VAN
JOHN WATSON
{IAN MACLAREN)
Schrijver van: Harten van goud, enz. y
UIT HET ENGEJÜSCH
DOOR
Dr. C. D. SAX Jr.,
Predikant te Boskoop.
LEIDEN,
S. C. VAN DOESBÜRGH. 1897.
ELSZORG EN HERDERLIJK AMBT.
LKIDKN : STOOMBOKKUEVKKKKIJ VAN L. VAM NIÏTKBIK HU.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
0740 2468
|
JOHN WATSON (IAN MACLAKEN) Schrijver van; Harten van youd, enz. UIT HET ENGELSOH Dr. C. D. SAX Jr., Predikant te Boskoop. LEIDEN, S. C. VAN DOBSBUKGH. 1897. |
Z 7 ¥. / ƒ, V |
If
M
i
INHOUD.
Biz.
Voorrede van den Vertaler..........vn
Voorrede van den Schrijver..........xi
Hoofdstuk 1.
De wording van een preek........... 1
Hoofdstuk II.
De techniek van een preek..........24
Hoofdstuk Hl.
Problemen, die zich bij \'t preeken voordoen .... 43
Hoofdstuk IV.
^ Theologie, de theorie der religie........60
Hoofdstuk V.
Het nieuwe dogma . ;...........85
\'tij
VI
Hoofdstuk VI.
Bil.
Bestuur en inrichting van een gemeente......105
Hoofdstuk VII. quot;
Het werk van een pastor...........13G
Hoofdstuk VIII.
De openbare eeredienst............102
Hoofdstuk IX.
Des leeraars zorg voor zichzelf.........182
4-
\'1 t
VOORREDE VAN DEN VERTALER.
De beminnelijke schrijver van dit boek!), dat een serie in Amerika gehouden lezingen over practische theologie bevat, is in ons land geen onbekende.
Onder het pseudoniem „lan Maolarenquot; schreef hij novellen (waarvan enkele door den heer W. vau Nes in onze taal zijn overgebracht), die, nu eens diep aandoenlijk, dan weer innig vermakelijk, tintelen van echten humor. In geest en vernuft herinneren zij aan den eenigen schrijver van „het Leesgezelschap van Diepenbeekquot;, in menschenkennis en gezond realisme aan onzen Van Koetsveld, in gemoedelijkheid en dialectisch spraakgebruik aan onzen Ckemer.
Wie meer over deze, aan het Schotsche landleven ontleende, verhalen wenscht te weten, leze het belangrijk artikel „Novellist en Predikerquot;, dat de heer L. C. Schuller tot Peuhsüm daarover schreef in de Novemberafl. van het tijdschrift „Stemmen voor Waarheid en Vredequot;, jg. 189G.
1) De Engelsche titel luidt; The Cure of Souls, Yale Lectures on practical Theology. 1896. London, Hodder and Stoughton.
vni
John Watson, magister artium en theol. dr., is predikant der Independenten te Liverpool en een vrijzinnig man. Hij is daarom niet wat men ten onzent „modernquot; noemt, eerder zou men hem tot de Evangelisohen of de linterzijde der Ethisoh-orthodoxen kunnen rekenen. De resultaten van het historisch-kritisch bijbelonderzoek aanvaardt hij, ja zelfs wensoht hij de kennis daarvan op ruime schaal te verbreiden, door in de gemeenten, onder praesidium der predikanten, de oprichting van „ Bible-Quildsquot; te bevorderen en door daartoe aangestelde geleerden lezingen in de hoofdplaatsen des lands te doen houden.
Deze vrijzinnigheid, vooral blijkbaar uit zijn werk „The Mind of the Masterquot; berokkende hem een aanklacht bij de Synode, te Sunderland vergaderd, welke werd uitgenoodigd een onderzoek naar zijn zuiverheid in het geloof in te stellen. De Synode heeft echter geweigerd op deze aanklacht in te gaan; in de Vrije Presbyteriaansche Kerk neemt de vrijzinnige beweging meer en meer toe en is de Confessie van Westminster als formulier van eenigheid zoo al niet officieel, dan toch feitelijk afgeschaft
Dit neemt niet weg, dat bij Watson, gelijk bij de meesten zijner landgenooten, de supranaturalistische zuurdeesem nog lang nawerkt en hij uitdrukkingen bezigt, die ons niet wel vereenigbaar schijnen met zijn kritisch standpunt. Door dat wonderlijk accommodatie-vermogen, onderscheiden zich in Engeland niet alleen de moderne predikanten der Episcopale Kerk, met hare Katholieke gebruiken en ceremoniën, maar ook de
1) Zie Le Hervorming van 22 Mei 1897. In de laatste afl.van Mc. Clure\'s Magazine komt een korte levensschets van Watson van de hand van Rev. D. M. Ross.
IX
voorgangers van andere, meer vrijzinnige kerkgenootschappen.
Bij de lezing van dit werk houde men dit wel in het oog. Hoe hij bij het zoo verbrokkelde Protestantisme steeds kan spreken van „the Churchquot; — niet in den zin van onzichtbare, maar van zichtbare kerk — is niet duidelijk. Uitdrukkingen als „holy Biblequot;, „the holy Vessels of Sacramentquot; schijnen nu eenmaal tot het Engelsch spraakgebruik te behooren, maar als Watson aandringt op een stichtelijken en schoonen eeredienst, tot versterking van ons godsdienstig leven? noen, tot bevestiging van het feit, dat Jezus volgens de Schriften op den derden dag uit de dooden opstond, — dan zien wij vreemd op. Even bevreemdend is, wat hij in het begin van hoofdstuk IX over de auteurs der vier evangeliön zegt, al is het, in verband met zijn onderwerp, geestig gevonden.
Over \'t algemeen ontvangt men den indruk, dat Engeland, wat den strijd tusschen oud en nieuw betreft, bij ons land ten achteren is. Veel treffen wij in W.\'s boek aan, dat bij ons 30 a 40 jaar geleden reeds van de daken gepredikt werd. Zoo, als hij o. a. bij de behandeling der dogmen aandringt op onderscheiding tusschen hun tijdelijken vorm en hun eeuwigen inhoud; als hij (zeer practische en voortreffelijke) wenken geeft aan een modern predikant, die in een orthodoxe gemeente moet arbeiden, hetgeen in ons land, waar de partijen zich hebben vastgezet en iedere gemeente weet, wat zij van haar voorganger te wachten heeft, niet licht gebeuren zal. Van dien aard zou er meer te noemen zijn, maar ondanks al het genoemde heeft W.\'s boek groote waarde ook voor Hollandsche predikanten en gemeenteleden. Het vloeit over van treffende menschkundige opmerkingen en zelfs daar, waar men het met den schrijver niet eens is, moet men
HOOFDSTUK I.
De wording Tan een preek.
Het behoort tot de plichten van den Evangeliedienaar getrouw huisbezoek te doen; geen moeite te ontzien om den eeredienst schoon en stichtelijk te maken; alles in \'t werk te stellen om het godsdienstonderwijs der jeugd aan zijn doel te doen beantwoorden; zijn gemeenteleden op te wekken tot al het goede, wat hun hand vindt om te doen: maar wol hem als hij nooit vergeet dat de meest belangrijke en invloedrijke gebeurtenis in de kerkelijke week de preek is. Het getuigenis der historie laat te dezen opzichte geen twijfel over. Als de evangelieprediking gestaakt werd of in minachting geraakte, werd de Kerk zwak en bedorven. Als de evangelieprediking haar alouden invloed herwon, ontwaakte de Kerk en toog haar „sehoone gewadenquot; weer aan. Geen macht heeft bij menschen-
1
2
heugenis zulke wonderen gewrocht als het gesproken woord: het heeft het ongeloof vermorzeld, gerechtigheid geleerd, vrijheid gegeven aan de verdrukten, natiën in het aanzijn geroepen. Voor Kxox, gewapend met dit zwaard Gods, vloden de vijanden, ja hij regeerde op den kansel van St. Giles als een koning op zijn troon: en werd niet, zoo men tot de kern der dingen doordringt, de Amerikaansche natie gegrond op het moedige, krachtige woord ? Het is de profeet, die het volk deed ontwaken uit een onedelen slaap, zijn verbeelding deed gloeien voor verheven idealen, het voor geen offers, hoe zwaar ook, deed terugdeinzen, het leidde tot de overwinning. Het is bovenal de profeet, die, onder inwerking van den Christusgeest, in ieder land de grondslagen heeft gelegd van de Kerk, haar heeft hervormd in tijden van verval, haar heeft vervuld met moed en blijde hope. Hij is de leeraar, de trooster, de opvoeder, de beschermer van zijn broeders en daarom is de schoonste taak, waartoe iemand kan geroepen worden, den wil Gods te verklaren, inzonderheid het Evangelie van Christus.
Niet licht kan men des predikers invloed te hoog aanslaan, als hij op den morgen van den eersten dag der week den kansel bestijgt en voor een gemeente staat, vergaderd in Jezus\' naam, wachtende op hetgeen hij haar te zeggen heeft aangaande de ongeziene en eeuwige dingen. Ieder draagt zijn eigen last van ongeloof, kommer, verzoeking, zorg, in het huis des Heeren en de prediker moet ze allen verster-
3
ken, want inderdaad de kanselarbeid in onzen tijd bestaat niet zoozeer in uitlegging en onderwijzing als wel in aansporing en bemoediging. De prediker die eenige meer of minder verslagenen, vermoeid in den grooten strijd hunner ziel, ontvangt en ze weer heenzendt vol vreugde en geest, heeft zijn werk goed gedaan en zich verdienstelijk gemaakt jegens zijn volk. Hij heeft zich een waar herder betoond en dit werk niet volbracht zonder kennis van den wil Gods en van het mensohenleven, zonder een breeden vloed van ervaring te laten vloeien — van hooge heuvelen, waar de ziel alleen geweest is met God, en uit diepe valleien, waar de ziel \'s levens worstelstrijd heeft ervaren — in den stroom, die veler levens drijfkracht zal zijn in de vlakte beneden.
Indien de preek tot op zekere hoogte een profetische uiting is, dan moet zij in haar diepste wezen een mysterie zijn. Wat de profeet leert, moet hem eerst geleerd zijn, maar hoe God het oor van Zijn dienaar ontdekt en Zijn Boodschap daarin fluistert, kan niemand verklaren. De echte prediker onderscheidt zich door een zekeren demonischen invloed — een godde-lijken hartstocht — die zich uit in zijn gedachten, zijn woorden, zijn geheele manier van doen en die toch niet beschreven kan worden, maar tot in merg en been gevoeld wordt. Dit is het eenig onfeilbare kenmerk van een profeet; het is de doop des heiligen Geestes en tegenover zulke heilige verborgenheden betaamt het stille te zijn en te vreezen. Eerst als men
6
kloekmoedige hoorders schrik aan te jagen, ontvouwende hoe de prediker door een bijzondere voorzienigheid tot zijn onderwerp gekomen is; maar voornamelijk aan den stijl, welke bestaat in een reeks van laveeringen door een doode zee van vrome platheden in de hoop op een bries, die het schip in een haven zal brengen. Deze methode wordt in theorie aanbevolen als een bewijs van volstrekte afhankelijkheid van den heiligen Geest en in de praktijk gewoonlijk gebrandmerkt door de magerheid van de preek en het gering aantal toehoorders. In Schotland wordt zulk een prediker een „gude craturquot; genoemd en hij is in werkelijkheid de geest van het mysticisme, de caricatuur der evangelieprediking.
Een zekere, een practische en krachtige geest heeft geen moeite met teksten te vinden, omdat hij, binnen wijde grenzen, iederen tekst op een voegzame en degelijke wijze kan behandelen. Daar het de taak van dezen kunstenaar is voor den volgenden Zondag twee preeken te leveren, begeeft hij zich bijv. op Dinsdag tot don Bijbel als tot een uitgestrekt woud en kiest met een zeker overleg gepast materiaal. Dan construeert hij stukje voor stukje de preeken, metende, hier en daar afnemende, gladmakende, verbindende, zoo keurig mogelijk en eindigende met een politoersel samengesteld uit één deel geest, ruw en vurig, en drie deelen dikke zoete olie. Deze werkman heeft bij zich liggen een stel eenvoudige plannen, die voldoende hulp bieden bij wat hij ook behandelen wil, en het dient gezegd, hij is niet
7
overgeleverd aan allerlei invallende gedachten. Als zijn onderwerp dogmatisch is, bijv. het geloof, dan neemt hij N0. I; (a) De oorsprong van het geloof; (6) De aard van het geloof; (c) Het voorwerp des geloofs; (cl) De uitwerking van het geloof. En zoo voor de hoop en de liefde. Maar is zijn onderwerp een bijbelsoh persoon bijv. Mozes, dan gebruikt hij plan II: (a) Mozes\' afkomst en verwanten; (b) Zijn opleiding; (c) Zijn werk; (d) Zijn dood (dit ad libitum, naar gelang van omstandigheden); (e) Zijn karakter, met lessen van raad en bestuur. Het verwijt van traagheid kan dezen prediker niet treffen, want hij levert altijd een goed werkstuk ; maar men vergete niet, indien men zoo iets zeggen mag aangaande mannen van naam en gezag in de kerk, dat er ongetwijfeld een diep ingrijpend verschil is tusschen de constructie van een tafel en van een preek. Hij die over alles en nog wat kan preeken, kan in werkelijkheid over niets preeken. Een preek is meer dan een handige creatie, zij is inspiratie, niet zoo zeer doode stof, met veel inspanning samengevoegd, maar een boom met groen gebladerte, die zijn vrucht levert in een bepaald jaargetij. Het is niet de man die den tekst kiest — naar de ware toedracht der zaak is het de tekst die den man kiest. Was de predikant in zijn studie verdiept of zat hij aan een ziekbed of liep hij door de volle straten of wandelde hij over de purperen heide of — en zulke dingen zijn geschied krachtens Gods souvereine genade •— leed hij op een kerkhof, daar kwam plotseling de Waarheid, gekleed in een
tekst, die het meer of minder volmaakte omhulsel des Geestes is, en legde beslag op hem. Het scheen hem toe dat zij elkander vroeger meer gezien hadden, zooals iemand zich niet los kan maken van het denkbeeld, dat hij een ander gekend heeft, vóór hij hem ooit zag; en hij kan gelijk hebben, want daar is een voorbeschikte harmonie tusschen die waarheid en zijn ziel. Hij is het die haar aan de wereld moet verklaren en het is de waarheid, die zijn sluimerende krachten opwekt. De prediker behoort dadelijk de gevonden idee op te teekenen in een groot boek met minstens zes bladzijden tot zijn beschikking, want die zal hij wel noodig hebben. Ben kleine aanteekening kan gemaakt worden betreffende de eerste ontmoeting, met vermelding van de omstandigheden, waaronder deze plaats had, en dan wordt een vriendschap aangeknoopt — zal ik zeggen vrijage? — die jaren kan duren, zonder dat de wereld iets van de zaak weet. Soms boeit de idee terstond, maar daaruit volgt nog niet dat haar huwelijksdag aanstaande is; het is wenschelijk dat de oppervlakkige kennismaking eerst grondige kennis worde. Soms is de idee werkelijk terugstuitend en de prediker verklaart plechtig dat hij niets met haar te doen wil hebben; maar laat hij maar niet te boud spreken, want baat is een vorm van liefde. Bén voor één zullen die ideeën, die uit een groote menigte te voorschijn gekomen zijn en vat hebben gekregen op den geest, groeien tot preeken, middelerwijl moet alles worden opgeteekend betreffende hare korte verschijningen in rustige uren en ieder toevallig onderhoud met haar.
9
Zulko aanteekeningen zijn alle prolegomena voor de preek, potloodschetsen, waarnaar de schilderij zal geschilderd worden. „Hoeveel tijd kost de voorbereiding van een preek ?quot; is een dubbelzinnige vraag. Meent t\' men het schrijven van het manuscript, dan zal een dag
voldoende zijn; bedoelt men het uitdenken van de preek, dan kan \'t wel tien jaar duren. Hoeveel tijd gaat er heen met het maken van wijn? In enkele maanden groeit de wijnstok, bloeit en draagt druiven en in een paar dagen zijn deze geperst tot nieuwen wijn. Maar een glas Madeira — heeft reizen meegemaakt, is in \'t ruim van schepen heen en weer geslingerd, heeft in donkere koele kelders gelegen een halve eeuw lang en zoo is het volkomen zoet en zacht geworden. Nieuwe gedachten zijn bijna altijd wrang en gistend en daarom 1 kunnen van jonge predikanten nauwelijks bezadigde en
liefelijke stukken verwacht worden, want hun geest heeft nog geen tijd gehad om tot rijpheid te komen. Het is genoeg krachtig en rijk te zijn, schoonheid en geur komen met de jaren.
In den loop des tijds zal het succes van den prediker voornamelijk afhangen van zijn opgestapeld preekma-teriaal —■ niet het goud dat eenmaal gemunt en in circulatie is, zelfs niet wat nog naar de munt moet, maar het erts binnen in de mijn. Als hij tot de ontdekking p komt dat zijn voorraad uitgeput raakt, zou hij wijs doen
de productie te staken tot hij op een diepere ertslaag gekomen is, waar hij vaak nieuwe en rijker aderen zal aantreffen. De ongunstigste conditie om preeken te
10
maken is daar, waar de predikant leeft van de hand in de tand, en do gunstigste, waar hij den hoogen leeftijd der aartsvaders zou wenschen te bereiken, wijl hij zeker weet, in \'t hedendaagsche korte menschenleven nooit bij machte te zijn ook maar een tiende te geven van alles wat daar leeft in zijn geest.
Het tweede proces is Scheiding.
Als de prediker gebogen is over de bladen van zijn notitieboek en tot \'t besluit komt dat een zeker thema geschikt is ter behandeling, heeft hij nog een week zwaren arbeid voor zich; mocht zijn nauwgezetheid hier of daar verslappen, dan zou hij eenvoudig zijn schat wegwerpen. Het gebeurt soms dat een preek mislukt, omdat, schoon het snijwerk voortreffelijk is, het hout niet deugt; maar even vaak komt het voor dat de artist zijn werk heeft bedorven, hoewel het hout goed was. Een edele en bezielende idee is slechts een belofte van succes, en de uitslag hangt af van bekwaamheid en geduld. De idee komt niet alleen, maar wordt vergezeld door 99 anderen, waarmede zij in den bloede verbonden en waaraan zij naar haren aard gehecht is. Men kan geen bezwaarlijker werk op zich nemen, dan een idee los te maken van hare verwanten, maar in het belang van de preek is het volstrekt noodzakelijk. Eene enkele het hof te maken, te winnen en daarmede een huishouden op te zetten in ongestoord gezelschap, is één ding voor den prediker, maar een ander is het al de verwanten zijner vrouw op zijn dak te krijgen. Sommige preeken zijn vol van verwante leeringen — de band is
11
vaak zeer zwak — dio tegen elkander schreeuwen en elkaar verdringen op een zeer verwarrende en onhebbelijke manier. Als een prediker het nuttig acht, kan hij in óón uur de Christelijke leer in haar geheelen omvang behandelen; maar het behoeft geen betoog dat ieder onderwerp dan slechts ter loops zal worden besproken en dat iedere preek een herhaling van de voorafgaande zal zijn. Voorzeker, een half uur kan men wel besteden aan het ontvouwen, bijv. van de volstrekte en onbelemmerde genade der goddelijke vergiffenis, zonder zich in te laten met de leer van de zonde of van de voldoening — die in zoo\'n geval daarin begrepen behoort te zijn — en een prediker mag zeer wel aandringen op de plicht van vertrouwen op God, zonder in te gaan in al de problemen, die met betrekking tot het geloof oprijzen.
„Hij is een goed preekerquot; — zoo beschreef eens een Hooglander zijn leeraar —■ „maar hij strooit verschrikkelijk.quot; Het is het verschil tusschen een enkelen geweerkogel, die als hij treft, doodt, en een schot hagel dat alleen wondt. Neem een zonde, die juist de mijne en die van anderen is, laat de prediker zich bepalen tot bijv. den hoogmoed en het zou wel wonder zijn, zoo hij mij niet trof en beschaamde, maar laat hij er nog een dozijn andere zonden bijhalen en ik zal ongeroerd blijven. De medicijn wordt mij in een te groote oplossing toegediend. Een preek moet zijn een mono-graphie en niet een encyclopaedie, oen handelshuis voor één artikel, niet een toko, waar men van alles kan
12
koopen van een knoop af tot een doodkist toe. Daar zijn geesten, zoo veelomvattend en vlug, dat zij rast een half dozijn ideeën kunnen spelen in óén preek en de toehoorders aangenaam bezighouden, — terwijl zij de eene idee toelichten door een andere en de gecombineerde kracht der tegenovergestelde ideeën gebruiken om het beoogde effect te bereiken; maar voor den mid-delmatigen predikant, met wien wij ons hier bezig houden, is de behandeling van één idee al zwaar genoeg.
[Er zijn drie graden: de prediker beneden pari, die een uur lang kan praten zonder een enkel idee; de prediker boven pari, die een uur lang kan bekoren met een schittering van ideeën; en de prediker juist a pari, die in iets minder dan veertig minuten zich plichtmatig beperkt tot éóne idee.]
Twee redenen kunnen aangevoerd worden voor „ongeregeldequot; preeken — die waarin de spreker van de hak op de tak springt. De eerste is eenvoudig lamheid en traagheid. Het ontbrak hem aan kloekheid en volharding om zijn idee alléén in \'t oog te vatten, te iso-leeren. Dit moet in den voormiddag geschieden en vier uren zijn niet verbeuzeld als de student van zijn lessenaar kan opstaan en zeggen: wat ik jaren lang bepeinsd heb, en waar ik Zondag over preken ga, is niet dat, ook niet dat, maar juist dit — ééne vaste, nauwkeurig gedefinieerde, volledige idee.
[Een vergoeding voor dezen langen arbeid met zijn noodwendig zeer beperkt resultaat kan men vinden in den „afvalquot;, dien men later nog wel eens kan gebrui-
13
ken. De brokken, afgevallen na het houwen van een engel uit het marmer, kunnen nog materiaal verschaffen voor menige kleine Psyche.]
Ben andere reden kan zijn de onderstelde noodzakelijkheid om in een preek ter verdediging van zijn geloof te wijzen op daarmede strijdige waarheden. Sommigen achten het gevaarlijk te verwijlen bij Christüs\' mensch-heid zonder een lange uitweiding over zijn godheid, of aan te dringen op goede werken, zonder in éénen adem het geloof hemelhoog te verheffen. Voorzeker de tijdis gekomen om deze wijze van doen op de kaak te stellen en jonge mannen van haar tyrannie te bevrijden. Het is voor den prediker beleedigend te onderstellen dat, wijl hij naar de Zuidpool reisde, hij \'t bestaan van de Noordpool loochent en tergend voor de hoorders nu eens links dan weer rechts gedreven te worden uit vrees dat zij tot uitersten zouden vervallen. Prediker en hoorders moeten zich aan één denkbeeld wijden, met evenveel concentratie alsof er geen ander ware in het heelal der gedachten. Dit is den geest in één brandpunt vereenigen.
De derde handeling is het Illustreeren.
En nu zet de student zijn naakt, koud, levenloos denkbeeld in \'t licht van alles wat hij gelezen, gezien, gevoeld en geleden heeft. Hij heeft het onbarmhartig onttrokken aan zijn omgeving opdat het zijn eigendom zou worden; nu geeft hij het wederom zijn plaats in de wijde wereld, opdat \'t moge leven, en, overeenkomstig de uitgestrektheid en rijkdom van des predikers wereld.
16
derhalve eerst ingedrukt zijn in de ziel van den prediker, zoodat het een deel geworden is van zijn eigen zijn, vóór hij het werkelijk kan verstaan en verklaren. De reden waarom vele meesterlijke stukken niet aan hun doel beantwoorden is dat zij dit weldadig proces nooit doorloopen hebben; zij zijn daarom wel duidelijk, belangwekkend, maar zonder kracht. Zij banen zich geen weg tot — zij leggen geen beslag op de harten omdat zij den spreker zelf nooit hebben ontroerd. Hij heeft niet gesidderd bij deze zonde, hij heeft die verzoeking niet gevoeld, in de afgeloopen week dezen Christus niet met samenstemming zijns harten aanschouwd. De prediker moet om te slagen Petrus zijn, als hij zijn Heer verloochent, en Maria als haar broeder sterft en de Kananeesche vrouw, als zij Christus ziet gehoorgeven aan haar dringende bede. Dit zich inwerken in \'t hart van een onderwerp, tot de prediker en zijn preek van óénen bloede zijn, is een geheimzinnig proces, dat voortgang kan hebben, terwijl hij aan zijn gewone werk is, maar zeer bevorderd wordt op zijn rustige wandelingen in zijne eenzame uren. Ongelukkig voor ons is op het einde der negentiende eeuw met zijn jagen en drijven, zijn zinnelijkheid, oppervlakkigheid en eindelooze bemoeiingen, de meditatie een kunst die men verleerd heeft, evenals het maken van Venetiaansch glas en het bereiden van zekere verfstoffen. Het is noch lezen, noch denken, noch bidden; het is a. h. w. broeden, een geestelijke ervaring, waarbij het onderwerp verborgen is in de ziel gelijk het zuur-
17
doeg in drie maten meels, totdat het al doorzuurd is. Wat wij in onze dagen in de eerste plaats hebben te leeren voor het werk onzer heilige bediening, het is niet hoe te kritiseeren, noch hoe te lezen, noch hoe te spreken, noch hoe te organiseeren, maar hoe te medi-teeren, opdat de hedendaagsche preeken aan helderheid en belangrijkheid mogen paren de groote deugden van den ouden tijd: diepte en ervaring en een zekere atmosfeer van vrede.
Men zal de opmerking maken, dat tot nu toe nog geen zin van de preek op papier staat en zoo gaat dan de prediker op Vrijdagmorgen over tot de vijfde handeling — het Uitwerken.
Hij gaat nu voor zijn lessenaar zitten en legt vóór zich dertig stukjes papier.
[Dit is een obiter dictum, mocht iemand soms zeggen „waarom niet twee foliovellen?quot; dan zou ik alleen mijn verwondering te kennen geven over zijn nuchtere opvatting. Mijn plan is — als blijken zal — veel vernuftiger, het is werkelijk een inventie. Evenmin als de medici vragen wij er patent voor, maar trachten met elke ontdekking onze medebroeders een dienst te bewijzen.]
Laat iedere gedachte, toelichting, toepassing, die den predikant in de gedachten gekomen is, op een van die reepjes geschreven worden, juist als men ze zich herinnert, zonder eenige volgorde, een bonte massa. Het spreekt natuurlijk van zelf dat ieder daarvan a. h. w. het wettige kind van de hoofdidee moet zijn. Zwervers
2
18
mogen onder geen beding toegelaten en opgenomen worden.
[Voor dezen heeft de predikant een ander boek, een soort van asyl voor vondelingen (daklooze en naam-looze ideeën), maar uit sommige waarvan zeer goede kinderen kunnen groeien.]
Als de voorraad compleet is zien wij vóór ons het ruwe materiaal, uitgekozen en uitgeplozen en gekleurd nu gereed voor den weefstoel, die de losse, uiteenhan-gende draden moet weven tot een patroon, tot een kleed; of, zoo het u lust tot een vroeger beeld terug te keeren, van de plaat moet nu het negatief genomen worden. Deze massa, deze gedachtenstof is als een alfabet, waarvan iedere letter aanwezig is, maar alles ongeordend. Het is nu de taak van den predikant al de letters op de tafel uit te spreiden en ze zorgvuldig te overzien, tot zijn oog valt op A en B en C. tot X, T, Z toe. Want hij weet dat het denken een zekere orde volgt en het dezelfde orde is, die heerscht in den geest van een boer en in dien van een wijsgeer, alleen in \'t eerste geval ontbreken er eenige letters — hiaten — en andere zijn onleesbaar. Welopgevoede lieden stooten zich aan een preek, waarin de A in het midden van \'t alfabet komt en de S aan de M voorafgaat. Zij nemen er geen genoegen mede, dat zij, hoe dan ook, al de letters gehad hebben; en het mag wel eens goed gezegd worden dat ook onontwikkelden bijna even onvoldaan zijn over een ordelooze preek. De hoorders hebben een gegronde reden van klagen over een prediker, die af-
19
dwaalt en telkens op zijn eigen spoor terugkomt, omdat het ontmoedigend werkt een gids te volgen die en zigzag gaat en wijl het duidelijk is dat hij er zich maar zoo wat heeft afgemaakt.
[Zekere vruchtbare en oorspronkelijke geesten zijn wat de tuiniers „sportsquot; noemen, d. w. z. zij vallen niet onder de gewone wetten. Zij zijn onbekwaam tot beredeneerd en onafgebroken denken en hunne stukken moesten gedrukt worden in paragrafen met asterisken er tusschen — waarvan elk een aphorisme, een opmerking, een toelichting — vonken van schitterend licht, waarvoor wij dankbaar zijn.]
De gewone mensch moet geen aanspraak maken op het privilege van een afdwalend genie; hij moet worstelen en zwoegen, stellende, herziende, verplaatsende tot de weg flink openstaat van de Alpha tot de Omega — een klare, rechte voor van het eene einde des akkers tot het andere, een keten van eenvoudige schakels, die de proef kan doorstaan. Vooral als de man jong is komt er nog iets vóór A, een inleiding, waarin uitgeweid wordt over de schepping der wereld en de oogmerken Gods, tegenwoordig zelfs over de laatste resultaten van het kritisch onderzoek betreffende het boek waaraan de tekst is ontleend. Of onze vaderen er van hielden bijv. den Zoon Gods te naderen door een onder-aardsche gang van theologische archaeologie mag betwijfeld worden, maar zeker is het, dat hunne kinderen niet begeeren tot een principieele waarheid te komen door een museum van hoogere kritiek. Het tegenwoor-
20
dig geslacht wenscht ingewijd te worden in de vraagstukken van den dag zonder al die lastige inleidingen en niets ontneemt zekerder den eetlust dan zulk een laborieuse voorrede. Het schijnt soms noodig te zijn zoo\'n voorrede geheel te schrijven om met de preek zelve te kunnen opschieten, maar dan behoort ze verbrand te worden als hebbende haar werk gedaan. Het is a. h. w. op stoom komen, maar niemand zal de reizigers aan boord noodigen, vóór het schip reisvaardig is.
Komt er iets achter de Z — eene treffende en welsprekende peroratie, dan moet, hoe wreed het klinke, ook deze verwijderd worden. Als de rede haar natuurlijk culminatiepunt bereikt heeft, behoort ze te eindigen, haar effect mag niet rusten op rhetoriek, maar op waarheid. Het kan ook voorkomen, dat terwille van het effect de rede plotseling afbreekt eenige letters vóór Z, omdat de hoorders zich onvoorwaardelijk hebben gewonnen gegeven en de preek alzoo aan haar doel beantwoord heeft.
Als een spreker een groote zaak bepleit en ziet dat hardvochtige mannen vóór zich staren met zulk een vurigheid, dat ieder kan zien, hoe hun hart dreigt te breken, laat hij dan ophouden midden in een passage en zijn conclusie trekken; en indien hij het Evangelie verklaart en er komt een zekere teederheid over de aangezichten der hoorders, laat hij dan eindigen en hen voorgaan in den gebede. De rede kan te lang, te vormelijk, te welsprekend, te grammatisch zijn. Het is wel hard voor vleesch en bloed zijn moeitevolle inleiding
21
te moeten prijsgeven, waarin twee Duitschers staan vermeld met fraaie aanhalingen en dan zijn tweemaal geschreven conclusie, waarin dat lieve vers van Tennyson. Het is erger dan de Bethlehemsche kindermoord, maar juist in zulke zelfopofferingen, waarop de zegen Gods rust, ligt de kracht van den prediker. Afgebroken zinnen, als de prediker niet verder kon, onvoltooide preeken, als de geest Gods werkte met groote kracht, hebben wonderen gewrocht, meer dan alle wijsheid der scholen.
Als de Zaterdag besteed wordt aan het opschrijven van de preek (wat behandeld wordt bij de techniek) blijft er nog een laatste handeling bewaard voor Zondagmorgen en dat is de Revisie.
Geen fotograaf geeft het gelaat geheel zooals het genomen werd, zonder het te retouoheeren. Enkele trekken moeten gewijzigd, zekere vlakken verwijderd worden. Het moet al een zeer goede preek zijn, waaraan niets meer te wijzigen valt. Regel voor regel moet men de preek overlezen, met de gezichten der hoorders vóór zich, zoodat de prediker kan hooren hoe het klinkt in de levende omgeving. Veel is pakkend en indrukwekkend, mooi en vonkelend op het papier dat — wij voelen het — niet voldoen zal voor \'t aangezicht der gemeente. Het is nu al te indrukwekkend, al te mooi. Daar is een goed geslaagd epigram, dat veel olie kostte, maar dat die grijze heilige daar niet zal begrijpen. Onze heilige Johaxxes mag niet verongelijkt worden. Zoo gaat het verder. Daar een nieuwmodische wetenschappelijke
22
term, zeer teekenend misschien, maar wat kan die naaister er van maken ? Eijke lieden hebben hunne genoegens, zij heeft enkel haar kerk. Welnu zij zal ze hebben zonder eenige verkorting: het groote woord wordt geschrapt — een halve regel in de rouw. Daar een weloverlegde aanval op een zekere zwakheid: maar dat lief oud moedertje, wier huis een toevlucht is voor weezen en allerlei ellendigen zal er mogelijk door gekwetst worden. De prediker had niet aan haar gedacht, totdat hij de woorden sprak, met Dorcas zittende in haar hoekje. Weer een zwarte streep in \'t fraaie manuscript. Die uitweiding over bekrompenheid is misschien zeer gerechtvaardigd, maar de predikant ziet een gelaat rood worden en de eigenaar daarvan is zoo eerlijk als God ooit iemand schiep. Alzoo ook dit weggelaten. Die bewering daar is wel wat sterk: een adjectief dient geschrapt, sommigen zijn op \'t stuk van woorden zeer fijngevoelig. Die zet verwekt misschien een lach: \'t is beter niet zoo — het kon de kracht van de volgende passage over Jezds verzwakken. De preek schijnt iedere keer te verliezen in harmonie, levendigheid, rijkdom, gemak; maar zij wint in overredingskracht, bevattelijkheid, beminnelijkheid, liefde: zij verliest wat menschelijk, zij wint wat goddelijk is; en als die preek is uitgesproken en haar werk zal doen in de harten, zal de prediker God danken voor ieder woord dat hij heeft weggelaten.
Hij staat nu voor zijn gemeente, zijn ziel viert haar hoogtijd; een gevoel van de groote heerlijkheid van
23
zijn taak overweldigt hem, zoodat de lieden hem tus-schen tekst en preek zien weifelen. Laten zij eendrachtelijk bidden, dat op dezen zwakken medebroeder, op wiens schouders God zulk een taak gelegd heeft, de heilige Geest moge nederdalen en dezelfde Geest hunne harten binnen in hen verteedere.
HOOFDSTUK II.
De techniek van een preek.
Als een student van een zeker college, dierbaar aan mijn hart, in vroeger tijd in een stadskerk preekte, gingen zijn vrienden hem hooren en bewezen hem den volgenden morgen aan den haard in de conversatiezaal de weldaad van een onpartijdige kritiek. De fouten werden vrijmoedig en onbewimpeld aangewezen, maar slechts één werd als onvergeeilijk beschouwd. Als de preek vervelend en de gemeente ingesluimerd was koesterde men een sterk vermoeden, dat de prediker in gedachten verdiept was geweest, en als hij oude aan-teekeningen met vele kunsttermen te berde bracht, dan was het zeker dat hij zeer diepzinnig geweest was, — iemand die mettertijd en bij gestadige toeneming in diepzinnigheid het nog wel eens tot professor kon brengen. [Tot op dezen dag zegt men van een prediker
van wien de gemeenten niet gediend zijn, „hij moest tot professor benoemd wordenquot;, maar in den laatsten tijd toonde de Kerk een neiging om schitterende redenaars in theologische leerstoelen te plaatsen — met niet twijfelachtig gevolg, de kansel moge in kracht verliezen, de nieuwe professor wordt in geleerde kringen begroet als schitterend redenaar.] Maar indien de student op averechtsche wijze het publiek wist te boeien door dingen te behandelen aan hunne ervaring ontleend en door straattaal te bezigen, dan werd hij gebrandmerkt als „populairquot;, en zoo hij bij de lieden zekere diep-menschelijke aandoeningen had opgewekt, wist ieder weldenkende dat hij een kwakzalver was van hot eerste water.
Op een steenworpsafstand van deze kweekschool was een gerechtshof, waar wèlopgeleide mannen dagelijks dezelfde soort van openbare redevoeringen hielden, maar waar een andere regel van succes gold. Indien een advocaat, met een of andere zaak belast, zich had te buiten gegaan aan historische of kritische uitweidingen over een bijzondere wet, zou hij zijn laatste pleidooi gehouden en, wat opmerkelijk is, zijn collega\'s zouden hem een schralen lof gegeven hebben. Hij had zich zorgvuldig te onthouden van juridische en technische termen en aan de jury zijn zaak voor te leggen, in zulk een overredende taal, dat hij zeker was van haar stem. Zijn doel was niet de bijval van wetenschappelijke juristen, maar wel het uitlokken van een bepaalde uitspraak. Ware het hem alleen te doen om de toejuiching der menigte of sprak hij niet de waarheid, dan zou hij
26
zijn zaak zeker verloren hebben, maar binnen de perken der eerlijkheid gebruikte hij alle middelen, waardoor hij de jury kon winnen. Zoo hij op eerlijke wijze twaalf medeburgers tot zijn inzicht kon brengen, werd hij geacht geslaagd te zijn.
De prediker richt zich ook tot een jury van bijv. 500 personen en of zijn onderwerp nu is de zonde of de rechtvaardigheid, een leerstuk of een plicht, hij moet ze overhalen tot zijn gevoelen, hen overreden om zijn boodschap te gelooven. Zoo hij over hunne hoofden heenpraat of zich bepaalt tot dorre mededeelingen of zijn eigen invallen lucht of ijdele vragen opwerpt of hen verveelt met beschimmelde dogma\'s, dan mist hij zijn doel en in weerwil van zijn wetenschap of scherpzinnigheid of vroomheid lijdt hij échec. „Ik hoorde hem eens preekenquot;, zeide een geletterd man, die het over een zeer bekend prediker had, „en het was een zeer uitnemende preek — zoowat de beste die ik ooit hoorde.quot; „Zijn tekst?quot; „Geen schijn van eenig idee heb ik er van onthouden, ook herinner ik mij niets van zijn bewijsgronden, noch iets anders van hetgeen hij zeide.quot; „Maar hoe weet gij dan, dat het goed was ?quot; „Omdat hij ons vóór we de kerk verlieten overtuigde, dat God liefde is. Ik ben er niet zeker van, dat ik het vandaag nog geloof, maar dien morgen was ik er van overtuigd. — Jaquot;, voegde hij er bij, „die man verdient zijn roem, want hij verstaat zijn werk.quot;
Wat aangaat den inhoud van zijn Boodschap moet de prediker een profeet zijn, verklarende wat hij van
27
heeler harte gelooft; wat betreft haar vorm, moet hij een advocaat zijn, uitende wat hij te zeggen heeft op een bekwame en geschikte manier.
Nu heeft men bij de openbare welsprekendheid zes regels in acht te nemen, vooreerst die van
Eenheid. Mag de preek slechts één denkbeeld bevatten, dan moet de stijl zich gedurende 30 minuten naar dit denkbeeld regelen, zoodat de hoorders nooit buiten den invloedskring daarvan komen, er nooit door vermoeid worden, maar met elke minuut het denkbeeld begrijpelijker, redelijker, aangenamer vinden. Of een preek in zulke omstandigheden in hoofdstukken moet verdeeld worden, is een belangrijke vraag. Drie losse preekjes vormen nog niet één preek; maar aan den anderen kant is een handvol opmerkingen, saanigebon-den door een tekst nog niet een organisch geheel. Het hangt er maar van af, of de hoofdstukken gang hebben, opklimmen, toenemen in kracht of van elkaar onaf han-kelijk zijn, los, evenwijdig. De hoofdstukken zijn of waterdichte vakken, in welk geval men niet van het een naar \'t andere kan gaan, maar telkens belemmerd wordt door een ijzeren deur, öf zij zijn de verdiepingen van een toren, in welk geval men niet zal rusten, vóór men den top heeft bereikt, omdat men met iedere nieuwe stijging een ruimer uitzicht erlangt. Eens was de verdeeling in hoofdstukken algemeen in zwang en thans is het gebruikelijk ze niet te hebben; maar daar kan veel gezegd worden voor het eerste. Kustpunten, punten van uitgang zijn niet ongewenscht.
30
denkbeeld zóódanig in den geest van zijn hoorders heeft ingegoten, dat zij het voor hun eigen denkbeeld houden. Hij heeft een prachtige belooning voor zijn moeite, als de lieden zich op een goeden dag tot hem wenden en hem dreigen te verscheuren om het kritiseeren van een denkbeeld dat hij hen zelf in zijn zielestrijd heeft geleerd en dat zij ijverzuchtig als hun persoonlijk eigendom bewaken.
De tweede regel is D u i d e 1 ij k h e i d, waardoor de leeraar zijn gemeente grootelijks aan zich verplicht. Als een welwillend en intelligent hoorder een spreker zonder moeite kan volgen van het begin tot het einde, is hij bereid bijna alles toe te stemmen, zelfs al zou hij beweren dat de aarde vierkant is. Als een geliefd prediker bijzonder duidelijk is, zullen we misschien een oogenblik teleurgesteld zijn, van oordeel dat het water waarin het prachtige zeegras kan gezien worden op den rotsigen bodem, niet veel diepte heeft, maar het volgende oogenblik zijn we bekoord omdat het water zoo diep en toch zoo helder en klaar is, evenals het Evangelie van Johannes. Duidelijkheid is vooral niet te verwarren met eenvoud; de eerste is een eigenschap van den stijl, de laatste van het denken en het gebeurt soms dat wat in \'t denkbeeld kinderachtig is, onbegrijpelijk wordt door de uitdrukking, terwijl wat in \'t denkbeeld diep is, zelfs voor een kind duidelijk kan zijn. Een al te groote nadruk kan gelegd worden op „eenvoudigheidquot; en men zou lust krijgen te protesteeren tegen die goedige phrase „het eenvoudig Evangeliequot;. Het Evan-
31
gelie is eeuwig, het is machtig, het is goddelijk, het is hoog-heerlijk; maar het is niet eenvoudig. Het kan dat ook niet zijn, want het Evangelie verklaart de natuur Gods, de zonde des menschen, den weg des levens en de wonderen der ongeziene wereld. Ook mag het Evangelie niet verlaagd worden door kinderachtige argumenten, onwaardige illustraties en platte uitdrukkingen. Maar het Evangelie is helder en klaar in de mond der apostelen; meest van al, van de lippen van Jezus en men heeft recht te eischen dat het altijd gepredikt worde als in Lucas XV of in de laatste hoofdstukken van Johannes.
Helder en klaar spreken hangt ten nauwste samen met helder denken en niemand kan verwachten, dat hij een of ander onderwerp zijnen hoorders klaar zal voorstellen vóór hij het zelf gezien heeft van \'t begin tot het einde. Het is een aardig tijdverdrijf naar de wolken te kijken, als ze zich om een berg kransen en men zoo nu en dan een tipje van de zon te zien krijgt, die door de mist heenboort. Maar zwellende massa\'s woorden met hier en daar een bijzondere openbaring is geen aanbevelenswaardige prediking en in ieder geval kan het toch nooit lieden boeien zonder buitengewoon poëtisch gevoel, maar die een hartstochtelijk verlangen hebben om te weten wat de spreker eigenlijk bedoelt. Poëzie is voortreffelijk, maar juist niet bijzonder geschikt om den geest op te klaren; het zou zeer wenschelijk zijn als de prediker een grondigen cursus had door-loopen in de logica en de philosophie en de studie
34
een inrichting zouden de leeken met het meeste genoegen dekken.
Ook illustraties zijn van groote waarde voor een preek, omdat zij zoowel kleur geven aan den stijl als belangrijkheid aan de gedachte en de prediker moet deze kunst met ijver beoefenen. De een zal gedurende een week een onderwerp behandelen en nooit in \'t leven om zich heen een\'analogie ontdekken, omdat zijn geest hermetisch gesloten is. Een ander zal overstelpt zijn door den overvloed van analogie, over hem uitgestort uit de boeken die hij leest, uit straattooneelen, uit het landleven gedurende \'t bezoek van een uur, uit een fabriek gedurende vijf minuten, uit het gezicht van een lossend schip, uit een gesprek in een omnibus of boot gehoord; natuur, leven, handel, literatuur, alles werkt samen om zijn thema toe te lichten, totdat hij te midden van dezen benauwenden rijkdom zijn hart verhardt en kregelig wordt. Wel is hij gelukkig, die uit vele mededingende illustraties zijn keus kan doen, tot dat hij er een vindt, die op gelukkige wijze het juiste gezichtspunt geeft. Het is aan den prediker om te beslissen, hoe ver hij het beeld wil uitwerken, wat hij doen kan in één zin of in een bladzijde en waarbij hij zich late leiden door de samenstelling van zijn gemeente. Als regel kan worden aangenomen dat de details van een illustratie in omgekeerde verhouding moeten staan tot de ontwikkeling der hoorders. Bij weinig ontwikkelden moet de illustratie uitgewerkt worden tot een beschrijving, bij meer beschaafden kan
35
men met een toespeling volstaan. Bij vlugge, gevoelige naturen heeft de spreker slechts te spelen, zooals iemand maar de toetsen van een piano heeft aan te slaan, om zonder missen eenigen klank te hooren; maar trage ongevoelige naturen moet hij galvaniseeren door herhaalde electrisohe schokken. Het illustreeren is öf panorama- öf miniatuurschildering, maar moet, over \'t geheel genomen, eerder op grooter dan op kleiner schaal geschieden. Doch hetzij uitvoerige beschrijving of toespeling, de illustratie mag nooit gebruikt worden enkel als een schoone gelegenheid om des sprekers welsprekendheid of geleerdheid te luchten. Zij is niet een vuurwerk, aangegaapt door een verbaasde menigte, maar een lamp, bij wier licht de reiziger zijn weg vindt langs den donkeren weg.
De vierde regel is menschel ij kheid. Men heeft goede en vrome preeken gehoord, die evengoed op Mars hadden kunnen uitgesproken worden, wat aangaat hun verband met ons leven en onze omgeving. Zij deden denken aan een toespraak, die een geest zonder lichaam kon houden tot zijn broeders in den tus-schenliggenden staat\'), waar men beweert, dat wij zullen bestaan zonder uitwendige gemeenschap. Dergelijke afgetrokken preeken kunnen alleen dienst doen als bewijs voor zulk een ondenkbaren toestand, maar anders schijnen ze niet veel uit te werken. Hoewel de prediker zeer spaarzaam moet zijn met het woord „ikquot;,
4) NI. de toestand tusschen den dood en de opstanding. Vert.
38
zijn liefde, was Jezus ons een volmaakt voorbeeld, maar zijn discipelen zullen wol doen te bedenken, dat de toorn veel gewaagder is dan de liefde. Hij die niet toornig kan zijn en losbandige boosdoeners niet in \'t aangezicht durft weerstaan, is een stumper; het on-weder is onmisbaar, maar laat het kort zijn en gevolgd worden door een helderen zonneschijn na den regen. Het sarkasme streeft zoo licht zijn doel voorbij en sticht zóóveel kwaad, dat het maar liever niet in des leeraars medicijnkastje worde opgenomen. De men-schen kunnen niet bekeerd worden door hoon en niet het koninkrijk Gods ingegeeseld worden door bitteren spot. Als wij nog jong zijn, schijnt het ons nuttig en noodig een hoorder beschaamd te maken over zijn zonde, door hem op de kaak te stellen en hem met scheldwoorden te overladen. De menschelijke natuur is nu eenmaal zóó ongeneeselijk bedorven, dat de mensch slechter wordt onder de tucht en zelfs een ongerecht-vaardigden afkeer krijgt van den tuchtmeester. Als wij ouder worden en meer van het leven zien, blijkt het gemakkelijker een mensch van zijn zondigen waan te genezen, door hem de heerlijkheid van het goede voor te stellen. De menschelijke natuur is zoo vol verrassingen, dat die mensch een walg van zichzelf zal krijgen, tot den prediker zich zal getrokken voelen en — best van al — de ongerechtigheid zal leeren liefhebben.
Hij, die van den kansel scheldt en schimpt, verbittert slechts, hij, die weet te waardeeren en te overreden.
39
wint zijn zaak. Niemand wordt inniger verafschuwd dan een sarkastisch leeraar. Men meene toch niet, dat een ruw scheldend prediker alléén het recht aan zijn zijde heeft. De zachtheid kan zeer streng zijn en hij die takt heeft, mag zeggen wat hij wil. Wat de men-schen in iedere klasse en in ieder land noodig hebben is vertroosting en hij, die teeder weet te zijn, beschikt over hun hart, ja over hun leven.
Als zesde regel nemen wij de voordracht en hier raken wij aan de veel besproken quaestie van gesproken versus gelezen preeken. Als ze maar goed gesteld wordt, is ze ook terstond opgelost. De vraag is niet; moet een preek voorbereid worden met de uiterste bekwaamheid van den leeraar, öf moet hij alles zeggen wat hem op een of ander oogenblik invalt. Ook niet, of hij beter gedaan had zijn preek te schrijven, óf haar zorgvuldig uit te denken en eerst op den kansel zijn gedachte in woorden te kleeden. Ook niet, of er soms enkelen zijn, tot geen van deze beide dingen in staat, die hunne gedachte meer recht laten weervaren door, wat zij hebben geprepareerd, aan de gemeente voor te lezen. De eenige hier te stellen vraag is, of de predikant van gemiddelde bekwaamheid, na zijn preek bestudeerd te hebben en zijn best te hebben gedaan, het resultaat van zijn arbeid behoort voor te lezen, of wat in hem is van aangezicht tot aangezicht aan zijn hoorders te zeggen. Het volk oordeelt eenstemmig ten gunste van de vrye voordracht en het volk heeft gelijk.
[Hier en daar kan men iemand ontmoeten, die wenscht.
40
dat alle predikanten lazen, maar de verklaring hiervan is waarschijnlijk, dat zijn zenuwgestel geplaagd werd door het luisteren naar een stotterenden predikant, of een die bij kritieke passages bleef steken.]
Overal elders dan op den kansel denkt niemand er aan indruk te maken op een gemengd gehoor met een papier vóór zich en hij, die het van den kansel beproeft, doet zijn zaak moedwillig nadeel. Hij mist de bemoedigende uitdrukking van der menschen aangezichten en zij ontberen den eigenaardigen invloed van zijn oogopslag. Hij is niet in staat gebruik te maken van iederen windstoot in de gevoelige atmosfeer, gelijk hij dat vermag, die het touw van zijn zeil in de eene hand houdt en zijn andere aan \'t roer heeft — wakker en waakzaam. Hij kan geen gebruik maken van eene gelukkige inspiratie, hij kan een of ander incident niet vermijden; hij kan zich op geen enkel aardig bijpad begeven, maar moet recht toe recht aan trekken.
Een gehoor schept a. h. w. een atmosfeer, die men met een weinig ervaring zoo ontwijfelbaar juist kan voelen, dat men weet, of de lieden vóór of tegen ons zijn. Hoorders en spreker oefenen een wederzijdschen invloed op elkander uit, zoodat een laatdunkend, koud gehoor ook het vurigst gemoed kan doen bevriezen, terwijl honderd menschen met warme harten een eenvoudig man welsprekend kunnen maken.
Hij, die leest, heeft ook zijn eigenaardige voordeelen, want hij zou kunnen preeken voor vijftien menschen in een kerk, die er vijftienhonderd bevat, of zelfs zijn
41
peroratie houden voor een doofstommen-instituut. Hij, die uit \'t hoofd spreekt, heeft zijn nadeelen, want hij moet rekenen op een toevallig blijven steken en hij mag niet hopen, dat hij zijn stijl zoo zuiver bewaart, als in zijn handschrift mogelijk was. Inderdaad kan men zeggen, dat het spreken een daad van opoffering is, waarin de prediker niets voor zichzelf wint en veel kan verliezen, maar in die zelfverloochening, waardoor het evangelie wint en hij verliest, ligt juist zijn kracht.
De laatste en grootste regel voor \'t spreken is hartstocht en het valt niet te loochenen, dat het hedendaagsche preeken zich onderscheidt door een zeker gemis aan geestelijke passie. Intellectueele en sociale passie is er genoeg op den kansel en men heeft zich zelfs moeten verbazen over het vreemdste van alle enthousiasme, de kritische passie, wanneer de prediker zich opwindt over het auteurschap van den Pentateuch. quot;Wat gemist wordt en toch niet gemist kan worden is die zin voor het ongeziene, het eeuwige: — voor de altijddurende liefde Gods, het verzoenend lijden van onzen Heer J. Christus, de onschatbare waarde van één enkele ziel, de ontelbare aandoeningen in \'t menschelijk leven, de teederheid van den heiligen Geest en de heerlijkheid van het Evangelie. Gedompeld in zulke fonteinen van diepe ontroering, kan geen prediker de gemeente voorgaan zonder tranen, tranen, die te dieper indruk zullen maken, naarmate zij niet in de oogen, maar in \'t hart zijn. Hij zal dan geen behoefte hebben aan allerlei kunstgroepen, want door zijn afge-
42
broken klanken zal de stem Gods worden gehoord; hijzelf zal uit het gezicht verdwijnen en vergeten worden als de onbekende monnik, die in een Buropeesche cathedraal het gordijn laat vallen van een gewijde schilderij en zijn last volbrengt van aangezicht tot aangezicht met den Gekruisigde.
HOOFDSTUK III.
Problemen, die zich bij \'t preeken voordoen.
Het verdient aanbeveling een gedeelte van zijn bibliotheek te wijden aan christelijke biographie, zoowel oude als nieuwe, en deze afdeeling van tijd tot tijd zorgvuldig uit te breiden. We kunnen met denken niet veel inspiratie erlangen, noch veel leiding bij \'t werken; maar zulk soort lectuur werkt als een vliegwiel in ons koortsig religieus leven, in zoover het hevige impulsen bedwingt en ons bewaart voor vlagen van gedruktheid. Niettemin zijn er oogenblikken, waarin de kalmte en regelmaat der waardige mannen uit de laatste generatie ons tot wanhoop zouden drijven, zoo bijv. bij het lezen van het journaal van Rev. Joseph Tomlinson, in het gedenkboek, na zijn dood uitgegeven en door zijn gemeente op hoogen prijs gesteld.
„10 December {Maandag). — Ik stond op om 5,30, hoe-
44
wel ik om de duisternis en de koude zeer geneigd was in bed te blijven. Voltooide het eerste hoofdstuk van mijn zevende vervolgpreek over heiligmaking, vóór het ontbijt. Heb nu preeken klaar gemaakt voor de volgende drie maanden en noteer met dankbaarheid, dat ik zonder feilen per uur drie bladen kan leveren.quot;
De goede man stierf tussohen \'50 en \'60 op 86-jarigen leeftijd, nadat hij nog tien dagen vóór zijn dood gepreekt en nooit éón preek verzuimd had wegens ongesteldheid; en in gedachten kan men hem zich nog nauwkeurig voor den geest halen, zooals hij met groote deftigheid en waardigheid door de menigte heenschreed en zich nog vaag herinneren, hoe hij in een preek donderde tegen hen, die de schepping in zes dagen loochenden — „wat bewees, tot welk een hoogte van onbeschaamde stoutheid het ongeloof was gerezen in die dagen.quot;
Dit vroege opstaan, een vaste trek in zulke biogra-phieën en een noodelooze irritatie voor de volgende geslachten, deze preekenproductie bij de el, in keurig schrift zonder eenige doorhaling en soms op velijn-papier — deze ongevoeligheid voor brandende quaes-tiën — deze onfeilbaarheid in de leer, zoowel als het strenge, gladde, onverstoorbare gezicht naast het titelblad van het boek, onderstellen een omgeving, geheel verschillend van die, waarin wij denken en arbeiden.
In zeker opzicht moet het preeken in alle eeuwen hetzelfde zijn, immers het eeuwig Evangelie der Goddelijke Liefde is daarvan steeds het voornaamste onderwerp. In een ander opzicht moet het preeken met
45
iedere eeuw verschillen, immers behoort het zich te richten naar de verschillende voorwaarden van leven en denken. Christus is niet één, maar vele; en daarom heeft Hij zich doen kennen als de Zoon des Menschen en de Heiland der wereld. Daar is een eeuwige Geest, die is de Geest Gods, en daar is een Tijdgeest, die is de geest des menschen. Hij, die slechts den adem van den menschelijken geest voelt, is een wereldling — zoodanigen zijn er, hoewel zij het niet weten, op den Christelijken kansel — en hij, die alleen den adem des goddelijken Geestes voelt, is een asceet. Het best zal zijn dat de ziel voor beide invloeden vatbaar is, want zoo is de prediker in voeling met God en mensch, een tusschenganger, een bemiddelaar.
Het moet vrijmoedig erkend worden, dat het preeken voor ons een veel zwaarder taak is dan voor onze vaderen. De geest der kritiek werd nergens geduld dan op de studentenkamers. Noch eenmaal aangenomen regelen voor \'t Christelijk leven, noch fundamenteele stellingen van \'t christelijk geloof werden in twijfel getrokken. Meeningverschil bestond alleen in kerkelijke zaken of met elkander strijdige orthodoxe theorieën. De prediking bewoog zich in een sfeer van maatschappelijke conventie en kerkelijke aanmatiging in een tijd, toen de menschen wisten, wat ze te wachten hadden en de leeraar sprak, wat men van hem wachtte. De bakens en de verlichting van de vaart lieten niets te wenschen over en het schip overschreed nooit de afsluiting, zoodat de riviertochtjes zeer veilig en onge-
48
heeft, verlaat het theologisch college. Hoe zijn prediking zijn zal, kan hij, noch iemand anders, zeggen, maar allerlei ideeën en droomen waren in zijn geest rond. Hij wordt aangesteld tot hulpprediker in een stadskerk en prijst zich gelukkig, omdat de predikant geroemd wordt om zijn vroomheid en ijver in den Evangeliedienst. Van tijd tot tijd moet hij preeken en onder leiding en in navolging van zijn chef, neemt hij achtereenvolgens de classieke teksten van het evangelisch geloof en bevindt, dat zij geen vat op hem hebben en dat hij geen vat heeft op de menschen. Allerlei twijfelingen en duistere voorgevoelens rijzen bij hem op. Is iemand geschikt een bode van Christus te zijn, die zwaarmoedig, nuchter, moedeloos zijn kan bij een woord als „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemtquot; ?
Een week gaat hij naar buiten, waar de opwekking van den zoon der weduwe te Naïn hem voor den geest komt, en aanstonds vat hij vuur. Hij verplaatst zich geheel in het geval en kan niet rusten, voor hij aan het papier heeft toevertrouwd de aandoeningen, die hem bezielen, hem overmeesteren. Een jaar geleden heeft hij zijn moeder verloren. — Op Zondag beklimt hij den kansel, bekleed met macht, en met zijn eersten zin reeds hangen de menschen aan zijn lippen. Zijn onderwerp is een voorval, dat de menschheid reinigt, bevredigt, bezielt en hij weet nu, wat preeken is. Den volgenden morgen ontvangt hij zes brieven — zoolang hij leeft zal hij dat bundeltje blijven gedenken: een is
49
van een moeder, wier zoon na een gevaarlijke ziekte gespaard gebleven is, om hem te zeggen dat hij uitdrukking heeft gegeven aan haar dankbaarheid; een is van een moeder, wier zoon stierf, om hem te zeggen, dat hij haar heeft overtuigd van Jezds\' medegevoel — beide vrouwen wenschen hem te zien; een is van een zoon, wiens moeder gestorven is en volgens wien haar leven een middel was tot zijn redding — hij dacht, dat zij bij hem in de kerk was; een is van een zoon, die tegen zijn moeder gezondigd heeft en nu op weg naar huis is, om haar dien dag nog te zien — beiden willen hem, zoo hij \'t goed vindt, onverwacht een bezoek brengen. Alle vier hebben een vraag te doen: „Hoe wist hij het zoo?quot; De twee andere brieven zijn anoniem. Een van „een weldenkendequot;, begeerig te weten, hoe een leeraar het met zijn geweten kan overeenbrengen, aan hongerige zielen allerlei ijdelheid in plaats van brood te bieden; en de andere van „een eenvoudig Christenquot;, zich beklagende, dat geen melding is gemaakt van de bekeering, die, als de schrijver nader aantoont, het allervoornaamste is in het verhaal van den jongeling van Naïn. Beide brieven constateeren, dat de preek de gemeente zeer heeft ontstemd. quot;Ware hij nu tien jaar ouder geweest, dan zou hij de twee brieven in het vuur geworpen hebben, zonder er verder om te denken, en de vier in zijn lessenaar hebben bewaard, om hem te bemoedigen, als hij verdrietig mocht zijn. Vier brieven waren positief — bewijzen van goede ontvangst: zij zijn goud waard, twee brieven waren
4
52
heeft gezegd, dat er van lederen tekst een weg loopt naar Christus en dat zeggen is waar; maar het heeft twee toepassingen, nl. dat de prediker öf van den tekst uitga als op een pelgrimstocht naar Christus, öf dat hij den tekst zóó behandele, dat Christus van zelf komt en er in woont. Weten wij niet allen, dat men zonder ophouden kan roepen „Heere, Heerequot;, en Christus toch voor ons een vreemdeling kan zijn en dat een ander Zijn naam niet noemt en men toch den geur van Christus\' kleederen op de plaats kan waarnemen ? Daar zijn er, die den kruisdood des Heeren zóó behandelen, dat zij ons doen denken aan iets uiterlijks, niet aan een persoon; en daar zijn er ook, die zóo kunnen aandringen op het geven van aalmoezen, dat zij ons van aangezicht tot aangezicht plaatsen tot Hem, die niet wist, waar Hij het hoofd zou nederleggen. Het evangelisch karakter van een preek hangt niet af van haar onderwerp, maar van haar toon, want, of het thema ontleend is aan de Spreuken of aan het Johannesevangelie, de preek van een Christenleeraar moet leven, zich bewegen en zijn in den Heer. Laat iemand daarom met groote vrijheid preeken over iederen tekst tusschen Genesis en Openbaring, als het maar zoo is, dat hij in Christus leeft.
Het tweede probleem is Populariteit: hoe ver mag de Evangeliedienaar gaan om een gehoor te boeien, welke middelen zijn al of niet oorbaar om dit doel te bereiken. In onzen leeftijd hebben wij de verhouding tusschen prediker en hoorder allengs zien veranderen. Vroeger was een gemeente verplicht eiken Zondag
53
tweemaal naar haar leeraar te luisteren, hoewel hij ze doodelijk verveelde; zij „zaten onder hemquot; om een der meest pathetische phrasen van \'t vrome spraakgebruik te bezigen. Tegenwoordig zal de gemeente éénmaal Zondags gaan als de prediking haar bevalt, en anders zullen ze thuis tijdschriften lezen. De men-schen plachten de banken te vullen ten genoege van den predikant, die al heel spoedig naar de reden van hun afwezigheid kwam onderzoek doen. Xu moet de predikant bereid zijn naar den kansel te gaan ten genoege van zijn gemeente, die geen aanmatiging zijnerzijds meer kan dulden. Er was een tijd, toen de prediker in verschrikkelijke taal kon uitvaren tegen zijn hoorders, omdat ze sliepen, niet opletten en zoo meer. De men-schen zijn nu te verstandig en te goed opgevoed, om zoo tegen den goeden smaak te zondigen: zij slapen thuis. De tijd is gekomen, dat de hoorders den prediker beschouwen als een zanger, van hem getuigende dat hij „voldoende wasquot; of „maar zoo zooquot;. De eenige onmisbare voorwaarde van de vroegere preek was gezondheid in de leer — van de tegenwoordige preek, dat zij interessant zij. Als de spreker zich gemakkelijk beweegt en zich aangenaam weet voor te doen, als hij opgewekt en levendig, bovenal als hij niet vervelend is, zal hij slagen. Onze eeuw werkt en leeft gedurende zes dagen bij hoogen druk, en rust op den zevenden, om op nieuw vermoeid te worden; en juist omdat zij bare „nieuwequot; couranten heeft met allerlei nieuwtjes en de „nieuwequot; tijdschriften met hunne korte pikante
54
verhalen voor de snipperuren in de week, eischt onze eeuw ook de „nieuwequot; preek voor den Zondag.
Men valle natuurlijk de eeuw niet hard, omdat zij aandringt op eene levende toespraak, maar men berispe den prediker, die de heerlijkste onderwerpen door saaiheid in verachting brengt. Er zijn twee menschen, die ons verbazen: een, die bijna niets te geven heeft, en nochtans de spijzen zoo smakelijk voordient en een ander, die veel heeft, en het toch zoo onsmakelijk bereidt. Misschien heeft de tegenwoordige hoorder zich ontwikkeld tot een intellectueelen hon vivant-, maar goed koken wekt zeer den eetlust op en de kok heeft een prijsje verdiend. Misschien behoort men, gelijk ons in onze jeugd werd voorgehouden, alles te kunnen eten, maar het vereischt een zeer sterke maag, om half rauw vleesch naar binnen te werken. Sommigen, machtig in geleerdheid en vroomheid, doen al het mogelijke om door stijl en voordracht een gehoor van zich te vervreemden en zij mogen zich niet beklagen, als zij ten slotte voor stoelen en banken preeken. Dit is geen noodzakelijk gevolg van hun degelijkheid, maar wel van hun onbeholpenheid. Want, behalve een vloeiende stijl, zijn er enkele andere concessies, die ook de geleerdste en degelijkste prediker aan dit geslacht mag doen, zonder de achting voor zichzelf te verliezen. Een ervan is om een aantrekkelijken titel voor zijn preek te kiezen en dezen vóór zijn tekst te annonceeren. Een titel is een gelukkige vinding, want hij noemt den menschen het onderwerp, bewaart hen voor een
55
vermoeiend gissen gedurende een lange historische inleiding en geeft hun een maatstaf, waarmee zij den spreker kunnen controleeren. Een andere concessie is zich een goede uitspraak eigen te maken, wat ons zeker niet is aangeboren, maar veel oefening vereischt. Als iemand zegt, dat hij van een spreker houdt, bedoelt hij vaak eenvoudig, dat hij hem heeft verstaan en het kan geen verwondering wekken, dat de schoonste passages hun kracht verliezen, als ieder derde woord onhoorbaar is. En een derde zeer oorbaar middel is verwante preeken in reeksen of „vervolgenquot; te schikken, omdat het ontwikkelen en vervolgen van een thema de aandacht gaande houdt en de belangstelling krachtig opwekt.
[Vier, op zijn meest zes, preeken zijn voldoende voor een vervolgstof: de gemeente laat don moed zinken bij het vooruitzicht op twaalf over „Paulus\' denkbeelden over het geloofquot; of zestien over „Jobquot;. Bij den titel gebruike men bescheidenheid. Ik voor mij vond een titel, dien een vroom predikant mij eens noemde, nu juist niet aanbevelenswaardig; hij luidde: „De Ledematen des Almachtigenquot;, hoewel hij mij verzekerde, dat hij daardoor ia staat was geweest er eenige vreemde teksten in te voegen en tot grooten zegen werkzaam te zijn.] Vóór alles moet de hedendaagsche prediker duidelijk zijn, gekuischt, krachtig; kortom waar, zonder gemaaktheid en overtolligheid — een goed penvoerder over religieuse onderwerpen.
Enkele praktijken echter zijn niet te verdedigen en
56
behooren als zondig te worden vermeden. Een daarvan is opzettelijke excentriciteit, waarmede een prediker zonder geest of buitengewone gaven of kracht of ernst alle goede manieren en fatsoen met voeten treedt, om filisters te behagen en de menigte op zijn hand te krijgen. Een ander is het opdisschen van vulgaire anecdoten omtrent zichzelf en zijn familie of zijn ervaringen — aangedrongen door grove personaliteiten. Een ander is neiging tot het opzienbarende, waardoor een prediker, met voorbijgang van het Evangelie van Christus, leeft van de wekelijksche schanddaden; in de kolommen der nieuwsbladen jaehtmakende op een of ander nieuwtje, waarmede hij veel volk kan trekken. De verontschuldiging, die dergelijke kwakzalvers voor zulk een parodie van preeken aanvoeren, is het groot aantal menschen, dat zij tot het hooren van het Evangelie bijeenkrijgen, maar zij behooren ter dege goed te weten, dat er in \'t geheel geen Evangelie gehoord en er geen goed gedaan wordt. Een gemeente, met zulke heetgekruide spijs gevoed, zal geen smaak meer vinden in goed en gezond voedsel, maar zal steeds heeter en prikkelender sauzen vragen, tot de predikant ten slotte het bedorven gehemelte niet langer vermag te prikkelen en in den steek gelaten wordt. Tegen mystieke zinnelijkheid, zottigheden, opzienbarende aankondigingen, profane woorden, oneerbiedige gebeden moeten de jongere predikanten zich met alle kracht verzetten ter wille van de Kerk, van de wereld, onze roeping, ter wille van ons zeiven.
57
Een ander probleem is het „w e r e 1 d s c h equot; en hieromtrent kan een zeer uiteenloopend verschil van meening bestaan tusschen eerlijke, tevens vrome mannen. Moet, over \'t algemeen, een prediker zich beperken tot de onderwerpen, samen uitmakende Christus\' lastgeving, of moet hij een aanzienlijke ruimte laten voor de behandeling der zaken van den dag? Het is een zeer practische vraag, die met allerlei levenstoestanden verband houdt. Laten wij bijv. de politiek eens nemen als punt van uitgang. Stel, dat iedere predikant tevens een goed vaderlander is, oprecht toegewijd aan het algemeen welzijn, ligt het dan op zijn weg op den kansel over politiek te spreken, of moet hij — met verzwijging van zijn eigen meening en zich bepalende tot het uitbrengen van zijn stem — in zijn preeken volstrekt onzijdig blijven? Aan den eenen kant kan men met kracht staande houden, dat, als iemand predikant wordt, hij geen enkel staatkundig voorrecht moet prijsgeven, in geen enkele burgerplicht te kort schieten; dat hij, als voorganger, zijn gemeente in deze gewichtige zaak behoort voor te lichten; dat de politiek in alle kringen noodig heeft de tegenwoordigheid en den invloed van mannen met reine handen en oprechte harten; en dat wat ook moge behooren tot het gebied der Kerk, het Godsrijk te doen heeft met het geheele leven der gemeenschap. Daarom besluiten wij, dat een predikant zich wel degelijk moet begeven op de kronkelpaden der politiek.
Aan den anderen kant kan bepleit worden, dat het
58
voor een predikant nauwlijks mogelijk is, deel te nemen aan den politieken strijd, zonder gewikkeld te worden in de twijfelachtige compromis en manoeuvres, waartoe alle partijen geneigd zijn; dat zijn denkgewoonten, do richting van zijn studie hem bijna onbekwaam maken voor de practisohe politiek; dat (behoudens de uitzonderingen) de meeste predikanten, politici geworden, minder oog kregen voor de dingen des geestes en in hun eigen werk te kort schoten ; dat als een bepaalde klasse van personen zich onthoudt van actieve politieke bemoeiingen, dit om zekere goede redenen voor den staat een kracht kan zijn en in geen geval een noemenswaardige zwakheid; dat Jezus, hoezeer hij ook zijn volk liefhad en in zeer moeilijke tijdsomstandigheden leefde, zich in het geheel niet bemoeide met de politiek van zijn tijd. En nu zegt men, dat de predikanten beter gedaan hadden met het voorbeeld van den Heer en de Apostelen te volgen.
Indien hijzelf tot zulk een opvatting van zijn taak komt, zal hij er 6én bijzonder voordeel van plukken. Het zal hem, als zijnde buiten den strijd der partijen gesloten, tegen wien geen aanklacht van partijdigheid kan worden ingebracht, geoorloofd zijn, zijn volk van tijd tot tijd de beginselen van gerechtigheid in te prenten, die achter alle maatregelen liggen, de heerlijke tradition van het verleden, waarin de geheele natie deelt, den hartstocht voor \'s lands welzijn, die ieder van zijn burgers behoort te bezielen, dat gevoel van broederschap, dat alle klassen ineen doet smelten. Hij zal
59
tusschen jaloersche belangen en worstelende partijen staan als een bemiddelaar, als een vredestichter, als een profeet, leidende in do padon der gerechtigheid.
Ons volgend probleem raakt de moderne opvatting van de geschiedenis der menschheid, waarmede ook de Kerk rekening heeft te houden: het probleem der Solidariteit. In onze jeugd kende men slechts een Evangelie voor het individu, nu richt het zich tot de massa. De religie bestond vroeger in het bewaren van zichzelf, nu bestaat het in \'t redden van uw buurman. Het Christendom vergenoegde zich vroeger met een gezonde ziel, nu is het begonnen naar gezonde huizen te vragen. De prediking had betrekking op de geestelijke ervaringen van berouw, geloof, vergeving, heiligheid; tegenwoordig maakt zij zich druk met vragen over kapitaal en loon, internationale arbitrage, hervorming der samenleving, verbetering van het leven. Nu is het niet het individu, maar het volk, dat voor den prediker staat.
Twee absoluut verschillende preeken, die geen enkel aanrakingspunt hebben behalve Christus, kunnen nu gehouden worden door een individualist van de oude en een solidarist van de nieuwe school, naar den tekst „Komt allen tot Mij, gij die vermoeid en beladen zijtquot;. De een zou handelen over de treurige gemoedsgesteldheid van éón persoon, de ander over het treurige leven der menigte. Bij den eerste zou de allesbeheerschende vraag zijn: „Leeft hij in de tegenwoordige wereld?quot; bij den laatste: „Gelooft hij in een toekomende wereld ?quot;
64
offering niet alleen van tijd, maar ook van gemak en van reputatie, in deze afdeeling der gewijde letterkunde hebben gearbeid.
(c) Dat voor ieder bijbeluitlegger het ignoreeren en verguizen van vertrouwbare of zelfs van twijfelachtige resultaten der kritiek en het onthouden van deze aan de gemeente, een ernstig plichtsverzuim is.
(d) Dat het bekendmaken van niet buitengewoon ontwikkelde gemeentenaren met de details der bijbelsche kritiek vervelend en verbitterend zou zijn, zoowel als in de hoogste mate droog en onstichtelijk.
(e) Dat het lezen nu en dan van eenig verkeerd begrepen boek, bijv. de profetie van Jona — welke een pleidooi is voor de verdraagzaamheid — of van het Hooglied — dat de verheerlijking is der heilige liefde, — door zijn verheven-zijn boven kleinigheden en zijn echte humaniteit, altijd belangstelling zal wekken.
(f) Dat zorgvuldig en systematisch onderricht in de literarische en historische aangelegenheden van den Bijbel het best gegeven wordt in daartoe bestemde klassen, geleid door den predikant, waar de leerlingen het volle genot van zijn kennis kunnen hebben.
(g) Dat een predikant, hoewel met allen ijver zijn studiën in dit vak voortzettende, nooit mag vergeten, dat de kritische atmosfeer koud is en wel geschikt, om het Evangelie te verkillen; en dat hij zeker geen winst maar groot verlies heeft, die het bestaan kan bewijzen van een tweeden Jezaja, maar verloren heeft de teedere vroomheid van diens drie-en-vijftigste hoofdstuk.
65
Wat hedentendage boven alles noodig is, dat is een positieve prediking door mannen, die met hart en ziel gelooven in Jezus Christus. Als iemand eenigen twijfel koestert omtrent den Christus, mag hij onder geen voorwaarde Zijn dienaar zijn; en als iemand in zijn ambtswerk van tijd tot tijd bedroefd wordt door inzinking van zijn geloof, laat hij zijn „eigen rook inslikkenquot; en op den kansel een moedig gelaat toonen. De kansel is niet de plaats, om in discussie te treden over stelsels van het scepticisme of om de grondwaarheden der religie te bewijzen, of de speculatieve bezwaren tegen het Christendom uit den weg te ruimen, of een apologie te leveren voor Christus. Dat alles is verouderde taktiek.
Jaren lang is de Kerk defensief te werk gegaan, keerend de aanvallen van de wetenschap, van de wijsbegeerte, van de literatuur, van de historie. Wij brengen Gode onzen dank toe voor de apologeten des geloofs, die hun werk gedaan hebben, edel, beleidvol, krachtig. Hebben zij met onversaagden moed stand gehouden, de tijd is nu gekomen voor de cavallerie, om een charge te maken en de overwinning te voltooien. Lang genoeg hebben wij onzen Heer verdedigd en verklaard; laten wij Hem nu openlijk uitroepen en Zijn Kruis verheerlijken met een hooggestemd hart en een onverzwakte stem, voor het aangezicht der geheele wereld.
HOOFDSTUK IV.
Theologie, de theorie der religie.
Verschillende vragen moeten in zijn geest opkomen, als de student het theologisch college verlaat en zijn ambtswerk aanvaardt; en niet de minst belangrijke van deze is; Wat moet ik doen met mijn theologie? Moet ik haar beschouwen als even zooveel deklading, die ik overboord zal werpen, zoodra het schip zee kiest, of als de ballast, die het schip in evenwicht houdt bij stormachtig weder? Van het antwoord zal afhangen of iemand de studie van deze groote wetenschap voortzet als een voorwerp zijner liefde en een student in de theologie blijft tot den laatsten dag van zijn ambtsbediening, of haar verder laat rusten als een instrument, dat zijn werk heeft gedaan en nu door een anderen geestelijken wetsteen kan vervangen worden, bijv. literatuur of staathuishoudkunde. Wat dit laatste betreft,
67
er valt een lichtvaardige verkwisting van tijd en arbeid te betreuren, als de vruchten van drie jaren harde studie worden weggeworpen en geen kapitaal van kennis vormen om op rente te zetten in den practischen kanselarbeid. Is de theologie een academische wetenschap of heeft de theologie vat op den geest van ieder denkend persoon ? Moet de theologie beperkt blijven tot de studeerkamer of kan zij met geestdrift en bezieling geleerd worden op de markt? Ongelukkig zijn er twee scholen, die een besliste meening op dit punt hebben en die om verschillende redenen de theologie verfoeien. De eene is de uiterste linkerzijde der Christelijke Kerk, die wij de rationalistische school kunnen noemen, — die groep van superieure personen, die geacht worden het monopolie der godsdienstwetenschap te hebben en den gewonen Christen plegen te beschouwen als een Filistijn op \'t gebied der religie. Volgens hen zijn de Katholieke geloofsuitingen eenvoudig antieke documenten, die niet voor kritiek vatbaar zijn en een zeer teedere behandeling vereischen. Men gebruikt natuurlijk verschillende regels om folklore en philosophie te onderzoeken. De groote Christelijke leerstukken, zoo langzaam en zorgvuldig tot stand gekomen, hebben naar de meening van deze school niet meer levenskracht dan een fossiel uit de periode der kool-formatie en zijn van niet veel meer nut dan een strijdbijl. De theologie is een doode wetenschap, die verdwijnt door de vordering der algomeene ontwikkeling, tegelijk met de astrologie en de zwarte kunst. Zij
68
zal vervangen worden door ethiek en sociologie, als de religie is teruggebracht tot „moraliteit aangeraakt door emotiequot; en de Kerk van Christus een meer uitgewerkt Kyrie genootschap is geworden. Augustinus moet plaats maken voor Marcus Aureuus en Calvijn raakt op den achtergrond voor Comte. Erger intelligente menschen niet met metaphysische speculaties; bepaal u liever tot vragen van alledaagsche plichten en neem voor afleiding „een levende belooningquot; en de levens der dichters. Werkelijk is er geen onderwerp, dat deze school niet op den kansel behandelt, van Dante tot Ibsen, van Home Rule tot Bimetalisme, met één strenge en standvastige uitzondering en wel de verheven onderwerpen, die de grootste geesten hebben getroffen en gedurende negentien eeuwen het hart der Christelijke Kerk hebben geroerd.
De theologie wordt evenzeer verafschuwd door de uiterste rechterzijde der Kerk, die religie en emotie als synoniem beschouwt en kan aangeduid worden als de Evangelistische school. [Onderscheid tusschen Evangelisch en Evangelistisch: zij verhouden zich als een genus tot een species, het een dekt een geheel land, het ander is beperkt tot een provincie.] Hun bezwaar is niet, dat onze wetenschap dien naam niet verdient, maar dat alles, wat op geregeld denken gelijkt, aan het geestelijk leven vijandig is. Zij begroeten met wantrouwen het denkbeeld, dat de Bijbel een literatuur is, langzamerhand gegroeid door de werking van den goddelijken Geest op het religieus bewustzijn van een
69
gevoelig volk, en betreuren bitter de toepassing van literarische methoden op zijn kritiek. Het boek wordt behandeld als ware het „aus einem Gussequot; en in ieder onderdeel volmaakt, zoodat een leerstuk met evenveel kracht kan bewezen worden uit Genesis als uit do Evangeliën, ja de uitspraken van Jezus zelf geen meerdere autoriteit hebben dan die van Jezaja of Paülüs. Het is misschien onvermijdelijk, dat, op het standpunt van zulke uiterste eenvoudigheid, deze school weinig sympathie moet hebben voor een uitgewerkte verhandeling over de feiten van ons geloofsleven, immers is zij geheel overtuigd, dat het mysterie van Christus\' offer boven alle wenschen is opgehelderd door de versleten illustratie van een persoon, springende in een boot, of zich afwerpende van een brandend huis. Als deze spi-ritueele en voortreffelijke school goed op dreef is, wordt zij nooit moede aftegeven op de theologische opleiding. Wij worden er aan herinnerd, dat de profeten geen college liepen — Jona wordt soms aangehaald als een voorbeeld van een snelle en merkwaardige vorming — en men beweert, dat ook de kleinste droppel kennis schade doet aan het heilig vuur; — hetgeen toch juist geen recht laat wedervaren aan het verhevene van JoKls profetie, de oratorie van den eersten Jezaja, het pathetische van Jeremia of de verbazende oorspronkelijkheid van het boek Jona. Zelfs de Apostelen worden gebruikt als een argument tegen de wetenschappelijke predikanten, en onopgevoede lieden worden als modellen van predikers voorgehouden, hoewel Jezus zelf
70
deze gekozen mannen niet voor hun werk geschikt achtte, vóór hij ze drie jaren onder zijn voortdurende leiding had gehad. Kan iemand niet zien, dat Johannes een man was van onverdacht genie, voor wien geen regels noodig zijn ? Kan iemand het universitair onderwijs in de verste verte vergelijken met dien driejarigen omgang met Jezüs? En bij geregelde tusschenpoozen brengt een of ander redenaar, vooral ten aanhooren van het onbeschaafde publiek, het versleten contrast te berde tusschen geleerde mannen zonder gratie en ongeleerden met gratie — alsof geleerdheid en gratie elkander uitsloten en wij niet allen er volmaakt zeker van waren, dat er binnen vijf jaren geen gemeente meer in het land over zou zijn, zonder den geduldigen en bescheiden arbeid van goed gevormde en gevestigde predikanten.
[Onze verhouding tot onbevoegde godsdienstpredikers is een gansch andere dan die van gediplomeerde artsen tot kwakzalvers. In den regel verheugen wij ons in dien bijstand, in het algemeen belang, en de dokters — eveneens in \'t algemeen belang — zijn er niet op gesteld. Beide professies zijn geheel belangeloos. Wie heeft er op den langen duur gelijk?]
Het is inderdaad een zonderlinge paradox, dat de linkerzijde de theologie zou bespotten, omdat zij het begrijpen niet waard is en de rechterzijde de theologie zou verachten, omdat zij boven het begrijpen verheven is, en aldus onze ongelukkige wetenschap eerst op de eene wang geslagen zou worden en dan op de andere.
71
Maar de theologen mogen zich troosten mot de overweging, dat al dat schelden en schimpen op die wetenschap slechts een der ontelbare vormen is van het moderne cant en dat de theologie een volstrekt intel-lectueele noodzakelijkheid is.
Als een student een aantal feiten uit zijn vak heeft verzameld, hetzij zijn wetenschap physisch of meta-physisch is, zal hij door de wetten van zijn geest gedwongen worden deze feiten te rangschikken en hun algemeen beginsel te ontdekken. De theologie heeft juist dezelfde reden van bestaan als physica of psychologie, waarbij nog komt zijn oneindig groot belang voor de menschheid. Hoe is de wording van een leerstuk? Iedere leer van de hoogste orde is een antwoord op een dringende vraag van de rede; zij is de best bereikbare verklaring van een geestelijk feit, historisch of experimenteel. Waarom niet berust in een feit, zonder het te formuleeren? Omdat wij redelijke wezens zijn en aan de rede vrij spel wenschen te geven in de hoogere terreinen der kennis. Telkens als de geest ontwaakt, doet men vragen aangaande het waarom en het hoe der dingen. Men gaat de omstandigheden na, bepaalt de evidentie, somt de resultaten op en drukt de conclusie in een formule uit. Uwe formule nu is de theologie, a. h. w. de hulde, die de rede aan de waarheid bewijst.
Memand kan verwachten, met blijvend succes de religie te onderwijzen, zelfs in haar eenvoudigsten vorm, zonder een behoorlijke kennis der theologie, evenmin
72
als een arts de geneeskunde zonder kennis der physio-logie beoefenen of een ingenieur, die geen verstand heeft van wiskunde, een brug bouwen kan. Zonder een systeem op den achtergrond van zijn geest, zullen des predikers denkbeelden geen intellectueel verband of artistieke verhouding hebben. Zonder een systeem, dat aan zijn preeken ten grondslag ligt, kan hij zijn hoorders niet boeien, geen blij venden indruk op hen maken. Zijn eigen overtuiging zal, in plaats van een microcosmos, een chaos zijn en zijn preeken tusschen Januari en December zullen niet eene schilderij vormen, toenemende in volmaking van perspectief en teekening, maar een kaleidoskoop van dooreenwarrelende en verbijsterende kleuren. De prediker van deze soort moge geestdriftige en bewonderende hoorders hebben, maar hij heeft geen leerlingen, in wie hij de omtrekken der waarheid indrukt. Gij kunt hem niet herkennen in de kinderen die hij onderwijst, omdat de gelijkenis zoo wisselend is, gelijk zijn uiterlijk nooit twee weken achtereen hetzelfde was. Wat hij gisteren zeide, spreekt hij vandaag tegen — maar hij is niet onstandvastig, hij is slechts onsamenhangend. Daar hij geen geestelijk kompas heeft, wordt hij door allerlei invallen en bespiegelingen in alle richtingen gedreven en maakt hij, hoewel nu en dan met iets goeds huiswaarts keerende, vele stormachtige reizen mede.
[Men moet onderscheiden tusschen een leeraar, die dezelfde zaak bevestigt en ontkent, bij wijze van een vergelijking, waar de plus- en minusteekens gelijk zijn en de
73
uitkomst x = 0 is, en een leeraar, die beurtelings tegengestelde polen van dezelfde waarheid geeft en wiens gedachtenwereld afgerond en stevig is.]
Van een stelselloos denker kunnen de menschen toch bezieling erlangen — hetgeen een groote winst is; maar op een klare uiteenzetting mogen zij niet hopen. Natuurlijk is een stelsel in zijn naakte omtrekken onbevallig en weerzinwekkend en men heeft zich met reden beklaagd over het dor geraamte van een leerstuk. Een onbedekt skelet is zeker een onbehagelijk voorwerp, strijdig met het taai-schoon, maar het ligt achter de afgeronde gratie der Venus de Medici, en houdt alleen het evenwicht der taal in stand. In hoeverre het verborgen samenstel en de symmetrische vorm door het vleesch en bloed mogen zijn waar te nemen, kan een quaestie van smaak wezen, daar er, bij manier van spreken, mannelijke en vrouwelijke ge-dachtenomtrekken zijn, maar weelderigheid en bevalligheid moeten berusten op kracht. Als een gemeente zich gelukwenscht, omdat een preek duidelijk was, bedoelt zij eigenlijk, dat deze theologisch was, en dit kan waar zijn, hoewel er van \'t begin tot het einde geen woord theologie in voorkwam. De wingerd verborg het latwerk.
De theologie heeft hare wilde speculaties en vele excentriciteiten gehad als iedere wetenschap, maar hare hoofdbemoeiingen, waarnaar zij moet beoordeeld worden, zijn geweest de krachtige pogingen der rede, om de beginselen te begrijpen, die aan de verschijnselen der
74
religie ten grondslag liggen. Het staat vrij te beweren, dat leerstukken verouderd en te verwerpen zijn: het is ongerijmd de noodzakelijkheid en het nut der theologie te ontkennen, daar het hoogst onbillijk is het merkwaardig talent te loochenen of te verkleinen, waarvan de wording dezer wetenschap getuigt en waaraan, bij den val van het Romeinsche rijk, het behoud te danken was der letteren in \'t algemeen. Zij, die meedoen aan de Filistijnsche verguizing der theologie en toelaten, dat zij wordt voorgesteld als der belangstelling van den ernstigen geleerde onwaardig, zijn zelf hun ambt onwaardig. Indien het loffelijk is de kevers te classifi-oeeren en de kenners op \'t gebied der coleoptera met eenige plechtigheid van hun vak spreken, dan is er zeker ook plaats voor een wetenschap, die zich bezighoudt met God en de ziel. Men kan zich nauwelijks grooter zonde denken tegen het licht in de Kerk dan onverschilligheid of vijandigheid ten opzichte der theologie, of onbeschaamder bespotting van de idee „Universiteitquot;, dan het weglaten of uitsluiten van éón wetenschap; nog wel de koningin van alle anderen en die, waarin die anderen hun samenhang en hun kroon vinden.
quot;Wij, predikers, zijn allicht geneigd ons uit het veld te laten slaan bij de onbeschaamde bewering, dat een gewoon auditorium geen belang stelt in theologie en alleen naar ons luisteren zal op de wonderlijke voorwaarde, dat wij het niet geven die ééne zaak, die we verondersteld worden grondig te hebben geleerd. Het ver-
75
wacht van een historicus geschiedenis, van oen geoloog aardkunde, maar van een leeraar in de theologie — en wij zijn voor het publiek de eenige leeraars in de theologie — alles, hoezeer ook verwijderd van het onderwerp, als het maar niet te degelijk en te diep doordacht is. Ik waag de onderstelling, dat het zwijgend publiek vaak belasterd is door luidruchtige praatjesmakers en er zelf eenigszins anders over denkt. Gaat men de literatuur na die den meesten opgang maakt, dan zou men niet op de gedachte komen, dat de menschen een afkeer hebben van theologie. Tn de laatste jaren bijv. hebben vier gewrochten der verbeelding zeer de aandacht getrokken en grooten opgang gemaakt. Het eene is „John Inglesantquot;, dat een betere beschrijving geeft van het quietisme dan men ergens vinden kan, behalve in Alfred Vaughan\'s „Mysticsquot;. Het tweede is de „Story of an African Farmquot;, dat een vreemd licht werpt op de stijve, onbehagelijke theologie der Hollandsche Kerk. Het derde is „John Ward, Preacherquot;, dat een heftige veroordeeling is van het strenge en onbuigzame Calvinisme, dat vroeger vaak het leven en de energie van het Presbyteriaansch kerkgenootschap heeft verlamd. Het vierde is dat merkwaardige, al te hoog geroemde boek „Robert Elsmerequot;, waarvan iedereen weet, dat de schrijfster in roman-vorm het probleem behandeld heeft van de wording des Christendoms, een probleem, waarover tegenwoordig vele geesten zich bezwaard gevoelen. Deze wijze van behandeling is een eenig verschijnsel en voor zoover wij
76
weten iets geheel nieuws in de literatuur. Het is onmogelijk, zich in de beteekenis daarvan te vergissen, of do behoefte, waaraan het allerwege tegemoet komt, te loochenen. Men moge omtrent het verdienstelijke van die boeken het zj\'ne denken. Men moge twijfelen aan hun kunstwaarde. Men moge de gewoonte om de theologie te populariseeren, waarbij het vulgaire niet altijd vermeden wordt, met argwaan zien veldwinnen, en er van gruwen, dat in de salons over de opstanding onzes Heeren en tusschen de soep en de visch over het al of niet bestaan van wonderen gediscus-siëerd wordt. Alles gaat nu met onstuimigheid van het klooster naar de markt en ernstige lieden houden hun hart vast. Zoowel agnostici als christenen mogen de vroegere bescheidenheid, reserve, terugwenschen en geen van beiden zouden ze gaarne het voorhangsel voor het Allerheilige in de ziel verscheurd zien. Men moge ook overtuigd zijn, dat de verbinding van fictie en theologie uit moet loopen op verval van de kunst en op een parodie van de wetenschap. Maar de neiging van de ernstiger geesten onder het publiek blijkt klaar en die is beslist tot de groote vragen, die de kern vormen van het Christelijk geloof en raken aan de grondslagen der religie. De menschen zullen, ten doode toe vermoeid, zich niet druk maken om moraal, zelfs niet om natuurkunde, maar, als iemand op een bevattelijke wijze quaesties durft behandelen betreffende het geloof, kan hij op aller belangstelling rekenen.
Maar mijn bewijsvoering op dit punt is niet beperkt
77
tot een paar opzienbarende romans, die nu weer plaats maken voor andere pseudo-fictieve werken over de tweede brandende vraag der monschheid — want er zijn slechts twee: Liefde en Religie. Tier boeken hebben onlangs een min of meer machtigen indruk gemaakt op de openbare meening en elk staat zijdelings in verband met de problemen der theologie. Het eene is Balfour\'s „Foundations of Beliefquot;, het tweede Pearson\'s „National Life and Characterquot;, de profetie van het pessimisme; het derde Kidd\'s „Social Evolutionquot;, dat voor het eerst op wetenschappelijke gronden de religie erkent als een factor in de ontwikkeling der maatschappij; en Drujmond\'s „Ascent of Manquot; een poging om de evolutie te evangeliseeren. Geen toongevend tijdschrift wordt als volledig beschouwd zonder een zuiver theologische bijdrage en de uitgever verheugt zich, als hij een dispuut kan organiseeren over het hiernamaals of over een mirakel van Jezus, terwijl hij met hetzelfde genoegen abonnés tracht te winnen uit allerlei klassen, van de eenzame geleerden af tot de ministers der kroon toe. Draper\'s „History of the conflict between Religion and Sciencequot; heeft meer uitgaven beleefd dan eenig werk van de „International Science Seriesquot; en het zou interessant zijn te weten, hoe veel meer vraag er in de laatste tien jaren is naar een werk als „Lux Mundiquot;, dan naar een boek over staatkunde. Moge de kansel al bang zijn voor de theologie, de uitgevers zijn het niet en zij zijn de onfeilbare barometers van de smaak van \'t publiek. De lucht is
80
zou nu een Hercules-arbeid zijn. De theologie is als iedere andere wetenschap in vakken verdeeld en ieder heeft zijn eigen beoefenaren. De een neemt O. T.ische geschiedenis, een ander profetie, een derde evangeliën, een vierde de epistels. Daar is dogmatiek, exegese, kerkgeschiedenis, ethiek, palaeographie. Morgen kan er nog een verdere onderverdeeling komen, totdat ieder boek in den bijbel en iedere periode in de kerkgeschiedenis en ieder leerstuk zijn specialiteit heeft. Wij moeten onderscheiden tusschen een geleerde van beroep en een dienstdoend predikant, gelijk wij het doen tusschen een hoogleeraar in de geneeskunde en een praktisee-rend arts. Wij bewegen ons in de praktijk en zijn grooten dank verschuldigd aan de onderzoekers, welke erkentelijkheid wij het best kunnen toonen door van hun arbeid gebruik te maken. Onze werkkring is die van de theologische tusschenmannen, die de wijsheid der scholen, goed gesorteerd en uitgelezen, tot gemeengoed moeten maken. Wij moeten ons niet slechts bepalen tot het verledene, maar ook aan het tegenwoordige onze aandacht wijden, alle snipperuren gebruikende om de jongste en beste theologie te lezen en in ons op te nemen, opdat onze gemeente ten volle geniete van die groote herleving der gedachte, die den bijbel doet bloeien als een roos.
Het zou voor de Kerk een gelukkige onderneming zijn, zoo zij ter aanvulling van den arbeid harer geestelijkheid deskundigen uitzond, om in de grootere steden en, voor zoover mogelijk, in de provincie-centra
81
lezingen te houden over de voornaamste theologische quaesties. Dit middel zou een dubbel voordeel meebrengen, want het zou een klasse van geloovige geleerden kweeken en de laatste resultaten der theologische wetenschap aan de gemeente mededeelen, niet gekleurd door dien twijfelgeest, die zich te buiten gaat aan allerlei theorieën zonder grond en dat arglistig ongeloof, dat zonder omslag het bovenzinnelijke wegredeneert. Men zou ook gaarne een serie theologische handboeken zien verschijnen, in oen leveudigen stijl geschreven door bevoegde mannen, zoodat iedereen, geleerd of ongeleerd, in ons land zich een vertrouwbare en belangrijke theologische kennis kon eigenmaken, evenals dat bij de physica en de physiologie het geval is. De Kerk kan zich bezwaarlijk de eer toeëigenen, dat zij tot deze algemeene belangstelling in de theologie den stoot gegeven heeft, maar als hare kinderen, tot voldoening hunner weetgierigheid, zich moeten wenden tot onge-loovige geleerden, zou zij deze rampzalige zonde op haar geweten hebben.
De tweede voorwaarde van het succes is, dat wij onze wetenschappen voor een beschaafd geslacht klee-den in een behoorlijken vorm. Het is een schande, als de theologie armelijker gekleed gaat dan vergelijkende anatomie of staathuishoudkunde; en hare beoefenaren kunnen niet van nalatigheid vrijgesproken worden. Zij hebben zich zooveel moeite gegeven om licht te ontsteken, dat zij onverschillig werden voor wat lieflijk is. Met weinig uitzonderingen kan men zich moeielijk
6
82
iets meer barbaarsch voorstellen, dan het jargon der Puriteinsche theologen. Owen is hun meest verafgode voorganger en de vervelendste en onhebbelijkste schrijver op iemands boekenplank. Toch leefden de Puriteinen op \'t einde der bloeiperiode der Engelsche letteren, toen Shakespeare juist gestorven was en Milton zijn „Verloren Paradijsquot; schreef. Men heeft onder meer aan de Puriteinsche denkers van vroeger en later tijd verweten, dat, terwijl zij ontzachelijk veel hebben toegebracht aan de theologie, zij de literatuur slechts verrijkt hebben met één boek, „Des Christens reize naar de eeuwigheidquot;; misschien kan Howe\'s „Living Templequot; nog daarbij gevoegd worden. De verklaring hiervan kan niet liggen in een noodzakelijken strijd tusschen beschaving en theologie. Erasmus, de Faraday der nieuwere theologie en die rijke geest, Sir Thomas More, beproefden een verzoening tot stand te brengen. Maar bijna onmiddellijk daarna liepen de wegen der theologen en humanisten uiteen, en sedert zijn de theologen, enkele voortreffelijken uitgezonderd, de letteren gaan minachten en hebben de humanisten de theologie vervolgd met hun bitteren scherts. Maar dat is geen reden, waarom de woorden, als gehoorzame dienaren, den theoloog niet even vaardig ten dienste zouden staan als den dichter; want poëzie en Christendom leven en bewegen zich en zijn beide in dezelfde sfeeren. In ieder geval heeft de theologie ook hare stilisten gehad en het lezen van hare Meesters heeft een opvoedende kracht. De majesteit van Hooker, het schit-
83
terende van Jeremy Taylor, de liefelijkheid van Leigh-ton, de zuiverheid van Newman, de doordringende kracht van South, de vaardigheid van Bushnell en de kloekheid van dien ongeleerden theoloog John Bunyan zijn een genot en een model te gader. De theologie, die niet met den hoofdstroom der letteren is meegegaan, is onveranderlijk gestrand in een of andere ondiepte en vergeten; de mannen, die wetenschap en schoonheid hebben vereenigd, leven en bloeien. [Samuel Rutherford en aartsbisschop Leighton waren van denzelfden tijd — beiden waren uitnemende geleerden en nog uitnemender vromen, EDTHEEroRn\'s theologie is onleesbaar, terwijl Leighton\'s „St. Peterquot; op de boekenplank van iederen theoloog te vinden is, omdat het eene literatuur is en het andere niet.] Het publiek zal meenen, dat de theologie nu eenmaal op een barbaarsche wijze moet worden voorgezet, als het ziet, dat Professor Huxley de natuurwetenschap even boeiend gemaakt heeft als een roman. De letteren wreken zich snel op een verwaanden theoloog, door hem hare hulp te ontzeggen, als hij in nood verkeert en hem de nuttige les te leuren, dat er geen scheiding mag zijn tusschen beschaving en religie.
Elk predikant beslisse voor zichzelf, in hoeverre hij aan zijn gemeente een beslist theologisch onderricht wil geven, maar ter zake van het al of niet doortrekken van zijn preeken met theologie, heeft hij niet te kiezen. Juist als de groote meesters in de kunst de volledige naakte gestalte plachten te schilderen in
86
eenvoudig in Christus on leeft met Hem, en leert van Hem en volgt Hem tot den dood, omdat Christus de macht der zonde heeft verbroken, of zijn gewond hart heeft vertroost, of aan zijn zielsverlangen heeft voldaan, of licht geworpen heeft op de duisternis van het graf. De Kerk is zichzelf nog niet bewust, ook heeft zij haar geloof nog niet in beeld gebracht. Haar positie is met Petrus: „Heer, tot wien zullen wij heengaan dan tot TJ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levensquot;. Dit is de eeuw der Mystiek.
Dan komt de dogmatische periode, als de waarheid allengs bezinkt en haar eersten zichtbaren vorm erlangt. Onder den druk der bespiegeling of bij de aanvallen van het ongeloof toeft de Kerk in den stroom barer emoties en onderzoekt wat zij gelooft.
[In Wien zij gelooft, weet zij en, door alle verandering van het dogma heen, blijft zij gelooven; steeds van hare verste reizen op het gebied der theologie tot Hem terugkeerende.]
Er bestaat groote vrijheid van discussie, daar er geen antecedenten te ontzien zijn, geen uitwendig gezag geëerbiedigd behoeft te worden. De reiziger heeft geen wandelkaart, want er heeft nooit een meting van het land plaats gehad, hoewel de bevolking er geleefd heeft en zich verlustigd in zijn vruchtbaarheid. Langzaam en pijnlijk met wilde intellectueele stormen, soms met schandelijke beroeringen, ontdekt de Kerk haar geest.
[Een mensch kan nooit weten, wat er leeft in zijn geest, voor iemand er uitdrukking aan gegeven heeft,
87
vandaar onze dankbaarheid jegens een dichter, die ons leert spreken.]
Zie, hoe het meest uitgewerkte en yolledige dogma der Katholieke geloofsleer, het dogma van de persoon onzes Heeren zich ontwikkelt uit dat zelfbewustzijn der Kerk. Een scherpzinnig en vroom geleerde loochende de godheid van Christus, en de Kerk ontving een schok van verrassing. Na een bitteren strijd verklaarde de Kerk, in concilie bijeengekomen, dat Christus wel degelijk God was. Maar de quaestie over de persoon onzes Heeren was nu in het debat betrokken en de rede moest haar tot het einde toe uitwerken. Ben ander geestelijke, als kon verwacht worden, loochende nu Christus\' menschheid, en de Kerk stelde vast, dat Hij waarlijk Mensch, zoowel als waarlijk God was. Daaruit volgde bijna, terwijl de rede door dit verheven mysterie haar weg vervolgde, dat iemand in dat geval zou kunnen staande houden, dat Jezus twee personen moest zijn en, na eenige redewisseling, decreteerde de Kerk de óóne persoon van Jezus. Zoo kon het gebeuren, dat een vierde theoloog éón natuur in Jezus aannam en wederom kwam de Kerk bijeen en stelde de twee naturen des Heeren vast. Op deze wijze werd de leer van Christus\' persoon uitgewerkt door een snel en herhaald ingrijpen der rede — een onvermijdelijk en ordelijk verloop — en is het werk der vier conciliën van blijvende waarde. In plaats van de persoonlijke Christelijke uiting „ik geloofquot; komt de Kerk en herhaalt het Nicoensche formulier. Dit is de eeuw der Dogmatiek.
88
Nu volgt de na-dogmatische periode, die niet geschikt is veel geestdrift te wekken en zich kenmerkt door een onduldbare dorheid. De leer, die a. h. w. gesmolten vloeide uit harten, brandende van een goddelijke liefde, liep nu uit in een vorm en koelde af tot gietijzer. Gedurende deze periode poogden de geleerden aan het dogma een richting te geven, die nooit door de ontwerpers bedoeld was en verledigden zich in een strijd over details, waarvan de meesten van bitter weinig betee-kenis waren. De leer houdt op eene levende realiteit te zijn en wordt een zuiver intellectueele voorstelling, bij welker handhaving men zalig kon worden, zelfs al bedreef men openlijk de grootste zonde; bij welker loochening men verdoemd zou worden, zelfs al ware men een heilige. Dit is de eeuw der ScMastielc.
[Men zal wol doen te bedenken, dat hoe koud en samenhangloos met het leven ons menig dogma in onze dagen moge toeschijnen, het toch eens moet uitgedrukt hebben een diepe overtuiging van geloovige Christenen en dat de vorm, hoe gebrekkig ook, een eeuwigen inhoud bevat. Daar is geen dogma van den eersten rang, dat niet de uitdrukking is van een levende reli-gieuse idee.]
Ten slotte komt er een tijd, waarin ernstige mannen, afkeerig geworden, niet van de eeuwige beginselen, maar van hunne tijdelijke omhulsels, ten aanzien van de dogmatiek schoonschip willen maken. Zij maken het gebouw met den grond gelijk en gaan dan nauwkeurig de fundamenten onderzoeken. De Kerk keert weer terug
89
tot de elementaire feiten van openbaring en ervaring, om hunne authenticiteit en realiteit te toetsen en te zien, welk gebruik er nog van kan worden gemaakt, ten bate van iedere afzonderlijke ziel en van het gemeenschappelijk geestelijk leven. Deze kritische geest is niet noodzakelijk een geest van willekeur of van euvelmoed; hij kan integendeel zeer vroom en nederig zijn. Ook behoeft hij juist niet iconoclastisch te wezen: een leerstuk kan getoetst worden, alleen om het in zijn waarde te herstellen. Dit is de eeuw der kritiek.
Daar is eerst de eeuw van Johannes, dan de eeuw van Athanasiüs, dan de eeuw der Scholastici en dan komt de eeuw van Erasmus. Waarna een andere cirkel aanvangt.
[Ieder tijdperk kau men a. h. w. geïncarneerd vinden in Christelijke tijdgenooten en iedere vereeniging van eenigen omvang kan een mysticus, een dogmaticus, een scholasticus en een criticus aanwijzen. Tusschen iemand, wiens dogma een levend deel is zijner ziel en een ander, die zijn dogma draagt als een horloge, dat hij naar believen kan vertoonen, is een hemelsbreed verschil. Zoo gij den eersten aanvalt, wondt gij hem; zoo gij den laatsten aanvalt, wordt hij toornig. Men moet nooit aan een criticus wanhopen of meenen, dat hij hopeloos koud is; hij is zich zeer wel bewust, dat hij in de poolcirkels verkeert en iederen dag wegreizen kan naar de tropen. Als een criticus verandert, wordt hij altijd een mysticus.]
Het is niet moeilijk, de eeuw onzer vaderen te ka-
90
rakteriseeren; oen eeuw, wier leeraren wij met vereering herdenken, maar wier onderwijs aansprakelijk is voor een zekeren weerzin hij hunne kinderen, welke dikwijls geleid heeft tot dwaze en gevaarvolle uitersten. Zij schiepen geen dogmatiek, lieten geen nieuw licht vallen op de hoogste onderwerpen van onze geloofsleer; zij waren geen critici, voegden niets toe aan de bronnen der dogmatiek. Zij namen eenvoudig over, wat reeds geschapen was en verdedigden hardnekkig het eenmaal vastgestelde, tot de tittels en jota\'s toe. Zij doorzochten de leerstukken in alle schuilhoeken en kleinigheden en wierpen heiligen uit de Kerk, omdat zij van hen verschilden in een of ander bijkomstig punt. Groote en machtige concepties, gelijk die van de Drieëenheid en de Vleesch-wording, hadden geen voeling meer met het leven, en men had zelfs geen flauw vermoeden van haar ethische beteekenis; nog herinnert met zich met afschuw, hoe de eene werd behandeld als een probleem van Euclides en de andere als een zeer geschikte uitweg. De idee der inspiratie werd teruggebracht tot een mechanische theorie, die den goddelijken oorsprong des Bijbels onge-loofelijk maakte, en de Kerk verliep zich, bij gebrek aan eenig groot intellectueel belang, in futiele discussies over het geoorloofde van gezangen en orgels bij den openbaren eeredienst. De nacht is het donkerst juist vóór den dageraad en men weet dat, als zulke dingen voorkomen, het scholasticisme zijn hoogtepunt heeft bereikt en de dag der kritiek aanstaande is.
Toen in sommige deelen der Kerk verstandige Chris-
91
tenen heftig redetwistten over vragen als : „stierf Christus voor allen of slechts voor enkelenquot; en was Zijn lijden juist de straf, die ons had moeten treften of was het daarvan een equivalentquot;, begon de geest der kritiek, die zich in Duitschland reeds lang op de classieke literatuur geworpen had, zich te richten op de Heilige Schrift. Het was eenigen tijd vóór de Engelsch sprekende kerken den invloed van deze nieuwe beweging voelden, maar het mag toch wel herinnerd worden, dat in 1841 Frederic Myers, predikant van St. John\'s Church, Keswick, een werk in \'t licht zond, getiteld: „Catholic Thoughts on the Bible and Theologyquot;, waarin hij zeer helder en overtuigend de moderne opvatting van de samenstelling des Bijbels uiteenzette, en welk boek tot vruchtbare gedachtenwisseling heeft aanleiding gegeven. Gedurende minstens het vierde eener eeuw hebben nu de geleerdste mannen der Kerk zich onttrokken aan de studie van het dogma (met schitterende uitzonderingen natuurlijk) en zich toegelegd op de kritiek met het heugelijk gevolg, dat zij een nieuw en rijk gebied aan de theologie hebben toegevoegd, welks frissche en overvloedige wateren ook naburige provinciën hebben besproeid en tot nieuw leven gebracht.
De hedendaagsche predikanten hebben hunne opleiding genoten in deze eeuw en zijn gedoopt met haar geest. We hebben gedeeld in het hopen en trachten, wij hebben gevoeld de twijfelingen en worstelingen van onzen tijd en wij kunnen nu vrijmoedig tot onze gemeente spreken over zijne gebreken en zijn vruchten.
De kritische richting heeft de Kerk gekwetst door hare aanmatiging, want hare leeraren waren maar al te vaak geneigd te spreken, als hadden zij een nieuw Evangelie. Natuurlijk hadden zij niets van dien aard en konden dat ook niet hebben. Een schat van kennis hebben zij gegeven en sommige traditiën hebben zij verwijderd, maar een blijde boodschap voor de ziel kan de kritiek nooit zijn. Het Evangelie is een stemme Gods, die klinkt van het eerste boek des Bijbels tot het laatste, en eenige wetenschap, welke ook, die zich bezighoudt met het lichaam der boeken, raakt niet aan de ziel daarvan. De criticus heeft ontwijfelbaar aanspraak op de dankbaarheid der Kerk, maar, als hij zich wil doen gelden als evangelist, gaat hij zijn bevoegdheid te buiten.
De kritische richting heeft ook gezondigd door liefdel oosheid; want sommige baanbrekers der nieuwe school kenmerkten zich niet door goede manieren en gedroegen zich zeer oneerbiedig ten opzichte van het verleden. Terwijl een ontdekker op het gebied der natuurwetenschap steeds dankbaarheid gevoelt voor den arbeid zijner voorgangers en in nederigheid hunne fouten verbetert, in het besef, dat hij op hunne schouders staat en dat ook zijne resultaten eens zullen worden herzien, was de bijbelsche criticus geneigd de vroegere geleerden mot onverholen minachting te bejegenen en hunne misvattingen met boosaardige voldoening ten toon te stellen. De kritische richting is misverstaan en belasterd, zij is vervolgd en gesmaad
93
en in zulk een behandeling van hare rechtschapen en getrouwe dienaren heeft de Kerk gezondigd; maar tot hare rechtvaardiging kan met volle vrijmoedigheid worden aangevoerd, dat de kritiek zicli vaak vergrepen heeft aan de gevoelens en het geloof van een oudere generatie, die obscurantisch moge geweest zijn, maar toch ook prijs stelde op vroomheid en heiligheid.
[Als een predikant zich geroepen voelt een nieuw gezichtspunt te verdedigen, behoort zijn stijl bijzonder voorzichtig en bedachtzaam te zijn, omdat hij vele brave lieden moet ergeren en gevaar loopt sommiger geloof te schokken. Als een liberaal theoloog bitter en onverdraagzaam is, geeft hij a. h. w. een satyre op zijn positie en, zoo er eenig onheil op volgt, heeft hij zijn verdiende loon. Velen laten zich niet uit het hoofd praten, dat het bepleiten van geavanceerde ideeën behoort te worden toevertrouwd aan kloek gebouwde mannen met een sterke constitutie. De mensohen willen van een forsch, goedgehumeurd man gaarne aannemen, wat hen tot krankzinnig wordens toe zou prikkelen van een schraal man met een pieperige stem.]
De kritische richting heeft echter twee groote diensten bewezen aan de dienstdoende predikanten en een daarvan is van apologetischen aard. Bijna alle gebruikelijke aanvallen op den Bijbel, die goedkoop mogen geweest zijn, maar toch in groote verlegenheid brachten, worden afgeweerd, zoodra men den Bijbel beschouwt als een progressieve en gradueele openbaring. Als de slachting der Kanaiinieten en zekere handelingen van David
96
mystici a Kempis, Taüler, Böibie, Law en Andrews liebben op nieuw vat gekregen op religieuse geesten; dichters als Herbert en Keble deelen in deze populariteit en William Blake, de dichter-schilder, wordt als een godheid vereerd. Vrome lieden komen samen op allerlei plaatsen, om zich te verdiepen in de geestelijke dingen en terwijl zulke conferenties vroeger een herhaling waren der Zondagspredikatie, zijn zij nu gewijd aan een esoterische vroomheid, waarin men drie klassen onderscheidt, de onwedergeborenen, de wedergeborenen en de volmaakten, die den doop des Heiligen Geestes hebben ontvangen en ingewijd zijn in de diepere mysteriën van het religieuse leven.
[Samenkomsten, strekkende tot verdieping van het geestelijk leven, bewijzen dat vele ernstige Christenen niet bevredigd worden noch door het dogma noch door de kritiek, en smachten naar een inwendig licht en naar een directe gemeenschap. Want de religie kan wonen in drieërlei plaats: in de rede (theologie); in het geweten (ethiek); en in het hart (quietisme). Men moet zulke vergaderingen van de „Vrienden Godsquot; met blijdschap begroeten en hun voorspoed toewen-schen, maar tegelijkertijd kan met het slechts betreuren, dat de Kerk niet in iedere behoefte van hare kinderen heeft voorzien; ook is het jammer, dat de nieuwe quietisten zoo gebonden zijn aan de letter der Heilige Schrift en met woorden spelen op een wijze, die de ongerijmdheid nabijkomt, en dat zij niets hechten aan hunne afstamming in rechte lijn van hunne geestelijke
1
97
voorouders, zoowel vóór als na de Hervorming. Onze quietisten schijnen om hun huis te zwerven, maar eens zullen zij de deur vinden en binnentreden, om bezit te nemen van hun wettig erfdeel. De predikant behoort een teedere zorg te hebben voor zulke superieure en teedere zielen in zijn gemeente, hij houde private gesprekken met hen en voede hen van tijd tot tijd met spijzen, passend bij hunne lievelingsgerechten, ontleend aan de Psalmen en het Johannesevangelie.
Het onweersprekelijkst bewijs, dat wij reeds verkeeren te midden van een echte en gezonde mystiek, is de onwillekeurige terugkeer tot Christus, het feit, dat van alle kanten en van allerlei scholen Christenzielen zich begeven a. h. w. naar de plaats hunner geboorte, gelijk visschen naar den stroom waar zij tehuis behooren. Vele traditiën zijn weggevaagd en vele theorieën zijn als onbruikbaar terzijde gelegd; maar boven de stofwolken van het strijdperk verrijst het aangezicht van Christus. Voorzeker is daar sedert dien vroegen morgen, toen het geluid Zijner voetstappen nog op de aarde gehoord werd en Zijne verschijning in het vleesch nog versch in \'t geheugen lag, geen tijd geweest, waarin Christenen zoo vurig trachtten te weten, wie Jezus was en wat Hij leerde. Ook is daar sedert de dagen der Komeinsche martelaren geen tijd geweest van zulk een innige toewijding aan Zijn persoon, hetzij men hiervan de bewijzen zoeke bij het Heilsleger, dat met al zijne blijkbare buitensporigheden bezield is door een edelen en eenvoudigen heldenmoed, of bij de Zending,
7
wier martelaren Afrika veroveren voor den Heer.
Als een predikant zijn gemeente wederom tot Christus voert, zal hij goed doen twee uitersten te vermijden. Hij wende zich noch tot de Evangeliën alleen, want daar is sprake van een aardschen Christus, noch tot de hemelen alleen, want daar ontmoet hij een onbekenden Christus, maar tot Hem, Die leeft tot in eeuwigheid en dien wij hebben in de Evangeliën. De kritiek geeft ons den historischen Christus, de mystiek geeft ons den geestelijken Christus en beide vereenigd geven ons den reëelen Christus.
We moeten bidden, dat de geest der mystiek lang moge aanhouden en onze harten verteederen, maar het is bijna zeker dat de Kerk weldra met de reconstructie van het dogma zal beginnen en dat er nu reeds mannen leven, die tot dit doel zullen medewerken. Dogmatici zijn nog zeer zeldzaam, maar het materiaal voor hun werk hoopt zich snel op en de Kerk zal spoedig verlangen, dat de resultaten der nieuwere kritiek en exegese verzameld worden en vastgezet in den vorm van een leerstuk. Een paar zwaluwen kondigen reeds de lente aan en Dr. Faikbairn\'s „Christ in Modern Theologyquot; en Canon Gore\'s „Incarnationquot; \') wijzen op een nieuwen tijd — een tijd, waarom velen bidden.
Zal echter de Christelijke Kerk van de volgende eeuw een schoon en aannemelijk leerstelsel hebben.
1) Tot boeken, als hier door den schrijver bedoeld, zou men in ons land kunnen rekenen E. Snellen\'s In Christus verzoend. Vert.
99
dan kan dit slechts geschieden op twee voorwaarden, waaraan men vroeger niet dacht. De eene is, dat aan de theologie dezelfde vrijheid worde toegestaan als aan eenige andere wetenschap, geestelijk of physisch. Waarom heeft het dogma zóóveel afkeer gewekt, dat de bloote gedachte aan een herleving daarvan intelligente en liberale geesten met schrik vervult? Niet omdat zy aan de theologie het recht konden ontzeggen hare conclusiën te formuleeren, hetzelfde recht dat de natuurwetenschap heeft, of dat zij de oogen konden sluiten voor de verbazende vorderingen, die de theologie in den jongsten tijd gemaakt heeft. Zij herinneren, dat de Kerk vroeger niet tevreden was, haar gevoelen als dogma vast te stellen, maar voortaan alle kritiek daarop verbood en hare leden voor eeuwig daaraan gebonden verklaarde, en zij kunnen de vrees niet van zich afzetten, dat deze droeve tragedie worde herhaald. Waarom heeft de natuurkenner geen grieven tegen zijn voorgangers en zal hij ze nooit smaden, terwijl de moderne theoloog geneigd is zijn vaderen te verscheuren ? De natuurkenner is niet beperkt geworden binnen de grenzen der 4de of eeuw, terwijl op den theoloog de doode hand van conciliën en confessies rust. Het is te hopen, dat iedere afdeeling der Christelijke Kerk welhaast niets anders van hare leeraren zal eischen dan eene verklaring des geloofs in Jezus als den Zoon Gods en den Heiland der wereld en een belofte. Zijne geboden te onderhouden, en hun overigens de meest volledige vrijheid van denken en leeren zal toestaan.
100
De andere voorwaarde, is dat het blijkbaar verschil tussohen religie en dogma zonder omwegen worde erkend. Men kan wandelen in het licht en toch niets afweten van sterrekunde, evenals St. Thomas, die in de practijk een dienaar van Jezus, maar in theorie ten opzichte van den Christus een scepticus was. Men kan in de sterrekunde gestudeerd hebben en toch wandelen in de duisternis, evenals de Farizeërs, die volleerd waren in de wet en Jezus naar het kruis verwezen. Het is zeer zeker te betreuren, als een Christen geen rekenschap kan geven van zijn geloof; hij behoorde door zijn leeraar aangespoord en aangemoedigd te worden, om zich toe te leggen op de theologie, maar altijd zullen er grondige denkers zijn met een berispelijk leven, en zwakke denkers met een zeer loffelijk leven. Onder zulke gunstige omstandigheden kan de theologie ten slotte haar tijd afwachten, totdat zij in de haar toekomende eere hersteld is.
Als die tijd komt, mogen we verwachten getuige te zijn van een herleving van vergeten gedachte; en het zal, gelijk sommigen zich verbeelden, niet zoozeer een nieuwe godsdienstleer als wel een oude theologie zijn (die vóór haar tijd kwam), welke zich zal acclimatiseeren tot christelijk geloof. Het is bekend, dat er onder de Kerkvaders twee richtingen waren, de school van Auoustinus en de school van Clemens van Alexandrië. De eene school bouwde de geheele theologie (genomen in algemeenen zin, maar toch nauwkeurig genoeg) op de conceptie, welke den Eeuwige voorstelde als Wetgever
101
en Souverein. De andere school, die van Clemens, bouwde de conceptie van den Eeuwige op de idee van Zijn Vaderschap. Velen hebben het niet zonder reden betreurd, dat Clemens van Alexandrië niet dien invloed op het denken der Christelijke Kerk heeft gehad, welken hij verdiende. Maar laat ons geen aanmerkingen maken op den Goddelijken Geest en ook geen voorbarige conclusie trekken ten aanzien van de ontwikkeling der leer. Zeer duidelijk is het verband te zien tusschen den zedelijken toestand der menschheid en haar opvatting van de Godheid. Zoowel de ervaring van het individu als de ervaring van een volk leert, dat er een groei valt op te merken in de denkbeelden aangaande God; de volle Godsidee bereikt slechts langzaam haar hoogtepunt. Niemand kan ontkennen, dat het eerste, wat aan het menschelijk geslacht moet worden ingeprent, vooral, wanneer het nog verkeert in een geestelijk lagen en onontwikkelden toestand, is de idee van de Goddelijke macht en de Goddelijke heiligheid. Dat was vooral noodig, toen de wereld door corruptie in ontelbare stukjes verbrokkeld was en men kan zich voorstellen, hoe de Christelijke theologie den troon van het doode Komeinsche rijk in bezit nam en over de gewetens der menschen heerschte tot hun bestwil, als men zich herinnert, dat de leer van Augustinus ten nauwste verbonden was met het zedelijk bewustzijn. Voor de leer van Clemens was de tijd nog niet rijp; deze zou in de bestaande omstandigheden schade hebben toegebracht aan het zedelijk leven. Maar daarom was
103
zijn evangelische theologie nog geen ijdel werk; en nu, nu de conceptie van God als den Koning, den Heilige en den Almachtige ons a. h. w. in het bloed zit, zijn wij op een gezonden moreelen grondslag voorbereid, om Hem te ontvangen als den lief hebbende en genadige, den Vader. Men kan derhalve nu reeds voorspellen, dat de nieuwe leer zal gebaseerd zijn op de conceptie van het Goddelijk Vaderschap — niet hot Vaderschap dat het Rechterlijke en de Rechtvaardigheid van God teniet doet, maar het Vaderschap, dat deze vereenigt in een edeler en hoogere eenheid; en dat de Vleesch-wording van onzen Heer Jezus Christus, als de openbaring des Vaders en het Hoofd des menschelijken geslachts van jaar tot jaar aan dat geslacht een meer gezegende en practische vrucht zal opleveren.
Het moet heerlijk geweest zijn te ademen in de dagen der Renaissance, hetzij der natuurwetenschap of der letteren — te leven in de dagen, die aan de Reformatie voorafgingen, toen de classieke beschaving herleefde en zich wederom aan de wereld vertoonde: te leven in de eeuw van Elizabeth en te voelen de inspiratie van Spenser en Shakespeare! Enkelen van ons weten wat het is, in deze eeuw de verbazingwekkende ontdekkingen en de schitterende verwachtingen der natuurwetenschap te hebben mogen aanschouwen; maar in al deze tijdperken is er niets geweest, zoo heerlijk als de dag, waarop de theologie der Christelijke Kerk weer zal opstaan, niets verloren hebbende wat goed en waar was in \'t verleden, en wederom opgebouwd op den
103
dubbelen grondslag van Gods Vaderschap en de Vleesch-wording van onzen Heer Jezus Christus. Ik geloof, dat wij dan zullen zien een treffende verzoening, de schoonste die ooit kan plaats hebben. Wij hebben vaak verlangd naar een verzoening tusschen wetenschap en godsdienst, waar het niet noodig was; vaak verlangd naar een verzoening tusschen rede en geloof, waar het niet noodig was, daar ieder werkt op een verschillend terrein van het menschelijk leven; maar ééne verzoening, waarnaar alle vrome en godvruchtige mannen smachten, is broodnoodig en dat is de verzoening tusschen dogma en religie. Deze staan niet tegen elkander over en als zij ooit tot een betreurenswaardige tweespalt gekomen zijn, zullen zij nu vrede sluiten ter liefde van den Vader en van Jezus Christus, Zijnen Zoon.
Een der meest beteekenisvolle schilderijen der Ita-liaansche kunst stelt de ontmoeting voor van St. Domi-kicüs en St. Francisoüs. St. Dominictjs behoorde tot de orde, welke belast was met het ontwikkelen en het bewaren der leer en wier leden om hun theologische bitterheid en vaak onredelijke vervolgingen de „honden des Heerenquot; genoemd werden. St. Praxciscus was, gelijk een groot Fransch criticus verklaarde, het schoonste Christelijk karakter sedert de dagen van Jezus; hij was het, die de religie met nieuw leven bezielde. Op deze schilderij zijn Doiimcus, de auteur en verdediger van het dogma, en Francisous, de nederige discipel en volgeling van Jezus saamge-komen en, elkander omhelzende, kussen zij elkaar, alzoo
104
verbindende wat God vereenigd had en geen mensch mag scheiden: de vreugdevolle vroomheid der ziel en het eerbiedvolle dogma van het intellect; een gelukkige profetie van den dag, waarop
Geest en ziel, in schoon verbond,
A.ls vroeger één muziek doen hoeren,
Maar grootscher.
HOOFDSTUK VI.
Bestuur eu inrichting Tan een gemeente.
Ouden van dagen kunnen zich nog den tijd herinneren, toen de gemeente nog een zeer eenvoudig organisme was — niet meer dan een Bathybius der kerkelijke wereld. De lieden verwachtten twee diensten op Zondag; de kinderen gingen naar de Zondagschool; de predikant had eene klasse, om jonge lieden op te leiden voor hun belijdenis. Gemeenten van liberale kleur bewilligden eens in het jaar in een gezellige samenkomst, die van een strengere richting waagden een proef op zendingsgebied. De gebouwen, bij de kerk, bestonden uit een consistoriekamer, en, in enkele buitengewone gevallen, een ruimte onder de kerk, laag van verdieping en donker, met misschien een paar kelder-vertrekken, waar de jonge lieden, evenals in de allervroegste dagen der christenheid, onder den grond in
106
holen en gaten samenkwamen. De gemeente bemoeide zich ook niet met eenige poging, in \'t werk gesteld om de maatschappij te verbeteren, en zou zich zeer verbaasd hebben, indien haar gevraagd ware mede te werken tot vermindering van het aantal kroegen in de stad, of om een inrichting te openen tot sociale en intellectueele ontwikkeling van de omliggende streek. Enkele enthousiasten, baanbrekers van een komenden dag, ondernamen op eigen initiatief allerlei; een afschaffersgenootschap of een naaivereeniging; maar zulke pogingen waren slechts bijwerk en gingen buiten den hoofdstroom van het gemeenteleven om. De taak van den predikant was zijn preeken voor den Zondag klaar te maken en van huis tot huis zijn gemeentenaren te bezoeken; de taak der gemeente. Zondags tweemaal naar de kerk te gaan en naar de preeken te luisteren. De gemeente was in die dagen iets rustigs, iets ouderwetsch, in \'t bezit van een monopolie voor haar naaste omgeving en een onbetwist gezag over de men-schen; alles ging zijn gang zonder rumoer of beweging.
Het leven is binnen een menschenleeftijd als geëlec-triseerd op elk gebied; het is scherp, heftig, vindingrijk geworden, een eindelooze wedloop, waarin de verstziende, de scherpzinnigste, de meest geschikte zijn buurman voorbijsnelt en wint. Men heeft soms gewenscht, dat de Kerk van Christus door dezen koortsigen ijver niet beroerd ware geworden en, te midden der haar omringende rusteloosheid, een haven van vrede had geboden. Men moet evenwel erkennen, dat de Kerk niet kan
107
leven, geïsoleerd, geheel los van de wereld, maar dat de stroomingen der buitenwereld ook in haar leven zich moeten laten voelen. Voor wel en wee — meer voor wel dan voor wee — had de gemeente een open oog en hield ze haar tijd bij. Het jaarverslag, met zijn dienstregelingen, zijn verschillende posten, zijn ingewikkelde financiën, wedijvert met dat van een of andere handelsvereeniging. Kerkelijke gebouwen beschikken nu over allerlei hulpmiddelen, van bibliotheken en leerkamers af, tot werkplaatsen en uitspanningslokalen toe: zij zijn electrisch verlicht en het orgel wordt bespeeld en getrapt door electriciteit; met schrik zien sommigen den tijd naderen, dat de phonograaf op den kansel zal gebruikt worden en van de welsprekendheid van beroemde mannen, levende en gestorvene, naar believen kan worden genoten. De predikant is een man van zaken, hij publiceert elk jaar een programma, dat veel heeft van een handelscirculaire met de noodige nieuwe artikelen en reclamemiddelen, hij beheert de meest uiteenloopende dingen, voert een uitgebreide correspondentie en houdt een journaal bij, waarin hij haastig zijn contracten boekt, evenals een beursbezoeker. Het kerkelijk werk is een wetenschap geworden, waarop jonge predikanten zich hebben toe te leggen en de gemeente is misschien de hoogst ontwikkelde instelling in de menschelijke [samenleving. Laat ons eens de verschillende onderdeelen daarvan in oogenschouw nemen. Beginnen wij daartoe met Het Tehuis der gemeente; de volgende grond-
110
er bij. Het materiaal daarvan ligt in het gebouw. Bedorven lucht is een hulpe voor Satan en oorzaak dat de een slaapt, een ander niet stil kan zitten, een derde een persoonlijken aanval in de preek ontdekt, ter zake van een of andere kwalijk riekende ketterij. In werkelijkheid was het koolzuurgas dat hij opsnoof. En inderdaad de overeenstemming is volmaakt. Frissche lucht en orthodoxie gaan evenzeer samen als opgeruimdheid en liefde.
[Hier raken wij aan de onuitputtelijke quaestie van den tocht; we moeten ons beperken en geven ten gerieve van predikanten de volgende opmerkingen: — Dat er nog nooit een kerk geweest is zonder tocht: dat dat de eenige reden is, waarom sommigen niet met attentie luisteren, dat een tocht van tien paardekracht hen niet uit de komedie of van een receptie zou houden, dat de kerkvoogden per jaar wel vijftig plannen hebben te onderzoeken om den tocht te verhelpen, maar dat de echte kerktocht niet door physische middelen kan verholpen worden: dat het, om kort te gaan, een duivelsche streek is van den vorst der luchtmachten, zooals ieder weet, die Keltisch bloed in de aderen heeft.]
(c) Het kerkgebouw diene ook geschikt te zijn, d. w. z. passend voor zijn doel, een plaats, waar ieder den prediker kan zien en hooren. Daar zijn er, die beter luisteren met gesloten oogen en die tevreden zouden zijn, al zaten ze achter een Normandischen boog — hot gezicht leidt hun aandacht af —, maar de meerder-
Ill
heid luistert ook met de oogen en vindt in de telkens veranderde uitdrukking van des predikers gelaat een doorloopende commentaar op zijn woorden. [Niets is triviaal, wat met het succes van den pastoralen arbeid in verband staat. Zoo is het ook een gewichtige vraag, of de predikant goed geschoren behoort te zijn, opdat zijn lippen de duidelijkheid van zijn woorden bevordere.] De bouwkunde is een edele kunst en architekten behooren ongetwijfeld tot het zout der aarde, maar niets zal mij overtuigen dat zij, over \'t geheel genomen, ooit denken aan een goede acoustiek in de kerk of andere nuttige zaken, uitgezonderd, wanneer deze een gedenkteeken konden zijn voor hun genie. Als de lieden toevallig de preek kunnen verstaan op den dag der inwijding, kent hunne dankbaarheid geen grenzen en men bluft er op, dat men in de St. Beda\'s kerk „zoo goed kan hoorenquot; — als de architekt hun een dak gegeven had, zouden zij hem niet meer hebben kunnen zegenen — terwijl in tien van de twintig keeren, de autoriteiten veel tijd zoek brengen met het schiften van de menschen naar de banken, waar zij toch niet kunnen hooren, of met het overwegen van de quaestie, of de predikant het Evangelie beter zou kunnen verkondigen met een klankbord of wel met metaaldraden, dwars door de kerk gespannen. De gedachte is ongerijmd, dat in de Kerk van Christus een predikant moet beoordeeld worden naar zijn spreekorgaan, gelijk op sommige plaatsen gebruikelijk is, zoodat iemand met weinig anders dan een flinke stem een
114
(e) Zooveel vrije kamers als men krijgen kan, ieder ongeveer twintig voet in \'t vierkant en voorzien van een tafel, stoelen en een bord, voor klassen van allerlei aard, jongelingsvereenigingen, en andere doeleinden. [Eén kamer zij bestemd voor het koor en worde aan de hoede van den organist toevertrouwd.]
(f) Een sakristie of predikantekamer, die ruim, luchtig, goed verlicht en goed gemeubileerd moet zijn. Dit is des leeraars heiligdom en hij zelf legge de laatste hand aan de stoffeering: een paar lievelingsboeken, een George Herbert in de facsimile-editie, de Pioretti van St. Franciscus, Rutherford\'s Brieven, Whittier\'s Gedichten, het een en ander van Christina Eosetti, opdat hij in goed gezelschap moge zijn, vóór hij zijn heerlijk werk aanvaardt; voorts hange hij aan den wand een Perüoino en een Angelico, opdat hij gesterkt worde door een blik op den Gekruisigde en de heilige engelen, vóór hij tegenover zijn medemenschen staat. Deze kamer worde beschouwd als het uitsluitend eigendom van den predikant, waar hij alléén kan zijn, alléén met zijn God, vóór hij spreekt in Zijn naam, waar hij ook hen kan ontvangen, die hem alleen wenschen te spreken. Als een kerk vertrekken genoeg heeft, mag men de sakristie niet voor genoegelijke bijeenkomsten gebruiken en onbeduidende gesprekken over het weer worden beter in het voorportaal gehouden. Eindelijk, als het eenigszins kan, behoort er wat groen en bloemen te zijn, zoowel in de kerk als in de kamer van den predikant, naar gelang van het jaargetijde, sneeuw-
115
klokjes en leliën en rozen, terwille van hem zelf en van zijn gemeente.
Wat het Bestuur der gemeente betreft diene het volgende. Den futielen strijd over de \'waarde der verschillende stelsels ontgaan wij door zonder voorbehoud het goddelijk recht van alle systemen te erkennen — vooreerst, omdat zij zich allen beroepen op de Handelingen der Apostelen en de Brieven van Paülus, om nog niet eens te spreken van de Kerkvaders in de eerste eeuwen; en voorts omdat ieder van de drie groote systemen, die zich gronden op de Heilige Schrift — het Episcopale, het Congregationeele en het Presbyte-riaansche (de Methodisten stemmen toe, dat het hunne een vrije vinding is) — door God gezegend is en aldus gewijd. Voor een gemeente is het eerste vereischte een bestuur, hoe ook ingericht, opdat er regel zij en geen wanorde en het tweede dat het gezag beruste in handen van één man. Een commissie kan nu eenmaal niet regeeren en twaalf man verbrokkelen het gezag. Een regeerder is noodig, hij heette Czaar of President, en in de gemeente zij hij de predikant. Wie is er meer geschikt voor dan de man, die de gemeente moet leiden, raden, vertegenwoordigen ? Wie heeft het meeste belang bij haar welslagen, wie het meeste leed, als het haar niet goed gaat? Zoo hij het niet is, wie dan? De luidruchtigste, de rijkste, de koppigste? Als een gemeente verschoond wenscht te blijven van aanmatiging en over-heersching, laat zij dan den wettigen bestuurder steunen en eiken overweldiger weren. Als een gewoon lidmaat
118
vergadering, evenals de Paus, voor zoo ver hij het voor zich zelf en voor de gemeente dienstig oordeelt, onfeilbaar en absoluut.
Dit Kabinet behoort stilzwijgend een eed van geheimhouding af te leggen, opdat het volkomen vrij moge zijn in de vervulling van zijn taak en de predikant moet met de leden van zijn Kabinet omgaan in vol vertrouwen, zonder eenige achterhoudendheid; hij legge hun niet alleen bepaalde voorstellen voor, maar geve hun ook inzage in zijn plannen, late zijn trouwe raadslieden deelen in zijn vreugde en verdrietelijkheden en neme hun raad aan, ook in vele kleinigheden van zijn privaat leven. Zij behooren te weten, wanneer hij van huis gaat, waar hij is, hoe het hem gaat en voorts alle veranderingen in zijn leven, tenminste vier en twintig uur vóór het publiek het weet. Indien de Raad tegen een zijner voorstellen bezwaar maakt, doet hij het verstandigst het in te trekken, maar als zij het goedkeuren, kan hij zonder vrees zijn gang gaan. Dit moge monarchie zijn, het is in elk geval constitutioneele monarchie.
Het spreekt wel van zelf, en het ligt geheel in de menschelijke natuur, dat er ook weerspannige gemeenteleden zullen zijn, die zich beklagen over den inhoud der prediking, of over den gang der werkzaamheden en zich nu verplicht achten onrust te stoken. Als zij in den grond vroom en voor rede vatbaar zijn, behoort de predikant hen met verschooning te behandelen, in een geest van opheldering en verzoening, zooals een dienaar van Christus betaamt. Zijn zij farizeeuwsch of
119
twistziek, dan zou het jammer van zijn tijd zijn, zoo hij hen te woord stond, hetgeen alleen de ijdelheid van zulke lieden zou voeden: laat hij er beleefd op aandringen, dat zij tot een andere gemeente overgaan, waar zij zich beter tehuis gevoelen. En mochten zij weigeren, dan ga de predikant te rade met het bestuur en dwinge de muiters het schip te verlaten, want een schip kan vele stormen van buiten weerstaan, maar muiterij onder de bemanning leidt tot den ondergang. Ben gemeente wordt niet zwakker, maar sterker door het verlies van een dozijn mannen die op alles vitten en overal luide hun ontevredenheid te kennen geven.
Als daarentegen iemand met zulk een oproerig verleden zich aanmeldt en verlangt te worden aangenomen, dient zijn verzoek beslist afgeslagen. Het is noch verstandig noch nobel, iemand welkom te heeten, die zijn best gedaan heeft, een naburige gemeente schade toe te brengen en het leven van een broedercollega te verbitteren. Daar is een hoffelijkheid tusschen de natiën, er behoorde ook een beleefdheid tusschen de verschillende kerkelijke gemeenten te bestaan, zoodat ieder van deze gesloten zou zijn voor den kerkelijken anarchist. Mocht iemand vragen wat er van hem worden moet, waarom zou men dan niet in iedere groote stad voor dergelijke lieden een kerk stichten, waar zij in quarantaine gehouden werden, tot zij berouw toonden, als wanneer men hen zou kunnen vrijlaten, en weder onder de gezonden opnemen. Voor het dienstwerk in zulk een strafkerk zou men een predikant kunnen
120
aanstellen, die door boos humeur of heerschzuchtig gedrag twee gemeenten had te gronde gericht. Onder zulke wederzijdsche tucht zouden zoowel predikant als gemeente een goeden kans hebben op genezing.
De predikanten zouden wel doen de etiquette der artsen na te volgen, die nooit vergeten wat zij aan de eer van zich zelf en van hun collega\'s verschuldigd zijn. Geen predikant behoorde een collega in \'t publiek te beoordeelen of toe te laten, dat in zijn tegenwoordigheid iemand zich over zijn leeraar beklaagt, evenmin mag hij huisbezoek doen bij eens anders gemeenteleden, noch op eenigerlei wijze direct of indirect trachten hen van zijn ambtgenoot af te trekken. Ieder predikant moet zijn broeders ten alle tijde bijstaan en in geval van nood zijns broeders werk overnemen.
Behalve van een wijs bestuur, dat het brein is, hangt het welzijn van de gemeente af van een broeder-1 ij k e n geest, die het hart is eener gemeente. Evenals een college of een regiment moet een gemeente dat juiste en eigenaardige esprit de corps hebben, dat zijn oorsprong vindt in oude traditiën, gevoed wordt door een belangeloozen arbeid en kostelijke vruchten draagt. Het kostelijkste erfdeel van een oude gemeente is niet hare fondsen, maar haar geschiedenis, de namen der heiligen die op hare halfvergane geschiedrollen te lezen zijn en de heugenis hunner werken. De eerzucht van een nieuwe gemeente in de eerste jaren harer vorming moet zijn het navolgen van een waardig model. Want zoowel het kerkelijk als het familieleven onderscheidt
121
zich door oen bepaald karakter, zóó zelfs dat de overgeërfde trekken eener gemeente bij haro leden zichtbaar zijn: zekere eigenaardigheden in de leer, zekere bijzondere manier van werken, zekere richting van geloofsleven.
[Sommige kerken kunnen wel eens, dank zij haro hooge positie en oude afstamming, al te veel gevoel van eigenwaarde hebben en dit kwam mij eens voor den geest, toen de kerkeknecht van een gemeente, be-hoorende tot mijn ring, mij eens vroeg, waar ik gevestigd was en of ik wettig was geordend; hij bereidde mij op een gering aantal hoorders voor, daar men wist, dat de Dominó van huis was, maar hij verblijdde mij voor den volgenden dienst met de mededeeling, dat er verscheidenen weer teruggekomen waren — een omstandigheid, waarover hij zijn verwondering niet kon verbergen. Als iemand na zulk een ervaring niet nederig en ootmoedig wordt, is hij onverbeterlijk. Maar het was evenzeer mijn vaste overtuiging, dat een andere gemeente, in denzelfden ring, te gering van zichzelf dacht, toen het bestuur mij in de kerkekamer verklaarde, dat hun predikant zoo geleerd en veelzijdig was, dat hij beroepen moest worden naar een kerk in een deftiger omgeving en dat voor hen de beste leeraar zou zijn een eenvoudig man zonder te veel wetenschap, „inderdaad juist iemand als gijzelf!quot; Beide uitersten zijn te vermijden.]
Uit liefde tot zijn gemeente mag een predikant, al bestaat er nog zoo\'n groot verschil van meening tusschen
122
hem en zijn gemeentenaren of al voelt hij zich verplicht hen vaderlijk te berispen, nooit een boos woord tegen hen zeggen in anderer bijzijn, noch toelaten, dat een vreemde zich hatelijk over hen uitlaat. Niemand stelt de gebreken zijner vrouw tentoon en niemand durft tot haar echtgenoot iets kwaads van haar zeggen; en zoo zijn gemeente en predikant vereenigd in een geheiligd verbond, samen deelende in dezelfde liefde en reputatie. Van dezelfde gevoelens behoort een gemeente jegens haar predikant bezield te zijn. Heeft hij gebreken of begaat hij misslagen, dat zij ze bedekke; heeft hij uitnemende eigenschappen en doet hij zijn werk goed, dat zij zijn roem verkondige. Voor de zijnen behoort hij de bekwaamste prediker te zijn en de meest welsprekende, dien zij ooit hoorden. Leden van andere gemeenten, met talentvolle voorgangers, verwonderen zich en glimlachen bij deze zotte inbeelding, want de laatste keer, dat de waardige man voor hen preekte, vonden zij hem bijzonder vervelend. Voor hen — ja, omdat hij hun leeraar niet was; zij beoordeelden hem naar zijn armzalige, niet zeer verheven, predikatie (en hij had zich voor deze verwende gemeente juist bijzonder ingespannen! had hij maar een van zijn eenvoudige toespraken genomen) maar zijn eigen gemeente leest tusschen de regels — zijn ziekenbezoek, zijn deelneming bij beproeving, zijn overgroote vriendelijkheid jegens hen en de hunnen. Terwijl zij in hun banken zitten, geven zij zijn preek uit met noten aan den voet der bladzijden, zoo veelvuldig,
123
dat het origineel nu en dan geheel verdwijnt; zooals een eenvoudig grijs-steenen gebouw met rozen en clematissen bedekt wordt en het oog bekoort door zijn schoone tinten en kleuren. Do menschen worden zeer getroffen door zijn welgekozen voorbeelden, zijn diepzinnige argumenten, zijn roerende vermaningen, maar hij schreef ze niet in de laatste week; er zijn stukken bij tien, twintig, dertig jaren oud.
Zelfs voor het kerkgebouw gevoelt een vrome een liefde, die met de jaren toeneemt en voortduurt tot de dood hem medeneemt naar een hooger heiligdom. Prozaïsche menschen zien hem op Zondagmorgen een dozijn fatsoenlijke kerken in de buitenwijken passeeren, terwijl hij ijlings voortstapt naar een donker hoekje in de binnenstad ; zij schrijven dit toe aan zijn neiging voor het ouderwetsche en zijn kattenaard, die hem doet hechten aan een bepaald gebouw. Zij laten hem echter geen recht weervaren, zij hebben weinig zin voor poëzie. Deze volstrekt niet sentimenteele man, met zijn open oog voor der werkelijkheid, heeft zijn eigen redenen.
[De meest verharde heeft nog een teedere, dichterlijke, romantische plek in zijn hart en hij hoopt in stilte, dat de prediker hem daar weet te treffen. Zijn weinige lievelingsbloemen haalt hij op Zondagmorgen te voorschijn, in de hoop, dat hunne stoffige blaadjes door een buitje verfrischt en een knop of twee door den liefelijken zonneschijn geopend mogen worden.]
Onze vriend heeft zijn redenen voor zijn pelgrimstocht door de stad en zij doen hem eer aan. Toen hij
124
zich in de stad ging vestigen, sloop hij op een morgen die kerk binnen en het kwam hem voor, dat hij daar verwacht werd. Een ouderling drukte hem de hand en leidde hem naar zijn bank; later vroeg hij hem ten eten en zeide hem, dat er voor hem iederen Zondag plaats zou zijn. Daar is in die kerk een bank, die hij in \'t donker zou kunnen vinden, want daar, juist bij het venster, onder de galerij ontmoette hem de Christus. In die kerk werd zijn huwelijk gewijd en daar droeg hij zijn kinderen op aan God. Het was het woord, dat hij in die kerk hoorde, dat hem steunde bij al het leed dat hem weervoer, het was in hare zijgangen dat hij de heilige vaten droeg van het Sacrament, dertig jaren lang. quot;Wel is hij arm, die geen gewijde plaatsen op aarde heeft, en deze kerk is voor den man als de poorte des hemels. Ben gemeente, uit zulke lieden samengesteld gelijkt op die oude gebouwen, waarin de steenen tot óéne vaste massa samengegroeid zijn. Voor een predikant uit de meer aanzienlijke stadsgedeelten moge het menschelijk zijn dezen man met innig verlangen na te zien, als hij zijn deur voorbijgaat, (wie zou niet gaarne zulk een trouwe ziel in zijn gemeente hebben ?), maar die predikant zou den naam van Christus onwaardig zijn, zoo hij zijn standvastigheid niet waardeerde en God er niet voor dankte dat zijn broeder in de binnenstad zulk een trouwe hulp heeft.
[Het tegenovergestelde van deze trouwe ziel is de nomade op kerkelijk gebied, die iedere drie jaar van kerk verandert, die bij zijn komst aan iederen predi-
125
kant verzekert, dat naar zijn gering verstand hij de schitterendste redenaar van de stad is, die begint met iederen dienst in de week bij te wonen, zelfs de lid-matencatechisatie, die het betreurt niets aan de kas te kunnen bijdragen, daar hij zijn vermogen voor andere doeleinden heeft weggegeven — wiens vrouw u tegen het einde der drie jaren komt bezoeken om u mede te deelen, dat zij zich verplicht voelt met haar echtgenoot mede te gaan, die veel stichting haalt uit een reeks lezingen, welke een nieuw predikant van een naburige kerk houdt over de Fiolen uit de Openbaring. Een jong predikant voelt zich zeer gevleid door de overkomst van zulk een geestdriftig heerschap, en eenigszins ter neer geslagen door zijn vertrek; een oudere beschouwt zijn komst met meer kalmte en waagt de onderstelling, dat zijn plaats in de kerk te veel van den tocht te lijden had.]
We komen nu tot de geestelijke ontwikkeling der gemeente en het springt in \'t oog, dat heden ten dage een zware verantwoordelijkheid rust op de Kerk met betrekking tot het onderwijs der jeugd (en ook van ouderen) in het Christelijk geloof. Wat er ook gedaan moge worden in de Staatsscholen, — en met blijdschap dient erkend, dat er veel gedaan wordt — het is duidelijk, dat de Kerk hare kinderen zoo grondig mogelijk moet inwijden in haar geloof. Voor dit doel behoort er in iedere gemeente een geleidelijk opklimmende instelling te zijn, die het jonge kind opneemt in de laagste klasse der Zondagsschool en hem als man de laatste
128
met geregelde godsdienstoefeningen; een literarische, waarin goede boeken en onderwerpen van sociaal belang kunnen besproken worden; een practische, die philanthropisch werk kan ter hand nemen; en (zoo het wenschelijk geacht wordt) een sanitaire, voor lichaamsoefeningen en excursies. Nog beter ware een kinder-bond met een of anderen bijzonderen naam, die eiken winter een half dozijn prettige samenkomsten houdt, in een aardig versierd lokaal, waarbij de tooverlantaarn niet ontbreke, om bij de kinderen belangstelling te wekken voor de zending, geheelonthouding en liefdadigheid. Als de gemeente een groot aantal mindere beambten in dienst heeft, kunnen ook deze zich vereenigen tot een bond (die meestal een sociaal karakter zal dragen), omdat zij anders zoo licht zich afzonderen en weinig deel nemen aan het gemeenteleven en omdat er in de gemeente geen vereeniging zal zijn trouwer, vriendelijker en welwillender dan deze.
De Bijbelbond bekrone en voltooie het systeem en worde in deze dagen ten sterkste aanbevolen. De predikant is hiervan voorzitter en de leden, tot de jaren des onderscheids gekomen en, als van zelf spreekt, behoorende tot de meest ontwikkelden in de gemeente, vormen een soort van studentencollege. Uit de contri-butiën worden de kosten van een bibliotheek bestreden, waarin elk nieuw boek, dat gunstig beoordeeld is, wordt opgenomen, totdat de gemeente door deze vereeniging een fraaie volledige collectie bezit van hedendaagsche bijbelliteratuur. Als de winter in twee cursussen ver-
129
deeld wordt, kan men in ieder een boek van het Oude of Nieuwe Testament behandelen — nadat het moderamen vooraf zoo zorgvuldig mogelijk een kort overzicht heeft samengesteld. De leden leveren bijdragen over het auteurschap, de geschiedenis, samenstelling en denkbeelden van een bijbelboek, welke stukken als grondslag kunnen dienen voor de discussie. Het is opmerkelijk, van hoeveel arbeid zulke referaten soms getuigen en hoe grootsch en begrijpelijk de Bijbel onder dit onderzoek wordt.
Het genootschap voor Christelijk hulpbetoon kan, wat haar religieuse en practische zijde betreft, in de plaats treden van de jongeliedenvereenigingen, maar het omvat niet zulk een groot arbeidsveld. Het heeft vrienden en vijanden, maar over \'t algemeen is men van oordeel, dat deze beweging voor de gemeente veel goeds heeft tot stand gebracht en waarschijnlijk voelde Kerk een groote steun zal zijn. Betreffende de ver-eenigingen in den boezem der gemeente is dit ten slotte de alles beslissende vraag: versterken zij of verzwakken zij de Kerk. Zijn zij takken, die uit den stam opbloeien, „in hunne blaren des hemels lucht en licht vergarenquot; — zijn ze een schoonheid, een kracht? Dat men ze dan voede en sterke! Of zijn het parasieten, die aan den boom zijn beste sappen onttrekken, een weelderige, schadelijke, weerspannige woekerplant? — laat ze dan afgesneden en weggeworpen worden, want ze zijn in elk geval slechts een uitvinding van menschen, maar de Kerk is van Christus en een schuilplaats voor de ziel.
9
132
in een arraenbuurt verkoopt om naar een fatsoenlijke wijk te verhuizen, zij ziet in de couranten de opzienbarende aankondigingen van preeken, de ondernemingen om geld bijeen te krijgen, van de bazaars af tot de jaarfeesten toe. Men minacht de Kerk niet om zulke practijken, integendeel — wat veel bedenkelijker is — men sympathiseert met haar. Ook zij wordt meegesleept in den algemeenen wedloop en kan hare zaken niet op de ouderwetsche manier drijven. Ook zij moet met haar tijd medegaan, nieuwe stoomers bouwen en reclame maken. Met onze ingewikkelde financieele en statistieke rapporten in de hand, taxeert broeder leek in een oogwenk het succes van een predikant en, tenzij hij gevoel heeft voor de dingen des geestes, kan men er op aan, dat zijn maatstaf zoo materieel mogelijk zal zijn. Zijn al de zitplaatsen verhuurd? Zijn de bestuursleden koningen van de beurs? Zijn er vereenigingen van allerlei aard? Is er een batig saldo aan \'t einde des jaars? Zoo ja, dan is hier, volgens dezen schranderen, respectabelen man, een predikant, die succes heeft op zijn werk. quot;Wel mogelijk, maar niet om genoemde redenen. Ook hier is een kerk, waarvan de helft der zitplaatsen niet verhuurd is, met onbekende namen in haar be-stuurslijst, met weinig fondsen. Hapert hier iets aan de energie ? Misschien: misschien ook niet. Het kan zijn, dat deze man menschen vormt, terwijl de ander slechts huurders van zitplaatsen heeft. De rapporten hebben hun nut en met het oog op strengtoeziende kerkelijke waardigheidsbekleeders, mag men hunne
133
kolommen niet geringschatten; maar wel mag men er tegen protesteeren, dat het succes van Christus\' Kerk geschat wordt naar het aantal zitplaatsen en het geld. Wat soort van menschen tiert het best in deze koopmansatmosfeer? Niet de profeet; hij verkwijnt en versterft te midden van al die cijfers; maar in zijn plaats zal men zien verschijnen het laatste product van den tijdgeest: den organisator. Met dat deze juist een goed prediker of een geleerde is, maar een man van zaken en een degelijk bestuurder is hij zeker. Gaarne laten wij aan ieder talent recht wedervaren — en ook het orga-niseerend talent is een gave —- maar men bedenke zich wel driemaal, eer men zulk man tot zijn predikant kiest. Maak hem verkiezingsagent of directeur van een Y werkmansassurantie-maatschappij, die zelf de contributiën
ophaalt, of laat hem het huis in orde maken van een of anderen grootmoedigen gever, die zooveel menschen heeft, dat hun Bondslokalen voor hen te klein werden. Maar vertrouw geen arme zielen aan zijn prediking toe; de stof daarvoor zal wel altijd aan het boek Numeri ontleend zijn. Iemand kan in een jaar wel eens secretaris of iets dergelijks worden, maar niet een goed predikant; wat hem betreft, de menschen zullen wel naar een andere kerk gaan voor hun dagelijksch brood. Inderdaad, de organisator heeft eigenlijk geen menschen ï noodig; een werkelijk bekwaam man van dit type zou
een gemeente kunnen organiseeren op een verlaten eiland. Wat wij in onzen tijd noodig hebben, zijn niet beheerders, maar herders en iedere hinderpaal, welke
134
een man, die de gave des woords heeft, beletten zou aan zijn verheven roeping te voldoen, behoort uit den weg te worden geruimd. Een leeraar arbeidde drie jaren nacht en dag en, toen zijn bediening plotseling werd afgebroken, had Hij slechts een vertrek vol men-schen. Maar een man uit dezen heette Joiunnes en een vrouw heette Mama Maqdalena. Een enkele Eaphael telt meer dan honderd dragelijke impressionistische schetsen. Eén enkele ziel, opgekweekt door een geduldig leeraar, weegt op tegen een grooten troep hoorders.
Onze voorbeelden zijn ontleend aan de stadsgemeente, maar daarom denke men nog niet gering van de dorpskerk en haar trouwen pastor.
quot;Wat zou er worden van de Christenbevolking in de stad zonder de mannen en vrouwen, krachtig en kloek, die er telkens van het platte land bijkomen? Wie vormde hun karakter? Deze man, van wien nooit iemand hoorde, die al te vaak door geldgebrek wordt gekweld, die het laagste tractement heeft, die het gevoel niet van zich kan afzetten, der Kerk tot last te zijn. Laat hij het hoofd weer opheffen. Zijn werk is blijvend, want hij heeft gearbeid in onvergankelijk materiaal — niet in zilver of goud, maar in menschenzielen. Zijn Meester weet het: hij heeft zijn loon niet weg. Het eene jaar voor, het andere na, werkt een onbekende monnik aan een ruw blok, voor een zuil in de cathe-draal, totdat eindelijk het heerlijk Christusbeeld voltooid is. Hij sterft en men begraaft hem in een vergeten graf; maar iederen morgen stroomt het licht door het
135
oostelijk raam over het hoofd van Christus, als uit de oogen des eeuwigen Eechters, en dekt met gouden glansen des Heeren beeld, door Zijn nederigen dienaar gewrocht. Als de opvolgende geslachten door de zijbeuken daarbeneden voortwandelen, blijft daar hoog boven hen, heerlijk schoon en onveranderlijk, het gedenkteeken van den onbekenden arbeider.
HOOFDSTUK VII.
Het werk van een pastor.
Als in de Kerk van Christus het gezond verstand wat meer tot zijn recht komt en zij haar zaken met even veel overleg beheert als een bankinstelling, kan men zeker zijn, dat hare leiders eenige heilzame hervormingen zullen invoeren. Ongeschikte en onbekwame mannen zullen zonder aarzeling worden verwijderd, volgens het juiste beginsel, dat de predikanten bestaan om de Kerk, en niet de Kerk om de predikanten. Evenzeer zal er overeenstemming moeten zijn tusschen den man en zijn werkkring, zoodat een geleerde, die zijn weg kan vinden tusschen de Hexateuch-oorkonden J, E, D en P, als een veldwachter door een moeras, niet aan \'t hoofd gesteld worde van een Inwendige Zending in \'t Oosterkwartier; en een kloek evangelist, wiens preek uit drie spreuken bestaat, vol onweersprekelijke waar-
137
heid, maar zonder veel zorg voor taal en stijl, niet van Januari tot December belast worde met de zielszorg van een beschaafd publiek. Misschien zullen sommigen onzer ook nog den tijd beleven, dat vier om het bestaan worstelende stadsgemeenten, ineensmelten tot één groote en machtige kerk voor een gansche wijk. Een gemeente van bijv. 4000 zielen, in \'t bezit van een kerkgebouw met 2000 zitplaatsen — zoodat het voldoende ruimte bevat voor alle leden, ook bij den drukst bezochten dienst — zou verschillende onloochenbare en belangrijke voordeelen hebben boven hare vier voorgangsters :
(а) Het aantal te maken preeken zou met drie kwart verminderd worden en de prediking meer beteekenen, wijl de prediker den electriseerenden stimulus zou hebben van een groote menschemenigte en niet in een half ledige kerk de grootste groep zou behoeven uit te zoeken voor zijn vermaningen, uit vrees dat hij, in de holle ruimte nu hier dan daar afdwalende, den schijn op zich zou laden van personaliteit. Het is een onverantwoordelijke misslag, dat mannen, wier woorden duizenden zouden gesticht hebben, veroordeeld zijn, voor een handjevol menschen al hun geestdrift in te boeten.
(б) Predikanten en besturen zouden verlost zijn van de kwellende financiëele vraag, hoe voor negentien gulden iets gedaan te krijgen, dat twintig kost en de gemeenten zouden niet telkens met nieuwe collectes worden lastig gevallen, omdat de inkomsten veel grooter
138
en de uitgaven belangrijk minder zouden zijn. Geven moet met gratie geschieden en is een zeer uitmuntende oefening voor het karakter, maar het eindeloos en pathetisch gebedel op allerlei manieren, van de bazaars af tot de „teameetingsquot; toe, getuigt volstrekt niet van gratie en baat niemands karakter.
(c) Het practische werk der gemeente zou met kracht bevorderd worden, door een vermeerdering van stoffelijke en geestelijke hulpbronnen: mannen die konden geven, mannen die konden raden, mannen die konden werken, mannen die konden bidden — de vier, die het ontzenuwde menschdom weer moeten opheffen — in gelukkige en eendrachtige samenwerking.
(d) Het gemeenteleven zou vrij zijn van de afgunstigheden, jaloersheden, eerzuchten en twisten, die het meer bekrompen leven van kleinere vereenigingen verbitteren. Diotrephes is een machtig man onder twee honderd arme lieden en weet met luid geschreeuw en met allerlei bedreigingen zijn zin door te drijven; maar als Diotkbphes in een groote gemeente komt en ziet, dat niemand op hem let, is hij de aangenaamste en deemoedigste der menschen, want niemand is zoo laf en laaghartig als de kerkelijke despoot.
(«) En (waarop ik eigenlijk komen wilde) in zulk een gemeente zou men een predikant niet van alles opdragen, hij zou niet tegelijk dienst doen als prediker, voorlezer, onderwijzer, opziener, boekhouder, beoefenaar van \'t kerkrecht, pastor, maar er zou een staf zijn van mannen, tusschen wie de verschillende gecompliceerde
139
plichten van het moderne predikambt zouden verdeeld zijn.
Het zal wel tot de vrome wenschen behooren, dat de behandeling van kerkelijke zaken worde toevertrouwd aan mannen, doorkneed in het kerkrecht, die dan zouden presideeren in allerlei besturen, rapporten indienen, plannen voorbereiden, reglementen maken of herzien, zitting nemen in verschillende commissies en honderd tijdroovende postjes op zich nemen, die den gewonen predikant kwellen en hem aftrekken van zijn studie en zijn gemeente.
[De kerkelijke mannen vormen een klasse op zichzelf, wier leden hun tijd mogen doorbrengen met preeken of huisbezoek, maar wier geest leeft, zich beweegt en is in de juridische sfeer: zij arbeiden met de grootste zorgvuldigheid en nauwgezetheid aan het vermoeiendste en dorste werk, dat ooit iemand op zich nam, zij ontvangen geen dank van de ondankbare broederen, die een jongensachtige voorliefde voor wanorde hebben; maar na hun dood wordt hun gemis eerst recht gevoeld en de zaken, die zij bijhielden, geraken dan in de grootste verwarring. Gelijk ik eens een boom zijn voedsel heb zien trekken uit een koolbedding, zoo kunnen deze geduldige lieden zich voeden met hunne wonderlijke phraseologie, ja, bij wijlen kunnen ze er, om een of andere geheimzinnige reden, zoo recht vergenoegd uitzien.]
Eveneens zal het -wel een ijdele verwachting zijn, dat het oppertoezicht over het bijbelsch en theologisch
144
scheid tusschen hen maken. Anderen, zonder herderlijk hart, mogen verborgen goedheid voorbijzien; hij speurt ze na als fijn goud. Anderen mogen de menschen om hun fouten en zonden misprijzen; hij rekent ze zich zeiven toe. Anderen mogen zich vroolijk maken over der menschen zwakheden; de pastor kan dat niet, omdat hij lief heeft. Schijnt deze belangstelling in iemand, tot wien men niet door bloedverwantschap of door een lange vriendschap in betrekking staat, iets onbehoorlijks ? Dan behoort men ze te vergeven, want ze is de eenige, die geen weerzin wekt. Is zij een bewijs van gevoeligheid? Zeer zeker, dezelfde verheven toewijding, die Jezus gemaakt heeft tot den Goeden Herder van de ziel. Als het herderlijk instinct moet vernietigd worden tusschen de molensteenen van niets ontziende zinnelijkheid en kerkelijke wereldsgezindheid, zal de christelijke kerk verlaagd worden tot een theologisch gezelschap of een genootschap voor sociale hervorming: als het zich ten volle ontwikkelde, zouden wij een herleving van den godsdienst zien, geestelijker en duurzamer dan eenig andere sedert de reformatie.
Terwijl de theoloog dikwerf gehaat werd en de prediker geminacht, was de pastor steeds geliefd en werd zijn heerlijk werk meermalen door dichters bezongen. Hoe juist heeft Goldsmith den eenvoud en de heilige armoede van den dorpsleeraar geteekend, zijn medegevoel met allerlei leed en zijn onbegrensde liefde, zijn machtige tegenwoordigheid en geestelijken bijstand in de laatste ure. Maar hij is het gelukkigst in zijn beschrijving van
145
die innige liefde, die in de religieuse sfeer hetzelfde is als het moederlijk instinct in de natuur:
„Dus was \'t zijn trots den droeven troost te biên,
En in zijn feilen zelfs bedoelde hij het goede;
Volijvrig in zijn werk, bereid te ieder uur,
Bad, weende en waakte, zorgde hij voor allen;
Gelijk een vogel \'t kroost verzorgt en trouw behoedt, Het lokt en vleit, en zoo tot vliegen noodt,
Zoo spaarde ook hij geen moeite, laakte dwaas getoef, Zoo leidde ook hij zijn volk naar beter wereld heen.quot;
Wordsworth, steeds gevoelig voor de schoonheid van stille rust, heeft ook zijn pastor;
«De herder van zijn kudde, of (gelijk zelfs voor een koning de hoogste eeretitel zou zijn) de vader van zijn volk.quot;
En aan deze liefelijke conceptie dankt Victor Hüoo zijn edelste karakter, den Bisschop in „Les Misórablesquot;, die door de zijnen zoo bemind werd, dat zij hem Monseigneur Bienvenu noemden:
«Gebed, het waarnemen van godsdienstplichten, het geven van aalmoezen, het troosten van bedroefden, het bebouwen van een stukje grond, broederschap, braafheid, zelf-opoffering, vertrouwelijkheid, studie en arbeid, vulden iederen dag van zijn leven.quot;
We moeten ook niet meenen, dat dit ideaal alleen voorkomt in de poëzie, want het is minstens tweemaal in de geschiedenis werkelijkheid geweest — toen Eichard Baxter predikant van Kidderminster was en George Herbert rector van Bemerton. De eerste was een Puritein, een recht type van deze gezindte: streng, rusteloos, nauwgezet, steeds pleitende voor den vrede, die van
10
146
zijn stad een gansch andere plaats maakte. Ik laat hier volgen het titelblad van zijn boek:
Gildas Salvianus;
De
GEREFORMEERDE
PASTOR.
Vertoonende den aard van het Herderlijk werk; Inzonderheid voor Privaat onderricht en catechisatie.
Met eene openbare Belijdenis van onze al te openbare zonden.
Geschreven voor een Boetedag, gehouden te Worcester, 4 December 1655.
Door de Kerkedienaars van dat Graafschap, die de overeenkomst,
betreflende het Catechiseeren en het personeele onderricht, onderteekenden bij de aanvaarding van hun dienstwerk.
Door hun onwaardigen mede-dienaar Richard Baxter,
Leeraar aan de Kerk te Ked er minst er.
Luc. 12:47 \'Exe/vo^ ó dovhos ó yvovg ro tov xvp/ou éctvTov,
xxi [4*1 éroiizda-xt;, Troifaccs Trpbq to qélyizx xvtov, èxpija-erxi TtoXhxc,
De ander was een Anglikaan, eveneens een type van zijn gezindte: beschaafd, vroom, liefdadig, altijd biddende om den vrede, die zijn gemeente als een kolonie van den hemel op aarde maakte; ook het titelblad van zijn boek volgt hier:
147
EEN PRIESTER van den TEMPEL
of
DE DORPSPREDIKANT zijn
kauakter,
en
Regelen voor een Heilig Leven.
De auteur,
Mr. G. H.
1652.
Vele boeken zijn over het herderlijk ambt geschreven, sinds die twee dienstknechten van Christus tot hooger dienst geroepen werden, en de moderne werken over practische theologie hebben hun bijzondere waarde met het oog op de veranderde levensomstandigheden, maar niet een getuigt, zoover ik weet, van zulk een innige vroomheid of ademt zulk een liefelijken geest. Als iemand aan de lectuur van George Herbert de voorkeur geeft, is dit, omdat hij meer literaire waarde en teederheid van ziel bezit — hij was redenaar van de Universiteit te Cambridge en een dichter, — en voorzeker is er nooit iets beters geschreven over herderlijke zorg dan zijn „Parson in Circuitquot;, de Predikant op zijn huisbezoek, die zich niet te hoog mag achten om de armste hut binnen te treden, „al moest hij er in kruipen,quot; „want ook daarin is God, en degenen, voor wie God stierfquot;; en die, als hij in een huis komt, dat eerst
148
zegent, en dan „daar hij de bewoners van het huis allen bezig ziet, zijn toespraak begint.quot; Zoo gaat hij de gemeente rond, prijzende of lakende, aansporende of aanradende met zulk een takt en oprechtheid, dat het geen wonder is, dat het volk hem zegende, als hij voorbij ging en den ploeg in de vore liet staan als Georoe Herbert\'s kerkklok luidde voor \'t gebed.
[De prediker oogst bewondering voor zijn eigenaardige gave, maar de pastor wint de harten: als de prediker ziek is, zijn de kranten er vol van; maar als de pastor krank is, wordt er in nederige woningen over gesproken. Niemand in de menschelijke samenleving is het voorwerp van zulk een liefde en achting als de zieleherder, niemands nagedachtenis wordt zoo gezegend als de zijne.]
Zijn werk geschiedt, evenals dat van een geneesheer, gedeeltelijk buitens-, gedeeltelijk binnenshuis: huisbezoek en consultatie; en men kan de gedachte niet van zich afzetten dat het huisbezoek — behalve bij zieken en in eenige bijzondere gevallen — door eenige hooggeplaatste kerkelijke personen wordt gering geschat en beschouwd als tijdverlies. Zij stellen zich voor, dat sommigen van hun broederen van huis tot huis gaan, omdat dit hen van het bezwaarlijke studiewerk ontheft en een aangename verpoozing is — immers is het een fraaie vorm van lichaamsoefening en een volmaakte rust voor den geest. De bezoeker doet denken aan een man, die circulaires afgeeft of aan een dame, die bij hare vriendinnen de ronde doet.
[Er is tot deze caricatuur van den pastor reden
149
gegeven door sommigen, die zonder doel van huis tot huis rondslenteren en wier conversatie bestaat in triviaal gebabbel; voor wie het, ter wille .van hen zelf en van anderen, beter zou zijn, zoo zij dagelijks aan een lessenaar geketend waren en geen voedsel ontvingen, vóór zij een preek van Augustinus hadden vertaald. Het zijn deze zwakkelingen, die het herderlijk werk in minachting brachten en het beroofden van zijn liefelijke plechtigheid].
Bij den waren pastor is het huisbezoek een geestelijke arbeid vol bezwaren en moeilijkheden en, waarbij vergeleken, lectuur en studie licht en gemakkelijk zijn. Als hij in tien gezinnen geweest is en bij ieder zijn best gedaan heeft, komt hij thuis tot in ieder lid bevende en tot in zijn ziel ontroerd. Ga maar eens na, wat hij heeft doorstaan, wat hij heeft gewaagd, wat (voor zoover dit van een zwak menschelijk wezen kan gezegd worden) deze man heeft gedaan. Hij heeft vreugde gesmaakt in het eene huis, waar de man als van den rand des grafs aan zijne vrouw is teruggegeven; hij heeft gedeeld in de droefheid van een ander gezin, waar aller lieveling is gestorven; hij heeft ernstig gesproken met eene moeder over haar zoon in verre gewesten, wiens brieven het angstig hart met vrees vervullen; hij heeft een brief van twaalf bladzijden met goed nieuws en overvloeiende van liefde hooren voorlezen, dien een andere zoon aan zijne moeder zond; hij heeft den troost Gods gebracht tot een paar, dat plotseling tot armoede is vervallen, en de noodiging
150
Gods tot twee anderen, die samen het leven in grooten overvloed begonnen. In ieder huis moet hij zich in nieuwe toestanden indenken, telkens zich verplaatsen in anderer lief en leed. Vóór den avond is hij vader moeder, echtgenoot, vrouw, kind, vriend geweest; hij is jong geweest, van middelbaren leeftijd, oud, opgeruimd, terneergeslagen, een zondaar, een heilige; geen enkele levenstoestand was hem vreemd,
[Het is geen overdreven buigzaamheid, de takt om zich naar de omstandigheden te kunnen voegen — waarbij de ziel evenwel haar zelfstandigheid niet prijsgeeft — maar sympathie, een medegevoelen met alle leden van Christus\' Kerk.]
Vreugde en smart putten ons beiden uit, maar zo achter elkander te ervaren werkt verzwakkend, nochtans heeft deze man sedert den middag tien verschillende gemoedstoestanden doorleefd en elk daarvan met al zijn kracht. Zijn ervaringen zijn niet uitgewischt als de oefeningen van een kind op de lei; maar ze zijn verschillende lagen geworden in zijn ziel.
[Als den denker een heerlijk idee invalt, ontvangt hij een schok van verrukking, waarvan hij zich binnen het eerste uur niet herstelt: wat moet het voor iemand zijn vijf uren achtereen zich in te leven in allerlei men-schelijke gemoedsbeweging ?]
Het is den pastor na deze inspanning niet mogelijk te lezen of te schrijven. Hij is letterlijk „opquot; en hulpeloos; hij heeft zichzelf gegeven.
De pastor van een groote gemeente moet zeer voor-
151
zichtig en methodisch te werk gaan en behalve aan zijn gewoon zak-adresboek, hecht hij groote waarde aan twee boeken. Zoodra eene familie zich bij zijn gemeente wil aansluiten, zendt hij haar een lijst — een soort van aanslagbiljet, waarover men zich misschien vroolijk maakt, maar dat kan men over alles — waarin zij de namen en den leeftijd van allen beneden de zestien jaar schrijven, met de mededeeling, wie er aangenomen zijn en wie reeds aan eenig kerkelijk werk hebben deelgenomen.
[Het herderlijk geheugen neemt soms verbazende verhoudingen aan, maar kan onmogelijk alle bijzonderheden bevatten van bijv. drie honderd gezinnen. Het is evenmin als zijn kennis bovennatuurlijk, gelijk de menschen wel eens denken.]
De inhoud van deze lijst wordt dan in een groot boek geschreven, met fraai papier en een stevigen band als een boekhouders-grootboek; en in dit boek heeft de pastor zijn gemeente elk oogenblik voor zich. Hij herinnert zich, wie er moeten aangenomen worden, of deelnemen aan het kerkelijk werk, en waar candidaten voor de vereenigingen en klassen te vinden zijn. Een ander boek bewaart de pastor in een lade en laat hij aan niemand zien: na zijn dood moet het vernietigd worden. Zijn bladzijden behelzen de geestelijke geschiedenis en \'t karakter van zijn gemeente — den uitslag van zijn diagnosis — en van tijd tot tijd schrapt hij iets uit de beschrijving of voegt hij er iets bij. De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat indien hij aan
152
iemand zijn portret liet zien, deze zichzelf niet herkennen zou, maar dat zou slechts ons verbazend gemis aan zelfkennis bewijzen en het groote voordeel van een trouw en bekwaam geneesheer.
De voorzichtige pastor zal jaarlijks zijn gemeente rondgaan, na van den kansel volgens een oude gewoonte, datums en plaatsen te hebben bekend gemaakt, en hij zal niemand overslaan, noch den rijke, want deze heeft het meest behoefte aan den pastor, noch den arme, want deze zal zijn bezoek het meest op prijs stellen. Dit kan slechts een kort bezoek zijn — niets dan een kennismaking en wederzijdsche begroeting — maar het is verwonderlijk, hoeveel in vijftien minuten kan gedaan worden, als de bezoeker verwacht wordt en bekend en geliefd is, als men zijn tijd niet verbabbelt, maar zich bepaalt tot het zakelijke. Eén ding zal de pastor niet doen nl. in iedere woning bidden, omdat niemand gedurende een geheelen namiddag viermalen per uur kan bidden, zonder tot het afschuwelijkste formalisme te vervallen en omdat het gebed uit de omstandigheden moet voortvloeien. Er zijn oogenblikken, dat het gesprek nadert tot de grenzen van een gebed. Het bezoek bereikt dan zijn toppunt, het vloeit dan van zelf over in het gebed en de smeekingen komen dan uit het hart voort. quot;Waarna de pastor onmiddellijk vertrekke, afscheid nemende, als voor den Troon der Genade en als in de tegenwoordigheid des Heeren.
[Door deze regelmatige bezoeken wordt de zekerheid verkregen, dat niemand in de gemeente wordt over-
153
geslagen; zij bevredigen hen, die zich spoedig gepasseerd achten, en nu het hun toekomende hebben gehad; zij geven gelegenheid tot het mededeelen van een of andere onbekende zwarigheid, het opperen van een of ander vermoeden, of het lucht geven aan een of andere smart. Worden die bezoeken goed volgehouden, dan ontstaat er een toenemende gemeenzaamheid tusschen het ruim en den kansel, totdat, als de laatste wijk een beurt gehad heeft, de gansche gemeente en de pastor met elkander voeling hebben.]
Soms krijgt de pastor een plotselinge ingeving om naar een zekere woning te gaan en hetzij hem dit overkomt in zijn kamer of op straat, hij geve er zoo spoedig mogelijk gehoor aan. Onderweg zal hij zich soms verwijten, dat hij op een noodelooze boodschap uit is, en op den drempel gekomen, zal hij misschien verlegen zijn, omdat hij voor zijn bezoek geen verontschuldiging kan vinden. Hij behoeft er ook geen, naar het schijnt, want in negen van de tien gevallen ontwaart hij, dat hij in dat huis noodig was en zijn komst daar als iets providentieels beschouwd wordt. In waarheid is het iets hoogers en schooners; een leiding van den Opperherder door het inwendige licht van zijn Geest. De pastor is er van overtuigd dat, indien hij gevoeliger ware geweest voor de Goddelijke aanraking en meer gelet had op de Goddelijke leiding, hij aan de schapen zijn zorg had besteed, juist als zij dit behoefden en hij herinnert zich met leedwezen menige gelegenheid, dat Jezüs hem riep en hij niet antwoordde.
154
[Telepathie is niet een droom of een misleiding, het is eon feit in het Lichaam van Christus, welks leden deelen in elkanders smarten door het Verrezen Hoofd, Dat lijdt met ons allen.]
Daar is ééne gelegenheid, bij welke de pastor nooit aarzelt of toeft. Zoodra er een boodschap komt van het huis der krankheid, verlaat hij zijn bed, of zijn boek, of zijn middagmaal, of zijn vrienden, en verliest geen tijd onderweg. Het is mogelijk, dat het opontbod noodeloos of overdreven was; maar het kon ook niet zoo zijn en in zulke kritieke gevallen loopt hij liever een keer te veel dan te weinig. Zelfs al ware hij aan zijn preek bezig en juist aan den zin, waarop zijn geheele argumentatie uitloopt, zal hij zijn pen neerleggen tusschen het onderwerp en gezegde. Want de preek kan wachten, maar de zieke misschien niet.
[Wee mij, zoo men op mij wacht, naar mij, met lederen stap en iedere schel, wordt uitgezien en dan te laat te komen!]
Onderweg tracht de pastor zich alles te herinneren wat hij van die persoon weet, of hij tot zijn gemeente behoort enz., hij denkt er over, hoe hij hem Christus zal prediken; want dit moet zijn boodschap zijn. Hij heeft eenig geschrift gereed om aan den zieke te geven; een kort, eenvoudig, teeder woord; en het is bij zulke gelegenheden, dat zeer gewone passages herleven en opbloeien, als ware het voor haar lente geworden.
[Tweemaal komt een leeraar tot het ontwijfelbaar inzicht, dat de Bijbel het woord des Levenden Gods
155
bevat: eens als hij voor berouwvollen vergeving van zonden predikt, eens als hij een ziel te midden van de worstelingen des levens vertroost en bemoedigd ziet door vrede en blijdschap.]
Als hij de kranken vraagt, welke schrift zij verlangen, geschiedt dit alleen voor den vorm, want er is één hoofdstuk, dat iedere man en vrouw, in groote droefheid of als de schaduwen vallen, wil hooren. De bladzijde, die het veertiende hoofdstuk van Johannes\' Evangelie bevat, moest in onze bijbels verschoven kunnen worden, opdat zij iedere tien jaar kon worden verplaatst. Ten tijde dat een mensch de middaghoogte des levens heeft bereikt, wordt zij steeds dunner en in den ouderdom is zij slechts een bruin velletje, nauwelijks leesbaar, dat voorzichtig behandeld moet worden. Nochtans met iedere lezing — bijv. zes maal in de week — bemerkt de pastor, dat zij een nieuwe openbaring geeft van de Goddelijke Liefde en het Koninkrijk der Hemelen. Als iemand allengs het bewustzijn gaat verliezen en gij leest: „In het huis mijns Vaders zijn vele woningenquot; zal hij weer bijkomen en fluisteren: „woningenquot;, en hij zal wachten tot gij eindigt: „opdat gij ook zijn moogt, waar Ik benquot;, voor hij in vrede ontslaapt.
[Men zegt, dat er predikanten zijn, die niet in besmette huizen willen komen of gretig elk middel aangrijpen om te ontsnappen. Indien dit waar is — laat ons hopen dat het laster is — dan moest de onwaardige zonder verwijl afgezet worden.]
Het consulteeren kost den pastor veel tijd en
156
met ieder jaar moet hij daaraan méér tijd geven. De Protestanten hebben gewoonlijk een afkeer van de biecht en dat niet zonder reden, want de eisch van een priester om bekentenissen te hooren en absolutie te schenken is een profaan indringen tusscben de ziel en Christus, — maar toch zou men wijs doen zich te herinneren, dat er tijden, gelegenheden, omstandigheden zijn, dat iedereen zijn hart wenscht open te leggen voor een medemensch, als men geen troost op andere wijze kan krijgen. Tot wien moet men zich dan wenden ? Wat de menschen verlangen is iemand van veel levenservaring, die de menschelijke natuur door en door kent, die gewoon is geheimen te bewaren, die gelooft in God en in den mensch, wiens betrekking vertrouwelijkheid uitlokt en heiligt tevens. Wie voldoet zoo volkomen aan deze voorwaarden, als de dienaar van Christus? en is het niet goed, dat er iemand binnen het bereik is, als aangewezen om een vriend te zijn voor ieder, die eenzaam of ongelukkig is?
Het volgende dient bij het raadplegen te worden inacht genomen:
(а) Dat de pastor nooit op eenige confidenties aan-dringe, maar alleen zulke aanhoore als uit eigen beweging en tot opluchting worden gedaan.
[Iets als het navorschen van iemands bijzondere zaken en het uitpluizen van \'t kluwen tot het einde toe, is hoogst afkeurenswaardig. De pastor moet volkomen vrij zijn van nieuwsgierigheid en bemoeizucht.]
(б) Dat de pastor de persoon dringend verzoeke van
157
een pijnlijk geheim niet meer te openbaren, dan strikt noodig is, om hem in staat te stellen zijn advies te geven.
[Als een vrouw bekent, dat zij een zware zonde op haar geweten heeft en laat blijken, dat haar echtgenoot er in het geheel niets van vermoedt, geve de pastor haar in overweging in algemeene termen over de zaak te spreken en, zoo hij weet, dat haar echtgenoot een goed man is, de zonde aan dezen te belijden, wat het ook zijn moge. Later raadt de pastor haar, hoe zij deze zonde moet weerstaan en overwinnen, als zij er weder door geplaagd wordt; op deze wijze is deze menschenziel niet beschaamd gemaakt, maar heeft zij hulp ontvangen, zonder de achting voor zich zelve te verliezen.]
(c) Dat de pastor, hoewel hij geen eed van geheimhouding heeft afgelegd, iedere confidentie beschouwe als volstrekt heilig en onder geen voorwaarde, behalve als de wet het eischt, openbare wat hem in vertrouwen is medegedeeld.
[Wie het herderlijk ambt bekleedt, leere geheimen te bewaren en op zijn hoede zijn tegen zorgelooze praat. Wat hij te vreezen heeft is niet oneerlijkheid door opzettelijke schending van vertrouwen, maar eenvoudig babbelachtigheid. De pastor mag zelfs zijn eigen vrouw niet als een bevoorrecht persoon te dezen aanzien beschouwen, want al ware zij de voorzichtigste en stil-zwijgendste der vrouwen, zoo zou het toch de gemeenteleden hinderen te weten dat hunne geheimen met haar werden gedeeld. De algemeene achting, waarin zich de artsen verheugen, die in hun hart zoo menige
160
Onwillekeurig gaan onze gedachten van dezen koort-sigen, rusteloozen, kommerzieken tijd terug, naar de dagen van voorheen en doemt vol dierbare herinneringen weer de pastor onzer jeugd voor onzen geest op, die gedurende zijn ganschen diensttijd op één plaats woonde en begraven werd, waar hij zijn dienstwerk aanvaardde, — die een kind doopte en trouwde en ook hare kinderen doopte — die den aard van zijn volkje door en door kende en familiegeschiedenissen van vele geslachten in zijn hoofd had — die altijd aan zijn gemeente dacht, over haar waakte, huis in huis uit ging, tot zijn bekende figuur op de straten het verleden en het tegenwoordige, hemel en aarde ineen deed vloeien en een schatkamer opende, vol gewijde herinneringen. Hij bad met een knaap vóór deze naar den vreemde ging — zijn moeder kon de woorden bijna nazeggen; hij informeerde voortdurend naar zijn welstand, aldus hem aan zijn geloof en aan zijn tehuis bindende met zijden koorden, hij was in het huis op den dag van zijn terugkeer, om te zien, hoe het hem in het vreemde land was gegaan. De menschen wendden zich als bij instinct tot hem in lief en leed; zij raadpleegden hem in de moeilijke oogenblikken van het leven en, als zij op sterven lagen, bevalen zij hun vrouw en kinderen aan zijne hoede. Hij was een steun voor iedere weduwe, een vader voor de weezen en een vriend voor alle bescheiden, ontmoedigde, ongelukkige zielen. Op tien mijlen afstands was zijn naam onbekend, maar zijn eigen gemeente was aan geen ander gehecht
161
en hield zich vast overtuigd, dat hij in \'s Heeren tegenwoordigheid vaak genoemd werd; en als hij eindelijk zijn dienstwerk neerlei en aan gene zijde des grafs kwam, waren velen, die hij had opgevoed en geleid, versterkt en vertroost, daar bij \'s hemels poorten op hem wachtende, om hun herder te ontvangen; en als zij rondom hem stonden, vóór den Heer, kon hij zonder schaamte zeggen: „Zie, Heer, Uw onderherder en de kudde, die Gij mij hebt toevertrouwd.quot;
HOOFDSTUK VUL
De openbare eeredienst.
Het is een dwaasheid, dat Christenen de oogen sluiten voor het feit, dat het kerkbezoek afneemt en dat dit juist geen gunstig teeken is voor de religie. Vernuftige advocaten mogen dit verschijnsel als iets goed doen voorkomen en allerlei verzachtende omstandigheden aanvoeren: dat de openbare Godsvereering eer als een voorbeeld, dan als een voorschrift wordt voorgesteld in de Heilige Schrift; dat God niet beperkt is tot een huis met handen gemaakt en even zeker op de groene velden of in een goed boek kan gevonden worden, als in een kerkelijk gebouw; dat soms de slechtsten schitteren door hun aanwezigheid, en soms de besten door hun afwezigheid; en dat de langvvijligheid van den dienst, zoowel als de dorheid van sommige preeken, oer geschikt zijn om den religieusen zin te dooden.
163
dan te verlevendigen. Als zulk een handig pleiter een opgeruimde bui heeft, neemt hij de vrijheid zich vroolijk te maken over het conventioneele en excentrieke van den eeredienst, maar als hij plechtig gaat doen, spreekt hij met tranen in zijn oogen over een zekeren zonsondergang, die, naar hij u verzekert, meer gedaan hoeft voor zijn ziel dan al de preeken, die hij ooit gehoord heeft.
Men kan deze argumenten zeer krachtig vinden en tegelijkertijd onzen vriend (en ieder ander) herinneren, wat hij zeer goed weet, nl. dat hij niet doorgedrongen is tot de kern van de zaak. Toegestemd, dat enkelen naar de kerk gaan, voor wie de geheele dienst een ijdele vertooning is en dat anderen thuis blijven, voor wie hij een geestelijke realiteit is, dan ware het nog zeer ongerijmd de menschen te verdeelen in voorstanders van openbare godsvereering ofte wel formeele huichelaars en voorstanders van bijzondere godsvereering, al te gader ongerepte heiligen. Het is een niet te weerspreken feit, dat geloovigen in den regel naar de kerk gaan en ongeloovigen in den regel niet; en om te bewijzen, dat hier het woord „geloofquot; niet in dogmatischen zin, maar in de beteekenis van een levende kracht gebruikt wordt, kan men volstaan met er op te wijzen dat van de Kerk — haar onderwijs, haar invloed, haar voorbeeld — in de westelijke wereld alle krachten op \'t gebied van weldadigheid en philanthropie afhankelijk zijn.
Het geldt hier niet een tegenstelling tussehen hen.
166
en oreeren?quot; Maar deze is niet slechts cynisch, maar ook oppervlakkig. Hij heeft nooit het getrappel van vele voeten gehoord en de lust voelen opkomen mede te marcheeren ? heeft hij zich ooit bewogen in een stroom van echt-menschelijk leven, zonder meegesleept te worden? Ontzeg een volk het recht publieke samenkomsten te houden en gij hebt het vuur der geestdrift gebluscht en bijna de hoop op vooruitgang gedood. Afzondering en eenzaamheid voeden depressie en pessimisme; maar bij de menigte is vreugde en kracht. Het geloof is een aangeboren vermogen der ziel en niet onafhankelijk van de wetten, die voor de mensche-lijke natuur gelden. Een week lang heeft een mensch geleefd in een atmosfeer der zinnen, van het zicht- en tastbare, totdat het onzienlijke verflauwt tot een droom. Is er een wereld achter dit geschilderde gordijn of bedekt het den rand van ons graf? Zijn de laatste hoofdstukken van de Evangeliën slechts een vroom verdichtsel, het nagloeien van een zon, in nacht verzonken? Is het Christelijk geloof, met zijn hope des eeuwigen levens, een versleten bijgeloof? Zich bekommerend over vele dingen en gescheiden van het Christelijk gemeenschapsleven, ziet de mensch zijn geloof verkwijnen en verschrompelen. Het licht prikkelt zijn oogleden en hij ontwaakt den eersten dag der week; hij staat op met liefelijke herinneringen in zijn geest en ziet een klein troepje haastig naar de kerk gaan, waar zij hun Heer willen ontmoeten, Die op dezen dag opstond uit het graf en verrees lang vóór het dag werd. Vandaag is
167
er geon gerij en geros op de straten en de vermoeiden rusten uit van hun zwaren arbeid. Nu en dan wordt de stilte verbroken door een klok, die door een verwijderden toren beantwoord wordt; uit alle wijken mengen de klokken zich in dit koor, totdat de lucht trilt en dreunt van blijdschap. Onze zwaarmoedige vriend kan aan die noodiging geen weerstand bieden en hij ziet de straten levendig door de menschen, die met kalmen, bedaarden tred voortloopen. In de kerk is hij een van de vijftienhonderd, allen vergaderd in Christus\' naam, allen Hem Heer noemende. De voorganger geeft den 100sten Psalm op en uit het ruim, in de zijgangen, van de galerijen dreunt één lofgezang:
„Juich, aarde! juicht alom den Heer!
Dient God met blijdschap, geeft Hem eer.quot;
Te midden van deze menigte, waar hij het geloof voelt leven en kloppen, verdwijnen de angsten en twijfelingen van dezen man en hij komt naar buiten in den zonneschijn, verfrisoht door het geloof in den verrezen Heer, zijn leven vervloeid in het leven, dat met Christus verborgen is in God. Het vermenigvuldigen van óón enkel geloof met vijftienhonderd geeft een machtige versterking.
„Hij is niet verrezen, neen —
Hij ligt der ontbinding ten prooi;
Christus is niet verrezen,quot;
zoo spreekt de wereld op allerlei wijs, gedurende zes dagen, en dan vergadert de Kerk hare kinderen en verklaart met dieper zin dan Clough bedoelde;
168
In het groot Evangelie, in het ware geloof,
Is hij nochtans verrezen,
Christus is toch verrezen.
Zal do openbare eeredienst het geloof in zijn strijd versterken en de ziel vervullen met hemelsche gezindheden, dan moet hij een schoon geheel vormen, waaraan de predikant in onzen tijd al zijn kracht en al zijn liefde moet geven.
[Br zijn gemeenten, die de godsdienstoefening weinig tellen en gemeenten, die weinig gevoelen voor de preek ; beide dwalen, omdat preek en eeredienst elkander niet uitsluiten, maar aanvullen en steunen, daar de eeredienst het hart verheft en ontvankelijk maakt voor het Woord Gods en het Evangelie een antwoord is op den lofzang en het gebed.]
Men kan de leiding van een godsdienstoefening niet behandelen, zonder een vergelijkende beschouwing van de voordeelen van een liturgie en van een vrij gebed.
[Het is te laat om over het bestaansrecht van een gebedenboek te redetwisten, want deze kwestie was uitgemaakt, toen het Jezüs behaagde aan Zijn discipelen het Onze Vader te geven: waarvan een lieve oude Schotsche dame, die onwillig er in toestemde, dat haar leeraar een liturgie gebruikte, zeide; „dat levert voor mij geen bezwaarquot;, hoewel ze blijkbaar gevoelde, dat het een gevaarlijk antecedent was. De afkeer van een gebedenboek bij een zekere partij is niet theologisch, maar historisch. Als iemand zich verzet tegen het gebruik van een liturgie en gij snijdt zijn ooren af en
169
schendt zijn neus, om er hem toe aan te sporen, dan is het met do menschelijke natuur zóó gesteld, dat hij in staat is nog stijf hoofdiger te worden en een hoogst onredelijk vooroordeel tegen zulk een boek op te vatten.]
Het volgende is voor een liturgie, zooals bijv. het „Prayer-bookquot; der Anglikaanscho Kerk, te zeggen:
(a) Dat een liturgie, wier bouwstoffen ontleend zijn aan de bloeiperiode der godsdienstige literatuur een zekere statigheid van gedachte en een bekoring van stijl heeft, die het oor aangenaam aandoen en zich vastzetten in het geheugen.
(b) Dat een liturgie, bezield met den geest van een onverdeeld Christendom, de menschen vrijmaakt van sectarische en bekrompen denkbeelden over den godsdienst en hen in gemeenschap brengt met de Alge-meene Kerk.
(c) Dat een liturgie, als bestemd om het algemeen christelijke en niet om eenige individueele gemoedservaring te vertolken, uitdrukking geeft aan de gewone behoeften van menschen uit alle rangen en standen.
(d) Dat een liturgie de geloovigen onafhankelijk maakt van den dienstdoenden voorganger, zoodat zijn gebreken hunne vrome stemming niet verstoren.
(e) Dat een liturgie met haar algemeene en eenvormige Godsvereering er toe medewerkt, om al de leden van een kerk, ouden zoowel als jongen, saam te binden in óéne liefde en trouw.
(ƒ) Dat een liturgie vooral geschikt is voor ouden
170
van dagen door haar onveranderlijken vorm; voor monschen, die door don wekelijkschen arbeid afgemat zijn, omdat het hun geest te veel inspanning kost een gebed in hun geheel vreemde bewoordingen te volgen; voor jongelieden, omdat zij er een zeker houvast aan hebben en ook zij dus met vrucht kunnen deelnemen aan de godsdienstoefening.
(g) Dat een liturgie aan zeer jeugdige kinderen kan worden geleerd en zij tot hun ouderdom toe die dierbare bekende woorden zullen liefhebben en er op antwoorden.
Voor de gewoonte om vrij uit te bidden, d. w. z, niet op een door de Kerk voorgeschreven manier, maar zoo, dat elk predikant zijn gebed inricht, als hem het stichtelijkst voorkomt, kan dit aangevoerd worden :
(«) Dat het de gave des gebeds verlevendigt, die aan de Kerk gegeven is door de komst des Heiligen Geestes, die in ons bemiddelend optreedt, gelijk Christus onze Middelaar is in de hemelen.
(b) Dat het vrije gebed aan den dienst een zekere levendigheid en frischheid bijzet, die ondenkbaar zijn als iederen dag van Januari tot December van jaar tot jaar, van eeuw tot eeuw hetzelfde formulier gebruikt wordt.
(c) Dat het bij het vrije gebed mogelijk is te danken voor de groote zegeningen Gods en om Zijn bijstand te smeeken bij pijnlijke zorgen en zwaren strijd, met een bijzondere en vertroostende toepasselijkheid.
(d) Dat, volgens veler ervaring, het vrije gebed een
171
vertecdering des harten, een zijn nabij God mogelijk maakt, niet denkbaar bij welk formulier ook.
Het worde erkend, dat de verscheidenheid der men-schelijke natuur ook in de Kerk tot haar recht moet komen en, gelijk er wel altijd verschillende leerstelsels zullen wezen, zoo behooren er ook verschillende wijzen van Godsvereering te zijn. Sommige geesten zijn kerkelijk gezind, in zichzelf gekeerd, in zake godsdienst zeer fijn gevoelend; dezen behoeven een liturgie, daar het denkbeeld alleen, dat hun zielsstemmingen geleid zouden worden door iemand, die voor de gemeente zou kunnen vragen wat hem goeddocht, hen slechts met weerzin zou vervullen. Andere geesten zijn individualistisch, vrijmoedig, krachtig; zij zullen niet tevreden zijn met een boek, maar zich verblijden in het denkbeeld van volmaakte vrijheid in het gebed, zij zijn geneigd nu en dan hun voorganger aan te moedigen met luide bijvalsbetuigingen. Het is natuurlijk mogelijk, dat er tusschen de twee methoden eenige toenadering ontsta, zoodat kerken met liturgieën deze verkorten of meer geschikt maken en kerken zonder liturgieën aandringen op eenige vaste orde in den dienst en zelfs eenige schema\'s voor gebeden ontwerpen ten gebruike hunner predikanten.
Eén factor in deze zaak mag vooral niet voorbijgezien worden nl. de toenemende beschaving in de laatste halve eeuw en haar wettigen invloed op den eeredienst. De menschen hebben gevoeliger ooren en weten scherper te onderscheiden tusschen het minder
172
en meer volmaakte: zij ontdekken al heel spoedig versleten phrasen en worden beleodigd door het banale en afgezaagde; zij willen niet verdragen, dat een ruw man den Almachtige met een krijschende stem toespreekt of een zwakke, in hun naam mompelende, hen in Zijn tegenwoordigheid voert. Zij zijn zorgvuldig op de inrichting van hun huis, op hun kleeding, op hun vrienden, op hun boeken. Zij deinzen terug voor wat luidruchtig en schetterend is, zij beminnen wat wol-luidend en liefelijk is; zij houden van licht en schaduw, beschaafde manieren, een goed verzorgden stijl. Als deze lieden in het huis des Heeren komen en voor een wijl met hun geest vertoeven bij het hoogste en beste, kunnen zij deze eigenaardigheid van hun geest niet eenvoudig op zij zetten en zij zien ook niet in, waarom zij het zouden doen. Zij zijn vast overtuigd, dat de godsdienstoefening moet beantwoorden aan het ideaal van denken, gevoelen en spreken, dat er van \'t begin tot het einde geen wanklank in den geest noch een ongelukkige uitdrukking in den vorm raag voorkomen. Het staat vrij te beweren, dat dezulken kritisch zijn en dat een vol gemoed zich vaak heeft uitgedrukt tegen de regels der grammatica. Maar zij houden vol, dat zij slechts eerbiedig zijn en dat een ongrammatische taal geen uitdrukking geeft aan hunne gevoelen. De huiselijke godsdienstoefening moge staan op het peil van ieder gezin, maar de openbare eeredienst moet op het hoogste peil staan. Zij wijzen er ook op, dat de gebeden van den Bijbel, hetzij in de psalmen of in de brieven.
173
in zeer verheven taal zijn gesteld en toch zal niemand zeggen, dat de psalmisten of Paulus niet vurig van geest waren. Zij zouden geheel voldaan zijn, als de gebeden van de Kerk, hoe ook ingericht, in den stijl van de Heilige Schrift bleven, maar zij weigeren, als zij hun zielen voor God buigen, tot vertolker hunner stemming een predikant te hebben, wiens ideeën en woorden in strijd zijn met hunne gedachten over goeden smaak en eerbiedigheid. Laat hij op die manier bidden, als hij alleen is, want dan spreekt hij voor zichzelf; laat hij, als het niet anders kan, niets doen dan pree-ken, want dan spreekt hij tot menschen, maar het is niet geraden of gepast, dat hij aller gebeden leide. Dit is een onverantwoordelijke manier van doen, waarover men niet te licht moet oordeelen.
Wij allen weten natuurlijk zeer goed, dat er in iedere kerk predikanten zijn, aan wie de geest der genade en der smeekinge in overvloedige mate gegeven is, en die de zielestemming van het volk Gods met teederheid en schoonheid weten te leiden. Een godsdienstoefening onder hun leiding, vereenigt den volmaakten vorm van een liturgie met het liefelijke en spontane van een vrij gebed. Indien de Kerk ieder van hare gemeenten van zulk een predikant kon voorzien, zou er weinig te zeggen zijn voor een gebedenboek ; maar ieder weet dat dezulken tot de uitverkorenen behooren. Wij herinneren ons met ongeveinsde dankbaarheid die gezalfde priesters, die in onzen naam in het Heilige der Heiligen gingen, en aan God te kennen
174
gaven, wat er leefde in onze harten, met den geur hunner vroomheid over ieder woord; maar wij herinneren ons ook, hoe anderen, wien Gode het niet had behaagd zulk een genadegift te schenken, al zeer treurig als vertegenwoordiger van een duizendtal mensohen optraden, dingen vragende, die wij niet begeeren en alles vragende in bewoordingen, waarvan wij er nooit aan zouden denken om ze zelfs voor een of andere plaatselijke autoriteit te gebruiken. Zonder twijfel hebben we hier een verlies geleden en het troost ons maar matig te weten, dat de predikant een goed man was, of dat hij een krachtig prediker bleek te zijn.
Als de Kerk van Christus, van welke afdeeling ook, een gemeente vergadert voor gemeenschappelijke Gods-vereering en de leiding opdraagt uitsluitend en alleen aan de discretie van één man, neemt zij een enorme verantwoordelijkheid op zich. Is zij dan niet met die aanwezigen overeengekomen, dat deze man hun tolk zal zijn en dat alle bijzondere en algemeene nooden en behoeften, voor zoover \'t mogelijk is, zullen worden voorgedragen voor den Troon der Genade? Gesteld, dat door de zorgeloosheid, vergeetachtigheid, onwetendheid of eigenaardigheid van den predikant in \'t geheel geen bede wordt opgezonden voor het land en zijne regeerders, of voor de zieken en stervenden of voor de treurenden, of voor hen, die op zee in gevaar ver-keeren, of voor verwijderde vrienden, of voor de kleine kinderen of voor hen, die het heerlijk licht der rede verloren hebben, of voor verkwisters of voor hen, die
175
te strijden hebben met verborgen beproevingen; — gesteld dat er geen dankzegging plaats heeft voor de gaven der Voorzienigheid, voor bevrijding van ziekten en ongemakken, voor bijstand aan de ziel, voor meer licht, voor de komst van Christus, voor het nederdalen des Heiligen Geestes, voor de overwinningen van hen, die naar den vreemde vertrokken zijn, voor het eeuwige leven; — zouden er dan niet honderden zijn, die de kerk binnentraden, gebukt onder het gewicht van zorg of dankbaarheid en die tot het einde toe hoopten op verlichting, maar hoopten te vergeefs? Kan een dienst, waar zulke smeekingen en dankzeggingen ontbreken een openbare Godsvereering heeten ?
Waar de Kerk geen liturgie heeft, moet de predikant grooter zorg besteden aan de gebeden en er zijn zekere gebreken, waarvoor hij zich wel in acht moge nemen. Een daarvan is het preeken in het gebed. Als de predikant een of andere waarheid uiteenzet, al ware zij het zoenoffer onzes Heeren; als hij een bonte massa teksten zonder eenigen samenhang, waartoe de politieke toespraken van Hebreeuwsche profeten en enkele van de domste opmerkingen van Job\'s vrienden een ruime bijdrage leveren, telkens herhaalt; als hij zijn hoorders vermaant tot boete en berouw of een of andere Christenplicht; of als hij twijfelaars weerlegt en de dwalingen van den dag bestrijdt, met veel zalving die punten aanroerende, waarin hij van de broederen verschilt, dan was zijn optreden een misslag en een misbruik van het gebed.
176
Een andere fout is ij d e 1 h e i d — als de prediker geen onderscheid schijnt te weten tusschen zijn studeerkamer en de kerk of zijn eigen persoonlijke ervaringen en de behoeften van de gemeente, maar zich vermeit in een gloeiende, vaak geaffecteerde, blootlegging van zijn eigen twijfelingen en vreezen, verwachtingen en angsten en zich ten slotte dermate hult in een wolk van mystieke taal, dat niemand hem meer kan volgen.
[„Denkt gij,quot; zeide eens een uitnemend vertegenwoordiger der subjectieve school, „dat ik mij laat storen om voor matrozen te bidden, als ik worstel voor den Troon der genade?quot; Zijn worsteling was evenwel niet een smeeken uit naam der gemeente, maar een uiteenzetting van zijn eigen zielstoestand en de moeder van den zeeman werd door zijn lamentatiën niet zeer vertroost.]
Een derde fout is slordigheid — als een predikant zich op de breede wateren des gebeds begeeft, zonder kaart of kompas, niet wetende, waarop hij eigenlijk aanstuurt, maar hopende ergens goed terecht te komen; als de gemeente er zeker van is, dat hij niet weet, wat hij in den volgenden zin zal zeggen; als hij een poos worstelt met een weerspannigen zin en dezen ten slotte uit wanhoop maar uitstoot — terwijl hij zijn nederlaag verbergt in een haastige uitbarsting van gemaakte geestdrift; en als hij vervalt in pijnlijke familiariteiten, die zelfs in het eenvoudigste verzoekschrift niet geduld zouden worden.
177
[Deze manier van bidden wordt verontschuldigd op grond van een goddelijke gemeenzaamheid — twee woorden, die niet wel samenvoegen; zij behoort veroordeeld te worden op grond van ongoddelijke onbeschaamdheid.]
Misschien is de ergste misgreep wel het p r o f a-n e e r e n, wanneer juist die man, wiens ziel het meest van eerbied vervuld moest zijn, zijn gebed a. h. w. bestrooit met \'s Heeren naam (zonder bijvoeging van adjectieven, die ontzag te kennen geven) en dat luide uitschreeuwt; of als een zondig man een toespraak in elkander zet opgepropt met allerlei prachtige rhetorische figuren en daarbij de ijdele pretentie maakt, als ware deze voor God bestemd, terwijl zij blijkbaar alleen bestemd was om effect te maken op zijn medezondaren; of als een geniepig en venijnig wezen van zijn gewijde stelling misbruik maakt en het gebed ontwijdt, om iemand, die zijn zin niet deed of hem een onbe-teekenende beleediging aandeed, aan te vallen.
Als iemand den vorm van zijn gebeden wenscht te volmaken, kan hij niet beter doen, dan van tijd tot tijd de liturgieën te lezen van de Oude Kerk en de beste werken op \'t gebied der christelijke vroomheid — waarvan de predikant altijd een collectie bij de hand moest hebben. Er zijn oogenblikken, dat iemand, vermoeid en ten einde raad, de pen neerlegt, laat hij dan een teug nemen uit die oude bronnen; hij zal niet alleen zich onmiddellijk verfrischt gevoelen, maar hij zal zich den stijl der heiligen eigen maken, niet door moeitevolle
12
180
bewaren, tot zij komen in \'s Vaders Huis. En er moest prachtige muziek zijn en vroolijke lofzangen.
[Bij deze godsdienstoefening zullen soms oude mannen en vrouwen blijven, die nooit gehuwd zijn geweest, en vaak de moeder aanspreken en haar hart stelen zullen door het kind te prijzen — eenzame zielen, in welke Gods liefde zich woning heeft gemaakt.]
De openbare eeredienst behoort vertroostend, opwekkend, bezielend, schoon te zijn, de bloem van de geheele week, maar de hoofdtoon daarin zij eerbied en ontzag voor het heilige. Lofzang en gebed, het lezen der Heilige Schrift en het prediken van het Evangelie, alles moet samenwerken om de gemeente te verheffen boven de tegenwoordige wereld en de zinnelijke atmosfeer, waarin zij heeft geleefd, en haar van aangezicht tot aangezicht met den Eeuwige te brengen. Het was deze teedere godsvrucht, die de roem was van het Puri-teinsch geloof en zichtbare kracht gaf aan het Puri-teinsch karakter. Niets is dringender noodig in onzen tijd, die wel kan twijfelen en schertsen, maar het bewonderen en aanbidden verleerd heeft en waarin een zaak van zoo hoog belang als een godsdienstoefening, een amusement, een vertooning, een comedie is geworden.
Waarom wij wèl mogen bidden is, dat wij mochten gedoopt worden met den boetvaardigen, strengen, alles trotseerenden, echt Christelijken geest van onze vaderen, die zichzelven alle uren daagden voor den rechterstoel van Christus en het daarom een geringe zaak achtten van menschen geoordeeld te worden; die nooit te
181
zamen kwamen in den Grooten Naam, hetzij in een statige kathedraal of in een eenvoudig dorpskerkje, of zij naderden tot de geesten der rechtvaardigen, die volmaakt geworden waren, en tot Jezus, den Middelaar des nieuwen Verbonds en tot God, den Rechter van allen.
HOOFDSTUK IX.
Des leeraars zorg voor zichzelf.
Daar het de wil van God is, dat de Kerk in stand gehouden en beschermd worde door menschen, voor die taak opgeleid, is er niemand op de geheele aarde, die zulk een verantwoordelijkheid op zich nam en zulk een zorg voor zichzelf moet hebben als de Evangeliedienaar. Vooreerst moet hij op zijn gezondheid passen, want de geestelijke welvaart van een gemeente is ten zeerste betrokken bij des leeraars gezondheid, niet alleen in de leer, maar ook naar het lichaam. Niet slechts, dat een ziekelijk man een bron is van eindeloozen angst voor medelijdende zielen, die genoeg in eigen huis te stellen hebben, om zich nog daarbij over hun zwakken dominè te moeten bezwaren en dat het werk natuurlijk op gebrekkige wijze verricht wordt, als de leider zich voor \'t minste stootje moet inachtnemen,
183
maar, wat veel ongelukkiger en schadelijker is, de slechte staat van zijn gezondheid zal zich ook mee-deelen aan zijn onderwijs, want in den regel kan men slechts van een krachtig man krachtige preeken verwachten.
Inderdaad moet men er dankbaar voor zijn, dat Christus voor Zijn eerste apostelen mannen koos, niet slechts met uitstekende geestelijke hoedanigheden, maar ook met een geharde, natuurlijke, gezonde levenswijs: visschers en dergelijke lieden — en dat van de vier evangeliën, die altijd moeten blijven de gezaghebbende documenten voor ons geloof, drie afkomstig zijn, direct of indirect, van deze in weer en wind geharde Gali-leërs, en het vierde van een geneesheer. Wat ook gezegd moge worden van de latere Christelijke literatuur, in de evangeliën is niets ziekelijks, onwaars, lafs of duisters. Het zijn sobere, gevoelvolle, eerlijke, mannelijke geschriften, zooals gezonde menschen zouden schrijven en waarheidlievende gaarne lezen. Een gezond lichaam is bij het denken evenzeer onmisbaar, als in de lijnbaan of de smederij. Gesteld dat twee menschen beiden even onberispelijk zijn, zoo kunt gij toch niet van ieder even goede gedachten verwachten, als de een gezond van gestel is en de ander ongezond. In den regel zal iemand, die een zwakke constitutie heeft geërfd, of wiens zenuwgestel overwerkt of wiens lichaam misvormd is, of iemand, die een slechte spijsvertering heeft, of die op eenigerlei wijze niet op krachten kan komen, een knorrig humeur hebben, geneigd tot over-
186
en een opgeruimd gemoed hebben. Als hij een slechte spijsvertering heeft, beklimt hij den kansel, maakt hatelijke toespelingen opeen of andere ketterij, of jammert over het verval der zeden. De menschen, die vervracht hadden een voorsmaak van den hemel te genieten, gaan wanhopig weer naar huis. De vromen klagen over de ontaarding der tijden en de jongelieden nemen zich vast voor, nooit meer iets met den godsdienst te maken te willen hebben. Maar de tijden zijn in werkelijkheid zoo goed als ze ooit geweest zijn en godsdienst is de kracht der menschelijke ziel. Het kwaad steekt in dit geval noch in den Bijbel, noch in de wereld, maar in den kansel, die dien dag bezet was door een zwartgallig en zwaarmoedig man. Iedere kerk moest de aanstaande theologanten aan een medisch onderzoek onderwerpen en alleen hen toelaten, die bij een levensverzekeringmaatschappij het hoogst aangeschreven staan, wat hun gezondheid betreft.
Een dienstdoend predikant moest de gezondheids-regelen zeer inacht nemen: zijn studeerkamer ieder uur van versche lucht voorzien, slapen bij open ramen, vier mijlen per dag loopen, eenmaal per week tennis of cricket spelen, elk jaar een vacantie van zes weken hebben, en eens in de zeven jaar een van drie maanden, en dat alles, opdat zijn denken en leeren frisch mogen blijven en de frissche lucht van \'t Christendom de zielen van zijn gemeenteleden moge versterken.
Hij moet ook zijn t ij d goed besteden en nooit dulden, dat een enkel oogenblik verwaarloosd wordt; want als
187
hij heden ten dage slordig omspringt niet zijn tijd, zal zijn werk ontaarden tot niets dan een kringloop van godsdienstige en wereldsche beuzelingen.
quot;Verbeeld u het contrast tusschen het ideaal, dat een student zich vormt van den Evangeliedienst en de werkelijkheid. Het gebeurt niet iedereen, die onverwachte en onweerstaanbare stem te hooren, die tot St. Peanoiscus kwam, toen hij opstond van het avondmaal, en, onder het diepe blauw der Umbrische lucht, de zekerheid erlangde, dat hij door God geroepen was, alles te verlaten ter liefde van Christus; maar toch, in \'t hart van ieder oprecht man is het voornemen, om zich aan den Evangeliedienst te wijden, saamgeweven met romantische droomen en verwachtingen. Hij rekent niet op stoffelijke belooning en hij is op harden arbeid voorbereid. Hij is bereid tegenstand en verwijtingen te trotseeren om Gods wil te volbrengen; ieder offer zal zijn vergoeding vinden in die oogenblikken van heiligen ijver, als zijn hart plotseling in hem brandende is en hij zich in Christus\' tegenwoordigheid weet, in uren, dat hij op de gezichten zijner hoorders kan zien, wat in hunne ziel omgaat, als antwoord op de Evangelieprediking, in dagen, doorgebracht met het brengen van \'s Heeren troost tot de bedroefden. O, vergeef hem deze illusiën, hij is nog jong en ongeveinsd; de student acht zich een profeet van de waarheid Gods, een herder van menschelijke zielen. Leg dit poëem ter zijde en sla een blik in zijn dagboek, tien jaren later, als hij predikant is bij een stadsgemeente en hij, zoo ver de
188
omstandigheden het toelieten, de hoogste sport van de ladder heeft bereikt.
Maandag, de predikant, uitgeput door het Zondags-werk, ziet met afkeer en weerzin naar een stapel brieven, die zich in \'t einde der week hebben opgehoopt. Zij loopen over allerlei onderwerpen, van een lijst, afkomstig van een op statistieken verzotte commissie, af, tot een damesbriefje, heel lief maar tijdroovend, over een keukenmeid die vroeger lid van zijn gemeente was, toe. Twee uren klerkenarbeid gedurende minstens vijf dagen per week stond niet oorspronkelijk op zijn programma en het is dat eeuwig eenerlei, dat ons haar doet vergrijzen. Zijn aanteekenboekje herinnert hem, dat in den namiddag de vergadering plaats heeft van een kerkelijke commissie en na een strijd met zijn lagere natuur, die liever zou gaan cricketten, gaat hij, verheugd over een glansrijke overwinning op zichzelf er heen, om de leden druk bezig te zien met het overreden van zekere arme gemeente, £ 5 extra te geven voor een of ander fonds en hen later met stralend genoegen te zien redetwisten over een ander punt van den beschrijvingsbrief. Voor den avond heeft hij zich verbonden voor een bijeenkomst, die van een „gezellig avondjequot; bevorderd is tot eene z.g.n. converzatione en nu een receptie nabijkomt, waar hij nog zes anderen uit de buurt vindt, en zich vermaakt met een verhaal over de interessante omstandigheden, waaronder hij hun geachten pastor voor \'t eerst ontmoette in een badplaats.
189
Dinsdag morgen brengt hij in het plaatselijk schoolbestuur door met pogingen, om uit de reglementen te ontdekken, hoeTeel een ex-leerling-onderwijzeres moet verdienen als hulponderwijzeres en of een bedrag van een daalder door den opzichter van zijn brandstoffen-kelder in rekening gebracht, niet te hoog is. Hij bezocht dien dag een of twee zieken, maar wordt gestoord door een theevisite, waar hij zeven dames ontmoet, wier echtgenooten wel niet zullen komen, als zijnde mannen van zaken, \'s Avonds presideert hij een jongelingsvereeniging, die alleen op de been kan gehouden worden door zijn tegenwoordigheid en waakzaamheid en daar hoort hij een verhandeling over Julius Caesar, waaromtrent hij eenige opmerkingen ten beste geeft, die hij haastig heeft opgediept uit een encyclopedie, maar die hem den schijn geven van een al-weter.
Woensdag morgen wordt geheel in beslag genomen voor het opmaken van een rapport, betreffende een kerkelijke schuld en om drie uur brengt hij een voorstel ter tafel op de jaarlijksche vergadering van de Vereeniging tot Lotsverbetering van het Tramway-personeel. Hij acht zich gelukkig nog twee uren over te hebben om zijn toespraak klaar te maken voor de weekbeurt.
Donderdag begint goed en de predikant zet zich aan zijn Zondagswerk, als wanneer er een bezoeker komt, en daarna een groote menigte; een jonge dame, die er tegenopziet om gouvernante te zijn; een jong-mensch (die eens de godsdienstoefening voor jongelieden
190
bijwoonde) om een getuigschrift te vragen voor een of andere betrekking; een lid zijner gemeente, die niets te doen heeft en die hem een vriend van buiten wensoht voor te stellen; de rondreizende secretaris van een of andere onbeduidende vereeniging, die overvloed van tijd heeft, verder een bejaard persoon, die zeer gesticht werd door een van dominé\'s preeken in een vreemde kerk gehouden, en nu drie gulden komt ter leen vragen, \'s Avonds woont hij een vergadering van diakenen bij, waar hoofdzakelijk gesproken wordt over het tractement van den koster en over een tocht, welke de reden zou zijn, dat twee families zoo onregelmatig ter kerk kwamen.
Op V r ij d a g komt die goede engel, de vrouw van den predikant, hem te hulp en geeft streng bevel, dat niemand zal worden toegelaten. De buitenwereld moet zichzelf maar helpen, zonder dat er blijkbaar een ongeluk gebeurt, en de predikant heeft nu de weelde van vier uren onafgebroken studeeren. Als hij vele voormiddagen had zooals deze, zou hij een goed prediker kunnen worden. Hij gaat inderdaad zoo geheel in zijn studie op, dat hij zich reeds verheugt op een langen avond in gezelschap van zijn boeken, als hij zich een afspraak herinnert, om een vergadering bij te wonen van de werkers in „Bethesdaquot; — een zendingsvereeniging, die niet aan een bepaald kerkgenootschap gebonden is, waarvoor een lid zijner gemeente 2400 gld. per jaar bijdraagt en waar hij preekt voor een uitgelezen gehoor van zeventig kinderen en dertig volwassen verpleegden. De predikant wenscht een oogenbük, dat hij geweigerd
191
had iets te doen te hebben met dezen averechtsohen vorm van Christelijke werkzaamheid en dat hij den goeden man overreed had liever een arme gemeente met zijn mildheid te helpen; maar een predikant heeft niet meer zedelijken moed dan anderen en hij vreesde, dat men hem een onevangelisch in plaats van een gevoelig man zou noemen.
Maar Zaterdag! Die zal alles goed maken. Helaas! de waakzaamheid zijner vrouw laat hem in de steek en een schilderachtig vreemdeling uit het verre Oosten legt beslag op zijn studeerkamer. De predikant, hoffelijk — zooals men tegenover zulke verre vreemden behoort te zijn —, geeft zich veel moeite de bedoeling van den bezoeker te ontwarren en na een geduldig onderzoek van een uur ontdekt hij, dat deze afkomstig is uit een onbekende plaats, als welker vertegenwoordiger hij zelf optreedt, dat hij iets wil oprichten van openbaar nut en daarom verzoekt, den volgenden dag in de kerk een opwekkingsrede met collecte te mogen houden. Als de man uit Mesopotamië eindelijk begrepen heeft, dat hij wel kan heengaan, is het ver-geefsche moeite, om vóór den avond de preek weer te hervatten. Zoo ver ik weet, zijn deze bijzonderheden niet overdreven en zij worden met een ernstig doel hier medegedeeld. Niet omdat wij meenen, dat de Evangeliedienaar zich buiten alle philanthropische en sociale ondernemingen zal houden, die de roem zijn van ons nationaal leven, of omdat wij ons niet bekommeren om de uitbreiding van het Godsrijk of het
192
werk van vreemde kerken. Niemand gevoelt zich vermoeid of geplaagd door een werkelijk grootsche onderneming. Maar hij wordt ten doode toe gekweld door nietige beuzelingen, nuttelooze praat, onnoodige correspondentie. Waarom moet een predikant zich het leven laten verbitteren door allerlei nietige en zotte vereenigingen, die beslag op hem leggen? Is het niet hoog tijd, dat hij verlost worde van den last van allerlei financiëele aangelegenheden, hetzij het een kerkbouw betreft of het bijstaan van een dozijn mannen van zaken in het beheeren van een paar honderd pond? Is het noodzakelijk, dat de predikant zitting hebbe in alle kerkelijke commissiën ? Komt er dan geen einde aan die gemeente-organisatie? Moet de predikant meer en meer van zijn voornaamste werk afgetrokken worden door ieder nieuw plan tot hervorming der maatschappij ? De predikanten moeten weten wat zij willen en aan de gemeenten de keus laten, of zij predikers verlangen dan wel generale agenten, want zal iemand tot op zekere hoogte een profeet zijn, dan moet hij niet van Maandag tot Zaterdag voortgedreven worden langs \'s levens stoffige wegen, maar worde hem een tijd toegestaan van volstrekte rust, waarin gedachten aan God kunnen oprijzen en een gestalte aannemen in zijn ziel.
Het is absoluut noodzakelijk, dat de predikant in zijn zaken met wijsheid en voorzichtigheid te werk ga, want het is in zijn betrekking onmogelijk, het bijzonder van het openbaar leven te scheiden. De quaestie
193
van het vrijwillig celibaat is er een, die hij vóór zijn bevestiging moet uitmaken, hij handele, zooals God het hem ingeeft. Een ongehuwd man kan zich zonder voorbehoud geven aan het Evangeliewerk, te midden van de gevaren van heidensche landen of van de vuiligheid onzer groote steden; hij is vrij van wereldsche zorgen en sociale moeilijkheden, hij eischt weinig van de Kerk en is ten volle tot haar beschikking. Komt iemand tot het besluit, dat het Gods wil is dat hij trouwe, dan behoort hij van alle mannen het voorzichtigst te zijn in de keuze van een vrouw, want zij kan öf een hulpe of een last voor hem zijn, niet slechts in zijn huis, maar ook in zijn werk. [Men moet niet meenen, dat het voor een predikant geraden is een vrouw te huwen, die pree-ken kan of vergaderingen leiden, en dus de werkzaamheden met hem kan deelen, evenmin als het voor een dokter aanbeveling verdient met een ziekenverpleegster te trouwen, om hem ter zijde te staan aan het ziekbed. Ieder man, die achting voor zich zelf heeft doet zijn eigen werk en weigert een deel van zijn last op de schouders zijner vrouw te werpen. Die verhalen over predikanten, die hunne preeken aan hunne vrouwen voorlezen, alvorens ze uit te spreken en zoo de arme vrouw van alle stichting op Zondag berooven of haar beproeving verdubbelen, haar kwellen met al de kleine onaangenaamheden van zijn werk, zijn boosaardige uitvindingen. Een predikant zij even mannelijk in zijn optreden als een dokter of een advokaat, hij weet zeer goed dat zijn vrouw genoeg te doen heeft in haar eigen departement.]
13
194
Het is niet de spreekster, die de roeping der vrouw vervult en evenmin de vrouw, die zwijgt, maar in haar verplichtingen jegens den predikant, haar echtgenoot, te kort schiet. Zij is een goede echtgenoote, die zijn huishouding verstandig en zuinig bestiert, zoodat hij niet afgeleid wordt door huiselijke aangelegenheden; die hare kinderen, wier vader zoo weinig tijd heeft om zich daarmede in te laten, opvoedt in de liefde Gods, die met zooveel takt en vriendelijkheid zich onder de menschen beweegt, dat niemand reden tot klagen heeft — want ook zij maken aanspraak op haar, hetgeen soms zeer vermakelijk is —; die haar man in elke zaak van belang raad geeft en hem vaak terughoudt van al te haastig optreden; en die hem bij zich krijgt, vermoeid, ontmoedigd, verbitterd, en hem weer van zich laat gaan krachtig, vol hoop, vriendelijk gehumeurd. De vrouw is in de schaduw en de man staat in \'t volle licht, maar niet vóór die vrouw sterft en de man alleen achterblijft, weten de menschen of hij zelf, wat zij geweest is: — Livingstone is begraven in de Westminster Abdij, maar het graf zijner vrouw is in de wouden van Afrika.
Ziehier een andere vrouw. Zij is verkwistend, buitensporig, achteloos, ijverzuchtig op haar positie, en vol nietige plannen en verlangens, heeft een kwaadsprekende of babbelachtige tong, richt aan alle kanten onheil aan, is onwetend, ongemanierd, geeft aanstoot, of is ongeloovig en wereldsch. Als zulk een vrouw aan den predikant geketend is, zal zij hem van de eene
195
gemeente naar de andere drijven, hem in opspraak brengen, al ware hij een heilige, het goede, dat hij tot stand bracht, weer half ongedaan maken en hem neertrekken tot haar eigen peil, totdat hij bitter, veeleischend, achterdochtig, onhandelbaar wordt. quot;Want in ons ambt kan een man door zijn huwelijk zijn bruikbaarheid verdubbelen of aanmerkelijk verminderen.
Op het huisgezin van den predikant valt een scherp licht, het Evangelie, door het hoofd ervan gepredikt, moet door zijn gezin practisch worden toegelicht. Zijn huis moet een aangenamen indruk maken, als de pastorie van Geokge Heebekt, maar ijdele praal of weeke weelderigheid mag daarin niet zijn. Hij is verplicht gastvrijheid te bewijzen, gelijk een dienaar van Christus betaamt, maar hij doe het met liefde en eenvoud. Zijn kinderen kunnen niet als anderen alles genieten, hoewel zij erfgenamen des vredes behooren te zijn, want het leven in een predikantswoning moet aan strenge eischen voldoen. Als de predikant getrouwd is en kinderen heeft, mag hij zich niet verbeelden, dat hij geheel anders is als gewone menschen, en dus geen voorzorgsmaatregelen voor hun levensonderhoud behoeft te nemen, ingeval van zijn overlijden. Het is zijn plicht, hun zóóveel na te laten, dat zij niet afhankelijk zijn van de liefdadigheid; en mocht hij ooit geneigd zijn te zeggen, dat hij hen zonder have en goed toevertrouwt aan de hoede Gods, dan moet hij zich niet beroemen op zijn geloof, maar begrijpen, dat hij erger dan een ongeloovigo is. Weinig dingen
196
vervreemden gevoelige mensohen eerder van den godsdienst, dan een predikant, die zijn schulden niet betaalt of zijn kinderen toevertrouwt aan de publieke liefdadigheid. De predikant moet zich ook telkens vele genoegens ontzeggen en onschuldige neigingen opgeven, om geen struikelblok te werpen op den weg van vreesachtige, angstvallige zielen — die zeer bekrompen mogen zijn, maar voor wie Christus bereid was te sterven. Als de predikant voorgaat op een steile hoogte, moet hij denken aan de vele kleinen, die hem volgen, en zijn voeten alleen op volkomen veilige plaatsen zetten.
Maar voornamelijk hebbe deze man te letten op zijne ziel, dat zij rein en krachtig blijve, en te dien einde moet hij strijden tegen alle zonden, maar in het bijzonder tegen drie, waarmede predikanten al zeer licht behept zijn. De eerste is traagheid, en daar in een tijd van hoogen druk en veel getier, waarin elk predikant ondersteld wordt zich dood te werken, het zeer gemakkelijk is den schijn van groote werkzaamheid aan te nemen, is deze zonde zeer bedriegelijk en gevaarlijk.
De predikant heeft geen vast uur, waarop hij zijn werk beginnen moet, geen dag waarop hij voortdurend aan \'t werk behoeft te zijn, geen papier, dat uitwijst, hoeveel hij gedaan heeft. Zijn tijd staat tot zijn beschikking, zijn werk regelt hij naar eigen believen, hij is zijn eigen meester. Als hij een geheelen dag verkiest te luieren, is er niemand om hem ter verantwoording te roepen, behalve zijn vrouw en deze kan enkele van de broeder-collega\'s zeer vermaken, als zij
197
er bij hen op aandringt, om haar echtgenoot te overreden, niet zoo hard te werken, opdat hij zijn hersens niet benadeele, terwijl zij weten dat hij geen twee uren in de week ernstig studeert.
[Als iets een luiaard kan opwekken en hem er toe brengen werkelijk een man te zijn, dan zal het wel zijn het geloof van zijn vrouw in hem. Over de ge-heele wereld, binnen en buiten de predikantsbetrekking, zijn er hardwerkende en zichzelf opofferende vrouwen, die nuttelooze doe-nieten verontschuldigen en hunne gebreken verschoonen, door ze aan een slechte gezondheid toe te schrijven, en die steeds in de toekomst groote dingen van hen wachten. God gave, dat de man nog iets deed ter wille van zulk een vrouw.]
Als de predikant zich een ganschen morgen in zijn studeerkamer opsluit, weet niemand behalve hij zelf en zijn God, of hij zijn tijd doorbracht met werken of met luieren, door van de eene boekenplank naar de andere te staren, of met rooken, gebogen over een krant, of met het lezen van den laatsten roman. Hij gaat om twee uur huisbezoek doen en komt om zes uur weer thuis; zijn vrouw ziet, dat hij vermoeid is en raadt hem wat uit te rusten; maar \'t is mogelijk dat hij een uur in 66n huis doorbracht — met verwaarloozing van vier zieken, waar hij dringend werd gewacht — omdat de menschen zoo aardig waren en hem veel over zichzelf lieten praten.
Het is mogelijk in een paar uur een preek in elkander te zetten — slechts een zaak van lijmen en smeren —•
198
die op een afstand het oog wel behagen kan; slechts weinigen onderzoeken een preek wat nauwkeuriger.
[Mag men een oude preek houden? Ja, mits l0.het een goede preek is; 2°. de predikant werkelijk niet in staat is een nieuwe te maken en 30. als de preek hem nog zoo geschikt voorkomt, dat een herhaling hem niet pijnlijk aandoe. Want preeken zijn als kleederen, de dracht van twee jaren geleden past nu niet meer: — alles behoort te Mein te zijn.\\
De traagheid wordt in den man steeds grooter en tast zijn karakter aan; hij schaamt zich op den kansel en is vol verontschuldigingen in de huizen, totdat de menschen, na lang en geduldig wachten, alle vertrouwen op hem verliezen en hij zijn loopbaan eindigt, hulpeloos en veracht.
De tweede zonde is onmannelijkheid, waarmede vele predikanten geplaagd worden en waarvoor deze verontschuldiging kan worden aangevoerd, dat zij door de omstandigheden wordt aangewakkerd. Het is voor iederen man gevaarlijk, hoe sterk en bescheiden hij ook moge zijn, eiken Zondag tweemalen de wet uit te leggen voor hoorders, die niet het recht hebben hem tegen te spreken, door de groote meerderheid met bijzonderen eerbied behandeld te worden uit kracht van zijn ambt, meermalen vergaderingen te presideeren, wier leden licht geneigd zijn, met zijn denkbeelden in te stemmen, omringd te zijn door vrouwen, wier vroomheid haar gemakkelijk er toe brengt, hem ter wille van zijn werk te vleien. Zoo hij niet streng over zichzelf
199
waakt, de wereld ingaat en mensohen spreekt, die in meening van hem verschillen, zoo hij geen vrienden heeft, die hem oprecht hun oordeel zeggen, zal hij geen tegenspraak meer kunnen verdragen, een autocratischen toon aannemen, woedend worden, zoo men hem weerstaat, gemelijk, als hij van ongelijk overtuigd wordt — een pruilend kind. Als iemand eeu damesdominé is geworden, durft men het niet met hem oneens te zijn over het weer.
Een andere invretende en ontzenuwende zonde is zekere ambtelijke sleur, die zich uit in een gekunstelde manier van spreken, een bestudeerde houding, een gebruik van conventioneele phrasen en oen onheilige gemeenzaamheid met de heilige dingen. Als de dienaar van Christus in dezen zielstoestand geraakt, is het een droeve tragedie. Verbeeld u, dat een man kinderen aanneemt in den naam van Christus, het sacrament van \'s Heeren dood uitdeelt, stervenden troost en bemoedigt, getuige is van den hevigsten zielestrijd, de blijde boodschap der Goddelijke Liefde brengt, tot God een gebed opzendt voor zijn medebroeders, leeft en werkt te midden van heilige mysteriën — en dan alle gevoel voor het ontzagwekkende, het liefelijke en teedere daarvan verloren heeft. Als iemand den kansel kan verlaten zonder vrees of een sacrament kan bedienen, zonder zich geheel uitgeput te gevoelen of thuis kan komen en deelnemen aan gezelligen kout, nadat hij een van zijn kudde de eeuwigheid heeft zien ingaan, dan mag hij zich wel afvragen of de Geest van Christus hem
200
niet verlaten heeft en hij niet door \'s Heeren eigen hand van zijn ambt ontzet is.
Tegen deze en alle andere zonden is \'s leeraars eenige bescherming en verdediging de tegenwoordigheid van den Heer. In de studeerkamer van een zeer gebrekkig en onwaardig predikant en boven de schrijftafel, waarop hij zijn preeken maakt, hangt andrea del saeto\'s Christus, het gelaat van Ben, Wiens lijden voorbij is en nu eeuwig leeft, vol vrede en majesteit. De predikant heeft die schilderij allengs als een heiligdom leeren beschouwen, waarin \'s Heeren geest zich aan zijn hart en geweten verklaarden met verborgen goedkeuringen en reddend oordeel. Als hij te rade gaat met zijn eigen gemak en een moeilijken plicht weigert te volbrengen, of uit menschenvrees een heilzame waarheid verzwijgt, dan is het gelaat van den Meester verduisterd door droefheid en teleurstelling; als die predikant, aangespoord door de genade Gods, zich den ganschen dag verootmoedigd heeft of met opffering van rust of gemak een medemensch heeft geholpen, dan verheldert het gelaat door vreugde en de liefdeoogen heeten hem welkom bij zijn terugkomt. De Christus is niet in die onnoozele prent, maar in des leeraars ziel: in ons binnenste alleen vinden wij den Heer, vóór Wien wij ieder oogenblik staan om geprezen of veroordeeld te worden. Als God ons een goeden oogst geeft, laten we dan onze schoven brengen aan de voeten van Jezus; is het Zijn wil dat wij geen vruchten zien van ons werk, laten wij dan tot denzelfden Heer vlieden,
201
Die weet wat het zeggen wil, Zijn leven meer en meer te zien wegzinken. Laat ons uit Zijn leven leeren, hoe te prediken; naar Zijn voorbeeld leeren, hoe te dienen; in gemeenschap met Hem, onze kracht, troost, vrede vinden. Dien wij niet hebben gezien en toch lief hebben, Wien wij eens rekenschap zullen geven.
I JO SAKKERS J Vgt;-
rrfit \'no o
ps .•■?gt;quot;*. gt;lt;fgt; \'• \'*gt;, ^ 1 K ~ rrj/\' /-H- lt; ir
-: tgt;i T hvO^ \'
\' \' - lt; quot; \' y vA .
V -Tv\'
,- ^ \' T
Kvr \' v c- ^
j---vi.s t ^ \'\\ ,W t\'* *2; iV4 quot; i • .■ \' •
^ S*\'
:t \'
-tv ^ j.
., iv 4 ^ U \'V-
f\\ ■ ■ iX V
rv V- ^\'Jr - ^ \\ -v r.\' (
u / i ƒ i-t\' \' \' i / \\r\'4£* ^-yfv
\' gt;-• Vv^ I f V ; -v. :•
k\'v ^quot;-V\' \' A x\';\'
\'■ rA, /SCV:r
\'\\-v^ ■-^\'lt;^^\\lt;rp:\\
k .. ^ ■ gt; t*quot;.l A X. v JV»--\' V T_
«TT ^wn^-vv\'-\'v.vi \'
■ gt;•■ ts; . X»- , . ; v/-
vt ». *• . /\'•■ Jv \'.T v
^ J. \'.ys/:to^V\'L ■ 7 ^5 A -
. -4 gt;■ \'4 A-sf y quot;(quot; . -• \' -
■ gt;5^ *-€• / ,vS^- c ^
/■ gt;? \' }s\' f\' ^ ^ ,/ . cvquot; 7 , - ^ ■
. *lt; , ■.: \\ • f
U r \'^r / / M... Vgt;^- gt; ■ ■\'\'quot; ■
rr
Z -».\'V