HANDLEIDING
VOOR HET
llCl
|
®oot een Sl. lt;0{. SzicsiiT. sp a»® aiw mm Kt iwn. ^an Siiticf:. \'S-H ER TOG K MSOSC H-Z W OLLE. 1885. |
Bto«otheeJ ^OERBRtëDÊBS y^g.E.RX* |
I M PRIM ATU R:
J. M. SCHOLTIS, Par. et Dec.
ad hoc delegatus. GALOPIAE, 25 Februarii 1885.
?001ESi2.
In navolging van een onlangs verschenen werk, bieden wij thans eene Handleiding voor de katholieke jong edoch ter s, op haren levensweg aan.
In onzen tijd, meer dan ooit, heeft ook het jeugdige meisje van 12 tot 18 jaar behoefte aan wijze raadgevingen, waardoor zij gewaarschuwd wordt tegen de gsvaren, welke zij reeds in de lentedagen harer levensreis, menigmaal zal ontmoeten.
Dan vooral dient zij bevestigd te worden in oprechte en soliede deugd, welke, als eene kostbare parel, hare ziel altoos zal sieren ; dan moet de grondslag gelegd worden voor haar toekomstig geluk, voor dit sterfelijke en ook voor het onvergankelijke leven.
Indien onze overtuiging niet faalt, dan bevat deze Handleiding een schat van wijze wenken en nuttige raadgevingen, waardoor de jeugd van het kwaad afgeschrikt, met vurige en standvastige liefde voor de deugd bezield zal worden.
Wanneer dat geschiedt, is de vurigste wensch vervuld van
den
Dierbare Kinderen! De groote wereldreis gaat weldra voor u beginnen. De dagen uwer kindsheid zijn voorbij. Grij zijt nu twaalf, veertien, zestien jaar geworden. Uwe ouders kunnen niet langer meer diezelfde nauwlettende zorg als vroeger aan u besteden. Voortaan zijt gij dus meer aan uw eigen oordeel overgelaten, en moet meer en meer u gaan gewennen om, zooals men pleegt te zeggen, op eigen wieken te drijven. Daardoor komt gij onvermijdelijk eiken dag meer en meer in aanraking met eene wereld, die buiten den buiselijken haard ligt, eene wereld, die gij tot heden niet hebt gekend. Enquot; welke is die wereld ? Dezelfde die zij was, toen de geliefde Apostel onzes Heeren deze beteekenisvolle woorden neerschreef: „Geheel de wereld is in den booze gelegenquot; dezelfde, van welke de H. Apostel elders gezegd heeft; „Kinderen, •wilt de wereld niet beminnen, noch wat in de wereld is. Zoo iemand de wereld liefheeft, is de liefde des Vaders niet in hem!\'
Met die wereld, dierbare Jeugd, gaat gij weldra in aanraking komen ; die wereld gaat gij doorreizen. Helaas ! te nauwernood kan een braaf meisje er een stap zetten, zonder een of ander struikelblok voor hare deugd te ontmoeten I Overal liggen haar strikken en lagen gespannen. De weg is als versperd met hinderpalen. Hier dreigen haar gevaren voor haar geloof, daar voor hare onschuld ; gevaren van wege vriendinnen
INLEIDING.
cn vreemden ; gevaren van de zijde des satans ; gevaren vooral van den kant uwer eigen zinnelijke natuur, mijn kind, van uwe onbezadigde verbeelding, van uw levenslustig karakter, van uw licht bewegelijk gemoed cn bovenal van uwe volslagen onervarenheid en onbekendheid met \'s levens toestanden en meuschen.
Terecht voorwaar ma^ men hem een roekeloozen gelukzoeker noemen, tien man, die het gewaagd heeft voor het eerst met een zwak en wrak vaartuig, zonder gids, den onmetelijken oceaan te bevaren. Die waaghals immers stelde klaarblijkelijk zijn leven op het spel, onbekend als hij was met de tallooze klippen en zandbanken, welke dien pcilloozen waterplas in alle richtingen onveilig maken. Laat het waar zijn, dat men zijn stout bestaan als een heldenfeit heeft bezongen, toen het hem eenmaal gelukt was, met behouden lijve zijn koers te voltrekken — het blijft er niettemin waar om, dat zijne onderneming vermetel was.
En toch! o christen meisje , nog duizendmaal gevaarlijker is de levensreis, die gij op het punt staat te ondernemen. Ja, duizendmaal gevaarlijker en daarenboven ook duizendmaal gewichtiger in haar gevolgen. Ginds tocli was er voor dien roekeloozen zeevaarder slechts een tijdelijk leven mee gemoeid, een leven, dat hij toch eenmaal, wat vroeger of later, moest afleggen. Hier daarentegen ligt het eeuwig lot uwer onsterfelijke ziel in de waagschaal. Immers, een leven van eeuwigdurend geluk in den hemel, of van einde-looze rampen in de hel — een van beide uitersten moet noodzakelijk het eindresultaat uwer reis wezen.
Om u voor al deze gevaren, zooveel mogelijk, te wapenen en te vrijwaren, is er u alles aan gelegen, op uw levensweg een trouwen gids te hebben, aan wiens hand gij al de bovengenoemde bezwaren en gevaren
5
6 INLEIDING.
doorworstelt. Dien gids vindt gij in dit handboekje ; versmaad het dus niet. Geen andere aanwijzingen zal hij u geven, dan die, welke beproefde en hoogstver-trouwbare wegkenners ons hebben nagelaten.
Welaan dan, dierbaar kind, volg mij. Ik wil een echt deugdzaam meisje van u maken en \'t zal u goed gaan^ goed in de jaren uwer jeugd, goed in later leven, goed in nw ouden dag, goed op uw sterfbed, goed in de eeuwigheid.
Zoo zij het!
HOOFDSTUK I.
De katholieke Jongedochter in de I9e eeuw.
Eene soort van mode is het geworden, de 19° eeuw als de eeuw van vooruitgang, van beschaving en verlichting hij uitnemendheid te noemen en te roemen.
Nooit lieeft het menschdom, volgens het zeggen der hedendaagsche wereld-kinderen, zich zoo machtig ontwikkeld als in onze dagen. Er wordt dan ook heel wat gevorderd om den grooten naam van; „kindder /pc eeuwquot; waardig te zijn! Men moet hiervoor den moed hebben, om alle vroegere menschengeslachten als achterblijvers te verachten; met de aloude wereldtradities, betreffende Grod en godsdienst, moet men durven spotten; geen ander gezag meer erkennen dan dat van zijn eigen verstand en ondervinding, en vooral: men moet het als zijn eersten en hoogsten plicht opnemen, de zoogenaamde moderne wereldbeschouwing als onfeilbare waarheid en als het eenig-waar beginsel van \'s menschen waarachtig en volmaakt geluk overal en door alle middelen te helpen verspreiden. Daaraan toch, zoo beweren zij, heeft onze eeuw haar onsterfelijken roem, al haar grootheid, al hare welvaart te danken, dat men met het vroeger bestaande gebroken en een geheel nieuwen weg heeft ingeslagen. Hieraan en hieraan alleen is de hooge, de verbazende vlucht toe te schrijven, die kunst, wetenschap, handel, industrie, met één woord, de geheele maatschappij genomen heeft.
DE KATHOLIEKE JONGEDOCHTEK
Naast waarheid schuilt hier overdrijving, \'t Valt niet te ontkennen, dat do monschelijke geest, door hardnekkige studie en veelvuldig onderzoek, in deze eeuv? vele en hoogst gewichtige ontdekkingen en uitvindingen gedaan heeft, ontdekkingen enuitvindingen, die voor onze voorouders ondoorgrondelijke geheimen waren. Zelfs mag men er zich op verwachten, dat men, nu eenmaal zoovele nieuwe lichtpunten zijn opgegaan, langs dien weg tot nog veel verbazender resultaten zal geraken, zoodat zij, die na ons komen, wederom op hunne beurt de zonen onzer eeuw beschamen en lachend de schouders zullen ophalen over de kinderachtige verwaandheid, waarmede zij op hunne uitvindingen roemden. Dat alles is zeer waar.
Maar is \'t ook waar, vraag ik, dat die vooruitgang in het stoffelijke en levensnuttige daaraan te danken is, dat men gebroken heeft met den godsdienstigen invloed van het verledene? met God en gezag? met de heilige waarheden van het Christendom ? met Kerk en geestelijke overheid ? — Neen, en duizendmaal neen! Hadde men Kerk en godsdienst blijven eerbiedigen, raadplegen en gehoorzamen, zooala weleer, de wetenschap, kunst, nijverheid en handel waren er geen schrede om achteruit gebleven. De zedelijke beschaving integendeel ware er door gestegen en dezelfde verbazende uitkomsten op bloot-natuurlijk gebied waren evenzeer verkregen. Waarom niet ? Is de godsdienst dan ooit vijandig en hinderlijk geweest aan de ontwikkeling van \'s mensehen geest ? Is de geschiedenis der Kerk dan niet daar, om zonneklaar te bewijzen, dat wetenschap en kunst steeds de ijverigste beoefenaars en voorstanders gevonden hebben in dezelfde zonen der Kerk, die door hunne godsdienstigheid en deugd niet minder schitterden dan door geleerdheid en genie? Was er zelfs geen tijd,
8
tN t)Ë 19e EEUW.
9
dat Wetenschap én böscliaving des gèestes in \'t uitsluitend bézit der klooster órden waren ? — Hoort men de ongeloovigen onzer dagén spreken, men zou waarlijk haast moéten geloóven, dat het beoefenen van den godsdiénst, bidden, ter kerke gaan, biechten en commu-hiceeren de veerkracht van \'s menschen verstand verlammen. De onnoozelen! — Een dier mannen vroeg mij eens in argeloozen eenvoud: „Is \'t waar, dat het den Priesters verboden wordt zich in de studie der wetenschappenquot; (hij bedoelde de scheikunde, natuurkunde, wijsbegeerte, enz.) „al te zeer te verdiepen, uit vrees,quot; zeide hij, „of zij soms tot onaangename ontdekkingen mochten komen voor het geloof?quot; Ik antwoordde hem, dat zulk verbod nergens bestaat; dat het ware geloof van alle navorschingen en bevindingen der wetenschap hoegenaamd niets te duchten heeft, maar integendeel er slechts bij winnen kan, gelijk trouwens ieder, die wat nadenkt, gemakkelijk kan begrijpen. En toen hij mij hierover nadere verklaring vroeg, zeide ik hem: „Maar ziet ge dan niet in, dat, hoe meer de wetenschap vooruit gaat, zooveel te meer de grootheid, almacht en wijsheid Gods, die al die wonderbare natuurkrachten reeds van den eersten dag der wereld in de verschillende geschapen wezens heeft neergelegd, aan het licht komen ? Dat wij derhalve daardoor zelfs altoos meer genegen worden, Hem als den waren God te erkennen en aan de \'waarachtigheid zijner openbaring te gelooven? Dat bijgevolg, naar mate die wetenschappelijke uitvindingen en grootsche ontdekkingen ons in \'t geloof aan God bevestigen, zij ons ook zijn godsdienst immer meer doen hoogachten en liefhebben?quot; — Daar komt nog bij, dat men, in weerwil van allen vooruitgang op het gebied der rede en der natuur, nog nooit de minste tegenstrijdigheid tusschen de beginselen of
DE KATHOLIEKEJONGEDOCHTER
ervaringen der wetenschap en de geloofswaarheden heeft kunnen aanwijzen. Juist het tegendeel heeft plaats.
Maar laat ik hier over dit punt niet verder uitweiden. Ik schrijf trouwens niet voor ongeloovigen ; deze zullen dit boek wel nooit lezen. Neen, ik schrijf voor u, godvreezende katholieke jongedochter, wien ik beloofd heb, eene veilige handleiding te zullen geven op uwe gevaarvolle reis door het leven. Ik meen evenwel, dat het hierboven gezegde niet geheel nutteloos voor u wezen zal. Gij hebt daaruit reeds eenigszins kunnen afleiden, wat het voor u zeggen wil: als jongedochter in \'t midden onzer negentiende-eeuwsche wereld te moeten optreden. Gij kunt hieruit reeds gedeeltelijk opmaken, hoezeer gij behoefte hebt aan een gids, die u als trouwe wegwijzer vooruitgaat, om niet reeds bij uwe eerste kennismaking met die wereld van stuk te geraken en misleid te worden.
En nog heb ik u slechts de minst gevaarlijke zijde dier wereld doen zien. Ik heb u nog maar alleen gewezen op de goddelooze beginselen, die daar in omloop zijn. Oneindig erger nu is \'t, die zoogenaamde moderne levensbegrippen te zien in praktijk gebracht. Weet dan, dat het tot de eigenaardigheden van een „kind der 19e eeuwquot; behoort: slechts zelden tot de H. Sacramenten te naderen — alleen op Zon- en Feestdagen Mis te hooren — zich al te licht van vasten en onthouding ontslagen te achten — desnoods met list en bedrog zich te verrijken, mits men schrander genoeg zij, het verborgen te houden en als eerlijk blijve te boek staan — zingenot te zoeken zooveel men maar kan en de beurs het gedoogt, en alle mogelijke pleizieren en vermaken na te jagen — oneerbiedig te spreken over de priesters en godgewijde personen — minder zedige feuilletons en romans te lezen en daarover
10
IN DE 19e EEUW.
meête praten— met één woord: zóó te leven, dat de zinnelijke natuurmenscli zoo min mogelijk te lijden hebbe en zooveel mogelijk geniete, terwijl men God, godsdienst, geloof en zedenleer, zooveel irogelijk in het vergeetboek schrijft.
Ziedaar, mijn kind, eene ruwe schets der wereld, welke gij gaat intreden. Greloof niet, dat ik in \'t minst overdrijf. Integendeel, ik heb ze uit eerbied voor u nog in de zachtst mogelijke kleuren geteekend.De werkelijkheid overtreft verre de somberste beschrijving.
Grij moet u dan ook niet verwonderen, dat priesters, ouders, voogden, bloedverwanten, kortom allen, die het goed met u meenen, huiverenen sidderen, wanneer zij u in onze dagen de groote wereld zien ingaan. Het moet u evenmin bevreemden, dat zoo velen, zoo velen van uw leeftijd, die zich onvoorbereid, zonder leidsman en steun op de wereldzee wagen, reeds na korten tijd schipbreuk lijden naar de ziel en roekeloos ten gronde gaan.
De Heer Jezus achtte zelfs zijne apostelen, ondanks al de vermaningen, die Hij hun gegeven had, niet tegen den boozen invloed der wereld beveiligd. Daarom bad Hij voor hen tot zijn Vader: „ Vader, ik smeek U niet, hen uit deze wereld weg te nemen, maar ze (ten minste) voor alle kwaad te behoedenquot; Diezelfde bezorgdheid voor de geloovigen van Ephese deed Paulus schrijven: „Ziet wel toe, 0 broeders, dat gij met omzichtigheid wandelt... want boos zijn de dagen.quot; Onze heilige landgenoot, de gelukz. Canisius hield niet op den jongelieden van zijn tijd diezelfde vermaning voor te houden. En om de studeerende jeugd nog zekerder voor het bederf der wereld te vrijwaren, stichtte hij, niet zonder veel moeite en de zwaarste offers, tot twaalf colleges, waar de Duitsche jongelingen door
11
de katholieke jongedochter
iiiüi ojlléiding in degelijke dettgd en ware wetenscluxp, tégen dé veélvüldige vérleiding dier ongelukkige dagen voorbereid én gestaald werden. Hij zelf had gedurende zijne studiejaren aan de universiteit te Keolen in den vromen priester, Nicolaas Escliius, zulk een trouwen leidsman gevonden en hield niet op in latere levensdagen God innig daarvoor te danken.
In zijn „Boek der Belijdenissen\' ontboezemt hij zijn dankbaar hart in deze roerende bewoordingen. „Om tot mijn leermeester of liever tot mijn vader Escliius weder te keeren — lofprijs den Heer, o mijne ziel, en wil geen der weldaden vergeten van Hem, die u zulk een meester en dagelijksehen opwekker ten goede geschonken heeft; een man, die niet het mijne maar mij en mijne zaligheid liefhad en onverpoosd ter harte nam. Onder zulk eene leiding geplaatst, mishaagde ik allengs mijzelven, om des te meer aan God te behagen, dien ik nog luttel kende en in den bloei mijner jeugd nog al te weinig vreesde. Zijne raadgevingen, zijn zedelijk gedrag en zijn voorbeeld ontstaken, als \'t ware, een nieuwe fakkel voor mijn zielenoog. Op zijn aanmanen brak en onderdrukte ik de bruisende tochten des harten en den wutten gloed der jongelingsjaren ; met zijn gemeenzamen omgang tevreden, liet ik zonder moeite de vertrouwelijkheid en vriendschap met anderen varen. Niemand — voor zooverre ik mij thans herinner — was mij destijds dierbaarder en meer verknocht dan hij; en zulk een gewicht hechtte ik aan zijn oordeel, als een vader dat zou verlangen van een zoon. En niet slechts in de geheime vierschaar der boetvaardigheid ontsloot ik mijn hart, en dat dikwerf, voor hem, maar ook eer ik mij \'s avonds te ruste begaf, ontvouwde ik hem — zoo groot was mijn vertrouwen — de misslagen, onbesuisdheden en vlekken mijner ziel, ten einde aau
12
in de 19e eeuw.
dien rechter rekenschap af te leggen mijner fouten, gedurende den voorloopen dag bedreven, en, zoo hij \'t nuttig oordeelde, ook eenige boete te doen voor mijne zonden.
„Ik erken en lofprijs eerbiedig, o mijn God, uwe barmhartigheid, die altijd en overal mijne wegen zegende. O mijn God, trouwe Bewaker der menschen en Beschermer mijns levens! Dezen man hebt Ge mij als een anderen Ananias, om mij te onderrichten en mij inniger met U te verbinden, toegezonden.
Doch genoeg hierover. Eene jongedochter, die hare zaligheid op prijs stelt, zal het niet meer overbodig achten, door wijze raadgevingen te worden voorgelicht, zal die met liefde aannemen en behartigen. Wat toch, vraag ik u met Jezus, wat toch zou \'t u baten, de geheele wereld te winnen ; wat zouden u al hare goederen, al hare schatten, al hare eerbewijzingen en pleizieren baten, zoo gij in \'t ander leven schade aan uwe ziel moest lijden en verloren gaan ?
13
HOOFDSTUK II. DE SCHAT DES GELOOFS.
Bij het zien van een hoogen, zwaren eik, of van eene prachtige roos staat gij over de afmetingen van dien reusachtigen boom, over de schitterende kleuren en edele vormen dier bloem, het sieraad van den tuin, geheel verrukt. Maar denkt gij er ook aan, dat die reusachtige gestalte, dat al die kleurenpracht haar beginsel hebben in eenen gezonden en stevigen, maar toch geheel onaanzienlijken wortel, die het voedingsap uit den bodem opzuigt en overstort in stam en takken, om zoodoende alles te voeden en vruchtbaar te maken ? Die wortel zelve ligt onder de aarde verborgen, is onzichtbaar, en toch geeft zij leven, kracht en schoonheid aan alles, wat zich boven den grond aan ons oog vertoont, ons bekoort en in verrukking opvoert.
Even zoo is \'t gelegen met he: geloof, die eerste der goddelijke deugden en tevens de wortel van alle overige. Ook die deugd ligt, als \'t ware, op den diepsten bodem der ziel verborgen, heeft schijnbaar zelve geen luister en toch schenkt zij eenen bovennatuurlijken glans aan alles wat zij bezielt. Inderdaad, wat al heerlijke werken wij ook doen, „zonder haar,quot; zegt de Apostel, „is \'t onmogelijk aan God te behagen.quot; Zonder haar heeft al ons vertrouwen op zijne macht en goedheid, al onze liefde tot Hem, zij moge nog zoo vurig wezen, geen de minste bovennatuurlijke waarde noch verdienste in zijne oogen. En ditzelfde
IDE SCHAT DES GELOOFS.
geldt evenzeer voor alle overige zedelijke deugden, hoe volmaakt zij ook wezen mogen. Alleen door haar kan de afgedwaalde den eersten stap op den weg der rechtvaardigmaking zetten en begint zij in de orde der zaligheid vóór God te leven.
Die bovennatuurlijke deugd des geloofs heeft God u, mijn kind, in \'t H. Doopsel, zonder eenige verdienste van uwe zijde, in de ziel ingestort. Van toen af is \'t u mogelijk geworden de waarheden en geheimen, die \'t God behaagd heeft aan het menschdom te openbaren, met algeheele zekerheid en overtuiging, op grond zijner eeuwige en onfeilbare waarachtigheid, aan te nemen en tevens de vertroostingen van dienzelfden godsdienst in ruime, in volle mate te genieten.
Bedenkt gij dit wel, dan zult gij moeten erkennen, dat God u in die gave des geloofs een schat van oneindige waarde heeft geschonken. Aan u thans de beurt, aan u de verplichting, om door vrijwillige, gehoorzame onderwerping uwer rede aan die goddelijke openbaring, uwe dankbaarheid daarvoor te betuigen en er uw voordeel mede te doen tot uwe zaligheid. Als de Heidenen, Turken en Joden kunt gij u voortaan niet meer verontschuldigen en zeggen: „Ik kan dit of dat punt van mijn godsdienst niet gelooven.quot; Neen. Ook de schijnbaar onaannemelijkste waarheden gij gelooven, zoo gij slechts ivilt gelooven. Door de u geschonkene gave des geloofs is u dit altoos mogelijk. Zoudt gij echter niet willen gelooven, maar uit hoogmoed aan uw eigen kortzichtigen geest meer gezag toekennen dan aan Gods onfeilbaar woord, loochent gij bijgevolg met voorbedachten rade de waarachtigheid zijner openbaringen — hoe kan \'t dan anders, of dat vrijwillig positief ongeloof zal u door God als zware zonde worden toegerekend ? Wie toch
15
DE SCHAT DES GELOOFS.
begrijpt niet, hoe hoogst beleedigend het voor Hem wezen moet, dat gij de waarheid zijner woorden in twijfel trekt? Zeg mij eens, kunt gij n weerhouden om niet boos te worden, trekt gij \'t niet erg op uw eer en fatsoen, als een ander niet gelooven wil, wat gij haar in gemoede verzekert waar te wezen; als zij u voor een onwetende, een leugenaarster of bedriegster houdt ? Hoeveel meer moet het dan niet een alwetenden, oneindig waarheidlievenden en heiligen God grieven, zich aldus door zijne eigene nietige schepsels te zien behandeld! Geen wonder dan ook, dat Jezus uitdrukkelijk verklaard heeft; „ Wie niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden.quot;
quot;Wat is overigens redelijker, dan, op getuigenis der H. Kerk, te gelooven wat zij ons als door God geopenbaarde waarheden voorstelt? Trouwens al deze waarheden dragen den onmiskenbaren stempel van hare goddelijke herkomst. — Eeuwen en eeuwen te voren hebben de profeten, met verbazende nauwkeurigheid, de meeste feiten voorspeld, die wij in Jezus en in de door Hem gestichte Kerk hebben vervuld gezien. En van wien nu hadden zij die bovenmenschelijke voorwetenschap der toekomst? Klaarblijkelijk van den Alwetende, van God! Millioenen martelaren hebben den moed gehad, uit overtuiging van de waarachtigheid van Jezus\'leer, hun bloed en hun leven prijs te geven, liever dan die leer te verzaken. Vanwaar kwam hun die bovenmenschelijke moed? Natuurlijk van den Almachtige, die hen door de kracht zijner genade daartoe in staat stelde, van God! In weerwil van de meest tergende bespottingen en de hardnekkigste vooroordeelen van Heidenen en Joden; in weerwil van de bloedige vervolgingen van volken en vorsten, heeft zich het Christendom door de wereld een weg
16
DE SCHAT DESJGELOOFS.
gebaand en met verbazende snelheid overal verspreid. Hoe is zulk een onloochenbaar wonder (om van duizend andere wonderen te zwijgen,) te verklaren? Ongetwijfeld heeft dit alleen kunnen plaats hebben door tusschen-komst van Hem, die alleen in staat is, in de zedelijke zoowel als in de stoffelijke orde, wonderen te werken, die alleen zulk een volslagen en plotselingen omkeer in \'s menschen geest en gemoed kan tot stand brengen, dat is gezegd: door tusschenkomst van God alleen!
Wij Katholieken, die nog heden dezelfde godsdienstleer belijden, welke vóór meer dan achttien eeuwen beleden werd, wij hebben derhalve, ook als mensch gesproken, een volmaakt redelijk en verstandig geloof. Inderdaad, al wat wij zooeven aanstipten, bewijst het niet zonneklaar, dat het ons door God zeiven uit den hemel geopenbaard is ? En is dit nu eenmaal bewezen, wat is dan verstandiger, wat redelijker, dan liet als waar en onfeilbaar zeker aan te nemen ? Aan wien toch zullen wij ons verstand redelijker onderwerpen dan aan den eeuwig waarachtigen God, die ophouden zou God te wezen zoo Hij zich vergissen, liegen of bedriegen kon ? Wiens leergezag zullen wij redelijker eerbiedigen dan bet zijne? En wat zijn ze de scherpzinnigste denkers der oudheid; wat zijn de grootste genieën van lateren en tegenwoordigen tijd, vergeleken bij God met zijn alomvattend, grenzenloos verstand? Wat anders dan kleingeestige kinderen, wier verstand zich eventjes begint te onwikkelen, voor wie zelfs de meest alledaagsche verschijningen en gebeurtenissen vaak onoplosbare raadsels en geheimen zijn?
Terecht zeide dan ook de H. Teresia, die vrouw van zulk een uitnemend verstand en doorzicht: „Een enkel ivoord van God is mij meer waard dan de diepzinnigste redeneeringen van alle geleerden der wereld.quot;
17
2
DÉ SCHAT DES GELOOFS.
^ In die geloovige en nederige onderwerping onzer rede aan de waarheden van onzen heiligen godsdienst vinden wij daarenboven eene rijke bron van troost en geluk voor bet bart. Hoe sterkt ons niet bet geloof aan een ander beter leven, ten einde de vele wederwaardigheden en teleurstellingen van dit leven gelaten te ondergaan! Hoe wordt onze droefheid over het verlies van dierbare familie-betrekkingen en vriendinnen niet verzacht door het geloovig vertrouwen, dat wij hen allen later bij de verrijzenis zullen weerzien! Terwijl de ongeloovige in zulke beproevingen nergens raad noch opbeuring vindt, en daarom niet zelden, helaas! door overmaat van leed er toe komt, in vertwijfeling te geraken — ziet de brave geloovige in al die rampen eene wel is waar harde, maar toch wijze beschikking des Heeren, eene beschikking, die zij aanneemt tot boete barer zonden, waarmede zij woekert tot vermeerdering barer verdiensten en tot voortgang in de deugd. Lijdend en zwijgend wacht zij dan betere dagen af, die zeker eenmaal voor haar zullen aanbreken, zoo niet hier, dan toch aan gene zijde des grafs,en — zij bewaart den vrede baars harten.
O ! Hoe beklagenswaardig is een mensch, die niet gelooft! De boogleeraar L. Baunard van de Eijselsche Hoogeschool, heeft een boek geschreven: Le doute et ses vie times dans le siècle présent, waarin hij ons een tafereel ophangt van den gemoedsvrede der godloochenaars.quot;
„Ziehier een boekquot; — dus luidt de aanhef zijner voorrede — „dat men eigenlijk met tranen moest schrijven. Wat doen de geesten ? ze twijfelen. En de harten? ze lijden; want een der karaktertrekken van het scepticismus onzer dagen is, dat zijn twijfelen smartvol is en pijnlijk.quot;
de Schat des geloofs.
Vrede! (vraagt zich Jouffroy af.)quot; Vrede! Hoe zal men in vrede leven, wanneer men niet weet waarvandaan men komt, waarheen men gaat, wat men hier beneden te doen heeft? wanneer alles raadsel is, geheim, en twijfel en smart? De grootste weldaad van den godsdienst (schrijft Maine de Biran) is, dat hij ons verlost van den twijfel en de onzekerheid, die de grootste foltering zijn van \'s menschen geest, het waarachtig venijn zijns levens.
„Daar ik noch in mij, noch in mijne omgeving, noch in de wereld der gedachten, noch in die der feiten iets vind wat mij bevredigt, heb ik besloten, in het oneindig en onveranderlijk Opperwezen den steun te zoeken, waaraan én mijn geest èn mijn hart zoo groota behoefte gevoelen.
Zulke bekentenissen spreken luider dan alle redeneeringen. Zij bewijzen, hoe rampzalig het gesteld is met hen, die het plechtanker des heiligen geloofs over boord hebben geworpen. Beklagenswaardige schipbreukelingen!
Hoe gelukkig daarentegen, zijt gij, die, bestraald door het bovennatuurlijk licht, dat die geloofsgave in uwen geest werpt, en tevens inwendig aangedreven door een evenzeer bovennatuurlijken aandrang dierzelfde gave, welke uw hart ten goede keert, duidelijk inziet, hoe redelijk het is, al wat de H. Kerk u als waarheid voorstelt als dusdanig aan te nemen ; zoodat het u geen moeite kost, uw verstand gevangen te geven en u daaraan te onderwerpen, maar integendeel daarin rust vindt, zoowel voor den geest als voor \'t gemoed!
Maar is \'t geloof een der kostbaarste schatten, die God u geven kon, zie dan ook toe, mijn kind , dat gij dien schat met zorg bewaart. Want, even als zoovele andere meisjes uwer jaren, die dezen schat ver-
19
DE SCHAT DES GELOOFS;
loren, kunt ook gij hem verbeuren door vrijwillige ongeloovigheid.
Wilt gij hem nooit verliezen? G-eef dan vooreerst nimmer toe aan verwaandheid van geest. Blijf steeds gedachtig, dat ook het scherpzinnigste menschenver-stand uit zijn aard enge grenzen heeft, huiten of boven welke het zich niet kan verheffen. Dit nu geschiedt, zoodra wij ons op het gebied van het bovennatuurlijke^ van het eeuwige, van het oneindige bewegen. Daar houdt de wetenschap op; daar begint het gebied des geloofs. De geheele wetenschap lost zich daar op in het enkel woordje : Credo. ik geloof. En dit woord, schaam u niet hot volmondig uit te spreken ! Ook een H. Augustinus, eea H Hieronymus, een H. Ambrosius, een H. Anselmus, een Gelukzalige Albertus de Groote, een H. Thomas van Aquine, een H. Bernardus, een H. Bonaventura, een Bossuè\'t, een Fenelon, een ïï. Fran-ciskus van Sales, een H. Alphonsus de Liguori, en duizend anderen, mannen van vernuft en wereldkundige vermaardheid, hebben zich dit niet geschaamd; integendeel met kinderlijken eenvoud, door nederige onderwerping hunner rede aan Gods eindelooze wetenschap en waarachtigheid hebben zo daaraan hulde gebracht.
Wilt gij den schat des geloofs bewaren? Vermijd dan allen onnoodigen, vooral gemeenzamen omgang mot ongeloovigen en andersdenkenden. Spiegel u aan zoovele anderen, die daardoor tot afval van \'t geloof gekomen zijn. Hun voorbeeld zij u eene les.
Lees ook nooit boeken of tijdschriften, waarin de waarheden van onzen heiligen godsdienst in twijfel getrokken, bestreden of verguisd worden. Het schrikbarend ongeloof onzer dagen is grootendeels aan de lectuur van dergelijke verpestende geschriften te wijten.
Leid vooral een kuisch en zedelijk leven. In den
20
DE SCHAT DES GELOOFS.
regel wordt het verstand door den invloed van het hart bedorven. quot;Wie losbandig leeft, verliest allcngskens meer en meer alle liefde voor zijn godsdienst. Zij begint met te wenschen, dat de waarheden, die zij gelooven moet, valscli mochten wezen, dat er bijv. geen hel of hemel ware; dan volgt de twijfel — en die twijfel voert eindelijk tot formeele ontkenning van de zekerste en heiligste waarheden, zelfs tot verloochening van Grod. Reken er op, dat nooit een ernstige twijfel tegen de waarheden des geloofs in uw geest zal oprijzen zoolang gij eerbaar en onschuldig leeft. Eerst dan zal die ontstaan, wanneer gij begint toe te geven aan uwe kwade en ongeregelde driften. De ondervinding leert het ons alle dagen.
Wilt gij den schat uws geloofs bewaren ? Lees dan van tijd tot tijd een of ander degelijk werk, dat over geloof en godsdienst handelt: er bestaan er bij duizenden. (1) Woon ten minste zoo dikwijls gij kunt de predikatiën bij, waar u diezelfde waarheden mondeling verklaard en bewezen worden.
Richt eindelijk geheel uw handel en wandel in, niet volgens de grondregels der bedorven wereld, maar volgens die des geloofs. Verwek dikwijls tot dit einde de oefening of akte van geloof, die gij op den schoot uwer moeder hebt aangeleerd en die met de zoo beteeke-nisvollo woorden eindigt: dit geloof, o mijn God, wil ik leven en stervenquot; Bid ook somwijlen een hartelijk „Onze Vader,quot; opdat God u in hot eenig ware geloof der heilige katholieke Kerk al meer en meer bevestige en voor het ongeloof onzer eeuw vrijware.
21
Zoo zal het woord van Jezus in u vervuld worden: „ Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal wezen, hij zal zalig zijnquot;
(i) B. v. Het Handboek der Katholieke Godsdienstleer, door de Eerw. Heeren Dankclman en Wijnen.
DE SCHAT DES GELOOFS.
Dan zult gij stervende, met den grooten geloofsapostel Paulus kunnen uitroepen : heb mijne loopbaan voltrokken en het geloof bewaard. Voor yt overige is mij de kroon der gerechtigheid weggelegd, die mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, schenken zal\'\'\'
Ziehier, wat de groote dienaar Gods, de Grelukz. Petrus Canisius. uw landgenoot, den 16 Juni 1583, aan zijn broeder Gijsbert schreef : „De eeuwige, almachtige God make ons waardig, om der wille van het katholiek geloof, door de nieuwe wereld — hij schreef ten tijde der protestantsche hervorming, toen men voorgaf het gehecle Christendom te vernieuwen; vandaar dat woord: „nieuwe wereldquot; — veracht en vervolgd te worden, in deze ellendige tijden, waarin geweld meer geldt dan recht en iedereen volgens zijne opvattingovergodsdienst twist en strijd voert, ja zich boven alle leeraars, prelaten en bisschoppen trotsch durft verheffen... tegen alle christelijke en apostolische gebruiken in... Moge God zich over ons en het geheele vaderland erbarmen en u, die in het oude geloof volhardt, het ware geduld en ijver voor Gods eer verleenen.quot;
Moge die wensch van onzen gelukzaligen landgenoot ook in u, mijn kind, vervuld worden!
22
HOOFDSTUK III.
DEGELIJKE DEUGD.
Wie bezit inderdaad degelijke, soliede deugd ? Dit kan men zeggen van haar, die, niettegenstaande allerlei aanvechtingen van den satan, ondanks allerlei verleidingsmiddelen van de zijde der wereld, trots allerlei booze opwellingen liarer hartstochten, geen haarbreed van den goeden weg of van hare plichten afwijkt, maar zich altoos gelijk blijft^ altoos even godsdienstig, even zedig en eerbaar, even nederig en geduldig is en daarboven zich in dit alles door zuivere en bovennatuurlijke beginselen des geloofs laat leiden. Zulk eene deugd vindt men tot in een heldhaftigen graad bij alle Gods lieve heiligen. Zoodanig was de deugd van den kuischen aartsvader Joseph, die liever in de ongenade van zijn vorstelijken heer wilde vallen en in de gevangenis geworpen worden, dan het minste te doen waardoor hij de eerbaarheid kwetste. Zoodanig nog was de deugd van den grooten aartsvader Abraham, die, om aan God te gehoorzamen, niet geaarzeld zou hebben zijn eenigen zoon Izaak met eigen hand te slachtofferen. Zoodanig was verder ook de deugd eens H. Aloysius\' van Gonzaga, die te midden van alle bekoorlijkheden en vermaken van het Spaansche hof, geen oogenblik de tegenwoordigheid Gods uit het oog verloor, maar, zedig als een engel, voortdurend in\'t gebed met Hem vereenigd bleef. Zoodanig was de zielenijver van een H. Franciskus van Sales, die, om hardnekkige
DEGELIJKE DEUGD.
ketters te bekeeren, onderscheidene jaren eiken dag te midden van de ondragelijkste winterkoude en met voortdurend gevaar voor zijn leven, een bevrozen brug op handen en voeten overkroop, om hun aan de overzijde het Evangelie te prediken. Zoodanig was eindelijk de deugd van zoo vele millioenen martelaren, die, om aan God en hun geloof getrouw te blijven, de schrikwekkendste folteringen, ja zelfs den wreedsten dood hebben verduurd.
Zulk eene degelijke deugd behoort ook gij, mijn kind, uzelve aan te werven, wilt gij op uwe gevaarvolle reis door het leven gewaarborgd zijn tegen den ondergang uwer ziel. Deze alleen trouwens kan u staande houden.
Wilt gij dit nog beter beseffen ? Bedenk dan wel, dat er eene tweevoudige soort van deugd is, die bepaald dc vuurproef niet kan doorstaan, waarmede men zicii dus niet moet vergenoegen. Ik noem de eerste eene parade- de tweede, eene bloote natuur deugd.
Parade-deugd noem ik die, welke zich alleen bepaalt bij zekere uitwendige vormelijkheden, die, op zijn best genomen, niets anders zijn dan geestelijke fraaiigheden, een godsdienstig of liever een ongodsdienstig komediespel, en dus, wel beschouwd, eene verfoeilijke geveindsheid. Zij, die zich aldus met het masker der deugd tooien, werpen het af, zoodra het voor hunne huichelachtige berekeningen niet meer dienen kan, en eindigen doorgaans met groote ergernis te geven. Wilt gij dat ik ze u nader leere kennen ? Het zijn dezulken, die veel vertoon maken, wanneer zij in \'t openbaar worden aangesproken om deel te nemen aan een of ander weik van liefdadigheid, zich met de grootste ingenomenheid daartoe leenen en wol eens mildelijk van t hunne bijdragen; maar intusschen niets anders zoeken
24
DEGELIJKE DEUGD. 25
dan zicli naam te maken. Het zijn dezulken, die in gezelschappen een geaffecteerd stilzwijgen bewaren, om des te meer de aandacht op zich te trekken. Het zijn dezulken nog, die al hunne zedigheid doen bestaan in eene berekende terughouding, in te spreken met eene afgepaste gematigdheid van stem, in zekere regelmatigheid bij het gaan en staan, in eene kunstmatige bedeesdheid van blik, enz. Het zijn dezulken, die er hun fort uit maken, bij alle mogelijke godsdienstoefeningen tegenwoordig te zijn, maar bij dit alles slechts hunne luimen en nukken involgen, zonder een enkel greintje van den waren geest der vroomheid te bezitten. Het zijn diezelfde, van welke Paulus gezegd heeft, dat zij wel den schijn van godsdienstigheid hebben, maar de innerlijke deugdelijkheid daarvan verloochenen. Met één woord, het zijn dezulken, die zich tevreden stellen, bij de menschen als deugdzame personen te boek te staan, maar er zicli weinig of niets om bekommeren, dat God hen geheel anders beoordeelt.
Onnoodig te zeggen, dat zulk een guichelspel van deugd op den duur geen steek houdt, maar bij de eerste beproeving de beste in duigen valt.
Doch evenmin is eene bloote natuurdetigd tegen eene harde proef bestand.
Men ontmoet wel eens van die goede karakters, die als van natuurswege tot de deugd schijnen gevormd, menschen wien zij schijnt aangeboren, die als \'t ware vrij van driften, koudbloedig en apathiek zijn. Zij vinden er dan ook een soort van natuurlijk genoegen in, volgens een vasten regel in alles te werk te gaan, en beschouwen het als \'s menschen grootste geluk, stil en vreedzaam hunne dagen te slijten. Zulke personen noemt men wel eens gelukkige karakters, en in zeker opzicht zijn zij \'t inderdaad. Eene dergelijke deugd
DEGELIJKE DEUGD.
kan men echter geene ware, vooral geen christelijke deugd noemen.En waarom niet? Omdat het voornaamste bestanddeel der christelijke deugd eraan ontbreekt: zij handelen namelijk niet uit beginsel van bovennatuurlijk geloof, maar alleen uit aandrang eener bloot natuurlijke rechtschapenheid. Daarenboven is dergelijke deugd niet bestand tegen een ernstige tegenkanting en worsteling. Altoos hebben menschen van dat slag te vreezen dat zij, zoodra hunne belangen het meebrengen, eene tegenovergestelde richting inslaan, dat hunne geheele deugd er bij inschiet en over boord raakt. Dan wordt bevestigd, wat Jezus in den vorm eener gelijkenis gezegd heeft. „En de regen viel neder en de vloéden kwamen en de winden bliezen en zij beukten aan op dat huis (dat op drijfzand gebouwd was) en groot was deszeljs verwoesting. Dit is met andere woorden gezegd , een mensch, eene jongedochter, die niet door gestadige zelfbewaking, zelfbedwang, zelfverloochening en gebed, van hare jeugd af geleerd heeft, de kwade neigingen haars harten in toom te houden, zal op den dag, waarop onder Grods toelating een zware storm over hare ziel losbreekt, te zwak bevonden worden en in den afgrond worden meegesleept.
Alleen soliede deugd, ik herhaal het, kan ons tegen zulke droevige verwoestingen waarborg geven. Onderzoek dus wel, mijn dierbaar kind, hoe het met uwe deugd staat. Is zij bestand althans tegen gewone, alledaagsche beproevingen? Kunt gij u tenminste in gevaren en aanvechtingen van minderen aard staande houden? Uwe worstelingen waren tot nu toe slechts schermutselingen nog met den vijand, kleine gevechten met de voorposten; de geregelde groote veldslagen in \'t open veld, onder het gebulder van honderden vuurmonden, hebben nog niet plaats gehad. Zeg mij, hoe
26
DEGELIJKE DEUGD.
hebt gij het gemaakt in die aanvallen van lichteren aard? Zijt gij wellicht nu reeds bezweken? Zoo ja, oordeel dan zelf, wat er van u komen moet, wanneer gij voor \'t heete vuur zult staan!
0, als gij u bewust zijt, nog zwak in de deugd te zijn, waag u dan toch niet in de wereld. Uw ondergang ware onvermijdelijk. Maar leg er u van heden af ernstig op toe, om met Gods hulp een goeden voorraad van hechte deugden te vergaderen.
En hoe moet gij \'t dan hiervoor aanleggen?
1. Gij moet vóór alles er vurig om bidden.—Volgens de omschrijving, hierboven van de dégelijke en proefhoudende deugd gegeven, zult ge, meen ik, wel overtuigd zijn dat niemand door de enkele kracht zijner natuur, ze moge ook nog zoo voortreffelijk wezen, zich tot zulke hoogte kan verheffen. Noodzakelijk moet de hoogere kracht van Gods genade uw onvermogen hierin te gemoet komen. Die genade moet gij Hem vragen; Vraagt en u zal gegeven ivoraen.quot; Gij moet God met ootmoed en vertrouwen vragen: a) dat Hij u helpe zulke hoogte van deugd te bereiken, dat gij, desnoods, al de vijanden uwer ziel gerust kunt uitdagen zonder gevaar van overwonnen te worden, om even als Paulus, vol vertrouwen te kunnen zeggen: Wie is in staat ons van Christus\' liefde te scheiden ? Is het kwelling ? Benauwdheid? Honger? Naaktheid? Gevaar? Vervolging? Zwaard? Neen: dit alles komen wij te boven om Hem, die ons bemind heeft. Gij moet Hem verder vragen: b) dat Hij u de gelegenheid verschaffe, waarin gij die verschillende deugden kunt beoefenen; dat Hij u die gelegenheid doe opmerken, en vooralde genade geve, om ze ten voordeele uwer ziel met zorg te benuttigen.
2. Een tweede vereischte om solied deugdzaam te worden, is: dat \\men zich nooit tevreden stelle met halfwerk te doen,
27
DEGELIJKE DEUGD.
quot;Wat dit zeggen wil? Ik zal het u duidelijk maken door praktische voorbeelden.
Half-werk doet zij, dio bijv. do vijf eerste dagen der week -zich dapper geweld aandoet om niet boos te worden; maar de twee laatste dagen weer alles bederft, door zicb bij de minste tegenkanting gramstorig te maken, wellicht twintigmaal en nog meer per dag. Half-werk doet zij, die te huis in eten en drinken altoos even matig en verstorven is; maar buiten \'shuis, in gezelschappen, er des te ruimer op aansmult en zich soms aan onmatigheid schuldig maakt. Half-werk noem ik het nog, zich met alle zorg te wachten van kwaad te spreken, maar er geen bezwaar uit te maken, zijne nieuwsgierigheid in alles te voldoen en zich honderdmaal eiken dag aan allerlei bekoringen bloot te stellen. Ik zou deze gevallen nog met honderden kunnen vermeerderen. Doch waartoe? De reeds opgenoemde zijn voldoende, om u mijne gedachten te doen begrijpen.
De deugd van zulke menschen, het kan niet anders, houdt altoos eene of andere zwakke, kwetsbare zijde. En dit nu, zegt ergens de H. Alphonsus, is voor den duivel genoeg, om vroeg of laat zoo iemand tot diepen val te brengen, evenals het voor een kundigen generaal genoeg is, dat eene vesting hier of daar een zwak versterkten kant hebbe, om na verloop van tijd er binnen te dringen en ze zoo meester te worden.
Men moet het dus in zake van deugd niet ten halve laten steken, maar doorzetten ten einde toe, en daarom zichzelven aanhoudendde sporen geven. Volgaarnebeken ik het: dit vordert zielskracht, moeite, arbeid. Maar zie! juist dit is eigen aan alle groote ondernemingen; zonder krachtdadige en hardnekkige inspanning komen ze niet tot stand. Gods genade maakt ons overigens ditalles niet slechts mogelijk, maar zelfs gemakkelijk en licht.
28
DEGELIJKE DEUGD.
29
3. Als derde vereischte om degelijke deugd te ver-krijgeia, geven ons de geestelijke sckrijvers aan: dat men hierin met orde en volgens een vastgesteld plan te werk ga. Ook hier passen zij het bekende spreekwoord toe; „Is de aandaclit op meerdere dingen tegelijk gevestigd, dan is zij minder gespannen op elk afzonderlijk.quot; En inderdaad, de ondervinding leert, dat men op die wijze merkelijk grooteren voortgang maakt. Ik verklaar mij: Gresteld,daar ontbreken n nog verschillende deugden, deugden van eene allereerste noodzakelijkheid, zooals geduld, kuischheid, enz. Door eigen treurige ervaring nu weet gij, dat de minste bekoring vaak genoeg is, om u min of meer te doen struikelen, dat de geringste tegenkanting u ongeduldig en boos doet worden ; dat het eerste verleidelijk voorwerp, hetwelk gij op uw weg ontmoet, menigmaal reeds genoeg is, om uwe nieuwsgierigheid gaande te maken en met zeker welbehagen uwe blikken tot zich te trekken, waaruit meer dan eens oneerbare verlangens in uw hart worden opgewekt. Dit alles weet cn erkent gij. Nu wenscht ge, onderstel ik, en wenscht gij vurig de daartegenover staande deugden aan te werven. TJitmun-tend voorzeker is die wensch! Maar, zeide ik, om hierin te slagen moet gij met overleg en ordelijk te werk gaan. Grij moet namelijk de vele sclioone deugden niet alle te zamen willen omvatten om u daarin grondig te vestigen; maar afzonderlijk en achtereenvolgens, de eene voor en de andere na. Begin bijvoorbeeld eerst met u een tijdlang in \'t geduld te oefenen en houd daarmede aan, tot dat ge eene zekere vaardigheid daarin verkregen hebt, zoodat gij, ook zelfs bij de onpleizierigste ontmoetingen, rustig en bedaard weet te blijven. Leg u even zoo een tijd lang op de beoefening der heilige kuischheid toe, en insgelijks al verder op
DËGELIJKË DEUGD.
de overige deugden. Met aldus regelmatig voort te gaan, geeft gij aan iedere deugd meer tijd, en ik zou liaast zeggen ook meer ruimte, om zicli diep in uw hart te wortelen, dan wanneer gij uwe pogingen gelijktijdig verdeelt over verscMllende deugden, die uit elkander loopen. Dit is evenwel niet zóó te verstaan» alsof gij u in den tusschentijd, waarop gij u bepaald op ééne deugd toelegt, aan de overige volstrekt niets moet laten gelegen liggen. Ik wil daarmede alleen zeggen, dat gij u op die ééne voorgenomene deugd met meer bijzonderen ernat en ijver moet toeleggen, zonder daarom took bij voorkomende gelegenheid de andere te verwaarloozen.
Daarenboven is het raadzaam, zoo leeren ons verder diezelfde voornoemde schrijvers, met die deugd te beginnen, welke wij voor ons persoonlijk als de meest noodzakelijke beschouwen, die, als \'t ware, tot grondslag moet dienen van het gansche gebouw onzes geestelijken levens. Is dit nu wellicht voor u de nederigheid? Is het de zachtmoedigheid? De versterving? De kuischheid? Het geduld? De gelatenheid in Gods wil — Aan u, dit vraagstuk te beslissen, doch wat het ook wezen moge, ziehier wat gij doen moet. Zoo uwe bezigheden het toelaten, lees dan bijwijlen in een of ander geestelijk boek iets over die deugd, welke gij u tot bijzonder voorwerp uwer overwegingen en pogingen gemaakt hebt. Bid ook dagelijks, hetzij bij uw morgengebed, hetzij gedurende het H. Misoffer, dat God de Heer u dien dag bijzondere genaden schenke, om niet tegen die deugd te misdoen. Maak u zelfs een of ander schietgebed eigen, dat op die deugd betrekking heeft, en herhaal dit, al gaande en staande, een bepaald getal malen iederen dag. Onderzoek u eindelijk \'savonds bij \'t slapen gaan, hoe gij uwe goede voornemens van
30
DEGELIJKE DEUGD.
\'s morgens met betrekking tot die deugd gehouden hebt. Hebt gij u daaromtrent ongetrouwheden te verwijten, vraag dan God nederig vergiffenis en maak opnieuw goede voornemens voor den volgenden dag. Dit alles vereischt slechts luttel tijds. Op die wijze voortgaande, zult gij onder Gods bijstand trapsgewijze er gewis toe komen, u die deugd zóó eigen te maken, dat gij, zelfs in de beproevingen van den meest ernstigen aard, onbezweken staande blijft.
quot;Welaan dan, mijne kinderen, die geroepen zijt om te midden eener zedelooze wereld, die met deugd en godsdienst spot, tegen den breeden stroom des bederfs op te varen, staalt u met het pantser eener hechte en degelijke deugd. Anders toch hebt gij het ergste voor uwe ziel te duchten. Thans hebt gij den tijd nog. Benuttig hem met zorg, opdat gij, volgens het woord van den grooten Apostel der heidenen, in staat zijt weerstand te bieden op den kwaden dag (der beproeving) en, onder elk opzicht volmaakt geworden, pal op uw stuk te staan.
31
HOOFDSTUK IV.
GEZAG.
Miskenning, verachting van het gezag: ziedaar ontegensprekelijk een der hoofdkwalen onzer diepbedorven eenw, een vreeslijk kenteeken des tijds. \'tls een uitvloeisel van het tegenwoordig heerschende ongeloof.
Men heeft het reeds duizendmaal herhaald en \'t is waarheid, treurige waarheid: de geest van opstand, van revolutie heeft in onze dagen zulke schrikbare vorderingen gemaakt, hij ]igt zoo diep ingeworteld in de denkbeelden en zeden der volksmenigte, dat men zich terecht verwondert, hoe niet reeds lang de geheele maatschappij uit haar verband gerukt is en opgehouden heeft te bestaan. Wanneer toch inderdaad was de wereld getuige van zoo vele plaatselijke volksoploopen, werkstakingen onder de arbeidende klasse, staatsomwentelingen enz. als in de laatste 50 jaren ? Wanneer heeft men zooveel gehoord van moordaanslagen op vorsten en koningen als in deze jongste tijden? Een enkel vonkje van misnoegdheid onder het volk geworpen, is vaak genoeg om dien revolutiegeest in vollen laaien gloed te doen ontvlammen. Maar, vraag ik, wat is die revolutiewoede anders dan eeae openbaring van den inwendigen haat des gemoeds tegen het bestaande wettig gezag.
De ongeloovigen van onzen tijd hebben sinds jaren niet opgehouden dien haat te voeden. „ Maar is de mensch dan niet vrij geboren? zoo zeggen zij in
GEZAG.
tijdschriften en dagbladen; „en waarom dan ligt hij overal als een slaaf in de boeien des gezags gekneld ? Is \'t geen schande voor een koning der aarde zooals hij, aan wien alles onderworpen is, dat hij zelf aan een ander mensch onderdanig moet wezen ?
Dierbare jongedochter, die dit leest, laat gij u ten minste niet door dat verleidelijk sirenengezang dier vrijheidspredikers misleiden.
Overweeg hierom op de eerste plaats, dat alle wettig gezag èn in het ouderlijk huis, én in denSfaat én in de Kerk herkomstig is van God, die, als Opperheer van al het geschapene, recht van gebieden en verbieden heeft over alle schepselen die daar bestaan; maar wien het evenzeer vrijstaat, dit zijn oppergezag aan diezelfde schepselen, aan andere menschen, mede te deelen. De H. Schrift leert ons dit herhaaldelijk en met de duidelijkste bewoordingen. Zegt immers de H. Apostel Paulus niet: „Dat iedere menschenziel onderdanig zij aan de hoogere machten. Want er is geene macht tenzij uit God: en alle machten die daar bestaan, zijn door God verordend. Wie derhalve aan de macht weerstaat, weerstaat aan Gods verordening. En zij die, weerstaan, trekken de verdoemenis op zich af!\' En vervolgens het doel verklarende, waarom Grod aan de wereldsche vorsten hun gezag heeft gegeven (hetzelfde echter kan men verhoudingswijze toepassen op allen, die in gezag staan) zegt hij; „ Want de overheden zijn niet aangesteld om u af te schrikken van goede werken, maar van kwade. Wilt gij dus van de macht niets te duchten hebben\'? Doe het goede, e7i zij zal u prijzen. Immers zij is eene dienaresse Gods voor u in\'\'t belang van het goede. Doet gij echter kwaad, ja dan vrees; want niet te vergeefs draagt zij het zwaard. Immers als dienaresse Gods moet zij zich als vergramde wreekster doen gelden tegen hem, die kwaad bedrijft.\'quot; Ook de H. Apostel Petrus
33
3
GEZAG.
spreekt in denzelt\'den zin. „Allerdierbaarste broedersquot; zoo schrijft liij, „weest aan alle menschelijk schepsel onderworpen om wille van God: hetzij aan den koning, als aan hem die boven allen uitsteekt, hetzij aan zijne bevelvoerders, als zijnde deze door hem aangesteld tot wraakneming over de boosdoeners, maar ook tot lof der braven. Want aldus is de wil Gods.quot;
Jezus zelf, Gods menschgeworden Zoon, heeft ons door zijn voorbeeld getoond, hoezeer Hij het door zijn hemelschen Vader aangesteld gezag eerbiedigde. Hoe stipt en hoe volmaakt heeft Hij niet, van den dag zijner besnijdenis tot in \'t uur van zijn laatste avondmaal, al de voorschriften der wet van Moyses tot in de kleinste bijzonderheden onderhouden! Hoe onderdanig was Hij niet aan zijne heilige Moeder en den H. Joseph ! Hoe eerbiedigde Hij niet het gezag der Joodsche priesters en hoe menigmaal heeft Hij het niet tegenover de Farizeërs verdedigd! Hoe trouw betaalde Hij niet den cijnspenning, ter erkenning van het staatsgezag des Romeinschen keizers! Hoe verontwaardigde Hij zich niet vóór de rechtbank van Caïphas, toen men Hem ten laste legde, aan den jegens den Hoogepries-ter verschuldigden eerbied te zijn tekort gebleven! Met welk eene meer dan heldhaftige onderworpenheid berustte Hij niet in het onrechtvaardig, wraakroepend doodvonnis, dat de Romeinsche landvoogd Pilatus over Hem uitsprak! Ook Hij erkende in al die verschillende gezagvoerders de vertegenwoordigers van God zijn Vader, die hun een deel zijner oppermachtige heerschappij had meegedeeld. O, mochten wij Hem hierin allen, althans van verre, gelijken!
„Maar waartoe was \'tnoodig,quot;—vraagt gij misschien— „de menschelijk maatschappij op die wijze te regelen, dat sommigen gezag voeren en anderen zich aan dat
34
GÈZAG.
gezag moeten onderwerpen ? quot;Waarom niet liever aan allen gelijk recht gelaten, zonder iemand eenig recht van overheid over anderen te geven ?quot; Die verordening, dierbaar kind, heeft God noodig geacht om verschillende redenen.
En wel vooreerst; vorderde dit de natuur zelve van den mensch, die door een onweerstaanbaren aanleg van zijn wezen behoefte heeft aan een maatschappelijk tezamenleven met andere menschen, aan wie hij zijne gedachten en gevoelens mededeelt, aan wie hij zijn nood klaagt of zijne blijdschap ontboezemt, die hem in duizenden omstandigheden des levens, waar zijn eigene zwakke krachten te kort schieten, raad, hulp en troost geven, en hem tegen onrechtvaardige geweldpleging verdedigen. Dit maatschappelijk te-zamen-zijn nu, wie begrijpt het niet? hadde nimmei\' tot het ge-wenschte doel kunnen leiden, zoo niet onder al die samenstellende leden iemand aangesteld wordt, die de leiding der beschikbare krachten en begaafdheden tot het gemeenschappelijk welzijn van allen op zich nam, en bijgevolg over hen recht van gebieden had. Dit is met andere woorden gezegd: eene maatschappij, gevormd uit menschen, zooals zij werkelijk bestaan en wij ze kennen, is niet denkbaar, is niet bestaanbaar zonder gezag. God was het dus, kan men zeggen, aan zich zeiven verplicht, wilde Hij het menschdom zien voortbestaan en op eene zijner wijsheid waardige wijze tot zijne bestemming voeren, zijne goddelijke heerschappijrechten met sommigen hunner te deelen. Het is dus geene zaak van bloot menschelijke willekeur, dat er zulken bestaan, het is geene speling van het onvermijdelijk noodlot, maar bepaald eene beschikking van Gods alwijze voorzienigheid, die deze orde van zaken tot stand bracht ten behoeve der menschheid. Terecht
GEZAG.
zegt daarom de H. Apostel Paulus; „ Wie ami de macht weerstaat, weerstaat, niet aan eene bloot mens c he lijke regeling, maar aan eme verordening van God zeiven.
Wat heeft God nog verder bewogen, de meerderheid der menschen, zoowel in de kerkelijke als burgerlijke samenleving, aan een zichtbaar gezag te onderwerpen?
Mogen wij niet gerust aannemen, dat God dit gedaan heeft om in den mensch daardoor steeds het bewustzijn levendig te houden, dat hij een van God afhankelijk wezen is, al is hij dan ook de koning der zichtbare schepping? Is dit voor hem eene vernedering te noemen, die vernedering heeft hij voorwaar ten volle verdiend, sedert hij zich in zijn stamvader Adam tegen het gezag van zijn Schepper zoo baldadig verzet heeft. Noem dien toestand, zoo gij wilt, een blijvend gevolg der erfzonde, eene strafgelijkende beproeving, wie zal durven beweren, dat zij onverdiend en onbillijk is.
Als derde reden zou men, ter rechtvaardiging van Gods verordening te dezen opzichte, kunnen aanvoereiij dat juist daardoor het voor ons zichtbare rijk Gods op aarde een treffend evenbeeld wordt van zijn onzichtbaar rijk in den hemel. In den hemel trouwens, waar God zelf als oppermachtig Heer en Schepper gebiedt, wordt zijn onbeperkt gezag door al de hemel-lingen met algeheele toewijding en de volmaaktst mogelijke bereidvaardigheid geëerbiedigd. Daar wordt ten volle vervuld het woord van den psalmist; alles dient daar God. Evenzoo wil Hij ook heerschen op aarde en zal Hij heerschen, zoo wij, door het geloof bezield, Hem erkennen in diegenen, aan welke Hij zijn gezag heeft meegedeeld, en die zijne plaats vervangen.
Zoo gij dit alles, mijn kind aandachtig overweegt, dan zult gij al meer en meer tot de overtuiging komen, hoe wijslijk God in de wereld alles heeft
36
GEZAG.
geregeld, en hoe plicktmatig het voor u is, alle wettig gezag te eerbiedigen; maar ook, hoe zwaar zij zich bezondigen, die, door den geest van revolutie geleid, alle gezag uit de wereld zouden willen verbannen.
Er ligt overigens niets onteerends, niets schandelijks voor den mensch in die gehoorzaamheid. Aan wien toch gehoorzaamt gij ? Aan wien gehoorzaamt het kind, de staatsburger, de Christen, wanneer zij de bevelen van vader en moeder^ van koning of machthebbenden, van de H. Kerk volbrengen? Welbeschouwd aan den op-permachtigen God zeiven, die ons zijn wil door hun mond kenbaar maakt. Maar aan God gehoorzamen, wien zelfs de engelen blijmoedig onderworpen zijn, hoe zou dit vernederend voor den mensch kunnen wezen ?
Wilt gij verder weten, hoezeer God er op staat dat men het gezag eerbiedige ? Herinner u dan de vele voorbeelden, die Hij zelf ons in zijne heilige Schriften heeft doen opteekenen, voorvallen van zichtbare straf, toegezonden aan hen, die zich tegenhet wettig gezag durfden vergrijpen. Denk aan Maria, de zuster van Moyses, die met afzichtelijke melaatschheid geslagen werd, omdat zij tegen de verordeningen baars broeders, die in naam van God zijne bevelen gaf, durfde mompelen. Denk aan Core, Dathan en Abiron, die zich het gezag van den hoogepriester Aaron durfden aanmatigen en levend door de aarde werden ingezwolgen. Denk aan den trotschen Absalon, die het gezag zijns vaders David trachtte te ondermijnen en hem zelfs naar het leven stond om in zijne plaats koning te worden; denk hoe hij ellendig met de haren aan een boom hangende, met drie speren doorstoken en overladén met de ver-wenschingen van al hetvolk, onder een hoop van steenen begraven werd. Denk eindelijk aan het rampzalig uiteinde van die vele aartsketters uit latere eeuwen, van
37
GEZAG,
een Luther, een Calvijn, een Theodorns Beza, een Zwingel en zoovele anderen, die door Imnne goddelooze schimpredenen niet ophielden het goddelijk gezag der Kerk op alle wijzen te ondermijnen. Denk nog aan den trenrigen dood van die beruchte volksmenners, die in de groote Fransche omwenteling van \'t jaar 1789 het gezag van troon en Kerk wilden vernietigen. Neen, neen! God de Heer is al te naijverig op het gezag, dat Hij aan zijne plaatshekleeders heeft toevertrouwd, om het straffeloos te laten verguizen! God laat zich niet bespotten.
Maar straft Hij doorgaans op voorbeeldige wijze do versmaders vanzijn gezag, zichtbaar daarentegen zegent Hij diegenen, welke datzelfde gezag eerbiedigen. De heerlijke beloften, aan de kinderen gedaan die hunne ouders eeren en hun gezag erkennen, geldt evenzeer voor alle anderen, die om wille van God aan het gezag der burgerlijke en kerkelijke overheid de verschuldigde eer en onderdanigheid betuigen. „Eer Vader en Moederquot; zoo heeft Hij tot de kinderen gesproken, „opdat het u goed ga en gij lang moget leven op aarde?\' Ook hun zal \'t gelijkelijk goed gaan op aarde, ook zij zullen, zoo \'t hun zalig is, een hoogen ouderdom bereiken, die zich, om God, aan de verordeningen van wereldlijke overheid met een bereidvaardig hart onderwerpen.
Laat ik er nog ééne vermaning bijvoegen om dan dit hoofdstuk te sluiten. Mocht gij soms bekoord worden om den eerbied voor het wettig gezag te weigeren aan iemand, die door zijn weinig stichtend leven zijn persoon in opspraak brengt en in dit opzicht veeleer onze verachting dan sympathie verdient: roep dan aanstonds de beginselen des geloofs in uw geest te binnen en houd u aan de vermaning onzes Hecren, betrekkelijk de Schriftgeleerden zijner dagen: „De Schriftgeleerden
38
GEZAG
39
en Fariaeërs,quot; zoo sprak Hij, „zijn gezeten op den leerstoel van Moyses (d. i. g. hebben het wettig gezag om de leer cn de wet van Moyses aan het volk te verklaren). Onderhoudt dtrJialve (om wille van dit gezag, al is \'t dan ook dat hun leven aan hunne leer niet beantwoordt) onderhoudt derhalve en doet al wat zij u zeggen. Wacht u echter zvel hunne werken na te doenquot;
HOOFDSTUK V.
OUDERLIJK GEZAG.
„Kinderenquot; zoo vermaande weleer de groote Apostel der Heidenen de geloovigen van Ephese, „kinderen, weest uwen ouders in den Heer gehoorzaam; dit trouwens is billijk T
Helaas ! dit zoo gewichtig gebod des Heeren wordt in onze dagen al te vaak en op brutale wijze overtreden! \'t Is liet gevolg dier overprikkelde zucht naar vrijheid, \'t gevolg eener verwaande overschatting zijner eigene genoegzaamheid, maar ook tevens eene vrucht van den boom der moderne beginselen.
Mocht het mij gegeven zijn, u, mijn dierbaar kind, een diepen eerbied voor het huislijk gezag uwer ouders in te prenten, of zoo die eerbied reeds in uw kinderhart woont, denzelven daarin nog meer te bevestigen, ik zou meenen u een onbetaalbaren dienst te hebben bewezen.
Overweeg dan op de eerste plaats, hoe rechtmatig het gezag der ouders over hun kinderen is.
Na God, hebt gij alles, wat gij naar ziel en lichaam bezit, aan uwe ouders te danken ; gij behoort hun dus in zekeren zin geheel toe.
Wat is billijker, dan dat het kind hun gezag erkent? Heeft immers de boomkweeker niet het volste recht op de vruchten van een boom, dien hij zelf geplant en gekweekt heeft? Voorzeker ja; die vruchten zijn immers zijn eigendom. Zoo ook, kind, zijt gij in zekeren zin
OUDERLIJK GEZAG.
het eigendom uwer ouders en hebben dezen het recht, over uw persoon en uwe daden binnen zekere grenzen te beschikken.
Dit recht hebben z\'j nog, omdat zij krachtens hun staat zwaar verplicht zijn u op te voeden in de vreeze en kennis des Heeren. Die verplichting is voor hen zoo zwaar, dat zij alleen om het verzuim daarvan hunne eeuwige zaligheid zouden verbeuren. Wat is dus duidelijker, dan dat zij ook het recht hebben, u volgens de overtuiging huns gewetens, te gebieden en te verbieden wat zij ter vervulling van deze hunne verplichting noodzakelijk of dienstig achten? Hoe toch zouden zij zich hiervan kunnen kwijten, zoo het den kinderen vrij stond, al of niet naar hunne bevelen en vermaningen te luisteren? Dit is dan met andere woorden gezegd: de kinderen moeten zich wel degelijk aan hun gezag onderwerpen in alles wat niet klaarblijkelijk zonde is.
Het recht der ouders om gezag te voeren over hunne kinderen is dan ook, van d.e aioudste tijden af, door alle menschelijke wetten erkend geworden en met de grootste strengheid gehandhaafd.
Uit dit alles zien wij, met hoeveel recht de H. Apostel Paulus, van dit gebod des Heeren sprekende, gezegd heeft; Kinderen,weest uwen ouders in den Heer gehoorzaam; dit is trouwens billijk.
Maar moet het ons dan ook wel verwonderen, dat diezelfde groote Apostel de zonde van weerspannigheid tegen het ouderlijk gezag onder de hoofdgruwelen rekent, waardoor de goddelooze menschen, die in de laatste tijden der wereld(zooals}iij zich uitdrukt) moeten opstaan, zich zullen onderscheiden? „In de laatste dagen dér wereldquot; zegt hij, „ztillen er menschen gevonden worden die (behalve vele andere misdaden) hunnen ouders niet zullen gehoorzanie}i.
41
OUDERLIJK GEZAG.
Reeds in het Oude Verbond had God dan ook de vree-selijkste straffen tegen zulke weerspannige en ontaarde kinderen uitgesproken. „ Wie zijn vader of moeder ver-„ ïvenscktquot; zoo lezen wij in liet boek Leviticus, „hij sterve den dood; hij heeft zijn vader en moeder verwenscht, dat hij het met zijn bloed betaleT En elders, in bet boek Deuteronomium; „Mocht een mensch een weerbarstigen en stuggen zoon hebben, die niet luistert naar het bevel van zijn vader of moeder, en zelfs niet met dwang er toe gebracht kan worden om te gehoorzamen: zoo zullen zij hem vastgrijpen en naar de ouderlingen dier stad en naar de gerechtspoort voeren en tot dé aanwezigen zeggen: „Deze onze zoon is stug en weerbarstig, hij slaat onze vermaningen in den wind.quot; En dan zal bet volk der stad bem onder de steenen verpletteren en bij zal sterven, opdat gij dien gruwel uit uw midden wegneemt en gebeel Israël, dit boorende, met scbrik bevangen worde.
\'t Is waar, die vreeselijke strafwetten bestaan niet meer onder de genadewet van bet H. Evangelie. Dit neemt eebter niet weg, dat weerspannigheid tegen \'t ouderlijk gezag, als ondeugd, ook thans nog even zwaar weegt in Gods oogen als in die vroegere dagen. In de geschiedenis van latere tijden ontbreekt het dan ook niet aan feiten, waaruit ten duidelijkste blijkt, dat God aan kinderen, die bet gezag van bun vader of moeder miskennen, vaak reeds bier op aarde zijn straffenden arm doet gevoelen. Men denke slechts onder anderen aan de geschiedenis der arme weduwe van Cappadocië met hare zeven zonen en drie dochters, waarvan ons de H. Augustinus verbaalt. De oudste onder ben gaat in zijne gramschap zoover, dat bij zijne moeder durft schelden en slaan, terwijl de overige negen bet lijdelijk aanzien en goedkeuren. Wat gebeurde? De bedroefde vrouw gaat naar de kerk, knielt daar
42
OUDERLIJK GEZAG.
neder vóór het altaar en bidt God: Hij zelf zou zich deze reis over hare ontaarde kinderen wreken, tot voorbeeld en afschrikking van anderen. En zie! in \'t zelfde oogenblik sloeg God den oudsten zoon met eene akelige rilling over al zijne ledematen, terwijl de negen anderen bij \'t zien dier straf huns broeders zoo angstig werden, dat zij vandaar wegvluchtten en zich naar alle zijden des lands verspreidden. „Twee van hen,quot; zoo verhaalt de H. Augustinus, „kwamen omstreeks het feest van Paschen in mijne bisschopsstad Hipone aan. Ik verkreeg echter van God, dat zij door de voorspraak van. den H. Martelaar Stephanus, wiens reliquieën ik hen deed vereeren, van hunne vreeselijke zielskrankheid genezen werden.quot; — Bekend is ook de geschiedenis van dien onmenschelijken zoon, die zijn ouden vader met de hairen uit het huis sleepte en later op zijne beurt ook wederom door zijne eigen zonen met de hairen uit het huis gesleept werd, totdat hij op den drempel der deur gekomen, zijne misdaad van vroegere dagen inzag, erkende dat Gods wrekende hand in het spel was en uitriep; „Niet verder, kinderen, niet verder! Tot hier aan dezen deurstijl heb ik vroeger ook mijn vader gesleept. Genoeg dus: God heeft mijn gruweldaad thans met gelijke munt betaald.quot;
Doch wenden wij liever het oog van die treurige voorvallen af, om de zegeningen te beschouwen, waarmede God de kinderen overlaadt, die zijn vierde gebod onderhouden en het gezag hunner ouders eerbiedigen. Herinner u, dierbare lezeres, welk een pl echtigen zegen-wensch Hij uitsprak over de twee oudste zonen van den aartsvader Noë, Sem en Japhet; wat een voorspoed Hij hun schonk, omdat zij, uit eerbied voor den persoon huns vaders, geweigerd hadden deel te nemen aan de lage bespottingen, die hun jongste broeder Cham zich
43
OUDERLIJK GEZAG.
veroorloofde. Hunne talrijke nakomelingschap heeft in Azië en Europa de heerschappij der wereld verkregen en bezit die nog tot op den dag van heden. Herinner u nog, hoe Joseph, de beminde zoon van den aartsvader Jacob om zijne volmaakte onderworpenheid aan het gezag zijns vromen vaders, in al zijne daden doorj^J bijzondere voorzienigheid des hemels geleid ■»*5® door zijne verheffing tot onderkoning van Eg^^re) door zijne macht en glorie, een onsterfelijken naam heeft verworven in de geschiedenis der eeuwen.
Herinner u verder de wonderbare gunsten, die God door bemiddeling van zijn aartsengel Haphaël aan den vromeu jongeling Tobias schonk ter belooning van zijn kinderlijken eerbied jegens zijn blinden vader, die hem op reis zond om vóór zijn dood zijne laatste wilsbeschikking te volbrengen. Herinner u nog, welk een hoog aanzien Grod den profeet Samuël verleende, die als jeugdig knaap met zulk eene bereidvaardige toewijding de bevelen uitvoerde van den Hoogepriester Heli, wiens woorden hij als zoovele godspraken des hemels beschouwde.
Ziedaar eenige weinige, hoofdzakelijk aan de gewijde schriften ontleende feiten. Ware het ten bewijze noodig, die reeks van feiten te vermenigvuldigen, de geschiedenis van Gods Kerk en de dagelijksche ondervinding zouden er ons nog bij duizenden aan de hand geven.
Doch genoeg.
Laat ik u ten slotte nog eenige praktische wenken geven, die, vooral in onze dagen van revolutiegeest hoogst actueel zijn. Daartoe behoef ik niets anders aan eene getrouwe vertaling te geven van het derde hoofdstuk uit het boek Ecclesiasticus. De H. Geest zelf heeft daar de treffendste waarschuwingen voor alle kinderen doen neerschrijven:
44
OUDERLIJK GEZAG.
„De kinderen der wijsheid, de gemeente der reciit-vaardigen en hun nageslacht onderscheiden zich door gehoorzaamheid en liefde.
„Kinderen, luistert naar de uitspraak nws vaders, en handelt zoo dat gij zalig wordt. God immers heeft den vader in zijne kinderen vereerd {door namelijk de kinderen te bevelen hun vader te eer en) en door te vorderen, dat het bevel der moeder volbracht zou worden, heeft Hij haar tegenover hare zonen in aanzien gebracht.
„Wie God bemint {en zijne ouders om God) zal vergiffenis van zijne zonden vragen, zal zich van zonden onthouden en in zijne dagelijksche gebeden verhoord worden.
„Hij, die zijne moeder in eere houdt, is als iemand die schatten zamelt.
„Wie zijn vader eert zal vreugde hebben in zijne kinderen en zal ten dage van zijn gebed verhoord worden.
„Wie zijn vader eert, zal een langer leven genieten, en wie zijn vader gehoorzaamt, zal zijne moeder verkwikken.
„Hij, die den Heer vreest, eert zijne ouders en zal hen, als zijne overheden dienen.
„Eer uw vader met daden en woorden en in alle geduld, opdat zijn zegen over u neerkome en zijn zegen u tot uw laatsten dag bijblijve.
„\'s Vaders zegen geeft duurzaamheid aan de huizen dér kinderen; de vloek eener moeder daarentegen breekt de grondslagen des huizes tot op den bodem af.
„Koem niet op den smaad des vaders; zijne schande trouwens strekt u niet tot roem. Immers de roem eens menschen wordt ontleend aan de eer zijns vaders en de oneer van een zoon bestaat in eenen eeiioozen vader te hebben.
„Kind, neem u den ouderdom uws vaders ter harte en bedroef hem niet tijdens zijn leven. Verschoon
45
OUDERLIJK GEZAG.
hem, wanneer hem liet verstand begeeft en versmaad hem niet in uwen voorspoed.
„Immers de aalmoes aan een vader geschonken, zal {bij God) niet in vergetelheid geraken. Want als loon voor uw geduld jegens uw moeder, die zich tegen u bezondigt (ótjv. door onverdiende verwijten, die zij u doet) zal u voorspoed gegeven worden, en om deze uwe daad van deugd zal uw huis worden opgebouwd en zal men zich uwer herinneren op den dag uwer kwelling, en zullen uwe zonden worden weggeruimd even als het ijs smelt bij helder weder.
„Hoe slecht befaamd wordt hij, die zijn vader in den nood laat! en hij, die zijne moeder verbittert, is van God vervloekt.quot;
46
HOOFDSTUK VI.
BURGERLIJK GEZAG.
Dezelfde God, die door de instelling en zegening van \'t huwelijk den grondslag des gezins legde, legde daardoor tevens den grondslag der burgerlijke samenleving of maatschappij, zooals men die in den loop der eeuwen al meer en meer zich heeft zien ontwikkelen en zooals wij ze op den dag van heden zien bestaan.
Maar is \'t eene verordening van Gods heiligen en aanbiddelijken wil, dat de verschillende huisgezinnen allengskens tot eene burgerlijke maatschappij aangroeiden en staten vormden, om aldus des te krachtdadiger het tijdelijk en eeuwig welzijn van ieder afzonderlijk medelid te bevorderen — dan moeten wij ook noodzakelijk aannemen, dat Hij, even als in \'t gezin, ook in die maatschappij een beginsel van eensgezindheid, orde en vrede gewild heeft. Zonder eenheid trouwens, zonder vrede en orde waren zulk een meuschelijk samenwonen en de verwezenlijking van het doel dier samenleving niet mogelijk, niet denkbaar.
Dit beginsel nu, in dezen of genen mensch belichaamd, noemen wij het burgerlijk gezag. En dit gezag, om het even wie er mede bekleed is, mits hij het op wettige wijze bezitte, moet gij, lid dier maatschappij, als een zaak van goddelijken oorsprong en instelling in gemoede eerbiedigen. Ik zeg „in gemoedequot; en niet slechts in schijn, door uiterlijk vertoon. Immers ook
BURGERLIJK GËZAG.
hier is van toepassing de vermaning van Paulus, den Apostel: „Gij dienstknechten, weest uwen vleeschelijken meestérs gehoorzaam met eerbied en ontzag, in da eenvoudigheid uws harten, als aan Christus zeiven. Dient hen niet slechts voor het oog, als wildetgij aan menschen behagen, maar als dienaren van Christus, die gemoedelijk Gods wil volbrengen. Dient hen met goeden wille gelijk den Heer zeiven eti niet als menschenquot;
Dien gemoedelijken en welgemeenden eerbied moeten wij ook naar buiten door daden doen blijken, namelijk door eene nauwgezette onderwerping aan alle wettige bevelen en verordeningen, die de burgerlijke overheid, binnen de sfeer barer bevoegdheid, in \'t algemeen belang noodzakelijk of dienstig oordeelt uit te vaardigen. Hieraan weerstaan is, volgens het reeds vroeger aangehaalde woord des Apostels, weerstaan aan eene verordening van God zeiven.
\'t Is waar, meer dan eens zien wij de burgerlijke overheid een schandelijk en hemeltergend misbruik van haar gezag maken. In onze dagen vooral, waarin de beruchte machtspreuk van Pruisen\'s eersten staatsman: „Macht is recht en gaat zelfs boven recht,quot; als een beginsel van staatkunde schijnt te gelden, zien wij niet zelden de onrechtvaardigste wetten tot stand komen, wetten, waardoor de heiligste rechten der onderdanen op echt tirannieke wijze worden met voeten vertrapt, terwijl men zich beroept op de terecht door den Paus Pius IX veroordeelde stelling: dat zulke rechtsverkrachting gewettigd is, zoodra zij een voldongen feit is geworden.
Ontegensprekelijk heeft eenieder het recht zulk een onbillijk misbruik van gezag ten zeerste af te keuren ; dit is zelfs plicht. Gerust mogen wij ook alle wettige middelen te baat nemen, om de verderfelijke uitwerk-
48
BURGERLIJK GEZAG.
seis van dergelijke wetten te voorkomen en schadeloos te maken, ten einde ons goed recht te doen zegevieren. Een lijdelijk verzet tegen zulke staatkundige knevelarijen heeft de Kerk nimmer verboden. Dit is trouwens een ons allen ingehoren, onvervreemdbaar recht der menschelijke natuur. Wij moeten ons echter wel wachten, de grenzen van dit recht ooit roekeloos te overschrijden. We zijn temeer hieraan blootgesteld, omdat er in de geheele atmosfeer onzer tegenwoordige maatschappij een geest van opstand en revolutie waait, dien men als ongemerkt inademt en die de gezondste hersenen dreigt in verwarring te brengen. Maken we ons dus geene illusie, eene illusie, die ons zwaar vóór Grod zou doen zondigen, gezwegen nog van de tallooze noodlottige rampen, die een positief verzet tegen bestaande en erkende machten, zoo voor ons zeiven als voor anderen, gewoonlijk na zich sleept.
Houden wij ons, als kinderen der katholieke Kerk, aan de vermaningen onzer Opperherders, de Pausen en Bisschoppen, die zulk een rechtstreeksch verzet steeds hebben afgekeurd en ontraden. Herinneren wij ons in \'t bijzonder, hoe de onsterfelijke Pius IX in zijn Syllabus de stelling der hedendaagsche liberalen, „ Men mag aan wettige oversten de gehoorzaamheid ontzeggen, ja zelfs opstand tegen hen makenquot; op de nadrukke-lijkste wijze heeft veroordeeld.
Laten wij veeleer de heilige Martelaren navolgen, die zich liever hunne vrijheid, goederen en leven lieten ontnemen, dan dat zij de minste poging deden om hunne wreede en onmenschelijke rechters in hun gezag te krenken. Zij stierven als onschuldige slachtoffers hunner gehoorzaamheid aan \'t gezag.
De Koning aller martelaren, Jezus Christus, was hen hierin voorgegaan. Hoe gemakkelijk ware \'t Hem
4
49
BURGERLIJK GEZAG.
niet geweest, gelijk Hij zelf in den Olijf hof verklaarde, zijn Vader te bidden, dat Hij Hem tegen zijn vervolgers beschermde en zijn Vader, zooals Hij er bijvoegde, hadde Hem op staanden voet meer dan twaalf legioenen engelen ter verdediging gezonden! Maar neen: dit wilde Hij niet en liet zich door de tegen Hem afgezonden krijgsknechten en dienaars der Opperpriesters gevangen nemen en wegsleuren. Zoo deed Hij nog, toen Hij Pilatns liet doodvonnis tegen zich hoorde uitspreken. Eenige oogenblikken te voren had Hij hem gezegd: „Gij zoudt niet de minste macht over mij hebben, ware zij u niet van boven gegevenquot; Hij betuigde daardoor, dat Hij in zijn rechter, hoe onrechtvaardig hij ook tegen Hem te werk ging, een goddelijk gezag erkende en nu — van woorden tot feiten overgaande — onderwierp Hij zich zonder eenig protest aan zijne uitspraak, en onderging den dood des kruises.
Voorwaar een treffender voorbeeld van gehoorzaamheid jegens het wettig gezag kon den martelaren en ook ons niet gegeven worden!
Hoezeer moet dit gedrag van den Zoon Grods derhalve ook ons aansporen, om ons steeds bereidwillig aan de verordeningen der burgerlijke macht te onderwerpen!
Slechts in één geval mogen, ja moeten wij zelfs ons daaraan onttrekken, wanneer ons nl. van staatswege iets zou bevolen worden, wat klaarblijkelijk in strijd is met de geboden des Heeren, de voorschriften der H. Kerk, of de inspraken onzes gewetens; met andere woorden; wanneer het zonde is. In dit gevat, neen, mogen wij niet gehoorzamen, maar moeten wij met de Apostelen zeggen : „ Men moet God meer gehoorzamen dan den metischen^ Dit geldt echter alleen, ik herhaal het, voor \'t geval, dat hétgeen ons door de burgerlijke overheid geboden wordt, klaarblijkelijk zonde is.
50
BURGERLIJK GEZAG.
Ingeval van twijfel moet ons vermeend recht wijken voor het zekere recht van onze overheid en zijn wij verplicht te gehoorzamen.
Wellicht, ja waarschijnlijk komt gij later in gezelschappen, waar gij op de burgerlijke overheid uwer gemeente, uwer provincie of van het rijk hoort smalen en schimpen. Wacht u wel, ooit aan zulke gesprekken deel te nemen. Tracht integendeel altijd, zooveel gij kunt, den eerbied voor al die waardigheidsbekleeders te handhaven, en dien bedillers den mond te stoppen. Grij zult daardoor ongetwijfeld aan God een groot genoegen geven; immers gij verdedigt alsdan de rechten van Grod zeiven, wiens gezag zij op aarde, in de sfeer van \'s menschen tijdelijke belangen, vertegenwoordigen. Gij werkt daardoor tevens krachtdadig mede aan de rust en de welvaart uwer medeburgers, eene rust en welvaart, die, wanneer het gezag ondermijnd wordt, onvermijdelijk gestoord worden.
Morren en opstand maken is derhalve in dit geval niet het ware middel om zich zulk een toestand dragelijker te maken, of van dat knellend juk bevrijd te worden. Een Gode welgevallige levenswandel leiden, Gods heilige geboden en wetten onderhouden, zijn eigen kwade hartstochten onderdrukken, de zonden mijden, met één woord, zich als goed Christen gedragen; ziedaar het ware middel. Dan zal God zich over ons erbarmen en de harten van vorsten en overheden, die Hij in zijne handen heeft en buigt zooals Hij wil, gunstig voor ons stemmen en met vaderlijke liefde voor hunne onderdanen vervullen. — Ook door ons gebed moeten wij ons die gunst verwerven. Laten wij God dikwerf bidden, dat Hij aan allen die in gezag staan, de gave van voorzichtigheid, van wijsheid en rechtvaardigheid schenke, om diegenen over wie zij
51
BURGERLIJK GEZAG.
52
gesteld zijn, volgens zijn geest te regeeren tot zijne eigen meerdere eer, tot welzijn der H. Kerk en tot zaligheid onzer zielen. Zulk een Hem aangenaam gebed zal Hij ongetwijfeld verhooren. De burgerlijke maatschappij immers is zijn werk en door Hem bestemd, om de tijdelijke belangen van het menschdom bevorderlijk te zijn en aldus aan datzelfde menschdom de zorg voor zijne geestelijke en eeuwige belangen te vergemakkelijken. Hoezeer moet Hij derhalve niet wenschen, dat er in die maatschappij volmaakte vrede en eensgezindheid heersche tusschen oversten en onderdanen!
HOOFDSTUK VIL
KERKELIJK GEZAG.
Een koelberekende haat tegen de katholieke Kerk en hare bedienaren, ziedaar wederom een der vele teekenen, waardoor zich de geest onzer eeuw op schrikbarende wijze openbaart.
Inderdaad, er is wellicht nooit een tijd geweest, dat men de Kerk van J. C. zoo stelselmatig, zoo hardnekkig en algemeen vervolgd heeft als in onze dagen.
De vraag nu waar het thans voor u op aan komt is deze: Hoe moet gij u later, bij zulk een toestand der wereld gedragen?
Welaan, mijn dierbaar kind, herinner u vooreerst ten alle tijde, hoe er geen gezag op aarde bestaat, zoo heilig, zoo goddelijk, zoo eerbiedwaardig als dat der Kerk en harer gewijde bedienaren. De Kerk trouwens is dat geestelijk rijk, hetwelk de mensch-geworden Zoon Gods op aarde tot zaligheid des menschdoms is komen stichten. Hij pleegde het te noemen het „Rijk der hemelenquot; d. i. g. het rijk, bestemd om toekomstige burgers des hemels te vormen. Van dit rijk sprak Hij, toen Pilatus Hem ondervroeg of Hij Koning was en Hij tot antwoord gaf: „Gijhebt het gezegd: ja, ik ben koning; nochtans mijn rijk is niet van deze wereld.quot; En van datzelfde geestelijk rijk vertrouwde hij de sleutels toe aan den zaligen Apostel-vorst Petrus, toen Hij hem zeide: „ Uzal ik de sleutels
KERKELIJK GEZAG.
van het rijk der hemelen geven. En alles wal gij op aarde bindén zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en alles wat gij op aarde zult ontbinden, zal in de hemelen ontbonden zijnquot; Die terhandstelling der sleutelen (eene zinnebeeldige uitdrukking, ontleend aan liet aloude gebruik, om een vorst bij zijne intrede in eene stad, de sleutels der poorten te overhandigen, ten bewijze dat men zijne opperheerschappij over die stad erkent) die terhandstelling der sleutels, zeg ik, beteekent klaarblijkelijk in den mond des Zaligmakers, dat Hij aan Petrus en, in zijn persoon, aan de geheele Kerk zijn goddelijk oppergezag zou mededeelen, om na zijne hemelvaart de door Hem gestichte Kerk te bestieren. En wat Hij toen beloofde te zullen doen, dit keelt Hij werkelijk gedaan, toen Hij na zijne verrijzenis totdenzelfden Apostel die merkwaardige woorden sprak; „ Welaan, zoo gij mij meer dan de overigen bemint, weid dan mijne lammeren, weid dan ook mijne schapen: Ook deze uitdrukking is ontegensprekelijk zinnebeeldig. Het is met andere woorden gezegd: ik stel u aan, o Petrus, als oppersten herder en bestuurder over alle geloovigen, niet slechts over de eenvoudige leeken, maar ook daarenboven over al degenen, die als herders de leeken moeten leiden en besturen. — Ook aan de overige Apostelen schonk Hij de volheid zijner door den Vader Hem verleende volmacht, met dien verstande echter, dat zij Petrus steeds als hun opperhoofd zouden erkennen. Overigens gaf Hij hun allen de stellige verzekering, dat Hij steeds met hen en hunne wettige opvolgers in \'t bestuur der Kerk zou blijven tot aan de voleinding der eeuwen.
Green gezag is derhalve wettiger en zekerder gevestigd dan dat der overheden van Jezus\' Kerk. quot;Waar toch is er een vorst, een koning of keizer, die bewijs-
54
KERKELIJK GEZAG.
stukken kan toonen voor de wettigheid zijns gezags, welke zoo echt en onbetwistbaar zijn als die der katholieke Kerk?
Herinner u verder, dat Grod in zekeren zin geene zonde strenger straft dan die van weerspannigheid tegen de kerkelijke overheden. Wie hen beleedigt, kwetst den appel van zijn oog. Op hen doelt de ernstige waarschuwing uit het boek der psalmen; „ Wacht u wel mijne gezalfden aan te raken.quot; De geschiedenis der Kerk levert ons dan ook menig schrikwekkend teit, waaruit blijkt, dat het God met deze waarschuwing volle ernst is. Reeds vroeger heb ik u in \'t voorbijgaan verhaald, hoe de oproerige levieten, Core, Dathan en Abiron, die zich het priesterlijk gezag durfden aanmatigen, in \'t oogenblik zelf van hun vermetel bestaan, levend door de aarde werden ingezwolgen. Gij herinnert u ook gewis nog, hoe treurig het afliep met de meeste aartsketters ten tijde der hervorming en met zoovele andere vijanden der Kerk uit de dagen der groote Fransche Revolutie, die alle gezag van troon en altaar wilden vernietigen; hoe zij allen door een rechtvaardig vonnis des hemels een geweldigen of akeligen dood gestorven zijn. De geloofsverzaker Voltaire, die door zijn geestige spotschriften tegen den godsdienst zooveel heeft bijgedragen om het van ouds eerbiedwaardig gezag der Kerk te verkleinen, ook hij heeft in zijn laatste levensuren ondervonden en het bewijs geleverd, dat de Heer niet straffeloos het gezag zijner Kerkbedienaren laat beschimpen ; ook hij stierf in vertwijfeling een aller-ellendigsten dood. Ik zwijg van duizenden anderen, bespotters en bestrijders van Jezus\' godsdienst en van het rechtmatig gezag der kerkelijke overheden. In een handboek zooals dit, mag ik niet al te uitvoerig\'wezen.
55
KERKELIJK GEZAG.
Wat ii betreft, christelijk kind, blijf steeds de gewichtige vermaning van Panlus gedachtig; „ Weest aan uwe overheden gehoorzaam en onderwerpt u aan hen. Zij toch waken gedurig, als zullende rekenschap voor uwé zielen geven-, opdat zij dit doen met blijdschap en niet al zuchtende; want zulks is u niet raadzaamP
quot;Wat is overigens redelijker dan zich te onderwerpen aan \'t gezag der Kerk ? Immers van onze geestelijke overheden, die in zake van geloofs-en zedenleer onze aangewezen gidsen zijn, geldt rechtstreeks en meer dan van elk ander gezaghebbende op aarde het woord onzes ïïeeren: „ Wie u hoort, hoort mij en wie u versmaadt, versmaadt mij. En wie mij versmaadt, versmaadt Dengene, die mij gezonden heèjt (God mijn hemeIschen Vader.quot; Wij gehoorzamen derhalve in den persoon onzer kerkelijke overheid, aan Christus, aan God zeiven. En wie zal dit niet ten volle redelijk vinden?
En wat eene geruststelling ligt daarin niet tevens voor ons geweten! De Heiligen en geestelijke schrijvers zeggen ons eenparig, op grond van het zooeven aangevoerde woord des Verlossers, dat God ons nooit de minste verantwoording zal vragen over daden, die wij uit gehoorzaamheid aan onze geestelijke oversten zullen verricht hebben. Die rekenschap, zeggen zij, zal Hij wel van de oversten eischen, maar niet van de onderdanen. Zeg mij, kan er voor ons gemoed wel iets troostvollers worden uitgedacht? En moet die overtuiging ons niet krachtdadig aansporen om ons altoos onvoorwaardelijk aan de uitspraken en de verordeningen der kerkoversten te onderwerpen ?
Doch laten wij dit alles in eenige bijzonderheden nagaan.
Wij moeten onze gehoorzaamheid in de eerste plaats aan den dag leggen ten opzichte van alle verorde-
56
KERKELIJK GEZAG.
ningen van den Paus van Rome, aan wien Jezus het opperste leergezag met eene onbeperkte rechtsmacht heeft toevertrouwd, ten einde in zijnen naam de gansche Kerk te bestieren. Hetzij dus de Paus, uit kracht van zijn onfeilbaar leergezag ons een of andere waarheid te gelooven voorstelt, hetzij hij in \'t belang der Kerk eene nieuwe verordening make betrekkelijk de Bisschoppen in een of ander land, of wel in zijne rondgaande brieven ons zijne opperherderlijke vermaningen doe hooren — laten wij ons immer met den diepst mogelijken eerbied daaraan onderwerpen.
Evenzoo moeten wij, als kinderen der H. Kerk, berusten in de beschikkingen onzer Bisschoppen, die door den H. Greest zelf, zooals Paulus zegt, zijn aangesteld om Gods Kerk te bestieren. Heeft de Paus, als opvolger des H. Petrus, de geestelijke volmacht over de geheele Kerk van Christus, de Bisschoppen in hunne bisdommen zijn de wettige opvolgers der overige apostelen onzes Heeren en hebben evenals deze het recht alles te regelen, wat zij in \'t belang van het zielenheil hunner diocesanen noodig onraadzaam achten. Alle waarlijk christen Keizers en Koningen hebben dan ook ten allen tijde voor Christus\' Stedehouder en de Bisschoppen de oprechtste hoogachting betoond, en de hun hoogen rang verschuldigde eerbewijzingen doen toekomen. De beroemde Homeinsche keizer, Constantijn de Groote, nam in de eerste alge-meene Kerkvergadering te Nicea, zijne plaats na den laatsten der Bisschoppen en stond van zijn troon op, om hen bij \'t binnenkomen te begroeten. Hij pleegde te zeggen, dat, zoo hij een bedienaar der Kerk eene zware fout zag begaan, hij dezen mot zijn keizerlijken mantel bedekken zou, om te beletten dat anderen ze bemerkten,uit vrees of zijn gezag daardoor gekrenkt mocht worden.
57
KERKELIJK GEZAG.
Ook de Priester in \'t algemeen is uw hoogsten eerbied waardig. Ofschoon hij in de kerkelijke hiërarchie beneden Paus en Bisschoppen staat, is hij toch, evenals zij, met eene goddelijke waardigheid en macht bekleed. Heeft hij immers niet de macht, om aan het H. Altaar het brood en den wijn te veranderen in \'t waarachtig Lichaam en Bloed des Heeren? Heeft hij niet eveneens de macht den rouwmoedigen zondaar al zijne misdaden te vergeven en hem met zijnen God te verzoenen ? Heeft de Heer niet ook tot hem gezegd : „Gaat eti onderwijst alle volkeren, doopt hen — en leert hun onderhouden al wat ik u bevolen hebf\' Hij is dan ook om dit alles, volgens het woord des H. Bernardus, door God verheven boven koningen en keizers, ja zelfs boven de engelen des hemels.
Toegerust met zulk eene bovenaardsche en verbazende macht en gezonden door zijn wettigen Bisschop, treedt die Priester als herder der gemeente voor u op. Wat ontbreekt hem nog, vraag ik, om aanspraak te mogen maken op uwe algeheele onderwerping aan de beschikkingen, die hij tot welzijn zijner parochie meent te moeten nemen? Hoewel in een lagere en meer beperkte steer, is hij toch wettig overste even zoowel als de Paus en de Bisschop, die hem zijn werkkring heeft aangewezen. Gij kunt u dus ook niet zonder zonde aan zijn gezag onttrekken. Zoudt gij dit versmaden, dan zou ook vroeg of laat het reeds meermaals aangehaalde woord van den grooten Apostel ongetwijfeld in u vervuld worden: „ Zij, die aan de door God gestelde macht weerstaan, trekken zijn vloek over zich.quot;
Prent u derhalve diep in het hart de schoone vermaning uit het boek Ecclesiasticus: „ Vrees den Heer uit geheel uwe ziel en houd zijne priesters in eere. Spreek
58
KERKELIJK GEZAG.
steeds tot hen en over hen met de diepste hoogachting. Toon in uw omgang met priesters, dat gij eerbied hebt voor hnn gewijden persoon en hen als uwe meerderen beschouwt. Greef hun hierom steeds, bij voorkeur van leeken, de plaats van eer. Groet hen altoos bij \'t ontmoeten beleefd en eerbiedig. Hoort gij hun gezag en goeden naam aanranden, of hun gedrag beknibbelen, schaam u dan niet hen te verdedigen. God zal u gewis zulk een schoone en grootmoedige daad rijkelijk beloonen.
Wat zal ik u ten slotte zeggen over de gehoorzaamheid aan den Priester, dien gij, o jongedochter, tot leidsman uws gewetens hebt verkozen ? Aan al wat ik u tot dusverre gezegd heb, zal ik nog dit alleen bijvoegen, dat gij nooit vóór God misdoen, nooit dwalen zult, indien gij u kinderlijk en blindelings door hem laat geleiden. „Nee7tn zegt ergens de geleerde en heilige kerkleeraar Alphonsus Maria de Liguori, „nooit zal God toelaten, dat iemand het spoor der waarheid bijster worde of schade aan zijne ziel lij de, die zich onderwerpt aan de beslissingen van zijn geestelijken bestuurder. Ook dan zelfs, zegt hij, zoo deze een gansch verkeerden raad mocht geven, zal het zoo iemand niet ten schade strekken. „Maar God,quot; voegt hij er bij, „die over de omstandigheden van \'s menschen leven naar welgevallen kan beschikken, zal desnoods, zelfs op wonderbare wijze, eindelijk alles te zijnen gunste doen omkeer en.quot; Troostvolle waarheid, die gij nooit moet vergeten!
Later zal ik u over dit punt nog breedvoeriger spreken, wanneer wij zullen handelen over de keus van een levensstaat.
59
HOOFDSTUK VIU
VRIENDINNEN.
Eene zaak van onberekenbare gevolgen is voor u, dierbaar kind, de keus uwer vriendinnen.
Zonder vrienden kan de mensch niet wezen. Ons hart trouwens heeft er al te vaak behoefte aan, de overvolheid zijner gewaarwordingen van angst en blijdschap, van hoop en droefheid, van liefde en afge-keerdheid, aan een ander meê te deelen, aan iemand namelijk, wiens zienswijze, karakter en neigingen met de onze strooken, in wiens kennis deugd en eerlijkheid wij vertrouwen stellen. Zouden wij zoo iemand nergens ter wereld kunnen aantreffen, het leven zou ons vaak ondragelijk, althans hoogst verdrietig worden. Maar wat is dit alles gezegd ? Wat anders, dan dat de mensch van natuurswege voor de vriendschap met dezen of genen medemensch als geboren is? Ik zeg met dezen of genen; want niet allen bezitten voor ieder onzer de zooeven vermelde eigenschappen, om onze bijzondere genegenheid en vertrouwen te kunnen verwerven. Wij moeten, wel is waar, alle menschen beminnen met die liefde, welke God ons als een nevenplicht van het eerste en grootste aller geboden, het gebod der liefde Gods, heeft opgelegd; „Gij zult den Heer uw God beminnen uit geheel mv hart, en uit geheel, uwe ziel en uit geheel uw verstand.quot; Dit is het grootste en eerste gebod. He^ tweede is hieraan gelijk: Gij zult uzve naasten beminnen gelijk u zeiven,\'quot; Beminnen moeten wij allen.
VRIENDINNEN.
Maar vriendscliap zegt iets meer. Wie een ander als vriend bemint, bemint hem niet alleen om zijne alge-meene hoedanigheid van mensch (d. i. van zijn natuurgenoot, van een evenbeeld Gods) maar van een mensch in wien hij, behalve de overige menschelijke eigenschappen, eene bijzondere aantrekkelijkheid voor zijn gemoed ontwaart, voor wien zijn hart eene veel sterkere neiging gevoelt, wiens tegenwoordigheid hij veel vuriger wenscht, wiens belangen hem veel inniger bekommeren, wiens welzijn hij op veel hooger prijs stelt dan dat van anderen, — terwijl anderzijds die bij voorkeur beminde persoon evenzoo gezind is jegens den eerste. Al zeer spoedig maken zij elkander die gemoedsgesteltenis kenbaar, of zij blijkt althans genoegzaam aan beiden door de wijze waarop zij elkander bejegenen, elkander zoeken, met elkander omgaan. Ze zijn, zoo denken zij of liever zij voelen het, voor elkanders geluk geboren. En zie! reeds de eerste handdruk heeft een band van vriendschap om beider hart geslagen!
Men begrijpt van zelf, dat zulk eene stemming van gemod, waardoor de wet der algemeene liefde niet opgeheven wordt, maar die integendeel deze als grondslag aanneemt, niet ongeoorloofd noch zondig is. Zij is veeleer mits ze geregeld zij, eene ware deugd te heecen. De H. Thomas verklaart dit overigens met alle godgeleerden in de stelligste en duidelijkste bewoordingen.
Ik heb gezegd; „Mits die gemoedsstemming geregeld zij.quot; Zij kan echter uit twee hoofden ongeregeld wezen: ongeregeld in haar beginsel en eveneens in de wijze waarop zij zich naar buiten openbaart. Zij is ongeregeld in haar beginsel en dus min of meer laakbaar, gevaarlijk en zondig, wanneer die wederzijdsche genegenheid haar oorsprong heeft in bloot natuurlijke hoedanigheden,
61
VRIENDINNEN.
die de zinnen prikkelen en de hartstochten gaande maken. Zij is nog ongeregeld in de wijze, waarop zij zich openbaart, wanneer men namelijk elkander betuigingen van genegenheid geeft, die meer of minder de zedigheid kwetsen, of, wat nog erger is, rechtstreeks tegen de eerbaarheid strijden.
Zulk eene vriendschap komt klaarblijkelijk niet van Grod maar van den booze, en wordt in de handen des duivels doorgaans een vreeslijke hefboom, om het arme meisje in een diepen afgrond van allerlei gruwelen en buitensporigheden neer te slingeren.
Moge zulke vriendschap, dierbare lezeres, steeds een vloek in uwe oogen zijn! Want inderdaad, zij trekt Gods vloek over den mensch en voert hem ter plaatse der eeuwige vervloeking, ter helle.
Geheel anders is \'t met de ware, christelijke vriendschap gelegen. Wel verre dat deze u van God aftrekt of uwe ziel in gevaar brengt, is zij integendeel aan uwe deugd bevorderlijk en een machtig hulpmiddel ter zaligheid.
De H. Franciscus van Sales, in zijn gulden boekje; „inleiding tot het godvruchtig leven,quot; zegt zelfs; „Wat hen betreft, die in \'t gewoel der wereld naar volmaaktheid streven, voor deze is eene heilige en heiligende vriendschap, tot steun en opwekking ten goede, eene dringende behoef te. Gelijk reizigers,quot; zoo gaat hij voort, „ die op eene vlakke baan wandelen, elkander de hand „ niet behoeven toe te reiken, maar wel zij, die een „ gladden, hobbeligen en steilen weg opklimmen, elkan-„ der moeten ondersteunen: zoo hebben de kloosterlingen „ ook geene behoefte aan bijzondere vriendschap, wel „ echter zij die in de wereld leven, om zich op de vele „ slechte wegen in veiligheid te plaatsen en elkander „ voort te helpen. In de wereld,quot; zoo zegt hij al verder.
62
vriendinnen;
„ streven niet allen naar hetzelfde doel, niet allen hebben „ dezelfde gezindheid, Men moet zich daarom terugtrek-„ ken en, overeenkomstig zijn hooger streven, bijzondere „ vriendschappen aanknoopen. Dit onderstelt natuurlijk „ eene zekere afzondering (van de groote massa der „ menscheii); maar die afzondering is heilig. Zij bestaat „ in eene soort van afscheiding, gelijk aan die van „ goeden en kwaden, van schapen en bokken, van bijen en „ horsels — eene scheiding, die waarlijk noodzakelijk is.quot;
Maar met wie dan, vraagt gij, moet ik vriendschap aangaan ?
Ik zal u denzelfden heiligen en beminlijken kerkleeraar in mijne plaats laten antwoorden. „Onderhoud slechts vriendschap, o Philothea,quot; zegt hij, „met zulken, „ die u behulpzaam zijn in het aanwerven van deugden. „ Hoe voortreffelijker de goederen zijn welke gij elkan-„ der aanbiedt, hoe volmaakter uwe vriendschap zal „ wezen. Zijn liet wetenschappelijke voorwerpen, zoo „ is die vriendschap gewis al zeer prijsbaar; maar zij „ staat toch nog onvergelijkelijk hooger, als er sprake „ is van vooruitgang in zedelijke deugden, als daar „ zijn: voorzichtigheid, zielsmoed en rechtvaardigheid. „ Maar helpt gij elkander vooruit in liefde, godsdienstig-„ heid en christelijke volmaaktheid, o hoe voortreffelijk „ is dan uwe vriendschap! Zij is voortreffelijk, omdat zij „ van God komt; voortreffelijk, omdat zij tot God leidt; „ voortreffelijk, omdat God haar band is; voortreffelijk, „ omdat zij eeuwig in God zal voortduren. O hoe „goed is het reeds op aarde elkander zóó te beminnen, „ gelijk men elkaar zal beminnen in den hemel, en reeds „ hier in de wereld zoo met elkander te verkeeren, „gelijk wij dit zullen doen inde andere wereld!quot;
Onze goddelijke Verlosser Jezus Christus zelfheeft het nietstrijdig met of beneden zijne goddelijke waardigheid
63
VRIENDINNEN.
geacht, om tijdens zijn openbaar leven eene heilige vriendschap te onderhouden met den H. Joannes, met Lazarus en zijne beide zusters Maria en Martha. Ja, men mag zeggen, dat Hij met al zijne apostelen op een voet van vriendschap leefde. Hij zelf overigens heeft van hen verklaard; „Ik zal u niet langer dienstknechten „ noemeiv, een dienstknecht trouwens iveet niet wat zijn heer „ doek Maar vrienden heb ik u genoemd: omdat ik u alles, „ wat ik uit mijns Vaders mond gehoord heb, heb bekend „ gemaakt.quot;
Ook is \'t niets zeldzaams dergelijke voorbeelden van bijzondere voorliefde jegens sommige godvreezende personen aan te treffen in de levens van Gods lieve Heiligen. Zoo weten wij, dat de H. Petrus zijn leerling den H. Marcus, alsmede zijne schoonmoeder de H. Petro-nella recht teeder beminde; hetzelfde lezen wij van den H. Apostel Paulus omtrent zijn leerling, den H. Timotheus en de H. Thecla. Ook de H. Gregorius van Nazianze beroept zich herhaaldelijk op de buitengewone vriendschaps-liefde, welke hij met den H. Bazilius onderhield, en beschrijft ze in volgende bewoordingen: „ Onze beide lichamen schenen slechts ééne ziel te „ bezielen. Mag men geen geloof slaan aan hen die „ zeggen, dat alles in alles is, toch moet men toegeven, „ dat wij beiden in ieder onzer afzonderlijk waren, de „ eene in den anderen. Wij hadden beiden maar één „ streven, namelijk om de deugd te oefenen, ons leven „ in overeenstemming te brengen met onze toekomstige „ verwachtingen, en het land der sterfelijkheid nog „ vóór onzen dood te verlaten.quot; Eene niet minder heilige en innige vriendschap bestond er tusschen den H, Franciscus van Sales en zijne geestelijke dochter, de H. Joanna van Chantal; tusschen de H. Teresia en de Eerw. Anna Bartholomea der martelaren; tusschen
64
VRIENDINNEN.
den H. Franciscus van Assisië en zijn ordebroeder Leo, dien hij op gemeenzamen toon het „schaapje Godsquot; noemde. Men zou hetzelfde kunnen zeggen van schier alle groote dienaren en dienaressen Gods, de Kerkvaders niet uitgezonderd. Maar de reeds aangehaalde voorbeelden zijn ten bewijze voldoende.
\'t Is dus geenszins strijdig, noch met de leer noch met den geest van liet Christendom, dat men met iemand vriendschap aanknoope. Het komt er slechts op aan, zorg te dragen, dierbaar kind, dat uwe vriendschap geregeld en heilig zij.
quot;Wees dus vooreerst uiterst omzichtig in de keus uwer vriendinnen.
„ Zoo gij ii een vriend wilt aanschaffenquot; zegt de H. Geest, „ neem hem dan niet alvorens hem beproefd te hebben, en „vertrouw u niet lichtvaardig aan hem toe.quot; En waarom „niet? Immers „er zijn vrienden die het slechts zijn voor „den tijd, dat het hun goed gaat, maar die u niet getrouw „ zullen blijven op den dag van kwelling. Er zijn vrienden, „ die tot vijandschap overslaan; er zijn vrienden, die den „ haat, welken zij tegen u in het hart voeren, door twist „ en schimpwoorden zullen aan \'t licht brengen. Er zijn „ eindelijk ook vrienden,quot; zegt de H. Geest, „die deelnemen „ aan uwe tafel maar u niet getrouw zullen blijven op „ den dag der ellende.quot;
quot;Wees dus niet overijlend, om met iemand vriendschap aan te knoopen. Laatu door den eex-sten indruk dien iemand op u maakt, niet medesleepen; maar schors uwe beslissing op, totdat gij door genoegzame ondervinding overtuigd geworden zijt, dat hij uwe bijzondere genegenheid en vertrouwen waard is.
Bid ook den EL Geest, dat Hij u in eene zaak van zulk gewicht door zijne hemelsche wijsheid voorlichte en u helpe eene goede keus te doen. „ Eea waar en
5
VRIENDINNEN.
„ getrouw vriend toch,quot; zegt andermaal de wijze Man in liet boek Ecclesiasticus, is eene machtige bescher-„ming; wie hem gevonden heelt, heeft een schat „ gevonden. Niets kan vergeleken worden bij een „ getrouwen vriend en alle gewicht van goud en zilver „ kan in waarde niet opwegen tegen het goede, dat „ er ligt in zijne getrouwheid. Een getrouwe vriend „ is een heilmiddel des levens en der onsterfelijkheid, „ en zij die den Heer vreezen, zullen hem vinden.\'quot;
Doch is eene ware en vertrouwbare vriendin, volgens het getuigenis des H. Geestes, een schat voor uw hart, eene valsche en zondige vriendin is daarentegen eene pest en een allernoodlottigste ramp voor uwe ziel. Zulk eene ramp en een pest is zij, die een wereldgezinden geest heeft; die u spreekt van de wereld te genieten; die het hoofd en den mond vol heeft van feestelijkheden, bals, schouwburgen en concerten; die los ter tong is en van allerlei zinnelijkheden praat; die met een godvruchtig en ingetogen leven den draak steekt; die u aanzet tot het lezen van dagbladen en geschriften, waarin godsdienstleer en zeden min of meer worden aangerand; die in zake van geloof al te vrijdenkend is en gaarne over geloofszaken redetwist; die zelfs onbeschaamd genoeg is, om u voorstellen te doen die u doen blozen. Wilt gij weten, wat gij doen moet, zoo gij later in de wereld ondervinden mocht, dat soortgelijke meisjes uwe vriendschap zoeken?
Zie hier den raad, dien u de reeds meermalen genoemde Franciscus van Sales geeft. „ Zoodra gij de „ eerste opwellingen in uw hart gewaar wordt, die u „ aansporen daaraan toe te geven, moet gij u onverwijld „ op de meest besliste wijze daai-van afwenden. Vlucht „ dan met onvoorwaardelijken afschuw voor deze „ dwaasheid naar \'t Kruis uws Verlossers ; neem zijne
66
VRIENDINNEN.
„ doornen kroon en leg die op uw hart, opdat die „ kleine vossen liet niet kunnen naderen. Wacht u „ vooral, de minste onderhandelingen met dezen vijand „ aan te knoopen. Zeg niet; ik wil, wel is waar, naar ..hem luisteren; maar niets doen van\'t geen, waartoe „ hij mij aanzoeken zal. Mijn oor wil ik hem wel „ open zetten; maar mijn hart houd ik voor hem „gesloten. Mijn beste Philothea! Om Godswil, wees „ toch streng in zulke gevallen! hart en ooren staan „ met elkander in het nauwst verband. Gelijk het „ onmogelijk is een stroom tegen te houden, die van „ eene berghelling naar beneden stort, zoo is \'t ook „ hoogst moeielijk eene liefde, die reeds door \'t oor „ is binnen gedrongen, te beletten, van niet terstond „ neer te glijden in het hart.quot;
Al deze zoo heilzame en zielkundige vermaningen kunnen worden samengevat in dit kort maar zinrijk spreekwoord: Wees eens anders vriend tot aan den voet der altaren ; d. i. g. tot zoo lang gij het aan den voet des altaars vóór God en uw geweten kunt verantwoorden. Want, wie gij u ook ooit tot vriendin verkiest, vergeet niet, dat hare vriendschap nooit kan opwegen tegen die van J. C. uw Verlosser. Hij alleen heeft meer aanspraak op uwe liefde en vriendschap dan al uwe vriendinnen te zamen. Wie toch onder haar zal zich ooit voor u het duizendste deel getroosten van wat Hij zich voor uwe zaligheid getroost heeft V En waar is uwe vriendin, die u zoo getrouw zal blijven als Hij? Wanneer ook al uwe vriendinnen u den rug mochten keeren, zegt Tliomas a Kempis, zal Hij u getrouw blijven en niet gvdoogen, dat gij eindelijk verloren gaat. Hij blijft getrouw tot aan den dood.
Terecht mocht derhalve dezelfde vrome schrijver er deze schoone vermaning bijvoegen: „2V/ dan Jezus
67
VRIENDINNEN.
„ alleen onder allen die u dierbaar zijn, uw bijzondere „ boezemvriend! Laten we allen beminnen om wille van „ Jezus, maar Jezus om zich zeiven. Daarom moeten wij „ Jezus Christus alken met eene liefde van voorkeur „ beminnen, omdat Hij zich onder alle vrienden doet kennen „ als alleen goed en getrouw boven allen. Om Hem en in „ Hem moeten u zoowel uzue vrienden als vijafiden dierbaar „ zijn en voor alle dezen moet gij Hem bidden, dat zij „ Hem allen kennen en beminnen mogenquot;
Uit al liet voorgaande zal \'t u thans niet moeielijk vallen op te maken, waartoe de ware liefde u ten opzichte uwer vriendinnen verplicht.
Zij verplicht u op de eerste plaats, om uwe vriendin door woord en voorbeeld aan te sporen tot een god-vreezend en echt deugdzaam leven. Wat zou er tegen zijn, uwe vriendin van tijd tot tijd, wanneer het inde conversatie pas geeft, een hartelijk woordje van stichting toe te spreken? Laat het zijn, dat vreemden tegen over elkander dit minder a propos kunnen doen; maar wat zou de eene vriendin tegenover de andere dit beletten te doen? Zou echter zulk een welgemeend woord van opwekking haar niet naar den smaak zijn, of zou zij u daarom minder gaarne zien , geloof dan vrij, dat zij voor u niet de ware zuster is, dat hare liefde voor u geen allerzuiverste wortelen heeft.
Geef haar vooral door uw ganschen handel en wandel, een onberispelijk voorbeeld.
Ware christelijke vriendschap vordert ten tweede, dat men niet toegeeflijk zij ten aanzien van elkanders fouten en verkeerdheden ; maar dat men elkander deze met bescheidenheid onder het oog brenge. Immers zoo men elkander waarlijk en oprecht bemint, dat is: in Grod en om God, welken grooteren dienst kan de eene aan de andere dan bewijzen, dan dat zij haar vriendin opmerk-
68
VRIENDINNEN.
zaam make op datgene, waardoor zij zich in meerdere of mindere mate hatelijk maakt bij God?Is uwe vriendin dus wat te zeer verliefd op ij dele lektuur, of op kleederpracht, of op lekker eten en drinken; is zij driftig van karakter, lichtzinnig in hare gesprekken, of weinig stichtend in haar uiterlijke; is zij te weinig godsdienstig; heeft zij wellicht de kwade gewoonte van kwaadspreken of andere min betamelijke woorden uit te spreken — in al die gevallen is het voor een ware vriendin een heilige plicht, haar wedervriendin daarop opmerkzaam te maken en baar vriendschappelijk, d. i. op liefdevollen toon, maar tevens met zachten ernst te vermanen.
Ook voor vriendinnen,, ja voor haar nog meer dan voor gewone Christenen, geldt do vermaning van den H. Apostel der liefde: „Kinderkens, laten wij met slechts met woorden „ en met de tong beminnen, maar metterdaad enin waarheidquot;
In uwe droefheid, in tegenspoed, ziekte, teleurstellingen, in onaangename ontmoetingen van welken aard dan ook, moet gij er op uit zijn elkander te bemoedigen en te troosten. In moeielijke en duistere aangelegenheden moet gij elkander door goeden raad voorlichten. In één woord, gij moet desnoods ten koste van uw rust en gemak, van moeite en opofferingen, elkander door de wereld voorthelpen en de lasten des levens helpen dragen. Denk altoos aan het aloude gulden spreekwoord: Echte liefde wordt getoetst aan harde beproevingen. Kan zij die niet doorstaan, \'t is een bewijs, dat zij niet van degelijke gehalte was.
De vierde en laatste verplichting der christelijke vriendschap is daarin gelegen, dat men op bijzondere wijze voor elkanders welzijn bidde. Laat vriendinnen elkander ook alle soort van geluk en zegen toewenschen en zich uit al haar vermogen er op toe leggen, elkander
69
VRIENDINNEN.
\'t leven te veraangenamen. Wat baat het, zeg het mij, zoo de (joel van liefde zelf die wensehen niet zegent, die goede pogingen niet helpt gedijen? Aan Gods zegen trouwens is alles gelegen. Dien goddelijken zegen nu moet gij voor uwe vriendin van Grod afsmeeken dooreen welgemeend en vertrouwvol gebed, en Hij, die zelf deze heilige drift der vriendschap in ons hart heeft gestort, zal zulk een gebed ontwijfelbaar verhoeren.
Hoe kan het andcrs,vraag ik ten slotte, of vriendinnen, die elkander aldus beminnen, zullen in hare vriendschap een hechten steun tegen de verleiding der wereld, een waarborg voor hare deugd, een rijke bron van troost en zegeningen en een allerkrachtdadigst middel ter zaligheid vinden?
70
HOOFDSTUK IX.
LECTUUR.
Is het lezen van goede en stichtende boeken een groot middel om ons in godsdienstigheid en deugd te doen vooruitgaan, de slechte lectuur is daarentegen hoogst nadeelig voor de ziel. Ontelbare heiligen hebben aan \'t lezen van godsdienstige schriften hunne bekeering, hunne volmaaktheid en volharding te danken gehad. Maar ook wie telt ze, de waarlijk ontelbaren, die door de lezing van kwade boeken van den eenen afgrond des kwaads in den anderen zijn gevallen en er eindelijk hunne eeuwige verdoemenis aan te wijten hadden!
In onze dagen vooral, waarin de wereld door een onstuit baren vloed drukwerken van allen aard als overstroomd wordt, en de slechte pers dag aan dag de ergerlijkste schriften onder het leesziek menschdom verspreidt, is \'t meer dan ooit noodzakelijk geworden, o jongedochter, op awc hoede te zijn,wilt gij niet ellendig verleid worden en voor tijd en eeuwigheid ten gronde gaan.
Laat ik u dan, als trouwe gids op uwe levensreis, eenige oogenblikken gaan spreken over den verderfe-lijken invloed van slechte boeken.
Hieronder versta ik alle soort van drukwerken, wier inhoud van dien aard is, dat zij u op eene of andere wijze in gevaar brengen, schade naar uwe ziel te lijden. Die drukwerken mogen eigenlijke boeken wezen, of vlugschriften, of plaatwerken, of illustraties, of
LECTUUR
dagbladen, of romans, of reisbeschrijvingen, of le-vensgeschiedenissen, of feuilletons, of tijdschriften, of tooneelstnkken, of tractaatjes, of gezangen, hun titel of vorm doet hier niets ter zake. Zoodra dergelijke geschriften eene strekking hebben, die schadelijk voor uwe deugd kan wezen, moet gij ze als christen meisje slecht heeten en verafschuwen, moogt gij ze in geweten niet lezen. Is het immers ons. Christenen, niet ten stengste verboden, onze kostbare en onsterfelijke ziel aan een waarschijnlijk, ja vaak onvermijdelijk gevaar voor hare zaligheid prijs te geven ?
Ik weet het: zij, die harstochtelijk aan zulke slechte lectuur verslaafd zijn, trachten zich door allerlei schijnbaar goede redenen omtrent het gevaar, dat daarin ligt, te rechtvaardigen. Maar neen ; al hunne drogredenen kunnen niet onwaar maken, wat onomstoo-telijk zeker is en door eene droevige ondervinding bevestigd wordt. En wat dan ? Dat de lezing en vooral de gestadige lezing van boeken en geschriften, als welke ik zooeven omschreven heb, aan de lezers en lezeressen eene ontzettende schade berokkent.
Om u dit des te duidelijker te doen inzien, zal ik de slechte lectuur in drie soorten onderscheiden ; de lichtzinnige lectuur; de ongodsdienstige en de zedelooze.
Al deze soorten zijn hoogst nadeelig.
Vooreerst de lichtzinnige lectuur heeft dit verderfelijks aan zich, dat ziju mettertijd geheel ongeschikt maakt om de plichten van uwen staat behoorlijk waar te nemen, de plichten van uwen staat, zeg ik, wier vervulling een eerst vereischte is, om aanspraak te kunnen maken op de zaligheid. En waarom dan wordt zij, die haar tijd besteedt aan lichtzinnige schriften zooals de meeste in zwang zijnde Fransche romans onzer dagen, waarin eene of andere minnegeschiedenis altoos
72
LECTUUR.
schering en inslag is — waarom wordt zoo iemand hiervoor geheel ongeschikt ? Omdat die lectuur haar eenerzijds die ernstige stemming van geest doet verliezen, welke zoozeer noodig is om de plichten van haar beroep en vooral van haar godsdienst met ware belangstelling waar te nemen; omdat zij ter andere zijdede veerkracht van haar karakter verlamt, zonder welke men niet opgewassen is tegen de moeilijkheden en kruisjes, die hier mede onafscheidbaar gepaard gaan.
Door\'t gestadig lezen van lichtzinnige, wufte romans, zeide ik, gaat op de eerste plaats alle ernstige stemming van geest verloren. Hoe kan het anders? Watleerenu immers dusdanige romans ? Zij leeren u de wereld onder een geheel valscli en hersenschimmig gezichtspunt beschouwen, geheel anders dan zij in werkelijkheid ooit bestaan heeft, bestaat of bestaan zal. Alles wordt u daar voorgespiegeld in de verrukkelijkste rozenkleuren. De personen, die daar spreken en bandelen, schijnen bijna bovenaardsclie wezens te zijn; vrij van alle menschelijke ellenden, schijnen ze als in een hemel van wellust televen; zoo volmaakt gelukkig zijn zij! zoo slaagt hun alles naar wensch! — Dit alles leest gij ; dit bevalt u. Dag en nacht laat gij uwe verbeelding daarover heendartelen; zulk een genoegelijk leven,
zulk een hemel op aarde droomt gij ook voor u zeiven____
Nu vraag ik ; wat moet noodzakelijk gebeuren, als gij, vol van zulke ijdele verwachtingen en droombeelden, in de werkelijke wereld komt?
O, het duurt niet lang, of gij ziet u daar in uwe hoop allerbitterst teleurgesteld, schandelijk bedrogen ! En zie, dan wordt gij verdrietig over uw lot. Niet zelden vat men zelfs haat op tegen de gansehe wereld, waar men gemeend had een ongestoord geluk te zullen vinden, en waar men dag aan dag nieuwe verdrietelijk-
73
LECTUUR.
heden ondervindt, \'t Is waar, diezelfde verdrietelijkheden ontmoeten ook zij, die zich aan zoo\'n bedwelmende lectuur niet overgeven. Doch er is tusschen hen en onze hartstochtelijke romanlezereseen dit hemelsbreed onderscheid, dat eerstgenoemden op dat onaangename der menschelijke samenleving zijn voorbereid, de anderen niet. Ook genen zouden wel willen, ja, dat zij hier beneden een volmaakt geluk konden genieten, maar toch, zij maken zich geene illusiën; maar zij gaan de wereld in met de stellige overtuiging, dat zij zich overal op pijnlijke voorvallen verwachten kunnen. En daarom valt hun dit alles veel minder zwaar; want, zooals het spreekwoord zegt, voorziene slagen treffen minder. En al zouden ook de ellenden en lasten des levens hen in al hunne zwaarte treffen, dan nog weten zij daaraan met krachtigen wil het hoofd te bieden en ze door te worstelen.
Geheel anders (en dit is het ander treurig gevolg eener dartele lectuur) is het met hen gelegen, die de wereld alleen hebben leeren kennen uit de verhalen der ondermijnende romanschrijverij. Door \'t gedurig lezen dier verdichte geschiedenissen, waardoor de verbeelding en \'t gevoel gestadig in een toestand van overspanning worden gebracht, gaat eindelijk alle ware veerkracht uit het hart weg, eene veerkracht van wil, die dan vooral zoo onmisbaar is wanneer men met degelijke tegenkantingen te kampen heeft.
En wat is nu het eindgevolg van zulk een toestand ? Dat men onbekwaam wordt, gelijk ik zeide, om naar behooren de plichten van zijn staat, zooals het dage-lijksch en wei\'kclijk leven meebrengt, te vervullen. Is \'t niet ten gevolge hiervan, dat wij tegenwoordig menige jongedochter zien, die geene andere bezigheid meer schijnt te kennen dan die van haar kostbaren tijd in
74
LECTUUR.
ijdelen opschik, goede sier en allerlei feestpretten te verbeuzelen, in plaats van zich door degelijke studie en vlijtigen huisarbeid te bekwamen, om later als waardige huismoeder eene behoorlijke opvoeding aan hare kinderen te geven en aldus aan Kerk en Staat de grootste diensten te bewijzen?
Nog verderfelijker is de ongodsdienstige lectuur. Onder deze benaming versta ik alle persprodukten, waarin de grondbeginsels, de waarheden en geheimen van onzen heiligen katholieken godsdienst, alsmede de bedienaren, wetten en gebruiken van dienzelfden godsdienst op vijandigen, hatelijken of althans bespotte-lijken toon besproken worden. De schrijvers van zulke werken zijn dan ook doorgaans menschen zonder eenig geloof of godsdienst, vrijgeesten, verklaarde liberalen in den sterksten zin des woords, ja vaak echte ongodisten.
Is \'t noodig u te doen begrijpen, dierbaar kind, waarom het lezen van soortgelijke boeken hoogst gevaarvol voor u is en waarin dit gevaar voor u is gelegen? Stelt gij nog prijs op uw geloof, op deze zoo kostbare gave des hemels, welke God u bij uw doopsel in de ziel heeft ingestort? Zoo ja, neem dan nooit zulk een boek ter hand. Want onfeilbaar zeker zal de lezing ervan uwe geloovige overtuiging min of meer aan \'t wankelen brengen, niet als werden de gronden van zekerheid en waarachtigheid onzes geloofs in die geschriften door degelijke redeneeringen ontzenuwd — dit is trouwens onmogelijk — maar door de schijnbaar ware en arglistige drogredenen, waarmede zij, onder een wetenschap-pelijken vorm, de geloofswaarheden bestrijden. Zoo licht komt gij daardoor in den verkeerden waan, dat die waarheden niet op zulk een vast en onwankelbaar voetstuk rusten als gij tot dusverre gemeend hadt. Er
75
LECTUUR-
ontstaan daardoor twijfelingen in uw geest. U zeiven die twijfelingen oplossen, — daartoe voelt ge u niet in staat. Ze aan een priester bekennen en hem oplossing daarvan vragen, dit schaamt ge n. Zoo blijft gij er onder gedrukt, terwijl inmiddels de eene twijfel weer andere nienwe uitlokt. De geest der logentaal en uw eigen zinnelijk hart mengen zich in bet spel; de eerste om u altoos spitsvondiger moeielijkhedenin te fluisteren, de tweede, om zich, op grond van die onzekerheid, wat ruimer speling te kunnen geven. Zoo begint die twijfel allengskens meer en meer voet in het hart te krijgen, men vindt er zicli zelfs meer op zijn gemak bij dan vroeger, toen men alles gaafweg geloofde. En zie! zoo wordt van lieverlede ook de wil door het zinnelijk hart meegesleept en wordt een geloofspunt, dat men een tijd lang als onzeker bad betwijfeld, eindelijk als eene onwaarheid over boord geworpen en geloochend.
Bij dezen eersten stap blijft het echter niet. De geloofswaarheden van den godsdienst sluiten alle aan elkander als zoovele raderen in een uurwerk. Doet gij het eene rad stilstaan, dra staan dan alle stil. Zoo ook hier. Zijt gij er eenmaal toe overgegaan, een punt des geloofs te verwerpen, dan duurt het doorgaans niet lang, of ook de andere geloofsartikelen raken over boord en — gedaan is \'t met uw ^ansch geloof, en tevens met den vrede uws gemoeds.
Alfred de Musset^ een echt kind dezer eeuw, na alle stadiën van \'t volslagenst ongeloof doorloopen te hebben, wordt eindelijk het leven moede en wil met eigen hand aan dat treurig leven een einde maken. Reeds heeft zijne band zich met het vreeselijk moordtuig gewapend; reeds staat hij gereed zijn wanhopig besluit uit te voeren, toen een blik op een kruisbeeld.
76
LÉCTUUR.
dat toevallig langs den weg stond, hem deed terugschrikken en tot bezinning bracht. Hooren wij het hem zelf verhalen ;
„Ik deinsde van schrik terug,quot; zegt hij, „mijne „ hand opende zich en hat wapen ontviel mij. .. Eens-„ klaps sloeg ik de handen ineen en voelde mij als „ naar den grond neergedrukt: Heer mijn God, sprak „ik al bevende, Heer mijn God, gij waart daar!quot;
„Dat zij, die niet aan Christus gelooven, deze bladzijde lezen. Ook ik geloofde er niet aan. Nooit had ik de kerken bezocht, noch als kind, noch toen ik op het college was, noch als man. Mijn godsdienst, zoo ik er een had, was zonder eenige ceremonie of geloofsformulier. Ik geloofde slechts aan een God zonder bepaalden vorm, zonder eeredienst en openbaring. Van mijne jeugd af, had ik het gif van alle geschriften der laatste eeuw ingezogen. Reeds zeer vroeg had ik er de onvruchtbare melk des ongeloofs ingedronken. Menschelijke trots, die god der eigenbaatzucht, sloot mij den mond om te bidden, terwijl mijne verschrikte ziel in de hoop op vernietiging eene schuilplaats zocht.
„ ... . Ach ! hoezeer voelde ik het tot in \'t binnenste mijner ziel, en hoezeer voel ik het thans nog! Wat zijn ze ellendig de menschen, die den draak hebben gestoken met datgene, wat eene ziel kan redden ! ... Hoe durft men dchand uitsteken tegen God!
„Evenals bij een eersten blik der zon de sneeuw van de bergen afvloeit, en deze van de ijsrots die den hemel bedreigde eene beek in de vallei vormt, zoo ook daalde er in mijn hart eene bron neder die zich uitgoot. Het berouw is een zuivere wierook: hij geurde uit mijne smart naar boven. . . Een enkel pogenblik was voldoende geweest om mij de kalmte, de kracht en het gebruik der rede te doen wedervinden. Ik
77
LECTUUR.
trad naderbij.... ik boog de knieën.... ik kuste het kruisbeeld.
„Slaap rustig in, zeide ik Hem; God waakt over u, „ ik zweer bet bij Chi\'istus; noch u noch mij zeiven „ zal ik dooden. En gij, o Jezus, die mij gered hebt, „ vergeef mij, zeg het Hem. Ik ben in eene eeuw van „ ongeloof geboren en heb veel uit te boeten. Arme „ Zoon Gods, gij wordt vergeten. Men heeft mij niet „ geleerd U te beminnen. Nooit heb ik U in uw „ tempelgebonwen gezocht, maar, den hemel zij dank ! „ waar ik U vind, daar heb ik nog niet geleerd zonder „ vrees te zijn. Eens ten minste vóór mijn dood zal „ ik U met mijne lippen gekust hebben en wel op een „ hart, dat vol van U is. Bescherm dat hart zoolang „ het zal kloppen ; blijf er, als eene heilige beschutting; „ gedenk immer, dat een ongelukkige niet aan zijne „ smart heeft durven sterven, terwijl hij U aan een „ kruis zag genageld. Toen hij goddeloos was hebt „ Gij hem voor het kwaad behoed; hadde hij geloofd, „ zoo zoudt Gij hem getroost hebben.
„Vergeef aan diegenen, welke hem ongeloovig hebben „ doen worden, omdat Gij er een boeteling van hebt „ gemaakt; vergeef allen, die godlasteringen spreken ! „ Zij hebben U voorzeker nooit gezien, toen zij met „ de wanhoop worstelden! Do vreugde der menschen „ is spotziek; zonder genade verontwaardigen zij „ zich, o Christus! De zaligen dezer wereld meenen, „ U nooit noodig te hebben : vergeef het hun! Belee-„ digen zij U in hun hoogmoed, vroeg of laat laten „ zij zich door hunne tranen doopen.quot;
Ziedaar de beknopte geschiedenis van duizenden jongedochters onzer dagen! Inbare vroegere jaren rees nooit de minste zweem van twijfel in haar geest op; al wat de H.Kerk haar als goddelijke waarheid te gelooven
78
LECTUUR.
voorstelde,scheen haar volkomen redelijken aannemelijk toe. Maai lielaas! een slechte vriend of vriendin heeft haar een ongodsdienstig hoek van een Voltaire, een Jean Jacques Rousseau, een Engène Sue ter hand gesteld. Door nieuwsgierigheid vervoerd, hebben zij het gelezen en hei-lezen; ongemerkt hebbenzij hetgif desongeloofs als een zoetsappigen tooverdrank in hare ziel opgenomen en zie ! thans beschouwen en bespotten zij de heiligste geheimen van den godsdienst als fabels en sprookjes, waarover een wetenschappelijk gebildete jongedochter onzer eeuw mot minachting de schouders moet ophalen.
De vaandeldragers van \'t modern ongeloof bewijzen genoeg door hunne daden zelve, dat ook zij de godde-looze lectuur als het bij uitstek doeltreffend middel beschouwen, om het ongeloof, en met het ongeloof den haat tegen de Kerk alom weelderig te doen tieren. Vandaar hunne rustelooze bedrijvigheid om voor een spotprijs allerlei dagblaadjes en brochuurtjes te verspreiden, wier geheele inhoud bestaat in schimp en laster tegen de leer der katholieke Kerk, tegen Paus en Bisschoppen, tegen Priesters en godgewijde personen. En helaas! hun helsche toeleg is met een schrikbarend succes bekroond geworden! Inderdaad : vraag het eens in België en Frankrijk aan die legio\'s van katholiek gedoopte arbeiders, welke zich solidairen noemen, die zich onderling verbonden hebben om nooit den voet in eene kerk te zetten, en nooit, zelfs niet op hun sterfbed, een priester bij zich toe te laten; vraag hun eons, hoe zij tot zulk een uiterste van godsdiensthaat gekomen zijn? Vraag hetzelfde eens aan die menigte jongedochters onzer dagen in ons eigen vaderland,welke vroeger toonbeelden van godsvrucht waren en tegenwoordig te nauwernood nog aan een God gelooven. Zoo zij zich niet schamen de waarheid te bekennen, zullen ze u allen uit één mond antwoorden :
79
LECTUUR.
de oorzaak biervan is vooreerst onze al te gemeenzame omgang met ongodsdienstige vriendinnen; vervolgens eu vooral het gestadig lezen van godsdienstvijandige dagbladen en geschriften
Onze moeder de H. Kerk, innig hiervan overtuigd, dat namelijk het geloof barer kinderen door zulke lectuur in groot gevaar komt van schipbreuk te lijden, heeft dan ook het lezen van boeken, welke openlijk de waarheden van den godsdienst bestrijden, onder zware zonde verboden.
O, mochten toch alle Katholieken, mocht de katholieke jeugd vooral, aan die waakzame roepstem hunner moeder weer gehoor geven! Mochten zij zelfs die boeken verafschuwen, welke, zonder openlijk vijandig aan \'t geloof te zijn, desniettemin met al te weinig eerbied en ontzag de waarheden van den godsdienst bespreken! Vergeet toch nimmer, o mijn dierbaar kind, dat gij, naar het woord des Apostels, den schat uws geloofs in zeer breekbare vaatwerken ronddraagt, dat is gezegd, in een geest, die zich lichtelijk door het dwaallicht van valsche wetenschap laat misleiden, en in een hart, dat even lichtelijk door hot aanlokkelijk beeld van schijngeluk verschalkt wordt.
Zoo gij dus in uw heilig katholiek geloof wenscht staande te blij ven, zo o blijve alle ongodsdienstige lectuur steeds verre van U!
Verfoei en vermijd echter onder alle geschriften, die, welke de goede zeden bestrijden.
Helaas! \'t zijn deze vooral, die in onze dagen zulk eene vreeselijke verwoesting onder de zielen aanrichten! Is \'t wonder? De lezeresvindtdaarimniersde ergerlijkste, schanddaden als verschoonbare zwakheden vergoelijkt of, wat nog erger is, als stoute ridderfeiten toegejuicht, bewonderd en ter navolging aangeprezen, en dit alles in
80
lectuur.
zulk een boeienden en betooverenden taalvorm, dat het godvreezendst gemoed er door geschokt, bekoord, verleid en bedorven zou worden. quot;Welk een verpestenden en zieldoodenden indruk moet zulke lectuur dan niet maken, mijn kind, op uw hartl op uw hart, zeg ik, dat van natuur tot alle soort van zinnelijkheid zoo sterk geneigd is; op uw hart, dat, ook zonder eenige opwekking van buiten, door den prikkel des vleesehes alleen, tot alle soort van zonden wordt aangepord; op uw hart, dat geheel staat onder de leiding uwer zoo levendige en zinnelijke verbeeldingskracht! Neen, \'t is niet mogelijk, dat gij zulke vuilheden leest en toch onbesmet en kuisch blijft. Wordt hij, die met pek omgaat,er door bezoedeld, volgens het bekende woord van den quot;Wijzen Man, zoo wordt ook hij bezoedeld naar de ziel, die zich verlustigt in eerlooze en zedelooze romans. Zelfs de cynieke Jean Jacques Rousseau heeft dit verklaard: „Eene kuische ziel, zegt hij, leest nooit zulke romans.quot; Hij wil zeggen; of wel zij verfoeit ze te zeer om ze te lezen; of zoo zij ze leest, zal ze niet lang kuisch blijven. En heeft Paulus niet gezegd: „Kwade gesprekken bederven de goede zeden ?quot; Hoe zouden uwe zeden dan onbedorven kunnen blijven, wanneer gij daar iederen dag de vuile en garstige gesprekken leest, welke die gemeene romansschrijvers en schrijfsters in hunne geschriften met u aanknoopen ? Al waart ge een engel, nog zoudt ge tot val komen. ..
Moge deze welgemeende wenken u toch weerhouden, om ooit aan deze lichtzinnige, ongodsdienstige of zedelooze lectuur uw geld of tijd te verspillen! Zij kan u niets aanbrengen dan pijnlijke illusiën, dan troostelooze vertwijfeling bij rampspoed en onheilen, dan verwildering en eerloosheid, dan den ondergang voor ziel en lichaam tevens.
Ö
81
LECTUUR.
82
Men hoort wel eens zeggen: „Ik lees die geschriften, die romans vooral, niet om kwaad daaruit te leeren, maar enkel en alleen omdat de boeiende schrijftrant, dien men daar aantreft, mij dienstig is ter volmaking mijner taalkennis en tot vorming van mijn stijl.quot;
Ik antwoord: „Maar is er voor u dan waarlijk zooveel aan gelegen, uwe taal grondig te kennen en een galanten, sentimenteelen stijl te hebben (deze trouwens is de gewone stijl der romans, die ik op \'t oog heb) dat gij meent, uw geloof en zeden, uwe ziel en zaligheid daarvoor te mogen op \'t spel zetten? Meent gij zulks? o dan zoudt gij toonen, bedroefd weinig prijs op uwe zaligheid te stellen!quot; —Ik vraag u verder: „Maar verbeeldt gij u dan waarlijk, dat de gewone stijl dier besproken romans zoo meesterlijk goed en volmaakt is, om dien tot uw model te nemen? Maar weet gij dan niet, dat alle deskundige geleerden, mannen van beproefden smaak, dien stijl ten hoogste afkeuren, als zijnde veel te bloemrijk en te hartstochtelijk, en hierom juist geheel onnatuurlijk? Neen, geliefde en godvreezende jongedochter, zoo\'t u waarlijk te doen is om een goeden en zuiveren stijl te krijgen, lees dan liever zoo vele andere romans., die, op zijn minst genomen, even keurig van stijl zijn, terwijl zij u geen kwaad kunnen doen voor uw geloof en zeden. Want ja, zulke zijn er in overvloed. Zoo zijn bijv. de romans van den kanunnik Schmidt, die van Jules Verne, die van Banning, van Thompson, van Bresciani, die, welke voor een twintigtal jaren zijn uitgegeven door de Encyclopedie van Van Belle, die van de katholieke leesbibliotheek van den Heer Bogaerts te \'s Bosch, enz. enz. (1) Lees die liever, zoo
1
Ik ben het met «de Zj/ï/quot; van 10 April 18S2 (Bijblad) volkomen eens, wanneer deze, over de werken van Conscience en Dr. J. R.
LECTUUR
gij dan toch romans wilt lezen. Maar gaat, om Gods wil, geen goud zoeken in de onwelriekende moerassen van eene eerlooze George Sand (Mme Dudevant), van een Balsac, van een Paul de Kocq, van een Frederik Souillé, van een Victor Hugo, van een Van Lennep, van een Alphonse Karr, van eene Bosboom-Toussaint, van eene allergemeenste Louisa Mülilbacli en soortgelijke.quot;
Anderen, om hunne hartstochtelijke leesmanie te rechtvaardigen, geven als reden aan, dat zij slechts lezen om op de hoogte van hun tijd te blijven. — Willen zij daarmee te kennen geven, dat zij zich op de hoogte van de ontdekkingen en uitvindingen op \'t gebied van industrie, landbouw, mecauiek, tuinwezen, van deze of gene natuurwetenschap willen houden? Daar is voorzeker hoegenaamd niets tegen. Maar daarvoor behoeft gij toch waarlijk geene romans te lezen. Verstaat gij daardoor, dat gij weten wilt, wat er zoo al in de wereld tegen onzen heiligen godsdienst geschreven en gelasterd wordt, wat al gruwelen van onzedigheid er in de wereld gepleegd worden? Dan antwoord ik u: hiervoor is \'t toch waarlijk niet noodig — ik onderstel, dat het u overigens nuttig is, die bijzonderheden te weten — al die schandproclukten der slechte pers te lezen, welke heden ten dage in omloop zijn. Wilt gij weten, tot welk laag peil van ongeloof en zedeloosheid onze maatschappij in schier alle landen gezonken is? gij kunt dit reeds genoegzaam afleiden iiit de tallooze openbare schandalen, die ons door de goede tijdschriften in ons vaderland worden meegedeeld. Al wat gij verder
Snleders sprekende, zegt: »De vlaamsche romanliteratuur van Snieders en Conscience bleef niet altijd vrij van overdrevene weeklijkheid, van zekere onnatuurlijke overgevoeligheid, die voor sommigen en bepaaldelijk voor jonge lieden ongezond en gevaarlijk moet worden geachtquot; — en hierom juist durf ik ze u in geweten niet onvoorwaardelijk aanbevelen.
83
LËCTUÜR.
daarover lezen zoudt, zou sleclits dienen om u hevige bekoringen te verwekken en nw hart te bederven.
Daar zijn er eindelijk die voorgeven, alleen te lezen, kwaad en goed dooreen, om niet eenzijdig in hunne opvattingen te zijn, — zoo zeggen zij, — maar om met des te meer juistheid over de zaken van den godsdienst te kunnen oordeelen — en om desnoods (voegen er sommigen nog bij) hun geloof beter te kunnen verdedigen.
Maar, mijn allerliefste kind, zijt gij dan inderdaad onnoozel genoeg om te gelooven, dat gij door \'t lezen van infame en ongeloovige geschriften een juister begrip van de waarheden uws geloofs en van uwe zedelijke plichten kant krijgen? Dat gij door\'t lezen der werken van een Voltaire of een J. J. Rousseau, door \'t lezen van dag- of weekbladen, als de Nieuwe Rotterdammer, de Arnbemsche Courant, het Wagening-scbe Weekblad, de Roermondsche Volksvriend, het Amsterdamsch Handelsblad en dergelijke publikaties meer, waarin de heiligste waarheden van den godsdienst bespot en verguisd worden; waar allerlei lasterlijke feiten aan pausen, bisschoppen, priesters en kloosterlingen worden toegedicht — meent gij, zeg ik, dat gij door \'t lezen van zulke schandschriften grondiger uw godsdienst zult leeren kennen? beter in staat gesteld zult worden, om uw geloof tegen andersdenkenden te verdedigen? Maar ziet gij niet, dat dit integendeel juist het middel is om in de war te geraken? om eindelijk aan alles te gaan twijfelen ? ja, om alle geloof en alle liefde voor de deugd, evenals zij wier booze schriften gij leest, ten eenemale te verliezen? Ook dit voorwendsel houdt derhalve geen steek. En zoo zijn er wellicht nog honderd andere. Om u opeens de onhoudbaarheid ervan te doen beseffen, geef ik u slechts
84
LECTUUR.
de volgende aanmerking in overweging. Het is namelijk een door alle katholieke godgeleerden aangenomen stelregel, e?n regel, dien zelfs het gezond verstand moet beamen, dat men zich aan geen gevaar voor zijn geloof of deugd mag blootstellen, tenzij men daarvoor wettige en degelijke redenen hebbe. De voordeelen, welke men berekenen kan te zullen verkrijgen, wanneer men dit gevaar te boven komt, moeten ten minste in ieder geval kunnen opwegen tegen de vermoedelijke nadeelen, die uit zulk een gevaar kunnen geboren worden. Welnu, dit heeft bij \'t lezen van gevaarlijke schriften niet plaats; die voorwaarde wordt niet vervuld. Al de voordeelen, welke men voorgeeft daaruit te kunnen trekken, of bestaan niet, oi zijn zoo onbeduidend min, dat zij niet eens in aanmerking hunnen komen. En bijgevolg is zulk eene lezing volstrekt ongeoorloofd.
Doch laat ik dit reeds al te lang hoofdstuk eindigen. Ik heb u, dierbaar kind, den diepen afgrond doen zien, waarin reeds ontelbare arme jongelieden van uwe jaren rampzalig zijn omgekomen. En nu blijft mij, als gids, niets anders over, dan Grod voor u te bidden, dat gij gehoor moogt geven aan mijne waarschuwingen, om niet eenmaal gelijk die anderen verloren te gaan. Wacht u dus immer voor alle lichtzinnige, ongodsdienstige en zedelooze lectuur.
85
HOOFDSTUK X.
OMGANG MET DE WERELD.
Van welke wereld is liier sprake?
De heilige en geleerde Kerkvader Augustinus zegt over die geheimzinnige woorden des Apostels: „Wij hebben te worstelen, niet tegen vleesch en bloed (niet tegen metischen) maar tegen vorsten en machtigen, tegen de gebiedvoerders van de wereld dezer duisternis;quot; „Opdat gij niet wellicht meenen zoudt,quot; zegt hij, „dat Paulns, door te zeggen „van de wereld,quot; de dnivels meesters • van hemel en aarde noemt, heeft hij er bijgevoegd „van de wereld dezer duisternis.quot; Hij verstaat onder dat woord; „wereldquot; de minnaars der wereld; „de wereld der goddeloozen en booswichtenquot; de wereld, van welke het Evangelie zegt; „en de wereld heeft Hem (Christus) niet gekend.quot;
De Satan,zegt Paulus elders, is „de god dezer wereld,quot; en Christus noemt hem haar vorst.
Die wereld, zegt Paulas op eene andere plaats, heeft haar eigen geest — en welken geest zou zij hebben, tenzij dien van haar vorst en god, den geest van Satan? — maar die geest, voegt hij er bij, is niet de mijne, ik heb integendeel den geest van Christus. Voor deze wereld, die van Satans geest bezield is en Hem als haren gebieder onderworpen is, heeft de Heere Jezus niet willen bidden : Voor de wereld echter bid ik U niet (o Vader,) omdat de wereld U niet heeft willen kennen
OMGANG MET DE WERELD.
(door mij aan te nemen, dien Grij gezonden hadt om haar
den weg der zaligheid te leeren en ze te verlossen.)
Ziedaar de wereld, mijn kind, van welke Mer sprake is! Ziedaar de wereld, met welke gij welhaast zult moeten omgaan!
Zal \'t nog noodig zijn, nadat ik u reeds vroeger tegen den geest der wereld gewaarschuwd heh, u te zeggen, dat gij tegenover die wereld op uwe uiterste hoede moet wezen, wilt gij uwe ziel er niet aan wagen?
Die wereld heeft voor u, in een drievoudig opzicht, hare hoogst gevaarvolle zijde.
Vooreerst uithoofde der daar heerschende dwaalbegrippen in de zaken der ziel; ten tweede, ter oorzake der vele hoogst ergerlijke voorbeelden, die gij daar gedurig ontmoet, en eindelijk ten derde, om de verleiding, waaraan gij onophoudelijk blootstaat.
Over de goddelooze dwaalbegrippen in zake van geloof en zedenleer heb ik u reeds vroeger breedvoerig gesproken. Zij vormen alle te zamen een afschuwelijk geheel, zeide ik u, een volslagen stelsel van het reinste ongeloof waardoor de geheele mensch mettertijd noodzakelijk zijn geloof verliest en bedorven wordt. Ik zal dus hier ter plaatse er niet verder over uitweiden. Dit slechts wenschte ik er bij te voegen met den Apostel: „Zie Loe dat niemand door ij dele woorden en machtspreuken 7i misleide!\'\'
\'t Zijn inderdaad niets dan ijdele, ongegronde machtspreuken, waarmede die wereldvergoders de leer van Jezus bestrijden; machtspreuken, uitgevonden door dienzelfden vader der leugentaal, die in \'t paradijs onze eerste ouders door eene soortgelijke machtspreuk verleidde en ten val bracht, en hetzelfde kunstmiddel tegenover den Zaligmaker in de woestijn beproefde, toen hij Hem tot driemaal toe bekoorde.
87
OMGANG MET DE WERELD,
Hoort gij nu later in de wereld, op reis of in gezelscliappen, iemand zulke goddelooze machtspreuken uitkramen, stoor u daaraan dan niet, o dierbaar kind. Laat ieder voor ziek denken en zeggen wat hem goed dunkt. quot;Wat u betreft, houd u onverzettelijk vast aan de grondzuil aller waarheid, aan de Kerk en hare leer. En mocht gij soms door dat goddeloos gepraat eene kwade bekoring in uw hart voelen oprijzen, om aan de grondstellingen der wereld geloof te slaan, vernieuw dan aanstonds in uw binnenste de plechtige geloofsbelijdenis, die gij op den dag uwer eerste H. Communie hebt afgelegd. Zeg dan onverwijld op beslisten toon; „Heer ik geloofen in mijn heilig geloof wil ik leven en sterven !
Een ander gevaar, waaraan uw verkeer met de wereld u blootstelt, ligt in de tallooze ergerlijke voorbeelden, die u overal onder \'t oog komen. Helaas I een groot gedeelte der menschen bekommert zich om geen ziel of ander leven! Zij leven daarheen, als hadden zij na hun dood niets meer te hopen of te vreezen. Hunne eenige zorg is, geld, altoos meer geld te verdienen en zoo immer meer in de wereld vooruit te komen; lekker te eten en te drinken; zoomin mogelijk te lijden; alle denkbare pleizieren mee te maken; met één woord: de voldoeningen hunner zinnen volop te genieten. Zelfs zijn zij zóó onbeschaamd, dat zij aan publieke tafels, in logementen, op hunne grofste buitensporigheden als op heldendaden durven pochen; ja zelfs dit bij voorkeur zullen doen,wanneerzij zich tegenover reizigers bevinden, die zij voor godsdienstig en zedelijk aanzien, om aldus hunne deugd en hun eergevoel als \'t ware te bespotten en te sarren.
En wat zal ik zeggen van zoovele anderen, die zich katholiek heeten, maar \'t op zijn hoogst genomen,
88
OMGANG MET DE WERELD.
slechts bij naam zijn? van die Katholieken, welke zelden tot de HH. Sacramenten naderen ? soms de Mia verzuimen ? vaste- of onthondingsdagen overtreden? met Kerk en kerkbedienaren en al wie vroom en braaf leeft, dén spot drijven? daarenboven op gevaarlijke tijdschriften geabonneerd zijn en die geregeld lezen? in gezelschappen en bijeenkomsten ongeoorloofde taal spreken? ja zelfs anderen tot ergernis strekken?
Al die ergerlijkheden en duizend andere, waarvoor als geen naam bestaat, zult gij schier eiken dag in de groote wereld moeten zien en hooren. Zeg mij toch eens, mijn dierbaar kind, zeg mij eens, wat dunkt u wel? Voelt gij u sterk genoeg om, in weerwil van\'t groot gevaar dat daai\'in geleden is, uw God en geweten trouw te blijven? Zult gij den moed hebben, meent ge, om, even als de vrome Tobias terwijl anderen uit menschelijk opzicht, de gouden kalveren aanbidden, onverschrokken naar Jerusalem te gaan om daar den eenen waren God te aanbidden: den moed hebben, om u liever met de drie heilige jongelingen in den gloeienden vuuroven te laten werpen, dan tegen uw geweten in, het gouden standbeeld van koning Nabuchodonosor te aanbidden? Ik wil zeggen: zult gij kordaat en onversaagd genoeg zijn, om u door al die slechte voorbeelden van zedeloosheid en ongodsdienstigheid niet te laten meesleepen? om de spotternij, de geestige kwinkslagen, den hatelijken glimlach der moderne wereld-kinderen te trotseeren? God geve het! Laat u echter op uw deugd en goeden wil niet al te veel voorstaan. Want ook voor u heeft Paulus gezegd: „ Wie zich verbeeldt vast te staan, hij zie wel toe vati niet te vallend Denk, hoevele anderen, wien het evenmin als u aan goeden wil ontbrak en wier deugd even degelijk scheen als.
89
OMGANG MET DE WERELD.
de uwe, ten laatste onder den drukken den invloed van sleckte voorbeelden schandelijk bezweken zijn.
Tracht hierom vooreerst, zooveel gij kunt, het gezelschap van zulke ergernisgevers te vermijden. Vorm liever met eenige brave meisjes een alzonderlijken vriendinnenkring, en onderhoud u daar met elkander in eer en deugd
Houd ook steeds voor oogen het woord des Heeren : „Alwie mij belijden zal voor de menschen \' (door televen volgens de voorschriften mijner evangelische leer) „hem sal ook ik voor mijn Vader, die in den hemel is, belijdenquot; (voor hem ten beste spreken, opdat hij zalig worde;) „zvie mij daarentegen voor de menschen zal verloochend hebbenquot; (door een leven te leiden in strijd met mijne leer,) „hem zal ook ik voor mijn Vader, die in den hemel is, verloochenenquot; (voor hem zal Ik niet ten beste spreken.)
Overdenk ook dikwijls het woord des profeten: „Wie toch zijt gij, om te vreezen voor een sterfelijk mensch en voor een menschenzoon, die als hooi moet verdorren?quot; Wat kwatid kan hij u doen?
En hoe zal\'t eindelijk, meent ge, met al die spotters, wellustelingen, godsdiensthaters en slechte Katholieken in hun laatste uur en op den grooten oordeelsdag toegaan ?
De goddeloozen onzer eeuw zijn, naar hunne meening, de eenige wijzen der wereld ; de brave en godvreezende personen daarentegen, die aan hunne dartelheid en ongebondenheden geen deel nemen, zijn groote dwazen. Zij hebben daarenboven hot geld en de macht in handen, de braven hebben dit niet. Weg dan met hen, roepen zij, want die braven hinderen ons slechts in onze plannen ! En nu geven zij zich teugelloos over aan al de kwade opwellingen hunner harten....
Maar zie! eindelijk bij den dood en in \'t oordeel,
90
OMGANG MET DE WERELD.
91
daar ontwaakt linn zondig geweten. Daar staan zij tegenover diezelfde rechtvaardigen, die zij tijdens hun leven verguisd en verdrukt hebben. En f „Bij quot;t gezicht „ dier braven, zullen zij door een vreeselijken schrik „ ontsteld worden,quot; zegt de H. Geest „en verslagen „ staan over de zaligheid, welke de rechtvaardigen, „ tegen hunne verwachting in, zullen genieten. Zij „ zullen dan spijt gevoelen, van benauwdheid zuchten „ en zeggen: „Ziel daar staan ze, die wij weleer „ bespot en tot voorbeeld van onnoozele lieden hebben „ gesteld. Wij dwazen! hun leven hielden wij voor „ eene uitzinnigheid en dachten dat hun uiteinde eerloos „ zou wezen. En zie, hoe zij thans onder het getal „ der kinderen Gods gerekend worden en hoe hun „ lot is onder de heiligen ! Afgedwaald zijn wij dus „ van den weg der waarheid, en het licht der gorech-„tigheid heeft ons niet beschenen, en de zon des „ verstands is niet voor ons opgegaan. Vermoeid hebben „ wij ons op den weg der ongerechtigheid en des „ verderfs en moeilijke wegen bewandeld; den weg des Heeren daarentegen hebben wij niet gekend. „ Waartoe heeft de hoovaardij ons gebaat? of welk „ voordeel heeft ons pochen op rijkdom ons aangebracht? „ Dat alles is voorbijgegaan als eene schaduw, als „ een renbode en als een schip, dat het golvend water „ doorklieft, welks spoor men niet vinden kan zoodra „ \'t voorbij is, evenmin als het pad van zijn boeg in „ de golven ; of als een vogel die voorbijvliegt in de „ lucht, van wiens doortocht geen enkel kenteeken te „ vinden is, maar alleen het geklap zijner vleugelen, „ waarmede hij den zachten wind slaat en krachtig „ varend de lucht snijdt. .. of als een pijl, die naar „ een bepaalde plaats wordt afgeschoten: terstond „ sluit de gesplitste lucht opnieuw te zamen, zoodat
OMGANG MET DE WERELD.
„men zijn doorgang niet kan bemerken. Zoo hebben „ook wij, nauwelijks geboren, opgehouden te bestaan, „ wij hebben geen enkel bewijs van onze dapperheid „ kunnen geven. Wij hebben ons afgetobd in onze „ boosaardigheid.quot;
„Aldus hebben zij, die gezondigd hadden, in de „ onderwereld gesproken ; want de hoop des zondaars „ is als vederdons, dat door den wind wordt opgelicht „ en als luchtige schuim, die door den golfslag wordt uit „ elkandergedreven.en als rook, die door den wind wordt „ verstrooid en als de herinnering van een gastvriend „ die, na een dag oponthoud, weer verder reist.quot;
Deze zoo treffende schildering van het lot der wereldminnaars heeft geen verdere opheldering noodig. quot;Wie er ernstig over nadenkt, zal in zich geen lust meer gevoelen, om deel te nemen aan hunne uitspattingen, die hun later een zoo bittere spijt en wellicht een hopeloos naberouw zullen veroorzaken.
Een brave jongedochter,die plichtshalve met de wereld en in de wereld moet verkeeren, staat eindelijk nog aan een derde gevaar voor zijne deugd bloot, en dit gevaar is niet het minste. Ik heb het reeds genoemd : het zijn de vele ergerlijke verleidingen, die hij alom ontmoet.
Ja, geliefd kind, verwacht u op velerlei verleidingen. Nu eens zult gij tot het kwaad worden aangezocht onder het masker van vriendsctap, dan wederom onder dat van wellevendheid en goede manieren. Dan eens zal men, om u over te halen, een beroep doen op uwe jeugd, die uitspanning noodig heeft, dan wederom op het voorbeeld van zoovele anderen, die, even onbesproken van naam als gij, er geen bezwaar uit maken dit en dat mee te doen. Nu eens heet het; oen jong meisje moetin de wereld niet zoo
92
OMGANG MET DE WERELD.
fijn willen wezen als een non in haar klooster; dan wederom: Onze Lieve Heer rekent den mensch in de wereld zijne zonden niet zoo sclierp aan als een ander, die buiten alle gevaren leeft. En zoo zalmen trachten, u voor en na van de eene misdaad tot de andere over te halen; vandaag tot overdaad, morgen tot oneerbare gesprekken, overmorgen tot verzuim uwer godsdienstplichten en later tot de schandelijkste zonden,
G-ij zult er ontmoeten, die, als ware zendelingen van Satan, u zullen aanzetten, om op verboden dagen zonder eenige reden vleesch te eten; die u zullen terughouden van het naderen tot de HH. Sacramenten; u trachten over te halen tot zondige gesprekken enz.
Ik heb u in een vorig hoofdstuk over degelijke deugd gesproken en aangespoord, om u een goeden voorraad ervan op te doen, opdat gij, volgens het woord van Paulus, op den kwaden dag weerstand zoudt kunnen bieden en staande blijven. Ik had toen vooral de vreeslijke verleidingen op het oog, waarvan thans sprake is. Ja, dierbaar kind, echte en degelijke deugd is dan noodig om niet over boord te storten. Maar ook zelfs de degclijkste deugd kan aan zulke verleiding het hoofd niet bieden dan onder deze drie voorwaarden: dat gij namelijk nzelven niet roekeloos aan die beproeving blootstelt; dat gij, uwe eigene krachten mistrouwende, den bijstand van boven inroept, en eindelijk, dat gij de verleiders vlucht.
Wat het eerste aangaat, gij begrijpt, dat gij reeds door die vermetele waaghalzerij alleen zoudt zondigen. En gewis zou dan in u de uitspraak des H. Geestes vervuld worden; „Wie het gevaar bemint, zal er ook in vergaand
Het tweede is ons door onzen Zaligmaker op het hart gedrukt, toen hij in den Olijf hof in \'t beslissend
93
OMGANG MET DE WERELD.
uur des gevaars aan zijne leerlingen die ernstige waar-scliuwing gaf: „ Waakt en bidt, opdat gij niet ingaat „ in de bekoring. Want de geest is wel bereidvaardig, „ maar het vleesch is zwakquot;
En wat liet derde betreft, gij kent de vermaning des H. Greestes: „Mijn zoonquot; zegt bij, „zoo de zondaars „ u met zoetklinkende woorden tot het kwaad aanlokken, „ zorg dat gij niet in hun voorstel toestemt. En een oogenblik later; „Mijn zoon, houd geen omgang met „ hen en zet uw voet niet op hunne paden.quot; Dit wil zeggen: wijs al kunne lage en zondige voorslagen terstond met beslistheid en diepe verontwaardiging van de band, zonder een oogenblik met ben te redeneeren ; keer bun zonder eenig menscbelijk opzicbt den rug toe, en vluebt bun gezelschap als dat van den Satan in persoon.
Zoo gij aldus handelt, zal de omgang met de wereld, boe boos zij ook wezen moge, u niet schaden. Dezelfde God, die de drie godvreezende jongelingen van Baby-lonië te midden van het vuur in den gloeienden oven ongedeerd bewaarde, zal dan ook u bewaren voor alle zielescbade te midden van \'t bederf der goddeloozen.
94
HOOFDSTUK XL
BEKORINGEN.
Zonder een buitengewoon voorrecht, dat slechts aan weinige heiligen verleend werd, kan de mensch in den tegenwoordigen toestand zijner gevallen natuur niet altoos vrij blijven van bekoringen.
Ofschoon de erfzonde, in zooverre zij eene vlek der ziel is, ons door het H. Doopsel is weggenomen, zoo is nochtans de prikkel eener kwade begeerlijkheid in ons hart blijven bestaan. En vandaar, dat, volgens het woord der H. Schrift, „de zinnen en de gedachten des menschen van zijne jeugd af ten kwade overhellen.quot; Gelijk in de aarde de kiem van alle onkruid schuilt, zoo ligt in den grond onzes harten de kiem van alle kwade bekoringen. Vandaar, dat de vrome schrijver der Navolging zegt: „Zoolang hij leeft is er niet één mensch „ geheel vrij van bekoringen, omdat de wortel der „ bekoringen in ons zeiven ligt. Wij weten ten anderen, dat de Satan, die. in zijn wrevelige spijt over het verlies des hemels, gezworen heeft ons door alle middelen deszelfs bezit te betwisten, als een brieschende leeuw gedurig rondloopt, zoekende wien hij zal verslinden.quot;
Ookalles wat in debooze wereld ons omgeeft; duizenden dingen, die wij zien en hooren en onze zinnelijke natuur prikkelen; duizenden ergerlijkheden, waarvan wij getuigen zijn, ook dat alles werkt nog daartoe samen.
Geen wonder dan ook, dat zelfs de grootste heiligen
BEKORINGEN.
eraiet vrij van gebleven zijn. Sommigen hunner zijn inderdaad schromelijker en veelvnldiger bekoord geworden dan iemand onzer. Denk slechts aan een H. Paulus, aan een H. kluizenaar Antonius, aan een H. Franciscua van Assisië,aan een H. Alpbonsus de Liguori en tallooze anderen. Terecht mocht derhalve de reeds genoemde Thomas a Kempis schrijven; „Niemand is zoo volmaakt „en heilig, of hij heeft 7iu en dan bekoringen.quot; quot;Wat gij derhalve ook doet, welke voorzorgen gij ook neemt, nimmer zullen u de bekoringen geheel en al uitblijven.
Maar — het zij tot uw troost gezegd ! —wanneer gij de noodige maatregelen hebt aangewend om de invallende bekoringen van u te verwijderen en geene vrijwillige oorzaak of aanleiding daartoe gesteld hebt, zoo bestaat er voor u geen de minste reden u daarover te verontrusten. Of meent gij wellicht, dat* God u als eene strafbare daad zal toerekenen, wat gij ondanks u zelf gedwongen wordt te ondergaan ? Maar zou onze Lieve Heer dan niet een dwingeland moeten wezen? Of ziet gij danniet, dat er een onafmeetbaar onderscheid bestaat tusschen het gevoel der bekoring en het positief willen van het zondig voorwerp, waartoe gij bekoord wordt? Zeg mij, zoudt gij iemand een gulzigaard durven noemen alleen op grond daarvan, dat hij, uitgehongerd van vasten, een hevigen lust tot eten gevoelt? Welnu, even ^oo min kan men u van zonde beschuldigen alleen op grond daarvan, dat gij in uw hart, ondanks u, een kwaden lust tot zonde gewaarwordt.
Doch laten we alle verdere redeneeringen daar. quot;Wat op zich alleen reeds voldoende bewijst, dat de bekoringen zelve ons vóór God geenszins schuldig maken, is : dat zijn eigen Zoon J. 0., de heiligheid in persoon, tot driemaal toe den bekoorder bij zich heeft toegelaten.
Ik zeg daarom opnieuw met den vromen Thomas a
96
BEKORINGEN.
Kcmpis: „wij moeten derhalve niet wanhopen, al worden wij bekoord
Laat de bekoring ook nog zoo lievig en langdurig wezen, dit staat vast: „God is getrouw, die niet zal toelaten, dat gij boven uwe krachten bekoord wordet. Naar evenredigheid der bekoring zal Hij altoos hulp vexieenen aan alwie ze inroept, zoodat wij in staat zijn, ze alle te overwinnen. Dit wisten de heiligen, \'t Was hierom dat de reeds vermelde Antonius, de kluizenaar, (om er althans eenigen te noemen) zelfs den Satan uittartte, hem toeroepende; „Beproef vrij tegen mij alwat gij goedvindt; ik vrees u niet. Ik weet trouwens dat gij niets tegen mij vermoogt, tenzij God het u toelate; en ook dit weet ik, dat gij mij nooit overwinnen kunt, wanneer de Almachtige mij beschermt.quot; De H. Teresia sprak in denzelfden zin tot hare kloosterzusters. „Zusters,quot; zeide zij, „ik begrijp niet, waarom „ gij zoo bang zijt voor den duivel, daar een eenvoudig „ kruisteeken, ja een enkele droppel wijwaters genoeg „ is, om alle booze geesten op de vlucht te drijven.quot;
t Is waar, onze Lieve Heer laat soms toe, dat wij door allerlei bekoringen zoo ingewikkeld en geslingerd worden, dat men haast gelooven zou; daar is geen uitkomst, geen redding meer mogelijk. Wat wij ook al bidden, God schijnt zich alsdan om ons niet te bekommeren. Ja, dit schijnt zoo; in waarheid echter verlaat Hij ons niet. Hij handelt dan met ons gelijk Jezus met zijne Apostelen, toen daar die vreeslijke storm opstak op liet meer van Genesareth. De Verlosser scheen toen te slapen en zijne leerlingen aan een gewissen ondergang prijs te geven. Intusschen waakte hij wel degelijk over hen. Maar Hij hield zich slapend, om zijne leerlingen te noodzaken, zijne hulp met des te heviger aandrang in te roepen. Zoodra zij dit dan ook deden en uitriepen;
97
bekoringen.
„ Meester, red ons, wij vergaand deed Hij door een enkel bevel het onweder bedaren en er ontstond eene groote stilte. — Zoo handelt God ook vaak met ons. Hij laat ons tot op den uitersten rand des algronds komen. Maar ook dan, (althans zoo wij voortgaan met bidden,) redt Hij ons eensklaps als door een wonder zijner almacht, en — de bekoring is voorbij.
De Satan moge dan de vreeslijkste stormen van bekoring, vooral van oneerbaarheid, tegen ons verwekken ; met Gods bijstand kunnen wij ze alle trotseeren.
Er is meer. Zoo wij van onze bekoringen partij weten te trekken, brengen zij ons, wel verre van onsteschaden, integendeel groot nut en voordeel aan. Zij kunnen vooreerst veel bijdragen tot grondige kennis van ons eigenhart. „Wat weet iemand,quot; vraagt de Wijze Man, „ die niet bekoord is geworden ? Men kan gerust hierop antwoorden : hij weet niets, althans voor het praktisch leven. Inderdaad, het is alleen door de bekoringen, dat men die praktische kennis erlangt. Daardoor nl. wordt in ons de gemoedelijke overtuiging geboren, dat wij de kiem aller ondeugden in ons hart omdragen en 2,onder Gods bijstand in den diepsten afgrond aller boosheden zouden neerstorten. Met andere woorden; wij krijgen daardoor het volle bewustzijn van ons volslagen onvermogen in de zaken der zaligheid, en zoo wordt de eerste, degelijke grondslag der ware nederigheid in ons hart gelegd. De nederigheid nu, de echte ware kennis van ons zeiven, is zij niet de eerste voorwaarde, om zich van zijne plichten als mensch en als Christen behoorlijk te kunnen kwijten ?
De bekoringen geven ons nog eene overheerlijke gelegenheid tot groote verdiensten bij God, zegt Thomas a Kempis: „Daar is ons een veld voor grootere verdiensten geopend.quot; Daarom dan ook schroomt de
98
BEKORINGEN.
H. Apostel Jacobus niet, den geloovigen toe te roepen : „ Broeders, beschouwt bet als eene reden tot volle „blijdschap, wanneer gij in velerlei bekoringen geraakt.quot; Wat immers doet hij, die eene bekoring bestrijdt ? Geeft hij niet aan zijnen God een treffend bewijs van genegenheid, van liefde en trouw ? En hoe zou zulk eene betuiging van getrouwheid zonder verdiensten kunnen blijven ? Indien reeds eene bloot mondelinge liefdebetuiging aanspraak op loon geeft, hoeveel meer deze, welke voorzeker veel meer inspanning en goeden wil vordert! God deed dit op zekeren dag op gevoelige wijze aan een jeugdigen woestijnbewoner verstaan. Een zeker Abt der woestijn, zoo verhaalt de vrome en geleerde Cassianus, liet eens een jongen monnik bij zich roepen wien hij beval, om zijne deugd op de proef te stellen, hem iets voor te lezen uit de H. Schrift. Maar zie ! nauwelijks had de nieuw aangekomen novice eenige bladzijden gelezen,of de vrome grijsaard, uitgeput van vermoeienis, geraakte in slaap. Toen de novice dit bemerkte, kwam de gedachte bij hem op (zeer natuurlijk): kom, laat ik maar ophouden en heengaan, wat geeft het trouwens dat ik blijf voortlezen ? Mijn
overste immers hoort er niets van____ Maar neen, zeide
hem zijn geweten, dat moogt gij niet, gij zoudt te kort blijven aan de gehoorzaamheid, gij moet blijven voort-lezen.quot; En hij las voort. Eene poos later kwam diezelfde gedachte hem opnieuw voor den geest.quot; „Maar, om Gods wil, wat hebt ge er aan, dat gij leest ? waarom gaat gij zelf niet liever wat slapen zooals uw Abt? En wederom verzette hij die ingeving en bleef op zijn post. Daar komt ietwat later die bekoring ten derde male opzetten. En ook biedt hij haar voor de derde male weerstand. Nu ontwaakte eindelijk de oude van dagen, niet weinig verwonderd, zijn jeugdigen leerling
99
BEKORINGEN.
nog altoos bij zich te zien en bezig inct lezen. Toen bij bem daarop vroeg of hij geem; bekoringen had gehad om weg te gaan. terwijl hij was ingeslapen, bekende de jonge monnik hem volmondig al wat er in zijn binnenste was omgegaan, maai\' dat hij door Gods genade de kwade ingevingen, die hem waren komen plagen, overwonnen had. Toen hernam de grijsaard ; „ Troost u mijn zoon, want gij hebt drie kronen bij God „ verdiend. Ik heb in mijn slaap drie engelen uit den „ hemel over uw hoofd zien neerdalen: ieder van hen hield eene prachtige kroon in de hand en plaatste die op mv „ hoofd. Ik heb mij dat gezicht niet kunnen verklaren; „ doch nu begrijp ik het geheim. Deze drie kronen hebt gij „ u verdiend, mijn zoon, door het overwinnen mver drie.-„ voudige bekoringquot;
De bekoringen geven ons eindelijk nog gelegenheid, . om niet te zeggen dat ze ons dwingen, vele en groote deugden te oefenen. Gesteld, dat gij veel en hevig bekoord wordt tot oneerbaarheid. Zult gij dan niet als van zelf er toe komen om matig te zijn in eten en drinken, uit vrees dat zij n anders nog meer zullen kwellen ? om behoedzaam en zedig te zijn in uwe oogslagen en uitwendige houding ? om raad te vragen aan uw geestelijken leidsman, diens raad te volgen en alzoo de ootmoedigheid te oefenen? — Hoe zalig werken ook niet de bekoringen om ons met grooteren ijver te doen bidden! „Nood leert bidden,quot; zegt het spreekwoord. — Ter gelegenheid van zware bekoringen oefent men ook vaak op de voortreffelijkste wijze de deugd van vertrouwen op Gods bijstand, van onderwerping aan zijn H. Wil, van geduld, van zachtmoedigheid, enz.
Zoo beschouwd kunnen dus de bekoringen een groot hulpmiddel van zaligheid genoemd worden.
Nochtans, voeg ik er bij, hebben de bekoringen ook
100
BEKORINGEN.
hare hoogst gevaarlijke zijde. Immers er ligt daarin immer een aanzoeking tot zonde. Die aanzoeking wekt altoos min of meer de kwade begeerlijkheid in ons hart op. Wij hellen altoos tot het verbodene over en verlangen wat ons geweigerd wordt. Wij voelen allen, wat de groote Apostel van zich zeiven getuigt: „ Volgens den inwendigen (redelijken) menseh vind ik „ mijn genoegen in de wet Gods; maar in mijne „ ledematen (in het zinnelijk deel mijner ziel) zie ik „ eene andere wet, die met de wet mijns geestes in „ strijd is en die mij als gevangen houdt in de wet „ der zonde, welke in mijne ledematen heerscht.quot; Iedere bekoring stelt ons uit dien hoofde min of meer bloot aan het gevaar van te zondigen.
Wat volgt hieruit voor ons?
Ten eerste, dat wij onszelven nooit rechtstreeks eene oorzaak mogen stellen of aanleiding geven tot bekoringen. Wie trouwens ziet niet, dat dit eene strafbare verwaandheid zou wezen ? Wie zoo iets vermetel wagen zou, liep gevaar van in zich vervuld te zien worden, wat er geschreven staat: „ IVie het gevaar, „ bemint — het „vrijwilligopzoektquot; — zal er in omkomen. Wacht u dus wel van met uwe deugd als\'t ware een proef te nemen, als om eens te zien hoe sterk gij zijt. Zulke geestelijke waaghalzerij is verboden.— Het zou daarenboven eene ware Grodsbeproeving wezen d. i. g. gij zoudt zonder reden een soort van mirakel aan God verzoeken; immers gij zoudt dan willen, dat, terwijl gij u blootstelt aan een schier onvermijdelijken val, God, ter bevrediging uwer vermetele grilligheid, de gewone regels zijner voorzienigheid te buiten ging. Maar wat is dit anders dan met die voorzienigheid den spot drijven? Wat anders dan den duivel, den grooten bekoorder, moedwillig in de hand werken ?
101
BEKORINGEN.
Hieruit volgt ten tweede, dat wij alle gelegenheden, welke wij bij ondervinding weten eene oorzaak van bekoring voor ons te zijn, zooveel mogelijk moeten verwijderen en vlucliten. En hier spreek ik niet alleen van die gelegenheden, welke ons in het naaste gevaar stellen van doodelijk te zondigen, gelegenheden, die, zoo ze van onzen vrijen wil afhangen, op doodzonde verwijderd en vermeden moeten worden. Neen, ik spreek van alle gelegenheden, die onze deugd min of meer in gevaar brengen. Ligt zulks in uwe macht, dan zijt gij \'t aan uwen God en aan uw eigene ziel verschuldigd, u aan al die verschillende gelegenheden, naar evenredigheid des gevaars, zorgvuldig te onttrekken.
Onderzoek hieromtrent nu en dan ernstig uw geweten. Zulk eene gevaarlijke gelegenheid zoudt gij kunnen aantreffen tot zelfs in uw ouderlijk huis, onder uw eigene broeders of zusters, en zonder veel moeite zult gij \'t erkennen, zoo gij slechts u zeiven niet vrijwillig de oogen blinddoekt en luisteren wilt naar de vermanende stem uws gewetens. Zoudt gij echter in zekere gevallen niet weten wat u te doen staat, welaan, vraag dan raad aan den geestelijken leidsman uwer ziel en gedraag u volgens zijne beslissingen. Vergeet intusschen nimmer de groote vermaning, die de H. Geest aan de jeugd op het hart drukt. „Mijn kind, vlucht de zonden als voor „den aanblik eenervergiftige adderquot;
Uit het hierboven gezegde volgt eindelijk nog, dat wij de bekoringen, op welke wijze ze dan ook in ons hart zijn opgerezen, met ernst moeten bestrijden. „ Weerstaat den duivelquot; zegt ons de H. Apostel Jacobus, „ en hij zal van u wegvluchten.quot; „ Uw vijand, de duivelquot; zegt op zijne beurt de H. Apostel Petrus, „ loopt rond als een briezende leeuw, zoekende wien hij kan verslinden-, weerstaat hem, sterk door het geloof.
102
BEKORINGEN.
Mijn kind, wilt gij in dien strijd zeker overwinnen, onderhoud dan getrouw de volgende regels, die u door
al de geestelijke sclirijvers worden aangegeven :
1° Val uw vijand aan zoodra gij hem in \'t oog krijgt. Dat is gezegd: weersta aan de bekoring, zoodra gij er u van bewust wordt. Ik zeg: zoodragij er u van bewust wordt, dat is, zoodra uw geweten u waarschuwt. Het kan trouwens gebeuren, dat de verbeelding reeds een zekeren tijd door allerlei zondige voorstellingen wordt bezig gehouden, zonder dat onze geest ze bemerkt. Zulk eene verstrooiing is voorzeker op zich altoos gevaarlijk, zij wordt ons echter niet als zonde aangerekend, daar de geest en de wil er geen aandeel aan hebben Zoodra daarentegen onze geest dien toestand der verbeelding opmerkt en het zondige dier voorstellingen erkend heeft, moeten wij zonder verwijl met onzen wil daartegen ingaan, die ongeoorloofde verbeeldingen trachten te verwijderen en niet meer rusten, totdat de vijand uit de vesting onzer ziel ten eenemale verdreven zij. Dienzelfden raad gaf onder anderen de H. kerkvader Hiëronymus aan zijne geestelijke dochter, de H. Eustochia. „Laat toch nooit, bid ik u/\' schreef hij haar,quot; de kwade gedachten in uwen geest voedsel krijgen.... maar dood den vijand, terwijl hij nog klein is.quot;
Verhef derhalve oogenblikkelijk uwen geest tot God en verklaar Hem, dat gij al de booze ingevingen, die in uwe verbeelding rondspelen, uit geheel uw hart verfoeit, en liever sterven wilt dan er met vrijen wil in toestemmen. Bid Hem tevens zoo vurig mogelijk, dat Hij uw zwakken wil door zijne genade versterke. Roep tot dat einde de zoete namen van Jezus, Maria en Joseph aan, of spreek een of ander schietgebedje uit, al naar uw godsdienstig gemoed u in dat oogenblik ingeeft.
103
BEKORINGEN.
2° Hebt gij aldus op den Satan uwe eerste vurige pijlen afgeschoten, keer hem dan met verachting den rug toe en leid zachtjes uwe verbeelding van zijne booze kunstgrepen af. Neem dan een of ander werk ter hand, of lees wat, of praat wat, met een goede vriendin, of zoekeene of andere onschuldige uitspanning. Zulke afleidingsmiddeltjes slagen in den regel uitmuntend om de bekoringen in de wieg, als \'t ware, te smoren.
3° Houden ze echter hardnekkig aan, wat dan? Dan moet gij eveneens aanhouden met bidden en herhaaldelijk God betuigen, dat gij Hem in eeuwigheid niet wilt beleedigen. Het is zelfs zeer raadzaam, zeggen ons de geestelijke schrijvers — en de ondervinding bevestigt het — wanneer gij alleen zijt, u door een of ander uitwendig werk van devotie op te wekken, door bijv. de oogen of de handen ten hemel te verheffen, op de borst te kloppen, neer te knielen en zoo Gods bijstand in te roepen. Ook kan de herinnering aan uw dood, aan het oordeel, aan de hel en in \'t algemeen aan de eeuwige waarheden, in zulke gevaarlijke oogenblikken zeer zalig werken, om u te weerhouden van in de bekoring toe te stemmen.
De grootste heiligen hebben niet zelden dat middel te baat genomen.
Ziehier wat onder vele anderen de reeds genóemde H. Kerkvader Hiëronymus van zich zeiven getuigt. Ik wil u zijne woorden nauwkeurig vertalen :
Toen die heilige man nog jong was, zegt zijn levensgeschiedenis, leidde hij een tijdlang een wereldseh leven; maar de genade trof hem, en nu besloot hij God op eene zoo volmaakt mogelijke wijze te gaan dienen Hij verliet de wereld, begaf zich eerst naar J eruzalem om de heilige plaatsen te bezoeken en trok zich vervolgens terug in eene eenzame, dorre woestijn. Daar
104
BEKORINGEN.
verbleef hij vier volle jaren en gaf zich aan de strengste boetplegingen over. Wie zuu ?t gelooven, dat die heilige kluizenaar daar, in die stille eenzaamheid, in weerwil van al die lijfkastijdingen, van zijn gedurig waken en vasten de ruwste bekoringen moest ondervinden? En toch zoo was het. Ziehier nu, wat hij daarover aan zijne reeds vermelde geestelijke dochter Eustochia geschreven heeft;
„01 hoe menigmaal heb ik mij, ofschoon met het i, lichaam in de woestijn en in eene uitgestrekte eenzame „ wildernis, waar de verzengende stralen der zon aan „ de monniken het verblijf vreeselijk maken, door de „ verbeelding te midden van de vermaken der stad „ Rome verplaatst gezien! Ik zat daar gansch eenzaam; „ want mijne ziel was vervuld met bitterheid. Over „ mijne misvormde leden droeg ik een ruwen boetezak. „ Dagelijks storte ik tranen; dagelijks slaakte ik zuchten. „ Maakte de slaap zich soms, mijns ondanks, van mij „ meester, dan vlijde ik mijne nauwelijks samenhangende „ beenderen op den blooten grond neder. Ik zwijg „ over mijn voedsel en drank; want zelfs de uitgeputte „ monniken gebruiken niets dan koud water en beschou-„ wen \'t als eene ware weelde, iets gekookts te nuttigen. „ Welnu ik, die uit vrees voor de hel mij tot dien kerker „ had veroordeeld, die geen ander gezelschap had dan „ dat der scorpioenen en wilde dieren, ik bevond mij „ niet zelden in den geest te midden der Romeinsche „ wereld. Bleek was mijn gelaat geworden door \'t „ gedurig vaston en toch brandde mijn gemoed door „ ongeoorloofde verlangens. In mijn bloedloos lichaam „ en in mijn vleesch, dat reeds dood was vooraleer de „ menscli zelf was gestorven die het droeg, gloeide „ alleen nog het vuur der wellust.quot;
Welk een toestand, niet waar? En die man waa een
105
BEKORINGEN.
heilige! Maar laat hem ons mi gaan verhalen, wat hij deed, om die schromelijke aanvechtingen zijner zinnelijke natuur meester te worden:
„In dien staat,quot; zoo vervolgt hij, „van alle menschelijke „ hulp verstoken, wierp ik mij aan Jezus\' voeten neder ; „ ik besproeide ze met mijne tranen en droogde ze met „ mijne haren af^ Ik trachtte mijn weerspannig vleesch „ door wekenlange vasten onder het juk te brengen. „ Ik herinner mij, dat ik meermalen dag en nacht „ onafgebroken om hulp bleef roepen en niet ophield „ op mijne borst te kloppen, totdat op \'s Heeren bevel „ de kalmte in mijne ziel wederkeerde.quot;
Ten laatste mocht hij dan ook zijn wensch vervuld zien. „De Heer is mij tot getuige,quot; zoo besluit hij zijn verhaal, „dat ik mij, na vele tranen gestort en uren „ lang mijne blikken ten hemel te hebben opgeheven, „ eindelijk onder de reien der Engelen meende verplaatst „ te zien. Dan zong ik blijde en vroolijk.quot; „Wij zullen „ u achterna loopen, het spoor volgende uwer reuk-„ werken.quot;
Leer uit deze treffende geschiedenis :
1°. Hoe ook gij geene redenen hebt u te verwonderen of te ontmoedigen, wanneer u zware bekoringen overvallen.
2°. Hoe gij u alsdan te gedragen hebt.
3°. Hoe zoet een troost u wacht als gij uwe bekoringen moedig zult overwonnen hebben. Dan zult ook gij een voorproef smaken van de belooning, die de H. Apostel ons voorspiegelt, wanneer hij zegt : „Zalig de man, die „ de beproeving doorstaat; want na beproefd te zijn, zal „ hij de kroon des levens ontvangen, die God beloofd „ heeft aan allen die Hem liefhebbenquot;
106
HOOFDSTUK XIL
De School en de Leertijd.
Over het zoo gewichtige vraagstuk van het Onderwijs zal ik u niets uit mij zeiven zeggen: ik bepaal er mij toe u aan de zoo wijze en eenig ware katholieke beginselen van Nederlands\' Episcopaat in hun collectief mandement van \'t jaar 1868 uitgespi-oken, in korte woorden te herinneren. Ia dat veelbesproken en hoogst gedenkwaardig schrijven onzer Bisschoppen worden aan alle katholieke ouders en voogden de plichten voorgéhouden, die zij aangaande hunne onder-hoorigen in zake van onderwijs te vervullen hebben. Daar lezen wij onder anderen:
1°. Voor katholieke kinderen past alleen zulke school, die in katholieken zin is ingericht. Hiervoor nu wordt vereischt, dat zij onder toezicht van het kerkelijk gezag sta en het maatschappelijk- met het godsdienstig onderwijs hand aan hand ga; dat zij wederkeerig elkander aanvullen en dat de boeken en schrijfvoorbeelden eene godsdienstige strekking hebben.
2°. Eene school, die niet aldus is ingericht, waaruit het godsdienstig element verbannen is en waar derhalve slechts zuiver maatschappelijk onderwijs gegeven wordt, mag geen Katholiek goedkeuren, veel minder verdedigen.
3quot;. Daar, waar men geene school in den zin der katholieke Kerk kan hebben, waar de school alleen maatschappelijk onderricht ten doel heeft, zonder
DE SCHOOL
evenwel eenig gevaar voor geloof of zeden aan te bieden, daar alleen kan men zulke sekolen dulden en er de kinderen laten heengaan.
4°. AVaar echter mogelijkheid bestaat om de kinderen naar eetie volgens onzen H. Godsdienst ingerichte school te zenden, daar zijn de ouders streng verplicht, ze op dusdanige scholen te plaatsen en staat het bun volstrekt niet vrij ze naar onkatholieke scholen te laten heengaan.
Beschouwen wij nu volgens deze echt katholieke beginselen, onze hedendaagsche staatsscholen, dan is \'t duidelijk, dat niet ééne van haar aan de vcreischten eener katholieke school voldoet. Geen wonder dan ook, dat de Bisschoppen er op aandringen, om door gezamenlijke bijdragen echt katholieke scholen en normaalscholen te helpen oprichten, waar de jeugd zonder gevaar voor de zeden en \'t geloof, eene rein katholieke en tevens eene volledige opleiding in alle noodige wetenschappen kan vinden.
Besluit hieruit, mijn dierbaar kind, dat gij:
1quot;. Uwe ouders, indien zij van deze voorschriften der geestelijke overheid mochten afwijken, met eerbied aan hunne ouderlijke plichten moet herinneren.
2quot;. Ingeval plaatselijke omstandigheden u noodzaken, eene staatsschool te bezoeken, alle mogelijke omzichtigheid moet aanwenden om den verdeifelijken invloed van zulk een godsdienstloos onderwijs tc ontgaan, om uw geloof en zeden ongeschonden te bewaren.
3°. Zoo die omstandigheden veranderen en u in de gelegenheid stellen, van eene echt katholieke school gebruik te maken, ten spoedigste die rampzalige staatsscholen moet verlaten.
Kunt gij er niet buiten de lessen bij te wonen, die u op die scholen worden voorgedragen ; moet gij daar,
108
EN DE LEERTIJD.
ondauks n, rioms de sehcetste eu hatelijkste voorstcl-lingeu hooien van gobeuitenissen, waarbij tie waarheden des geloofs en de eer van onzen H. Uodsdienst betrokken zijn — het staat u ten minste altoos vrij er geen geloot\' aan te slaan en mv oordeel daaromtrent op te schorsen, totdat gij later in de gelegenheid komt. de zaken naar waarheid te onderzoeken, (rij zult dan inzien, dat al die feiten verdioht, ofmerkelijk verdraaid en vervalscht zijn.
Moet gij, in plaats van in een pensionnaat, aan eene openbare inrichting van onderwijs uwe studie voortzetten, zorg dan ten minste, dat gij u ook daar als een katholiek meisje blijft gedragen. Zoo gij karakter en goeden wil hebt, kan n dit niemand beletten.
Blijf getrouw aan uw morgen- eu avondgebed. Hoor zoo gij kunt, dagelijks de H. Mis. Ga minstens om de maand biechten en communiceeren. Ga nooit in gezelschappen van lichtzinnige meisjes; maar slnit u aan bij katholieke vriendinnen en vermaak n met haar en op eerbare wijze. Laat met u spotten wie spotten wil. Stoor er u niet in quot;t minst aan en spot op uwe beurt met al hare onnoozele spotternijen. Dan duurt het niet lang, of gij zult haar van toon hooien veranderen en heur door uwe karaktervastheid eerbied en ontzag afdwingen, \'t Zou de eerste maal niet wezen, dat zoo iets plaats heeft. Was ik niet uit bescheidenheid verplicht, de namen van nog levende personen te verzwijgen, ik zou u twee hoogst treffende voorvallen kunnen verhalen, waaruit zonneklaar blijkt, dat zelfs de onbeschaamdste spotgeest eindelijk voor beproefde en volhardende deugd, de vlag moet strijken. Zoo zal quot;t ook u gaan, zoo gij God meer blijft vreezen dan de menschen en
109
DE SCHOOL
flink voor uwe overtuiging blijft uitkomen. Ook hier geldt het aloude spreekwoord; „De aanhouder overwint.quot; Wie weet, of gij ze wellicht niet eindelijk overhaalt om zich hij uwe partij te voegen! God geve het!
Doch genoeg over dit onderwerp. Ik heb mijn plicht als gids vervuld. Ik heb u gewezen op sommige gevaren, waaraan gij op onze moderne staatsscholen blootstaat en u de middelen aangewezen om ze, zonder schade voor uwe ziel, te ontwijken. Mag ik vertrouwen, mijn dierbaar kind, dat ik niet te vergeefs deze regels voor u heb neer geschreven ? Of wilt oak gij het rampzalig voorbeeld van zoovele anderen volgen, die, misbruik makende van haar verleende grooter vrijheid, zich teugelloos aan alle uitspattingen der jeugd overgeven en bij \'t voleindigen barer studiën als halve ongeloovigen in den huislijken kring terug-keeren ? Grod beware u hiervoor! Beter trouwens ware \'t voor u, als een volslagen ongeletterd landmeisje zalig te worden, dan als een hooggeleerde ter eeuwige verdoemenis te worden verwezen. Denk er ernstig aan.
Doch niet alle jongedochters zijn geroepen om hare studiën voort te zetten. Velen zullen weldra, of althans na een paar jaren, de school verlaten om zich in een magazijn tot den handel of op een winkel tot een beroep voor te bereiden.
Ook daar wachten u gevaren, veelal van den kant uwer gezellinnen, soms zelfs ook vande zijde uwer oversten, die zich om godsdienst en zedelijkheid weinig bekommeren.
Dierbaar kind! Laat u toch niet misleiden; zorg toch dat gij geen haarbreed afwijkt van het pad der deugd, dat gij, onder de leiding uwer brave ouders
110
EN DE LEERTIJD.
en uwer geestelijke herders, reeds zoo vele jaren, tot heil uwer ziel bewandeld hebt.
Mogen de volgende welgemeende vermaningen het hare daartoe bijdragen! Ik smeek u dan ook, ze alle trouw en stipt te behartigen:
Eerste vermaning. — Vooraleer gij uwe keus vaneen of ander beroep of handbedrijf bepaalt, moet gij zorgvuldig onderzoeken, waartoe gij het meeste lust, aanleg en bekwaamheid hebt.
Tweede vermaning. — Verzuim ook niet den goeden God om licht te bidden, opdat gij u in eene zoo gewichtige zaak niet moogt vergissen, maar datgene kiezen wat Hij van eeuwigheid u heeft toegedacht. Dan toch, maar ook dan alleen moogt gij gerust vertrouwen, dat zijn zegen op u rusten zal en dat al uwe ondernemingen tot uw tijdelijk en eeuwig heil zullen slagen. Dan wordt ook in u vervuld wat geschreven staat van den godvreezenden Joseph, toen hij als zaakverzorger van Putiphar was aangesteld: „ Alles, wat hij ondernam, slaagde hem naar wensch, omdat God de Heer met hem was.quot;
Derde vermaning. — Raadpleeg vervolgens ook uwe brave ouders en uw biechtvader of een braaf en god-vreezend persoon, dien gij weet het goed met u te meenen. Hiertoe vermaant u de H. Greest, wanneer hij zegt: „Mijn kind, doe niets zonder vooraf te raadplegen, eti naderhand zal \'t u niet berouwen.quot;
Vierde vermaning. — Hebt gij eenmaal uwe keus gedaan, wijd dan aan dat beroep al uwe zorgen en krachten, ten einde het grondig en volmaakt aan te leeren.
Vijfde vermaning. — Beschouw de jaren, die gij als leerlinge in uw vak doorbrengt, als de belangrijkste uws levens. Dit trouwens zijn zij inderdaad,
111
DE SCHOOL
Immers in die jaren moet gij voor eene uabijzijnde toekomst den grondslag leggen voor nw tijdelijk bestaan, voor kost en kleeding en al wat er verder in \'t leven noodig is, om zoodoende als een nuttig lid der maatschappij te kunnen optreden, hetzij in het huisgezin, of in den handel, of in welke betrekking dan ook.
Zesde vermaning. — Bewijs steeds de stipste gehoorzaamheid aan uwe meesteressen en oversten. Denk, dat de waarschuwing des Apostels ook voor u geldt: „ Weest in alle dingen — die niet klaarblijkelijk met „ de geboden Gods, de wetten zijner Kerk of het ge-., weten in strijd zijn — aan uwe lichamelijke overheden „ onderdanig, en dit niet voor \'t oog alleen, alsof gij „ aan de menschen wilt behagen, maar gelijk dit betaamt „ aan dienaren van Christus: in de eenvoudigheid „ uws harten.quot; Geef derhalve nooit gehoor aan dezulken, die u tegen uwe oversten willen opruien en vooral volg hen niet na in hunne verkeerdheden. Luister alleen naar de stem van uw H. Geloof, dat u toeroept; „ Wees dmgenen, die God in zijne plaats over u heeft aangesteld, te zijner liefde onderworpen en gehoorzaam:\' Herinner u tot dat einde, wat wij u vroeger gezegd hebben over de zware straffen, waarmede God al diegenen bedreigt, welke het door Hem op aarde gevestigd gezag versmaden om hun eigen wil te volgen.
Zevende vermaning. — Neem elke aanmerking, elke vermaning of berisping van uwe overste of meesteres met liefde en dankbaarheid aan. Overtuig u altoos wel, dat zoowel het eene als het andere met goede bedoelingen geschiedt, en haar dit uit plichtbesef wordt ingegeven. Wacht u dus ook, van u ooit daarover boos te maken of haar met onwellevende of barsche woorden toe te spreken. Wacht u daarom eveneens
112
ÈN DË LEERTIJD.
voor alle overschatting van uwe bekwaamlieid (men noemt dat ook wel eens betweterij), eene font die u bespottelijk en hatelijk maakt, eene fout, die men niemand, doch allerminst aan jonge lieden vergeven kan.
Achtste en laatste vermaning. — Wees eindelijk altoos volmaakt rechtvaardig en eerlijk. Vermijd zelfs alles wat ook maar van verre uw goeden naam in dit opzicht in verdenking zou kunnen brengen. Gij moet u trouwens veel aan uwe eervolle reputatie bij de menschen laten gelegen liggen, volgens deze vermaning van den H. Geest; „ Draag zorg voor een goeden naam; want „ een goede naam is beter dan vele rijkdommen^ en in „ de gunst der menschen te staan is meer waard dan „ zilver en goud.quot;
Laat ik er tot uwe aanmoediging nog bijvoegen, dat gij u door de trouwe vervulling uwer plichten van leerlinge groote schatten van verdiensten by God zult verzamelen, groote vorderingen in de deugd maken en een bijzonderen zegen des hemels over u aftrekken.
Overigens ontbreekt het niet aan verhevene voorbeelden, die gij u als leerlinge ter navolging kunt voorstellen. Laat ik u ten minste op twee voorname wijzen. Ik bedoel op de eerste plaats den grooten Apostel der heidenen, den H. Paulus. Uitdrukkelijk wordt van hem in de handelingen der Apostelen verhaald, dat hij te Corinthe aangekomen, zijn intrek nam bij zekeren Aquila, die het handwerk van tentenmaker uitoefende en met dezen tenten vervaardigde, om zoodoende zijn brood te verdienen en aan niemand der aldaar wonende geloovigen tot last te zijn. Geen twijfel derhalve, of de groote Apostel heeft zich, ten einde dit bedrijf behoorlijk aan te leeren, een tijdlang als gezel door een deskundige laten onderrichten. — En wat zal ik u vervolgens van Jezus Christus, den
8
113
DE SCHOOL EN DE LEERTIJD.
Zoon Gods zeggen? Is Hij niet, (o wat een verbazend geheim!) jaren lang de leerling van zijn heiligen voedstervader Joseph geweest, oai het nederig handwerk van timmerman aan te leeren ?
Mogen deze twee uitstekende toonbeelden u gedurende uwe leerjaren gestadig voor oogen zweven! Dan zult ook gij gewis als christelijke leerlinge een godgevallig en deugdzaam leven leiden.
114
s/Ka
HOOFDSTUK XUI.
WERELDSCHE MANIEREN.
Eene katholieke jongedochter behoort zich overal en in alle omstandigheden christelijk te gedragen.Alles wat aan haar is moet het kenmerk van een christelijken geest dragen; hare wijze van spreken, hare gebaren, hare uitwendige houding, hare gedragingen jegens anderen, hare kleeding, met één woord, haar geheel persoon. Het is trouwens niet genoeg, mijn dierbaar kind, in uw hart de leer en wetten van Jezus\' evangelie te eerbiedigen; gij moet hiervan ook openbare belijdenis doen in het aangezicht der wereld en met Paulus durven zeggen: „Ik schaam mij niet over het Evangelie.\'\'\'
Hierom nu is \'t uw eerste plicht, ofschoon de gemakkelijkste van alle, u te onthouden van wat men gewoon is te noemen : wereldsche manieren.
quot;Wat dit woord aanduidt is gemakkelijker door voorbeelden te verklaren dan te omschrijven.
Dit zij voorop gesteld, dat wereldsche manieren in lijnrechte tegenstelling staan met christelijke manieren. Deze laatste dragen alle het stempel van ernst, zedigheid en innige vreeze Grods; de eerste daarentegen kenmerken zich door lichtzinnigheid, verregaande ongedwongenheid en eene vaak bespottelijke verwaandheid.
Wilt gij, dat ik u een meisje met wereldsche manieren in vluchtige trekken schetse ?
Welnu geef dan acht. Ziet gij daar ginds in de straten die jongedochter op u aankomen met hare nooit rustende oogen, die naar alle zijden omzien; met dat gedurig
WERELDSCHE MANIEREN.
draaiend hoofd en dien kunstmatig afgemeten stap ; met die sierlijk zwierende armen en bovenal met dat air van grootschheid en zelfvertrouwen op het gelaat ? Dat is zij. Durft gij haar aanspreken? Gij zult haar nog beter leeren kennen. Grij zult hooren met welk eene gemaaktheid van stem zij u antwoordt; hoe zij zich gedurig van zekere romantische spreekwijzen bedient, van zekere zinswendingen, die gij van andere gewone menschen nimmer hoort — en voorwaar geen wonder. Immers romans lezen is mode onder zulke jonge lui en ongemerkt nemen zij vele der aldaar voorkomende uitdrukkingen over. Gij zult dien spreektoon wellicht laf en verwijfd vinden, ik wil \'t gelooven. Maar nu gij toch eenmaal het portret van de wereldsche jongedochter wenscht op te nemen, moet gij u dit alles voor eenige oogenblikken laten welgevallen. Ja, nu gij toch eenmaal begonnen hebt kennis met haar te maken, raad ik u tot uwe onderrichting aan, haar vandaag op hare verschillende wegen, waar de geest die haar bezielt bijzonder aan het licht treedt, te volgen.
Zie, daar bevindt zij zich in gesprek met eenige personen. Ziet gij wel hoe uiterst galant zij zich voordoet! hoe zij het lichaam buigt en zich heen en weer beweegt om hun te behagen en zoo mogelijk de eer te hebben hun een kleinen dienst te bewijzen ! Hoort gij wel, met wat pluimzachte en honigzoete woorden zij ieder van hen beurtelings aanspreekt ! hoe zij zich als uitput in allerlei betuigingen van hoogachting en dienstvaardigheid! Zulk een flauwe vleitaal walgt u, zegt gij. Ik geloof het gaarne; maar nog eens, om de wereldgezinde jongedochter heden voor goed te leeren kennen en met die kennis later uw geestelijk voordeel te doen, moet gij u vandaag dit alles een poos laten welgevallen.
116
WERELDSCHE MANIEREN.
Volgt gij haar liever in gezelschappen ? Gij zult u ook daar wederom vele fl au wigheden moeten getroosten; want van dezelfde verwaande gedraging, dezelfde romantieke kwinkslagen, dezelfde complimenteuse bewoordingen, dezelfde galante aardigheden jegens de daar aanwezige personen zult gij ook getuigen moeten wezen.
quot;Wilt gij haar eindelijk ook leeren kennen in de kerk, gedurende mis of vespers ? Men zon denken, dat de wereld ten minste hier op die heilige plaats geen toegang moest vinden.
Maar neen, gij vergist u: ook daar dringt zij met zulke jongedochters binnen. Gij kent ze ook daar terstond terug. Geen enkele persoon komt haar onder de oogen, of hij wordt van het hoofd tot de voeten doorhaar opgemeten. Ja, ook daar in (xods huis, speelt zij de galante door allerlei lichaamsbuigingen, dienstaanbiedingen, asjebliefjes en bedankjes. Onnoodig er bij te voegen dat al die betuigingen van hoffelijkheid zeer dikwijls weinig stichting geven voor de brave en godvreezende geloovigen, die hier van getuigen zijn en die terecht al zulke overdreven bewijzen van sympathie, vooral in eene plaats van gebed en onder de oogen van Jezus Christus zeiven, volstrekt onbetamelijk en misplaatst vinden.
Maar \'t walgt mij die schets nog verder voort te zetten — zulk een kwastenspel is al te bespottelijk! Of laat ik juister spreken en zeggen: zulke manieren zijn onchristelijkquot; en ergerlijk.
Inderdaad. Hoe toch is zulke handelwijs te rijmen met den geest des Christendoms ? Hoe al die gekunstelde vormen overeen te brengen met den eenvoud, die ons door onzen goddelijken Leermeester zoo dringend is aanbevolen ? Hoe rijmt die overdrevene losheid van
117
WERELDSCHE MANIEREN.
manieren met de liefde tot de zedigheid, die de volgelingen van liet Evangelie op ganscli bijzondere wijze moet onderscheiden?Hoe znlk een verwaanden ongodsdienstig uiterlijke rijmen met de nederigheid van harte en den geest van gebed, van welke deugden de Heer Jezus Christus ons zulke treffende voorbeelden ter navolging heeft nagelaten? Neen, wereldsche manieren passen niet aan een jongedochter, die er eer in stelt den naam van Christen te dragen.
quot;Wat meer is; zij zullen haar zelfs door God tot zonden worden aangerekend, omdat zij in menige omstandigheden den evenmensch tot ergernis strekken.
Ik beslis de vraag niet, of zij, die zulke manieren hebben aangenomen, booze bedoelingen in het hart koesteren. Dat is Gods zaak. Ik wil zelfs aannemen, dat vele, zich die alleen eigen maken door eene onnoozele navolgingsmanie, waarvan zij zich zeiven te nauwernoód rekenschap kunnen geven. Maar met dat al is \'t onbetwistbaar zeker, dat zulke manieren, wanneer zij tot overdreven behaagzucht jegens anderen overslaan, meer dan eens aan personen van een feeder geweten tot onstichting en ergernis strekken.
Het baat hier overigens niet, zich op de bestaande gebruiken der wereld te beroepen. Wat verkeerd en zondig is blijft zondig en veikeerd, al zou de geheele wereld het ook goedkeuren. Tegen de eeuwige en onveranderlijke beginselen van het H. Evangelie baat geen beroep op de grondstellingen eener bedorven wereld, die door den grondlegger van datzelfde Evangelie gevloekt is.
En daarom zij u gezegd, o dierbaar kind: wacht u wel van ooit wereldsche manieren aan te nemen, die óf wel te kennen geven, dat het hart door de grondbeginselen der wereld reeds verzinnelijkt en
118
WERELDSCHE MANIEREN.
bedorven is, óf meestal als zoovele voorteekens zijn van eene algeheele verbastering en den ondergang uwer zeden.
Laat uwe manieren deftig, eerbaar en wellevend zijn; maar al wat naar de bedorvene, wufte en zinnelijke wereld riekt, blij ve steeds verre van u!
119
HOOFDSTUK XIV.
DEFTIGE MANIEREN.
Zoo laakbaar wereldsche manieren zijn, zoo prijsbaar is \'t voor een christen meisje, deftige manieren te hebben. Door deftigheid versta ik niet gemaaktheid. Deftig van manieren is zij, die eenieder den aan zijn rang en stand in de maatschappij verschuldigden eerbied bewijst.
Deftig van manieren is zij, die zonder gemaakte stijfheid of weekelijke galanterie, tegenover lieden van fatsoen eene gekuischte taal spreekt en in al haar doen en laten eene gepaste ongedwongenheid eene gereserveerde gulheid en openhartigheid aan dendagiegt.
Deftig van manieren is zij, die in gezelschappen met bedaardheid en belangstelling de gesprekken en redeneeringen van anderen aanhoort zonder hen te onderbreken, vervolgens ten gepasten tijde bescheiden hare meening zegt en hare vragen stelt, en ook zelfs dan, wanneer zij \'t in kracht van bewijzen wint, zich wel wacht, van door pretentieuse of hatelijke bemerkingen het eergevoel harer tegenpartij te krenken.
Deftig van manieren is de jongedochter, die tegenover iedereen eerbiedig, ja en zelfs gedienstig is, maar zich nimmer in blikken, gebaren, uitdrukkingen of handelingen de minste familiariteit jegens hen veroorlooft.
Deftig van manieren is eindelijk zij, die zelfs bij de luidruchtigste feesten en vroolijkste bijeenkomsten een zeker milieu tusschen ernst en uitgelatenheid weet
DEFTIGE MANIEREN.
te bewaren, en zich nimmer tot eenige trivialiteit of platheid in woorden of daden laat meêsleepen.
Onnoodig er bij te voegen, dat een meisje, wil zij zich deftig voor een beschaafd publiek vertoonen, ook tevens zorg moet dragen om in hare kleeding of houding alles te vermijden, wat terecht aan welopgevoede personen hinderlijk zon kunnen wezen.
Men heeft zich wel eens over onze zoogenaamde Hollandsche deftigheid vroolijk gemaakt. Was het met reden of ten onrechte ? Het doet hier weinig ter zake. Men kan natuurlijk die deftigheid overdrijven; we willen zelfs toegeven, dat zij wel eens door sommigen overdreven wordt en in pronkerige stijfheid ontaardt. Dit echter blijft voor rekening van diegenen zeiven, welke aldus een goede zaak te ver drijven. Maar dit neemt niet weg, dat deftige manieren, zooals men die, wellicht meer clan waar ook elders in ons vaderland vindt, hoogst prijsbaar zijn en door de christen jongedochter vooral, om menige reden ten zeerste zijn aan te bevelen.
Vooreerst, dierbaar kind, zijt gij daardoor gewaarborgd tegen menig gevaar, waaraan uwe zwakke jeugd is blootgesteld. Men zal het inderdaad niet licht beproeven zulk een jongmenseh tot onzedelijkheid te verleiden, veel minder dan een ander, die ruw en onbeschoft van manieren is. Die deftige houding, die deftige toon van stem waarop zij spreekt, de gepaste terughoudendheid, die daar zelfs te midden van hare grootste vroolijkheid, in geheel haar persoon doorstraalt, dat alles is voor hen die haar kennen, als eene stilzwijgende waarschuwing, als eene stem die hun toeroept: „Niet te ver ! ik blijf binnen gestelde „gi\'enzen en hou niet van onbezonnenheid.quot;
Ook voor uw eer en goeden naam heeft die
121
DEFTIGE MANIEREN.
deftigheid in toon en omgang groote waarde. Neen, men zal \'t niet gemakkelijk wagen uwe reputatie van eerlijk en deugdzaam meisje aan te randen, zoolang gij een gereserveerd en statig uiterlijk bewaart. quot;Want, behoudens sommige gevallen, waarin de huichelaar zich met het masker der deugd bedekt, is en blijft het waar (ook in de opvatting der wereld) dat een deftig uiterlijke de trouwe weerspiegeling is van eene goed geregelde, bezadigde en van booze hartstochten vrije ziel.
Laat ik er nog bijvoegen, dat die uitwendige deftige stemming volkomen strookt met den geest van \'t heilig Evangelie.
Dat zij eigen geweest is aan den menschgeworden Zone Gods, toen Hij onder zijne tijdgenooten op aarde omwandelde, wie zal \'t betwijfelen? Laat het zijn, dat de Evangeliën het ons niet uitdrukkelijk zeggen, zooveel is zeker, dat wij ons geen ander passend ideaal voor een Grodmensch kunnen voorstellen. Ons godsdienstig instinkt (als ik zoo spreken mag) dcet ons dat als een ontwijfelbaar feit aannemen. — Ook in de brieven der Apostelen vinden wij menige vermaning, die hierop doelt. Zoo schrijft o. a. de H. Apostel Paulus aan de geloovigen van Ephese : Men hoore onder u geen enkel oneerbaar, gekscherend of laagboertig ivoord, dat niets ter zake doet, zooals \'taan heiligen betaamt. En elders schrijft hij aan zijn leerling Timotheüs, hij zou zorgen voor de geloovigen een toonbeeld van ernst en deftigheid te wezen. En wederom elders; Wees voor anderen een toonbeeld, door ernst en deftigheid.
Het is overigens duidelijk, dat zulk een ernstige en stemmige gemanierdheid uit haren aard zeiven uitmuntend geschikt is ter beoefening van vele chris-
122
DEFTIGE MANIEREN.
telijke deugden, zooals van geduld, zaclitmoedigheid, geest van gebed, de oefening van Gods tegenwoordigheid, van do goede meening enz., deugden, die alle eene bezadigde, ernstige en ingetogene gemoedsgesteltenis vorderen. Wie al te los en vrij in zijne uitwendige manieren is, zal. zicli moeilijk op degelijke deugd kunnen toeleggen.
Al die beweegredenen zullen u aansporen, vertrouw ik, u te gewennen, om in uw omgang met anderen steeds een toon van gepaste deftigheid aan te nemen.
Zorg slechts daarvoor, dat gij de zaak niet overdrijft en dat uwe deftigheid niet ontaarde in stroefheid of afstootende stijfheid. Daardoor toch zoudt gij bij de zwakgeloovigen een verkeerden dunk omtrent de godsdienstigheid doen ontstaan, alsof een gezellige en meegaande omgang onbestaanbaar ware met een waarlijk godsdienstig en christelijk leven. Gij zoudt daarenboven u zei ven in \'t oog der wereld bespottelijk en gehaat maken, uwe beste vriendinnen van u vervreemden en ongeschikt worden om uw stand in de wereld behoorlijk waar te nemen.
Het ware standpunt, waarop gij u moet trachten te plaatsen, ligt dus ook hier tusschen twee uiterste richtingen, die beide verkeerd zijn. Vermijd ter eener zijde alle wereldsche manieren, ter anderer zijde alle stroefheid en kunstmatige stijfheid, en gij zult overal ter wereld uw karakter van christen jongedochter met eere handhaven.
123
HOOFDSTUK XV
Godsdienstigheid.
Onze eeuw is bij uitnemendlieid spotziek, \'t Is de nog immer voortlevende geest van den aartsgodde-loozen Voltaire, die het spotten met al wat deugdzaam of wat de deugdzaamheid han bevorderen, als het voornaamste wapen bezigde, om zijne vrienden tot afval van het geloof en zedeloosheid te verleiden, en die ditzelfde wapen aan zijne onedele volgelingen gedurig aanbeval.
Niets is dan ook inderdaad meer algemeen in de wereld onzer dagen dan te hooren spotten met personen, die een godsdienstig leven leiden. Men scheldt ze uit voor huichelaars, fijnen, kwezelen, middeleemvsche achterblijvers, voor lieden die niet op de hoogte van hun tijd staan, die in de tegenwoordige maatschappij niet meer te huis behooren, enz. Want — zoo zeggen zij — wie een kind der 19e eeuw wil heeten, moet zelden bidden, weinig ter kerke gaan, zeldzaam biechten en communiceeren, en vooral zich niet veel storen aan het preeken der geestelijken. Om als eane wetenschappelijk ontwikkelde jongedochter op te treden,moet zij zich boven al die vooroordeelen en bijge-loovigheden uit vroegere tijden verheffen, moet zij niet meer aan den leiband van \'t kerkelijk gezag loopen; maar hare eigene overtuigingen vormen en die volgen.
Godsdienstig zijn is dus in hare opvatting niets anders dan ijdel bijgeloof!
GOÜSDIËNSTlGHElt).
Grod beware u, dierbaar kind, dat gij u ooit door zulke valsebe en goddelooze gezegden laat verschalken! Hij geve u daarentegen veeleer, dat gij alle dagen meer en meer overtuigd moogt worden, dat niets zoo redelijk, niets zoo billijk, maar ook niets zoo zalig en troostvol voor u zelve is, dan een waarlijk godsdienstig leven te leiden.
Overweeg dikwijls tot dat einde de volgende onom-stootelijke grondstellingen van uw heilig geloof.
Ie Grondstelling. — Gij zijc niet geschapen voor het tegenwoordig leven, maar voor God en den hemel. — Immers al wat het tegenwoordig leven u aanbiedt, is niet in staat de verlangens en neigingen uws harten ook maar voor één dag te bevredigen. Dit kan alleen een God, in wiens bezit wij een oneindig en eeuwigdurend genot zullen smaken, zoodra wij eenmaal, na volbrachten levensloop, tot loon voor onze getrouwheid in zijn heiligen dienst, in den hemel zullen worden toegelaten. „Gij hebt ons Heer voor u gemaakt; — zegt de H. Augustinus, — en rusteloos blijft ons hart totdat het rust gevonden heeft in U.quot;
2e Grondstelling. — Zalig worden is onze gewichtigste bezigheid op aarde. — „ Wat toch kan het den „ menscJi baten\'\'\' zegt Jezus, „dat hij ook de ganse he „ wereld zvitine, indien hij schade lijdt aan zijne ziel ?
3e Grondstelling. — Onze voornaamste zorg in dit leven moet zijn, aan God te behagen en in zijne genade te leven. — Hoe zouden wij anders het eerste en grootste gebod des Heeren kunnen volbrengen, dat luidt: „ Gij zult den Heer uwen God beminnen uit geheel uw hart f En hoe zouden wij van den anderen kant zonder dat, ooit den vrede des gewetens smaken\'? Immers als een onomkoopbaar rechter, die tevens getuige onzer daden is, zou dat geweten ons gedurig verwijten, dat wij aan
125
GODSDIENSTIGHEID.
de heiligste onzer plichten zijn te kort gebleven. En met zulke verwijtingen is geen inwendige rust of tevredenheid bestaanbaar.
4e Grondstelling. — De beleediging Gods, de doodzonde, is de grootste ramp, die de mensch zich kan berokkenen. — Immers hij verliest daardoor, tot zijn rechtmatige straf, de vriendschap van dienzelfden God, alle recht op den hemel, de verdiensten zijner goede werken, de rust zijns harten en stelt zich daarenboven bloot aan zijne eeuwige verdoemenis in \'t andere leven, welke verdoemenis hij ook inderdaad stellig zal inloopen, zoo hij in dien toestand van ongenade met zijn God uit deze wereld scheidt.
5e Grondstelling. — God verdient uwe gansche liefde en de algeheele toewijding van uw persoon aan zijn dienst. — Is Hij trouwens niet het eerste aller wezens, zonder hetwelk er volstrekt geen enkel wezen ooit bestaan hadde? Is Hij niet oneindig, oneindig goed? eindeloos machtig, die uit loutere goedheid jegens ons, alles geschapen heeft en voortdurend in stand houdt ? die daarenboven gezworen eu beloofd heeft, zelfs geen dronk koud water, in zijnen naam aan een dorstige gegeven, onbeloond te zullen laten? Is Hij het niet, die in den hemel door millioenen van zalige geesten met de volmaaktst mogelijke bereidvaardigheid gediend wordt? en die eindelijk zoo ver gaat, dat Hij de liefde onzer harten als \'t ware smee-kend afbedelt, wanneer Hij zegt; „Mijn zoon, schenk mij uw hartf
6e Grondstelling. — Wacht u dus wel, ten koste uwer zaligheid, en ten spijt van God, uw hart aan de goederen der aarde te hechten, maar hecht u aan God alleen. — Immers al wat ge op aarde vindt, is ij delheid der ij delheden en kwelling des geestes, niets
126
GODSDIENSTIGHEID.
meer. Vandaar de vermaning des Apostels ; „Wilt de wereld nocli datgene wat in de wereld is beminnen. Zoo iemand de wereld bemint, dan is de liefde des Vaders niet in bem. En de wereld en al wat zij ons begeerlijks aanbiedt, gaat voorbij.quot; De wereld en al hare bekoorlijkbeden gaan voorbij — zegt bierop de H. Augnstinns. „Wat wilt gij nu? Wilt gij bet tijdelijke beminnen en met den tijd voorbijgaan? Of de wereld niet beminnen en eeuwig leven met God ?quot;
Met deze grond waarheden des geloofs, als met een ondoordringbaar pantser toegerust, moet gij al de bedendaagscbe bespotters der godsvrucht onverschrokken te gemoet treden en door openlijke daden toonen, dat gij ze aandurft.
\'t Zij u derhalve een onveranderlijke wet, eiken morgen en avond met innige godsvrucht uwe gebruikelijke gebedsoefeningen te verrichten.
Woon ook dagelijks, tenzij uwe bezigheden of onvoorziene omstandigheden het mochten verhinderen, het H. Misoffer bij en schaam u niet, u in Gods huis met allen mogeUjken eerbied te gedragen. Kwijt u vooral zogvuldig hiervan des Zondags en op verplichtende Feestdagen. Vergenoeg u zelfs niet met het bijwonen der H. Mis; maar ga nog, zoo mogelijk, des namiddags naar Vespers en Lof.
Nader eveneens menigwerf tot de HH. Sacramenten der Biecht en Communie. Bedenk wel, wat de voornaamste leermeesters van het geestelijk leven zeggen, dat het namelijk voor eene jongedochter iu de wereld, waar de dengd aan zooveel gevaren blootstaat, uiterst moeilijk is het hart rein te bewaren, indien zij niet dikwijls door de genadekracht dier twee heilige Sacramenten versterkt wordt.
Knoop ook alleen bijzondere vriendschap aan met
127
GODSDIENSTIGHEID.
jongedochters van een onbesproken gedrag, die karakter en moed hebben om voor bare overtuiging uit te komen en hare godsdienstplichten trouw vervullen. Op zulke vriendinnen kunt gij rekenen. Bij haar zult gij in oogenblikken van moedeloosheid en in tegenspoed steun en opbeuring vinden. — Doch genoeg hiervan. In het tiende hoofdstuk van dit Handboek heb ik u over ditzelfde onderwerp reeds al het noodige gezegd. Gelief het daar besprokene nogmaals met aandacht te herlezen en te overwegen.
Overigens wenschte ik u, mijn dierbaar kind , nog eenige bijzondere oefeningen aan te bevelen, die zoo uitstekend geschikt zijn, om den geest van godsdienstigheid in uw hart aan te kweeken.
Vooreerst dan beveel ik u aan een innige devotie tot Jezus in zijn allerheiligst Sacrament des altaars.
Het geloof leert u, dat daar de menschgeworden Zone Gods onder den schijn van brood ter onzer lielde en troost dag en nacht waarlijk, wezenlijk en zelfstandig tegenwoordig blijft om ons gezelschap te houden, om onze gebeden te aanhooren, onze aanbidding te ontvangen en eindelijk om zich zeiven aan de H. Tafel tot spijs onzer ziel te geven. O ! hoezeer behoorde die waarheid ons gemoed in warme geestdrift te ontvlammen ! Hoezeer moest zij ons niet aansporen, om dien goddelijken Menschenvriend dagelijks ten minste eenige oogenblikken te gaan bezoeken, om ons hart aan hart met Hem te onderhouden ! Deze heilige oefening is u daarenboven zoo gemakkelijk gemaakt door den H. Alphonsus Maria de Liguori, dien vurigen vereerder van het allerh. Sacrament, die een allervoortreffelijkst boekje geschreven heeft, getiteld: „Bezoeken bij het allerh. Sacrament voor eiken dag der maand.quot; Gij vindt daar de schoonste gebeden en gemoedsont-
128
GODSDIENSTIGHEID.
boezemingen, die gij kunt uitdenken. Gij behoeft ze slechts met aandacht te lezen, om u op eene aller-nnttigste wijze van dien zoeten liefdeplicht jegens uw Verlosser te kwijten. Ik raad u dan ook dringend aan, dit boekje van den H. Kerkleeraar Alphonsus Maria aan te koopen. Zonden evenwel uwe vele bezigheden u niet toelaten, naar de kerk uwer woonplaats heen te gaan, niets ten minste kan u beletten, om nw Zaligmaker zulk een bezoek op afstand te brengen, door u in den geest vóór zijne voeten neer te werpen en Hem aldus te aanbidden, te bedanken en de behoeften uwer ziel aan te bevelen. Verzuim dit derhalve geen onkelen dag.
Ook de devotie tot Jezus\' H. Hart is een uitmuntend middel om dienzeltden geest van godsdienstigheid in uw hart te voeden, \'t Is hierom, dat de onsterfelijke Paus Pius IX en zijn opvolger, de thans roemvol regeerende Paus Leo XIII, zoo herhaaldelijk en met zooveel klem op de vereering van het goddelijk Hart des Zaligmakers hebben aangedrongen en de rijkste aflaten aan die devotie hebben toegekend. Ook heeft, in de laatste jaren vooral, de ondervinding bewezen, dat die devotie inderdaad oneindig veel bijdraagt, om den godsdienstzin onder de geloovigen van alle standen te doen toenemen.
Eu wat zal ik u zeggen over de devotie jegens de geliefde Moeder onzes Heeren, de nooit volprezene maagd Maria? Zeg mij, kan \'t wel anders, of door haar te vereeren, haar, die zulk een allervolmaakst ideaal der hoogste gods- vereeriug en godsdienstigheid geweest is, of daardoor moeten vanzelf ook in uw hart gevoelens van diezelfde deugd geboren worden ? Zij, die zieh reeds als driejarig kind onverdeeld en onvoorwaardelijk aan den dienst des Heeren in den
9
129
GODSDIENSTIGHEID.
tempel toewijdde, o zij roept ons allen met onweer-staanbaren nadruk toe: „Volgt mij na; zoo gij mij behagen en u mijne bijzondere voorspraak bij den almacbtigen (rod wilt waardig maken, wijdt n zeiven dan ook, naar mijn voorbeeld, onverdeeld en edelmoedig aan alles wat de ceredienst des Heeren van u vordert.
Wie weet overigens niet bij ervaring, boe allen die eene gemoedelijke devotie jegens O. L. Vrouw aan den dag leggen, een bij uitstek godsdienstig leven leiden ? Hun is \'t gebed lief, hen ziet men bij voorkeur dikwijls tot de heilige Sacramenten naderen, onberispelijk hun plichten van staat waarnemen, de gevaarlijke gelegenheden mijden, steeds bereid tot werken van liefdadigheid; met één woord, de dienaressen van Maria zijn, in den regel, toonbeelden van echt christelijke deugd ; zij vormen de zoogenaamde, al te vaak miskende, devote klasse eener parochie. Roep derhalve ook gij dikwerf\' haar heiligen en zoeten naam aan. Bid \'s morgens en \'s avonds ter eere van hare onbevlekte Ontvangenis driemaal het Wees gegroet. Bied haar ook dagelijks een Rozenkrans van vijf geheimen aan. Draag godvruchtig haar Scapulier van den Berg Karmel. Vier hare voornaamste feesten enz. en ook gij zult, evenals alle anderen, de zalige uitwerksels uwer devotie ondervinden.
Na al die middelen, welke ik u tot hiertoe heb aangewezen, voeg ik er nog een laatste bij, dat door de ondervinding blijkt allerdoelmatigst te wezen, cm den geest van christelijke godsdienstigheid onder de jon-gedochters levendig te houden. Ik bedoel het deelnemen aan godvruchtige vereenigingen. die door deH. Kerk zijn goedgekeurd en waar de regels nauwgezet onderhouden worden. Aan zulke vereenigingen. congregatiën of broederschappen ontbreekt het. God dank! in
130
GODSDIENSTIGHEID.
Nederland niet. Zoo bezitten wij onder andere, de Congregatie van O. L. Vrouw, het Aartsbroederschap der H. Familie, het Genootschap van den H. Francisous Xaverins en zoovele andere, waarin een groot aantal leden zijn opgenomen, die meestal met grooten ijver de vergaderingen bijwonen en zich overal door hun echten godsdienstzin op zeer gunstige wijze van alle anderen onderscheiden. En nu vraag ik: wat kan u beletten, om u in eene of andere dier vrome broederschappen te laten inschrijven ? De H. Alphonsus is onuitputtelijk om het groote nut van zulke instellingen te roemen. Kwam iemand den heilige raad vragen, om zich te midden der bedorven wereld staande te houden en vooral om niet door den geest van ongodsdienstig-lieid te worden aangestoken, dan gaf hij steeds ten antwoord: „ Mijn zoon, ik weet u geen beteren raad ie „ geven dan dezen: laat u opnemen als lid eener vrome „ vereeniging, waar een priester geestelijke onderrichtingen „ geeft, en waar de leden nog hun eersten ijver hebben ,, bjbehoudenr Ik zeg het dien grooten heilige na; wilt gij, o dierbaar kind, voor wien ik dit werkje heb geschreven, braaf en godsdienstig blijven en te midden der tallooze verleidingen die u omgeven, buiten gevaar leven, welaan, word dan lirl van een dergelijk godvruchtig genootschap. Beter waarborg bestaat er niet.
TJo H. Alphonsus sprak zooeven bij eigen ondervinding. Op zekere plaats zijner schriften schroomt hij niet openlijk te verklaren, hoe hij aan het trouw bijwonen van zulke leeken-congregatiën voor een groot gedeelte verschuldigd is, dat hij niet in zijne jongelingsjaren den weg des verderfs is ingeslagen.
De vrome en om zijne geleerdheid wijdberoemde Justus Lipsius betuigde hetzelfde. Ook was hij zóó nauwgezet in quot;t onderhouden van de regels zijner
131
GODSDIENSTIGHEID.
vereeniging, dat men hem meer dan eens van tafel, ofte midden van eon gesprek met zijne vrienden zag opstaan, om in deze of gene kerk de vergadering te gaan bijwonen. Hetzelfde lezen wij nog van vele andere geleerde en voorname mannen ; maar laat ik mij kortheidshalve bij de zooeven aangehaalde bepalen. Sommigen uwer vriendinnen of kennissen zullen er misschien om lachen, zoo gij u in gezegde vereenigingen laat opnemen. Het zij zoo.Maar vraaghaar dan eens,watzij dan toch bespottelijks of kleingeestigs daarin zien? En of het dan waarachtig niet der moeite waard is, dat gij om uwe onsterfelijke, kostbare ziel te redden, de middelen welke gij\' goedschiks benuttigen kunt, daartoe te baat neemt? In ieder geval zou \'tvan uwe zijde een bespottelijke lafheid verraden, zoo gij u om het onnoozel gelach van zwakgeloovige vriendinnen van stuk liet brengen en dit voortreffelijk middel van godsdienstigheid en van volharding niet aanwenddet.
Ik heb dit onderwerp uitvoeriger dan de overige willen bespreken én om het groot gewicht der zaak, én omdat juist dit punt door de vele jongcdochters onzer dagen al te zeer als bijzaak over \'t hoofd wordt gezien. Wat u aangaat, christen meisje, overtuig ii vandaag eens diep en innig, dat er voor uwe deugd en zaligheid alles aan gelegen is, recht godsdienstig te leven. Dat godsdienstig leven zal voor u zelfs tijdelijken zegen en voorspoed aanbrengen in al uwe latere ondernemingen, evenals zoovelen anderen (zij mogen dan ook betrekkelijk zeldzaam wezen in onze dagen), die aan hare reputatie van godsdienstige jongcdochters alle soort van welvaart in de wereld hebben te danken gehad. Het is overigens niets anders dan de vervulling van \'t bekende woord des Apostels ; „De godsdienstigheid is tot alles nuttig; zij heeft voor zich de belofte zoowel voor het tegenwoordig als voor V toekomend leven.quot;
132
HOOFDSTUK XVI.
STAAT DES LEVENS.
Ieder monadi heeft hier op aarde cene zending te vervullen, eene taak te volbrengen, waarmede zijn gansche leven, als \'t ware, gemoeid is. Trouwens de oneindig wijze God kan niet verondersteld worden een mensch te scheppen zonder hem tevens in de wereld eene plaats aan to wijzen en een bijzonder einddoel, dat hij trachten moet te bereiken. Het is dus een van onze voornaamste plichten, de ons persoonlijk aangewezene taak in \'t groot huisgezin der kinderen Grods wel te kennen.
Laat iemands stand in Grods kerk of in de maatschappij ook nog zoo onbeduidend wezen, hij heeft van Grods wege altoos zijn eigen roeping. Die roeping zou men mogen noemen eene bijzondere genade, waardoor God hem uitnoodigt aan zijn verheerlijking mede te werken in eene positie en op eene wijze, die in de plannen zijner voorzienigheid nauwkeurig bepaald en omachre-ven zijn.
Men kent die roeping: 1°. uit Gods inwendige roepstem, d. i. uit zekere geestelijke, sterk gevoelde aanlokkingen; 2°. aan een inwendigen aandrang, die ons als natuurlijk doet overhellen tot een bepaalde levensbetrekking; 3°. door de beslissing van gewetens-nauwe en verlichte oversten; 4°. uit den vermoedelijken toestand, waarin iemand, ten gevolge zijner verstandelijke en lichamelijke vermogens, met grond kan gedacht
STAAT DES LEVENS.
worden op zijne ware plaats te zullen wezen; 5°. door eene reeks van gebeurtenissen en omstandigheden, waarover G-od beschikt, ten einde ons tot de voltrekking zijner plannen te leiden.
En nu zeggen eenparig alle gezaghebbende schrijvers van \'t geestelijk leven, dat de mensch in de jaren zijner jeugd gcene gewichtiger zaak te verrichten heeft dan do keus van zulk een staat des levens. Laat het nog zoo waar zijn, dat elke levensstaat op zich beschouwd, goed mag heeten, dat men in eiken staat gelukkig kan leven en zijne zaligheid bewerken; toch blijft het waar, dat eenieder voor zich, wil hij dat tweevoudig doel bereiken, er op uit moet zijn, om onder de verschillende staten des levens, dien te kiezen en aan te gaan, waartoe hij zich door de goddelijke voorzienigheid geroepen aclit.
Dc H. Kerkvader Gregorius van Nasianze, dit punt besprekende, zegt: „Een bepaalden staat des levens „ omhelzen is eene zoo gewiehtige aangelegenheid, dat „ de gansche grondslag onzes levens, dat leven moge ..goed of slecht worden doorgebracht, er op berust.\'\' De eerbiedw. dienaar Gods, Lodewijk van Grenada, spreekt in denzelfden zin en bedient zich ter verduidelijking zijner gedachte, van eene treffende gelijkenis. quot;Wat hot hoofdrad in een uurwerk is, zegt hij, dat is dc keus van een staat in \'s menschen leven. Is dat hoofdrad uit zijn verband gerukt, zoo spreekt hij, aanstonds staat het geheele uurwerk stil, of het loopt althans niet meer geregeld. Zoo is \'t ook, zegt hij, met den mensch. Bevindt zich iemand door zijne schuld buiten den staat waarvoor hem God bestemd had, dan zal geheel zijn leven niets anders zijn dan eene aaneenschakeling van misstappen en zonden, often minste zal hij niet dan met de uiterste inspanning kunnen zalig worden.
134
STAAT DES LEVENS.
Dit laat zich dan ook gemakkelijk begrijpen. Aan iederen staat des levens trouwens zijn bijzondere moeie-lijkbeden en gevaren eigen. Wij moeten hierom aannemen, dat do alwijze Grod aan ieder dier verschillende levensstanden eigenaardige, aan die gevaren en mooie-lijkheden geëvenredigde genaden heeft toegedacht, opdat eenieder in zijn staat zijne zaligheid zou kunnen bewerken.
Stellen we nu, dat gij door uwe schuld buiten den staat zoudt leven, waartoe Grod u heeft geroepen, wat moet er dan noodzakelijk voor u uit volgen ?
Daaruit moet volgen ;
Dat gij, bij gebrek aan die genaden Gods, ter oorzake dier onvoorziene mooielijkheden, oen aanhoudend zielsverdriet zult ondervinden ; en dat onvermijdelijk ongenoegen zal u mettertijd allen lust voor uwe plichten van staat doen verliezen en ze u eindelijk geheel doen verwaarloozen.
Daaruit moet nog volgen:
Dat de gevaren, die gij in uwen niet door (arod bestemden staat ontmoet en waartegen gij niet opgewassen zijt, u in eeno menigte van zonden zullen doen vallen.
En wat zal het noodzakelijk eindgevolg van dit alles wezen V Dat gij voortdurend in een klaarblijkelijk gevaar voor uwe zaligheid verkeert.
Ziet gij dus, hoeveel er aan gelegen is, u vooraf wel te vergewissen welken staat gij moet omhelzen, om niet buiten de orde van Gods voorzienigheid te geraken ?
En hoe het hiervoor aangelegd? vraagt gij.
Gij moet op de eerste plaats raad houden met u zeiven. Dit is met andere woorden gezegd: gij moei u zeiven in alle oprechtheid en met allen ernst afvragen,
135
STAAT DES LEVENS.
waartoe gij u het meest genegen voelt; maar tevens ook, voor welke betrekking of welk bedrijf gij naar lichaam, geest en hart het best geschikt zijt. Is het om uw leven te midden der wereld of in een klooster door te brengen? „Mijn zoonquot;, zegt n de 11. Geest in het boek Ecelesiastieus, „hond goeden rand niet 2iw eigen hartp En de H. Kerkvader Ambrosius zegt: „Eenieder trachte zijn eigen karakter en aanleg te kennen en legge er zich vervolgens op toe, datgene wat hij als het geschiktste voor zich kiest, trouw te vervullen.quot; Wie toch zal \'t betwijfelen, of het inwendig bewustzijn, dat men aldus van zijne al- of niet- geschiktheid voor dezen of genen staat verkrijgt, is oen waar kenteeken van roeping, waaruit men met alle mensche-lijke zekerheid besluiten mag, dat God ons in zulk een staat wil geplaatst zien? Wie anders toch dan God legt den mensch zulk eene besliste neiging in het hart, ecne neiging, waaraan hij beseft te moeten toegeven, wil hij op aarde gelukkig wezen ? En wie anders nog dan diezelfde God geeft ons die bijzondere eigenschappen van lichaam en geest, waardoor wij voor dezen of genen staat bekwaam worden ? Laat het zijn dat die lichamelijke hoedanigheden, die verstandelijke begaafdheden, die eigenschappen des gemoeds zich in lateren tijd door uw toedoen meer en meer ontwikkeld hebben, de eerste aanleg is dan toch in elk geval van God zeiven uitgegaan. Hij dus, die hier beneden alles met wijsheid verordent en de middelen steeds aan het doel, dat Hij beoogt, evenredigt, hij geeft u door die n bijblijvende neiging en geschiktheid voor een of anderen staat genoegzaam te verstaan, dat Hij in dien staat door u gediend wil wezen.
Het eerste middel derhalve, dat gij moet aarwenden om u aangaande uw staat des levens van Gods wil te
136
STAAT DES LEVENS.
vergewissen, is: u zeiven met alle oprechtlieid te onderzoeken.
Dat alleen is evenwel niet voldoende. Al te vaak trouwens komt ook hier de eigenliefde in het spel, en die eigenliefde verblindt n de oogen. \'t Is hierom dat gij, in de tweede plaats, te rade moet gaan bij anderen, en wel bij onpartijdige, voorzichtige en van Gods Geest bezielde personen. Wie zijn deze? Dit zijn vooreerst uwe ouders. Dit zijn nog en vooral de priesters en meer bepaaldelijk uw biechtvader. Dezen toch heeft God ambtshalve aangesteld om de menschen in de keus van hun levensberoep voor te lichten en te geleiden. Aan deze bevoegde en onbevooroordeelde scheidsrechters moet gij dus den toestand, de gezindheid uws harten blootleggen, maar ook hun raad en beslissing nauwgezet volgen. In dit punt vooral behoort men de vermaning des H. Geestes voor oogen te houden. „ Wie verstandig is, luistert naar raad.quot; Het is waar: ouders zijn dikwijls onredelijk in hunne zienswijze en eigenbaatzuchtig, wanneer het er nl. op aankomt raad te geven aan een kind, dat zich tot den geestelijken staat geroepen voelt. Maar ook in dat geval (zoo zeggen ons eenstemmig de heiligen en de geestelijke schrijvers) is zulk een kind niet gehouden hun raad te volgen, als zijnde deze klaarblijkelijk in strijd met den wil Gods. Doch in het algemeen, daar de kindereu in de keuze van een levensstaat meer nog dan de ouders, gevaar loopen, zich door verkeerde beginselen te laten verleiden, is het raadzaam voor het kind de gansche zaak aan een wijzen en godvreezenden priester, inzonderheid aan den bestuurde]- zijns gewetens, aan den biechtvader, bloot te leggen en diens beslissing gehoorzaam te volgen. — Dat overigens deze gehoord moet worden, wanneer het zich om \'t aanvaarden van den religieusen staat
137
STAAT DES LEVENS.
handelt, wie zal \'t durven betwijfelen? De roeping trouwens tot dien staat is ten allen tijde als iets ongewoons eu exceptioneels beschouwd ; waarom dan ook meer dan gewone bewijzen, exeeptioneele teekens gevorderd worden, om te kunnen vaststellen, dat iemand tot zulk een staat door God bestemd is. En in den regel is de priester, de biechtvader alleen in staat dit met genoegzame zekerheid te constateeren. Als leidsman der zielen wordt hij in de zaken des gewetens op bijzondere wijze door God verlicht ; weshalve gij hem dan ook gerust uw volle vertrouwen moogt schenken; gij zult er nooit kwalijk bij varen. Wat meer is: „gesteld zelfs, zegt de H. Alphonsus, dat een biechtvader eene gansch verkeerde uitspraak zou doen, dan nog zal de gehoorzame biechteling er gcene schade bij lijden. In zulk geval ( wat evenwel slechts hoogst zeldzaam plaats vindt) zal God, desnoods, zelfs een wonder werken, opdat alles te zijnen gunste uitvalle.quot;
Bovenal echter moet gij inzulk eene hoogst gewichtige en duistere zaak te rade gaan bij God, d. i. g. gij moet door oen aanhoudend en vurig gebed vragen, dat Hij u, uwe ouders en uw geestelijken leidsman verlichte, opdat gij zijn heiligen wil jegens u klaar en duidelijk erkennen moogt. Bid derhalve dikwijls in die dagen met deze woorden uit het Boek der Wijsheid: „Geef mij, o Heer, de Wijsheid die zvacht houdt bij uwen troon. Zend haar van mven troon af ... opdat ik zoete, zvat aangenaam is in uwe oogeti.quot; Ofwel met David: „Heer, laat mij den weg kennen, dien Gij wilt dat ik bewandelen zou.quot;\' Of met Paulus : „Heer, wat wilt Gij\' dat ik doe f
En wilt gij, dat uw gebed des te zekerder van God verhoord worde, zoek dan zijne gunst te winnen door een braaf, godsdienstig en volmaakt-zedelijk leven, door het getrouw waarnemen uwer christelijke plichten.
138
STAAT DES LEVENS.
door het veelvuldig en waardig ontvangen van de heilige Sacramenten der Eiccht en Communie, en door ii zorgMildig te onthouden van alle /ware zonden, inzonderheid van die, waardoor de heilige deugd van eerbaarheid gekwetst wordt. Wees daarom steeds indachtig dat er geschreven staat: „De wijsheid des Heercn zal niet wonen in een lichaam dat slaaf\' is der zonde.quot;
Tracht u verder nog op geheel bijzondere wijze de voorspraak der allerheiligste Maagd Maria en die van haar heiligen Bruidegom Joseph te verzekeren. Bedenk, hoe Maria door de Kerk zelve wordt aangeroepen onder den titel van „Zetel der goddelijke wijsheidquot; en onder dien van „Moeder van goeden raad.quot; Het is dan ook wel ontegensprekelijk Gods wil, dat wij in eene voor onze zalighied zoo hoogst belangrijke zaak op bijzondere wijze tot Maria\'s voorspraak onze toevlucht nemen. — Ook van Joseph\'s voorbede mag dit gezegd worden. De ondervinding trouwens heeft sinds eeuwen doen zien, dat zij, die Joseph\'s voorspraak voor \'t welslagen hunner kens van een staat des levens hebben ingeroepen, vaak boven alle verwachting hun doel bereiken. Bid derhalve dagelijks tot dat einde óf\' do Litanie van Loretto, óf 7 Wees gegroetjes, óf\' een ander gebed waarin uw godvruchtig hart meer smaak vindt. Voeg daarbij ook óf 7 Wees gegroetjes ter cere van Maria\'s Bruidegom, óf de Litanie van den H. Joseph, óf een ander gebedje naar uw eigen keus.
Spaar u, mot één woord, geene moeite om u desaan-gaande met alle zekerheid van Gods H. Wil te vergewissen. Immers van deze keus hangt grootendeels uw geluk ai\', zoowel voor den tijd als voor de eeuwigheid.
139
HOOFDSTUK XVII.
DE KLOOSTERLIJKE STAAT.
Reeds sedert de aloudste tijden des Christendom heeft God in zijne kerk uitverkoren zielen opgewekt, die, niet tevreden met de onderhouding der goddelijke geboden, zich vrijwillig tot de naleving der evangelische raden verplichtten, om aldus tot een hoogeren graad van volmaaktheid en tevens tot een verhevener trap vau heerlijkheid in den hemel te geraken.
Aangedreven door hunne liefde tot God en door zucht tot heiligwording, verbonden zij zich door gelofte tdt vrijwillige armoede, tot volmaakte gehoorzaamheid opziehtens hunne door de Kerk wettig aangestelde overheden, en tot algeheele levenslange zuiverheid van ziel eu lichaam. Zij namen daardoor tevens de verplichting op zich, om volgens een vastgestelden en door de Kerk goedgekeurden levensregel naar eene met hun staat overeenstemmend,! heiligheid te streven.
Bezield van denzelfden geest kwamen aldra meerdere zulke uitgelezen Christenen van beiderlei geslacht er toe, zich onder eenzelfden regel en overste als broeders of zusters te vereenigen. En zoo zag men mettertijd allerwege kloosters en kloosterorden ontstaan, wier leden, hoe verschillend ook van naam en uiterlijke eigenaardigheden, toch allen hetzelfde doel nastreefden, te weten : hunne zelfheiliging, door de beoefening dei-evangelische deugden in meer dan gewone volmaaktheid.
Het valt niet te ontkennen, dat zij, die zich aan
DE KLOOSTERLIJKE STAAT.
zulk een leven toewijdden, steeds bij de Kerk in hooge achting stonden en zich in hare beste gunsten en voorrechten mochten verheugen. De Kerk begreep namelijk, dat personen, die de evangelische zedenleer, welke ons door Jezus Christus gepredikt is, in al hare volheid in oefening brengen, reeds daarom alleen de lievelingen van zijn goddelijk hart moesten wezen. Ook heett men hen door alle eenwen beschouwd als vormende het beste gedeelte van Christus kudde, als zulken, die, meer dan alle overigen, Jezus\' leerlingen en navolgers verdienen te heeten.
Men vergist zich echter grootelijks zoo men meent — en velen verkeeren in die dwaling — dat men, om in een klooster te gaan, reeds vooraf volmaakt en heilig behoort te wezen. Dit is niet zoo. Genoeg is \'t, den ernstigen wil te hebben, heilig en volmaakt te worden. De godgeleerden en geestelijke schrijvers zijn het hierin allen eens. Uitdrukkelijk zegt onder anderen, de engelachtige Leeraar, de H. Thomas van Aquine: „De religieuse staat is een soort van oefenschool, waar men zich toelegt op het verkrijgen der heiligheid.quot; Dus, volgens dien grooten Kerkleeraar, treedt men in \'t klooster, niet om daar de reeds aangeworven heiligheid in oefening te brengen, maar om zich door oefening de nog ontbrekende heiligheid aan te werven. Dit moet. u, zoo gij meent tot dien staat geroepen te zijn, opbeuren en moed geven.
Ik zeg; zoo gij meent tot dien staat geroepen te zijn.
Wat ik u vroeger gezegd heb over de maatregelen, die gij moet aanwenden om u betrekkelijk den staat des levens van Gods roeping te vergewissen, dit alles geldt ook hier. Ik kan dus volstaan met u derwaarts te verwijzen. Dit alleen moet ik er nog bijvoegen : wees vooral in dit punt niet onbezonnen en overhaastig
141
DE KLOOSTERLIJKE STAAT.
om eene beslissing te nemen. Maar nok, omgekeerd, talm niet lang om uw voornemen uit te voeren, wanneer gij ii eenmaal, na rijp beraad en op goede beweeggronden, voor \'t aanvaarden van dien staat verklaard hebt. Trouwens het eene zoowel als bet andere zon de noodlottigste gevolgen voor uwe zaligheid kunnen bebben.
Wees niet overhaastig, zeide ik, om te beslissen.
Overweeg derhalve eerst rijpelijk en herhaaldelijk volgende waarheden:
1. Waarheid. — Hoe heilig in zich en boe heilzaam voor de ziel de kloosterlijke staat ook zij — gij, voor u, zoudt die voordeelen er niet van genieten, zoo gij niet daarvoor van God den noodigen zielsaanleg mocht gekregen hebben; met andere woorden, zoo Hij uniet daartoe zou geroepen hebben. Wat baten de prachtigst bewerkte schoenen, zoo zij niet aan den voet passen, en de keurigste spijzen, zoo de maag ze niet verduwen kan? Evenzoo zijn de uitgelezenste middelen van heiliging, die men in \'t klooster vindt, van weinig nut voor haar die ze ongebruikt laat. En wie zich voor zulk een leven niet geroepen voelt, zij zal ze niet benuttigen; ze dienen haar dus tot niets.
2. Waarheid. — De kloosterlijke staat brengt zeer veel zware verplichtingen met zich mede. Of is \'t geene zware verplichting, geen voet te mogen verroeren tegen den wil uwer overste? ieder oogenblik gereed te moeten staan, om al hare bevelen, zoo groote als kleine, uit te voeren? Is \'t geene zware verplichting, u alle willekeurige beschikking over geld en goed te moeten ontzeggen en tevreden te zijn met alles wat u aan voedsel en kleeding uit den gemeenschappelijken voorraad verstrekt wordt? Is \'tgeene zware verplichting in \'t algemeen aan alle zinnelijke genoegens door
142
DE KLOOSTERUJKE STAAT.
gelofte te verzaken V Is \'t geene zware verplielitin g eindelijk, geheel zijn loven lang met een aantal medezusters, dat is gezegd, niet menschen die de meest niteenloopende karakters hebben, dag aan dag in een en \'t zelfde hnis te moeten wonen en gedurig met haar in aanraking te komen?
Dat er voor dit alles eene reusachtige wilskracht en eene gedurige, volslagene zelfverloochening gevorderd wordt, zult gij wel vanzelf begrijpen. En nu vraag ik u : zijt gij ook tegen al die bezwaren opgewassen ?
3. Waarheid. — Al wordt u bij quot;t intreden in liet klooster een ander kleed, het habijt der orde, aangetrokken, daarom toch legt gij uwe vroegere menschelijkheid niet af, maar gij neemt n zelve naar \'t klooster mede. Wat is dat gezegd r Dit is gezegd; al uwe zwakheden, teergevoeligheden, luimen en driften, die gij in de wereld hadt, blijven u bij, met dit verschil echter, dat, terwijl gij\' in de wereld deze soms voldoen kondt, er hiervoor geene gelegenheid wordt gegeven in \'t klooster.
Al deze waarheden, dierbare jongedochter, moet gij vooraf zeer ernstig en niet eens, maar meermalen voor God overdenken, wilt gij geen ontijdigen en onberaden stap doen.
Blijft gij evenwel, na alles goed doordacht en gewogen te hebben, in de stellige overtuiging volharden, dat God u in \'t klooster wil; geeft u daarenboven uw zielsbestierder do verzekering, dat het inderdaad uwe roeping is — talm dan ook niet langer dan noodig is om uw heilig besluit ten uitvoer te leggen. Laat u dan niet meer terughouden door al de schrikbeelden, die de eigenliefde u voor den geest toovort. Stoor u even mm aan al de inblazingen van den Satan, die door allerlei spitsvondige redeneeringen u in de wereld zon willen doen terugblijven. Laat u
148
DE KLOOSTERLIJKE STAAT.
eindelijk ook niet verteederen door klaagrelreinen van ouders, familie of vrienden.. Volg edelmoedig den grooten aartsvader Abraham na, die op \'t eerste bevel des Heeren, zijn land en zijne maagschap verliet om heen te gaan naar \'t vreemde land, dat God hem in de verte had aangewezen. Zet n. met één woord, over alle menschelijke bezwaren en moeielijkheden heen, u sterk makende door deze uitspraak van den H. Kerkleeraar Alphonsus Maria de Liguori: „Wie door God geroepen is, zich in het klooster te heiligen, zal niet dan uiterst moeilijk zijne zaligheid kunnen bewerken in de wereld.quot; Dan vooral is het de tijd zich aan het woord van Paulus te herinneren ; „Ik vermag alles door Hem, die mij versterkt,quot; en door alles edelmoedig heen te slaan met dit kort maar alomvattend gezegde: „Laat gebeuren wat wil; maar ik voor mij, \'k wil mijn ziel redden, ik wil zalig worden.quot;
Men vindt er, die, wanneer eenmaal het besiuit bij hen vaststaat zich in een klooster te begeven, zich bij wijze van proefneming aan een soort van kloosterleven onderwerpen, die tijd en uur vaststellen voor hun opstaan, eten en slapen gaan, voor bidden, mediteeren en stilzwijgen, die zich deze en gene lichamelijke boetple-gingen opleggen, alle nuttelooze gesprekken en wereld-sche bijeenkomsten vermijden, uiterst behoedzam zijn in \'t punt der heilige zedigheid, stipt gehoorzamen aan ouders en biechtvader, en zoo al verder. Dit alles is voorzeker prijzenswaardig, mits nochtans daardoor de goede orde in \'t gezin niet gestoord worde en men het doe met voorkennis en goedkeuring van zijn zielbestier-der. Door dat soort van geestelijk spiegelgevecht gewent men zich trouwens van lieverlede aan die oefeningen, welke later in \'t klooster zulk een voorname rol in het leven moeten spelen. Ik kan u dan ook,
144
DE KLOOSTERLIJKE STAAT.
mijn geliefde vriendin in J.C,, zoo gij meent den religieu-sen staat te moeten omhelzen, die vrome proefneming niet genoeg aanraden.
Maar zoozeer als deze mag worden aangeraden, zoozeer is \'t af te raden, dat gij aan anderen dan aan uw biechtvader mv plan vooruit bekend maakt. Hoogstens kan het zijn nut hebhen, aan een of andere vertrouwde vriendin daarover te spreken. In den regel trouwens wordt zulk een besluit als een soort van singulierheid bespot en uitgekreten. Of zoo dit al niet het geval is, ten minste geeft datbekend maken aanleiding tot veel pratens en dit praten doet vaak moeielijkheden geboren worden, die het uitvoeren uwer onderneming vertragen. Het is derhalve hier het geval om, volgens de vermaning des heiligen Geestes, uw geheim in uw eigen hart verborgen te houden.
31 aar wat te doen, vraagt gij, indien mijne ouders zich tegen het involgen mijaer roeping mochten verzetten ?
Ik antwoord: tracht dan uwe ouders door goede redenen te overtuigen, dat zij geen het minste recht hebben u te beletten aan Gods roepstem gehoor te geven; dat gij evenveel recht hebt om den kloosterlijken staat te omhelzen als anderen om in de wereld te leven; dat zij, met u tegen te werken, uwe ziel in gevaar brengen van verdoemd te gaan en hunne eigene ziel daarbij; dat God hen zelfs hier op aarde daarvoor zou kunnen straffen, zooals meer dan eens gebeurd is; dat zij u een allerslechtsten dienst zouden bewijzen met u van een levensstaat terug te houden, waartoe gij u uit geheel uw hart voelt aangetrokken, en dat zij u daarom zelfs voor deze wereld bepaald ongelukkig zouden maken. Gij kunt er nog vele andere beweegredenen bijvoegen, die uw eigen hart u zal ingeven.
145
DE KLOOSTERLIJKE STAAT.
Mocht het echter gebeuren, dat uwe ouders, in weerwil van al die klemmende overtuigingsgronden, hardnekkig hunne toestemming bleven weigeren, welaan verklaar hun dan vrijmoedig en op beslisten toon, dat gij uwe roeping volgen wilt, ondanks hen. Gij moogt hen van dien stonde aan ongemoeid laten, en \'t staat u vi ij, de middelen te beramen, om ook tegen hun zin in het klooster te treden. De H. Alphonsus met vele andere schrijvers spreken aldus op de meest stellige wijze. Ter bevestiging zijner leer haalt de H. Kerkleeraar zelfs onderscheidene voorbeelden van heiligen aan, die evenzoo, om Gods wil te volgen, het huis hunner familie ontvlucht zijn, en prijst hij groo-telijks hun gedrag. Sprekende vervolgens over hen, die uit lafheid en misplaatste ouderliefde hunne roeping prijs geven om een vader of moeder geen tranen te zien storten, roept de heilige uit: „ O! hoe vele anderen zijn daarentegen diep rampzalig geworden, omdat zij tegen den openlijk erkenden wil van God en alleen om hunnen ouders te believen, aan hune roeping voor \'t kloosterleven verzaakt hebben om in de wereld te blijven leven !v
Om nog eensquot; op u, dierbare jongedochter, terug te komen, ziehier wat gij voor alles doen moet, zoo gij kloosterlinge wenscht te worden.
Leg desaangaande den geheelen toestand uwer ziel, uwe geheele zienswijze openhartig aan uw biechtvader bloot; verheel hem niets. Bid tevens den H. Geest, maar bid Hem eiken dag en met alle mogelijke vurigheid, dat hij uw geestelijken leidsman verlichte, opdat deze, als trouwe tolk Gods,u zijn heiligen wil betreffende uw staat des levens kenbaar make. Heeft nu deze eindelijk zijne beslissing gegeven, laat u dan door niets ter wereld meer van uw heilig voornemen afhouden.
146
DE KLOOSTERLIJKE STAAT.
Zou die edelmoedige stap eenige offers vau u eischen, die offers zullen u ruimschoots door Grod vergoed worden, wanneer gij namelijk ondervinden zult wat de H. Bernardus van den religieusen staat gezegd heeft: daar leeft de monsch reiner; daar valt hij zeldzamer in zonde; daar staat hij na zijn val spoediger op; daar gaat hij omzichtiger te werk; daar wordt hij overvloediger door den dauw des hemels bevochtigd; daar gaat hij rustiger slapen; daar sterft hij vreedzamer; daar wordt hij na zijn dood spoediger uit het vagevuur verlost; daar bereidt hij zich voor den hemel oene veel rijkere belooning.
En hiermede, dierbare jeugd, acht ik mijne taak volbracht. Mogen de goede waarschuwingen, die ik u gegeven heb, op goede aarde zijn gevallen! Mogen zij u in die schoone maar gevaarvolle jaren, die gij thans beleeft tot leidraad strekken en met Cfods genade samenwerken, om u te midden van het steeds toenemend bederf der wereld, op den weg der deugd en der zaligheid staande te houden.
O hoe gelukkig zou ik mij rekenen, zoo ik er in slagen mocht door dit, wel is waar, zeer onvolledig maar welgemeend geschrift ook slechts eene enkele jongedocht-er voor God en den hemel te winnen! Ik zou mij voor al de moeiten, die ik mij heb moeten getroosten, overvloedig beloond achten.
147
BLADWIJZER.
blauz.
Voorrede............................3
Inleiding............................4
Höofdst. L üe katholieke Jongedochter in
do 19e eeuw............7
„ II. De schat des geloofs .... 14
.. HL Degelijke deugd............23
IV. Gezag..................32
„ V. Ouderlijk gezag............40
„ VI. Burgerlijk gezag..........47
„ VII. Kerkelijk gezag............33
„ VIII. Vriendinnen..............60
„ IX. Lectuur..................70
n X. Omgang met de wereld. ... lt;S6
„ XI. Bekoringen................95
„ XII. De School en de Leertijd . . . 107
„ XIII. Wereldsche manieren .... 115
„ XIV. Deftige manieren.....120
„ XV. Godsdienstigheid......124
„ XVI. Staat des levens......133
„ XVII. De kloosterlijke staat .... 140