T
v..
V4K ft? itü. NO- •BorHla lt;iroors
ffloorscfioht.
DE MARTELAARS
DER
VERHALEN UIT DE KERKGESCHIEDENIS
DOOR
s
G. C. HOOGEWERIT
Schrijver van : „Een Schipbreukelin£•quot;-
II. Bhndima em Poiiliciis,
If IJ K E R K G. F. C ALLE NB ACH.
MAiOTHEKK JgR
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2723 298 6
v a
Snelpersdrukkerij — G. F. Callenbach — Nijkerk.
BLAKDINA EN POSTICUS.
HOOFDSTUK I.
AAN DE WOLFSBKON.
was een fraaie Julimorgen, in het jaar onzes Hee-ren 177. De zon, die eerst sinds eenige oogenblikken aan den hemel stond, wierp reeds een verblindend licht over de heuvelachtige landstreek, die zich ten noorden der oude stad Vianna, 1) aan den linkeroever van de Rhone uitstrekte, en deed er de geheele schepping op eens ontwaken. De wijnstokken en de gouden halmen der korenvelden, die alom de hellingen der heuvels bedekten, schudden den dauw, waarmee de nacht ze vriendelijk had verkwikt, in duizend onkelende parels van zich af, en begroetten frisch en krachtig het rijzende licht; de madelieven, de anemonen en de ontelbare andere bloempjes, die in hunne schaduw bloeiden, hadden de knopjes reeds lang ontloken, en hunne geuren rezen op, tegelijk met het morgenlied der vogels, als een blijde groete aan den nieuwen dag.
1
) Het tegenwoordige Vienne.
4
Behalve door het kwinkeleeren der vogels, en het gemurmel van de Rhone, die ginds, waar de blauwe dampen nog boven de heuvelen hingen, door het landschap kronkelde, werd de stilte slechts afgebroken door het geklater eener bron, die ergens tusschen het wijngaardloof uit de helling moest te voorschijn komen. Hadden de wijnbergen en de korenvelden niet bewezen, dat de hand van den mensch hier werkzaam was geweest, dan zou men zich hebben kunnen verbeelden, dat men zich in een geheel onbewoonde streek bevond. Immers, slechts wanneer men den top van een der heuvels bereikt had, kon men in de verte de witte gevels eener villa tusschen het groen zien doorschemeren, waarschijnlijk het eigendom van een aanzienlijk Romein, die zich hier in het zuidelijk gedeelte van het vruchtbare Gallië eene woonplaats had gekozen.
En wie nu uit nieuwsgierigheid, of uit begeerte naar een frisschen dronk, de bron had opgezocht, die wij daar straks, verborgen onder de bladeren, hoorden ruischen, die zou ook hier de sporen van den arbeid des menschen hebben gevonden. Op een kleine open plek, van alle kanten door wijngaarden omringd, kwam de heldere waterstraal uit de helling te voor-schjjn, maar menschenhanden hadden dien opgevangen en geleid, en nu ontsprong hij tusschen de opgesperde kaken van een grijnzenden, bronzen wolfskop, om zich eerst in een marmeren bekken te storten, en dan eerst als een nauw zichtbare sprank tusschen de wijnstokken door de steile helling af te huppelen.
De Wolfsbron, (zoo noemden haar de arbeiders en de slaven der omliggende villa\'s), scheen echter op dit oogenblik al even verlaten als de geheele landstreek, en eenige musschen maakten van de gelegenheid gebruik, om in het ondiepe marmeren bekken hun morgenbad te nemen.
Plotseling echter vlogen de vogeltjes verschrikt op. Een vlugge voetstap deed het dichte wijngaardloof ritselen, de over-
5
hangende ranken werden op zijde geschoven, en eene jonge vrouw met eene aarden kruik in de hand, verscheen op de open plek. Naar hare kleeding te oordoelen moest het eene slavin zijn, uit eene der naburige villa\'s. Haar grauwe tunica zonder mouwen, van een grove wollen stof, was zonder eenig versiersel; haar houding en haar geheele voorkomen toonden aan, dat zij gewoon was aan harden arbeid, en haar gelaat had niets, dat den oppervlakkigen beschouwer kon treffen, niets dat haar in zijne oogen onderscheidde van de duizenden onvrijen, waarvan het in alle Eomeinsche bezittingen wemelde. quot;Wie haar echter opmerkzaam gadesloeg, las op haar glad en rein voorhoofd, in hare peinzende, donkere oogen nog iets anders. Hij vond er de uitdrukking van een gemoedsrust, van een hooger zieleleven, dat hem moest verbazen in eene slavin, waarschjjnlijk toch met duizenden van hare lotgenooton opgevoed in onkunde en onwetendheid, zonder hoogere begeerten dan die, welke uitgingen naar voedsel en kleeding en grof zinnelijk genot.
De jonge vrouw naderde de bron en ving den helderen, spran- ■ kelenden straal, die uit de bronzen kaken van den wolfskop vloeide. Toen zij haar kruik gevuld had, zette zij die neer op den smallen rand van het bekken, en, met den schouder tegen de naakte leisteen der helling geleund, scheen zij een oogenblik te willen uitrusten, alvorens den terugtocht te aanvaarden.
Droomerig blikte zij in het donker groene loof, dat haar aan alle kanten omringde. Toen sloeg zij de oogen op en staarde in de donker blauwe diepten van den hemel.
— »Hoe rustig is het hier! prevelde zij zacht voor zich heen. Hoe heerljjk zou het zijn, om hier eens lang, lang uit te rusten van alle moeite en strijd....
Een sombere trek kwam op haar gelaat, maar slechts voor een oogenblik. Weldra verhelderde haar blik.
6
— En als het hier reeds zoo heerlijk is, vervolgde zij halfluid met een blijden glimlach; hoe heerlijk moet dan wel de rust niet zijn, die Gij, o mijn God, voor Uwe kinderen bereid hebt.
Daar ritselde het in het loover achter haar. Een groote aardkluit, met kracht geworpen, viel naast haar in het bekken en deed het water hoog opspatten. Tegelijk klonk er dicht bij haar een sarrend, spottend gelach.
— Voort, Blandina! voort, luie slavin! riep een heldere stem. Staat ge weer te droomen over uw nachtelijke feesten, ver-wenschte Christin? Zeg, hoe smaakt het bloed van kleine kinderen?
Blandina was verschrikt opgesprongen; zij wendde het hoofd naar de plaats, van waar de sarrende stem kwam, maar de dichte bladeren verborgen den spreker.
Pof, daar vloog weder een aardkluit, ditmaal echter niet in het water. De worp trof de schoone kruik; in scherven lag zij op het mos.
Met een kreet van schrik boog het meisje zich naar haar verbrijzeld vaatwerk. Diepe ontsteltenis was op haar gelaat te lezen.
Daar werden de wijngaardranken op zijde gebogen en in de opening verscheen een ondeugend jongensgezicht, \'t Kon aan een knaap van veertien of vijftien jaren toebehooren.
— Die was raak, hè ? zeide de jongen, met een boosaardigen lach.
Blandina keek om.
— Waarom hebt ge dat gedaan, Ponticus? vroeg zij droevig. Zie, de schoone kruik is stuk. Vindt ge \'t zoo aangenaam, dat ik gestraft word door uwe schuld?
Een oogenblik keek de knaap verbluft.
— Bah, zeide hij eindelijk, schijnbaar luchtig, \'t zal zoon vaart niet loopen! Valeria is geen harde meesteres!
— Valeria, neen, zeide Blandina. Maar Dorothea, de huis-meesteres, is streng voor ons. En zij heeft het bestuur over de huisslaven.
7
— Dorothea, de oude, gluipende slang, of ik haar ken! riep Ponticus. Toen scheen plotseling zijne booze natuur weer de overhand te nemen, want hij vervolgde ruw:
— En als ge gestraft, en misschien gegeeseld wordt, dan hebt ge slechts uw verdiende loon, kinderverslindster, luie slavin.....
— Wilt ge wel eens zwijgen, ellendige sarrer! zeide plotseling een forsche stem.
Blandina zoowel als Ponticus, die geheel uit de wijnstokken te voorschijn was getreden, keek verschrikt om. In de opening van het smalle pad. dat naar de Wolfsbron leidde, stond een man, wiens naderende voetstappen geen van beiden had opgemerkt.
\'t Was een man van forsche gestalte, gekleed in de gewone dracht der lagere volksklasse. Zijn breed, open gelaat boezemde vertrouwen in door eene uitdrukking van ruwe goedhartigheid. Het lage voorhoofd getuigde van niet veel verstand, maar de kleine, flikkerende grijze oogen en de massieve, vierkante kin spraken van moed en vastberadenheid. Zijne houding was fier en krijgshaftig; men kon hem voor een soldaat in burger-kleeding houden.
— Wilt gij wel zwijgen? herhaalde de man, terwijl hij dreigend een knoestigen stok ophief. Pak u voort, laffe meisjes-kweller, of....
Bij de eerste woorden van den reus was Ponticus verschrikt achteruit geweken. Weldra herstelde hij zich echter, en keek den spreker onbeschaamd in \'t gelaat.
— Ik zal gaan of blijven, al naar dat ik verkies, zei hij driest. En gij, als gij mij aanraakt, — dan zal mijn vader u aanklagen bij zijn vriend, den pro-curator, \') en de lictoren zullen u den rug bloedig slaan.
1) Een aanzienlijk overheidspersoon, in de Eomeinsche provinciën ^6-last met het bestuur der geldmiddelen.
8
— Mij den rug bloedig slaan, onbeschaamde rekel! riep de man, rood van drift. Wacht, — en met opgeheven stok schoot hij op Ponticus toe.
Deze zag te laat, dat hij te ver was gegaan, en zocht nu zijn heil in de vlucht. Behendig ontdook hij den greep van den reus, en sprong de steile helling af. Maar hij struikelde over een uitstekenden wortel. Met een kreet van pijn zonk hij op den grond, en in het volgende oogenblik zwaaide zijn ver-vervolger reeds den dikken knuppel boven zijn hoofd.
— Heb ik je daar, kleine adder! riep de forsche man met een zegevierenden lach. Wacht, nu- zal ik je eens een pak geven, dat je vader met zijn vriend, den pro-curator, en al diens lictoren je niet zoo spoedig zullen afnemen.
De dikke stok suisde door de lucht en de reus was op het punt, dien met kracht op de schouders van den knaap te laten neerkomen, toen zijn arm plotseling werd tegengehouden.
— Sla hem niet, Astor! zeide eene vriendelijke stem. Ziet gij niet, dat hij zich bezeerd heeft?
Knorrig keek de man om.
— Zich bezeerd ? \'t mocht wat! zeide hij spottend. liet kleine ongedierte houdt zich maar zoo. Ge zijt wel dwaas, dat ge nog voor hem spreekt, Blandina. Hij heeft moedwillig uw kruik gebroken, u uitgescholden en beschimpt, — en mij ook. Werkelijk, een pak slaag zal hem goed doen. En weer hief hij den knuppel omhoog.
— Doe het niet, Astor, ik smeek het u. Ge meent het goed, maar waarlijk, gjj zoudt mij verdriet doen. En dat wilt ge toch niet, vervolgde zij, terwijl zij de hand op zijn arm legde.
Astor schudde verdrietig het hoofd.
— Bij Hercules! Blandina, zeide hij, ik begrijp u niet. Heeft die ellendige knaap de kastijding, die ik hem toedacht, niet ruim verdiend? Nu, wees maar niet bang, vervolgde hij, toen
9
Blandina hem smeekend aanzag, ik schenk ze hem dan om uwentwil. Maar wie is hij?
— Ponticus, de zoon van Ithus, een vrijgelatene van den pro-curator, antwoordde de slavin. Ik dank u, Astor, dat ge hem om mijnentwil spaart, maar ook om uwszelfs wil ben ik er blij om. Zijn vader is een gunsteling van den pro-curator.
Astor lachte.
— Zoo dat de reden was .... zeide hij minachtende dan hadt gij mij mijn gang wel kunnen laten gaan. De pro-curator zal zich tweemaal bedenken, eer hij een der beste gladiatoren, van den pro-praetor, \') die nog pas eene weddingschap van tien duizend sestertiën voor zijn heer gewonnen heeft, smadelijk bejegent. . .. Maar wat scheelt dien knaap? Waarom staat hij niet op?
Werkelijk deed Ponticus geen enkele poging om den dreigenden stok te ontkomen. Toen Blandina den toornigen gladiator tegenhield, had hij haar even met blijkbare verbazing aangezien. Nu lag hij met gesloten oogen, terwijl hij kreunde als van pijn,
Astor trad op hem toe.
— Nu, schelm, zeide hij ruw. Dank het Blandina, dat ge mijn stok zijt ontkomen, en pak u voort.
De knaap verroerde zich niet.
— Hij heeft zich ernstig bezeerd, riep Blandina bezorgd, terwijl zij zich over hem heenboog. Zeg, Ponticus, wat scheelt er aan? Hebt ge pijn?
Weer sloeg de knaap, met eene verwonderde uitdrukking op zijn gelaat, de oogen op.
— Ik heb mijn voet verstuikt, kreunde hij.
Terstond knielde de slavin bij hem neder. Voorzichtig maakte zij de lederen riemen los, die den schoen van den rechter voet
\') Landvoogd.
10
aan den enkel bevestigden, toen haalde zij een doek te voorschijn, dien zij stevig om den gekwetsten voet bond.
Ponticus liet zich zwijgend verbinden. Toen echter Blandina met een der grootste scherven van haar gebroken kruik water schepte en hem te drinken bood, wendde hij beschaamd het hoofd af.
— Dat niet, mompelde hij.
Astor had met blijkbaar ongeduld de slavin gadegeslagen. Nu kon hij zich niet langer bedwingen.
— De jongen is waarlijk verstandiger dan gij, Blandina, zeide hij knorrig. Kom, laat hem nu liggen. Ik ga een eind weegs met u mee. Als hij hier in de buurt woont, zullen wij wel iemand tegenkomen, die hem kan gaan opzoeken.
— Ik kan wel alleen gaan, mompelde de knaap en met groote inspanning slaagde hij er in, op te staan. Toen trachtte hij te loopen, maar reeds bij de eerste schrede zonk hij met een pijnlijken kreet op den grond.
—• Hij kan niet loopen en hij kan hier ook niet blijven, zeide Blandina haastig. Zijns vaders villa is wel een half uur van hier. Astor, wilt ge mij een dienst bewijzen.
— Een dienst, dat hangt er van af.... bromde de gladiator.
— Ge zijt zoo sterk, Astor! Toe, draag hem naar onze villa. Die is hier dicht bij. Zie, ge ziet de witte gevels daar ginds tusschen het groen.
De zwaardvechter schudde verdrietig het hoofd.
— Een pleizierig werk, dat ge mij daar opdraagt! knorde hij. De zon staat al hoog aan den hemel, \'t Is niet genoeg, dat ge mij belet, dien bengel de dracht slagen te geven, die hij zoo ruimschoots verdient; nu eischt ge nog van mij, dat ik hem een kwartier ver zal dragen, terwijl de zon al hoog aan den hemel staat. Maar komaan, als ge mij zoo aanziet, kan ik u toch niets weigeren. Kom dan maar hier, schelm!
Vrij onzacht greep de forsche man den knaap aan, en laadde
11
hem op de schouders. Toen begon hij, door Blandina gevolgd, met zijn last den heuvel af te dalen. Ponticus liet zich optillen en medevoeren, zonder tegenstand te bieden, maar ook zonder een woord ^van dank. Hij klemde zich vast aan den forschen nek van den zwaardvechter en sprak gedurende den tocht geen enkel woord.
Hoewel Astor aan den wensch van Blandina gevolg had gegeven, kon hij zijne ontevredenheid over hare weekhartigheid niet geheel verbergen.
— Ik ben eigenlijk wel dwaas, dat ik altijd uw zin doe, Blandina! morde hij, terwijl hij met groote schreden voortstapte. \'t Komt zeker door de gewoonte. Reeds toen wij als kinderen speelden op de villa van den ouden Porphyrins, kondt ge van mij gedaan krijgen, wat ge wildet.
Blandina lachte stil voor zich heen.
— Nu heb ik u toch tot eene goede daad bewogen, Astor, zeide zij.
— Hm, een goede daad, — dat weet ik nog niet, bromde de zwaardvechter, \'t Is een mooi ding. Van morgen vroeg vertrok ik uit Lugdunum, \') om mij naar mijne kazerne te Vianna te begeven. Op de hoogte van de Wolfsbron gekomen, sla ik het zijpad in. om eens een frissche teug te nemen. En in plaats van er eene verfrissching te krijgen, moet ik, met een zwaren knaap op den rug, een kwartier in de brandende zon loopen. Zeg, Blandina, waarom zijt ge eigenlijk zoo barmhartig voor den bengel.
— Mijn Heer en Heiland heeft ons bevolen, onze vijanden lief te hebben, was het zachte antwoord.
Astor staarde zijne gezellin met groote oogen aan.
— \'t Is waar ook: ge zijt eene Christin, zeide hij eindelijk. Wel, men vertelt allerlei vreeselijke dingen van uwe sekte;
\') Lyon.
12
die geloof ik niet, ziet ge, maar dit is toch eene dwaasheid!
— Een dwaasheid! . . ..
— Zeker, of ten minste een leer, die niet past voor een eerlijk gladiator. Ik voor mij geef in een eerlijk gevecht voor iederen zwaardslag er liefst twee terug.
— Ge spreekt, van wat ge niet kent, Astor, zeide Blandina zacht. Zoo ge wist....
— Maar ik wil het niet weten! riep de zwaardvechter uit. Onder ulioden is zeker geen enkel gladiator?
— Neen, en gij zelf zoudt uw beroep verafschuwen, zoo ge een Christen waart.
— Mijn beroep verafschuwen! Dan was ik wel dwaas! Geen vroolijker leven dan het onze! Eiken dag vleesch en wijn! Eiken dag ons lichaam oefenen, tot wij sterk en vlug worden als een panter! En dan in het worstelperk een eerlijke strijd en eerlijke wonden, en de kransen en toejuichingen van het volk, — en eindelijk een eervolle dood op het schild, als een braaf gladiator....
— En dan?. .. zeide Blandina zachtjes.
— En dan? Wel, dan niets meer, Is het niet genoeg? vroeg Astor verwonderd. Maar daar ginds is de villa. Wie is die oude prij, daar ginds op het terras?
— Dat is Dorothea, de huishoudster, zeide Blandina angstig. O, ik wenschte dat Valeria, mijne meesteres, hier was.
HOOFDSTUK II.
VALERIA EN DOROTHEA.
p^|y$ orothea, de opziohteres over de huishouding der rijke ïgMFl weduwe Valeria, was geen bijzonder aantrekkelijke persoonlijkheid.
Zij bezat een lange, magere gestalte, maar daar zij steeds een weinig voorover gebogen liep, scheen zij kleiner dan zij was. Hare houding en haar sluipende gang deden te gelijk aan een kat en aan een slang denken, terwijl haar beenig en hoekig gelaat, met een paar stekende, grauwe oogen onder borstelige wenkbrauwen bijna verborgen, een langen haviksneus en dunne lippen al mede geen aangenamen indruk maakte. Hare stem had iets zeer bijzonders. In de tegenwoordigheid harer meesteres was die fluweelzacht en vleiend, maar sprak zij tegen hare onderhoorigen, dan klonk ze scherp en schel, vaak knjschend.
De huisslaven en slavinnen haatten en vreesden haar, en beschuldigden haar van valschheid en overmatige gestrengheid, ja zelfs van huichelarij en oneerlijkheid. Deze beschuldigingen kwamen echter nooit hare meesteres ter oore. De slaven wisten toch, dat Valeria van hare huishoudster, die zij achtte om hare bekwaamheid en hare schijnbare vroomheid, geen kwaad hooren
14
kon, en morrend en mokkend bogen zij het hoofd onder het harde juk der strenge huismeesteres.
Te gelijk met hare gebiedster tot het Christendom overgegaan, stond Dorothea bij velen in de gemeente in hoog aanzien en in een bijzonderen reuk van heiligheid. In de bijeenkomsten der broeders en zusters was zij de nederigheid, de ootmoed zelve, maar toch, schijnbaar toevallig, wist ze steeds aller aandacht te trekken, en als ze met fluweelzachte stem jammerde over de zondigheid der menschelijke natuur, en roemde in de genade, die haar te beurt was gevallen, dan zag menig eenvoudig belijder met eerbied tot haar op. Slechts sommigen mistrouwden haar; de Christenen onder de slaven en slavinnen der villa\'s in den omtrek noemden haar onder elkander eene huichelares, maar niemand zeide dit openlijk.
Het was werkelijk Dorothea, die op het terras voor de villa de naderende scheen op te wachten. Met de knokige hand hare oogen voor de zon beschermende, tuurde zij naar de groep, en nauwelijks had zij Blandina herkend, of zij trad haar dreigend tegemoet.
— Blandina, luie slavin! krijschte zij reeds van verre, waar blijft ge zoo lang ? Met welk bedelaarspak hebt ge weer den tijd verbeuzeld ? Valeria heeft reeds tweemaal naar haar gewonen morgendronk^\'gevraagd !
— Waar is uw kruik ? vervolgde zij, toen zij bespeurde, dat de slavin met ledige handen terugkeerde. En welke bedelaars brengt ge mee ?
— De kruik is gebroken, Dorothea, antwoordde Blandina schuchter, maar werkelijk ....
— De kruik gebroken, die schoone kruik! riep Dorothea verwoed. En in plaats daarvan brengt ge zeker rondreizende kunstenmakers mee! Pak u voort, bedelpak!
Deze laatste woorden werden tot den verbluften Astor gericht, die ouder dien stortvloed van beschuldigingen en scheldwoorden als versuft was blijven staan.
45
Spoedig herstelde hy zich echter.
— Bedaar, oude! viel hij de vertoornde huishoudster in de rede. Blandina heeft geen schuld. Die ondeugende knaap daar heeft haar kruik gebroken; hij heeft echter zjjn voet verstuikt, en nu heb ik hem hierheen gedragen. En een bedelaar ben ik niet. maar een eerlijk zwaardvechter.....
Dorothea hief oogen en handen ten hemel.
— Een zwaardvechter! een vervloekte heiden! een moordenaar! riep zij ; en gij, goddelooze deerne, brengt ons zulk geboefte in huis. Scheer u naar de spinkamer. Gij zult er den geheelen dag vasten en een dubbele taak afspinnen! En gij, vervolgde zij, zich tot Astor wendende, pak u voort met dien jongen, of ik laat u met de honden van het erf jagen.
— Maar die jongen kan niet loopen, hoort ge dat dan niet! riep Astor, die vergat, dat hij zelf een oogenblik geleden Pon-ticus aan zijn lot had willen overlaten,
— Wat raakt dat mij? Voort, zeg ik u! riep de verbolgen huismeesteres. En gij, zijt gij daar nog? — dit was gericht tot Blandina, die schreiend en besluiteloos was blijven staan, — scheer u weg, of ik zal....
— Wat is hier te doen, Dorothea ? vroeg plotseling eene zachte, maar ernstige stem. Allen zagen verschrikt om. Geen der twistenden had bemerkt, dat uit een der lanen van het park eene schoone, statige vrouw, vergezeld van twee mannen, die zich ijverig met haar onderhielden, nader was getreden. Op het hooren der kijvende stem van Dorothea hadden zij hun onderhoud gestaakt, en waren toen schielijk naderbij gekomen, om de oorzaak van den twist te vernemen.
De vrouw, die de zoo even genoemde vraag had gedaan, was blijkbaar eene deftige Romeinsche matrone. Haar schitterend witte, met gouden stikwerk geborduurde stola bewees, dat zij een vrouw van rang was, terwijl het gezag, waarmee zij sprak, en de eerbied, waarmede Dorothea en Blandina baar
16
begroetten, genoeg aantoonden, dat zjj hier meesteres was.
Inderdaad was het Valeria, de eigenares der villa.
Op het hooren van de stem harer meesteres was het gelaat van Dorothea plotseling veranderd. Hare kleine, grauwe oogen, die zoo pas van woede hadden gefonkeld, werden zedig neergeslagen, haar dreigend voorhoofd ontfronste zich, en haar stem klonk weer fluweelzacht, toen zij op de vraag harer gebiedster antwoordde.
— Vergeef mij, Valeria, zeide zij. De toorn over de verdorvenheid dezer slechte slavin deed mij een oogenblik de zachtmoedigheid vergeten, die eene nederige dienstmaagd des Heeren voegt. Maar heb ik geen reden tot toorn ? Ik zond deze Blandina reeds een uur geleden naar de Wolfsbron, om water voor uw morgendronk. Eerst nu keert zij terug en daarenboven heeft zij haar schoone kruik gebroken, terwijl ze stoeide met de twee landloopers, die zij medebrengt, en waarvan er een ....
— Een landlooper moogt ge zelf zijn, oude, viel Astor haar driftig in de rede. Vergeving, edele vrouw! vervolgde hij met ruwe beleefdheid, toen hij zag dat Valeria, door zijn uitval verschrikt, naar hare beide geleiders omkeek. Vergeving, maar die vrouw bedriegt u.
En nu begon hij een omstandig verhaal van het voorgevallene te doen, terwijl Valeria en de beide mannen, door zijn ruw, maar eerlijk en mannelijk gelaat aangetrokken, welwillend toeluisterden.
— Die knaap daar, besloot hij op Ponticus wijzend, dien hij op het zachte gras had nedergelegd, is de schuld van alles, en Blandina is wel dwaas, dat zij zich terwille van zoo\'n deugniet berisping en straf op den hals haalt.
Aller oogen vestigden zich op Ponticus. De knaap had gedurende den tocht geen woord gesproken. Ook aan den twist had hij geen deel genomen, maar de sprekenden beurtelings aangestaard. Nu meende hij zich in de zaak te moeten mengen.
17
— Ik heb Blandina\'s kruik gebroken, zei hij norsch. Maar ik zal die oude daar een andere zenden. En zoo gij mij hier leed doet, dan zal mijn vader.....
— Wij willen u geen leed doen, viel Valeria hem in de rede. Maar ge hebt u bezeerd, niet waar ? Gelukkig hebben wij den arts in do nabijheid. Ach, Alexander, vervolgde zij, zich tot een harer metgezellen wendende, wilt gij zijn voet eens onderzoeken ?
Alexander, eene kleine, maar levendige Griek uit Klein-Azie boog zich over den voet van den knaap en begon dien te betasten. Ondertusschen wendde Valeria zich tot hare huishoudster.
Gij ziet, zuster Dorothea, zeide zij vriendelijk, dat gij u in uw ijver vergist hebt. Blandina heeft geen schuld.
— Maar zij heeft toch dien knaap en dien zwaardvechter naar uwe villa gebracht, waagde nog de huishoudster aan te merken.
— Heeft zij daaraan dan kwaad gedaan? Zegt niet de Heer: Zalig zijn de barmhartigen ? vraagde hare meesteres zacht en ernstig. Ga, mijne dochter, vervolgde zij vriendelijk tot Blandina, gij hebt geen schuld. En gij, Dorothea, neem dezen man mede, en gelast, dat men hem een beker wijn geve, en voedsel, indien hij dat verlangt.
— Een zwaardvechter in ons huis! Een vervloekte heiden! riep Dorothea verontwaardigd.
— Hij is barmhartig geweest, — en is hij oen heiden, dan heeft hij den wil des Heeren gedaan, ook zonder Hem te kennen, antwoordde Valeria, en . . .
Een pijnlijke kreet van Ponticus deed allen omzien.
Alexander, die den voet van den knaap voorzichtig betast had, schudde bedenkelijk het hoofd.
— Do verstuiking is van ernstigen aard, zei bij hoofdschuddend, en de voet moet volkomen rust hebben. Wie zijt gijknaap, en waar woont ge ?
M II p 2
18
— Het is Ponticus, de zoon van Ithus, den vrijgelatene van den pro-curator, sprak de andere metgezel van Valeria, die tot hiertoe had gezwegen. De villa van zijn vader is een uur van hier.
— Een uur ver, en een heuvelachtige weg, zei de arts verdrietig. Dat gaat niet.
— De knaap zal hier blijven, zeide Valeria haastig. Wij zullen een boodschap aan zijn vader zenden, dunkt u niet, Sanctus ?
— Zijn vader is thans niet op de villa, zeide Sanctus schouderophalend, en ... .
— Nu, dat doet er niet toe, viel Valeria, die eeu onrustigen trek op het gelaat van den knaap opmerkte, hem in de rede. Hij blijft hier, zoolang dat noodig is. Gij, Blandina, zult hem verplegen, en zoo uw liefdewerk voltooien. Maar toe brengen wij hem naar de villa?
— Laat mij dan ook toe, mijn werk te voltooien, gebiedster, zeide Astor snel. Behoedzamer dan men van hem had kunnen verwachten, hief hij den knaap van den grond, die zich zonder tegenstand liet medevoeren, en de kleine stoet zette zich in beweging, vergezeld door de mokkende huismeesteres.
— Dorothea schijnt anders over de plichten der Christelijke liefde te denken dan gij, zeide Alexander, die middelerwijl den gekwetsten voet verbonden had.
— Zij is beter, dan zij schijnt, antwoordde Valeria vergoelijkend. Haar ijver doet haar dikwijls te ver gaan, en zij is vaak hard en ruw in hare uitdrukkingen, maar haar geloof is beproefd, en als gij haar soms hoorde getuigen van den arbeid
des Heiligen Geestes.....Ja, ik weet het wel, Sanctus, viel zij
zich zelve in de rede, toen zij haar anderen metgezel de schouders zag ophalen, gij houdt niet van haar.
— En met reden, Valeria, antwoordde de aangesprokene ernstig. Hare woorden klinken zeker schoon genoeg, maar ik
19
twijfel aan hare oprechtheid. Zij spreekt te veel van zichzelve, zij roemt te luid, — en dan, ik ken, als diaken, beter dan gij de arme leden onzer kleine gemeente. Welnu, er is maar één stem over de onbarmhartigheid, de liefdeloosheid van Dorothea. Zegt niet de Heer: Aan hunne vruchten zult gij ze kennen ?
— Maar dikwijls bezoeken wij te zamen de armen enkran-ken, zeide Valeria verwonderd, en dan bespeur ik niets van dat alles. Ge zijt onrechtvaardig, Sanctus.
— In uw bijzijn? Neen, dan zult ge \'t wel niet bespeuren, zeide Sanctus schouderophalend. Geloof mij, zuster, vertrouw haar niet te veel. Maar, — wie komt daar ginds? Het kan toch onze broeder Vettius Epagathus niet zijn?
— Die kan nauwelijks van zijne reis naar Rome terug zijn, antwoordde Valeria, terwijl zij, met de anderen, de rijzige gestalte trachtte te herkennen, die in de verte naderde.
— En toch is hij het! Het is broeder Vettius, riep de levendige Griek. En hij snelde den naderende te gemoet.
— Wat zou hem zoo spoedig uit Rome terugvoeren ? vraagde Valeria bezorgd aan Sanctus.
De diaken haalde de schouders op.
— Ik heb nooit veel van Rome verwacht, zeide hij droog.
Ondertusschen was Vettius Epagathus nader gekomen, \'t Was
een nog jonge man, van omstreeks dertig jaren. Zijne kleeding, zoowel als zijn houding en gelaat bewezen, dat hij, evenals Valeria, tot de hoogere standen behoorde. Werkelijk was dat het geval: Vettius Epagathus was Romeinsch burger, gesproten uit een edel geslacht, en eigenaar van uitgestrekte goederen in het zuiden van Gallië.
De ontmoeting was hartelijk, \'t Was duidelijk te zien, dat de jonge Romein allen even welkom was.
— Ik kon niet nalaten, edele Valeria, u, zij het dan ook een kort bezoek te brengen, zeide Vettius, nadat de eerste
20
begroetingen voorbij waren. Eerst eergisteren is mijn scbip binnengeloopen, en ik ben op weg naar Lugdunum, om den eerwaarden bisschop Potbinus te zien en te spreken. Ik wilde echter uwe gastvrije villa niet voorbij gaan.
-— En wat drijft u zoo haastig naar den bisschop? vraagde Valeria. Waarom zijt ge zoo haastig teruggekeerd? Of is het een geheim?
— Voor u niet, Valeria, gij zijt sterker en moediger dan de meeste vrouwen, zeide Vettius, en ook de beide broeders zijn te vertrouwen, en zullen de gemeente niet voor den tijd verontrusten.
— \'t Zijn geen aangename tijdingen, die ik breng, ging hij voort. Ik vrees, dat wij zware tijden te gemoet gaan. Toen Marcus Aurelius keizer werd, verwachtten de broeders van hem veel goeds. Men hoopte, dat hij, de wijsgeer, het verhevene en het heerlijke van ons Heilig Evangelie zou inzien, en althans niet zijne toestemming geven tot onze vervolging, maar men heeft zich deerlijk bedrogen.
— Ook in den keizer? vroeg Sanctus.
De jonge Romein schudde het hoofd.
— Marcus Aurelius is werkelijk een wijsgeer, zeide hij, en daarbij edel, onbaatzuchtig, en streng rechtvaardig. Maar hij wil de wetten handhaven, en hij beoordeelt ons verkeerd. Misschien gelooft hij niet aan de dwaasheden, die het volk van ons vertelt, maar zeker houdt hij ons voor een Joodsche secte, en hij haat ons als verstoorders der rust.
— Hij zal dan toch geene nieuwe vervolgingen bevelen, zeide Valeria.
— Neen, maar de priesters te Rome zitten nooit stil, antwoordde Vettius, zij zien den voortgang van het Evangelie met leede oogen, en er begint te Rome weer eene beweging tegen ons, die gevaarlijk kan worden. Do Romeinsche broeders weten, dat er naar alle streken des rijks zendelingen zijn gezonden,
21
om priesterschap en volk tegen de gemeente op te ruien. Daarom ben ik zoo spoedig teruggekeerd. Ik breng brieven mede voor Pothinus, en de opzieners der gemeente. Men raadt hun aan, op hunne hoede te zijn, want de storm der vervolging zal misschien weldra over ons losbarsten.
— De wil des Heeren geschiede! zeide Valeria kalm.
— Amen, zeide de diaken ernstig. En Hij geve Zijne gemeente kracht om staande te blijven in den boozen dag!
Zwijgend keerde het viertal naar de villa terug.
HOOFDSTUK III.
PONTICUS.
et verblijf van Ponticus op de villa van Valeria was van langen duur. Do verstuikte voet wilde niet spoedig genezen, al mede door het ongeduld van
den knaap, wien het zeer veel moeite kostte zich rustig te houden. Alexander, die zijn patient van tijd tot tijd bezocht, bleef het steeds ontraden, hom te vervoeren en \'t was vreemd, Ponticus, die eerst stug en in zichzelven gekeerd was, werd langzamerhand vriendelijker en vertrouwelijker, en eens, toen in zijn bijzijn werd gesproken over de mogelijkheid om hem te vervoeren, nam zijn gelaat zulk eene angstige, smeekende uitdrukking aan, dat de goedhartige Valeria besloot, hem vooreerst niet te laten vertrekken.
Zij wilde dat echter niet doen, zonder de toestemming van Ponticus\' vader en zond dezen daarom een schrijven, waarin zij hem het voorgevallene mededeelde, en hem verzocht, zijn zoon tot diens geheele genezing aan hare zorg toe te vertrouwen.
Deze brief werd weldra beantwoord door een bezoek van Ithus, den rijken vrijgelatene zeiven. Hoewel de man zich niet
23
weinig liet voorstaan op de gunst, die hij van Sempronius, den pro-curator genoot, was hij maar al te zeer vereerd door de kennismaking met eene voorname Romeinsche. Hij wist zeer goed, dat Valeria tot de Christenen behoorde, maar hoewel hij deze laatsten van harte haatte en verfoeide, was zijne IJdelheid sterker dan zijn haat, en hij beroemde zich reeds in gedachten bij zijne kennissen, dat zijn zoon de gastvrijheid genoot van eene der eerste familiën in de omstreken van Vianna.
Hij stond dus, onder overdreven dankbetuigingen, het verzoek van Valeria ten opzichte van zijn zoon, gereedelijk toe, en nam op niet minder overdreven wijze afscheid van Ponticus, eene hartelijkheid, die deze zeer stug beantwoordde. Dit laatste verwonderde de omstanders volstrekt niet; het was toch van algemeene bekendheid, dat Ithus zijn zoon geheel en al verwaarloosde, en diens opvoeding aan zijne bedienden overliet, terwijl hij zelf zich steeds te Lngdunum bevond.
Zoo was dan nu Ponticus waarschijnlijk voor geruimen tijd de gast van Valeria. Blandina mocht zich, op haar verzoek, met zijne verpleging blijven belasten, en wanneer des morgens hare huiselijke bezigheden waren afgeloopen, dan haalde zij haar spinrokken uit de werkkamer, waar zij anders met de overige slavinnen zat te spinnen, en zette zich bij den knaap neder, om hem door hare gesprekken en verhalen zooveel mogelijk bezig te houden.
Lang bleef Ponticus stug en teruggetrokken, maar eindelijk behaalde het geduld der Christelijke liefde de overwinning. Hij kwam nooit terug op zijne baldadigheid, die eigenlijk de oorzaak was van zijn tegenwoordigen toestand; hij was blijkbaar te trotsch om zijn ongelijk te bekennen en vergeving te vragen, maar langzamerhand werd zijn toon zachter, zijn oogopslag vriendelijker, en hij begon, op ruwe en onhandige wijze wel is waar, zijne trouwe verzorgster blijken van genegenheid te geven.
24
Eindelijk, op zekeren morgen, kon hij het blijkbaar niet langer uithouden. Hij had haar reeds geruimen tijd stilzwijgend zitten aanstaren, toen hij plotseling begon:
— Zeg eens, Blandina.....
De slavin zag op van haar werk.
— Blandina ... ik wou —, ik wou u toch even zeggen, — de stem van den knaap stokte herhaaldelijk, en hij werd vuurrood, — ik wou u toch even zeggen, dat ik spijt heb, dat ik u aan de bron zoo plaagde.
Blandina knikte hem vriendelijk toe.
— Dat wist ik reeds lang, Ponticus! zeide zij bedaard.
— üe wist hrt reeds? Hoe is dat mogelijk?
— Ik zag het aan alles. Gij hadt reeds lang berouw, maar ge kondt er niet toe komen, om het te zeggen.
Ponticus zag voor zich en bewaarde eenige oogenblikken het stilzwijgen. Eensklap keek hij weer op.
— Zeg mij toch eens, Blandina, zeide hij, hoe komt het, dat gij en Valeria zoo anders zijt, dan, .... dan .... andere menschen?
— Zijn wij dan anders? vroeg Blandina glimlachend.
— Kom, dat weet ge ook wel, riep de knaap ongeduldig. Elk ander zou mij, in uwe plaats, daar aan de bron hebben uitgescholden en aan mijn lot hebben overgelaten. En Valeria neemt mij op in haar huis, en gij verzorgt mij alsof ge mijne zuster waart. Waarom doet ge dit alles?
— Omdat we u liefhebben, Ponticus, zeide Blandina zacht.
— Liefhebben? Waarom zoudt ge mij liefhebben? Dat geloof ik niet!
—- Onze Heer, Jezus Christus, heeft ons dat geleerd, antwoordde de slavin ernstig.
— Dan zijt gij Christenen beter dan andere menschen! riep Ponticus heftig. Gij doet, wat niemand anders doet! Maar \'t is waar, de oude Dorothea is ook eene christin, vervolgde hij nadenkend, — en die is een kat!
25
— Kom, kom, Ponticus, wie weet, hoe goed ze het met u meent!
— Goed met mij meenen! Ze is een kat, zeg ik u! Maar Valeria en gij, gij zijt goed! En toch zei de oude Myrrha . . . Hij zweeg een oogenblik, en bleef peinzend voor zich uitzien.
—■ Wie is de oude Myrrha? vroeg Blandina.
— Een oude slavin op onze villa, zei Ponticus. Zij zegt, dat gijlieden godslasteraars zijt, en dat gij in uwe bijeenkomsten kinderen verslindt!
Blandina begon luide te lachen.
— Gelooft ge dan wezenlijk die dwaze praatjes, Ponticus? vroeg zij vriendelijk. Zien Valeria en Sanctus en Alexander er nu uit, alsof zij kinderen zouden verslinden ?
Ponticus schudde driftig het hoofd.
— Ik geloof ze ook niet meer, riep hjj onstuimig. De Christenen zijn goede menschen, en als de oude Myrrha weer iets zegt, dan ....
— Dan zult gij bedenken dat zij eene oude vrouw is, en dat zij niet beter weet, niet waar? zeide Blandina.
De knaap zweeg en staarde haar aan.
— Blandina, wat is dat eigenlijk, een Christen zijn? vroeg hij eensklaps. Men zegt van u, dat gij een gekruisten slaaf goddelijke eer bewijst, maar dat geloof ik niet. Zeg gij mij eens, wat het beteekent?
— Wilt ge dat waarlijk weten? riep Blandina blijde verrast.
De knaap zag haar ernstig aan en knikte toestemmend.
Toen begon Blandina op eenvoudige, ongekunstelde wijze
hem te verhalen van het leven van haren Heer, van Zijne woorden. Zijne liefde, Zijn dood. De knaap luisterde steeds aandachtiger, steeds wilde hij meer weten, en naarmate hij mot Blandina sprak, werd hij ernstiger en nadenkend. In die stille uren werd een kostbaar zaad gestrooid, dat weldra heerlij k zou ontkiemen.
26
Na eenige weken was de voet van Ponticus in zooverre hersteld, dat hij door het huis en het park mocht rondstrompelen. Eigenlijk had men hem reeds lang naar de villa van zijn vader kunnen vervoeren, maar de goedhartige Valeria, die zag hoe ongaarne de knaap aan vertrekken dacht, wilde hem niet wegzenden. Hij was overigens veel handelbaarder geworden, en eens, toen Valeria er op had gezinspeeld, dat het een knaap van zijn leeftijd niet paste, om altijd leeg te loopen, had hij uit de bibliotheek der villa een paar Grieksche dichters te voorschijn gehaald, die hij ijverig begon te bestudeeren. Overigens genoot hij de meeste vrijheid.
Niet weinig verwonderde het daarom den knaap, toen Dorothea hem op zekeren dag beval, zich op een bepaald uur naar zijne kamer te begeven, en die niet meer te verlaten. Op zijne verwonderde vraag, of hem dit op last van Valeria gebodeu werd, werd zij boos en zeide, dat hem dit niet aanging. Het bestuur der villa was aan haar opgedragen. De waarheid was, dat zij zich op eene zeer onhandige wijze kweet van een last, haar door hare meesteres opgedragen. Valeria had haar namelijk verzocht, een middel te bedenken, om Ponticus gedurende den avond bezigheid te verschaffen in zijn eigen vertrek.
Deze vreemde handelwijze verontrustte den knaap. Hij zwierf rusteloos door het huis en den tuin rond, en bemerkte weldra, dat er overal eene ongewone drukte heerschte. Er werden toebereidselen gemaakt, alsof men talrijke gasten wachtte. Hier en daar stonden eenige huisslaven in ijverig gesprek bijeen, en onder de bedienden werden verscheidene vreemde gezichten opgemerkt.
Ponticus klampte hier en daar een der slaven aan, om de oorzaak van dit alles te vernemen, maar alle zijne pogingen waren vergeefsch: een ontwijkend gezegde, een geheimzinnig schouderophalen waren het eenig antwoord, dat hij kreeg. Ver-
27
drietig en teleurgesteld begaf de knaap zich naar Blandina, om haar zijn nood te klagen.
Deze scheen eerst ook geen lust te hebben, om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen. In haar hart verweet zij Dorothea hare onvoorzichtigheid, waardoor zij juist had bewerkt, wat Valeria had willen voorkomen.
Toen Ponticus echter aanhield en beloofde, te zullen zwijgen, gaf zij eindelijk toe.
— Luister dan, zeide zij, maar, als ge alles weet, gedraag u dan ook verstandig. Heden avond komen alle Christenen uit den omtrek, en ook velen uit Vianna hier te zamen. De eerwaarde Pothinus....
— Wie is Pothinus? viel de knaap haar in de rede.
— Onze bisschop, antwoordde Blandina.
— Is dat een van uwe priesters? vraagde Ponticus weer.
—. Ja! — of [eigenlijk toch neen, maar dat begrijpt ge toch
niet. Het is de bestuurder en leider van onze gemeenten in Gallic. Nu, die komt hier heden avond, om voor onze gemeente te spreken. Daarom zijn er reeds zoovele vreemden op de villa.
Ponticus dacht een oogenblik na.
— Dus er zal heden avond hier eene bijeenkomst van Christenen zijn ?Jvraagde hij eindelijk.
— Ja, zeide Blandina.
— En mag ik daar niet bij zijn? Ik zal het Valeria vragen.
— Doe dat maar niet. Zij kan het u onmogelijk toestaan. Zult ge nu niet aan Dorothea zeggen, dat ik u dit verteld heb?
— Neen, zeide Ponticus kortaf. Zonder verder iets te vragen, wendde hij zich af, en bleef, blijkbaar in diep gepeins, voor zich uitstaren.
Het was werkelijk, zooals Blandina gezegd had. De verontrustende tijdingen uit Rome, door Vettius Epagathus medegebracht, bleken maar al te waar te zijn. Er begon zich weder onder het volk te Rome eene vijandige stemming tegen de
28
Christenen te apenbaren. Zendelingen der priesterpartij hitsten door het geheele rijk de heidenen tegen de gemeente op, en het verbitterde volk kon elk oogenblik tot dadelijkheden overgaan.
De gemeente van haren kant maakte zich tot den strijd gereed, maar de eenige wapenen, die haar voegden, waren : bidden en lijden om Christus\' wil. Overal bezochten de bisschoppen en opzieners de aan hunne zorg toevertrouwde kudde, om met hen den Heer om kracht te vragen, «om staande te kunnen blijven ia den boozen daga. Ook Pothinus, de bisschop van Lugdunum deed trouw zijn plicht, en dienzelfden avond zou er op Valeria\'s villa een dergelijke samenkomst gehouden worden, waaraan alle Christenen der omliggende villa\'s, vrijen en slaven, zouden deelnemen.
Het ruime atrium, de voorzaal der villa, was weldra door de ijverige handen der huisslaven geheel voor het bovengenoemde doel ingericht. De zetels, de tafel met brood en wijn voor het H. avondmaal, en de stoel met het pupitrum voor den bisschop, alles was in gereedheid, en Valeria, die tegen het vallen van den avond met Dorothea nog eens het atrium binnentrad, zag met tevredenheid, dat alles volkomen in orde was.
— Ge hebt goed gezorgd, Dorothea, zeide zij tot de huismeesteres, die eerbiedig hare bevelen afwachtte. De eerwaarde Pothinus en de overige broeders en zusters kunnen gerust komen.
— Moest de bisschop er niet reeds zijn? vraagde Dorothea.
— Hij kan elk oogenblik komen, antwoordde Valeria. Ik heb hem mijn eigen draagstoel gezonden, maar de weg is moeilijk.
— Men zal hem toch geen overlast aangedaan hebben, riep de huishoudster. O, gebiedster, er loopen zulke akelige geruchten !
— Wij zijn in Gods hand, Dorothea! was het kalme antwoord.
29
— Maar men spreekt van een vervolging als ten tijde van den wreeden Nero! riep Dorothea angstig.
— De Heer zal voorzien! Wil Hij ons werkelijk verwaardigen om zijnentwil smaad en lijden te verduren, dan zal Hij ons ook wel de kracht schenken, om getrouw te blijven ten einde toe, zoo wij slechts bij Hem alleen steun zoeken.
De huishoudster antwoordde niet, maar zag angstig om zich heen, alsof de vervolgers reeds van uit de duistere hoeken van het atrium op haar loerden.
Nog eenmaal liet Valeria haar oog door de ruime zaal weiden.
— Schuif het gordijn voor het lararium, Dorothea, zeide zij plotseling, terwijl zij op een diepe nis wees, waarin een fraai marmeren borstbeeld van den Griekschen dichter Homerus prijkte.
Het lararium was de vroegere huiskapel, waarin het altaar der huisgoden (Lares) stond. Dit was nu echter natuurlijk verdwenen.
Toen Dorothea den last van hare meesteres volvoerd had, zag zij deze vragend aan.
— Wij mogen geen ergernis geven, zeide Valeria, die haar blik zeer goed begreep. Ik weet, dat sommige broeders zich aan mijn Homerus zouden ergeren. Zij houden het voor zonde, het schepsel af te beelden, en zouden alle beelden willen vernielen, omdat er ook afgodsbeelden zijn. Maar zij meenen het goed en ik wil hen niet kwetsen.
De beide vrouwen verlieten de zaal.
— Is Ponticus in zijn eigen vertrek? vroeg Valeria onder het heengaan,
— Ik heb hem uw last overgebracht, antwoordde de huishoudster.
Zij zeide niet, dat zij van de gelegenheid, dat de knaap zich in zijn kamertje bevond, gebruik had gemaakt, om de deur van buiten te grendelen.
30
Niet weinig verrast en verschrikt zou Dorothea echter zijn geweest, indien zij, gedurende haar gesprek met Valeria eens naar boven had gezien. Over den rand van de vierkante opening in het midden der zoldering, waardoor het atrium zijn licht ontving, boog zich een jongensgelaat, gloeiend van opgewondenheid en twee glurende oogen volgden met aandacht de bewegingen der beide vrouwen. Nauwelijks hadden zij de zaal verlaten, of de lenige gestalte van Ponticus werd zichtbaar. De knaap wierp eeu onderzoekenden blik rondom zich, en scheen te aarzelen. Toen, als had hij plotseling een besluit genomen, greep hij het dunne, maar sterke koord, dat aan een der schermen was bevestigd, waarmede men de opening in het dak kon afsluiten. Pijlsnel gleed hij naar beneden en verdween in de donkere ruimte. Eeu oogenblik bewoog zich het zware gordijn voor het lararium, — toen scheen de groote zaal even eenzaam als vroeger.
Een uur later was het er vrij wat levendiger. Groote bronzen lampen met versaheidene pitten verspreidden een zacht en helder licht over een talrijk gezelschap, dat zich deels had nedergezet op do talrijke zetels, deels langs de wanden had geschaard. \'t Waren de Christenen uit den omtrek, vrijen en slaven, die aan de uitnoodiging van Valeria gevolg hadden gegeven, en hier bijeen waren gekomen, om zich door gemeenschappelijk gebed in het geloof te sterken, en de woorden van hunnen bisschop aan te hooren. Allen begrepen zeer goed, dat die woorden betrekking zouden hebben op de zware tijden, die ongetwijfeld aanstaande waren; geen wonder dan ook, dat de stemming der vergadering ernstig, bij sommigen zelfs somber was.
Eindelijk verscheen Pothinus. \'t Was een nog krachtig grijsaard, met donkere doordringende oogen en een harden trek om den vastberaden mond. Hij was in zijne gemeente meer geacht, dan bemind, want, zoo ieder zijne groote gaven en zijn krachtig en vast geloof kende en eerbiedigde, ieder kende ook zijne
31
strengheid, die soms hardheid werd. Hij was zonder twijfel de man om zijne gemeente moedig voor te gaan in den dood, maar om met beleid de zwakkere schapen van zijne kudde te behoeden voor een strijd, die hun te zwaar kon zijn, daartoe was Pothinus de man niet.
Nadat men een lofzang gezongen had, rees de bisschop op, en smeekte in een vurig gebed den Heer om kracht voor Zijne gemeente, die weldra misschien om Zijns naam wil veel zou hebben te lijden. Al de aanwezige Christenen, wier geloof oprecht was, baden vurig met hem mede, want zij beseften den ernst van het oogenblik; en zij kenden den bisschop genoeg, om te weten, dat het niet uit laffe vrees of overdreven bezorgdheid was, als hij de toekomst donker inzag.
Hun voorgevoel bleek weldra juist te zijn geweest. Pothinus had hun ernstige mededeelingen te doen, en menige wang verbleekte, toen hij de verzamelden mededeelde, dat het gevaar, dat zij lang hadden gevreesd, nu van zeer nabij dreigde. Hij wist uit goede bron, dat de oude keizerlijke edicten tegen de Christenen weer zouden worden te voorschijn gehaald, om scherp te worden toegepast, en dat de Keizer, zonder^eene vervolging te bevelen, die ook niet zou beletten. Het volk was overal opgeruid, de overheid zou weldra volgen, — kortom, zware beproevingen stonden voor de deur. Met krachtige woorden wekte hij ten slotte allen op, als moedige strijders voor de waarheid te strijden en te lyden, en trouw te blijven aan hun Heer en Heiland.
Hierna noodigde hij allen uit, met hem te overleggen, wat de gemeente te doen stond. Zeer verschillend waren de meeningen, die nu werden ontwikkeld.
— Wij moeten, als de heilige martelaren in Azië en Afrika, de martelaarskroon een zegen achten, riep Attalus, een jong aanzienlijk Romein uit Vianna. Wij moeten den beulen ons hoofd aanbieden, en juichen, omdat wij zulk een hooge eere waardig worden gekeurd.
32
— Wie gelooven, haasten niet, broeder Attalus, zei Maturus, een bejaard Galliër. Zoo de Heer ons beproeven wil, zal Hij ons zeker Zijn bijstand niet onthouden, maar wij mogen Hem niet verzoeken. Wij moeten de vervolgers niet vreezen, maar ze evenmin uittarten.
— Ik zou hier nog bij willen voegen, zeide Sanctus, de diaken, dat zij, die gevoelen dat hun geloof zwak, en hun kracht klein is, zich wel allerminst noodeloos in gevaar mogen begeven. De verzoeking mocht hun te zwaar worden, en hoe zou de vijand juichen, zoo zij afvallig werden.
— Afvallig worden! Wie zou afvallig worden ? Is het geen eer, smaad te lijden om der gerechtigheid wil? riep Dorothea, die verbleekt was bij de woorden der vorige sprekers, maar die zich, als gewoonlijk, gaarne op den voorgrond plaatste.
— En daarom, ging Sanctus ernstig voort, terwijl hij een bestraffenden blik op de voorbarige wierp, zou ik aanraden, dat ieder handele, zooals hij voor God kan verantwoorden, en dat niemand door onvoorzichtigheid de broeders nutteloos bloot-stelle. Men bedenke het wel, van dit oogenblik af aan omringen ons overal spionnen.
Bij deze met nadruk uitgesproken woorden keken verscheidene der vreesachtigsten angstig om zich heen. Ook Dorothea, die was opgestaan, toen zij den diaken in de rede viel, keek schuw om, alsof zij vreesde, dat de spionnen der Heidenen reeds op haar loerden. Plotseling slaakte zij een luiden gil. Met wijd geopenden mond en starende oogen, wees zij voor zich uit, — naar het gordijn, dat het lararium voor de oogen der vergadering verborg.
— Het .... beweegt! stamelde zij.
Pothinus en Sanctus haalde glimlachend de schouders op. Toch keken zij niet weinig verbaasd, toen een paar der huisslaven, die op een wenk van Valeria het gordijn hadden weggeschoven, uit de diepe nis een knaap te voorschijn haalden.
33
— Ponticus! riepen Valeria en Sanctus te gelijk.
— Ponticus, de zoon van Ithus, den vrijgelatene, herhaalden hier en daar eenige stemmen met verbazing of schrik.
Pothinus wenkte, dat men zou zwijgen.
— Spreek, knaap, wat doet gij hier? vraagde hij op strengen toon, terwijl hij den jongen doordringend aanzag. Wat doet gij hier en wat wilt gij ?
— Ik wil een Christen worden! antwoordde Ponticus luid en met vaste stem.
De verrassing der aanwezigen was onbeschrijfelijk.
— Een Christen worden ? vraagde de bisschop verwonderd en ongeloovig. Weet ge, wat dat beteekent ?
— Ja, antwoordde de knaap, Blandina heeft het mij geleerd. Ik wil ook den Heer Jezus liefhebben.
Sanctus, die den knaap opmerkzaam had aangezien, naderde den bisschop en fluisterde hem iets in het oor. Toen wenkten zij Valeria, en na een onderhoud van eenige oogenblikken richtte de bisschop zich weder tot Ponticus.
—- Het is wel, mijn zoon! zeide hij. maar op veel zachter toon. Ga nu naar uw vertrek. Morgen zullen wij onderzoeken, of uw voornemen u ernst is, en of gij weet, wat gij begeert. Blijkt het, dat gij alles wel overwogen hebt, dan zult gij onderwezen worden, en zoo God wil, zult gij een Christen zijn. Ga nu.
Ponticus gehoorzaamde zwijgend.
Uit de besprekingen, die nu volgden, bleek, dat de meesten der aanwezigen Sanctus\' woorden billijkten. Anderen waren het meer eens met Pothinus en Attalus.
Het verschil van gevoelen, dat er bestond, gaf echter geen aanleiding tot verbittering of liefdelooze oordeelvelling. Toen de Christenen des avonds laat uiteengingen, was hot met een hart, vol van den ernst der tijden, maar tevens gesterkt en bemoedigd door hun eendrachtig samenzijn en vereenigd gebed.
3
M 13 p
HOOFDSTUK IV.
ZWARE TIJDEN.
f
p dc voorheen zoo rustige villa zag het er een veertien-! tal dagen later geheel anders uit. De tijdingen van Vettius Epagathus en Pothinus waren maar al te waar gebleken; door het geheele Romeinsche rijk, en niet het minst in Gallië, werd de houding van het door de priesters opgeruide grauw steeds dreigender. Tot nog toe had die zich slechts geuit in schimpwoorden en beleedigingen, maar elk oogenblik kon het tot dadelijkheden komen, en het was te voorzien, dat de Romeinsche overheid, ten einde oproer te voorkomen, zelve een vervolging der Christenen zou bevelen, en dat wel binnenkort.
Geen wonder dan ook, dat door geheel Zuid-Gallic vele harten angstig klopten, want de vroegere vervolgingen waren bij de Gemeente nog niet vergeten, en allen wisten, wat hun te wachten stond, wanneer de haat der heidenen zich in al zijne vreeselijkheid uitte. Menig ouderhart, dat voor zichzelf niet vreesde, kromp ineen, wanneer het aan de gevaren dacht, die ook zwakke vrouwen en weerlooze kinderen zouden bedreigen, en menig stil gebed om uitkomst steeg er op tot God.
35
Zooals bij vroegere vervolgingen bleek ook hier echter de vreeze des doods een vuur te zijn dat de harten beproefde. Terwijl de vreesachtigen en kleingeloovigen jammerden, klaagden en morden, en zoo hunne opzieners zeer deden vreezen voor hunne standvastigheid, indien de dag der beproeving werkelijk mocht komen, toonden anderen, dat het hun ernst was geweest, toen zij zich geheel en al aan den Heer overgaven. Dezen wachtten in geloovige berusting af, wat God over hen beschikken zou.
Zoo was het ook op de villa van Valeria. Terwijl zij zelve allen ten voorbeeld was in moed en kalme gelatenheid, waren er vele harer onderhoorigen, die bleek en bevend door het huis rondslopen en met angstige gejaagdheid luisterden naar de verontrustende geruchten, die van tijd tot tijd uit Lugduuum en Vianna tot het stille landhuis doordrongen. Vooral de houding van Dorothea was vreemd. Nu eens bestrafte zij ieder, die een woord van klacht en vrees dorst uiten, en beroemde zich luide en in zenuwachtige opgewondenheid op allerlei geheimzinnige openbaringen, die zij zou gehad hebben, en die allen neerkwamen op de verzekering, die zij van God zeide te hebben ontvangen, dat zij te midden van alle gevaren ongedeerd zou blijven; dan weder viel zij Valeria jammerend te voet, en smeekte haar, toch met haar te vluchten naar een harer villa\'s op de Spaansche kust, waar zij in veiligheid zouden zijn. Elk oogeublik beweerde zij dat de vervolgers in aantocht waren, en Valeria, die dit gedrag harer huishoudster met verbazing en onrust gadesloeg, had er in toegestemd, dat een slaat\' op den top van een hoogen heuvel de wacht zou houden. Hier had men de wegen, die naar Lugduuum en Vianna leidden, beide in het oog, en bij den minsten schijn van onraad zou een hoornsignaal de bewoners der villa waarschuwen. Door dezen maatregel werd de gejaagdheid der huishoudster, die ook op de andere onderhoorigen nadeelig begon te werken, eenigs-
36
zins verminderd, en genoot men op de villa eenige rust.
Een on ver wachten steun vond Valeria echter in Blandina. Geruimen tijd had zij het meisje geen bijzondere oplettendheid geschonken. Zij wist, dat het een goed kind was, die trouw haar plicht deed, maar bijzondere gaven had zij onder het eenvoudig uiterlijk der slavin nooit gezocht. De verhalen van Ponticus hadden haar echter de oogen geopend. Zij sloeg Blandina met meer opmerkzaamheid gade, en bemerkte weldra^ dat zij in deze moeilijke dagen meer dan eene harer onder-hoorigen welgemoed en rustig was. Daar de slavin in haar bijzonderen dienst stond, had zij weldra gelegenheid eens met haar te spreken, en toen bemerkte zij, welk een moed en krachtig geloofsvertrouwen er onder dat nederig uiterlijk verborgen waren. Meesteres en dienstmaagd werden dan ook weldra elkander wederkeerig ten steun.
En Ponticus? Ponticus was sedert eenige dagen niet langer op de villa. Zoodra het bekend werd, dat de stemming des volks en die der overheid zich tegen de Christenen keerde, had Ithus gesidderd voor het gevaar, waarin hij zich door zijne ijdelheid gebracht zag. Hij was er trotsch op geweest, dat zijn zoon als gast verblijf hield in de woning eener aanzienlijke Romeinsche burgeres, maar nu dreigde er een vervolging tegen de Christenen, — en zou men hem niet kunnen beschuldigen van te heulen met de vijanden van den staat en den godsdienst? Zonder een woord van verontschuldiging aan Valeria, zond hij Ponticus bevel, om terstond naar zijne villa terug te keeren. Tegelijk gelastte hij zijne onderhoorigen de gangen van den knaap na te gaan, en hem niet toe te staan, Valeria te bezoeken. Het zou de arme slaven echter waarschijnlijk vrij moeilijk zijn gevallen, om dien last te volvoeren, indien niet Ponticus tot ieders verwondering zonder tegenstreven in den wil zijns vaders had berust. Immers had hij van zijn christen-vrienden geleerd, dat een kind zijn ouders moet gehoorzamen?
37
Zoo was de toestand op het stille landhuis, waar wij den lezer hebben binnengeleid, toen het onweder, dat zoo lang dreigend over de hoofden der Christenen had gehangen, eindelijk losbarstte.
Op zekeren namiddag ontving Valeria een bezoek van den diaken Sanctus, wien zij had opgedragen, aalmoezen uit te reiken aan enkele arme leden der gemeente, en die haar nu kwam mededeelen, hoe hij de hem toevertrouwde gelden had besteed. Men had op de villa in twee dagen geen betrouwbare tijdingen ontvangen omtrent den staat der zaken, en de komst van den diaken werd daarom door allen met blijdschap begroet. Valeria echter, die aan Sanctus\' bezorgd gelaat zeer goed zag, dat de tijdingen, die hij bracht, niet van bijzonder geruststellenden aard moesten zijn, wenkte hem haar te volgen, en begaf zich met hem in het park.
Werkelijk bleek haar vrees niet ijdel. Sanctus verhaalde, hoe den vorigen avond een woeste hoop het huis van een der voornaamste Christenen te Vianna had geplunderd. Ternauwernood hadden de bewoners door een overhaaste vlucht hun leven kunnen redden. Men verwachtte, dat het hier niet bij blijven zou, en angstig zag men uit naar tijding uit Lugdunum, want men vreesde, dat ook daar de aanval zou zijn begonnen.
Al sprekende hadden beiden zonder het te bemerken het park verlaten, en wandelden nu voort op het voetpad, dat van den grooten weg naar do villa leidde. Op een kleine hoogte gekomen, van waar men den weg kon overzien, bleef de diaken plotseling staan, en tuurde in de verte, terwijl hij zijne oogen met de hand voor de stralen der ondergaande zon beschutte.
— Daar komt iemand aan, zeide hij \'t Is eene vrouw, maar wat zou haar deren? Zij wankelt letterlijk voort.
Werkelijk naderde er langs het voetpad eene vrouwelijke gedaante. Sanctus had echter goed gezien, \'t Scheen, alsof zij haast niet verder kon van vermoeienis. Toch deed zij blijkbaar
38
pogingen, om zoo snel mogelijk voort te komen, terwijl zij telkens schuw omkeek, als vreesde zjj voor vervolging. Toen zij het tweetal op den heuvel bemerkte, slaakte zij een kreet van angst en stond een oogenblik besluiteloos.
— De arme vrouw, zij kan niet verder I riep Valeria medelijdend, en, ach, zie, ze draagt een kind op den arm!
De naderende scheen intusschen begrepen te hebben, dat zjj geen vijanden voor zich zag. Zij strompelde verder en viel neer aan de voeten van Valeria.
— Bescherm mij, edele vrouw! riep zij, als in doodsangst. Red mijn kind!
— Wat deert u, mijne dochter? vraagde Valeria, terwijl zij haar trachtte op te richten. Wie wil u leed doen? Wees gerust, ge zijt hier veilig.
De vrouw barstte in een krampachtig weenen uit.
— O. die Heidenen! snikte zij; die wreede, onbarmhartige Heidenen !
Sanctus zag zijne gezellin veelbeteekenend aan. Valeria verbleekte onwillekeurig.
— Zijt gij eene Christin? vroeg zij aan de vrouw, die nog steeds aan liare voeten lag.
Deze knikte toestemmend.
— Zij hebben hem vermoord! snikte zij. Zij hebben mijn man vermoord. Ik zag hen zijn lijk door de straten sleepen! En mij vervolgen ze! Daar zijn ze! Laat mij gaan, hoort ge niet dat ze komen!
Half krankzinnig van angst wilde het arme schepsel weer voortijlen, maar de diaken hield haar tegen. Een oogenblik staarde zij hem vol vertwijfeling aan. Toen zeeg zij bewusteloos neder. Sanctus ving haar op.
— De ongelukkige! zeide Valeria, terwijl zij een traan weg-■wischte.
Zachtjes poogde zij haar het kind te ontnemen, dat roerloos
39
in de armen zijner moeder lag. Nauwelijks was haar dit echter gelukt, of zij legde het huiverend neder in het hooge gras.
— Het kind is dood! fluisterde zij.
De diaken wierp een blik op het lijkje. Een diepe wond, waarschijnlijk door een steenworp veroorzaakt, misvormde het aanvallige gezichtje van het wicht, dat blijkbaar reeds sedert eenigen tijd gestorven was.
Sanctus\' lippen trilden van verontwaardiging.
— De ellendelingen! fluisterde hij. O Heer! hoe lang!....
— De vrouw kan hier niet blijven, zeide Valeria na een oogenblik zwijgens. Maar hoe krijgen wij haar naar de villa?
Gelukkig naderden juist eenige slaven, die van den veldarbeid huiswaarts keerden. Een paar der vlugsten ijlden heen, en keerden met een draagstoel terug, en weldra bereikte de treurige stoet het huis.
Toen de vrouw uit hare verdooving ontwaakte, en zich door vreemden omringd zag, meende zij in de handen harer vijanden te zijn gevallen, en trachtte te ontvluchten. Men bracht haar echter tot bedaren, en toen zij begreep, dat zij bij geloofsge-nooten en in veiligheid was, werd zij kalmer en liet toe, dat men hare deerlijk gewonden voeten wiesch en verbond. Nu verlangde zij echter naar haar kind, en tevergeefs trachtte Valeria haar de treurige waarheid te verbergen.
De arme moeder was bijna zinneloos van droefheid, en ge-ruimen tijd duurde het, eer zij naar de zachte troostredenen van Valeria wilde luisteren. Hoewel niemand haar met vragen lastig viel, begreep men uit haar onsamenhangend verhaal, dat het grauw van Vianna dien dag een algemeenen aanval op de Christenen had gedaan en dat er bij dien aanval verscheidene belijders waren gedood. Haar man scheen voor hare oogen te zijn vermoord, en het mocht wel een wonder genoemd worden, dat zij aan hare vervolgers was ontkomen, terwijl toch haar kind door een steenworp doodelijk was gewond.
40
Toen de vrouw een weinig kalmer was geworden, liet Valeria haar aan de zorgen van Blandina over en keerde naar Sanctus terug, wien zij mededeelde, wat zij zooeven vernomen had. Nauwelijks had zij uitgesproken, of de slaaf, die dien dag belast was geweest met de bewaking van den weg, trad met ontsteld gelaat binnen, gevolgd door eenigo jammerende dienstmaagden.
--Vergeving, gebiedster! stamelde de man, eer nog Valeria
kon vragen, wat dit onaangemeld binnendringen in hare vertrekken beteekende; vergeving, maar de lucht is naar het zuiden bloedrood: \'t Schijnt, dat geheel Vianna in brand staat!
Valeria zag Sanctus vragend aan.
— Dat zijn de huizen onzer broeders! fluisterde de diaken.
Met enkele krachtige woorden van troost en bemoediging
zond hij hierop de verschrikte vrouwen weg. Daarna wendde hij zich tot Valeria.
— Uit wat gij van die arme vrouw vernomen hebt, zeide hjj nadenkend, blijkt, dunkt mij, duidelijk genoeg, dat wij alles van de volkswoede te vreezen hebben, \'t Schijnt echter, dat de overheid zich nog niet met de zaken bemoeit. Hoe dit zij, ik ga de broeders waarschuwen, die hier in den omtrek wonen. Het gevaar moet hen niet onvoorbereid vinden.
Valeria deed Sanctus uitgeleide tot op het terras voor het huis. Toen de diaken echter op het punt stond, afscheid te nemen, bleven beiden plotseling luisterend staan. Duidelijk hoorden zij in de verte den hoefslag van een galoppeerend paard.
— Het komt nader! fluisterde Valeria. Wat zou dat be-teekenen ?
— Misschien een bode, antwoordde de diaken. Wij zullen het spoedig weten! Werkelijk vertoonde zich na eenige oogen-blikken een ruiter aan het einde der laan, die naar de villa leidde. Weldra had hij de wachtenden bereikt.
— Vettius Epagathus! riepen beiden.
41
Haastig wierp de Romein zich uit den zadel.
— Hebt gij het reeds gehoord? riep hij Valeria en haren metgezel, die hem waren tegemoet gesneld ademloos toe. Pothinus is gevangen genomen!
—- De eerwaarde bisschop gevangen! Pothinus in den kerker! riepen Valeria en Sanctus tegelijk.
Vettius knikte toestemmend.
— De vervolging is begonnen, vrienden, zeide hij ernstig. Gij hebt zeker reeds vernomen, hoe het volk te Lugdunum en Vianna tegen de broeders gewoed heeft. Lang heeft de proconsul gedraald, eer hij aan de onstuime eisohen dor priesterpartij voldeed. Sextus Licinius houdt niet van moeilijkheden, en, hoewel hij ons haat, had hij ons toch liever met rust gelaten. Maar eindelijk heeft hij toegegeven: Pothinus en sommige der broeders uit Lugdunum zijn heden gevangen genomen. En daarbij zal het niet blijven. Ook u dreigt hetzelfde gevaar, Valeria!
— Gods wil geschiede, klonk het antwoord, zacht maar beslist.
— Amen! zeide de jonge Romein ernstig. Maar wij weten immers niet, zuster, of het Gods wil is. dat gij den marteldood sterft? Zoo Hij u eens had bestemd, om nog te arbeiden voor Zijne gemeente?
— Wat meent gij, Vettius? vraagde Valeria.
— Herinner u, wat Pothinus op de laatste vergadering te uwen huize zeide, antwoordde do Romein. Niet allen zijn sterk in het geloof als gij. Er zijn nog vele zwakken en klein-moedigen onder ons, die wij, indien het mogelijk is, voor de verzoeking tot afval moeten bewaren. De broeders te Lugdunum wenschen, dat gij u hunner aantrekt.
— Wat kan ik doen ? vraagde Valeria.
— Gij moet u naar een uwer villa\'s in Spanje begeven, zeide Vettius. Daar zijt gij vooreerst in veiligheid, en uw huis
42
kan een toevluchtsoord worden voor allen, wien het gelukt, de vervolging te ontkomen. Zij, aan wier standvastigheid wij twijfelen, zullen u, indien het mogelijk is, weldra volgen.
— En ik zou onze broeders en zusters alleen moeten laten in den strijd? vraagde Valeria.
— Zoudt gij het doen, als gij de wankelenden steunde, en de zwakken voor afval bewaarde? Strijdt gij dan niet met ons mede door uw werk en gebed ?
Valeria bleef peinzend voor zich uitzien.
— Beslis, Valeria, riep Vettius Epagathus. Ik moet terstond naar Lugdunum terugkeeren. Welk antwoord moet ik de broeders overbrengen ?
— Ik zal doen, wat gij verlangt! zeide Valeria eindelijk. Morgen avond zal ik vertrekken. Alleen wenschte ik, vervolgde zij, zich tot Sanctus wendende, dat de broeders en zusters uit den omtrek zich vóór mijn vertrek te mijnen huize vereenigden.
Ik wenschte nog eenmaal met de gemeente des Heeren samen te zijn. Velen zal ik wellicht op aarde niet weerzien.
Sanctus knikte toestemmend.
— De Heer zegene u voor uw besluit, zuster! zeide hij. Wij zullen u allen met ons gebed vergezellen, en ongetwijfeld zullen ook alle broeders en zusters gaarne aan uwe uitnoodi-ging gehoor geven. Morgen avond zullen wij ons vóór uw vertrek door het gemeenschappelijk gebed sterken voor den strijd, die ons wacht.
— En die strijd zal zwaar zijn! zeide Vettius Epagathus ernstig. De Heer sterke Zijne Gemeente, dat zij moge volharden ten einde toe.
Met een hartelijken handdruk naaien de beide mannen afscheid.
HOOFDSTUK V.
DE OVERROMPELING.
enige dagen na het uitbreken der vervolging zaten \' tegen het vallen van den avond twee mannen, in het atrium der villa van Ponticus\' vader, in ernstig
gesprek bijeen. Hoewel de ondergaande zon nog licht genoeg gaf, was de opening in het dak met de daartoe dienende schermen afgesloten, en een bronzen lamp met drie pitten, gevuld met welriekende olie, verspreidde een zacht licht door het ruim vertrek, en bescheen het gelaat der beide mannen, die op gedempten toon spraken, als vreesden ze, beluisterd te worden.
\'t Waren lieden van zeer verschillend uiterlijk. De een, die klaarblijkelijk de heer des huizes was, was een klein, gezet mannetje, met een breed, hoog rood gekleurd gelaat. Om zijne lippen speelde steeds een zoetsappig glimlachje, en dit zou aan zijne trekken eene uitdrukking van domheid gegeven hebben, als de kleine, listige, grijze oogjes die niet hadden weggenomen. Het was Ithus, de vader van Ponticus. Zijn metgezel had een lange, magere gestalte en groote, zwarte, doordringende oogen. Zijn haar was op Romeinsche wijze kort afgesneden, maar
u
niet alleen dit, zijn geheele wezen teekende den aanzienlijken Romeinschen burger. Met schijnbare onverschilligheid, die de gloed zijner oogen echter vaak logenstrafte, luisterde hij naar de woorden van zijn gastheer, die hem onder levendig gebarenspel, en met behulp van een stilus ^ en een wastafeltje, iets duidelijk schoen te willen maken.
— Zoodat ge dus zeker zijt, dat de godloochenaars zich heden avond op die villa zullen bevinden? vroeg eindelijk de lange man.
Itlms knikte levendig met het hoofd.
— Ik ben er zeker van, edele Marcus Claudius! zeide hij. Mijne spionnen hebben mij goed ingelicht. Valeria zou morgen vertrekken, en al hare geloofsgenooten hebben zich te haren huize vereenigd; — tot lastering dor goden! besloot hij, met een diepen zucht.
De Romein zag hem spottend aan.
— Gij en de goden! zeide hij, de schouders ophalend. Wie is wel uw God, Ithus? Uw geld of uw buik?
De ander zag hem verschrikt aan,
— Heer, stamelde hij, gij gelooft toch niet.....Gij, een
priester.....
— Ja, ik, een priester van Jupiter! lachte Marcus Claudius honend. Laten wij elkander niet bedriegen, Ithus. Gij gelooft van onze goden juist zooveel, als ik, hun priester!
— Denkt gij, dat ik die lieden daar ginds haat, omdat zij niet in de goden gelooven? vervolgde de Romein somber. Of dat ik de sprookjes geloof, die het domme volk van hen vertelt? Neen, mijnentwege mochten zij de goden laten, voor wat ze zijn, als ze maar geen anderen god hadden, als ze maar voor onze macht en het gezag van den Staat het hoofd bogen. Want indien zij ooit overwonnen, zou het gedaan zijn met de
\') Schrijfstift.
45
heerschappij van Rome, en Rome is mijn god. Maar ik ben wel dwaas, dat ik dingen tot u spreek, die ge toch niet verstaat. Zeg eens, Ithus, gevoelt go geen gewetenswroeging, dat gij de weldoenster en gastvrouw van uw zoon aan den beul zult overleveren? Gij beroemdet u er zoo op, eenige weken geleden, dat uw knaap de gast was der edele Valeria!
Ithus verbleekte.
— Heer, zeide hij met sidderende stem, waarom mij daaraan herinnerd? Die ongelukkige pocherij .... ik kon immers niet weten, dat Valeria .... en daarbij, wij zijn immers bond-genooten.
— Wij? herhaalde de priester minachtend.
De ander zag hem vragend aan.
— Marcus Glandius is niet gewoon, zich in een adem te hooren noemen met een vrijgelaten slaaf, zeide de Romein koeltjes. En daarbij, Ithus, ge zijt niet mijn bondgenoot, maar mijn werktuig.
— Trotsche priester! prevelde Ithus, terwijl hij den spreker van onder zijn schijnbaar deemoedig neergeslagen oogleden een giftigen blik toewierp.
— Mijn werktuig, Ithus, vervolgde de priester, wien dit niet ontgaan was, onbarmhartig en koud; mijn werktuig, dat ik gebruik, en dan wellicht zal breken!
Dit was den vrijgelatene toch te veel.
— Mij breken? zeide hij, terwijl hij zijn gast met kwalijk verholen woede aanzag. Dat zou u toch zoo gemakkelijk niet gelukken, heer! De pro-curator zou mij beschermen.
— Zonder twijfel! zeide Marcus Claudius spottend, de edele Sempronius zal zijn trouwen dienaar beschermen, vooral als hij verneemt, hoe uitstekend die zijne goederen in Noord-Gallië heeft bestuurd, en hoe trouw hij de gelden heeft verantwoord, die zijn patroon toebehoorden.
Met een kreet van ontzetting vloog Ithus overeind.
46
— Heer! stotterde hij, bleek als een doode, hoe weet gij.....?
Marcus Claudius lachte spottend.
— Hoe ge u verraadt! zeide hij schouderophalend. Ge ziet overigens, dat mijne spionnen ook goed ingelicht zijn. Maar wees niet ongerust, maa! Gij zult nu begrijpen, dat gij mij geen bondgenoot, maar een werktuig zijt. Maar nog zijt ge een bruikbaar werktuig. Zoo ge ooit onbruikbaar werdt, zoo ge u verzette, —- dan wee u!
De vrijgelatene zonk sprakeloos van schrik en woede in zijn zetel terug, en staarde met starre blikken naar den man, die met zijne geheimste handelingen bekend bleek te zijn.
Marcus Claudius vermeide zich een oogenblik in de verslagenheid van zijn slachtoffer. Toen hernam hij bedaard, als was er niets voorgevallen :
— En nu, mijn waarde gastheer, na deze kleine terechtwijzing, die wellicht noodig was voor onze goede verstandhouding, willen we terugkeeren tot het eigenlijk onderwerp van ons gesprek. De zon zal weldra geheel onder zijn gegaan, en over een uur is het tijd, om op te breken. Gij hebt toch voor goede en betrouwbare gidsen gezorgd, die alle zijwegen en voetpaden nauwkeurig kennen ?
Ithus knikte toestemmend.
— Nu, zeide de priester, dan is alles in orde. De soldaten zullen zoo dadelijk hier zjjn. Ik heb ze, vermomd en bij kleine troepjes, langs verschillende wegen uit Vianna laten komen. Zijn al uwe slaven in de ergastula 1) opgesloten?
— Ja, heer, antwoordde Ithus deemoedig.
— Welnu, dan hebben wij geen verdere toebereidselen te maken. Een paar soldaten blijven hier, om te beletten, dat een uwer huisslaven Valeria soms waarschuwe; wij verdeelen ons in drie troepen, sluiten de villa in, — en dan, wee den godloochenaars!
-) slaveugevaugenisseu.
47
Noch Ithus, noch zijn gast had bemerkt, dat gedurende het laatste gedeelte van hun gesprek het gordijn, dat den toegang tot het atrium afsloot, een paar malen zachtjes had bewogen. Nu werd een der slippen zachtjes op zijde geschoven en twee glurende oog en staarden met gespannen aandacht naar het gelaat der beide mannen.
— Waar is Ponticus, uw zoon ? vroeg Marcus Claudius eensklaps.
De luisteraar aan het gordijn onderdrukte met moeite een kreet van schrik.
— Hij zit opgesloten op zijne kamer, antwoordde de vrijgelatene, en een slaaf houdt wacht voor zijne deur.
De turende oogen flikkerden een oogenblik ondeugend.
— Maar, heer, vervolgde Ithus, waarom vraagt gij dat?
— Bezoekt hij Valeria of de andere Christenen nog wel eens? vraagde de priester nadenkend.
— Nooit, heer ! antwoordde Ithus, met een gebaar van schrik. Ik heb de strengste bevelen gegeven.....
— \'t Is de vraag, of zij zijn nagekomen! zeide de andere schouderophalend. De jongen zag mij zoo wantrouwend aan.
— \'t Is nog een knaap, heer! waagde Ithus op te merken.
— \'t Is, of onder die dwepers zelfs knapen de kracht van mannen hebben, mompelde Marcus Claudius. In ieder geval is hij voor het oogenblik onschadelijk. Maar mijne mannen zullen wel zijn aangekomen. Laten we ze eerst eens monsteren.
De beide mannen stonden op. Het gelaat verdween voor de opening. Met een sprong was Ponticus, want deze was de luisteraar, op de beenen.
— Ik dacht eerst, dat zij schertsten, prevelde hij, maar zij raeenen het in ernst. Ze willen Valeria en Blandina en al de broeders gevangen nemen, misschien wel dooden. Maar ik zal ze waarschuwen.
Hij wilde wegsnellen, toen zijn oog op den slapenlen slaaf
48
viel, die voor den ingang van het atrium de wacht moest houden, maar die zijn plicht schromelijk verzuimd had.
— Die arme Balbo! mompelde hij. Als mijn vader hem zoo vindt, is hij verloren! Dat mag niet.
Een forsche stoot in de ribben deed den slaaf verschrikt ontwaken. Eer hij echter zien kon, wie hem dien had toegebracht, was Ponticus in de struiken verdwenen.
Nauwelijks had de ontstelde Balbo zich de oogen uitgewreven, of Marcus Claudius en Ithus traden uit het atrium in de galerij, waar hij zich bevond.
— Hebt ge goed wacht gehouden, Balbo? vraagde de heer des huizes op strengen toon.
— Ja, heer, stamelde de slaaf.
— En heeft niemand ons beluisterd?
Balbo schudde krachtig ontkennend het hoofd, hoewel bij op dat punt zijne eigene gedachten had.
— Welnu, vervolgde Ithus, ga dan naar de slaapkamer van mijn zoon, en houd daar do wacht, in plaats van uw makker Thrax, maar let wel, ge moogt de deur niet openen, noch voor mijn zoon, noch voor iemand anders. Ik zelf zal u komen aflossen.
Balbo kuste de hand van zijn meester en verdween in de villa, terwijl de beide mannen zich gereedmaakten om de soldaten op te zoeken, die zich, volgens het bevel van Marcus Claudius, voor den ingang van het park moesten bevinden. Nauwelijks hadden zij echter eenige schreden gedaan, of Balbo kwam ademloos aansnellen.
— Heer, hijgde hij, de oude Thrax is nergens te vinden. Voor de deur van uw zoon is hij niet, — en heer, uit de kamer van — den jongen heer komen zulke zonderlinge geluiden, dat ik... .
— Hebt gij de deur geopend? vraagde de priester.
— Neen, heer, mijn meester had het verboden.
49
— Volg ons!
Als ware hij de heer des huizes geweest, trad Marcus Claudius, door Ithus en den slaaf gevolgd, de villa weer binnen. Toen men Ponticus\' deur bereikt had, hoorde men werkelijk een vreemd gedruisch. Tegen de deur, die van buiten gegrendeld was, scheen een zwaar lichaam heen en weer te schuiven; men hoorde jammerklachten, gemengd met vloeken en verwen-schingen, geuit door een grove mannenstem, die onmogelijk die van den gevangen knaap kon zijn.
Ithus rukte de deur open, — en tot aller verbazing stormde de slaaf Thrax naar buiten. Zoodra hij zijn meester herkende, viel hij sidderend op de knieën.
— Genade, heer! kermde hij. \'t Was mijn schuld niet! De jonge heer .... mij binnengelokt, .... opgesloten !
De angst snoerde den ongelukkige de keel toe, zoodat hij nauwelijks de weinige woorden kon uitbrengen.
— Waar ismijn zoon? Waar is Ponticus? riep Ithus verwoed.
—■ Ontsnapt, weggeloopen! steunde de slaaf.
— Ha! riep Marcus Claudius, die oplettend had toegeluisterd. En wanneer is dat gebeurd?
— Een uur geleden — of een half uur, stamelde Thrax, die geheel en al in de war was.
■— Voort, Ithus, naar de soldaten! riep de priester, terwijl hij een oogenblik zijne zelfbeheersching verloor en woedend op den grond stampte. De knaap is de Christenen gaan waarschuwen, maar wij moeten hem voor zijn. Wij breken dadelijk op.
Ithus knikte toestemmend. Hij was bleek van woede en angst.
— Naar het ergustulum met dien hond! beval hij Balbo. terwijl hij op den sidderenden Thrax wees. Honderd zweep-
t slagen, — en zeg den tuchtmeester, dat hij hem niet spaart.
Zonder zich verder om den jammerenden slaaf te bekommeren., snelden de beide mannen heen.
Ondertusschen ijlde Ponticus, zoo vlug zijne voeten hem m b p 4
50
dragen konden, door het heuvelachtig landschap naar de villa van Valeria, om zijne broeders en zusters te waarschuwen voor het naderend gevaar. Zijne broeders en zusters, ja, dat waren hem de Christenen geworden. Blandina\'s eenvoudige woorden en nog meer haar voorbeeld van Christelijke liefde en geduld hadden rijke vruchten gedragen. Wat hij in de vergadering der Christenen had gesproken, was de uiting geweest van de behoefte van zijn hart. Sanctus\' onderricht had hem den Heer doen kennen en liefhebben, en toen hij naar zijns vaders villa terugkeerde, was er veel in hem veranderd. Hij was nog altijd de vroolijke, schalke knaap, — de list, waarmee hij den ouden Trax ontkomen was, bewees dit genoeg, — maar hij was de ruwe, baldadige woesteling van vroeger niet meer, en zoowel zijn vader als de huisslaven hadden zich reeds meermalen verwonderd over de gehoorzaamheid en de zachtheid van den vroeger zoo onhandelbaren knaap.
Indien Ithus dan ook zijn zoon eenvoudig bevolen had, dien avond zijn kamer niet te verlaten, zou Ponticus hem stellig hebben gehoorzaamd, want hij had leeren beseffen dat hij zijn vader moest eeren. De vrijgelatene was echter bevreesd geweest voor vragen en mogelijk voor verzet, en hij had daarom den knaap niets gezegd of bevolen, maar toen Ponticus zich op zijn kamer bevond, hoorde hij plotseling den grendel voor de deur schuiven en zag hij zich gevangen.
Eerst dacht hij, dat men hem een poets wilde spelen, en riep en klopte op de deur, maar alles tevergeefs. De zware voetstappen van den wachthoudenden Thrax bewezen hem tevens, dat hij bewaakt werd.
Terwijl hij er over nadacht, wat dit alles wel zou beteekenen, vielen hem plotseling sommige geheimzinnige uitdrukkingen in, die eenige der vertrouwde slaven zijns vaders zich in de laatste dagen hadden laten ontvallen. Nog dienzelfden middag had de oude Myrrha, die altijd goed op de hoogte was van
51
wat er in den omtrek gebeurde, hem grijnzend naar de gezondheid zijner vriendin Valeria gevraagd. Hij bracht dit alles in verband met zijne gevangenhouding, en met het bezoek van den trotschen Romein met den kouden blik en den sarcas-tischen glimlach, dien hij dien middag had zien aankomen, en plotseling overviel hem een uamelooze angst voor zijne vrienden, die, — hij wist het van Sanctus, — dien avond zouden bijeenkomen op de villa van Valeria, om afscheid van haar te nemen.
Hij moest ontsnappen en hen waarschuwen, maar hoe ?
Hij snelde naar de deur en poogde die open te wringen, maar de stevige grendel week niet. Het venster was te hoog boven den grond en hij had geen touw om zich te laten zakken. Nu poogde hij den waohthoudenden slaaf te bewegen de deur te openen, maar de oude Thrax hield zich doof. Beden, beloften, noch bedreigingen mochten baten.
Eindelijk kwam de knaap op een inval. Schijnbaar wanhopend riep hij den man, die steeds voor zijne deur op en neder liep, toe, dat hij zich uit het venster zou werpen, als men hem niet opendeed. Deze bedreiging scheen eeuigen indruk te maken op zijn bewaker. De schreden hielden op, maar de slaaf waagde het toch blijkbaar niet, het strenge gebod van zijn meester te overtreden.
Nu greep Ponticus een klein marmeren Mercuriusbeeld, dat in een der hoeken van het vertrek stond. Met inspanning van alle krachten hief hij het zware beeld van zijn voetstuk eu schoof het in de vensterbank. Toen stiet hij het naar beneden en sprong snel naar de deur.
De domme slaaf liep in den strik. De doffe slag van het nederstortend beeld deed hem vreezen, dat zijn jonge meester aan zijne bedreiging gevolg had gegeven. Hij opende de deur, en zonder Ponticus te bemerken, die nu daarachter stond^ snelde hjj naar het venster, — om een oogenblik later te bemerken, dat hij verschalkt en nu zelf opgesloten was.
52
Verheugd over het gelukken van zijn krijgslist snelde de knaap heen, weinig vermoedende, dat zijne ontsnapping zulke vreesdijke gevolgen voor den armen Thrax zou hebben.
Toen hij door een achterdeur de villa verlaten had, en om het huis heensloop, bemerkte hij, dat er licht brandde in het atrium en tegelijk werd hij den slapenden Balbo gewaar. Voorzichtig sloop hij nader: hij wilde slechts zien, wie zich daar binnen bevonden, maar de woorden, die hij hoorde, dwongen hem tot luisteren, en we hebben gezien, hoe hij zijne vermoedens maar al te vreeselijk bevestigd zag.
Toch wanhoopte hij niet aan de redding zyner vrienden. «Binnen een uur breken wij op,« had de Romein uit Lugdu-num gezegd: welnu, binnen een half uur kon hij langs de hem bekende binnenpaden de villa van Valeria bereikt hebben, en als de soldaten kwamen, zouden zij de vogels gevlogen vinden. Zoo snelde hij voort, niet bedenkende, dat men zijne ontsnapping ongetwijfeld zou bemerken en dan andere maatregelen zou nemen.
Hij kwam overigens niet zoo snel vooruit, als hij wel gedacht had. Hij kende den geheelen omtrek; hij had dien wel honderdmaal doorkruist, maar altijd bij dag. Nu was het reeds vrij duister en het kostte hem moeite de smalle binnenpaden tusschen de wijngaarden en akkers te vinden. Hiermee ging veel kostbare tijd verloren.
— Als de maan maar opkwam! mompelde hij, toen hij weer van den goeden weg was geraakt en tusschen de wijnstokken rondtastte. Zou ik nog te laat komen!
Plotseling spitste hij het oor. Op het pad, dat hij zooeven was langs gekomen, meende hij eenig gerucht te hooren. Hij luisterde oplettend. Werkelijk vernam hij het geluid van voetstappen, die snel schenen te naderen, en een oogenblik later het geklikklak van wapenen.
— Daar waren reeds de vervolgers!
53
Met een sprong vloog Ponticus uit het wijngaardloof op den vrij breeden landweg, dien hij zoo even verlaten had, om het zijpad op te sporen, dat hem regelrecht naar Valeria\'s villa zou voeren. Hij had niet langer tijd, het te zoeken. Een eind verder was nog een zijweg, en al moest hij dan een vrij groeten omweg maken, toch hoopte hij de soldaten nog vóór te zijn! Als een gejaagd hert snelde de knaap voort, heuvel op en heuvel af, zonder om te zien of te luisteren, of men hem ook vervolgde. De weg, dien hij nu volgde, was vrij breed en overal duidelijk zichtbaar, zoodat hij nu niet meer dwalen kon. Weldra hoopte hij dan ook het doel van zijn tocht te bereiken.
Daar was hij aan den groeten weg; die donkere massa was het park, dat de bedreigde villa omringde, — nog een oogen-blik, en hij was bij zijne vrienden.
De straatweg liep op dit punt tusschen twee hooge heuvels door, die aan weerszijden bijna loodrecht oprezen. Het pad, dat de knaap gekozen had, maakte dan ook hier een bocht en kwam eerst een eind verder op den grooten weg uit.
Dit duurde den driftigen Ponticus echter te lang. Zonder zich te bedenken sprong hij van de steile helling naar beneden. De schok bleek echter te hevig voor zijn nog nauwlijks herstelden voet: met een kreet van pijn stortte hij neder op den harden grond. Toch gaf hij den moed niet op. Al kon hij zich nauwelijks staande houden, hij wankelde voort zoo snel hij nog kon. Een droge tak, dien hij vond, diende hem tot steun, en na eenige minuten zag hij de villa voor zich liggen. In zijn ijver om zijn doel te bereiken, hoorde hij niet, hoe achter hem de takken ritselden en zag hij niet, dat donkere schaduwen hem naslopen. Hij dacht slechts aan zijn doel: zijne broeders en zusters, en vooral Blandina en Valeria te redden.
a \'
Op de villa vermoedde men niets van het naderend gevaar. De vervolging had zich tot nu toe tot de steden Lugdunum en Vianna bepaald. Het platte land was nog verschoond ge-
54
bleven, en Valeria had gemeend, dien avond nog rustig met hare geloofsgenooten bijeen te kunnen zijn. Den volgenden morgen zou zij, zonder Vianna aan te doen. zich met Dorothea, Blandina en eenige anderen van hare huishouding, naar hare goederen in Spanje begeven, om daar, volgens den wensch van Pothinus en de geheele gemeente, een toevluchtsoord te openen voor alle Christenen, die de hitte der vervolging wilden ontwijken.
De berichten van Ithus waren overigens juist. Alle Christenen uit den omtrek, en verscheidene uit Vianna waren daar bijeen, om afscheid te nemen van Valeria en die haar zouden volgen. De stemming der vergaderden was ernstig en weemoedig. Allen beseften den ernst der tijden, allen wisten dat zij een zwaren strijd tegemoet gingen, en al deinsden de meesten niet voor dien strijd terug, zij telden hem niet te licht.
Hartelijke woorden van afscheid en opbeuring waren er gesproken ; men had gezamenlijk het Heilig Avondmaal genoten, en juist rees de oude Maturus op, om de dankzegging uit te spreken, toen men driftige slagen op de deur hoorde vallen. Allen rezen verschrikt overeind.
De deurwachter verscheen met een ontsteld gelaat in de zaal.
— Gebiedster, sprak hij tot Valeria; aan de deur staat Pon-ticus, de zoon van Ithus. Hij eischt toegang, maar hij spreekt van verraad, en ... .
— Laat hem terstond binnen, gebood Valeria kalm.
Een oogenblik later wankelde Ponticus het atrium binnen.
— Redt u, stamelde hij, bijna bewusteloos van angst en pijn; de vervolgers .... ze zijn er !
— Welke vervolgers, mijn zoon? vroeg Valeria verwonderd.
— Mijn vader — en een priester, met soldaten ! hijgde de knaap. Maar haast u dan toch! Ze zijn reeds hier !
Daar klonk buiten een horensignaal. Bijna op hetzelfde oogenblik weergalmde uit vijftig rauwe kelen de woeste kreet: Dood aan de Christenen! De rosse gloed van verscheidene toortsen
55
drong door de vensters, en de schachten der speren stietten dreunend tegen de zware hoofddeur.
— Te laat! riep Ponticus, in vertwijfeling. Valeria drukte hem de hand.
— Moed, mijn zoon! fluisterde zij. Ge hebt gedaan, wat gij kondt! Wij zijn allen in Gods hand.
Nu volgde er een oogenblik van onbeschrijflijke verwarring. Terwijl de moedigsten der Christenen zich rondom Valeria, Maturus en Sanctus verzamelden, liepen er anderen handenwringend als radeloos heen en weder, terwijl Dorothea en eenige andere vrouwen de geheele villa van hun gejammer deden weergalmen. Tevergeefs trachtte Maturus hen toe te spreken. De gillende klaagtonen der vrouwen beletten hem, zich te doen verstaan, terwijl de soldaten daarbuiten met luid misbaar toegang verlangden.
— Zal ik de deur openen ? vraagde Attalus, terwijl hij Valeria aanzag.
Deze knikte toestemmend.
De jonge Romein opende de voorpoort. Een tiental soldaten stormden binnen, en met hen Ithus en Marcus Claudius.
— Wat verlangt gij ? vraagde Attalus, terwijl hij den priester aanzag.
Deze antwoordde niet.
— Grijpt! hem gebood hij den aanvoerder der soldaten. Gij houdt wacht met uwe manschappen en let op alle uitgangen. Wie ontvluchten wil, stoot gij neder.
Toen trad hij, gevolgd door den vrijgelatene en eenige soldaten, het atrium binnen.
— Allen, die zich hier bevinden, zijn mijne gevangenen! sprak hij met luider stem, toen hij met welgevallen de talrijke schaar had overzien. Grijpt de mannen en bindt ze !
Terwijl de soldaten het hun gegeven bevel gehoorzaamden, trad Marcus Claudius op Valeria toe.
56
— Het spijt mij, edele vrouw, zeide hij, met spotachtige beleefdheid, dat ik uw gezellig samenzijn moet verstoren, en uw reisplan moet verhinderen, maar de overheid van Lugdunum wenschte u te spreken. Gij zult ons in uw draagstoel vergezellen. Ha, «vat is dat ?
Deze vraag gold Ithus, die op Ponticus was toegeschoten en hem onbemerkt trachtte mee te voeren. Nu wierp hij een schuwen blik op den priester.
— Die bandelooze knaap is werkelijk hierheen geloopen, zei hij. Ik zal hem voorbeeldig straffen.
— Spreek, jongen, wat doet gij hier ? vraagde Marcus Claudius barsch.
Ponticus had in angstige spanning de gevangenneming zijner vrienden gadegeslagen. Hij had zich naast Blandina geplaatst, als wilde hij haar beschermen. Bij de vraag van den priester hief hij het hoofd op, een plotselinge gloed lichtte uit zijne oogen en met heldere stem antwoordde hij ;
— Ik ben een Christen !
— Zwijg, ongelukkige! schreeuwde Ithus, dreigend op hem toesnellend.
Maar de priester hield hem terug.
— Knaap, weet gij, wat ge zegt ? vraagde hij mot gefronste wenkbrauwen.
Aller oogen waren op Ponticus gevestigd; zelfs de jammerende vrouwen zwegen een oogenblik.
— Ik ben een Christen! herhaalde de knaap luide en vast.
Marcus Claudius haalde de schouders op.
— Gij hoort het, Ithus, zeide hij koel tot den verslagen vrijgelatene. Doe uw plicht, soldaten!
Een uur later verlieten de gevangenen de villa. Valeria ontving verlof, om Ponticus in haar draagstoel op te nemen. De overige Christenen werden door de soldaten onder slagen en scheldwoorden naar Lugdunum gedreven.
HOOFDSTUK VI.
VETTIUS EPAGATHUS.
en volgenden dag heerschte er groote drukte op de markt te Lugdunum. Als een loopend vuur had liet gerucht van de gevangenneming der Christenen zich
door de stad verspreid, terwijl het tevens bekend werd, dat zij reeds dienzelfden dag, tegelijk met den bisschop en de gevangen ouderlingen een eerste verhoor zouden ondergaan. Duizenden verdrongen zich op het ruime plein voor het rechthuis, ieder trachtte zich van eene goede plaats te verzekeren, ten einde zooveel mogelijk te zien of te hooren.
De priesterpartij was in haar toeleg volkomen geslaagd. Er heerschte onder het volk eene vijandige stemming tegen de gevangenen, die zich van tijd tot tijd in woeste wraakkreten lucht gaf. Om oproer te voorkomen was dan ook het rechthuis met gewapenden bezet, terwijl ook op de hoeken der voornaamste straten sterke posten ruiters stonden. Hoe geneigd tocli de overheid was, om het volk te wille te zijn, zij wilde waken voor buitensporigheden, te meer, dewijl zich onder de gevangenen verscheidene Romeinsche burgers bevonden, en men nog niet wist, wat de keizer te hunnen opzichte zou bevelen.
58
Voor eon der vensters van het rechthuis stonden twee mannen, in wien we Marcus Claudius en Ithus herkennen. Beiden staarden naar[de woelende volksmenigte. De vrijgelatene was blijkbaar niet op zijn gemak. Hoewel hij schijnbaar al zijn aandacht wijdde aan hetgeen er op de markt voorviel, wierp hij van tijd tot tijd een schuwen blik op zjjn metgezel, die met de armen over de borst gekruist, en een smadelijken glimlach op de lippen, het volk gadesloeg.
Plotseling keerde hij zich om.
— Het blijft er dus bij, Ithus! zeide hij gebiedend.
— Heer! smeekte de vrijgelatene, met een angstig gezicht.
— Het blijft er bij! vervolgde Marcus Claudius, zonder hem den tijd te geven, voort te gaan. Het vrome volk heeft, zooals ge weet, ernstige beschuldigingen tegen deze lieden, maar het ontbreekt hun aan de noodige bedaardheid en helderheid, om ze behoorlijk uiteen te zetten. Daarbij vrees ik, dat geen dier brave burgers, die daar ginds zoo luide ijveren voor de eer der goden, voor zijne beschuldiging een beter bewijs zou weten te geven, dan dat hij ze van zijn buurman vernomen had. Neen, waarde ithus, ging hij voort op spottenden toon, het volk moet in zijne vrome stemming versterkt worden. We hebben een verstandig man, een aanzienljjk man noodig, die het tot voorspraak dient, en gij zijt daarvoor de aangewezen persoon.
Ithus kreunde pijnlijk.
— Hoe kan ik dat alles getuigen? zuchtte hij. Ik weet het immers ook niet!
— Ja, zeker,r weet gij het beter, vriend! Dat is, gij moet zeggen, of, zoo noodig, zelfs zweren, dat gij het beter weet! Gij hebt dat alles, wat ik u daar straks reeds opnoemde: het verslinden van kinderen, enzoovoorts, van uw zoon, van Pon-ticus vernomen!
— Maar de knaap heeft er mij nooit een woord van gezegd!
59
-— Dat doet er niet toe! Wij nemen dat nu eenmaal voor waarheid aan, en gij bevestigt het, ter eere van de goden.
— Maar dan beschuldig ik tegelijk mijn eigen zoon, jammerde Ithus, en mijn vaderhart....
Marcus Claudius zag met diepe minachting op hem neer.
— Uw vaderhart! viel hij hem smalend in de rede. Huichel voor mij niet, man! Uw vaderhart heeft met uw angst niets te maken. Ge zijt bevreesd, niet voor uw zoon, maar voor u zeiven. Ge vreest, dat uwe vijanden zich zullen bedienen van het wapen, dat uwe ijdelheid hun in handen heeft gespeeld, toen ge uw zoon toestondt bij Valeria te vertoeven, en dat men u zal beschuldigen van in het geheim den Christenen genegen te zijn.
Ithus\' gezicht was verwrongen van woede en angst.
— Die ellendige knaap! barstte hij los. Dat hij ... .
— Zooveel leed moest brengen over het hoofd van zijn braven vader! hoonde de priester. Maar wees gerust, man. Ik zeide u immers, dat ik u beschermen zal, zoolang gij mij gehoorzaamt. En om u geheel en al te bevredigen zal ik u iets beloven : Gij getuigt heden, wat ik u gezegd heb, en dan zal ik er voor zorgen, dat uw zoon dit eerste verhoor niet bijwoont.
Zichtbaar verruimd zag Ithus op.
— Dat neem ik aan, heer! zeide hij haastig.
— Zoo, neemt gij het aan, brave Ithus ? spotte Marcus Claudius. En uw vaderhart vraagt niet eens, hoe het later met Ponticus zal afloopen? \'t Is jammer, dat gij geen Romeinsch burger zijt; ge zijt onwrikbaar gestreng, als een Romeinsch vader uit den goeden ouden tijd. Maar volg mij nu naar de rechtzaal.
Ithus gehoorzaamde zwijgend.
Op de markt wachtte ondertusschen het volk met brandend ongeduld op de komst der Christenen. De stemming der me-
60
nigte werd blijkbaar hoe langer hoe vijandiger. Opgewonden beschuldigingen, wraakkreten en bedreigingen lieten zich overal hooren, en er waren er zelfs onder het grauw, die beweerden, dat men niet moest wachten, tot de overheid de godloochenaars strafte: Hun schuld was bewezen, en het volk kon zelf het vonnis voltrekken.
— Waarvan beschuldigt men dan toch die Christenen? vroeg een reusachtig landman, die, naar zijne kleeding te oordeelen, blijkbaar uit de noordelijke streken van Gallië afkomstig was.
— Dat zoudt ge niet weten? vraagde zijn buurman ongeloovig.
De ander haalde de schouders op.
— Ik kom eerst heden in de stad, zeide hij bedaard. Bij ons in het Noorden hoort men weinig nieuws. Ik vraag nog eens: Gij allen schijnt op die lieden gebeten; maar wat hebben ze u eigenlijk gedaan?
— Wat ze gedaan hebben? riep een klein mannetje, die tot de luidste schreeuwers hoorde; wat ze gedaan hebben? Dat zal ik u zeggen! \'t Zijn niet alleen godloochenaars, en godslasteraars, maar ze bedrijven in \'t geheim allerlei gruwelen. In hunne nachtelijke vergaderingen, waar alleen de ingewijden worden toegelaten, slachten ze kinderen om die te verslinden, en hun bloed te drinken, en nog andere gruwelen, die....
— Maar, vriend, viel de Galliër den kleinen schreeuwer in de rede. Ge zegt daar, dat hunne vergaderingen geheim zijn en alleen voor de ingewijden toegankelijk. Hoe weet ge dan dat alles? Of behoort ge zelf ook tot de ingewijden?
De ander wierp den spreker een boozen blik toe.
— Zoo, zijt gij een vriend der Christenen ? zeide hij langzaam, zonder op de laatste vraag te antwoorden. Pas op, vriend, dat is hier gevaarlijk!
— Hun vriend ben ik niet, en hun vijand ook niet, zeide de eerlijke Heiden. Ik ken die menschen niet, en zoo ze een nieuwen godsdienst belijden, weet ik niet, wat zij willen. Maar
61
dat weet ik wel, dat het dwaas is, om hen te beschuldigen van dingen, die niemand, zooals ge zooeven zelf zeide, ooit heeft gezien.
— Iedereen zegt het toch! riep de ander boos.
— Dan zal het wel waar zijn! zei de Galliër lachend, terwijl hij zich omwendde. Ik beklaag die arme lieden, zoo de heeren daarginds niet wijzer zijn dan gij.
Op dit oogenblik ging er oen gemurmel door het volk.
— Zij komen, zij komen! fluisterde men.
Werkelijk naderde er van de tegenovergestelde zijde van het rechthuis een treurige stoet. Onder eene sterke bedekking van gewapenden werd de oude, eerwaardige Pothinus met de gevangen ouderlingen naar de rechtzaal geleid. Later zouden de overigen volgen. De Christenen waren als misdadigers geboeid en gekneveld, en men had zelfs den grijzen bisschop niet gespaard. Hunne houding was echter meer die van overwinnaars dan van beschuldigden. Fier en met opgeheven hoofde gingen zij door de menigte, en het volk, blijkbaar onder den indruk van hun moedig optreden, vergat voor een oogenblik zijn wrok, en staarde in diepe stilte naar die mannen, wier onverschrokkenheid het onwillekeurig bewonderde.
Die stemming duurde echter niet lang.
— Dood aan de Christenen! schreeuwde met schelle stem een straatjongen, terwijl hij een koolstronk naar het grijze hoofd van den bisschop slingerde. Hij had zich met opzet in de eerste rijen geplaatst, om dit heldenfeit te plegen.
Die kreet, in de laatste dagen zoo dikwijls vernomen, deed het volk uit zijne betoovering ontwaken.
— Dood aan de Christenen! Weg met de godloochenaars ! weergalmde het over het geheele marktplein, en een hagelbui van steenen, koolstronken en ander werptuig vloog de gevangenen om de ooren, terwijl hun van alle zijden scheldwoorden en smaadredenen werden toegeroepen. Slechts mot moeite ge-
62
lukte het den wachters het onstuimig voorwaarts dringende volk tegen te houden, dat de gevangenen wilde verscheuren.
Eindelijk traden zij het rechthuis binnen. In de groote voorzaal was de overheid van Lugdunum met de voornaamste krijgsoversten en priesters vereenigd. Het gold, den gevangenen een eerste verhoor te doen ondergaan, dat echter in geenen deele beslissend kon wezen, en eigenlijk slechts moest dienen om het ongeduld des volks en de nieuwsgierigheid der rechters te bevredigen. Hunne zaak zou toch eigenlijk eerst onderzocht worden, als de stadhouder over Gallië, die een rondreis deed door zijne provincie, maar elk oogenblik te Lugdunum verwacht werd, aldaar zou zijn aangekomen. Men durfde niets ondernemen, zonder zijn gevoelen te kennen, dewijl er zich onder de gevangenen verscheidene Romeinsche burgers bevonden.
Toen de Christenen de zaal binnentraden, bleek het aldra, dat er geen sprake zou wezen van eene geregelde rechtspleging. De gevangenen werden met hoongelach en schimpwoorden ontvangen, en verscheidene der jongere officieren maakten zich vroolijk over hun ernstig en rustig optreden. Slechts Marcus Claudius, die zich naast den zetel geplaatst had van Massilius, den oudsten der tweemannen, \') die het onderzoek zou leiden, lachte niet. Met kouden, maar scherpen blik nam hij de gevangenen beurtelings nauwkeurig op, als wilde hij op hun gelaat lezen, wat er in hunne ziel omging. Hij haatte hen, en alle belijders van den Christus, maar hij schatte hunne kracht niet gering.
Toen de lictoren de gevangenen voor den zetel van den voorzitter hadden geleid, wenkte deze den bisschop nader te treden, en op onverschilligen toon, en blijkbaar alleen voor den
\') De steden in de Romeinsche provinciën behielden hun eigen bestuur, dat veelal bestond uit een stedelijken raad.
Duumvirs of tweemannen noemde men de overheidspersonen, die in stmmige steden het uitvoerend gezag in handen hadden.
03
vorm, begon hij hem eenige vragen te doen, die Pothinus waardig en eenvoudig beantwoordde. Niemand echter scheen tot nog toe in het onderzoek eenig belang te stellen.
Plotseling echter verhief de voorzitter zich van zijn zetel, en terwijl hij met een lachenden blik de aandacht zijner vrienden scheen te vergen voor zijne vraag en het antwoord dat er op zou volgen, sprak hij luide:
— En zeg ons nu eens, oude, wie is eigenlijk wel de God der Christenen?
De bisschop zag den kring zijner rechters rond. Hij zag het onverschillig gelaat van den tweeman, hij ontmoette den kouden, vijandigen blik van Marcus Claudius, hjj bemerkte, hoe overheidspersonen en krijgslieden met blijkbaar ongeduld toefden op zijn antwoord, dat hun ongetwijfeld opnieuw stof tot vroolijk-heid zou geven. Eén oogenblik stond hy in gedachten. Zou hij den naam van den Heer belijden, zijnen tegenstanders ook hier het Evangelie verkondigen? Maar neen, zij verlangden dien naam slechts te hooren, om dien te lasteren, te bespotten en door het slijk te sleuren. Zjj, die daar stonden, hadden hunne oogen moedwillig voor het licht der waarheid gesloten, en hier, zoo ergens, gold wel het woord van den Heer: Geef het heilige den honden niet, noch werp uwe parelen voor de zwijnen. Neen, hij zou hen niet antwoorden.
En als zijn rechter ongeduldig zijne vraag herhaalt, antwoordt de grijsaard ernstig en fier :
— Indien gij het waardig zijt, zult gij het weten!
Eene rilling van schrik ging door de geheele vergadering bij dit onverwachte en stoute antwoord. Rood van toorn deed de voorzitter een schrede voorwaarts.
— Voort met dien onbeschaamde, beval hij den lictoren, die reeds waren toegeschoten. Voert hem weer naar den kerker !
De lictoren maakten zich van Pothinus meester, en sleurden hem. onder stooten en slagen met zich voort. Zoodra zij bui-
64
ten waren, riepen zij het wachtende volk toe: Pothinus heeft de goden en de eerwaarde overheid gehoond! en de verbitterde menigte, die reeds lang verlangde naar een slachtoffer, wierp zich op den grijsaard, die door zijne wachters slechts voor de leus verdedigd werd. Het regende vuist- en stokslagen op den weerlooze, die door de lictoren zonder genade werd voortgesleept. Bewusteloos, stervende, keerde de bisschop in zijn kerker terug, waar hij twee dagen later, tengevolge der doorgestane mishandelingen den geest gaf.
Gedurende het tumult had niemand bemerkt, hoe een jong man in reisgewaad, die blijkbaar tot den aanzienlijken stand behoorde, zich met groote moeite een weg door het volk had gebaand, en nu het rechthuis betrad.
Het was Vettius Epagathus. Ten einde de vlucht van Valeria zoo gemakkelijk mogelijk te maken, was hij zelf met een schip, dat hem toebehoorde, naar een verborgen haven gestevend, waar hij, volgens afspraak, de vluchtende Christenen zou opnemen. Natuurlijk wachtte hij tevergeefs op de komst zijner vrienden en weldra bereikte hem de tijding hunner gevangenneming. Terstond reisde hij naar Lugdunuin, om met al zijn invloed, en was het noodig, ook met opoffering van zijn vrijheid en leven zijne broeders van dienst te zijn.
Van uit de verte had hij gezien, hoe de bisschop werd weggevoerd. Hem kon hij niet bereiken, maar de ouderlingen, die zich nog in het rechthuis bevonden, konden wellicht zijne hulp noodig hebben. Zonder door iemand tegen te worden gehouden, betrad hij het gebouw en mengde zich onder de aanzienlijke burgers van Lugdunum, die als toeschouwers in de rechtzaal zelve waren toegelaten.
Juist was Marcus Claudius er in geslaagd de opschudding te doen bedaren. Met heldere stem had hij het woord verlangd, en toen ieder eerbiedig zweeg, trad hij voorwaarts, en begon de gewone beschuldigingen tegen de Christenen in te brengen,
65
terwijl hij zich daarbij op Ithus beriep, wiens zoon, zooals hij zeide, langen tijd onder de Christenen verkeerd had, en die zijn woorden zou staven.
Aller oogen richtten zich nu op den vrijgelatene, dien de meesten kenden en haatten. Ithus had zich bij de woorden van den priester wel onder de aarde willen verbergen; niet uit schaamte, of omdat hij er tegen opzag, het leven van onschuldigen op te offeren, maar omdat hij vreesde, dat er eenige verdenking op hem zou vallen, als ware hij den Christenen genegen. Voor de duizendste maal verwenschte hij zijne ijdelheid, die hem in dien strik had gelokt.
Nu gold het echter, om tot eiken prjjs die verdenking van zich af te werpen. Door zijn angst zelf stoutmoedig geworden, trad hij naar voren, en terwijl hij de woorden van Marcus Claudius bevestigde, verzon hij zoo vele nieuwe beschuldigingen, dat hij over zijn eigen vindingrijkheid verbaasd stond. De vuilste en gemeenste laster werd door hem naar het hoofd der Christenen geslingerd, terwijl de gevangen ouderlingen, bedroefd en verbaasd over zooveel boosheid, elkander ontsteld aanzagen.
Eindelijk, toen Ithus, buiten adem, een oogenblik zweeg, trad een hunner naar voren:
— Wat die man gezegd heeft, heer, zeide hij tot den voorzittenden tweeman, is ten eenenmale onwaar. Wilt gij mij vergunnen, mij zelf en mijne broeders te verdedigen?
Maar de voorzitter had met blijkbaar genoegen de woorden van Ithus aangehoord. Zonder zich aan de eerste eischcn der billijkheid te storen, schreeuwde hij den ouderling toe, te zwijgen, daar het hem anders even als Pothinus zou vergaan.
Hij wenkte Ithus om voort te gaan, maar eer de vrijgelatene het woord kon nemen, trad uit de toeschouwers een man te voorschijn, die zich naast de gevangenen plaatste.
— Edele Massilius, zeide hij, ernstig en vast, indien gij den gevangenen hun recht weigert, wilt gij dan mij het woord geven? Ik wensch deze mannen te verdedigen, en zal aan-
M bp 5
66
toonen, dat zij niets misdadigs hebben gedaan, maar goede burgers zijn, en getrouwe onderdanen des Keizers.
De voorzitter was blijkbaar verlegen.
— Vettius Epagathus! mompelde hij verdrietig, terwjjl hij Marcus Claudius vragend aanzag.
Deze boog zich voorover, en fluisterde hem iets in het oor.
— Maar hij is een Romein en behoort tot onze aanzienlijkste burgers! antwoordde Massilius zachtjes.
— Indien hij een Christen is, behoort hij hier te staan als beschuldigde, en niet als verdediger van beschuldigden, zei de priester even zacht. Als hij spreekt, is er veel verloren!
De ander baalde de schouders op.
— Welaan, zeide hij, \'t spijt mij voor den wakkeren Vettius, maar \'t is zijn eigen schuld.
Hij wenkte eenige lictoren nader te treden. Toen wendde hij zich tot den jongen Romein, en vraagde op strengen toon:
— Zijt gij een Christen?
Alle aanwezigen staarden vol spanning Vettius Epagathus aan. Zij behoefden niet lang te wachten.
— Door Gods genade, ja! klonk het antwoord kalm en krachtig.
— Dan behoort gij bij de gevangenen, maar niet als bun verdediger! spotte Massilius. Grijpt hem, lictoren, en voert hem met de anderen weg!
De dienaars gehoorzaamden, en de onregelmatige rechtszitting werd opgebroken, zonder dat men tot eenig resultaat was gekomen. Dat was dan ook trouwens het doel der Heidenen niet geweest.
Vettius Epagathus werd met zijne broeders naar den kerker gevoerd. Onder weg had hij, die weldra onder het volk bekend was als «de voorspraak der Christenen,» veel te lijden van de woede van het gemeen, maar hij betoonde zich, even als de anderen, moedig en onverschrokken. En wel zou die kloekmoedigheid den belijders van den naam des Heeren te stade komen, want zware tijden waren nog aanstaande.
HOOFDSTUK VII.
GETROUWHEID EN AFVAL.
indelijk naderde de dag, waarop het lot der gevangen \' Christenen zou worden beslist. Lucius Sextus Lici-nius. de propraetor of stadhouder van Gallië, was te
Lugdunum aangekomen, om in persoon het rechtsgeding te leiden, en met ongeduld wachtten de priesters en hunne aanhangers op zijne daden. Zij hadden toch alle reden, om te verwachten, dat zij ditmaal volkomen in hunne booze ontwerpen tegen de Christenen zouden slagen. Licinius was een zwak man, die waarschijnlijk alles zou doen, om het volk en de priesters tevreden te stellen j daarbij was het bekend, dat hij, als zijn toorn werd opgewekt, tot elke wreedheid in staat was. Zulk een man had men noodig voor eene bloedige vervolging van on-schuldigen.
In de kerkers, waar de Christenen vertoefden, was men van • de naderende beslissing niet onkundig gebleven. Over het algemeen was men er vrij goed onderricht, van wat er in de stad voorviel, en de wachters schepten er zelfs een wreed vermaak in, in de tegenwoordigheid der gevangenen te spreken van de
68
komst van den propraetor, en van de toebereidselen, die er gemaakt werden tot eene verschrikkelijke terechtstelling.
Al deze berichten werden door de gevangenen op zeer verschillende wijze ontvangen. Terwijl eenigen zich verheugden, omdat de ure hunner verlossing aanstaande was en haakten naar de martelaarskroon, waren er anderen, die zich sterkten tot den strijd door innig en vurig gebed, wel wetende, dat die strijd zwaar zou zijn, en dat ze hem in eigen kracht niet konden bestaan. Nog anderen waren nu eens vroolijk en welgemoed, dan weder diep neerslachtig, terwijl er ook waren, die in sombere moedeloosheid of bittere weeklachten hunne dagen sleten, en hunne broeders het ergste deden vreezen voor hunne standvastigheid. Deze laatsten vonden een bijzonderen steun in Dorothea. Deze vrouw speelde ook in den kerker een bijzondere rol: in de eenzaamheid, of in de tegenwoordigheid harer meesteres, (wie men een bijzonder verblijf en de hulp harer vrouwen had toegestaan,) was zij de zwakheid zelve, en jammerde en weeklaagde om het lot, dat haar te wachten stond, en dat zij steeds in de schrilste kleuren afschilderde. Maar in het bijzijn harer mede-gevangenen wond zij zich vaak op, totdat zij in bijna waanzinnigen toestand het gevaar scheen te vergeten. Dan uitte zij de schrikkelijkste vervloekingen en bedreigingen tegen de heidenen, ja. zij profeteerde zelfs, dat op den dag, dat zij de hand aan haar en hare metgezellen zouden slaan, de aarde zich zou openen, om hen allen te verzwelgen. Zooals het gewoonlijk gaat, vond de geestdrijfster een vrij talrijken aanhang. Allen, die niet door de kracht des Heiligen Geestes vast stonden in de goede belijdenis, schaarden zich om Dorothea, en putten uit hare gewaande openbaringen en voorzeggingen een schijn van kracht en moed, die echter tegen de hitte der vervolging niet bestand zou blijken. Valeria was reeds sinds geruimen tijd van hare ingenomenheid met hare huismeesteres genezen. Zij, die zelve in kalm en vroom geloof afwachtte, wat
69
de Heer over haar beschikken zou, kon de onnatuurlijke stemming. waarin Dorothea steeds verkeerde, niet goedkeuren. Maar hoezeer de jammerklachten en verwenschingen der verblinde vrouw haar vaak pijnlijk aandeden en schokten, zij wilde haar niet, nu de ure der beproeving was aangebroken, van zich verwijderen.
Op zekeren avond zat Valeria met Dorothea en Blandina in het vertrek, dat haar tot kerker diende. De edele vrouw zat in diep gepeins verzonken, terwijl Blandina, op een laag bankje voor haar gezeten, de voeten harer gebiedster poogde te verwarmen, die ijskoud waren, door den killen steenen vloer. De huismeesteres leunde tegen het kozijn van het getraliede venster en poogde, zooveel zij kon, de geluiden op te vangen, die van buiten tot haar doordrongen.
\'Alle drie waren met dezelfde gedachten bezig. Dien morgen was er een groote oploop voor de gevangenis geweest en een hevig rumoer in de geheele stad. Aan een der wachters, die haar spijs en drank bracht, hadden zij gevraagd, wat daar de reden van was, en het antwoord, dat zij ontvingen, was niet zeer geruststellend.
— Wat dat beteekent? had de man grijnslachend gezegd terwijl hij haar beurtelings aankeek; dat beteekent, dat van daag het spel een aanvang neemt. Wij beginnen heden met uwe priesters en uwe hoofden, maar weldra komt de beurt aan u allen.
De vrouwen hadden begrepen, dat het rechtsgeding voor de ouderlingen en sommige der broeders was aangevangen, maar bijzonderheden hadden zij niet vernomen. Dorothea had het grootste gedeelte van den dag bij hare bewonderaars en aanhangers doorgebracht, terwijl Valeria en Blandina te zamen God om kracht hadden gesmeekt voor hare broeders en voor zichzelve.
Valeria had reeds een poos zwijgend voor zich uit zitten
70
staren, terwijl zij van tjjd tot tijd een liefdevollen, medelijdenden blik op Blandina wierp. Plotseling legde zij hare hand lief-koozend op het hoofd van het meisje en slaakte een diepen zucht.
Verschrikt zag de slavin op.
—\' Wat deert u, gebiedster? vraagde zij zacht, maar dringend.
— Ik dacht aan den zwaren strijd, die u, mijn arm kind, te wachten staat, zeide Valeria bekommerd. Zult gij, een zwakke maagd, in staat zjjn. trots alle pijnen en de vrees voor een akeligen dood, uw Heiland getrouw te blijven?
— Natuurlijk zal zij dat niet! klonk het scherp van het venster. Dat was ook nooit van haar te wachten! Bij de eerste bedreiging zal zij den goden wel offeren.
Valeria wierp een afkeurenden blik op de spreekster, en boog zich toen naar Blandina:
— Vrees niet, mijne dochter, zeide zij zachtjes. De Heer zal met u zjjn!
— En in Zijne kracht en met Zijne hulp hoop ik standvastig te blijven, en Hem niet te verloochenen, antwoordde de slavin.
Dorothea haalde verachtelijk de schouders op.
— Wat vermag een zwak schepsel als gij tegen de woede dier goddeloozen? vraagde zij bits. Gij allen zoudt den goden offeren! Maar de Heer zal het zoo ver niet laten komen! vervolgde zij heftiger. Eer zal Hij alle Heidenen verdelgen! Ik weet het, want Hij is mij verschenen in den droom, en Hij heeft mij beloofd, dat geen haar mij zou gekrenkt worden,....
— Laten wij den Heer liever bidden om kracht, opdat wij moedig mogen dragen, wat Hij ons beschikt, zeide Valeria, die reeds meermalen met weerzin zulke voorspellingen had aangehoord.
— De Heer heeft het mij betuigd! gilde de huishoudster opgewonden, en ....
Plotseling zweeg zij. Op de steenen trappen die naar den
71
kerker leidden, hoorde men haastige voetstappen en het rammelen van sleutels. Sprakeloos van ontzetting week Dorothea naar den versten hoek van het vertrek.
— Zij komen! stamelde zij.
Ook Valeria en Blandina waren met begrijpelijke ontroering opgerezen, in de stellige verwachting, de lictoren te zien verschijnen. De voetstappen hielden werkelijk voor hare kamer stil, de deur ging open, maar in plaats van wachters en soldaten verscheen de welbekende gedaante van Alexander, den Griekschen arts.
Met een uitroep van blijde verrassing snelden de vrouwen hem te gemoet.
— Gij hier! riep Valeria, terwijl zij haar trouwen vriend de hand reikte; ik had niet gedacht, dat ik u hier op aarde zou -weerzien. Maar ge zijt toch ook niet gevangen? vervolgde zij angstig, terwijl zij den arts onderzoekend aanzag.
Deze schuddeJiet hoofd.
— Gevangen ben ik nog niet, zeide hij. Dat ik hier ben en eenige oogenblikken met u kan spreken, ben ik naast God aan mijne kunst verschuldigd. Ik heb de vrouw van den gevangenbewaarder voor eenigen tijd van eene zware ziekte mogen genezen. De man is mij dankbaar en vergunt mjj, des avonds de broeders en zusters te zien en te spreken. Maar wees niet verheugd over mijn komst, Valeria! Ik breng zware tijding! De Heer beproeft de trouw Zijner gemeente! Gij weet toch, dat onze eerwaarde Pothinus dood is?
Valeria knikte toestemmend.
Ik zou hem kunnen bonijden! zeide zij nadenkend. Hij heeft den strijd reeds volstreden en juicht nu bij God.
— Maar ook de andere broeders hebben heden een heerlijk voorbeeld van standvastigheid gegeven, ging de geneesheer voort. Onze vriend Sanctus heeft zich heden de martelkroon verworven!
72
— Is Sanctus dood? vraagden de vrouwen ontsteld.
— Hij leeft, antwoordde Alexander, maar hij heeft veel geleden. O, wij moeten God danken, die hem kracht en moed heeft gegeven, om zóó te volharden, maar mijn hart kromp ineen, toen ik hoorde, wat hij heeft ondergaan.
— Hebben zij hem gefolterd? vraagde Valeria ontzet.
De geneesheer knikte toestemmend.
— Ik wil u niet verhalen, wat ik gehoord heb! zeide hij droevig, \'t Zou u noodeloos schokken. Sanctus\' lijden moet dulde-loos geweest zijn. Maar. hij is niet bezweken!
— Eischten zij, dat hij den goden zou offeren? vraagde Valeria.
— Ook dat, antwoordde Alexander, maar zij wilden nog meer. Er zijn in de omstreken van Vianna en in de stad zelve, voornamelijk onder de armen en slaven, nog vele broeders die tot nog toe aan de vervolging ontkomen zijn. De priesters willen echter nog altjjd meer slachtoffers. Nu wist men, dat Sanctus als diaken met de namen en woonplaatsen der armere broeders moest bekend zijn, en men verlangde, dat hij ze zou noemen. Hij weigerde echter beslist, den vervolgers iets te openbaren. Ook onder de vreeselijkste smarten antwoordde hij op elke vraag slechts met de vaste belijdenis: Ik ben een Christen! \'t Was, of hij in die woorden kracht zocht en vond om ook het ergste te verduren.
— Moedige, standvastige Sanctus! fluisterde Valeria.
— Hij moge ons een voorbeeld zijn! zeide de Griek ernstig. Eiken dag kunnen wij geroepen worden, om als hij getuigenis af te leggen voor onzen Heer en Heiland. Mogen wij dan ook getrouw bevonden worden als hij!
— Amen! zeide Valeria en Blandina, met tranen van ontroering in de oogen; slechts Dorothea, die bleek en bevend Alexanders verhaal had aangehoord, keek schuw ter zijde.
Na nog eenige hartelijke woorden van troost en bemoediging gesproken te hebben, verwijderde de arts zich, om nog andere
73
gevangenen te bezoeken, en hun, die zijne hulp behoefden, zooveel mogelijk verlichting te schenken. Zijne bekendheid met den gevangenbewaarder stelde hem ook hiertoe in staat.
Den volgenden dag was ook voor de vrouwen de ure der beproeving aangebroken. Met een groot aantal der gevangen Christenen werden zij naar het rechthuis geleid, waar de propraetor zelf recht sprak. Onder weg hadden zij weer de smaadwoorden en de steenworpen van het grauw te verduren, en slechts met moeite konden hunne wachters verdere mishandelingen voorkomen.
Zoodra zij in de rechtzaal waren, begon Licinius het onderzoek. Dit was zeer eenvoudig. Aan elk dor gevangenen werd gelast, zijn naam en woonplaats op te geven. Dan vraagde hem de pro-praetor, of hij een Christen was, en beval hem, den goden te offeren. Indien hij dit weigerde, werden hem nog eenige vragen gedaan aangaande de beschuldigingen, die tegen de Christenen in omloop waren, en waarvan we reeds herhaaldelijk hebben gesproken. Als de gevangene ontkende, — en geen der Christenen kon natuurlijk toegeven, dat hij zich aan zulke gruwelijke zonden had schuldig gemaakt, — dan werd hij heengeleid. Waarheen? De overigen vernamen het niet, maar de doffe kreten, die van tijd tot tijd opstegen uit de gewelven onder het rechthuis deden het ergste vermoeden.
Toen de vrouwen de rechtzaal binnentraden, zagen zij onder de Christenen, die tegelijk met haar verhoord zouden worden, verscheidene bekenden, die tegelijk met hen waren gevangen genomen. Tevergeefs zagen zij echter uit naar Ponticus. Marcus Claudius had tegenover Ithus woord gehouden: de knaap zou niet tegelijk met Valeria en de haren worden verhoord, en de vrijgelatene hoopte op de vriendschap van den pro-curator, om zichzelf, en als hij het zonder gevaar voor zijn eigen belangen bewerken kon, ook zijn zoon, uit de handen der priesters te redden.
74
Toen de pro-praetor Valeria, die hij van aangezicht kende, onder de gevangenen bemerkte, betrok zijn gelaat. Het was hem onaangenaam, dat eene aanzienlijke Romeinsche matrone, wier bloedverwanten hij zich ongaarne tot vijanden maakte, zich onder de beschuldigden bevond. Aan den anderen kant was hij weer bevreesd voor den invloed der machtige priesterpartij, die deze geheele vervolging had bewerkt. Hij wenkte daarom Marcus Claudius, die zich in zijne nabijheid bevond, en voerde eenige oogenblikken met dezen een fluisterend gesprek. Het was duidelijk, dat de priester iets verlangde, dat Licinius slechts ongaarne toestond.
— Maar hebt ge ten minste getuigen tegen haar? vraagde eindelijk de pro-praetor.
— Wij hebben het getuigenis van den vrijgelatene Ithus, en dat van eenige slaven, die de goden zijn trouw gebleven, antwoordde Marcus Claudius.
— Slaven, die getuigen tegen hun meesters ? Dat is tegen de wet! zeide de pro-praetor.
De priester haalde de schouders op.
— \'t Is in het belang van den staat en van den godsdienst, zeide hij scherp. Wij zullen ook wel uit den mond harer huis-genooten het een en ander tegen haar hooren. Ziet gij die slavin, die daar naast haar staat. Die zullen wij wel aan het spreken brengen.
— Gij weet, hoe koppig die Christenen zijn zeide de stadhouder verdrietig. Gij zult er moeite mede hebben.
— Zij zal spreken! zeide Marcus Claudius, met een glimlach, die de gevangenen eene huivering door de leden joeg.
De stadhouder haalde de schouders op. In zijn hart ver-wenschte hij de Christenen en de priesters, die hem al die moeite op den hals haalden. Maar de laatsten vreesde hij en de eersten had hij in zijn macht. Die zouden dus het gelag betalen.
Het verhoor nam een aanvang. Een voor een werden
75
de Christenen ondervraagd. Allen beleden zij den Heer, en allen ontkenden, dat zij zich schuldig hadden gemaakt aan de gruwelen, waarvan men hen beschuldigde, terwijl geen hunner gehoor wilde geven aan het bevel, om Christus te vloeken en den afgoden te offeren. Telkens werd een nieuw slachtoffer weggeleid naar de onderaardsche gewelven,
Marcus Claudius had een poos met wreed genoegen dit too-neel aangestaard. Nu stiet hem echter een der krijgsoversten aan, die uit nieuwsgierigheid de rechtszitting bijwoonde.
— \'t Is een povere overwinning, die gij behaalt, vriend! fluisterde de officier hem in. Niet één van die lieden, die uwe straffen schijnt te vreezen! En iedere Christen, die u trotseert, versterkt de anderen in hun hardnekkig verzet!
De priester fronste de wenkbrauwen.
— Gij hebt gelijk, zeide hij, Flet gaat zoo niet. Er moet er één offeren; dan zullen de anderen wel volgen.
Hij fluisterde den pro praetor iets in het oor. Deze, die klaarblijkelijk zooveel mogelijk haast maakte, gaf met een verdrietig gezicht een toestemmend antwoord, waarop een der dienaars zich verwijderde.
Toen monsterde Marcus Clandius met scherpen blik de gevangenen, en wenkte een jong man, met een zwak en ziekelijk uiterlijk, nader te treden.
Nauwelijks stond de Christen voor den rechterstoel, of de dienaar keerde terug, vergezeld van een forschen, halfnaakten kerel, met een verdierlijkt uiterlijk. In zijne breede handen droeg hij een paar bebloede geesels. Hij plaatste zich ter zijde en wachtte met een boosaardigen grijns op de bevelen van den stadhouder, terwijl uit de met opzet opengelaten folterkamers hartverscheurende kreten opstegen.
De gevangenen klemden zich huiverend aan elkander vast. Ook de jonge Christen verbleekte.
Sextus Licinias wachtte een oogenblik, om den gevangene
76
geheel onder den indruk te brengen vau het lot, dat hem wachtte. Toen sprak hij hem toe.
— Gij ziet en hoort, wat u overkomen zal, zoo gij hardnekkig bljjft! zeide hjj dreigend. Beken! Vloek uwen Christus en offer de goden, en gij zijt gered!
De jonge man aarzelde. Op een wenk van den stadhouder naderde hem de beul. Toen ontzonk den gevangene de moed.
—1 Ik wil. . . ik zal offeren! stamelde hij en hij wankelde naar het kleine beeld van Jupiter, dat met eenig offergereedschap voor dit doel gereed stond.
Triumfeerend zagen de Heidenen elkander aan. De jongeling greep met bevende hand een met wijn gevulden beker en stond op het punt, het gevorderde plengoffer te brengen, terwijl zijne geloofsgenooten, sprakeloos van schrik, hem in bange verwachting aanstaarden.
Daar drong plotseling een man uit de toeschouwers naar voren en plaatste zich met opgeheven hand tegenover den gevangene.
Het was Alexander.
— Wat doet gij, mijn broeder! riep hij met forsche stem. Gaat gij uw Heer verloochenen? Wees sterk, zeg ik u : Wie volhardt ten einde toe, zal zalig- worden!
Alsof hij uit een droom ontwaakte, staarde de jongeling den arts een oogenblik aan. Toen wierp hij met afschuw den beker van zich.
— Dank, broeder Alexander, dat gij mij gered hebt! riep hij en zich tot den pro-praetor keerende, zeide hij met heldere stem:
— Ik offer niet! Ik ben een Christen.
Licinius stampvoette van toorn. Terwijl de jongeling werd weggeleid, wenkte hij een paar zijner lictoren, den koenen arts aan te grijpen. Weldra stond Alexander als gevangene te midden zijner geloofsgenooten, om met hen te lijden en te sterven.
— En laat ons nu zien, of wij met de vrouwen beter slagen, zeide de stadhouder tot Marcus Claudius, die zich verbeet van
77
woede. Op zijn bevel werd Blandina voor den rechterstoel gebracht.
— Gij hebt gezien, welk lot u wacht, zoo gij u verzet, meisje! dreigde Licinius. Gij zijt tegenwoordig geweest bij de veraraderinsren ten huize van Valeria. Treed nader, Ithus.
O O
De vrijgelatene trad nader. Zonder de vrouwen aan te zien, begon hij zijn verhaal opnieuw, terwijl de vrouwen elkander verbaasd aanstaarden bij het hooren van den afschuwelijken laster-
Toen hij gereed was, eischte de pro-praetor, dat Blandina zou bekennen, dat dit alles waarheid was.
De slavin had ternauwernood geluisterd. In stilte bad zij om kracht, opdat ook zij getrouw mocht blijven, ten einde toe.
De stadhouder herhaalde zijne vraag.
— Ik ben eene Christin en onder ons geschiedt geen kwaad ! antwoordde het meisje, eenvoudig maar vast.
— Weet wat gij doet! Bedenk u wel! dreigde Licinius. Ge zijt nog jong, en gij zult de pijn niet kunnen verdragen! Beken, en misschien zullen wij u vrijlaten!
Maar Blandina bleef onverwrikbaar.
_ Ik ben eene Christin, en onder ons geschiedt geen kwaad!
herhaalde zij, terwijl zij den pro-praetor onverschrokken aanzag.
_ Zij zal spreken! mompelde Marcus Claudius, terwijl hij
zelf de dienaars vooruitsnelde, die het meisje wegvoerden. Valeria zag haar met betraande oogen na.
Thans was het de beurt van Dorothea. Bleek en bevend stond zij daar, zooveel mogelijk achter hare medegevangenen verscholen. Zij, die op eigen krachten gesteund had, zag zich nu van alle kracht beroofd. Haar geloof was haar nooit ernst geweest, en hare ingebeelde openbaringen gaven haar geen steun in de ure der verzoeking. Sidderend trad zij voor den rechterstoel.
— Zijt gij een Christen! vraagde de pro-praetor barsch.
Nog één oogenblik aarzelde Dorothea. Toen schudde zij ontkennend het hoofd.
78
— Wat, geene Christin! riep Licinius verbaasd.
De Heidenen drongen dichter samen. Hier was dan eindelijk een der gevangenen, die afvallig werd.
— Zoo wilt gij dan Christus vloeken en den goden offeren? vraagde Licinius.
Dorothea knikte toestemmend met het hoofd en waggelde naar het altaar. Met bijna onhoorbare stem stamelde zij de voorgeschreven woorden en met sidderende hand plengde zij den wijn voor het afgodsbeeld.
Zij had haren Heiland verloochend, den Christus Gods gevloekt! Zij, die zoo vaak van uit de hoogte op anderen had neergezien!
Ontsteld zagen de overige gevangenen elkander aan. Zoo iets hadden zij niet verwacht.
Het noodlottige voorbeeld vond weldra navolging. De zwak-geloovige Christenen, die Dorothea hadden aangehangen als eene profetes, eene bijzonder van God begenadigde, hadden met schrik gezien, hoe al hare voorzeggingen ijdel bleken te zijn. Er gebeurde geen wonder om hen te redden ; schijnbaar trium-feerden de Heidenen. Toen zjj nu zagen, dat zij, op wie zij gebouwd hadden, afvallig werd, ontzonk ook hun do moed. De een na den ander offerde den goden, en aan den avond van dien dag konden de priesters er zich op beroemen, dat er tien van de belijders des Heeren waren bezweken voor de verzoeking. Deze tien werden naar den kerker teruggebracht, om zich later te verantwoorden wegens de misdaden, die hun werden te laste gelegd. Valeria, Alexander en de overige Christenen bleven ook onder de grootste smarten den Heer getrouw, ook toen de priesters, verwoed over hunne standvastigheid, dagen lang hunne pogingen verdubbelden, en de uit-gezochtste kwellingen uitdachten, om de martelaars tot afval te brengen.
HOOFDSTUK VIII.
A S T O R.
ucius Licinius, de stadhouder van Gallië, liep met onrustige schreden een der zalen op en neer van het prachtig paleis, dat hij te Lugdunum bewoonde. Hij bevond zich in eene alleronaangenaamste stemming. In plaats van, zooals hij gehoopt en verwacht had, een aangenaam reisje door de zuidelijke streken van zijn gebied te kunnen doen, zag hij zich door de priesters de Christenvervolging op den hals geschoven, met haren ganschen nasleep van rechtszaken, verbeurdverklaringen, vonnissen en verdere moeiten en beslommeringen. Niet dat hij eenig medelijden met de vervolgden zelve gevoelde, want hij haatte de Christenen, en zou ze gaarne geheel hebben zien verdelgen, maar meer nog dan de Christenen en hunne leer haatte hij onrust en zorgen, en daarom verwenschte hij in zijn hart de priesterparty, die hem al die moeite berokkende. Hoe listig hadden ze \'t aangelegd. Als zij zich terstond tot hem, als tot den hoog-sten overheidspersoon hadden gewend, had hij wellicht nog middelen kunnen vinden, om den strik te ontkomen, maar zij
80
hadden eerst eene volksbeweging in het leven geroepen, en om geen oproer te doen ontstaan, was hij wel genoodzaakt geweest, zich met de zaken te bemoeien, en zelf de vervolging te beginnen, al was het dan ook zeer tegen zijn zin.
Dan was er ook iets anders, dat hem verontrustte. Hij wist namelijk niet, of men zijn gedrag te Rome zou goedkeuren. Onder de gevangen Christenen bevonden zich, — hij had het eerst later vernomen, — verscheidene Romeinsche burgers, die met de anderen gekweld en gepijnigd waren. Zou dit den Keizer ter oore komen, en als hij het vernam, hoe zou de gestrenge, maar rechtvaardige Marcus Aurelius dit opnemen ? En welk vonnis moest hij nu vellen, als handhaver der Romeinsche wetten? De priesters en het volk eischten luide den dood voor alle Christenen, maar op eigen gezag kon hij althans hen, die het Romeinsche burgerrecht bezaten, niet ter dood veroordeelen. Hij wilde daarom den Keizer schrijven, en hem vragen, hoe hij hierin te handelen had. Hij zou het proces trachten te rekken, tot hij antwoord uit Rome had, en werden de priesters ongeduldig, welnu, dan konden zij gedurende dien tijd beproeven, of zij door middel hunner folteringen nog eenige Christenen tot bekentenis of afval konden bewegen.
Toen de pro-praetor op zijne rustelooze wandeling door de zaal het raam weder naderde, rees een Grieksche slaaf, die aan een laag tafeltje had zitten schrijven, eerbiedig overeind.
— Is de brief gereed? vraagde Licinius.
— Ja, heer! antwoordde de Secretaris.
— En hebt gij hem ingericht, zooals ik u gezegd heb? Laat zien.
De pro-praetor doorliep het schrijven, en knikte toen tevreden met het hoofd.
— Zoo is het goed, Phanes, zeide hij, terwijl hij den brief sloot, en van zijn zegel voorzag. Zend onmiddellijk een koerier met het snelste paard uit mijne stallen naar de haven van Massilia. Mijn postschip ligt toch gereed?
81
— Gisteren heb ik reeds de order verzonden, lieer! zeide de secretaris buigend.
— \'t Is wel! Laat de koerier zicli haasten! beval Lieinius. Wie bevinden zich in de voorzaal?
— Üe gladiator Astor en een zekere Ithus, een vrijgelatene van den pro curator. lirj zegt, dat hij van zjjn patroon een aanbevelingsbrief heeft.
— Zeg den deurwaarder, dat hij eerst Astor . . . ., maar die Ithus heeft een aanbevelingsbrief van Sempronius bij zich, zegt gij ?
Phaues boog toestemmend het hoofd.
— Laat dien dan maar eerst binnen, zeide Lieinius verdrietig, maar laat Astor vooral wachten, \'t Is, of ik van daag geen oogenblik verpoozing hebben mag.
Onmiddellijk daarop trad Ithus onder diepe buigingen de zaal binnen, en reikte den pro-praetor, die zich inmiddels had nedergezet, zijn aanbevelingsbrief over:
Deze liep dien vluchtig door. Zijn aangezicht betrok.
— Alweer over die Christenen! riep gij geërgerd. Zal men mij dan nooit met rust laten!
— Uw zoon is dus onder de gevangenen? vervolgde hij verdrietig tot den vrijgelatene. Hoe is dat mogelijk, zoo gij geen aanhanger der Christenen zijt ?
— Ik een aanhanger dier godloochenaars! riep Ithus niet afschuw! Heer, dat meent gij niet! De edele Sempronius....
— Maar hoe komt uw zoon dan onder hen ? vraagde Lieinius barsch, en wat verlangt gij eigenlijk.
— Hij was op de villa van Valeria, toen wij haar en hare medeschuldigen gevangen namen, zuchtte Ithus. Ln ik wüde u ootmoedig smeeken, heer, zijne jeugd in aanmerking te n imn, en hem los te laten. Wat zou er van mij worden, als mijn zoon als een gemeen misdadiger werd ter dood gebracht ? Men zou mij immers verdenken, van met de godloochenaars te heulen!
m b p U
8\'2
— Gij zoudfc Valeria hebben gevangen genomen ? zeide Licinius, zonder op de laatste woorden van den vrijgelatene te letten. Maar wie zijt gij dan, man? Ha, ik herken u, vervolgde hij plotseling, gij zijt do man, die de Christenen aan Marcus Claudius verraden heeft, en die in het rechthuis tegen hen heeft getuigd.
— Ja heer, die man ben ik! antwoordde Ithus haastig. Hij meende reeds zeker te zijn van den goeden uitslag van zijn bezoek.
De pro-praetor zag hem aan met een onheilspellenden blik.
— Dat is dus de man, die mij eigenlijk al die moeilijkheden op den hals heeft gehaald, prevelde hij binnensmonds, \'t Is goed, vriend! Wij zullen afrekenen.
— Daar kan ik niets aan doen! zeide hij luid en op barschen toon. Uw zoon blijft, waar hij is. Als hij schuldig is, treft hom hetzelfde vonnis, als de anderen. En ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, dat hij tot de Christenen behoort en hunne vergaderingen bezoekt, als gij dit niet oogluikend hebt toegelaten. Ik zal de zaak onderzoeken, en zoo mijne vermoedens bevestigd worden, zal de aanbeveling van den procurator u niet redden.
— Heer, jammerde de verschrikte Ithus, ik zweer u.....
— Vertrek! snauwde hem de stadhouder toe; maar wacht, vervolgde hij spottend, ik zal u een geleide geven.
Hij sloeg op een zilveren bekken, dat voor hem stond. De deurwachter trad binnen.
— Roep twee mijner lictoren! beval Licinius.
Een oogenblik later traden de beide dienaren binnen.
— Voert dien man naar zijne woning! beval de pro-praetor terwijl hij op den sidderenden Ithus wees. Hij moet daar streng bewaakt worden, tot ik nader over hem zal hebben beschikt.
De lictoren voerden hun gevangene weg.
— Ziezoo, mompelde Licinius, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef, die is voorloopig bezorgd! Heeft hij mij in
83
moeilijkheden gebracht door zijn dom verraad, dan is het niet meer dan billijk, dat ik hem ook eenige minder aangename oogenblikken bezorg. Serapronius zal boos zijn, — maar die verdient ook wel eene kleine terechtwijzing voor zijne onbeschaamdheid, om mij zulk een lastigen kerel te zenden. En laten we nu tot aangenamer dingen overgaan.
Weer tikte hij op het bokken en beval den deurwachter den wachtenden gladiator binnen te leiden.
Lucius Sextus Licinius was, gelijk vele zijner tjjdgenooten, een groot liefhebber van do bloedige spelen, die in het geheele Romeinsche rijk in zwang waren. Menschen met elkander, of ook wel met wilde dieren, te zien kampen op leven en dood, zich te vermeien in hunne kracht en behendigheid, in hunne bloedige wonden en pijnlijken dood, was oen zijner grootste genoegens.
In verschillende steden van zijn stadhouderschap had hij dan ook kazernes van zwaardvechters, die onder zijn bijzondere bescherming stonden, en waar vele gladiatoren zich oefenden in de behandeling der bij de spelen gebruikelijke wapenen, om op de talrijke volksfeesten elkander in het openbaar te bevechten. Gelijk we vroeger reeds zagen, genoot Astor de bijzondere gunst van den pro-praetor als een der bekwaamste zwaardvechters, die tot nog toe uit eiken kamp zegevierend te voorschijn was getreden, en zijn patroon reeds menige weddenschap had doen winnen. De stadhouder wachtte daarom met ongeduld de komst van den gladiator, die hem ongetwijfeld mededeelingen zou kunnen doen omtrent den uitslag van de laatste oefeningen, waarmede men zich in de kazerne druk bozig hield, als voorbereiding voor de spelen, die do feesten op do aanstaande jaarmarkt zouden opluisteren.
Astor trad de zaal binnen en bleef op eerbiedigen afstand staan. Zijn breed, open gelaat stond niet zoo vroolijk als anders.
— Wel, Astor, riep Licinius, terwijl hij den zwaardvechter wenkte nader te komen. Hoe gaat het? Zijt ge bij denlaatsten
84
proefstrijd niet Albo, den Siciliaanschen retiarius \') overwinnaar gebleven?
— Ja, lieer, antwoordde de zwaardvechter, vergenoegd glimlachend. De kerel is vlug als een kat, dat moet ik zeggen, maar tot driemaal toe dook ik onder zijn net door, en eer hij zich kon wonden, hield ik hem het stompe zwaard op de borst. Ik vrees hem niet in hut worstelperk.
— Ferm! zeide de stadhouder, goedkeurend met het hoofd knikkend. Ik verlang er naar, u te zien vechten. En Phoebus, de Grieksche vuistvechter; oefent hij zich dagelijks met de gewichten, zooals ik hom heb aangeraden!
— Ja, heer! antwoordde Astor.
—- En de anderen? vervolgde de pro-praetor hem vragend aanziende. Kom, man, wat zijt ge karig met uwe mededeelin-gen. Anders vertelt ge in één adem alles wat er belangrijks in uwe kazerne is voorgevallen, en thans krijg ik nauwelijks antwoord.
Astor boog verlegen het hoofd.
— Vergeving, heer! stotterde hij. Maar daar is, . . . . ik heb iets dat mij hindert. En plotseling moediger geworden deed hij eene schrede voorwaarts, en sprak dringend;
— Heer, wilt ge mij op het aanstaande feest goed zien vechten, sta mij dan ééne bode toe.
Licinius begon te lachen.
— Hebt ge schulden? vroeg hij. Nu, daar is raad voor! Hoeveel hebt ge noodig?
He zwaardvechter schudde het hoofd.
— Vergeving, heer, zeide hij, maar ik heb thans geen geld noodig. Mijn verzoek betreft een meisje, eene der gevangen Christenen, die ... .
1) Ketiarii, netwerpers. noemde men die gladiatoren, die slechts jrewapend ■waren met een drietand en een net, waarin zij hun tegenstanders trachtten te verwarren.
85
— Al weer die verwensehte Christenen! viel de pro-praetor liem driftig in de rede, terwijl liij met den voet op den grond stampte. Zullen ze mij dan den ganscben dag vervolgen? Wat hebt gij nu weer niet hen voor?
Door don plotselingen uitval van zijn patroon onthutst, zocht Astor naar een antwoord.
— Ik bedoelde geen kwaad, heer, zeide hij eindelijk, maar toen ik Varrus, den zwaardvechter uit Rome, overwonnen lieb, hebt gij mij beloofd, dat gij mij een gunst zoudt toestaan.
De herinnering aan een gevecht, dat hem veel genoegen had verschaft, scheen den stadhouder zachter te stemmen.
— Wat wilt gij dan ? vraagde hij iets minder barsch.
— Ik wenschte, dat gij eene der gevangenen, de slavin Blandina in vrjjheid stelde, antwoordde Astor moediger.
— Een meisje! Is het uw zuster, of uwe verloofde? vraagde Licinius verwonderd. Maar dat kan niot zjjn: eene Christin en een zwaardvechter! Onmogelijk!
— Zij is mijne zuster niet, en mijne verloofde nog minder, antwoordde de gladiator. Maar zie, beer, wij zijn te zamen groot gebracht, en — ik kan dat zoo niet zeggen, maar ik kan niet dulden, dat de priesters haar zoo kwellen, en eindelijk misschien doodmartelen. Ik bid u, heer, stel haar in vrjjheid ! Ik zal op het aanstaande feest beter vechten, als ge mijn verzoek toestaat.
De pro-praetor had met een verdrietig gezicht toegeluisterd. Toen Astor had uitgesproken, sloeg bij op het bekken:
— Zeg aan Phanes, dat hij mij do lijst der gevangen Christenen brengt, beval hij den binnontredenden slaaf.
Een oogenlik later trad de secretaris binnen met een perkament in de hand. Licinius onderhield zich eenige oogenblik-ken fluisterend met hem, terwijl zijn gelaat al donkerder werd. Eindelijk wenkte bij Phanes, te vertrekken.
— Die Blandina is de slavin van Valeria? vraagde hij den zwaardvechter.
8G
— Ja heer! antwoordde deze.
— \'t Kan niet ellendiger! barstte de stadhouder uit. Ge eisclit van mij, wat ik u onmogelijk kan toestaan. Die Blandina is een der koppigstcn onder de godloochenaars! Zij wil niets bekennen, en Marcus Claudius zal haar niet loslaten.
— Maar gij zijt toch hier de meester, heer! waagde de zwaardvechter op te merken.
Licinius wierp hem een donkeren blik toe.
— Praat niet van dingen, waarvan ge geen verstand hebt! zeide hij dreigend. Ge hoort het, ik kan uw verzoek niet toestaan.
Astor liet het hoofd hangen. Zwijgend boog hij zich voor den stadhouder en wilde vertrekken.
— Blijf! riep Licinius hem driftig na. Begrijpt ge niet, dat ik nog meer wil hooren over de kazerne en mijne gladiatoren! En zet niet zoo\'n armezondaarsgezicht, man, vervolgde hij, toen hij den mistroostigen trek op het gelaat van den gladiator bemerkte. Een wakkere kerel als gij, mag niet treuren om het lot van eene ellendige slavin. Ziedaar, ik zal voor u doen, ■wat ik kan. Beweeg gij haar, dat zij den priesters te wille is, en wij zullen zien.
Snel eenige woorden op een waschtafeltje schrijvende, gaf hij het den zwaardvechter.
•— Hier is een bewijs van toegang tot de gevangenis, zeide hij haastig. En laat ons nu over aangenamer zaken spreken.
Met een verheugd gelaat borg Astor hot waschtafeltje in zijn kleed. Toen maakte hij zich gereed, om de nieuwsgierigheid van zijn beschermer te bevredigen. Hij was echter blijkbaar zoo weinig met zijn hart bij het gesprek, dat Licinius hem weldra wegzond.
— Alles de schuld van die ellendige christenen, bromde de stadhouder, tersvijl hij hem nazag. Ze zouden mij mijn besten zwaardvechter bederven! Maar ze zullen het mij betalen!
87
Astor snelde ondertusschen regelrecht naar het gebouw, waar de meeste Christenen gevangen zaten en waar nog steeds het verhoor en de folteringen werden voortgezet. Toen hij het toegangsbewijs van den pro-praetor vertoonde, werd hij zonder moeite toegelaten.
— Wat verlangt gij? vraagde een der gevangenbewaarders, die hem had opengedaan.
— Ik wenschte de gevangen slavin Blandina te spreken, antwoordde de gladiator.
— Dan zult ge toch nog wat moeten wachten, zeide de man met een duivelschen grijnslach. Marcus Claudius, de vrome priester van Jupiter, wenschte haar ook te spreken. Ze zijn met haar bezig!
— Wat bedoelt ge? vroeg Astor huiverend.
— Luister maar eens! grijnsde de ander, terwijl hij naar een ijzeren rooster wees, die zich in het voorportaal van den kerker bevond.
Het traliewerk, door den wachter aangewezen, scheen bestemd, om lucht en licht te verschaffen aan een der gewelven, die zich onder de gevangenis bevonden. Toen Astor zich voorover boog, hoorde hij een verward gerucht, als van verscheidene stemmen. Plotseling werd het stiller. Een enkele stem werd nog slechts gehoord. De zwaardvechter kon de woorden niet verstaan, maar de toon was dof en dreigend.
Plotseling klonk er een andere stem, die Astor een rilling door de leden joeg. \'t Was die van Blandina, en hij had verstaan, wat zij zeide:
— Ik ben eene Christin en onder ons geschiedt niets kwaads! Er volgden eenige oogenblikkcn van stilte. Toen klonk er
een dof gekerm door de nauwe opening, dat steeds angstiger en luider werd, en eindelijk overging in een pijnlijk gillen. Rood van toorn sprong Astor overeind.
— Mishandelt men hier weerlooze vrouwen! riep hij woe-
88
demi, terwijl hij dreigond op den gevangenbewaarder toetrad.
— Bedaar, vriend! zei de deze onthutst, terwijl hij, vol ontzag voor do gespierde armen van den zwaardvechter eone schrede achteruit deed. tiet is immers mijn schuld niet. Maak het met de priesters uit en hunne handlangers, als ge daar lust in hebt.
Astor zag den wachter een oogenblik in liet gevoellooze gezicht. Toen wendde hij zich zwijgend af en wierp zich op een bank neder, waar hij in somber gepeins bleef zitten.
Een uur later trad de wachter weer op hem toe.
— Nu kunt gij haar zien ! zeide hij kortaf.
Astor stond op en volgde zijn geleider door nauwe en donkere gangen naar oen onderaardschen kerker.
— Mier is het! zeide de cipier, terwijl hij een zware deur opende.
De zwaardvechter trad het gewelf binnen, dat slechts door een enkele nauwe opening lucht en licht ontving. Het duurde eenige oogenblikken, eer zijne oogen aan de duisternis gewend waren, loen bemerkte hij in een der hoeken eone mensclielijke gedaante, die op een handvol stroo lag uitgestrekt.
— Zijt gij het, Blandina? fluisterde hij.
Een zacht gekreun was het antwoord.
Astor trad nader en knielde bij het armzalig leger neder. Hij rilde van toorn en verontwaardiging, toen hij het vermagerd lichaam zijner vriendin zag, waarop de sporen der ondergane mishandelingen maar al te duidelijk zichtbaar waren.
— De ellendelingen! fluisterde hij.
Een oogenblik bewaarde hij het stilzwijgen, toen begon hij op zacht verwijtenden toon:
— Blandina, \'t is waar, \'t zijn schurken, die u zoo behandelen, — maar waarom laat ge u zoo kwellen? Waarom doet ge niet, wat zij verlangen? Offer den goden!
Blandina schudde zachtjes het hoofd.
89
— Offer den goden! vervolgde Astor hartstoelitelijk. Doe het slechts éénmaal! Later kunt go immers doen wat ge wilt. De pro-praetor heeft mij beloofd, dat hij dan zal trachten u te redden! Ge zjjt nog zoo jong, om nu reeds te sterven.
Een flauwe glimlach verlichtte hot gelaat dor slavin.
— Ik dank u, Astor, zeide zij met zwakke stem. Ik vrees den dood niet! Ik verlang hij mijn Heer en Heiland te wezen! En Hij zal mij wel spoedig tot zich nemen!
Astor zag haar verward aan. Hij begreep haar niet.
— Doe, wat zij verlangen, Blandina! bad hij nogmaals. Wat baat u uw God, zoo Hij u niet redt. Wie weet, wat zij nog voor martelingen zullen uitdenken!
— De Hoer, die mij tot nu toe kracht heeft gegeven, zal mij ook wel verder helpen! was het vaste antwoord.
Weer zag de zwaardvechter haar verwonderd aan. Honderdmaal had hij den dood onder de oogen gezien, en elk oogen-blik was hij bereid om in eou bloedig gevecht zijn leven te wagen. Maar van den moed van dit zwakke meisje had hij geen begrip.
— Ik wenschte u toch zoo gaarne te redden, Blandina, drong hij nogmaals aan. Heb toch medelijden niet u zelve en met mij.
— Nogmaals, ik dank u. Astor, antwoordde het meisje vriendelijk. Gij meent het goed, maar zoo gij den Heer Christus kende....
Astor maakte een afwerend gebaar.
— Ik oen Christen! riep hij, haast vertoornd bij de gedachte, dat nooit! Maar laten we liever spreken over n zelve, en —
— Dring niet verder aan, viel Blandina hem smeekend in de rede. Ik kan toch niet doen, wat gij begeert, en het doet mij leed het u te moeten weigeren. Maar wilt gij mij een groot genoegen doen?
Astors gelaat stond somber; toch knikte hij toestemmend.
90
— Tracht dan uit te vorschen, hoe het met Valeria, Pon-ticus en de overige vrienden gaat, bad de slavin. Ik verlang er naar, iets van hen te hooren.
— Ik zal trachten aan uw verzoek te voldoen, zeide de gladiator zuchtend. Maar kan ik niets voor u doen?
— Neen, — of ja, geef mij wat te drinken!
Blijde, dat hij ten minste iets kon doen, om hare smart te verlichten, hief Astor de zware kruik op, die hij in een der hoeken van het gewelf zag en bracht die aan de lippen zijner vriendin. Blandina dronk gretig.
— Laat mij nu alleen, verzocht zij, en breng mij spoedig bericht.
Astor ijlde heen. Het kostte hem weinig moeite, den hem opgedragen last te volvoeren. Van de gevangenbewaarders vernam hij alle bijzonderheden, die hij weten wilde. Het waren echter geen vroolijke tijdingen, die hij den volgenden dag aan Blandina bracht. Valeria, Sanctus, Attains en Maturus hadden even als zij de ondraaglijkste kwellingen ondergaan, maar ook zij waren standvastig gebleven.
Ponticus was tot nog toe gespaard, maar dienzelfden dag had de stadhouder last gegeven, dat ook de zoon van Ithus in het lot der andere gevangenen moest deelen. De zwaardvechter meende zelfs in het voorportaal van den kerker de kreten van den knaap te hebben gehoord.
Nogmaals trachtte hij Blandina te bewegen, aan het verlangen der Heidenen te voldoen, maar zijne pogingen waren ook ditmaal vergeefsch. Onwillekeurig bewonderde hij den moed en de standvastigheid zijner vriendin, maar dit versterkte nog zijn verlangen om haar te redden.
— Toch zal ik trachten, haar te behouden! prevelde hij, toen hij terneergeslagen de gevangenis verliet. Misschien als zij de anderen ziet sterven.....Ik zal het Licinius verzoeken.
HOOFDSTUK IV.
VERGELDING
et lot der gevangen Christenen zou weldra worden beslist. Na eenige dagen verspreidde zich door de stad het gerucht, dat er een Keizerlijke bode uit
Rome was aangekomen, met brieven voor den pro-praetor, en dit bleek werkelijk hot geval te zijn. Onder die brieven bevond zich ook het antwoord aan den Keizer op hot schrijven van Licinius, waarin deze had gevraagd, wat hij met de Christenen moest aanvangen.
De wijze en deugdzame TvLrcus Aurelius was te verstandig om geloof te hechten aan de lasterlijke beschuldigingen, die tegen de belijders des Heeren onder het volk in omloop waren. Maar hij kende den Heiland niet en hij zag in de Christenen slechts eene lastige en oproerige secte, die de rust des rijks in gevaar bracht, en de wet ondertrad, door den staatsgodsdienst niet te eerbiedigen. Zonder den blinden vervolgingsijver der priesterpartij te billijken, meende hij, dat men de Christenen als misdadigers moest behandelen, zoo zij openlijk weigelden, de wet gehoorzaam te zijn. In zijn brief beval hij
92
dus don landvoogd, dat die gevangenen, welke beleden Christenen te zijn, moesten worden tor dood gebracht; zij, die dit echter ontkenden, moesten terstond in vrjjheid worden gesteld.
De pro-praetor voelde zich na do ontvangst van dit schrijven aanmerkelijk verlicht. De zware last der verantwoordelijkheid was hem van de schouders genomen. Zoowel tegenover de priesters als tegenover de aanzicnljjkc betrekkingen van sommige der gevangenen, die ten behoeve hunner vrienden tussehen-beiden waven gekomen, kon li|j zich dekken met het Keizerlijk bevel. Mij besloot dan ook spoedig de zaak tot oen einde te brengen. Op den eersten dag der g-roote jaarmarkt, die weldra te Lugdunum zou worden gehouden, wilde hij in eene openbare rechtszitting alle gevangenen nogmaals ondervragen, om lien dan dadelijk te vonnissen. Do veroordeelden, die geen Ro-meinsche burgers waren, konden dun tot vermaak van liet volk op de feesten, die b|j die gelegenheid worden gegeven, den wilden dieren voorgeworpen worden.
De dag der openbare rechtszitting brak aan. Een groote menigte, ter gelegenheid van de jaarmarkt uit alle oorden saamgekomen. verdrong zich weer op het ruime marktplein. Voor het rechthuis stond op eene verhevenheid de zetel van don pro-praefor, omringd door de overheden der stad cn eenige krijgsbevelhebbers, terwijl voor den rechterstoel, welbewaakt door een sterke wacht soldaten, de breede schaar der gevangenen zich bevond. Hier zagen de Christenen, voor het eerst na het uitbreken der vervolging, elkander weder. Was het verboden mot elkander te spreken, toch werd er menige welsprekende blik gewisseld tusschen hen, die zooveel geledon hadden en die nu elkander wilden bemoedigen voor den laat-sten zwaren strijd, dien zij nog hadden to doorstaan.
Hier zag ook Blandina Pontiens weer. De kwellingen, die hij had moeten ondergaan, hadden don knaap doen vermageren en verouderen. Zijn gelaat had echter eene uitdrukking van
93
mannelijken mood en vastberadenheid gekregen, dio men daarop vroeger tevergeefs zou hebben gezocht, en toen zijne oogen die zijner vriendin ontmoetten, beloofde zijn kalme en blijde glimlach haar, dat ook hij getrouw zou blijven, ten einde toe.
Vóóraan, dicht bij den rechterstoel, stond de kleine groep der afvalligen, die hun Heer en Heiland hadden verloochend. Tot nog toe hadden de Heidenen ook lien gevangen gehouden, en eerst nu zouden zij worden ontslagen. Diclit oijeeugedrougen, met hangend hoofd en neergeslagen oogen stonden zo daar, alsof zij de veroordeelden waren, terwijl de Christenen, ook al toonden hunne verzwakte en vermagerde lichamen de duidelijke sporen dor doorgestane folteringen, met opgeheven hoofd en blij gelaat hun vonnis wachtten, dat toch, zij wisten het, een doodvonnis wezen zou.
Geheel van de anderen afgezonderd stond daar ouk ithus. Zijn beschermer Sempronius had hem werkelijk niet in den steek gelaten. Hij had ten behoeve van den vrijgelatene gedaan, wat hij kon, en vooral na het uitdrukkelijke bevelschrift van den Keizer durfde de pro-praetor zijne kleingeestige wraakneming niet verder voortzetten. Toch had hij, onder voorwendsel dat Ithus\' onschuld niet bewezen was, hern nog eene laatste vernedering willen doen ondergaan, en daarom had hij gelast, dat do vrjjgelatene tegelijk met hen, die hij had overgeleverd, een laatste verhoor zou ondergaan. Sidderend van angst, woede en schaamte wachtte Ithus op de komst van den pro-praetor, terwijl uit den groep der overheidspersonen en aanzienlijken, die hem allen kenden en haatten, menige spottende blik op hein viel.
Eindelijk verscheen Licinius, voorafgegaan door zijne lictoren. Hij zette zich op den rechterstoel, monsterde met scherpen blik de gevangenen en beval toen, dat men ze één voor één voor hem zou brengen. Toen begon lij het laatste verhoor.
94
dat ook ditmaal zeer eenvoudig was, want het gold nu slechts, het bevelschrift des Keizers nauwkeurig na te komen.
—• Zijt gij een Christen? luidde de vraag tot elk der gevangenen.
Steeds volgde daarop eeu toestemmend antwoord,
— Zijt gij Romeinsch burger? vraagde daarop de pro-praetor.
Zij, die het Romeinsch burgerrecht bezaten, werden daarop door de lictoren van de anderen afgezonderd, zoodat de gevangenen weldra in twee groepen verdeeld waren. Met tranen in de oogen zag Valeria Blandina van zich wegvoeren. De beide vrouwen wisselden nog- een laatsten blik; zij wisten, dat zij elkander op aarde niet zouden wederzien.
Eindelijk wendde de pro-praetor zich tot de kleine schaar der afvalligen, om ook hen, hoewel slechts voor den vorm, dezelfde vraag te doen. Hier wachtte hem echter cene verrassing, waarop hij weinig gerekend had. Verscheidene van deze ongelukkigen, die uit vrees hun Heer hadden verloochend, hadden met schaamte en berouw de standvastigheid hunner broeders aanschouwd. De moedige belijdenis dor martelaars sterkte ook hunne zwakke zielen: zes van de tien, die als Petrus den Heer verloochend hadden, keerden ook als Petrus berouwvol tot Hem weer.
De landvoogd stampvoette van toorn, toen de een na den ander op de vraag; Zijt gij een Christen? toestemmend antwoordde. Zonder naar Marcus Claudius te willen luisteren, dien deze onverwachte nederlaag ten aanschouwe van het gansche volk, bitter teleurstelde; wenkte hij de lictoren, om deze gevangenen ook bij hen te voegen, over wie het doodvonnis zou worden uitgesproken.
Vier volhardden er in hun afval. Onder hen was Dorothea. Op last van Licinius werden zij terstond ontslagen en ontvingen bevel, zich te verwijderen. Zwijgend en met gebogen hoofd gingen zij door het volk, dat zijne rijen opende om hen
95
door te laten, en dat, door de standvastiglieid der martelaars onwillekeurig getroffen, de afvalligen zwijgend zag vertrekken.
Nu bleef Ithus slechts over. Ook hem deed Licinius op spot-tendeu toon de gewone vraag.
Op het driftig ontkennend antwoord van den vrijgelatene haalde hij de schouders op.
— Ik heb u onwillekeurig onrecht aangedaan, waarde Ithus, zeide hij op schijnbaar vriendelijken toon. Ge hebt waarlijk gehandeld als een Romeinsch vader! Ge hebt immers uw eigen zoon overgeleverd, als een trouw dienaar van de wet en van de goden!
— Vader, vader! riep plotseling een stens op hartverscheu-renden toon.
Aller oogen richtten zich op Ponticus, die op Ithus wilde toesnellen, maar door de snel toeschietende lictoren werd tegengehouden.
Met een afwerend gebaar snelde de vrijgelatene heen, en trachtte door het volk been te dringen. Do naast bij staanden hadden echter de woorden van den pro-praetor en den uitroep van Ponticus gehoord. Als een loopend vuur liep het rond door de menigte:
— Daar gaat er een, die zijn eigen kind heeft overgeleverd! Hem laat men vrij!
En hetzelfde volk, dat zoo woest den dood der Christenen had geëischt, ontstak in woede tegen den verrader, die diezelfde Christenen had overgeleverd! Scheldwoorden en smaadredenen hagelden van alle kanten op den ongelukkigen man, die tevergeefs trachtte, door de menigte heen te dringen. Pmi-ten zich zeiven van angst en drift trachtte hij zich eindelijk met geweld een weg te banen.
Dit was zijn ongeluk.
— Slaat hem dood, den schelm! klonk het van alle kanten, en stokken en vuisten werden dreigend opgeheven. Door een
96
paar Roraeiiische soldaten ontzet, vond hij gelegenheid een zijstraat in te vluchten, maar het opgewonden volk vervolgde hem onder woest geschreeuw.
De doodsangst gaf Ithus reuzenkrachten. In razende vlucht snelde hij voort, en het gelukte hem zijne vervolgers, die door de krijgslieden, hoewel slechts voor korten tijd, werden tegengehouden, ver achter zich te laten, maar al nader en nader klonken de dreigende stemmen, en hij gevoelde, dat hij het niet lang zou kunnen uithouden. Weer sloeg hij een zijstraat in, wanhopig rondziende naar eene schuilplaats, maar alle huizen waren gesloten, daar de bewoners zich op do markt bevonden, om do veroordeeling der Christenen bij te wonen.
Eensklaps bevond hij zich aan den oever van de Rhone. Zonder het to weten, was hij den weg naar de rivier ingeslagen. Handenwringend stond hij een oogenblik stil. Hj kon niet verder.
Plotseling slaakte hij een kreet van vreugde.
Eenige schreden verder zag hij een boot, die een man in schippersdracht bezig was uit te lioozen. Hij liet zich ijlings van den stellen kant afglijden en sprong in het vaartuig.
— Steek af! Zet mij over! hijgde hij.
De schipper zag hem verwonderd aan.
— Moet gij naar do overzijde, heer? vraagde hij. \'t Is goed, maar laat ik eerst mijn boot schoonmaken ....
•—■ Neen, neen! riep de vluchteling angstig. Haast u! — en moteen greep hij zelf den bootshaak en stak van wal.
De schipper haalde de schouders op en legde de riemen in het water, maa^ nauwelijks had de boot zich een tiental schreden van den oever verwijderd, of de voorste vervolgers verschenen daar, tierend en dreigend, omdat hun prooi hun ontsnapt was.
— Daar is hij! Daar in de boot! klonk het weldra. Keer terug, schipper! \'lis een schurk! Werp hein in de rivier!
97
De schipper hield op met roeien en zag Ithus vragend aan.
— Roei door! gilde de vrijgelatene angstig, roei door, man! ik zal u ruim beloonen?
Maar de schipper wierp hem een wantrouwenden blik toe.
— Wat heeft hij gedaan? schreeuwde hij de menigte toe, die op den oever stond.
— Zijn eigen kind vermoord! klonk het antwoord. De meesten hadden het gebeurde op de markt maar half begrepen, en, zooals het bij een volksoploop gaat, de een schreeuwde na, wat hij van den ander hoorde, of meende te hooren.
De veerman wierp nogmaals een blik op den sidderenden ithus, die door angst en schuldbesef geen woord kon uitbrengen.
— Met een kindermoorder ga ik niet over de rivier! zeide hij barsch. De goden zouden mij straffen.
En met een krachtigen riemslag deed hij het lichte vaartuig zwenken.
In een oogwenk had het volk den vrijgelatene uit de boot gesleurd.
— Slaat hem dood! klonk het van alle kanten. Neen, werpt hem in de Rhóne! Verdrinkt hem als een hond.
Het denkbeeld vond bijval. Een zware steen werd gewikkeld in het opperkleed van den vrijgelatene, dat men hem van het lijf had gescheurd, en zoo met een touw aan zijn hals bevestigd. Toen grepen een paar forsche mannen den jammerenden Ithus aan, die vergeefs om genade smeekte .... Een oogenblik later beschreef een donker lichaam een wijden boog door de lucht.... een nare schreeuw . . . een doffe plons... en alles was voorbij.
Dat was het einde van den vrijgelatene Ithus. den man, die . uit vrees en eigenbelang Valeria en hare vrienden had overgeleverd.
Ondertusschen was de rechtszitting op de markt voortgezet. Nadat allen, die het Romeinsche burgerrecht bezaten, van hunne
7
98
medegevangenen waren afgezonderd, rees Licinius op van zijn zetel, om het eerst over hen, in naam des Keizers, het vonnis uit te spreken.
Het luidde, zooals te verwachten was:
— De dood, door de bijl van den lictor!
De pro-praetor zelf moest over het lot der andere gevangenen beslissen, en luid jubelde het volk, toen het de uitspraak van Licinius vernam.
De Gallische Christenen toch waren veroordeeld, om bij de circusspelen, die gedurende de jaarmarkt zouden worden gehouden, den wilden dieren te worden voorgeworpen.
HOOFDSTUK X.
DE OVERWINNING.
riijffen volgenden dag nam het bloedige schouwspel een aanvang. De hoofden der Christenen, die het Ro-meinsch burgerrecht bezaten, vielen onder de bijlen der lictoren op het groote marktplein van Lugdunum. Hier verwierven Valeria en Attalus, Vettius Epagathus en Alexander de martelaarskroon.
Hunne vrienden zouden hen echter weldra volgen. De vree-selijke terechtstelling had de bloeddorst van het volk slechts geprikkeld en luide eischte het van den pro-praetor den dood der overige Christenen.
En Lucius Sextus Licinius voldeed aan hun wensch. Dag aan dag rookte het bloed der Christenen in het groote amphitheater van Lugdunum, dag aan dag weergalmde het ontzaggelijke gebouw van de stervenskreten der martelaren, die den dood vonden onder de klauwen en tanden der wilde dieren, en nog altijd was het verdierlijkte volk niet voldaan, nog » altijd eischte het meer bloed.
En gedurende al die verschrikkelijke dagen had Blandina eene kwelling te doorstaan, die erger was dan de dood. De goedhartige, maar ruwe en domme Astor, die haar tot eiken
100
prijs wilde redden, had den landvoogd verzocht, haar niet slechts tot den laatsten dag der spelen te sparen, maar haar ook de terechtstelling der overige Christenen te laten aanschouwen. Hij hoopte, dat bij dit verschrikkelijk schouwspel de moed haar zou ontzinken, en dat zij er in zou toestemmen de goden te offeren. Indien zijn plan gelukte, dan zou zijne vriendin, — de pro-praetor had het hem beloofd, — onmiddellijk in vrijheid worden gesteld. En zoo werd Blandina, die de oorzaak dezer nieuwe wreedheid niet kende, genoodzaakt, om, als een kruiseling aan een paal gekneveld, al hare vrienden en vriendinnen te zien sterven, terwijl zij, des avonds naar haar kerker teruggebracht, de smeekbeden van den armen Astor moest weerstaan, die wanhopig was, omdat zijn plan niet gelukte.
Eén lotgenoot had zij in deze droevige dagen. Het was Ponticus.
De landvoogd, die wellicht eenig berouw gevoelde over zijne handelingen ten opzichte van den ongelukkigen Ithus scheen in eene opwelling van medelijden den knaap te willen redden. Alle pogingen om hem tot afval te bewegen waren echter vergeefs geweest, en men dwong hem daarom, om, evenals Blandina, de terechtstelling zijner vrienden bij te wonen. Maar ook deze poging der Heidenen baatte niets. Integendeel, toen hij zijn leermeester Sanctus met een lofzang op de lippen den dood zag verbeiden, werden zijn geloof en zijn moed nog gesterkt.
Eindelijk was het de avond van den voorlaatsten dag der spelen. Den volgenden dag zouden de laatste Christenen in het amphitheater worden gebracht en een gladiatorenkamp op groote schaal zou het feest besluiten. Lucius Sextus Licinius stelde zich vooral van het laatste veel vermaak voor en hij rekende daarbij vooral op Astor. Hij had op de zwaardvechters van zijne eigene kazerne aanzienlijke sommen gewed, en zijn eerzucht zoowel als zijn hebzucht deden hem hopen, dat hun de overwinning zou blijven. Met ongeduld wachtte hij daarom de komst van den zwaardvechter, die verslag zou komen
101
geven van de laatste wapenoefeningen in de kazerne, en die hem tevens zou rnededeelen of Blandina, die hij in zijne bescherming had genomen, al dan niet in den circus zou moeten verschijnen.
De gladiator verscheen eerst laat. Zijn bedrukt gelaat bewees, dat hij ook ditmaal niet was geslaagd.
— Ik zie het al! riep de pro-praetor hem tegen, toen hij met hangend hoofd de zaal binnentrad. De Christin blijft halsstarrig, niet waar? Welnu, dan kan ik haar niet langer sparen. Gij zult moeten toegeven, dat ik gedaan heb, wat ik kon.
Zwijgend boog Astor het hoofd.
— Laat ons nu over de spelen spreken! vervolgde Licinius. Ik wil toch niet hopen, man, dat uw bezorgdheid voor die slavin uw arm heeft verlamd ? Ik reken op u!
Vastberaden zag de zwaardvechter zijn beschermer aan.
— Heer, zeide hij, gij hebt gelijk! Het voegt geen man, te treuren en te klagen als een meisje. Ik zal morgen voor u vechten, zooals ik nog nooit heb gevochten, maar sta mij eene genade toe !
— Welke? vraagde de pro-praetor levendig.
— Laat haar, Blandina, morgen niet lang lijden. Ik zal in den circus blijven, — en gij, heer, geef gij. als zij valt, spoedig het teeken tot den genadeslag.
— Als het volk ten minste niet de voortzetting van bet spel verlangt.. ., zeide Licinius aarzelend. Maar welaan, Astor, ik beloof u, dat ik aan uw verzoek zal voldoen.
— \'t Is het laatste, wat ik voor haar doen kan! prevelde de zwaardvechter met een zucht.
Den volgenden middag is de groote circus van Lugdunum weder propvol. Hot is de laatste dag der jaarmarkt en de spelen zullen ditmaal prachtig zijn. Do doorluchtige pro-praetor heeft de beste gladiatoren uit zijne kazerne bewaard voor dezen laatsten feestdag, en de burgers van Lugdunum zijn met al
102
de bezoekers der markt heden zijne gasten. Eenige tientallen krachtige mannen zullen straks, tot vermaak der menigte elkander bevechten op leven en dood. De namen der kampvechters zijn bekend: \'t zijn de beste uit het land, en, men kan er op rekenen, de strijd zal lang en bloedig zijn.
Maar eerst zal het bloedgierige volk zich nog aan een klein voorspel vergasten. Twee Christenen, een knaap en een meisje, zullen den wilden dieren worden voorgeworpen, \'t Schouwspel is eigenlijk niet belangwekkend meer: men heeft het in de laatste dagen reeds zoo dikwijls gezien! Toch kan het misschien eenige oogenblikken vermaken, want men zal den knaap een uitgehongerden beer uit de Pyreneeën laten bevechten, die eerst eenige dagen geleden gevangen is, en op de jonge vrouw zal een wilde Spaansehe stier worden losgelaten. Voorwaar, een aardige gedachte van den in deze zaken zoo vindingrijken pro-praetor!
Daar verschijnen de veroordeelden in het strijdperk. Beiden zijn bleek, maar kalm en moedig.
Ponticus is het eerst aan de beurt.
Blandina ziet, hoe de knaap naar het midden van het arena wordt geleid. Men duwt hem een zwaard in de hand, — eene armzalige bespotting is het, dat wapen in de hand van een kind tegen een monster —, daar verlaten de wachters ijlings het strijdperk. Een ijzeren valdeur rijst omhoog en brullend en snuivend stort een monsterachtig groote beer den circus in. De wachters hebben het dier met speren en scherp gepunte stokken geprikt en gesard, tot het haast dol werd en woedend van honger en pjjn zoekt het zijn prooi.
Ha! het monster heeft zijn slachtoffer bemerkt. De kleine oogen schieten vuur, — het dier richt zich op op de achter-pooten en strekt reeds de machtige klauwen uit tot de doo-delijke omhelzing\'
Blandina bedekt zich het gelaat met de handen. Ze ziet niet wat er gebeurt. Ze hoort slechts den stervenskreet van
103
den knaap, onmiddeljjk overstemd door de daverende toejuichingen der menigte.
Ponticus heeft de martelaarskroon verworven. Maar het volk begint te morren. Het spel was te spoedig afgeloopen! Geen nood! dat, hetwelk nu begint, zal langer duren!
In een rood net gewikkeld, dat al hare bewegingen belemmert, wordt nu de slavin in het arena gevoerd. Zij merkt nauwelijks, wat er met haar geschiedt. Zij ziet de mensehenmassa niet, die zich om haar verdringt, om zich te vergasten aan haar doodstrijd. Zij ziet niet, hoe een man in het gewaad van een zwaardvechter, tegen de poort van den circus geleund, met bleek en somber gelaat al hare bewegingen volgt. Zij heeft de oogen ten hemel geslagen en zachtjes bewegen zich hare lippen. Zij beveelt hare ziel aan God.
En andermaal opent zich een der ijzeren valdeuren, en een prachtige stier stuift het arena binnen. Terstond bemerkt het dier het roode net, en in woede ontstoken bukt het dreigend den kop, terwijl het met de breede hoeven het zand van den circus omwoelt, en toornig loeiend zijne zijden geeselt met zijn staart.
Blandina ziet het niet. Zij bemerkt niet, hoe het woedende dier met gebukten kop in een stofwolk gehuld op haar aanstuift .... Ha! weer davert het amphitheater van de toejuichingen! De stier heeft het teedere lichaam dier vrouw hoog in de lucht geslingerd, — nog eens, — en nog eens, — en nu vertrapt hij haar onder zijne zware hoeven!
Welk een heerlijk schouwspel voor het bloeddorstige volk!
Maar zie, het dier heeft het roode net, dat zijne woede opwekte, van de schouders van het slachtoffer gescheurd, en holt er mede naar het andere einde van het arena, waar hij het vertrapt en in stukken scheurt. Het dier heeft zijn werk slechts ten halve verricht, want zie, de Christin leeft nog! Zij heeft zich opgericht, en steunt met het deerlijk gewonde lichaam op de rechterhand.
104
Daar springt een man, een zwaardvechter, het strijdperk in. Hij heeft het korte zwaard uitgetogen in de hand.
Hij wendt zich tot den pro-praetor.
_ Heer!!.... roept hij smeekend. met eene van aandoening
schorre stem.
Licinius staart een oogenblik besluiteloos naar het volk. Dan evenwel wuift hij toestemmend met de hand.
Snel treedt Astor op het slachtoffer toe en buigt zich over haar heen.
Een oogenblik flikkert het zwaard in zijn vuist. . . dan zinkt het ontzielde lichaam der martelaresse in het van bloed doorweekte zand.
Blandina heeft den strijd gestreden en de overwinning behaald. _
Met den dood van Blandina en Ponticus was de vervolging tegen de gemeenten van Lugdunum en Vianna geëindigd. De Heidenen meenden, dat ze die voor goed hadden uitgeroeid, en als een bittere bespotting verbrandden zij de lichamen der martelaars, die niet door de wilde dieren waren verslonden, en strooiden de asch in de Rhone, om, naar zij meenden, het geloof der Christenen aan de opstanding des vleesches te schande te maken. Toch bleken hunne pogingen ijdel. De gemeenten waren niet uitgeroeid. De standvastigheid van Pothinus en Sanctus had nog vele belijders van een anders wissen dood gered, en na de vuurproef der vervolging verheugden zij zich weldra in nog grooter bloei dan vroeger. Lang bleven onder haar de vrome en moedige martelaren in eerbiedige gedachtenis, niet het minst Ponticus en Blandina, van welke laatste de opzieners getuigden: dat Christus in haar getoond heeft, hoe hetgeen gering, onaanzienlijk en geheel veracht schijnt bij de menschen, door God met de hoogste eere wordt verwaardigd!