-ocr page 1-

SOCIALE MOEAAL

ÏN PREEK EN SCHETS

VAN

r» ÏV u 1 W a 11 li c r-

VERTAALD DOOR

S. ULFERS.

N IE O W E, GOEDKOOPS UI T G A V E.

tr t e E C h t,

KEMINK amp; ZOON.

(Over de Domkerk.)

1 89 7.

Prijs: gcb. /\' 1.75 — ing. f \'1.25.

-ocr page 2-

J. TE KIEFTE. BOEKBINDERIJ UTRECHT.

Kast 428 pi. H n0. 6


-ocr page 3-
-ocr page 4-

EKBINUtnij UTRECHT.

-ocr page 5-

. Sê.é.

SOCIALE MORAAL

ÏN PREEK EN SCHETS

VAN

I? a ii 1 W a. 11 ti e x*.

VERTAALD DOOR

S. U L F E R S.

I

NIEUWE, lï O E n K O O P E UITGAVE.

UTP.UCHT,

K E M1N K amp; ZOO N.

(Over de Domkerk.) 1 8 9 7.

-ocr page 6-

faiBLlOTHECk:aiBLlOTHECk:

WiKsuNivEriStrpi

UTKECHf .,1 l—i quot; ..............

-ocr page 7-

IN HOUDSOPGAYE.

Voorrede van den vertaler

Bladz. V—XII

Voorrede van den schrijver

XII-

—XV

De intocbt van Jezus te Jeruzalem. (Matth. 21: i_9).

1-

-3

Zijt gij degene die komen zou? (Matth. ll : 2—lO)

3-

-9

Het getuigenis van den Dooper. (Joh. 1 ; 19—28).

9-

-12

De geboorte van den Heiland. (Lucas 2 : i—u)

12-

-24

De kindermoord te Bethlehem. (Matth. 2 : 13_23).

24-

-26

De wijzen uit het Oosten. (Matth. 2 : 1—12).

26-

-28

De twaalfjarige Jezus. (Lucas 2 : 41_52)

29-

-30

De bruiloft te Kana. (Joh. 2 ; 1—11)

31-

-35

De hoofdman te Kaperna^m. (Matth. 8 : 1—13).

36-

-41

Het onkruid onder de tarwe. (Matth. 13 ; 24_30).

41-

-44

De arbeiders in den wyngaard. (Matth. 20 : 1—16)

44-

-56

De verzoeking in de woestijn. (Matth. 4:1—11)

57—

-61

De Kanauesche vrouw. (Matth. 15 : 21—28).

61—

-64

De spijziging der vijfduizend. (Joh. 6 : 1—Ij)

64-

-69

De voetwassching. (Joh. 13 ; 1_15)

69-

-73

De vrouwen by het ledige graf. (Marcus 16 : 1-0)

73-

-78

De Emmaüsgangers. (Lucas 24 : 13—35) .

78-

82

Be verschijning aan de elven. (Joh. 20 : 19—31)

82—

85

-ocr page 8-

De goede herder. (.Joh. 10 : 11—16)......

„Ik zal u wederom zien.quot; (Joh. 16 : 16—23). . . Het afscheidswoord. (Marcus 16 : 14—20). . . .

Geloof en oordeel. (Joh. 3 ; 16—21)......

Jezus en Nicodemus. (Joh. 3 : 1—15).....

De rijke man en Lazarus. (Lucas 16 : 19—31). . De noodiging ten avondmaal. (Lucas 14 : 16—24) . Het verloren schaap; de verloren penning. (Luca

15 ; 1—10)..............

De wonderbare vischvangst. (Lucas 5:1-11. . . De spijziging der vierduizend. (Marcus 8 : 1—9) . De valsche profeten. (Matth. 7 : 15—23) .... De onrechtvaardige rentmeester. (Lucas 16 : 1—9). De doove, die zwaarlijk sprak. (Marcus 7 : 31—37) Wie is mijn naaste? (Lucas 10 ; 23—37) .... De weduwe te ïtaïn. (Lucas 7 : 11 —17) .... Twee gewichtige vragen. (Matth. 22 : 34—46) . . De onbarmhartige dienstknecht. (Matth. 18 : 23—35) De schattingpenning. (Matth. 22 : 15—22). . . . Het dochtertje van Jaïrus. (Matth. 9 : 18—26) . . De aanstaande verdrukking. (Matth. 24 : 15—28) . Het jongste gericht. (Matth. 25 : 31—46) .... De wijze en dwaze maagden. (Matth. 25 : 1—13) .

Bladz. 85—99

100—101

102—103

103—106 106—118 119—133 133—139

139—151 151 — 156 156—159 160—163 163—177 178—179 180—191 192—194 195—200 201—205 205—206 207—209 209—219 220—223 223—227

-ocr page 9-

VOORREDE.

Op eene van de kerkelijke vergaderingen in Duitschland, — het was in Saksen — was in het vorige jaar de vraag gesteld: Op welke wijze moeten de maatschappelijke magen van onzen tijd op den kansel ter sprake gebracht worden? Aan den heer Paul Walther — hij is een dominé — werd de behandeling van die vraag opgedragen. Hij kweet zich van die taak, en leverde ter vergadering zijn referaat, of liever zijne proeven, hoe zulke preeken betreffende maatschappelijke vraagstukken ongeveer moesten uitzien. Uit die proeven van sociale preeken zijn nu, gaandeweg in getal aangegroeid, deze „Sociale Gedankenquot; voortgekomen, die ik in het Hollandsch uitgeef, onder den titel van: „Sociale moraal in preek en schets.quot;

Moraal is het, wat de schrijver ons aangeboden heeft, en daarmede heeft hij eene voor onzen tijd zeer noodige taak vervuld. Want in de maatschappelijke verwarringen is ook de moraal eenigszins verward geworden. Wij hebben sedert lang eene, mag ik zoo noemen, teittersmoraal, die uit het Manchestersche systeem was voortgevloeid; en daar kwam nu bij of tegenover: de sociaKsten-moraal. De eerste stelt het als zedelijk geoorloofd, om van de arbeiderskrachten te halen wat men kan, met vernietiging van den arbeider zelf. De tweede stelt als zedelijk geoorloofd om den bezitter ge-weldadig te berooven , en als deze tegenstaat, hem te dooden. [Zie Recht voor allen, vele numero\'s]. Deze tweederlei moraal propageert zich, en sterk ook. Bij de bezitters heeft die eerste moraal zich gepropageerd bij wijze van eene overgeërfde en telkens weer erfelijke eigenschap. Bij de socialisten is hunne moraal gepropageerd door de ijverige prediking

-ocr page 10-

VI

hunner leiders, en door de natuur van den bedorven en tegelijk verdrukten mensch, die natuurlijk niets liever doet dan zulke moraal aannemen. Was er dan geene derde moraal? Geene oudere, geene oorspronkelijke moraal? Viel uit de Christelijke moraal niets af te leiden, dat als leidend beginsel kon dienen bij degenen, die weten wilden hoe zij te handelen hadden in de nooden en moeilijke vragen van onzen tijd? Was de Christelijke moraal iets, dat den mensch alleen goed en geschikt maakt voor een leven hiernamaals? En was zij voor de dingen dezes levens van onwaarde? En gaf bovendien dat leer- en levensboek aller geslachten, de Bijbel, geen antwoord op de vraag, hoe er in de sociale quaestie kan gehandeld worden, —• dat boek, dat anders op elke andere vraag van elk levensterrein een antwoord niet schuldig bleef?

Op deze vraag heeft de schrijver een antwoord gegeven. Als men den Bijbel eens ging naslaan met zoodanige bedoeling, dan bleek het op merkwaardige wijze, hoe dat boek vol was van ethische lessen, waar sociale moraal onmiddelijk uit afgeleid kan worden, vol was van andere verhalen en redeneeringen en wetten, waar de wenken, hoe in maatschappelijke vragen te handelen, als uitgestrooid lagen en te grijpen, voor wie zulks wilde. De Ethiek van den Bijbel kan als basis dienen voor een politiek gebouw. AVaarom kan die Ethiek niet dienen als basis voor een neconomisch gebouw? Ja, moest dit zelfs niet?

En zoo ging de schrijver heen , en hij las zijnen Bijbel nog eens over, opzettelijk met die bedoeling, en hij vond overvloed, overvloed van stof; en hij deed er grepen uit, en stelde zijne gedachten op schrift, op zulk eene populaire wijze, dat de vorm van zijn werk gelukkig geen beletsel, maar juist een voertuig werd tot meerdere verspreiding van zijne gedachten. Bij het einde van zijn arbeid kon hij de aangename overtuiging bovendien hebben, bijna geen enkel sociaal vraagstuk onaangeroerd te hebben gelaten. Zoo rijk was de aanleiding er toe in de onderwerpen, die hij koos uit den Bijbel.

Tegenover de verwarring van moraal op sociaal gebied; tegenover de bezittersmoraal, tegenover de socialistenmoraal, stelde hij nu de Christelijke moraal; hij releveerde deze laatste, als ik het zoo eens mag uitdrukken; en het was

-ocr page 11-

Vil

hoog tijd, dat dit gedaan werd. Het is hoog tijd, dat anderen hieraan mededoen. — Vandaar ook deze vertaling, althans van de meeste zijner preeken en schetsen.

Op de bedenking, welke in Duitschland, en ook in ons land uitgesproken is: „Of nu de methode goed te keuren is, en of men de Bijbelsohe verhalen gebruiken mag om er maatschappelijke toepassingen uit te maken?quot; — (Dr. Hoe-demaker maakte deze opmerking) — laat ik den schrijver zelf antwoorden in zijne narede, die ik als voorrede bij deze vertaling geef.

Op de bedenking: „Of het nu aan te bevelen is, om een heel jaar lang over maatschappelijke vragen te preeken?quot; — (Dr. Baljon maakte ongeveer deze opmerking) — antwoord ik: Wie beveelt dat aan?

Het is naar aanleiding van deze en andere bedenkingen, dat ik uit des schrijvers lange voorrede het volgende aanhaal:

„Velen zullen zeggen: De kansel is bestemd voor de verkondiging van Gods woord, en is geene tribune voor de behandeling van sociale strijdvragen en tijdvragen. — Maar het eene behoeft toch, zou ik meenen, het andere niet uit te sluiten. Of wilt gij Gods woord verkondigen buiten eenig verband met het werkelijke leven? En moet uwe prediking maar heelemaal negeeren de stroomingen van het heden-daagsch denken, negeeren wat er om u heen voorvalt? Zal dan de kansel het klooster worden, en de preek het nonnetje daarin? Is Gods woord niet een zuurdeeg, dat de prediker onder het meel te vermengen heeft? Waar moet hij met het meel blijven? En moet hij den hongerigen het zuurdeeg alleen aanbieden? Is dat brood? — Is niet Gods woord oud edel goud en zilver, dat de prediker telkens heeft om te smelten in altijd nieuwe gangbare munt, die de gemeente voor eiken tijd kan gebruiken, en waarvoor zij wat koopen kan? — Is niet Gods woord een trouwe ervaren reisgids, die de menschen door het leven vol wisselvalligheden met eene zekere hand wil heen voeren, zonder hen ooit aan eene enkele plaats of op een enkel oogenblik radeloos in dén steek te laten? Nil humaniamealie-num puto — dit zegt ook de Evangelieverkondiging van zichzelve. „Alles is het uwe, maar gij zijt van Christus,quot; dat mogen de predikers gerust gelooven, als zij bij hunne prediking rondom zich willen grijpen in de onderwerpen.

-ocr page 12-

VIII

die de geschiedenis, de tijdsomstandigheden, of wat ook, hun aanbieden.quot;

„Hoe? De geheele wereld is vervuld van de klachten en nooden der armen; geene plaats is er, waar hunne stem niet gehoord wordt; — en zal alleen in het godshuis geen acht daarop geslagen worden? Geen mensch bijna, die zich niet met de oplossing dier vragen bezig houdt, — moet alleen de prediker op den kansel doen, als bestonden die vragen niet, en heeft hij alleen zich van deze dingen niets aan te trekken? Zouden de denkers onder zijne hoorders zich niet beginnen te verwonderen over des predikers stilzwijgen van die zaak? Waarom zwijgt hij er van? Weet hij er niets van te zeggen? Of is hij bang om er wat van te zeggen? Heeft de sociale vraag niet eene eminente godsdienstige en zedelijke beteekenis? Komt de sociaaldemocratie niet op voor zoo menige waarheid? Bestaan niet feitelijk onverdra-gelijke wanverhoudingen? Hoe moet men hier ingrijpen? In hoe verre is bij de sociaaldemocratie waarheid en dwaling, recht en onrecht vermengd? Bn wat heeft het Christendom hierin te doen? Hoe doet zich de sociale quaestie voor, als men het licht des Evangelies er op laat vallen? Heeft de Christelijke gemeente niet een recht, om door haren voorganger en prediker hierover ingelicht te worden? En behoort het niet tot zijn plicht, om in de heilige plaats, waar de onwetenden onderwezen, waar de dwalenden terechtgewezen , waar de wankelmoedigen gesteund, waar de slapenden wakker gemaakt moeten worden, — behoort het niet tot zijn plicht, zeg ik, om daar zijne lieden voor te lichten in hetgeen zij te doen hebben bij die wereldberoerende vragen en nooden en twisten?quot;

„Maar daar is nog eene reden; De sociaaldemocratische partij is, ten minste bij ons, eene goddelooze partij. Mengt zij niet waarheid en dwaling dooreen? Tast zij niet met eene brutale tong onze kerk, onzen godsdienst aan? Spot zij niet bijna altijd met het heiligste, en verleidt zij niet de reeds verdwaasden nog tot diepere ellende? Welnu, wil men nu van ons, dat wij, met deze dingen voor oogen, maar doen zullen, als zagen en hoorden wij er niets van? Wil men nu van ons, dat wij ons heiligdom niet eens van den kansel verdedigen zullen tegen hen? Mogen wij de Christelijke waarheid dan niet eens meer verdedigen voor de ooren van

-ocr page 13-

IX

hen, die haar nog hooren willen? Zullen wij de leeringen dier vplsche profeten niet met het licht van Gods woord mogen beschijnen , en op den kansel schuw en stilletjes er maar van moeten zwijgen? Zou Christus in ons geval er van zwijgen? Dat vraag ik. Zou Paulus er van zwijgen? Zou Luther zwijgen? Zouden zij allen zich tweemaal bedenken, eer zij deze geweldige vraag onzes tijds, die onzen tijd nog eens uit de voegen zal lichten , in hunne prediking zouden behandelen? Neen! duizendmaal neen! Met verpletterende woorden zouden zij neerkomen over die bange houd-u-maar-stil-theoristen! Zij hadden in hunnen tijd ook hunne polemiek, tegen Farizeïsme, Katholicisme, fanatisme, en zooveel meer. Aan ons geeft de Heere God lt;\'e socialistische beweging te behandelen. Waakt dan op, gij geest der eerste getuigen! Waakt op, gij geest der oude profeten, Elia, Jesaja, Jeremia, Ezechiel! Mannen, zooals gij waart, hebben wij tegenwoordig noodig, om den grooten afval te keeren!quot;

„De prediking van onzen tijd moet eene sociale prediking zijn, dan zal zij van zelf populair en daardoor van meer invloed zijn. Wat zijn de kerken soms leeg! Het kerkbezoek schijnt gestadig af te nemen. Waar ligt dat aan? Ik heb bij zulke ervaringen nooit de gemeente durven aanklagen. Ook heb ik mij daarbij nooit zoeken te troosten met de gedachte, dat de natuur van den mensch onwillekeurig aan het Evangelie vijandig is; dat het Evangelie aan velen eene dwaasheid, anderen eene ergernis is. Want dit vond ik altijd een zeer bedenkelijken troost bij de ervaring van eene leege kerk; daar steekt in den regel luiheid, ingenomenheid met zichzelven, en zoo iets van hoogmoed achter, om zich alzoo te troosten en te verontschuldigen. Veel liever sloeg ik mij op de borst, zeggende: Verstaat gij het nog niet? Predikt gij op die manier, dat gij uwe hoorders verwarmt en boeit? Predikt gij dat, wat de menschen noodig hebben en gebruiken kunnen? — Hoe dikwijls zal men op die vragen neen moeten zeggen! Weg van den kansel met al dat lang-wijlige, dat afgetrokkene, dat geleerde, dat onpraktische! De prediking heeft reeds veel de voeling met het volk in zijne nooden verloren. De aard van den theologischen studiegang heeft veel schuld hieraan; daar mag ook wel wat aan veranderd worden. De leeraar gelooft dikwijls genoeg een

-ocr page 14-

goed voedsel aan zijn publiek aan te bieden, — maar de menschen kunnen het niet verteren. Dat is verootmoedigend, onaangenaam; maar laat hij toch de schuld er van niet altijd bij de menschen zoeken; die hebben goeden smaak genoeg, en honger ook; maar de kost deugt niet! Laat ons populair preeken! De Heere God zelf geeft ons tegenwoordig de middelen aan de hand om populair te zijn in de preek! Welaan! Iaat iets van den machtigen geest, die alle gemoederen beweegt, ook u in het bloed varen! Weest Christelijk-sociaal, ook in uwe prediking! En gij , kanselredenaar! krijgt weer voeling met uw volk! Zij zullen komen, en hooren!

„Ziet toch eens, hoe de sociaaldemocratische vergaderingen bezocht zijn, en hoe het volk daarheen stroomt! Hoe komt dat? Wel, de sociaaldemocratische redenaars zijn praktische menschen, door en door! Zij weten, waar de menschen de schoen wringt; en zij tveten te boeien, te pakken! Waarlijk, wij kunnen van hen leeren, en wij moeten ons niet lichtzinnig verontschuldigen met de gemakkelijke zegsmanier: „Nu ja, zij spreken ook de menschen naar den mond, en zij spreken alleen over dingen, waar de ooren van zelf voor open staan; geen wonder, dat zij veel toehoorders hebben!quot; Dat is alles wel waar, maar verklaart uwe leege kerk nog niet! Neen, wij kunnen van hen leeren. Zooals zij van een onchristelijk standpunt uit de sociale vraag behandelen, zoo moeten wij het van een Christelijk standpunt doen. Hunne thema\'s zijn sterke magneten geworden. Onze kansels moeten ook weer magneten worden, en zullen het zijn, als de menschen merken dat de sociale vragen daar ook nog door anderen kunnen behandeld worden, en nog wel op ernstiger en grondiger en liefdevoller wijze dan door de sociaaldemocraten geschiedt; onze kansels zullen weer magneten zijn, als de menschen merken; „Ziet, onze leeraar is ook op de hoogte, hij weet er ook alles van; hij heeft ook een hart voor de armere klassen; hij zegt het den rijken ook rechtuit, hij spreekt vrijuit en onpartijdig over de sociale quaestie, en daar willen wij, arbeiders, van hooren; dat is juist de zaak, die ons ter harte gaat.quot;

„Maar de overige kerkgangers, die niet bepaald tot de arbeiderskringen behooren? Zal men op die wijze hen niet de kerk uit preeken? — Als men het ongeschikt aanlegt.

-ocr page 15-

XI

zeker! maar anders niet! Alle standen zonder uitzondering zijn bij de quaestie geinteresseerd; de quaestie, al naar dat zij opgelost zal worden, zal verderf of nieuw leven voor de maatschappij ten gevolge hebben, en elke stand heeft er dus belang bij goed ingelicht te worden, en te hooren, wat de Christelijke wereldbeschouwing er van zegt. Juist de beschaafden , de ontwikkelden, de rijken hebben het zeer noodig op hunne maatschappelijke plichten attent gemaakt te worden, en zij beginnen gelukkig ook langzamerhand te gevoelen dat ook van hen eene vreedzame oplossing der quaestie evenzeer afhangt als van de sociaaldemocraten! Wij, predikers hebben de rijken sedert vele jaren vele dingen vergeten te zeggen! Wij hebben veel goed te maken!quot;

Maar genoeg, genoeg van de argumenten , die in meerdere mate zouden kunnen bijgebracht worden om aan te toonen, dat de predikers in deze eene taak te vervullen, en niet gemakzuchtig te verzuimen hebben. Mocht men het alzoo willen beginnen in te zien, en op te vatten! Ik zeg dit laatste met een opzettelijk doel. Ziet. men is hier en daar bang voor de sociaaldemocraten; men vreest voor eene vreeselijke toekomst ; men kan het zich niet meer ontveinzen, dat er geweldige revolutiën aanstaande zijn, waarbij men zich het hart vasthoudt; en angstig ziet men uit naar den helper of naar de helpers, die het roode spook zouden kunnen bezweren. Zijn deze er niet? Welzeker! daar zijn in Nederland wel drie of vierduizend leeraars van verschillende gezindten, die, zoo zij wilden, eene sterke getuigende macht konden ontwikkelen tegen het wassend socialisme. Hoe klein is daartegenover het handjevol socialistische sprekers! Laten de drieduizend toch gebruik maken van hunne positie, van hunnen kansel; niemand heeft zoo schoone gelegenheid op het volk in te werken als zij, zoo zij maar willen. Als zij wilden, zij konden het spook bezweren! — Duitschland heeft 30.000 geestelijken van verschillende gezindten. Welk eene armee, om wat mede uit te voeren! Zoo zij maar het besef hadden, één voor één, van hun plicht in dezen tijd! Wat meer moed! mijne heeren collega\'s! en wat meer arbeidskracht ontwikkeld in deze richting! opdat, komt desniet tegenstaande de sofiale revolutie, of wat ik eerder geloof, de anarchistische revolutie, gij uw leeraarsgeweten zuiver

-ocr page 16-

XII

kunt hebben , en gevonden kunt worden in de bressen, en niet in de onderaardschc gewelven van uwe belegerde kerk!

Nu, ik wensch het werk van Paul Walthbr, ook in zijn Hollandsch gewaad, een goeden zegen toe. Moge het zijn nut doen ook buiten den kring der predikers! Dat het ook gelezen, voorgelezen worde op de avondvergaderingen van Christelijke arbeidersvereenigingen, of jongelingsvereenigin-gen! Laten de Christelijke patroons het ter hand nemen! En inplaats van de zich verbreidende socialistenmoraal, inplaats van de overgeleverde bezittersmoraal, zal er weer Christelijke moraal beoefend worden! De aarde zal toch des Heeren zijn! En de zachtmoedigen zullen haar beërven.

S. ULPERS.

Rotterdam, November 1893.

-ocr page 17-

Yoorrede van den Schrijver.

Niet geheel onnoodig zal liet zijn, om vooral tegenover theologische lezers de methode eenigermate te rechtvaardigen, die ik bij mijne schetsen in toepassing gebracht heb. Zij natuurlijk zullen onwillekeurig over deze methode hunne kritiek laten gaan. Voor niet-theologische lezers zal ik mij daarover niet behoeven te rechtvaardigen.

Ik geloof niet, dat ik mij heb laten verleiden om de fout te begaan, die door anderen begaan is, om het onderscheid te miskennen in de sociale toestanden ten tijde van Christus en Zijne apostelen en de sociale toestanden van onzen tijd. Ook heb ik mij wel gehoed de dwaasheid te begaan, om van de Schrift een oeconomisch of politiek leerboek te maken. Wel heb ik dikwijls op geheel ongedwongen wijze aan de behandeling van zulke plaatsen uit de Evangeliën, die overigens met de sociale quaestie niet te maken hebben, mijne gedachten over den maatschappelijke toestanden en vragen vastgehecht; en het is juist deze manier van doen, die men niet zal nalaten te veroordeelen of min gunstig te be-oordeelen.

Ik voelde behoefte, om mijne gedachten over de sociale vragen, die sedert lang zich bij mij ontwikkeld hadden en tot rijpheid waren gekomen, eens op schrift uit te spreken, en dat wel, niet in den vorm van een afgerond en afgesloten systeem, maar op eene vrije en ongedwongene wijze naar aanleiding van eene vaste stoffe. Daartoe koos ik nu de Evangelische pericopen, welke des Zondags naar gebruike-lijken vaste orde bij ons in de kerken gelezen worden; niet, wat zich ook aan de hand deed, andere, bepaald oeconomisch-getinte gedeelten uit de Schrift, omdat ik alle

-ocr page 18-

XIV

willekeur wilde vermijden, en omdat deze perioopen nu eenmaal in kerk en school, en daardoor bij het geheele volk populair zijn geworden. Naar aanleiding nu van die perioopen beproefde ik eene uitwerking van mijne gedachten. Ik bedoelde geenzins, en daar leg ik den nadruk op, eene rveteiischappelijke behandeling van het sociale gehalte der Evangeliën ; maar ik wilde mijne evangelische gedachten over die groote vraag onzes tijds op vrije wijze in aansluiting aan die Evangeliën in populairen toon blootleggen. Waar de teksten vanzelf aanleiding gaven tot behandeling van de eene of andere sociale vraag, daar werd dankbaar van de gelegenheid gebruik gemaakt. Maar ook daar, waar de tekst in geenerlei betrekking tot de sociale quaestie stond, werden toch beschouwingen over de quaestie daaraan vastgeknoopt; en in dit geval werden zulke teksten of woorden als motto gebruikt, als haken en nagels, waar ik mijne gedachten aan vasthechtte, als stokken, waarlangs zij als ranken zich om heen slingerden. Ik geef toe, deze manier van doen zal niet zelden aan sommigen bevreemdend en verrassend toeschijnen, vooral waar ik de gewone oorspronkelijke beteeke-nis van zulk eene schriftuurplaats, als voor mijn doel op het oogenblik van minder belang, buiten bespreking liet, en in plaats daarvan sociale beschouwingen in aansluiting aan den tekst gaf. Ook zal men mij voor de voeten werpen, dat ik sommige schriftuurplaatsen opzettelijk eenzijdig en opzettelijk sociaal verklaard heb; eene opmerking, die ik verklaarbaar vind, omdat ik mij bepaald beperken wilde tot sociale toepassing dier plaatsen, en omdat ik voor ditmaal en voor dit mijn doel dus ook geheel van de gewone verklaring en toepassing afgezien had. Is dit nu iets dat niet mag? Wanneer ik als prediker jaar en dag bezig ben de Schriften te prediken en te verklaren met het oog op het eeuwig welzijn der menschenzielen, mag ik dan voor een keer diezelfde Schriften eens niet lezen en verklaren en toepassen met het oog op het tijdelijke welzijn der men-schenkinderen, d. w. z. met het oog op de sociale vragen? Ik beweer, het recht daartoe volkomen te hebben, en daarom heb ik het gedaan. Zulks mag nu niet naar ieders smaak zijn, dat kan wezen; maar velen zullen met mij niets verkeerds of niets schadelijks daarin vinden. Had ik kunstmatig gewrongen schriftuitleggingen gegeven; had ik

-ocr page 19-

XV

beproefd in den tekst het een en ander in te leggen, wat er niet in lag, de bedoeling van den tekst verdraaid, en daaruit de verreikendste conclusiën voor het sociale leven afgeleid; — dan ware het wat anders geweest. Maar ik heb de overtuiging geen enkel schriftwoord op die manier behandeld of mishandeld te hebben.

Daar was nog eene andere methode, zeker! en dat zou geweest zijn, om van de grondgedachte eener schriftuurplaats uitgaande, verre en uitgebreide sociale excursiën te maken, en daaraan zou misschien niemand zich gestooten hebben. Maar waarom is die methode, als men eenmaal wil, minder bedenkelijk dan de door mij nu gevolgde?

De methode, die ik koos, kwam nu eenmaal meer overeen met mijne natuur. Dat vrije symboliseeren en alle-goriseeren hebben ook beroemde predikers met voorliefde gedaan, en velen doen het nog; de Schrift leent zich tot het lezen en bestudeeren uit zoo velerlei oogpupt. „Ook hier geldt het: Alles is het uwe, maar gij zijt van Christus!quot; „Br zijn velerlei gaven, maar er is één geest.quot; Ook geloof ik, dat de Schrift voor velen juist weer eens belangrijk en nieuw wordt, door die welbekende hoofdstukken en plaatsen weer eens op eene nieuwe wijze verklaard en toegepast te zien. Bovendien kan het zijn, dat mijne aphoristische manier van schrijven, dat de kaleidoscopische behandeling der zaak, meerderen aantrekkelijk ging worden, en naar mijne bedoeling, hen ging opwekken om ook wat aan de verbetering van onze maatschappelijke toestanden mede te doen. Ten slotte hangt toch het oordeel over mijn boek af van de waarheid en de belangrijkheid der gedachten, die ik ontvouwd heb, en niet zoo zeer van de manier, waarop ik aan die gedachten gekomen ben. Is men van meening, dat hier een goed en voedzaam brood wordt aangeboden, dan moet men het ook maar zonder veel bedillens eten en genieten, en ook aan anderen er van mede-deelen; de vraag, of het brood misschien niet op eene andere wijze had bereid en gebakken kunnen worden, treedt dan vanzelf op den achtergrond. Moge God het Zegenen.

De Schrijver.

-ocr page 20-
-ocr page 21-

Matt heus 21 :1—9.

En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Bethfage, aan den Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen: Gaat henen in het vlek, dat tegen u over ligt, en gij zult terstond eene ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot mij.

En indien u iemand iets zegt, zoo zult gij zeggen, dat de Heere deze van noode heeft, en hij zal ze terstond zenden.

Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende:

Zegt der dochter Zions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op eene ezelin en een veulen, zijnde het jong eener juk-dragende ezelin.

En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had,

Bragten de ezelin en het veulen, en leiden hunne kleederen op dezelve, en zetten hem daarop.

En de meeste scharen spreidden hunne kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de boomen, en spreidden ze op den weg.

En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende; Hosanna den Zone Davids! Gezegend is hij, die komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!

„Zie., uw Koning komt tot u!quot; Jezus Christus! o! als Hij uw Koning was, mijn volk! Maar in plaats van dezen zegenrijken Koning dienen duizenden den Mammon met wat daarbij hoort; en duizenden uit de lagere standen zouden het even gaarne willen doen, werden zij slechts door Mammon wat meer begunstigd; en met begeerlijkheid en met afgunst, en met haat en met woede zien zij op naar hen, die vroolijk leven en prachtig, en gekleed gaan in purper en zeer fijn lijnwaad, op kosten der armen, en die trotsch en koud voorbij gaan aan hunne broeders in den nood. Hier ligt de geheime bron van het socialisme. Wij laten Christus niet meer Koning zijn. Aan Christus weer gehoorzaam worden in de vreeze Gods en in de liefde tot den

Sociale Moraal. 1

-ocr page 22-

2

naaste: Zóó en zoo alleen wordt die vraag opgelost. En zoo zal ons volk een heilig, vreedzaam koningrijk van Christus worden.

„Zachtmoedig komt uw Koning tot u, gezeten op eene ezelin, en een veulen, zijnde het jong eener jukdragende ezelin.quot; Zoo op het oog: eenvoudig en arm; — en evenwel een Koning. Mocht gij van Hem leeren, waarin de werkelijke waarde van een mensch gelegen is: gij rijken, hoe arm en ellendig gij zijt bij al uw uiterlijken rijkdom, wanneer gij Zijne waarheid, Zijne liefde. Zijnen vrede niet kent; gij armen, hoe groot en rijk gij zijt bij al uwe uiterlijke armoede, wanneer Zijn geest in u woont!

En „zachtmoedig^ komt uw Koning tot u. Onder den scepter van dien Zachtmoedige hebt gij het goed. Leer dat op prijs stellen; waardeer het; opdat niet een ander koning opsta, die niets van zachtmoedigheid afweet, en die u komt tuchtigen met geeselen en met scorpioenen!

Jeruzalem kruisigde zijn Koning. En zoo kruisigen zoo-velen hem tegenwoordig; ook velen onder de arme menschen. Hoe kunnen zij het Hem aandoen, Hem, die toch ook arm is geweest, en een man uit het volk; en die een vriend en weldoener is van armen en ellendigen, zooals anders niemand, en die daarom vooral juist van de armen moest verdedigd worden tegen spot en lastering. En waarom kruisigde men Hem toen? Hij wilde geen aardsch Messiasrijk oprichten, maar riep de menschen tot boete, omdat aardsch geluk niet mogelijk is, zoolang de menschen zondig en boos zijn. En zoo is het nog. Die toekomststaat, die toekomstige maatschappij, die men ons van socialistische zijde voorhoudt, is aan dat Messiasrijk gelijk, waar de Joden van droomden; maar van boete willen die nieuwe profeten ook niets weten; en zij ook, zij kruisigen Christus wederom, omdat Hij tot boete roept. En toch is dat beloofde geluk maar een droom, zoolang de menschen zeiven niet anders willen worden; de beste inrichting van staat of maatschappij zou toch niets helpen. Wat soort profeten zijn dat wel, die geene rekening houden met de onvolmaaktheid, en met de zondige geaardheid van den mensch!

Maar „de Heere heeft deze van noode;quot; Hij heeft die oproerige beweging, die de maatschappelijke orde omverwerpen wil, en welke velen angstig aanschouwen, van noode. De Heere

-ocr page 23-

3

heeft haar van noode, om der Christenheid op te schudden uit haren slaap, en om haar tot zelfbeschuldiging en tot boete te brengen. Indien wij Zijne roepstem hooren en verstaan ; indien wij als rechte Christenen deel nemen aan de oplossing van de sociale vraag, dan zal de Heere met Zijn Evangelie door ons verheerlijkt worden; en die beweging zal Hem als „lastdierquot; dienen, om een nieuwen koninklijken intocht te houden in het Jeruzalem der Christenen. Zoo heeft Hij ook uw hart van noode, gij Christenen, uwe eendracht, uwe nuchterheid, uw moed, uwe zelfverloochening, uw ootmoed, en uwe broederliefde, tegenover de machten der duisternis. Zult gij dat alles aan Hem willen geven\'? O! dat ieder voor zijn deel zijn plicht wilde doen in dezen geweldigen, beslissenden strijd!

„De discipelen gingen heen, en deden zooals Jezus hun bevolen had.quot; Alzoo moeten ook nu de discipelen van Jezus heen gaan, en zich mengen in het gewoel en in den strijd van onzen tijd, gehoorzaam aan het woord en den wil van hunnen Meester; en voor onzen tijd is het devies, dat de Meester hun mede geeft: zonder menschenvrees en vol broederliefde.

Mattlieus 11: 2—10.

Eu Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijne discipelen;

En zeide tot hem; Zijt gij degene die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen?

En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder hetgeen gij hoort en ziet;

De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatschen worden gereinigd, en de dooven hooren; de dooden worden opgewekt, en den armen wordt het evangelie verkondigd.

En zalig is hij , die aan mij niet zal geërgerd worden.

Als nu deze heengingen, heeft Jezus tot de scharen begonnen te zeggen van Johannes: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt?

Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? eenen mensch met zachte

-ocr page 24-

4

kleederen bekleed? Ziet, die zachte kleederen dragen, zijn in der koningen huizen.

Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? een profeet? Ja, ik zeg u, ook veel meer dan een proleet.

Want deze is het van denwelken geschreven staat: Ziet, ik zend mijnen engel voor uw aangezicht, die uwen weg bereiden zal voor u heen.

„Johannes in de gevangenis.quot; Een rechtvaardig man onschuldig in de gevangenis, omdat zijn vorst de waarheid niet wilde hooren; zoo werd de gerechtigheid wreed met voeten getreden. Wat kan men al niet van zulk een koning verwachten ! Gelukkig het volk, welks vorst de waarheid gaarne hoort, en aan hare stem het oor leent! Zoo heeft Jozef II, keizer van Oostenrijk eens een heerlijk woord gesproken: „Wie mij het verkeerde in mijne handelingen aanwijst, toont daarmede de goede bedoeling om mij beter in te lichten, en mij beter te maken. En als hij zulks doet, zonder den eerbied, dien hij jegens mij schuldig is, in het oog te houden, zoo zal hem dit ter wille van zijne goede bedoeling niet toegekend worden.quot;

Johannes had koning Herodes bestraft: „Het is u niet geoorloofd haar te hebben,quot; haar, de vrouw van zijn broeder Philippus. Deze eisch komt ook in onze dagen nog tot vele grooten en aanzienlijken. Hoe treurig is het dikwijls bij dezen gesteld , wat het heilig houden van het huwelijk betreft, zoodat de tegenstanders zich sterk voelen, als zij zeggen: ,,Die praten nog van de volkszonden, en willen nog zede-preeken houden! Het mocht wat! Begint maar bij u zeiven; gij hebt nog genoeg met uzelven te stellen! Gij trekt den neus op over het vrije huwelijk, dat wij socialisten, instellen willen; en bij u, in uwe kringen bestaat het al zoo lang, al weet het niet iedereen!quot; Hoe veel beter, en met des te meer vertrouwen zou men tegen de socialisten met hun eisch van het vrije huwelijk kunnen optreden, als aan de zijde der bezittende klassen het op dit punt zuiver stond! De beterschap moet van boven naar heneden beginnen, en niet omgekeerd. Inkeer! omkeer! Het beste middel tot oplossing van de sociale quaestie!

„Het is niet geoorloofd!quot; Nog op vele andere punten roept de sociaaklemocratie dit uit, ook een Johannes op hare wijze; en zij roept dit uit te midden van de zondige menschheid onzer dagen. Gelijk iemand gezegd heeft: „Daar boven in den

i

-ocr page 25-

5

toren hangt de klok der boete, en de Heere God gebruikt hen om die klok te luiden; en zij luiden hard genoeg.quot; Dat kritiseeren van het bestaande en van de misstanden in onzen tijd, waarin de voornaamste kracht dier partij bestaat, is de van God haar opgelegde taak. Sluiten wij het oor niet voor hare stem, hoe schel en scherp zij ook klinktI Wij hebben onszelven niet willen oordeelen, en moeten ons nu dan ook laten oordeelen. Die naar den raad van vrienden niet hebben willen hooren, zullen zich de les van vijanden moeten laten welgevallen. Een vriend zegt ons, wat wij kunnen; de vijand eischt van ons, wat wij moeten.

Ook van de sociaaldemocratie geldt dat: „Ziel, Ih zende mijnen engel voor uw aangezicht, die uwen weg bereiden zal voor u heen!\'\'\'\' Het is mogelijk, dat ook zij een engel wordt: een engel der wrake Gods over de zonden, een engel des doods tot verderf en vernietiging in vele landen. God verhoede het, en verwekke onder ons inkeer en zelfverloochening en liefde; wellicht dat zij . haars ondanks, een engel des vredes wordt, die den Heere den weg bereidt.

Nimmer echter is zij de Messias zelf, waar velen haar voor houden, en waarvoor zij zelve wel wil aangezien worden. „Zijt gij degene, die komen zou, of verwachten wij een anderen?quot; Dit is de vraag des twijfels tot haar van velen, die tegenwoordig in de gevangenis van de sociale ellende zijn opgesloten; zij, en zeker ook vele anderen, ergeren zich aan den waren Messias Jezus, en vallen dezen ge waanden Messias bij,, wiens rijk der toekomst toch maar een bedriegelijk fata morgana is. Jezus verwees Johannes naar zijne wonderen, aan lammen en andere ellendigen gedaan. Zoo verwijzen wij den twijfel van onzen tijd naar de iconderwerken der liefde, die het Evangelie in den loop der eeuwen aan de armen en ellendigen steeds door volbrengt; werken der liefde, zooals het heidendom nimmer gekend heeft, en nog niet kent, zooals ook de moderne heidenen nimmer van plan zijn of bij machte zijn te vertoonen.

„Heeft het Christendom niet in den loop van negentien eeuwen den gezegendsten invloed onder de menschen uitgeoefend? Is de Christelijke beschaving niet van beter gehalte, staat zij niet hooger dan de beschaving, voorgebracht door Mohammedanen, Brahmanen, Boedhisten en de leerlingen van Confucius? Alleen een willens blinde kan het

J

-ocr page 26-

6

loochenen. Waarom hebben alle armen en verdrukten, waarom heeft de ongelukkige slaaf, de in hare rechten verkorte vrouw, zich dadelijk tot dien godsdienst aangetrokken gevoeld? Waarom zijn voor dien godsdienst duizenden zoo manlijk in den dood gegaan ? Waarom hadden die Christenen in Jeruzalem alle goederen gemeen, waarom hielden rijken en armen daar hun middagmaal aan ééne tafel? Omdat met het Christendom de liefde weer op de aarde verscheen, en haar heilrijken balsem op de wonden der menschheid goot, de wonden, welke de zelfzucht had aangebracht. Deze bron van liefde zal nimmermeer verdroogen, deze liefde nimmermeer sterven.quot;

„Hoevele werken van barmhartigheid heeft het Christendom sedert zijn ontstaan aan kranken en armen gedaan? Hoevele hongerigen zijn door de Christenen sedert 1900 jaren gevoed, hoevele naakten gekleed, hoevele slaven vrijgekocht, hoevele nooden gelenigd, hoevele tranen gedroogd! Hoevele ziekenhuizen werden gesticht, en hoevele zichzelven verloochenende verpleegsters stelden zich blijde ten dienste! Waar is een godsdienst, waar eene vereeniging, waar een genootschap, dat zich in dezen met het Christendom vergelijken kan, dat, zooals het heden ten dage is, 20,000 verpleegsters en diaconessen als engelen der vertroosting de woningen van kranken, armen en veriatenen binnenzendt? Hoeveel millioenen heeft het Christendom voor het kwade behoed, den weg des geluks gewezen, en tot wakkere, nauwgezette, bruikbare leden der maatschappij gemaakt? En hoevele verlorenen heeft het gered, hoevele ongetroosten vertroost, hoevelen, aan de wanhoop overgegeven, nieuwe hoop en moed ingeboezemd, hoeveel stervenden eene levensvernieuwing geschonken! Welk een gezegenden invloed heeft het op de inrichting van den staat en op de wetgevingen uitgeoefend; hoeveel heeft het afgeschaft, wat niet overeen kwam met de liefde tot den naaste! Ten allen tijde was het het teeken van waren Christe-lijken zin, en zoo zal het ook blijven, wat Christus met die woorden voorschreef: „Hieraan zal een iegelijk bekennen, dat gij mijne discipelen zijt, zoo gij liefde onder elkander hebt.quot;

„Derhalve: een God als Vader van alle menschen, die daardoor broeders worden; een Christus als het hoogste zedelijk ideaal, wiens Geest allen gaat doordringen; een nieuwe Geest; eene nieuwe liefde, een nieuw leven: kan

-ocr page 27-

7

eenige oude of nieuwe maatschappij betere quintessens stellen? Berust niet het gehoele begrip van wat wij humaniteit noemen op de poging om de vroeger verdeelde en uiteengescheurde volken en menschen weer tot ééne familie te maken met één Vader in de hemelen? Die verstandig is onder de menschen, kan naar mijn inzien zulk een godsdienst niet haten , en aan de menschheid niet ontrooven. Hier zou dat woord op zijn plaats kunnen zijn: Als het Christendom niet reeds bestond, dan zou het uitgevonden moeten worden! Ja, zelfs hij, die den godsdienst voor niets anders houdt dan voor een subjectief resultaat van wat menschelijk gevoelen en denken, mag wel eerlijk bekennen: In het Christendom is de meest populaire, vruchtbaarste en beste levenswijsheid voor alle menschen gegeven, en deze bron van alle wijsheid en geluk late men het volk, late men aan de menschheid.quot; (Fleischmann).

Wel heeft de Christelijke liefde op verre na niet alle ellende kunnen opheffen; maar wie kon dat ook van haar eischen? Hoe kan in het algemeen alle ellende vooreerst opgeheven worden? Wel zijn er tegenwoordig geheel eenige en ontzettende misstanden, ten wier opzichte ook de Christelijke liefde zich zeker veel te lauw betoond heeft. Maar daarom worde zij met schaamte zich van die lauwheid bewust; en dat zij weer opsta in hare macht, om den ouden mensch te beheeren, en de oude wereld te vernieuwen Met Zijne werken der liefde bewees de Heere aan den Dooper, dat hij de Messias was. En werkdadige liefde, levend, praktisch Christendom zal ook in onze dagen het beste middel zijn om twijfelaars en spotters, ook onder de socialisten, te overtuigen en te winnen. De liefde, en zij alleen, zal de verlossing brengen. „Jezus Christus, gisteren en heden, en dezelve tot in alle eeuwigheid!quot; De sociaaldemocratie is slechts de voorlooper, die gedwongen is, haars ondanks, om Hem den weg te bereiden. Christus is het, „die komen zaP; en wij wachten geen anderen; en „zalig is hij, die aan Hem niet zal geërgerd worden.quot;

Letten wij echter nog iets nauwkeuriger op Zijne woorden : „De blinden worden ziende, en de kreupelen xcandelen; de melaat-schen worden, gereinigd, en de dooven hoeren; de dooden worden opgewekt, en den armen wordt het evangelie verkondigd.quot; De prediking komt hier achteraan; en haar vooraf gaan de vijf

-ocr page 28-

werken, die den lichamelijken nood lenigen. En dit mag wel opgemerkt, wel in praktijk gebracht worden door hen, die veel leeraren, maar weinig handelen; die veel raadgevingen ten beste hebben, maar weinig hulp; die wel tegen de zonden, maar nimmer tegen de ellende door de zonde te velde trekken, en die zich, ten opzichte van die ellende, zoo gemakkelijk er van afmaken door te zeggen, dat daar nu eenmaal toch weinig meer aan te veranderen is.

Maar ook omgekeerd zijn deze woorden van Jezus eene les voor de socialistische revolutieprofeten, die wel aandringen op het opheffen van die uitwendige nooden , maar die van het Evangelie en van zijne prediking aan de armen niets weten willen. En toch is het juist dat Evangelie, dat de rechte middelen tot opheffing van die nooden leert vinden; dat alle onvermijdelijk, van God gezonden, kruis leert dragen, en dat den last van het kruis licht maakt, en een zegen daaruit doet opbloeien.

Ja, „dm armen wordt het Evangelie gepredikt.quot; De armen hebben hier een voorrecht boven de rijken. Velen socialisten, dien gewaanden vrienden der armen, is dit een bijtende spot toegeschenen. „Jawel: de armen worden bepreekt; de armen worden tot gehoorzaamheid en geduld aangemaand, en met een hemel in de verte gepaaid; eenvoudig, om hen te misleiden , en des te beter tot een buit te maken.quot; Indien ooit ergens het Evangelie zóó opgevat en zóó gepredikt is, dan is het daar zeker niet in den geest van Christus gepredikt. Maar reeds al de eeuwen door is tot de armen Zijn godsdienst als een Evangelie, als eene „blijde boodschapquot; gekomen, en met der daad heeft hij bewezen zulks werkelijk te zijn: de stoffelijke en maatschappelijke toestand der lagere klassen is onder den invloed van het Christendom in alle opzichten in den loop der tijden steeds meer verzacht, en beter geworden, en zij zal nog beter worden; — tenzij men dien invloed van het Christendom opzettelijk tegenwerke. Het Evangelie der armen, en der waren vrienden van de armen, — dat zal de Christelijke godsdienst nooit ophouden te zijn; terwijl het nieuwe evangelie, dat hun nu gebracht wordt, als „blijde boodschapquot;, als blijde boodschap niet bewaarheid worden zal; waarlijk „blijdequot; zal bij de navolging van de goddelooze beginselen der sociaaldemocratie ten slotte wel niemand worden.

-ocr page 29-

9

Maar word dan ook niet aan de rijken het Evangelie gepredikt? Zekerlijk! En het moet hun ook gepredikt worden. Maar de Heere kende het hart dier rijken, die alleen maar aan hun geld hangen. Voor hen is het Evangelie er niet, omdat zij er niet zijn voor het Evangelie, en, als rijken, voor het Evangelie wel te vinden zijn. „Gij kimt God niet dimen en den Mammon!quot;

Johiinncs 1 :19—38.

En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden eenige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij ?

En hij beleed en loochende het niet, en beleed: Ik ben de Christus niet.

En zij vraagden hem; Wat dan? Zijt gij Elias? En hij zeide: Ik ben die niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoorde: Neen.

Zij zeiden dan tot hem; Wie zijt gij? opdat wij antwoord mogen geven dengenen die ons gezonden hebben; wat aegt gij van u zeiven ?

Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht! gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.

En de afgezondenen waren uit de pharizeën.

En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zoo gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de profeet?

Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar hij staat midden onder ulieden, dien gij niet kent;

Dezelve is het, die na mij komt, welke vóór mij geworden is, wien ik niet waardig ben, dat ik zijnen schoenriem zoude ontbinden.

Deze dingen zijn geschied in Beth-abara, over de Jordaan, waar Johannes was doopende.

„Dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden eenige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij?quot;

Deze vraag hebben wij ook tot de sociaaldemocratie te richten. Wij moeten ons geheel en al vergewissen, wie en wat zij is; niet met onverschillige blikken haar aanzien; ook niet vol angst voor haar uit den weg gaan en ons versteken;

-ocr page 30-

10

niet oppervlakkig haar beoordeelen en veroordeelen naar de wijze van optreden van hare onontwikkelde aanhangers; neen, wij hebben haar onbevooroordeeld en nauwkeurig gade te slaan, en moeten haar vooral uit de geschriften van hare leiders leeren kennen. Alle beschaafde en aanzienlijke lieden moeten dit als een ernstigen plicht beschouwen. Dan zal men die partij niet bestraffen of bespotten, waar zij het niet verdient; geen dingen van haar vertellen, die onwaar zijn; en op die wijze van haar kant geene aanmerkingen of spot uitlokken, die gerechtvaardigd zijn. En op deze manier zal men wellicht spoediger, dan men denkt, gelegenheid hebben, om termen te vinden tot samenwerking om den socialen vrede te erlangen.

„Johannes beleed, en loochende het niet: Ik ben de Christus niet, en ook Elias niet, ook de profeet niet.quot; De sociaaldemocratie beweert: Ik ben wel de Christus, de Messias, de Verlosser der menschhed uit alle ellende en jammer. Zij zou eenigzins een profeet genoemd kunnen worden; wel geen ware profeet; maar een, die op zijne wijze met blinden ijver aan de volken boete en oordeel predikt.

Van den waren Messias geldt het nog heden: „Hij staat midden onder ulieden, dien gij niet kent.quot; Christus staat ook midden onder ons, staat reeds eeuwen onder ons, en toch kennen velen Hem nog niet; anders zouden zij Hem niet zoo haten, niet zoo verachten. Voor het volk is Hij nog altijd een schat, verborgen in den akker; het goud ligt nog niet daar, boven op den grond, stralend in ieders oogen; en aarde en steenen worden nog menigmaal voor goud gehouden , zelfs door dezulken, die het beter konden weten. Formulieren, menschelijke opstellingen van de eeuwige waarheid, — hoe hinderen zij soms het geloof, en den wil om te gelooven! De eeuwige waarheid, die van zedelijken inhoud is, en die daarom van zelf zich krachtig en heerlijk aan het geweten des menschen als waarheid aanbeveelt; die in het Evangelie nedergelegd, en in Christus verpersoonlijkt is, — och, wilde men haar maar meer kennen en waardeeren in hare overwegende beteekenis voor onzen tijd en vooral voor de sociale vragen! Wilde men haar ons volk, en vooral onze jetigd diep in het harte prenten, om de harten daardoor te verlichten en te heiligen! Dit zou de geheele menschheid ten goede komen! Alles wat buiten die waar-

-ocr page 31-

11

heid geleeraard wordt, is toch uit den Booze, en brengt geen voordeel.

Zoo oordeelt Göhrb in zijn boek: „Drie maanden fabrieksarbeider,quot; zeer juist: „Het gaat met onze moderne „verlichtequot; arbeiders, zooals het gaat met die lieden van den middenstand, onder wien de Egydische beweging zoo oneindig veel stof, helaas! slechts stof! heeft opgejaagd; — evenals alle menschen van eenig dieper gevoel, die ernstig naar waaraohtigen vrede zoeken, kunnen ook zij dezen vrede in het Christendom niet meer vinden, omdat de eeuwige onveranderlijke heilsgoederen hun in eenen vorm aangeboden worden, die voor het tegenwoordige hun onaannemelijk is.

En dewijl zij, even als het bij de kooplieden en de ambtenaren in den middenstand het geval is, noch tijd, noch ontwikkeling, noch genie genoeg hebben, om dezen vorm zeiven te verbreken, en de kern, den edelsteen te behouden, daarom werpen zij met den vorm ook het kostbare kleinood maar over boord; en met het omhulsel zijn zij den inhoud tegelijk kwijt. En wanneer deze lieden bovendien gegrepen zijn door den geweldigen maalstroom van het genot en van de lichtzinnigheid onzes tijds, dan doen zij zulks te eerder!

Welaan, — dan zullen wij, de dienaren der Kerk, het weggeworpen goed weer moeten oprapen, en den arbeid in hunne plaats doen, dien zij niet meer doen willen of kunnen; dan zullen wij de oude vormen moeten verbreken; hun hart gaat in den diepsten grond toch nog uit naar de gansche heerlijkheid en waarheid van ons geloof, en wij hebben haar dan hun aan te bieden en over te reiken in die nieuwe vormen van gedachte, van opvatting en van uitdrukking, die dezen moderne arbeiders niet meer aanstootelijk, maar verwant zijn. Het geheele toestel van de nieuwe echte wetenschap kan en zal ons bovendien daarbij van dienst kunnen zijn. Wij behoeven daarbij niets van wat den werkelijken inhoud van het Evangelie uitmaakt te laten vallen, of op te offeren. De inhoud is eeuwig, de vorm zij vergankelijk. Ik alleen kan dien arbeid niet verrichten; dat kan niemand op zich zeiven. Sedert langen tijd is dat werk door groote geesten voorbereid. Slechts in gemeenschappelijk streven, langzaam. tred voor tred, in eendracht, met ernst en beradenheid, maar tegelijk met moed en met kracht, hebben wij

-ocr page 32-

12

allen, die de geroepene en de toekomstige dienaars der Kerk zijn, die taak aan te vutten, n.1. het Evangelie naar de eischen des tijds begeerlijk te maken, en bij dit werk altijd weer uit te gaan van den historischen persoon, Jezus van Nazareth, voor wiens verheven grootheid ook de arbeider van onzen dag onwillekeurig nog het hoofd buigt. Maar aangevat moet deze taak, — anders, en dat is mijne uit droeve ervaring geputte overtuiging, gaat het daar beneden in die lageren kringen voor goed uit met het Christendom, wie weet voor hoe lang! De sociaaldemocratie is, van godsdienstig-kerkelijk standpunt bezien, de eerste groote geestelijke beweging sedert de dagen der Reformatie , die ook den kleinen man uit het volk persoonlijk voor de beslissende vraag stelt: vóór of tegen Christus. Zij legt beslag op zijn diepste denken en gevoelen, op al zijne geestelijke zintuigen, op zijne geheele zedelijke persoonlijkheid, en dwingt hem hier een antwoord op te geven. Maken wij ons deze in de geschiedenis zoo zeldzame gelegenheid ten nutte, en trachten wij het daarheen te leiden, dat de beslissing bij hem zijn mag: „Ja, Heere! ik geloof!quot; Dan zal de sociaaldemocratische beweging later wel eens als eene vreeselijke krisis betreurd, maar tegelijk als een oneindigen zegen geprezen worden, als het middel tot een nieuwen, grooten vooruitgang op godsdienstig gebied.quot;

Lucas 2 :1—14.

En het geschiedde in diezelve dagen, dat er een gebod uitging van de» keizer Augustus, dat de geheele wereld zou beschreven worden.

Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrenius over Syrië stadhouder was.

En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijne eigene stad.

En Jozef ging ook op van Gallilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht Davids was,)

-ocr page 33-

13

Om beschreven te worden met Maria, zijne ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was.

En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zoude.

En zij baarde haren eerstgeboren zoon, en wond hem in doeken, en leide hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geene plaats was in de herberg.

En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hunne kudde.

En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met groote vreeze.

En de engel zeide lot hen: Vreest niet; want ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal:

Namelijk, dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is de Christus, de Heere, in de slad Davids.

En dit zal u het teeken zijn: gij zult het kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe.

En van stonde aan was er met den engel eene menigte des hemelschen heirlegers, prijzende God, en zeggende;

Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde; in de menschen een welbehagen !

„Deze beschrijving onder Cyrenius was de allereerste.quot; Vele volkstellingen zijn sedert gehouden, en ook bij ons vinden zij plaats; en steeds nauwkeuriger in allerlei vertakkingen geschieden zij, omdat men er meer en meer de waarde van begrijpt, in zooverre immers de z. g. statiitiel het gezegend middel geworden is, om een juist oordeel te kunnen vellen over de verschillende klassen der bevolking, over hun beroep, over hun bezit, over den toestand en het lijden der lagere standen, en over de verhouding, die er is tusschen bezit en zedelijkheid, tusschen armoede en misdaad. Wat het onderzoek is van den dokter bij een krank lichaam, dat is de statistiek bij het kranke lichaam van een geheel volk. Ernstige ziekteoorzaken brengt zij aan het licht, — eene waarschuwende, opgeheven hand Gods gelijk, waarop men te letten heeft. Maar het opmaken van zulke statistieken moet steeds met de meest mogelijke onpartijdigheid geschieden; derhalve mag wel bij het onderzoek naar toestanden onder de arbeiders voor allen de arbeider zelf gehoord worden; en dat men zijne inzichten van waarde achte! Doet men dit niet, en wordt over den arbeider beslist zonder den arbeider, dan wekt dit natuurlijk verbittering; en bovendien kan het resultaat van zulk een onderzoek niet zuiver zijn; waar nog bij komt, dat

-ocr page 34-

14

de eerlijke arbeider den indruk verkrijgt, dat het den heeren van de statistiek niet om de waarheid te doen is, en dat hun booze geweten maar liever de dingen niet leert kennen, zooals zij zijn; hij zal zich overtuigd houden, dat de statistiek op die wijze eenvoudig als afleider dienst doet, en niet als machtig middel om die misstanden op te heffen.

Zulke misstanden zijn er bij ons helaas! nog vele, en niet te dragen zijn zij. „Bethlehemquot; beteekent: broodhuis. Merkwaardig, dat de geboorteplaats van onzen Heiland juist zoo-danigen naam moest dragen! Het dagelijksch brood is de eerste behoefte der mensohenkinderen. En toch, hoevelen moeten in ons Christelijk land nog buiten eigen schuld honger lijden, hoezeer dit onwaar genoemd wordt door hen, die het onaangenaam vinden zulks te hooren. Kan er eene scherpere aanklacht tegen onze Christelijke maatschappij ingediend worden? Wanneer zal ons land een Bethlehem worden, waarin ieder zijn dagelijksch brood heeft? Wanneer zal elk huis een Bethlehem zijn, waarin niemand meer buiten eigen schuld behoeft honger te lijden? Kerstmis, het feest der liefde Gods in Christus, het feest ook der broederliefde, der menschenliefde! Zie rondom u, in uw huis, achter uw huis, in uwe buurt, waar arme moeders, bleeke kranken, en ziekelijke kinderen hun leven van lijden doorleven; niet alleen, dat geen kerstgeschenk hun dat leven opvroolijkt, maar zelfs hun honger kunnen zij met het kleine stuk droog brood niet stillen. Ach! doe toch in hunne schamele woning een straal binnendringen van het blijde licht van Kerstmis!

„En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude.quot; Dat zijn dagen van groote smarten en bange gevaren, waarin de vrouw de zorgvuldigste verpleging, de meest liefdevolle hulp en krachtig voedsel noodig heeft. Hoevelen zijn er, die zichzelven dat niet gunnen kunnen, ten minste niet zoo als het behoort! Hoevele ziekten en kwalen zijn er de gevolgen van! Wat woedt de doodsengel juist onder zulke arme moeders en kinderen! Wat wordt juist de kraamkamer bezocht door de armoede met hare duizend verschrikkingen, booze demonen in hare wreedheid en foltering! Denkt gij daar ook wel eens aan, gij gelukkige moeders? Geeft ook dit niet aan de Christelijke maatschappij veel te denken met zeibeschuldiging?

„En zij baarde haren eerstgeboren zoon, en wond hem in doeken.

-ocr page 35-

15

en leide hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geene plaats was in de herberg.quot; Een beeld der armoede is deze geboorte te Bethlehem, als wilde de Heere God ons er mede vermanen , eens om ons heen te zien, of ook in onze buurt zulke tooneelen van bittere armoede voorvallen, en als wilde de Heere God ons opwekken om zulke gebeurtenissen te voorkomen met alle macht! Wij kunnen toch niet eer met een goed geweten een vroolijken Kerstavond vieren, voordat aan zulke armoede om ons heen een einde is gemaakt. Jozef en Maria en het kind Jezus waren slechts tijdelijk, voor eenige dagen, in zulk een nood, wat voor menig gezin in onze nabijheid een levenslange nood is. „Daar was voor hen geene plaats in de herbergquot;; van hoevelen geldt dat jaar in, jaar uit! Kent gij die verschrikking en dien gruwel, die in dat ééne woord „woningnoodquot; besloten liggen, vooral wanneer dit arme kraamvrouwen, kranken of kinderen geldt?

In het met goud bekroonde geschrift: „De uitzuiging der arbeiders, en de oorzaken van hunne verarmingquot;, 1891, lezen wij : „Hoe veel ellende is er nog te lenigen in de kringen der fabrieksarbeiders! Wie tegenwoordig de groote huurkazernes in onze fabrieksteden bezoekt, waar de armoede woont, moet het zichzelven afvragen, hoe het mogelijk is, dat eenig dierlijk organisme op den duur het leven houden kan in zulke kamertjes, die overbevolkt zijn, en licht en lucht ontberen! Wij hadden gelegenheid om kamers te zien, waarin de armoede haar intrek genomen had, waar eene dikke krijtstreep op den vloer de grens aangaf van eigendom voor de twee gezinnen, die de kamer bewoonden. Daar rekten twee gezinnen met talrijke kinderen hun ellendig leven; daar rustten in één bed zes personen van beiderlei kunne, drie om drie, van de lasten des daags uit. Zulke voorbeelden zijn niet zeldzaam in de fabrieksteden, en de arm verzorgers weten er van te verhalen. Dat zulke misselijke toestanden ellendig werken op de zedelijkheid, behoeft geen betoog. Wij zullen ze niet opnoemen, al de misdaden, die bepaaldelijk van zulk samenwonen het gevolg zijn; maar gezegd zij het, dat zij in het boek der menschelijke euveldaden de donkerste bladzijden uitmaken. Wij zagen donkere ruimten, die bewoond werden, maar waar van jaar tot jaar geen zonnestraal binnendrong, huurkazernes, waar de trappen, om ruimte uit te winnen, zoo nauw waren, dat de dooden in hunne lijk-

-ocr page 36-

16

kist met touwen uit liet venster moesten gelaten worden. Dat het zoo is, is treurig; maar nog treuriger is het, dat er nog altijd menschen zijn, die er zelfs geen begrip van hebben, hoe het den armen wel eens te moede kan zijn, en die met een groot woord er toch hun hooghartig oordeel over zeggen.quot;

Ook Göhre schildert aangrijpende toneelen van woningnood , en voegt er dan aan toe: „Het ergste onder dit alles is het bestaan van slaaphidzen en kosthuizen. Dat is de ruïne voor de arbeidersgezinnen. Maar voor de meesten is het eenvoudig eene financieele noodzakelijkheid. De arbeidersvrouw gaat er toe over om kostgangers of slapers bij zich in te nemen, om den wille van het kleine voordeel natuurlijk. Dat de arbeiders alleen uit aardigheid die vreemdelingen opnemen, dat behoeft niemand te gelooven.quot;

„En er waren herders in diezelfde landstreek.quot; Zoo was daar dan alles arm en onaanzienlijk: de ouders, de stad, de geboorte ; ook de herders, die de eerste aanzegging kregen van de geboorte. Wat arm en onaanzienlijk was onder de menschen heeft God uitverkoren. En hoe doen wij ? Wij ver-verachten de armoede dikwijls; wij kunnen de lieden zoo goed van uit de hoogte behandelen; wij zijn barsch tegen onze dienstboden, onze arbeiders, en onze ondergeschikten; hen kwetsen, dat kunnen wij , met onzen trots op adel of geld, met onzen trots op beschaving of deugd. En dat wij daarmede druk bezig zijn om aan de reeds opgewekte maatschappelijke ontevredenheid een scherpen kant te geven, — wie zal het kunnen tegenspreken ? De voornamen inderdaad vergeten het, aan wien onder de menschen op aarde de eerste boodschap is gebracht: „ü is heden de Zaligmaker geboren, de Christus, de Heere!quot;

Misschien dat de herders bij die boodschap gedacht hebben aan de verlossing van de Romeinsche heerschappij. Maar geene staatkundige, wel zedelijke veranderingen wilde deze Verlosser bewerken; verlossing van de zonde wilde Hij brengen, en eerst daardoor van de overige kwalen; van binnen naar buiten wil Hij de maatschappelijke nooden verhelpen. Waarom zijn die nooden er dan nog? Ook de beste geneesmeester kan niet genezen, als de kranke zijne middelen niet aanneemt, en zijne voorschriften niet opvolgen wil. Laat ons beter worden, dan zal alles heter zijn! Doet boete, alle standen,

-ocr page 37-

17

alle rangen onzes volks! Wilt gij geene boete doen, dan zal de krankheid van het groote lichaam der maatschappij erger worden, en geneesmeesters zullen komen, om haar onder behandeling te nemen, die dat zachte middel niet kennen, en die zonder eenige terughouding zullen snijden en zagen en branden, tot wij uit duizend wonden zullen bloeden en misschien verbloeden. Zij roemen zich reeds als de ware medicijnmeesters, als de ware verlossers, en beweren, dat zij door hunne maatregelen van buiten af ook de zedelijke kwalen van binnen wel genezen zullen. Zij zeggen; „Weg met het privaat bezit, en weg met de privaat ondernemingen! Het volk, de maatschappij moet de eenige bezitter en ondernemer zijn, en ieder burger of burgeres moet slechts een beambte van die groote maatschappij zijn; en dan zal niemand zich meer op kosten van anderen kunnen verrijken, noch verdrukker noch verdrukte meer kunnen zijn; ieder moet voor de gemeenschap arbeiden, en de gemeenschap op hare beurt verzorgt ieder; de nationale welvaart en beschaving zullen dan op ongekende wijze opbloeien; en overvloed zal iedereen hebben. En omdat er dan geene armoede meer is, zullen er ook geene ondeugden en misdaden meer zijn; want de armoede, de honger, de stoffelijke ellende in één woord, is eenvoudig de bron van alle zedelijke ellende geweest.quot; Is dat waar? Van alle zedelijke ellende? Van veel zedelijke ellende, ja, wie zal dat loochenen! Hoe veel diefstal en bedrog, roof en moord en zelfmoord en vele andere misdaden spruiten uit de armoede voort, zooals de giftige bloemen uit het moeras! Maar van alle zedelijke ellende? Neen, dat is overdreven, eenzijdig; en al leefde de geheele menschelijke maatschappij in de uiterlijk gunstigste verhoudingen, ach! ondeugden, gebreken, misdaden, zonden, zouden daardoor allen nog niet uitsterven; ja, zij zouden daardoor waarschijnlijk eerst recht toenemen, daar niets „moeilijker te dragen is dan de weelde.quot; Ook de „beschavingquot;, ook het „wetenquot; zouden nog geen dam ter beteugeling blijken.

Fleischmann drukt dat op de volgende wijze uit: „Gemakkelijker maken de Heeren Bebel en Bellamy zich van de zaak af! Zij verplaatsen den misdadiger eenvoudig in Luilekkerland, zij veranderen hem in een welgedaan man, die zich geen enkel levensgenot meer behoeft te ontzeggen, en die aan al zijne hartstochten — want daar zijn geene

SociaU Moraal. 2

-ocr page 38-

18

zondige hartstochten — toegeven kan; en zie! daar vallen op eenmaal zijne vroegere verkeerde dwaasheden van hem af, zooals de slang zijne huid van zich afwerpt, en zooals een mensoh een vuil hemd uittrekt. Daar straks stond de zondaar daar nog met alle mogelijke gebreken en ondeugden behebt, en hocus pocus pas! daar staat hij als een beeld der deugd, als het model van een waar staatsburger ons voor de oogen! Bellamy geeft wel is waar toe, dat in sommige gevallen nog wel eens eene misdaad kan gepleegd worden, waarbij het noodig zal wezen den dader in het krankzinnigengesticht te brengen; maar Bebel gelooft hier niets van: bü hem zijn alle misdaden, en daarmede tegelijk alle rechtbanken, politiedienaren en gevangenissen in den toekomstigen sociaaldemocratischen staat spoorloos van de aarde verdwenen. En dat alles zal het eenvoudig gevolg wezen van de afschaffing van het privaatbezit, en van het verdwijnen der tegenwoordige kapitalistische maatschappij. Is cr wel eene meer oppervlakkige beschouwing denkbaar van het kwaad in de wereld, van het booze in de menschelijke natuur?quot;

„Ik kan niet nalaten, deze vraag nog even nauwkeuriger in het oog te vatten, deze vraag n.1.: of in den toekomststaat der socialisten de verhoudingen alzoo zullen geregeld zijn, dat elke aanleiding tot misdaad van zelf wegvalt. Ik wil aannemen, dat in dien staat voorloopig de mensch nog precies zoo op de wereld komt, als tegenwoordig, niet beter niet slechter. In den staat van Bebel zal de uitvinding wel niet uitblijven, waarbij ook dit nog verbeterd wordt, en langs chemischen weg de normaalmensch geproduceerd wordt. Doch tot zoolang nemen wij nog maar aan dat ook in dien toekomststaat de mensoh geboren wordt zoo als bij ons, niet beter, niet slechter van nature. Als nu de opvoeding, die dan natuurlijk zoolang ook nog noodig blijft, niet meer door de hand van liefderijke ouders geschiedt, maar door vreemden, zooals dat het geval in dien toekomststaat zijn zal, zullen die kinderen bij het ouder worden er beter op worden dan tegenwoordig? Voeg daarbij, dat ook de invloed van den godsdienst bij de opvoeding dan weggevallen is. De vreeze voor God en de liefde tot God, en het geweten verdwijnen dan ook meer en meer; het geweten was tot nu toe nog altijd eene krachtige aansporing tot trouwe plichtsvervulling, en een sterke dam tegen verleiding en misdaad. Zal er nu

-ocr page 39-

19

voor zulk een gebrekkig opgevoed mensch, die aan geene zelfbeheersching meer gewoon is, in den socialistischen staat geheel geene aanleiding meer wezen tot misdaad, misdaad zoowel tegen de maatschappij in het geheel, als tegen de individu? — „Wel,quot; zoo antwoorden de socialisten hierop, „het feit is toch niet tegen te spreken, dat b. v. diefstal zeldzamer voorkomt naarmate de tijden beter zijn, en zelfs de ongeschikte arbeiders werk vinden. Komt nu weldra die tijd van algemeen geworden welvaart en geluk, en dus de mogelijkheid voor allen, om in hun levensonderhoud te voorzien, (wat altijd nog de vraag blijft) dan vallen alle gevallen van diefstal uit mod weg. En wanneer niemand meer eenig privaat bezit heeft, kan ook niemand iets nemen.quot; — Maar houdt daarom de diefstal op? Is er geen diefstal uit genotzucht? Kan men zich niet vergrijpen aan een privaat eigendom, dan kan men zich tocb vergrijpen aan algemeen eigendom. Gebeurt het ook tegenwoordig niet, dat de staat bedrogen en en bestolen wordt? Stellen wij, dat iemand bij zijn huis fijn ooft heeft groeien, niet voor zich zeiven, maar voor de gemeenschap; is het niet denkbaar, dat een toekomstsocialist des nachts de hoornen zal leegplukken, al zal die toekomstsocialist zelfs beter zijn dan de tegemvoordige socialist, zooals zij beweren, en wat bepaald ook wel zij n zal! En is dat dan geen vergrijp aan algemeen eigendom? — Of daar zijn anderen, die \'s nachts een wijnberg gaan plunderen, wat ook algemeen eigendom is; zijn dat ook niet dieven, en moeten zij geene straf ondergaan, opdat de geheele orde van zaken in hunne maatschappij niet in duigen valt? — Ik weet niet zeker, hoe het in het socialistische paradijs gaan zal met de uitdeeling van geestrijke dranken: of ieder zich die dranken moet aanschaffen met zijne verdiende bons, dan wel of aan ieder eene gelijke hoeveelheid wordt uitgedeeld, dan wel of ieder naar gelang van zijne behoefte of dorst maar kan toetasten. Nemen wij eerst het eerste geval; dat ieder zich zijn wijn voor eigen rekening moet aanschaffen; en stellen wij dat iemand zijne verdiende bons in den loop van den dag reeds aan andere behoeften besteed heeft, en dat des avonds de dorst hem geweldig plaagt; zal de gedachte niet bij hem

opkomen om dien dorst in den staatskelder te gaan stillen ?_

Maar nemen wij het tweede geval: dat aan een ieder eene gelijke hoeveelheid wijn wordt uitgedeeld: zie, daar is een

2*

-ocr page 40-

20

vroolijk gezelschap jonge lieden bij elkaar, die reeds het dagelijksche quantum wijn in een oogenblik naar binnen hebben geslagen, maar die nog gaarne wat langer bij de kroes zouden willen blijven zitten. Want zoo iets doet zich niet alleen voor bij de verdorven zonen van de bourgeoisie, de studenten, maar ook bij de „makkersquot; van Bebel. Als zij nu den inval krijgen, om hun privaat gebrek uit den algemeenen overvloed aan te vullen, en aan den staat eene aardige partij champagne afhandig te maken? En als die jongenlieden ook werkelijk dat plan gaan uitvoeren? Zou dat eene overmoedige grap zijn, die men over het hoofd ziet, of een diefstal? En wordt dan zoo iets in dien toekomstigen staat gestraft, of niet? En op welke manier moet dat gestraft, waar immers geenestrafwet, geene politie, geen rechter en geene strafmiddelen bestaan? — Maar nemen wij nu het derde geval: dat iedereen aan geestrijke dranken zooveel krijgt, als hij hebben wil, wat de eenvoudigste en gemakkelijkste methode zou zijn, wanneer, zooals Bebel doet hopen, overal wijnbergen aangelegd worden in reusachtige broeikassen, en dus de overvloed van zelf groot genoeg is, om iedereen zijn lust te gunnen. Dan, het is waar, behoeft zeker niemand zich aan dat algemeen eigendom te vergrijpen. Maar dan liggen andere onbehoorlijkheden voor de hand. De statistiek van misdaden en vergrijpen leert ons, dat in tijden van goede verdienste voor de wetsovertredingen uit nood overtredingen van anderen aard in de plaats treden, zulke namelijk, die uit bandelooze vrijheid en gebrek aan zelfbeheersching voortspruiten, zooals verwonding, moord en doodslag. Gesteld dat de heeren van de toekomst, bij elkander gezeten, champagne dronken naar lust, en dat daar onder die zeldzame werking verschil van meening ontstond, en een twistgesprek tot twistgeschreeuw overging, dat met mes of revolver werd uitgemaakt? En gesteld, dat er nu een dood op de plaats bleef, zou de toekomstige maatschappij dit rustig aanzien? Zou men eene strafwet instellen op lichamelijke verwonding, of zullen eigen hulp en bloedwraak in de plaats der openbare rechtspleging komen? Zal men een doodslager, die in nuchteren toestand zijn volle verstand terug heeft, in het krankzinnigengesticht opsluiten? Verstandige Bebel! om te denken, dat met ophouden van de armoede, de misdaden geene oorzaak meer hebben ! Want laat ons maar eens verder

-ocr page 41-

21

onderzoeken; Hoe staat het met die daden van geweld, die uit ijverzucht voortkomen of uit de opwekking van den geslachtsdrift? Reeds in onze maatschappij zijn zij niel zeldzaam, de lichamelijke verwondingen en de vergrijpen tegen de zedelijkheid, die daaraan hun oorsprong te danken hebben; — hoe zal dat eerst te meer plaats vinden in den tijd, waarin wat de\' socialistische fantasten ons nu voorzingen van vrije liefde en algemeenen lust werkelijkheid geworden is? Men kent de moorddadige gevechten der herten in den bronstijd. De wijfjes staan om de strijdenden heen, en vallen de sterksten bij. Dat is een stuk illustratie van wat men „teeltkeusquot; noemt, en zulke staaltjes zal ook de toekomstige staat ons leveren. Men zal strijden om de schoonste, met vuist of mes of revolver en aan den overwinnaar valt zij als buit toe. Heeft iemand lust aan de tijdelijke vrouw des anderen, zal hij dan niet als de sterkere het wagen, haar met geweld aan dezen te ontnemen? Wat heeft de ijverzucht al kwaads gebrouwd, de ijverzucht, die des te geweldiger zich openbaren zal, naarmate de huwelijksbanden losser worden, en de vrouw des te gemakkelijker uit de handen van den eenen man in die van den anderen man overgaan mag! Hoe zullen de socialisten rechtspraak houden over zoodanige misdaden , die lieden , die alles in de maatschappij willen ordenen? Zal de daad van geweld geboet worden, en wel op dezelfde wijze, n.1. ook door aanwending van geweld, of zal men in den overvloed van het aardsche geluk dan maar de oogen toedrukken over zulke kleinigheden? — Scheidsrechters zullen er dan wezen. — Maar als de scheidsrechters partijdig zijn, en in zulke gevallen niet oordeelen willen? Of als men er voor bedankt in de jury zitting te nemen? Wat dan? Of als de eene scheidsrechter zich wreekt aan den anderen bij de eerste de beste gelegenheid? Of als de getuigen zich verleiden laten om valsch getuigenis af te leggen? Zal dat alles geoorloofd zijn of verboden? Of als een eerzuchtige do volksgunst tracht te verkrijgen, en naar de dictatuur streeft, wat zal men met dezen aanvangen? En wat met die revolutionairen, die dan weer de monarchie terug willen hebben, omdat zij tot walgens toe genoeg gekregen hebben van de demagogen heerschappij? Ik zou nog meer aanleidingen tot misdaad kunnen opnoemen, die ook in den socialistenstaat onmogelijk zullen wegblijven. Maar laat dit voldoende zijn. Men ziet;

-ocr page 42-

22

het is reeds eene mooie staalkaart geworden.quot; Verstandige Babel! om te denken , dat met het ophouden van de armoede de misdaden geene oorzaak meer hebben!

„Maar ook al is de mensch niet bepaald misdadiger, — zoo kan hij buitendien nog wel een recht slecht sujet zijn, door ondeugden, die anderen diep ongelukkig maken. Zal de luiheid bij die toekomstige menschen ophouden een gebrek te zijn, vooral wanneer dan de luie mensch evenveel verkrijgt als de vlijtige, en wanneer de geheele strekking van de sociaaldemocratische beweging eigenlijk geene anderen is dan: „zoo min mogelijk arbeid en zooveel mogelijk genot te hebbenquot;? Zal bij het vervullen van de ambten door de volkskeus niet de leugen eene groote rol spelen, en evenzoo de vleierij en oogendienst? Zal later, bij dien gelukstaat, de egoist ophouden egoist te zijn? Zullen eigenzinnigheid, trots, lastering, ruwheid, en wat gewoonlijk het leven van anderen verbittert, met één slag ophouden?

Immers nooit; zelfs dan niet, als Bebel zijne hoogste zedelijke grondstelling: „Wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook aan anderen niet,quot; bij ieder van zijne vrienden op de blanke borst liet tatoeëeren. Neen, zulk eene geaardheid wordt in het hart des menschen niet opgewekt door alge-meene uitwendige welvaart, maar zij wordt door eene geestelijke kracht in het leven geroepen, van welke kracht de sociaaldemocratie nu eenmaal niets weet noch weten wil. Er is tweederlei noodig om tot eene misdaad te komen: de aanleiding van huiten en de drijfveer van binnen; nu zal het in den toekomstigen staat aan aanleidingen van buiten af, zooals ik aangetoond heb, volstrekt niet ontbreken, zelfs al was alle stoffelijke nood opgeheven. De inwendige drijfveer zal echter des te sterker zijn, naarmate stoffelijke of geestelijke beletselen haar te minder in toom houden. Zijn daarbuiten de geregelde, strenge orde , en daarbinnen tucht, geweten , gehoorzaamheid en zelfbeheersching geweken, dan weet ik niet meer, wat ter wereld de menschen weerhouden zal om hartstochtelijk geweld te plegen. Indien dus werkelijk de socialistische staat zich ooit vestigt, dan zullen de misdaden niet ophouden, ja er zelfs niet minder op worden; menig licht vergrijp, uit nood geschied, zou misschien wegvallen, maar in de plaats daarvan zouden zwaardere misdaden treden, door gebrek aan uitwendige en inwendige wilsbeperkingen.

-ocr page 43-

23

En die gedroomde gelukzaligheid zou, in dit opzicht ten minste, voor goed oen droom blijven, en niets meer!quot;

„Zulk eene dwaling kan slechts voortspruiten uit eene lichtzinnige, oppervlakkige waarneming van den aard der menschelijke natuur, uit een gebrek aan wijsgeerigen aanleg en kennis; en vandaar dat hierboven beschrevene kinderachtige optimisme.quot;

Dezelfde opmerking maakt Prof. F. Paulsen in zijne Ethiek, met betrekking tot het boek van Bellamy: „Wat mij betreft, ik mag mij niet onder zijne goedgeloovige lezers rekenen. Alles hangt ten slotte van deze ééne laatste vraag af: Of de zelfzuchtige en vijandige neigingen, die tot nu toe zulk eene groote plaats in de menschelijke natuur ingenomen hebben, en het leven van zoovelen verbitteren en verderven, eenvoudig een gevolg zijn van de tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen? Is dat zoo, dan zouden zij immers door verbetering dezer verhoudingen ter zijde kunnen gesteld worden. Ik vrees echter, dat niemand, die van de menschelijke natuur eenige nauwgezette studie gemaakt heeft, deze meening zal ondersteunen. Nijd en hoogmoed, het verlangen om meer te hebben en meer te zijn, en ten slotte de begeerte om altijd gelijk te hebben, om geene andere oorzaak dan om eenvoudig gelijk te hebben, wortelen zoo diep in de menschelijke natuur, dat zij wel eerst met den laatsten dag van dit geslacht van de aarde verdwijnen zullen.quot;

En dan zouden wij nog altijd eerst dien toekomstigen staat moeten hebben; en eerst na zoovele en zoovele geslachten bestaan te hebben, zou hij pas zijne burgers tot zedelijk nieuwe menschen kunnen opvoeden. Maar even waarschijnlijk is het, dat hij na vier weken weer ten onder ging, omdat de menschen bij zijne vestiging nog geene andere geworden zijn, dan zij zijn, en omdat de jonge lieden, die zich nu bij het socialisme aansluiten, opgroeien zonder godsvrucht, zonder vaderlandsliefde, zonder Christelijke tucht en orde, en vervuld zijn met haat, nijd, genots-zucht en wilde hartstochten. Een zoodanig opgroeiend geslacht kan wel omverwerpen, maar nooit opbouwen. Niet anders dan door zedelijk goede menschen zou de geweldige hervorming der maatschappij kunnen tot stand komen. Daarom: voor alles komt het aan op zedelijke vernieuwing

-ocr page 44-

24

naar Chrisliis\' woord en voorbeeld voor alle standen ; deze zal dan ook de noodige sociale vernieuwing te weeg brengen, langzaam, maar zeker, en daarmede tegelijk „de groote blijdschap, die al den volke wezen zal.quot;

Zoo zal dus ook dat „ Vrede op aardequot; alleen door zedelijke vernieuwing van den mensch te verwerkelijken zijn, niet door vredesverdragen tusschen de volken, niet door vredescongressen, niet door scheidsgerichten, ook niet door de toekomstige socialistische maatschappij! In plaats van te spotten met het Christendom, omdat het die beloften nog altijd niet heeft kunnen verwezenlijken, — komt, kiest partij voor het Christendom, en helpt ons de volken te bezielen met eene waarachtig Christelijke levensbeschouwing en met een waarachtig christelijken geest, waaraan het tot nu toe nog altijd te veel heeft ontbroken. Dan houdt ook die strijd tusschen de standen op, die nog altijd een smaad voor de Christenen is.

Mattheus 3 :13—23.

Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de Engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u dat kindeken en zijne moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het kindeken zoeken, om hetzelve te dooden.

Hij dan. opgestaan zijnde, nam het kindeken en zijne moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte;

En was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen.

Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en eenigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaar oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.

Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende:

-ocr page 45-

25

Eeiie slem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende hare kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!

Toen Herodes nu gestorven was, ziet de Engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte,

Zeggende: Sta op, neem het kindeken en zijne moeder tot u, en trek in het land Israels: want zij zijn gestorven, die de ziel van het kindeken zochten.

Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het kindeken en zijne moeder, en is gekomen in het land Israels.

Maar als hij hoorde, dat Archelaüs in Judea koning was, in de plaats van zijnen vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de deelen van Galilea.

En daar gekomen zijnde, nam hij zijne woonplaats in de stad, genaamd Nazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat hij Nazarener zal geheeten worden.

„Want Herodes zal het hindehen zoeken, om het te dooden.quot; Hij doodde dan ook de kinderen van Bethlehem, hij, die reeds zoo vele moorden en misdaden op zijn geweten had. Wat een bloeddorstige tiran! Welk een spotbeeld eens waar-achtigen konings! Beklagenswaardig het volk, dat hem ten onderdaan moest zijn! En stel dan eens daartegenover de vorsten, gelijk wij er gehad hebben!

„Herodes heeft omgebracht al de hinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren.quot; Met ontzetting vervult zulk een moord onze ziel. Maar zijn dat dan ook geene moord-holen, die fabrieken, waarin nog in onze eeuw jonge, zwakke kinderen onbarmhartig werden misbruikt, en waar zoo menigmaal de grond werd gelegd tot hun vroegtijdigen dood of tot levenslange krankheid? Zijn dat ook geene moordholen, die hokken, waarin de arme bevolking huizen moet, en waar zelfs nog teedere kinderen bij het „huiswerkquot;, dat vader of moeder meekrijgt, moeten medehelpen lange, lange uren aaneen, dag aan dag, en waar het gezin toch nog niet eens het dage-lijksch brood mede verdient? Zijn dat ook geene moordholen, die misselijke helders en krotten in de groote steden, waar lucht noch licht in voldoende mate binnendringt , die zoo vochtig en ongezond mogelijk zijn, en die toch groote menschen en kinderen als hun .,te huisquot; moeten beschouwen? Hier ligt een zuigeling, daar een ziek kind, op \'.vat geen bed kan heeten, in lompen gehuld, uren lang over dag aan zich

-ocr page 46-

26

zeiven overgelaten, omdat vader en moeder uit werken zijn; zij rekken het leven, maar zouden kunnen genezen worden, als zij de noodige zorg en het voldoende voedsel en eene gezonde woning hadden, en als zij de onmisbare geneeskundige hulp en de dure geneesmiddelen konden machtig worden. Nu echter zieken zij voort tot den dood! Wat is juist in die klassen de sterfte onder de kinderen groot! En hoe vreeselijk is ook hunne zedelijke verwaarloozing! En toch hebben ook deze ouders hunne kinderen lief, en even gaarne zouden ook zij hen verplegen, en hun geven, wat voor hun leven, voor hunne genezing en voor hun welzijn dienstig is, en God op de knieën daarvoor danken! Laat het vaderhart, laat het moederhart zich eens levendig verplaatsen in hun toestand, in de gemoedsstemming van de armsten onder de armen! Vindt gij het niet verklaarbaar, als zij bij wijlen in haat en in woede ontsteken tegen die paleizen daar niet ver af, en als zij God en menschen bij wijlen leeren lasteren en vervloeken ? Ach! in hunne razende wanhoop worden zij wel eens tot een Herodes, tot moordenaars van hunne eigene kinderen, en tot zelfmoordenaars! Kende men maar altijd den hatelijken nood, die tot zoodanig misdrijf heeft geleid! Men zou waarlijk niet echt pharizeesch zulke misdadigers met koud gevoel oordeelen, maar men zou ook zichzelven en de Christelijke maatschappij oordeelen, die zulke ellende duldt, en er mede schuld aan heeft; men zou niet altijd met dien huiohelachtigen troost zonder meer aankomen: „Wat God zendt, moet gedragen worden, hoe zwaar en smartelijk het ook is,quot; maar men zou tot de overtuiging komen: Dat zendt God niet, neen, God wil dat niet, kan dat niet willen; God wil veelmeer , dat wij schaamrood worden over zulke dingen, en dat wij niet rusten, voordat er een eind aan gemaakt is!

Mattlieiis 3 :1—13.

Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den koning Herodes, ziet, eenige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.

-ocr page 47-

27

Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien zijne ster in het Oosten, en zijn gekomen om hem te aanbidden.

De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem.

En bijeenvergaderd hebbende al de overprieslers en schriftgeleerden des volks, vraagde aan hen, waar de Christus zou geboren worden.

En zij zeiden tot hem; Te Bethlehem, in Judea gelegen, want alzoo is geschreven door den profeet:

En gij Bethlehem! gij land Juda ! zijt geenzins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal.

Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naar-stiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was;

En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstig naar dat kindeken, en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt liet mij, opdat ik ook kome, en hetzelve aanbidde.

En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats , waar het kindeken was.

Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde.

En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het kindeken, met Maria, zijne moeder; en neervallende, hebben zij het aangebeden; en hunne schatten opengedaan hebbende, brachten zij hem geschenken: goud, wierook en mirre.

En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.

„Toen kwamen eenige wijzen uit het Oosten naar Jeruzalem zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben gezien zijne ster in het Oosten, en zijn gekomen, om hem te aan-bidden!quot; De wijzen uit het oosten komen om hem te aanbidden, en de wijzen van het westen in onze dagen keeren hem veelmaals den rug toe, en verleiden ook het volk daartoe: „deze helpt ons toch niet!quot; Zou het echter met de sociale wanverhoudingen zoo ver gekomen zijn, als men altijd Christus had aangebeden, zooals behoort, als men hem koning had gelaten? Daarom zijn dat geene ware wijzen, die altijd maar verder zich van hem verwijderen willen. Zij kunnen tot voorbeeld zijn, die wijzen uit het oosten.

„De ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boren de plaats, waar het kindeken ivas.quot; De ster, die wij volgen op onze reis door de nooden en de gevaren onzes tijds, is het Evangelie; dat zal ten laatste ons tot ons doel leiden. Leerstellingen, ook sociale, die met het

-ocr page 48-

28

Evangelie niet in overeenstemming zijn, zijn dwaalsterren, dwaallichten, die doen afdwalen naar het moeras, en die het verderf brengen.

Volgt dit Evangelie, gij grooten en rijken altemaal! en doet als de wijzen: „Zij deden kunne schatten open, en brachten hem geschenken: goud, wierook en mirre.quot; Aan Christus zeiven kunt gij dat niet meer geven, maar geeft het den broederen. „ Wat gij aan een van deze minsten gedaan hebt, dat hebt gij aan mij gedaan.quot; Doet uwe schatten open! Millioenen en nog eens millioenen hoopen zich op aan den eenen kant, dikwijls ook onrechtvaardige mammon; en aan den anderen kant: bittere armoede. Daar moet wat tegen gedaan worden ; de ongelijkmatigheid in vermogen en bezit moet tegengewerkt worden; het aangroeien van zulke fameuze kapitalen en bezittingen moet verhinderd worden, en vooral zijn het de woeker en de zwendelarij, die de wereld uit moeten; rechtvaardigheid en menschelijkheid moeten hier eindelijk eens krachtdadig ingrijpen; daar moet eens een opendoen plaats hebben der schatten ten nutte van het algemeen.

„Herodes werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem.quot; Ja, de gruwelijke tiran had ook een kwaad geweten. En zoo hebben ook tegenwoordig de bezittende klassen angsten en vreezen genoeg voor de om zich heengrijpende arbeidersbeweging. Zouden zij vreezen, als het in orde was met hun geweten? Zij hebben veel om over te denken. Zij zullen veel goed te maken hebben. Hoe eerder zij het doen, des te eerder komt er vrede en rust, vrede en rust ook in hun eigen gemoed.

„Herodes werd ontroerd.quot; Hij vreesde voor zijn mededinger. Zonder eenigen\'grond. Christus zou geen aanspraak maken op zijn troon. Het heeft nooit op den weg van Christus gelegen, en het ligt nog niet op zijn weg, om koningen van den troon te stooten. Hij schraagt hun troon, als zij op Hem steunen. Een sociaal koningrijk, of eene sociale republiek, waarin de beginselen van Christus opgenomen zijn, behoeft voor geene toekomst, welke ook, bevreesd te zijn.

-ocr page 49-

29

Lucas 3 : 41—53.

En zijne ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha.

En toen hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte des feestdags,

En de dagen aldaar voleindigd hadden, bleef, toen zij wederkeerden, het kind Jezus te Jeruzalem; en Jozef en zijne moeder wisten het niet;

Maar meenende dat hij in het gezelschap op den weg was, gingen zij eene dagreize, en zochten hem onder de magen, en onder de bekenden.

En als zij hem niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, hem zoekende.

En het geschiedde na drie dagen, dat zij hem vonden in den tempel, zittende in het midden der leeraren, hen hooiende, en hen ondervragende.

En allen die hem hoorden, ontzetten zich over zijn verstand en antwoorden.

En zij, hem ziende, werden verslagen; en zijne moeder zeide tot hem: Kind! waarom hebt gij ons zoo gedaan? zie, uw vader en ik hebben u met angst gezocht.

En hij zeide tot hen; Wat is het, dat gij mij gezocht hebt? wist gij niet dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?

En zij verstonden het woord niet, dat hij tot hen sprak.

En hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En zijne moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.

En Jezus nam toe in wijsheid en in grootte, en in genade bij God en de menschen.

„Zijne ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van -pascha. En toen hij twaalf jaren oud geworden was, gingen zij op naar Jeruzalem, naar de gewoonte van den feestdag.quot; Eene schoone, zegenrijke gewoonte! En zij zullen te Nazareth ook wel zelden nagelaten hebben op sabbath de synagoge te bezoeken; ook hunne kinderen gewenden zij vroeg aan de heiliging van den sabbath. Welk eene armoede , geestelijk en stoflelijk, moet ten slotte niet het deel worden van een gezin, dat Gods huis en Gods woord jaar in jaar uit veracht! Beklagenswaard zijn ook die kinderen, aan wien overigens misschien alles gedaan wordt, maar bij wien het gewichtigste deel van de opvoeding wordt verwaarloosd!

„Jozef en zijne moeder wisten het nietquot; dat hun kind te Jeruzalem gebleven was. Wat is het altijd noodig, dat de kinderen onder behoorlijk toezicht zijn! Maar als nu vader en moeder uit werken zijn, om hun brood, beiden te gelijk,

-ocr page 50-

30

zooals de nood het wel eens eischt, wat wordt er da.n van de kinderen? Hoevelen, die dan den vorkeerden weg opkomen, die als van zelf tot zonde en misdaad vervallen? Wat stemt liet tot medelijden met die kinderen, maar tevens tot ergernis over de sociale toestanden, als men telkens en telkens in de vonnissen over de tot tuchthuisstraf veroordeelde kinderen leest, dat de grond tot die veroordeeling deze is: dat de ouders zeer arm zijn, dat zij altijd uit werken zijn, en dat zij daarom zich niet behoorlijk aan het toezicht en de opvoeding hunner kinderen kunnen wijden, en dat daardoor de kinderen meestal aan hun lot zijn overgelaten geweest en verwilderd en verwaarloosd worden. Hebben wij hier niet te doen met een van de dreigendste sociale gevaren, waar vroeger onze maatschappij niet zoo aan bloot stond? Dat moet afgewend! De zorg om het heil van onsterfelijke zielen, en evenzeer de zorg om het welzijn van ons volk en ons vaderland eischen hier gebiedend eene voorziening.

„Wat is het, dat gij mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat ik moet zijn in de dingen mijns Vadersfquot; En onze kinderen dan, en onze jongens en meisjes, die belijdenis des geloofs hebben afgelegd? Waar zijn die te vinden? En waar laten zij zich zoeken? Wat zijn zij meer gewoon te veronachtzamen dan Gods huis en Gods woord? Wat zal van zulk eene jeugd te wachten zijn? O! wat heeft het geslacht onzer dagen het juist noodig, om altijd weer opnieuw opgewekt te worden, om uit het leven der wereld zich te laten overplanten in een leven des geestes, en om zich te laten vervullen met de liefde van Christus, met den socialen geest des Christendoms!

„Hij was hun onderdanig.quot; Dat betaamt ook onze kinderen. Dat is eene bedenkelijke en gevaarlijke leer, die men tegenwoordig veel hoort verkondigen; „Weg met alle gezag! Gehoorzaamheid, ootmoed en bescheidenheid zijn ellendige slaveneigenschappen; en dat men er voor oppasse, om haar reeds den kinderen aan te leeren!quot; Waar toch de blinde haat tegen de bestaande toestanden al toe leiden kan! Zou dat niet de dood zijn voor alle opvoeding en tucht en orde in familie, gemeente en staat? Worden zoo niet de pijlen gesneden, waarmede de schutters zeiven nog eens doodclijk zullen getroffen worden?

-ocr page 51-

31

Johiuincs 2 : 1—11.

En op den derden dag was er eene bruiloft te Kana in Galilea ; en de moeder van Jezus was aldaar.

En Jezus was ook genood, en zijne discipelen tot de bruiloft.

En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot hem: Zij hebben geen wijn.

Jezus zeide tot haar: Vrouw! wat heb ik met u te doen? mijne ure is nog niet gekomen.

Zijne moeder zeide tot de dienaars: Zoo wat hij ulieden zal zeggen, doet het.

En aldaar waren zes\'steenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metreten.

Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.

En hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester; en zij droegen het.

Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn was, maar de dienaren die het water geschept hadden, wisten het), zoo riep de hofmeester den bruidegom,

En zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wel gedronken heeit, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard.

Dit beginsel der teekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft zijne heerlijkheid geopenbaard; en zijne discipelen geloofden in hem.

„En Jezus ivas ook genood, en zijne discipelen, tot de bruiloft\'\'\'\'; en zij gaven aan de uitnoodiging gehoor, zooals zij meermalen deden. Jezus was gaarne blijde met de blijden, en zijn godsdienst heeft niets gemeen met kloosterachtige eenzaamheid en somberheid. Maar die platte genotzucht, die in vele rijke huizen heerscht, en die nu ook de lagere standen hoe langer hoe meer beheerschen gaat, zoodat deze de toekomstige maatschappij als een zalig luilekkerland beschouwen, als een Mohammedaan schen hemel op aarde, — neen nimmer heeft Jezus zelfs maar in de verte er een woord ten gunste van gezegd.

Waar brengt zoodanige zucht tot genieten de menschen toch toe? „Zij hebben geen wijn.quot; Wij weten niet hoe daar gebrek aan wijn gekomen was; maar dit is wel bekend, wat

-ocr page 52-

32

in zoovele huizen de oorzaak van het gebrek is, waar geen gebrek behoefde te zijn. Zij leven van de hand op den tand, en van den eenen dag op den anderen; zij denken aan geen sparen, zoeken hun geluk in weelde, en denken hun stand op te houden met feesten; legt de een het rijk aan, de andere zal het nog rijker aanleggen; de toongevers gaan voorop, en de overigen volgen hen na; nieuwe behoeften worden gekweekt, en men leeft ten slotte in een hoogeren stand, dan waarin men tehuis behoort. Maar hoe dwaas, om de rijken na te doen! Wat armzalige eer steekt er in, als de anderen zien, welke pronkende kleederen gij draagt, en welke weelderige gastmalen gij geeft! Hoe bespottelijk, om in het oog van de wereld te pralen, terwijl het daar te huis aan het allernoodigste ontbreekt! Welk eene waanzinnigheid, om een paar dagen vroolijk en prachtig te leven, en dan verder honger en gebrek te lijden! Hoe gewetenloos, om in dolligheid het weekgeld op te maken, terwijl vrouw en kinderen geen eten hebben, en bevriezen in de koude woning! Is dat geluk? Hoeveel onuitsprekelijke ellende is het gevolg van zulk eene manier van leven! Neen, dan zijn zij veel gelukkiger, en dan brengen zij het heel waf verder, die boven hun stand niet uitgaan , die verstandig huishouden, die de tering naar de nering zetten, en die niet luisteren naar de voorspiegelingen van gewetenlooze verleiders, die al aan zoovele gezinnen het geluk en den vrede hebben geroofd. Zoek vooruit te komen, maak uw eigen t\'huis zoo gezellig en vroolijk mogelijk, maar blijf binnen de perken, en houd rekening met uwe middelen. Daar is niets bespottelijkers dan den rijke uit te hangen, en geen rijke te zijn.

Dan zult gij ook bewaard blijven voor deu kwaden naam, waarop die hofmeester doelde, toen hij zeide: „Alle man zet eerst den goeden roijn op, en wanneer men veel gedronken heeft, alsdan den minderen.quot; Dronkenschap, drankzucht, deze vree-selijk algemeene zonde, deze kanker, die voorteet tot het geheele lichaam is aangetast, deze oorzaak van ontelbare misdaden, deze bron van onnoemelijke ellende voor de drinkers zeiven en voor hunne gezinnen en voor het geheele volk! Als men daar eens een eind aan maken kon! De productie van sterkedrank kon beduidend beperkt worden; strenge wetten zouden veel kunnen doen; en zoo konden ook vereenigingen en inrichtingen heilzaam werken, evenals

-ocr page 53-

33

hooger loon en betere voeding van den arbeider, die maarte veel in de verleiding is, om in het gebruik van geestrijke dranken een verzet te vinden voor gebrek aan goed voedsel, of om de zorgen van zijn ellendig bestaan tijdelijk te vergeten in een bedwelmenden roes. Maar hooger loon alleen doet het ook nog niet, zooals zoogenaamde vrienden van liet volk zoo gaarne gedachteloos beweren. Want vindt men de drankzucht niet evenzeer in de andere standen, waar men zich het krachtigste voedsel kan gunnen\'? Wordt er soms niet, naarmate het loon hooger is, des te onmatiger gedronken? Ligt de ware oorzaak niet dieper, namelijk in het gebrek aan zelfbedwang, zelfverloochening en goeden wil? Waakt en bidt! Dit woord van den Heiland bedenke en betrachte men. Ook in dit opzicht hangt alles af van den inwendigen mensch. Hoe verkeerd, hoe eenzijdig, om altijd de zonden, gebreken en misdaden alleen te verklaren uit den uiterlijken nood en uit maatschappelijke armoede!

Felsen schrijft in „Het boek van den Duitschen arbeiderquot;: „Bij het bovengenoemde komt nog eene andere bron van armoede, en die is: de jeneverpest onder den arbeiderstand. Natuurlijk wijt de sociaaklemocratie ook deze kwaal weder aan de „maatschappij.quot; Wij echter zijn overtuigd , dat in zooverre de arbeiderstand van den drankduivel bezeten is, niemand hier de schuld van heeft dan de arbeiderstand zelf. En voorwaar! eene ontzaglijke zware schuld is het! Het gebruik van sterkedrank is nergens zoo in zwang als onder de arbeidersklasse. En het is dus juist voornamelijk deze klasse, die dat ongehoord groote kapitaal wegwerpt, dat elk jaar door den drank verslonden wordt. Het gebruik van sterkedrank kostte in Duitschland in het aar 1886 ongeveer 496 millioen mark, en dat was vóór de in 1887 ingevoerde verhooging van belasting op dat artikel. Daartegenover bedroegen de gezamelijke uitgaven voor leger en vloot 380 millioen, gewoonlijk door de heeren socialisten de bloedbelasting genoemd. Maar welke van de twee is nu eigenlijk de bloedbelasting? In Pruissen werd in 1882 voor sterkedrank uitgegeven 261 millioen mark; de kosten van openbaar onderwijs in Pruissen aan alle hoogere en lagere scholen, de universiteiten er bij gerekend, beliepen 211 millioen. Voor sterkedrank gaf men er dus jaarlijks 50

Social» Moraal. 3

-ocr page 54-

34

millioen meer uit dan voor opvoeding en onderwijs van alle standen bij elkander gerekend.quot;

„Vijfhonderd millioen mark \'sjaars voor Duitschland! Dit halve milliard brengt, zooals gezegd is, grootendeels de arbeidersklasse op van-jaar tot jaar, doorniemand gedwongen! Zou dit ééne cijfer op zich zelf niet reeds voldoende zijn om aan te toonen, dat de sociaaldemocraten, als zij waarlijk het arme volk helpen willen, tegen iets heel anders te agiteeren hebben dan tegen de zoogenaamde kapitalistische maatschappij ?quot;

„Wat wil dat zeggen; 500 millioen \'sjaars? Met deze som zouden de uitkeeriugen van alle ziekenfondsen in geheel Duitschland acht maal zoo groot hebben kunnen zijn; met deze som in handen zouden de maatschappijen van verzekering tegen ongelukken bij den arbeid twintig maal meer hebben kunnen uitkeeren, dan zij nu hebben kunnen doen. Daar zouden nog andere vergelijkingen kunnen gemaakt worden. Maar hoe vele malen beter zou de arbeidersklasse zich kunnen verzekeren tegen alle nooden des levens, tegen ongelukken, tegen den ouden dag, ja tegen tijden van werkeloosheid, en bovendien tegen overlijden ten bate van weduwen en weezen, als ook maar de helft van dat bloedgeld werd besteed voor zoodanige doeleinden.quot;

„Waarlijk, al die sociale quaestiën, die langs stoffelijken weg moeten opgelost worden, zouden zeer gemakkelijk door dit geweldig kapitaal alleen kunnen opgelost worden. Ziet: dat alles zou met deze 500 millioen kunnen gedaan worden! Maar wat brengen zij daarentegen voor de arbeidersklasse aan? Niets, niets anders dan nameloos veel ellende. Hoeveel nood, armoede en ongelukken brengt de drankduivel achter zich aan in de arbeidersgezinnen? Veel, oneindig veel meer, dan wat zelfs een heel milliard zou kunnen goed maken. Kon men, zooals de hinkende duivel in den roman van Le Sage, eens de daken van de huizen afnemen, en zoo een blik verkrijgen in de treurige toestanden van onze arbeiders, die aan den sterkedrank verslaafd zijn: welke vreeselijke tooneelen zouden zich aan onze oogen voordoen!quot;

„Men zou het zeer goed kunnen stellen zonder het gebruik van sterkedrank! Deze is geheel onnoodig! Het is volstrekt niet waar, dat hij tot de noodige levensmiddelen behoort. Alkohol ia en blijft een vergif, dat onder geene enkele

-ocr page 55-

35

omstandigheid als noodig kan aanbevolen worden. Hierin zijn de beste autoriteiten uit de geheele wereld liet eens. Ik zelf kan hierin uit ervaring medespreken: Maanden lang heb ik in bijna tropische hitte, en evenzoo bij de felste koude, zeer zwaren lichamelijken arbeid verricht, zonder ooit een druppel drank over de lippen gehad te hebben, of ook maar de behoefte er aan gevoeld te hebben.quot;

„De energieke bestrijding van de jeneverpest zal de mogelijkheid openen van eene onafzienbare reeks sociale verbeteringen ; en het lijdt geen twijfel, in verband met wat boven gezegd is, dat dan de arbeidersquaestie eene geheel andere gestalte zal verkrijgen. Maar alweer is het in dit geval niet de staat, noch de maatschappij , die de zaak heeft aan te vatten; maar gij, arbeiders, gij zijt het, een ieder onder u, op wien de plicht rust, en wien het aan de macht ook niet ontbreekt, om eene geweldige schrede voorwaarts te doen beschaving en geluk.quot;

„Als ik hier, — zoo als bij andere gevallen, — niet bepaald inga in de zonden der andere standen van ons volk, dan heeft dat hierin zijne oorzaak, dat ik in deze mijne beschouwingen alleen tot de arbeiders spreek. Overigens weet ik zeer wel, dat deze beschuldiging gelijktijdig alle andere standen treffen moet, en welk onheil evenzeer door bier en wijn, als door jenever, daar wordt aangericht. Ik zal dit te gelegener tijd afzonderlijk bespreken. Mijn oordeel zal tegen de brassers en slempers „in gala-costuumquot; waarlijk niet zachter klinken, als zooeven de arbeiders het van mij hebben moeten hooren.quot;

Tot Jezus was het, dat Maria zich toen richtte, om het gebrek weg te nemen. En dit is voor de tegenwoordige maatschappij eene behartenswaardige vingerwijzing. De zelfzucht, de zonde van den mensch, schiep al die nooden van onzen tijd; en de liefde, en geest van Christus, zal haar alleen op den duur kunnen wegnemen. De eisch aan Zijne discipelen is echter: „Zoo toal Hij ulieden zal zeggen, doet dat!quot;

3*

-ocr page 56-

36

Mattheus 8 : 1—13.

Toen hij nu van den berg afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgd.

En ziet, een melaatsche kwam, en aanbad hem, zeggende: Heer indien gij wilt, gij kunt mij reinigen.

En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, wordt gereinigd! En terstond werd zijne melaatschheid gereinigd.

En Jezus zeide \'tot hem: Zie, dat gij dit niemand zegt; maar ga heen, toon u zelveu den priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis.

Als nu Jezus te Kapernaüm ingegaan was, kwam tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem.

En zeggende: Heer! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lydt zware pijnen.

En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen.

En de hoofdman over honderd antwoordende, zeide: Heerl ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.

Want ik ben ook een mensch onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.

Jezus nu , dit hoorende, heeft zich verwonderd, en zeide tot degenen die hem volgden: Voorwaar zeg ik u, ik heb zelfs in Israël zoo groot een geloof niet gevonden.

Doch ik zeg u, dat velen zullen komen van het Oosten en Westen, en zullen met Abraham, Izaak en Jakob aanzitten in het koninkrijk der hemelen;

En de kinderen des koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal weening zijn en knersing der tanden.

Eu Jezus zeide tol den hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te dierzelfder ure.

„Als nu Jezus te Kapernaüm ingegaan was, kwam tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem, en zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen.quot; Een Romeinsch hoofdman, een heiden, een slavenhouder, gaat voor zijn slaaf naar den geneesmeester, en vraagt om hulp voor den kranke. Christelijke heeren en patroons! Zoudt ook gij voor uwe knechten en werklieden zulk een welwillendheid en liefdedienst bewijzen? Wij lezen het wel eens hier of daar gedrukt, dat de heidensche slaven het dikwijls beter hadden

-ocr page 57-

37

dan de Christelijke loonarbeiders van tegenwoordig; want een slaaf had aan zijn heer vaak eene groote som gelds gekost ; daarom was de heer voorzichtig met hem; en daarom verzorgde de heer hem in zijne krankheid; ook zou hij hem niet licht wegjagen; want die slaaf vertegenwoordigde voor hem altijd een som gelds. Maar de tegenwoordige loonslaaf, die aan zijn patroon niets gekost heeft, en dien hij elk oogenblik door anderen kan laten vervangen? Ja, wij hebben vergelijkingen gelezen tusschen het lot van arme arbeiders en het lot van dure paarden en andere luxedieren, die eene goede woning hebben en besten kost en aangename verpleging; en wij hebben de vraag daarbij gelezen: wie het nu beter heeft? Zullen wij op hooghartige wijze geen acht slaan op zulke vragen ? Zij geven in elk geval te denken; zij toonen, hoever wij er nog vandaan zijn een Christelijk volk te zijn, en hoeveel er nog te doen overblijft.

„Spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.quot; Wat dreef daar dien man tot Jezus? Was het liefde en barmhartigheid, of was het snoode zelfzucht bij de overweging, hoeveel geld deze slaaf hem gekost had, en hoeveel een nieuwe hem kosten zou? Tegenwoordig zouden velen zeggen: de laatste reden dreef hem. Een grenzeloos wantrouwen bezielt de niet-bezitters tegenover de bezitters. Wat de massa gelooft is dit, dat er bij de grooten en aanzienlijken niets is dan zelfzucht, en dat daar niemand is, die zijne zelfzucht bestrijdt. Tegenover vele rijken is dit een groot onrecht; vele philanthropen en arbeidersvienden worden zoodoende eenvoudig miskend. Maar vindt aan de andere zijde dit geloof van de armen aan de zelfzucht der rijken niet dikwijls aanleiding genoeg? Het individualisme geeft aanleiding tot zelfzucht en kweekt haar. Maar, vragen wij daar weer tegenover, zal eene socialistische maatschappij de zelfzucht geheel bannen? Wat voorspellen de apostelen van het socialisme toch eene dwaasheid daarmede? Neen immers; de zelfzucht zal voortbestaan, en zal op een nieuw gebied nieuwe offers weten te zoeken en te vinden. Niet van, buiten af, maar van binnen uit is deze zelfzucht te breken en te overwinnen, doordat wij ons bekeeren en onze harten openen voor den geest en de liefde van Christus. Dan zullen ook de noodige hervormingen tot stand komen, en zal na eene eeuw van zelfzucht de eeuw der liefde aanbreken, de eeuw der ware

-ocr page 58-

38

humaniteit; en in waarheid zullen dan gelijkheid, vrijheid en broederschap de menscheid gelukkig maken.

Hij moet een edel man zijn geweest, die Romeinsche hoofdman; nog andere deugden sierden hem. „Hecre! ik ben niet waardig, dat gij onder mijn dak zoudt inkomen.\'\'\'\' Wij roemen dezen ootmoed, deze bescheidenheid als eene der hoogste deugden, waarmede de mensch zich sieren kan, vooral als hij groot, rijk en benijdenswaardig boven anderen uitsteekt. Als de grooten en aanzienlijken waarlijk ootmoedig zijn, dan zijn zij dubbel groot. De moralisten van het ongeloof zien echter in den ootmoed eene verachtelijke slaafsche stemming, eene bespottelijke ondeugd en een jammerlijk gebrek. Dat is wezenlijk eene nieuwe wereld, die zij ons voorhouden; maar welk een koude wind waait er uit die weield naar ons toe!

„Tk hen ook een mensch onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.quot; Romeinsche ijzeren krijgstucht; gezag en gehoorzaamheid! Ook dat zijn woorden, wier beteekenis in het woordenboek van de apostelen des onge-loofs zeer is verkort. „Geen gezag meer in den hemel en op de aarde! Gehoorzaamheid, ondergeschiktheid, zelfverloochening, opoffering: ellendige slavendeugden, waar dwaze knechten genoegen mede mogen nemen! In de plaats daarvan: vrijheid en gelijkheid voor alles, wat mensch is!quot; En toch zal het nooit zonder gezag en zonder ondergeschiktheid en gehoorzaamheid kunnen, zoolang er verschil zal wezen tusschen de natuur van den eenen mensch en van den anderen , zoolang er boozen en goeden zullen zijn, ja zoolang er nog één dwaas of domoor is. „Zooveel hoofden, zooveel zinnen,quot; dat zal het nog wel vooreerst altijd blijven; en daarom zullen gezag en gehoorzaamheid ook nog wel altijd noodig blijven.

Evenwel, daar zijn soorten van gezag; en de eene soort van gezag maakt in de geschiedenis steeds plaats voor de andere soort; en dit is niet altijd verkeerd. Een Nero zou onder het volk van onzen tijd geen plaats meer kunnen innemen; een onfeilbaren paus kunnen Protestanten niet meer boven zich dulden; een ouderwetsch slavenhouder zou onder ons niet meer kunnen bestaan. De soorten van gezag wis-

-ocr page 59-

39

selen, maar het gezag blijft, en moet blijven, zoolang er menschen bestaan. Door gezag alleen is er een gelukkig en welgeordend maatschappelijk leven mogelijk. Maar dat het een gezag zij vol wijsheid, rechtvaardigheid en mildheid; en dat alzoo ook de gehoorzaamheid geen dwang zij, maar eene vrijheid om onderdanig te zijn in zelfbedwang. Dan zullen de menschen niet meer tot elkander staan in de verhouding van heer en knecht, maar van vader en kind; en vrijheid, gelijkheid en broederschap zullen niet meer buitengesloten zijn.

En zoo komen wij ook hier weer neder op den eisch van zedelijke verandering en vernieuwing van het hart des menschen , zal de maatschappij ooit veranderd worden. Dwaasheid is het, altijd maar „vrijheid en gelijkheid voor allenquot; te eischen, zonder ook maar in het minst dien eisch der zedelijke verandering te verkondigen. Och ja! deze eisch is onaangenaam en lastig, en klinkt zoo kerkelijk en godsdienstig, en houdt in een strijd tegen de zonde; en daar moet men bij de massa niet mede aankomen, terwijl die roep van „recht voor allenquot; zoo verheven klinkt, en op de massa diepen indruk maakt, en haar aangenaam de ooren streelt, en trotsch en ontevreden maakt.

Ziegler, in zijn: „De sociale quaestie eene zedelijke quaestiequot;, zegt van dien geest der tuchteloosheid en oneerbiedigheid bij de sociaaldemocraten: „In hunne geschriften worden vooral de orde, het gezag en alle geestelijk en zedelijk overwicht op de ruwste manier ondermijnd en bespot. En derhalve is het geen toeval, dat de anarchisten uit hunne rijen zijn voortgekomen. Anarchie en tuchteloosheid echter, dat wil zeggen, die onwil om onderdanig te zijn, die dweepzieke zucht om oneerbiedig te zijn, en die volstrekte negatie van het welzijn van anderen, — staan lijnrecht tegen den socialen geest over; want deze is een geest van orde en van wederkeerige waardeering. En derhalve kan in dit opzicht van de sociaaldemocratie gezegd worden, dat zij nog niet eens het abc van dezen geest kent, en ten onrechte zijn heiligen naam voert.quot;

„Ik heb ook onder mij krijgsknechtenquot;, zeide die hoofdman. Hij zal zeker voor zijne soldaten een vriendelijk en humaan hoofdman geweest zijn, zooals vele officieren in ons leger voor hunne minderen ook zijn. Natuurlijk zijn niet alle offi-

-ocr page 60-

40

eieren zoo; wij weten dit wel. En dat de soldaten door hunne meerderen niet altijd even goed behandeld, en zelfs wel eens kwalijk behandeld of mishandeld worden, dat gebeurt, helaas! Op hoogen toon beweren nu de heeren sociaaldemocraten, „dat in hun stelsel van weerbaarheid in de toekomst van zulke mishandelingen eenvoudig geene sprake kan zijn. Misschien dat zulke dingen alleen nog maar bij uitzondering zouden kunnen voorkomen bij het drillen van de recruten, die per se ongeschikt voor den dienst zijn. Bij het tegenwoordige stelsel zijn de recruten reeds van zelf eenigermate ongeschikt voor den dienst, omdat zij op een en twintigjarigen leeftijd dingen te leeren hebben, waar hunne spieren reeds te stijf voor geworden zijn, en wat tien of zes jaar vroeger van zelf aangeleerd zou zijn. In hun stelsel van weerbaarheid zou het aanleeren van dienst een deel der opvoeding van de jeugd uitmaken; en alle oefeningen en handgrepen , die nu tot de bovenbedoelde mishandelingen aanleiding geven, zouden dan aan de recruten, ook al kwamen zij voor het eerst onder de wapenen, reeds veel beter eigen zijn dan onder het tegenwoordige stelsel aan de oudstge-dienden.quot;

Het klinkt alles zeer fraai, maar het houdt daarom nog geen steek. Toegegeven wordt natuurlijk, dat het aanleeren van lichamelijke oefeningen op veertienjarigen leeftijd veel gemakkelijker valt dan op eenentwintigjarigen leeftijd; maar ook onder de knapen zullen er nog wel altijd wezen, die ongeschikt zijn voor den dienst, en de aanleiding tot mishandeling blijft dus altijd nog bestaan voor ruwe officieren. Üf zal een onbeschaafd, ruw hoofdman minder onbeschaafd en ruw zijn tegenover een knaap? Zijn de ouders niet wel eens ruw, en de onderwijzers, zelfs tegen nog jongere kinderen? Ziet men dan niet in, dat de oorzaaak der mishandeling niet in den leeftijd van den recruut schuilt, maar in de natuur van den chef, en dat de ruwe onbeschaafdheid dus moet bestreden worden zoowel in een enkelen mensch als in de geheele maatschappij ? En gelooft men dan niet, dat dit nog het best te bereiken zal zijn door eene opvoeding in Christelijken geest, en allerminst door het toegeven aan een geest, die God en Christus veracht en verachten leert, welke geest de ruwheid opmerkelijk genoeg aankweekt, zooals bij de heeren sociaaldemocraten duidelijk

-ocr page 61-

41

te zien is? Uitwendige maatregelen , andere „stelselsquot; helpen ook hier weder niets of niet; verbetering, veredeling van den inwendigen mensch is het alweer, wat noodig is.

En nu het oordeel van den Heere over dien hoofdman; „Ik heb zelfs in Israël zoo groot een geloof niet gevonden.quot; De Heere doet het gaarne uitkomen, wat dezen heiden, dezen vijandigen Romein hooger doet staan dan den Israëliet. Laten wij billijk zijn, en ook in de vijandige partij der omwenteling erkennen, wat daar prijselijk is: n. 1. haar scherpe blik en hare kritiek over de bestaande misstanden; haar flinke moed, om die misstanden aan het licht te brengen; haar beslist geloof hen te kunnen op zijde zetten; hare vurige geestdrift voor de zaak. Ook van de vijanden kan men leeren. Wel ontbreekt aan die partij het geloof; en dat is het voornaamste.

„ Velen zullen komen van Oosten en Westen, en zullen met Abraham, en Izaak, en Jakob aanzitten in het koninkrijk der hemelen; en de kinderen des koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal weening zijn en knersing der tanden.quot; Zoo zullen de heidenen en de Joden met elkander\' van rollen verwisselen. Wie zijn echter heden de verachten, die verhoogd zullen worden om van de tafel van rijkdom en beschaving te genieten? En wie zijn die bevoorrechten, die voor hen hunne plaats zullen moeten inruimen? Wij weten, welk antwoord de sociaaldemocratie geeft, en welk verkeerd antwoord zij geven. Waanzinnige hoop! Neen: het geloof van den heidenschen hoofdman werd door den Heere geprezen. Alleen die gelooven, die het ware geloof hebben, zullen de aarde beërven; hunner is het rijk der toekomst.

Mattheus 13 : 24—30.

Eeiie andere gelijkenis heelt hij hun voorgesteld, zeggende: Het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mensch, die goed zaad zaaide in zijnen akker.

-ocr page 62-

42

Eli als de menschel) sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid onder de tarwe, en ging weg.

Toen het kruid nu opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich het onkruid.

En de dienstknechten van den heer des huizes gingen en zeiden tot hem: Heere! hebt gij niet goed zaad in uwen akker gezaaid? vanwaar heeft hij dan dit onkruid?

En hij zeide tot hem: Een vijandig mensch heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij heengaan en hetzelve vergaderen ?

Maar hij zeide: Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.

Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik lot de maaiers zeggen: Vergadert eerst het onkruid, en bindt het in busselen om het te verbranden; maar brengt de tarwe te zamen in mijne schuur.

„Heere! hebt gij niet goed zaad in uwen akker gezaaid? vanwaar heeft hij dan dit onkruidf En hij zeide tot hen: Een vijandig ■mensch heeft dat gedaan.quot; De Heere heeft het goede zaad ook op den akker van ons volksleven gezaaid; een Christelijk land, een Christelijk volk moeten wij zijn. Vanwaar is dan dat welige onkruid: de zelfzucht, de gelddorst, de genotzucht, de haat, de goddeloosheid bij de hoogere en bij de lagere klassen? Een vijandig mensch heeft dat gedaan: de vijand der zielen, de vijand ook van onze nationale welvaart. Wat echter zoo noodlottig is: de meesten kennen dezen vijand nog niet eens, en laten hem ongestoord verder zaaien en verderven.

„Onkruid midden in de tanoe.quot; Ook in onze hedendaagsche socialistische beweging is onkruid tusschen de tarwe gemengd; in sommige stukken heeft men recht en gelijk; maar voorts is daar veel kwaads en afschuwelijks bij, zooals die woeste haat tegen alles, wat den menschen tot nu toe heilig was, en die haat tegen de bestaande orde van zaken, zonder dat men nog zelfs goed weet, welke nieuwe orde van zaken men er voor in de plaats geven wil, en of die nieuwe eenigen duur hebben kan.

„Wilt gij dan, dat wij heengaan, en datzelve vergaderen? Maar hij zeide: Neen, opdat gij, hel onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.\'\'\'\' Dwaze dienstknechten, die, tegenover de omwentelingspartij, geen beter middel kennen dan kruit en lood! Als of zulk eene geweldige

-ocr page 63-

43

geestelijke beweging met uiterlijke wapenen kon bestreden worden! Men zou met het onkruid ook de tarwe uitrukken: het goede, dat er in die beweging schuilt; en het kwaad krijgt men bovendien zoo toch niet ten onder. Neemt men geen onhoudbaar en ongelukkig standpunt in, wanneer men altijd spreekt van „bestrijding der sociaaldemocratiequot;, en wanneer men daar niets anders mede bedoelt dan: „Neem de lieden gevangen, en sluit hen op?quot;. Zulke bestrijders der sociaaldemocratie verraden eigenlijk eenvoudig een gebrek aan kennis van de idee, waarvan onze eeuw zwanger gaat; die idee is er, en wordt met sommige personen, die opgesloten worden, niet mede opgesloten. Ook komt zulk eene manier van bestrijden in den regel voort uit geen dieperen grond, dan uit vrees voor het verlies van den geliefden Mammon of van andere stoffelijke voordeelen. En dit is een gevaarlijke weg. Zoo zwijgt men de scherpe en rechtvaardige kritiek dood, die deze partij op onze toestanden oefent; zoo onderdrukt men een ontwakend volksgeweten, dat tot zelfonderzoek roept; zoo doodt men in de kiem zich reeds ontwikkelende maatschappelijke hervormingen; zoo laat men de bezittende klasse weer indommelen in hare „laat-maar-begaanquot;-theorie: maar zoo prikkelt men tegelijk de arbeidersklassen tot opstand en remt men den gang der beschaving. En dat alles is ons volk en onze staat niet tot nut, maar tot onmetelijke schade! Bovendien is dit eene manier van bestrijden, waar men niet verder mede komt. De strijd tusschen de klassen wordt er heel niet door opgeheven. Neen, dat is nog geene wijsheid, om tegen de sociaaldemocratie zich over te stellen; men mag haar wel „tegemoet komenquot;, wat sommigen er ook van zeggen, die uit zuiver stoffelijk eigenbelang beweren, dat men haar reeds te veel is tegemoet gekomen. — Maar, als nu de arbeiders hierdoor nog overmoediger en brutaler eischen gaan stellen? — Zeker, dit gevaar bestaat. Maar èn de eischen èn de tegemoetkomingen zullen hare zuivere grenzen en perken van zelf weten te vinden. als nog een derde zaak niet verwaarloosd wordt, namelijk: de Christelijke opvoeding, die het op de godsdienstige en zedelijke verbetering van den inwendigen mensch toelegt. Ziedaar wat ook eene manier van bestrijden is der sociaaldemocratie; eene betere manier is er niet; zij is ook de vruchtbaarste.

En nu het antwoord van den heer des huizes: „Laat ze

-ocr page 64-

44

heiden te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in husselen, om het te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijne schuur.quot; Eene ontroerende aankondiging! Laat het onkruid opwassen, altijd verder en brutaler voortwoekeren; het zal zijn noodlot niet ontgaan; ten laatste komt toch de dag des oogstes, dan zal het vergaderd en verbrand worden. Hoort het, gij volken! verneem het, mijn volk! Welk een vuur, welk een wereldbrand zal dan in laaien gloed uitbreken! Een gericht Gods, zooals de wereld er nog geen heeft aanschouwd! Het zal komen, zegt, wat gij wilt Ach! ontroert gij niet bij de gedachte aan zulk een vreese-lijken dag? Zoudt gij het niet keeren willen, om uws zelfs wil, om uwer kinderen wil? Nog is het tijd. Doet boete, alle standen! En slaapt toch niet verder voort.

Want „als de menschen sliepenquot; deed die booze vijand dat leelijke kwaad. quot;Hoeveel menschen slapen altijd nog, en laten dien vijand zijn werk des verderfs voortzetten. Dat men toch opsta uit den slaap! Dat men niet onverschillig alles maar late gaan, zooals het gaat! Maar dat men die geweldige beweging leere verstaan, de oorzaken der ontevredenheid wegneme, de rechtvaardige eischcn toesta, met de nieuwe verhoudingen rekene; en dat men zijn hart openc voor den geest des Christendoms, opdat het onkruid niet de overhand neme en onherstelbaar verderf over onzen akker kome, zonder keeren!

Matthens 30 :1—16.

Want het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een heer iles hyizes, die met den morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijnen wijngaard.

En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor eenen penning des daags, zond hij ze henen in zijnen wijngaard.

En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen ledig staande op de markt.

-ocr page 65-

45

En hij zeide tot dezelve: Gaat gij ook heen in deu wijngaard, en zoo wat recht is zal ik u geven. En zij gingen.

Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks.

En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den gcheelen dag ledig?

Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zoo wat recht is zult gij ontvangen.

Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards tot zijnen rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten.

En als zij kwamen, die ter elffle ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder eenen penning.

En de eersten komende, meenden dat zij meer ontvangen zouden; en zij zeiven ontvingen ook elk eenen penning.

En dien ontvangen hebbende, murmureerden zij tegen den heer des huizes,

Zeggende; Deze laatsten hebben maar één uur gearbeid, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.

Doch hij antwoordende, zeide tot éénen van hen: Vriend! ik doe u geen onrecht; zijt gij niet met mij eens geworden voor eenen penning?

Neem het uwe en ga heen. Ik wil dezen laatsten ook geven, gelijk als u.

Of is het niet geoorloofd, te doen met het mijne wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?

AIzdo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten: want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

„Het koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes die, met den morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijnen wijngaardquot; misschien reeds vroeg om zes uur, zoodat zij, die het eerst gehuurd waren, dien dag waarschijnlijk tien of elf uur gewerkt hebben. Velen hebben tegenwoordig een arbeidsdag van 14, 16, of 18 uur, of langer, en moeten dan ook nog den Zondag doorwerken. Wat wordt er zoo. van het familieleven? Welke tijd blijft er dan over voor ontspanning? En hoe kan er op die wijze nog gelegenheid en lust bestaan voor eigen geestelijke ontwikkeling? Is zoo iemand niet bepaald een jammerlijke loonslaaf, een gekweld lastdier? Niet genoeg kan tegen zoodanige uitmergeling van lichaam en geest opgekomen worden. En als het dan nog maar gezonde en sterkende arbeid is, gelijk aan dien in een wijngaard! Hoe geheel anders, hoe zwaar, afmattend,

-ocr page 66-

46

ongezond en gevaarlijk is de arbeid in de diepe aardschach-ten, in de mijnen, en in de heete met stof en vergif bezwangerde werkplaatsen van de fabriek! Hoe eentonig ook, verstompend en geestdoodend is de arbeid bij de machine, die hoe langer hoe meer den handenarbeid vervangt, waarbij ten minste de kunstzin, de lust en de bekwaamheid van den werkman gaande gehouden worden! Komen dezen arbeiders niet eene bijzondere bescherming en deelname in ruime mate toe\'? De vraag naar behoorlijken arbeidsduur wordt geheel misverstaan, als men denkt, dat de arbeiders dien verlangen alleen uit luiheid of uit afkeer van hunnen arbeid; zij heeft een veel dieperen grond, een zedelijken rechtsgrond. Weliswaar beteekenen meer vrije uren op zich zelf ook nog niets! Want als de mensch zijne vrijheid niet goed weet te gebruiken? Als hij zijne meerdere vrije uren alleen gebruikt, om nog meer te drinken, meer te babbelen en om nog meer de lusten van het vleesch te dienen ? Hoezeer komt het ook hier weer aan op den inwendigen mensch, op de rechte opvoeding, op zedelijke ontwikkeling en degelijkheid.

„Om arbeiders te huren.\'\'\'\' Te gaarne en te dikwijls misbruikt men tegenwoordig het woord „arbeiders,quot; door daarbij geene andere te verstaan dan handwerkers en fabrieksarbeiders, alsof geestelijke arbeid geen arbeid is, en alsof allen, die niet bij de zoogenaamde arbeidersklassen behooren, niets anders dan lediggangers zijn. Een voortreffelijk middel is dit zeker om de arbeidersklasse te vleien en om haar trotsch en ontevreden te maken, en om haar tegen de hoogere klassen op te zetten; maar het is tegelijk eene schandelijke onrechtvaardigheid , zooals die leiders der arbeidersklasse zeiven het beste weten, die nooit vereelte handen gehad hebben, of ze niet meer hebben, sedert zij zich aan spreken en schrijven toegewijd hebben, en zeiven zoo druk bezig zijn met geestelijken arbeid. De geestelijke arbeid op de studeerkamer , op het kantoor of op het spreekgestoelte vordert dikwijls heei wat meer inspanning, en verdient den naam van arbei.1 vaak heel wat beter dan handen- of fabrieks-arbeid.

Aan den anderen kant wordt de handenarbeid bij de hoogere standen dikwijls gansch onbetamelijk geminacht. Zieglek drukt zich hierover zeer juist uit, wanneer hij zegt: „Wij van onzen kant moeten beginnen anders over den handenarbeid te denken en te oordeelen; wij kunnen hem

-ocr page 67-

47

in eere brengen. En als wij dat willen, welnu: in andere landen is men ons daarin reeds voorgegaan. In Amerika brengt het gezond verstand het mede, dat geene enkele soort van arbeid vernederend wordt geacht. Dat bijvoorbeeld bij ons een officier ter wille van zijn stand den eenen of anderen arbeid beneden zich moet achten, of dat wij, beschaafde mannen, het vernederend moeten achten om zelf onze laarzen te poetsen en onze kleeren te borstelen, dat is iets, waar het natuurlijk gezond verstand van den Amerikaan niet bijkan; want zulks is toch niets anders dan een vreemd en recht dwaas gevoel van eer. Ook geven bovendien de vrouwen in ons midden reeds een beter voorbeeld in dezen; ik bedoel de vrouwen uit onzen middenstand, die niet met aardsche goederen bedeeld zijn; zij achten zich niet te hoog, en ontzien zich volstrekt niet, om zeiven aan allerlei huishoude-lijken arbeid flink de hand te leenen; „ik heb echte werkhanden gekregenkan menige dame zeggen; en dat zij zich daarover niet schamen, is een voorbeeld dat tot meerdere waardeering van handenarbeid moet leiden.quot;

„Dat de handenarbeid voor eene verachtelijke zaak wordt aangezien door de rijken, heeft onwillekeurig eene klove tusschen hen en de armen veroorzaakt. Die klove moet niet opzettelijk open gehouden of verbreed worden. Iedereen kan door woord en voorbeeld helpen, haar te dempen. En het spreekt van zelf, dat wij daartoe reeds beginnen moeten bij de opvoeding van onze kinderen. En juist daar wordt het ergst gezondigd. Ik kan het dagelijks van uit mijn venster aanzien, hoe eene dwaze moeder haar twaalfjarig dochtertje te voornaam vindt om zelf de boekentasch naar school te dragen, en hoe een dienstmeisje het voor het verwende popje doen moet; wat wonder! als het dienstmeisje vindt, dat zulks is: „om sociaaldemocratisch te wordenquot;; en wat wonder! als het freuletje twintig jaar later harteloos en brutaal, gelijk de priester en de leviet, aan de armoede en den nood voorbijgaat, en levenslang op de lieden van lageren stand hoogmoedig nederziet! En hoe moeilijk het valt, om onze pedante gymnasiastjes en hoogeburgertjes, wier hoofd reeds vol is van allerlei verbeelding, zoover te brengen, dat zij den handwerksman , die in het portaal staat, fatsoenlijk groeten, dat weet iedereen, die — zelf niet even dwaas is als zoo\'n jongen!quot;

-ocr page 68-

48

Elke arbeid is eerwaardig, zoowel die met het hoofd, als die met de hand; zoowel die van den vorst op den troon, als die van den fabrieksarbeider bij de machine, of die van de boerenmeid in den stal; als hij maar getrouw en ijverig en met lust verricht wordt, zoo goed als men kan; als de arbeider maar zijne beste krachten er toe inspant; en als een iegelijk voor zich naar zijn bescheiden deel het geheel dient. Zonder arbeid is het leven dor, ijdel en onbeduidend! Het is een kostelijk leven, dat arbeid en moeite gekend heeft.

„Die onzinnigheid , dat zoo min mogelijk arbeid het hoogst mogelijke geluk is, willen wij dan ook, waar wij maar kunnen, tegenspreken. Tot een waarachtig geluk behoort in de eerste plaats: arbeid. Dat een lui genotsleven een armzalig leven is, laat niemand daar toch aan twijfelen. Het beste deel van onze jaren zijn die jaren, waarin wij gewerkt hebben; toen werd openbaar wat krachten wij hadden, en die krachten werden bovendien ontwikkeld en gestaald. Dit is eene waarheid, waar wij vast aan gelooven, en altijd weer aan gelooven moeten anders gaan wij allen te zamen ten verderve.quot; (Ziegler).

„In zijnen wijngaard.quot; Arbeid in den wijnberg, in den tuin, op den akker, — hoeveel gezonder en op den duur toch voordeeliger is hij dan de arbeid in vele fabrieken, en in zoovele werkplaatsen der groote stad! En toch is er een trek naar de steden, vooral naar de hoofdsteden; misschien beuren de menschen daar hooger loon, maar zij hebben er ook hoogere eischen; zij hebben er wel meer gelegenheden tot pleizier, maar zij vallen daarom ook in meerderlei verzoekingen; zij genieten er ook meer vrijheid en bandeloosheid, maar natuurlijk dikwijls genoeg tot schade en verderf; hoevelen zijn er onder hen, die nog tucht en leiding hoog noodig hebben, en voor wien het heilzaam zou zijn om onder het opzicht te staan van een weiwillenden boer of landheer, en het verkeer te deelen van een ordelijk gezin!

„En zij gingen,quot; blijde, dat zij werk gevonden hadden. Hoevelen gaan niet heen, zijn te kieskeurig, hebben te veel eischen, of hebben geen lust tot werken, hoewel zij gezond van lijf en leden zijn, en menig werkgever hen zoekt; hoevelen verkiezen het leegloopen, en komen zoo tot allerlei misdaad; zij maken zichzelven en bun gezin ongelukkig, komen ten laste van de maatschappij, en ondermijnen de al-

-ocr page 69-

49

gemeene welvaart; en onder dat alles behooren zij misschien nog wel onder de hardste schreeuwers. Maar — zijn die leegloopers alleen onder de lagere standen? Neen, ook onder de hoogere standen zijn er velen, die niet „heengaanquot; willen, die „den geheelen dag ledig staanquot;, en die daarom door het zwoegend volk met verdienden spot, zoo niet met haat, worden aangezien.

„En hij ging uit omtrent de derde ure, en ivederom omtrent de zesde, negende en elfde urequot;; hij kon geene arbeiders genoeg vinden, en had altijd nog meerdere noodig; daar was overvloed van werk, gelegenheid tot arbeiden voor ieder, die wilde. — Maar wee! als er gebrek aan werk, als er werkeloosheid heerscht; als de lieden dagen, weken lang ledig op de markt staan, omdat niemand hen huurt; als de vader des morgens uitgaat, om werk te zoeken, en des avonds teleurgesteld tot zijne hongerende kinderen terugkeert, om ook hen teleur te stellen; als de verhuurkantoren en de dagblad-bureaux tot op de straat toe bezet zijn door hongerende arbeiders, die elkander eene betrekking of een baantje zoeken af te vangen; als een troep werkeloozen door de stad slentert, met wanhoop in de oogen! O gij, die gelukkig zijt! zeg niet bij u zeiven: „Ik wil daar niet aan denken; deze gedachte is te onaangenaam.quot; Verplaats u liever levendig in den toestand dier ongelukkigen; dat is het minste, wat gij doen kunt: om eens eene minuut lang met hen te denken en te gevoelen! Stel u duidelijk voor oogen: het vreeselijke lot van zulk een vader , van zulk eene huismoeder, van zulke kinderen! Denk u in, hoe gemakkelijk zulke lieden van zelf in eene stemming geraken, waar haat, bitterheid, ongeloof en wanhoop de grondgevoelens van zijn; en hoe gemakkelijk zij ertoe komen, om een uitweg te zoeken in misdaad en vergrijp, om zoo te verkrijgen wat zij op eerlijke manier niet konden verkrijgen! Werkelijk, zoo is dikwijls genoeg de stoffelijke ellende oorzaak geworden van zedelijk kwaad, en niet alleen van een zedelijk kwaad voor een enkele, maar ook voor zijne vrouw en kinderen, ja zelfs voor velen daarenboven, voor de geheele maatschappij.

Is dat te donker gekleurd? Ach! men moet de toestanden kennen! Dat men er zich niet buiten houde; dat men er zijn hart niet voor sluite, wat natuurlijk veel gemakkelijker is. Klinkt het niet luid genoeg ons in de ooren, dat nood-

Sociale Moraal. 4

-ocr page 70-

50

geschreeuw om werk, vooral in lange, strenge winters? Is het niet overal bekend, dat de machine heel wat lichamelijke arbeidskracht overbodig maakt, en dat krachtige mannen in het werk door goedkoopere vrouwen en kinderen verdrongen worden? En moeten wij het niet altijd weer zien gebeuren, dat door eene groote krisis, of door eene lichtzinnige speculatie, of ook maar door „slaptequot;, honderden, ja duizenden van arbeiders, zelfs oude, trouwe, knechts, die men jaren lang in dienst gehad heeft, op straat worden gezet? Is er kwellender toestand denkbaar, dan de onzekerheid, of men den volgenden dag te eten zal hebben? Recht op arbeid, is er wel een heiliger en onaantastbaarder natuurrecht dan dit? Assurantie tegen werkeloosheid, is zij niet een onafwijsbare eisch? En toch schijnt er geen eisch te zijn, dien men zoo behoedzaam uit den weg gaat.

Paulsen stelt het volgende geval; .,Een kapitalist begint ergens in eene streek, waar de maatschappelijke verhoudingen gunstig staan, eene onderneming. Door aanbod van wat hooger loon trekt hij een paar honderd arbeiders naar die plaats. De zaak neemt op. Hij is in tien jaar millionair. Maar de concurrentie blijft niet uit. De prijzen dalen. De zaak is niet meer winstgevend. De kapitalist ontslaat zijne arbeiders. En hij trekt zich met zijne millioenen terug om elders als rentenier te leven. Dat gaat alles geheel volgens wet en recht; daar is niets tegen in ts brengen; wie kan het hem verhinderen? En toch zullen de arbeiders, die nu met vrouw en kinderen op straat zijn gezet, en de gemeenten, die nu met de armverzorging geen raad gaan weten, niet ten onrechte er iets zeer onbillijks in vinden. Wanneer er ergens aan onze kusten van uit de zee van tijd tot tijd eilanden kwamen opduiken van groote vruchtbaarheid, die echter na korteren of langeren tijd weer gingen onderduiken, dan zouden wij niet nalaten, zeer bijzondere wetten en maatregelen voor het bewonen en de ontginning van zulke eilanden vast te stellen. Immers het zou niet meer dan billijk zijn, dat de tijdelijke eigenaar van zulk een eiland verplicht werd om zijne arbeiders, die hij tot de ontginning van elders daarop had overbracht, te assureeren tegen den tijd, dat zij niet langer het eiland zouden kunnen bewonen; en in elk geval zouden wij het onbillijk achten, indien alsdan de naastbij-liggende gemeenten op het vasteland met de verzorging van

-ocr page 71-

51

deze werkeloozen opgescheept werden. Welnu: van de in-dustrieele ondernemingen hebben er verscheidene groote gelijkenis met die drijvende eilanden; zij duiken plotseling op; verrijken soms door eene verbazende winstgevendheid den bezitter; dan zinken zij weer weg, en laten een mil-lionair achter plus honderde van alles beroofde arbeidersgezinnen. Uit het oogpunt van rechtvaardigheid bezien, en met het oog op de algemeene welvaart, kan zulk een uitslag toch niet wenschelijk geacht worden. Zoo duidelijk als dit nu is, zoo moeilijk zal het echter wel wezen, om de formule te vinden, waarbij het natuurrecht tegelijk een positief, uitvoerbaar recht wordt.quot; — Moeilijke vragen, en eene geweldige taak, waar God ons voor stelt! Maar met rechtvaardigheid, wijsheid en goeden wil moeten zij toch, en zullen zij ook langs vreedzamen weg wel op te lossen zijn!

Nu de loonquaestie. De heer des huizes was „met de arbeiders eens geworden voor eenen penning des daags.quot; Hij was het niet, die het loon bepaalde, zoodat de arbeiders er zich aan te onderwerpen hadden, of zij wilden of niet; maar hij onderhandelde met hen over het loon, werd het met hen eens; hij zag in zijne arbeiders geene slaven, die buiten de wet stonden, maar vrije menschen, eenigermate zijne gelijken. Is dat nu niet de ware manier van loonsbepaling? De arbeider is geen slaaf, geen wezen van eene lagere orde, al is hij ook nog zoo arm en onontwikkeld; ook hij is mensch, een kind Gods en onze broeder. Moet het tegenwoordig niet altijd weer gezegd worden? Laat men toch van de zijde der rijken die gelijkheid in natuur en in recht meer beginne te erkennen. In mijne gedachten zie ik den arbeiderstand zich toch steeds meer, zoowel geestelijk als zedelijk, ontwikkelen , waarover ieder zich natuurlijk behoort te verheugen; zal dan niet van zelf de tijd eenmaal komen, waarin de onzelfstandigheid en de afhankelijkheid van den arbeider zullen ophouden, en waarin de standen op niet gedachte wijze maatschappelijk gelijk zullen staan, zooals kinderen uit één gezin, hoe ouder zij worden, te meer hunne ouders gelijk worden in stelling en in rechten? Het is eene groote gedachte, die God op het einde der negentiende eeuw aan de menschen heeft te denken gegeven , en de wereld is er reeds door beroerd; velen willen natuurlijk hier niets van weten; en

toch moesten wij ons met die gedachte vertrouwd maken,

4*

-ocr page 72-

52

om des te beter die plichten na te komen, die noodwendig daaruit voortvloeien. Wie zijt gij, die den Almachtige zult tegenspreken, en wat zult gij doen, om Hem te verhinderen Zijne gedachten te verwerkelijken? Wij doen beter, met acht te slaan op Zijne plannen, en dien overeenkomstig te gaan denken en te gaan handelen.

„ Voor eenen penning des daagsquot;, volgens onze munt ongeveer veertig cent. Dat kon voor dien tijd recht veel zijn; de arbeiders vonden het ook genoeg, en waren tevreden. Hoe menigeen moet tegenwoordig voor een loon werken, waar hij lang niet genoeg aan heeft voor zijn onderhoud!, Hoe menigmaal profiteeren de patroons niet van de armoede des arbeiders, en van den overvloed van arbeiders, om het loon zoo laag mogelijk te stellen! „En zoo wal recht is zal ik u gevenquot;, beloofde die heer des huizes; en hij gaf ook, wat recht was. „Is uw oog boos, omdat ik goed hen?quot; zoo kan hij vragen. Was hij dan ook niet inderdaad edelmoedig? Hij gaf iederen arbeider , ook die maar één uur gewerkt had, het volle dagloon. O! als toch alle werkgevers goed waren en edelmoedig! Hoeveel minder geestelijke en stoffelijke ellende zou er zijn! Maar — als men nu niet zoo milddadig en goed zijn kan, hoezeer men het ook wenschen zou? Als men nu eenmaal de middelen niet heeft om tegen groote ondernemingen te concurreeren ? — Weer eene geweldige vraag van onzen tijd! De loonquaestie wringt zich als eene ontzaglijke wig steeds dieper en breeder in onze maatschappij in; straks kraakt en splijt zij haar uitéén! Voorwaar, alweer eene zware taak, die God ons geslacht oplegt! Maar, hetzij alweer gezegd: met wijsheid, rechtvaardigheid en goeden wil, en indien noodig, zelfs met ver gaande opofferingen van privaat eigendom, kunnen al die vragen zeer vreedzaam opgelost worden.

„Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards tot zijnen rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van den laatsten tot de eersten.quot; Dadelijk, tegen den avond van den arbeidsdag liet de heer het loon uitbetalen; hij dacht er aan, dat zijne lieden het wel eens hard noodig konden hebben; hij liet hen geen weken of maanden lang wachten, zooals dit niet zelden geschiedt; ook ten opzichte van den betaaldag is er groote zonde.

„En als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ont-

-ocr page 73-

53

vingen zij ieder eenen penning. En de eersten komende, meenden dat zij meer ontvangen zouden, en zij zeiven ontvingen ook elk eenen penning. En dien ontvangen hebbenden, murmureerden zij tegen den heer des huizes,quot; zonder eenigen grond. Hoevelen morren ook tegenwoordig zonder eenigen grond; zij zouden met hun redelijk loon zeer wel tevreden kunnen zijn, in vrede kunnen leven met zichzelven en hun gezin en met de maatschappij, als zij maar niet naar de stem der verleiding hoorden, en als zij maar matig en kalm leven wilden, en als de huismoeder werkzaam en zuinig, helder en knap was, en op die manier aan haar man een gezellig en prettig t\'huis trachtte te geven. Hooger loon alleen is op zich zelf nog geene verbetering. Het hangt ook hier alweer veel van den inwendigen mensch af, van het zedelijk karakter, en van huiselijke deugden.

„Deze laatsten hebben maar een uur gearbeid, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.quot; Die zoo spraken, hadden geen reden zich verongelijkt te gevoelen. Het gaat heden evenwel dikwijls anders. Weinig werk en veel loon, veel werk en weinig loon —bestaan deze verhoudingen niet veelvuldig? Menig leeglooper heeft overvloed en weelde, en menig vlijtig werkman, die den last des daags en de hitte draagt, heeft nauwelijks genoeg te eten. Deze tegenstelling bestaat ten onrechte. Oproerige stemming onder de arbeidersklasse is het gevolg er van. Vrede zal er dan ook niet komen, aleer hier een vergelijk is gevonden,

„Doch hij, antwoordende, zeide tot eenen van hen: Vriend! ik doe u geen onrechV\' Mijn vriend! zoo spreekt de rijke landheer zijn arbeider aan; hij spreekt vriendelijk met hem, hoewel deze misschien het luidste heeft gemurmureerd. Hoe menig patroon zou zijn werkman heel anders, barsch en beleedigend hebben toegesproken! Beslist, maar toch vriendelijk met zijne onderhoorigen spreken, dat is eene kunst, waarin de werkgevers zich wel oefenen mogen; wat zouden zij het dan met hunne lieden veel verder brengen! Maar bij goed spreken behoort ook goed doen.

„Ik doe u geen onrecht.\'\'\' Rechtvaardig doen, nauwgezet rechtvaardig handelen tegenover de ondergeschikten, — wat hangt daar niet van af! Hoe dikwijls wordt dat verzuimd! Grootere macht, meerdere ontwikkeling, grootere rijkdom

-ocr page 74-

54

brengen zoo licht in verzoeking om den minderen man, den arme, hard en onrechtvaardig te behandelen; en deze kan er niet veel tegen doen; hij moet het zich maar laten welgevallen , opdat hij niet broodeloos wordt; want daar staan honderd anderen klaar, die met ongeduld wachten, zijne plaats te mogen innemen. Als overal stipte rechtvaardigheid geoefend werd, de tegenstellingen tusschen de verschillende standen zouden natuurlijk minder scherp wezen.

„Neem hel uwe, en ga heen!quot; Wat is echter het zijne? Hoeveel loon komt een arbeider toe? Dat is, zooals bekend is, juist de groote vraag onder al de sociale vragen. De arbeider is van zelve geneigd om zijnen, dat is, den lichamelijken arbeid hoog te taxeeren, en tegelijk den geestelijken arbeid zijns heeren te onderschatten, dat is, de risico en de zorgen van den ondernemer. Maar — als hij nu merkt, dat de patroon rijk en altijd door rijker wordt, terwijl het werkloon altijd hetzelfde blijft, of maar even verhoogd wordt, zoodat hij er nog niet van bestaan kan, — zal dit den armen man niet tot nadenken stemmen, en tot meer dan nadenken? Is het niet te begrijpen, dat de opruiers juist daar een weitoe-reiden bodem vinden voor hun ellendig zaad, waar de storm de oogst van is?

Maar dat woord: „Neem het uwe. en ga heenquot;, geeft ons nog in een ander opzicht iets te denken. — „Neem uw loon, zooals wij dat met elkander afgesproken hebben; verder hebt gij niets van mij te eischen of te verwachten.quot; Zoo waarlijk, verder niets ? Gelooft gij, dat gij met het uitbetalen van het overeengekomen loon al uwe plichten jegens uwen arbeider nagekomen zijt? Hoeveel kunt gij nog doen, om zijn leven en zijne gezondheid te bewaren! Hoeveel kunt gij nog doen door eene vriendelijke behandeling, door deelnemende belangstelling, door een bezoek aan hun huis bij vrouw en kinderen! Hoeveel door het oprichten van vereenigingen ten algemeenen nutte! Menig patroon gaf reeds een goed voorbeeld. Merkt maar eens op, hoe in Engeland niet weinige voornamen en ontwikkelden als het ware wedijveren, om door betooning van praktisch Christendom de arbeidersklassen nader te komen en haar te winnen; hoe zij wetten trachten in te voeren, hoe zij allerlei instellingen openen, en vereenigingen oprichten, en nog zooveel meer doen, alles met het doel om de gezondheid, de verstandelijke ontwikkeling, de zedelijkheid, de huiselijke

-ocr page 75-

55

gezelligheid, de vroolijke opgewektheid in de arbeidersgezinnen te bevorderen. Laat uw trots varen; laat u niets voorstaan op uw stand; legt uw vooroordeel af; spreekt, verkeert, handelt, geniet met uwe arbeiders als met menschen van gelijke rechten; opent hun uw hart, opds.t zij er toe komen om ook hun hart voor u te openen; dan zal de klassenhaat daaruit wijken, en onderling vertrouwen zal er zijne plaats innemen, en de verhitte gemoederen zullen weer leeren gelooven aan oprechtheid, rechtvaardigheid, goeden wil en liefde bij de bezittende klassen; en zij zullen weer gewonnen worden, hoe moeilijk dat tegenwoordig ook schijnt te kunnen. Alleen langs dezen weg zullen wij kunnen komen tot den socialen vrede en tot den socialen welvaart.

„Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil?quot; Hij mocht zoo spreken in dat geval. Maar dit woord, op andere gevallen toegepast, kan ook de uitspraak wezen van eene grove en verderfelijke dwaling, n. 1. wanneer de trotsche bezitter het spreekt in koud egoisme. — „Ik heb dit jaar een oogst van vruchten, zooals nooit te voren; en ik weet haast niet, wat ik er mede beginnen moet; ik zal er mijn vee wel mede moeten voeren.quot; — Zoo, moet gij ? Hebt gij ook reeds aan uwe arbeiders gedacht, of aan de armen uwer gemeente, dien gij er zeker een groot genoegen mede kunt doen, en wien het wel te pas zou komen ? — .,Is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne, wat ik wil? — Ik heb een roggeoogst, zooals ik nog nooit gehad heb; mijne schuren zijn gevuld tot boven toe. Maar de prijzen zijn mij nog niet hoog genoeg; ik kan het aanzien; ik laat de rogge nog wat liggen, totdat de markt nog beter staat.quot; — Maar de andere menschen hebben zoo schaarsch geoogst; en alles is zoo duur. — „Wat gaat dat mij aan? Is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne; wat ik wil?quot; — Gij zijt een rijk man, en gij weet niet hoe uwe millioenen te besteden; des zomers gaat gij naar de baden; des winters naar de residentie; één souper, dat gij aanricht, kost veel meer dan wat een geheel arbeidersgezin in een vol jaar verdient en te verteren heeft. Wat doet gij voor de armen? Wat hebt gij over voor uwe arbeiders? — „Wat eene vraag ? Is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne, wat ik wil?quot;

O hoort, gij, die zoo spreekt; Neen, het is u niet geoorloofd te doen met het uwe, wat gij wilt. Ten minste, zedelijk

-ocr page 76-

56

geoorloofd is het u niet. Gij zijt rentmeester van God! Uw eigendom is Gods eigendom; Hij heeft het u geleend, om liet te beheeren en te besteden tot het welzijn van u en van uw gezin, maar eveneens ten nutte van uwe broeders en van het algemeen! Anders wordt uw eigendom diefstal, zonder twijfel. Hoe grooter Gods gave aan u is, hoe grooter ook uwe taak! Hoe meer gij hebt, des te meer moeten ook anderen wat van u hebben. Wien veel gegeven is, van dien zal ook veel ge-eischt worden. Dat dit nog zoo weinig begrepen en ter harte genomen wordt, dat is juist ons ongeluk; en het zal voor ons geheele volk een ongeluk zijn. Eene egoistisohe levensbeschouwing doodt, maar eene sociale levensbeschouwing maakt levend. Neen, het is u niet geoorloofd, te doen met het uwe, wat gij wilt, — maar wat God wil!

En nu het slotwoord dezer gelijkenis: „Alzoo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten.quot; Het herinnert ons aan dat andere woord van „met Abraham en Izaak en Jakob aan te zitten in het koninkrijk der hemelen, terwijl de kinderen des koninkrijks zullen buiten geworpen worden.quot; „De eersten zullen de laatsten zijnquot;, dat wil dus ook zeggen: Het gezag en de heerschappij in de wereld zullen niet altijd aan rijkdom en geld verbonden zijn; de geestelijke, godsdienstige en zedelijke machten, die nog altijd minder geacht en onderaan geplaatst worden, zullen eens tot eer geraken, in alles de beslissende stem hebben, en in den grooten strijd der mensch-heid de overwinning behalen; zij zullen de eersten worden, waarop ook dat andere diepzinnige woord van Christus heen-wijst: „Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven.quot;

-ocr page 77-

67

Mattheus i : 1—11.

Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.

En als hij veertig dagen en nachten gevast had, hongerde hem ten laatste.

En de verzoeker, tot hem gekomen zijnde, zeide: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze steenen broeden worden.

Doch hij antwoordende, zeide: Daar is geschreven: De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat.

Toen nam de duivel hem mede naar de heilige stad, en stelde hem op de tinne des tempels;

En zeide tot hem: Indien gij Gods Zoon zijt, werp u zeiven nederwaarts; want daar is geschreven, dat hij zijne engelen van u bevelen zal, en dat zij u op de handen zullen nemen, opdat gij niet te eeniger tijd uwen voet aan eenen steen aanstoot.

Jezus zeide tot hem: Daar is wederom geschreven: Gij zult den Heer uwen God niet verzoeken.

Wederom nam de duivel hem mede op eenen zeer hoogen berg, en toonde hem al de koninkrijken der wereld, en hunne heerlijkheid;

En zeide tot hem; Al deze dingen zal ik u geven, indien gij neder-vallende, mij zult aanbidden.

Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, Satan! want daar staat geschreven; Den Heer uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.

Toen liet de duivel van hem af; en zie, de engelen zijn toegekomen, en dienden hem.

„Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.quot; Hetzelfde geldt ook van ons volk. Het is van den Geest, van God den Heer, eerst niet in de woestijn gevoerd, maar integendeel in een land overvloeiende van melk en honig, in het goudland van het kapitalisme, te midden van de grootste ontwikkeling van handel, industrie en beschaving, om verzocht te worden van den duivel, den duivel, wiens naam is Mammon, egoisme, liefde tot de wereld. Heeft ons volk den duivel wederstaan ? Helaas! neen! want wij zouden anders die sociale nooden niet hebben, waaronder wij tegenwoordig zuchten. En zoo zijn wij dan nu, (en dat is de donkere keerzijde) toch in eene woestijn geleid, in de woestijn van den socialen nood, ook alweer, om verzocht te worden van den duivel, dat is: den duivel des ongeloofs en der revolutiën, die zich van millioenen meester gaat maken, om hun eerst het verstand te berooven

-ocr page 78-

58

en van God en Christus afvallig te maken, — en clan tot geweldigen opstand aan te hitsen en in een vreeselijken chaos te storten onder de bedriegelijkste voorspiegelingen. Zullen zij den verleider nog verder volgen, of zullen zij tot zich zeiven en tot nadenken komen?

Van den Geest werd Jezus in de woestijn weggeleid, van den Heiligen Geest. Hoe menigeen wordt in de woestijn, in honger en ellende gevoerd niet door den Heiligen Geest Gods, maar door zijn eigen boozen geest, en die daarom geen God er voor kan aansprakelijk stellen, als het hem slecht gaat, maar die het eenvoudig zich zeiven te wijten heeft!

„En als hij veertig dagen en veertig nachten ge/cast had, hongerde hem ten laatste. Fm de verzoeker hvjam tot hem.quot; Deze twee zaken hangen nauw met elkander samen. Waar er honger, armoede en lichamelijke nood zijn, daar is de verzoeker nooit verre, en daar verleidt hij tot drank, losbandigheid , diefstal, bedrog, ongeloof, opstand, zelfmoord en tot andere schandelijke zonden en misdaden. Hoe talrijk omringen de zwaarste verzoekingen juist de armste menschen bijna van tred tot tred! Daar gaan de arbeiders bij honderden uit de mijnen of uit de fabrieken huiswaarts, zij hebben den last des daags en de hitte gedragen, en zonder morren; — maar daar rollen hun juist die schitterende equipages voorbij waarin die welbekende heeren zitten, die, gelijk zij weten, nooit iets werken, en altijd maar genieten, en dien zij , de arbeiders, nog wel daartoe in staat stellen door hun zwaar werk en gering loon; moeten deze heeren in het voorbijrijden hen bovendien ook nog door hun trots krenken? — Ziet, ginds arbeiden metselaars, timmerlieden en andere handwerkslieden aan een prachtig nieuw huis; zij zullen schitterend worden, die talrijke weelderige zalen en kamers; en die werklieden zullen dat alles met eigen handen in orde brengen voor anderen, terwijl zij zeiven met vrouw en kinderen in nauwe, donkere, arme woningen van de erbarmelijkste soort moeten huizen. — Ziet, daar vervaardigen arme wevers de kostbaarste stoffen van zijde en fluweel. Vaar de voorname wereld zich in kleeden zal, en zeiven weten zij nauwelijks hoe zij voor zich en de hunnen de allernoodigste kleeding-stukken moeten verkrijgen. — En als zulke arme, zondige menschenkinderen, dag aan dag, op weg van de werkplaats

-ocr page 79-

59

naar huis, langs die prachtige, overvloedige winkels moeten voorbijgaan, welke gevoelens van begeerte moeten er niet bijna van zelf in hun hart oprijzen! Hoe vindt de stem des verzoekers, des grooten verleiders, onder zulke omstandigheden, natuurlijk al te opene ooren!

„Hij antwoordde en zeide: Er is geschreven.quot; Het is met het woord Gods, dat Jezus den verzoeker terug wijst. Zoo sterk is ook hier en daar een enkele arme, namelijk, ds zoodanige, die in dat woord Gods leeft. Maar hoe weinigen zijn er van deze soort? Hoe moeilijk is het bovendien! Hoe veel zelfverloochening en geloofskracht zijn daartoe noodig! Men kan toch niet van de armen verlangen, dat zij maar honger lijden en vasten, zooals Jezus gevast heeft, en dat zij den verzoeker maar met vrome bijbelsche woorden moeten van zich wijzen. Met zulk spreken brengt men de armen juist in verzoeking; zulk spreken is eene schandelijke ironie, eene godslastering, en een huichelachtig misbruik van de Heilige Schrift, met geene andere bedoeling natuurlijk dan om zich zeiven aan zijne eigene plichten van barmhartigheid te onttrekken en om eigen liefdeloosheid te bemantelen. Niets prikkelt meer tot verzet en tot opstand dan zulke huichelarij, die vroom praat, om goddeloos te kunnen handelen. Hoort des Heeren woord tot rijken en armen:

„De mensch zal bij brood alleen niet leven.quot; Allereerst eene vermaning tot de rijken: Meent niet, dat gij genoeg gedaan hebt, als gij aan uwe arbeiders wat brood gegeven hebt, zoodat zij ongeveer kunnen rondkomen. Zij behoeven meer: zij behoeven bevordering van hun geestelijk en zedelijk welzijn, een gezelliger bestaan, meer maatschappelijke gelijkstelling, en broederlijke achting en waardeering van uwe zijde. — In de tweede plaats ook eene vermaning tot de armen: De mensch leeft niet van brood alleen, van goed eten en drinken, en van allerlei zingenot, zooals gij dikwijls maar zoekt zonder iets hoogers, alsof zulk een leven een paradijsleven op aarde is. De mensch heeft ook eene onsterfelijke ziel, eeuwige behoeften; en vindt hij daar de bevrediging niet voor, dan blijft hij toch een arme dwaas te midden van zijne aardsche goederen. „Ons hart is onrustig in ons, totdat het rust vindt in God.quot; Heeft de mensch dezen vrede echter gevonden, die hooger is dan alle verstand, dan kent hij ook de waarde van alle aardsche dingen, en dan kan hij over het

-ocr page 80-

60

materialisme slechts glimlachen, en volgaarne stemt hij het woord des Heeren toe; „De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.quot; Dan vindt hij ook het zuivere standpunt tegenover al de verleidingen van den duivel der sociaaldemocratie.

„Indien, gij Gods zoon zijt, werp uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij zijne engelen van u bevelen zal, en dat zij u op de handen zullen nemen, opdat gij niet te eeniger lijd uwen voet aan eenen steen aanstoot.quot; Verlangt de verzoeker heden zulks ook niet van de menschen? Een sprong in het duister, in eene huiveringwekkende diepte, dat blaast hij de menschen in het oor; een snellen sprong van den vasten bodem, waarop wij sedert eeuwen staan, naar de luchtverheveling van den toekomstigen staat. „Hij zal zijne engelen van u bevelen, dat zij u op de handen zullen nemen, opdat gij niet te eeniger tijd uwen voet aan eenen steen aanstoot.quot; Ja, als het maar te gelooven was! Maar als wij nu verpletterd beneden komen? Neen, veel liever willen wij dan op de wettige, van God gestelde, wegen ons doel bereiken, dat wij even hard als gijlieden begeeren, al zal dit ook langzamer gaan dan door een blinden sprong. „Gij zult den Heer uwen God niet verzoeken.quot;

„Wederom nam hem de duivel mede op een zeer hoogen berg, en toonde hem al de koninkrijken der wereld, in hunne heerlijkheid, en zeide tot hem: Al deze dingen zal ik u geven, indien gij, nedervallende, mij zult aanbidden.quot; Dit is ook de manier van doen en spreken van den modernen verzoeker. Hij toont het volk al de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid in de betooverende beelden van zijn veel geprezen toekomststaat, en spreekt dan: Al deze dingen zal ik u geven, als gij, nedervallende, mij zult aanbidden, als gij aan mij uzelven geeft, Christus afzweert, haat en vijandschap belooft tegen al het bestaande, en verderf en vernietiging zweert aan deze ellendigste van alle werelden.

„Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg. Satan! want er staat geschreven: Den Heere, uwen God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen. Toen liet de duivel van hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden hem.quot; Dat ons volk ook alzoo den verderfelijken verzoeker met zijne bedriegelijke voorspiegelingen terugwijze! Dat het God alleen diene, en met de wapenen der gerechtigheid zijne billijke eischen trachte door

-ocr page 81-

61

te zetten! Maar dat dan ook de hoogere kringen God, hunnen Heer, mogen gaan aanbidden, Hem alleen, enniet meer den duivel Mammon, niet meer den Satan zelfzucht; neen, den God der Liefde alleen; en dat zij dan in Hem zich ook hunnen broeders ten dienste gaan stellen, met bereidwillige erkenning van de billijkheid hunner wenschen, en van de rechtvaardigheid hunner eischen, opdat de duivelen uit ons land mogen wijken, en de engelen van vrede en van zegen er de vleugelen over kunnen uitbreiden om ons te dienen tot zaligheid.

Mattheus 15 : 31—38.

En Jezus, van daar gaande, vertrok naar de deelen van Tyrus en Sidon.

En ziet, eene Kananesche vrouw, uit die landpalen komende, riep tot hem, zeggende: Heere. gij Zoon Davids, ontferm u mijner! mijne dochter is deerlijk van den duivel bezeten.

Doch hij antwoordde haar niet één woord. En zijne discipelen tot hem komende, baden hem, zeggende; Laat ze van u, want zij roept ons na.

Maar hij antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden dan tot de verlorene schapen des huizes Israels.

En zij kwam en aanbad hem, zeggende: Heere, help mij !

Doch hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk, het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.

En zij zeide: Ja Heere, doch de hondekens eten ook van de broks-kens, die daar vallen van de tafel hunner heeren.

Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar; O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt. En hare dochter werd gezond van dezelfde ure af.

„Hij antwoordde haar niet één ivoord.quot; Hij had er ook Zijne goede redenen voor. Hebben wij ze ook, als wij, zooals zoo dikwijls geschiedt, de noodkreten der armen harteloos niet eens willen hooren in het besef: „Wij hebben de macht, men

-ocr page 82-

62

moet zich toch naar ons schikken?quot; Is dat niet misbruik van macht? Is rechtvaardigheid niet het fondament van alle macht? En wordt het ons toch niet bang te moede, wanneer wij merken, dat het daar beneden woelt en kookt? Is het wèl gedaan, om op een vulkaan zij n huis te bouwen ? Zou de onderaardsche gloed toch niet ten slotte eenmaal tot uitbarsting komen en alles verwoesten?

..Laat haar van u, xoant zij roept ons na,quot; doe maar haren zin, om van haar af te zijn, haar roepen is immers lastig en onverdragelijk. — Dat is van vele menschen de manier van geven; zoo geeft men ter wille van zich zeiven, om niet langer den last te hebben van den aanblik der ellende. Hoort en ziet hoe gansch anders uw Heiland Jezus Christus handelt:

„Ik hen niet gezondenspreekt Hij , „dan tot de verloren schapen van het huis Israels; gezonden van God, een zoekende Herder, een helpende Messias. Die nu een Christen wil zijn, die moet zich ook zoo van God gezonden beschouwen, om voor verlorene schapen een zoekende herder, een helpende messias te worden. Zijt gij u dat ooit bewust geweest? Hoeveel verlorene schapen zijn er niet onder uw volk, in uwe gemeente, misschien zelfs in uwe buurt of in uw eigen huis! Wat hebt gij reeds voor hen gedaan? Hoe weinigen doen wat voor hunne broeders, en weten nauwelijks, dat zij verplicht zijn voor anderen iets te doen; zij gaan op in zelfzucht; zij leven, zorgen en arbeiden alleen maar voor zich zeiven, en eeniger-mate ook voor hun gezin. En zij , die het meeste zouden kunnen doen, doen juist dikwijls het minste, en zijn er maar op uit om rijk te worden en te genieten; zij kennen alleen rechten, maar geene plichten, geene Christelijke plichten , geene broederplichten. Een Christelijk volk moest één groot gezin van broeders zijn; maar het heeft dikwijls meer den schijn van eene kudde dieren, die elkander verbijten en vereten. Is het te verwonderen, als daarom de zwakkeren onder de kudde zich ook eens met elkander gaan verbinden, om de sterken te overvallen en wraak op hen te nemen? Zelfzucht hier, zelfzucht elders! Er kan geen vrede komen, totdat de liefde van Jezus zegeviert.

Maar let nog een weinig nauwkeuriger op dat woord: „alleen tot de verlorene schapen van het huis Israels.quot; Tot de heidenen zouden later andere herders uitgaan. De Heere Christus had Israël tot het terrein van Zijn arbeid der liefde.

-ocr page 83-

63

Én uw arbeid, uwe liefde, zijn die ook aan uw volk, aan uw vaderland gewijd? In de eerste plaats komt deze vermaning tot hen, die kleinzielig, enghartig en zelfzuchtig geene andere belangen kennen dan hunne eigene, die schatten op schatten stapelen, zonder op de nooden acht te slaan, die hunne zelfzucht bij het volk veroorzaakt, en zonder de gevaren op te merken, die zij, juist zij, over het vaderland doen komen. „Wat, vaderland! goud, goud, alleen goud!quot; Ja, dat is hun honger, hun eenig doel! —Maar in de tweede plaats is het ook eene vermaning tegen hen, die in hun haat tegen al het bestaande ook hun vaderland minachten, die lachen om patriotisme, en die in de plaats daarvan dweepen met algemeene menschenliefde, internationale verbroedering en wijd kosmopolitisme. Fraaie droomen! ijdele dweeperij! Vooral als zulke dweepers vergeten, met die broederliefde zeiven te moeten beginnen; als zij overloopen van gal en gif, en als zij het zich tot eene levenstaak stellen, ook anderen zoo bitter en boos te maken als zij zeiven zijn. Internationale verbroedering als ideaal verkondigen, zonder den broeder, die het naaste is, lief te hebben, dat heet: een huis bouwen, zonder den eenen steen op den anderen te leggen.

„Al die ideale faktoren, die zich in dat ééne woord vaderland concentreeren, te laten onder gaan in: internatio-naliteit, dat schijnt mij toe een verlies te zijn, waar alle andere verliezen klein bij zijn. Ik verwacht den ondergang van al het individueele nog niet eens van de socialistische maatschappij, maar wel van dien internationalen staatsvorm, dien de wereldbond van arbeiders als den besten staatsvorm ons aanprijst; en als men ons dan bovendien zegt, dat het eene vooruitgang zal wezen, wanneer de eene algemeene wereldtaal in de plaats gekomen is van de vele andere talen, die de nationaliteiten zoo van elkander gescheiden houden, dan ken ik de waarde van die litteratuur, die zulks aanprijst, veel te goed, dan dat ik van die beloften iets anders verwacht dan den dood voor alle hoogere beschaving; en dan zie ik in de toekomst niets anders dan intellectueele verarming en zedelijke verwoesting ene volmaakt geestelijke armoede en barbarisme. Wel belooft men ons, dat in de plaats van het nationale iets hoogers, iets beters zal komen, namelijk het algemeen menschelijke. Maar mijne ervaring

-ocr page 84-

64

is, dat de meest ruime en losse banden niet de meest vaste banden zijn. En alle eer voor het kosmopolitisme, — maar daarvan straalt de warmste menschenliefde niet uit. Humaan zijn, dat wil niet bepaald zeggen: alle mensclien liefhebben, maar veel meer: den naaste liefhebben als zich zeiven.quot; (Ziegler.)

Laten wij deze liefde tot den naaste alvast beoefenen, dan zal ook die schrille tegenstelling verdwijnen, waar des Heeren woord ons op wijst; „Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen. Lu zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes, die er vallen van de tafel hunner heeren.quot; De heeren, dat zijn: de trotsche Joden. De honden, dat zijn; de verachte heidenen. Zijn er bij de Christelijke volken nog zulke arme, verachte schepsels, die als honden onder de tafel hunner heeren liggen, en op de brokjes wachten, die daar afvallen? En moesten zij niet ééne groote, Christelijke familie vormen, die toch allen als broeders en zusters gemeenschappelijk gevoed worden aan de rijke tafel der beschaving?

„Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is wio geloof; u geschiede gelijk gij wilt.quot; Zoo heeft de Kananesche vrouw het hart des Heilands bewogen, en Hij liet zich gaarne overwinnen. Als toch alle nooddruftigen zoo het bidden verstonden, gelijk deze vrouw! En als toch alle heeren zich zoo lieten verbidden, gelijk deze Heer! Wij zouden dan geene sociale quaestie meer hebben. O zonde! hoe staat gij den vrede in den weg! Hoe zijt gij toch der menschen en der volken rampzaligste vriendin!

Johannes 6 :1—15.

Na dezen vertrok Jezus over de zee ran Galilea, welke is de zee van Tiberias.

En hem volgde eene groote schare, omdat zij zijne teekenen zagen, die hij deed aan de kranken.

En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met zijne discipelen. En het pascha, het feest der Joden, was nabij.

-ocr page 85-

65

Jezus dan, de oogen opheffende, en ziende dat eene groote schare tot hem kwam, zeide tot Philippus: Van waar zullen wij brooden koopen, opdat dezen eten mogen ?

Doch dit zeide hij, hem beproevende: want hij wist zelf wat hij doen zoude.

Philippus antwoordde hem: Voor twee honderd penningen brood is Hezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme.

Een van zijne discipelen, namelijk Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot hem:

Hier is een jongsken, dat vijf gerstebrooden heeft, en twee vischjes; maar wat zijn deze onder zoo velen?

En Jezus zeide: Doet de menschen nederzitten. Eu er was veel gras in die plaats. Zoo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal.

En Jezus nam de brooden, en gedankt hebbende, deelde hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; desgelijks ook van de vischjes, zoo veel zij wilden.

En als zij verzadigd waren, zeide hij tot zijne discipelen: Vergadert de overgeschotene brokken, opdat er niets verloren ga.

Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebrooden, welke overgeschoten waren van dengenen, die gegeten hadden.

De menschen dan, gezien hebbende het toeken dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld komen zoude.

Jezus dan wetende, dat zij zouden komen, en hern met geweld nemen, opdat zij hern koning maakten, ontweek wederom op den berg, hij zelf alleen.

„Van waar zullen wij brooden koopen, dat deze eten mogen Ziedaar de noodkreet van zoo menig huisvader, van zoo menige moeder, van zoo menige weduwe, die buiten eigen schuld in nood verkeeren, en niet weten, hoe zij hunne kinderen zullen verzadigen, vooral in dure tijden, of wanneer krankheid en dood het opgespaarde geld geheel opgeteerd hebben, of wanneer gebrek aan werk de anders zoo krachtige spieren verlamt, of wanneer eene misdaad den kostwinner in de gevangenis gebracht heeft, of wanneer de diaconale ondersteuning zoo karig is, dat het te weinig is om te leven , en te veel om te sterven.

„Van waar zullen wij brooden koopen, dat deze eten mogen?quot; De Heiland wil ook den lichamelijJcen honger stillen, en wil hebben, dat de hongerenden met dagelijksch brood verzorgd zijn. Zijne ware dienaars deelen dan ook niet alleen het brood des levens uit, maar zijn er niet minder op uit, om aan den stoÖelijken nood een einde te maken; en zij rusten Sociale Moraal. 5

-ocr page 86-

66

niet, aleer honger en armoede buiten eigen schuld onmogelijk zijn geworden. Zij weten het immers, dat de honger pijn doet; en zij weten, hoe honger en stoftelijke ellende altijd vele en zware verzoekingen met zich voeren, en dat, waar de honger om dagelijksch brood den mensch drukt, tegelijk de honger naar het brood des levens in zijne ziel niet recht opgewekt worden kan. Al wat men doet tot leniging van den lichamelijken nood is tegelijk ten bate van den geestelijken nood. En ziet nu, hoe de Heere handelt daar in de woestijn!

„Jezus zeide tot Philippus: Van waar zullen wij broaden hoopen, opdat dezen eten mogen? Doch dit zeide hij, hem beproevende, want hij wist zelf, wat hij doen zou.quot; Philippus overlegt: „voor 200 penningen brood is voor dezen niet genoeg.quot; Dan komt Andreas met een voorstel, om den voorraad van het jongsken te gebruiken, vijf gerstebrooden en twee vischjes, welken voorraad de Heere daarop ook gebruikt. Hij beveelt zijne discipelen, om de menschen te doen nederzitten. Hij deelt hun het brood, en de discipelen deelen het weer dengenen, die nedergezeten zijn. En daarna spreekt Hij tot hen: „Vergadert de overgeschotene brokken.quot; Ziet, hoe de Heere bij de spijziging zijne jongeren aan het werk zet, hoe Hij hun leert, dat zij niet ledig hebben te zitten, als de nood aan de deur is, en als het geldt, om nooddruftigen te redden! — Hij, de Heere, verkeert nu niet meer lichamelijk onder ons op de aarde; maar des te meer moeten nu zijne jongeren de wegen zoeken en de middelen vinden, om het lijden bij hunne medemenschen te verminderen, zooveel ieder maar kan; en hoe weinig dit ook zijn moge, wat gij als eenling doen kunt onder zoo velen, wanneer gij het slechts doet in Zijn geest en met Zijne liefde. Hij zal het zegenen ten algemeenen nutte. Gij zijt onder de millioenen uws volks ook slechts als dat „jonkskenquot;, maar uwe vijf gerstebrooden en twee visschen zullen aan velen blijdschap en vrede brengen.

„Hier is een jongsleen, dat vijf gerstebrooden heeft en twee vischjes; maar wal zijn deze onder zoo velen?quot; Andreas denkt aan verdeden, zooals ook zoo vele anderen daaraan gedacht hebben, die voorstellen, om het eigendom der rijken zoo te verdeden, dat alle menschen evenveel hebben. Maar binnen 24 uur zou de ongelijkheid weer teruggekeerd zijn. Eene bespottelijke dwaling, die tegenwoordig van geen enkel verstandig mensch meer aangehangen wordt, zelfs niet door de

-ocr page 87-

67

sociaaldemocratie, welke men evenwel nog genoeg daarvan beschuldigt; zij kan echter gerust zeggen: dat het laster is.

„Jezus nam de broaden, en gedankt hebbende, deelde hij ze dm discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren.quot; Daar is hier dus sprake, niet van deelen in den bovenge-noemden zin , maar van mededeelen. Och laten wij het weldoen en het mededeelen niet vergeten, ja, het zelfs nog meer beoefenen! De nood is zoo groot. Toch willen wij opmerken, wat de leiders der armen hierover zeggen: „Wij maken allereerst aanspraak op gerechtigheid, niet op weldadigheid; uwe aalmoezen, uwe ondersteuningen zijn slechts waarde-looze palliatieven; zij zijn eenigermate balsem op smartelijke wonden, die echter niet met wat pleister, maar door eene radicale kuur genezen moeten worden; zij zijn slechts wat flanel en wol onder de drukkende ketenen en ringen van ijzer, waarmede onze handen en voeten gekneveld zijn; uwe weldaden zijn zeer geschikt om den druk dezer ketenen iets te minderen, te verzachten, en minder voelbaar te maken, maar in den grond misleidt gij daarmede maar de arme slaven, en gij wilt het hen maar doen vergeten, dat zij slaven zijn en blijven. Is het u ernstig er om te doen, om hen in den grond te helpen, neemt hun dan liever de ketenen, die voeten hand-boeien geheel af, en laat hen vrij worden, zoodat zij voor zichzelven kunnen zorgen en uwe aalmoezen niet meer noodig hebben. Wij wilien geene weldaden, wij verlangen gerechtigheid.quot; Daar ligt veel waars in deze woorden; wie zal het loochenen? Wie zal het niet wenschen, dat vóór alles gerechtigheid geschiede, opdat de barmhartigheid haar verwaarloosd werk niet behoeft op te nemen en over te nemen? Hulpe met de bedoeling, dat men weldra zich zei ven kan helpen, dat is ook bepaald ons streven. Zeker! Maar zoo lang nu echter de noodige hervormingen niet gekomen zijn , moet toch de weldadigheid haar tegenwoordigen dienst blijven vervullen, ja, nog bepaald uitbreiden. Wat zou er anders van de tegenwoordige armoede en nood worden? Men kan de arme menschen toch maar niet in den steek laten ? Het eene moet men doen, en het andere niet nalaten; deze regel moet ook hier gelden.

Daarop doelen ook die woorden: „ Vergadert de orergeschotene brokken, opdat er niets verloren gaquot;. Eene vermaning tot de rijken om wel te doen. Hoevele brokken van voedsel en

5*

-ocr page 88-

68

kleeding, van huisraad en kinderspeelgoed hebben zij over, die bederven en vergaan, terwijl zij nuttiger konden weggegeven zijn! Wat zouden zij daarmede aan de armen eenen dienst, een genoegen hebben kunnen doen! Het kost hun niets, om het te doen; zij hebben het immers over; het ligt er toch ongebruikt, en wordt van de mot en van den roost verteerd. Maar men denkt eenvoudig niet aan de armen. Of als men aan hen denkt, dan is het met dat onbehagelijke gevoel van afkeer, waardoor ook het geven natuurlijk achterwege blijft. Waarbij altijd die geheime troost komt: „Wij zijn immers niet verplicht om wat te geven; misschien worden die armen er maar overmoediger door; en bij slot van rekening oogsten wij toch slechts ondank.quot; Ach! de liefdeloosheid en de zelfzucht zijn zoo slim in het vinden van uitvluchten! — Eene vermaning evenwel ook tot de armen om spaarzaam en zuinig te zijn. Hoe weinig armen verstaan de kunst om de overgeschotene brokken te vergaderen, opdat er niets verloren ga, totdat zij zeiven ook verloren gaan, en omkomen in vuil, in gemeenheid en in honger! Het fraaist is echter nog, dat zij dan anderen er de schuld van geven, en klagen over slechte tijden, slechte wetten, slechte overheden. Zij zouden tevreden, gelukkig en blij kunnen leven, als de vrouw netjes, helder en zuinig het huishouden wilde doen; als zij den man des avonds bij zijn terugkeer van het werk een gezellig huis aanbood; en omgekeerd: als de man spaarzaam, matig en nuchter wilde wezen, en alzoo een rechte kostwinner en verzorger van zijn gezin trachtte te zijn. Neen, uitwendige glans en rijkdom zijn volstrekt niet noodig voor een gelukkig familieleven; maar wel de rijkdom des gemoeds, wel zedelijke kracht en deugd!

Die brokken nu waren overgeschoten van het brood, dat aan dat .jongskenquot; toebehoord had, maar dat Jezus „genomen\'\'\'\' had, om het volk er mede te verzadigen. Die knaap mocht geen overvloed hebben, terwijl 5000 man om hem heen honger leden. Zoo is het ook niet naar den wil van Christus, dat eenige honderd menschen onmetelijke rijkdommen hebben, terwijl de milioenen om hen heen gebrek lijden. Het is een misverstand als men denkt, dat God dat zoo beschikt. Dat misverstand moet de wereld uit!

Dit alles leert ons Christus, van wien het nog heden geldt: „Deze is waarlijk de -profeet, die in de wereld komen zouquot;, die

-ocr page 89-

69

de wereld verlossing aanbrengt, en zonder Wien er geen heil is. Ook onze koning is Hij , hoewel in eene andere beteekenis dan het volk toen wilde: „Want Jezus wetende, dat zij zouden komen, en hem met geioeld nemen, opdat zij hem koning maakten, ontweek wederom op den berg, hij zelf alleen.\'\'1 Een koning wilde Hij wel zijn, maar een geestelijk koning, die over de harten zijner menschenkinderen heerschen zou, om aan de heerschappij der zonde een einde te maken. Dit beviel evenwel aan die lieden niet, want dan moesten zij tegen hunne zonden strijden, en daarom hebben zij Hem later gekruisigd. Daarom, dat zij Hem ook heden nog altijd kruisigen, en liever Mammon tot hunnen koning kiezen, en liever dezulken volgen, die van geen zonde of boete tot hen spreken, en die wel spreken in vleiende woorden van het vleeseh en van de lusten des vleesehes met bedriegelijke beloften.

Johiinnes 13 ; 1—15.

En vóór liet loest van hot pascha, Jezus, wetende, dat zijne ure gekomen was, dat hij uit deze wereld zoude overgaan lot den Vader, alzoo hij de zijnen die in de wereld waren, liefgehad luid, zoo heeft hij hen liefgehad tot het einde.

En als het avondmaal gedaan was (toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskarioth, gegeven had, dat hij hem verraden zou),

Jezus, wetende dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat hij van God uitgegaan was, en tot God heenging.

Stond op van het avondmaal, en leide zijne kleederen af, en nemende eenen linnen doek, omgordde zich zeiven.

Daarna goot hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wasschen en af te drogen met den linnen doek, waarmede hij omgord was.

Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zeide tot hem: Heerel zult gij mij de voeten wasschen ?

Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat ik doe weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.

-ocr page 90-

70

Petrus zeule tot Ileia: Gij zult mijne voeten niet wasschen in eeuwigheid! Jezus antwoortide hem: Indien ik u niet wasch, gij hebt geen deel met mij.

Simon Petrus zeide tot Hem: Heere! niet alleen mijne voeten, maar ook de handen en het hoofd.

Jezus zeide tot hem: Die gewasschen is, heeft niet van noode dan dat hem de voeten gewasschen worden, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen.

Want hij wist wie hem verraden zou; daarom zeide hij: Gij zijt niet allen rein.

Als hij dan hunne voeten gewasschen. en zijne kleedcren genomen had, zat hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij wat ik ulieden gedaan heb ?

Gij heet mij Meester en Heere; en gij zegt wél, want ik ben liet.

Indien dan ik, de Heere en de Meester, uwe voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wasschen.

Want ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs ik u gedaan heb, gijlieden ook doet.

„Tooi nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iska-rioth, gegeven had, dat hij hem verraden zou.quot; Waarom verried hij Hem? Omdat Jezus de zinnelijke, wereldsche Messias-verwachtingen van Judas niet vervullen wilde; omdat Judas het ware, geestelijke ambt van den wereldverlosser niet verstaan wilde. Velen begrijpen dat ambt nog niet, verraden daarom Jezus eveneens, en worden Zijne vijanden; het is evenwel natuurlijk dat als zij zinnelijke verwachtingen koesteren en vleeschelijke belangen hebben, Jezus hun in de bevrediging daarvan niet tegemoet zal komen. En toch is Hij in waarheid ook van hen de eenige Messias en Verlosser. Alleen de geest, die van Hem uitgaat, kan onze sociale misstanden en kwalen opheffen, en door innerlijke genezing van het hart des volks den waren staat des geluks weer aanbrengen.

Maar ook heden geldt nog de beteekenis van dat woord: „Wat ik doe, weet gij nu niet; maar gij zxdt het na dezen verstaan.quot; Wat deed Hij dan? Hij wiesch zijne jongeren de voeten; Hij reinigde hen. Eene voetwassching, eene daad van reiniging, eene loutering heeft God tegenwoordig ook met ons volk voor. Welk verloop de sociale beweging ook hebben mag, naar den raad Gods zal zij in elk geval ten slotte daartoe strekken, om ons volk te louteren en te reinigen van vele verkeerde grondstellingen, zeden, misstanden, zon-

-ocr page 91-

71

den en gruwelen, die zioli in den loop der eeuwen bij ons volk vastgeworteld hebben. Maar velen weten het nu evenmin, wat Hij doet, wat God met ons volk, ja met de volken der aarde voorheeft; zij willen het ook niet zien en hooren, en gaan daarheen in volkomen verblindheid. Zij zullen het daarna verstaan, als zij misschien eerst na groote schade wijs worden, en na zware oordeelen tot beter inzicht komen. „Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uwe oogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uwe vijanden eene begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen; en zullen u tot den grond nederwerpen, en uwe kinderen in u; en zij zullen in u den eenen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.quot;

Toen moest Christus de klacht aanheffen: „Gijlieden zijl rein, doch niet allen.quot; Judas was de onreine, duistere geest, die met den Hoogen Raad het eens geworden was, om Christus te verwerpen, door welke daad zij zichzelven verwierpen en hun gansche volk in hot verderf stortten. Ook wij zijn niet allen rein; ja, het aantal der onreine Christenen is overwegend groot; hoe ontzettend velen zijn de naam-, schijnen niet-Christenen, die hunnen Heiland verwerpen, endaar-door zichzelven verwerpen, en ons gansche volk in gevaar brengen!

Toen kon Christus zeggen: „Gij heet mij Meester en Heere; en gij zegt wel; want ik ben het.quot; Maar kan het tegenwoordig nog gezegd worden? Och! dat wij toch ook Zijne jongeren. Zijne dienstknechten werden! De sociale vragen zouden zich dan gemakkelijk laten oplossen. Dit kan ook langs vreed-zamen weg, en gelukkig behoeft zij niet op andere wijs opgelost te worden. En alzoo zouden wij in Zijne voetstappen wandelen, gelijk Hij bevolen heeft.

„Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs ik u gedaan heb, gijlieden ook doetquot;; een dubbel voorbeeld. De voetwas-sching door den Heere was in de eerste plaats een liefdedienst , zooals Hij ook daarna zeide: „Een nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt. Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder

-ocr page 92-

72

elkander.quot; O groot en verheven gebod van Jezus! hoe treedt men u met voeten! Koele zelfzucht bij zoovele bezitters en werkgevers, en bittere haat bij zoovele arbeiders en armen! Niets heersoht minder bij ons zich nog wel Christelijk noemend volk, dan de liefde. Daar ligt de diepste bron van onze sociale nooden en gevaren. — De voetwassohing door den Heere was in de tweede plaats echter ook een slavendienst, waarin wij Hem moeten navolgen, zooals Hij ook eens zeide: „Gij weet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen, en de grooten gebruiken macht over hen. Doch alzoo zal het onder u niet zijn; maar zoo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar; en zoo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht. Gelijk de Zoon des menschen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen.quot; O groot en verheven gebod van Jezus! Hoe weinig betracht men u, hoe weinig verstaat men u zelfs! Zietdaar een dier geweldige, verreikende, beteekenis-volle woorden van Jezus, welks betrachting eene omkeering van het menschelijk hart en van het menschelijk leven, en tegelijk eene omkeering der maatschappelijke betrekkingen en verhoudingen zou te weeg brengen, zoo als er geen beter te denken is. „Alzoo zal het onder u niet zijnquot;. Christenen! zooals het bij de kinderen der wereld is, waar de een heerschappij zoekt te voeren over den ander, waar de een macht gebruikt over den ander, hem tot zijn slaaf maakt, kwelt, uitzuigt en veracht; waar de een aan den ander voorbijgaat met hoogmoed, haat, nijd, ongevoeligheid of onbarmhartigheid. Zoo zal het onder u niet zijn. Maar zoo is het toch veelmalen onder ons; dat is in het algemeen de verhouding tusschen de menschen, tusschen de klassen, ook onder ons „Christelijkquot; volk. Meet hiernaar af, o mijn volk! hoe weinig Christelijk gij zijt, hoe gij nog geheel „van deze wereldquot; zijt, hoe onmetelijk ver nog van liet Christelijk ideaal!

Dat de een den ander in liefde diene, achte, drage, bevoordeele! Als de meeste onder u worde beschouwd; uw dienstknecht! Als de grootste onder u: uw dienaar! Dat wil zeggen: hoe meer iemand in dienende liefde zich geeft voor anderen, des te meer worde hij geacht en als de beste gerekend. Alleen de dienende liefde zij de maatstaf, naar welken gij elkander beoordeelen moet; de maatstaf zij niet:

-ocr page 93-

73

geld, geboorte, adel, rang, stand, macht, of kennis! O wonderbaar diep woord! Waar is de mensch, over wiens lippen ooit een grooter woord is gevloeid? Heilig, zalig ideaal! Mocht ieder in zijn stand en in zijn kring u nastreven! Wij voelen het: wij zouden spoedig een hemel op aarde hebben.

Marcus 16 : 1—8.

Eu als dc sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jacobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en hem zalfden.

En zeer vroeg op den eersten dag der week kwamen zij tot het graf, als dc zon opging.

En zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen?

En opziende, zagen zij dat de steen afgewenteld was, want hij was zeer groot.

En in het graf gegaan zijnde, zagen zij eenen jongeling zittende ter rechterzijde, bekleed met een wit lang kleed, en zij werden verbaasd.

Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazarener, die gekruist was; hij is opgestaan, hij is hier niet; ziet de plaats waar zij hem gelegd hadden.

Doch gaat heen, zegt zijnen discipelen, en Petrus, dat hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij hem zien, gelijk hij ulieden gezegd heeft.

En zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd.

„En als de sabbat voorbij gegaan loos, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jacobus, en Salome specerijen gekocht; opdat zij kwamen en hem zalfden.quot; Ook wij eeren onze dooden, en mogen en moeten hen in eere houden. Maar gaat men hierin niet wel eens te ver? Bestaan er niet reeds vereeni-gingen om de overdreven weelde en verkwisting bij begrafenissen tegen te gaan? Laat men het niet dikwijls bij de begrafenis zijner betrekkingen opzettelijk merken, dat men

-ocr page 94-

74

een rijk man is, en dat men zich heel wat weelde veroorloven kan? En vergeet gij, die zulk een praal vertoont, tegenover de dooden, die niets meer noodig hebben, niet de levenden, die dikwijls zelfs aan het noodigste gebrek lijden? Hoe zou de Heiland daarover oordeelen? Och! dat wij altijd naar Zijnen raad vroegen, volgens Zijnen wil handelden, met zulk eene trouw Hem aanhingen, zooals die vrouwen!

„Zij kwamen tot het grafquot;; zij gingen als naar eenen doode, om aan hunnen Heer de laatste eer te bewijzen, en ziet! Hij leefde. Zoo droevig gevoelen zich ook tegenwoordig vele Christenen, die met het oog op den druk, waaronder het Christendom ligt, zich niet weerhouden kunnen te denken: Het Christendom heeft zijn tijd gehad; het staat er slecht mede, en weldra is het eene verloren zaak. — Evenwel teu onrechte: Want Hij leeft, de Christus. Hij zal weer opstaan. Hij zal weer tot eere komen en tot macht. Ook deze nieuwe vervolging zal Hij overleven, zooals reeds zoo vele andere; en ook deze zal ten slotte slechts weer moeten dienen tot Zijne verheerlijking. De ervaring zal de volken dan weer doen roepen: Bij niemand anders is heil. Och! mocht ook gij dat erkennen, die daar roept, zooals toen die vrouwen:

„Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen?quot; Eene vraag, die tegenwoordig de wereld vervult, de vraag van eene arbeidersklasse, die nog niet weet, hoe zij den grooten steen van armoede en ellende, die haar verplettert, van zich af zal wentelen, en die haar weldra te zwaar zal worden! Die vrouwen, „opziende, zagen dat de steen afgewenteld was; want hij was zeer grootquot;; hare bekommering was spoedig voorbij. Eene hoogere hand had geholpen; zij alleen zouden zeker lang en zeker te vergeefs dat werk beproefd hebben. Ligt hierin niet eene vingerwijzing voor onzen tijd? Denkt niet, dat het u zonder hoogere hulp, zonder God zal gelukken, om den steen af te wentelen, die zoo zwaar op u drukt. Met al uw goddeloos en vijandig drijven zult gij niets goeds bejagen; misschien dat gij daarmede den steen een weinig kunt bewegen en doen overhellen; maar het gevolg zal slechts wezen, dat hij straks over uzelven heenvalt en u verplettert door zijne vreeselijke zwaarte. Beproeft het eendrachtig, en spant al uwe krachten in, om den steen af te wentelen, maar doet het met God, zonder vijandschap tegen Christus, zonder dien onzaligen haat tegen al,

-ocr page 95-

75

wat hoog en heilig is; die vijandschap is eene vreemde druppel in uw bloed, is een kankergif aan de hervorming, die gij beoogt; en gij gaat ten slotte er aan te gronde, ook al overwint gij in den aanvang; want alleen het goede zal de laatste zegepraal behalen; alleen goede menschen kunnen op den duur en in waarheid gelukkig worden en anderen gelukkig maken. Ja, strijdt, zonder dien onzaligen haat tegen al wat hoog en heilig is; want door dien haat verliest gij en vervreemdt gij u juist van velen onder het volk, die anders u zouden helpen. Hoevelen zouden u anders gunstig gezind zijn! Zij kennen uwe nooden; zij zouden gaarne aan uwe zijde staan; zij zouden u willen helpen, en u krachtig ondersteunen; maar de zonde, de leugen, de hatelijkheid, de ruwhuid, de goddeloosheid, die in uwe kringen zich zoo gruwelijk openbaren, schrikken hen terug, en stooten hen af; en met een gevoel van vrees en van afschuw gaan zij verre van u af staan, zonder u de hand te reiken, die zij anders u zeker zouden toegestoken hebben; en natuurlijk willen zij in uwe gelederen geene plaats nemen. Gij zegt wel, dat gij zulke elementen best ontberen kunt, en dat gij gansch andere soort van soldaten zoekt, die flink er op los willen gaan, als het eenmaal zoo ver is. Maar wat dan, als gij werkelijk eens de overwinning behaalt? Wat dan? Wat is er te beginnen met de volksmassa\'s, onder welke de macht der zonde nog geheel ongebroken is, en onder welke de macht der hartstochten geheel wild en teugeloos rondwaart? Zouden zij niet voor eene sociale maatschappij juist zoo onrijp en ongeschikt mogelijk zijn? Met God, dat moest ook uwe strijdleus zijn. Dan zou de steen voor de deur des grafs veel gemakkelijker, sneller en gelukkiger afgewenteld worden; en een vroolijk Paschen, een feest der opstanding zou de volken der wereld gelukkig en blijde maken.

Wat brave arbeiders, wanneer zij het goed aanleggen, kunnen bereiken, kan men vooral in Engeland zien. Felsen zegt daarvan: „Hebben dan de arbeiders van de groote steden zoowel als die van het platte land nooit van de schitterende resultaten van de Pionieren van Rochdale gehoord? Waarom verzwijgen de leiders van de arbeidersklassen, wat eenvoudige arbeiders, arme wevers, — niet bourgeois of kapitalisten — door praktisch optreden tot stand gebracht hebben? Waarom verbergt men het voor u, o arbeiders! in

-ocr page 96-

76

uwe vergaderingen, wat eigen hulp, zooiils uwe kameraads aan de overzijde van het kanaal toegepast hebben, voor resultaat hebben kan, zooals gij dat alles lezen kunt in menig geschrift in uwe eigene taal? — Als ieder arbeider, die hoofd en hart bezit, nuchter, zonder vooroordeel en met onbenevelden blik de verhoudingen wilde inzien; als men zich eens losmaakte van dat onvruchtbare politieke drijven, dat gelijk is aan een rondwentelen der molensteenen zonder koren; als men eens praktisch de hand aan het werk sloeg, zonder de tong te gebruiken, — wat zou dan niet te bereiken zijn!quot;

„De staatsmacht kan zeker veel voor den arbeidersstand doen. Maar dat men hier toch ook op letten wilde: het meeste, het beste, het noodigste, kan alleen de arbeidersstand zelf volbrengen.quot;

„En hier herinner ik u aan wat ik vroeger heb gezegd. Bedenkt, wat wij als de oorzaken van zoo vele individueele cn maatschappelijke nooden hebben aangemerkt. Denkt aan die lichtzinnige en ongeregelde manier van huishouden, die in zoo vele gevallen van den eersten dag van uw huwelijk af u te gronde richt, en die maakt, dat gij niet vooruit kunt komen. Denkt aan den duivel van den sterkedrank, een der doodsvijanden van de lagere standen, die zich mest met uw bloed. Denkt aan de onbeschaafdheid, de godsdienstloosheid, en bovendien aan dien rampzaligen klassenhaat, cn aan dat geheel ongegronde wantrouwen tegen uwe werkgevers en tegen de „anderequot; klassen en tegen den modernen staat. Ja, als het mogelijk was met cijfers uit te drukken, hoeveel procent van de sociale nooden aan deze oorzaken is toe te schrijven, dan zou ik durven volhouden, dat 90 procent niet te hoog geraamd was; en deze 90 procent zoudt gij zeiven, o arbeiders! en gij alleen, kunnen verhelpen! Het verhelpen van de overige 10 procent zoudt gij gerust kunnen overlaten aan de bereidwillige medewerking van de wetgevende macht, en van de nimmer rustende vrije liefdadigheid.quot;

„Maar wat dan te doen? zoo hoor ik weer vragen.quot;

„Wel, verlaat u in de eerste plaats geheel op uzelven! Daarom nog eens: weg met de voogdijschap van de valschc cn verderfelijke sociaaldemocratie!quot;

„Begint in uw eigen huis; begint met soliede te zijn, en

-ocr page 97-

77

laat uw heele huishouden het zijn. Tracht uw handwerk beter te verstaan; houdt orde op uwe kleinere of grootere zaken. Gevoelt dat in uwe geheele levenswijze het boven alles aankomt op trouwe plichtsvervulling; na het betrachten der plichten komt het verkrijgen van rechten dan van zelf.quot;

„Toont, dat gij de groote taak van onzen tijd zuiver begrijpt , n 1. de opheffing van de lagere klassen tot ware beschaving , eene taak, die niet door eenige uitwendige hervormingen kanv tot stand gebracht worden, maar alleen door ware geestelijke, zedelijke en stofi\'elijke verheffing alle drie.quot;

„Hebt vertrouwen in uzelven; hebt liefde voor uw vaderland; ziet met vertrouwen op uwe regeering, en zet uwe eerste en laatste hoop op God.quot;

„Dat, mijne arbeiders! is de vermaning, die tot u gericht wordt door iemand, die uit uwe eigen kringen zich er boven op heeft kunnen werken, die, zoo goed als een uwer, kommer en nood heeft gekend, en die nu nog altijd onder groote inspanning zijn brood moet verdienen; en die het van zich-zelven beweren mag, dat hij de arbeiders in stad en land, en in alle deelen des lands van nabij goed heeft leeren kennen.quot;

„Voorwaar, wat ik zeg, munt niet uit door valsche vleierijen, niet door vage beloften, niet door brutale misleiding; maar het heeft het voordeel van duidelijk en helder te zijn; en daaraan, hoop ik, zult gij ten slotte de voorkeur geven.quot;

Ook ons geldt die opdracht: „Gaat heen, en zegt zijnen discipelen, en Petrus, dat hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij hem zien, gelijk hij idieden gezegd heeft.quot; Ook wij moeten in de kerk, in de school, in huis, in onze uren van godsdienstig samenzijn recht vlijtig met onze gedachten ons keeren naar Galilea, en naar Judea en Samaria, naar het Heilige Land; daar zullen wij Hem nog altijd zien en hooren, en vroolijk worden in Zijne gemeenschap, en vol worden van Zijnen geest; en wij zullen Zijne getuigen, Zijne apostelen worden voor eene wereld, die van Hem niets weten wil, en die toch alleen in Hem vrede en heil vinden kan. Tot wien kwam die opdracht des engels in de eerste plaats? Tot vrouwen, tot die drie vrome vrouwen, discipelinnen van Jezus, die Hem trouw gebleven waren , niettegenstaande haar geheele volk Hem trouweloos verworpen had. Bat ook onder ons volk vele zulke vrouwen waren! Want, •—■ dat het eens gevraagd worde — hoe vele discipelinnen van

-ocr page 98-

78

Jezus zijn er onder ons volk, die trouw blijven aan Hem in dezen tijd van algemeenen afval? Helaas! ook bij de vrouwen wordt die afval hoe langer hoe algemeener, ook onder de arbeidersklassen! „De arbeidersvrouwen zijn de ergste, de dolste aanhangers der revolutionaire partijquot;; dit kan men dikwijls hooren zeggen en opmerken. Hoe groot is echter de schade, hoe donker is de toekomst, als dat zoo verder gaat, en als de vrouwen, in wier hand de opvoeding van onze kinderen, de zegen van het huishouden, en de waarborg van de Christelijke tucht en zedelijkheid grootendeels liggen , niet meer stand houden en afvallig worden, en als ook zij haar machtigen invloed gaan aanwenden tegen troon en altaar.

Lucas 24 : 13—3S.

En zie, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, dal zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaus;

En zij spraken te zamen onder elkander van al deze dingen, die er gebeurd waren.

En het geschiedde, terwijl zij te zamen spraken, en elkander ondervraagden. dat Jezus zelf bij hen kwam, en met hen ging.

En hunne oogen werden gehouden, dat zij hem niet kenden.

En hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt? en waarom ziet gij droevig?

En de een, wiens naam was Kleopas, antwoordende, zeide tot hem: Zijt gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen die in deze dagen daarin geschied zijn?

En hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot hem: De dingen aangaande Jezus den Nazarener, welke een profeet was, krachtig in werken en woorden voor God en al het volk.

En hoe onze overpriesters en oversten hem overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en hem gekruisigd hebben.

En wij hoopten, dat hij was degene, die Israël verlossen zoude. Doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag van dat deze dingen geschied zijn.

-ocr page 99-

79

Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn;

En zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen dat hij leeft.

En sommige dergenen die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het alzoo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar hem zagen zij niet.

En hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te gelooven al hetgeén de profeten gesproken hebben!

Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzoo in zijne heerlijkheid ingaan ?

En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, leide hij hun uit, in al de schriften, hetgeen van hem geschreven was.

En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toegingen; en hij hield zich alsof hij verder gaan zoude.

En zij dwongen hem, zeggende: Blijf met ons, want het is bij den avond, en de dag is gedaald. En hij ging in, om met hen te blijven.

En het geschiedde, als hij met hen aanzat, dat hij het brood nam, en het zegende, en als hij het gebroken had, gaf hij het hun.

En hunne oogen werden geopend, en zij kenden hem; en hij kwam weg uit hun gezicht.

En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als hij tot ons sprak op den weg, en als hy ons de schriften opende?

En zij, opstaande terzelfder ure, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elven samen vergaderd, en die met hen waren;

Welke zeiden: De Heer is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien.

En zij vertelden hetgeen op den weg geschied was, en hoe hij hun bekend was geworden in hel breken des broods.

„En zij spraken samen ondei\' elkander van al deze dingen.quot; Ons dagelijksch gesprek, — dat, waar wij het zoo druk over hebben, en wat ons zoo in spanning houdt, dat is: de sociale quaestie.

„En hei geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander ondervraagden, dat Jezus zelf bij hen kwam, en met hen ging. Maar hunne oogen werden gehouden, dat zij hem niet kendenquot; Zoo komt Jezus ook in deze dagen tot ons volk; maar de oogen van velen worden gehouden, dat zij Hem niet kennen. Die Emmaüsgangers hielden hem voor eenen vreemdeling; en eenen vreemdeling is Hij ook voor ons geslacht, hoewel het Hem reeds duizend jaren kent; ja, zelfs houden velen Hem voor eenen valschen profeet, die niet anders doet dan de men-schen verleiden en verderven, en van wien men zich nu eens voor goed moet afmaken. En ach! kennen Zijne eigene ge-

-ocr page 100-

80

meenten, Zijne eigene dienaars, Hem wel goed ? Is Hij voor dezen ook niet nog altijd eene vreemdeling? Wat kan dan eigenlijk van de „massaquot; verwacht worden! Menigeen noemt Hem wel Verlosser, die slechts nevelachtige voorstellingen heeft van Zijne verlossende werkzaamheid!

„En rcij hoopten, dat hij was degene, die Israel verlossen zou,quot; verlossen zou van de heerschappij der Romeinen, en die het oude koninkrijk van David weer oprichten zou in nog veel hoogere heerlijkheid, en die alle volken der aarde aan Israel onderdanig zou maken, en alzoo een rijk des vredes en der zaligheid op de aarde zou stichten. Die hoop nu is ijdel geweest. Natuurlijk, zulk een verlosser wilde Christus nooit zijn of worden. Ook in onze dagen vinden velen zich in Hem op dezelfde wijze bedrogen. „Hij heet een verlosser, en wilde de verlosser zijn: maar nu, na bijna 2000 jaren, is er nog altijd zooveel ellende op aarde, ook nog onder de Christelijke volken; wij hoopten, dat hij ons verlossen zou, maar hij doet het niet, en wij zijn nu wel wijzer geworden, om het nog langer van hem te gelooven; kom, weg met dat heele Christendom!quot; Dat is eene dwaze manier van spreken , welke zelfs vele ontwikkelden, en bovenal natuurlijk de apostelen van het ongeloof doen hooren, en waarmede zij velen verleiden. Christus is en blijft toch onze Verlosser uit jammer en ellende. Wel is waar verlost Hij ons daarvan niet op eens, niet in het oog loopend, niet met een toover-slag, niet magisch, zooals wij dat natuurlijk het liefste zouden hebben; maar Hij doet het door de oorzaak van al onze ellende weg te nemen, dat is; de zonde. Hij neemt de zonde weg. En ook dat wederom doet Hij niet magisch, met een tooverslag, als iets, waarbij wij menschen niets te doen hebben; maar Hij rekent hierbij wel zeer zeker op onze medewerking. Bij ons moet de tvil zijn om verlost te worden, anders heeft Hij er niet eens de macht toe.

In beide opzichten gelijkt Hij den geneesmeester. Immers wanneer deze eenen kranke genezen wil, die iets aan de longen mankeert, dan neemt hij niet de zieke long weg, en dan stelt hij er geene nieuwe, gezonde long voor in de plaats; maar dan schrijft hij een geneesmiddel voor, die de krankheid opheft, zoodat de long langzamerhand weer normaal wordt; en tegelijk verordent hij verder gezondheidsmaatregelen bovendien. Maar de kranke moet zijne verorde-

-ocr page 101-

81

ningen willen opvolgen; hoe bitter het drankje ook zij, hij moet het willen innemen; anders geven hem de kracht van het geneesmiddel en de kunde van den arts heelemaal niets. Op die wijze is ook Christus onze geneesmeester, onze Heiland, onze Verlosser. Hij geeft ons in Zijn Evangelie het rechte geneesmiddel, de meest heilzame voorschriften, die de strekking hebben, zelfs ook de meest wanhopige sociale nooden te heelen. Als wij tot nu toe nog niet genezen zijn, dan ligt dat niet aan Hem; het ligt veelmeer aan ons; wij hebben Zijn geneesmiddel niet willen gebruiken; Zijne voorschriften niet willen opvolgen; wij minachten Zijn Evangelie: wij doen niets, om van onze grootste gebreken, van onze zonden, af te komen; wij openen ons hart niet voor Zijn geest, voor Zijne liefde; wij laten ons niet doordringen van de nieuwe, heiligende levenskracht, die eens van Hem uitging in de wereld, en die reeds zoovele kwalen genezen heeft, en welke levenskracht nu nog alle menschen ervaren, die in Zijne gemeenschap staan, en die besloten hebben Hem na te volgen. Zijn geest alleen! En wij zullen de rechte wijsheid vinden, en de ware wetten weten te geven, en de ware hervormingen weten in te voeren; het egoïsme zullen wij weten te vermijden; de eene kwaal na de andere zal wijken: wij zullen vrij, tevreden, gelukkig, zalig worden,— door Hem! Hij is onze Verlosser, wanneer wij Hem maar onzen Verlosser willen laten zijn.

Van de discipelen heette het eens: „Zij vonden Hem niet.\'\'\'\' Later vonden zij Hem wel. Maar van vele anderen blijft het zoo hun leven lang: zij vinden Hem niet. Zal men ook eens van het geslacht van onzen tijd na honderde jaren moeten zeggen: Zij vonden en ontdekten en werkten velen dingen, maar Hem vonden zij niet, en zij vonden daarom ook geenen vrede, geen heil, geene vooruitgang; zij vonden daarom slechts eenen vreeselijken ondergang in de treurigste en bloedigste oorlogen — burgeroorlogen, zooals de wereld nooit heeft gekend?

Toen „hield hij zich, alsof hij verder gaan zou. En zij dioongen hem, zeggende: Blijf met ons, want het is bij den avond, en de dag is gedaald.quot; Hij houdt zich, alsof Hij tegenwoordig ons volk ook verlaten wil. Laten wij Hem toch recht noodigen, bijna dwingen, en zeggen: Blijf met ons! Ga niet van ons weg! Want het gaat avond worden; altijd donkerder wordt

Sociale Moraal. 0

-ocr page 102-

81

het om ons heen; en bang worden wij. Gij zijt onze eenige troost, onze vrede, onze hoop! Heere, blijt met ons!

En letten wij ten laatste nog op den merkwaardigen uitgang dier geschiedenis. „Hij nam het brood en zegende het, en als hij het gebroken had, gaf hij het hun. En hunne oogen werden geopend, en zij leenden hem.quot; Toen de Heere hun hot brood toereikte, gelijk Hij het zoovele malen, ook bij de spijziging in de woeste plaats, gedaan had, toen herkenden zij Hem. In onze dagen zien wij Zijne lichamelijke gedaante niet, terwijl Hij ons het brood toereikt; Hij doet het nu door zijne dienaren, door de Christelijke kerk, door de Christelijke overheid. Zij hebben de taak om het brood uit te reiken, en te zorgen, dat niemand buiten eigen schuld honger lijdt. En toch lijden nog vele menschen honger; en, niettegenstaande al het Christendom onder ons volk, wordt hun nog geen brood genoeg uitgereikt. Zoo behoeft het niemand te verwonderen, dat dezulken den Heere ook nog niet kennen, en dat zij, op het punt van het Christendom, kwalijk te spreken zijn. Zooals die jongeren den Heere herkenden aan het breken des broods, zoo zouden ook velen onder ons volk Hem herkennen en erkennen, en voor het Christendom gewonnen worden, als de hand der Christelijke gemeenschap, op des Heeren bevel, niet verzuimde hun het brood te brengen, en als deze niet in naam, maar in der daad en in waarheid eene Christelijke gemeenschap was, gelijk zij zijn moet.

Johannes 30:19—31.

Als het dan avond was, op denzei ven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergadeid waren om de vreeze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!

En dit gezegd hebbende, toonde hij hun zijne handen en zijne zijde. De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen.

-ocr page 103-

83

Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden! gelykerwijs de Vader mij gezonden heeft, zend ik ook ulieden.

En als hij dit gezegd had, blies hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest.

Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden.

Eu Thomas, een van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam.

De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in zijne handen niet zie het teeken der nagelen, en mijnen vinger steek in het teeken der nagelen, en steek mijne hand in zijne zijde, zoo zal ik geenzins ge-looven.

En na acht dagen waren zijne discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden!

Daarna zeide hij tot Thomas: Breng uwen vinger hier, en zie mijne handen, en breng uwe hand, en steek ze in mijne zijde; en wees niet ongeloovig, maar geloovig.

En Thomas antwoordde, en zeide tot hem: Mijn Heere en mijn God!

Jezus zeide tot hem: Omdat gij mij gezien hebt, Thomas! zoo hebt gij geloofd; zalig die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben.

Jezus dan heeft nog wol vele andere teekenen in de tegenwoordigheid zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek;

Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon Gods; en opdat gij, geloovende, het leven hebt in fijnen naam.

„Als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreeze der Joden, kwam Jezus, en stond in hel midden, en zeide tot hen: Vrede zij vlieden!quot; Een zondagavond in Jezus\' gemeenschap, en door Zijnen vredegroet gewijd! — En uwe zondagavonden, hoe is het daarmede gesteld? Hoe brengt gij hen door? Zou er wel op eenen anderen avond in de week meer gezondigd worden dan op den zondagavond? Weest blijde met de blijden! Die ijverig gewerkt heeft, moet ook zijne genoegens hebben en zijne ontspanningen; maar uw genot zij niet van zulk eene soort, dat het schaamrood uwe wangen kleurt, als Jezus binnen komt. Denkt er ook aan, dat de zondagavond in den regel zich richten zal naar den zondagmorgen, gelijk ook do zegen of de vloek voor eene geheele week weer grootendeels afhangt van de zondagsheiliging.

-ocr page 104-

84

Laten wij Zijne „discipelenquot; worden! Dan zullen wij ook „verblijd worden, als wij den Heere zien.quot; Droefheid, onrust, ellende, waar men Hem niet kent; vrede en vreugde, heil en leven, waar men Hem wel ziet. Dan zullen wij ook „den Heiligen Geest ontvangen.quot; Die discipelen hebben Hem ontvangen, en met zich mede overal in de wereld ingebracht; en steeds verder is die Geest doorgedrongen als een krachtig zuurdeeg; maar in onze dagen mag men Hem wel weer ruim baan maken, opdat Hij de overwinning behale over den reeds te machtigen geest der wereld, den geest van bijgeloof, ongeloof, zelfzucht, geldgierigheid, genotzucht, hoogmoed, liefdeloosheid, haat, leugen, huichelarij en bandeloosheid. Ontvangt den Heiligen Geest! Ach! dat ook wij Hem wilden ontvangen! Zoo zouden wij ook „zalig zijn, wij die niet gezien hebben en nochtans gelooven.quot; Het geloof, het ware geloof, dat namelijk in liefde werkende is, is immers de bron der zaligheid, der aardsche zaligheid voor menschen en volken. Zoo zullen wij ook „door het geloof het leven hebben in Zijnen naam.quot; Ja, door het geloof heeft men het leven, evenals door het ongeloof den dood en het verderf. En: „Vrede zij ulieden!quot; zal de Heere ook over ons volk uitroepen; vrede zal bij ons inkeeren, waar nu nog eene jammerlijke klove de broeders van hetzelfde volk van elkander scheidt, zooals toen Joden door Joden gehaat en vervolgd werden, toen „de discipelen vergaderd waren en de deuren gesloten waren om de vreeze der Joden.quot;

En onze Joden? Hebben ook wij grond en oorzaak om de Joden te vreezen? Als het waar is, dat de Joden den antichristelijken geest des tijds in zich hebben, den geest der zelfzucht en der hebzucht, het Mammonisme; als het waar is, dat de Joden evenmin van karakter als van ras kunnen veranderen; als het waar is, dat de Joden een staat in den staat, een volk in het volk zijn; dat het Jodendom der aarde van een centraalpunt uit bestuurd wordt, en er op uit is om de wereldheerschappij aan zich te trekken; als het waar is, dat het geld de wereld regeert, en dat de Joden door middel van het geld, en wat er mede samenhangt, door de pers, reeds het heft in handen hebben; — dan, ja dan zouden wij oorzaak te over hebben om de Joden te vreezen. Want hoe moet dan door deze macht het werk der reformatie van den Christelijken geest tegengehouden en verijdeld worden!

-ocr page 105-

85

Maar zoo hatelijk als die eenzijdige strijd tegen het Jodendom is, even dwaas en onnuttig is hij; want die antichristelijke geest vervult immers de Christelijke maatschappij niet minder in ontzettende mate. Dat mag bij den tegenwoordigen antisemitischen strijd niet zoo vergeten worden; en in woord en geschrift mag hier wel wat behoorlijker op gelet, en met nadruk op gewezen worden!

Johannes 10 :11—16.

Ik ben de goede herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.

Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen.

En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en geene zorg heeft voor de schapen.

Ik ben de goede herder; en ik ken de mijnen, en word van de mijnen gekend.

Gelijkerwijs de Vader mij kent, alzoo ken ik ook den Vader; en ik stel mijn leven voor de schapen.

Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; die moet ik ook toebrengen: en zij zullen mijne stem hoeren; en het zal worden éene kudde, en één herder.

,,11 hen de goede herder.\'\'\'\' Ons voorbeeld! En dat niet alleen van ons, leeraren, die zich naar Hem herders noemen! Neen, ook vele anderen hebben dat beeld van den goeden herder in hun leven en in hunne verhouding tot den naaste te verwerkelijken. Goede herders moeten ook de vaders en de iroeders zijn over hunne kinderen, de heeren over hunne dienstbaren, de meester over zijne leerlingen, de patroon over zijne arbeiders, de overheid over hare gemeente, de legeraanvoerders over hunne soldaten, de koningen over hun volk.

„De goede herder stelt zijn leven voor de schapen.quot; Zoo lief

-ocr page 106-

heeft hij hen. Liever geeft hij zijn leven, clan dat hij hen laat omkomen. Welnu, beproeft u zeiven, gij, dien ik daar noemde! of gij goede herders zijt, of u deze offervaardige liefde bezielt, en of ook u het welzijn uwer schapen, der u toevertrouwde menschen, boven alles ter harte gaat! Het leven voor hen op te oiferen, dat zal wel zelden gevergd worden; maar kunt gij ook wat geringere ofters voor hen brengen? Kunt gij uwe zelfzucht offeren, uwe genotzucht, heerschzucht, hoogmoed, gemakzucht, tijd en geld, wanneer het geldt om den nood uwer kudde te keeren, en hen geestelijk, zedelijk en stoffelijk hooger op te heffen? Ach! wat ontbreekt het aan zulke offervaardige liefde! Dat is ons ongeluk.

„De huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geene zorg voor de schapen.quot; Hij heeft geen hart voor hen , geene belangstelling. Hij denkt alleen aan zichzelven, aan zijn eigen voordeel en gewin. Beproeft u wederom, gij, dien ik daar straks noemde! of gij zulke huurlingen zijt! Daar zijn helaas! vele zoodanigen in allerlei ambt en beroep. Eigenbelang, hun eenige drijfveer! Wat vragen zij naar het wel en het wee van anderen, van hunne kudde, met wien geen enkele band van deelname, welwillendheid of liefde hen verbindt! Dat voelen die armen wel; en het krenkt hen, het verbittert hen! Geen wonder, dat vijandschap en ergernis en oproerige geest in steeds breedere kringen zich verbreiden! Dat maakt voor den wolf de zaak al heel gemakkelijk.

„De wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen.quot; Zietdaar het beeld van de predikers van het ongeloof, die tegenwoordig in de Christelijke gemeenschap binnendringen, de schapen grijpen, hun geestelijk leven dooden, en het heiligste hun rooven, namelijk wat het licht en de kracht van hun hart is, wat de troost en de vrede is in hun leed en hunne vreugde, in hun leven en hun sterven; die voorts de kudde verstrooien, verontrusten, in verwarring brengen, en hare eendracht en haren vrede verwoesten.

„De huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen en vliedt.quot; Eene vermaning allereerst aan Christelijke predikers en onderwijzers om dien wolf tegen te staan, die daar in de gemeente binnendringt, hem niet te overschatten, maar ook niet te onderschatten, hem goed in het oog te houden , en hem wèl

-ocr page 107-

87

te leeren kennen, opdat zij zijne aanvallen kunnen afweren en de kudde kunnun beschermen.

Eene ernstige vermaning echter ook aan hen, wien de vorming der jonge leeraars en onderwijzers toevertrouwd is, om hen niet onvoorbereid, maar wêl toegerust tot den strijd uit te zenden. Een nieuwe strijd is het, dien men vroeger niet heeft gekend. Of men bij de vorming der leeraars en onderwijzers er wel behoorlijk mede rekent? „Ziet, ik zende uquot;, spreekt de Heere, „als schapen in het midden der wolven\'\'; en Hij voegt er aan toe: „zijt dan voorzichtig gelijk de slangen en oprecht gelijk de duiven.quot; Weest daarom voorzichtig, verstandig, moedig, bekwaam in den strijd tegen de wolven! Maar dat vereischt natuurlijk langdurige oefening en onderricht. En tot dezen strijd hare discipelen te vormen en bekwaam te maken, dat is de nieuwe, noodige en heilige taak, die de tegenwoordige universiteiten en seminariën zich te stellen hebben.

Maar eene ernstige vermaning bovendien tot de kerkelijke besturen, om zoo spoedig mogelijk de kerkelijke gemeenten zich op die wijze te laten organiseeren, zooals Dr. Sdlze te Dresden, die wakkere leeraar en voorvechter van kerkelijke reformatie, in woord en geschrift onvermoeid bezig is te be-toogen. In zijn werk: De evangelische gemeente, Gotha, 1891, wil hij, dat ook op kerkelijk gebied gebroken wordt met het Manchestersche stelsel. Die groote stadgemeenten met eene telkens wisselende bevolking zijn de „ruïne voor de kerk.quot; Zij moeten in den ouden vorm ophouden te bestaan. Kleine, gemakkelijk te overziene gemeenten moeten in de stad zich vormen, ieder met niet meer dan één predikant, die voor die gemeente geheel verantwoordelijk is; de leden van zoodanige gemeente zullen zoodoende meer in verband tot elkander komen te staan; de leeraar moet bij dat werk ondersteund worden door presbyters of „oudstenquot;, van welke ieder weder zijne bijzondere wijkafdeeling bedient, terwijl zij op hunne beurt weder worden bijgestaan door zoogenaamde wijkbroeders. Op dezen moet de taak rusten om liefderijk zich te bemoeien met de armen en afgedwaalden, zonder echter daarom de taak der diaconiën over te nemen. Zij zullen op den duur al die kleinere philanthropische vereeni-gingen overbodig maken, zooals zeer te wenschen is, omdat deze in den regel zonder plan en zonder verband er maar

-ocr page 108-

op los werken. — Eene heerlijke, en waarlijk Christelijke gedachte! waaruit van zelf weer andere hervormingen zouden voortkomen. Het is beschamend, dat dit plan niet meer algemeen goedgekeurd en gevolgd is, en dat het slechts in zoo weinige gemeenten verwerkelijkt is. Als ten minste onze kerk werkelijk nog eenmaal invloed wil hebben, en tot eenig aanzien wil geraken, dan meen ik, dat dat alleen zal kunnen langs den weg, die door mannen als Sulze aangewezen is; wat er in de gemeente nog leeft, moet tot eenheid bij elkander gevoegd, georganiseerd worden; verspreidt en verstrooit de kolen van een haardvuur uiteen, en zij zullen uitdooven, en niets uitwerken; maar legt ze bijeen, op een hoop, en zij zullen licht en warmte uitstralen.

Sulze zegt zeer terecht; „De massa is begonnen zich van het gemeentelijk leven af te keeren; en alle andere organismen, die, al is het met de beste bedoeling, in de plaats van de gemeente gekomen zijn, en het werk der gemeente willen doen, kunnen toch niets anders doen, dan de massa nog verder van het gemeentelijk leven af te leiden; zij verrichten, hoe goed ook gemeend, een werk der verwoesting. Immers: iedere levensrichting wordt slechts onderhouden door datgene, waaruit zij is voortgekomen; de Christelijke levensrichting, uit de Christelijke gemeente ontstaan, kan slechts door die gemeente bestaan, en in stand gehouden worden. De gemeente is en blijft de veer in het uurwerk, waaraan alle raderen hunne beweging ontleenen; het hart, dat de voorwaarde is van den bloedsomloop in alle aderen. Op elk ander gebied van het rijke leven twijfelt geen mensch er aan, dat het leven op dat gebied alleen onderhouden kan worden door de organen, die daar juist liggen. De zorg voor binnenlandsche welvaart is de taak van het organisme, dat binnenlandsch bestuur heet. Recht en gerechtigheid worden onderhouden door een welgeordend rechtswezen; de weerbaarheid van een volk ligt in zijn sterk leger; het streven naar ontwikkeling wordt bevorderd door een degelijk schoolwezen. En het moeielijkste van alles, het werk van allen aan allen, namelijk om elkander op te voeden tot kinderen van God, — moet dat maar aan het toeval overgelaten worden? Moet dat niet volgens een plan gaan? Heeft dat geen organisme noodig, waaruit, als uit een centrum , alle arbeid in regel en orde en met een vooruitbepaald

-ocr page 109-

89

doel wordt geleid? Neen, die het daarheen brengen wil, dat de krachten, die op elk terrein van het leven liggen, gebruikt worden ten bate van het groote doel, dat God met de mensohen heeft voor de eeuwigheid, die organiseere die krachten, en stichte kerkelijke gemeenten, waarin de beteren met liefde de slechteren aantrekken, en tot zich opheffen. Daardoor wekt men bij het geheele volk het bewustzijn op, dat alles te vergeefs is, wanneer de ontwikkeling tot het kindschap van God niet de hoofdzaak is. En dit bewustzijn niet alleen, maar ook die opvoedende kracht kunnen niet opgewekt en bevorderd worden dan door de kerkelijke gemeenten alleen. Met het binnenlandsch bestuur vervalt ook de binnenlandsche welvaart ; met de scholen vervalt ook het streven naar ontwikkeling; met de armee vervalt ook de weerbaarheid des volks; en met de rechtspleging vervalt ook tegelijk het besef van recht. Natuurlijk. En alzoo sterft ook van zelf het streven om een kind van God te worden weg, wanneer de kerkelijke gemeenten verdwijnen. Het uurwerk staat stil, als de veer niet meer spant. Men mag zeggen, wat men wil, maar deze stelling staat onomstootelijk vast: het Mammonisme, het materialisme van onzen tijd, onze sooiaaldemocratie, die heele hedendaagsche strooming onder ons volk naar het dierlijke en naar het barbaarsche, — dat alles komt op rekening van ons, Christenen, die niet ter rechter tijd kerkelijke gemeenten gesticht hebben, die aanzien en macht genoeg hadden, om het tot het besef van een ieder te brengen, dat de opvoeding tot het kindschap van God het eigenlijke doel des levens is van allen.quot; Wij organiseerden het gemeentelijk leven niet; wij schiepen geen ware Christelijke gemeenten] en daarom kregen wij de sociaaldemocratische gemeenten.

„Wat is zielzorg? Zielzorg in evangelischen zin is opvoeding van het Christelijk karakter. En deze opvoeding is slechts mogelijk door voortdurende, onophoudelijke inwerking. Dat het hier met een voorbeeld duidelijk gemaakt worde, wat daartoe noodig is. Ziet, daar is een gezin, dat door luiheid en ongeregeld leven achteruitgegaan is. Nu verkeert het in nood, en het zoekt hulp. Hoe kan het geholpen worden? Die zich dat gezin gaat aantrekken, begint allereerst met de meest noodige ondersteuning. Hij begint met de woning te laten reinigen; en hij zorgt, dat de men-

-ocr page 110-

90

schen zichzelven en hun goed gaan wasschen. Hij zoekt voor den man, die het zelf niet zoeken zou, werk. Hij draagt zorg, dat die man van het verdiende loon een behoorlijk aandeel uitkeert aan de vrouw voor het huishouden. Hij houdt toezicht op het geregeld schoolgaan der kinderen, en op hun gedrag op school. Hij ziet eene ordentelijke vrouw te vinden, die hem helpen wil, om aan de huismoeder eene geregelde huishouding te leeren. Alleen door jarenlange onophoudelijke zorg en moeite is het doel te bereiken, om aan dat gezin in al zijne onderdeden een ander karakter te geven. En wat een werk is het! Want honderde gezinnen zijn er zoo in elke groote gemeente. Daar is wat stoffelijke en geestelijke nood te verhelpen! En dat zou één geestelijke kunnen klaar krijgen? Ik heb mijn eerste geestelijke ambt na een jaar opgegeven, omdat ik meende, dat ik al dien nood had te overwinnen, wat ik begreep, dat ik nooit zou kunnen. Die dezen nood kent, moet het onverantwoordelijk achten, dat verscheidene geestelijken maar de oogen toedrukken, en zeggen: „Mijne taak is te prediken; en hebben de menschen naar mijne prediking niet willen luisteren, dan moeten zij ook de gevolgen daarvan dragen.quot; Die zoo spreken zijn waarlijk geene dienaars van Hem, die het verlorene zoekt, en die aan de dubbel ellendigen ook dubbele liefde bewees. Zoo menigeen spreekt van deze dingen, zooals de blinde over de kleuren.quot;

„Alleen de liefde is in staat om de zielen tot ware Christelijke zedelijkheid op te wekken en op te bouwen. Komt nu de gemeente in die liefde de boozen te gemoet, en bemoeit zij zich met hen, dan worden zij voor het rijk van God gewonnen; anders niet. Die liefde van eene gemeente in haar geheel is heel iets anders, is nog eene geheel andere kracht dan de liefde van een enkelen leeraar. Aan de zonde geeft de mensch zich dan alleen over, wanneer hij de onvergelijkelijke, eeuwige waarde van zijn persoon vergeet. Als nu eene geheele gemeente zich bemoeit met een enkel lid, naar de grondstelling: „hetzij dat een lid lijdt, zoo lijden al de leden medequot;, dan wordt ook aan de verst afgewekenen, voor zooverre zulks door menschen geschieden kan, het goddelijke woord van Jezus tot bewustzijn gebracht: „Wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel?quot;

-ocr page 111-

91

„De enkele mensch op zich zeiven is een blad, dat gemakkelijk door den wind daarheen waait. Zwak is zijn geloof, zonder kracht. Maar in verband met de gemeente, die hem houdt en draagt, is zijn geloof een bronwel van kracht. In verband met de gemeente ervaart ieder een leven, dat de geslachten overleeft, en voor hem ook een waarborg is der eeuwigheid. In de gemeente verkrijgen de goddelijke machten, die het leven des mensohen doordringen, hare krachtigste en volste openbaring, omdat zij zich daar in hare éénheid openbaren. De Christelijke gemeenten zijn daarom, — en wie anders? — in staat, om de vergiftiging van het maatschappelijk leven door de zelfzucht, om het praktische materialisme, om het misbruik van de politieke macht tot eigen roem en om de veroveringszucht met glansrijk gevolg tegen te gaan. En omdat het rijk Gods in haar, al is het in den vorm der mensehelijke onvolkomenheid, uit haar geheele organisme te voorschijn treedt en tot openbaring komt, zooals de bloesem uit de knop, daarom zal ook door haar alle twijfel aan de mogelijkheid van een rijk Gods op aarde volkomen opgeheven worden, zooals ook alle twijfel aan de mogelijkheid van een vereenigd Duitsch keizerrijk ophield, toen het voleindigd daarstond.quot;

„Het bestaan van ons volk berust op zijn evangelisch geloof. Men zal zien dat het zoo is, als men het volk maar de gelegenheid geeft om krachtig en met daden voor dat geloof op te treden, zooals eene gemeenteorganisatie, gelijk ik die hier bepleit heb, dat mogelijk maakt. De overgang tot deze nieuwe organisatie zal misschien niet heel gemakkelijk zijn. Want veel te lang hebben wij onze gemeenteleden tot werkeloosheid in geloofszaken veroordeeld; en toen is eindelijk het evangelisch geloof hun als iets verwerpelijks gaan toeschijnen, als een juk, dat afgeschud moest worden. De evangelische kerk is veel te lang eene theologenkerk gebleven; daarom is nimmer haar inhoud van de geestdrift des volks als op vleugelen verder gedragen. Laat men eens op de verschillende terreinen van het burgerlijk leven denzelfden bestuursvorm hebben, en aan het volk geene inmenging veroorloven in de staatkunde van zijn land; en zeer spoedig zal op die manier de vaderlandsliefde vernietigd zijn. Laat men zoo ook maar de zielzorg alleen aan de theologen overlaten, en aan kerkelijk aangestelde officieele godsdienst-

-ocr page 112-

92

onderwijzers, of ook maar aan de Inwendige Zending; en men zal gansch secuur het ontwaken van het Christelijk bewustzijn en alle resultaat van de zielzorg tot eene groote onmogelijkheid maken. Ook het parochiestelsel is op zichzelf nog geene uitkomst, omdat in parochiën, wier zielental tot over de 10.000 klimt, het bewustzijn van gemeentelijke eenheid toch eene illusie blijft, en omdat zulk eene groote menschenmassa toch niet op de bovenbeschrevene paedago-gische wijs kan bearbeid worden. Zielzorg zonder voor de zielzorg ingerichte gemeenten is even onmogelijk als een familieleven zonder eene familie.quot;

„Kleine gemeenten! En hoe kleiner, hoe beter! Wat hebben in dit opzicht de kerkelijke gemeenten zich van de burgerlijke gemeenten laten beschamen! Deze laatsten hebben voor hare armenzorg de groote stad in kleine wijken ingedeeld , omdat zij wisten, dat als de armenzorg goed zou werken, zooveel mogelijk iedereen daaraan deel moest nemen. Maar dat dit nu voor de zielzorg dubbel noodzakelijk was, daar dacht men niet aan. Men droeg haar op aan kerkelijke besturen, die over 20 tot 40 duizend gemeenteleden tegelijk hunne zorg moesten laten gaan, zonder te bedenken, dat deze besturen tegenover zulken massas, wat de zielzorg betreft, een nul in \'t cijfer beteekenen.quot; *

„De Katholieken, de Joden, en de kleinere secten laten zich hun liefdewerk niet uit de handen nemen. Alleen de evangelische kerken laten zich dat uit de hand nemen. Alleen hare leden hebben zoo zeer de liefde voor eigen kerk verloren , dat zij er voor terugschrikken om der kerke te geven wat der kerke is. Zij kunnen het zeer goed aanzien, schijnt het, dat hunne kerk zwak wordt, en dat de Roomsche kerk altijd door sterker wordt. Zij ontnemen aan de eenige niet-confessioneele kerk hare kracht door niet kerkelijk, maar individueel de liefdadigheid te beoefenen, en meenen dan nog, dat de andere wel-confessioneele kerken zich op den duur niet nevens haar zullen kunnen handhaven, die natuurlijk zich steeds sterker gaan gevoelen, omdat zij weten dat eene kerk zonder kerkelijke liefdadigheid even weinig beteeke-nis heeft, als omgekeerd eene liefdadigheid zonder godsdienstige gevoelens.quot;

„Staat de groote officieele kerk de ontwikkeling van het gemeenteleven in den weg, dan zal de pessimistische be-

-ocr page 113-

93

schouwing steeds meer veld winnen , dat het Christendom en de godsdienst in het algemeen slechts te redden zijn door den val dier kerk, en door den bloei der vrije kerken. Onderwijl, laten wij den moed, of juister, het vertrouwen op God niet verliezen. Eene goed georganiseerde zielzorg en eene bediening van woord en sacramenten , naar de tegenwoordige omstandigheden geregeld, zullen met goed gevolg eene hernieuwde opwekking van het gemeenteleven kunnen te weeg brengen.quot;

Ook de predikant Jhr. von Soden legt in zijn geschrift; „En wat doet de evangelische kerk?quot; die onduldbare misstanden bloot, die in eene atomistische kerk noodzakelijk ontstaan, door een drastische schildering van de toestanden te Berlijn: „Men kan gerust zeggen, dat de meeste Berlijners niet weten tot welke kerk zij behooren. Wie van hen nog naar de kerk gaat, zoekt voor dien zondag zich een prediker uit naar zijn smaak. Hij wordt in zijne keus daarbij door niets hoogers geleid dan door de bevrediging van zijne persoonlijke eigenaardigheden; hij zoekt niet anders dan een persoonlijk genoli, al is dat genot op zich zelf van eene edele soort, en door een zedelijk doel gerechtvaardigd. En in den grond is zulk een kerkgaan naar keuze dus eigenlijk toch niet zedelijk. Heeft men genoten, dan gaat ieder zijns weegs; er wordt verder niet aan gedacht, om, waar men ontvangen heeft, op zijne beurt nu ook iets te geven; ja, dit egoïsme brengt hier en daar enghartigheid voort, geestelijken hoogmoed en sectegeest. Geen besef van gemeenschap, geen gevoel van verantwoordelij kheid, geen praktische wederdienst vormen te zamen het correctief. Dweepen met een prediker, die in de mode is, een modegodsdienst dringt in het heiligdom binnen. Die het niet houdt met den dominé, die in trek is, is maar een Christen van de tweede klasse. Komt onverwachts een ander op stoel, dan verlaten de toehoorders in massa het kerkgebouw. Heeft men daar nog reden van klagen, als het bloot geestelijk genot niet sterkt, maar integendeel blasé maakt, en als daar het woord over de hoofden heengaat, dewijl immers het gehoorde niet aanstonds praktisch wordt omgezet in daden van menschenliefde en zelfverloochening? Laat men daar niet klagen; niets is natuurlijker dan dat.quot;

„Nog ergere dingen zien wij, als er eens een dominé noodig

-ocr page 114-

94

is in de familie voor een doop, voor ecne trouwplechtigheid of voor het godsdienstonderwijs van de kinderen. Ik kies maar weer de voorbeelden uit de toestanden te Berlijn. Dat men bij zoodanige gelegenheden een geestelijke kiest, die door zijne prediking hun reeds tot een zegen geweest is, of eene aantrekking op hen uitgeoefend heeft, — dat is natuurlijk; daar is zooveel niet tegen te zeggen. Maar dikwijls kiest men voor den doop, voor het huwelijk of voor de catechisatie een predikant, dien men in de kerk nooit hoort, maar dien men toch daarvoor verlangt uit familietraditie, of om zijne voornamere maatschappelijke positie, of omdat men hem in den vorigen zomer op eene badplaats zoo aardig heeft leeren kennen, of omdat hij zoo\'n eigenaardig standpunt inneemt in den politiek. En zoo gebeurt het, dat men één dominé heeft voor de kerk, en één voor t\'huis, een kansel-orator voor \'s zondags, en een huiskapelaan voor de week. En ook dit is nog een gunstig geval. Heeft men heelemaal geen kennis aan een predikant, bezoekt men nooit de kerk, — en dat is toch bij eene verpletterende meerderheid het geval —, dan kiest men voor die bovengenoemde gelegenheden een predikant op aanbeveling van dezen of genen, op aanbeveling van een buurman of van een handelsvriend, of van de baker, of van den lijkbezorger. Welk geknoei en welke drijfveeren van eigenbelang bij deze aanbeveling van baker of koster, enz. in het spel zijn, zal ik hier maar gansch niet ophalen. „U is mij aanbevolenquot;, met die woorden begint dat soort menschen hun verzoek omtrent trouw of doopsbedie-ning. Even dikwijls doet zich het geval voor, dat bij de keuze de predikant zelf niet in aanmerking genomen wordt, maar wel de ligging van de kerk, of zij b. v. nog al in de nabijheid staat van een restaurant, en of zij zich nog al goed leent voor den gebruikelijken optocht van het bruidspaar en de familie van de consistarie naar het koor; wie of daar in die kerk den dienst verricht, doet er minder toe , maar — in die kerk zal het kind gedoopt worden, want de grootmoeder is er ook gedoopt. — Bij wien de kinderen ter catechisatie zullen gaan , is gewoonlijk eene quaestie van traditie; „mijne vrouw is eene discipelin van dominé A.; mijne kinderen zullen er ook gaan;quot; uit is de quaestie. Of het is eene quaestie van geloofsrichting; en daar is alles voor te zeggen, natuurlijk. Maar meestal beslist de lieve jeugd zelve, en

-ocr page 115-

95

dikwijls genoeg zonder dat de ouders er iets van weten, bij wien zij het onderwijs op eigen hand gezocht hebben. En de jeugd heeft eigenaardige beweegredenen bij de keus. Beweegredenen zooals: „die dominé laat niets van buiten leeren;quot; — „die is zoo streng;quot; — „bij dien zit je maar met zoo weinigen op de catechisatie;quot; — „die heeft heelemaal geene aanzienlijke kinderenquot;, spelen eene gewichtige rol, en ondermijnen reeds van te voren alle tucht. Als ik aan de kinderen, die mij komen vragen, of zij ter catechisatie mogen komen, antwoord: „Ik zou wel eens met uwe ouders willen sprekenquot;, — omdat ik dat verzoek alleen van de ouders verwacht om velerlei rederen, — dan gaan die kinderen eenvoudig naar een ander predikant. „Die kan zoo mooi inzegenen, daar huil je altijd bij,quot; is eene recommandatie van dienstbode tot dienstbode. Heeft een predikant echter bij eene begrafenis of bij eene andere gelegenheid eens een hartig woordje laten vallen, dat de conscientie raakt, dan heet het: „Dien vragen wij niet weer, hoor!quot; Gaat een weduwnaar twee maanden na den dood van zijne vrouw weer trouwen, dan wendt hij zich, welbewust van wat hij doet, tot een anderen predikant, dan die hem de eerste maal heeft getrouwd. Is er iemand gestorven, en weet dominé wat te veel van \'s mans vroeger leven af, dan gaat men naaiden jongeren collega, die er niet alles van af weet, en vraagt men hem om „een mooie lijkredequot; te willen houden. Er zijn ouders, die hunne kinderen onder de predikanten verdeelen, bij ieder één op de catechisatie; men kan best begrijpen, waarom; en vooral den nieuwe dominé loopen zij trouw na, — tot er weer een nieuwe is. De gemeenteleden hebben bij ons eene groote mate van vrijheid, en gebruiken die dan ook gaarne, om vandaag hierbij te behooren, en morgen daarbij. Maar wat moet men toch zeggen van het volgende geval: een jongen heeft zich op de catechisatie slecht gedragen, en zijn leeraar heeft daarom gezegd: „gij wordt een jaar later aangenomenquot;; doch de jongen wendt zich tot een ander leeraar, en hij wordt daar maar aanstonds er door geholpen? Als alles toch op die manier gaat, hebben dan de armen zoo groot ongelijk, als zij zes weken trouw bij een predikant ter kerke komen, om op het spreekuur \'s maandags te kunnen zeggen: „Och, help u mij eens met een kleinigheidje, u weet wel, dat ik u zoo graag hoorlquot; om, na de gave, dezelfde

-ocr page 116-

96

praktijk weer zes weken bij een ander predikant te gaan uitoefenen ? Is het niet gebeurd, dat een echtpaar zich bij twee verschillende kerkgenootschappen liet overtrouwen, om zoo dubbele ondersteuning te erlangen? Do Berlijners hebben nog altijd gaarne, dat de dominé de lijkrede houdt over een doode; en liet gold eens een zelfmoordenaar; maar de dominé bedankte; en zeide toen niet de bedienaar der begrafenis: „Geen nood! doet de een het niet, dan doet het de andere!quot;

„In welke moeielijkheden en verzoekingen echter komt de geestelijke zelf door dit systeem; vooral, wanneer hij, zooals hier te Berlijn, van zijn traktement niet leven kan en in zijn levensonderhoud zeer afhankelijk is van de zoogenaamde vrije contributies of liefdegaven! Vooreerst: wie zijn de gemeenteleden, voor wier geestelijke belangen te waken hij zich speciaal aangewezen weet\'? Hij kan den schijn hebben indringerig te wezen, en men kan hem misverstaan in zijne bedoelingen, wanneer hij juist uit ijver zich met velen gaat inlaten, van wien het niet met zekerheid te zeggen is, of zij bij hem hooren of niet. Afgezien van de armen, doet hij daarom maar het beste met te wachten, tot de menschen zich tot hem wenden; en van de armen weet hij weer niet, of deze niet reeds door de ambtsbroeders bezocht en ondersteund worden, zoodat hij in verscheidene gevallen meer kwaad kan doen dan goed. En ten slotte voelt hij noodwendig zich teruggebracht tot het vormen van eene gemeente in de gemeente, die hij langzaam, langzaam, eerst na jaren , rondom zich heen kan verzamelen. Maar bij dit systeem blijven juist die, welke zich met geen predikant in betrekking stellen, d. w. z. die het juist het meest noodig hebben, buiten alle kerkelijke opvoeding en verzorging; en dat mooie beginsel van onze groote kerk, dat elk evangelisch Christen tot eene gemeente behoort, blijkt denkbeeldig.quot;

„Waar begint voor een Berlijnsch predikant het recht om aanvragen tot doop en huwelijksinzegening en tot godsdienstonderwijs af te wijzen? Hij kan toch aan alle aanvragen daartoe niet voldoen; zij zijn overweldigend vele; de massa is te groot. En aan welke aanvragen zal hij voldoen? En welke zal hij afwijzen? Wat zal hierin voor hem een leidend beginsel wezen? Hij staat voor deze moeilijke vraag. Aan de eene zijde bedenke men, dat het onmogelijk is om 30 of 40.000 menschen tegelijk te verzorgen; aan de andere zijde

-ocr page 117-

97

bedenke men dat een predikant ook maar een gewoon menschenkind is; en men zal zich dan levendig kunnen voorstellen in welke moeilijkheden en verzoekingen hij gebracht kan worden door het bestaande ellendige systeem, of laat ik liever zeggen, gebrek aan systeem. Is het mogelijk dat een predikant, die, afgezien van catechisatiën en ander werk, dikwijls drie of vier begrafenissen per dag medemaakt, zulks met ernst en ware deelneming kan doen? Kan er, bij een getal van 500 catechisanten en meer, eene persoonlijke betrekking zich ontwikkelen tusschen den predikant en zijne leerlingen, en kan er op die wijs werkelijk vrucht van het onderwijs verwacht worden\'? Welk een indruk maakt het, als een arme jongen van den eenen dominé naar den anderen trekt met de vraag om op zijne catechisatie te mogen geplaatst worden, en als hij overal afgewezen moet worden? Welkeen indruk maakt het, als eene arme weduwe ter nauwernood een leeraar vindt, die op het kerkhof bij de begrafenis van haren man een woord komt spreken?quot;

Heeft men tegen de bovenbedoelde organisatie der gemeenten het bezwaar ingebracht, dat daartoe de noodige krachten en personen nimmer zullen gevonden worden, terecht wijst de heer von Soden dit bezwaar terug: „Dat tot de nieuwe organisatie vele personen zullen noodig zijn, dat is zoo. Maar zullen zij er niet komen? Als men het Evangelie niet langer in den weg staat, maar het zijn gang ongehinderd laat gaan, dan schept het Evangelie zijne personen. Dat is altijd eene waarheid gebleken, dat als God iemand een ambt geeft. Hij hem ook de kracht daarvoor geeft. En zou dat nu ten opzichte van de Christelijke gemeente niet waar zijn? Och! de krachten zijn er zelfs reeds. Zij hebben geslapen; maar de nood der tijden heeft haar reeds uit den slaap wakker geschud; en reeds zoeken zij naar arbeid, en zij vinden dien, zich aansluitende bij de verschillende vereenigingen. Straks zal de rechte leus al die verspreide krachten vereenigen tot georganiseerden arbeid binnen de gemeenten. En vele anderen, nu nog ledig gaande, zullen aankomen, en mede eene plaats vragen in den nieuwen werkkring. Menig man, dien wij tot nu toe over het hoofd zagen, zal blijken een talent te wezen in wijkbezoek, en bij het opsporen dergenen, die den doop, of het huwelijk, of het godsdienstonderwijs verzuimden. En ieder rechtgeaard gemeentelid zal met dank-

Sociale Moraal. y

-ocr page 118-

98

baarheid de gelegenheid aangrijpen, om zich nuttig te raaken, en ora in een georganiseerd verband met anderen voor anderen te leven.quot;

„En de predikant zelf zal, gedragen van eene gemeente, die levend en krachtig zich ontwikkelt, in zijne nieuwe taak ingroeien. Hij zal op heel andere wijze dan tot nu toe, het leven en de menschen dieper leeren kennen. Van den kansel zal hij niet meer over de hoofden heen spreken, maar hij zal, één met zijn gehoor, spreken als of zij spraken; en zijne lieden zullen naar hem luisteren, en zeggen: „Juist, dat is het wat wij zeiven voelen en willen.quot; Door den band van gemeenschappelijken arbeid en gemeenschappelijke ervaringen zullen gemeente en leeraar nauwer aan elkander verbonden worden dan ooit, en hem zal het van zelf dan ook veel meer mogelijk worden om de zielzorg met zegenrijk gevolg ter harte nemen.quot;

„Neen, dat bezwaar, dat tot de nieuwe organisatie geen personen genoeg zullen gevonden worden, geldt heelemaal niet! Alleen het kleingeloof kan zoo spreken; en zoo mag niet gesproken worden in zaken, de gemeente betreffende, want de gemeente is eene wereld, waarin het geloof alles is. Tegenover dat bezwaar beroept de Christen zich op de belofte: „Mijne genade is u genoeg, mijne kracht wordt in zwakheid volbracht.quot; Misschien is juist het kleingeloof de ergste vijand van de kerk. Omdat het den kleingeloovigen aan eenige middelen ontbreekt, waarin zij, als natuurlijke menschen vertrouwen in stellen, zijn zij spoedig versaagd en vol vreeze, en voelen zij zich in hunne pogingen verlamd. Eerst wanneer men op de vraag: „wat doet de Evangelische kerk?quot; kan antwoorden: „zij gelooft! zij gelooft in hare roeping, zij gelooft in des Heeren macht!quot; eerst dan zal het ook openbaar worden, dat het geloof een scheppend beginsel is, zoodat men spoedig nog meer en andere dingen op die vraag zal kunnen antwoorden. Misschien dat die nieuwe organisatie, die wij voorstellen, door sommigen een zeer zwak en onvoldoend middel geacht wordt, waar men nog wel een beter middel voor zou kunnen vinden! Och! dat hier het betere weer niet de vijand van het goede zij! Eén ding heeft dit middel ten minste vóór: het is uitvoerbaar. Er zijn geene hooge, onoverkomelijke geldelijke uitgaven aan verbonden, en ook geene ingrijpende nieuwe wetsver-

-ocr page 119-

99

anderingen ; alleen is tegenover de tegenwoordige onverschilligheid wat meer persoonlijke offervaardigheid noodig bij gemeente en predikanten beiden, met wat meer moedigen en trouwen arbeid bij allen, die onze kerk en ons volk liefhebben. De stem des volks die zich ontevreden van ons afkeerde, is Gods stem geweest. Van alle zijden dringt zich de vraag aan ons op: „En wat doet de Evangelische Kerk? De tijden zijn zoo veranderd! Zij kan toch op de oude manier niet doorgaan!quot; Welnu, laten wij de hand aan het werk slaan, allen, gemeenschappelijk; allen, die zich Evangelische Christenen noemen; laten wij aaneensluiting zoeken; laten wij ter zijde stellen, wat ons scheidt; om zoo de muren van Jeruzalem op te bouwen, die het heiligdom daarbinnen beschutten. Dan zal God daarbinnen ook blijven wonen; want ook van de gemeente geldt het: „Die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem.quot; Dan zal het volk, dat verstrooid is en omkomt gelijk schapen, die geen herder hebben, zich rondom die gemeente als middelpunt verzamelen , en opgebouwd worden tot een koninkrijk Gods, dat geheel iets anders is dan de toekomstige socialistische staat, en dat bestaat in gerechtigheid, vrede en vreugde in den Heiligen Geest.quot;

„En hel zal worden ééne kudde, en één herder.quot; Eéne kudde; dat wil ook de sociaaldemocratie; zij droomt van eene groote algemeene verbroedering aller menschen, van eene gelukkige gemeenschap op aarde vol vrede; maar zij wil dien éénen Herder niet; zij meent Hem niet noodig te hebben. Maar hoe zal de menschheid ooit eene kudde worden, zonder dat er een herder zij ; en hoe zal het geschieden, als Zijn geest, als Zijne liefde die gansche kudde niet vervult, in vrede verbindt en bij elkander houdt? „Zonder mij kunt gij niets doenquot;, en zult gij dat schoone doel nooit bereiken!

-ocr page 120-

100

Johannes 16 : 16—33.

Eenen kleinen tijd, en gij zult mij niet zien; en wederom eenen kleinen tijd, en gij zult mij zien; want ik ga heen tot den Vader.

Sommigen dan uit zijne discipelen zeiden tot elkander: Wat is dit dat hij tot ons zegt: Eenen kleinen tijd, en gij zult mij niet zien; en wederom eenen kleinen lijd en gij zult mij zien; en: Want ik ga heen tot den Vader?

Zij zeiden dan: Wat is dit, dat hij zegt: Eenen kleinen tijd? wij weten niet wat hij zegt.

Jezus dan erkende dat zij hem wilden vragen, en zeide tot hen: Vraagt gij daarvan onder elkander, dat ik gezegd heb: Eenen kleinen tijd, en gij zult mij niet zien; en wederom eenen kleinen tijd, en gij zult mij zien ?

Voorwaar, voorwaar ik zeg u, dat gij zult schreien, en klagelijk weenen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal tot blijdschap worden.

Eene vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zoo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mensch ter wereld geboren is.

En gij dan hebt nu wel droefheid; maar ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uwe blijdschap van u wegnemen.

En in dien dag zult gij mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar ik zeg u, al wat gij den Vader zult bidden in mijnen naam, dat zal Hij u geven.

„Uwe droefheid zal tot blijdschap ivurden.quot; Zoo luidt ook de verzekering en de belofte van de revolutieprofeten aan hunne geloovigen. Maar nimmer zullen zij in staat zijn om met hunne middelen en met hunne grondbeginselen die belofte te vervullen. Toch kunnen en moeten wij met gelijken ernst en met gelijke volharding hun verheven doel tot het onze maken: „Uwe droefheid, uwe ellende, o armen! zal tot blijdschap worden; aan uwe ontberingen, aan uw gebrek zal een einde gemaakt worden; aan de goederen en zegeningen der beschaving zult ook gij uw deel ontvangen.quot; Dit is een eisch der Christelijke liefde. En van Christelijk standpunt uit kan deze taak ook zeker vervuld worden. quot;Waarom deze taak nog zoo weinig betracht is? Wel, omdat men met het Christendom nog zoo weinig ernst gemaakt heeft. Nu begint men dit beter in te zien, en men begint gelukkig in deze richting

-ocr page 121-

101

te sturen; maar onloochenbaar heeft de socialistische beweging daar veel toe bijgedragen.

„Eene vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zoo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap dat een mensch ter wereld geboren is.quot; Onze tijd is aan die vrouw gelijk. Vreeselijke barensweeën bij de volken! Ben nieuwe toestand der dingen is in de geboorte. Ach! dat de geboorte maar niet te zwaar zij! Dat nieuwe zal te gemakkelijker komen, naarmate de geneesheer begrijpt, dat het hier eene geboorte geldt, en niet eene krankheid. Dwaze geneesheer! die de geboorte voor krankheid aanziende, haar onderdrukken wil. Mochten onze oogen het nog eens aanschouwen, dat die nieuwe toestand ter wereld geboren is! Gelukkig kunnen wij het geslacht prijzen, aan wien het nog eens gegeven zal zijn om die nieuwe wereld te aanschouwen, die nieuwe zalige maatschappelijke orde, die komen zal, en waarvan dat woord gelden zal: „Gij dan hebt nu wel droefheid, maar ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uwe blijdschap van u wegnemen?\'\'

Zal er eerst echter nog eene herhaling plaats grijpen van dat: „Eenen kleinen tijd, en gij zxdt mij niet zien; en wederom eenen kleinen tijd, en gij zidt mij zien?quot; Zullen Zijne vijanden wederom een tijd lang triomfeeren, Hem wederom kruisigen en verdrukken, en Zijne discipelen en Zijne kerk tegelijk met Hem, zoodat zij „zullen schreien en klagelijk weenen, terwijl de wereld zich zal verblijdenquot;, zoodat zij Hem niet meer zien, en het Christendom vernietigd schijnt? — Laten wij er in elk geval aan vasthouden: Wederom een kleinen tijd, en zij zullen Hem zien; Hij zal in deze wereld wederom verschijnen. Het Christendom is onuitroeibaar. „Als stervende, en ziet, wij leven.quot;

-ocr page 122-

102

Marcus 16 ; 14—30.

Daarna is hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten, en verweet hun hunne ongeloovigheid en hardigheid des harten, omdat zij niet geloofd hadden degenen die hem gezien hadden , nadat hij opgestaan was.

En hij zeide tot hen: Gaat heen in de geheele wereld, predikt het evangelie aan alle creaturen.

Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.

En degenen die geloofd zullen hebben, zullen deze teekenen volgen: in mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen z\\j spreken;

Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets doodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen opleggen, en zij zullen gezond worden.

De Heere dan, nadat hij tot hen gesproken had, is opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de rechterhand Gods.

En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heer werkte mede, en bevestigde het woord door teekenen, die daarop volgden.

„Gaat heen in de geheele wereld, predikt hel evangelie aan alle creaturen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd loorden.quot; Het zendingsbevel des Heeren. Nog altijd gaan de zendelingen de heidenwereld in; en zij prediken het Evangelie. Dit betoont zich bij allen, die geloovig worden, als een factor der beschaving van den eersten rang, zooals het zich ook bij ons eigen volk betoond heeft. Maar nu is het ontwikkelde volk, de beschaafde maatschappij er aan ontwassen; nu hebben zij het niet meer noodig; zoo denkt men dikwijls. Eene groote dwaling! Hoezeer hebben ook wij het nog altijd noodig! Ook een Goethe moest bekennen: „Laat de ontwikkeling des geestes maar voortgaan; laten de natuurwetenschappen in lengte en breedte, in hoogte en diepte zich uitbreiden ; en laat de menschelijke geest zich maar verheflen, zoo hoog hij kan: hooger dan de zedelijke beschaving van het Christendom, zooals dit in de Evangeliën schijnt en voortlicht, kunnen zij zich nooit verheffen.quot; Juist dat hoogmoedig minachten van het Evangelie, zoowel onder _ de hoogere als onder de lagere kringen, draagt in den grond geheel de schuld van de sociale ellende onzes tijds. Het

-ocr page 123-

103

geloof brengt zaligheid met zich; het ongeloof brengt verdoemenis achter zich aan; dat geldt ook voor de wereld hier beneden.

„En degenen, die geloofd zidlen hebben, zullen deze teel enen volgen: in mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken; slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets doodelijks zullen drinken, het zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen opleggen, en zij zullen gezond worden.quot; Het geloof werkt ook leniging en genezing van onze sociale krankheden en misstanden. Dat ,.het geloof, in liefde werkendequot; onder ons volk levendig worde, dan „zal het gezond worden.quot; „Alle tijdperken, waarin het geloof heerscht, zijn glansrijk, verheffend en vruchtbaar voor de tijdgenooten en voor de nakomelingschap. Alle tijdperken daarentegen, waarin het ongeloof eene beklagenswaardige zege behaalt, al schitteren zij zelfs voor een oogenblik met een valschen schijn, zijn in de geschiedenis verlorene tijdperken.quot; (Goethe).

Johannes 3 : 16—21.

Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eenig-geboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Want God heeft Zijnen Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordeelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.

Die in hem gelooft wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft is aireede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den naam des eeniggeboren Zoons van God.

En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hunne werken waren boos.

Want een iegelijk die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijne werken niet bestraft worden.

Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.

-ocr page 124-

104

..gt;1/200 lief heeft God de wereld gehad, dal Hij Zijnen eenig-gehoren Zoon gegeven heeft.quot; God heeft de wereld lief gehad; Hij heeft haar nog altijd lief, want God is de Liefde. Het is volstrekt Zijn wil niet, dat nog altijd zooveel menschen in armoede en ellende versmachten; Zijn wil is het ook niet, dat de strijd en het gevaar op maatschappelijk gebied hoe langer hoe meer een onheilspellend karakter aannemen, en op eene vreeselijke losbarsting beginnen heen te wijzen. Niemand anders dan wij zeiven hebben schuld aan al dat ongeluk. God is liefde; maar wij zijn zonder liefde; van daar alle ellende, alle ramp. Zonder liefde en — zonder geloof!

Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verdene, maar het eeuwige leven hehbe.quot; Een iegelijk, die in Hem gelooft! En dan bedenke men, hoe algemeen de afval van het geloof is in onzen tijd! Welk eene verpletterende aanklacht ligt er niet in dit woord des Heeren tegen de vertegenwoordigers van het ongeloof, die tegenwoordig zoovelen van hun gelooi afbrengen; maar tegelijk tegen de vertegenwoordigers van het bijgeloof, die zoovele anderen verhinderen, om tot het geloof te komen!

„God heeft Zijnen Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordeelen zou, maar opdat de xoereld door Hem zou behouden warden;quot; door Hem zou behouden worden, ook van armoede , honger en ellende; door Hem zou verlost worden, ook van den oorlog, en van de revolutie met al hare naam-looze ellende. Jezus Christus is de beste van alle volksvrienden. Als men het maar niet betwijfelde, en in Hem gelooven wilde! Want „wie in Hem gelooft, die wordt niet veroordeeld.quot; Hoor het, o mijn volk! Dat geldt ook u! Vreeselijke strafgerichten zult gij ontgaan, als gij in Hem gelooft!

„Dit is hel oordeel, dat hel licht in de wereld gekomen is, en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hunne werken waren boos. Want een iegelijk, die kwaad doel, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijne werken niet bestraft worden. Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.quot; Zoo schuwen ook die menschen het licht van Christus, die niets anders doen dan voor zich zeiven schatten te verzamelen , en die allen dag vroolijk en prachtig leven, terwijl

-ocr page 125-

105

zij hunne arbeiders verdrukken, en aan den nood der armen koud en harteloos voorbijgaan. Zij voelen het zeer wel, dat hunne manier van handelen, dat hun geheele karakter onchristelijk is; maar toch willen zij van Christelijke liefdadigheid , van ernstige sociale hervormingen niets weten; zij zouden liefst alles bij het oude maar laten, om in het troebel water te beter te kunnen blijven visschen. Zij hebben de duisternis liever dan het licht, want hunne werken zijn boos. — Maar evenzoo schuwen ook de revolutiepredikers het licht van Christus, zij, die de massa opruien, die de hartstochten opwekken, die aan het hart ook het laatste heiligdom ontrooven, die veel geld ten offer vragen, die zoo veel leed in de gezinnen veroorzaken, en die ons geheele volk en ons vaderland in een ontzettend gevaar wikkelen. Ook zij weten en gevoelen, dat hunne manier van handelen en hun karakter onchristelijk is; ook zij willen van geloof, liefde, boete, wedergeboorte, zedelijke vernieuwing, en van Christelijke oplossing der sociale quaestie niets weten. Zij hebben de duisternis liever dan het licht, want hunne werken zijn boos. Wel verkeeren zij in de meening, dat juist zij het licht liefhebben, en dat zij de ware vrienden des lichts zijn; en in een zeker opzicht zijn zij het, want zij brengen kritisch de zonden der heerschende klassen en de sociale gebreken van het volksleven van uit de duisternis in de stralen van het licht; maar de zonden der lagere klassen plaatsen zij niet in het volle licht, en hunne eigene zonden willen zij ook niet zien; zij houden de oogen toe, als hun het hatelijke van hun drijven en het verderfelijke van hun streven, en de eenzijdigheid van hunne eischen en de onuitvoerbaarheid van hunne beloften helder en klaar aangetoond worden; ja, zij drukken zelfs tegelijk ook aan het volk de oogen dicht, opdat het, wijs geworden, zich niet vanachter hen afkeere; boven alles hebben zij geen oog voor de be-teekenis van Christelijken godsdienstzin en zedelijkheid, en voor de diepste behoeften van het menschelijk hart en van het volksleven. Zij verkeeren werkelijk in de meening dat hunne werken goed zijn, en niet boos. En zij verrichten ook wat goeds, doordat zij verscheidene misstanden in ons volksleven helder aan iedereen doen zien, en doordat zij de aanleiding zijn, dat de hand er aan geslagen wordt tot verbetering. Maar naar den Christelijken maatstaf gemeten is

-ocr page 126-

106

het karakter van hun werken niet goed, maar boos; hunne werken zijn niet in God gedaan.

Overigens mogen ook de vertegemooordigers van het Christendom, en vooral de Kerk, bij dit woord van Christus met schaamte de oogen wel nederslaan, en zich op de borst slaan! Dat mag wel! Wij betreuren het, dat helaas! zoo weinigen zich schamen! Maar met dat al verliest dit woord niets van zijne beteekenis voor de andere lieden, waar ik van sprak. Wij hebben het allen zonder uitzondering dringend noodig, om uit de duisternis uit te gaan, aan den dienst des lichts ons te wijden, en goede werken te doen, en boete te bedrijven.

Johauues 3 :1—15.

En er was een rnensch uit de farizeëii, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden.

Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot hem: Rabbi! wij weten, dat gij zijl een leer aar van God gekomen; want niemand kan deze teekenen doen die gij doet, zoo God niet met hem is.

Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, ten zij iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien.

Nicodemus zeide tot hem: Hoe kan een mensch geboren worden oud zijnde? kan hij ook andermaal in zijner moeders schoot ingaan, en geboren worden?

Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het koninkrijk Gods niet ingaan.

Hetgeen uit het vleesch geboren is, is vleesch; en hetgeen uit den Geest geboren is, is geest.

Verwonder u niet, dat ik gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.

De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzoo is een iegelijk die uit den Geest geboren is.

-ocr page 127-

107

Nicodemus antwoordde on zeidc tot hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden ?

Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leeraar Israels, en weet gij deze dingen niet ?

Voorwaar, voorwaar zeg ik u, wij spreken wat wij weten, en getuigen wat wij gezien hebben; en gijlieden neemt onze getuigenis niet aan.

Indien ik ulieden de aardsche dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij gelooven, indien ik ulieden de hemelsche zou zeggen?

En niemand is opgevaren in den hemel, dan die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des menschen, die in den hemel is.

En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet de Zoon des menschen verhoogd worden;

Opdat een iegelijk, die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

„Er was een mensch uit de farizeën, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden; deze kwam des nachts tot Jezus.\'\'\'\' Ziedaar een vriend van Jezus, die in den Hoogen Raad zitting had, en die tot eene partij behoorde, die der schriftgeleerden, welke Jezus zeer vijandig gezind was. Ook onder de aanhangers der sociaaldemocratie, eene partij die God en Christus haat, bevindt zich nog menige Nicodemus, menig Christen, die aan zijn geloof en aan zijne kerk trouw blijft, en die dan ook voor de leiders dier partij eene ergernis is, door hen als niet vol wordt aangezien, en op dezelfde wijze behandeld wordt als Nicodemus door zijne ambtgenooten. Hij zal ook des nachts tot Jezus komen, zijne Christelijke gezindheid verborgen houden, om den spot zijner makkers niet gaande te maken en zich dien te besparen. Het is zeer wel mogelijk, dat een Christen tijdelijk sociaaldemocraat is, en dat een sociaaldemocraat een Christen is. De sociaaldemocratie behoefde niet bepaald eene goddelooze partij te zijn, zooals zij nu geworden is.

Nog menig ander mensch komt tot Jezus „des nachts,quot; d. w. z. wanneer de donkerheid van den tegenspoed hem omvangt, — terwijl hij in zijne goede dagen den Heere geheel vergat. Misschien zal dat nog eens het geval zijn met ons volk, dat nu zijn Heiland niet eert en waardeert. Ja, gewis, het zal nog wel eens tot Hem komen „des nachts,quot; als de nacht der tegenspoeden, der oorlogen en der burgeroorlogen met hunne verschrikkingen en gruwelen zich over de volken uitbreidt; als de menschen, tot waanzin gestegen,

-ocr page 128-

108

zullen toonen, waartoe zij in staat zijn; en als zij, wanneer het dier in den mensch losgelaten is, elkander zullen slachten en verscheuren als dolle wolven; dan zullen zij tot zich zeiven komen, en de zachtmoedige, liefelijke gestalte van den Heiland zal weer voor hunne oogen staan, en zij zullen erkennen, dat al dit nameloos leed aan het volk had kunnen bespaard blijven, wanneer men maar aan dien Heere getrouw was gebleven; en zij zullen tot Hem komen „des nachts,quot; en door Hem zal het dan ook wel weder licht worden. „Ik ben het licht der wereld; die mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.quot;

„Rabbi! wij toeten, dat gij zijl een leeraar, van God gekomen.\'\'\'\' Wij weten dat ook, en belijden het openlijk; maar daarom houden wij ook geen leeraar van God gekomen, wiens leeringen niet in overeenstemming zijn met die van onzen Heer en Meester, al hingen duizenden hem aan, zooals het geval is met de leiders onder de sociaaldemocraten. Hunne leeringen bevatten wel menige waarheid, bewerken ook wel iets goeds, — maar, alles bij elkaar genomen, zijn zij niet van God; zij stichten daarom meer onheil dan zegen; en zij kunnen het volk dan ook niet gelukkig maken, dat zij in hunne rede verstrikken. Hunne voornaamste fout is, dat zij niets weten, en niets willen weten van die waarheid:

„Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien.quot; Dit is eene diepzinnige, geweldige waarheid, maar die daarom juist des te minder begrepen en behartigd wordt. Gij wilt het koninkrijk Gods zien, gij wilt het koninkrijk der hemelen op aarde hebben, en gij zult het alleen zien, wanneer gij wederom geboren wordt, wanneer eene zedelijke vernieuwing in u plaats vindt; laten wij beter worden, dan zal alles dadelijk beter worden; daarbinnen in het hart moet de omkeering, de hervorming dei-maatschappij haren aanvang hebben. Dat is de grootste, de onzaligste dwaling der sociaaldemocratie, dat zij daarvan niets weten wil; de wedergeboorte eischt dan ook zelfverloochening in den zwaarsten strijd, die tegen de zonde namelijk; en veel eer dan hiervan alle heil te verwachten, verwacht en belooft zij dan ook maar alle heil van eene omverwerping der dingen en van uiterlijke veranderingen. Dit bevalt die lieden veel beter; zoo behoeven zij geen arbeid aan zich zeiven te verrichten, zoo behoeven zij niet tegen

-ocr page 129-

109

hunne lusten te strijden, en zich in te toornen; en vandaar, dat deze partij zulk een toeloop heeft! Zichzelven te overwinnen is de zwaarste overwinning! Revolutionair zijn is niet moeilijk; veel moeilijker is het om zijn volk in de wedergeboorte behulpzaam te zijn. En toch hangt alles hiervan af; en wie zijn volk liefheeft, moest in die richting medearbeiden.

Daartegen zegt nu de sociaaldemocratische partij: „Eene zedelijke wedergeboorte van het volk, en van den mensch in het bijzonder, dat willen ook wij! Maar onder de tegenwoordige troostelooze oeconomische verhoudingen is zij geheel onmogelijk, en zij zal eerst tot stand kunnen komen, wanneer de maatschappij socialistisch georganiseerd is; want de mensch, wat zijn zedelijk bestaan betreft, is eenvoudig het product van de uiterlijke, oeconomische omstandigheden , waaronder hij leeft. Daarom moeten wij eerst de socialistische gemeenschap hebben, voor er van eene zedelijke verbetering der maatschappij kan sprake zijn.quot; Waar is het, dat de uiterlijke omstandigheden niet zonder invloed zijn op de zedelijke ontwikkeling; zoo brengt b. v. groote armoede ontegenzeglijk groote zedelijke gevaren en nadeelen met zich; en spoedige, doortastende oeconomische hervormingen zullen niet mogen nagelaten worden. Maar hoe eenzijdig en verkeerd is het, om de zedelijke ontwikkeling van den mensch geheel en alleen afhankelijk te stellen van de omstandigheden en van de uiterlijke verhoudingen, waaronder hij leeft! Hoe vele armen blijven braaf en tevreden en gelukkig niettegenstaande zij arm zijn; hoe vele rijken gaan zedelijk ten onder niettegenstaande de gunstigste omstandigheden! Wat dezen ontbreekt, hebben gene; eene degelijke, zedelijke kern! Hoe veel hangt er af van de verborgene wonderlijke krachten, die in de diepten der ziel leven en werken, en die de persoonlijkheid, het karakter vormen en ontwikkelen! Neen, daar diep binnen in het hart, waar de strijd der zelfverloochening gewonnen wordt of verloren, daar wordt in den grond de zedelijkheid van een mensch bepaald, en niet daar buiten in de omstandigheden.

Fleischmann zegt: „Het is eene bekende leerstelling der materialisten, in hunne geschiedkundige boeken dikwijls ontvouwd, dat de mensch niets anders is dan een product, eene schepping der hem omringende natuur. Alleen, zoo

-ocr page 130-

110

zeggen de materialisten, alleen zijne uitwendige omstandigheden bestemmen zijn lot, zijn toestand, zijne ontwikkeling, zijne eigenschappen, zijn geluk en zijn ongeluk. Op die wijze tracht men tegenwoordig van materialistische zijde het karakter en de ontwikkeling, in één woord, de geschiedenis der volken te verklaren. De geestelijke aanleg, de wilskracht, de denkkracht, en de opwekkelijke invloed van den godsdienst vallen bij die wereldbeschouwing als factor geheel weg; want de wil en het karakter van een mensch en van een volk zijn machteloos tegenover de omstandigheden buiten hem, zooals: klimaat, ligging van het land, enz.; deze maken van hem wat zij willen; zij vormen hem, zooals men een beeld uit klei vormt. — De zaak komt ter laatster instantie neer op de vraag; Is de mensch heer over zijn lot of niet?quot;

„Wat zeggen dienaangaande de historie (geschiedenis), de ethnologie (volkenkunde) en de psychologie (zielkunde)? Deze zeggen: De mensch, — even goed als een geheel volk — is een product, samengesteld uit zijne vleeschelijke natuur en uit zijnen geest; zijne ontwikkeling ondergaat den invloed der uitwendige omstandigheden, onder welke hij leeft, maar nog veel meer den invloed van zijne individualiteit, van zijn oorspronkelijken aanleg, en van zijne wilskracht, die hij bij zijne geboorte medekrijgt, door al welke dingen hij bij gelegenheid de omstandigheden buiten hem beheer-schen zal. De mensch heeft in zekeren zin eene vrijheid om te kiezen en om te willen; hij kan de toestanden buiten zich in verhouding en in overeenstemming brengen met zijne innerlijke gegevens; zijn geluk of zijn ongeluk hangt van zijn karakter, van zijne wilsbepalingen af. Ja, men kan gerust zeggen, dat het uiterlijk onderscheid in de ontwikkeling der verschillende volken en menschen hoofdzakelijk voortspruit uit den oorspronkelijken, bij de geboorte medegekregen aanleg, en niet omgekeerd, zooals het materialisme beweert. De wereldgeschiedenis toont ons menig voorbeeld van volken, die, met een krachtigen wil begaafd, de beletselen en hinderpalen voor hunne ontwikkeling overwonnen, en zich eene schitterende stelling veroverd hebben. En het dagelijksch leven wijst het ons evenzoo aan, hoe een degelijk, energiek man zich van uit zijne armoede er boven op kan werken, om met eere zijne

-ocr page 131-

Ill

plaats onder de medeburgers in te nemen. De volkenkunde leert ons, hoe van twee naast elkander wonende volken onder dezelfde gunstige en ongunstige voorwaarden het eene volk zich tot bloei verhief, terwijl het andere ten onder ging; zij leert ons, hoe verscheidene volken onder hetzelfde klimaat, ja in hetzelfde land, toch een geheel ander karakter, eene geheel andere staatsregeling, en geheel andere vruchten der beschaving aanwijzen. De Europeaan woont sedert langen, tijd in het gebied der Noord-Amerikaansche Indianen, de Turk in het land der oude Grieken: zijn zij niet hemelsbreed van elkander onderscheiden? Nivelleeren werkelijk eenzelfde bodem en natuur de volken en menschen, al zijn zij innerlijk nog zoo verschillend van aanleg? Is de beschaving der Mohammedanen niet geheel verschillend van die der Christenen, hoewel zij reeds sedert eeuwen naast elkander wonen?quot;

„Hoe de mensch alle verhoudingen buiten zich kan regelen en ordenen, hoe hij door zijnen geest, door de macht zijner denkbeelden aan eene geheele wereld eene andere gedaante kan geven, dat wordt vooral duidelijk bewezen door de geschiedenis van het Christendom, dat door eene hem inwonende kracht uit het meest onaanzienlijke begin en onder de ongunstigste omstandigheden , zonder aanwending van geweld, tot eene wereldmacht zonder wedergade zich verhief. De strijd der eerste Christenen met Rome, de be-heerscheres der wereld, getuigt luide voor de waarheid der stelling, dat de geest sterker is dan alle uitwendig brutaal geweld. De geest des Christendoms heeft het zoo vast in elkaar gevoegde Romeinsche rijk uit elkaar doen springen. Geheel naar de plannen en naar de denkbeelden van een enkel man, die met geestdrift bezielde leerlingen inzond in het leven dier oude wereld, heeft zich uit hare puinhoopen een geheel nieuw gebouw verheven, dat, groot als het is, de gansche beschaafde wereld in zich verzamelt. Een naar verhouding klein aantal mannen kan met geloofskracht en heldenmoed een nieuwen tijd scheppen, en voor de mensche-lijke ontwikkeling de baan vrij maken. De grootste geschiedschrijver van onze eeuw. Ranke, toont dit in zijne wereldgeschiedenis onwedersprekelijk aan.quot;

„Maar bewijst ook niet de sociaaldemocratische partij zelve de waarheid van deze beschouwing ? Zij wil zich toch

-ocr page 132-

112

ook niet buigen en schikken onder de overmachtige verhoudingen en toestanden, die zij buiten haar partijverband aantreft; zij spreekt toch ook hare denkbeelden en idealen uit; zij wil toch ook de geheele maatschappij naar haar recept, dat immers ook een product van den geest is, van onderen op hervormen. Pleit dat er niet voor, dat de mensch het gevoelt, dat hij met een sterken wil zijn treurigen toestand wel meester kan worden, en dat hij naar een vast plan zijn uitwendig leven kan veranderen en heter inrichten ?quot;

„Is de mensch dus, zooals wij gezien hebben, niet een willoos product der verhoudingen om hem heen, dan is ook die andere stelling onwaar, dat men slechts de uiterlijke toestanden te veranderen heeft, om aanstonds ook de innerlijke eigenaardigheden des menschen beter te zien worden, zooals de sociaaldemocratische schrijvers beweren. Ook hier staat het, zooals ik aantoonen zal, juist andersom. Slechte omstandigheden behoeven den mensch niet slecht te maken, en goede niet goed. Integendeel. Een uitwendig gunstige toestand, overvloed en een onbezorgd leven zijn dikwijls oorzaak geweest van het verderf van geheele volken, evenals nood, strijd en harde arbeid andere volken hebben groot gemaakt. De Turken zijn onder het beste klimaat op een gezegenden bodem verarmd en achteruitgegaan, en de Brandenburgers zijn onder een ongunstig klimaat en op een slechten bodem machtig en welvarend geworden. Flinke menschen toonen hunne zedelijke grootheid het schoonste in rampen en gevaren, terwijl een slechte kerel, al veranderen zijne uitwendige omstandigheden nog zoo zeer ten zijnen gunste, daardoor alleen nog geen toonbeeld van deugd wordt, maar een slechtaard blijven zal; alleen is het mogelijk, dat zijn slechte aard zich dan op andere manier zal lucht geven. Zet een dwaas uit de herberg op den troon, ook daar zal hij een dwaas blijven.quot;

„Dit komt echter daarvandaan, — en hiermede nader ik tot de psychologische zijde van mijn betoog, — dat de fouten en gebreken van een mensch hem niet van buitenaf aangewaaid zijn; zij zijn niet maar slechte gewoonten of aanwendsels, die uit zijn ellendigen maatschappelijken toestand voortspruiten; zij zijn hem niet door de omstandigheden opgedwongen; neen, zij zijn veel meer openbaringen van eenen inwendigen aanleg, zij zijn bij de geboorte overgenomen, zij

-ocr page 133-

113

zijn van de voorvaderen overgeërfde eigenschappen. Aldus leert de Christelijke kerk; en de geheele materialistische, anthropologische en physiologische wetenschap bevestigt het. Zijne slechte eigenschappen brengt de mensch als aanleg in het leven met zich; zij ontvouwen en ontwikkelen zich, — wanneer men hem aan zichzelven overlaat, — van zelf; zij vertoonen zich naar gelang van de uitwendige omstandigheden bij den een anders dan bij den ander, maar toch altijd op verderfelijke en verwoestende wijze; en zij maken hem en anderen ongelukkig. De onmatige begeerte, de te zeer geprikkelde hartstochten, die dikwijls meer woeden en schaden dan de vreeselijkste storm, eerzucht, hoogmoed, enz., zijn in de meeste gevallen van de ouders overgeërfd, aan de natuur van het individu aangeboren eigenschappen, die, zeker! bij vorsten op andere manier zich openbaren dan bij bedelaars. Het is voornamelijk op deze waarheid, die hij overigens overdrijft, dat Ibsen zijne aangrijpende drama\'s opbouwt. De Italiaansche arts Lombroso beweert op grond van jarenlange onderzoekingen, dat van de misdaden een groot deel te zetten is op rekening van de overerving van zedelijke krankheden; de erfelijkheid van gebreken vindt hij zelfs bij de dieren een vaststaand feit. Hij is materialist, en erkent dus geen vrijen wil, en voor een ongeneeslijk zedelijk kranke weet hij geene andere plaats dan het krankzinnigengesticht. Al de onderzoekingen van materialisten op dit gebied stellen vast, dat de zedelijke hoedanigheid van den mensch geheel afhangt van zijne natuur, in dier voege dat geene omstandigheid van buiten er het geringste aan veranderen kan. De Christen heeft natuurlijk eene hiervan afwijkende meening, doordat hij gelooft aan de mogelijkheid eener bekeering bij den mensch, waardoor de erfzonden kunnen verwijderd worden. De Christen beweert, dat door eene degelijke opvoeding de slechte eigenschappen kunnen onderdrukt en opgeheven worden, en dat door de inwerking van den Geest van God eene geheele inwendige omkeering van den mensch kan plaats grijpen, waarbij de aanhoudende en ijverige zedelijke medewerking van des menschen zijde niet buitengesloten wordt. De Christen erkent de vrijheid van den wil, erkent de mogelijkheid in den mensch, om eene beslissing ten goede te nemen, en hij gelooft in de zegepraal ten laatste van het goede over het kwade bij een ieder

Sociale Moraal. 8

-ocr page 134-

114

In het bijzonder, en bij de menschheid in het algemeen. Hij sluit dus den misdadiger niet in het krankzinnigengesticht , maar in de gevangenis, om hem daar door eene voor hem geschikte behandeling, en door geestelijken invloed op verstand, wil en gevoel tot eenen anderen en beteren mensch om te vormen.quot;

Tot zooverre Pleischmann. Die lieden zeggen derhalve; Brengt de zedelijk kranke maatschappij eenvoudig in eene andere omgeving, in eene gezonde lucht; geeft haar goed voedsel, goede kleeding en eene goede woning; laat haar, van zorgen vrij , wat meer genieten van wat het hart begeert; dan zal zij spoedig genoeg aan de herstellende hand zijn, en volmaakt gezond worden. Reeds voor kranken naar het lichaam zou dat alles nog niet eens toereikende zijn. Voor menschen met eene lichte ongesteldheid zou het misschien eene goede methode van genezing zijn; maar voor lieden, die zwaar krank zijn, die den dood voor oogen hebben? Wat baten de gunstigste omgeving, de gezondste lucht, de voedzaamste en fijnste spijzen en dranken aan een zoodanige, als zijne sappen volledig bedorven, zijne organen in hunne werking geheel gestoord zijn, en als ontelbare bacillen in zijn bloed eene vreeselijke verwoesting aanrichten ? Daar kan alleen eenige genezing plaats vinden, wanneer de geneesheer de oorzaken der krankheid ook onmiddelijk tegen werkt, en wanneer hij ook van binnen het lijdende lichaam ter hulpe komt; waarbij bovenal natuurlijk de kranke zelf veel moet doen: hij heeft namelijk de artsenij aan te nemen, de voorschriften van den arts op te volgen, van veel zich te onthouden , en geduld en zelfverloochening te betrachten. Zouden dus nu, om de vergelijking over te brengen, de vele en zware zedelijke krankheden en nooden der maatschappij, zouden dus nu die zondige, zelfzuchtige, heerschzuchtige, liefdelooze, hartstochtelijke menschenharten genezen kunnen worden door eene hervorming van onze uitwendige toestanden, door eene verandering van ons staatsbestuur en van onze maatschappelijke orde, en door aan allen een onbezorgd en genotrijk leven te bezorgen? Immers niets daarvan! Hoeveel meer is hier noodig eene directe bestrijding dier inwendige kwalen door eene zorgvuldige opvoeding en — door voortdurende, ernstige zelfbeteugeling in een Christelijken zin! Daarvan echter spreekt die partij nimmer. Nergens dringt

-ocr page 135-

115

zij daarop aan, als noodig voor onzen tijd. Zij mogen zich hierin zeer verstandig vinden; maar tot iets boozers en ramp-zaligers kunnen de volksmassa\'s niet verleid worden dan door hun kreet; „Trekt de heerschappij aan u, gaat voort, gaat voort met woelen! Laat ons maar eerst de macht in handen hebben, en alles socialistisch organiseeren, dan wordt alles goed, dan krijgen wij een heerlijk leven vol vreugde, dan zullen wij vrijheid, gelijkheid en broederschap en vrede op aarde hebben!quot;

Gelooft men er dan in ernst zelf aan? Kent men dan het menschelijk hart en de menschelijke natuur zoo weinig? Willen de sociaaldemocraten de zonden van de lagere klassen niet zien, — want de liefde maakt blind, — zij zien toch in elk geval de zonden van de heerschende klassen, van die „eene groote reactionaire massa,quot; welke zonden zij zoo goed weten te hekelen. Deze ontzaglijk groote partij, deze mülioenen menschen zullen toch niet allen van de aarde verdelgd zijn, als de nieuwe socialistische maatschappij ingevoerd zal worden, maar zullen dan wel daarin opgenomen zijn: zullen deze ten gevolge van de uitwendige revolutie ook innerlijk vervormd, verbeterd en veredeld zijn? Zullen zij niet allen hunne oude zonden, zwakheden, dwalingen, gewoonten en gebreken in de nieuwe wereld met zich meedragen? Zullen deze zonden in die nieuwe wereld niet gelegenheid genoeg en overgenoeg vinden om zich te ontwikkelen, ja, zullen zij die gelegenheid zelfs niet zoeken? En dewijl nu de andere massa, die der proletariërs, hare eigenschappen van demonischen haat en van wraakzucht en vleeschelijken genotsdorst, toch ook niet aan den drempel der nieuwe gestichte maatschappij zal neerleggen, maar deze, met nog zoovele andere zonden meer, naar binnen zal mede-nemen, — zoo zullen al die zonden der twee partijen te zamen die nieuwe maatschappij wel spoedig weder ten onderste boven werpen; of die zonden zullen het niet eens zoo ver als tot de stichting der nieuwe maatschappij laten komen, of zij zullen haar in een minimum van tijd weer uit hare voegen laten uiteenvallen om nimmermeer dien val te boven te komen. De uiterlijke organisatiën mogen nog zoo goed bedoeld, en nog zoo heerlijk uitgedacht, en nog zoo kundig volvoerd zijn, maar de menschen, ach! deze menschen zullen daar lang niet rijp voor zijn, niet rijp voor zijn, noch

-ocr page 136-

116

wat hunne geestelijke, noch wat hunne zedelijke ontwikkeling betreft! Ach! die wanorde, die verwarring, die verwoesting, die oorlog van allen tegen allen, die ellende, die chaos, die de invoering der nieuwe maatschappij en haar snellen val op den voet volgen zullen, — nooit zal de aarde iets dergelijks gezien hebben! Voorwaar, men zal hartelijk terug verlangen naar de vleeschpotten van Egypte! Ellendiger toestanden zal de wereld nimmer hebben gekend! Onze eeuw zal, daarbij vergeleken, een gouden eeuw genoemd kunnen worden. En de verantwoordelijkheid daarvan durven men-schen, conscientieuse menschen op zich te nemen ? Zulk eene ramp naderbij te roepen durven mannen te ondernemen, die het volk zeggen lief te hebben en die voorgeven het te willen helpen en redden? En dat dit de loop der dingen zijn zal, willen die mannen tegenspreken, die zich nog al iets op hunne „wetenschappelijkheidquot; laten voorstaan? Ik kan er in komen, dat zij spottend de schouders ophalen, wanneer hun op dwaze manier gevraagd wordt naar bijzonderheden, kleine bijzonderheden van den toekomstigen staat; maar op de groote, kardinale vraag, waarover wij hier handelen ] mogen zij het antwoord niet schuldig blijven. Laten zij ten opzichte van de bijzonderheden in den toekomstigen staat hunne onwetendheid betuigen, over deze groote kardinale vraag kan geen strijd bestaan: daar geeft ieder verstandig en eerlijk mensch van zelf het antwoord op, en ieder verstandig en eerlijk mensch zal de zuiverheid van ons betoog moeten toegeven. Waarlijk, als wij dit bedenken, dan gaan wij onwillekeurig er aan twijfelen, oï het-wel onverstand is, die ten grond kan liggen aan zulk drijven, dat maar om eene spoedige omwenteling schreeuwt, zonder ergens de zedelijke factoren daarbij behoorlijk in rekening te brengen. Wel laten sommige leiders bij gelegenheid zich wel eens uitingen ontvallen, waaruit blijkt, dat zij de overtuiging moeten toegeven, dat er met eene snelle omwenteling op zich zelve nog niets bereikt is, en dat alles met één slag niet goed te maken is. Maar zulke uitingen worden veel te zelden, en te zacht uitgesproken; de groote massa van het goedgeloovige volk merkt daarvan zoo ongeveer niets; men laat haar ook veel te gaarne aan den waan over, dien wij hier bestrijden; en iedereen kan begrijpen waarom? Men zou spoedig te veel van zijnen invloed verliezen, wanneer

-ocr page 137-

117

men aan het volk dat lievelingsdenkbeeld, dat het zoo lang gekoesterd heeft, weder beslist ging trachten te ontnemen. Velen zouden het zich ook niet meer laten ontnemen. De „onafhankelijkenquot; en de „anarchistenquot; zouden blijven. „De geesten, die ik opriep, raak ik niet kwijt.quot;

Wat volgt nu uit onze beweringen? Tweederlei: Het is vooreerst onverantwoordelijk om eene omwenteling te doen uitbreken, omdat juist zij ons den vreeselijksten chaos zou aanbrengen, dewijl de menschen nog lang niet rijp zijn voor eene sociale gemeenschap. En bovendien is het onverantwoordelijk , om aan het volk alle heil te beloven op grond van uitwendige veranderingen, omdat ook zij ons den chaos brengen zouden, zoolang niet van te voren de inwendige ver-andering, de vernieuwing, de verbetering, de veredeling van het hart met allen ijver is ter hand genomen. Daarom moet reeds nu met dit laatste begonnen worden bij allen en in alles en in alle kringen, in plaats van die veredeling eerst in de toekomst te verwachten, wanneer de maatschappij socialistisch georganiseerd zal zijn, wat inderdaad niets anders is dan: de paarden achter den wagen spannen. Laten wij in deze richting krachtig agiteeren! Laten allen zich hiertoe aaneensluiten, die zichzelven en hun volk liefhebben! Dit sluit geenszins uit, zooals hier nogmaals met nadruk gezegd wordt, dat er een begin moet gemaakt worden met spoedige, in grijpende oeconomische en maatschappelijke hervormingen; men begrijpt, dat deze zelfs des te eerder en met des te meer ernst aangevangen en gelukkig uitgevoerd zullen worden, naarmate de Christelijke opvatting van de sociale vraag ijveriger verbreid wordt, en naarmate deze beschouwing grondiger in het hart der menschen, en vooral der jonge menschen, ingeprent wordt, zoodat er een nieuw en beter geslacht het oude opvolgt, en eene nieuwe machtige „Christelijk-socialequot; publieke opinie zich vormt, die bij de bespreking dezer vragen haar massief gewicht in de schaal werpt. Komt, helpt allen daaraan mede! Dat zou beter zijn, dan dat dolle, dwaze, verderfelijke woelen, dat de sociaaldemocraten doen. Dat geeft slechts moeite en verdriet, en in acht jaren hebben wij er zeker den hemel op aarde nog niet door.

„Dat past ons niet! Dan zouden wij lang kunnen wachten;quot; zoo zullen vele ongeduldigen altijd weder roepen; en het is

-ocr page 138-

118

weer een teeken, hoe zij in den grond misleid zijn. Hoe sneller, hoe beter! zeggen ook wij. Maar met uitwendige dwangmiddelen en maatregelen kan hier nu eenmaal niets bereikt worden; en voor hen, die het koninkrijk der hemelen met geweld willen nemen, wordt eenmaal het woord bewaarheid: Hoe langzamer, hoe beter! En evenzoo dat andere woord: Hoe minder gij wachten wilt, des te langer zult gij ten slotte moeten wachten! Nieuwe menschen, dat is het wat in de eerste plaats noodig ia! Zonder hen gaat het niet! Tenzij dat gij wederom geboren wordt, kunt gij het koninkrijk Gods niet zien, kunt gij nooit den hemel op aarde verkrijgen !

„Zijt gij een leeraar van Israël, en weet gij deze dingen nietV Weet gij niets van de wedergeboorte, verstaat gij niels daarvan, en kunt gij u daar niet in vinden? Ook wij hebben vele leeraars in Israël, vele hoogst beschaafde en geleerde mannen, die van de wedergeboorte niets weten, en de noodzakelijkheid daarvan niet erkennen; die vele middelen tot verbetering van onze toestanden noemen en aanwijzen, maar die voor dit ééne boven alles gewichtige middel geene oogen en geene ooren hebben. Zoo spreekt en verwacht men vooral veel van verlichting, van kennis. En dat is gansch zeker noodig en wenschelijk bij de massa; maar hoe dikwijls wordt daarbij vergeten, dat eene eenzijdige verstandsontwikkeling zonder vorming van het hart, van het gemoedsleven, van het karakter, eigenlijk veel meer schade dan nut doet. Welaan, dat ook wij zooals Nicodemus, van Christus willen leeren, om bij God, in Gods gemeenschap te leven, om reeds hier op aarde in den hemel te verkeeren, en om door Zijne waarheid verlicht, .door Zijn Geest geheiligd, in Zijn vrede zalig te zijn. Dan zullen ook wij roemen: „Wij hebben een wandel in de hemelen.quot; Ja, zoekt de nederdaling van het koninkrijk Gods op aarde in Christus; anders zult gij den hemel op aarde nimmer hebben.

-ocr page 139-

119

Lucas 16 : 19—31.

Er was een zeker rijk mensch, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende alle dagen vroolijk en prachtig.

En er was ook een zeker bedelaar, met name Lazarus, welke lag voor zijne poort, vol zweren,

En begeerde verzadigd te worden van de kruimkens, die van de tafel des rijken vielen; maar ook de honden kwamen en lekten zijne zweren.

En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in den schoot Abrahams.

En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijne oogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijnen schoot.

En hij riep en zeide: Vader Abraham! ontferm u mijner, en zend Lazarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water doope, en verkoele m\\jne tong; want ik lijd smarte in deze vlam.

Maar Abraham zeide: Kind! gedenk dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten.

En boven dit alles, tusschen ons en ulieden is eene groote klove gevestigd, zoodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.

En hij zeide: Ik bid u dan, vader! dat gij hem zendt tot mijns vaders huis;

Want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging.

Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten; dat ze die hooren !

En hij zeide: Neen, vader Abraham ! maar zoo iemand van de dooden tot hen heenging, zij zouden zich bekeeren.

Doch Abraham zeide tot hem; Indien zij Mozes en de profeten niet hooren, zoo zullen zij ook, al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen.

Et was een zeker rijk mensch, en icas gekleed met \'purper en zeer fijn lijnwaad, levende alle dagen vroolijk en prachtig. En er was ook een zeker bedelaar, met name Lazarus; welke lag voor zijne poort, vol zweren, en hegeerde verzadigd te worden van de kruimkens, die van de tafel des rijken vielen; maar ook de honden kwamen en lekten zijne zweren.quot; Welke schrille tegenstellingen! Gene rijk, deze arm; gene in kostbare gewaden gehuld, deze in ellendige lompen; gene allen dag vroolijk en prachtig levende, deze allen dag verdrietig en ongelukkig; gene gezond, deze krank en van pijnen gekweld; gene zwelgende

-ocr page 140-

120

aan een weelderigen maaltijd, zoo dikwijls als hij wil, deze altijd door den honger geplaagd; gene in een trotsch paleis wonende, deze dakloos nederliggende aan de deur van een vreemde onder den hlooten hemel; gene in het gezelschap van vijf broeders en lustige vrienden, deze met de honden van de straat rondom zich; gene, de heer van vele dienaars, die op zijne wenken letten, eiken dienst voor hem verrichten en alle ongemak hem besparen, deze zoo zwak en hulpeloos, dat hij niet eens in staat is om de honden af te weren, die aan zijne zweren likken, en alzoo zijne pijnen vermeerderen!

Zijn er tegenwoordig nog zulke schrille en vreeselijke tegenstellingen? Ja, helaas! nog altijd! ook nog onder ons Christelijk volk! In de groote steden kan men ze overal zien. Hier een schitterend paleis met twintig, dertig zalen, die ter beschikking staan van eene enkele kleine familie; — en daar vlak bij eene afgrijselijke kelderwoning van twee dompige, donkere benauwde vertrekken , waarin tien en meer menschen samengepakt wonen en slapen moeten. Hier een groot heerenhuis, van alle denkbare weelde overvuld; — en daarnaast een erbarmelijk dakkamertje, waar men zich niet eens de allernoodigste meubelen kan aanschaffen. Hier van dag tot dag een overvloedig aangerichte disch, waar de buik de afgod is; — en daarnaast een arm gezin, dat nauwlijks droog brood heeft. Hier zijde en fluweel, diamanten en paarlen; — en daarginds schamele lompen, die geen naaktheid bedekken. Hier een kranke in donzen kussens in eene aangenaam warme en gezonde ziekenkamer, door liefderijke ouders verpleegd, door zorgzame dienaars dag en nacht omringd, door kundige artsen behandeld, en van de beste artsenijen en versterkende middelen overvloedig voorzien; — en daarginds een\' arme Lazarus op zijn eenzaam en troosteloos leger der smarte, zonder de noodigste verpleging en versterking en verkwikking, en die wel zou kunnen gered worden en genezen, als hij maar niet een arme Lazarus was! Hier eene kerstfeestviering, waar de tafels bijna bezwijken onder den last der kostbaarste geschenken voor menschen, die er reeds te veel hebben, en die bovendien toch reeds alles bezitten, waar hun hart naar uitgaat; — en daarginds een kerstavond in de kille kamer, bij de ledige tafel, met hongerige magen en weenende oogen. Hier ouders, die hunne kinderen liefhebben, en die hun van

-ocr page 141-

121

hunnen overvloed kunnen toestaan al wat men aan kinderen mag toestaan; — en daarginds ouders, die hunne kinderen niet minder liefhebben, die hun ook wel veel goeds zouden willen doen, die ook wel alle moeite en gebrek van hun levenspad zouden willen weren, en hun eene zonnige kindschheid bereiden, maar die hen gebrek moeten laten lijden, en hen moeten zien bevriezen, en zien omkomen in de vele ellenden des levens. Hier een kind met weinige gaven, voor wiens ontwikkeling, omdat het zoo gelukkig is rijke ouders te hebben, geene sommen gelds gespaard worden ; — en daar een kind met uitnemenden aanleg, dat omdat het zoo ongelukkig is een armelui\'s kind te zijn, zijn aanleg niet ontwikkelen kan, en zijn leven lang veroordeeld is omlaag te blijven. Hier de rijke lediglooper en pleizier-maker, die jaarlijks duizenden doorbrengt zonder zorgen of nood te kennen; — en ginds een arme wever, die met vrouw en kinderen, zelfs met de kleine kinderen, van den vroegen morgen tot den laten avond zonder rust moet werken en zwoegen om het brood en de huur te kunnen betalen, en die met dat al het gebrek zich toch niet van de deur kan houden; — of een arbeider, die jaren aaneen voor een minimum van loon vlijtig heeft gewerkt, en die midden in den winter wegens stilstand van zaken van zijn baas te hooren krijgt, dat hij hem voorloopig niet gebruiken kan; die bij de groote armée van werkeloozen ingelijfd wordt, en die wel gaarne weer aan het werk zou willen gaan, wilde men hem maar hebben; bedelen en stelen wil hij niet; maar wat dan, als honger en koude gaan pijn doen, en als vrouw en kinderen, en misschien ook zieke kinderen daaronder, op brood , geld en hulp wachten? Hier een rijk man op zijn sterfbed, die, evenals gedurende zijn leven, nu ook in zijne stervensure ten minste met geene aardsche zorgen te kampen heeft, die de zijnen goed verzorgd weet, en van hen scheiden kan zonder te vreezen dat zij na zijn dood aan ellende zijn overgeleverd ; — en daarginds een arm man op het sterfbed, wien, als de verzorger van zijn gezin, het har) breekt, als hij zijne vrouw en kinderen aanziet, met de gedachte aan de naderende ellende; en wien nu de dood, evenals vroeger het leven, alsof hij op zich zelf nog niet zwaar en smartelijk genoeg was, dubbel zwaar valt door de armoede!

Zijn dat geene ten hemel schreiende tegenstellingen onder

-ocr page 142-

122

een volk, dat reeds negentien eeuwen zich naar den naam van Christus noemt? Er moeten rijken en armen zijn, zegt de Spreukendichter; zij mogen er zijn, zij kunnen er zijn, zij zullen er ook zijn, zoolang er menschen op de aarde wonen; maar zulke vreeselijke tegenstellingen, zulke kloven, zulke afstanden — neen, die heeft de Heere niet gemaakt (gebruikt den naam des Heeren niet ijdellijk!). Er openbaart zich veeleer eene ongerechtigheid in deze verhoudingen, waar niemand meer de oogen voor sluiten moest, welke niemand meer den moed moest hebben te loochenen, en waar allen de hand toe moesten leeneu om haar te verbeteren. Zooals het tot nu toe was, zoo kan niet niet blijven; en zooals de revolutiepartij het wil, zoo mag het niet worden; en zoo komt het ook hier er op aan om den gulden middelweg te vinden en te bewandelen.

Een Christelijke geest, eene sociale gezindheid zal deze taak kunnen aanvaarden en gelukkig volvoeren, en zal zich ook tot die offers kunnen vinden, welke het algemeen welzijn vereischen. Het lichaam onzes volks is krank, zeer krank, en biedt een treurigen aanblik. Sommige ledematen er van zijn overmatig sterk ontwikkeld, andere ledematen er van lijden aan uittering en verschrompelen; de bloedsomloop is gestoord. De toevloeing van sappen, de gelijke voeding van het geheel moeten geheel anders geregeld worden. Als één lid lijdt, lijden alle leden mede; wanneer vele leden lijden, aangetast zijn en versterven, dan is het geheele lichaam in het grootste gevaar; ook die overmatig sterke ledematen zullen dan niet verschoond blijven, ja, zij juist zullen de felste pijnen te verduren hebben, en haar het meest gevoelen. Het is gelukkig nog tijd om alles te voorkomen! Maar dan ook weg met alle egoisme, dat alleen zichzelf kent en lief heeft; dat steeds vergeet, dat elk individu niet meer is dan een lid van het groote lichaam des volks, dat in alle deelen gezond moet zijn, zal niet de krankheid van enkele leden langzamerhand het geheele lichaam verwoesten.

Lazarus was arm en krank. Twee van de grootste rampen tegelijkertijd! Elke er van op zich zelve zou reeds erg genoeg zijn geweest! Maar die twee zijn aan elkander zoo verwant; zij gaan altijd samen; de eene is de bron van de andere. Armoede brengt zoo menige krankheid voort. Slechte voeding, schamele kleeding, ongezonde

-ocr page 143-

123

woningen, onrein werk, een beroep vol gevaar — dat alles is oorzaak van de eene krankheid na de andere, waar de rijkeren van verschoond blijven, of ten minste zoo groot gevaar niet voor loopen. Armoede houdt ook de krankheid slepende; want de arme mist de versterkende middelen; hij kan zich niet zoo ontzien; hij heeft de zorgzame verpleging niet, die noodig is; de dokter en de geneesmiddelen zijn zoo duur, om van eene badkuur of van een verblijf op het land niet te spreken. Zoo kwijnen velen weg, die anders wel in het leven zouden gebleven zijn. — Maar ook omgekeerd is krankheid dikwijls de oorzaak van armoede. Gezondheid is de grootste schat van den arme. Als hij maar gezond is! Dan wil hij wel werken, al mag het hem zwaar vallen, al verdient hij het meeste er niet bij, al moet hij zich zuinig behelpen. Als hij maar gezond is! Maar krankheid is voor zijn huis en voor zijne huishouding eene ware ruine! Geprezen zij elke nieuwe verzekeringswet! Mogen die wetten weldra in al hare vertakkingen ingesteld en uitgevoerd zijn! Zoovele arbeiders loopen, helaas! nog rond zonder verzekerd te zijn tegen ongelukken, ziekte of ouden dag! Menig krankbed is er, waar het lijden, of? zich zelf reeds zoo groot, nog vreeselijk verzwaard wordt door de armoede. Arm en krank! Neem de oorzaken der armoede weg, en de krankheden zullen minder talrijk zijn, met al de overige ellende, die zij achter zich aan slepen.

Lazarus begeerde verzadigd te worden van de kruim-kens, die van de tafel des rijken vielen. Zou hij de kruimkens gekregen hebben\'? Zou de rijke weldadigheid aan hem gedaan hebben? De Heere zegt er geen woord van; dit stilzwijgen is welsprekend genoeg, en wil ons leeren: dat de rijke niets deed voor dezen armen kranke, ten minste niets, wat noemenswaard was. Wanneer hij uitging of te huis kwam, kon die jammerlijke gedaante niet voor zijn aanblik verborgen blijven, maar hij zag haar, en zag haar ook niet; zonder deelneming ging hij aan haar voorbij. Op deze manier komt men gemakkelijk van de bedelaars af; bemerken zij, dat er niets voor hen te halen is, dan komen zij niet terug, en zij gaan aankloppen bij andere deuren. Misschien dat er onder de andere bewoners van dat huis eene meewarige ziel was, die tusschenbeide aan den arme kranke eenige brokken toewierp, en dat hij daarom altijd weer zich naar

-ocr page 144-

124

die poort liet heendragen; maar dan was de rijke zelf nog altijd de helper niet; neen, hij deed persoonlijk niets.

Van vele rijken in onze dagen zal hetzelfde kunnen gezegd worden; zij wonen in het aanzienlijke gedeelte der stad, ver van het toneel der armoede verwijderd en geïsoleerd; in hunne buurt staan geene armoedige huizen; nauwlijks waagt zich een arme in hunne buurt; hoe zal hij het ook wagen, om den tuin binnen te gaan door de hooge poort, en langs die bloemperken heen te gaan, en die aangelegde terrassen te bestijgen, en die schitterende vestibule binnen te treden, om daar dien gegaloneerden portier aan te spreken, die zoo voornaam en uit de hoogte hem aanhoort, wiens onwil hij vreest gaande te maken met zijne armoedige verschijning, die in deze omgeving niet past, en wien hij het nauwlijks durft zeggen, dat hij om hulp komt, en een oogenblik gehoor vraagt bij zijnen heer, den HoogWelGeborene? Hij heeft er geen moed toe; hij kan het niet over zich verkrijgen; neen, hij behoort niet op deze plaats, de afstand is te ver, te groot; hij zal zijne ellende maar weer verder met zich mededragen, en van deze zijde geene hulp vragen of verwachten. — Daarginds op de straten der stad: hetzelfde toneel. Daar zit een blinde aan den weg, bedelende; daar staat op den hoek eene vrouw met een kind in den arm, beide in lompen gehuld, en onbeschut tegen de sneeuw, die neervalt met dichte vlokken, de voorbijgangers met smeekenden blik aanziende. Hoe menige rijke ziet hen, of ziet hen ook niet; het is een onaangenaam gezicht voor hem, die er niet aan gewoon is, die dagelijks zoo gansch andere men-schen ziet, en met zoo gansch andere menschen verkeert. Laat iedereen maar zien, hoe hij terecht komt! Laat de gemeente hare armen toch verzorgen! Laten anderen hun een aalmoes toewerpen! Zal hij het doen? Zal hij blijven staan, in den zak tasten, in aanraking komen met zulke personen, om hunnentwil zich in allerlei moeilijkheden wikkelen, en voor de oogen der andere voorbijgangers den liefdadige uithangen? „Laat de dooden hunne dooden begraven!quot; Laat „het volkquot; zijne armen gedenken! Van ons verwacht men het bovendien niet eens! Op collectelij sten te teekenen, lid te zijn van allerlei liefdadigheidscomités, concerten en bals en bazars voor een goed doel te organi-seeren en bij te wonen, — ja, dat komt ons toe, daar mag

-ocr page 145-

125

ons soort niet ontbreken; dat is onze manier van weldoen; en voor het overige moet men ons ongemoeid laten.quot; Denken vele aanzienlijken niet in dezer voege, al zijn er daartegenover gelukkig ook anderen, die, zoo rijk zij zijn aan geld, niet minder rijk zijn in medelijdend gevoel en hulpvaardige liefde? — En dan de armoede binnenshuis: die verborgene armoede in de kelders, huurkazernes, hofjes en stegen, in de armenwijken! Wie zijn het, die lust gevoelen om haar te leeren kennen, om er zich in te begeven, om den geweldigen indruk er van niet van zich te weren, en om den vreeselijken toestand dezer armen te vergelijken met de overdadige weelde in eigen huis, zoo dat men tot de overtuiging komt: „Neen, dat is niet meer een menschwaardig bestaan, dat roept ten hemel, dat is niet langer te verdragen, daar moet wat aan gedaan, daar moet veel aan gedaan worden?quot; Wie zijn het, die lust gevoelen, om dan hart en hand open te doen, om dan bij de betrokken autoriteiten allen invloed te laten gelden, om in het openbaar deze vreeselijke toestanden ter kennis van het algemeen te brengen, en op spoedige, afdoende hulp aan te dringen? Wie zijn het, die lust gevoelen huisbezoek te doen bij zulke armen en kranken, om persoonlijk door eigen aanschouwing zich van hun lot op de hoogte te stellen, en dan krachtig op te treden met den moed der verontwaardiging en het vuur der broederlijke liefde? Wie zijn het, die lust hebben, om zich zoo diep tot de armen af te laten, om de armoede in haar eigen, somber hol op te zoeken, waar zij zich eerst recht in hare geheele ellen ■ dige naaktheid laat zien, en waar men alleen grondige studie van het armwezen maken kan, die toch gemaakt moet worden, om rechtvaardig over de armen te kunnen oordeelen; want hoe zal men hen helpen, hoe zal men bereidwillig worden om hen te helpen, wanneer men hunne ellende in hare gansche diepte en breedte niet eens kent, en wanneer men nog nooit onder den indruk er van is ontroerd?

Zoo leven velen in eene hoogere sfeer, waar men de armoede niet kent dan alleen van hooren zeggen, en waar de nooden en klachten en kreten niet doordringen. En wat daar natuurlijk het gevolg van is? Het orgaan voor medegevoel, voor medelijden ontwikkelt niet, maar verschrompelt en versterft bij hen, evenals elk ander orgaan, dat werkeloos blijft. Die het krachtigst konden helpen, helpen het minst. —

-ocr page 146-

126

Zoo gaat het, evenals in die gelijkenis van den Heers Jezus, nog alle dagen.

Dat zijn echter de slechtsten nog niet, die dien rijken man uit de gelijkenis gelijken. De arme Lazarus zal nog wel heel andere rijken hebben leeren kennen. Deze liet hem ten minste met rust, deed hem wel geen goed, maar ook geen kwaad, sehold hem niet, vloekte hem niet; joeg hem niet van zijne deur, liet hem niet door zijne dienaars op straat gooien, en dreigde hem niet, nog heel anders met hem te zullen handelen, als hij zich nog eens liet zien. Zulke rijken heeft Lazarus misschien ook ontmoet, gelijk er heden ten dage nog voorkomen. Wat moeten de armen zich soms al laten gezeggen en aandoen! Wat worden zij soms onrechtvaardig, wantrouwend en liefdeloos beoordeeld! Wat meet men dikwijls rijk en arm met eene verschillende maat! Wij zouden immers geene sociale vraag hebben, als het zoo niet was. Wij zijn er immers nog zoo ver van daan, dat dat eenvoudige, maar diepe en alles omvattende gebod van onzen Heer en Meester in volle praktijk is gebracht: „Alles wat gij wilt dat de menschen u doen, doet gij hun desgelijks;quot; doet dus ook den armen desgelijks; die zijn er niet buitengesloten ; dat is de wet en de profeten; daar ligt de oplossing der sociale vragen. Uitwendige gelijkmakerij helpt nog niets, al was gelijkstelling zelfs mogelijk; neen, maak liever waarlijk ernst met dat oude en toch eeuwig nieuwe: „Heb uwen naaste lief als uzelvenverplaats u levendig in den toestand dier ongelukkigen; stel het u voor, dat gij die arme zijt, die kranke, die arbeider, die proletariër, en wat gij gevoelen zoudt, als dat alles eens het uwe was, wat nu het zijne is; als dat eens uwe dagtaak was, uw levensloop, uw huis; als dat eens uwe vrouw, uwe kinderen waren; als dat eens uwe zorgen, uwe smarten, uwe tegenspoeden, uwe aanvechtingen waren; en als dat eens uwe vermaken, uw denken, uw gevoelen en uw hopen moest zijn, —- denk het u in, met medelijden en diepe verontwaardiging; — o! eene geheele nieuwe wereld zou voor u bloot liggen! Als gij maar eenige moeite wildet doen, om met geheel andere oogen dan tot nu toe de wereld, de menschen, de standen, uzelven, en de maatschappij aan te zien en te beoordeelen, de overtuiging zou zich wel bij u vastzetten: „Daar moet zeer veel heel anders worden, dan het nu is!quot; Gij zoudt bovenal uw eigen

-ocr page 147-

127

rijkdom met gansch andere gedachten en gevoelens dan tot nu toe leeren beschouwen; gij zoudt niet meer zoo vroolijk genieten, niet meer zoo zelfvergenoegd met een slapend geweten zwelgen en feest vieren; gij zoudt geen rechten schik meer kunnen hebben in uwen Mammon, in uwe weelde, en er u haast over beginnen te schamen, vooral als de gedachte zich telkens bij u opdringt, hoe rijk uwe inkomsten zijn vergeleken bij het loon, dat gii uwen arbeiders uitkeert; hoe prachtig gij woont, vergeleken bij die armen, die in de ellendigste krotten huizen, of die dakloos zijn; hoe kostbaar uwe kleeding is, vergeleken bij die armzalige vodden en lompen, welke uwe ongelukkige broeders en zusters dragen; hoe weelderig uwe maaltijden zijn, vergeleken bij de sobere of ledige tafel van uwe hongerige medemenschen. Maar wat gij aan wereldsche vreugde verliest, zoudt gij aan medelijden winnen, aan medegevoel, aap zedelijke kracht en zedelijke vreugde; en er zou volharding komen in uw lust om voortaan voor uwe broeders op te komen en aan de sociale reformatie mede te werken. Een kind der wereld zoudt gij steeds minder zijn, maar te meer een kind Gods, te meer een Christen, een discipel van Jezus, die ook als een barmhartige het land rondging goed doende; waarvan gij uzelven speent, dat zou aan God gegeven zijn en aan uwen naaste.

Maar van dat alles voelde of deed die rijke niets; wel zag hij allen dag dien armen lijder voor zijne deur liggen, maar hij bleef die hij was; voor hem was die ongelukkige geene prediking. Ja, maar wat had de rijke hem ook moeten doen? Hem de broodkruimels geven, of nog meer dan alleen de kruimkens? Maar dan hadden zij hem den man morgen natuurlijk weer gebracht, en zoo allen dag, en dan zou er in weinige dagen eene geheele schare van zulke ellendigen aan de deur geweest zijn, en die kon hij toch niet allen en eiken dag spijzigen? En waarom moest hij dat juist doen? Er waren nog zoovele anderen in de stad, die ook heel wat konden doen, als zij maar wilden; waarom zou hij den last geheel alleen moeten dragen? Ook zou het er niet bij blijven, bij het voeden alleen; dat kon hij zich wel verzekeren; want de kranke had ook geneeskundige hulp noodig, en al die andere armen hadden het niet minder noodig, daar waren ook zoovele kranken onder; moest hij ten slotte hen allen ook nog in zijn huis opnemen en er een hospitaal van

-ocr page 148-

128

maken? Of moest hij hen allen op- zijne kosten in hunne eigene woning laten verplegen of in het stadsziekenhuis, of moest hij misschien ook nog wel een nieuw ziekenhuis voor hen laten bouwen? En de andere rijken? Die zeker niets doen? En hij alles? Neen! dat zou eene liefdadigheid geweest zijn zonder plan of regel, vol willekeur, toeval en onrechtvaardigheid; dat zou gansch niet aan te bevelen zijn; het zou ook niet door te voeren zijn.

En Lazarus? Hij lag onderwijl voor de deur van den rijke; hij was door de zijnen daar neder gelegd, als een last, dien zij zeiven niet langer in staat waren te dragen, als een ding, waarvan men niet meer weet, wat men er mede doen moet; des avonds werd hij altijd wel weer t\'huis gehaald, als hij ten minste nog een t\'huis gehad heeft, en dus niet veroordeeld was om den nacht onder de sterren door te brengen; en zoo ging het van dag tot dag, dan voor deze, dan voor eene andere deur. Zijne betrekkingen zouden wel blij geweest zijn, als zij hem uit eigen middelen te huis hadden kunnen verzorgen en verplegen; maar aan hen lag het niet! Voor zijn pleizier deed hij het niet, om daar voor de deur des rijken mans neder te liggen, en om daar allerlei spot en hardheid te verdragen, en om daar de honden te moeten laten begaan, die zijne zweren lekten, en zijne kwellingen en smarten vergrootten. Ik zeg dit, omdat sommige rijken meenen, dat er geen bedelaar is, of hij is het voor zijn pleizier. En als hij daar nu geene kruimkens ontving? En als hij daar nu zelfs bij geen der dienstbaren eenig medelijden ontmoette? Of, als hij ook al heden eenig brood kreeg, als hij het dan weder dagen lang niet kreeg? Dan, dan kon hij langzamerhand verhongeren. Ach! dat is een treurig lot, van de weldadigheid van menschen geheel afhankelijk te zijn, en van de genade van menschen te moeten leven. En wat hielpen hem de kruimkens brood? Wenschte hij niet om ook gezond te worden? Behoefde hij niet eene geheel andere en afdoende hulp? Zoo het vreemd zijn, als de gerechtvaardigde wensch in hem opkwam, waar hij reeds zoolang, zijn leven lang, het juk der armoede gedragen had, om eenmaal ook van dat juk verlost te wezen, en om ook eens goede dagen te beleven, zooals anderen van de geboorte af hadden gekend ? Had hij, die arm was en krank, geen

-ocr page 149-

129

aanspraak op dubbele deelname, medelijden en welwillende hulp ?

Wanneer aan uw lichaam een lid krank is, dan draagt gij voor dat lid dubbele zorg. Wanneer gij een kranken zwaar-beproefden broeder te huis hebt liggen, dan is uwe deelnoming en belangstellende zorg voor hem eens zoo groot als voor de gezonde leden van uw gezin. Ja, hier hebben wij het: het bewustzijn ontbreekt bij ons, dat wij allen leden zijn van één groot lichaam, dat wij allen broeders zijn, van één gezin. Ware dat bewustzijn levendig bij ons, dan zouden wij het niet kunnen aanzien, hoe zoovelen uit ons eigen volk lijden; en dan zouden wij meer gemeenschappelijk er voor zorgen, dat de Lazarusgestalten niet meer onder ons volk gezien werden, dat niemand meer van de genade van anderen behoefde te leven, en dat ieder mensch en ieder gezin hun toereikend brood hadden; wij zouden er meer gemeenschappelijk voor zorgen, dat allen in tijden van ziekte hunne geneeskundige verpleging hadden, in welke tijden hunne zorgen zooveel zwaarder zijn dan in gezonde dagen; wij zouden ziekenhuizen in voldoend aantal en in den besten staat oprichten, om in bijzondere gevallen de zieken op te nemen; want in den regel moet do eigen woning en de kring der familie de plaats zijn, waar de zieke dient verpleegd te worden.

„En het geschudde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in den schoot van Abraham. En de rijke stierf ook en werd hegravenquot;, n. 1. begraven met grooten ophef en met praal, terwijl de arme werd uitgedragen in de ruwe doodkist, zonder floers, en zonder kransen, en zonder gevolg, van niemand opgemerkt of betreurd, waarom de Heere van zijne begrafenis ook met geen enkel woord melding maakt. Wel zegt het spreekwoord: „In den dood zijn alle menschen gelijkquot;; en toch komt het verschil in stand, en de tegenstelling tusschen rijk en arm vooral juist bij de begrafenis sterk uit. Het is ook nog in eene [andere beteekenis, dat dit spreekwoord blijkt onjuist te zijn. De arme werd gedragen van de engelen in den schoot van Abraham. En de rijke?

„En als hij in de hel zijne oogen ophief, zijnde in de pijn.quot; Hoe ongelijk was hun lot aan gene zijde! Zij hebben de rollen verwisseld, gelijk Abraham spreekt: „Kind! gedenk,

Sociale Moraal. y

-ocr page 150-

130

dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks hel kwade; en nu wordt hij vertroost en gij lijdt smarten.quot; Een woord, dat de arme menschen zeker aangenaam in de ooren klinkt, maar dat dikwijls door hen misbruikt wordt. „Ha!quot; zoo roepen zij met eene zekere vreugde over het leed van anderen, half in ernst, en half met spot, „ziet gij , wat u wacht, gij rijken? Wat zal het ons eene voldoening zijn u in de hel te zien branden, terwijl wij het goed hebben!\'\' Vreeselijk lichtzinnige spotternij! IJdele dwaasheid! Alsof de rijken, omdat zij rijk zijn, de verdoemenis, en de armen, omdat zij arm zijn, de zaligheid te wachten hebben! Dat hangt van den inw.endigen mensoh af. Van den rijke hoorden wij het immers, dat hij geene barmhartigheid had, dat hij den naaste niet liefhad. Hem ontbrak vroomheid: de liefde tot God. Dat blijkt uit zijn gezegde aangaande zijne vijf broeders, wier geestverwant hij was geweest, en die, zooals hij toestemt, tot op dien tijd nog geene boete gedaan, en Mozes en de profeten, Gods woord en Gods wil veracht hadden. Lazarus daarentegen is zeker een stille geduldige lijder geweest. De Heere zegt ons van zijn karakter wel niets bijzonders, maar Hij noemt zijnen naam, terwijl Hij den naam des rijken niet noemt, en overigens in geene enkele zijner gelijkenissen aan iemand een naam geeft. Lazarus, zoo noemt de Heere hem, met eene beteeke-nisvolle strekking; want Lazarus beteekent; God is mijn helper. Daarmede is het karakter van dezen arme genoegzaam aangeduid. En met zulk een enkelen trek, wel in het voorbijgaan, maar toch opzettelijk gezegd, laat de Heere ook bij deze beiden, een rijke en een arme, het aan Zijne hoorders voelen, wat de voorwaarden zijn der zaligheid hiernamaals.

„En nu wordt hij getroost.quot; Laten wij echter voorzichtig zijn met dat troosten der armen, met hen te vertroosten door het vooruitzicht op den hemel! Vooral uit den mond der rijken klinkt dat voor de armen spoedig als eene huichelarij of als een wreede spot; en vooral in een tijd als de onze wekt het spoedig onwil en verbittering. Met deze manier van troosten gaat het menigmaal zooals met die gebruikelijke spreekwijzen: „Het was Gods wil!quot; „Dat was de wil des Heeren!quot; „Wat God doet, dat is welgedaan!quot; „Wat God ons toezendt, moeten wij dragen!quot; Hoe dikwijls worden

-ocr page 151-

131

die woorden misbruikt, en voor de armen is het dan om er woedend bij te worden. Hoe veel ellende, die hen drukt, komt immers niet van God, maar van de menschen, en is het gevolg van zelfzucht, hebzucht, uitzuiging, heerschzucht, onrechtvaardigheid en liefdeloosheid der rijkeren, evenzeer als die ellende dikwijls ook op rekening van hunne eigene zwakheid en zonde te zetten is, in welk geval de rijken het zeer duidelijk inzien, en niet nalaten het hun scherpelijk voor te houden. Denk eens goed na, telkens als u in het dagelijksoh leven eene of andere ramp in het oog valt, of zij in den regel niet het gevolg is van mensehelijke zonde, en of zij niet verhoed zou zijn, wanneer de zonde niet zulk eene vreeselijke macht onder ons was! En dan zult gij ook wel voorzichtiger worden met dat: „God heeft het zoo gewild;quot; en gij zult een nieuw inzicht krijgen in de beteekenis van het derde gebod, en in de heiliging van den naam Gods eene groote vordering maken.

„En gij lijdt smarten.quot; Gij rijken, gij machtigen, gij grooten der aarde, die van het Christelijk geloof nog niet afvallig zijt geworden! staat voor deze woorden nadenkend stil, en beproeft uzelven ernstig! Hoe veel, dat ontzaglijk ernstig en beslissend is voor tijd en eeuwigheid, heeft deze gelijkenis juist voor ulieden te zeggen! En denkt evenzoo na over dat andere woord: „En boven dit alles, tusschen ons en ulieden is eene groote klove gevestigd, zoodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tol ons overkomen.quot;

Tusschen ons en ulieden is eene groote klove, — maar zoo spreken ook de niet-bezitters tegen de bezitters; en inderdaad bestaat er ook eene groote, eene ontzaglijk breede en diepe klove tusschen rijk en arm, die het meest onbe-driegelijke teeken is van de ongezonde sociale ontwikkeling en van de onhoudbaarheid der bestaande verhoudingen. De sociaaldemocratie helt over tot de bewering, dat over deze klove geene brug meer te slaan is met goedvinden van beide partijen; de sociale quaestie is langs vreedzamen weg niet meer op te lossen; de zelfzucht der bezitters is hun te machtig, zoodat er van hen niets te verwachten is. Dat mag nu van vele rijken gelden, maar niet van alle rijken; feiten zouden dit kunnen staven, en evenzoo de geschiedenis der arbeidersbeweging in andere landen. Het is geheel van

-ocr page 152-

132

grond ontliloot om tc spreken van eene groote reactionaire partij, deze bestaat eenvoudig niet; integendeel zijn er velen druk bezig om met verstand en met kennis van zaken en met alle belangstelling in het welzijn der arbeiders de behulpzame hand te bieden bij het slaan van de brug over die groote klove, en op die wijze den socialen vrede voor te bereiden. De voornaamste eisch hiertoe is evenwel: offervaardige liefde, eene zoodanige deugd als die Eomeinsche jongeling betoonde, toen midden in Rome op de markt plotseling eene aardscheur ontstaan was van onmetelijke diepte; de waarzeggers hadden gezegd dat dit een dreigend gevaar voor den staat beduidde, en dat die scheur dan alleen zou sluiten, wanneer het beste, dat Rome bezat, er in geworpen werd; met den kreet: „Niets beters heeft Rome, dan wapenen en heldenmoed!quot; besteeg de jongeling in volle wapenrusting zijn ros, en stortte hij zich in den afgrond, waarop deze zich sloot. De voorwaarde tot offervaardige liefde is echter alweer de gemoedsverandering of bekeering, waaraan ook de rijke, in de pijn zijnde, ten slotte dacht, toen hij aangaande zijne broeders zeide, die nog op de aarde waren: „Zuo iemand van de dooden tot hen ging, zij zouden zich hekeerenquot;, die broeders, voor wien hij Abraham had gesmeekt: „Ik bid u dan, vader! dat gij hem zendt tot mijns vaders huis, want ik heb vijf broeders, dat hij hun dit hetuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der jnjniging.quot;

Eene merkwaardige, beteekenisvolle uitspraak! Eerst bidt hij voor zichzelven, en als dit te vergeefs is, voor zijne broeders. Lazarus ziet hij nu ook, en hij spreekt ook van hem, en hij stelt nu ook in hem belang, maar slechts in zooverre, als deze voor hem of voor zijne broeders van nut kan zijn. Geen spoor van berouw, geen spoor van belijdenis, dat hij ook jegens dezen arme plichten heeft gehad, die hij niet betracht heeft. „Ik en mijne broeders,quot; verder gaat de gezichtskring zijner ziel niet; daar buiten heeft hij niets, wat hem belang inboezemt. Dat is de wijze van doen van den natuurlijken mensch. Hij is gewoon niemand anders te kennen en lief te hebben, dan zichzelven, zijn gezin en zijne vrienden; voor anderen, vooral voor armen en nooddruftigen, heeft hij geen gevoel.

Evenweinig belangstelling heeft hij voor God en Zijn woord. Als Abraham hem voorhoudt: „Zij hebben Mozes en

-ocr page 153-

133

de profeten; dat zij die hoor en P\' antwoordt de rijke: „Neen, vader Abraham!quot; Kom mij daar niet mede aan! Houd dat verre van mij! — Hooren wij in dit korte, besliste: „Neenquot;, zoo vol ergernis uitgesproken, niet geheel den materialist van onzen tijd?

Lucas 14 :16—34,

Maar hij zeide tot hem: Een zeker mensch bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen.

En hij zond zijnen dienstknecht uit ter ure des avondmaals, om den genooden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.

En allen begonnen zich eendrachtig te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is noodig, dat ik uitga en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.

En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen om die te beproeven: ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.

En een ander zeide: Ik heb eene vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.

En dezelve dienstknecht wedergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijnen heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijnen dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hierin.

En de dienstknecht zeide: Heere! het is geschied gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats.

En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen, en dwing ze om in te komen, omdat mijn huis vol worde;

Want ik zeg ulieden, dat niemand van de mannen, die genood waren waren, mijn avondmaal smaken zal.

„Een zeker mensch bereidde een avondmaalt\' Met een maaltijd, met een vroolijk gastmaal vergelijkt de Heere dat, wat Hij aan de menschen wilde brengen. Hij wil de mensehen vroolijk zien; vreugde wil Hij ons geven; niet bepaald eerst in de toekomende, maar reeds in deze wereld. Daarom is

-ocr page 154-

134

het geheel naar Zijn wensch en wil, dat er pogingen in het werk gesteld worden om het lot der armen te verzachten, en om jammer en ellende zoo ver mogelijk uit de wereld te helpen. Alle ware Christenen moeten dus met ijver de hand aan het werk slaan, om in Christelijken zin het daar heen te leiden. Laten zij toch breken met die gemakkelijke en gemakzuchtige wereldbeschouwing: „dat er nu eenmaal niets aan te doen is; dat de ellende in Gods wereldplan een noodzakelijke van te voren gewilde schakel is, en dat voor de armen geen anderen troost over is dan de hemel later.quot; Neen! zeer veel kan anders worden, dan zooals het heden is; en daarom moet het ook anders worden. Wij kunnen veel doen, als wij maar willen, om de vergelijking en liet beeld van het groote avondmaal ook onder ons Christelijk volk in ware werkelijkheid te doen overgaan.

Tegelijk bestraft dit woord echter ook dien leugen, die het doet voorkomen, als zou het specifiek tot het Christendom behooren, om de wereld te ontvluchten, zich in een klooster te begeven, en om altijd met een hangend hoofd te loopen. Dit alles hebben sommige gemeenteleden gaarne voor het ware Cristendom aangezien, wat natuurlijk aan de vijanden van Christus aanleiding genoeg gegeven heeft om het Christendom belachelijk te maken, en anderen daarvan af te schrikken.

„En hij noodde er velen.quot; Niet 2 of 5, of 10, maar velen. Een groot avondmaal moest het zijn; eene groote gemeenschap zou daar aan dien disch verzameld zijn — weer eene andere eigenaardigheid van het Evangelie van Christus, en van Zijn rijk. Het Eviingelie wil de menschen verzamelen, vereenigen, in gemeenscha]) tot elkander brengen, opdat niet elkop zichzelven en voor zich alleen het leven geniete, maar opdat allen gemeenschappelijk genieten en vroolijk zijn, als ééne groote familie aan één rijk voorzienen disch. Hier in dit woord vinden wij dus weer dien eigenaardigen karaktertrek van het Christendom terug van eene gemeenschap te willen zijn, — eene sociale tendenz, waarop helaas! tot nu toe veel te weinig acht is geslagen, zooals ook die genoodig-den de uitnoodiging daartoe hebben veracht.

Want; „zij begonnen allen zich eendrachtig te ontschuldigen. De eerste zeide: Ik heb een akker gekocht, en hel is 7ioodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.

-ocr page 155-

135

En een ander zeide: ik heb vijf jak ossen gekocht, en ik ga heen om die te beproeven: ik bid u, hond mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb eene vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.quot; Ik, ik, ik! dit woord keert acht maal in deze korte verontschuldigingen terug; ik moet gaan en mijnen akker bezien; ik moet heengaan om mijne ossen te beproeven; ik heb mij aan mijne vrouw toe te wijden; daarom kan ik niet komen, en met u samen zijn. Zietdaar het egoisme in tegenstelling van het gemeenschapsgevoel; zietdaar de individualistische tegenover de sociale levensbeschouwing! Deze lieden kennen geene andere dan hunne eigene, individueele belangen; ieder hangt aan zijn goed, bekommert zich alleen om zijne eigene neigingen en zaken, en is onverschillig voor de gemeenschap, waartoe ook hij geroepen is, waartoe wij allen behooren, en waarvan wij ons een lid en bestanddeel moesten gevoelen. Hoevelen van ons volk worden biermede treffend geteekend! Hoe ontbreekt het ook nog bij ons aan sociaal denken en sociaal gevoelen! Zij begonnen allen eendrachtig zich te ontschuldigen. Zoo gaat het altijd nog immers! Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd! Ik kan niet komen! Zulke verontschuldigingen verneemt men heden ten dage luide genoeg, waar deelname verzocht wordt aan sociale pogingen ter verbetering, aan sociale hervormingen, wetten, ondernemingen of organisatiën. Men kan toch gerust akkers koopen en ossen, en uitgaan om hen te bezien, en men kan toch gerust eene vrouw trouwen en zicli aan haar toewijden, zonder daarom de uitnoodiging tot het gastmaal af te slaan. Ook hier geldt het woord: Het eene doen, en het andere niet nalaten.

„En dezelve dienstknecht wedergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijnen heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijnen dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen en verminkten en kranken en blinden hierin. En de dienstknecht zeide: Heere! het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er iilaats. En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen, en dwing ze om in te komen, opdat mijn huis vol worde. Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.quot; Derhalve: de armen en de ellendigen worden uitgenoodigd in de plaats der grooten en rijken; eu zij geven

-ocr page 156-

136

gehoor aan de noodiging, en zij smaken het avondmaal, terwijl de anderen ledig uitgaan. Dezelfde verwisseling van rollen, als bij den rijken man en den armen Lazarus, zooals ook Maria in haren lofzang uitgesproken heeft: „Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijnen arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten. Hij heeft machtigen van do troonen getrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd. Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.quot; Krijgen zulke quot;woorden geen beteekenisvollen klank te midden van den strijd onzer dagen? Schijnt het niet, alsof zij opzettelijk met het oog op onzen tijd zijn gesproken? Aan wien behoort de toekomst? Wie zullen het avondmaal smaken? Zij, die in sociale verbroedering zich bij elkander aansluiten. Dewijl nu de rijkdom scheiding maakt, zelfzuchtig maakt, isoleert; en dewijl daarentegen de armoede de mensehen nader tot elkander brengt, in nauwere gemeenschap, socialiseert, zoo zal het komen zooals in de gelijkenis staat: de armen zullen er eens bovenop komen; zij zullen niet in de straten en wijken der stad, en niet op de landwegen en onder de heggen in hunne ellende blijven liggen; uit de armoede zal die sociale hervorming der menschheid geboren worden, aan wie de toekomst behoort.

Hierbij moeten wij echter waarschuwend zeggen: dat alles, wat wij hier zeiden, volstrekt niet geldt van die goddelooze en onchristelijke partij , die de sociaaldemocratische genoemd wordt. Dat zou eene fraaie dwaling zijn. Zekerlijk zal ook zij haar deel in die groote omkeering bijdragen, en menigen krachtigen stoot er toe geven. Maar de toekomst behoort haar niet; want God is de Heer des huizes, door God is het avondmaal bereid, door God zijn de gasten genoodigd, en Gods dienstknecht, Jezus Christus, leidt hen binnen. Dat moeten dus vrienden van God, discipelen van Jezus zijn, die aan het gastmaal zullen deelnemen. Want zij alleen hebben de ware sociale gezindheid, d. i. de broederliefde, die uit de liefde en de vreeze Gods voortspruit; terwijl de soeiaaldemocratie eene partij van duivelschen haat is tegen God en mensehen, die wel verwoesten maar niet opbouwen kan, al praat zij ook nog zooveel van socialisme; bij het wegruimen van het puin op de plaats, waar de nieuwe tempel der menschheid zal komen te staan, kan zij wel karrendienst

-ocr page 157-

137

verrichten; maar dan mag zij heengaan; iets van een liouw-meester zit in haar niet, dat wordt zij nimmer.

Armen en kreupelen en lammen en blinden zijn het, die binnengeleid worden. Aanmerkt ook hier v/eder die vriendelijkheid en die liefde van Christus en Zijn Kvan-gelie juist voor de armen en ellendigen, waarvan in de Heilige Schrift tallooze bewijzen voorkomen, in die Heilige Schrift, die aan de rijken altijd zulke harde dingen zegt. En toch laten zich duizenden en millioenen menschen zoo gemakkelijk verleiden om afkeer te hebben van Christus, den vriend der armen, en om haat te koesteren tegen den Bijbel, het boek der armen; en dat nog wel door mensclien, die de ware vrienden der armen niet zijn.

Hen binnenbrengen, dat moest de knecht. Dat gaf hem veel en hard werk. Tot die eerstgenoodigden behoefde hij alleen de boodschap over te brengen: „Komt, want alle dingen zijn gereed.quot; Maar bij deze anderen waren wooiden zonder meer niet voldoende. Deze armen, kreupelen, lammen, blinden konden zonder hulp van anderen niet kom \'n; zij hadden ondersteuning noodig en bijstand; werkdadige liefde, zachtheid, zachtmoedigheid, langmoedigheid, geduld, tijd, moeite, offers, zonder dat alles ging het niet, om hen binnen te krijgen. •— En zoo is tegenwoordig dat prediken en vermanen en schrijven op zich zelf ook nog niets. Er moet gehandeld worden in offervaardige liefde, als de tafel in het koningrijk der hemelen vol zal komen met aanzittende gasten, — als de sociale quaestie zal opgelost worden. Daarom roept Sulze terecht vooral de kerkelijke gemeenten op; „De confessioneele kerk zonder liefdewerk wordt licht een klinkend metaal en een luidende schel. Do leden van zoodanige kerk hebben elkander niet lief, en hebben ook hunne kerk niet lief. Zij verliest haar aantrekkend vermogen; hare zielzorg gaat te niet, en evenzoo lü.ar invloed. Vermaan ik een luien huisvader, die met zijn gezin op straat gezet zal worden, om vlijtig te zijn, zonder dat ik hem verder help op dat oogenblik, zoo zal hij mij met bitterheid bespotten. Zeg ik aan eene weduwe van niet al te goeden naam, dat zij ter wille van de zedelijkheid haren huurder de huur moet opzeggen, zonder dat ik haar het verlies aan huur help dragen, dan zal zij er niet aan denken om mij te gehoorzamen. Eisch ik van gewetenloozo

-ocr page 158-

138

ouders, dat zij hun zoon iets laten leeren, zonder dat ik het leergeld betaal, dan preek ik voor doove ooren. Alzoo staat ook die kerk, die hare leden niet tot gemeenschappelijk en wederkeerig hulpbetoon kan krijgen, met onmacht geslagen. Het volk keert zich van haar af, zooals kinderen zich zouden afkeeren van die ouders, die voor hunne opvoeding wel fraaie woorden, maar geen geld en geene liefde en offers over hebben. — Daurvoor moet elke kerkelijke gemeente instaan: dat waar het burgerlijke bestuur niet helpt, geen gemeentelid andere hulp behoeft te zoeken, dan de hulp der gemeente. Weten onze armere gemeenteleden, dat zij in geval van nood op de hulp van hunne gemeente kunnen rekenen, dan zullen zij hunne kerk ook meer lief krijgen en achten. Hunne verhouding tot de gemeente zal eene geheel andere worden, als zij niet alleen broeders en zusters genoemd, maar ook als zoodanig behandeld worden.quot;

„Nog is er plaats.quot; Ook bij ons zouden velen niet behoeven te hongeren, wanneer men maar aan den geldhonger, aan de speculatiekoorts en aan het uitzuigen der arbeiders strengere wettelijke grenzen stelde, en wanneer men in de eerste plaats de uitreiking van brood, vleesch en brand doelmatiger deed plaats hebben, en wanneer men te gelijk de werkeloosheid uit de wereld hielp. „Nog is er plaats.\'quot; — Neen, daar is geene plaats; daar is overbevolking! — Men zou dit niet meer zeggen, wanneer men letten wilde op de ontzaglijke productie van den bodem, en van de industrie. De productie ligt overal opgestapeld, en berust in handen van enkelen. Zij zou genoeg kunnen zijn voor dat deel, dat de overbevolking uitmaakt. Op welke wijze de overproductie aan de overbevolking ten goede te doen komen, is eene sociale vraag. Hoe beter die quaestie opgelost werd, hoe meer het openbaar zou worden: dat er voor allen plaats is.

En nu dat behartigenswaardige slotwoord; „Ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.quot; De een mocht nu zijn geluk zoeken bij zijn akker, de ander bij zijne ossen, de derde bij zijne vrouw; wat was dit genoegen, vergeleken met de vreugde des avond-maals, die zij, tegelijk met de gunst van den vriendelijken gastheer, voor goed hadden verloren. Eene vingerwijzing; dat de mensch, wanneer hij zich van zijn God en van zijne

-ocr page 159-

139

medemenschen afscheidt, zonder liefde tot God, en zonder liefde tot de menschen, eigenlijk arm en beklagenswaardig is, en nimmer recht gelukkig zijn kan, ook al was hij de rijkste grondbezitter, ook al waren al de runderen de zijne, ook al bezat hij een geheelen harem.

Lucas 15 ; 1—10.

En al de tollenaars en de zondaars naderden tot hem om hem te hooren.

En de Farizeën en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen.

En hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende;

Wat mensch onder u, hebbende honderd schapen, en een van die verliezende, verlaat niet de negen-en-negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt?

En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijne schouders, verblijd zijnde.

En te huis komende, roept hij de vrienden en de geburen te zamen, zeggende tot hen: W\'eest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was!

Ik zeg ulieden, dat er alzoo blijdschap zal zijn in den hemel over eenen zondaar die zich bekeert, meer dan over negen-en-negentig rechtvaardigen , die de bekeering niet van noode hebben.

Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij eenen penning verliest, ontsteekt niet eene kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk totdat zij dien vindt?

En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de ge-burinnen zamen, zeggende: Weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had!

Alzoo, zeg ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over oenen zondaar die zich bekeert.

„En al de tollenaars en de zondaars naderden tot hem, om hem te hooren.\'\'\'\' De geringsten en de meest verachten uit het volk kwamen tot Hem, om Hem te hooren, voelden zich tot Hem aangetrokken, omdat hij hart voor hen had, en hen helpen wilde. Ook de geringen en verachten onder ons volk heeft

-ocr page 160-

110

Hij lief; ook hen kan en wil Hij helpen; maar hooren zij Hem ? Neen, velen verachten en hoonen Hem, en willen van Hem en van Zijn leer en gebod niets weten. En daarmede verwerpen zij hun besten vriend. Laten zij hunne maatschappelijke eischen uitspreken, en zich met elkander verbinden om te strijden tot hunne eischen bevredigd zijn; maar laten zij zulks doen in een Christelijken geest, en daarbij vooral niet vergeten naar Hem te hooren; anders zal al hun streven niet tot het doel leiden, en zullen zij ten slotte het doel, dat zij zoeken, toch niet bereiken.

„En de Farizeën en Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: deze ontvangt de zondaars en eet met hen.quot; Daar staan Farizeën en Schriftgeleerden aan de eene zijde, tollenaars en zondaars aan de andere zij de, twee geheel verschillende en van elkander streng afgezonderde volksklassen; maar tusschen die beiden in de Heere, dan eens met deze, dan weer met gene in verkeer, om zielen te winnen. De tollenaars en zondaars zal Hij echter aantrekkelijker gevonden hebben, omdat Hij bij hen meer ontvankelijkheid kon veronderstellen dan bij die anderen, en omdat zij Zijne genade en liefde beter hebben kunnen waardeeren dan de eigengerechtige, trotsche, aanzienlijke Farizeën en Schriftgeleerden.

^ Bestaat er ook niet bij ons volk een scherp verschil van klasse of stand? Aan de eene zijde de voornamen en rijken, en aan de andere zijde de proletariërs en de niet-bezitters, die elkander veelal ook verachten en vijandig gezind zijn. Als Christus nu weder op aarde was, aan welke zijde zou Hij zich stellen? Onpartijdig zou Hij recht en gerechtigheid voorstaan; met beiden zou Hij zich in verbinding stellen; beiden zou Hij zoeken te winnen; en vooral zou Hij zich gedrongen gevoelen, om de zaak der armen te ondersteunen, en om met volkomene toewijding hunne rechtvaardige eischen tot de Zijne te maken. Maar Hij zou den donder Zijner verontwaardiging loslaten tegen die menschen, die aan het volk het geloof, de liefde en de hoop ontrooven, die aan het volk zijne heiligste goederen ontnemen, die voorgeven volksvrienden te zijn, en het niet erkennen willen, dat zij in waarheid volksvijanden zijn, die eene sociale vernieuwing willen zonder eene zedelijke vernieuwing, en die met behulp van eene volksmassa, welke van dollen haat bezeten is, een ideaalstaat willen grondvesten. Beklagen zou Hij het arme volk,

-ocr page 161-

141

dat zich v.an den wal in de sloot laat lokken; en Hij zou hen waarschuwen tegen die leiders, die tot waren vrede en geluk hen nooit kunnen leiden.

Hij ontving de zondaars en at mot hen. De Parizeen hadden dat nooit over zich kunnen verkrijgen; en zij konden slechts verachtelijk morren over zulk eene nederbuigendheid. Hun afkeer was wel eenigzins verklaarbaar, want wat waren de tollenaars en zondaars anders dan beruchte bedriegers en in [alle andere opzichten onzedelijke lieden? Maar hoeveel te minder is die verachting gerechtvaardigd, waar zij armen en onontwikkelden treft, die er toch geene schuld aan hebben, dat zij arm en onontwikkeld zijn? Het is uit het oogpunt van maatschappelijke orde en welvaart eene zeer bedenkelijke zaak, dat voornamen, rijken en beschaafden met de geringe lieden niet verkeeren willen, dat zij erg voornaam en uit de hoogte op hen nederzien, en dat zij het dwaas vinden wanneer andere lieden uit hunnen stand dien trots niet kennen en zonder eenig vooroordeel met de armen omgang zoeken en omgang hebben. Dat men deze waarlijk edelen toch tot voorbeeld neme! Mocht hunne overtuiging onder de andere aanzienlijken toch meer en meer veld winnen , dat de verschillende klassen van één en hetzelfde volk niet zoo ver uit elkander mogen staan, en dat er niets zoo bevorderlijk is voor den socialen vrede als onderling verkeer, gezellige samenkomsten en gemeenschappelijke genoegens, waarbij de tegenstelling tusschen rijk en arm niet zoo opzettelijk op den voorgrond geplaatst wordt, en waar men elkander van beide zij den het best kan leeren kennen en verstaan! Wij twijfelen er niet aan, of hierdoor zou de rijkere stand het recht leeren waardeeren, waarop de vierde stand aanspraak maakt, om van zijne nooden eens eindelijk afgeholpen te worden.

„Waardoor hebben wij, ontwikkelden, het verdiendquot;, zoo vraagt Ziegler, of om de vraag zuiverder te stellen, waardoor hebben onze kinderen het verdiend, dat hun de wereld reeds van jongs af een ander en hooger, en beschaafder en reiner en fijner genot aanbiedt, dan aan zoovele anderen? Waardoor hebben wij het verdiend, dat het leven voor ons gemakkelijker en aangenamer is? Kn wat meer is: waardoor hebben wij het verdiend, dat het voor ons zoo veel gemakkelijker gemaakt is, om goede en brave menschen te worden ?

-ocr page 162-

142

De armen voelen niets van hun gebrek aan eene hoogere beschaving en een meer ideaal leven, zoo zegt men*; zij hebben nooit anders geweten; en als de arbeidersklassen eens bij oogenblikken beweren zich hierin verkort te gevoelen of hierin bij de anderen ten achter te staan, dan is dit niets anders dan eene afkeurenswaardige afgunst, een dwaze nijd en oproerige ontevredenheid. — Laat men toch niets hiervan gelooven. Integendeel, het komt mij voor, alsof in onze dagen het zuchtend schepsel zijn somber aangezicht gaat keeren naar het hoogere en betere, vervuld met een honger naar de kruimkens van den rijkvoorzienen disch onzer beschaving, en bezield met een onbestemd verlangen naar een straal van waarheid en schoonheid over hunne duistere wereld en over hun donker leven.quot;

„Wij zijn het, die bij die vraag op de bank der beschuldigden behooren; ons geldt het verwijt, dat wij onzen plicht verzuimd h-jbben, en nog altijd door verzuimen. Wat hebben wij dan voor onze arbeiders gedaan, en wat zijn wij gewoon om voor onze dienstbaren te doen, om hen te doen deelnemen aan onze beschaving en aan onze hoogere en betere manier van genieten? Niets, of zoo goed als niets; en daarenboven zonderen wij ons recht voornaam van hen af alsof er bij ons nog kasten bestaan, en denken wij bijzonder geestig te zijn, wanneer wij verklaren: „maar ik kan toch niet met mijne naaister aan den arm de concertzaal binnengaan, of mijne dienstboden op de thee vragen!quot; Alsof de brutaliteit, die uit zulke woorden spreekt, ook maar iets van deze dingen begreep, of ook maar even verdiende in deze belangrijke zedelijke quaestie aangehoord te worden! En alsof op onze theetjes en aan onze diners de ware beschaving ook altijd mede aanzat, en alsof de comedie en de opera alleen bezocht werden om het ideale kunstgenot! De kunst van genieten, die iets boven oesters en champagne uit gaat, treft men ook onder de zoogenaamde beschaafde klassen slechts sporadisch aan, en het echte gevoel voor de schoonheid in de natuur en in de kunst staat tegenwoordig bij de meesten bijna onder nul, zooals nimmer te voren. Maar laat het zijn, zooals men wil, dit staat toch vast: terwijl wij zeiven ons zoo hoogmoedig van de arbeidersklasse en van den dienstbaren stand afwenden en afzonderen, behoeven wij ons geenzins er over te verbazen, en veel minder hun er een verwijt

-ocr page 163-

143

van te maken, dat zij zich van ons vervreemden en vijandig tegen ons over gaan staan. Dat zij onze betere bestaanswijze ons benijden, en tot eene wijze van leven en genieten vervallen , welke wij verachtelijk vinden, — daar hebben wij zeiven mede schuld aan.quot;

Sulze wijst ook op dit terrein aan de kerk hare gewichtige roeping aan; ^Zullen de leden der kerkelijke gemeente werkelijk solidair zijn, en niet alleen voor zich zeiven, maar ook voor elkander leven , dan is zulk een verkeer, als waarvan wij spraken, binnen de gemeente onontbeerlijk. In alle andere gevallen moest het kerkelijk leven toch ook het voorbeeld zijn, waarnaar het maatschappelijk leven zich te richten heeft. Het kerkelijk leven moet dus, om den vierden stand te veredelen en op te heften, ook het voorbeeld geven van een gemeenschappelijk en gezellig verkeer van hare leden onderling. Kan de kerk dit niet gedaan krijgen, dan zal zij, behalve dat hare eigene ontwikkeling er onder schade lijdt, bovendien voor de maatschappij niet eens het voorbeeld kunnen zijn, hoe daar het gezellige leven moet ingericht zijn. En de gemeente zal dan waarlijk ook niet in staat zijn, om de taak te vervullen, die onze tijd haar stelt. Ontegenzeglijk is het gezellig verkeer ontaard. Daar moet toch eens een eind komen aan dat barbaarsche kroegleven en aan die bepaald onzedelijke dansvermaken. Dat is alleen daardoor te bereiken, dat iets beters er voor in de plaats geboden wordt, en dat op zijn minst een goed voorbeeld gegeven wordt. Eene diepe klove is er ontstaan tusschen rijken en armen, tusschen de heeren en de werklieden. En nu is er gelukkig nog een neutraal gebied, waar zij kunnen samentreffen, en dat is: het kerkelijke leven; daar voelen zij van beide zijden zich nog eens een oogenblik één, en het gevoel van gemeenschap leeft daar op onder de godsdienstoefeningen en bij de viering van het sacrament des avondmaals. Maar dit gevoel van eenheid en gemeenschap in de kerk moet overgebracht worden ook naar het maatschappelijk verkeer buiten de muren dei-kerk. Anders is men maar eens in de week, des zondags, vereenigd , om zes dagen gescheiden te zijn. Het is heel goed en wel, dat hier en daar de fabrikanten met hun personeel gezellige samenkomsten houden; maar ook dat leidt niet tot het doel, dewijl de verhouding tusschen beide partijen daar toch altijd eene stijve verhouding blijft als tusschen chef

-ocr page 164-

144

en oiiilirgesohikte, ook al tracht men van weerszijden met de beste bedoelingen elkander te naderen. Alleen in de gemeente is hel, dat alle onderscheid ophoudt en wegvalt. Alleen in de gemeente hebben allen gelijke rechten, en heeft ieder zijne volle beteekenis, voortspruitende uit hun aller gelijkheid door bet kindschap van God. De talrijke vrije vereenigingen, die zich tegenwoordig vormen, bevorderen toch maar ook weer de scheiding, omdat zij altijd vereenigingen zijn van een bepaalden stand of van een bepaald beroep. Hiermede zeggen wij natuurlijk niet, dat deze vereenigingen afgekeurd en tegengegaan moeten worden. Maar zij voldoen niet. Zij voldoen niet aan de behoefte, waarover wij hier spreken. Verscheidene kerkelijke gemeenten hebben beproefd om die behoefte te bevredigen. De humanitaire vereenigingen, die altijd gaarne overal bij zijn, hebben, door dit voorbeeld opgewekt, deze gedachte aanstonds op hare manier uitgewerkt. Zij hebben avonden georganiseerd, waar alle standen broederlijk zouden bijeenkomen, en waar door lezing, muziek, spel en gezellig gesprek de rijkeren op welwillende wijze zouden toonen, hoe humaan zij waren. Maar meestal komt daar alleen „het volk.quot; En wat daar aangeboden wordt, en de geheele manier van gemaakte gezelligheid, vermogen tocli niet aan die samenkomsten dat ongedwongen karakter van gezelligheid te geven, dat gewekt wordt door het bewustzijn , dat wij in Christus werkelijk „broeders en zustersquot;, kinderen van God zijn. Daarbij komt nog eene omstandigheid. Christenen moeten elkander niet alleen in gevallen van ergen nood bijstaan, maar altijd, bij alle gelegenheden; vooral nu er op alle gebied van het oeconomisch leven een fel egoïsme alles regeert en bestuurt. Vroeger in den tijd der gilden had ieder zijn vast afgebakend terrein van exploitatie. Geen meester mocht zijne zaken boven eene bepaalde maat ver-grooten of uitzetten. De bedoeling, die hierbij ten grondslag lag, was, den arme naast den rijke een bestaan te verzekeren. Nu is het beroepsleven een strijd van allen tegen allen. De arbeid is daardoor over het algemeen minder solide geworden. De degelijke, stille werkman heeft een kommerlijk bestaan, en de reclamemaker, die met zijn geschreeuw de geheele markt vervult, dringt hem terug. Zonder twijfel heeft nu de kerkelijke gemeente de roeping, om ook in deze toestanden vreedzaam en zonder ophef in te grijpen. Is zij

-ocr page 165-

145

verplicM om de schipbreukelingen op te nemen, nog veel meer is het hare roeping eene schipbreuk, zoo mogelijk, te voorkomen. En dit kan zij bereiken, door in haren kring de leden tot deelname in elkanders belangen op te wekken. Wordt dit door haar bereikt, en gaan de leden in elkander belang stellen, dan zullen zij elkander vertrouwen; vertrouwen zij elkander, dan zullen zij bij elkander koopen en bestellingen doen, en zij zullen trachten dat vertrouwen te rechtvaardigen. Zullen nu de kerkelijke gemeenten in dit opzicht eene sociale beteekenis verkrijgen, dan is een vrij en gezellig verkeer tusschen hare leden boven alles noodzakelijk. Overal koopt men gaarne van de Herrnhutters; zij hebben hunne beste reclame in het feit, dat zij tot eene gemeente behooren, die ook in het beroepsleven hare plichten kent en nauwgezet betracht. De Roomsche geestelijkheid weet ook uitnemend het verband, dat er tusschen hare kerkelijke corporatiën is, op sociaal terrein te exploiteeren. Zij helpt hare geloofsgenooten in handel en nijverheid, door den kerkelijken bond tot een socialen bond te verklaren, en doet zulks met een gezag, dat hier en daar een misbruik van gezag zou kunnen genoemd worden. En ook de sociaaldemocraten hebben in dit opzicht bij de kerk haar plichtsgevoel wakker geroepen. Wat geeft immers aan de sociaal-democratie de macht, om zoo velen aan zich te binden, die overigens hare revolutionaire methode ten zeerste afkeuren\'? Dit, dat zij, op het minst, belooft, om hulp en deelname te betoonen in hunne maatschappelijke ellende, en dat zij zulks ook, al is het maar voor een klein deel, werkelijk beproeft. Dezen invloed kunnen wij haar slechts daardoor ontnemen, door in de plaats van haar revolutionair socialisme het Christelijk socialisme in den verhevensten zin des woords het volk aan te bieden.quot;

„Ten laatste ligt in het vrije onderling verkeer der gemeenteleden ook de mogelijkheid opgesloten om in waarheid kerkelijke tucht uit te oefenen. Van de gemeente zelve, van het Woord en van het sacrament, alzoo van de bronnen des heils, een medelid uit te sluiten, daarover heeft de gemeente geene vrije beschikking. Alleen is zij niet verplicht natuurlijk om de zoodanigen in haar midden te dulden, die alle moeite aanwenden om haar te verwoesten. Iedere ver-eeniging heeft het recht op zelfbehoud bedacht te zijn, en

Sociale Moraal. 10

-ocr page 166-

146

dus ook het recht om oen aanval op haar leven af te weren. Maar het gezellige verkeer in den boezem der gemeente is haar eigen vrije werk en product, niet een genadegoed, dat de Heere haar tot voortzetting van Zijn werk toevertrouwd heeft. Daarover kan zij en mag zij beschikken. Zij mag niemand afwijzen, die het verkeer met zijne broeders waardig is; want anders zouden partijzucht, heerschzucht en hoogmoed het hoofd gaan opsteken en haar verwoesten. Maar zij mag van een ieder, die het vrije verkeer met hare leden zoeken wil, eischen, dat hij dat verkeer waardig is. Men kan van niemand verlangen, dat hij zich het verkeer laat welgevallen en opdringen van ontuchtigen, liefdeloozen, zwendelaars, en van de zoodanigen, die in hun wandel en in hun beroep zich ergerlijk gedragen. Niet beweren wij, dat zulke ontuchtigen den duivel moeten overgegeven worden; integendeel, voor hen blijft de zielverzorger altijd zielverzorger; en deze is het, die voor zulke kranken altijd de arts zijn moet en blijven moet. — Aldus is derhalve het gezellig verkeer in den boezem der gemeente ook daarom noodzakelijk, omdat daardoor het gemeentelijk geweten tot haar recht en tot hare uitdrukking komt. Wat geeft het, altijd maar weer te prediken, als de ongehoorzaamheid tegen het gepredikte onopgemerkt blijft, en geene reactie en verontwaardiging bij de gemeente te voorschijn roept? Wij hebben het meermalen gezegd, en zeggen het hier weder: het kerkelijke leven is iets van hoegenaamd geene beteekenis, zoolang b.v. daden van gruwelijke onzedelijkheid iedereen eene ergernis zijn, behalve aan de gemeente, bij wie zulke ellendelingen be-hooren. Wanneer nu echter volgens besluit van kerkeraden, of wijkbroedersvereenigingen, of ook volgens besluit van de geheele gemeente zulke lieden onwaardig verklaard worden om het verkeer der overige leden te deelen, dan is en wordt dat van zelf eene versterking van het gemeentelijk geweten. Dat echter bij de uitoefening van zoodanige tucht de eisch der Christelijke barmhartigheid niet uit het oog mag verloren worden, dat spreekt van zelf en behoeft hier niet verder uiteengezet te worden.quot; — Christelijk zij die tucht, dat wil dus zeggen: zonder Farizeïsme!

„Deze ontvangt de zondaars!quot; Echt Farizeesch, om de andere menschen zondaars te noemen, en zichzelven niet, en om bij die anderen niets dan zonden te zien, en bij zich

-ocr page 167-

147

zeiven geen enkele op te merken! Zijn er tegenwoordig nog zulke Farizeën? Zeker! onder de bezitters. Hoe goed weten velen van hen bij de arbeiders de zonden op te merken en heftig te berispen, zooals hunne ontevredenheid, begeerlijkheid, genotzucht, verkwisting, onmatigheid, hatelijkheid, ruwheid, goddeloosheid, en nog vele zonden meer; terwijl deze rijken volstrekt niet bedenken, hoe al deze en dergelijke zonden ook in hunne eigene kringen dikwijls in veel ergere mate verbreid zijn; en nog veel minder bedenken, dat het gif dezer zonden zoo vaak juist uit de hoogere standen naar de lagere standen besmettend is afgedaald, en dat bovendien de schuld niet zoo zwaar is toe te rekenen aan arme onbeschaafde lieden, als aan rijke en beschaafde menschen, die beter weten en dus ook beter handelen konden.

Maar die Farizeën worden evenzeer onder de niet-bezitters gevonden. Hoe goed weten deze weer op hunne beurt met scherpe blikken al de zonden der rijken en grooten op te merken, en hunne eigene zonden over het hoofd te zien! Ja, de leiders der sociaaldemocratie verstaan de kunst uitnemend om het verderf en de onzedelijkheid bij de bezittende klassen op de donkerste wijze af te malen, en op het scherpste te hekelen, en om tegelijk van hunne eigene zonden en van de zonden hunner aanhangers te zwijgen; öf zij loochenen, óf zij vergoelijken ze, en dekken ze met den mantel der liefde toe, terwijl zij de oorzaak van die zonden, als zij ze bekennen, altijd natuurlijk op rekening stellen van de maatschappelijke misstanden. Ook stellen zij er zelfs eene eere in, als het zoo eens uitkomt. Want zijn sommigen van hen wegens beleediging, straatoproer, majesteitschennis en opruiing in aanraking met den strafrechter geweest, dan worden deze wetschenders brave mannen en helden genoemd; men brengt hun ovaties en biedt hun een martelaarskroon aan met holle phrasen vol bloed en vuur! En zijn er anderen, die dezulken eenvoudig als misdadigers brandmerken en tot bekeering aanmanen, dan staat heel hunne pers op over zulk eene bourgeoisopvatting. Natuurlijk! de leiders moeten wel zoo zingen; want het zou hunnen volgers slecht aanstaan, wanneer zij als boetpredikers en zedeleeraars gingen fungeeren; zoo worden heel dikwijls de leiders geleid!

Ook op dit terrein blijkt alweer het Christelijk standpunt het alleen ware en heilzame standpunt te zijn. Daar slaat

10*

-ocr page 168-

148

men zich op de borst, eer men bij anderen naar schuld begint om te zien; allereerst bekent en bestrijdt men daar zijne eigene zonden. En dan pas ziet men met helderen blik om zich heen om de zonden der bezitters en der niet-bezitters met onpartijdigheid en vrijmoedigheid te bestraflen. En daér weet men, dat alleen de zedelijke vernieuwing en bekeering van alle menschen het krachtigste middel is om tot den socialen vrede te komen, en de ware beschaving tot aller deel te maken.

En nu de gelijkenis in onzen tekst: „Wat mensch onder u, hebbende honderd schapen, en een van die verliezende, verlaat niet de negenennegentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt?quot; Hoe komt het, dat een schaap verloren raaktquot;? Het geschiedt, omdat het noch op den herder acht geeft, noch op de andere schapen, en omdat het zijn eigen weg gaat. Ziedaar het beeld van den natuurlijken mensch! Zoo zijn er zoovelen onder ons volk; zij slaan geen acht op den Goeden Herder, Christus; zij hooren niet naar Zijne stem; zij bezitten niets van Zijnen geest; en daarom worden zij geheel beheerscht door de den mensch eigene zelfzucht, en geven zij ook geen acht op de andere schapen; daarom willen zij ook niets voor de broeders doen, en naar het welzijn van hunne kudde, hun volk, niet vragen; zij gaan hun eigen weg, hebben alleen hunne eigene zelfzuchtige bedoelingen, en zoeken alleen hun eigen voordeel; een godsdienstige zin, een sociale zin ontbreekt hun ten eenen male, en zonder dat kan noch de enkele op zich-zelven, noch het volk in zijn geheel het geluk en den vrede ooit vinden.

Nu zoekt ook de sociaaldemocratie het verlorene; het moet gezegd worden: zij trekt zich het lot der armen en der ellen-digen aan, en doet dit met meer warmte en beslister, dan menige andere partij; dat is, wat van haar loffelijks kan gezegd worden. Maar helaas! zij doet het niet in den naam van Jezus, niet in den geest van Jezus; en dat is jammer, en wat meer is, het is noodlottig en verderfelijk. Toch is de warmte en de beslistheid, waarmede zij het verlorene zoekt, iets, dat beschamend voor ons Christenen is.

De Goede Herder gaat naar het verlorene, totdat Hij het vindt. Zoo zeer gaat de enkele Hem ter harte, maar niet minder de eenheid en de voltalligheid der kudde; er

-ocr page 169-

149

mag aan de voltalligheid geen enkele ontbreken. Zoo moest ook ons volk ééne groote kudde zijn. Maar is het dat? Neen, in twee verschillende kudden heeft het zich verdeeld, want twee verschillende herders hebben het uit elkander geslagen. Zij heeten; Mammon en revolutie; ieder van deze is buiten machte één ongedeeld volk van broeders rondom zich saam te roepen. De Mammon wil eene kudde hebben, die hij kan berooven en plunderen, en dat is het lagere volk; en de revolutie wil ook eene kudde hebben, die zij kan verscheuren en vernietigen, en dat is de bezittende klasse. Beiden zijn zij ellendige herders van ons volk, in schaaps-kleederen gekleed, maar van binnen grijpende wolven gelijk. Onder hunne heerschappij kan het nooit vrede bij ons worden. Wij moeten ons meer verzamelen rondom Hem, die deze gelijkenis heeft uitgesproken, en die zich den Goeden Herder genoemd heeft, en die alleen de goede herder van ons volk worden kan, Jezus Christus. „Hij is onze vrede!quot; Door Hem zal het ééne kudde onder éénen herder worden. Van onze zijde is daartoe slechts ééne voorwaarde te vervullen, n.1, de bekeering, want de Heere zegt:

„Ik zeg ulieden, dal er alzoo blijdschap ml zijn in den hemel over eenen zondaar, die zich beheert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben.quot; Zoo hoog staat de bekeering bij God aangeschreven. Zulk eene waarde heeft in Gods oogen de boetvaardige mensch. Ook voor de wereld is de zoodanige van groote waarde: bekeerden zijn mensehen met een diep en innig gevoel, zijn menschen met een oprecht hart, met een sterken wil, en met een vurigen ijver voor alles, wat goed is en edel. Gave God vele bekeerde menschen onder het volk! De sociale vraag zou spoedig opgelost zijn. Daartegenover zijn de eigengerechtigen, de verzadigden en de hoogmoedigen, die van bekeering .en zondebesef niets weten willen, en die met God en Christus afgedaan hebben, het grootste gevaar voor ons volk.

De tweede gelijkenis in onzen tekst luidt: „Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij eenen penning verliest, ontsteekt niet eene kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt f\' Diiar is het een welgestelde veeboer, hier is het eene arme vrouw, die beiden aan hun goed hangen, en niet gaarne ook maar een klein deel er van

-ocr page 170-

150

zouden willen verliezen. Zoo hangt ieder mensch aan zijn eigendom en aan zijn goed; en dat mag hij, dat is geene zonde. Zonde echter is het, wanneer ik het mijne niet langs eerlijken weg verkrijg, of het niet nuttig besteed, of er bij vergeet, dat ik nog medemenschen heb, en slechts een lid ben van dat groote lichaam, dat vele leden heeft, die ook allen leven en genieten willen en mogen. Zonde is; het opeenstapelen van bezit op bezit, en het leven in genot en in pracht, terwijl anderen het allernoodigste ontberen. Dat is zonde, en leidt tot het verderf.

„En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnm samen, zeggende: Weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had.quot; Zij was zeker eene arme vrouw; tien penningen kon zij slechts haar eigendom noemen, en daarom moest zij dien eenen penning wel een groot verlies achten. Eene rijke vrouw zou om één verloren penning zich zooveel moeite niet gegeven hebben, zou er niet zoo om getreurd, en ook niet zoo om verblijd zijn geweest. Voor arme menschen is ook het geringste van waarde; arme menschen zijn reeds met een weinigje verblijd. Dat moogt gij, o rijken! wel in de gedachte houden! Hoe-vele dingen hebt gij in huis, waar gij nauwlijks eenige waarde aan hecht, en die u misschien zelfs wel in den weg staan, waarmede gij uwe armere medemenschen een groot genoegen kondet doen, en die hun van grooten dienst zouden zijn. Hoeveel genoegen, hoeveel hulp zou men aan anderen niet kunnen bereiden zonder bijzondere uitgaven of offers, als men van tijd tot tijd maar eens de moeite wilde nemen, om er aan te denken.

Maar nog eene andere verklaring laat deze gelijkenis toe. Is het geslacht van onze dagen niet aan deze vrouw gelijk? Zoeken ook wij niet iets, dat wij verloren hebben, en dat toch van zoo groote waarde is, n. 1. den socialen vrede? Hoe zullen wij dien vrede terugvinden? Wel, dat men een licht aansteke; dat men het licht der waarheid over de bestaande toestanden en nooden onverhinderd schijnen late, opdat de ellende toch eens geheel aan het licht komt. Hoevelen willen haar nog altijd niet zien en bekennen! En dat men dan het huis keere met bezems, en al de onreinheid en vuilheid onbarmhartig wegvege, die langzamerhand zich bij ons opgehoopt hebben; dan zal de verloren penning wel ge-

-ocr page 171-

151

vonden worden, de sociale vrede wel weder ons hervonden bezit zijn. Welaan! wat meer waarheid en wat meer moed in alle kringen! En ook wij zullen kunnen juichen: „Weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had.quot;

Lucas 5 :1—11.

En liet geschiedde, als de schare op hem aandrong om het woord Gods te hooren, dat hij stond bij het meer Gennésaret.

En hij zag twee schepen aan den oever van het meer liggende, en de visschers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten.

En hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstake, en nederzittende, leerde hij de scharen uit het schip.

En als hij afliet van spreken, zeide hij tot Simon: Steek af naar de diepte en werp uwe netten uit om te vangen.

En Simon antwoordde en zeide tot hem: Meester! wij hebben den geheelen nacht over gearbeid, en niets gevangen; doch op uw woord zal ik het net uitwerpen.

En als zij dat gedaan hadden, besloten zij eene groote menigte visschen, en hun net scheurde.

En zij wenkten hunne medegenooten die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zoodat zij bijna zonken.

En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch.

Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen die met hem waren, over de vangst der visschen die zij gevangen hadden;

En desgelijks ook Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die Simons medegenooten waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet, van nu aan zult gij menschen vangen.

En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden hem.

„En als hij afliet van spreken, zeide hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp mee netten uit om te vangen.quot; Eerst hadden zij hunne rust genoten, en toen gingen zij aan den

-ocr page 172-

152

arbeid; — zoo moet het ook bij ons zijn. Vele menschen hebben altijd rust, en voor hen is iedere dag een zondag. Anderen daarentegen hebben nooit een rustdag, en werken het geheele jaar door in hun aardsche beroep. Beide leefwijzen zijn verkeerd; dat gaat tegen den geest van ons Christendom in, dat is tegen de van God gestelde orde. Gene verzuimen het werken, deze het bidden; en het nalaten van het eene, zoowel als van het andere, wreekt zich in het leven van den mensch en in het leven des volks.

,,Simon antwoordde en zeide tot hem: Meester! wij hebben den geheelen nacht over gearbeid.quot; Visschers oefenen hun beroep des nachts uit, omdat zij dan de beste kans hebben op een goeden vangst. Zoo is er zooveel arbeid, die niet anders dan des nachts kan geschieden; maar ook onnoodig, en dan onverantwoordelijk, worden de arbeiders wel eens gedurende den nacht aan het werk gehouden, en dat wel om den gelddorst van de patroons. Hoevelen boeten daar dan hunne gezondheid en hun leven bij in. En het loon van zulk een arbeid?

„Wij hebben niets gevangen,quot; zegt Petrus, niettegenstaande onvermoeiden en ingespannen arbeid; wij vonden toevallig geen visch; maar in andere nachten vingen wij ook wel eens dubbel. — „Wij hebben niets gevangen, en zullen nooit iets vangen, niettegenstaande onzen vlijtigen en Hinken arbeid,quot; — hoevelen moeten nog altijd die klacht aanheffen, maar zonder dat het aan het toeval of aan de goddelijke voorzienigheid ligt; daar heeft dan de ontwikkeling van ons maatschappelijk leven, daar heeft dan de maatschappij schuld aan, die niet helpen wilde of kon. Wij denken aan die arbeiders, die te veel hebben om te leven, en te weinig om te sterven. Zoo iets moest onder een Christelijk volk niet meer voorkomen. Dat de Christelijke maatschappij zichzelve richte, zij, die bij zulke nooden en misstanden zoo radeloos en hulpeloos bij staat!

„Wij vangen niets.quot; Dat geldt ook in eene andere betee-kenis ten opzichte van onzen modernen fabrieksarbeid. „Als ik er aan denk, hoe het tot de eigenaardigheden van onzen tijd behoort, dat het werk zich altijd meer splitst, en dat om een of ander voorwerp te maken, b. v. een schoen, niet meer één man den geheelen schoen maakt, maar verscheidene mannen te zamen, zoo dat de een zijn leven lang niets

-ocr page 173-

153

doet dan de zolen vervaardigen, en de ander zijn leven lang niets doet dan het bovenleder aannaaien; als ik er aan denk, hoe daardoor de vakkennis minder, en het werk zelf aldoor eentoniger wordt, dan vraag ik mij zei ven af: is de mensch daarvoor op de wereld, en zal het leven van een mensch ten slotte daarop neerkomen, dat hij dag en nacht dat eene kleine onderdeel van een voorwerp verduizendvoudigt, en dat hij van jaar tot jaar millioenen malen denzelfden handgreep verricht bij de nimmerrustende machine, om dan maar te sterven en te verdwijnen? Gaat zoo niet de mensch in den mensch ten onder, waar hij zelf niets anders meer is dan een rad onder de raderen van de groote machine in de fabriek? Hier leggen wij den vinger op de wond, op een der vreeselijkste wonden van onzen tijd; want zulk een bestaan kan geen mensch werkelijk bevredigen, ook dan niet, als hij er zelfs rijk zijn brood mede heeft.quot; (Uhlhorn). En v. Hellwald schrijft in zijne „Cïeschiedenis der beschavingquot;: „Het mag wezen, dat de arbeider, die de machine bedienen moet, daar wat meer bij denken moet dan bij handenarbeid het geval is; maar dit denken betreft alleen de machine, die geheel zijn denken in beslag neemt, en om over andere dingen te denken hem geene gelegenheid geeft. Op die wijze is de werking van de machine op den arbeider eene deprimeexende; het werk bij de machine houdt hem geestelijk laag, en houdt de ontwikkeling van zijn denkvermogen geheel terug. De fabrieksarbeider, hoewel hij bestuurder is van de machine, wordt juist door de machine uit de rij der met het hoofd werkende klassen uitgestooten, en tot mechanisch denken gedwongen. Het gevolg daarvan is, dat in de Europeesche landen een beduidend onderscheid waar te nemen valt in de ontwikkeling en vorming der hersenen tusschen de klassen, die met de hand, en die met het hoofd werken, welk onderscheid geheel ten nadeele van de eersten uitvalt. De machine legt derhalve den grond voor een psychologisch verschijnsel, waar de nakomelingen der arbeidersklassen krachtens de wet der overerving zich niet meer aan onttrekken kunnen; en zij is oorzaak, dat in geestelijke ontwikkeling de grenzen en de verwijdering tusschen de menschen steeds scherper zullen worden, hoe luide ook de geest onzes tijd hunne gelijkheid proclameert. Deze druk op zijne geestelijke ontwikkeling, in vereeniging met den druk van het

-ocr page 174-

154

pauperisme, stempelt den fabrieksarbeider in waarheid tot een „blanken slaaf,quot; en heeft de sociale quaestie in haren hedendaagsohen vorm in het leven geroepen.quot;

Natuurlijk kan men er niet aan denken om den fabrieksarbeid af te schaffen; maar „wij moeten het daarheen zien te leiden, dat ons arbeidersvolk, meer dan tot nu toe, een tegenwicht ontvangt, in meerdere rust, en in meerdere ontspanning over dag, en vooral in onbeperkte zondagsrust.quot; (Debws). Ook kunnen hierbij in aanmerking komen de spelen voor dc jeugd, en de volksspelen, waarvan men steeds beter de groote sociale beteekenis begint in te zien, en welke men reeds hier en daar is begonnen in te voeren. Vroeger hadden immers ook elke stad en elk dorp hunne speelplaatsen, hunne volksspelen, waar oud en jong, rijk en arm in hun vrijen tijd en op zaterdagavond ontspanning en vermaak zochten! Wat zou er weder een frisch en krachtig geslacht opgroeien! En hoe zou daardoor dat ellendige leven en zitten in kroegen het beste tegengegaan worden! En hoe zouden zulke volksspelen aan de verschillende standen de beste gelegenheid bieden, om nader tot elkander te komen, en om in verzoende verhouding het verkeer onder elkander aan te kweeken en levendig te houden!

De gebreken zijn groot. De taak is geweldig, die de Heere ons stelt. Maar: „op uw woord zal ik het net uitwerpen. En als zij dat gedaan hadden, besloten zij eene groote menigte visschen.quot; Ja, op Zijn woord, in Zijn naam, op Zijn bevel, en naar Zijn geest en bedoeling moet men ook het moeilijke werk der hervorming aanvatten en ten einde brengen; en dan zou het werk ook gemakkelijker gaan, en met meer zegen bekroond worden. Wat daar op het meer van Gennézaret plaats vond, zou zich herhalen: „Zij wenkten hunne mede-genooten, die in het andere schip waren., dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden heide de schepen, zoodat zij bijna zonken.\'1\'\' Ons volk is tegenwoordig nog altijd op twee elkander vijandige schepen verdeeld, waarvan het eene vol visch, en het andere ledig is; maar dan zouden zij vriendschappelijke kameraads worden, die elkander bij den arbeid helpen, en zich verblijden in een gemeenschappelijken zegen, die beide de schepen vult.

Maar wij denken hier ook nog aan iets anders: „Zij vulden beide de schepen, zoodat zij bijna zonken.quot; De over-

-ocr page 175-

155

vloed der schatten bracht hen bijna tot zinken. Een beeld van den rijkdom, die de menschen in verzoekingen en gevaren leidt, zoo dat zij bijna verzinken in verderf en verdoemenis. Hoe anders echter gedroeg zich Simon Petrus bij zijn overvloed!

„En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan dc knieën van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch.quot; Wat maakte de goddelijke zegen, dien hij ondervond, dezen discipel dankbaar en ootmoedig! Vele anderen hebben ook zoo hunne rijke vangst op aarde, maar ootmoedig worden zij niet, integendeel: hoogmoedig en overmoedig; dankbaar worden zij niet, integendeel: ondankbaar, godvergeten, plichtvergeten en liefdeloos.

Bovendien zijn Simon en zijne makkers ons nog in een ander opzicht ten voorbeeld: „Als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden hem.quot; Zeldzame menschen! Zij verlieten alles, hun huis, hun dorp, hunne zee, hunne schepen en netten, waar zij van jongs af zoo goed hun brood mede hadden gevonden, en waarmede zij daar juist nog zoo\'n rijke vangst hadden gedaan; zij verlieten dat alles, om Hom na te volgen op eenzame, moeilijke en gevaarlijke wegen vol zelfverloochening. — Wij behoeven dat niet na te doen; wij kunnen onzen Heere volgen, zonder dat wij dat alles verlaten moeten; maar de vraag is toch nuttig: Wie van ons zou in staat zijn om alles, zijne zaken, zijne voordeelige betrekking, zijn have en goed te verlaten, wanneer zulks bevorderlijk was tot getrouwere navolging van Jezus? Welke rijke lieden vooral zouden van hunnen rijkdom, van hunnen glans en van hun gemakkelijk leven kunnen scheiden? Naar het oordeel van den rijken jongeling zal menigeen geoordeeld worden, die zoo slecht het eerste gebod heeft vervuld, die zoo zeer den Mammon als afgod heeft gediend; hoe kan een zoodanige een discipel van Jezus zijn? — Zij verlieten alles! Wat gij echter ten minste doen moet? Uwe ziel los maken van de strikken van den Mammon, in de navolging van Jezus, om daarna gewillig te worden voor de offers, die iedereen voor zichzelven aan het algemeen welzijn brengen moet, zal er ooit een algemeene vrede komen!

Zij zijn Jezus gevolgd, en zijn Hem ook later gevolgd in het „vangen van menschen\'\'\'\' Zij hebben hen gevangen voor

-ocr page 176-

156

den Heere, en wij vangen hen ook nog. Wel ontwijken vele visschen onze netten, zij willen door ons niet gevangen worden; de visschers van de omwentelingspartij vangen ze ons weg. Deze visschers richten zich tot den natuurlijken mensch, vleien de massa, bestraffen de lieden niet om hunne zonde, roepen hen niet op tot boete en bekeering, maar geven hun des te meer beloften op beloften, die bedriegelijk zijn als de netten. Natuurlijk, dat velen zich daar laten vangen! Toch mogen wij onszei ven wel ernstig onderzoeken, of het ook aan ons ligt, dat wij niet veel vangen. Het is mogelijk, dat onze netten niet in orde zijn; het is mogelijk, dat wij ons handwerk niet goed verstaan. Menigeen zoekt de schuld bij de menschen of in de tijdsomstandigheden, of denkt, dat de schuld ligt bij den Christelijken godsdienst, die nu eenmaal een steen des aanstoots voor de groote massa is , en die dat ook blijven zal; hoe dwaas toch! om zoo zich te troosten, en zich te verontschuldigen, en — zoo zich te bedriegen!

Marcus 8 :1—9.

In diezelfde dagen, als er eene geheel groote schare was, en zij niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zich, en zeide tot hen:

Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en hebben niet wat zij eten zouden.

En indien ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zoo zullen zij op den weg bezwijken: want sommigen van hen komen van verre.

En zijne discipelen antwoordden hem: Van waar zal iemand dezen met brooden hier in de woestijn kunnen verzadigen?

En hij vraagde hun: Hoeveel brooden hebt gij? En zij zeiden: Zeven.

En hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en hij nam de zeven brooden, en gedankt hebbende, brak hij ze, en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen, en zij leiden ze de schare voor.

En zij hadden eenige weinige vischjes; en als hij gezegend had zeide hij, dat zij ook die zouden voorleggen.

-ocr page 177-

157

En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden.

Die nu gegeten hadden waren omtrent vier duizend; en hij liet

hen gaan.

„/« diezelfde dagen, als er eene geheel groote schare icas, en zij niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zich, en zeide tot hen: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, loant zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden. En indien ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zoo zullen zij op den weg bezwijken.quot; Ziehier weder den medelijdenden, barmhartigen Heiland! Zou Hij, wanneer Hij nu weder op aarde kwam, ook niet met ontferming bewogen zijn over het volk, dat niets heeft om te eten, en dat op den weg dreigt te bezwijken? Zeker, Hij zou met ontferming bewogen zijn; en zoo moeten ook wij met ontferming bewogen zijn; wij mogen niet rusten, tot dat ook de allerarmsten geholpen zijn, die tot nu toe het meest de hulpe ontbeerd hebben.

„Vanwaar zal iemand dezen met broaden hier in de woestijn kunnen verzadigen?quot; In de woestijn ging dat moeilijk. Maar wij zijn niet in de woestijn. Wij moesten niet lang naar een antwoord zoeken op die vraag: Vanwaar het brood om hen te voeden? Laat ons hart aan het hart van den Heiland gelijk zijn! Het is eenvoudig genoeg. En zooals Hij middelen en wegen vond, zouden ook wij middelen en wegen vinden; en zooals Hij de hand opendeed, zoo zouden ook onze handen zich openen.

„En hij nam de zeven broaden, en gedankt hebbende, brak hij ze, en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en en zij leiden ze de schare voor.quot; Zij, die deze brooden eerst gehad hadden, gaven ze aan Hem; en Hij op Zijne beurt zegende ze, en gaf ze aan de discipelen, en de discipelen gaven ze aan het volk. Zoo zullen ook tegenwoordig de bezitters moeten geven, zelfverloochening moeten oefenen, en offers moeten brengen ten bate van het algemeen; en dat staat gelijk met het in de hand des Heeren te geven. Hij zou dan de gave zegenen; Hij zou dan zijne discipelen, de Christelijk gezinde vorsten, staatslieden, wetgevers, leidslieden en vrienden des volks, de wijsheid en de macht geven, om zoodanige hervormingen uit te denken en in te voeren, die het volk aan brood zouden helpen, en die het

-ocr page 178-

158

voor honger en ellende zouden bewaren. En de bittere armoede zou ophouden te bestaan, en ieder, die wilde, zou arbeid hebben en een voldoend en verzekerd bestaan vinden.

„En zij hadden eenige weinige vischjes; en nis hij gezegend had, zeide hij, dat zij ooh die zouden voorleggen.quot; Droog brood alleen zouden zij niet hebben. Bij ons zijn er velen, die al blij zijn, als zij droog brood hebben.

Hij had ook de schare geboden, „om neder te zitten op de aarde.quot; Daarna spijzigde Hij die menschen. Hij wilde, dat zij hun maaltijd in rust en met gemak zouden nuttigen. Wie denkt hierbij niet aan de arbeiders, die tegen den middag zich snel naar huis spoeden, en die daar hun sober middagmaal met haast naar binnen slaan, om dan dadelijk weer den langen weg naar de werkplaats terug te ijlen, om niet te laat te komen! Hoe velen hebben er niet eens den tijd toe, om den maaltijd bij hun gezin te genieten; die het eten zich door de kinderen moeten laten brengen, en die het dan in de open lucht, in de gloeiende zon of half bevroren, onder wind en regen, zoo onaangenaam en onbehagelijk mogelijk moeten opeten.

Wij willen hier ook niet vergeten op het „dankenquot; van den Heere te letten. Tweemaal na elkander dankte Hij , eerst voor het drooge brood, en dan voor de weinige vissohen; ook voor deze geringe gaven dankte Hij den hemelschen Vader. In hoevele gezinnen zou men tegenwoordig nog danken en bidden aan tafel? Hoevele rijken danken niet, hoewel zij dag aan dag het genot hebben van een rijk voorzienen disch? Hoevele armen danken niet, omdat zij hun sober maal gebruiken, vervuld met haat en nijd, die ook dan niet eens danken zouden, al hadden zij overvloed? Het geloof aan God is men bezig uit te roeien; en in de toekomst zal er geen dankgebed meer uitgesproken worden, ja geheel niet meer gebeden worden; er zal ook geen dankdag meer zijn voor den oogst, en geen Hervormingsdag, en geen Kerstfeest, en niets meer, waar het oude geloof aan hechtte. O! die nieuwe wereld! Nieuw zal zij wezen; maar ook beter? Ook gelukkiger? Gelukkig, die haar niet beleven zal.

„En zij hebben gegeten en zijn verzadigd geworden,quot; aan brood en visch. Een eenvoudige, maar voedzame en voldoende maaltijd. Eenvoudig, voedzaam, en voldoende: inderdaad, daar komt het op neer; meer is niet noodig. Behoeft

-ocr page 179-

159

de mensch nog meer, om verzadigd te worden, om te kun nen leven en om te kunnen werken? Vele mensohen hebben zeker meerdere behoeften; zij zijn verwend, en verwennen reeds vroeg ook hunne kinderen; zij zijn verkwistend aan tafel; de buik is hun god. En aan de andere zijde moet het gezien worden, dat velen niet eens hun genoegen kunnen eten, en gebrek hebben aan eenvoudig, voedzaam en voldoend voedsel! Jammer, dat dit nu dikwijls aan die lieden zeiven ligt, dewijl zij er geen gebrek aan behoefden te hebben, en geld genoeg daarvoor verdienen; waarom is de man verkwistend, en waarom brengt hij het er door, wat hij verdient, en waarom kan die vrouw niet huishouden en koken ?

„En zij namen het overschot der brokken op, zeven manden.quot; Bewaren, niet wegwerpen, sparen, — een fijne kunst! Maar dat zij niet in gierigheid ontaarde! Ziegler zegt treffend , hoe eigenaardig deze zonde zich bij sommige menschen openbaart: „Waar kan ik dat naaigoed het goedkoopste gedaan krijgen?quot; — „Ik heb eene naaister gevonden, wie ik een dubbeltje minder behoef te geven.quot; — „Ik betaal mijne pianojuffrouw de helft minder dan gij.quot; Dat zijn vragen en gezegden, waarop volgens het stelsel van vraag en aanbod niets aan te merken valt; en menige huisvader, en menige zuinige huismoeder, vooral onder de kleinere ambtenaarswereld en het kantoorpei-soneel, die toch een zekeren stand hebben op te houden, mogen met recht zoo vragen. Maar zoo redeneeren ook anderen, die het niet op de armen behoeven uit te zuinigen; en dat is „zondigen op een koopjequot;, wat zij dan doen; d. w. z. waar zij goedkoop koopen, zondigen zij duur. Want iedereen in de maatschappij zondigt, die arbeid tot een hongerloon huurt; en iedereen, die in een magazijn koopt, waar voor een hongerloon gewerkt wordt, doet ook zonde.quot; Dat is sociale moraal.

-ocr page 180-

160

Matthens 7 :15—33.

Maar wacht u van de valschc profeten, dewelke in schaapskleederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.

Aan hunne vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook eene druif van doornen, of vijgen van distelen?

Akoo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.

Een goede boom kan geene kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.

Een ieder boom, die geene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

Zoo zult gij dan dezelve a»n hunne vruchten kennen.

Niet een iegelijk, die tot mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is.

Velen zullen te dien dage tot mij zeggen; Heere^ Heere! hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan?

En dan zal ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!

„Wacht u van de valsche profeten, dewelke in schaapskleederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.quot; Nieuwe profeten zijn er onder ons volk opgestaan, en zij hebben vele aanhangers gewonnen. Zijn het valsche profeten? Wij kunnen niet gelooven, dat zij met hunne goddeloosheid en vijandschap tegen Christus, met hun grimmigen haat en woelziek drijven ons volk tot een zegen zullen zijn, en den armen en verdrukten het hemelrijk zullen brengen, gelijk zij zoo stout beweren. In schaapskleederen komen zij tot de armen; door hunne kritiek op de bestaande toestanden, en door hunne beloften van toekomstige heerlijkheden weten zij hen gemakkelijk te winnen en aan zich te binden. Als wolven treden zij tegen de bezitters op; gaarne zouden zij hen verscheuren; gaarne zouden zij alle bestaande wetten afschaffen; en met dat al het geheele volk niet verhinderen, zich in namelooze ellende te storten. Daarom: wacht u voor deze profeten!

Maar, gij bezitters! ziet ook gij toe! Vanwaar die woede dier menschen tegen u ? Omdat zij, zooals zij onomwonden verklaren, uwe zelfzucht voor te groot houden, dan dat gij haar nog overwinnen kondet; en omdat zij gelooven, dat gij

-ocr page 181-

161

ei- nooit meer toe te bewegen zult zijn, om uit eigen goeden wil het lot der armen u aan te trekken en te verbeteren. En daarom zullen zij in staat zijn om ten laatste geweld tegen u te gebruiken, en als grimmige wolven des nachts over u heen te komen, in den waan, dat zij, als zij maar eenmaal hun ideaalstaat hébben gegrondvest, dan wel weder in zachte lammeren zullen verkeeren en in vrede leven. Toont hun, dat zij zich in u vergissen! Toont toch, dat gij opene oogen en handen hebt voor de bestaande nooden, en dat gij een hart hebt om mede te werken tot opheffing van den vierden stand op elke manier! Schaart u allen rondom den waren profeet, die ons hier voor den valschen waarschuwt, en in wiens kracht alleen wij hen kunnen overwinnen.

„Aan hunne vruchten zult gij hen hennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen? Alzoo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een hwade boom brengt voort kwade vruchten.quot; Dit woord nu op de sociaaldemocraten toegepast: welke vruchten brengen zij voort\'? Zij zeiven zullen natuurlijk vele goede vruchten aanwijzen, en zich er op beroemen. Maar zijn dat ook goede vruchten, dat ons volk in twee elkander vijandige legermachten is verdeeld geworden, dat er een woedende, hartstochtelijke haat in de ziel van duizenden opgewekt en aangeblazen is, en dat er gedurig gepredikt wordt, dat de toestanden zoo verrot zijn, dat er van eene hervorming langs vreedzamen weg niets te wachten is? Zijn dat goede vruchten, dat zij de massa\'s gewend hebben, om alleen bij de tegenstanders zonden en gebreken te zien, en hare eigene zonden over het hoofd te zien; dat zij de massa\'s geleerd hebben om ontevreden te zijn over eene eenvoudige levenswijze en te haken naar zondige genietingen als het hoogste levensgeluk, zoodat velen, die zeer gelukkig en tevreden leven konden, door hen medegesleept, er reeds hun geld, hun vrede en hun huiselijk geluk door hebben verloren? Zijn dat goede vruchten, dat de menschen aangespoord worden, om met alle gezag in hemel en op aarde te lachen en te spotten; dat godsvrucht, koningsgezindheid, vaderlandsliefde, dat geloof, hoojD en liefde, alles te zamen in de harten uitgedoofd worden; dat Christelijke tucht en zedelijkheid met voeten getreden worden; en dat er reeds eene jeugd opgroeit, waar men voor gruwen moet? Zijn dat goede vruchten, dat zij het volk met beloften van een Sociale Moraal.

-ocr page 182-

162

zaligen en spoedigen toekomststaat paaien en bedriegen, terwijl zij zeiven toch wel weten, dat onoverkomelijke hinderpalen de grondvesting van dien staat in den weg staan, en dat het eene onwetenschappelijke bespottelijkheid is om te denken, dat die staat maar in eens en met geweld op te zetten is; terwijl zij zeiven toch wel weten, dat er een geheel ander, edeler, zedelijker geslacht dan het tegenwoordige noodig is om die ideale toestanden in het leven te roepen? Neen, dat zijn geene goede vruchten. De sociaaldemocratie is geen goede boom , al is er niet alles kwaad aan; zij is op hare wijze voor ons volk, wat volgens Paulns die oude onverzettelijke Mozaïsche wet voor de Joden was; een tuchtmeester tot Christus. Zij kan ons veel leeren: zij stuwt ons voort in de baan van de sociale ontwikkeling. Hoe beter wij van haar leeren, des te eerder zullen wij de sociale kinderschoenen ontwassen zijn, en des te eerder zullen wij dat echte socialisme leeren verstaan en willen verwerkelijken, dat door den grooten socialen Reformator Jezus Christus geleerd is; des te eerder zullen wij dien ruwen tuchtmeester ontgroeid zijn; des te eerder zal hij aan invloed verliezen, en des te minder zal hij nog te vreezen zijn.

Op hare beurt echter past de aociaaldemocratie dat woord op de bezitters toe: „Aan hunne vruchten zult gij hen kennen.quot; En aan uwen boom, o bezitters! weet zij menige kwade vrucht aan te wijzen! Zoo bitter als de manier is, waarop zij het zegt, zoo heeft zij toch dikwijls gelijk. Aan hoevele zedelijke en geestelijke zonden is ook de rijkere stand ziek! Och! sluit er toch de oogen niet voor! Wie kan ons soms beter de waarheid zeggen, dan onze vijand! AVel ons! wanneer wij ons de waarheid laten zeggen, hoe onaangenaam zij ook is, en wanneer wij onszelven oordeelen, opdat wij niet geoordeeld worden, en wanneer wij als eerlijke menschen ons bekeeren en boete doen. Dit laatste is en blijft de voornaamste eisch aan alle standen, aan eiken burger, want uit de bekeering worden de goede werken geboren. Het geldt ook nog voor onzen tijd: „Een ieder boom, die geene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.quot;

„Niet een iegelijk, die tot mij zegt: Heere! Heere! zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den ivil mijns Vaders, die in de hemelen is.quot; Geen woorden, maar daden!

-ocr page 183-

163

Geen Christendom van de lippen, maar een Christendom der werken! Dat is voor onzen tijd de leus. Te lang reeds heeft het laatste geleden onder het eerste, en vandaar die bittere vijandschap tegen het Evangelie! Maak ernst met uw Evangelie, en laat dit blijken door billijke en zakelijke hervormingen, en de vijanden van het Christendom zullen zich ontwapend gevoelen; en gaandeweg krijgen wij dan het hemelrijk op aarde.

Lucas IC : l—0.

En hij zeide ook tot zijne discipelen: Er was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijne goederen doorbracht.

En hij riep hem, en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u! geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.

En de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mij.

Ik weet wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap zal afgezet wezen, zij mij in hunne huizen ontvangen.

En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eerste: Hoeveel zijt gij mijnen heer schuldig?

En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en nederzittende, schrijf haastelijk vijftig.

Daarna zeide hij tot eenen andere: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en schrijf tachtig.

En de heer prees den onrechtvaardige!! rentmeester, omdat hij voorzichtig gedaan had: want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts in hun geslacht.

En ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardige!! Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.

11»

-ocr page 184-

164

„Er was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had; en deze werd bij hem verkiaagd, als die zijne goederen doorbracht.\'quot; Een ontrouw beambte, zooals men er tegenwoordig nog vele heeft; hoe dikwijls lezen wij van hen in de couranten! Hoe komt het, dat zij zich aan het eigendom van hun chef vergrijpen? Hoe worden zij een dief? Bij den een is het door onnauwkeurigheid, slordigheid, gebrek aan nauwgezetheid in het kleine zoowel als in het groote. Bij een ander is het door genotzucht en verkwisting; de man heeft wel behoorlijk salaris, maar hij wil op een hoogen voet leven, en gaat verder dan zijne middelen toelaten. Een derde komt er toe, door dat hij jammerlijk slecht voor zijn arbeid betaald wordt, en met den besten wil en met de grootste zuinigheid er niet komen kan; de nood drijft hem tot diefstal in den lessenaar zijns heeren. Wie van deze drie de beklagenswaardigste is, en het zachtste oordeel verdient, dat behoeft niet aangeduid te worden.

Rentmeester zijn wij overigens allen, rentmeesters in den dienst van God over de velerlei goederen, die Hij ons toevertrouwd heeft, opdat wij daarmede woekeren zouden. In dezen zin opgevat, zullen er nog wel veel meer ontrouwe rentmeesters zijn, al worden zij door de wereld er niet op aangezien , niet met schande en smaad afgezet en weggejaagd, en niet voor den rechter gebracht. Ontrouwe rentmeesters, dat zijn allereerst; de verkwisters, die van den eenen dag op den anderen in pleizier en dolle dwaasheden hun geld opmaken, in plaats van het nuttig te besteden; vervolgens: de gierigaards, die op hun geldzak zitten, en zichzelven niet eens iets gunnen, dus hunne betrekkingen nog minder, en die het vergeten, dat zij ook leden van het groote lichaam zijn, en dat zij sociale plichten te vervullen hebben. Ontrouwe rentmeesters, dat zijn: de werkgevers, die meenen, dat zij hunne plichten jegens de arbeiders volkomen vervuld hebben, wanneer zij hun het bedongen karige loon nauwgezet uitbetaald hebben; maar dat zijn evenzoo: de arbeiders en de dienstboden, die zich wel laten betalen, maar hun werk verwaarloozen. Ontrouwe rentmeesters, dat zijn: de ledigloopers, zij mogen rijk zijn of arm, die hunne krachten en gaven braak laten liggen; de huisvrouwen, die haar huishouden niet naloopen; de ouders, die zich om hunne kinderen niet bekommeren; en eindelijk ook die menschen,

-ocr page 185-

165

die hunne overtuiging verloochenen, die de waarheid wel kennen, maar niet voor haar durven uitkomen. Het getal der ontrouwe rentmeesters is niet te tellen.

„En hij riep hem, en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van uf geef rekenschap van uw rentmeesterschap: want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.quot; Dit is het, wat God ook van ons afeischen zal, wanneer Hij ons van de aarde oproept. Er zal een dag komen, waarop wij rekenschap zullen moeten geven voor het aangezicht van God. Ontroerende gedachte! Heilzaam geloof! Wat zouden de menschen betere rentmeesters zijn, wanneer zij ernstiger hieraan geloofden!

Maar ook reeds hier op aarde wordt het zoo menigeen aangezegd: „Gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.quot; Dat is een wanhopig geval: „De rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt f graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mij.quot; Een ambtenaar zonder betrekking! Een werkman zonder werk! Weet gij, wat dat beteekent, en welke diepte van ellende deze woorden kunnen in zich sluiten? Daar is zoo menigeen buiten werk, werkeloos, zonder eenige schuld, zonder eenig vergrijp! Het saizoen loopt ten einde, en daarmede zijn tegelijk de werkzaamheden gedaan; of wel, de zaken loopen slecht, en daar moet wat uitgezuinigd worden; de werkgever zorgt dat hij niet te kort komt; en de arbeider wordt ontslagen, al heeft hij ook lange jaren trouw en vlijtig gediend. Ja, zie dan maar, wat er van hem terecht komt! Het snijdt ons diep door het hart, telkens wanneer wij in de couranten er van lezen, dat er weer zooveel en zooveel ontslagen zijn. Zou de patroon, die het aan zijne arbeiders moet aanzeggen, het ook voelen, voelen met een bloedend hart? Daar, dat is weer, wat wij vrijheid noemen! De werkgever is vrij , kan het werk opzeggen, wanneer en wien hij wil; en de arbeider is ook vrij, o zoo vrij! hij kan gaan, waar hij maar heen wil, om werk en brood te zoeken; hij mag ook naar den duivel! Zoo is het voordeel van den een het nadeel van den ander, ja misschien de ondergang van den ander. Werkeloosheid buiten eigen schuld, daar kan immers alles uit voortkomen, ook de volkomen ondergang! Geen verdienste, dat wil zeggen: geen geld om de loopende schulden en de huishuur te betalen. Geen verdienste, dat wil zeggen: geene kleederen voor de vrouw en de kinderen.

-ocr page 186-

166

Geen verdienste, dat wil zeggen: geene hulp voor de zieken te huis! Geen verdienste, dat wil zeggen geen brand voorden haard, terwijl het vriest in de kamer! Geen verdienste, geen uitzicht waar ook! Geen verdienste, dat is de vreese-lijkste nood; dat is honger, vorst, wanhoop en dood!

Ja, wat kan hij doen? Elders arbeid gaan zoeken. Maar als hij nergens werk vindt? Daar loopen vooral \'s winters zoovele werkeloozen rond, de plaatsen zijn overal bezet; het is bepaald een wonder als ergens nog iemand geplaatst kan worden. Verplaats u in den toestand van zulke arbeidersgezinnen, wier broodwinners tot rondslenteren gedwongen zijn; ieder wil toch eiken dag zijn eten en drinken hebben, en zich toch voor een oogenblik kunnen verwarmen, om van andere behoeften niet te spreken! Het eene meubelstuk na het andere wordt naar den lombard gebracht; de laatste penningen zijn verteerd; de honger steekt het hoofd binnen de deur, nog gruwzamer dan de felle winter; de zorgen stapelen zich opeen; en bij dat alles: zelfs in de verte nog geen uitzicht op werk! Wij kunnen ons voorstellen, welke gedachten en welke gevoelens daar gemakkelijk in die harten kunnen wortel schieten, welke woorden daar over de lippen kunnen komen, en tot welke daden en misdaden de mensch daar in zijn wanhoop kan vervallen; wij kunnen het ons voorstellen.

Eindelijk, na lang, lang zoeken vindt de man eene betrekking; zij is wel zeer karig bezoldigd, maar hij neemt haar toch aan, en met blijdschap. Nu zal hij flink gaan werken van den vroegen morgen tot den laten avond; heerlijk ! hij voelt nu weer grond onder de voeten; hij heeft weer een levensdoel en het vroolijke vooruitzicht om voor zich-zelven en voor de zijnen een eerlijk stuk brood te kunnen verdienen. Maar helaas! deze betrekking was maar tijdelijk! Na eenige weken wordt hij weer afgedankt, en staat hij weer op straat. Nu beginnen de zorgen, de nooden, de wanhoop allen weer van voren af aan, maar allen zooveel te erger! Hij hoort, dat er in de buurt een paar plaatsen open zijn; hij gaat er heen; te vergeefs! ook hier kan hij niet terecht; hij gaat verder op; hij werkt dan eens hier, dan eens daar voor een oogenblik; vast werk kan hij maarniet vinden; „was hij maar wat jonger!quot; of „had hij maar geen lichaamsgebreken!quot; zoo heeft men hem hier en

-ocr page 187-

167

daar gezegd; en overal sluit de wereld en de maatschappij hare deuren voor hem; reeds staat hij feitelijk buiten, de paria!

De rentmeester sprak: „Graven kan ik niet!quot; Waarom niet? Het is voor hem zeker eene ongewone en harde arbeid, maar, als de nood aan den man is, dan moet men wel, hoe zwaar het werk ook valt; men went er ten slotte toch ook aan. Hoevele van onze werkeloozen of handwerkslieden moeten ook wel, bij gebrek aan wat anders, tot dat werk hunne toevlucht nemen! In hunne jeugd hadden zij met veel vlijt, moeite en offers een goed handwerk geleerd, en zij kenden hun vak in den grond; dat is altijd een waarborg voor brood, zoo zeide men toen; maar toen in den loop der jaren de groote fabrieken ontstonden, die met stoom gedreven werden, toen werd het handwerk bijna overbodig, en zij, de handwerkslieden, mochten rondloopen; vrouwen en kinderen zijn veel goedkooper; en jonge leerlingen worden nu aan hetzelfde werk gezet, waar vroeger de gezellen en meesters voor stonden. Wat blijft er nu in zulk een geval voor de meesten over, dan „van alles watquot; te doen, en alle werk maar aan te nemen, dat zich voordoet; in het voorjaar zijn zij eenige weken tuinknecht; in den zomer verhuren zij zich eenige weken bij wie hen maar hebben wil, bij het inhalen der vruchten; of zij gaan op eene suikerfabriek, en tusschen beiden door doen zij dienst bij de processie; alles is welkom. Op deze wijze mogen niet weinigen van onze handwerkslieden den strijd om het bestaan strijden, zoo goed zij maar kunnen. En nog een geluk is het, als zij het zoo doen kunnen. Want hoevelen van hen moeten klagen: „Graven kan ik niet! Ik zou het wel gaarne doen, en eiken anderen harden arbeid zou ik met beide handen aangrijpen, maar ik word oud, de krachten worden minder, en ik ben onder het werk verminkt; en als ik het aan dezen of genen werkgever vraag, dan trekt hij de schouders op, en word ik als onbruikbaar afgewezen; hij heeft onder de jonge kerels keus genoeg.quot; — Zijn deze niet nog dieper te beklagen? Wat moeten zij toch beginnen? Hoe vreeselijk is hun strijd in de maatschappij! De belangstelling en het medelij den van hunne medemenschen moesten zij toch dubbel ondervinden!

Op die wijze belandt de man eindelijk in het groote leger der landloopers, in het slechte gezelschap, waar honger

-ocr page 188-

168

en ellende hem tusschenbeiden naar de jeneverflesch doen grijpen; zijne kleeren beginnen sjofel uit te zien; hij bedelt, en schaamt zich toch nog, dat hij bedelt; men had hem vroeger dat eens moeten zeggen! — Maar wat zal hij anders doen? Stelen, dat wil hij niet; en honger is een scherp zwaard; zonder bedelen kan het dus niet gaan. Spoedig daarop volgen de aanhouding, de gevangenis en |het verbeterhuis of de kolonie. Hoe moeilijk is het voor hem, wanneer hij daarna ontslagen en weer op vrije voeten gesteld is, om een nieuw begin te maken, en om zich er weer boven op te werken, vooral als hij zijn ontslag midden in den winter gekregen heeft! Dat is bijna eene onmogelijke geschiedenis ; want die eenmaal zoo ver gekomen is, die deze school heeft doorgemaakt, en die dan bovendien een zeker behagen in het landloopen gekregen heeft, en ook daarbij den jenever heeft lief gekregen, die daalt nog dieper.

Er zijn heel wat veroordeelden, die verscheidene getuigschriften van bekwaamheid en goed gedrag in den zak hebben, en die daarmede bewijzen kunnen, hoe zij zich ingespannen en hun best gedaan hebben om weer fatsoenlijke leden van de maatschappij te worden. En dat nu dezulken later toch weer in de gevangenis komen, omdat zij gedurende den winter weer buiten werk waren gekomen, en omdat zij met de taaiste volharding toch nergens eene plaats hadden kunnen krijgen, zie, dat is boven mate droevig en wanhopig! Zulke ervaringen maken het den geestelijke in de gestichten en in de gevangenissen bij zijne zielzorg niet minder moeilijk! Hij moet voor die lieden prediken, zoo prediken, dat zij in hun geweten gegrepen worden; hij moet hen tot boete opwekken; en hij voelt onder dat alles door, dat de schuld van de maatschappij in de meeste gevallen veel grooter is dan de schuld van den enkele, die hier tot zoo diepen val gekomen is; en hij weet daarbij maar al te goed, hoe die arme menschen na hun ontslag met bepaald onoverkomelijke moeilijkheden en hinderpalen te worstelen hebben, als zij nog ooit weer eerlijke en fatsoenlijke burgers zullen worden. Velen van hen hebben die zedelijke kracht niet, en verliezen weldra het laatste vonkje energie; en natuurlijk! want wie zou er niet allen moed bij laten zinken, die het al meer heeft ondervonden, hoe moeilijk het is om werk te vinden, en hoe slecht die arbeid betaald wordt, en voor hoe

-ocr page 189-

169

korten tijd het soms maar is, zoodat dan alweer het rond-loopen mag beginnen, en het zoeken, en het hongeren, tot voor de zooveelste maal alweer de straf er op volgt. Op die wijze wordt de mensch van zelf geestelijk en lichamelijk geheel onbekwaam om er zich boven op te werken. En al vond hij bij geluk dan nog eens eene betrekking, hij weet die niet meer te vervullen zooals het behoort; zijne handen staan er niet meer naar; hij haalt zich de ontevredenheid van zijne meerderen op den hals, en loopt er ten slotte zelf maar uit; hij gelijkt op een boom, die zoo dikwijls verplant is, dat hij zelfs in zijn eigen grond, op zijne oude plaats, niet meer tieren kan, en verdorren moet. Het is gemakkelijk om over zulke ongelukkigen dan den staf te breken; men kan dan gemakkelijk zeggen, dat aan zulke dagdieven, slenteraars en schelmen elke weldaad verkwist is; maar waarom beschouwt en beoordeelt men zulke zedelijke mispunten alleen naar hunne laatste phase? Om een juist en rechtvaardig oordeel over hen te vellen, moet men toch ook in rekening brengen die geheele lange keten van ontberingen, rampen, teleurstellingen, onteeringen, straflen, verleidingen, zwakheden, zonden en hartstochten, die allen te zamen er toe medegewerkt hebben om hen zoo ver te brengen, zooals bij hunne laatste misdaad openbaar werd. Welk een niet te ontwarren weefsel van objectieve en subjectieve aanleidingen, van uitwendige oorzaken en persoonlijke gebreken, van eigen schuld en van andermans schuld, en bovendien van sociale, maatschappelijke misstanden! Bij sommigen van deze ongelukkigen zullen de subjectieve, bij anderen de objectieve factoren overwegend zijn ; bij geen hunner zal een dezer factoren geheel ontbreken.

ïen opzichte van zulke beklagelijken geldt zoo sterk mogelijk dat: „Oordeelt niet! verdoemt niet!quot; Ja, hier hebben wij een toetssteen, waaraan zij te kennen zullen zijn, die Christelijk denken en gevoelen over anderen; want ook de minste aanraking met die ongelukkigen zal het telkens bij ons openbaar doen worden, wie van ons gewoon zijn om maar dadelijk scherp en eigengerechtig onze medemenschen onverhoord te veroordeelen en te helpen verdoemen, en wie van ons eerst voorzichtig het verhaal van hun val uithooren en vol medelijden hen beoordeelen en beklagen. In welke houding de vriend van tollenaars en zondaars voor hen zou gaan staan, daar behoeft niemand naar te vragen.

-ocr page 190-

170

Maur wanneer nu iemand door eigen schuld, bijvoor-beeld door oneerlijkheid, zonder bepaald door den nood er toe gebracht te zijn, zooals de rentmeester in de gelijkenis, zijne betrekking verliest en op die wijze op het hellend vlak geraakt, — moeten wij dan niet van zelf een veel schorper oordeel uitspreken? Zeker; en toch, wie zijn wij, dat wij ook in dit geval met strengheid mogen oordeelen en verdoemen? Struikelen wij niet allen en in vele dingen? Zijn de verzoekingen somtijds niet overweldigend sterk? Is de opvoeding misschien niet verkeerd geweest? Hoe zou het met u staan, als gij ook in zulke bedenkelijke omstandigheden waart opgegroeid ? En heeft niet de ongelukkige al genoeg en overgenoeg zijne straf daarin, dat hij een gevallene is, waarvan wij, die altijd naar de gewone orde van wet en fatsoen hebben mogen leven, den smaad en de wroeging nauwelijks ooit hebben gevoeld? En wat weet gij er van, hoe dikwijls en hoe bitter hij er berouw over gehad heeft, en welke inspanning het hem gekost heeft, om zich weder op te richten en weer een ordentelijk mensch te worden, al was het telkens te vergeefs? Wat heeft hij niet met wantrouwen en met vooroordeelen te worstelen gehad! Hoe is ook de eerste schrede op den weg noodlottig voor het ge-heele leven! Het moest in onze maatschappij toch alzoo zijn, dat, als iemand tot een val kwam, de mogelijkheid tot een berouwvollen terugkeer in de vroegere plaats, welke hij in de maatschappij innam, niet voor goed voor hem gesloten was.

Merken wij uit al het bovenstaande niet, welke schreeuwende misstanden er in ons sociale leven bestaan? Wij spraken over de ellende der werkeloozen, der bedelaars en der landloopers. Wat is er nu noodiger dan de werkeloosheid te weren, de werkeloosheid buiten eigen schuld, om alzoo ons volk te beveiligen tegen zoo vreeselijke onheilen als zedelijk en stoffelijk daaruit voortvloeien? Hoe moeilijk het ook gaan mag, ook dit moet en zal gelukken, en een der geweldigste oorzaken van de sociale nooden zal daarmede weggevallen zijn. Wat tot nu toe in deze richting gedaan is, is zeker nog niet veel geweest. Maar laat men toch vooral beginnen met met te breken de gewone gemakkelijke opinie: „Wie werken wil, kan licht werk vinden;quot; want de tegenwerping zou gemaakt kunnen worden: „Waar dan? en wat

-ocr page 191-

171

voor werk toch?quot; Hoe onverdraaglijk haalt men soms van den arbeider, wat er maar van te halen is! Wat kan men hem, alsof hij geen mensch was, behandelen! Wat wordt hij ontoereikend betaald! Maar daarvan afgezien, het is gemakkelijk genoeg gezegd: „Wie werken wil, kan werk vinden.quot; Die zoo spreekt, oordeelt misschien naar zijn dorp, of naar zijne omgeving, of naar eene zeer geringe ervaring, en generaliseert dan maar dwaas en dapper er op los; dat doen dan ook zoovelen, die, kortzichtig en bevooroordeeld als zij zijn, geen gezicht hebben op het totaal van de vreeselijke maatschappelijke wanverhoudingen. En de een spreekt het natuurlijk den ander na, dat wil zeggen, altijd onder die lieden, die zeiven onder den nood der tijden niet bijzonder gebukt gaan, die zeiven werk en goed betaald werk hebben, of die in het geheel niet behoeven te werken! Wanneer ik in mijne welgedaanheid den nood der werkeloosheid eenvoudig wegredeneer met dat ééne woord: „Wie werken wil, kan werk vinden,quot; dan is dat eenvoudig eene streeling voor den ouden mensch in mij, — „mij heeft het nooit aan werk gemankeerd, ik was altijd vlijtig en arbeidzaam;quot; — en dan is dat eigenlijk eene minder goedaardige neiging om de gansche verantwoordelijkheid van hun ongeluk geheel op hunne eigene schouders te leggen en een smet op hun karakter te werpen, iets wat ook alweer geheel overeenkomt met de natuur van den ouden mensch, — „\'tis lui volk, en zij verdienen niet beter;quot; terwijl van die zegsmanier eigenlijk de ondergrond is: „ik onthef mij daardoor van de zedelijke verplichting om voor zulke menschen wat over te hebben of op te offeren; ik gevoel mij vrijer (altijd met eene valsche conscientie) om mij verder met de sociale vragen niet in te laten; en ik wil nu er ook geen oogenblik langer last van hebben. Want is op die wijze het geweten tot zwijgen gebracht, dan weet men van geene sociale plichten of zonden meer af, en komt men tot het heerlijke resultaat: „Daar zijn eigenlijk geene sociale nooden! Daar is eigenlijk in den grond geene sociale quaestie! De arbeiders zijn lui en nergens toe nut, en dat is de schuld van alles.quot; — Is dat geene totale miskenning van den stand van zaken? Is dat geene lichtzinnige oppervlakkige beschouwing? En ligt daar niet ontzaglijk veel bedenkelijks en noodlottigs in? Ja, vermeerdert dat niet vreeselijk het gevaar?

-ocr page 192-

172

Evenzoo hoort men dikwijls bij do werkeloosheid des winters in de groote steden ium de werklieden den raad geven: „Gaat toch naar het platte land! Ga bij de boeren! daar is werk genoeg; ook de rijke grondeigenaars zoeken te vergeefs naar arbeiders; volgt gij onzen raad niet, dan veroordeelt gij uzelven; dan toont gij, dat gij niet werken wilt; en gij begrijpt, dat gij uwen honger aan niemand te wijten hebt, en uwe ellende dubbel verdient.quot; Is ook dat in de meeste gevallen weer niet eene lichtzinnige, hartelooze en oppervlakkige manier van spreken? Handwerkslieden of ander soort van werklieden, die wel uitnemend op de hoogte van hun vak zijn, maar die nooit op het land gewerkt hebben, en die misschien bovendien reeds op jaren zijn, — gaat men die aanmoedigen om bij de boeren of landheeren zich om werk aan te melden ? En moeten zij hun beroep, dat zij hun leven lang bij de hand gehad hebben, met al de voordeelen en de vooruitzichten er van, maar laten varen, om ergens elders, wie weet waar? een dagloonersdienst aan te nemen, waarin zij zich in alle opzichten niet t\'huis en ongelukkig zullen gevoelen? Zullen zij er niet te klagen hebben over eene onbehoorlijke, onverdragelijke behandeling? Zal daar de arbeidsduur niet onverantwoordelijk lang, en hun loon niet ongehoord laag zijn, omdat de werkgever het daar zeer wel weet, hoe verlegen zij zijn om werk? Zal hunne woning er niet even onbewoonbaar zijn en armoedig? En zal daar de arbeid niet ook maar tijdelijk zijn, zoodat zij misschien na korteren of langeren tijd weer verder moeten trekken, en voor goed het gevaar gaan loopen geheel ten onder te gaan? En dan de reis er heen: Zal het reisgeld voor zulk een verren afstand hem betaald worden, als de man het zelf niet betalen kan? En dan de vrouw en de kinderen: Wat moeten zij beginnen? blijven of medegaan? — Dat zijn maar eenige vragen en bedenkingen, die bij zulk een ondoordachten raad van zelf opkomen bij een ieder, die wat verstand heeft, en die nog gevoel heeft voor de gulden spreuk: „Wat gij niet wilt, dat u geschiedt, gun dat ook aan anderen niet!quot;

Een even bedenkelijk verschijnsel als het trekken der stadsarbeiders naar buiten is het trekken der plattelandsarbeiders naar de stad. De trek naar de groote steden, de opeenhooping van te veel werklieden in de stad, veroor-

-ocr page 193-

173

zaakt hier en daar ontvolking van het platte land; en de oeconomisten worden ook hier weer voor eene moeilijke vraag gesteld. Zeer dikwijls trekken de arbeiders naar de groote stad om geene andere reden dan om er pleizier, en vrijere genietingen te zoeken, wat door vele socialistenleiders als het hoogste geluk op aarde geprezen wordt. Eene betere opvoeding van de jeugd op de dorpen zal hier veel tegen kunnen doen; want met de betere opvoeding in Christelijken geest zal ook eene betere levensbeschouwing hun deel worden; en met die betere levensbeschouwing zullen zij niet zoo licht verleid worden om het eenvoudige leven op het platte land te gaan verwisselen met eene wisselvallige broodwinning plus losbandigheid in de stad. Maar bovendien kunnen en maeten door verstandige wetsbepalingen hier wel eenige grenzen gesteld worden aan dien trek naar de steden, vooral ten aanzien van de zeer jonge menschen. En wat boven alles dien trek zal kunnen tegengaan , is dit: Verheft toch den maatschappelijken toestand van de arbeiders buiten! Behandelt hen, en betaalt hen wat behoorlijker! Maakt hun lot wat dragelijker en aangenamer, zoo dat zij er zich behagelijker gaan voelen, en geen lust meer krijgen om op goed gelnk af zich in de stad te gaan vestigen! Wat kunnen de Christelijke gemeenten daar buiten, als zij ten minste de gemeenschap der heiligen verstaan, daar niet ontzaglijk toe mede werken, gelijk von Soden zoo voortreffelijk gezegd heeft: „Laten de in het dorp wonende Evangelische Christenen zich toch eng bij elkander aansluiten; door den gemeenschappelijken godsdienst en door den gemeenschappelijken arbeid zal ieder op zicli-zelven zich nergens beter op zijne plaats en zich zoo t\'huis gevoelen als juist daftr. Laten de gemeenteleden zich toch door de geestelijke banden nauw aan elkander verbinden, en niet zoo gemakkelijk zal dan deze of gene naar den sirenenzang luisteren, om hen te verlaten en naar de stad te trekken. Het gemakkelijke verkeer met de spoorwegen, en de dagbladpers, die beiden alle einden des lands en der aarde zoo dicht bij elkander brengen, hebben in de laatste jaren dien echt Duitschen lust om in den vreemde te gaan weer machtig gevoed. Des te meer moet echter te gelijk die andere trek, de liefde voor de ouderlijke woning en het ouderlijk dorp, aangekweekt worden, opdat er een evenwicht

-ocr page 194-

174

zij. Anders zullen wij weer eene volksverhuizing beleven, die niet minder schadelijk en verderfelijk zal wezen voor de beschaving, dan de vroegere geweest is.quot;

Maar ook de arbeiders en de beambten van welke soort ook mogen uit het bovengezegde ernstige vermaningen en lessen putten en ter harte nemen. Zijt gij zoo gelukkig om werk te hebben, verspeelt het niet op moedwillige wijze; hoedt u, om het niet te verliezen! Doet niet als de ontrouwe rentmeester! Neemt uw werk niet te gemakkelijk op! Weest niet lichtzinnig! Weest op uwe hoede voor de verzoekingen binnen in u en om u heen! Verwisselt niet elk oogenblik van betrekking! Weest voorzichtig als gij in den vreemde werk gaat zoeken! Voor zoo velen is dat de weg van armoede niet alleen, maar^ ook de breede weg des verderfs geworden! En dan die lichtzinnige werkstakingen! Wie meet de diepte en de breedte der ellende, die de lichtzinnige werkstakingen reeds over zoovele arbeiders en arbeidersgezinnen gebracht hebben, welke altijd ook in zoo verre werkeloosheid ten gevolge gehad hebben, dat de grootere ondernemers voor groote werken terugschrikken uit vrees, dat de arbeiders hun met eene plotselinge werkstaking wel eens een leelijken streek konden spelen! Kon dit zwaard, dat helaas! altijd aan twee kanten snijdt en verwondt, toch eens uit de hand gelegd worden! Juist de strikje toont zoo recht de bitterheid van dien heilloozen maatschappelijkcn kamp, waarin wij ons bevinden, en leert ons zoo met schade, hoe noodig de ingrijpende hervormingen zijn, welke tot den vrede leiden! Ja, weest voorzichtig!

De rentmeester sprak: „Te bedden schaam ik mij lquot; Had hij zich maar eerder geschaamd, toen hij met zijne geslepene bedriegerijen bezig was! Maar hij schaamt zich hier zoo weinig over, dat hij dadelijk weer zijne bedriegerijen voortzet om zich uit den nood te helpen. Hij is een zoodanig mensch, dat hij er niet eens een besef van heeft, dat bedrog zonde is. Zoo misleidt men zich nog altijd ten opzichte van menige zonde, waarover men zich schamen moest, maar waaraan men allerlei onschuldige namen geeft; bedrog noemt men „uitgerekend in zakenquot;; den huichelaar noemt men iemand, die „zijn wereld kentquot;; concurrenten afmaken noemt men „een gebruik in den handelquot;; arbeiders door een hongerloon uitzuigen noemt men „eene oeconomische noodwendigheidquot;;

-ocr page 195-

175

knechts van uit de hoogte behandelen is bewijs er van, dat men „den rechten toon weet aan te slaanquot;; van verkwisting zegt men: „dat brengt mijn stand medequot;; God en Christus bespotten noemt men „beschaving.quot;

„Ik weet, wal ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap zal afgezet wezen, zij mij in hunne huizen ontvangen. En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tol den eerste: Hoeveel zijt gij mijnen heer sclmldig? En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en nederzittende, schrijf haastelijk vijftig. Daarna zeide hij tot cenen andere: En gij, hoeveel zijt gij schiddigf En hij zeide: Honderd mudde tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en schrijf tachtig.quot; Dat was liet dus, wat hij bedoelde, toen hij zeide: „Ik weet, wat ik doen zalquot;; nieuwe bedriegerijen plegen, om zich eene toekomst te verzekeren. Het herinnert ons aan onze handelaars, die nauwelijks de straf achter den rug hebben voor hun bedrog, en reeds weder bezig zijn om nieuwe zwendelarijen te verzinnen en uit te voeren. Of alle schuldenaars van dien heer den rentmeester ter wille waren? Of er ook geen enkele met verontwaardiging zich tegen verzette? Dat zou dan wel eene geheele bende van bedriegers zijn geweest, en dat zou dan wel op een omvang van zedelijk bederf wijzen, zooals ook bij ons bij tijden op stuitende wijze openbaar wordt. Trouw en eerlijkheid schijnen meer en meer holle klanken te worden.

Mocht men de vermaning des Heeren opvolgen : „Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigcn mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.\'\'\'\' „Onrechtvaardige mammon,quot; hoe treffend juist is deze benaming, hetzij wij de manier op het oog hebben, waarop hij dikwijls verworven, of waarop hij dikwijls verteerd wordt. Zoo is de mammon een onrechtvaardig, een vreeselijk onrechtvaardig ding in de hand van den bedrieger, van den dief, van den beursspeculant, van den hazardspeler, van den vrek, van den verkwister, van den echtbreker, van den wellusteling, van de hoer. En om nog een bijzonder soort van onrechtvaardigen mammon te noemen: rentetitels! „Rentetitels,quot; zoo schrijft Paulsen, „zijn geen waar eigendom. De boer, de handwerksman, — deze hebben eigendom: hun akker, dien zij bebouwen, de gereedschappen, die zij in de hand houden; de landjonker heeft eigendom, hij

-ocr page 196-

176

zit op zijn eigen grond en regeert zijne pachters ; de koopman heeft eigendom, hij drijft handel met zijne schepen en zijne waren, en benoemt en ontslaat zijne kapiteins en zijne boekhouders. Maar de bezitter van rentetitels heeft geen eigendom; hij heeft niets in de hand dan een blad gedrukt papier. Waar eigendom blijft zijne waarde altijd behouden, maar dat papieren eigendom niet; het bezit daarvan is een tijdelijk toeval, en wordt licht als een onrecht toegerekend. Denk aan de aktiën van mijnen en delverijen; is er een redelijke grond voor aan te wijzen, zoo vraagt de eenvoudigste bergwerker zich af, waarom het resultaat van mijn arbeid en van eene gunstige tijdsomstandigheid aan een Berlijnsch, een Amsterdamsch of om een New-Yorksch millionair ten goede moet komen, en niet aan mij? Zulke overdenkingen zullen het wezen, die, meer nog dan de directe nood, ertoe zullen bijdragen dat de sociaaldemocratie zich uitbreidt. Naarmate het werkelijke eigendom in papieren eigendom zich omzet, naar die mate verliest ook de maatschappelijke zekerheid van eigendom aan kracht en algemeene erkenning.quot;

Er kleeft zoo nameloes veel ongerechtigheid, en daarom ook zoo veel ellende en jammer, zuchten en tranen aan den mammon, het onrechtvaardig verkregen geld, dat men bij oogenblikken bijna met vreugde de socialistischen plannen om het geld af te schaffen ondersteunen zou, als wanneer liet niet meer zal kunnen gezegd worden; het geld regeert de wereld! Maar, zoo vragen wij met nuchteren zin, zou die nieuwe orde te verwezenlijken zijn, en zou het veel helpen? Het geld zou men kunnen afschaffen, maar de gelddorst, de mammon-dienst, de oneerlijkheid, de onzedelijkheid, de genotzucht, de onrechtvaardigheid, de gewetenloosheid, de heerschzucht en de liefdeloosheid, die blijven, en die zouden ook zonder geld op hare wijze toch hare rampzalige offers wel weten te zoeken en te vinden. Daarom: laat den mammon op zijne plaats; hij is op zichzelven noch goed noch kwaad; eerst door de menschen wordt hij goed of kwaad. Op den mensch zeiven, op zijne inwendige zedelijke verbetering komt het aan; het is altijd de oude vermaning: bekeert u! Komt die zedelijke vernieuwing tot stand, dan zal men ook leeren om zich vrienden te maken uit den onrechtvaardigen mammon. Tot nu toe heeft men zich vijanden gemaakt met den mammon, een groot deel onder het volk tot ontevreden-

-ocr page 197-

177

heid en opstand geprikkeld, en de maatschappij in twee vijandelijke legers verdeeld. Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen mammon, en dat niet alleen door aalmoezen aan de arme klassen, maar door eene rechtvaardiger verdeeling der goederen. Laat dat hartelooze uitzuigen ophouden! Laat armoede buiten eigen schuld weder tot de onmogelijkheden hehooren! Dan zullen die te voren uwe vijanden waren, uwe vrienden worden, en u niet alleen in de eeuwige tabernakelen ontvangen, maar de tabernakel Gods zal reeds op aarde onder de mensohen zijn, en wij zullen er als Zijne kinderen en als broeders wonen.

Dit hebben wij van den rentmeester te leeren, want „de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzich-tiglijk gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts in hun geslacht.quot; Zullen de kinderen des lichts, de vertegenwoordigers des Christendoms doof blijven voor dit woord? Kunnen zij in onze dagen inderdaad niet veel leeren van de kinderen der wereld, van de godde-looze tegenstanders? Deze verstaan de kunst om de massa te pakken, en aan zich te verbinden; gene vervelen haar en stooten haar af. Deze laten alles ter zijde wat voor de bereiking van hun doel onnoodig of hinderlijk is; gene han-teeren nog vaak wapenen, die voor onzen tijd onbruikbaar zijn geworden, en de goede zaak in gevaar brengen. Deze maken zich de wetenschap ten nutte; gene zijn maar al te bevreesd om hare onomstootelijke resultaten aan te nemen en aan te wenden, en halen zich een kwaden naam op den hals van vijanden der beschaving, en duisterlingen te zijn, terwijl zij toch in alle opzichten kinderen des lichts moesten zijn. Deze zeggen vrij uit, wat zij als waarheid gelooven en erkennen; gene zijn dikwijls benauwd, terughoudend en flauwhartig. Deze zijn bovenmate werkzaam en ijverig, om hun doel te bereiken; gene geven dikwijls niet eens al hunne krachten ten beste, om de goede zaak te doen zegepralen. — Wakker! wakker! gij slapende kinderen des lichts!

Sociale Moraal.

-ocr page 198-

178

Marcus 1: 81—37.

En hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden der landpalen van Dekapolis.

En zij brachten lot hem een doove, die zwaarlijK sprak, en baden hem, dat hij de hand op hem leide.

En hem van de schare afzonderlijk genomen hebbende, stak hij zijne vingeren in zijne ooren, en gespogen hebbende, raakte hij zijne tong aan;

En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte hij, en zeide tot hem; Elïatha! dat is, word geopend!

En terstond werden zijne ooren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht.

En hij gebood hun, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat hij hun ook gebood, zoo verkondigden zij het des te meer.

En zij ontzetteden zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wèl gedaan, en hij maakt dat de dooven hooren en de stommen spreken.

„En zij hrachtten tot hem een doove, die zwaarlijk sprak.quot; Een treurig lot, doof te zijn! Maar wat is dat, vergeleken bij de geestelijke doofheid! Rampzalige toestand, om doof te zijn voor de vermaningen des gewetens, voor de stem dei-waarheid, voor de lessen der geschiedenis, voor den donder des geriohts, en voor de zuchten en klachten en aanklachten der armoede! — Die doove had nog een gebrek: hij sprak zwaarlijk. Dat is het gebrek van ons volk niet; integendeel, het is zeer wel ter tale; het doet niets liever dan praten en schrijven uren lang en boeken vol. Als ons volk maar altijd „goede woordenquot; sprak, zonder leugen en lastering, zonder vleierij en huichelarij, zonder menschenvrees en menschenbehagen, en zonder gemeenheid, vijandschap en bitterheid! Wat heerscht er een hatelijke toon in onze hedendaagsche pers, en wat afstootelijke manieren, niet alleen bij de sociaaldemocratische, maar ook bij de conservatieve bladen! Wat zegt men daar bepaald grofheden in het aangezicht van eerwaardige en verdienstelijke mannen! Wat ongeloofelijk leelijke scheldwoorden en beleedigingen hebben de vijandelijke partijen zich gewend elkander naar het hoofd te slingeren! Waarlijk, ook dat is een teeken des tijds!

Dien gebrekkige „nam Jezus van de schare alleenquot;, bracht Jezus ter zijde, om hem te genezen. De kranke was met

-ocr page 199-

179

Jezus alleen. Eenzame, stille uren, waarin men met Jezus alleen is, ach! had ons kranke volk maar meer zulke uren! Maar wie gunt ze zich, en wie weet ze te waardeeren? Sommigen hebben ze niet door te veel werk; niet eens de Zondag wordt hun gegund, of zij gunnen hem zich zeiven niet. Anderen kennen geene stille uren door te veel pleizier, en door te drukke conversatie, die hunne positie zoo medebrengt. Weder anderen hebben er wel den tijd toe, maar zij vinden in de geheele wereld niets onnoodigers dan met Jezus alleen te zijn. En toch, waar heeft de mensch grootere behoefte aan dan aan stillen inkeer tot zich zeiven om tot zichzelven te komen en om het gemoedsleven aan te kweeken, vooral in dezen onrustigen, rumoerigen, snellen en materia-listischen tijd! Maken dan de stoffelijke goederen alleen het geluk des levens uit? Hoeveel meer hangt dit af van het hart, van het karakter, van eens zedelijk gelouterde en ontwikkelde persoonlijkheid! Maar daaraan denkt men niet, en nog minder, daarnaar streeft men niet. Men staalt het lichaam; men ontwikkelt het verstand; men maakt zich voor zijn beroep flink klaar; alles goed en wel! Maar den zedelijken mensch te ontwikkelen, wie denkt daaraan! Is het dan nog te verwonderen, dat er een materialistisch geslacht opgroeit, wanneer de ideale goederen niet meer van waarde geacht worden, wanneer Christelijke zin en Christelijke deugd niet gekend noch beoefend worden, en wanneer als vrucht daarvan eene heillooze zelfzucht en genotzucht de menschen gaan beheerschen? Natuurlijk, dat op die wijze een woeste strijd van allen tegen allen gaat ontbranden, als de meest schrille tegenstelling van wat de Christelijke liefde eischt en mogelijk maakt, n. 1. den socialen vrede! Ach! mochten de menschen onder ons volk, als zedelijk kranken, zich toch van Jezus ter zijde laten nemen! Zij zouden genezen!

1 \'2*

-ocr page 200-

180

Lncns 10 ; 33—37.

En zich keerende naar zijne discipelen, zeide hij tot hen alleen Zalig zijn de oogen, die zien hetgeen gij ziel!

Want ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien, en te hooren hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord.

En zie, een zeker wetgeleerde stond op, hem verzoekende, en zeggende: Meester! wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?

En hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? hoe leest gij?

En hij antwoordende, zeide: Gij zult den Heere uwen God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uwe kracht, en uit geheel uw verstand; en uwen naaste als uzelven.

En hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord, doe dat, en gij zult leven.

Maar hij, willende zich zeiven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?

En Jezus antwoordende, zeide: Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen en daarbij zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen.

En bij geval kwam een zeker priester denzelfden weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij.

En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij.

Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen.

En tot hem gaande, verbond hij zijne wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg, en verzorgde hem.

En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem; en zoo wat gij meer aan hem te koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom.

Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen die onder de moordenaars gevallen was?

En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zoo zeide dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks.

„En zich keerende naar zijne discipelen, zeide hij tot hen alleen: Zalig zijn de oogen, die zien hetgeen gij ziet. Want ik zeg u, dat vele profeten en koningen hébhen begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te hooren hetgeen gij hoort, en hébben het niet gehoord.quot; De Heere prijst zijne discipelen zalig, omdat hunne oogen Hem zien. Ook ons volk zou zich zalig mogen

-ocr page 201-

181

prijzen, indien het uit louter discipelen bestond, die Hem zien en hooren, en door Zijn geest zich laten besturen. Dewijl dat nu niet het geval is, zien en hooren wij zoo veel kwaads en jammerlijks, dat wij ons niet zalig kunnen prijzen op het einde der 19e eeuw te leven. Maar „den gouden ouden tijdquot; zouden wij toch ook niet terug willen hebben; alleen de kortzichtigen, en zij , die door tegenwoordige tegenspoeden gedrukt zijn, kunnen dien „oudenquot; tijd een „goedenquot; noemen; maar in werkelijkheid zou toch niemand zich in de oude verhoudingen meer t\'huis gevoelen. Wat van eiken stand geldt, dat namelijk elke stand zijne lusten en zijne lasten heeft, dat geldt ook van elk tijdperk, en zal ook van de toekomst wel gelden. Of die ideale toestanden in de toekomstige maatschappij, zooals zij ons door fantasten en dweepers geschilderd worden, ooit werkelijkheid zullen worden op deze onvolmaakte aarde? Zulke schilderingen kunnen velen slechts verblinden, zoodat zij in hun geweldig en stormachtig jagen naar den toekomststaat te gronde gaan en ook anderen met zich in hunnen val medeslepen, evenals die scharen onverstandige zeevogels, die \'s nachts door het licht van den vuurtoren aangetrokken en verblind, zich te pletter vliegen tegen de glazen, en dood neerstorten in de golven. Van de sociaaldemocratische leiders moeten wij die schilderingen niet hebben; wij voelen dat hun toekomststaat slechts een zinnelijk fata morgana is. En toch gelooven ook wij, Christenen, in een toekomststaat vol heerlijkheid; geen booze, zondige mannen, zooals zij, zullen ons dien stichten; het zijn zachtmoedigen, die het aardrijk beërven zullen. Welzalig die het beleven zullen: de volkomen grondvesting van het hemelrijk op aarde; en die, met eene kleine wending van Christus\' woord het zullen uitroepen: „Zalig zijn de oogen, die zien hetgeen wij zien. Vele profeten en koningen hebben begeerd te zien hetgeen wij zien, en hebben het niet gezien; en te hooren hetgeen wij hooren, en hebben het niet gehoord.quot;

Hoe wij dien welaangenamen tijd naderbij kunnen brengen, leert ons het antwoord van Jezus, dat Hij aan dien wetgeleerde gaf. „Meester! wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?quot; zoo had deze gevraagd. En Jezus had hem gezegd: „Gij zult den Heere, uwen God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uice kracht, en uit geheel uw verstand; en uwen naaste als uzelven. Doe dat, en gij zult leven.quot;

-ocr page 202-

182

Die vraag van den wetgeleerde naar het eeuwige leven is in den grond de vraag van een iegelijk mensch, ja van het geheele menschelijke geslacht: wat moet ik doen, om waarachtig gelukkig en zalig te worden? Ook de sociale vraag is eigenlijk geene andere; Wat moeten wij doen, opdat alle menschen, opdat alle deelen onzes volks een leven hebben, dat mensch waardig is, en dat veraangenaamd wordt door beschaving, vrijheid, vrede, vreugde, en door de hoogste heilsgoederen ? Om het rechte antwoord op deze vraag te vinden, breekt men zich het hoofd; en zoover het westen is van het oosten, zoover liggen somtijds de meeningen hieromtrent uit elkander! Wat zijn sommigen druk in de weer, om aan het lichaam onzes volks de krankheid te ontnemen, door er van buiten wat zalfjes en pleistertjes tegen aan te leggen, alsof dit nieuw leven en gezondheid aan dat kranke lichaam kan weerom geven! De Heere Christus geeft ons twee middelen daartoe: zij zijn oud en dikwijls aanbevolen, en toch nog altijd te zeer onbekend; zij zijn eenvoudig, en toch nog te weinig begrepen; zij zijn niet onmogelijk, en worden toch te weinig in praktijk gebracht; zij schijnen onbeduidend, maar zijn groot en geweldig in werking en gevolgen; zij schijnen met de sociale vragen in geenerlei verband te staan, en toch falen alle sociale hervormingen, waar zij niet aangewend zijn; twee middelen, die in den grond eigenlijk slechts één zijn: Heb God lief van ganscher harte, en, wat daar van zelf uit volgt, heb uwen naaste lief als uzelven! Liefde, liefde, en nog eens liefde, ziet, dat is het, wat noodig is boven alles! Liefde in het hart, mijne medeburgers! en het zal alles van zelf gaan, en weder goed worden.

Maar wie zien dat zoo in? Velen denken daar gansch niet aan, doen niets in deze richting, en hebben toch de pretentie om de sociale quaestie op te lossen. Wat vervalt ook de sociaaldemocratie op dit kardinale punt in tegenspraak met zichzelve! Eenerzijds ziet zij zeer juist in de zelfzucht des rijken, het tegendeel der liefde, de bron van alle sociale nooden; maar anderzijds doet zij niets om hare aanhangers van dezelfde verderfelijke zelfzucht te zuiveren, waar zij even erg als de rijken natuurlijk mede behebt zijn; niets, om de genezende macht der liefde onder hen aan te kweeken; integendeel , zooveel zij kan, veracht en bespot zij zelfs den Heiland

-ocr page 203-

183

der liefde, den godsdienst der liefde! En alles hoopt en verwacht zij maar van eene uitwendige hervorming, van eene gewelddadige revolutie, waarbij natuurlijk het hoofdgebod der liefde op de meest barbaarsche wijze met voeten getreden zal worden! Dat is : het vuur uitblussehen met brandende kolen!

„Doe dat, en gij zult levenlquot; spreekt de Heere. Betracht de liefde. Doet gij het niet, dan zult gij sterven, omkomen, ook gij, mijn volk!

Aan wien zullen wij liefde betoonen? „Wie is mijn naaste? En Jezus antwoordende, zeide: Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho.\'quot; Een zeker mensch! Verder wordt er van hem niets medegedeeld. De Samaritaan hielp een mensch, een medemensch, en vroeg er verder niet naar, wat voor een mensch het was. Velen zien er hunne menschen eerst eens op aan, eer zij hun hulp verleenen. Heeft hij mij ook reeds eens een dienst bewezen, of afgeslagen? Is hij een vriend van mij, of een vijand? Ken ik hem, of is hij mij vreemd? Is hij goed of slecht? Zou hij het waard zijn of niet? Zou hij mij dankbaar zijn, of ondankbaar ? Zou hij het mij later kunnen vergelden, of is hij er te arm toe ? Duizend vragen en overwegingen zonder eind! Laten zij toch van den Samaritaan leeren. Ik moet een iegelijk helpen, die mijne hulp noodig heeft, zooveel ik maar kan.

„Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, icelke, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem halfdood liggen.quot; Met deze moordenaars hebben de woekeraars veel overeenkomst; immers ook zij kleeden hunne offers onbarmhartig uit, maken hen maatschappelijk onmogelijk, en laten hen dan in hunne ellende liggen. Maar ook de werkgevers zijn hun gelijk, voor zoovelen zij hunne arbeiders lichamelijk uitputten, en hen uitzuigen op allerlei manier door te langen arbeidsduur bij te laag loon, om hen daarna lichamelijk, geestelijk en zedelijk te laten omkomen met hunne vrouw en kinderen, onverschillig wat er van hen wordt. En bovendien hebben ook de geldmannen met die moordenaars veel overeenkomst, voor zoovelen zij namelijk niet arbeiden, slechts speculatiën drijven, zich daarbij vooral duurte en hongersnood ten nutte maken, en in korten tijd millioenen winnen en altijd weer nieuwe millioenen ophoopen, bij welk werk zij natuurlijk tegelijk het volk uitzuigen en

-ocr page 204-

184

de ellende in de lagere standen vreeselijk doen toenemen, terwijl zij er zich niets over bekommeren, en, evenals die moordenaars, heengaan en hunne offers half dood laten liggen.

Ook een burgeroorlog verricht hetzelfde werk. Wat heeft men van de aangekondigde bloedige revolutiën anders te wachten, dan den moord en het naakt uitschudden van duizenden van ons volk! God beware er ons voor! Maar laten wij dan toch ook alles in het werk stellen om dat slachten en moorden in massa voor goed onmogelijk te maken in een tijd, die als de onze zoo hoog geroemd wordt om zijne beschaving, verlichting en humaniteit! Waar immers het ruw geweld nog altijd den doorslag geeft in de twisten der volken, daar kan er van ware beschaving en van Christelijke verlichting eigenlijk geen sprake zijn, evenmin als daar, waar het geld de wereld regeert. Dat men toch heden ten dagen het militairisme en het mammonisme in hunne ware gedaante mocht leeren kennen! En dat men toch mocht leeren inzien, hoe de liefde, de Christelijke broederliefde eene veel hoogere en heerlijke macht is om de menschen te leiden. Laten wij doen wat wij kunnen om haar die plaats en dat gezag onder ons te geven, welke haar toekomen, en ons het geluk verzekeren.

„En bij geval kwam een zeker priester denzelfden weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij. En desgelijks ook een Leviet, als hij ivas bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij.quot; Zij waren bedienaars van het heilige, zij waren vromen. Wie eerder dan zij, hadden hier hulp moeten geven? Maar zij gingen onbarmhartig voorbij. Zoo deed ook eens de Christelijke kerk in den ouden tijd. Zij vergaderde schatten op schatten, maar liet het volk verarmen , dat in allerlei ellende verging. Die kerk had toen van den geest van Christus zeer weinig. Tegenwoordig begrijpen de dienaren der kerk gelukkig reeds lang, dat het tot hun ambt behoort, om de armen en ellendigen hulpvaardig ter zijde te staan; en zij spannen alle krachten in om deze taak naar behooren te volbrengen. Uitzonderingen worden natuurlijk ook hier aangetroffen; salondominés zijn het, dominés-kapitalisten, die alleen met „de voorname luiquot; zich inlaten, en die den armen Heiland van zondaren zoo min mogelijk gelijkvormig zijn.

-ocr page 205-

185

Waarom wij echter niet met de sociaaldemocratie medegaan , die toch ook voor de armen en de verdrukten zoo ijverig in de bres springt? Omdat zij eene partij is zonder God en zonder Christus; omdat zij fanatiek den godsdienst vijandig gezind is. Zijn er in naam van den godsdienst schandelijke dingen uitgevoerd, wij billijken ze allerminst. Zijn er ook heden ten dage nog enkele aanhangers en leeraars van den godsdienst, die met hun leven hunne leer wederspreker., en die met hun wandel hun geloof tot schande zijn, het is toch bovenmate bespottelijk om daaruit, zooals dikwijls geschiedt, de gevolgtrekking te maken, dat de godsdienst als geheel nutteloos kan ontbeerd worden. De Christelijke godsdienst komt hier en daar nog in verouderde of afkeurenswaardige vormen voor. Dat loochenen wij niet. Maar wij zijn daarom nog niet van de meening, dat hij deswege maar geheel afgeschaft moet worden. Integendeel, gezuiverd moet hij worden, en steeds zuiverder worde hij naar zijn oorspronkelijk goddelijk karakter ontwikkeld! Hoe meer volkomen dit geschiedt, des te meer zal de godsdienst zich ook betoonen het licht der wereld, het zout der aarde, het heil der volken te zijn, en tegelijk het krachtdadigste middel tot genezing van onze sociale kwalen. Wij kunnen dus niet met de sociaaldemocratie medegaan; veelmeer moeten wij vreezen, dat zij ten gevolge van hare leerstellingen oneindig meer verderf dan zegen zal stichten. En toch mogen wij het niet ontkennen, dat ook zij wat goeds werkt. De vurige ijver, waarmede zij de zaak der verdrukten tot de hare gemaakt heeft, overtreft den ijver van menig kerkgenootschap, beschaamt duizende Christenen, en mag hun wel tot een opwekkend voorbeeld strekken. Want dr.t bloot eigenbelang de leiders dier partij tot hun werk aanzet, is eene onverstandige en boosaardige miskenning van hunne drijfveeren. Verscheidene dier leiders zal men hiervan wel kunnen verdenken , maar niet alle.

De priester en de Leviet gingen den halfdoode voorbij. Vierderlei beweegredenen kunnen zij daarbij gehad hebben. Vooreerst zagen zij op tegen moeite, tijd en kosten, waar eene eventueele barmhartigheid hun toch op zou komen te staan. In de tweede plaats hebben zij wellicht zich gerustgesteld met de gedachte, dat er nog wel andere menschen straks dienzelfden weg zouden afkomen, die zich wel met

-ocr page 206-

186

den gewonde zouden inlaten. In de derde plaats hebben zij zich misschien verontschuldigd bij de overweging, dat zij hem zonder een lastdier toch niet konden helpen, en dat zij bovendien geene verbanddoeken en versterkende middelen bij zich hadden. En ten laatste zijn zij wellicht ook nog bevreesd geweest voor de moordenaars, en vonden zij in die vrees eene reden, om zoo spoedig mogelijk uit die gevaarlijke landstreek weg te komen.

Als hedentendage vele mensohen den nood der armen huns volks aanzien, en hun toch voorbij gaan, is dat niet dikwijls doordat diezelfde vier beweegredenen ook bij hen aanwezig zijn? Men ziet er tegen op om moeite, tijd en kosten te besteden; hoe beter het iemand gaat, hoe minder gemakkelijk het hem valt om voor anderen wat te doen en offers te brengen. — Voorts stelt men zich gerust met de gedachte, dat er nog zoovele anderen zijn, die vrij wat beter in staat zijn om de sociale nooden aan te vatten en te keeren. — Maar niet minder gaarne verontschuldigt men zich met te zeggen, dat men er toch eigenlijk niet veel aan doen kan; enkele aalmoezen helpen niets, daarvoor is de nood in den omtrek te groot, te algemeen en te diep vast-geworteld; de arme lieden zijn aan hun ongeluk sedert lang geheel gewoon, zij voelen het zoo niet, en zouden zich misschien niet eens laten raden; en wat zal men toch in vredesnaam aanvangen tegen het gebrek aan woningen, tegen de prostitutie, tegen de drankzucht, tegen de werkeloosheid, tegen het gebedel! Dat zijn al te maal rampen en misstanden van zoo geweldige maat en omvang, dat geen schepsel er wat tegen doen kan; dat zal wel zoo blijven, zoolang de wereld bestaat. — En ten laatste onthoudt men zich van doortastende sociale hervormingen, omdat men vreest met hoogere personen of met de regeering in minder aangename aanraking te komen, en op die wijs zich schade te berokkenen , al zegt ook het verstand en het geweten dat aan die hervormingen mede te werken eenvoudig Christenplicht is.

In dit opzicht kunnen wij viermaal van de sociaaldemocratie leeren, van haar, die de ellende ziet, en niet voorbijgaat. Zij schuwt geene offers van moeite, tijd en kosten. Zij misleidt zich niet met de gedachte, dat er nog wel anderen zijn, die het werk kunnen aanvatten, maar roept uit: „Zelf doen!quot; Zij dringt zich de overweging niet op, dat de nooden

-ocr page 207-

187

te groot en onoverkomelijk zijn, maar gelooft ze te kunnen opheffen, en gaat ze dapper te lijf. En bovendien is zij vrij van mensohenvrees; en onverschrokken komt zij voor haar opinie uit. Zoo kunnen wij van de verachte partij leeren, zooals ook de verachte Samaritaan een leerzaam voorbeeld voor de Joden was.

„Maar een zelcer Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende.quot; Dat is inderdaad het eerste: Zien moet men de ellende des medemenschen, zal men tot helpen bereidvaardig worden. Velen zien er niets van, en willen er niets van zien, om niet tot de erkenning te komen, dat de nood waarlijk ontzettend is, en dat er buitengewone maatregelen moeten genomen worden. Zij gelijken den struisvogel, die zijn kop onder de steenen steekt, of den geneesmeester, die den kranke wel zou willen genezen, maar die het niet waagt hem grondig te onderzoeken, uit vreeze dat hij eene zeer zware krankheid zou moeten constateeren. Zij gelijken den bouwmeester, die een nieuw huis bouwen wil, maar toch het oude puin niet wegruimen wil. Zij gelijken den veldheer, die tegen een vijandelijk leger oprukt, maar in geen geval verkenningen wil laten doen, uit vreeze dat hij hooren zal hoe sterk het is, en hoe het hem naderbij komt. Neen, zien, onbevangen, onbevooroordeeld, onpartijdig de ellende der armen in haren ganschen omvang leeren kennen, liefst door persoonlijke aanschouwing, maar daarbij ook door het lezen van boeken en geschriften, die opzettelijk deze stof behandelen, — dat moet toch natuurlijk het eerste zijn, dat geschieden moet. Van zulke boeken en geschriften moeten vooral de sociaaldemocratische gelezen worden, en nog meer de sociaaldemocratische dagbaden; want uit de gewone meer conservatieve organen kan men, tot beoordeeling van de sociale toestanden, niet zooveel leeren als uit gene. De lectuur der socialistische bladen is zeker verre van aangenaam, maar belangrijk genoeg, en leerzaam; men leert daardoor de nooden des volks in alle richtingen ten volle kennen; de zonden en gebreken der maatschappij krijgt men daar van stuk tot stuk in het schelste licht te zien; niet zelden leest men daar grondige en behartenswaardige kritieken over bestaande arbeidswetten, over rechtspraken, wetsontwerpen , liefdadigheidsvereenigingen en vele andere dingen meer. Wel is het eene nieuwe, eigenaardige, voor ons zeer

-ocr page 208-

188

ongewone beschouwing en behandeling der zaken, zooals wij die daar te hooren krijgen; maar dikwijls is het daarom niet minder waar en vruchtbaar, om te vernemen, hoe men aan hunne zijde de menschen en de wereld aanziet en beoordeelt; men heeft onder het lezen het gevoel, alsof men werkelijk in eene nieuwe wereld inzag. Men komt daarbij zoo recht tot de overtuiging, hoe gebrekkig, eenzijdig en onvolkomen de oude, traditioneele burgerlijke beschouwingen zijn, en dat deze door gene wel aangevuld en verbeterd mogen worden. Eenvoudige arbeiders, onontwikkelde lieden moeten door het eenzijdige lezen zonder kritiek van zulke bladen wel met huid en haar in handen der sociaaldemocratie vallen. Dat is zeker eene ramp, die men op den koop toe moet nemen, helaas! Maar daarentegen zou men zulke bladen wel onder de oogen van de ontwikkelde, invloedrijke, heer-schende standen wenschen. En niet minder moesten vooral de regeeringspersonen organen van dit soort lezen! Wat zouden zij dikwijls behoed zijn geworden, om verkeerd in te grijpen! Hoe zouden de klassen door onderlinge kennisname van wederzijdsche belangen elkander beter leeren verstaan! Hoe zou men meer algemeen den nieuwen geest beter leeren begrijpen! Ja, zagen allen alzoo de bestaande ellende, allen, die geroepen zijn om te raden en te handelen, met een diep gevoelde smart zouden zij, in innig medelijden, zich geene rust gunnen, aleer het geheele groote werk der hervorming was tot stand gebracht.

„En hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen.quot; De priester en de Leviet hadden hem ook gezien, maar zij waren niet met innerlijke ontferming bewogen. Alzoo is het dat warme, medegevoelende hart, wat den Samaritaan boven de anderen doet uitmunten, en dat de bron is van zijne volgende daden van barmhartigheid. Zien alleen is nog niet genoeg; daar moeten een ongehuicheld ontzetten, eene heilige verontwaardiging, een hartelijk medelijden bij komen; dan eerst zal de krachtdadige hulp volgen. Maar kan men zulk medelijden door eigen wil bij zichzelven opwekken? Als het nu eenmaal niet aanwezig is? Als men bij al het zien der ellende toch koud en ongevoelig blijft? Bij een volwassen mensch zal het dan zeer moeilijk meer op te wekken zijn; maar bij de jeugd zal het zeker kunnen aangekweekt worden. Dat moesten ouders, onderwijzers en predikanten beseflen, dat

-ocr page 209-

189

boven alle deugden vooral de barmhartige liefde bij de kinderen moest aangekweekt worden, vooral bij de kinderen van rijke ouders, die in den regel den nood der armoede slechts van uit de verte of „van hooren zeggenquot; leeren kennen. Werd aan dezen eisch overal naar behooren en ernstig voldaan; liet men het ook niet bij woorden alleen blijven, maar maakte men met de kinderen van welgestelde ouders zoo nu en dan een uitstapje naar de fabrieken en mijnen, niet alleen om het bedrijf, maar vooral om de arbeiders te zien in hun zweet bij hun moeilijk, gevaarlijk, en ongezond dagelijksch werk; nam men hen eens mede in de woningen der armen in de stegen; deed men met hen eens een reisje door de streken, waar zij de wevers, de daglooners, de polderwerkers konden leeren kennen in hun gezin, waar zij met eigen oogen konden aanschouwen , wat hunne kleeding, hun voedsel, hunne woning, hunne slaapplaats was, — dan zou dat ook een „aanschouwelijkquot; onderwijs zijn, een „aanschouwelijkquot; onderwijs, waar men tegenwoordig terecht zoo ontzaglijk groot gewicht aan hecht, en waar men vrucht en zegen voorde toekomst van zou kunnen verwachten. Voorwaar, er zou een geslacht opgroeien, dat beter was, en wijzer, en welwillender dan het tegenwoordige, en dat wel voorbereid zou zijn, om de taak ter hand te nemen, die het wacht, en dat meer goeden wil zou hebben, om die taak ten einde te brengen. Wat zou dus de school op deze manier kunnen bijdragen tot oplossing van de sociale quaestie!

Maar aan de andere zijde is het een dringende en billijke eisch, om de onderwijzers en predikanten overal zoo te bezoldigen, dat zij zeiven niet gebukt gaan onder drukkende zorgen voor de huishouding! Wat leiden zij soms niet een kommerlijk bestaan! En hoe donker ziet het er bij hen soms uit, zonder dat zij het zei ven bekend willen hebben! Het onderwijs lijdt er natuurlijk onder, als de lust in zijn beroep bij den onderwijzer verdorven wordt door de zorgen des broods! Juist vooral jegens den onderwijzersstand moest men bereid zijn de billijke klachten en eischen aan te hooren, en toe te geven, zoover men maar kan, vooral in onzen onheilsvollen tijd! Daarvoor moet het geld gevonden worden, daarvoor in de eerste plaats! De onderwijzersstand heeft de jeugd van het volk in zijne hand, en men zal toch wel willen, dat deze jeugd

-ocr page 210-

190

opgevoed wordt tot vaderlandsliefde en tot alles wat edel ia en goed, en dat zij niet in handen valt van de revolutiepartij.

En nu de daad zelve van den Samaritaan. Hij ging naar den ongelukkige toe, „verbond zijne wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hij hem in de herberg, en verzorgde hem. En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem; en zoo icat gij meer aan hem ten kante zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik iveder kom.quot; Wat deed die man veel! Al te maal edele daden; geen enkel woord legt Christus hem in den mond tegen den ongelukkige! Of hij dan gansch niet met hem gesproken heeft? Welzeker! zeer vriendelijk, troostrijk en bemoedigend zal hij hem toegesproken hebben. Maar de Heere zegt ons daarvan niets, om ons te leeren, hoe het dikwijls veel noodiger en heilzamer is om goed te handelen , dan om goed te spreken, en dat schoone woorden zelfs niet in vergelijking komen bij edele daden. Ook onze tijd eisoht veel meer schoone daden dan schoone woorden.

Offers waren het, die de Samaritaan bracht, offers van tijd, moeite en geld. Offers, groote offers eischt ook de oplossing der sociale vragen. Reeds worden belangrijke offers gebracht, maar er zullen nog meerdere en belangrijkere moeten gebracht worden. En zulks alleen aan tijd, moeite en geld? Neen, het schoonste, en daarom ook het zwaarste offer, dat gebracht kan worden, zal wezen dat men de zelfzucht, do geldgierigheid, de genotzucht, den hoogmoed en den haat des natuurlijken menschen in edele zelfverloochening op het altaar des vaderlands neerlegge, om nimmermeer daarmede het algemeen welzijn te schaden. Denkt toch niet, dat zulk eene quaestie, als de sociale, met geld op te lossen is! Neen: „wat meer hart voor het volk!quot; Uw hart, uzelven, o rijken! dat verlangen de armen; dat gij met wijsheid, rechtvaardigheid, vriendelijkheid, achting en liefde hen behandelt, dat verlangen zij! Alleen wat meer hart voor het volk, en ook de materieele zijde van de zaak zal gemakkelijker tot een eind gebracht worden.

De Samaritaan was alleen, toen hij zijne hulpverleende; laat ons dat ook bedenken! Hij deed alles alleen. Wel laat hij later de verpleging van den gewonde aan den waard over; maar hij betaalt hem. Wat hij zelf doen kan, dat doet

-ocr page 211-

191

hij zelf, en laat hij niet aan anderen over. Hij doet wat in zijn vermogen is. Welk een beschamend voorbeeld voor velen van ons! Wel is het waar, dat wij maar niet een enkelen hebben te helpen; dat er bij ons duizenden, millioenen aan de deur staan. Maar laat dan hier bij ons ook de gemeenschap, de geheele maatschappij helpend optreden. Is onze maatschappij aan den Samaritaan gelijk ? Heeft zij reeds alles gedaan, wat in haar vermogen staat ?

De Samaritaan hielp toereikend; ook dat is niet minder betrachtenswaardig. Hij verbond niet alleen de wonden, zoodat het bloeden ophield, maar hij goot ook olie en wijn daarin, opdat zij zouden genezen; daarna liet hij den man niet liggen daar hij lag, want daar zou hij aan de gevolgen zijn overleden, of door de wilde dieren zijn gevonden; neeUj hij hief hem op zijn eigen dier, en voerde hem naar eene herberg; daarmede nog niet tevreden, verpleegde hij hem ook nog den ganschen dag over en den daarop invallenden nacht eveneens; en toen hij onmogelijk langer vertoeven kon, droeg hij aan den waard de verdere verpleging op, en beloofde hij hem eene belooning. Zulk eene ingrijpende en geheel toereikende hulp zijn ook wij aan onze arme volksgenooten schuldig. Wat kruimkens van de tafel, en wat aalmoezen, die zullen het heusch niet doen! Bij ons betreft het gelukkig nog niet zulke uitgeplunderde, gekwetste, machtelooze men-schen, zooals die halfdoode er een was; maar gezonde sterke menschen zijn het hier, vol goeden wil om te werken en te zwoegen en op eigen voeten te staan en eerlijk door de wereld te komen; en de zoodanigen verdienen toch aan den gang geholpen te worden, en in een staat verzet te worden, dat zij door eigen verdienste de aalmoezen ontberen kunnen. — Maar zou dan tegen dien tijd de beoefening der barmhartigheid niet overbodig worden? En zou zij alzoo niet geheel van de wereld verdwijnen? •— Ach! verontrust u niet! zij zal altijd nog wel noodig blijven; ook bij de beste sociale orde zullen nog altijd rampen genoeg het menschdom blijven bezoeken; nooit zal de slotvermaning van onze gelijkenis overbodig zijn: „Ga heen en doe gij desgelijks!quot;

-ocr page 212-

192

Lucas 7:11—17.

En het geschiedde op deu volgenden dag, dat hij ging naar eene stad, genaamd Naïn, en met hem gingen vele van zijue discipelen, en eene groote schare.

En als hij de poort der stad genaakte, zietdaar, een doode werd uitgedragen, die een eeniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe, en eene groote schare van de stad was met haar.

En de Heerc, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet.

En hij ging toe, en raakte de baar aan; de dragers nu stonden stil; en hij zeide: Jongeling! ik zeg u, sta op!

Én de doode zat overeinde, en begon te spreken. En bij gaf hem aan zijne moeder.

En vrees beving allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot profeet is onder ons opgestaan, en God heeft zijn volk bezocht!

En dit gerucht van hem ging uit in geheel Judea, en in al het omliggende land.

„Zietdaar, een doode werd uitgedragen, die een eeniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe; en eene groote schare van de stad was met haar.quot; De ongelukkige vrouw had vroeger haar man verloren, en dezen eenigen zoon misschien met veel zorgen en offers groot gebracht, en eindelijk zoover gebracht , dat hij vaders plaats kon innemen, en voor haar het brood kon verdienen. Nu moest zij ook hem nog afstaan, de vreugde van haar hart, den troost, de hoop, den steun van haar ouden dag. Zij was zeker reeds bejaard; hare handen beefden ; zij kon nauwelijks zelve meer iets verdienen; zij was zeker ook arm en zonder familie, zoodat zij niet wist waar zij in het vervolg van leven moest. Was het reeds erg genoeg om den geliefden zoon te verliezen, wat moost dit verlies niet zijn, waar die zoon tegelijk de kostwinner was! Was .zij nu niet met één slag aan de donkerste zorgen en aan den bittersten nood prijs gegeven? Wel ging veel volks uit de stad met haar; wel bewezen vele menschen haar vriendelijke deelneming; misschien zonden zij haar schoone kransen, en gingen zij mede om hartverheffende liederen bij het graf te zingen; wel hadden zij allen haar een hartelijk rouwbezoek gebracht, en haar troostelijk toegesproken, en den doode geprezen; wel zouden zij misschien ook nog een kostbaar monument op zijn graf plaatsen. Maar van dat alles

-ocr page 213-

193

kon zij toch niet leven; dat alles verminderde hare brood-zorgen niet. Of er ook een was onder die vele rouwklagers, die hare zorgen van haar afnam, en met geld en goed haar steunde? Eene groote schare uit de stad was met haar; het zou alles zeer gemakkelijk gegaan zijn om haar te helpen, als zij gemeenschappelijk het deden, als zij de handen ineen sloegen; wat moeite zou het dan zijn om eene inrichting in het leven te roepen, waar zulke weduwen ten minste van armoede bevrijd gerust de toekomst konden ingaan, waar zij gedurende den ouden dag zeker konden zijn van eene vriendelijke woonkamer, van goede voeding en van zorgzame verpleging, en waar zij nimmer meer behoefden te vreezen, van nog eens tot bedelarij, diefstal of erger te moeten vervallen!

Wat blijft er toch ook nog bij ons veel op dit gebied te wenschen over! Wat is het lot van menigen ouden man of oude vrouw toch te beklagen! Wat is de voeding karig, wat is de woning armzalig, wat is de behandeling ruw en ongevoelig, die men hun gunt; en toch moest men hen als oude, arme, eenzame en verlatene menschen dubbele zorg en liefde waardig achten! Arme grijsaard! uw leven lang hebt gij trouw en vlijtig gearbeid, en gij hebt het moeilijk genoeg gehad bij uw karig loon; en nu moet gij nog in den angst zitten voor den ouden dag, die u de bitterste ellende en de hardste ontberingen komt aandragen, zooals gij ze al uwe dagen nog niet gekend hebt! Waar anderen hunne rust gaan nemen, en hun levensavond in behagelijke zorgeloosheid en tevredenheid mogen gaan doorbrengen, daar begint voor u eerst de tijd van den ergsten nood! — Hoe dikwijls staat de predikant bij een graf, zooals dat van den jongeling te Nain, en zoekt hij treurende harten te troosten, terwijl zijn eigen hart bloedt bij de gedachte, dat hij den stoffelijken nood der achterblijvenden niet kan afweren, welker nood toch zeer wel kon afgewend worden door de maatschappij , indien deze, anders dan de tegenwoordige maatschappij, wedergeboren was door den geest van Christus, en met Zijne liefde bezield was!

„En de Heere haar ziende, werd innelijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet! En hij ging toe, en raakte de haar oan; de dragers nu stonden stil; en hij zeide: Jongeling! ik zeg u, sta op! En de doode zat overeinde, enhegon

Sociale Moraal. 13

A

-ocr page 214-

194

te spreken. En hij gaf hem aan zijne moeder.\'\'\'\' Drie dingen zien wij hier bij den Heere, waarin wij Hem volgen moeten, zal de nood ook bij ons minder worden: hartelijk medegevoel, vriendelijke troostwoorden, en krachtdadig hulpbetoon. Wel vermogen wij geene dooden op te wekken en hen aan de treurende betrekkingen terug te geven; maar geven wat hun de zorgen vermindert, dat kunnen wij toch wel; met den balsem onzer liefde hunne wonden in zooverre verzachten, dat zulke arme weduwen alleen nog om den zoon behoeven te weenen, en niet meer om den kostwinner, dat kunnen wij toch wel; en op die wijs het zwaarste deel van hun kruis in broederlijke gemeenschap hun afnemen of helpen dragen, dat kunnen wij toch wel.

Maar wij zien in deze geschiedenis ten slotte nog een symbool van diepe, gewichtige beteekenis. Ons vaderland is ook eene treurende moeder, die om doode zonen weent, om hare geestelijk doode zonen, van wien zij niets dan kommer en ellende beleeft zonder einde. Eene groote schare uit de stad gaat met haar; vele trouwe burgers beklagen haar, zoeken haar te troosten, en haar te helpen. Maar in zoo diepen rouw en in zoo grooten nood vermag slechts Eén waarachtige hulp te verleenen: De Heere moet ons tegemoet komen, de baar aanraken, en over ons volk uitroepen : Ik zeg u, sta op! Dan zal een nieuw leven door het doode lichaam onzes volks stroomen; de treurende moeder zal zich weder over hare zonen en dochteren kunnen verheugen, en wederkeeren van den gang naar het graf, die plaats der verschrikking, wederkeeren naar Nain, d. i. de liefelijke, waar troost en vrede, heil en zegen haar wachten en gelukkig maken.

-ocr page 215-

195

Matthens 33 : 34—46,

En de farizeën, gehoord hebbende dat hij den sadduceen den mond gestopt had, zijn te zamen bij een vergaderd.

En óen uit hen, zijnde een wetgeleerde, heeft gevraagd, hem verzoekende, en zeggende:

Meester! welk is het grootste gebod in de wet?

En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere uwen God, met geheel uw hart, en met geheal uwe ziel, en met geheel uw verstand.

Dit is het eerste en het groote gebod.

En het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.

Aan deze twee geboden hangt de gansche wet en de profeten.

Als nu de farizeën samen vergaderd waren, vraagde hun Jezus,

En zeide: Wat dunkt u van den Christus? wiens zoon is hij? Zij zeiden tot hem: Davids zoon.

Hij zeide tot hen: Hoe noemt hem dan David, in den Geest, zijnen Heer ? zeggende:

De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer: Zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot eene voetbank uwer voeten.

Indien hem dan David zijnen Heer noemt, hoe is hij zijn zoon?

En niemand koude hem een woord antwoorden; en niemand durfde hem van dien dag aan iets meer vragen.

„En de farizeën, gehoord hebbende, dat hij den sadduceen den mond gestopt hadquot;. Onze Heiland zeide de menschen de waarheid. Hij zeide vrij uit, wat Hij dacht, waar zulks noodig was. Ontbreekt het bij ons niet dikwijls aan dien mannelijken moed, aan de vrijmoedigheid\'? Ziegler zegt zeer behartigenswaardige dingen aangaande dat gebrek, dat ons geheele volksleven aantast, en in de laatste jaren eer erger dan beter geworden is, zooals het zich ten minste in de ingewikkelde staatkundige verhoudingen van den jongsten tijd geopenbaard heeft. „Ik bedoel de toenemende karakter-schaarsohte in onze hoogere standen, in de kringen, die den toon aangeven. Wij hebben niet meer den moed, om voor onze eigene meening uit te komen; wij zien altijd eerst naar die boven ons staan, en vragen het ons eerst af, of het aangenaam zou zijn, en of het goed opgenomen zou worden, wat wij gaan zeggen of doen; ons ontbreekt zelfstandigheid en de kracht om wel te doen zonder om te zien; het fronsen der wenkbrauwen van een chef, de angst voor de ongenade

13*

-ocr page 216-

196

van een president of minister of koning, doen reeds lafhartig den mond houden en benauwd omkeeren. Men pocht er bij ons zoo gaarne op, dat wij zoo scherp en snedig iets zeggen kunnen; maar de snede van ons wapen keeren wij altijd heel voorzichtig naar den kant heen, waar zij geen kwaad kan. En sedert wij in onzen tijd gewoon zijn geraakt om vele redevoeringen te houden, zijn wij misschien wel brutaler geworden tegen de menschen beneden ons, maar tegelijk devoter jegens de menschen boven ons; en een geest om , het koste wat het koste, carrière te maken, doet ons den hals ootmoedig buigen, en vreet als een kanker aan het merg en been van ons volksbestaan. In dit opzicht hebben de sociaaldemocraten heel wat op ons vooruit.quot; Helaas! dat deze weder in de tegenovergestelde richting zondigen. Maar laat ons zien, hoe de Heiland het deed.

Hij zeide de menschen de waarheid; maar ook onder Zijne heftigste redenen kan men het voelen, dat zij uit een hart vol liefde voortkwamen. Heftiger sprak Hij wel nooit, dan tegen de Farizeën en de Schriftgeleerden in die verpletterende redevoering, welke in Mattheus 23 opgeteekend is; en hoe eindigt die redevoering? Met een aangrijpenden kreet dei-liefde: „Jeruzalem, Jeruzalem! gij die de profeten doodt, en steenigt die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen!quot; Hoe geheel anders verhefi\'en velen hunne stem in den strijd onzer dagen, die er slechts op uit zijn om meesterlijk hunne tegenstanders den mond te stoppen! Uit de strafredenen van Jezus hoort men de weeklacht der liefde boven uit, uit de hunne den moordkreet van den haat.

Liefde was het dan ook, wat Jezus dien wetgeleerde toen predikte, die. Hem verzoekende, gevraagd had: „Meester! welk is het groote gebod in de wetl Jezus zeide hit hem: Gij zidt liefhebben den Heere, raven God, met geheel uw hart, en met geheel uwe ziel, en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en groote gebod.quot; Het ongeloof loochent God, en daarom ook den Christus, en daarom ook dit eerste en groote gebod, en daarom ook de andere geboden, die uit het eerste voortvloeien, als takken uit een stam. En alzoo bevordert het de tuchteloosheid, de anarchie, den socialen chaos.

„En het andere, aan dit gelijk, is: Gij zult uwen naaste lief-

-ocr page 217-

197

hebben als uzelven.quot; Daarmede wordt ons een regel voor ons doen en laten jegens den naaste aangegeven, die verbazend eenvoudig, en toch waarlijk groot, ingrijpend en alomvattend is. „Gij weet zeer wel, wat u aangenaam is, of pijn doet; gij weet zeer wel, wat gij verlangt, dat de naaste u doen zal; doe ook in alle gevallen alzoo jegens hem, dan zult gij goed handelen, en het gebod der liefde vervullen.quot; Beproeft nu naar dezen regel uwe wijze van doen, en gij zult het ook aanstonds voelen, hoe weinig gij dit gebod gehouden hebt, en hoe diep gij u tegen uwen naaste verzondigd hebt.

Maar beproeft nu naar dezen regel ook onze sociale toestanden , en gij zult het aanstonds bemerken, hoeveel er voor ons nog te doen over blijft; hoe tot nu toe niet de liefde, maar juist het tegendeel, de zelfzucht, heerschappij heeft gevoerd in ons sociale leven, en hoe het zoo toch niet blijven kan, zooals het tot nu toe is geweest. Dit gebod van onzen Heer en Meester heeft, als men het eens grondig na wil gaan, eene waarlijk hervormende kracht en beteekenis; want zal het eens dat onbeperkte gezag krijgen, gelijk aan zulk een gebod toekomt, dan zullen er veranderingen en hervormingen in ons volksleven en overal elders geboren worden in zulk eene menigte, en in zulk eene allesomvattende breedte en diepte, dat onze oude, liefdelooze wereld niet meer te herkennen zal zijn; de hemel zal op aarde gekomen zijn; vrijheid , gelijkheid en broederschap zullen onder óns heerschen. „Heb uwen naaste lief als uzelven; dit woord moest in gulden letters in elke woning aan den wand geschreven zijn; dit woord moest met den klank der bazuin van dag tot dag aan alle einden van ons land weerklinken; dit woord moest iedereen ten allen tijde voor oogen staan en in de ooren klinken en in het hart branden; dit woord moest iedereen ten allen tijde de richting aangeven van zijn denken, van zijn spreken, van zijn handelen en van al zijne gangen, en de dagelijksche leuze zijn van hen vooral, die geroepen zijn om met raad en daad in te grijpen in de oplossing der sociale quaestie. AVat zou dit kleine woord bij ons een machtige en heilzame spoorslag zijn om voorwaarts te gaan op de baan der sociale hervormingen, niet naar de sociale revolutie heen, maar naaiden socialen vrede! Voorwaar: alle heil ligt besloten in dat; „Heb uwen naaste lief als uzelven.quot;

Overigens is het een bijbelsch woord, dat dikwijls ook in

-ocr page 218-

198

de redevoeringen en in de geschriften dor sociaaldemocraten aangetroffen wordt, een dier woorden, ter wille waarvan zij bij gelegenheid den Bijbel ook eens noemen zonder verachting of spot. Maar het is juist bij het aanhalen en gebruiken van dit woord, dat de sociaaldemocratische partij onwillekeurig laat zien, wat het karakter is, dat haar beheerscht, namelijk het karakter van den natuurlijken mensch. Want in den regel houden zij dit woord alleen den bezitters en den rijken vol toorn en bestraffend voor oogen, terwijl zij hun aanwijzen, hoe bitter weinig zij dat gebod houden; maar zeiven dat gebod te houden, daaraan denken zij heelemaal niet; ook zullen zij nooit de vermanende stem des gewetens in dezen zelfs maar aanhooren; terwijl het hun natuurlijk evenmin in de gedachte komt om hunne partij genooten tot vervulling van dat gebod aan te sporen; als of z ij het niet noodig hadden! Ach! zeiven prediken zij den vinnigsten haat; zeiven zijn zij vol van de bitterste vijandschap en liefdeloosheid. Welk eene verblinding! Geheel de manier van den Farizeër met zijn: „Ik dank U, o God! dat ik niet ben als de andere menschen!quot; Zij zien zeer goed, welk eene verwoesting, welk eene ellende dat gif der liefdeloosheid ginder onder de rijkere klasse aanricht; en toch enten zij datzelfde gif nog zoo ijverig en zoo opzettelijk mogelijk in bij de arbeidersklasse, in de krankzinnige meening, dat zoo het groote lichaam des volks gewezen zal worden. Zij hebben eene idéé fixe, dat de sociale nooden en kwalen niet in den grond kunnen bestreden worden , als niet ook te gelijk de Christelijke leerstellingen, de Christelijke geest, en de Christelijke liefde bestreden en vernietigd worden. Alsof het ooit zonder de zooveel mogelijke betooning van die liefde gaan kan! Treffend merkt Ziegler op: „Van welke zijde men het vraagstuk ook beziet, en welke wegen men ook voorslaat of inslaat om tot den socialen vrede te komen, altijd komen wij ten slotte weer neder op dit ééne: voedt de menschen op in een socialen geest, beide soorten van menschen, de werkgevers en de arbeiders; en doet dit door woord en daad tegelijk, door vermaning en ondervinding; gewent er hen aan, om door meerder zedelijkheidsgevoel en door rechtvaardige wettelijke bepalingen zich langzamerhand te onderwerpen aan een zedelijk socialisme; dat is de groote, en de alleen praktische taak der toekomst. Daartoe mede te werken, ziet, daartoe zijn wij

-ocr page 219-

199

allen geroepen, omdat wij allen op cle eene of andere wijze öf arbeiders, öf werkgevers, öf beide tegelijk zijn. En daarom kan ook iedereen voor zijn deel tot de oplossing van deze groote vraag bijdragen; en te meer zal hij hiertoe bijdragen, naarmate hij met des te meer goeden wil en energie — bij zichzelven begint. Wij, ontwikkelden, hebben allen een stuk sociale quaestie in huis, aan onze dienstboden; en dikwijls komt het mij voor, dat wij dus hier te beginnen hebben, en dat hier de hervorming het beste aan te vangen is. Dat klagen over slechte dienstboden, dat zoo algemeen is, bewijst slechts, hoe onhoudbaar en onmogelijk die geheele verhouding tusschen den dienstbaren stand en de heeren tegenwoordig geworden is. In die verhouding is nog altijd iets van de knechtschap en slavernij overgebleven. Laat dat toch uit zijn! En denkt eens goed bij uzelven na, mijn lezer of lezeres! of gij met een weinig goeden wil die verhouding niet veel beter kunt maken. Met goeden wil, zeg ik. Want dat is de hoofdzaak, en dat moeten de lieden merken; gij moet hart voor hen hebben, dan zullen zij ook hart voor u hebben; want gij zijt toch beide; menschen. Anders vrees ik, dat gij misschien wel hunne positie gaat verbeteren, zonder henzelven te verbeteren; en dat is het stuk sociale quaestie in uw eigen huis verergeren, zou ik zeggen.quot;

„Wat ik hier nu zeide van de dienstboden, is slechts bij wijze van voorbeeld. De taak strekt zich natuurlijk veel verder uit; het is eene alles en allen omvattende taak; en dat die taak zoo groot en alles omvattend is, dat is het moeilijke in de sociale quaestie, en doet dikwijls de vrees koesteren dat de oplossing in zeer verre tijden eerst ligt. Het veld is zoo groot en zoo breed, en met ijver zijn wij wel van alle kanten aan het werk getrokken; maar de hoofdoorzaak van de ellendige verwoesting laten wij maar bestaan. Veel is er reeds gedaan; reeds veel nood is gelenigd; maar van al wat er nog te doen over blijft, ligt nog juist de hoofdzaak ongedaan: onopgevoede elementen hier, onopgevoede elementen ginds, — hoe zullen wij nog ooit tot eene wèl opgevoede sociale menschheid komen? Zal de wereldgeschiedenis ons tijd laten tot deze opvoeding van het menschelijk geslacht? — Sursum corda! Hoog! omhoog het hart! Misschien gaat het toch nog! Het hangt alleen nog

-ocr page 220-

200

maar van u af, van u alleen, mijn broeder! Daarom, aan het werk! aan het werk!

De Heiland besluit zijne woorden met: „Aan deze twee geboden hangt de gansche wet en de profeten.quot; Ja, indien wij deze twee geboden maar houden, dan vervullen wij daarmede al de andere geboden van de goddelijke wet; en dan zullen wij ook de voorspellingen der oude profeten, ook de voorspellingen der nieuwe profeten, aangaande een zalig rijk den toekomst van dag tot dag in vervulling zien treden in hare hoogste en ideale beteekenis.

Aan deze twee geboden! Want deze twee zijn onafscheidelijk. De liefde tot God zonder liefde tot den naaste is een boom zonder takken. De liefde tot den naaste zonder de liefde tot God is een boom zonder wortel.

Na dit belangrijk antwoord stelde de Heere nog eene belangrijke vraag: „Wat dunkt u van den Christus? wiens zoon is hij?quot; De oude strijdvraag, die nog altijd niet bijgelegd is, en die ook in onzen tijd de geesten weder in beroering brengt; niet alleen eene theoretische vraag, maar veel meer eene zeer praktische vraag, die nauw met de sociale quaestie samenhangt. Immers, mijne verhouding tot Christus zal ook mijne verhouding tot de sociale vragen bepalen. Mochten toch alle menschen dit eene leeren inzien, hoe Christus, de Zoon Gods, Gode gezind, Gode aangenaam, en daarom godzalig was, en in deze drie dingen Hem navolgen! Zij zouden voortreffelijke Christenen worden, en de sociale quaestie gemakkelijk, vreedzaam, en gelukkig oplossen.

-ocr page 221-

201

Matthens 18 : 23—35.

Daarom wordt het koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijne dienstkneehten houden wilde.

Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht één, die hem schuldig was tienduizend talenten.

En als hg niet had om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkoopen, en zijne vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld betaald zou worden.

De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.

En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden.

Maar die dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden één zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij wat gij schuldig zijt.

Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijne voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.

Doch hij wilde niet; maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben.

Als nu zijne mededienstknechten zagen hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden: en komende, verklaarden zij hunnen heer al wat er geschied was.

Toen heeft zijn heer hem tot zich geroepen, en zeide tot hem: Gij booze dienstknecht! al die schuld heb ik u kwijt gescholden, dewijl gij mij gebeden hebt:

Behoordet gij ook niet u over uwen mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?

En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijnigers over totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.

Alzoo zal ook mijn hemelsche Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft, een iegelijk zijnen broeder zijne misdaden.

„Daarom wordt het koninkrijk der hemelen vergeleken hij een zeker koning, die rekening met zijne dienstknechten houden wilde. Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tienduizend talenten. En als hij niet had om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkoopen, en zijne vrouw en kinderen.quot; De slavernij was toen overal verbreid; zelfs de meest verlichte mannen der oudheid vonder er niets ongeoorloofds in; zij vonden het geheel overeenkomstig de bedoeling, waarmede de goden hen geschapen hadden, en bovendien noodzakelijk en onontbeerlijk, evenals wij tegen-

-ocr page 222-

202

woordig onwillekeurig de oeconomische afhankelijkheid van den arbeider bepaald noodzakelijk en onontbeerlijk houden voor het bestaan van onze maatschappij. Die slavernij der oudheid is sedert lang voorbij. Zal ook deze afhankelijkheid eens voorbij gaan, zooals de sociaaldemooratie met beslistheid beweert? Zullen de oeconomische verhoudingen zich dermate ten goede ontwikkelen, dat ook in den toestand van den modernen arbeider een gunstige omkeer en hervorming zal plaats grijpen? Wie voor zichzelven geldelijk hierbij geïnteresseerd is, zal op deze vraag licht een ander antwoord geven, dan die bij de geschiedenis te rade gaat, en onbevooroordeeld den wonderlijken, gestadigen gang der menschelijke ontwikkeling daarin heeft leeren opmerken.

Aristoteles, een der wijzen uit de oudheid, heeft eens, merkwaardig genoeg, dit woord gezegd: Wanneer ooit een onbezield werktuig in staat zal zijn, om de slaven in hunnen dienst te vervangen; wanneer ooit een werktuig eenvoudig op bevel zijns meesters, of zelfs vóór het bevel gegeven is, het werk gaat verrichten, waartoe het vervaardigd is, zooals, volgens de sage, de zuilen van Daedalus het konden, of zooals de drievoetige tafels van Hephaestus het deden, waar Homerus van verhaalt, welke uit eigen beweging, door niemand binnengedragen, in de zaal der goden kwamen binnenzweven met godenspijs en godendrank beladen ; wanneer op dezelfde wijze het weefgetouw zijn weefsel van zelf vervaardigde; wanneer de cither uit zichzelve te spelen begon; — dan voorwaar! zouden de werkmeesters geene knechten, en de heeren geene slaven meer noodig hebben.quot; — „Welnu,quot; heeft iemand hiervan gezegd, „dat wonder waarvan Aristotelus hier spreekt als iets onmogelijks, is in onze dagen grootendeels werkelijkheid geworden, en dat wel zonder de hulp der goden op de meest natuurlijke manier van de wereld, door kennis van de natuurwetten, en door aanwending van de natuurkrachten; wat eens aan de meeste wijzen van Griekenland onmogelijk scheen, zien wij nu dagelijks onder onze oogen gebeuren.quot; Maar evenzoo zal wederom, wat ons tegenwoordig onmogelijk schijnt, voor de toekomstige geslachten iets natuurlijks en iets heel gewoons toeschijnen. Tempora mutantur et nos mutamur in illis; zouden de oeconomische en maatschappelijke verhoudingen

-ocr page 223-

203

en toestanden van deze de geheele wereld beheerschende wet buitengesloten zijn?

De heer beval evenwel niet alleen den knecht te ver-koopen, maar ook zijne vrouw en zijne kinderen. Vrouw en kinderen moesten dus ook mede lijden onder de schuld en de zonde van den echtgenoot en vader, zooals dat ook in onze dagen nog altijd geschiedt. Wat heeft het gansche gezin zwaar te lijden, als het hoofd des gezins goddeloos is, of als hij een drinker, een leeglooper, een verkwister of dief is, en wanneer hij tot gevangenis- of tuchthuisstraf veroordeeld is! In dat geval lijdt zijn arm gezin te huis veel groo-tere ellende dan hij zelf, die schuldig is; daar verduren zij honger en koude, zij , de onschuldigen; daar verteren zij van kommer en zorg, terwijl hij dag aan dag het genot van eene warme kamer heeft, en zijn eten krijgt, zonder dat hij een vinger er voor behoeft uit te steken of een voet te verzetten. Zoo kan de band, die den man en vader aan de zijnen verbindt, tot een koord worden, waaraan hij hen met zich in den afgrond der ellende meetrekt; terwijl die band hem veelmeer van het hellend vlak der zonde en der misdaden moest terughouden, en eene bewarende, beschermende, reddende, en heilige macht moest wezen tot heil en vrede van hem en de zijnen.

De heer beval hem te „verkoopenquot;, en zijne vrouw en zijne kinderen, en alles wat hij had, om aldus de schuld betaald te krijgen. „O! die tiran! die brutale behandeling! wie zou bij zulk een rijke ook nog een hart zoeken!quot; zoo hoort men velen in dergelijke gevallen uitroepen. Of de ander het verdient, en wat hij misdaan heeft, dat wordt eenvoudig niet in rekening gebracht, daar wordt niet eens naar gevraagd; elke gelegenheid is die lieden aangenaam om de rijken verdacht te maken, om de armen te verontschuldigen, en om zoo den klassenhaat aan te vuren.

De heer in de gelijkenis was geen tiran. „De dienstknecht, nedervoMcnde, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal it alles betalen. En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden.quot; Hoe genadig was deze koning, hoe grootmoedig deze heer, hoe zacht deze rechter! De ellende der armen roerde hem; hij gaf genade voor recht; en de liefde liet hij in zijn hart zegepralen over de rechtvaardig-

-ocr page 224-

204

heid. En het gevolg daarvan? Wat voordeel zou hij gehad hebben, als hij het bij zijn eerste besluit had laten blijven? Zijn geld had hij er toch niet door teruggekregen; een huisvader, eene moeder, en hunne kinderschaar zou hij er door in het ongeluk gestort hebben, en voor hun leven ongelukkig hebben gemaakt; met wrok en grimmigheid zouden zij al hunne dagen aan hem gedacht hebben; en wat hemzelven betreft, hij zou nimmer meer vrede of rust gehad hebben, zoo dikwijls de gestalten dezer armen in zijne herinnering voor hem oprezen. Hoe anders was dat nu, waar het gevoel van eene edele, grootmoedige daad verricht te hebben hem gelukkig en vroolijk maakte; hoe anders was dat nu, waar hij dankbare, gelukkige menschen aan zich verbond, waar hij tranen van verrassing en vreugde in hunne oogen zag glinsteren, en waar hij zich verzekerd kon houden, dat zij zijne gedachtenis in zegening zouden houden tot zelfs na zijnen dood! Zoo veel staat de liefde hooger dan de rechtvaardigheid ! Zooveel te hooger staat zij, naarmate zij meer vrede en vreugde werkt! Zij is de licht- en warmte-gevende zon gelijk, evenals de rechtvaardigheid zonder liefde de bleeke koude maan gelijk is. Zal nog eenmaal een tijdperk der onbeperkte liefde de menschen gelukkig maken ? Nog slechts van zeer verre zien wij haren dageraad. Nog bevinden wij ons slechts te midden van het tijdperk der rechtvaardigheid; wat zeg ik! ... duisternis bedekt de dalen, waar nog slechts de nacht der ongerechtigheid met zijne nooden en verschrikkingen zich over uitbreidt.

Liefde te betoonen, dat is het, wat de mensohheid doet rijpen; maar het zal niet gaan, zonder dat de mensohheid tegelijk de liefde leert te verdragen, te verdienen en waardig te worden. In zijn schuldenaar had de koning zich vergist. Zijne goedheid was aan hem verkwist.

„Dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mede-dienstknechten , die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij wat gij schuldig zijt!quot; Eene manier van handelen, zooals men helaas! te dikwijls opmerken kan; geheel de manier van doen van den natuurlijken mensch! Had die man dan zijne tienduizend talenten vergeten? Dacht hij dan gansch niet meer aan de daar juist aan hem betoonde genade? Die schuld had hem niet nedergebogen met berouw ; deze genade had hem daarom

-ocr page 225-

205

ook niet geroerd en verteederd; het ontbrak hem aan verootmoediging tegenover den koning, daarom ontbrak het hem ook aan zachtmoedigheid tegenover den naaste, aan zachtmoedigheid , die hemelsche deugd, die onder de menschen-kinderen zoo zeldzaam is, dewijl zij tegen elkander zondigen zonder ophouden. Zou die zachtmoedigheid ook wel kunnen bestaan in eene maatschappij, waar het ongeloof gehuldigd wordt, waar men dien koning niet erkent, waar men van die tienduizend talenten schuld niets weten wil, waar van Zijne goddelijke genade nooit iets gevoeld wordt, waar men met verootmoediging spot, en waar, met één woord, niets gekend wordt van de teederheid, de innigheid en de diepte van echt Christelijke deugdsbetooning? Voorwaar: de vreeze is gerechtigd, dat in die maatschappij, de socialistische, nog meer dan in onze tegenwoordige maatschappij „het aanvatten en bij de keel grijpenquot; aan de orde van den dag zal zijn, bij het geschreeuw van: „Betaal mij, wat gij schuldig zijt!quot;

Mattheus 22 :15—33.

Toen gingen de farizeên heen, en hielden te zamen raad, hoe zij hem verstrikken zouden in zijne rede.

En zij zonden uit tot hem hunne discipelen, met de Herodianen, zeggende; Meester! wij weten dat gij waarachtig zijt, en den weg Gods in waarheid leert, en naar niemand vraagt: want gij ziet den persoon des menschen niet aan;

Zeg ons dan: Wat dunkt u? is het geoorloofd den keizer ocluitting te geven of niet?

Maar Jezus, erkennende hunne boosheid, zeide:

Gij geveinsden! wat verzoekt gij mij? toont mij den schattingpenning. En zij brachten hem een penning.

En hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift?

En zeiden tot hem: Des keizers. Toen zeide hij tot hen: Geeft dan den keizer dat des keizers is, en Gode dat Gods is.

En zij dit hoorende, verwonderden zich, en hem verlatende, zijn zij weggegaan.

-ocr page 226-

206

„Is het geoorloofd, den keizer schatting te geven of niet?quot; Zeker moet men den keizer schatting geven. Wel worden de belastingen steeds zwaarder; vooral het leger vereisoht reusachtige sommen, die men op andere wijze veel beter zou kunnen besteden. Maar is er vooreerst aan dien belastingdruk veel te veranderen? Zal men niet, om grooter kwaad te voorkomen, de dingen moeten nemen zooals zij zijn, en zich dien druk moeten laten welgevallen? Dat wijzen op de zware belastingen zal natuurlijk altijd een krachtig agitatiemiddel blijven; wat kan op de massa geweldiger invloed maken dan de belofte: „Laten wij maar eerst den socialisti-schen staat hebben, dan zijt gij geheel van die ellendige belastingen af, en geene oorlogen zullen de landen meer verwoesten.quot;\' Valsche beloften! Holle phrasen! Dat voelt ieder, die het menschelijk hart in zijne boosheid kent. Laat men liever aan de zedelijke en geestelijke ontwikkeling der jeugd werken, Christelijke beschaving en deugd in de harten planten, en dat in alle standen; dat zal de eenige weg zijn om den algemeenen wereldvrede te bewerken.

„Geeft den keizer dat des keizers is, en Gade dat Gods is!quot; Velen geven Gode niet, omdat zij God haten; zij zouden ook den keizer liefst niet willen geven, omdat zij den keizer haten; vrijmaking van goddelijk en van menschelijk gezag zoeken zij. Ach! mochten zij toch inzien, wie de ware tiran is, die ons allen het ergste gevangen houdt, en van wien wij met alle macht ons moesten zien vrij te maken! Dat is: de zonde. Die macht uit de hel zal ons te meer tiran-niseeren, naarmate wij ons te meer gaan vrijmaken van het goddelijke en het menschelijke gezag; en het einde zal wezen: het dolste anarchisme. De Heere beware ons voor hare verwoestingen!

-ocr page 227-

207

Mattheiis 9 :18—36.

Als hij deze dingen tot hen sprak, ziet, een overste kwam en aanbad hen, zeggende: Mijne dochter is nu terstond gestorven; doch kom en leg uwe hand op haar, en zij zal leven.

En Jezus, opgestaan zijnde, volgde hem en zijne discipelen.

En zie, eene vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot hem van achteren, laakte den zoom zijns kleeds aan:

Want zij zeide in zichzelve: Indien ik alleen zijn kleed aanraak, zoo zal ik gezond worden.

En Jezus, zich omkeerende en haar ziende, zeide: Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van dezelve ure af.

En als Jezus in het huis des oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare,

Zeide hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten hem.

Als nu de schare uitgedreven was, ging hij in, en greep hare hand; en het dochtertje stond op.

En dit gerucht ging uit door het geheele land.

„Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrome werd gezond van dezelve ure af.quot; Twaalf jaren lang had zij het bloedvloeien gehad, van de medicijnmeesters veel geleden, en al haar goed daaraan ten koste gelegd; te vergeefs ! het had niets geholpen! het was nog erger met haar geworden! Maar nu komt zij, geloovende, tot den Heere, en zij wordt gezond. — Dat is ook voor ons volk de redding. Al de andere medicijnmeesters zullen ons volk niet helpen; misschien, dat hunne geneesmiddelen de kwaal zelfs nog verergeren!

Ook „een overste kwam en aanhad hem, zeggende: Mijne dochter is nu terstond gestonen, doch kom en leg xiwe hand op haar, en zij zal leven.quot; Een overste, die anders misschien even als zijne ambtgenooten, naar Jezus gansch niet zou omgezien hebben, komt nu tot Hem, en valt voor Hem neder, en smeekt Hem dringend om hulp; want zijne dochter was gestorven; de nood dreef hem tot den Heere. Zoo roepen tegenwoordig velen tot Jezus, die anders niet naar Hem omzagen; de sociale nood heeft hun zorge gemaakt. Laten daarom in deze omstandigheid de onderwijzers en de predikanten met ijver hun plicht doen, den godsdienstzin bij het volk opwekken, en op die wijze bij de menschen den geest

-ocr page 228-

208

van oproer uitblussohen. Laten de onderwijzers en de predikanten hierin niet in gebreke blijven! Laten zij vooral oppassen, dat de godsdienst niet verlaagd wordt tot den dienaar van het kapitalième en van het mammonisme! En laten zij voor alles zei ven hun plicht niet verzuimen om zeiven tot Jezus te komen, zich tot Hem te bekeeren, en van Hem te leeren, wat zij doen moeten om de sociale gevaren af te wenden! Juist zij moeten zeer veel, ja het meeste hierin doen! Laten zij toch niet talmen!

„Heere! mijne dochter is nu terstond gestorven!quot; Zoo lang had dus de overste getalmd! Had hij niet reeds eer kunnen komen, toen zij nog in leven was? Dan zou hij zichzelven en de zijnen veel harteleed bespaard hebben. Daarom, laten wij toch niet talmen; laten wij bijtijds tot den Heere gaan, opdat Hij ons kranke volk geneze, en opdat het niet sterve en ten verderve ga; ook wij zouden ons veel leed kunnen besparen, indien wij bijtijds wilden bedenken, wat tot onzen vrede dient.

Om dit gevoelen zullen vele menschen ons wel bespotten; maar hebben zij om den Heere ook niet gelachen, toen Hij zeide: „Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt?quot; Zij geloofden niet, dat Hij in staat was om hulp te verleenen. Zit datzelfde pessimisme ook niet in de revolutiepartij? Verklaart zij de maatschappij niet falliet, en ten doode opgeschreven? Predikt zij niet dat van die maatschappij niets meer te verwachten is? En belacht zij niet degenen, die hare pessimistische beschouwing niet deelen? Vreemd is het, dat diezelfde partij tegelijk vervuld is van een verbazingwekkend optimisme ten opzichte van hare volgelingen, die volgens haar van een gehalte zijn, dat de wedergeboorte der menschheid kan te weeg brengen; en zoo ook ten opzichte van haar program, welks verwezenlijking het rijk der vrijheid, gelijkheid en broederschap zal naderbij brengen. Wij belachen hen daarom niet, maar in ware droefheid weenen wij veeleer over zulk een waan, die ons nog duur genoeg kan komen te staan.

Wij blijven ons aan Christus houden; en wij nemen acht op Zijne handelwijze: „Als nu de schare uitgedreven ?(\'as, ging hij in, en greep hare hand; en het dochtertje stond op.quot; Zonder u af van het volk, van de groote massa; ga met Jezus in de stille binnenkamer; dat zal ook ons tot het leven terugbrengen.

-ocr page 229-

209

In zulke stille uren van overpeinzing en gebedsgemeenschap, zooals de Heiland zelf ze in de woestijn, op den berg, in eenzame nachten dikwijls gezocht heeft, gevoelt men zich zoo geheel anders, dan op de andere dagen, zoo nabij aan God, en aan de wereld ontheven; daar wordt de geest zoo wonderlijk gescherpt tot eene zuivere beoordeeling der wereld en der menschen; daar wordt de ziel zoo tevreden, zoo gelukkig, zoo zalig; daar voelt men het zoo diep en zoo overtuigend: Och! zocht men maar meer zulke gewijde uren, zulk uitgaan uit de wereld, zulk verzinken in de godheid, in het eeuwige, — wij, ook ons gansche volk zou van den dood genezen! Het is geen wonder, dat de menschen in een treurig materialisme verderven en versterven, en dat de maatschappij juist tengevolge van het materialisme door krisis op krisis bezocht wordt. Wat de grond is voor de plant, wat het water is voor den visch, wat de lucht is voor het lichaam, wat de zon is voor de schepselen der aarde, dat is de stille inkeer voor den mensch als mensch! Hij kan het rechte niet vinden, hij kan niet goed handelen, hij kan niet gelukkig zijn, noch anderen gelukkig maken, als hij van zijn levenselement zich scheidt — van God.

Mattheus 34 :15—38.

Wanneer gij dan zien zult den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)

Dat alsdan die in Judea zijn vlieden op de bergen.

Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen;

En die op den akker is, keere niet weder terug, om zijne kleederen weg te nemen.

Maar wee de bevruchte en de zogende vrouwen in die dagen!

Doch bidt, dat uwe vlucht niet geschiede des winters, noch op eenen sabbath.

Want alsdan zal groote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tol nu toe, en ook niet zijn zal.

Sociale Moraal. -14

-ocr page 230-

210

Èn zoo die dagen niet verkort werden, geen vleesch zou behouden worden; maar om der uitverkureuen wil zullen die dagen verkort worden. ■

Alsdan, zoo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar; gelooft het niet.

Want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, en zullen groote teekenen en wonderhet. doen, alzoo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.

Ziet, ik heb het u voorzegd!

Zoo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit: Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet.

Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzoo zal ook de toekomst van den Zoon des menschen wezen.

Want alwaar het doode lichaam zal zijn, daar zulten de arenden vergaderd worden.

„ Wanneer gij dan zien zult den gruwel der venooesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, slaande in de heilige plaats; (die het leest, die merlce daarop!) dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de hergen. Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen; en die op den akker is, keere niet weder terug om zijne kleederen weg te nemen. Maar wee de bevruchte en de zogende vrouwen in die dagen! Doch bidt, dat uwe vlucht niet geschiede des winters, noch op eenen sabbath. Want alsdan zal groote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld lot nu toe, en ook niet zijn zal!quot; Wie denkt bij het lezen van deze woorden niet onwillekeurig aan die vreeselijke catastrophe, die komen zal als een losbarstend onweder over de volken der aarde, wanneer het niet gelukken zal, om de verschillende strijdvragen tusschen de klassen vreedzaam en in verzoenenden zin op te lossen, en wanneer al de massa brandstof van haat en wrok, die bij de beschaafde menschheid zich opgehoopt heeft en nog dagelijks zich ophoopt, in lichtelaaie tot een wereldbrand zal opgaan? Wat zal de verwoesting van Jeruzalem, wat zal de Fransche revolutie zijn in vergelijking met deze algeheele losbarsting en omkeer? Voorwaar, in letterlijken zin zal dan vervuld worden: „Alsdan zal groote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.quot;

Paulsen doet de vraag; „Of bij de bovenste lagen der maatschappij het gezond verstand en de goede wil zich sterk genoeg zullen toonen, om het allernoodigste te doen?

-ocr page 231-

211

Of bij de volksmassa in de groote steden het politiek inzicht en het begrip van orde en tucht zoo ontwikkeld zullen wezen, dat zij in staat zullen wezen om den fanatieken haat en de fantastische verwachtingen der drijvers zoodanig het hoofd te bieden, dat deze verhinderd zullen worden tot opstand en daden van geweld over te gaan ? Men moet toegeven, dat de geschiedenis der volken in het algemeen ons weinig moed geeft die hoop te koesteren; in den regel leert ons de geschiedenis, dat het eigenbelang der rijkere klassen en evenzoo dat van de armere klassen van weinig toegevendheid en verstandige inschikkelijkheid jegens elkander blijk geven, totdat natuurlijk wederzijdsch onrecht het wederzijdsch geweld te voorschijn roept, en bloedige botsing en diep maatschappelijk verval gedurende jaren het einde er van zijn. Zullen dus ook nu weer de Europeesche volken aan den vooravond staan van een tijdperk van bloedige revolutiën en reacties? En zal daaruit een nieuwe bestaansvorm der maatschappij geboren worden? Of zal de westersche beschaving daarin haar droevigen ondergang vinden? Niemand kan het zeggen.quot;

„En te minder kan iemand het zeggen, dewijl, niet zooals in de vroegere geschiedenis, de ontwikkeling van een volk eenvoudig afhankelijk is van zijne eigene inwonende krachten; daar is door het gemakkelijke verkeer eene wisselwerking van het eene op het andere volk ontstaan, zooals er in de oude geschiedenis niet plaats vond; het zijn de invloeden van buiten, die meer en meer de toekomst van een volk gaan bestemmen; de Europeesche volken leven geen geïsoleerd leven; hunne binnenlandsche ontwikkeling is afhankelijk van hunne verhouding tot het buitenland; en hoe dus de toekomst aan een volk zich vertoonen zal, is moeilijker dan ooit te voorspellen.quot;

„Eéne zaak schijnt niet twijfelachtig meer: Als de Europeesche volken bestemd zijn om vooreerst nog niet ten onder te gaan, maar naast elkander te blijven voortbestaan; als de ontwikkeling van de maatschappij in dezelfde richting zich blijft voortbewegen, welke zij in den laatste eeuw is ingeslagen; en als staat en maatschappij het Manchester-sche stelsel blijven vasthouden, — dan zal bij geen enkel volk de binnenlandsche vrede lang meer gewaarborgd blijven. Een staat, die geen hoogeren plicht kent, dan den eigen-

14*

-ocr page 232-

212

dom te beschermen, dat wil zeggen, die geen hoogeren plicht kent dan alle die instellingen in het leven te roepen en te onderhouden, waardoor de kapitaliseering en het maken van rente gewaarborgd blijven, zal voor de massa der loonarbeiders noodzakelijk den schijn hebben van eene inrichting te zijn tot bescherming der belangen van de bezitters tegenover de niet-bezitters; zoodanige staat zal hun niet toeschijnen eene inrichting te zijn, die het algemeen welzijn beoogt. Op oeconomisch terrein kan de staat alleen, dan beschouwd worden waarlijk den eigendom te beschermen, in zooverre de staat er op uit is om aan een iegelijk de rechtmatige vrucht van zijn arbeid als eigendom toe te kennen en te verzekeren. Naarmate de rechtmatige vrucht van den arbeid, als een eigendom, dat den arbeider toekomt, van den arbeider onthouden wordt, naar die mate rust ook op den staat de verplichting om de individu tegen het ontvreemden van eigendom, om den arbeider tegen het kapitaal te beschermen; de mensch is er niet ter wille van het kapitaal, maar het kapitaal is er ter wille van den mensch. En kan nu de maatschappij de middelen en wegen niet vinden, waardoor dit op bevredigende wijze wordt geordend, dan gaat zij, oi liever dan gaat het volk, dat zijne eerste levensbelangen niet weet te bezorgen en te regelen, noodwendig te gronde. De politiek van het „laat-maar-begaanquot; leidt op zekeren weg naar den oorlog, den burgeroorlog. — De politiek van de „sociale hervormingquot; moge daarom gaan bovendrijven.quot;

„Ook dan zelfs, als de „hervormingspolitiekquot; zou blijken niet bij machte te zijn, om aan de maatschappij de verdere vreedzame ontwikkeling te verzekeren; ook dan zelfs, als het het lot moest zijn der menschheid om ook in de toekomst niet anders dan door eene vreeselijke krisis en door smarte-lijken strijd den nieuwen bestaansvorm te vinden, — ook dan zelfs ware de „hervormingspolitiekquot; niet te vergeefs of nutteloos geweest. Door haar zal in elk geval het tijdperk van overgang gemakkelijker vallen; door haar zullen de harten zachter, de tegenstand minder heftig gestemd zijn; en voor wat komen zal, zal zij in harten en hoofden de wegbereider zijn geweest. Want dat is wel de grofste dwaling van de sociaaldemocratie, dat hoe grooter de ellende wordt, des te dichter de nieuwe heerlijkheid aanstaande is. Worden de kiemen niet gelegd, die den nieuwen bestaansvorm

-ocr page 233-

213

der maatschappij als voldragen vrucht op tijd zullen afleveren, dan kan niets anders dan eene groote uitbarsting en eene jammerlijke ruïne het einde der dingen zijn. — Hoe beter de arbeiders georganiseerd zijn, hoe meer zij verstandelijk en zedelijk ontwikkeld zijn, dat wil zeggen, hoe hooger het oeconomisch en maatschappelijk standpunt is, dat zij innemen, des te meer zullen ook aan de andere zijde de bezitters doordrongen zijn van het besef, dat de welvaart der lagere klassen de voorwaarde is van hun eigen bloei; en des te beter zullen zij hun eigenbelang begrijpen, om die welvaart in de hand te werken. En hoe meer de staat er op ingericht is, om de welvaart van het geheele volk tegenover de belangen van enkele groepen te behartigen, des te eer zal ook de overgang mogelijk vallen tot een hoogeren nieuweren vorm van het maatschappelijk leven , waarin gerechtigheid heerscht.quot;

Daarom: dat men ophoude met te hooren naar de valsche profeten! „Alsdan, zoo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet. Want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, en zullen groote teekenen en wonderheden doen, alzoo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.quot; Dat is eene voorspelling, waarvan wij ook in onze dagen de vervulling bevelen. Valsche Christussen en valsche profeten zijn er tegenwoordig vele, en zij verleiden er velen, wat zij zeker niet zouden kunnen doen, als hunne leer geheel en al valsch was, en niets dan bedrog bevatte, zooals verscheidene menschen denken. Neen, eene partij van zoo grooten aanhang als de sociaaldemocratische, en van zoo grooten invloed zoowel in onze geheele beschaafde wereld, als onder de zoogenaamde arbeiderskringen, stelt ons ernstig voor de vraag, of dat enkel door holle woorden, schandelijke opruiingen, be-driegelijke voorspiegelingen en persoonlijke bekwaamheid der leiders zijn kan, dat zij zoo groot is; stelt ons ernstig voor de vraag, of dat niet is, doordat onder hare groote dwalingen ook menige waarheid gevonden en gepredikt wordt, welke in de vele en vreeselijke nooden onzer tijden een vruchtbaren bodem vindt.

De heer W. Kulemann, rechter, en lid van het Evangelisch sociaal congres, behandelt in een zijner opstellen met zaakkundige juistheid de vraag: „Waarin ligt de kracht der

-ocr page 234-

214

sociaaldemocratische beweging?quot; Hij spreekt daar van de talrijke geschriften, wier schrijvers zich bezig houden met de „wetenschappelijke wederleggingquot; van de sociaaldemocratie, en die de meening koesteren, dat op die wijze de arbeiders van die beweging afkeerig kunnen gemaakt worden; en hij noemt zulks een ijdelen waan, omdat de heeren schrijvers daarmede toonen de beteekenis en het eigenlijke wezen dier beweging te miskennen. „Die heeren zou ik gaarne willen vergelijken met een kampvechter, die met zijn degen altijd slechts den mantel van zijn tegenpartij zoekt te treffen. Na eenige uren schermens zal die mantel zeker aan flarden gescheurd zijn, zoo dat zijn drager zich niet meer in fatsoenlijk gezelschap zal durven vertoonen, maar de kracht der tegenpartij zal er niet door gebroken zijn. De positieve eischen der sociaaldemoc ratie, zooals zij in haar program zijn uitgesproken, zijn in het geval van dezen mantel. Men kan haar den mantel ontnemen, en men kan haar niets overlaten dan haar zuiver negatief protest tegen de bestaande orde der dingen, en toch zal men merken, dat haar invloed op de arbeidersmassa in geenerlei opzicht iets verminderd is. De leiders wijzen, van hun standpunt uit, met volkomen recht alle nieuwsgierige vragen naar hun toekomststaat eenvoudig af; en zij kunnen dat onder de arbeiders gerust doen zonder eenige vrees voor verlies van aanhang. Verbetering van de tegenwoordige ondragelijke en rotte toestanden in de maatschappij; dat is het wat hunne aanhangers verlangen; hoe dat geschieden zal, dat is hun volkomen onverschillig, en de leiders weten het, dat de arbeiders zich altijd als partij zullen scharen rondom hen, die de ondragelijkheid van die toestanden zoo sterk mogelijk op den voorgrond plaatsen, en die zoo sterk mogelijk beloven om die toestanden op te ruimen Of nu dat, wat er voor in de plaats komen zal, werkelijk beter zal zijn, dat is eene vraag, welker beantwoording eenvoudig afgeleid wordt met de verklaring: „slechter kan het toch nooit worden.quot; Nu is het zeer gemakkelijk, om aan te toonen, hoe geheel onlogisch het is, om verbetering te verlangen en te beloven, zonder dat men kan mededeelen hoe die toekomststaat zal ingericht zijn; maar laat men zich toch liever een oogenblik op het standpunt van een arbeider stellen, die de schade van de tegenwoordige verhoudingen in de maatschappij

-ocr page 235-

215

dagelijks aan zijn eigen lichaam en ziel ondervindt, en van wien men het toch niet eischen kan, dat hij zooveel oeco-nomie gestudeerd heeft, om met juistheid de gebreken, en tegelijk de middelen tot verbetering te kunnen aanwijzen! Met volkomen recht wijst de arbeider zoodanigen eisch af. „Ik ondervind de schade; en het is uwe zaak, om de oorzaak er van vast te stellen en te verwijderenquot;; dat zegt de arbeider tot den staat en tot de ontwikkelde klassen met evenveel recht, als wanneer wij zulks tot onzen geneesheer zeggen, over wiens onbekwaamheid wij ons ergeren, wanneer hij aan ons verlangen niet kan voldoen. — Deze volksmassa zal de sociaaldemocratische leerstellingen volgen, zoolang wij niet verwijderd hebben wat aan hare ontevredenheid ten grondslag ligt. Op welke manier dat geschiedt, is den arbeiders even onverschillig als een taalkundig onderzoek naar het Socaheli-dialect. Kon het eens gelukken om b.v. met de bespottelijkste en onzinnigste oeconomische theoriën voor een oogenblik den toestand der arbeiders beter te maken, zoo zou ik mij verzekerd houden, dat, hoe ook de socialistische leiders zich de longen uit de keel zouden schreeuwen om de wetenschappelijke onhoudbaarheid er van aan te toonen, hunne aanhangers er toch van door zouden gaan, en hen aan hun lot zouden overlaten. Maar evenzeer houd ik mij er van verzekerd , dat omgekeerd, zoolang de toestand der- arbeiders blijft zooals hij is, geen enkel hunner komt luisteren naar de wetenschappelijke bestrijding van het socialisme. Dat volk vraagt niet, en men bevreemde er zich niet over, naar het meer of minder zuiver wetenschappelijke van het eene of van het andere stelsel; het vraagt eenvoudig om hulp en genezing; en bij de stembus geeft het zijne stem aan die zulks het hardste belooft. De kracht der sociaaldemocratische partij ligt niet in hare positieve, maar inbare negatieve beweringen, ligt niet in hare positie, maar in hare negatie, ligt in hare kritiek der bestaande sociale misstanden; men neme die weg, en ook de sociaaldemocratie is er niet meer. Ziedaar het doel, waar wij naar te streven hebben.quot;

„Naar mijn gevoelen ligt d\'fe diepste oorzaak onzer sociale misstanden in de verschuiving van het maatschappelijk evenwicht tusschen de bezittende en de niet-bezittende klassen, tusschen kapitaal en arbeid; welke verschuiving op rekening komt van de invoering van den machinalen arbeid in plaats

-ocr page 236-

216

van den handenarbeid. Vanwaar de overproductie eenerzijds en de steeds toenemende werkeloosheid anderzijds? Vanwaar dat opmerkelijke en diep treurige verschijnsel, dat tot den arbeid bekwame en tot den arbeid gewillige menschen geen werk kunnen vinden, terwijl toch elke arbeidskracht eene oeconomische waarde vertegenwoordigt, welke in reëele waarde moet kunnen omgezet worden? Vanwaar, dat deze werkeloosheid bestaat, terwijl toch de behoeften van de overgroote meerderheid der menschen in zeer onvoldoende mate bevredigd zijn, en er toch niets meer voor de hand ligt dan deze overmaat van arbeidskracht aan te wenden tot bevrediging van die onvoldane behoeften? De grond voor deze schijnbaar geheel tegenstrijdige feiten ligt daarin, dat het nog niet genoeg is, om zooveel mogelijk te laten produceeren, maar om zooveel mogelijk voor den ruil van het geproduceerde te zorgen. Ruil veronderstelt echter, dat beide partijen in bezit zijn van ruilmiddelen; en daar het doel der productie de consumptie is, terwijl toch bij eene goede arbeidcver-deeling niemand al wat hij verbruikt kan voortbrengen, zoo volgt daaruit, dat het einddoel van alle oeconomische orde daarin gelegen moet zijii, om alle producenten in staat te stellen zooveel mogelijk te verbruiken. Dat dit nu tegenwoordig nog niet het geval is, dat de overgroote meerderheid des volks niet in staat is om de noodige consumptie zich aan te schaffen, derhalve de middelen niet heeft om het geproduceerde te verbruiken, dat is de verklaring van de schijnbare en de ten onrechte zoo genoemde overproductie; deze is inderdaad niets anders dan gebrek aan middelen ter consumptie.quot; — Dit verklaart de schrijver dan verder. De sociaaldemocratie karakteriseert deze toestanden als oeconomische anarchie, als een oeconomischen chaos, en men kan haar hierin niet anders dan gelijk geven. Vooral ook de strikes, die steeds menigvukliger en met steeds reus achtiger afmetingen plaats hebben, leveren mede het verpletterend bewijs, dat de ongezondheid der oeconomische toestanden onrustbarend toeneemt, zoodat ook aan de meest verblinden de oogen wel open moeten gaan, en met vreeze de vraag zelfs bij de verstokste gemoederen moet oprijzen: Waar moet dat heen? Kan dat zoo blijven? Zijn niet inderdaad de ingrijpendste hervormingen noodig, om zulke diepe ellende en zulke dreigende gevaren te keeren?

-ocr page 237-

217

Kulbmann gaat daarna over tot de bespreking van het ideale, dat in tegenstelling van het materieele, eveneens de sociaaldemocratische beweging kenmerkt, en hij zegt dan zeer juist: „Als ik zeg, dat de sociaaldemocraten geenszins geacht moeten worden gebrek aan een hooger dan stoffelijk ideaal te hebben, en men mij te gemoet voert, dat zij toch voor zulke ideale goederen, als godsdienst en vaderland, niets anders dan verachting over hebben, dan moet ik toestemmen, dat dit schijnbaar tegen mijn gevoelen indruischt. Maar in de eerste plaats antwoord ik, dat het altijd op te merken is, hoe de bij elk volk aanwezige voorraad van ruwheid en gemeenheid zich altijd hecht aan de hielen van die partij, die het radicaalste tegen de bestaande orde zich overstelt en optreedt; in zooverre beschouw ik dus deze verschijnselen van haat tegen godsdienst en vaderland eenvoudig als uitwassen, die bij eene, gelijk wij hopen, gunstige ontwikkeling van eene arbeiderspartij van zelf verdwijnen zullen. Maar in de tweede plaats antwoord ik, dat men het niet te hard beoordeelen mag, wanneer menschen, van wien wij zelf zeggen, dat hun stoffelijke toestand ondragelijk is, aan de hoogere geestelijke goederen niet die waarde toekennen, die wij zelfs door de meer verzadigde „bourgeoisquot; er niet aan zien toegekend. Als ik derhalve geneigd hen, om niet alleen deze gebreken zachter te beoordeelen, maar om bovendien aan de sociaaldemocratie eene werkelijke belangstelling in het hoogere toe te kennen, dan doe ik zulks echter ook nog met een beroep op het aanwezig zijn van fanatisme bij hare aanhangers, zooals geene andere partij dat vertooneu kan; het is immers eene psychologische wet, dat fanatisme steeds het begeleidend verschijnsel is van gevoelens, die, hoe zeer wij ze ook veroordeelen mogen, toch een idealen inhoud niet geheel missen. Offers, zooals de besliste sociaaldemocraten brengen, brengt men niet voor bloot stoffelijke belangen, vooral niet als het niet eens de eigene belangen zijn. Deze offervaardigheid, die de andere partijen aan hare aanhangers te vergeefs als voorbeeld voorhouden, deze fanatieke geestdrift ontspringt, — zij mogen er zich min of meer van bewust zijn, — uit het hebben van een hooger doel; en dit hoogere doel, dat ook de sociaaldemocratie najaagt, is: mede te werken om dien staat te bereiken in de groote ontwikkelingsgeschiedenis der menschheid, welke de negen-

-ocr page 238-

218

tiende eeuw zoekt, en de twintigste eeuw zal vinden. Zal ik zeggen, welke die staat is, dan vind ik geene betore uitdrukking er voor, dan, de staat der volkomen sociale gelijkstelling van den arbeidersstand met de overige volksklassen.quot;

.,Het aanwezig zijn van dit hooger dan stoffelijk ideaal, wat te dikwijls over het hoofd wordt gezien, is de eenige verklaring van verschijnselen, die anders geheel onbillijk en onzuiver beoordeeld worden, zooals de onwil des arbeiders tegen alle verrichtingen van hooger hand, die maar eenigzins het karakter van weldadigheid hebben. Het is wel bovenmate verblijdend, dat grootere vereenigingen, die zich in den laatsten tijd aaneengesloten hebben in haren gemeen-schappelijken arbeid, met ijver trachten den toestand der arbeiders daardoor te verbeteren, dat zij hun betere woningen verschaffen, kamers van navraag voor hen openstellen, spaarkassen oprichten, ziekenhuizen, volksgaarkeukens, volksba-den, verwarmde localen, bewaarscholen, crèches, enz. hun ten dienste stellen, of hoe dat alles verder heeten mag. Maar dat zij hiermede den arbeider met zijn lot verzoenen, dat behoeven zij niet te gelooven, dat bereikt wordt; integendeel, de arbeiders, tenminste inzooverre zij den sociaaldeino-cratischen invloed niet ontgaan zijn, hebben al die pogingen slechts met koele terughouding, meestal met hoon en spot bejegend. „Soepvereenigingenquot;, dat is in hunne kringen de gewone naam geworden, waarmede zij sociaal-politieke kwakzalverijen aanduiden.quot;

„Is die koele terughouding en spot tegenover de weldadig-heidsvereenigingen gerechtvaardigd? Waarlijk niet, deze vereenigingen verdienen het niet, dat zij zelfs geen woord van waardeering en erkentelijkheid ontvangen; hierin wordt weder die ruwheid openbaar, welke, zooals ik daarstraks zeide, zich altijd het liefst aansluit bij die partij, die het meest radicaal is. Maar hiervan afgezien, dat de goede wil toch gewaardeerd moest worden, is het overigens volkomen begrijpelijk, dat men met die weldadigheid niets te doen wil hebben; en dat dit juist vooral geschiedt van de zyde van de betere arbeiderskringen , dat moest voor ons eene dringende reden zijn om over de gronden van dien afkeer eens ernstig na te denken. De oorzaak ligt in het ontwaakte eergevoel van den arbeider; hij wil geene weldadigheid, die hem gansch secuur een sport

-ocr page 239-

219

op den maatschappelijken ladder lager zet; hij verlangt eene zoodanige stelling in te nemen, die hem in staat kan stellen om de weldadigheid van de hand te wijzen, en om zichzelven en de zijnen door eigen arbeid te onderhouden. En ziedaar, wat zoovelen aan de sociaaldemocratische beweging doet deelnemen; gelijk ik boven zeide: niet alleen een stoffelijk motief zit er achter, maar ook een ethisch motief. Het bewustzijn van den strijd op te nemen niet alleen voor het persoonlijk belang, maar tegelijk ter wille van eene gezondere sociale verhouding, en ter wille van eene meerdere gelijkheid tusschen de verschillende standen, dat is het, wat aan de arbeidersbeweging hare verborgene, wonderbare kracht verleent, en wat haar tegelijk niet tot eene bloot materieele beweging, maar tot eene geestelijke beweging stempelt. Hare voorstanders gevoelen, — en daarvan mogen zij nu meer of minder helder van bewust zijn, — dat zij de organen zijn van eene hoogere macht, van eene nieuwe gedachte, die langzamerhand aan den boom der menschelijke ontwikkeling tot rijpheid is gekomen, en wier zegepraal niet tegengehouden kan worden door den tegenstand, die haar bereid wordt door kortzichtigheid , door enghartigheid of door de wet der traagheid, die met de van ouds bestaande toestanden niet breken kan.quot;

Kulemann besluit zijne beschouwingen met er op te wijzen, „dat juist daarom de oude sociaal-politieke wetgeving zoo weinig waardeering bij de arbeiders gevonden heeft, omdat zij te bureaucratisch is; omdat zij te veel er op uit gaat, den arbeider niet naar zijn eigen recept, maar naar een staatsrecept, gelukkig te maken; omdat zij hem geheel als een onmondig kind behandelt, dat zonder de vaderlijke leiding nog niet goed zijn standpunt in de maatschappij kan innemen. Juist dat eergevoel van den arbeider, waar hierboven op gewezen is, komt hier tegen op, en eischt met recht naar een meerder aandeel in de beschikking over zijn eigen lot.quot;

De Heiland zegt: „Alwaar het doode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden verzameld ivorden.quot; Ware er in onze heden-daagsche maatschappij niet veel, dat rot en aan het aas gelijk was, er zouden geene gulzige roofvogels van verre komen aanvliegen, om zich aan haar te goed te doen. Laten wij wegnemen wat hen aanlokt, en zij zullen weer heenvliegen.

-ocr page 240-

220

llattheus 25 :31—46.

En wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid, en al de heilige engelen met hem, dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijklieid.

En voor hem zullen al de volkeren vergaderd worden, en hij zal ze \\an elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.

Ln hij zal de schapen aan zijne rechterhand zetten, maar de bokken aan zijne linkerhand.

Alsdan zal de Koning zoggen tol degenen die tot zijne rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden mijns Vaders! beërft het koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.

Want ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, cn hebt mij te drinken gegeven; ik was een vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd;

Ik was naakt, en gij hebt mij gekleed; ik ben krank geweest, en gij hebt mij bezocht; ik was in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen.

Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij u hongerig gezien, en gespijzigd? of dorstig, en te drinken gegeven?

En wanneer hebben wij u een vreemdeling gezien, en geherbergd? of naakt, en gekleed?

En wanneer hebben wij u krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot u gekomen ?

En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg ik u, voor zooveel gij dit één van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat mij gedaan.

Dan zal hij zeggen ook tot degenen die ter linkerhand zijn: Gaat weg van mij, gij vervloekten! in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is.

Want ik ben hongerig geweest, en gij hebt mij niet te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij niet te drinken gegeven;

Ik was een vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezocht.

Dan zullen ook deze hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij u hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben u niet gediend?

Dan zal hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg ik u, voor zooveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zoo hebt gij het mij ook niet gedaan.

En deze zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

-ocr page 241-

221

„Komt, gij gezegenden mijns Vaders! beërft dat koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. Want ik ben hangerig geweest, en gij hebt mij te eten gegeven; ik ben dorstig geweest, en gij hebt mij te drinken gegeven; ik was een vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd; ik was naakt, en gij hebt mij gekleed; ik ben krank geweest, en gij hebt mij bezocht; ik was in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen. — Voor zooveel gij dit een van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat mij gedaan.quot; Aan dit gebod der broederliefde zijn de jongeren van Christus steeds indachtig geweest; zij hebben in den loop der eeuwen eene liefdadigheid aan armen en ellendigen bewezen, zooals de oudheid er geene gekend heeft, en zooals de heidenwereld ze nog niet kent. Maar — of de Christelijka kringen de nooden van onzen tijd goed onder de oogen gezien hebben, en of zij overal de ware beslistheid en energie aan den dag gelegd hebben om ze te lenigen of geheel te verwijderen? Ik geloof, dat, als zij dit gedaan hadden, de revolutiepartij niet zulk een invloed zou verkregen hebben. Er ligt veel waars in wat een dienaar onzer kerk geschreven heeft; „De Evangelische Christenheid moest zich diep beschaamd gevoelen bij de gedachte, hoe de aan God vijandige sociaaldemocraten eene geheele reeks van eischen hebben durven stellen, welke geheel overeenkomstig den geest der Heilige Schriften zijn, terwijl eene groote menigte Christenen nog er aan twijfelt, of deze eischen wel vervuld kunnen of mogen worden. Het is een brandmerk der schande op het geweten van de kerk, dat de klove tusschen rijken en armen zoo groot is geworden; want zij heeft haren mond niet opengedaan tegen de zonden der rijken, zooals het behoorde, en heeft het duizendmaal stilzwijgend goedgekeurd, dat de armen in hunne Christelijke rechten op de heiligste goederen, (zooals familieleven, zondagsrust en persoonlijke waardeering), gedurende geslachten zijn te kort gedaan en gekrenkt. In het kort, zij heeft het toegelaten dat een duivelsch egoïsme bij al de standen des volks zich van zijne ketenen losgemaakt heeft, en dat de strijd om het bestaan, de oorlog van allen tegen allen, tot het hevigste steeg. Wij weten het wel, dit verwijt heeft alleen beteekenis, indien de Evangelische kerk geacht mag worden de macht te bezitten om zulk eene droevige ontaarding van het volksleven te verhinderen. Maar had de kerk deze macht dan niet? Heeft

-ocr page 242-

222

zij de macht niet, niet alleen om de ontaarding van het volksleven tegen te gaan, maar zelfs veel meer, om de ontwikkeling er van in het juiste spoor te leiden? Hier zal niemand aan twijfelen , die de kracht van het woord Gods kent. Zeker heett zij die macht. Evengoed als Lasalle begon na te denken over de onmenschelijkheid in de verhoudingen tusschen kapitaal en arbeid, en tusschen bezitters en niet-bezitters; even zoo goed hadden reeds lang v6ór_ hem de vertegenwoordigers der Evangelische kerk die onhoudbare, onchristelijke toestanden in woord en geschrifte, in preek en huisbezoek moeten aanvallen en bestraffen. Lasalle en zijne opvolgers deden een beroep op de lagere hartstochten en begeerten, en op het verstand, en zij hebben groote resultaten verkregen. De kerk heeft van God de macht gekregen, zich tot de gewetens te richten. Ware zij niet te traag en te laf geweest, dan zou zij het ware Christelijke socialisme door hare prediking tot het geweten reeds ingevoerd hebben, eer het valsche, aan God vijandige socialisme had kunnen ontstaan. Nu moet God de zonden der kerk goed maken en corrigeeren. De kerk heeft het niet gewaagd zich tot de gewetens der rijken te wenden, daarom zendt God nu de sociaaldemocratie, die de kerk beschaamt, en de gewetens op onzachte wijze opschrikt.quot; (Quistorp).

De Heere heeft echter zijne redevoering in onzen tekst tot allen gericht, en niet alleen tot de leeraars, aan wien men de werken der liefde zoo gaarne alleen overlaat, alsof de andere leden der gemeente er ook niet toe verplicht waren. Daar moest rondom de leeraars een staf zich verzamelen van Christelijk gezinde mannen en vrouwen, jongelingen enjonge-dochters, om met die leeraars een strijd te openen tegen de stoffelijke en geestelijke nooden, om ze te lenigen en te verminderen, en om de Christelijke liefde in praktijk om te zetten. Daarbij moesten ook de werkgevers en hunne vrouwen hunne arbeiders en dienstbaren in hunner nood bijstaan. Hoevele van de door den Heere genoemde werken der liefde zouden zij in de huizen hunner onderhoorigen kunnen bewijzen! En hoeveel zouden zij daardoor bijdragen tot eene betere verhouding tusschen arbeiders en werkgevers, bijdragen tot den socialen vrede! Wanneer zullen onze gemeenten levende Christelijke gemeenten worden ? Wanneer zal het algemeen priesterschap eene werkelijkheid zijn? Ge-

-ocr page 243-

223

prezen zij het praktische Christendom, dat overal in de gemeenten wakker geworden is, en bezig is zich krachtig te ontwikkelen!

De Heere der liefde zal zich verblijden, en dankbaar be-loonen allen, die de nooddruftigen in hunne moeiten zich hebben aangetrokken. Maar hoeveel te meer zal Hij zich verblijden, en hoeveel te meer zal Hij hen beloonen, die beproefd hebben de oorzaken van nood en ellende weg te nemen, zooveel zij konden, en die de armen en ellendigen tot zulk een staat hebben opgevoerd, dat zij de hulpe niet meer behoeven! En hoeveel te erger zal Hij daartegenover de liefdeloosheid vervloeken en straffen van hen, die zulke edele pogingen hebben tegengestaan en verhinderd, en die in hun genotszucht en gelddorst het volk steeds schaamte-loozer uitzuigen en aan de verarming prijs geven!

De beoefening der broederlijke liefde zal de maatstaf zijn in het gericht aan gene zijde; maar ook reeds aan deze zijde zal zij, al naardat zij betracht of vergeten is, het oordeel verschuiven of naderbij brengen. Indien het ooit tot eene wereldrevolutie komt, zal dan niet het gebrek aan broederlijke liefde, zal dan niet de zelfzucht der maatschappij er de schuld van dragen? Wij zullen nog wel bewaard kunnen blijven voor zulk een strafgericht, en de sociale ontwikkeling zal nog wel op vreedzame wijze hare baan kunnen ten einde loopen; maar dan moeten wij de broederlijke liefde over de zelfzucht laten zegepralen.

Matthens 25 : 1—13.

Alsdan zal het koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke hare lampen namen en gingen uit, den bruidegom te gemoet. En vijf van haar waren wijze, en vijf waren dwaae.

Die dwaas waren, hare lampen nemende, namen geene olie met zich. Maar de wijze namen olie in hare vaten, met hare lampen.

-ocr page 244-

224

Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.

En te middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem te gemoet!

Toen stonden al die maagden op, en bereidden hare lampen.

En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons van uwe olie, want onze lampeu gaan uit.

Doch de wijze antwoordden, zeggende; Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkoopers, en koopt voor uzelven.

Als zij nu heengingen om te koopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.

Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heere, Heere, doe ons open!

En hij antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik u, ik ken u niet.

Zoo waakt dan, want gij weet den dag niet, noch de ure, in welke de Zoon des menschen komen zal.

„Alsdan zal het koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke hare lampen namen, en gingen uit, den bruidegom te gemoet.quot; Eene bruiloft, een vreugdefeest, — dat is hare verwachting, hare hoop. — Een vreugdefeest, een leven in vreugde, dat is het, waar ook tegenwoordig millioenen op hopen, die daar beneden in de diepte van het maatschappelijk leven hunne oogen opslaan naar eene betere toekomst. Wie, dien het harte op de rechte plaats zit, voelt niet met hen, en voelt niet dezelfde hoop, uitziende naar den dag, waarop zij aan den rijkvoorzienen disch der beschaving met de anderen te zamen zullen aanzitten en genieten ! Dat zal op dien dag ook eene bruiloft zij n, waarop de lang gewenschte vereeniging eindelijk zal plaats vinden tusschen den bruidegom, d. i. Christus, en de bruid, d. i. de maatschappij. Zij zijn zoo lang gescheiden geweest. Wat hebben velen de vereeniging verhinderd! Waarom verhindert men het nog? Dwaze menschen, die de komst van den Bruidegom trachten te vertragen, trachten te verijdelen! De bruiloft, dat feest der toekomst, willen zij wel hebben, maar zonder bruidegom zal er toch geene bruiloft zijn!

„En vijf van haar waren wijze, en vijf waren dwaze. Die dwaas waren, hare lampen nemende, namen geene olie met zich. Maar de wijze namen olie in hare vaten, met hare lampen.\', Gene waren dwaas, lichtzinnig en onvoorzichtig; zij waren

-ocr page 245-

225

er vroolijk over, dat hare lampen zoo helder brandden; maar zij dachten er niet aan , dat hare lampen wel eens konden uitgaan, en dat zulks zeker gebeuren zou, als de bruidegom zou vertoeven te komen. Is dat niet het beeld der revolutiepartij ? Wel branden hare lampen helder op dit oogenblik, en zij verblij dt zich over haar succes; maar zij bedenkt niet, dat hare olie wel eens ontoereikend kan zijn, en dat juist in den tijd, waarop het zal aankomen, hare lampen kunnen en moeten uitgaan. Zij wil uitwendige veranderingen en hervormingen, maar het gewichtigste, de vernieuwing des harten, dat zet zij zich uit de gedachten. Zij zorgt niet voor olie in de vaten; zij kweekt geene edele gevoelens, geene deugd, geene liefde in de harten, zonder welke haar werk noodzakelijk mislukken moet. Want onomstootelijk waar is het: „Indien ook al de sociale quaestie op de meest schitterende wijze mocht ojjgelost zijn, indien ook al eene maat-schapjjelijke orde zich mocht ontwikkeld hebben, waarin voor de minste ongerechtigheid geene plaats meer is, dan zou met dat alles de sociale vrede nog niet bij haar inkeeren, zoolang niet de wederkeerige achting, de warme hartelijke liefde van den een jegens den ander er tegelijk haren intrek genomen hebben. Verkrijgt de beste maatschappelijke orde zonder liefde, en gij hebt eene machine aan den arbeid gezet, waarbij de olie tusschen de assen en cylinders vergeten is. Knarsend wrijven de verschillende deelen er van zich tegen elkander; en zij zullen zich warm wrijven, en gloeiend, en zulks te meer, naarmate de deelen beter in elkander passen. Geene inrichtingen van de volmaakste soort houden de maatschappij in stand, maar persoonlijkheden; want inrichtingen kunnen niet hebben, wat persoonlijkheden hebben, n.l. zelfverloochening en liefde: en zonder deze gaat het eenmaal niet.quot; (Dbews).

„En te middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gnat uit hem te gemoet!quot; Te middernacht! Zoolang hebben zij moeten wachten, die maagden, en dat, terwijl zij dachten, dat hij zoo dicht bij was. — Zoo denken ook de aanhangers van de sociaaldemocratie, dat zij zeer dicht bij hun doel zijn ; maar zij zullen nog zeer lang moeten wachten, en dat te langer, naarmate zij eerder hun verwoestingswerk verrichten; want die revolutie brengt niet voorwaarts in de richting van het groote doel, maar brengt ons jaren en jaren terug.

-ocr page 246-

226

Zij waren sluimerig geworden, en ingeslapen, die maagden, toen de bruidegom vertoefde. Van onzen tijd zouden wij eer het omgekeerde zeggen; toen zij sluimerig werden en insliepen, vertoefde de bruidegom. Zou Hij zoolang vertoeven, zouden wij zoolang op heilzame hervormingen behoeven te wachten, zou zoolang die ellende onder de lagere standen blijven heerschen, indien de slaap der verzadigdheid en der onverschilligheid niet de hoogere en invloedrijke kringen als door eene tooverkracht gebonden hield? De vijandelijke partij slaapt niet; het is ook niet te verwachten, dat zij slapen zou! Daarom, waakt op! waakt op! opdat zij u niet in uwen slaap overvalt en vernietigt!

Laten wij ook niet in de fout vervallen van hen, die zeggen: „Geeft ons van uwe olie, want onze lampen gaan uit.quot; Want de wijzen zouden antwoorden: „Geenszins, opdat er misschien mor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkoopers, en koopt voor uzelven.quot; Ieder moet voor zichzelven zorgen, dat hij zijn plicht doet; men kan zijn plicht toch niet aan anderen overlaten, noch verwachten, dat anderen onzen plicht zullen vervullen, waar wij die verzuimden in den ontzaglijken strijd onzes tijds. Ik weet het wel: in den tijd van den opstand zal het leger zijn plicht weten te doen; de regeering, de politie, nieuwe wetten, het onderwijs, dat alles zal medewerken om de revolutiepartij te fnuiken; maar ontslaat de kennis, dat anderen hun plicht doen, iemand van zijn eigen deel in de algemeene plichten? „Gaat tot de verkoopers, en koopt voor uzelven!quot; Staat toch eens op uit uwe vadzige rust, vermoeit u eens, laat het u wat kosten, brengt zeiven eens wat offers, werkt aan uwe eigene bekeering en heiliging; en wordt toch eens flinke strijders voor waarheid en recht, opdat door waarheid en recht de nieuwe tijd aanlichte, die nu door uwe schuld vertoeft te komen.

„Als zij nu heengingen om te koopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten. Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heere, Heere! doe ons open! En hij, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik u, ik ken u niet.quot; Te laat! Nu staat gij daarbuiten in den duisteren nacht voor de geslotene deur! En gij hadt het zoo goed kunnen hebben! Zooveel vreugde en zooveel geluk wachtten u! Maar gij hebt niet bereid willen zijn!

Te laat! O vreeselijk woord, als met de stemme des don-

-ocr page 247-

227

ders gesproken! Mocht het eenmaal ons volk niet in de ooren dreunen! Mochten wij het nog bij tijds bedenken, wat tot onzen vrede dient! „Heden, zoo gij Zijne stemme hoort, verhardt uw harte niet!quot;

„Zoo waakt dan, want gij weet den dag niet, noch de ure, in dewelke de Zoon des menschen komen zal.quot; Hij zal komen, als Rechter of als Verlosser, al naardat gij zelf wilt. Hij is gekomen; daarom, wordt Zijne discipelen; dan zult gij bereid zijn, wanneer Hij komen zal. Waakt! gij dienaars der kerk! Waakt, gij dienaars van den staat! Waakt, gij rijken en armen!

WAAKT!

-ocr page 248-
-ocr page 249-

Uittreksels uit Beoordeelingen.

Gelijk Warned- de kunst verstaat uit lang bekende en vaak gebruikte teksten een thema af te leiden, dat betrekking heeft op do Zending, zoo weet Walther uit menige Schriftuur-plaats een leering te trekken van socialen aard. Wij hebben, bij het lezen van zijn werk, zijn vernuft bewonderd en ons verheugd in de nieuwheid, welke menige pericoop der Schrift verkreeg door de wijze, waarop zij hier behandeld wordt. Walther geeft geen preeken, maar „gedachten.\'\' Ieder, die vaak moet optreden, en reeds dikwerf cenzelfden tekst moest behandelen, zal erkennen, dat het hem wel eens aan „gedachten,quot; althans aan nieuwe en belangrijke gedachten ontbreekt. Welnu, het geschrift van Walther is geen magazijn, dat wij moeten en mogen plunderen, maar een modelkamer, een verzameling motieven, dis wij tot voorbeeld nemen, of zelfstandig uitwerken kunnen. Wij wcnschen dit bock in de handen van vele predikanten en niet predikanten. Dr. A. W, Bronsveld in „Stemmen v. W. en Fr.quot;

Zoowel tot do armen als tot de rijken is zijn woord gericht; hij spaart den misdeelden noch den gegoeden zijne berisping en aanmaning ten goede; hij wijst aan werkgevers en werklieden, meesteressen en dienstboden beiden don weg, die tot geleidelijke verbetering moet voeren. Mochten deze allen willen lezen en ter harte nemen wat bun hier geboden wordt. In menige afdeeling van den Volksbond, in arbeiderskringen, in jongelings-vereenigingen zal het voorlezen van sommige gedeelten zijn nut kunnen doen.

Nu ik ten slotte eene proeve wil aanhalen van Walthers manier om sociale moraal te verkondigen, sta ik waarlijk verlegen. Er is embarras de choix. Laat mij daarom volstaan met deze aankondiging, die eene warme aanprijzing kan zijn. Dr. J. Herdebschke in „De flemorming.\'\'

Daar is in dit boek iets, dat den jongeling aanstonds boeit; geen koude moraal, geen afgetrokken bespiegeling, maar een actneële en geheel origineele behandeling van Bijbelstoffen, overgebracht in het volle, ernstige leven onzes tijds, — waarvan ieder rechtgeaard jong gemoed den harteklop mede voelt.

Men legt dit boek, eenmaal ter hand genomen, niet ongelezen, niet ongebruikt, ongenoten ter zijde; maar, zooals het onder de hand van onzen Hollandschcn, welbekenden stijlist is bereikbaar gesteld, is geene verdere aanbeveling noodig dan deze drie woorden neem, lees, leer. De prijs behoeft do kas of do bibliotheek eencr Jongclingsvereeniging zeker wel niet af te schrikken.

Een wenk blijve in acht genomen: „niet lezen alleen, maar voorlezen ook, en besproken de vraagpunten, die er van zelf zich uit voordoen.quot;

I)s. C. L. Laan in de „Jongelingsbode.quot;

-ocr page 250-

Vooral de waardeering dat liet goede van de sociale beweging onzer dagen in dit boekje vindt, verdient gehoor en erkenning.

De wensch van den geacliten vertaler, dat in plaats van de zich verbreidende socialistenmoraal en de overgeleverde bezittersmoraal de christelijke moraal meer beoefend mogen worden, kan ook door de verspreiding en voorlezing van dit bock zeker bevorderd worden.

I)s. L. C. schulleh tot Peüesum in de „Amsterdamsche VolkshodeV

De schrijver is van meening, dat de prediking van onzen tijd eene sociale prediking moet zijn, dan zal zij van zelf populair en daardoor van meer invloed zijn. quot;Wij stemmen volkomen met Paul \\Valther in en kunnen zijn boek, waarin bij naar aanleiding van woorden uit den Bijbel preeken of schetsen van preeken beeft geschreven, die den practischen man zullen treffen, die ieder zullen aansporen zich te doen gelden bij de pogingen tot vernietiging van den klassenhaat en tot verbetering van sociale misstanden, van ganschcr barte aanbevelen. Voor theologen en leeken bevat het menig behartigenswaardig woord. „Alg. Handelsblad.quot;\'

............ Op allerlei dingen, die het volksleven raken, en

die de routine ons zoo gemakkelijk zou kunnen doen voorbijzien, wordt onze aandacht gevestigd. Tal van practische opmerkingen en wenken liggen hier voor \'t grijpen. En de schrijver opent ons eene waarlijk goede gelegenheid om — sit venia verbo — kijk te krijgen op behoeften en belangen, die maar al te gemakkelijk aan onzen blik ontsnappen, en die toch voor het gemeenteleven eene zeer wezenlijke beteekenis hebben. Daarom acht ik voor allen, die het predikambt bekleeden, de lezing van dit geschrift zeer nuttig. Ih\' A J. ïh. Jonkkk in de ,,1\'keol. Studicn.quot;

In dit werk worden zeer juiste, vaak aangrijpende opmerkingen gevonden over maatschappelijke toestanden en misstanden en gevaarlijke beginselen en stelsels.

Wij kunnen ons zeer goed voorstellen, dat Ds. Ulfcrs het gewenscht achtte dit werk in veler handen te brengen. Het kan zijn nut doen. Het biedt stof tot nadenken en is een voorraadschuur van zaadkorrels, die in den geest van predikanten en anderen die geroepen zijn mee te spreken ontkiemende, straks nieuwe vruchten kunnen dragon.

Dr. Hoedejiakkr in de „Ger Kerk.quot;

-ocr page 251-
-ocr page 252-
-ocr page 253-
-ocr page 254-

t -ïsf • r »v .4 if

-■ij...- *\\ \'rof -.^1 ^ ■

quot;v ■ \'quot;quot;ï

f - : ■ i--quot;\' gt; gt;r

gt;\' ?j? jquot;*1\'

.* :■ L^ • ^ \'Ai- ••

- quot; v-quot;\' gt; • V .quot;V , *quot;- /•

y vj : -\'■w-..\'

- ■ ■ i gt;ylt;t

-i \'j -■\' ^

gt;. quot;7 c

w JL

/ , -y

-3 quot; .-Ik *■lt;

1.

«»

V -

» , gt;

gt;

•C

A gt;—t

\' c •

V % * V •5*. -gt; iUF \'•■

\' . \' \' V

r ;

\'•i

»#

r** , ■*■ ^

J\' r \'lt;

r

rgt;

r -

■ f V %quot; \' v,

A-. .

r* V quot;V-» 4 ^ ^ N

^-quot;V- .^y . \' .

. gt; gt; 9 V»-flLt .4

-1 / . \'

.*gt; \'

quot;gt; ■ ;^ . \' 1 8«^ .v^

* V _

r

— i-r,

. / V

«r •quot; r -

lt;rgt; V ,gt;-Vs\'

\':^V. \'

\' rv V .

^ --ï * V , *gt;quot;•, • Sr

. TSb r ^ r

. \'-} ^ f3 ■■■ \' V

\' v . V ^ f \'■quot; \' ■

^ - quot; *h K

4\'.lt; ■ ; - ^jfk *

r^Ji-V x-~ K%±-, \'Xgt; \\ \'•» - .x^ -i V ^ f r \'lu^v \' / ^

ï* \' ^ ^ Ky^ \\ #} ■

■quot;^r . ^v . - sXït , / ^ v - - -*?

1^-»- _ -ü—. ^

T^\' ^ -