DE MARTELAARS
li
H §4— 1^-|4gt;-
lp
P^-
«#4-s h
jli lt;--gt;:
:
DEP,.
EERSTE CHRISTENGEMEENTEN
VERHALEN UIT DE KERKGESCHIEDENIS
DOOR
G. C. HOOGEWERFF
Schrijver van: „Een Schipbreukelingquot;
#4-p-
#4gt;-
#4-
I. clcj Ma 1\'iuo, cBicocTaop va n iSLiiT\'iocTaië
N IJ K E R K
G. F. CALLENBACH
-4=^ ^ i ï
Vi;:
Vak 98
V lf( // «Sert,-., ..
^oorscamp;tnt.
DE MAPiTELAAES
VERHALEN UIT DE KERKGESCHIEDENIS
DOOR
G. C. HOOGEWERIT
■ijver van: „Een Schipbreukeling.\'
N IJ K E R K
G. F. CALLENBACH.
Snelpersdrukkerij — G. F. Callenbach — Jyijkerk.
rNLEIDING.
Wanneer we des Zondags naar Kerk of Zondagsschool gaan, wanneer we bidden of in den bijbel lezen, dan vergeten we maar al te dikwijls, dat het een groot voorrecht is, dat we dat alles ongestoord mogen doen. \'t Komt zeker, omdat wij er al zoo aan gewoon zijn, maar wij mogen aan de weldaden Gods niet gewoon worden; dat is ondankbaarheid jegens Hem, die zoo voor ons zorgt. Als we toch bedenken, hoe onze voorouders, hoe de eerste Christenen om der wille van het geloof zijn vervolgd, gemarteld, ja gedood, dan mogen we den Heer wel danken, die ons in zooveel rustiger tijden deed geboren worden, en die ons geloof niet op zulke zware proeven heeft willen stellen. Wij, wij behoeven niet in \'t geheim samen te komen, om naar de verkondiging van het Evangelie te luisteren. Open en bloot, voor aller oog zichtbaar, staan onze kerken en we behoeven niet bang te zijn, onze stemmen ter eer van God te laten hooren.
Maar de eerste Christenen, de belijders van den Heer in het groote Romeinsche rijk, — wee hunner, als ze het gewaagd hadden!
In het verborgen, op plaatsen, slechts aan de ingewijden bekend, moesten ze vergaderen, en zoo ze werden ontdekt en gegrepen, dan wachtte hen de marteldood.
En -waarom woedden de Meidenen zoo tegen de belijders van den Heer? vraagt ge misschien.
Daarvoor waren verscliillende oorzaken. Het eenvoudige, ingetogen leven der eerste Christenen kon maar weinig in den smaak vallen der Romeinen, die langzamerhand gewoon waren geworden aan luidruchtig vermaak en zingenot. Dat verschil in levensopvatting en levenswijze moest wel aanleiding geven tot botsing.
Daarbij kwam nog. dat er onder het volk de bespottelijkste en lasterlijkste geruchten omtrent de Christenen in omloop ■waren. Men verhaalde, dat ze in hunne geheime samenkomsten allerlei gruwelijke misdaden pleogden. dat ze kinderen verslonden, een God met een ezelskop aanbaden en dergelijke dwaasheden meer.
Nog was er een reden, waarom zelfs keizers, die overigens tot de goede vorsten mogen gerekend worden, de vervolging der Christenen bevalen.
In het Romeinsche rijk stond namelijk de godsdienst onder de bescherming van den Staat, zoodat het een misdaad was tegen de wet, wanneer men de heidensche goden geen hulde, al ware het dan ook maar uiterlijke hulde, wilde bewijzen.
Door Christen te zijn overtrad men dus de wet en was men in de oogen der Romeinsche overheid strafbaar.
Tien groote vervolgingen hebben onder de regeering van verschillende keizers de Christenen getroffen, en duizenden martelaren hebben hun geloof met hun bloed bezegeld. Van enkelen zal ik u in deze boekjes de geschiedenis vertellen.
Mogen deze verhalen u opwekken tot dankbaarheid en liefde jegens dien God, die zijne getuigen kracht gaf, om onder de grootste martelingen standvastig te blijven, en die ons gelegenheid gaf om het Evangelie te hooren, zonder vrees voor gevangenis of dood.
IGNATIUS
BISSCHOP VAN ANTIOCH1Ë.
i.
DE VERGADERING.
.et was feest te Antiochië. — Eene drukke menigte verdrong zich in de straten, pratend, lachend en juichend, en op aller gelaat stond het te lezen, dat
een of andere groote blijdschap de harten vervulde.
Van tijd tot tijd stond de menschenmassa stil, om te luisteren naar de stem van een sierlijk uitgedosten heraut, die, van eenige krijgslieden vergezeld, rondtrok en op den hoek van elke straat, onder trompetgeschal, der menigte de groote overwinning verkondigde, die de machtige keizer Trajanus op de Daciërs, de Assyriers en eenige Armenische bergvolken bevochten had.
Dit was de oorzaak der vreugde van de bewoners van Antiochië. Want niet alleen was Trajanus bij het volk bemind, maar men wist ook, dat de keizer voornemens was, zjjn triomf met luisterrijke feesten in Antiochië te vieren. Dagen van vermaak stonden dus voor de deur, en het verblijf van de met
6
buit beladentroepen zou daarenboven den burgers ongetwijfeld menig voordeel aanbrengen.
Dwars door de feestvierende menigte heen, die zich op een der groote pleinen verdrong, baande een man zich langzaam een weg door het gedrang, wiens uiterlijk zonderling bij dat der hem omringenden afstak. Prijkten allen, zelfs de armsten, op dezen dag in hun feestgewaad, zijne eenvoudige, bijna schamele kleeding toonde aan, dat alle praalzucht verre van hem was, terwijl er op zijn gelaat, in plaats van blijdschap, ernst, ja zelfs onrust te lezen stond. Het kon dan ook wel niet anders, of zijne verschijning moest de aandacht der schare trekken.
Terwijl hij met moeite door de dicht saamgepakte menigte heendrong, maakte hier en daar een burger zijne metgezellen op hem opmerkzaam, cn de ontvangst, die hem dan ten deel viel, was zeer verschillend.
Terwijl hier en daar enkele groepjes, bestaande uit jongelieden uit den aanzienlijken stand, hem met spottend gelach, ja zelfs met scheldwoorden begroetten, maakten de meeste handwerkslieden, die hij ontmoette, beleefd voor hem plaats, terwijl er zelfs hier en daar één eerbiedig het hoofd voor hem boog, een groet, dien hij met eene zegenende handbeweging beantwoordde.
Eens zelfs, toen eenige jeugdige losbollen in baldadigen moedwil tot dadelijkheden wilden overgaan, kwamen eenige stoere arbeiders tusschenbeide, en zeker zouden ze den aanranders hun boos opzet duur hebben doen betalen, zoo de beleedigde zelf het hun niet door eenige op zachten toon gesproken woorden belet had.
— Wie is die man? vroeg een Phoenicisch koopman, die het kleine tooneel met belangstelling had gadegeslagen, en nu naderbij trad.
— Wie hij is? antwoordde een der jeugdige lichtzinnigen
7
op sraalenden toon, hoewel nog altijd eenigszins bevreesd omziende naar den reusachtigen lastdrager, wiens sterke vuist hem maar pas had losgelaten; wie hij is? Wel, wie anders dan een van de voornaamste leden van die vervloekte sekte, die zij hier Christenen noemen, de vijanden van de goden en van onzen machtigen keizer. Wilde men hen gelooven, dan zouden wij onze fraaie tempels moeten sluiten, en ons vroolijk leven vaarwel zeggen, om evenals zij, in sombere afgetrokkenheid, onder vasten en bidden onze dagen te slijten, en in plaats van onze schoone goden een gekruisigden Jood, dien zij den Christus noemen, te aanbidden.
— Gij trekt u de zaak zeer aan. Wat gaat u meer ter harte? De eer der goden of hunne vroolijke feesten? zei de koopman grimlachend.
Hij wist zeer goed, dat de meer ontwikkelde standen reeds lang met het geloof aan de Heidensche goden gebroken hadden, en hij begreep de bedoeling van den jongen man volkomen.
Deze beet zich toornig op de lippen, en had reeds een scherp antwoord gereed, toen een zijner metgezellen hem te hulp kwam.
— Men zegt daarenboven, viel deze in, dat al die ernst en somberheid der Christenen niets dan huichelarij is. In hunne geheime vergaderingen moeten schandelijke dingen plaatsgrijpen.
— Werkelijk, de Keizer moest strenger maatregelen tegen hen nemen, tegen hen, en allen, die het met hen eens zijn.
Deze laatste woorden gingen vergezeld van een kwaadaar-digen blik op den lastdrager. Deze haalde minachtend de schouders op.
— Van al die praatjes geloof ik niets! zeide hij met krachtige stem; de man die daar gaat is Sosimus, de diaken, en zoo er één braaf man in Antiochië is, dan is hij het. Heeft hij niet onlangs, toen ik met de koorts te bed lag en niet
8
wei-ken kon, mijne vrouw en kinderen van den hongerdood gered? En wat de Christenen aangaat, zie, ik ben zelf aan de oude goden trouw gebleven, maar het zou een zegen zijn voor de armen en ongelukkigen van Antioehië, als zij, die zoo op de Christenen smalen, een weinig meer op hen geleken.
De jonge burger, die wel begreep, dat dit een schimpscheut was op hem en zijne makkers, wilde antwoorden, maar het trompetgeschal van een heraut trok plotseling de aandacht der menigte en het groepje ging uiteen.
Inmiddels was de man, die het onderwerp van het voorgaande gesprek had uitgemaakt, er eindelijk in geslaagd, om door de menigte heen te dringen en eene zijstraat in te slaan, die hem binnen weinige minuten naar de minder aanzienlijke wijken van Antioehië voerde.
Was het op de hoofdstraten en pleinen druk en woelig, hier heerschte daarentegen eene buitengewone stilte. Alle bewoners dier weinig bezochte wijken hadden op dezen feestdag hunne woningen verlaten, om zich onder de feestvierende menigte te mengen, en de eenzame wandelaar kon zijn tocht ditmaal ongestoord, ja bijna onbemerkt, voortzetten.
Ten laatste hield hij stil voor de deur van een eenvoudig huis, dat zich in niets van de overige woningen onderscheidde.
Reeds hief hij zijn staf op. om aan te kloppen, toen hij bemerkte, dat de deur niet gesloten was, maar aanstond.
Een wolk van zorg en ontevredenheid dreef over het hooge voorhoofd van den diaken.
— Altijd dezelfde ! mompelde hij, afkeurend het hoofd schuddend, ziedaar weer een blijk van zijne onvoorzichtigheid! Hoe licht zou het een baldadige hoop in den zin kunnen komen, op een dag als deze het hoofd der gehate Christenen een onaangenaam bezoek te brengen. Wat kon er dan niet gebeuren, en wat zou er van de arme schapen worden, als den herder iets overkwam !
9
Hij duwde de deur open, die hij zorgvuldig achter zich sloot, en betrad het voorhuis. Een reeds bejaard dienaar, die dicht bij de deur op een houten bank zat, stond op en groette eerbiedig, toen hij den bezoeker herkende.
«Zeg mij eens, oude Petrus, vroeg Sosimus op strengen toon, terwijl hij met eene zegenende handbeweging den groet van den dienaar beantwoordde, «zeg mij eens, waarom gij uw plicht verzuimt, en door uwe nalatigheid uwen heer blootstelt aan den moedwil van den eersten den besten beschonken soldaat ? De huisdeur stond open, toen ik wilde aankloppen, en een vijand kon evengoed als een vriend den weg naar binnen vinden.
De oude schudde het hoofd.
— Ik heb mijn plicht niet verzuimd, eerwaarde broeder Sosimus, antwoordde hij ; niet door mijne nalatigheid vondt gij de deur geopend, maar op bevel van den eerwaarden bisschop zelf. Al zijne schapen, zegt hij, moeten steeds vrijen toegang tot hem, hunnen herder hebben.»
— Het is zooals ik dacht, sprak Sosimus bij zich zelf, hij kent geen gevaar! Toch wil ik met hem spreken.
Ondertusschen had hij, met eene zekerheid die aantoonde dat hij hier geen vreemdeling was, een der deuren van het voorhuis geopend en een steile trap beklommen, die hem weldra naar de opperzaal voerde. Hij hield stil voor de lage deur en klopte herhaaldelijk aan, maar geen geluid van binnen beantwoordde zijn kloppen. Eindelijk waagde hij het, zachtjes binnen te treden, maar het tooneel, dat zich nu aan zijn oog vertoonde, moest wel een diepen indruk op hem maken, want eerbiedig vouwde hij de handen, boog het hoofd en bleef roerloos staan.
Hij bevond zich in een klein, torenachtig vertrek, helder verlicht door een groot venster.
In hooge kasten langs de wanden bevonden zich vele perkamenten en papyrusrollen. Ook de eenvoudige tafel, die met
10
een paar houten zetels het eenig huisraad uitmaakte, was met zulke rollen bedekt.
Niet echter deze strenge eenvoud, iets anders was de oorzaak van de eerbiedige houding van den diaken. In het midden van het vertrek lag, half leunend tegen een der zetels, een grijsaard geknield, wiens lange witte haren een hoogen ouderdom aanduidden. Maar het bezielde donkere oog, dat met dubbelen glans schitterde, nu hij in gemeenschap was met zijnen God, toonde wel aan, dat. al was het lichaam oud, de geest nog helder en onverzwakt was.
Een gloed van hemelsche blijdschap lag op dit oogenblik over het bleeke, ernstige gelaat, en Sosimus stond in eerbiedige bewondering, wachtende tot het gebed van zijn leeraar en meester geëindigd zou zijn, — van zjjn meester, ja, want hij, die daar geknield lag, en wiens sober gewaad en eenvoudige omgeving den rang niet aantoonden, dien hij bekleedde, was toch niemand anders dan Ignatius, de eerwaarde bisschop van Antiochië, de leerling van den Apostel Johannes en de opvolger van den vromen Evodius.
Sosimus waagde het niet den bisschop te storen. In dezelfde eerbiedige houding wachtte hij het oogenblik af, waarop deze zjjn gebed zou hebben geëindigd. Na eenigen tijd rees Ignatius met een zucht overeind, als smartte het hem, dat hij uit de hoogere gewesten, waarin zijn geest vertoefd had, weer tot de aarde moest terug keeren. Langzaam liet hij de oogen door het vertrek weiden, en nu bemerkte hij eerst, dat hij niet alleen was.
— Wees welkom, mijn zoon, zeide hij, zegenend de hand uitstrekkend. Is het uur, waarop ik de broeders bij elkander heb geroepen, werkelijk reeds daar? Ik wist niet, dat het reeds zoo laat was.
De diaken had den zegen van den bisschop ootmoedig ontvangen. Nu schudde hij ontkennend het hoofd.
11
— Neen, mijn vader, zei hij, de broeders zullen nog lang niet komen. Maar ik heb heden belangrijke tijdingen vernomen, en ik haastte mij, u die te brengen, op gevaar af, u in uwe vrome overpeinzingen te storen. En dan had ik nog een bede....
Aarzelend hield hij op. De bisschop zag hem vragend aan.
— Wat begeert gij, mijn zoon? vroeg hij vriendelijk.
— Toen ik hier aankwam, vond ik de deur geopend, vervolgde Sosimus; ik berispte den ouden Petrus om zijne verregaande onvoorzichtigheid. Maar hij zeide, dat hij op uw bevel de deur uwer woning niet had gesloten. Bedenk toch, vader____
Ignatius viel den diaken in de rede.
— Wat moet ik bedenken! Mijne veiligheid misschien? Moet de herder het gevaar schuwen, waarin zijne schapen eiken dag verkeeren, en zich lafhartig opsluiten, zoodat geen der zijnen hem naderen kan? Neen, geopend zij mijn deur, dagen nacht, voor vriend en vijand. De eerste kan mijne hulp behoeven en den laatste vrees ik niet.
— Maar wat zou er van de gemeente worden, als u iets overkwam? ijverde Sosimus.
De bisschop fronste het voorhoofd.
— Broeder Sosimus, broeder Sosimus, zei hij op ernstigen toon. Zie toe, dat gij Gode de eer geeft, en geen afgoderij pleegt met Zijn schepsel. Meent gij, dat de lieer mij behoeft, mij, zijn onwaardigen dienaar, om te zorgen voor zijne gemeente. Heeft Hij Zijne getuigen, de apostelen, niet van ons weggenomen, en wie zijn wij, vergeleken bij hen?
— Maar wij mogen den Heer toch niet verzoeken, waagde Sosimus nog aan te merken, en het gevaar ....
— Gevaar? Noemt gij het een gevaar, smaad te mogen lijden, om der wille van onzen Heer Christus? viel de bisschop den getrouwen diaken in de rede. O, dat het God mocht behagen, mij, ook mij, zijn onwaardigen dienaar, de ketenen te
■12
doen dragen, die Zijne apostelen hebben getorst! Dat Hij mij waardig achtte, de glorie der martelaarskroon te verwerven! Maar wie ben ik, dat ik zulk een booge eer zou begeeren!
Ignatius verzonk wederom in gepeins. Ook Sosimus zweeg. Hij wist, dat de bisschop met vele zijner tjjdgenooten de martelaarskroon niet alleen als het begeerlijkste goed beschouwde, maar ook van meening was, dat men zich die mot geweld mocht veroveren. De diaken was een vroom man, die, indien het noodig was geweest, niet zou hebben geaarzeld, zijn geloof met zijn bloed te bezegelen, maar hij deelde het gevoelen van de meeste zijner medechristenen niet. Hy zag in dat ongeduldig haken naar het martelaarschap een vooruitloopen van Gods raad, en een ongeoorloofd verzoeken van Zijne almacht.
Na eenigen tijd richtte de bisschop weder het woord tot hem.
— En nu uwe tijdingen, broeder Sosimus? vroeg hij.
— De centurio Hermes, een onzer catechumenen van het vorige jaar, is in Antiochië, antwoordde de diaken. Hij kwam met den tribuun, die de tijding van Trajanus\' zegepraal in Antiochië bracht. Zijn dienst belette hem tot nog toe, zich bij u te vervoegen, maar ik heb hem in \'t geheim gesproken en belangrijk nieuws van hem gehoord, dat hij weder van den geheimschrijver des Keizers vernomen had. Plinius, de proconsul van Pontus en Llithynië moet namelijk een schrijven tot den Keizer gericht hebben, waarin bij dezen vraagt, hoe hjj tegenover de Christenen behoort te handelen, wier aantal in zijne gewesten snel toeneemt. Hij voor zich raadde zachte maatregelen aan. Trajanus moet hem geantwoord hebben, dat hij de Christenen voortaan niet moest laten opsporen. Werden zij evenwel beschuldigd, dan moest het recht zijn loop hebben, en weigerden zij tot den dienst der oude goden terug te kee-ren, dan moesten zij met den dood gestraft worden. Een dergelijk edict is ook naar alle stadhouders gezonden, in alle deelen des rijks. Voorwaar, een heugelijke tijding voor de gemeente!
13
Het vuur der vervolging zal nu wel niet gebluscht worden, maar tooneelen als onder Domitianus voorvielen, wachten ons toch niet.
— Een heugelijke tijding! Noemt ge dat een heugelijke tijding? riep Ignatius verontwaardigd. Wat is dat voor een dwaas edict? Hoe worden wij behandeld? Zijn wij schuldig, laat dan de keizer ons straffen! Zijn wij onschuldig, men late ons met vrede. Maar dit edict spreekt ons vrij en vonnist ons tegelijk. En wat de vermindering der vervolging aangaat, ook voor hen, wier geloof te zwak is om te streven naar de martelaarskroon, is die vervolging noodzakelijk! Slechts in het vuur wordt het goud beproefd, broeder Sosimus !
Sosimus wilde antwoorden, toen men voetstappen op de trap hoorde, en weldra traden er eenige mannen binnen, die den bisschop met eerbied, en Sosimus met hartelijkheid groetten. Het waren do ouderlingen en diakenen der gemeente te An-tiochie, door den bisschop bijeengeroepen om de belangen hunner kudde te bespreken.
Weldra had Ignatius hun de tijdingen medegedeeld, hem door Sosimus gebracht. De meeningen over het edict van Trajanus liepen zeer uiteen. Terwijl sommigen met Ignatius meenden, dat men de Heidenen openlijk moest uittarten, om hen als het ware tot vervolging te dwingen, waren\' anderen van gevoelen, dat men van de gunstige bepalingen gebruik moest maken, als van eene genadegave Gods, die voor zijne gemeente waakte.
Men kon het hieromtrent niet eens worden, en de woordenwisseling was juist zeer levendig, toen de oude Petrus meldde, dat de centurio Hermes in het voorhuis wachtte, en gehoor verzocht. Op last van Ignatius werd de nieuw aangekomene onmiddelijk binnengeleid.
De centurio Hormes was een Macedoniër, die in Romeinschen krijgsdienst stond. Voor hij Trajanus op zijn krijgstocht vergezelde, had hij deel uitgemaakt van de bezetting van Antiochië.
14
Hier was hij met de Christenen in aanraking gekomen, en het woord der waarheid had zijn ziel getroffen. Hij had zich bij de catechumenen gevoegd en weldra zou hij door den Heiligen Doop opgenomen worden in de gemeente der geloovigen.
Ignatius had zijn krijgshaftigen leerling lief met de liefde van een vader voor zijn kind, van den sterke voor den zwakke, — want Hermes was zwak!
Dapper krijgsman als hjj was, zou hij voor den dood niet zijn teruggedeinsd, waar het zijne overtuiging gold, maar hij vreesde den spot, den smaad der wereld. Met het zwaard in de vuist had hij zijn Heiland willen verdedigen, als een tweede Petrus: maar Hem te volgen, ook naar den geeselpaal, ook naar het kruis. Hermes zou er voor hebben teruggeschrikt.
Ook nu weer bewees de wijze, waarop hij voor de eerwaarde vergadering verscheen zijn eigenaardigen schroom. Hermes bad zich vermomd; de fiere hoofdman had zich gestoken in het nederig gewaad van een handwerksman.
Het voorhoofd van den bisschop betrok, toen hij den centurio in zijne vermomming zag binnenkomen, en een berispend woord lag hem reeds op de lippen. Hij bedacht zich echter; \'t Kou werkelijk verstandig zijn van Hermes, dat hij niet kwam in de kleeding van zijn rang. De centurio behoorde sinds den laatsten veldtocht tot de tijdelijke lijfwacht des Keizers, en \'t was de opzieners der gemeente lang niet onverschillig, een vertrouwde in de onmiddelijke omgeving van den beerscher te hebben.
Hij wees Hermes een zetel aan, en verzocht hem te spreken.
De centurio gehoorzaamde en begon de tijdingen mede te deelen, die de vergadering reeds van Sosimus vernomen had. Hij was echter uitvoeriger in zijne berichten dan deze, en blijdschap was er te lezen op het gelaat van verscheidene broeders, toen zij vernamen, dat de alom geachte Plinius de lasterlijke geruchten tegensprak, die er omtrent de Christenen in omloop waren.
15
Ignatius boog het hoofd.
— Geloofd zij de Heer, die Zijne gemeente de kracht heeft gegeven, tot hiertoe staande te blijven in den boozen dag, en ook daar haren handel en wandel zelfs den lof van den Heiden te verdienen. Wat ons aangaat echter, laat ons op dien lof niet boogen: In deze wereld zult gij verdrukking hebben, zegt de Heer!
— Hebt gij nog andere tijdingen, mijn zoon? vroeg hij na eenige oogenblikken.
— Ja, eerwaarde vader, antwoordde Hermes aarzelend, maar ik vrees, dat ze u en de vrome broeders zullen smarten. Gij weet, dat Trajanus voornemens is, reeds morgen een zegevierenden intocht te houden in Antiochië. Welnu, hij is tevens van plan, een groot feest te vieren, ter eere van de goden, en zelf zal hij in den tempel van Zeus een plechtig dankoffer brengen. Daarna zullen er feestelijkheden en spelen voor het volk zijn, jn het woud van Daphne.
— Ik had al geruchten van dien aard vernomen, zeide Rufus, de oudste der opzieners, hoofdschuddend. Mijne zonen hebben mij nu al geplaagd, om vergunning om de feestelijkheden bij te wonen. Ze zouden slechts toeschouwers zijn, beloofden ze. Ik heb \'t hun geweigerd, maar hoe zullen wij de zwakken in de gemeente bewaren, voor de strikken, die de Booze hun spant in de losbandige feesten en de offermaaltijden, waar veler hart nog zoo zeer aan hangt. En dan de catechumenen .....
— Wij kunnen het immers niet verhinderen ? Wij moeten ons schuilhouden! viel Philippus, een der jongste diakenen, onbedacht in.
Ignatius zag hem streng aan.
— Moet de gemeente des Heeren zich schuilhouden, of moet zij getuigen tegenover de zonde en de machten dezer wereld ? vroeg hij ernstig.
16
De diaken boog bescliaamd het hoofd.
— Wij moeten]zijn het licht der wereld, ging de bisschop voort, en hoe kunnen wij dat zijn, als wij ons schuilhouden waar wijj moeten getuigen, als wij zwijgen, waar wij moeten spreken ?
Voorwaar, zoo de Heer mij. Zijn armen dienstknecht, Zijn bijstand niet onthoudt, dan zal Trajanus de zwakke broeders niet afvallig maken van den Christus ; dan zal hij zijn goddeloos feest niet ongestoord vieren, ter eere van de duivelen, die hij zijne goden noemt; dan zal de gemeente van Antiochië getuigen ter eere Gods, en dat door injjn mond!
Ignatius was opgestaan. Een blos bedekte zijne anders bleeke wangen, zijne donkere oogen fonkelden, en terwijl hij sprak, had hij met een machtig gebaar den rechterarm uitgestrekt, als stond hij reeds tegenover den Keizer en getuigde hij voor zijn Heer. De ouderlingen en diakenen zagen met stommen eerbied tot hem op: zoo hadden zij zich meermalen de groote godsmannen der oudheid, Mozes of Elia, voorgesteld.
—- Wat heeft hij voor? fluisterde Philippus Sosimus in het oor, toen de bisschop na eenige oogenblikken zich weer neerzette.
Deze haalde de schouders op, maar wierp tegelijk een on-rustigen blik op Ignatius. Hij kende den ontembaren moed, den onverzettelijken wil en den verteerenden ijver van zijn geliefden meester te goed, om niet te vreezen voor een of andere vermetele daad. Hij wilde iets vragen, maar Ignatius, die eenige minuten peinzend voor zich uit had zitten staren, richtte plotseling weder het woord tot Hermes.
— Wij danken u allen voor uwen ijver, mijn zoon, zeide hij, en ik wil u beloonen. Eerst over drie maanden zoudt gij worden opgenomen in de gemeente; welnu, indien gij bereid zijt, en de broeders er zich niet tegen verzetten, wil ik u reeds heden avond den Heiligen Doop toedienen.
il
Een gemompel van verrassing werd in de vergadering vernomen.
— Ik begrijp uwe verwondering, broeders, zeide Ignatius, en ik zou van onze goede gewoonte niet afwijken, als ik niet waarlijk geloofde, dat Hermes bereid is. Zie, ik heb hem zelf tot den Heer gebracht, en met eigen hand wilde ik hem zoo gaarne doopen. En dan, ik ben in Gods hand, maar wie weet, wat de morgen mij brengen zal! Ik bid u, geeft uwe toestemming.
De broeders bogen het hoofd.
— En gij, mijn zoon, zijt gij bereid ? vroeg Ignatius.
— Ik ben bereid, antwoordde Hermes, maar zijne stem beefde van aandoening,
— Ga dan in vrede, en bereid u voor in het gebed op de plechtigheid ivan heden avond.
Hermes verwijderde zich na een eerbiedigen groet. De vergadering besprak nog eenigo zaken van ondergeschikt belang, en weldra ging men uiteen. Slechts Rufus bleef, op verzoek van dan bisschop.
Zwijgend verlieten allen het huis van Ignatius. Niemand had hem opheldering durven vragen van zijne woorden.
M i
HOOFDSTUK II.
IN DE CRYPT.
VEbLii eene der afgelegenste wijken van Antiochië stond ^jfca een oude vervallen tempel, die sinds vele jaren niot meer gebruikt werd. Hij was vroeger gewijd geweest aan de Egyptische godheid Osiris, en een poos lang had de geheimzinnige eeredienst der sluwe Egyptenaren de bevolking van Antiochië aangetrokken, \'t Was echter slechts voor een poos geweest: de sombere, geheimzinnige godsdienstplechtigheden bevielen de levenslustige Grieken op den duur niet. De tempel werd gesloten, de priesters verstrooiden zich, en het gebouw, dat niet meer onderhouden werd, begon weldra te vervallen. Toen had het de aandacht getrokken van Lysias, een rijk wijnhandelaar. Hij had het voor eene geringe som gekocht, en, terwijl hij hot gebouw aan zijn lot overliet, gebruikte hij de crypt, de groote kolderachtige ruimte er onder, als wijnkelder.
Deze Lysias was later Christen geworden, en toen de zich uitbreidende gemeente behoefte kreeg aan een geschikte plaats ter samenkomst, had hij aangeboden zijn kelder te ontruimen en dien voor dat doel in te richten.
De opzieners der gemeente hadden van zijn aanbod gretig
19
gebruik gemaakt. De crypt onder den Osiristempel was voor hun doel uitnemend geschikt. Zij was ruira en hoog, en had daarenboven verschillende ingangen, waaronder sommige geheime, zoowel in den tempel als daar buiten, terwijl er bovendien omtrent de oude ruïne allerlei geheimzinnige geruchten in omloop waren. Geen der bewoners van de omliggende wijken had den ouden tempel gaarne na zonsondergang betreden.
Toch bleef voorzichtigheid noodzakelijk. Lysias gebruikte een deel van het gebouw nog steeds als wijnkelder, en dikwijls liet hij door vertrouwde knechten vaten af en aan zeulen, om zooveel mogel|jk allen argwaan omtrent het veranderd doel van de crypt te vermijden, en wanneer de gemeente samenkwam, werden or geregeld schildwachten uitgezet, om bij naderend gevaar te waarschuwen.
In den avond van den dag, waarop wij Ignatius ontmoetten begaven zich Sosimus en Philippus te zamen naar den ouden tempel. De maan was nog niet opgekomen en de straten van Antiochië waren niet verlicht, zoodat zij slechts langzaam en voorzichtig voorttraden, want het plaveisel der buitenwijken, waarin zij zich bevonden, verkeerde lang niet in goeden toestand. Fluisterend spraken zij over hetgeen zij heden in de vergadering vernomen hadden en over de waarschijnlijke plannen van den bisschop. Beiden vreesden zij voor het leven van den koenen man.
— Vrees kent hij niet! zeide Sosimus, en voorzichtigheid, helaas, evenmin. Meer dan eens trachtte ik er hem van te overtuigen, dat men God niet mocht verzoeken, door zich moedwillig aan gevaren bloot te stellen ; dat de Heer Christus hem tot herder van zijne gemeente te Antiochië liad gekozen, en dat hij zijn post niet mocht verlaten, om zijne schapen een prooi te laten van hunne vijanden, — maar \'t was steeds vergeefsch. Voorzichtigheid dunkt hem lafheid en lauwheid ....
— Ook de Heer onttrok zich aan Zijne vijanden, toen zijne ure nog niet daar was, viel Philippus in.
20
— Ik weet het, zeide Sosimus, maar ge overtuigt Ignatius niet. Zijn brandende ijver drijft hem voort naar de martelaarskroon, die hij hoopt te verwerven .... Wie weet, hoe spoedig! Zijn besluit omtrent den doop van Hermes spelt weinig goeds.
— Vertrouwt gij den centurio? vroeg Philippus.
Sosimus haalde de schouders op.
— Ik houd Hermes voor een eerlijk beminnenswaardig man, zeide hij, — maar van een zwak karakter. Ignatius bemint hem, èn hij doet het terecht, maar hij vertrouwt hem te veel. Ik houd Hermes\' geloof voor oprecht, maar zijn menschen-vrees is zijn gevaarlijkste vijand.
Zoo sprekende hadden de beide diakenen den Osiristempel bereikt.
Het gebouw stond geheel afgezonderd in het midden van een vrij ruim plein. Behoedzaam om zich heen ziende, traden de vrienden voorwaarts, en eerst toon zij er zeker van waren, dat niemand hen volgde, verdwenen zij in de zware slagschaduwen van den bouwval.
— Vrede zij u! fluisterde plotseling eene stem in hunne nabijheid.
— In den naam des Vaders! antwoordde Sosimus terstond.
— Geloofd zij onze Heer Jezus Christus! ging de stem voort.
— In eeuwigheid, Amen ! antwoordde de diaken.
— Volgt mij, broeders, fluisterde een gestalte, die nu uit de schaduw van den muur naar voren trad.
De beide diakenen volgden hunnen gids, die hun een zijpoortje opende, waardoor zij binnen den tempel zeiven geraakten. Hier stond een brandende lamp in eene nis. Hun geleider nam die op en wees hun eene gapende opening in het vertrek, waarin zij zich bevonden. Een der zware zerken, ■waarmede de vloer bedekt was, was opgelicht, en stond rechtop tegen den muur. Klaarblijkelijk was hier een der geheime ingangen van de crypt.
21
De beide diakenen waren met dezen weg niet onbekend. Door hun geleider gevolgd, naderden zij de donkere opening en bij het flikkerend licht van de lamp werden weldra de eerste treden van een steile steenen trap zichtbaar. De drie mannen daalden naar beneden en stonden weldra in de crypt. Deze was geheel rond en zeer ruim, zoodat de pekfakkels, die hier en daar in ijzeren krammen aan de wanden waren gehecht, slechts een flauw onzeker licht verspreidden. Bij dit licht kon men hier en daar op een der eenvoudige houten zitplaatsen een gestalte bemerken, die in gepeins of gebed scheen verzonken.
In het midden der crypt stond een tafel, waarop zich het brood en de wijn bevonden, die zoo straks voor het heilig Avondmaal zouden moeten dienen, terwijl bij den zetel van den bisschop het groote steenen doopbekken en een kistje met manuscripten stonden.
De twee diakenen namen hunne plaatsen in. Nog waren slechts weinig gemeenteleden aanwezig, maar langzamerhand vulde zich de crypt, en weldra was daar eene schare van mannen en vrouwen uit allerlei stand vereenigd.
\'t Was een bonte groep, die Christengemeente van Antiochië. Uit allerlei rang en stand waren er daar bijeengekomen, om in het nachtelijk duister hun God te loven, en gezamenlijk den dood Zijns Zoons te gedenken. De half gekleede slaaf zat er naast den aanzienlijken koopman, de fijn beschaafde Griek naast den eenvoudigen Syrischen landman. Want, hoezeer verschillend in rang, hier waren zij allen gelijk, allen broeders, allen zondaren voor God. Eene kleine afscheiding was er slechts gemaakt tusschen de gedoopten en de catechumenen, de leerlingen, die de achterste rijen vulden.
Nauwelijks waren de laatste gemeenteleden door de verschillende ingangen het gewelf binnengetreden, toen Ignatius verscheen. Hij droeg dezelfde kleeding, waarin wij hem reeds
22
ontmoetten, want de tijd, dat de Christenleeraars zich als priesters door hun plechtgewaad van hunne broederen zouden gaan ondersclioiden, was nog verre. Hij hield een perkamentrol in de hanJ.
Hij stond stil voor zijn zetel, en strekte zegenend de handen uit over de aan zijne zorg toevertrouwde gemeente. Allen knielden daarop neder, ook de bisschop, en een vurig gebed rees tot den Heer voor Zijne vervolgde gemeente, — een vurig gebed ooi voor den jongeling, die, zooals de meesten wisten, in deze plechtige ure in die gemeente zou worden opgenomen.
Daarop zong de gemeente met gedempte stem een lofzang, eene Grieksche bewerking van het eerste deel van het Groot Ilallel der Israëlieten. \')
Nauwelijks waren de laatste tonen van het lied weggestorven, of van uit een der donkere zijgangen van de crypt naderde een plechtige stoet. De doopeling Hermes verscheen, vergezeld en ondersteund door twee ouderlingen, en naderde met langzame schreden den zetel van den bisschop.
Allen zagen met belangstelling den jongeling naderen, dien men kende als een der liefste leerlingen van Ignatius. Hermes had voor deze gelegenheid zijne knjgsmanskleeding afgelegd: de fiere Romeinsche centurio was hier slechts de ootmoedige leerling, wiens hoogste wensch het was, opgenomen te worden in de gemeente der Heiligen, in de gemeente van Hem, die gezegd had: Wie de meeste onder u wil zijn, die worde aller dienaar. Slechts in een witte linnen tunica gekleed, blootshoofds en barrevoets, trad hij nader tusschen zijne beide eerwaardige metgezellen.
Met esn blik vol liefde zag Ignatius den jongeling naderen.
— Wat begeert gij, mijn zoon? vroeg hij met luider stem.
— Ik begeer opgenomen te worden in de gemeente der
\') Ps. 113—114.
23
Heiligen, onder hen, die in Christus naam gedoopt zijn ! antwoordde Hermes, met vaste stem.
— Gelooft gij in den Heere Jezus Christus, Gods Zoon, als uw Redder en Zaligmaker? vroeg Ignatius weder.
— Ik geloof in Hem !
— Doet gij afstand van alle ongerechtigheid? Van alle onreinheid der afgodendienst, van hunne aanbidding, hunne offers en vervloekte feesten? Staat gij af de zonde en haar loon?
— Ik sta ze af!
— En belooft gij bij deze uwe belijdenis te volharden in vrijheid en in banden, in leven en in dood, in eer en in schande, getrouw aan den Heer Christus en Zijne gemeente?
— Ik beloof het!
— Is daar iemand in de gemeente, vroeg de bisschop met machtige stem. die na zijne belijdenis dezen jongeling onwaardig keurt, om te worden opgenomen in de gemeente van Christus?
Allen zwegen.
■ — Treed dan nader, mijn zoon, vervolgde de bisschop en ontvang van mijne hand den Heiligen Doop, dien ge hebt begeerd.
Hermes trad in het lage steenen bekken. Met nog krachtige hand vatte Ignatius hem bij den schouder, en terwijl hij plechtig de doopformule uitsprak, door den Heer aan Zijne apostelen nagelaten, dompelde hij den jongeling driemaal in het water. Toen rees de doopeling uit het bekken, en terwijl de beide ouderlingen hem met een wit gewaad bekleedden als zinnebeeld der reinheid, hief de gemeente den bij deze gelegenheden ge-bruikelijken lofzang aan. Hierop ontving de gedoopte van den bisschop en de beide ouderlingen den plechtigen broederkus.
Het gezang was geëindigd, en nog stond Hermes voor Ignatius, met een glans van vreugde op het schoone gelaat. De bisschop wierp een blik van welgevallen op den jongen christen.
24
— Zoo hebt ge u dan verbonden te leven, te strijden en als het zijn moet. te sterven als een goed krijgsknecht van Jezus Christus, zeide hij op een toon van liefderijken ernst. Zoudt gij waarlijk bereid zijn, voor hem in den dood te gaan?
— Ja ! antwoordde Hermes, zacht maar vast.
Ignatius zag hem lang en strak aan. Een plotselinge gedachte scheen bij hem op te rijzen, een gedachte, die zijne oogen deed schitteren van vreemden gloed.
— Maar als het eens de dood was, niet op het slagveld, zelfs niet door de bjjl des lictors, maar de dood door de hand des beuls, de dood van den slaaf, — de kruisdood ? vroeg hij eensklaps, en zijne stem klonk haast dreigend.
Hermes verschrikte; hij zag den bisschop aan, terwijl hij beurtelings rood en bleek werd. Hij was krijgsman, hij was jong, — en, al was hij centurio bij een legioen, dat geheel uit Macedoniërs bestond, hij was geen Romeinsch burger. De woorden van den bisschop waren dus niet ijdel, — en ze klonken den jongen krijgsman verschrikkelijk genoeg.
— Zoudt ge, mijn zoon, zoudt ge willen? vroeg Ignatius, terwijl hij zijn gewezen leerling vol spanning bleef aanstaren.
— Ja! zeide Hermes nogmaals, maar ditmaal was zijne stem niet vast meer.
Ignatius hoorde het niet.
— Heil u, mijn zoon! riep hij met machtige stem, terwijl hij met geestdrift de handen als zegenend over den sidderende uitbreidde. Heil u, dat gij de eere Gods liefhebt. en de eer der menschen niet zoekt. Wie weet, hoe spoedig de ure komt, waarin ook gij, mijn geliefde zoon, de eer der martelaarskroon wordt waardig gekeurd. O, dat het mij vergund ware, u, u boven allen, mede te nemen ter eeuwige heerlijkheid!
Als in gebed verzonken bleef de bisschop staan. De gemeenteleden zagen elkander verschrikt aan.
— Wat heeft hjj voor? hoorde men hier en daar mompelen.
\'25
— Maar kom. vervolgde Ignatius, terwijl hij Hermes wenkte zich neder te zetten; gij allen wacht op het brood des levens: Luistert naar de woorden des Heeren.
En de perkamentrol openende, — het was het Evangelie, door Ignatius\' leermeester, Johannes, opgeteekend — las hij de eerbiedig luisterende gemeente de afscheidsredenen van den Heer voor.
Toen hij de rol nederlegde, en zelf het woord nam, scheen het gelezene in zijn ziel een weerklank te vinden, \'t Waren toch haast woorden van afscheid, die hij sprak. Vertroostingen vermaning, ze werden in de rede van den bisschop niet gemist, maar zijne woorden klonken als die van een scheidende, en angstig luisterde de gemeente toe. Daar waren er slechts weinigen, die hem begrepen, en die weinigen zwegen, want ze wisten, dat Ignatius zich niet zou laten weerhouden, als hij zich werkelijk iets voorgenomen had.
Toen de bisschop eindelijk zweeg, verwijderden zich de catechumenen. en het Avondmaal, het Maal der Gedachtenis, nam een aanvang. Hermes zat voor de eerste maal mede aan.
Ook hier bleef dezelfde stemming heerschen. De bisschop was vol heilige geestdrift, de gemeenteleden waren angstig en bedrukt.
Toen de gemeente zich na de dankzegging en den lofzang verwijderde, wenkte Ignatius een ouden man, die hem met eene eerbiedige buiging wilde voorbijgaan.
— Volg mij, Phaon, fluisterde hij, ik wensch u iets te vragen.
Hij ging den oude voor naar een klein vertrek, opzettelijk ingericht als eene plaats ter afzondering voor den voorganger der gemeente.
— Zeg mij, Phaon, vroeg de bisschop, is uw zoon Kleon nog altijd deurwachter van den tempel van Zeus.
De oude Griek boog treurig het hoofd.
26
— Nog altijd, eerwaarde vader, zeide hij zuchtend. Meer dan eens heb ik hem gesmeekt en gebeden, den dienst der duivelen, die de verblinde Heidenen hunne goden noemen, te verlaten, en met mij den Verlosser te belijden, maar.....
— Welnu?
— Maar hij zegt altijd lachende, dat hij geen nieuwe goden noodig heeft, zoolang de oude hem betalen. De Heer vergeve hem zijne lastering!
— Amen! zeide Ignatius ernstig.
— Maar somwijlen, ging hij voort, wil de Heer ook Zijne vijanden en lasteraars gebruiken, om zijne bedoelingen uit te werken. Hoor, Phaon ....
Hier boog de bisschop zich voorover en fluisterde de grijsaard eenige woorden in het oor.
Phaon trad ontsteld terug.
— Onmogelijk, Heer! fluisterde hij.
— Het moet, Phaon! Het moet, ter eere Gods! sprak de bisschop.
De opzieners der gemeente, die in het gewelf de komst van den bisschop verbeidden, hoorden hoe er in het kleine verwulfde vertrek een levendig gesprek werd gevoerd. Zij onderscheidden de stem van Phaon, die op angstigen, smeekenden toon tegenwerpingen scheen te maken, terwijl die van den bisschop steeds luider en bevelender klonk. Eindelijk sloop de oude Griek met gebogen hoofd en betraande oogen heen, terwijl Ignatius hun als zegevierend te gemoet trad.
Zwijgend geleidden zij den bisschop naar zijn huis, en even zwijgend namen zij afscheid van hem en van elkander.
Aller harten waren bezwaard, wanneer zij dachten aan wat de dag van morgen zou brengen.
HOOFDSTUK III IN DEN TEMPEL.
P^ÏUge ttag\' door de bevolking van Antiochië met zooveel ongeduld verbeid, door de kleine Christengemeente met vreeze te gemoet gezien, brak eindelijk aan. Was het den vorigen avond in de buitenwijken der stad stil en eenzaam geweest, in de hoofdstraten had men, bij het licht van fakkels en toortsen, en onder het gedrang van duizenden nieuwsgierigen onophoudelijk gearbeid aan de versiering der stad. Reeds tegen den avond toch was de voorhoede van het leger des Keizers van de wallen bemerkt. Dien nacht had het heir buiten de wallen gekampeerd, en ijlboden waren de berichten van Hermes komen bevestigen. De Keizer, die zich spoedig weder tot nieuwe krijgstochten tegen de Armeniërs en Parthen wilde uitrusten, had werkelijk zijn marsch verhaast. Reeds den volgenden dag zou hij Antiochië in zegepraal binnentrekken, om zich weldra in te schepen naar de plaats zijner bestemming. Wilde men dus den vorst eene waardige ontvangst bereiden, dan moest men zich haasten. En de burgers van Antiochië hadden getoond, dat men met ruime middelen en een goeden wil ook in korten tijd ongelooflijk veel kon doen.
28
De straten, door welke de optocht zou heentrekken, waren rijk en smaakvol versierd. Bloemen, guirlanden, wuivende tapijten en tropheeën van purperkleurige Phenicisohe stoffen, van zinrijke opschriften voorzien, wisselden elkander af. Op de hoeken der straten waren beeldengroepen geplaatst, door verscheidene aanzienlijken ten gebruike afgestaan, en groepen van jongelingen en jonge meisjes stonden bereid om den over-winnenden keizer met gezang te begroeten en zijn weg met lauwer- en palmtakken te bestrooien. Eene dichte menigte verdrong zich in do straten; ternauwernood konden de lictoren van den pro-consul bijgestaan door eenige ruiters en speerdragers, den weg vrij houden, dien de optocht zou moeten volgen.
Vooral op het ruime plein, dat de niet groote, maar fraaie Zeustempel omringde, waarin de offerplechtigheid zou plaats hebben, stond de menschenmassa dicht opeengedrongen, en te vergeefs beproefden twee mannen, die zichtbaar haast hadden, door dien muur van menschelijke lichamen heen te breken en het gebouw te bereiken. Overal waar zij bet beproefden, werden zij met onvriendelijke blikken en nog onvriendelijker woorden teruggewezen, want niemand had lust, de met zooveel moeite verworven plaats aan een ander af te staan.
Zichtbaar ontmoedigd staakten de beide mannen hunne pogingen voor een oogenblik.
— Het gaat niet, broeder Sosimus, zei de oudste tot zijn jongeren metgezel. Wij komen te laat!
— Ik vrees het ook, broeder Rufus, antwoordde de aangesprokene. \'t Is te laat! God ontferme zich over onze gemeente en over haren opziener !
— Gij weet dan zeker, dat Ignatius zich daarginds bevindt ?
— Zeker weet ik het, maar al te zeker! De oude Phaon kwam mij daar straks onder tranen vertellen, dat hij op bevel van den bisschop dezen in den vroegen morgen toegang tot den tempel had verschaft. Hij had zich meester gemaakt van
29
den sleutel van een achterpoortje, dien zijn zoon, als deurwachter van den tempel, in bewaring had, en zoo was hem het stoute feit gelukt, zonder dat het iemand ontdekte. Nu begrijp ik de woorden van Ignatius, en zijne zinspelingen op zijn naderend einde!
— Hij zou dus, denkt ge.....
— Zich blindelings in het verderf storten, ongetwijfeld ! Nu begrijp ik alles. Hjj zal voor den Keizer willen getuigen, en Trajanus zal hem niet sparen.
— Maar waarom heeft Phaon ons gisteren niet gewaarschuwd ?
— De bisschop had het hem streng verboden. Ook nu zou hij het niet hebben gewaagd, maar toen Ignatius afscheid van hem nam, had deze hem gezegd ....
Hier verhinderde de aandoening den spreker, om voort te gaan.
— Hij had tot hom gezegd, ging hij zich vermannende voort: Vaarwel, Phaon, de Heer zij met u, en Hij loone uwe trouw, als wij elkander in dit leven niet meer mochten wederzien. Toen was de oude verschrikt, en na tevergeefs den bisschop gesmeekt te hebben, den tempel weer te verlaten, was hij naar mijn huis gesneld. Ik ijlde naar den tempel, maar hier en daar vond ik de straten versperd, zoodat ik meer dan eens een omweg moest maken. Zooeven ontmoette ik u, — en nu weet ge alles.
Rufus schudde het hoofd.
— Als hij in dien tempel is, en wij kunnen hem niet bewegen, om zich met ons te verwijderen, is hij verloren, zeide hij. Komaan, Sosimus, laat ons nog eens eene poging wagen!
Sosimus knikte toestemmend, en, gevolgd door Rufus, trachtte hij nogmaals zich door het gedrang een weg te banen, terwijl hij in zijn drift vrij onzacht een stoeren lastdrager op zij schoof, wiens breede schouders hem den weg versperden.
30
Deze scheen zich dit echter niet te willen laten welgevallen.
— Hei, zacht wat! heerschap, zei hij ruw, terwijl hjj Sosimus een forschen stoot gaf; wat moet dat beteekenen? Wilt gij een eerzaam burger van zijn plaats dringen ....
Plotseling veranderde echter de man, dezelfde lastdrager, dien wij reeds vroeger de partij der Christenen zagen opnemen, van stem en houding. Hij had Sosimus herkend.
— Vergeving, eerwaarde heeren ! ging hij op ruw goed-hartigen toon voort. Ik herkende u zoo gauw niet. Hoe is \'t? Wilt gij ook den stoet zien? Neem mijn plaats dan maar. Clitus is niet ondankbaar en hij vergeet zijn vrienden niet.
— Wij moeter voort! wij moeten naar den tempel, goede Clitus; zeide Sosimus, die nu ook den spreker herkende. Kunt ge ons niet door \'t gedrang helpen ?
Clitus krabde zich verlegen achter de ooren.
— Naar den tempel, zei hij; dat zal moeilijk gaan! Wat moet ge er doen?
— De bisschop is er, fluisterde Sosimus; hij is in groot gevaar, en wij willen hem redden.
Clitus haalde de schouders op.
— Ik ken den bisschop niet, zei hij; gij weet, eerwaarde Sosimus, dat ik de oude goden trouw blijf. Maar u ken ik, en omdat gij mijn vrouw en kinderen geholpen hebt, wil ik mijn huid wagen, om u een genoegen te verschaffen. Vooruit dan maar!
En de forsche man begon, onder het vloeken en schelden der omstanders, door de menigte heen te dringen. Sosimus en Rufus volgden hem op den voet.
Zij konden hem dus echter niet bereiken. De opschudding door hun onstuimig voorwaartsdringen veroorzaakt, had weldra de aandacht getrokken van het voetvolk, dat op het plein voor den tempel de orde moest handhaven, en juist brak Clitus met zijne gezellen door de laatste rijen heen, toen een paar speerdragers toesnelden.
31
— Hei daar! riep een hunner, terwijl hij Clitus door een stoot met het achtereinde van zijn speer terug deed tuimelen. Blijf waar ge zijt, vriend!
— Maar deze raenschen moeten naar den tempel, schreeuwde Clitus.
— Naar den tempel, ja, dat laat zich denken! meesmuilde de soldaat, terwijl hij de beide eenvoudig gekleedc mannen monsterde. Nog eens, blijf waar ge zijt, of ge maakt kennis met de roede van den lictor.
Clitus wilde nog tegenwerpingen maken, maar de speerdragers velden hunne wapenen en hij zag, dat alle verzet nutteloos was. De menigte was achter hen opgedrongen, zoodat nu het drietal noch voor- noch achteruit kon.
— Wij moeten \'t opgeven, heeren! zeide hij, terwijl hjj zich met een pijnlijk gezicht de borst wreef. Jongens, die stoot kwam aan! Maar ik sta nu toch nog beter dan straks, en dat is wel een stoot waard!
De beide Christenen luisterden niet naar de wijsgeerige opmerking van hun metgezel. Bezorgd zagen ze elkander aan. Inderdaad, zij moesten hunne onderneming opgeven, want al trachtten zij het plein over te steken, dan zouden zij toch oogenblikkelijk door de soldaten gegrepen worden. Terug konden ze niet meer, en zij bleven dus staan, terwijl zij angstig en van een bang voorgevoel vervuld, naar den tempel staarden, welks breede voorhof voor hunne blikken open lag.
Daar verkondigden luidklinkende tubatonen in de verte de nadering des Keizers en onstuimig drong de volksmenigte voorwaarts, door de soldaten slechts mot moeite weerhouden, toen in de breede straat, die naar den tempel geleidde, de optoeht zichtbaar werd. Wat zij zagen, was dan ook wol de aandacht waardig. Voorafgegaan door eenige herauten, die van tijd tot tijd hunne tuba\'s of trompetten deden schetteren, naderde de prachtige stoet van den triomfeerenden Keizer.
32
Vooraan reed eene afdeeling Moorsche ruiters, met lange lansen gewapend en van kleine ronde schilden voorzien. Dan volgde een cohorte van de Romeinsche lijfwacht des Keizers: oude, beproefde soldaten, aan de overwinning gewoon, wier ernstige fiere gelaatstrekken rustig bleven bij het gejuich der goede Antiochieërs, gewoon als ze waren, zulk eene hulde te ontvangen. Hierop volgde, al weder door krijgsknechten bewaakt, een treurige stoet, Het waren de gevangen hoofdlieden der overwonnen volkeren, die hier in slavernij den triomftocht van den overwinnaar mede moesten opluisteren. Geketend en onder het onteerende schandjuk gekromd, boden deze forsche dappere mannen, wien de oorlogskans ongunstig was geweest, een treurig schouwspel, zooals ze daar zich met moeite voort-sleepten, sommigen met gebogen hoofd en doffe starende oogen, anderen met woeste en norsche blikken om zich heen ziende, en hunne overwinnaars nog in hunne gevangenschap tartende. Maar nu verdubbelde zich het daverend gejuich, want het voornaamste bestanddeel van den optocht, de triomfkar van Trajanus, kwam in \'t gezicht.
Door acht fraaie, melkwitte paarden getrokken en omstuwd door de Macedonische hulpbenden, die door hun dapperheid in dezen veldtocht het recht verworven hadden, den Keizer gedurende zijn verblijf in Azie als lijfwacht te dienen, naderde de triumphator. Trajanus stond in de lage kar recht overeind. Van zijn schouders golfde de picta, de met goud geborduurde purperen toga van den zegepralenden veldheer. Hij had den veldheerstaf in de hand en op het ontbloote hoofd droeg hij een lauwerkrans. Achter zijn zegekar volgden de vorsten der door hem overwonnen bergvolken, in hunne vreemdsoortige feestkleeding, maar ongewapend en met strikken om den hals aan de triomfkar bevestigd.
Bij de verschijning des Keizers werd het gejuich van het volk oorverdoovend; niemand lette meer op het verdere ge-
33
deelte van den optocht, dat uit wagens bestond, beladen met den behaalden buit quot;en de wapenrustingen der overwonnenen. Aller oogen waren op den Keizer gevestigd, want Trajanus was, en dat te recht, zeer bij het volk bemind.
En nu was de stoet op het plein voor den tempel aangekomen. De soldaten schaarden zich ter rechter- en linkerzijde, en onder het onstuimig gejuich der voorwaarts dringende menigte steeg de Keizer van zijn wagen, en betrad het voorhof van den tempel. De bevelhebber der Macedonische hulptroepen en de pro-consul van Syrië begeleidden hem.
Nauwelijks had de Keizer de marmeren trappen bestegen, die tot den tempel geleidden, of onder plechtig gezang naderden hem de priesters, die nu uit het gebouw te voorschijn traden. Aan den ingang van den voorhof stonden twee slanke beeldzuilen, Zeus en Hera voorstellende, en de opperpriester bood den Keizer een gouden schaal aan, gevuld met wijn, om hier het eerste plengoffer te brengen.
Trajanus maakte zich hiertoe gereed. Hij sprak de plechtige woorden, die den offerwijn moesten heiligen, en hief den beker op.
Daar verstomde eensklaps het gezang der priesters. De keizer deed een schrede achteruit en de Macedonische krijgsman sloeg de hand aan het zwaard.
Plotseling was uit den tempel een grijsaard van hooge gestalte getreden, en had zich met opgeheven hand tusschen den keizer en de priesters geplaatst.
Deze laatsten stonden als versteend. Ook het volk, dat nog zooeven gejuicht had, zweeg plotseling, «\'t Is Ignatius, \'t is het hoofd der Christenen!« hoorde men hier en daar mompelen.
Trajanus richtte een vragenden blik naar den pro-consul, die angstig omzag naar zijne lictoren, maar eer deze waren toegesneld, sprak Ignatius met luider stem;
— Laat af, machtige keizer, en offer niet voor déze stomme afgoden. Niet hun, maar den almachtigen God
34
hebt gij de zege te danken. Geef Hem alleen de eer!
De bevelhebber der Macedoniërs en eenige priesters wilden hier tusschenbeide komen, maar een wenk van Trajanus weerhield hen. Met scherpen blik monsterde de keizer de eerwaardige gestalte van den bisschop, die van zijn kant den machtigen heerscher onverschrokken in de oogen zag.
— Wie is die waanzinnige? vroeg Trajanus den ontstelden pro-consul.
— \'t Is Ignatius, \'t is het hoofd der christenen ! fluisterde deze. Ik begrijp niet.....Zal ik hem gevangen laten nemen ?
Trajanus fronste het voorhoofd.
—- Ga uws weegs, oude! beval hij kort, en weer hief hij de offerschaal omhoog.
Maar Ignatius trad hem in den weg.
— Offer niet, o keizer, en erken den Christus als uw Heer! riep hij met luider stem. Zie, uwe goden, ze zijn slechts doode steen en dood metaal!
Een schreeuw van ontzetting ging uit de menigte op. De nog kloeke grijsaard was op den beeldzuil van Zeus toegetreden en had met krachtige hand het fraaie bronzen beeld doen kantelen, en van zijn voetstuk geworpen. Onder woest geschreeuw wilden de priesters zich op den bisschop werpen, maar weer kwam Trajanus tusschenbeide.
— Phanes! — riep hij kort en bevelend, den bevelhebber der Macedoniërs toe.
Bij de eerste opschudding waren eenige krijgslieden, bevreesd voor een aanslag op het leven des keizers, de tempeltrappen opgesneld. Onder hen was ook Hermes. Versteend van schrik had hij de ontmoeting van zijn leermeester met den keizer aangezien.
Daar wenkte hem zijn overste, Phanes. Op het bevel des keizers was deze vooruitgetredenenhadlgnatiusbij denschouder gegrepen.
— Centurio, vat dezen aan en leid hem weg! riep de bevelhebber met gedempte stem.
35
Een oogenblik aarzelde Hermes. Zoo ooit, dan moest hij nu, nü den Heer belijden. Dan moest hij zijn zwaard neerleggen aan de voeten des keizers en zeggen, dat ook hij een Christen was, en het lot van zijn meester wilde deelen. Maar — dan wachtte ook hem de gevangenschap en een onteerende dood, en nu hij zich plotseling voor de verschrikkelijke keuze geplaatst zag, nu beefde hij terug voor het lot, dat hem verbeidde, als hij zijne belijdenis getrouw bleef. Hij gevoelde, dat het oog van Ignatius, zoowel als dat van Trajanus op hem gericht was, — en de verzoeking was te sterk.
Zwijgend wenkte hij de krijgslieden, die hem gevolgd waren. Deze namen den bisschop in hun midden en leidden hem weg. Ignatius bood geen weerstand.
Hij had Hermes niet bemerkt, voor Phanes aan dezen het bevel tot zijne gevangenneming gaf. Hij had de aarzeling van zijn leerling gezien en maar al te goed begrepen.
— Dit van u, mijn zoon! fluisterde hij smartelijk.
Hermes wendde zich snel af. Hij durfde den bisschop niet aanzien. De soldaten verwijderden zich met hun gevangene, en het volk liet hen zwijgend door. Allen waren ontzet over hetgeen zij gezien hadden, en bevreesd voor het lot van den bisschop. dien zelfs de Heidenen liefhadden en vereerden.
In den tempel werd de offerplechtigheid voortgezet, en weldra deden de beloofde feestelijkheden de vroolijke Antiochiërs het gebeurde voor het oogenblik vergeten.
De Christengemeente hield zich echter schuil. Aller harten waren met vreeze en droefheid vervuld, — en zelfs de weinigen onder de jongere gemeenteleden, die zich nog door de Heidensche feestvreugde voelden aangetrokken, begrepen, dat zij heden verstandig deden, zich niet in het openbaar te vertoonen.
Ignatius werd door Hermes en zijne krijgslieden naar de Romeinsche sterkte geleid, waar het garnizoen verblijf hield, om daar bewaard te worden, totdat de keizer over zijn lot besliste.
HOOFDSTUK IV.
H E E M E S.
quot;^JêgS^ersteend van schrik hadden Rufus en Sosimus, die zich, JjEa) zooals we weten, in de eerste rijen van het volk, in de onmiddellijke nabijheid van den tempel bevonden, de stoutmoedige daad van den bisschop aangezien. Toen de bevelhebber der lijfwacht voorwaarts trad en Ignatius bij den schouder greep, maakte Sosimus eene plotselinge beweging, alsof hij op den groep toe wilde snellen, om zijn meester te redden of met hem te sterven. Eer hij echter een enkele schrede kon doen, greep Clitus hem bij den arm.
— Om aller goden wil. Heer! blijf, waar ge zijt! beet hij den diaken in \'t oor. Wat vermoogt ge tegen den Keizer en zijne soldaten? Ge zoudt uw eigen leven offeren, zonder uw vriend, dien Christenpriester, te redden!
Toen echter Sosimus in radelooze angst zich wilde losscheuren, greep de ruwe, maar trouwhartige lastdrager hem vast om het lijf.
— Ge zult u niet in het ongeluk storten, zoolang Clitus armen heeft, om u terug te houden! riep hij den diaken toe, die tevergeefs trachtte zich aan zijn ijzeren greep te ontworstelen. Zie, het is reeds te laat! Daar komen de soldaten al aan!
37
Werkelijk braken Ignatius\' bewakers, op weinige schreden van de twee vrienden, zich een baan door het volk. Geen van beiden had tot nu toe Hermes bemerkt, en dus waren zij nog onkundig van diens aandeel in de gevangenneming van den bisschop, maar toen de treurige stoet vooruitging, trof de blik van den centurio dien der beide opzieners, die hem met smartelijke verbazing aanstaarden.
Beschaamd sloeg hij de oogen neer.
Verbijsterd staarden Rufus en Sosimus elkander aan.
— Wat was dat? vraagde de eerste aan den diaken, die met strakken blik de zich verwijderenden nastaarde.
— Ik kan het niet gelooven! barstte de diaken uit. Hennes een verrader! Hermes, de geliefde leerling van Ignatius, zijn beul! Het is onmogelijk!
— Hij was zwak, hy was zwak! mompelde Rufus. Hij zal voor de verleiding zyn bezweken. Maar wat zal er van den bisschop worden?
De laatste woorden van zijn metgezel herinnerden Sosimus aan het gevaar, waarin zijn beminde meester verkeerde; in zijne ontsteltenis over Hermes\' verraad had hij het voor een oogenblik vergeten.
— Wij moeten hem volgen! riep hij heftig uit. Wij moeten weten, waar men hem heenvoert. Help ons er door, Clitus!
De lastdrager schudde het hoofd.
— Dat gaat niet, heer, dat gaat niet! zeide hij. Zie maar eens, hoe dicht het volk opeengedrongen staat. Gij moet wachten tot de plechtigheid is afgeloopen.
Een enkele blik overtuigde den diaken, dat Clitus gelijk had. Hij verzonk in somber gepeins, terwijl de volksmassa rondom hem joelde en juichte, en uit den tempel de reizangen dei-priesters opstegen. Eindelijk was de offerplechtigheid afgeloopen. De stoet van den Keizer stelde zich weder in beweging, en het volk verstrooide zich.
7
38
Met haastige schreden begaven zich Rufus eri Sosimus naar de Romeinsche kazerne, waar zij hoopten, eenige inlichtingen omtrent Ignatius in te kunnen winnen, mogelijk wel toegang tot hem te verkrijgen. Nog hadden zij evenwel het plein niet verlaten, of met een gelaat, rood van gramschap en verontwaardiging, snelde hun Philippus, de jonge diaken, te gemoet.
— Hebt gij den gruwel gezien? riep hij hun reeds van verre tegen. Hebt gij \'t gezien? De verrader Hermes heeft de hand aan den bisschop durven slaan. De ellendeling! Eerst gisteren avond is hij gedoopt, en nu reeds een afvallige! Hij moet uit de gemeente geworpen worden!
— Bedaar, bedaar, broeder Philippus! viel Sosimus, die nu zijne gewone bedaardheid had teruggekregen, den vertoornde in de rede. Wij moeten niemand liefdeloos verdenken, zelfs niet,...
— Hoe, verdedigt gij nog den verrader! borst Philippus uit, nog altijd blakend van diift.
— ... Zelfs niet, al is de schijn tegen hem, ging Sosimus bedaard voort. Wij mogen Hermes niet onverhoord veroordeelen !
— Maar de feiten.... viel Philippus in.
— Beteekenen nog niets, of ten minste, ze zijn niet genoeg, om zijn schuld te bewijzen. Hermes kan met goede bedoelingen hebben gehandeld. Hij kan den bisschop willen laten ontsnappen.
— Ignatius zou willen ontsnappen ? vroeg Philippus ongeloovig.
— Ik geloof het ook niet! zeide Sosimus, smartelijk. Neen, de martelaarskroon zal hem ditmaal niet ontgaan. O, wel noemt hij zich Theophorus. \') Hij draagt den Heer in het harte. Wat zegt hem dan deze wereld! De Heer erbarme zich slechts over zijne arme gemeente!
De drie mannen zwegen eenige oogenblikken, terwijl zij somber voor zich uitstaarden.
— Komt, broeders! zeide eindelijk Sosimus. Wij mogen den
J) „Goddrngerquot;. Zoo noemde Ignatius zich gaarne.
.
39
tijd niet ongebruikt laten voorbij gaan. Misschien is het nog mogelijk, den bisschop te redden! Gaat gij beiden naar de kazerne en laat ons tegen hedenavond de gemeente samenroepen, om gezamenlijk te beraadslagen.
— En gij, waar gaat gij heen, broeder !?osimus? vraagde Rufus, den diaken onderzoekend aanziende.
— Naar Hermes! was het antwoord.
In den laten avond van dien dag stond een man, in een grooten mantel gewikkeld, in de schaduw van een der laatste huizen van de straat, die heenleidde naar den ouden Osiristempel, de vergaderplaats der Christengemeente van Antiochië. Met ingespannen aandacht tuurde hij naar het gebouw. Herhaaldelijk deed hij eenige schreden, als wilde hij er zich heen begeven, maar telkens bleef hij als besluiteloos staan. Van tijd tot tijd ritselden er voetstappen en gleden hem donkere gedaanten voorbij, die zich allen naar de ruïne schenen te begeven, maar de mafi scheen bevreesd voor die nachteljjke wandelaars, want telkens, als hij ze ontwaarde, week hij schuw achteruit.
Eindelijk ging hem niemand meer voorbij. Alles was doodstil om hem heen. Slechts in de verte gromde en gonsde de juichende stad, want de feesten, die Trajanus aan de bevolking van Antiochië gaf, duurden tot laat in den nacht. De man zag nog eenmaal schuw om zich heen, en toen, alsof hij eindelijk een besluit genomen had, trad hij op de ruïne toe.
— Geloofd zij Jezus Christus! fluisterde eene stem, die uit den grond scheen op te rijzen.
— In eeuwigheid, Amen! stamelde Hermes, want deze was het. Het gewone antwoord stokte hem in de keel.
— Zijt ge daar eindelijk? fluisterde de stem. Ik dacht, dat ge niet meer komen zoudt. Sta stil, ik kom bij u.
40
Hermes gehoorzaamde. Eene zwarte gedaante scheen uit de aarde op te rijzen. De centurio ontstelde echter niet. Hij wist, dat hij zich bij een der weinig gebruikte toegangen tot de crypt bevond. De wachter was een zijner onderbevelhebbers, en met veel moeite had hij van dezen de belofte weten te verkrijgen, dat hij hem dien nacht de gelegenheid zou verschaffen, om de vergadering bij te wonen. Zich openljjk daar vertoonen durfde hij niet, en toch liet zijn geweten hem geen rust.
De wachter trad op hem toe.
— Ik waag veel voor u, centurio, zeide hij ernstig. Misschien verzaak ook ik mijn plicht, nu ik een afvallige toelaat tot de vergadering der broeders. Waarom wilt gij binnensluipen als een dief? Treed moedig voor de opzieners, belijd uw schuld en belijd morgen den Heer voor den Keizer. Nog kunt ge de martelaarskroon grijpen ....
Hermes schudde ongeduldig het hoofd.
— Laat mij door! fluisterde hij met heesche stem.
— Zoo ga dan! zeide de wachter somber. Maar belooft gij, dat ge u schuil zult houden? En, — vroeg hij plotseling, met een argwanenden blik, — op uwe eer, hoofdman, gij hebt toch geen kwaad tegen de broeders in den zin?
Het bloed steeg Hermes naar het hoofd.
— Houdt ge mij voor een verrader? riep hij toornig.
De ander zweeg en Hermes verbleekte. Hij begreep de be-teekenis van dat zwijgen : hij was een verrader. Met een doffen snik verdween hij in de donkere gang.
Daar beneden in de crypt was de vergadering reeds begonnen. Ditmaal waren alleen de mannelijke leden der gemeente vertegenwoordigd; de vrouwen en de catechumenen mochten aan deze beraadslagingen geen deel nemen. De plaats van den bisschop stond, helaas, ledig. In zijn plaats werd de vergadering door den ouden Rufus geleid.
41
Een vurig gebed was reeds ten hemel gerezen tot den Heer der Gemeente, een gebed, waarin in de eerste plaats redding werd afgesmeekt voor den beminden bisschop, maar waarin tevens werd gevraagd om kracht en wijsheid voor de gemeente, in de moeilijke tijden, die aanstaande waren. Toen zette Rufus in korte woorden het doel der samenkomst uiteen. Hij verhaalde de stoute daad van Ignatius en diens gevangenneming, en deelde verder mede, dat de bisschop in de Romeinsche sterkte gevangen werd gehouden. Niemand werd bij hem toegelaten.
— En nu, broeders, besloot hij, wat moeten wij nu doen ? De bisschop verlangt blijkbaar naar het martelaarsschap en de martelaarskroon. Moeten wij trachten hem uit de handen der vijanden te verlossen, of moeten wij den Heer bidden, dat Hij Zjjn dienstknecht ondersteune, en hem kracht geve om te volharden, ten einde toe?
— Zou de keizer den bisschop hier ter dood willen doen brengen? vroeg een der aanwezigen.
— In Antiochië? Nooit! antwoordde een ander. Daarvoor is Trajanus veel te slim, en de pro-consul zal het hem ook ontraden. Het volk is op onze hand. Het bemint Ignatius om zijne weldadigheid. Bij zijne gevangenneming was iedereen verbijsterd, maar zoo de keizer het op zijn leven toelegde, dan kwam er oproer.
— Juist! viel hier Philippus onstuimig in; van die stemming van het volk moeten wij gebruik maken. Laat het volk, des noods met geweld, de vrijlating van onzen bisschop eischen!
— Dat ware tegen het gebod van den Heiland, en zeker niet naar den wil van Ignatius, zeide Rufus hoofdschuddend. Neen, Philippus, geen geweld I De gemeente des Heeren strijdt niet met vleeschelijke wapenen!
Nu ontstond er een levendig gesprek. Sommige der aanwezigen meenden met Philippus, dat men des noods met ge-
42
weld den bisschop moest trachten te bevrijden. Anderen keurden dit af, terwijl er ook niet weinigen waren, die beweerden, dat men in het geheel niet moest beproeven den bisschop te verlossen, maar dat de gemeente zich integendeel moest verheugen, als haar opziener de eer der martelaarskroon werd waardig gekeurd. Deze laatsten spraken zeker het meest in den geest van Ignatius zeiven. Eindelijk kwam men overeen, dat men door middel van de Christenen onder de Romeinsche soldaten zich met den bisschop in verbinding zou trachten te stellen, ten einde diens gevoelen in te winnen. Aan de mogelijkheid, dat Ignatius uit Antiochië zou worden weggevoerd, dacht niemand.
Tot nog toe had niemand den naam van Hermes genoemd. Het was, alsof allen angstig dien naam vermeden, als gisten zij, welke zware taak hen nog wachtte, waar het gold, de straf uit te spreken over den verrader.
Achter een zwaren pijler verscholen, had Hermes de beraadslaging bijgewoond. Zijn geweten had hem naar de plaats der samenkomst gedreven, eigenlijk zonder een bepaald doel. De last toch, die hij den vorigen avond op zich had geladen, was hem gebleken te zwaar te zijn. Nu het kruis hem zóó onverwacht, zóó spoedig op den schouder werd gelegd, beefde hij er voor terug. De dood, ja de dood had hij wel durven ondergaan : hij had dien al zoo dikwijls onder de oogen gezien, — maar zoo hij den Heer beleed, dan wachtte hem een onteerende straf, — en Hermes achtte de parel des eeuwigen levens dien prijs niet waardig.
Geslingerd door verschillende aandoeningen stond hij in de schaduw van den pilaar. Meer dan eens was het hem, als moest hij voorwaarts treden, zijn schuld belijden, en de gemeente zweren, dat hij zijn meester zou redden, of met hem sterven. Maar dan zag hij weer de spottende aangezichten zijner kameraden, de on teering, den dood door de hand des beuls, — en hij bleef.
43
Met kloppend hart zag hij, hoe llufus nogmaals opstond en stilte gebood.
— Ons roept nog een treurige plicht, broeders, begon hij met eene stem, die beefde van aandoening. Geen uwer heeft nog den naam genoemd van den man, die hier eerst gisteren beloofde den Heer te belijden, en die reeds heden ontrouw werd. Het is dan aan mij, dien naam te noemen. Hermes, de meest geliefde -leerling van den bisschop, is afvallig geworden van het geloof. Hij heeft de eer der menschen liever gehad dan de eere Gods. Als Judas Iskarioth. de gevloekte, heeft hij zijn meester verraden! Spreek, broeder Sosimus! Zeg ik de waarheid?
Sosimus boog toestemmend het hoofd.
— Helaas, ja! zeide hij; ik mag er niet meer aan twijfelen. Hermes is afvallig geworden. Heden morgen twijfelde ik nog aan zijne schuld. Ik hoopte nog, dat hij zijn gedrag zou kunnen verdedigen; dat hij slechts eene poging had willen wagen om den bisschop te verlossen, door zich zelf met zijne bewaking te belasten. Maar hij is werkelijk een afvallige. Driemaal heb ik heden getracht hem te spreken, maar telkens werd ik door zijne krijgsknechten teruggewezen. Eindelijk heb ik mij, als koopman vermomd, naar zijne woning begeven, maar zoodra hij mij zag, ontvluchtte hij. Toen heb ik een brief achtergelaten, om hem ter verantwoording te roepen voor de gemeente. Hij is niet verschenen. Dus zeg ik met Rufus: Hermes is een afvallige, — maar ik voeg er bij; Zijne verzoeking was zwaarJ
— Zijne verzoeking was zwaar, dat erken ik, antwoordde Rufus ernstig. Maar niet te zwaar! Wij allen die in deze tijden den Christus belijden, wij weten, dat wij ieder uur kunnen worden geroepen, om ons geloof met ons bloed te bezegelen. Wee ons. zoo wij terugtreden! Wie den Heer verloochent voor de menschen, dien zal Hij verloochenen voor Zijnen Vader!
— Broeders, ging hij voort, ik zeide daar straks: Ons
44
wacht nog een treurige plicht! Gij allen weet wat ik bedoel. De afvallige mag niet geduld worden in de gemeente der Heiligen, maar moet worden afgesneden, als een onrein lid. Zijt gij niet met mij van oordeel, dat Hermes moet worden uitgestooten uit de gemeente?
Allen bogen zwijgend het hoofd.
Den luisteraar klopte het hart in de keel. Hij zag, hoe allen zich om Rufus schaarden, en hij hoorde, hoe deze, met sidderende, soms door tranen verstikte stem, de ontzaglijke woorden uitsprak, die hem banden uit de gemeente, — voor dit leven en voor de eeuwigheid. Hij wist het, Ignatius had het hem zelf geleerd, dat de Heer aan Zijne gemeente de macht had gegeven, om op aarde te binden en te ontbinden, en wat zijn toestand zoo verschrikkelijk maakte, was de overtuiging, dat die afsnijding, die overgave ter verdoemenis geen ijdel schrikbeeld, maar ontzettende waarheid was. Hij was een afvallige, — maar geen ongeloovige.
En plechtig sprak de grijze ouderling de laatste woorden van den ban:
— En geven wij den afvallige den Satan over ter verderving, tenzij hij zich bekeere en zijne schuld belijde.....
Een plotselinge schreeuw deed alle broeders verschrikt omzien. Zij hoorden de dreunende voetstappen van den vluchteling, die door een der hoofdgangen wegsnelde. De wachters aan den ingang werden plotseling met geweld op zijde gestooten, — als eenmaal Judas Iskarioth verdween Hermes in den nacht.
HOOFDSTUK. .V
IGNATIUS EN TRAJANUS
^OMn een der zalen van het paleis van den pro-consul AfiKw van Syrië zaten twee mannen in ernstig gesprek bijeen. Beiden droegen de toga met purperen rand, het gewaad der Romeinscbe senatoren en overheidspersonen, maar de eerbiedige houding, waarin de een naar de woorden van den ander luisterde of die beantwoordde, bewees, dat de gelijkheid van gewaad hier geen gelijkheid van rang aanduidde. Inderdaad was de laatste der beide mannen niemand anders dan Keizer Trajanus, die met ernstig gelaat de mededeelingen van zijn stadhouder over Syrië, den proconsul Tullius, aanhoorde.
— En ge hebt dus nooit overlast van 4deze Christenen gehad? vroeg de Keizer, nadat hij zwijgend een poos had toegeluisterd.
— Nooit, machtige Keizer, was het antwoord. De Christenen, zooals men ze hier noemt, zijn algemeen bij het volk geacht, eïi Ignatius wordt in het bjjzonder om zijne groote liefdadigheid geroemd. Zij dienen de Goden niet, maar anders gaan ze stil hun weg en doen niemand moeite aan. Ik kan mij het optreden van den oude, gisteren in den tempel, niet verklaren.
46
— Dat schrijft mij Plinius ook, zei de Keizer peinzend, zonder op de laatste woorden van den pro-consul te letten, \'t Is vreemd; zij schijnen afkeerig van alle levensgenot, en toch wint hunne secte meer en meer veld. Houdt gij ook die beschuldigingen voor verzonnen, die tegen hen worden ingebracht. Ge weet, dat men beweert, dat hunne voorgewende strengheid van zeden de meest verregaande losbandigheid en zedeloosheid moet verbergen.
— Ik geloof, dat men hen lastert, antwoordde Tullius met volle overtuiging. Hier in Antiochië althans gebeurt niets van dien aard. Ik heb een mijner spionnen, een sluwen kerel, wiens schijnheilige tronie zelfs uw scherpen blik zou kunnen bedriegen, een poos onder hunne catechumenen doen opnemen, maar nimmer heeft hij iets verdachts kunnen ontdekken. Hij had den last, dien ik hem gaf, eerst gaarne aanvaard, want hij droomde ook van geheimzinnige nachtelijke feesten, maar spoedig kwam hjj mij verzoeken hem van zijn taak te ontslaan. De ernst der Christenen viel weinig in zijn smaak.
— Waarvoor houdt gij hen dan eigenlijk? vroeg Trajanus.
Tullius haalde de schouders op.
— \'t Schijnt eene Joodsche secte, zeide hij, en, zooals mijn spion beweert, aanbidden zij een zekeren Jezus, een Jood, die onder de regeering van Tiberius wegens oproer met den kruisdood gestraft is. \'t Is echter een vreemde zaak, dat juist de Joden, die ook in deze gewesten vrij talrijk zijn, hen zoo bitter haten, en niet minder vreemd is het. dat zij overal aanhangers vinden, tot zelfs in Rome.
— Waren zij maar niet zoo halsstarrig! zeide Trajanus nadenkend. Men zou hen dan niet lastig behoeven te vallen. Dit heb ik ook aan Plinius geschreven. Als zij niet worden aangeklaagd, moet men hen met rust laten. Wat dien Ignatius wel bewogen kan hebben, om gisteren de offerplechtigheid te verstoren! Wat mij betreft, had hij hier in vrede kunnen
47
leven, en met de zijnen zijne goden kunnen dienen. Nu moet ik hem echter wel straffen, — of, —• wat denkt ge? — zou hij willen buigen en den goden offeren.
De pro-consul haalde twijfelend de schouders op.
— Ik vrees er voor, zeide hij aarzelend. Als ik de Christenen goed ken, dan zal hij zelfs u, o keizer, durven trotseeren.
Trajanus fronste de wenkbrauwen.
— Dan korae zijn bloed over zijneigen hoofd! riep hij heftig.
— Toch waag ik het, u nog een enkelen raad te geven, zeide Tullius ernstig. Mijne Antiochieërs zijn een heetbloedig volkje, en, zooals ik u reeds zeide, het volk verafgoodt dezen Ignatius. Liet gij hem hier ter dood brengen, dan kon dat aanleiding geven tot woelingen, die zeker gemakkelijk genoeg konden worden onderdrukt, maar misschien alleen ten koste van veel bloed.
Trajanus haalde de schouders op.
— Het volk te Rome is nog steeds begeerig naar bloedige schouwspelen, zeide hij. Bljjft hij halsstarrig, — dan gaat hij naar Rome. Maar, \'t zij hij een dweper is of een krankzinnige, de man boezemt mij belang in, en ik wil hem zelf ondervragen.
Na eenige uren was het voorplein van het paleis van den pro-consul door eene dichte volksmenigte bezet. Als een loopend vuur had zich in de stad het gerucht verspreid, dat de keizer zelf heden den bisschop der Christenen zou verhoeren. De toegang tot de rechtzaal zelve was slechts aan weinigen vergund, maar toch waren velen toegesneld, om de rechtszitting, zij het dan ook van verre, bij te wonen. De leden der Christengemeente uit angstige belangstelling in het lot van hun opziener, het volk deels uit nieuwsgierigheid, deels uit medelijden met het vermoedelijk lot van een man, van wiens weldaden velen wisten te spreken.
In de voorste rijen der burgers vinden wij Rufus, Sosimus
48
en Philippus, met nog eenige opzieners der gemeente. Zij letten niet op de medelijdende of schampere blikken, die hun door sommigen worden toegeworpen, maar in angstige spanning verbeiden zij den uitslag van het rechtsgeding, terwijl zij zich fluisterend met elkander onderhouden.
— En hij wil dus niet vluchten? vraagt Philippus.
Rufus en Sosimus schudden treurig het hoofd.
— Hij blijft onverbiddelijk, klinkt somber hun antwoord. Alles was wel overlegd. Lysias, de Macedoniër, wilde zich voor hem opofferen, en hem in zjjne kleeding laten ontsnappen, maar hij wilde niet. Tevergeefs waagde het onze vriend, de decurio, hem te wijzen op het voorbeeld van den apostel Petrus, die ook uit Herodes\' kerker ontvluchtte. Eene ernstige bestraffing was zijn loon. De bisschop zegt, dat hij zich aan Gods leidingen niet wil onttrekken, en dat hij steeds met vreugde de martelaarskroon te gemoet ziet. Als de Heer ook voor hem geen wonder doet, dan is hij verloren.
— Zouden wij het niet kunnen beproeven, ook tegen zijn wil. Als de keizer hem hier, in Antiochië. wil terechtstellen, hebben wij zeker het volk op onze hand.
— En dan oproer, bloedvergieten, verzet tegen de overheid! Zou dat in den geest van Ignatius, in den geest des Heeren gehandeld zijn?
— Wie het doel wil, moet ook de middelen willen!
— Niet alle middelen, broeder! Maar laat ons nu zwijgen — en in den geest liever voor onzen bisschop bidden.
Terwijl dit gesprek op het voorplein gehouden werd, was daarbinnen, in de rechtzaal, het onderzoek begonnen. Trajanus had zich nedergezet op den rechterstoel van den pro-consul, die zelf aan zjjne linkerhand stond. Behalve de krijgslieden der lijfwacht, bevonden zich in het vertrek nog enkele krijgsoversten, en eenige der voornaamste burgers van Antiochië.
Op een wenk van den keizer gaf de pro-consul aan zijne
49
lictoren het bevel, om den gevangene binnen te leiden, en weldra verscheen Ignatius, geketend en streng bewaakt, voor den rechterstoel van hem, die zich den beheerscher der wereld noemde.
Met schorpen blik monsterde Trajanus de eerwaardige gestalte van den bisschop, die van zijn kant den keizer onverschrokken in de oogen zag.
— Een moedig man, mompelde Trajanus; — maar een gevaarlijk man!
Na eenige oogenblikken zijnen gevangene stilzwijgend te hebben aangestaard, nam de keizer het woord.
— Wie zijt gij, oude? vroeg hij op strengen toon. Welke booze geest is in u gevaren, dat gij niet alleen onze geboden overtreedt, maar ook anderen leert, ze te overtreden. Velen mijner onderdanen zijn reeds door u en de uwen verleid en in \'t verderf gestort.
Ignatius\' oog fonkelde.
— Een booze geest! riep hij in heilige verontwaardiging. Niemand noeme Theophorus een boozen geest! Neen, de booze geesten moeten wijken voor de dienaren Gods. Maar noemt gij mij boos tegen de booze geesten — dat ben ik! Want daar ik Christus heb, den hemelsehen Koning, vernietig ik hunne aanslagen.
Bevreemd zag Trajanus den pro consul aan, bij het hooren van het woord «Theophorus.« Tullius bemerkte het.
— Zoo noemt hij zichzelf! fluisterde hij den keizer in.
Deze richtte zich weder tot den gevangene.
— En wie is Theophorus ? vroeg hij spottend.
— Die Christus in het hart draagt! klonk het ernstige •antwoord.
Trajanus glimlachte medelijdend.
— Gij meent dien Jood, die gekruist werd te Jeruzalem, onder Pontius Pilatus? vroeg hij.
M i 4
50
— Ja, Hem, mijn Heer en Heiland! Hem meen ik, die de zonde kruist en haren bewerker.
— Draagt gij dan dien Christus in u om?
— Dat doe ik!
Een hemelsche blijdschap lag op het gelaat van den gevangene, toen hij op krachtigen toon die woorden sprak. Allen zagen hem verwonderd aan.
— Dat doe ik! herhaalde Ignatius, en zegevierend klonk zijne stem. Heeft Hij niet door een Zijner getuigen gesproken: Ik zal onder hen wonen en onder hen omwandelen!
Nogmaals schudde Trajanus medelijdend het hoofd.
— Ik heb deernis met uwe grijze haren, oude man, zeide hij. Gij hebt mij gisteren beleedigd, en de goden gehoond, — maar alles zij u vergeven, indien ge den goden offeren wilt, nu dadeljjk, voor de oogen van het gansche volk.
— Uwe leugengoden offeren! Nooit! riep Ignatius. Booze geesten zijn het, die wijken moeten voor den geest Gods. Maar gij, o Keizer, belijd gij veeleer den Christus, die,
Op een wenk van den pro-consul deden de lictoren den gevangene zwijgen.
Trajanus haalde de schouders op.
— Ik vermoedde het wel! zeide hij koel, en opstaande van den rechterstoel sprak hij met luider stem:
— Wij willen dat Ignatius, die zich beroemt een gekruiste in het hart te dragen, geketend naar Rome worde gevoerd, opdat hij, als een schouwspel voor het volk, een prooi worde der wilde dieren.
Alle aanwezigen keken, bij het hooren van dit vreeselijk vonnis, den gevangen Christen aan, zeker verwachtende, dat hij om genade smeeken, of ten minste verbleeken zou, maar zij zagen zich in hunne verwachting bedrogen. De gevangene sloeg de oogen ten hemel, breidde de handen uit, en juichend klonk het van zijn lippen:
51
— Ik dank u, Heer! dat Gij mij naar uw volkomen liefde bij u verheerlijken wilt, en mij verwaardigt de ketenen van uw apostel Paulus te dragen.
Op een wenk van den pro-consul werd do bisschop weggevoerd. Trajanus zag hem nadenkend na.
— Zonderlinge lieden! zeide hij tot Tullius. Zij begroeten soms den dood, als ware het een feest! ik wenschte wel, dat ik dezen oude had kunnen redden. De Keizer kan niet tweemaal zijne genade aanbieden, maar beproef gij het. Als hij vergiffenis wil vragen, en den goden offeren, dan zal hij het leven behouden.
Maar het was vergeefsch, dat Tullius, en anderen met hem, den bisschop tot afval zochten te bewegen. Met verbazing zagen zij, dat de Christen niet alleen den dood niet vreesde, maar zelfs reikhalzend uitzag naar het stervensuur. Zij konden immers niet begrjjpen, dat voor dezen man de dood geen koning der verschrikking meer was, maar de engel, die hem van deze aarde zou heenvoeren ter eeuwige heerlijkheid. Nog eer de Keizer dan ook Antiochië verliet, had hij den dag bepaald, waarop de gevangene naar Rome zou worden gevoerd.
Het bericht, dat Ignatius naar Rome gevoerd, en aldaar ter dood gebracht zou worden, was weldra onder het wachtende volk verspreid. Zeer verschillend was de indruk, die het vonnis op de menigte maakte. Terwijl sommigen luide jubelden, en de rechtvaardige gestrengheid des Keizers roemden, waren er velen, die over het lot van hun vriend en weldoener weeklaagden. Onder de op het plein aanwezige Christenen heerschte de diepste verslagenheid. Allen hadden, wel is waar, den afloop van het geding voorzien, maar zij hadden toch nog oen heimelijke hoop gekoesterd op een of andere onverwachte uitredding. Nu was echter alle hoop vernietigd. De geliefde bisschop zou sterven, ver van zijne gemeente, en — allen wisten het reeds, — hij wilde zich niet laten redden, ook al had men dat nu nog willen beproeven.
52
— Wij kunnen niets meer voor hem doen! zuchtte Philippus, terwijl hij een traan afwischte. Hij is verloren!
— Wij kunnen voor hem bidden, broeder, vermaande Rufus den jongen diaken met zachten ernst. Laat ons den bisschop steunen met ons gebed, want hem wacht nog een zware strijd. Kom, broeder Sosimus, laat ons gaan.
Sosimus, die met eenige dor hem omringende Christenen een paar woorden gewisseld had, maakte zich gereed, zijn vriend te volgen, toen hij zich op den schouder voelde tikken. Hij zag om en voor hem stond een man, in een langen mantel gewikkeld, die hom haastig een wastafeltje in de hand duwde en oogenblikkehjk daarop in het gedrang verdween.
Met bevreemding oogde de diaken hem na.
— Wat is er? Wie was dat? vroegen eenige zijner vrienden, die het voorgevallene hadden opgemerkt.
— Het was.....ik meende.....maar neen, dat kan niet
zijn, stamelde Sosimus, terwijl hij werktuigelijk het wastafeltje bekeek, dat hij in de hand hield.
Rufus zag hem onderzoekend aan.
— Het was Tferraes! fluisterde hij dezen in. Wat kan hij van mij verlangen. Laat zien, wat hij schrijft.
Met trillende hand verbrak hij het snoer, waarmede de wastafeltjes aan elkander waren gehecht. Toen hij den brief gelezen had, reikte hij dien zwijgend aan Rufus over.
— Deze las met ontroerde stem halfluid de volgende, blijkbaar in der haast geschreven woorden:
— Vlucht terstond. Men heeft u en anderen aangeklaagd. De plaats der samenkomst is verraden.
Ontsteld zagen de Christenen elkander aan.
— Zou het waar zijn? vraagden sommigen.
:— Ongetwijfeld, zei Sosimus bedaard. Trajanus zal geene opzettelijke vervolging bevelen maar na de stoute daad van Ignatius zullen er zeker zijn, die zich des Keizers gunst trach-
53
ten to verwerven, door ons aan te klagen. Wij moeten de overige gemeenteleden waarschuwen, broeder!
— En gij, Sosimus? vraagde Rufus. Zult gij vluchten?
Sosimus schudde het hoofd.
— Die gelooveu, haasten niet, zeide hij kalm. De bisschop verweet mij dikwijls mijne voorzichtigheid, die hij lauwheid noemde, — maar ik geloofde, en ik geloof nog, dat wij God niet mogen verzoeken, door met geweld de martelaarskroon te willen grijpen. Nu echter is Gods lijd voor mij gekomen. In dezen nood mag ik de gemeente niet lafhartig verlaten. Ik blijf op mjjn post, en Gods wil mag aan mij worden volbracht. Misschien wil Hij, dat ik den bisschop nog voorga in den dood.
Zóó was het. Na het vertrek van Ignatius woedde de vervolging weer eenigen tijd tegen de gemeente van Antiochië, en Sosimus was een der eerste offers. Nog eer Ignatius Rome bereikte was de diaken als eeu trouwe getuige zijns Heeren, zijn vriend en leermeester voorgegaan in het eeuwige leven.
HOOFDSTUK VI. DE REIS.
\\ Mtjy p de breede kade van de haven van Smyrna wandelen eenige mannen stilzwijgend heen en weder. Klaarblijkelijk behooren ze niet tot de schippers en kooplieden, die hier in grooten getale aanwezig zijn, druk bezig met de ontelbare schepen en hunne lading. Het gejoel en gewoel der handeldrijvende menigte schijnt hun geen belang in te boezemen, ja zelfs hun aandacht niet te trekken. Van tijd tot tijd slechts blijven ze staan, en turen dan in zee, alsof ze van daar iets verwachtten, maar wanneer hij, die de eerste onder hen schijnt te zijn, een grijsaard van hoogen ouderdom zijne jongere metgezellen vragend aanziet, dan halen deze verdrietig en ontmoedigd de schouders op.
En werkelijk verwachten die mannen iets uit zee ; zij verwachten een dierbaren vriend. Die oude eerwaardige gestalte toch, gekromd onder den last der jaren, is Polycarpus, de bisschop van Smyrna, die met Ignatius aan de voeten heeft gezeten van Johannes, en die nu zijn vriend en broeder verwacht, om hem te begroeten op zijn reis naar Rome.
Een ijlbode van de Christenen van Antiochië had aan de
55
broeders te Smyrna de gevangenneming van hunnen bisschop en het uitbarsten der vervolging gemeld. Zij hadden vernomen, dat Ignatius van Antiochië naar Seleuzië zou worden gevoerd, en van daar naar Smyrna, waar men scheepsgelegenheid zou zoeken naar Rome. Het gevaar niet achtende had Polycarpus besloten, zijn vriend zoo mogelijk eenige woorden van bemoediging toe te spreken, maar de laatste dagen waren zeer stormachtig geweest, en het schip, dat men reeds eenige dagen verwachtte, was nog niet aangekomen.
De groep was ondertusschen weder aan het havenhoofd gekomen, van waar men een vrij uitzicht had in zee. Als bij onderlinge afspraak bleven allen staan.
— Ziet gij nog niets, Jolchos? vroeg Polycarpus aan een zijner metgezellen, een door weer en wind gebruind Phoenicisch zeeman ; ziet gij nog geen zeil ?
— Zeilen genoeg! antwoordde Jolchos glimlachend, terwijl zijn geoefend oog den horizont onderzocht. Zeilen genoeg, maar geen enkel, dat kan toebehooren aan een keizerlijke trireme! \')
— Zou de laatste storm ze uit haar koers hebben geslagen? vroeg de bisschop. Of zou ze misschien zijn .... vergaan?
—- Voor onzen broeder, den vromen Ignatius ware dat geen ongeluk, sprak een stem. Beter te vallen in de handen Gods, dan in die der menschen. Beter de zee, dan het Colosseum!
Een sombere stilte heerschte na deze woorden. Jolchos was de eerste, die haar verbrak.
— \'t Is niet waarschijnlijk, zeide hij schouderophalend. De triremen van Trajanus zijn kloek gebouwde schepen, die gemakkelijk een storm kunnen doorstaan, \'t Is echter mogelijk, dat de schipper ergens heeft moeten binnenloopen.
— Dan zou het nog dagen kunnen duren, eer hij te Smyrna binnenloopt.
\'] Een groot vaartuig, met drie rijen roeibanken.
5G
— Indien hij veel averij heeft, dan zeker!
Mismoedig wendde Polyearpus zich om, om het havenhoofd te verlaten. De anderen volgden hem. Slechts Jolehos bleef nog eenige oogenblikken achter en tuurde in zee.
— Kom, Jolehos! riep een zijner metgezellen. Maar de zeevaarder antwoordde niet. Onafgebroken tuurde hij in dezelfde richting, en plotseling deed een levendige uitroep den bisschop en de zijnen omzien.
— Halt! riep de Phoeniciër, terwijl hij naar het Noord-Westen wees. Zie, daar ginds, dat is geen zeil van een galei of een kustvaarder. Dat zijn —, ja waarlijk, dat zijn de topzeilen eener trireme. Eerwaarde Vader, daar komt uw vriend!
Het was zoo. De witte stip, door de scherpe oogen van den zeevaarder bespeurd en herkend, kwam zichtbaar nader en nam weldra bepaalde vormen aan. De masten van een groot vaartuig doemden uit de golven op, weldra werd de romp zichtbaar en ruischend en plassend naderde de keizerlijke trireme, dwars door de kleine galeien en kustvaarders, die eerbiedig op zijde weken, de reede van Smyrna, waar zij het anker liet vallen.
Op de voorplecht van het vaartuig stond een grijsaard, die blijkbaar niet tot de bemanning behoorde, en die met onderzoekende blikken de kust gadesloeg. Het was Ignatius. Schijnbaar was er niets, dat zijne vrijheid belemmerde, en een toeschouwer had hem voor een passagier kunnen houden, indien er niet achter hem een paar krijgsknechten hadden gestaan, die aandachtig al zijne bewegingen gadesloegen.
Langzaam dwaalde het oog van den bisschop over de glinsterend witte villa\'s, die hier en daar in het groen verscholen lagen, de talrijke vaartuigen, die den druk bevaren Sinus Hermaeus doorkliefden of op de reede voor anker lagen, en over de huizenmassa\'s van Smyrna, de groote handelstad, die daar voor hem lag- Wat er omging in de ziel van den grijzen
57
martelaar? O, liet was geen zwakheid, geen terugdeinzen voor het lot, dat hera wachtte, en dat hij vrijwillig en juichend had aanvaard! Nog steeds haakte hij naar de martelaarskroon ! Nog steeds zag hij met brandend verlangen de ure te gemoet, waarin lijj ontbonden en met zijn Heer zou zijn. Maar toch, — het was slechts natuurlijk, — het koslte hem veel, zijn schoon vaderland en allen die hij liefhad te verlaten, om den dood te vinden in een Romeinsch worstelperk. Drooniend liet hij den blik weiden over de schoone kusten van Klein-Azië. Hij dacht aan de dagen, toen hij, met vurig geloof en brandenden ijver, voor het eerst den Christus mocht prediken. Hoe had hij met geestdrift zijn taak aanvaard, als moest geheel Klein-Azië door zijn woord gebracht worden aan den voet van het kruis! En nu verliet hij zijn arbeidsveld, en helaas, hoe klein was nog het kuddeke der getrouwe belijders, hoe weinigen had hij het Evangelie mogen brengen! «Zij hadden de duisternis liever gehad dan het licht» ! En nog verder dwaalden zijne gedachten, en hij zag zich weer aan de voeten van Johannes, zijn grooten meester, en hij hoorde weer de zachte, ernstige stem: Kinder-kens, hebt elkander lief. En wellicht, — zoo het waar is, wat de overlevering van hem verhaalt, — dacht hij nog verder terug, dacht hij aan de ure, toen een GroOter dan Johannes hem omvangen had met zijne armen, en hoorde hij een onvergetelijke stem de woorden herhalen; Zoo wie niet wordt, gelijk dit kindeke, hij zal het koninkrijk Gods niet zien! ])
Daar viel de blik van den bisschop op de groep mannen, die, op het havenhoofd geschaard, naar de trireme schenen te staren. Eerst scheen hij hen voor nieuwsgierige toeschouwers te houden, maar plotseling teekende zijn gelaat eerst twijfel en dan bljjde verrassing; zijn door den ouderdom nog onver-
\'1 Volgens de overlevenDg zou Ignatius het kind geweest zijn, dat de Heer eens Zijnen discipelen tot voorbeeld stelde
58
zwakt oog tuurde scherp naar de kust, en een blijde uitroep toonde, dat hij zich niet vergist had.
— Ja, hij is het wel, mijn vriend en broeder! riep hij, terwijl hij zijne oogen dankbaar ten hemel sloeg. Gelooft zij God, dio mij dit wederzien schenkt!
Snel wendde hij zich daarop tot een der krijgsknechten, die hem nog steeds in het oog hielden.
— Vriend, zeide hij minzaam, ga tot uwen hoofdman, en zeg hem, dat ik hem wensch te spreken.
De man aarzelde.
— De centurio heeft ons verboden.....stamelde hij.
— Ik weet het, antwoordde de bisschop met een smartelijken zucht, maar ditmaal betreft het dienstzaken. Ik wil hem verlof vragen, aan land te gaan, om daar met eenige vrienden te spreken.
De soldaat haalde de schouders op en begaf zich naar het achterdek waar een man, Jn de kleeding van een Romeinsch centurio, schijnbaar in diep gepeins verzonken, tegen de verschansing leunde.
Toen de soldaat het woord tot hem richtte, hief hij het hoofd op. Het was Hermes.
Ja, het was Hermes, dien de Booze niet had losgelaten, nu hij eens zijne prooi was geworden. Een oogenblik van zwakheid had hem zijn meester doen verraden, en nu kon hij niet terug. De Keizer had gelast, dat het bevel over do krijgslieden, die Ignatius naar Rome zouden voeren, niet. als naar gewoonte aan een bevelhebber van minderen rang, maar aan een vertrouwd officier zou worden opgedragen. Het oog van den proconsul Tullius was toen gevallen op Hermes, die toch reeds blijken had gegeven van zijne trouw, toen het gold, den Keizer en de goden te beschermen tegen den roekeloozen Christen, — en plotseling vernam Hermes tot zijn schrik, dat hij de aangewezen man was. Eén oogenblik had hij geaarzeld, toen
59
men hem den last des Keizers mededeelde. Zou hij weigeren? Zou hij nog den Christus belijden, en zoo zijn verraad uit-wissohen ?
Maar de gedachte aan de onteerende straf, die hem dan wachtte, rees nogmaals dreigend voor hem op, en tegelijk overviel hem een diepe moedeloosheid, als hij dacht aan het tooneel in de crypt, dat hij onzichtbaar had bijgewoond.
— Wat zou het baten? dacht hij. Door eene late belijdenis maak ik mijne daad niet ongedaan. Ik ben eenmaal uit de gemeente gestooten. Ik heb het eeuwige leven verbeurd .....
—- Welnu, als dat zoo is, geniet dan ten minste van dit leven ! fluisterde de verzoeker. En Hermes ging naar den proconsul, en verklaarde zich bereid, de reis naar Rome te ondernemen.
Alle menschen, ook de grootste en vroomste, zijn feilbaar : Ignatius had zich in Herraes vergist. Zijne liefde voor den veel-belovenden jongen man had hem verblind, en hij had gemeend, dat het zaad van het Evangelie in goede aarde was gevallen, toen het slechts welig opschoot op een zandgrond, waar het »nog geen diepte van aarde had.« Hermes had reeds bewezen, hoe zwak nog zijn geloof was; nu toonde hjj ook, dat hij de genade Gods niet kende, die ook den grootsten zondaar de hand ter redding biedt.
Zoo vertrok Hermes dan naar Rome, maar hij gevoelde zich diep ongelukkig. Hjj was, — wij zagen het reeds, —■ wel een afvallige, maar geen ottyehovic/e geworden, en als hij soms een oogenblik nadacht over zichzelf en de diepte van zijn val. dan huiverde hij. Langzamerhand wist hij door allerlei drogredenen zich te overtuigen, dat hij niet anders handelen kon, dat hij den weg, dien hij eenmaal was ingeslagen, ten einde toe moest bewandelen.
Zijn geweten liet hem echter niet met rust en daarom vreesde hij niets zoo zeer, als eene ontmoeting met zijn vroegeren
60
leermeester, thans zijn gevangene. Het was hem niet moeilijk, Ignatius te ontwijken, daar deze slechts enkele gedeelten van het schip betreden mocht, en hoewel de bisschop, ontzet over de ontrouw van zijn geliefden leerling, hem herhaaldelijk om een onderhoud had verzocht, had hij dit steeds geweigerd. Ignatius van zijne zijde had aan geen der schepelingen aanleiding gegeven tot het vermoeden, dat er tusschen hem en Hermes eenige betrekking zou hebben bestaan. Indien deze niet vrijwillig Christus wilde belijden, dan zou hij er hem niet toe dwingen. In stilte slechts bad hij zijnen Heer, dat het hem nog gegeven mocht worden, dit verloren schaap tot zijne kudde terug te voeren.
Het duurde eenige oogenblikken, eer Hennes de woorden van den soldaat scheen te verstaan. Toen gaf hij snel en barsch een kort antwoord. De krijgsman keerde tot Ignatius terug.
-— De hoofdman weigert, zeide hij.
De bisschop loosde een zucht.
— Maar hij zegt, vervolgde de man, dat wij straks allen aan wal gaan. Ik had u dat trouwens ook wel kunnen zeggen. De trireme keert morgen naar Antiochië terug.
•— En met welk schip zullen wij naar Rome gaan?
— Dat weet ik niet. Dat is de zaak van den hoofdman, zei de soldaat schouderophalend.
Het duurde werkelijk niet lang, of een der bewakers van Ignatius kwam hem bevelen zich gereed te maken. De groote boot van het oorlogsschip bracht hem en zijne bewakers weldra naar het strand, waar Polycarpus hen wachtte.
Treffend was de ontmoeting der beide grijze vrienden. Sprakeloos lagen ze geruimen tijd aan elkanders borst, terwijl Polycarpus\' volgers hen in eerbiedig stilzwijgen omringden. Ook de Romeinsche soldaten bleven nieuwsgierig toezien. Bij de nadering van Polycarpus hadden zij hun hoofdman vragend aangezien, onzeker wat te doen, maar deze had hun gewenkt,
61
de beide grijsaards met rust te laten, terwijl hij zelf met afgewend gelaat staan bleef.
Eindelijk maakte Ignatius zich van zijn vriend los, en, terwijl nu de overige Christenen naderden, om den martelaar de hand te kussen, gaf hij zijn vriend in korte woorden verslag van zijn reis. Hij verhaalde, hoe het schip, even buiten de haven van Antiochië, door een zwaren storm was overvallen, en hoe men gedwongen was geweest, de haven van Miletus binnen te loopen.
Hierdoor was de reis vertraagd.
Nog vele vragen had Ignatius zijn vriend te beantwoorden, maar de soldaten begonnen teekenen van ongeduld te geven.
Polycarpus naderde Hermes.
— Mag ik mijn vriend in mijn huis verplegen, hoofdman ? vroeg hij. Ook de krijgslieden, die hem moeten bewaken, zullen mij welkom zijn.
Hermes wendde zich om.
— Dat laat mijn last niet toe! antwoordde hij op ruwen toon, om zijne aandoening te verbergen. De gevangene moet naar het kasteel worden gevoerd. Maar zijne vrienden mogen hem daar bezoeken, voegde hij er zachter bij.
Nog een enkelen blik van verstandhouding wisselden de beide vrienden; toen werd Ignatius door zijne bewakers weggeleid.
Hermes hield woord. Hij wist te bewerken, dat Ignatius gedurende zijn verblijf te Smyrna vrijelijk zijne vrienden mocht ontvangen. Polycarpus bezocht hem eiken dag, en de beide vrome mannen steunden en sterkten elkander door hunne gesprekken en gebeden. Van alle kanten kwamen ook de Christenen toesnellen, om, naar het eerwaardig gebruik dier tijden, de ketenen van den martelaar te kussen, (want, getrouw aan zijn last, moest Hermes den bisschop gedurende diens verblijf te Smyrna in boeien doen slaan), en zijn zegen fe vragen.
62
Zoo was het verblijf te Smyrna eene groote vertroosting toor Ignatius.
Eindelijk moest hij toch zijne vrienden verlaten. Hermes had tevergeefs getracht eeu schip te vinden, dat zoo laat in het seizoen nog koers zette naar Italië. Geen schipper was er, die den tocht durfde ondernemen. Toch schreef het bevel van den keizer hem uitdrukkelijk voor, zijn gevangene zoo spoedig mogelijk naar Rome te voeren, en daarom besloot hij zijn reisplan te veranderen en dwars door Macedonië en Epirus de reis voort te zetten.
Een kleine kustvaarder bracht Ignatius en zijne bewakers weldra naar Troas. Van hier moest men oversteken naar Philippi, maar het scheepje, dat den gewonen veerdienst tus-schen deze beide havens verrichtte, was juist vertrokken, en toen ilermes den schipper van het kustvaartuig, waarmede men de reis had gemaakt, verzocht hem naar de Europeesche kust over te zetten, vorderde de inhalige Phoeniciër zulk een hoog loon, dat de centurio besloot, liever eenige dagen te wachten. Door den bevelhebber der Romeinsche bezetting te Troas werd hierop aan Ignatius een verlaten havenkantoor als gevangenis aangewezen. Hermes nam zijn intrek in de stad.
\'t Was in den namiddag van den dag na de aankomst van Ignatius te Troas. De Macedonische soldaten, die zich op Hermes\' bevel in het voorhuis van het havenkantoor hadden gelegerd, staarden wrevelig en mismoedig naar het gewoel der talrijke menigte op de uitgestrekte aanlegplaats, \'t Was al ellendig genoeg, dat zij, in plaats van den keizer op zijne verdere roemrijke tochten te mogen volgen, als gevangenbewaarders naar Rome werden gezonden, en nu werden zjj bovendien, door den wil van hun hoofdman, in dit oude gebouw opgesloten, en dat alles ter bewaking van eeu zwakken grijsaard. Eén hunner zou, naar zij meenden, dien post even goed hebben kunnen waarnemen. Maar hun morren was vruchteloos en de
63
strenge krjjgstucht belette hun het havenkantoor te verlaten.
De onderbevelhebber der manschappen, hoewel hij niet overluid met de klachten zijner onderhoorigen instemde, dacht er echter in zijn hart niet anders over. Knorrig leunde hij tegen een der pilaren van den ingang van het gebouw, terwijl hij in stilte den hoofdman en zijn gevangene verwenschte. De eerste, oordeelde hjj, mocht zich wel wat meer om zijne soldaten bekommeren. Indien zijn last hem verplichtte, hun verlof te weigeren, dan had hij toch ten minste wel een paar am-phoren wijn kunnen zenden, om de verveling te verdrijven. Maar de hoofdman was de oude niet meer. Hij was gedurende deze geheele reis zoo afgetrokken en somber, als niemand hem ooit gekend had.
Daar viel plotseling de blik van den morrenden decurio op een vreemdeling, die blijkbaar met groote belangstelling of nieuwsgierigheid het door hem bewaakte gebouw gadesloeg. Het was een nog jong man, goed gekleed en met een schrander uiterlijk, naar alle waarschijnlijkheid een welgesteld koopman.
— Wat zoekt die vogel hier? mompelde de decurio, terwijl hij den vreemde wantrouwend van het hoofd tot de voeten opnam. Zeker niet veel goeds! Ha, hij komt hierheen!
Werkelijk kwam de jonge koopman nader. De decurio keek schijnbaar eene andere richting uit, maar ondertusschen hield hij den vreemdeling in het oog.
— Goeden middag, vriend, zeide deze terwijl hij tevergeefs de aandacht van den krijgsman zocht te trekken. Het is warm van daag!
De decurio bromde iets tusschen de tanden.
— Een kroes wijn zou smaken! ging de vreemde voort.
De soldaat keerde zich plotseling om.
— Komt gij mij hier voor den gek houden, heertje? vroeg hij barsch. Zeg, zonder praatjes, wat gij te zeggen hebt — of anders, pak u voort!
ö4
De jonge koopman, een oogenblik door deze norsehe bejegening verschrikt, herstelde zich spoedig.
— Gij hebt gelijk, zeide hij naderbij komende, we zullen zonder omwegen praten. Gij bewaakt hier een gevangene?
— Ja, en wat.....
— Ik wenschte hem te zien en te spreken.
De soldaat lachte honend.
— Zoo ge niet als een zwaluw door de lucht kunt vliegen, of als een mol door den grond graven, zal dat toch moeieljjk gaan, heertje! spotte hij.
— Gij moet mij toegang tot hem verschaffen, fluisterde de vreemdeling.
— Onzin! bromde de decurio.
— Ge kunt gemakkelijk eene goede belooning verdienen, ging de koopman voort. De dienst, dien ik van u verlang, is mij een paar solidi waard.
De overige soldaten, die langzamerhand naderbij waren gekomen, zagen elkander aan. De koopman haalde een paar glinsterende goudstukken uit zijn gordel te voorschijn, en toonde ze den decurio. Deze keek begeerig naar het geld, maar tegelijk wierp hij een wantrouwenden blik op den vreemdeling.
— Wat wilt gij van den gevangen christen? Wie zijt gij? vroeg hij.
— Ik ben Cnejus, de koopman in edelgesteenten, zeide de ander glimlachend, en ik wil uwen gevangene, die zeker een voornaam persoon moet zijn, daar hij zoo streng bewaakt wordt, mijne waar aanbieden.
— Dan zult ge heden niet veel verdienen, koopman, — lachten de krijgslieden. Ignatius zou sieraden koopen!
— Wel, ik wil het beproeven, zei Cnejus bedaard. Wilt ge het geld verdienen of niet.
De decurio zag zijne makkers vragend aan. Niemand scheen zich tegen het verzoek van den koopman te willen verzetten.
65
— Welnu, zeide hij, gij kunt den gevangene spreken, mits in mijne tegenwoordigheid.
—- Dat gaat niet aan! zeide Cnejus beslist. Ik moet hem alleen spreken.
— Dat is onmogelijk, heer! zeide de decurio schouderophalend.
— Onmogelijk? Waarom? vroeg de koopman. Waar bevindt zich uw gevangene?
— In een der bovenzalen van dit gebouw.
— Welnu, laat mij bij hem toe. Twee uwer plaatsen zich als schildwachten voor de deur. De anderen houden de vensters in het oog. Eene ontsnapping is immers onmogelijk.
—- Maar als men u zag binnengaan?
— Niemand zal dat immers opmerken; maar, zijt ge daarvoor bevreesd, welnu, laat dan een paar uwer op den uitkijk gaan staan. Ik beloof u, dat ik mij op het eerste sein zal verwijderen. En zoo ge mij een uur met den gevangene samen laat, verdubbel ik de belooning.
De decurio zag zijne makkers vragend aan.
— \'t Is te wagen! zeide een hunner schouderophalend. De anderen knikten toestemmend.
— Welnu, heer, zeide de hoofdman tot den koopman, geef ons het goud. Maar zoo ge verraad pleegt, stooten wij u neer, en wij zweren, dat gij buiten ons weten zijt binnengedrongen f
— \'t Is wel! zei de vreemdeling. Denk er om; hoe langer gij ons samenlaat, hoe grooter uw loon zal zijn.
Hij snelde de trap op, gevolgd door den decurio. De overige soldaten legerden zich voor de deur, terwijl er een heenging om den zoo vurig begeerden wijn te koopen.
— Hier is de Christen, fluisterde de krijgsman, terwijl hij een zware deur ontsloot. Denk aan onze voorwaarde!
— \'t Is wel, laat ons alleen! antwoordde de vreemdeling met eene door aandoening verstikte stem.
66
Ignatius was niet weinig verwonderd bij het onverwacht bezoek, dat hij ontving. Hij wist toch, dat Hermes zich in de stad ophield, en hij begreep niet, hoe zijne bewakers het durfden wagen, gedurende de afwezigheid van hun hoofdman een vreemde bij hem toe te laten.
Nog meer was hij verwonderd, toen de hem onbekende jonge man, na een snellen onderzoekenden blik in het vertrek geworpen te hebben, voor hem neerknielde, en zijn zogen vroeg.
— Zijt gij een Christen, mijn zoon ? vroeg hij aangenaam verrast.
— God zij gedankt, dio mijne oogen voor de waarheid heeft geopend! Ja! mijn vader! antwoordde de jonge man.
— En wie zijt gij, mijn zoon, en hoe en mot welk doel zijt gij hier gekomen?
— Ik ben Cnejus, de parel handelaar uit Rome, mijn vader .. .
— Een Christen uit Rome! viel de bisschop hem verheugd in de rede.
— Ja, mijn vader, maar ik bid u. Iaat mij voortgaan! Do tijd is kort. Met mijn schip, de «Zwaluw® bezoek ik alle Griek-sche havens. Te Antiochië hoorde ik van de broeders uwe gevangenneming, en ik ben u nagereisd, om u te redden.
— Mij te redden? zeide Ignatius glimlachend.
— Ja vader, denk niet, dat het onmogelijk is! Maar lees eerst dit schrijven van de broeders te Antiochië.
De bisschop nam den brief en verbrak het zegel. Weldra verspreidde zich een glans van blijdschap over zijn gelaat.
— Zoo is dan de vervolging nu reeds opgehouden! riep hij uit.
Cnejus knikte toestemmend.
— Die heeft slechts eenige weken geduurd, zeide hij. Na het vertrek des keizers heeft men de gemeente met rust gelaten.
— Het is wel 1 het is wel! fluisterde Ignatius als bij zich zeiven. Het goud wordt wel door het vuur beproefd, maar het aantal der zwakken is zoo groot!
De bisschop las verder. Plotseling riep hjj echter met smar-
telijke stem: Sosimus, mijn broeder, moest gij mij nog voorgaan in den dood! Hoe liad ik op u vertrouwd, als op een der hechtste steunpilaren onzer gemeente!
Hij verborg het gelaat in de handen.
— De eerwaarde diaken is juichend heengegaan, fluisterde Cnejus ontroerd.
Ignatius hief het hoofd op.
— Vergeef mij, mijn zoon, zeide hij. Ik was zwak. Niet klagen, maar juichen moest ik, omdat de Hoer één zijner trouwste dienstknechten heeft tot zich genomen. Wat treur ik om zijn verlies! Zoo de Heer mij kracht geeft om te volharden ten einde toe, zal ik hem spoedig weerzien!
— En nu gij, mijn zoon, vervolgde hij, na een oogenblik stilzwijgen. De broeders schrijven mij, dat ik u volkomen vertrouwen kan. Wat wilt ge van mij ?
— Maatregelen ter uwer redding beramen, eerwaarde vader! O, vervolgde de jongeling ijverig, toen hij den bisschop weder zag glimlachen, denk niet, dat het onmogelijk is. Laat men u vrij naar Rome voeren. Verscheidene gevangenbewaarders zijn aan ons verknocht. Men zal u laten ontsnappen, en zijt gij eenmaal vrij en aan boord van mijne «Zwaluws, dan lach ik met alle vervolging.
Peinzend liep Ignatius zijn kerker op en neder. Plotseling bleef hij voor Cnejus staan.
— Dus uw vaartuigje is goed en stevig gebouwd, vroeg hij, zoodat ge zelfs in dit vergevorderd seizoen de reis naar Rome durft ondernemen?
— O ja. eerwaarde vader, was het antwoord. De »Zwaluwclt; is een goed en snelzeilend schip, en trots alle stormen hoop ik met Gods hulp geruimen tijd vóór u Rome te bereiken.
— Welnu, gij zult een brief van mij aan de broeders te Rome overbrengen, zeide de bisschop. Gij hebt schrijfgereedschap bij u? Neem dan uw stift en schrijf!
68
Cnejus zette zich neder, terwijl Ignatius hem den volgenden brief \') dicteerde:
Ignatius, die ook Theophorus genaamd wordt, aan de gemeente, waarover de allerhoogste Vader in zijne grootheid zich ontfermd heeft, welke de voornaamste is in het land der Romeinen, de Gode waardige, de lofwaardige, waardig zalig gesproken te worden, waardig toe te nemen en de eerste in de liefde, die Christus hare wet acht: overvloedige zegen in reine blijdschap!
Nadat ik reeds langen ti}d God gebeden heb uw aangezicht te mogen aanschouwen, hoop ik, nu een gevangene in Christus Jezus, u te begroeten, als het de wille Gods is mij te verwaardigen, tot het einde de zijne te wezen. Want de aanvang is wel eene liefderijke leiding, zoo ik slechts zoo gelukkig mag zijn het mjj voorgestelde lot tot het einde ongehinderd deelachtig te worden, door den dood te ondergaan.....
Hier hief Cnejus verschrikt het hoofd op.
— Mijn vader! stamelde hij.
— Ga voort, mijn zoon, zeide Ignatius vriendelijk. Ik dank u voor uwe liefde, maar ik wensch God door den marteldood te verheerlijken. Ik begeer niet, verlost te worden. Ik bid u, schrijf!
Cnejus schreef voort, maar de stalen stift trilde in zijne vingers, toen de bisschop vervolgde:
Ik vrees toch uwe liefde, dat zij mij nadeel zal toebrengen. U zou het mogelijk gemakkelijk vallen, mij te verlossen maar mij valt het zwaar, God deelachtig te worden, zoo gij mij niet verschoont. Want eene gelegenheid als deze zal mij nimmer meer te beurt vallen. Verlang dan voor mij niets meer, dan de gelegenheid om Gode geofferd te worden, terwijl het altaar
\') Deze brief is. eenigszins gewijzigd, overgenomen uit; De Geschiedenis der Christelijke kerk in Tafereelen. bewerkt door verschillende godgeleerden.
69
nog bereid is; dan zult gij God den Vader in Christus Jezus onzen Heer lofzingen, omdat Hij een opziener verwaardigd heeft Zijn eigendom te wezen.
Schoon is het mij, van de wereld te mogen ondergaan tot God, opdat ik in Hem opga. Bidt gij slechts voor mij om kracht van binnen en van buiten, opdat ik niet alleen dus spreke, maar ook wille; opdat ik niet alleen een Christen genaamd, maar ook een Christen bevonden worde. Want word ik een Christen bevonden, dan mag ik het ook genoemd worden, en dan ben ik een trouwe dienaar mijns Gods, al schijn ik der wereld een misdadiger. De wereld tot het Christendom te overreden is onmogelijk, maar zoo wij met moed haar haat verdragen, dan zullen wij haar overwinnen.
Ik schrijf aan de gemeenten en doe allen weten, dat ik gewillig voor God sterve, en ik vermaan u, dat gij mij door uwe liefde hierin niet verhindert. Laat mij de prooi der wilde dieren zijn, waardoor het mij vergund wordt, Gode deelachtig te worden. Ik ben een graankorrel Gods, en moge ik door de tanden der dieren gemalen worden, opdat ik een zuiver brood Gods worde bevonden......
Hier ontviel Cnejus de griffel. Met tranen in de oogeu sprong hij op en smeekte den bisschop toch medelijden te hebben met zich zeiven en met de gemeente. Maar Ignatius bleef onverbiddelijk. Vriendelijk maar vast wees hij den jongen man terug, die ternauwernood in staat was, den brief te voltooien.
Eindelijk klonken de laatste woorden uit den mond van den bisschop. Ignatius greep de stift en teekende met vaste hand, terwijl hjj Cnejus plechtig liet beloven, dat hij den brief getrouwelijk aan de opzieners der gemeente van Rome zou ter hand stellen.
Daar klonken haastige voetstappen op de trap, en nauwelijks had Cnejus den tijd, om brief en schrijfgereedschap in de
70
plooien van zijn opperkleed te verbergen, of de deur werd geopend en de decurio trad binnen.
— Spoedig, heer! zei hij gejaagd. Ge moet oogenblikkelijk vertrekken. Daar ginds komt de hoofdman.
Zegenend legde de bisschop zijne hand op het hoofd van den jongeling.
— Denk aan uwe belofte, fluisterde hij.
— Haast u, heer! vermaande nogmaals de decurio.
De deur viel achter den Romein dicht.
Zoodra Ignatius alleen was, zonk hij op de knieën, om God te danken, die hem do kracht had geschonken, om ook deze verzoeking te wederstaan.
Een uur later lichtte de »Zwaluw« het anker en zette koers naar het zuiden.
Ignatius verblijf te Troas was van korten duur. Weldra stak men over naar Philippi en van daar werd de reis voortgezet, dwars door Macedonië en Epirus naar Epidamnus.
Gedurende dezen langdurigen tocht had Ignatius nog gelegenheid verscheidene brieven te schrijven, die aan de gemeente, welke hij had moeten achterlaten, troost en opbeuring moesten brengen. Overigens werd hij streng bewaakt, en Hennes scheen zelfs den moed niet te hebben, zijne onderhoorigen te bevelen, hunnen gevangene meer vrijheid te gunnen. Zelf ontweek hij den bisschop zooveel mogelijk.
Te Epidamnus vond men weder een schip, dat den gevangene en zijne bewakers over de Adriatische zee voerde. Na eene moeielijke reis kwam men te Portus aan en weldra voerde een galei den bisschop den Tiber op naar Rome.
HOOFDSTUK V11.
TE R O M E.
oodra Ignatius te Rome was aangekomen, werd hij naar de kerkers gevoerd, waarin de voor de wilde dieren bestemde gevangenen en slaven werden be
waard. Het volksfeest, waarop hij, ter verlustiging van het volk, de wilde dieren zou worden voorgeworpen, was aanstaande, en men achtte het de moeite niet waard, den grijsaard nog eene andere gevangenis aan te wijzen.
Nu bleek het echter, hoezeer Cnejus gelijk gehad had, toen hij beweerde, dat de christenen in Rome talrijke aanhangers en vrienden hadden. Hij had trouw woord gehouden. Met zijn klein, maar flink gebouwd scheepje had hij moedig de winterstormen getrotseerd en gelukkig Rome bereikt. De christenen, door hem van de aanstaande komst van Ignatius verwittigd, hadden alles in hot werk gesteld, om zijn lot zoo dragelijk mogelijk te maken; ja, trots den brief van den bisschop, die in de vergadering der gemeente was voorgelezen, hadden eenigen een plan beraamd, om hem te laten ontsnappen. De wachters waren gewonnen of omgekocht en Ignatius, die niet had durven ho-
72
pen, dat het hem vergund zou zijn, zijne vrienden en geloofs-genooten te zien en te spreken, was niet weinig verrast en verblijd, toen reeds den avond na zijne aankomst te Rome, de deur zijner gevangenis zich opende, en eenige mannen binnentraden, die zich als de opzieners der gemeente van Rome bekend maakten.
Hartelijk was de ontmoeting der geloofsgonooten. Zij hadden elkander nooit gezien, en toch voelden zij zich aan elkander verbonden, één in Hem, die hun hoofd was.
En nu volgden er uren van ernstig gesprek en vurig gebed, — ook weldra van hevigen. smartelijken strijd. De Romeinsche christenen toch waren door Ignatius\' brief niet overtuigd. Herhaaldelijk smeekten zij hem, zich toch te laten redden, en zijn leven, dat der gemeente zoo dierbaar was, te sparen.
Maar al hunne pogingen stuitten op de onverzettelijke overtuiging van den man, die de martelaarskroon voor het hoogste goed hield, en die zich dat kleinood niet wilde laten ontrooven, nu het eindelijk in zijn bereik was.
Droevig en met weerzin gaven zij eindelijk den strijd op. Hunne maatregelen waren zoo goed genomen ; de schuilplaats in de catacomben, slechts weinigen ingewijden bekend, waar zij hun vriend en broeder verborgen hadden willen houden, tot de hitte der vervolging was geweken, ze was zoo veilig, — en nu moesten alle plannen worden opgegeven, terwijl ze lederen dag de verschrikkelijke toebereidselen zagen voor het feest, waarop hun broeder zou sterven onder de klauwen en tanden der wilde dieren: terwijl ze iederen dag de gesprekken en de bloeddorstige kreten hoorden van het volk, dat reeds vooruit genoot, bij de gedachte aan het bloedig schouwspel, dat het wachtte.
Maar Ignatius bleek onverzettelijk, en toen hij de broeders smeekte, zijne laatste dagen toch niet door vruchtelooze tranen en gebeden te verontrusten, lieten zjj eindelijk af.
73
Op zekeren avond zat Ignatius met Evaristus, den grijzen bisschop van Rome, een leerling van den apostel Paulus. in ernstig gesprek. Beiden hadden elkander de denkbeelden hunner groote meesters omtrent het eeuwige leven meegedeeld, en Evaristus zeide, met een zucht:
— Ik wenschte, mijn broeder, dat ik kon gelooven als gij, dat wij de martelaarskroon mogen zoeken. Indien mijn geweten er niet tegen getuigde, hoe gaarne zou ik dan dit broze lichaam ten prooi laten der wilde dieren, om met u de eeuwige heerlijkheid deelachtig te worden. Hoe gelukkig zijt gij, bereid om heen te gaan, terwijl niets u meer aan de aarde bindt!
Ignatius zuchtte.
— ik wenschte wel, broeder, dat dit laatste werkelijk het geval was, zeide hij hoofdschuddend. Gij zegt wel, ik ben gelukkig, omdat ik weldra bij mijnen Heer zal zijn, maar toch is er nog eene zaak, die mij bezwaart, en ik wenschte wel, dat het God mocht behagen, nog voor mijn dood dezen last van mijne ziel weg te nemen.
Evaristus zag hem verwonderd aan.
— Mijne woorden verbazen u. mijn broeder, vervolgde de bisschop met een sniartelijken glimlach, en toch zijn ze maar al te waar. Door mijne menschelijke zwakheid en liefde verblind, heb ik onvoorzichtig één, die nog niet bereid was. opgenomen in de gemeente. Ik heb hem oen last op den schouder gelegd, dien hij nog niet kon dragen, eu daardoor ben ik de oorzaak geworden van zijn afval.
En nu verhaalde Ignatius den Romeinschen bisschop in alle bijzonderheden, wat er met Hermes was voorgevallen.
— Hoe zou ik mijn God danken, besloot hij, terwijl hij zich een traan uit het oog wischte, indien ik nog dit afgedwaalde schaap tot de kudde mocht terugvoeren.
Evaristus legde hem de hand op den schouder.
— Hoop op God, mijn broeder, zeide hij ernstig. Hij zal
74
gewis uw gebed verhoeren, en Zijn trouwen dienaar die laatste troost niet onthouden. Onze jongere broeders zullen uwen Hermes, die zich ongetwijfeld nog te Rome bevindt, in het oog houden. Met Gods hulp zullen wij hem redden.
Ignatius drukte zijn vriend de hand en de beide mannen scheidden.
Hermes bevond zich werkelijk nog te Rome. Nadat hij zijn gevangene aan de dienaars van den praetor had overgegeven, had hij zich tot den bevelhebber der bezetting van Rome gewend, met het verzoek, hem zoo spoedig mogelijk de gelegenheid te verschaffen, terug te keeren naar het leger des Keizers. Hij had echter bevel ontvangen, nog eenigen tijd te wachten. Er waren Germaansche hulpbenden in aantocht, die men over den landweg naar Klein-Azie wilde zenden, en aan Hermes was het bevel over eene afdeeling dier troepen toegedacht. Zoo zag hij zich verplicht, nog verscheidene weken te Rome te vertoeven, en dat wel zonder bepaalde bezigheid, die hem eenige afleiding had kunnen verschaffen.
Werkeloosheid nu was voor iemand in Hermes\' toestand de ergste pijniging. Gedurende de reis hadden de moeilijkheden, de gevaren, die men soms had te doorworstelen, hem de afleiding geschonken, die hij noodig had, om de stem van zijn geweten tot zwijgen te brengen. Als aanvoerder van het geleide had het hem weinig moeite gekost steeds elke aanraking met Ignatius te ontwijken, en deze had zich ook niet aan hem opgedrongen. De bisschop toch, hoe weinig hij het gevaar voor zich zeiven vreesde, wilde zijn afvalligen leerling niet verdacht maken, nu deze juist door zijn afval had getoond, dat hij de eer dezer wereld liever had dan de eere Gods.
Maar nu, in het groote Rome aan zichzelf overgelaten, had Hermes geen rust meer. Alle gevaar was voor hem voorbij; niemand verdacht hem hier, en nu ook de spanning der vreeze, die hem nog eenigen schijn van kracht had geschonken, was
75
geweken, maakte een diepe moedeloosheid, weldra een doffe wanhoop, zich van hem meester.
— Wat deed hij nog op deze aarde? zoo sprak hij tot zieh-zelven in somber gepeins. Wat baatte het hem, dat hij de schande en den dood ontkomen was, als hij toch geen rust had ? Hij was een afvallige, een verrader, hier op aarde afgesneden van zijne geloofsgenooten, en. hiernamaals — verdoemd! Hij had als krijgsman roem verworven, maar wat gaf hem de lof der menschen, als hij wist, dat hij een ellendige lafaard was. die zijn vriend en leermeester had helpen overleveren aan diens beulen ? Zou hij terugkeeren, en belijden dat hij een Christen was ? Maar daarmede was zijn verraad niet uitge-wischt! Ha, dat talmen en dralen van den keizerlijken stadhouder ! Waarom zond men hem niet terug naar den oorlog, om zich een eerljjken krijgsmansdood te verwerven!
In zulke gepeinzen verdiept dwaalde hij door de straten van Rome, en voor de honderdste maal misschien richtte hij werktuig-Ijjk zijne schreden naar het Colosseum, het reusachtig amphitheater, waar de volksspelen werden gehouden, en waar ook weldra zijn leermeester....
Tevergeefs trachtte hij de noodlottige gedachte te verbannen. Telkens kwam zij terug, en telkens leidde zij zijne schreden naar het worstelperk, dat hem met geheimzinnige macht scheen aan te trekken. Ook nu weder staarde hij met strakken blik naar de zware muren en hij bemerkte niet, dat een lage, blijkbaar zwaar beladen wagen, door eenige gewapenden begeleid, langzaam naderde.
Een luid gerammel, als van op elkander stootende ijzeren staven, deed hem plotseling opzien, en hij wierp een verstrooiden blik op het vreemdsoortig voertuig.
Plotseling klonk er een verschrikkelijk gebrul. De ijzeren traliën rammelden in de klauwen van een Afrikaanschen leeuw, die den eenzamen voorbijganger in het oog had gekregen, en
76
trachtte zich op hem te storten. Onwillekeurig deed Hermes eene schrede achteruit.
— Ha, ha! lachte een der gewapende knechten, die zijne beweging bemerkte, \'tls gelukkig, dat er stevige ijzeren traliën zijn tusschen u en dien vriend daar, niet waar? Ge moogt dapper zijn, heer, maar tegen dit monster zou uw moed en uw zwa,ard u weinig baten. Een pleizierig vooruitzicht voor den Christen, die hem weldra met geen ander wapen, dan zijne naakte armen zal moeten bevechten.
— Is het. . . ? Ge meent. . . ? zeide Hermes huiverend.
— Begrijpt ge \'tniet? \'t Zijn wilde dieren voor den circus, antwoordde de man. Zij deden u daar braaf schrikken, maar \'t is hun niet kwalijk te nemen, dat ze wat wild zijn. Zij worden schraal gevoed, om ze graag te maken voor het feest. Over acht dagen.....
Rillend wendde Hermes zich af. De knecht zag hem verwonderd na.
— Dat is een centurio met zwakke zenuwen, bromde hij. \'t Is zeker geen Romein. Anders zou hij mij wel hebben aangehoord, — en een drinkgeld gegeven bovendien.
Als door booze geesten gedreven, snelde Hermes voort, \'t Was, als wilde hij de gedachten, die zich aan hem opdrongen, ontvlieden. Maar \'t baatte hem niet. Steeds zag hij voor zich het bloedig schouwspel, dat de woorden van den circusknecht daar straks voor zijne verbeelding hadden doen oprijzen. Hij snelde door verschillende straten en stegen, zonder plan, zonder doel, tot hij zich eindelijk aan den oever van den Tiber bevond, \'t Was reeds laat in den avond, en de plaats was eenzaam. De gezwollen stroom bruiste tusschen zijne oevers, en de zwaar voortrollende golven schenen Hermes te roepen, te wenken, om rust te zoeken in hun kille omarming, en met hen voort te rollen, ver, ver weg, naar de groote zee.
Met wankelende schreden naderde hij den oeverkant en
boog zich voorover .... Plotseling legde zich een hand op zijn schouder. Een man, in schippersdracht, die hem sinds eenige minuten ongemerkt gevolgd was, stond achter hem.
— Broeder, zeide de onbekende, met eene zachte, ernstige stem, wilt gij eene zonde begaan, waarvan geen berouw mogelijk is?
— Laat mij .... Wie zijt gij ? antwoordde de ongelukkige.
— Uw broeder, — en ik laat u niet los. Kom, deze plaats is niet goed voor u, vervolgde Cnejus, want deze was het.
— Ik heb geen broeder, — ik ben een afvallige, een verlorene!
— De Heer Christus is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was. Ook voor u is er vergeving!
— Ik ben een afvallige, zeg ik u! Voor mij is er geen vergeving!
— Dat zeide ook Judas, en hij verworgde zich, — en hij ging heen naar zijne eigene plaats, zeide Cnejus ernstig.
Hermes huiverde.
— Kom mede, fluisterde Cnejus, kom mede naar óen, die u, beter dan ik het kan, van vergeving en verlossing zal spreken.
— Waarheen voert gij mij? vroeg Hermes met flauwe stem.
— Naar Ignatius, naar den bisschop, was het antwoord.
— Naar Ignatius! Neen — en hij wilde zich losrukken.
Maar Cnejus nam hem met vriendelijk geweld onder den
arm, en voerde hem mede.
Niet weinig was Ignatius verwonderd, toen hij midden in den nacht schreden hoorde, die zijn kerker naderden.
Hij had te Rome geen enkel gehoor meer ondergaan, daar hij door den keizer zelf reeds gevonnist was, en hij was dus tot nog toe van alle bezoeken, uitgezonderd van die zijner vrienden, verschoond gebleven.
78
De bisschop van Rome had hem, met eenige zijner volgelingen, echter eerst voor weinige uren verlaten, en hij wachtte niemand. Toch scheen het bezoek voor hem bestemd. De voetstappen naderden, de sleutel knarste in het slot, de grendels werden weggeschoven, en bij het flauwe licht der kleine lamp, die zijne vrienden hem hadden verschaft, zag de bisschop twee mannon binnentreden, waarvan de een half wederstrevend, door den ander zachtjes werd voortgeduwd.
Ignatius sidderde van vreugde. Hij meent die vermomde gestalte te herkennen, hij doet een schrede voorwaarts, en vol blijde verwachting fluistert hij ;
— Mijn zoon!.....
Maar op het hooren zijner stem rukt Hermes zich los van zijn geleider en wil wegsnellen. Goddank, te laat! Ignatius heeft hem herkend, hij snelt toe en grijpt hea bij den schouder,
— Mijn zoon, fluistert hij smartelijk; wat heb ik u gedaan, dat gij mij zoo ontvlucht?
Verpletterd zonk Hermes aan de voeten van den bisschop. Cnejus wenkte den wachter, en beiden verwijderden zich.
Wat daarbinnen gesproken werd, woorden van boete en woorden van liefde, van vergeving, niemand heeft het ooit geweten. Maar Ignatius\' gebed werd verhoord.
Lang waren meester en leerling reeds samen geweest, maar zij hadden niet gemerkt, hoe de uren omvlogen. Zij hoorden evenmin, hoe de stille straat plotseling levendig werd, zij hoorden niet de voetstappen van gewapenden en het kletteren der speerschachten op de straatsteenen.
Plotseling kraakte echter de deur, en de wachter, die Hermes had binnengelaten, stortte doodsbleek het vertrek binnen!
—• Vlucht, heer! riep hij Hermes toe. Mijn makker heeft ons verraden! Daar zijn de dienaren van den praetor met soldaten, om de gevangenis te doorzoeken.
Hermes richtte zich op. Zijn gelaat was ontroerd, maar
79
bij het dreigend gevaar kreeg hij zijne bedaardheid terug.
— Bestaat er dan hier nog een andere toegang dan de groote poort, waardoor ik ben binnengekomen ? vroeg hij den wachter.
—- Neen, neen! jammerde de man handenwringend. Er is geen uitgang! (ie zijt verloren, heer! En ik ook! O, wat zal er van mijne arme vrouw en kinderen worden ! Uoor, ze eischen toegang! Om der Goden wil, verberg u, heer !
Werkelijk dreunde do zware, ijzeren buitendeur onder de geweldige slagen en stooten der krijgslieden, die met ruw getier den wachter toeriepen, dat hij de poort zou openen.
Hennes rees overeind.
— \'t Zou u niet baten, als ik mij verborg, oude, zeide hij tot den wachter. Men zal een schildwacht aan de poort plaatsen en het geheele gebouw doorzoeken.
— Maar wat dan! .. . . wat dan! . . ,
Een glans van vreugde verspreidde zich over Hermes\' gelaat,
— Open de deur! beval hij.
— Maar heer ! . . . .
— Open de deur, en vrees niet, zeide de ccnturio vriendelijk, terwijl hij den wijden mantel aflegde, die zjjne kleederen verborg. Sidderend strompelde de wachter heen. Ignatius zag zijn leerling vragend aan.
— De Heer verwaardigt mij, mijn afval goed te maken, vader! zeide de centurio blijde. Ik kan dien man redden, en wij — zoo wij gescheiden worden, zal het slechts voor een korte poos zijn.
Ijmatius wilde antwoorden, maar reeds klonken de naderende
O \'
voetstappen der krijgslieden in de gang. Men hoorde hunne tierende beschuldigingen en bedreigingen tegen den wachter, die zich met bevende stem trachtte te verdedigen. Nog een oogen-blik — en de deur vloog open, en een onderbevelhebber van een toorts voorzien, stormde, gevolgd door een paar zijner onderhoorigen, het vertrek binnen.
80
— Ha, wien hebben wij hier! juichte de man, terwijl hij het licht van zijn toorts op Hermes liet vallen.
Plotseling echter week hij getroffen terug.
— Een keizerlijk centurio! stamelde hij.
— Is die man schuldig, vroeg Hermes bedaard, terwijl hij op den wachter wees, omdat hij mij bij dezen gevangene heeft toegelaten, mij, den keizerlijken officier, die hem herwaarts heeft gevoerd?
— Neen .... ten minste, ik geloof het niet, stamelde de de-curio onthutst, maar, vergeef mij, heer, wat doet gij hier?
— Ook ik ben een Christen! antwoordde Hermes, met vaste stem.
De decurio zag hem ongeloovig aan.
— Gij schertst, heer, zeide hij, terwijl hij een schuwen blik op de lictoren wierp, die met hem het vertrek waren binnengetreden.
— Ik scherts niet: ik ben een Christen, zeg ik u ! riep Hermes.
Een der lictoren, die Hermes opmerkzaam had aangezien,
fluisterde hier den onderbevelhebber een paar woorden in het oor. Deze haalde verdrietig de schouders op.
— Vergeving, heer, zeide hij, maar naar uwe verklaring van zooeven moeten wij u naar den praetor voeren. Ik ben soldaat.... en ... .
— Gij moet uwe orders gehoorzamen, viel Hermes hem kalm in de rede. \'t Is wel, ik ben gereed! Uw zegen, vader!
Zwijgend legde Ignatius zijne handen op het hoofd van den knielenden jongeling. Toen namen de soldaten den centurio in hun midden en dreunend viel de deur achter hen dicht.
De bisschop wierp zich op de knieën, en bleef nog lang in gebed verzonken. Hij bad om kracht voor zijn geliefden leerling, die een zwaren strijd te gemoet ging, om kracht en standvastigheid, opdat hij ditmaal bij de goede belijdenis mocht volharden.
HOOFDSTUK VIII.
IX HET COLOSSEUM.
rij bevinden ons in het Colosseum, het ontzaglijk groote amphitheater Flavii, een geschenk aan het Romeinsche volk van de keizers Vespasianus en Titus. De groote ruimte, die 87000 toeschouwers bevatten kan, is proppend vol. Zoowel de zetels der senatoren en aanzienlijken, als de steenen banken voor het volk bestemd, zijn alle bezet en al die duizenden lachen en juichen, in afwachting van het schouwspel, dat hen wacht; allen branden van ongeduld, om straks eenige weerloozen te zien worstelen tegen de klauwen en tanden dor wilde dieren, om de trillende spieren te zien wegkrimpen onder het ijzeren gebit der uitgehongerde monsters, om zich in hun machteloozen weerstand te vermeien, en bij de stervenskreten te juichen ....
Het arena is voor deze gelegenheid door middel van rotsblokken en heesters in een heuvelachtig bosch herschapen. Aan de beide zijden ziet men in den wand donkere openingen, door ijzer traliewerk afgesloten. Van tijd tot tijd klinken er
82
uit die holen rauwe kreten, een donderend gebrul of een afschuwelijk gehuil, en telkens als die tonen zich doen hooren, dan zwijgen de duizenden stemmen, en men staart elkander aan met veelbeteekeuend gebaar....
Maar het volk wordt ongeduldig. Ontstuimiger klinkt het geroep en geschreeuw, en het zwelt daverend aan, en het barst los in een enkelen kreet: De bestiarii, de bestiarii! 1)
En andermaal zwijgen plotseling die stemmen, want de deur aan de zuidelijke zijde van het arena is opengegaan. Daar zijn ze, de bestiarii!
Door eenige krijgslieden begeleid, betreden een grijsaard en een jonge man het arena. Het zijn Ignatius en — Hermes. Ja, Hermes is ditmaal getrouw gebleven. Zijne moedige daad in den kerker was niet het gevolg eener oogenblikkelijke opwinding, maar het kloekmoedig besluit van één, die had geleerd voor het hoogste goed alles, ook het leven en de eere der menschen gering te achten. Hij is standvastig gebleven, en nu, (ook hij is immers geen Romeinsch burger,) nu gaat hij met zijn geliefden leermeester sterven.
Zwijgend geleiden de krijgslieden de beide slachtoffers naar het midden van het arena, op een kleine open plaats; daarop verwijderen zij zich in aller haast.
Aller oogen zijn nu op het tweetal gevestigd, maar de beide martelaren bemerken het niet. Hermes is neergeknield aan Ignatius\' voeten; deze heeft zijne handen gelegd op het hoofd van zijn leerling en de oogen ten hemel geslagen. Men ziet zijne lippen bewegen.
En de ijzeren valdeuren schuiven knarsend omhoog, en met woest gebrul en akelig gehuil storten de rossige Afrikaansche leeuw, de gestreepte tijger uit Azië, de lompe beer der Pyre-neën met verscheidene wolven, hyena\'s en panters het arena
(\' Zóó werden de voor de wilde dieren bestemde veroordeelden genoemd.
83
binnen, en verspreiden zich in de lamn van het kunstmatig landschap, snuffelend en zoekend naar hun weorloozc prooi.
Een gemor van teleurstelling gaat er op uit het volk. Hoe, heeft het wild gedierte den reuk verloren? Het brult en jankt, en grijnst de toeschouwers aan, maar \'t is, of het zijn buit niet bespeurt.
Maar zie, zie, die panter rent het pad in, dat naar de veroordeelden henenleidt. Zie, hij houdt stand, zijne oogen fonkelen bloeddorstig, ha — hij heeft zijn prooi in het oog.
In ademlooze stilte zien de toeschouwers, boe het wilde dier onder dof gegrom op den buik nadersluipt, hoe het de machtige leden kromt, en ....
Ha, een sprong, — een woest gebrul —■ een hartverscheurende schreeuw, —- het gold den jongston van de twee!
Met woeste vreugde ziet het volk de laatste machtelooze worstelingen van het lillend slachtoffer. Weldra houden ze op !
En nu de oude! Ha, versmaden de dieren zijn verdord vleesch! Dan naar het kruis! Naar het kruis!
\'t Is niet noodig. Ignatius heeft den laatsten blik van zijn leerling opgevangen. Nu staat hij daar met gesloten oogen, en wacht gelaten zijn lot af. Zijne lippen murmelen slechts een: Kom haastig. Heer, ja kom, Heere Jezus!
Hij hoort noch de bloeddorstige kreten der menigte, noch het gehuil van het wild gedierte; hij hoort niet het dreigend, waanzinnig gelach, dat daar achter hem klinkt..........
Ha, die gevlekte hyena, die den oude van achter sluipend is genaderd, heeft hem tegen den grond gesleurd en verdedigt nu zijn buit tegen een paar wolven. Zie nu dien leeuw, hij verdrijft ze, ha ... .
En terwijl de wilde dieren onder hongerig gehuil elkander de bloedende ledematen der martelaren betwisten, verkondigt het daverend gejuich der toeschouwers, dat het bloedig treurspel is afgespeeld, terwijl er hier en daar reeds stemmen op-
84
gaan, die roepen om de venatores, de zwaardvechters, die nu op hun beurt de dieren moeten bekampen.
Zoo stierf Ignatius van Antiochië, een man, die zijn Heer vurig lief had, moedig gestreden heeft voor de Waarheid, en zijne belijdenis met zijn bloed heeft bezegeld.
Was zijne hartstochtelijke begeerte, zijn streven naar het martelaarschap niet goed te keuren, omdat het den Christen voegt, den wil des Heeren, den weg. dien Hij met hem houden wil, in geloovige onderwerping af te wachten, wij moeten niet vergeten. dat hij deze dwaling met de vroomste en uitstekendste zijner tijdgenooten deelde. Als we dit in aanmerking nemen, kunnen we de daad van den man, die zijn Heer zoo liefhad, dat hij voor hem wilde sterven, niet slechts niet veroordeelen, maar zelfs eerbiedig bewonderen.