DE MARTELAARS
DEE
EERSTE CHRISTENGEMEENTEN
VERHALEN UIT DE KERKGESCHIEDEKIS
DOOR
G. C. HOOGEWERFF
Schrijver van: „Een Sohipbreukelingquot;
III. S\'ofi^catp-uo, camp;iMcfiop van Sutler-via
NLIKERK
G. F. GALDEN BACH
CHRISTENGEMEENTEN
VERHALEN UIT DE KERKGESCHIEDENIS
DOOR
G. C. HOOGEWERFF
Schrijver van : „Een Schipbreukeling.quot;
III. Polprpos, BissÉp «au Snip,
4-IÖTHE€K OER
utrechT\'
éÊki. vi-èmwÊÊÊ
v
v gt;
NUKERK G. F. CALLENBACH.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
Snelpersdrukkerij — G. F. Callenbach — Nijkerk.
HOOFDSTUK I.
DE SLANGENBEZWEERDER.
oor een der drukste straten van de groote handelsstad Smyrna liepen twee mannen, die blijkbaar in een
druk gesprek waren gewikkeld. Zonder acht te slaan op de duwen en stoeten, die zij van tijd tot tijd van haastige voorbijgangers ontvingen, stapten ze langzaam voort, terwijl hunne sprekende blikken en levendige gebaren aantoonden, dat ze geheel en al vervuld waren met de zaak, die zij behandelden.
Hoewel zij zich van de Grieksche taal bedienden, waren het blijkbaar geen Grieken. Dit bleek zoowel uit hun eigenaardigen tongval, als uit hunne scherpe Oostersche trekken. Alen had eenigen tijd in twijfel kunnen staan, over hunne nationaliteit, in een stad, waar alle natiën van Europa en Azië elkander ontmoetten, zoo niet een uitroep in het Hebreeuwsch, die hun van tijd tot tijd ontsnapte, hen had verraden.
Het waren Israëlieten.
De oudste, een grijsaard met een eerwaardig uiterlijk, scheen juist iets aan zijn jongeren metgezel te hebben medegedeeld, dat dezen veel belang inboezemde en eenigszins scheen te verrassen.
4
— Ge zijt dan wel zeker van de gezindheid van den Keizer? gaf hij ten antwoord, op eenige heftige woorden van den oude. Ik dacht, dat een wijsgeer, als Marcus Aurelius....
— Juist omdat hij een wijsgeer en een rechtsgeleerde is, zal hij onze plannen in de hand werken, viel de grijsaard hem in de rede. Niets gaat hem boven het belang van den staat en het handhaven der wetten. Welnu, de wetten zijn er, het volk is op onze hand, als wij nu slechts den flauwhartigen Maximius kunnen dwingen, de hand aan het werk te slaan, dan zijn de dagen dier vervloekte Christenen in Smyrna en in geheel Klein-Azië geteld.
Bij deze woorden speelde een triumpheerende grijnslach om de lippen van den oude, die aan zijn gelaat een duivelsche uitdrukking gaf.
— Gij haat hen wel diep, die Christenen, Simon! zeide de jongere Israeliet, onwillekeurig huiverend.
— Of ik ze haat!.... De oogen van den grijsaard gloeiden van een somber vuur onder de borstelige wenkbrauwen en zijne stem stokte een oogenblik.
— Of ik ze haat! ging hij voort, onwillekeurig de gebalde vuist opheffend. Ja zeker haat ik ze! Zie Matthias, als jongeling heb ik gestaan bij de bouwvallen van de heilige stad en van Jehovah\'s tempel, en ik heb op de borst geslagen en stof op mijn hoofd gestrooid en geweend en rouw bedreven over Jeruzalem. En smaden zij ons niet, die Christenen, als zij daar zeggen, dat de Heilige stad werd verwoest en de tempel in vlammen opging, omdat Jehovah zijn aangezicht van ons wendde en wraak nam over den dood van den valschen Messias, den ge-kruisten Nazarener? En zwerft ons volk, het volk Gods, niet in ballingschap over de geheele aarde, versmaad en veracht, terwijl de Christenen, veracht worden als wij, ja, maar steeds in aantal toenemen, trots eiken tegenstand, trots elke verdrukking! Zij moeten onderdrukt, zij moeten van den aardbodem verdelgd
5
worden, opdat het blijke, dat onze vaderen in hun recht waren, toen zij den Nazarener kruisigden!
— En gij wilt Rome, dat stad en tempel verwoestte, gebruiken om uw doel te bereiken? vraagde Matthias.
— Als de Heidenen woeden tegen de Christenen, zal Israël juichen! zeide Simon. En wat Rome betreft, vervolgde hjj somber, geduld! Als de Messias komt, om de verstrooiden te vergaderen, is ook voor Rome het uur der vergelding geslagen. Maar Hij vertoeft. . . Hij vertoeft te komen, en Israel verzucht in ballingschap!
En de oude Jood sloeg zich in hartstochtelijke droefheid op de borst, zonder zich te bekommeren om de spottende blikken der voorbijgangers.
— Denkt Isaac Bar-Levi als gij? vraagde Matthias na een oogenblik stilzwijgen».
— De overste onzer synagoge? vraagde Simon, uit zijn somber gepeins ontwakende. Ja, wat moet ik u antwoorden? Hij haat de Christenen als ik, maar ik begrijp hem niet Tevergeefs spoor ik hem vaak aan om te handelen. Hij laat menige schoone gelegenheid voorbijgaan, om althans enkelen onschadelijk te maken. En als ik hem naar de reden vraag van zijn dralen, haalt hij de schouders op en zwijgt!
— Hij is sluw, zeide Matthias nadenkend, en toch doortastend genoeg, als het er op aan komt. Hij zal zjjn eigen plan hebben!
— Waarom deelt hij het ons dan niet mede? vraagde de oude heftig.
— Daar zal hij mogelijk goede redenen voor hebben, zeide de ander met een bijna onmerkbaren glimlach. Geloof mij,
0 Simon, Isaiik Bar-Levi weet wat hij doet!
Simon wilde antwoorden, toen zijn aandacht zoowel als die van zijn metgezel werd afgeleid door een zonderling schouwspel.
Üp bet breede bordes van een openbaar gebouw stond een
6
man, slechts met een schort om de lendenen gekleed, die onder allerlei vreemde gebaren een soort dans uitvoerde, waarmede hij de aandacht der voorbijgangers scheen te willen trekken. Hij begeleidde zijne grimassen door de schrille tonen van een muziekinstrument, dat op een gewone herdersfluit geleek.
Zijne pogingen waren niet vruchteloos. Weldra was hij door een kring van toeschouwers omringd, die nieuwsgierige blikken wierpen op den vreemden danser en op een gesloten korfje, dat aan zijne voeten stond.
Ook de beide Israëlieten hadden een oogenblik hunne wandeling gestaakt. Zoodra Matthias echter den potsenmaker nauwkeuriger had opgenomen, haalde hij verachtelijk de schouders op.
— \'t Is slechts een Egyptische slangenbezweerder! zeide hij, terwijl hij zijn metgezel aanstiet; kom, laten we verder gaan.
Simon knikte toestemmend. Plotseling echter bleef hij staan.
— Een oogenblik! zeide hij, terwijl hij haastig op den kring toetrad. Daar, vlak achter dien bruinen kerel staat waarlijk Rachel, mijne dochter, met haar oudsten jongen, \'t Dwaze kind zou beter doen, voor het middagmaal van haar man te zorgen, dan in de straten van Smyrna de goochelaars na te loo-pen. Ik zal haar naar huis zenden! \'t Is hier geen plaats voor haar.
Tegelijk trachtte hij, door Matthias gevolgd, zich een weg te banen door de steeds aangroeiende menigte; maar dit ging zoo gemakkelijk niet. Rachel en haar kind stonden in de voorste rijen, en zij, die daar mede een plaats veroverd hadden, wilden die niet opgeven. Simon zag weldra, dat zijn voorwaarts dringen hem weinig baatte. Hij zou zijne dochter gaarne hebben aangeroepen, maar al had hij dit kunnen doen zonder opzien te verwekken, de jonge vrouw kon zich evenmin verwijderen, daar zij reeds van alle zijden door nieuwsgierige toeschouwers omringd was. Bezorgd over moeder en kind, die zich indeon-middehjke nabijheid van den goochelaar en zijne ongure dieren
7
bevonden, bleef de oude staan, en was alzoo een onwillig toeschouwer van het tooneel, dat nu volgde.
Toen de Egyptenaar oordeelde dat de toevloed van nieuwsgierigen groot genoeg was, staakte hij zijne zonderlinge sprongen, en begon in slecht Grieksch eene korte toespraak, een soort van lofrede op de goden, die hem, hun nederigen dienaar, macht hadden gegeven over slangen, schorpioenen en alle vergiftige dieren. Toen bukte hij zich naar het korfje, dat aan zijne voeten stond, en haalde er voorzichtig een paar groote Egyptische adders uit, die hij vóór zich op de steenen neervlijde. Onwillekeurig weken de naastbijzijnden achteruit, toen de gevaarlijke dieren sissend en met opgeheven kop voort-schuifelden, als zochten ze naar een prooi.
De bezweerder vermaakte zich een oogenblik met de ontsteltenis der omstanders. Toen greep hij weer naar zijn herdersfluit en begon een zachte, klagende melodie te spelen. Bij de eerste tonen bleven de slangen roerloos en hieven blijkbaar luisterend den kop op. Toen begonnen zij zich langzamerhand weer te bewegen. Hun bovenlijf richtte zich op van den grond en op hun staart steunende wiegelden zij zachtjes heen en weder op de maat der muziek. De goochelaar speelde nu een vroolijker wijsje en al sneller en sneller bewogen zich de dansende dieren, totdat de fluit eindelijk zweeg, en zjj bewegingloos aan de voeten van hun meester bleven liggen.
Deze kondigde nu het tweede nummer van zijn programma aan. Hij zou eenige van de gevaarlijkste slangen om hals en armen laten kronkelen, dan zou hij zich door de dieren laten bijten, zonder dat het hem zou deren, alles, naar hij verzekerde, tot eer der goden en tot vermaak van de burgers der goede « stad Smyrna. Alvorens hij zijne vertooning echter voortzette, deed hij een beroep op de milddadigheid der toeschouwers, waartoe hij van onder zijn schort een groote schelp te voorschijn haalde, die hij den omstanders aanbood.
8
Het volk, hoe ook aan dergelijke vertooningen gewoon, scheen er ook ditmaal smaak in te vinden, en de Egyptenaar kon tevreden zijn met het aantal koperen muntstukjes, die van alle kanten in zijn schelp vielen.
Hij was bijna met zijne inzameling gereed; slechts Simon en zij, die in zijne uabijh id stonden hadden hem nog niets gegeven. De goochelaar, die van den deftigeu grijsaard blijkbaar een aanzienlijke gift verwachtte, hield hem met een diepe buiging zijne schelp voor.
Simon wierp hem een grimmigen blik toe.
— Pak u voort, verwenschte duivelskunstenaar! beet hlj hem toe.
De Egyptenaar scheen een oogenblik door deze bitse bejegening onthutst, maar terstond herstelde hij zich, en met een valschen grijnslach antwoordde hij;
—- Ha, ha! de edele heer kijkt naar de kunsten van den armen Anubis, scheldt hem dan voor duivelskunstenaar en schenkt hem geen penning. Anubis zegt op zijne beurt: Pak u voort, vrek!
Wrevelig wendde de oude zich af en poogde zich te verwijderen, terwijl de toeschouwers zich vermaakten met den goochelaar, die achter zijn rug op koddige wijze zijne gebaren nabootste.
Plotseling echter deed een jammergeschrei, dat weldra overging in een vreeselijk gegil allen verschrikt uiteenstuiven, terwijl Simon met een kreet van ontzetting op Rachel en haar kind toeschoot.
Terwijl de aandacht der omstanders op de twistenden gevestigd was, was de kleinzoon van den oude zijne moeder ontsnapt, en zonder dat deze het bemerkte, naar de beide slangen van den Egyptenaar geslopen, die bewegingloos op do steenen lagen uitgestrekt, om de dieren met een stokje te sarren. Dit bekwam hem echter slecht. Een der adders had zich dadelijk
9
om het stokje en een oogenblik later om den arm van den knaap gekronkeld. Schreeuwend en gillend had de knaap het beest weggeslingerd en was naar zijne moeder gevlucht, die hem al jammerend in hare armen knelde, niet twijfelend, of haar kind was door het venijnig monster gebeten, terwijl de slang toornig sissend, op de naastbijzjjnde omstanders toeschoot, die ijlings achteruitweken.
Tegelijk met Simon was ook de Egyptenaar toegesneld.
— Niet vergiftig! Giftanden uitgebroken! krijschte hij, terwijl hij den oude trachtte te weerhouden, die zich met opgeheven staf op de slang stortte,
Zijn uitroep kwam echter te laat. Met een forschen slag had de nog krachtige grijsaard het dier den kop vermorseld.
Dit was den bezweerder te veel.
Met een woeste schreeuw haalde hij een lang mes te voorschijn en vlug als een panter wierp hij zich op den ouden Israëliet, en zeker zou het met Simon slecht zijn afgeloopen, zoo uiet Matthias, geholpen door een paar der omstanders, den Egyptenaar zijn wapen had ontweldigd.
Het volk, dat zoo pas om den goochelaar had gelachen, ontstak in woede op het gezicht der jammerende moeder met haar weenend kind.
— Sla dood den toovenaar met zijn venijnig gedierte! klonk het van alle kanten, en terwijl eenigen de slangen met stokslagen en steenworpen doodden, drongen anderen met messen en knuppels op den Egyptenaar aan, die zich als een razende verdedigde. Hij moest echter voor de overmacht bukken, en naar alle waarschijnlijkheid zou hij de plaats niet levend hebben verlaten, zoo niet de plotselinge kreet: De gerechtsdienaars! zijne aanvallers had doen afdeinzen. Eer nog de rustbewaarders op de plaats van het gevecht aanwezig waren, had het volk zich verstrooid, terwijl het den slangenbezweerder, met wonden en builen bedekt, voor dood op de steenen liet liggen.
10
Slechts Simon en Matthias bleven op de plaats van het gevecht. Geen van beiden bekommerde zich echter om den Egyptenaar. Terwijl de laatste de ontstelde moeder tot bedaren trachtte te brengen, onderzocht de oude Israëliet met de grootste zorgvuldigheid het schreiende kind. \'t Scheen echter, dat de goochelaar de waarheid gesproken had, toen hij beweerde, dat zijne slangen geen giftanden meer hadden, althans,, Simon kon geen enkele wonde ontdekken. Toch had de wraakzuchtige oude geen deernis met den Egyptenaar, die het onschuldige slachtoffer was geworden van den moedwil van zijn kleinzoon, maar wien hij de beleediging en den schrik van zooeven niet kon vergeven. Toen dan ook de rustbewaarders genaderd waren, en naar de oorzaak vraagden van het tumult, wees hij hun den bewusteloozen Anubis.
— Die ellendige landlooper, — Jehovah\'s vloek over hem en zijn geslacht tot in het zevende lid! — is de schuld van alles, zeide hij knarsetandend. Hij heeft zijn venijnig gedierte op mijn zoon aangehitst, en toen ik het kind te hulp snelde, is hij met zijn mes op mij aangevallen. Zoo het volk hem niet had weerhouden, had hij ons vermoord. Gij, Matthias Ben-Ezra, getuig of mjjne woorden waarheid zijn!
De jonge Israëliet knikte toestemmend.
— Breng hem naar de gevangenis! Sluit hem in den stok! Aan het kruis zal hij sterven, de duivelskunstenaar! de vervloekte heiden! gilde de oude, die zich hoe langer hoe meer opwond.
Ondertnsschen waren uit een zijstraat eenige mannen te voorschijn getreden, die zich onder de nieuwsgierigen gemengd hadden, welke weder van alle kanten waren toegestroomd. Een hunner, een grijsaard, gebogen onder den last der jaren, maar met nog jeugdig vuur in het helder oog, had met blijkbare aandacht naar de beschuldigingen en de smaadredenen van den ouden Simon geluisterd en daarbij beurtelings naar het schreiende kind en den gewonde geblikt.
11
Op het hooren van den eisch van den ouden Israëliet hadden de politiedienaars verdrietig de schouders opgehaald. Blijkbaar hadden zij geen lust, om in de brandend heete zon den Egyptenaar naar hun wachthuis te torsen. Een hunner trad dan ook naar het schijnbaar ontzielde lichaam toe, boog er zich een oogenblik over heen en gaf het toen een verachtelijken schop.
— De kerel is dood! zeide hij onverschillig. Werpt hem in het kanaal, dan drijft hij van zelf naar zee!
Plotseling werd den spreker eene hand op den schouder gelegd.
— Vriend, zeide een zachte maar ernstige stem, waarom mishandelt gij dien armen man? Hoe zou \'t u smaken, wanneer men u op zij schopte als een hond, zoo gij daar bewusteloos op de steenen laagt?
Onthutst door de ongewone woorden en nog meer door het eerbiedwekkend uiterlijk van den grijsaard, — want deze was het, die hem had toegesproken, — trad de gerechtsdienaar ter zijde.
Zonder zich om het volk te bekommeren, dat hem nieuwsgierig gadesloeg, knielde de eerwaardige man bij den bewus-telooze neder, onderzocht zijne wonden eu betastte zijn lichaam.
— Die man is niet dood! zeide hij, na eenige oogenblikken.
Simon had, sprakeloos van verbazing over die onverwachte
tusschenkomst, beurtelings zijn metgezel en den ongeroepen helper aangestaard. De eerste, die de heftigheid van den grijzen Israëliet maar al te wel kende, trachtte hem herhaaldeljjk mede te troonen, maar de oude wees hem ongeduldig terug.
— Wie is die man? fluisterde hij, met heesche stem.
— Polycarpus, de overste der Christenen! Hun bisschop, zooals zij hem noemen! antwoordde Matthias even zacht. Ik dacht, dat gij hem kende.
— Ik heb hem nooit willen zien! — Maar dien ellendeling zal hij mij niet ontnemen.
En op de gerechtsdienaars toesnellend, eischte hij, met hartstochtelijke woorden, dat zij den Egyptenaar terstond mede zouden voeren.
•12
— Die man leeft nog, maar hij is zwaar gewond, zeide Polycarpus haastig, terwijl hij mede op de rustbewaarders toetrad. Hij kan u onmogelijk volgen! Gij zoudt hem moeten dragen, en daarenboven zou uwe moeite wel vergeefsch zijn, want zonder spoedige hulp zal hij weldra bezwijken.
Nu wendde Simon zich tot den bisschop, en onder een vloed van smaadredenen en scheldwoorden dreigde hij dezen met alle aardsche en helsche straffen, zoo hij het durfde wagen, den duivelskunstenaar, den moordenaar, aan zjjn verdiende strafte onttrekken, terwijl hij tegelijkertijd allerlei onzinnige bedreigingen uitstiet tegen de gerechtsdienaars, zoo zij aan zijn eisch geen gehoor gaven.
— Het wachthuis is een myl van hier! Wij kunnen dien bloedenden kerel zoover niet torsen ! zei een der mannen norsch. Wat wilt gij met hem doen, heer?
— Geef hem aan ons over! zeide deze. Wij zullen hem verplegen, en met Gods hulp genezen. Heeft hij werkelijk iets misdreven, dan moge hij het later boeten. En gij, mijn broeder, vervolgde hij zachtmoedig tot Simon, die hem aanstaarde met oogen, fonkelend van wraakzucht en machtelooze woede, gij zijt even als ik, oud van dagen. Weldra zult gij verschijnen voor Gods rechterstoel. Wilt gij dien man niet vergeven, opdat ook uwe zonden u vergeven worden?
— Preek tegen uw eigen addergebroedsel, vervloekte Naza-rener! knjschte Simon, en zeker zou hij zich, trots zijne hooge jaren, op den bisschop geworpen hebben, zoo de gerechtsdienaars hem niet hadden tegengehouden.
— Al genoeg! zei een hunner, terwijl hij de beide Joden terugstiet. Zoo gij en de uwen dien halfdooden kerel wilt medenemen heer, dan is \'t ons wel. Alleen zult gij ons zeggen, waar gij hem heen voert.
Polycarpus raadpleegde zijne metgezellen met de oogen.
— quot;t Hospitaal van Quintus is hier dicht bij, zeide een hunner aarzelend.
13
— De man zal er goed verpleegd zijn! zeide de bisschop bedaard. Gij hoort het, vrienden, vervolgde hij tot de gerechtsdienaars, wij brengen hem naar het ziekenhuis van Quintus. in de Havenstraat. Daar kunt gij hem vinden, zoo ge hem noodig hebt!
De gerechtsdienaars verwijderden zich.
Ondertusschen hadden de metgezellen van Polycarpus den nog altijd bewusteloozen Egyptenaar opgetild, en na het gewonde en gekneusde lichaam voorzichtig in een mantel te hebben gewikkeld, voerden zij het met zich.
Met gebalde vuisten en vertrokken gelaat zag Simon hen vertrekken.
— Zij zullen het mij betalen! Zij quot;zullen het mij betalen! prevelde hij. Ik ga naar Isaac Bar-Levi. De Christenen hebben een misdadiger in bescherming genomen. Dat zullen zij boeten! Wij zullen hen aanklagen en het volk tegen hen ophitsen!
Al mompelend verwijderde hij zich, door Matthias gevolgd. Rachel en haar kind waren reeds lang verdwenen.
Polycarpus was in diep gepeins zijne getrouwen gevolgd. Plotseling zeide hij tot een hunner:
— Ik zou wel willen weten, wat die Egyptenaar toch misdreven heeft! Gjj moest dat eens voor mij onderzoeken, Germanicus!
Germanicus, een jong en tenger gebouwd man, boog toestemmend het hoofd.
— Die oude Jood scheen geweldig op hem verbolgen! zeide hij.
— Die oude Jood, — antwoordde de bisschop opziende, \'t Is waar! Die man is in toorn van mij gegaan, en ik heb niet getracht, hem met mij te verzoenen. Ga vooruit, kinderen, ik volg u terstond.
En Polycarpus keerde met Germanicus terug, om Simon op . te zoeken, doch zijne pogingen waren vergeefsch. De beide Joden waren reeds lang onder de woelende menigte verdwenen.
OOFDSTUK H.
HOSPITAAL VAN QUINTUS.
het midden der breede straat, die naar de haven xpaCjal van Smyrna voerde, stond het flinke gebouw, dat bij de inwoners der stad algemeen bekend was als »het hospitaal van Quintus.« Allen wisten toch, dat Quintus, een ouderling der Christenen, dit ziekenhuis gesticht had en het geheel uit eigen middelen onderhield. De stichter oogstte dan ook niet weinig lof in, en die lof was in vele opzichten verdiend; inrichtingen toch, waar armen en kranken uit barmhartigheid werden verpleegd, waren groote zeldzaamheden, en het wasuitnemend, dat de meer gegoede Christenen zich hier en daar met dergelijke werken der liefde bezig hielden.
Wie dan ook het ruime en voor dien tijd wèl ingerichte hospitaal zag, kon niet anders, dan de milddadigheid van den stichter roemen, al had de opmerkzame beschouwer misschien het geheel wat eenvoudiger gewenscht. en vooral in den steen boven den ingang, die in gulden letteren Qaintus\' naam als dien van den oprichter en eigenaar der inrichting den voorbijganger verkondigde, juist geen bewijs van Christelijke nederigheid gezien.
H
HET
15
Op den morgen van den dag, volgende op dien, waarop wij ons verhaal begonnen, stonden twee mannen in het ruime voorhuis van het hospitaal in druk gesprek. Beiden waren van middelbaren leeftijd. De een, een lang man, met hoekige gelaatstrekken, 6ikkerende grijze oogen en een ontevreden trek om den reeds ingevallen mond, droeg het gewaad van een aanzienlijk burger. De ander was gekleed in den eenvoudigen mantel der Grieksche geleerden en philosofen. Zijn bleek en schrander gelaat, zijn diepgegroefd voorhoofd getuigden van nadenken en studie. In zonderlinge tegenstelling met zijn geheele uiterlijk was echter de onrustige, haast wilde blik zijner groote, donkere oogen, die soms, als hij onder het gesprek in vuur geraakte, konden fonkelen van een geheimzinnigen gloed.
— En wilt ge u nu voor goed te Smyrna vestigen, broeder Marcion? vraagde de lange man, die aandachtig na een uitvoerig reisverhaal had geluisterd, dat zijn metgezel hem had gedaan.
De ander schudde het hoofd.
— Neen, neen, broeder Quintus, zeide hij glimlachend. Hier te Smyrna, onder den herderstaf van Polycarpus, is mijne plaats niet. Binnen weinig weken keer ik naar Rome terug. Maar ik wilde mijn geboortestad Sinope en mijne vrienden in Klein-Azië eens terugzien, en daarom ben ik ook hier gekomen. Indien ge \'t mij vergunt, zal ik een beroep doen op uwe gastvrijheid, — ten minste, indien ge den sdwaal-Ieeraar« durft herbergen, voegde hij er plotseling somber bij.
Quintus haalde de schouders op.
— Ik heb van u en uw leer gehoord, zeide hij. Polycarpus rekent u tot de Gnostieken, en verfoeit uwe stellingen.....
— Natuurlijk verfoeit hij ze, de bekrompen oude! viel Marcion driftig uit. Hoe zou hij, die zich niet kan losmaken van zijn Joodschgekleurd Christendom een leer kunnen begrijpen, die zich niet stoort aan de overlevering, of aan het ge-
16
voelen der menigte? Het Évangelie moet van alle Joodsche toevoegsels, van alle vreemde inmengselen gezuiverd worden! Laten wij het Oude Testament aan de Joden! Ons Evangelie is nieuw . . .
— Al genoeg! viel Quintus den dweper koeltjes in de rede. Van uwe spitsvondigheden begrijp ik toch niets, evenmin als van die van den bisschop. Overigens loop ik niet aan den leiband van Polycarpus. Gij zijt mijn gast en als zoodanig zijt gij mij welkom.
— Gij zijt geen vriend van Polycarpus? vraagde Marcion.
Quintus kleurde.
— Zijn vriend? o, zeker! Is bij niet onze bisschop? zeide hij haastig. Maar de man wordt oud, en — en is bekrompen, zooals gij zegt. Hij bestuurt de gemeente in overleg met sommige zijner gunstelingen, zonder ooit anderen te raadplegen, die, . . . door hunne verdiensten, .... wel eenige aanspraak hebben .... nu ja, die hij niet over het hoofd moest zien.
Met een nauw merkbaren glimlach zag Marcion zijn gastheer onderzoekend aan.
— Ik dacht u eigenljjk als bisschop terug te vinden, Quintus, zeide hij.
Weer kleurde een blos van verlegenheid de anders bleeke wangen van den ouderling.
— Ik. bisschop! ik, onwaardige! zeide hij met een gebaar, als ware de gedachte nooit bij hem opgekomen. Toen wierp hij een snellen blik om zich heen, om zich te overtuigen, dat er geen luisteraars in de nabjjheid waren.
— Hoor, broeder Marcion, fluisterde hij, gij zegt wél! Als hij, die de meeste verdiensten heeft, die het meest voor de gemeente opgeofferd heeft, den bisschopsstaf moest zwaaien, dan behoorde die in mijne handen. En als Polycarpus aftreedt of sterft, — hij is oud, zeer oud, — dan, dan .... geloof mij vele broeders zijn van uw gevoelen.
17
Marcion wierp een minachtenden blik op den ijdelen pocher.
— Polycarpus houdt u en uwe werken van barmhartigheid toch zeker in hooge waarde? vraagde hij eindelijk.
— Dat kan ik juist niet zeggen, klaagde de ander, die don spottenden toon der laatste vraag niet opmerkte. Hij neemt alles, wat ik de gemeente schenk voor hare armen, eenvoudig aan, alsof dat zoo van zelf sprak. Raadplegen doet hij mjj nooit! Hij schijnt wel te denken, dat hij, als leerling van den apostel Johannes, de wijsheid in pacht heeft!
— Beklagenswaardige, miskende Quintus! zeide Marcion.
—- Niet waar? vervolgde zijn gastheer ijverig. Hij kon ten minste hen, die boven anderen uitblinken in werken der lieide en barmhartigheid, met meer onderscheiding behandelen. Maar \'t is, of hij mij met opzet wil krenken. Daar zendt hij mij gisteren een gewonden Egyptenaar, die hier wordt binnengedragen door een paar diakenen. De mannen zeggen mij, dat de bisschop hem aan mijne barmhartigheid aanbeveelt, en dat htj weldra zelf zou komen. En ik heb gewacht, gewaeiit den halven dag, maar wie er verscheen, geen Polycarpus!
— Dan zal uw verlangen uu toch bevredigd worden! zeiue Marcion bedaard, want zie, daar komt hij.
Werkelijk naderde de bisschop van Smyrna, evenals g\'ste-ren vergezeld door eenige ouderlingen en diakenen en door zijn schrijver Germanicus.
— \'t Is werkelijk waar! Hij komt hierheen! riep Qu\'utus verrast.
— Dat geloof ik ook, en daar ik hem niet wensch te ontmoeten, zal ik mij liever schuilhouden! zeide Marcion, terwijl hij snel het hospitaal binnentrad,
Quintus bleef alleen, om de naderenden te ontvangen,
— De Heer zij met u, broeder Quintus! zeide Polycarpus ■vriendelijk, terwijl hij den ouderling de hand reikte. Waarschijnlijk hadt gij mij wel verwacht,
MP 2
18
— U verwacht? zeide Quintus, schijnbaar overschillig. O, gij meent wellicht wegens dien gewonde?
— Ik had hem persoonlijk aan uwe hoede willen toevertrouwen, zeide de bisschop. Maar een oude Israeliet, die zeer op hem gebeten was, scheen zich door mijne tusschenkomst be-leedigd te achten. Hij ging in toorn van mij, en ik trachtte hem terug te vinden. Toen wij, Germanicus en ik, echter tevergeefs naar hem gezocht hadden, was het uur, waarop gij gewoonlijk hier zijt, verstreken. Ook riep mij andere arbeid.
De wrevelige trek om Quintus\' mond werd duidelijk zichtbaar.
— Hij verwaarloost mij, een ouderling der gemeente, om een Jood! dacht hij.
— En hoe maakt het onze kranke? vervolgde Polycarpus, die niet vermoedde, wat er in het hart van den ouderling omging. Laat ons hem gaan zien.
Zwijgend leidde Quintus den bisschop en de zijnen door de gangen van het vrij ruime gebouw, naar het vertrek, waar de Egyptenaar verpleegd werd. De slangenbezweerder lag met verbonden hoofd op een rustbank. Hij scheen vernomen te hebben, wien hij zijne redding verschuldigd was, of wellicht was hij den vorigen dag niet zoo geheel buiten kennis geweest, als de omstanders wel meenden. Zoodra toch Polycarpus binnentrad, wierp hij zich aan diens voeten en terwijl hij den zoom van \'s bisschops mantel trachtte te kussen, overlaadde hij hem met de overdrevenste dankbetuigingen en zegen-wenschen.
Vriendelijk maar beslist wees Polycarpus hem terug.
— De arts zegt, dat hij wel spoedig zal herstellen, zeide Quintus, maar als hij het hospitaal verlaat, loopt hij gevaar, in de handen te vallen der gerechtsdienaars. Ik heb eenige Joden hier in de buurt zien rondzwerven. En toch is hij onschuldig.
— Germanicus heeft de zaak voor mij onderzocht, zeide
19
Polycarpus, toestemmend knikkend. De Egyptenaar schijnt werkelijk geen aanleiding gegeven tot het tumult van gisteren.
— Wij zullen hem beschermen! riep Quintus. Anubis, aan zjjne voeten neergehurkt, had zich meester gemaakt van den zoom van zijn kleed, dien hij herhaaldelijk aan de lippen drukte.
Den ouderling scheen dit niet ongevallig te wezen. Althans, hjj liet hem begaan.
— Ik heb met hem gesproken, fluisterde hij met een gewichtig gelaat den bisschop in het oor. Zijn hart is geopend voor het Evangelie! Hij wil Christen worden!
— Wees voorzichtig, lieve broeder! zeide Polycarpus hoofdschuddend. De Heer geve, dat gij waarheid spreekt, maar wij kunnen ons in de menschen bedriegen.
Quintus haalde de schouders op, met een gelaat, dat duidelijk te kennen gaf, dat hij zich boven zulke vermaningen verheven rekende.
— Hoe het zij, ging de bisschop voort, als de man werkelijk onschuldig is, mag hij niet opgeofferd worden aan de wraakzucht van dien ouden Israëliet, wiens kleinzoon, naar ik hooi^ niet eens gedeerd is. De Heer heeft dezen man op onzen weg gebracht, en wij zijn verplicht, voor hem te doen, wat wij kunnen. Ik zal mij tot Gallio wenden.
— Tot den overste der politie? vraagde Quintus.
Polycarpus knikte toestemmend.
— Hij kent mij, zeide hij, en zal op mijn verzoek dien man zijne bescherming niet weigeren. Moge het verblijf onder uw dak onzen kranke tot zegen zijn, broeder Quintus, maar, ik bid u, vervolgde hij, alleen voor den ouderling verstaanbaar, wees voorzichtig en beproef de oprechtheid van den man.
Nadat de bisschop nog eenige vriendelijke woorden tot Anubis gericht had, vertrok hij. Quintus deed hom uitgeleide tot aan de deur, waar Polycarpus\' volgelingen hem reeds wachtten.
20
Zoodra de ouderling hen zag, scheen hem plotseling iets in te vallen.
— Eerwaarde vader, zeide hij, zoo luid, dat allen hem hoo-ren konden, ik heb nog iets vergeten. Heden zijn mijne graanschepen gelukkig binnen geloopen. Eene halve scheepslading stel ik te uwer beschikking, ter uitdeeling onder de armen.
De ouderlingen en diakenen wisselden blikken van verbazing en bewondering. Slechts Polycarpus fronste even het voorhoofd.
•— Dank voor uwe mildheid, broeder Quintus, zeide hij luide. Toen trad hij eene schrede dichter bij.
•— Weldadigheid is goed, lieve broeder, zeide hij, alleen voor den ouderling verstaanbaar, maar ik bid u, vergeet niet, dat de Heer gezegd heeft: Laat uw linkerhand niet weten, wat uw rechter doet!
Quintus beet zich op de lippen. Hij waagde echter geen antwoord.
Nauwelijks was Polycarpus met de zijnen vertrokken, of Marcion trad van achter een pilaar te voorschijn. Blijkbaar had tij alles verstaan.
— Arme Quintus! zeide hij, terwijl hij zijn gastheer spottend aanzag. Die les was bitter. Ja, Polycarpus is geen vleier ! Dat heb ik ook ondervonden.
— Zijt gij dan met hem in aanraking geweest? vraagde de ouderling, in wien de nieuwsgierigheid een oogenblik de ergernis overwon.
— Te Rome heb ik hem ontmoet, antwoordde Marcion. Ik vraagde, of hij mij niet herkende.
— En wat kreegt ge tot antwoord!
— Hij zag mij een oogenblik uitvorschend aan, en toen zeide tij: Ja, zeker ken ik u, gij eerstgeborene des satans!
— En gij?
— Ik ging mijns weegs, als het een wijsgeer past. De oude
21
man is te bekrompen, om mij te begrijpen, en daarom beoordeelt hij mij verkeerd.
— Bekrompen, ja, dat is hij! zeide Quintus haastig. Be-krompan en jaloersch! Ook mij begrijpt hij niet!
Marcion zag hem van terzjjde aan,
— IJdele dwaas! prevelde hij.
HOOFDSTUK III.
ISAAC BAR-LEVI,
e oude Simon liep in het voorhuis van een der- aanzienlijkste woningen in de Jodenwijk te Smyrna onrustig heen en weer.
Van tijd tot tijd wierp hij toornige blikken naar eene deur, waarvoor een Joodsche knaap zat neergehurkt, schijnbaar verdiept in een Ijjvige boekrol. Blijkbaar vermaakte de jongen zich met het ongeduld van den grijsaard, want telkens als deze hem den rug toedraaide, waagde hij een steelschen blik, en toonde dan door de zonderlingste gelaalsvertrekkingen zijn geheime vreugde over Simons gejaagde bewegingen en halfluide uitroepen.
— Is uw heer dan nog niet te spreken, Abner! riep de oude, wiens geduld ten einde was, den knaap eindelijk toe.
— Isaac Bar-Levi zou mij roepen, indien het tijd waslzeide de knaap, schijnbaar deemoedig.
— Ga eens zien! zeker hebt gij uw boodschap niet goed gedaan!
— Zeker heb ik die gedaan! riep Abner. Ik heb gezegd: Rabbi, daar is Simon Ben-Ezra en hij is erg ongeduldig.
— Steekt gij den draak met mjj, kleine aap? riep Simon
23
driftig, en hij greep naar zijn staf om den knaap te tuchtigen.
— Mijn heer roept! riep deze echter op eens, eer de oude Israëliet aan zijn voornemen gevolg had kunnen geven, en meteen was hij verdwenen.
Stampvoetend van ongeduld wachtte Simon op zijne terugkomst. Hij had den vorigen dag herhaaldelijk getracht, den overste der synagoge te spreken, maar steeds tevergeefs. En toch wilde hij niets doen, zonder zijne voorkennis. Het was hem zeker gemakkelijk geweest, den Egyptenaar bij het hoofd der politie aan te klagen, en het leven van een armen vreemdeling was onder het Romeinsche bestuur niet van zooveel waarde, dat hij hem niet voor eenige goudstukken aan het kruis kon doen nagelen, maar daarmee was hij niet voldaan. Het hoofd der Christenen, Polycarpus, had den misdadiger in zijne bescherming genomen, en dit scheen den wraakzuchtigen Israëliet eene goede gelegenheid, om den bisschop in moeilijkheden te brengen. Daarvoor had hij echter de hulp noodig van den overste der synagoge. Uit het op zich zelf onbeduidende voorval moest toch met beleid een daad van verzet worden gemaakt tegen de overheid, en misschien kon men, naar aanleiding van het gebeurde, de Christenen wel beschuldigen van eene samenzwering tegen de Joden.
Weinig vermoedde de oude Simon, dat, terwijl hij zoo ongeduldig op een onderhoud wachtte, Isaac Bar-Levi uit den mond van een jongen Jood alle bijzonderheden van het gebeurde van den vorigen dag vernam.
Na eenige oogenblikken keerde Abner terug.
— Mijn heer wacht u! zeide hij.
Grommend volgde de grijsaard zijn jeugdigen gids, die hem door een gang naar een smalle wenteltrap leidde.
•— Is de Rosh hakkeneseth ]) in de opperzaal? vraagde Simon-
\') Overste der synagoge.
24
A\'mer knikte toestemmend.
— Blijf hier! Ik weet den weg! zeide de oude Israëliet, terwijl hij de trap opsteeg. Wee u, zoo gij luistert !
Met een grijns verdween de jongen, terwijl Simon de trap opklom, en, een tapijtgordijn op zijde schuivend, de opperzaal binnentrad. Voor een tafel, met boekrollen en schrijfbehoeften overdekt, zat een man van hooge gestalte. Klaarblijkelijk was hij nog verscheidene jaren ouder dan Simon, maar zijn van nog jeugdig vuur flikkerend oog, zijne ongebogen gestalte en krachtige bewegingen toonden aan, dat de jaren hem niet verzwakt hadden naar lichaam noch naar geest. Een lange zilvergrijze baard, die hem bijna tot den gordel reikte, gaf aan zijn uiterlijk iets bijzonder eerwaardigs, terwijl zijn breed, gerimpeld voorhoofd van studie en nadenken getuigde.
Die man was Isaac Bar-Levi, de overste der synagoge van Smyrna, door zijne geloofsgenooten geëerd en bemind als een wijze in Israël, bij Christenen en Heidenen gevreesd als een onvermoeid en sluw tegenstander, die, naar men zeide, zelfs aan het hof des Keizers invloed bezat.
Met eerbiedige groete trad Simon nader.
— Jehovah zij met u, Simon Ben-Ezra! zeide de Rosh hakkeneseth ; vergeef mij. zoo ik u moest laten wachten. Wat voert u tot mij?
— De eer van Jehova en het heil van Israël, antwoordde Simon. Ook mijn wensch om recht te verkrijgen tegen het hoofd der Nazareners, die God van den aardbodem verdelge! Gij zeidet mij onlangs, Isaac Bar-Levi, dat er zich eene gelegenheid moest voordoen, om de Christenen aan te vallen. Welnu, die gelegenheid is er! Polycarpus is in onze hand, en met een weinig sluwheid kunnen wij hem in groote moeilijkheid brengen.
— Verklaar u nader! zeide de overste der synagoge.
Toen begon Simon zijn verhaal, dat weldra doorkruid werd
25
met scheldwoorden en smaadredenen tegen de Christenen, naar mate de spreker zich opwond bij de raededeeling zijner werkelijke of ingebeelde grieven.
Isaac Bar-Levi, die alles reeds nauwkeurig wist, luisterde schijnbaar aandachtig toe.
— Dus die Egyptenaar viel geheel alleen op u en het volk aan? vraagde hij plotseling.
— Ja, en had mijn zusters\' zoon Matthias hem niet weerhouden, ik stond hier niet levend voor u.
— Flen stoutmoedige kerel! prevelde de overste der synagoge.
— En bevindt hij zich nu bij de Christenen? vraagde hij verder.
— Ja, en ik heb zelfs van een slaaf, die huiswerk verricht in het hospitaal en dien ik heb omgekocht, vernomen, dat de ellendeling Christen wil worden.
— Dus een sluwe kerel daarenboven! zeide Isaiic Bar-Levi. Luister, Simon Ben-Ezra, gij moet afzien van uw plan, om wraak te nemen op dien slangenbezweerder en zijne beschermers.
Simon keek zijn voorganger een oogenblik aan, sprakeloos van toorn en schrik. Het was, of hij zijn eigen ooren niet geloofde.
Eindeljjk vond hij woorden.
— En gij, Isaac Bar-Levi, hijgde hij, met van woede trillende lippen, gij neemt die honden in uwe bescherming? Gij, die moest waken voor het heil van Israël? Wee, wee over Juda, wee over het huis van Jacob, als zijne wijzen en voorgangers heulen met de heidenen en Nazareners! Wee over...
Met een gebiedend gebaar legde de overste der synagoge hem het zwijgen op.
— Schaam u, Simon Ben-Ezra, zeide hij op strengen toon. Schaam u, uwe haren zijn grauw, maar ge zijt onberaden en doldriftig als een baardelooze knaap. Wie zegt u, dat ik met de Christenen heul?
26
— Maar gij wilt niet....
— Ik wil uw zin niet doen, uw raad niet volgen! En wat bewijst dit? Wat baat het, zoo wij er al in slaagden, den Nazareners hun beschermeling te ontrukken? Wat baat het ons, of Polycarpus tot eene geldboete veroordeeld wordt? Ga, uw haat verblindt u en maakt u ongeschikt, om met mij samen te werken ter bereiking van het doel, dat wij beiden beoogen. Ik had u groote dingen willen openbaren, want de ure, waarop
gij hoopt is nader, dan gij vermoedt.....maar ga heen, ik
heb koeler hoofden noodig: mannen en geen knapen, al hebben ze grijze haren.
Beschaamd boog de oude Israëliet het hoofd. Een oogen-blik kampte hij met zijn trots. Toen deed hij een schrede voorwaarts.
— Isaiio Bar-Levi, zeide hij ootmoedig, ik weet, dat gij wijzer zijt, dan ik ben. Ik kan u niet volgen op uwe wegen\' maar zoo het uur der wraak werkelijk aanstaande is, gun mij dan één enkelen blik in uwe plannen, en ik zal uw werktuig zijn, dat ge naar willekeur kunt gebruiken.
— Maar uwe heftigheid zou alles bederven! zeide de ander aarzelend.
— Ik zal niet heftig zijn! Ik zal huichelen! Zacht zal ik zijn, als een lam en mij zelfs vernederen voor de Nazareners, indien het noodig is, zoo ik er slechts zeker van ben, dat het uur van bun ondergang nabij is.
— Het is nabij! Binnen drie maanden zullen de Christenen in Smyrna zijn uitgeroeid! zeide Isaac Bar-Levi, en aan uw verlangen wil ik voldoen, zoo gij zweert bij den heiligen tempel, dat gij zult zwijgen en uw drift betoomen, tot den dag der wrake.
Simon zwoer, zooals zijn voorganger verlangde.
— Lees deze brieven uit Rome! zeide de overste der synagoge.
27
De ander nam de wastafeltjes en doorliep den inhoud. Weldra klaarde zijn gelaat op.
— Nieuwe en strengere edicten tegen de Christenen! Maxi-mius zal last ontvangen, strenger te werk te gaan! Overal worden volksbewegingen bewerkt tegen de Nazareners! Voorwaar, dit is heugelijk nieuws! zei hij, blijde verrast.
— Wij moeten de vrucht niet plukken, voor zij rijp is! zeide Isaiic Bar-Levi. Geloof mij, onze tijd zal komen! Ziet Maximius zich genoopt, strengere maatregelen te nemen tegen de Nazareners, dan is er wel aanleiding te vinden tot een oproer, en is eenmaal de volkswoede tegen hen gekeerd, dan —
— Dan is het uur der wraak geslagen1 riep Simon met fonkelende oogen.
— Dan treden wij als beschuldigers tegen de voornaamste Christenen op, vervolgde de overste der synagoge, quot;t Ware echter wenschelijk, dat wij een vertrouwd persoon in hunne nabijheid hadden, die ons van al hunne handelingen op de hoogte hield. Daarvoor heb ik dien Egyptenaar bestemd.
• — Den slangenbezweerder! riep Simon verrast.
— Denzelfden! Uit uw verhaal blijkt, dat hij een stoutmoedige, en tegelijk een listige kerel is, die zich weet te schikken naar de omstandigheden. Zoo iemand heb ik reeds lang gezocht. Als wij de diensten van dien man kunnen koopen, zijn wij geholpen. Niemand zal hem verdenken.
— Maar zal hij ons niet verraden? vraagde Simon.
— Natuurljjk zal hij dat! was het bedaarde antwoord; ten minste, als hij er zijn voordeel in ziet. Maar wij moeten zorgen, dat het juist zijn voordeel is, om ons getrouw te dienen. Om te koopen is hjj overigens ongetwijfeld, maar de groote vraag is, hoe ons met hem in betrekking te stellen. Hij zal natuurlijk bevreesd voor ons zijn, en daarenboven zou het argwaan wekken, indien hij met een onzer gezien werd.
— Laat mij daarvoor zorgen! riep Simon levendig.
28
— U ? vraagde de ander aarzelend.
— Ja! zeide de oude Jood, blijkbaar verheugd, dat hij zijn ijver kon toonen. Vergeef mij. Isaac Bar-Levi, zoo ik u mis-kpnd heb. Jehovah heeft u wijsheid gegeven boven ons allen. Maar neem mij als uw medehelper, en laat mij beginnen met u dien slangenbezweerder te verschaffen. Binnen een week zal hij voor u staan!
— Welaan, doe wat ge kunt! zeide de overste der synagoge. Maar voor het overige, denk aan uw eed. Stilzwijgendheid en stipte gehoorzaamheid!
Simon verwijderde zich. Terwijl hij er over nadacht, hoe hjj liet best het plan, dat hij gevormd had, zou ten uitvoer brengen, schitterde zijn oog van wreede vreugde. In zijne verbeelding hoorde hij toch reeds de stervenskreten van de Nazare-ners, die hij zoo bitter haatte, en wier ondergang nu, naar hij vertrouwde, toch eindelijk aanstaande was.
HOOFDSTU IV.
POLYCARPUS EN GALLIO,
si een ruim vertrek, in een der openbare gebouwen, door het Romeinsch bestuur van Smyrna vcor den openbaren dienst gebezigd, liep een kort, gezet man
met driftige schreden op en neder. Van tijd tot tijd wierp hij ongeduldige blikken naar den zonnewijzer, die zich op het dak van een der naburige huizen bevond, en telkens als hij zag, dat de schaduw langzaam maar zeker het middaguur naderde, stampte hij toornig met den voet op den grond.
— Die ellendige Philippus! barstte hij eindelijk uit; waar blijft de kerel toch! Hij kon al een kwartier terug zijn! Maar ik zal het hem betaald zetten ! Waarvoor is men prefect van politie, als men zijn eigen slaaf niet voorbeeldig kan straffen!
De man, die met driftige gebaren deze alleenspraak hield, was werkelijk de overste der politie van Smyrna. Gallio, zoo heette hij, was uit Tarsus geboortig. In zijn jeugd was hij in den krijgsdienst gegaan. Begaafd met groote sluwheid en een zeer ruim geweten, was hij in de gelegenheid geweest; belangrijke diensten te bewijzen aan een zijner oversten en tot be-
30
looniiig had deze bem zijne tegenwoordige betrekking bezorgd
Gallic was een zonderling man. Trotsch op zijne waardigheid als Romeinsch burger \') en driftig van natuur, was hij een moeilijk meester voor zijne onderhoorigen en een streng, en niet altijd onpartijdig rechter voor de ongelukkige slaven en lastdragers, die zich aan kleine vergrijpen hadden schuldig gemaakt. Toch kon hij bijwijlen de lieden, met wie hij was ingenomen, met een zekere ruwe goedhartigheid bejegenen, althans zoolang zij hem in alles zijn zin gaven. Want wie hem ook in zijn geringste begeerte durfde dwarsboomen was Gallio\'s vijand !
Zeker voor de dertigste maal op dien morgen snelde de prefect van politie naar het venster om te zien of zijn secretaris, de slaaf Philippus, nog niet naderde, toen men haastige schreden op de trap hoorde en de verwachte ademloos binnenstormde.
Schuimbekkend van toorn trad Gallio hem te gemoet.
— Hond en zoon van een hond, bulderde hij hem toe, terwijl hij naar een geschikt voorwerp zocht om terstond eene strafoefening te beginnen. Waar hebt ge zoo lang gezeten?
— Vergeving, heer! jammerde de slaaf. Ik kan het waarlijk niet helpen!
— Niet helpen! schreeuwde Gallio. Ik zond u slechts even naar het hoofd der haven-politie! Ge kondt reeds een kwartier terug zijn.
— En ik heb mij gehaast, zooveel ik kon, betuigde de secretaris. Maar een oude Jood heeft mij opgehouden! Hij vraagde mij, of ik niet de secretaris van den prefect van politie was, en toen ik bevestigend antwoordde, overlaadde hij mij met klachten over eenige uwer gerechtsdienaars, die, naar hij beweerde, hem en zijne geloofsgenooten niet beschermden tegen de mishandelingen van het gemeen.
\') Tarsus was een der steden, die het Romeinsche burgerrecht bezaten. Denk aan Pauks Hand. 22 : 23.
31
— En ze waren wel dwaas, als ze er zich moeite voor gaven, bromde de overste der politie. Maar gij, moet gij ter wille van een ouden Jood uw meester laten wachten.
— Ik kon niet van hem afkomen! verzekerde de secretaris.
— Gij zult deze maand uw rantsoen wijn niet ontvangen! beet Gallio hem toe. En zoo gij mij weer laat wachten, dan krijgt ge de zweep, al zijt ge mijn schrijver ! En nu aan het werk!
Philippus, een jonge Griek met een schrander uiterlijk, beet zich van bedwongen woede op de lippen. Hij zweeg echter en begaf zich naar de tafel, die met schrijfbehoeften en beschreven en onbeschreven wastafeltjes bedekt was.
— Lees mij de berichten voor van do hoofdlieden der verschillende posten! beval Gallio.
De secretaris gehoorzaamde. De prefect van politie hoorde de rapporten aan, zonder zich in zijne wandeling te laten storen. Van tijd tot tijd viel hij Philippus in de rede met een aanmerking of een bevel, die deze dan haastig opteekende. Toen dit werk was afgeloopen, begon de secretaris aan de verzoekschriften, die verscheidene burgers aan den invloedrijken overste der politie hadden gericht. Slechts weinige dezer stukken werden tot nadere overweging ter zijde gelegd; op de meeste gaf Gallio een kort, veelal een afwijzend antwoord, dat eveneens door den slaaf onder het verzoek werd opgeteekend, om het later den belanghebbende mede te deelen. Eindelijk was alles gereed; de laatste bevelen waren gegeven, de laatste aantee-keningen gemaakt, en op een wenk van zijn gebieder verwijderde zich de secretaris, terwijl Gallio zich op een rustbank uitstrekte, om nieuwe krachten te verzamelen voor de rechts-„ zitting, die hem weldra wachtte.
Nauwelijks had hij echter eene gemakkelijke houding gevonden, of er werd zacht aan de deur getikt.
Het gelaat van den prefect van politie betrok, en de norsche
32
stem, waarmede hij den indringer toeriep, om binnen te treden, voorspelde dezen een weinig goede ontvangst.
Zoodra bij echter den binnentredende herkende, ontfronste zich zijn voorhoofd.
— Zoo, Julius, zijt gij daar! zeide hij vriendelijk; wat
verlangt gij ?
Julius was de eenige zoon van Gallio. Het was een jonkman van ranke, tengere gestalte met zachte, bijna vrouwelijke gelaatstrekken, die iu geen enkel opzicht op zijn ineengedrongen, maar gespierdeu vader geleek. .
— Ik wilde u iets verzoeken, vader ! antwoordde hij op de vraag van den prefect van politie.
— My iets verzoeken? Hebt ge geld noodig voor een feest met uwe vrienden, of voor een nieuw paard?
— Neen, vader! Maar de eerwaarde Polycarpus wenschte een bijzonder onderhoud met u, en ... .
— Dacht ik het niet! stoof Gallio driftig op. Dacht ik het niet, dat ge mij weer met een of anderen bedelaar of priester aan boord zoudt komen? Terwijl andere jongelieden zich bezig houden met de vermaken, die aan hun leeftijd passen, verbeuzelt gij uw tijd bij oude wijven en grijskoppen, die u leeren suffen en droornen! Zeg dien ouden....
_ Gij vergist u, vader! viel Julius den opgewonden man
bedaard maar vast in de rede. Polycarpus althans wil geen suffer of droomer van mij maken. Hij heeft mij zelfs aangeraden, deel te nemen aan de aanstaande wedrennen en aan de worstelspelen der jonge lieden. Hij zegt, dat een Christen even goed zijn lichaam moet harden in mannelijke lichaamsoefeningen, als de Heidensche jongelingen.
Gallio bad de laatste woorden niet meer verstaan. Met een haastig gebaar stopte hij beide ooren.
— Zwijg! schreeuwde bij den onthutsten Julius toe. Ik wil daar niets van booren! Ik wil niet weten, verstaat ge, of ge
33
al dan niet een Christen zijt, of ge hunne vergaderingen bezoekt. Indien ik het wist, zou ik u bevelen, den goden te offeren.
— Doe dat niet, vader! smeekte Julius. De prefect van politie zag hem bekommerd aan.
— - Ik zal het niet doen! zeide hij op doffen toon. Ik zal het niet doen, want, bij Hercules, gij zoudt mij, geloof ik, niet gehoorzamen. Gij gelijkt op uwe moeder, Julius!
— Polycarpus liet zich ontvallen, dat mijne moeder een christin was.....zeide Julius aarzelend.
— Deed hij dat? Wat zeide hij nog meer? Den mond zal ik hem snoeren, den ouden huichelaar! schreeuwde Gallio.
— Niets heeft hij mij gezegd! zeide Julius haastig. Zelfs die woorden, die ik opving, schenen hem zijns ondanks ontvallen.
De overste der politie zag zijn zoon lang en onderzoekend aan.
— Wij zullen zien! prevelde hij.
— Waar is de oude? vervolgde hij luid.
— Hij moet reeds hier zijn, zeide Julius, met een blik op den zonnewijzer.
— Goed, breng hem hier.
Weldra trad Polycarpus, door Julius vergezeld, het vertrek binnen. Op een wenk zijns vaders verwijderde zich de laatste.
— Wees gegroet, Gallio! Ik kom uwe bescherming inroepen voor een ongelukkige, — begon Polycarpus, maar de prefect van politie liet hem niet uitspreken. Mot een sprong was hij op den bisschop toegevlogen, en, hem bij de schouders grijpende, schudde hij hem woest heen en weer.
— Mensch! schreeuwde hij met heesche stem, wat hebt gij Julius van zijne moeder verteld ? Spreek, of ik schud den adem uit uw lichaam!
Polycarpus antwoordde niet. Kalm en vast zag hij den woedende in de oogen. Gallio kon dien blik niet doorstaan; onwillekeurig liet hij den grijsaard los.
m p 3
34
— Antwoord! riep hij heftig. Hebt gij den jongen tegen mij opgezet?
— Ik ben de man niet, om den zoon tegen zijn vader op te zetten, antwoordde de bisschop bedaard. Dat kondt ge weten, Gallio!
— Gij hebt hem toch over zijne moeder gesproken.
— Ik heb mij in zijne tegenwoordigheid laten ontvallen, dat ik zijne moeder gekend heb. Het deed mij leed, want hij verlangde natuurlijk meer te weten, en ik moest hem teleurstellen.
— Spreekt gij de waarheid? vraagde Gallio, terwijl hij den bisschop uitvorschend aanzag.
Deze verwaardigde zich niet, hem te antwoorden.
— Ik denk soms, dat het goed zou geweest zijn, zoo ik u en de uwen toen voor eeuwig den mond had gesnoerd! zeide de overste van politie somber; en nog, wee uwer, zoo gij mij de liefde mijns zoons ontsteelt!
— Wat hebben wij u gedaan? zeide de bisschop zachtmoedig. Eens, nu twintig jaren geleden, hebben wij eene vrouw opgenomen. Zij behoorden tot de onzen, zij was een Christin, en zij was door haar echtgenoot gruwelijk mishandeld.....
— Zwijg! .. .. het was in drift! mompelde Gallio.
— Ik weet het, — en zij wist het ook, vervolgde Polycarpus. Zij is in mijne armen gestorven, en voor zij tot haren Heer ging, bad zij mij, het gebeurde voor ieder te verzwijgen, en haar echtgenoot te verzekeren, dat zij hem alles vergaf. Haar laatste woorden waren een gebed voor hem en voor haar kind.
Met een doffen snik verborg Gallio het gelaat in beide handen.
Polycarpus trad op hem toe.
— Zoo ook gij rust en vergeving wilde zoeken, waar die alleen te vinden is, mijn broeder! zeide hij met liefderijken ernst. Dan eerst zou het gebed van uwe vrouw verhoord wezen!
Maar de ontroering van den harden, ruwen man was slechts
35
voorbijgaande geweest. Bjj de eerste woorden van den bisschop zag hij hem met schamperen glimlach aan.
— Woudt ge een Christen van mij maken? zeide hij spottend. Dat was werkelijk iets fraais! Maar gij vangt mij niet, man!
Alleen in sommige oogenblikken overvalt mij die oude geschiedenis, — die ik wel ongedaan zou willen maken, ja, maar die nu eenmaal gebeurd is. Het ellendigst is nog, dat de gedachte, dat.... dat zij in uwe armen is gestorven, mij te zacht maakt voor u en de uwen, en ook voor Julius, dien ik eigenlijk moest beletten, uwe vergaderingen bij te wonen. En indien ik ooit merkte, dat gij uw woord braakt....
— Wij zullen ons woord niet breken! Maar nu mijn verzoek ?
— O ja! gij hadt een verzoek? Laat hooren!
De bisschop verhaalde in weinige woorden het avontuur van Anabis, en verzocht den overste der politie, den gewonde tegen de wraakzucht der Joden te beschermen, althans tot hij voldoende hersteld was, om voor den rechter te verschijnen.
— Zoodat uw geheele verzoek slechts een Egyptischen goochelaar betreft! riep Gallio, in lachen uitbarstend. Nu, het is u gaarne toegestaan! Behoud den kerel, — althans, voegde hij er bedenkelijk bij, als zijn beschuldiger geen geldschieter van den pro consul is. In dat geval zou mijne bescherming weinig baten.
— Ik reken op uwe belofte, zeide Polycarpus, terwijl hij eene bew eging maakte, als om zich te verwijderen. Gallio hield hem terug.
— Wat zijt gij, Christenen, toch voor zonderlinge menschen, zeide hij. Wie bekommert zich om het leven en de vrijheid van een ellendigen slaaf? En gij pleit voor hem, alsof het uw broeder was.
— Dit is hij ook! zeide de bisschop bedaard.
— Die Egyptenaar zou uw.... O, nu begrijp ik u! riep de ander lachend, \'t Is waar ook; dat is een uwer spreekwijzen!
36
Nu, ik gun u uwe in lompen gehulde, naar uien en slechten wijn riekende broeders! Maar begrijpen kan ik het niet! En wat baat u dit alles? Gij wordt geminacht en gesmaad, ja soms vervolgd en gedood! \'t Is ook waar. — voegde hij er plotseling ernstiger bij, — weet gij, dat de Keizer de vroegere edicten tegen ulieden weer van kracht heeft verklaard, en zelfs verscherpt.
_ Wij zijn in de hand van onzen Heer, zeide Polycarpus
rustig.
_ En ook een weinig in de mijne! spotte de prefect van
politie. Maar wees gerust, als \'thier zoo ver mocht komen, zal
ik u beschermen.
_ Ik dank u voor uwe goede bedoeling, antwoordde de bisschop, maar ik sta, zooals ik u reeds zeide, onder Hooger bescherming. Ik ben oud; ik heb nog maar weinige jaren te leven, en zoo mijn God mij de martelkroon wilde schenken zou ik den dood niet vreezen.
Gallio haalde verdrietig de schouders op.
_ \'tls wel, zeide hij, gijlieden zijt nu eenmaal onverklaarbaar. Ga dan uw gang, zoo ge slechts zorg draagt, dat ge Julius niet in moeilijkheden brengt.
Polycarpus wilde nog iets zeggen, maar de prefect van politie schoof hem haastig, hoewel niet onvriendelijk, de deur uit.
HOOFDSTUK V.
HET COMPLOT
en gevolge der bevelen door Isaiic 13ar-Levi en • den prefect van politie beide gegeven, werd de Egyptenaar Anubis gedurende zijn verblijf in het
hospitaal op geenerlei wijze lastig gevallen. Zijne wonden, die zich eerst vrij ernstig lieten aanzien, genazen boven verwachting spoedig, maar ook na zijn herstel bleef Lij in het hospitaal, terwijl hij weldra groote vorderingen maakte in de gunst van den stichter van die inrichting.
De sluwe Egyptenaar, die met zijne slangen zijne broodwinning verloren had, had zich weldra geheel en al op de hoogte gesteld van de eigenaardigheden zijner nieuwe omgeving. De zwakke zijde van Quintus\' karakter was hem weldra evenmin een geheim en met groote behendigheid wist hij van zijne opmerkingen partij te trekken. Schijnbaar luisterde hij steeds met de grootste aandacht naar de vermaningen en leeringen van den ouderling, en Quintus, die geen kleinen dunk had van zijn eigen welsprekendheid, begon weldra de hoop te koesteren, dat het voor hem was weggelegd, dezen heiden te bekeeren.
Kwam echter de ijver van den leermeester niet geheel uit
38
een zuivere bron voort, met dien van den leerling was dit nog minder het geval. Anubis was een door en door verdorven kerel, die reeds verscheidene zware misdaden op zijn geweten had, en die ook nu, om het geringste voordeel, voor geen enkel wanbedrijf zou zijn teruggedeinsd. Zijn berouw en zijne bekeering waren beide gehuicheld, want het woord Gods had zijn hart niet getroffen. Instinctmatig begreep hij echter, dat Quintus zich gevleid gevoelde, als zijne woorden indruk schenen te maken, en daar hij vast besloten had, het kostte wat het wilde, de gunst van zijn tegenwoordigen beschermer te verwerven, had hij zich weldra, geholpen door zijne aangeboren sluwheid en zijn dagelijkschen omgang met Christenen, eenige woorden en uitdrukkingen eigen gemaakt, die den ijdelen on oppervlakkigen ouderling maar al te spoedig in den waan brachten, dat zijn beschermeling door het woord, dat hij hem bad verkondigd, in het hart was gegrepen. Op zijn verzoek was dan ook Anubis opgenomen onder het getal der christelijke catechumenen, hoewel Polycarpus, die de plotselinge bekeering van den Egyptenaar wantrouwde, zich terstond had voorgenomen, bij de eerste gelegenheid te onderzoeken, of die werkelijk oprecht was.
Anubis had overigens zijn doel volkomen bereikt. Quintus was zeer met hem ingenomen, en had zelfs beloofd, hem, zoodra hij geen vervolging meer te duchten had, voor goed in zijn dienst te nemen. Ondertusschen kon hij in het hospitaal blijven wonen, terwijl de ouderling er voor zorgde, dat hij zich nimmer onverzeld op straat vertoonde, en ook de vergaderingen der Christenen slechts onder goed geleide bezocht. Hij vreesde namelijk voor zijn beschermeling de wraak der Joden.
Zijn vrees bleek echter ijdel. De oude Simon scheen van alle vervolging af te zien. Hij had geen aanklacht ingediend bij de overheid en scheen ook geen plan te hebben op een bijzondere wraakneming. In eenige weken toch had men niets van
39
hem vernomen, zoodat de waakzaamheid der Christenen langzamerhand begon te verslappen, en het bij niemand argwaan wekte, toen een Joodsche fruitverkooper, schijnbaar een halve idioot, zich met zijne waren dag aan dag op de hoek der straat posteerde, en terwijl hij met een dommen grijnslach aan de voorbijgangers zijne vruchten aanbood, het hospitaal scherp in het oog hield. Ook Anubis sloeg geen acht op den half waanzinnigen koopman, en, daar het gezelschap der dienaars en verplegers in het hospitaal hem weldra begon te vervelen, waagde hij zich al spoedig alleen in de straten van Smyrna. Eerst deed hij dit slechts bij helderen dag, maar weldra werd hjj moediger en waagde hij zich ook des avonds en dos nachts buiten het hospitaal. Hij moest dit wel in \'t geheim doen, maar de Egyptenaar was sluw, behendig en vermetel en hij werd daarenboven door niemand gewantrouwd.
Op die nachtelijke tochten bezocht hij dan de achterbuurten der stad, waar hij in sommige beruchte kroegen zijne vroegere vrienden en makkers aantrof, en zich bij lustige drinkgelagen schadeloos stelde voor den lastigen dwang, dien hij zich in het bijzijn der Christenen moest opleggen.
Voor ontdekking was hij niet bevreesd. Ten eerste was het zeer onwaarschijnlijk, dat iemand hem zou herkennen of verraden, en al gebeurde er iets van dien aard, dan zou hij den lichtgeloovigen Quintus gemakkelijk een of ander fabeltje op de mouw kunnen spelden.
Op zekeren avond keerde Anubis zeer laat huiswaarts. Als gewoonlijk was hij geheel alleen. Hij stond toch nimmer een zijner makkers toe, hem te vergezellen, om alle gevaar van ontdekking zooveel mogelijk te vermijden. Reeds naderde hij het hospitaal en had hij het venster in het oog, waarvan Kij de afsluiting verbroken had, en waardoor hij zich toegang verschafte, als hij van zijne nachtelijke zwerftochten huiswaarts keerde, toen hij plotseling opschrikte door eene klagende stem,
40
die in zijne onmiddelijke nabijheid op zwakken toon om hulp riep. Onwillekeurig bleef de Egyptenaar staan.
— Wie is daar? riep hij.
Een donkere gedaante kroop over het ongelijke plaveisel naar hem toe, en greep hem bij den slip van den mantel, \'t Was de Joodsehe fruitverkooper.
— Erbarming, heer! kreet de man jammerend. Ik ben gewond en kan niet meer op de been komen.
— Weg! ellendige Jood! riep Anubis, wien deze nachtelijke ontmoeting om verschillende redenen weinig beviel.
Tegelijk wilde hij zich losrukken, maar de fruitverkooper omvatte met beide handen zijn enkel, en klemde zich aan hem vast met een kracht, die men niet bij hem zou vermoed hebben.
— Laat los, hond! krijschte de Egyptenaar, die een valstrik begon te vermoeden en angstig om zich heen zag.
De straat was echter eenzaam en verlaten.
— Voor \'t laatst, laat los! siste hij, terwijl hij uit de plooien zijner tunica een lang en scherp mes te voorschijn haalde.
Grijnslachend zag de Jood hem aan. Met een wilden vloek hief Anubis het mes op.
Maar eer de doodelijke stoot kon worden toegebracht, schoten eenige vermomde gestalten uit een donkere steeg op den Egyptenaar toe. Eer hij zich te weer kon stellen, werd hem een wijde zak over hoofd en schouders geworpen, zijne handen werden hem op den rug vastgesnoerd, en weldra lag hij als een blok, zonder geluid te kunnen geven of eene beweging te kunnen maken, aan de voeten van hen, die hem overrompeld hadden.
Een van de vermomden deed nu een zacht gefluit hooren. Van uit de donkere steeg kwamen eenige mannen te voorschijn met een draagstoel, Anubis werd er in geworpen en weldra waren zijne ontvoerders met hun prooi verdwenen.
In de opperzaal van het huis van Isaac Bar-Levi zaten
41
ondertusschen twee mannen te wachten op den afloop van het avontuur. De een was de heer des huizes zelf, de ander een kort, dik mannetje met een bolrond, rood gezicht en kleine glimmende oogjes. Deze laatste liep onophoudelijk hot vertrek op en neer, terwijl hij van tijd tot tjjd zijne wandeling staakte om een diepe teug te nemen uit een grooten zilveren beker, en dan telkens door een zucht of een uitroep zjjne spanning en zijn ongeduld te kennen gaf. De overste der synagoge scheen zich niet veel om zijn gast te bekommeren. Kalm en rustig als altijd zat hij op zijn hoogen zetel, terwijl hij zich schijnbaar verdiepte in de lectuur van een boekrol. Van tijd tot tijd wierp hij een half spottenden, half minachtenden blik op zijn ongeduldigen en pruttelenden bezoeker.
Eindelijk bleef deze voor hem staan.
— Ik verwonder mij over uwe kalmte, heer Isaac! riep hij. Gij zit daar zoo stom als een visch en zoo roerloos als een beeld. Gewis bedriegt ge mij, en weet ge meer van deze zaak, dan ge mij hebt willen zeggen.
De overste der synagoge zag op.
— Ik heb u alles verteld, mijn waarde Demetrius! zeide hij bedaard.
— Maar hoe is het dan mogelijk, dat ge niet in spanning verkeert? Zoo ge een leerling der Stoïsche wijsgeeren waart, zouden ze met recht trotsch op u kunnen zijn.
— »De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid!» zegt de wijze Salomo.
— Salomo? Wie was dat? Een uwer wijsgeeren? Behoorde hij tot de Stoïcijnen?
— Dat laatste niet! Maar een wijsgeer was hij zeker! antwoordde Isaac Bar-Levi, glimlachend. Gij kunt er echter zeker van zijn, waarde vriend, dat ik, niet minder dan gij, verlang naar de terugkomst onzer vrienden.
— Waarom ge u toch volstrekt van de hulp van dien
42
Egyptenaar wilt verzekeren? Als wij het volk op onze hand hebben, is immers alles in orde. Of twijfelt gij aan mijn invloed?
— Geen oogenblik! mijn waarde priester van Bacchus! Ik reken op uw invloed en die zal ons zeer te stade komen. Maar wij moeten rekening houden met de omstandigheden.
— Zie, vervolgde hij, een volksbeweging tegen de Christenen in \'t leven te roepen, do huizen van eenigen hunner te plunderen, er een aantal te dooden, — dat alles is zeer gemakkelijk, maar het baat ons niet. Voor eiken Nazarener, die er wordt omgebracht, komen twee andere in de plaats. Neen, zoolang wij hunne hoofden niet treffen, komen wij niet verder. Hebben wij die echter in onze macht, dan zullen de overigen zich van zelf verstrooien.
— Neem ze dan gevangen !
— Dat is werkelijk mijn plan, o schrandere Demetrius; dat wil zeggen, niet ik, maar Maximus, onze doorluchtige pro-consul zal dat doen. Maar om de hoofden der Christenen gevangen te nemen, is het noodig ze te kennen, en daarbij, juist te weten, waar zij zich bevinden. Polycarpus, hun bisschop, is geen heethoofd, zooals zijn geloofsgenoot Ignatius, die voor eenige jaren den keizer Trajanus letterlijk noodzaakte, hem te vonnissen, Hij en de zijnen zuilen zich niet noodeloos aan het gevaar blootstellen. En onze eerste slag moet beslissend zijn. . .
— Maar gebruik dan een Griek of een Jood! Ze zijn slim genoeg en wij kunnen ze beter vertrouwen.
— Dat is wel mogelijk. Maar een Griek of een Jood, die zich onder deze omstandigheden plotseling bij de Christenen voegde, zou argwaan wekken. Neen, die Egyptenaar komt als geroepen.
— Hoe denkt ge hem over te halen?
— Door vrees en door goud! Maar luister, wat was dat?
Men hoorde op straat de haastige voetstappen van verscheidene menschen.
43
De beide mannen snelden naar het venster.
— \'t Is Simon en de zijnen, zeide de overste der synagoge, en zij zijn in hunne onderneming geslaagd. Zie, zij hebben een draagstoel bij zich.
Na eenige oogenblikken hoorde men gestommel op de trap. De deur ging open en twee Joden van reusachtige gestalte sleepten den geknevelden Anubis het vertrek binnen. Simon volgde hen.
— Geslaagd, naar ik zie, Simon Ben-Ezra! zeide de overste der synagoge met een vriendelijken glimlach.
— De Heer heeft den onbesneden Heiden in onze hand gegeven ! zeide de oude. Hij viel als een offerdier, onder de hand des priesters.
— \'t Is wel! Maak hem los! beval Isaac Bar-Levi.
De beide bewakers van den Egyptenaar ontdeden hem zwijgend van den zak, waarin hij nog altijd was gewikkeld en sneden zijne banden door.
Zoodra Anubis zich vrij gevoelde, sprong hij overeind en blikte woest om zich heen, als zocht hij naar eene gelegenheid om te ontsnappen, \'t Vertrek was echter goed gesloten, het venster van traliewerk voorzien, en de beide mannen, die hem hadden binnengeleid, stonden achter hem, met den blooten dolk in de hand.
— Luister, mijn vriend! zeide Isaiic Bar-Levi, die inmiddels aan de tafel had plaats genomen.
De Egytenaar zag hem verwilderd aan.
—- In de eerste plaats: tracht ons niet te ontsnappen! vervolgde de overste der synagoge. Deze maunon zullen u bij de eerste verdachte beweging neerstooten.
— Wie zijt gij? Wat wilt ge van mij? vraagde Anubis met schorre stem.
— Wie wij zijn, doet er voorloopig niet toe? Wij willen u in de gelegenheid stellen, geld te verdienen.
44
— Geld te verdienen ? — De Egyptenaar zag wantrouwend om zich heen. —
— Gij hebt een zonderlinge manier, om de menschen weldaden te bewijzen! zeide hij norsch. Gij wilt mij geld laten verdienen, en mijne polsen doen nog pijn van uwe touwen!
— Gij zoudt ons niet vrijwillig zijn gevolgd! zeide Isaiic Bar-Levi. Maar ter zake: wilt gij eene goede som verdienen, met weinig moeite?
— In de eerste plaats: Zijt gij werkelijk een Christen? viel Demetrius in.
Verward en verlegen zag Anubis hem aan, terwijl Isaiic Bar-Levi den onhandigen vrager een ontevreden blik toewierp.
De priester hield echter aan.
— Zijt ge een Christen, of dient ge de goden? vraagde hij nogmaals.
— Een Christen ? stamelde Anubis. Ja, heer.. .
De kleine man stoof op.
— Onbeschaamde! bulderde hij, en dat durft ge mij in het aangezicht zeggen! Mij, een priester van Bacchus!
— Bedaar, Demetrius! fluisterde Isaiic Bar-Levi. Zoo bereiken wij ons doel niet.
De Egyptenaar had zich inmiddels hersteld.
— Ik ben een arm, onwetend man, heer! zeide hij deemoedig. Toen ik gewond was, hebben de Christenen mij veel van hun god verteld. Maar ik wil mij gaarne beter laten onderrichten ....
De overste der synagoge zag hem grimlachend aan.
— Dat werk kan de vrome Demetrius later wel eens ondernemen! zeide hij spottend. Voor het overige zie ik, dat gij een kerel zijt, die rede verstaat. Luister goed. Ik meen het wel met u. Zoo gij doet wat ik verlang, ontvangt gij tweehonderd goudstukken.
— Anubis is arm, heer, zeide de Egyptenaar, wiens oogen
43
van vreugde schitterden. Hij verdient graag iets! Maar wat moet hij doen?
— Gij moot bij de Christenen blijven. Gij moet hun vertrouwen verwerven, hunne vergaderingen bijwonen, hunne schuilplaatsen uitvorschen, — en alles wat gij ontdekt, moet gij mij mededeelen.
— En als ik weiger, heer? vraagde Anubis.
— Dan zult gij dit huis niet levend verlaten! zei de overste der synagoge koeltjes.
— Maar mijne weldoeners verraden ! En dat voor zulk een geringe som! klaagde de slangenbezweerder.
Isaac glimlachte.
— Die laatste uitroep was oprecht! zeide hij spottend. Ik had de teerheid van uw geweten blijkbaar naar waarde geschat. Nu, ik zal niet karig zijn. Zoo wij tevreden zijn over uwe diensten ontvangt gij driehonderd goudstukken. Neemt gij mijn voorstel aan?
Anubis dacht een oogenblik na.
— Ik neem het aan, heer! zeide hij eindelijk.
Maar op ééne voorwaarde!
— En die zou zijn?
— Gij schijnt wat tegen de Christenen in het schild te voeren. Wanneer gij uwe plannen ten uitvoer legt, zorg dan dat mijn meester Quintus een der eersten is, die onschadelijk wordt gemaakt.
— Waarom juist die, uw beschermer?
— Quintus is rijk, heer, en als hij toch moet vallen, heeft tij niets aan zijn geld en kostbaarheden, \'t Kan hem geen kwaad doen, als ik mij daarvan wat toeëigen ....
— Uw voorwaarde neem ik aan, kerel, zeide de overste der synagoge, maar ge zijt een gevaarlijke schurk!
Anubis glimlachte zedig, als had men hem een zeer vleiend compliment gezegd.
46
— En nu nog één woord, ging Isaac Bar-Levi voort. Ik denk niet, dat gij ons zult verraden, want uw belang is aan het onze verbonden. Daar ik echter niet weet, welke gedachten er nog in uw schurkachtig brein kunnen oprijzen, deel ik u mede, dat wij u scherp in het oog zullen houden. Bij den minsten schijn van verraad wordt gij nedergestooten.
— Geen nood, heer! zeide de Egyptenaar grijnzend.
— Ik hoop het voor u. En nu nog iets anders. Hoe zult ge ons uwe mededeelingen doen toekomen?
Anubis dacht een oogenblik na.
— Dicht bij de haven is een kleine herberg, zeide hij, die gehouden wordt door een zekeren Zeno, een mijner vrienden. Daar zal ik mij heen begeven, als ik u iets heb te zeggen.
— Kent gij die herberg? vroeg de overste der synagoge aan de bewakers van den Egyptenaar.
Beiden bogen toestemmend het hoofd.
— \'t Is wel! Gij kunt gaan! Denk om de belooning, en ook om de straf, indien gij ons verraadt!
Anubis bleef dralend staan.
— Wat wilt ge nog? vraagde Isaac.
— Handgeld, heer! Ik ben een arm man, en misschien moet ik, om u te dienen, eenige uitgaven doen.
De overste der synagoge haalde de schouders op en wierp hem eenige goudstukken toe, die de Egyptenaar haastig opraapte.
— Moeten wij hem blinddoeken? vraagde Simon, die zich zwijgend op den achtergrond had gehouden en nu naar voren trad.
— Neen, zeide Isaac Bar-Levi, dat is niet noodig. Hij zou toch spoedig genoeg ontdekken, waar hij geweest was. Laat hem gaan.
Met een diepe buiging verwijderde zich de Egyptenaar, om, zoo snel hij kon, het hospitaal weder op te zoeken, waar men zijne afwezigheid niet mocht vermoeden.
47
Isaiic Bar-Levi, Demetrius en Simon bleven nog eenigen tijd bij elkander, om te bespreken, op welke wijze zij het best het gemeen tegen de Christenen op zouden ruien, om zoodoende den dralenden pro-consul tot handelen te nopen.
Wat zij overeenkwamen, zal uit de volgende hoofdstukken blijken.
HOOFDSTUK VI.
A N ü B I S
einige dagen later werd Anubis onder de huisbedienden van Quintus opgenomen.
Na zijn onderhoud met Isaac Bar-Levi had hij, zoo mogelijk nog ijveriger dan vroeger, de gunst van zijn beschermer trachten te winnen. Hij zag Quintus in alles naar de oogen, was uitermate gedienstig en wist door behendige vleierij de zwakke zijde van den ouderling te streelen.
Het duurde dan ook niet lang, of de nieuwe bekeerling was Quintus\' vertrouwde geworden, en de sluwe Egyptenaar was ■weldra op de hoogte van alles, wat zijn nieuwen meester betrof, ook van diens verwachtingen en teleurstellingen. De ouderling vond er zelfs genoegen in, tegenover zjjn beschermeling telkens over zjjn eigen verdiensten en de ondankbaarheid der gemeente uit te weiden, en bij Anubis vond hij altijd een geopend oor en deelnemend beklag. Zoo wist de Egyptenaar zich langzamerhand onmisbaar te maken.
Ongeveer drie weken na het gebeurde, in het vorige hoofdstuk beschreven, vinden wij Anubis gemakkelijk uitgestrekt in
49
de schaduw van een hoogen plataan, die voor het huis zijns meesters staat. Quintus heeft hem opzichter gemaakt over de huisbedienden en in de afwezigheid van zijn beschermer maakt hij zich zijne taak zoo gemakkelijk mogelijk. Met half gesloten oogleden volgde lij schijnbaar ie zwaluwen in hun vlucht, maar in werkelijkheid overdacht hij de gebeurtenissen der laatste weken en bepeinsde hij tevens, wat hem in de toekomst te doen stond.
— Ge zijt een slimme kerel. Anubis! zoo prevelde hij binnensmonds, en ge verdient uw fortuin. Voor weinig weken een arme kunstenmaker en nu de begunstigde dienaar en de vertrouwde van den rijken Quintus! Waarlijk, ge hebt het aardig overlegd!
— quot;t Is hier een lui en gemakkelijk leventje! .lammer, dat het niet lang kan duren, en het dwaaste is, dat ik er zelf een eind aan moet helpen maken. Als ik het eens niet deed ? Als ik den ouden Jood eens bedroog en Quintus waarschuwde.\' Die zou ook zeker niet ondankbaar zijn!
— Maar neen, dat gaat toch niet! Daargelaten dat die ver-wenschte Joden er best toe in staat zijn, om hunne bedreigingen ten uitvoer te brengen zie ik maar al te wel, dat het met mijne vrienden, de Christenen, hier in Smyrna op een einde loopt. Ze hebben te machtige vijanden! En ik heb geen lust, om met hen in den val te loopen.
—■ Daarenboven kan ik deze rol niet lang spelen, \'t Is mij op den duur te lastig, altijd op mijne woorden en daden te passen, en dan nog steeds bevreesd te moeten zjjn voor ontdekking. En misschien ben ik reeds ontdekt! Die Polycarpus doorziet mij, geloof ik. Ha, den bisschop, hem haat ik! \'t Is of hij met zijne doorborende blikken mij in de ziel leest! Hij zal de eerste zijn, dien ik overlever!
— Neen, ik kan dat op don duur niet uithouden, \'t Is mij te moeilijk, om voor een braaf mensch door te gaan, en dit
4
50
leven is wel gemakkelijk, maar verschrikkelijk vervelend. Ik verlang weer naar den ouden, vroolijken tijd, toen ik met mijne makkers in de herbergen op de kade den geheelen nacht kon feestvieren, en niemand van mij verlangde, dat ik eerlijk en nuchter zou zijn. Neen, ik zal het geld van den ouden Jood verdienen, en ... .
Tot zoover was de Egyptenaar met zijnen overpeinzingen gekomen, toen hij naderende voetstappen vernam. Snel sprong hij op en keek voorzichtig om zich heen.
— \'t Is Quintus! mompelde hij. Ha, hy ziet mij nog niet.
Snel greep hij een schoffel en een bundel onkruid, die hij
voor zulke ontmoetingen bereid hield en trad zijn meester te gemoet.
Quintus begroette hem vriendelijk.
— Zoo, Anubis, weder aan het werk ? zeide hij, met een goedkeurend knikje. Dat doet mij genoegen. Tuinarbeid behoeft ge anders niet te verrichten.
— Wie zou niet doen wat hij kon voor zulk een edelmoedigen meester! vleide de Egyptenaar, terwijl hij de hand van den ouderling kuste.
Quintus wierp een geroerden blik op zijn beschermeling.
— Ge zijt een getrouw dienaar, Anubis! zeide hij. Ge zoudt. geloof ik, uw leven voor mij opofferen.
— Ja,, heer! Ik hoop slechts, dat ik u lang genoeg zal mogen dienen, om u mijn dank en trouw te bewijzen ! zeide de valschaard, terwijl hij het hoofd boog, om een spottenden glimlach te verbergen.
— Dat zult ge! zeide de ouderling, terwijl hij hem hartelijk op den schouder klopte. Komt ge van avond ter vergadering?
— Zeker, heer! Zal ik nog lang moeten wachten, eer mij het geluk ten deel valt, opgenomen te worden in de gemeente?
Quintus haalde verdrietig de schouders op.
— Ik heb Polycarpus reeds herhaaldelijk verzoent, u neg
51
te gelijk met de catechumenen, die eerlang den Heiligen doop zullen ontvangen, in de gemeente op te nemen, \'t Zou zonder twjjfel wat spoedig zijn, maar gij, mijn getrouwe Anubis, zijt zulk een gunst wel waardig. De bisschop wil er echter niet van hooren.
Met geveinsden ootmoed sloeg de Egyptenaar de oogen ten hemel.
— Dat wantrouwen valt hard! zuchtte hij. Ik heb \'t reeds lang bemerkt; de bisschop haat mij en wil mij van mijne zaligheid berooven!
— Stil, stil, Anubis! riep Quintus ontzet! De bisschop is een vroom man!
— \'t Kan zijn! Ik ben maar een arm, onwetend man, snikte Anubis. Maar Polycarpus is wreed voor mij. En als ik de reden mocht zeggen .... als ik mocht zeggen, wat ik denk ....
■— Welnu? Spreek op! Ik zal u niet verraden.
— De bisschop haat mij, omdat gjj, mijn edelmoedige heer, mij beschermt! U haat hij, omdat hij ziet, dat uwe verdiensten de zijne verduisteren en omdat hij wel weet, dat er velen in de gemeente zijn, die zouden wenschen, dat Qnintus in plaats van Polycarpus bisschop ware en ... .
— Stil, Anubis ! Zoo moogt ge niet spreken, riep do ouderling verward, maar blijkbaar niet onaangenaam getroffen. Polycarpus is een vroom man, en mijn vriend, —■ misschien een weinig bekrompen, maar hij is oud, ziet ge. Misschien dat na zijn dood de gemeente mij, — maar laat ons daar niet over spreken! En ga nu heen en zie naar de slaven, die in den tuin werken.
— Zijt gij vertoornd op den armen Anubis? vraagde de Egyptenaar smeekend.
— Neen, neen! zeide Quintus, gij meent het goed en misschien .... Maar ga nu ....
— Nog één verzoek, heer! vleide de ander.
52
— En dat is?
— Mag ik heden avond, na do vergadering, een mijner vrienden bezoeken ? Hij is zwaar ziek, en ik wenschte dezen nacht bij hem door te brengen, om hem te verplegen en voor hem te bidden.
— Dat is een goed werk, mijn zoon! zeide de ouderling beschermend. Doe wat uw hart u ingeeft!
— Dank, heer!
Anubis verwijderde zich haastig, om zijn lachen te verbergen.
— Die uil! prevelde hij.
Quintus zag hem met welgevallen na.
— Hij is een trouw dienaar! mompelde hij. Wat hij mij meedeelde uit de gemeente, — ja, eigenlijk had ik er niet naar moeten luisteren. Maar \'t is Polycarpus\' eigen schuld! Kan ik quot;t helpen, dat de broeders niet blind zijn en verdiensten weten te waardeeren? Wie weet? Misschien, — eens — bisschop van Smyrna!
En met een gelukkig glimlachje verwijderde zich de ijdele dwaas, niet vermoedend, dat hij de speelbal was van een listigen huichelaar.
Toen de godsdienstoefening dien avond was afgeloopen, richtte Anubis zijn schreden naar de havenwijk. Een oogenblik WP.s hij nog in verlegenheid gebracht door het aanbod van een der diakenen, om hem naar zijn kranken vriend te vergezellen, maar hij had er zich uitgered, door te verzekeren, dat de zieke nog een verstokte heiden was, wien een dergelijk bezoek zeker niet welkom zou zijn. Men had hem toen alleen laten gaan.
Langs groote omwegen en herhaaldelijk omziende, om er zich van te overtuigen, dat hij niet gevolgd werd, bereikte de Egyptenaar eindelijk de haven. Daar aangekomen, zag hij nogmaals behoedzaam om zich heen. Hij bevond zich voor een kleine herberg, blijkbaar druk bezocht door zeelieden, rond-
53
reizende kunstenmakers en kaaiwerkers, die gedurig af en aan liepen. Toen hjj voldoende verzekerd was, dat niemand hem bespiedde, verdween ook hij in de nauwe deur.
Bij de deur stond Zeno, de waard, een Aziatische Griek van reusachtigen lichaamsbouw. Hij wierp den binnentredende een blik van verstandhouding toe.
— Men wacht u reeds! fluisterde hij.
Anubis knikte en begaf zich door de gelagkamer, die vol was met schreeuwende, drinkende en spelende matrozen, naar een klein vertrek daarachter, dat Zeno tot nachtverblijf diende.
Voor de wrakke tafel zat een kleine, oude Jood, met een sluw uiterlijk, die den binnentredenden Egyptenaar een onvrien-delijken blik toewierp.
— Zijt gij daar eindelijk ? vraagde hij norsch. Ik wacht reeds een uur in deze spelonk!
— Ik kan het niet helpen, heer! verontschuldigde zich Anubis. Maar de wijn van Zeno is goed en de tijd zal u wel niet lang zijn gevallen !
— Spot ge met mij, onbesneden heiden! Weet gij niet, dat de dienaar van den eerwaarden Rosh Hakkeneseth geen spijs of drank mag gebruiken in uwe onreine huizen, en dat ik dien beker wijn moet betalen, zonder hem te drinken.
—- Dat is toch jammer van den goeden wijn, grijnsde Anubis. Laat mij, heer!
— Drink! krijschte de dienaar van den overste der synagoge. Maar zeg spoedig, wat gij hebt mede te deelen! Isaiic Bar-Levi is ontevreden over u.
— Hij zal spoedig tevreden zijn! verzekerde de Egyptenaar. Ik breng volledige berichten. Luister slechts!
De oude Jood haalde schrijfgereedschap te voorschijn en teekende ijverig op, wat Anubis hem mededeelde. Het waren uitvoerige aanwijzingen omtrent de vergaderplaatsen, de namen en de woningen der Christenen, die de verrader met groote
54
sluwheid gedurende de laatste weken had opgezameld. Wanneer de Joden en Heidenen gereed waren, konden zij, door deze aanwijzingen geleid, met één enkelen slag de gemeente vernietigen.
Toen de Egyptenaar gereed was, knikte de oude goedkeurend.
_ Dat zijn kostbare berichten, vriend! zeide hij, en ik denk,
dat de eerwaarde rabbi Isaac tevreden zal zijn. Hier hebt ge voorloopig iets voor uwe moeite. Zoodra ons plan gelukt, wordt uwe belooning uitbetaald.
Tegelijk wierp hij Anubis een paar goudstukken toe, die deze met groote snelheid in zijn gordel deed verdwijnen.
— De overste der synagoge is edelmoedig! zeide hij verheugd. Het is een eer, hem te dienen !
— Zoo gij uw plicht doet, zult gij u niet over hem te beklagen hebben! zeide de oude. Vaarwel! ik ga uw berichten overbrengen.
_ En ik ga naar de gelagkamer! Gewoonlijk is er wel
gelegenheid, om nog eens op de stemming van het volk te werken.
De Jood knikte en sloop heen. Een oogenblik later verliet ook Anubis het vertrekje achter de gelagkamer en mengde zich onder de gasten.
Zonder door iemand opgemerkt te worden, zette hij zich in een hoek en luisterde naar de gesprekken, die er rondom hem werden gevoerd.
Een der zeelieden verhaalde juist, dat er in de laatste maanden gevaarlijke verzandingen waren ontstaan aan den mond van de haven van Smyrna. Er waren, zoo beweerde hij, reeds herhaaldelijk offers gebracht aan Poseidon, den god der zee, maar tot nu toe was alles vergeefsch geweest.
— Geen wonder! klonk het plotseling uit den hoek, waar Anubis zat.
Aller oogen richtten zich op den spreker.
55
— Wat meent gij daarmede? vraagde de verhaler barsch, terwijl hij op den Egyptenaar toetrad.
— Vergeving, mijne heeren! dat ik mij in uw gesprek mengde! zeide deze met een buiging. Die uitroep ontsnapte mij daar onwillekeurig. Maar \'t is waarlijk immers geen wonder, dat Poseidon onze haven niet meer beschermt?
—- Geen wonder? Wij begrijpen u niet! riepen verscheidene stemmen.
— \'t Is toch duidelijk! liet beeld van den god staat nog altijd op de kade, maar het vindt hoe langer hoe minder vereerders. Zijn er zelfs niet onder de schippers en zeelieden, die van de oude goden afvallig zijn geworden? Neemt het getal der Christenen, die niet offeren en onze goden vloeken, niet bij den dag toe; en is het dan wonder, dat Poseidon ons niet meer beschermt, als wij dulden, dat hij gehoond en gelasterd wordt?
— Hij heeft gelijk!
— \'t Is waar!
— Weg met de Christenen!
— Werp ze in zee, als een offer aan Poseidon !
Zoo klonken verschillende stemmen. Door dien bijval aangemoedigd, vervolgde de Egyptenaar :
—■ Onze keizers, die hen vervolgden als eene secte, ongehoorzaam aan de wet en noodlottig voor het rijk, wisten wel, wat ze deden. Zij zijn de oorzaak van allerlei rampen. En nog erger gevaar bedreigt misschien deze goede stad! . . . .
— Wat bedoelt gij? Wat meent ge daarmede? riepen eenige stemmen.
— Ach, wat baat het u, of ik het zeg? Het woord ontviel mij! Laat ons liever zwijgen! zeide Anubis, schijnbaar verlegen.
— Neen, wij willen het weten! Welk gevaar bedreigt onze stad ?
50
— Nu dan, zoo ge rnij dwingt.....maar wijt \'traij niet,
zoo het orakel onheilspellend is!
— Neen, neen! Maar spreek op!
— Nu dan, de priesters van Isis, mijne landgenooten, zijn, zooals ge weet. zeer ervaren waarzeggers. Zij hebben, naar ik vernam, een orakel gevonden, dat Poseidon de stad zal verlaten en Smyrna\'s haven geheel verzanden.
Een kreet van ontsteltenis ging er van alle kanten op.
— Dan verarmt Smyrna! riep er een. Het bestaat door zijn handel en scheepvaart!
— Dan zijn wij allen broodeloos! riep een ander.
— Wat zullen wij doen?
— Ja, wat zullen wij doen? zeide Anubis, met een bedenkelijk gezicht. Sommige keizers hebben wel meermalen het onheil van hun volk afgewend, door de Christenen op te offeren aan de wraak der goden. Maar Maximius is te laf en te weekhartig.....
— Dan zullen wij hem dwingen!
— Dood aan de Christenen!
— At het volk denkt als wij!
— Vooruit! Er op af!
En door Anubis aangevoerd, stormde een twintigtal mannen in opgewonden toestand naar buiten. Niemand van hen begreep, wat men eigenlijk ging doen en allen volgden blindelings den Egyptenaar, die het evenmin wist. Hij begreep echter weldra, dat hij met zulk een troepje niet veel kon uitvoeren, en daar het voorloopig slechts zijne bedoeling was het volk tegen de Christenen te verbitteren, trachtte hij zich zoo spoedig mogelijk van zijn volgelingen te ontslaan.
Bij het omslaan van den hoek eener donkere straat was hij plotseling verdwenen. De overigen, die nauwelijks bemerkten, dat hun aanvoerder hen verlaten had, liepen nog een poos schreeuwend, tierend en dreigend door de straten, maar daar
57
geen hunner wist. tegen wien eigenlijk hun woede gericht was, deden zij verder niets.
Toch had de Egyptenaar reden, zich over zijn werk te verheugen. Den volgenden dag verspreidde zich alom het gerucht, dat de Christenen oorzaak waren dat do haven ging verzanden, en de sluimerende volkshaat tegen de gemeente was weer opgewekt.
HOOFDSTUK V 11. HET BEELD VAN POSEIDON.
^v^Lnmiddels had ook Demetrius niet stil gezeten. Hij en de zijnen hadden gedaan wat ze konden, om den sluimerenden volkshaat tegen de Christenen te doen ontwaken, en de beweging, door Anubis en de priesters in het leven geroepen, begon langzamerhand geduchte afmetingen aan te nemen. De houding van het grauw tegenover de Christenen werd meer en meer dreigend en het was te voorzien, dat het weldra tot een uitbarsting zou komen.
De heidensche priesters bleven niet in gebreke het volk door allerlei middelen op te hitsen en ze namen daartoe alle listen en bedriegerijen te baat, waarover zij zoo ruimschoots beschikten. Telkens hoorde men van dreigende orakelspreuken en onheilspellende voorteekenen. Afgodsbeelden hadden gesproken, zoo beweerde men, en de ingewanden der offerdieren waren herhaaldelijk geheel en al zwart geweest. Dat alles, zeiden de priesters, bewees duidelijk, dat de goden vertoornd waren en dat een groote ramp de burgers van Smyrna boven het hoofd hing, die slechts afgewend kon worden door de uitroeiing der Christenen.
59
Ook Isaac Bar-Levi was niet werkeloos gebleven. Hoewel hij niet in het openbaar tegen de belijders des Heeren optrad, werkte hij langzaam maar zeker aan hun ondergang. Door den invloed van sommige zijner geloofsgenooten, die als handelaars en geldschieters met de hoogere Romeinsche ambtenaren bijna dagelijks in aanraking kwamen, wist hij de voornaamste regee-ringspersonen ongunstig tegen de Christenen te stemmen. De dag was dan ook niet verre meer, waarop hij het net, waarin de gemeente van Smyrna moest worden gevangen, zou kunnen toetrekken. Door het verraad van Anubis, die hem steeds bericht bracht van alles, wat er onder de Christenen voorviel, was hij volledig bekend met hunne schuilplaatsen. Indien dus Maximius, de pro-consul, slechts tot handelen was te bewegen, kon men de Smyrnasche gemeente met één slag vernietigen.
Om den tragen stadhouder echter te noodzaken de hand aan het werk te slaan, had de sluwe Jood een afdoend middel bedacht.
Het tijdstip naderde, waarop de schepen, die in de haven hadden overwinterd weer zouden uitzeilen. Als gewoonlijk zou er bij deze gelegenheid een plechtig offerfeest gegeven worden, ter eere van den zeegod Poseidon, opdat hij de zeevaarders voor stormen en andere zeerampen mocht beschutten. Dit feest zou ditmaal dubbel luisterljjk zijn, omdat men den god hoopte te bewegen, met zijne golven de verzandingen weg te spoelen, die dreigden na verloop van tijd Smyrna\'s handel te zullen vernietigen. Er zouden groote offers worden geslacht in den aan Poseidon gewijden tempel en daarenboven zou het beeld van den god, dat zich op de havenkade bevond, met kransen worden versierd.
Op dit feest hoopte de overste der synagoge te slagen in zijn plan, om een oproer tegen de Christenen te verwekken. Hij had Anubis in het geheim bij zich ontboden en een langdurig onderhoud met hem gehad. Toen de Egyptenaar hem verliet, glinsterde diens gelaat van boosaardige vreugde. Uit de
60
bevelen, die hij had ontvangen, had hij begrepen, dat de dag niet meer verre was, waarop hij het masker zou kunnen afwerpen, en behalve het voordeel, dat de val der Christenen hera zou aanbrengen, schepte hij er een wreed vermaak in, om hen, die hem blindelings vertrouwden, in den strik te lokken.
Den avond voor het feest was de Christelijke gemeente te zamen gekomen, om te luisteren naar de vermaningen van haren bisschop. De heidensche feesten en offermaaltijden waren toch nog altijd voor sommige der jongere broeders eene zware verzoeking, en de apostelen en hunne opvolgers hadden vaak een harden strijd te voeren, om hunne kudde te beletten, er aan deel te nemen. Vooral zij, die den doop nog niet hadden ontvangen, liepen gevaar, bij zulke gelegenheden afvallig te worden van het geloof.
Met ernst en kracht sprak de eerwaardige Polycarpus dien avond de aan zijne herderlijke zorgen vertrouwde gemeente toe. Woorden van vermaning en waarschuwing, — maar ook van vertroosting vloeiden van zijne lippen. Hij wist toch, hoe hoog de haat van Heidenen en Joden gestegen was; hij wist, dat de geringste omstandigheden aanleiding konden geven tot een oproer tegen de Christenen en dat men van den tegenwoordigen Keizer niets te hopen had. Zoo vermaande hij dan de zijnen, om standvastig te zjjn in de verdrukking, als de Heer Zijne gemeente wederom door een donkeren weg wilde leiden. Hij wees hen op de heerlijkheid der overwinning en riep hun de woorden toe, eens door een Heiligen mond tot de gemeente van Smyrna gericht; «Wees getrouw tot den dood, en ik zal u geven de kroon des levens.quot; \')
Ademloos luisterde de gemeente naar de woorden van haren geliefden bisschop en menig stil gebed steeg er op tot God om kracht en moed, maar menig oog vulde zich ook met tranen,
\') Openb. 11 : 10
61
bij de gedachte aan de gevaren, die weldra misschien geliefde betrekkingen en vrienden zouden bedreigen. Slechts één hart bleef ongeroerd, één oog bleef droog. In een donkeren hoek ineengedoken, had Anubis de toespraak en het gebed van den bisschop aangehoord, en otn zijne lippen speelde een duivelsche lach. Hij wist toch reeds, dat het onheil, waarvan Polycarpus nog slechts de mogeljjkheid veronderstelde, onherroepelijk over hem en de zijnen besloten was.
Toen de gemeente na do godsdienstoefening de plaats der samenkomst verliet, was het stikdonker. De wind gierde onheilspellend door de straten en in de verte hoorde men het gerommel van den donder. Blijkbaar was er een geduchte storm op handen, een afscheidsgroet van den scheidenden winter. Ieder haastte zich dan ook, om zoo spoedig mogelijk zijne woning te bereiken.
Bij de dikke duisternis, die er heerschte, kostte het den Egyptenaar geen moeite, zich van zijn gezelschap te ontslaan. Zoodra hij zich alleen zag, keerde hij op zijne schreden terug en snelde naar de woning van Isaac Bar-Levi.
Hij scheen gewacht te worden. Zonder dat hij behoefde aan te kloppen, werd de deur zachtjes voor hem geopend, en even zachtjes weer achter hem dichtgesloten.
Na weinige oogenblikken verliet hij het huis weder met een vrij groot pak onder den arm, en worstelende tegen den wind, die nu met korte maar hevige vlagen uit het Noordwesten blies, sloeg hij den weg in naar de haven.
Op de breede kade aangekomen kon hij zich nauwelijks op de been houden, zoo hevig was de storm. De golven klotsten met donderend geweld tegen den zwaren steenen dam. de wind gierde akelig door het want der talrijke schepen en het was daarbij zoo duister, dat de Egyptenaar geen stap voor zich uit kon zien. Een oogenblik bleef hij weifelend staan. Toen vermande hij zich echter.
— Het moet! fluisterde hij met schorre stem. En ik ben
62
wel dwaas, dat ik aarzel! Dit is er juist een nacht voor!
Hij bleef nog een oogenblik staan, wachtende op een bliksemstraal, om te zien waar hij zich bevond. Het felle licht, gevolgd door een ratelenden slag deed hem van schrik ineenkrimpen Hij vatte echter nogmaals moed en trad langzaam voorwaarts. Hij had in de verte gezien, wat hij zocht.
Midden op de kade prijkte op zijn breed marmeren voetstuk het prachtige bronzen standbeeld van Poseidon, den beschermer van de haven van Smyrna.
Het reusachtige beeld stelde den god voor in zittende houding, omgeven door allerlei zeedieren en met den drietand in de uitgestrekte rechterhand. Het kolossale kunstwerk, de roem der liandeldrijvende bewoners van Smyrna, was bij helder weder van ver uit zee reeds zichtbaar, en de bijgeloovige zeelieden verzuimden nooit, bij aankomst of vertrek den god hunne offers te brengen.
Naar dit standbeeld, dat hij bij het licht van den bliksem van verre gezien had, richtte Anubis zjjn schreden.
Het onweder scheen af te drijven. De Egyptenaar was reeds eenigen tijd voorzichtig voortgegaan, zonder dat een nieuwe bliksemstraal hem voorlichtte.
— Als de maan nu maar een oogenblik te voorschijn kwam! mompelde hij, terwijl hij besluiteloos bleef staan.
Op dat oogenblik brak juist de maan door de wolken, en Anubis deinsde verschrikt achteruit.
Zonder dat hij het wist, bevond hij zich vlak voor het standbeeld en de god scheen met opgeheven drietand den verme-telen sterveling te willen verpletteren, die het waagde hem met booze oogmerken in het holle van den nacht op te zoeken.
De ontroering van den Egyptenaar duurde echter slechts een oogenblik. Snel trad hij op het beeld toe, schoof zijn pak op het voetstuk en vlug als een kat werkte hij zich naar boven.
Toon luisterde hij scherp naar alle kanten, of hij ook een
63
of ander verdacht gerucht hoorde. Niets vernam hij echter dan het geklots der golven en het geloei van den wind. De haven lag daar stil en verlaten. De matrozen, die anders dikwijls tot laat in den nacht zingend en schreeuwend langs de kade trokken, hadden nu een toevlucht gezocht in het ruim der schepen of in een der talrijke herbergen in den omtrek.
De Egyptenaar knikte tevreden. De maan, hoewel nog altijd achter de wolken verscholen, gaf nu toch licht genoeg, om hem in staat te stellen, zijn plan ten uitvoer te brengen. Zonder dralen toog hij aan het werk.
Uit zijn bundel haalde hij een korte dikke ijzeren staaf, een hamer en een scherpe nijptang te voorschijn. Toen heesch hij zich met moeite op de knieën van het afgodsbeeld, stak het sterke breekijzer tusschen den arm van den god en den stang van den drietand en drukte met alle kracht.
— Ziezoo! bromde hij, toen hij den schepter van Poseidon aanmerkelijk verbogen had. Dat is gedaan! Nu nog het gezicht van onzen vriend !
Met de voeten steunend in de plooien van het gewaad van het beeld, begon hij met hamer en nijptang het gelaat te bearbeiden. Weldra was dit gruwelijk geschonden.
Om het werk der verwoesting te voltooien, sloeg hij nu nog met zijn zwaren hamer twee der drie punten van den drietand af, overtuigde zich nogmaals, dat er zich niemand in de nabijheid bevond, die hem zou kunnen verraden en verdween toen in de duisternis, terwijl hij zijne werktuigen achterliet.
Spoedig zou het blijken, welk doel de overste der synagoge en zijn handlanger met dit nachtelijk vernielingswerk beoogden.
Den volgenden morgen was er reeds vroeg eene schreeuwende en tierende volksmenigte rondom Poseidons beeld ver-eenigd. Schor van ontzetting en woede schreeuwden de zeelieden het elkander toe, dat een schendige hand dien nacht
64
het beeld van hun god had geschonden. De werktuigen, waarmee het misdrijf was gepleegd, waren nog aanwezig, maar de dader was tot nog toe onbekend!
Terwijl het volk zich tierend en gillend rondom het mishandelde beeld verdrong, naderde langs de kade een plechtige stoet. Het waren de priesters van Poseidon, die met korven bloemen en een fraai bekransten zwarten stier den zeegod hun offer kwamen brengen, vergezeld door een massa zijner ge-loovige vereerders en nog meer nieuwsgierigen.
Reeds van verre zagen de naderenden, dat er iets bijzonders moest gebeurd zijn. doch toen zij het geschonden beeld in het oog kregen, stonden ook de priesters sprakeloos van schrik. Weldra begrepen zij echter wat er gebeurd was en met opgeheven urmen en gillende kreten voorspelden zij, dat de god een ontzettende wraak zou nemen op het goddelooze Smyrna, dat zijn beeld had geschonden en dat nog wel op den dag van zijn feest.
Hunne woorden verhoogden den angst en de woede van het volk en steeds luider vraagde men naar den dader.
Daar klonk plotseling een stem :
— Dat hebben de Christenen gedaan!
Wie dat riep, wist niemand.
Het volk had het echter gehoord, en van alle kanten werd de kreet herhaald :
— De Christenen hebben het beeld van Poseidon geschonden! Zij willen ons de wraak van den god op den hals halen! Dood aan de Christenen !
— Slaat ze dood! Steekt hunne huizen in brand! klonk het van alle kanten.
En zonder verder te onderzoeken, of de ingebrachte beschuldiging juist was, stormde het volk naar de stad, om zijn god te wreken. Daar aangekomen verdeelde het woedende grauw zich in verschillende hoopen, die weldra als door een tooverslag gidsen
65
gevonden hadden, die hun de woningen der Christenen zouden aanwijzen. Deze gidsen waren toevallig allen Joden.
Het volk wreekte dien dag de beleediging, Poseidon aangedaan, door .\'plundering, brandstichting en moord.
Tegen den avond stond Isaiie Bar-Levi op het platte, dak van zijn huis, en zag met welgevallen naar de zwarte rookzuilen, die uit de verschilbnde wijken der stad opstegen. De oude Simon stond naast hem en met luider stem loofde de arme verblinde man .lehovah voor den ondergang der Naüareners.
5
m p
HOOFDSTUK VIII.
DE VERVOLGING.
De pro-consul Maximius, een zwak man, die slechts voor zijn vermaak leefde, had de gemeente gaarne met rust gelaten, niet omdat hij haar eenigszins genegen was, maar omdat eene vervolging hem noodzakelijk heel wat last en moeite moest berokkenen. Het oproer, door de Joden aangehitst en geleid, had hem echter gedwongen zich met de zaken te bemoeien. Hij had door zijne soldaten het volk uit elkander doen jagen en eenige plunderaars en brandstichters in de gevangenis geworpen, maar liij begreep, dat het daarbij niet kon blijven. De gisting onder het volk werd hoe langer hoe heviger; met luide kreten eischte men de terechtstelling der Christenen, en zoo de landvoogd aan het verlangen der menigte niet toegaf, dan was het te vreezen, dat zij die deze beweging hadden veroorzaakt, hem te Rome zouden beschuldigen van te heulen met de Christenen, die volgens de wetten des rijks misdadigers waren.
Men zou hem dan de schuld van het oproer geven en aandringen op zijne afzetting, en Maximius wist, dat hij aan het hof des Keizers vijanden genoeg had, die maar al te gaarm
e vijanden der Christenen hadden hun doel volkomen bereikt.
67
van zulk eene goede gelegenheid gebruik zouden maken om liem ten val te brengen.
Hij besloot dus het volk te wille te zijn en daar hij vernam, dat er zich onder de gevangenen, die zijne soldaten gemaakt hadden, ook eenige Christenen bevonden, beval hij, dat die lieden, waartoe ook Germanicus, de pleegzoon en schrijver van Polycarpus behoorde, terstond in eene openbare rechtszitting zouden worden verhoord.
Waar bevond zich ondertusschen Anubis?
Hoewel het onheil, dat hij mode had helpen voorbereiden, over de hoofden der Christenen gekomen was, had de Egyptenaar zijn meester Qjintus nog niet verlaten. Hij wist zeer goed, dat bij zich daardoor aan een groot gevaar blootstelde. Indien hij toch in het huis van Quintus met dezen werd gegrepen, was zijn leven maar weinig waard en hij begreep zeer wel, dat zijne vrienden, de .(oden, hem dan niet konden redden, terwijl het daarenboven niet waarschijnlijk was, dat zij zich veel over hem zouden bekommeren. Toch bleef hij. Hij had namelijk een eigen plan, geheel en al onafhankelijk van die van Isaac Bar-Levi, en hij wachtte slechts op een gunstig tijdstip om het uit te voeren. Mocht het gevaar van te nabij dreigen, dan rekende hij op zijne slimheid om het te ontkomen en daarenboven was hij niet voornemens, Quintus in de handen zijner vijanden te leveren, voor het hem goeddacht.
Dien morgen had hij zwervend door de straten doorgebracht. Reeds vroeg had hij zich naar de haven begeven, om zich van den goeden uitslag van zijn nachtelijk ver-woestingswerk te overtuigen. Zoodra zich eenige nieuwsgierigen rondom het geschonden beeld verzameld hadden, had hij zich bij hen gevoegd en luider dan iemand gejammerd en geweeklaagd over de schandelijke heiligschennis. Toen de woede van het volk genoeg geprikkeld was, had hij het eerst den kreet doen hooren, die de Christenen beschuldigde, nadat hij onge-
68
merkt met eenige Joden, zendelingen van Isaac Bar-Levi, teekens van verstandhouding had gewisseld. Grijnzend van genoegen had hij de brullende troepen met hunne gidsen aan het hoofd in verschillende richtingen zien vertrekken. Hij was hen van verre gevolgd, en had gezien, hoe het volk plunderde en brandstichtte en hoe het door de soldaten werd uiteengejaagd. Toen hij eindelijk zijne nieuwsgierigheid had bevredigd en nog de gevangenneming van eenige Christenen had bijgewoond, dacht hij er aan, huiswaarts te keeren.
De woning van Quintus lag in een afgelegen wijk der stad. Geen der yolkshoopen was die richting ingeslagen, en Anubis rekende er terecht op, dat zij voorloopig gespaard zou blijven.
Zijne berekening bleek juist. Toen hij bij het huis van den ouderling kwam, vond hij het ongedeerd. De bewoners echter, zoowel de heer als zijne dienaren, verkeerden in een doode-1 ij ken angst. Niemand had op kondschap durven uitgaan en de Egyptenaar werd, zoodra hij binnentrad, met vragen overstelpt. Hij antwoordde echter niemand, maar begaf zich rechtstreeks naar het vertrek van Quintus.
Nauwelijks was hij in tegenwoordigheid van zijn meester, of met al de kenteekenen eener hevige droefheid wierp hij zich aan diens Toeten.
— Wat scheelt u? Wat is er gebeurd? riep de ontstelde Quintus.
— Ach, heer! zuchtte Anubis, terwijl hij zich als wanhopig op de borst sloeg, mijn goede heer! gij zijt verloren! wij allen zijn verloren!
— Wat zegt ge? riep de ouderling ontzet.
— De waarheid, heer! De Heidenen hebben hunne helsche woede tegen de Christenen gekeerd. Het volk doodt hen en plundert hunne huizen en de pro-consul laat ze gevangen nemen! Hoor slechts!
En met de schrilste kleuren begon de Egyptenaar een tafe-
69
reel op te hangen van alles, wat hij dien morgen had aanschouwd. Bleek en sidderend hoorde Quintus hem aan,
— Wat zal ik doen? Wat moet ik beginnen? riep hij.
Anubis had die vraag verwacht.
— Vluchten, heer, totdat de storm voorbij is! Op uwe landhoeve zijt gij voorloopig in veiligheid.
— Juist! riep de ouderling. Ik zal er dadelijk heengaan! Vlug, roep de slaven! Laat mjjn draagstoel gereedmaken! Wij vertrekken terstond.
Anubis schudde het hoofd.
— Dat niet, heer! Dat baart te veel opzien! Neem uw geld en uwe kostbaarheden en vlucht in \'t geheim. Laat u slechts door een vertrouwd dienaar vergezellen. Licht schuilt er een verrader onder uwe slaven.
— Gij hebt gelijk! riep de ander bleek van angst. Verlaat mij niet, Anubis! Kom, help mij! Gij zult mij vergezellen! Ik zal u ruim beloonen!
En met koortsachtige haast begon Quintus alle kostbaarheden, die voor de hand lagen, in te pakken. De Egyptenaar -wist hem echter spoedig te beduiden, dat hij niet alles kon medenemen en dat hij zich met het kostbaarste moest vergenoegen. De ouderling liet zich leiden als een kind en deed alles, wat zijn dienaar hem zeide; weldra verlieten dan ook beide mannen door een achterdeur het huis, gehuld in wjjde mantels en met een aa,nzienlijke som in goud onder hunne kleederen verborgen, Quintus zwoegde daarenboven onder een ijzeren koffertje, waarmede hij Anubis niet had willen belasten, hoezeer deze er op had aangedrongen.
De achterdeur kwam uit in een klein zijstraatje, of liever een laan, die tusschen de tuinen der omliggende huizen door naar den stadsmuur leidde. Quintus hoopte ongehinderd de poort uit te komen. Was hij eenmaal buiten de stad, dan was hij voorloopig in veiligheid.
70
Met haastige schreden liep hij door de nauwe laan, door Anubis op den voet gevolgd. De oogen van den Egyptenaar waren met een onheilspellende uitdrukking op zijn meester gevestigd. Nu was de gelegenheid daar, waarop hij steeds gewacht had. Nu kon hij rijk worden, rijk voor zijn leven. Zoodra gindsche kromming hen geheel en al onttrok aan het oog van degenen, die hen soms uit de omliggende huizen mochten hebben bespeurd, zou hij zich op den niets kwaads vermoedenden Quintus werpen, hem zijn mes in de keel stooten en zich met het goud en het ijzeren koffertje uit de voeten maken.
Reeds lang was het plan tot deze misdaad bij hem gerijpt. Hij had echter niet durven hopen, dat de gunstige gelegenheid zich zoo spoedig zou komen aanbieden.
De kromming was haast bereikt, Quintus ijlde ademloos voort, zonder te vermoeden, welke vreeselijke gedachten er omgingen in de ziel van zijn vertrouwden dienaar, Anubis haalde zachtjes zijn mes te voorschijn.
Plotseling klonken er haastige voetstappen in de laan. Verschrikt bleef Quintus staan, terwijl Anubis met een gesmoorden vloek het dolkmes in de schede terugstiet. Een oogenblik later werd er in de kromming een man zichtbaar, die snel op hen toeliep.
— \'t Is een vriend! zeide Quintus, terwijl hij een zucht van verlichting slaakte, \'tis Titus, de diaken.
_ Goed, dat ik u nog ontmoet, eerwaarde Quintus! zeide
Titus. Ik koos opzettelijk dezen weg, om door de achterdeur ongemerkt in uwe woning te geraken. Ik kom u ter vergadering nooden.
— Ter vergadering? herhaalde Quintus werktuigelijk.
— Ja, al de broeders zijn reeds bij den bisschop bijeen en ik zie, dat ik mij de moeite had kunnen sparen u te gaan halen, want gij zijt zeker ook op weg naar Polycarpus?
Een oogenblik voerden ijdelheid en vrees een hevigen strijd
71
in Quintus\' borst. Alle ouderlingen en diakenen waren bij Po-lycarpus vereenigd. Hij was de eenige, die vluchtte. Zou hij zijn voornemen volvoeren, of zou hij Titus in den waan laten, dat ook hlj reeds van plan was geweest zich naar den bisschop te begeven ?
De jjdelheid overwon.
— Zeker! Ik begreep wel, dat de broeders zich bij den bisschop zouden vereenigen! zeide hij, terwijl hij Anubis een blik van verstandhouding toewierp. Laat ons samen gaan. Gij zult mij onderweg verhalen, wat er heden gebeurd is.
Onder een levendig gesprek begaven de beide mannen zich op weg. Anubis volgde zwijgend. Hij kookte inwendig van woede, omdat de schoone kans van zooeven hem was ontsnapt, en, terwijl hij van t|jd tot tijd sombere dreigende blikken wierp op den diaken Titus, wiens komst zijne plannen had verijdeld, overlegde hij, wat hem nu te doen stond.
Een oogenblik dacht hij er over, zich met het geld, dat hij bij zich droeg, uit de voeten te maken en aan Isaac Bar Levi te gaan melden, dat alle hoofden der Christenen zich ten huize van Polycarpus bevonden. Spoedig verwierp hij echter dit plan. Zijn vlucht zou toch ongetwijfeld argwaan wekken en als hjj de Christenen niet in de handen hunner vijanden leverde, ontging hem het loon, hem door den overste der Synagoge toegezegd. Daarenboven zou hij zich zoodoende slechts van een gedeelte van het geld zijns heeren kunnen meester maken, en hij wanhoopte nog niet aan de mogelijkheid om den schat in zijn geheel te bemachtigen. Hij besloot dus, nog te wachten.
Toen Quintus en Titus het huis van Polycarpus bereikten was de raadsvergadering reeds begonnen. De bisschop bracht het gebeurde van dien dag in herinnering; hij wees er op, dat de vervolging, die God door zijn apostel Johannes de gemeente van Smyrna had laten aankondigen, klaarblijkelijk gekomen was, en vraagde, hoe, naar het oordeel der broeders de gemeente en hare opzieners behoorden te handelen.
72
Nog sprak Polycarpus, toen een zijner dienaars ademloos het vertrek binnenstormde.
— Germanicus is dood! hijgde de man ontzet. Hij is in het amphitheater door de wilde dieren verscheurd!
— In het amphitheater? Nu reeds? Hoe is dat mogelijk? klonken verschillende stemmen.
Een wenk van Polycarpus gaf den man verlof tot spreken.
— Ik had vernomen, zoo verhaalde hij, dat Germanicus en eenige andere broeders, die door de soldaten waren gevangen genomen, nog heden op de markt een voorloopig verhoor zouden ondergaan. Ik ging er heen, om te zien, hoe het met hen af zou loopen. Op de markt gekomen, bemerkte ik reeds uit de opgewondenheid van het volk, dat er iets bijzonders moest gebeurd zjjn en uit de gesprekken, die rondom mij werden gevoerd, vernam ik, dat al onze broeders standvastig den Heer hadden beleden en eenparig hadden geweigerd, voor het borstbeeld van den Keizer te offeren. Het schijnt, dat Maximius hen eerst nog heeft willen redden. Hij poogde ten minste hen door beloften en bedreigingen tot andere gedachten te brengen en toen niets hen kon bewegen, beval hij, dat men hen naar het amphitheater zou voeren, om hen door het gezicht der daar opgesloten wilde dieren te verschrikken.
Het volk stroomde naar den circus en ook ik begaf mij daarheen. Toen ik er aankwam, had men juist Germanicus voor de hokken der monsters gebracht, die onder luid gebrul tegen de traliën opvlogen.
Maximius riep hem toe, dat dit het lot was, dat hem wachtte, zoo hij halsstarrig bleef. Onze edele broeder wankelde echter niet. Onverschrokken trad hij tot vlak voor de ondieren, als wilde hij hunne woede tarten en riep met luider stem:
— Ik geloof in den Heere Jezus Christus, den Zoon des levenden Gods!
73
— Moedige Gertnanicus! Wel herken ik u, mjjii zoon! riep de bisschop verheugd.
— Op het hooren van deze woorden, ging de verhaler voort, werd het volk nog meer verwoed. «Hij hoont ons.« schreeuwde men van alle kanten, »hij hoont ons nog, de tenipel-schenner!« »Hij spot met u en uwe bedreigingen!» «Laat de dieren op hem los, edele Maximius!«
— Een oogenblik nog aarzelde de pro-consul. Toen het geschreeuw echter hoe langer hoe heviger werd, gaf hij toe. Hjj wenkte de bewaarders van den circus, de deuren vloden
7 O
open en in een oogwenk hadden de monsters onzen moedigen broeder verscheurd.
Een dof gemurmel liep door de vergadering. In menig oog parelde een traan.
— Wat weent gij om hem, lieve broeders? zeide Polycarpus, die een oogenblik zwijgend het hoofd had gebogen. Zijn strijd is volstreden en hjj juicht nu bij God. Laten wij liever den Heer danken, die in dezen jongeling Zijne genade zoo krachtig openbaarde, en bidden, dat wij in de ure der beproeving volharden mogen als hij!
Op dit oogenblik werd er hevig aan de huisdeur geklopt en terstond daarop traden eenige Christenen, bleek van ontzetting, het vertrek binnen.
— Red u, eerwaarde vader! riepen zij, het oproer begint opnieuw en ditmaal geldt het u! Het volk roept: Dood aan de Christenen\' Dood aan Polycarpus! Een woeste hoop is reeds op weg naar uw woning!
— Laat ze komen! zeide de bisschop bedaard. Ik vrees hen niet! Zoo de Heer mij, zijn grijzen dienaar, het martelaarschap waardig keurt, zal ik het juichend van Zijne hand ontvangen.
Maar de ouderlingen en diakenen traden op hem toe, en smeekten hem, zich te redden en de gemeente in dezen zwaren tijd niet van haar opziener te berooven.
74
Polycarpus dacht een oogenblik na.
— Gij hebt gelijk, broeders! zeide hij toen. Wij mogen God niet vooruitloopen. Zoo Hij mij nog niet tot zich wil nemen, en nog wil, dat ik hier arbeiden zal — Zijn wil geschiede !
Een der Christenen, die een landhoeve bezat in de nabijheid der stad, bood die den bisschop aan, als een schuilplaats, waar hij voorloopig veilig zou zijn. Sommige ouderlingen volgden hem, terwijl anderen Quintus vergezelden, die mede gaarnegastvrijheid verleende aan allen, die zich bij hem aansloten.
Men verliet de stad langs verschillende wegen en allen bereikten veilig de plaats hunner bestemming. Het volk moest zich vergenoegen met het huis van Polycarpus te vernielen, dat dan ook eerst werd geplunderd en toen, daar de pro-consul het brandstichten had verboden, tot den laatsten steen werd afgebroken.
HOOFDSTUK IX.
HET TEKRAAD.
;aar het was Gods wil, dat Polycarpus zijn geloof met zijn bloed bezegelen, en door den marteldood zijn Heer verheerlijken zou.
In de schuilplaats, die hij had gekozen, zou hij wellicht veilig geweest zijn, te meer daar de overheid van Smyrna bij de vervolging der Christenen weinig ijver toonde en slechts zooveel deed als er noodig was, om het volk tevreden te stellen; maar de haat der Joden rustte niet, voor zij althans den bisschop der gehate Christenen uit den weg hadden geruimd en Anubis, hun werktuig, begeerig naar het hem toegezegde bloedgeld, loerde slechts op eeue gelegenheid, om Polycarpus in de handen zijner vijanden te leveren.
Hiertoe moest hij eerst diens schuilplaats kennen en het viel hem niet moeilijk, den naam dea\'landhoeve aan den argeloozen ° Quintus te ontlokken.
Om geheel zeker te zijn van zijne zaak, ging hij het huis van alle kanten opnemen, prentte zich de toegangen en de wegen, die er heen leidden goed in het geheugen en toen
76
hij geheel en al met de plaatselijke gesteldheid bekend was, wist hij van Quintua gemakkelijk verlof te verkrijgen, om een nacht in de siad door te brengen, ten einde zich, zooals hij voorgaf, van den toestand aldaar op de hoogte te stellen.
De hoeve van Quintus was verscheidene uren van Smyrna verwijderd en de Egyptenaar, die des middags vertrokken was, bereikte de stad eerst tegen liet vallen van den avond. Dit was trouwens geheel volgens zijne bedoeling, daar hij zoo min mogelijk opgemerkt wenschte te worden. Zoodra hij binnen de poort was, begaf hij zich regelrecht naar het huis van den overste der synagoge, met wien hij een kort onderhoud had. Weldra verliet een der dienaren van Isaac Bar-Levi het huis, met een eigenhandig schrijven van zijn heer aan den pro-consul Maximius, en na eenigen tijd keerde hij terug met het antwoord, terwijl de oude Simon hem vergezelde.
— Gij hebt mij ontboden, Isaac Bar-Levi? zeide de oude Jood, toen hij binnentrad.
De overste der synagoge, die den brief van den pro-consul snel had doorloopen, reikte dien den oude zwijgend toe. Simons gelaat glinsterde van wilde vreugde.
— Hij is in onze macht! riep hij triumfeerend.
Isaiic Bar-Levi knikte. Toen sloot hij den brief weer met zijn eigen zegel en gaf hem den dienaar over.
— Naar den prefect van politie ! beval hij.
De man verwijderde zich oogenblikkelijk. Zoodra hij vertrokken was, wendde de overste der synagoge zich tot Anubis.
— Men zal u voor dezen nacht eene slaapplaats aanwijzen, zeide hij. Morgen bij het krieken van den dag vertrekt gij met eenige krijgslieden naar de hoeve, waarvan gij mij gesproken hebt, om Polycarpus gevangen te nemen.
— Gij staat mij toch toe, mij schuil te houden, heer! vraagde Anubis verschrikt.
— Waarom dat?
77
— Ik kan u beter dienen, zoo men mij voor een trouw volgeling der Christenen blijft houden, zeide de Egyptenaar snel.
Isaiie Bar-Levi zag hem uitvorschend aan.
— Dat is toch wel niet de eenige reden! zeide hij.
— Waarlijk, heer! . ..
— \'t Is wel! zeide de overste der synagoge. Uwe plannen gaan mij niet aan. Maar wee u, zoo gij ons verraadt! Als de Christen in onze macht is, ontvangt gij uwe belooning. Gij kunt gaan !
— Ik vertrouw dien man niet! Ik zal ook medegaan ! riep Simon driftig.
— Gij zijt weer te haastig, Simon Ben-Ezra, zeide Isaac Bar-Levi koud. Welke dag is het morgen ?
— De sabbath! de groote sabbathdag voor Paschen! mompelde de oude. Het is waar! Ik had het vergeten!
— Wij kunnen den grooten sabbathdag niet ontheiligen! zeide de overste der synagoge. Maar maak u niet ongerust. Die man is hebzuchtig en hij zal ons niet verraden.
— Wij moeten het er ten minste wel op wagen! bromde Simon. Maar hoe hebt ge Maxiraius kunnen bewegen, om zoo spoedig aan uw verlangen te voldoen ?
— De man is mij geld schuldig! zeide Isaiie Bar-Levi schouderophalend.
— Ah! nu begrijp ik zijne bereidwilligheid! riep de oude spottend. Maar het is reeds laat! Vaarwel !
— Nog een oogenblik! zeide de overste der synagoge. De onzen mogen op het feest aan geen volksoploop deelnemen, maar tracht gij er voor te zorgen, dat er genoeg volk uit de achterbuurten op de been is, wanneer de Christen verhoord wordt. Ook Demetrius en de zijnen zullen wel niet stilzitten.
En de verblinde Israëlieten, die, evenals eens hunne vaderen, wel vreesden den sabbath te ontheiligen, maar er niet tegen opzagen, om een onschuldige te dooden, namen afscheid van elkander.
78
Den volgenden morgen voor het aanbreken van den dag verlieten een twaalftal krijgslieden, onder bevel van een onderofficier en geleid door Anubis, de stad, om Polyearpus gevangen te gaan nemen. De mannen waren^blijkbaar weinig met de hun opgelegde taak ingenomen. Zwijgend volgden zij den Egyptenaar, terwijl zij van tijd tot tijd donkere blikken op den verrader wierpen, die naar hun gevoelen de eenige oorzaak was van den vervelenden tocht, dien zij tegen wil en dank moesten ondernemen. Anubis had een paar malen getracht, met den aanvoerder een gesprek aan te knoopen, maar deze had hem ternauwernood geantwoord, en hem eindelijk op knorrigen toon gelast te zwijgen.
Zoo had men gedurende eenige uren voortgemarcheerd. De weg, die eerst vrij vlak was geweest begon al meer meer te stijgen en de zon, hoewel zij nog niet hoog aan den hemel stond, wierp toch reeds brandende stralen op de vermoeide mannen, die slechts morrend hun gids volgden, terwijl zij beweerden, dat de prefect van politie wel ruiters had kunnen zenden voor zulk een afmattenden tocht. Slechts de Egyptenaar, lenig en vlug als een kat, en daarenboven niet als de krijgslieden belemmerd door eene zware wapenrusting, scheen geen vermoeienis te kennen. Hij stapte stevig voort, terwijl hij van tijd tot tijd een spottenden blik wierp op de hem volgende soldaten, zich blijkbaar vermakende over hunne betrokken gezichten en moedelooze houding.
Eindelijk begon dit den aanvoerder te vervelen.
— Zeg vriend! riep hij den Egyptenaar toe, zijn wij nog ver van die hoeve ?
— Daar ginds ligt zij, achter dien heuvel! antwoordde Anubis. Wij zijn er zoo dadelijk.
Hijgend en blazend vervolgden de soldaten hun tocht, van tijd tot tijd verlangende blikken werpend naar de hoogte, die maar niet nader scheen te willen komen.
79
Eindelijk werd zij toch echter bereikt en beklommen.
Anubis\' woorden bleken waar te zijn. In het dal, aan den voet van den heuvel, lag het eenzame landhuis, waar Poly-carpus\' vrienden hun geliefden voorganger veil\'g waanden voor alle vervolging, — een waan, waaruit zij maar al te ras zouden worden opgeschrikt.
— Nu moeten wij met beleid te werk gaan! zeide do Egyptenaar tot den aanvoerder. Als wij zoo regelrecht op het huis lostrekken, zal dat argwaan wekken, en mogelijk vindt de Christen dan nog gelegenheid te ontkomen. Laat een paar van uwe mannen vooruit gaan. Als ze aan de andere zijde van het dal postvatten, daarginds in die engte, kunnen zij den weg en het huis beide in het oog houden.
— Ik moet hier bevelen geven en gij niet! zeide de krijgsman norsch. Hij volgde echter den raad van den spion en zond een paar zijner onderhoorigen vooruit, terwijl hij hun den last gaf, zich zoo goed mogelijk achter de boschjes en struiken ter zijde van den weg te verbergen. Weldra was de hoeve van alle kanten omsingeld.
— En nu voorwaarts! beval de aanvoerder.
De overgebleven krijgslieden, gevolgd door Anubis, die zich nu in de achterhoede hield, rukten op de hoeve aan. Weldra werd het lage huis zichtbaar, dat tot nu toe achter de hoornen was verborgen geweest.
Plotseling greep de Egyptenaar den aanvoerder bij den arm.
— Dat is hij! fluisterde hij schuw, terwijl hij naar het platte dak van het huis wees.
Werkelijk leunde daar eene mannelijke gestalte in knielende houding tegen de lage borstwering.
De onderbevelhebber knikte tevreden.
— Nu ontkomt hij ons niet meer! riep hij, en door de zijnen vergezeld, snelde hij naar de hoeve. Anubis\'volgde hen niet, maar verborg zich achter eenige struiken, om te zien wat er gebeurde.
80
Polycarpus bevond zich werkelijk op het platte dak van het huis. Hij was gewoon daar eiken morgen eenigen tijd in het gebed door te brengen, dewijl hij zeker was, er door niemand te worden gestoord. Hij was zoo geheel en al in vrome gepeinzen verzonken, dat hij de nadering der krijgslieden niet had bespeurd en verwonderd zag hij op. toen de opzichter der hoeve met een ontsteld gelaat de trap opstormde.
— Wat is er, Philo? vraagde hij vriendelijk.
Maar de opzichter was te ontroerd om te antwoorden.
— De heidenen! —■ Soldaten ! stamelde hij.
— Zijn er krijgslieden op de hoeve en zoeken ze mij ? vraagde de bisschop bedaard.
— Ja, vader! snikte Philo, die eindelijk woorden vond. Ze komen op de hoeve aan en ik bemerkte ze te laat, om u te waarschuwen. Hoor, daar zijn ze reeds! O, wat zal ons overkomen !
Werkelijk hoorde men in het benedenvertrek de krijgslieden stommelen en tieren, terwijl zij naar de trap zochten, die naar het dak leidde.
Polycarpus zag, dat de ure der beproeving gekomen was. Hij sloeg de oogen ten hemel en bewoog zachtjes de lippen.
— Des Heeren wil geschiede! zeide hij toen met vaste stem en zonder de komst der soldaten af te wachten, begaf hij zich naar de benedenverdieping, gevolgd door den bevenden Philo, die niet wist, of hij zijn gast moest tegenhouden of niet.
De krijgslieden waren niet weinig verrast, toen de man, dien zij zochten, hun zelf te gemoet trad en hun rustig vraagde, wat zij begeerden. Daar zij den bisschop niet kenden, meenden zij zelfs een oogenblik, dat Anubis hen bedrogen had. De man toch, die daar met zooveel kalme waardigheid tegenover hen stond, kon toch, meenden zij, de misdadiger niet zijn, dien zij moesten gevangen nemen. Verlegen zagen zij elkander aan.
— Wat verlangt gij, vrienden? vraagde Polycarpus nogmaals.
81
— Wij zoeken Polycarpus, den Christen! zeide eindelijk de aanvoerder.
— Die ben ik! antwoordde de bisschop. Wat verlangt ge van mij.
— Dan moet gij ons naar Smyrna vergezellen! zeide de krijgsman, op eerbiediger toon, dan waarop hij ooit gedacht had tegen een gevangene te zullen spreken.
— Het is wel! Ik zal u vergezellen! antwoordde Polycarpus kalm. Maar laat mij een uur ter voorbereiding.
— Een uur? zeide de aanvoerder aarzelend.
— Gjj en de uwen zijt vermoeid, vervolgde de bisschop. Gij kunt intusschen hier uitrusten en u verkwikken. Zet die mannen spijs en drank voor, Philo!
De soldaten zagen elkander verwonderd aan. Zjj zouden zeker niet geaarzeld hebben, om zich met gewei 1 van alles meester te maken, wat de hoeve opleverde, maar het bevreemdde hun toch, dat hun gevangene hen als gasten ontving en behandelde. De aanvoerder raadpleegde een oogenblik zijne makkers.
— Wij zullen dan een uur wachten! zeide hij eindelijk. Maar zult gij niet trachten te ontkomen?
— [k zal in deze kamer gaan, zeide de bisschop, terwijl hij op een deur wees, die toegang gaf tot een klein vertrek De vensters zjjn hoog. Overtuig u zelf, of een grijsaard, als ik, langs dien weg zou kunnen ontvluchten.
Nadat de krijgslieden het bedoelde vertrek onderzocht hadden, lieten zij Polycarpus alleen. De bisschop bracht dit uur door in vurig gebed voor zijne gemeente en allen, die hem dierbaar waren. Hij wist toch, dat hij ze weldra zou verlaten.
. Ondertusschen beraadslaagden de soldaten, die Philo rjjkelijk van het noodige voorzien had. hoe zij hun gevangene naar Smyrna zouden voeren.
— Die oude man kan den weg daarheen niet te voet
MP 6
82
afleggen! zeide de hoofdman. Hij zou bezwijken, eer hij halverwege was.
— \'t Zou misschien nog het beste voor hem zijn ! Dan waren wij meteen van de moeite ontslagen! bromde een soldaat, die onbarmhartiger was dan de anderen.
De aanvoerder wierp hem een minachtenden blik toe.
— \'t Is jammer. Hermas, dat gij geen beul zijt! voegde hij hem toé. Wij zijn krijgslieden en zullen geen grijsaard mishandelen. Wat zegt gij er van, kameraden ?
Allen waren het met den spreker eens. Een paar begaven zich naar de stallen der hoeve, om er een onderzoek in te stellen en weldra kwamen zij terug met een gezadelden ezel.
— Zoo! zeide de aanvoerder, tevreden knikkend. Zoo zal \'t gaan. Wij behoeven niet onmensehelijk te zijn.
En na zich zoo, als \'t ware, voor zichzelf verontschuldigd te hebben over zijne zeker ongewone weekhartigheid, begaf de man zich naar het vertrek, waarin zich Polycarpus bevond.
— Wij moeten nu gaan! zeide hij op ruwen, maar niet onvriendelijken toon.
Polycarpus was gereed en na een hartelijk afscheid van den bedroefden Philo genomen te hebben, begaf hij zich met zijne bewakers op weg.
Gedurende den tocht werd er niet veel gesproken. Polycarpus was in gepeins verdiept en de krijgslieden gevoelden geen lust hem te storen. Zijne houding boezemde hun onwillekeurig ontzag in.
Men had reeds het grootste gedeelte van den weg afgelegd, zoodat men de huizen van Smyrna duidelijk kon onderscheiden, toen de aanvoerder, die een oogenblik met aandacht naar de stadzijde had getuurd, plotseling tot den bisschop zeide;
— Gij wordt reeds verwacht! Daar ginds komt de overste van politie in zijn wagen. Zie, hjj wenkt ons.
Werkelijk naderde Gallio, gezeten in een fraaien, met twee
83
paarden bespannon wagen, die door z|jn zoon werd bestuurd. Zoodra hij den bisschop en zijne bewakers bereikt bad, beval hij den aanvoerder Polycarpus op den wagen te doen klimmen en dien met de zijnen op eenigen afstand te volgen. Julius wendde de paarden en stapvoets ging het stadwaarts.
— Wel, vriend Polycarpus! riep Gallio, terwijl hij den bisschop een forschen klap op den schouder gaf. Dat is een leelijke poets, die ik u daar heb moeten spelen! .la man, ik kon niet anders. Het bevel van den pro-consul was dringend ! Die verwenschte Joden schijnen met hem te kunnen doen, wat zij willen!
— Maar het zal zoo erg niet voor u afloopen! ging de prefect van politie voort. Gij zult nu toch wel wijzer zijn geworden, en u in het onvermijdelijke schikken. Kom, volg mjjn raad! Zoo gij voor den pro-consul wordt gebracht, wees dan niet halsstarrig en doo, wat hij van u verlangt! Wat betee-kent het ook, om te roepen: De Keizer, onze Heer! en dan wat wijn uit een offcrschaa! te plengen? Hoe is \'t? Antwoordt ge niet?
— Gij meent het wel, Gallio, — maar ik zal niet doen, wat gij mij aanraadt! zeide de bisschop vriendelijk, maar met vaste stem.
Het breede gelaat van den prefect van politie werd hoogrood van toorn,
— Ge zijt en blijft een ellendige stijfkop! schreeuwde hij, en ik ben wel dwaas, dat ik mij nog aan u laat gelegen liggen! Maar ik heb er nu genoeg van! Pak u van den wagen! Houd stil, Julius!
Polycarpus wilde nog iets zeggen, maar de woedende man liet hem niet aan het woord komen.
— Voort, oude stijfkop! riep hij nog eens, terwijl hij den bisschop een duw in de lenden gaf.
— Vader! riep Julius, terwijl hij de hand afwerend uitstrekte.
84
Het was te laat! De bijna honderdjarige grijsaard was van den wagen gestort en had zich aan een der assen het been verwond.
Julius wilde van den wagen springen, maar zijn vader rukte hem de teugels uit de hand en zette de paarden aan. Weldra was de wagen in een stofwolk verdwenen.
Polycarpus\' bewakers snelden toe, hieven hem op en tilden hem weder op den ezel, terwijl zij het niet aan scheldwoorden en smaadredenen op den barbaarsohen prefect lieten ontbreken. Hunne bewondering voor hun gevangene nam nog toe, toen zij zagen, dat hij, ondanks de pijn, die zijne wonde hem veroorzaakte, blijmoedig en zonder klagen de reis voortzette.
HOOFDSTUK X.
QUINTUS.
aar was ondertussclien Anubis gebleven ?
pZe Zoodra hij de soldaten het huis had zien binnen.
dringen, was hij naar de hoeve geslopen, en had
daar, turend door een reet in een der vensterluiken, de gevangenneming van den bisschop bijgewoond.
Toen hij bespeurde, dat de krijgslieden in hunne onderneming geslaagd waren, had hij zich geen rust gegund, maar was oogenblikkelijk naar Smyrna teruggekeerd, om Isaac Bar-Levi de blijde tijding te brengen en het loon voor zijn verraad te ontvangen. Dit ging echter zoo spoedig niet. De sluwe Jood, die hem wantrouwde, weigerde hem te betalen, voor Poly-carpus werkelijk als gevangene de stad werd binnengeleid, en eerst toen zijne spionnen hem hadden bericht, dat de Egyptenaar de waarheid gesproken had, kon deze met het bedongen loon vertrekken.
Zoodra hij vrij was om te gaan, verliet Anubis de stad en spoedde zich naar de landhoeve van Quintus. Tot nog toe had hij het verblijf van zijn meester voor ieder geheim gehouden.
86
Eerst ais hij in ziju eigen plannen was geslaagd, wilde hij hem in de handen zijner vervolgers leveren, om dan met het gestolen geld en het verradersloon, hem door de Joden uitbetaald, zoo spoedig mogelijk een schip op te zoeken, dat hem zou terugvoeren naar Egypte, waar hjj de vruchten zijner sluwheid in veiligheid zou kunnen genieten.
Hij begreep zeer goed. dat zijn lang uitblijven niet onopgemerkt zou zijn gebleven. Hij rekende echter op de ontsteltenis, die het nieuws, dat hij medebracht bjj Quintus en diens huisgenooten te weeg zou brengen, om alle vragen te ontwijken, en zelfs al verlangde zijn meester te weten, waar hij den dag had doorgebracht, dan was bij nog slim genoeg, om den kortzichtigen man om den tuin te leiden.
Welgemoed stapte hij dus voort, terwijl hij van tijd tot tijd het goud iu zijn buidel liet rammelen en allerlei luchtkastee-len bouwde voor de toekomst. Indien hij er in slaagde, Quintus voor een goede som op te lichten, dan zou hij wel genoeg hebben, om te Alexandrië op een drukken stand een wijnhuis te openen. Hij zou dan één, misschien zelfs twee slaven kunnen koopen en het overige van zijn leven in rust kunnen doorbrengen.
Aan het lot van hen, die hij zoo snood verried, dacht hij geen oogenblik.
Eindelijk was de landhoeve in het gezicht. Nadenkend bleef de Egyptenaar staan.
— Ik dien daarginds wel wat drukte te maken en mij bitter bedroefd te houden! mompelde hij. En dan, dat goud! Ik moet het verbergen, want als men \'t bij toeval ontdekte, zou men wellicht achterdocht gaan koesteren en de beste vangst zou mij ontglippen.
Hij zag naar alle zijden om zich heen, en toen hij zich overtuigd had, dat er zich niemand in de nabijheid bevond, dook hij snel in een kreupelboschje, waar hij den lederen bui-
87
del, dien hij van Isaac Bar-Levi ontvangen had, in den grond verborg. Toen scheurde hjj zijne tunica en bracht zich met de punt van zijn mes een lichte schram aan den hals toe. Met het bloed, dat uit de wonde vlooide, bevlekte hij zijn gelaat en zijne kleederen, zoodat hij er weldra afcchrikwekkend uitzag. Tevreden bekeek hij zijn werk.
— Wat bloed kan nooit kwaad! mompelde hij, met een spottenden grijnslach. Daar schrikken die domkoppen van!
Nog een laatsten blik wierp hij op de plaats, waar zijn schat begraven lag, en liep toen zoo hard hij kon naar de hoeve. Toen hij meende, dat men hem daar wel bemerkt zou hebben, begon hij allerlei wanhopige en zonderlinge gebaren te maken. Eenige dienaars, die hem herkend hadden, liepen hem dan ook weldra tegemoet.
— Wat scheelt u, Anubis? riepen zij verschrikt.
Maar de Egyptenaar wilde niet antwoorden.
— Waar is onze meester! Breng mij naar Quintus! gilde hij, terwijl hij het huis binnenstormde.
Quintus was niet weinig ontzet, toen zijn dienaar, dien hij reeds met ongeduld verwacht had, bebloed en met gescheurde kleederen zich aan zijne voeten wierp.
— Wat is uw overkomen! riep hij ontsteld.
— O, heer! Welk een ramp! Welk een verschrikkelijk ongeluk ! jammerde Anubis.
— Maar wat is er dan gebeurd ? riep de ouderling.
— De eerwaarde bisschop is gevangen! steunde de Egyptenaar,
— De bisschop gevangen! Polycarpus in de handen der Heidenen ! riepen alle aanwezigen ontzet.
— Spreek op, Anubis! Vertel duidelijk, wat gij weet! zei Quintus met bleeke lippen, terwijl hij in zijn schrik geheel en al vergat, dat zijn dienaar wellicht gewond was en verpleging behoefde.
En nu begon de Egyptenaar een lang verdicht verhaal van
88
zijn vredei\'varen in Smyrna. Hij beweerde, dat hij de stad niet vroeger had kunnen verlaten, omdat de pro-consul de poorteu had doen sluiten, ten einde te beletten dat een der Christenen Polycarpus zou gaan waarschuwen, wiens schuilplaats men ontdekt had. Tegen den middag, zoo verhaalde hij, had men den bisschop onder een sterk geleide binnen de stad gebracht. Het volk en de krijgslieden hadden den eerwaardigen grijsaard mishandeld en daar hij, Anubis, bij dit tooneel zijne verontwaardiging niet had kunnen bedwingen, had het volk hem te lijf gewild. Slechts met moeite en gewond was hij aan de woede der Heidenen ontkomen.
Anubis wist zeer goed, dat zijn verhaal, wat de bijomstandigheden betrof, door den eersten den besten Christen, die Quintus kwam bezoeken, zou worden gelogenstraft. Hij rekende er echter op, dat dit in de twee eerste dagen wel niet zou gebeuren en voor dien tijd hoopte hij nog zjjn slag te slaan.
Na het verhaal van den Egyptenaar stonden de aanwezige Christenen sprakeloos van schrik en droefheid. Slechts Quintus liep met bleek gelaat en saamgepreste lippen het vertrek met groote schreden op en neder.
Plotseling viel zijn oog op de met bloed bevlekte kleeding van zijn dienaar.
— Laat u verbinden, Anubis! zeide hij, en kom dan bj mij. Ik wensch u te spreken.
Toen de Egyptenaar een kwartier later weder bij Quintus binnentrad, was deze alleen. Hij wenkte zijn dienaar nader te treden.
— Verhaal mij nog eens omstandig alles, wat gij van Polycarpus\' gevangenneming weet! zeide hij.
Anubis voldeed aan het verlangen van zijn heer, terwijl hij waarheid en leugen dooreenmengde, zooals hem dat \'t best en voordeeligst scheen.
Toen hij uitgesproken had, bleef de ouderling zitten, met het hoofd in de hand en in diep gepeins verzonken.
89
— Gij moet niet meer naar de stad gaan, Anubis! zeide hij eensklaps. De Egyptenaar zag hern vragend aan.
— Uw gaan en komen zou argwaan kunnen wekken, ging Quintus voort, en mogelijk de aandacht der Heidenen op deze hoeve kunnen vestigen. Nu de bisschop gevangen is, moeten de ouderlingen hun leven voor de gemeente sparen. Geen hunner weet immers, tot welk een moeilijke taak hij nog kan geroepen worden!
Anubis zag zijn meester van terzijde aan. Hjj kende diens eerzuchtige plannen zeer goed en hij wist, dat Quintus zich reeds in gedachten door de gemeente met de bisschoppelijke waardigheid zag bekleed. Hij vond er een boosaardig genoegen in, om den jjdelen man waar hij kon te sarren, en ook ditmaal liet hij de gelegenheid niet ongebruikt voorbij gaan.
— Ja! zeide hij met een diepen zucht, en als de waardigste tot bisschop moest worden gekozen, dan wist ik wel, wie dat zijn zou. En er zijn er wel in de gemeente, die niemand liever begeerden, dan den vromen, weldadigen Quintus, en toch ....
— Stil, stil, Anubis! viel de ouderling hem met gemaakte nederigheid in de rede. Ik ben zulk een hooge eer niet waardig!
— Wie meer dan gij, mijn edele meester! riep de Egyptenaar.
— Neen, neen! zeide Quintus, terwijl hij onrustig het vertrek op en neer Hop. Maar .... wat ik zeggen wilde.....gij
wildet daar zoo even voortgaan. «En tocha .... zeidet ge, niet waar? Wat bedoelt ge dan?
Anubis haalde de schouders op.
— Wat ik bedoel kunt ge zelf wel nagaan, heer! Als Poly-carpus sterft, zal hij ongetwijfeld een opvolger aanwijzen en de gemeente, die hem als martelaar nog meer zal vereeren dan thans, zal natuurljjk den aangewezene kiezen. Gij weet zelf, hoe weinig de bisschop u genegen is! U beveelt hij nimmer aan.
— Het is waar! het is waar! mompelde Quintus, die geheel en al vergeten was, dat hij een oogenblik te voren niet van
90
de mogelijkheid zijner verheffing tot de bisschoppelijke waardigheid hid willen hooren ; zij volgen hem in alles! En als de Heidenen hem ombrengen, zal men hem nog meer verheerlijken en zijne laatste woorden zullen allen als een bevel beschouwen.
— Maar kan hij zich dan alleen de gloriekroon van den martelaar verwerven?
Hij had de laatste woorden niet uitgesproken, maar de gedachte was plotseling in zijn ziel opgerezen. In hevige opgewondenheid verliet hij het vertrek, terwijl hij den verbaasden Auubis alleen achterliet.
In zijn eigen kamer gekomen sloot de ouderling zich op en was voor eenige uren voor niemand toegankelijk. IJdelheid en vrees voerden een hevigen strijd in zijn hart. Nu eens beefde hij terug voor de daad, die hij wilde ondernemen, dan weer wenkte de gedachte aan de eer, die hij bij de gemeente als martelaar zou genieten, hem uitlokkend naar Smyrna. Hij wist, dat vele belijders des Heeren de meening waren toegedaan, dat men naar het martelaarschap mocht streven; hij wist mede, dat voor weinige jaren Ignatius, de vrome bisschop van Antiochië, den keizer Trajanus als \'t ware gedwongen had, hem te veroordeelen. Dikwijls had hij de daad van den laatsten godsman hooren prijzen en als een navolgenswaardig voorbeeld aanhalen. Indien hij zich ook uit eigen beweging den Heidenen in handen leverde, welk een eer zou men hem dan waardig keuren!
Langzamerhand begon de ijdelheid de vrees te overwinnen. De glorie der martelaarskroon deed hem de smart van het sterven vergeten en nu meende hjj, dat hij den dood niet meer vreesde. Langzamerhand begon hij zich zelfs wijs te maken, dat hij eigenlijk door zeer edele beweegredenen werd gedreven tot de daad, waartoe hij bezig was zich op te winden. Het paste hem immers als ouderling, in deze bange tijden der
91
gemeente een voorbeeld te geven van standvastigheid en moed?
Alsof hij vreesde, dat kalmer nadenken hem nog op zijn besluit zou doen terugkomen, verliet hij in koortsige haatt zijn kamer en beval Auubis onmiddelijk zijn wagen te doen inspannen.
13e Egyptenaar zag hem vragend aan.
— Ik ga naar Smyrna! De Heer roept mij! Ik lever mij in de handen der Heidenen! riep Quintus met luidklinkende stem.
Anubis zag hem twijfelend aan. Hij dacht een oogenblik dat zijn meester ijlhoofdig was geworden.
— Tracht niet mij te weerhouden, mjjn vriend! vervolgde de ouderling. Het zou vergeefsche moeite zijn!
Had hij misschien heimelijk gehoopt, dat zijn dienaar getracht had, hem met tranen en gebeden van zijn voornemen af te brengen? In dat geval zag hij zich in zijne verwachting bedrogen. Anubis\' aarzeling had slechts een oogenblik geduurd. Hij had lang genoeg onder de Christenen verkeerd, om weldra te begrijpen, waarom het zijn meester te doen was, en wel verre van te trachten hem tegen te houden, putte hij zich uit in betuigingen van eerbied en bewondering voor den heldenmoed van den ouderling. Onmiddelijk liet hij den wagen aanspannen, en Quintus, die in zijne opgewondenheid de uitvoering van zijn voornemen geen oogenblik wilde uitstellen, reed weg naar Smyrna, nadat hij nog szijn trouwen Anubis« bevolen had, de sleutels der hoeve en de kostbaarheden, die er zich mochten bevinden, aan zijn rentmeester ter hand te stellen.
De Egyptenaar, die met geveinsde smart afscheid van zijn meester had genomen, zag hem met een spottenden lach vertrekken.
— Daar gaat hij! mompelde hij vergenoegd. Wie had gedacht, dat de domkop het mij zoo gemakkelijk zou maken 1 Nu maar vlug aan het werk!
En zonder bevreesd te zijn voor ontdekking, begaf hij zich
92
met de sleutels, die hij van Quintus ontvangen had naar diens vertrekken, maakte zich meester van alle kostbaarheden, die hij vinden kon, alsmede van een aanzienlijke som in gereed geld en begaf zich toen welgemoed naar Smyrna, terwijl hij onderweg nog den buidel opgroef, dien hij eenige uren te voren verstopt had.
Zoodra hij de stad bereikt had, begaf hij zich naar de herberg van zijn vriend Zeno, waar hij van plan was zijn intrek te nemen, tot hij scheepsgelegenheid gevonden had naar Alexandrië. De waard ontving hem zeer voorkomend en geleidde hom naar de gelagkamer, waar zich nog slechts een enkele gast bevond, die bij hun binnentreden in een hoek scheen te slapen.
De vreugde over het wel gelukken zijner plannen deed den Egyptenaar zijne gewone voorzichtigheid vergeten. Hij bestelde een kruik wijn en legde een goudstuk op de tafel, den waard verzoekende het te wisselen.
— Het schijnt u goed te zijn gegaan in de laatste dagen, vriend Anubis! zeide Zeno, terwijl hij het goudstuk op de hand woog. Sinds wanneer betaalt gij met goud?
— Dat verwondert u, hè? antwoordde de Egyptenaar grijnzend. Ja, man! voortaan betaal ik alles in goud ! Hoor maar eens!
Met een haalde hij den buidel voor den dag en liet de goudstukken rammelen.
Zeno wierp een begeerigen blik op den buit.
— Ik hoop, dat gij lang bij mij zult vertoeven, Anubis! zeide hij!
— Dat zal er van afhangen! zeide de ander. Van nacht blijf ik echter hier.
Geen van beiden had bemerkt dat de slaper bij den klank der goudstukken het hoofd had opgeheven en opmerkzaam had geluisterd.
— Ik zal u mijn eigen bed afstaan! riep de waard gedienstig.
93
— Dan zal ik daar maar dadelijk gebruik van gaan maken! zeide Anubis. Ik was van morgen al vroeg op \'t pad, en heb heden heel wat gedaan! Nu, \'t loon was de moeite waard!
En zonder op den vreemde te letten, die weder vast scheen ingeslapen, begaf hij zich naar het kamertje van den waard, om van zijne vermoeienissen uit te rusten.
Nauwelijks had hij zich verwijderd, of de vreemde gast stond op en sloop naar den waard met wien hij een fluisterend gesprek begon. Hij scheen hem een voorslag te doen, dien de Griek eerst aarzelde aan te nemen. De vreemdeling hield echter aan en weldra werden Zeno\'s tegenwerpingen zwakker. Eindelijk knikte hij toestemmend met het hoofd.
— Maar gij moet het doen! fluisterde hij met schorre stem.
De ander haalde minachtend de schouders op.
De twee mannen zetten zich neder, en schenen te wachten. Van tijd tot tijd sloop de waard naar de deur van het slaapkamertje en luisterde aandachtig.
Eindelijk kwam hij terug. Zijn gelaat was bleek en vertrokken.
— Hij slaapt gerust! fluisterde hij.
— Dan is het tijd! zeide de vreemdeling koeltjes. Hebt gij niet een hamer of een bijl?
De waard ging naar een kist, die zich in het vertrek bevond en haalde er een korte, zware bijl uit te voorschijn, die hij met sidderende hand den vreemdeling overhandigde.
Deze nam het wapen aan en sloop op de teenen naar het slaapvertrek. Zeno bleef luisterend staan.
Na eenige oogenblikken hoorde hij een doffen slag, toen eene korte worsteling en een gesmoord gekerm, dat echter ■weldra ophield.
Terstond daarop verscheen de vreemdeling. Zijne handen en kleederen waren met bloed bevlekt.
— \'t Is afgeloopen! fluisterde hij. Nu spoedig een licht I \'t Is daar ginds vrij donker.
94
De waard stak een lamp aan en de beide mannen begaven zich naar het achtervertrek. Op den grond lag het lijk van Anubis, met gespleten schedel.
De twee boeven begonnen het lichaam te onderzoeken. De buit, dien zij vonden, overtrof hunne stoutste verwachting.
— Hebt ge niet een stuk oud zeildoek? vraagde de moordenaar, die de geheele zaak als iets zeer gewoons scheen te behandélen. Dan naaien wij het lichaam er in! Een paar steenen zullen er ook wel te vinden zijn! Over een paar uur kom ik terug en zoodra het donker genoeg is, dan voort met hem naar de haven!
Eenige uren later lag het lijk van den verrader op den bodem der zee.
Intusschen had Quintus lang voor Anubis zonder ongevallen de stad bereikt. Ongehinderd kwam hij de poort binnen en dit was hem een groote teleurstelling. Hoewel hij wist, dat niemand in Smyrna iets van zijn voornemen kon vermoeden, had hij toch gedacht of liever als \'t ware bij zichzelven vastgesteld, dat de lictoren van den pro-consul hem reeds te gemoet zouden komen, om hem gevangen te nemen en naar hun heer te voeren, onder de bedreigingen en smaadwoorden van het volk, die hij dan met de grootste kalmte en standvastigheid zou verdragen.
Er waren echter geen lictoren of krjjgslieden te zien. Niemand schonk hem eenige opmerkzaamheid, en van den opzien-barenden intocht, dien hij zich had voorgesteld in Smyrna te houden, kwam niets.
Toch gaf hij zijn plan niet op en beval zijn wagenmenner, hem naar het paleis van den pro-consul te brengen.
De bevelhebber van soldaten, die daar de wacht hielden, was niet weinig verwonderd, toen een welgekleed man op hem toetrad, die hem zeide, dat hij een Christen was en zich aan hem kwam overgeven. Eerst geloofde hij aan een grap en
95
wilde den indringer doen verjagen, doch toen deze aanhield liet hij hem door een paar zijner onderhoorigen bewaken, en begaf zich naar den pro-consul, om diens bevelen te vragen.
Maxiraius, die niet weinig ontevreden was over den last, dien de vervolging der Christenen hem veroorzaakte, stoof op, toen hij het verhaal van den krijgsman hooide.
— Werp dien gek in een der kelders! beval hij driftig. Daar kan hij tot morgen over zijne dwaasheid nadenken! Dan zullen wij zijne standvastigheid eens op de proef stellen.
En Quintus n-erd in een onderaardscben kerker opgesloten, onder het spottend gelach der krijgslieden, waarvan de meesten hem voor waanzinnig of beschonken hielden.
Toen hij den volgenden morgen met beslijkte en gescheurde kleederen naar de openbare rechtszitting werd geleid, was zijn geestdrift aanmerkelijk bekoeld. Hij had zich voorgesteld, ten aanschouwe eener talrijke menigte den marteldood te sterven, ieder, zelfs zijne vijanden, eerbied afdwingend door zijne heldhaftige standvastigheid, maar in die verwachting was hij deerlijk bedrogen. Niemand had zijne daad opgemerkt en hij had slechts spot en minachting ondervonden van de ruwe krijgslieden Zijn nachtverblijf in een vochtig hok ^had daarenboven zijne opgewondenheid aanmerkelijk doen bedaren.
Toen hij dan ook voor den pro-consul gebracht werd, was zijne houding volstrekt niet die van een martelaar, die bereid was voor zijne overtuiging te sterven.
Met scherpen blik had Maximus zijnen gevangene spoedig doorgrond. Hij begon hem te ondervragen, en toen Quintus beleed, dat hij een Christen was, trachtte hij hem door beloften en bedreigingen tot afval te bewegen.
Quintus bleef echter nog standvastig, hoewel hij sidderde, toen Maximins met levendige kleuren de folteringen schetste, die hem wachtten zoo hij halsstarig bleef.
96
Maximius had echter zeer goed den indruk bemerkt, dien zijne woorden op den gevangene maakten.
Hij wenkte een onderbevelhebber.
— Breng dien kerel eens naar het worstelperk, fluisterde hij, en stel hem tegenover de wilde dieren! \'t Zou mij zeer verwonderen, indien hij niet tammer werd! Hij is, zooals hij zegt, een groot man onder de Christenen en zoo hij offert, volgen er wellicht meer.
Quintus werd naar het arena gebracht. Toen hij het gehuil der wilde dieren en de bloeddorstige kreten van het volk vernam, verbleekte hij, Het martelaarschap scheen hem nu lang zoo begeerlijk niet.
Men bracht hem naar de kooi van een Indischen tijger. Wankelend en weerstrevend trad hij voorwaarts, de oogen vol ontzetting op het wilde dier gericht dat hem met gloeiende oogen aanstaarde. Plotseling gaf een der krijgslieden hem een stoot in den rug, zoodat hij bijna tegen de kooi aantuimelde. Met een woest gebrul, dat den ouderling door merg en been drong, vloog het monster overeind en stak de breede klauwen dreigend naar hem uit.
Toen ontzonk Quintus de moed.
— Houd op! ik zal offeren! kreunde hij.
Met luider stem en triumfeerend gelaat herhaalden de krijgslieden zijne woorden en onder het donderend gejuich der menigte werd Quintus weer naar het rechthuis geleid, waar hij ten aanschouwe van het gansche volk den Heidenschen goden moest offeren.
Nu werd hij onmiddelijk in vrijheid gesteld en onder het gelach en de schimpscheuten der menigte verwijderde zich de man, die zich sterk genoeg had gewaand, om naar de martelaarskroon te durven grijpen, maar die bij de eerste verzoeking was bezweken.
Weinige dagen daarna stak Quintos over naar Europa en de gemeente van Smyrna hoorde niets meer van hem.
HOOFDSTUK XL
GETROUW TOT IN DEN DOOD.
oo was dan Quintus\' hoogmoed vreeselijk ten val gekomen. Hij, die zich boven al zijn broeders, ja zelfs boven den bisschop verheven had gewaand.
had zich roekeloos aan de verzoeking blootgesteld, en — was er onder bezweken. De Heidenen triomfeerden; een opziener der Christenen, die afvallig werd, dat was waarlijk eene overwinning om trotsch op te zijn. Van alle kanten drong men er dan ook bij Maximius op aan, om ook Polycarpus spoedig te verhooren. Indien men er in slaagde den bisschop der Christenen tot afval te bewegen, dan zou de zegepraal volkomen zijn en de Smyrnasche Christengemeente voor goed vernietigd. En de Heidensche priesters zoowel als de oudsten der Joden waren van oordeel, dat men met eenig beleid wel zou kunnen slagen-, Polycarpus was immers slechts een zwak grijsaard?
Toen dan ook de bisschop ter openbare rechtszitting verscheen, was het plein voor het rechthuis vol menschen. In de onmiddelijke nabijheid van Maximius\' zetel bevonden zich, behalve de overheden der stad, eenige Heidensche priesters en
MP 7
98
een paar voorname Joden, terwijl het volk dicht opeengedrongen, zich rondom het voorportaal van het rechthuis had geschaard.
Toen Polycarpus voor den pro-consul werd gebracht, waren aller oogen op hem gevestigd. Indien men echter gehoopt had eenige teekenen van ontroering of vrees bij hem te bespeuren, zag men zich deerlijk teleurgesteld. Kalm en rustig trad hij voor den landvoogd, dien hij vast in de oogen zag.
Isaac Bar-Levi, die den bisschop nooit van nabjj gezien had, had hem eveneens scherp aangezien. Verdrietig baalde hij de schouders op.
—- Dien man zult gij niet tot afval bewegen! fluisterde hij Demetrius in, die naast hem stond.
— Wij zullen zien! wij zullen zien! mompelde deze. Stil! Maximius begint het verhoor.
Werkelijk begon de landvoogd den gevangene op de gewone wijze te ondervragen. Toen Polycarpus zijn naam had genoemd en op de vraag, of bij een Christen was, toestemmend had geantwoord, wilde Maximius beproeven, of hjj niet met zachtheid zijn doel kon bereiken.
— En nu, oude man, zeide hij, schijnbaar vriendelijk, laat u nu raden door iemand, die het wel met u meent en die uwe grijze haren gaarne ontzien wil. Zweer slechts bij den genius des Keizers: roep; Weg met de godloochenaars! en ik laat u terstond vrij.
Polycarpus stond een oogenblik in gedachten verzonken. Toen deed hij eene schrede voorwaarts.
Een gemurmel ging er rond door het volk.
— Zou hij zweren? fluisterde men.
Eenige priesters, die het borstbeeld des Keizers omringden en die de beweging van den gevangene hadden opgemerkt, schenen van dat gevoelen te zjjn. Zij traden althans vooruit, om hem naar het kleine altaar te geleiden.
Zij hadden zich echter bedrogen.
99
Plotseling strekte de bisschop de hand naar hen uit en riep met luider stem :
— Weg met de godloochenaars!
Een kreet van woede en teleurstelling ontsnapte aan de Heidenen. Polycarpus\' bedoeling was allen maar al te duidelijk geweest.
— Dwaas! beet de pro-eonsul hem toe. Zijt gij dan uw leven moede? Bedenk u, nog is het tijd!
Een dreigend gemor verhief zich hier en daar onder het volk en de priesterschaar. Blijkbaar wilde Maximius, in een plotselinge vlaag van goedertierenheid, den Christen redden.
— Vloek uwen Christus, en ik laat u vrij! vervolgde de landvoogd, die begreep, dat er een einde aan het verhoor moest komen.
Met een glimlach van hemelschc blijdschap sloeg Polycarpus het oog naar boven.
•— Zes en tachtig jaren heb ik Hem gediend, zeide hij luide en met vaste stem, en nooit heeft Hij mij eenig kwaad gedaan. Hoe zou ik mijn Koning kunnen vloeken, die mij heeft zalig gemaakt ?
Getroffen staarde Maximius den grijsaard aan. Dien moed en dat geloofsvertrouwen in een hem onbekende Macht, hij begreep ze niet, maar hij zag er de kracht en de werking van en voor een oogenblik had hij ze bijna benijd. En terwijl de Heidenen, verwoed om de onbuigzaamheid van den bisschop, om hem raasden en tierden, riep hjj nogmaals den gevangene toe:
— Red u! Zweer bij den genius des Keizers!
Polycarpus schudde meewarig het hoofd.
— Gij kent mij niet! zeide hij. Hoor: ik ben een Christen! Wilt gij den Christus leeren kennen, dien ik belijd, — geef mij een dag, en luister!
De pro-consul had de woorden van den grijsaard ternauwernood verstaan. Tevergeefs wenkte bij, om stilte te gebieden.
100
Het tierende volk verlangde met woest geschreeuw den dood van den Christen.
— Gij hoort het! zeide Maximius, terwijl hij den bisschop doordringend aanzag. Nog eens, offer, of overreed het volk ten uwen gunste.
Ook dat laatste mocht Polycarpus niet doen. Hij wilde do woedende Heidenen niet om genade smeeken, en elke poging, om hen te overreden, ware vruchteloos geweest.
— U heb ik geantwoord! antwoordde hij. Wij hebben geleerd, aan de van God gestelde machten de eere te geven, die haar toekomt. Maar voor dit volk verantwoord ik mij niet.
— Vreest gij dan de wilde dieren niet? vraagde de landvoogd. Die zullen u verslinden, zoo gij u niet bekeert.
—• Doe hen komen! Wij bekeeren ons nLt van het betere tot het slechtere! was het fiere antwoord.
— Dan wacht u de vuurdood, halsstarrige grijskop! riep Maximius driftig.
— Ik vrees ook dien niet! antwoordde de bisschop kalm. Het vuur, waarmee gij mij bedreigt, brandt slechts voor een tjjd. Maar weet gij niet, dat er een vuur is bereid voor de goddeloozen, dat eeuwig brandt?
Driftig rees de pro-consul overeind en wenkte de beide herauten, die zich in zijne nabijheid bevonden. Schetterende tubatonen overstemden het getier van het volk, dat langzamerhand zweeg, daar het begreep, dat het vonnis was geveld.
Een oogenblik later trad een der herauten vooruit en riep met luider stem:
— Polycarpus, die beleden heeft, dat hij een Christen is, zal door het vuur worden ter dood gebracht.
Met een woest gejuich vernam de menigte het vreeselijk vonnis. Duizenden moordkreten stegen van alle kanten op.
— — Weg met den vader der Christenen, den leeraar der goddeloosheid! zoo klonk het van alle kanten; weg met hem! naar het vuur!
101
En joelend en tierend eischte men, dat het vonnis onmid-delijk ten uitvoer zou worden gelegd.
— Er is geen hout! riep een stem.
— Dan zullen wij er wel voor zorgen! schreeuwden anderen. Kom mee, laten we hout gaan halen, om den Christen te warmen !
En bij troepen verspreidde zich het volk door de stad. De scheepstimmerwerven en de werkplaatsen werden geplunderd, de houtvoorraad der openbare baden geroofd, en weldra was er op het plein voor het rechthuis een ontzaglijke mutsaard gebouwd.
— En nu ten vure met den Christen! Lever hem aan ons uit, edele Maximius! schreeuwde de menigte.
En de pro-consul, die zag, dat het volk een offer verlangde, gaf last, om de terechtstelling terstond te doen beginnen.
Ruwe handen grepen den bijna honderdjarigen grijsaard en sleurden hem naar den paal, die in het midden der houtmijt was opgericht. De beul, een reusachtige kerel, naderde nu met een hamer en eenige lange spijkers, om den martelaar, naar het wreed gebruik dier tijden, aan den staak vast te nagelen.
Polycarpus weerde hem af.
— Laat mij! zeide hij. Hij die mij kracht geeft, om het vuur te verdragen, zal mij ook kracht geven om zonder die nagels onbeweeglijk op den brandstapel te blijven.
Besluiteloos keek de beul de omstanders aan.
— Laat hem! Hij zal niet ontvluchten! riep een stem.
Het was die van den onderbevelhebber, die den bisschop gevangen had genomen.
De beul haalde de schouders op en verwijderde zich. Na een oogenblik kwam hij terug met een brandende toorts en naderde den houtstapel.
— Wacht nog een oogenblik! fluisterde de decurio. Stil\' Hij spreekt!
— Stil! De Christen spreekt! riep men van alle kanten en
102
duizenden nieuwsgierige oogen waren op den martelaar gevestigd. Zou hij wellicht nog herroepen en om genade smeeken?
Maar Polycarpus zag de saamgepakte menigte niet meer. Hij had zich losgemaakt van deze aarde. Zijne gemeente, van wie hij geen afscheid had mogen nemen had hij reeds lang opgedragen aan den Oppersten Herder. De woorden, die hij sprak, bevatten geen bede om genade bij de menschen, maar den juichtoon van een verloste.
— Heere God, zoo bad hij. Almachtige, Vader van uwen gezegenden Zoon, door w.ien wij U kennen; ik zegen U, dat Gij mij deze dagen wel hebt waardig geoordeeld, opdat ik mijne plaats bekleede onder het getal uwer martelaren, en deel hebbe aan den drinkbeker des lijdens van uwen Christus. Amen!
Nog had hij het laatste woord niet uitgesproken, toen de beul zijn toorts in het rijshout wierp. Knetterend stegen de vlammen op, aangewakkerd door een feilen wind, en weldra onttrok een gordijn van rook en vuur den martelaar aan de oogen zijner beulen.
De avond begon reeds te vallen, eer de geweldige houtstapel door de vlammen was verteerd. Het volk verstrooide zich, voldaan over het vreeselijk schouwspel. Ook Isaiic Bar-Levi en zijne volgelingen gingen tevreden naar huis. Nu toch de bisschop der Nazareners uit den weg was geruimd, konden zij er, naar zij meenden, wel zeker van zijn, dat het met de sekte, welke zij zoo haatten, te Smyrna althans voor goed gedaan was. Weldra zouden zij echter ondervinden, dat de gemeente, die zij vervolgden, beschermd werd door een Sterkere, dien zij niet konden dooden.
Toen de nacht geheel gevallen was, bewogen zich over het plein, waarop de terechtstelling had plaats gehad, eenige donkere gedaanten. Het waren de bedroefde vrienden van Polycarpus, die de overblijfselen van hun geliefden bisschop kwa-
103
men zoeken, om die op voegzame wijze te begraven. Het was de laatste eer, dien zij hun herder en vriend konden bewijzen.
Maar was Polycarpus van de zijnen weggenomen, zijn geest bleef onder hen leven. Zware dagen van bloedige vervolging had de gemeente te verduren, maar de martelaars volgden hun eerwaardigen voorganger moedig in den dood. En toen de vervolging ophield, en de gemeente weer vrijelijk het hoofd kon verheffen, bleef de sterfdag van den vromen bisschop, de groote sabbathdag voor het Paaschfeest voor haar een gedenkdag, een dag van herinnering aan den grooten martelaar en bovenal aan zijn God, die hem de kracht had geschonken, om aldus Zijn Naam te verheerlijken.