-ocr page 1-

/3. «

1

^£igt; -|

De I3. DikolaajS

DOOK

flOERMOKD,

J. J. ROMEN amp; ZONEN 1898.

C^W

-ocr page 2-

Kast 234 pi.B Nn22^

-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

/37. -■

DE H. NIKOLAAS

HET FOLKLORE

DOOR

Dr. JOS. SCHRIJNEN,

leer a ar aan het Bisschoppelijk Kollege te Roermond, bibliothekaris van het Genootschap ,,Limburgquot;.

flOERMOND, J. J. KOMEN EN ZONEN. 1898.

53IBJO Hh - DER RUKSU -JIVE : gt;IT£IT

-ocr page 6-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

w

A

0437 1575

-ocr page 7-

De I. licofcias in fiet dolMore.

„Folk-lore,quot; zegt Prof. Paul Alberdingk Thijm (1), „is op alle gebied de wapenkreet geworden. Wee dengene, die zich daartegen kant! Hij worstelt tegen den stroom. Folk-lore in de raadzalen! Folk-lore in de school! Folk-lore in alle kunstuitingen !quot; En zoo is het Folklore in engeren zin, dat wil zeggen, de wetenschappelijke behandeling van gewoonten, zeden en gebruiken, spreekwijzen en uitdrukkingen, liederen, sprookjes, sagen, legenden en voorstellingen, die voortleven in den boezem des volks, niet alleen eene moderne wetenschap, maar tevens eene wetenschap, die uitdrukking verleent aan den geest, die beantwoordt aan de behoeften des tijds. Immers: „men wendt zich weder tot de natuur; de volksaard wordt ondervraagd. Men spoort op waarin die bestaat, omdat men dien bijna had vergeten; men graaft oude legenden, sagen, spreuken uit het dikste stof en beoefent een vak, dat men met den nieuwen naam van Folk-lore bestempeld heeft, d. i. vollcshmde, vollcsivetenschap.quot; (2) Aan hare verhouding tot de tijdsomstandigheden dankt de wetenschap van het Folklore zonder twijfel hare rassche verspreiding. Met koortsigen ijver zette men zich in alle beschaafde landen aan het werk, om den schat van overleveringen op te teekenen, te schiften, te groepeeren, en met verbazende snelheid zag men allerwegen Folkloristische vereenigingen en bibliotheken verrijzen; en de naam der jonge wetenschap zelf — voor het eerst door Mr. Thoms, Sekretaris der

(1) In de Lettervruchten \\. h. Taal- en Letterlievend Slndenteng\'onoot-schap -/Met Tijd en Vlijtquot;. Leuven 1802. P. 4.

(2) P. Alhkrdingk Thijm, 1. I., il».

-ocr page 8-

Camden Socicty in het Athena/umnummer van 22 Augustus 1846 gebiuikt — had slechts enkele tientallen van jaren noodig, om zich een onbetwist Europeesch burgerrecht te verschaffen.

Van meet af betrad deze wetenschap ook reeds den weg, dien hare zusterwetenschappen — Mythologie, Geschiedenis, Ethnologie en Linguistiek — deze eeuw vooral zijn ingeslagen ; als vergelijkende wetenschap zag zij het licht. Niet tevreden op beperkt terrein eene reeks van min of meer samenhangende verschijnselen op een gegeven oogenblik op het leven te betrappen of ook hooger opwaarts te vervolgen, zoekt de Folklorist analoge sagen en gebruiken bij verwante stammen op te sporen; hij ontdoet het aldus verkregen materiaal van alle heterogene bestanddeelen, vergelijkt, en tracht zoodoende tot hun kern en hunne oorspronkelijke be-teekenis door te dringen.

Deze door elk wetenschappelijk Folklorist te volgen gedragslijn doet duidelijk zien, hoe juist het verwijt van eenzijdigheid was, door Dr. G. Brom onlangs tot zeker iemand gericht, die onder het pseudoniem van Joös a Leydis schuil gaat (1): „Maar de verschijning van Sint-Nikolaas als Bisschop pleit toch, zoo men wil, voor den zuiver katholieken oorsprong en zin van zijn feestviering. Zeker, indien zulk een optreden overal in gebruik was; maar dat is voornamelijk het geval in ons eigen vaderland. Hierop alleen acht gevende, zouden wij de berisping niet ontgaan, welke ïacitus aan de geschiedschrijvers van zijn tijd toediende; „„qui sua tantum mirantur.quot;quot; Op zijn Hollandsch gezegd : die niet verder zien dan de gezichteinder reikt boven hun eigen onderdeur, en meenen, dat hun beperkt kringetje de gansche wereld omvat.quot;

En inderdaad, worden er tusschen de Katholieken Foklo-risten gevonden, die beweren in de vol ksfeestviering van den

(1) In zijne kritiek van een kortelings onder dit pseudoniem bij Borg, Amsterdam, verechenen weikje, getiteld: Sint Nt\'kolaas. zijn Feest en Gebruiken. Zie De Katholiek, Dl. CXIII, p. 154.

-ocr page 9-

H. Nikolaas niet-kristelijke bestanddeelen, te ontdekken, dan is dit

1° omdat zij tusschen volksgebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest in betrekking staan, en andere gebruiken en voorstellingen, hetzij op eigen bodem, hetzij elders, eene verwantschap meenen te speuren, die niet aan ontleening van het St. Nilcolaasjeest haar oorsprong kan te danken hébhen ; en

2° omdat geen enkel kerkelijk leerstuk, geen enkele kerkelijke wet hen verplicht, al wat op het oogenblik met de feestviering van den H. Nikolaas in verband staat, als van zuiver kristelijken oorsprong te beschouwen.

Wel zullen zij niet altijd langs den weg eener klemmende bewijsvoering tot onwraakbare resultaten kunnen geraken, — vaker door de overtuigingskracht van een voldoend aantal feiten tot eene moralis certitudo wellicht; in ieder geval zal het hun echter vrijstaan in den knecht Iluprecht b. v. liever een elfische gedaante te zien, dan Marmorinus, den zwarten koning der Agareniërs, en wel zonder gevaar, het spoor der orthodoxie hijster te raken.

Hij, die dergelijke beginselen huldigde, zal hierin niet weinig versterkt zijn geworden door de zooeven geciteerde meesterlijke kritiek van Dr. Brom in de 1.1. Januari en Februarinummers van Be Katholiek. Niet slechts de eer der katholieke historiografie, ook die van het katholieke Folklore is daar van bevoegde zijde op schitterende wijze gewroken. Het feit en goed recht eener z. g. „verkersteningquot; zijn er aangetoond, de banen, die de katholieke geschiedvorscher te volgen heeft, afgebakend, het blazoen der katholieke Volkskunde is er gezuiverd van alle smet en blaam. Uitteraard kon de schrijver echter bij de behandeling van zijn vierde punt niet tot meer bijzonderheden afdalen, zonder de eenheid van het geheel te schaden ; — en toch is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat menig Katholiek naar eene nadere kennismaking met de zienswijze der Folkloristen in deze verlangt. Ik

-ocr page 10-

neem dus de taak op, door Dr. Brom zelf 1. 1., p. 152 den Folkloristen overgelaten met de woorden: „aan hen de taak, zoo mogelijk eene volledige oplossing te brengenquot;. In de volgende bladzijden stel ik mij voor, een zeker aantal gegevens tot eenige rubrieken terug te voeren, en deze, meer als specimina dan als volledige verzameling, het belangstellend publiek aan te bieden. Niet zelden echter zal ik hierbij gedwongen zijn in eene herhaling te vallen, van hetgeen reeds in mijne meer algemeene verhandeling over de „Overblijfselen van den WCtdarikultus in Limburgquot;, Vde Jaargang, lilde Afdeeling van het Genootschap „Limburgquot; is gezegd. Ook duide men het mij niet ten kwade, zoo ik voor het meeren-deel gedwongen ben uit ongeloovige of althans niet-katho-lieke schrijvers te putten. Gave God, dat ik meer werken van katholieke Folkloristen als bronnen kon aanhalen!

-ocr page 11-

ï.

HET VRUCHTBAARHEIDSTIJDPERK.

Sinte Klaas, die goede man,

Die ook alles bakken kan,

Suikergoed en taaie man,

Ja, daar krijg ik ook wat van.

(Dr. Eelcoo Verwijs, Sinterklaas, \'s Gravenhage, 1863. P. 74.)

Verreweg de meeste gebruiken en volksvoorstellingen, die met het feest van den H. Nikolaas in verband staan, behoo-ren m. i. tot de derde groep in de waarlijk „onmisbare distinctie,quot; door Dr. Brom in zijn eerste artikel vastgesteld (1)_ Zelfs dan, als de Kerk ivilde afschaften, gelukte het haar bij lange niet volkomen, het ingekankerde heidendom uil te roeien. Om zich hiervan te overtuigen, behoeft men slechts den Jn-diculus superstitionum et paganiarum (2) na te gaan, en aldra zal men tot de ontdekking komen, dat verschillende nummers, zoo b. v. Be incantationilms (3) (N0 12), en De divinis vel sortüegis (4) (N0 14) nog in het huidige bijgeloof voortbestaan. Opmerking verdient het, dat zich dit bijge-oof vooral aan kristelijke feesten, zoo b. v. Kerstdag en St. Thomasdag vasthecht; — en aan deze opvattingen en praktijken zal toch wel niemand een kristelijken oorsprong willen toeschrijven. Ook vind ik reeds het eerste nummer eener vragenlijst uit de XVde eeuw, ten behoeve der priesters voor biechtelingen uit de gewone volksklasse, in het Limburgsche

(1) L. L., p. 83.

(2) Bij Moritz Heijne , Kleinere altniederdeutschc Denkmaler. Pader-born, 1877. Pp. 89, 90.

(3) Over tooverij.

(4) Over zieners en waarzeggers.

-ocr page 12-

8

Folklore terug: Qui exercent supersticiositates cum acu qua cadaver est consutum (1).

Maar wat zeggen van gebruiken als het geven van geschenken, het zetten van den schoen, van volksfantasieën als het rijden over de daken, het werpen door den schoorsteen? Zou men niet veilig kunnen aannemen, dat de Kerk ten opzichte hiervan steeds strikt onpartijdig gebleven is, daar zij er volstrekt geen gevaar in zag, zoo sommige heidensche attributen al door het volk op een H. Nikolaas werden overgedragen? Men moge dan met nog zooveel ijver de oudste dokumenten doorwroeten en het dichste stof der archieven doen opdwarrelen, ten sterkste zou ik het betwijfelen, of men er ooit in zal slagen, eene kerkelijke veroordeeling van het geloof aan een Sleipnir aan het daglicht te brengen.

Aan WOdan, de verpersoonlijking der bewogen lucht, den windgod en bijgevolg den god der vruchtbaarheid, behoorden de Winterfeesten; hem op de eerste plaats werd dan geofferd ; andere chtonische- en windgodheden, zooals Holda en Perchta, speelden dan slecht eene ondergeschikte rol. Nu mag men met Grimm aan een driedeeling des jaars en, in verband hiermee, aan het voormalig bestaan van drie hoofdolïertijden blijven vasthouden, ofwel — wat waarschijnlijker is — met Weinhold en Phannenschmid, door Mogk gevolgd (2), het Germaansche jaar in vieren indeelen, — het bestaan der beide quot;Winterfeesten wordt door niemand ontkend. Het eerste dezer feesten, hetwelk een geruimen tijd duurde, begon omstreeks het begin van November; het tweede z. g. Midwinterfeest of Joelfeest, ontegenzeglijk het hoogste feest der oude Germanen, viel in de tweede helft van December en in de eerste van Januari. Dit wordt het tijdperk der „Twaalf Nachtenquot; genoemd; onze oostelijke naburen spreken van de Zwölf-

(1) Die bijgelooviglieid plegen met eene naald, waarmee een doodshemd genaaid is. Bij Hermann UsENEa, Christlicher Festbrauch. Bonn, 1887. P. 84. Dit punt van het bijgeloof is reeds door mij opgeteekend in mijne studie, getiteld; De Doude in het Limburgsche Folklore, in het Jaarboek van //Limburgquot;. I. p. 192.

(2) Grundr. d. Germ. Philol., her. v. H. Paul. I, p. 1125.

-ocr page 13-

ten, TJnternachte, Eauclmachte of Losstage. Volgens sommigen moet men door de Baiichnüchte de drie Donderdagen vóór Kerstmis verstaan (1). De Tirolsche boerenalmanak geeft als zoodanig G, 25 en 31 December, en 6 Januari aan. Het woord „Joelquot;, afkomstig van het Oud-Noordsche jol (— *jul), hangt waarschijnlijk niet met het Angel-Saksische hveol = rad, samen, maar komt waarschijnlijk van eene Indo-Germaansche wortel Jeku, en beteekent „schertsquot;, „vroolijkheidquot;, zoodat dit feest, naar zijne etymologie te oordeelen, het „joligequot; bij uitstek was (2). Inderdaad, het karakter der beide Winterfeesten bestond in eene uitgelaten vroolijkheid, veroorzaakt 1° door het genieten der offergaven, gedurende dien tijd aan Wódan c. s. en ook aan de zielen der afgestorvenen gebracht; en 2° — reden van cckonomischen aard — door de twee groote slachttijden, die met de winterfeestviering samenvielen, wanneer deze niet, zooals Tille beweert (3), zelfs de hoofdaanleiding tot de winterfeestviering gegeven hebben.

Anders was het in het Noorden. De Oost-Germanen vierden hun hoofdfeest, het Góïblót, in Februari, „til gródhrarquot; voor den wasdom, terwijl het „Joelfeest daar in Januari viel, „til arsquot; voor den oogst (4).

Gegeven dus, dat het eerste Winterfeest eene vrij groote rij van dagen in beslag nam; dat het Joelfeest meestal tus-schen Kerstmis en Driekoningen, plaatselijk echter ook vroeger of later kon vallen; dat beide Winterfeesten hoofdzakelijk Wödan, den god der vruchtbaarheid golden; dat eindelijk, gedurende heel den tijd, als de natuur schijnt uitgestorven en de winden het vaakst ontketend zijn, volgens de voorstellingen der oude Germanen de Wilde Jacht, met Wödan als voorrijder, door het luchtruim joeg (5), dan krijgen wij

(1) Wilhelm Mannttardt, Der Baumkultus der Germanen und Hirer Nachbarstcimme. Berlin, 1875. P. 54?.

(2) Vgl. Elard Hugo Meijer, Germanische Mylholoqie. Berlin, 1891. P. 197.

(3) Alexander Tille, Die Geschichfe der Deutschen Weihnacht. Leipzig, 1893. P. 6 vlg.

(4) Mogk, 1. 1., p. 1126; Meijer, 1. 1., p. 196.

(5) (JverblijJ\'selen, p. 10.

-ocr page 14-

— 10 —

een bijna aaneengesloten feesttijdperk, den god der goede gaven ter eere, dat zich ongeveer van het begin van November tot het midden van Januari uitstrekte. Wij bevinden nu, dat vele volksgebruiken en volksverhalen, welke met kris-telijke feesten gedurende dit tijdperk samenhangen, — St. Martinus (11 November), St. Clemens (23 November), St. Andreas (30 November), vooral St. AndreasHac^, St. Barbara (4 December), St. Nikolaas (6 December), St. Lucia (13 December), St. Thomas (21 December), Kerstmis (25 December), St. Stefanus (26 December), het feest der Onnoozele Kinderen (28 December), Driekoningen (6 Januari) — veel overeenkomst blijken te bezitten met de gebruiken van het Winterfeesttijdperk en met de attributen van den god, die alsdan de hoofdrol vervulde. Zien wij dan anderdeels, dat zij in hun huldigen toestand eene groote objectieve verscheidenheid vertoonen en bedenken wij, dat in de feestkringen van andere tijdperken dergelijke overeenkomst vergeefs wordt gezocht, dan dunkt mij is de gevolgtrekking, zoo niet strikt bewijsbaar, dan toch alleszins te rechtvaardigen, dat het hier attributen geldt, van hun oorspronkelijk subjekt losgerukt, en door de volksfantasie, het eene vóór, het andere na, aan kristelijke instellingen en persoonlijkheden vastgehecht.

Heidensche offers gingen steeds van offermaaltijden vergezeld. Wat hiervan in ons hedendaagsch Folklore kan zijn overgebleven ? „In unserem Yolksglaubenquot;, zegt Mogk (1) „sind in algemeinen die Opfer vergessen; gewisse Gerichte, die man in jenen Tagen isst, scheinen nur noch schwach daran zu erinnernquot;; en Grimm (2) beschouwt als offerresten vooral „das reiben der heiligen flamme, laufen durch die bründe, werfen von blumen in das feuer, laclcen und austhei-len grosser hrotc oder icuchen, und der reihetanzquot;. Zoo ook v. Reinsberg-Düringsfeld; „Der Weihnachtsschmaus trat an die Stelle der alten Gastereien, die mit den Opfern verbunden

(1) L. L., I, p. 1125.

(2) Jacor Gunni, Deutsche Mythologie. Berlin, 1875 (Vierte Ausg. bes. v. E. H. Meijer) 1. p. 35.

-ocr page 15-

waren, wie uns die verschiedenen Speisen, die noch üblich sind, sowie die Weihnachtskuchen, welche die Gestalt von Ebern, Pferden und anderen Tieren haben, deutlich bekun-denquot; (1). Men mag deze meening zijn toegedaan of niet, vreemd is het in ieder geval, dat juist gedurende den Joeltijd (in den meest uitgebreiden, boven aangeduiden zin) de meeste smulpartijen en gebaksvormen gevonden worden.

Met St. Maarten bakt men bij ons bijzondere koeken, St. Maartenshoorntjes genaamd; in Duitschland houdt men smulpartijen, Mogk althans spreekt van Martinsschmdusen (2). In het Freudenthal (Oostenr. Silezië) krijgen kinderen en volwassen op St. Maartensvooravond velerlei geschenken, maar vooral het Martinshörndl mag niet ontbreken (3). Met St. Andreas wordt te Reichenberg de Andreashranz gebakken (4). In Hohenzollern begint men acht dagen vóór Sinterklaas reeds met het bakken van het Klausenmannle, een wittebrood in den vorm van een dansenden man (5). Met Sinterklaas vergast zich in heel ons land oud en jong aan peperkoek onder de meest grillige vormen en benamingen. ïe Seekirch (Wiir-temberg) bakt men alsdan lange, dunne koeken, die den vorm van pyramiden hebben; in het „Oberambt Ehingenquot; kleine, ronde suikerbroodjes, z. g. Cloosen- Weelde; te Dieburg (Hessen-Nassau) Nieoluiis-LehJcuchen; te Leipzig Fflan-mentoff\'el, eene eigenaardige lekkernij (6). Dan volgt Kerstmis met zijn in het Limburgsche Folklore eigenaardige Kerstbroodje van Geleen (7), en tweede Kerstdag, waarop de kinderen te Neeroeteren (Belg. Limburg) op broodjes onthaald worden (8); voorheen at men op Stefanusdag in den Eiffel

(1) Das festliche Jahr der GermaniscJien Völkcr. Leipzig, 1898. P. 4.

(2) L. L., I, p. 1127.

(3) Theodor Vernalhkex, Mythen und Branche des Volkes in Oester-reich. Wien, 1859. P. 62.

(4) v. Reinsberg-Düuingspeld, 1.1., p. 420.

(5) Du. Eugen Sciinell, Sanct JVicolans. der heiliye Bischof tmd Kin-derf reund. Brünn, 188^. I. p. 17.

((») Sciinell, 1. 1., I, pp. 4(5, 51, 62.

(7) Russel, De heerlijkheid Geleen, p. 73.

(8) H. Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg. Venloo, 1877. P. 12.

-ocr page 16-

tweeërlei brood, het eene zuur, het andere zoet, zooals nog thans in de Rijnlanden (1). Ook zijn de Weihnachtsstollen bekend. Kerstbrood geldt in Duitschland voor brandstillend (2). Tusschen Kerstmis en Nieuwjaar kende men er eertijds een bijzonder soort brood (3). Voeg hierbij nog het Nieuwjaarsgebak („Nieuwjaarsmoppenquot;, aan den Rijn; „Neujahrskriinz-chen) en de smulpartijen op Driekoningendag, die o. a. te Laerz (Mecklenburg) plaats vinden (4), en ge zult tot het besluit komen, dat de gastronomen gedurende het Joeltijdperk geen reden tot klagen hebben. Bovengemelde meening omtrent deze gerechten wordt dan ook, bepaaldelijk voor de Kerstkoeken, aannemelijk geacht, door den inzender van N0 1178b der aangehaalde Bartsch\'sche verzameling (5): „Die gegen Weihnachten gebackenen sogenannten Kinnerges Poppen, Has Poppen, welche nach jetziger Denkung die Hirten von Bethlehem und deren Heerde darstellen sollen, unsprünglieh aher Opteygahen gewesen sein mogen, die am Julfeste dargebracht icurden (Beyer in den Mekl. Jahrb. XX, 150), werden von manchen Backern mit Saffran bestrichen und heissen darum auch: Saffran = Pöppingsquot;. Ook Meyer is deze zienswijze toegedaan (6), met het oog vooral op het volgende: Buiten den wolf (en den raaf) (7) zijn Wödan vooral de bok en de ever heilig; deze dieren vooral werden als symbolen der vruchtbaarheid in den Joeltijd aan Wodan den windgod, den god der vruchtbaarheid geofferd. quot;Veel wind, veel ooft,quot; zegt een spreekwoord; wind schenkt vruchtbaarheid en doet het koorn rijpen (8). Vandaar 1° dat Wodan als god der vruchtbaarheid vooral dan vereerd werd, als de winden heviger loeiden

(1) Tule, 1. 1., p. 47.

(2) Meijer, 1. 1., p. 218. In Holstein wordt de avond van den 2^9,en December Vulhuuksahend genoemd. Zie v. Reinsberg-Dujungseeld, 1.1., p. 4()4.

(3) Tille, 1. 1., ib.

(4) Karl Bartsch, Saycn. Marchcn und Gehrauche ans Meklenhurg. Wien, 1879. 11, p. 250.

(5) II, p. 227.

(fi) L. L., pp. 215, 218.

(7) Overblijfselen, p. 15.

(8) Overblijfselen, p. 22.

-ocr page 17-

dan ooit. Het Joelfeest werd dan ook niet ter eere van den zonnegod, maar van den god der vruchtbaarheid gevierd (1) quot;gt; en 2° dat om redenen van oekonomischen aard dit feest bij de Germaansche plattelandbewoners als het hoogste gold. Nu bakt men gedurende het heele Joeltydperle, niet slechts met Sinterklaas, niet alleen koeken in den vorm van menschen en paarden, maar vooral van bokken en varkens. Ook met Kerstmis stellen in Mecklenburg de z. g. Kinjes-Poppen meestal varkens voor (2). In Zwaben bakt men met Kerstmis Sprin-gerle, d. i. koeken in allerhande soorten van diervormen. Dan ook wordt in het Noorden de Julgalt gebakken en onder het zaadkoren gemengd; dit gebak heeft den boks- of zwijns-vorm. Op Nieuwjaarsmorgen brokt de Meklenburger een Hum-stoter onder het voêr (3). Ook in het Odenwald mengt men z. g. Julkuchen onder het zaad; als eigenaardigheid diene echter hierbij te worden vermeld, dat de boksvorm hier met een hamer versierd is (4). Dit mocht ons onverklaarbaar voorkomen, wisten wij niet, dat ook de hamer een hoofdsymbool der vruchtbaarheid is, wel niet aan Wódan, maar aan Donar toegeschreven, die volgens Saxo Grammaticus door een slag van zijn hamer den bliksem deed geboren worden (5). Waarschijnlijk hebben wij hier te doen met Nquot; 26 van den Indi-culus supcrstitiomim: (6) De simulacro de consparsa farina (7).

(1) Mogk, 1. 1., I, pp. 1125, 1126. Op NieuwjaarsHacht schiet men in Meklenburg in de boomen, om ze vrnchtbaar te maken (Rartsch, 1.1., II. p. 252); tot dit doeleinde worden in Engeland de boomen dien nacht met stokken geslagen (Mannhardt, 1. 1., p. 279). //Is er wind in de Kerstdagen, dan zullen de boomen veel vruchten dragen,\'\' zegt men in Limburg ; zoo ook : //Sneeuw in den Kerstnacht geeft een goeden hopoogst.quot; En in Mecklenburg; //Als in de Zwöl/ten de boomen zich bukken, komt er veel ooft.quot; (Bartsch, 1. 1., II, p. 250).

(2) Bartsch, 1. 1., II, p. 227.

(3) Bartsch, 1. 1., II, p. 241.

(4) Meijer, 1. 1., pp. 101, 103, 215, 211.

^5) Grimm, 1. 1., II, pp. 835, 1021. Daar de geloofsverkondigers de afgoden als duivels voorstelden fOverblijfselen, pp. 5, 6, Ifi, 19, 34) werd Hamer tot synoniem van Donar, zoo b. v. in de verwensching: »Dass dich der Hammer schlage!quot; De hamer is ook het symbool der macht en vernieling.

(6) Heijne, 1. 1., p. 90.

(7) Over den vorm van koekdeeg,

-ocr page 18-

Ook anderszins nog wordt zulk een simulacrum vervaardigd, In Oost-Gothland is het een met zwijnshuid overtrokken blok, Julhucken genoemd; en in Silezië snijdt men schapen en geiten (niet veeleer bokjes ?) uit hout, en overtrekt die met konijnsvel (1).

De Joeltijd is daarenboven het tijdperk, gedurende hetwelk, zooals Dr. Brom het zoo juist uitdrukt, „gegeven werd en tegenwoordig nog gegeven wordtquot; (2).

Wederom wordt dit tijdperk door St. Maarten geopend. In de provincie Limburg, te Roermond en te Venloo vooral, wordt op het feest van dezen Heilige de jeugd op appelen , peren, noten, krakelingen en wat dies meer zij onthaald; ook in de noordelijke provinciën is dit gebruik niet heelemaal onbekend, zooals uit de door Schotel verzamelde gegevens blijkt (3). Iets dergelijks vindt men in heel Mecklenburg (4), in de Altmark (5) en in Oostenrijksch Silezië (6); daar geeft men alsdan ook aan volwassenen allerlei soort van geschenken. Op sommige plaatsen is St. Maarten zelfs het hoofdfeest en komt Sinterklaas of Kerstmis op de tweede plaats, zoo b. v. te Düsseldorf in Erfurt (7), waar men als te Venloo, te Utrecht (8) en voorheen in Oostfriesland (9) met lantaarns en lampions op den vooravond door de straten trekt, in de Rijnstreken, te IJperen, in heel het kanton Aalst (10) en voorheen te Augsburg (11). Over de roede van St. Martinus in een volgend hoofdstuk. In .Engeland is St. Clemensdag, te Reichenberg St. Andreasdag schenkingsfeest (12).

(1) Scunell, \\. 1., I, p. 65. (2) L. L., p. 157,

(3j Martinus, Bisschop der Galliërs, in zijne Tilhurgsdie Avondstonden, Amsterdam, 1850. Zie ook v. REiNSBERG-DiiRiNGSFELD, 1. 1., p. 406.

(4) Bartscu, II, p. 222.

(5) Adalbert Kuhn, Markische Sagen und Marriten. Berlin, 1843. P. 344. Als eigenaardigheid deelen we hier het begin van een St. Maar-tenslied mee, in de Altmark gezonden ;

Miirtiin Miirtiins Vaegelken

Mett siin vergült Snaevelken !

Geft us watt un lat us gan,

Datt wii hüüt noch wiier kamn; enz.

(6) Verkaleken, 1. 1., p. 62. Zie p. 117. (7) v, Reissberg-Dürisgs-feld, 1. 1., pp. 400, 408. (8) Schotel, 1. 1., p. 55. (9) Scukell, 1. 1., I, p. 36. (10) Brom, 1. 1., p. 156. ill) Tille, 1. 1., p. 28.

(12) v. Rkissbekg-Düriijgsfeld, 1. 1., pp. 412, 414, 420,

-ocr page 19-

Te Keulen is de H. Barbara (4 Dec.) met hare geschenken de voorloopster van Sinterklaas (1). De gebruiken van 6 December zijn overbekend; in ons land is Sinterklaas het hoofdschenkingsfeest, evenals in Opper-Oostenrijk, waar het Kerstfeest weinig bekend is. Ooft en lekkers voor de kinderen schenkt Sinterklaas o. a. in Beieren en in de Zwitsersche kantons Luzern en Schwytz (2). In Tirol speelt Lucia voor de meisjes de rol van Sinterklaas (3).

Dan volgt het Kerstfeest dat, behoudens den Kerstboom en eenige gebruiken van ondergeschikten aard, volkomen ons Sinterklaasfeest slacht; een verdienstelijk historisch overzicht der Weihmchtshescherung is door Tille geleverd (4). In de Provincie Limburg worden dien dag aan de kinderen op hun geroep „heioquot; te Merkelbeek, Brunssum en Oirsbeek appelen toegeworpen. Te Echt gebeurt dit op Silvester-, te Roosteren, Buggenum en Nunhem op Nieuwjaarsdag (5). In Mecklenburg schenkt de Schimmelrijder op 1 Januari appelen, noten en peperkoek (6). Eindelijk, met Driekoningen, gaan op verschillende plaatsen van Limburg, zoo b. v. te Weert en omstreken, de kinderen om geschenken bedelen, en sluiten aldus het Joeltijdperk (7).

Laten wij hier de opmerking maken, dat dit geveu van geschenken in enge verhouding staat tot het rijden door de lucht, eene verhouding, die door het verband tusschen „windquot; en „vruchtbaarheidquot; in een helder daglicht treedt (8), en in de synonimie der termen „rijdenquot; en „ten geschenke gevenquot; hare uitdrukking vindt. Reden waarom ik meen, dat ook het in den grond der zaak éénvormige geven van geschenken gedurende het Joeltijdperk niet volstrekt van den persoon des

(1) Brom, 1. 1., ib.

(2) Schnell, 1. 1., I., pp. 22, 73, 78.

(3) v. Reinsberg-Düiiingsfeld, 1. 1., p. 43-4.

(4) L. L. pp. 189—219.

(5) Welteus, 1. 1., pp. 12, 13.

(6) Bartsch, 1. 1., p. 234.

(7) Enkele soortgelijke gebruikeu, die buiten dit tijdperk vallen, zoo b. v. het //rijdenquot; der Engelen op Palmzondag, staan waarschijnlijk met het Lentefeest in verband.

(8) Zie pp. 12, 13,

-ocr page 20-

— 16 —

voorrijders der Wilde Jacht, des „gevers der goede gaven\', mag gescheiden worden. Iets meer dan de bloote namen van JbeZtijd, ,Todgebak, JocVodk, Jodknots, JoeZstroo, Jodlicht, JoeZblok, enz. moet van het vóórkristelijke vruchtbaarheidstijdperk zijn overgebleven, Beslister dan ooit blijf ik dus de stelling handhaven, die ik in mijne Overblijfselen neerschreef (l); „Mog dan ook het geven van geschenken op Sinterklaasdag voor een groot deel op de bekende liefdadigheid van den Heilige berusten, zeer waarschijnlijk is het toch, dat de op Germaanschen bodem bestaande Midwinterfeesten een niet onbeduidenden invloed op dit gebruik hebben uitgeoefendquot;.

Zelfs eene andere oorzaak nog moet er krachtig toen hebben bijgedragen, het Sinterklaasfeest den vorm te geven, dien het thans bezit. In bijna alle Germaansche volksfeesten zijn drie bestanddeelen: het Kristelijke, het Germaansche en het Romaansche innig versmolten; en zoo zal Rome\'s invloed ook op het Germaansche Winterfeest niet zonder uitwerking gebleven zijn. Uit het Romeinsche alfabet ontleenden onze voorouders in de eerste eeuwen na Kristus hun Runen-alfabet (2); in navolging der Romeinen gaven zij namen van godheden aan de verschillende dagen der week; uit de Romeinsche Mythologie drong menig goden-attribuut in het Germaansche pantheon, werd het geloof aan de geestwerende kracht der livia en trivia op onzen bodem overgeplant (3). Met alle reden mogen wij dus aannemen, dat in het geven van geschenken gedurende het Joeltijdperk ook een overblijfsel der Romeinsche Kalendenviering is bewaard gebleven. Aldus wordt de god Janus „der dritte im Bundequot;, wien ter eere op 1 Januari allen elkander gelukwenschten en passende geschenken vereerden (4).

(1) P. 28.

(2) E. Sievers, G run dr. lt;1. Germ. Phi hl., I, p. 240.

(3) De Doode, enz., 1. 1., I, p. 191.

(4) Jordax-Pkeller, liömiscJie Mythologie. Berlin, 1891. Pp, 179, 180. Vgl. Ov., Fast.y I, 71 vlg.

-ocr page 21-

TI.

SCHOORSTEEN EN SCHOEN.

Sint Niklaas, dou goede bloed !

Geefme een zakje vol suikergoed :

Niet te veel en niet te min.

Smijt het maar tot de schoorsteen in.

(Eelcoo Vëkwijs, 1. 1., p. 74).

Sinterklaas werpt veelal zijne \' gaven, „rijdtquot; door den schoorsteen. Niet alleen hij echter, ook St. Maarten, ook de Wilde Jager, al zijn diens gaven niet altijd even begeerens-waardig.

Eens, toen de Wilde Jacht voorbijreed, riep een vermetel timmerman in den Harz den voorrijder het bekende „hohoquot; achterna. Daar valt plotseling een zwarte klomp door den schoorsteen, dat de vonken er van opstuiven (1).

In een dorp aan de Elbe woonde eens een man, die zich verstoutte, toen de Wilde Jager in den Kerstnacht door de lucht stormde, zijne deur te openen, en hem spottend om eene kerstgave te vragen. Hierop liet de Jager een zijner honden achter, die door den schoorsteen op den haard viel (2).

Meermalen echter schenkt de nachtelijke ruiter ook goud (3), evenals zijne gemalin Frija, onder de benaming van Fm Gor (4).

Inderdaad, de schoorsteen is de verbindingsweg tusschen de geestenwereld en de gewone stervelingen, — de ruime, ouder-wetsche schoorsteen, zooals die nog thans op het platte land wordt aangetroffen. Is het dan wonder, dat hij eene groote

(1) Giumm, 1. 1.. 11, p. 774.

(2) Bahtscii, 1. 1., I, p. 17.

(3) Giumm, 1. 1., 11, p. 770 vlg.; Overblijfselen, pp. 27, 28; Dr. L. Knappert, Folklore. Amsterdam, 1887. P. 167 Aanm.; Vernalekbn, 1. 1., pp. 25, 38, 46. Goud als ge\'chenk van woudgeesten : Mannhardt, 1. 1., pp. 142, 132.

(4) Bartsch, 1. 1., II, pp. 242, 243.

-ocr page 22-

— 18 —

rol in de tooverwereld speelt ? Dat men op Silvesteravond, in het hartje van den Joeltijd, het toovertijdperk bij uitnemendheid, in den schoorsteen ziet, om de toekomst te doorgronden (1)? Dat toovermiddelen veelal in den schoorsteen worden opgehangen ? Vooral de huisgeesten dalen door den schoorsteen tot den haard, het middelpunt des huisgezins, af (2).

Nu is het in zich genomen wel niet onmogelijk, dat het volk aan „den overwinnaar van den duivel, den overwinnaar van het heidendom, den overwinnaar van Dianaquot; bij diens komst door den schoorsteen, een groote geestes-schoonmaak toeschrijft of althans toeschreef.....

Heiliger Sanct Nicolaus

Wir stell\'n dir unsere Schuh\' hinaus,

Leg uns doch was schönes ein,

Wir woll\'n recht froram und fleissig sein,

zoo zong eertijds de jeugd te Weenen, en in dien geest zingt nog heden onze Nederlandsche spes patrice. Onder den schoorsteen wordt de schoen gezet: „een schoen bij iemand zettenquot; is synoniem van „iemand iets afbedelenquot;. Nu bestond er in Italië aan de hoven van sommige vorsten eene plechtigheid, naar een Spaansch woord, dat schoen beteekent, Zopafa genoemd (3). Dat ons dit gebruik uit Spanje is overgewaaid, acht Schnell bepaald onmogelijk; dan moest, zegt hij, ook ons geschenk dien naam dragen (4). Daarenboven is Spanje een dier landen, waar de viering van het St. Nikolaasfeest het minst populair was. Laten we hier opmerken, dat men tot verklaring dezer bijzonderheid geene nadere verhouding van

(1) Bartsch, 1. 1., p. 237.

(2) Niet slechts door den schoorsteen, ook door het sleuleli/at komt Sinterklaas binnen. Het sleutelgat immers speelt in Folklore eene niet onbeduidende rol; om b.v. van ziekte genezen te worden, moet men driemaal door het sleutelgat blazen. (Baktscu, 1. 1., II, p. 103).

(3) Branot bij Eelcoo Verwijs. 1.1., p. 19.

(4) L. L.. V. p. 42.

-ocr page 23-

— 19 —

Nederland tot Spanje kan doen gelden; den schoen toch vindt men ook in het Duitsche en Oostenrijksche Folklore, en eene ontleening aan Nederland zou in dit geval hard te betwijfelen zijn.

Maar de schoen kan van Italiaanschen oorsprong zijn. Toegegeven ; doch al kon men dit bewijzen, dan was hierdoor de oplossing van het vraagstuk nog slechts verplaatst. Van waar dan de schoen in Italië ? Hij „zal wel op niets anders doelen dan op de legende der drie maagdenquot;, zegt Eelcoo Verwijs (1); de reden, dat nl. bedoelde maagden „bij het ontwaken telkens den schat onder hare kleederen, als H ware (2) in de schoenen, vondenquot;, komt ons echter meer grappig dan juist voor. Ook is in dit geval de verruiling van schoen en schotel, zooals wij die te Salzburg (3), in Tirol en in Vorarlberg vinden, vrij onverklaarbaar (4).

De schoen van Sinterklaas staat niet alleen in het Ger-maansche Folklore. Ook de Wilde Jager, deze getransformeerde Wödan, vult schoenen en laarzen met goud. Op zijn bevel trekt de boer in het Grimm\'sche verhaal (5) zijne laarzen uit, en vult die met het bloed van een pas geschoten hert. Bij zijne tehuiskomst blijkt het bloed in goud veranderd te zijn. Ook in een Hessisch sprookje komt het vullen van laarzen met goud voor (6).

Legt in Mecklenburg de bruid vóór de huwelijksplechtigheid in eiken schoen een stuk geld, dan heeft ze later nooit geldgebrek; een slangentong in eiken schoen gelegd maakt onkwetsbaar; wie \'s nachts ruggelings drie stroohalmen uit het dak trekt en in zijn schoen legt, wordt niet door den hond aangeblaft (7). Op Kerst- en Silvesteravond werpen zich in Oostenrijk en Mecklenburg jongens en meisjes een schoen

(1) L. L., p. 19.

(2) Wij kursiveeren.

(3) Sciinell, 1. 1., p. 10.

(4) Sciinell, 1. 1., Ill, p. GO.

(5) L. L., II, pp. 770 vlg.

(6) Orerhlijfselen, p. 28.

(7) Baiitsch, 1. 1., II, 61, 3*9, 449.

-ocr page 24-

— 20 —

of pantoffel over het hoofd, om te zien, of hun geluk of ongeluk is weggelegd (1). Ook op St. Thomasavond komt het gebruik van schoenwerpen zeer veel voor (2).

Maar er is meer: de schoen van Sinterklaas dient op de eerste plaats om het voeder te bevatten „voor Sinterklaas zijn paardquot;. In heel Limburg en op verschillende plaatsen van onze noordelijke provinciën wordt haver en hooi voor het beestje gereed gezet. Zoo ook in de Rijnprovincie, Tirol en Vorarlberg (3). Vergelijkt men nu hiermee het op vele plaatsen van Duitschland en Skandinavië heerschende oogst-gebruik, eenige halmen op den akker te laten staan, zooals het uitdrukkelijk heet, „voor Wódan en gijn paardquot;, dan dunkt me , dat de oorsprong van bedoeld Sinterklaasgebruik naar het land verlegd moet worden. Eii zijn dan meer aan-knoopingspunten te vinden tusschen den met hooi of haver gevulden schoen en het oogstoffer, dan tusschen dienzelfden schoen en de legende der drie maagden, te meer daar wij weten, dat het Joeltijdperk het tijdperk der vruchtbaarheid is. In dit hooi toch zou ik een schamele, overigens onschuldige, rest willen zien van een voormalig offer aan den god, of liever aan het paard van den god der vruchtbaarheid, en wel een offer van hooi, dat immers reeds in de Edda „Sleipnis verdrquot; (4) genoemd wordt (5). Dit hooi legt men soms op een bord, bij voorkeur echter in een schoen, wegens diens betrekking tot de tooverwereld.

Maar laten we eenige feiten aangeven.

In Schonen en Blekingen bleef het lang gebruik, dat de maaiers op den akker eene gave „für Odens pferdequot; achterlieten (6); in Beieren, in den omtrek van Beilngries, is de korenschoof voor den Waudlyaid bestemd; daarenboven zet men bier, melk en brood op den akker voor de Watidlhunde,

(1) Veiinaleken, 1. 1., pp. 349, 350 ; Bartscu, 1. 1., 236.

(2) Reinsberg-DüringsfEiLD, 1. 1., p. 438.

(3) Scunell, 1. 1., p. 60.

(4) Sleipnir\'s spijs.

(5) Overblijfselen, 1. 1., p. 24.

(6) Grimm, 1. 1., I, p. 128.

-ocr page 25-

— 21 —

die den derden nacht komen en de gaven verslinden (1). Wat voorheen en thans in Mecklenburg geschiedde en geschiedt wordt ons het best en volledigst door Bartsch (2) meegedeeld, reden, waarom wij het stuk hier in zijn geheel laten volgen ;

„Früher allgernein und theilweise noch jetzt Hess man beim Abmahen des Winterkorns auf jedem Felde einen Haufen stehn, und weihte ihn feierlich dem Wede. Das alteste Zeug-niss fik diesen merkwürdigen Gebrauch enthalt der ausführ-liche Bericht des Rostocker Predigers Nicolaus Gryse aus dem Ende des 16. Jahrhunderts. „„Im Heidendome,quot;quot; erziihlt der-selbe, „„hebben tor tydt der Arne de Meyers dem Affgade Woden umme gudt Korn angeropen, denn wenn de Roggen-arne geendet, heffe man up den lesten Platz eins ydern Vel-des einen kleinen ordt unde Humpel Korns unafgemeyet stan laten, dat sulwe haven an den Aren drevoldigen thosamende geschörtet unde besprenget, alle Meyers syn darumme herge-treden, ere Höde vom Koppe genamen und ere Seyse na dersulven Wode unde geschrenckedem Kornbusche upgerich-tet, unde hebben den Wodendiivel dremal semplick lud averall also angeropen unde gebeden:

Wode,

Hale dinem Rosse nu Voder,

Nu Distel und Dorn,

Thom andren Jhar beter Korn!

Welcker affgodischer gebruck im Pavestdom gebleven, darher denn ock noch an dessen orden, dar Heyden gewanet, by etlycken Ackerlüden solcher avergelovischer gebruck in der anropinge des Woden tor tydt der Arne gespüret wertquot;quot;.

Diese Erzilhlung wird vollkommen bestütigt durch einen gleichzeitigen Bericht über den auf dem Lande herrschenden Aberglauben, wovon leider nur ein Bruchstück im Schweriner Archive enthalten ist. Darin heisst es „„Wan nemblich die Roggen-Ernte geendiget, lassen die Meyer auf dem letzten

(1) Overhlijfselen, 1. 1., p. \'24.

(2) L. L. 1. 1., pp. 307, 308. 3

-ocr page 26-

i

— 22 —

Rumpel roggen stehen. Densulven unafgemeyten Roggen Stücke Ackers ein klein Pliitzlein oder, wie mans nennet,

schurtzen sie oben an den arndten dreyfach zusammen und besprengen ihn mit Wasser. Wan das geschehen, stellen sie sich mit gebloszeten Heuptern in einen beschlossenen Circul oder Kreyss herumb, richten ihre Seicheln auffwerts gegen den geschrenkten Kornbusch, rufen und schreyen uber laut:

Ho Wode, Ho Wode, du goder,

Hale dinem Rosse nu ^oder,

Hale nu Disteln und Dorn, (

Thom andern Jar beter Korn!quot;quot;

Eben dieses Gebraucbes erwilhnt audi der Prapositus Frank zu Sternberg in der Mitte des vorigen Jahrhunderts, wobei er allerdings den Nicolaus Gryse als seinen Gewiihrsmann auführt, aber zugleich versichert, dass er selbst alte Leute gesprochen, welche sich dieser Feldlust aus ihrer Jugend erinnert batten. Auch gibt er den Weihspruch etwas abwei-chend so an:

Wode, Wode,

Hahl dinem Rosse nu Voder,

Nu Distel und Dorn,

Aechter Jahr biiter Korn !

Zu Franck\'s Zeit war also das eigentliche Wodensopfer schon ausser Gebrauch, aber gleichwohl haben sich noch bis auf den heutigen Tag unzweifelhafte Spuren desselben erhaiten.

Noch jetzt niimlich sind die angeführten Verse in den Dör-fern der Umgegend von Rostock bekannt, wenn auch nur in dem Munde der Kinder, und noch jetzt ist es eben dort Sitte,

am Ende des Feldes einen Büschel Korn stehen zu lassen,

wenn man ihn auch nicht mehr in feierlichem Gesange und Tanze dem Gotte weihet.quot;

In Oldenburg laat men een stuk halmen staan, waarom heen gedanst wordt (1); volgens Schaumburgsche zede werd bij deze gelegenheid een rijmpje gezongen, dat aanhief met de woorden :

(1) Guuor, 1. 1., I, p. 126.

1

-ocr page 27-

— 23 —

„Wold, Wold, Wold (1)!quot;

Ook WOdan\'s gemalin Frija werd een haveroffer gebracht. Nog in 1712 verzamelde men zich in Neder-Saksen om de laatste halmen, onder het roepen van: „Fm Gaue, , haltet [uf halet) ju fauer (2)!quot; ïe Kerstlingerode, in het

Gottingsche, laat men den laatsten armvol aren ongemaaid staan „vor Fru Holle (3)quot; ; in den omtrek van het voormalige klooster Diesdorf droeg deze schoof den naam van Ver-godendeelstruss. Sommigen verklaren dit woord als „vergelding voor zwaren arbeidquot;, anderen, met Kuhn (4), als „Fro Goden Deel Struussquot;. In deze laatste schoof schuilen ook de wolf en de bok, dieren, over wier Folkloristische beteekenis boven gesproken is (5).

Te Hagenow (Mecklenburg) liet men vroeger eenige halmen staan „damitquot;, zooals men zeide, „de Waur Futter flir sin Pferd lindequot;. Vergelijken wij nu hiermee het ook in Duitsch-land gebezigde ; „Sankt Martin muss noch ein Ileu flir sein Rüssl tinden (6)quot;. De synonimie springt in het oog, schoon het in deze laatste uitdrukking niet Waur, noch Sinterklaas, maar St. Maarten geldt. Immers, het hooioffer strekt zich buiten het oogstfeest en de Sinterklaasviering uit. ïe Müg-gelsheim (Altmark) gelooven de kinderen, dat Kristus op een ezel komt gereden, en werpen het dier hooi voor de huisdeur (7). Op Silvesternacht steekt men in een dorp bij Stavenhagen eene schoof op buunnans grondgebied; stilzwijgend wordt de schoof weer ingehaald en aan het vee gevoerd. Hierdoor gaat op het vee de zegen van \'s nabuurs vee over (S). In Oostenrijksch Silezië wordt op Kerstavond

(1) Overblijfselen, 1. 1, p. 24

(2) Neem uw voer in ontvangst {of haal uw voer). Zie Meijer, 1. 1., p. 291.

(3) Knappert, 1. 1., p. 173.

(4) L. L., p. VI en pp. 337 vlg.; zie verder over dit gebruik Mann-uardt, 1. 1., pp. 190, 213, 393, 39(5; Gri.m.m, 1. 1., I, p. 209.

(5) Zie p. 12.

(()) Tille, 1. L, p. 23.

(7) Kuhn, 1. 1., pp. 345, 34(5.

(8) Bartsch, 1. 1., II, p. 233.

i

-ocr page 28-

24

het vee met weit en erwten gevoerd (1); ook in Mecklenburg werd dien nacht eertijds Hafcrloscs (losse haver) als veevoeder op tafel gelegd (2). Eindelijk, bij het haver zaaien laten de boeren op den Hesterberg (Sleeswijk) des nachts een zak vol haver staan voor het paard van koning Abel (3).

Nader moge het verband tusschen het Joel- en Oogstfeest nog blijken uit het feit, dat te Pülitz (Mecklenburg) het nabootsen van een schimmel door middel van een bedlaken, een gebruik dat men elders op Silvesteravond aantreft, gedurende den oogsttijd heerschende is (4); dat het everzwijn bij beide feesten eene hoofdrol speelt, men denke aan den z. g. lioy-genbar (5); en eindelijk, dat men op beide tijden bijna algemeen de bekende stroopoppen (of stroovermommingen) ontmoet, die doen denken aan de simulacra de paunis facta (G), en aan het simulacrun quod per campos portant (7), resp. N° 27 en 28 van den Indiculus superstitionum (8).

(1) Man\'\\hardt, 1. 1., p. 232. Over de erwten als symbool der vrucht-baarheid in een volgend hoofdstuk.

(2) Bartsch, 1. 1., II, p. 227.

(3) Meijer, 1. 1., p. 256. Over de verhouding van koning Abel tot de Wilde Jacht in het volgende hoofdstuk.

(4) Bartsch, i. 1., II, p. 306.

(5) Meijer, 1. 1., p. 102; Manniiardt, 1. I., p. 421.

(6) Poppen uit lompen.

(7) Pop, die men door het veld draagt.

(8) Heijne, 1. 1., p. 90.

-ocr page 29-

III.

DE SCHIMMELRIJDER. (O

Sinter Klaas, die goede heer,

Hij komt alle jaren weer,

Met zijn paardje voor den wagen,

Daar komt Sinte Klaas aan jagen.

(Eelcoo Verwijs, 1. 1., p. 74).

Een groote, krachtige figuur te paard, den staf in de hand, den mijter op het hoofd (2), een ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen (3), die aan weerskanten statig langs het paard naar beneden hangt, — zoo stelt zich de kinderwereld den heiligen bisschop van Myra voor.

Een persoon van hooge gestalte, met langen, witten baard, den breedgeranden hoed diep in de oogen gedrukt, de won-derlans Güngnir in de hand, het rijzige lichaam in een wijden, donkeren mantel gehuld, waarin hij zijne beschermelingen door de lucht draagt, en gezeten op zijn trouwen schimmel Sleipnir, — ziedaar het portret van Wódan-Odhin, ons in de hoofdtrekken door Saxo Grammaticus geteekend.

Maar dit geeft u nog geen recht een parallel te trekken tusschen den Germaanschen hoofdgod en den geliefkoosden volksheilige. — Volkomen juist, wanneer deze trekken de eenige gemeenschappelijke waren, en de Wodanstype slechts in Sinterklaas hare uitdrukking vond. Maar wanneer zulke overeenkomst zich in meer dan één opzicht vertoont, en

(1) Bijnaam van Sinterklaas in Tirol en Vorarlberg (Schnell, 1. 1., II, p. 60).

(2) Sinterclaes bisschop,

Settle houghe mutse op!

(Amsterdam.)

(3) Sinterklós Gods (good ?) heilig man.

Trek dinen besten tabberd aan.

(Venloo.)

Sint Niklaes, o heilige man.

Met uw gespikkélden talfaerd aeo.

(Oost-Vlaanderen.)

-ocr page 30-

— 26 —

vooral, wanneer men, behoudens eenige afwijkingen van minder belang, die slechts op lokale verhoudingen berusten, de Wodansvoorstelling in tal van bekende persoonlijkheden buiten den H. Nikolaas, bij name in die des Wilden Jagers, wedervindt ? Wanneer er van den anderen kant heel wat goede wil, laat ik zeggen esprit de systime vereischt wordt, om de volksvoorstelling van den H. Nikolaas zelfs met de overgeleverde legenden van dezen Heilige in overeenstemming te brengen ? Zou het dan ongeoorloofd zijn, naar de zijde der Oud-Germaansche overlevering over te hellen? Ter zake dus.

Gedurende heel het Joeltijdperk met zijn gure, woeste buien en huilende windvlagen reed de Germaansche windgod op zijn Sleipnir door de lucht, door een talloos heer van geesten gevolgd. Deze stoet vormt het Wödansheer of de z. g. „Wilde Jachtquot;, die nog heden bij alle Germaansche stammen in de volksfantasie voortleeft. Zelfs de naam is op verschillende plaatsen, min of meer verbasterd, behouden gebleven. In den Eiiïel heet deze Jacht het Wudes- of Wo-deshecr; in Zwaben het Wutes- of Mutesheer; in den Elzas het Wütenhccr (men vergete niet, dat de naam Wódan van dezelfde Germaansche wortel afkomstig is als het Oud-Iloogduitsche ivtwt, wat „woedequot; en „verstandquot; beteekent); in Zweden het Odens har. Daar zegt men, als het stormt, uitdrukkelijk : „Oden far förbiquot; (1).

De voorrijder, met of zonder stoet, draagt in Beneden-Duitschland den naam van Wode, Jaue, Goi of Joe, in Mecklenburg Waur, in Beieren Wotu, Wtttan, Wnt of Wode (2). In Zwaben worden hem, buiten de algemeene betiteling van Schimmelreiter, dezelfde bijnamen gegeven , waarmee men eertijds Wödan placht aan te duiden: lireithut, Langlmt, Schlapphut. In Oostenrijk is hij in een langen mantel gehuld en draagt een hoed met breeden rand (3). Het zou echter

(1) Odhin vaart voorbij.

(2) Meyer, 1. 1., pp. 236, 237.

(3) Vebn aleken, 1. 1., pp. 25, 2(3, 30, 31, 47.

-ocr page 31-

eene dwaling zijn te raeenen, dat het volk aan WOdan het monopolie, den bewusten schimmel te berijden, zou hebben afgestaan. Over heel Duitschland is de sage van een vervloekten jager verspreid, die wegens het schenden van den Zondag gedoemd werd, door zijne honden gevolgd, door het luchtruim te jagen tot den jongsten dag. Hij draagt den naam Hackelberg (1), uit hackel hurend „mantel dragendquot; verbasterd. Het Limburgsche Folklore kent deze figuur onder de benaming van „Hanske met de hondquot; (2). In Hessen is het de Schnellertsgeist (3). Veelal ook zijn het historische persoon-lijkheden: In den Harz en in de Lausnitz Dietrich von Bern (Theodorik de Groote) ook wel Berndietrich genoemd; in Oostenrijk dezelfde koning onder den naam van Banadiet-rich (4); te Eisleben Eckhart (5); in Engeland koning Artur, in Skandinavië koning Waldemar, in Sleeswjjk koning Abel. Frankrijk heeft de Germaansche voorstelling overgenomen en op Karei den Grooten en Karei V toegepast; volgens een Bourgondisch gedicht uit de XVIIde eeuw rijdt Charlemagne aan de spits van het geestenheer, terwijl Roland het vaandel draagt (6).

Ook andere Heiligen, ja ook Engelen deelen deze eer met den H. Nikolaas. Zoo in de XVde en XVIde eeuw de Aartsengel Gabriël; in Staffordhire noemt men nog heden de Wilde Jacht „Gabriel Houndsquot;, en te Lembeck in Westfalen „de Engelske Jagdquot;, d. i. de Jacht des Engels (7). Zoo ook St. Hubertus, „la chasse St. Hubertquot; (door ontleening); zoo vooral St. Martinus. Hiermee bedoel ik niet de gewone iko-nografische voorstelling van dezen Heilige die, te paard gezeten, zijn mantel in tweeën deelt; maar de volksvoorstelling van Sint Maarten (Limb.: Sintermerte), van Junker Marten,

(1) Küitn, I. 1.. pp. 19, 25. 101, 1X7.

(2) Overblijfselen, 1. L, p. 12.

(3) J. W. Wolf, Hessische Sacjen. Göttingen-Leipzig, 1853. P. 21.

(4) Vernalekek, 1. L, p. 41.

(5) //Der treue Eckhartquot; of //Eckhart rait dera weissen Stabquot;. Grimm, 1. 1., II, pp. 779, 780.

(6) Grimm, 1. 1., II, pp. 779—788.

(7) Manniiardt, 1. 1., p. 251.

-ocr page 32-

— 28 —

volgens welke deze, door zijn knecht begeleid, door het luchtruim raast. De Wilde Jacht op Sint Maartensavond draagt in Duitschland den naam van Martinsgestampf (1).

De opgenoemde persoonlijkheden zijn toch niet allen Mid-deleeuwsche bisschoppen geweest; wel is het aantal der heilige Middeleeuwsche bisschoppen, bij welke geen spoor van paard te bekennen valt, legio. Veeleer was de schimmel van Wödan na de overwinning van het Kristendom in de IXde en Xde eeuw, toen het iverkélijh geloof aan een WOdan was verloren gegaan, eene res derelict a primi occupaniis, nog slechts bereden door eene half goddelijke, half demonische schim, die zich nog hier of daar in het Folklore vertoont (2), maar welke het niet moeielijk viel voor edeler, meer reöele figuren te doen wijken. Op dien schimmel heeft het volk in den loop der tijden aan allen, die het hoog hield, omdat zij eene groote rol in kerkelijke- of staatkundige geschiedenis of sage hadden gespeeld — Heiligen, koningen, legerhoofden en anderen — eene eereplaats gegund ; en zoo heeft Wodan\'s Sleipnir ook „als substratum gediend voor de vereering van Sint Nicolaasquot; (3).

Nog eene opmerking. Niet slechts dat er sprake is van het paard des Heiligen; aan dit paard wordt als het ware een zeliere Icultus gehracht, die slechts dan te verklaren is, wanneer men denkt aan den hoogen rang, dien Sleipnir in de vereering der oude Germanen bekleedde : daar had die ver-

(1) Meyer, 1. 1., pp. 132, 237. Of ook St. Kristoforus ooit als voorrijder der Wilde Jacht heeft dienst gedaan ? Enkele voorstellingen, zooals die , bedoeld door Prof. v. d. Vliet, 7\'iveemaandelijksch Tijdschrift, IV, 2, Nov. 1897, p. 191 Aanra., laten de zaak in alle geval zeer twijfelachtig. En wat het verband tusschen dezen Heilige en Sint Nikolaas betreft, dit kan m. i. bepaald niet worden afgeleid uit het feit, dat Myra\'s bisschop patroon der schippers was. (Zie b. v. Simrock, Rheinsacjen. Bonn, 1850. P. 23; Schnell, 1. 1, pp. 22, 23, 56, 65.) Dit attribuut kan zeer goed zijn ontstaan te danken hebben aan het bekende verhaal der zeevaart, al mag de echtheid van dit en soortgelijke verhalen met recht worden betwijfeld.

(2) Zie p. 20.

(3) Brom, 1. 1., p. 161. Zie over dit onderwerp ook de belangrijke studie van den Bollandist J van den Giieyn, getiteld; Le Personnaye d\'Arlequiriy in zijne Es mis de Mythologie et de Philologie comparée. Bruxel-les—Paris, 1885. Pp. 107—131.

-ocr page 33-

— 29 -

eering ook beteekenis, wijl Wödan met zijn paard, beiden verpersoonlijkingen van den wind, als vereenzelvigd gedacht werden. Beiden werden in één adem genoemd; „Oden und sein Pferdquot;, „Wódan und sein Pferdquot; is nog thans eene in vele Zweedsche en Duitsche sagen, zegenspreuken en gebruiken gangbare uitdrukking. Vergelijk ook de bede, die in het Lubecksche z. g. Schioerttansspiel (stedelijke en landelijke tooneelvertooning) Starkadcr in den mond wordt gelegd; „Heilige Wode, nü lön mi dln pêrdquot; (1)

Vorm en kleur van het bewuste paard hebben hier en daar eenige wijzigingen ondergaan. Oorspronkelijk is het acht-beenig en wit; in het moderne Folklore verschijnt het niet zelden drie- of tweebeenig en zwart (2). In Oostenrijk duikt nog een schimmel met acht pooten op (3).

Het paard is voor den Heilige het onmisbare vervoermiddel op zijn verre tochten. Soms is hij gedwongen, de reis te onderbreken en zijn paard te laten beslaan; de smid wordt rijkelijk beloond (4); aldus ook Wödan en de Wilde Jager (5). Het paard van Sinterklaas laat ook niet zelden een hoefin-druk achter, evenals de schimmel van Karei Quinte, als deze uit den Gudimherg (Wuodenesberg) komt (6). Van een Sin-terklaaslt;ca(/en spreken onze volksrijmpjes, en het Oosten-rijksche Folklore (7); van een wagen bedienen zich ook de Wilde Jager (8), St Thomas en het Kerstkind (9). De W6-danswagen is genoegzaam bekend (10).

Aan verre tochten te paard of in zijn wagen is de H, Bisschop gewend, evenals Wödan, die den bijnaam draagt van

(1) Zeitschr. fiir deutsches Alter turn, XX, p. 13. De Schwerttanzspiele waren van de XVde tot XVlIde eeuw over heel Duitschland verspreid.

(2) Vernaleken, 1. 1., pp. 34, 35, 50.

(3) Vernaleken, 1. 1., p. 83.

(4) Overblijfselen, 1. 1., p. 14.

(5) Vernaleken, 1. 1., p. 46.

(6) Meyer, 1. 1., p. 242.

(7) Vernaleken, 1. 1., p. 286.

(8) Vernaleken, 1. 1., p. 55.

(9) v. Reinsberg-Düringsfeld, 1. 1., pp. 436, 4i3.

(10) Overblijfselen, 1. 1., pp. 18, 19.

-ocr page 34-

— 30 —

vegtamr „aan verre tochten gewendquot;. Sinterklaas komt van verre, en wel van het land van licht en zonneschijn, vanwaar hij appelen, kastanjes enz. medebrengt. Dit rijk schijnt voorheen Engeland, de Insula pomorum (1), geweest te zijn (2); in onze Sinterklaasliedjes is het meestal Spanje, dan ook Condi-:

Drie appelkens van Condi

Breng mijn broerkens ook wat mee.

(West-Vlaanderen).

Om appelkens van Condi

Breng er mij een g\'heel schootjen (schuitjen ?) mee.

(Oost-Vlaanderen) (3).

Te Venloo keert Sinterklaas weer terug naar Picardi\'é:

Gank üt rije,

No \'t lendje van Picardië (4).

Na hetgeen boven over het everzwijn gezegd is (5) zal het niemand verwonderen, dat de Schimmelrijder somwijlen den naam van Ebermann draagt. Dan beschouwt men hem vooral als den „gever van goed gelukquot;, en deelt hij, op een schimmel gezeten, zijne gaven uit. De Schimmelrijder verschijnt in die hoedanigheid onder den vorm van zeer verschillende persoonlijkheden, waarover in het volgende hoofdstuk, en op verschillende dagen. In Silezië is het met St. Maarten, te Kranowitz en Ratibor met St. Nikel (6), te Osnabrück o. a. met Kerstmis en Nieuwjaar : de schimmel heet dan de „Spaan-sche hengstquot; (7). Zoo ook in Mecklenburg (8); te Schorau (Preussen) daarentegen slechts op Kerstavond (9), evenals in

(1) Het Appeleneiland.

(2) Eelco Verwijs, 1. 1., p. 77.

(3) Ons //appeltjes van Oranjequot; is aan het Fransch ontleend. Bij Kiliaen vindt men //aranienappelquot;, vgl. het Itai. arancio uit het Arab -Pers. narandj.

(4) Meyer, 1. 1., p. 256.

(5) Zie p. 12.

(6) Sciinell, 1. 1., I, pp. 65, 66.

(7) v. Reinsberg-Düringsfeld, 1. 1., p. 448.

(8) Bartsch, 1. 1., II, pp. 224, 233, 234.

(9) Schnell, 1. 1., I, p. 50.

-ocr page 35-

— 31 —

Engeland. Zou het volgende nog op een samenhang van Sinterklaas met de Wilde Jacht kunnen wijzen ? „Auf der Schelfe [Mecklenburg] umreitet in der Neujahrsnacht ein Ileiter auf weissem Schimmel dreimal die Kirche. An der stelle derselben stand eine schon vor 1211 erbaute Kapelle des heiligen Nikolausquot;. (Baktsch, 1. 1., I, p. 16).

-ocr page 36-

IV.

VORMVERANDERINGEN.

quot;Wie stout is of boos,

Sint Niklaas hoort alles,

Hij luistert altoos!

Hem kan men niet foppen.

Geloof mij oprecht,

Wat hij niet gezien heeft.

Vertelt hem zijn knecht.

(Uit Scbenkman\'s prentenboek).

Om het in dit hoofdstuk te behandelen Folkloristische materiaal eenigermate te kunnen ontwarren, zullen wij enkele beginselen vooropstellen. De lezer moge dan naderhand zelf oordeelen, of de gevolgtrekking juist was.

Gedurende het tijdperk van vruchtbaarheid treden in het Folklore verschillende persoonlijkheden op den voorgrond; zoo voornamelijk:

I. Van heidenschen oorsprong.

Wodan, windgod, voorrijder der Wilde Jacht, god der vruchtbaarheid.

2quot; Hruodperaht, een bekende huisgeest, kobold of kabouter, die meestal onder den naam van Ruprecht verschijnt. Hij neemt deel aan de Wilde Jacht — gedurende den Joeltijd drijven immers de geesten hun spel — en is, evenals zijn kollega\'s, nu eens vrijgevig en goedig, dan weer boosaardig en streng. Deze figuur ontmoeten wij slechts op Germaan-schen bodem.

Perchta of Bertha (1), eene godin, die in karakter het meest met de godin Holda (2) overeenkomt. Als „die wilde Berthaquot; vaart zij door de lucht, en verleent vrucht-

(1) Zie p. 8.

(2) Zie over deze godin Knappert, 1. 1., pp. 123 vlg.

-ocr page 37-

— 33 —

baarheid aan de akkers (1). Haar heilig was de Perchten-ahend, aan het einde der Twaalf Nachten. In een langen, witten sluier is zij gehuld (2). Nog heden laat men in Tirol eten voor haar staan.

II. Van kristelijken oorsprong.

1° De IL Nikolaas, de vrijgevige kindervriend, de groote bisschop van Myra.

2quot; De II. Mar times, bisschop van Tours, volksheilige.

3quot; Het Kcrstlcind, dat de wereld door Zijne geboorte verblijdt.

4° De II. Driekoningen, die hunne offergaven aan de kribbe des Verlossers nederlegden.

a0 De II. Lucia, Maagd en Martelares.

Nu doet zich niet alleen het verschijnsel voor, dat attribu-buten van heidensche figuren op kristelijke zijn overgegaan, maar ook, dat kristelijke dragers derzelfde attributen, volgens plaatselijke omstandigheden, wezenlijk van elkaar verschillen ; en eindelijk, dat men, door onderlinge ontleening van verschillende Folkloristische centra, personen, namen en attributen op de meest grillige wijze heeft gekombineerd.

1° Sint Maarten verschijnt in het Liraburgsche Folklore, te paard door de lucht rijdend, begeleid door zijn knecht. Als Wilde Jager heet hij Junker Marten (3). In Zwa-ben noemt men hem Pelzmdrte, vroeger in Beieren I\'elz-martle. Deze samenstellingen met Pelt- zijn niet zeldzaam ; ik vermoed, dat zij hun oorsprong te danken hebben aan eene vermomming door middel van vellen van een den god der vruchtbaarheid heilig dier: eene vermomming van dien aard treft men aan in den Joelbok. —

Ook Sint Maarten ontvangt hooi voor zijn paard (4). In

(1) Mogk, 1. 1., pp. 1107, 1108.

(2) Van haar en Holda stammen onze /Witte Juffersquot;. Somtijds vertoont zij zich echter, onder den vorm van Berchtel, in zwarte lompen gehuld en met een roetgeziclu. Vgl. v. Reinsberg Düringskeld, 1. 1., p. 483.

(3) Zie p. 27.

(4) Zie p. 129. Dat de indruk van zijn voet in een steen zon zijn blijven staan, evenals die van den hoef van het Wodanros, zooals

-ocr page 38-

— 34 —

gezelschap van St. Nikolaas begeleidde hij eertijds het Kerstkind op Kerstavond, zooals blijkt uit een edikt van Gustaaf Adolf van 25 Nov. 1682 (1). In het Freudenthal (Oostenr. Silezië) brengt hij op een schimmel gezeten allerlei geschenken aan grooten en kleinen (2). In de Rijnprovincie, IJperen en het kanton Aalst speelt hij de rol van Sinterklaas (3).

2° Sint Nikolaas is in Nederland meestal bekend onder den vorm van een eerbiedwaardig bisschop. In Oost-Fries-land treedt hij op, niet als bisschop gekleed, maar als een grijsaard met witten baard en in een pelsmantel gehuld (4). Te Quedlinburg waarschuwt men de kinderen voor den Nikelmann; ieder jaar haalt deze zich een offer (5). Dergelijke sombere eigenschappen dankt de Heilige óf aan Ruprecht, in diens hoedanigheid van boosaardigen huisgeest , óf aan het feit, dat Wudan vaak met den duivel op ééne lijn werd gesteld (6). Duidelijk blijken althans zijne elfische attributen uit eene legende van het kanton Wallis, volgens welke hij — evenals de berggeesten — uit de rotsspelonken te voorschijn komt (7). In Beieren en ia de Rijnpalts noemt men hem Pelsnilcel (ook wel NiJeel of St. Nikel). In Tirol heet de vooravond van Sinterklaas Klauhautag (8)

3° In Duitschland rijdt het Kerstkind rond op een schimmel (9), evenals Father Christmas in Engeland, die daar ook een bosje hooi en een wortel vindt voor zijn paard (10). In het graafschap Itupin verschijnt een naamlooze ruiter op

Meyer, 1. 1., p. 257 beweert, berust op eene dwaling. Wolf toch spreekt t. a. p. (Niederlandische Sagen. Leipzig-, 1843. P. 435) uitdrukkelijk van /Martin, ein Sohn des Grafen von Namur, der siebente Bischof von Tongernquot;.

fl) Bartscit, 1. 1., II, p. 222.

(2) Zie p. 11.

(3) Zie p. 14.

(4) Brom, 1. 1., p. 155.

(5) Scunell, 1. 1., I, p. 29.

((5) Zie p. 3.

(7) Scunell, 1. 1., I, p. 73.

(8) Klauhauftag. Klauhauf is de naam van den kobold.

(9) Meyer, 1. 1., p. 257.

(10) Pol de Mont, Dietsche Warande, X, 1, 1897. P. 30.

-ocr page 39-

een schimmel, terwijl eene in het wit gekleede figuur een grooten zak draagt, en de Christmann of Christpuppe heet (1).

4° Buiten zijn eigen attributen ook nog met die van Sinterklaas of van het Kerstkind voorzien, treedt Hmodparaht op, óf zelfstandig, óf aan één van beiden dienstbaar. In ons land heet hij Pieterman, in de Rijnprovincie Hans Muff, in den Elzas Hans Trapp, anders elders. De benaming Jin-precM heeft als wisselvorm Bupd (2); ook de Wilde Jager heet Euprecht (3). Op den Hutherg bij Herrnhut huiaen twee Wilde Jagers: Ulrich Rupreckt en Bemhanl Dietrich (4). Het uiterlijk dezer persoonlijkheid is min of meer gedrochtelijk : verschijnt Ruprecht als kwaad aardige elf, dan is hij trouw gewapend met zak en roedachtig dan is zijn gezicht zwart van het roet. Ook de zak op zijn rug is een roetzak : Schmutzhartel iieet hy om zijn roetachtig uitzicht. Ook de Pcrch-teln d. i. vermomde gestalten, die op Perchtenahend (5) rond-loopen, de 1\'fmgstlümtnel in het Ansbachsche, de pijpers in het gevolg van den Pingstkoning, treden op met een roetig gezicht (6). Dit zwart maken, zegt Mannhardt, is „keines-wegs bedeutungslos und zwar scheint sis [die Schwarzung] mir in roher AVeise ausdrücken zu wollen, dass der darge-stellte Diimon (7) ein nicht sichtbares, iiir menschliche Augen dunkles unheimliches Wesen, ein Schatten, ein Gespenst seiquot; (8).

In Noord-Duitschland verschijnt op Kerstavond eene baardige, in pels en erwtenstroo gehulde figuur, die appelen , noten, enz. onder de jeugd ronddeelt. Deze heet in de Middel-Mark der hele Christ, Ruprecht of Hans Ruprecht; in

(1) Kuun, 1. 1,, p 340.

(2) Giiimm, 1. 1., I, p. 417.

(3) Meyer, 1. L, p. 237.

(4) Meter, 1. 1., p. 242.

(5) Zie p. 33.

(6) Masmiardt, 1. 1., pp. 1(52, 314, 321, 31)5, 34H.

(7) Als het Grieksche oaiuuov, half goddelijk, half raenschelijk wezen, op te vatten.

(8) L. h. p. 322.

-ocr page 40-

— 36 —

Mecklenburg der ru Clas of EuJclas in de Oud-Mark, Bruns-wijk, Hannover en Oost-Friesland Clas, Clas Bur, of Bidler Clas. Ia Beieren kent men een goeden en kwaden Klas (1). In de Oud-Mark trekt eenige dagen vóór Kerstmis de afschuwelijke gedaante van Klas Bar met de lieflijke figuur van het Kerstkind rond, ondervraagt de kinderen, laat ze bidden, en geeft hun naar verdienste loon of straf (2). In Mecklenburg heet Rug-klas „des heiligen Christ Vorpostenquot;; hij rijdt op een schimmel en is met aschzak en roede voorzien (3). Te Lucern rammelt hij met kettingen en draagt den naam van Schmntzli (4). In een pelsmantel gehuld, het gezicht met roet bedekt, treedt hij in Luxemburg op onder den naam van Huoseclcer (5), in Tirol onder dien van de Wawwe (6). Omstreeks het jaar 1850 verscheen deze figuur in talrijke plaatsen rondom Bamberg als Hel-Niclas, in erwtenstroo gehuld en rammelend met hare ketens (7). Nog draagt zij in Hohenzollern de namen: Sparmundi, Belzebub, Felznikel, Butzemann (8). Dit Butzemann, waarmee men ons „boeze-manquot; of «boemanquot; kan vergelijken, is eene benaming van den huisgeest (9). Félzoppel heet hij in Hessen-Nassau. in Beneden-Oostenrijk wordt de taak van knecht waargenomen door eene vrouw, Berchtel, Buzehergt of Eiserne Bertha genaamd ; Berchtel en — heryt staan blijkbaar in betrekking tot den naam Ferchta, evenals — bartel. In Oberhausen zei men eertijds; „Heut kommt der Klas,morgen de Buzeberchtquot; (10). In het Bohemerwoud verschijnt den 12den December \'s avonds de H. Lucia, die aan de brave kinderen ooft uitdeelt, maar

(1) SCHNELL, 1. 1., I, p. 22.

(2) Kuhn, 1. 1, p. 345.

(3) Zou tot deze verschijning wellicht Klas Rugehart in betrekking staan, die in het Lubecksclie Schwerttanzspiel voorkomt ? Zie Zeitschr. far deutsches Alter tam. XX, p. 10.

(4) Sciinbll, 1. 1., I, p. 73.

(5) SCHNELL, 1. 1., V, p. 59.

(6) Vernaleken, 1. 1., p. 62.

(7) Tille, 1. 1., p. 49.

(8) SCHNELL, 1. 1 , I, p. 21.

(9) Mogk, 1. 1., p. 1034. Vergelijk ook den naam KlauhauJ, boven p. 140.

(10) v. Reinsberg-Düringsfeld, 1. 1., p. 433.

-ocr page 41-

— 37 —

de ondeugende dreigt, hun den buik open te rijten. Gewoonlijk vertoont zij zich onder den vorm eener geit, waarover een badlaken hangt, en is zij door een soort Nilcolo begeleid. „Da der Name der heiligen Luciaquot;, zegt v. Reins-berg-Düringsfeld (1), „welcher aus lux, Licht, entstanden sein soil, dem der heidnischen Perchta, Lichte, entspricht. so ist es natürlich, dass die Heilige im Volksglauben viele ZUge der alten Göttin angenommen hat.quot; Ook door Wode wordt niet zelden tie rol van Ruprecht gespeeld, zoo te Mecklenburg (2); in de Thuringsche kerstsage van de 17de eeuw doet dit „der treue Eckhartquot; (3). Ook wordt Ruprecht veelal door den Julbuh of Julhock vervangen, d. i., een knecht in boks-gedaante ; te Leipzig noemt men soortgelijke gestalte Klap-perhock (4). In erwtenstroo gewikkeld gaat hij de laatste dagen vóór Kerstmis rond. Over den bok als symbool der vruchtbaarheid is reeds gesproken; over den ever insgelijks (ó), zoodat het ons niet moeilijk zal vallen den omgang met den beer of tammen ever, meestal in erwtenstroo gehuld (Erbsenbar), die gedurende het Joeltijdperk plaats heeft, te verklaren. Dit gebruik is bijna over heel Duitschland en Tirol verspreid; hieraan dankt de uitdrukking; „ Jemand einen Baren aufbindenquot; haar ontstaan. De beer wordt door Klas of Ruprecht geleid. Te Breslau is Nicolo vergezeld van Bartel, tot wien de kinderen roepen:

Bartel, Bartel, wilder Bar,

Leg mir ein, was i beger, enz. (6)

Bartel wordt ook Strohbartd genoemd ; hier en daar draagt Ruprecht het epitheton Strohbart (7), als hij zich nl. in stroo gewikkeld vertoont.

(1) L. L. p. 434.

(2) Grimm, 1. 1., 11, pp. 781, 782.

(3) Tille, 1. 1., p. 29. Vgl. boven p. 133.

(4) Scunell, 1. 1., 1, p. G2.

(5) Ib. De ever speelt ook eene voorname rol in de Wilde Jacht. Zie Meyer, 1. 1., p. 244.

(6) Schnell, 1. 1., I, p. (53.

(7) Grimm, 1. 1., Ill, p. 149. 4

-ocr page 42-

— 38 —

De beteekenis van het stroo moet hierin gezocht worden, dat het erwtenamp;ixoo is. Onder de vruchten is vooral de erwt vruchtbaarheidssymbool (1). Om veel ooft te krijgen worden gedurende het tijdperk der Twaalf Nachten de ooftboomea met erwtenstroo omwonden; gedurende dit tijdperk mogen geen erwten gegeten worden (2); op Silvesteravond worden de hoenders met erwten gevoerd: zooveel erwten eene kip eet, zooveel eieren zal ze \'t volgend jaar leggen (3). In het Bohemerwoud werpt het Kerstkind een handvol erwten door de kamerdeur (4); gedurende de z. g. Knöpflinsnüchte (de Donderdagnachten vóór Kerstmis) trekken in Zuid-Duitsch-land volwassenen en kinderen van huis tot huis en werpen erwten tegen der vensterruiten (5). Aldus zal het mogelijk zijn eene vreemde bijzonderheid te verklaren in het bericht van Eelcoo Verwijs; „In Zug in Zwitserland werd de Kinderbisschop eerst in 1797 op hooger bevel afgeschaft. Telkens verscheen den Gden December een scholier als bisschop gekleed, voorafgegaan door een bisschop met zijn staf, en gevolgd door een nar, die insgelgks met een staf was gewapend, waaraan eene hlaas met erwten (G) was bevestigd^ (7).

Of zouden ook de erwten soms eene specifiek kristelijke beteekenis hebben ?

(1) Meyer, 1. 1., p. 103.

(2) v. Reinsberg-Düringsfeld, 1. L, p. 464.

(3) Bautsch, 1. 1., II, p. 233.

(4) v. Reinsberg-Düringsfeld, 1. 1., p. 453.

(5) v. Reinsberg-Düringsfeld, 1. 1., pp. 424, 425.

(6) Wij kursiveeren.

(7) L. L , p. 29.

-ocr page 43-

V.

BEL EN ROEDE.

St. Niklasawen,

denn geit wi na baben,

denn hlingelt de Iclolcken,

denn danzen de poppen.

(Mannhardt, 1. 1., p. 327 Aanm. 2).

Zoo zingt men te Friedrichstadt a/d Eider. De komst van Sinterklaas wordt door belgeklingel aangekondigd. Knapen doen dit reeds eene week te voren in het kanton Bern (1); in Hohenzollern trekken op den vooravond van het feest mannen en vrouwen, z. g. Niclause, onder ketting- en belgerinkel door de straten (2); in het kanton Unterwalden gaat eenige dagen te voren een als hanstworst gekleed man Sa-michlausen-Geiggel genaamd, met bellen van huis tot huis (3).

Dat de bel den Heilige ook in ons land niet vreemd is, blijk uit het volgende rijmpje:

Sint Niclaes Bisschop, goed heylich man,

Wil je wat iu mijn schoentje geven. God loont u dan,

Geett\'temen een beurs met hellen (4),

Soo sal ickje niet meer quellen,

So langhe als het God geliefft,

Heb ik Sinte Niclaesje liett\' (5).

Maar in den Dantziger Werder is de bel een attribuut van den Zaligmaker ; daart hoort men :

Heilige Krist du gode mann,

trek dln besten tabbert an (6),

komra veer onse deer,

klinger ons uat veer (7).

(1) SCIINELL, 1. 1., I, p. 95.

(2) SciINBLL, 1. L, 1, p. 22.

(3) Sciinell, 1. 1., 1, p. 73.

(4) Wij kursiveeren.

(5) Eelcoo Verwijs, 1. 1., p. 73.

(6) Volgens J. A. Leydis stelt de tabberd het pallium voor !

(7) Mannuardt, 1. 1., p. 327 Aanm. 2.

-ocr page 44-

Vandaar dat het Kerstkind ook de benaming van Klinggeest (1) en Klingjes (2) draagt. Ook in den Elzas en in het Bohe-merwoud kondigt het Kerstkind Zijne komst door het luiden eener zilveren klok aan (3). Maar het is toch vooral de in pels en erwtenstroo gehuldigde gedaante, waarvan op blz. 142 sprake was — Ruprecht, Glas of anders geheeten — die met bellen en ketenen behangen optreedt. Te St. Vith (Rijnprovincie) is Hans Mutf van bellen voorzien (4); in Meckenburg heet de Schimmelrijder Klingh las (5); klokjes en belletjes draagt ook Aschenlclas (6). In het Noorden treden de Joelbokken met schelletjes op (7).

Mijns inziens is de bel evenals het roetgezicht den huisgeest eigen; niet van Wódan maar van den kant der elfen gewerd Sinterklaas dit attribuut; Wódan is trouwens de El-fenkönig of Ellenkönig (8). Een I\'ück (kobold), zoo verhaalt Ern. Joach. Westphal (9), diende dertig volle jaren b(j de monniken van een klooster in Mecklenburg, in keuken, stal en elders. Tot loon bedong hij: tunicam de diversis colorihus et tintinnahulis plenam (10). In Schotland huisde eertijds een kobold, die den naam van Shellycoat droeg; ook de dwergen der Middeleeuwen hielden veel van bellen; de bellen aan het pak van den hofnar pleiten voor zijn verwantschap met den lustigen huisgeest (11).

Ook de op verschillende tgden en onder verschillende benamingen zich voordoende vertegenwoordiger van den woudgeest — Grüner Georg, Pfingstl, Pfigstbutz, enz. — vertoont een roetgezicht en rinkelt met eene koeschei (12).

(1) Mannuakdt, 1. 1., p. 32(5.

(2) Bartsch, 1. 1., II, p. 224.

(3) v. Reinsberg-Düiiingsfeli), 1. I., pp. 453.

(4) ScilNELL, 1. 1., I, p. 61.

(5) Bartsch, 1. 1., II, p. 324.

(6) v. Reinsberg-Düringsfeld, 1. 1., p. 448.

(7) Meyer, 1. 1., p. 218.

(8) VAN DEN GhEYN, 1. 1 , p. 115 vlg.

(9) Bij Grimm, 1. 1., I, pp. 423, 424.

(10) Êen veelkleurig kleed vol bellen.

(11) Grimm, 1. 1., 1, pp. 385, 424; III, p. 148. (\\2) Mannharpt, 1. 1., p. (508.

-ocr page 45-

Gedurende de Rauchndchte loopen de Perchteln met lioc-schellen en lange zweepen rond; op Kerstavond loopen op vele plaatsen van Duitschland knapen met riemen vol koe-schellen door het dorp; op Donderdag vóór Vastenavond bestaat plaatselijk de vermomming hoofdzakelijk uit een bed-laken, eene hanenveder, en een riem met paardenschellen (1). De bel schynt dus tevens met de vruchtbaarheid in verband te staan, wat verder nog o. a. hieruit blijkt, dat in het Bene-den-Inndal de jongelieden bij het begin der lente „das Gras ausliiutenquot;, d. i. met bellen het veld doorkruisen, om den groei van het gras te bevorderen; en in de Vingstau den 22sten Februari de jeugd, met groote bellen en koeklokken omhangen, van huis tot huis gaat: dit noemt men „den Langas (lente) weckenquot; (2).

Uit dusdanige feiten trekt Mannhardt het besluit (3), „dass Glocke und Schelle zur ursprünglichen Darstellung des Wachs-tumsgeistes gehörten und eine notwendige Seite seines Wesens andeutea sollten\'. Kon de huisgeest als gerst zich anderszins kenbaar maken, zoo b. v. door te suisen, te sissen, te fluiten, te rammelen met ketens, of door het homerische tvXe\'.v — de taal der geesten in het algemeen — bel en klok zijn hem wel als daemon der vruchtbaarheid eigen.

Ein Schatten schleichet um das Haus,

Und horch, welch Kettengeklirre !

Fürwahr das ist Sanct Nicolaus, Das Ruthen-Miinnlein von Myra.

(SCUNELL, 1, 1,, I, p. lü).

Een enkel woord ook over de roede of gard. Sinterklaas, St. Maarten, Ruprecht en diens varianten, alle die persoonlijkheden , welke geschenken uitdeelen , zijn ook gewapend

(1) Mannhardt, 1. 1., pp. 542, 543.

(2) Mannhardt, 1. 1., p. 540.

(3) L. L., p. 327.

-ocr page 46-

— 42 —

met het bewuste tuchtmiddel, waarvoor men de kinderwereld zulk een heilzaam ontzag weet in te boezemen. Gewoonlijk is dezer roede van berkenhout; in Tirol vindt men de hazelaarsgard, met welke de Butzemann, behoorlijk in erwtenstroo gewikkeld, alwie hy op zijn weg ontmoet onmeedoogend kastijdt (1). In Zwitserland draagt de H. Nikolaas plaatselijk een opgesmukt boompje, in Hamburg voorheen een groene twijg (2). Hiermee komt de z. g. Martinsgerte overeen, die de Beiersche herder den lOden November zijn meester ter hand stelt; achter krib of staldeur gestoken schut zij gedurende den winter het vee tegen alle onheil, en in de lente drijft men er de koeien mee naar de weide. Hierbij bedient men zich in Etzendorf (Beieren) van de volgende spreuk :

Kommt der heilig St. Marten (Mirte)

Mit seiner Gerten ;

Soviel Kranewitbeeren,

Soviel Ochsen und Stiere.

Soviel Zweige, soviel Fudcr Hen!

Steekt sie hinter den Kühbarn,

So wird auf\'s Jahr keine Kuh verloren, Und steekt sie hinter die Stalllür,

Treibt sie auf\'s Jahr mit Freuden herfür.

En in Beneden-Oostenrijk:

Kommt der Sanct Mirt mit seiner Ruten;

Soviel als die Rute Zweige hat,

Soviel soil audi der Bauer Vieli halen.

Nehmt ihr die Ruten in eure Hand,

Steekt ihr \'s wol auf ober der Wand, Wol hinter das Dach,

Am Sankt Gregoriustag Treibt das arme Vieh aus,

Dureh alle Engeln aus (3).

Blijkbaar staat deze twijg met de vruchtbaarheid in verband, en is haar elke verhouding tot eene tuchtroede vreemd.

(1) Mannhardt, 1. 1., p. 269.

(2) Tille, 1. 1., pp. 130, 131.

lt;3) Mannuardt, 1. 1., pp. 273, 274; vgl. Meyer, 1. 1., p. 254.

-ocr page 47-

Hetzelfde kan gezegd worden van de zweepen der Perch-teln (1) en der boerenknapen, die te Mahren (Oostenrijk) op den vooravond van Sinterklaas door de velden trekken (2). Zou dus de meening van ïille (3) het ware treffen, volgens welke de levens- en vruehtbaarheidsroede van Sinterklaas door het Protestantisme tot ware slagroede, tot strafinstrument, tot plak hervormd is ? Dan waren de bordjes verhangen, en zou men den juisten toestand nog b. v. in de Orlagau aantreffen, waar de kinderen op den derden Kerstdag hunne ouders en peetooms met rozemarijnstengels slaan, terwijl ze roepen : Frischcs Grün! Langes Lehen I Ihr sollt mir \'n blanken Taler (Nüsse u.

s. w.) geben (4).

De feestdag der Onnoozele Kinderen heet in Zwaben Pfef-fciiag, wijl dan de kinderen met roeden of groene twijgen door de straten trekken, de voorbijgangers slagen toedienen en de huizen binnendringen, om appelen, noten en peperkoek te eischen. Bij Lichtefels (Beieren) slaan de jongens de meisjes met rozemarynstengels, al zeggen i

Da komme ich her getreten mit meiner frischen Gerten,

mit meinem frischen Mut.

Schmeckt der Pfeffertag gut? (5)

(1) Zie p. 41,

(2) Veunaleken, 1. 1., pp. 285, 286.

(3) L. L., p. 195 et passim.

(4) Mannhardt, 1. 1., p. 265; Tille, 1. 1, p. 196. Mannhardt vooral heeft over dit onderwerp in zijn Baumkultus onder den titel van : yDer Schlag rait der Lebensrutequot; eene meesterlijk gedachte en keurig uitgewerkte verhandeling geleverd. Dat de daar besproken gebruiken met de gard van Sinterklaas zouden samenhangen is eene zuivere hypothese, en we geven ze dan ook slechts als zoodanig Men vergelijke nog een feest-gebruik der Lupercalia, te Rome den loden Februari gevierd. Naar den schijn te oordeelen was het slaan met riemen, dat de Luperci zich tegenover de Romeinsche vrouwen veroorloofden, eene tuchtiging; en toch stond dit gebruik veeleer met de vruchtbaarheid in verband (Jordan-Preller, 1. 1., p. 390), zoodat de vrouwen den Lupercis zelfs den weg versperden, om zich in de vlakke hand te doen treffen. Vgl. Juv. Sat. II, v. 14 :

Nee prodest agili palmas prccbere luperco.

En het baat niet den vluggen Lupercus de vlakke hand te bieden.

(5) v. Reinsberg-Düringsfeld, 1. 1., p. 467.

-ocr page 48-

Wat hiervan zijn moge, het blijft onze innigste wensch, dat de afstraffing, door Dr. Brom aan Joës a Leydis met de roede van Sinterklaas toegediend, een „slag met de levensroedequot; moge geweest zyn !

En nu de gevolgtrekking: dat de oorsprong van het Sinterklaasfeest uitsluitend in het heidendom te zoeken is? Geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt. Trouwens, noch Dr. Brom, noch andere „mannen van naam en groote kennisquot;, die men „helaas ook in ons eigen vaderlandquot; dezelfde meening vindt toegedaan, hebben ooit iets dergelijks beweerd. Dit echter meen ik uit het bijgebrachte materiaal te mogen besluiten :

De zuiver wetenschappelijke, IN CASU Folkloristische stelling\', dat sommige volksvoorstellingen en volksgebruiken, die heden ten dage met de Feestviering van den H. Nikolaas in verband staan, door het volk van heidenschen op kristelijken bodem zijn overgebracht, kan door eene menigte van feiten worden gestaafd.

Niet dat ik deze meening aan iemand zou willen opdringen, aan een Joës a Leydis het allerminst ; maar men ver-kettere dan ook niet hen, die haar mochten zijn toegedaan, men betitele hen niet als napraters van Renan en Faustus den Manicheër ! De eer der Kerk zal evenzeer gehandhaafd blijven , ook al mochten knecht en paard en gard den Heiligen Nikolaas definitief worden ontzegd! En wat de grootheid van Myra\'s bisschop betreft — op zuiver historische gronden niet genoegzaam gewaarborgd, straalt zij ons schitterend tegen van de hooge eereplaats af, die de verheven kindervriend in het Folklore inneemt. Zijne attributen mogen van kristelijken of van heidenschen oorsprong zijn, dit ééne staat vast: de II. Nikolaas zou de groote rol, die hij in de volksvereering

-ocr page 49-

— 45 —

speelt, niet hebben verworven, zou het aureool van populariteit niet om zijne slapen gevlochten hebben, ware hij niet werkelijk groot geweest in de oogen van het kristelijke volk.

Blijven aldus de eer van Gods Kerk, de grootheid Zijns lieven Heiligen ongerept, zou het dan niet verkieslijker zijn, in vrije geschillen als dit den moker te laten rusten, opdat het vertrouwen in den kampioen niet geschokt worde, wanneer ter verdediging van \'s Heeren ivare glorie, ter bestrijding van wezenlijke dwaalbegrippen het slagzwaard dient te worden opgevat ?

-ocr page 50-

INHOUD.

Pagina.

Voorrede ......... 3

I. Het Vrucht baarhei dstj.tdperk .... 7

II. Schoorsteen en Schoen.....17

III. De Schimmelrijder ...... 25

IV. Vormveranderingen ...... 32

V. Bei, en Roede.......39

Besluit ........ 44

-ocr page 51-

.

-ocr page 52-

..■v.:,

-ocr page 53-
-ocr page 54-
-ocr page 55-
-ocr page 56-

Kast I\'i.B