwigh! schut den noot.
Die lamp te derven, is een doot.
TEGENKEER.
Out Oostwey, droef in slaep geschreit,
Outwaeckte \'s morgens vroegh Met vreught uit zijn onnozelheit; i7io Toen d\'uchtend, voor den zonnewagen,
Die nare grijnzen quam verjagen, ,
De lucht allengs wat blijder loegfi. En \'t volleck uit de wey.
Den doier van het ey 1715 Der weerelt, of de schijf der schijven
Zoo schoon verguit zagh boven drijven, Gelijckze \'s avonts zonck.
Maer och, dees heldre vonck
1661; , zon —
*) Arkadie.
81
Voor eeuwigh uitgedooft, 1720 Met eenen kouden steen,
Ons van die hope en troost berooft. Het graf verwacht het been; De geest zal waeren hier beneên.
HET VYFDE BEDRYF.
LANTSKROON. ADELAERT. VRERICK.
Wy naeoken d\'offerplaets: helaas, men kan niet spader. 1725 Mijn waerde zoon, vergeef, vergeef het uwen vader, Die, als zijn eigen kint, u opvoedde in zijn huis. Dat hy, geperst door noot, en sohricklyck lantgedruis. Het onverzoenbaer recht des Zoendaghs niet kan schorten. Godtvruchtigheit verbiet de Godtheit te verkorten: 1730 Medoogenheit gebiet dat iok uw leven spaer\'.
Wat voelt mijn geest een\' strijt! o wreet verzoenaltaer, O zode, durftghe wel het bloet der Goden leckeu, Daer lindeschaduwen oock spin en padden decken? En zal dit heiligh root besprengklen \'t groene bedt, | 1736 Dat noit met zulck een bloet gevlackt wert, en besmet? Wat raet, mijn kint? De zon van uwe jeught aen
\'t blincken,
En naulix opgegaen, begint in \'t gras te zineken. Als d\'andre zon in duin: maer dees keert morgen weêr;
!Het liciit van uwe jeught en jongkheit nimmermeer. Het liciit van uwe jeught en jongkheit nimmermeer. ADELAERT.
1740 Mijn vader, langer niet mijn vader in dit leven, Ghy hebt uw eigendom de Godtheit zelf gegeven. En ick mijn zeiven gansch vereert aen \'t algemeen;
1730. 1661: Medo^entlieit — 1731. 1661: een — 1734. 1661: besprenekleu —
82
Benijme niet dien krans, een lot, dat ieder een Niet toevalt. Laetme gaen den schutter zelf verrassen. 1745 Rechtschapen karei past op dootshooft noch grimmassen Van grijns of schors des doots, die kinders hier vervaert. Greluckigh sterft hy, die zijn doot niet eere paert. v REKICK.
Nu hoor ick Warandier noch leven in den zone. En ken hem in zijn kroost. Dat vader Pun u kroone, iTso Die uwen vader volght in moedigheit en deught. \'k Geloof zijn assche springt en huppelt nu van vreught; Indien de beenders noch, in hun geruste stoelen.
Zich moeien met ons lot, en iet van \'t weereltsch voelen. Hy scheide met dit woort, van Koenraets arm gestut : 17óö Ick leefde minst voor my, en sterf om \'s anders nut. Ga hene, groet dien helt; vertel hem d\'ongelucken. Die, na zyn ongeluck, niet lieten ons te drucken. LANTSKKOON.
Mijn zoon, indien u noch iet weereltsch quelt, en smart, Ontdeck my voor het leste al wafer leit op \'t hart. 1760 De Hemel blijve op ons iu eeuwigheit verbolgen. Indien wy uw verzoeck en jongsten wil niet volgen.
A DELAKRT.
Ick heb een bede op u, en twijfel \'er niet aen Zy wort gewilligh van u beide toegestaen Aen een\', die gaerne sterft, en vrolycker zal sterven, 1765 Indien hy na zijn doot \'t beloofde magh verwerven. VK F.RICK.
De lantkappel, de beeck, de lindeboom, de lucht. Het velt, het stomme vee, de vogel in zijn vlught Getuige van uw bede, en \'t geen wy u beloven.
LANTSKROON.
De donder sla liet ooft met vlaegh op vlaegh van boven; 1770 De hagel sla met kracht den bloessem op den boom. Houdt elck van ons u dit niet eerelijck en vroom. VRERICK.
De koe ga grazeloos en dor en mager quijnen; De vogel schuwe ons lucht; de duin verjaegh de knijnen ;
83
De visscher vange en vissch\' gedurigh achter \'tnet; 1776 Indien men dezen eedt niet nakome, als een wet.
ADBLAEKT.
Houdt op, ick ben gerust, en zonder eedt te vrede. Uw woort is my genoegh ; oook wil ink met geen bede, Die hooger dan de maght, en boven reden ga. Belasten eenigh raensob, noch moeien tot zijn scha. 1780 Gby, vader, weet het wel, en d\'omgelege dorpen En duinen, hoe ick \'t oogh zoo vierigh had geworpen Op schoone Hageroos; hoe d\'ongelegen tijt En twist my dit geluck misgunt hebbe en benijt. Zy blijve nietemin onschuldigh, onbesproken. 17»ó De min is keur, geen dwang. Het werde niet gewroken Aen iemant, die mijn woort ter quader trouwe hiel. \'k Verzoeck alleen op u, indien het zoo geviel. Dat deze schoone bloem oock maeght quaem t\'overlijden, (Zy leve na mijn doot) gby woudt mijn grat\'steê wijden 1790 Met zulck een zuiver lijck, en onder eenen zerck Haer zincken in mijn graf, met dit gedicht, en merek: Hier sluimert Hageroos, by Adelaert gezoncken: Haer koudt gebeente kan zijn assche noch ontvoncken. LANTSKROON. K
lek zweer, zoo dat gebeure, en hoe het voor gewis, 1795 Een staetsi zal haer lijck, gelijckze waerdigh is,
Gebeuren, langs den wegh, bestroit met groene meien. En palm en lauwerier; ick zelf\' de bacr geleien, En volgen hangends hoofts, en storten overluit Mijn\' zegen over uwe en hare beenders uit.
VRERTCK.
iwin Een ieder wil zijn gunst aen zulck een staetsi schencken; Geen huisman dan zijn vee in sloot of beke dreneken; Geen koe zal haren mont eens zetten aen het gras; Dat treure, als of zijn groen verslenst verstorven was. Men zal uw\' zerck rontom beplanten met cypressen, 1806 En wenschen datze in \'t graf uw minnevier magh lesschen.
1774. 1661: viscli\' — 17S4. 1661: niet te min — 1803. 1661: verslenst, —
84
ADELABRT.
Myn vader, laet ick u omhelzen met een\' kus.
LANTSKROON.
Mijn zoon, dat geene doot d\'oprechte liefde blussch\', Waermede ick u, een wees, uit vader! yck ontfarmen, Ontfing in mij nen schoot, en druckte met deze armen isin Zoo hartelijck aen myn hart, het welck benauwt, alree Dien wilden pyl gevoelt. 0 smert! o hartewee!
AUELAERT.
De Goden loonen u al \'t goet, aen my bewezen; Schep moedt: rechtschapenheit behoort geen\' pijl te
vreezen.
VEERICK.
Dat ick u mede omarme, o roem van Leeuwendael! 1816 Ga rustigh hene: sta zoo pal, gelijck een pael.
Uw vromicheit zal doot, en boogh, en pyl vervaren.
ADELAERT.
Dat u de Goden lang tot nut der menschen sparen. Ontslame: laet ick my vernedren op mijn knien. En voor de lantkappel noch d\'uiterste eere biên 1820 De Godtheit, die my wacht ten offer, haer beschoren. O vader Pan, ben ick uit \'s Woudtgodts stam geboren, En eerde ick altyt vroom de Godtheên van de jaght, Van acker, bosch, en vee, en wat men heiligh acht. Zoo laet u door myn doot voor \'t lest genadigh stillen: 1823 Verbie zulck offeren, dit jaerlijcks raenschespillen; Een bloetwet al tezwaer. Vermorwt u\'s volcks geklagh. Zoo geef dat Leeuwendael eens adem scheppen magh. Hier op neem \'t. offer aen, dat wy u heden schencken.
vBERICK.
\'t Gaet wel, de Godtheit schijnt u gunstigh toe te wencken.
ADELAERT.
isüo Nu entlijck ree gcstaen voor \'t outer van den boom. Waer blijft de Wildeman? ick wacht hem, dat hy koom\'.
1816. 1061; vromigheit — 1S23. 1601 : bosch — 1826. 1647 (J): uw\'s —
85
Ay, vader Lantskroon, ay, watkeertghy\'thooftterzijde? Wat schroomt ghy het gehick, dat my fortuin benijde, En weigerde al te lang, t\'aenscliouwen ? Keer u om. ls35 Zoo tart mijn hart den pijl, en heet hem wellekom. De Wildeman genaeckt: zijn schreden zijn niet verre. Ick zaegh mijn heil voltoit, zoo nu mijn morgenstarre. Mijn lieve Hageroos hier tegenwoordigh stont.
En my gewaerdighde mijn\' geest met haren mont is o Te vangen, als de ziel ter hartwonde uit zal vaeren, Noch root en warm van bloet, van bloet, het welck ick
gaeren
Ten besten geve, indien ick in haer gunste sterf.
WILDE M A N.
Hier is de Wildeman, de Lantplaegh, het bederf Der wrevel moedigen, die d\'Ackergoon onteeren. is 5 Hy liet zich van geen\' Reus noch Herkules braveeren. Van Moor, noch Polyfeem, noch hallef man en paert. Noch menschevreters, die afgrijslijck wilt van aert. Gebogen voor zyn\' boogh en knodts, zich lieten binden. Hy groeit in menschejaght, en rooven, en verslinden, isbo En stapt waer hem de wraeek der Goden henedrijft. Het geit nu Leeuwendael, dat noch krackeelen blijft. Waerachtigh dat \'s het wit, het welck ons past te raecken. Sta vast, dit horenpunt zal door de ribben kraecken. Daerleit het quastigh hout, ons knodts, zoo lang in \'t gras. 185Ti Nu stijgh dien heuvel op, en mick, en schiet hem ras. Welaen, mijn fixe boogh, ghy hebtme noit bczweecken; Mijn wollefspees, te taey in \'trecken om te breecken, Gedoogh dat ick u spann\' veel stijver dan voorheen. Nu op den nagel eerst de scherpheit van het been isgo Des pyls aldus geproeft; het noodighste moet voorgaen. Nu aengeleit: sta vast; sta vast, dat zal\'er doorgaen.
n
1845. 1GG1 : reus — 1855. 1CG1: den — 1856. 1661: Wel aen, — 1860. 1661: nodighste —
86
HAGBRÜÜS, A DBLAERT. VRERICK. WILDEMA N.
Jfaer allereerst door my. De Wilde treffquot; inyn hart. Dat uwent halve koen den strengen moortboogh tart,
Mijn liet\', mijn Adelaert, omhels my eens voor \'t leste:
isas Uw trouw verplichte my; nu geef ick \'t lijf ten beste, En trede in uwe plaets. Wat toeft de Wildeman?
Geen schooner wit dan dit. Dat hy den moortboogh spann\' En aenlegge op mijn borst. Schiet toe, schiet toe,ghy rover.
ADELAERT.
Och Hageroos, mijn bloem, mijn troost, wat komt u over ?
VREKICK.
is70 Wat razerny is dit? wat dolheit komt u aen?
Vertreek, ick ly het niet.
HAGEROOS.
Hoe kan ick schooner staen ? Zoo moet een lief haer lief beschutten, en beschermen. Zoo sterfze, wel getroost en vrolyek, in liefs armen.
ADELAERT.
is7ü Ghy sterven? neen gewis. Dat ghy uw leven spilt Voor \'tmijn, en uwe borst my diene voor een\'schilt;
Ick ly het niet: vertreek, vertreek, mijn uitverkoren. De Goden eischen my, ten zoen van hunnen toren. HAGEROOS.
De Goden wraecken my, zoo \'t offer hun mishaeght.
VRERICK. y
i .15(1 Hier wort een jongelingk vereischt, en geene maeght. HAGEROOS.
Welaen, zoo laet een pyl dan twee gelieven paren.
En recht door myne borst in quot;s minners boezem varen. En hechten hart aen hart, en lijf aen lijf te hoop. Zoo paren minnaers best: men leit geen\' vaster knoop.
1863. 1C61: halven — 1882. 16G1: miunaers
87
WILDEMAN.
1885 Dat gelt dan man en wijf: ick zweer het by den vader.
VRERICK.
Vertreck, mijn kint, liy schiet, hy schiet u bey te gader.
HAGEHOOS.
Schiet toe, ghy Wildeman, schiet toe: schiet toe: geen noot. Al wie uit liefde sterft, die sterft de zoetste doot.
ADELAERT.
Hon oj), o Wildeman, o Hageroos, mijn leven.
HAGEROOS.
ib\'jn Doorschiet mijn\' boezem eerst.
WILDEMAN.
Grhy znlt \'er beide kleven. Ick ken noch maeght, noch knecht, wie achter stact,
of voor.
De boogh en pijl zijn blint. Dat kost, dat gaet\'er door. PAN.
Hou op, o Wildeman: gehoorzaem ons geboden:
laöü Ontspan den wilden boogh; nu micktghy naer ons hart. Het huwlijck van een paer, geteelt uit Ackergoden, Vereenigh\' Leeuwendael, na zoo veel twist en smert.
VRERICK. LANTSKROON.
Gelooft zy vader Pan, bezorger van ons allen. Hoe staet de Wildeman? de inoedt begint te vallen: ]9on Hy treckt de schouders op, en schudt zyn hooft, noch warm Van toren. Hy bedaert, en schort met zijnen arm En ocksel vast de knodts, en deist, niet zonder stenen. Zoo druipt een sulfer af, die tusschen zijne beenen Den staert vast intreckt, als een dogh, hem veel te sterek, 1905 By d\'ooren heeft geschudt, gebeten uit het perek.
LANTSKROON.
(relooft zy vader Pan, bezorger van ons allen.
1892. 1601: staet — 1S9S. 1047 (J): allen, —
88
Men offre hem geen koe, noch kalf, maer heele stallen. Hy toomt den Wildeman, verschoont het vrome bloet. Uit \'s Woudtsgodts struik geteelt. O Leeuwendael, schep
moedt.
VREJtlCK.
i9io Maer zie dit vrolijck paer elckandere mi kussen. En vryen, mont aen mont: wy hangen ondertnsschen Om d\'uitspraeck van Godt Pan in twijfel. Hoe? wat is Het hart van Pan? wie melt ons dees geheimenis? Wat paer, uit Ackergoon, en goddelijcken bloede,
luie Vereenight Leeuwendael? naerdien men noit bevroedde Waer Vredegunt belandde, of van een kint gelagh; Het eenigh, daer de hoop van Duinrijcks stam op zagh. \'k Geloof Velleede zou \'t Orakel niet ontvouwen.
KOMMER Y N. V ü L C K A E 11T. V 11 ERIC K. L A N ï S K R Ü O N.
Ick koom ter goeder tyt uit andere landouwen, 1920 Naerdien ick spreken hoor van onze Vredegunt.
VOLCKAEUT.
Wat zeghtghe, bestemoer?
KOMMERYN.
Met oorlof, Heemraet, kunt Ghy my berichten of de vondeling magh leven? Is Volckaert niet uw naem?
VOLCKAEBT.
1925 Het zy zoo: dat\'s om \'teven.
Wat leit u aen mijn\' naem ? men noemtme zoo van outs.
KOMMERYN.
My dunckt ick kende u eer, en ken u noch, Godt woud\'s. Berichtme toch van \'t kint, dat iemant in de heggen. Op uwe hofstede, eer te vondeling liet leggen.
VIlEllICK.
1930 Hoe moeder? kent gy dat? en zijn gelegenheit. Of schort het u in \'t hooft?
1927. 1601: ken u ontbr. —
89
KOMMERYN.
Geen mensch kan u besclieit Van zijn geboortelot, en staet, en oudren geven Als ick.
VBERICK.
i\'Jss Hoe komtghe hier?
KOMMERYN.
Uen Rijnstroom afgedreven, Uit eenen hoeck, daer oock de tweedracht op de been, De rust versteurt; en \'s nachts my Vredegnnt verscheen, En riep: vertreek, eer u hier nieuwe ellenden drueken. mn Bezueck ons out gewest, het zal u daer gelucken. Hoe heeft my d\'ouderdom verandert, en mijn buurt? VOLCKAERT.
\'k Vertrouw de hemel heeft haer herwaert aengestuurt. Ick ken dit aengezicht: ick bidde u hoortze spreken. LANTSKROON,
Heeft iemant van ons vleck erghlistigh dit besteken? 19« Zie voor u, bestemoêr, en stel ons niet te leur
Met logentael, of droom; ghy staet hier voor de deur Der lantkappelle, en kunt de Godtheit niet bedriegen.
KOMMERYN.
Laet andren vry haer tong verhuren om te liegen. Te beuzelen by \'t volck, dat gaerne wort gestreelt; 1950 \'tls mijn gewoonte niet; hoe zeer ick ben misdeelt Van \'t avontuur, dat my, van have en man versteken. Zoo lang heeft omgesolt in onbekende streken.
VRER1CK.
Ghy geeft uw zeggen schijn van waerheit, en van reên: Maer komt uw rede niet in alles overeen,
1955 Zoo wil het haperen; men zal uw woorden wegen. Hoe is uw naem? Hoe is \'t met uw fortuin gelegen? KOMMERYN.
Mijn eigen rechte naem is Kommerijn, en stemt Geheel met mijn fortuin. Ick ben hier niet zoo vremt.
1948. 1047 (J): verhuuren —
90
Of wert\'er opgevoedt, gewonnen, en geboren. i960 \' k Heb bey mijn ouders vroegh, ocharm te vroeg! verloren. Het Leenweudaelseh krackeel stont my te bijster duur, Het koste goel en bleet, en leerde een weenw hoe zuur Men aen zijn\' nootdruft raeckt, daer luttel valt te winnen, lok zworfin ballingsoliap rontom, enkloeekaen\'tspinnen, 1905 Beholpme in eerbaerheit alleen, en onhertrouwt.
VEERICK.
Zy zworf van deur tot deur, en komt hier arm en out, En brouwt, om wat genots, de waerheit met de leugen. Heught u van ons krackeel ?
KOMMER YN.
Wie kan dit beter heugen 1970 Dan my, die \'t eeuwigh smert, dat dit krackeel ontstack, Gelyck een vuile pest, en sloegh van dack in dack, Noch feller dan een brant, onmogelijck te blusschen? Men raekte hantgemeen: de vroomste schoot \'er tusschen, Die stereke Waerandier; (hy kreegh den naem van Helt ws Niet ydel, noch vergeefs) en Duinrijck zocht gewelt ïe schutten, aen zijn zijde, en misverstant te scheiden ; Maer lieten \'er den hals, dat menighten beschreiden. D\'oprechte Grodelief verschelde op dit gerucht, En Lantskroon nam het kint: maer Duinrijcks weeuw
bevrucht,
193(1 Ontvloot benaeuwt dien moort, en quam uit noot, in
heggen
En duin, van eene vrucht, een dochter, te gel eggen. Ick vlughte aen hare zijde, en tuige u waerze bleef
VRBUICK.
Hoe hietze?
KOMMERYN.
Vredegunt.
VHERTCK.
1985 Dat Pan het u vergeef:
Gretuightghe nu een zaeck, wel twintigh jaar geleden?
1960. 1061: och arm —
91
KOMMERYN.
Ay Heerschap, steur u niet: dit heeft al mee zijn reden.
VOLCKABRT.
Zijt gliy met Vredegunt uit Leeuwendael gevluglit?
KOMMERYN.
Zoo waerlijck helpme Pan. lok berghde zelf haer vrucht, 1990 Toen zy in duin beviel, en storf met deze woorden : O minnemoêr, de haet zal zoecken te vermoorden Door lagen of vergift de hoop van Duinrijcks struick. Dit arm onnozel wicht; dies wil iek dat het duick\'. En schuile twintigh jaer, bedeckt voor vrient en mage. 199ü Dit zwoer iek haer, en ley het kint in uwe hage Te vondeling, heel vroegh, op eenen morgenstont. VRERICK.
Ghy zorghde voor de vrucht, en niet voor Vredegont?
KOMMERYN.
Die storf: iek hebze in duin en onder\'t zant begraven, En vliedende den twist, verkoos een stille haven, iiion Wat zou men doen? Iek schuwde ons lantplaegh, vol
gevaers.
En \'t vleck, daer Koeman, och mijn man, gelijck een baers, Gekerft wiert met een mes, van Vechter, die smoor-
droncken.
Hem neêrley, daer hy zat, zoo stil, en niet beschoncken. Och Koeman, och, hoe dick heb iek een\' man ontzeit, soos Mijn schorteldoecken nat, mijn oogen uitgeschreit? Waer vont men oit een weeuw, zoo stil, en droef van harte. Als uwe Kommerijn, vol kommer, en vol smerte? LANÏSKROON.
Maer wat verzekert ons van zulck een vondeling?
KOMMERYN.
De bloetroos op den arm, en Duinrijks merrekring, 2oio Die Vredegunt my schonck, om eeuwigh te bewaren: Nu komt hy wel te pas. . VRERICK.
Laet zien dien ring.
1989. 1661: de vrucht, — 1991. 1661: ; de —
92
KOMMERYN.
Zeer garen.
VOLCKAERT.
Wat zienwe? Duinrycks merck, een knijn in duin, een
knijn.
2015 Dit komt op waerheit uit: hier lieghtgeen valsche schijn: \'t Verhael hangt heoht aen een; hier mangelt niet een
schakel.
VREEICK.
Nu kan ick Pan verstaen, en zie door zijn orakel Den klaren dagh. Dit paer, uit Wondt- en Veegodts bloet, Ontslaet ons Leeuwemlael van jaerlijcksche offerboet. 2020 Dees Maeght is \'t hart van Fan, haer grootvaêr, en
behoeder.
LANTSKROON.
Koom herwaerts,dochter,koom,omlielsuw tweedemoeder. Omhels nu Kommerijn, en onderstutze in noot. Z\'ontvouwt ons uw geboorte, en berghde uin haer\' schoot. Men hylicke Adelaert en Hageroos te gader.
2026 Ick stel my heden in, gelijck een Vredevader, Op dat men haet en nijt, als in een graf, bedelf\'. De Noordtzy blijf voortaen een Vryheit op zich zelf. Zijn\' Heemraet onderdaen. Dat Volckaert dat regeere Ten beste van het volck, en twist en onheil keere. 2o:)o Malkandren nu omhelst, en tot een vredepant
Gezegent, en begroet, verwelkomt, hant aen hant: Dit paer geluck gewenscht, het bruiloftsliet gezongen. En met een rondendans eens in den boght gesprongen, ïer eeren van den Vrede, en onzen vader Pan, 20:« Die in verlegenheit zijn kinders redden kan,
Hen zegent, na den vloeck, en op der vromen bede. Door lanttwist baent den weghtotrust, en Pais, en Vrede.
2014. 1G61: Dninryck — 201S. 1647 (j). 1648: WonJt--en-Veegodts — 2019. 1647 (J): otferbluet —
93
REY VAN LEE ü WEN DALERS.
\'t Is bruiloft in de weide:
\'t Is bruiloft o]) het lant.
2040 Nu danst om deze beide,
En huppelt haut aen liant,
Om Hageroos en Adelaert,
Door ongeveinsde min gepaert.
Door reine liefde en trouw vergaert. 2045 O zoete zachte bant.
De Zuidt- en Noordtzy pareu Zicli in dit paer te hoop.
De tweedraght is vervaren:
Meii leit een\' vasten knoop. 2050 Men weet van lantkrackeel, noch nijt,
Van wederwaerdigheit, noch spijt: Men zoent, omarmt, bemint en vrijt. De Twist is op de loop.
Wy zien de huisliên blijde, 2055 En vrolijck, nu alree
Vol hoops van wederzijde Krieoclen onder \'t vee.
De Heeraraet leit den Haet aen toom. De koeien geven melck en room.
2ofio Het is al boter tot den boöm.
Men zingt al Pais en Vre.
PAIS b N V R E.
2046. 1017 (j), lfi48: Zuidt-en-Noortzy — 2057. IRfil: krieüelen —
1661: Vignet (motto: \'t End-Goet, Al Goet).
HERDERSKOUT
TUSSCHEN
M E LI B E U S EN TIT Y R.
MELIBRUS.
Ghy Tityr leght en duickt vast, uitgestreckt In \'t groen, zoo dicht van beuckenloof bedeckt. En tureluurt op uwe pijp, gesnede Van wanckel riet, een veltliet, wel te vrede;
Maer wy, ocharm, verlaten lant en zant. En Vaders haert. Ghy mooght aen dezen kant Uw Amaril, uw schoonste, in schaduwe eeren, En bosch en galm nw minnewijzen leeren.
TITV R.
ü Melibees, een Godt heeft my geredt.
En dus gerust in vaders erf gezet.
lek zal hem oock mijn leven langk belijden Voor mijnen Godt, en zijnen outer wijden En sprengkelen met bloet van menigh lam, Zoo zuiver als het uit mijn schaepskoy quam; Naerdien hy my, gelijckghe ziet, mijn ossen Dus weiden laet in beemden, en in bossen. En spelen wat mijn hart begeert en lust.
MUI,TB F. IJS.
Waerachtigh ick beny u deze rust.
Dit leven niet, maer sta voor \'t hooft geslagen, Dewijl men \'t lant rontom van krijgh hoort wagen. O Tityr, zie hoe kommerlijck ick vast
95
Mijn geitjes drijf, en nauwelix met last
Dit arrem dier noch voovtkrijgh, dus ongaeren,
Vermits het korts in dichte hazelaren
Twee jongen wierp, den Zegen van mijn vee,
En liet dat paer, ocharm, met hartewee
Op eene rots, de bloote steenrots, stenen.
Het heught my, och (had my het hooft voorhenen
Niet dwers gestaen) dat d\'eickeboom al vroegh,
Toen dondervlaegh op vlaegh de tacken sloegh.
Ons menighmael deze ongelucken spelde:
Een kraey in \'t loof, ter slinrke zy, dit melde.
Maer evenwel, ay zeghme, Titermaet,
Wat Godt is dit, daer gliy zoo rijck van praet?
t1tyr.
O Melibees, ick was zoo slecht voor dezen. En meende Rome al heel een stadt te wezen, Als Mantua, daer met zoo menigh boer Ick \'t zoghlam dreef, en eer te merreckt voer; Doch \'k hebbe daer (betrouwme dat) bevonden Hoe ick een jong geleeck by groote honden, Een\' jongen bock gelyck zijn moeder schat. Het kleen zoo groot als \'t groot: maer deze stadt Ziet alle steên zoo laegh beneên zich dalen. Als \'tlynen kruit by geen Cipres magh halen.
melibeus.
Wat rede porde u naer die stadt te gaen ?
■rm r.
Mijn Vrv iiktd, my met kommer toegestaen,
Toen my de baert, als sneeuw, wiert afgeschoren; Maer ick verkreeghze in \'t ende, als mijn verkoren. Mijn Galaté my afsloegh; Amaril Alree de kroon in \'t harte spande al stil:
Want om recht uit en ongeveinst te zeggen. Zoo lang mijn zin op Galaté bleef leggen _ Verworf de hoop van Vryheit nergens steê.
26. 1Ö61: och arm, —
96
Oock kreunde ick my niet eens met lant noch vee. En schoon myn koy zoo menigh lam te slaghten Bestelde, en wy den kaes te merreckt braghten, En persten voor dees steelny, vreck van aert; Het was ons t\'hnis bykans geen\' penning waert.
MELIBEUS.
O Amaril, bedruckte en bleecke vryster. Het gafme vreerat, waerom ghy toen zoo byster De Goden riept te Imlpe, en voor wiens mont Ghy \'t ooft, waer van uw hof geladen stent, Bespaerde, en liet verrotten op de boomen:
Want Tityr was noch niet eens t\'hnis gekomen. En dit geboomte, en bogert, beeck, en bron Om Tityr riep, wat ieder roepen kon.
TITYR.
Wat zoude ick doen? Hoe kon ick in dees plecken Mijn\' hals het juck der slavernye onttrecken? En nergens vont ick zulck een wisse wijck. Een\' Godt, zoo milt, en zoo genaderijek. O Melibees, daer heb ick, lang miszegent,
Daer heb ick eerst dien longeling bejegent Om wien ghy mooght ons offer op \'t altaer Wel twalefmael zien srnoocken, jaer op jaer.
Hier stout hy eerst mijn bede toe: ghy knapen, Gaet, sprack hy, weit uw ossen: hoedt uw schapen. Gaet hene, drijft uw stieren \'s morgens vroegh, Gelyckglie plaght, en spantze voor den ploegh.
MELIBEUS.
Geluckigh zijt ghy in uwe onde dagen.
Die in uw lant gezet wort, dat u dragen
En voeden kan, al leit de weide en \'t gras
Hier tusschen klip en biezen en moerasch.
Het draghtbre vee zal hier aen \'t gras niet sterven.
Geen nabuurs kudde en evel \'t vee bederven.
6S. 1647 (J): ontrecken? —■ 72. Ififil: ilen—-bejegent,—• S3. 1661: draeghtbre —
97
T
Geluckigh is hy in zyn\' ouden dagh,
Die hier gernst in \'t groen, zich zeiven magh, [Aen eige beeck en koele bron gezeten]
En al zijn leedt in sohaduwe vergeten. De heining, en uw buurmans wilgeboom, Vol bloessems, hier van byen, zonder schroom. En dagelijcks al brommende uitgezogen, Zal dickwils u met toegelokene oogen Al zacht in slaep betoveren. Hier zal De snoeier van \'t geboomte, uit hol en dal. En onder rots en klip, u deuntjes zingen. Dat galm en klanck door lucht en wolck koom\'
dringen.
De tortel op den ollem evenwel.
De ringeldnif\', zoo heesch van keel, uw spel. Uw tytverdrijf, zal midlerwijl vast morren. En bezigh zijn met draeien, en met korren.
T1TYE.
Het hart zal eer gaen vliegen hemelhoogh, De visch in \'t lant gaen weiden op het droogh, De Persiaen en Duitschman, beide vreemden En ballingen, in veergelege beemden Den dorst verslaen; d\'een aen den oever van Den Tiger; gene in \'t wedt des Arars, dan lek zulck een deught, en zijn gedaehtenisse Uit myn gemoedt, en myn gedachten wisse. MEMBEUS.
En wy, ocharm, wy mogen henegaen,
Daer Libye zijn\' dorst niet kan verslaen;
Een deel van ons ten Noorden, altijt droever; Een ander deel, daer langs den hoogen oever, Oaxes, die zoo vreeslijck dryft en woelt,
Het vette klay van bey zijn kanten spoelt; Een ander deel naer \'t krijtstrant, daer de Britten \'Zoo verre alleen van al de weerelt zitten.
90
no
116
98
Och, zal ick wel mijn vaderlant en grens Na langen tijt eens weerzien, naer mijn\' wensch. En \'t zodendack van mijn bekrompe hntte, isn üaer zulck een oegst, vol weelde, \'t leven stutte? Zal een soldaet, een onverlaet, o schant!
Bezitten dit gebouwde en nieuwe Jant? Een vreemdeling baldadigh \'tvelt bezaaien, En zulck een\' oegst met dolck en degen raaeien? iss Bezie nu wat krackeel den burger brouwt;
Voor wie hy zweet, en ackers eert, en bouwt. O Melibees, plant wijngert, ent vry peeren Voor \'s krijghsmans mont: soldaten zijn nu heeren. Mijn geitjes, voort: mijn kudde, spoet u ras, 130 Die voortijts plaght te groeien by dit gras.
Ick, in een hol, gemacklijck achterover.
Zal u niet meer, van verre, kruit en lover Zien kabbelen en kaeuwen, even graegh. En hangen op een steenklip, aen een haegh. ins Ick zal voortaen u geene lietjes zingen.
Gliy geitjes zult voortaen niet henespringen En huppelen voor mijnen staf in \'t groen,
Daer klaverblaên en wilgeblaên u voên.
TITYR.
Ghy moogt te nacht by ons wel blijven rusten. ho Wy hebben t\'huis rijpe appels, zooze u lusten. De nieuwe vrucht, kastanje, en stremsel: oock Betreckt de lucht daer ginder met een\' roock Van daek tot dack. \'t Geberght verberght de stralen Der zonne, en lengt zijn schaduwe in de dalen.
118. 1001; weer zien naer — 12\'.) 1001: spoeit — 135. 1061 : gene —
U I T.
lt;