-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

cx/i

AVV £ /-

HET VERBAND

van

DOOP EN WEDERGEBOORTE

NAGELATEN DOGMENHISTORISCHE STUDIE

G. KRAMER

Doctorandus in de Godgeleerdheid aan de Vrije Universiteit.

Met een inleidend woord

Dr A. KUYPER.

brehkelen

Uitgevers Maatschappij ,13 E VECHTquot; Dm. A. G. 1). Gerritsenquot;.

1897.

-ocr page 6-

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

I

0740 1569

-ocr page 7-

HET VEKBAXI)

VAN

DOOP EN WEDERGEBOORTE.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

Moeilijk zou ik in woorden kunnen nils preken, loat s mar lelijke aandoening mijn hart overmeestert, mi ik, ter inleiding op de degehjke studie van mijn ontslapen leerling, dit korte woord schrijven wil.

Gelijk het gemeenlijk gaat, was ik eerst als promotor met hem in nauwere betrekking gekomen, en bij die veelvuldiifer ontmoeting had ik dagelijks meer zijn uitnemenden aanleg, zijn ernstige opvatting, zijn geestdrift\' voor de belijdenis der waarheid, en zijn moed van onderzoek, leeren waar de eren. Meer nog, ik had, hem lief gekregen; er had zich een verkwikkende sympathie des geest es tusschen hem en mij ontwikkeld; en met blijde hope voor de toekomst mocht ik ontwaren, hoe reeds onder het schrijven dezer dissertatie zich allerlei nieuw plan voor verdere studie bij hem ontwikkelde. Zelfs kwam nu en dan het denkbeeld bij mij op, of hij misschien in later jaren door God bestemd, mocht zijn, om in onze faculteit de leiding van ander er studie op zich te nemen.

En al die schoone hope is toen zoo plotseling, zoo schreiend droef ondergegaan.

Hij vergde op het laatst te veel van zijn niet overgroote kracht. Hij wilde de kerk van Monster, die hem beroepen had, in de rijke dagen van het Kerstfeest en van de wisseling des jaar 8 niet zonder g er eg el den dienst laten. Kn door dit plichtbesef gedrongen heeft hij toen op het laatst zich overwerkt om in t/jds gereed te komen. Ik waarschuwde hem nog herhaaldelijk, Maar met jeugdigen moed meende hij, dat het wel gaan zou. En zoo heeft hij doorgewerkt, tot in zijn bruidsdagen.

-ocr page 10-

II

tot dak voor den lt;%, die hem in het huwelijk verbond met de vrouwe zijner keuze; en toen eindelijk het laatste stuk zijner dissertatie was afgeschreven^ verliet hij Amsterdam met de blijde hope dat hij, na zijn yemeente door de eerste drukke dagen te hebben heengeholpen, eerlang herwaarts zou kannen terugkeeren, om te staan naar den zoo wel verdienden doctorstitel.

Helaas, het heeft niet zoo mogen zijn.

Hij heeft Amsterdam niet weergezien.

En toen. hij, na feilen aanval van een kortstondige ziekte, aan zijn pas gehuwde vrouw, aan zijn gemeente en aan zijn familie en vrienden ontvallen ivas, bleef als aandoenlijk erfstuk in zijn boedel de nog niet geheel afgedrukte dissertatie achter, die eerst nu ze verschijnt, het duidelijk zal maken, wat verlies ook de theologische wetenschap in het zou vroeg wegsterven van dezen jeugdigen geleerde geleden heeft.

Gelukkig was, op de inleidinq na, zijn dissertatie geheel in schrift gereed, zoodal aan de piëteit voor den doode bij de uitgave van dit. geschrift in geen enkel opzicht behoefde te worden te kort gedaan.

Op enkele vellen na\' had hij het geheele iverk nog zelf vn drukproef nagezien, en was dus zeljs de correctie van zijn hand. Alleen voor de laatste vellen gaf ik. op verzoek van zijn weduwe, mijnerzijds de iinprimatuur, zonder m.j e nige andere correctie te veroorloven, dan die tot verbetering van zin- af schrijffouten noodzakelijk was. Zelfs waar de zinsbouw misschien door hem zelf verduidelijkt zoa zijn geworden, liet ik het slaan gelijk h\'j het schreef, opdat zelfs het vermoeden niet zou opkomen, als had ik in het werk van mijn voortrefj\'elijken leerling mijn gedachten ingeweven.

De studie was van zijn hand, en moest, zoo scheen mij, in alles zijn studie blijven.

Dat \' hierdoor dn laatste vellen, iets achterslaan bij de reeds, toen hij stierf, afgedrukte vellen, is hier een niet te vermijden, gevolg van. Zoolang hij zelf corrigeerde, verbeterde hij, ook op mijn raad, veel meer dan ik doen mocht. Hij zeil zou onqelwijféld dezelfde methode van correctie ook op de laatste vellen hebben toegepast. Maar mij stond dit niet vrij.

Wat ik zoo straks de pieteit voor den doode noemde, verbood mij dit.

Het is ook daarom, dat ik zelfs niet de poging waag, om Ao inleiding\', die hij nog schrijven moest, in zijn plaats te schrijven.

Alleen wil ik het gemis aan. een eigenlijke, inleiding trachten te vergoeden, door \'kortelijk het plan van het geheele werk te

-ocr page 11-

IIT

schetsen, zooals toe dit samen zoo dikwijls besproken hebben-

De sacramentsquoestie a-as ook nu weer in den boezem der Gereformeerde kerken hier te lande op den voorgrond getreden, en had allengs rasteren vorm aangenomen in de tegenstelling van tweeërlei overtuiging in zake den kinderdoop. In verreweg den breedsten kring bracht men den kinderdoop schier uitslutend in verband met zekere, niet nader gedefiniëerde Ver-bondsheiligheid; maar in kleiner kring won allengs de overtuiging veld, dat men bij deze uitwendige opvatting niet wel kon blijven staan, zonder het mgsierie in hel Sacrament gevaar te doen loopen.

Daarbij nu werd over en weer de bewering vernomen, dat de Gereformeerde belijdenis bezegelde wat men zelf beleed, en uitsloot wat men achtte te moeten bestrijden.

Die bewering werd. dan beiderzijds gestaafd door accidenteel beroep op deze of gene uitspraak van Gereformeerde theologen, of ook wel van de Formulieren van Eenigheid. Doch hoe goed bedoeld ook, kon zulk los en onsaamhangend beroep tot. geen beslissing leiden. Zulk beroep eisehte een geregeld historisch onderzoek; dit historisch onderzoek moest naar vaste methode ivorden ingesteld; en eerst het resultant van zoodanige rceten-schappelijke studie kon zekerheid verschaffen omtrent den zin en de beteekenis, die aan de uitdrukkingen in onze Formulieren ran Eenigheid te hechten is.

Het is dit onderzoek nu, waaraan deze stadie gewijd is.

Daartoe moest eerst de vraag gesteld, wat de Christelijke kerk. onder hare Roomsehe formatie, in de dagen toen de Reformatie opkwam, omtrent den kinderdoop geleerd had. De Reformatie toch is niet gaan bouwen op leegstaand erf, maar stond tegenover een historisch geworden toestand. In de eerste plants is daarom een poging gewaagd, om zoo nauwkeurig en helder mogelijk uiteen te zetten, wat destijds de Roomsehe kerk omtrent het Sacrament in het gemeen, omtrent het Sacrament van den Doop in het bijzonder, en allerbijzonderst omtrent den Kinderdoop leeraarde.

Eerst toen dat vaststond, kon worden nagegaan, in hoeverre de beginselen der Reformatie zich met deze Roomsehe leer omtrent den kinderdoop al dan niet rijmen lieten. Het behoorde duidelijk te worden aangetoond, dat de wijzigingen door de T!.efor)natie in het dogma omtrent den kinderdoop aangebracht, niet vrucht waren van gril of inval, maar noodwendig geëischt toerden door de critiek die de beginselen der Reformatie op het Roomsehe dogma moesten uitoefenen.

-ocr page 12-

IV

Nadat aldus de incomp\'atibiliteit van de beginselen, der Reformatie met de destijds heer schende begrippen omtrent den kinderdoop in het licht was gesteld^ rees mi in de derde plaats de craag, op welke onderscheid ene wijzen de ondersch ei lt; len e (feestelijke stroonungeii, die m de liejonnatie onmiskenbaar zijn, deze /ncomjxittb/lttett te boren trachtten te komen.

Luther was hierbij het eerst aan het woord. \\a hem de II ederdooperx. A// eerst m de derde plaats de (Tereformeerden.

.Tuist om het fiere formeerde dogma te verstaan, moest deswege eerst het flt;uthersche en het Doopersche dogma worden toegelicht, overmits de overtuiging dei\' (rereformeerden zich wel m tegenstelling met het Roomse he dogma, maar toch tevens met zijdelingschen terugslag op de Luthersche en Doopersche zienswijze gevormd heeft. II ie daar met op lette, zou de termen en de strekking van het (reveformeerde dogma eenvoudüf niet kunnen verstaan.

Alstm overgaande tot de uiteenzetting eau het tiereformeerde dogma zelf, heeft onze ontsla pen vriend allereerst de kracht can zijn onderzoek geconcentreerd op Calvijn. Wat voov, nevens en na Calvijn m de (xereformeerde kringen over het dogma can den II. Doop gedacht is, ontving ten slotte zijn stempel. Maar juist deswege moest op de ontwikkelimt van Calvijns denkbeelden over den Doop bijzondere vlijt aangewend. I oor wat toch dit dogma aangaat, was Calvijn allerminst van meet af met zijn denkwijze gereed, en eerst onder dr latere antithese met de Dooperschen en Luthevscheu is zijn formuleenng colledig tot stand gekomen.

Toen nu langs dien weg zekerheid was verkregen omtrent Calvijns ontwikkeling op dit punt, en omtrent het eindresultaat waarbij hij was uitgekomen, moest de niet minder omslac/itiqe taak ondernomen, om de gevoelens der ovevKie (Gereformeerd e Reformatoren en dogmatici bijeen te eer zamelen, om te doen zien, hoe het metterdaad Calvijns gevoelen is, dat ten slotte over alle afwijking triumfeert, en het scherpst en zuiverst het algemeen Gereformeerd gevoelen blijkt uit te drukken.

Slechts in één opzicht onderging het deveformeerde doqma omtrent den kinderdoop ook na Calvijn noif verdere ontwikkeling, en zulks wel in den naderen strijd met de Wederdoopers hier te lande. De schrijver heeft zich daarom in het laatste gedeelte van zijn studie geheel op Xederlandsch erf teruqqe-trokken, en op het nauwkeurigst onderzocht, welk proces het dogma van den kinderdoop hier te lande in dien tweeden Anabaptistischen strijd doorloopen heeft, en hoe eerst daaruit

-ocr page 13-

V

dc roll cd Hie en lt;ij iiiircrhli fowiinlccrliKi i* rooi\'hit\'koiiicii, wtinr/n hd dotfiHti door oitzi hoste flofpnatir! en polcin/sfcit (/tufofoii inrd, om flt;ii sloth- door dc l\\ erken ft irorden (jeijli.

In the ZMirerhe.ul hield het doe/met eehter (feot sttriid. Doodstil kei I hesc/iouiriiir/ hnmen met anders don hond in hemd (ilt;nin. en toen derhtdre. onder den inrloed tier po/lticke i/clieiirleji/ssen, de (lereforineerde herken hier te lemde (dineer in de on-iie-refonneerde rollsl-trl- ojx/nu/en, hou het niet nithlijren. of een hij de roll\'sherl\' passende DoopsheschoniciiKi moest zich in de plaats ran het dereformeerde dofpna orer den JJoop drin-(/eii. Dit is dan ook (feschied; en dit niteeiufaan ran de kerkelijke opinie op dit stuk in twee i In it lelijk te onderscheiden stroonum/en, rormt het onderwerp ran een zeer naawkenjii/ onderzoek door den schrijf er in (/es tel d, zoo wat de oorzaak en aanleidnaf tot cerschd, als wat het proces er can in onze kerkelijke historie aanlielamit.

Die heide strooiniia/en rercoh/t hij dan tot in het begin can deze eeuw, tot luj ten leste aantoont hoe de oorspronkelijke (rereformeerde stroom m het eind (jeheel drooii liep, om de later nufekomen coorstelhmj zoo (joetl als tot de alg\'Gineciio coorstellini/ in de kerken te stempelen.

De reactie hierteifen can het oorspronkelijk (i ere formeerde do ff ma daej teekend e mf te laten tijd, om door hem in zijn onderzoek te worden opaenomen; en ook oordeelde hij, d ■! het minder kiesch zon (jeweesf zijn, indien hij, als student reeds, zich ui deze nO(j met i(it(festre(len kerkelijke (feschi 11 en ifemeiKid had.

(leermoedafer natnnr zon zich misschien hehhen laten eer-lenlen, om juist door een stuk uit deze „hisfoire contemporainequot; zijn studie interessanter te maken; Kramer, can deifelijker en daarom te hescheidener karakter, zaej in, dat ernsf iife waardeerimt can een wetenschappelijke studie alleen te koop is tof den prijs can ernstKf onderzoek.

Dien prijs heeft hij dan ook hefatdd, en de helamfsteUimj der (iexhjeleerden en der Kerken zal aan zijn studie niet onthanden worden.

Hoe koet hij dan ook onder ons (jeleefd heeft, wie znlk een werk mai/ achterlaten, heeft niet coor niet (jeleefd.

liet is een studie, tl ie licht op het pad der kerken spreidt, en die tarn dr jontjeren iintler ons ten model motje strekken, op wat wijs, icie ocer zon omcaffentle h/storische onderwerpen mee wil spreken, zich het recht tot dat meespreken te cerwercen heeft.

Ivl\'lTKU.

A.mstkudam 27 .Mki. 1897.

-ocr page 14-
-ocr page 15-

EERSTE DEEL.

DE TEGENSTELLINGEN, WAARONDER HET GEREFORMEERDE DOGMA ZICH GEVORMD HEEFT.

HOOFDSTUK r.

Het Roomsche dogma bij het optreden dor Reformatie.

§ 1. Ixi.EIDLNd.

Yoor ons ondcrzook naar do loor, din aangaande liet verblind van doop en wedergeboorte, heerschende was, toen do reformatie opkwam, nemen we ons uitgangspunt in do loerbepalingen vim hot Trentsche concilie. Ofschoon dit concilie chronologisch midden in de liorvormingsperiodo valt, bevatten zijne docrota en canones zakelijk, vooral over do sacramenten, weinig, dat niet te voren in kerkelijke uitspieken of in do werken van kerkvaders en latere theologen was geloerd. Met name de scholastiek had deze stof reeds te voren mot de haar eigen scherpzinnigheid tot in kleine bijzonderheden uitgewerkt. Vandaar achtten de Trentsche vaders het ook niet noodig tegenover de Protestanten hunne sacramentsloor in bijzondere decreten uiteen te zetten, gelijk dit bij de leer der rechtvaardiging geschieden moest. Mot korte anathe-mata tegen de valsche leer rekende men te kunnen volstaan\').

Slechts stolde men er prijs op te verklaren, dat do bepalingen zich aansloten aan do leer der IT. Schrift, de apostolische

Ij Pailavicixi, Iliatoria Concilii Tridentini, lib. 9, cap. 7, n. 1.

-ocr page 16-

8

traditie on lint ocnstommig gcvoolon van antloro concilics (ui van (!(gt; korkvadtu\'s. De Catccliismns Eomanus, wolkc volgens iicsluit van Treute vervaardigd is, beroept zicb dan ook voortdurend op liet gezag van de Schrift en van de oude kerkvaders, voornamelijk van Augustimis.

Wel is waar heelt het Tridentinum niet iu alle leerstukken beslissing gegeven. De strijd in den boezem der synode zelve tussehen Dominicanen en Franciscanen liet dit niet altoos toe. Verschil van gevoelen over enkele, soms gewichtige punten bleef dan ook onder de latere liopmsche dogmatici tot nu toe bestaan. Maar de groote beteekenis van het Trentsche concilie ligt voor de dogmageschiedenis hierin, dat het in zijne besluiten, althans voor het meerendeel, de voorafgaande ontwikkeling van het dogma heeft samengevat en weergegeven, en tevens tegenover het Protestantisme de ofticieele Roomsche kerkleer vastgesteld.

Om nu te weten, wat liet concilie van Treute leeraarde over het verband van doop en wedergeboorte, gaan we eerst na de bepalingen over de sacramenten in\'t algemeen, zoover die op ons onderwerp betrekking hebben. De al-gemeene sacramentsloer toch beheerscht ook de leer des doops. De vaststelling van het zevental sacramenten is niet zonder invloed gebleven op de doopsbeschouwing. liet begrip: doop, is meer dan bij de Protestanten ondergeschikt aan het begrip : sacrament. Na afloop van dit eerste onderzoek volge dan het andere over de leer des doops in het bijzonder.

§ 2. De t.eeh deu saciia.mexïex in het

A r,( • EMEEX.

In welke betrekking de sacramenten tot het geestelijk leven des menschen gedacht moeten worden, is te Treute wel niet uitdrukkelijk in eene begripsbepaling opgenomen, maar toch duidelijk genoeg aangegeven in het decreet der 7« sessie: .(Sacranienta), per quae omnis vera justitia vel incipit, vol coepta augetur, vol amissa roparatur.quot; Deze

-ocr page 17-

(I

zin, zoo absoluut, zonder eenigc beperking gesteld, geeft, in verband niet het aangenomen zevental, de grondgedachte der Koomsche kerk weer over de boteckenis der sacranientoii voor het christelijke leven. De sacramenten zonder meer zijn de genademiddelen bij uitnemendheid, .mirifica quaedam instrumenta justitiae adipiscendae.quot; \') In dien zin definieert de Catechismus Konianus -) het begrip sacrament: -Sacramentum res est sensibus subjecta, quae ex Dei institutione sanctilalis et justitiae turn siginjicandae, turn etjine-ndae vim hahtlT

Deze beschomving, dat do sacramenten niet slechts heiligheid en gerechtigheid beteekenen, maar ook werken, is op de scholastieke sacramentsidee gegrond. Angustinus had het begrip nog ruim genomen als signum rei saorae en hot toegepast op elke heilige handeling, welke oene mysteriouse beteokonis heeft \'1). In de volgende periode, waarin moer het praktisch belang, dan het dogmatisch bewustzijn op don voorgrond trad, bleef hot begrip onbepaald, totdat Hugo van Sr. Victor hot eerst hot doel der heiliging in hot sacramoutsbegrip opnam \'). Sinds vond de definitie van Thomas Aquinas : ..(Sacramontum est) signum rei sacrae inquautum est sanctijicuna homines,11quot;\') algemeene orkennin0*. Was nu eenmaal onder het begrip sanctificatio de invloed dor sacramonten op hot christolijko leven samengevat, zoo lag liet voor de hand, dat allo zeven sacramontoii dienen moesten, om liet geestelijke loven tot stand, ontwikkeling en volmaking te brengenquot;). Ieder sacrament draagt op zijne wijze daartoe eeno gratia sanctificans aan. Zoo wordt het ganscbo procos van hot geestelijke loven door do sacramenteoio werking gedragen, totdat de poorte des hemels zich voor don voorloopig geheiligde ontsluit.

1) Cat. Rom., II, 1, 14.

2) II, 1, G.

3) Sen wan i:, Dogmengeschkhte, Bd. II, S. 726; cf. G. L. Haiin, Die Lchre, von den Sacramenten, S. 8.

■ J 1 - \' ■ B.vuu, Vorlcsunffcn quot;her die c/irislliclte Domnenae-schic/ite, Bd II, S. 160.

5) Summa T/ieoiogica, Pars III, qu. 60, art. 2.

üj Tuomas, o.I., III, 65, 1.

-ocr page 18-

10

Wanneer nu zoowol hot Tridontimim nis do Cat. Kom. dozo zelfde saoramontoele werking niet alleen op de sanctitas maar ook op de jnstitia toepassen, dan volgt vanzelf, dat, evenmin als de sanctifioatio, de justifioatio de daad van één oogenblik kan zijn, maar zich trapsgewijze moet ontwikkelen. Er moet een incrementum justitiae \') wezen, liet hoofdmoment van de justifioatio ligt derhalve niet in do imputatio justitiae1) Christi, de objectieve daad, maar in het subjectieve werk, het facere hominem justum, hetgeen in de sanctificatio et renovatie interioris ho minis plaats grijpt2). Do rechtvaardiging neemt dus de heiliging als onderdeel van het begrip in zich op.

Grondslag van beide is echter de gratia. Hieronder wil hot Tridentinum bij voorkeur niet verstaan hebben den „favor Deiquot;3) buiten ons, maar die genade, welke don mensch ingestort wordt en tot hot nieuwe leven opwekt (gratia infusa of gratia gratrdm faeiens). Het is deze genade, met hare beide qualiteiten, justiticans en sanctificans, die het nieuwe, geestelijke leven in den mensch tot stand brengt, daar ze hem Grode. gelijkvormig maakt, hem formeert ad similitudinem Dei4), welke hij door de zonde verloren had, zooals Thomas hot uitdruktquot;): „Gratia nihil est aliud quam ijuaedam participata similitudo dioinae naturae.quot;

In het teweegbrengen dezer genade ligt de groote waarde der sacramenten\'). Ter onderscheiding van de genade, in

1

Trid., sessio VI, cap. 7.

2

Trid., sessie VI, cap, 10, en can. 24.

3

Trid., sessio VI, can. 11.

4

De vraag, reeds vroeg aan de orde gekomen, of er onderscheid bestaat tusschen imago en similitudo Dei, beantwoordt de lioomsche Kerk over \'t algemeen in dezen zin, dat de imago Dei betrekking heelt op de natnur vau den mensch, en de similitudo Dei op de ho-venmituurlgke genade hem medegedeeld, cf. Bkllarminus, Dc gratia primi homints, cap. 2, en De gratia et libero arbitrio, 1, (i.

-ocr page 19-

11

algcraucncn zin gonomon (gratia (jommunitcf dicta), en de gratia virtutum ot donorum, wordt ze up voorgang der scholastieken gratia sacramentalis genoemd \').

Deze gratia sacramentalis (en dus ook de sanctitas en justitia) heeft naar haren aard eene positieve en eene negatieve zijde; eene negatieve, zoover ze dient om de zonde met hare gevolgen weg te nemen, en eene positieve, zoover ze de ziel met hoogere krachten toerust1); eene gratia sanationis en eene gratia perfectionis.

Behalve dezen ett\'ectns gratiae kent het Tridentinem nog aan drie onder de zeven sacramenten, t. \\v. aan doop, vormsel en priesterwijding het vermogen toe, in de ziel een zeker character in te drukken, \'t welk is ..signum quoddam spiritnale et indelehile.quot;2) De Scholastieken onderscheidden character en gratia als eft\'ectiis primus en ultimns\'). Oudtijds werd het character opgevat als een signum distinctivum, waarmede de christenen door den doop geteekend werden en onderscheiden van de ongeloovigen, gelijk den soldaten ter onderkenning en ter toewijding aan den krijgsdienst een merkteeken op de hand werd gebrand s).

De voornaamste Scholastieken zagen in het character bovendien eene i/nalitas spintiialis, waardoor men bekwaam werd gemaakt om handelingen van den christelijken cultus

1

Thomas, o.l., Ill, tgt;3, 1: »Sacramenta novae legis ad duo ordinantur, videlecet ad remediam contra peccata et ad perti-ciendnm animam in his, quae pertinent ad cultum Dei secundum ritum christianae vitae.

2

Trid.. sessio VIT, can. 0; Cat. Rom,, II, 1, IS en 19,

-ocr page 20-

12

hetzij to ondergaan, hetzij uit te voeren ■). En zoo schrijft de (Jat. Kom. aan het character hot tweeledig vermogen toe, ,tum ut apti ad aliquid sacri susoipiendum, vel peragenduni perficiamur, turn ut aliqua nota alter ab altero internoscaturquot; (11, 1, 19).

Overeenkomstig zijne oorspronkelijke beteekenis is het character onuitwischbaar (indelebilis), weshalve ook de sacramenten, door welke het meegedeeld wordt, niet herhaald mogen worden.

Over de verhouding van character eu gratia, den eft\'ectus\' proximus en ultiums sacramenti, welke te Trente niet nader bepaald is, bestond onder do Scholastieken geene volledige eenstemmigheid. Wol zag men vrij algemeen in hot character eeno voorbereiding en eene diapositie voor de genade en beschouwde het als eene kracht, welke den monsch meegedeeld wordt, maar hoever die kracht ging, bleet\' een punt van verschil. Thomas o. a. namen aan, dat hot character tot do genado in verhouding staat als oorzaak en gevolg, zoodat do laatste niet dan door het eerste tot stand komt. Andoren als Scotus eu lïiol stelden echter, dat het character slechts tot de genade staat als conditio sine qua nonquot;\'). — Terwijl aldus bij deze

1) Thomas, o.l., III, 63, 2. De leer van het character is waarschijnlijk opgekomen met Innocentius III, die het eerst zich in genoemden zin uitspreekt over den doop. Hot bewustzijn, dat deze leer nog nieuw was, leefde bij de latere Scholastieken (Haiin. o.l, S. 299 ff). Ook dachten allen over het character niet gelijk. Durandns ontkende er de realiteit van en noemde het eene relatio ralionis, Thomas bepaalde het als eene potentia, Bonaventura eu Scotus als een habitus (Haun, o.l., S. 303 ff.). Evenzeer was er strijd over, of het character ziinen zetel had in het intellect (Thomas) of in den wil (Scotus). De gedachte door Thomas opgeworpen, dat er in de andere vier sacramenten eene soortgelijke geestelijke realiteit, voorgesteld als een langen tijd blijvende or-natus animae, meegedeeld wordt, werd reeds door vele Scholastieken bestreden (Haun, o.l., S. 295) en vond ook te Trente weinig bijval (Sari\'I, Historia concüü Tridentini, lib. II, p. -74j.

2) cf. Haun, o.l., S. olü f.

-ocr page 21-

13

line sacramonton d(! inudedeeling der genade jiict mogelijk is, zonder dat het character voorat\'aanwezig zij, is omgekeerd zeer wel het geval denkbaar, dat het character ingedrukt wordt, terwijl de genade uitblijft, wanneer n. 1. een obex of impedimentum in den weg gesteld wordt, zooals bij don doop, buiten de kerk ontvangen. Is deze hinderpaal echter weggenomen, dan bezit het character die geestelijke kracht, dat hij de genade onmiddellijk naar zich trekt en in hem, die het sacrament ontving, doet opkomen \'). Hiermede is het onderscheid in werking gegeven, tusschen het z. g-geldig en het waardig ontvangen sacrament.

Op welke wijze de beide effectus door de sacramenten gewerkt worden, heeft het Tridentinum uitgesproken met de scholastieke uitdrukking ,e.f opeve opcrato,quot; Sessie VII, eau. 8, nader verklaard door de bepaling, can. 6, dat de sacramenten ^continent gratianiquot; en eau. 7, dat de genade „quantum est ex parte Dei, semper et omnibusquot; geschonken wordt.

De beteekenis dezer uitdrukking in niet onduidelijk, wanneer wij er op letten, dat het ïridontiuum evenals de Scholastici, beslist onderscheid maakt tusschen de .sacramenta novae legisquot; en de „sacramenta veteris legis,quot; en het „opus operatumquot; der sacramenten in lijnrechte tegenstelling plaatst met de ..sola tidesquot; quot;). Do sacramenta veteris legis ontleenden al hunne kracht aan het geloof van hem, die ze ontving. Dewijl het historische feit van Christus\' lijden, waaruit alle kracht der genade voortvloeit, nog niet geschied was, konden ze uit zichzelven geene genade mededeelen, maar slechts eene figuratieve en promissieve waarde hebben. Alleen het geloof kon vooruitgrijpen in de toekomst, om kracht te putten uit liet lijden des Verlossers3). De sacramenta

1) Haiix, o.l., S. 394.

2) Trid., sessio VII, can. 2 en 8.

3) cf. Thomas, ol., Ill, C2, 6. Reeds bji Augustinus (ief-ten we dit gevoelen aan, Knarratio in I\'s. 73:2; Sacramenta novi testameuti dim salutem, sacramenta veteris testaiiienti pro-Hiiserunt salvatorem.quot;

-ocr page 22-

14

novae k\'gis daarentegen werken zelve die genade, die ze afbeelden, door de kracht van Christus\' bloed\'). Thais is het geloof niet meer de kracht, de „causu activa,quot; die aan de sacramenten efficacia verleent. Zij kunnen zelve hunne efficacia uitoefenen door de in hen wonende geestelijke kracht (virtus spiritualis of supernaturalis). Wordt (naar Augustinus bekende uitspraak: „accedit verbum ad elementum et fit sacramentumquot;) het element door het woord des priesters geconsecreerd en alzoo het sacrament bediend, dan brengt „sola actio ilia externaquot; zulk eene kracht teweeg, dat allen, die op eene behoorlijke wijze het sacrament ontvangen, ten allen tijde de genade der gerechtigheid en heiligheid in zich moeten opnemen; evenals het vuur dooi\' innerlijk vermogen gloed en warmte mededeelt aan alles, wat er mee in aanraking komt Xiet ten onrechte zegt daarom Mohlers), dat „door deze leer (van het opus operatum) de objectiviteit der goddelijke genade gehandhaafd wordt en verhinderd, de werkingen dos sacraments geheel op het subjectieve over te brengen, aangezien de kracht der sacramenten door geene menschelijke stemming, door geene gesteldheid des geestes en inspanning-kan worden veroorzaakt.\'quot; Naar de uitgedrukte Hoomsche leer toch moeten wij ons de sacramenten voorstellen als Vvasaquot;, die de genade inhouden („gratiam continentquot;), of als kanalen1), door welke de genade heenstroomt; eene opvatting, door Hugo van St. Victor voorgestaan en naar Ilahn in de middeleeuwen „die vulgare Ansichtquot; geworden, waarmede zich echter Thomasquot;) niet geheel en nog veel

1

Cat. Rom., II. 1, 18.

-ocr page 23-

15

mindor Scotus vcroonigen kon. Volgens doze voorstelling heeft God door Christus eenmaal, bij de instelling dor sacramenten, ideëel in deze de genade gedeponeerd, terwijl nu bij elke sacramentsbediening do priester door het woord der consecratie dit concrete element op nieuw met genade vult) welke dan door hot gebruik in hem, die het sacrament ontvangt, overvloeit i)- Dat do leer van Scotus, die aan de sacramenten geene kracht, om do genade te werken, tookcndo, dan alleen door de concomitantia ot\' assisfe.niia divinae virtutis, oeno leer, die op dit punt de Gereformeerde zoor nabij komt, te ïrento niet zou worden gebillijkt, ligt voor do hand1). Daarentegen is in don grond der zaak do loer van Thomas 3), volgons welke do sacramenten in de hand van (rod _ cauaae instrumentale^quot; zijn, waardoor 11 ij zijne genade in don niensch inbrengt, dooi\' do Eoomsche kerk aangonomen.

Beschouwt men nu do sacramenten als kanalen, waardoor de gonade hoonvlooit, of als instrumenten, door welke de genade veroorzaakt wordt, zoo volgt, dat er voor eene rechte werking twee dingen vereischt worden, oeno ton aanzien der kerk, die hot sacrament bedient, en oeno ton aanzien van don persoon, die het sacrament ontvangt.

Ton aanzien dor kerk is noodig, dat zij hot kanaal good opone of het instrument goed late werken, m. a. w. do sacramonton bodione, gelijk zij hodiend moeten worden naar do instelling van Christus, die aan do kerk, zijn lichaam, de schatten, welke Hij verwierf, 011 ook do sacramonton hoeft toevertrouwd om zo wol to bezorgen. Draagt do priester, die het sacrament uitdeelt, zorg, dat

1

2} Deze voovstelling der concomitantia diviua wordt reeds door Thomas bestreden, o.l., 111, 62, 4.

-ocr page 24-

l(i

hij dczo taak der kerk naar bclioorcu waarnoomt, dan is dit voor de werking van hot sacrament genoeg. liet komt er niet op aan, in welke stemming hij verkeert, of hij ongeloovig is, of\' hij eene doodzonde begaan heeft\'), mits hij maar aan dezen eisch voldoe, dat hij, wat tot het wezen van eene saoramentsbediening behoort, in acht neme en de inlentio koestere, , sal tem faeiendi ([iiod facit ecclesiaquot;\'). Hoever deze intentie reiken moet, is eene onbesliste strijdvraag. In allen gevalle zal daaruit moeten blijken, dat de priester in zijne wijze van bediening geen absoluut ongeschikt. orgaan der kerk zij. Want zijne persoonlijke qualiteit moge de plechtigheid der bediening kunnen verminderen of verhoogen, in \'t wezen der zaak staat hij niet in eigen naam en voor eigen persoon, maar in naam der kerk en voor den persoon van Christus.

Ten aanzien van hem, die het sacrament ontvangt, is vereischte, dat hij receptiokat bezit te. Het ïridentinum bevat hierover de negatief uitgedrukte bepaling: „non obicem ponenquot; oan. fi, waarvan echter de nadere verklaring ontbreekt. Deze uitdrukking, van Augustinus herkomstig en vaststaande term geworden, laat echter meer dan écne interpretatie toe. De Cat. Kom. spreekt zich er weinig over uit. Hij zegt slechts: „Gratiae fructum nulla ros impedire potest, nisi, qui ea suscipiunt, se ipsos tanto bono fraudare et spiritui sancto velhit obsislerequot; (11, 1, 16).

Het oordeel der Scholastieken is weder uiteenloopend. In \'t algemeen kan men drieërlei lichting onderkennen ;\').

Een klein getal leeraars, onder wie Pullus \'), stelt al\'e genade afhankelijk van geloof en boetvaardigheid, welke

1) Trid., sessio VII, eau. 12.

2) Trid., sessio Vil, can. 11; Cat. Hom., II, 1, 16,

3) Hahn S. 394 ft; Harnack, Lehrhuch dar DoqinanqeschichtG, UI, S. 478 ff.

4) Haiin, o.l., S. 400 f.; Harnack 1. i.

-ocr page 25-

(lonv (rod in den monseh worden geworkt. Do saci\'nmonton liebbon do strekking\' dir geloof te beteckenon, to bovostigen on to vorzogolon. Hot onderscheid dozor voorstolling met do latere leer dor llorvormors ligt vooral in do begrippen: tides on gratia, lüj 1\'iiliiis c. s. blijft do tiib^s steeds do tides oatholiea, die in den assensits bestaat, en de genade behoudt hot karakter van hot donnin suporadditnm dor participatio divinae naturae.

De tweede opvatting is die van Thomas, die voor een waardig gebruik van liet sacrament noodig acht peloof en eene devote stemming des gemoeds. Vooral op de dispositie dos geloofs legt hij allen nadruk. Zonder deze kan hot sacrament geono kracht uitoefenen. Wanneer het geloof ontbreekt, ontvangt men het sacrament .cum fictione.quot; De ongeloovigo heet oen huichelaar. En de huichelaar ontvangt mot hot sacrament do ros sacramonti niet \').

IScotus eindelijk stolt het veroischto aan de zijde van hem, die het sacrament ontvangt, meer negatief voor. Hij schijnt het, strikt genomen, idet noodig te achten, dat oen ,bonus motus interiorquot; voorafga. Eene passieve dispositie voldoet. Men kan het sacrament ontvangen, /00 men slechts bezitto -voluntatern suscipiendi sacramontumecclesiae,quot; en mits men niet verhinderd worde „obice peccati mortalis actualitor sibi facto vel in voluntate inhaorentis.quot; Want dit is juist de tegenstelling met de sacramonta veteris logis, dat daarbij oen „bonus motus interior in suscipientequot; veroischt werd, maar liij de tegenwoordige niet. Thans is roods ..oorum susceptioquot; de dispositie suftieins ad gratiamquot; 2).

1) Tuojias, Sentt. lib. IV, dist. 4, qu. 3, art. 2 en G, 1.3,bil H vnx S. 406 ff.

Scotus, Sententiae, lib. IV, dist. 14, qu. 4 en 19, l;vo-l voorts Haiin, o.l.. S, 410 ff.

Toch zou men Scotus onrecht doen, zoo men uit zijne wijze vau voorstelling wilde concludeeren, dat hij in het geheel aeen geloof voor het ontvangen van het sacrament noodig oordeelt.

-ocr page 26-

l,s

Evonwol blijkt hot stuk der dispositie bij de Scholastieken nog niet tot volkomene klaarheid te zijn gekomen. Er is nog veel weifeling en onbeslistheid. jSIgcIi Thomas noch Scotus trekken hunne lijnen geheel zuiver. Dit komt vooral uit in het boetesacrament\'). In plaats van do volledige contritio vorderde men slechts eene zekere „attritioquot; berouw, voortkomende uit lagere motieven, b. v. uit vrees voor straf\' en schrik voor de hel, en vandaar door Scotus eone .poenitentia infbrmis, non formataquot; genoemd. Hier heeft de Thomistische lijn de Scotistische geraakt. Vandaar, dat ook het Trideutinum, zonder omwegen, duidelijk en klaar beslissen kon, dat de attritio genoegzaam is\'quot;).

Bovendien dient men bij de vraag der dispositie in \'t oog te houden, dat Thomas niet bij de algemeene sacramentsleer, maar eerst bij de sacramenten afzonderlijk en met name bij den doop de vereischte „dispositie in suscipientequot; ter sprake brengt, terwijl met de latere leerontwikkeling door de Scotisten deze kwestie ook voor de sacramenten in \'t algemeen aan de orde gesteld wordt.

Trekken wij nu al het voorgaande samen, dan komen we tot deze slotsom. Volgens de bij het doorbreken der reformatie heerschende leer, later te Trente kerkelijk vastgesteld, zijn de sacramenten de middelen, door God verordend en aan de kerk toevertrouwd, om Zijne genade

Integendeel, ook hij spreekt meermalen van het praerequisitum des geloofs. En onder de peecata mortalia staat bij hem de infidelitas bovenaan. Maar, terwijl Thomas meer bet geloof in zijne actneele openbaring op den voorgrond plaatst, denkt Scotus bij voorkeur aan een onhewusten habitus fidei, om des te beter de volle sacramentswerking te doen uitkomen, en daardoor laadt hij somtijds wel den schijn op zich, alsof hij geheel en al den eisch des geloofs negeert.

1) Vgl. Haiin, S. 412 ff,, Haunack, o.l., S. 482.

2) Trid., sessio XIV, cap. 4.

-ocr page 27-

19

in don monsoli in to brongon. A1 wnt tot dozo (subjoctiovo) gonado bolioort, liot gooatolijko lovon ovor zijn gunsohon dunr, bogin, voortgang on voleinding, is van do nitworking dor saoranionten. vrucht. Die uitwerking verkrijgen do sacramenten door do inhaorente, geestelijke kracht, welke God in lion heeft gelegd; niet door hot geloof of do gemoedsstemming van hem, die ze ontvangt. Van de zijde dor kerk is alleen noodig, dat haar dienaar het sacrament bediene naar de instelling van Christus en den ritns dor kerk. Van de zijde desgenen, die het sacrament ontvangt, dat hij zijn hart niet toesluite voor liet ontvangen der genade.

§ 3, De i.kei: bes noocs i\\ het iu.izoxpetï.

De beteekenis van den doop volgt reeds uit de plaats, die hij in de rij der sacramenten inneemt. Naar tijdorde staat bij vooraan. Voor de werking van elk der overige sacramenten is het noodig, dat de doop zij voorafgegaan, _cum ad ea sine lïaptismo nnlli aditus patere-possitquot;\'). liet proces van het geestelijke leven, dat over zijn ganschen duur door sacranienteele werking geleid wordt, moet dus in den doop oen aanvang nemen. Slechts door den doop, de causa instrumentalis justifleationis, krijgt men deel aan do justitia1). „l\'or baptismum homo inchoat novam vitam justitiaequot;»); „suscipit novam vitae rationemquot;\'). Hieruit volgt, dat in de bepaling van den doop „sacramentum regenerationis per aquam in verboquot; quot;), onder regeneralio niet anders verstaan kan worden dan de aanvang van 1)0,1 nieuwe, geestelijke lecen, die door den doop tot stand

1

Trid., sessio VI, cap. 7.

-ocr page 28-

20

wordt gobi\'acht. Vandaar voortdurend do togTnstolling mot do natuuilijko goboorto, waannoo liot naiuurlijko lovon begint. Overigons echter is liet begrip 9rogoncratioquot; zoowel door do bolijdenisschrif\'ton der Jioomscho kork als door hare dogmatici van vroogeron en latoron tijd gehool losgelaten. Behalve oeno enkele aanwijzing ter toelichting dor definitie _saoramontiiin rogenorationis,quot; vindon wo ovor do wedergeboorte weinig of\' niets moer. Eeno volledige uiteenzetting dor leer ontbreekt ton eononmajo. Slechts zooveel is duidelijk, dat de regeneratio, dewijl zo hor speciale effect van don doop heet, niof anders kan zijn dan hot beginsel dos nieuwen levens, on dus synoniem mot justificatie of\' liever justitiae principium.

Dewijl echter door den doop do overgang van het oude in het nieuwe leven en significatief aangeduid en effectief tot stand gebracht wordt, heeft zich hot begrip , regeneratioquot; zoo verbreed, dat hot tevens dozen overgang uitdrukt. Evenals do justificatio neemt de regeneratio do idee translatio in zich op1). Vandaar do ruimere bepaling l)ij Thomas: „Spiritualis generatie est mutatio do non esse spirituali in esse spiritualequot;2).

()p deze voorstolling heeft weder de loer aangaande do kork groeten invloed uitgeoefend. Xaar Hoonische opvatting zijn de kerk en hot lichaam van Christus één; twee begrippen, die elkander volkomen dokken. Onderscheid tusschon de zichtbare on de onzichtbare kork bestaat slechts in dezen zin, dat dezelfde kerk tegelijk oeno zichtbare zijde hooft naar hare uitwendige verschijning en eone onzichtbare naar haar geestelijk bestaan, gelijk do mensch met zijn geest in het onzienlijke en met zijn

1

cf. Trid., sessie VI, cap. 4: «Quibus verbis justitlcationis irapii descriptie insinuatur, ut sit translatio ab eo statu, in quo homo nascitur filius primi Adae, in statum gratiae, et adoptionis filiorum Dei, per secuadum Adam Jesum Christum, salvatorem nostrum; quae quidem translatio post evangelium promulgatum, sine lavacro regenerationis, ant eius veto fieri non potest.quot;

2

o.l , III, 79, 3.

-ocr page 29-

21

lichaam in hot zionlijko optreedt. \') Daar mi do doop van het begin af voor do formeolo opname in de kerk gegolden heeft, moot hij het middel zijn, waardoor men mot het lichaam van Christus in verband gezet wordt.\') Door don doop krijgt men dus van stonde aan deel aan al de schatten en gaven, die van Christus, het hoofd, in alle lodon dos lichaams afvlooieu.s) Do Geest, die in hot lichaam woont, begint omniddollijk in het nieuw ingezette lid to werken, brengt het oude leven ten onder en doet het nieuwe leven der gerochtighoid en heiligheid oen aanvang nomen. \') Derhalve ligt voor do wodorgoboorto het hoofdmoment in do inlijving in do kerk of hot lichaam van Christus. Do translatie vindt in do insertio Christo hare voleinding.

Uoods bij de eerste kerkleeraars, hoe vaag en nevelachtig dikwijls hunne voorstelling van de kerk moge wezen, troffen we meermalen eene golijkluidondo opvatting aan. Do kerk, bij haar optreden tegen joden- en hoidendom in hare ideale heiligheid gedacht, werd voorgesteld s) als arko Noachs of voedende moeder, die in haren schoot de schatten der waarheid on de volheid des hoils bewaart, en in al degenen, die zich tot hare heilige gomoenseliap voegen, geestelijk leven uitstort. „Want waar de kerk is, is de Goost Gods, waar do Geest Gods is, daar is do

1) cf. Schwane, o. 1., Ill, S. 497, en Bellauminus, de ecclesia militante, 2.

2) Cat. Hom., 11,2,36: «Per Baptismum Clmsticorpori coujaneli, atque eius membra effecti smnusquot;

3) Gat. Rom.,1, 10, 12: «(Ecclesia) velati corpus cuiu Eancto capite Christo domino, totius sanctitatis fonte, conjungitur, a quo spiritus sancti charismata, et divinae bonitatisdivitiae diifunduntur.

4) cf. Trid., V, 5: »In renatis enim nihil odit Deus, quia nihil est damuationis iis, qui vere cousepulti sunt cum Christo per baptisma ia mortem: qui non secundum carnem ambulant, sed veterem hominem exuentes, et novum, qui secundum üeum creatus est, induentes, innocentes, immaculati, puri, iiuioxü, ac Deo dilecti effecti sunt.quot;

5) cf. Hagenbaoh. Lehrbuch der Dogmengeschichte, 6^quot; Anti, S. 142.

i

3

-ocr page 30-

22

kerk cn allo gouade.quot; gt;) Yandaar gold de overgang uit de joden- of lieidenwei-eld tot de kerk voor een overgang uit den dood iu het leven, en werd de doop, in aansluiting aan het spraakgebruik der Schrift (Joh. 8 : 5; Ef. 5 : 20; Tit. 3:5), „had der wedergeboortequot; of ook eenvoudig „wedergeboortequot;\' genoemd. Geheiligd en tot een nieuwen mensch gemaakt klom de doopeling uit het doopwater op. -)

Ook met de verdere uitbreiding van het Christendom, toon in de kerk naast de reine vele onreine elementen bloken opgenomen te zijn, bleef toch deze idee van de heiligheid der kerk, op hare uitwendige verschijning toegepast, voortleven. Zelfs werkte de leer aangaande de kerk van Cyprianus en Augustinius haar nog meer in de hand. Door de onderscheiding van corpus Domini verum en perinixtum •\') werd het heilig karakter der kerk gered, en hot sterke op den voorgrond dringen van de reeds vroeger uitgesproken stelling: „extra ecclesiam nulla salus,quot; schonk aan den doop eene hoogere beteekenis. De algemeene regel, dat met de inlijving in de kerk door den doop de wedergeboorte gegeven is, bleef gehandhaafd.

Op hetzelfde voetspoor hebben de Scholastieken bij den doop allen nadruk gelegd op de inplanting in het lichaam van Christus. De groote beteekenis der wedergeboorte zien zij hierin, dat men lid van do kerk en mitsdien van Christus wordt. Aldus Thomas {Summa, III, 68, 1): „Ad hoe autem datur baptismus ut aliquis per ipsum regeneratus incorporetar Chris to, /actus memhrum ipsius.quot;

Deze voorstelling, te Trente meer dan eens overgenomen en als vaststaande verondersteld, ontrooft echter aan de regeneratie haar absoluut, duurzaam karakter. Daar door den doop de inplanting in het lichaam van Christus en daarmede de wedergeboorte „semper et omnibusquot; te weeg

1) IttENAEUS, Adversus haereses, bij Hagenbach t.a.p,

2) Klee, o.l., II, S. 138.

II) AuorsilKUS, de doctrina Christiana, III, 32.

-ocr page 31-

gobracht wordt, knn doze nooit zekerheid gevon van do eeuwige zaligheid. De improbi zoowol als de boni genieten de weldaad van liet sacrament \'). Wedergeboorte en uitverkiezing sluiten niet op elkaar. Uit de wedergeboorte kan niemaud met zekerheid besluiten, dat hij onder het getal der uitverkorenen behoort. Om te kunnen zeggen, dat men de gave der volharding tot het einde toe bezitten zal, is eene buitengewone openbaring noodig.\') Want de genade is nimmer zoo vast, of\' ze kan door een zondig leven, met name door eene doodzonde, weder verloren gaan, ofschoon ze na verlies ook weder teruggekregen kan worden, omdat het met de hulpe Gruds den gevallene mogelijk is weder op te staan.:i)

Bij de zekerheid, dat van vroeger tijden at\'de voorstelling lieersolite, dat met de inlijving in do kerk de wedergeboorte, naar het begrip, samenvalt, behoeft het niet te verwonderen, dat deze gedachte van de verliesbaarheid van de genade der wedergeboorte reeds bij do oude kerkvaders voorkomt. Zelfs Augustinus, hoe scherp hij ook de loer der praedostinatio op den voorgrond stelt, neemt niet aan, dat ieder wedergeborene zalig wordt. Veeleer bestrijdt hij dogenen, die eene dergelijke opinie waren toegedaan: „Aliud est: omnis qui intrabit in rognum coelorum, prius nascitur ex aqua et spiritu, quod Domiuus dixit et verum est. Aliud autem: omnis qui nascitur ex aqua ot spiritu intrabit in rognum coelorum, quod utique falsum est. Nam et Simon illo Magus natus est ex aqua et Spiritu, et tarnen nou intravit in rognum coelorum.quot;1)

Uit deze beschouwing, dat de wedergeboorte do aanvang is van het nieuwe loven in de kerkelijke gemeenschap, vloeit een ander gevolg voort, nl. dat tusschen wedergeboorte en bekeering somtijds geen

1

Cat., Rom. I, 10, 6.

-ocr page 32-

24

onderschoid wordt gemaakt. liij de kinderen kan het beginsel des nieuwen levens zich niet terstond in bekeering openbaren. Daarvoor ontbreekt hun liet zelfbewuste leven. Bij hen is er dus onderscheid. Jüj de volwassenen, die gedoopt worden, daarentegen, valt de bekeering met de wedergeboorte samen of liever wordt er door voltooid. -Perfecta conversie in nova per Baptismum generatione posita estquot; \').

Beschouwt men nu de wedergeboorte als het bijzondere effect van den doop, dan moet ze opgevat in den ruimeren zin van de overzetting uit den staat des natuurlijken levens in den staat des geestelijken levens -). En evenals de genade, die door de overige sacramenten meegedeeld wordt, heeft dan de genade der wedergeboorte eene positieve en cene negatieve zijde. De negatieve hierin bestaande, dat alle zonde (alleen niet de toekomstige) met hare gevolgen te niet gedaan wordt; de positieve liggend in mededeeling der gratia operans et cooperans.

Eigenaardig is, dat, terwijl wedergeboorte van nature een positief begrip is, van het begin af do negatieve zijde meer op den voorgrond heeft gestaan dan do positieve. Waarschijnlijk is de reden hiervan te zoeken in de scherpe tegenstelling, waarmede het Christendom tegen joden- en heidenwereld is opgetreden, waardoor alles als zondig veroordeeld njoest worden wat buiten het kerkelijke erf zich bevond en zoodoende het oog vooral gericht werd op de zonde, die den doopeling aankleefde. Terwijl de Orieksche vaders nog dikwijls in rhetorische schilderingen het positieve effect des doops voorstellen, heeft de nadruk, door do Westersche kerk met Tertullianus en vooral Augustinus op de leer dor erfzonde:\') gelegd, er toe

1) Gat. Rom., IT, 2, 29.

2) Trid., sessio VI, cap. 4: »Quae quidem translatie sine lavacfo regenerationis fieri non potest,quot; eene uitspraak, die in haven negatieven vorm do positieve gedachte duidelijk aangeeft.

3) Scuwane, o. 1., II. S, 740.

-ocr page 33-

25

bijgedragen, dat de behandeling van liet negatieve deel het uitvoerigst is geworden.

Onder de Scholastieken was er strijd over, of in den doop uitdelging der zonde kon plaats hebben zonder de positieve toerusting met genade. Lombardus o. a. nam bij den kinderdoop slechts een negatief effect aan, terwijl hij anders de uitnemendheid van den doop, in tegenstelling met de besnijdenis onder Israel, juist daarin zag, datgene ook eene positieve uitwerking had.\')

In hoever de doop van zonde reinigt en met geestesgaven begiftigt, is, na de ontwikkeling der Scholastiek, vrij volledig in de Eoomsche leer aangegeven.

De negatieve werking van den doop is drievoudig:

Ten eerste wordt alle zondeschuld, die op den mensch gevonden wordt, zoowel de schuld der erf- als der dadelijke zonde (reatus peccati originalis et actuahs), geheel en al uitgedelgd, zoodat Gml in den wedergeborene niets meer te haten vindt

Ten tweede wordt van de straffen der zonde de eeuwige straf geheel, de tijdelijke voor een deel opgeheven, nl. de opera satisfactions^) zooals vasten, aalmoezen, gebeden en dergelijke, welke opgelegd zijn tot straf voor een vroeger begaan misdrijf. Daarentegen blijven de nahturlijke straffen der erfzonde („poenalitates praesontis vitae, quae ex naturae principiis causantur,quot; \') gelijk zwakheid des lichaams, honger, dorst, ziekte, de tijdelijke dood, alsmede de burgerlijke straffen, bestaan.s) Deze worden

1) ScinvANK, o. 1., Ill, S. 608; Lombardus, Sententiae, lib. IV, dist 4, 8.

2) Trui, sessio V, 5; «Si quis per Jesu Christi Domini nostri gratiam, quae in baptismate coufertur, roatum originalis peccati remitti negat, aut etiam asserit, non tolli totum id quod veram, et propriara peccati rationem habet; sed illud dicit tantum radi aut non imputari: anathema sit. In renatis eniui nihil odit Deus, quia nihil est damnationis iis.quot; Cat. Rom., II, 2, 31.

Thomas, o. I., III, 69, 1.

3) Cat. Kom., II, 2, 38; cf. Trid., VI, cap. 11.

4) Thomas, o. 1., III, 69, 3.

5) Cat. Hom., II, 2, 33-36.

-ocr page 34-

26

eerst weggenomen in de opstanding\' ten liiaMc n d.i^c, wanneer de gansche natuur tot volle lierstellmg komt. \') Eu ten derde, de coucupiscentia of vleesolielijke lust, ook fomes peocati genoemd, -) welke in de natuui \\an i ui mensch is gegrond, ontvangt den teugel der genade, zoodat ze niet kan lieersolion, en verliest zoodoende haar zondig karakter.:\') Zij blijft nog over bij wijze van medicinal.-straf, om door den strijd, dien zij kraolitens haren aard te voorschijn roept, gelegenheid te openen tot oefening in de deugd en het verrichten van vele goede werken, welke cene rijke belooning zullen wegdragen. ) De positieve werking van den doop is eveneens

drievoudig: . ,

T» htfurio gratiae, waardoor het leven der gerechtigheid aangebracht wordt. De genade kleeft als eene goddelijke eigenschap aan de ziel en schijnt daar rals een helder, glanzend licht, \'t wolk alle smetten nihvisclit en de ziel schooner en klaarder maakt.quot;s) Het is dus het beginsel der Godegelijkvormigheid, dat moegedeeli

wordt. .

11°. Infu-sio rirlufum, geloof, hoop, en heide. ) ez ■ deugden zijn geestesgaven, welke in het lichaam van

2) ü^concupiscentia wordt nader omschreven als •ammi ap-

petitio, Datura sua rationi repugnans, _ Cat. I - ^ ° „

•inordinatio partium infenorum ammae et ipsius coipons, Thomas, o.l., II, 81, 3.

2gt;t(ZLOsèss\\oDV,\' 5 : «Hanc concupiscentiam, qnam aliquando A-postolus peccatuin appellat, sancta synodus decla.at -.les.ani ca tholicam numquam intellexisse peccatum appolian, qm.d u.h, t proprie in renatis peccatum sit, sed quia ex peccato est et ad peccatum inclinat.quot;

4) Cat. Rom., II, 2, 36. . _ ^ ^

5 Cat. Rom., II. 2. 38; Trid., sessie VI, cap. 7 can U-6) Trid., sessie VI, cap. 7: .Undo in ipsa justificatione cum remissione peccatormn haec omnia simul intusa accipit homo pei Jesum Christum, cui inseritur, hdem, spem et cantatem.

-ocr page 35-

27

Christus inwonen, de lovcnskrachton, dio vun hot Hoofd in do lodon afvloeien, lüerliij staan geloof cu liefde up den voorgrond, \'t Geloof dient om de kerkelijke waarheid te kennen en to omhelzen, de liefde om vruchtbaar te zijn in goede werken. Do gave des geloofs heet illnminatio, de gave der liefde foecundatio. \')

De vraag bij de Scholastieken, of ook de kinderen bij den doop de genade der deugden ontvangen, werd, behoudens oen enkele uitzondering als Lombardus, vrij algemeen toegestemd. Albertns llagnns o. a. oordeelden, dat de kinderen deze gaven verkrijgen in muuere, non in usu. De meesten echter stelden met Thomas,quot;) dat fides en charitas hun meegedeeld worden in de hebbelijkheid, habitn, zoodat ze zich op latereu leeftijd, mits geen bijzondere stoornis in don weg trede, vanzelf actueel zullen openbaren.

IIIquot;. Opneming in de christelijke gemeenschap en opening der hemelpoort. Daar de sluitboom, die de poort des hemels gesloten hield, nl. de zonde, weggevallen is,

1) Thomas, o. 1., III, GO, 5: «Sicut autem a capitc naturali derivatur ad membra seiisus et motus; ita a capita spiritual!, quod est Christus, derivatur ad membra eiu» sensus spiritualis, qui consistit iu cognitione voritatis et motus spiritualis, qui est per

gratiae instinetum..... Et ideo consequens est quod baptizati

illuminentur a Christo circa cogaitionem veritatis et Jbecundentnr ab eo foeounditate bonorum operura per gratiae infusionem;quot; cf. Cat. Hom., II, 2, 39.

2) Thomas, o. 1,, III, 69. 6. «Sommigp ouden,quot; zegt hij, »stelden, dat den kinderen alleen het character ingedrukt wordt en eerst later, als ze tot rijperen leeftijd komen, de genade en de deugden volgen. Grond hunner dwaling is, dat zij niet weten te onderscheiden tusscheu habitus en actus. Ue actus virtutum kunnen do kinderen niet bezitten, den habitus wel. Want hiertoe is slechts noodig de potentia voluntatis en die is in hen.quot; In gelijken zin oordeelt ook Bellarminus, de sacramento baptismi, J, 11. Het Tridentinum verklaart, dat de kinderen, na deu doop oudergaan te hebben, onder de geloovigen moeten gerekend worden, ofschoon ze geen dadelijk geloof bezitten, sessio VU, de baptismo, can. 13.

-ocr page 36-

28

zal degene, die terstond na den doop sterft, ook dadelijk den hemel mogen ingaan. \')

Welke beteekenis bij deze werking der wedergeboorte door den doop de eerste cffectus des doops, het character, heeft, is niet moeilijk na te gaan. Uit den aard der zaak dient het als distinctief toeken, om hen, die in do kerkelijke gemeenschap zijn opgenomen, van degenen, die buiten staan, de geloovigen van do ongeloovigon, te onderscheiden. Tevens, daar de inlijving in de kerk en de aanvang van her geestelijke loven maar eens geschieden kan, dient het om de initerabilitas van den doop uit te drukken. Bovendien geeft het, naar de gewone zegswijze, bevoegdheid om de andere handelingen van den christelijken cultus te ondergaan, m. a. w. verleent toegang tot de overige sacramenten.-) lier best echter komt zijne beteekenis in verband met de wedergeboorte, bij den ketterdoop uit. Daar er geen ander geestelijk leven bestaat dan in den boezem der kerk, kan (Wrr een ketter, zoo hij de instelling van Christus volgt en doet wat de kerk doet, wel liet character, maar niet de genade des doops worden meegedeeld. Zoolang de zoodanig gedoopte buiten de kerk blijft, heeft hij alleen het toeken van den Christen. Doch zoodra hij zich bij de kerk voegt, vloeien de geestesgaven van Christus\' lichaam ook hem toe en vangt hij het christelijke leven aan. Herdoop is daardoor uitgesloten. Eenvoudige handoplegging voldoet. Door de aanwezigheid van het character is de wedergeboorte, zonder hernieuwde doopsplechtigheid, van stonde aan in hem geschied. :l)

L\'it het voorgaande volgt, dat van alle sacramenten de doop het meest noodzakelijk is. Ieder mensch toch is in zonde geboren en kan den hemel niet ingaan zonder

1) Cat. Rom., II, 2, 44; Tuomas, o. 1., Ill, 09, 7.

2) Cat. Rom. II, 1, 19 en II, 2, 41.

■i) \'Trid., aessio VII, do laptismo, can. 4 on 11.

-ocr page 37-

29

wedergeboren te zijn. Daar echter geene wedergeboorte voor mogelijk verklaard wordt dan door den doop, kan ala regel gelden, dat deze ter zaligheid absoluut noodzakelijk if. ) Daarom is ook in geval van nood de doop, door leeken en zelfs niet-cliristenen bediend, geoorloofd, -) en moet uitstel des doops ten strengste worden veroordeeld.:\') Vooral geldt dit ten opzichte der kinderen. Staat het eenmaal op het getuigenis der Schrift en der apostolische traditie vast, dat den kinderen de doop toekomt, dan moet men zorg dragen, dat deze zoo spoedig mogelijk geschiede ^1). Bij de volwassenen kan nog, zoo zich plotseling tegen hun wil een hinderpaal voordoet, die hen belet den doop te ontvangen, do bloote begeerte of de belofte van den doop (desiderium of votum baptismi) voldoen.s) Zij heeten dan wedergeboren in het hart, niet naar het lichaamquot;). Maar bij de kinderen, die het gebruik der rede missen, is zulk eene begeerte of belofte niet mogelijk. Zij zouden bij verzuim van den doop door de erfzonde, die hen aankleeft, verloren moeten gaan\'); gelijk dan ook Augustinus leerde dat de ongedoopte kinderen verdoemd zijn, al noemde hij ook deze verdoemenis zachter en verdragelijker dan die der ongeloovigen. 2)

In de consequentie dezer leer is zelfs beweerd, dat, in geval van nood, bij nog ongeboren kinderen de baarmoeder

1

7Wc/., s^ssio VII, de baptismo, can. 5; Cat. Rom. 11, 2,25.

2

Augustinus, de peccatorum meritiset remissione, 1,16.

-ocr page 38-

30

moest worden opengosnodon, opdat het kind tocli den doop ontvangen en behouden worden mocht. In den/elfden geest werd geleerd en dikwijls doorde Roomsohe missionarissen in praktijk gebracht, dat het overeenkomstig Gods wil was den kinderen der ongeloovigen, ook al ging het tegen den beslisten wil der ouders in, door list of geweld den doop toe te dienen. Tegen beide stellingen komt Thomas met nadruk op \') en anderen zijn hem daarin gevolgd =). Hij noemt het eene ondoenlijke zaak het ongeboren kind te willen doopen. I lij acht het ingaande tegen alle rechten der natuur, waarnaar de kinderen onder de zorg der ouders zijn gesteld, „invitis parentibusquot; een kind te doopen, terwijl tevens het gevaar blijft bestaan voor een spoedigen terugval in het ongeloof, daar de opvoeding des kinds allicht in onchristelijken geest zal geschieden. In \'t algemeen kan gezegd worden, dat men meer on meer voorde gestrengheid der consequentie is teruggedeinsd. Sommigen waren de meening toegedaan, dat, zoo het kind te voren stierf, reeds het verlangen der ouders, voor hun kroost den doop te ontvangen, genoegzaam was *). Do communis opinio is ochter, dat ongedoopte kinderen na den dood bewaard worden in den limbus infantium, waar zij alleen verstoken zijn van de visio en fruitio Dei en dus poenam damni lijden, maar niet door positieve straf, poena sensus, worden gekweld. \').

De onnoozelheid der kinderen, die nog geene zonde gedaan hebben, laat niet toe, te leeren, dat hun straf met die dor zondaars op gelijke lijn wordt gestold. Maar wol is het zeker, dat ook zij niet anders dan door don doop wedergeboren kunnen worden en het koninkrijk der hemelen ingaan.

Do wijze, waarop do wedergeboorte door don doop

1) Thomas, o. 1., UI, 6R, 10 en 11.

2) o. a. Gousset, ïheologio dogmatique, Tom. II, p. 293.

3) Pehuone, o. 1., de baptismo, cap. 5, p. 110.

4j Heuaii.minuh, o.l., de purf/atorio, 2, 6; Klfe, o.l., 11, S. 14ü.

-ocr page 39-

gewerkt wordt, volgt reeds uit de leer van de kracht der sacraiiieiiten in \'t algemeen, lüj sommigen van do oudste kerkleeraars \') treffen wo do voorstelling aan, dat de Logos of de II. (roest Zich met. het water vereenigt en er do kracht ter heiliging aan mededeelt. Later meende men, dat de heiligende kracht haren oorsprong had in den doop van Jezus door Johannes in do Jordaan, toen het water door de aanraking met het gezegende lichaam des Hoeren voor eens en altoos de sacramenteele wijding ontving -\'). Overigens blijft, ook voor don doop van toepassing, dat met de consecratie door het woord het water door eigen inhaerente kracht de wedergeboorte tot stand brengt.

Ten opzichte van de vereischten aan de zijde der kerk is roods aangeduid, dat niet slechts de priester, maar ook desnoods do leek den doop bedienen kan. Evenzeer dat do doop, door den kotter bediend, voor geldig erkend moot worden. Alleen voorwaarde blijft, dat do doop bediend worde in den rechten vorm en ,cum intentione facioniK quod facit ecclesiaquot; \').

Ten aanzien van de vereischten aan de zijde van hem, die don doop ontvangt, geldt niet geheel hetzelfde als bij de overige sacramenten. Hier valt het onderscheid tusschen kinderen en volwassenen op te merken. Yoor de laatsten zijn de eischon eenigszins scherper gesteld dan bij de meeste andere sacramenten. Dit vloeit met noodwendigheid voort uit hot feit, dat de volwassene, zoolang hij niet gedoopt is, buiten do kerk staat, en in de sfeer van zonde en ongerechtigheid gerekend wordt to leven. Daarom heeft de kerk te waken, dat niemand tot dit sacrament toetrede met een geveinsd en huichelachtig gemoed. Zij hoeft goed toe te zien en onderzoek te doen naar zijn wil. Vandaar vroeger het catochumonaat, onderwijs in de leer dos goloofs

1) HAOENiucn, o. 1., S. 117.

2) Sciiwake, o. 1., II, S. 7-10.

3) Trid., sessie VII, de baptismo, can. 4.

-ocr page 40-

32

en do i\'ogclon dos christclijkcn levens \')• En dus zijn liij do toediening van den doop aan oenen volwassene deze drie eisclion te stellen:

1°. hij moet mot den wil en liet voornemen bezield zijn den doop te ontvangen,

2quot;. hij moet geloof bezitten,

3quot;. hij moot boetcaardigheid over zijn vroeger leven betuigen en botoonon, benovens de besliste keuze voortaan van alle zonde af te laten. Want er is niets, dat zoo de genade en do kracht des doops tegenstaat dan het voornemen in do zonde te blijven leven. En dus „rejiciondus est cui ln vitiis el peccatis perse.verare propositum est.quot; Maar „perfeetam rationom saeramenti sine ulla dubitatione consequitur, si modo, cum rite baptizatur, in animo haheal id acciporo, quod a sancta Ecclesia administraturquot; -).

Hiermede is ten opzichte van den doop dor volwassenen do Thomistische leer van de dispositie gehuldigd.

Deze leer wordt in \'t kort aangeduid Summa III, qu. 69, art. 9, waar Thomas, in navolging van Augustinus, verklaart, in welke gevallen iemand voor een huichelaar moet gehouden worden. Men ontvangt don doop *jiclequot;\':

a. bij ontstentenis van geloof.

Do doop toch is hot ,sacrament dos geloof\'s,quot; aangezien daarin ,eene zekere belijdenis dos geloof\'squot; afgelegd wordt1). De voorname vraag, die do kerk den doopeling stolt, is, of hij gelooft. Dit geloof moet wezen „tides recta,quot; d. i. getrouwe aanneming van hetgeen do kerk loert, ofschoon het niet alle artikelen dor leer behoeft te omvatten. Geloof in het doopssacramont, desnoods de algomoene intentie den doop te ontvangen naar de instelling van Christus en do traditie der kerk, is genoeg \').

b. bij verachting van het sacrament.

1

o. 1., lil, 70, \\.

-ocr page 41-

33

c. bij veronachtzaming van den ritus (lor kork.

d. bij indevole gemoedsffesleld/itid. Drac laatste is aanwezig, wanneer de wil üf do intentie ontbreekt om de zonde na te laten. Daarom mag hem, die zondaar heet ,ex voluntate peccandi et proposito persistendi in peccatoquot;, de doop niet toegediend worden. Er moet altoos een teeken van innerlijke bekeering zichtbaar zijn \'). Er moet belijdenis van zonde worden afgelegd, wel niet in bijzonderheden afdalende als bij de biecht, maar toch in \'t algemeen1). Eu alzoo is bij den doopeling eisch »voluntas qua eum veteris vitae poeniteat et voluntas, (jua intendat vitae nooitatemquot; :i).

Dezelfde opvatting wordt ook door lateren, o. a. door Bellarminus voorgestaan in zijne verklaring van het „opus operatum.quot; \')

Daarentegen stelt Scotus, evenals bij de andere sacramenten zoo ook bij den doop, als noodzakelijke voorwaarde tot het ontvangen der genade slechts den wil, om het sacrament te ontvangen gelijk de kerk het uitdeelt, en de afwezigheid van een peccatum mor tale ■gt;).

Beide richtingen echter, zoowel de Thomistische als de

1

o.l., III, 68, 7,

-ocr page 42-

34

Scotistischo, nomon aan, dat, wanneer liet sacrament in de rechte dispositie ontvangen wordt, do genade verdubbelt. In zekere mate is immers elke bonus motus verdienstelijk en elke verdienste wordt beloond. Gfeloof en berouw maken meerdere genade waardig. Wiens gemoed door devote stemming meer met de werking des doops harmonieert, ontvangt ook meer van de genade der levensvernieuwing, evenals men van het vuur meer warmte ontvangt, hoe dichter men nadert. En zoo wordt bij het ontvangen van het sacrament eene dubbele genade genoten, eene uit kracht van het sacrament, welke steeds gelijk blijft, en eene uit kracht dor aanwezige dispositie, welke onderscheiden ia naar de mate des geloofs en der boetvaardigheid i).

Wat de kinderen betreft, op hen kan de eisch der dispositie, die bij de volwassenen geldt, niet toegepast worden. Zij missen het gebruik der rede, om den doop te kunnen begeeren en om te gelooven. Maar nu treedt voor hun wil, om den doop te ontvangen, de wil dei-kerk in de plaats, -) en voor hun geloof treedt het geloof der ouders op, of zoo deze ongeloovig zijn, het geloof der peters en meters en mitsdien der kerk 3), terwijl wegens hunne innooentia boetvaardigheid noch noodig noch mogelijk is. Uij do vraag naar de dispositie dei-kinderen treedt dus het sterkst aan den dag de gedachte, met name reeds door Augustinus voorgesteld, dat do kerk als geestelijke moeder door hare hoogero levenskrachten leven geeft en voedt. „Sicut pueri ia materuis uteris constitutl non por ipsos nutrimentimi accipiunt, sed ex nutrimento matris sustentantur; ita etiam pueri nondum habentes usum rationis, quasi in utero matris Ecclesiae constituti, non per seipsos, sed per actum Ecclesiae

1) Haiin, 0.1. S. 408 ff.; Thomas, 0. 1., III, 69, 8; of. Cat. Rom., II, 2, 44,

2) Cat. Rom , TI, 2, 38.

3) Cat. Hom., II, 2, 27; Ti\'id., sessio VJI, de. haptismo, c.iu. 13.

-ocr page 43-

85

salutom suscipiuntquot;\'). Hier komt de loer van lier „opus oporafuiiiquot; in zuiver licht tc staan. Gelijk te Trente opgemerkt is,\':) bij kinderen en idioten wordt de volle sacramenteele werking openbaar. Zij kunnen zelve noch geloof noch boetvaardigheid aanbrengen, noch ook een ,propositum in vitiis et peceatis perseverarequot; als .obexquot; in den weg stellen. Persoonlijk staan ze geheel onzijdig. Hunne innocentia is hunne neutraliteit. Derhalve is in hen niets, en komt uit het sacrament alles voort. Wedergeboren worden zij door den doop. Den habitus fidei ontvangen zij door den doop. Onder de geloovigen moeten zij geteld worden, nadat zij den doop ondergaan hebben. Bijgevolg brengt de doop in de kinderen in volstrekten zin ,ex opere operatequot; de genade te weeg. „Tpsum baptizare est fidere.quot;

Resumeerende, vinden wc voor de leer des doops, gelijk ze algemeen verbreid door de reformatoren aangetroffen werd, dat de doop beschouwd werd als hot eerste sacrament, om den eersten aanvang van het geestelijke leven „ex opere operatequot; tot stand te brengen.

De aanvang nu van het geestelijke leven, voorgesteld door het begrip: wedergeboorte, werd, wegens de identificeering van kerk en lichaam van Christus, geacht in niets anders te bestaan dan in de opneming in de kerkelijke gemeenschap. Vandaar staat de wedergeboorte gelijk met den overgang tot de kerk, en wordt het te niet doen van het vroegere, zondige leven buiten do kerk mode onder haar begrepen, weshalve ook de doop de strekking heeft zoowel om do verledeno zonde uit te delgen als om het nieuwe loven te planton. Maar vandaar ook, dat de genade der wedergeboorte, dewijl altoos de mogelijkheid van brouke met hot loven der kerk

1) Thomas, o. 1 III, 68, 9.

2) Saiipi, o. 1., lib. II, p. 271.

-ocr page 44-

30

overblijft, verliesbaar moet wezen. Uit de noodzakelijkheid echter dor wedergeboorte vloeit de noodzakelijkheid van den doop noodwendig voort, zoowel voor volwassenen als voor kinderen.Bij de volwassenen is testellen, dat zij ontvankelijkheid voor de opneming van de genade der wedergeboorte openbaren door belijdenis van geloof en berouw. Voor de kinderen treedt de kerk plaatsbekleedend op, om door haar wil en geloof hen voor den hemel te behouden.

-ocr page 45-

II 0() POST I K II.

De strijd tusschen het Roomsche dogma en hot beginsel der Heformatie.

ij 1. i I KT litlOJLSCIll-: lii-XilXSKI-

I)lt;* i-cformatio is mot liet kerkelijke dogma in strijd gekomen, niet omdat ze uitging van een wetenschappelijk streven om te onderzoeken, of de kerkleer wel voor de rede te rechtvaardigen was, maar door praktische motieven geleid. De hervorming was eene actie van het religieuse leven. Ze ontstond uit den levendigen drang naar vrijheid, vrijheid niet van politieke overheersching, maar van de macht en de heerschappij der zonde, liet was de kreet der beangste conscientie, die zich uitte. Het was de roep om vergeving van zondeschuld, om verlossing uit het lichaam des doods, die gehoord werd. De ziel zocht naar vrede en rust, zocht naar de gemeenscliap met het Eeuwige Wezen. i)e vraag van het beginsel der christelijke religie herhaalde zich : hoe wordt de mensch bevrijd van den last der zonde, die eene scheiding maakt tusschen hem en zijnen tlod eji hem den vrede zijner ziele rooft.

Dat nu dit praktische, religieuse streven aanleiding gaf tot botsing met het kerkelijke dogma, sproot met noodwendigheid voort uit de positie, die de kerk in zake de christelijke religie ingenomen had. Om derhalve te verstaan, op welke

-ocr page 46-

punten die botsing, met name ten aanzien van liet dogma, aangaande liet verband van doop en wedergeboorte plaats vond, moeten wij eerst die positie der kerk nagaan.

Het gansche Roomsche stelsel was geconcentreerd in de stolling, dat het kerkelijk instituut identisch was met het mystieke lichaam van Christus.

De ontwikkeling van de hierarchic en van de sacramentsleer, welke het hiërarchisch gebouw schraagde, was hieruit voortgekomen. Immers, vlooien van Christus, het Ifoofd^ alle schatten des hoils en de volheid der genade in het lichaam der kerk af\', en is de kerk geroepen deze genade niet voor zichzelven te behouden, maar aan de menschen uit te reiken, zoo kan niemand deel aan dat heil krijgen, tenzij de kerk door haren priester hem uit haren heilsschat medodoele.

Mot deze stelling verklaarde de kerk in zake de religie als haar beginsel, dat er geene rechtstreeksche, onmiddellijke betrekking tusschon Grod en den mensch bestaat, maar alleen oene middellijke, door tusschenkomst der kerk. Do christelijke religie is diensvolgens niet eene persoonlijke^ bewuste gemeenschap van do ziel met God, maar oone, die door bemiddeling der kerk tot stand komt en door het medium der kerk heengaat. Do kerk staat als middelares tusschon God en do ziel. Al wat tot de religio objectiva behoort, Crods openbaring, Zijne heilsleer, Zijne levenswet. Zijne gonademedeoling, de mensch ontvangt zo niet dan door bemiddeling der kerk. Sinds Crod aan de kerk de roeping gaf het heil aan de wereld te brengen, is Zijn onmiddellijk werk geëindigd.

En wat Christus betreft, Zijn lijden en sterven, waardoor Hij do genade verdiende, was oen historisch feit. De toepassing Zijner verdienste door de genademiddelen. Woord en Sacrament, hooft Hij aan de kerk overgelaten. De botookonis van Zijn werk na Zijne hemelvaart ligt alleen hierin, dat Hij aan Zijn lichaam, de kerk, steeds rijkelijk do genade doet toevloeien, die zij noodig hooft.

-ocr page 47-

39

on daartoe ook aan hot kcrkolijlc ambt do bijzondore gaven voor do uitreiking der genade vorlcont. Maar de ünraiddellijko betrokking met do ziel hooft Hij afgebroken. Alle gonadoaotio van (rod on Christus heeft slechts plaats door hot intermediair dor kerk.

Eenmaal dit standpunt van middelares tusscben Grod cu de ziel innemende, lag hot voor de hand, dat do kerk van de boido genademiddelen, aan haar toevertrouwd, hare actie meer liet geschieden door het Sacrament dan door het Woord. Het Woord toch spreekt tot het bewustzijn en wordt door het bewustzijn opgenomen. Heeft er eene werking door het Woord plaats, zo kan niet verborgen blijven. Ze moet openbaar worden. En daarom liep do kerk gevaar, dat ze al te spoedig in hare actie zou worden gekeurd, of zij ook faalde. Daarentegen had men, van de eerste eeuwen af, aan het sacrament terecht eene mystieke werking toegekend. Heeds in den naam lag de mystieke beduidenis opgesloten. Wat wonder dan, dat de kerk juist in het sacrament liet aangewezen middel zag, om hare taak, de applicatie gratiae, te vervullen. Wat door het sacrament te weeg gebracht werd, ging immers buiten het bewustzijn om. Zonder veel gevaarte loopen gekeurd te worden, kon de kerk in het sacrament hare actie volbrengen.

Gevolg was, dat het getal sacramenten vermeerderde. Voor hot religieuse leven in al zijne stadiën en toestanden bouwde de kerk het groote bouwwerk dor zeven sacramenten op. En zelfs, wanneer zij liet Woord bediende, geschiedde dit nog meestal op sacramenteele, mystieke wijze.

Dat bij deze mystieke genademedcdeoling der kerk in het sacrament, de subjectieve gesteldheid van hem, die het Sacrament ontving, slechts tot op zekere hoogte in aanmerking kon komen, volgde uit den aard dor zaak. Immers, voor hot ondergaan eener werking, dio het bewustzijn niet raakt, is geone positieve denkactie en wilsbepaling noodig. Eene lijdelijke houding voldoet. Eu dus had do kerkelijke actie

-ocr page 48-

40

in hot sacnuiu\'iit met ecu voorafgaand innerlijk ziololovon weinig te rekenen. Do saeramenteele working kou van het snbjoctiovo losgemaakt worden, liij de bediening der kerk deed lier sacrament effect uit zichzelven, door eigen, inhaerente kracht, rex opere operato.quot; Slechts bestond de mogelijkheid, dat zijne werking tegengestaan werd, en daarom moest noodig heeten, dat geen ^obexquot; voorgeschoven, geen hinderpaal in den weg gesteld werd.

Naar recht moest hieruit ook volgen, dat de persoonlijke gemoedsgostcldheid van den priester van weinig gewicht was. liet sacramenteel effect werd bereikt, zoo dikwijls de kerk in lier sacrament opereerde. Zoo dus de priester maar optrad als orgaan der kerk met de ..iurentio saltern f\'aciendi quod facit ecclesia,quot; kwam de genadeactie van zelf tot stand.

Deze voorstelling van de sacramentswerking op den doop toegepast, verleende aan dezen eene liooge waarde. Dewijl in den schoot der kerk alle heil rustte en niemand aan het heil deel kreeg, tenzij de kerk hem uit hare schatten mededeelde, moest de doop, als het eerste der sacramenten, ter zaligheid absoluut noodzakelijk zijn, hetzij dan dat hij actualiter, hetzij mentaliter, e voto, ontvangen werd. Wie niet door den doop lid van de kerk en mitsdien lid van Christus was geworden, vond de poort des hemels gesloten. Wie door den doop do kerk en Christus ingelijfd werd, ving het genadeleven aan, en werd door de genade der overige sacramenten tot in den dood voor den hemel toebereid.

De aanvang van het genadeleven, de wedergeboorte, was diensvolgens vrucht van eene actie der kerk door den doop en niet van eene rechtstreeksche daad Gods. Gevolg hiervan was, dat in de wedergeboorte geene verzekering kon liggen van de zaligheid des hemels. Ln alzoo werd de genade der wedergeboorte verliesbaar gesteld.

De vraag, die zich hierbij voordeed, wie recht op den

-ocr page 49-

41

doop had, kon niet anders beantwoord worden dan door te verklaren: liij, die begeert, gedoopt te worden on door dat begeoren toont te gelooven, dat er in de kerk een heil schuilt, dat nergens elders te vinden is. J)it begeoren werd bij den onwedergeborene bestaanbaar geheeten, tengevolge van eene verzwakking der zondeleer. Ue justitia originalis namelijk gold voor oen donuni superndditum, bijna gehoed los van de menschelijko natuur. Dientengevolge kende de Rooinsche leer alleen eene verzwakking en geene verdorvenheid van de natuur des mensohon, zoodat de verzwakte wil, bij eene slechts uitwendige opwekking door do genade, weder in staat was het goede te begeoren, en niet het verzwakte intellect tot geloof\', d. i. tot een uiterlijk aanvaarden dei-kerkleer kon worden gedrongen.

Bij don kinderdoop echter viol ook deze onderstelling weg. Bij kinderen was zelfs van geen begeoren of\' gelooven sprake, liet kind moest gedoopt worden zonder eigen dispositie ten goede. Om dit voor mogelijk te verklaren, deed weder de verzwakte leer der zonde dienst. Aan de kinderen kon bet geloof\' dor kerk bij wijze van plaatsbekleeding worden toegeëigend, omdat zij door het peccatum originale wel neiging tot zonde in zich bezaten, maar deze neiging nog door geen peccatum actuale hadden ingewilligd. Hunne onuoozelheid was oen toestand van neutraliteit, waardoor het geloof der kerk o]) hen kon worden toegepast, zonder dat eon zondige daad die toepassing in den weg stond. Zoo had do kerk den kinderen de mogelijkheid der zaligheid in de visio J)ei ontsloten. Maar met deze onderstelling was feitelijk onder het getal der menscheu, tusschen goioovigen en ongeloovigen in, de derde klasse derinnoceates ingcucliovcn.

jj \'2. II KT H MI\'I gt;1131ATOK ISl\'H 1! K(i 1NSKI..

Tegen dit gansche systeem der sacraments- en doopsloer, gebouwd op de grondstolliug, dat de kerk als corpus

-ocr page 50-

mysticHiu Christi micldulares was tusschcn God on de ziel, word do reformatie, langs don praktischon weg van hare opkomst, godrongen in beginsel positie te nomen. Tot de grondgedachte van het Cluistondom teruggaande, moest zij in zake de christelijke religie als haar beginsel vcrklareni dat do ware, rustgevende gemeenschap der ziol met God eone onmiddellijke, rochtstreeksche, persoonlijke en bewuste is. Dit komt uit in de leuze: „rechtvaardiging door hot geloof.quot; Het geloof toch, opgevat, niet in den zin van een uiterlijk goedheeten der leer, maar een innerlijk vertrouwen en overgeven dos harten, is de bewuste band der ziel met God.

Deze religieuse overtuiging echter kwam eerst langzamerhand op. De reformatorische richtingen der middeleeuwen hebben langen tijd hot ware beginsel des geloofs niet gekend. Zij openbaren alleen in hun streven, bewust of onbewust, oone antithese tegen het beginsel der kerk.

Want aan hetgeen de kerk pretendeerde te zijn, beantwoordde do werkelijkheid van het loven niet. Do stelling, dat de ecclesia instituta identisch was met het corpus mysticum Christi,quot; was door de praktijk op tweeërlei wijze weerlegd.

Vooreerst had de kerk, optredende als middelares tusschon God en do ziel, in weerwil van al haar gonadevertoon, de ernstig naai\' heil zoekende ziol onbevredigd gelaten. Hetgeen aan de genade, die de kerk schonk, ontbrak, was de innerlijke zekoi\'heid. De wedergeborene bezat slechts do mogelijkheid, niet de zekerheid des behouds. De absolutie van den priester gaf van de zondevergeving geen ahsoluten waarborg. En er bleven te veel twijfelachtige vragen over de voorwaarden voor het ontvangen der genade bestaan, dan dat de ziel zich bij de eenige genadeactie der kerk gerust kon bevinden.

In de tweede plaats had de praktijk de gepretenteerde

-ocr page 51-

43

lipilighoid dei\' kerk woorsprokon. Hoe kon de kerk voor zich het praedicaat der heiligheid, dat aan het corpus Chriati eigen is, nsurpeeren, daar mot den dag allerlei toestanden openbaar worden, die -weinig strookten met haar heilig karakter, daar een groot deel der geestelijkheid zelve een loven leidde, verre van heilig, zondig, onzedelijk) goddeloos ?

Om deze oorzaken werden pogingen aangewend om de ingeslopen gebreken te herstellen. De kerk moest tot hare ideale heiligheid teruggebracht en aan de ziel hare rust hergeven worden. Dit was het doel van de hervorming der kerk .,in hoofd en leden,quot; gelijk zij door mannen als Grerson en do Clemangis werd voorgestaan. Maar do hervormigsconcilies van Pisa, Constanz en Bazel hebben hun dool niet bereikt. Ze verliepen grootendools in de kerkrechtelijke kwestie over de verdeeling van het hoogste gezag tusschen paus en concilie, en beperkten zich tot hervormingen omtrent de zedelijkheid van clerus en curie. En zoo zijn alle pogingen van dien aard mislukt. De oorzaak was, dat ze de grondstelling van de identiteit van kerk en lichaam van Christus onaangeroerd lieten. Daardoor kon Rome al dit hervormingswerk onderdrukken. Want door deze indentiteit te blijven gelooven, sloot men, bij mogelijke breuke met de kerk, zich zelf\' eigenhandig van de zaligheid uit. En dientengevolge bleef de kerk tusschen God en de ziel staan.

Aan de andere zijde werden allerlei zijdelingsohe pogingen aangewend, om, buiten de kerk om, God te vinden. Deze pogingen openbaarden zich in onderscheiden mystieke secten en genootschappen, welke deels eene anti-kerkelijke richting namen, deels zich in het praktische leven terugtrokken. De mystiek der middeleeuwen echter is naar haren aard niet tot bewuste gemeenschap met God gekomen. Al naar hare meer theosophische of ethische richting zocht zij naar vereeniging met het eeuwige Wezen door contemplatie of liefde, maar aan het hoogste van ziolevredo en zielsgenot

-ocr page 52-

44

in zclfvci\'locK\'honiiig of zolfvoniietiging on hot opgaan on verzinken in liet oneindige, bleef altoos het onzekere, het onbestemde kloven, dat bij den voortduur niet in staat was de rust der ziel te bewaren.

J)e voorbereiding van de hervorming door do mystiek ligt dan ook meer op het praktische terrein, onderwijs en prediking nit de U. Schrift en stichtelijke lectuur. In deze richting werkten genootschappen als do Broederschap dos Cremeeneu Levens en de Godsvrienden aan den Rijn, predikers als Taulor en 13usch, en hadden reeds de Waldenzen voorgearbeid.

Toen bij dezen bijbelschen zin zich de wotenschappelijko factor voegde, werd onwillekeurig de valscho grondstelling der kerk blootgelegd, ofschoon nog niet genoegzaam als valsch beginsel erkend. Evenwel, niet zoozeer het humanisme heeft in dit opzicht verdienste. De geest van een Erasmus was er meer op aangelegd, bijgeloof en onkunde te geesolen, dan door te dringen tot de grondfeil der kerk. Maar in Wyclifi\'e en Huss, die het lichaam van Christus niet zagen in de ecclesia instituta, maar in de -ecclesiapraedestinatorum,quot; in Johannes van Croch, die de gemeenschap tusschen Ciod en de ziel erkende in den H. freest, en voornamelijk in Wessel Gansfort, die, voorlooper van Luther, de vergeving der zoude door bet geloof leerde, werd met klimmende helderheid het hervormingsprincipe openbaar.

Toch heeft eerst met Luther dit principe tot brenk met de kerk geleid. Luther was de man, die de groote begiuselvraag dor christelijke religie, in het zoeken naar gemeenschap met God en den vrede der ziel, in eigen binnenste heeft doorleefd en tot een gelukkig einde gebracht. Ook hij zocht eerst in den weg, dien de kerk hem wees, zijne zielerust. In het kloosterleven ontving hij alles, wat de kerk geven kon, en volvoerde alles, wat de kerk eischte voor het leven der genade. Maar rust vond bij niet. Slechts diepgaand schuldbesef. Totdat hij in do ,rechtvaardiging door het geloof\' zich

-ocr page 53-

45

don sleutel ter oplossing /.ijner religievnigcn zag gegeven, en iiij. geloovende, zijnen (iod vond, nu niet mystiseli als een onbestemd Oneindig, maar in persoonlijke, zelfbewuste gemeenschap.

I )iit ecliter dit geloofsbeginsel lijnrecht overstond tegen het beginsel der kerk, zag ook Luther niet terstond in. Eerst trapsgewijze werd hij tot dit inzicht geleid en ovenzoo trapsgewijze tot breuk met de kerk.

J)en eersten stap zien we in zijne bestrijding van Tetzels aflaathandel. ])och in de 95 stellingen, die hij aan Wittenbergs slotkapel aansloeg, erkende hij nog uitdrukkelijk de macht van den paus in uiterlijke zaken en onderwierp hij zich aan de beslissing der kerk. Hij wist nog niet, dat de leer van Tetzel in den grond de leer der kerk was. Xa zijn gesprek met C\'ajetanus beriep hij zich nog _ a Papa male informato ad Papam melius informandura.quot;. Eerst toen de pauselijke bul de aflaatleer sanctioneerde en daarnevens Prierias als axioma stelde, dat de paus, e cathedra sprekende, onfeilbaar was, werd hij tot den tweeden stap gedrongen, om do beslissing van den paus in geloofszaken te verwerpen. Toon beriep hij zich nog op oen algemeen christelijk concilie. Maar in de disputatie met Eek werd hem ook dit heft uit de hand geslagen en moest hij erkennen, dat ook een algemeen concilie feilbaar was, gelijk dat van Constanz geheel christelijke stellingen van lluss had veroordeeld. Eindelijk verhaastte Kome zelve den afloop van hot proces, door den banvloek over Luther en zijne aanhangers uit te spreken, welke daad Luther beantwoordde, door den pauselijken banbul in het vuur te werpen. Met deze verbranding van den bul des pausen, 10 Hoc. 1520, werd de breuk met Rome een voldongen feit.

En toen, van den band met de kerk en hare hieravchie vrijgemaakt, heeft Lnther in zijn geloofsprincipe, \'t welk tof nog toe als in boeien gekneld lag door zijne tweeslachtige houding, in zooverre hij tegelijk gehoorzaam zoon

-ocr page 54-

46

dor kork wilde zijn on ,de vrijhoiil van ccn christenmenschquot; voorstond, do kracht govondon, dio aan hot hervoriningswcirk blijvend bestand kon geven. Nu hij do kork niet moer als middelares tusschon ftod on den mensch erkende, vond hij vanzelf in de onmiddellijke, rechUtreeksche gomoonschap der ziol mot God don grondslag van hot roligiense leven.

De gansoho zaak dor religie kwam daardoor in oen ander licht to staan, In plaats van het uitwendige dor kerk trad hot innerlijke dos harten op don voorgrond. Voor de kerkelijke loer dos heils, do kerkelijke voorschriften dos levens en do kerkelijke genadouitroiking kwam Gods eig-eu openbaring van do regelen des levens on van do werking dor genade in de plaats. De religio objectiva verkreeg hare ware gestalte en daardoor werd hot wezen van de religio subjoctiva openbaar. In do reclitsire.ehsche actie Gods ontving\' do ziel die innerlijke verzekering der genade, uit welker gemis het ganscho streven der reformatie was opgekomen.

§ 3. DK BOTSIXO TL\'SSCIIKN HEIDK DEG1NSKLEX.

Zoo stond het beginsel der hervorming togen hot beginsel dor Eoomsche kerk over. Hoe moer wetenschappolijke studie zich aan het praktisch-religieuso loven paarde, hoe vaster en zuiverder vorm het bewustzijn dezer togonstolling aannam. Door de latere hervormers, en mot name door Calvijn, vinden we dit hervormingsprincipe streng en zuiver in zijne consequentie doorgetrokken en uitgewerkt, vrij van do buitensporige uitersten, waartoe do geestdrijvers in hun horvonningsroes vervielen. Krachtons hun beginsel kwamen de reformatoren alzoo over de heolo linie der genadeleer met de kork in botsing. De vraag is thans, op welke punten deze botsing. plaats vond voor het sacrament in \'t algemeen, in zake den doop in \'t bijzonder, en speciaal voor wat het roquisitum van den doop aangaat.

-ocr page 55-

47

T. Voor het saovament in \'t algemeen.

Bij do verwerping der stelling, dat de ecclesia instituta identiscli is met liet corpus mystioum Cliristi, en bij de prediking van de onmiddellijke gemeenschap met God, kwam voor do sacramenten en de middelen der genade in \'t gemeen, terstond do vraag aan de orde, of\' dan neene enkele actie Gods door hot medium dor kerk plaats vindt, on zoo er wol oen kerkelijk intorraediair overblijft, in welke verhouding do kerkelijke actie alsdan staat tot do actio van (rod.

Krachtens hun beginsel konden do reformatoren niet meegaan met do opvatting dor Anabaptisten, die do kerk als instituut geheel vernietigden. Voor hen kon wol de kerk niet zijn, wat zij zelve van zich pretentoorde, maar toch moest hun do kerk blijven gelden voor hetgeen God in Zijn Woord van haar getuigde. En dan was het duidelijk, dat de kerk niet slechts organisch als gemeenschap dor geloovigen of wedergeborenen, maar ook instutitair bestaat, dewijl God Zijn Woord en Zijno sacramenten haar hooft toevertrouwd.

Daar nu do rechtstreeksche, actie op de ziel van God uitgaat, moest de actie der kerk oone middellijke worden, en daar do innerlijke working op do ziel door God geschiedt kou de werking der kerk niet anders dan eene uitwendige zijn. Do verhouding dus tusschen de actie vau God on die van de kerk moest zoo voorgesteld worden, dat niet do kerkelijke handeling, maar het werk van God op den voorgrond treedt, en do kerk de ondergeschikte, do dionondo plaats inneemt.

Wat nu hot genadeleven betreft, volgde mitsdien, dat zijno stichting en fundeering niet door eono kerkelijke actie geschiedt, maar rochtstroeks door God tot stand wordt gebracht. Onmiddellijk ontvangt de ziel de genade van God. Alleen roos do vraag, of deze fundeeronde, daad Gods niet met eeno daad der kerk in woord of sacrament samenvalt. Do mogelijkheid hiervan was

-ocr page 56-

immers nicf uitgesloten. Dooli, had de Koomsclic liierai-fhie hare opkomst nier voor een groot deel te danken aan de voorstelling, dat de genadeactie Crods aan de actie der kerk gebonden is? De consequentie van het hervormingsprincipe vorderde, dat men als regel stelde, dat de grondvesting of\' inplanting van het genadeleven eene rechtstreeksche daad van God is, afgescheiden van elke daad der kerk in woord of sacrament, en bijgevolg er aan worafyaahde. Het werk (rods voorop, het werk der kerk volgende.

Zoo moest in de gemeenschap tusschen God (gt;11 de zie! aan de actie Gods de eerste, de voornaamste en de vooropgaande plaats toegekend worden, en aan de actie der kerk de tweede, nl. de dienende en de volgende.

Wat de actie der kerk in \'t bijzonder aangaat, de reformatie kon wederom de vooropstelling van het sacrament niet goedheeten. Aangezien de bewuste gemeenschap met God in liet Woord tot stand komt, moest het Woord op den voorgrond staan, en daarentegen het Sarrametif,, dat alleen eene mystieke werking heeft, ir\\ de tweede orde komen.

Evenwel, zoo min als aan eene bloot mystiek- objectieve mededeeling van het Sncrainent, kon de reformatie aan een louter objectieve bediening van het 11 oord waarde hechten. De kerkelijke actie moest zich aansluiten aan het subjectieve leven van de leden der kerk. Alle werking toch van Woord en sacrament zou falen, niet slechts, wanneer er een .obexquot; bestaat, maar zoolang het positieve werk Gods, dat het nieuwe leven inplant, nog ontbreekt. Van het Woord gaat geene zaligmakende kracht uit, alvorens door de actie Gods het oor is geopend. Met sacrament doet geen nut, tenzij het hart van te voren door God ontvankelijk is gemaakt. Derhalve moest het mystiek-objectieve voor het positief-subjectieve wijken, omdat het op de positieve werking Gods steunt.

Up deze wijze werd dus gesteld, dat de genade niet

-ocr page 57-

49

allereerst door do kerk, maar in do eerste plaats van (ïod uit in do ziol w orkt, en voorts, wat de kerk aangaat, ia do eerste plaats door het Woord on slechts secundair door het sacrament. Vandaar dan ook dat hot Woord, in plaats van do zeven sacramenten, hot genademiddel werd, dat heel het loven verzelt, terwijl het sacrament alleen naar tijd en wijze, door Christus verordend, intreden kon.

Echter mocht aan het sacrament zijne boteekenis niet ontnomen worden. Wilde men hot niet tot eene kerkelijke ceremonie verlagen, dan moest gehandhaafd blijven, dat in het sacrament, bij rechte bediening, met de bedienende actie der kerk zich eene inwerkende actie Gods paart.

En aangezien aan do actie der kerk eene actie Cfods voorafgaan moet, zoo volgde ook, dat het sacrament niet mag gegeven worden, dan aan hem, in wien God reeds gewerkt heeft, d.i. aan den geloovige. Althans voorzoover de kerk hierover oordeelen kan. Eu deze regel moest golden zoowel bij den doop als bij het avondmaal.

11. Voor den doop speciaal vloeide uit de verwerping van de stelling, dat de ecclesia instituta gelijk is aan het corpus Christi, voort, 1quot;. dat niet eerst met de inlijving in de uitwendige kerk het genadeleven een aanvang neemt, 2°. dat niet de kerkelijke gemeenschap tor zaligheid volstrekt noodzakelijk is. Immers, stelde do reformatie, dat de genade door eene rechtstreeksche actie Gods medegedeeld wordt, zoo volgde terstond, dat ook de aanvang van het genadeleven door eene rechtstreeksche daad Gods tot stand komt. En daar de actie Gods primeert en niet aan de actie der kerk gebonden is, veeleer aan deze voorafgaat, kan hot niet meer de doop wezen, die do eerste genade toebrengt, maar moet het genadeleven reeds door God gewerkt zijn, aleer het doopssacrament door de kerk wordt bediend. De wedergeboorte is dan geeno vrucht van de actie der kerk in don doop, maar vrucht van eene onmiddellijke daad Gods. Het nieuwe leven wordt tot stand gebracht

-ocr page 58-

50

niot door de inlijving in do uitwendige gemeenschap der kerk, maar door do inlijving in de geestelijke gemeensuhap van Christus\' lichaam, wolke rechtstreeks door (iod geschiedt. Zoodoende verviel voor de reformatoren do noodzakelijkheid, om de genade der wedergeboorte verliesbaar te stellen, maar moest veeleer doov hen de onverliesbaarheid dezer genade worden gehandhaafd. Want het werk der kerk kan verbroken worden, maar hot werk Gods niet. Een uitvallen uit de gemeenschap der kerk is mogelijk, maar do inzetting in het lichaam van Christus is voor altoos onvernietigbaar. Daarom ook kou alleen de inlijving in hot corpus Christi door de rechtstreeksche actie Gods absoluut noodzakelijk tor zaligheid heeten, maar niet do inlijving in het lichaam dor kerk. En wol bleef hun het hoofddoel van don doop, om in volle gemeenschap te brengen met het lichaam van Christus en het kerkelijk instituut, maar alleen als nadere uitwerking van wat God immediate reeds gedaan heeft. Dat echter met de bediening van don doop door de kerk eene actie Gods, die do werking doot, samon gaat, moest staande gehouden worden, wilde men den doop sacrament laton blijven en niet tot ceremonie verlagen.

III. En wat nu het requisitum voor don doop aangaat, kon do reformatie krachtens haar beginsel niot aannemen, dat bij don onwedergeborene een begeeren van den doop en geloof mogelijk is.

Dat weersprak haar verdiept inzicht in het wezen der zonde en hare opvatting van het geloof, niot als assensus, maar als fiducia. Dewijl het ganscho loven dor genade, m. a. w. het christelijk-roligionse leven, welks beginsel het geloof is, vrucht is van eene rechtstreeksche daad Gods, kan bij hem, aan wie deze daad Gods nog niot is geschied, noch van geloof noch van oen wil ten goedo sprake zijn. Do zonde hoeft do monschclijke natuur niot alleen verzwakt, maar verdorven. Do zondaar staat tegen don doop over

en

oor

1

Aa

lou

ma

l)i(

we

te

ga Al

ge

W(

kc

de

da

oc

tc

Vc ti

d

-ocr page 59-

51

on begeert dien niet, of het moest zijn uit sleur of\'wereldsche oorzaken.

Ku eisclit de Schrift bij den doop voorafyaaud yelouf. Aan do zijde van den doopeling mocht dus niet langer loutere receptiviteit of lijdelijke bonding voldoende becten, maar moest de positieve aanwezigheid van geloof eiseh worden. Diensvolgens moest gesteld worden, dat ereenrechtstreeksche, wederbarende daad Gods, welke het geloof werkt, van te voren in don mensch heeft plaats gevonden. Wedergeboorte gaat dus aan den doop, door de kerk bediend, vooraf. xUtoos voor zoover het oordeel daarover aan do kerk gegeven is. „Quantum ecclesia judicare potest.quot;

Ton aanzien der kinderen oordeeldon do hervormers, dat zij evenals de volwassenen, in zonde geboren zijn. Van wege de. aangeboren verdorvenheid der monscbelijke natuur kon men hun goone innocentia toekennen. Was nu bij den doop oen voorafgaand werk Gods oisch, zoo volgde, dat öf de kinderdoop moest verworpen worden, of dat men ook in do kinderen een rechtstroeksch werk Gods bad aan te nonion. Dewijl echter op grond van Gods Woord vaststond, en derhalve in aansluiting aan do bestaande traditie moest volgehouden worden, dat de kindoren op den doop recht hebben, zoo kon men niet anders oordeelon, dan dat ook in hen vóór den doop eene genadeactie Gods heeft plaats gevonden, waardoor zij wedergeboren zijn.

Hierbij echter stond de reformatie voor een moeilijk probleem. In welke kinderen moest de kork oordeelon, dat God mot zijne genade gewerkt hoeft ? In daden openbaren tocli kan zich hot door God gewerkte loven wegens hun jongen leeftijd niet.

Eene oplossing van dit probleem is, met name door de Gereformeerden, gevonden in do leer den verboiuls, liij de kinderen hoeft de kerk te oordeelon naar don regel van hel yenadecerhond. Hecht op don doop hebben alleen die kinderen, welke iu het verbond Gods begrepen zijn en in wie, uit hoofde van dit verbond, God hot genadeleven

-ocr page 60-

werken wil. En daar alle work Gods, gelijk in do scliopping, zoo ook in do genado, organisch is, zoodat het niet dadelijk voor het oog gereed staat, maar zich langzamerhand uit do kiem tot do vrucht ontwikkelt, daarom zal ook het genadeleven, in de jonge kinderen eenmaal geplant, bij zorgvuldige opvoeding en verpleging, onder de genade Gods, zich allengs tot do vruchtrijke oefening des geloof\'s ontwikkelen. Want het mechanische werk, dat de mensch, de kerk verricht, kan verbroken worden, maar het organische werk Goda groeit langzaam, doch zeker op tot den vollen wasdom.

Op deze consequente wijze is het hervormingsbeginsel, ten opzichte der leer van doop en wedergeboorte, het eerst door Calvijn uitgewerkt en later in de Gereformeerde belijdenis weergegeven. Calvijn is niet evenals Luther, door allerlei invloeden gedrongen, halverwege blijven staan, noch overgeslagen tut de excessen der Anabaptisten. Staande op den schouder van Luther, heeft hij Luthers beginsel vollediger en zuiverder kunnen uitwerken, en do strijd, waarin hij met de Dooperschen gewikkeld werd, heeft hem voor uitersten bewaard. Zoo houdt de Gereformeerde lijn het juiste midden tusschen de halfheid van het Luthersche en de overdrijving van het Doopersche systeem. Om daarom de ontwikkeling van do Gereformeerde leer ten aanzien van den doop juist te loeren kennen, zullen we nog eerst de Luthersche en de Doopersche opvatting van de doopsleer moeten nagaan.

-ocr page 61-

nnOFDSTTK TIL Do onzuivere toepassing van het beginsel der Reformatie in het Luthersche dogma.

i; i. 1 m.euiim;.

Tot cenc afgeronde voorstelling vnn het dogma in lier algemeen is de Liirhcrsclu\' kerk niet spoedig gekomen. Omdat in de Lutliersclie rcf\'oriuatie meer liet praktische dan het theoretische belang up den voorgrond trad, bleef in de behandeling van het dogma langen tijd veel onvastheid en onbeslistheid heersohen. Met name in de sacramentsleer komt dit aan den dag. Hetzij men twee of drie perioden in Luthers dogmatische ontwikkeling aanneemt, duidelijk blijkt, dat er een niet gering verschil bestaat tusschen zijne sacramentsbeschouwing vóór en na den strijd met Oarlstadt en de Zwickauers. Dien strijd zou men het keerpunt in de Luthersche leer kunnen noemen. Want, dat Luther de reformatorische lijn niet verder doorgetrokken heeft, viudt daarin zijne oorzaak. Daarom ook mogen wc bij het onderzoek naar de voorstelling, door de Luthersche kerk van ons dogma gevormd, niet afgaan op hetgeen Luther in het begin geleerd heeft, maar moeten we ons wenden tot de Luthersche symbolen en de latere Luthersche dogmatici. Slechts vergelijkenderwijs raadplegen we op enkele punten Luthers aanvankelijke leer, vooral met het oog hierop, dat latei\'

-ocr page 62-

54

moge blijken, hoe de Gereformeerden den reformatorischen ■weg, door Luther ingeslagen, ook in ons dogma verder hebben vervolgd. Daartoe beschouwen we wederom eerst de leer der sacramenten en daarna die des doops.

§ 2. Uk leer der Sacrajiextex.

De Luthersche leer gaat uit van het anthropologisch beginsel, de rust der ziel in de onmiddellijke, bewuste gemeenschaj) met God. Deze rust kan niet genoten worden, tenzij het geweten vrijgemaakt /.ij van den last der zondeschuld door het verzekerd bewustzijn, dat God de zonde in Christus niet toerekent. Vandaar hebben de door God verordende genademiddelen de strekking, de ziel van zondevergeving te verzekeren\'). Van deze middelen moet het Woord, omdat het tot hot bewustzijn spreekt, meer dan de sacramenten aangewezen zijn om voor het gansche, christelijke leven tot een voortdurend geleide te dienen, rust gevende, waar geene rust bestaat, en rust bevestigende, waar ze reeds is aangebracht. liet sacrament daarentegen kan geene verzekering van schuldvergiffenis schenken, dan wanneer het voor het bewustzijn verstaanbaar wordt gemaakt. En dit doet het Woord, dat tot het zichtbaar element komt om het voor het sacramenteel gebruik te bestemmen, gelijk Augustinus\' bekende uitspraak: ,accedit verbum ad elementum et fit sacramentumquot;, te kennen geeft5). Derhalve schuilt de kracht van het sacrament in het Woord, liet Sacrament is niet anders dan eene „pictura verbiquot; of een ,verbum visibile,quot; dat voor het oog uitdrukt, wat het Woord aan het oor kennen doet1). Dientengevolge wordt de opvatting van de sacramenten geheel door de opvatting van het Woord behecrscht2).

1

Apol., 200 v.

2

cf. Aug. con/., art. V; ApoL, 153; Art. Stitalc., 331; Form. Cuiic., 670 v. 818.

-ocr page 63-

55

Hot wezen, de uitwerking, do kracht, do voroischton van hot sacrament worden uit liet wezen, de uitwerking, de kracht, en do voroischton van hot woord bepaald.

Yoor het wezen van het sacrament is noodig, dat hij het element het woord komo in tweeërlei zin, als mandatum Dei of\' woord der instelling, en als promissio gratiao of\' belofte van schuldvergiffenis \'). Zijne betoekenis ontleent het sacrament hieraan, dat hot Gods belofte in zich draagt, welke, don monsch aangeboden, door dozen aangenomen moet worden. Hieruit sproot echter eene moeiefijkhcid voort voor de vaststelling van het getal der sacramenten. Do bepaling voor het wezen was zoo wijd, dat Luther niet alleen doop en avondmaal, maar ook de biecht als sacrament aannam, en Melanchton zelfs geneigd schoen de priesterlijke ordening voor sacrament te willen aanvaarden1). Toch beperkte men zich spoedig tot het tweetal der 11 .Schrift\'2).

Wat do uitwerking van het sacrament betreft, geldt de stelregel: „idem effectus est vorbi et ritusquot;3). Xu heeft het Woord de strekking, het geloof in den mensch tot stand te brengen en te versterken; derhalve bestaat ook do effectus sacramenti in do opwekking en versterking van het geloof4). Het geloof, opgevat in de specifieke betoekenis van fides salvificans of fiducia b), is het instrument, do hand, welke de aangebodene belofte dor zondevergeving aangrijpt\'). Door het geloof treedt de mensch in gemeenschap met God en ontvangt de ziel hare rustquot;). Door hot geloof wordt de

1

JjjoL, 200 vg.

2

Apol., 200.

3

Apol, 201.

4

Aug C., XIII.

-ocr page 64-

rechtvaardiging aangenomen, door liet geloofde heiligmaking begonnen en voortgezet, zoodat justificatio en sanotifioatio vruchten der sacramentswerking kunnen heeten. Alle genadeactie trekt zieli samen op het effect des geloofs, het ware, werkzame levensbeginsel, waaruit alle kracht des nieuwen levens, dat zich in de goede werken der heiligheid en gerechtigheid openbaart, voortspruit\').

Uit geloof\' op te wekken en te bevestigen is het doel der sacramentsinstelling.

Met het oog op de opwekking des geloofs heeten de sacramenten „organa et media, per quae Deus offert, exhibet et credentibus applicat promissionen Euangelii propriam de remissione peccatorum, justitia et vita aeternaquot;1). Scherp onderscheiden, doelt hierbij het begrip: exhibitie, op liet eerste inplanten van het geloof in het hart, en het begrip: applicatie, op de toeëigening der belofte doorliet aangebrachte geloof, zoodat eene dubbele werking van eenzelfde sacrament uitgaat2).

Bedoeld als middelen tor geloofsbevestiging zijn do sacramenten ^sigilla et signacula promissionem divinae gratiae credentibus exhibitam obsignantia3).quot;

Ofschoon alzoo in \'t algemeen genomen van Woord en sacrament de effectus gelijk heet, moet toch onderscheid gemaakt worden, zal er voor het sacrament eene ratio sufficiens bestaan. En dit onderscheid vindt de Luthersche kerk in de toepassing der genade, welke door het sacrament meer persoonlijk en individueel geschiedt dan door het Woord 5); terwijl tevens van het sacrament, omdat het een

1

Gkiuiard, 0.1., IV., col. 265 ; et\'. Apol., 258: »8acr;i.mentum est caeremoniu vel opus, in quo Deus nobis cxfnhct hoc, quod offert annexa caeremoniao prommissioquot; en Aug. XIII: »(Promissioues) per saeramenta exhibentur et ostenduntur.quot;

2

Gerhaiid, 0.1-, IV, 323, S. q.

3

Gekiiaiid, 0. 1-, S. 325; ef. P. C., 807: «(sacramentis) tan-guam sigiüis ad promissionem appensis unicuique credenti pro-missionis Evangelicae certitudinem confirmat.quot;

-ocr page 65-

57

stoffelijk element bevat, nevens tie werking op de ziel ook eene werking op het lielmam uitgaat. Zoo wordt in liet Avondmaal door de reëele genieting van Christus\' vleesoh en bloed ook het lichaam vernieuwd, tot een geestelijk lichaam gemaakt, ter voorbereiding van de wederopstanding des vleesehes\'). En eene soortgelijke werking op het lichaam oefent ook de doop uit.

De kracht van het sacrament ligt in het Woord. liet element op zichzelf\' beduidt niets, maar in het Woord, waardoor het voor sacramenteel gebruik bestemd wordt, schuilt het vermogen, dat het geloof aanbrengt. En dit vermogen ontleent lier Woord aan den 11. freest, die met Zijne verborgene kracht steeds „certissiinequot; tegenwoordig isquot;). N\'iet slechts zoo, dat de Oeest Zijne goddelijke werkzaamheid met bet genademiddel doet samengaan, maar zoo, dat Hij voortdurend Zijne kracht laat invloeien inliet gepredikte Woord en het uitgedeelde sacrament quot;), in en onder het zichtbaar element werkt het woord en in het woord werkt de II. Geest \'). Onafscheidelijk zijn (leest en woord vereenigdJ). Die zich onder de bediening van het sacrament stelt, zal de werking des Ueestes altoos en onvoorwaardelijk ondergaan, hetzij ten zegen, hetzij ten vloek; gelijk het lichaam van Christus in het avondmaal door den een tot heil, en door den ander tot een oordeel gegeten wordtquot;). Zonder eenig onderscheid te maken,

1) Cat. maj-, 553.

2) P. C., 669, 671, 802, 805,808. Zoo dikwijls guzegd wordt, dat de H Geest met bet Woord werkzaam, (efficax) is, moet dit ook van toepassing zijn op het sacrament

3) Vandaar heet het, dat het Woord »den Oieest aanbrengtquot;. F. C. 805 en wordt het een oministerium et organon Spiritus Sanctiquot; genoemd, F. C., 672 Apol. 268.

4) Geruaiid, o.l., IV, c. 352 definieert het sacrament aldus: »Sacra et solemuis actio divinitus instituta, qua Deus mediante hominis ministerio sub visibili et e.vterno elcmento per verbum bona coe-lestia dispensat ad offerendam singulis utentibus ac credentibus applicandam atque ohsignandam promissioaem,quot; etc.

5) ci\'. Mui,leb, Symholik, 1. 363, 368.

6) F. C., 600 sq., 7 -14, 751.

-ocr page 66-

58

bepaalt daarom de Confossio Augustana V, 11 : ,1101\'verbum et sacramenta tanquam per instrumenta douatur Spiritus Sanctus,quot; slechts met de bijvoeging\': ,(jiii fidem efficit ubi et quando visum est I)e(j,1\' om aan te toonen dat de gave des Geestes niet ieder ten zegen strekt.

Valt uit deze eftieacia sacrameuti reeds het groot belang der kerk op te merken, dit belang wordt nog verhoogd, doordat geene actie Gods aan te nemen is, afgez onderd van de actie der kerk. ,Hot heeft God behaagd op geene andere wijze dan door Woord en Sacrament de menschen tot Zijne gemeenschap te trekkenquot; \'). ,Sine externo verboquot; wordt geen geloof verkregenquot;\'). (iod staat niet meer vrij en souverein boven de verordende middelen; door eigen wilsbesluit heeft Hij Zijne actie gebonden aan de actie dor kerk en buiten haar om werkt 11 ij niet, dan alleen — en hier komt, trots den sterken teruggang tot do Eoomsohe leer, het Protestantsch beginsel weer boven -extraordinariter

Uit deze voorstelling van de kracht en beteekenis der sacramenten vloeit voort, welke voonvaarden gestold moeten worden zoowel aan hem, die het sacrament bedient, als aan hem, die het sacrament ontvangt. Aan do zijde van den bedienaar is eisch, dat hij hot sacrament bcdienc naar de instelling van Christus. Zijn persoonlijk geloof\' en bijzondere intentie doen niets ter zake \').

Ten aanzien van hem, die het sacrament ontvangt, is eisch, dat hij geloof bezitte en openbare. Zonder het

1

F. C., 670; Cat. maj., 427; Art. Smalc., 333: gt;Quare iu hoc nobis est constanter perseverandum, quod Deus non velit nobiscum aliter agere, nisi per vocale verbum et Sacramenta, et quod, quidquid sine verbo et Sacramentis jactatur, ut spiritus, sit ipse diabolus.quot;

-ocr page 67-

59

geloof zal liij het sacrament niet ten zegen gebruiken. Een salutaris usus door een ongeloovige is onmogelijk \').

In dit stuk oordeelde Luther in het begin met de latere Luthersche leer eenstemmig. Slechts dacht Luther zich het geloof zoo nauw verbonden met het sacramenteele woord, dat hij zonder het geloof aan de sacramentsbediening geen effect toeschreef. Eene innerlijke, werkzame kracht van het sacrament kon hij niet aannemen. Gods beloften worden in de genademiddelen aangeboden en behoeven de hand des géloofs, die ze aanneemt. Zijn stelregel was het gezegde van Augustinus: ,non sacramentum, sed fides sacramenti justificatquot;, zoodat het geloof altoos aan het sacrament moot voorafgaan ■).

Ku heeft Luther zelf en de Luthersche kerk na hem dezen stelregel wel in \'t algemeen gehandhaafd, maar toch, strikt genomen, feitelijk laten varen. En dit in tweeërlei opzicht.

Eenerzijds, daar zo geen geloof mogelijk acht, dan teweeg gebracht door eene kerkelijke actie in woord of sacrament, moest ze belijden, dat het geloof, wanneer het nog niet aanw ezig i s, door het genademiddel zelf gewerkt wordt en eerst daarna als instrumentum apprehensionis dienst doet om zich de belofte Gods toe te eigenen. In dit geval voorziet God door het sacrament zelf in den eisch, dien Hij voor eene waardige ontvangst stelt, eene vreemde gedachte, niet vrij van tegenstrijdigheid. Het sacrament doet geen nut, tenzij het door hot geloof ontvangen wordt, maar dit geloof wordt eerst door het sacrament zelf tot stand gebracht5)!

Anderzijds, dewijl de efficacia sacramenti steunt op het gebod Gods en de innerlijke werking dos Geestes, moest de Luthersche kerk aannemen, dat aan de essentia sacramenti het geloof niets af- of toedoet, want .fides facit

~ 1) Conf Aug. XIIF, 203, 2G5.

2) In het geschrift von der Babylonisch en Ge/cingniss d r Kir-eken, Walch, J.ul/iers Sdmmtliche Schriftcn, XIX, 7ti; Kostlix, Luthers Theologie, I, S. 208, 226 f.

-ocr page 68-

60

non ut sit, scd ut nquot;\'1\'8 pi\'osit sacramcntumquot;\'). Vedpor bppaalt liet geloof slcchts de richting, in welke liet sacrament werken zal. liet goloovigc hart laat liet sacrament werken gelijk (rod bet overeenkomstig het doel der instelling wil: de ongeloovige buigt de genadeactie in haar tegendeel om. Consequentie van deze voorstelling was, dat men niet meer noodig moest achten, dat positief geloot aan de werking van het sacrament tegemoet kome, maar slechts lijdelijke onderwerping van den wil, eenvoudige passiviteit, evenals voor eene werking van het Woord niet meer dan eene .passiva capacitasquot; eisch is;). De efficacia sacramenti is door de operatic Spiritus Sancti zoo groot, dat alleen hij. die door „actualis impoenitentia, incredulitas et hypocrisisquot; den II. Geest tegenstaat, geen deel krijgt aan de meegedeelde genade; maar omgekeerd een ieder, die .non obicem ponitquot;, zeker is van het heil:\'). Kn van hem, die reeds positief geloof bezit, wordt door de kracht van het sacrament dit geloof versterkt en bevestigd \').

liet verschil van de sacramentsleer der Luthersche met die der Roomsche kerk is alzoo gelegen in deze twee stukken: 1quot;. De Luthersche leer schrijft de kracht der sacramenten niet aan het stofte lijke element, maar aan de inwerking des II. Geestes toe.

2quot;. Zij vat het geloof niet op als eene dispositio of meritiim en assensus, maar als instrumentum apprehensionis en tiducia 0).

1

Gf.iuiaiid, o.l., c. 252, .30ii.

-ocr page 69-

61

^ 1) i: r.KKU Dies Doors.

In ovoroensteiniiiing met liet spraakgebruik der II. Schrift noemt de Luthersclie leer den doop „bad der wedergeboorte\'),quot; en gewoonlijk wordt dus bet effect van den doop voorgesteld onder het begrip: regeneratie. Toch is van wedergeboorte als speciaal doopseffect geene sprake, aangezien ook aan het gepredikte Woord wederbarende kracht toegekend wordt. Xu wordt wedergeboorte opgevat in tweeërlei beteekenis.

1quot;. Wanneer Crod met Zijne genade voor het eerst tot den mensch komt, hetzij door het Woord of door den doop, zoo heeft de grondlegging van het nieuwe leven plaats, en vrucht van de actie Gods is de wedergeboorte in den zin van principium novae vitae\'). Naar I\'rotestansch begrip van het wezen des geloofs valt wedergeboorte dan samen niet de inplanting van het geloof. Want het geloof, hetwelk de ziid rust geeft in de gemeenschap met (lod, brengt bet nieuwe, geestelijke leven voort1). Oiuniddellijk biermede in verband staat de rechtvaardiging. Dewijl de rechtvaardiging subjectief toegeëigend wordt door hef geloof, worden justificatie en regeneratie identisch genomen \'). En ook de bekeering, voorgesteld als de gansche verandering des menschen in verstand, wil en hart, of als de mededeeling

1

8) Apol, 71: «lila consolatio (fidei) est nova et spiritualis vita,quot; »(Pides) a morte liborat, et novarn vitam in cordibus parit, et est opus Spiritus Sancti.quot;

-ocr page 70-

62

van de nieuwe krachten dos Greestes, wordt dikwijls met do wedergeboorte op ééne lijn gestold \').

Daarentegen, wanneer God door oone volgende actie in den doop hot reeds te voren door hot Wooitl gewerkte leven bevestigt, gelijk in don bejaardendoop geschiedt, dan kan de wedergeboorte doopsoffoct heeton alleen in don zin van levensvernieuwing of\' renovatie. Dienovereenkomstig pleegt men onder wedergeboorte te verstaan hot gansche proces des geestelijken levens, dat hier op aarde door de actie Clods begonnen wordt en zich langzamerhand ontwikkelt, tot het zijne voltooing vindt in de opstanding des levens, wanneer do mensch Gods volmaakt zal zijn, zonder zonde en gebrek Hierbij echter wordt de werking-des doops gewoonlijk fundamenteel genomen. _Per baptismum initio regeneramurquot; \').

Niettegenstaande deze vereenzelviging van rogonoratio en renovatie, openbaart zich het streven beide begrippon uiteen te houden. De gewoonte van de Apologie dor Augsburgsche Confessie, om rogonoratio identisch te nemen met justifioatio, hoewel door de Formula Concordiae gewraakt ^1), heeft ingang gevonden. In ruimeren zin wil men wel onder wedergeboorte \'t gansche proces des nieuwen levens verstaan, maar in ongeron, specialen zin is zo

1

F. O., 582; «Spiritus Dei per verbum anditum, aut per usum Sacramentorum hominis voluntatem aggreditur, et eonver-siouem atque regeuerationem in homine opuratur; 674 50.

-ocr page 71-

68

niot anders dan liet ontvangen van hot levensbeginsel des geloofs, de justificatio per fidem, welke in uón moment afloopt en evenals de vleesclielijke geboorte alle trapsgewijze ontwikkeling van minder tot meer uitsluit. !). Naar deze gedaebte is de renovatio f\'ruotus posterior van den doop en de regeneratie fructus prior. De regeneratio bevat volgens Gerbard zeven gaven Gods: 1. de gave des geloofs, 2. de vergeving der zonden, 3. de opneming in hot genadevorbond, 4. bot aandoen van Christus, 5. do opneming onder hot getal der kinderen Gods, G. de bevrijding van de macht des duivels, 7. hot bezit van de zaligheid en het eeuwige levon.2)

Onder renovatio rekent hij vooral do gave des Geostes, die vorstand, wil on alle krachten dor ziel begint te vernieuwen tot horstelling van bot verloren beeld Gods, door hot afleggen dor zonde on bot aandoen der gerechtigheid \'). Zoo ook noemt Luther de renovatio oen herbaalden doop, dewijl door don doop bet afsterven van den ouden en hot wodoropstaan van don niouwon monsch, in de onderdompeling en \'t woor opkomen uit hot water gesymboliseerd, eon aanvang noemt4).

Dat onder de vergeving der zonde, welke in do wedergeboorte begrepen is. verstaan moot worden niet de gohoole uitdelging dor zonden, maar alleen do opheffing van den roatus en het te niot doen dor zondeheorschappij, loert do Lutherscho kerk uitdrukkelijk. Ken overblijfsel der zonde blijft bestaan in de prava concupiscentia, die, ofschoon beteugeld en verzwakt, toch den voortdurenden strijd van geest tegen vloosch verwekt, welke eerst door den dood oen einde neemt. )

ll GKRUiRi), o.l., Tom. Ill, e. 714.

2) o.l., IV, c. 498, 599.

3) o I., IV, c, 504. v.

4) Cat. maj , 548.

5) Apol, 56: »Bapfismus tollit reatum peccati originalis,

etiainsi materiale peccati uianeat, videlicet concnpisccntia.....

Spiritus Sanctug, dal us per Baptismum, incipit mortificare con-cupiscentiain et novos motus creat iu homiliequot;; Cut. »un., 377; Cut. maj, 548; F. C., 575.

-ocr page 72-

64

\\\\ at betreft het genadeverbond, in de derde gave der wedergeboorte aangeduid, dit neemt in de Luthersche doopsleer nog niet die liooge plaats in, welke 7X\' liij de Clereformeerden gekregen beeft. Wel vinden we den doop beschouwd als eene opriéliting van hot verbond tusschen tfod en den enkelen mensch en wordt uit de duurzaamheid des verbonds de blijvende kracht des doops afgeleid, maar uitgangspunt in de doopsbeschouwing is zc niet geworden \').

Van meer beteekenis voor den doop is de loer der kerk. Omdat de kerk als corpus Christi niet samenvalt met de ecclesia instituta, welke eene externa politia is, onder wier opzicht zoowel boozen als goeden verkeeven, maar bestaat in de geestelijke gemeenschap der geloovigen, de „societas fidei er Spiritus Sancti in cordibus,quot; decongregatiosanctorum, over de heele aarde verspreid, waartoe geene booze elementen behooren, zoo is de doop, mits waardig ontvangen, door de werking des Greestes uiet slechts eene opneming in de uitwendige kerkgemeenschap, maar ook eene inplanting in het geestelijke lichaam van Christus, in de gemeenschap van de Christenheid der ganscbe wereld\'). Maar die op onwaardige wijze den doop gebruikt, sluit zich van Christus\' gemeenschap uit en wordt slechts lid van de uitwendige, zichtbare kerk.

Hieruit springt het groote gewicht van den kerkdijken doop in het oog. De innerlijke werking des Greestes gaat altoos met de rechte bediening der kerk samen. Want de doop is het water met Gods Woord verbonden, .aqua divino mandate comprehensa et verbo Dei obsignataquot;, en in het , Woord, dat in en mot het water is,quot; ligt het vermogen de wedergeboorte tot stand te brengen, doordien de li. (ieest het met Zijne kracht vervult1). Diensvolgens heeft de kerkelijke bediening, zou slechts de werking des Cl eestes

1

Cat. min., 37(3 v; Cat. ma/., 540; Art. Smal., 329.

-ocr page 73-

65

niet togeugestaan wordt, onfeilbaar de wedergeboorte ten gevolge. En dus bezit de kerk, zij \'t ook instruinentaliter, do macht, liet werk Gods aan den menseti te verrichten.

Maar daardoor ook verliest do wedergeboorte veel van hare hooge waarde. Ze wordt van voorbijgaanden aard. De genade des geloofs en des Geestes kan weder verloren gaan, want aan het instrumenteel-mensclielijk werk ontbreekt het absoluut, eeuwig karakter. Do gedoopte mist den waarborg, dat hij ten einde toe volharden en zalig worden zal. Hij kan in hardnekkig ongeloof en ..peccata contra conscientiamquot; vervallen en daardoor de genade der wedergeboorte, den H. Geest en het geloof verliezen \').

Echter is hierom nog niet herhaling van den doop noodig, noch ook geoorloofd. De beloften Gods, in den doop aangeboden, worden nimmer opgeheven, al wijken geloof en G eest uit \'s menschen hart. De in zonde gevallene denke aan zijnen doop en keere met oprecht berouw tot Gods genade terug, en de kracht des doops zal weder in hem openbaar worden1). Kn deze kracht des doops strekt zich nog verder uit dan tot de vernieuwing des geestes. Onderscheiden van de wedergeboorte door het Woord, welke alleen aan de ziel geschiedt, heeft de wedergeboorte door den doop ook betrekking op het lichaam. Door het water, het stoffelijke, wordt het lichaam toebereid voor het eeuwige leven:i).

Nog vloeit een ander gevolg voort uit de wedergeboorte door den doop, nl. de noodzakelijkheid van den doop tot zaligheid. Want, dewijl God met Zijne genade niet werkt dan door verordende middelen, kan niemand wedergeboren worden en alzoo den hemel ingaan, dan wien de kerk met haar doopwater besprengt2). Daarom

1

Cat. maj., 549 v.

2

Conf. Aug., XII., Apol., 156

-ocr page 74-

(i6

ook is in geval van nood do leokondoop gooorloofd cn wordt zorgeloosheid en verachting van den don)) streng veroordeeld\'). Toch heeft men deze stelling in hare gestrengheid niet gehandhaafd. Vooral met het oog op de kinderen, wier recht op den doop vaststaat op grond van Crods belofte, doch die kunnen sterven, alvorens het mogelijk was hun den doop toe te dienen, moest do absolute doopsnoodzakelijkheid wel wegvallen, zoo men zo niet ten verderve verwijzen wilde. Hierop is dan van toepassing de leer, dat Ood ook extraordinariter buiten de middelen om, werkt en heet het, dat de kinderen der christenen wedergeboren en behouden worden door eene bijzondere genademodedeeling Godsquot;).

Wat eindelijk de vereischten voor den doop aangaat, bij den bedienaar is noodig, dat hij in zijne bediening de instelling van Christus volge; bij de doopelingen moet onderscheid gemaakt worden tusschon de volwassenen en de kinderen.

Ten opzichte van den volwassene geldt onvoorwaardelijk niet slechts, dat hij den doop begeere, maar ook, dat hij positief geloof openbare r). De kerk mag geen openbaar ongeloovigon in haren schoot opnemen. Door het hooren of lezen van het quot;Woord kan de bejaarde hot ware, levende geloof en de bekeering ontvangen, welke hem den doop waardig maken. Waar nochtans het geloof ontbreekt, daar doet do doop geen nut. Veeleer ontvangen de hypocrieten, onboetvaardigen eu hardnekkige zondaars den doop tot oen oordeel i).

Ten aanzien der kinderen kan van eene openbaring des geloofs geen sprake zijn. Eene andere vraag is echter, of ook bij hen niet eene zekere mate des geloofs

1) Gerhard, o. I., c. 442.

2) Gerhard, o. 1., c. 513, 604 sqq.

S) Cat. mo/\'., 541: »citra fidem nihil prodest Itaptismus,quot; 549: «absente fide, nudum et inefficax signum tantummodo permn.net.quot;

4) Gerhard, c. 490, 512.

-ocr page 75-

07

moot worden ondersteld. Luthers beschouwing van don kinderdoop heeft in dit opzicht wel eenigc verandering ondergaan.

Toen hij in het begin aan den doop geen effect toekende dan wanneer hot geloof\' er bij komt, om de belofte Gods aan te grijpen, gaf hij over liet geloof der kinderen geene besliste verklaring. Hij zegt slechts ter loops, „dass den kleinen Kindcrn zu Hülfe werden gekommen, mit einem fremden Glauben, derer, die sie zur Taufe bringen,quot; en dat door het gebed der kerk „das kleine Kind durch don eingegegossenen Glauben verandert, geroiniget, und verneuertquot; wordt\').

Doch door den strijd met de Anabaptisten werd hij genoodzaakt zich duidelijker te verklaren. En nu ontwikkelt hij de vroeger uitgesproken gedachte verder. Eerst houdt hij nog oenigermate vast aan de voorstelling, dat ook do kinderen vóór den doop geloof bezitten. God wordt gebeden Zijnon zegen uit te gieten op den doopeling, ,dass er würdig werde zu deiner Taufe Gnade zu kommenquot;2). Weldra echter leert hij uitdrukkelijk, dar liet geloof den kinderen geschonken wordt in don doop. Eeeds had hij gewezen oji het woord Crods, dat bekwaam is door den H. Geest, om innerlijk hot hart van het kind te treffen, en op de groote ontvankelijkheid van hot kind, dat aan de genade Gods niets in den weg kan stellen :\'). Voortaan maakt hij onderscheid tusscheu het eigen geloof\'der kinderen, dat ze in den doop door het Woord, hetwelk niet redelijkerwijze, maar mystiek werkt, verkrijgen, en do jides aliena der kerk en der peters, die hot geloof\' der kinderen vóór den doop vervangt. ,l)arum sagen wir hier also zu und schliessen: Daas die Kinder in dor Taufe selbst glüubon und eigenen

1) Tn hot geschrift Von der habylonischen Gefangenschaft, Walch, o. 1.. XIX, S. 87 f-, Doiintii, Geschichte der protestan-tischen Theologie. S. 100, 159.

2) Walch, X, 2630 ff.

3) Dorneh, o. 1., S. 100; Küstlin, o. 1., I, S. 352.

-ocr page 76-

fiS

Olaulmn habcn, densclbston (rott in ihnen wii\'kct, duicli (Iuh Füibitten und 11(ü\'zubringeu dor l\'aten im (Haubcn dor Cliristliclion Kiicho; und das heissen wir die Kraft dos fremden Glaubons; nicht das jemand durch denselben mögo solig werden; sondern dass er dadureb, als durch seine Farbilte und Hillfe, moge con Gott selbst einen eigenen Glauben erlangen, dadurch er selig werdequot; \'). En verder ; ,Also sagen wir audi hier, das die Kindlein zur Taufe gebracht werden wolil durch fremden (Hauben und Werk; aber wenn sie dahin kommen siud, und der Priester oder Taufer mit ihnen handelt an Christi statt, so segnet er sie und gibt ihnen den Glauben und das Himmelreich; deun des Priesters Wort unt That sind Christi selbst Wort und Werkquot;quot;).

Luther veroordeelt het in de Waldenzen, dat zij oji het toekomstig geloof doopon. Zoo het geloof niet vóór den doop aanwezig is, wordt het toch in den doop geschonkenDo kinderen ontvangen een eigen geloof in den doop.

Maar Luther is nog verder gegaan. Hij acht ook dit niet volstrekt noodig, dat het geloof althans in den doop aanwezig zij. De doop steunt immers niet op het geloof, maar op de instelling Grods. Derhalve „accedente aquae verbo, baptismus rectus habendus est, etiam non accedente tidequot;J) Uit hoofde van deze objectieve geldigheid des doops, heet het: _Zoo gij niet geloofd hebt, geloof nu.quot;

Evenwel, op toekomstig geloof heeft Luther nimmer willen doopen. Zijne leer bleef, dat de kinderen het geloof in en onder den doop ontvangen.

Op zijn voorgang verklaren de latere Lutherscheu dit geloof voor eene Jides aelualis, altoos naar het vermogen en de bevattelijkheid van het kind verstaan. Met kind

1) Walcii, o.l, XI., 672.

2) Walcii, o. 1., XI, 675.

3) Walcii, o. 1., XI, 670.

4) Cat. ma/., 545 59.

-ocr page 77-

G9

grijpt ook op zijne wijze de belofte (rods aan. Maar liet ontvangt dit geloof\' tegelijk m den doop. En dat wel indabito. Want aan de kraclitige werking des Geesten kan het geen tegenstand bieden door zonde of ongeloof. .Vlle kinderen, die gedoopt worden, worden met het dadelijke geloof begiftigd. Vóór den doop echter hebben zij in ziohzelven niets. Heiligheid der kinderen vóór den doop te leeren, is eene dwaling. \').

Zoo is dan iu het stuk van den kinderdoop do Luthersche kerk wedergekeerd tot het Roomsche „opus opera turn,quot; slechts met dit verschil, dat zij niet gelijk Kome eene tides habitualis der kinderen belijdt, maar eene fides actualis, en dat zij de kracht des doops, mits het geloof blijve, zich over het gansche leven laat uitstrekken. Maar het einde is toch: wedergeboorte niet vóór, maar door den doop. En hiervan is de oorzaak geen andere dan deze, dat volgens de Luthersche leer de actie üods aan de actie der kerk gebonden is.

1; Gebhaku, o. 1., IV, e. 512, 590 599., CiOO.

«

-ocr page 78-

HOOFDSTUK IV.

De onzuivere toepassing van het beginsel der Reformatie in het Doopereehe dogma.

§ 1. Ixr.KTDING.

Zoo geringe afwijking van liet Roomsclie dogma de leer der Lutliersche kerk vertoont, zoo scherpe tegenstelling biedt do Doopersohe leer-opvatting met de traditioneele kerkleer, vooral in het stuk des doops. in het algemeen werd, wat van Rome herkomstig was, door hot Anabaptisme veroordeeld. Afgezien nog van de vraag, of de Wedcrdoopersclie richting uit het beginsel der hervorming opgekomen is, dan wel haren oorsprong ontleent aan het ethisch- mystieke sectewezen der middeleeuwen, met name, gelijk Kitsehl bepleit heeft, aan de principes der spiritueele Franciscanen,\') is hot niet aan twijfel onderhevig, of in den hervormingstijd is de kamp tegen Rome hot felst door de Anabaptisten gevoerd. In hoe velerlei groepen en partijen, die elkander

1) Geschichie des Pietismus I, S. 31 ff. In navolging van Schyn is door Halbertsma en ten Cute de afkomst der ilen-nonieton van de Waldenzen betoogd, terwijl Keiler betxelfde heeft trachten aan te toonen van de Dooporse e ricliting in \'t algemeen, welke voorstellingen echter niet onverdeelden bijval hebben gevonden.

-ocr page 79-

71

dikwijls wodci\'kocrig verketterden, ook onderscheiden \'), dit eene kenmerk hadden alle Dooperschen gemeen: een tot het uiterste gedreven anti-paptisme 1). Maar naar den stelregel, dat „les extremes se touchentquot;, is evenzeer aan den dag gekomen, dat in vele gewichtige geloofsstukken juist het Anabaptisme weder met Rome overeenstemde. Tot een recht verstand hiervan moge eene korte ontwikkeling van het Doopersche beginsel, als niet geheel overbodig, vooraf gaan:l).

Beschouwen we dit beginsel van uit het religieuse streven der reformatie, dan blijkt ons, dat de Dooperschen het subjectivistische standpunt hebben ingenomen, tegenover de objectiviteit van Rome. In de gemeenschap tusschen Ciod en inensch werd niet alleen de bemiddeling der kerk verworpen, maai\' viel ook alles weg, wat eenigszins de mededeeling der genade kan objectiveeren. Met de vernietiging van het hiërarchisch stelsel werd ook het kerkelijke ambt als zoodanig vernietigd.

Het Woord kon hoogstens eene paedagogische strekking toegekend worden, om den menscli tot de gemeenschap met God op te leiden, maar bindend gezag bezat het op den voortduur niet. J)i\' genoegdoening van Christus bleef niet de eenige, objectieve grond der rechtvaardiging, maar had de subjectieve aanvulling van het heilig leven der geloovigen noodig. Zoo verviel in zake de religie alle tusscheuschakel en bleef alleen de rechtstreeksche betrekking

1

Hoewel op voorgang van Menno voor de Mennonieten alle betrekking met do geestdrijvende Wederdoopers van Munster en dergelijke steeds is geloochend, is het echter tot dusver niet bewezen, dat zij in grondbeginsel van do door hen veroordeelde Doopersche partijen verschillen.

-ocr page 80-

72

dor ziel met God over, zonder objectieven grond. Vandaar beriep mon zich op dc persoonlijke ingeving des Grccstcs. Het profetisme kwam in eere; visioenen en openbaringen deden opgeld; bet gezag van een droomgezicht bewees de waarheid van nieuw gevonden ideeën, en ten slotte hield een ander clericalisme in wijden kring den intocht onder den schijn van eene inwendige roeping. De consequentie van dit beginsel is aan het licht gekomen in het optreden van David Joris, die zich voor den waren Messias uitgaf, in dc tooneelen te Munster, Amsterdam en St. Gallon, en in de leer der z.g. „vrije broedersquot;, waarin revolutionair de bestaande verhoudingen van het staatkundige, sociale en ethische leven werden aangerand.

Van groot belang werd dit religieus-snbjectivisme voor de opvatting van de idee der ééne heilige kerk. Door dc overeenstemming in geestesrichting van zelve tot samenbinding en gemeenschappelijk optreden gedrongen, vormden zich de Wederdoopers weldra tot groepen en gemeenten, die tegen de bestaande kerk van Rome als eene nieuwe kerk over kwamen te staan, nu niet institutair ingericht, maar toch genootschappelijk samengevoegd. Het karakter der heiligheid kon niet geconcentreerd worden in het kerkelijke ambt, want dit was weggevallen, maar moest dus gelden van het subjectieve leven van de leden der kerk hoofd voor hoofd, op grond van de rechtstreeksche gemeenschap met God.

Daarom moesten de booze elementen geweerd worden en alleen de goede opgenomen. Zoo zou men eene kerk verkrijgen van louter wedergeborenen.

Strenge afzondering van het onheilige was daartoe eisch. Wat niet de duidelijke sporen van de vernieuwende werking des Geestes droeg, werd buiten gehouden. Zou de gemeente haar heilig karakter bewaren, dan moest zij zich wachten van alle besmetting met hot onreine, door don Geost niet wedergeborene, en zonder gemeenschap met het leven buiten zich in haar eigen kring terugtrekken. Zoo kwam

-ocr page 81-

73

do absolute scheiding\' tot stand tussehen hetgeen der kerk en hetgeen der wereld was; tusschen bekeerd en onbekeerd, geest en vleesch, genade en natuur; eene scheiding, door Hoffman en vele Mennonieten consequent tot in de leer der vleeschwording doorgetrokken. Te midden der wereld optredend, maar van liet loven der wereld afgesloten, zou de gemeente der wedergeborenen de aanschouwing geven van liet herstelde koninkrijk Grods.

Dat is de kerngedachte, welke steeds de Doopersche richting gekenmerkt heeft, ook nadat ze gezuiverd was van de chiliastische ideeën der Munstersche dweepers. Het terrein, buiten de bijzondere genade liggende, is voor den wedergeborene een verboden terrein. Hij mag met het nier-geestelijke geene gemeenschap oefenen. Vandaar do mijdingen. Vandaar de strenge gemeentelijke tucht. Vandaar ook de eisch, daf zich het geestelijke openbare, opdat de wedergeborene van den onwedergeborene kan onderscheiden worden.

En alzoo droeg het anti-kosmistisch karakter der Doopersche richting er toe bij, dat in de religiezaken de nadruk niet zoozeer viel op liet innerlijke geloof des harten, gelijk hij de reformatoren, als wel op het geloofsleven in zijne openbaring, dat aan een nauwlettcnden keur onderworpen werd.

Dit gaf weder aanleiding tot tempering van het subjectivisme. De praktische ervaring toch wees uit, dat persoonlijk inzicht, op grond van het innerlijke licht des Geestes, op den duur tot groote verwarring en oneenighoid leidde. Daarom keerden de meer bezadigde partijen al spoedig tot liet gezag der Schrift terug. Voor de beoordeeling van liet subjectieve, zedelijke leven gold de maatstaf van het Woord Grods, waarbij echter dit Woord, gelijk bij de Mennonieten uitkomt, beschouwd werd niet in zijn organisch geheel, maar als een wetboek, waarin de geboden en instellingen voor het leven artikelsgewijze zijn opgenomen, zoodat men ze letterlijk

-ocr page 82-

74

liopf\'t to verstaan en op to volgon. Ilioniaar word kot ganscho goestolijko lovon van do wottolijko zijdo beschouwd en drong dus in do Dooporsche ricliting, die in zulk oon anti-kerkclijkon geest was opgetreden, ten slotte Homo\'s beginsel dor legaliteit weder door, zoodat in dit stuk het ultra-reformatorische zich met het niet- reformatorische heeft verzoend.

Uit dit Doopersche beginsel nu valt hot niet moeilijk de Dooporsche verklaring van ons dogma te verstaan. We geven die verklaring grootendeels aan de hand van Menno Simons en de Mennonieten, niet alleen, omdat zij dc blijvende kern van het veelszins ordolooze Anabaptisme hebben gevormd, maar vooral, omdat in den strijd met hen de Gereformeerden hier te lande tot oenc zuivere voorstelling van ons dogma gekomen zijn. Eeno volledige uiteenzetting van hunne sacramentsleer echter vindon we nergens, doordien do JFennonietcn, overwegend praktisch als ze waren, eer geringschatting dan waardeering toonden voor het leerstellige, zoover het los van de praktijk stond. Naar de korte aanwijzingen, hier en daar gegeven, is hunne sacramentsboschouwing de volgende.

§ 2. ÜE i,bee DEIl SACRAMENTEN.

J)e sacramenten zijn teekenen, door Christus verordend en aan Zijne gemeente gegeven, waardoor wij geleerd ou vermaand worden. Historisch wijzen ze ons terug op „het ware, zaligmakende genadetoeken Christusquot;\'), en herinneren ons aan de genade en liefde Crods, in Christus geopenbaard. In nooverre zijn het dus tookenon ter gedachtenis1). Voor het tegenwoordige boeldon zij het geestelijke leven af, dat zich in do gemeente openbaart,

1

2J In het Avondmaal komt dit duidelijk uit, want het is eene gedachtenis aan Cbristus\' dood en aan Gods liefdi en genade, ons geschonken, daarbij vermaant liet tot christelijke eenheid en liefde en beeldt de gemeenscluip met Christus\' vleesch en bloed af, Menno, o. 1., f. 43.

-ocr page 83-

75

het loven ilos goloofs en der boetvaardigheid \'). Do oorzaak, waarom wij deze teokenen te gebruiken hebben, is, dat Christus het heeft bevolen. Dit bevel moot gehoorzaamd worden, weshalve ook de sacramenten „teekenon der gehoorzaamheidquot; heetenquot;). Verachting on verwaarloozing veroordeelen.

Meer dan teekonon echter zijn do sacramenten niet. Zo brengen goono genade aan. Ze hebben niet de strekking Gods verbond aan ons to verzegelen :\'). En te loeren, dat God met Zijne genade in of bij de sacramenten tegenwoordig is, zoodat Hij onzienlijk in het hart werkt, wat door het teekon beduid wordt, is eene verleiding *). Van subjectief, niet van objectief standpunt moet men do sacramenten beschouwen, \'t Zijn niet zoozeer getuigenissen van Gods zijde, waardoor Hij ,mot ons handelt,quot; als wel getuigenissen van onze zijde, waardoor wij bewijzen, wat „in ons is,quot; ons geloof, onze gehoorzaamheid -.). Xut doen ze dan ookalleen, in zoover ze ons loeren, commemoratief van Gods genade, in (\'hristus bewezen, en representatief van het geestelijke leven, dat in ons woont, terwijl aan het gehoorzame gebruik Gods belofte verbonden is\'1). Dit wijst het verschil aan tusschen de sacramenten van het (hide en het Nieuwe Testament\').

1

Ürf.rick Philips, Enchiridion oft Handboecxken van de Christelijcke Leere ende Religion, f. 20

-ocr page 84-

7(5

De eerste wezen op eene toekomstige genade, u. 1. .het genadeteekeu Christus,quot; en beduidden een toekomstig geestelijk leven. Israel tocli was „een volk der letter en niet des geestes,quot; hetwelk doorgaans noch geloot\' noch boetvaardigheid openbaarde, zoodat, wat het bezat, uitwendig was, en ook de belofte Grods gelijk van het land Kanaiin, iets uitwendigs bevatte. Daarom lieet\'r het ook geen zin, zich in de doopskwestie te beroepen op de overeenstemming van den doop met de besnijdenis, noch op de eenheid van het verbond Gods met Zijn volk, want vóór Christus was dit volk vleeschelijk, en met Christus is het een geestelijk volk geworden.

Alle kracht en beteekenis van het sacrament hangt dus af van het subjectieve leven desgenen, die het gebruikt. Geldigheid op zichzelf bezit het niet. Zoo het niet op de rechte wijze wordt ontvangen, n. 1. wanneer de beteekende zaak, het boetvaardige, nieuwe leven niet aanwezig is, verliest het zijne waarde, wordt ,onnut en krachteloosquot; \'). Daarom zijn de sacramenten aan do heilige gemeente gegeven, die niet toelaten mag, dat er aan het goede gebruik iets ontbreekt. l)e dienaar, zoover van dienaar sjwake kan zijn, moet onberispelijk van leer en wandel zijn. Zoo hij in zonde leeft, is zoowel de dienst des Woords als der sacramenten onvruchtbaar en krachteloos, ja, worden de sacramenten tot „gruwelen en afgoderijenquot;

Xaar het bevel van Christus nu zijn de sacramenten twee in getal n. 1. doop en avondmaal, waaraan velen nog als derde ordinantie toevoegen de voetwassching, welke een beeld geeft van de innerlijke wassching door Christus\' bloed en vermaant tot ootmoed en nederigheid3).

1) Menno, o. 1., f öSSK

2) Menno, o. 1., f 448 eu 877; Peter van Cbblen, in het Protocol van Emden, act, 79, sect. 2. Stelling is; uit de vruchten hunner bediening kan men weten, of de predikanten wedergeboren zijn. Ze is geheel gegrond op de idee der eene, heilige gemeente.

ïi) Uieiuck Philips, o. 1., f. 2^7; Peter van Geulen in het Protocol van Leeuwarden, act. 139. Later kwam de voetwassching ju onbruik, bleef slechts bij do »Voetwasschersquot; bestaan.

-ocr page 85-

77

§ 3. De lekr des Doops.

Zoo weinig ontwikkeld de algemeene süoramentslcor mag genoemd worden, zoo veelvuldig zijn de verhandelingen over den doop. Vooral in de bestrijding van den kinderdoop, schijnt de Doopersche schrijfstift onvermoeid te üijn geweest, waardoor ook van Luthersche en Gereformeerde zijde vele pennen in beweging zijn gebracht. Op dit leerstuk zullen we daarom meer dan vroeger de aandacht vestigen.

A. Wat den doop in \'t gemeen betreft, staat zijne beteekenis bij de Dooperschen op den voorgrond als actus initiationis. I )oor den doop wordt men opgenomen in de gemeenschap der kerk, d. i. der wedergeborenen. Daar nu het doopssacrament wel een genadetoeken is, waardoor wij geleerd en vermaand worden, maar dat geene genade\' te weeg brengt\'), zoo kan de wedergeboorte niet het effect van den doop zijn. De Schriftuitdrukking: bad der wedergeboorte, beteekent dan ook, dat door het bad des waters de wedergeboorte wordt afgebeeld en voorgesteld, niet tot stand gebracht. Wil men nog van een doopseffectus spreken, dan is deze gelijk aan de beteekende zaak, welke ons geleerd wordt\'-). quot;NV edorgeboorte moet dus van te voren in den doopeling aanwezig zijn \').

De mogelijkheid hiervan is opengesteld, doordien de II. Geest reeds vooraf met Zijne genade werkt. Volgens de oude Wederdoopers geschiedt dit rechtstreeks, zonder eenig middel1), volgens de Mennonieten door het gehoor des Woords Gods \').

.Vaar deze laatste opvatting hebben wij de wedergeboorte voor eene zedelijke verandering van den mensch te houden. Wel heet ze eene verandering van het innerlijke wezen

1

Bullinger, o. 1., f. 7.

-ocr page 86-

78

dos menschcn \'), oen krachtig work Grods, oon lovondmaking uit do doodon, maar dorgelijke bopalingon on omsclirijTingen, aan do Schrift ontloond, vorderen oono nadere verklaring.

l)c Doopsgezinden toch loeren niet oono gohoelo verdorvenheid dor mensohelijke natuur door de zonde, maar alleen eeno verzwakking, zoodat het verstand bij het licht van het quot;Woord ware kennis Grods kan hekoraon, en do vrije wil en het vermogen overgebleven zijn, om do aangeboden genade Grods aan te nemen of te verworpen ). Het quot;Woord is hot middel in de hand des Goostos, waardoor Hij den monsch opwekt tot oon nieuw leven.

Tot leiddraad on maatstaf voor dit nieuwe leven dienen de geboden van Christus. Om den inensch tot zulk een leven naar Christus\' geboden te bewegen, houdt de Geest hom in het Woord do oordeelen dor wet tegen do zonde voor on biedt hem de beloften dos Evangelies aan, wanneer hij zich bekeert1). Het geloof nu bestaat hierin, dat de mensch de waarheid van het Woord erkent, toestemt en er zich gewillig aan onderwerpt. quot;Want door de verlichting des quot;Woords vat men de beteekonis van zonde on genade, en daarop buigt do wil zich over tot een betrachten dor geboden *). De schrik voor het oordeel kweekt ware vreeze Gods en boetvaardigheid, en de dankbaarheid voor do aangeboden genade brengt liofdo tot God voort. ()p dien grond wordt hot geloof „do baarmoeder aller deugdenquot; geheeton \')•

1

Hofkstiia, Leer der oude Doopsgezinden, bl. 240 vv.

-ocr page 87-

79

Cforochtighcid, heiliging\', goede werken, welke rusten op Gods gebod, vloeien met noodwendigheid uit het geloof voort. Een geloot\', dat zich in deze vruchten niet openbaart, is geen geloof\').

Op deze wijze grijpt in het innerlijke wezen des menschen de verandering plaats, die men wedergeboorte noemt. Ze vindt haren grondslag in de werking dos tfeestes, die door het Woord zedelijk den mensch overtuigt en beweegt tot een nieuw leven, terwijl het raiddel daartoe bestaat in het geloof, opgevat als fides historica of assensus, en in zijne werkzame kracht tot heiliging gelijkend op de tides formata dor Scholastiek\'). Ze heeft hare negatieve zijde in het berouw en leedwezen over do zonde, hetwelk zich openbaart in een leven der boetvaardigheid, het kruisigen des vleeschès en het dooden van den ouden mensch; hare positieve zijde in do vernieuwing des gemoeds en do verandering van wil en genegenheden, uitkomende in ,Gods goede leven, ware goedheid, gerechtigheid en heiligheid naar de wetquot; \'). Haar einddoel is de volkomen herstelling van het beeld Gods in den mensch. Dit beeld Gods echter wordt, overeenkomstig do Rootnsche leer der genade voor „eene Goddelijke hoedanigheid in de zielquot;, voor „oen deelachtig worden van de goddelijke natuur van Christusquot; verklaard \').

Principaliter moot zij in één tijdsmoment afgeloopen zijn, omdat, gelijk de wortel van do vrucht, zoo de wedergeboorte van „het nieuwe leven, den wandel in ware

1) Mf.xno, o. 1 , f. 150. 755; Hofkstka, o. 1., bl. 230.

2) Van het vertrouwen des geloofs is sprake in dezen zin, dat de geloovige, Christus aannemende en zich overgevend tot zijnen dienst, nu voorts «vertrouwt, dat God wel het overige zal schenkenquot;, Eis, Geloofsleer, art. 18.

3) Korte Belijdenis, art. 22.

4) Korte Belijdenis, art. 22; Menno, o. I.. f. 559\'\'; Dierick Philips, o. 1., t. 12b; Kis, o. 1., art. 20. Dit heet «Christus naar den geest kennenquot;. Korte Bel., art. 19.

-ocr page 88-

80

bckcoring on allo christolijko dougdon naar hot voorbeold van Christusquot; ondorschoiden wordt\').

In dozen zin nu opgevat, wordt zo door don doop verondersteld, nog moer, is zo do grond van don doop.

De voorname oorzaak toch, waarom de doop toegediend wordt, is in het subjectieve gelegen, want wel wordt niet geheel uitgesloten, dat ook in den doop eene getuigenis Gods tot den mensch komt; wel wordt zelfs toegegeven, dat de doop teeken en zegel is van het genadeverbond, in zoover ons Gods beloften daarin voor oogen gesteld worden, ten einde het geloof op te wekken en te versterken. Maar dit alles dient eigenlijk bij wijze van eene gratia subsequens en vormt dus den grond des doops niet. Verstaan we het goed, dan is telken keer, als de Doopsgezinden in de twistgesprekken mot de Gereformeerden erkennen, dat de doop een teeken en zegel des verbonds is, daarmede meer bedoeld het zegel van onze \\crhigt;nAs,i)ehoor saamJieid dan van Gods vei\'bondsie/o/ie\').

Evenmin kan het bevel van Christus voor den grond des doops doorgaan. Het wijst slechts de doopsnoodzakelijkheid aan.

Grond van den doop is de wedergeboorte en dan nog liefst de wedergeboorte in hare openbaring, do belijdenis onzer wedergeboorte. Op onze belijdenis toch worden wij door don doop in do gemeente der heiligen opgenomen. De doop dient tot bewijs, dat do gemeente ons voor wedergeboren houdt. Want al verklaart Menno\'), dat de doop geene inlijving in de gemeente is, omdat wij door hot geloof en de vernieuwing des Geestes het lichaam

-ocr page 89-

81

van Oliristus, do ware kerk, ingelijfd worden, toch is do doop oen „getuigenis, dat wij aangeschreven eu gerekend worden onder het getal en hot gezelschap der heiligen eu zaligenquot;\'). Daarom, opdat do gemeente wete, of ze waarlijk wodorgeboreuen in haren schoot opnoemt, is uoodig, dat do doopoliug aflegge 1. belijdenis zijns goloofs, \'2. betuiging van leedwezen over zijne zoude, 3. begeerte om te leven naar het voorbeeld van Christus, in gehoorzaamheid dor wet, Godo wolbehagolijk

Aan de andere zijde mag de doop ook niet worden nagelaten of veracht. De inzetting van Christus verplicht ons den doop tc gebruiken. Verachting werkt schade. ..Die den doop niet waarneemt, dien profiteert het geloof niet, want hot is niet gehoorzaam en heeft dus goene beloftequot; ^).

Maar op het gehoorzaam gebruik doet de doop zijn nut. Want hot geloof wordt geoefend; de gemeenschap niet den Geest verkregen, en de consciontio ontvangt do verzekering van do genade Gods, kwijtschelding der zoude en eeuwig leven. jS\'iet, dat de zonde geheel wordt vernietigd, maar toch wordt hare heerschappij verbroken, en wel zoo verbroken, dat de heilige haar ten slotte volkomen kan overwinnen en alzoo de volmaaktheid bereiken j).

Zoo ontvangt de wedergeborene tot belooning zijnor gehoorzaamheid in het opvolgen van Christus\' bevel do vergeving van zonden, waarom zelfs gezegd kan worden, dat ..in den doop de wedergeboren kinderen Gods gewasschen worden door hot bloed (gt;11 den Geest van Christusquot;\'). Maar daardoor ook worden wedergeboorte en zondevergeving van een gescheiden, en naast de zoenverdionsto

1) Dieriok Philips, o. 1., f. 264b.

2) Dieriok Philii\'S, o. 1., f. 11, 20; Meiino, o. 1., 22a, 498.

3) Menno, o. 1., f. 38 vv, 790. Dierick Philips, o. 1., f. 35 v.

4) Menno, o. 1., f. 759 vv.

5) Dierick Philips, o. 1., f, 14lgt;. Zoo geeft ook Menno toe, dat er kwiitschelding van zonde »m het Doopselquot; geschiedt, alleen niet door het Doopsel., f. 761a.

-ocr page 90-

82

van Christus dc wedergeboorte tot grond der rechtvaardiging gemaakt.

Eenc blijvende vrucht echter is aan de wedergeboorte nog niet verzekerd. Eene zedelijke verandering, de subjectieve daad van den mensch, heeft geen beslist duurzame waarde. De talrijke excommunicaties leveren het duidelijkste bewijs, hoe spoedig een wedergeborene, naar het oordeel der gemeente, uit den staat van heiligheid vervallen kan tot eene zonde, waarvoor geene vergeving te vinden is \').

15. Wat den kinderdoop aangaat, dat deze voor alle Dooperschen do groote steen des aanstoots is geweest, laat zich genoegzaam verklaren uit hun subjectivistisch beginsel, \'t welk zich met kracht stellen moest tegen het Roomsche opus operatum, dat in het stuk van den kinderdoop hot helderst aan den dag was getreden. Fel en aanhoudend is de oppositie tegen liet Paedobaptisme geweest. In de sterkste bewoordingen werd hot veroordeeld. l)e kinderdoop, zegt ilenno, is ,niets dan eeno ceremonie Antichristi, een openbaer laster, een toversche sonde, een gegoten kalf, ja, grouwel oude afgoderijequot;

De argumenten, welke do Dooperschen er tegen aanvoeren, zijn van tweeërlei soort, historische en theologische. Voor de eerste geldt het beroep op de Schrift, welke nergens een uitdrukkelijk bevel van Christus bevat, dut men de kinderen doopen moet, dewijl ze doorgaans van de volwassenen spreekt. Zo stelt voor den doop een hoogeren leeftijd dan dien van het kind. Dat blijkt zoow-el uit de leer van Jezus en de Apostelen als uit het gebruik in den Apostolischon tijd :i).

In deze bewijsgronden komt reeds uit, dat de Dooperschen tegen den kinderdoop voornamelijk uit theologisch oogpunt

Ij Menno, o. 1., f. 9b7 v. 1!) Menno, o. 1., f. 32b; 893a. 3) Menno, o. 1, f. 751-820.

-ocr page 91-

oppositio voerden, liet beroep op het feit, dat Christus hom niet bevolen had, dient in den grond slechts tot steun voor het eigenlijke, dieper liggend motief, n. 1. dat 1n de kinderen noch geloof noch wedergeboorte is aan te nemen \'). Geloof niet, want het geloof is eene werkzaamheid van hot redelijke verstand, dat Gods Woord, leer en gebod, verstaat en aanvaardt, en deze ontbreekt bij het kind. Daarvoor is onderwijzing in de loer des Evangelies en het gehoor des Woords Gods noodig, en noch het hooren noch het leeren ligt in het vermogen van het kind. ]Je verborgenheden dos doops, de beteekende genade Gods en de voorgestelde vernieuwing des menschen, kan het kind niet verstaan. En belijdenis des geloofs voor den doop af te leggen, ook daartoe is het kind niet in staat. Het verstandelijke vermogen des kinds is nog te weinig ontwikkeld, dan dat de kinderdoop van eenig nut kan zijn.

En evenzeer is alle gedachte van wedergeboorte bij het kind uitgesloten. Hoe zoo eene zedelijke verandering, eerst in \'t innerlijke wezen plaats grijpend, maar daarna ook terstond in \'t openbare leven en den wandel uitkomend, bij het kind mogelijk zijn? Eenen wil om zich te bekeeren, openbaart het niet. Berouw, leedwezen over bedreven zonde kan het niet betuigen. Gemeenschap aan dood en opstanding van Christus, in den doop afgebeeld, uit te drukken in bet afleggen van den ouden en het aandoen van den nieuwen mensch, is van een kind niet te vorderen. Het „verbond der goede conscientiequot; met God aan te gaan en zich geheel over te geven tot Zijnen dienst, vermag het niet. Derhalve kan van wedergeboorte bij kinderen geene sprake zijn. Zij kennen

1) Zie voor \'t vervolg vooral Schijn. Geschiedenis der Mennonieten, Dl. I, hoofdstuk III, IV, bl. 91 v.v.; Menno, o. 1., f. 15 v.v.; 175 v.v.; 471 v.v.; 751 v.v.; 881 v.v.; Diekick Philips, o. 1., f. 02 v.v., 269 v.v., Protocol van I-\'ranckeitthai. art. 12 art. 32, v.v.; vagt;i Emden art. 9. act. 82 v.v; van Leeuwarden, art. 5, act. 97, v.v.

-ocr page 92-

84

immers gcon onderscheid tussclien goed en kwaad. Zij hebben wel, zegt Menno\'), een spiritum vitaleiii, maar niet een spiritum justificantem aut innovuntem, en al hadden zo zulk een vornieuwonden (leest, dan nog zou die Geest dood, onvruchtbaar, krachteloos zijn, zoodat hot nieuwe leven niet openbaar werd en dus toch het gebod van don dooj) hun tegen was.

De onderstelling, dat men de kinderen doopen mag op toekomstig geloof en toekomstige wedergeboorte, wordt afgesneden door de besliste uitspraken der Schrift, welke volgens Matth.28 : 19 gebiedt, dat men eerst moot onderwijzen en daarna doopen, en volgens Mare. 10 : 15 voorschrijft, dat aan den doop het geloof voorafga.

Er blijft dus niets anders over dan de kinderen, zoolang zij niet tot kennis der waarheid, geloof en wedergeboorte gekomen zijn, van den doop uit te sluiten en mitsdien buiten de gemeente der wedergeborenen te houden. Wel echter is alle naarstigheid te betrachten in de opvoeding-der kinderen. Door hot gebed hebben de ouders zo op te dragen aan üod, dat Hij ze zegene, en door goede tucht en getrouw voorbeeld hun gehoorzaamheid aan Christus te leeren en hen te wijden tot Zijnen dienst. Zoo eerst wordt hot groote gevaar, dat in den kinderdoop schuilt, n. 1. dat de gemeente Gods dooi\' het goddelooze leven van vele in de jeugd gedoopten ontheiligd wordt, voorkomen.

Hierbij rijst echter de ernstige vraag: wat te denken van de kinderen, die sterven, noch gedoopt, noch wedergeboren. Alleen den wedergeborene toch is de ingang in het koninkrijk der hemelen toegezegd. Hot antwoord, algemeen door de Dooperschen hierop gegeven is: de kinderen worden zalig in hunne innocentia door

1) o. 1., f 798b.

-ocr page 93-

85

de1 vordionsto van Olii\'istus \'). Deze voovstnlling is gogrond op de Dooporscho leer der erfzonde. Volgons deze is wel door Adam de schuld gekomen over alle menschen, maar door Christus is deze schuld weer weggenomen, universalistisch, voor de gansche wereld 3). En wat betreft de erfsmet is wel de wil verzwakt en de neiging tot zondigen overgebleven, maar nu, na de verzoening door Christus^ gaat niemand verloren dan door eigen, dadelijke zonde. Aan dadelijke zonde maken zich de kinderen niet schuldig en daarom worden zij allen zalig, zoowel de kinderen der christenen als dor heidenen \'). Hunne innocentia komt overeen met den staat van Adam en Eva voor den val en staat gelijk met de boetvaardigheid der bejaarden.„ In hunne onnoozelheid behagen zij God\'1!). Volkomen juist was daarom het standpunt der Wederdoopers te Franckentlial s), toen zij ii]) de pertinente vragen van JUitbeen antwoordden, dat zij de kinderen niet bij de kerk van Christus en niet bij de goddeloozen, niet bij de schapen en niet bij de bokken, niet bij de geloovigen en niet bij de ongeloovigen, niet bij de christenen en niet bij de onchristenen konden voegen, zoodat er niets anders overblijft dan ze te houden voor een zelfstandigen groep van menschen, de innocentes, welke tussehen geloovigen en ongeloovigen in staan, eene voorstelling, welke wederom in hoofdzaak met die der lloomsche kerk overeenkomt.

1) Menno, o. 1., f 30n, 756b, 811; Dierick Philips, o. 1., f. 34; Protocol van Franckentlial, art. 4, act. 14, sect. 73, en art 12, act. 34, suet. 30; art 36, sect. 4; van Emden, art. 5,aet. C3, sect. 4 etc.; van Leeuwarden, art. 5, act, 90; art. 6, act. 102.

2) Alleeu van Eegheji, Korte catechismus vr. 75, ontkent de erfzonde, daar geene zonde kan geërfd worden «zonder eigen kennis en inwilligingquot;.

3) ïen onrechte beperkt Maatschoen in zijne aanteekeningen op Schijn, dl. I, bl. 123 de genade tot de kinderen der christenen. Daartegen uitdrukkelijk Emden, art. 25, act. 47, 56; Franckentlial, art. 12, act. 32, sect. 26.

4) Menno, o. 1., f 176

5) Protocol, art. 12, act. 82, sect, 13, 24, 26; art. 36, sect. 17, 19, 21, 27.

-ocr page 94-

TWEEDE DEEL.

DE GRONDLEGGING VAN HET GEREFORMEERDE DOGMA DOOR DE GEREFORMEERDE HERVORMERS.

HOOFDSTUK I.

Calvijns leer over de sacramenten en den doop in het algemeen.

§ 1. Inleiding.

Eeno zuivere toepassing van het refbrmatorisch beginsel op de sacraments- en doopsleer, vindon wij, gelijk wij zagen, bij Luther en de Dooperschen niet. Luther is er niet genoegzaam in geslaagd de genadeactie Gods van de actie der kerk te onderscheiden, zoodat hij, exceptis excipieudis, alle heil weder door de kerk liet mededeelen, en, geen zelfstandig werk Gods vóór de kerkelijke handeling aannemend, bij den kinderdoop tot het opus operatum verviel. De Anabaptisten stonden hot ideaal voor, om do éóne, heilige kerk zichtbaar op aarde te verwezenlijken, maar, dientengevolge te veel dringende op liet subjectieve leven, loochenden ze de actie Gods in het sacrament, waardoor het tot eeno ceremonie verlaagd werd, terwijl het feit, dat in de jonge kinderen het geestelijke loven nog niet uitkomt, hen voortdreef tot goheele verwerping van den kinderdoop, waarbij zij moesten konion tot do loer van de innocontia der kinderen. De oplossing

-ocr page 95-

87

to vinden van het probleem, waarvoor de reformatio in zake sacrament en doop werd geplaatst, is den Uerefbrmeerden voorbehouden geweest, \'t Is waar, niet terstond met volle vastheid van begrip, maar dan toch met genoegzame duidelijkheid zijn de lijnen uitgestippeld, üok in dit opzicht was Calvijn de man, wiens scherpe geest aanstonds het bestek ontwierp van een leerstelsel, dat, ,als in metaal gegoten,quot; dooi- zijn verheven beginsel, zijne gestrenge consequentie en zijne schriftuurlijke klaarheid het Gereformeerde denken in alle landen meer of\' min heeft beheerscht. Dat Calvijn van Luther geleerd heeft, valt niet te ontkennen, maar deswege is hij nog geen epigoon van Luther te noemen \'). Stellig juister is het gevoelen van Müller, die hem .die Stellung des vollendeten Reformators\'\' aanwijst1). Het was juist Calvijns privilege, dat hij opgetreden is in een tijd, toen Luthers reformatorische gedachten de gansche wereld vervuld hadden, maar daarentegen ook het drijven der Anabaptisten openbaar was geworden. De hervormer van Oeneve heeft beide, de leer van Luther en van de Dooperschen, naar waarde kunnen toetsen. Zelf\' met hart en ziel de hervorming toegedaan, poogde bij telkens de Lntherschen terug te leiden op den weg, waarvan zij afgeweken waren sinds den strijd met Carlstadt, terwijl hij tevens de betrekkelijke waarheid van het Doopersche streven inzag.

Calvijns leer vertoont dan ook eene veelzijdigheid van opvatting, die wij bij Zwingli missen. Zwingli\'s sacramentsleer neigde te veel naar den kant der Anabaptisten. Wij merken slechts enkele sporen op, vooral uit het laatste tijdperk zijns levens, welke zich aan Calvijns leer aansluiten. Daarom meenen we voor de kenschetsing van de Gereformeerde beginselen in de sacraments- en doopsbe-schouwing, met voorbijgang van Zwingli, te kunnen

1

Symbolik S. 388.

-ocr page 96-

SS

volstaan mot oon beroop op Calvijn, om te doen uitkomen, lioe de waarheid, die èn door Ijuther èn dour de Anabaptisten gevonden was, in het Gereformeerde leersysteem op schoone wijze samengepaard, aan den dag treedt, terwijl datgene, wat noch door Luther noch door de Anabaptisten tot oplossing gebracht was, bij de Gereformeerden eene zuivere verklaring gevonden hoeft.

^ 2. DE SacramextsIiEER.

Het was Luthers reformatorische gedachte, dat in de sacramenten do genadeactie Gods zich concentreert op het effect des geloofs, opgevat in den zin van tiducia. Deze gedachte hoeft Calvijn bijbehouden en alleen nog nader bepaald en uitgewerkt. Eeeds, wanneer hij in zijne definitie van het sacramentsbegrip, het sacrament beschouwt van Gods zijde, komt dit uit: „Het sacrament is een uitwendig zinnebeeld, waardoor de Heere de beloften zijner goedgunstigheid jegens ons aan onze conscientiën verzegelt, ten einde de zwakheid van otis yeloof te steunenquot; Hij berispt Zwingli en do Dooporschen, omdat zij op de menschelijke actie in het sacrament eenzijdig den nadruk hebben gelegd. Hoofddoel, waarom de sacramenten ingesteld zijn, is niet om voor merkteekenen van onze religie te gelden, maar, om ter betooning van Gods genade) te dienen tot hulpmiddelen van ons geloofquot;). Want de oorzaak, waarom God de sacramenten verordende, is de zwakheid van ons geloof. Aan Gods Woord hebben wij niet genoog. Gods belofte heeft bevestiging noodig.

1) Inst., lib. IV, cap. 15, §. 1. Bedoeld is steeds de bekende editie van 1559, voorkomende in de uitgave der Opera Omnia, dl. IX, Amsterdam, 1667, en later bezorgd door Tholuck.

2) IV, 15, 13.

-ocr page 97-

8!)

Xict, dat do waarheid Gods uit zichzclve niet liondig en vast zou wezen, maar vleescholijk als ^yij zijn en hangende aan liet stof, is ons geloof zwak en behoeven wij aan allen kanr stenn om staande te blijven. Daarom heeft God er voor gezorgd ons door zienlijke teekenen als in eene schilderij zijne geestelijke heilgoederen voor oogen te stellen en van zijne genade te vergewissen (§ 3). Pilaren des geloofs, spiegels van Gods genade mogen we de sacramenten noemen (§ (i). In plaats dus van overbodig te zijn, omdat wij reeds door het Woord den wil Gods kennen» bezitten de sacramenten juist groote waarde, daarin, dat zc ons Gods beloften verzegelen. Met beroep op Kom. 4 : 11 licht Calvijn toe, hoe wij de sacramenten moeten beschouwen, nl. als zegels aan oorkonden, publieke actestukken, vorstelijke decreten gehangen, welke aan dengene, die ze ontvangt, waarborg geven van de echtheid en waarheid van hetgeen in zu Ik een stuk is beschreven (§ 5). Zoo waarborgen de sacramenten de beloften Gods, in het Woord vervat. Ze zijn er de onderpanden, pignora van (§ 1!2). En daar God zijne beloften verbonden noemt, bekrachtigen ze ook als verbondsteekenen quot;t geen God te voren met woorden heeft verklaard. Het zijn „oefeningen (exercitia), welke ons geloof aan hot woord Gods vaster maken.quot; (§ 0). Wat door het woord is geleerd, wordt door de sacramenten bevestigd j maar afgescheiden van het Woord, verliezen ze hunne beteekenis, evenals het zegel zonder oorkonde niets beduidt.

Toch oefent een bloot uitwendig gebruik van het sacrament zonder meer zulk een effect niet. Er woont geene verborgene kracht in hot sacrament, waarop wij ons vertrouwen zouden mogen stellen (§ 12). Evenmin als het woord in het sacrament het vermogen bezit, op de wijze van eene magische tooverformule het element te consecreeren. Want het woord oefent effect uir, .niet omdat het gesproken, maar omdat het geloofd wordt,quot; gelijk Augustinus gezegd heeft, liet woord doet alleen dienst om verstaanbaar te maken, wat het teeken beduidt (§ -1)quot;

-ocr page 98-

no

Tot zoover stomt Calvijn in hoofdzaak mot Luther overeen. Maar hier scheiden zich hunne wegen. Luther kende de kracht van het sacrament wel toe aan do inwerking dos II. Geestes, maar alzoo, dat de Geest het Woord met Zijn Goddelijk vermogen vervult en onvoorwaardelijk en altoos aan hot Woord gebonden is. Luther had dus de werking des Geestes met do bediening van hot sacrament samengevlochten en ineen laten vloeien, zoodat hij on in het algemeen aan den Geest een vrij, zelfstandig werken, buiten de middelen om, ontzeide, èn niet de mogelijkheid stelde van eene sacramentsbediening zonder des Geestes tegenwoordigheid. Derhalve hield hij de genadeactie Gods en de actie der kerk niet genoegzaam uiteen, maar liet veeleer de eerste in de andere opgaan. Calvijn nu, deze voorstelling voor eene dwaling houdende, leerde, dat ook in het gebruik der genademiddelen de souvereiniteit Gods heerscht. Diensvolgens luidt zijn stelregel: Uod heeft wel voor de toebrenging des heils uiterlijke hulpmiddelen ingesteld, maar Hij werkt vrijmachtig ook buiten die middelen om. Zoo bezigt Hij gewoonlijk voor het opwekken van het geloof het orgaan Zijns Evangelies, maar nochtans bezit Hij de macht, ook op andere wijze den mensch te zaligen \'). Zoo heeft Hij de kerk gesteld tot eene leerschool, tot eene opvoedende moeder, die de geloovigen baart en opkweekt, maar naar Zijne verkiezing zijn er ook vele geloovigen buiten de kerk2). God heeft ons gebonden aan het gebruik der middelen, maar Zelf is Hij niet gebonien. ,Externis mediis alligata non est Dei virtusquot;3).

Derhalve is ook aan de sacramenten de genade God8 niet gebonden, gelijk de rechtvaardigheid van Christus verkregen kan worden, zonder dat de sacramenten haar verzegelen \').

~iyiv, 1, 5.

2) IV, 1, 4, en 8.

3) IV, 1, 5.

•1) IV, 14, 14.

-ocr page 99-

91

lets anders is hot echter, of niet de genade Gods met de sacramenteu in verband staat, of niet de „gratia sacraraentis conjuncta estquot; \').

Dit houdt Calvijn mot kracht staande. Do sacramonten zijn „genadeniiddelenquot; \').

Door de teekonen „brengt do Heere daadwerkelijk te weeg, wat Hij afbeeldt (Dominus re ipsa exhibet, quod figurat)quot; ^). Niet alsof het sacrament „een zeker trechter en kanaalquot; is, waardoor de genade heenvloeit, maar omdat God „door de kracht Zijns Geestes in ons betoont, dat hot sacrament geeno bodriogolijko of ijdele voorstelling (fallax vel inanis figura) is.quot; Evenals het Woord instrument is tot aanbrenging van het goloof, de zon tot vruchtbaar maken der aardo en hot brood tot levensonderhoud, ofschoon ze al te zamen onbozioldo dingen, _res inanimae,quot; zijn zoo gebruikt God deze teekonen, die uit zich zelf voor geestelijke zaken onvatbaar zijn, als middelen om eene geestelijke werking uit te oefenen J). Van eon sacrament als instrument en orgaan der genade te spreken, is dus niet ongeoorloofd, mits men den 11. Geest voor don auteur

1) Corpus lleformatorum, Calvini Opera, Vil, 694, 701, in de omlerhauilfllingen voor den Consensus Tigurinus met Bullinger 1549.

2) Corp Ref., VII, 493 sq.: Cum signis ipsis eonjungimus veram rei exhibitionem\', VII, 694: »Sacranienta sunt inamp;trumenta gratiae Dei. Nam quod iüis figuratur, dicimus exhiberi electisquot; Het kan niet aau twijfel onderhevig zijn, of Calvijn wel eene exhibitio gratiae leert. Tal van uitspraken toonen dit aan. Vooral in de leer des avondmaals doet Calvijn telkens niet klem en nadruk uitkomen, dat met het teeken tegelijk de waarheid of de beteekende zaak medegedeeld wordt; zie bv. Inst., IV, 17, 10; »Non est quod obiciat quispiam, figuratam^esse loquutionem, qua signatae rei nomen signo deferatur. Fater snne fractionem panis symbolum esse, non rem ipsam. Veram hoc posito, a symboli tarnen exhibitione rem ipsam exhiberi rite colligemus,quot; Éq evenzoo § 11.

3) Corp. li,, VII, 703.

-ocr page 100-

92

blijft in-konncn on liet siicraiucut nan Hein subordineert1). In dien zin a])i\'ookt de Schrift dikwijls, dat een dienaar of eene uitwendige handeling genade aanbrengt, terwijl het toch (rod is, van Wien de genade uitgaat\'). liet instrument is dan de causa seounda, „inferius organumquot;, werkende ,infcriore locoquot;2).

Dat (iod inderdaad ons schenkt, wat Hij in het teeken ons voorhoudt, waarborgt Zijne waarachtigheid. „Deus fallaci spectaculo non delndit oculosquot;\'). Echter ligt daarin niet opgesloten, dat (iod altoos ter zelt\'der tijd of\'op dezelfde plaats de genade toebrengt. Wel spreekt (\'alvijn zich zoo uit, dat niet de bediening tegelijkertijd (^siniur) de genade aangebracht wordt, maar hij verklaart terstond, dat hij „simulquot; opvat in den zin van .similiter,quot; insgelijks, evenzeer, n.1. -dat wij zoo zeker aan do boteokonde zaak deel krijgen als wij met onze oogen het toeken aanschouwen (tam vore nos fieri compotes rei signatae quam vore signum oculis cernimus)quot; s).

1

Consensus Tigun\'nus, art. 8, 12, 13; IV, 14, 17, en §7: Misbruik van de sacramenten verbindcrt niet, dat zij, u bi et quoties Deo placet, et verum de Christo comnmnicatione testimonium nffoiant, et hoe ipsum queque exhibeat praestetque Spiritus ipsius Dei quod promittunt.quot; In de uitgave van 1539 stond hiervoor bloot «exhibet cjuod promittuntquot;; sinds 155U echter veranderd, klaarblijkelijk onder den invloed van de onderhandelingen, met Bullinger gevoerd (cf Ustf.kt, in Studiën und Kritiken 1S84, Catvins Sacraments nnd TauJIe/ire, S. 424, noot 2). Zoo ook in de Defensio doctrinoe de sacramentis 1555 C, li. IX, 22: De sacramenten brengen genade te weeg, «quatenus Domino spiritus sui virtntem in illis exserere placet;et quidem arcana sua, et intrinseca, ut loquantur, virtute (Deus peragit)quot;.

2

C. R., VII, 718; Cat. Genev., C. /i., VI, 115.; Co\'t\'m. in Ef. 5 : 26: »lta nihil plus signo tribuitur, quam ut sitinjerius organum, et quidem a se ipso inutile, nisi quatenus aliunde vim snam mutnatur;quot; Inst, 14, 10: gt;intermedio fulgore.quot;

-ocr page 101-

93

l)c wijze, waarop do (ieost door het sacrament de genade aanbrengt, verklaart Calvijn niet met Luther in zulk een zin, dat do Greest liet Woord met Zijne kracht vervult en daardoor hot Woord macht ontvangt om zich baan te breken door het oor tot het hart, maar hij spreekt van een toetreden, ecno accessio des Geestes. .De sacramenten vervullen dan eerst hunne taak naar behooren, wanneer do innerlijke leermeester, t.w. do Geest er bij komt. Deze tusschenkomst bestaat hierin, dat do Goost aan de sacramenten toegang verleent tot het hart. Op zichzolf\' zijn de sacramenten onnut en krachteloos, (.non hilum proficiunt,quot;) gelijk de glans der zon, stralend op een blind oog en het geluid in doove ooren ruischend, niets vermag. Maar evenals het gezicht voor het opnemen des lichts, en hot gehoor voor het opvangen dor klanken, zoo wordt het hart door den Geest toebereid voor de versterking des geloofs, doch op bovennatuurlijke wijze, door bijzondere genade, „praeter naturae modum speciali gratia.quot;

Dit geschiedt door innerlijke verlichting, en wel zoo, dat de Geest toont, dat hot God is, die in Woord en Sacrament ons toespreekt, dat Hij do hardnekkigheid van ons hart verzacht, on stemt tot die gehoorzaamheid, welke men het Woord Gods verschuldigd is, en eindelijk, dat Hij de uiterlijke woorden en sacramenten van de ooren in de ziel overbrengt. Calvijn onderscheidt derhalve tweeërlei werkzaamheid dos Geestes hij het sacrament: le eeno voorboreidondo (gelijk liij nader toelicht voor do bediening des Woords 14, 11), waardoor het hart ontvankelijk gemaakt wordt voor hot opnemen der genade, evenals hot gezicht voor hot licht, het gehoor voor het geluid en do akker voor het uit te strooien zaad; 2e oene medewerkende, waardoor

eerst door de sacrumenten de genade ontvangen werd. Met de verklaring, dat gt;sinmlquot; moet opgevat, worden in de beteekenis vaa gt;simililerquot;toout bij zich ingenomen.

-ocr page 102-

94

do werking van woord on teckcn wordt overgeplant van oor en oog in de ziel en daar ingegraveerd. „Woord en sacrament bevestigen ons geloof\', doordat ze ons den goeden wil onzes Hemelschen Vaders jegens ons voor oor/en stellen, in de erkenning van welke al do vastigheid van ons geloof bestaat en waardoor de kracht des geloofs toeneemt. De Geest bevestigt (ons geloof), doordien hij deze bevestiging (door do sacramenten) in onze zielen inprent en zoodoende krachtig maakt.quot; Dus zijn de sacramenten middelen, in de hand van God, waardoor Hij ^intermedia t\'nlgorequot; ons gemoed verlicht\').

Allo actie nu van Geest en sacrament is geconcentreerd is de unio niytira cum Christo. De sacramenten hebben het doel ons tot Christus te leiden, in wien alle heilgoederen aanwezig zijn -\'). Vandaar wordt Christus de substantie en materie van het sacrament genoemd, en de waarheid, welke door het teckcn wordt voorgesteld ^). En do H. Geest, die het geloof schenkt en vermeerdert, is degene, die met Christus vereenigt. Zoodoende is dit do bijzondere sacramentsgenade, dat God dooi- do zichtbare middelen eeue nauwere verbintenis met Christus tot stand brengt. „Haar mate gij door de sacramenten in de gemeenschap met Christus vordert, naar die mate trekt gij uit hen nutquot; \').

Xiet iedereen evenwel valt de genade des Geostos ten deel. Deze wordt slechts genoten door de uitverkorenen. Alleen in do uitverkorenen wordt de werking des Geestes openbaar. \\Vat door de sacramenten afgebeeld wordt,

1) fnat., IV, 14. 9 en 10.

2) Cat. Genev., C. R., VI, 116; G. li., VII, 694.

3) Inst, IV. 11, 1G.

4) /nst, IV. 14. 15; cf. ook § 7: »Verum de f\'hristi communieatione testimonium affernntquot;; en G. It., VII, 720: »Secl quatenus sacnimentis confirmalur ol augesuit fides, con-flrraantur in nobis Dei dona udeoque anffescit quodammodo Christus in nobis et nos in ipsoquot;: Confession des ecoliers, C. It. IX, 727: De sacramenten hebben hel doel in Christus alles te zoeken, wat tjt de zaligheid behoort en in Hem ons gelooi\' vast te makenquot;.

-ocr page 103-

95

wordt don uitverkorenen geschonken (,((Uod illis sacramentia figuratur, dicimus exldberi eh.ctisquot;) \').

Het ia do vrijmacht Gods, welke liij de uitdooling van het keikolijk sacrament bepaalt, wie met hot toekon ook de beteekonde zaak ontvangt. Daarmee wordt de Luthersche loer van eene efflcacia sacramenti, altoos en overal, teruggewezen. Wol is waar zegt Calvijn, dat de waarheid van hot sacrament altijd bestaan blijft, dat zijne kracht niet hangt aan de conditie en den wil van hom, die het gebruikt, aangezien ze in Christus gelogen is, maar kracht der genade oefent het sacrament toch alleen in de uitverkorenen1).

Deze uitverkorenen zijn do geloovigen. Want het geloof is eene vrucht der uitverkiezing. Het wordt goonen andei\'on dan don verkorenen geschonken:\').

En zoo nu is hot noodig, om in het gebruik van het sacrament genade te ontvangen, dat men een geloovige zij. liet geloof, zegt Calvijn, is bot voornaamste deel van het sacrament. Hot geloof van hot sacrament te scheiden is „gelijk de ziel uit hot lichaam weg te nomen.^ Want, omdat het sacrament dient om het geloof te voeden en te vermeerderen, kan het geen effect doen, waar het geloof ontbreekt2). De ongeloovige ontvangt niets. „De goddoloozon on hypocrieten gaan door hunne verkeerdheid hot effect dor genade óf onderdrukken óf verdonkeren of tegenhouden.quot; -Wij kunnen de toekonen zoo ontvangen, alsof ze tevergeefs gegeven warenquot;3). Geloof, (in \'t algemeen wordt van volwassenen gesproken) is voor liet ontvangen dor genade voreischt. Geloof naar

1

Inst., IV, 14, 16.

2

Acta Si/nodi Trid., chw. antidota, C. It., VII, 494.

3

inst., IV, 14, 7 en 16

-ocr page 104-

96

do uitspraak dor Sclirift, „van ganscher hartequot;, d. i. oprccht_ ongeveinsd; geloof\', door den Greost door middel van hot Woord gewerkt (§8). Het geloof is als de mond van hot vat, waarin wijn, olie of een andere vloeistof uitgegoten zal worden; wanneer die mond gesloten is, vloeit de olie voorbij en het vat blijft ledig (§17). Daarentegen rust op hot ongeloovigo gebruik van het sacrament het oordeel, n. 1. dor ondankbaarheid, dat men de aangebodene genade Gods versmaadt. .Ia, zelfs gaat Calvijn zoo ver, dat hij ook eeno negatieve werking van het sacrament schijnt aan te nemen; ,Evenals do warmte der zon een levend en bezield lichaam wel verkwikt, maar in hot lijk stank verwekt, alzoo is het zeker, dat do sacramenten, wanneer geen Geest des geloofs aanwezig is, eer een reuk ten doodo dan ten leven ademenquot; \').

Ivadat Calvijn aldus de boteekenis der sacramenten als teekenen en zegelen van Gods genade heeft ontwikkeld, erkent hij ook de waarheid van het gevoelen van Zwingli en do Dooperschen, die de sacramenten beschouwen als teokenon van onze professie. Er heeft, verklaart Calvijn, eene onderlinge, wederkeerige verbintenis van God en mensch plaats. God betuigt Zijne genade, maar ook van \'s menschen zijde geschiedt er («ene handeling: de mensch betuigt zijne godsvrucht, en wel on tegenover God on voor de menschen. Maar ook deze handeling dient weder tot versterking van het geloof, want het geloof wordt geoefend tot openlijke belijdenis en prijze van God

Wat ten slotte Calvijns beschouwing over het onderscheid der oudtestamentische en nieuwtestamentische sacramenten betreft, hij bepaalt aldus: do eerste gaven eeno afschaduwing van den beloofden en verwachten Christus, de andore daarentegen getuigen van den Christus, die roods gezonden is. De substantie, Christus, is dezelfde; de wijze

1) Defensio dodrinao de sacramenlis, C. li-, IX, 25, 3) /n\'st., ÏV, 14, 1. 13. 19.

-ocr page 105-

97

van working\' gelijk, maai\' do ceremoniocle vormon verschillen, on ook Jo kracht, want ilo gave Jos Goostes is thans rijker on ovorvloodigor dan onder het Oude Verbond, zoodat het woord van Angiistinus omtrent do sacramenten des N. Testaments gelden mag: ,lii getal geringer, in beduidouis verhevener, in kracht uitnenienderquot; (§ 23, 24).

Mogen we thans onze conclnsie opmaken, wat volgens Calvijns voorstelling hot kenmerkend Gerofonnoerdo is in do algemeene sacramentsleer, dan zouden we het kunnen weergeven met dit woord: het theologisch beginsel. Nader bepaald echter laten zich de lijnen aldus uitduiden:

a. Do sacramenten zijn in de eerste plaats Gods genademiddelen, dienende om ons, tot sterking van ons zwak geloof. Zijne beloften te verzegelen (daarna ook strekken ze tot betuiging van onzen godsdienst).

h. Met do sacramenten nu deelt God Zijne beloofde genade ook daadwerkelijk mede.

c. Dit geschiedt, doordien de H. Geest Zijne innerlijke werking paart aan de sacramentsbediening.

d. Deze innerlijke werking des Goestes is echter niet absoluut aan het sacrament gebonden, noch wat tijd noch wat plaats betreft.

e. Ze wordt ook niet bij allen, die het sacrament ontvangen, maar alleen bij do uitverkorenen gevonden.

ƒ\'. In deze uitverkorenen heeft God Zijne genade roods vóór hot gebruik van hot sacrament verheerlijkt; zij bezitten geloof.

g. Dit geloof wordt hun nu versterkt door het sacrament, doordat het sacrament op bijzondere wijze (door het zichtbare toeken en de mystieke werking des Goestes) hen tot Christus loidt en in Zijne gemeenschap doet toenemen.

-ocr page 106-

98

§ 2. De i,eer des Doops.

Wat van do saoramonten in \'t gemeen geldt, moet natuurlijk van toepassing zijn op den doop. Eu dus staat allereerst vast, dat hij ingesteld is èn tot bevestiging van ons geloof voor (rod èn tot belijdenis van onzen godsdienst voor de menschen. ïessera ac nota professionis is hij — dit houdt Calvijn tegenover Zwingli en do Dooperschen staande — eerst in de tweede plaats. Hoofdzaak is do verzegeling der beloften Cfods aan liet geloof1). Deze beloften zijn voornamelijk de vergeving dor zonden, ook afwassehing en reiniging genoemd, en de wedergeboorte, welke met bokoering en heiliging identisch is. De uitspraken dor Schrift Marc. 1G : 1G, Ef. 5 : 2G, Tit. 3 : 5, G, 1 Petr. 3:21, gelijk ook Johannesquot; doop van de bekeering tot vergeving dor zonde, geven dit te konnon, en reeds vindon wij er eono afbeelding van in de sacramenten van hot (gt;udo Testament, den doorgang door do Roode Zee on de wolk, welke Israël bedekte, van welke liet eerste do vernietiging van Satans heerschappij over ons on de dooding der zonde ( == wedergeboorte), en hot andere de afwasssohing en bedekking der zonde tegen hot oordeel Crods ( = zondevergeving) voorstolden (§ 9). Van doze beide beloften Gods, de afwassehing en do heiliging, brengt hot Evangelie do boodschap en die boodschap wordt nu door don doop verzegeld (§ 2).

Wat do vergeving der zonde betreft, do doop verzegelt niet eono gohoelo uitdelging van hot zondig bestaan dos monschou, maar alleen eono wegneming van de schuld en daarmede samenhangend van do straf dor zonde (8 10).

Want naar Protestantsche beschouwing, aan do loer van Rome togonovorgostold, mocht do rechtvaardiging, welke in twee dooien uiteenvalt, t. w. in de vergeving der zonden en in de toerekening van Christus\' gerechtigheid

1

Inst., IV, 15. 1. 2.

-ocr page 107-

90

niet samonvlooion met flo lioiligmaking, maar moest er streng van ondorscheiden worden. De rechtvaardiging is eene rceliterlijkiquot; daad (lods, een actus forensis, welke buitenden menscli geschiedt en alleen door liet geloof hem eigen wordt; zo raakt \'s menschen verhouding tot zijnen Ood en valt dus samen met do verzoening en aanneming in genade tot kinderen Gods, do reconciliatio en adoptio \'), terwijl de heiliging een werk Gods is, in het innerlijke wezen des menschen plaats grijpend, hetwelk zijne innerlijke gesteldheid verandert met het dool het beeld Gods, zoover het verloren is, in hem te herstellen.

Diensvolgens is de rechtvaardiging op óón moment voor altoos voleind en heeft daarentegen de heiliging een proces te doorloopen van minder tot meerder, dat zich over het gansche leven uitstrekt.

Om deze oorzaak moeten wij beide gaven Gods, hoewel ze onafscheidelijk samengevoegd zijn, daar wij ze in Christus te zamen en tegelijk ontvangen, niet met elkander verwarren. V.\'ant gelijk de ééne zon tegelijk licht en warmte uitstraalt, licht om de aarde te verhelderen en warmte om de aarde vruchtbaar te maken, maar daarom licht en warmte nog niet hetzelfde zijn, zoo bestaan ook rechtvaardiging en heiliging wel tegelijk in Christus, maar nochtans zijn ze van verschillend karakter -). Bijgevolg is ook de vergeving der zonde, welke door den doop verzegeld wordt, niet een te niet doen van de zonde iv den mensch, hetwelk door de heiliging geschiedt, maar alleen een opheffen van do schuld der zonde, die op den mensch rust, zoodat ze hem niet toegerekend wordt1). De doop is een symbool der reiniging, of liever zooveel als eene verzegelde oorkonde (,instar cuiusdam diplomatisquot;), waardoor God ons verzekert,

1

Acta Si/n. Trident., C. 11-, VII, 425: j.Nos tantum peccati reatum vere tolli in baptismo assevimus, ita ut quae manent peccati reliquiae non imputenturquot;.

-ocr page 108-

100

dat onzo zonden zóó weggedaan, opgeheven en uitgewischt zijn, dat ze nimmer meer voor Gods aangezicht noch. in Zijne gedachtenis opgekomen noch toegerekend worden1). En deze toerekening dor zonde is in alle deelen volmaakt. Ze geldt niet slechts de verledene, maar ook de toekomstige zonden, waarom zoowel uitstel des doops tot het uiterste des levens als de instelling van een nieuw sacrament der poenitentie tot delging der zonde, na den doop gepleegd, eene dwaling moet heeteu. Voor den berouwhebbenden zondaar is genoeg, dat hij de gedachtenis aan zijnen doop hernieuwe en daardoor zijn gemoed wapene tegen aanvechting (§ 3, 4).

.De tweede belofte (iods, welke de doop verzegelt, de wedergeboorte, omvat het genadewerk Gods in den mensch, het werk der heiliging en bekeering. Vandaar laat Calvijn regeucratio en poenitentia gewoonlijk samenvallen -•). Alleen verdient opmerking, dat hij de wedergeboorte nimmer iu het uitwendige trekt. Men zou kunnen zeggen, dat hij ze tot den geestelijken achtergrond van de poenitentie maakt, omdat zo ziet op de verborgene werking dos 11. tfeestes, waaruit de vruchten der bekeering voortkomen ■\'). Principieel iu de beteekonis: van aanvang des nieuwen levens, gelijk de Roomsche kerk overgeleverd had, vat hij ze doorgaans uiet op. Eene enkele maal misschien uitgezonderd lt;), beperkt hij de wedergeboorte niet tot de eerste genadedaad Grods iu den mensch, maar laat ze het gansche proces dos geestelijken levens omspannen, zoodat hij ze op ééno lijn stelt mot de vernieuwing,

1

/}\'.lt;/.. IV, 15, 1.

-ocr page 109-

101

(ronovatio of novitas vitao \'), oonc voorstolling mot die dor Lutliorselio kerk, gelijk wc gezien bobben, overeenkomend on dus waarschijnlijk van haar overgenomen.

Tegenover Servet on vele Dooperscho groepen, die leerden, dat do wedergeboorte reeds op aarde volmaakt is, ja, moet zijn, omdat de gomeente öods niet anders dan volmaakten mag bevatten, handhaaft Calvijn beslist, dat in dit leven do volmaaktheid nimmer bereikt wordt. In ons binnenste woelen nog altoos do overblijfselen dei-zonde, do fomes peccati, do prava concupiscentia, die gelijk een brandende oven voortdurend vlammen en vonken uitbraakt, of gelijk een fontein onophoudelijk water opwerpt. Eerst, wanneer met den dood de ziol voor don hemel volkomen geheiligd wordt, is do wedergeboorte volmaakt -). Dan heeft ze haar einddoel, de oolledu/e herstelling van het beeld Gods, d. i. van de reine mensohelijke natuur mot hare voortreffelijke eigenschappen, kennis, (gerechtigheid) en heiligheid, bereikt. Tot zoolang bestaat de wedergeboorte in een langzaam voortschrijdende hervorming naar liet beeld van Christus, den tweeden Adam, die het zuivere beeld Gods is, waarmede natuurlijk het ton onder brengen der zondo gepaard gaat\'1). Bijgevolg bevat ze tegelijk een negatief en een positief deel; het negatieve, de dooding des vleesches, mortificatio, en het positieve, de levendmaking, vivificatio ^1).

Een aanvang neemt dit proces der wedergeboorte, wanneer wij door den H. Geest worden verlicht tot het geloof in Christus (= aanvang dor kennis ) en vernieuwd

1

Inst., 11, 8, 1; III, 3, 9; IV, 15, 5; Cat. Gen., VI, 117.

-ocr page 110-

102

tot de gehoorzaamheid aan G od (= aanvang der heiliglieid) \').

Derhalve rust de wedergeboorte op en komt voort uit de inplanting des geloofs en de principieele bekeering, of eerste omzetting van den wil, zoodat, waar deze beide ontbreken, van wedergeboorte geen sprake kan zijn. Dat, in \'t algemeen genomen, hot middel om de wedergeboorte op te wekken, het Woord Gods is, kan Calvijn den Dooperschen toegeven. Alleen God werkt ook onmiddellijk en bovendien is de eigenlijke werkmeester de H. Geest, die niet op zedelijke, maar op bovennatuurlijke wijze het nieuwe leven in den mensch schept ■1).

Alzoo bestaande, wordt de wedergeboorte door den doop verzegeld. Do dooding des vleesches zoowel als de levendmaking des Geestes, beide in hare langzame ontwikkeling ;i). Want nitl geheel wordt de zonde in den mensch te niet gedaan, ook al wordt de schuld, die op den mensch rust, geheel weggenomen. Slechts de macht der zonde wordt gebroken, zoodat ze niet heerscht; de heerschappij van onzen Pharao, den duivel, heeft een einde; maar tegen de overblijfselen der zoude in, de concupiscentia blijft de worsteling des geloofs tot het einde toe voortgaan, hoewel in do zekere verwachting, dat wij zullen overwinnen.

Om tot dien strijd met de zonde op te wekken, dient de doop. De geloovigen zullen niet ophouden, „wakker

1

Inst., 11, 2, 19. 21; 3, 6. De regeneratie komt dns uit de clectio voort, III. 3, 20.

-ocr page 111-

103

te strijden, en tor voortgang daarin zich te bozielon on tot do vollo overwinning aan te sporenquot; \').

Maar deze zedelijke strekking van den doop is niet hot voornaamste — daarin gaan de Dooperschen fout — hoofdzaak is de liekrachting van de mystieke gave dei-wedergeboorte, de werking van den H. Geest -). Naar de overlevering ziet deze bekrachtiging momenteel alleen oj) do wedergeboorte in haren aanvang. Of daarin tevens de voortgang en voleinding der wedergeboorte ligt opgesloten, mogo later blijken. Voorshands staat slechts vast: do doop verzekert den aanvang des nieuwen levens.

Tot hiertoe kan men zoggen, dat Calvijn, hetgeen Luther reeds gevonden had, hoofdzakelijk heeft overgenomen en op zijne eigene wijze uitgewerkt. Maar verder gaat de overeenkomst ook niet. Reeds bij do nadere ontwikkeling van de verzegeling der zondevergeving en der wedergeboorte door den doop, bespeuren we cru eigenaardig verschil.

Tot dusver was de gangbare voorstelling geweest, dat allo actie van den doop zich samentrekt op het effect der wedergeboorte, zoodat de zondevergeving aan deze gesubordineerd werd. Zoo luidde het dogma, door de lioomsche kerk overgeleverd, omdat Rome de justificatio in de sanctificatio laat opgaan. Zoo had Luther het dogma aanvaard, omdat hij anthropologisch uitging van de rust des gemoeds, door de zondevergeving verkregen. Maar Calvijn kon van wege zijn theologisch standpunt deze voorstelling niet langer beamen. Al schijnt een het enkele maal,

1) Inst, IV, 15, 11.

2) Hoezeer Calvijn ouderscheid maakt tusscben het mystieke cn het zedelijke moment der wedergeboorte, toch stelt hij beide in zeer uauwe verbinding met elkander, laat het tweede met noodwendigheid uit het eerste opkomen, Inst, IV, 15, ü: «Inde exhortatiocis materiam sumit. Quodsi Chrisüani surans, debemus mortui esse peccato et justitiae viverequot;. Het is een der karakteristieke trekken van Calvijns leer, in dit opzicht boven de Lnthersehe uitmuntend en met de Doopersche overeenstemmend, dat hij er steeds allen nadruk op legt, dat het zedelijke leven noodzakelijke vrucht is van ontvangen genade.

-ocr page 112-

104

dat hij do vergeving der zonde tot con onderdeel der wedergeboorte maakt, feitelijk is liet anders. Daar hij bij alle genade uitging van het doen Gods, moest hij de zondevergeving objectief beschomven en dus gecoördineerd plaatsen naast do subjectieve wedergeboorte.

Maar daardoor ook word hij verplicht te zoeken naar eene boogere eenheid, waaronder beide begrippen konden samengevat worden. En deze hoogere eenheid vond hij in de inlijving in de gemeenschap met Christus.

Dit komt uit, als hij alle genadeactie van den doop (evenals van de sacramenten in \'t gemeen) terugleidt op Christus. Christus is het fundament, de materie en substantie van den doop, het eigenlijke object, waarin de doop zijne vervulling vindt. In Christus\' naam doopten de Apostelen, omdat alleen in Hem alle gaven Gods gevonden worden. Christus is ,de auteur der innerlijke genadequot;, dewijl Hij denH. Geest schenkt, doopende, naar het woord van Johannes, met den H. Geest en met vuur \'). Zoo is in Christus alle genade begrepen, zoowel de objectieve genade, de zondevergeving, als de subjectieve, de wedergeboorte.

Dat Calvijn juist de inlijving in Christus als hot centrale doopsoffect beschouwd heeft, karakteriseert de oplossing van het doopsvraagstuk, gelijk die door do Gereformeerden is gevonden.

Daarin toch had men een begrip, dat met de idee van kerk zoo nauw samenhangt. Er werd door uitgedrukt, dat het teeken der inwijding in do uitwendige kerk tot beteekende zaak hooft en verzegelt de inlijving in de inwendige, onzichtbare kerk.

Maar bovendien word er zoodoende ook verband gelegd tusschen den doop en alle werk des Geestes tor toepassing des heils. quot;Want de genademiddelen bobben de strekking, ons doel to geven aan do heilgoederen, door Christus

1) Tnst IV. 15, 6, 8.

-ocr page 113-

105

verworven. Zoolang evenwel Christus buiten ons staat, is al Zijne verdienste voor ons waardeloos. Maar worden wij met Christus in verband gezet, dan genieten wij Hem met al Zijne goederen. Nu is het middel, waardoor wij aan Christus deel krijgen, het geloof. Maar de diepe oorzaak is de verborgene werking des Greestes, door wien Christus ons nader komt, Zich met ons vereenigt, en in ons woning maakt, en die ons liet geloof schenkt, waardoor wij Christus omhelzen en Hem ingelijfd worden. En dit geschiedt op zulk eene wijze, dat wij met Christus samengroeien tot één geheel; één lichaam, waarvan Hij het hoofd is en wij de leden zijn, één geslacht waarvan Hij de eerstgeborene en wij Zijne broederen. En alzoo wordt dat heilig huwelijk gesloten tusschen Christus en Zijne gemeente, waardoor wij vleesch van Zijn vleesch en been van Zijne beenderen worden \').

Uit deze gemeenschap met Christus, de z. g. unio mystica, dooi\' den Geest tot stand gebracht, vloeit alle heil voort.

Eerstelijk, dat wij door God beschouwd worden als leden van het lichaam onder ons hoofd, Christus, begrepen te zijn, zoodat God ons de gerechtigheid van Christus toerekent, do zonden vergeeft en ons voor rechtvaardig verklaart1).

Vervolgens, dat uit het leven van Christus het nieuwe leven der wedergeboorte ons toevloeit2). En eindelijk dat alle genadeweldaden, die verder in de gemeenschap met

1

/nst., III, 11, 10. 20 sqq. Ook onze werken wordendoor Cbristus gezuiverd; wat daarin onvolmaakt is, wordt door de volmaaktheid van Cbristus bedekt; ze worden door (rod voor rechtvaardig gerekend III, 17, 8, 10,

2

III, 1, 3, 3.

-ocr page 114-

100

Christus opgesloten liggen, ons ten deel vallen, waarvan deze de voornaamste is, dat wij, ingelijfd in Christus, kinderen Gods zijn, want de gemeenschap met Christus is de grond van de gemeenscha]) met (iod \').

Dit alles wordt nu door den doop betuigd en verzekerd. Zondevergeving ontvangen wij door do besprenging met het bloed van Christus,\' het eenige ware bad der reiniging, waarvan het water des doops eene afbeelding geeft\'). De wedergeboorte neemt een aanvang, doordien wij in den dood en de opstanding van Christus worden ingelijfd, uit kracht waarvan _de dooding des vleeschesquot; en „de levendmaking des Geestesquot; in ons tot stand komen, hetwelk gesymboliseerd wordt in de onderdompeling en het weer opkomen uit hot waterEn voorts betuigt de doop, dot wij deel hebben aan al de heilgoederen van Christus, .ten teeken waarvan Hij zelf den doop in Zijn lichaam geheiligd heeft, opdat Hij dien met ons gemeen zou hebben tot een sterken band der gemeenschap, dien Hij met ons wilde aangaanquot; 4).

Wordt zulk eene gemeenschap door den doop bevestigd, dan moet de doop meer dan een loerend en vermanend teeken zijn. Er moet kracht van hem uitgaan. Niet alsof het water zelf bet vermogen bevat te reinigen en te wederbaren. Het water symboliseert slechts. De II. Geest reinigt van zonde, doordien Hij mis met het bloed van Christus besprengt en do 11. Geest wederbaart daar 11 ij ,met eene nieuwe, geestelijke natuur ons drenktquot;») Maar deze werking des Geestes voegt zich bij de bediening. Wij hebben den doop te ontvangen .als uit de hand van Godquot;, vast geloovende, dat Hij het is, die in het teeken

Ij III, 1, 3; IV, 15, 6.

2) Inst, IV, 15, 2.

3) IV, 15, 5; Cat. Genev , C. R., VI, 118.

4) Inst., IV, 15, 6; Confession des écoliers, C. li., IX, 729.

a) Inst., IV, 15, 6; III, 1, 1; »Arcana Spiritus irrigatione

animus nostras eo (sanguine Christi) purgari;quot; Cat. Genev., C. It., VI, 118.

-ocr page 115-

107

mis toosproekt on dio zoo zekor binnon in ons al do genade, welke de doop voorstelt, aanbrengt, ,als wij mot onze oogen zien, dat ons lichaam door het water uitwendig afgewasschen wordt.quot; God drukt door het teeken Zijn wil uit, om ons allo heil te schenken. En Zijne waarachtigheid staat er borg voor, dat Hij hot ook doet. „Koque tantum nudo spectaculo pascit oculos; sod in rem praesentom nos adducit ot quod figurat, ol\'flcacitor simul impletquot;\'). Om het geloof in zijne beide dealen, kennis en vertrouwen te sterken, klimt de verzegeling der genade (obsignatio) op tot hot genade aanbrengen (exhibitio). Tot bewijs daarvan dient Cornelius, de hoofdman, die reeds voor don doop vergeving van zonden on geestesgaven ontvangen had on dio daarna gedoopt word, niet om meerdere vergeving maar om .vastere oefening dos goloofs, ja om vermeerdering van geloofsvertrouwen, (fiduciao augmentum) uit het onderpand (des doops)quot; te verkrijgen

Evenwel is hiermede niet gezegd, dat God altoos op hetzelfde oogonblik als de doop bediend wordt, genade mododeelen moet. God staat Souverein boven alle dingen en is aan niets gebonden. Hij kan do boteekende zaak desnoods ook later doen volgen. Tot voorbeeld strekke, dat Calvijn van don doop, in het Pausdom ontvangen zegt: voor dien tijd. dat wij in blindheid en hardheid des harten do beloften Gods onachtzaam lieten liggen, heeft de doop geen nut opgeleverd, maar nu grijpen wij die beloften aan door het geloof. Want God blijft waarachtig en zijne belofte vast. Wat Mij belooft heeft volbrengt Hij ook. .Ood belooft door den doop zondevergeving en die beloofde vergeving zal hij ongetwijfeld allen, die gelooven, schenkenquot;.

1) /nst, IV, 15, 14; Confession des ecoliers, C. li., IX, 729, »In baptismo nobis re ipsa et efficaciter (Deum) dorare qnidquid in eis figurat.quot; Cat. Gcnev., C. R., VI, 118: »Sic figuram esse sentio, ut simul anne.va sit Veritas. Neque enim, sua nobis dona poüicendo, nos Deus frustraiur. Proinde et peccatorum veniam, et vitae novitatem offerri uobis iu baptismo, et recipi a nobis certum est.quot;

2) Instit, § 15.

-ocr page 116-

108

Dus staat het vast, dat „hij hot toeken de (beteekende) zaak en de waarheid komtquot; namelijk, -in zoooer Got/ door utlicendige middelen irerlc\', (nuatonUB per externa media Deus operatur)quot;, omdat (rod vrijmachtig genade toebrengt, ook buiten de middelen om \').

Deze genade Gods valt natuurlijk alleen den uitverkorenen ten deel1). Niet iedereen, geloovigen en ongeloovigen, al zij het dan ook den laatsten tot een oordeel, gelijk de Lutherschen leerden. God kiest de wijze, waar op Hij werken wil, door de middelen ot\' onmiddellijk, en Ilij kiest ook de personen, in wien Hij werken wil.

Van dit standpunt Gods uit, valt thans het juiste licht oj) de verzegeling der wedergeboorte door den doop. Omdat het Gods hand is, die alles werkt, bestaat er geen beletsel meer, waarom niet in het begin der wedergeboorte tevens het einde zou begrepen zijn. Noch Rome, noch Luther, noch de Dooperschen konden aannemen, dat de genade der wedergeboorte onverliesbaar is, omdat zij zich o]) subjectief, anthropologisch standpunt plaatsten, waarnaar ieder gedoopte wedergeboren wordt, maar ook vele gedoopten later blijken af te vallen van de genade. Maar is het God, die de wedergeboorte werkt, en zijn het alleen de uitverkorenen, die wedergeboren worden, dan is met den aanvang der wedergeboorte de ingang in de eeuwige zaligheid verzekerd. En naar den gang van het organische leven ontwikkelt zich dan de wedergeboorte van trap tot trap, totdat ze met den dood hare voleinding bereikt. Dit is de leer van de volharding der heiligen, welke de Gereformeerden kenmerkt2).

1

Zie de sacramentsleer in \'t algemeen.

2

fnst., II, 3, li ; IV, 15, 12: »Docet (Paulus Kom. 8:1) eos quos semel Dominus recepit in gratiam, in Christi sui com-muniouquot;m inseruit, in Ecclesiae societatem per Baptismum cooptavit, dum in Cliristi fide perseverant, etiamsi a peccato obsideantur, at quo ideo peccatum iu se circumferant, reatu tameu et damnatione esse absolutes. Ill, 2, 11: »üt solos elcctos semine incorruptibüi Deus in pcrpGtaaut regenerat, ut nunquam

-ocr page 117-

109

Erkennen wij alzoo den doop voor een middel in Gods liand ter toepassing des heils, dan is het van weinig belang, in welken toestand de bedienaar des doops verkeert. Zijne meerdere of mindere waardigheid doet niets af of toe aan de waarde van den doop, evenmin als het karakter van den bode aan de beteekenis van den brief, dien hij brengt. Het is eene dwaling der Anabaptisten, dat zij herdoop eisohen van degenen, die onder Rome gedoopt zijn. Mits toegediend naar de instelling van Christus, wordt door de onheiligheid van den priester noch door den bedorven doopsritus de doop in kracht verkleind \').

De zaak, waar het veel meer op aankomt, is het geloof. Zonder geloof ontvangen wij niets:), terwijl het ontbreken van het geloof eene ,getuigenis van ondankbaarheidquot; is, waardoor wij schuldig voor Grod staan. Geloof (in \'t algemeen is weder van de volwassenen sprake) moet te voren aanwezig zijn, want alleen door liet geloof hebben we gemeenschap met Christus en Zijne weldaden; alleen door \'t geloof kunnen wij de beloften Gods aangrijpen en op de versterking van het geloof is de actie van den doop gericht.

Xaar dit geloof beoordeelen wij ook van menschelijke zijde de kracht en uitwerking dos doops.

Zooals ons geloof het ervaart, zoo zegt men, dat God ons in don doop Zijne genade schenkt. -Het heet,

dispereal semen vitae eorum cordibus insitum: iUi solide in illis obsignat adoptiouis suae gratiam, ut stabilis ae rata sit.\'\'

1) Inst., IV. 15, 16. 19. lu een brief aan Socinus, C.li , XIII, 308 zegt Calvijn, dut in Eome nog een overblijfsel der kerk is eu dat, »hoezeer door vele smetten bezoedeld, de doop toch zijne kracht behoudt, zoo hij slechts bediend wordt met dit doel, dat de kinderen der geloovigen het teeken der aanneming volgens het bevel vim Christus ontvangen. Blijft er maar eenig kenteeken van de goddelijke instelling in over, dan is de doop niet voor nietig te verklaren.quot; In eeu volgenden brief aan Socinus, XIII, 48G drukt Galvijn zich zoo sterk uit: »Jam nihil mea refert, sitne homo Lncianiens. qui baptizat, sitne diabolus.quot;

2) Cat. Gemrv., C. II., VI, 120; »Mulli, dum illi sua pravitate viam pruecluduiit, elliciuiit ut sibi sit inanis.quot;

-ocr page 118-

110

dut wij (in den doop) ontvangen, bekomen, verkrijgen wat, naar de ervaring ran o».i geloof, ons door Grod verleend wordt (quod, quantum ad tidei nostrae sensuni, nobis a Domino exhibetur), hetzij, dat Hij dit dan l)ij den doop eerst betuigt, oi\' wel, wat reeds betuigd is, nu meer en vaster bevestigtquot; \').

In dien zin heet het, dat de doop vergeving van zonde aanbrengt en dat de wedergeboorte van den doop at\' begint, ook al zijn ze reeds van te voren genoten; en evenzeer, dat wij door den doop in Christus ingelijfd worden, al blijkt ook uit de aanwezigheid van het geloot\' dat de gemeenschap met Christus reeds van te voren bestaat.

15ij het eerste deel van den doop, de versterking des geloofs, behoort thans nog gevoegd te worden het tweede deel, dat Calvijn van Zwingli aanvaardt, de belijdenis van onzen godsdienst voor de mensohen. De doop toch is ook een teeken, waardoor wij openlijk belijden de begeerte, onder Gods volk geteld te worden, de overeenstemming met alle christenen in éénen dienst van den éénen God en het geloof, \'t vertrouwen op Gods barmhartigheid en Christus\' gerechtigheid ( §§ 13 en 15).

Deze beide de versterking des geloofs en de belijdenis van den godsdienst samennemende, verkrijgen wij nu de volle beteekenis van den kerkdijken doop, welke Calvijn in de definitie, aan het hoofd van zijn doopstractaat^ geplaatst, uitdrukt: _i)e doop is het zegel der inwijding^ door hetwelk wij in de gemienschap der kerk irorden opgenomen, opdat wij, Christus ingelijfd zijnde, onder de kinderen Gods gerekend mogen worden, (baptismus signum est initiationis quo in ecclesiae cooptamur societatem, ut Christo insiti, inter lilios Dei censeamur)quot;. Door de opneming in de uitwendige kerk dus wordt men gerekend

1) /nst. IV, 15, 15, ct. C. It. VII, 720; »Sed quatenus sacramentis eontirmetur et augescit Jides, coiifiriaantur in nobis Dei donaquot;.

-ocr page 119-

in

in Christus ingelijfd te zijn en mitsdien tot liet getal der kinderen (iods te behooren.

Dat toont eene grootsche, ideale opvatting van den doop. Er wordt geene magische kracht aan den doop toegeschreven; er wordt niet geleerd, dat de doop /.00 noodzakelijk is, dat hij in doodsgevaar ook door private personen, zelfs vrouwen mag toegediend worden1). Calvijn handhaaft krachtig, dat de doop slechts door wettig geroepen dienaars en in de vergadering der geloovigen geschiede, maar toch schat hij den doop op zeer hoogen prijs, (iod heeft den doop ingesteld tot middel der genade en de geïnstitueerde kerk belast met het uitreiken van don doop. En ofschoon Hij bij machte is ook op andere wijze Zijne genade mede te doelen, wij zijn aan (iods iiiHtelliiig gebonden. Bijgevolg hebben wij buiten de kerk en haren doop geene genade te wachten. Die de kerk veracht en don doop versmaadt, sluit zichzelf van hot heil uit. Hij heeft op geene vergeving der zonde noch zaligheid te hopen3)

Aan de andere zijde echter hebben wij ook van iederen gedoopte aan te nemen, dat hij lid van het lichaam van Christus en kind van God is. Dat is de regel van het oordeel der liefde, ons gegeven. Die in geloof, leven en deelnemen aan de sacrament God en Christus belijdt, dus

1

Daartegen komt Calvijn met beslistheid op, naar den stelregel, dat de mensch niot het recht heett van de instelling Gods af te wijken. Het beroep op het voorbeeld van Zippora weerlegt hij Inst., IV, 15. \'11. Het io immers eene dwaling te meenen, dat eene loutere »pronuntiatio verborumquot; zonder de gt;explicatio mysteriiquot; te geven, voldoende is, alsof de doopsformule een tooverdenn, («inagicum carmen\'\') was en niet eene summiere uitdrukking van de kracht, bet bevel en de strekking van den doop. (Vera ecclesiae reforniandae ratio, C. li, VIT, G19). Aan de kerkedienaren te Mompelgard schrijft hij (Oct. 1043, C. R, X, 625): Indien de vorst den doop der vrouwen wil doordrijven, moeten zij ten bloede toe zich er tegen verzetten. In de vergadering der geloovigen moet gedoopt worden en anders niet, omdat de doop eene plechtige opneming is in de kerk en eeno getuigenis van het burgerschap des hemels, (brief van Oct. 1564 C. R., XV, 265; Acta. Syn. Trid., C. Ii„ VII, 496).

-ocr page 120-

112

een goed lid der kerk zich betoont, hebben we voor een levend lid van Christus en een kind vim God te houden1).

Dat Calvijn hierbij veronderstelt, dat de uitwendige kerk zich openbare als eene ware kerk (rods, door de zuivere verkondiging des woords en do bediening der sacramenten naar de instelling van Christus, terwijl de tucht, het zenuwstel der kerk, van kracht dient te zijn, spreekt van zelf2). Alleen met deze onderstelling kon hij de gedachte vormen, dat de zichtbare kerk, niet naar de beschouwing van God, die de ware kerk, de ware leden van Christus, de uitverkorenen kont, maar naar menschelijke beschouwing, alzoo in de zichtbare kerk hare openbaring vindt, dat men in \'t algemeen alle gedoopton te rekenen heeft voor kinderen Gods.

Alles samengenomen, wordt nu ons resultaat omtrent de Gereformeerde doopsbeschouwing naar Calvijn, in verband met wat wij reeds over de sacramenten in \'t gemeen vonden het volgende :

o. De doop, in de eerste plaats als genade-middel Gods opgevat, verzegelt do beloften van zondevergeving en van wedergeboorte, welke beide genadegaven zijn, uit de inlijving in Christus voortvloeiende.

h. God schenkt deze beide genadegaven daadwerkelijk met den doop, n.1. door de bijkomende werking des Geestes, maar niet beslist altoos tegelijkertijd en onder de bedioniug.

c. H ij verleent zo alloon aan de uitverkorenen, maar deze uitverkorenen hebben reeds het geloof, zoodat ze ook reeds in Christus ingelijfd zijn, zondevergeving en wedergeboorte genieten.

(/. Bijgevolg dient de doop, om don uitverkorenen, die

1

Inst., IV, 1, 8.

2

Hoezeer Calviju aandringt op het uitoefenen en handhaven van de kerkelijke tucht bewijst /«si., IV, 12. De tucht dient tot een teugel tegen degenen, die de leer van Christus bekampen tot een prikkel om de min gewilligen op te wekken en tot eene vaderlijke roede om in zachtheid en lankmoedigheid de zwaarder gevallenen te kastijden, 12, 1,

-ocr page 121-

113

reeds golooven; in hun geloof on zoodoende in liet genoj der genoemde genadegaven, te bevestigen; welke gaven, eenmaal ontvangen, nimmer voor hen geheel kunnen te loor gaan, zoodat de wedergeboorte tot de volmaking toe zeksr voortgaat.

e. Voor uitverkorenen, geloovigen en dus ook wedergeborenen moeten naar het oordeel der liefde gerekend worden allen, die door den doop do kerk, welke de openbaring van liet lichaam van Christus is, ingelijfd zijn, tenzij ze liet tegendeel openbaren.

ïsa dit gevonden te hebben, gaan we over tot do bijzondere toepassing der loer op den kinderdoop, welken we, mot Calvijn te beginnen, breeder zullen beschouwen, vanwege het belang, dat daaraan verbonden is, gelijk we in het volgende hoofdstuk nader aantoonen.

-ocr page 122-

HOOFDSTUK II.

Calvijns leer over den kinderdoop.

Hij ons voorgaand onderzoek naar de Gereformeerde sacraments- en doopsleer in Let algemeen, volgens Calvijn, kwamen we tot liet resultaat, dat deze loer niet in strijd is met den cisdi van liet rijormatoriscli beginsel, door ons vroeger ontwikkeld.

Immers, tegenover hot Koomaclie opus operatum houden de (leref\'onneerdcn streng vast aan den eisch van voorafgaand geloof. En, terwijl de Anabaptisten hot sacrament tot eene kerkelijke ceremonie maken, handhaven de Gereformeerden zijne beteekenis als genademiddel Gods, door eene innerlijke werking des Geestes bij de bediening aan te nemen. Eu bovendien loeren zij, in afwijking van de Lutherschen, dat God niet aan de verordende middelen gebonden is, maar zijne genade èu middellijk èn onmiddellijk kan toebrengen.

Aan deze beginselen, bij de algemeene sacramentsleer uitgesproken, blijven ze in hunne beschouwing van den doop getrouw. Ze loochenen de absolute doopsnoodzakelijkheid, volgens de laatste stelling. Volgens de tweede belijden ze, dat God zijne genadegaven, ook de wedergeboorte, dooide werking des Geestes, met den doop verleent. Volgens de eerste eischen ze voor het gebruik van den doop onvoorwaardelijk geloof, zoodat zo in den doopeling do

-ocr page 123-

115

wedergeboorte, die een onmiddellijk gevolquot;- van het geloot\' heet, onderstellen. Hot verband tusschen doop en wedergeboorte in hot algemeen is derhalve dit;

De wedergeboorte is eene gave Gods, in zijne belofte ons toegezegd ; ze is in den doopeling blijkens het geloof\' aanwezig; ze wordt door den doop verzegeld onbevestigd, alzoo, dat de gedoopte haar rijker geniet.

Maar nu komt de leer van den kinderdoop. I it den kinderdoop moet duidelijk worden, ot\' de Grereformeerden dit verband streng hebben gehandhaafd. Want de kinderdoop is het cardinale punt, waarop zich het gansche vraagstuk over die betrekking tusschen doop en wedergeboorte concentreert. We behoeven, om dit te doen uitkomen, slechts even te releveeren, dat in geen stuk het Uoomsche opus operatum zoo duidelijk aan den dag treedt als in het stuk van den kinderdoop, dat Luther juist dooiden strijd over den kinderdoop van de goede lijn afweek en halverwege tot liome terugkeerde, en dat de Anabaptisten, omdat zij bij de kinderen geene wedergeboorte erkenden, tot geheele verwerping van hot Paedobaptisme oversloegen.

Greven we thans acht op de Gereformeerde verklaring van den doop der kinderen. We laten vooreerst weder Calvijn als hun woordvoerder optreden, om daarna te vernemen, of en in hoever hetgeen hij gezegd heeft, ook bij anderen bevestiging vindt.

We mogen echter niet den schijn geven, alsof Calvijn terstond tot een helder inzicht in do kwestie gekomen, of ook in zijne voorstelling volkomen zuiver is. De hervormer van Genève heeft wel, doordien hij niet de eerste worsteling der reformatie mede gemaakt heeft, maar eerst later opgetreden is, het voorrecht genoten, dat hij èn van Luther èn van de Dooperschen in beider bestrijding van Rome kon loeren, en zoowel de waarheid van ieders streven als hunne afwijking en dwaling inzien; maar om, hetgeen hij negatief fout zag gaan, positief to herstellen en op te bouwen, daarin is hij niet zoo dadelijk geslaagd. Calvijn

-ocr page 124-

116

lioeft ook over het vraagstuk van doop en wedergeboorte geworsteld. Hij hoeft ook wel eens misgetast. Hij heeft ook gevaar geloopen eene verkeerde richting in te slaan. En hem kleeft de feil aan, dat hij niet altijd uitdrukkingen, welke eene valsche uitlegging toelieten, heeft verbeterd of teruggenomen. We bespeuren dan ook in zijne geschriften soms twee verschillende meeningen, die naast, ja, tegenover elkander staan. Daarop mag de aandacht wel gevestigd worden. Maar anderzijds is het ook waar, dat, hoezeer Calvijn soms feilen mag, hij toch de man is, die van stonde aan de gedachte gegrepen en voortdurend vastgehouden heeft, die tot eene goede uitkomst over het aanhangige vraagstuk leidde. Luther is in zijne beschouwing van den kinderdoop onvast en wankelbaar, hij kan afwijken van zijnen vroeger gekozen weg, maar Calvijn staat vast in de schoenen en hij wijkt geen haarbreed uit do richting, diey hij zich voorgesteld heeft. Er is bij hem wel nadere ontwikkeling, maar geen teruggang waar te nemen.

De hervormer van Grenève hooft de grooto verdienste, dat hij aanvankelijk op do voor allo reformatoren zoo moeielijke vraag van den kinderdoop, hot juiste antwoord hooft gevonden. We zullen dit thans nader toelichten, door te doen zien, oenerzijds, hoe hij in zijne voorstelling den band tusschen doop en wedergeboorte dreigde te verzwakken, en anderzijds, hoe hij dien band sterk en hecht hooft gemaakt.

De grooto mooielijkheid voor de verklaring van don kinderdoop was tweeërlei. Vooreerst: vindt de doop ook bij do kinderen aansluiting aan een objectief, geestelijk loven ? Naar de consequente toepassing zijnor loer moest Calvijn aannemen, dat bij de kinderen geloof en wedergeboorte aan den doop voorafgaan en door dezen gesterkt wordan. Maar van welken aard moesten dit geloof en deze wedergeboorte zijn ? Calvijn had beide steeds in actuoelon zin opgevat, \'t Geloot was voor hem de fides actualis, die de belofte Gods aangrijpt. En

-ocr page 125-

I IT

wedorgoboorto stelde liij gelijk met de Iiekeering, die met bewustheid geschiedt, en met de heiliging, die zich over het gansohe levon uitstrekt. Zon hij nit evenals de Lutherscheu de mogelijkheid van een actueel geloof der kinderen, /ij het dan ook van dat der volwassenen eenigermate verschillend, aannemen ? Wij zullen zien, dat hij daartoe terecht niet heeft kunnen komen. En zou bij durven onderstellen, dat reeds van pasgeboren kinderen bet nieuwe leven bewust en openbaar is ? Ook dat, zullen wij zien, hoeft hij niet gedacht. Van de begrippen, geloof en wedergeboorte was dus ten opzichte der kinderen eene nadere ontwikkeling noodig en daarbij eene opheldering van de wijze, waarop beide gaven worden gewerkt, want beide, do mogelijkheid en de oorzaak van geloof en wedergeboorte der kinderen hadden de Dooperscben niet verstaan en om die roden hun den doop ontzegd.

De tweede moeilijkheid was : waaruit weet de kerk, dat de kinderen geloovigen en wedergeboren zijn, om ze op goeden grond den doop te kunnen toedienen V Ook over dat bezwaar waren de Dooperscben gevallen. Zij zeiden: de wedergeboorte der volwassenen kunnen wij uit hunne belijdenis van geloof en bekeering kennen, maar waaraan is de wedergeboorte der kinderen kenbaar ? En bovendien, de volwassenen kunnen voor zichzelf den doop begeeren, maar voor de kinderen moeten anderen, ouders of getuigen, vragen; zelf kunnen ze hem niet begeeren. Al te zamen argumenten, welke den grondslag en de waarheid van den kinderdoop raakten. Hiertegenover was het dus noodig, aan to toonen, met wat recht de kerk de kinderen doopt en de ouders den doop voor hun kroost mogen vragen. In de allereerste plaats moest dus de bediening van den kinderdoop door de kerk worden gerechtvaardigd. Yiel toch de kinderdoop weg, dan was ten dezen opzichte het verband van doop en wedergeboorte geheel vernietigd.

We zullen dus eerst onderzoeken, op wat grond Calvijn het recht der kerk, om de kinderen te doopen, ge-

9

-ocr page 126-

118

bouwil hoeft on wolko p-ovolgon daaruit voor zijno voorstolling van hot genoomde vorband zijn voortgevloeid, om vervolgens te zien, hoe hij voor het kind de wedergeboorte als den geestelijken grond van den doop heeft erkend.

Tegenover de bewering der wederdoopers, dat het „een paapseh verzinselquot; was de kinderen te doopen, werd Calvijn gedrongen den kinderdoop te rechtvaardigen, niet op de gronden der kerkelijke praktijk, maar op schriftuurlijke gronden. Hierbij gaat hij uit van de stelling, dat het W oord Clods wel niet uitdrukkelijk den kinderdoop voorschrijft, maar hem toch wettigt.

Tegenover het subjectivistisch beginsel der Dooperschen, die op geloof en bekeering den doop der kerk grondden, en omdat ze geen van beide bij de kinderen bespeurden, den kinderdoop verwierpen, was het natuurlijk, dat Calvijn een objectief standpunt innam.

Dit objectieve standpunt zag hij zich aangewezen in liet genadeverbond van Grod. Reeds in zijne algemeene sacrainentsleer had hij van het verbond gesproken onder deze woorden, dat (rod zijne beloften ook verhonden noemt en dat dus de sacramenten ook bondszegelen kunnen heeten. Maar het was slechts terloops geweest. Thans, in zijne apologie van den kinderdoop, komt hij hierop terug, en ontwikkelt nu breedvoerig op grond van het verbond het goed recht van het Paedobaptisme.

Vooraf merken wij echter op, wat Calvijn onder het verbond verstaat. Het is oen begrip, dat bij hem volkomen beantwoordt aan de begrippen: kerk en gemeenschap met Christus. In het algemeen kunnen we zeggen, dat do gemeenschap met Christus de uitdrukking is van de betrekking tusschen Christus en de geloovigen, gelijk aan de verbinding tusschen het hoofd en de leden des lichaams, dat do kerk ziet op de gemeenschap der geloovigen onderling in hun Hoofd Christus, en dat het verbond beduidt de betrekking, die er tusschen Grod en de geloovigen in Christus bestaat, waarom ook Christus

-ocr page 127-

119

hot fundamont dos vovbonds hoot. Evenals nn Onlvijn eene idealistische beschouwing van do kerk heeft, zoodat hij de zichtbare kerk voor eene openbaring van de onzichtbare houdt, in dien zin, dat alle loden der zichtbare kerk voor leden van de onzichtbare en mitsdien voor deelgenooton van de gemeenschap met Christus moeten gerekend worden, zoolang liet tegenbewijs ontbreekt, (gelijk we bij Calvijns doopsleer gezien hebben), zoo ook vat hij het verbond Crods in idealen zin op. Do onderscheiding, door latere G-ereformeerden gemaakt tusschen oen uit- eu een inwendig verbond, vinden we bij hom niet. Wel spreekt hij van eene algemeene en eene bijzondere verkiezing, wol erkent hij, dat niet allen, die onder de bedeeling van liet genadeverbond leven, aan de goederen des verbonds deel hebben, maar dezulken zijn voor hem golijk de ongeloovigen in de kerk: ze behooren niet tot liet verbond on do kerk, schoon ze in het verbond en do kerk leven. Zo zijn geen zonen en erfgenamen, maar bastaarden en vreemdelingen. Door hun ongeloof maken zij zich kenbaar en worden van liet verbond afgesneden, gelijk de Joden. Maar al degenen, die geen ongeloof toonen, terwijl zij onder het verbond verkeeren, moeten voor ware bondelingen gehouden worden \')

Welk eene kracht Cnlvijn aan deze verbondsbeschouwing voor de rechtvaardiging van den kinderdoop ontleende, zal ons thans blijken.

Het voorname argument, door Calvijn (Inst., IV, 16, 1-7, ll1) tegen de Dooperschen voor den kinderdoop aangevoerd, is de analogie van den doop met do besnijdenis. Beide verzegelen dezelfde belofte, nl. de vergeving der

1

Wanneer het niet uitdrukkelijk vermeld wordt, is evenals in het vorige hoofdstuk, met de Institutie steeds de bekende uitgave van 1559 bedoeld.

-ocr page 128-

120

zimilcii. Bi\'idc lieblicii tot lictcckciulc naak (ld wodorgelioorte. \\raii linide is (\'liristus het f\'unflanieiit cu do vervulling. En bovomlion nog dienen beide tot intrede in de kerk, waardoor men opgenomeu wordt onder liet volk en het gezin van (rod en wederkeerig zich (rode ten dienste stelt. Er bestaat dus in natuur, kracht en strekking van beide sacramenten geen verschil. Onderscheid blijft slechts over in de uiterlijke ceremoniën, welke het minste deel uitmaken. Hierom trekt Calvijn, op voorgang van Paulus (Col. 2, 12), uit de eenheid van beide sacramenten in geestelijke beduidenis deze conclusie: de doop is in de plaats der besnijdenis gekomen; wat de Joden dus vroeger aan de besnijdenis hadden, hebben in het wezen der zaak thans de Christenen aan den doop. Bijgevolg, en dit is do beteekenis van Galvijns argument, uit de besnijdenis mag men veilig gevolgtrekkingen maken voor den doop.

En de groote gevolgtrekking is wel deze. l)e besnijdenis is door C od ingesteld om don kinderen de beloften des verbonds te verzegelen. Toen God Zijn verbond met Abraham sloot, beval hij terstond, dat hij aan de kinderen door de besnijdenis zou bevestigd worden. En Hij gaf ook metterdaad den kinderen aan de verzegelde verbondsgoederen deel. Anders zou Hij met bedriegelijke teekenen, met louter goochelspel (.meris praestigiisquot;) zijn volk hebben bespot. Daarom werden de kindoren der Joden een heilig zaad genoemd, onderscheiden van de kinderen der heidenen (§ 6 ).

Zoo moet dan ook nu van de kinderen der Christenen gelden, (want het verbond Gods blijft vast en duurzaam bestaan), dat ze heilig zijn 1 Cor. 7, 14, dat ze deel hebben aan de verbondsgoederen en dat ze naar Gods bevel met het verbondszegel, den doop, moeten geteekend worden. De kinderen van den doop te weren, is dus in te gaan tegen hot verbond en tegen Gods bevel (§ 5, G).

Daartegen brengen nu wel de Dooperschen in, dat er groot onderscheid bestaat tusschen het Oude en het

-ocr page 129-

121

Niouwe Vorbond, dewijl lier Oudo slechts rene figuurlijke, voorbeeldende beteekenis had en alle geestelijke realiteit miste, want do beloften (rods waren aardsch en stoffelijk, hadden betrekking op her aardsche Kanaiin; terwijl het .Nieinve Verbond geheel geestelijk van aard is, met geestelijke en hemelsche beloften. Maar deze tegenwerpingen weerlegt Calvijn, door te verklaren, dat de aardsche beloften de» Ouden Verbonds alleen bij wijze van onderpand voor de geestelijke dienden; en hij geeft vervolgens aan, waarin geestelijk het Nieuwe Verbond boven liet Oude uitinunt(§ 11).

Het is extensief meerder, in zoover het rijk Gods niet meer beperkt is binnen Israel, maar zich wijd en breed uitstrekt tot alle volken zonder onderscheid (§11).

En intensief is het meerder, in zoover door de komst van Christus de genade Gods niet verminderd, maar rijker en overvloediger geworden is ( § lt;gt;).

Juist in het laatste feit ziet Calvijn een sterk bewijs voor den kinderdoop\'). Christus nam ten blijke daarvan, dat de genade niet verminderd is, de kinderen tot zich, zegende ze, bad voor hen en verklaarde, dat men hen niet verhinderen mocht tot Hem te komen, „want derzulken is het koninkrijk der hemelen.quot; Dit waren geene kinderen van reeds eenigszins gevorderden leeftijd, maar jonge kinderen, zuigelingen, vziSiy., Ppiyr). Waarom zou men ze dan niet toelaten tot den doop. die ..het symbool dor gemeenschap met Christusquot; is ( § 7 )?

Op dezen grond hebben ook de apostelen geheele huisgezinnen gedoopt, waartoe, ofschoon het niet uitdrukkelijk vermeld wordt, zeker ook kinderen behoord hebben ( § 8 ).

Zoo stolt Calvijn tegenover de Dooperschen het goed recht van don kinderdoop op grond van hot verbond vast. Hot bezwaar, dat do kinderen do verborgenheden dos doops niet verstaan, vervalt, en de bedenking, dat zij do verbintenis

1) c.f. Cat. Genen. C. li., VI, 122. Dit is dus volstrekt niet iets bijzonders van BuUinger, gelijk van \'t Hooft, »De Theologie van Hein rich BuUingerquot; het wil doen voorkomen, bl. 47v. en 141.

-ocr page 130-

122

dos vcrhouds niet kunnen aangaan, heeft geene kracht, want ook zonder dat zij er zich van bewust zijn („citra intelligentiae adminiculumquot;) hebben zij deel aan het verbond\'). Do kinderen behoeven niet eerst in de leer des doojw onderwezen te worden. De onderwijzing volgt later, als het sacrament reeds voorlang geschied is ( § 21). Want zij behooren door erfrecht (haereditorio jure) volgens den vorm der belofte van de geboorte af tot hot verbond (§ 24).

Evenmin telt liet bezwaar, dat zo geene belijdenis des geloofs en der bekeering kunnen afleggen. Mot is genoeg, dat de belofte des verbonds, do genade der aanneming voorafga naar de woorden: _Ik zal de God van uw zaad zijn.quot; Omdat de kinderen door de weldaad der belofte erfgenamen der aanneming zijn, laat de kerk hen tot den doop toe \'quot;). Want niet geloof en bekeering geven recht op den doop, maar het vethoiid. Dit is de altoos geldende regel. Ook de volwassenen zijn hiervan niet uitgesloten.

Oalvijn vindt hier bij den kinderdoop, nu hij het standpunt des verbonds ingenomen heeft, aanleiding om de lijn verder door te trekken. Tot hiertoe had hij er niet op gewezen, dat ook de volwassenen naar den regel des verbonds worden gedoopt. En dus zou hot kunnen schijnen, dat er onderscheid bestaat tusschen den doop der volwassenen en der kinderen. De ouderen op hun geloof, de jongeren op het verbond

1) Appendix ad interim, C. li., VII, G80.

2) Articuli facultatis Parisiensis cum antidota C. li., VII, 7. Zeer sterk laat Calvijn dit uitkomen, dat de belofte des verbonds moet voorafgaan ; Acta syn. 1\'rid., VII, 443 ; «Indien de belofte des levens niet te voren op hen betrekking bad, zou een ieder die bun den doop gaf dezen oniheiliqen (nisi iam antea ad eos pertineret vitae proniissio, baptismum profanaret, quisquis daret) Vera ecclesae reformandae ratio., VII, (H9 en Appendix., VII, 676: sAldus wordt uit de geloovigen een heilig zaad geboren, omdat hunne kinderen, nog in den moederschoot besloten, voordat zij het leven aanschouwen, in het verbond des eeuwigen levens zijn opgenomen i\'antequam vitalem spiritum hauriant, cooptati tamen sunt in foedus vitae aeternae,quot;) en VII, 677 : »De kinderen der geloovigen zijn reeds vóór hunne geboorte door God aangenomen (adoptati).quot;

-ocr page 131-

123

Gods to doopen! Keen, verklaart de hervormer, do eenigo regel waarnaar, on do rechtsgrond, waarop de kerk don doop bedienen mag, is hot verbond. Bij de volwassenen zoowol als bij do kinderen. Dat de oorsten vooraf belijdenis moeten afleggen van geloof on bekeoring, is, omdat ze buiten het verbond staan. Om in do gemeonsohap des verbouds te worden opgenomen, moeten zij eorst do voorwaarden van het verbond loeren en dan openen geloof en bekooring don toegang tor het verbond. Zoo was het bij Abraham, die op het geloof hot sacrament ontving (S; 23, 24 ). Zoo liij de volken, aan wie het Evangelie voor het eerst gebracht wordt. Zij worden eerst geleerd en daarna op belijdenis des goloofs gedoopt, liet beroep dor Dooporschen op Matt. 2S : 1!) en Matt. 1G : Ui tegen don kinderdoop mist daarom allo kracht. Deze plaatsen slaan op volwassenen, die nog buiten het verbond staan ( § 27, 2S ).

Hetzelfde geldt van de kinderen dor ongoloovigen. Wie ongeloovig is, uit goddelooze ouders geboren, wordt gerekend buiten de goïneenschap des verbouds te staan, totdat liij door het geloof met (iod veroonigd wordt en mag dus niet oor gedoopt worden. Maar do kinderen van Christenen dient men terstond na de geboorte tot den doop toe te laten, gelijk zo ook terstond tot erfgenamen des verbouds door God worden aangenomen ( § 24 ).

De kinderen der Christenen mogen niet met ongoloovigen, heidenen en Turken gelijkgesteld worden. Zij zijn heilig. Paulus noemt 1 Cor. 7, 14 de kindoren uit óón geloovige geboren heilig, eershalve (honoris causa), wat beduidt, dat zij van het algomeeno menschongeslacht door hot recht dos verbouds zijn afgezonderd (signifleans, ipsos a communi homiuum semino iure foederis sogregari \').

1) G. li., VII, 678; voorts fnst., IV, 16, 6. 15; Im forme cV (idministrcr le bciptesme, C. Ji, VI, 188; Acta synodi I videntinae cum antid to, C. li-, VII, 443; Eefutatio err or urn Michaelis Serveti VIII, 493; Secmda defensio contra Westphalum IX, 115,

-ocr page 132-

124

Heilig door hot verbond, lei\'rr Calvijn dus liiei\', is ajcfezonderd van dc oiiijiloonjjen. Kn deze lieiliglicid hebben de kinderen in zekeren zin door hunne geboorte. De Joden worden krachtens hunne afstamming van Abraham met den eernaam van heiligen betiteld. En nn God de geloovigen uit de heidemvereld, van wege de ondankbaarheid der Joden aangenomen heeft tot kinderen Abrahams, heeten ook de Christenkinderen heilig ( §§ 14, 15 ). Want het geslacht is als de heilige olijfboom, waarvan de geloovige vaderen do heilige wortel zijn, die heilige takken voortbrengt; of ook de vaderen zijn de eerstelingen, die den heelen oogst heiligen, welke beide beelden de apostel Kom. 11 bezigt\'). Dit mag echter niet zoo opgevat, alsof de afstamming zelve de oorzaak der heiligheid is. Neen! het is het verbond Gods, niet de geloovige vaderen gesloten, waardoor dc kinderen geheiligd worden. Zij zijn heilig door het „bovennatuurlijke privilege dos verbonds,quot; door de verbondsgenade, „superveniente foederis gratiaquot;1).

-Nu blijkt echter dikwijls, dat ouders, die van Christclijkon oorsprong zijn, ongeloovig worden. Verliezen hunne kinderen dan de heiligheid des verbonds? (\'alvijn beantwoordt deze vraag door te verwijzen naar Exod. 20, dat God Zijn verbond houdt in duizend geslachten. Wanneer dus de

1

-J C. ïi, VII, 678; VIII, 49t Commont in I Cor. 7, 14 ; Inst., IV, 16, 31. In de Comment, in Eoru. 11, 16 wordt de heiligheid een geestelijke adeldom genoemd, voortvloeiende uit het verbond: »Sanctitatem uiliil esse aliud quam spiritualem generis nobilitatem et oam quidam non propriam naturae, sed quae ox foedere manabat. Electi populi dignitas, proprle loquendo, supernaturale privilegium est,quot; Verre werpt Calvijn echter van zicli de beschuldiging der Lutherschen alsof hij leeren zou, dat de vleeschelijke geboorte de kinderen heiligt.quot; Niet uit kracht van eene reine natuur - de natuur is gansch verdorven en verdoemelijk, - maar door s bovennatuurlijke genade,quot; welke den vloek derna-tuur geneest eu de oorzaak des heils in zich bevat, zijn de kinderen heilig. Dat hierin het aansluitingspunt ligt met de leer van de wedergebootre der kinderen vóór den doop, zullen we later zien.

-ocr page 133-

125

ouders in ongeloof leven, zoodat de lijn van het geloovig geslacht dieper moet worden opgehaald (_lt;|uuiii longius ducenda sit originis seriesquot;), dan nog blijven de kinderen heilig. Zoo bleven de Israëlieten in liet verbond en mitsdien heilig, ofschoon hunne vaderen zich in ongeloof verhardden. En insgelijks hebben we de kinderen der Roomschen, hoezeer hunne ouders dwalen, niet onder de vreemdelingen, de .extraneiquot;, maar onder het zaad des verhonds te rekenen, op welken grond we ook don Koomschen doop erkennen \').

Schoon en doeltreffend is ongetwijfeld deze verklaring, door onzen hervormer van het recht van den kinderdoop gegeven. De ouders vragen voor hun kroost den doop en de kerk dient die toe, omdat zij de kinderen beschouwen als deelgenooten en erfgenamen dos verbonds, die in hunne qualiteit van heiligen, d. i. afgezonderden (wat nog niet de wedergeboorte insluit), met het verordende bondszegel moeten geteekend worden.

Maar toch was aan deze verklaring een gevaar verbonden. Al licht moest Calvijn er toe neigen het persoonlijk belang, dat de kinderen bij den doop hebben, op den achtergrond te schuiven en alleen te denken aan de ouders en de kerk. Daartoe werkte zeker het feit mee, dat de doop oen zichtbaar teeken is, hetwelk door de kinderen noch verstaan noch waargenomen wordt. Daartoe dreef hem vooral zijne opvatting van geloof en wedergeboorte als fides actualis en regeneratio manifesta. Zoolang zijn oog meer op het zichtbare en bewuste gevestigd was dan op hot innerlijke en mystieke, was het natuurlijk, dat hij zijne gedachten van de kinderen aftrok en in de eerste plaats op do ouders richtte. Zoo ging Calvijn van de kinderen op do ouders over.

Vooreerst geldt dit van het requisitum des geloofi. We

1) C. li., VII, 680; brief aan Socinus, XIII, 308, waarin hij er op wijst, dat onchu- Rome nog een overblijfsel dei- kerk is en dus liet verhoud uiet vernietigd.

-ocr page 134-

126

hebben reeds opgemerkt, hoe Calvijn leerde, dat, terwijl voor de volwassenen geloof vereisoht wordt, hot voor do kinderen genoegzaam is, dat de belofte des verbonds, de genade der aanneming voorafgaat. Hierin lag reeds opgesloten, dat hij geen persoonlijk geloof bij de kinderen veronderstelde, maar zoover er nog van geloof sprake was, eerst dacht aan het geloof der vaderen, gelijk aan dat van Abraham, met wien God Zijn verbond maakte \'), en vervolgens aan het geloof dor ouders, die in het verbond leven, lieslist spreekt hij zich echter uit in een brief aan Servet\'). üp diens vraag, of de doop even zoowel als het avondmaal op geloof moet geschieden, geeft hij ten antwoord: -Wij ontkennen niet, dat de doop geloof vereischt, maar niet zooals bij het avondmaal vereischt wordt. Want het geloof heeft altoos betrekking op de belofte (iods. De aard des geloofs is naar den aard der belofte af te meten. De belofte van den doop is: „Ik zal Uw God en de God van uw zaad zijnquot; (Gen. 17 : 7). De belofte des avondmaals is: _Wie dit brood zal gegeten en uit dezen beker zal gedronken hebben, verkondigende de gedachtenis aan den dood van Christus, gelijk het behoort, zal deel hebben aan Zijn lichaam en bloedquot; (Joh. 6 : 54 ). Wij erkennen geen gebruik des doops, zoolang deze belofte niet door het geloof aangenomen wordtquot;. Eu nu volgt: .Maar men grijpt niet slechts voor zichzelven, maar insgelijks voor zijn kroost de belofte aan; ja, wij quot; allen omhelzen gemeenschappelijk die genade, welke de kerk aangeboden wordtquot;. En hiertegenover plaatst hij nu den eiscli des geloofs voor het avondmaal , ln het avondmaal wordt van ieder afzonderlijk eigen onderzoek en eigen geloof gevorderdquot;.

Toen Servet over deze uitspraak do opmerking maakte, dat het een paapsch verzinsel was, iemand te doopen op het geloof van een ander, antwoordde Calvijn: te doopen op

1) Vandaar de vergelijking: by Abraham gaat het geloof vooraf, bij de kinderen het verbond, C. i?. VII, 8 en 443,

2) C. R., VIII, 183.

-ocr page 135-

127

hot goloof van eon ander is geen paapsch verzinsel, maar overeenkomstig do instelling Gods \'). ^olf bolijdt bij dus, dat hij niet los is van do Eoomsche leer, die voor hot geloof der kinderen het geloof der kerk en der ouders in de plaats stelde1).

Onmiddellijk gevolg hiervan moest zijn, dat niet zoozeer do kinderen, maar de ouders nut van den doop hebben. De ouders worden gesterkt in het geloot, dat hunne kinderen tot liet verbond bohoorende, onder de zorg Gods staan. Zij worden verzekerd van de zaligheid van hun kroost. De Joden verkregen die verzekering door de besnijdenis, en de Christenen, omdat door Christus\' komst de genade Gods niet verminderd, maar vermeerderd is, in niet mindere mate door den doop \').

Uit kracht van het verbond toch hebben do ouders het er voor te houden, dat hunne kinderen uitverkoren zijn. Calvijn stolt namelijk wel ter doge verband tusschon hot verbond en do uitverkiezing2). Wol is waar zijn niet allen, die onder hot verbond geboren worden, uitverkoren. Jviet van de afstamming, maar van de barmhartigheid Gods hangt do zaligheid af. Ismaol en Ezau, schoon naar

1

Natuurlijk leert bij geen plaatsbekleedeud meritum van het onderlijk geloof, waardoor de kinderen op de zaligheid aanspraak zouden krijgen.

2

C. li-, VIIl, 493. Letterlijk luidt het antwoord: «Sitna vox pro oraculo nobis est, ciedemus figmentum esse papisticnui, quod in altedns fide alter baptizetur. Sed quia proliibct Dei institutio ne tibi eredam, secure contemno qnod pionuueias.quot;

-ocr page 136-

hot vleesch uit Abraham gesproten, werden verworpen. Waarheid blijft de algemeene regel, dat ^in het afscheiden van de erfgenamen des koninkrijks van de bastaarden en de vreemdelingen alleen de uitverkiezing Gods met vrij recht heerscht1\'. Maar die afgescheiden worden zijn dan ook de bastaarden en de vreemdelwgen. Zij maken zich door hun ongeloof en afval, gelijk de Joden, openbaar. En daarom, van hunne kinderen, die geen ongeloof betoenen, moeten de ouders aannemen, dat ze tot het volk Gods behooren. -Het staat boven allen twijfel vast, dat God den Zijnen zoo goed en mild is, dat Hij om hunnentwille ook de kinderen, die zij voortbrengen, onder Zijn volk wil rekenenquot;\'). Wanneer dan de kinderen sterven, eer de doop heeft kunnen bediend worden, dan zullen de ouders niet twijfelen, of zij behouden zijn. Want naar het woord der belofte heeft God ze aangenomenquot;).

1) Inst., IV, 16, 14. 15. Vgl. Comment, in Acta. 3,25 en 13,3Ü waar gezegd wordt, dat de onechte kinderen zich door hun ongeloof vau de heilige afstamming afscheiden, door hun ongeloof van de belofte des levens beroofd worden. Vgl. verder Van den Bergh, a. w , bl. 108 vv. Uitspraken echter als voorkomen in de Comment, in Gen. 17,7, volgens welke allen, die in de kerk zijn, kinderen Gods genoemd worden, maar dat men door het teeken van geloof en ongeloof de ware van de onechte kinderen onderscheiden kan; en in de Refut, errorum Mich. Scrveti, C. li., VIII, 491, waar geleerd wordt, dat de uitverkiezing aan het verbond kracht geeft, hebben voor dit punt slechts indirekt belang.

Anderzijds treffen we ook uitdrukkingen aan, naar welke te oordeelen uitverkiezing en verbond slechts in zeer los verband tot elkander staan, vgl Comment in Rom. 9 uu II en verschil-schiUende plaatsen en /nst., III, 21,7 de onderscheiding vnn tweeërlei electio, die van het verborgen raadsbesluit Gods en die van do uitwendige roeping of openbaring des verbonds.

2} C, R. VII 9. In een brief van 1554 (XIII, 308) troost Calvijn een vader, wiens kind ongedoopt gestorven was, omdat hij het niet had willen laten doopen in de Rooinsche kerk, de eenige zijner woonplaats. In dit geval was immers van verachting des doops geene sprake en op grond der belofte viel aan de zaligheid van het kind niet te twijfelen.

Aan den anderen kant dringt Calvijn er sterk op aan, zoo spoedig mogelijk de kinderen ten doop te brengen. De kerk,

-ocr page 137-

129

Maar do doop strekt om do ouders in het goede geloof aangaande kinine kinderen to lievestigen. AHoon, die mot opzet en niinacliting (conteniptns) van den doop nalaat zijn kind tot het zegel des verhonds te brongen, mist zijnon troost en haalt do straf Gods over zich, omdat hij de aangeboden genade verwerpt i).

Wanneer echter Ood Zijne paven, door Jen doop verzegelt, t.w. zondevergeving en wedergeboorte, met name de laatste, aan do kinderen mededeelt, weten de ouders niot. Van vroegstorvende kinderen mogen ze aannemen, dat ze door Clod ter zaligheid wedergeboren zijn. En van do andoren, dat God hun Zijne genade zekerlijk schonken zal. Maar overigens heerscht Gods vrije verkiezing. Hij bepaalt don tijd. Omdat hot verbond altoos van kracht blijft, kan de doop zijne werking doen over den ganschen duur dos levens, zonder dat God aan oenigon bepaalden tijd gebonden is. Eerst ton tijde, dat God hot geloof gaf, dood immers de doop, in hot Pausdom ontvangen, zijn nut2). Daarom schrijft Calvijn aan Bullingor in de ondorbandolingon voor den Consensus Tigurinns (1549)3): .De kinderen ontvangen niot op hetzelfde tijdsmoment met den doop den Geest der ivedergeboorte\'\'\' (let wel; don Geest don wedergeboorte; allo gedachte aan eene vroeger verboryene working des Geestes in het kinderhart wordt

O O

daarmede uitgesloten). -Want voor hou is hij, in dit opzicht, moer een symbool van toekomstige, dan van tegenwoordige

zegt hij, moet iederen dag voor den doop open staan, lu de steden wordt er dagelijks gepredikt, iu de dorpen zal de dienaar eiken dag, als bet gevraagd wordt, doopen, hoewel niet anders dan in do vergadering der geloovigen en nadat het Woord Gods is verkondigd, Articles proposes au synode de Nfuchatel, C. R-, X.IV, 61.

1) Inst., IV, 16. 0.

2) Tnst., IV, 15, 17.

3) C. It VII, 704.

-ocr page 138-

180

gonaclequot;. En in den Consensus zolf (art. 20) \'): .De nuttigheid, die wij uit do sacramenten bekomen, moet volstrekt niet beperkt worden tot den tijd, waarop zij ons worden bediend; evenals ol\' hot zichtbare teeken op hetzelfde oogenblik, dat het in \'t openbaar vertoond wordt, do genade Gods met zich mee zou brengen. Want wie in hunne prille jeugd gedoopt zijn, wederbaart God in de jonge jaren of in den tijd der jongelingschap, soma ook in den ouderdom. Alzoo behoudt de doop zijn nut over den goheelen loop des levens, omdat de belofte, die in den kinderdoop vervat is, altoos van kracht blijftquot;. Voegen we hier nog aan toe de ronde verklaring der Institutie ([V, 16, 21): „Daarom is bij den kinderdoop geene meerdere tegenwoordige werking te eischen dan deze, dat bij het verbond, hetwelk God met hen (de kinderen) gesloten heeft, bevestige en bekrachtige. De verdere bul et: huis van dit sacrament zal later volgen, ten tijde als God er in voorziet.quot;

Volgens deze voorstelling verschilt de kinderdoop van den bejaardendoop in dit opzicht: Bij de bejaarden verzegelt de doop eone reeds gerealiseerde genade, bij de kinderen eene toekomstige; bij de bejaarden eene voorafgaande wedergeboorte, bij de kinderen eene wedergeboorte, die later volgt. Alles, wat de kinderdoop dus voor het oogenblik geeft, is de bevestiging van het verbond voor de ouders.

Wat blijft er nu voor de kinderen over ? Uitdrukkingen als, dat wij door den doop Christus aangedaan hebben, met Hem begraven zijn, of dat de doop het getuigenis is van een goed geweten, kunnen immers den kinderen nog niet aangaan. Zij verklaren dus in het algemeen de leer des doops (§ 21). Overblijft voor de kinderen voornamelijk de ethische strekking van den doop, de toewijding

1) C R. Vil, 741; Ntemetjek, Qollectio Confessionum, p. 195.

-ocr page 139-

131

tot don dienst van Grod. „Zij wovden door do inlijving in do kerk don anderen loden der kerk aanbevolen on bezitten^ ouder geworden, in liunnon doop een prikkel om mot ernst on ijver Grod te dienen (§ !!).quot; In plaats dat voor hen het verbondsteeken eene verzegeling der voorafgaande wedergeboorte is, ontvangen zij het „tot do dooding des vleesches, die zij op lateren leeftijd zullen betrachtenquot;. Wanneer zij tot de jaren komen, dat zij in de waarheid dos doops kunnen onderwezen worden, dan vinden zij in hunnen doop, in do jeugd ontvangen, eene aansporing voor het heele leven ,ad renovationis studiumquot; (§§ -\'0, 21).

Zoodoende komt het gewicht van den kinderdoop weer op de ouders neer. De paedagogixche zijde van het verbond begint op den voorgrond te treden. De eisch van eene christelijke opvoeding komt aan de orde. De doopheffers (ouders of getuigen) moeten de belofte afleggen dat\' zij het te doopen kind zullen onderwijzen in de leer en vermanen om te leven naar den regel van Christus, in zelfverloochening, toewijding tot don dienst van God ou stichting van don naaste \'). ()p dezen grond achtte Calvijn het niet geraden noch geoorloofd een kind van Koomschen te doopen, omdat hier geen waarborg bestaat voor eene christelijke opvoeding naar het zuivere Evangelie =).

Zoo is de gang van Calvijns beschouwing van den

1) La forma cV administrer le baptesme, C. li., VI, 188; bij Niemf.i.ier, o. 1., p. 183

2) De pralitische behnudeling dezer zaak vinden we in de briefwisseling tussehen Farel eu Calvijn, Juli-Aug. 1553 (C. li., XIV, 567 sqq). Parel vraagt advies over een geval, dat zich in zijne gemeente voorgedaan heeft Eene vrouw, li t der kerk, had hare dochter aan een Eoomschen man uitgehuwelijkt en nu was deze dochter tot Rome overgegaan. Toen er een kind geboren was, bood de grootmoeder dit bij de Gereformeerden ten doop aan. Farel had den doop geweigerd op grond, dat het kind buiten het verbond stond, daar geen der ouders geloovig kon genoemd worden. Maar zijn ambtgenoot had opgemerkt, dat de grootmoeder, die wel tot de kerk behoorde, de zorg voor het kind op zich wilde nemen, zoolang zij leefde. Farel had daarop geantwoord, dat hij weinig waarde hechtte noch aan de belijdenis

-ocr page 140-

132

kinderdoop, nadat liij dion tegen do aanvallen dov Woder-doopors ii|i grond van het verbond had gerechtvaardigd. Men ziet gemakkelijk in, dat daarin het verband tusschen doop en wedergeboorte niet zoo sterk spreekt als in zijne algenieene doopsleer. Do doop verzpn-elt niet, wat is, maar, wat nog komen moet. Daardoor wordt de betrekking van de kinderen tot het verbond verzwakt, liet is niet zoozeer eene verbondsge(/e?!ade, die luin bevestigd wordt als wel oen verbondsïeffc», die over hen wordt uitgesproken en betuigd. De levendmakende genade moet later volgen.

En wat het meeste is, de kinderdoop blijft feitelijk geen sacrament voor de kinderen bestemd. Het wordt veeleer een sacrament voor de ouders. De ouders hebben het geloof. De ouders worden in hun geloof gesterkt en over de zaligheid van hun kinderen getroost. De ouders nemen de verplichting des verbonds op zich, hun kroost christelijk op te voeden. Het zijn dus de ouders, met wie God in den kindetdooop handelt.

Dat op deze wijze do voorstelling van dun kinderdoop aan eenzijdigheid lijdt, is duidelijk genoeg. Indien de noch aan de opvoeding der grootmoeder. Hierop nu werd Calvijns advies gevraagd, die volgenderwijs antwoordde. ïe doopen die uiet voor leden der kerk kunnen gerekend worden, zooals de kinderen der Roomschen, is eene dwaasheid en ongeoorlooofd. Bovendien moeten de getuigen de verbintenis aangaan het kind te onderwijzen in het, geloof, waarin het gedoopt wordt. En daartoe moeten ze de macht, de bevoegdheid hebben, of uit zichzelf, of op aanvraag van vader of moeder. Zoo zij deze maeht uiet bezitten, mag de doop niet bediend worden. In \'t geval dezer grootmoeder nu zijn twee zaken in aanmerking te nemen le of zij de opvoeding van het kind op zich neemt en wel volgens haar recht. Om harentwille een kind te doopen, op hetwelk ze geen recht heeft, dat buiten haar gezin staat, is niet mogelijk. Voorts moet 2e gezien worden, of ze wel goed lid der kerk is en plaats bezit in de vergadering der vromen. De uithuwelijking harer dochter aan een Roomschen man, zou haar reeds van het getuigenrecht (iure sponsionis) berooven, ja, banwaardig maken. In allen gevalle zou ze eerst schuldbelijdenis moeten afleggen en dan kan het kind gedoopt worden. Daarop echter, schrijft Calvijn, schijnt niet veel kans te zijn en dus : niet doopen ! — Van den Bergh, die deze briefwisseling in zijn werk ook opgenomen heeft, bl. 115 v.v. liet echter, helaas 1 een belangrijk deel van Calvijns advies achterwege.

-ocr page 141-

hervormer niets anders geleerd had, zou onder zijne verklaring van den kinderdoop, hoe schoon en waar op ziohzelve ook, het oordeel moeten geschreven worden: mislukt!

Want, om kort te gaan, waartoe zou God do 1 [eere den kinderdoop hebben ingesteld ? Zoo maar, zonder eenig doel? Uit louter willekeur? Üf oai de ouders te beduiden, dat zij eene goede gedachte van hunne kinderen, met name der vroegstervende, moeten koesteren? Of om bij hen aan te dringen, hun kroost naar het Evangelie tot eere God» op te voeden? Zeker, dit laatste behoort ei\'bij. Maar zou daarin het hoofdmoment van den kinderdoop liggen? Heeft niet veeleer de Heere door de instelling van den kinderdoop verklaard, dat Hij met de kinderen zelve wil te doen hebben, dat Hij in de eerste plaats met hen handelen gaat ? Dus niet de ouders, maar de kinderen in de eerste plaats, en de ouders in do tweede. De kinderdoop moet een sacrament zijn, waardoor God zijne genade aan de kinderen bevestigt en verzegelt.

Die genade moet reëel zijn. Was ze slechts eene belofte voor de toekomst, ze had voor de kinderen weinig waarde. Tot de vervulling dier belofte verkeerden de kinderen wol ouder eene voorbereiding des heils, maar in hun hart, in het centrum van hun leven, waren ze gelijk aan den heiden en den Turk.

Dat echter druischt in tegen de waarheid Gods. De aard van het verbond, welks belofte de kinderen van do geboorte af omvat, vordert, dat God hun zijne genade ook van de geboorte af toebrengt.

Die genade moet door den doop verzegeld worden. Zondevergeving en wedergeboorte kunnen dus niet, althans niet in den regel, op den doop volgen, maar moeten er aan vooraf gaan.

üok de wedergeboorte. Alleen kan deze niet opgevat in den zin van Calvijns „regeneratie manifestaquot;, want de kinderen kunnen het nieuwe leven nog niet openbaren. Ze moet bij hen van anderen aard zijn.

10

-ocr page 142-

134

En ook moet do actie Gods in den doop oen gewijzigd karakter dragen, want de werking door het zichtbare teeken vervalt, dewijl de kinderen het niet kunnen verstaan.

Maar wel blijft over, dat het effect van den doop te voorschijn treedt naar den tijd, dien God wil, en in zoover is Calvijns voorstelling waar: ^Sommigen wederbaart God in de jeugd, anderen op rijperen leeftijd, enkelen ook in den ouderdomquot;.

Wordt zoo het verband van den kinderdoop en de wedergeboorte opgevat, dan blijven tevens in waarde de ethische zijde van den doop, n.1. de vermaning tot een nieuw leven; het paedagogisch element, de opvoeding; en ook de troost en geloofssterking der ouders bij den doop van hun kind.

quot;We zullen thans zien, dat Calvijn inderdaad ten slotte het rechte verband van doop en wedergeboorte bij de kinderenheeft gegrepen en dat eene verzoening van deze met de voorgemelde beschouwing bij hem niet onmogelijk, noch moeilijk is, ja, dat hij zelf haar eindelijk tot stand brengt.

Reeds in zijne doopsleer verklaarde hij, dat de vermaning tot vernieuwing ontleend wordt aan de onderstolling, dat de wedergeboorte door den Geest in do geloovigen geschied is \'). Op de kinderen overgebracht, zegt dit, dat de opwekking ,ad renovationis studiumquot; de onderstelling van voorafgegane wedergeboorte insluit.

Bovendien betuigde hij, dat de ouders van vroogstervonde kinderen mogen aannemen, dat ze door God ter zaligheid wedergeboren zijn. En in het begin van dit hoofdstuk hebben we opgemerkt, dat do Gereformeerden, in ondor-derscheiding van de Luthorschon, leeren, dat God in het toebrengen der genade niet aan de verordende middelen gebonden is, maar ook rechtstreeks werken kan, dus ook de wedergeboorte in de kinderen tot stand brengen buiten het Woord om, waarmee do vraag van het geloof dor kinderen, het beslissend moment beantwoord wordt.

1; Inst., IV, 15, 5.

-ocr page 143-

135

In boide laatsto stollingnn vinden wij hot aanknoopingspunt voor do rechte verklaring van liot aanhangige probleem.

/quot;Vooreerst de noodzakelijkheid der wedergeboorte, met name bij vroegstervende kinderen. De kinderen hebben ter zaligheid zoowel zondevergeving als wedergeboorte noodig. .Door do erfzonde brengen zij van de geboorte af do vordoomolijkhoid met zich mee on dragen liet zaad dor zonde in zich. Zo zijn geone innocontos, gelijk de Dooperschcn en Homo loeren. Zij kunnen niot bohondon worden, of zo moeten van beide, schuld en smet der zonde, zijn vrijgemaakt\'). En derhalve mag dozo grondregel goldon: „Niemand der uitverkorenen wordt uit het tegenwoordige leven weggeroepen, die niot te voren door Gods Geest geheiligd en wedergeboren isquot; \'). Is deze regel ook van toepassing op kindoren, die ongedoopt sterven, zoo volgt, ■ dat or wedergeboorte moet bestaan vóór don doop. Dit is hot oorsto gegeven.

De tweede grondstelling is: do souvereine macht Gods brengt do wedergeboorte, wanneer en gelijk Hij wil, tot stand. Een bepaaalden leeftijd om wedergeboren te kunnen worden, heeft de Heero niot voorgeschreven. Niot slechts in den raonsch, die voor leering vatbaar is, maar ook in de kinderen kan de Geest Gods werken1). ïon bewijze

1

2). He fut,, err. M. Serveti, C. R., VIII, 489, 493.

-ocr page 144-

136

daarvan voort Calvijn do persoonlijko voorbooldon aan van Johannes don Doopor, dien God reeds in don moederschoot heiligde, en van Christus, die van kindsheen af geheiligd is, .opdat Hij uit eiken leeftijd zonder onderscheid Zijne uitverkorenen in zich heiligen zouquot;. Beide bewijzen, dat de kinderlijke leeftijd niet al to zeer in strijd is met do heiliging („infantiae aetatem non usque adeo a sanctificatione abhorrerequot; \')■

Calvijns bedoeling is dus, aan te toonen, dat eene werking des Greestes in de kindoren mogelijk is, of, gelijk hij \'t elders uitdrukt, dat de kinderen den Geest kunnen hebben. ,Heiligenquot; vat hij hierbij niet in den zin van ,afzonderenquot; op, zooals in zijno verbondsbesohouwing, maar, gelijk in zijne algemeene doopsleer, identisch met „wederbarenquot;.

Vervolgens beroept hij zich op de vrijheid Gods, die aan de verordende middelen niet gebonden ia. Ofschoon voor de volwassenen .het Woord des Heeren het eenige zaad der geestelijke wedergeboorte isquot;, toch kunnen de kinderen wedergeboren worden door de kracht Gods, de voor ons onbegrijpelijke en wonderbare, maar voor God zeiven gereed liggende kracht. Men kan toch aan God het vermogen niet ontzeggen, „om zich op emigerlei wijze aan de kinderen te openbarenquot;.

quot;Want Hij is bij machte het gelooj\\ (waarop de wedergeboorte, zooals we vroeger gezien hebben, rust), buiten eenig middel om, in hen te werken. De regel .fides ex audituquot;, welke de gewone bedeeling Gods uitdrukt, sluit niet eene andere wijze van bandelen uit. Er kwamen volwassenen tot geloof, zonder ooit de verkondiging des Evangelies gehoord te hebben. Arelen hoeft God met ware kennis van Zich begaafd, op innerlijke wijze, door de verlichting des Geestes, zonder tusschenkomst van eenige prediking (§§ 18, 19). Dezulken trok God door eene verborgene

1). rast., IV, 10, 17, 18.

-ocr page 145-

137

ingeving (,arcano instinctuquot; \'). Werkte Grod nu in sommige volwassenen rechtstreeks, waarom kan Hij dan ook niet in de kinderen rechtstreeks hot geloof aanbrengen? Datzcgeene kennis bezitten van goed en kwaad, doet geene schade. Sommige kinderen worden reeds in hunne prille jeugd door den dood weggerukt en in het eeuwige leven overgebracht tot de aanschouwing van het aangezichte Gods in den vollen glans zijns lichts. Waarom zou do Heere hen dun niet, „iu liet tegenwoordige leven, zoo het Hem hehaayt, mot een klein vonksken bestralenquot; ? (§ lil).

En insgelijks, wat de inlijving in de gemeenschap met Christus, waaruit de wedergeboorte voortvloeit, aangaat, „wie zal het wagen God eene wet op te leggen, dat Hij niet on eene andere (dan door het gehoor des Woords), op eene verborgene wijse de kinderen Christus inlijvequot; ? (§31).

Calvijn vindt in de verkiezing en hot alvermogen Gods genoegzamen grond, om wedergeboorte en geloof\' bij de kinderen te kunnen en te mogen aannemen.

Maar de aard van dit geloof en deze wedergeboorte moet een ander zijn dan bij de volwassenen. Zijn idee van fides actualis en regeneratie manifesta moest Calvijn ten opzichte der kinderen laten varen. In de eerste uitgave zijner Iwthuiie (1536) schrijft hij wel, dat de kinderen ,het geloof met de volwassenen gemeen hebbenquot; 2). Maar hij laat er zich niet verder over uit, hoe hij dit geloof der kinderen opvat. Misschien, dat hij toen nog evenals do Lutherschen aan eene fides actualis dacht. Maar in elk geval behield hij zulk eene gedachte niet lang. In de 2e editie (1539) voegt hij er voorzichtig aan toe, dat hij van de kindoren niet beweren wil, dat zij met hetzelfde

1) C. R., VlII, 616: »Sed hunc ordinarium vocationis modum (ex anditn verbi) quern tenet Dominus, minime obstarc, quominus occultam vim spiritus in pueris, ubi visum est, exerceat. Imo quum dich Paulus, fidem esse ex auditu, ne his quidein verbis imponitui\' Deo necessitas quin arcano instinctu ad se trahat discipiilos, quibus de euaugelio verbum uuuquam factum est,quot;

•J) C. it-, I, 118.

-ocr page 146-

13S

geloof als wij boganfcl zijn („eadom esse fide pracditos quain nos experiraurquot; \'). En in de editie van 1550 wijzigt hij den tekst nogmaals door de bijvoeging: of dat zij ook maar eene geloofskennis bezitten, die aan de ouzo gelijk is („aut omnino habere notitiani fidei similemquot;); dat wil hij liever in \'t midden latenquot;).

Over de wedergeboorte verklaart hij tegenover Servet alleen, dat zij wel ter doge in de kinderen oen aanvang kan nemen, en later, dat God in de jeugd, welke nog niet door het Woord kan geleerd worden, .Zijne trappen van wedergeboorte houdtquot; ( § 81). Maar meer ook niet. Eerst in de bekende uitgave der Institutie van 1559, vinden wij de nadere aanwijzing, hoe hij wedergeboorte en geloof bij de kinderen beschouwt. Zonder hetgeen hij vroeger gezegd had, te veranderen, vlecht hij deze verklaring in (§ 20): .ïen slotte kan zonder moeite deze tegenwerping opgelost worden, alsof de kinderen op toekomstige bekeering (= wedergeboorte) en toekomstig geloof gedoopt werden: ofschoon deze in hen nog geenen vasten vorm aangenomen hebben, schuilt toch het zaad van heide door dn verborgene werking des Geestes in hen (quae otsi nondum in illis formatae sunt, arcana tarnen spiritus operatione utrins-que semen in illis latet)quot;. Alzoo neemt hij in de kinderen een zaad des geloofs en een zaad dor wedergeboorte aan. Naar den indruk, dien zijne woorden te weeg brengen, acht hij hiermee de lang gezochte uitdrukking gevonden en het vraagstuk van het geloof en do wedergeboorte der kinderen opgelost te hebben.

ÏTu echter moest Calvijn ook do betrekking, die hij tusschen geloof en wedergeboorte gesteld had, eenigszins wijzigen. Gold voor hom in den aanvang steeds het geloof voor do bron en oorzaak der wedergeboorte, daar hij op de

1) C. li., I, 982.

2) Ibidem.

-ocr page 147-

139

volwassenen hot oog had, in ahsoluton zin kon hij dit moeilijk meer handhaven. Zoolang vooral op do openharing des nieuwen levens gelet wordt, kan geacht worden? dat het geloof\' aan de wedergeboorte (deze laatste in den zin van bekeering opgevat) voorafgaat. 3Iaar beschouwt men geloof en wedergeboorte in hun kiem of zaad als de eerste planting des nieuwen levens, door de verborgene werking des Greestes, dan vallen beide samen. Zoo meenen wij te moeten verstaan, dat Calvijn in zijn Commentaar op Johannes\' Evangelie \'), van zijne gewone uitlegging afwijkende, verklaart: .Het geloof door den Greest gewerkt, kan ook zelf reeds tot de wedergeboorte gerekend wordenquot;.

Maar deze verklaring, dat in de kinderen een kiem van geloof en wedergeboorte schuilt, is nog niet geheel voldoende. Kest nog het verband met den doop als verbondszegel. We behoeven eene duidelijke beantwoording van de vraag, of geloof en wedergeboorte reeds vóór den doop bestaan; daarna, hoe ze door den doop verzegeld worden; en eindelijk, hoe dit te rijmen valt met eene verbondsbeschouwing, volgons welke do kinderen slechts uiterlijk verbondsheilig, d.i. afgezonderd van de ongoloovigen, zijn en eerst later geestelijk wedergeboren worden.

Hierover raadplegen wij de verschillende geschriften, vroeger en later van Calvijns hand verschenen. Zo toonen ons, dat de hervormer over het cardinale punt van den kinderdoop eerst langzamerhand tot meerdere klaarheid van voorstelling is gekomen. Ze loeren, dat er ook bij Calvijn eene dogmatische ontwikkeling heeft plaats gevonden.

Duidelijk laten zich twee perioden onderscheiden. In de eerste voerde hij strijd met de Dooperschen over hot goed recht van den kinderdoop, waardoor hij tot de beschouwing kwam, dat het geloof, de sterking dos geloofs en de verbondsverplichting voornamelijk bij de ouders is, terwijl daarnaast de andere lijn, reeds vroeger gegrepen, liep,

1) Comment, in Joh. 1, 12. 1q,

-ocr page 148-

140

volgens welke ook in de kinderen geloot\' en wedergeboorte aanwezig zijn. Maar de laatste opvatting wordt door de eerste verdonkerd, en, waar beide nevens elkander te voorschijn treden, staan zij elk op zichzelf, zonder dat de eene met de andere verzoend wordt. De nawerking daarvan zien we nog in do bekende lustilulie van 1559, welke grootendeels onveranderd Calvijns standpunt, in de uitgave van 1539 uitgedrukt, weergeeft, en slechts door enkele tusscheuvoeg-selen een ander gevoelen doet kennen.

De tweede periode begint mot Calvijns bestrijding van do absolute noodzakelijkheid dos doops, de „praecisa nocessitasquot;, reeds tegen Rome, doch zwak, geleverd, maar voor goed uitkomende togen do Lutherschen, met name, toen Joachim Westphal e. a. de Zwitsersche sacramentsleer in den Consensus ïigurinus neergelegd, op heftige wijze aanvielen. Daardoor iiioetl wel het oog gevestigd worden op hetgeen aan den doop voorafgaat; moeit wel ingezien worden, dat niet eerst met den doop, gelijk de Lutherschen on Home loeren, maar reeds te voren de genade (rods in het kind wordt gerealiseerd. En zoo kwam Calvijn er van zelf toe, om te stellen, dat de verbondsheiligheid niet slechts eene uiterlijke afzondering van de ongeloovigen, maar ook de innerlijke heiliging dos harten bedoelt, en dat de later uitgewerkte wedergeboorte slechts eene openbaring kan zijn van den verborgen kiem, door den Geest reeds te voren in het kind gelegd.

Bezien we dit nauwkeuriger uit do verschillende geschriften, die op dit punt betrekking hebben.

Do eerste uitgave der Institutie (1536) toont, hoe helder de jonge hervormer, nog slechts 25 jaren oud, ingezien heeft, dat er in de kinderen geloof, geloof reeds vóór don doop, aanwezig moet zijn. Wel schuchter en voorzichtig, maar toch duidelijk drukt hij zijn gevoelen over de aanhangige kwestie uit: „Het geloof hebben de kinderen met de volwassenen gemeen. Maar dit moet niemand in dien zin opvatten, alsof ik zoggen wil, dat het ydoof

-ocr page 149-

141

altoos ran den moederschoot aj begint (a matris utoro semper inchoari fidem), daar do Heero ook de volwassenen zelve soms eerder, soms later roept; maar ik zeg slechts, dat alle (jods uitverkorenen door het geloof het eeuwige leven ingaan, in welken leeftijd ze ook uit dezen kerker der verdorvenheid mogen weggenomen wordenquot; \'). Met het oog dus op do vele kinderen, die vroegtijdig sterven, durft Calvijn te zoggen, dat de kinderen wel niet altoos (sommigen roept God als de volwassenen eerst later) maar toch in den regel het geloof van de geboorte af bezitten.

Doch, of hij deze uitspraak te sterk gevonden heeft, weten wij niet; in elk geval, wij treffen ze in de volgende uitgaven der Institutie niet meer aan. In liet stuk des geloofs beantwoordt liet vervolg niet aan de verwachting, die Calvijn iu zijn eerste optreden hij ons opwekt. De strijd tegen de Doopersohen over de rechtmatigheid van den kinderdoop houdt hem bezig. Over de kwestie van geloof en wedergeboorte laat hij zich steeds voorzichtiger uit. Igt;yadat hij de mogelijkheid en do noodzakelijkheid dor wedergeboorte en dos geloofs in de Institutie van 1539 vastgesteld hoeft, treedt de lijn dos verbonds geheel op den voorgrond.

De Catechismus Genevensis (fransch 1542, latijn 1545) schijnt het geloof bij de kinderen uit te sluiten, door de verklaring, dat geen geloof noch bokeering behoeven vooraf te gaan, maar dat het genoeg is, zoo do kinderen de vruchten des doops later voortbrengenquot;\').

In gelijken trant handelt La forme d\' administrer le baptesme. 1542 en 1545, over den doop verbondsgewijze: heilig is gelijk afgezonderd \'). In do Articnli facultatis, ParisienxU cum antidotoquot;, 1544, wordt wol over de zaligheid

1) C. R; I, 118.

2) C. R., VI, 120; Niemeueb, o. 1. 3; VI, 188.

-ocr page 150-

142

dor ongedoopt stervende kindoron gesproken, maar het voorafgaan van de genade des verbonds voor genoegzaam gehouden \'). Iets meer zegt misschien de Brieve Inslruction conlre les Anaha/ytistes 1544, waarin Calvijnweldeleerbestrijdti dat de beteekonde zaak altoos aan het teeken moet voorafgaan: „C est disputer contre Dieu, de vonloir que la verité aille tousiours devant le signequot;; maar daaraan gaat vooraf: _ 11 suffit quelque fois qu\'elle suive,quot; pour le moins en partiequot;\' ^). Dat ,ten minste voor een deelquot; laat althans de mogelijkheid van eene voor den doop begonnen wedergeboorte open. Maar overigens worden zoowel de verkiezing als het verbond weer uitwendig genomen; er is sprake van eene aanbieding des heils, niet van eene oogenblikkolijke realiseering.

Wat Calvijn geschreven heeft in zijne brieven aan Servet, welke waarschijnlijk uit het jaar 1547 dagteckencn\'\'), weten wij. Het geloof der ouders wordt daarin voor dat dei-kinderen in de plaats gesteld, en alzoo het Eoomsche stelsel van plaatsvervanging gehuldigd. Toch treedt daarnaast de leer van de wedergeboorte der kinderen met meer beslistheid op: ,Do kinderen, die de Heere uit dit leven vergadert, worden zonder twijfel wedergeboren door de verborgene werking des Greestes. In de anderen handelt Hij naaide mate hunner jaren, en wel zoo, dat /iet leeken der vernieuwing niet ijdel zij (in aliis agit pro aetatis modo: et ita agit, ut non sit inane renovationis signum \').

Meer duidelijkheid verwachten wij in de Acta Si/nodi l\'ridentinae, rum autidolo 1547, ter plaatse, waar de kwestie van de absolute noodzakelijkheid dos doops aan de orde komt. Daar vinden we echter alleen terugwijzing naar

1) Vil, 8.

2) VII, 61.

3) Zie XI, No. 895 vv.

4) VIII, 494.

-ocr page 151-

143

do leer, dat do kinderen to voren lot de kerk hehooren, waarvan roods in de 7«s/iht?ie van 1539 gesproken was om to betoogen, dat zij vergeving der zonden bezitten. En inderdaad ligt hierin ook betookonis, omdat C\'alvijn do kork idoalistisoli opvat als openbaring van bet lichaam van ChristuR. Hij zogt dan ook: „Door do woldaad dezer belofto (Gren, 17 7) worden zij tot don doop ontvangen, omdat zij voor leden der kerk gerekend wordon. lluniie zaligheid neemt dus geon aanvang mot don doop, maar ze was roods in liet Woord gegrond en wordt door den doop verzegeldquot;\'), Nador godefinioord treedt doze gedachte te voorschijn in do Institutie od. 1550: „Daaruit volgt, dat de kinderen der geloovigen niet deswege in hunne jeugd gedoopt worden, opdat zij dan eerst (mot don doop) zonen Gods worden, terwijl zo voorheen buiton do kork stonden, maar oer worden zij door hot plochtigo tookon daarom in do kerk opgenomen, omdat zo dooi\' do weldaad dor belofto reeds tevoren iot het lichaam van Christus behoorden (quia promissionis benoficio iam ante ad C\'hristi corpus pertinobant)quot; =).

Toch geoft deze bestrijding van Rome\'s nocessitas dos doops nog niot, wat wo wonschen. Hot is n.1. mogelijk, dat or lijdelijke scheiding gemaakt wordt tusschen zondo-vergeving on wedergeboorte. Als leden der kork hebben do kinderen dan wol vergeving van hunne schuld (t. w. objectief, nog niot door hot geloof genoten), maar hunne wedergeboorte volgt later. Of we ons daarin vergissen, moge de briefwisseling met Bullinger voor don Consensus Tigu-rinns en ook do Consensus zelf (1549) uitwijzen, waarnaar, gelijk we vroeger zagen, liet effect van don doop „in dit opzichi\'\\ d.w.z. in zake de wedergeboorte, eerst later volgt.

1) VII, 444.

2) I, 1038, waar het merkwaardigerwijze eene plaats heeft bekomen tusschen de leer des avondmaals in. In de uitgave van 1559 is het dan ook overgezet in het hoofdstuk over den doop IV, 15, 22.

-ocr page 152-

144

hetzij in do jeugd, op rijperen leeftijd, of ook in den ouderdom.

Zoo drong de verbondsbesohouwing de gedachte aan geloot\' en wedergeboorte vóór den doop op den achtergrond. Hoofdzaak was, en, objectief beschouwd, niet ten onrechte, dat eerst hot goed recht van den kinderdoop boven allo bedenking gevrijwaard word. Voor hot andere zou, zooals do Institutie (§ 21) het uitdrukt. God wel te Zijner tijd zorgen.

Maar de strijd met de Lutherschen, die nu volgde, deed don hervormer een ander licht opgaan. Deze strijd bewijst, dat men, bij het betrachten van het een, het ander niet moet nalaten. Calvijn is door zijne tegenstanders er toe genoodzaakt, tegelijk met zijne verbondsleer zich uit to sproken over de genade, die de kinderen roods vóór den doop bezitten. Het Luthersche drijven van de „praecisa nocessitasquot; is het middel geweest, dat Calvijn en do Go-reformeerden met hem een goed inzicht in den kinderdoop hebben bekomen.

Tot dezen strijd over de absolute noodzakelijkheid des doops (niet over het avondmaal) gaf Calvijn zelf aanleiding door zijn geschrift Vera ecclesiae reformandae ratio, gevoegd bij het Interim adultero-qernuuiuin 1549, toen, ingevolge het ingevoerde Interim in Duitschland 154ö, zoovele Gereformeerden uit steden en landen verdreven werden door het fanatisme van Westphal, Heshusius, Placcus Ulyricus e. a. In dit geschrift nu had hij met kracht doen uitkomen, dat de kinderen loden van Christus moeten zijn, zal de kerk hen mogen doopen. ,Arolgens geen ander recht worden (de kinderen) door den doop in de kerk vergaderd, dan omdat ze reeds behoorden tot het lichaam can Christies, voordat, ze het levenslicht aanschouwden. Want die anderen tot den

doop toelaat, ontheiligt dezen...... Want boo zouhetge-

oorloofd zijn met het heiligt; merk van Christus te teekenen degenen, die buiten Christus staan? Derhalve moot noodwendig de \'jenade der aanneming don doop voorafgaan, welke (genade) liiet slechts van eeue halen zal\'njheid do oorzaak is, maar de

-ocr page 153-

145

zaliglicifl zelvo volkomen aanbrengt, die vervolgens door den doop bekrachtigd wordt (baptismum ergo praecedat adopti-onis gratia necesse est: quae non dimidiae tantum salutis causa est, sed earn ipsam salutem in solidtim afferi, quae baptismo deinde sancitur)quot; \').

Hier was nog niet meer beweerd, dan dat niet in den doop, maar in liet verbond, in de genade dei\' aanneming, de oorzaak der zaligheid, der volkomene zaligheid, ligt en dat de doop deze alleen bevestigt.

Maar op dit gezegde barstte do woede der strenge Lutheranen los en viel men1), eerst verholen, daarna publiek, in de heftigste taal (\'alvijn aan. Men verweet den hervormer, dal hij aan de natuurlijke geboorte de zaligheid vastknoopte en de kracht van den doop verzwakte.

Hierop diende Calvijn van antwoord in een geschrift, getiteld Appendix libelli adversus Interim, 1550. Eerst komt hij daarin tot nadere ontwikkeling van de verbondsleer. Yerbondsheilig is afgezonderd zijn van het gemeene menschen-geslacht, maar ze is geen gevolg van de natuurlijke geboorte. Ze is een „bovennatuurlijk privilege,quot; waardoor de kinderen van zondeschuld bevrijd worden.

Met deze verklaring; het verbond is een bovennatuurlijk privilege, vordert hij een flinken stap op den goeden weg. Het valt hem nu gemakkelijk uit het verbond, opgevat als bovennatuurlijke genade Gods, af te leiden, dat de kinderen wedergeboren moeten zijn. „ Ik besluit dus, dat de kinderen de wedergeboorte noodig hebben. Maar ik beweer, dat deze genade hun uit kracht der belofte ten deel valt en dat de doop bij wijze van zegel volgt (hanc ex promissione gratiam illis provenire contendo: baptismum vera, sigilli instar serjui)quot; en nogmaals : „bekwaam voor het teeken zijn slechts zij, die reeds door liet \\V oord geheiligd (sanctiticati) zijn.quot;

1

--2) VII, 679, 681.

-ocr page 154-

146

Volgons dit antwoord wil Calvijn gocne wedergeboorte eerst door of in den doop, noch ook daarna gewerkt, maar eene, die aan den doop voorafgaat, en door dezen verzegeld wordl.

Den terugslag van dit tegenover de Lutherschen gewonnen inzicht nemen wij nog waar in zijn geschrift togen den 1 )oopersohgozinden Servet, uitgekomen 1554, waarin hij ontwikkelt, dat God zonder behulp van het Woord dooide verborgene werking dus Geestes, „arcano instinctuquot; de wedergeboorte in de kinderen tot stand brengt.

En het is thans ook, dat hij in de Defensio doclrinae de sacramentis 1555, eene nadere toelichting en verdediging van den Consensus Tignrinus tegen de aanvallen van Wes-phal, hot in don Consensus uitgesproken gevoelen van eene later volgende wedergeboorte der kinderen uitlegt en rectificeert : „Met het sacrament brengt God Zijne genade daadwerkelijk te weeg door de verborgene werking des Geestes, maar ze openbaart zich daarom nog niet op hetzelfde moment als do bediening plaats heeft. Want vele in de jeugd gedoopten toonen later niet zoozeer, dat ze inwendig gedoopt zijn, als wel, dat ze den Geest, zooveel in hun vermogen is, uithlusschen on den doop te niet doen. Maar dan zien we het effect van den doop, dat een tijdlang uitbleef, eindelijk opkomen (effectum baptismi, qui ad tempus nullus fuit, videmus tandem omergere)quot; \').

Diensvolgens is de later volgende wedergeboorte do openbaring van de werking des Geestes, die in het verborgen bij don doop geschiedt.

Isog nauwkeuriger spreekt Calvijn zich uit in do Secunda defensio piae et orthodo.vae Jidei contra Joachimi Westphali calumnias 1556. Eerst stelt hij vast, dat de kinderen „door den doop niet wedergeboren noch gezaligd worden, maar dat hun daardoor slechts de zaligheid, waaraan zo

VII, XLII. Westphal trad iets later op, naar aanleiding van den Consensus Tigurinus.

1) IX, 29.

-ocr page 155-

147

te voren doel hobbon, verzegeld wordt, (per baptismum non regenerari aut salvari, obsignari illic tantum salutem, cuius prim f\'uerint partioipes)quot; \'). Daarna toont hij aan, dat do wedergeboorte eorst later te voorschijn treedt. .Gedurende eonig tijdsverloop toonen zich geene vruchtenquot;. En nu volgt de werking dos Geestes bij don doop: „Do uitdooling dor genade regelt do Hoere alzoo, dat hij van bet heilig symbool do werking Zijns Goostes niet afscheidt (ut a saoro symbolo non soparet spiritus sui virtutom). De kracht van don doop blijft bestaan, al openbaart hij zijne working niet op hetzelfde oogonblik, als hij bediend wordt (licot non oodem momonto quo poragitur efficaclam suam proferat)quot;. Hij is dan nuttig, „evenals een zaad, dat in de aardo geworpen, wol niot terstond wortel schiet on ontkiemt, maar toch niot nutteloos is, omdat hot mot verloop van tijd geen kiem zotten zou, indien het niet aldus gezaaid was (prodosse ut semen, dum in terrain proiicitur quod licot non oodem momonto agat radicom, vol gorminot, non tamon est inutile : quia nisi hoc modo satum temporis successu gormen non emittoret)quot; =). En dus, dewijl do kinderen van to voren loden der kerk zijn en ingelijfd in Christus, en do doop ook de strekking hooft in Christus\' gemeenschap in te zetten, kan de werking dos doops, geen andere zijn, dan dat do kinderen door hem in die gemeenschap moor en meer toenemen (.ut magis coalescant in Christi communionemquot;). Toch acht Calvijn hiermee het vraagstuk, ook met hot oog op de werking-dos doops, nog niot geheel on al opgelost („nondum so-lutus est quaestionis nodus, fatoorquot;)1).

Wat er echter nog aan ontbrak, vindon we voor oen goed deel in do Institutie van 1559 (IV, 1(5,20), gelijk wo reeds zagen; op toekomstig (dadelijk) geloof on toekomstige wedergeboorte worden de kinderen gedoopt, maar het zaad van

1

IX, 114.

-ocr page 156-

148

heide is reeds in hen door dc verborgene werking- des Greestes.

Zoo is het Calvijn dan eindelijk gelukt overeenstemming te verkrijgen tusschen den kinderdoop en de algemeene sacraments- en doopsleer. Ook bij de kinderen is geloof\', ook bij de kinderen eene gerealiseerde genade, niet slechts zondevergeving, welke buiten heu bestaan kan, maar ook wedergeboorte, die in hen geschiedt, beide in de gemeenscha]) met Christus, de inlijving in Zijn lichaam, gegrond. En daarvan is de doop het teeken en zegel.

Daarom voegt Calvijn in deze editie expresselijk in ( § ö); -De kinderen hebben deel aan de verzegelde zaak (rei signatae participes sunt),quot; en; „Zij bezitten de waarheid van den doop (veritatem obtinent)quot;.

En evenzeer, om alle misverstand te voorkomen, alsof do verbondsheiligheid slechts op eene uiterlijke afzondering en niet tevens op de innerlijke wedergeboorte zag, geeft hij wederom in eene opzettelijk ingelaschte paragraaf (§ 31) te kennen: „Ofschoon ik beken, dat alle nakomelingen van Adam, naar het vleesch geboren, van den moederschoot af hunne verdoemelijkheid meebrengen, ik ontken, dat dit een hinderpaal is, dat God hun niet dadelijk een heelmiddel aanbrengen zou. Want Servet kan niet aantoonen, dat er meerdere jaren door den hemel voorgeschreven zijn, om de nieuwheid des geestelijken levens een aanvang te doen nemen. Kaar het getuigenis van Paulus althans zijn zij, die uit geloovigen geboren worden, ofschoon naar hunne natuur verloren, toch door bovennatuurlijke genade heilig11.

Derhalve komen we bij Calvijn tot deze eindconclusie: Ook in de kinderen, leert hij, is de doop eene verzegeling-van de belofte en gave Gods der wedergeboorte, welke blijkens den eisch des geloofs reeds vooraf aanwezig- moet zijn. Welke deze als wedergeboren kinderen te beschouwen zijn, leert ons het verbond. Want wie in het verbond opgenomen, dus verbondsheilig zijn, moeten voor wedergeboren gehouden worden, tenzij het tegendeel blijke.

-ocr page 157-

14!)

Of Calvijh in dit zijn oordeel alleen staat, dan wel liet algemeene gevoelen der Gerefovineerden aangeeft, dient thans nader onderzocht te worden. Juist op het pnnt van den kinderdoop toch moet blijken, of de G ereformeerden het verband van doop eu wedergeboorte in strengen, absolnten zin handhaven. Daartoe zal zich dan ook voornamelijk ons onderzoek bepalen, te beginnen met de reformatoren, die in Zwitserland èf reeds vóór of met Calvijn geleefd hebben. Slechts van enkelen, Zwingli, (Oecolampadius) en Bullinger, die eene meer of min van Calvijn afwijkende sacramentsheschouwing voorstonden, geven we ook kortelijk hunne sacramentsleer in het algemeen weer.

11

-ocr page 158-

H O O F D S T U K in.

De leer der overige Gereformeerde Hervormers.

Waarom we, teu einde de Gereformeerde sacraments- en doopsbeschouwing in bet algemeen te leeren kennen, met Calvijn beginnen moesten on niet met Zwingli ot\' een der andere reformatoren, die reeds vóór Calvijn opgetreden zijn of in zijn tijd geleefd bebben, bobben we vroeger wel even aangeduid, maar kunnen we tluuis eerst nader rechtvaardigen, nu we overgaan tot de behandeling van hetgeen zij geleerd hebben aangaande het leerstuk, dat ons bezig houdt.

Met Zwingli konden we niet aanvangen, omdat hij in zijne sacramentsleer niet het doorgaande gevoelen der Gereformeerden weergeeft. De hervormer van Zurich staat in het stuk der sacramenten gedeeltelijk op Ana-baptistischen bodem. Indien de Gereformeerden zich niet aan Calvijn, maar aan hem aangesloten hadden, zou het sacrament voor hengeen genademiddel Gods gebleven, maar weinig meer dan eene kerkelijke plechtigheid, door menschen verricht, geworden zijn. Doch Zwingli is op het gebied der sacramenten de eerste woordvoerder der Gereformeerden niet, hoezeer hij ook in veje punten met hen overeenstemt.

Evenmin mochten we den hervormer van Bazel tot voorbeeld nemen, om de Gereformeerde sacramentsleer te

-ocr page 159-

151

verstaan, want hij is in hoofdzaak het voetspoor van Zwingli gevolgd.

Noch ook mocht Bullinger onze man zijn, want, hoe grooten invloed Zwingli\'s opvolger te Zurich ook moge uitgeoefend hebben, wat zijne sacramentsleer betreft, zooals hij zo in den lateren tijd zijns levens voorgestaan heeft, daartoe meenen wij, dat hij vooral door aanraking met Calvijn gekomen is.

En de andere reformatoren van denzelfden tijd toonen in hunne geschriften reeds, het zij dan meer of minder, van den Calvinistisch en geest doordrongen te zijn.

Met genoegzaam recht meenen we ons daarom op Calvijn als den grondlegger der Gereformeerde leer beroepen te hebben.

Slaan we nu de ons bekende werken der voornaamste Zwitsersche hervormers op, om hun gevoelen met dat van Calvijn te vergelijken. Allereerst

ilrr.DiELcu ZwingIjI \').

1 )e leer van dezen Zwitserschen hervormer kenmerkt zich door het scherpe onderscheid, dat hij maakt tusschen het uiterlijke en het innerlijke, het teeken en de beteekende zaak. Eene verbinding van geest en stof is bij hem ter-

1) Tn aanmerking komen voor de kennis van Zwingli\'s sacraments- en doopsleer vooral:

a. De vera et falsa religione commeiUarius 1525 vide OpEiii, ed. Schuier en Scliultess, III, 228 ft\'.

b. Vom touf, vont widertouf und vom Kiudcrtouf, 1525 ; Ibidem II, 1, 230 ff.

c. Uiber Doctor Balthazars toufbnddin warhafte griindte antwurt, 1527, II, 1,337 11\', eene wederlegging van een geschrift van Balth. flubmeier, handelend zover den christelijhen doop der geloovigen.quot;

d. In catabaptistarum strophas elenchus, 1527, III, 357 ft\'.

e. Quaestiones de Sacramento baptismi, 1530, III, 563 ft\'.

f. Ad illustrtssimos Germaniae principes Augustae congregatos de convitiis Eccii epistolu, 1530, IV, 19 ff.

g. Ad Garolum Romanorum imperatorem .. . .fidei ratio, IV, 19 ft\'.

h. Christianae fidei... brevis et clara expositio, 1531, IV, 42 ff. vgl. A. Baur, Zwingli\'s Theologie; en Osteri, Darstellung der Taujlehre Zwingli\'s, in Studiën und Kritiken, 1882, S. 205—281.

-ocr page 160-

152

nauwernood denkbaar. TTij huldigt in zijne sacramentsbeschouwing het dualisme.

Dualistisch schoidt hij do genade van het sacrament. Ei-bestaat geene werking van den Croest (rods door of met een zichtbaar toeken. Dus loochent hij de Roomsche leer, dat het sacrament de werkende oorzaak der genade is. Dus verwerpt hij de Luthersche voorstelling, volgens welke de werking des (xeestes door het voertuig van het sacrament gedragen wordt. En dus kan hij zich ook niet vinden in de gedachte, die Calvijn later voorstond, dat het sacrament den geloovige verzekert, dat (iod innerlijk volbrengt, wat door hot teeken voorgesteld wordt.

Het geloof, zegt Zwingli, heeft geene verzekering noodig. Het staat sterk genoeg, want het is geen weten, noch inbeelding, maar eene daadzaak (res). Het ontstaat, wanneer de mensch aan zich zelf begint te vertwijfelen en in te zien, dat hij alleen op God vertrouwen moet, en hot is volmaakt, wanneer hij geheel en al op de verdienste en den dood van Christus rust. Wie nu zou niet weten, klaar en zeker, wat in hem is omgegaan? Al goot men de gansche Jordaan over hem uit en sprak daarbij honderden heilige woorden, zijn geloof zou niet meerder worden \').

Van wat Calvijn leerde, dat juist om de zwakheid onzes geloofs de sacramenten ingesteld zijn, bespeuren we hier weinig. Eene geloofsterkende actie Gods door of met een zienlijk teekon acht Zwingli onnoodig en ongerijmd. .De sacramenten verzekeren meer do kerk van uw geloof dan uquot; (111, 231). Hierbij moeten we echter wel in het oog houden, dat het vooral de Roomsche en daarnaast de Luthersche leer is, welke Zwingli bestrijdt. Hij vreest voor een terugvallen in het opus operatum.

1) ill, 230 f; cf. II, 1, 244: igt;Also ist der touf im nüwen testament eiu pfliohtig zeichen, nit das es den, der sich toufen lasst, grecht niacliu oder sinen glouben feste; denn es nit möglich ist. dass eiu nsserlich ding den glouben festen mög; denn der gloub kummt nit von usserlichen dingen sunder allein von dem ziehenden gott; darum mag in kein usserlich ding befesten.quot;

-ocr page 161-

153

ITij toont zich beangst, dat men weder op eenige wijze de genade aan iets stoffelijks zal binden (alligare) \') Want een uiterlijk element kan geen innerlijk offect voortbrengen; het kan de ziel niet reinigen, kan de zonde niet afwasschen, kan niet rechtvaardig maken. Dat vermogen komt alleen Grode toe -).

Uit schuwheid voor de Koomsche leer beeft hij er dan ook niet toe kunnen komen, wat Calvijn wel dorst en konde aannemen, dat het sacrament eene exhibitieve beteekenis hoeft. Volgens Zwingli leert, beteekent en symboliseert het sacrament, maar het brengt geene genade te weeg (signiticat, non praestat):l).

Dit symboliseeren nu richt rich zoowel op het verleden als op de toekomst. Het sacrament stelt ons commemoratief do weldaden, door Christus verworven, voor oogen, en e.r.hortatief wijst het ons op onze roeping.

Zoo ook de doop. De doop beteekent hier de afwassching onzer zonden door Christus\' bloed en onzen plicht, om Hem aan te doen, d.i. naar Zijn voorschrift te leven ^).

Het is voornamelijk deze elltmhe zijde van den doop gelijk van liet sacrament in \'t gemeen, waarop Zwingli den nadruk legt. l it den naam (sacraments = krijgseed) valt reeds af te leiden, dat de sacramenten tot teekenen van verbintenis dienen\'). Ze zijn als de handslag op het gesloten verdragquot;). Ze strekken tot bewijs, dat men zich voor den krijgsdienst van Christus aanmeldt of daarin staat\'). Alzoo is de doop

1) IV, S3.

2j II. 1, 255 f. ; III, 229.

3) III. 577. Het woord «doopquot; wordt volgens hem door de Schrift in vierderlei beteekenis gebruikt; het beduidt den water-doop, den doop des Geestes, de uiterlijke leer en het innerlijke geloof. II, 1, 239. Dut nu de ware doop een symbool is van ilen doop des Geestes, spreekt van zelf.

4) IV, 47.

5) Hl, 229.

6) III, 239.

7) Hl, 231; »Sutit ergo saerainenta signa vel cereinoniae quibus se homo ecclesiae probat aut caudidatnm aut militem esse

-ocr page 162-

154

,oin pflichtig zeicheiiquot;, hot wolk aandiiitlt, dat do doopoiing; zijn leven verbeteren on naar den regel van Christus inrichten wil on Hem navolgen ; -knrz, os ist oin anhah oinos nihvon lohons, oin anhoblicb zeichen, caremonio odor rcXcTaquot;; hef is golijk, wanneer een krijgsman zich voor hot eerst laat inschrijven, of\' oen eedgenoot zioli hot witte kruis aanhecht. In don naam dor Drieëonhoid doopen is ,aan den Vader, don Zoon en don H. Geest wijden, overgeven, foehoiligen.quot; \')

Wat Calvijn dus in de tweede orde stolt, plaatst Zwingli voorop. Xiot do gonadeactie Gods, maar de monscholijke handeling, de toewijding tot den dienst van God, heeft de eereplaafs. Van do 7 virtutes sacramentorum die hij opnoemt, is de laatste: „quod vice iurisiurandi suntquot;, de voornaamste, ja, haast do eenige, welke metterdaad eene virtus kan genoemd worden!).

Toch sluit Zwingli niet geheel de befeokenis van het sacrament en mitsdien van den doop als hulpiiiid-del des geloof* uit. Vooreerst spreekt hij moer dan eens van de oefening dos geloof», door hof gebruik van hot sacrament verkregen\'). Maar vervolgons noemt hij ook aan, dat het sacrament het geloof versterken kan, n. 1. dat der zwakgoloovigen. -De geloovige, die nog wat boersch en ruw is en uiterlijk bewijs noodig heeft, wordt gewassohen, opdat hij nu wote, dat hij inwendig niet anders dan uiterlijk met het water gewasschen wordtquot;\').

Hierbij echter wordt dualistisch weer onderscheid gemaakt tusschen den uitwondigen en den iuwendigen monscli. -N\'iot zoozeer de innerlijke als wel de uitwendige mensch, de mensch in de sfeer zijner uiterlijke zintuigen gedacht, wordt geloerd en onderwezen (,oxterioris potius hominis informatio

Christi, redd unique ecclesiam totam potius ceiliorem de tuafide quam te.quot;

1) II, 1, 246, 249, 251, 253, 301, 363; III, 232.

2) IV, 56, sq.

3) VI, 2,55.

4) VII, quot;^98 (brief aan Thomas Wijttenbach).

-ocr page 163-

est quam interiorisquot;). En zoo wordt do zwakke èn innerlijk door den Greest on uiterlijk door hot zichtbare teeken verzekerd van Gods genade. Maai\' die sterk staat in hot geloof gebruikt het sacrament meer tot genot dan tot versterking dos geloofs (])otiiis amoenare quam firmare fïdem cupientequot;\').

Doze gedachte, een tijdlang door den strijd met do Wederdoopcrs teruggedrongen, treedt in hot laatst van Zwingli\'s leven op nieuw te voorschijn. Onder de 7 virtutes sacramentorum vinden we ook deze: „auxilium opemque adferunt fideiquot;. Dit geldt wel voornamelijk van het avondmaal, maar tocli ook van don doop. Ook in don doop worden gezicht, gehoor on gevoel ten dienste van het geloof gebruikt; want door hot zichtbare teeken worden de zintuigen, als zij naar hunne begeerte willen afdwalen, in toom gehouden en geroepen om ten gunste van geloof en gemoed dienst te doenquot;\').

In uitdrukkingen als deze komt do hervormer van Zurich iets nader tot liet standpunt, door Calvijn ingenomen. Te moer, daar hij, krachtens zijn theologisch beginsel eeno vrije werking des froestes leorende, ten slotte erkennen moost, dat bij do bediening van oen sacrament middelerwijl ook de II. Geest werken kan, .die in zijn waaien nu eens zonder werktuig, maar ook dan weer met helmtpvan ran een instrjimetil lokt en trekt, waarheen, hoever en wien Hij wil \') 5laar ook zoo is Zwingli Calvijn niet. De sterking des geloofs blijft hom iets bijkomstigs, en niet do innerlijke working des Goestes, maar bet uiterlijke loeren door de zintuigen is do hoofdzaak.

Wel echter moest hij krachtens deze opvatting met Calvijn op denzelfden grondslag staan wat betreft don eisch dos geloofs. liet sacrament is immers juist een publiek getuigenis voor de kerk van hot geloof, dat in

1) VII, 361 (brief uan Lindauer),

2) IV, 57 sq.

3) II. 1, 252.

-ocr page 164-

15G

ons is. Het is con merkteeken van ons Christendom, een bewijs van onzen christelijken godsdienst\').

Aldus oordeelt ook de kerk in het uitreiken van het sacrament. Ze geeft liet teeken alleen aan degenen, die /.O voor geloovigen houdt en dat zijn hare leden. Daar ze echter niet met zekerheid oordcelen kan over het innerlijk geloof dos harten, want over het geloof van een ander weet niemand iets beslists, oordeelt ze naar de uiterlijke yeloofsbelijdenis. En omdat het geloof eene vrucht en oen onderpand der uitverkiezing is, deelt ze het sacrament uit aan degenen,, die ze naar het menschelijk oordeel L-oor uitcerkorenen houdt\').

In zijne beschouwing van de kerk stemt dus Zwingli met Calvijn overeen.

Maar nu komt w eder het moeilijke stuk van den kinderdoop. En op dit punt staat Zwingli onvast. De Wederdoopers, bekent hij zelf, hebben hem eerst zelfs aan de waarheid van den kinderdoop een korten tijd doen twijfelen \').

Daarna echter heeft hij uit de vrije genadewerking dos (jeestes afgeleid, dat liet geloof en, daarmee samenhangend, de wedergeboorte bij jonge kinderen mogelijk is. „Het voorwendsel, dat de kinderen den H. Geest niet hebben, is ijdel en dwaas; want wie heeft ons gezegd, hoe God in hen woont, of wanneer Hij zijne gaven in ons plant, in den moederschoot, jong of oud? Jeremia is in den moederschoot geheiligd. Johannes de Dooper heeft onzen Verlosser met grootere vreugde in den moederschoot loeren kennen dan wij, als\' wij groot zijn. Perez en Serah, Jakob en Ezau hebben bij do geboorte met elkander gestreden. Wie, hoeft dat gedaan? Niet zij, maar God. Ik wil God laten werken, gelijk en wanneer Hij wilquot; \').

Maar later spreekt hij, (al is het, dat hij deze zoo even ver-

1) IV, 9 sq, 33 sqq.

2) ITI, 575 sq; IV, 8 sqq.

o) II, 1, 245.

4) II, 1, 252.

-ocr page 165-

157

melde woorden nooit formeel terugnam), over hot geloof en de heiliging der jonge kinderen niet meer. Mot hot oog op de kinderen vergelijkt hij don doop met hot opnemen in eene orde, zonder dat men hare wetten kent. De doop is „glyoli als wenn die Jungen aind in die Orden gostosson, hat man ihnen die Kutten angeschroten, noch habend sy die (isatz und Statuten uit gowüsset, sunder sy erst erlemet in der Kuttenquot; \') Wol rekent hij do kinderen onder de geloovigen, maar uit andore oorzaak, uit kracht dor verbondsbelofte. ^GHouben, ist war, kann nieman, deun dor iez zu vernunft kommen ist; noch wordend der gloübigen kinder under die gloübigen zult von des hands odor geheisses wegen, den Crott mit den gloübigen hat; dann jre kinder sind ouch darinquot; 1)\'

Deze uitspraak is in in drie opzichten merkwaardig: 1quot;. blijkt Zwingli (gelijk Calvijn aanvankelijk) geen ander geloof te kennen dan het actuoele, het bewuste, weswege hij het den kinderen ontzegt; 2quot;. spreekt hij van een toerekeven des geloofs, aan de kinderen, die zelve het geloof niet bezitten: (gelijk na hem Bullinger); en 3°. leidt hij dit rekenen onder de geloovigen af uit de belofte of het verhond..

Geen wonder, dat hij dan ook donzelfden weg opgaat, dien Calvijn oen tijdlang ingeslagen heeft. In plaats van voorafgaand geloof te blijven eischen, rekent hij voor genoegzaam, dat het verbond voorafga, en wijzigt het gansche praerequisitura, door bij voorkeur te spreken van voorafgaande genade, dewijl genade tegelijk het subjectieve geloof en liet objectieve verbond insluit. Dienovereenkomstig heet het, dat de sacramenten tot een publiek getuigenis gegeven worden van de genade, die ieder persoonlijk bezit (gratia, „quae cuique private prius adestquot;), en dat do kerk betuigt, dat aan dengeno, wien de doop bediend wordt, genade geschied is. Voor de volwassenen ligt dan

1

II, 1, 368.

-ocr page 166-

15«

doze genade uitgedrukt in de geloofsbelijdenis, voor de kinderen in do helojte Gods\').

Zoover er toch liij de kinderen geloof en belijdenis noodig is, treden voor hen de ouders en do kerk in de plaats. Zo leggen geloofsbelijdenis af .door don mond der oudersquot;, of, zoo deze niet gelooven, „door den mond der kerkquot;quot;), Evenals aanvankelijk Calvijn neemt ook Zwingli dus do leer der plaatsvervanging over, al vat hij dit plaatsvervangend geloof niet 0]) als een meritum, maar als een geloof des verbonds.

Maar, wat hij wel met kracht volhoudt is, dat de kinderen uit kracht van het verbond heilig zijn en diensvolgens, evenals de ouders krachtens hunne geloofsbelijdenis, moeten gerekend worden tot de uitverkorenen.

[n zoover zijn ze ideëel ook wedergeboren. Eerst later worden ze het reëel voor hun bewustzijn. „Izak was wedergeboren en verkoren voor God, maar wedergeboren voor zichzelven nog niet, omdat hij het niet wistquot;3). Daarom kunnen ook de ouders over de zaligheid van limine kinderen getroost wezen. Zoolang het besliste tegenbewijs ontbreekt, is aan te nemen, dat ze allen uitverkoren en zalig zijn. Voornamelijk wanneer ze vroeg sterven, moet dit worden ondersteld. Ook van Ezau, ware hij jong gestorven, had men hetzelfde mogen gelooven \').

Yatteu we alsnu in \'t kort Zwingli\'s gevoelen over den kinderdoop samen en vergelijken we het met dat van Calvijn, dan kunnen we zeggen: Zwingli neemt het standpunt in, waarheen ook Calvijn voor een tijd eenzijdig was afgedwaald, volgens hetwelk de beteekenis van den kinderdoop voornamelijk ligt in het ethische moment, de toewijding tot den dienst van God, en de eisch van voorafgaand eigen geloof dor kinderen vervalt om plaats te maken voor het geloof der ouders en der kerk, en het verbond van God, zoodat de wedergeboorte eerst later volgt.

quot;TpTv, 9 sqq ; 30, 33, 35 sq.

2) III, 577 ; IV, 9.

3) III, 577.

4) II, 1, 366,

-ocr page 167-

15!)

Met de beschouwing van Zwingli stemt in hoofdtrekken overeen het oordeel van den hervormer van Bazel,

J OMAXXES O F.COIjA MI\'A DIUS.

In zijne geschriften tegen lt;[lt;gt; Wederdoopers \'), spreekt hij zicli ovi-r don kinderdoop volgendenvijs uit:

Op den doop mogen we niet vertrouwen, want niet het aardsche water wascht de zonden af en brengt de wedergeboorte maar de (ïeest en het water, dat Christus schenkt, en God is het, die de zonden vergeeft. Maar wel is de doop een verbondsteeken dat Christus ons met zijn bloed van onze zouden afgewasschen heeft. En noodig is de doop, opdat tie menschen ons onder het (fetal der Christenen mogen rekenen.

En wat nu de kinderen betreft, van wege de erfzonde, (want zij volgen .ja zum ersten dem alten Adamquot;), hebben zij behoefte aan zondevergeving en wedergeboorte. En zeker hebben ze aan de zondevergeving ook deel, want ,wo das nit, so were os unbillich, da man sic tauft\'te, dan es wer ein lügerhafftig zeichenquot; 2).

En nu de wedergeboorte ?

Recht duidelijk drukt zich de hervormer hierover niet uit. Klaarblijkelijk vat hij de wedergeboorte op in den zin van bekeering en heiligmaking. Maar toch wil hij alle werk des (leestes bij de kinderen niet uitsluiten, mot het oog vooral op de vroegstervenden, die door Crod verkoren .fur-sehenquot; zijn. _ In mittler zeit ist das kind, so zu ewigen freid verordent, nitt 011 den heiligen geixt, das ist, es ist nitt on den gnadreichen willen (lottes. Es ist ym auch nitr not das es zu der zeit seiner kin they t vom geist in würchug getriben werde, bis es zü seiner tagen koin])t. Daim znr bequemer

1) l. ünterrichtung von den Widertauff, van der Oberkeit, und von den Eyd, aujf Carlins N. widertauffers artikel.

2 A ntirorf aujj\' Badhasar Hiibmeiers buchlcin wider der Predi-canten gesprach zn Basel, von dem Kindertaujf\', durch Jo. Oecolam-padius 1527. In deze gcsclirifteu ontbreekt de gewone pagineering.

2) Tot zoover bet boekje tegen Carlin; het vervolg wordt gevonden in dut tegen Hübmeier.

-ocr page 168-

lüü

zeit, so os cin kind dor gnaden ist, so würt os zu don vor-trouwon und der liebo gezog-en, und mit weileren gnaden übergossen, will dann Got das kind in der jugendf und kindthoit auss der wolt nomen, hatt or os fürsehen, und ist ym guedig, würdt sein almochtig gnad das uns mangel beduncbt wol erstatton.quot;

De mogolijkhoid van wedergeboorte grondt hij gelijk Calvijn op do souverein werkende almacht Grods. God kan n on mittel sein sach so wol auss richten als mitt mittel,quot; on „ Christus weiss sich auch ijn wol zu offonbaren, dainitt sie durch ijn als durch die thür zu den vatton ein geon.quot;

Maar in zijne beschouwing over don eisch dos golooi\'s, gaat hij met Zwingli hand aan hand. Do kinderen worden gedoopt op hot geloof der ouders en der kerk. Niet, alsof\' dit geloof hen zalig kon maken, maar ^das sie auch in diesolbigo religion und versamlung komenquot; \'). Hot geloof\' dor kerk hoeft dit nut, .das sio als reinon auch in don volck Gottos gozelet, gefallen Gott mitt andern, unnd als die mittglider eines loibs, seind sio auch der bonedeyung toilhafftig, dann Gott hat gobonediot die grosse und die kleinequot;.

Eigen geloof mag het kind niet toegekend worden. .Die bewegiuig des glaubos kompt gemeinlich nitt se dann die zeit d\' vernnünfftlichen übungquot;.

.Dieweil auch die verdienst der gnaden Christi weitter reichen, dan die schuld Ado, so in kinden nitt is eigen schuld ist in yn aucli nitt eigen gerechtigheit oder der glaub. Es tregt aber dannocht das zoichen der gleübigon, also das nitt wol zu don ongloubigon zuzelon ist, und tregt der namen der Christenquot;.

In plaats van geloof\' gaat nu do genade Gods vooraf,

1) Weinige jaren vroeger moet Oecolampadms de leer toegedaan geweest zijn, dat God de kinderen heiligt op het gebed der ouders en der kerk, volgens een brief 1525 aan Zwingli, bij Dstbbi, Oecolampads Stellung \'zur Kindertau/\'e, Studiën und Kritiken, 1883, S. 157 f.

-ocr page 169-

161

waaruit hot geloof voortvloeit. .Also ist yn gbttlcli liuld als dor brunn an stalt des glaahen.i, dor da ist cin abfliisson, und ursach des lobonsquot;.

Volgens Oecolampadius kan dus de wedergeboorte aan den doop der kinderen voorafgaan, maar „gemeinlichquot; treedt ze met het geloof later te voorschijn.

Van meer belang dan Oecolampadius is echter voor ons Zwingli\'s opvolger te Zurich

Heixuioh Büllingbe.

Bullinger is ongetwijfeld een man van verreikenden invloed geweest, zoowel door zijn practische wijze van voorstelling, waardoor hij zich meer dan anderen voor het volk verstaanbaar wist te maken, als door zijne bijzondere leermethode, de z.g. verbondstheologie. Terwijl Calvijn eerst bij den kinderdoop eene nadere ontwikkeling van do verbondsleer geeft, beschouwt Bullinger reeds de sacramenten in het algemeen uit het standpunt des verbonds.

Maar hierbij mag niet uit het oog worden verloren, dat er eenig onderscheid tusschen Bullingers vroegere en latere leer der sacramenten bestaat. Eerst stond hij op Zwingli-aanschen bodem. Hij huldigde hetzelfde dualistische standpunt als Zwingli. Slechts werkte hij nader uit, wat zijn loorraeester voornamelijk in den lateren tijd zijns levens geleerd had, zoodat hij, kloeker en sterker dan deze, de waarde der sacramenten als hulpmiddelen des geloofs deed uitkomen. Maar eerst sedert de briefwisseling met don reformator van Genève kreeg hij dat diepere en ruimere inzicht in het wezen van het sacrament, dat wij uit zijne hoofdwerken loeren kennen. Geheel en volkomen doolt hij echter Calvijns zienswijze niet. Er blijft oen klein verschil over. Bullinger behoudt zijne zelfstandigheid als verboudstheoloog. En sommige ideeën herinnoren nog steeds, van wien hij eerst geleerd heeft.

Hoe hij in zijne eerste periode het sacrament beschouwde, leeren we het bost kennen uit de onderhandelingen met

-ocr page 170-

162

Calvijn vóór ilon Consensus Tigurinus \'). Dualistisch scheidt hij dc uitwendige sacramontshandeling en de innerlijke werking des Greestes. Hij wil, gelijk Calvijn schrijft, alleen eene overeenkomst tusschen teeken en beteekende zaak in plaats van eene eenheid („analogiam proponis unionisloeoquot;).

Wanneer Calvijn uitdrukkingen bezigt, als dat do sacramenten genade aanbrengen en verleenen (confernnt et exhibent), vreest hij, dat de genade aan het teeken zal gebonden worden (alligari). Dat de sacramenten tot de gemeenschap met Christus leiden, is ook zijne gedachte ; maar hij vat het symbolisch op: de (ieest is het, dien met Christus verbindt en zijne heilgoederen deelachtig maakt. Voor de woorden, dat God werkt door middel der sacramenten (per sacramenta), wil hij liever lezen: middelerwijl (duin), omdat de teekenen onbezielde dingen zijn, onvatbaar voor eene geestelijke kracht. Om het gevaar te voorkomen, dat men in de sacramenten een trechter en kanaal (infuodibilus ac canalis) der genade zie, schrijft hij voor conferre en exhibere — siynificare, tenlijicare, obsignare, want alleen Greest en geloof brengen genade aan. Voor een getuigenis der waarheid Gods erkent hij het sacrament ten volle, overmits God niet liegen noch misleiden kan; maar nu toont hij, wat hij onder verzegeling-verstaat: „God verzegelt door het teeken, dat Hij ons wederbaart en tot Zijne kinderen maaktquot;. Het is dus de verzegeling eener objectief bestaande waarheid, nl. dat de geloovigen hunne wedergeboorte uit God hebben. Het is alleen een kerend verzegelen. Over Calvijns voorstelling, dat de vergeving der zonden tegelijk (simul) met den doop ontvangen wordt, is hij ontstemd; want er schijnt mee bedoeld, dat wij eerst met den doop zondevergeving verkrijgen en Abraham had de gerechtigheid reeds te voren, liullinger waakt er dus voor, dat de cisch van voorafgaande genade en geloof niet verkort worde.

1) C li, Calvini opera, VII, 693 sqq.

-ocr page 171-

163

Maar als Calvijn hom op al zijno bedenkingen heeft geantwoord, n.1. dat hij ge(gt;ne zelfstandige genadewerking der sacramenten leert, maar eene instrumenteele, in den dienst staande van den II. Geest en dus Hem gesubordineerd; dat de Geest de auteur is, die de genade „confertquot; en „exhibetquot;; dat „si 11111!quot; gelijk staat met ,similiterquot; en niet beslist bedoelt tegelijkertijd en op dezelfde plaats; dat er onderscheid dient gemaakt tusschen genade binden aan (alligare) en in verband stellen met (conjungere) het sacrament, welk laatste moet aangenomen worden ; en dat de eisch des geloofs van het sacrament onafscheidelijk is, zoodat zonder „vas fideiquot; het teeken geen nut doet, — als Calvijn al deze ophelderingen gegeven heeft, dan buigt zich Bullinger voor het diepere inzicht van den reformator van Genève, spreekt zelfs zijne groote bewondering voor hem uit on erkent \'): God werkt ook instrumenteel, door de dienaren in do verkondiging dos Evangelies en door de sacramenten in hot verzegelen der genade, en dus wederbaart de doop, omdat hij verzegelt de reiniging, door God tot stand gebracht (.baptismus regenerat, quia obsignat purgationen a Deo porfectainquot;), en het resultaat der onderhandelingen, den door Calvijn opgestelden Consensus Tigurinus, onderteekent hij zonder voorbehoud.

Daarmede is de overgang van Bullingers eerste tot zijne tweede periode bewerkstelligd. Door den invloed van Calvijn heeft hij het dualisme van Zwingli overwonnen en leert voortaan eene unio sacramentalis. Zoo betuigt hij -), dat het teeken en de beteekende zaak verbonden en vereenigd zijn : ti, door de instelling Gods, die bevolen heeft de verborgenheden der genade door zichtbare teekenen voor oogen te stellen en te verzegelen.

lgt;. door de beschouwing en het gebruik der geloovigen, die niet slechts op het zienlijke, maar ook en veelmeer op

1) o.l., VI, 713.

2) Huysboek, uitgave 15G8, z.p., decad V, ƒ270.

-ocr page 172-

104

do onzienlijke, hemolsche dingen het oog gericht houden en niet het toeken ook do betoekonde zaak genieten;

c. door do overeenkomst eu gelijkenis der dingen, omdat het toekou toeken is van de hetoekeudo zaak.

Eu moer dan vroeger stolt Bullinger or prijs op te vorklaren, dat do saoramenton getuigenissen zijn van Gods genade om hot geloof op te wekken en to voeden, terwijl zij eerst in de tweede of dorde plaats dienon om ous van onzen schuldigen plicht te vermanen. Zoo is do doop een zegel dos vorbonds en der genade Gods, dat Hij ons vernieuwen en heiligen wil, en daarna vermaant en verplicht hij ons ook tot doorgaande boete en betering des gemoods \').

Ja zelfs gaat Bellinger zoo ver, dat hij oenen voortgang en eene versterking des goloofs op bijzondere, sacramenteele wijze erkent1). God deelt zich aan ons mode op eeno bijzondere wijze, don sacramenten eigen, en aldus gaan wij, die voorlang aan Christus doel gekregen hebben, in de viering der sacramenten do gemeenschap met Hem door het geloof en op geestelijke wijze voortzetten en vernieuwen, terwijl do teekenen ons deze gemeenschap zinnelijk verzegelen. Wie zal nu nog zeggen, dat zij, die hot sacrament goloovig gebruiken, ijdole vertooning houden en niets ontvangenquot; ? Blijkbaar komt Bullinger hier Calvijns opvatting van hot sacrament zoor nabij.

Maar toch merken wij eenig verschil op. Niet slechts dat Bullinger voortdurend hot verbond vooropstelt, on van uit het standpunt des vorbonds do sacramenten behandelt, maar ook in andere opzichten. Uitdrukkingen als „exhiberequot; en ,conferre gratiamquot; zien we hom nimmer gebruiken.

Voorts beschrijft hij nog altoos de sacramenten als „toekonen en zegelen dor leeringquot;, waardoor wij geloerd worden, dat wi j opgenomen zijn in hot verbond Gods, gereinigd

1

Huysboek, /\'276.

-ocr page 173-

165

on vernieuwd \'); maar, of hij mot do vorstorking van do kennis den geloofs ook do bevestigingvanhetgeloofsvertrouwen door de innerlijke werking dos Greostes verbindt, gelijk Calvijn, dat bespeuren we minder.

En eindelijk neigt hij er toe, om zondovorgoving on wedergeboorte onder het begrip ..af\'wasschingquot; of „reinigingquot; samen te vatten, (hoewel hij bij gelegenheid ook wol ondorsclioidt),torwi j! Calvijn boido begrippen meer uitoeuboudt. /00 reeds zijn antwoord aan Calvijn: ..de doop wodorbaart, omdat hij verzegelt de reiniging, door God tot stand gebrachtquot;. En later meermalen.

Wat evenwel Bullinger op zijn standpunt zeer sterk moet leeren, en dat heeft voor ons veel belang, is, dat niet eerst door den doop do genade aangebracht wordt, maar reeds te voren is geschonken. „De heiligen en uitverkorenen Gods ontvangen de genade en gave Gods met pas, als zij de sacramenten ontvangen. Want aan de beteekende zaak hebben ze eerder doel dan aan het toekenquot; -).

Dit moet ook van toepassing zijn op de kinderen, üok zij hebben de genade vóór don doop. „Ik bid u, waarom doopen wij onze onmondige kinderen? Omdat zij mot den mond belijden? 3[ij dunkt van neen. Doopen wij ze niet, omdat God heeft bevolen ze tot Hem te brengen? Omdat bij beloofd heeft, ons en ons zaad tot een God te zullen zijn? En omdat wij gelooven, dat God uit loutere genade en barmhartigheid door het bloed van Jezus Christus hen gereinigd, aangenomen en tot erfgenamen van Zijn eeuwig rijk gemaakt heeft? Dewijl wij dan do kinderen om deze reden doopen, zoo geven wij genoeg te kennen, dat hun niet eerst door den doop de genade geschonken wordt, maar dat hun daardoor wordt verzegeld, wat zij te voren reeds hebbenquot; \'\').

12

-ocr page 174-

100

Zoo bohooron zi j roods to voron tot do gomeonscHap van Christus, maar door don doop wordon zij, evenals do vol-wassoiicn, rfom cic/ilhuar mgcWjfiW.\'). Zij zijn roods vooraf in liet verbond en tot kindoren (vods aangenomen, maar in den doop ontvangen zij den naa/n, zoodat zij voortaan kinderen (iods niet alleen zijn, maar ook lieeten, evenals do volwassenen1).

Daarbij behoort dan ook, dat zij liet geloot\'bezitten. Op voorgang van Zwingli verklaart Hullinger, dat zij voor geloovigen gerekend worden uit kracht des verbonds. Ku hij beroept zich daarvoor op 31af. 18 : t#; .Indien iemand een dezer kleinen, die in mij geloooen, ergertquot;. „Uit deze plaatsquot;, zegt hij, ,besluiten sommigen, en bevestigen het nog met andere schriftuurplaatsen, dat in de kinderen een verborgen geloof aanwezig is (esse in infantibus occultam fidem). Dit gevoelen laat ik voor wat het is; maar eenvoudiger is de verklaring, dat in de Schriften de naam: geloof en geloovigen tweevoudig gebruikt wordt. W ant vooreerst worden geloovigen genoemd, die het Woord hoeren en gelooven en hun geloof met woorden en daden betuigen en belijden. Vervolgens worden in de Schriften geloovigen genoemd, gelijk te dezer plaatse de kinderen, zij, die het geloof niet kunnen belijden, maar toch onder de geloovigen geteld worden en wel uit loutere genade Gods, die ook de kinderen in het verbond heeft besloten. Zoo worden naar het Evangelie de kinderen terecht geloovigen geheetenquot; :l).

Elders\') verklaart hij dit zoo, dat de kinderen geloovigen heeten, omdat God hun het geloof ^toerekentquot;. Waartoe ook dient, dat de vader voor het kind den doop begeert, en gelooft aan de belofte, dat zijn kind tot het gezin Gods behoort. En zoo de vader niet gelooft, dan gelooft de kerk.

1

Somma, hl. 148.

-ocr page 175-

107

Dit geloof moot ochtor niet ;ils ecno fidos aliona wordon opgevat. Do kinderen wordon niet op liet geloof van een ander, maar op eujen geloof gedoopt, n.1. op het geloof, dat de Ifeere hun toerekent. Het volgt ook hieruit, dat /.ij leden der kerk zijn. Want wat de kerk als haar eigen bezit, dat bezitten ook de kinderen als hun eigen. Dus ook het geloof.

Met deze Zwingliaansclie voorstelling vereenigt Bullinger echter ook de idee der wedergeboorte, door Calvijn vastgehouden. „Daarenboven zou niemand lichtelijk kunnen zeggen, wat bewegingen des 11. Greestes de kinderen hebben. Want, omdat zij Grod toebehooren, hebben zij den Geest Grods i). Ten bewijze hiervan voert hij aan Rom. 8:0: ,Wie den (leest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe.quot; Op deze wijze stelt Bullinger de wedergeboorte der kinderen voor.

Ten slotte concludeert hij juist uit dit deelhebben aan den H. Geest {.jpioincun participes mmt spiritus! sanctiquot;), dat hun de doop niet mag geweigerd worden, volgens hot verband, dooi\' Petrus tnaschen don doop en het bezit des Geestes (= de wedergeboorte) gelegd (Act. 10,47): „Zal iemand het water weren, dat deze niet gedoopt zouden worden, die den H. Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij ?quot; °)

Van Bullinger mag het derhalve heoteu, dat hij, hoewel hij in zijne sacramentsbeschouwing nog steeds, ook nadat hij het dualistisch standpunt van Zwingli te boven kwam, eenigermate van Calvijn verschilt, toch niet minder dan deze den eisch van voorafgaand geloof en voorafgaande wedergeboorte heeft gehandhaafd. Daar ook hij echter geloof opvat als fides aciualis, spreekt hij bij de kinderen van toegerekend geloof, en daar hij de wedergeboorte in den zin van vernieuwing en heiligmaking beschouwt, zoodat zo bij de kinderen later volgen moet (vgl. den Consensus Tigurinns, dien hij onderteekende), daarom spreekt hij bij

1) 1-1.

2) Aiiversus Anabaptistas, f. 221.

-ocr page 176-

168

hen van geestesgenade, van deel hehben aan den H. Geest. Mogen dus do uitdrukkingon ondcrsclieidon zijn, in het wezen der zaak denken Calvijn en Uullinger over liet verband van doop en wedergeboorte, ook ten opzichte dor kinderen, gelijk\').

En nu wij Bullinger gehoord hebben, durven we wel voorspellen, dat het gevoelen der sedert opgetreden Gereformeerden, ja, de officieel in de symbolen uitgedrukte leer der Gereformeerde kerk, met Calvijns beschouwing van sacrament en doop, in \'t generaal genomen, overeenstemmen zal. Men mag aan den eenen kant met Bullinger meer op het uiterlijke leeren, óf aan den anderen kant met Calvijn meer op de mystieke werking van het sacrament den nadruk loggen, ecu enkele misschien uitgezonderd, zien toch alle Gereformeerde godgeleerden van naam en de kerk in haar geheel in het sacrament zoowel eene loerende als eene mystiek-verzekerende beteekenis. In ons hoofdstuk over de belijdenisschriften hopen we daarvan een kort bewijs te leveren.

1) Te dezer plaatse merken wo op, dat de voorstelling door Dr. vax \'t Hooft {De Theologie van Heinrich Bullinger) over het karakter van Bullingers theologie, in ouderscheiding van die van Calvijn, gegeven, ons voorkomt niet geheel juist te zijn. Althans voor zoover de doop daarmede in betrekking staat, mist ze haar doel. Want liet ethische element in den doop spreekt ook bij Calvijn sterk. En z.g. universalistische ideeën, inden trant als Uullinger openbaart, zijn ook wel bij Calvijn te vinden, al staat hij dezen hervormer de leer der uitverkiezing meer op den voorgrond, vgl. hv. Comment in Gen. 17,7. Zoo er inderdaad aanmerkelijk verschil tusschen Calvijn en Bullinger, wat den inhoud der leer, niet de wijze van voorstelling betreft, bestond, zou hunne sacramentsbeschouwing daarvan wel de duidelijke sporen vertoonen. Wij vonden daarentegen, dat Bullinger van het Zwingliaansche standpunt al dichter en dichter tot Calvijn naderde, en ten slotte in weinig meer dan in woorduitdrukking en methodologische opvattiug van hem verschilde. Ook in de leer van het toegerekende geloof ligt geen wezenlijk verschil met Calvijn. Er is blijkbaar mee bedoeld, dat, wat de kinderen dadelijkerwijs nog niet vermogen, God in hen door Christus, wiens leden ze zijn, substitueert. In dien zin ontwikkelt Bullingers geestverwant, a Lasco, deze idee, en neemt de Bray, een echt Calvinist, haar over. Zie beneden.

-ocr page 177-

ion

Thans mogen we, na Bullinger gehoord :o hebben, ons geheel beperken tot den JcindeviXooip. e hebben te onderzoeken, of de volgende Zwitsersche- Ivefoimatoren met Calvijn en Bnllinger eenstemmig dachten over het verband tnsschen den Km/^rdoop en de wedergeboorte.

De eerste, die als godgeleerde van naam onze aandacht trekt is

Pktijus Martyr Vimoitmts.

Bij dezen ambtgenoot van Bnllinger te Zurich i) is vooral opmerkenswaardig* hoe hij, de sterke voorstander van do leer der praedestinatie, er op nit is do uitverkiezing met liet verbond in verband te brongen on daaruit tot do wedergeboorte dor kinderen to boslniton. Doze wedergeboorte noemt hij bij voorkeur, gelijk Bnllinger, „hot hebben van den 11. Greestquot;.

„De heiligheid der kinderenquot;, zegt hij, „bestaat hierin, dat zi j tot de kerk van Christus behooren (quod ad ecclesiam Christi pertinent), en die tot de kerk van Christus behoort, beeft den TL (leest en do genade van (\'hristus. Deze heiligheid vloeit niet voort uit hunne afstaiuming, maar uit de verkiezing en barmhartigheid Gods. Doch do verkiezing loopt dikwijls met do natuurlijke voortplanting samen (saepe concurrit cum naturali propagatione), zoodat zij, die uit heiligen geboren worden, tevens door Grod uitverkoren zijn, gelijk wij zien in l\'zak, die on naar de verkiezing on naar het vleesch hot zaad van Abraham wasquot;.

A\\ el kennen wij de verborgen verkiezing Gods niet, zoodat volstrekte zekerheid, of oen kind uitverkoren is, niet bestaat. Maar die bezitten wij ovenmin omtrent do volwassenen. Kun geloof kan zoowol geveinsd als oprecht zijn. Zoolang echter do kinderen niet betoond hebben buiten Christus to staan, oordeelon wij, dat zo lieili^ zijn en koesteren goede verwachting van hunne verkiezing.

1) Loei communes, Genevae 102(3, classis IV, cap. 8, p. 581 sqq.

-ocr page 178-

170

AVant de eerste kenmerken- (prima indicia) dei\' verkiozing\' zijn de belijdenis en de helofte. Hel)!)en nn de kinderen de verbondsbelofte^ dan oordeelen wij, dat zij uitverkoren zijn en den //. Geest en de yenade van Christus bezitten.

Deze genade moet aan den doop voorafgaan, want volgde ze, dan werd ze niet verzegeld, omdat ze feitelijk ontbrak, gelijk bij de ongeloovigen geschiedt.

Gaat de genade vooraf\', dan rijst de kwestie van het geloof. ..Sonimigenquot;, zegt Martvr, ..achtenswaardige mannen, hebben gemeend, dat de kinderen geloof\'hebben. Demogelijkheid hiervan wil ik niet ontkennen, maar de Schrift leert dergelijke mirakelen niet. Het is genoeg, dat de kinderen voor hnnne behoudenis met den Geest overgoten worden, die de loortel van geloof, hoop en liefde is en van al de deugden, die Hij later, als het van wege den leeftijd kan, in de kinderen Gods openbaart en bewijst.

In zekeren zin kunnen zij dus geloovigen genoemd worden, evenals w i j ze soms met rede begaafd (rationales) noemen, ofschoon ze eerst later met hun verstand werkzaam zijn (ratiocinari).

Te zeggen, dat het geloof van een ander hnn te hnlp komt, baat niet. Een ieder, meldt de profeet, wordt door zijn eigen geloof behouden. Bijgevolg hebben ook de kinderen eigen geloof; geen actueel, uitgedrukt geloof, maar een geloof in aanrang, d. i. m zijn. beginsel en wortel, omdat ze den 11. Geest hebben, waaruit, gelijk alle andere deugden, zoo ook liet geloof voortvloeit (in parvulis vero Christianornin qui baptizandi offeruntur, earn (fidem) essedicimus inchoatam, in sno inqnam principio ac radice, quia Spiritum sanctum habent: unde cum fides turn omnes virtutes profluunt.)

Zoo behooren de kinderen niet slechts na, maar vóór den doop tot de kerk, en leden van de kerk kunnen zij niet zijn, of ze zijn met den Geest van Christus vervuld. Daarom zijn de kinderen, die Avaarlijk tot de kerk behooren, vóór den doop met den Geest des lieer en toegerust (antequam baptizentur, Spiritu Domini sunt instructi)quot;.

-ocr page 179-

171

Tot zoovoi\' Martyr. Zijn oordeel laat aan helderheid niets to wensohen over. Do verbondsbelot\'ro heet het eerste kenmerk van der kinderen verkiezing, en daaruit volgen geloof en wedergeboorte, vóór den doop in beginsel door liet bezit des Geestes, later in liiiunc openbaring.

Vragen wij thans naar het gevoelen van den Berner theoloog

\\\\ oLFGAXG M rsm.rs.\')

MaisouIiis redeneert over de kwestie van geloof en wedergeboorte meer uit de empirie dan principieel.

Do gaven van wedergeboorte, hoiliging etc., oordeelt bij-schenkt de (jioest, volkomen vrij als ]lij is in Zijne werking, gelijk Hij wil, soms vóór, soms na den doop of ook tijdons de doopshandeling. ,l)e ervaring (experientia) leert, dat velen eerst langen tijd na liet ontvangen van don doop, het grootste deel der gedoopten zelfs nimmer, tot betraoliting der ware vroomheid door de genade en werking dos Geestes bekeerd worden (converti)quot;.

„ Bij kinderen nu gaat hot sacrament dor wedergeboorte, zooals Augustinus zegt, do bekeering des harten vooraf. Of deze bekeering spoediy volgt, is niet te bepalen, laat staan, of in hen oene werking des öeestes de doopsbediening vergezelt.quot;

(leloof, beweert Musculus, bezitten de kinderen vóór den doop uiet. _Er zijn er wel, die staande houden, dat do kinderen gelooven kunnen. Maar deze nomen bot woord; geloof, voor de verhorgetie werking den Geisles in de uitverkorenen, volgons de voorkomende genade.

Do Geest stort hun dan een zeker zaad in, hetwelk Hij den verworpenen weigert. Maar wij, naar de Schriften het geloof bepalende, onderscheiden het van dit verborgen zaad

1) Loei communes theologize saeroe, Bazel z. j., p. 829 sq. 386 en p. 240 in het hoofdstuk over het geloof.

Het verdient opmerking, dat op voorgang van Musculus iiieerdere theologen de vraag van het geloof der kinderen vóór den doop uiet behandelen bij den kinderdoop, maar bij het geloot.

-ocr page 180-

172

cn zcgg-on, dat het in pas geboren kinderen niet bestaan kan. Eerst met de jaren worden zij voor dit geloof vatbaar. Bovendien, het is niet genoeg bij den doop een verborgen geloof te bezitten, maar er wordt ook belijdenis des geloojs gevorderd en deze kan bniten twijfel bij de kinderen niet worden ondersteld (nee satis est in liac causa occultam habere tïdem, sed etiam fidei professio requiritur, quae eerte infantibus tribui non potest)quot;.

Musoulus staat blijkbaar op het standpunt van den Consensus Tigurinus: geloof en wedergeboorte (beide in ac-tueelen zin opgevat) volgen later. Diensvolgens keurt hij de idee van Calvijn, om eene fides occulta of semen fidei bij de kinderen aan te nemen, af\').

Van Musoulus mogen we niet tot lieza overgaan, zonder nog even aangeklopt te hebben bij

Bexkdictus Ara-mus -J.

Hier vinden we juist aan den eiscli van geloof ook bij de kinderen vastgehouden. Wedergeboorte is het doel, waartoe de doop henenleidt, maar toch hebben de kinderen iets te voren, want liet sacrament verzegelt de goederen, die aangebracht zijn. Zij\' kunnen geloovigen genoemd worden op hunne wijze, want „ze hebben geloovige ouders, hebben den 11. Geest, en wij behooren van ben goede verwachting te koesteren, daar de verkiezing Gods verborgen isquot;. Of anders : „/ij zijn heilig, behooren tot de kerk en hebben den H. Geest, die de bedienaar van den waren doop isquot;.

\\Krachtig en scherp geformuleerd durven we zulk eene uitspraak van Aretius niet noemen, maar ze is toch voldoende om te bewijzen, dat men zelfs te Bern niet met Musculus instemde,

1) Hiermee stemt overeen, dat hij er tegen waarschuwt om met angstigen baast de kinderen tot den doop te brengen. Wel mag de doop niet onachtzaam worden uitgesteld, maar men handele met gezond geloof en verstand (»cum sana fide et intel-ligentiaquot;).

2) S, S. Theologiae problemata, hoc est Loci communes Christianas religionis, 1017, 3. p., col. 430, 457.

-ocr page 181-

173

wat betreft zijn afkeurend oordeel over Calvijns semen fidei.

En thans

ThKODOitrs Beza.

Van den leerling en opvolger van Calvijn, erfgenaam van diens aanzien en gezag, kunnen we niet anders verwachten, dan dat hij de denkbeelden van zijnen leermeester heeft overgenomen en verder ontwikkeld. Maar onze verwachting wordt niet volkomen vervuld. Beza heeft zich de ideeën van Calvijn in zijne eenzijdigheid, niet in zijne totaliteit eigen gemaakt. Ilij beantwoordt de vraag over het geloof der kinderen ontkennend en toont zich ingenomen met den brief zijns leermeesters aan Servet en met den Consensus Tigurinus, volgens welke de kinderen op het geloof der ouders en der kerk gedoopt worden en do genade der wedergeboorte eerst later ontvangen. Daardoor trekt hij ééne lijn met Musculus. En wat is hiervan de oorzaak? Niets anders dan wat Calvijn zooveel moeilijkheid baarde, t.w. de opvatting van geloof en wedergeboorte inaetueeleuzin.

Slaan we slechts enkele bladzijden uit Beza\'s werken op.

In zijne Questiones et Respovsinnes \') behandelt hij uit-voerig de vraag of de kinderen geloof hebben.

Dat liet geloof zoowel middellijk uit het gehoor als onmiddellijk en extra-ordinair, buiten het gehoor om, ontstaan kan, neemt hij volgaarne aan. ..Maarquot;, merkt hij op, ..geloof onderstelt noodwendig eene kennis van de genadebelofte in Christus, welke hij, die gelooft, zich toeeigent, en dat is bij kinderen geenszins bestaanbaar (quod nullo modo in infantes cadit)quot;.

Toch behagen de kinderen Grode, vooreerst door de verkiezing, welke hunne geboorte uit vrome ouders bepaalt, maar dan ook „in de personen dier vrome oudersquot;, en wel, omdat deze ouders gelooven.

Vraagt men daarop, of de kinderen dan door het geloof hunner ouders behouden worden, zoo antwoordt hij: .Het

1} Voorkomende in de Tractationcs Theological, 2e ed. Genevau 1576, vol. III, p. o-15 sq.

-ocr page 182-

174

staat Tast, dat lint geloof van oon ander (tides aliena) en de gebeden der heiligen velen ongeloovigen ten goede komen, zoodat hunne straffen verzacht worden. Paulns is, gelijk men beweert, op het gebed van Stephanus bekeerd. Maar dit raag niet zoo verstaan worden, als zeide ik, dat het geloof der ouders den kinderen toegerekend wordt, zoodat zij als \'t ware door het geloof van anderen gelooven (acsi dieerem parentum fldem infantibus imputari, quasi aliena fide credentibus). Dit zou even ongerijmd zijn, als dat iemand door de ziel van een ander kan leven of door eens anders wijsheid wijs worden. Maar wel zeg ik dit in goeden ernst, dat het door tnmehenkomst run het geloof der vrome ouders gebeurt, dat de kinderen, die geboren zijn of nog zullen worden, heilig -yquot;, d. i. in het verbond gerekend, eu deswege behouden worden (sed hoe quidem vere dixerim interveniente piorum parentum fide fieri ut nati vel nasoituri infantes sancti sint, id est in foedere oenseantur, ac proinde serventur)quot;. En ter verklaring voegt liij er aan toe: „liet geloof der vrome ouders neemt de belofte: Ik zal uw God en de God van uw zaad zijn, en voor zich èn voor zijn zaad aan (promissionem .... apprehendit et sibi et semini suo piorum parentum fides)quot;. Is het niet, of we hier Calvijn zelf in zijnen brief aan Servet hooron?

Beza volgt verder geheel den weg, dien Calvijn in zijne verbondsbeschonwing bewandelde.

Heiliging (sanctificatio) is hem „niets anders dan begrepen te zijn in het verbond, waardoor (de kinderen) als heiligen van de onheiligen (prophani) afgezonderd worden.quot; \\Vat de doop verzegelt, is ..de inlijnng in het, t:erlgt;ondquot;. Daarin is dan wel de zondevergeving en ten slotte do geheele vrucht des doops begrepen. Maar wanneer genieten de kinderen deze vrucht?

Slechts over de uitverkiezing der kinderen drukt zich Beza beslist en sterk uit. ..liet is een getuigenis der rerkiezing uit vrome ouders geboren te worden. Dus

-ocr page 183-

175

hebben wc to oordeolen, dat in \'t algemeen alle uit vrome ouders geboren kinderen zalig worden, mot behoud echter van liet verborgen oordeel Gods, en uitgenomen degenen, die, ouder geworden, de genade door hunne ongeloovigheid uitschudden (excutiunt)quot;.

Op gelijke wijze getuigt Beza in zijne Ad acta colloquii Montishelgardensü responsio \') tegen Andreae, den Lutherschen woordvoerder in het twistgesprek te Mompelgard.

Eerst over de verkiezing: ,Grod liect\'t zijn oordeel voor zich behouden, maar wat de kinderen aangaat, die in de kerk geboren worden, moet men van allen onbepaaldelijk de uitverkiezing veronderstellen (omnes infantes indefinite sunt electi praesumendi)quot;.

Daarna over het geloof\'): .Daar aan het geloof de kennis en toestemming van liet intellect, die ook op den wil inwerkt, voorafgaat, kan het geloof op geenerlei wijze den kinderen toegeschreven worden, of men moest even veel wonderen aannemen als er kinderen in de kerk

geboren en gedoopt worden....... Maar den kinderen

wordt, omdat het geloof in hen zelf niet is, dat van een ander toegerekend, zoodat het volgens het verbond Gods beschouwd wordt als hun eigen; dat geloof n. 1. waardoor de ouders niet voor zich, maar ook voor hunne nakomelingen het recht des eeuwigen levens in Christus, door de barmhartigheid Gods hebben aangenomen (at infantibus tribuitur fides sic aliena, quoniam in ipsis non inest, ut taineu pro sua in illis ex Dei pacto censeatur: ca videlicet fides, qua parentes non sibi solis sed suis quoque posteris aeteruae in Christo vitae ius .... per Dei misericordiam receperunt)quot;.

En dan licht hij dit aldus toe : In het burgerlijk recht worden met den vader tevens zijne erfgenamen voor een

1) Ed. Ü, Genevae 1589. pars U, p. lOlsq.

2) In tegenstelliug mei bet bmvoren van Audreae en de Lutlier-aueu, dut do kinderen actueel geloof bezitten.

-ocr page 184-

176

en donzelfden persoon gerekend, „waarom zou dit nu ook niet mogen gelden in de geestelijke geboorte bij God ?quot;

Daarop doelen de gelijkenissen van de eerstelingen en van den wortel met do takken.

.,Niet omdat geloovigen uit geloovigen door voortplanting des geloofs geboren worden (want hier is niets van nature erfelijks), maar omdat zij, die uit genade heilig zijn, anderen voortbrengen, die uit dezelfde genade heilig zijn, uit kracht van het verbond, dat door het geloof wordt aangegrepen .... Dus is dit geloof der ouders alzoo het geloof van een ander, dat de uitverkoren kinderen, die geboren worden, het tot hun eigen gekregen hebben, opdat zij de verzegeling des verbonds in den doop kunnen ontvangen, waartoe zij anders niet mochten toegelaten worden (haec ilia est igitur parentum fides, sic aliena, ut electis eorum infantibus nascentibus facta sit sua ad foederis in Baptismo obsignationem alioqui non admittendis)quot;. Niemand meene echter, dat hierdoor het opus bevestigd wordt, want

,voor de kinderen der vromen is niet de doop, maar hunne afkomst uit vrome ouders de eerste toegang ter zaligheid. (Xec primus ad salutera aditus est baptismus, sed ipsa ex piis parentibus propagatio)quot;.

Goed bezien, is het duidelijk, dat licza voortdurend bepleit, niet wat de doop voor de kinderen is, maar met wat recht ze tot den doop worden toegelaten. En dat is natuurlijk het verbond. Het spreekt van zelf, dat de kinderen niet tot het verbond behooren, omdat ze dadelijk gelooven, maar omdat zij door hunne afstamming van geloovige ouders onder het verbond geboren worden. Maar terwijl Calvijn in zijnen strijd tegen de Lutherschen tot het inzicht kwam, dat het verbond voor de kinderen terstond, van de geboorte af, reëelc beteekenis heeft, zoodamp;t ze „de waarheid des doops bezitten,quot; blijft 15eza in zijne polemiek tegen Andreae er bij, dat den kinderen door den doop in den regel eene verbondsbelofte voor de toekomst wordt verzegeld.

Hij wijst alle gedachte van geloof en wedergeboorte in

-ocr page 185-

177

de kindoren vóór don doop af. Wol zegt hij bescheiden, dat hij, na de uiteenzetting zijner meening, in het oordeel van geleerde en waarheidlievende theologen berusten wil. Maar toch noemt hij het verwarde, scholastieke onderscheidingen, die de geleerden voor den dag brengen, als zij leeren, „dat er een zeker aanvang, als \'t ware een zaad en wortel des geloofs en zoo ook der wedergeboorte door een zeker verborgen en onnaspeurlijke kracht dos M. Geestes in dc kinderen wordt gewektquot;. Hij voor zich heeft deze overtuiging: Don uitverkoren kinderen, die vroegtijdig sterven, scheukt God naar de mate hunner bevatting op verborgen wijze door den H. Geest, extraordinariter, met de zondevergeving ook de gave der wedergeboorte, opdat ze behouden worden. Maar wat do anderen betreft, die in leven blijven, „het zou de moest plompe vermetelheid zijn niet te stollen, dat zij wedergeboren worden eerst dan, als zij met het ware geloof uit het gehoor worden begiftigd (eos tum demum regeno-rari quum vera fide ex auditu donantur).quot;

Dat is dezelfde gedachte als van den Consensus Tigurinus: Heilig is op zichzelf niets anders dan tot het verbond behoorende. De wedergeboorte volgt in den regel later.

Toch laat lloza ook plaats open voor de andere zienswijze, dat in de kinderen liet geloof aanwezig is.

In zijne Quaestiones et responsiones\') geeft hij toe: ,Noch-thans weet ik zeer wel, dat men het ook zoo kan zeggen, dat hun (den kinderen) geloof gegeven wordt in vermogen (S-jva/ust), gelijk ze ook Suvx/xzi, niet htpyth. met rede be gaafd zijn,

En elders verklaart hij uitdrukkelijk, dat zij waarschijnlijk een zaad dos geloofs hebben en ruimschoots den Geest bezitten, terwijl hij dan de werking dos doops in gelijken trant als Calvijn in diens latere periode beschouwt: „Ofschoon liet waarschijnlijk is, dat de kinderen geloof ipso

1) Tract, theol., vol. III, p. 346.

-ocr page 186-

ITS

actu (gelijk men zegt) niet bezitten, maar slechts een lt;/«-loofstnaj (sed dumtaxat eins semen), tocli meenen wij op goeden grond, omdat zij in liet verliond Gods begrepen/.ijn, lictgeen nietijdel wezen kan,dat zij tot het erfdeel des 1 loeren gerekend worden en mei den U. Gc.est vervuld siju, die te Zijner tijd Zijne kracht in hen opeuhnart (spiritn sancto perfundi, qui suo tempore virtutem in illis exerat). .. Want de werking des doops beperken wij niet tot dat tijdsmoment, waarop hij medegedeeld wordt, maar wij weten dat hij overeenkomstig den goeden wil Gods eene goede vrucht voortbrengtquot; gt;).

Alles samengenomen, ontvangen wij van lieza dezen indruk: De oplossing van het vraagstuk van den kinderdoop, door Calvijn gezocht in het „semen fidei et poenitentiaequot;, heeft zijn opvolger niet rationeel gevonden, maar wel deze, dat de eisch des geloofs van de kinderen op de ouders overgebracht wordt.

Jlet Beza sluiten wij de rij der voornaamste Zwitsersclie theologen, die ten tijde van Calvijn geleefd hebben en stappen over naar Heidelberg, het centrum der Gereformeerde theologie in Duitschland, om te vernemen, wat daar over het aanhangige vraagstuk geleerd is. Wegens het aanzien, dat de 11 eidelbergsche Catechismus in de Gereformeerde kerken gekregen heeft, logt bovenal het oordeel der beide opstellers, Ursinus en Olevianus, gewicht in de schaal. Allermeest dat van Ursinus, die in de vervaardiging van den Catechismus het leeuwenaandeel had.

Zacuaiiias Uksi.nus.

Opmerkelijk is, dat Ursinus evenals Calvijn in strijd gewikkeld werd zoowel met de Anabaptisten als ook en

1) o.l., vol. I, p 332, in het tractaat Abstersio calumniarum Ttlemanni Hesshusit, waarin Beza opkomt tegen de bekladding van Calvijns leer, zeer gewoon van Luthersche zijde, alsof de hervormer de heiligheid der kinderen afleidde uit Lunue vleescbelijke geboorte.

-ocr page 187-

170

vooral met do Lutliorsclipu. Do Cateehismus Palatimis lokto liij zijn yoi\'scliijncn oen storm van aanvallen van do zijde dor heftige Lutheranen uit, onder wie zich Hoshusius, Flacons Illyricus, Bronz en Androae ondorschoidden. Tegenover dozen nam Ursinus do verdediging van den Catechismus op zich\'). Bovendien ontmoette hij zijne tegenstanders persoonlijk in de disputatie te Maulbronn. En ook anderszins werd hij gedrongen tot verdediging dor Gereformeerde leer togen allerlei laster en valsche beschuldiging. Aanleiding genoog, om zich over do hangende twistpunten zoo scherp en duidelijk mogelijk uit te drukken. Zoo ook over den kinderdoop.

Ursinus is verbondsthooloog. Do sacramenten en bijgevolg den doop beschouwt hij uit het gezichtspunt des verbonds. Ze zijn volgens hem teekenen en zegelen van Gods genadevor-bond. Ze bevestigen don geloovigon de beloften Gods, en ze doelen als organen des Geestes de genadegaven daadwerkelijk moe. Togen do vorwijtingen der Lutheranen aanvaardt hij do oxhibitio gratiae, zeggende, dat de geloovigon do goederen dos verbonds ..mm et in sacramentisquot; ontvangen=).

Aangaande nu do goederen, welke de doop boteekont en verzegelt, deze vat hij evenals Bullingor samen onder het begrip: afwassching of reiniging. Hot is do afwassching door het bloed en do afwassching door den Geest van Christus, welke verzegeld worden (cf. Catoch. vr. 69-73). Onder de eerste is te verstaan de rechtvaardiging of zondevergeving, onder de andere de wedergeboorte. Deze wodergoboorte is eone verandering van de booze neigingen in goede door do kracht des IL Geestes in wil on hart (mutatio inclinationum malarum in bonas, facta virtnto Spiritus Sancti in voluntato et cordo 3). Zo loopt

1) li. Slmiovf, Olevianus und Ursinus, S. 140 ft\', 152,

2) IJHS1 xrs, Opera theologica, torn. I, col. 770.

3) Kxplicatio catechetica, Opeka, I, 251. vgl. Schatboelc op vr. 70 van den Catechismus.

-ocr page 188-

180

over don gansclipn duur des levens voort, maar neemt een aanvang, als de gave des (icestos meegedeeld wordt. Met het oog hierop stolt Ursinus „regeneratiequot; en „donatio spiritus sanctiquot; identisoh. Wedergeboorte kan er dus zijn vóór het geloof, d. i. vóór de fides actualis, zoo slechts de gave dos Greestes niet ontbreekt.

Diensvolgens kan Ursinus van de kinderen zonder orawegcu verklaren1): „Zij worden wedergeboren en behooren tot het volk van God cn tot het lichaam van Christus vóór het geloof (ante fidem regonerantur et ad populum Det et ad corpus Christi pertinent.)quot;

En wederom : „Do belofte, de vergeving der zonden, de gave des H. Greestes komt den kinderen der geloovigen toe, ook vóór het geloof en de bekeering (etiam ante fidem et resipiscentiam). Maar in de volwassenen geschiedt dit niet alzoo.quot; -\')

Sterk en nadrukkelijk herhaalt Ursinus telkens: de kinderen der geloovigen zijn voor wedergthoreueu tc houden, ofschoon ze nog niet tot geloof gekomen zijn.

De grond daarvan ligt in de verhondsbelofte. „Van de volwassenen moet men oordeelen, dat ze mot denH. Geest begiftigd zijn, uit do belijdenis, van do kinderen echter, (zooveel \'t algemeen betreft), uit het verbond en de goddelijke belofte\'\'1. „Zij zijn voor doelgeuooten van den Geest dor wedergeboorte te houden uit kracht van hunne geboorte in de kerk en de belofte Gods (ex nativitate in Ecclesia et promissione divina habendi sunt inter Spiritus regonevationis participos)quot; ^).

Zoo oordeelt ook de kerk in het toedienen van den doop. Zij volgt den regel van Petrus, Act. 10, 47, dat zij moeten gedoopt, die den Geest ontvangen hebben. Over de verborgene dingen heeft zo daarbij niet te oordoelen; ze oordeelt niet naar do uitverkiezing, maar naar het verbond,

1

De infantiuj/i baptismo, Opera, II, c. 1701.

-ocr page 189-

181

cu dus zondigt zij nirt. als zij zulkcu (l()()]it, die don Gcost in waarheid niet bezitten. „Omdat de kwk over liet verborgene niet moet oordeelen, handelt zij reclit met uilen te doopen, van wie zij te oordeelen heeft, dat ze zondevergeving en den 11. (ieest ontvangen hebben, al hebben ze (deze gaven) óf dikwijls nog niet ontvangen of ontvangen ze zelfs nimmer, gelijk de Apostelen recht handelen met Simon den toovenaar te doopen, ofschoon Simon zondigt \'). Voor leden der kerk te erkennen en te doopen zijn.... de kinderen, die nog niet gelooven kunnen, maar toch in de kerk geboren zijn en wedergeboren worden door den II. Geest tot het eeuwige leven, altoos echter behoudens de verborgen verkiezing Gods (salva tamen electione Hei arcana)quot;2).

Het oordeel der kerk, dat de kinderen wedergeboren zijn, gaat dus over het algemeen, niet over de personen, hoofd voor hoofd („hoe certum est de specie: de individuis non necesse est inquiriquot;) 3).

De ware, geestelijke grond, waarop moet gedoopt woeden, verklaart Ursinus bijgevolg, is do wedergeboorte. „De eigenlijke oorzaak, waarom iemand moet gedoopt worden, is niet geloof en belijdenis, maar de wedergeboorte, maar de toeëigening der belofte, maar de inlijving en opneming in de kerk en het lichaam van Christus, maar de gave des li. Greestes (causa euim propria quare baptizari quispiam debeat, non est fides et confessio, sed regeneratie, sed promissionis applicatie, sed in Ecclesiam et in corpus Christi insitio et receptie, sed Spiritus Sancti donatioquot;) 1).

Zoo sterk als hier de wedergeboorte tot den eigenlijken grond des doops gemaakt wordt, zoo schijnt echter het geloof uitgesloten en in de toekomst verlegd, want „de kinderen kunnen nog niet geloovenquot;. Maar het is slechts schijn. Nadrukkelijk luidt de stelling: „Alle, geloovigeu

1) cT 1699.

2) c. 1685.

3) c. 1687.

i) c. 1694.

13

-ocr page 190-

182

moeten gedoopt en alleen geloovigen mogen gedoopt wordenquot; \'). Ook do kindoren behooren tot de geloovigen. Zij licbbon door de gave dos (iocstos As neiging tot (jdooven („inclinatio ad eredendamquot; of „fides in inclinationequot;). Reeds in do Catechesis minor heet het : ,, De eerste reden, waarom de kinderen moeten gedoopt worden, is, dat de H. Geest ook in hen werkzaam is en lion neigt om te geloovon en Uodo to gehoor/.amon, al kunnen zo nog niet op zulk eene wijze als do volwassenen geloovonquot;.

Uitvoeriger echter in do Verklaring van den Catechismus op vr. 71: _J)e kinderen zijn discipelen van Christus, omdat hen ook do H. Goest loert (docet) naar hunne bevatting en de wijze hunner jarenquot; 1). En voorts: „De kinderen geloovon op hunno wijze, of naar de wijze van hun leeftijd, omdat zij de neiging tot geloovon hebben. Het geloof is in de kinderen aanwezig naar liet vermogen en de neiging (potentia et inclinatione) ofschoon niet in de daad (actu), zooals in de volwassenen. NV ant gelijk do kindoren der goddeloozen huiten de kerk geone dadelijke goddeloosheid (impietatem actnalem), maar eene neiging tot goddeloosheid hebben, zoo hebben de kinderen der vromen geone dadelijke godsvrucht, maar eene neiging tot godsvrucht (inclinationem ad piotatom); niet van nature, maar van wege de genade des verbonds.quot;

En nogmaals, Christus telt do kinderen onder do geloovigen Mat.\' 18,6, omdat „de H. Geest zeker in hen werkt wedergeboorte, goede neigingen, nieuwe bewegingen en wat anders hun tor zaligheid noodig is; of in allen gevalle vergoedt (supplet) Hij zolf als \'t ware dit alles on is hun voor den doop voldoende.quot;

Hot was te voorzien, dat eene dergelijke opvatting, welke in den Catechismus afstraalde, bestrijding zou vinden van

1

3 I- 254.

I 257, vgl. het Schatboek op vr. 74.

-ocr page 191-

188

don kant dor Lutherschon. I)o gewone hescMildiging word weder uitgebracht, dat zoo de heiligheid en wedergeboorte der Christenkinderen in hunne geboorte werd gesteld, dat de waarde van den doop werd verkleind en Pelagiaansch do erfzonde geloochend. Hiertegen had Llrsinns gelegenheid zich te verantwoorden: De kinderen zijn Christenen niet wegens hunne geboorte uit Christenouders, maar omdat zij „uit de oneindige, barmhartiglieid Gods en de belofte van den allermildsten God in Zijn verbond opgenomen, voor bondelingen gehouden en van de kinderen van heidenen en Turken afgezonderd worden; maar door den doop als door het publieke zegel, te dien einde verordend, worden zij in het lichaam van Christus en zijne kerk plechtig ingelijfd.quot; En wat de erfzonde aangaat, in zonde worden de kinderen geboren, maar uit de genade Gods ontvangen zij zondevergeving en vernieuwing.

Van Llrsinns mogen we alzoo getuigen, dat hij nog beslister dan iemand vóór hem, de wedergeboorte der kinderen voor den geestelijken grond van hunnen doop verklaart.

Daarentegen weten we weinig van zijn vriend en medestander

Caspar Oleviaxis. ,

De geschriften van zijne hand, ons bekend, bieden ons over onze kwestie weinig stof. Slechts valt met eenige zekerheid uit het feit, dat hij medeopsteller van den Heidelbergschen Catechismus is geweest, te concludeeren, dat hij in het algemeen de zienswijze van ürsinus toegedaan was. Bovendien weten wij, dat ook hij persoonlijk iu geschrifte den uiterlijken doop heeft voorgesteld als een zeker pand en goddelijk waarteeken, dat wij zoo zeker door het bloed en den Geest van Christus wedergeboren zijn en vergeving der zonden hebben, als wij met het uiterlijke doopwater

1) Apologia Oatechismi, Opera II, 16 sqq.

-ocr page 192-

1S4

gedoopt zijn \'). En evenzeer vernemen wij, dat hij de kinderen als leden der kerk met de volwassenen gelijk stelt, zoodat ook de kinderen deel liebben aan de lieiliglieid der kerk, die bestaat in een aanvang van heiliging en vernieuwing tot een godzalig leven en in eene bedekking van de overgebleven zonden door de volkomene gehoorzaamheid van Christus

Over de heiligheid der kinderen leert hij:l): , Wij zullen het daarvoor houden, dat de genade van Christus of het genadeverbond door de prediking des Evangelies — niet slechts aan de ouders, maar te zamen aan de ouders (gt;11 hunne kinderen wordt aangeboden. En de ouders, het Evangelie hoerende, hebben het daarvoor te houden, dat hun de beloften niet alleen van hunne eigene zaligheid zijn toevertrouwd, maar ook van de zaligheid van hun zaad of hunne kinderen, opdat zij ook in het geloof van Christus opgevoed worden als erf^onamen dezer belofte. En dus zijn onze kinderen heilig van wege het genadeverbond, krachtens het ontwerp des verbonds zelf: Ik zal uw God en de God van uw- zaad zijn. Zie 1 Cor. T : 14, Esra 9 : 2; en dat de belofte des Evangelies uitdrukkelijk aan onze kinderen geschied is, Deut. 30 : (!quot;. In dit laatste wordt dus gezegd, dat de kinderen ook met name aan de belofte der wedergeboorte deel hebben.

En nu verder: ,(jrod volbrengt inwendig hetgeen hij

uitwendig belooft. ïit 3, 5-8......De beide hoofdstukken

des verbonds, vergeving der zonde en vernieuwing ten eeuwigen leven worden door het getuigenis des doops verzegeld en door den //. Geest medegedeeld, tenzij wij de aangeboden weldaden door onze ongeloovigheid en ondankbaarheid verstoeten.quot; (reldr dit nu z. i. van de kinderen in gelijken zin als van de volwassenen, zooals uit hunne gelijkstelling

1) Söduoff, oi, S. 359.

2) o.l., S. r.óS f.

0) Het Wezen des Genade- Verbondts, etc. naar de vertaliug van O. OopiNGA, Groningen 1739, bl. 497 v.

-ocr page 193-

185

met deze laatstoii volgen moet, zoo kan de conclusie ook goene andere zijn, dan dat Olevianns, die de vei\'bondsbelofto der wedergeboorte bij do volwassenen natuurlijk als i-crruld erkende, ook bij do kinderen dc realiteit van de vervulde belofte beleed en aannam. Iets wat te vaster geconcludeerd mag worden, overmits hij in zijne uitspraak zelfs do terminologie van Calvijn on Bullinger teruggeeft.

Thans zouden we nog het oordeel van Zanchius, don medestrijder voor de zaak der Gereformeerde religie te Heidelberg, aan dat van 1 rsinus en Olevianus kunnen toevoegen, doch liever doelen we dezen scherpzinnigen dogmaticus in bij de later te vermolden dogmatici, en begeven ons thans zonder verwijl tot de reformatoren, die vooral in Oost-Friesland en in de vluchtelingengemeente te Ijimdon gearbeid hebben, en deswege ons, Noderlandscho (ioroformeerden, in verhoogde mate belangstelling inboezemen, t.w. tot a Lasco en Mic.ronius, teneinde ook hun gevoelen te loeren kennen.

Joanxks a Lasco.

A Lasco verdient onze bijzondere aandacht reeds omdat zoo sterke invloed van hem uitging op de organisatie dor (rorefonncerde kerken, ook hier te lande; maar in hoogeren zin nog om zijne onmiskenbare verdienste op dogmatisch terrein. Hij kenmerkte zich door eene somtijds zelfstandige opvatting der leer, maar ook door eene bijzondere vastheid en onderscheiding van begrip en door eene wijze van voorstelling, die bij allo wijdloopigheid alleszins geschikt is, om zijne ideeën zoo duidelijk mogelijk te doen uitkomen.

Wat zijne leer aangaat, zoover ze voor ons belang heeft, treffen we vier zaken aan, die merkwaardig zijn.

Vooreerst, wordt in een breedvoerig betoog recht duidelijk aangetoond, dat het centraaletfoct der sacramenten en bijgevolg ook van den kinderdoop de gemeenschap met Christus is, welke gemeenschap nader bepaald wordt als

-ocr page 194-

186

ceno gemeenschap met Zijn lichaam en bloed, waardoor wij been van Zijn been. vleesch van Zijn vleesch, bloed van Zijn bloed worden, [quot;out gaan dus, die eene deelgenootschap aan de goddelijke natuur van Christus loeren. Hot is de gemeenschap met zijne menschelijke natuur, zijne menschhoid (humanitas). Alle genadeweldaden nu spruiten uit dezen wortel, de gemeenschap met Christus, voort. De genade Gods is er de oorzaak van, maar de bevestiging van Gods verbond met ons, de zondevergeving, en rechtvaardigheid des geloofs, de wedergeboorte en vernieuwing, alle zijn vruchten of effecten van deze gemeenschap. ,Het mysterie van alle sacramentenquot; kan men dus stellen .,in de gemeenschap niet Christus, den lleere, in Zijn lichaam en bloedquot; \').

Vervolgens verdient opmerking, dat a Lasco reeds de gedachte van het organisme der menschheid aangeeft door de tegenstelling van Adam en Christus. i)e gemeenschap met Adam en met Christus staan tegenover elkaar. Van den oorsprong der wereld af, toen God zijne genadebelofte gaf in het zaad, dat den kop der slang verpletteren zou-Dus zijn we niet eerst door den doop, maar reeds sinds de schepping in de gemeenschap met Christus ingelijfd. „Wij leeren, dat wij niet eerst, wanneer wij gedoopt worden, Gode worden toegeheiligd noch Christus ingelijfd, maar dat wij reeds Gode fieheiligd zijn van den oorsprong der wereld in het offer van het beloofde zaad en reeds toen, terwijl wij nog in de lenden van Adam waren, naar den bepaalden wil en genaderijke barmhartigheid Gods, door de belofte, Christus ingelijfd zijn, en nu van deze onze inlijving verzegeld worden (docemusque, nos non turn primum offerri Deo, neque tum primum inseri Christo, cum baptizamur, sed oblatos iam inde a mundi origine in seminis promissl hostia Christoque iam tum in lumbis Adae destinata Dei voluntate gratuitaque misericordia per promissionem insitos,

1) De sacramentis ecclesiae Christi, vide Opera, uitgegeven door Prol\'. A Klïi\'eii, bijzonder p. 142 sq.

-ocr page 195-

187

in ea nostri insitiono obsignari)quot; \'). En nog ecns: , fn hot licliaam van (quot;liristns heeft de A ader onu van d(^n oorsprong der wereld af\' naar Zijne voorzienigheid door de belofte ingelijfd (corporiqne ipsins a nmndi origine iuxtu pi\'ovidentiaTii snam inseruit per promissionem)quot; \').

1 lierraee in verband staat, dat do rechtvaardigheid of aanneming in de genade Clods, van deze inlijving in ( hristns het gevolg, reeds bestaat, vóór ze door het geloof wordt aangenomen. - V\\ ij begrijpen gemakkelijk, dat deze rechtvaardigheid. of aanneming in Gods genade ons eigenlijk toegeëigend wordt (applioari) door de bartvharliyheid Gods door (per) Christus, dat ze wordt verkondigd in de beloften door het Evangelie, en eindelijk door het geloof aangegrepen en door de sacramenten als zegelen der belofte verzegeld j.\'la, wij lezen: .Abraham werd met zijn geheele huisgezin naar het bevel Gods verzegeld in die gerechtigheid, die cciu eeuwigheid in de gedachte Gods reeds vath\'toiid door onze gemeenschap met Christus, den Meere, die nog komen moest (obsignabatur in iustitia ilia, quae ah aeteruoin meute Divinu iam constabat nostra cum C\'hristo Domino futuro adliuc comnmnione) \').

Op gelijke wijze wordt ook van, de andere vrucht der gemeenschap met Christus, de wedergeboorte, gesproken. Zij schijnt soms zelfs met de inlijving in Christus vereenzelvigd te worden. Al bestaat er feitelijk onderscheid, toch worden wedergeboren worden en * hristns aandoen zoo naast elkaar gesteld, alsof er geen onderscheid was. -In den doop is het verzegelde: wedergeboren zijn, of, om l\'aulus\' woorden re gebruiken, Christus aangedaan hebben (renasci seu Christum induisse)quot; \').

Zoo wordt dan ook de wedergeboorte, de overbrenging of losmaking van de geboorte uit Adam tot het leven in

1) Epitome cloctrinae, o.l.. I, 5-3.

2) I, 639.

3) p. 515.

4) p. 164.

5} p. 539.

-ocr page 196-

188

Christus, afgeleid uit de hclaffi\', reeds aan Adam gescliiod. „Do doop is een getuigenis, dat wij van die eerste geboorte (uit Adam), die reu doode leidt, losgemaakt en wederom ten leven door de genaderijke barinliartiglieid Gods wedergeboren zijn, volgens de belofte, eerst aan Adam door den mond van den levenden Clod verkondigd, vervolgons echter aan de gansohe wereld door hot Kvangelie geopenbaardquot; \')

Hieruit zou men reeds kunnen coneludeeren,dat de inlijving-in Christus en zoo ook de reehtvaardigheid of zondevergeving en de wedergeboorte bestaan vóór den doop. Evenzeer bij de kinderen, dewijl ze aan de vervulde belofte deel hebben, als bij de volwassenen.

Maar om dit duidelijker toe te lichten, letten we op eene derde bijzonderheid in a Lasoo \'s leer. En dat is de scherpe onderscheiding, door hem gemaakt, tusschen liet verzegelende en het vermanevde deel dor sacramenten en mitsdien van den doop, G\'tppxytTi\'Aóy en tt■/ quot; y.\'\'jiT\'.y.igt;, gelijk hij het noemt. Het eerste ziet op de belofte 2), het andere op onze levensroeping, door de symbolen allegorisch voorgesteld (zooals in den doop afgebeeld wordt, hoe we met Christus gedood en begraven moeten worden en weder opstaan):\'). A Lasco stelt beide deelen ook wel voor als de eerste en tweede vrucht (of lid) der verzegeling. Door do eerste ontvangen wij dan de Tr\'Aripstpopiv. of zekere gerustheid der conscientie (quies certa conscientiae), door de andere bekomen wij do verandering of vernieuwing van ons gemoed en onze genegenheden (mentis nostrae atfectuumque immutatio vel innovatio), welke, nader door onze verplichtingen verklaard, gelegen is in het beteugelen onzer hartstochten en in het vervullen onzer plichten publiek en privaat, naardat ieders roeping vordert.quot; 4)

1) p. 540.

2) Opmerking verdient ook, dat a Lasco minder van eene verzegeling der belofte aan ons spreekt, als wel dat wij in de beloite verzegeld worden.

3) p. 539.

4) p. töö sqq.

-ocr page 197-

IS!)

De verzegeling\' is natuurlijk hot voornaamste, omdat de vermaning daaruit voortvloeit. Brengt men beide in verband niet do inlijving in Christus, dan zi jn vooreerst de sacramenten zegelen van onze zoo niizii\'/tlhare. inlijving in Christus \'fèhpfixyrSgg oius ijisius nostri in Christum tantopere invisae insitionis), on mot het oog op het tweede, het vermanend deel, dienen zo om .,onze inlijving in Christus voor ons zelf en voor do lieelo kerk te bevestigen (ad approbanda.ni et nobis ijisis et toti Ecclesiae nostri in Christum insitionem)quot;.\') Van groot belang is deze onderscheiding van het rerzeijalenrl, en hot remumend dool der sacramenten voor hot goed verstand en do juiste onderscheiding van de begrippen: wedergeboorte en bekeering of vernieuwing, regoneratio en renovatio

( LLlry.yzrt).

Dit is het vierde punt, waarop we de aandacht hebben re vestigen. A Lasco is, zoover we weten, do eerste dor (.lereformeerde theologen, die duidelijk en klaar tusschen wedergeboorte en bekeerimt onderscheidt.

.luist mot liet oog op do kinderen.

Zijn betoog is hierop gericht, niet om te ontkennen, dat wedergeboorte en bokeering soms voor een en hetzelfde worden genomen („non repugnamus, quominus aut regoneratio pro renovationo aut renovatio pro regenorationo interdum accipiaturquot;), maar om te botoogen, dat de wedergeboorte zich vorder uitstrekt (-latius paterequot;) dan de bokeering, nl. ook tot de kindoren 2).

Volgen wo zijn betoog\'\') op den voet, dan zien we, dat hij eerst mot beroep op de noodzakelijkheid dor wedorgeboorto tot zaligheid het onderscheid van regoneratio lt;\'n renovatio bewijst. „Voordat we tot hot leven in Christus wedergeboren zijn, kunnen we niet behouden worden. Maar wel kunnen we behouden worden vóór do bokeering of vernieuwing des gomoods. Derhalve is onze

Ij p. 541.

2) p. 542.

3) p. 54-1 sqq.

-ocr page 198-

100

■n edergoboorto iets anders dan onze vernieuwing en bestaat eerder dan de vernienwing.

De waarheid der eerste stelling is reeds vroeger aangetoond. De tweede wordt hierdoor bewezen, dat de belofte Gods de zaligheid ook aan de kinderen toekent en dat Christus hun het koninkrijk der hemelen toeschrijft, daar het toch zeker is, dat zulke kinderen met hun bewustzijn ganschelijk nog niet werken kunnen, veel min het veranderen. Dus is het daghelder, dat wedergeboorte en bekeering twee onderscheiden zaken zijnquot;.

Om nu te verstaan, wat wedergeboorte is, zegt hij, moet men haar nemen in tegenstelling met de eerste geboorte en dan moet zij gedefinieerd worden als „de omzetting van die eerste geboorte, d. i. zulk eene door Gods genade ons verleende gesteldheid, waardoor wij, die den dood onderworpen waren, nu, Christus ingelijfd, weder ten leven geboren worden.quot;

En hij toont vervolgens aan, dat do wedergeboorte niet gelijk de bekeering door middel der Evangelieverkoudigiug, maar door het woord der belofte tot stand komt, waarachter als diepere oorzaak de wil van God schuilt. Hiervoor beroept hij zich op Jacobus en Petrus. ..Jacobus zegt, dat wij door den genaderijken wil van God, den Vader, wedergeboren zijn door middel van (per) de helofti: des goddelijken woords, welke hij „woord der waarheidquot; noemt. Zoo leert ook Petrus, dat wij naar de overvloedige barmhartigheid Gods des Vaders wedergeboren zijn tot eene levende hoop door de opstanding van onzen Heere Jezus Christus, en iets verder herneemt hij, dat wij uit unvergankelijk zaad, namelijk uit Got/ zelf. wedergeboren zijn, en zulks niet dooi\' onze bekeering, maar door liet u-oord van den levenden en eeuwigen God, d.i. door middel van (per) de belofte. Op deze plaats toch kan „woord (serrao)quot; niet opgevat worden in den zin van uitwendiyc pvedik\'mcj des woords, zooals de tegenstanders meenen, want zulk eene uitlegging zou onze kinderen weer van de zaligheid uitsluiten, van wie het toch

-ocr page 199-

1 i)!

zeker is, dat ze behouden worden en bijgevolg wedergeboren zijn, sil kunnen zij de uiterlijke prediking dos Woords niet liooren. Petrus zelf verklaart zich dan ook nader, als hij zegt, dat dit Woord, waardoor God, de Vader, ons heeft wederge-gebaard, niet da verkondü/ing des l\'jvangelies zelve is, niaar veeleer dat Woord, dat ons door de Evangelieverkondiging gebracht wordt, t.w. (!\'\' belofte.... Alzoo zien we, dat de weder-geboorte iets anders is dan de bekeering en dat wij wedergeboren worden viel. door de uiterlijke verkondiging des Evangelies of het uilwendir/e Woord (zooals men t noemt), maar door den bepaalden wil rem God, gelijk Jacobus en Petrus leeren, en wel door het getuigenis der belopen van don waren, levenden en eenigen Cfod, die ons door het Evangelie in Christus zijn gegeven en wij alzoo bezittenquot;.

Meeft hij zoo de oorzaak der wedergeboorte aangegeven, later voegt hij over de bekeering in: „Wij stemmen gereede-lijk den tegenstanders toe. dat tot onze bekeering het gehoor van hrf uittoendiqe 11 oord. noodig is, en wij belrden, dat het uiterlijke Woord voor onze belceerinci regel ir;. ja, wij (Mkeunen ten volle, dat niemand waarlijk bekeerd wordt, tenzij hij gelooft, en dat niemand waarlijk gelooven kan, die niet gehoord hoeftquot;. Maar dit geldt slechts van de volwassenen, de kinderen „kunnen zich niet bekeeronquot;.

Toch moet tusschen wedergeboorte en bekeering verband bestaan. 1 \'it verband, leert a Lasco, is van den volgenden aard: .Do bekeering of vernieuwing van ons gemoed (bewustzijn) is de iietuiqenis, de aanwijnng en zoo ook de vrucht van onze wedergeboorte (testis atque index adeoque fructus otiam nostrao regencrationis). Want, nadat wij opgewassen zijn, komen we door de vernieuwing Ie weten, dat wij wedergeboren zijn, door welke vernieuwing de II. Ooost getuigenis geeft èn aan ons zolveu en aan de gelieole kerk, dat wij kinderen Gods zijn. Evenals de liefde eene aanwijzing, getuigenis en vrucht dos geloof» is, daar ze ons zekerheid geeft van ons geloof in tiodquot;.

En nu komt hij eindelijk tot het onderscheid tusschen

-ocr page 200-

192

do betrekking, waarin de wedergeboorte en die, waarin de bekeering tot den doop staat; de wedergeboorte wordt in den doop ons verzer/elcl, tot bekeering worden wij door den doop vermaand. „Toch sluiten we daarom van den doop de verborgenheid der bekeering niet nit (want Panlus noemt den doop tegelijk bad der wedergeboorte èn der vernieuwing), maar we stollen naar de leer van Panlus tusschen de verborgenheden der wodergoboorte en der vernieuwing oen onderscheid, en wij loeren, dat voor wat de wedergeboórto aangaat, de doop verzegelend {rrtppxytriKcj) is, maar vermanend {z-y.py.rjirty.i\'j) voor wat naar de allegorieën des doops op onze zelfverlooehening en bekoeling betrekking heeft. En do doop is voor ons niet de wedergeboorte zelve; (want aan het sacrament gaat de belofte en aan de belofte de wil van Cfod vooraf, door welken wij van don dood tot het loven naar zijne overvloedige barmhartigheid worden wedergeboren), en evenmin is de doop de bekeering zelve, want wij lozen, dat sómmigen vóór den doop, andoren echter eerst langen tijd na hunnen doop bekeerd zijn; maar de doop is het zegel (a-ippxyic) onzer wedergeboorte of aanneming in Gods genade om Christus\' wil, om wiens wil ook onze kindoren behouden worden, en tegelijk is ze eene vevma-ning {^xprMftx) tot onze bekooring, opdat wij dezo ons ganscho loven door betoonen.quot;

Hieruit volgt nu vanzelf, dat de kinderen vóór hunnen doop wedergeboren zijn, ofschoon zij zich eerst later kunnen bokooren. Want, de algemoene regel is, dat, wat verzegeld wordt reeds te voren bestaat, n.1. docv de helofle. Door de belofte hebben we gerechtigheid, verzoening mot God, vergeving dor zonde. „Wij worden niet door den doop verzoend met God, maar uit kracht van de barmhartigheid Gods in Christus door de belofte, door welke ook de erfzonde vergeven is, voordat wij gedoopt worden. \') En in het algemeen, do inlijving in Christus, waarin allo

I) p. 51S.

-ocr page 201-

193

gcnado, ook do wedorgeboortc, besloten is, bestaat voor oils reeds door diezelfde belofte vóór den doop. En daar de kerk de openbaring van Christus\' lichaam is, staan we ook reeds te voren tot de kerk in betrekking. /00 leert a Lasco uitdrukkelijk \'): „ We zeggen, dat we ook door don doop ingelijfd worden in de kerke (rods, niet omdat wij vóur den doop niet tot haar behooren (want tot de kerk behoort al wie tot Christus, die hot hoofd der kerk is, behoort en tot Christus behoort al wie tot de zaligheid toegelaten wordt), maar omdat de doop het zichtbare getuigenis onzer inlijving is en ons zichlhaar inlijft, ons, die door de verdienste van Christus, door middel van de gemeenschap met zijn lichaam en bloed, van don oorsprong der wereld ons toegebracht, overigens 1 etc/s lain/ op oene onzichtbare wijze tot de kerk behooren (sed quod baptismus visibile sit testimonium nostrae insortionis, nosque visibiliter inserat, qui merito Christi dudum alioqui ad Ecclesiam por dolatam nobis a mundi origine corporis et sanguinis sni communionem invisibiliter porti no mus)quot;.

Staat dit nu vast, dat wie door don doop zichtbaar in de kork ingelijfd wordt, onzichtbaar, in Christus, roods tot haar bohoort, dan komt voor den doop der kinderen alios hierop aan, of\'ze tot do kerk behooren. Dienovereenkomstig word in de gemoento to Londen aan do vaders of de getuigen, die de kindoren ton doop brachten, allereerst de vraag gedaan, .of dozo kinderen, die gij aanbiedt, ook het zaad van deze onze kerk zijnquot; -). Als zaad dor kerk on dus mode in het verbond Gods begrepen, en Christus toobohoorondo, moeten de kindoren, „hoewel van nature kinderen des toorns on des doodsquot;, voor gorochtvaardigdon, door don Geest gehoiligden en wedorgoborenen, voor goloovigen gerekend worden. A Lasco aarzelt niet do kinderen onder de goloovigen te rekenenquot;). Zelf hebben

1) p. 519.

2) Forma ac ratio, 0. 1., II, 113.

3; 1., 508.

-ocr page 202-

Iil4

zc 1101^\' o-pon geloof, maar hot g\'oloot (zog\'t lt;1(; roformatov (ivouala 15iilliugoi\') w.inlt liun toegereken d de wijl zij l\'hristus toobeliooren on Christus alles in hou voquot;vult.

Zoo wordt iu hot antwoord op vraag 23lt;S van don Londensclten Calechismus gezegd\'): -Al wat den kinderen in haer seinen gebreect, dat hebben si in lt; hristo onsen Heere, die haer swaekhoyt op hom geladen heeft, endc die haer oude aider Christenen volheyt is, sijn gelooue onde ghehoorsaemheijt wordt haer nut genade toegerekenl, door welckens gheest si ooc tot tempelen Godquot; gelmjlUht worden, so wi ymmers bekennen, dat Christus haer hooft ende Salichmaker is, eude dat se oock mede tot den licluune Christi bohoorenquot;.

„Vraghe 239. Sullen wi dan met vrycr consoiontien onse kinderen als geloouighe mogen laten doopen ?

Antwoorde. Sonder twyfel. ant nae «lat se voor qeloouigen int gherkhten Gods gheacht worden door Chriftaui, die hel cd in haer (als gheseyt is) veruult, so sal mense ooc als (ihelooaighe doopen op dat haer door den dienst der kereken betuyoht worde, dat se des Heeren Christi lidt-maten sijn. A\\ ant dat hoort der kereken Christi toe, dat se des Heeren lidtmaten van de lidtmaten des duyuels met haren dienst ter glorie Grods ondersoheyden\' .

Een gelijksoortig antwoord vinden we in den Emdenschen Catechismus op vraag 61 3), waarom men de kinderen dei-gemeente doopen zal. .. .VtU-li dem de thom verblinde, unde tho der Gemene Gades /iöre.i, unde en vth genaden gemeenschap des Yaders, unde des Sons, unde des hilligen Greistes, sampt der ewigen salicheyt tho kumpt. Item, dewyle de Döpe is ingesettet thor versegelinge suloker unde dergelicken genaden, alse dorch welckere se vor Ivindei npgenamen, vor bothjerlich, gelovich, iullwh. unde ook \\ 01 die de dat Byke Chides annemen, van Gade gerekuel werden. Item, nhademale wy alle de thom lyve horen, ahne

1) 0 1., IL, 469.

2) II, 527.

-ocr page 203-

195

undersdicit dor Lidtmaten, in pin Lyff gcdöfft, undo Christus

syno Gomono golovet liofft, undo is ook vor de kinder der Gemene gestorven. So macli mon so van dor Dijpo nicht molir also de vulwassouo wehrenquot;.

Resultaat van ons onderzoek naar de loer van a Lasco over het verband tussohen don kinderdoop en do wedergeboorte is alzGOj dat we van dozen hervormer mogen zoggen: nog duidelijker en krachtiger dan oen dor öere-formoordon vóór hom hooft hij dit verband gehandhaafd.

Even beslist is ook zijn vriend on medearbeider,

M A UTIXI S M iCUI \'N U\'S.

Bij hom vinden we dezelfde gedachten, dezelfde voorstolling.

In do Christelicke Ordinancien\') treft ons de verklaring, dat de kinderen geoordeeld worden lidmaten van het lichaam van Christus te zijn uit kracht van do belofte Gods, dat wij in don doop allereerst moeten aanmerken hot werk Gods to ons waart, n.1. do genadige aanneming van ons on ons zaad in do genade Gods, door Christus ; treft ons ook, dat de eerste doopsvraag luidt: J)ft ghi dit kint, dat ghy ton doope sijt presentoeronde, een saedt der ghemeinten doer do cracht dos verbondts Gods, bekendt to weson\', en de toevoeging bij do doopsformulo: „God de A ader onses Heeren Jesu Christi wille v endo ons allen, door sijnon hoilighon gheest beseghelen^ in do gauen onser aller weder-lt;/lieboerten, endo gherechtichoit, dio in (\'liristo is, tot don eowighen leuonquot;.

Do heldere toelichting echter van zijne beschouwing over den kinderdoop verschaft ons Pe kleyne Catechismus\').

llior wordt onder do gronden voor den kinderdoop uit do Schrift ook deze genoemd: „dat niemant van den doop kan weren do ghono dio den hoyligon gheest hebbenquot;. En voorts luidt do explicatie van deze en andere gronden:

1) Uitgave 1554, bl. 74 vv.

2) f. 21 vv.

-ocr page 204-

196

„Want do kinderkons -ijn do sondorlicksto lidtmalen dor Ghemeiinle lt; \'hriati, ondo hchooren ham toe, ondo hebheti daor-om den heylighen Gheest, ondo zijn oock onder den bondt Gods ontwijfolick besloten, ondo hebben oen saliolimakoudo (jhemeynschap mot den eowiglion oude waraohtighen Godquot;.

Op de vraag, waarom niet van do kinderen gelijk van do volwassenen liet geloof en do mondelingo belijdenis geëischt wordt, luidt liet antwoord: „Overmits dat de Gliomeynte van haror salichoyt veel sekenler rfhetuyglienisse heeft wten woorde Gods, danmen wt de belijdinglio der volwassenen hebben kan. Endo liaor aonglieboron krauck-lieyt (door do wolcko zij niet ghelojuen, nocli belijden kennen) die wordt haer niet tocglierokent om Christus wille : in clen welchen sy gheseghont, dat is, heylich, yerechlich, reyn, enda gheloouich gheacht werden, niet min dan de volwassen gheloovighoquot;. \')

iEaro. 1G, Iti, heet hot vorder, kan ook wol op do kindoren toegepast worden, „als mon te weten by do geloonighon vorstaot, die daer metter daot, of\'t door toerekeninghe voor gholoonigho geacht zijn in het aanschijn Gods ende der ghemeynle. Maor de onmoudighe kinderen der Ghemeynto zijn voor qheloocighe ghhondtn, door toerekeninghe Christi: aonghoinerckt dat in haor is de gherechticheyt des gheloofs.quot;

Juist zoo als a Lasco leert dus ook Micronius, dat do kleine kinderen als lidmaten der gemoonto en mitsdien van Christus, in Christus door den H. Geest alles hebben, gerechtigheid, heiligheid, wedergeboorte, geloof\', alles, wat hun recht goeft om den doop, het zegel van al doze genade,

1) Eenu aardige vergissing begaat Dr. J. H. Gerrelsen, als hij in zijn werk Micronnis, bl. 11\'J, het opmerkelijk noemt, »dat Micron der. kinderdoop krachteloos verklaart, indien de volwassenen Christus niet recht beleden.quot; Zulks zou ook alleszins opmerkelijk zijn, wanneer het waar was; doch op de bedoelde plaats spreekt Micronius niet van den doop der kindereu, maar van dien der volwassenen. Ook gaat de vergelijking, bl. 129, tusschen Micron en Bullinger, blijkens hetgeen wij van Bullinger vondeu, niet op.

-ocr page 205-

lit 7

in de linn tookomcndo vovbondsliclofte vervat, te ontvangen.

Opmerking verdient editor, dat a Lasco en Mioronius wat het geloof\' der kinderen aangaat, niet gelijk (quot;alvijn van een ?(iad des geloof\'s, maar evenals üullinger van eeiv loiiiicrekernl geloof spreken, en beter dan Calvijn, die slecdits een zaad der wedergeboorte in de kinderen aanneemt, de wedergeboorte zelve reeds tot de kinderen uitstrekken door de stelling, dat zij den 11. Geest bebSi, gelijk ook Ursinus e. a. leerden.

u

-ocr page 206-

DBRDE DEEL.

DE VASTSTELLING VAN HET GEREFORMEERDE DOGMA HIER TE LANDE.

nOOFDSÏl\'Iv T.

Do polemiek met de Doopsgezinden-

Mot ii Lasco on Micronius zijn we tot do grcnzon van ons vaderland gonaderd. Op onzen weg van Cionövo dooi1 Zwitserland over Ueidolborg naar Emdon on Londen liob-bon we mogen opmerken, dat do voornaamste buitenlandsolie Gereformeerde godgeleerden van Calvijns tijd, het mot dezen hervormer in hoofdzaak vrij wel eens waren, wat aangaat do kwestie over het verhand van doop en wodor-gehoorte, toegepast op de kinderen. Thans kunnen wo over de grenzen trekken en staan wo op onzen vaderlandschen bodem, don grond, waarin liet plantje der Oeroformeorde religie onder lijden en worsteling zoo hechte en sterke wortelen hoeft geschoten, en tot een krachtigen boom is opgegroeid, die langen tijd uitstak boven vele andere hoornen, ginds en elders geplant on wiens takken zich wijd uitstrekten en verre gewesten overschaduwden. -N ederland is bij uitstek het land dor Groreformeorde religie, het is ook het \'land der Gereforiiieordo theologie geworden. Met ver-

-ocr page 207-

lilil

dubbelde belangstelling\' mogen we dan ook het woord onzer vaderen beluisteren. Iliin oordeel lieeft voor ons meer waarde dan dat van een vreemdeling, al heet hij uok lt;\'alvijn. .Ia, zeker zou (\'alvijns gevoelen wel iets van zijne eminente beteekenis voor ons, Nederlanders, verliezen, indien quot; ij, bij ons onderzoek naar de leer onzer Grereformeerde vaderen, tot het beluit kwamen, d:ir des hervormers gedachte niet de hunne is geweest. Maar, dit zeggen we van te voren, de Xederlandsche Gereformeerde theologen waren in hunne groote meerderheid Calvinisten. Zij deelden Calvijns standpunt. Uok in de zaak, die ons bezighoudt. Ook wat betreft hot vraagstuk van het verband tusschen wedergeboorte en doop. Want zij, die aan het hoofd der hervorming hier te lande stonden, waren meeren-deels óf leerlingen van ( \'alvijn of met Calvijns geest bezield, kn hebben ongetwijfeld ook de geschriften van Bullinger, a Lasoo e.a. hier invloed uitgeoefend, in zake de doops-kwestie waren ze juist geschikt, nog meer helderheid van ideeën aan te kweeken, in overeenstemming met die van Calvijn.

Bovendien, en ook dit heeft groot belang, onze Grereformeerde vaderen werden van den beginne aan in strijd gewikkeld met lt;le Anabaptisten, van welke de edelste groep, de Mennonieten of Doopsgezinden, hiér te lande in groeten getale vertegenwoordigd was. Daardoor kwam van zelt de vraag van den kinderdoop bijzonder aan do orde; In dion strijd niet M\'enno Simons, Dierick Philips, i\'eter van (\'eulon en andere hoofden der Doopsgezinden werden de Greroformoordon verplidit zich met beslistheid uit te spreken, of liet waar is, dat de kinderen geacht moeten worden geen geloof en geene wedergeboorte te bezitten, op welken grond men zo van den doop heeft te weren.

Willen we dus hor gevoelen der eerste Gereformeerden over den doop weten, dan hebben we hunne geschriften tegen de Doopsgezinden na te slaan. De systenurische ontwikkeling

-ocr page 208-

L\'OI)

dor leor (lagteok(Mit in NVdn-lainl vjin ic\'fs latoron tijd. I oorstc prcilikiM\'s (lof luM\'vonuing waivn moor pniktisclio niaiinon van hot volk, (li(4 g(v\\v(/()nlitjk sloclils in vorwoor-sclii\'iftcn liunno Ijosclioiiwin^on (»|gt; popiilaiiH\' \\vijzo nitoon-zottcden.

Als zoodanig trodon voor ons op:

Gnv do lgt;ros (of (aiido do llrav), d(4 opstclloi\' onzer bolijdonis; Potrus Datlionus, do vortalor van don lloidol-l)orgscli(gt;ii Catocliisnius; Monzo Airing, do hcrvornior van Groningon; Gaspar van dor lloydon, do voorzitten1 dor synodon van Emdon 1571 on Dordroclit 1574; Joan Tafï\'in, de bokondo predikant van Antwerpen, later hofprediker van \\\\ illom 1; .lacobus Kimodoiicius, do praxes van do I laagscho synode 158ü; Ivuardus Acronins, een tijdlang predikant te Leenwarden; Caspar Grevinclioven, dienaar des Woords te Ivotterdam; Joliannos Sou te ^Middelburg; Herman Modod, vooral bekend als vurig hagoprediker; Carolus Gallus (do liaan), eerst te Deventer, later te Oldebroek; en vervolgens nog Uobertus Puppins, pr(»dikant te Middolie; Johannes Cloppenbnrch te Amsterdam; («odefridns Udemannns teZiorikzee; Petrus Bon temps te Haarlem; Jacobus du Bois te Leidon; Abrahamus a Doroslaer en Petrus Jacobus Austro-Sylvius, resp. predikanten te Enkhuizen en te Venhuizen1). De laatste zeven vallen echter roods geheel in den tijd dor dogmatische ontwikkeling, kort vóór en na de Dordtsche synode van 1618, zoodat we meer op de voorgaan-

1

Behalve de geuoemdeu zijn er uog wel anderen, die tegen dc Doopsgezinden gepolemiseerd hebben, doch deze zijn of van minder bekendheid, óf voor ons onderwerp weinig belangrijk. ITooitNUKEK, Summa Cotitroversiarum, lib. V, p. 372, noemt Herin. Buschius, Joh. Tayus, Herm. Faukelius, Abr. Costerus, Ger. Nicolaï, Franc. Lanspergius, Joh. Amspingius, Adr. Vossenholius, naast enkele polemisten uit het buitenland. Bijna al de bedoelde geschriften dezer mannen zijn te vinden in de bibliotheek der Veveenigde Doopsgezinde gemeente te Amsterdam.

Wat do volgorde betreft, waarin wij de achttien, voor ons optredende, polemici geplaatst hebben, deze is ontleend aan den tijd van het verschijnen hunner verschillende geschriften.

-ocr page 209-

201

diui het oog hohbou to vestigen, en de anderen slechts even, bij wijze vun aanvulling, kunnen laten spreken.

In de eerste plaats dan

(xrv de 13iii\';s,

De lirès is leerling van Oalvijn. In zijn hoek tegen de Wederdoopers, dat evei\' den kindei\'doop handelt1), treedt dit voortdurend aan het licht, (lansoh hetzelfde betoog, dat we bij (\'alvijn aanti\'ott\'en, vinden we hier, alleen wat breeder opgezet, wat ruimer ontwikkeld, en met nieuwe, eigene en van elders ontleende ideeën verrijkt. Tegen Menno Simons en Dierick l\'hilips wordt zeer breedvoerig de waarheid van den kinderdoop op grond van het verbond gerechtvaardigd. Men overzicht hiervan te geven moge op zichzelf\' iets aantrekkelijks hebben, maar nu we Calvijns argumenten en wijze van betoog kennen, schijnt het ons overbodig en ook voor ons doel minder nnt. Maar wel heeft het voor ons waarde te weten, op welk standpunt de lirès zich tegenover de Doopsgezinden plaatst. Dat standpunt zet hij in de eerste bladzijden van het 3quot; boek \') niteen, nadat hij zijnen tegenstanders verweten heeft, dat zij „alleenlijok op het bloot Element, ende op het wtwendighe ghebrnyck des J)oops* gedrongen hebben, zonder huune oogen te openen voor de waarheid en de substantie des doops, welke het verbond en de belofte met hare geestelijke genadegaven zijn. Mr zijn twee dingen in den doop aan te merken, zegt hij, „te weten, het teecken des Waters, \'t welck als oenen Zegel ghebruvekt wordt, aen hot Licliaem des genen, die dt; waei-heiit dus Doops liee/\'t. hot zv door den middel des Ghdoofs. (als aen hot Licluunn dos volwassenen ende verstaiulighen,) oft door middel de* Verbonts, (als aen

1

/J; dan. \'rirspi-ouak. rnde het Fundament der Weder-

dnoperen, oo boek. Wij gebruikten de uitgave van 1608, te Amsterdam verschenen; de eerste editie dagteekent van 1570, vgl. Van Lam;ekaau, Gnido de Bwiy,

-) fob 2Ü0Igt;.

-ocr page 210-

202

don Lichacm dos onvolwasscnen, dat is, aon don Lichacm des eloyncn cn onmondighon Kiudoi-kens.) Voorts rou anderen, so is dacr in don Doop t\' aennioi\'cken dc waerheydt des Doop*, ofte het dinck dat door liet wrwendich teecken beteeckent ondc voorghostolt wordt, liet welek de inwendig/te wasschinylie der Zielen in den Bloede Chrisli is. Ende om in \'t corto te soggheu. Den Doop boteoekont ons do vergheoinghe muter zonden, ende de doodinghe on:es vleesches, die wy in Jesu Christo vercrijghen, door do ghefiièynschap die wy niet hem hebben, om voorts daor naer in oen nieuwioheyt des levens te verrijsen, te weten, in onnooselheydt, oprechtieheydt des horton, hevliehevt suyvorheydt, ende oenvnldicheydt des levens.quot;

,Voorts,quot; leert hij, „moet men aonmereken, .... wien hot toocken des Doopsels toecomt. De hcylighe Schrilt loert ons claorlijc, dat het den gantsdien hui]se Gods, den. (fheheelen Li-chaeme zijner Gemeynten toecomt, dat is, allen .don ghonen die van zijnen voloke zijn, soo wol cleyn als groot.quot;

Uit dozo inleiding van zijn boek blijkt reeds genoeg het standpunt van do Bres. Hij heeft gelijk Calvijn eono idoale opvatting van kerk on verbond. Zijn de kinderen leden van de kerk, dan behooron ze ook tot hot lichaam van Christus; staan zij in het verbond, dan maken ze ook dool uit van het volk van God, on dan bezitten zij zoowel als do volwassenen de waarheid van don doop, do gemeenschap met Christus, on de daaruit voortvloeiende vergeving der zonde en de wedergeboorte.

Dat nu de kinderen leden der kerk zijn en in het verbond staan, bewijst de Brés op voetspoor van Calvijn, gelijk gezegd, zoor breedvoerig.

Maar ook moest hij do argumenten dor Mennonieten, waarop zij hunne verwerping van don kinderdoop bouwden, nader onder do oogon zien. Deze argumenten zijn voornamelijk, zooals de Bros aangeeft \'):

1) f. 211b, 212»,

-ocr page 211-

20:!

a. dat do kinderen geen geloof\' hebben.

h. dat zij niet wedergeboren zijn.

c. dat zij geen leedwezen der zonde betoonen noch deze afsterven en begraven.

Op deze punten diende de Bres zich dnidelijk te verklaren. liet is niet genoeg, dat hij den vinger legt op de wondeplek der Doopersche leer, de werkheiligheid, zeggende \'): „Dat ghy de clcyne kinderkon» aldus den Doop weyglnu\'ende zijt, ende dat ghy het al in de belijdinghe des Gholoofs, in de afstervinghe des Ouden Mensches, ende in de nieuwioheydt des Levens stelt, dat comt door dien ghy dor ghenaden ende dor barmherticheyt (rods, soo weynich toeschrijft: Maer schrijft het ende eyghent den wereken des Menschen al toe : hoe wel dat ghy dit loochent, ende niet den monde anders spreeckt.quot;

liet is ook niet genoeg, dat hij daartegenover vrijmoedig beweert, dat de vruchten des geloof» zeer zeker bij de kinderen later gevonden worden: „Hot blijekt daghelijcx aen de gene die in haer ionckheyt ghedoopt gheweest zijn, die het inhout hare» Doops, oft de verborgentheden van dien, »eer wel bekennen, ende do vruchten daer van door heylige wereken in een nieuwicheydt des levens, betuyghen ende wtdruckenquot;quot;). Niet of door de genade Uods de waarheid des doops later in hen vervuld wordt, maar of zo die reeds ««, bij den doop, bezitten, is de vraag.

Daaromtrent toont zich de Bres wel zeer beslist, maar toch ontbreekt de begripsontwikkeling bij hem. Of hij, de leerling van (\'alvijn, diens idee van her „zaad des geloofs en der wedergeboortequot;, in den lateren tijd van diens leven opgekomen (zie Institutie 1559), niet gekend, dan wel niet gedeeld heeft, weten we niet. Dij schijnt soms meer van a Lasco re hebben overgenomen. In elk geval vat hij het geloof in actueelen zin op en van een zaad der wedergeboorte spreekt hij niet.

1) f. 260b.

2) f. 2011\'.

-ocr page 212-

204

Over hot geloof laat liij zich aldus uit1): ..Homiiiig\'ho hobbon willen bowijson, dat do cloyuo kiudorkous gholoovt? haddou, sogghondo: Xa dien hot onnio^holick is (lodt te bohag-hen sondor gholoovo, oude dat do Kindorkcns Godc behagen, soo volcht daer wt, dat sy gholoovo hobbon. Endo ook mot dosor Sprenoken daoi\' (quot;liristns seyt: Wie oen van doson minsten die in my glielooven ai\'gort, etc. ^laor ick segge voor mijnen persoon, dat hot beter is te volghon liet goeno dat der waorlioyf Jiaerder comt ofte ghomatigor is; hoe wol dan de cleyne kinderkous sondor vorstandt zijn, ghoen ondorscheyt tusschen goot endo qmiot wetende, soo is daer nochtans so veel af\', dat (sy) de Sprwjte des gheloofs hebben: Dat is te segghon, sv hehhm de belofte die hen ghodaen is, van de welcke het goloove melte)\' iijt quot;wt spi\'iiyt. Endo hoe wol dat sv in doson haren jongen tijdt het goloove niet en hebben, so en can men dit4 hierentiisschon nochtans onder het ongheloove niet besluyten, so lange als sy niet tot haren dage of\'t verstande4 gecomon zijn, om als dan daer van te oordeeleir.

Schoon geen eigen geloof hebbende, moeten dus, volgens do Bres, do kindoren onder de goloovigon getold worden uit kracht der belofte. A\\ ant, zoo heet hot\'), behooron zo niet fof do geloovigon, dan tot de ongoloovigen. -Tusschen dose twee en is geen middeldeel voor Grodt, om alsoo oenen dorden hoop te inaeckenquot;, mot welke woorden do Dooporsche leer van de innocontia dor kindoren veroordeeld wordt. Men. moet veeleer zoggen, „datse (fodt van den getale der genen die in don Sono gholooven, acht endc rekent t(4 Avesonquot;.

.1 )o oorzaak hiervan is, dat de kindorondool hobbon aan (\'hristus, die al het ontbrekende in hou vergoodt. Christus is hot, die „den Kinderkous zijn volcomen lt; hdoove, zijne onderdanichoN t, zijne yherechticheyt, oude allen zijnen rijekdom endo ghoostelijcko

Ij f. 271\'\' 2) 1\' 2161»,

-ocr page 213-

205

goederen mede ende iilso verruit heeft, itnt hl hen

gehreect, so dat do kmderkens voor (xodt geacht evdc yehuaJen zijn wt ghenaden door Christuin te heblien, alle do deuchden die de volwassene onde verstandiglie door t\' \'4i!eIoove in den selven Christum hebben : want sy liebben met allen geloovigen, het eynde des geloof\'s, het we lek de salieheydt der Zielen is, soo l\'etrus seytquot; \'j.

Vernemen wc hier niet den weerklank van a Lasco\'s woorden in den Londevxchen Catechismus ?

lu gelijken zin heet het, dat den kinderen de (/crccht/idicid van (\'hristns toekomt, die ook bun tot wijsheid, gerechtigheid (mi heiligheid van (tod geworden is. Evenzoo blijkt, dat ze door (rod voor heketrden gehouden worden, dewijl ze tot voorbeelden ter bekeering door Christus gesteld zijn -).

Maar moet dit van alle kinderen des verbond» gelden? De tegenstanders voeren de uitverkiezing aan, ten einde de opvatting der (fereformeerden omver te werpen. Doch het antwoord luidt: „Indien men in der waerheyt sonder eenich f\'eylen moest weten, weleke daer geloovieh ende van God wtvercoren zijn, so moest men ( rod solve wesen quot;). lüjgevolg kan men in zijn goed oordeel over de kindoren wol bedrogen uitkomen. Doch ook van de volwassenen weet men niet, of zo oprecht golooven, dan wel geveinsd belijden. En wil men vergelijking, dan hebben we van do kinderen meer zekerheid omtrent hunne uitverkiezing dan van do volwassenen. Want de laatsten belijden voor zich zelven, maar voor de kinderen belijdt (iod. Kr zijn „tweederley middelen, om Gods volc te onderkennen van den Uodloosen.

Het eeno is de belijdinge dos Geloofs.....Het andere is het

Goddelijck Verhoudt, met zijne Beloften. Want gelijck men do oene moet voor Gods Volck bekennen ende aennemon-

te weten,.....die met don monde belijden, dat sy in .lesn

Christo van herten golooven . . . , alsoo moet men allo de

1) f. 2151\', \'JKja.

^ t.U.p.

3) f. 252».

-ocr page 214-

20«

gone oook voor Lidtmaten endo Bontgkenootcn dos Lichaems Christi aennemen, die Godt selve voor zijn voir/: bekendt, ende door zijn lieyliglio Woort botuycht dat liy liaar Godt is, ende dat sy salicli zijn: WantYoorwaerdion hij het Ivijcke der Hemelen door de verdiensten zijnes eenighon !Soons glieopcnt lieeft, ende door den welckcn hij betuycht, dat liet lien toecomt, die moeten sender eenivh toederspreken Godes vole zijn, ende in zijn Verbondt staenquot; \').

l]n een weiiug verder; „Maer aengaendc de cleyne Kin-derkens der gheloovighen, al ist saeeke dat sy niet en spreken noch geen belijdenisse des gheloof\'s en doen, soo hebben sy nochtans eenen waren mont, een vaste ende sehert belijdinge: want sy hebben de H. Schrift, het ware Woordt (jodSj Jae seljs de mondt des soons Gods, die voor hen spreect ende helijdinghe doetquot; quot;).

Uit dit alles blijkt, hoe in de gansche kwestie van den kinderdoop de belofte des verbonds en de gemeenscha]) met Ohristns de allesbeheerschcmde momenten zijn. Telkens keert Jier beroep op de belofte en op de gemeenschap met Christus terug. Zoover er bij de kinderen van geloof\'sprake is, rust dit op de belofte en op de algenoegzaamheid van Christus\' verdienste, die ons toegerekend wordt.

En zoo nu ook is de wedergeboorte, de gave Gods, die door den doop verzegeld wordt, in de kinderen bestaanbaar.

De Dooperschen ontkennen dit wel, bewerende met beroep op 1 Petr. 1 : 28 en Jac. 1 : 18, dat de wedergeboorte ..souder Godes Woordt, sondef (jheloove novh sonder den heylighen Geest niet gheschiedenquot; kan \'). Maar dit beroep is van geene kracht. Hoe het geloof den kinderen toekomt, volgens de Brés, hebben we reeds gezien. Kn wat het Woord Gods betreft, dat is wel te houden voor een zaad der wedergeboorte iu de volwassenen, „maer siilx en verhindert niet dat de kinderkou» oock wederghe-

1) f. 2521\', 25a».

2) f. 253!,.

3) f, 2541\'.

-ocr page 215-

■207

booren zijn, dooi\' de craclit des lleeren, dio ous onbogrij-polijck isquot;\'). En goed beschouwd, „Petrus schrijft den geboorte (let\'s: gehoor) des \\\\ oorts toe, de cracht der wederbaringhe, welcke om eygheidlljck te spreken, niet dan Godei Gheest en can toeghcsohreven worden, die inwen-dichlick in den Mensche nac zijnen wille werckende is: maer dies niet tcghenstaende, sulcx doet de heylighe Schrift ghemeynlyck, te weten, dat sy den Instruinentc oft den werctuyge toeschrijft, het ghene dat eygentlijck den Werck-meester toecomtquot; ;).

Alles concentreert zich bijgevolg ten slotte op do vraag, of de kinderen den II. Geest bezitten, die inwendig het hart bewerkt.

Dat echter do 11. (leest in de kinderen werken kan en werkt, bewijzen de getuigenissen der Schrift, Luk. 1 : 15 en ;3G; .lerein. 1 : 15; 1 Oor. 7 : 14; ^lut. IS): 14; Deur. 30 : (gt; \'). En ook levert hiervoor bewijs hun lidmaatschap van do kerk, d. i. van het lichaam van Christus,want wij allen zijn in éénon Geest tot één lichaam gedoopt. Durft men dan beweren, dat de kinderen den Geest niet kunnen hebben, het is alsof men zeide : ..De cleyne Leden des Menschen Lichaems en worden door den Gheest des Lichaems niet levendicb ghemaeckt, inidts dat sy cleyn zijnquot;.. Haar de Apostel zegt, „dat do geene die den Geest (\'hristi niet en heeft, die en comt hem niet toe. De kinderkous comen Ohristo toe, so hebben sy dan den Geest Ohristiquot; \').

Zoo staaft de Brés op de wijze van Bullinger, a Lasco e.a., met beroep op Kom. S : 7, de leer, dat de kinderen den 11. Geest hebben, waarop hij ook volgens Act. 10: 47 concludeert, dat zij den doop behooreu re ontvangen.

.Maar Dierick 1\'hilips c. s. loeren, dat alle kinderen over de gansche wereld, ook dio der Turken en heidenen.

1) f 2)

3)

4)

-ocr page 216-

208

( liristus (l(H4laclitig zijn, zóu, dat zij, zonder aan den Cfeost (Mi hot ycdoot deel to hebben, in het bloed van Christus gewasschen en gereinigd en vrij van zondeschuld zijn. Daartegenover stelt de Bres de leer der erfzonde en de noodzakelijkheid van de wedergeboorte voor de kinderen in het licht.

herst toont hi j aan, dat niet alle, maar alleen de kinderen der geloovigen, niet van nature, maar uit kracht der belofte, wedergeboren worden. „8ij zijn alle onder den vloeck begrej^en, 10 tg henomen de hinderen der Gheloovigen, die door Gods ghenadighe aenneminghe, ende door de er acht der belojten ende des Verhonts, van sulcke verderffenisse verlost, gheheijlicht, ende wedergeboren zijn, hoe wel de verdertfelijck-heyt der natneren noch in hen blijft: dcierom en hebben .w/ sale ken herboor te van haer egg hen niet, maer door de eenige goethegt ende barnihertichegdt Gods in Jesu Christo * \')

Daarna weerlegt iiij de tegenwerping der ])ooperschen, dat de kinderen geen goed noch kwaad kunnen onderscheiden: „Hoe wel het werck Cfodts vooj- onsen verstande verborghen is, so en is het nochtans dies niet te min waer. ^Nu is het seker ende gewis dut God de kinderkens self\'s herbaert, ende maecktse nieuwe creaturen, ik segghe de ghaie die hg saiich niaeckt \'). En met klemmenden aandrang en spottenden ernst keert hij zich tot zijne tegenstanders: ...Maer ik wilde van n lieden wel weten, ghy goede lieden, waerom dat de kinderkens niet so wel bequaem en souden zijn om d(» wedergeboorte t\' ontfanghen, als de verderlfe-lickhevdt r1 Indien sy verdorven zijn ende worden mogen, ende de verderft el ijckheyt die in haer door de zonde Adams is, besitten ende heerven connen, Jae sonder te verstoen noch te weten wat zonde ende verder ving he ts : waerom en sullen stj oock niet door ghehjcke reilen, soo wel de wederfjheboorte ende de vernieuwinghr, besitten ende. beerven connen. die wv door

ij f. 250a. 1) f. 2561).

-ocr page 217-

209

Christum don twoodcn Adam i» zijnon Clhoest vorci\'ijglion?quot; \')

Ku Do Bros gaat voort, aaiivallondor wij/o, on verwijt Diorick L\'bilips, dat !iij niot woot, wat oigonlijk wodor-goboorto is. „Ilïj moynt, dat do \\Vodorgliol)o||to, oon wtor-lijoko vorbotoringlie der wóroken is, ende oen eorlijok vroom sobijnbaerlijc lovonquot;. Maar, zegt bij, dat is gooiio wodorgeboorto, -bet is veri\'o van daor .... want Christus bewijst ons by Joannem, dat de Wederyhehoorte niet anders en is, dan inwendighe afwasschinghe ende reyninghe: ende daerom spreeckt hy, van wt don AVater ende (ibeest herboren te zijnequot;. Wanneer dan Diorick Philips loert, dat do kinderen in het bloed van Christus gewassohen zijn, zoo belijdt bij hunne wedergeboorte; en ontkent hij de wedergeboorte der kinderen, dan loochent hij meteen, dat zij in het bloed van Christus gewasschen zijn. „Biet danquot;, roept De Brés uit, ..wat dit voor een Loeraer isquot;-).

Nochtans wil De Brés, de wedergeboorte dor kindoren belijdende, daarmede niot zeggen, dat zij altoos op den-zelfden tijd en op dezelfde wijze geschiedt. God blijft in zijn doen en werken vrij. Alleen sta dit vast, dat geen der kinderen geacht mag worden, van het werk Gods uitgesloten te zijn. „Wol is waor dat do 11 cere in den oenen aldus, ende in den anderen alsoo op vorscbeyden wyso werekendo is, nochtans so en worekt hy dies niet te min in allen: ende glielijckorwijs de 1 leero niet al op een wijse ende t eenor tijd in den bedaoghden en werekt, also can het oock in den cloynen kinderkous gheschiedenquot;.

Ook wil de Bres niot den oisch gesteld bobben, .dat alle het ghone dat in den Doop voorghostelt wort, roorl-(jebrochf, a-tghedna-kt ende ghedaan moet wesen, eer men don- Doop ontfanghen machquot;. De afsterving des vloeschos en de vernieuwing dos levens kunnen de kinderen immers nog niet beoefenen. Maar, gelijk van do besnijdenis, zoo behoort ook van den doop de vrucht dos sacraments

1) f. 2571). 2j f. 258quot;.

-ocr page 218-

210

„wtc/liedruekt ondo vertoont tc worden, nis mon tot zijnen dag\'lien onde verstande oomt.quot; In dien zin betuigt Paulus •jdat \\vy gliedoopt zijn, om in de doot, begravinge, ende opstandinglie .Tesu Cliristi ingegriffot te worden, om van dese drie oorsprongen (als nieuwe griffien) in ons te trecken, de drie deelen van onser\' vernieuwinge ende wedergeboorte, tc weten, de afstervinglie onses sondighen vloesohes, .... onse begravinge der zonden, ende onse verrijsenisse in een nienwioheyt des levens.quot; i)

Al die vruchten komen ons toe uit de inlijving in Christus, welke de Erès met voorliefde vergelijkt met de inenting van jonge stekken in een boom. l)e kinderen zijn _nae hot getuygenisse van Gods Woort in den doodt Christi ingelijft ende ingegriffet door den l)oop: ende dat tot gheen ander eynde oft meyninghe, dan op dat daer dooide cracht des Doots Christi hen mede gedeylt worde, ende in haer cracJdicli zy : Ghelijok als oen Griffi-tacxkenin eenighen Boom gegriffet zijnde, de vochticheydt, de cracht, ende de substantie des selven Booms tot hemwaerts treckt, ende deelachtich wordt.quot; :)

Men moet dus niet denken, dat de wedergeboorte, door de inlijving in Christus verkregen, eene voleinde zaak is. Ket is slechts de kracht ten nieuwen leven, die ons toekomt door de inplanting in Christus. Het is maar de wedergeboorte in haren aanvang; ze gaat steeds voort en wordt eerst met den dood voltooid. En daarom worden wel de vroeg-stervende kinderen terstond door Grod volkomen wedergeboren, maar de anderen moeten in het opwassen in de leer des Doops onderwezen worden, i /00 kan dan do Bray op alle bedenking een afdoend antwoord geven-\'): .1 hierom soo antwoorden wij op alle d ongheschiktheden die sy ons voorwerpen: dat de cleyne kiuderkens het teecken deiquot; \\\\ edergheboorte ende der vernieuwinghe ontfangen hebbende, ist dat sy

1) f. 260a.

2j f. 245quot;,b.

-ocr page 219-

211

van do worold sclioydon oor sy tot don ouderdom doa vor-stants, konnisso ondo di.sorotio komen, zijn salieh enrle wtvercoren voor den lleere, diese wederbaert ende door zijnen Gheest vernieut nae zijn beliefte, ende na zijne verhoroJiev ende cnbegrijpelijcle cracht: Maor oomen sy totboquamon oudordom, endo t\' haren verstande, so loeren ende ondonvijson wy ben in de leoringbe des Doopsels, ende ghevon lion to kennen, als dat sy alle hoer leef daghen lanck be hoor en te, dencken, op deze Gheestelijcke Wederghehoorte, van do woleke sy liet teecken in bare iongbe dagben ontfangbon, endo tot nocb toe gbedragen bobbenquot;. En bij komt ton slotte tot deze conclusie : de wedergeboorte, bet werk dos G oestes, oorst verborgen, maar zicb mettertijd openbarende, bezitten de kinderen, en daarom moeten zij worden gedoopt. „Soo is ons seggbon met goede redenen, dat by (de doop) den cleynen kinderkons niet meer en beboert gbcweygbort te worden, dan don bedaegbdon onde vorstandigben lieden. Want gelijck wy nocb gbeseyt bebben: l)o kinderkous worden oock door Godes Geest vernieut, na do mate ende begrijpelijckbeyt baeres Ouderdom». Ende dese Goddelijcke cracht die in hen verhorghen /■gt;\', wast ende neemt allenskens toe, ende vertoont hoer t1 zijner tijt claerlijckquot;l).

Tot biertoe de Brés. Eono onderscbeiding als van a Lasco tusscben wedergeboorte en brkeoring of vernieuwing treffen we wel is waar bij bom niet aan, maar tocb wordt beider en krachtig betoogd, dat er voor den kinderdoop een innerlijke, geestelijke grond bestaat, doordien „de waarheid des doopsquot;, de innerlijke wasscbing der ziel, de wedergeboorte, in de kinderen aanwezig is. A an dit betoog echter is al de kracht gelegen in de beschouwing van kerk en verbond, volgens welke allen, die zicb geene ongeloovigen betoonen, geacht moeten worden, als leden der kerk en in bet verbond staande, reëel de genadegaven

1

f. 2G3|j.

-ocr page 220-

Crods in do gomoonxcliap met Christus to gonicton. En dns liobbon ook do kindei\'on dool iiim Christus on iu Christus, door don 11. Geost, bozittoii zij in bog\'ijisoi alios.

In gelijken geest sprak in de disputatie mot de Doopsgezinden te Franekentluil, 1571,

I.\'ktüls Datni:ms.

1 lorhaaldolijk komt hij zijne tegenpartij hierin togen, dat zo van de kinderen oeno derde groep menschon maken, die noch geloovig noch ongeloovig, maar innocens is. Do menschheid is slechts in twee partijen gedoeld, welke men noemen kan geloovigon en ongeloovigen, die wol en die niet van Gods volk en Gods kinderen zijn, wol en niet tot de kerk, hot lichaam van Christus, bohooron. De kindoren echter bohooron tot do kerk, tot het volk Gods, tot do geloovigon. „AVv geloouen, dat de kinderen dor geloouigon onder den gholoouigen te tollen zijn, endo niet onder den ongheloouigonquot;i) Rant, den voornaamston woordvoerder der Doopsgezinden, werpt hij voor do voeten : ,Die vrage is ni(^t, ol\' de kinderen der Christenen .... een gheloouo hebben, ofte niet? Of sy dat goede, ende ijuado ondorscheydon connen, ofte nietV Maer of sy met den geloouigon voor een volck Gods ghetelt, endo gehouden werden, ofte nietquot; s) Hij zelf rekent ze voor kinderen Gods. En wel uit hoofde van hot verbond, niet om hunner geboorte wil.

.. Wy en hebben noyt gesogt. Ja oock niet gedacht, dat de kinderen der Christenen God os kindoren zyn souden, van wegen der geboorte wt den vleoscbo, maar alleen van wegen der opneminghe, ende dos eewighen Verhondls Godesquot; Dienvolgens Indiooreu ze ook tot de goineento Gods, het lichaam van Christus, want anders kunnen zij

\') Protocol, dat is de gansc/ie Handeiingc des Gespreeks, te Franckenthal, vertaald door Gaspak van deb Hevuen, Ait. XT1, actie 32, quest. 7.

2) quest. 9.

3) Art. XII, act. 35, qu. G.

-ocr page 221-

2i a

niot zalin- worden. Zij zijn „Lidtmatcn (!(« lichaoms, dacr van Christus een Saliclunakor isquot;. Wanneer zo „glieen Lidmaten der üemeynten Godesquot; zijn, „so en oonnense oook niot salich wordenquot; \').

Op grond nu van linn doelgenootsoluip aan het verbond van God en hot lichaam van Christus, verklaart Datheon de kinderen geestelijk gerechtigd tot den doop.

Onder de bewijsredenen, dio hij voor den kinderdoop aanvoert, heeft er meer dan één zulk eene strekking. Zoo reeds de eerste1): „De kinderen dor Christenen hebben dese salighe ghemeynschap met den ecwighen ende warachtigen God. den Vader, den Sone, ende den H.Gheest, tot don oewighen leuen, ende werden derhaluon heijlich ghonoemt. Daerom sullen ende moeten ooc, de Kinderen der Christenen billick gedoopt wordenquot;. Deze hunne gemeenschap mot God grondt hij op hunne gemeenschap met Christus, en op het getuigenis van Paulus, I. Cor. 7 : 14, dat de kinderen lieilig „inder waerheydt heylich zijnquot;.

Eene volgende bewijsreden voor hunnen doop is, dat de kinderen, .,lt;/« waerheyl des Verhondts, naemlick de royniginghe ofte vergeuinghe der sonden, door h(;t bloed Jesu Christiquot; van God verkrijgen ;i).

De vijfde bewijsreden heet 4): Don kinderen komt mede de belofte des doops van de vergeving der zonden on yam; des Geesles toe, naar Act. 2 : 38 en 39. 1 lad deze belofte slechts betrekking op de toekomst, dan had ze weinig kracht voor den kinderdoop, maar zo heeft oogenblikkelijke beteo-kenis. „1 lij (Petrus) on seght niet;.. . als sy opghewassen zyn, ende de Belofte aennemen, als dan sal oock de Belofte uwen kinderen ghegeven werden: Maer hij spreect van den tegenwoordighen tijt, uwe ende uwen kinderen is de Beloftequot; \').

1

Act. 31, qu. 38.

-ocr page 222-

Als zesdo arguinont vour den kinderdoop wordt aangevoerd \'): „Do kinderen der gheloovighen,zijn \\vt ghenadon aenghenomen tot der kintschap Godes, hebben vergen inglto der sonden, i/tn Gheest tier flei/liclimakmge, ende getuygenisso der eewiger saliclieytquot;. Tot bewijs, ..dat gy den Geest der Heylichmakingo hebbenquot;, dient weilerom, _l Oor. 7, daer Paulus van den kinderen der gheloovighen seght; Maer nn zijn sy heylichquot;. En dat juist dit bezit van den Geest, wiens gaven menigvuldig zijn, de wezenlijke grond is, waarom do kinderen den doop moeten ontvangen, duidt Act. 10 aan. -Dewijie dat onse kinderen den Geest der op, oft anneminge, tot der kindtsohap, tot dor TTeylich-raakinge, tot der saliclieyt, ontfangen hebben, gelijc ooc wy: So canmcn ooc hen, euon so weynich, als ons, dat water weerenquot;.

Dan is er ook niets, dat de wedergeboorte der kinderen, welke ook eene gave des Geostes is, in den weg zou staan. Wel wordt in do disputatie speciaal over de kwestie der wedergeboorte bij den kinderdoop weinig gehandeld. Datheen gebruikt dat woord liever niet. Maar toch geeft eene enkele uitspraak zijne meening met klaarheid te kennen. Daarin concludeert hij uit de zaligheid der kinderen rechtstreeks tot hunne wedergeboorte door den Geest. ., So de kinderen, die in barer Jóeget sternen, niet \\vt ghenaden, door werekinge des Heyligcn Geests, ende door dat bloot Jesu Christi, wedergheboren, ende kinderen Godes zijn, so connen sy niet salich werden, gelijk Christus Joan. ISf 3. leert. Derhabten hesluyten icy, so de kinderen salich werden, so .njn sy oock wedergheborenquot;

Nog eenmaal komt hij hierop terug, wanneer hij Raufs woorden van de „Opstandinghe wt den sondelicken lenen, ende dierghelijckequot;, voor waardeloos verklaart ^). „Want dewijie dat sy bekent hebben, dat de kinderen in Christo

1) Act. 35, qu. 19.

2) Act. 3i, qu. 11,

3) Act. 36, qu, 36.

-ocr page 223-

215

zijn, rmlc liobhon door Christum verghouinglio dor sondon, oude dat oowich linion: Dat is enen so vole, als oft sy zcvdou: kinderen zijn door Christum der sonden gestoruen, oude verniout, ofto loedergehoren tot den eewigen leuen. Want wat van don vleescho geboren ende vleesch is, dat on can zonder wedergheboorte niet salicli wordenquot;.

Brengt dus Datheen het woord: wedergeboorte minder in het geding, dan men in eone disputatie met de Doopsgezinden verwachten zou, in het wezen der zaak treedt zijn gevoelen over de wedergeboorte der kinderen in verband met hunnen doop duidelijk genoeg aan don dag. Zoo dikwijls hij van do heiligheid en den Gee.st der heiligmaking, ja, zoo dikwijls hij van het verbond, de verbondsbelofte, de verbondswaarheid, en van do kerk, het lichaam van (Jhristus, mot betrekking tot de kinderen spreekt, zoo dikwijls logt hij voor den kinderdoop den grond in de geestelijke realiteit, in do wedergeboorte.

Xiot minder krachtig en sterk dan Datheon betoont zich in eone volgende disputatie met do Doopsgezinden, te Einden gehouden, 1578,

Mi:nzo Altixo.

in oen bijzonder artikel (hot vijfde) wordt de kwestie van de rechtvaardigmaMng en heiliging of leedergeboorte des menschen aan de orde gesteld\'). En natuurlijk wordt daarbij do wedorn\'oboorte der kinderen niet vergeten. Alting

o O O

schroomt niet dit vraagpunt onder do oogen te zien. Hij toont zich stoutmoedig. Tegenover Brixius en Peter van Ceulen verschijnt hij niet als een tengere knaap, die, onberekend voor den verinoeienden strijd, vermetel in het kampperk is getreden, maar meer als de forsche, gespierde worstelaar, die tegen eeue beheudige tegenpartij de kracht van zijnen arm kan doen gelden. Alting staat in hot stuk van de wedergeboorte der kinderen sterk.

1) Protocol, datlt is, Alle hundelinge des Gespreeks tho Enibden in Oistfriesslandt, fol. 128 v.v.

-ocr page 224-

216

Allereerst definieert hij de wedergeboorte als eene vernieuwing\', „welcke Grodt dorch synen hilligen Geist in vns wereket in dein he vns (de si/nem Söhn ingeplantet syn als Lidtmaten) deelhafftich maket der krafft des dodes vnde der vpstandinge Christi, dat wy nicht alleine dardorcli gereelit-ferdiget werden snnder oek tlio syner tydt anfangen, der sünden att\'tlio sternen, vnde in nyeheit des leuendts tlio wanderen: welcke früchte der weddergebordt wol in dessem leuendt anfangen, vnde dachlieks tlio nemen, onerst (= maar) nicht vor yeneni leuendt vullenkomen werdenquot; \').

()vereenkomstig deze definitie nu levert liij acht bewijzen (waarvan een enkele door de tegenstanders hem aan de hand gedaan) voor de wedergeboorte der kinderen.

Deze bewijzen zijn -) :

a. De belofte Gen. 3:15, welke de volkomene herstelling van den gevallen mensch naar het beeld Oods inhoudt, sluit ook de kinderen in.

b. Met de gerechtigheid komt den kinderen ook de heiligheid of wedergeboorte in Christus toe, naar 1 Cor. 7.

o. Wat God Zijnen verbondsgenooten belooft en verzegelt, dat volbrengt Hij ook in waarheid, want Hij is waarachtig en kan niet liegen. Daartoe behoort ook de wedergeboorte of heiliging, volgens Jerem. 31; , lk zal mijne wet in uw hart geven , enDeut. 30: ,besnijdenis des hartenquot;, en deze gaat zoowel den kleinen als den grooten aan.

d. De wedergeboorte is een werk des Geestes (Joh. 3) en de li. Geest is ook don kinderen beloofd, Act. 2, en Jes. 44.

e. De kinderen zijn erfgenamen Gods in Christus, bijgevolg kinderen Gods, en als zoodanig hebben zij deel aan den H. Geest, Gal. 4.

ƒ. De kinderen zijn in Christus en mitsdien nieuwe creaturen, 2 Cor. 5.

g. De kinderen gaan hot rijk Cods in, zoodat zij wedergeboren moeten zijn. Joh. 3.

1) act. 58, rede 8. ƒ. 179

2) act. 59, 4, ƒ. 1811-. v.v.

-ocr page 225-

217

omdat zo uit vleesch geboren zijn, moeten ze eerst herboren worden,om liet rijk Grods te kunnen beërven, 1 Oor. 15.

Van alle acht bewijzen echter legt Airing bijzondere kracht in het derde, in verband met het vierde, de belofte van Grod omtrent de wedergeboorte en den 11. Geest. Eene tegemverping als, dat de kinderen de vruchten der wedergeboorte niet openbaren, beantwoordt hij lichtelijk, door te wijzen op het onderscheid tusschen den boom en zijne vruchten. Eene andere, dat de kinderen tot hot booze geneigd zijn, weerlegt liij even gemakkelijk door beroep op l\'aulus, die desgelijks van zichzelven betuigt, schoon hij wedergeboren was. Kom. 7 \'). Maar de groote kracht zijner bewijzen, het machtige wapen, waarmede hij zijne tegenpartij telkens en telkens aanvalt, is de belofte van God, d.w.z. de dadelijke vervulling dier helofle in het kind, van wege de waarachtigheid Gods. Want, zeggen Brixius en van (Vulen, dat de kinderen de belofte des Geestes niet eerder genieten dan, als zij tot geloof in Christus gekomen zijn, zoo doen zij te kort aan de waarheid van • l od. „ I rh welcker bekentnisse der Menner vnwedderspreck-lick folget, dat se de heloff\'le Godes. ydel vnde vmtnüe maken, vnde so vele an enen is, Godt den Heren, vor einen vnwarhaffligen Godt bekennenquot;.

Immers, „welcke eine belofte van Godt (der nicht legen kan) entfangen hebben, ane (= zonder) vorklarwye. der \'ndf, vnde doch der belofften in der warheit vnde mit der dadt, nicht mogen geneten,de hebben eine rjdele vnde vnnntte heloff/equot;2)

In tegenstelling met zulk eene leer dor Doopsgezinden houdt Alting staande, dat de kinderen terstond met de belofte ook de gave des Geestes ontvangen. _ l p der fragen, wanner de hillige Geist mith synen gauen, platz in den kinderen hebbe, vnd wat idt vor früchte syn de he in den kinderen wereke, damp antworden wy, dat so balde de hela ff te van den IJ. Geist platz hefft in den l.indern, also balde

1) Act, G2, r. 2, f. 1891\'.

2) Act. (53, r. 5, 1. 1113quot;.

-ocr page 226-

218

könneii ock de gauen den H. Geistea platz in den kindern hehhenquot; \').

Hierbij maakt liij intussclien onderscheid tnsschen de gaven des Greestes, die ter zaligheid noodig zijn, „als dar syndt, de wedderijehordt ofte vornyinge der vordoruenen naturen van Adam allen minsohen angeernet, .... do inplantinge in Christo, vndo do gemeinschap der kraft den dodequot; rnde. der vpslardinge Chr)sli\'\\ welke gaven de hinderen moeten bezitten, en do andere vruchten des Geestes, Gal. 5 genoemd, die in de kinderen niet gevorderd worden.

Dwaze tegenstrijdigheid noemt hij de voorstelling dei-tegenpartij, den kinderen de gerechtigheid van Christus toe te schrijven, zonder hunne heiliging of\' wedergeboorte te belijden, en evenzeer, hun de kracht van Christus\' dood en opstanding te willen toekennen, maar hunne inplanting in Christus te loochenen. „Dan wo kan ein Rancke der krafft vnde des leuens des Wynstockes genethen, wanner he nicht in den Wynstock is ? .... Item, wo kan ein Twych des sappes der quot;Wortelen delhafftich syn, so lange he nicht in den Bom geentet isquot;? 1).

.Tuist het feit, dat de kinderen gemeenschap met Christus hebben, en niet slechts de vergeving der zonden, maar ook de werking des Oeestes deelachtig zijn met de belofte des eeuwigen levens, is dan ook voor Alting een vaste grond, waarop de kinderen moeten gedoopt worden. Hij voegt er nog aan toe : zij hebben ook God tot een Vader, den Zoon tot een Verlosser en den H. Geest tot een Heiligmaker, en daarom komt hun de doop toe 2).

Maar, wanneer dan de Doopsgezinden naar aanleiding van Tit. 3:5 en Kf. 5 opmerken: .,Tn den kindern sidiet men geene ernyeringe ofte reiniginge, darumme hebben se ock desse gauen nicht,quot; dan komt hij weder aan met het ernstige verwijt, dat ze God met Zijne belofte tot een

1

Act, 66, r. 3, f\'. 20411.

2

Art. IX, act. 84, r. 1, ƒ249 v.v.

-ocr page 227-

210

leugenaar maken. „Ouerst \\vy bebben en tbo vüren be-

wesen, dath kit ein vngerymet dinclc sy, dat men de

vnendtliekc vnsichtbare krafft dos liilligen Groistes, welckcs

do Here Christus Julian, am 3. Capit. dom vnsicbtbaren

Winde vorgeliokot, an der macht vnsor vthorlicken ogen

wil an binden, vndn der thosage Godes toelcke gewiss is,

nicht mehr gelöuen. als unsem blinden gesichte. De kinder

hebben geeno vornüfftigo Soele, dan wy können do Soole

nicht selion iuit vnsen ogen. Also licstcrigen dan de Mouncr

avormal (= nogmaals),.... dat se de beloffte Godes tho einer

y del en beloffte maken, vnde Godt den Hepen, so vele an en t*. tho

einern i\'nwayliaiïiigen Godt maken, in ilein he in sgnem worde, den

kinderen solde helouen, welckes he doch enen (= bun) nicht tooide

holden.Vgt;rixhis liofft sick ockwol vnderstandon,desevngoryrade,

vndo danuoch vtli oren worden notwondigo scblutrodo, tho

vorantwordon, in dein he secht, dat nicht alles, wat belouet

werdt, ock tho gelicke toerde gegeuen, welckes wol tear is, wanner

idt van vnwarhafftigen minschen werdt geredet; Ouerst nicht

wahr, wanner idt, geredet werdt van d.em warhafftigen Godt,

de nicht legen noch hedvegen kan, idt sy dan, dat he de lydt,

dar in de beloffte geschelten, vnd de tgdt, darin he de beloffte

wil leisten, vnderscheidet, als wy sehen Genes. aM 15. in der /ii\'./f\'

beloffte des Landes Canaan. Ouerst desse vnderscheidt dei ti/dt

trert nicht gesettet in de beloffte vnde sendinge des 11. Geistes,

oner rns vnde otter rnse kinder, wo in der Apostel Geschichte

im 2. tho sehende is, dar Petrus one vnderscheidt der tydt

redet: .Tuw vnde gutcer kinder is desse beloffte^ \').

Alting wil dus niets meer of\' minder dan de kinderen doopen op grond van do belofte Gods, welke van stonde aan, dat zij hun aangaat, ook in lier. vervuld wordt. Zoo bezitten do pasgeboren kindoron de gave des Geestes, de wedergeboorte, en daarom worden ze gedoopt.

Wat ten slotte do verhouding van bet Woord Gods tot do wodorgoboorto betreft, ook daarover geeft Alting inlic.b-

1) Act. 90, c. 1. f. 265

-ocr page 228-

220

ting\'): _Ock hebben \\rj vörhen van dor ■vveddorgebordt geantwortet, dat Oodt do Hero the dossom gnadenworck woldo dat middol synes wordes gebnickon, in don, do idt böron vnde vorstahn könnon. Onerst darum werdo do kinder dossor gnaden niebt borouot, dowylo so mit den olden stahn in dor bolofften, vnde derhaluen dat wordt, Welches den olden geprediyet wert, vnde enen also thogeegent, datsulvige wert ock den kinderen thogeegent, dorch wunder-barlicke werckinge des H. Geistes.quot;

En over hot geloof dor kindoren zegt bij ton slotte; „So hebben wy ock goleret, dat de gauo dos U. G eis les vör dem gelonen horgoit in don ki\'idorn Godos, gelick ein Bom vor den friichten borgeit. Dan do Geloue oino fruebt des Goistes wort gonoinot, Gal. 5quot;.

Zoo kloek en krachtig staat daar voor ons in do disputatie te Emdon de figunr van oen Alting, kampvechter voor do leer, dat de kinderdoop niet maar oene kerkelijke ceremonie is, maar stonnt op de in de kinderen waarachtig gerealiseerde belofte (foils.

In wijze van voorstelling oenigszins van Alting verschillend, maar in de zaak volkomen met hom overeenstemmend, leert in zijn , Cort ende daer bewijs van den Heyligen Doop,\')

Caspau van dku Hevden.

A an der Heydon onderscheidt tusschen wedergeboorte in actieve en in passieve boteekenis, het werk van God en het werk van den monsch, welke tot elkaar in betrekking staan als oorzaak en gevolg, wortel en vrucht. „Hoe wel d\' ontfanghingbe dos li. Gbeests, do Wedergbe-boorte, bekeoringbe, ende aantrockingho Cbristi, soo wel avtiuè (dat is worekender wijse) als passiuè (dat is lijdendor wijse) ghonomon wort, int aensien vandon vruchten, daer wt men den boom ordoolt, so moot men nochtans Godes wc,rek voor d\'onse sotten,.....

1) Act. 90, r. 1, f. 2671\'.

2) bl. 38 v/,

-ocr page 229-

221

want gclijck ghcen boom hem seluon plant, nocli niomant hem seluen baort, also en is oook de Wedergeboorte gheen werck dat wij doen, maer een cracht. die, Godt in ons door sijnen H. Gheexf op onhegrijpelijcker wijse icerct, ende inden ouden gheloom\'clien xrlen vruchten hewesen wort.quot; Als werk van God, toont hij aan, is de wedergeboorte ook in do kinderen aanwezig. „ \\\\rt deser ontfanglünghe des H. Gheests, ende Wedergeboorte en machmen den kinderen niet shiyten, want ghelijck de sonde, ende do doot, hen niet alleen in Adam wert aengherekent, maer hebben ooc seine gesondicht Rom. 5. ende worden kinderen des toorns van natueren gheboren, alsoo en oonnense van d\' eewige doot niet verlost, ende in C\'hristo leuendig ghe-maect worden, sonder den geest Grods, ende wedergeboren te werden, want canraen de kinderen niet sluyten, wt die woorden; (Wat wt vleeseh geboren wort, dat is vleesch) so canmense ooc niet sluyten, wt die woorden: (Ten sy dat yemant wedergheboren wort wt water ende gheest ete.) Werdense nv in Adam niet alleen doot, nherekent, maer sijn waeraehtich doot, so wordense niet alleen in Christo leuendich gherekent, maer toerden Christo, als ranrxkens inghelijft soose sijns leue.ns deelachtich rennen wesen, want doot sijn, ende leuendich ghemaeckt werden, brengt eenighe veranderinge; daerom stater: Is yemant in Christo, die is een nieu creatuere. Item wie den fïheest Christi niet en heeft, die en hoort hem niet toe. Want Christus wascht de sijne niet alleen met sijnen bloede, maer ooc met sijnen geestquot;.

Daarop vraagt hij den Dooperschen: So nv de kinderen reijH ende hei)lieh sijn . . . ende sulcx niet ghesohiedende, door den li. Crheest, de Wedergheboorte, noch d\' inlijninghe Christi, datse ons toch segghen,waer door het dan gheschiet ?

Item dewijle sy segghen; de hinderen sijn int verbont ende der gemeijten Godts, hoe sulcx qheschiet sonder den geest Gods, ende de Wedergheboorte?quot;

Beide vragen toonen, welk eene opvatting Van der lleyden van het verbond en de kerk en van de heiligheid der

-ocr page 230-

222

kinderen voorstaat. Zoo de kinderen loden dor gemeente zijn. moet men oeno innerlijke werking\' des Geestes in hen erkennen, want zonder deze botoekenen het verbond en de kerk in den grond dor zaak niets.

Van der Hoyden komt tot deze gevolgtrekking: „ Daerom w ordt d ontfanghinghe des //. Gheests, de wedergheboovfe* d iuhjuinglie ende aentreckhine Christi inden volwasseveiipossvu., ende actiuè ghenowen, de wortel metten vnw/ifen begrijpende. Moer inden cle/jiien kinderen passiuè, ouermi\'# datse Godt lief heeft, ende sy hem wel hehaghen. Daerom hyse ooek qenade geeft inder opirasschinghe, datse metier fijt hare vruchten voorthrinqheriquot;.

IToe echter deze wedergeboorte in de kinderen bestaat, verklaart hij in navolging van Calvijn. Evenals deze hervormer spreekt hij van een : ad der wedergeboorte, dat later vrucht voortbrengt; in dit getuigenis, merkwaardigerwijze, onder de eerste Oereformoerdo theologen hier re lande, zoover ons bekend, alleenstaande. Ilij zegt: „Ende indien het zaodt oenen tijdt lanck in d\' aerde light, ende wortelt, al eermen wt den vruchten siet dat hot herboren is: Item indien de wortel des verstandts ende der redone in allen kinderen gestort is, so baest si dquot; lenen ontf\'anghen: Item indien men de kinderkous niet voor stom houdt, als connense ionck sijnde niet spreken, ononnidts sy de wortel der sprake hel\'\' ; ■, soo en behooret niemandon vremt te wesen, dat Clou lcu, h zaedt ende wortel der Wederaehoorte in den kinderen des Yorbondts gheplant ende ghestort heeft, daer wt de vruchten des Gheests metter tijdt o|)-schieten. Want die met Chvisto in sijn Doot gedoopt sijn, die- wassen oock aen hem .Is jonge scheutkens aendeu ■wijnstock, sonder welcke aenwassinghe, sy ghoen gheestelijck lenen wt hem crijghen, noch metter tijt ghoen vruchten der Wedergeboorte eoimen bewijsenquot;.

Wij voegen hier.-an nog deze twee uitspraken van Van der Hoyden toe, en dan weten wij van hem genoeg. In de eerste uitspraak worden de voornaamste oorzaken of

-ocr page 231-

223

gronden van den doop opgenoemd: ..Daerom en sijn de voomaemste oorsaken des Doops niet, onso gliolooue, be-lijdinglie, oft ghelioorsaemlieyt, ghelijck de \\\\ edordoopors meynen: Maer hel Verbondf, Godes, de beloeften der genaden, de vergheuinghe der sonden, d\' inlijuinge ende aenneminghe inder ghemeynien Godes, de deelachticheit des U. Geesten, etc..quot;

De tweede luidt: ..Wv beshivten aldus: Dewyle de km-derkens int huys, ende de gemei/nle. Godes sijn, .... datse dan oock door den Doop betuycht ende versegelt werden, datse door Christus bloet ende gheest, van sonden gbewassen, ende vernieut werdenquot;.

Betoont zich alzoo Van der ifeyden ook in zake de kwestie van den kinderdoop een Calvinist van top tot teen, die de ideeën van den grootcn hervormer scherp onderscheidt en helder ontwikkelt, een ander Calvinist van bijna gelijke kracht treffen we aan in

.1 ka x Ta min.

Ook Taffin loidt de wedergeboorte of lieiliglieid der kinderen rechtstreeks nit het verhond af.

In zijne OnderwijshKjhe op liet stnk van den kinderdoop, waarin hij twee personen sprekende invoert, t.w. Dierick Philips, die den kinderdoop verwerpt, en .Ian, die hein toestaat en handhaaft, zegt hij o.a., dat de kinderen in de 11. Schrift een groot voordeel boven de volwassenen hebben, hierin bestaande, rdat sonder onderwesen te zijn, sonder belijdenisse hares geloofs te doen, sonder voortgebrocht te hebben vrnchten der boetveerdicheyt, oft haer leven ghe-betert te hebben, sv ledev Chrixli kiridereri God#* gerecht-vee,rdicht ende cjelieijlieht. Cortelijck, de genaden des \\ erbonfs com en hen foe\'quot;1 \').

\\rnn de kinderen, die buiten het verbond staan, had hij te voren verklaard J), koesterde iiij geene hope, w.at betrefr

1) hl. ll-i.

2) bl. 100.

-ocr page 232-

224

liunnc zaliglipid, Jtianr vnn do kinderen der g\'eloovigen wel. ,Soo bosluyt ick dan mi stoutelijok, dat de salioheyt in ( luisto toeonnit den kinderen der Cflicloovigen, volgende t getuygenisse des Verbondts: maer soo veel aangaet do kinderen der Joden, ïuroken, ende ander dierghelijcke, Gods woort en gheeft ons daer af gheen hopequot;. Dezulken A\\il hij liever stellen .. ton oordeel des ghenes diese liceft ghesehapenquot;.

De kinderen der Christenen echt(!r wil hij gerekend hebben onder het getal dor goloovigen. En wol om diio redenen\'); „Ton eersten, wt dien dat sy hebben de selre ffhenode der sahcheyt, die do volwassen goloovige, ondo bootveerdigo hebben: Ton tweedon, overmidts dat sy in Christo inghegrifet zijn, om fe draf/hen vruchten des (jheloofs ende boete, ghecomon zijnde tot den volcoinon Jaren: Ten dorden, aenghomerekt dat als Godt sprecct van don ovqhe-/oovigen ondo nnboefreerdigen, verstaet hij daer door do ghono, die gecomen zijnde tot hare Jaren, in (\'hristo niot on gholooven, noch haor loven on botoren: do woleko van woghon baros ongeloofs ende hartneckichoyt om qnaet to doen, ghodroycht jnet do eeuwige verdoeinonisse, lt;/\' welc nwt en is in de jonge kinderen .... Also de jonge kinderen der Geloovigen, ghegrijfet in Christo wt cracht can t\' Verbondt, en moghen niet gestelt worden onder t\'getal der oncteloociqen ende onboetveerdigen, al ist dat sy noch niet en hebben t gehrutjek des gholoofs ende boetvoordioheytsquot;.

Do inlijving in Christus is diensvolgons de hoofdzaak. Daaruit moot ons oordooi over hot geestelijk bestaan dor kindoren opgemaakt worden. Daarnaar is ook hot nut van den doop voor de kinderen af te meten. Zou do kinderdoop nutteloos zijn? vraagt Taffin quot;). .Is bot te ver-ghoofs dat men een groffie griffot op den tronc van eonon boom, die geen vruchten en draeght ten eersten Jare ?

1) bl. 116.

2) bin. 118.

-ocr page 233-

225

Also oock en ist niot to verghoef\'s, dat den Doop gegeven wevt don jongen kinderen, tot eenen zegel, dat sy gegrifet zijn in Christ?, om van lien naederhandt deuchden ondc vruchten door zijnon Geest te ontfangen, endo ten eynde sy tot verstandt gecomen zijnde, iu nieuwiclieyt des levens wandelenquot;.

Wat nn bijzonder do wedergeboorte aangaat, deze moet natuurlijk van deze inlijving in Christus hot onmiddellijk gevolg zijn. Act. 10 : 47 evenwol wil Taftin\') niet gebruiken tot bewijs van de wedergeboorte dor kinderen. Daar is sprake van de uiterlijke gaven des Geestes. Maar, gaat liij voort, sprekende tegen Dierick Philips, „al waor t\'dat hier gesproken werde van den ghoest der wedergeboorte, vraghe ik v, oft de jonge kinderen der Geloovigen C/iristo toebehooren, d\'welc gh y niot en condt ontkennen: waer wt dan volght, dat sy den geest Christi hebbenquot;. (Volgt het beroep op Kom. 8 : 7, en de vermaning om te wachten, of de vruchten dos (reestos zich niet later openbaren).

I )och sterker bewijs voor de wedergeboorte ziet Taffin in het verbond. Hij weot, van hoe veel belang hot is, do wedergeboorte in do kinderen te onderstellen of ze te loochenen. Hij houdt den Dooperschen voor s): „Ghy lieden weet wol, dat so ghy bekendot, dat de jonge kindoren der Geloovigen herboren zijn, men hen oock zoude behooren te ghoven hot badt der wodorghoboortequot;. En daarom stelt hij kort en bondig op grond van het verbond de wodor-geboorte der kinderen vast j). .,\'t Gene dan daer af sy liei/lich zijn, (naar 1 Oor. 7 : 14), is van der tweeder geboorte, gemerct sy herboren zijn door den II. Geest in Christo: ooc comt hen t Verbont toe . . . Nu begrijpt het solve, sonder-linge deso twee genaden: ton eersten, do vergevinghe der zonden: ten tweeden, do wedergeboorte oft heylichmakinghe

1) blz. 120.

2) bl. 121.

3) bl. 122 v.

-ocr page 234-

226

ende verniemvinge des H. Geestes. Soo volght dnn, dat si/ herhoren zijn, ende voordei\', dal In hen is, de vernieuwivij/ie des IJ. Gheestes, . . . Loc wel sy do selve noch niet en oonuen toonen, oft de vruchten daer af dragenquot;.

])e tegenwerping ligt echter voor de hand, dat toch rele gedoopte kinderen de vruchten dor wedergeboorte later niet vertoonen. Werpt dit niet die gansche onderstelling van wedergeboorte in de kinderen, op grond van welke de doop bediend wordt, omver? Xeen! zegt Taffin, want absolute zekerheid bestaat nimmer. Dat is ecue zaak der verkiezing Gods. 3Iaar, ,so daer questio is van versekert te wesen, oft de ghene die men doopt een kindt Gods is, so isser meer reden om Gode geloove toe te stellen, beluygende met zijn Verhoudt, dat zijn ghenade den Jongen kinderen der Geloovigen toecomt, ende ook Christo, seggende dat soodaniger t\' Eijcke der Hemelen is, als den volwassen menschen, van haer eyghen gheloove betuygendequot;. Doch in dezen hebben we altoos naar het oordeel der liefde, „die alle dingen gelooft, alles hoept ende niet en is achterdenckichquot;, het goede aan te nemen, zoowel bij de volwassenen als bij do kinderen. En dus _verbindt ons oock de eelve liefde, de jonghe kinderen der Geloovigen voor kinderen Gods ende herboren te houden, (gemerct dat Godt sulcx in zijn Verbondt getuyght) ter wijle toe dat sy, tot don verstande gecomen zijnde, het contrarie openbaren, door getuygenisse des ongeloofs ende ongodtvruchticheyts: waerom ic besluyt, dat sy gedoopt behooren te werdenquot; \').

Ontegenzeggelijk staat deze voorstelling van Taffin in helderheid niet ten achter bij die van oen der voorgaanden. Ze herinnert veelszins aan de Brés. Alleen is ze beknopter en bondiger. En ze ademt denzolfden geest dei-zachtmoedigheid en der liefde, die Taftin in alle opzichten kenmerkt.

Dezelfde toon, maar forscher nog en van gloed en be-

1) blz. 1-24 v.

-ocr page 235-

■227

zieling vervuld, ruiselit ous tegen uit do Beantwoordimj, die

Jacobus Jvlmeuonch s

gestold heeft op Oiorick i\'liilips\' belijdenis Vander Doope onses Heeieii Jean Chrisli (1580).

Daar lezen we over de wedergeboorte der kinderen dit besliste en afdoende getuigenis\'): „U argument is, dat de kinderen niet woderglieboren werden, om dat de weder-glieboorte niet en can gbcscliiodon sonder Cfodts woordt, solider dat ghelooue, ende sonder den heyligen Gheest. Vanden lieyligen Geest stae ick u toe. quot;Want door zijn eraeht ende genade, gheschiet eyghentliok de wedergheboorte. Maar dit is grootelicks teghen v geuoelen. Want naedcmaol de H. Gheest den kinderen niet weynigher als den ghewassenen beloeft is, ende oock mede ghedeelt wordt,

soo volgt dat de kinderen oock herboren werden......

\\ oorts, dat ghy daer op drijft, dat de weder gheboorte niet en can glieschieden sonder het woordt Gods, en sonder dat ghelooue, dat seght ghy nae v eyghen menschelijck goetduncken, maer de schriften daer toe aonghetoghen, en ghetuyghen dat nic^t. Sy segghen wel dat de wedergheboorte door (lt;ods woort ende door dïit ghelooue geschiet, maer dat de weder gheboorte sonder dat ghelooue, ende sonder dat woordt Gods (te spreken vande predicatie ende ghehoor van het uyterlicke woordt) niet en can gheschieden, dat is uwen gedichten toeset, die met der Schrift niet en bestaet. Zijn niet Jeremias ende Johannes van moeders lijf aen gheheylicht, ende met den II. Gheest veruullei gheweest? Jere. 1. 5. Luc. 1 . 15. Ende hoe is Paulus wedergheboren? Wat Euangelist oft I\'redicaut heeft hem het woordt vercondicht? Seyt bij niet selue. Dat hij het Euangelium niet ontfanghen ofte gheleert heeft van eenighen mensche, maer door de openbaringhe JESL\' Christi? Gal. 1. 12. 10.

1) bh. 104.

-ocr page 236-

228

so dat den ghomeyncn reghel om totton gheloouc cndc wedergheboorte to comen, welcken liy Itoin. 10. beschrijft, ende met welcken do ghetuyghenissen l\'otri endo Jacobi ouer oon stomiiion, in hom gheon plaotse ghehadt en

hooft...... Dit is wel don ghemoynon rogel, dat het

ghelooue comt \\vr den ghohoor des gheprodickton woordts, endo doordat gholoouo do wodorghohoorto ende salicheyt. Ji aor daerom en is Godt aon deson rogol niet gebonden, dattot niet anders gheschion can. Endo ten tweeden, soo is tsoluo al op do oude ghesproken endo te verstaon, endo niet op de kinderen, met deicelcke Godt Almachtich veel een ander wyse houdt tot huerder icederghehoorte ende, salic/ieytquot;.

Dat is bout gesproken. De regel: wedergeboorte door hot Woord, mag niet op do kinderen toegepast worden ! In hon werkt God veelal onmiddellijk door Zijnen Geest!

De tegenwerping, dat aan de kinderen „gheen wedergeboorte ghespeurt ofte bekent on wortquot;, heeft dan ook voor Kimedoncius niet de minste beteekonis.

_Allo dinckquot;, merkt hij op, ,heeft zijnen tijt, seyt de Wyse man. So ist oock met do kinderen indesen handel, dat boede de verdoruentheyt dos vloesches, ende do vernieuwinghe dos geestes, haer tzijner tijt aon do kinderen wel openbarenquot;.\')

Bovendien, met do andere weldaden Gods, in het verbond beloofd, staat de wedergeboorte in rechtstreeksch verband. -Do wedergeboorte ende kintsehap, endo erfenisso dor kinderen Gods, hanghen al aon een, ende en connen niet van rnalcanderen ghescheyden worden, moer die het een heeft, heeft het ander mede. 1st dan dat de kinderen niet weder-gheboren werden; hoe zijn zy dan kinderen ende erfghenamen Gods ?quot; -)

Ook volgt de wedergeboorte der kinderen uit hun lidmaatschap van de kerk. Want de kerk is het lichaam van Christus in zijne openbaring. Die lid van do kerk is,

1) bl. 109.

2) bl. 111.

-ocr page 237-

wordt, ook volgons Iviinodoiiciiis, goaclit, lid van (.\'briötus to zijn. Mn mi, kloin on groot, jong- on oud worden, als lodon van liot órno, goostolijko lichaam, „allo door oonen s(duon onovndelickon (rhoost, don g\'liecst des leuens, in (\'liristo, aen een andor vorknocht oude leuondicli ghemaookt, soo wol de kinderon als de groote lieden, soo dat den gheest (fodts oock in den kindoi-on niot ledicli oft werckloos en is, al isr dat zv niot gholijcke gaue en liohben met don ouden glieloouigenquot;.\')

Durft iemand nog beweren, dat de kinderen niet don («eest van Christus doelachtig, niet heilig en rein zijn, «die on sonde niet alloon dat verbont Gods moeten lasteren, dat hv met ons ondo onsen ^ado dpghericht heeft. Gen. 17. maer sonde met oonen oock de kindoron vandor salicheyt moeten wfsluyten, ghomcrekr huyton (\'hristi lichaem, zvn hoy-lighe ghemeynte, gheen salichoyt en is11 -).

Waartoe dient dus de doop? Niet anders dan, opdat do kindoren «dat lichaom (\'hristi, dat is zijner gliomevnte, wiivendiyher wijso ingholijuot wor(l(inquot;, en alzoo „aenyheschreuen. oude gherekent werdon int ghetal ende in liet gheselschap alder hovlighon ondo salighen\' .-t). tot oene zichtbare getui-gonis on bovostiging van de zaliglioid, die zij in Christus hebben i).

Een merk waar dig vorschijnsol mag het hierbij hoeten, dat Ivimedoncius, lioo sterk hij do wodorgoboorto dei\' kinderen ook loert, hun nochtans allo geloof ontzegt. «Van dat ghouoolon dat don kinderen tgeloone too te schrijnen zy, en bon ic niot ^). lUijkljaar vat hij hot geloof alleen in actueelen zin op. \\ au oen bo^lnsol dos goloofs, door do inwoning dos (voestos don kindoron ingeplant, weet hij niet. „De gano (l(4s geostsquot;, zegt hij, ..ondo de gauo dos goloofs zijn

1) bl. 132.

2) bl. 131.

3) bl. 129 v.

4) bl. 91.

5) bl. 73.

-ocr page 238-

2;-i()

tweoquot;\'). l[ot geloof is (-.(quot;no vrucht «lo» Grcestes, die den volwassenen geschonken wordt \').

Voor het geloof der kinderen, moet hij dan ook belijden, treedt het geloof der ouders en der kerk in de plaats, (l.w.z., op tweeërlei wijze komt het geloof der ouders en der kerk don kinderen voor hunnen doop ten goede. Vooreerst, „ nademwil de belofte des verbondf* den kinderen door der ouderen (jheloof toecomt, doch al wt genade, .... soo volcht om deser oorsake wille onwedersprékelick, dat hot geloof der ouders haren kinderen behulpich ende voorderlick is tot haren Doop.

Ten anderen is oock dat gheloof der Kercken ende der Vaders, den iongen kinderen profytich totter doop, ran weifhen dat sy seinen iet en eonnen eomen om ffhedoopf te worden, ten 2y dat zij ran andere doer ioe gebrochl en vonder Kereken ontfanghen worden, ghelijck de Ghichtsiecke niet en hadde van sell\'s tot Christum eonnen comenquot; :\').

Afwijkend van de doorgaande Grereformeerde leer mag deze voorstelling natuurlijk allerminst genoemd worden. Ze stelt alleen helder in het licht, in hoever het geloof der ouders en der kerk bij den kinderdoop te pas komt. liet is er dan ook verre van daan, dat ivimedoncius de kinderen onder de ongeloovigen zou willen rangschikken. Integendeel, hij maakt een gelijksoortig onderscheid als de Brés en Datheen tusschen de geloovigen en de ongeloovigen met hunne kinderen 4).

En ten slotte, zijne overeenstemming met al de anderen blijkt hieruit wel het duidelijkst, dat hij de kinderen op dezen grond wil gedoopt hebben, dat zij „met haere ouderen int verbont der ghenaden, ende in de ghemeente (iods

1)

bl.

183.

bl.

25.

3)

bl.

67.

4J

bl.

93.

-ocr page 239-

281

begrepen zijn, ondo alfo h.Men tglione door don doop beteeokont wordt gt;)quot;.

De polemist, die nu volgt,

Ivrvuurs AcuoNtts,

verdient niet minder onze belangstelling. In de disputatie met Peter van Geulen te Leeuwarden gehouden, 15!Hi, toont liij zieli (!en zeer schriftkundig theoloog. Maar er in iets, gelijk we aan het einde zullen zien, dat de kracht van zijne redenen breekt.

Als de disputanten aan het leerstuk der wedergeboorte gekomen zijn, neemt Acronius op zich, oin te bewijzen o. a., „dat de jonghe kinderen der bondtghenooten Ohristo inghelijft zijn, ende met hem ghemeynschap hebben;quot;

„dat zij oock waerachtich, zo vele als hun noodioh is, wederglwboren zijn;quot;

alsmede, .dat dese selve kinderen om de voorgaende oorsaken, ende om andere behooren ghedoopt te wordenquot; 2)

Ten bewijze van zijne eerste stelling, dat de kinderen des verbonds in Christus ingelijfd zijn, haalt hij een aantal meer of min beduidende schriftuurplaatsen aan: Kom. (i : 5; Gen. 3:15; Gen. 17 ; 7 en 22 : 18 ; Jlattli. 19 ; Mare. 10 : ; Luc. 18:15; .loh. 6:37, 39; 15:5; 1 Cor. 3:23; Hf\'. 5; 23, 32. .. Wt allo woleken opeubaer is, dat de kinderen des Verbondes Ghristo, als leuendige rancken ingeplant zijn, ende met hem als sijne ware ledematen gemeynschap hebbenquot; 3).

Op de vraag van Peter van Geulen, of do inlijving in de gemeente van Ghristus geschiedt door den doop of door de belijdenis, geeft hij ten antwoord4): „dat alle volwassene ende oock jonghe kinderen des verbonts vooreerst eygentUjek ende inwendichlijc den Heere Christo ende sijn ghemeynte in-

1) bl. 27.

2) Protocol, dat if, De gantschehandclinge des ghesprecx ghehouden tot Leeuwarden in Vries landt, Art. V, act, 83, f. 253.

3) f. 253 v.

4) Act. 85, f. 261.

-ocr page 240-

\'2H2

yhetijjl worden, nocli iIjkh* (Umi Doop, iiocli door do bolvdonisse, dan \'/ooi\' dat eeuwk/i ontfermm Godes, daermede Godl, ons \' in/\': oimc snul iu syn Verhoudt opneemt, niet te min worden die niensclien deen en groot inde xirhlbare gemeynte wterlijck opg-henomen, ende der aichtbare gemeynte ingelijft, door den lieyligen Doop, als l\'anlns 1 Cor. 12: 12 vorliaelt: maer door de hekentenissu bevestigen de bontgenooton Gods al znlcken opnemihge ende inlyvinge inder gemeynte (iodsquot;. (Hot verbond had hij voorheen gedefinieerd als „de belofte ende het Woord der versoeuinghe, oft wederom- opneminghe in genade met Clodquot;1).

De tweede stelling, t. \\v., dat de kinderen waarlijk wedergeboren zijn, bewijst Acronins eveneens met eene reeks getuigenissen der Schrift. AVe merken op Kom. ö: 5 ; Dent. 30: 6 ; I\'s. 22: It; .les. 44:;!; Jerem. 31 : ; Lue. 1: 15; Act. 2:3!); ,ioh. 3 : 3; 1 Cor. 15 : 50; Joh. 17: li»; kom. 8: i); S: 30; 1 Cor. 1: 30; 2 Cor. 5: 17; Ef.2: 10; 1 Oor. 7 : 14; bovendien eene plaats uitJcsus Sirach, n. 1. cap. /quot;/y 1 : \\-J, en nit/Esdre, cap. 1 : 37. ..\\\\ t desen allen ende

dergelijcke ist openbaer dat di\' kinderen der belofte, des (jheloofs Gheest ende cvacht hebben, daerdoor sy geheijlujt worden, soo vele hen ter salicheyt noodich is. niet tegen-staende de selfve lieylichmakinghe haer van wegen der jonckheyr der kinderen niet terstond opeubaertquot;.«)

De wedergeboorte moet hierbij opgevat worden in dien engeren zin, dien Acronins aangeeft. Want, eindelijk gevraagd, wat hij dan toch onder wedergeboorte verstaat, antwoordt hij, dat ze in tweeërlei beteekenis kan worden genomen. „Op \'t breetste genomenquot;, omvat ze ook de vergeving der zonden, de toerekening van Christus\' gerechtigheid en de wederopneming in genade ten eeuwigen leven. In engeren zin daarentegen wordt met de wedergeboorte do gave des Greestes bedoeld, „door welcke alle diegene die salich worden, nae den evenbeelde Godts

1) Art. IV, atc. 67, f. 198.

2) Art. V, act. 86. f. 263 v.v.

-ocr page 241-

ycrnieuwet wordenquot; \'). ()(jk in dozen laatsten zin moet de wedergeboorte in de kinderen aanwezig zijn. Want zij hebben deel aan den II. (xeest.

Tot bewijs hiervan brengt Acronius ook den eiseh dei\' christelijke opvoeding bij. De opvoeding dient, om do gaven des (feestes in hen op te wekken, ..oj\'ilaf «/ niet veraerden. g\'elijc d\' oude volwassene veraerden oonnen, ton zi dat si door wettelijcke middelen daghelijcx meer ende meer ter godsalieheyt gelevdt wordenquot; \'). Anders heeft de opvoeding\' geen zin. „Want soo Godt in den kinderen door synen geest niet orachtiob en ware, so waer d\'onder-wysinge te vergeefs, dcwyle dat de menschelijcke onderwy-singh(! dat liert des menschen iii(,t verstellen en canquot;3). Zoo bestrijdt Acronius zijtic tegenpartij met diens eigen wapen. Onderwijzing in de leer gaat niet aan de wedergeboorte vooraf, maar veronderstelt de wedergeboorte.

Doch Peter van (\'eulen komt hem tegen met een ander argument, t.w.. dat zoovele kinderen in goddeloosheid opgroeien. Is dat soms een toeken van wedergeboorte, dat de losbandigbeid en boosheid der jeugd overband toeneemt;1 Acronius antwoordt: „Dat de jencht soo inder booshevt toeneemt, ghebeurt grootelijcken door de laetveerdicheyt oft onachtsaemheyt der gliener die haer van jongbes op inde vreese des Hoeren bebooreu I:quot; onderwvsen, ende de fondamenten der eeuwigher salicbeyt in ilrucken laten, Dent. 4 . igt;. ende (i . \'20. Psal. TS .4. Ten is geen wonder dat dese jeught rebel ende boos is, de welcke so qualijoken gheinstituoerd wort, nae dien wy alle van na-tueren tot den boosen geneygt zijnquot; \').

Ai\'rouius kan het feit van bet veelszins goddeloos leven dor opgroeiende jeugd niet loochenen. Xocbtaus handhaaft hij de wedergeboorte der kinderen vóór den doop. A1 kan men niet van alle kinderen de wedergeboorte onder-

1) Act. 88, f. 268.

2) Act. 85, f. 261.

3) Act. 88, f. 268.

4) Act. 84, f. 257.

-ocr page 242-

2:54

stellen, quot;vvij hebben een mild en niet een gestreng oordeel over hen te vellen, ^So en hebben wy noyt gesegt, dat olie kinderen des verbonts in haer kintsheyt noodwondicli moeten wedergheboren zijn, .... lioewel wy nae het exem-l\'anli 2. Thessal. 2 . 13. van allen dat beste, nae den aert der liefden behooren te hopen, totdat haer de saecke open-baertquot;.

Hoe vrij en onbeperkt dan ook do verkiezing Gods heerschen moge, de kinderen, die in hunne jeugd sterven, moeten allen wedergeboren zijn, n.1. ..soo vele alsser salich worden nae Godes beloften \'), want van wie buiten het verbond staan, weten wij -niets.

^e kunnen niet ontkennen, dat Acronius in dit gesprek met Peter van Ceulen dezelfde Gereformeerde voorstelling als de Bres en de overige genoemde polemisten verdedigd heeft. e zien, dat hij zich bevlijfcigt, om deze voorstelling met zooveel mogelijk schriftbewijzen te staven. Mn toch ontvangen wij uit de Leeuwarder disputatie niet gelijken indruk als uit die van Franckenthal en van Emdeu. Wat kloeke, overheerschende kracht spreekt niet uit die heide forsche gestalten. Datheen en .Viting! En hoe mat en krachteloos komt ons soms Acronius voor! Te Einden sprak Peter van Ceulen niet zulk eene overmoedige taal als hier te Leeuwarden. Zoo dikwijls hij daar het argument aandroeg, dat van de wedergeboorte der kinderen niets te bespeuren valt, werd hem dit wapen uit de hand geslagen met het wederwoord : \\\\ acht, tot het tijd is, dan zult gij zien, dat in de kinderen geestelijk leven aanwezig is. Maar nu verheft hij zich stout en fier tegenover Acronius met zijne praktische bewijsvoering: goddeloos leven de kinderen in plaats van rechtvaardig; ze groeien als heidenen op; hoe kunnen ze dan w edergeboren zijn ? En Acronius vermag niets tegen zulk eencn inmval. Hij moet erkennen, dat het leven der jeugd veel te wenschen overlaat. Maar hij schrijft

1) act. 89, f. 274.

-ocr page 243-

235

hot op rekening der ouders en voogden, die hunne kinderen niet onder tucht houden.

Is het do schuld van Aoronius, dat hij zijnen tegenstander niet zooals Datheen en Alting op dit punt terugdringen kan? Waarlijk niet. Acronius toont zich een man van groote kennis, belezenheid en vaardigheid in het debat. Maar de praktijk, do praktijk van het leven spreekt hom togen. De ervaring getuigt niet: in het opgroeien toonende kinderen, behoudens enkele uitzonderingen, dat er geestelijk leven in hen is. De ervaring loert: de wedergeboorte dei-kinderen blijkt geen regel, maar uitzondering te zijn.

De oorzaak, waarom Acronius, op practisch terrein gekomen, zoo jnaciiteloos stond, was dus gelegen in den toestand der tiercformeerde kerken. De kerk had haar hoog karakter niet kunnen handhaven. Dreede scharen van menschen van allerlei slag, vroom en onvroom, geloovig en libertinist, waren, voor oen goed deel onder de pressie der overheid, met do reformatie meegegaan. Hot gold eeue eere (lercforinoerd te heeten. Er was voordeel aan verbonden. Toor den Gerefornieerde stonden allerlei posten van lager en hooger rang, stonden de staatsambten open. \'/aio word in de ééne, groote, vaderlandsche volkskerk velerlei opgenomen, dat er, naar het karakter der Uerefor-nieerde kerk, niet in behoorde. En de kerkelijke tucht was niet bij machte, om de kwade elementen van de goede te scheiden. Het kwaad, dat in de kerk was, bleef er, en hot vermenigvuldigde zich.

Zoo moest dan Acronius wel tegenover Van Geulen de klagelijke bekentenis afleggen, dat er geene goede tucht meer heerschte en de jeugd in boosheid toenam. Daartegenover kon hij alleen des te beter den eisch der christelijke opvoeding in het licht stellen.

Dat bovendien dit getuigenis des praktischen levens ook op de leervoorstelling invloed zou uitoefenen, zullen we in het volgende hoofdstuk zien. Voorshands zij het genoeg, geconstateerd te hebben, dat reeds in de dagen van Acronius,

-ocr page 244-

ülid

op lu\'t piiid doi\' Un\' eeuw. de Cfoi\'üfoi\'iiioci\'dc kerk in (ins vadorland niet meer beantwoordde aan de ideale opvattinii-, die de reformatoren van liet wezen der kerk hadden.

Toch kon dit in de kerk ingeslopen kwaad natuurlijk de (iereformeerdon jiiet beM\'egen, om deswege Inmne leer van de wedergeboorte der kinderen in de polemiek niet de Doopsgezinden te wijzigen. Integendeel, ze hielden aan hunne ideale beschouwing vau kerk en verbond vast. Hoezeer de tucht veronachtzaamd eu tegengewerkr werd, ze bleven het oog vestigen op betere tijden, waarin de tucht naar behooren kou worden ter hand genomen. De volgende polemici bewandelen dan pok her voetspoor hunner voorgangers. Aldus

lt; \'asI\'A li ( gt; UKVINCUOVKN.

„Onse kinderen,quot; zegt hij, ..werden gliehouden eude gherekent voor W edo-r-gheborene. (Ilieloovige eude lioet-veerdighe, al ist dat sy dadelijckeu noch ttiheloove niet en belijden, ende boete doen in aller manieren, ghelijc een greffie in ghegrifïïet zijnde in eenen goeden stam ofte tronc eens booms, der wortel ende vetticheyt des booms deel-achtich, ende een daer mede is, al ist datse noch ^cen vrucht en draechtquot; \').

Igt;(gt; wedergeboorte bezitten de kinderen reeds vóór den doop: zo zijn , al reed e gewasscheu inden üloede Christiquot;, ze zijn .heylich, ende hebben het beteeckende des Doopsquot;

Dat werkt de Geest (iods in hen, rechtstreeks, zonder behulp van het Woord of het geloof.

Grrevinchoven stemt niet Kimedoncius in,dat de kinderen geen geloof hebben, van welken aard ook. I Iet geloof der ouders komt hun te hulp. inzoover hun daardoor de belofte van (fods verbond toegerekend wordt, en zij tot den doop gebracht worden,tot welken zij zeiven nog niet kunnen komen, „gelijc het

-ocr page 245-

2:i7

dlicloovc (Tor Dni^org den gioht-zieckigon menscho ti; imlpo quamquot; \'). Maar vast staat, ,oin dor belofte willen, dat onsc kinderen den heyligen Oheest hebbenquot;, welke Geest in hen werkt, wat hun ter zaligheid noodig is, ^vervullende tgheno liun om dc\'n Doope te ontf\'angen, ontbreect.quot; Wel ochtor moet ook hierbij erkend worden, dat deze Geest „niet allen, maar dient Grodt belieft, ghegeven wortquot;. Toch doopen wij zo allen, ^zonder onderseheyt te makenquot;, lier goede van hen geloovende,

„tot dat sy hnnselven tsyner tijt anders ..... ontdeeken

oude openbarenquot; ^). Want de doop is in het algemeen het zegel van hetgeen do kinderen hebben. Zij zijn geboren koningen en de doop is hun kroon. „Gelijc-nien eenen Koninc die Koninc gheboren is, ende int Konincrijeke erfghename, ende ghereohticht is, de Kroone, nis een teecken des Ivonincrijcx niet weygheren en mach, alzoo ooe niet den kinderen der Christenen den Doopequot;1).

Even ruim als Greviuchoven, wat betreft het toelaten der kinderen tot den doop, maar in het stuk van der kinderen geloof niet met hem overeenstemmend, betoont zich

.Iohaxnks Si:r.

.luist, omdat „der kinderen salicheit hangt aende ver-kiesinghe ende bestellinghe Gods ten eewigen leven, so en moetmen niet lichtelije aller Godtlooser ouders kinderen vanden llevligen Doop weeren, indiender maer Godtsalige getuvgen bv zijn die beloven tlat syse in de ware leere sullen optreckenquot;, zoo verklaart de !Middelbui*ger predikant tegenover het exclusivisme der Doopsgezinden. „Alle de gene die ons toebehoorcnquot;, op Avelk eene wijze ook, be-hooren gedoopt te worden \'). Kn al dezen moeten wij ..so

1

?,) f 22b.

-ocr page 246-

238

lange voor hoylich houden tot dat sy met der daet liaer selven in belijdonisse ende wercken Godloos bcwijsenquot;. De kinderen zijn dus „door de werckiuge dos IL Greests wederboren, want so waeracliricli als sy liet Avtwciidig\'hc teeoken ontfang-eu, so waerachtioli worden sy oock dor beteeckende sake deelachtichquot;. Ook is het geloof in hen: -Hoewel sulcke kinderen die gedoopt zijn, het geloove noch niet dadelijck en iiebben nochtans so hebben zijt inde heqnaemhtyt ende het vermoghisn, want den li. Gheest door eene wijse ons onbekent, niaeckt haer hebbelijc bequaeiu ende inaclitioh, om te zijnen tijde met dor daet selve, te gheloovenquot; \')

J^og minder stof biedt ons de C Samens/trekinffhe ran hcee ■personen, Eenromhch Afensche en Bericht der waerhejt (Ui DJ), van den bekenden

Herman 3IoDED.

Moded spreekt over de wedergeboorte der kinderen weinig of niet. Hij handelt voortdurend over hot verbond, zonder nader de beloften en genadegaven des verbonds te ontwikkelen. Toch zijn er twee gegevens1) die bewijzen, dat hij hetzelfde gevoelen als zijne medestanders omtrent de wedergeboorte der kinderen toegedaan was. Meer dan eens verklaart hij, dat den kinderen .,tie cnsiicheijt ende wcierheyt van Gods verhonl toekomt.quot; Maar duidelijker nog: ..Onse kinderen hebben .... (iod tot oenen Vader, den Öone tot eenen \\ erlosser, den [Jeijliaen (jh\'-est tot eenen 1 leyliclunaker, want sy zijn kinderen des verbondtsquot;, eene uitspraak, die terstond herinnert aan Datheens bewijsredenen te Franckenthal en daarin voldoende toont, van welken geest Moded was.

Maar begeert men nog eens eono kloeke, besliste uitspraak, luistere men dan naar :

1

2J BI. 204, 207 210.

-ocr page 247-

23!)

Cauot,us Gallus.

In een afzonderlijk hoofdstuk van zijn Malleus Anabap-tistarum (KiOö) behandelt de liaan do wedergeboorte der kinderen. Nadat hij ten bewijze daarvan onderscheidene plaatsen uit de Schrift hoeft aangehaald, concludeert hij aldus1): ,Wo scholden denn nu de Kinder der Gelovigen van nns nicht geholden werden vor weddergebarme. hmder Gade*, de Godt thom Vader hebben, soo wol als de olden

Gelovigen? De ock even so wol als de olden, mode yn dem Gnadenbunde Gades sint, und mede deelhafftich sint aller thosagen der gnado Gades, van vorgevinge der simden, und van dem hilligen Geiste, und van dem Ilyke Gades. De ock nicht allene de blote thosage dar ran hebbev, sunder sint ock sulvest aller gnaden yn der warheit deel/iafftvdi. dat se ock den Geist (.hr\'sti, den Geist der Kindtschop, und der weddergebordt so irol hebben, als de olden Gelovigen. onto do don Geist Christi nicht hefst, de kümst Christo nicht tho. Desiilvo Geist nimpt twar yn den olden tho dorch den donst des AVordes und der Sacramenten, und dorch övinge des Gebedes. A verst de anvanck ys gewisslikon ock yn don Kinderkon, de ock also balde mit dom Segel und Bundtoken des döpens vorsegelt wort.quot; —

Onze voorloopige conclusie, naar hetgeen wo van hot genoemde elftal onzor eerste Gereformeordo voorgangers vernamen, kan reeds nu boeten: In don strijd met de Doopsgezinden is de leer omtrent hot verband van doop en wedergeboorto hier to lande voor goed vastgesteld. AN ant de kinderdoop werd voornamelijk hierop gegrond, dat in de kinderen dor goloovigen do belofte dos verbonds, do belofte des Goestes, de wedergeboorte, in beginsel vervuld is.

A\'olledigboidshalve en tot meerdere bevestiging dezer conclusie laten we nu nog volgen enkele uitspraken van Gereformeerde predikanten, die in dr eerste helft dor

1) lil. 145.

-ocr page 248-

24(1

zovontiondo eeuw, toen de periode dor dogmatische ontwikkeling reeds lang aangevangen was, tegen de Doopsgezinden geschreven hebben.

Vooraan staat

JioniatTi s Pui\'i\'ius.

In zijn Jjeiu/Js ran den Kinderdoop (Kill) vinden wc bewijzen, waarvan 24 nir de 11, Schrift, opgesomd, om de waarheid van den kinderdoop re bevestigen. Onder deze bewijzen zijn er 0 (bet 15« tot het 20^), welke i echtstreeks op ons onderwerp betrekking hebben, Ze luiden in het kort:

(X. de kinderen hebben den //, Geest,

h. de kinderen zijn wedergeboren.

c, ze staan in eénen graad met de bekeerden. lt;/. ze moeten geteld worden onder de yelooou/en. e. ze zijn erfgenamen der zaligheid.

/. hun komt het meeste, principaalstr. en beteekende deel des doops toe.

legen dit geschrift trad een leeraar der Doopsgezinden, Antoni Jacobs:, op, die de bewijzen van l\'uppius achtereenvolgens trachtte te ontzenuwen, o,a, door het bekende argument, dat vele kinderen, in plaats van in hunne jeugd en later vruchten des Geestes te vertoonen, iu goddeloosheid opgroeien, l\'uppius verantwoordde zich in de Bescherminghe des Kinderdoops. Op de ingebrachte tegenwerping verklaart bij: .Daer zyn al vruchten des H, Geests in den kinderkens, te weten innerlijcke •. want hy lytftse in der Gemeynte (\'bristi, en by maektse heijlic\'h, ende hy

wederbaertse, soo vele haei\' ter salicheyt noodich is..... Wat

belanght de uytei\'lijcke vruchten, alhoewel der die noch niet en zijn, men en mach daerom niet loochenen, datse

den H. Gheest hebben.....

,Datse noch in t boose opwassen, geschiet door opwellinge en uytbrekinge des ouden Adams,..., derhalven moet men door de dagelijcksche pleginge de cracht des II, Geestsin

-ocr page 249-

241

liaor opwecken, opdatso niet en veraerden, golijck de oude volwassene oock wel veraerden connen, sose niet door behoorlijcke middelen meer ende meer ter Godsaliclieyt g-evoert wordenquot;.

Ln liet oog- vallend is in dit boekje van Puppius de ov(M\'eenkomst in gedachten en zelfs in woorden met Acronius. De disputatie te Leeuwarden scliijnt onder de Gereformeerden algemeen de aandaclit getrokken te hebben. I it liet Protocol van Leeuwarden is zelfs een uittreksel gemaakt door Johannes TaijiLS^ predikant te brouwershaven. Ook Puppius heeft blijkbaar dit Protocol gelezen. Komt hij dan op hef bederf, dat in de kerk heerschte door het losbandige leven van velen, dan wijst hij evenals Acronius op de opvoeding en de tucht, de noodzakelijke middelen ter verbetering, maar door eene praktische bedenking\' van der-gelijken aard laat liij zich niet van het goede spoor leiden.

We zouden hiertusschen ook nog Herman Faukelius kunnen opnemen, maar dezen is het niet zoozeer te doen. om de («(^reformeerde leer uiteen te zetten, als wel, om aan te toonen, hoe onderscheidene leeraars der Doopsgezinden elkander tegenspreken; welk voorbeeld van de overzijde gevolgd werd door Antoni Jacohsz, die uit de geschriften der (fereformeerde schrijvers getuigenissen samenlas, om te bewijzen, welk een ..Isabel van verwarring er onder de Clereformeerden bestond.

Anders oordeelen we over

JoiIANNKS CloIM\'KNl\'.UllCir,

die in zoover bijzondere opmerkzaamheid verdient, als hij van de anderen afwijkt. Hem boezemt het weinig belang in, ot de kinderen reeds vóór den doop wedergeboren zijn. De kinderen, meent hij, hebben de belofte des (leestes, maar ^hoe sy hem hebben ende oft sy hem ontfanghen, ende hoe-donich het zaedt des Geloofs sy in haer: en can niet veel yecen noch nemen\'\'\' i).

1) Gangraena Theologiae A nabaptisticae, Dl. II, cap. 20, p. 245.

-ocr page 250-

242

Voorts betuigt liij wol, dat O-od de Heeie zijne vor-bintenissen liij liet sacrament ,iiiet alleen aclitervolgt, maor oork roorroenU met ceroullinghe der beloften aen sijne zijdequot;, zoodat men de kinderen voor bondgenooten moot rekenen, en dat zij, later tot kennis gekomen, niet moeten gelooven, dat ze dan eerst tot Christus komen, of Crode verplicht worden, „maer dat sy daer toe van haere Kindsheyt at, vi/lti/iesc/iei/i/en zijn yhewees! door den Gheest C/iriaii, diens werekinge sy nu in haer bevinden door den Gheloovequot;.

l)oeh dan redeneert hij weder; „Over sulcx. is onnoodich curienselijok te ondersoecken oft de onmondighe Kinderen het Ghdoove hebben: Het is ons genoech dat sy de ghe-meyuschap des Heylighen Grheestes hebben, die het Gheloove in haer wereken sal als sy tot het gehoor comen sullen.quot;

En eindelijk: „Wat de Heylighe Gheest in de onmondighe Kinderen werekt oft niet tn loerckt boven de natuyre, tot haere Heylichmakinghe door instortinghe van Gheestelljeke gaven, ende bequaemheyt tot Gheloove, lioope. Liefde, daer aen en hanght het niet, maer aen haere bewaringhe door den Geest Gods, tot de zalioheydt, uyt crachtvan degherechticlieyt Christ!, die de lleere haer schenkt ende toerekent uyt ghenade \')quot;.

Cloppenburch houdt derhalve nog wel aan de gewone voorstelling vast, maar hij acht het niet van zooveel beteekenis, of reeds terstond de genade van den Geest Gods den kinderen geschonken wordt of niet, zoo ze maar ter zaligheid bewaard worden. Xog een stap verder, en hij staat op het standpunt, dat de genade der wedergeboorte eerst in de toekomst volgt.

Juist een tegenvoeter van Cloppenburch echter ontmoeten we in

G (IDEI KIi)ÜS ÜUEMAXXÜS.

Toen Anthoni Jacobsz in zijn „Babelquot; allerlei z.i. tegenstrijdige leeringen der Gereformeerden samengelezen had,

\\) Dl. Ill, cap. 28, p. 584 v.

-ocr page 251-

248

achtte Cdomans zich geroepen daarnaar een onderzoek in te stellen. Hij kwam tot het resultaat, dat deze tegenstrijdigheden al zeer onbeduidend waren. Zijne bevinding* deelt hij mede in zijn Vrede Jeruzalem». Alle Ciereformeerde leeraars, verklaart hij, erkennen den doop niet alleen voor een teeken, ook voor een goddelijk zegel en pand der wedergeboorte. Allen komen daarin overeen, dat de kinderen ter zaligheid moeten wedergeboren worden. Allen ook „iiccordeeren daor inne, dat men moet onderscheyden het zaedt des gheloof\'s, vande dnnlt. des glieloofs: Aengaondo hot eerste, ce weten het zaedt des gheloofs, dat staen sy gaerne toe, dat liet inde Idnderkens der gheloovigen is, soo wel als inde volwassenequot;, maar de daad des geloofs natuurlijk niet\').

Wc kunnen hieruit zien. welk eene zienswijze l demans toegedaan was. Of\' we echter zijne bewering dar alle Gereformeerde leeraars een zaad des geloofs in de kinderen aannemen, onderschrijven kunnen, is eene andere zaak.

Zipie eigene opinie geeft Udemans in do Aooilighe ver-hetet hut hi\' tegen .. Francoys lt;le K nuyt. Bisschop der M ennisten tot Zierikzeequot;, waarin hij, evenals anderen vóór hem, eene reeks van gronden voor den kinderdoop samenstelt. Daaronder treffen we ook aan, dat de kinderen niet alleen de belofte des II. Cfoestes, maar ook den Geest zeiven bezitten, alsmede dat ze tot de geloovigen moeten gerekend worden, dewijl ze ook hot zaad des geloofs hebben, hetwelk met onderscheidene schriftuurplaatsen, meest wèl bekende, bevestigd wordt.

Hoe wij de kinderen des verbonds beschouwen zullen, licht hij aldus toe3): „Soo vele die aengaet, die in hare onmondicheyt sterven, wy en hebben geene oorsake om aeu hare salicheyt te twijffelen, maer vertrouwen sekerlijck, dat haer toecoint het rijeke der Hemelen, Matth. 19. Nopende die gene die op-comen, het oordeel der liefde eau

1) bl. 120, 123 eu 131.

2) fol. 132».

-ocr page 252-

244

daor inno missen, soo wel nis in do volwnsseno, die op hner geloovo gedoopt worden, ende tot de tafel dos Jleeren worden toe-gelaten.quot;

Opmerking verdient evenwel vooral, dat hij onderscheid maakt tusscJien wedergeboorte en hekeering. De doop, zeg\'t liij, heet soms doop der bekeering, soms bad der wedergeboorte. „De reden daer van is dese, omdat dese twee so nanwen maechscliJJ hebben met malcanderen, als den wortel ende sijne vrucht, de oorsake ende haer Effect, dat is, het were dat sy voort-brengt. Want de hekeeringhe is een vrucht van de weder-ghehoorteP Tevens noemt hij „deze weder-ghehoorte tsamengevoecht synde met de verghevinghe der sonden,.... de substantie ende den grond van den heyligen Doopquot;\').

31 et l demans stemt geheel overeen

petuus 1 h i n i i.m i\'s.

Ook Bontemps grondt de wedergeboorte der kinderen op de belofte van den Geest der heiligmaking, Jerem. .\'11, Act. 2. Evenzeer spreekt hij van een zaad des gelon/s -\') ; „De clcyne kindei\'s der geloovigen, hebluni het zaed des gheloofs, hoe wel zy door hare jonckheydt, noch gh(!en dadelick ghelool\' en konnen hebben.quot;

Jacobus dl: Dors,

dien we op Bontemps laten volgen, schreef twee boeken over den kinderdoop tegen de Doopsgezinden, liet eene toont reeds in den titel; Kinderdoop bewezen en verdedigt uit des Apostels Woorden Act. 2 : 88, 39, dat de schrijver de belofte des (xeestes tot grondslag van den kinderdoop maakt ). Het andere: Zekerheyt can den kinderdoojt, gericht tegen Montanus, die eerst Gereformeerd leeraar te Loenen geweest, maar later Kemonstrant geworden was, en eindelijk zich bij de Doopsgezinden gevoegd had, en nu met allerlei

1) 1. 133a.b.

2) Kort Bewijs van de menighvuldige doolingen der Wederdoopers ofte Mennisten, bl. 550,

3) vgl. vooral § 128, 139, 140

-ocr page 253-

245

bewijzen, uir de kerkvaders en de Schrift bijeengegaard, de Greretbrmeerde doopsleer omver trachtte te werpen.

l\'^en zijner argumenten was natuurlijk, dat de Schrift altoos op zulk eeue wijze over de wedergeboorte spreekt, _dat men met geen verstandige reden en kan imagineren, hoe ib\' selvige op de jonge kinderen eenichsius kan passenquot;. Hierop antwoordt Du liois i): ..De Wedergeboorte moet tweezins aeugemerkt worden, voor eerst in haar i«/quot;\' ende wortel en (gelijkmen inde Scholen spreekt) in actu primo, dat is, in de iiKrste beginselen die de 11. Geest in den mensch werkt. Ten andere, in de dadelikke kracht van uyivoeren en (gelijkmen inde Scholen spreekt) in actu secundo.quot; Dit licht hij toe met ..eenige gelijkenissenquot; van de redelijke ziel iu den mensch, het opgroeien van een vruchtbaren boom en de uiterlijke gelijkheid van aard bij het lam en het wolfsjong, om dan voort te gaan op deze wijze: ,Als wv nu spreken van der kinderen A\\ eder-geboorte zoo verstaan wy die goede wortel die door den H. Geest in haar gewrocht word, gelijk als daar is in de ziele de wortel vande redelikheyt, inde boomeu vande vruebt-baarheyt, inde lammeren vande goed-aardicheyt. Xiet dat wy zeggen dat dezen aard en beginsel van de Wedergeboorte in alle de kinderen is, want de droevige ervarentheyt leert menichmaal in haar quaad opgroeyen het tegendeel; maar wv twijjj\'elev \'niet of hv is in alle Bondgenoten kinderen die in hare kintsche jaren kome-i te sterven, en van allen oordeelen wij dat na het oordeel ran de liefde, ende hopen het beste, tot dat het getuygenisse vande ervarentheyt ons anders doet oordeelen.quot;

We besluiten dit hoofdstuk met enkele citaten uit het boek van

abitahajirs a 1 )ooi:ksi,ai;i: enl\'irrurs.1 acobu.s Aus-rKO-Svr.vii\'.s,

hetwelk het verschil tusschen de Gereformeerde en de Doopersche leer behandelt.

Ij bi -42 v.v.

i7

-ocr page 254-

246

Hierin wordt eerst gewezen op hot onderscheid tusschen den boom der heiligmaking en zijne vrucht \'): .\'t Is waor, de heylighmaeckinge openbaert liaor door hare vruchten : maer moet men oock don hoom ende de vruchten van malcanderen niet onderschoyden ? Ende siet, nu is het dat don Grheest der weder-ghoboorto dm boom der lieylighrnaeclcinglie door sijne wercking-ho oock plautet in do kinderen, dio tor be-quamer tijdt haere vruchten gheeft in \'t opwassenquot;.

Voor hot Woord, wordt vervolgens gezegd, treedt het verbond als middel der wedergeboorte in de plaats ; .,\'t ls oock wel waer, dat Grodt ons wederbaert door het woordt der waorheydt r maer.....wie sal lochenen, dat de genade des verbondts den kinderen van Grodes volc zij in plaotso van \'t gehoor ende de aenroepinghe sijns naems, waer sondor anders diegene die tot hare jaren ghokomen zijn, niet behouden werden ?quot;

Over het geloof der kinderen hoot hot3): „Daerom moot-menso oock mode onder \'t getal van do goloovige begrijpen om datse al mode bontgenoten Godos zijn, ende don H. Geest, den Geest der weder-geboorte, die het gheloove werekt, soo wol als do bejaerdo hebben.... Want hebben do volwassene do botuygingo ende belijdenisse des Gholoofs, do kindoren hebben don Autheur des Gheloofs.quot; En op eene andere plaats :\'): „Also on mach men haer, om datse noch niet dadelijck gelooven, of\'to gelooven kunnen, oock niet onder do ongoloovigo stellen, overmits sy ah\'odo lt;loii Geest ende hot zaet dos gholoofs hebben, ende al-hoo-wol niet do vrucht, nochtans de wortel, ende al-hoe-wel niot de uyterlijcko vertooninge, nochtans do inwendighe cracht des H. Gheostes hebben. Want zijn niet de kinderen der goloovige uyt cracht des verbondts, deelachtigh des hl. Geestes ? . Ende hebben s)r dienvolgens niet in haer als de wortel ende het zaedt, dat is, het beginsel van aiie Christelijcko doughdon,

1) Grondighe ende Clare Vertooninge etc., hoofdst. 11, bl. 233li.

2) hoofdst. 9, bl, 175.

3) hoofdst. 18, bl. Stil.

-ocr page 255-

247

als van geloovc, liotdc^ ende diei\'gelijcke, al-hoewol do sclve haer in haro vrncbton noch niot vertoonen ? even ghelijckse van natueren den verduwen wortel, ende het quade zunlr van den onden Adam in haer hebben, al-hoewel die vordarventhuyt, overmits hare jonckheyt, niet terstondt tot de quade vruchten uytbreeckt ?quot;

Aan het slot van dit hoofdstuk kunnen \\vo thans als resultaat van ons onderzoek dit opteekenen : I Iet lijdt geen twijfel, of de; Grereformeerde polemisten hier te lande hebben in hun strijd met de Doopsgezinden het verband van doop en wedergeboorte ten opzichte der kinderen ten strengste gehandhaafd. Allen, hoofd voor hoofd, tot Cloppenburch toe, maken de vervulde verbondsbelofte, het deel hebben aan den H. Geest, de wedergeboorte, tot den geestelijken grond van den doop.

In het volgende hoofdstuk gaan we nu na, hoe deze, in den strijd met de ilennonieten vastgewortelde, overtuiging nader dogmatisch ontwikkeld is.

-ocr page 256-

HOOFDSTUK II.

De systematische ontwikkeling van het dogma tot 1019

Slechts tot op zekere hoogte kunnen we van eene systematische ontwikkeling van ons dogma in de periode, die thans voor ons ligt, spreken. Zul]; eene breede behandeling van het vraagstuk van den kinderdoop, als in de strijdschriften der Gereformeerden tegen de Doopsgezinden, treffen we uitteraard zelden meer aan. Voor een goed deel geven de dogmatici weinig meer dan eene bevestiging van hetgeen de polemisten geleerd hadden en leerden. De stof lag gereed. Ze had alleen nog eene nadere bewerking noodig. Ze moest nog meer systematisch, in verband met het geheele lichaam der dogmatiek, uiteengezet worden.

Hiertoe hebben enkele groote dogmatici uit de eerste helft der zeventiende eeuw, en reeds iets vroeger, bijgedragen. Zij stelden de Gereformeerde leer zoowel tegenover de Roomschen en Lutherschen, als tegenover de Doopsgezinden in bet licht. Zij gaven nauwkeurige bepalingen en scherpe en vaste onderscheidingen van de algemeene begrippen geloof en wedergeboorte, meestal in scholastieken trant.

-ocr page 257-

24!)

Zoodoende brachten zij de Grereformeerde leer tot meerdere volmaking.

We hebben hier echter met de in dezen tijd ontbrande Arminiaansolie twisten rekening te honden. Niet, alsof\' daarin de kinderdoop zoozeer aan de orde gekomen is. liet tegendeel is bekend. Slechts op een enkel punt werd onze kwestie in het geding getrokken. De strijd kwam n.1. ook te loopon over de vraag, wat te deuken van de verkiezing en de zaligheid der jonge kinderen, die noch geloof\', uoch ongeloot\' kunnen betoenen. Ten dezen opzichte moesten de Gereforinoerdon zich verklaren. En in zoover hebben de Armiui-.iausche twisten direkt bijgedragen tot de verdere ontwikkeling, of\' liever, de vaststelling van ons dogma te Dordrecht in 101!).

Maar veelmeer valt, bij deze geschillen over de uitverkiezing met den aankleve van die, ons oog op de uitwerking daarvan op de Ueref\'onneerde doopsbeschouwing.

De Gereformeerden waren, gelijk we tot dusver gezien hebben, mild in hunne opvatting van het verbond. Ze veronderstelden naar het oordeel der liefde, zoolang het tegendeel niet bleek, van elk kind, dat gedoopt werd, dat het uitverkoren en wedergeboren was. .la, ze verklaarden met meer zekerheid de verkiezing en de wedergeboorte van de kinderen des verbonds te mogen aannemen, dan van de volwassenen, die openbaar getuigenis huns geloof\'s afleggen. De leer der verkiezing was dienvolgens bij hen met de leer des verbonds volkomen verzoend. Het verbond gold voor een kenmerk en eene aanwijzing van de uitverkiezing.

Maar er was langzamerhand iets tusschengekomen, dat als een wigge beide zoo goed vereenigde leerstukken uiteendreef\'. En dit was, wat we bij Acronius in het voorgaande hoofdstuk hebben opgemerkt: er waren in de kerk teveel booze elementen ingeslopen. Vroom en onvroom huisden vreedzaam naast elkander in de kerk, zonder dat de tucht bij machte was, ze, naar het oordeel, den menschen gegeven.

-ocr page 258-

250

vinieeii te scheiden. Zoo leefden in den boezem dev gemeente niet slechts hypocrieten, maar ook openbaar ongeloovigen. Zoo werden al te lichtvaardig kinderen gedoopt van ouders, die klaarblijkelijk vreemd waren aan het leven Gods.

Het getuigenstelsel bij den kinderdoop kon dit kwaad niet goed maken. l)e getuigen zelve-vervulden hunne roeping niet altoos getrouw. En weldra werd liet stelsel goed-geheeten, om, zoo het immer lijden kou, alles maar te doopon, wat in liet doophuis gebracht werd, ten einde het al, tegenover Rome, in ééne groote volkskerk te kunnen bijeenvergaderen. \'

We behoeven dit uit de historie niet nader toe te lichten-lier feit is bekend genoeg. De droeve gevolgen voor de polemiek met do Doopsgezinden hebben we reeds opgemerkt bij Acronius. Maar wat moesten de gevolgen zijn, nu de strijd over de uitverkiezing weldra aller hoofd en liart vervulde? Zou men nu nog blijven belijden, dat in het verbond Gods geboren te zijn een teoken der uitverkiezing is? Het praktische leven getuigde van dag tot dag het tegendeel. Een groot deel der gedoopten toonde van hunne uitverkiezing en wedergeboorte niets. Wat moesten de gevolgen zijn ?

De milde leer beeft ten slotte tegen de harde uitspraken der praktijk hot onderspit gedolven, i Iet verbond bleef niet langer eenc aanwijzing van de uitverkiezing. Er werd onderscheid gemaakt, onderscheid tusschen de uitverkorenen en de bondelingen. In den tijd, dat men hier te lande over de uitverkiezing begon re twisten, en dat was reeds in hot laatst der 16° eeuw, zijn de eerste grondslagen gelegd van de onderscheiding tusschen het uitwendiffe en het inwendü/e ycnadecerhond. En in de lïeinonstrantscho geschillen, toen de strijd over de verkiezing tot zijn hoogtepunt klom, kreeg deze onderscheiding haar volle beslag. En dat, naar ons voorkomt, vooral om deze oorzaak, dat de Gereformeerde kerk ontaardde, door in haren schoot op te nemen.

-ocr page 259-

251

wat er niot in behoorde; door te doopen, zonder voldoenden waarborg voor eono christelijke opvoeding der kinderen; door do tucht niet naar den eisch des rechts te handhaven; door; want daarop komt ten slotte eigenlijk alles neer, doordat zij volkskerk geworden was.

Treffend is dan ook het verschijnsel, dat de Gereformeerden, zoolang ze tegen wie buiten hunne kerk waren, Koomschen, Lutherschen en Doopsgezinden, de leer van de wedergeboorte der kinderen verdedigden, slechts van het ééne genadeverbond Gods melding maakten. Maar, wanneer men meer een blik in eigen boezem sloeg, ging men onderscheiden tusschen uit- en inwendig verbond.

De dogmatici zullen we dan ook in twee groepen moeten onderscheiden. * hider de eersten, die de leer meer antithetisch tegen de Roomschen e. a. ontwikkelden, rangschikken we Franciscus Junius, Lucas Trelcatius, Festus Hommius, Guielmus Amesius en Antonius Walaeus, allen eens hoogleeraren aan de Leidsche l niversiteit, uitgenomen Amesius, die te Franeker doceerde. (hider de tweede groep, die meer thetisch de leer ontwikkelde, noemen we Franciscus Gomarus, Johannes Maccovius en Gisbertus Yoetius, resp. professoren te ijeiden, Fran oker en l trecht.

Hoewel velen dezer nog geleefd hebben na Kil9 mogen we ze toch voegen onder de dogmatici, wier geschriften ons ter verklaring dienen van de leer, die te Dordrecht vastgesteld is, omdat zij meerendeels in de Dordtsche synode zitting gehad hebben.

Om echter een mogelijken valschen indruk van deze periode tot op 10lil weg te nemen, merken we reeds nu o]), dat de oude Gereformeerde leer, trots do onderffiieiding van uit- en inwendig\' verbond, zuiver gehandhaafd is gebleven. en eerst later de kwade gevolgen van de gemaakte onderscheiding zich hebben geopenbaard.

Bij deze dogmatici voegen we nog enkele godgeleerden uit het buitenland, n.1. Tlieronymus Zanchhis, Amandus Folanus a Folansdorf, llenricusAlting(destijds telloidelberg)

-ocr page 260-

252

eu Johannes Henricus Alsted, van wie de beide laatstgenoemden mede de Dordtsche synode bijwoonden , en dan meenen we genoeg licht verspreid te bebbeii, om oen juist inziolit te verkrijgen, welke lt;h1 lioerst\'liende opvatting van ons dogma was, toen de Q-erofonnoerdc leer hier te lande den kerkelijke ijk ontving.

Tot meerdere vaststelling echter nemen we vooraf nog kortelijk op het gevoelen van andere theologen, wier woord in het laatst der 16e eeuw niet zonder heteekenis was.

We openen de rij der dogmatici met een geestverwant van a Lasco (en Hullinger), wiens geschrift, over den doop handelende \'), het midden houdt tussohen oen verweerschrift en eene dogmatische verhandeling, en die daarom een goeden overgang vormt van de polemisten tot de dogmatici. ^ e bedoelen den verbondstheoloog

frEu.irs SxKCAxrs.

Xaar aanleiding van Mare. 16 : 16 maakt hij onderscheid tusschen gelooven en het geloof belijden, en zegt, dat de kinderen geloof bezitten, omdat ze aan de gerechtigheid des geloofs deel hebben, zoodat men bij hen van een toegerekend geloof moet spreken2). „Christus handelt hier (Mare. 16) niet int besonder van do helvdenisse des geloofs alleene, welex dadelijcke wesen de kinderen noch niet hebben, maer liy handelt van de toerekoninge desgheloofs ende vande rechtveerdicheyt, welcke vervatet alle creaturen, dat is het ghebecle saet der gheloouighen tot in duysent gheslachten, so wel de kinderen als de Ouderen.quot; ZulU een geloof moeten de kinderen hebben, ..dewvIr lt;!(\' toe-rekeninghe des geloofs ende der selnigher rechtveerdicheyt soo verre strecket, als sich strecket de ghenade der Luaugelischer leero, ende de bcdoftenisse der salichcyt.quot;

1

Ordentlijcke Beschryvinge ctule fondament .... van t\' tlhenade-

2

2; bi. 220.

-ocr page 261-

253

En van do wedergeboorte der kindereu verklaart hij. na een negental bewijzen daarvoor te hebben aangevoerd\'): „De kinderen mogen niet meer wtghesloten worden van de wedergheboorte, als sv wtgesloten konnen worden van den Verbonde, van (rods l)ariiiherticlieyt, van de craclit des doots (Jliristi, iae van liet ghetal der geloonighen ende van den rijcke Clodts (welcke dingen zijn de voorneemste evglienschappen, oorsaken, ende werckingen der W eder-glieboorte)quot;, en daarom is het duidelijk, -dat de kinderen volgliens oock geensins van den Doope behooren gheweret te wordenquot;.

Tot deze twee aanhalingen uit het werk van(lellius Snecanus beperken we ons. Het zou weinig moeite kosten, een honderd citaten bij elkander te lezen, om te bewijzen, hoe hij leerde, dat de kinderen op grond van de geestelijke genade, die zij genieten, moeten gedoopt worden. ant de strekking van het breed opgezette boek is juist de (feref\'onneerde belijdenis van den kinderdoop, voornamelijk tegenover de Doopsgezinden, uit te leggen. Maar genoeg, om de zienswijze van Gellius Snecanus te leeren kennen.

We gaan over tot

11 IKUK-MIAS UASTIM.II S,

die in zijne Vevclaringé op den ( aterliisntc, der (\'/irixtfllrlcw Religie\'), bij de behandeling van de vraag, aldus

spreekt \'): De tweede bewijsreden voor den kinderdoop Js daer op getundccrt, dat den kinderen niet weyniger, als den volwassenen, de vergheuinghe der sonden, ende den 11. (feest belooft is. Ende wert daar wt alsoo besloten: Nadien het openbaer is, dat het teecken, ende wtterlicke Ceremonie (weseude d\'minste in desen

1) bl. 368.

2) Uit het latijn vertaald door Henricus vau Oorput, naaide 2e editie van 1591 uitgegeven door Prof. F. L. Rutgers in de Bibliothcca llej\'ornmta.

3) bl. 3b6 v.v.

-ocr page 262-

254

Sacrament tics (loops) geenerley wijse on can ontsoglit werden, den glienen, dien de beteeckende dingen, als de vergeuinglio der sondcn, ende lt;le heyligo O-hoest (wesende het grootste ende costelickste inden seinen Sacramente) lieloef\'t, ende gegeuen werden : Ende nadien . . .. blijckt, dat den cleynen onmondigen Kinderen beloeft, ende gegeven wert de vergeninge der sonden, ende de 11. Grheest; Moe sonde dan liet element des Waters, van den jonghen kinderen, iii(gt;t billicheyt connen gheweert werden ?quot;

-Na dit vooropgesteld te hebben, geeft Bastingins de bewijzen der Schiift, met name Mar. lil: 14 in verband met Joh. i! : 5, en beslnit daaruit: .So en valt geen twijffel, van hare (der kinderen) wedergeboortequot;, hetwelk nog daardoor versterkt wordt, dat de wedergeboorte „een were des 11. Geests isquot;.

AN erpt men tegen, dat men re voren gelooven moet, „sooquot;, gaat hij voort, „wert in den Catechisme daer tegen aen-gemerct: Dat de heylige Geest het geloone werckt. Nadien sy dan den Wernnan de* ffeloofe bij lien hebben: Soo en is gheen twijfel, al waert, dat sy by hen noch niet en hadden beqnaemheyt om te gheloonen tot zijner tijdt, ende al en connen sy dat geloof niet wtspreken: Dat nochtans de selue (Iheest, (diese Christi, ende zijner weldaden deel-achtich maect ende wederbaert) hen het geloone ter rechter tiji ghenen ende in hen voortbrengen can, alst hein belieft: gelijck wy dat in ons seinen, ende in onse opwassende kinderkous vernemen.quot; ..Maar,quot; merkt hij onmiddellijk op, het zou vermetel zijn, „te willen seggen, dat de kinderen gantsch geen bequaemheijt, tof den celooue. en hebben; daer wy doch ghetuyghenisse hebben, dat sy den 11. (iheest hebben .... Ende in alle genalle ist ghewis, dat de Schriftuere (maer twee soorten van volc inde Werelt zijnde) de kinderkous der geloouigen, niet onder de ongeloouige, maer met haer Ouders onder de gheloouige rekentquot;.

Klaarblijkelijk stemt llastingius in mot hetgeen de Brés e.a. geleerd hadden. Wc hebben zijn gevoelen iets uitvoeriger weergegeven, om te doen zien, hoe destijds vraag

-ocr page 263-

255

74 van den Catechismus verklaard werd. De verklaring van Bastingius is de eerste, hier te lande verschenen. Ze heeft te meer belang, omdat ze, óf vervaardigd is krachtens, of in allen gevalle in verband staat met eenc opdracht, door de svnode van 1581 aan Bastingius verleend, om eene soort uitbreiding van den Catechismus op te stellen.

()p Bastingius laten we nu nog even volgen

J o ha vn hs K uciim ms.

in zijne T/tese* the* loyicae de Paedohapiiwiio vinden we (i bekende bewijsgronden, aan de Schrift ontleend, tot staving van de wedergeboorte der kinderen, waarop het besluit volgt: „Derhalve mag men hun de wedergeboorte niet ontzeggen, omdat ze niet terstond de vruchten des geloofs en der inplanting in Christus of der vernieuwing openbaren, of omdat ze niet in do dadelijkheid (actu) gelooven of verstand hebben.quot; En voorts noemt hij het goddeloos, re stellen, dat de kinderen aan het uittrekken van den ouden en liet aandoen van den nieuwen mensch geen deel hebben, aangezien (iod, wiens actie in den doop het voornaamste is, dit in hen ven icht, hun toerekenende en hen tooiende met de gerechtigheid van Christus.

En thans komen we tot den grooten dogmaticus,

Fkaxciscts Jextrs,

bij wien we het eerst de begripsonderscheiding der Scholastieken van hiibitns en actus, de hebbelijkheid en de daad\') ,des geloofs en der wedergeboorte, aantreffen. Zoo lezen wo iu de \'/\'/as,* t/icoloairm- i/lt;; J\'aedobdf)-Utmo\'1) omtrent het geloof: ..Men kan het geloof beschouwen óf in zijne eerste actie óf in zijne tweede (alind esse earn considerare, ut est actu primo, (ut aiunt), aliud secundo). Spreekt men van het geloof in zijne eerste actie, dan zeggen wij, dat het vereischt wordt (n.1. vóór den doop), ten minste in het algemeen genomen,

1) We behouden deze, eenmaal gegkte, termen, al klinken ze niet schoon.

2) Opera iheoloyica, Tom. I., c. 1785.

-ocr page 264-

25(i

(want over de verborgene en geheime dingen komt God, niet den menschen, liet oordeel toe), en in zijn beginsel (principio sno), omdat het onafscheidelijk is van den staat van den bondeling, ot\' van den te doopen persoon (quia est aocidens inseparabile foedei-ati, sen baptizandi). Maar zoo men spreekt van het geloof in zijne tweede actie, d.i. van het dadelijke geloof, dan ontkennen we dat het volstrekt (simpliciter) noodzakelijk is, maar alleen in zeker opzicht (secundum quid), t.w. in de volwassenen. Want dezen moeten door het geloof zich den toegang tot, het verbond banen. Ivn dus zeggen wij, dat het fout is, absoluut te beweren, dat de kinderen voor het geloof onontvankelijk zijn. dewijl zij liet geloof hebben m het belt;jin*et der hebhe-lijk/ieid (in principio habitus), dewi jl va] den Geest des oeloofs (spiritum fldei) bezittenquot;.

Geheel hetzelfde geldt voor de boetvaardigheid oï de bekeering. „Omtrent de bekeering zeggen we, dat zij (de kinderen) op dezelfde Avijze bekeerden als zondaars zijn. Daar ze nu zondaren zijn in beginsM in den eersten Adam en dus slechts in de hebbelijkheid, zoo ook belijden we, dat zij in den tweeden Adam in beginsel en in de hebbe-lijheid bekeerden zijn, maar niet in de daadquot;.

Kn insgelijks over de wedergeboorte: ..De wedergeboorte beschouwt men, of in haren grondslag (in fundamento),d.i. in de hebheLijkheid in Christus, of in de daad in ons. De wedergeboorte in eerstgemelden zin (die genoemd kan worden de overplanting uit den ouden in den nieuwen Adam) is als de oorzaak, welke door de wedergeboorte, in den anderen zin als de vracht genomen, gevolgd wordt.

In eerstgenoemden zin nu worden de uitverkoren kinderen als ze m Christus worden ingeplant, wedergeboren, en de bezegeling hiervan geschiedt, wanneer ze gedoopt wordenquot;

()p eene andere plaats\') schrijft hij, dat de kinderen niet positief, maar negatief ongeloovig zijn, omdat ze; het dadelijke geloof nog missen. \\\\ aren ze positief oiwe-l) Tom. II, c. 2B7.

-ocr page 265-

257

loovig, dan mnchten ze niet gedoopt worden. - Mcu spreekt van eene ongeloovige in tweei\'M\'lei zin .... negative en positivo. Negatief ongelocvig is, wie de heilzame hebbelijklteid van hat werkende yeloof (habituni fidei agentis) wel niet heeft, maar toch vrij is van de verderfelijke hebbelijkheid der ongeloovigheid. Daarentegen wordt positief ongeloovig geheeten, wie aan beide kwalen lijdt, èn aan gemis aan geloof èn aan de hebbelijkheid der ongeloovigheid. Tot den doop is niemand bekwaam, die positief ongeloovig is. Maar de kinderen zijn allen negatief onqeloovig, d.i. zij hebben dat bovengemelde geloof niet.quot;

Ook onderscheidt hij tnsschen het uittrekken van den ouden en het aandoen van den nieuwen mensoh, dat door de actie van oen ander en dat door ons zelf geschiedt (alieno actu aut nostro). Het eerste wordt tot stand gebracht door Christus, doordien hij het hebbelijk beginsel der genade (principium habituale gratiae) in ons werkt, waaruit het andere, een werk van ons menschen, door de medewerkende en voltooiende genade Grods verricht, voortvloeit. Van het eerste zijn ook de kinderen niet uitgesloten, omdat Christus in hen alles vermag en omdat zij op hunne wijze, nl. habitu, zondaren zijn.

Yan de beide Trelcatii, vader en zoon, die na .lunius dienden gehoord te worden, kan echter de vader ter nauwernood in aanmerking komen, omdat hij over den kinderdoop niet geschreven heeft. 1 lij heeft, door den dood in zijnen arbeid overvallen, zijne Loei coinnnuies niet verder dan tot aan de leer der sacramenten kunnen uitwerken. Slechts dit weten wij, dat hij de heiligmaking ook op de kinderen toepast, omdat hij ze als een algemeen begrip voorstelt, dat ook het eerste beginsel des nieuwen levens omvat, en dus aan de bekeering, de poenitentie, voorafgaat. „De heiligmaking is iets meer algemeens, omdat ook het kind van geloovigo ouders geheiligd wordt, ofschoon het geene vruchten der bekeering voortbrengt i).quot;

Ij p. 382.

-ocr page 266-

Van meer belang is

Lucas Tuui.catlus Juxron,

die kort en zakelijk met het oog op de kinderen aldus hot geloof onderscheidt\'): „Gclooven... wordt tweevoudig opgevat: in actieoen zin, wanneer uit het gehoor des woords do volwassenen hot geloot\' in Christus bekomen; in passieoen en toegerekenden zin, als uit hoofde van het verbond en de belofte Grods de gerechtigheid des (/eloofs don kinderen toegerekend wordtquot;.

Of anders: „Er bestaat tweeërlei actie des geloofs, de eerste en de tweede, gene, waardoor hot geloof is, deze, waardoor het geloof werkt. De kindereu hebben het geloof in de eerste actie, niet hi de tweede; als een zaad, niet als een vracht om can te oogsten (in semente, nou in messe) ; door toerekening, niet door het werken van de gerechtigheid, door de verborgene kracht des Greestes, niet door uitwendig betoon (imputatione lustitiae, non operatione: occulta Spiritus virtute, non externa demonstratione)quot;.

„Maar,quot; zegt liij verder, „bet verschil van leeftijd vernietigt de eenheid des geloofs niet noch den aard der belofte; want eene en dezelfde gerechtigheid, des geloofs wordt zoowel in de ouders als in de kinderen verzegeldquot; (n.1. door den doop).

Opmerkenswaardig is hier ; «. de overeenkomst met a Lasco, waar sprake is van toegerekend geloof, bedoeld als de toegerekende gerechtigheid des geloofs, gelijk we ook één keer bij de Brés aantroffen en herhaaldelijk bij Oellius Snecanus te vindon is ; h. de uitdrukking: in seniente, non in messe, welke door een enkelen dogmaticus van lateren tijd overgenomen wordt.

Eene gelijksoortige voorstelling als bij Junius, ontmoeten we bij Pestus Hojimius.

Diens uitspraak luidt aldus i): „Ofschoon de kinderen

1) Scholastica et Metluodica Locordm Communium S. Theologiae Institutio, p. 169.

2) In de Disputationes Theologicae udversus Pontijicios, disput. 44, thes. 3, p. ^69.

-ocr page 267-

259

de hebbelijkheid van het werkende yeloof missen (habitu tidoi agentis careant) on liet dadelijke geloof\' niet bezitten, nochtans mogen ze niet onder ile positief\' ongeloovigen gerekend worden; niet ter oorzake hiervan, dat ze het dadelijke geloof\' in den doop ontvangen, of\' dat ze kunnen gezegd worden te gelooven door het geloof\' van oen ander, u.l. van do kerk of\' van de doopheffers ; maar omdat ze het geloof hebben in de eerste actie (actu primo), in den wortel en in het zaad, en dat wel door de innerlijke werking des H. Greestesquot;.

(tuii:T,MUS AMESuis,

toont aan, hoe de doop voor de kinderen het zegel hunner wedergeboorte is. „De vorm des verbonds zelf\'wijst duidelijk uit, dat de wedergeboorte een deel der beloften is en op bijzondere wijze den kinderen der geloovigen toekomt (singular! modo ad fidelium filios pertinere) .... Eigenlijk worden de menschen gedoopt, omdat ze voor zonen (_lods gehouden worden, niet opdat ze aanvangen, zonen te zijn. Anders zou er geene reden bestaan, om niet de kinderen der ongeloovigen zoowel als de kinderen der geloovigen te doopenquot; \').

Elders stelt hij den grond van den kinderdoop aldus voor: „Omdat juist in het begin der wedergeboorte (in ipso initio regenerationis), van welke de doop het zegel is, de mensch in louter passieeen toestand verkeert (homo se habet

mere passive); weshalve ook van den persoon, die.....

gedoopt zal worden, geene uitwendige handeling vereischt wordt, zooals bij de andere sacramenten, maar alleen een lijdelijk ontoangen (tantum receptio passiva); daarom zijn de kinderen even bekwaam om dit sacrament, wat betreft het voornaamste deel, te gebruiken, als de volwassenen -\').

In gelijken ziu schrijft ook

A X T O M US WALA K L:S.

In de Synopsis geeft hij ons weinig. Slechts dit, dat de

1) Bellarminus enervatus, torn. 111, p. 337.

2) Medulla theologica, lib. I, p. 186.

-ocr page 268-

260

kimloron aan de Ix\'tcckcudc zaak (Les (loops deel frolibon, en dat dcswc^-c lum hot tcckcn niet niiii;\' geweigerd tt iirdcu. Immers, „niemand kan ontkennen, dat don kinderen der geloovigen do weldaden van Christus\' bloed en Gent. toekomenquot; \').

Maar zijne Opera bevatten krachtiger rodenen. Daarin zegt hij ergens, dat de doop niet eoi\'st de wedergeboorte aanbrengt, maar het zegel daarvanquot;\'is. Want bij de volwassenen worden geloof\' en bekeoring van te voren vor-oischt, en de kinderen worden gehondon voor bondelingen, die den Geest van Christus, welke de wedergeboorte werkt, te voren bezitten. „Derhalve wordt door den doop de wedergeboorte verzegeld, welker amu-ang (initium), naar het oordeel dor liefde, is roorafyegcum (antecessit), omdat hij ons verzekert van het krachtige werk dor goddelijke beloften in ons, en tegelijk ook aan de voorafgegane gaven de vervulling?\'ot althans eene vermeerdering toebrengtquot; 2).

Wat de wedergeboorte in hare openbaring aangaat, deze heeft soms onder, soms vóór, soms na den doop plaats

Hot gevoelen van lieza, volgens hetwelk het geloof\' dor ouders den kinderen toegerekend wordt ovenals de erfzonde, bestrijdt Walaeus, maar met dat van C\'alvijn is hij ingenomen: „Wij zeggen, dat do kinderen (wij nomen ze onbe-paaldelijk, Gode zijne oordeelon overlatende) onder do geloovigen moeten gerekend worden, omdat het zaad of\' do Geest dos geloofs (semen sou Spiritus fidoi) in hen is, wolken sommigen do hebbelijkheid (habituni), anderen de neiging (inclinationem) des geloofs noemen; uit welken vervolgens door het gehoor dos Woords langzamerhand het dadelijke geloof geformeerd wordt, soms eerder, soms laterquot; •\').

Klaarder bewijs is zeker niet noodig voor de stolling

1) Synopsis purioris Iheologiae, ed. Üavi m k. ilisp. 44, p. 500

2) Tom. I, p. S5lt;i, iu het Enchiridion religionis refonnatae,

3) I, p. 487b, in de Loei communes.

4) I, p. 49oij.

-ocr page 269-

201

dat de Grereformoordon, zoolang maar hot goschil liep over de beteekenis van den doop, nl. of eerst met, dan wel reeds vóór den doop de genade Grods medegedeeld wordt, geen onzeker antwoord gegeven hebben. Zij maakten daarbij geen onderscheid tusschen de volwassenen en de kinderen. Ook de kinderen ontvangen den doop tot een zegel hunner wedergeboorte.

Maar dit was in het algemeen, onbepaaldelijk gesproken. De persoonlijke uitverkiezing liet men buiten spel. Men had de overtuiging, dat de algemeene stelregel bij lange niet op alle leden der meer en meer ontaardende volkskerk toegepast kon worden.

Zoodra men dan ook genoodzaakt werd door de bestrijders der praedestinatieleer, om op do absolute, persoonlijke uitverkiezing sterkeren nadruk te leggen, kwam het aan den dag, dat men niet aan allen deelgenootschap aan de geestelijke gaven Gfods toekende. En zoo werd do onderscheiding van uit- en inwendig genadeverbond geboren. Alleen voor de kinderen, die vroeg sterven, maakte men, naar de oude mildheid van opvatting, eene uitzondering.

We gaan thans zien, hoe, in den strijd over de uitverkiezing, zoowel het een als het ander geleeraard werd, om daarna te onderzoekon, wat de volgende dogmatici over ons onderwerp verklaren.

De eerste, dien we over een uitwendig verbond hooren spreken, is

Kki : [NA I.l) DnNTKrl.ocK

in zijnen strijd met Coornhert.

Wel leert hij, dat de kinderen des verbonds i/e

Ghelooviye gherekeut werdenquot; moeten, maar onmiddellijk volgt de toelichting: ,Sy zijn mede in hare Oudersqheroepev, mdv staeu onder het zelve wteriijcke Verbont Godtsquot; \'). Deze

1) Gromlich onderrecht.... vande Predestinatie of de eeuwiglio verkiesingbo Gods, bl. 30 v. Dit geschrift is gedrukt anno 1607, maar, gelijk het titelblad vermeldt, «over langhe beschreven door lleginald Donteolockquot;, nl. tegen Coornhert.

is

-ocr page 270-

262

uitdrukking: hot uiterlijke verbond, zou nog- wel eone goede verklaring toelaten in den geest van de l?rès c.s., maar enkele bladzijden verder lezen we: „(iliclijc nu alle liedaechde die van Hod syn glieroepeu eude aen (\'liristuiu wterlijc hebben glielooft, daerom van Godt tot de Salioheyt niet en syn verkoren, naer de spreucke Christi: Yele ghoroepen, weynich wtverkoren; Zoo moet men Isi-lce gheooelen hebben van haren kindeven. lioc wel sy alle syn gheroepen in haer Ouders, ende staen in het wterlijcke Verbout Godsquot; \').

Dat strookt niet meer met de opvatting van al die mannen, die tegenover de Doopsgezinden beleden, dat er meer zekerheid bestaat van de verkiezing der kinderen dan van die dor volwassenen. Dat was gansclielijk niet do zienswijze van een man als Junius, die niet slechts van alle bondelingen do verkiezing wil gepraesumeerd hebben, maar onomwonden leerde, dat aan God het recht en de macht verblijft, om ook buiten de grenzen des verbond» zijne uitverkorenen, met name onder de jongstervende kinderen, te vergaderen -).

Donteclock zelf moet zich in een ander geschrift zachter uitgesproken hebben. Aldus: Van de kinderen der geloo-vigen, die in hunne jeugd sterven, heeft men te oordeelen, dat ze van wege het Verbond Gods, waarin ze staan, al to zamen zalig zullen worden en tot de zaligheid uitverkoren zijn; zonder de verborgen oordeelen Gods te onderzoeken \').

Maar dit nam niet weg, dat tijdens de Arminiaansche twisten Donteclock dienst moest doen, om de Gereformeerden de beschuldiging naar het hoofd te werpen, dat zij vele kinderen tot geen ander einde geboren achtten, dan om in het eeuwig verderf te vervallen.

Juist deze beschuldiging echter was wederom het middel, dat men de Gereformeerde verbondsbeschouwing helder

1) bi. 3r,.

2) In de Collaiio de natura ct gratia, resp. ad rat. 28, Opera It, 332 sq.

3) Op \'t Schrift eens onbekenden, bl. 50, aangehaald ia de Quel-Geest, bl. 26, en in bet Teghen-vertoogh, bl. 83.

-ocr page 271-

•263

in het liolit stelde. Want aan het hoofd der Contra-Reinonsti\'uuten stonden theologen, die reeds in den strijd mot Ilooraschon on Doopsgezinden do zuivoro loer verdedigd hadden. Zoo namen aan de SuhnfteVjcke Conferentie to \'s Gravonhago in 1011 o.a. twoo .kerekon-dienaren dool, wier oordeel we kennen, n.1. llnardns Aoronins en Festus Ilommins. Van zulke mannen kon men eeuo verklaring verwachten als deze, hoe, zoover hun bekend is, in de Gerotbrmeordo kerken gepredikt wordt, „dat voor Gods uytcercoreue kinderen te /waden zijn niet alleen do volwassene, die in Christum golooven, ondo diouvolghonde waerdichlijck den Evangolio wandelen, maer ooek de kinderen des verbonts, so hnujhe als sy mettor daet niet het contrarie en bewijsen, ende dat over sulcx geloovü/he Ouders, wanneer hare kinderen in hare kintsheyt e.omen te sterven, geen oorsaecke en hebben van te twijfelen van der selve harer kinderen salivheji\' \'). In het volgende hoofdstuk hopen we de waarheid dezer woorden te kunnen bovestigon.

Hoe cohtor dezelfde korkedionaren tegenover Wtonbogaort c.s. tevens de persoonlijke uitverkiezing gehandliaafd hebben, leert ons hot vervolg der Conferentie, waar over do volharding der heiligen gehandeld wordt-1).

De Remonstranten hadden met beroep op den Catechismus vr. 74 beweerd, dat alle gedoopte kinderen, uit geloovige ouders geboren, zalig zonden worden, indien men den Geest der wedergeboorte niet kan vorliozon, maar, omdat het tegendeel waar was, moest er ecu afval der heiligen bestaan. Hierop antwoordden Aeronius c. s., dat volgons den Catechismus de H. Geest, die het geloof werkt, don kinderen niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, weshalve „hier niet glieseydt otte ghemeyndt wordt, dat inder daedt nae dc waorheydt alle cloyne Kinderen, die van gheloovighe Ouders gheboren werden, den 11. G heest

1

Schriftélicke Conferentie, bl. 21.

-ocr page 272-

204

drr wcdcrglioboovto somion holibou ontfanglion. maor gho-lijck niot allo volwassene, als sy liet gholoove belijden, eiule daerop ghedooj)! worden, dun Ghvest i/er ivedergheboorte hebben,.... nochtans van ons naei\' hot oordeel der liefde daer voor alle moeten worden ghehouden, soo lang\'he sy het contrarie niet openbaerlick en betoonen, alsoo ist, dat wy dit naor het selve oordeel der liefde moeten ghelooven, van ai.le cleyne Kinderen die van Gheloovighe Ouders glieboren zijn (t\' welck haer in plaetse van belijdenisse is) ende ghedoopt werden, totter tijdt toe dat sy haer selven int opwassen anders betoonen: overmidts deso Kinderen inr ghcmeen de belofte ghedaen is. Actor. 2 . 39. ()nder des is dit niettemin oock seecker, datse niet alle Israeliten zijn, die uyt den A ader Israel zijn, noch oock alle Abrahams Kinderen, om dat sy Abrahams zaet zijn. Kom. 9 . 6. 7 .... Wanneer nu de kinderen in het opwassen door een boos ende Godtloos leven bethoonen, dat sy den Gheest derweder-(jhehoorte niet en hehhen, dan machmen niet segghen datse de selve verloren hebben, maor dat is een seecker teecken datse de selve noijt ghehudt en hehhen.quot;

Zonneklaar wordt hier de leer dei\' persoonlijke uitverkiezing en der wedergeboorte met die van het algemeene verbond in verband gesteld, gelijk van Calvijn af door de Gereformeerden doorgaans gepredikt was. Het is de heldere nagalm van den toon, die zoo ernstig en krachtig geklonken heeft in den kamp met de Doopsgezinden.

Of hij in allo doelen dos lands even helder beantwoord is geworden?

Te Jiottordam liet zich op gelijke, maar op moor onbepaalde wijze hooron

Corxelius Gteselius\'):

„(AV ij gelooven), dat do kinderen der Christenen worden glieboren tot de eewighe salichoydt, bevelende de andere (• ode ende sijnor ghenadequot;. i iiorbij wijst bij oj) de vraag, in liet

1J Proefken vande Schadelijcke verschiilen, f. 5(5a.

-ocr page 273-

265

doopsforimilicr aan do vaders gcriclit, igt;f zij belijden, dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn.

Doch te Zutfen raakte

sebastusus 1 gt; a m.man

wel een weinig uit het goede spoor. Hij leeraarde, denkende aan de kinderen, die vroegtijdig sterven en diens-volgens niet tot dadelijk geloot komen\'): „Sijn dan oock der kinderkens eenighe uytverkoren, so zijn sy al mede in Christo verkoren. Ende evenwel en heeft God soodanighe kinderkens nh\'t aeitf/cwcu quot;I* (flwioocifjlic . eene a oorstelling\', waartegen de eerste G-ereformeerden wol eenig bezwaar zouden geopperd hebben, al moge ze ook goed bedoeld zijn.

Krger maakt hij het echter, als hij beweert\'): „Den doop en betnvcht allen ghedoopten niet,. . . dat God haer allen een ghenadieh Vader is. oft worden sal: dat is, dat haer allen ile sotii/eii vergheren T\'Jit, oft vergeren sullen worden: Derhalven en kan den doop oock allen gedoopten niet getuyghen dat haerc sonden luxer vergheven zullen blyven, ofte dat Godt haer een genadich \\ ader eeuwelijck zijn ende blyven sal. ilaer door den Doop worden alle ghodoopte in \'t f/eitacleitltoiid allteii op ende aenyhenomen, ende hael betnycht, dat haer ende haren zade de belofte gedaen is . Eu nu laat hij er wel op volgen: „A ande kinderkens moet-men her beste vertrouwen: latende haer ondertusschen het welgevallen Godes bevolen zijnquot;, maar daarmede is het kwaad niet hersteld. Damman maakt, pal als hij staat voor de leer der uitverkiezing, het genadoverbond van zijn geestelijken inhoud los, zoodat het iets uiterlijks wordt, zonder aanwijzing te geven van innerlijke genade, en daartegen zouden de vaderen der hervorming beslist piotest hebben aangeteekend.

Anderen daarentegen leerden, in een Tegenverloogh, dat

1) Valide l\\€iiicln\'\'/!, die do IlenionstraHlcii houden luet ilc Gereformeerde Kerchcn, anno 161G, 1)1. 21.

2) bl. 108.

-ocr page 274-

266

goloovige ouders mooi1 zckcrliciil hcblion van de zaliglicid lum-nei\' kinderen, die sterven dan van die in leven blijven:Vande ghedoopto kinderen, die iu liet leven blijven ende opwassen, en hebben de ouders suleken verseeekx*ni]glie niet, als van (i(! welcke sy een uytgliodruokte belofte hebben, dat bet coninck-rijck der Hemelen lien toebehoort, ilath. 1!» .14. Wantin bet opwassen oonnen soniinighe Cains, Isuiaëls, endeEsaus bevonden worden, van weioker salieheydt men over sulcx in hare Jonckheydt, alsse daerinne niet en sterven, sooda-nighe verseeckertheydt niet en can hebbenquot; \').

Onder de opstellers van dit Teyen-n-rtooyh behoort afzonderlijk genoemd te worden,

■ lACOlirs ïlilGLAXD,

die streed voor de Gereformeerde leer, volgens welke „wv alle de gene, die eenighe uytorlijcko ende apparente merek-teeokenen vande ghenade Grods aen haer draghen, inder liefde omhelsen, ende nae het oordeel der selve, voor uvt-vercoorene Godts houden moetenquot;, welk merkteeken bij de kinderen gelegen is in „de gheboorte van haere ghe-loovige Ouders,quot; zoodat zij onder de uitverkorenen re rekenen zijn, .soo langhe zy met der daet niet het contrarie be-wijsen quot;). Dienovereenkomstig legt hij zijnen tegenstander allerlei vragen voor, waaronder dez(gt;: „Of de jonghe Kinderen der gheloovigen waerlijck wederghebooren, ende dooiden 11. (Iheest gheheylicht worden? Indien neen, Moe sv

dan konnen salich worden......Ende waer op datse dan (fhedoopt

u-orden, naedien den Doop is %thadt der Wedergliehoorlef^A.

.Maar iiij onderscheidde ter dege tusschen het oordeel der liefde .dat faelgeeren kan,quot; en het oordeel der waarheid, dat onbedriegelijk is \').

I) Ataer endtt grondich Teghen-verloogh, van ccnige Kerchen-Dienoren van Ifollandt ende West-Vrieslandt, gestclt tegen seher Vtrtoogh der Jiemonstranten, anno 1617, bl. 83.

-) Gcesscl om imt te dryven den Arminiaensohen Qnel-G/icest, b). 18 v.

\'3) bl. 27.

4) t. u. p.

-ocr page 275-

207

Later stond hij uitdrukkelijk de onderscheiding van uiten inwendig verbond voor, -De belofte Crods heeft oplien (de geloovigen en hunne kinderen) betrekking, of als voor-iraai\'delfjk en uiticeiidiy aangeboden, of als volstrekt en van innerlijke kracht en verzegeling (vel ut conditionata, et extrinsece oblata; vel ut absoluta, et efticax intrinsece atque obsignata)quot;. In eerstgemelden zin slaat ze op alle belijders des Evangelies met hunne kinderen, in den laatsten zin alleen op de ware geloovigen \').

Zoo vatte de gedachte al meer en meer post, dat men Nvè 1 onderscheid moet maken tussohen de uitwendige belijders en de uitverkorenen. Door de volgende groote dogmatici is dit dan ook in hunne uiteenzetting der leer opgenomen. De eerste, klare onderscheiding tusschen het uit- en het inwendig genade verbond treffen we aan bij

F11A N lt;\' 1S ( T s Ü O.MAIU\'S.

In zijne Disputationes de Sarramenhs omschrijft hij hot onderscheid aldus: ,.l)e beteekende zaak van de sacramenten is het genadeverbond, deels het uitwendige, deels het inwendige. Het nitioendwe verbond is gelegen in het uitwendige en zichtbare verband van de strijdende kerk op aarde met God: door welk verband men zich, door eene uitwendige belijdenis van geloof en leven, van de goddeloosheid en onreinheid der wereld afzondert, en voegt bij en verbindt aan den dienst van God en de uitwendige kerk, terwijl (rod op Zijne beurt ons voor een uitwendig lid Zijner zichtbare kerk, en in zooverre ook voor een bondeling en een heilige, opneemt en erkent .

«Daarentegen is het inwendige verbond de wederkeenge verbintenis tusschen (vod en degenen, die met den («eest des levenden geloofs begaafd zijn, waarin (»od uit genade belooft hun God en \\ erlosser te zijn en voortdurend te zullen blijven door de gemeenschap met (quot;hristus en diens

1) Antapologia, p. 2076.

-ocr page 276-

268

weldaden en omgekeerd vnu hen naav recht den dienst des geloofs en der voortdurende gehoorzaamheid bedingt. I •ienovereenkomstig wordt de besnijdenis niet slechts een teeken des verbonds, maar ook een zegel \'dor rechtvaardigheid des geloofs genoemdquot; \').

Volgens deze redeneering bestaat er dus onderscheid tusschen den doop als verbondsteeken en als zegel van Gods genade, liet verbondsteeken ontvangen alle leden der kerk, het genadezegel alleen de uitverkorenen. De algemeen luidende regel, dat de doop de wedergeboorte verzegelt, kan dus blijven, mits men hem maar niet op het gioote gi\'os van de leden der kerk toepasse. Zoo neemt ook (romarus aan, dat do doop den kinderen een zegel van geestelijke genade is; zoo belijdt hij, dat zij den Jl. Geest hebben, en dat zo op dien grond behooren gedoopt te worden-). Maar zulk oen grond mag hij niet voor het algemeen gedoopte volk aannemen. Steunde toch do doop niet op het bevel Gods, nl. dat, wie in het uitwendige verbond geboren wordt, met het verbondsteeken moet geteekend worden, dan zou voor oen groot aantal kinderen alle recht op den doop vervallen. Keen, willen we den voornamen grond van den doop aangeven, dan moeten wij niet zien op de geestelijke zijde, maar op de uitwendige zijde van het verbond. Do kinderen, zegt Gomarus, behooren gedoopt te worden, „omdat zij ten minste tot de uitwendige kerk van God behooren, en deswege heiliquot;-genoemd worden (qui quoniam saltern ad externam Dei Ecclesiam pertinent, Sancti appellantur)quot; :i).

Van af Gomarus blijft men dan ook wel de wedergeboorte der kinderen als den geestelijken grond van hunnen doop beschouwen, maar men zal daarbij steeds denken, niet in het algemeen aan de jonge leden der kerk, maar enkel aan de bevoorrechten en uitverkorenen.

1) Opera theologica omnia, vol. 11, p. 101«.

2) U, p. 105«.

3) II, p. 1066.

-ocr page 277-

260

Alzoo ook de soholastiek-sclierpzinnige, in sclicrpc for-nmleei-mgen on ondcrschcidingon uitmuntende

J(lilANNKS MACCOVa\'S.

quot;Maceovius maakt onderscheid tussclien de inlijving in Christus, beschouwd van Gods en van des menschen zijde. _ Van de zijde Gods geschiedt de inlijving in Christus, wanneer Hij ons aan Christus geeft, want dan lijft Hij ons metterdaad (actu) in Christus in. En hieruit spruit het geestelijk leven en de wedergeboorte in ons voort. Van onze zijde maken wij geene eenheid met Christus in de zaak (quoad rem), maar alleen in de bevinding (quoad sensum).\'

Daarmee in verband onderscheidt hij het dadelijke van het hebbelijke geloof; de wedergeboorte wordt niet tot stand gebracht door hot dadelijke geloof, maar wel door de instorting van nieuwe hebbelijkheden, waartoe ook de hebbelijkheid des geloofs behoort. „Het dadelijke geloof is de oorzaak dor wedergeboorte niet, want, zoo het de oorzaak der wedergeboorte ware, zouden de kinderen niet

wedergeboren zijn. En dat is ongerijmd.....Werpt men

togen, dat ze ook geen hebbelijk geloof hebben, (want waaruit zouden wij dit weten ?), liet antwoord luidt: Daaruit, dat /.e wedergeboren zijn......Immers onze wedergeboorte berust, gelijk op de instorting van andere hebbelijkheden, zoo ook op die van de hebbelijkheid des geloofs (regeneratio nostri constat, ut aliis habitibus infusis, ita habitu hdei)quot;.\')

Dat nu deze wedergeboorte een rechtstreeksch werk Gods is,zonder behulp van eenig middel,ook niet dour hel H-oon/verricht, toont hij o.a. aan uit het voorbeeld van Lydia, wier hart geopend werd, voordat ze op Paiilus\' woord acht nam. En hij adstrueert derwijs: „Indien aan hot Woord Gods zulk eene kracht om te wederbaren moest toegekend worden, dan

I) Theologia polemica, p. 141, te vindeu in Johannes Maccovms liedivivus, seu manuscrip\'a eius typis exscripta, opera Nicol.u Aknollh.

-ocr page 278-

270

zou God ocnig instrument in do wedergeboorte gebruiken. Maar dit is even ongerijmd, als dat God eonig instrument zou gebruiken in de opwekking der dooden ten loven, of in het sclieppenquot; \').

Diensvolgens concludeert bij, dat in de kinderen de vereischten voor den doop aanwezig zijn. „Zij zijn wedergeboren.Zij hebben den H. Geestquot;. „Zij bezitten wel niet het dadelijke, maar toch het hebbelijke geloof\'

Tot zoover zet hij, in liet algemeen sprekende, de Gereformeerde leer scherp en juist uiteen. Maar nu wordt de invloed van den Arminiaanschen strijd ook bij hem merkbaar. Hij spreekt voorzichtig; Gedoopt moeten de kinderen worden, want „sommigen hebben den ILGeestquot; :i). Ja, hij gaat onderscheid maken tusschen „de hebbelijke heiligheid, die qualitatiej is, en de verbonduheiligheid, die relatief is en in het recht op het burgerschap Gods bestaat. Met de eerste zegt de Apostel niet dat de kinderen der geloovigen geboren worden, met de andere wèlquot; \'). Evenwel bestrijdt bij de dwaling van de Roomschen en Doopsgezinden, alsof\' de kinderen niet zouden wedergeboren zijn, ook voor hunnen doop, want „zij zijn in het verbond, wat aangaat de gemeenschap (quoad internam communionem)quot; 5).

Merkwaardig is eindelijk nog, dat Maccovius rfe» t/oo/) (te Geestes stelt in de openbaring der wedergeboorte, en dus bij de kinderen op hunnen kerkdijken doop volgende. „Somtijds geschiedt de waterdoop zonder den doop des Geestes, gelijk het voorbeeld van Simon Magus leert,... somtijds wordt eerst do 11. Geest en daarna de waterdoop medegedeeld, gelijk Act. 8,12. 37. 88 leeren. Soms ook volgt de doop des Geestes, zooals bij de kinderen. Want, ofschoon de doop in de kinderen, wien het koninkrijk der hemelen toekomt, blijkens de instelling Gods met

!) p. 138.

2) p. 175, en Theologia r/naestionnm, 105, ibidem.

o) Loei communes, p. Sol.

4) Theologia lt;]iiaGStionun\\, p, 105.

5j Wp\'jirx p. 187.

-ocr page 279-

271

de rcclitvaarcliging\' on niet do wedergeboorte krachtens don aard des verbonds samengaat,... toch toont zich hot effect van dezen doop eerst te zijner tijd door ochto bewijzen. Want hot zaad van de sacramenten zoowel als van het Woord blijft zoo lang in de aarde rustig liggen, als hot Gode belieft (de mededooling van) Zijne genade uit to stellenquot; \').

Getrouwe volgeling van Calvijn, to dezer plaatse zelfs tot inde terminologie met hem overeenkomende, neemt Maccovius alzoo de wedergeboorte bij do kinderen (althans bij de verko-ronen) vóór don doop aan, hoewel hot effect der bezegeling door den doop eerst te zijner tijd zich openbaart. In het algemeen echter blijft hij, ook wanneer hij in zijne dogmatiek oen afzonderlijk hoofdstuk over do wedergeboorte opneemt, alleen van de volwassenen spreken, zoodat hij de wedergeboorte met hare openbaring en hare vruchten, hot dadelijke geloof, do bekooring etc. onmiddellijk, ook wat den tijd betreft, samenvoegt.

Eone volledige onderscheiding van wedergeboorte en bokeoring in beider aanvang, zoodat ze in den regel, naaiden tijd gerekend, gescheiden zijn, m.a.w. het stellen van de wedergeboorte in het algemeen in den kinderlijken, on van do bokeering in den moor volwassen leeftijd, troffen we, onder do grootere Dogmatici het eerst in zijn volle helderheid aan bij

(i rsi\'.F.RTrs Yoetius.

Yoetius onderscheidt n.1. de wedergeboorte in a. die van do kinderen, welke nog buiten het gebruik hunner rede verkoeren;

lgt;. die van de kinderen, welke van hunne jeugd af in godsvrucht opgevoed worden en haar beoefenen;

c. die van de volwassenen, welke buiten de waarheid van den godsdienst of ten minste buiten alle praktijk der godzaligheid leven.

In het laatste geval valt do wedergeboorte met de

1) Loei communes, p. 833.

-ocr page 280-

272

bokcering- sainon. In liet oorsto is ze van do bekoomig ondorschoidcn. In Jn^r tweede gaat ze langzamerhand in do bekeering over \').

In zekeren zin eoliter kunnen ook de wedergeboren kinderen bekeerd lieeten. Bekeerd n.l., zoover men van oenen oneigenlijk, potentieel bekeerde spreken kan, onderscheiden van eenen eigenlijk, actueel bekeerde-). Maar strikt genomen, worden de wedergeboren kinderen geen bekeerden genoemd, zoodat er eene staat der wedergeboren uitvrr-korenen is aan te nemen vóór de bekeering.

Ue wedergeboorte der kinderen nu omsohrijft Voetius als volgt: „Wedergeboren wordt genoemd, wie in liet verbond Gods geboren, tan den moederschoot af (jeheiliqd i* door den II. Geest, en van andere onwedergeborenen, \'t zij uitverkorenen of verworpenen, onderscheiden, doordien hem eene zekere gave oi\' yeestelijl-e gemdu door den II. (leest is ingestort of ingedrukt, en zoo in hem kleeft en in hem blijft; welke genade geene tweede actie, noch hebbelijkheid. noch ook, eigenlijk en bepaald gesproken, eouo dispositie is; maar welke opgevat moet worden als iets, dat gelijkt op een geestelijk verinogen of een bovennatuurlijken aanleg {facullas spintualis sea potentia supernaturalis), welke onder de eigenschappen van de tweede soort is te rangschikken. \\\\ anl,gelijk er een tweede natuurlijk vermogen bestaat, van het eerste onderscheiden, b.v. (het dichterlijk genie in een kind ....) zoo kan men stellen een bovennatuurlijk vermogen of bovennatuurlijke aanleg, welke het zaad en de wortel is van het geloof, van de hoop en van de liefde, deugden, die naderhand door de roeping en de dadelijke bekeering (in het hart) worden uitgebracht. Maar dit vermogen is niet in forraeelen zin het geloof zelf, noch ook de daad oi de helibelijkheid des geloofs, hoo-w el het oneigenlijk en overdrachtelijk soms zoogenoemd wordti om reden het naar het vermogen (Smxuï: et virtualiter) geloof,

1) Disputationes, vol. II, p. 434.

2) II, p. 4U4 sq.

-ocr page 281-

hoop, bckeering enz. in zich bevat, zijmie als het wave van deze (deugden) liet worlelbeffinsel (tanquam radicale eamm principinin)quot; \').

Hieruit ziet men, dat Voetius bij ......keur niet met

.lunius en Maccovius van oen habitus des geloofs in de kinderen wil spreken, maar van ccne facultas en polenlia spiritualis of supernatnralis. Den habitus of de dtsposiho des geloofs, oordeelt hij, ontvangt de rolwassem-, wanneer liii .krachtens het vermogen (facultas), dat in de allereerste wedergeboorte hem ingeplant werd, krachtdadig en volkomen van de duisternis tot het licht wordt beheerd eu van zonde i-n wereld tot Christus gebrachtquot; =).

Kr zijn dus twee stadiën in het proces der wedergeboorte eer ze in de bekeering overgaat. De allereerste wedergeboorte of wedergeboorte in haar allereerste begin (primo prima reii-eneratio) heeft plaats in de kinderen des verbonds, zoodra ze geboren zijn. De volgende wedergeboorte of de w edergeboorte in hare voortzetting geschiedt in hot opgroeien, wanneer men „door de opvoeding in de gemeenschap der kerk, en door allerlei prikkelen van het goddelijk Woord, onder de medewerkende opwekking des (i eestcs, den ingeplan-ten wortel der allereerste wedergeboorte in zich voelt ontkiemen, of althans werken om rot ontkieming te komen, opwekkende enkele bewegingen des harten, schoon nog zwak en onvolkomen en als \'t ware zonder vasten vorm\' J)-

In den volwassen leeftijd breekt dan eindelijk, als derde stadium, de wedergeboorte in do bekeering uit.

Ook kan men van oenoeersiewedergeboorte spreken bij wie buiten het verbond Gods geboren en getogen, op rijperen leeftijd .tegelijk en op eenmaal wedergeboren en bekeerd wordt \').

De theologen vatten, zegt Voetius, het woord: wedergeboorte, nu eens in den zin van de allereerste weder-

1) p. 403.

2) p. 404.

3) 1. 1.

4) 1.1.

-ocr page 282-

274

geboorte der kinderen, dan weer nis de eerste wedergeboorte van zulk een zondaar op, soms ook in beide beteekeuisseu te zamoii. „Sommige praktische, vrome mensclien spreken van zioli en andoren, dat zo eerst toen wedergeboren (vernieuwd en bekeerd) zijn, toen zij met oen volkomen, beslist en vast voornemen dor ziel, tot geloof en godsvrucht zich overgegeven hebben, met verlating van dwaling, zonde 011 woreldquot;\'). Maar hij zelf wil slechts in tweeërlei zin de wedergeboorte verstaan, t.w. de wedergeboorte der kinderen, die in het verbond geboren worden, en de wedergeboorte der volwassenen, die buiten do gemeenschap des verbonds geleefd hebben. Aan beide wijdt hij een afzonderlijk hoofdstuk. Het eerste draagt den titel: O eer dm staat der uitverkorenen vóór de hekeeriny; hot andere heet eenvoudig: Over de wedergeboorte. Ons boezemt vooral het eerste belangstelling in. We hebben er reeds uit opgenomen, hoe Yoetius de wedergeboorte der kinderen omschrijft. Zien we thans nog, hoe hij daarmede èn hot verbond èn den doop in verband brengt.

Yoetius onderscheidt beslist een uit- en een inwendig genadeverbond. ilij stelt de vraag, of ergens het voorrecht van een uitwendig verbond, of van eeno uitwendige verbonds-genade, genoten wordt, zonder dat men deel heeft aan de inwendige genade, en hot antwoord luidt bevestigend ; immers) velen in het verbond levende, zijn in hunne zonden gestorven.

11 ij vraagt verder, of allo kinderen der Christenen ou Israëlieten, die in de jeugd besneden of gedoopt werden, waarlijk bondelingen zijn, en hij antwoordt: Ja, in uitwendigen zin. En als hij het gevoelen der Grereformeorde leeraars weergeeft, dat zij do wedergeboorte aan allo kinderen des verbonds hebben toegeschreven, dan voegt hij er onmiddellijk aan toe : „aan de uitverkorenenquot; ).

Overal ontmoeten we bij hem eeno groote behoedzaamheid; dat hij zich niet te ruim, niet te algemeen uitdrukke.

1) p. 105.

2) p. 408, 410.

-ocr page 283-

275

Op de vraag, .of de uitverkorenen, die in hot verbond geboren zijn, ook allen, hoofd voor hoofd, in de jeugd of van den moederschoot af, inwendig tot hot verbond behooren, heilig en wedergeboren zijn,quot; dient het antwoord: _ In het algemeen schijnen de theologen dit zonder bezwaar toe te geven; maar het zou wel wat sterk lijken, als wij het ook uitstrekten tot ziilken, die zonder geloof en bekeering, öf in do uitwendige kerkgemeenschap, of daarbuiten, tot hun 8()°tc of 70t(\' jaar, ja, tot op het einde huns levens blijven voortleven; ofschoon men ook weder moet toestemmen, dat het zaad der wedergeboorte zoo lang zonder eenige ontkieming onder do aardkluit kan verborgen zijn.quot; Ton bewijze hiervan voert hij enkele schriftplaatsen aan, waaruit to besluiten valt, ..dat zoodanige (kinderen der bondgonooten) den wederbaronden (leest en Zijne vrucht, do eenheid mot Christus en mitsdien de genade der toegerekende gerechtigheid en der inklovende heiligheid bezitten.quot; Maar dit geldt niet van allon — liet leven van menigeen wijst dat wel uit — dit geldt slechts van sommigen, ,,n.l. van al degenen, die uitverkoren zijn en behouden wordenquot; \').

Evenwel toont Voetius in onderscheiden problemata aan, dat niet altoos uit hot leven der menschen raag besloten worden, dat ze in do jeugd niet wedergeboren zijn. .luist, omdat hot zaad dor wodorgeboorte een tijdlang blijft schuilen, is zulk eone conclusie te gewaagd. A óór hunne bekoering kunnen de uilvorkoreneii en wodorgoboroiion in groote zonden vallen, afvallig, ongeloovig worden, tegen de waarheid gekant. Do voorbeelden van Manasse, Paulus, Augustinus o.a.bewijzon dit. Sommige wedergeboren kindoren, in de macht der ongoloovigen geraakt, worden buiten de kerk in hot heidendom of het libertinisme opgevoed en komen eerst later tot bekoering.

En eindelijk komt Voetius weder geheel op hot standpunt der vroegere (lerefornieorde theologen re staan: -l!it het verbond is to praesumeeren do wedergeboorte en do ver-

1) p. 410 sq.

-ocr page 284-

276

kipzing\' der kindcmi. , Wordt niot tcvergoi\'t\'s,quot; zoo luidt de vraag, „den kinderen des verbonds de doop toegediend, daar hij slechts voor do uitverkorenen en wedergeborenen een zegel is? Of\' moet men niet deze voorwaarde (gelijk ergens de llcmonstranten tegenwerpen) er bijvoegen: Ik doop n, indien gij uitverkoren zijt?quot; Maar het antwoord zegt: „Op geene andere wijze wordt de doop den kinderen bediend en het woord der belofte hun toegepast, dan den volwassenen het avondmaal des .11 eeren of de doop. Want uit Je uiterlijke belijdenis (waarmee in het kind overeenkomt de belijdenis der ouders als de voorwaarde en het, naar aanwijzing van het \\\\ oord Gods, voor ons voldoende teeken) wordt het innerlijke geloof en de innerlijke bekeerimj (waarmee weder in het kind overeenkomt de Geest en het zaad des geloofs) ondersteld. Indien deze aanwezig zijn, worden ze door den doop, die eigenlijk en formeel het zegel is, verzegeld; indien niet, zoo verzegelt de doop nids. De bedienaar van het sacrament steunt alleen op het oordeel der liefde, gelijk zijn plicht is, en zondigt dus in zulk een geval niet. Over den staat van den doopeling stelr hij geen nader onderzoek in, noch kan zich daarover bekommeren. Op gelijke wijze en met gelijke zekerheid verkondigt hij den volwassenen de beloften des Evangelies en past ze hun toequot; \'). Dit stemt reeds overeen met hetgeen we, b.v. bij Ursinus, zoo duidelijk beredeneerd vonden.

Maar Voetius gaat nog verder. Of er onder de vroeg-stervende verbondskinderen ook verworpenen zijn. wil hij niet beslissen. Maar hij vindt er geen enkel bewijs voor. Veeleer „is dit de vrij algemeene leerstelling, dat. aan de uitwendige genade en het uitwendige verbond altoos het inwendige beantwoordt, als de beteekende zaak aan het teeken, ten-ij of de tegenwoordige staat of de volgende uitkomst door de vruchten van ongeloof en onbekeerlijkheid liet tegendeel aantoont en bewijstquot; =). 1 )it is weder geheel hot standpunt der

1) p. 412 sq.

2) p. 419.

-ocr page 285-

27T

oorsto Gereforinoordcn. Al neemt Voetiua dus do onderscheiding van uit- en inwendig genadeverbond aan, uit hoofde van Je uitverkiezing, hij rukt het uiterlijke en het innerlijke niet uiteen, maar leert, dat ze, totdat het tegendeel blijke, ondersteld worden aan elkander te beantwoorden.

En zoo nu opgevat, heeft deze zijne uitspraak met het oog op de kinderen des verbonds, die gedoopt worden, groote beteekenis; „Het gevoelen (der Gereformeerde godgeleerden) is bekend, dat de kracht des doops niet bestaat in liet voortbrengen der wedergeboorte, maar in hel verzegelen der wedergeboorte, die reeds gewerkt isquot; \').

Resultaat van ons onderzoek naar do dogmatische ontwikkeling van ons leerstuk hier to lande tot op de Dordtsche synode is derhalve, dat wel in den strijd over de uitverkiezing, in verband met den toestand der kerk destijds, do onderscheiding van uit- en inwendig genadeverbond opgekomen is, maar nochtans de leer bloef gehandhaafd, dat do doop ook bij de kinderen voor het zegel van oeno reeds in hen go-werkte wedergeboorte, in hot algemeen genomen, moet gehouden worden. Van do kinderen der geloovigen, die in de jeugd sterven, beleed men zonder eenige weifeling do uitverkiezing en de zaligheid. Van de anderen onderstelde men de wedergeboorte, totdat zij door ongeloof en ongehoorzaamheid het tegendeel openbaarden. Heerschcnde leer was derhalve nog; de wedergeboorte is in de kinderen zoowel als inde volwassenen de geestelijke grond voor don doop.

We hebben thans nog, om te bewijzen, dat onze vador-landsche Gereformeerde godgeleerden in dit hun oordeel niet alleen stonden, maar dat alzoo hot doorgaande gevoelen der toenmalige Gereformeerden luidde, enkele korte uitspraken van bekende buitenlandsche theologen op te nemen. Daarvoor komt in de eerste plaats in aanmerking ÏIlEEOXYMÜS Z.VNCHEUS.

„Voorwaarde om den doop te kunnen ontvangenquot;, ver-

1) p. 412.

li)

-ocr page 286-

278

klaart Zanchius, ,is, dat do doopolingen niet don Geest des geloof» en dor bekeering begiftigd zijn. Omtrent de volwassenen bestaat liicrovor geen twijfel. Maar, wat van de kinderen te donkon, die zicli nog niet metterdaad (acta) kunnen bekoeren noch golooveii? Waarheid is het ant-van Augustinus en anderen: zij worden op liet geloof der kerk en dor ouders gedoopt. Maai\' ik voeg er bij, dut zij ook zeiven met den Geest des geloofs en der bekeering behoort-n begiftigd Ie worden (addo, hos otiam Spiritu fidei et resi-piscéntiae donari oportero), naardien zo met den inwendigen doop mooten gedoopt worden en de zondevergeving ontvangen. Want wie don Geest van Christus niet hebben, die zijn van Christus nietquot; \').

„Ofschoon dus de uitverkoren kinderen dor goloovigen liet dadelijke geloof nog niet kunnen hebben, met den Geest dos goloofs mooten zij toch begaafd zijn, zoo ze hot eeuwige leven zullen ingaanquot;quot;).

Voor zulke uitverkoren kinderen moet men allo gedoopton houden, totdat zij „door voortdurende wandaden of afval van de kerk betoenen, dat ze nooit het ware geloof in Christus noch don Geest van Christus ontvangen hebbenquot; :\').

„Sommigen van de kinderen ovenals van de volwassenen wordt vóór den doop de Geest des goloofs geschonken, door wien ze Christus ingelijfd worden en zondevergeving bekomen en wedergeboren worden; anderen daarentegen worden in den doop met deze goederen begiftigdquot;. „Wie vóór den doop deze gaven ontvangen hebben, verkrijgen in den doop niet slechts de verzegeling en bevestiging, maar ook de vermeerdering er van, omdat de Geest van Christus krachtdadig werkt bij de doopsbediening in de uitverkorenenquot; \')•

Zanchius oordeelt dus, dat do kinderen dor goloovigen,

]) Opbba ïheologica, de cultu Dei externa, toni. IV, c. 440.

2) o 1., de praedestinalione electorum, VII, c. 314.

3) VII, 318.

4) Comment, in Epist. ad Ephesios, uitgegeven ia de Bibl. üepobm. door wijlen Prof. A, H. de Hartog, p. 300 eu 302.

-ocr page 287-

279

die voor uitverkorenen to houden zijn, geloof en wedergeboorte ontvangen of vóór of in den doop.

Amanuus Polanus a polaxsoorr beschouwt het voor (H-ne uitgemaakte zaak, zoo de kinderen in hot verbond staan, dat ze dan ook aan de beloften en goederen des verbonds deel hebben. „Den kinderen is de H. Geost beloofd, en Hij wordt hun ook in waarheid geschonken en Hij is niet werkeloos in hen, maar zij worden door 1 lom geheiligd en wedergeboren.quot; Ook bezitten do kinderen het geloof: .,Het zaligmakend geloof is in de harten der kinderen, die ten leven verkoren zijn, als eon vermogen (virtus), zonder den dienst des AV oords Gods in hen gewrocht (creata) door den H. Groost, die naar do mate hunner bevatting, in hen neigingen cn bewegingen verwekt, en, als zo ouder worden, allengs hot vermogen vormeerdert en sterkt, opdat zo niet slechts habitu, maar ook vervolgons

actu gelooven.....quot;

„Het zaligmakend geloof is dus in de kindoren aanwezig als oono aangevangen hebbelijkheid en als (»011 zaaJ, (lat do Geest in hunno harten gezaaid heeft (est in principio habitus et velut in somine quod in cordibus illorum Spiritus Sanctus insovitquot;) \').

Eenigszins anders dan do voorstelling van Zanchins en Polanus, ofschoon in het wezen der zaak mot hen overoen-komonde, luidt die van

lluxiiurs Ar/rrxo.

AIting maakt onderscheid tusschen do heiligheid des verbonds en do heiliging door den 11. Geest. ., Ons gevoelen is, dat de kinderen dor goloovigen heilig geboren worden, afgezonderd van de ongeloovige volken, zoo n.L, dat zij vanwege hunno geboorte geeno heidenen, maar Christenen zijn, bohooronde tot het verbond ou do kerk van God. i\'.n daarom wordt do heiligheid hier niet verstaan in qualita-tieven zin, alsof hot eono hebbelijke heiligheid ware, maar in relatieven zin^ zoover ze het redd des verbonds aanwijst^ 1) Syntagma Thsologiae Christiauae, p. 1050.

-ocr page 288-

280

zoudat hoilig geboren worden is als bondeling geboren wordenquot; \').

Jfaar tocli loochent bij niet, dat de innerlijke heiliging des Geestes met deze verbondsheiligheid kan samengaan en ook werkelijk in de kinderen voorkomt. ,Omdat de genade des verbonds hun beloofd is, daarom bestaat de heiliging (n.1. des Geestes) in henquot;. En wederom: ,Omdat de kinderen bekwaam zijn, hot sacrament der wedergeboorte te ontvangen, zijn ze ook bekwaam voor do heiliging zelvequot; :). Daarom schrijft Alting don kinderen ook een geloof, gewekt door do werking des Geestes, toe: „Zij worden gerechtvaardigd door hun gigen geloof, hetwelk niet eene dadelijke kennis en een dadelijk aannemen der genade Gods in Christus is, maar eene beweging des H. Geestes, voor hen passende, doch voor ons verborgen. Deze H. Geest, den kinderen gegeven, is niet werkeloos in hen; maarwat Ifij bepaaldelijk in hen werkt, en in wie Hij het werk dei-wedergeboorte uitvoert, dat weten we niet zeker. Gelijk de Geest den geloovigen met onuitsprekelijke verzuchtingen te hulp komt, zoo werkt Hij in de kinderen bewegingen, die ons onverklaarbaar zijnquot; :i).

Johannes Henrious Alsted

maakt onderscheid tusschen zulke uitverkoren kinderen, die op jongen leeftijd sterven en dezulke die in leven blijven. „Genen wordt het geloof gegeven in de teedere jeugd, dezen ten tijde, dat God wil. Want het reohtvaardigmakend geloof wordt alleen den uitverkorenen, maar ook dezen allen, hoofd voor hoofd, ook den kinderen, ten minste wat het zaad of den wortel aangaat, gegeven ... En voorwaar, hot zou ongerijmd zijn, tweeërlei kracht ter zaligheid te verzinnen, eene voor de uitverkoren kinderen, en eene voor de uitverkoren volwassenen; eveneens tweeërlei wijze, om

1) Tkeologia problemalica, loc, VII, probl. 18, p, 433.

2) o.l., ioc. XVIII, probl. 3, p. 732.

3) loc. XIV, probl. 8, p. 952 ; cf. Scriptores thcologici Heidel-hergenses, torn. Til, p. 321.

-ocr page 289-

Grode to boliagen, en eindelijk tweeërlei manier, waarop de uitverkorenen Christus zouden ingelijfd worden, hetwelk toch degenen doen, die den kinderen hot zaad des geloofs ontzeggen.

Hier komt bij, dat de Schrift slechts twee klassen van menschen vermeldt, geloovigen on ongeloovigen Joh. 3 , 5. 0. Men behoort echter wol tweeërlei actie des geloofs te onderscheiden, de eerste en de tweede; door de eerste ontstaat het geloof, door de tweede werkt het. De uitverkoren kinderen, die in de prille jeugd sterven, hebben hot geloof in do eerste, niet in do tweede actie ; in het zaad, niet in de vrucht, die men oogst (in semente non in messe) ; in do toerekening, niet in het uitwendig werken der gerechtigheid (hnputatione iustitiae, non operatione externa). Derhalve worden de uitverkoren kinderen gedoopt, of op een in hen aanwezig zijnd, hebbelijk geloof, of op een toekomstig, dadelijk geloof (vel in fklem habitualom praesen-tem, vel in fidem actualem futuram). Niotsbeduidend zijn dau ook do argumenten, die tegen deze leer aangevoerd worden, ontleend aan het dadelijke geloof en liet gehoor des Woords, waaraan het geloof in den regel enmiddel-lijkerwijs zijnen oorsprong danktquot;\').

„Wat do niet-uitverkóren kinderen aangaat, do kracht van den doop in hen is duidelijk, inzoover hij lum evenals den uitverkoren kinderen oen merktoeken is van opneming in het verbond of in de uitwendige kerkquot;

Mot Alstod sluiten wij de rij der dogmatici. Nu we het gevoelen van voorname buitonlandsche godgeleerden, van wie de laatste twee zitting gehad hebben in do Dordtsche synode, met do leer dor Jvedorlandsche godgeleerden vergeleken en vrijwel eensluidend bevonden hebben, weten wij genoeg, om te verstaan, welke loer te Dordrecht kerkelijk vastgesteld zijn moot.

Hierover hot volgende hoofdstuk.

1) Thcologia polemica, Pars IV, contr. 5.

2) Loei communes, p. 146.

-ocr page 290-

HOOFDSTUK III.

Do Kerkolijko Vaststelling van het Dogma.

§ 1. Inleid ixg.

Met opzet plaatsen we de kerkelijke vaststelling van ons dogma in de synode van Dordrecht KilO. AVel is waar had do Groloofsbelijdenis, door de Brés opgesteld, reeds sinds de synode van Antwerpen, 1565, en had de lleidelbergsche Catechismus, door Datheen vertaald, van de Emdensche synode 1571 af, kerkelijk gezag verkregen, maar eerst te Dordrecht is toch de finale sanctioneering der kerkleer gevolgd. Daar immers werden de vijl Artikelen tegen de Remonstranten onder de Formulieren van eenigheid opgenomen. Daar ook worden (reloof\'s-belijdenis en Catechismus op nieuw geapprobeerd. In hun thans bekende gestalte hebben we do belijdenis-schriften der Gereformeerde kerken in Nederland van Dordt ontvangen.

Zoo ook hebben wij ze thans te beschouwen. Alet de voor dien tijd aangebrachte redactiewijzigingen laten we ons dus niet in. De variae lectiones gaan we voorbij. Slechts op een enkel punt mag hot do moeite waard heeten te vermelden, wat de oorspronkelijke lezing was. Maar overigens houden we ons geheel aan de officieele redactie van Dordrecht.

Ook bemoeien wc ons niet met do uitspraken van

-ocr page 291-

283

vroegere synodes over de doopskwestie. Ka te gaan, wat provinciale kerkvergaderingen naar aanleiding van allerlei bepaalde gevallen, besloten hebben, zon ons te ver van ons doel afvoeren. Alleen liet kerkelijk vastgestelde formulier vaTi den doop heeft voor ons direct belang. Jür formulier, niet de doopsvragen voor de bejaarden, voegen we aan do belijdenisschriften toe.

Ten einde echter te doen zien, dat de Gereformeerde kerkleer hier met die in het buitenland overeenstemt, nemen we bij wijze van vergelijking ook nog op de loer van twee andere belijdenisschriften van aanzien, t. w . de tweede Zwitsersohe Confessie van 1566, en de Westmin-stersche uit het jaar 1648.

Bovendien bepalen we ons thans niet uitsluitend tot den kinderdoop, maar vatten, ook om vasteren grond te geven aan ons vroeger ingenomen standpunt, toen wij juist Calvijn lieten optreden als den theoloog, die ons de zuivere Gereformeerde sacraments- en doopsbeschouwiug kennen deed, de gansche leer van de sacramenten bij die van den doop op, voorzoover ze op ons dogma betrekking heeft.

Xa hetgeen de Gereformeerde theologen van Calvijn at tot Voetnis toe ons geleerd hebben, valt het niet meer moeilijk, den zin der belijdenisschriften op de desbetreffende punten te verstaan. Ze bevatten immers niet anders dan de uitdrukking van de gedachte, die deze mannen bezielde.

Zeker zal men de leer der symbolen niet verstaan, indien men niet weet, wat het gevoelen was dergenen, die ze opgesteld en geapprobeerd hebben. En ongetwijfeld moet elke uitlegging dier geschriften valsch heeten, welke willekeurig eigen gedachten en eigen opvatting over haar laat heerschen. Xaar den geest onzer Gereformeerde vaderen, niet naar de afwijkende beschouwing van lateren tijd moet men de belijdenisschriften verklaren. AVant het zijn historische documenten, die eene historische uitlegging vorderen. Zóó moge de verklaring, die we thans gaan leveren, bevonden worden.

-ocr page 292-

2S4

§ 2. De Nederlandscme Gteeoofshehjdexis.

Artikel 33 over do sacramenten luidt aldus :

„Wij gclooven, dat ouzo goodo God, acht hebbende op ouzo grovigheid cn zwakheid, ons heeft verordend do Sacramenten, om aan ons zijne beloften to verzegelen, on om panden to zijn dor goedwilligheid eu genade Gods te onswaart, cn ook om ons geloof te voeden en te onderhouden; dewelke Hij gevoegd heeft bij het woord des Evangelies, om te beter aan onze uiterlijke zinnen voor te stellen, zoowel hetgene Hij ons te verstaan geeft door zijn Woord, als hetgene Hij inwendig doet in onze harten, bondig en vast makende in ons de zaligheid, die Hij ons mededeelt. Want het zijn zichtbare waarteekeuen en zegelen van eene inwendige eu onzienlijke zaak, door middel waarvan God in ons werkt door de kracht des Heiligen Geestes. Zoo zijn dan de teekenen niet ijdel noch ledig, om ons te bedriegen; want Jezus Christus is hunne waarheid, zonder wien zij niet met al zijn zouden. Voorts zijn wij tevreden met liet getal der Sacramenten, die Christus, onze ^leester, ons heeft verordend, welke niet moer dan twee zijn; to weten, hot Sacrament des Hoops, eu des heiligen Avondmaals van Jezus Christus.quot;

„ God . . . heeft verordend de Sacramentenquot;\'\\ dit strijdt niet met wat het vervolg zegt, dat Christus ze verordend heeft, noch met art. 84, dat (hristus don doop, on art. 35, dat hij het avondmaal verordend heeft, aangezien God de eerste en Christus de middeloorzaak is van deze verordening. God doet het door Christus.

Acid hebbende op onze grovigheid en zicakheidj\' legt den grond der instelling in de zwakheid onzes geloofs, gelijk Calvijn leerde, waarmede dus de leer van Zwingli, volgens welke ons geloof zoo sterk is, dat heit geene ondersteuning noodig heeft, teruggewezen wordt. Deze grovigheid of plompheid ziet op de zinnelijke neiging, bet staan naar zinnelijke, zichtbare bewijzen eu tastgrondon voor het innerlijke, geestelijke leven.

-ocr page 293-

2H5

„ Beloften te verzegelen, en om panden te zijn der. . genade Gods.quot; Belofte en genade, zegel on pand staan parallel. Belofte ziet op liet woord, dat ons Gods genade openbaart. Do genade is de gunst, do goedwilligheid GoAsjegen» ons, niet de genade in ons. Ze drukt de betrekking uit, waarin God zich tot ons stelt.

Daarom kan men beide, belofte en genade, samenvatten onder liet begrip: verbond. Immers, God noemt zijne beloften „verbondenquot; (Calvijn). Zoo nu wordt de doop „merkteekon des verbondsquot; gelieeten, art. 34. Dus zijn do sacramenten „heilige teekeneu en zegelen des genado-verbondsquot; \').

liet groote doel, waartoe de sacramenten ingesteld zijn, is echter, om ons geloof Ie voeden en te onderhouden. Dus niet om het tot stand te brengen. Daartoe dient het Woord. Het Woord is het middel om het geestelijke leven te wekken. .De tweede geboorte geschiedt door \'t woord des Evangeliumsquot;, art. 35. Maar het sacrament moet dat gewerkte nieuwe loven onderhouden, bewaren voor verkwijning, en voeden tor versterking. Op deze geloofsvoeding is de verzegeling der belofte aangelegd.

De Sacramenten liobben niet drie verschillende los naast elkaar staande doeleinden, de beloften te verzegelen, panden te zijn van Gods genade én liet geloof te voeden. .Veen! die uitdrukking: „en oo/t:quot; kan geeue andere strekking hebben dan om het hoofddoel der instelling aan te geven, waaraan de beide andere doeleinden ondergeschikt zijn. De sacramenten verzegelen de belofte eu zijn panden der genade, ten einde luit geloof te voeden, dat, ofschoon door God gewerkt, nog altoos aan zwakheid en grovigheid lijdt.

Daarom zijn de sacramenten Wgevoegd bij het woord des ]*jrangelltcm.i\'\'. Grondleggende kracht missen ze. liet quot;Woord is liet voornaamste, liet sacrament aanhangsel. Eene zelfstandige betoekenis, als lionie hun toekent, hebben ze niet. Kerst door het woord wordt het toeken sacrament

1) Confessie van Westminster, cap. 27, Niejietjeii, o. 1., Appendix, p. 38.

-ocr page 294-

286

Zondei\' liet woord hooft het sacrament goon zin. Als do oorkonde weggenomen is, beduidt hot zegel niets moer (Calvijn).

Op welke wijze nu voeden do sacramenten hot geloof? /e dienen .. om le heter aan onze uiterlijke zinnen rooi\' tr stellen, zoowel het gent; Hij ons te verstaan geeft door zijn W oord, als hetgéne Hij inwendig doet in onze harten.\'quot;

Hier wordt de genade Gods in ons genoemd. Hot sacrament stolt uiterlijk do innerlijke, mystieke genadewerking Grods in hot hart voor. In hot sacrament toch is oen toeken, oen zichtbaar element, dat tot het oog spreekt-Gelijk het \\V oord aan liet gehoor, zoo beantwoordt hot sacrament aan hot gezicht. Door hot zichtbaar toekon worden wij gesterkt in de waarheid van hetgeen we met hot oor vernamen. Die waarheid echter ligt niet buiten ons. Ze wordt in ons gerealiseerd. Do genade werkt „inwendig in onze harten.quot; Jlaar liet sacrament stolt ze aan do uiterlijke zinnen voor. Hot oog ziet in oen beeld do mystieke werking Gods in ons. Zoo in de onderdompeling bij don doop het afsterven des vleosches, en in hor eten des broods bij het avondmaal do geestelijke voeding.

Aan zulk eeno uiterlijke voorstelling van het mystieke geestesleven hebben we behoefte. Want dat is onze gro-vigheid en zwakheid, dat wij naar uiterlijke, zicht- on tastbare bewijzen voor het geestelijke geloof staan. Daarop hooft God acht genomen en het zichtbare sacrament ingo-steld. En alzoo is Hij „bondig en vast makende in ons de zaligheid, die Hij ons mededeelt.quot;

Het genadewerk Gods in ons blijft niet langer iets geheel mystieks, onbestemds; het komt tot ons bewustzijn. I Iet wordt door woord on toeken voor ons verstand vertolkt-Wij ontvangen bewuste konnis der genade. En niet slechts kennis, maar ook zekerheid. Zekerheid van wat God inwendig in ons doet. Zckcrhoid van de zaligheld, die Hij ons mededeelt. Immers, wat God begonnen heeft, zal Hij ook voleinden. Hij breekt zijn werk niet weder af.

-ocr page 295-

287

Do wedergeborene verliest de genade niet weer. Hij zal tot hot einde toe volharden.

Zoo zijn dan de sacramenten „zichtbare waartee.kenen (signa) en zeyvlen (sigilla) van eene inwendige en onzienlijke zaak.quot; Boido sacramenten, doop en avondmaal, hebben als teekonon eene betookende zaak, dio zij uiterlijk voor-stollen. De doop booldt do planting, hot avondmaal do voeding des niemvon levens at\', (art. 35 : „te voeden on te onderhouden degenon, die Hij alreeds wedergeboren . . heeftquot;).

Haar do sacramenten zijn niet bloot tookonen, die uiterlijk iets innerlijks voorstellen. Hot zijn teekonon en zegelen „door middel waaraan God ia ons werkt door de kracht des Heiligen Geestenquot;

Hot uiterlijke on liet innerlijke staan dus uiot dualistisch naast elkaar, zooals Zwingli wilde. Er bestaat verband, oen zoor nauw verband. Er is eene sacramentoelo eenheid, oen unio saoramentalis (Bullinger) \')• J)c uit-woudigo tookonen zijn ook middelen, waardoor God innerlijke wenado te weeg brengt. Do sacramenten zijn getiadeinid-delen (latijn : por quao, cou por modia Heus ipse . . operatul).

Ze hebben, gelijk Calviju loerde, eene exhibitieve botoekenis. Daadwerkelijk brengen ze genade teweeg 1).

Haar hoe? Niet door eigen, inhaorente kracht, zooals Homo wil. Ook niet zoo, dat God duor hot uiterlijke toeken of woord hoon, do genade in het hart inbrengt, gelijk do Lutherschon loeren. Xoen! lt; iod werkt ..door de kracht de* Heiligen Geedcf,\' n.l. door dio kracht dos Geostos, die daar hij het zichtbare element en woord komt, en wat oo^ en oor hebben opgevangen, nu verder draagt

1

Bii deze gelegenheid achten we ons geroepen op te komen teoen de voorstelling van wijlen prof. J H. Slholïen, in zijne Leer der Hervormde Kerk, 4e dr. 11, hl. 310 en elders, volgens welke de Gereformeerden de sacramenten sleclits beschouwen als significantia, en niet als exhibentia.

-ocr page 296-

288

on inschrijft in hot hart, dat Hij to voron ontvankelijk gemaakt hooft (Calvijn).

Alzoo blijft hot onderscheid tuaschen het uiterlijke on hor innorlijke, maar door die hijkomendo working dos Creostos ondorhondon zo een nauw verband. ,Er bestaat tusschon toeken en beteokonde zaak eone goostolijko bo-trekking \'). Met hot tookon wordt tegelijkertijd (simul), of insgelijks, met dezelfde zekerheid (similiter), zooals Cahijn liet uitdrukt, do genade goschonken. „De ge-loo\\ igon hebben tevens aan do boteekendo zaken op geestelijke wijze doolquot; \').

Op deze wijze wordt het doel der sacramentsinstelling, de voeding dos goloofs, bereikt. Daaruit volgt van zelf, dat het sacrament geen nut doet voor hem, die geen go-loof bezit. A oor den hypocriet zijn toeken on betookondo zaak niet samengevoegd, art. 35. Maar do goloovigen, de uitvorkoronon, genieten allon do weldaad van hot sacrament :l).

Daarvoor staat (rods waarachtigheid borg. De teekenen zijn met ijdel noch ledig, om ons te bedriegen, (iod komt niet met ledige handen tot ons. Hij .bespot onze oogen niet door eene ijdele vertooningquot; (Calvijn).

. W ant Jezus Christus is hunne waarheid, zonder wien zij niet met al zijn zouden.quot;

De materie, do substantie, do grondslag van liet sacrament is Jezus Christus. Al bedriegt ons dus de dienaar, (\'od bedriegt ons niet. Al schuilen or hypocrieten onder do geloovigen, liet genademiddel tiods behoudt zijne geldigheid. Oj) Jezus Christus steunt het wezen van hot sacrament. Tn Hem ontvangen we al wat ons voorgesteld wordt. Zonder Hem niets, met Hem alles. Dienvolgens komt hot geheel op de gemeonschap met Christus aan. Hij is het middelpunt der sacramentshandoling. Zooveel

-ocr page 297-

289

nut trokken wc uit hot gobruik van hot sacraniont, ills wo in Christus\' gomoenschap vorcloreu (Calvijn). En toono-ming in Christus\' gomoenschap is versterking van hot geloof. Zoo beantwoorden de sacramenten, de zichtbare waartookonon en zegelen, doordat zo nauwere verbintenis tusschen Christus en ons tot stand brengen, aan hot dool, waartoe zo verordend zijn, ons geloof te voeden en te onderhonden. De boteokonis dor sacramenten is: zij ster-leen het geloof.

.. Voorts zijn wij tevredenquot; met liet tweetal sacramenten, doop on avondmaal, omdat niot naar monscholijke w illekeur, imiar naar do instelling van Christus het getal dor sacramenten bepaald wordt.

Over do paraonotischo boteokonis dor sacramenten, hot vermanend doel, zooals a Lasco zei, wordt in dit art. ■)•! niet gesproken. Die komt bij do afzonderlijke saoramenton aan de orde, zoowel in art. 35 ovor \'t avondmaal als in art. 84 over den doop.

Maar bovendien merken we hier op, dat wat van do saoramenton in het algemoen goldt, ook op elk sacraniont speciaal van toepassing moet zijn. Indien dit niet zoo ware, zouden wo art. 34 over den doop allicht misverstaan, en tot het resultaat van Prof. J. I. Doodes komen \'), dat er oene reeks tegenstrijdigheden in de artt. 33 en 34 te vinden zijn. Doch dit is niet aan to nemen, zoolang men in den opsteller onzer belijdenis, hoeveel hij ook bij di\' vervaardiging dezer belijdenis van elders ontleende, nog zooveel gezond verstand onderstelt, dat hij wist, wat hij schreef. En nog sterker, zoolang men nog erkent, dat al die Gereformeerde theologen, die vóór en na, het laatst op de synode van Dordrecht, de belijdenis geapprobeerd hebben, genoeg onderscheidingsvermogen bezaten, om geen stuk als kerkelijk symbool te ijken, dat zich iu twee opeenvolgende artikelen lijnrecht tegenspreekt.

1) Geloofsbelijdenis en Catechismus, I, bl. 428 vv. 462 etc.

-ocr page 298-

2911

Maar uit do voorgaande lioofdstukken Lebben wij voldoende loeren kennen, dat do Grereformoordon ook omtrent den doop beleden, dat hij als sacrament tot hoofddoel heeft de voeding\' en onderhouding des geloofs.

In dien geest hebben we dan ook art. 34 dor belijdenis te verklaren. Het luidt aldus :

Van dex HEiLtOEx Doop.

-Wij gelooven en belijden, dat Jezus Christus, die het einde der wet is, door zijn vergoten bloed een einde gemaakt heeft aan alle andere bloedstortingen, die men zoude kunnen of willen doen tot verzoening en voldoening der zonden; en dat Hij, afgedaan hebbende do Besnijding, die met bloed geschiedde, in do plaats daarvan heeft verordend het Sacrament des Doops, door hetwelk wij in de Kerke Gods ontvangen en van alle andere volken 011 vreemde religiën afgezonderd worden, om geheellijk Hem toegeëigend te zijn, zijn merk en veldteeken dragende ; en het dient ons tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een genadig Vader. Zoo heeft Hij dan bevolen te doopen alle degenen, die de zijnen zijn, in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, alleen met rein water; ons daarmede te verstaan gevende, dat, gelijk het water do vuiligheid des lichaams af-wasoht, wanneer wij daarmede begoten worden, hetwelk op het lichaam desgenen, die den Doop ontvangt, gezien wordt, en hem besprengt, alzoo het bloed van Christus hetzelfde van binnen in de ziele doet door den Heiligen Geest, haar besprengende en zuiverende van hare zonden, en ons wederbarende uit kinderen des toorns tot kinderen Gods. Xiet dat zulks door het uiterlijke water geschiedt, maar door de besprenging des dierbaren bloeds des Zoons Gods, die onze Koode Zee is, door welke wij moeten doorgaan, om te ontgaan de tirannieën van Pharaö, welke is de duivel, en in te gaan in liet geestelijke land Kanaiin. Alzoo geven ons do Dienaars van hunne

-ocr page 299-

291

zijde het Sacrament, en liotgene dat zichtbaar is; maéjS onze lleere geeft hetgene düüi\' liet sacrament beduid wordt, te weten, de gaven en onzienlijke genaden, was-schende, zuiverende en reinigende onze zielen van alle vuiligheden en ongerechtigheden, en onze harten vernieuwende en die vervullende met alle vertroosting, ons gevende eene ware verzekerdheid zijner vaderlijke goedheid, ons den nieuwen mensch aandoende, en den ouden uittrekkende met allo zijne werken. Hierom gelooven wij, dat, zoo wiens voornemen is in het eeuwige leven te komen, die moet maar eens gedoopt worden met den eenigen Doop, zonder dien immermeer te herhalen; want wij kunnen ook niet tweemaal geboren worden. Doch deze Doop is niet alleen nut, zoolang het water op ons is, en dat wij het water ontvangen, maar ook al den tijd onzes levens. Hierom verwerpen wij de dwaling der Wederdooperen, die niet tevreden zijn met een eenig doopsel, dat zij eens ontvangen hebben, en daarenboven verdoemenden doop der kinderkous der geloovigen; dewelke wij gelooven, dat men behoort te doopen on mot het morkteeken dos ver-bouds te verzegelen, gelijk do kindorkens in Israël besneden werden, op dezelfde beloften, die onzen kinderen gedaan zijn. Eu voorwaar, Christus heeft zijn bloed niet minder vergoten om de kinderkous der geloovigen te wasschon, dan Hij gedaan hoeft om do volwassenen. En daarom behooren zij hot toeken te ontvangen en bot Sacrament van hetgene, dat Christus voor hen gedaan heeft; gelijk de Hoere in de wet beval hun mede te doelen hot sacrament des lijdens en storvous van Christus, kort nadat zij geboren waren, offerende voor hen een lammeken, hetwelk was oen Sacrament van Jezus Christus. Daarenboven, hetgene de Besnijdenis deed aan het Joodsche volk, hetzelfde doet de Doop aan ouzo kinderen; welke do oorzaak is, waarom de Heilige Paulus den doop noemt do besnijdenis van Christusquot;.

Onze toelichting van dit artikel kan na hetgeen ons art. 33 geleerd hooft, betrekkelijk kort zijn. AVo volstaan met de volgende aauteekeningon.

-ocr page 300-

292

Christus, licet hot, hoeft de besnijdenis afgedaan, daar hij het einde, de vervulling der wet is, ou oeue volkoiueuo verzoening en voldoening der zonden aangebracht heeft, welke niet herhaald behoeft noch behoort te worden. Schoon dus niet formeel, dan toch iu het wezen dor zaak, hoeft Christus do besnijdenis afgeschaft en den doop daarvoor in de plaats gesteld. De doop vervult thans don dienst, dien de besnijdenis oudtijds verrichtte. Vroeger diende de besnijdenis, om in do kerk van (iod, toon tot Israel beperkt, op te nemen; zoowel voor de volwassenen als voor do kinderen. Zoo ook worden wij thans door don doop „in de kerke Gods ontvangen.quot; Eerst „wijquot; vohvasse-non, wij. die „gelooveh en belijdenquot;

Doze kerk is de zichtbare, uitwendige. Maar de zichtbare is de openbaring van de onzichtbare, van hot lichaam van Christus. Voor hot bewustzijn onzes geloofs zijn beide, zichtbare en onzichtbare, samengevoegd. De opneming in de zichtbare kerk is ons de bevestiging van onze inlijving in Christus\' lichaam\'). Wij worden, zooals Bullinger \'t uitdrukt, door het doopsel zichtbaar Christus ingelijfd. Onzichtbaar waren wij het reeds; nu zijn we het ook zichtbaar.

Bovendien worden wij daardoor „van alle andere volken en vreemde religiën\'\'\' afgezonderd. Immers, de doop is het onderscheidingsteeken, waaraan men de christenen onderkent.

En hij is ook een toeken van toewijding tot don dienst van God, gelijk de soldaten hun standaard, hun „merk en veldteekenquot; (symbolum et insignia) dragen.

Dat is de ethische zijde van den doop, zooals Zwingli haar reeds voorstelde.

De andere zijde is, het „getuigenis, dat Hij in eeuwigheid onze God zijn zal, ons zijnde een genadig Vaderquot; (latijn : cpxi et Pater nobis est propitius).

1) De Conf. Weshn. cap. 28, § 1, o.l. p. 39, onderscheidt de verzegeling van het genadeverbond on die vau de inleving iu Christus, waarmee zondevergeving en wedergeboorte gepaard gaan.

-ocr page 301-

293

Do doop boholst dus oeno bolofto voor do toekomst : God zal eeuwig onze God zijn, en deze belofte steunt op eene waarheid, die reeds tegenwoordige realiteit bezit : God is ons een genadig Vader.

Met het oog op deze drie gronden nu ; liet feit dat God onze Tader is; de belofte, dat Mij eeuwig onze God hlijfi, en de verplichting, dat wij als geestelijke krijgers zijn veldteeken zullen dragen, heèft God bevolen te doopen, ..alle degenen, die de zijnen zijn.quot;

Voor zoodanigen toch gelden allen, die gelooven en belijden.

De kerk moet degenen, die ze doopt, voor kinderen Gods houden. Anderen zal zij niet mogen doopen ; geene vreemde volken, geene ongeloovigen, geene goddeloozen. Gedoopt moeten worden wie Godes zijn.

Welke beduidenis heeft nu de doop ?

Hij geeft ons in de eerste plaats eene uiterlijke voorstelling van eene innerlijke, onzienzijke zaak. .Gelijk het tea\'er de vuiligheid des liehaains afwascht, alzoo volbrengt Christus eene afwassching ..vait binnen in de ziele door den JJeiligen Geest.quot;

Deze innerlijke afwassching omvat tweeërlei genade. Vooreerst is Christus de ziel .besprengende enhaar zuiverende van hare zonden.quot; Niet natuurlijk .door het uiterlijke water, maar door de besprenging des dierbaren bloeds des Zoons Godsquot;. Daardoor worden wij verlost van de heersohappijen, de „tirannieën des duivels; om in te gaan in het geestelijke land Kanaclnquot;. I lier wordt dus het objectieve, de verandering van staat, aangeduid, de overbrenging uit den staat der zonde in den staat der ■ genade, welke Calvijn door het begrip: zondevergeving uitdrukte.

Maar met deze objectieve staatsverandering gaat eene innerlijke verandering des harten gepaard. Christus is ook door den Heiligen Geest „ons wederharende uit kinderen des toorns tot kinderen Godsquot;. Wedergeboorte door den H. Geest heet de tweede genade, die door den doop afgebeeld wordt.

io

-ocr page 302-

294

Doch lirr is niet alleen deze figuurlijke voorstelling van onzienlijke genade, welke de doop geeft. Kr lieeft ook in den doop tegelijk eene daadwerkelijke, exhibitieve inededeeling van genade plaats. Terwijl „de Dienaars van hunne zijde het Sacrament en hetgene dat zichtbaar iV\', geven, geeft „onze Here hetijene door het Sacrament beduid wordt, te u-eten de (jaren en onzienlijke genadenquot;, en wel do zondevergeving, doordien hij is „wasschende, zuioerende en reinigende onze zielen van alle vuiligheden en ongerechtighedenquot;, en de wedergeboorte, doordien hij is „onze harten vernieuwende, ons den niemven inensch aandoende en den ouden uittrekkende met alle zijne werkenquot;. Inde vernieuwing, het uittrekken van den ouden en het aandoen van den nieuwen inensch toch moeten w e onderscheiden, gelijk Junius ons heeft voorgesteld, tusschen het werk van Christus in ons, die ons het beginsel der genade schenkt, en het werk van 0)is door de medewerkende genade Gods, uit de actie van Christus in ons voortvloeiende. En nu, wat Christus in ons werkt door Zijnen Geest, dat is de wedergeboorte.

Zulk eene actie van Christus grijpt er plaats in en met den doop. Xiet echter zoo, dat eerst in den doop het beginsel der wedergeboorte door Christus ons geschonken wordt. Wij gelooven reeds te voren. -Maar ons geloof wordt door den doop gevoed en versterkt. Het ontvangt „alle vertroostingquot; „ware verzekerdheidquot;. De wedergeboorte wordt in ons bevestigd.

Zoo dient do doop tot een middel, waardoor God zijne onzienlijke genade in ons werkt door de kracht des 11. Geestes, naar art. 33 \').

1) cf. Conf. Jlelv. art. 20, o. ]., p. 517 : »Nam intus regenera-mur, purificamur, et renovamur a Deo per spiritum sauctnm : Joris autem accipimus obsiguationem maximorum donorum, in aqua.quot;

De Conf. cap. 28, § 5 herinnert er aan, dat de genade niet

zuo persoonlijk aan den doop gebonden is, dat niemand zonder den doop op de zaligheid zou mogen hopen, of alle doopelingen wedergeboren zouden zijn.

-ocr page 303-

295

Tusschon de beide gonadegaven, in don doop ons ge-schonkon: zondevergeoing en wedergeboorte., moeten wc editor goed onderscheiden.

De zondevergeving is als objectieve daad Gods, waarvan wij door liet geloof verzekering ontvangen, op eenmaal volkomen. l)c wedergeboorte daarentegen bestaat eerst in beginsel, gaat langzamerhand voort, ontwikkelt ziob, wordt in onze vernieuwing openbaar, en eindelijk voor den ingang in den hemel voltrokken. De zonde, beschouwd als zondeschuld kan dus gezegd worden door den doop, waardoor God ons van zijne genade verzekert, geheel weggenomen te zijn, maar, als innerlijke verdorvenheid onzer natuur opgevat, blijft ze, schoon van hare overheer-schende kracht door de wedergeboorte beroofd, nog bestaan. In dien zin luidt do uitspraak van art. 15 : ..(Do erfzonde) is ook zelfs door den Doop niet ganxcJialijk te mete gedaan, noch geheel uitgeroeid, aangezien de dadelijke zonde daaruit altijd als opwellend water uitspringt, gelijk uit eene onzalige fontein.\'1\'1

De oorspronkelijke lezing hiervan echter was: ..Knde en wert ooc door den Doop niet wech ghenomen \'). Hierin spiegelde zich geheel de geest van Zwingli at. die den doop niet voor een genademiddel Gods erkende, maar voor weinig meer dan een kerkelijke plechtigheid van onze zijde. Kaar die opvatting staat de doop tot de wegneming der zonde in geene andere dan in eene symbolische betrekking. De Xederlandsche Gereformeerden evenwel leerden een rechtstreekseh verband door de bij den doop zich parende werking des Geestes, die aan het geloot de verzekering van zondevergeving en wedergeboorte schenkr. Xaar den stelregel van Calvijn, dat in den doop ons zooveel van Godswege geschonken wordt als ons geloof ervaart, hebben zij, zonder daarbij aan het doopwater eenige zonde-reinigende kracht te willen toekennen, de oorspronkelijke

1

J J. van Toorenenbeugen, de symholischc schriften, bl. 28.

-ocr page 304-

\'296

lozing vpvrtiulonl on gnzogd: „do erfzonde \\s niet ganschelijk door don doop to niete gedaan, 7ioc/t geheel uitgeroeid; waarmede dus uitgedrukt werd: wel voor een deel, n.1. wat de toerekening aangaat, is ze geheel te niet gedaan en door do inplanting dor wedergeboorte is ze in beginsel uitgeroeid, maar de overblijfselon der zonde toonen zich nog, als opwellend water uitspringende uit eone onzalige fontein \').

Alzoo opgevat, heeft de doop gewichtige beteekenis. Door God verordend tot een middel, waardoor wij genade ontvangen, moet hij door ons in hooge eere worden gehouden. Verachting van Gods instellingen veroordeelt ons. ..11ierom gelooven wij,\' dat, zoo wiens voornemen is in het eeuwige leven te komen, die moet gedoopt wordenquot; en wel, .maar eens, met den eenigen Doopquot; Slechts eens, itiet tweemaal, want do doop is oen zegel der wedergeboorte^ en het staat immers vast, dat wij ^niet tweemaal kunnen geboren wordenquot; Maar dan toch eens. We mogen het niet verzuimen. Het is Gods bevel. Die dit bevel ongehoorzaam is, wordt gestraft -).

Daarentegen, die het opvolgt, geniet van den doop rijke vrucht. Want de doop behoudt zijne kracht over den ganschen duur van ons leven. Hij is „niet alleen nul zoolang het water op ons isquot; en wij het water ontvangen, maar ook al den tijd onzes levens.:i) Met het oog ook hierop, moet men „met een eenig Doopselquot; tevreden zijn.

Diensvolgens is de wederdoop eene dwaling.

Wat echter tot hiertoe met betrekking tot de volwassenen gezegd is, moet ook van de kinderen gelden, althans tot

1) Dat men bij dit te niet doen der erfzonde niet uitsluitend aan de wegneming der schuld, maar ook aan de inplanting der wedergeboorte denken moet is, o. i. duidelijk. Ook Makbsius, Conjessionis Exegesis, p. 2Ö0 wijst er op.

2) ef. Conf. Westm., art. 27, S 5.

3) Volgens de Conf. Westm., cap. 28, § 6, wordt zoowel in de kinderen als in de volwassenen door den H. Geest op zijnen bepaalden tijd de genade realiter aangebracht.

-ocr page 305-

op üokoro hoogtü, omdat hot zichtbare deel hij hen vin-valt. Anders zou men hen niet mogen doopen, ^\'lt;\'li.ik de Wedeidooperen beweren. Zij „verdoemen den dooji der kinderkens der geloovinen, dewelke wij gelooven, dat men behoort te doopen en met liet merkteeken des verbonds te verzegelenquot;.

Van do kinderen dor heidenen en ongeloovigen is natuurlijk geene sprake. Dezulken kunnen oorst na oen belijdenis huns goloof\'s gedoopt worden. Maar de kindoren dor goloovigen behoort men te doopen. Zij staan in hot verbond. Dat verbond moot hun door hot verbondsteeken verzegeld worden. Want op hen is bijzonder van toepassing, dat de besnijdenis door don doop is vervangen. Worden „de kinderen in Israël besnedenquot;, dan bohooron onze kinderen gedoopt to worden.

Daarvoor hebben we goeden grond.

En wol voornamelijk dozo: do kinderen staan tot Christus in betrekking; ze hebben aan Christus deel. In Christus toch hebben we de beloften van zondevergeving en wedergeboorte. Deze beloften haddon de kinderen in Israël, on „dezelfde beloftenquot; hebben de kinderen dor goloovigen nu. Men kan zo samenvatten onder het begrip : a/wasst7/j»^. Want, ofschoon men onder afwassching, good onderscheiden, alleen de zondevergeving verstaat, ook do wedergeboorte kan daarbij opgenomen worden1). Wedergeboorte, zeido do Bi\'ès,is „niets anders dan inwendige afwassching en reinigingquot;. Xu, zoo heeft . Christus zijn bloed niet minder vergoten om de kinderkens der qeloocigen te wasschen, dan Hij gedaan heeft om de volwassenen. .En daarom behooren zij het teeken te ontvangen en het Sacrament van hef gene, dal ( hristus voor hen (latijn: eorum causa) gedaan heeft.quot; Voor de kinderen hooft Christus zijn bloed vergoten; do kindoren wascht Hij inwendig door den II. Geest.

Zij hebben dus aan do beloften, die door don doop verzegeld worden, dool; zij bezitten do beteekende zaak door

1

Cf. Conf. Helv. quot;, o.l., p. 51-: »Res autem signilicata (van den doop) ost regenerulio vel ablatio a peccatis.

-ocr page 306-

298

Christus. Daarom bohooren zij ook hot teokon van dio beteckemle zaak, hot morkteeken des vcrbonds to ontvangen.

.Dit geldt van alle kinderen der geloovigen. Wij hebben, v(u-klaarde de lirès, van hunne zaligheid en verkiezing in Christus meer zekerheid dan van de volwassenen, die hun geloof belijden. De kracht „des Ujdens en ttervensquot; van (\'lii\'istus strekt zich, naar wij volgens het oordeel der liefde gclooven mogen, in het gemeen over allen uit.

Maar welke de innerlijke werking van den doop, ol\' liever van den Gieest Gods bij den doop, in de kinderen is, dat weten wij niet, want zij openbaren geen bewust leven. Daaromtrent zeggen wij, Gode de verborgen dingen overlatende, alleen dit: „ Hetgene de Besnijdenis deed aan het Joodsche volk, hetzelfde doel de Doop aan onze kinderen.\'quot; Men lette hier wel op, onze belijdenis zegt niet: hetgeen do besnijdenis was voor het Joodsche volk, hetzelfde is de doop voor onze kinderen, maar ze zegt, dat de besnijdenis iets .deedquot; (latijn: praestabat), en dat zoo ook de doop iets „doetquot; (latijn: praestat) aan de kinderen dei\' geloovigen. De belijdenis handhaaft dus ook bij de kinderen den doop als genademiddel, waardoor daadwerkelijk God zijne genade mededeelt; ze erkent de e.ehihitieoe beteekenis van den kinderdoop.

Onze conclusie omtrent de Xederlandsche Geloofsbelijdenis kan derhalve geene andere dan deze zijn ; ze leert èn bij de volwassenen èn iiij de kinderen een rechtstreeksch verband van doop en wedergeboorte, zóó, dat door den doop de bestaande wedergeboorte niet slechts zinnelijk vooi\' oogen gesteld en geleerd, maar ook krachtens de bijkomende werking des Geestes verzegeld en bevestigd wordt. Daarom heet het ook in art. 35 met kennelijke toespeling op den doop, dat het avondmaal dient ,0111 te voeden en te onderhouden degenen, die Hij (Christus) aireede wedergeboren, en in zijn huisgezin, hetwelk is zijne Kerk, ingelijfd heeftquot;.

-ocr page 307-

299

§ 3. DE Ui ilDELBEESOHE CATECI USMUS.

Gaan we thans over tot de verklaring van het tweede symbolische geschrift, den Ueidelbergschen Caleclnsmus. Om noodelooze herhaling van hetgeen wc in zake de goloofsbelijdenis opgemerkt hebben, te vermijden, stippen we slechts hot belangrijkste aan.

Over de sacramenten leert do Catechismus bet volgende:

,(i5. Vr. Aangezien dan alleen het geloofons Christus en alle zijne weldaden deelachtig maakt, van waar komt zulk geloof?

Anhc. Van den Heiligen Geest, die het geloof in onze harten werkt door de verkondiging des heiligen Evangelies en het sterkt door het gebruik van do Sacramenten.

lid. Vr. Wat zijn Sacramenten?

Antw. De Sacramenten zijn heilige zichtbare waarteekenen en zegelen, van God ingezet, opdat Hij ons door hot gebruik daarvan de belofte dos Evangelies des to beter te verstaan geve en verzegele; namelijk, dat Hij ons vanwege het eenige slachtotfer van lt; \'hristus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt.

(i7. Vr. Zijn dan beide, het Woord en de Sacramenten, daarhenen gericht, of daartoe verordend, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan hot kruis, als op den eenigen grond onzer zaligheid, wijzen?

Antw. Ja zij toch; want de Heilige Geest leert ons in liet Evangelie, en verzekert ons door de Sacrainontou, dat onze volkomeno zaligheid in de eouige ofterando van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is .

Opmerking verdient hier in de eerste plaats, dat de Catechismus met allen nadruk do beteekenis van de genademiddelen, zoowel van het \\\\ oord als van het Sacrament, legt in de betrekking, waarin ze ons tot Christus stellen. Zij zijn beide. Woord en Sacrament, verordend, om ons op Christus te wijzen.

-ocr page 308-

300

De gomeoiischnp met Christus, in wien wo al do weldaden dor gouado ontvangen, staat op den voorgrond.

Doze gomoensoliap nu wordt vorkregon door het geloof Door liet geloof toch worden we Christus ingelijfd {anlw. Op vr. 20).

Dit geloof echter is niet eens menschen werk, maar oono gave. Eene gave des Heiligen Greestos. Om deze gave mede te deelen gebruikt de Geest het middel des Woords. Hij .. werkt het door de verkondiging des heiligen Evangeliesy

Hierbij wordt natuurlijk het actueele geloof bedoeld. Want het is een geloof, dat ^ons Christus en alle zijne weldaden deelachtig maakt.\'quot; Het is een geloof, dat bewuste kennis bevat, want „de Heilige Geest leert ons in het Evangelie.quot; Alzoo een geloof, gelijk bet in deugene, die roods in den Catechismus onderwezen wordt, ondersteld wordt aanwezig te zijn.

Dit geloof werkt de Geest door het Evangelie. En Hij versterkt het door do sacramenten.

Dit is dus het onderscheid in werking tusschen AVoord en Sacrament: het Woord werkt, het Sacrament versterkt het geloof. Diensvolgens is voor hei gebruik van het sacrament do aanwezigheid van geloof voreischt.

Xader uitgedrukt wordt do betrokking tusschen Woord en Sacrament aldus. Het sacrament geeft ons _ de belofte dos Evangelies des te beter te verstaanquot;. Wat de Heilige Geest door liet Evangelie ons geleerd heeft, dat leert Hij ons nog nader door hot Sacrament. Want het Evangelie spreekt tot hot oor, en de sacramenten zijn „zichtbare waarteekenenquot; die tot het oog spreken. Maar bovendien zijn de sacramenten ook „zegelenquot;, waardoor God ons de belofte des Evangelies verzegelt, verzegelt zóó, dat wij verzekering des geloofs ontvangen. Do H. Geest .verzekert ons door do Sacramentenquot;.

Wat nu aangaat den inlioml van do bolofte, die door het Evangelie ons verkondigd en door de sacramenten

-ocr page 309-

301

verzegeld wordt, deze belu-lst: ^vergeving der zonden en het eeuwige levenquot;, of anders uitgedrukt „onze volkomene zaligheidquot;. Bijgevolg, alle genade.

Maar deze genade is alleen iu de gemeenschap niet Christus te vinden. Ze steunt „op de offerande van Jezus Christus aan het kruisquot;. 1 )aarheen wijzen ons beide genademiddelen. Want de offerande van Christus is „de ecmye grond onzer zaligheidquot;.

Zoo moet dan ook het sacrament des doops verordend zijn, om ons op de eenige offerande van Christus aan het kruis, te wijzen.

Voorts leert de Catechismus van den Heiligen Doop :

..69. Vr. Koe wordt gij in, den Heiligen Doop vermaand en verzekerd, dat de eenige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?

Anlw. Alzoo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zoo zekerlijk met zijn bloed en Geest van do onreinigheid mijner ziele, dat is, van alle mijne zonden, gewasschen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewasschen ben.

TO. Vr. Wat is dat, met het bloed en den Geest van Christus gewasschen te zijn V

Antw. Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben om des bloeds van * \'hristus wille, hetwelk Hij in zijne offerande aan het kruis voor ons uitgestort heeft; daarna ook, door den Heiligen Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer der zonden afsterven en in een Godzalig, onstraffelijk leven wandelen.

73. Vr. Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassching der zonden ?

Antw. God spreekt alzoo niet zonder groote oorzaak: namelijk, niet alleen om ons daarmede te leeren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water, alzoo

-ocr page 310-

302

ook onzo zondoii dooi\' liet bloed on den Geest van Jezus Christus ■weggenomen worden, maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Croddclijk pand en waarteeken wil verzekeren, dat wij zoo waarachtig! ijk van onzo zonden geestelijk gewassolien zijn, als wij uitwendig met het water gowasschen worden.quot;

In zekeren zin spreekt de Catechismus hier reeds over den kinderdoop. Want, practisoh als dit leerboek is, leert het den catechumeen, hoe hij den doop, dien hij in den regel voorlang, in zijne eerste jeugd, ontving, te beschouwen hoeft. Mij wordt op zijn eigen doop opmerkzaam gemaakt. De vraag richt zich tot hem persoonlijk: ,11 oe wordt cjij in den heiligen Dyop vermaand en verzekerd.quot;

Duidelijk komt dit uit in den Kleinen Catechisvius van .Micron, waar gevraagd wordt: „Is\'t oock genoechdatghy in v kinderdom ghedoopt zijt,quot; en daarna; „wat leert ghi dan in uwen Doop aenmerekenquot; ? \')

Wanneer er derhalve in onzen Catechismus uitdrukkingen voorkomen als: gowasschen te zijn, genade te hebben, geheiligd te zijn, dan bewijzen die, op zichzelf genomen, nog niet zoozeer, dat de genade, die verzegeld wordt, aan den doop voorafgaatquot;), maar veeleer heren ze, dat voor het bewustzijn van den gedoopte, die in don christelijken Godsdienst onderwezen wordt, met den vroeger ontvangen doop tevens de genade samengevoegd is, zoodat hij deze van dien tijd af gelooft te bezitten. Slechts daarin, dat de doop ons geloof versterkt door de verzekeviny, dat wij van onze zonden gowasschen zijn, ligt het klare bewijs, dat wij aan de genade vóór den doop deel hebben.

Deze genade nu, door den doop ons bevestigd en verzegeld, wordt afwassching van de onreinigheid der ziel, d.i. van do zonde, genoemd. Deze afwassching is echter tweeledig, eene met het bloed en eene niet den Geest

1) F. 204.

2j 0o latijusche tekst heeft ook uieeatul den te^enwoordigeu lijd.

-ocr page 311-

ao;?

van Christus. Do afwassching met het bloed van Christus is ..de vergeving dtr zonden om des bloed* Chrisii willequot;; do afwassching met den Geest van Christus is, „door den Heiligen Geest vernieuwd en rot lidmaten van Christus geheiligd te zijnquot;. Do wedergeboorte vormt dus (vgl. ook Ursinus boven aangehaald) een integreerend doel van do genade, door den doop verzegeld. Zo is vrucht des Geestes en hangt onmiddellijk samen met de inlijving in Christus. Zo openbaart zich „in .een Godzalig, onstraftolijk levenquot;.

Om deze oorzaak heet de doop in do Schrift ,bad der wedergeboortequot;. Xiot natuurlijk, alsof „hot uiterlijk waterbadquot; de wedergeboorte aanbrengt, want alleen „do Heilige Geest reinigt ons van allo zonde.quot; Maar vooreerst omdat God ons dooide symboliek dos doops leert^ boe „onze zonden door hot bloed en don Geest van Jezus Christus weggenomen worden en vervolgens bovenal, omdat God door Zijn zichtbaar „pand en waarteekonquot; ons ontwijfelbare verzekering geeft van do geestelijke afwassching onzer zonden.

Deze verzekering door den doop ziet niet op de toekomst, maar op hetgeen reeds bestaat. Zoo waarachtig als wij uitwendig met water gewasschon worden, even waarachtig zijn wij geestelijk gewasschon.

Dat met deze verzekering door don doop do z.g. oxhi-bitio gratiae wordt aangeduid, volgt uit de beteekenis der sacramenten in het gemeen, liet sacrament toch, en mitsdien de doop, is een ..orgaan des Geestes\' (Ursinus). De Geest is de auteur, die zulk eene verzekering ons geeft door middel van (per) het sacrament, vr. Cu.

Al/.oo loert de Catechismus, dat de,geloovigen in het bet algemeen deze beschouwing over hunnen doop zullen hebben, dat ze in het zichtbare pand en toeken, bun medegedeeld, do verzekering van zondevergeving en wedergeboorte hebben ontvangen. En juist omdat de doop niet maar voor oon onkel tijdsmoment, maar voor hot gansche leven kracht behoudt, daarom blijft die verzekering van God voortdurend hun bij, en ontvangen zij, ouder geworden.

-ocr page 312-

304

door onderwijs on leering, daarin meer on meer vastigheid voor hun bewustzijn.

ïot zoover heeft de Catechismus do geloovigen onderwezen, welk een troost en nut ze uit hunnen doop mogen trekken. Maar voorts geeft hij ook de gronden aan, waarop zij in hunne jeugd mochten gedoopt worden en wederkeerig hunne kinderen ten doop moeten brengen.

,74. Vr. Zal men ook de jonge kinderen doopen?

Antw. Ja ; want mitsdien zij alzoowel als de volwassenen in het verbond Gods en in zijne gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus\' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die liet geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zoo moeten zij ook door den Doop, als door het teeken des Verbonds, der Christelijke Kerke ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het nieuwe Verbond de Doop ingezet is.quot;

Hier treffen ons onderscheidene zaken. In de eerste plaats de geheele gelijkstelling van de kinderen met de volwassenen. De kinderen zijn „alzoowel als de volwassenenquot; in het verbond en de gemeente Gods; hun is ^niet minder dan den volwassenenquot; de verlossing van zonde en de 11. Geest toegezegd. Wat dus van de volwassenen geldt, moet ook van de kinderen waar zijn, d. w. z. zij behooren oj) gelijke gronden gedoopt te worden.

Deze gronden zijn vooreerst: de kinderen zijn ,in het Verhond Gods en in zijne gemeente begrepen.quot; Hoe men dit verbond wil opvatten, hetzij met Calvijn, Ursinus en alle andere Gereformeerden als één en ondeelbaar, hetzij met de lateren, Voetius e. a.. onderscheiden in een uiten een inwendig verbond, in elk geval is het behooren tot hot verbond Gods oen zekere grond voor don kinderdoop. Want oen deelgenoot van het verbond, moet ook het -toeken des Verbondsquot; ontvangen.

Die regel gold oudtijds voor de Besnijdenis, en hij is nog

-ocr page 313-

305

van kracht gebleven, nu voor lt;lo besnijdenis _cle doop ingezet is.quot;

Hetzelfde kan ook gezegd worden van de gemeente Gods, omdat tnssclien verbond en gemeente slechts een relatief onderscheid bestaat.

Maar anders komt de kwestie te staan, zoo men let op don tweeden grond: den kinderen wordt .door Christwi1bloed de verlossing van de zonden, en de Heilige Geest, die het geloof werkt, toegezegdquot;.

.Diensvolgens hebben de kinderen aan de tweeërlei genade des doops, t.w. de zondevergeving en do wedergeboorte deel.

liij Calvijn maakten we de onderscheiding tusschen den geestelijken en den rechtsgrond van den doop. De reehts-grond van den doop is het verbond, omdat de kerk aan het verbond den regel ontleent, wie ze heeft te doopen. Maar de geestelijke grond is de wedergeboorte, liet bezit des Greestes. Dio geestelijke grond bestaat in de kinderen, belijdt de Catechismus. Want zij hebben deel aan de belofte des Geestes. De li. Geest is hun toegezegd. Xu laten velen deze toezegging wol op de toekomst slaan, als ware bedoeld, dat hun later die II. Geest zal geschonken worden, maar dat is de bedoeling van den Catechismus blijkbaar niet, en kan het niet zijn. Ursinus, de steller van deze woorden, leerde immers uitdrukkelijk, dat de kinderen der ge-loovigen, in het algemeen genomen, wedergeboren En tegen de Doopsgezinden was steeds geargumenteerd, dat men aan de waarachtigheid Gods te kort doet, zoo men niet erkent, dat 1 lij zijne belofte van stonde aan in ons vervult\').

De zin is dus niet, dat bij den Doop de Heilige Geest aan do kinderkous toegezegd wordt, maar dat de 11. Geest door Christus, voor zoovele eeuwen, niet alleen aan de volwassenen, maar evenzoo als aan de volwassenen, ook aan do kinderkens toegezegd is geworden, en dat wij op dien grond gelooven dat zij, even als de volwassenen, dan nu ook

1

Vgl. met uame Menzo Alting, in het Einder Protocol.

-ocr page 314-

306

dien lum toog\'ozegden Gcost bezitten van hunne woegsle jeugd aan.

Zoo liebljcu wij naar hot oordeel der liefde van hen te o-olooven, totdat het tegendeel openbaar worde. Aanvaardt men nu hierbij de onderscheiding tusachcn een uit- en inwendig genadeverbond, dan erkenne uien met A^oetius, dat het uiterlijke zoolang geacht moet worden volkomen op liet innerlijke to sluiten, als liet tegenbewijs ontbreekt.

De kinderen der geloovigen moeten allen zonder onderscheid gerekend worden wedergeboren te zijn. Anders vervalt deze geestelijke grond van den kinderdoop. Want wat reden is dit, dat allen moeten gedoopt, omdat sommigen wedergeboren zijn ? Of\', dat gansche scharen het verbonds-teeken behooren te ontvangen om enkeier uitverkorenen wil? Jfeen! zegt de Catechismus, den kinderen der geloovigen in het algemeen, wordt de H. Geest toegezegd.

En die Ueest werkt het geloof. Het dadelijke geloof bezitten de kinderen wel is waar nog niet, maar zij hebben den auteur, den werkmeester des geloofs. En omdat die Geest niet een werkelooze, maar een werkende Geest is, daarom is reeds in de kinderen de kiem of het zaad dos geloofs (Calvijn), de geloofsreiniging (Ursinns), de go-loofshebbelijkheid (Junius), het geloofsvermogen (Vootius) aanwezig.

Alzoo w\'ordt de doop niet aan een ongeloovig, maar aan een geloovig kind bediend, en is er een geestelijk leven in dat kind, dat door den doop bevestigd wordt.

De inlijving in „de Christelijke kerkquot;, waardoor de kinderen der geloovigen van die der ongeloovigen, der niet-Christenen, onderscheiden worden, dient tot eene bezegeling van hunne inlijving in hot mystieke, onzichtbare lichaam van Christus.

Onze slotsom is ook nu weder: Even sterk als in do volwassenen wordt ook in de kinderen door den Heidel-bergschen Catechismus verband gelogd tusschen don doop on de gerealiseerde, geestelijke genade der wedergeboorte.

-ocr page 315-

307

ilieraan Toeg;on wij mtgquot; toe, oono cnkolo uitspraak uit (u1 Dordlsche leerregels.

g 4. De Dordtsciie Leeküeiiei.s.

Uit (Ioüc- vijf artikelen tegen de Remonstranten bespreken we van liet eerste lioofdstuk paragraaf 17; welke over de verkiezing der jonge kinderen, in gelijken trant als de vroeger vermelde Schriftelijke Conferentie van den Haag (1611), aldus spreekt: ...Nademaal wij van den wille Gods uit zijn Woord moeten oordeelen, hetwelk getuigt, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van hot genadeverbond, in hetwelk zij met hunne ouderen begrepen zijn, zoo moeten de Godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hunne kindsheid uit dit leven wegneemt (Gen. 17:7; Hand. 2:39; I Kor. 7 : 14)quot;.

Op deze plaats wordt niet van den doop gesproken, dewijl in de Arminiaansche twisten de kinderdoop niet zoozeer aan de orde kwam, maar wel geeft de kerk haar oordeel, welke onze beschouwing over hot geestelijk leven der kinderen moet zijn. Wij hebben de kinderen voor heilig te houden, heilig in den zin van wedergeboren. Want wat beteekenis zou anders de tegenstelling hebben: .,heilig niet van nature, maar uit kracht van het genadeverhondV En, zoo slechts eene uiterlijke verbondsheiligheid zonder meer bedoeld ware, hoe zouden geloovige ouders uit dit uiterlijk heilig zijn mogen besluiten tot de verkiezing en zaligheid hunner jongstervende kinderen? .luist alleen op grond van de reëele wedergeboorte der kinderen krachtens het verbond kunnen en mogen de ouders gelooven, dat hun in vroege jeugd gestorven kind uitverkoren en zalig is.

Voorts dient opgemerkt dat hier terecht uit liet algemeene tot het bijzondere geconcludeerd wordt. Aan de zaligheid der kinderen, die vroeg sterven, zal men niet deswege twijfelen dat zulke kinderen bijzonder bevoorrecht zijn, maar wij belijden van de kinderen des verbonds in het gemeen de wedergeboorte en mitsdien de uitverkiezing, totdat zij door

-ocr page 316-

308

ongeloof\' cn goddeloos leven liet tegendeel openbaren, en daarom gelooven wij aan do zaligheid der jonggestorvenen.

Zoo mogen wij dan zonder vrees voor tegenspraak besluiten: Volgens het e.enparig getuigenis der drie formulieren van eenigheid hebben de jonge kinderen der geloovigen uit kracht van het verbond Gods deel aan al de genade, samengevat onder deze twee: zondevergeving en wedergeboorte, welke genade alleen hen geestelijk gerechtigd maakt tot den doop.

§ 5. Het Dooi\'-FoiijiL-r.iek.

Blijft nu nog voor ons over het Formulier den Doops, met di\' Doopvragen aan de Volwassenen.

Het Doopformulier geeft eene verdere ontwikkeling en eene praktische toepassing der leer.

Het ontwikkelt _dp hoofdsom van do leer des heiligen doopsquot; in drie stukken :

o. hoe de doop ons symbolisch voorstelt de verdoemelijkheid der zonde en de noodzakelijkheid der wedergeboorte;

h. boe do doop ,do afwassching der zonden door Jezus Christusquot; betuigt en verzegelt;

hoe de doop „vermaant en verplicht tot eene nieuwe gehoorzaamheid.quot;

In hot tweede stuk wordt nader aangetoond, wat de personen der Goddelijke Drieënhoid ons onderscheidenlijk betuigen en verzegelen in den doop. De Vader verzegelt ons zijn eeuwig genadeverbond en onze aanneming tot zijne kinderen en erfgenamen. Do Zoon verzegelt ons de afwassching vagt;i allo zonden door ziju bloed, waardoor wij rechtvaardig gerekend worden voor God. Do H. Geest, en dit heeft voor ons onderwerp het meeste belang, verzegelt ons, „dat Hij in ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk do afwassching onzer zonden, en de dagelijksche vernieuwing onzes levensquot;, .luist, dat hier zoo schoon de toeëigening van Christus\' verdiensten door den H. Geest als een stuk der doopsverzegeling voorgesteld wordt.

-ocr page 317-

:!(!!)

hooft betookouis. I lot toont, dat ton slotto hot ganscho vraagstuk van den doop noorkoiut op hot deel hebben aan don II. Geest, die in hot hart woning maakt en in Christus\' inlijft. Zonder dien Greost hebben wij aan de afwassching der zonde door Christus\' bloed niets. Do zondevergeving moot do Croest ons tooëigonon. En woont de Geest in ons, dan ligt do wedergeboorte hier besloten.

Gaan we nu de toepassinghiervanna op don doop ier volwassenen, gelijk die in do Doopvrayen aan de vohcassenen voorkomt.

Do volwassenen moeten eerst onderwezen worden in de verborgenheden dos doops en daarna „belijdenis doen van hunne boete en geloof in Christusquot;. Begeeren zij dan gedoopt te worden, zoo komt tot ben ook deze vraag des dienaars: Of gij gelooft, dat Christus u tot een Zaligmaker van God geschonken is, en dat gij door dit geloof ontvangt vergeving dor zonde in zijn bloed, en dat gij een lid van Je ZUS Christus, en zijne Kerk, door de kracht des Heiligen Oeesles zijt geworden ?

Volgens deze doopvraag moot de doopelmg belijden, dat hij reeds oen lidmaat van Christus is, ingelijfd in Christus\' kerk, d.i. in de ware, onzichtbare kerk, en dat door den //. Geest, dio in hem woont. Eerst, als hij dit heeft beleden, ontvangt hij den doop tot ,een zegel der inlijving in de Kerke Godsquot;.

Onloochenbaar is alzuo naar dit getuigenis do doop voor don volwassene een zegel van in hom aanwezige geestelijke genade.

En nu do doop „te bedienen aan de kinderen.quot;

N\'a de uiteenzetting van de hoofdsom der doopsleor, gaat hot formulier aldus voort:

.En hoewol onze kinderen deze dingen niet verstaan, zoo mag men ze nochtans daarom van den Doop niet uitsluiten, aangezien zij ook zonder hun weten dor verdoemenis in Adam deelachtig zijn, en alzoo (d.i. zonder hun weten) ook weder in Christus tot genade aangenomen worden.quot;

-ocr page 318-

;-U0

Xaar deze woorden staan do kinderen, zonder zich er van bewust te zijn, met Chnstus in gemeenscliap, evenals zij onbewust met Adam in betrekking stonden.

Deze gomccnsckap met Oluistus editor is liet werk van den II. Geest, „die ons tot lidmaten van Christus heiligen wil.quot; Zoo moeten dan de kinderen den Geest hebben en door dien Geest geheiligd, d.i. wedergeboren zijn, en op dien grond behooren ze den doop te ontvangen.

Dit hebben de ouders van hunne kinderen, die zij ton doop brengen, te belijden, blijkens do eerste, zoo merkwaardige doopsvraag :

„Hoewel onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelve onderworpen, of gij niet bekent, \'lat zij in Christus geheiligd zijn, en daarom, als lidmaten zijner gemeente, hehooren gedoopt te wezen?quot;

Naar aanleiding van deze doopvraag zijn, gelijk we in het volgende hoofdstuk zien zullen, velerlei kwesties gerezen. Het heeft voor ons geen belang, of er eene enkele lezing voorkomt: „in Christus geheiligd,quot; zonder het woordje „zijn,quot; waarnaar de zin eene andere beteekenis zou kunnen hebben. Waarheid is, dat de officieele redactie luidt: „in Christus geheiligd zijn,quot; niet „iforamp;nquot; of iets dergelijks. En dan kan het niet anders beduiden, dan door den Geest geheiligd, d.i. wedergeboren zijn. Vat men ..geheiligdquot; in den zin van „vorbondsheiligquot; naar het voorgaande: „het verbond te verzegelenquot;, dit maakt geen verschil, zoolang men maar erkent, dat verbondsheiligheid ondersteld moet worden innerlijke, geestelijke heiligheid in te sluiten, overeenkomstig de verbondsbeschou-wing der Gereformeerde vaderen, in het breede door ons vermeld. Daarentegen gaat de uitlegging: geheiligd be-teekent alleen: in het uitwendige verbond opgenomen, zoodat er van de wedergeboorte der kinderen niets te zeggen valt, aan beide kanten mank. NVaut ze legt in de genoemde uitdrukking eene beteekenis, welke klaarblijkelijk én tegen

-ocr page 319-

311

de bedoeling van don opsteller v;in het fonmilier ón tegen liet oordeel dergenen, die liet fonmilier voor kerkelijk gebruik aangenomen hebben, indruischt. En bovendien, zo strookt niet wel niet andere uitdrukkingen, in dezelfde doopvraag voorkomende. Want wanneer er staat, dat de kinderen „als lidmaten zijner (d.i. van Christus\') gemeente\'\'\' behooren gedoopt te wezen, dan worden ze toch zeker niet als uitwendige leden der kerk voorgesteld. .Uaar, wat meer zegt, zoo ..in Christus geheiligdquot; beteekenen moet: opgenomen in het uiterlijke verbond zonder meer, wat kracht ligt er dan in de tegenstelling met do erfzonde en de verdoeme-lijkhoid ? Wat zou het beduiden: onze kinderen zijn wel der verdoemenis onderworpen, maar er bestaat oonige kans, dat God hun te eoniger tijd genade zal schenken, omdat ze tot het uitwendige verbond behooren, en daarom behooren ze nu gedoopt te wezen? Zulk een grond voor den kinderdoop legt zelf al zijne zwakheid bloot.

Maar men zou kunnen meenen, dat zulk eene belijdenis: „onze (d.i. dor gemeente) kinderen zijn in Christus geheiligd,quot; in het algemeen mag worden verstaan, zonder ze telkens op die bepaalde kinderen, die ten doop gepresenteerd worden, too to passen. Doch, behalve dat zulk eene gedachte alle kracht en troost, uit dat ..geheiligd zijnquot;, weder wegneemt, de practijk der Gereformeerden, gelijk in do Londonsche vluchtelingengemeente onder a Lasco en Micron, stoot hnar geheel omver, wijl daar don doopheffers gevraagd word: Ik begeer dat gij- mij verklaart, _of deze kijnhren, die gij mij aanbiedt, het zaad van deze onze kerk zijn.quot;

Er blijft dus niets anders over, dan om do eerste doopvraag te verklaren: de kinderen zijn in Christus geheiligd uit hoofde van Gods verbond door de kracht des Geestes) mitsdien behooren ze, als lidmaten van Christus en alzoo wedergeboren, gedoopt re worden. De geestelijke genade gaat ook iu hen aan den doop vooraf, vormt er den grond voor.

Houden we dit goed voor oogen, dan verstaan we gemakkelijk het gebed vóór en de dankzegging na den doop.

-ocr page 320-

312

die anders licht verwarring geven. 1 leot hot toch in hot gohod: „wij bidden IJ, bij uwe grondelooze barmhartigheid, dat Gij dit uw kind genadiglijk wilt aanzien, n\\ door uwen Heiligen Geest uwen Zoon Jezus Christus inl\'rjren; opdat het met Kom in zijnon dood begraven worde, on met Hem moge opstaan in een nieuw levenquot; dan hoeft dit allen schijn, alsof do wedergeboorte en do inlijving dor kinderen in Christus vóór den doop, worden geloochend en in do doopshandeling zelve gesteld. Maar blijkens de eerste doopvraag is dit niet zoo. Er moet iets anders bedoeld zi jn.

Don sleutel om te verklaren, wat er dan wel bedoeld is, biedt ons do opwekking tot het gebod: ,Opdat wij dan dozo heilige ordening Gods tot zijne eere, tot onzen troost, en tot stichting der gemeente uitrichten mogenquot;.

De doop dient ook tot troost, voornamelijk voor do ouders. In den doop ontvangen de oudera door eon zichtbaar teokon verzekering van de genade dos Drioöenigon Gods aan hunne kinderen. Yoor het bewustzijn huns geloofs is daarom do zichtbare inlijving in do kerk samengevoegd met do onzichtbare in . Christus, want zij verkrijgen daarvan do bevestiging en do verzekerdheid. En daarom, naar don meer gemeldon stelregel van Calvijn: wij heeten in bet sacrament te ontvangen van God, naardat ons geloof ervaart, bewuste verzekering bekomt, daarom wordt hier geboden, dat God do kinderen in don doop door den Geest Christus moge inlijven. Want do doop zet voor de goloo-vigen hot zegel op de inlijving in Christus, als \'t ware aan verstand en hart betuigende : nu is dozo inlijving feit, nu heeft ze haar volle beslag.

Dit bevestigt ook do dankzegging na den doop: „Wij danken en loven IJ, dat Gij ons on onzen kinderen, door hot bloed van uwen lieven Zoon Jezus Christus, alle onze zonden vergeven, en ons door uwen Heiligen Goest tot lidmaten van uwen eeniggeborenon Zoon, en alzoo tot uwe kinderen aangenomen hebt, en ons dit met den Heiligen Doop verzegelt on bekrachtigt.quot;

-ocr page 321-

313

De inlijving in Christus en aanneming tot kinderen Gods geschiedt niet eerst niet en in den doop, maar heeft reeds plaats gevonden, en de doop verzegelt en bekrachtigt ze nu aan ons, ouders en gemeente te zaraen. Tenvijl vóór den doop ons nog die rijke troost, die in het zichtbare genadepand ligt, ontbrak, hebben wij ze thans verkregen. En daarvoor danken wij God. Maar nu, vastelijk verzekerd van Gods genade, bidt de gemeente voorts: ,,dat (iij dit kind mot uwen/fe\'fó/en Geesi altijd wilt rogeeren, opdat het Christelijk en Godzaliglijk opgevoed worde, en in den Hcere Jezus Christus wasse en toeneme.quot;

Als de planting is geschied, wordt om den wasdom gebeden. Zoo bidt de gemeente voor den groei en de opvoeding der gedoopte kinderen, opdat hot geestelijk leven in hen versterkt worde en zich weldra openbare.

Eindresultaat van dit ons onderzoek naar de twee voor ons belang hebbende liturgische geschriften is bijgevolg: do kerk bedient den doop, zoowel aan de volwassenen als aan de kinderen, nadat ze uit de belijdenis, óf van den persoon zeiven, óf bij kinderen van de doopheffers, de voor haar noodigc zekerheid heeft bekomen, dat de doop geen ijdel en misbruikt toeken zij, maar do verzegeling geve van reéole genade, d.i. van heiligheid en wedergeboorte door den II. Geest, in de inlijving in Christus,gewrocht.

-ocr page 322-

VIERDE DEEL.

DE VERVLOEIING VAN HET GEREFORMEERDE DOGMA HIER TE LANDE NA 1618.

§ 1. Inleiding.

Met Dordrecht staan we op het hoogtepunt der Gereformeerde loerontwikkeling. Wat we in den volgenden tijd te aanschouwen krijgen, is weinig anders dan eene hand over hand toenemende verzwakking en misvorming ivan het dogma, zoodat het ten slotte der versterving nabij komt. liet is een snelle afloop der wateren, van de berghoogten af naar de lage valleien. Weinige jaren gaan voorbij, nadat de groote kerkvergadering de Gereformeerde leer vastgesteld heeft, of allerlei afwijkende gevoelens duiken op. En hoevelen blijven er over, die met hart en ziel do Gereformeerde belijdenis aangaande ons leerstuk aanhangen? Groote mannen als Voetins, wier woord oen tijdlang gezag behoudt, zetten wel uiteen, wat de aangenomen leer behelst, maar zij zeiven kunnen het oog niet sluiten voor de gebreken der kerk, en met eene verzuchting in hot hart, voegen ze aan hunne uiteenzetting toe: En bij deze leer leg ik mij tot dusver neder. Er is alle reden voor, om te twijfelen, of de algemeen erkende belijdenis thans op den werkelijken toestand van het kerkelijke leven wel van toepassing is. Het kwaad, dat in de kerk binnengeslopen is, breidt zich gaandeweg uit. Ongeloof en vrijgeesterij treden met steeds

-ocr page 323-

315

driestere stoutheid openlijk op. En er is g-cene hand, die ze keert. De kerk, vastgemaakt aan den staat, kan de tuchtroede niet naar behooren hanteeren. Ze staat machteloos. En nu kan men treuren over het verval van Sion, nu moge men zuchten over het gemis aan geestelijk leven, de kerkelijke toestand blijft dezelfde, neen! verergert. Het baat niet, of er mannen opstaan van studie cn geleerdheid en vol praktischen ernst, die de leer dor vaderen in woord en geschrift trachten voort te planten. Tegen den wassenden stroom vermogen ze niet.

En weldra openbaren zich de gevolgen. De vrome lieden vereenigen zich in kringen en gezelschappen, om zich af af te zonderen van die breede schare uitwendige belijders die geen geestelijk leven kent. /e mijden de kerkelijke samenkomsten en vergaderen in conventikels. De Mystiek begint te herleven. Het Piëtisme komt op. En meer en meer wordt de noodzakelijkheid van hervorming der kerk gevoeld. Maar de pogingen, die tot kerkhervorming aangewend worden, lijden aan eenzijdigheid en missen zoodoende beur doel. Een man als De Herder, die de tucht in alle gestrengheid wil handhaven, haalt zich de kastijding zijner medebroeders op den bals en verlaat zijnen dienst. Het Labadisme, dat in de kerk alleen waarlijk wedergeborenen wil, derft door zijne overdrijving allen steun en gaat te gronde. En de vaderlandsche kerk sukkelt als een kreupele voort, die aan eene onherstelbare breuke lijdt. Zoo is de toestand nauwelijks eene halve eeuw na Dordrecht.

Maar, schoon de pogingen tot reformatie in het niet loopen, de verwikkelingen kunnen niet uit blijven. Nog eene halve eeuw verder, en op nieuw breken twisten uit.

Ernstige predikanten, den toestand hunner gemeente kennende, weigeren het doopsformnlier naar de letter des woords te gebruiken. Vooral die vraag, aan de ouders en getuigen gericht: Belijdt gij, dat onze kinderen in

-ocr page 324-

Bin

Christus geliciligd zijn, levert voor lien bezwaar op. quot;MVt een goed geweten meenen zij zulk eene belijdenis niet van alle ouders te mogen vorderen. Hierover ontstaat getwist en geschrijf. Men schikt en plooit, men rekt en strijkt aan do bewuste zinsnede, maar op eene bruikbare manier veranderd wordt ze niet. Kn ten slotte legt de overheid met nitgestrekten arm aan allen het zwijgen op.

Na deze Utrechtsclie twisten omtrent 1727 ruston de strijdpennen eene wijl. Maar het duurt niet lang, ot\' uit gindschen hoek verneemt men weder eene stem, die de oude leer, alleen met eene eigenaardige, naar den tijd gevormde opvatting, op den troon wil heffen. Nu waken de geesten nog eenmaal op. Maar de strijdvoerder, Appelius, vindt weinig aanhang. En ook de tegenstand, dien hij ervaart, verstomt weldra. Langzamerhand dommelt de vaderlandsche kerk zachtkens in. Voor de orthodoxen blijft de reeds vóór Dordrecht gevonden onderscheiding van uit- en inwendig genadeverbond goeden dienst verleenen. En de meer verlichte geesten bekommeren zich niet om de ouderwetsche leer. Stil en vreedzaam naast elkander wonende in dezelfde kerk, verkondigt men te dezer plaatse het oude Evangelie, en in gindsche streken de heilsleer van den nieuweren tijd. Totdat de breede wateren der revolutie zich ook over Nederland uitstorten en voor een goed deel de gedachtenis aan de leer der vaderen doen ondergaan.

De negentiende eeuw brengt weder verandering. Tegenover den geest der revolutie verheft zich in het Reveil en de Afscheiding eene actie van het praktische, religieuse leven, en tegenover het Modernisme wordt weder de vroegere leer der verlossing gepredikt. Maar over bet stuk van den kinderdoop blijft men, enkele leeraren uitgezonderd, vrij algemeen vasthouden aan de leervoorstelling na Dordrecht. Brakel e. a. worden geraadpleegd, maar tot den tijd vóór 1018 klimt men zelden op. Eerst met de beweging der Doleantie heeft weder de studie der oude Gereformeerden

-ocr page 325-

317

dc aandacht getrokken, en de wrijving, dio er thans hcersoht O]) leerstellig gebied, bewijst wel, hoe men weifelt te kiezen tusschen de Brakelsehe leer, die voor ecne alles geloovigen en ongeloovigen omvattende, volkskerk past, en de leer der eerste Grereformeerden, welke voegt voor ecne kerk, dio hare tucht naar eisch handhaven kan en wil.

In dezen ganschen tijd van Dordrecht tot op heden bespeuren we dus onder de Gereformeerde belijders twee stroomingen: de oeno, die zooveel mogelijk de oude leer van de wedergeboorte der kinderen handhaaft, de andere, die, met de onderscheiding van uit- en inwendig verbond, in het algemeen de wedergeboorte der kinderen loochent. Deze twee stroomingen worstelen met elkander. Maar de laatste behoudt langzamerhand het veld, zóó zelfs, dat do andere nagenoeg verdwijnt, totdat deze plotseling weer uitbreekt on eeno nieuwe worsteling tevoorschijn roept.

We zullen bij do behandeling van deze gansche periode ons tot hot voornaamste beperken. De stof dio zich aan ons voordoet, is groot. Maar, vergelokon met hetgeen we tot nu toe geleerd hebben, mist zo allo hoogero waardij, on zelfs tot op zekere hoogte, allo aantrokkolijklioid. Hot is soms eon geschrijf hoon on weer over dingon, dio men ternauwernood verstaat. Het is veelal oen pogen, om fouten ou dwalingen goed to praten. O oost on bezieling Qirtbrookt te veel. Klachten on verzuchtingen hebben don boventoon. En op alles werkt de matte toestand dor kerk en do driestheid van de opkomende kerkbestrijders bedenkelijk in.

Gemakshalve verdoelen we deze periode in vier onder-tijdperken, elk eindigend met het uitbreken van twisten over ons leerstuk.

Het eerste tijdperk loopt dan van 1010 tot den strijd met de Ijabadisten en Ds. de Herder te lileiswijk, omstreeks KiSO.

Het tweede tijdperk na hot ruston van dien strijd tot de rtrochtsche twisten, omstreeks 1730.

Hot dorde tijdperk na do beslechting dezer twisten tot den strijdvooring van Appolius, omstreeks 1770.

-ocr page 326-

318

En het vierde tijdperk na Appclius tot heden, nu op nieuw do strijd over don kinderdoop is ontbrand.

§ 2. ]Iet eebste tijdperk.

Nabloeiing der oude Gereformeerde leer.

Onder degenen, die in den trant der vroegere üerefor-meerden over den kinderdoop in betrekking tot de wedergeboorte loeren, neemt de eerste plaats in ;

Axdueas Eivetl\'s.

„Zoover het geloof uit het gehoor is en actu bestaat, is het slechts den uitverkoren volwassenen eigen; maar zoover liet voor het beginsel der hehhelijkheid genomen wordt of voor het zaad des geloofs (quatenus autem pro habitus prhicipio sumitur, aut semine fidei), is het ook den kinderen des verbonds eigen, die tot de verkiezing Gods behooren; want gelijk hun het koninkrijk der hemelen toekomt, zoo ook de Geest des geloofs, Matt, li), 14. Ofschoon zij dus niet actu gelooven, worden zij toch gezegd in de neiging (inclinatione) te gelooven door de genade, evenals zo neiging tot zonde hebben door hun natuurlijk bestaan\')

Rivet leert echter van de kinderen de wedergeboorte eerst, mot den doop, terwijl zij te voren uitwendige verbonds-heiligheid bezitten: „De kinderen zijn heilig niet door eene zekere natuurlijke of inklevende heiligheid, .. . maar door eene uitwendige heiligheid krachtens de barmhartigheid Gods, die hen voor de zijnen rekent, volgens do belofte, ons en onzen kinderen, die met ons inhet verbond der genade begrepen zijn, gedaan, naar welke wij hen (zoo het mogelijk is) ten doop aanbieden, opdat zij vergeving der zonden en wedergeboorte verkrijgen.quot; Maar zoo de dood ben te voren, hetzij ze geboren of nog niet

1) Si/iioj)sis puriorU Thooloyiao, disp. 31, § 13, p. 80ü.

-ocr page 327-

310

geboren zijn, overvalt, gelooven wij, dat God hun voorkomt met zijne reclitvaardigonde en wederliarende genadequot; i).

llivetus wordt in zijne voorstelling gevolgd door G erardns Vossius.

Gteeakdus Vossius.

In zijne Disputationes de Baptismo laat bij zicli aldus uit: „Ik kom thans tot de vraagpunten, die te berde gebracht worden over de heiliging, of verideuwing door den 11. (feest. Vooreerst wordt gevraagd, tot welk nut de li. (leest den kinderen gegeven wordt, daar zij hunne rede nog niet vermogen te gebruiken, en de natuurlijke werkingen aan de werkingen der genade voorafgaan.

Hierover oordeel ik aldus, dat de vrucht des iI. (leestes niet slechts zulk eene is, dat wij door Zijne werking, de werken des geloofs en der liefde beoefenen; maar ook, dat Hij ons vereenigt met ons hoofd, Christus, en zijn mystiek lichaam; want, indien wij in dit lichaam niet ingelijfd worden, kunnen wij geen leden van Christus zijn. (lelijk dus de kinderen eene redelijke ziel hebben en toch de rede nog niet gebruiken, zoo hebben zij van oj den doop den 11. Geest, ofschoon Hij zich nog niet in werken des geloofs en der liefde openbaart. En evenals de kinderen deswege, dat ze eene redelijke ziel bezitten, onder het getal der menschen gerekend worden, zoo ook, omdat ze den II. Creest verkregen hebben, zijn ze en worden ze gerekend onder het getal der wedergeborenen, der kinderen Gods, der leden van Christus en der deelgeuooten van de gemeen-schup der heiligen. (Sic etiam eo, quod cojisecuti Spiritum Sanctum, sunt et habentur in illorum numero, qui sunt regeniti, filii Dei, membra Christi, ac communionis sanctorum participes)quot; ^).

Op gelijke wijze als Junius rangschikt hij de kinderen onder de niet-geloovigen, d. w. z. die negatief, niet posi-

1) Opera theologica, torn. Ill, p. 305quot; in (le Summae contro-versiae tractatus.

2) Disp. VI, thes. 7, U. 93.

-ocr page 328-

320

tiof ongcloovig zijn. Zo hebben liet g-eloof wel niet, .maar ze zijn vatbaar voor den Geest des geloofs, door wien de ziel een geestelijk, bovennatuurlijk bestaan ontvangt. .. . Zonder dezen Greest zouden de jonge kinderen niet met Christus vereenigd worden uocb leden van zijn mvstiek lichaam zijn, noch ook deel hebben aan de voorrechten der kerk, die in het zinnebeeld (des doops) in gedachtenis gebracht worden. Ofschoon dus de kinderen niet actu ge-looven, raag men ze toch niet van den doop weren, evenmin als men hun spijze mag onthoudenquot; \').

Zeer beslist drukt zich uit

Marcus Boerhave.

Boerhave levert in eene saraenspreking, tegen de 1 )oops-gezinden gericht, een wijdloopig betoog, dat de kinderen den H. Geest hebben en wedergeboren zijn. _Ue kinderenquot; zegt hij, ,lammen niet uytsluyten van het zaedt des geloofs ende der wedergheboorte: .la men moet haer noodtsaec-kolijck toeschrijven in het zacdt ende do beginselen, het gene d\' oude hebben in volbeyt, soo lange sy opwassende het contrarie niet vertoonenquot;\').

Wat de vruchten des Geestes betreft, die de kinderen in het opgroeien openbaren, verklaart hij, ..veele toonen van jonglis op do kracht des Geestes,... veele sullen wol in \'t eerste geen goede vruchten toonen, maer eer do bedorven wildigheyt der natuere: die nochtans daar na toonen, dat de Hoere een vonokskengeestolijckcn levens inhaor bowaert beeft ghelijck oock d\' eene boom later aenkomt dan d\' ander, ende het eene verstandt eer toekomt dan \'t ander. \\ eele wassen geheel op in \'t boose, maer het en kan het oordeel der liefde over de kinderen niet meer prejudiceeren, dan het dit selve oordeel prejudiceert, dat veele volwassene, die men gheloovige en weder-geborene oordeelt, maer buy chela ers

1) üisp. XIII, tlies. 15, bl. 174.

2) By-meghsd op de Noodige Vcniederinye, bl. 190.

-ocr page 329-

;-52l

on zijn, ende dickwijls na haven Doop datselve betoonon, al worden sy gliedoopt op hare bolijdonissequot; \').

Eu eindelijk, over de vraag, of in de kinderen de belofte des Geestes dadelijk, dan wel in de toekomst vervuld wordt: „Het is valsch, dat de kinderen de belofte nocli niet en genieten, liet is wel waer, dat Crodi wel yets voorhenen belooft ende het genieten uavolght; maer dan geeft hy gemeenlijck te kennen, dat hy het belooft op toekomenden tijdt, ofte de belefte selve wijst het uyt.quot; W an-neer in sulcke beloften, waer in oock do kinderen staen het ghenot ter vervulder tijdt alleen by de bejaerde sonde wesen, soo ware het ten aensien der kinderen een ydele ende gantsch vergeefsclie beloftequot; \').

Dit geschrift van Boerhave kan men nog in zekei op-zioht als een waardig slot van de polemiek met de Doopsgezinden beschouwen, al is hot niet in zijn geheel tegen dezen gericht. Het ademt den geest der vroegere Gereformeerden.

Van den nu volgende,

COKXELIUS PcUDEOYE.V,

den leerling van Voetius, die Voetius\' Catechisatie over den Catechismus uitgaf, mogen we niet anders dan instemming met het voorgaande verwachten. Do desbetrelfeude uitspraak luidt dan ook\'): „soo seggen wy, dat de kinderen geloove hebben, niet het actuele goloove krachtigh door de goede wercken, maer de wortel ende het zaet van het geloove, ende het geestelick njer, het wclck do Meyligo Geest, soo wanueerse tot hare jaren gekomen zijn, aon-steeckt ende doet branden.quot; En dit valt hieruit te bewijzen, dat do kinderen ..den Geest Christi hebben ...; nu waer de Geest Christi is, daer is het geloove, het zy ten aensien van do dadelicke worckinge ties sells, gelijck als

1) bl. 143.

2) bl. 150 v. 3J bl. 418.

-ocr page 330-

:i22

in do YoIwassGiie: het zij ton acnsicn van do wortel endo oorspronck, als in do kloyno kindoron.quot;

Zoo oordoolt ook

Petrus de Witte.

„Konnon do kindoren zoo vroegli den Geest wel lieli-bon ? Antw.. . Zoo zij den Geest der wedergeboorte dan niet konden hebben, zij zullen in die jaren stervende verloren gaan . .. Maer dit \'s tegen do Sohriftnre, welcko haer den Hemel toezeght, Mare. 10 . 514.quot; el is waar werkt de Geest in hen hot geloof niet in de eerste jeugd, omdat het geloof uit hot - gehoor is, „docli even-wel en zijn ze geen on-geloovigho, maer heiligh, 1 Cor. 7 . 14. \\V ant hoe-wel in haer niet en is het dadelick geloof, zoo is nochtans in haer het zaedt des goloofs, gelijck in haer de reden isquot; \').

Eenigszins afwijkend, daar hij in de kinderen geen go-loof, van wolken aard ook, wil aannemen, maar toch in het wezen der zaak met de genoemde Voetianon overeenkomend, leert

Sami\'el Makesiüs :

„liet is niet noodzakelijk, liet geloof te stellen in de kinderen, die nog onbekwaam zijn tot verstandelijke handelingen ; aangezien zij van die zonde, die zij zonder eenige persoonlijke daad van hunne zijde over zich gehaald hebben, gerechtvaardigd en gereinigd kunnen worden zonder eenige persoonlijke handeling van hunne kant; gelijk ook de H. Geest do wedergeboorte ten loven in hen werkt, maar zonder eenig handelen uit hen te voorschijn te brengen. En hoe zoodanige hebbelijkheden (als die des geloofs) niet noodwendig in den doop hun ingestort worden, blijkt uit het voorbeeld van vele gedoopton, die, wanneer ze tot rijperen leeftijd gekomen zijn, niets minder dan dergelijke hebbelijkheden betoonen of daaruit handelen.quot;

Derhalve worden de kinderen der geloovigen, zoo ze

1) Catechizatie over den Heideiberghschen Catechismus, bl. 558.

-ocr page 331-

323

uitverkoren zijn, voor tempelen den H. Geestes gehouden, die op zijne wijze in ken woont, om hen in Christus in te lijven, en die deze hebbelijkheden des geloofs, der hoop en der liefde in hen zal opwekken (gt;11 daden er van zal te voorschijn roepen, wanneer ze daartoe bekwaam zijn. Maar ze worden noch van wcge de hebbelijkheid, noch van wcge de daad des geloofs geloovigen genoemd, maar slechts, omdat de doop het sacrament des geloofs en in zijnen zin geloof is .... van wege het dadelijk ontvangen des doops zelf.... hetwelk eene ware geloofsbelijdenis is. die echter den kinderen eer in passieven en dispositieven, dan in actieven zin toekomtquot; \').

Ook de Cocceianen van dezen tijd staan in het stuk van den kinderdoop op een zuiver standpunt. Immers, volgons de verbondsbcschouwing hebben al de genooten des ver-honds aan de verbondsgoederen deel, tenzij zo door ongeloof de genade verwerpen. En aan dit kwaad maken de kinderen zich niet schuldig.

Zoo zegt dan ook

Johannes Cocoeii\'s :

„Er is niets, dat het verbond Gods te niet doet, dan ongeloovigheid en verwerping van het W oord Gods. En dit heeft in de kinderen niet plaats.quot; ..Wordt nu wel in de volwassenen, die tot het verbond toetreden, (voor den doop) belijdenis des geloofs in Christus vereischt, ... in de kinderen wordt niets vereischt dan geboren te zijn uit ouders, van wie ten minste één het geloof beleden heeft, terwijl men naar de liefde, die alles hoopt, oordeelt, dat zoowel genen (de volwassenen) oprechre belijdenis afgelegd

1) Theologiae elenchticae nova Synopsis, sive Index Controversi-arum, tegen den Jezuïet Oae. Tirinus, torn II, eontr. 19, p. 563 pq. Andere werken als do Sytloffe, waarin Maresins zijn gevoelen nog breeder eu klaarder moet uiteengezet hebben, zijn. tot onze spijt, in weerwil van ijverige nasporiageu, niet in ons bezit gekomen.

-ocr page 332-

324

hebben, als dat dezen (do kinderen) reeds waarachtig geheiligd zijnquot; ■)•

Eveneens, ja sterker nog

Fkam iscüs [Ïl\'kma\\\\r.s Sk.:

,][ot onderzoek over het geloof der kinderen ligt in het duister, daar wij ons dien leeftijd niet herinneren en do werking des Greestes verborgen is, wiens wijze van doen wij niet altoos kunnnen bepalen. Maar de beginselen der wedergeboorte en de zaden des nieuwen levens (re-generationis initia, ao novae vitae semina) kunnen even-zoo wel in hen bestaan als de zwakheid en het verderf der verdorven natuur, welke wij aan den stamvader dos menschelijken geslachts ontleenen. Het is echter genoeg dat de beteekende zaak des doops, welke hun verzegeld wordt, hun toekomt; opdat niet iemand lastere, dat door dien doop een wit papier, waarop niets geschreven is, vergeld w orde1\'-). En nogmaals: .. 1 Iet staat vast, dat zij den Greest, den werkmeester des geloofs, op hunne wijze niet missenquot; \'\').

Maar naast deze, de oude leer voortplantende richting treffen we ook de andere aan, die hare kracht zoekt in de onderscheiding van uit- en inwendig verbond, steun als ze vindt bij de kantteekeningen van do Statenoverzetters dos Bijbels op 1 C\'or. 7 , 14, waar het heet: „Dat de kinderen heilig zijn, beteckeut: zij zijn in het uiterlijk verbond Gods begrepen, en hebben toegang tot de teekenen en zegelen van Gods genade, zoowel als degenen, die van beide geloovige ouders zijn geboren.quot;

Deze korte verklaring der Kantteekenaren, komt ons voor, geen geringen invloed uitgeoefend te hebben op de verdere doopsbeschouwing.

Blijkbaar toch is zo opgesteld met het oog op den

1

Summa doctrinae de foedere et testamento Dei-, vide Opera Omnia, torn. VI. p. 85, g 45ü sqq.

-ocr page 333-

325

hperschondcn toostand der kerk ; anders zon Pr althans wel eene, zij liet ook kleine, lioemvijzing- op de innerlijke heiliging, in den geest der vroegere Groreformeerden, bijgevoegd zijn. Ze heeft in elk geval aanleiding gegeven, door een zeker gezag, dat de kantteekeningen langzamerhand verkregen, om den geestelijken grond van den kinderdoop zooveel mogelijk achteruit te dringen, lüj het meerendeel der gedoopte kinderen nam men allengs geene wedergeboorte meer aan. Duidelijk verklaart ons zulks Jacoecs Altixg :

..De doop, aan welken dezelfde belofte (als aan de besnijdenis) gevoegd is, moet ook den kinderen toegediend worden, opdat hij bevestige, niet de rechtvaardigheid des geloofs, hetwelk men bij de kinderen, althans in den reyel\' tevergeefs zoekt, maar het recht des verbondsquot; \').

Aldus werd het behooren tot het uiterlijke verbond do genoegzame, afdoende grond voor den doop geacht. Of met eenig recht in de kinderen geestelijke genade mocht worden ondersteld, daarnaar werd niet gevraagd. Al wat kon moest gedoopt worden. Lodensteyn klaagt, dat het volk in den doop op Roonisclie wijze iets absoluut noodzakelijks begon te zien. Zelfs ontstond er soms opschudding als, „in gevalle om beider ouders foederale onheiligheid . . . hot kind den Doop niet gegeven mogt kunnen worden, of alsoos (lees: althans), uitgesteld zijn tot eenige blijken, in een van beidenquot; ;).

Gevolg was dan ook, dat de vrome mystieken, die meer op liet geestelijke leven letten, de praktijk der kerk veroordeelden.

jodocus vax LoOEXSTKYX

meende, dat alleen kinderen van geloovige ouders moesten gedoopt worden, geene, zooals men placht te doen, van allerlei onkundigen, geconsureerden of ontuchtigen. ..Onze leer daarvan is, dat men niet alle kinderen doopen mag,

1) Opera, torn. V, p, 44.

2) Beschouwinge van Zion, dl. 2, bi. 104.

\')•)

-ocr page 334-

326

maar alloon do heilige, dat is: de kinderen, die heilig of geheiligd /.ijn Joor het geloof van een van beiden (nl. de ouders), als de Heilige Geest spreekt, 1 Cor. VU: 14. Ingevolge van dien zeggen wij, het moeten kinderen van Christenouders zijn. . . liet moeten kinderen Aw geloocigen zijn; . . . daardoor nu verstaan wij niet zulker die waarachtige ledematen des Heeren Christus zijn, maar zulker, die wij door ons oordeel der waarschijnlijkheid daarvoor houden. Gremerkt de onzichtbare en zichtbare Kerk, het inwendig en uitwendig Verbond, nergens anders in bedacht kunnen worden, van elkander te verschillen, dan daarin, dat de eerste christenen en geloovigen zijn in \'s Hemels onfeilbaar, de andere zoodanigen zijn in \'s menschen feilbaar oordeelquot; \').

Inderdaad verschilt deze strenge zienswijze niet zoo heel veel van die der Gereformeerden hervormers. Maar ze in praktijk te brengen, nu de kerk eenmaal een anderen, lichteren regel volgde, was niet zulk eene gemakkelijke zaak. Dat bewees do geschiedenis van Adkiams de Heudet!

te Bleiswijk.

Deze predikant, van een diep ernstig karakter, geloofde, dat men geene kinderen doopen mocht dan van naast-geloouige ouders. Hij had, naar eigen verhaal, in zijne gemeenten velen tot den doop met hunne kinderen zien komen, „dewelcke enkel natuurlike Menschen waren: zommige zoo onwetende, datze gantsch geen kennisse van de Leere der Waarheid in \'t gemein, noch van de Leere des Hoops in \'t bijzonder hadden: zommige ook wel openbare Godloozen, enkel levende na de maniere van de üooze Werelt, niets Christelijks in haar vertoonende. In \'t opwassen van de Kinderen, sagh men in \'t. gemein een opvoedinge voor de Werelt en niet voor God: soo dat indien men al de gedoopte Kinderen had gaan examineren in de huysen dei-Ouderen, men zoude van hondert geen een gevonden hebben daar dat iu was, dat men in het Formulier (dos doops)

1) a. w., dl. 2, bl. 123.

-ocr page 335-

cyst, dut men geloovon moct in dc ICimloien te zijn, eer men dezelve dooptquot;. lOn dus besloot de Herder in dien verdorven toestand, zoo mogelijk verbetering te brengen. Hij zon het werk der reformatie ter hand nemen. _IJer-halven oordeelde ik noodtsaakelijk te zijn tot een goede zniveringe der Gemeinte, dat men geen Kinderen doopte, welkers beide Oaders ongheloovighe, onwedergeboren, en niet meer als natuurlijke Menschen waren, \'t zij dan openbaar godloos, of burgerlijk: Xoohtans bewijzelijck datze niets van den Geest der wedergeboorte hadden, op dat de Sacramenten niet als heiliglijk wierden gebruikt, en dat de Gemeinte zuiver wierd bewaardt, en alsoo Gods zegen tot de zelve wierd geneigtquot;\'). De Herder deelde zijn besluit den kerkeraad mee. Hij nam de tucht in zijne gemeente ter hand. lüj gelegenheid weigerde hij den doop. De zaak kwam voor do classis. Deze oordeelde met de Herder niet eenstemmig, maar verplichtte hem te doopen, ook wien hij niet wilde. Lange en breede onderhandelingen werden gevoerd. Het slot der historie was, dat de Herder uit zijnen dienst werd ontslagen.

Tegenover de classis van Schieland nu verdedigde de Bleiswijksche predikant zijn standpunt dogmatisch voornamelijk met dit argument, dat alleen op de kinderen van naastgeloovige ouders do belofte van de geestelijke zegeningen in Christus doorgaat 1), eene stolling, die natuurlijk onhoudbaar was, gelijk dan ook zijn antagonist Fkanciscus Riddeimjs

met groote gemakkelijkheid haar kon omverworpen, alleen reeds met deze opmerking, dat volgens zulk oene meening eveneens de naaste ouders door ongeloof do genade Gods voor hunne kinderen zouden kunnen afsnijden, zoodat onze zaligheid ton slotte niet aan hot verbond en de genade

1

bl 114.

-ocr page 336-

aas

(loda. inaar aan do gocstplijke conditio onzor oudors hangt \').

üovondion wook do Herder van do Ooref\'urmeordo bo-schouwing op ilit punt af, dat hij niot oor iomands kind wildo doopon, vóór liij mot „oon moroolo zokorheid, staando togen twijfolingoquot;quot;), uit do vmcliten dos levens vorkrogen, hom voor oen goloovigo erkende. Terwijl do Gereformeerden voor oen goloovigo honden, dio zijn geloof beleden heeft en niet door goddeloos loven zijne belijdenis to niot doet, achtte de Herder de geloofsbelijdenis van minder waarde, maar stelde hot leven dos goloofs op den voorgrond, zoodat hij, gelijk Riddorus zegt, eon particulier looraar tot keurmeester dos goloofs maakte.

Overigens echter stemde Kiddorns mot do Herder in, dat in do kinderen geestelijke genade moot worden ondersteld. Wel verklaart hij, dat heilig beteekont „afgozondort tot Gods verbont en uytterlijcke voorrechten der kerkequot; \'), maar hij loochent niot, dat do kinderen (n.1. do uitverkorenen) do wedergeboorte en den H. Geest in Christus bezitten. Ja, hij gaat zelfs zoo ver, dat hij van do kindoren dos vorbonds belijdt :

.Die geen dool heeft in Christo als hij jong is, zal nooit deel in hem hebben : indien Christus niet gestorven is voor een kint, hij zal voor dat kind niet sterven als het een man isquot; 1).

In overeenstemming hiermede luidt de uitlegging van Mat. 19. 14 in Apollos: „Op do weder-geboorte en op de genade dos Verbouts wordt gesion, doch niet alsoo, datse do solve door don Doop souden ontfaugen, maer als yets \'t wolek nu al in haer wasquot; quot;).

En in de Secenvoudii/e Oefeningen over de Catechismus : „In kinderkous erkennen wij don Geest en hot zaedt der weder-geboortequot;quot;).

1

4j bl. 153.

-ocr page 337-

320

TFetzclfclo boginsrl als dat, hetwelk aan do I [orders streven ten grondslag lag, maar voel sterker, dieper en consequenter doorgedreven, openbaarde zich in het Lahadisme.

Het Lahadisme wilde de kerk van hare onheilige elementen zuiveren; wilde nitsluiten die hreede scharen van uitwendige belijders, in wie geen geestelijk leven merkbaar is, om over te houden alleen degenen, die waarlijk wedergeboren zijn en dit in hun leven uitdrukken. De Labadisten bewandelden dus éónen weg met Meimo Simons. Zij geloofden niet aan geestelijke genade, tenzij zij niet een Thomas\' geloof die genade als met hunne oogen konden zien. Mn dat is immers bij de kinderen niet mogelijk. Zoodoende geraakten zij met de kerkelijke leer van den kinderdoop in botsing. Den doop wilden zij uitgesteld hebben tot den tijd toe, dat zich waarlijk geloof en bekeering openbaarde. ..\'t Is gewis beter,quot; leerde Fron, „een behoorlijke tijd te wachten, om eenigsins te zien, of de gene die men doopt van het getal zijn der genei- die Ood aeugeuomen, en in sij\'i heylig Verbont ingeleydt heeft.quot; ..\\Vij ontkennen niet dat men de kinderen mag doopen, soo haest her blijkt dat God haer deel aen de genade van de vergeving der sonde gegeven, en gijnen heyligen Geest medcgedeelt heeft; maar wij gelooven dat liet goet is daer mode te wachten, tot dat sulks eenigsins blijktquot;. quot;Want .111011 ziet de minste blijk daer niet van in de meeste die geboren worden en in \'t leven blijven. Dit \'s wel een teken, dat God haer niet aen alle of aen de meeste desc dierbare beloften heeft gedaen, en dat men de woorden des Apostels (Act. 2,i.W) seer qualick verstaet, als mouse haer souder ondoischoyt toepast en eygen niaektquot;\').

liet spreekt van zelf, dat de mannen der kerk tegen zulk exclusivisme en Mennonitisme opkwamen, iiaar nu zou men met recht mogen verwachten, dat, tegenover deze leer, evenals vroeger tegenover de Doopsgezinden staande gehouden werd, dat in de kinderen wel ter dege

1) Petkus Yvon, Leere van den 11. Dooj)^ bl. 47 en 50 v.

-ocr page 338-

330

de goniule des Oeestcs aanwezig is, hoewel nog verborgen. Doch liij een van de voornaamste bestrijders der Labadisten,

Ja co bis Ivo i; i.ji a n,

bespeuren we hiervan betrekkelijk weinig. Wel sluit hij onder zijne 38 argumenten voor den kinderdoop ook dit in, „dat de kinderkens do geestelijke weldaaden en zegeningen, door den Doop betekent eu verzegelt, als wedergeboorte, heyligmaking, etc. mede deelachtig zijn, zo wel als de Ouders, gelijk blijkt, door dien Christus van de kinderkens zegt, dor zulken is het Koninkrijk Gods, en der hemelenquot;; doch hij gevoelt, dat dir argument wel in abstracte zeer klemmend is, maar met het oog op den huldigen toestand veel van zijne kracht verliest. 1 lij moet er terstond tusschenvoegen: „ik versta» de soort van do kinderkous der bondtgenooten, niet elk hooft voor hooftquot; \').

Liever argumenteert hij dan ook iiit de uiterlijke conditie der kinderen, nl. dat zij door hunne geboorte behooren tot liet verbond Gods en tot de zichtbare kerk, en mitsdien op de privilegiën der zichtbare kerk aanspraak hebben. Zij zijn verbondsheilig, wat beduidt, niet dat ze eene „inklevende heyligheydtquot; der wedergeboorte bezitten, maar „datse met God in \'tverbondt zijn vereenigt, tot zijn dienst toegeweyt, zichtbaare leden der kerke, onderscheiden van Ileydenen, Turken en alle ongeloovigenquot;

Met alzoo de verbondsheiligheid tot grondslag van den doop te maken, laat Koelman de kwestie van de wedergeboorte der kinderen buiten het geding. Want het verbond beslist op zichzelf niets over den geestelijken staat van den bondeling. Koelman onderscheidt tusschen het uitwendig verbond, den grooten kring van wedergeborenen en niet-wedergeborenen omvattende, en het inwendig verbond, niet den kleinen kring der wedergeborenen gemaakt. „Onze Kerk gelooft, dat er is oen uitwendig, zichtbaar,

1) Der Labadisten dwalingen grondig ontdekt, en veder legt. boek \'J, bl. 726.

2J bl. 665, 667.

-ocr page 339-

331

conditioneel verboiultraaken in belijdenis, waer door ook de onherboorno komen met .Godt in \'t vei\'boudt, boven\'t welke de wedevgeboorne noch hebben een inwendig, daadlijk en absolnit verbondmaken; beyde zijn het zichtbaare en wee-zentlijkc verbont-makers.quot; Mon meene echter niet, dat dit twee onderscheiden verbonden zijn; „het verbondt is een en \'t zelve, maer allo zijnze niet in het verbondt op oen en do zelve wijze; zoramige zijn \'er alleen in door uitwendige belijdenis, tot de tegenwoordige deelgenootschap van uilwendige prioilegien, maer zominige zijn \'er ook in dooi\' hcrtclijke aenneeming, tot de genieting van de Zaligmakende weldaden door middel van die previlegienquot; \'). De bedenking der Labadisten, dat er in do dagen des X Testaments geen uitwendig verbond bestaat zooals onder Israël, beantwoordt Koelman met vele argumenten. Het sterkste argument is natuurlijk het feit, dat er zoovele uitwendige belijders zijn, die aan de genade des Geestes geen deel hebben. Slechts dit geeft hij toe, dat met Christus\' komst de genade rijker en overvloediger is geworden.

Zoo zetteden do Gereformeerden zich in hunne nieuwe doopsbeschouwing vast. Het praktische leven drong hen tot eene onderscheiding van uit- en inwendig verbond, waardoor zij feitelijk in den regel het verband van doop en wedergeboorte loslieten, of althans de wedergeboorte tot eene conditionetJe verbondsbelofte maakten. Dat men allengs den kinderdoop meer als eene door God bevolen kerkelijke plechtigheid dan als een genademiddel beschouwen ging, lag in don aard der zaak.

Tiet Labadisme is in zijn drijven van de heiligheid der kerk ondergegaan. De Gereformeerde doopsbeschouwing werd door den toestand der kerk bedorven.

§ 3. Het tweede tijdi\'EKK.

Toonemende verzwakking van het Dogma.

In den strijd met de Labadisten had zich reeds een man

1) 1)1. 550 v.

-ocr page 340-

3n2

laten hoorcn, wiens naam tot op den huidigen dag\' een goeden klank heeft, maar die juist in liet stuk van den kinderdoop niet weinig heeft bijgedragen tot verkeerd verstand van hot Gfereformeerdo dogma. Wc bedoelen AVii.iielmüs a Bkakëi,.

Brakel staat in zijne doopsbeschouwing, in \'t algemeen genomen, zuiver. Hij leert meestal in den geest der oude Gereformeerden. De onderscheiding van uit- en inwendig verbond neemt hij niet aan. .Men zal „geene kinderen doopen op een uytwendioh verbondt; maar alleen ten opzichte van het Genadenverbondtquot;, want „daer en is geen uytwendigh verbondtquot;\'). Doch Brakel begaat in zijn gansche betoog céne groote fout, en die is: hij maakt geen onderscheid tusschen wedergeboorte en bekeering. Wanneer hij van wedergeboorte der kinderen spreekt, dan heeft hij steeds het oog op zulk eene, die zich in daden openbaart ^). Er kunnen, meent hij, wel kinderen in hunne prille jeugd, reeds in hun derde jaar, wedergeboren worden, maar dan kan men het ook zien. I let eerste begin der wedergeboorte kan men kennen, al is hot ook niet geheel zuiver, aan de eerste daad des geloofs. Bus ontkent hij, dat „in alle uytverkorenen, van haer eerste begin des levens een zaedt van wedergeboorte is, \'t welk op den bestemden tydt uytspruytquot; Om deze ontkenning te staven, gebruikt hij argumenten, waarop wel eenige aanmerking valt te maken. Zoo deze: ..dan konden zij niet gesegt worden daer na den Geest door het Woordt te ontfangenquot;; en even te voren had Inj verklaard, dat een uitverkoren kind door de Almachtige kracht Gods, rtonder middel van \'t Woordtquot;, kan geheiligd worden. En erger nog: dat God de kinderen aan Christus gegeven heeeft en Christus als hun Borg de verzoening voor hen te weeg gebracht heeft, „is de grondt dat yemant een eygendom van Christus is, en niet de inwoninge van den Geestquot;; alsof beide genade-

1) Redelijke godsdienst, cap. 39, § 23 en 56.

2) cap 31, § 13 vv.

-ocr page 341-

333

weldaden van elkander kondon gosclioiden worden, alsof iemand doel aan f\'liristus kon hebben zonder den II. Geest.

Het is, gelijk we opmerkten, de gelijkstelling van weder-eeboorte en bckeerino-, die Brakel tot oen dergoliiken

n O 7 O t»

misslag gedreven beeft. 11 ij zegt bet duidelijk genoeg: „Soo is \'t klaer, dat kinderen en alle onbekeerden, soboon uytverkoren, den fieest niet en bobben: Anders en konde bet geen bewijs zijn van yemants bekeeringe, als de nyt-vorkorenen den Geest al badden voor bare bekeeringequot;.

Diensvolgons bondt bij den kinderdoop niet voor eene verzegeling van gerealiseerde genade, maar van bet recht op toekomstige genade. De uitverkoren kinderen zijn immers in bun bart even goddeloos als alle anderen. Zo zijn .,iii baer solve golyk alle andere kinderen, missende bet beeldt Godts, bebbonde hot beeldt des duyvols sonder zaedt des geloofs, sonder wedergeboorte in baer begin, ofte de minste bebbolyke genade, sonder inwoninge des Heyligen Gecstes, en alsoo batelyk endo verdoemolyk, soo dat de grondt om baer te doopen niet is, eenige genade, die sy nu in baer solve bobben: noobto op den grond der eeuwige vorkiesinge, dio voor ons verborgen isquot;. ,De gebeole kracbt des Doops is dat kindt te verzegelen bet vorbondt der genade, on alle desselfs beloften, niet dal het die heeft, maor dat bet recht aen die hooft, oude dat het Godt aen bot solve sul volbrengen, golyk aen de volwassenen ook toekomende goederen verzegelt wordenquot; \').

Jammer voor de doorwerking van bot Gereformeerde beginsel, dat Drakel, wiens invloed zoo maebtig groot is geweest, juist op dit ééne punt fout liep. Men vindt anders bij bom nog alle goede elementen aanwezig. Geen streng bokrompone, maar eene milde opvatting van de belofte, geen doelen en splitsen van hot verbond in twee stukken, maar een vasthouden aan bet ééne, ongedeelde gonadover-boud. Alle kinderen dos verbonds, die sterven, wil Brakel voor zalig, de overige voor ware bondgenoten gebonden

1) Cap. 39, § 23 v, vgl. S 20.

-ocr page 342-

334

hebben, _tot datse trouweloos in hefc verbondt zyn, endc aen do belofte geen deel en hebbenquot; !)•

Di\' vraag van het doopformulier, waarover in zijnen tijd kwestie rees, brengt Brakel ook ter sprake. Hij oor deelt, dat „in Christus geheiligdquot; in het gemeen moet worden verstaan, niet van ieder kind, dat ten doop wordt gepresenteerd.

Van dezelfde richting als Brakel is

Jou awes van\' dei! ICeMP.

In zijne bekende Predikatiën over den Heidelhrrysrhen Catechismus oppert hij ook de vraag, „of al d\' uitverkoorne kinderen, van Bondtgenoten geboren, voor hunnen Doop het eerste begsinel en \'t zaedt der wedergeboorte, bij wijze van een vermogen, deelaohtigh worden.quot; Hij erkent, dat „zeer Geleerde en Godtzalige Mannenquot; deze vraag bevestigend beantwoorden, oordeelende, ,dat dat zaedt dei-wedergeboorte in velen voor langen tijdt onder de kluiten van de begeerlijkheden der jongkheit en des vleeschs bedekt en bedolven blijft, totdat het door eone werkelijke bekeering uitspruite, en zich levendich vertoone,quot; maar hij zelf is van een ander gevoelen. Xiet dat hij de mogelijkheid van wedergeboorte der kinderen voor hunnen doop wil loochenen, maar hij acht het onwaarschijnlijk, „omdat zij dan ook alle met hunne jeugt, met het toenemen van \'t gebruik der reden naer hunne vatbaerheit eenige blijken zouden geven dat in hun eenigh goedt beginsel ware, zoo wel als ze blijk van hunne redelijkheit en zondigheit gaven . En zie, dat juist vindt hij niet. De jeugd geeft te weinig blijken van ware vroomheid. Daarom _\'t is wel zoo, dat de Doop de wedergeboorte onderstelle en verze-gele, maer niet altijdt als daev veedts zijnde, maer a/s toekomende, en dat do gedoopte uitverkoorne kinderen der Bondtgenoten de wedergeboorte zekerlik zullen deelaclitigh worden . Zij worden dus -van hun recht aenquot; de wedergeboorte verzegeld door den doop. Zij hebben de toezegging der heiligmaking.

l! S 25.

-ocr page 343-

335

Maar hoovole gedoopte kinderen zijn uitYerkoren ? „De uitverkorene in de kerk zijn de minstequot;. .. fn Christus geheiligdquot; moet men dus in het algemeen op de kinderen der gemeente laten slaan, niet op eiken doopeling. De ouders hebben alleen de heiliging ..in hope te verwachten, is \'t niet voor dit landt, V zal dan zijn voor hun navoh/ende geslachtequot;.

Wat een angstige voorzichtigheid, om de genade niet te ruim voor te stellen, straalt hierin door! De uitverkorenen vormen het kleinste deel, niet der menschheid, maar der gemeente! En toch moet liet doopformulier bruikbaar blijven voor diezelfde, weinige uitverkorenen tellende quot;■emeente. Maar dan natuurlijk met verkeering van den

O t» O

zin der woorden.

Een ander bekende verklaarder van den Catechismus

1 gt; e i! n ai:d i\'s Smij tkg e et,

komt iets nader bij tot de oorspronkelijke opvatting, daar hij zegt, dat de kinderen „als kinderenquot; de belofte hebben en niet in het wilde opgroeien, ofschoon het maar sommigen zijn, in wie God de genade in de jeugd logt\').

Een derde echter,

David Kniüiie,

schijnt do meening van den Catechismus niet meer geheel toegedaan te zijn, dewijl hij na zijne eigene verklaring, dat do kinderen „uytterlijck heylig als bondgenootenquot; zijn. de vraag stelt, wat argumenten do catechismus zelf geeft2).

Er blijkt in dezen tijd aanmerkelijk verschil van opvatting over hot Uoreformeevde dogma te heerschen, vooral wat betreft de uitdrukkingen : heilig en in Christus geheiligd zijn. De een vat heilig in uitwendigen zin op, de ander in innerlijken, geestelijken zin, een derde verbindt beide beteekenissen te zamen. Onder degenen, die de oude Gereformeerde verbonds- en doop-beschouwing huldigen, behoort genoemd te worden :

1) Verklaring v. d. Heid. Cat,, oe deel. 1756, p. 4! 7.

2) De J.ecre der Geref. Kerk volgens den Heid 7e druk, 1736, p. 445.

-ocr page 344-

336

Petrus van Maestriciit.

^Faostriclit maakt ter doge onderscheid tufsclien wedergeboorte en bekeering. .Door de wedergeboorte wordt liet geestelijke leven toegebracht, alleen ten aanzien van de eerste daad, niet ten aanzien van de tweede,\'t zij hebbelijke, \'t zij dadelijkequot;. Men ontvangt in de wedergeboorte; .alleen do macht en het vermogen, waardoor men zich kan bekeeren. Van de bekeering verschilt zo (de wedergeboorte) niet alleen naar de natuur, maar soms ook in don tijd. Een waa wedergeborene kan, wat de hebbelijkheid en de daad aangaat, een tijdlang eon ongeloovige, oen onbekeerde en oen, die in zonden wandelt, zijn, gelijk nit de kinderen blijktquot; \').

Dienovereenkomstig noemt hij onder de gronden voor don kinderdoop: do kinderen hebben dool aan de weldaden dos verbouds, wedergeboorte en zondovergoving; zo zijn loden van het mystieke lichaam van Christus, ze hebben deel aan don H. Geest. Eu wat hot geloot\' betreft, „do doop voreischt in do volwassenen wel hot dadelijke geloof\', maar in de kindoren is hij mot het zaad des gelnofn tevreden (fide seminali contentus) en voreischt dus evenmin als de besnijdenis dadelijk geloofquot;quot;\').

Iets dergelijks treffen we aan bij

M i; lchioe Levdekkek,

wanneer hij „don staat der kinderenquot; aldus toekent; .Zij moeten vooreerst als kinderen dos toorns in Adam onder de zonde, en daarna als kinderen der genade in Christo werden aangemerkt, wegens hot genade-verbondquot;. En dus geldt ook deze grond huns doops: ..Zij worden ook wedergeboren, zonder daar van gevoelige kennis te hebbenquot; ;gt;).

Diens broeder

1) Theologia thcoretico-practica, lib, VI, cap. 3, § 17

2) lib. VII, cap. 4, § 25.

3) Verhorgentheid des Geloofs, boek VI, boofdst. 5, bl. 420 v.

-ocr page 345-

33?

J A (JOB US TjEYDKK k K1:

veroonigt du gedachte van uiterlijke en innerlijke heiliging : _\\\\ y en zeggen niet, dat I Cor. 7 ; 1-1 van een inwendige Heiligmakingo eigentlijck gesproken isquot;, maar we verstaan het toch zoo, „dat (vod in dien opsigt als met verbondelingen handeld, door innige heiligmakinge aan die \'tHem belieft te gevenquot;1).

Hem volgt

] i kxüicüs Guoekew-ecex.

Heiligheid beteekent in 1 Cor. 7 , 14 „ende een heiligheid des Verbonds, waar door sy van de Kindren der Heidenen werden onderscheiden, mitsgaders ook de Heiligmakinge des tfeests, waardoor sy van hem als van des Moeders Lichame werden bereid ende bewrogt, om zoo ras als sy oordeel zullen kunnen oeft\'enen met onderscheid, volgens die beweginge des H. Greests, de Deugd te beminnen en lief te hebben, blijvende nogtans in haar de ertiijke verdorventheidquot; 2).

Andere verklaringen van den Catechismus gaan we thans voorbij, om de aandacht te vestigen op een man die in dezen tijd van bijzonder gewicht is te noemen, omdat hij een afzonderlijk onderzoek heeft ingesteld naar de Gereformeerde leer over den kinderdoop en ze ter beantwoording van de hangende kwesties met beslistheid voorsteltWe hebben het oog op

11 ekmanus AVrrsirs.

lli) vindt, dat met de heiligheid der kinderen bedoeld is niet eene volstrekte en inklevende, maar eeue betrekkelijke en verbondsmatige (sanctitas relativa et foederalis) \'). Maar hij vindt ook, dat de doop den kinderen verzegelt

1

Dg Hervormde Kerh verdedigt, bl. 500.

2

Oefeningen over den Heidelbergscbeu Catechismus, bl. -198.

-ocr page 346-

:i;js

on mcdocloolt de goineonsohap mot Christus, en diuii\'in zoudovergeving cn wedergeboorte. ]lij vindt, dat de Gereformeerden niet hierover verschillen, of die weldaden allen kinderen, dan wel alleen den uitverkorenen geschonken wordt; ook niet, ot\' ze in Christus ingelijfd zijn en zondevergeving hebben reeds vóór den doop. Een geschilpunt is alleen, of de kinderen ook reeds voor don doop wedergeboren zijn. .Daarover,quot; zegt hij, .tref ik vierderlei gevoelen der godgeleerden aan. Sommigen meenen, dat de wedergeboorte hun op verschillende tijdpunten medegedeeld wordt, soms vóór, soms in, soms na den doop. Anderen stollen ze vóór den doop. \\V eder anderen leeren? dat de kinderen op toekomstige wedergeboorte gedoopt worden, omdat ze niet terstond daarvoor vatbaar zijn. Velen eindelijk strijden voor de meening, dat in de handeling en het oogenblik des doops de wedergeboorte in den regel door God te weeg gebracht wordtquot; \').

Maar hij komt tot deze conclusie, dat de wedergeboorte vóór den doop de aangenomen leer der Gereformeerde kerk is; waarin hij zelf zich ook het best kan vinden. ,Nauwelijks kan er twijfel over bestaan, of die stelling van de wedergeboorte der kinderen vóór den doop;\'althans volgens het oordeel der liefde over hen hoofd voor hoofd, hot aangenomen gevoelen der Nederlandsche kerk is. In haar doopformulier wordt deze vraag den ouders, \' die hunne kinderen ten doop aanbieden, voorgelegd: .. . . bekent gij niet, dat zij in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten zijner gemeente behooren gedoopt te wezen. Op welke vraag een bevestigend antwoord gevorderd wordt. En dit pleit voor het gevoelen van hen, die de eerste wedergeboorte van de uitverkoren kinderen des verbonds vóór den doop stellen, en hierbij beken ik, mij tot dusver neer te leggenquot; quot;).

1) S 23.

2) § 32.

-ocr page 347-

Witsius liostrijdt dan ook de andere gevoelens, die do wedergeboorte der kinderen öf in of na den doop plaatsen, liet eerste is niet aan te nemen, omdat liet niet congrneeren zon met den doop der volwassenen, in wie blijkens het geloof do wedergeboorte reeds bestaat ). 1 Iet laatste is absoluut te verwerpen, omdat bet uitgaat van de idee, dat de kinderen voor de wedergeboorte onvatbaar zijn, en zoodoende hen voor zulken, die aan de macht der zonde overgegeven zijn, verklaart. Want, „zoo de kinderen der geloovigen vóór hunnen doop niet moeten beschouwd worden als zoodanigen die met Christus en de kerk gemeenschap hebben, dan moeten zij beschouwd worden als zulken, die onder den toorn Gods, onder de macht des duivels en in den staat der verdoemelijkheid vorkeeren, en ten minste, wat hun tegenwoordigen staat betreft, van de kinderen van alle anderen, die zeer verre buiten het verbond Gods staan, niet verschillen. Want daar is geen middenstaat gegeven: die van Christus niet is, die moet nog den Satan toe-behoorenquot; \').

Maar, „wanneer God do uitverkoren kinderen van hunne geboorte af opgenomen heeft in de gemeenschap zijns verbond», waraeer Hij ze met Christus heeft vereenigd en met zie,, zeiven verzoend in de vergeving van hun erfschuld, dan kan er geene reden genoemd worden waarom Hij hen niet ten zelfder tijd zou wederbaren, of hun subject moest door natuurlijke gesteldheid voor wedergeboorte onvatbaar zijnquot;3). Dit laatste is echter niet waar, zoo men in het wezen der wedergeboorte der kinderen vóór den doop maar een goed inzicht heeft heeft. Die de wedergeboorte der kinderen vóór den doop loeren ..verstaan onder wedergeboorte die genade van God, waardoor het allereerste beginsel des geestelijken levens aan een mensch, die anders geestelijk dood is, ingestort wordt (per regene-rationem eam Dei gratiam intelligunt, qua primo-primum

1) T43.

2) § 21.

3) § 29.

-ocr page 348-

;j4i)

vitao spiritualis principium liomini caeteroquin spii\'itualiter mortuo infuuditur). Uit beginsel des levens vatten ze op hij wijze van een zeker vermogen, dat niet altoos noodwendig handelend behoeft op te treden, tenzij liet subject daarvoor in de termen valt,quot; wat bij de kinderen het geval niet is, zoodat zicli de werken later openbaren O-

Blijft dus slechts dit alternatief, ,óf dat de kinderen wedergeboren zijn, maar dat het zaad onder de aardkluit gedurende vele jaren verborgen, en alleen door de doornen en stekels van de begeerlijkheden der jonkheid niet verstikt is, totdat het door het bijkomen van meerdere genade de hinderpalen eindelijk te boven komt en sterker en gelukkig uitbreekt en ontkiemt; óf dat God, die aan geen tijd gebonden is, de genade dos nieuwen levens den uitverkorenen schenkt, wanneer Hij het verkiest, en hen, ofschoon zij naar het oordeel der liefde behooren gedoopt zijn, dikwijls vele jaren in den staat van de ovei-heerschende verdorvenheid laat, totdat zij door do genade zijns Geestes vernieuwd wordenquot; -).

Slotsom moet dan zijn, „dat God niet alleen vrij is, de genade der wedergeboorte den uitverkoren kinderen vèór het gebruik ties doops aan te brengen, maar dat het ook geloof verdient, dat hij alzoo in den regel doetquot; »),

Of deze verhandeling van \\N itsius rechtstreeks op de meer juiste beschouwing van het Gereformeerde dogma ingewerkt heeft, kunnen we niet beslissen. \\ ast staat echter, dat weinige jaren na het verschijnen van dit geschrift quot;•roote beweging in de vaderlandsche kerk is ontstaan over den kinderdoop, bepaaldelijk over het gebruik van hot doopformulier. Vier predikanten van Utrecht, Abiaham Josua Braconier, Aegidius van de Putt, Johan Keynier Kelderman en Johannes A os, weldra door den predikant van Tienhoven Ds. Gerard van Schuylenberg gesteund, vei-klaarden zich bezwaard om het doopformulier, en met

1) § 25.

2j S 30.

3) S 29.

-ocr page 349-

841

name do eerste doopvraag, stipt naar de letter te lezen. Zij meenden in geinoede den ouders niet de vraag te mogen voorleggen: „of gij bekent, dat onze kinderen in (,\'lmstus geheiligd zijn,quot; en daarop een bevestigend antwoord te cisohen, wetende, dat er zoovele kinderen waren van wie ze geene innerlijke heiliging konden onderstellen. Want zij vatten „geheiligdquot; niet in uitwendigen, maar in geestelijken zin op, geheiligd door den II. (leest. Hunne bezwaren kwamen voor de provinciale synode van Utrecht. Deze droeg aan hare deputaten op, om de genoemde predikanten over te halen tot een stipt lezen van de doopvraag en hunne bezwaren uit den weg te ruimen; maar zoo zo bij hun gevoelen bleven, dan hen te bewegen, dat zij hunne bezwaren op schrift stelden ter behandeling voor de synode van het volgende jaar. Aan dit verzoek hebben de vier predikanten, toon door Schuylenborg geholpen, voldaan. Zij zetten hunne „bo-zwaarredononquot; breedvoerig uiteen, zich beroepende vooral op Witsius, wat betreft den zin der woorden: ,iu Christus geheiligdquot;. Ook meenen ze niet voor geloovigon, wier kinderen naar het opschrift van het formulier gedoopt zullen worden, te kunnen houden, „die wc voorshands weten, dat niet alleen in de allerdiepste onkunde steken; maar daarenboven een godvergeten leven leyden, ja hunne kinderen in hoererij en overspel geteeld hebbenquot;. Bovendien, en voor deze stelling kunnen zij zich ook op Witsius beroepen, weten de geloovige ouders niet, of\' hunne kinderen reeds vóór den doop in Christus geheiligd zijn, en dikwijls bewijst de droeve ervaring het tegendeel\'). Dat men deze woorden in het algemeen op de kinderen der gemeente kan laten slaan, erkennen ze: maar wat ouder, die zijn kind ten doop brengt, doet dat? Denkt hij niet juist bepaaldelijk aan dat kind, dat hij ten doop aanbiedt ?

1) Kedenen, bl. G4 v.

2) bl. 57.

23

-ocr page 350-

842

Deswege meenen /.ij de woorden van het formulier te mo(ren wijzigen, zoo dat ze zonder bezwaar voor ieder kunnen gebruikt worden. De een las, met weglating van het woordje .zijnquot;: „in Christus geheiligdquot;, een ander: _in Christus geheiligd zijndequot;, of ook wel „in Christus geheiligd hehooren of kannen wordenquot;, alles dienende om te doen uitkomen, dat men niet thetisch van elk kind, dat gedoopt werd, de wedergeboorte zou belijden.

Hierover onstond veel geschijf. In het debat mengden zich geleerden als Vitringa, Veneina en a Marck, terwijl Kelderman, de woordvoerder der l trechtsohe predikanten, zijn gevoelen nader uiteengezet had in de Aanteekemngen op het geschrift van Us. Gerhard Meyer, de Onderwerpen van den JJeyligen Doop nader bepaald, waarin aangewezen wordt, hoe de Gereformeerde Kerk in het toedienen van den doop te ruim en te vrijgevig was. I itvoerig wordt betoogd, dat niet „alle de Dopelingen der Hervormde kerk egte voor- of onder-werpen des H. Doops zijnquot; \').

Wie van den doop moeten geweerd worden, rangschikt Meyer onder deze vier soorten:

a. kinderen van ongedoopte ouders;

b. kinderen van gedoopte ouders, maar die in de leer des doops met hetgeen er bij behoort, geheel onkundig zijn ;

c. kinderen van gedoopte ouders, die wel eenige kennis bezitten, maar goddeloos leven;

d. kinderen van bittere Papisten1).

Al te licht, klaagt Meyer, en Kelderman met hem, reikt do kerk den doop aan zulke kinderen uit, zonder dat er goede waarborg bestaat voor eone christelijke opvoeding. En zij beroepen zich op Calvijns brief aan Karei, ten bewijze dat de kerk van het oude spoor afgeweken is.

Wat echter het leerstellige betreft, loopen de meeningen van beide schrijvers iets uiteen. Meyer maakt melding van een uitwendig verbond. De heiligheid der kinderen be-

1

bl. 258.

-ocr page 351-

34:i

stiiat „ton opsig\'t van \'i uitterlijk Verbond,quot; waardoor ze „regt hebben tot do Versegeling des Verbondsquot; \').

Kelderman daarentegen wil van een uitwendig verbond niets weten. Onder liet X. Testament bestaat er geen uitwendig verbond als onder Israijl; er is maar één genadeverbond, en dat is geestelijk van aardquot;). Daarbij beroept hij zich op den beroemden

Cam pec tus Yitrixga,

die nadrukkelijk de leer van de uiterlijke verbondshoilig-heid bestrijdt. „Men zegt: de kinderen zijn heilig-, omdat zij van de wereld afgezonderd, in de gemeenschap der uitwendige kerk leven en opgevoed wordenquot;.

Maar zoo was \'t onder Israël. Israël werd een heilig volk in uitwendigen zin genoemd. Israël leefde onder een uiterlijk verbond, dat in uitwendige voorschriften en uitwendige beloften bestond, in welk uiterlijk verbond hot innerlijke genadeverbond besloten lag. ,Maar het is er zoover van daan, dat zulk eene uiterlijke heiligheid plaats vinden zou onder het X. ï., dat integendeel dit bet praerogatief is van het jSieuwe Verbond, dat daartoe m\'manrf \'/an de waarlijk geheiligde behoort ; zoodat niemand heilig genoemd wordt, dan die waarlijk voor een innerlijk heilige gehouden wordt. En hierin bestaat het onderscheid tusschen hot Oude en het Meuwe Verbond, dat dit geheel geestelijk, geheel innerlijk van aard is; inwendige voorschriften en beloften bevat, en geene bondelingen erkent dan die waarlijk geheiligd zijn of voor zoodanig gehouden worden; terwijl daarentegen het eerste ook vleeschelijke geboden en vleeschelijke beloften bevatte en ook bondgenooten toeliet, die wel naar het lichaam, maar niet naar de ziel rein warenquot;. Bijgevolg moet men zeggen, „dat de kinderen der geloovigen heilig genoemd worden, omdat wij op goede gronden onderstellen, dat ze in hunne ouders (daar God

1) bl. 96. 2i bl. 97 v.v.

-ocr page 352-

:i44

zijne genade hun in hunne Onders toebrengt) geheiligd zijn door den 11. Geestquot; \').

Vitringa vond in zijne voorstelling steun hij zijn ambtgenoot

11 E101AXU.S VENEJIA,

die opzettelijk de voorstelling, volgens welke er onder het X, T. voor eene uitwendige heiligheid plaats zou zijn bestrijdt, waarhij hij de gewone gronden voor her bestaan van een uitwendig verbond opnoemt en met schriftuurplaatsen en redeneering weerlegt. liet resultaat van zijn onderzoek luidt: -Er bestaat thans geenc wettelijke, maar alleen eene zedelijke onreinheid; op onze heilige instellingen heeft niemand recht dan alleen de ware goloovige; lid der kerk is niemand dan de wedergeborene; de Christelijke gemeenschap is geestelijk van aard en wordt alleen onder de geloovigen en waarlijk heiligen gevondenquot; -).

Zijn algemeene stelregel echter over de kinderen dor geloovigen is : ..Alle kinderen der geloovigen verkeeren, zoolang zij kinderen zijn, in een relatieven staat der genade in hunne ouders, door eene bijzondere beschikking Godsquot;. Deze relatieve staat gaat in den absoluten over, óf door den dood, of wanneer zij, tot gebruik der rede gekomen, met het geloof zelf de genade omhelzen, terwijl zij. van Christus zich vervreemdend, in den staat des toorns blijvenquot;1). Dit is natuurlijk eene gedachte, welke moeilijk voor wezenlijk Gereformeerd kan verkondigd worden, omdat de Gereformeerde leer in hare gestrengheid slechts twee absolute staten kent.

Vandaar waarschijnlijk ook, dat het woord van quot;Vitringa en Venema niet zooveel uitgewerkt heeft als men misschien wel verwachten zou. De orthodoxen in het algemeen vertrouwden beide hoogleeraren niet bijzonder. Ook was

1

lib. Ill, cap. 2.

-ocr page 353-

345

do wijze, waarop zij hunne loor verkondigden, meer geschikt om den toestand, zooals die nu eenmaal was, nog hopeloozer te maken, dan om nieuw leven en verbetering aan te brengen. Een enkele, zooals d\'Outrein,i) uitgezonderd, hechtte men zich meer aan de geliefkoosde idee, om de heiligheid der kinderen als eene uiterlijke verbonds-heiligheid op te vatten.

Voor deze gedachte kon men des te sterker strijden, omdat zich daarvoor verklaard had een man van buitengewoon aanzien

Johannes a Maiuk.

In zijn Compendium Theologiae Christianae had hij ruimte gelaten, zoowel voor de meening, dat het geloot\' in de kinderen later volgt 2), als voor die, dat hot in hot zaad en den wortel in de kinderen aanwezig is, en innerlijk geheiligd zijn: „Intusschon belijden we gaarne en verdedigen togen Socinianen en Anabaptisten, dat don uitverkorenen kindoren der geloovigen, die vroegtijdig geheiligd zijn, toekomt volgens do verdienste van Christus ook do genade dos Geostes, die naar hunne bevatting in hen werkzaam is in hot herstellen der verdorven natuur, welke genade sommigen oen geloof in het zaad, don wortel, en ook, minder juist, in do hebbelijkheid, noemenquot; :i).

Maar toon do Utrechtscho twisten uitbraken verhief ook a Marck zijne gewichtige stom, in een brief\' over de Heili-ginge van de Kinderen, waarin hij de veranderingen, in de doopvraag, door do bezwaarde predikanten voorgesteld, behandelde en afkeurde, ook niet hot oog op don zin der woorden naar de bedoeling dor opstellers, maar waarin hij aan do bezwaren tegemoet kwam door eene eigene, nieuwe verklaring te geven, welke voor zijnen tijd paste, towijl hij de voorstolling van Yitringa en Venema niet kracht bestreed.

1) Hel gouden kleinoot, bl. 43n: Er bestaat geen uiterlijk verbond, »om dat het Nieuwe Testament en verbond Geestelijk is.quot;

2) Cap. 30, g 18.

3) (Jap. 22, g 12.

-ocr page 354-

34fi

Vooi\'oorst dan over do boteekcnis dor woorden: ,in Christus geheiligd zijnquot;, meent hij, dat men „zijnquot; mag verstaan in den zin van „wordenquot;; deze woorden volstrekt te willen laten slaan op den\'verleden tijd, is „maar eene enkele Taalvitterijequot;; doch zoo men dit wil, het kan waar zijn en is waar, dat er kinderen „rects van haaro eerste rijt af aan Deelgenooten der waare Gonaado zijn geworden,quot; hoewel dit slechts „Eenigequot; zijn. „Maar,quot; zegt iVMarck, „het geene mij als verre het waarschijnelijkste, soo niet soekerste, voorkomt, is, dat in die woorden, dat sij in Christus Geheüigt zijn, ten aansien van den Tijt, niet soo soor gesien wort, of gesien en gedacht moet worden op de Dadelijke l\'itwerkmge in de kindoren, als wel op de Verkrijginge van die Genaade door Christus, die te sijner tijt voor soo vele eewen reets geschiet isquot; \').

Dat a ifarck met deze verklaring de bestaande, moeielijk-hoden niet oplost, is reeds hierdoor duidelijk, dat hij de toepassing van Christus\' verdienste toch weder slechts op die „eenigequot; kinderen laat betrekking hebben. Het eenige, dat hij er mee wint, is, dat de kinderen tot den tijd hunner bekeering toe voor heidenen en ongeloovigen kunnen doorgaan.

De beschouwing van Vitringa, dat „er onder het Nieuwe Testament geen Uiterlijk Grenaado-Verbont meer sonde te erkennen zijnquot;, noemt hij oen „verkeerde driftquot;, en bovendien wekt hot maar eene ijdelo en gansch onnutte woordonstrijt,quot; omdat het immers daghelder is, dat „onder het Nieuwe Testament niet min als bot Oude., oneindig veele menschen behooren, dio aan de waare saaligonde Grenaado van hot Vorbont solve gansch geen doel hebben; te weeten, dio het solve door Belijdenisso toestemmen, sondor hot Goloovo des horton, waar aan de saaligondo Gonaado vastgehecht is.quot; En dus wil hij de kinderen doopon op grond van liet „Uiterlijke Gonaado-Vorbontquot;\'-).

Togen deze argumentatie van a Marck was uittoraard weinig in te brengen. Do feitelijke toestand was eenmaal

1) bl. 26 v.

2) bi 17.

-ocr page 355-

347

niet anders. Er waren „oneindig veelequot; uitwendige belijders, die het geloof misten. Zoo was liet alleszins verklaarbaar, dat men eene uiterlijke Yerbondsheiligheid bleef loeren. Aldus o. a. in alle breedvoerigheid de „roervink\' .Iaconus Fruytier.

Fruytier mengde zich gelijk in andere, zoo ook in de hangende Utrechtsche geschillen. Hij erkent volmondig het treurige verval der kerk. lüj wijst op de ervaring, dat zoovele kinderen in goddeloosheid opgroeien, zelfs kinderen van geloovige, vrome ouders. En dus brengt hij de half ware, half onware stelling op het tapijt: .,I)e genade teelt niet voort door de natuurlijke geboorte. Sy is een vrygeschenk van don God des hemelsquot; \').

Voor de leer van de uiterlijke heiligheid ijvert hij met kracht. Maar, behendiger dan anderen, weet hij voor het gebruik van do doopvraag een goeden uitweg. Er zijn n. 1. drie soorten kinderen in de kerk, a. die reeds innerlijk geheiligd zijn; i. die nog geheiligd moeten worden; c. die slechts uitwendig tot de kerk behooren. Xu kan men de woorden: „in Christus geheiligd zijn,quot; vrijelijk op allo drie categorieën kinderen toepassen; als men het maar doet in dezer voege : omtrent de eerste soort kinderen bestaat geene zwarigheid; de tweede soort zijn geheiligd in Christus „van eeuwig/wit door de Vcrkiezinge, in de lijd, door Jesu dood, en door de uiterlijke roepinge van haar Oudersquot;; en -wat nu die laatste soort aangaat, die nooit bekeert worden, die zijn in Christo geheiligd, voor zoo verre zy naby gebragt zyn door het bloed Christi,quot; wat beduidt, uiterlijk afgezonderd van de onreinen en onheiligen-\').

Zoo maakt Fruytier het doopformulier pasklaar voor zijnen tijd. Hij hecht aan de kwestieuze woorden drieërlei beteekenis en dan kunnen ze zeer wel gebruikt worden.

Het lust ons niet, langer bij dit geknutsel der Gereformeerden van dien tijd stil te staan. Verschillende boekjes:

1) Groot voorregt van de Christen Kinderen, bl. l(i.

2) bl. 116 v.

-ocr page 356-

34S

Aanmerkingen over do Boswaarredenen; Wcdcrlegginge van do Beswaarrodoaon; Beantwoording van alle Consideration etc: eon onderzoek, of hot dooptbrmulier met dell. Schrift overstemt, meestal anoniem geschreven, verschenen, nadat do Utrechtsche predikanten hunne bezwaren haddon uitgebracht. We gaan ze stilzwijgend voorbij. Want zo geven niets anders dan een nieuw relaas van hetgeen we reeds aantroft\'on; de een vindt hot veranderen van do doopvraag goed, de ander keurt hot af; do oen pleit voor de leer van het uitwendige verbond, de ander bestrijdt ze-Maar aan al dit getwist hebben de Staten een einde gemaakt, door het gebod uit te vaardigen, dat men do bezwaarde broeders niet beinoeielijken zou. En de rust in de kerken koerde weder. Wie het veranderen wilde, mocht het ongehinderd doen, en wie het stipt naar de letter wilde lezen, handelde ook naar recht. Een ieder dood, wat goed was in zijne oogen. En de meeste Gereformeerden hielden, trots den tegenstand van Vitringa e. a., aan hunne onder-i scheiding van uit- en inwendig verbond vast.

§ 4. Het dekde tijdpekk.

Laatste opwaking.

In zekeren zin zouden we deze § bij het vervolg der achttiende eeuw onder het tweede tijdperk hebben kunnen opnemen, daar do schrijvers van dezen tijd zich voor een goed deel in den trant der vroeger genoemden laten hooren en nog de nagalm vernomen wordt van de in de Utrechtsche twisten geopperde ideeën.

Een gelijksoortig geval als dat dor Utrechtsche predikanten komt voor in Monnikendam, waar do predikant Bernhardm Keppel weigerde den doop te bedienen, zoo niet een „onbesproken Lidmaatquot; op het formulier antwoordde. Hij word van zijn ambt ontzet, door de staatsoverheid, terwijl de synode van Koord-Holland hem als wettig predikant van Monnikendam bleef erkennen.

-ocr page 357-

340

Haar aanleiding van deze zaak van Keppel verscheen in het liclit een werkje van

Aijrah. AKX. VAX ÏOLL,

getiteld Verhandeling van den Kinderdoop, waarin streng en kras volgoliouden werd, dat do kerk den doop ontheiligde, door kinderen van ouders toe te laten, van wier geloof zelfs niet de minste aanwijzing, eer de aanwijzing van het tegendeel, bestond. Tan Toll wilde, in den geest van Meyer, alleen kinderen van geloovigen gedoopt hebben, zooals het formulier blijkens het opschrift aangeeft\'). Voorts staat het bij hem vast, dat de kinderen der geloovigen waarlijk wedergeboren zijn, want „God is waarheit. Dat hij belooft, komt hij getrouwelijk na. Waarom ook niemandt twijfelen mag, of de kinderen, dien hij, volgens zijne belofte, tot eenen Grodt is, zijn levendig gemaakt, vernieuwd, ■wedergeboren, enz. derhalven ook geheiligdquot; ;).

In overeenstemming met van Toll treden er nog onderscheidene theologen op, die streng vasthouden aan hot rechtstreeksch verband van doop en wedergeboorte in den zin dor eerste Groreformeordon. ()nder hen noemen we

Roebeetus Aemimus,

die bij do gronden, waarom do kindoren tot het verbond behooron, ook dozen tolt, dat ze ..roods deolgenooton van do heilgoederen des Vorbonds geacht worden, als de vor-gevinge dor zonden, de wedergeboorte, om welke reodonon zij ook Heilig genaanit worden quot; :\').

Voorts

CaEOI.US TrtNMAN.

1 )oze verklaart, dat de kinderen moeten gedoopt worden.

1) 2) 3)

bi. 118 vv.

bl. 52 v.

Licht der waarheid, dl. IV, bl, 875.

-ocr page 358-

350

ook omdat zo „mode hebbon do betokondo zaak dos Doops, namontlijck do afwasschirige der zonde door liet bloed van Christus, en den JI. Geest, die al na zijn welgevallen in do eerste jonkheid het zaad Gods, do wortel der zaako, in de kinderen kan werken, en te zijnor tijd liet dadelijk gclove, en heiligmakingquot; \').

Ook mogen we hierbij rekenen

Berxiiakdinis de Mooi;,

die, compilatorisch het oordeel van verschillende Gorofor-moerdon weergevend, zijn eigen opinie daarbij voegt tot bewijs van instemming: „Deze dispositie of neiging der ziel tot geloof, uit wederbarendo genade des Geestes voortgesproten, of ook deze wederbarendo genade zelf, kan zaad of\' wortel dos geloof\'s genoemd wordenquot; \'); terwijl hij, wat betreft de kwestie van de eerste doopvraag, zijnen leermoostor a ilarok volgtquot; quot;).

Dezelfde de Moor herinnert aan

JoHAX van IIoXEET,

door wien, meent hij, den kinderen geloof schijnt toegeschreven to worden in actneelen zin, uit het philosophisch beginsel, als zon de natuur der ziel in denking bestaan. Mogelijk is \'t. Maar uit de woorden zelve zou men zulk eene gevolgtrfkking niet terstond opmaken. Ze luiden: „God kan en wil het geloof, zonder hetwelk goene zaligheid voor den mensch zal bestaan, in die kinderen, welke Hij verkoren hoeft, en die 1 lij tot de hemelscho heerlijkheid oproept, eer zo het Evangelie hooren, langs oen ons onbekenden en onnaspeurlijken weg, werken, ofschoon niet zonder den 11. Geest, maar door diens krachtdadige werkingquot; *). Eer zou men uit dit gezegde concludeeren,

1) Predikaatsien over den Ileidelhergsclien Catechismus, 1)1.514.

2) Commentarins perpetuus in Johannis Marchii compendium, pars IV, p. 318.

3) V, 490.

4) De Gratia Dei, non Universali, sed Farticulari, cap. 2, § 44.

-ocr page 359-

351

dat van den Honert in don regel don kinderen geen geloof, van wolken aard ook, wil toekennen.

Hot belangrijke monlont ouhter in dozen tijd is do strijd tussclion Johannes Conradus Appellas en Uillehrandus Janssonius. Deze strijd is niet goliool eene repetitie van het geschrijf over en weer bij do Utrechtsche geschillen; dan zonden we beide in één tijdperk hebben moeten opnemen ; maar or komt een nieuw clement in de voorstelling van ons dogma bij, door do eigenaardige opvatting-die Appolins van don kinderdoop had. Appelins stelde het n.1. zóó voor. dat hot sacrament niet in \'t bijzonder voor hot te doopen kind een zegel des verbonds is, noch ook eigenlijk voor de ouders, maar voor de kerk, welke uit do gemeenschap der ware geloovigen bestaat, en nu den doop in het lichaam van hot kind ontvangt tot eeno verzegeling van de belofte, door God aan do kerk en haar zaad gedaan.

In zijn hrief aan N. iV. ontwikkelt hij deze gedachte aldus: ..Do Kinderdoop is oen Sacrament voor de Kerke, die uit ware gelovige leden bestaat, aan welke God, door den kinderdoop, verzegelt haar daadlijk onveranderlijk aandeel aan de belofte, dat God oen God is en zijn zal, niet alleen van haar, maar ook van haar zaad, om hetzelve, uit kracht van Jezus dood en opstandinge, to wasschen van schuld en zonde, golyk hy roods gedaan hooft, en, tot het einde der wereld, zekerlijk doen zal... . Zoo is de kinderdoop oen sacrament en een zegel, niet voor dat kind in bijzonder, in wiens lichaam de doop bediend wordt, maar voor do gemeente, met welke God zyn verbond, aangaande haar zaad, gemaakt heeft, welke dit Sacrament ontfangt, in hot lichaam van hare kinderen .... Zoo is do kinderdoop geen Sacrament, voor onbegenadigde Ouders, uit welkers lichaam do kinderen onmidlijk gesproten zijn, zo lange dezelve buiten het verbond blijven, maar voor de kerke, mot welke God zijn verbond hooft opgerigt, die ook op deze kinderen, als op haar zaad, ene betrekking

-ocr page 360-

352

liopft; omdatzo, in liiiron schoot 011 huisgezin gohoron, aan haar overgegeven, en van haar aangenomen zyn, gelyk zy, op dien grond, ook, als hare kinderen, dopen laat de vondelingen, van welke zij niet weet, of\' ze nit Joden of\' uit andere geboren zijnquot;.

Dat Appelius\' doel met deze voorstelling feitelijk geen ander was dan om de kerkelijke dooppraktijk te rechtvaardigen, en tegelijk den kinderdoop met de algemeene sacramentsidee in overeenstemming te brengen, schemert duidelijk genoeg door, als hij zegt: ,NVas het Sacrament ingesteld, om alleen bediend te worden, in liet lichaam van kinderen, die, uit waaragtige gelovige ouders, geboren zijn : zo zouden zeer vele genen wettigen doop ontfangen hebben en nog, als ongedoopte, zijn; ja de gemeente zoude, van vele kinderen, gene genoegzame zekerheid konnen hebben, ofze wel wettig gedoopt warenquot;\').

En inderdaad, met deze verklaring won Appelius althans zooveel, dat hij den kinderdoop sacrament liet blijven, dat eene belofte en genade verzegelt, al maakte hij ook het verband van doop en wedergeboorte ten opzichte der kinderen daardoor niet hechter.

Maar ongestraft zou hij zijne vinding niet verkondigen. Janssonius kenschetste haar als eene nieuwe leer, tegenstrijdig aan hetgeen Appelius vroeger geleerd had, en waarin .hij rondelijk alle uiterlijke heiligheid en lidmaatschap, vooral van de kinderen, ontkentquot;quot;). Janssonius betoont zich een sterken voorstander van de leer van het uitwendige genadeverbond. Deze houdt hij voor de aangenomen, traditioneele Gereformeerde leer. Hij zegt, met bevreemding bij Wit si us gelezen te hebben, dat de stelling van de wedergeboorte der kinderen vóór den doop het aangenomen gevoelen der Kederlandsche kerk is1). De uitdrukkelijke leer der kerk is volgens hem

1

Ware Aart der Sacramenten, bl. 11-f.

-ocr page 361-

gimsdi anders. Be Gereformeerden loeren (,oene uiterlijke of verbondsheiliglieidquot; der ziclitbai\'e kerk, waartoe ook do kinderen behooron. Altoos wordt liet heilig /.ijii dor kindoren 7.00 opgevat, dat zo ,als kinderen dos vorbonds, don Hero geboren, on gohoiligt, van do kindoren dor ongelovige, die do Apostel onrein noemt, ondorsolieidon zijnquot; \')•

üaarontogon, „zo to redonoeron van don doop, dat iemand vooronderstelt moet worden wedergeboren te zijn, voor hij gedoopt wordt, is niets anders, dan oen onver-schoonMjke onkunde, of openbare afwijking van do looro van onze kerkequot;\').

Moenondo nu, dat Appelius zulk een onkundig mensch is, valt hij hom aan, hom de vraag voorleggende, hoe hij dan toch bij den kinderdoop den vader de belijdenis kan afvragen, dat onze kinderen in Christus geheiligd zijn. Maar Appelius verantwoordt zich en betuigt, dat hij wol tor doge staande houdt, „dat alle kinderen kinderen onzer kerke, waaragtig uitwendig geheiligd zijnquot;, on dat men naar zijne loor volstrekt niet zoggen kan,-dat allo kinderen, die gedoopt worden, inwendig heilige, en oigendlijk gezeido loden, die, door don II. Geest, mot Christus, daadlijk verenigd zijn wezen zoudenquot; quot;). Maar deze kinderen staan tot de kerk, „die uit ware gelovige bestaatquot; in betrokking. Zij zijn in do gemeente begrepen. Do gemeente kan men „do zedelijke oudersquot; van hot kind noemen. En nu is de kinderdoop „een Sacrament, in hot lichaam dor kinderen, aan de gemeente gegeven, om aan de gemeente te verzegelen, die belofte, welke God aan do gemoonte gedaan heeft aangaande de kinderen der boloftenissequot;. Een zegel voor do kinderen in \'t bijzonder wordt de doop, wanneer ze bekoord worden \').

Jxer, bl. 425.

1) bl. 143.

2) bl. 113.

3) De Herfonnde i) bl. 414 v.

-ocr page 362-

354

Op dczo wijze verweerde Appelius zich tegen de aanvallen van zijnen tegenstander. Hoe groot de opsclmd-ding was, door dit getwist in Xederland teweeg gebracht, blijkt wel uit het feit. dat de predikant W. Peift\'ers van Amsterdam er zich in gemengd heeft, die do zijde van Appelius koos. Maar Janssonius verdedigde ongetwijfeld het destijds heerschende gevoelen. Het einde van den strijd is geweest, dat de onderscheiding van uit-en inwendig verbond, en daarmede de losmaking van de betrekking tusschen doop en wedergeboorte, zegevierde. Daarmee kunnen we het derde tijdperk voor geëindigd rekenen.

§ 5. Het vtebde tijdpehk.

Doodsche toestand. Eindelijke herleving.

Over het verloop van liet Crereformeerdo dogma tot op onzen tijd slechts een enkel woord. De Gereformeerde beli jders in deze eeuw waren over \'t algemeen weinig in in getal. Het Modemisme kreeg de overhand. Maar zoover de Gereformeerden zich op dogmatisch gebied bewogen, waren ze meestal bezield van denzelfden geest, die de Gereformeerden der 18e eeuw kenmerkte. De toen levende gedachten en voorstellingen waren onder het volk rondgedragen en voortgeplant, en ze werden overgenomen, zonder dat men hunne waarde ging toetsen en keuren. Ook bracht het praktische leven volstrekt niet mee, van de eenmaal overgenomen denkbeelden af te gaan. Do toestand der kerk gaf geen aanleiding om weder te stellen, dat de wedergeboorte bij de kinderen in den regel aan den doop voorafgaat. De doop kon het best blijven golden als opneming in de kerk en als zegel van Gods verbond, welk verbond de belofte der wedergeboorte bevat, dio God ter zijner tijd, aan wien li ij wil, wel schenken zal.

Slechts op twee personen willen we de aandacht vestigen. De eerste is oen der mannen van de Afscheiding,

-ocr page 363-

355

H. P. Sciior.TE,

die in liet vleesch, voor

Bejaarden, zijne doopbescliouwing uiteenzet. Scliolte staat geheel op het Grerefonneerde standpunt, maar or blijkt bij hem een misverstand te bestaan omtrent de gronden voor den kinderdoop. 11 ij wil n.1. de wedergeboorte voor grond van den kinderdoop niet erkennen, omdat alleen het verbond den grondslag des doops vormt. Wat hij echter met deze ontkenning bedoelt, is duidelijk. Hij wil het subjectivistische element weren. Hij wil niet wat in den mensch is, dus het menschelijke, maar wat God aan den mensch doet, dus hot werk Gods op don voorgrond plaatsen.

En in zooverre getuigt hij geheel te recht. Had hij nu maar goed vastgehouden, dat ook de wedergeboorte een werk Gods is, maar een werk Gods in den mensch, dus. in het subjectieve liggende, dan kon hij gezegd worden, het oude Gereformeerde gevoelen weder geleerd te hebben. Maar nu ontbreekt er iets.

De bedoelde uitspraak, de beantwoording van eene vraag van Ds. de Liefde, luidt aldus :

.De eerst gestelde vraag doe ik niet, teneinde, bij de bevestigende beantwoording, de kleine kinderen te kunnen doopen, op grond eener vermoedelijke wedergeboorte. Allen, die dit doen, zullen, regt door redenerende, tot uw gevoelen komen. Ik moet u evenwel de bedenking maken, dat het ecen onzeker is, of de volwassene, welken gij gereed staat to doopen, waarlijk wedergeboren is, al of niet. Gij vermoedt dit, gij houdt het er voor; maar zeker zijt gij er niet van. Ik wil u wel de verzekering geven, dat wanneer ik alleen don Heiligen Doop kan bedienen op grond van de zekerheid der wedergeboorte, er door mij waarschijnlijk wel niemand gedoopt zou worden, tenzij de Heere mij eene bijzondere en duidelijke openbaring deed toekomen van die vernieuwing des harten. Ik doop zooals de Apostelen, na de belijdenis van geloof in God in Christus, op grond van Gods belofte,

gosclii-ifr De lleiliye Doop, of het teeken in het een deel gericlit tegen de Liefde \'s üoöp der

-ocr page 364-

35(J

dat do goloovige ou gedempte zalig zal worden; docli ik doop dan ook alles, wat die geloovige mij aanwijst als in Gods verbond opgenomenquot; \').

Op deze laatste verklaring: „ik doop op Gods beloftequot;, hebben we wel te letten, willen we verstaan, waarom Scholte de wedergeboorte als grond van den kinderdoop verwierp. Mij deed dit alleen ten einde een objectieve basis voor den doop te bezitten. Logisch doordenkende, bad Scholte ongetwijfeld moeten erkennen dat de wedergeboorte de grond, nl. de geestelijke grond van den doop is. Want bij zelf verklaart: ^Uit dit (genado)vorbond vloeit liet voort, dat do bondgenooten worden wedergeboren, met het geloof ter zaligheid begiftigd, met deu Heiligen (Jeest der beloften verzegeld. Wedergeboorte, geloof, verzegeling met den Heiligen Geest zijn weldaden of geeolgtn, geenszins voorwaarden van het verbotur -). En werkelijk aarzelt Scholte niet, om dezen stelregel ook op de kinderen toe te passen. „De Heere behandelt hen als Zijne bondgenooten reeds dan, wanneer zij zelveu aan ons geen verslag van bet verbond en van hun deelgenootschap aan hetzelve knnnen gevenquot; \').

Ja, hij belijdt, dat God iets -in hen doetquot;, dat Hij „zijne heilige hand op ben gelegd heeftquot;, dat de kinderen geloof hebben. J).

In den grond der zaak erkent Scboltej dus, ofschoon bij hot loochent, dat de wedergeboorte, in Gereformeerden zin opgevat als eene weldaad van Gods genadeverbond, grond van den doop, ook voor de kinderen, is.

Meer bekend en ook zuiverder dan het werkje van Scholte is De Kinderdoop van

J. A. Wokjisek.

Wormser leert beslist, dat de wedergeboorte door den doop in den kinderen tot stand komt. Want hij zegt:

1) bl. 100.

2) bl. 50.

3) bl. 51.

4) bl. 51, 82, 97.

-ocr page 365-

357

.De inlijving, in de Kerk geschiedt door den doop, en de inlijving in de Kerk is de inlijving in Christus, hnar Hoofd. De Kerk niet nl hare instellingen, ook die van den doop, staat onder de leiding van den Heiligen Geest,.... daarom is het de Heilige Cfeest, die Christus instelling handhaaft, die het kind opneemt in zijne Kerk met al hare ontvangen genadequot;. Deze stelling rust natuurlijk op de andere: -De Kerk, opgevat in haar wezenlijke kracht als eene instelling van Ood, is het lichaam van C/msiu*, en eene inlijving iu haar is dus eene inlijving in Hemquot;.

Ontegenzeggelijk predikt Wormser hier de ware Gereformeerde opvatting van de kerk en het verbond. Hij komt op tegen de voorstelling, alsof de gedoopte kinderen eerst later genade zouden ontvangen. Maar op één punt wijkt hij van de oude Gereformeerde leer af, als hij nl. van het kind verklaart: -Als een Adamskind komt het tot den doop om te sterven, opdat het als een kind van God uit den doop zal opstaanquot;\'). De Gereformeerden hadden geleerd: het kind wordt gedoopt, omdat het geacht wordt reeds een kind van God, reeds wedergeboren te zijn, op grond van Gods belofte.

Slechts deze twee meenden we als vertegenwoordigers der Gereformeerden te moeten voorstellen. Zij geven de oude Gereformeerde leer wel niet volkomen juist, maar toch beter dan anderen weer. Wat er overigens in deze eeuw moge geleerd zijn, de ware Gereformeerde doop-beschouwing werd zelden vernomen.

lt; )ok niet van mannen als Doedes en van Oosterzee. Evenmin in de Leer der Hervormde Kerk van Scholten. De theologische problemen van dezen tijd bewogen zich dan ook op geheel ander terrein. Isagogiek en Tekstkritiek voerden den boventoon. Eerst in den kaatsten tijd kwam do doopkwestie weder aan de orde. Juist door toedoen van mijn hooggeachten leermeester, Frof. A. Kuyper, die na den langen tijd van verval, weder met volle kracht de

1) bi. 132 vv.

i

-ocr page 366-

358

loor dor Grerefoi\'meovdo vadovon vóór Dordrooht begonnon is to voi\'kondigon. 11 et voegt mij, als loorling, niethiorop verder in te gaan. Ik kan volstaan motte verwijzen naar E Voto Dordraceno, en daarin bepaaldelijk naar de behandeling van vr. 74 van den Catechismus. Slechts dit eene merk ik op, dat de Gereformeerden zich gelukkig mogen rekenen, nu weder de studie omtrent de leer hunner vaderen is ontwaakt, en de oude, krachtige, fiere en milde beschouwing van den kinderdoop veld begint te winnen.

-ocr page 367-

INHOUD.

E E I! S T E D E E L.

1) c tegenstellingen, waaronder het Gereformeerde dogma zich gevormd heeft.

Hoofdstuk I. Het Roomsohe dogma bij het optreden der Reformatie....................7.

§ 1. Inleiding........................7.

^ 2. I)e leer der Saci\'amenten in het algemeen . S.

g 8. De leer des Doops in hot bijzonder . . . 19.

HoorDSTi K II. Do strijd tiisschen het Roomsohe

dogma en het beginsel der Reformatie .... 37.

§ 1. Het Roomsohe beginsel................87.

§ 2. Het Reformatorisch beginsel............41.

t; 8. De botsing tusschen beide beginselen. . . 4lgt;.

H ooi dstuk 111. De onzuivere toepassing van het

beginsel der Reformatie in het Luthersche dogma . 58

Sj 1. Inleiding............................53.

^ 2. De leer der Sacramenten..............54.

§ 8. De loer des Doops..................UI.

Hooi\'dstuk IV. De onzuivere toepassing van het

beginsel der Reformatie in het Dooporsohe dogma . 70.

i; 1. Inleiding..........................70.

g 2. De leer der Sacramenten..............74.

§ 8. De leer des Doops..................77.

TWEEDE DEE L.

De grondlegging van liet Gereformeerde dogma door de Gereformeerde Hervormers.

IIoorosTi\'K I. Calvijns leer over de Sacramenten

en den Doop in het algemeen..............SU.

1. Inleiding..........................Sti.

t; 2. De Sacramentsleer..................SS.

§ 3. De leer des Doops..................i)S.

Hoofdstuk II. Calvijns leer over den Kinderdoop................................114,

Hoofdstl\'k III. De leer der overige Gereformeerde Hervormers......................150.

-ocr page 368-

11 rr.DKicii Zwixoi.i..................151.

Johannes Oecoi.ajipabius............159.

HuiMtrcn Bl\'Ll.lNOER................Uil.

I\'etkis Mahtyi! \\\' 10K3111,1 is............ICS).

WoT.rdAXC MUSCL\'LUS................171.

Iik.\\i;mic\'rrs Akktius................172.

i\'iikodbki\'s ,15eza..................17:).

ZACIIAI!l4S UliSlNUS..................17(S.

Casi\'aH Oi.kviaxi\'S..................183.

Joannes ii Lasco..................185.

M ai;rim s Mioroxius................105.

DEKDE DEEL.

I) c vaststelling van liet G e r e f o r m o e r d c

dogma liier te lande.

Hom ustuk I. De polemiek met de Doopsge

zinden ..............................190.

Guv Igt;e liuf:s....................201.

1\'etei! Datiiexus........ . 212.

Mexzo At-tixo....................215.

Caspar van der Hevden............220.

Jean Taitin......................223.

Jacoiu\'S Klmedoncu s................227.

Ei ardus Acroneus..................231.

Caspar Guevlnlhoven................236.

Johannes Sep....................237.

Herman Moded....................238.

Caroi.ps Gai.ms..................239.

Rorertus Puppivs..................240.

Johannes Ceoppeniicrg..............241.

Godeimdtjs GIJEUANNDS..............242.

PiTiius Boxtemp.-..................244.

Jacobus dp Bois..................244.

amiahajrüs a üonselaek en Petrus Jacohus

Aiistro-Sylvius....................245.

IInopiisri k U. De Systematische ontwikkeling

van het dogma tot Ui 19 ..................248.

Geli.ius Sxecanus..................252.

-ocr page 369-

hlellemias Bastingius................253.

Johannes Kücht.inus........ 255.

FitAiN\'ciscus JuNirs..................255.

Lr cas Trklcatius Juniok...... 258.

Festus Homiiius.......... 25S.

Güilielmis Amesius................25!).

AxTOXirs Walaeus................250.

Reginald Doxteclook................201.

Cornelius Geselius........ 204.

Sebastia \\üs Damman . .............2()5.

JaCOIU S T1iiglanü..................260.

Franciscus Gomarus................207.

Johannes Maccovius................209.

Gisbertis Voetids..................271.

Hieronymus Zanchiis................277.

amanih S poLAXLS ïl polansdorf .... 2711.

Uenrjctjs Alting..................2711.

Johannes Al üicus Alsted............2h().

111gt;onjstl\'k 111. ])e Kerkelijke vaststelling van

het dogma............................2S2.

t; 1. Inleiding..........................2.S2.

^ 2. De Sederlandsolie Geloofsbelijdenis . . . 2S4.

S 3, J)(\' Jleidélbergsclie Catechisinus..........2!)!).

§ 4. J)r Dordtsche Leerregelen............307.

§ 5. Het Doops formulier................30H.

VI KJ! DE 1) !•: K I..

De vervloeiing van het Gereformeerde dogma hier te lande na Mils,

§ 1. Inleiding..........................H14.

§ 2. Het eerste tijdperk. ïfabloeiing dei- oude

Gereformeerde leer......................3Is.

Andreas Riveits.............3ls,

Gerakdis Vossiüs..................31!l.

Marcus Boerhave..................320.

cornelus pcvdroyen................321.

Petrus oe Witte..................322.

Samukl Maresius.............322.

-ocr page 370-

Johannes Cocceius..................323.

Fiian\'ciscus Burmannus Su............324.

Jjcobus Altixg....................325.

Jodoous vanquot; Lodknstbyn..............325.

Aduianus ub Herder................326.

Fra Noise us Riuderus................327.

Jacobus Koelman..................330.

5; 3. Het tweede tijdperk. Toenemende verzwakking van hot dogma....................331.

Wilhelmus a Brakel................332.

Johannes van der Kumi1............334.

Bernardus Smutegklt..............335.

David Knibbe....................335.

Petrus van Maestricht..............336.

Melchior Leydekkek................336.

Jacobus Leydekker..................337.

Henricus Groenewecin..............337.

Hermanus WiTsrus..................337.

Campegius Viïringa................343.

Herman us Venema..................344.

Johannes ii Marck................345.

Jacobus Fruytier..................347.

S 4. Het derde tijdperk. Laatste opwaking . . 348.

Abrah. Arn. van Tom................349.

Robertus Aemii.ius................34!).

Carolus Tuinman..................341).

Berxhardinus de Moor..............350.

Joiian van Honert................350.

S 5. Het vierde tijdperk. Doodsche toestand. Ein-

delijke herleving........................354.

H. P. Sciioltb....................355.

J. A. VVormskr....................351!.

liegister. 361 — 364.

sis

-ocr page 371-
-ocr page 372-
-ocr page 373-
-ocr page 374-