-ocr page 1-

)

door

R. J. VAN HOOIJDONK,

Kapitein der Infanterie.

i

i -

B

1609

■-*v-

Vlissingen\'. .

, de Vby Mestdagh amp; Zoon. 1 8 89.

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

3088 825 3

-ocr page 5-

Htmne Africhtmo voor den Dienst te Velde,

V0EDINamp;, VERZORGIM, Enz. IN DE KAZERNE,

DOOR

R. J. VAN HOOIJDONK,

Kapitsin der Infanterie.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

lr f . 0 / ^Gjj

w

VOORREDE.

Na den Moedigen strijd van 1870 —1871 is aan het Duitsche, zoowel als aan het Fransche Leger gebleken, dat de waakzaamheid der schildwachten, vooral gedurende den nacht, dikwijls veel te wenschen heeft overgelaten. Men is in beide rijken dan ook ijverig bezig om honden voor den dienst te velde afterichten, en icel hoofdzakelijk met het doel om meer vertrouwen te verschaffen aan hen, die \'s nachts op de gevaarlijkste punten tegenover den vijand moeten staan.

Nu ook ten onzent pogingen worden aangewend om honden voor den militairen dienst te velde afterichten, acht ik het niet ondienstig om een ieder, die zich met deze dressuur bezighoudt, eenige menken te geven, hoedanig deze nu reeds in vredes-

-ocr page 8-

tijd moeten afgericht worden om te voldoen aan de eischen, die van de honden, in geval van oorlog, zouden hunnen gevorderd worden.

In de gelegenheid gesteld om proeven met onze militaire honden te nemen, wil ih mijne ondervinding, hieromtrent opgedaan, gaarne aan anderen rnededeelen en twijfel ik geenszins, of het doel, dat met de opleiding dezer intelligente dieren wordt beoogd, zal volkomen worden bereikt; dat is dan ook de loensch van

DEN SCHRIJVER.

Vlissingen, September 1888.

-ocr page 9-

HOOFDSTUK 1.

Zijn militaire honden voor den dienst van het leger te velde noodig? Zoo ja. Waarom?

De oorlog van 1870—1871 heeft geleerd, dat zoowel van Pransche als van Duitsche zijde de schildwachten, op de meest gevaarlijke punten geplaatst, dikwijls zeer onachtzaam waren in het vervullen hunner plichten.

Niet alleen, dat zij dit plichtverzuim dikwijls met den dood moesten bekoopen, maar zij waren menigriiaal oorzaak, dat de troepen, die zich van de vermoeienissen des krijgs hadden te ruste begeven, en voor welker veiligheid zij hadden moeten zorg dragen, zonder zich te kunnen

O O 7

verdedigen, werden afgemaakt of uiteengedreven.

-ocr page 10-

6

Tal van voorbeelden uit dien langdurigen oorlog zou ik hier kunnen neêrschrijven, waaruit men zou kunnen leeren, welke noodlottige gevolgen de onachtzaamheid van één schildwacht kan teweegbrengen. Mijn plan is geenszins om den Franschen schrijver Jüpin hierin geheel te volgen, maar ik wil toch met een enkel voorbeeld de resultaten mededeelen, door sluwheid bij eenen onachtzaam uitgeoefenden voorpostendienst verkregen.

De Luitenant Jupin zegt hierover het navolgende :

„De Sergeant Hoff had, volgens opgave van Fransche zijde, op het einde van het beleg van Parijs 27 Pruisische schildwachten bekropen en afgemaakt

Uit vele voorbeelden is gebleken, dat de Fransche soldaat in de duisternis niet gaarne vecht, en wanneer hij als schildwacht het een of ander punt moet bewaken, is hij in het algemeen niet genoeg waakzaam. Het is voor hem eene ware behoefte geworden om in zijne nabijheid iemand te hebben, op wien hij kan vertrouwen en die zijne plaats kan innemen en bewaren, indien zulks uoodig is. De Duitschers hebben van de zwakheid der Franschen menigmaal partij

-ocr page 11-

7

getrokken, getuige de aanval op Thionville in den nacht van 14 op 15 Augustus.

In de nachten van 9, 16, 24 en 30 Januari hebben de aanvallen plaats gehad op Villers, Exel de Chenebier, Dyon en Trusnes, waarbij de Duitschers overwinnaars bleven.

Op 21 Januari werd Bongeh op nieuw bi] eenen nachtelyken aanval aan de Franschen ontnomen.

Meer voorbeelden van nachtelijke overvallingen te geven, ligt volstrekt niet in mijn plan, want ik ben van het denkbeeld uitgegaan om aante-toonen of militaire houden bij den dienst te velde noodig zijn.

üit deze weinige voorbeelden kan een ieder, die met het krijgswezen eenigszins bekend is, genoegzaam begrijpen, dat beide groote rijken naar middelen hebben omgezien om het vertrouwen der schildwachten in tijden van oorlog, vooral gedurende den nacht, te vergrooten. Vandaar ook, dat bij ons leger door de veld wachten dubbele posten uitgezet worden, waardoor eene aangeboren vrees, die een ieder onwillekeurig bij een storm-achtigen nacht tegenover den vijand gevoelt, wijkt en plaats maakt voor waakzaamheid en trouwe plichtsbetrachting.

-ocr page 12-

8

Het Fransclie en het Duitsche leger zijn echter niet tevreden met deze dubbele waakzaamheid. Zij gaan beide de geschiedrollen van eenige eeuwen nog eens na en zien uit tal van rijke bronnen de voordeelen, die het instinct van een hond kan teweegbrengen. Ik wil daarom met een paar voorbeelden doen zien, hoe trouw, waakzaam en vernuftig deze dieren zijn.

Hoe menigmaal leest men in de nieuwspapieren, dat een hond het leven zijns meesters voor een sluipmoord heeft behoed!

Hoe menig kind, dat in het water viel, is gered door een hond !

Hoe waakzaam is hij gedurende den nacht, wanneer hij in uwe omgeving rust en bij het minste geritsel door zijn gebrom te kennen geeft, dat hem iets verdacht voorkomt!

Menig oud krijgsman weet bij overlevering nog wel iets te verhalen van den Franschen hond Moustache, die bijna alle oorlogen onder het eerste Keizerrijk medemaakte. Zoo zegt Luitenant Jupin in zijne beschrijving over dien hond, dat in den veldtocht van 1800, toen een detachement Oostenrijkers, in de vallei van Balbo gelegerd, de Franschen gedurende den nacht wilde over-

-ocr page 13-

9

vallen, het alleen aan de waakzaamheid van hem te danken was, dat de Fransche en Italiaansche troepen gealarmeerd en voor een noodlottig verlies werden gevrijwaard.

Wanneer wij al de schoone voorbeelden van trouw, waakzaamheid, vernuft, enz. van honden zouden willen verzamelen, zoo zouden daarmede geheele boekdeelen te vullen zijn. Maar wij stellen ons tevreden met een paar voorbeelden uit de geschiedenis en zijn overtuigd, dat, wanneer gedresseerde honden bij schildwachten ingedeeld zijn, de?? door hunne scherpe gehoor-, reuk- en gezichts-organen op alles attent zullen maken, wat slechts de postenketen durft naderen, zoodat de troep tegen eene overvalling gevrijwaard is.

Ziedaar nu in het kort de aanleiding, waarom twee groote rijken ijverig bezig zijn om honden voor den veiligsheidsdienst te velde afterichten.

De vraag, door mij aan het hoofd van dit opstel geplaatst: ,,zijr militaire honden voor den dienst van het leger te velde noodig, zoo ja, waarom ?quot; vermeen ik met deze woorden genoegzaam te hebben beantwoord.

-ocr page 14-

10

HOOFDSTUK II.

Welke rol heeft de militaire hond te vervullen op marsch?

Het is duidelijk, dat men met veel bezwaren te kampen heeft om in oorlogstijd in een vreemd land den marsch-veiligheidsdienst naar behooren uitteoefenen; dit geldt vooral voor de spits en zijtroepen.

Men weet toch, dat in zulke omstandigheden het terrein, met al wat zich daarop bevindt, nauwkeurig moet doorzocht worden, wil men ten minste de colonne, die achter de voorhoede marcheert, niet onverwachts en dikwijls onvoorbereid in een nadeelig gevecht brengen.

In tijd van vrede is het voor de troepen, die met den veiligheidsdienst belast zijn, zeer gemakkelijk om in eigen land een bosch, dorp of eenig ander terrein te doorzoeken. Wij weten allen, dat bij zulk eene verkenning de marsch der hoofdcolonne niet zal opgehouden worden, maar stel

-ocr page 15-

11

u eens een marsch voor in oorlogstijd, in een vijandelijk land! Ik ben overtuigd, dat er dan van de voorhoede meer inspanning, tijd en voorzichtigheid zal worden gevorderd dan in tijd van vrede.

Welnu, de taak der voorhoede kan gemakkelijker worden door onze goed afgerichte honden !

Een wenk slechts van den aanvoerder eener patrouille moet voldoende zijn om hem te doen rennen naar de plaats, die hij doorzoeken moet. Is de hond in tijd van vrede hiervoor reeds afgericht, dan zal hij zonder dralen naar zijn meester zien en uit zijn oogen lezen welke diensten hij te verrichten heeft. Met de ooreu gespitst, het oog gewend naar de plaats, waarheen de vinger zijns meesters wijst, zal hij begrijpen voor welk doel hij wordt heengezonden, om niet eerder terugtekeeren dan na zijn plicht te hebben vervuld!

De patrouille-commandant zal door zekere keu-teekenen van de bevinding, door den hond opgedaan, spoedig kennis krijgen en weten, wat hij voor zich daaruit moet begrijpen.

Evenals een patrijshond, die, hoe dichter hij het wild nadert, langzaam zonder geraas vooruit

-ocr page 16-

12

gaat, met den buik bijna slepende langs den grond, zijn oogen strak gevestigd naar de plaats, waarheen bij zijn meester wil brengen om het wild te schieten, evenzoo zal de hond, die van eene verkenning terugkomt, door de beweging van zijn staart, zijne gewone aanvalligheid, of wel zijne ongerustheid, zijne zenuwachtige houding, zijn blik naar de plaats gekeerd, waar hem iets verdachts voorkomt, of wel het zoeken in eene andere richting, den patrouille-commandant te kennen geven, of er al dan niet vijandelijke hinderlagen in den omtrek te vinden zijn, waardoor de eigen troepen in gevaar zouden kunnen gebracht worden.

Uit de houding van den bond, die in tijd van vrede moet geoefend worden om vreemde troepen van de onze te onderscheiden en ze, zonder blaffen, te signaleeren, kan men bijna zeker opmaken, of men gerust zijn marsch kan vervolgen, of wel een nader onderzoek dient intestellen. In het laatste geval zal de hond u de plaats aanwijzen, waar een vijandelijke troep zich bevindt; hoe dichter hij de schuilplaats nadert, hoe noodzakelijker het wordt op zijne hoede te zijn, want al brommende zal hij u juist

-ocr page 17-

13

de plek wijzen, waar hem iets verdachts voorkomt. Eene oefening in tijd van vrede om het bedekte terrein te verkennen en te doorsnuffelen moet zeer dikwijls herhaald worden. Wil hij in het begin der instructie volstrekt niet gehoorzamen om eenig kreupelhout te doorzoeken, dan moeten drie zijner meesters hem dat leeren, en wel op de volgende wijze: De eerste begeeft zich midden in het bosch, de tweede staat aan den uitgang, de derde aan den ingang. De laatste wijst den hond met de rechterhand de plaats aan, die hij te doorzoeken heeft, en roept hem toe: „apport — zoek het.quot; — Een intelligente hond zal onmiddellijk gehoorzamen en doen, wat zijn meester hem gebiedt.

Maar niet allen zullen bij dat eerste onderricht dit bevel uitvoeren. Vele jonge honden weten dikwijls niet eens, wat van hun verlangd wordt; een vreesachtige blik naar hun meester geeft dikwijls zooveel te kennen als de vraag: ,,wat moet ik doen, zeg het mij toch duidelijk en ik zal u gaarne gehoorzamen!quot;

Wanneer nu echter zijn meester, onhandig genoeg, hem direct afranselt, wanneer hij zijn bevel niet onmiddellijk opvolgt, dan is het zeker,

-ocr page 18-

14

dat hij nimmer uit liefde voor zijn meester diens wenken zal opvolgen.

Ik herhaal het dus nog eens: Kastijd den hond nimmer, als hij u niet begrijpt, maar leer hem uw wil uitvoeren, uit liefde en gehechtheid, en ge zult het daarmede verder brengen dan met gestrengheid.

Breng echter in het genoemde geval de hond even in het bosch en laat uw kameraad n0. 1 het signaal geven op het fluitje, dat hij reeds bij zijn eerste onderricht door gedurige oefening heeft leeren kennen, dan ben ik er zeker van, dat hij zoo lang zal zoeken, totdat hij dien meester gevonden heeft, die hem dan voor belooning een stukje lever of suiker geeft. No. 1 wijst hem verder in de andere richting van het bosch en, zoo hij niet direct wil gehoorzamen, helpt hij hem even op het spoor, en indien hij dan het fluitje van No. 2 hoort, zal hij zeker naar de plaats rennen, waar het geluid van daan komt. Hij krijgt dus in den beginne van ieder eene kleine versnapering, want ge kunt me oprecht gelooven, dat de honden zeer veel daarvan houden en daardoor zeer gehecht worden aan hen, die met de dressuur belast zijn.

Het spreekt van zelf, dat het geven van vleesch

-ocr page 19-

15

of andere belooning alleen mag geschieden als het dier zijn dienst goed verricht heeft. Later zal hij het alleen uit plichtbesef moeten uitvoeren, omdat men in tijd van oorlog niet altijd eene versnapering bij zich heeft.

Jachthonden zullen reeds uit zich zelve een geheel bedekt terrein doorzoeken, maar die beesten sporen alleen wild op en signaleeren geen vijand. Daarom deugen deze honden niet voor het militaire gebruik; wij zullen later opgeven welke soorten hiertoe het best geschikt zijn.

Heeft men deze oefening eenige malen herhaald, dan zal men tot de overtuiging komen, dat die leerzame dieren al spoedig begrijpen welke diensten zij te verrichten hebben, en, op de eerste aanwijzing huns meesters, gereed zijn de bevelen op-tevolgen en uitte voeren.

Hebben zij door hun instinct of verstand begrepen welken werkkring voor hun is weggelegd, dan zou men kunnen beginnen met eenige soldaten, die bijv. eene roode of witte broek aan hebben, hier en daar in het bosch te verspreiden om te zien, of zij bij deze verkenning den vijand zullen signaleeren. Wanneer men reeds vroeger met dit onderricht is bezig geweest, zoodat de

-ocr page 20-

16

honden die uniform voor vijand kennen, dan zullen zij al spoedig door hun gebrom en kwaadaardigheid den vijand verraden. Doen zij dit niet en laten zij hem gerust liggen, dan moeten de voorgestelde vijandelijke troepen den hond trachten bij zich te lokken, om, zoodra hij hunne omgeving nadert, zonder ze te signaleeren, hem voor die nalatigheid te bestraffen.

Krijgt de hond dan een pak slaag, wees verzekerd, dat hij voor de tweede maal die roode of witte pantalons geen vriendschap meer zal bewijzen; krijgt hij ze op grooten afstand maar even in den neus, dan kan men er op vertrouwen, dat hij door brommen of onrustig heen en weder loopen hun verblijf wel aan zijn meester zal verraden.

Men moet dus die oefening dikwijls op dezelfde plaats herhalen, en wel zoo lang, totdat het dier ze goed begrijpt.

Het zal den lezer nu wel gemakkelijk vallen om uit deze korte beschrijving der honden afte-leiden, dat zy bij zij patrouilles of flankdekkingen dezelfde taak te vervullen hebben als bij de spits en doorzoekings-patrouilles, zoodat ik verdere uitweiding over dit punt achterwege laat.

-ocr page 21-

17

HOOFDSTÜ K III.

De hond als bode bij eene mareheerende colonne of bij den veiligheidsdienst in staat van rust.

Deze oefening komt vóór elke andere, als eene der meest gewensclite, in aanmerking en wel om de eenvoudige reden, dat hiervan zal afhangen of de hond al dan niet voor den dienst te velde kan afgericht worden en of hij door veelvuldige oefening hiertoe de geschiktheid zal kunnen verkrijgen.

Zoodra de hond als bode moet werkzaam zijn, wordt hij voorzien van een lederen halsband, waarop zijn naam en het nummer van zijn regiment en bataljon te lezen staat. Twee meesters, die belast zijn met de africhting, begeven zich zooveel mogelijk naar een open terrein, alwaar de hond gemakkelijk eene groote vlakte overzien kan. Nquot;. 1 houdt den hond bij zich en doet hem een band met brieventaschje om den hals, bergt er

2

-ocr page 22-

18

een bericht in en laat hem steeds naar de plaats zien, waarheen zijn tweede meester zich begeven heeft. Men laat alsdan den hond los, wijst met den vinger naar de plaats, waarheen hij zich moet begeven, en gebruikt weder dezelfde woorden van

o \' o

zoo even: „Apport — zoek het.quot;

De houd zal spoedig begrijpen, wat hij doen moet en naar de plaats rennen, waar zijn tweede meester zich ophoudt.

Mocht hij de eerste maal niet direct die plaats kunnen opsporen of twijfelen om terug te gaan, dan moet men zijne aandacht door middel van het fluitje trachten te brengen naar de plaats, werwaarts hij zich moet begeven.

Is hij op de plaats zijner bestemming aangekomen, dan krijgt hij eene kleine belooning en wordt wederom met een bericht teruggezonden naar de plaats, van waar hij is uitgegaan. Deze oefening wordt eerst op korten afstand begonnen en later tot 7 a 800 Meter uitgestrekt.

Heeft de hond de oefening begrepen, dan kan men overgegaan om hem van de eene veldwacht naar de andere berichten te laten overbrengen.

In het begin wordt bij elke veldwacht één

-ocr page 23-

19

meester ingedeeld, doch latei\' moet de hond ook

o 7

zonder deze naar de plaats van bestemming kunnen gezonden worden ; anders zon het dier een verkeerd begrip van zijn werkkring kunnen krijgen.

Daarom is het van het grootste belang, dat de soldaten eener compagnie zich dikwijls met de honden bezig houden, opdat zij, afgericht zijnde, in iederen soldaat een weldoener en meester vinden.

Is bet voor den bond soms moeielijk de rol van bode naar wensch te vervullen, dan kan men beginnen bij dubbelposten, op ongeveer 200 M. van elkander te plaatsen. Wordt nu aan den rechtervleugel aangevangen en wijst men den hond de richting, waarin de schildwachten staan, dan zal hij, bij een volgenden post aangekomen, worden nagezien en verder gezonden tot aan den linkervleugel of de plaats, waar zijn meester het bericht in ontvangst moet nemen. Deze oefening kan bij elke velddienstoefening herhaald en verder uitgebreid worden.

Marcheert een troep met veiligheidsmaatregelen, dan kan de spits den bond met een bericht zenden naar den voortroep en zoo verder door naar de hoofdcolonne. Is daar het bericht gelezen, dan wordt schriftelijk antwoord medegegeven naar den

-ocr page 24-

20

commandant der afdeeling, die den hond heeft uitgezonden ; men moet hem dan weder derwaarts zenden door te wijzen en het bezigen der Lekende woorden „Apport,quot; enz.

Het is vrij duidelijk, dat eene oefening, zooals deze, veel inspanning en geduld zal vorderen, maar eene gestadige herhaling, in den aanvang zooveel

O o O\' O

mogelijk op hetzelfde terrein, zal het dier spoedig doen begrijpen welke rol het daarbij te vervullen heeft.

Mocht het gebeuren, dat in het begin der instructie de hond zyne verplichting niet begrijpt en het bevel dus niet uitvoert, dan moet men hem zelf naar de plaats geleiden, waarheen hij zich, ingevolge de onderstelling, zou moeten begeven, en deze oefening zoolang herhalen, totdat hij de opdracht begrepen heeft en zelf uitvoert. Kent hij het eenmaal, dan moet hij gehoorzamen ; doet hij dit niet, dan ^moet men hem door eene lichte kastijding of boosheid doen begrijpen, dat hij de bevelen zijns meesters moet opvolgen en ten uitvoer brengen.

Mocht de hond dus eene correctie hebben verdiend, straf hem dan op hetzelfde oogenblik, waarop hij halstarrig de bevelen weigert uitte-

-ocr page 25-

21

voeren, maar doe het nimmer een half uur later, want het beest zon clan niet kunnen weten, waarom het zoo gestraft werd.

• O

Heeft de hond eenmaal uw wil begrepen, wees dan ook overtuigd, dat in den regel geen zweep meer voor hem noodig is. Het oog zijns meesters is dan gewoonlijk voldoende om hem te doen verstaan, dat hij misdaan heeft, en al kruipende zal hij zich voor uwe voeten nederleggen en met een smeekend oog u aanzien, alsof hij hierdoor het bewustzijn van schuld wilde te kennen geven.

-ocr page 26-

22

HOOFDSTUK IV.

De hond als hulpwaker bij schildwachten.

Wanneer wij de verplichtingen der schildwachten in tijden van oorlog ernstig overwegen, dan zien wij daaruit, hoe noodzakelijk het is om hen reeds in vredestijd met allen ijver voor die zoo gewichtige betrekking voortehereiden.

Zooals ik reeds vroeger mededeelde, zijn er duizende voorbeelden in de krijgsgeschiedenis van schildwachten, die door hunne onachtzaamheid oorzaak waren, dat gebivouakeerde of gekanton-neerde troepen, voor welker veiligheid zij verantwoordelijk waren, des nachts overvallen en uiteengejaagd werden.

Niet zonder reden heeft men zich op die nachtelijke overvallingen voorbereid, zoodat eene gestadige patrouillegang vóór de postenketen en, om zich van de waakzaamheid der dubbelposten te overtuigen, ook naar en tusschen deze plaats heeft.

-ocr page 27-

23

De rijken zijn hiermede echter niet tevreden; zij willen nog meer zekerheid bij de voorposten hebben en de veiligheid voor de rustende troepen nog beter verzekeren.

Wanneer op de meest gevaarlijke plaatsen en hier en daar elders des nachts een waakhond in de nabijheid der schildwachten geplaatst is, dan wordt nog beter voor de veiligheid van het geheel zorg gedragen, terwijl de hond voor deze gewichtige functie is op te leiden.

Is hij aan de militairen zijner compagnie gehecht en is hem in vredestijd deze oefening behoorlijk onderwezen, wees dan ook zeker, dat geen sterveling den post, waar hij zich bevindt, zal naderen, of de trouwe waker zal door zijn gebrom en houding diens komst reeds op verren afstand signaleeren, waarop de schildwachten dus meer dan anders op hunne hoede kunnen zijn.

Bij avond- of nachtelijken velddienst kunnen de honden telkens worden medegenomen en geoefend; laat men nu de postenketen door andere ver-kleeden naderen, dan zal men al spoedig bemerken, of de hond al of niet zijn plicht begrijpt.

Doet hij dit en bromt hij reeds, wanneer eene naderende sluippatrouille der tegenpartij nog op

-ocr page 28-

24

verren afstand is, dan moet men afwachten, wat hij verder doen zal, want de wolfshond spaart vooral des nachts niemand. Om ongelukken te voorkomen, is liet goed dat de schildwacht hem aan een touw heeft; anders zou het kunnen gebeuren, dat hij den onderstelden vijand naar de keel vlieo-t.

o

Heeft de hond over dag niet veel gewerkt en is hij van een intelligent ras, dan moet hij bij elk zacht geritsel, dat hij reeds in de verte hoort, van zijne waakzaamheid doen blijken. Geeft hij zich evenwel aan de rust over, zoodat een ieder do schildwachten kan naderen, zonder door hem bespeurd te worden, dan is het veel beter dien hond niet te houden, maar hem door anderen te laten vervangen, die beter dan hij deze gewichtige rol kunnen vervullen.

Men kan naar eigen inzicht de honden plaatsen, al naar gelang van de indeeling der troepen en de zwakste punten, die in eene voorpostenstelling kunnen voorkomen.

Over dag kunnen zij geoefend worden in het overbrengen van berichten. Tot het bereiken van goede uitkomsten van deze oefeningen, is natuurlijk van de zijde van den instructeur noodig

-ocr page 29-

25

een taai geduld en onvermoeide ijver; zonder deze eigenschappen, is het onmogelyk zijn doel te bereiken.

De honden moeten verder nog geoefend worden om by verkenningen het terrein, aan gene zijde eener rivier gelegen, te verkennen. Om hen dit te leeren is het soms noodig zelf over het water te zwemmen, zoodat de hond zijn meester volgt; later moet dan zijn meester aan deze zijde van het water blijven staan en de hond aan de andere zijde, zonder dat deze, anders dan door te zwemmen, bij zijn meester komen kan.

Na eenige oefening zal het vernuftige dier, alleen op aanwijzing, het terrein aan gene zijde eener rivier doorzoeken en door zichtbare teekenen doen blijken, of de vijand daarin verscholen ligt. Men kan hiermede verschillende proeven nemen en moet er zoo lang mede voortgaan, totdat de hond begrijpt, wat hij doen moet.

Zij, die met de africhting der honden belast zijn, zullen genoegzaam begrijpen, dat het niet altijd mogelijk is, om bijv. een wolfs-of herdershond al deze verschillende diensten in een betrekkelijk kort tijdstip te leeren. Zij zullen later ondervinden, dat de eene hond zijn werkkring

-ocr page 30-

26

eerder begrijpt dan een ander. De ondervinding heeft mij geleerd, dat elke oefening dikwijls bij den troep moet herhaald worden en zoolang volgehouden, totdat de houd haar begrijpt en goed de bevelen uitvoert; eerst dan gaat men tot eene volgende over.

-ocr page 31-

27

HOOFDSTUK V.

De hond als aanbrenger van munitie bij eene tiraüleiirlinie.

Het kan voorkomen, dat er gebrek aan munitie ontstaat in eene tirailleurlinie, die verplicht is geruimen tijd weerstand te bieden aan den aanval des vijands, of wel die te lang in eene verdedigende stelling moet blijven doorvuren, alvorens zij ondersteuning krijgt.

In de meeste gevallen kan dadelijk in het gebrek worden voorzien door van de gewonden of dooden het hun nog overblijvend aantal patronen aftenemen en aan de vnrenden uittedeelen. Bovendien heeft ieder bataljon zijn eigen caisson met patronen, en, zoo deze ook uitgeput raakt, is spoedige aanvulling daarvan noodzakelijk.

Er moet voor gezorgd worden, dat gebrek aan patronen, om zoo te zeggen, tot de onmogelijkheden behoort. Eene andere vraag is deze ; heeft men altijd gelegenheid om op het juiste oogenblik

-ocr page 32-

28

van den strijd patronen aantevoeren naar hen, wier voorraad uitgeput begint te raken en die ze noodig hebben om bijv. het koste, wat het wil, eene stelling vasttehouden ?

Er kunnen oogenblikken komen, dat aanvoer van patronen zeer bezwaarlijk gaat, terwijl soms een klein getal van groote waarde zou zijn. Daarom is men op liet denkbeeld gebracht om ook honden voor dezen dienst afterichten.

De proeven, in Vlissingen genomen, bewijzen reeds voldoende, dat de hond van de reserve naaide tirailleurlinie gemakkelijk een GO-tal patronen in den kortst mogelijken tijd kan aanbrengen; heeft men nu 8 honden per bataljon, dan kan er in eenige minuten al spoedig een 500-tal patronen zijn aangebracht, wat toch voor eene tirailleurlinie niet te verwerpen is.

Ik zal mij niet bezig houden met de vraag, of dat aanbrengen ook niet even goed door eenige soldaten zou kunnen geschieden. Men verlieze hierbij echter niet uit het oog, dat de man, die de patronen aanvoert, eerder door het vijandelijk lood zal getroffen worden en bovendien zijne krachten beter gespaard kunnen blijven voor het gevecht. Die zelfde beschouwing pas ik ook toe

-ocr page 33-

29

op het doen vau verkenningen of het overbrengen van een bericht.

Een man te paard biedt meer trefkans aan dan een hond.

Een infanterist kan in een dicht begroeid bosch minder uitvoeren dan een hond, die overal doorkruipt; daarom herhaal ik het nog eens, dat goed afgerichte honden by het leger te velde voor-trefielijke diensten kunnen bewijzen.

Hierin ligt volstrekt niet opgesloten, dat men zijn geheele vertrouwen op die beesten onvoorwaardelijk stellen moet. Dat zou niet alleen verkeerd, maar zelfs onverantwoordelijk zijn. Bedenk wel, dat de honden alleen ingevoerd zijn om u bijtestaan daar, waar uwe krachten te kort schieten.

Vergeet niet, dat gij alleen de verantwoordelijke persoon blijft, zoodat ge nooit of nimmer u zelve op het al of niet vervullen der plichten door onze honden zult kunnen beroepen.

Neen, —■ ieder soldaat blijft waakzaam op zijn post en onbevreesd, in welke moeielijke omstandigheden hij ooit moge komen, waartoe het vertrouwen op zijn gewer hem voldoende moet zijn.

-ocr page 34-

30

Zulke soldaten zijn mannen, met wie men kan vechten en een aanval van een sterkeren vijand zal afslaan. Deze mannen had Nederland niet alleen vroeger, maar nog ten huidigen dage worden ze in ons leger in grooten getale aangetroffen. En mocht eens van ons gevergd worden ons dierbaar plekje grond tegen een overmachtigen vijand te verdedigen, wees dan ook zeker, dat niemand onzer een voet zal teruggaan, doch liever tot den laatsten droppel bloeds hardnekkig zijn geboortegrond zal blijven verdedigen.

Doch ik raak van mijn onderwerp af en bemerk waarlijk niet, dat ik over onze honden bezig was te schrijven; daarom zal ik mijn verhaal over de wijze van africhting vervolgen.

Wil men het dier patronen aan de tirailleurlinie laten brengen, dan moet men beginnen met een dubbel taschje te laten maken, waarin aan weerszijden 3 a 4 pakjes patronen kunnen geborgen worden. Dat taschje is van leder en hangt aan beide zijden van het lijf, met een paar riempjes onder den buik en met een onder den kop bevestigd, zoodat liet een soort van zadel vormt. Het model is eenvoudig, zie teekening. Een ieder, die met de africhting belast is, zal misschien een

-ocr page 35-

31

tasclije naar zijn eigen goedvinden kunnen uitdenken. Het voornaamste is, dat de hond bij het overbrengen der patronen geen hinder van het dragen heeft eu de pakjes niet kan beschadigen, indien hij soms de aardigheid heeft om nu en dan eens in het gras te rollen.

Heeft de hondquot; de rol van boodschapper goed geleerd, dan zal men weinig moeite hebben om hem patronen naar de tirailleurlinie te doen overbrengen.

Men doe de oefeningen bij het schijfschieten en spoedig zal hij begrijpen welke rol hij te vervullen heeft. Hij brengt de patronen bij zijn commandant, gaat dan weder met de ledige tasch terug, komt daarna op nieuw beladen aan, en zoo vervolgens tot de oefening gestaakt wordt.

Nu kan men hem verder dresseeren om patronen van de eene naar de andere baan te brengen en door geduld eu gestadige oefening zal men weldra bespeuren, dat het dier u even goed begrijpt, alsof ge tegen hem zondt spreken.

-ocr page 36-

32

HOOFDSTUK VI.

De hond als weldoener voor gewonden op het slagveld.

De St. Bernardshonden zijn al sedert eeuwen bekend om hunne diensten in het opsporen van verdwaalde reizigers, die, op hunne tochten over de Zwitsersche hergen, dikwijls door een sneeuwstorm overvallen, in een afgrond hun leven zouden moeten laten, indien geen reddend wezen hen daar kwam opzoeken en bevrijden uit den toestand, waarin zij dikwijls uren lang reeds lagen te zieltogen. En wie is nu dat reddend wezen? Niemand anders dan de St. Bernardshond, die, door zijn meester onderwezen in het opsporen van onge-lukkigen, de voetstappen der reizigers steeds blijft volgen tot de plaats, waar deze voor het oog zijn verdwenen en waar de ongelukkige soms in den afgrond is gevallen.

Zijn deze honden door hun scherpen reuk en onvermoeiden ijver om ougelukkigen onder de

-ocr page 37-

33

sneeuwmassa\'s optezoeken, te laven en voor hunne veiligheid zorg te dragen, hoog nuttig, om zoo te zeggen onmisbaar voor dat verheven doel, ik geloof ook met recht hier als mijne overtuiging te mogen mededeelen, dat onze militaire honden op een slagveld zeer groote diensten aan de gewonden van het leger kunnen bewijzen, indien zij in vredestijd hierin behoorlijk geoefend worden.

Men kan, om de werkelijkheid natebootsen, by eene oefening in het tirailleeren met losse patronen, hier en daar eenige manschappen doen vallen, alsof zij gekwetst waren. Deze oefening kan dan tegelijk dienen om de ziekendragers in hunne functiën op een slagveld te doen optreden. Men moet nu de houden naar de zoogenaamde gewonden

~ O

zenden en dit zal wel niet veel moeite kosten, aangezien de dieren dagelijks in hunne omgeving verkeeren. Langzamerhand moeten de honden echter leeren uit zichzelf de gewonden achtereenvolgens te bezoeken.

De hond moet nu aan zijn halsband een veld-fleschje, gevuld met een opwekkenden drank, dragen. Ook in zijn tasch je kan het een of ander geborgen worden, dat den lijder in die eerste oogenblikken te stade kan komen.

-ocr page 38-

34

Worden onze militaire honden in vredestijd behoorlijk onderwezen, dan zullen zij, waar het noodig is, uit zichzelf liet slagveld doorkruisen om de gekwetsten optesporen en te laven.

We beleven wel is waar een tijd van vrede, terwijl we hopen, dat zulks nog eene reeks van jaren het geval moge zijn, maar wie zegt ons, wat in de toekomst nog voor ons verborgen ligt ? Zoo wij eenmaal geroepen mochten worden om de wapens te omgorden tot den strijd voor het behoud onzer onafhankelijkheid, moeten wij gereed zijn en wel met alle ons ten dienste staande hulpmiddelen. Daarom kan ook deze oefening met de honden groot nut afwerpen.

-ocr page 39-

35

HOOFDSTUK VIT.

Hoe leert de hond het personeel der Compagnie kennen ?

Verschilleucle oefeningen vereiscbeu in den aanvang een verschillend aantal meesters, doch ten slotte moet de hond al het personeel der compagnie als zijne meesters beschouwen. Dit geschiedt op de volgende wijze:

Voor de bekende oefening in het verkennen van een bosch bijv. zijn aanvankelijk drie meesters noodig. Zoodra hij deze oefening met de drie hem bekende meesters goed verricht, moet men van de drie, eerst één, daarna twee meesters en eindelijk alle drie door andere personen van de Compagnie laten vervangen en de oefening verrichten, enz.

Bovendien moet de hond steeds bij de Compagnie zijn, met de soldaten, die daarvan deel uitmaken, worden opgevoed, bij elke compagniesoefening medegaan en daarbij onderwezen worden.

-ocr page 40-

36

HOOFDSTUK VIII.

Welke soort honden moet men bij voorkeur voor den dienst te velde africhten?

Het is vrij duidelijk, dat het instinct niet bij alle soorten van honden in gelijke mate ontwikkeld is of kan worden, zoodat de eene soort ook meer dan de andere geschikt is voor dressuur in de eene of andere richting.

Zoo worden bijv. in een honden- en apenspel veeltijds poedels en smoushondjes voor het doen van kunstjes afgericht. Het schijnt, dat deze beesten, die weinig reuk hebben, soms den mees-ten aanleg beeitten om in een betrekkelijk kort tijdsverloop de rol, die zij te vervullen hebben, te leeren.

Evenzoo vindt men bij het soort jachthonden een bijzonder instinct, dat bij geene andere honden wordt aangetroffen. Alvorens zulk een hond zijn tweede levensjaar is ingetreden, neemt hij reeds, zonder hierin onderwezen te zijn, eene aanvallende

-ocr page 41-

37

houding aan tegenover een haas, patrijs of eenig ander wild, dat hij waarneemt. In die houding licht hij een voorpoot gedeeltelijk op en staart onbewegelijk naar het vreesachtige wild, alsof hij wilde te kennen geven: »Pas op, verroer je niet, anders zal ik je bij den kraag vatten.quot; Het flinke dier blijft zoo lang staan, tot zijn meester het wild schiet, waartoe deze het, zoo noodig, eerst opjaagt, want een haas in liet leger schieten, neen, dat doet geen jager! Dan rent de hond naar het slachtoffer, pakt het behoedzaam vast, brengt het met fierheid naar zijn meester en, zoo het dier spreken kon, zon het hem misschien vragen: »Wat zegt ge er nu van; heb ik nu mijn best gedaan ¥quot;

Zoo heeft elke soort van honden bijzondere eigenschappen. Van het doel, met de dressuur beoogd, zal de keuze van de honden afhangen.

O \' O

Nemen we nu in aanmerking welken uitgebrei-den werkkring voor onze militaire honden is weggelegd, dan komen we tot de overtuiging, dat aan deze honden zeer groote eischen moeten worden gesteld.

Behalve gehechtheid aan het personeel der Compagnie, moet van hun worden gevorderd eene

-ocr page 42-

38

groote mate van waakzaamheid en bevattelijkheid, terwijl zij in staat moeten zijn vermoeienissen te doorstaan.

Het bezit dezer hoedanigheden maakt het hun mogelijk de diensten, welke in oorlogstijd van hun gevorderd kunnen worden, naar behooren te verrichten.

Op de vraag: »In welken hond zijn deze hoe-daniylieden liet best vereenigd of te vereenigen Vquot;

O O O

antwoord ik openhartig: »ik weet het niet,quot; want het gebruik van honden bij het leger is pas in zijne geboorte. De ervaring zal ons leeren welke soort als de meest geschikte moet worden gekozen.

Wij hebben hier in Vlissingen vier schoone herdershonden, die zeer veel vernuft toonen te bezitten. Wanneer men den werkkring van den herdershond bij eene kudde schapen van nabij gadeslaat, staat men over hun instinct verbaasd en vraagt men zich onwillekeurig af, hoe het mogelijk is, dat een herder slechts met eene kluit aarde in eene of andere richting behoeft te werpen om het dier te doen begrijpen, wat het te verrichten heeft. Soms drijft hij een 500-tal schapen in den korst mogelijken tijd uit de eene

-ocr page 43-

39

formatie in de ander, daarlnj zorgvuldig rekening houdend met de breedte van den weg. Hij weet bij deze dikwijls ongehoorzame bengels op bewonderenswaardige wijze orde en tucht te handhaven.

Gehoorzaamheid, trouw en waakzaamheid zijn hoedanigheden, die aan de herdershonden niet kunnen worden ontzegd. Voeg daarbij hunne scherpzinnigheid en het zal iedereen duidelijk zijn, dat zij voor dressuur uitstekend in aanmerking kunnen komen. Bovendien stellen zij ook alleen vertrouwen in die personen, welke zij bij ondervinding als hunne meesters hebben leeren beschouwen.

Ik zal volstrekt niet beweren, dat de echte herdershond voor alle diensten, die in oorlogstijd van honden gevergd kunnen worden, evenveel geschiktheid heeft of kan verkrijgen. Neen, de toekomst zal leeren voor welke diensten hij de meeste geschiktheid bezit en daarom zal ik zooveel mogelijk alle proeven met deze honden voortzetten.

De meeste groote legers hebben hunne honden uit eigen land of wel uit hunne koloniën. In het Duitsche leger heeft men een soort dog genomen. Algemeen worden ook geroemd do herdershonden

-ocr page 44-

40

uit Dnitschland en Schotland. De eerste hebben veel overeenkomst met de onze, doch de laatste hebben korte, nederhangende ooren, grooten pluimstaart en zijn, volgens de meening van hondenkenners, veel verstandiger dan de onze.

Jachthonden komen, om verschillende redenen niet in aanmerking. Het zou bijv. kunnen gebeuren, dat zulk een hond, met een bericht afgezonden, onderweg een haas, konijn of ander wild in het oog kreeg, en dat hij, zijne natuur niet verloochenend, op de jacht ging. Ieder begrijpt dan gemakkelijk, dat het bericht niet of zeker laat op de plaats zijner bestemming zou komen.

Men moet ook geene soorten nemen, die algemeen bekend staan als te hebben een slechten reuk, want moeite en inspanning, aan de dressuur besteed, zullen niet beloond worden.

Men kan door kruising van twee soorten soms de verschillende goede hoedanigheden van beide in één enkel individu vereenigd krijgen. Zoo zou waarschijnlijk eene verbintenis van onzen echten herdershond met den Pommerschen wolfshond of den Duitschen of Schotlandschen herdershond een voor het doel uitstekend geslacht kunnen voortbrengen.

-ocr page 45-

41

De honden, die door de smokkelaars op de grenzen van Frankrijk en België gebruikt worden om voorwerpen, waarvan bij invoer zware belastingen worden geheven, ongemerkt van het eene in het andere land te doen overbrengen, verdienen ook onze aandacht.

Deze honden staan bekend als sluwe uitvoerders van den wil huns meesters en munten uit in bevattelijkheid.

Van hunne zijde gebruiken de douanen, om den smokkelhandel tegen te gaan, ook honden, die in het bijzonder gedresseerd worden om de smokkelaars te signaleeren en op hunne honden jacht te maken.

Op de gemakkelijkheid, waarmede de honden zich te water begeven, dient ook te worden gelet. Voor Cavalerie-patrouilles is het bijv. van groot belang, dat zij een hond bij zich hebben, die met genoegen een kanaal of riviertje overzwemt, ten einde het terrein, aan gene zijde daarvan, te verkennen.

Een ruim veld tot proefneming staat voor een ieder open om voor het leger ideaal-honden te verkrijgen. Is men er in een garnizoen eenmaal in geslaagd goede honden te krijgen, dan valt het

-ocr page 46-

42

gemakkelijk om andere garnizoenen, die van dat voorrecht nog verstoken zijn, te helpen. De voortteling van honden toch geschiedt zeer vlug. De hoofdzaak is dus om zich een goed stel honden aanteschaffen en daartoe zij men niet karig bij de eerste uitgave. Men moet het dan zoover trachten te brengen, dat iedere compagnie minstens van twee degel ijke honden voorzien is.

Voor den dienst te velde geeft men de voorkeur aan de rekels (mannetjes). Met het denkbeeld van den Luitenant Jupin om deze dieren te ontmannen (castrer), kan ik mij niet vereenigen.

Zijn zij ontmand, dan gaan moed, kracht, houding, enz. spoedig verloren; men ziet zulks aan een ruin en meer andere dieren, die, na deze operatie te hebben oudergaan, een geheel ander karakter krijgen.

-ocr page 47-

43

HOOFDSTUK IX.

Inrichting van het logies der militaire honden, verzorging en voeding.

De ruimte, waarin de honden worden gehuisvest, behoort in vakken te worden verdeeld, die ruim zijn en ieder minstens een hondenhok bevatten. Elke compagnie beschikt voor de honden over een dezer vakken. De hokken mogen niet bekrompen zijn en vooral niet onmiddellijk op een vochtigen steenen vloer rusten. De honden krijgen anders licht rheumatische aandoeningen, waardoor zij zeer dikwijls voor den dienst te velde moeten worden afgekeurd. Het spreekt van zelf, dat de geheele ruimte overdekt moet wezen om de honden niet noodeloos, vooral in den winter, aan koude en vochtigheid bloot te stellen. In ieder hok wordt stroo gelegd, dat minstens tweemaal \'sweeks vernieuwd dient te worden, want jonge honden vooral kunnen moeilijk tegen koude en vochtigheid. In elk vak, waarin een hondenhok geplaatst is,

-ocr page 48-

44

moet een steeneu pot met drinken staan. Worden de honden gevoed, dan kan het eten in een bak vóór hun geplaatst worden.

Boven den ingang van liet hok wordt de naam van den hond geplaatst en het nummer der compagnie, waartoe hij behoort.

De honden moeten ook voorzien zijn van een halsband, waarop de naam en het nummer van het bataljon en de compagnie vermeld staan.

Een soldaat wordt aangewezen om voor de reiniging der hokken en honden zorg te dragen en ze op tyd eten te geven.

\'s Morgens en \'s avonds worden zij een tijdje losgelaten, ten einde hun in de gelegenheid te stellen hunne behoefte te doen buiten de ruimte, voor huisvesting bestemd.

Wat de voeding betreft, zij kan tot geene groote uitgaven leiden. Een houd immers, die matig en schraal voedsel voor zijne gezondheid gebruiken moet, is ruimschoots te voeden met den afval van de tafels der soldaten. Een stukje mager vleesch schiet er licht voor het trouwe dier over en aardappelen en brood in overvloed. Wanneer men tegenwoordig het menu der soldaten eens aandachtig naleest, dan vraagt men zich

-ocr page 49-

45

onwillekeurig af, of deze militairen te huis bij hunne ouders ook allen dagelijks soep met vleesch en aardappelen met snijboonen of andere groente en een stukske van \'t verken of een heerlijke zoutevisch met botersaus, worteltjes en aardappelen krijgen. Ik betwijfel dit ten zeerste. Maar het is mij niet Ie doen om in dit boekje de voeding der soldaten te beschrijven. O neen, ik wil hiermede slechts doen uitkomen, dat, wanneer de soldaat zulk een kostelijk voedsel gebruikt, de militaire honden van den overschot het ook goed hebben.

Men geve echter aan de jonge honden geen vet voedsel, nog minder beenderen, want zij krijgen van een en ander onzuivere oogen en geven spoedig eene onaangename lucht van zich af.

De meeste honden van broodjagers zien er gezond en krachtig uit, terwijl zij toch geene vuile maag zullen krijgen van een te vet en te krachtig voedsel.

Men wake er voor, dat, behalve bij oefeningen, niemand anders dan de soldaat, die met de verzorging belast is, hun in de kazerne eten geve, want ontvangen zij van de met vriendschap voor de honden bezielde soldaten te veel lekkernijen

-ocr page 50-

4(5

van allerlei aard, dan laten zij spoedig het voor hun bestemde eten, bestaande uit brood of aardappelen, staan, om alleen te teren op zoete en vette lievelingskostjes, waardoor al lieel spoedig ziekten van allerlei soort kunnen ontstaan.

-ocr page 51-

47

HOOFDSTUK X.

Bestrijding der ziekten, waaraan de honden zijn blootgesteld.

Jonge honden kunnen in hun eerste levensjaar aan verscliillende ziekten lijden; het schoonhouden der hokken en het veelvuldig wasschen en kammen der honden zyn zaken, die veel kunnen bijdragen om ongesteldheden te voorkomen. Dit moet clan ook eiken dag geschieden.

Het is voor hunne gezondheid noodig, dat zij dagelijks eene flinke beweging in de open lucht hebben; dit bevordert de spijsvertering.

Wanneer honden ziek worden, zijn zij lusteloos, loopen in den regel met den staart tusschen de beenen, zien flauw uit hunne oogen en weigeren hun gewoon voedsel. Men moet zulke honden onmiddellijk van de andere afzonderen en trachten te weten te komen aan welke ongesteldheid zij lijdende zijn. Hebben de honden de bekende hon-denziekte gehad, dan zal het iu den regel niet moeilijk zijn om den aard der ziekte optesporen.

-ocr page 52-

48

Gewoonlijk hebben zij te veel gegeten of iets gebruikt, wat niet goed in de maag wil verteren eu waardoor zij geene of moeilijk ontlasting hebben.

Hebben zij diarrhée, dan zal de soldaat, met de verzorging belast, zulks met meer dan gewone aandacht doen. De honden moeten, na met zeep te zijn gewasschen en goed afgedroogd, op eene warme plaats gelegd worden om behoorlijk te kunnen opdrogen. Gebeurt dat niet, dan kunnen zij, in de open lucht en in tocht loopende, gemakkelijk deze ziekte krijgen.

Het rein houden van den hond is steeds nuttig voor hem; bij jonge honden bevordert het zelfs den groei. Het beste voeder, dat men hem geeft, baat niets, wanneer hij, door ongedierte geplaagd, niet eenige malen in de week door kammen en wasschen daarvan bevrijd wordt. Het ligstroo moet een paar maal in de week worden ververscht en gedurende den winter in grooter hoeveelheid verstrekt worden.

In een bekend werkje over de honden leëst men over verschillende ziekten nagenoeg het volgende:

o o o

WORMEN.

Wanneer een hond door wormen geplaagd wordt, is het bekende wormkruid het beste middel

-ocr page 53-

49

daartegen. Men geeft dit van 1 tot 3 drachmen met wonderolie in.

Tegen lintworm is extract van varenkruidwortel zeer heilzaam. Men geeft hiervan 1 tot 2 drachmen met glycerine en laat daarop een laxeermiddel volgen. Ook de kamille is een voortreffelijk middel tegen lintwormen. Hiervan geeft men 1 tot 3 drachmen, al naar de grootte van den hond, met water in. Een laxeermiddel is dan niet noodig, daar de kamille zelf laxeerend werkt. Men stelle den hond op streng dieet.

SCHURFT.

Deze ziekte wordt veroorzaakt door kleine insecten, schurftmijten genaamd, die in de huid horen, daarin kanalen graven en voortwoekeren. Hierdoor ontstaat op de oppervlakte der huid eene uitzweeting, die tot korsten opdroogt.

Is de schurft uitgebreid, dan verliest het dier veel goede sappen, het begint te kwijnen, vermagert en kan ten slotte sterven.

De middelen tegen schurft zijn talrijk. Op den voorgrond staat reiniging met groene zeep, loog, zwavellever of inwrijvingen met zwavelleverzalf, teer of stinkende hertshooruolie.

4

-ocr page 54-

50

Het is aan te bevelen om de groene zeep op de schurftige plaatsen te smeren, ze daarop eenige uren te laten zitten en daarna aftewasschen en te borstelen.

HONDENZIEKTE.

Daar deze ziekte in verschillende vormen voorkomt, is het niet mogelijk alle middelen, die daartegen aangewend worden, optegeven. De verschijnselen der hondenziekte loopen uiteen, doch als zekere kenmerken kan men aannemen de in het oog vallende zwakheid in het kruis, de etterachtige uitvloeiing uit neus en mond, de oogontsteking, de schuwheid voor het licht.

De voornaamste verschijnselen bij een gewoon ziektebeloop zijn verder de volgende: De hond is treurig, mat, traag, weigert het voeder, heeft neiging tot braken, zonder daarbij iets anders dan een weinig slijm uitte werpen. Er ontstaat nu een korte droge hoest, de neus is droog en heet, de hond beeft door de koorts, waarop dan onnatuurlijke hitte volgt. Hij kruipt in donkere hoeken, de oogleden zijn \'s morgens met eene etterachtige stof aan elkander gekleefd, het oogvlies is blauwachtig, de oogen tranen en

-ocr page 55-

51

uit den bek vloeit taai speeksel, de ontlasting is vertraagd en hard. Men houdt de hondenziekte voor besmettelijk. Men geve den hond eenvoudig en goed voedsel, zooals versche melk en vleesch, en vermijde alle gekruide en gezouten zaken, maar late voorafgaan een braakmiddel, bestaande uit zoete kwik, 2 grein, en braakwijnsteen, 1 \'/s grein, daarna, dewijl er steeds verstopping bestaat, bij sterke honden 4 drachmen Engelsch zout. Zoodra de ontlasting van etterachtige slijm uit den neus begonnen is, geve men zwavel, 2 drachmen, poeder van gentiaan eu alantswortel, van elk 4 drachmen met honig tot eene likking gemaakt en daarvan driemaal daags een eetlepel vol. Mocht er sterken doorloop ontstaan, dan geve men hem haverdegortslijm met eenige droppels laudanum.

Men denkt de ziekte te kunnen voorkomen dooide honden, zoodra zij 3 maanden oud zijn, dagelijks een theelepeltje zwavelbloem met melk te geven.

DOLHEID.

Voor ieder, die tot zijn genoegen honden houdt, is het van groot belang de verschijnselen van deze voor den mensch zoo vreeselijke ziekte te kennen. Wij zullen daarom de voornaamste

-ocr page 56-

52

verscliijnselen opgeven. De ziekte komt in twee vormen voor, als razende en als stille dolheid. Het eerste verschijnsel, de voorbode dezer ziekte is de zonderlinge houding, die de hond aanneemt. Oogenschijnlijk zou men denken, dat hij vroolijker, vriendelijker, meer gewillig of gevoeliger is dan gewoonlijk of ook tot toorn geneigd, onrustig of traag en lusteloos is. Honden, die buiten in een hok liggen, ziet men dikwijls het ligstroo met de pooten onder den buik bijeén-krabben, somwijlen daarin bijten en met de tanden hevig schudden. Wanneer zulke honden vrij rond loopen, vertoonen zij eene in het oog vallende schuwheid, weerspannigheid en onrust. Bij de meeste honden, die aan razende dolheid lijdende zijn, vertoont zich in de eerste 2 of 3 dagen eene neiging om uit het huis weg te loopen.

Een zeker kenmerk dezer ziekte is de zonderlinge verandering der stem, van den aard van het blaffen. De stem wordt dof, rauw en ten laatste geheel heesch. Het geluid, dat zulk een hond geeft, is gelegen tusschen blaffen en huilen en is lang gerekt. Eene zucht tot bijten bestaat weder van het begin der ziekte. De dolle hond zal naar andere honden, katten of gevogelte bijten, of ook

-ocr page 57-

53

in alle mogelijke voorwerpen. Wanneer hij deze ziekte eenige dagen heeft, wordt hij in het achterstel zwakker, slingert hiermede en schijnt verlamd.

Bij stille dolheid bemerkt men eveneens, dat de houding van den hond veranderd is. Hij is stil en treurig. Het meest in het oog vallend kenmerk der stille dolheid is eene verslapping of volkomen verlamming van de spieren, die de onderkaak sluiten en de tong bewegen, zoodat de eerste naar beneden hangt en de dieren verhinderd worden te eten of te bijten en alles hun zelfs uit den bek valt, waarom dan ook de neiging tot bijten bij deze ziekte gering is. De stem is even veranderd als bij razende honden, doch het blaffen minder leelijk. Ook schijnen ze geene neiging te hebben om weg te loopen. Zij slikken moeilijk, zoodat de hond wel zijn bek in het water steekt, doch er niets van opneemt.

Indien zulke honden worden aangetroffen, kan men niet beter doen dan ze zoo spoedig mogelijk aftemaken om groote ongelukken, tengevolge van verspreiding der ziekte, tegentegaan.

Een geneesmiddel voor deze ziekte heb ik nergens kunnen vinden. Wel worden de gezonde honden in Frankrijk door Pasteur tegen honds-

-ocr page 58-

54

dolheid ingeënt, doch die proef is hier nog niet genomen. Men wil wel eens beweren, dat het meestal rekels zijn, die deze ziekte krijgen, waaruit men de gevolgtrekking gemaakt heeft, dat het ontstaan dezer ziekte moet te zoeken zijn in on-hevrediarde geslachtsdrift. Deze laatste aanteeke-

O O

ning heb ik uit den mond van een geneeskundige vernomen.

HARDLIJVICtHEID.

Honden, die aan verstopping lijden, geve men wonderolie, \'/2 tot 1 medicinaal ons of meer, naar gelang van de grootte van den hond, en wel een paar malen in de week.

Die hardlijvigheid kan het gevolg zijn van verstopping van het achterste gedeelte van het darmkanaal door ophooping van kalkachtige stof. Honden, die veel beenderen eten, zijn voor die ziekte zeer vatbaar.

VLOOIEN.

Jonge honden, die met deze bloedzuigers bedeeld zijn, zullen in wasdom zeer achterlijk blijven bij anderen. Om hen hiervan te zuiveren wascht men hun met eene oplossing van Carbolzuur en Glycerine, 1 : 100. Men moet oppassen, dat dit

-ocr page 59-

55

uitwendige geiieesraiclclel niet in de oogen komt, maar alleen gebruikt wordt tot wassching van liet onder- en bovenlijf, den staart en de pooteu.

LUIZEN.

Dit ongedierte is nog schadelijker dan vlooien, want Inizen komen gewoonlijk in grooten getale voor en kruipen in het vleesch om de beste sappen uit het lichaam van den hond te zuigen.

Hetzelfde middel, dat tegen de vlooien wordt toegepast, kan ook hier met vrucht gebruikt worden.

Bovenstaande zij voldoende. Ieder, die van de verschillende ziekten nog meer wil weten, schaffe zich het Duitsche werkje aan, getiteld:

„Die Krankheiten des ^Hundes und dessen Behaudlungquot; von Franz Kornhauser, Adjunkt am K. K. Thier-Arznei-Institute in Wien.

-ocr page 60-

56

HOOFDSTUK XL

Schriftelijke Bescheiden betreffende de Honden.

Tot vergelyking der resultaten en tot leering kan door ieder Compagnies-commandant elke maand worden ingegeven een kort verslag der gehouden oefeningen met de honden zoomede van hunne vorderingen.

Bovendien wordt bij elke Compagnie een stamboek van de honden aangelegd en bijgehouden. (Zie bijgaand model).

-ocr page 61-

57

BESLUIT.

Bij het einde mijner beschouwingen, acht ik het niet ondienstig erop te wijzen, dat deze in de toekomst, bij het opdoen van meerdere ervaring, mogelijk voor wijziging en vermeerdering vatbaar zijn. De opleiding van den hond is betrekkelijk nog iets nieuws; de toekomst geeft misschien betere gezichtspunten op dit gebied.

Mochten we in het bezit geraken van uitmuntend gedresseerde honden, zoo komen hunne diensten niet in mindering van die der militairen. De resultaten zullen alleen grooter blijken te zijn. Niemand schuive echter ooit de verantwoordelijkheid op de honden.

Moge mijne handleiding bruikbaar zijn voor den leek en den lezer met lust en ijver bezielen om mede te werken tot bereiking van het schoone doel, met de dressuur beoogd!

-ocr page 62-

B

cr o

C5 Cl gt;£gt; CO tO

—Q O* 03

\'quot;d Si tzi ^ Ö

tz:: ?? 2: w S-

— O GO ^

O Q

=quot; GO ^

^ =r

O T-t-

P CD

g ST

?r •

o

o

- p p -2

E3

PTquot; ,

o t

3

P

^r

O

O

p

SJ

0

0

35

aq

fD

0

CfQ

3

3

ft-

0\'

TS

—N

CK!

È

0 0

=r

C/3

P

CD

3

-3

P

,_.

^—-quot;

fD

oq

Cl

^ ^ =

— ST

Q Oq

O

Gj O amp;: O

o\' C-J3 c^:

CO Cf

ctgt;

squot; 0

^ 2 g

Q5 5quot;

eg ^ ^ g-

Ö

t=J t=j tr1

t2j Q

Ï0

OT

11

jq

O) p

S2

P

5

p

p

P

aq

CD

CD

CD

?r

P

CD

)_i.

C1j

P

CD

aq

P

lt;5

aq

P

p

P

p

aq

0 ■

2

2

-ocr page 63-

INHOUD.

HOOFDSTUK I.

Zijn militaire honden voor den dienst van liet leger te velde noodig? Zoo ja. Waarom?. . blad/,. 5

HOOFDSTUK II.

Welke rol heeft de militaire hond te vervullen op marsch ?....... „ 10

HOOFDSTUK III.

De hond als bode bij eene marcheerende colonne of bij den veiligheidsdienst in staat van rust......... ,gt; 17

HOOFDSTUK IV.

Do hond als hulpwaker bij schildwachten „ 2^

HOOFDSTUK V.

De hond als aanbrenger van munitie bij eene tirailleurlinie....... „ 27

-ocr page 64-

HOOFDSTUK VI.

De houd als weldoener voor gewonden op liet slagveld.........bladz. 33

HOOFDSTUK VII.

Hoe leert de hond het personeel der Compagnie kennen? ....... „ 35

HOOFDSTUK VIII.

Welke soort honden moet men bij voorkeur voor den dienst te velde africhten? „ a(5

/t.;\' O*

HOOFDSTUK IX. Inrichting van het logies der militaire

honden, verzorging en voeding .... „ HOOFDSTUK X.

Bestrijding der ziekten, waaraan de honden zijn blootgesteld...... „47

HOOFDSTUK XI.

Schriftelijke Bescheiden betreffende de houden............ „ 5(5

Besluit........... „ 57

-ocr page 65-
-ocr page 66-
-ocr page 67-