öCunK/tvvd
Beafus Clemens Maria Hofbauer,
c. ss. R.
/ /}quot;/ • /££(!
Vak 90 =!amp;
^♦(l-
quot; ~^?*rw[
iSTiiï
L IE quot;V IE isr
vam den
-£■ *■ ■ ^ i^quot;\' x- gt; -j
—a» G F.LUKZALió EN —
gt;f^?v;
r
4
T
ik W
■f f A
/i-t ^ÏIliT ♦ (
Kf Icmcna iqavin i(a| liaucrt
VICARIS-GENERAAL
en
Eersten Voortplanter der Congregatie des Allerh. Verlossers aan deze zijde der Alpen.
BEWERKT NAAR HET HOOGDUITSCH van
MICHAëL HARINGER,
Coxsui/roR Generalis dierzki.fde Congregatie, door
nlt; TA iquot;) ï^;-
A. M. AVALTKi;.
c. gt;.. , , Met een Afbeelding v:vi den Gelukzalige.
^ i WgpÖÜT-!.--«C\'-
Dc Carmelieten vereeren van ouds Maria, de Maagd en Moeder Gods, als de Moeder enden Luister van den Car-mel. Onder Hare bescherming staan dan ook de wijde missievelden van do Nederlandsche Carmelieten in Rrari-lië, op Java en Madoera. Wij brengen daar het christengeloof, waarvan Rome het middelpunt is, wij brengen er de Mariadevotie op den Carmel hoo gaarne beoefend.
GEBED.
Allerheiligste Maagd Maria, Gij die onze Moeder zijt, vraag en verkrijg van Uw kind den zegen over Uwe zonen, die werkend voor Zijne eer, 3.i]n en Uw rijk tracfiten uit te breiden; vraag Zijn goddelijken zegen voor fiun werk en voor allen die ften daarbij helpen en Hen in hun werk ondersteunen, verkrijg Zijne genade voor de volkeren, waaronder zij werken.
0 Maria, Moeder en Luister van Carmel, bid voor ons. (300 d. aft.)
|
NIHIL OBSTAT P. A. v. RIJSWIJCK Prov. Ord. Carm. Boxmeer. lOFebr.\'33. |
IMPRIMATUR f Dr. G. LEMMENS Bisschop v. Roermond Roermond. 14 Febr. \'33 |
ALBERTS\' DRUMKERUEK SITTARO
VEEKLAEING.
Om te gehoorzamen aan de decreten van Paus Urbanus VIII, verklaart de bewerker, dat hij in dit boek aan de namen van heilig en gelukzalige en aan het verhaal der wonderen geen ander gezag wil toegekend hebben, dan wat de H. Kerk er aan toekent.
IMPRIMATUR.
P. R U SS EL,
Can. et Prof. ad hoc delegatus. Rur-emund-h, 25 Dec, 1887.
GOEDKEURING.
Krachtens de ons verleende macht van wege den Hoogwaardigen Pater Nicolaas Mauron, Generaal-Overste onzer Congregatie, vergunnen wij, dat »1 Iet leven van den gelukzaligen Clemens Maria Hofbauer, naar het Hoogduitsch bewerkt door J. A. M. Walter, priester onzer Congregatiequot; in druk gegeven worde.
Amsterdam, 25 November 1887.
G. SCHRAUWEN c. ss. r.. Sup. prov. Holl.
roo^wooïft).
Wanneer wij Zijne Heiligheid. Fins IX, ojjenlijk hoor en verklaren: »Hei strekt mij tot groot en troost., in vileze eeuw vin duisternis mijn blik te kunnen vestigen ■stoj) Clemens Maria Hofbauei\\ wiens heilig leven ons als tieen heldersehijnende fakkel tegenstraalt,quot; dan kunnen wij met allen grond vertroinoen, dat ook alle kinderen der Kerk daarin een opbeurend en bemoedigend voorbeeld sullen vinden. Den Katholieken van ons vaderland nu werd daartoe reeds tweemaal de gelegenheid aangeboden^ toen er in de jaren i86i en \'77 eene vertaling verscheen va/i de werken van Sebastiaan Brunner en den Kanunnik Claessens. Doch in het jaar 1877 gaf de Zeer Eerw. Pater Haringer eene levensbeschrijving van Gods Dienaar «//, welke beide genoemde werken in beknopte volledigheid verre overtrof. Van dat werk verscheen daarenboven in 1880 eene tweede, vermeerderde uitgaaf, terwijl er nog na dat jaar verscheidene, zeer wetenswaardige bijzonderheden aan het licht kwamen, welke in geen enkele levensbeschrijving waren opgenomen.
Dat alles maakte het wenschel/jk. hij gelegenheid der plechtige Zaligverklaring van Gods Dienaar, den Katholieken van Nederland eene geheel nieuwe bewerking aan te bieden. Dien wensch hebben wij niet de uitgave van dit bock willen vervullen.
Moge van deze bewerking eenmaal gezegd knnnen worden., wat de Schrijver in de Voorrede der 2de editie van zijn boek getuigde: » Velen, die sedert jaren van de -Kerk verwijderd leef de n^ kwamen tot inkeer ^ toen zij teen blik geslagen hadden op dien van ijver ontvlamden tman.quot;— Moge dit werk in deze ongelukkige tijden den moed der Katholieken verlevendigen^ hen aansporen^ naar het voorbeeld van den Gelukzalige, zich geheel op de Goddelijke Voorzienigheil te verlaten, en in alles Gods Vinger te erkennen. Moge het ook allen bezielen met een kinderlijke godsvrucht tot Gods Dienaar en een groot vertrouwen op zijn liefderijke en machtige tusschenkomst.
Dat is de vurige wensch van
den Bewerker.
Roermond, i Jan. 1887.
jÏLEF^STE JBOEK.
Van zijne Geboorte tot zijne Kloostergeloften
IN DE
Congregatie des Allerheiligsten Verlossers.
1751-1785.
EERSTE HOOFDSTUK.
Geboorte en Kinderjaren van Clemens Maria.
In de lente van het jaar 1819 deed Keizer Frans I van Oostenrijk een reis naar Rome, en had daar een persoonlijk onderhoud met Pius VII. De Paus gaf hem te kennen, met hoeveel vreugde hij vernomen had, dat er zich te Weenen verschillende ijverige priesters bevonden, en sprak daarop de volgende merkwaardige woorden: j Vooral moet ik uwe jKeizerlijke Majesteit gelukwenschen, dat zij te Weenen 3 in den persoon van Pater Hofbauer een zoo heilig en waar-»lijk Apostolisch man, een sieraad der geestelijkheid en een ssteunpilaar der Kerk bezit.quot; Toen Pius VII die beteekenis-volle w oorden sprak, zweefde hem de toestand van Üuitsch-lands Kerk voor oogcn.
Hij wist, dat in de tweede helft der iSdc eeuw het levendig geloof uit die landen was verdrongen, de kinderlijke godsvrucht al meer en meer verdween, en bijna overal een koude onverschilligheid heerschte. In Clemens Maria Hofbauer nu erkende hij den man der Voorzienigheid, die door zijn vurig geloof, zijn brandende liefde, zijn vlammenden ijver de Kerk van Duitschland een nieuwe levenswarmte zou instorten. Dat de Paus met volle recht zulk een hooge gedachte mocht hebben van de levenstaak van den Gelukzalige, zal, naar wij hopen, uit deze levensbeschrijving duidelijk blijken.
Den 26stell December 1751 te Tasswitz, een dorp in Moravië geboren, werd hij nog dienzelfden dag gedoopt door Pater Adolf Dujardin, uit de abdij der Nor-
bertijnen te Brack, waartoe Tasswitz behoorde. Hij ontving toen den naam van Joannes, doch nam, zooais wij weldra zullen zien, later dien van Clemens Maria aan.
Zijn vader, uit Budweis afkomstig, \'heette oorspronkelijk Dworzack, doch veranderde dien naam in het Uuitsche Hofbauer!), toen hij uit het Slavonisch gedeelte van Moravië naar de Duitsche streken van dat land verhuisd was. Slachter van beroep, legde hij zich toch meer op den land- en wijnbouw toe. Van de twaalf kinderen, waarmede God zijn huwelijk met Maria Steer gezegend had, stierven er zeven op nog jeugdigen leeftijd. Zoo bleven hem vier zoons en eene dochter over; onze Joannes was wel is waar het negende kind, doch de jongste van deze vijf.
God dienend in de oprechtheid huns harten, onvermoeid werkzaam voor het onderhoud van hun gezin, leidden de gelukkige echtelingen een tevreden leven, toen de wreede dood hun eensklaps een gevoeligen slag toebracht. Den 26stc\'1 Juli 1758 werd de vader, in den leeftijd van slechts 47 jaar, aan de liefde der zijnen ontrukt. Geheel het huisgezin was in diepe droefheid gedompeld, doch geen der kinderen scheen door dat verlies zoo pijnlijk getroffen als de kleine Joannes. Weenend bleef hij staren op dat dierbare lijk, en was geheel ontroostbaar. »Vader is dood, zoo snikte hij, ik s heb geen vader meer !quot; — Wat moeten die smartkreten van haar kind een foltering zijn geweest voor het reeds zoo diep geschokte hart der moeder ! Doch zij wist kracht en moed te putten uit haar sterk geloof. Zij neemt den weenenden kleine bij de hand, en brengt hein voor een kruisbeeld. Dan slaat zij hare betraande oogcn vol liefde op haar kind, en spreekt, naar Jezus wijzende, deze indrukwekkende woorden: »Zie, mijn kind, deze izal voortaan uw vader zijn; zorg dat gij immer d n
1) Nu eens vindt men Hofbauer, dan weder Hoffbaucr, zelfs in ck brieven van Clemens Maria.
jweg bewandelt, die Hem welgevallig is.quot; Als zoovele vruchtbare zaadkorrels vielen deze woorden in zijn teeder gemoed; heerlijk zouden ze ontkiemen onder de leiding van zulk eene moeder.
Haren Joannes toch had zij reeds vóór zijne geboorte den Heer toegewijd: hem, haren jongsten lieveling, bleef zij altijd beschouwen als het voorwerp harer bijzondere zorgen. En weldra vertoonden zich de vruchten van haar ijvervollen arbeid. Met gretigheid had het bevoorrechte kind naar zijne moeder geluisterd, wanneer deze hem sprak over Jezus en zijne liefde; zulk een diepen indruk hadden die lessen op hem gemaakt, dat hij zich voortaan eerst dan oprecht gelukkig voelde, wanneer hij aan den voet van den Tabernakel het gezelschap van zijn Goddelijken Vriend mocht genieten.
Gaarne ook liet hij het luidruchtig spel aan zijne makkers over, om zelf in zijne vrije oogenblikken neer te knielen voor een beeld van de Allerheiligste Maagd of van een zijner hemelsche beschermers. De Rozenkrans, in latere jaren zijn machtigste wapen tegen de hel, was reeds toen voor zijne jeugdige vingeren meer dan speelgoed: ook in zijn prille jeugd kon hij met innige liefde daaraan bidden. Vooral was het hem een waar genot, de priesters aan het altaar te mogen dienen : dan was hij louter godsvrucht. x Wij allen, zoo getuigden de ^geestelijken der plaats, waren dan in hem gesticht, en 1 konden in geheel zijne houding den diepen eerbied j lezen, waarmede hij vervuld was.quot; Ja, als knaap reeds was hij Apostel; want met kinderlijke vrijmoedigheid zeide hij niet zelden tot de huisgenooten : sWeest toch altijd vurig voor het gebed.quot;
Geen wonder, dat het ijverige kind reeds spoedig verlangde naar offers van versterving. In zijne vindingrijke liefde voor die deugd, nam hij zich voor, nooit wijn te drinken. Hoeveel zelfbeheersching dit in den knaap vooronderstelt, zal men licht begrijpen, als men
bedenkt, dat hij soms den geheelen dag met zijne broeders in den wijnberg zijner familie moest werken. Hij bleef echter zijn voornemen getrouw, en wanneer men hem een halve eeuw later kon bewegen, nu en dan wat wijn te gebruiken, was het slechts, wijl zijne gezondheid het toen gebiedend vorderde. Onder zijne geliefkoosde oefeningen van versterving rekende hij ook het vasten ter eere zijner heilige Patronen en, vooral des Zaterdag.;, ter eere van zijne lieve moeder Maria.
Zijne verstandige moeder wachtte zich wel, die heilige verlangens van haar kind tegen te werken, doch verwaarloosde evenmin, ze allen te doen medewerken tot een degelijke vorming van haar Joannes. ïZoodra een kind het onderscheid begrijpt tusschen ja en neen, mag het niet meer aan zijn eigen wil worden overgelaten.quot; Dat was het groot beginsel bij de opvoeding van haren zoon; daaraan getrouw, maakte zij alles afhankelijk van hare toestemming, en gewoonlijk luidde de voorwaarde: ijoan, x aanstaanden Zaterdag moogt gij vasten, wanneer uw j gedrag geheel deze week onberispelijk is.quot; Zoo leerde hij tevens zijne oefeningen van\' godsvrucht niet te beschouwen als iets buitengewoons, waarvoor zijne moeder hem zou moeten prijzen, maar als eene gunst, eene belooning, die hij verdienen moest.
Bij het vernemen dier liefde voor gebed en vér-sterving, stelt ge u misschien den kleinen Joannes voor als stuursch of afgetrokken? O neen, daarover behoefden de zijnen zich nooit te beklagen. Wel was hij vlijtig in het werk en zoo gehoorzaam aan zijn meesters, dat hij niet zelden den overigen knapen ten toonbeeld gesteld werd; doch was de tijd van inspanning voorbij, dan stond hij bij geen zijner makkers ten achter in opgeruimdheid en vroolijk-heid. En kon hij iemand eenig gence^en verschaffen, wie was er dan blijde als hij ? Wat reine vreugde straalde er uit dat vriendelijke oog, wanneer hij aan arme kinderen de spijzen mocht uitdeelen, die hij door zijn vasten
uit eigen mond gespaard had! Ontving hij van zijne moeder enkele penningen, zoo werden, ze somtijds bijeengelegd, om daarvoor eene H. Mis té laten lezen; gewoonlijk echter waren ze al zeer spoedig aan de behoeftigen der plaats weggeschonken.
Vol leven en vurigheid, maar tévens doordrongen van een degelijke godsvrucht, ziedaar hoe wij ons gt; Clemens Maria Hofbauer in zijne kinderjaren moeten voorstellen. Als achtjarige knaap heeft hij zich zeiven aldus geteekend. Op zekeren dag zou hij zijne moeder naar de kerk vergezellen. Op straat ontmoetten hen eenige bloedverwanten. AVaar gaat gij henen rquot;. — iNaar de »kerk, zegt de brave vrouw, en gij rquot; — ^Och,, wij hebben geen bepaald doel, we gaan voor tijdverdrijf wat wandelen.quot;— «Moeder, vraagt aanstonds de kleine,, .wat «is dat, tijdverdrijf?quot; — Doch namvelijks he,eft hij.de.be-teekenis van dat woord vernomen, of, half yerwpnderd, half verontwaardigd, roept hij uit: 2Maar, als zij niets ! te doen hebben, moesten zij bidden.quot; — Had het kind verstandiger antwoord kunnen geven ?
Ziedaar voorzeker een schoon begin, — een heerlijke lente, die het vooruitzicht gaf qp een g^zpggnden, vruchtbaren herfst. Geheel zijn leven bleef Pater Hofbauer God dankbaar, dat Hij hem zulke brave ouders had geschonken, en op verderen leeftijd sprajt hij. dikwijls met zichtbare aandoening over zijne goede moeder, die zich door woord en voorbeeld zoozeer had beijy,§r4,,,het goede in hem aan te kweeken en tot .vollen, wasdioriV te brengen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Clemens Maria als Bakkersleerling; zijn Verblijf in de abdij der Norbertijnen; hij wordt Kluizenaar.
Het jaar 1765 kwam een volslagen verandering brengen in den toestand der familie Hofbauer. Barbara, Joannes\' zuster, trad in het huwelijk. Daarom deed de moeder haar het huis over, en gingen de drie .broeders, die gezamenlijk het beroep huns vaders hadden voortgezet, zich elders vestigen. En Joannes? O, hij had slechts één verlangen: priester te worden, al zijne krachten te wijden aan de eer van God, aan het heil der zielen. Doch bij de beperkte middelen van het huisgezin kon er van studeeren geen sprake zijn, en wat het hem ook kostte, hij zag zich gedwongen, een handwerk te gaan leeren.
Gaarne zou hij thans bij een zijner broeders in dienst zijn getreden; doch, het pijnigen en dooden van dieren tot zijne dagelijksche bezigheid te maken, streed te veel met zijn goedige natuur. In Maart 1767 zeide hij daarom zijne dierbare moeder vaarwel, en werd in het nabij-gelegene Znaïm door zekeren Frans Dobsch als bakkersleerling aangenomen. Hier bleef hij dezelfde opgeruimde, gedienstige jongeling van vroeger, zoodat hij weldra ook nu aller harten voor zich had gewonnen. Teeder vooral werd hij bemind door het vijfjarig zoontje zijns meesters.Elken morgen, wanneer Joan het brood ging rondbrengen, wilde de kleine hem vergezellen. De goede jongen liet het zich eenige malen welgevallen, doch rekende zich eindelijk verplicht, zijne
bezwaren daartegen aan de vrouw des huizes kenbaar te maken. »Uw kind kan slechts langzaam voort, zoo sprak »hij, het behoorlijk bedienen der klanten lijdt daar nood-3zakelijk onder.quot; De moeder gaf een ontwijkend antwoord: »Hebt ge nog zoo weinig geduld met een kind?quot;- Zij wist al te goed, hoe heilzaam zulk een gezelschap op den kleine zou werken; en Joannes, die niemand kon bedroeven, sprak haar niet verder tegen. Maar zijn mees-ter gegronde reden tot ontevredenheid geven, kon hij evenmin. En wat doet hij nu? »Het kind is niet zwaar, »denkt hij, ik ben sterk genoeg, zóó stel ik beiden, èn «vader èn moeder tevreden.quot;
Eens, dat hij weder met zijn broodkorf aan den eenen en het kind op den anderen arm door de straten voortsnelde, hoort hij achter zich een stem: «Zie, • daar gaat de H. Chris-«toffel.quot; Aanstonds wendt de argelooze het hoofd om. ten einde den heilige te zien,en tot zijne verwondering klinkt het nu op lachenden toon: »Wel, gij zijt het zelf!quot; Tehuis gekomen, verhaalde hij in allen eenvoud, wat er gebeurd was, en vernam toen van de vrouw, hoe die Heilige het Goddelijk Kind had mogen dragen. Met belangstelling had hij naar hare woorden geluisterd, en riep nu eensklaps uit: «Och, ware ik een echte Christophorus; mocht «ook ik mijn Verlosser in mijne handen dragen!quot; — Dat was een ontboezeming van zijn hijgend verlangen naar het priesterschap. Met den dag was dit sterker geworden; ja, wanneer zijn gezellen zich des avonds ter ruste legden, bleef hij soms geheel den nacht zuchten en bidden, om die groote gunst van God te verkrijgen. Zijn gebed bleef niet onverhoord. Zonder dat hij het zelf bemerkte, bracht de Voorzienigheid hem altijd nader tot zijn doel.
Drie jaren had zijn leertijd geduurd, toen hij als^ bakker eene plaats vond in de abdij der Norbertijnen van Bruck. Daar bood zich spoedig eene schoone gelegenheid aan. om in het uitoefenen van zijn ambt heldhaf-
tige blijken van naastenliefde te geven. Daar de oogst van \'71 geheel mislukt was, heerschte overal gebrek en ellende. In onafzienbare rijen stroomde het uitgehongerde volk uit de naburige streken van Boheme toe, en belegerde het klooster. Die ongelukkigen moesten bevredigd worden, en waarlijk, onze bakker was er de man niet naar, om voor het werk terug te schrikken. Dag in, dag uit stond hij voor zijn oven; aan vermoeienis werd niet gedacht; en, als ware dit nog niet genoeg, legde hij zich zeiven een streng vasten op, om des te meer te kunnen uitdeelen aan zijne noodlijdende broeders.
Doch weldra konden menschelijke middelen niet meer baten. De ijselijke hongersnood veroorzaakte eene ziekte, die tallooze slachtoffers meêdoogenloos meesleepte. Veel, onbeschrijfelijk veel leed het gevoelige hart van Joannes bij het gezicht van zooveel rampen; maar hij stelde zich niet tevreden met ijdele klachten; als man van geloof erkende hij daarin de straffende hand van God, en na den zwaren arbeid van den geheelen dag, zien wij hem des nachts vóór zijne legerstede neergeknield, om door een vurig gebed den toorn des Hemels te bezweren en Gods Barmhartigheid af te smeeken over zijn volk.
De abt van het klooster, Gregorius Lambeck, een zacht, welwillend man, had reeds geruimen tijd de deugden van Joannes in stilte gadegeslagen. Die jongeling boezemde hem de levendigste belangstelling in. Ook had hij uit zijn eigen mond vernomen, welk vurig verlangen naar het priesterschap hem verteerde. Toen dan hongersnood en ziekte hadden uitgewoed, onthief hij hem van zijn zwaren post, en belastte hem met de zorg voor zijne kamer en het bedienen der eetzaal. Welk een verrassende tijding voor onzen Joannes ! \'t Was een eerste lichtstraal, die hem tegenflikkerde, een eerste verhooring zijner hartelijke gebeden ! Nu \'had hij meerdere vrije uren ter zijner beschikking, en de abt stond hem
toe. ze door te brengen in de kloosterschool, om zich verder in het Latijn te bekwamen. Wijl hij de eerste beginselen dier taal reeds bij de geestelijken van Tass-witz had geleerd, kon hij thans in betrekkelijk korten tijd de vier klassen dier inrichting doorloopen. Doch, om Gods roepstem te kunnen volgen, werd van den edelmoedige nog menig offer gevorderd. Zijne bezigheden, hoewel op verre na niet zoo talrijk als eerst, ontroofden hem nog menig kostbaar oogenblik. sOm sten minste nog eenige uren uit te winnen, zoo verhaalde »hij later, offerde ik een gedeelte mijner nachtrust op; gt;■ met de lamp in de eene, mijn boek in de andere hand «wandelde ik in mijn kamer op en neêr, wanneer de «behoefte aan slaap zich wat al te sterk deed gevoelen.quot;
Welke geest hem bij zijn studie bezielde, blijkt wel uit het volgende voorval. Zijn neef, Joannes Jahn, bevond zich toen in hetzelfde kloo.ster. Geregeld had deze zijne studiën kunnen voorzetten, zoodat hij, hoewel slechts een jaar ouder dan Joannes, reeds priester was gewijd, toen zijn dorpsgenoot nog de lagere klassen bijwoonde. De jonge geleerde voelde zich niet weinig gestreeld door den gelukkigen uitslag zijner pogingen. Op zekeren dag ziet hij den eenvoudigen tafeldienaar naar gewoonte aan zijn werk, en vindt daarin eene schoone gelegenheid, om zijn ijdel hart eens te voldoen. Met een spotlach om de lippen vraagt hij aan de omstanders; sZoudt ge het «kunnen gelooven, dat hij voorheen mijn schoolmakker «was?quot; — Joannes sloeg weinig acht op de persoonlijke beleediging; doch, een weinig nader tredend, zegt hij op kal men en waardigen toon: «Vriend, het zou beter voor »u zijn, wat minder te studeeren, en wat meer te bidden; «wie weet, of het anders niet verkeerd met u afloopt.quot; — De uitkomst heeft geleerd, hoe gegrond die vrees was. Jahn nam deze broederlijke vermaning weinig ter harte, later week hij in zijne geschriften van den katholieken geest af, en moest eene diepe vernedering ondergaan.
12 —
wijl de H. Stoel zich verplicht zag, de lezing zijner werken te verbieden.
Na de voltooiing zijner lagere studiën bestond er voor Joannes geen reden meer, om nog langer in de abdij te verblijven. Voor de studie immers der hoogere vakken bestond daar geene gelegenheid, en tot de orde van Premonstreit gevoelde hij zich niet geroepen. Omstreeks dienzelfden tijd ook stierf de abt, en met den dood van zijn beschermer werd de laatste band verbroken, welke hem nog aan dat klooster hechtte.
Maar welken weg nu in te slaan r — Zijne studiën voortzetten te Znaïm.of te Olmütz ? — Hoe kon hij er aan denken, verstoken als hij was van alle geldelijke middelen ? — Daarenboven, was zijn leeftijd van 25 jaar niet een onoverkomelijk bezwaar, om nog ergens opneming te vinden? — Buitendien, de gedachte alleen aan een geregeld bezoek der openbare scholen, die reeds zoo doortrokken waren van den geest des ongeloofs, deed hem huiveren. — s Gort zal voortaan uw vader jzijn, als gij slechts zorgt, dien weg te bewandelen, welke »Hem welgevallig isquot;; dat woord zijner moeder stond hem weêr levendig voor den geest; het klonk zoo geruststellend in zijn binnenste, dat hij vol vertrouwen bleef afwachten, waarheen de Voorzienigheid hem thans zou leiden.
Zijne liefde voor het gebed en het verborgen leven deed hem het besluit maken, voorloopig zijnen God in de eenzaamheid te gaan dienen. Een half uur buiten Tasswitz ligt een dorpje, Mühlfrauen genaamd, met een schoone kerk. destijds gesticht door den abt Gregorius. Sierlijk verheft zich haar slanke toren en steekt zoo levendig af bij het zware geboomte van den omtrek. In het uitgestrekte bosch, aan welks zoom die kerk gebouwd is, maakte nu Joannes, met behulp van zijn broeder Herman, een houten kluis. Hier, in de diepste stilte, leefde hij in innig verkeer met God: hier
werd hij altijd sterker voor de grootsche taak, die God hem eens op de schouderen zou leggen. Docli de toekomstige Missionaris dacht ook nu reeds aan het heil zijns naasten. Voortdurend kwamen tal van pelgrims naar de kerk van Mühlfrauen, om hunne godsvrucht te voldoen bij eene mirakuleuze afbeelding van Christus aan den geeselpaal. Die vrome lieden leerden den heiligen kluizenaar kennen, en weldra zag men hen in talrijke scharen tot het diepste van het bosch doordringen, om hem op te zoeken in zijn stil en eenzaam verblijf. Gewoonlijk voorzagen zij hem dan van het noodige voedsel, waarvoor de jeugdige Apostel hun de geestelijke spijs der heilzaamste vermaningen teruggaf. En wanneer zij dan op nieuw versterkt waren door die eenvoudige, hartelijke taal, gebeurde het niet zelden, dat zij met den heiligen kluizenaar aan hun hoofd biddend en zingend hun terugtocht naar de kerk aanvaardden. Zelf droeg hij dan een groot kruis vooruit, na ieder hunner van kleineren te hebben voorzien, en zoo trok die godvruchtige stoet in den geest van boetedoening voort, om bij de afbeelding van hun gegeeselden Verlosser het lijden te gaan overwegen. Nog heden toont u het volk van Mühlfrauen de gezegende plek, waar Gods dienaar zijn kluis gebouwd had.
Slechts een jaar had hij doorgebracht in zijne zoete eenzaamheid, of zie! alweder moet hij het hem zoo dierbaar geworden verblijf verlaten. De staatslieden van Jozef 11 waren in hun hooge wijsheid tot de overtuiging gekomen, dat zulk een leven nutteloos was, en volstrekt niet meer strookte met de begrippen van hunnen tijd. Zij hadden dan ook gemeend, een doorslaanden maatregel te moeten nemen; het kluizenaarsleven werd voorgoed afgeschaft. Hadden zij eens geweten, hoe slecht zij met het verdrijven van dezen kluizenaar hunne eigene zaak dienden! Of brachten zij door die kleingeestige vervolging den moedigen kampvechter niet een schrede nader tot het
strijdperk, waarin hij hen zoo glansrijk zou verslaan?
Eerst bleef nu Joannes eenigen tijd in Budweis, de geboorteplaats zijns vaders. De grondige kennis der Boheemsche taal, die hij in deze Slavonische stad opdeed, zou hem bij zijn lateren werkkring in Polen het aanlee-ren der Poolsche taal niet weinig vergemakkelijken.
De dringende noodzakelijkheid, om uit te zien naar middelen van bestaan, voerde hem naar Weenen, alwaar hij zich verhuurde in de bakkerij 3 \'Am- eiscrncn Birnequot; Recht tegenover zijne werkplaats lag het klooster en de kerk der Ursulinnen. Hoe weinig vermoedde de nederige handwerksman, dat hij, na verloop van eenige jaren, op diezelfde plaats een geestelijk brood zou breken voor de zielen, aan zijn priesterlijken ijver toevertrouwd.
Hier werd hij getroffen door het voorbeeldig gedrag van een zijner gezellen. Hij kreeg hem lief, en spoedig was er tusschen Joannes „Hofbauer en Petrus Kunzmann een nauwe vriendschap gesloten, die nimmer onderbroken zou worden. Later zullen wij zien, hoe Kunzmann door Pater Hofbauer werd aangenomen in de Congregatie des Allerh. Verlossers, waarin hij tot zijn dood volhardde. Geheimen hadden de twee vrienden voor elkander niet, en des te inniger werd hunne vertrouwelijkheid, wijl het hun spoedig bleek, dat een wonderbare overeenstemming van gevoelens en neigingen beider hart bezielde. Joannes sprak hem nu over het plan, dat hij gevormd had, een pelgrimstocht naar Rome te ondernemen, en zonder aarzelen besloot ook Peter, zijnen vriend daarheen te vergezellen.
Om de kosten te kunnen bestrijden, werd eerst de winst van hunnen arbeid bij eengespaard doch. toen dit spoedig onvoldoende bleek, moest men naar andere middelen omzien. Hunne beste kleederen waren, naar de gebruiken van het land, met zilveren knoopen bezet; dezen werden nu aangesproken, en de verkoop verschafte hun ten minste zooveel, als zij onontbeerlijk
achten voor de reis. Vermoeienis, honger en dorst stonden hen te wachten op hun voetreis van 400 uren; doch zij wisten, dat iedere schrede hen nader bracht tot Rome, en dat blij vooruitzicht deed hen al het overige vergeten. Blijmoedig begaven zich de twee pelgrims op weg; overal baden zij met luider stemme of zongen uit volle borst hunne geestelijke liederen, zoowel in de druk bezochte straten van Palermo en Florence, als op de eenzame slingerpaden der Alpen en Apennijnen. Na een tocht van ruim 40 dagen, kwamen zij behouden in Rome aan. Daar bezochten ze de kerken en de verschillende heiligdommen, en ontvingen beiden de H. Sacramenten. O hoe gaarne zouden ze langeren tijd in de Heilige Stad hebben vertoefd ! Maar, indien hun handwerk hen dwong, zoodra mogelijk naar huis terug te keeren, de gedachte aan Rome bleef onuitwischbaar in hun geheugen gegrift. Zij keerden terug, vast besloten, het niet bij een enkel bezoek te laten.
8 Twee personen, die met de bijzonderheden van Hofbauers leven van nabij bekend waren, hebben verzekerd, dat hij gedurende geheel zijn leven én als pelgrim, èn later in zijne ambtsbetrekking, Rome niet minder dan veertien maal heeft bezocht.quot; 1)
Omstreeks dien tijd had er eene gebeurtenis plaats, welke niet onvermeld mag blijven in de geschiedenis van den man, wiens levenstaak het was, den geest van zijn tijd te bestrijden, en een dam op te werpen tegen den vernielenden stroom van het Josephisme. Den 22s\'™ Maart 1782 zag Weenen den H. Vader Pius VI binnen zijne muren. De aanleiding tot dit bezoek was de vol gende:
Keizer Jozef II, die in 1780 zijne moeder, Maria Theresia, was opgevolgd, had het oor geleend aan de inblazingen der vijanden van den H. Stoel. De leerstel-
1, RRL NNKR. 1 lofh. cu zijn f/jd. Uit liet Hoogtluitsch, bi. 24.
lingen, reeds geruimen tijd verdedigd door Jansenisten, Gallicanen en Febronianen, zouden door liem, tot groot nadeel van duizenden zielen, in beoefening worden gebracht. Zijn heerschzuchtig gemoed huldigde zoo gaarne de stelling, dat de bestuurder van het land zoowel voor het tijdelijke als voor het geestelijke belang zijner onderdanen te zorgen had. Nauwelijks had hij dan ook de teugels van het bewind in handen, of hij stormde in dolle vaart den weg der hervormingen op, en wierp alles omver, wat tot het leven der Kerk volstrekt ver-eischt wordt. Men oordeele zelf.
Het vrije verkeer met Rome werd belemmerd.Debul-len en breven des Pausen mocht men slechts openbaar maken, wanneer de regeering hare toestemming daarvoor had gegeven. 1 )e opleiding der geestelijkheid mocht niet meer plaats hebben in bisschoppelijke Seminariën, maar zou voortaan worden vertrouwd aan inrichtingen, waarover de staat toezicht zou houden. De verschillende wetten omtrent het huwelijk moesten niet meer als kerkelijk, doch als louter burgerlijk recht worden beschouwd. Voor dispensatiën mochten de Bisschoppen zich niet meer tot den H. Stoel richten, en was soms voor gewetenszaken de inmenging van Rome noodzakelijk, dan had men zich door den keizerlijken Gezant tot den Paus te wenden. De kloosters en broederschappen werden niet slechts nutteloos, maar schadelijk geacht voor het welzijn van den Staat. Die blinde ijver strekte zich insgelijks tot we* de kleinste bijzonderheden uit, zoodat de versiering der kerken, het klokkengelui, ja, het getal der waskaarsen door keizerlijke verordeningen geregeld werden.
Reeds meermalen had de H. Vader zijne waarschuwende stem tegen zulke misbruiken verheven. Toen hij dan zag, dat al zijne vermaningen vruchteloos bleven, waagde hij eene laatste poging: zijn persoonlijk verschijnen in Weenen zou wellicht meer invloed hebben op het hart van den keizer.
Met vreugde en gejuich werd de Opperherder door de goedgezinde Katholieken ontvangen; doch de Keizer, reeds te ver op het dwaalspoor gebracht, deelde hun blijde stemming niet. Nog vóór de Paus het doel zijner reis bereikt had, liet hij hem reeds weten, dat het volstrekt niet in zijn plan lag, terug te komen op den ingeslagen weg. De onderhandelingen bleven zonder eenige vrucht. Pius onderging harde vernederingen; zelfs waagde men het, onder de oogen van den verheven gast, een eerloos spotschrift te verspreiden, onder den titel: »Wat is de Paus ?quot; Na aldus een maand lang alles te hebben beproefd, wat tot verbetering van dien ellendigen toestand kon bijdragen, moest de H. Vader, onverrichter zake, zijne terugreis naar Rome aanvaarden.
liet kwaad zou dus niet bij zijne geboorte reeds verstikt worden. Door Gods toelating zou het in krachten toenemen, om op gevqelige wijze het verslapte volk te tuchtigen. Doch in zijne goedheid bereidde God reeds de werktuigen voor, die in latere dagen het onheil zouden keeren. Toen Pius in Oostenrijks hoofstad zijne hand zegenend ophief over de geknielde menigte, sprak hij zijn zegen uit over den eenvoudigen bakker, die eens in zijn nederigen werkkring zou volvoeren, wat de Paus door den glans zijner opperherdërlijke waardigheid thans niet vermocht.
Wat bittere teleurstelling voor onzen Joannes, dat de bemoeiingen des Pausen zulk een treurigen afloop moesten hebben! Hij had zoo vurig gebeden voor den H. Vader en den goeden uitslag zijner reis! En thans ging men de Kerk in zulke harde boeien knellen! Bij Jezus, in het H. Sacrament ging hij zijn troost zoeken; maar het altaar zelf, van zijne sieraden beroofd, sprak hem voortdurend van die wreede vervolging.quot;
Ook in zijn eigen gemoed was het verre van rustig. Een inwendige stem riep hem altijd luider en luider tot
— i8 —
den dienst des Heeren, terwijl de uitwendige beletselen nog geenszins weken, veeleer met den dag schenen aan te groeien. Dat-alles deed in zijne ziel de liefde voor het kluizenaarsleven weder ontwaken. Zonder moeite overreedde hij Kunzmann,. een tweeden pelgrimstocht naar Rome te ondernemen, om daarna in Italië als kluizenaar te blijven: zoo zou hij naar best vermogen Gods roepstem hebben ingevolgd. Doch nu bleek het, welk een achting men hem toedroeg: zoodra zijn meester van dat plan onderricht was, stelde hij alles in het werk, om hem van besluit te doen veranderen; eindelijk bood hij hem de hand zijner eigene dochter aan. Joannes was echter niet te bewegen: ja, een huwelijksvcorstel kon slechts strekken, om hem zijn vertrek nog te doen bespoedigen.
In het najaar van 1782 namen beide vrienden hun trouwen reisstaf weder op. Niet zelden gebeurde het op hun eenzamen weg door de bergen, dat de sterrenhemel van Italië hun eenige tent was. Dan werd met den reisstok een lering geteekend en dit eenvoudig nachtverblijf onder de bescherming gesteld der H. Apostelen: en de vrome pelgrims sliepen onder hunne hoede rustig in, om den volgenden morgen met nieu wen moed hunne reis voort te zetten.
Ditmaal konden zij te Pvome hun godvruchtige verlangens naar hartelust bevredigen. Eesst in het begin van \'83 verlieten zij de stad, ten einde in het nabijgelegen Tivoli een verblijfplaats te gaan zoeken. Earnabas Chiara-monti, die later, na zijne pauskeuze te Venetië, den naam droeg van Pius VII, was kort te voren tot bisschop van Tivoli benoemd. Tot dezen even godvruchtigen als wijzen prelaat wendden zich nu de beide pelgrims met de bede, om in zijn bisdom als kluizenaars te mogen leven. De bisschop onderzocht eerst hunne roeping,- en wees hen met vaderlijken ernst op de verplichtingen en de bezwaren, die aan zulken levensstaat verbonden zijn. Doch spoedig bemerkte hij, dat die mannen voor geen
moeielijkheid zouden terugdeinzen. Volgaarne sprak hij zijn zegen uit over hunne onderneming, terwijl hij met eigen hand de kluizenaarspij om hunne schouders hing. En, om hen nog beter te doen begrijpen, dat zij van dat oogenblik af een geheel r.ieuw leven gingen beginnen, veranderde hij beider naam ; Kunzmann zou voortaan Emmanuel heeten; Joannes ontving den naam van Clemens. i)
Tusschen sombere olijven ligt op een kleine hoogte, even buiten de stad, het heiligdom van Maria van Quin-tiliolo^ waar het volk eene oude, Grieksche afbeelding der H. Maagd komt vereeren, ter verkrijging van een gezegenden oogst. De zware gewelven van den onderbouw, die bij ruw weder den herders en hun kudden tot schuilplaats dienen, zeggen ons, dat deze kapel verrees op de trotsche bouwvallen van een heidensch verblijf. Op dezen heuvel namelijk had voor vele eeuwen een Romeinsch veldheer zijne villa doen bouwen, en de naam gt;; Quintilioloquot; herinnert ons, dat het landgoed toebehoorde aan den ongelukkigen Quinctilius Varus, die in het negende jaar na Christus door Herman\'s dappere Germanen in het Teutoburgerwoud werd verslagen.
Aan dit kerkje nu sloot zich de woningder eremieten aan. Eén kleine moestuin, welken zij zeiven moesten beplanten, zou hun van het noodige voorzien. Dat zoodoende hun levensonderhoud hoogst eenvoudig, om niet te zeggen, uiterst karig was, is licht te begrijpen; doch des te heerlijker was het voedsel, dat deze streek geest en hart aanbood. Tivoli met zijne schilderachtige omstreken is wellicht de verrukkelijkste plek van het schoone Italië. Wanneer Clemens in den vroegen morgen zijne woning verliet, dan ontplooide zich voor zijn oog een betooverend gezicht. Met zijne reusachtige berggevaarten tot achtergrond, vertoonde zich Tivoli in al zijne
i) Misschien, wijl het juist de 23ste Januari, het feest van dien Heilige, was.
bekoorlijkheid; rechts de tempel van Vesta op een spitse rots boven den peilloos diepen afgrond; links de prachtige waterval der Anio, die met dreunend gebruis hare wateren in de diepte stort. En als hij dan, na dit groot-sche tafereel een tijd lang te hebben bewonderd, het hoofd omwendde, dan breidde zich de uitgestrekte vlakte der Campagna aan zijne voeten uit, en flikkerde hem de machtige koepel der St. Pieter in de gouden morgenstralen tegen. Alles, wat hem omgaf, verhief zijne ziel tot God. Die grootsche natuurtafereelen spraken hem zoo luide van de macht en de wijsheid des Scheppers. Zoo dikwijls hij zijne blikken afwendde van die heiden-sche ruïne, om ze te laten rusten op de Eeuwige Stad der Christenheid, gevoelde hij zich telkens doordrongen van levendige dankbaarheid voor de groote genade des geloofs, die hij van God had ontvangen. Hier gevoelde hij zich zoo gelukkig; hier was hij zijnen God zoo nabij! Neen, het kan niemand verwonderen, dat hij in lateren leeftijd, toen hij gedrukt ging onder zooveel zware zorgen, toen tallooze bezigheden hem al zijnen tijd ontroofden, met smachtend verlangen terugdacht aan zijne kluis van Tivoli. Dan sprak hij tot zijne vrienden; \' Och, hoe heerlijk was het verblijf in die goddelijk sschoone streken! Ja, dddx eerst kon men bidden!quot;
loch zouden die gebeden en verstervingen aan zijn levensloop een geheel andere wending geven, dan hij zich had voorgesteld. Hoe meer het licht des hemels hem bestraalde, des te duidelijker las hij daarin, dat hij zijn leven niet mocht slijten in de zoete rust der eenzaamheid, dat God hem een anderen werkkring had weggelegd. Eindelijk, na een verblijf van zes maanden, sprak die inwendige stem zoo luide tot zijn hart, dat hij het zich ten plicht rekende, haar in te volgen. Zijnen vriend Kunzmann in Tivoli achterlatende, vertrok hij naar Weenen, waar wij hem in den herfst van \'83 terugvinden. Eenige jaren later zullen beide vrienden elkan-
der weder ontmoeten, om dan tot den dood toe eenzelfden levensstaat te omhelzen.
Geheel verkeerdelijk zou men meenen, dat die tijd zijner afzondering voor Clemens nutteloos geweest is. Integendeel, de voortgang, dien hij er maakte in het geestelijk leven, was een noodzakelijke voorbereiding, om de zware taak, die hem wachtte, naar behooren te vervullen. In de oefenschool\' der overweging en der zelfverloochening had de fiere kampvechter zijn krachten gestaald tegen den woedenden strijd, tot welken hij zich had aan te gorden. Dezelfde Geest, die hem eens zijn apostolische loopbaan zou aanwijzen, had hem vooraf naar de woestijn geleid, om, buiten het gewoel der wereld, hem tot een waarachtig Apostel te vormen.
DERDE HOOFDSTUK.
Clemens Maria studeert te Weenen.
Reeds meermalen heeft Clemens Maria ons ten duidelijkste bewezen, dat hij vervuld was van een levendig geloof aan Gods VaderlijkeVoorzienigheid. Maar dat, waarvan hij thans blijken gaf, verdient ten volle den naam van heldhaftig. Zijne geliefde eenzaamheid van Tivoli had hij verwisseld tegen Oostenrijks woelige hoofdstad, ten einde zijne studiën voort te zetten; en toch, naar mensche-lijke berekening, bestond er niet het minste vooruitzicht, dat plan nog ooit te kunnen volvoeren. Onbegrensd moet zijn vertrouwen geweest zijn om in zulke omstandigheden niet de prooi der diepste moedeloosheid te worden. Clemens echter had de onwrikbare overtuiging, dat de gedane stap een schrede was op den ïGode welgevalligen wegquot;; en hij was onbekommerd, hoe zwart de toekomst ook schijnen mocht.
Intusschen had hij zijn handwerk als bakker weer hervat, gelaten afwachtend, wat God over hem zou beschikken. Een schijnbaar nietige gebeurtenis kwam eensklaps het moeielijke raadsel oplossen, en op schitterende wijze het onvergetelijk -woord zijner moeder in vervulling brengen: sDeze zal voortaan uw vader zijn.quot;
Drie gezusters, die des Zondags de H. Mis kwamen hooren in de Metropolitaankerk van den H. Stephanus. hadden reeds dikwijls de stichtende godsvrucht bewonderd, waarmede Clemens de H. Mis placht te dienen.
23
Toen zij nu op zekeren dag de kerk wilden verlaten, viel er een zoo hevige stortregen, dat zij genoodzaakt waren, in het voorportaal te wachten. Clemens bemerkt hare verlegenheid en vraagt op bescieiden toon, of zij wellicht eai rijtuig verlangen. En terwijl de regen in volle stroomen nederplast, ijlt hij heen, om den liefdedienst te bewijzen. Nu wilden ook zij van haren kant den gedienstigen jonkman eenig genoegen doen,en noodigden hem uit,in te stijgen en mede te rijden naar hare woning in de Singerstrasse. Van harte mocht hij zich geluk wenschen, dat hij haar vriendelijk aanbod niet van de hand wees.
Onder het heenrijden viel het gesprek als van zelf op de plannen en vooruitzichten van Clemens.
jOch, sprak deze, ik heb altijd slechts één verlangen «gekend; doch, hoe het ooit zal verwezenlijkt worden, «blijft mij een geheim.quot;
»En welk is dat verlangen? Wie weet, of wij u »daarin niet van eenigen dienst kunnen zijn.quot;
»Mijne studiën voort te zetten, om eenmaal priester te worden.quot;
En nu verhaalde haar Clemens, met welke liefde de abt der Norbertijnen hem eenmaal in staat stelde, de lagere klassen te doorloopen. »Doch thans, zoo liet «hij er zuchtend op volgen, thans is mijn weldoener «dood en ik geloof niet, dat de bijeengespaarde winst «van mijn handwerk ooit toereikend zal wezen, om «zulke kosten te dekken.quot;
Terwijl Clemens aldus sprak, deed ook Cod zijne stem hooren in het binnenste hjirer harten. Na cenige oogenblikken toch zeiden zij, als uit één mond:
«Wanneer dat uw eenig bezwaar is, wees dan «gerust, volgaarne zullen wij er in voorzien.quot;
Een arme bedelaar, die op het onverwachtst tot rijkdom en aanzien verheven wordt, kan niet blijder zijn dan Clemens bij het vernemen dier woorden. Hoe heerlijk werd thans zijn vertrouwen beloond !
Al, wat hij noodig had, om geregeld de klassen der wijsbegeerte bij te wonen, werd hem met de meeste bereidwilligheid door zijne weldoensters verstrekt. Ja, hare edelmoedigheid ging weldra nog verder.
Op een morgen ziet Clemens aan de deur der St. Stephanuskerk een briefje, waarin een onbemiddeld jongeling zich aanbood tot het verrichten van schrijfwerk. »Dat moet een arm student zijn, dacht hij, wellicht kan sik hem in het een of ander behulpzaan wezenquot;; en aanstonds begeeft hij zich naar de aangewezen woning. Daar maakt hij kennis met Thaddeüs Hübl, dien God had voorbestemd, om de onafscheidelijke deelgenoot van al zijne lotgevallen, de hechte steun voor de opkomende Congregatie in Polen te worden. Een kort onderhoud met den armen, bescheiden jongeling was voor Clemens genoeg, om hem te leeren kennen als een talentvolle, edele ziel. Spoedig sloten zij vriendschap, en nu besloot Clemeus, ook een beroep te doen op het edelmoedige hart zijner weldoensters ten gunste van zijn nieuwen vriend. De uitslag overtrof zijne verwachting: de gezusters Maul namen Hübl als hun tweeden beschermeling op. O! indien deze levensgeschiedenis ooit in handen komt van hen, die zoo mild door God met de goederen der fortuin gezegend werden, laten zij het gedenken: een der schoonste, der heilzaamste liefdewerken is den door God geroepen arme t? steunen, om hem in staat te stellen die roepstem van God te volgen.
Met welken ijver Clemens zich nu ook aan de studie wijdde, toch werd daarom het gebed nooit verzuimd. De Zon- en Feestdagen besteedde hij geheel aan den dienst des Heeren. AVie op zulken dag de kerk van den Alerh. Verlosser binnenstrad, \'t mocht dan zeer vroeg in den morgen^fof reeds tegen den middag zijn, kon zeker wezen, den Moravischen student aan het altaar te zullen zien, om de bediening van misdienaar te vervullen. — Omstreeks dien tijd maakte hij kennis met Pater Albert
Diesbach, die in het jaar 1759 het Gezelschap van Jezus was ingetreden. Deze ijverige priester wendde al zijne krachten aan, om in weerwil der heillooze werking van den Keizer en diens geestverwanten, het geloof der Katholieke bevolking ongeschonden en levendig te bewaren. Hij was een vurige vereerder van den H. Alphonsus, »die, zoo luiden zijn eigen woorden, sden moed had, geheel s alleen den vernielenden stroom van den tijdgeest te ïkeeren, en de zedeleer des Evangelies tegen de trotsche ^Jansenisten te verdedigen.quot; Zooveel hij vermocht, verspreidde hij de werken van den Heilige en bevorderde vooral de vertaling zijner Ascetische geschriften, om daardoor aan de christelijke godsvrucht een degelijk voedsel te verschaffen. De gloed, waarmede hij over den heiligen schrijver wist te spreken, deed ook het hart van Clemens in geestdrift voor Alphonsus ontvlammen; reeds toen werd hij een warme bewonderaar van den grooten man, dien hij weldra als zijn Vader zou mogen beminnen.
Hoe verheugd Clemens ook was, thans onverdeeld voor zijne studie te kunnen leven, toch schonk hem het bijwonen der lessen in de wijsbegeerte geen onverdeeld genot. Lijdelijk te moeten aanhooren, hoe zijne leeraren de venijnige stellingen van Luther, Calvijn en Jansenius in hun onderwijs mengden, was hem op den duur onmogelijk. Het was hem een ware marteling, tegen zulke ergerlijkheden zijne stem niet te mogen verheffen. Eens\', toen er weder van het spreekgestoelte een kettersche leer verkondigd werd, kon hij zijn verontwaardiging niet langer bedwingen. Eensklaps staat hij op en, ten aanhoore van alle studenten, onderbreekt hij de voordracht met de woorden ; s Professor, wat gij »daar zegt, is niet Katholiek.quot; En onmiddellijk verlaat hij de zaal.
Vele jaren daarna ontmoette Clemens in een dei-straten van AVeenen een reeds bejaarden priester. Deze zag hem scherp aan en vroeg toen, of zijn naam niet
— 26 ■—
Hofbauer was. Clemens gaf een bevestigend antwoord, waarop de grijsaard voortging: »Uan zult gij u nog wel ^herinneren, hoe vrijmoedig gij eens uwen professor op seen dwaling hebt gewezen.quot; tja, hernam Clemens, als »het jeugdige bloed opbruist, is het wel eens voortva-»rend.quot; »Neen, vriend, gij behoeft u niet te veront-»schuldigen, \'t Was beschamend voor mij, maar ik had »het ten volle verdiend: van harte dank ik u voor dat gt;5ronde woord; het is heilzaam voor mij geweest.quot; —
Een geheel jaar had Clemens reeds geleefd in den verpesten dampkring der hoogeschool. De herfst van 1784 brak aan en daarmee het einde van den wijsgeerigen cursus. Om geldelijke middelen had hij zich niet meer te bekommeren, daar zijne weldoensters het begonnen werk zouden voltooien; doch het was hem, na hetgeen hij in het afgeloopen jaar had ondervonden, volstrekt onmogelijk de godgeleerdheid te gaan bestudeeren in een der bedorven inrichtingen van Weenen. Eindelijk na een lang. en vurig gebed, stond het bij hem vast; aan de bron zelve moest hij de zuivere waarheid gaan putten, te Rome zou hij zich verder tot het priesterschap voorbereiden. Ket vervolg der geschiedenis zal ons het overtuigend bewijs leveren, dat wij hierin geen wispelturigheid van karakter, maar den Vinger Gods behooren te erkennen.
Zijn vriend, Thaddeüs Hübl, lag juist ziek in het gasthuis; doch Clemens zoekt hem aanstonds op, deelt hem zijn plan mede en geeft hem dén raad, hetzelfde te doen. Thaddeüs stond niet weinig verbaas ! over zulk voorstel; sMaar ik ben ziek en heb geen geld; hoe kan »ik zulk ë.en réis met u maken?quot; Doch Clemens was met een enkel woord niet uit het veld te slaan. tVoor »het eerste zal God zorgen; het tweede neem ik op mij,quot; klonk zijn bemoedigend antwoord.
En inderdaad, zoo geschiedde het. Weldra waren de noodige gelden bijeen gebracht, Hübl herstelde, en nog vóór den winter van \'84 aanbrak, beklommen onze
— 27 —
twee vrienden de steile voetpaden der Alpen. Op hunne reis mochten zij de zichtbare bescherming des Hemels ondervinden.
Terwijl zij moedig voortschrijden op hun eenzamen weg, hooren zij eensklaps een vervaarlijk geblaf. Een zwarte hond springt uit het struikgewas te voorschijn, en komt woedend op hen aangeloopen. Brullend, of het van den duivel bezeten ware, blijft het razende dier in steeds nauwer kringen om de weerlooze reizigers heenrennen, tot het eindelijk op het punt scheen, hen te zullen aanvallen en verscheuren. Hübl, op wien zijn aanval hoofdzakelijk gemunt scheen, richt vol angst een vragenden blik op Clemens, die hem op vastberaden toon zegt; jBidden wij het »Qui habitatquot; Dezen Psalm »heeft mijne moeder mij geleerd; als men dien godvruch-»tig bidt, is men tegen alle gevaren beveiligd.quot; En vol vertrouwen begon hij : »Die de hulp des Aller/loodsten Ktot zijn woontent kiest, hij zal onder de bescherming van ygt;den God des hemels verblijven.quot; Nauwelijks had hij den Psalm geëindigd, of het woedende dier kwam tot bedaren en verdween uit hun gezicht, terwijl Clemens en Thad-deüs God dankend hun reis voortzetten.
VIERDE HOOFDSTUK.
Clemens wordt opgenomen in de Congregatie des Alierh. Verlossers.
In den Ioojd der maand October bereikten beide pelgrims het doel hunner reis. Wijl het reeds laat in den avond was, toen zij Rome binnentraden, was het hun eerste zorg, naar een behoorlijk nachtverblijf uit te zien, om van hun zware vermoeienissen een weinig te bekomen. AVat de volgende dag zou aanbrengen, wisten zij niet. Clemens sloeg voor, den volgenden morgen die kerk te bezoeken, waarvan zij het eerst het klokkengelui zouder hooren; daarop legden zij zich vol vertrouwen ter ruste in de armen van den Hemelschen Vader, wiens liefderijke zorgen zij reeds zoo zichtbaar hadden ondervonden.
Nauwelijks was het eerste morgenlicht doorgebroken, daar klinken de heldere tonen van het klokje der St. Giuliano in hun oor. De richting van het geluid volgend, bereiken zij weldra de kerk en treden haar binnen, om het licht des Hemels af te smeeken over de keuze van hun levensstaat. Hun oog viel aanstonds op het priesterkoor, waar zij verscheidene geestelijken de morgenoverweging zagen verrichten.
De zedige houding dier mannen Gods, de ingetogenheid, die uit geheel hun wezen sprak, maakten een diepen indruk op Clemens\' hart. Dnar ging, zoo scheen het hem, van die heilige plaats een geheimzinnige kracht
uit, die geheel zijn ziel vervulde, en haar met een zoet geweld tot die kloosterlingen voorttrok.
Bij het verlaten der kerk vroeg hij aan een kind, dat daar toevallig stond, wie deze priesters toch waren, tot welke orde zij benoorden. »Het ;zijn de »priesters van den Allerheiligsten Verlosserquot;, antwoordde ïde knaap, en ook gij zulteender hunnen worden. quot;Dat woord maakte op Hofbauer een onbeschrijfelijken indruk. Hij mocht er niet meer aan twijfelen: God zelf wilde hem zijne bestemming door den mond van dit kind openbaren.
Hij verzocht dus, den Overste te spreken, ten einde zoodoende het doel en den werkkring dier inrichting te leeren kennen. Deze ontving hem vriendelijk en zette hem in het kort de grondtrekken der regels uiteen. Steeds levendiger werd zijne belangstelling, toen de overste hem sprak over het bijstaan der meest verlatene zielen door missiën en andere geestelijke oefeningen, over de geloften, welke men moest afleggen en over den geest van gebed en versterving, die de kloosterlingen moest bezielen. Zijne vreugde steeg echter ten top, toen hij vernam, dat de stichter der Congregatie niemand anders was dan de geleerde en heilige bisschop, wiens werken hij reeds zoo vurig beminde, Alphonsus Maria de Liguori. Maar wie beschrijft de vervoering zijner blijdschap, toen de overste, na het geven dezer inlichtingen, uit eigen beweging, het woord tot hem richtte: sMijn vriend, wilt »ook gij wellicht opgenomen worden in onze orderquot; —
O, die vraag was een ware verlichting voor zijn beklemd gemoed: hij, een vreemdeling, zonder vermogen, reeds drie en dertig jaar oud, nie: dan schoorvoetend zou hij zulk een gunst durven verzoeken; en nu werd ze hem aangeboden ! Gods leiding viel niet te miskennen; zonder aarzelen neemt Clemens met gretigheid het voorstel aan.
Opgetogen van vreugde, snelt hij nu naar Thad-deiis, om hem die gelukkige tijding mede te deelen. Maar —• wat bittere teleurstelling ! Hübl, zijn trouwe
______Z-~30 JT __
vriend, was het volstrekt niet met hem eens. Harde verwijten deed hij hem over hetgeen hij een onberaden, overijlden stap noemde. En, wat Clemens het meeste griefde, was de bittere klacht van Thaddetls: »Gij hebt »mij overgehaald, mijn vaderland te verlaten; en nu »laat gij mij alleen in den vreemde!quot; — xO, wat leed »ik veel om mijn armen vriend, zoo verhaalde Pater sHofbauer later, \'t was, of ik mij aan een laag verraad «schuldig maakte, door hem zóó in den steek te laten.quot;
Doch Clemens was een meester in de kunst des gebeds. Dien dag sprak hij zijn vriend geen woord meer over zijne intrede in het klooster; doch toen de avond gevallen was, en Thaddeiis zich ter ruste had begeven, wierp hij zich op de knieën, en bracht geheel dien nacht in het gebed door. Met een onbegrensd vertrouwen smeekte hij, dat God het hart van zijnen vriend toch treffen en ook hem de genade eener zelfde roeping zou meêdeelen.
Den volgenden morgen sloegen zij den weg in naar de Santa Maria Maggiore, eene der hoofdkerken van Rome, en het dichtst gelegen bij de nederige woning, waar zij hun intrek genomen hadden. Beiden waren ernstig gestemd, een diepe neerslachtigheid was vooral op het gelaat van Thaddeiis te lezen. Zwijgend gingen zij naast of liever achter elkander; Hübl volgde slechts met loome schreden door de eenzame straat. Maar zie, eensklaps versnelt hij zijn tred, klopt zijn vriend Clemens op den schouder, en zegt met een opgeruimd gelaat: »Wilt gij goed nieuws hooren ? — Ik blijf bij u: ook ik »word Redemptorist.quot; Gelukkiger tijding kon hij hem niet brengen. Geruimen tijd bleven zij nu in de kerk, om hunne dankbare harten uit te storten voor den goeden God en de Allerzaligste Maagd.
Nimmer zou Pater Hofbauer die groote genade vergeten. «Het vasten, zoo bekende hij later, heeft mij «altijd veel gekost; doch na mijn intrede in de Congre-
»ga tie heb ik jaarlijks met innige voldoening een vas-»tendag gehouden, om aan God mijn erkentelijkheid te «betuigen voor die onverwachte uitkomst.quot;
Het eenige bezwaar, dat nog overbleef, — of de overste het verzoek van Thaddeüs zou inwilligen, was spoedig uit den weg geruimd, \'t Is waar, hij was arm, niet bekend met de taal van het land en, ofschoon tien jaar jonger dan Clemens, toch reeds van dien leeftijd, waarin jongelieden, die hunne studiën nog niet voltrokken hebben, niet gemakkelijk worden opgenomen. Doch Gods bijzondere leiding was hier al te duidelijk, dan dat de Oversten haar niet zouden erkennen.
De H. Alphonsus zelf vernam met levendige vreugde de opname der beide Duitschers in de orde. Ja, wat meer is: men deelde ■ hem mede, dat zij reeds aanstonds hun verlangen hadden kenbaar gemaakt, de Congregatie naar Duitschland over te planten. Dat was voor den heilige een groote troost te midden der harde beproevingen van dien tijd. «leder van ons, »zoo verhaalt Pater Tannoja, lachte met dat huis in »Duitschland, waarvan onze broeders in de Pauselijke »Staten droomden. Alphonsus echter niet.quot; Met een profetischen blik in de toekomst sprak de heilige grijsaard deze merkwaardige woorden; «Door hunne be-»middeling zal God zijne eer in die landen bevorderen; «doch de missiën moeten daar anders worden ingericht »dan bij ons. Omgeven van Lutheranen en Calvinisten, »moeten zij eerst onderrichten, om daarna tot zedelijke «opwekking over te gaan. Veel goeds zullen deze jon-»gelingen kunnen uitwerken, doch zij zullen ook meer «ontwikkeling noodig hebben.quot; En, wijl h.j niet meer belast was met het algemeen bestuur zijner Congregatie, liet hij er met zijne gewone onderwerping op volgen: «Gaarne zou ik hun willen schrijven, maar God wil, dat «ik mij daarin niet menge.quot;
Alphonsus verzuimde echter niet, voor hen te bid-
den, opdat God hen mocht zegenen en hen sterken in hunne roeping; — en het gebed eens liefdevollen vaders zou stroomen van zegeningen over zijn kinderen aftrekken.
De beide vrienden begonnen dan hun proeftijd in het klooster S. Giuliano, waar toen de zetel was van den Generalen Overste. Dit huis lag op den Esquilijn-schen heuvel, in de nabijheid der St. Maria Maggiore en recht tegenover de St. Eusebiuskerk. Thans maakt die plaats een gedeelte uit van het Victor Emmanuel-plein. In de onmiddellijke nabijheid echter der zoo dierbare plek ligt de Villa Caserta,. alwaar nog heden ten dage de algemeene Overste der Congregatie woont.
De dagboeken van het klooster geven ons den 2^sten October van het jaar 1784 op als den dag, waarop zij het ordekleed ontvingen. Zij werden toevertrouwd aan de leiding van P. Landi, een der eerste en getrouwste leerlingen van den H. Alphonsus, een man, geheel en al berekend voor de gewichtige taak, om hun den geest des heiligen stichters mede te deelen.
Het stil en verborgen leven van het Noviciaat biedt, uit den aard der zaak zelve, weinig of geen gelegenheid tot het verrichten van daden, die een geschiedkundige vermelding verdienen. Uit het feit echter, dat Clemens na zoo korten tijd reeds bekwaam werd geacht, de Congregatie over te brengen naar de Transalpijnsche streken, kunnen wij opmaken, dat hij blijken gaf van buitengewonen ijver en van degelijke deugd. Een enkel voorval, hoe onbeduidend in zich zelf, dient hier te worden verhaald, wijl het de flinke, mannelijke inborst van Clemens kenschetst.
Naar Italiaansch gebruik namen de novicen op hunne zomerwandelingen altijd schoon linnengoed mede. Zij beschouwden het als noodzakelijk voor de gezondheid, en de oversten hadden er zich nooit tegen verzet. Op zekeren dag, dat men wedèr al die toebereidselen maakte, begaf zich Clemens naar Pater Landi en zeide:
yPater, gelijk ik hier voor u sta, met één hemd, één. »mantel, heb ik, van Weenen naar Rome, een weg van » vierhonderd uur afgelegd, zonder eenig nadeel voor mijne s gezondheid. Moet men dan hier zulke voorzorgen nemen »voor eene wandeling van een paar uur!?quot; Dat ronde woord maakte indruk op zijn Italiaansche broeders: van toen af beschouwden zij met\' een zeker ontzag den krachtigen man van het Noorden.
Met evenveel oprechtheid kwam Clemens er echter voor uit, dat de Italiaansche keuken hem gelegenheid genoeg bood ter beoefening der versterving. Zijn vorig beroep en zijn forsche lichaamsbouw maakten, dat hij zich niet weinig moest overwinnen, om in het gebruik van spijs en drank gelijken tred te houden met de Italianen. Later hoorde men hem lachend zeggen; »De sdruiven, die in prachtige trossen voor mijn venster hin-jgen, deden mij menige, harde proef doorstaan.quot;
Met het oog op hun vergevorderden leeftijd zag men er geen bezwaar in, den proeftijd der ijverige Duitschers aanmerkelijk veel in to korten; reeds den i9deu Maart 1785, op den feestdag van den H. Jozef, legden zij hunne geloften af in handen - van den algemeenen Overste, Pater Franciscus de Paula. Daarna werden zij naar het klooster te Frosinone gezonden, om de godgeleerdheid te bestudeeren en tevens hun noviciaat te voleindigen.
Weldra was nu voor Clemens het gelukkige oogen-blik aangebroken, waarnaar hij reeds van zijne jeugd af met al de vurigheid zijns harten zoo reikhalzend had uitgezien. Op Dinsdag na Paschen, den 2gstcn Maart, zouden zij de H. Priesterwijding ontvangen. Frosinone is gelegen in het bisdom van Veroli, doch wegens ongesteldheid van hun kerkvoogd, werden zij priester gewijd door den Bisschop van Alatri. Na de wijding,- zoo had hun de Overste gezegd, moesten zij aanstonds naar irosinone
34
T
i,
terugkomen en, wijl de afstand niet meer dan twee uren gaans was, bij het uur des middagmaals weder te huis wezen.
Tegen het einde der plechtigheid, begon de lucht te betrekken, en weldra viel er een zware regen. ^
Onze beide vrienden echter waren te gelukkig, dan dat het sombere weder iets aan hunne vreugde zou schaden.
De Rector, die de oprechte deugd der beide priesters kende, wilde bij deze gelegenheid hunne nederigheid op de proef stellen. Van de gewone dagorde werd volstrekt niet afgeweken; Pater Hofbauer moest aan tafel dienen en Pater Hübl gedurende den maaltijd de gewone voorlezing houden. Doch beider ziel was overstroomd met hemelschen troost; wat zouden ze nog naar menschelijke verstrooiing verlangen?
Nu werden met de meeste vlijt, de studiën door- \'
gezet: volgens het getuigenis van - den beroemden Na- \'
politaanschen missionaris, P. Altarelli, hun toenmaligen studiegenoot, verstrekten zij in alles den overigen ten toonbeeld.
Is dit eerste gedeelte van Pater Hofbauers leven niet een heerlijke bevestiging van het woord des Psalmisten; s.Jacta super Do/uiman curam fuam, et Ipse te enutrictquot; »Werp al uwen kommer op den Heer, en Hij zal voor u zorgen; als een goede Vader zal Hij zelf zich met uwe opvoeding belasten !quot; (Ps. 54, v. 23). quot;
J^WEEDE pOEK.
—o-r-o-o-o-:-—
Van zijne Eeis naar Warschau tot zijn Terugkeer naar \'WeonGn.
1785—1808.
EERSTE HOOFDSTUK.
Clemens Maria vertrekt naar Polen.
Gedurende hun noviciaat reeds brandden onze beide Duitscliers van verlangen, om hun grootsch plan te mogen verwezenlijken; de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers over te brengen naar de noordelijke gewesten. Nauwelijks dan hadden zij hunne theologische studiën voleindigd, of zij verkregen het verlof, hun apostolische reis te aanvaarden.
Vóór alles hadden zij het oog gevestigd op Oostenrijk. Tegen het einde van 1785 sloegen zij daarom, door de beste heihvenschen hunner broeders begeleid, den weg naar Weenen in.
In Oostenrijk echter was het thans volstrekt geen gunstige tijd ter invoering eener nieuwe Congregatie. Het vernietigingswerk van Jozef It was in vollen gang. Met één pennestreek [werden honderden kloosters opgeheven. Slechts die inrichtingen vonden eenige genade, die zich het onderwijs, het verzorgen der zieken of het bedienen der parochiën ten doel stelden; terwijl ook dezen alle verkeer met buitenlandsche oversten ten strengste verboden werd. Onder zulke omstandigheden kon er redelijkerwijze geen spraak zijn van een nieuwe stichting te Weenen. Nauwelijks dan ook had P. Hofbauer den stand van zaken meer van nabij leeren kennen, of hij begreep, dat een langer oponthoud in Oostenrijk geheel doelloos zou zijn. Nu stelden de beide missionarissen
zich ter beschikking der Propaganda te Rome, en hun aanbod, gesteund door de vleiendste getuigenis van hun Generaal, P. Franciscus de Paula, werd met gretigheid aangenomen.
Kort te voren had Keizerin Catharina II den Aartsbisschop van Mohilev gemachtigd, de hulp van vreemde priesters in te roepen voor de in Rusland verspreide Katholieken. Da twee Redemptoristen konden dus onschatbare diensten bewijzen aan de vele Duitschers, die van alle geestelijke hulp verstoken, in Koerland woonden.
Door den H. Stoel gezonden, en door zijne Oversten toegerust met de noodige volmacht tot het aannemen van novicen en het stichten van huizen zijner orde, vertrok Clemens Maria met zijn getrouwen medebroeder in October 1786 uit Weenen, om over Warschau de plaats zijner bestemming te bereiken.
Even buiten de stad wachtte hem een blijde verrassing, Terwijl hij den Donau overstak, zag hij op het vaartuig een armoedig gekleeden eremiet. Maar wie schetst zijne verbazing, toen hij, naderbij komende, zijn ouden vriend van Tivoli herkende, die een bedevaart had ondernomen naar de graven der H. Driekoningen te Keulen. Clemens verhaalde hem zijn wedervaren sinds zijn vertrek uit Italië, en stelde hem voor als werkbroe-der in de Congregatie te treden, en de reis naar Koerland mede te maken. Zoo werd Emmanuel Kunzmann de eerste Transalpijnsche Redemptorist, dien Pater Hofbauer mocht aannemen. De ijverige werkbroeder was den Paters eene groote hulp in hunne nieuwe stichting.
Blijmoedig zetten nu onze drie kloosterlingen de reis voort, hoeveel moeielijkheden het gure najaar en de slechte weg hun ook berokkenden. Nog eenige uren voortgewandeld en ze zouden Oostenrijk vaarwel zeggen. Reeds lag het grensplaatsje Retz in het verschiet; dan zou Clemens zijn land betreden; Moravie met Znaïm en Tasswitz lagen voor hem. Daar haalt hen de school-
meester van\' Retz met zijn rijtuig in, en verzoekt hen dringend: »zij zouden bij hem overnachten; den volgensden morgen zon hij hen naar Znaïm rijden.quot; Clemens nam deze vriendelijke uitnocdiging met dankbaarheid aan, en bracht dien avond in het gezin van den meester door.
Dat bezoek zouden die brave lieden nooit meer vergeten: dat hemelsch uiterlijk, dat hartelijke woord, die innemende manieren van Gods Dienaar, alles zeide hun: zij hadden een heilige bij zich gehad. Wat hem ten gebruike had gestrekt, werd voortaan als een heiligdom bewaard. Het bed, waarin de heilige man gerust had, mocht door niemand meer gebruikt worden; eerst 37 jaar daarna mocht het dienen voor Pater Ulrich Petrak, een leerling van Pater Hofbauer. — Een brief van dankbaarheid, welken Clemens hun den i4dcquot; October uit Znaïm schreef, en waarbij hij een gedachtenis aan het huisje van Loretto en het afbeeldsel van den groo-ten Redemptorist uit Napels, den Eerbiedw. Pater Sar-nelli, gevoegd had, kwam hun geluk nog verhoogen. Dat zij het kostbare stuk met alle zorg bewaarden, laat zich wel denken: hun nakomelingen toonden den brief nog in het jaar 1S64, toen men voor het proces der zaligverklaring naar inlichtingen vroeg. ïMet dien brief, zoo szeiden zij, is Gods zegen over ons huis nedergedaald.quot;
Van Znaïm begaf Clemens zich naar Tasswitz, om zijne zuster Barbara te bezoeken. Zijne goede moeder was in Juni van het vorig jaar overleden. Vele en vurige gebeden stortte hij op het graf zijner dierbare ouders, droeg voor hunne zielerust de H.Offerande der Mis op, en zette dan zijn Apostolische reis voort. De winter van \'86 was vroeg ingevallen, zoodat onze reizigers, die bijna alles te voet moesten afleggen, veel te lijden hadden van koude en sneeuw. Waarschijnlijk kwamen zij eerst tegen het einde des jaars in Polens hoofdstad aan.
De pauselijke nuntius. Mgr. Saluzzo, ontving hen
met hartelijkheid. Zelf geboortig van Napels, droeg hij den H. Alphonsus, het sieraad van het Napolitaansch Episcopaat, een hooge achting toe.
Doch in. plaats van hen naar Koerland te laten vertrekken, besloot hij, de missionarissen in Warschau te houden, waar niet minder behoefte was aan hunne geestelijke hulp. De Duitsche katholieken, wier aantal vele duizenden beliep, hadden in de St. Benno hun eigen kerk; doch sedert de opheffing der Jezuïeten was deze bijna geheel verlaten en had geen enkelen Duit-schen priester meer.
De nuntius bepleitte zijne zaak bij Koning Stanislaus, stelde hem de twee Redemptoristen voor. en mocht zijne pogingen met den besten uitslag zien bekroond worden; de vorst nam de Paters in zijn koninklijke bescherming.
Het plan van den bisschop werd ook door Rome goedgekeurd; weldra hadden de Paters bezit genomen van de St. Benno, betrokken de kleine woning naast de kerk, en belastten zich met de zielzorg der Duitschers, die in Warschau woonden. Zoo vestigde Pater Clemens Maria Hofbauer het eerste huis der Congregatie aan deze zijde der Alpen, \'t Was in \'t jaar 1787; vijf en vijftig jaren na hare stichting door den grooten Alphonsus Maria de Liguori.
TWEEDE HOOFDSTUK.
De eerste Jaren te Warschau.
Moeielijk zal men zich een volledig denkbeeld kunnen vormen van de ontbering en de wederwaardigheden van allerlei aard, waarmede de kloosterlingen in hun nieuwe stichting te kampen hadden. Het huis, dat hun werd aangewezen, verdiende den naam van klooster niet. \'t Was een verwaarloosde, hait\' vervallen woning, zonder meubelen of verder huisgerief. Overal drong het vocht door, zoo zelfs, dat het water langs de wanden af-zijpelde. Een tafel en een paar stoelen, die tevens als bedden dienst moesten doen, ziedaar alles, wat er te vindenwas.
Broeder Emmanuel werd tot kok benoemd: hier en daar leende hij wat keukengereedschap, en sneed een paar houten lepels; de Paters moesten daarenboven met zijn goeden wil tevreden zijn: hij was een volslagen nieuweling in de kookkunst. Clemens, de vroegere bakkersleerling, hielp hem, zooveel hij kon; niet zelden kwam hij rechtstreeks van het fornuis,wanneer hij den kansel besteeg.
Ook waren de vooruitzichten niet zeer gunstig: Hofbauer, Hübl en Emmanuel bezaten te zamen drie daalders, toen zij te Warschau aankwamen, \'t Is waar, in het jaar 1791 ontvingen zij van Paus Pius VI uit de kas der Propaganda een jaarlijkschen onderstand van ruim 250 gulden; doch den 23sten Mei 1793 kon P. Hofbauer nog schrijven: »\'t Is een voortdurend wonder der Voor-szienigheid, dat ons huis bestaan kan. Onze inkomsten
— 42 --
szijn nauwelijks toereikend, om de kaarsen voor de kerk jen den wijn voor de H. Offerande aan te schaffen. De «Koning had ons meer beloofd; doch om wille der be-snarde tijden, kon hij zijn woord niet houden.quot;
Dat alles was echter niet in staat, de opgeruimdheid der bewoners te verstoren. Hadden zij niet vrijwillig de armoede van Jezus omhelsd bij het afleggen hunner geloften? En daarbij, zou dan de Hemelsche Vader, die het nietigste vogeltje onderhoudt, zijn geliefde kinderen van honger laten sterven ? —
Op zekeren dag was geheel de voorraad verbruikt, en P. Hofbauer wist niet, hoe te voorzien in de noodzakelijkste behoeften der zijnen. Hij begeeft zich naar de kerk, werpt zich vóór het altaar neêr, en blijft langen tijd in een vurig gebed verslonden. Dan staat hij op, klopt met een kinderlijke vrijmoedigheid aan de deur van het tabernakel, en zegt op smeekenden toon; »Heer, help ons toch; het is hoog tijd.quot; Bijna op hetzelfde oogenblik komt er een vreemdeling, om den overste des huizes te spreken, en overhandigt hem een aanzienlijke som geld. Aldus werd het heldhaftig vertrouwen van Gods Dienaar beloond. Was nu Gods tusschenkomst niet altijd zóó zichtbaar als in het zooeven vermelde feit, Gods Vaderoog waakte toch altijd over hen, en voorzag hen van het noodige.
Het tijdelijk onderhoud baarde hun dan ook weinig zorgen; onbekommerd, vroolijk zelfs, leefden zij te midden hunner armoede. Doch hun ziel werd met diepen weemoed bevangen, en vervuld met vrees voor de toekomst, wanneer zij een blik wierpen op den gods-dienstigen en maatschappelijken toestand van het land, dat zij bewoonden.
Polen, het door en door katholieke Polen, had tot dan toe zijn voornaamste kracht geput uit de vrije inwerking van den godsdienst op het burgerlijk leven: die kracht was gebroken, sinds Catharina II, Keizerin
van Rusland, den Protestanten groote vrijheden en voorrechten verleend had. De gemoederen der Katholieken werden van den H. Stoel vervreemd door den invloed van Gallicanen en Febronianen, terwijl het Jansenisme de geloovigen altijd meer en meer terughield van het ontvangen der HH. Sacramenten. Ook had de Vrijmetselarij reeds diepe wortelen in Polen geschoten : onder hare aanhangers telde zij hooggeplaatste personen, staatslieden en helaas! ook geestelijken.
De goddelooze boeken van Voltaire en al de verpeste voortbrengselen der Fransche litteratuur werden gretig verslonden, en in een zijner brieven hooren wij P. Hofbauer klagen; »Terwijl men hier de afschuwe-slijkste boeken in alle talen verbreidt, kan men nau-awelijks één boekhandelaar vinden, die iets goeds ten sverkoope biedt, of zich de moeite wil geven, het u te gt;:bezorgen.quot;
Een vreeselijk zedenbederf moest het noodzakelijk gevolg van dat alles wezen : een onverzadelijke begeerte naar zingenot, een algeheele onverschilligheid voor hoo-gere belangen werd de karaktertrek van Warschau\'s bevolking. Wij laten weder het woord aan P. Hofbauer: sDe losbandigheid is hier tot zulk eene hoogte gestegen, »dat zij, naar mijn oordeel, alles te boven gaat, wat »men elders aantreft. Bijna allen zijn er door aange-jstoken. Ik vrees, dat God zijn straffenden arm zal doen ^gevoelen; laat ons bidden, dat liet onheil nog worde s afgeweerd.quot; Deze woorden schreef Gods Dienaar in het jaar 1793 en het jaar daarop werd Polen verwoest en Stanislaus Poniatowsky, toch reeds een schijnkoning en een werktuig in de hand van Rusland, voor goed onttroond.
Die toestand werd met den dag ellendiger door de ontevredenheid, die in alle standen heerschte. Tus-schen de Poolsche edelen, die trouwens nooit een toonbeeld van eendracht geweest waren, had de spanning
haar toppunt bereikt, sinds de sluwe Catharina er eene Russisch gezinde partij had weten te vormen. Het volk was in gisting, wijl men in \'72 aan de naburige staten een aanzienlijk gedeelte van het land had weggeschonken. Dat de geheime genootschappen het vuur der tweedracht zooveel mogelijk aanwakkerden, laat zich wel denken. Daarbij had het 1\'oolsche volk een ingekankerden haat opgevat tegen al wat vreemdeling was, en die verbittering was vooral groot tegen de Russen, de Oostenrijkers en de Duitschers, wijl de verdeeling des lands onder die volken was geschied.
In zulke omstandigheden konden Hofbauer en zijn medebroeders den Polen niet welkom zijn. Als kloosterlingen waren zij den slechten een doorn in het oog, terwijl de overigens goedgezinden die Duitsche vreemdelingen slechts met wantrouwige oogen aanzagen.
Aanvankelijk wilde niemand in nadere betrekking met hen komen, en meer dan eens werden de Bennonieten - zoo werden zij genoemd naar hunne Sint Bennokerk ~ voor ketters uitgescholden. Warschau met zijn 124.000 inwoners was als een vijandig kamp, in welks midden zij zich bevonden. gt;;Meermalen — \'t zijn Pater Hofbauers eigen woorden — ï heb ik er ernstig aan gedacht, naar »Italië terug te keeren, wijl onze toestand onhoudbaar »scheen; doch de Nuntius heeft ons altijd bemoedigden »tot volharding aangespoord.quot;
Het bemoedigend woord van Mgr. Saluzzo en vooral de gedachte, dat zooveel lijden Gods zegen zou doen rusten op zijn werk, gaven \'den onverschrokken Apostel de stellige overtuiging, dat hij dien post niet mocht verlaten; en dat was hem genoeg. Dat enkele woord »God ii.nl hef bezielde hem met een moed, die eiken vijand kon trotseeren.
Eindelijk, toen hun vertrouwen voldoende beproefd was, kwam God tusschenbeide, en wist zijn getrouwen dienaren vrienden en weldoeners te bezorgen.
De woning der Paters dreigcle in te storten, en was buitendien veel te klein, om er ooit eene kloostergemeente te kunnen huisvesten. Reeds lang had dan ook Clemens het plan gevormd, haar door een ruim en hecht klooster te vervangen. Eindelijk achtte hij het oogenblik gunstig; hij sloeg de handen aan het werk, en zie ! van alle zijden toonde men de levendigste deelneming. Verscheidene personen leverden hem kosteloos de bouwstoffen; anderen, en onder hen zag men personen, die niet gewoon waren, zich tot zulken arbeid te leenen, wilden het werk van eenvoudige arbeiders daarbij verrichten. Zoodoende verrees er, na verloop van eenige jaren, een gebouw, dat groot genoeg was zoowel voor eene talrijke kloostergemeente als voor de verschillende inrichtingen, die Gods Dienaar in het leven had geroepen.
Langzamerhand verbeterde ook het vooruitzicht, om op geestelijk terrein met vrucht te kunnen werken; de beletselen en de verschillende vooroordeelen verdwenen al meer en meer, en weldra bood zich aan de van ijver gloeiende missionarissen een uitgebreid veld ter bearbeiding aan. In denzelfden brief van \'93, waarin P. Hofbatier zoo bitter klaagt over den toestand van Polen, lezen we tevens deze troostrijke woorden : »Als ik na-»ga, wat wij reeds tot stand mochten brengen ter eere sGods en tot het heil der zielen, dan moet ik bekennen, »dat de nuntius aan een hoogere ingeving gehoorzaamd sheeft door ons in Warschau te houden.quot;
Vóór wij echter de groctsche scheppingen van zijn zielenijver meer in het bijzonder bespreken, willen wij eerst een blik werpen in de St. Benno, en wat nader kennis maken met de eerste en voornaamste medewerkers, die Gods Voorzienigheid hem daar toezond.
Verschillende Duitsche handwerkslieden hadden in de iquot;]0 eeuw, onder de regeering van koning Wladis-las IV, liefdegiften bijeengezameld, om daarvan eene kerk te bouwen, ten behoeve der I Hiitschers. Zoo verrees
de St. Bennokerk op een heuvel, aan een der uiteinden van het nieuwste gedeelte der stad. Toen de Redemptoristen deze kerk overnamen, waren de drie altaren zeer beschadigd en met een dikke stoflaag bedekt. Het hoogaltaar was toegewijd aan den H. Benno, den Apostel der Slaven, die in het jaar 1106, als bisschop van Meissen, in Saksen, een heiligen dood stierf. Het beeld van den heilige verkeerde in zulk een gehavenden toestand, dat P. Hof bauer het door een schoone schilderij van St. Benno deed vervangen.
Op datzelfde altaar was nog een klein beeld der Moeder Gods (jMiria-Hilf\'\') ter vereering uitgesteld.
liet eene zijaltaar was dat van den H. Jozef, onder wiens machtige bescherming P.Hofbauer zijn klooster gesteld had. »De Voedstervader van Jezus, zoo zeidehij, sis ook\'de vader der armen: op zijne hulp kan men xveilig rekenen.quot; Weldra werd dit altaar trouw bézocht door het geloovige volk. Op de verschillende feesten en bij de godvruchtige oefeningen, die men in de kerk hield, werden daar ook andere beelden geplaatst. Zoo zag men er nu eens de afbeelding van den Allerh. Verlosser, dan wieder van de koren der Engelen, van den H. Michaël, Raphael of Gabriël; eindelijk van een of anderen heilige, zooals van den H. Aloisius, den H. Stanislaus en anderen.
Op het derde altaar werd een beeld vereerd van Jezus aan de geeselkolom. Dit beeld was schoon en vol uitdrukking; het volk kwam dikwijls voor dit altaar bidden, en liet er gaarne de H. Mis lezen.
De kerk kon ongeveer duizend personen bevatten; doch toen na verloop van jaren de toeloop altijd vermeerderde, werd eene vergrooting noodzakelijk geacht.
In het jaar 1801 deed P. Hofbauer een zijkapel oprichten, tot welke een sierlijke trap van twaalf treden toegang gaf. Ook daar deed hij een zeer schoon sEcce Homoquot; beeld plaatsen, en toen eenige weldoeners uit
47
Weenen hem nog eene afbeelding der Moeder van Smarten zonden, kwam deze de versiering der kapel voltooien.
-Het gt;; Ecce Homoquot;beeld in deze kapel heeft een groote rol gespeeld bij de verschillende bekeeringen, welke in de St. Benno plaats hadden. Velen hebben bekend, dat een blik op dat beeld hen diep had ontroerd, en met een levendig berouw vervuld. Anderen verklaarden, dat de \'Zaligmaker hun in den slaap verschenen was, juist gelijk Hij werd voorgesteld in die kapel, en dat Hij hun gezegd had: s Gaat naar Warschau biechten bij de Paters van St. Benno.quot;
Kortom, in betrekkelijk korten tijd was het Gods Dienaar mogen gelukken, het arm en ellendig kerkje tot een bevallig en godvruchtig heiligdom te maken. Vooral op de feestdagen mochten kaarsen noch bloemen gespaard worden, ten einde zoo de godsvrucht der geloovigen op te wekken.
Wel is het te betreuren, dat het eerbiedwaardig oord niet gespaard bleef voor het nageslacht. Waar eens de zielverheffende lofzangen weerklonken, hoort men thans niets dan het eentonig gedreun der machinen. De kerk is een ijzerfabriek geworden, en slechts een geoefend oog kan er nog de sporen van het vroegere heiligdom in terugvinden.
In het begin moesten alleen Hofbauer en Hübl de kerkelijke diensten verrichten; doch spoedig gevoelden zich meerdere geestelijken tot die heilige priesters aangetrokken. \'t Is waar, in de eerste jaren wilden de Polen geen deel uitmaken van die stichting van vreemdelingen; doch de Duitschers, die zich aanboden, hadden reeds lang genoeg in het land gewoond, om de Poolsche taal volkomen machtig te wezen.
Uit een brief van den Hoogw. P. Franciscus de Paula, van den iodcquot; October 1790 blijkt, dat er toen in het huis van St. Benno zes priesters werkzaam waren,
terwijl in het jaar 1799 Hofbauer zelf zijn Overste kon berichten, dat het klooster te Warschau vijf en twintig leden telde, nl. negen priesters, twee diakens, twee subdiakens, drie studenten, twee novicen en zeven werk-broeders. Buitendien had Clemens drie missionarissen naar Koerland gezonden, terwijl er in 1796 drie andere priesters en een diaken waren gestorven.
Eenigen dier verdienstelijke mannen dienen hier met name te worden vermeld.
In het jaar 1793 had de Hoogw. Pater Blasucci, die P. de Paula als Rector-Major was opgevolgd, aan Clemens Maria, met den titel van Vicaris-Generaal, het bestuur der Transalpijnsche Congregatie opgedragen. Daarom benoemde deze, eenigen tijd later, zijn trouwen medewerker, P. Hiibl, tot rector des huizes. Bij afwezigheid der beide oversten was het gezag in handen van Pater Jestersheim, die als minister des huizes, met de zorg voor het tijdelijke belast was. Bij Pater Hofbauer stond deze in hooge achting; hij was zeer kalm en ingetogen van gemoed; als uitstekend musicus bewees hij groote diensten bij de plechtigheden in de kerk. ■
Onder de Duitschers, die zich het eerst bij Clemens aansloten, verdient de leekebroeder Mathias W ithalm een bijzondere vermelding. Waarschijnlijk had hij li, Hofbauer reeds te Weenen leeren kennen en hoogschatten. Hij aarzelde niet, de reis naar Warschau te ondernemen, om lid te kunnen worden van de Congregatie. Doch toen hij aldaar aangekomen, de kerk van St. Benno binnentrad, overviel hem eensklaps zulk een angst, dat hij op het punt stond, zijn plan te laten varen, en naar Weenen terug te gaan, zonder zelfs P. Hofbauer te hebben gezien. Gelukkig kwam deze juist in de kerk, ging recht naar hem toe, enquot; noodigde hem uit, mede te gaan naar zijne woning. Op hetzelfde oogenblik waren angst en twijfel verdwenen; Mathias deed zijn intrede in de Congregatie en werd een voorbeeldige werkbroeder.
Van de Polen noemen wij hier slechts twee priesters: P. Joan Dulcla Podgorski en P. Carolus Bluraenau. Podgorski was de eerste jongeling van Poolsche afkomst, die zich onder de Bennonieten liet opnemen. Hij stelde zich reeds als dertienjarige knaap onder de leiding van P. Hofbauer. Deze noemt hem in een zijner brieven »de onschuld zelve, een jongeling met buitengewone »talenten.quot; Hij werd priester gewijd in 1797; doch reeds voor dat jaar gaf hij de heerlijkste blijken zijner welsprekendheid, en preekte als Diaken bijna iederen dag. Toen hij na zijne verdrijving uit Polen te Weenen kwam, maakte hij zulken gunstigen indruk op den Apostolischen Nuntius, dat deze hem als bisschop van Bucharest wilde voorstellen. Slechts op het dringend smeeken van den nederigen kloosterling zag de Nuntius daarvan af.
P. Bluraenau, te Warschau uit Poolsche ouders geboren, heette oorspronkelijk Kwiatzowski. Het Poolsche woord Kwiat beteekent h/ocm^ zoodat zijn Duitsche naam slechts een vertaling is. In 1799 priester gewijd, werd hij spoedig beroemd als redenaar; hij bezat zulk een gaaf van spreken, dat hij meermalen de Duitsche preek van Pater Hofbauer onmiddellijk daarna voor de Polen in hunne taal kon houden.
Ook uit verder verwijderde streken kwamen nieuwe medehelpers opdagen. P. Hofbauers naam en faam was doorgedrongen tot in Frankrijk. In den zomer van het jaar 1795 kwamen vier Fransche jongelingen het hart van Clemens verblijden door hun verzoek om lid te mogen worden van de Congregatie. Een hunner, Nicolaas Lenoir, was eertijds professor in de Hebreeuwsche taal; hij was zeer bedreven in het Grieksch, het Syriaksch en het Chaldeeuwsch, en muntte uit door een degelijke kennis der wiskunstige vakken. Doch, wat voor ons van meer belang is, hij was, naar het getuigenis van P. Hofbauer, een man van groote deugd. Voorzichtigheidshalve veranderde hij zijn Franschen naam in het Duitsche Schwarz.
— 5° —
Onder hen bevond zich ook de man, wiens naam in deze levensbeschrijving nog meermalen zal te-rugkeeren; de man, die de vreugde van Pater Hof bauer, de parel van St. Benno zou worden; die, geheel vervuld met den geest van Clemens Maria, hem eens zou opvolgen als Vicaris Generaal en het door hem begonnen werk zou voltooien. Jozef Passerat werd den 3osten April 1772, te Joinville. in Champagne, geboren. Toen hij in het klein seminarie van Chalons-sur-Marne zijn eerste studiën voltooid had, wilde hij in 1790 den cursus der godgeleerdheid beginnen. Daar brak, als een woedende storm, de revolutie over Frankrijk los en wierp Passerat in den kerker. Dezen mocht hij slechts verlaten, om met geweld te worden ingelijfd in het republikeinsche leger, waar hij om zijne hooge gestalte reeds aanstonds tamboer-majoor werd. Maar het streed tegen zijn geweten, den ellendigen opstand te dienen: toen hij kort daarna tot kwartiermeester benoemd, grootere vrijheid verkreeg, maakte hij gebruik van een goede gelegenheid en wist te ontsnappen.
Over België vluchte hij naar Duitschland, en begon in Trier zijne theologische studiën, om ze voort te zetten in Munster, Augsburg en Würzburg. In die stad hoorde hij spreken over P. Hof bauer en de St. Benno. Een hemelsch licht bestraalde eensklaps zijne ziel en kort daarop zag Clemens hem voor zijn voeten neerknielen, terwijl hij hem met aandrang verzocht, zijne levenswijze te mogen deelen. Den i3den November 1796 legde hij zijne geloften af, en ontving een half jaar daarna, 15 April 1797, de heilige priesterwijding. P. Hofbauer zelf bewonderde in hem een diepe kennis en een onver-moeibaren ijver voor de volmaaktheid.
Om nu met een enkel woord te gewagen van de overige kloosterlingen van St. Benno, willen wij hier een paar korte, doch veelbeteekenende getuigenissen over hen aanhalen. In het jaar 1791 liet zich Paus Pius VI
aldus over de Bennonieten uit: sMen ziet, dat de ijver svan den Stichter op hen is overgegaan.quot; En Mgr. Saluzzo, die ooggetuige was van het gedrag der Paters, schreef van hen in 1793: »Ue leden uwer Congregatie 3 onderscheiden zich door hun ijver, hun voorbeeldig «leven en door de talrijke diensten, welke zij bewijzen.quot; Eindel.jk, Clemens zelf aarzelde niet, vooral van de studenten en de jongeren te getuigen ; sin godsvrucht sen wetenschap maken allen de loffelijkste vorderingen. »Wij houden ons daarom stellig overtuigd, dat zij be-»kwame werktuigen zullen worden in de hand van sGod.quot;
DERDE HOOFDSTUK.
Apostolische Werkzaamheden te Warschau.
De hartelijkheid, waarmede onze beide Missionarissen door den Nuntius te Warschau ontvangen waren, zou hun apostolisch hart slechts weinig voldoening kunnen schenken, indien de kerk, wier bediening hun was toevertrouwd, niet beter bezocht werd, dan het in den laatsten tijd geschiedde. Sinds ruim tien jaren stond de St. Benno zoo goed als verlaten. Waar nu het middel te vinden, om de verregaande lauwheid, waartoe de Duitschers vervallen waren, en den hevigen afkeer, dien de Polen voor de vreemdelingen koesterden, voor goed te overwinnen? — Hofbauer begreep, dat hij denzelfden weg moest volgen, dien de Goddelijke Zaligmaker was ingeslagen. »Transiit benefacicndo.quot; Al weldoende zou hij rondgaan; door zijne grootsche liefdewerken moest hij de harten der menschen voor zich winnen, om met vrucht te kunnen werken aan hun eeuwige belangen. De ellende, die overal heerschte, bood hem daartoe ruimschoots de gelegenheid.
Tot zijn diep leedwezen had hij gezien, dat behoeftige ouders hunne kinderen schromelijk verwaarloosden. Wat moest er uit zulke knapen anders groeien dan lediggangers en booswichten? Hij richtte dan in de nabijheid van het ordehuis een jongensschool op, waar kosteloos onderricht gegeven werd, terwijl hij de jonge-
lieden, die in het Noviciaat wenschten te treden, daarbij als onderwijzers bezigde. Dezen stonden onder de leiding zijner priesters, die op hun gedrag en hunne bekwaamheden hadden te letten. Wanneer zij aldus van hun goeden wil hadden doen blijken, werden zij waardig gekeurd, het ordekleed te ontvangen en tot het Noviciaat over te gaan.
In zijne liefde vergat hij ook de arme en verlaten meisjes niet. Hij wist eene vereeniging tot stand te brengen van godvruchtige maagden, die zich aan een vasten regel onderwierpen en hare woning slechts verlieten, om naar de kerk te gaan. Deze vrouwen woonden dicht bij de St. Benno, zorgden voor het linnen van klooster en kerk, en waren als de geestelijke moeders der arme kinderen.
Reeds in het jaar 1793 ontvingen in de jongens-en meisjesscholen van St. Benno ruim 350 kinderen het eerste onderricht.
De bloedige oorlogen, waarvan het ongelukkige Polen in die jaren het tooneel was, maakten weldra een nieuwe instelling van liefdadigheid noodig. Den 29stcn October 1794 stond het Russisch leger voor Praga, een versterkte voorstad van Warschau. De St. Benno lag niet ver van de Weichsel, door welke Praga van Warschau gescheiden is, en zoo was P. Hofbauer ooggetuige van het akelige tafereel, dat ging volgen. De verschrikkelijke Smvarow richtte zijne batterijen op, en wierp duizende bommen in de stad. Eindelijk, in den nacht van den 4^quot; November begon de stormloop en \'s morgens ten negen uur waren de verschanste liniën genomen. Van de Poolsche troepen redden zich slechts 800 man, de overigen werden gedood of gevangen genomen, terwijl 300 Polen in de Weichsel verdronken. Daarop begonnen die woeste horden hunne slachting in Praga zelf en vermoordden nog duizenden.
Tallooze weezen strekten nu smeekend de handen
uit naar hulp. Maar wie zou die hulp verkenen? — De taak was niet gemakkelijk; doch voor de heldhaftige liefde van Clemens was niets te zwaar. Hij sticht een weeshuis voor die ongelukkige kinderen, die hij zelf, met behulp zijner medebroeders, zal verzorgen. Hoe dikwijls zag men hem niet, vol zelfverloochening, met eigen hand die verwaarloosde knapen reinigen en kleeden! Maar hun getal vermeerdert met den dag; spoedig zijn de geldmiddelen uitgeput. Doch Clemens verliest den moed niet; zelf wordt hij bedelaar voor zijne weezen.
Eens was hij weder uitgegaan, om liefdegiften in te zamelen. Hij treedt een herberg binnen, en vindt daar eenige mannen aan het spel. Smeekend richt hij het woord tot een hunner, en vraagt hem een kleine aalmoes voor zijne arme kinderen. De man ziet hem norsch aan, springt dan eensklaps op, en spuwt den heilige in het aangezicht. Bedaard wischt Clemens zijn gelaat af en zegt op vriendelijken toon; »Dat was voor mij; maar snu krijg ik ook zeker iets voor mijne weezen.quot; Zulk een zachtmoedig antwoord had de woesteling niet verwacht. Het schaamrood steeg hem naar de wangen; hij gaf een ruime aalmoes en verhaalde overal het heldhaftig geduld van Gods dienaar. Een der getuigen in het proces der zaligverklaring voegt er bij, dat de man bij P. Hofbauer ging biechten, en zich oprecht bekeerde.
Als Clemens zich zooveel opoffering getroostte voor het stoffelijk onderhoud der weeskinderen, laat het zich gemakkelijk begrijpen, dat hij niet minder bezorgd was voor hunne geestelijke belangen. De slechte gevolgen hunner verwaarloosde opvoeding trachtte hij zooveel mogelijk uit te roeien; met de liefde tot God prentte hij hun ook een onbegrensd vertrouwen in op Maria, die zij als hunne geestelijke moeder moesten beschouwen. Zoo dikwijls zijne bezigheden het hem toelieten, bracht hij de kinderen voor een altaar der Moeder Gods. Daar moesten zij dan gezamenlijk bidden en de geestelijke
liederen herhalen, welke hij zelf hen voorzong.
Wanneer zijne knapen voldoende onderricht waren, wist hij hun een goede plaats bij brave handwerkslieden te bezorgen, of toonden zij zich voor verdere ontwikkeling vatbaar, dan nam hij ze zelfs onder zijne studenten op.
Maar zijn ruim en edelmoedig hart omvatte niet slechts de kinderen: alle behoeftigen namen er een ruime plaats in. Ontmoette hij op straat een jongen bedelaar, aanstonds nam hij hem mede naar St. Benno. Daar verving hij zijne lompen door passende kleederen en gaf hem dan meerdere dagen huisvesting, om hem in den godsdienst te onderwijzen en voor te bereiden tot het ontvangen der. HH. Sacramenten. Dan zocht hij werk voor hem op, en trachtte hem een grooten afschuw in te boezemen voor het ellendig leegloopen, de bron van zooveel jammeren. —
God alleen is het bekend, hoevelen armen hij aan de kloosterpoort onderstand gaf, hoeveel verlaten zieken hij ging troosten, hoeveel behoeftigen, die zich schaamden, de hand tot bedelen uit te steken, hij in het geheim ging ondersteunen. — De liefde voor de armen, welke reeds als kind in hem uitblonk, maakte hem kwistig in het uitdeelen van aalmoezen; zoo kwistig, dat P. Jestersheim hem somwijlen met een bezorgd gelaat kwam vragen, hoe hij zijn eigen huis zou onderhouden, wanneer hij alles aan de vreemden wegschonk. Lachend antwoordde hij dan ; vDatequot; en vDabiturquot;: rGeeftquot; en »U wordt gegevenquot; izijn twee zusters, sdie onafscheidelijk bijelkander behooren.quot; Somtijds klonk zijn antwoord ernstiger, en op zijn beurt vroeg hij dan, of Christus ons niet geleerd had, onbekommerd den volgenden dag af te wachten. 5 Och, zeide hij eens, wan-jneer een priester zijn plicht doet, al zou er dan op de igeheele wereld nog slechts één brood zijn, dan zal God shem de helft er van bezorgen.quot;
Zulke liefdewerken moesten Gods Dienaar de achting en het vertrouwen des volks noodzakelijk doen winnen. De kerk werd reeds beter bezocht, de biechtstoelen geregelder bezet. Aanvankelijk kon er slechts in het Duitsch gepreekt worden; doch in den biechtstoel konden Hofbauer en Hübl, wijl zij beiden het Boheemsch verstonden, vrij spoedig den Polen behulpzaam zijn.
Clemens heeft eerst in de laatste jaren van zijn verblijf te Warschau in het Poolsch gepredikt, doch over Pater Hübl kon hij schrijven; süp den feestdag van den »Allerheiligsten Verlosser (op den 3™-Zond. v. Juli, 1799) »heeft Mgr. Litta, onder een grooten toeloop van volk, de 5plechtige Hoogmis gezongen. Na het feest hielden wij een «kleine missie, welke op den dag der octaaf met den pause-slijken zegen gesloten werd. Bij de sluiting heeft P. Hübl »voor het eerst in het Poolsch gepreekt. Daarbij heeft gt;;hij het volk zóó getroffen, dat zij hem door hun luid »snikken herhaaldelijk onderbraken. Het getal zijner s hoorders was zoo groot, dat slechts één derde in de rkerk een plaatsje vinden kon.quot;
Nauwelijks was het getal der Paters toegenomen, en konden de predikatiën in het Poolsch geregeld plaats vinden, of de werkkring der Missionarissen verkreeg een verbazenden omvang. De ijver van Gods dienaar zette alles in vlam. In het jaar 1796 werden in de St. Benno 48,777 communiën uitgedeeld, terwijl dat getal in \'99 nog met 10,000 vermeerderde. Het moge zelfs onge-loofelijk schijnen, dat het in 1807, het laatste jaar vóór de verdrijving uit Polen, tot 104,000 steeg,Pater Hofbauer zelf schrijft daarover: »Wij zouden een nog hooger\' scijfer bereikt hebben, als onze kerk ruimer en het aan-stal onzer Paters grooter geweest ware.quot;
Van heinde en verre stroomde het volk toe; Duitschers zoowel als Polen kwamen de hulp der Paters inroepen. In een brief van het jaar 1801 schrijft Pater Hofbauer; »Onze preeken en onderrichtingen worden tot
ïin Moskou en Siberië besproken; van verwijderde pro-svinciën komen menschen hierheen, die drie, vijf, soms sacht dagen hier blijven, om dan met een verlevendigd »geloof, en gesterkt door de HH. Sacramenten, naar huis stenig te keeren.quot; Talrijke bekeeringen hadden er plaats; de godsvrucht der geloovigen was tot een nieuw leven opgewekt, \'t Is geen overdrijving te beweren, dat de werkzaamheden in de St. Benno, toen zij eenmaal tot vollen bloei gekomen waren, konden doorgaan voor een aanhoudende missie. Zie maar eens eenvoudig de dagorde.
Wanneer des morgens om vijf uur de ochtendoverweging geëindigd was, begonnen de oefeningen in de kerk, welke met uitzondering der namiddaguren, elkander tot \'s avonds acht uur onafgebroken opvolgden.
Om vijf uur begaven zich meerdere Paters naar den biechtstoel, waar een onafzienbare rij boetelingen reeds verlangend naar hun komst uitzag. Intusschen besteeg een der jongere Paters den kansel, om de ambachtslieden en dienstboden in den Catechismus te onderrichten. Die toespraak duurde tot zes uur en werd gevolgd door de eerste plechtige Mis, waaronder het volk Poolsche kerkliederen zong. Onmiddelijk daarna hield Pater Blum, de beste predikant der Congregatie te Warschau, een preek in het Poolsch. Gewoonlijk besteedde hij de geheele week aan de uitlegging van het Evangelie van den vorigen Zondag, zoodat hij ieder jaar de geloofs- en zedeleer der kerk volledig kon behandelen. Na de tweede Mis, onder welke de meisjes der Broederschap van den H. Jozef Latijnsche gezangen uitvoerden, had de Duitsche preek plaats, welke P. Hofbauer doorgaans zelf hield. De stof zijner toespraak nam hij gaarne uit den Epistel van den .Zondag, waarvan hij eenige verzen verklaarde.
De vorm zijner preeken was eenvoudig, doch zeer levendig en krachtig. Nooit ontaardde zijne bewijs-
voering in een diepzinnige bespiegeling, een hoogdravende woordenpraal: zijne vurige liefde voor het heil der zielen zou het hem als een gruwel hebben verweten-Iedereen kon in die preeken zijne degelijke kennis der H. Schrift, der Kerkvaders en der geschiedenis bewonderen, iedereen kon er uit zien, hoe diep hij doorgedrongen was in de kennis van het menschelijk hart; doch, wat van eindeloos meer waarde is, een ieder werd ook door dat hartelijk en kernachtig woord met een onweerstaanbare kracht van de zonde afgeschrikt en opgewekt tot de deugd. Kortom, geest en hart zijner toehoorders verschafte hij een krachtig voedsel en dat op zóó aantrekkelijke, zóó boeiende wijze, dat men niet dan ongaarne het einde zijner toespraak zag naderen. Om de aandacht zjjner hoorders levendig te houden, wendde hij zich soms tot een zijner studenten en stelde dan een vraag, waarop deze een kort antwoord moest geven. Zulk antwoord was altijd opgesloten in het zooeven verklaarde, zoodat hij daarin een zeer geschikt middel had gevonden, om hunne oplettendheid te prikkelen. Ontving hij een goed antwoord, dan betuigde hij zijne tevredenheid, en beloofde dien ijverigen toehoorder, hem aan het altaar te zullen gedenken, of zelfs eene H. Mis voor hem op te dragen.
Gedurende deze preek las P. Hübl gewoonlijk de H. Mis in de zijkapel voor de Polen, die het Duitsch niet verstonden.
Dan volgde de plechtige Hoogmis, welke P. Hofbauer zich zeiven voorbehield, wanneer niet reeds een bisschop\' of een ander voornaam geestelijke daarvoor was uitge-noodigd. De muziekuitvoering vorderde nooit afzonderlijke uitgaven. Uit vrije beweging stelde zich altijd een voldoend aantal zangers onder de kundige leiding van Pater Jestersheim, terwijl voor het orchest niet zelden meer dan twintig muzikanten de vioolpartij speelden.
Na den middag bleven de Paters tot half vier in
het klooster, om hunne geestelijke oefeningen te verrichten; daarna begonnen weder de plechtigheden in de kerk. Voor de vierde maal besteeg een der Paters den preekstoel, om de tweede preek voo\' de Duitschers te houden. Daarop werden de Vespers gezongen, waarbij het Allerheiligste was uitgesteld. Reeds verdrongen zich dan de Polen aan de kerkdeur en haastten zich, de plaatsen der Duitschers te bezetten; want P. Podgorski kwam hen in een treffende en bezielde voordracht wijzen op de groote waarheden van onzen heiligen godsdienst. Na afloop der laatste preek hield men de oefening van den kruisweg, op de Zon- en feestdagen in het Duitsch, op de werkdagen in het Poolsch. Daarna werd de zegen gegeven met het Allerheiligste en ging men, om den dag heilig te sluiten, over tot het gewetensonderzoek en het verwekken der gewone acten.
En dat alles geschiedde dagelijks in het nog kort te voren verlaten kerkje! De treurige stilte van voorheen had plaats gemaakt voor een steeds druk bezochten feestdag! Welk een innig gevoel van dankbaarheid moet niet het hart van den heiligen priester bezield hebben, wanneer hij een terugblik wierp op het onbeduidende begin, dat zich onder Gods zegen zoo heerlijk had ontwikkeld!
De weldadige invloed van den godsdienst mocht zich echter niet bepalen tot een voorbijgaande opwekking van ijver. P. Hofbauer wilde, vooral onder de jongelieden van Warschau, een degelijke kern vormen, die het vooruitzicht zou geven, mettertijd geheel de Katholieke bevolking der hoofdstad een echt godsdienstig leven te doen leiden.
Daarom riep hij zoo voor de jongelingen als voor \' de jonge dochters een broederschap in het leven, die geregeld hare vergaderingen had.
Hij stelde hare leden onder de bijzondere bescherming van den H. Jozef en gaf hun verschillende regels
en voorschriften tot volmaaktere naleving hunner plichten van staat. Die vereeniging leverde de schoonste vruchten op. Ook droeg zij niet weinig bij tot opluistering der processiën, welke op verschillende feestdagen werden gehouden, en waarbij de Congreganisten een afzonderlijke plaats innamen. Die processies, zooals op den Zondag vóór Maria Hemelvaart, op het Beschermfeest van den H. Jozef en op een dag in de octaaf van H. Sacramentsdag, moesten met de grootst mogelijke plechtigheid gechieden.
Op den Zondag na het feest van het H. Sacrament trok de processie om de kerk; een vijftigtal jonge \'dochters, in het wit gekleed, gingen met brandende kaarsen in de hand, voor het Allerheiligste. Onder de H. Mis naderden alle leden der broederschap tot de H. Tafel. Dien dag verrichtte P. Hofbauer zelf alle plechtigheden: hij hield dan een vurige toespraak, zong daarna de Hoogmis, waaronder hij de H. Communie uitdeelde en droeg zelf het H. Sacrament gedurende de processie. Na afloop hief hij het „Te Deumquot; aan en zegende de menigte.
Doch niets kon in glans en luister den plechtigen omgang op H. Sacramentsdag zeiven evenaren. De geheele kerk was in een zee van licht herschapen, overal prijkten de keurigste bloemen. Tal van rijk uitgedoschte edelkna-pen strooiden bloemen voor het Allerheiligste; daarop volgden twaalf acolythen met wierookvaten, terwijl aan beide zijden andere knapen, in zilver- en goudlaken kleederen een dubbele eerewacht van Cherubijnen vormden. Alle Paters, met kostbare gewaden omhangen, gingen den priester vooraf, die het H. Sacrament droeg onder een prachtigen troonhemel. Vrouwen uit den hoogsten adel van Warschau hadden aan dien hemel gearbeid. De bloemen, koornaren en wijnranken waren rijk met goud gestikt, zoodat men het goud alleen op 6.000 francs schatte. Pgt;ij deze plechtigheid hield Clemens gewoonlijk een Duitsche preek, welke P. Blum dan onmiddellijk daarna in het Poolsch herhaalde.
Ziedaar hoe het heldhaftig vertrouwen van Gods Dienaar beloond werd; ziedaar, hoe God de vurige gebeden van den armen bakker te Weenen, van den onbekenden kluizenaar te Tivoli op schitterende wijze verhoord heeft.
VIERDE HOOFDSTUK.
Nieuwe Werkzaamheden, door de Redemptoristen ondernomen.
Tijdens het verblijf van P. Hofbauer te Warschau onderging Europa geweldige veranderingen, die, na verloop van tijd, ook voor onze Bennonieten, de noodlottigste gevolgen na zich zouden slepen. In de eerste jaren echter boden zij hun gelegenheid tot nieuwe werken van zielenijver.
De afschuwelijke omwenteling in Frankrijk en de oorlog, die haar volgde, hadden vele Franschen de wijk doen nemen naar Warschau. Aanstonds wist P.Hofbauer zijne medebroeders, die God hem uit dat land had toegezonden, voor het welzijn dier uitgewekenen te benutten, en hij zorgde, dat ook zij Gods woord in hunne moedertaal hoorden verkondigen.
Doch weldra zou zich een geheel nieuw veld ter bewerking voor hem openen. In het jaar 1795 \'lat\' de derde en laatste verdeeling van Polen plaats, waarbij Warschau onder de Pruisische regeering kwam. Vele Protestantsche ambtenaren werden nu daarheen gezonden, andere Duitschers gingen uit eigen beweging, zoodat de Protestantsche bevolking aanzienlijk vermeerderde. Zij vermoedden voorzeker niet, welk een kostbaren schat zij daar zouden vinden. De schoone muziek lokte hen tegen het uur der Hoogmis naar de St. Benno. Maar reeds
1
zagen wij, dat P. Hofbauer juist dat uur verkozen had, om zijne Duitsche preek te houden. De moedertaal, in een vreemd land gehoord, wekt altijd de belangstelling; daarbij was het onmogelijk, het oor niet te leenen aan dat hartelijke, treffende woord van Gods Dienaar.
Maar hoe stonden ze verbaasd, toen zij hier, uit den mond van dien priester, omtrent de leer der katholieke Kerk geheel iets anders vernamen, dan men hen te huis daarover geleerd had! Weldra kwamen zij luisteren, niet meer om schoone muziek te hooren of om tegenwoordig te zijn bij een Duitsche voordracht, maar om den inhoud zelf der predikatie, uit het oprecht verlangen, een zuiver en helder begrip te verkrijgen van de Katholieke leer. Door Gods genade getroffen, begonnen zij nu te twijfelen, of de leer hunner predikanten wel de ware leer van Christus zou zijn. En ziet! langzamerhand kwamen zij in zoo grooten getale hunne twijfels aan P. Hofbauer voorstellen, dat de spreekkamers van het klooster te klein werden. Nu werd er een afzonderlijk lokaal voor de conferentiën der Protestanten ingericht, en tot zijn overgrooten troost mocht P. Hofbauer maandelijks velen hunner in den schoot der Kerk terugvoeren.
Niet onaanzienlijk was ook het getal der Israëlieten, die in den Christelijken godsdienst wenschten onderricht te worden. Clemens droeg die taak op aan P. Lenoir, die, zooals wij zeiden, professor was geweest in het Hebreeuwsch en den Talmud door en door kende. Hij putte zijne bewijzen zoowel uit de H. Schrift als uit het gezond verstand; slechts verstoktheid van hart of algeheele verblindheid van geest kon weerstand bieden aan zijn bondige redeneering. Vele Joden verlangden dan ook gedoopt te worden; doch over het algemeen gesproken, werd de moeite, die men zich voor hen getroostte, slechts flauw beloond: want, niet allen die het H.Doopsel ontvingen, werden daarom ijverige Christenen. Zoo moeielijk is het voor dat arme volk, den schaap-
— 64 —
stal van Christus\' met een oprecht hart binnen te gaan, nadat het den herder, die het met zooveel liefde opzocht, smadelijk heeft afgewezen.
De werkzaamheid der Redemptoristen strekte zich echter ook buiten de St. Benno uit. In het jaar 179Ó liet de Pruisische gouverneur der stad zicli tamelijk duidelijk uit over zijn plan, om de Kruiskerk, eene der schoonste kerken van Warschau, in het midden der stad gelegen, aan de Protestanten af te staan: de Aartsbisschop haastte zich nu, de bediening er van aan de Paters op te dragen, terwijl hij hun tevens de er aan belendende gebouwen ten gebruike gaf.
Daarenboven hielden de zonen van den H.Alphonsus regelmatig elk jaar de geestelijke oefeningen in de parochiekerk van den H. Andreas, welke door deTgeloovigen zeer ijverig bezocht werden en rijke vruchten droegen.
Wat de eigenlijk gezegde missiën betreft, deze waren sedert de opheffing der Jezuiëten geheel in onbruik geraakt. P. Hofbauer verlangde niets vuriger, dan ze weder in het leven te roepen; en zoo gebrek aan de noodige missionarissen hem ook niet toeliet, talrijke missiën te geven, zoo werd er toch jaarlijks de een of andere gehouden. In een brief van den i9den December 1801, spreekt P. Hofbauer van een missie, die in October van datzelfde jaar, op tien a twaalf uur van Warschau, plaats had. Onder anderen lezen wij daar;
»Die missie duurde een geheele maand; 11.000 »menschen naderden tot de H. Tafel. In den namiddag »van den dag der generale Communie was er een ont-«zaggelijke menigte van uren ver toegestroomd, om naar »het woord der missionarissen te luisteren. Boven het ï altaar bevond zich een schilderij van den H. Jozef. »Deze wordt eensklaps bedekt door een wolk, en daarin »verschijnt eene vrouw, in het wit gekleed en van een s schitterend uitzicht. Ademlooze stilte heerscht onder de 5menigte, slechts nu en dan hoort men den zoeten naam
jvan Maria aanroepen. Deze verschijning duurde meer sdan een uur en vervulde alle aanwezigen met hemelsche s vertroostingen.
s Gedurende diezelfde Missie, zoo gaat P. Hof-ïbauer voort, heeft ook de duivel zich doen gelden, om »verwarring te veroorzaken en het welslagen te beletten. sHet oogenblik der generale Communie was gekomen. sDaar hoort men een dof gemompel in de kerk, en sweldra weerklinken luide kreten: »Een kind is in het jgedrang gestikt;quot; »een vrouw is plotseling dood gebleven.quot; s\'t Bleek spoedig onwaar en de menigte kwam tot be-sdaren. Maar eenige oogenblikken later, daar hoort men: »De kerk staat in brand.quot; Verbeeld u de schrik der sgeloovigen; een vreeselijk gedrang naar de deur is het «onvermijdelijk gevolg dier heillooze kreten. En hoe steeg »niet de doodsangst, als het geheele gewelf in een dikken srook gehuld werd. De vrees scheen dus werkelijk ge-»grond te zijn. In allerijl beklimmen nu verscheidene j mannen het dak; maar tot hun niet geringe verbazing »is daarboven geen spoor van vuur noch van rook te «ontdekken, terwijl het volk nog voortdurend den rook \'svan alle kanten zag uitbreken. Een uur daarna was «al de rook in een oogwenk verdwenen. Door een mierakel van Gods Barmhartigheid hadden wij in die vree-sselijke ontsteltenis geen enkel ongeluk te betreuren. De «generale Communie begon en werd niet meer verstoord.quot;
Die missies stichtten onberekenbaar veel goed. Zestig jaar na de verdrijving der Congregatie uit Warschau verklaarde een Kanunnik uit Polen, dat ondanks de vreeselijke beroeringen, die sedert in die streken hadden plaats gehad, het geregelder ontvangen der HH. Sacramenten een onderscheidend kenteeken bleef van die parochies, waar de missionarissen werkzaam waren geweest.
Intusschen konden niet allen den grootschen ijver
van Clemens Maria goedkeuren; de drukke werkzaamheden in St. Benno vooral werden meermalen door hen, die minder bekend waren met den toestand van Polen op geestelijk gebied, voor overdrijving en voortvarendheid aangezien. Als eenig, doch alles beslissend antwoord daarop, willen wij hier ter plaatse enkele woorden aanhalen van Mgr. Litta, den voormaligen Nuntius aan het hof van Petersburg.
Eigenhandig schreef hij, den i8dei1 Januari 1800, aan den Generalen Overste der Congregatie, om Gods Dienaar van dien blaam te zuiveren: sBij mijn vertrek nut Petersburg kwam ik te Warschau, en verbleef daar
seen geheele maand....... P. Hofbauer is, in den vollen
jgt;zin des woords, een Apostel, verslonden van ijver voor «Gods eer en voor het heil der zielen. Wonderen van
?genade weet hij te verrichten......... Wat de werkzaam-
iheden in St. Benno aangaat, zult gij wellicht geneigd szijn te meenen, dat de Paters te veel doen. Doch met »het oog op de groote behoefte, die hier bestaat, ver-»zeker ik U, dat zulks volstrekt niet het geval is. Ik ïzou in geweten den Paters niet durven aanraden, ook smaar een enkele hunner oefeningen achterwege te laten; sik zie te duidelijk, welke rijke vruchten iedere oefening soplevert. Ik zou integendeel vreezen, mij, door het geven »van dien raad, tegen Gods Wil te verzetten en Zijne jzaak nadeel te berokkenen. Mocht er ooit, gelijk jP. Hofbauer vurig wenscht en verwacht, in Duitschland seen huis gesticht kunnen worden ter opleiding en vor-sming van missionarissen, zoo zou dit voor de Noor-sdelijke landen van nog grooter nut wezen.quot;
VIJFDE HOOFDSTUK.
IJver van Clemens Maria voor de Verspreiding van goede Boeken.
-1 (0)^0 1—quot;
Tegen het einde der vorige eeuw werd Polen, gelijk reeds aangemerkt is, door een stortvloed van slechte boeken overstroomd. Alle ongeloovige en zedelooze geschriften, die in Frankrijk en Duitschland verschenen, werden of in het oorspronkelijke of in vertalingen daarheen gebracht. Dat edele en dappere volk moëst op godsdienstig en zedelijk gebied tot in den grond bedorven worden. En de lage pogingen hunner vijanden gelukten maar al te wel; als wilden zij in het zoete genot dier buitenland-sche lectuur de grievende smarten verdooven, welke de aanblik van hun eigen land veroorzaakte, zoo dronken de Polen met volle teugen van het verderfelijke gift.
De ontzaggelijke schade, welke die boeken aanrichtten, kon den opmerkzamen blik van Clemens niet ontgaan; zijn besluit was genomen; ook op dat terrein zou hij den vijand moedig onder de oogen zien.
Vooreerst verhief hij zijne stem tegen de beginselen, welke door die afschuwelijke geschriften reeds onder het volk verspreid waren. In zijne predikatiën zette hij de geloofs- eu zedeleer der Kerk zoo duidelijk mogelijk uiteen, om zoodoende het volk van degelijke stellingen te voorzien, en het te wapenen tegen de drogredenen en den verleidenden onzin dier goddelooze boeken. Met
al den ernst, dien het hooge belang der zaak vorderde, wees hij er op, dat men door het lezen van zulke geschriften eene zware zonde begaat, welke onafzienbare gevolgen na zich sleept. Daarna spoorde hij hen in warme bewoordingen aan tot het lezen van goede. Katholieke boeken.
Doch woorden alleen waren hem niet genoeg. Hij begreep zeer goed, dat men het volk goede boeken in de hand moest geven, als men wilde, dat het de slechte liet varen. Met dat doel wist hij de Mariaansche Ver-eeniging tot stand te brengen. De leden dier instelling namen de verplichting op zich, door het verspreiden eener goede en onschuldige lectuur de pogingen der Jansenisten en der Vrijmetselaars tegen te werken en te verijdelen.
Over de werkzaamheid dier verdienstelijke ver-eeniging heeft de geschiedenis geen verdere bijzonderheden bewaard; wel deelt zij ons nog mede, dat P. Hof bauer, als een getrouwe zoon en vurige vereerder van den H. Alphonsus, alle pogingen in het werk stelde, om de werken van den H. Kerkleeraar zooveel mogelijk te verspreiden.
Hij hield zich overtuigd, dat men in de ascetische werken van den H. Alphonsus een uitstekend middel zou vinden, om de ware godsvrucht aan te kweeken, en een vurige liefde op te vatten voor de beoefening der Christelijke deugden. En welke lezing zou voor hen, die door de spitsvondigheden der ongeloovigen reeds op het dwaalspoor gebracht waren, doeltreffender kunnen wezen, dan die van de juiste en tevens zoo heldere geschriften, welke de H. Alphonsus over de Dogmatiek had nagelaten?
Reeds toen bestonden er vele Duitsche vertalingen, welke P. Hofbauer kon verspreiden. De naam van Alphonsus de Liguori was in Duitschland zóó gezien, dat sommige boeken van andere schrijvers onder dien naam
werden uitgegeven, alleen om ze een spoedigen aftrek te verzekeren. Kloosterlingen zoowel als wereldsche priesters hadden het als een verdienstelijk werk beschouwd, hunne krachten aan die vertalingen te wijden.
Wat P. Hofbauer aangaat, hij liet P.Hiïbl eene nieuwe uitgave der »Bezoekenquot; en van eenige andere ascetische geschriften vervaardigen, terwijl hij ook ten gebruike der Franschen voor eene uitgave der sBezoekenquot; in hunne taal zorgde. Voor de Polen moesten P. Blumenau en Podgorski den tijd, dien zij aan hunne talrijke bezigheden konden ontwoekeren, aan de vertaling van den H. Alphonsus besteden. Algemeen werd hun overzetting der ^Bezoekenquot; en van verscheidene andere werkjes geroemd.
Eindelijk wist P. Hof bauer,hoe noodzakelijk het was, vooral in die dagen, den priesters een boek aan te wijzen, waaruit zij een juiste en degelijke kennis der Moraal konden putten. Dikwijls sprak hij hun over de Moraal van den H. Alphonsus, en trachtte hen dan op ti wekken, daarin voortdurend en met ijver te studeeren. Met innige blijdschap had hij vernomen, dat de Prinsbisschop van Plock, Michael Poniatowski, de broeder van koning Stanislaus, reeds in-het jaar 1778 een schrijven tot zijne geestelijkheid gericht had, waarin hij de moraalwerken van den H. Alphonsus allernadrukkelijkst aanbeval. Tegenover de Poolsche priesters haalde hij dan ook dikwijls dat hooge gezag aan, om zijn eigen woorden kracht bij te zetten.
ZESDE HOOFDSTUK.
Clemens Maria tracht de Congregatie ook buiten Warschau te vestigen.
Clemens had zijn tocht over de Alpen niet aanvaard, om slechts op één enkele plaats als priester en missionaris werkzaam te wezen; een grootscher plan hield hem bezig. »Na mijn dood, zoo had de H. Alphonsus »gezegd, zal de Congregatie spoedig hare vleugelen uit-ï slaan; zij zal zich vooral in de noordelijke landen ves-itigen.quot; Aan Clemens nu was de verheven zending toevertrouwd, een begin te maken met de vervulling van dat profetisch woord. ♦
Zooals wij reeds gehoord hebben, waren de twee Redemptoristen, bij hun vertrek uit Weenen, voor Koerland bestemd. Nauwelijks waren zij dan ook eenige jaren in Polen gevestigd, of de bisschop van Lijfland wendde zich tot hen met de dringende bede, eenige Paters naar Mitau, Koerlands hoofdstad, te zenden.
Niet lang daarna ontving P. Hofbauer een schrijven van den pastoor dier plaats, waarin deze onder andere zeide ; »Op beide knieën smeek ik u: zend mij x toch onmiddellijk hulp. Ik bezwijk onder het werk.quot; En de ijverige man kon met volle recht zoo spreken. De hoofdstad telde 7,000 Katholieken, en hij was er de eenige priester.
sGeef mij toch een beslissing omtrent Koerland,
ïvraagt P. Hofbauer aan zijn Generalen Overste; ik »\\veet niet, waartoe te besluiten, liet is een uitgebreid jveld, dat ons arbeid in overvloed zal geven. Vele »Protestanten zullen wij er ook kunnen bekeeren; de »pastoor van Mitau heeft meermalen den troost gesmaakt, smeer dan honderd personen tegelijk aan de Moeder-kerk terug te schenken. Doch van den anderen kant zie sik mij dan genoodzaakt, mijne Paters, die ik hier zoo smoeielijk kan missen, naar eene stad te zenden, die smeer dan honderd uur boven Warschau ligt. Behalve s twee priesters, die ik niet gemakkelijk kan vervangen, szijn hier allen van nog jeugdigen leeftijd.quot; —
Den i5den April 1795 ontving hij door middel van den Nuntius het antwoord van zijn overste, die de stichting in Koerland onvoorwaardelijk goedkeurde. sNu is sGods wil mij bekend, jubelde Gods Dienaar, nu moeten »wij handelen.quot;— sik zal, zoo schrijft hij verder, voor sMitau bestemmen Pater Joannes Rudolf, die mij zeven sjaren lang de duidelijkste bewijzen gaf van vastberaden-sheid, degelijke deugd en kennis. Als medegezellen verstrekken met hem P. Jozef Wichart, die dezer dagen sdoor den Nuntius priester is gewijd en fr. Kaminski, seen onzer Poolsche studenten.quot;
Aanstonds vertrokken dezen, door twee leekebroe-ders vergezeld uit Warschau, en in den herfst van hetzelfde jaar meldde Pater Rudolf, dat zij het vertrouwen van het volk reeds in die mate gewonnen hadden, dat zelfs vele Protestanten van verre tot hen kwamen. Dezen brachten niet slechts hunne kinderen, maar ook vele zieken mede, opdat de paters hun de handen zouden opleggen en den zegen over hen uitspreken.
Ook te Radzymin, op zeven uren afstand van Warschau, werd in het jaar 1798 een huis der Paters opgericht, en in den loop van Januari 1803 vertrokken nog drie priesters en een leekebroeder naar Lutkowka. Omtrent dit laatste klooster geeft ons P. Hofbauer
___ _________
eenige bijzonderheden, te merkwaardig, om ze hier niet te vermelden;
In een brief van het jaar 1802 schrijft hij: sEen »hooggeplaatst beambte dezer stad heeft onlangs vele sgronden aangekocht, waardoor hij in het bezit is gekomen 3 van eene kerk met de er aan belendende woning. Hoe-»wel hij zelf Lutheraan is, verlangt hij toch vurig, dat j wij ons met de bediening dier kerk belasten, wijl al zijn «nieuwe onderdanen Katholiek zijn. De moeielijkheid, die »ik u daar omtrent wil voorstellen, is deze; het is een »parochiekerk voor eene bevolking van twee duizend »zielen, die in dertien of veertien gehuchten verspreid 5 wonen. Zouden onze regels op het punt van parochiale «bediening nooit een uitzondering toelaten?quot;—En in een volgenden brief lezen wij; sNu heeft hij reeds meer dan xeen jaar alles beproefd, om mij te bewegen, dat huis jaan te nemen. Hij zal het laten vergrooten en voorde anoodige inkomsten zorgen. Toen ik niet over te halen ^was, ook bij gebrek aan dé noodige Paters, heeft hij szich met dat zelfde doel tot den Aartsbisschop gewend. sgt;Ik heb toen zijne Hoogwaardigheid de redenen uiteen-jgezet, die mij een weigerend antwoord hadden doen jgeven, en dacht, dat de geheele zaak nu afgedaan was, sals Monseigneur op het onverwachtst het bevel van de j regeering ontvangt, om, krachtens zijn gezag over al de s geestelijkheid, mij te verplichten tot het onmiddellijk s aannemen van het voorstel. Binnen veertien dagen moest »aan het bevel voldaan zijn. Nu moest ik wel gehoorzamen, »en ik durf zeggen, dat God de werkzaamheden der Paters ^aldaar op buitengewone wijze zegent. Sinds hun vertrek szijn er in St. Benno 15 priesters, eenige scholastieken »en de leekebroeders.quot;
Toen zich aldus de Congregatie in Polen en Rusland begon uit te breiden, waren reeds meerdere pogingen aangewend, om ook in Duitschland en andere streken van het Westen eenige huizen op te richten. Al hadde
P. Hofbauer het oor willen sluiten voor de stem eener welbegrepen vaderlandsliefde, toch kon zijn apostolisch hart niet ongevoelig blijven voor de ellende, waarin op godsdienstig gebied zoovele duizenden verkeerden. sDe »toestand is veel treuriger, dan gij wel gelooft, schrijft shij naar Rome. Overal heerscht de grootste onwetendheid iomtrent de noodzakelijkste punten des geloofs.InBohemen sis zulk gebrek aan priesters, dat vele parochiën geen »geestelij ken herder hebben. De vijanden der Kerk kun-snen vrij en ongestraft hunne dwaalbegrippen verspreiden, s Ergerlijkheden zijn aan de orde van den dag, en er is «niemand, die een geneesmiddel aanbiedt.quot;
En afgezien van de dringende behoefte, welke in die landen heerschte, achtte Clemens de vestiging van een klooster buiten Polen ook daarom noodzakelijk, wijl hij voor de noordelijke landen nieuwe missionarissen moest vormen. Herhaaldelijk komt hij op dat punt terug. »Onze Paters in Koerland kunnen den zwaren last hun-?ner werkzaamheden niet meer torsen; wij mogen hen sniet langer alleen laten.quot; — »Als men de Noordelijke »landen niet kent, kan men onmogelijk begrijpen, hoe snoodig het is, een huis te stichten, waar men missio-»narissen kan aankweeken. Zij moeten in het gebrek »aan priesters voorzien.quot;
Daarenboven kwamen van alle zijden de dringendste beden naar Warschau. Overal verlangde men deel te hebben in den zegenrijken arbeid der nieuwe kloosterorde. Laten wij daarom P. Hofbauer vergezellen op de apostolische reizen, die hij ondernam. Zij zouden helaas! niet onmiddellijk tot een gewenschten uitslag leiden; de algeheele verwarring, waaraan Europa ten prooi was, duldde het niet. Toch zullen zij ons den brandenden ijver, den onbezweken moed van den Apostel des te béter doen begrijpen.
Reeds in het jaar 1792 werd hem een brief uit Zwitserland gezonden, waarin men hem eene stichting
in dat land aanbood. P. Hofbauer zag zich genoodzaakt uit gebrek aan Paters het verzoek af te wijzen. sNiet-»tegenstaande mijn weigering, zoo verhaalt Gods Diesnaar, komt er uit die verre streken een afgezant te sWarschau, die, zonder zich te laten afschrikken door »de zware vermoeienissen van zulk een lange reis, mon-sdelings kwam beproeven, wat door een brief niet was «gelukt. Wij hebben hem laten vertrekken met de hoop, ^dat zijn verlangen eenmaal zou kunnen vervuld worden.quot;
Ten einde een juister oordeel te kunnen vellen, achtte Clemens het raadzaam, in eigen persoon zich daarheen te begeven. Zijn dierbaar St. Benno aan de goede zorgen van P. Hübl toevertrouwend, ondernam hij de verre reis. Welk een bittere teleurstelling zou hem daar wachten! De vrijheidsgeest was van Frankrijk naar Zwitserland overgewaaid: het land stroomde over van ontevredenen; overal heerschte een oproerige stemming. De omstandigheden waren dus van dien aard, dat P. Hofbauer voorloopig van dat plan moest afzien. Op zijne terugreis scheen hem toch eenige vergoeding weggelegd voor het mislukken zijner pogingen. Vier knapen uit Znaïm gingen mede naar Warschau, om, na liet voltrekken hunner studiën, in de Congregatie te worden opgenomen. Hun verblijf aldaar was echter niet van langen duur; alle beproevingen scheen Clemens te moeten doorstaan: na eenigen tijd verschijnt er eensklaps een beambte in de zaal, waar de studenten werden onderwezen; de Oostenrijksche regeering verlangde de uitlevering dier kinderen, en P. Hofbauer zelf, die het gewaagd had, hen zonder uitdrukkelijk verlof naar het buitenland te voeren, moest in het Dominicanerklooster te Krakau in verzekerde bewaring worden genomen. Toen hij later uit eigen beweging naar Warschau terugkeerde, nam hem de politie die stoutheid ten hoogste kwalijk.
In het jaar \'95 nam P, Hofbauer op nieuw den
reisstaf op, ditmaal in gezelschap van P. Hübl. De Nuntius in Zwitserland had hem bericht, dat er thans goede vooruitzichten voor eene stichting te Constance bestonden. Daarbij wenschte ook de Proost van Lindau een klooster in die stad op te richten. Wijl nu Lindau aan het meer van Constance ligt, kon Clemens op deze reis beide plaatsen bezoeken. Ook verlangde baron Berol-dingen den Paters een zijner kasteelen af te staan in het Zwabisch district. Eindelijk meldde hem de Nuntius aan het hof van Weenen, dat graaf Hohenwart, bisschop van St. Pölten, bij Weenen, de Redemptoristen in zijn bisdom wenschte te zien. Zij moesten dan jaarlijks de geestelijke oefeningen aan zijn priesters geven en tevens in hun huis een seminarie oprichten voor aalmoezeniers van het leger.
Hoe weing voldoening Gods Dienaar ook van zijn eerste reis had mogen smaken, toch meende hij deze nieuwe gelegenheid te moeten benutten. Een bijzondere aanleiding, waaraan hij zich niet mocht onttrekken, noopte hem daarenboven, St. Benno op nieuw te verlaten.
Toen Praga in \'94 door de Russen beschoten werd, verkeerden de Bennonieten in een dreigend levensgevaar. Drie bommen vielen in hun klooster, en men mag het een wonder noemen, dat geen der drie uiteenspatte. En dan, wie verzekerde den inwoners van Warschau, dat hun stad gespaard zou blijven, wanneer Praga verwoest was ? In dat hachelijk oogenblik deed P. Hof-bauer de belofte, een bedevaart te zullen ondernemen Niaar het graf van den H. Joannes Nepomucenus te Praag, ^ 5 indien Warschau aan de vernieling ontkwam.
Tegen het einde van Augustus \'95 verlieten dus ; :\'*2 1^ beide Paters hun klooster, en kwamen den i4dcn Sep-
• 2 tember in Praag aan. Daar hielden zij eene novene, waaronder zij dagelijks op hetzelfde uur de H. Mis lazen S tóan de twee altaren, die aan beide zijden van het graf
. j , njn opgericht. Vurig hebben zij daar gebeden, opdat die
----vr
v tri imnmndr
roemvolle martelaar Gods besten zégen zou afsmeeken over de Congregatie en over hunne bemoeiingen ter uitbreiding der orde. Doch ook nu zou hun vertrouwen op een harde proef gesteld worden.
In Oostenrijk gold het als Keizerlijke wet, dat ook de kloosterlingen hun studenten naar de Universiteit moesten zenden. Buitendien was er het Jozefisme nog in volle werking, zoodat P. Hofbauer zich weder gedwongen zag, de vervulling zijner wenschen tot betere tijden uit te stellen. En Zwitserland ? —Ook daar was de toestand sinds \'92 volstrekt niet verbeterd. In de Katholieke Cantons was de ellende ten toppunt gestegen. De Fransche uitgewekenen warefi meest allen zonder middel van bestaan. Zóó deerniswaardig was hun toestand, dat de Nuntius zijn eigen meubelen verkocht, om de Fransche priesters te ondersteunen. De omwentelingspartij nam, vooral in de Protestantsche Cantons, op schrikbarende wijze toe, tot eindelijk in \'98. het Fransche leger Zwitserland binnendrong, het van zijne onafhankelijkheid beroofde en zich niet ontzag, den Nuntius te Lucern gevangen te nemen en over de grenzen te voeren.
Wie zou na dat alles den moed niet hebben verloren, en zulke plannen, als onuitvoerbaar, voor goed hebben opgegeven? Doch de onverzettelijke geestkracht van Clemens Maria, gesteund en veredeld door zijn onbegrensd vertrouwen op God, kende geen moedeloosheid. — Uit het misboek der Paters Piaristen te Nikolsburg bij Tasswitz blijkt, dat P. Hofbauer met twee andere Paters in Juli 1797 op nieuw in Oostenrijk geweest is. Van die reis is overigens weinig bekend: allerwaarschijnlijkst zijn er in die tijden van verwarring ook vele brieven verloren geraakt. Slechts ééne bijzonderheid willen wij hier vermelden: zij kenmerkt ten volle het karakter van Gods Dienaar.
Vijf jaar geleden was P. Hofbauer in de grootste moeielijkheden gekomen, wijl hij eenige knapen uit Znaïm
naar Warschau had durven medenemen. En thans, nu hij in \'97 naar Warschau terugkeert, zien wij hem weder vergezeld van drie jongelingen uit Tasswitz, die eenmaal lid der Congregatie hopen te worden. Het waren Frans Hofbauer, de zoon van zijn broeder Laurens, Andreas Frieling, het kind zijner zuster Barbara, en een zekere Knopp. Maar ook thans komt de Oostenrijksche regeering tusschenbeide: twee knapen moeten naar huis terugkeeren; slechts zijn neef Frans mag bij hem blijven.
De heiligen weten zich in alles aan Gods aanbiddelijke raadsbesluiten te onderwerpen, doch niet minder dan de gewone menschen gevoelen zij, hoe zwaar en pijnlijk die onderwerping niet zelden aan de natuur is. Met een bedrukt hart keerde P. Hofbauer van zijn tevergeefs ondernomen tocht huiswaarts: d£iar ten minste, zoo troostte hij zich, daar zou hij in de bloeiende St. Benno, in de heerlijke instellingen van naastenliefde schadeloos worden gesteld voor de geledene teleurstellingen. Als van zelf verhaastte hij zijne schreden, om zijne geliefde stad des te eerder te bereiken. Maar hij moest den kelk des lijdens tot den bodem ledigen. Het had hem niet mogen gelukken den hem toevertrouwden wijngaard eene grootere uitbreiding te. geven; maar had hij kunnen vermoeden, dat deze thans in zijn bestaan zelf zou \'worden bedreigd ? En toch, zoo was het.
Polen\'s voormalige hoofdstad was sinds 1795 on\' der de Pruisische heerschappij gekomen; den 7den Juli \'96 hadden de Bennonieten den eed van getrouwheid moeten afleggen aan den nieuwen Souverein: weldra zouden zij ondervinden, dat zij zich met die verandering volstrekt geen geluk behoefden te wenschen.
Aanvankelijk toonde zich het nieuwe gouvernement den Paters zeer genegen. De meeste priesters waren Duitschers; St. Benno was de eenige kerk van Warschau, waar in het Duitsch gepreekt werd. Wijl nu zoowel Duitschers als Polen de kerk gaarne bezochten.
ja zelfs vele Pruisische beambten de preeken kwamen bijwonen en de HH. Sacramenten ontvingen, verdween langzamerhand de spanning tusschen die twee volken, hetgeen voor de regeering van geen gering belang was.
Daarbij kwam, dat Pater Hof bauer zulke gewichtige diensten bewees in het onderwijs der jeugd, dat hij zijnen Generaal kon berichten; sOnze inrichting tot »onderwijs draagt veel bij tot het behoud van ons kloos-ster: want bij het gouvernement staan allen, die zich aan »de opvoeding der jeugd wijden, zeer gunstig aangeschreven.quot; Daarin dus moeten wij de reden zoeken van die schijnbare welwillendheid voor de kloosterlingen: dat hier geen sprake was van een zuivere belangstelling in den bloei der Congregatie, zou helaas! maar al te spoedig blijken.
Wanneer men al de plagerijen nagaat, waaraan de Paters onder de Pruisische tirannie blootstonden, komt men tot de gevolgtrekking, dat het gouvernement aldus redeneerde:
Vooreerst: De Bennonieten geven onderricht: hun noviciaat is dus niets anders dan een voorbereiding tot het professoraat.
Ten tweede: De Bennonieten zijn vóór alles sstaatsburgersquot;: zij staan dus onder de voogdij der regeering, en moeten al hunne handelingen ten dienste van den staat doen strekken.
Hoe doodend deze twee beginselen, toegepast naar de Pruisische opvatting van sstaatsalmachtquot;, zouden werken op het kloosterleven, zullen wij thans in het kort doen zien. In het volgende hoofdstuk zal worden aangetoond, hoe vernielend zij zouden neerkomen op de scholen van P. Hofbauer.
Ziehier den aanhef van het stuk, hetwelk, onder datum van 4 Januari 1801, aan P. Hofbauer werd opgezonden:
FREDERIK WILHELM, enz. enz. Onzen enz.
»Hoezeer wij ook overtuigd zijn, dat de aan uw sbestuur toevertrouwde Orde uit echten ijver voor het s zedelijk welzijn de opvoedingsbetrekking, waaraan zij szich gewijd heeft, tot nu toe heeft waargenomen, toch Hiioet, indien de staat de gewenschte vruchten van dien sijver genieten zal, zoowel het Noviciaat, waarde leden sdier orde hun vorming ontvangen, als de onderwijsin-mchting, die door het proefjaar voorafgegaan wordt, een algeheele wijziging ondergaan. De staat wil een waar-fborg hebben, dat door de onderwijs- en opvoedingsge-»stichten zijn toekomstige burgers op moreel gebied en smet het oog op de later te vervullen betrekkingen goed sen degelijk ontwikkeld worden. Daarom heeft hij leerjaren noodig, die zich de gevorderde kennissen en s leeraarstalenten hebben eigen gemaakt. Tot nu toe be-»antwoordde echter de voorbereiding, die de orde-novice s ontving, geenszins aan zijn toekomstig leeraarsambt. r Evenmin was het onderricht en de opleiding aan de ^eigenlijke school van uw instituut zoo geregeld, als het szijn moet: dat alles heeft het Zuid-Pruisisch Departe-sment van ons Generaal-Directorium bewogen, het vol-gende te bepalen.quot;
Op deze snorkende wartaal volgden nu bepalingen, wier naleving de volslagen vernietiging der Congregatie zou geweest zijn. De uitvoering van het program der studiën zou hebben gevorderd, dat liet tiental Paters van St. Benno allen, zonder uitzondering, Pruisische schoolmeesters werden: de professoren mochten zich daarenboven met geen priesterlijke bedieningen inlaten; met andere woorden: men kon de St. Benno gerust sluiten. Niemand mocht in het Noviciaat worden aangenomen, vóór hij zijn 25ste jaar was ingetreden. Was de postulant niet van adel, dan moest hij eerst vrijstelling van den krijgsdienst verwerven, en daarna voor een
Protestantsche commissie een examen ondergaan, om te bewijzen, dat hij zoowel het Poolsch als het Duitsch machtig was, algemeene kennis bezat van aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkunde, en goeden aanleg had voor verdere ontwikkeling. In het Noviciaat aangenomen, mocht hij het ordekleed niet dragen, en moest daar onderwezen worden in de volgende vakken; het Poolsch en het Duitsch, het rekenen met de manier, waarop men dat anderen doceert, het handteekenen en het teekenen met lineaal en cirkel, de natuurkunde, enz. Eindelijk moest de novice zelf belast worden met de leiding eener klas, waarin hij onder oppertoezicht van den professor in de Pedagogiek, onderwijs moest geven. Na het Noviciaat moest men dan, ten overstaan derzelfde Protestantsche rechters, een tweede examen afleggen, jen, zegt »P. Hofbauer, dit tweede examen is niets anders dan seen poging, om hem zijne roeping te doen verliezen.quot; Eerst dan mocht men der regeering een smeekschrift aanbieden, of de heeren Pruisen toestemming gaven tot het afleggen der geloften.
Is het wonder, dat P. Hofbauer in den loop van datzelfde jaar aan Pater Tannoja schreef: ilk bid u en sal de Italiaansche paters, dat zij de belangen onzer »Congregatie alhier toch dringend in Gods Barmhartigsheid aanbevelen........ De opname van novicen wordt
sons en allen kloosterlingen zóó bemoeielijkt, dat het s bijna gelijk staat met een uitdrukkelijk verbod.
Het spreekt van zelf, dat P. Hofbauer zich naar zulke voorschriften niet lijdzaam mocht voegen. Hij teekende dus zijn protest daartegen aan, en gaf den tirannen voorloopig te kennen, sdat het hem niet ge-soorloofd was, zonder machtiging van hooger hand, siets aan te nemen, dat zoo streed tegen het algemeene sgebruik zoowel der.Latijnsche als der Grieksche Kerk.quot;
Het antwoord der regeering was juist zooals men het verwachten kon van den Pruisischen trots, en van
hunne dwaze begrippen ontrent de natuur en het recht van den staat. Onder andere lezen wij daar:
sHoezeer wij ook, volgens de grondbeginselen on-»zer staatsregeling, geneigd zijn, de religieuze instellingen, »voor zooverre zij gewetenszaken zijn, de vrije uitoefening shunner regelen te laten, zoo mag toch de regeling er s van nooit strijden tegen de grondstellingen, welke het »staatsbelang als noodzakelijk en verplichtend gesteld
«heeft....... Wilden wij voorschriften geven, hoe een mon-
jnik, die slechts een beschouwend leven leiden zal, s dient opgevoed en onderwezen te worden, zoo zouden 5 moeielijkheden, uit de orderegelen genomen, met grond sworden aangevoerd, zoohaast de staat die orde duldt. sMaar als een orde zich met de opvoeding belast, en jzoo een onmiddellijken invloed uitoefent op het welzijn, -s van den staat, dan moet zij zich als zoodanig [aan de »wetten onderwerpen, welke de staat voor de openbare 5 opvoeding gegeven heeft. Gij hebt u dus, wanneer gij ^leeraren wilt blijven, eenvoudig aan deze voorschriften jte onderwerpen. Het blijft er dus onveranderlijk bij, j dat enz.
Zoo werd het dus, wel beschouwd, P. Hofbauer onmogelijk gemaakt, de Congregatie, volgens den vuri-gen wensch zijns harten, naar behooren uit te breiden.
Zou het den Paters, die reeds met zooveel zelfopoffering de geestelijke belangen der inwoners behartigden, ook wellicht moeielijk gemaakt worden? — Wij willen hier nog op een liefelijkheid wijzen, die voorkomt in het zooeven aangehaalde antwoord der regeering. Met voorbijzien der onschatbare verdiensten dier ijverige kloosterlingen, kómt als laatste wenk der opperste machthebbers de echt onbeschofte volzin, dien men slechts zou bezigen, wanneer men een rooverhoofdman te schrijven had: sOverigens hebben wij onder dezen datum den shier wonenden bisschoppelijken bedienaren opgedragen,
e
seen streng toezicht te houden over die leden uwer orde, »welke met de eigenlijke zielzorg belast zijn, waartoe »hen trouwens de hun betreffende diocesaanwet reeds «verplicht, terwijl de menigvuldige klachten over onbe-»tamelijkheden (Unfug), die in uw kerk moeten voor-»komen, het bij u vooral noodig maken.quot;
Het Katholieke Consistorium had daarop geantwoord, dat er van misbruiken in de St. Benno nooit iets gehoord was. Wel had de politie geklaagd, dat de avondoefeningen aan sommigen aanleiding gaven, om onder voorwendsel van kerkbezoek tot laat in den nacht in de straten rond te dwalen. En terwijl\' men in de theaters van Warschau tot diep in den nacht zedelooze stukken mocht opvoeren, en kerkelijke personen of bedieningen ongestraft kon hoonen, terwijl men in de ge-quot;lagkamers ongehinderd allerlei ongeregeldheden mocht voortzetten, werd den Bennonieten aangezegd, dat van i Mei tot i October des avonds om 8 uur, de overige maanden om 6 uur hunne godsdienstoefeningen geëindigd moesten zijn.
Moet men zulks beschouwen als ijver voor de openbare rust ? Behoefden de Paters dus niet te vreezen dat de regeering zich in zuiver kerkelijke zaken zou mengen ? — Laat ons zien, hoe de geschiedenis deze vragen beantwoordt.
Op den 5den April 1802 schreef de Krijgs- en Domeinenkamer over een Mariabeeld, dat P. Hofbauer uit Weenen ontvangen en ter vereerkig had uitgesteld; s Wijl volgens \'canonieke ^vetten geen enkel voorwerp ter »volksvereering mag uitgesteld worden zonder uitdruk-»kelijke toestemming van den Diocesaanbisschop, en deze »toestemming slechts met onze inwilliging gegeven kan »worden, zoo bevelen wij uquot;, enz.
Na veel over- en weerschrijven werd dan eindelijk gezegd: „Daar het beeld eenmaal uitgesteld is, moet »het blijven staan.quot; Daarbij werd echter herinnerd, dat
het Consistorium allerzorgvuldigst zou waken, dat door die vereering het bijgeloof des volks niet zou gevoed worden: dit toch zou het doel der openbare godsvrucht verijdelen.
Wij hebben dit feit slechts willen aanhalen, om te doen begrijpen, wat de Paters van die bemoeizieke bestuurders al niet te wachten hadden. Doch laat ons liever hooren, wat P. Hofbauer zelf ons over den toestand mededeelt.
Met bloedend hart schreef hij aan P. Tannoja; »De vrijgeesterij heeft zich van onze regeering meester »gemaakt: de katholieke geestelijkheid ondervindt moeie-slijkheden van allerlei aard. Daar is een algemeen be-»velschrift gekomen, dat niemand zich tot den Paus mag »wenden: den Bisschoppen zeiven is het slechts geoor-xloofd, zulks door bemiddeling van het ministerie te jgt;doen. Den ordegeestelijken is elke onderhandeling smet buitenlandsche oversten verboden: zij zijn geheel »en al aan de Bisschoppen onderworpen. Wij zuchten sonder den druk eener machtige hand. De regeering «heeft een zoogenaamden »Geestelijken Raadquot; gevormd, smaar onder de leden is geen enkele Katholiek. De «president van dat college is noch Lutheraan, noch Cal-svinist, noch Zwingliaan: hij is niet eens Christen, maar seen diep gezonken mensch en de bitterste vijand\'der s kloosters, en die mensch geeft zijn bevelen aan de ^bisschoppen en de geheele geestelijkheid, en zoo iemand »moet beslissen in de kerke\'iijke aangelegenheden.quot;
s Wilt gij weten, hoe smadelijk de geestelijkheid sdoor de regeering behandeld wordt ? — Dit eéne zal u s genoeg zijn: die president heeft een drievoudig ambt: »hij moet waken over de Katholieke geestelijken, over sde Joden en over de zedelooze vrouwen.quot;
»0, welk een hoon moet het koninklijk priester-s dom hier lijden ! Het is een voortdurend wonder, dat shet gewone volk, te midden van zooveel vrijdenkers.
sgrootendeels de voetstappen zijner voorouders blijft j drukken, dat het in het goede volhardt en altijd groo-ï teren honger naar het woord Gods gevoelt, naar mate swij — in zulk een klein getal — ons best doen, het sdoor onze toespraken te voeden. Ik schrijf U dat alles s opdat gij, hoe beter ge onzen treurigen toestand inziet, «les te ijveriger voor ons zoudt bidden.quot;
Geen wonder, dat, toen de zaken in Warschau zóó stonden, P. Hofbauer met altijd vuriger verlangen uitzag naar eene gelegenheid, om in de Westelijke landen een klooster te stichten tot opleiding zijner novicen.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Het Seminarie te Warschau.
Hetgeen wij in het vorig hoofdstuk verhaalden, zal den lezer reeds hebben geleerd, dat de scholen, waarover sprake was in het derde hoofdstuk, in de p laatste jaren niet weinig waren vooruitgegaan. P. Hof-
bauer had langzamerhand van zijne jongensschool een Gymnasium weten te maken, waarin de jongelieden, met inbegrip van het Latijn, eerst werden onderwezen in die vakken, die een toekomstigen priester vooral noodig zijn, terwijl zij daarna een degelijk onderricht ontvingen in de theologische weienschappen.
Het studieplan werd opgemaakt door P. Hübl, die \'zelf een handboek schreef voor den wijsgeerigen cursus, en verschillende andere werken opstelde. Voor de overige vakken ontbood Clemens de beste leerboeken \' uit Rome, en stelde zijn bekwaamste Paters tot profes
soren aan. In het begin doceerde hij zelf de Theologie; later droeg hij die gewichtige klas aan P. Passerat op.
Zijn hoofddoel bij het oprichten van dat seminarie was voorzeker de vorming van missionarissen voor zijne Congregatie. Zulks belette evenwel niet, dat ook zij, die wenschten opgeleid te worden voor den geestelijken stand in het algemeen, of zelfs voor eene betrekking als leek, van die inrichting konden gebruik maken.
Wij moeten hier aanmerken, dat de Congregatie des Allerh. Verlossers zich het onderwijs der jeugd niet
_ 86 —
ten doel stelt. De H. Alphonstis wilde, dat men dit anderen overliet, om zoodoende geheel voor de apostolische werkzaamheden te kunnen leven. Doch toen de orde der Jezuiëten opgeheven, en zoo menig ander kloos- . ter was uiteengejaagd, gaf Pius VI ook aan de Redemptoristen verlof, de opleiding der jeugd ter harte te nemen en seminariën op te richten. Van dat verlof maakte ook P. Hofbauer gebruik, en stond zelfs toe, dat studenten uit andere landen zijne inrichting bezochten.
Wat Clemens Maria ondernam, werd nooit ten halve verricht; zijne inrichting moest bloeien en veel nut stichten. Daarom trachtte hij door woord en voorbeeld zoowel zijn professoren als de leerlingen tot ijver aan te sporen; dikwijls woonde hij de lessen bij, en gaf dan zijne tevredenheid te kennen over de gemaakte vorderingen.
Niet zelden verhaalde hij dan, hoeveel moeite hij zich had moeten getroosten, om als eenvoudig handwerksgezel zijne studiën te kunnen voortzetten; soms ook deelde hij belooningen uit; kortom, op alle wijzen trachtte hij den studieijver te prikkelen en te bevorderen. En God zegende den ijver zijns Dienaars.
Mgr. Litta, de pauselijke Nuntius te Polen, schreef aan P. de Paula; »De bisschop heeft mij verzekerd, dat ide kweekelingen der Liguoristen bij het examen voor sde wijding beter voldoen dan alle anderen.quot;
\'t Was ook bij een dergelijk schrijven van den Nuntius, dat Paus Pius VI de reeds aangehaalde woorden sprak: »Men ziet, dat de ijver van den stichter op »zijne kinderen is overgegaan.quot; Toen ook schonk de Paus, die van de armoede der meeste leerlingen hoorde, de jaarlijksche bijdrage uit de Propaganda.
En het Pastoraalblad van Ermeland, in Oost-Pruisen, schreef nog in het jaar 1876; »P. Hofbauer »heeft een bijzonder recht op de dankbaarheid van ons «bisdom ; veel heeft hij bijgedragen tot de vorming onzer
«geestelijkheid. Toen de scholen der Jezuieteir gesloten »werden, begaven zich onze talentvolste jongelingen naar »Warschau, om zich onder de leiding van dien heiligen gt;; man te stellen. Mgr. Jozef Geritz, onze voormalige ^bisschop, maakte daar zijne studiën en nog vele andere «waardige priesters herinnerden zich nog zoo gaarne aan gt;: P. Hofbauer, als aan den weldoener en het toonbeeld «hunner jeugd. Door hun toedoen is die naam in onze «diocees in eere gebleven: hij is op aller lippen.quot;
Helaas, dat ook die heerlijke inrichting niet zou ontsnappen aan de dwaze bedilzucht der Pruisen! In het begin toonde zich het Pruisisch gouvernement den Paters zeer genegen, en gaf hun zelfs jaarlijks een aanzienlijke som ter instandhouding der studiën. Wij hebben reeds gezien, welk belang de regeering daarbij had. Het schijnt echter, dat zij de Paters zoolang ongemoeid liet, tot zij beschikken kon over eenige afgevallenen, die ze uitstekend geschikt oordeelde voorliet onderwijs der jeugd. Weldra begon de vervolging.
De school, die P. Hofbauer door eigen moeite had opgericht, en door zijn kloeken ijver tot zulk een bloei had weten te brengen, moest een staatsschool worden. Plet scheen, dat die leiders der volken blind waren voorde heerlijke vruchten, die zij reeds had opgeleverd; zoo diep was bij hen de overtuiging ingeworteld, dat er van een zaak, waar zij zich niet mede moeiden, nooit iets degelijks kon komen.
In het reeds aangehaalde stuk van 4 Januari 1S01, hadden zij dus de volgende wijze (?) maatregelen genomen:
«Iedere professor moest een examen afleggen voor «eene, door hen te benoemen Commissie.quot;
«Het onderricht moest gegeven worden uit boesken, die zij voorschreven.quot; — Deze boeken kon een Katholiek priester onmogelijk bij het onderwijs volgen.
«De inrichting mocht niet enkel voor Katholieken
sopenstaan; maar eenieder, welken, godsdienst hij ook sbeleed, moest daartoe -vrijen toegang hebben.quot;
ïMet primo Mei moest het onderricht in de La-stijnsche taal geheel en al ophouden, daar de kennis i dier taal volstrekt niet voor allen noodzakelijk is, en idaardoor aan de meer noodzakelijke wetenschappen j afbreuk gedaan wordt.quot;
-De leerlingen moesten zich op bepaalde uren »met handenarbeid onledig houden.quot;
Eindelijk kon ook de regeering allen, die zij daarvoor wilde bestemmen, tot professoren en Jnspec-teurs aanstellen.
Het zal niet noodig zijn, in nadere verklaringen te treden. Bij het eerste lezen begrijpt men, dat deze onrechtvaardige behandeling gelijk stond met de opheffing der inrichting. Slechts willen wij hier bijvoegen, dat in het antwoord op P. Hof bauers protest, na de grootste dwaasheden omtrent het hooge gezag en het algeheele recht van den staat over de opvoedingsgestichten, de regeering, als eene zorgvuldige moeder, die het haren kinderen aan niets wil laten ontbreken, de belofte doet: ^Jongelieden, die in hun toekomstigen werkkring de La-s tijnsche taal moeten kennen, kunnen daarin onderwezen sworden in de geleerde school, welke hier ter stede zal «worden opgericht.quot;
De heeren vertrouwen daarom, «met het oog op sliet doorzicht van den Pater en op zijn onderdanigheid s aan de staatsregeling, dat hij zich zal onderwerpen aan sdie beschikkingen, welke slechts het welzijn van zijn 5Instituut beoogen.quot;
Wie zal ooit begrijpen, hoe grievend deze\' inmenging der regeering voor Clemens geweest is! Wie ooit de diepe wonde peilen, hem door deze onzinnige behandeling geslagen ?
Was thans niet de doodsteek gegeven aan eene inrichting, waarvoor hij zijn tijd, zijn rust, zijn gezond-
heid, al zijne talenten, al zijn medebroeders had veil gehad ? — En dieper nog trof die wreede slag; of scheen met de vernietiging zijner school ook tevens niet alle hoop verijdeld, nieuwe leden voor zijne Congregatie te vormen ?
Maar rampen en tegenwerking kunnen den man, die op God vertrouwt, een oogenblik doen buigen, bezwijken doen zij hem niet. Nauw was de storm der eerste aandoeningen voorbijgedreven, of met helderen blik staarde Clemens opnieuw in de toekomst; wierpquot; Polen zijne kinderen uit, — Rome, de hoofdstad van het Katholicisme, zou ze ontvangen. Te Rome dus besloot hij, zoo mogelijk, een noviciaat en studiehuis voor zijne jongelieden op te richten. Te dikwijls had hij reeds de wonderen der Voorzienigheid mogen ondervinden, dan dat hij voor de groote kosten zou terugschrikken.
Doch toen hij zijn plan aan het oordeel van zijn Generalen Overste onderwierp, kon het dezes goedkeuring niet wegdragen. Stonden de zaken in Italië ook niet uiterst gevaarlijk ? Werd niet de Kerkelijke Staat met den ondergang bedreigd? In 1798 reeds hadden de Frar.schen den vrijheidsboom op het Forum Romanum geplant, de wereldlijke macht des Pausen was daarbij voor opgeheven verklaard, en Pius VI, oud en ziekelijk als hij was, gelijk een staatsmisdadiger van de eene plaats naar de andere gesleept. Wel was in 1800 Rome aan Pius VII teruggeschonken, wel was in 1801 het Concordaat met Napoleon gesloten; maar dat de vrees, die men nog altijd voor den gekroonden dwingeland bleef koesteren, volstrekt niet ongegrond was, bleek eenige jaren later, toen zijn albeslissende stem eensklaps over Europa klonk: sDe Paus heeft opgehouden wereldlijk vorst te zijnquot;; toen hij Pius VII gevangen nam, en Rome voor de tweede stad van het rijk der Franschen verklaarde.
Alle hoop scheen nu voor P. Hofbauer verdwenen; doch toen de nood zoo hoog geklommen was.
kwam God zijnen Dienaar te hulp; opnieuw wordt hij naar Duitschland geroepen; en ditmaal, om met goed gevolg die roepstem des Hemels te volgen.
Om echter zijnen werkkring aldaar behoorlijk te kunnen begrijpen, is het noodzakelijk, eerst een blik op dat land te werpen, om ons van de toestanden, waarmede ook hij rekening moest houden, een duidelijk denkbeeld te vormen. Daarin dus vinde de uitweiding, die thans volgen moet, hare verschooning.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De Katholieke Kerk in Duitschiand, ten tijde van P. Hofbauer.
Grootsch en verheven is het schouwspel, dat eene stad ons aanbiedt, wanneer zij, om haar onwankelbare trouw aan den wettigen vorst te toonen, moedig het hoofd blijft bieden aan de vijandelijke legers, die haar bestormen. Welk een voldoening voor haar koning, dat zoovele dapperen, vast aaneengesloten als een ondoordringbaar bolwerk, pal staan voer hun plichten! Welk een troost vooral, dat hij de leiding zijner manschappen kan toevertrouwen aan bekwame veldheeren, die, allen door denzelfden geest bezield, bloed en leven voor hem veil hebben! Geen nood voor liet behoud van zulk een stad; beschaamd en vernederd zal de vijand moeten terugtrekken.
Verbeeld u thans de Katholieke Kerk van Duitschiand met hare bisschoppen, priesters en geloovigen tegenover haar verbitterde vijanden in de tweede helft der i9de eeuw, en gij kunt zulk heerlijk tooneel aanschouwen.
Maar, als het volk in de belegerde stad verflauwd is in zijn liefde tot den koning, als de gezagvoerders zeiven het oor gaan leenen aan de inblazingen van den vijand, wie zou dan niet voor haar bestaan vreezen? Voorzeker, om dan nog de pogingen harer bestokers vernietigd te zien, is er een bijzondere tusschenkomst des Hemels noodig. Wanneer zij dan niet bezwijkt en ver-
nietigd wordt, moet men wel verblind zijn, om niet uit te roepen; »God is met haar; Hij neemt hare verdediging op zich!quot;
Iets dergelijks geschiedde met de Kerk van Duitsch-land op het einde der i8de eeuw.
Het zaad, door Febronius en Jansenius uitgestrooid, was welig opgeschoten; de troonsbestijging van Jozef II bracht het tot bloei, en weldra zag men de vruchten des verderfs over geheel Duitschland verspreid. Eindelijk bereikte het kwaad zijn toppunt: het zout der aarde werd er door aangetast; onder hen, die de steunpilaren der Kerk moesten zijn, zag men er, die in hun plichten te kort schoten, die, wel verre van de eenheid der Kerk te bevestigen door hun gezag, tot een volslagen scheuring medewerkten.
In het jaar 1786, hetzelfde waarin Italië zijn Jansenistische synode van Pistoja had, waren te Ems de afgevaardigden van vier aartsbisschoppen bijeengekomen, en hadden stellingen onderteekend, die slechts de goedkeuring van scheurmakers en vijanden des Pausen konden wegdragen.
Die stellingen vernietigden het oppergezag des Pausen over de Bisschoppen, en maakten hen geheel en al onafhankelijk van Rome. Pius VI rekende het zich ten plicht, zijne stem tegen zulke grove misbruiken te verheffen. Hij mocht den troost smaken, twee der vier bisschoppen tot betere gevoelens te stemmen, terwijl de twee anderen in hun verzet volhardden.
Een krachtig middel tot uitbreiding van het kwaad was ook de secte der zoogenaamde «Verlichtenquot; of Illuminaten, door! professor Weishaupt in Ingolstad gesticht. Deze secte, die men een soort vrijmetselarij zou kunnen noemen, maakte een verbazenden opgang; en onder hen, die in hare netten verstrikt waren, bevonden zich mannen, van wie men zulks het allerminst zou verwachten.
Omstreeks dienzelfden tijd werd ook de universiteit van Bonn plechtig geopend. Als om het kwaad nog dieper wortel te doen schieten, werd de leiding der jongelieden toevertrouwd aan professoren, die men eerder Protestant dan Katholiek zou kunnen noemen. Gewezen kloosterlingen, wier schismatieke schriften door den H. Stoel veroordeeld zijn, moesten daar als leeraars optreden.
Over de hoogschool van Dillingen, met haar rationalistisch gezinde professoren, kan evenmin een gunstig oordeel geveld worden.
Ja, men zou als eigenaardig kenmerk van bijna alle Duitsche scholen van dien tijd kunnen zeggen: Daar heerschte dorheid des geestes en verslapping.
Daarbij kwam, dat zoo menige zoon van adellijken huize het geestelijk gewaad verlangde, meer geleid door wereldsche vooruitzichten op rijke inkomsten, dan door een waar verlangen naar het heil der zielen. Dat dezulken het volk tot ergernis, niet tot stichting verstrekten, behoeft wel geen bewijs.
Toen P. Hofbauer in Duitschland aankwam, hadden reeds vele ontaarde zonen der Kerk den wrekenden arm van God in al zijn zwaarte gevoeld.
Keizer Jozef II had zijn volk opgezet tegen het gezag der Kerk; die geest van verzet, door hem zeiven aangekweekt, deed het Belgische volk den eerbied voor het gezag des Keizers verliezen: in 1789 ^verklaarden de staten van België zich zeiven souverein. Weinige maanden later stierf Jozef II, verteerd door kommer, teleurgesteld in zijne verwachtingen. Zijn dood was als die van een boeteling: moge God zijne ziel genadig zijn geweest!
Kort daarop wierp de storm der Fransche oorlogen de hooggeplaatste geestelijken van hun troon: de Aartsbisschoppen verloren hun waardigheid van keurvorst, terwijl hunne geestelijke vorstendommen geseculariseerd,
eri al hunne uitgestrekte bezittingen aan wereldlijke vorsten werden weggeschonken. De rijke domstiften ondergingen eenzelfde lot; de kanunniken moesten zich met een jaarlijksch pensioen tevreden stellen. Doch al waren aldus de vijanden der Kerk gestraft, de slechte geest was reeds te ver doorgedrongen, om met de voornaamste personen zoo aanstonds te verdwijnen. Integendeel, die geest des kwaads ging met verdubbede woede zijn aanval hernieuwen. Op de puinhoopen der Duitsche Kerk richtte Karei Von Dalberg, met behulp van Baron Von Wessen-berg zijn zetel op, om niet slechts te blijven bij de verklaringen van Ems, maar om Duitschland, zoo mogelijk, geheel en al los te scheuren van de Moederkerk, en voort te stuwen op de baan van het Protestantisme.
Dalberg had zijne verheffing te danken aan een schandelijk bedrog. De koning van Pruisen had den markies Luchesini naar Rome gezonden, ten einde Dalberg op verzoek van den keurvorst van Mainz, tot Coadjutor te doen benoemen met het recht eenmaal den Aartsbisschop op te volgen. Men had Pius VI doen gelooven, dat het aannemen van dat verzoek de heilrijkste gevolgen zou hebben: de \'Aartsbisschop zou zich dan weder nauw aan Rome aansluiten, hét gezag des Pausen zou weder geheel hersteld worden. De gezant des konings voegde daarbij, dat hij zelf borg moest staan voor de getrouwe nakoming dezer beloften.
Dalberg, een hoofd der zoogenaamde ^Verlichtenquot; werd nu tot Coadjutor van Mainz benoemd. Spoedig daarop werd hij Administrator van het bisdom van Worms en Coadjutor van den bisschop van Constance; en tqen deze den i4den Januari iSoo stierf, nam hij het bestuur van dat bisdom in handen, terwijl hij in Mei van datzelfde jaar Baron Wessenberg tot zijn Vicaris Generaal aanstelde.
In 1802 overleed de Keurvorst van Mainz,. en Dalberg, door Wessenberg gesteund, wist nu van den
rijksdag van Regensburg zooveel titels en waardigheden te verwerven, dat men zou kunnen zeggen: Dalberg stond aan liet hoofd van de geheele kerk in Duitsch-land.
Na den dood van Erthal, den Keurvorst van Mainz (1802), aanvaardde Wessenberg zijn ambt als Vicaris-Generaal van Dalberg voor liet bisdom van Constance.
Wessenberg had de verkeerde beginselen van zijn tijd als met de moedermelk ingezogen. In zijn ouderlijk huis vonden de ideëen der Fransche revolutie den meesten bijval en stond Jozef II om zijn systeem van hervormen hoog aangeschreven. Aan de Universiteiten van Dillingen, Würzburg en Weenen had hij zijn verdere opleiding genoten, en nu zoo hoog een trap van «verlichtingquot; bereikt, dat Dalberg hem als den meest geschikten persoon beschouwde, ter volvoering zijner plannen.
Wessenberg beantwoordde geheel aan die verwachting. Vóór alles, verklaarde hij, nam hij de beschaving en de ontwikkeling des volks ter harte. En hoe kweet hij zich hiervan ? Niet het vieren der H. Geheimen en het uitdeelen der Sacramenten moest de geestelijkheid als haar voornaamste taak beschouwen, maar het onderricht der menigte. En welk onderricht ? Moesten de verschillende ceremoniën der kerk aan het volk verklaard worden? Moesten de geloovigen worden aangespoord tot het ijverig deelnemen aan bedevaarten, tot het getrouw bijwonen van geestelijke vergaderingen eener broederschap, tot het geregeld bidden van den Rozenkrans ? — Maar de plechtigheden der Kerk waren in zijn oog slechts overbijfselen van heidendom en jodendom; zij dienden slechts om schijngodsdienst en Phariseïsme aan te kweeken. Maar het gebed van den Rozenkrans en iedere uiting van kinderlijke godsvrucht en liefde was niets dan bijgeloof en misbruik.
Moest het volk worden opgewekt tot eerbied voor den Paus, tot innige gehechtheid aan Rome? —■ Maar
dat hooge gezag des Pausen had zijn ontstaan te danken aan de duistere Middeleeuwen; \'t was hoog tijd, dat zulks veranderde. — Het Romeinsch Ritueel werd door een Duitsch vervangen. Priesters, die de onbeschaamdheid zoover dreven, dat zij de PI. Mis in het Duitsch durfden lezen, konden zeker zijn, aan Wessenberg daarmede genoegen te doen. Ijverige zielzorgers, die het heil ^ des volks in den waren geest der kerk bleven behartigen, toonden, dat zij volstrekt niet op de hoogte van hun tijd waren.
Ziedaar eenige trekken, die het streven van Wessenberg leeren kennen. En aan zulk een man nu, met de hem waardige trawanten, was de Katholieke K.erk van Duitschland prijs gegeven!
Voorzeker, daar waren in Duitschland nog vele brave, echt geloovige leeken, daar waren nog vele ijverige Bisschoppen en priesters; doch een geest van verslapping, een geest van verdoöving had zich, over het algemeen gesproken, van geheel Duitschland meester gemaakt, en als P. Hofbauer meer bijzonder den allerdroevigsten toestand overwoog van het bisdom van Constance, een der oudste en gewichtigste van geheel Duitschland, dan zuchtte en weende hij over zulk een verval, dan was hem het sterven zoeter dan het aanschouwen van zulk een verwoesting in den Wijnberg des Heeren.
NEGENDE HOOFDSTUK.
De Congregatie wordt in het Bisdom van Constance gevestigd.
Pater Hofbauers Reis naar Rome.
Het voorstel ter vestiging van een huis in Duitsch-land ging thans uit van den vorst Johann Nepomucenus Schwarzenberg, die daartoe waarschijnlijk was aangespoord door den toenmaligen Nuntius van Weenen.
In het tegenwoordig Groothertogdom Baden, vlak bij Schafthausen en de Zwitsersche grenzen lag Jestetten, waarover hij het gebied voerde. Een oud, bouwvallig klooster, gelegen op eene hoogte, die bij het volk den naam droeg van sberg Thabor,quot; werd den Taters nu aangeboden. Niet ten onrechte heeft men opgemerkt, dat die woning der Redemptoristen eerder sCalvariëquot; dan ïThaborquot; kon heeten. Van een kapitaal voor de stichting of een vast inkomen was geen spraak; doch F. Hof-bauer, bezield door die ééne gedachte: iDuitschland zal eindelijk aan de Congregatie een vasten voet geven,quot; aarzelde geen oogenblik; — voor het tijdelijke zou God wel zorgen.
Om deze belangrijke aangelegenheid behoorlijk te regelen, vertrokken P. Hofbauer en P. Hübl, met den student Frans Flofbauer en den novice Johann Sabelli, den i idcn November 1802, uit Warschau. Hun
reis ging over Weenen en de beroemde bedevaartplaats Maria Altöttung in Beieren. Later verhaalde P. Sabelli, met welke vurige godsvrucht P. Hofbauer in de kapel gebeden had. Veel kostte het hem, van het wonderbeeld te moeten scheiden; met de blijdschap van een kind, dat zijne moeder ziet verheerlijkt worden, beschouwde hij de vele ex-voto\'s, die de pelgrims, als blijvende getuigenissen hunner liefde voor Maria, daar hadden achtergelaten.
Hoe zou zijne vreugde nog vermeerderd zijn geweest, als de toekomst dezer gewijde plek hem geopenbaard ware! Altöttung toch was een dier vele plaatsen, wier grond door het bezoek en de gebeden van Gods Dienaar geheiligd, in latere jaren door zijne zonen met de meeste vrucht zoude bewerkt worden, waar jaarlijks duizende zondaars bekeering, duizende rechtvaardigen versterking van hun gelóóf, verlevendiging hunner liefde zouden vinden.
Te Constance legde P. Hofbauer een bezoek at bij den Vicaris Generaal, Baron von Wessenberg, en ontving de noodige volmacht tot prediken en biechthooren. Eindelijk, den 3osten December 1802, betrok hij met zijn drie reisgezellen het hem aangewezen gebouw in de parochie van Jestetten. Zonder toeven begon hij zijn apos-tolischen arbeid.
Den isten Januari 1803 predikte hij reeds driemaal, later werd er op de Zon-en feestdagen tot viermaal gepreekt. Talrijke volksscharen stroomden nu naar Tha-bor, om Gods woord door hem te hooren verkondigen en een goede biecht bij hem te spreken. Doch nu werden hem moeielijkheden gemaakt door hen, van wie hij ze niet had kunnen verwachten.
In plaats van zich te verheugen over den grooten zielenijver van Gods Dienaar en den buitengewonen toeloop van het volk, beklaagden zich de geestelijken bij den Vicaris Generaal, dat daardoor aan hunne werkzaamheid en hun aanzien afbreuk gedaan werd. Wessen-
berg gaf echter een antwoord, dat zoowel P. Hofbauer als hem zeiven tot eer verstrekt, sik twijfel niet, of deze «waardige man zal gaarne met u in overleg treden om-strent de regeling der godsdienstplechtigheden. Hij zal su de door mij medegedeelde volmachten toonen. De t werkzame ijver van dezen kloosterling zal u, naar mijne s overtuiging, een voortreffelijke steun in de zielzorg iwezen. Slechts verlang ik, dat het goede in eensgezindsheid verricht worde, t Semper quod bonum est sectamini tin invicem et in omnes.quot; (I Thess. 5, 15).
En werkelijk, zooals uit hun eigen dagboek blijkt, spoedig verdween alle wrevel en afgekeerdheid; weldra stonden die geestelijken met de nieuwe kloosterlingen op vriendschappelijken voet. Met Wessenberg nam echter de goede verstandhouding geenszins toe; vooral sinds 1805 nam de Vicaris Generaal een volslagen vijandige houding aan.
Daar Clemens niet geregeld te Jestetten kon verblijven, riep hij uit Warschau zijn hooggeschatten 1\'. Pas-serat, wiens deugd hij sinds lang kende. Toen deze in Juli 1803 op Thabor aankwam, stelde hij hem aanstonds tot Rector des huizes aan, en ondernam niet lang daarna met den nieuwen Overste eene reis naar Frankrijk.
De Koninklijke familie, uit Frankrijk verdreven, had zich te Mitau, Koerlands hoofdstad, gevestigd. Daar had zij de Redemptoristen leeren kennen, en was spoedig in aanraking gekomen met de Paters uit Warschau en, meer in het bijzonder, met P. Passerat, een geboren Franschman. Wijl toen de hertogin van Angoulëme haar verlangen te kennen had gegeven, dat de Congregatie zich in Frankrijk mocht vestigen, begaf zich P. Hofbauer, in gezelschap van P. Passerat, naar diens geboorteplaats. Join ville in Champagne. Om ongestoord te kunnen voortgaan, moesten zij zich als gewone leeken kleeden, wijl de godsdiensthaat in Frankrijk nog geenszins bekoeld was. Spoedig zagen de Paters hen echter op den \'Thabor
terug: het was hun reeds aanstonds ten duidelijkste gebleken, dat er voorloopig nog niet gedacht kon worden aan eene stichting in Frankrijk.
De achting, die de Paters hun nieuwen Rector toedroegen, werd niet weinig verhoogd door een voorval, dat kort na zijne terugkomst uit Frankrijk plaats had. Op zekeren dag wordt 1\'. l\'asserat naar de spreekkamer geroepen en vindt daar zijne moeder. Het vertrek van haar geliefden zoon had haar een ongeneeselijke wonde geslagen, en in haar blinde droefheid had zij een uitersten stap gewaagd. Zoodra zij haren zoon ziet binnenkomen, staat zij op, en reikt hem, onder een vloed van tranen, een verzegelden brief over. »Uit liefde voor uw jsarme moeder, zoo zegt zij, bezweer ik u, van dit ge-j schrift gebruik te maken.quot; — Verwonderd neemt hij het papier aan, verbreekt het zegel, en werpt een vluchtigen blik over den inhoud van het geschrift. Hij verbleekt, als hij het leest: \'t was het ontslag zijner geloften, hetwelk zij, buiten zijn weten, van den pauselijken Legaat verworven had. — Hij ziet zijne moeder aan; — en, als deze in dien oogopslag meent te lezen, dat haar verzoek niet zal worden ingewilligd, valt zij hem, onder luid snikken, te voet. »Verlaat toch uwe ongelukkige moeder niet! xjozef, laat mij niet alleen!quot; — Uiep getroffen, sidderend staart de waardige man op zijne moeder. Maar al kan hij zijn tranen niet weerhouden, al beeft zijne stem, wanneer hij spreekt, ■— hij wankelt niet in zijn besluit. »Moeder, ik mag mijnen God niet ontrouw worden; aan «Hem heb ik mij verbonden; in zijnen dienstwil ik vol-s harden tot mijn dood.quot; En onder hare oogen verscheurt hij het noodlottige schrift. Aan de leiding van zulk een man kon P. Hofbauer met een gerust hart zijn onder-hoorigen toevertrouwen.
Toen in de nieuwe kloostergemeente alles voldoende geregeld was, moest er wêer een andere tocht worden ondernomen. Voor drie zijner studenten was de gelukkige
tijd aangbroken, waarop zij de priesterwijding konden ontvangen. In Warschau wilde Clemens hen niet laten wijden, om ze niet tot het afleggen van een staatsexamen te dwingen. In Constance was geen bisschop, wijl Mgr. Dalberg door zijn Vicaris werd vervangen. Hij vertrok dus met P. Hübl en zijne drie jongeren, Frans Hofbauer, Johann Sabelli en Casimir Langanki, naar Italië.
Den 24stel1 Augustus vertrokken zij uit Jestetten, bestegen den St. Gothard, en bereikten dan spoedig Milaan. Vandaar gingen zij naar Spello, bij Foligno, waar de Congregatie toen een huis bezat. Zijne studenten in dat klooster achterlatende, reisde Clemens met P. Hübl verder door naar Rome, om van den H. Stoel de volmacht te verzoeken, zijne jongelieden door eiken bisschop der Latijn-sche Iverk, mits dev.e met den H. Stoel in gemeenschap stond, tot priesters te laten wijden.
Toen Pius VI hem den 3den October 1S03 bij een decreet der Propaganda de gevraagde gunst had mede-gedeeld,keerde hij aanstonds naar Spello terug, en geleidde zijne studenten naar Foligno, waar zij den 23sten October, op welken dag in Italië het feest van den Allerh. Verlosser gevierd wordt, door Monseigneur Moscardini werden gewijd.
Uit de brieven, welke de Gelukzalige toen schreef, zien wij, dat hij levendig verlangde, Napels en liet nabijgelegen Nocera te bezoeken, om zich met zijnen Generaal te onderhouden, en het graf van den H. Alphonsus te gaan vereeren. sik heb mijne zaken niet zoo spoedig kunnen s afhandelen, als ik gewenscht had. Mijn terugkeer naar «Warschau kan ik niet,langer uitstellen. De winter staat »voor de deur, en ik moet den St. Gothard nog overtrek-»ken; ik vrees,dat er op de hoogten reeds veel sneeuw geval-»len is. Daarbij moet ik nog geheel Zwitserland door, want gt;;op den berg Thabor heb ik nog het een en ander te regelen. »Eerst dan zullen wij, over Weenen, naar Warschau jkunnen gaan. Ik hoop, dat God mij vóór mijn dood de
sgenade zal schenken, te komen bidden op het graf van j onzen beminden Vader, en met Uwe Hoogwaardigheid ïde belangen onzer Congregatie te kunnen bespreken.quot;
Thans moest hij daarvan afzien; den 2 4sten October, den feestdag van den H. Raphael, lazen de nieuwgewijden hun eerste H. Mis, en aanvaardden dienzelfden dag hun terugreize onder de bescherming van den H. Aartsengel. In het huisje van Loretto droegen onze reizigers de H. Offerande op, en kwamen eindelijk, na hun vermoeienden tocht, den i5den_ November, te Jestetten aan. De jonge priesters ontvingen nu aanstonds de vereischte jurisdictie, en begonnen met jeugdigen ijver aan het heil der zielen te werken.
Intusschen was er een zeer voorbeeldig priester in het Noviciaat aangenomen. Jozef Hofbauer, uit het bisdom van Metz, was omstreeks 40 jaar en reeds 14 jaar als priester werkzaam. Hij had geweigerd, den eed op de Constitutie af te leggen, en had daarom vele jaren in dreigend levensgevaar verkeerd. Aan de Congregatie bewees hij groote diensten door het onderricht, dat hij onzen studenten in de Godgeleerdheid gaf. Tegen het einde van Augustus had hij het kloosterkleed ontvangen, tegelijk met den leekebroeder Norbertus Spitznagel, uit een plaatsje in de nabijheid van Jestetten.
Bij zijn terugkeer uit Rome vond P. Hofbauer nog drie studenten, die hem verzochten, in de Congregatie te worden opgenomen: Joannes Forster, Martinus Schoellhorn en Michel Baumgartner. De aankomst dier nieuwelingen en de ijver der jonge priesters waren hem een zoete troost.
Zeven dagen rustte hij bij zijn medebroeders op den Thabor uit, en vertrok toen met P. Hübl naar Weenen. Den 3de^ December bereikten zij de stad; hun oponthoud aldaar was langer, dan zij hadden gehoopt; de strenge winter maakte hun de reis uiterst moeielijk, en zoo verliepen er nog bijna twee maanden, eer zij hun dierbaar St. Benno bereikten.
TIENDE HOOFDSTUK.
Arbeid en Lijden in het Bisdom van Constance. Thabor en Tryberg.
\'t Was een waar vreugdefeest voor de kloosterlingen en al de geloovigen van Warschau, toen zij tegen het einde van Januari 1804, hunne twee beminde Paters terugzagen. Met den grootsten ijver werden de werkzaamheden aanstonds hervat. De vermoeiende reis had meer dan een jaar geduurd; de gezondheid van P. Hübl was er door geknakt; hij zou St. Benno niet meer verlaten, dan om nog ééns P. Hofbauer te gemoet te reizen.
Gods Dienaar zou echter zijn reisstaf geen langdurige rust mogen gunnen. Zes maanden waren nauwelijks verloopen, of hij moest dien weder ter hand nemen, om op nieuw den weg naar Duitschland in te slaan.
In het begin van Augustus 1804 werden hem brieven uit Jestetten toegezonden, die zijn vaderhart diep ontroerden. De nood was daar tot het uiterste gestegen: zijne kinderen stonden op het punt, van gebrek om te komen.
Tot tranen toe bewogen over den ellendigen toestand der zijnen, besloot Clemens, onverwijld te vertrekken, om hen te troosten en bij te staan. Nog diezelfde maand begaf hij zich op weg, en nam als reisgezel mede P. Aloisius Czech, die toen nog student was. Dezen zullen wij thans aan het woord laten, om ons zijn aankomst aldaar en de verdere gebeurtenissen te schetsen:
gt;gt;P. Hofbaiier, zoo verhaalt ons die ooggetuige, ]\\eiligcle zijn reis door een aanhoudend gebed en een innig verkeer met God. Twee dagen verbleven wij te Dresden, waar hij eenige zaken te regelen had met het hof en met den biechtvader des konings; nog drie dagen hielden wij stil te Augsburg en te Constance. Den 2istei1 September kwamen wij bij onze medebroeders op den berg Thabor aan. Zoodra hij daar als een liefdevolle vader verschenen was, dacht niemand meer aan de drukkende armoede. F,n toch, wat was de berg Thabor? Een bouwvallig slot met vier of vijf kamers, die bewoonbaar waren, als men ze met balken ondersteunde. De jongere studenten sliepen op den kerkzolder, de scholastieken in een ouden toren zonder deuren of vensters, en dien zij langs eenige ladders moesten bereiken. Al het overige was naar evenredigheid: slecht en ellendig.
j Met vreugde deelde F. Hofbauer in al die ontberingen; zijn woord en voorbeeld had spoedig bewerkt, dat alle zwaarmoedigheid verdween, en eenieder zich gelukkig achtte, onder de oogen van een zoo heiligen en liefderijken overste te mogen leven.
xHoewel zijn tijd reeds grootendeels werd ingenomen door een drukken biechtstoel en een uitgebreide briefwisseling over de aangelegenheden der Congregatie, predikte hij toch op alle Zon-en feestdagen. De enkele uren, die hem nog overbleven, werden aan het gebed en de geestelijke oefeningen besteed.
gt;;Terwijl hij aldus te Jestetten zijne broeders troostte en opbeurde, ontving hij een blijde tijding. Op zekeren dag komen uit Tryberg, een stadje in het Schwarzwald, eenige mannen op den Thabor, om P. Hofbauer te verzoeken, hun eenigen zijner Paters af te staan. Daar bevond zich een vroeger zeer bezocht heiligdom, hetwelk thans zoo goed als verlaten stond. De geestelijken, die zich daar bevonden, waren oud en gebrekkelijk, en konden dus in de geestelijke behoeften der pelgrims niet meer voorzien.
»Die verlatenheid bracht daarenboven den armen bergbewoners geen geringe schade in hun tijdelijke welvaart. De goede lieden hadden dus besloten, een beroep te doen op andere priesters, en wijl de mare van P. Hofbauers zegenrijken arbeid ook tot hen was doorgedrongen, wendden zij zich tot hem. \'t Was weêr een nieuwe gelegenheid, om voor de eer van God en het heil der zielen veel te kunnen werken; P. Ilofbauer nam daarom het voorstel met vreugde aan. De Aartshertog Ferdinand, onder wiens bestuur het plaatsje stond, bestemde voor iederen priester een jaar-lijksche ondersteuning van 320 franken.
^Eenige dagen voor het feest van\'sHeeren Hemelvaart verliet hij dus met vier priesters en eenige studenten den Thabor, om zich naar Tryberg te begeven. Wij reisden te voet onder een zwaren regen, en spoedig waren wij doornat. Toen de avond viel, waren wij nog op drie of vier uur van Tryberg. Nergens zagen wij een herberg, en klopten daarom aan bij de eerste boerenhoeve, die op onzen weg lag. P. Hof bauer liet voor ons een goede soep opdienen, en zorgde toen, dat het noodige stroo in de schuur gespreid werd. Den volgenden morgen waren onze kleederen nog geheel doorweekt; maar wie had durven klagen met het voorbeeld van P. Hofbauer voor oogen ?
sDe inwoners van Tryberg ontvingen ons allerhartelijkst. Toen wij daar aankwamen, ging het geheele stadje mede naar de kerk; daar baden wij langen tijd voor het wonderbeeldje, en begaven ons toen, vergezeld van de geheele menigte, naar de voor ons bestemde woning. Het was een ruim huis met twee verdiepingen. De bejaarde geestelijken bewoonden het bovenste gedeelte; wij betrokken het onderhuis.
s Het Teest der Hemelvaart was nabij en, wijl de tijding van onze aankomst reeds heinde en ver verspreid was, zagen wij duizenden pelgrims toestroomen, zoodat de kerk, hoe groot ze ook was, niet eens de helft kon
bevatten. Clemens Maria besteeg den kansel; zijn woord maakte zulk een indruk, dat het heiligdom aanstonds het-volle vertrouwen der geloovigen en zijn aanzien van vroeger herwon. Velen, die zich door gelofte tot een bedevaart naar Maria Einsiedeln verplicht hadden, verlangden nu, hun verplichting veranderd te zien in een bedevaart naar Tryberg.
iZulk een begin voorspelde een heerlijke toekomst. »Bij geheele scharen kwamen de pelgrims toegesneld; van den morgen tot den avond waren de biechtstoelen als belegerd. Gewoonlijk brak P. Hofbauer zelf voor het hongerende volk het geestelijk levensbrood. Die spijs bestond niet in schoone, doch zinledige woorden; maar hij bood hun een sterk en krachtig voedsel aan; zijn woord drong tot het diepste der zielen door, en bewerkte de schoonste bekeeringen.
2 Niet lang daarna ging hij met twee zijner studenten naar den Apostolischen Nuntius Testaferrata, om ze tot priester te laten wijden. Dit moest voor zijne geloovigen van Tryberg een vreugdefeest worden. Aan het altaar van het wonderbeeld kwamen zij voor de eerste maal de H. Mis opdragen, en buitengewoon was de menigte, die deze plechtigheid bijwoonde.
»In korten tijd had P. Hofbauer aller liefde en vertrouwen voor zich gewonnen. Een ruim veld ter bearbeiding stond thans voor hem open; gelijk in Warschau, zoo zag hij zich ook hier beloond door ontelbare vruchten van bekeering.
ïMet vreugde zag Aartshertog Ferdinand, in hoe hooge achting de Paters bij al het volk stonden, en welk een nieuwe vlucht het Katholieke leven nam. Herhaaldelijk betuigde hij zijne hooge tevredenheid, en verklaarde zich bereid, de Paters, wanneer zij er behoefte aan hadden, volgaarne in het stoffelijke nog meer te ondersteunen. Doch ook het volk wedijverde met hem in hartelijke liefde; zij brachten den Paters levensmiddelen en hout
in overvloed; kortom, zij lieten het hun nieuwen zielzorgers aan niets ontbreken.quot; Tot zoover Aloisius Czech.
Doch ook hier zou alles een geheel andere wending nemen. P. Hofbauer er, de zijnen ontrukten zoovele zielen aan de klauwen des duivels; konden zij de razende woede van hun vijand wel ontgaan? — Ongelukkig lieten de priesters, die tot dan toe belast waren met de zorg voor het heiligdom, zich als werktuigen van Satan gebruiken. — Hun eigen gedrag was helaas! geenszins voorbeeldig; in de godsdienstplechtigheden hadden zij zooveel nieuwigheden ingevoerd, dat het volk aan de zuiverheid van hun geloof was gaan twijfelen. En nu kwamen die vurige missionarissen op echt apostolische wijze Gods woord verkondigen, zij kwamen de kinderlijke godsvrucht tot Maria, het bidden van den Rozenkrans, het dikwijls ontvangen der HH. Sacramenten zoo warm aanbevelen. Ja, het geloovige volk had hen spoedig erkend voor de ware bedienaren der Katholieke kerk, het hechtte zich met innige liefde aan hen. Maar zulks deed de afgunst ontvlammen in het hart dier verslapte geestelijken.
Zij konden rekenen op den bijval van hen, die met den geest van hun tijd waren aangestoken: zij konden vooral rekenen op de hulp van Wessenberg, die zich in zijn streven belemmerd zag. Brief op brief werd nu naar het Vicariaat van Constance gezonden; P. Hofbauer en zijn metgezellen waren schandelijke dweepers, hunne werkzaamheid gaf blijken van een buitensporigen, overspannen ijver. — In het oog der Verlichten gold zulks als het zwaarste vergrijp; de Illuminaten kenden geen grooteren vijand dan den ijverigen Katholiek, die zijn levendig geloof in alles aan den dag legt. -— Het teeken tot den aanval was gegeven, haat en vervolging was der Congregatie toegezworen: nu begonnen de plagerijen van allerlei aard.
Onder voorwendsel, dat de wijding, door den
Nuntius van Lucern toegediend, ongeldig was, verbood Wessenberg aan de twee nieuwgewijde priesters alle geestelijke bediening. Twee andere Paters, die in Januari van hetzelfde jaar door den Nuntius gewijd waren, moesten te Freiburg een zeer streng examen ondergaan. Alle mogelijke stoffen werden daarin aangeroerd, en meer in het bijzonder liepen de vragen over het burgerlijk recht. Natuurlijk vonden de vijandig gezinde examinatoren eenige punten, die niet voldoende beantwoord waren; het gevolg was, dat men den twee paters het biechthooren verbood.
Luide klachten gingen uit het volk op over zulke willekeurige behandeling; ja, de Aartshertog zelf trad tusschenbeide. Alles te vergeefs ; de Vicaris-Generaal zond twee wereldsche priesters naar Tryberg, om zich met de zorg voor het heiligdom te belasten. In een brief der aartshertogelijke regeering worden aan Wessenberg scherpe verwijten gedaan dat hij de man der beschaving — het heiligdom aan zulke onw etende heden toevertrouwde.
De eene was een zeer jonge man, zonder eenige ondervinding, de andere, een ongeschikte, zeer weinig ontwikkelde grijsaard, die vóór zijn priesterschap hetberoep van boekbinder had uitgeoefend. Zijne reeds volwassen dochters uit zijn vroeger huwelijk kwamen mede naar Tryberg, en leidden daar een volstrekt niet stichtend leven.
Wessenberg was zeer geraakt over die aanmerking der regeering; doch zoolang Ferdinand aan het bestuur was, moest hij zich inhouden. In hetzelfde jaar echter gingen zoowel het Schwarzwald met Tryberg als het graafschap Schwarzenberg met den berg Thabor over tot het gebied van den Groothertog van Baden. Nu waren de Paters van allen steun beroofd: de twee Redemptoristen, die nog aan de kapel werkzaam waren, mochten nu geen enkele bediening meer uitoefenen. De inwoners zonden nog een gezantschap naar Constance
en Carlsruhe; niets mocht baten; de Protestantsche regeering was het met Wessenberg eens, dat men de Redemptoristen moest onderdrukken.
Nauwelijks drie maanden had Clemens in Tryberg gearbeid, toen hij het reeds geraden achtte, in het bisdom Augsburg naar een andere vestiging om te zien. AVelk een heilzamen indruk hij er echter op het volk gemaakt had, blijkt niet slechts uit den eerbied, waarmede de geloovigen hem 5den heiligen Paterquot; noemden, maar ook uit de schitterende getuigenissen, die nog onlangs twee eerbiedwaardige bisschoppen over hem aflegden. Het eene is van den hoogst verdienstelijken Aartsbisschop van Freiburg, Mgr. Herman Vicari; het andere, van den Vicarius Capitula-rius, Mgr. Kübel. Beiden verklaren, dat in het jaar 1868 de herinnering aan de uitstekende deugden en den onver-moeiden arbeid van P. Hofbauer nog zeer levendig was in die streken.
Daarenboven had hij in dat korte tijdsverloop reeds twaalf knapen bijeengebracht, die hij in het Latijn en andere nuttige vakken liet onderwijzen. Wijl hij echter zoo spoedig moest vertrekken, keerden bijna allen naar het ouderlijke huis terug: slechts Joan Kaltenbach, die later een ijverig missionaris werd, volgde hem naarBabenhauser.
ELFDE HOOFDSTUK.
Apostolische Werkzaamheden in het bisdom van Augsburg. — Babenhausen en Omstreken.
5Vs2—lt;r^i)
P. Hofbauer wendde zich thans tot Prins Fugger von Babenhausen, met het nederige verzoek, hem in zijn grondgebied een huis te willen afstaan, waarin eenige Paters zich konden vestigen, en dat tegelijk voor een zeker aantal studenten kon worden ingericht. Hij verklaarde zich echter bereid, met verloop van tijd, op eigen kosten een klooster te zullen bouwen. Waarschijnlijk deed Clemens dien stap op raad van zijn goeden vriend Antonius von Nigg, den Vicaris-Generaal bij den Prins-Bisschop van Augsburg, een man, die te Rome zijne studiën gemaakt, en met hart en ziel verknocht was aan den H. Stoel.
Met de meeste welwillendheid stond de Prins het gevraagde toe. Daarom begaf zich P. Hofbauer, in het begin van October, naar Babenhausen, en vertrok van daar met P. Sabelli naar Augsburg, om voor zijne onderneming de kerkelijke goedkeuring van Mgr. Clemens Wenceslaus, den Keurvorst van Trier, te ontvangen. Daar ondervond hij eene vertraging van drie weken: slechts eenige dagen na zijne aankomst, trok Napoleon aan het hoofd zijner troepen Augsburg binnen. Clemens moest dus een gunstig oogenblik afwachten, en zoo geschiedde het, dat hij eerst den 24stcn October zijne
verschillende volmachten uit de handen van den Bis-* schop ontving.
Beieren werd toen overstroomd door Fransche militairen; onze reizigers zouden zich dus aan allerlei moeie-lijkheden blootstellen; doch P. Hofbauer trok onverschrokken, waarheen zijn plicht hem riep. Zoodra hij zijne zaken te Augsburg geregeld had, haastte hij zich, naar Babenhausen terug te keeren. Reeds had hij met P. Sabelli een eind weegs afgelegd, toen eensklaps een t ransch soldaat op hem aankwam, hem zijn sabel op de borst zette en zijnen mantel eischte. Natuurlijk stond hij den mantel af; doch, wat ons den Heilige kenmerkt, hij deed het zóó gereedelijk, dat hij niet de minste ontevredenheid liet blijken, en even rustig en vroolijk zijn weg voortzette, alsof er niets gebeurd was.
In het begin van November had Clemens de geheele kloostergemeente van Thabor en meerdere Paters uit Tryberg tot zich geroepen. Voorloopig genotendezen eene hartelijke gastvrijheid bij den waardigen pastoor van Weinried, een dorpje op ruim een kwartieruur afstand van Babenhausen gelegen. De kloosterlingen moesten zich echter behelpen met een ruime kamer, waarin het noodige stroo gespreid werd: de goede pastoor kon onmogelijk voor ieder zijner gasten een bed beschikbaar stellen.
Intusschen werd er eene woning in Babenhausen gehuurd, en, voor zoover de omstandigheden het toelieten, tot huisvesting der Redemptoristen in gereedheid gebracht. P. Passerat, hoewel hij tot Rector des huizes was aangesteld, moest in één kamer zijn strooleger met vier of vijf andere Paters deelen. Een zelfde inschikkelijkheid moesten de overigen toonen, indien zij allen dat huisje wilden betrekken. P. Hofbauer was den pastoor van Weinried dus zeer dankbaar, toen deze hem voorstelde: »hij zou vooreerst bij hem blijven wonen; dan konde 5 hij tevens geregeld werkzaam zijn op den kansel en in ^den biechtstoel.quot;—
112
Wanneer Clemens echter in Weinried zelf of in . de naburige streken geen apostolische werkzaamheden te verrichten had, bleef hij alleen des nachts in de woning van den pastoor; \'s morgens vroeg zag men hem dan, terwijl er niet zelden een dikke laag sneeuw gevallen was, op weg naar Babenhausen, om er den geheelen dag onder zijne medebroeders door te brengen.
Hij was dan bij al hun geestelijke oefeningen tegenwoordig, en wist, door zijne hartelijke goedheid, al de zijnen te bemoedigen. Vooral toonde hij een warme belangstelling in de vorderingen der studenten. Dikwijls woonde hij hun examens bij, en trachtte hen tot een goeden naijver op te wekken, \'t Was voor de jonge-1 lieden een ware feestdag, wanneer P. Hofbauer hen op hunne wandelingen vergezelde. Dan was hij zoo goedig, zoo vaderlijk bezorgd, dan wist hij zoo onderhoudend, zoo boeiend te vertellen; dan sprak hij zoo van hart tot hart met zijne kinderen; kortom, dan voelden zij zich gelukkig en gesticht tevens. Te huis schrikte hij niet terug voor vernederende diensten ; Br. Norbertus, hoewel van den besten wil, was geen meester in de kookkunst; vooral op de vastendagen waren de magere spijzen allerellendigst toebereid. -— Als Kluizenaar te Tivoli en later te Warschau, waar hij Br. Emmanuel dikwijls ter zijde stond, had Clemens een zekere vaardigheid in het koken verkregen. Hij nam dus zelf de bediening van kok waar, uit liefde voor zijne medebroeders. Voor zich zeiven behoefde hij het niet te doen; op de vastendagen, nam hij eerst tegen den avonc. eenig voedsel; wanneer hij de spijzen voor het middagmaal bereid had, kwam hij slechts aan tafel, om nar.r de geestelijke lezing te luisteren.
Hoe weinig eischend, hoe verstorven de kloosterlingen ook waren, hunne kleine, vochtige woning was toch zoo ongezond, dat P. Hofbauer hen daarin niet langer durfde laten. In het begin van Februari betrokken zij dan een
ander huis, dat wel ruimer, maar „iet minder door de armoede bezocht was. Bij gebrek aan brandhout hadden zij gedurende dien strengen winter veel van de koude te lijden, en met recht kon P. Hofbauer, toen iemand hem
eens vroeg, waarvan zijn Paters toch leefden, ten antwoord geven: .Van de Goddelijke Voorzienigheid.quot; Zijn heldhaftig vertrouwen op Gods Vaderliefde werd ook daar schitterend beloond.
Eens, onder anderen, kwam er een geheele wasren levensmiddelen voor het huis, waar de Paters woonden, zonder dat zij ooit vernomen hebben, wie dien wagen daarheen gebracht had. - Een andermaal brachten hem eenige goede heden, die bemerkt hadden, hoe afgedragen zijn k eed was, uit eigen beweging een nieuwe toog-met allen eenvoud nam hij het kleed aan, en was hun zeer dankbaar.
Die opgeruimde, beminnelijke godsvrucht, waardoor hij als knaap reeds aller harten voor zich won \\\\as nog steeds een hoofdtrek van zijn karakter. Een man uit Weinried zeide later: ,1k ben tamelijk nnv gt;: uitgevallen; maar voor dien priester heb ik altijd een »hartelijke liefde gevoeld.quot; - .Wat, zeide een ander .toen hij vernam, dat er sprake was van de heiligver-»klaring van P. Hofbauer, willen zij hem heilig maken ?— » 1 oen hij bij ons woonde, was hij het reeds lang quot; — Ja, zoo ver ging de achting, die men hem te Weinried toedroeg, dat verscheidene personen de voetstappen van Clemens met eerbied kusten.
Reeds vele jaren na het vertrek der Paters uit Pabenhausen, gaf eens een priester een afbeelding van . Hofbauer aan eene vrouw, die reeds diep in de zevent\'g was. Hij zeide haar niet, wie op het prentje afgebeeld stond; maar nauwelijks had zij het in handen of, opgetogen van vreugde, overlaadde zij het met kussen en nep uit: .O, dat is Pater Hofbaueriquot; —
Nog in het jaar 1867, — dus zestig jaar na zijn vertrek uit Weinried, waar hij slechts tien maanden arbeidde, — bevond zich in de kamer, welke V. Hof-bauer bewoond had, niets dan zijne afbeelding,\'die daar eerbiedig vereerd werd. \'t Was een der ruimste kamers van de pastorie; zij kon den pastoor goede diensten bewijzen, en toch werd er nooit gebruik van gemaakt en beschouwden allen haar als een heiligdom. Zulk een dankbare herinnering had men daar aan de ijverige werkzaamheid van Gods Dienaar bewaard. — Doch hij had ook het volste recht op die dankbaarheid.
Alle Paters, die niet met de studie of de leiding der jongelingen belast waren, arbeidden aanhoudend voor het heil der zielen. Clemens, meer dan allen, was de Apostel dier geheele streek, en vooral bij het eenvoudige volk van Weinried was weldra een volslagen verandering ten goede te bespeuren, zoodat de pastoor eens zeide. ïGeef mij vier mannen als 1\'. Hofbauer voor den preek-ï stoel en vier als P. Passerat voor den biechtstoel, en sik zal geheele koninkrijken bekeeren.quot; Allen, die
P. Hoi bauer daar gekend hadden, spraken met den grootsten lof van zijn zielenijver, zoo op den kansel, als in den biechtstoel en bij het lijdensbed der zieken.
Toen hij in 1806 de vastenpreeken hield in de bedevaartskerk te Kirchhaslach, een plaatsje, niet ver van Weinried gelegen, stroomde het volk van heinde en ver daarheen, en als zij dan, diep getroffen, naar huis keerden, spraken zij, met een heiligen ijver bezield, over den machtigen indruk, welken zijn woorden op de duizende toehoorders gemaakt hadden. Zoodoende gingen ook velen hunner vrienden en bekenden naar ^ einried, om bij P. Hofbauer eene goede biecht te spreken. En zij konden zeker wezen, door den goeden Pater met veel liefde te worden behandeld; hij kende geen vermoeidheid; ja, hij voorkwam dikwijls hun verlangen.
Wanneer hij iemand in de kerk zag komen, terwijl hij
zijn getijden bad, ging hij uit eigen beweging naar hem toe en vroeg dan op vriendelijken toon: »Gij verlangt »wellicht te biechten?quot; •— Zoo gebeurde het niet zelden, dat raenschen, die volstrekt niet aan biechten hadden gedacht, ten antwoord gaven: »Morgen zal ik komenquot;; — en werkelijk hielden zij dan hun woord.
De penitentie, welke hij oplegde, had niet zoozeer ten doel de menschen met veel boetewerken te bezwaren, dan wel, hen te leeren, zich te overwinnen en te versterven. Zoo verklaarden eenigen zijner penitenten, dat hij hun soms oplegde, eenige dagen lang niet door liet venster te zien, wanneer er vele menschen of rijtuigen voorbijgingen; anderen moesten eenigen tijd die zijde van het brood afsnijden, welke hun minder goed smaakte.
De pastoor had hem ook belast met de zorg voor het hospitaal: heerlijke gelegenheid voor Clemens, om zijn liefdevol hart een ruime voldoening te geven. Zestig jaar na zijn vertrek wist men nog te verhalen, hoe goed li ij voor de zieken was.
Wat hij in Warschau gedaan had, om zijn woord ook blijvende vruchten te doen dragen, deed hij ook in Weinried: kosteloos deelde hij de geschriften van den H. Alphonsus onder de geloovigen uit.
Veel is Babenhausen aan P. Hofbauer verschuldigd, wijl het aan zijn apostolisch woord grootendeels is toe te schrijven, dat het gif der ketterij daar niet is doorgedrongen. Martin Boos, door verscheidene geestelijken gevolgd, verspreidde tegen het einde der i8de eeuw, vooral in het zuidelijke gedeelte van het bisdom Augsburg, de verderfelijkste stellingen omtrent het alleenzaligmakend geloof en de mystieke vereeniging der ziel met Christus. Het vurige karakter van Boos en Gossner, hun wegslepende welsprekendheid, het gemis aan degelijke kennis der Theologie bij de geestelijkheid en de groote onwetendheid van het volk hadden een hevige gisting teweeggebracht en duizenden op het dwaalspoor
geleid. Eerst in 1813 onderteekende Boos vijf rechtzinnige stellingen, waardoor hij zijn valsche leer veroordeelde.
Welnu, Babenhaiuen en omstreken heeft het geloof in rd zijn zuiverheid bewaard, wijl het te diep doordrongen was van P. Hofbauers machtig woord: sHebt gij gezondigd, dan is \'er slechts redding in een »goede biecht. — Uw vereeniging met Christus voor-»onderstelt uwe vereeniging met zijne Kerk.quot;
Uit een brief, dien P. Hiibl den 12l\'en Maart 1S06 uit Warschau aan dén algemeenen Overste schreef, blijkt nog, dat P. Hpfbauer in deze dagen allerlei kwellingen lieeft moeten verduren. Bij gebrek aan nadere bijzonderheden daaromtrent, moeten wij ons tevreden stellen, die woorden enkel aan te halen: ïOnze Pater Vicaris --heeft met de zijnen de heillooze gevolgen van den ;;oorlog ondervonden: plundering, ja zelfs verwonding ;hebben zij geleden. Niettegenstaande dat alles, arbeiden szij met onvermoeibaren ijver; zij geven geen groote gt;■ missiën; hunne werkzaamheden zijn van meer bescheidden aard: preeken en onderrichtingen in de dorpen en jhet toedienen der HH. Sacramenten. Reeds zeven maan-»den was ik zonder bericht van P. Hofbauer, wijl zijne jbrieven in de verwarringen van den oorlog verloren sgingen; maar eindelijk heb ik een brief ontvangen: »deze is niet door hem, maar door zijn secretaris ge-»schreven; wegens ongesteldheid kon hij het zelf niet «doen. Ik smeek dus Uwe Hoogwaardigheid en al de »Paters en Broeders van Italië, dat zij God toch bidden, ,2 Hij moge onzen beminden Overste de gezondheid terug-ïschenken; wij hebben P. Hofbauer zoo hoog noodig.quot;
Ten slotte willen wij nog eenige losse aanteeke-ningen mededeelen, welke Lodewijk Vicari, een voormalige pastoor van Weinried, over P. Hofbauer maakte voor het proces der zaligverklaring; zij zullen ons Gods Dienaar in geheel zijn handel en wandel nog beter doen kennen.
yDe kerkelijke diensten moesten altijd zoo plechtig mogelijk verricht worden. De getijden en de liederen ter eere der H. Maagd zong hij met de zijnen zóó godvruchtig en zóó schoon, dat het volk placht te zeggen: sHoort, de Engelen zingen weder hunne liederen!quot; Al zijne vrije oogenblikken werden in de kerk, aan den voet van het H. Tabernakel doorgebracht. In Weinried voerde hij ook het gebruik in, om den Rozenkrans der Engelen geregeld met het volk te bidden. Dit is een loflied op de Allerheiligste Drievuldigheid, waarin het ^Heilig, heilig^ heiligquot; voortdurend met de schoonste gebeden tot Jezus en Maria wordt afgewisseld.
sP. Hofbauer bad zonder ophouden, te huis, in de kerk, op straat, overal zng men hem met den Rozenkrans in de hand. Wanneer hij bij een zieke werd geroepen en men hem zeide, dat het ver was, antwoordde hij: »Des te beter voor den zieke, dan kan ik meer » Rozenkransen bidden.quot;
gt;; Als iemand zijne geestelijke hulp inriep, lette hij niet op het gure weder, noch op erbarmelijk slechte wegen; ééne gedachte bezielde hem slechts: alle menschen te redden en op het goede pad terug te brengen.
»De ongevoeligste harten wist hij te treffen, en dat op zulk een ongedwongen en allereenvoudigste wijze, dat iedereen bekennen moest; een bijzondere zegen Gods rustte op al zijne woorden.
^Op zekeren dag bemerkte hij op een van de gaanderijen der kerk een jongen man, die zich onder zijne preek wat te uitgelaten gedroeg. Aanstonds richt hij het woord tot hem en zegt: ïVriend, het is hier de plaats ^niet, om te lachen. Uw uitgestortheid is een teeken, «dat gij er niet aan denkt, boete te doen over uwe zon-«den.quot; Dit enkele woord was genoeg, om den jongeling te doen besluiten, van dat oogenblik een echt christelijk leven te leiden.
»Een muzikant- die voor een weinig geld onpas-
— ii8 —
sende liederen zong, ontving van P. Hofbauer deze terechtwijzing; »Als gij in den Hemel wilt komen, zult gij een «andere broodwinning moeten zoeken; want het brood, nlat gij tot nu toe eet, wordt door den duivel gebakken.quot; De man had daarna geen rust meer, tot hij zijn ellendig beroep had opgegeven.
»Dat het woord van Gods Dienaar hoog werd geschat, blijkt wel hieruit, dat nog heden menigeen, die een ander van de zonde wil terughouden, eenvoudig vraagt: »AVat zou 1\'. Hofbauer wel zeggen?quot;
xZijn woord werkte wonderen. Toen hij eens een door en door bedorven en ongeloovig man tegen alle verwachting bekeerd had, bracht hij hem bij Pastoor Wagner van Weinried, opdat hij dezen op zijn knieën vergiffenis zou vragen voor zijn ergerlijk leven. De terugkeer van dit reddeloos verloren schaap overstelpte den grijzen priester met zulk eene vreugde, dat hij driemaal opsprong als een kind.
»Ziilk een blij venden indruk heeft zijne apostolische werkzaamheid in deze parochie en in de gansche streek gemaakt, dat nog heden ten dage velen een waarlijk deugdzaam leven leiden, ja met ijver naar de volmaaktheid streven.
»Van de eenvoudigste omstandigheden wist hij gebruik te maken, om zijne hoorders te treffen. Eens vermaande hij de vrouw van den smid, zij zou wat dikwijlder de HH. Sacramenten ontvangen: »Gij komt »reeds op jaren; misschien zult gij reeds spoedig voois-Gods rechterstoel moeten verschijnen.quot; —»Maar, was »de tegenwerping, wat zullen er de menschen van zeggen, jals de smidsvrouw zoo dikwijls de HH. Sacramenten sontvangt?quot; -— P. Hofbauer zei niets meer, en liet haar gaan. Maar toen hij de volgende maal preekte over het dikwijls ontvangen der HH. Sacramenten, zeide hij eensklaps: »Maar de oude smidsvrouw vraagt mij: Wat zouden jde menschen zeggen, als ik dikwijls naderde tot de
iHH. Sacramenten ? •— Mijn goede vrouw, wat zouden de smenschen wel zeggen, als de smidsvrouw eens in de shel was?quot; —
sin alles gaf P. Hof hauer schitterende voorbeelden van deugd. Dikwijls hooren we onder het volk nog spreken over de engelachtige godsvrucht, waarmede hij het H. Misoffer opdroeg. — En welk een liefde voor zijn vijanden! Eens kwam een jonge losbol voor het huis van den Pater, maakte daar een helsch leven en begon de ruiten in te slaan. De buren kwamen toegestroomd en wilden hem een gevoelige terechtwijzing geven. Maar zie ! daar verschijnt P. Hofbauer en zegt op vriendelijken toon; ïDoet hem geen leed; ik ga juist naar de kerk en jzal de H. Mis voor hem opdragen. quot;
»Nog één trek, om zijn karakter te leeren kennen: Hij bracht eens een landman een zekere som gelds, die hij als -restitutie had ontvangen. Toen deze het geld niet wilde aannemen, sprak P. Hofbauer; ïHet is niet jgoed, den boetvaardigen zondaar de geheele som te x laten behouden; hij zou gaan meenen, dat het stelen jzulke zware zonde niet is.quot; —
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Nieuwe Vervolgingen, — P. Hofbauers Terugkeer naar Warschau.
Te schoon bloeide de wijngaard des Heeren te Babenhausen op, dan dat de duivel het lijdelijk kon aanzien; een nieuwen storm wist hij te verwekken, welke de Paters uit Duitschland zou verjagen.
Wat echter bij deze vervolgingen Gods Dienaar het meeste griefde, was, dat zij vooral veroorzaakt werden door hen, van wie hij slechts hulp en steun had kunnen verwachten. De brandende ijver, waarvan Clemens Maria zulke ondubbelzinnige blijken gaf, strookte niet met den geest dier dagen: de bedrijvigheid der Paters, de drukke toeloop van het volk, de hooge vereering, welke de missionarissen genoten, schenen menigen zielzorger een verwijt zijner eigene gemakzucht. De Redemptoristen waren den llluminaten een doorn in het oog: zij moesten onschadelijk worden gemaakt. Wel vonden de onschuldigen een ijverigen beschermer in vorst t ugger; deze had zelfs het plan ontworpen voor een te bouwen kerk met klooster, en op zijn verzoek was P. Sabelli belast met het onderricht zijner kinderen; doch in het jaar 1806 werd hij zelf van zijn vorstelijke macht beroofd, en was dus niet meer in staat, hen krachtig te steunen.
In een brief van den 3den Juni 1806 schrijft P. Hof-
bauer aan den Procurator te Rome over het dreigende onweder, en smeekt om de gebeden zijner medebroeders. »Wij weten niet, zoo lezen wij daar, onder wiens macht sdeze streek zal komen.quot; Enden 21 Juli zegt hij: ; Hoe gt;:kort wij ook hier zijn, tóch hebben wij reeds zoovele »vijanden, dat wij groote behoefte hebben aan oprechte gt;: vrienden. Gelijk gij over de Alpen, zoo leven ook wij ^voortdurend in de grootste angsten; door onze gebeden gt;■ moeten wij den Hemel geweld aandoen,quot;
De grofste, ja de onzinnigste leugens werden nu uitgestrooid, om Gods Dienaar in de achting van het volk te doen dalen. Zoo werd er verhaald, dat, toen hij in lllerberg eenige zieken had bezocht, en de pastoor der plaats hem den sleutel van het tabernakel niet wilde geven, hij de deur er van had opengebroken, om de H. Communie uit te deelen. Zulks kwam den richter dier streek ter oore, en deze achtte zich verplicht een onderzoek in te stellen naar de waarheid van het gerucht. De pastoor haastte zich echter, mondelings zoowel als schriftelijk te verklaren, dat het niets anders was dan vuige laster. — lllerberg is drie uur van Babenhausen verwijderd; P. Hofbauer nu was werkelijk daarheen gekomen, had er zieken bezocht en hun de H. Communie uitgedeeld; doch alles met volkomen goedkeuring van den pastoor, bij wien hij overnachtte.
Deze schrijft dan ook in zijn dagboek, onder datum van 19—20 Februari 1806, deze eigenaardige woorden: »De geestelijke, die een bezoek bij mij aflegde, heet Joan Clemens M. \'Hofbauer ex. Congregatione Al-phonsi de 1 .i^orio de Redemptione, en is Vicarius-Ge-neralis zijner orde. Het doel der Congregatie is, den godsdienstzin te verlevendigen in onze dagen van ongeloof; zij zoekt zich overal te vestigen, waar de regeering zulks toelaat. P..Hofbauer is een uiterst wellevend, zeer onderhoudend en belezen man; hij is vol ijver voor den godsdienst. Hij spreekt zuiver Duitsch, is afkomstig
van Weenen, kent daar alle voorname familiën, ja zelfs hen, die tot het keizerlijk hof behooren. Onder liet avondeten bespraken wij allerlei stichtende en wetenschappelijke punten.quot;
In hetzelfde dagboek teekende hij den 22:it,;n Juli aan: »Ik vernam van den prelaat, die mij heden bezocht, dat de Prefect van Ulm den Paters Redemptoristen, die te Babenhausen wonen, alle apostolische werkzaamheden op Beiersch gebied verboden heeft.quot; De Beiersche regeering had toen nog geen bezit genomen van Babenhausen zelf; doch deze maatregel toonde den missionarissen duidelijk genoeg, welk lot hun te wachten stond, zoodra het onder Beieren zou komen.
1 )e ^boetpredikersquot;^ zoo noemde hen het volk, moesten nu wel is waar, hun werkkring beperken tot de enge grenzen van het vorstendom; doch in zoo talrijke scharen stroomden de geloovigen naar Babenhausen en Weinried, dat de missionarissen hun arbeid eer vermeerderd dan verminderd zagen.
1 )e Bisschop van Augsburg had hun daarenboven verlof gegeven, in de kapel van het hospitaal te Babenhausen tie H. Mis te lezen en alle overige priesterlijke bedieningen te verrichten. Den 2dcn Juli hield er P. Egle voor de eerste maal een toespraak tot het volk en richtte er na eenige dagen den H. Kruisweg op. liet feest van den Allerh. Verlosser, — den 3dcn Zondag van Juli, — werd in de kapel zoo plechtig mogelijk gevierd; gedurende de octaaf was er dagelijks Hoogmis met preek, terwijl Gods Dienaar op den dag der sluiting, uit kracht der hem medegedeelde apostolische volmacht, aan de verzamelde menigte den Pauselijken zegen schonk. Het volk gevoelde zich overgelukkig; maar de vijanden der Congregatie konden hun wrevel niet langer verkroppen: zij rustten niet, voordat den Paters alle openbare bedieningen in die kapel verboden waren.
Eindelijk den 5Jcn Augustus 1806, werd Baben-
hausen bij het koninkrijk Beieren ingelijfd. Vorst Fugger, die niets behield dan het recht van vonnissen in zaken van minder belang, beloofde den Paters, al het mogelijke te zullen doen, om hen tegen de regeering te beschermen. sDoch, zoo voegde hij er bij, ik zie weinig kans voor gt;gt;het welslagen mijner pogingen; ik kan u slechts één »raad geven: denkt aan uw toekomst, en tracht naar »een ander onderkomen uit te zien.quot;
Welk een slag voor P. Hofbauer! Van deze stichting koesterde hij de grootste verwachtingen. Een rijke oogst lachte hem reeds toe — en ziet, daar steekt een dreigend onweder op, dat alles zal vernielen!
En \'t was nog niet alles. Ook uit Warschau ontving Clemens de treurigste berichten: ook daar verkeerde het klooster in het grootste gevaar, en dringend smeekten hem zijne medebroeders, naar hen terug te keeren, om hen te troosten en bij te staan. Toen hij dan zag, dat Babenhausen geen arbeid meer voor hem zou opleveren, besloot hij, zich naar zijne medebroeders van Warschau te begeven. Hij kon zulks des te geruster doen, wijl hij zijne kloostergemeente aan de voortreffelijke leiding van P. Passerat had toevertrouwd.
Met tranen in de oogen nam, hij afscheid van zijne geliefde zonen, vermaande hen, in hunne roeping te volharden, wat er ook gebeuren mocht, en sprak dan: »Bidt, mijne dierbare broeders, en blijft bidden, dat de «Congregatie toch niet geheel vernietigd worde. De gt;: tijden zijnquot; slecht; wie weet, wat ons boven het hoofd «hangt. Wellicht zullen wij elkander nooit meer terugszien; — in elk geval, laat ons vertrouwen op de god-«delijke Voorzienigheid.quot; — Den iS\'1011 Augustus legde de Poolsche novice Schulski, zijne geloften in handen van P. Hofbauer af: deze-beval daarop al de zijnen in de liefde en de zorg van P. Passerat aan, en aanvaardde toen met den scholastiek Martinus Stark de reis over Beieren naar Weenen.
Op zekeren avond traden zij een herberg binnen, om er te overnachten. De beurs was ledig, en van \'s morgens hadden zij nog niets gegeten. In den loop van den dag bad de jonge Stark reeds over honger geklaagd, waarop Gods Dienaar hem had getroost met de belofte, dat zij toch nog iets te eten zouden krijgen. Toen men hun nu in de gelagkamer wat stroo aanbood om te slapen, doch met geen woord over eten repte, sprak Stark tot Clemens: »Maar, vader, wat hebt gij mij beloofd?quot; — j Wees gerust, mijn kind, het zal gebeuren.quot;— In diezelfde kamer zaten twee mannen bij het kaartspel. Er ontstond oneenigheid tusschen hen, waarbij zij weldra tot twisten en vloeken oversloegen. Elke godslastering was voor Clemens als een scherpe pijl, welke hem het hart doorboorde. Eindelijk stond hij van zijn strooleger op, en vermaande de spelers met de meeste zachtheid en liefde, den goeden God toch niet meer zoo te beleedigen. Het gezicht van den eerbiedwaardigen priester en zijne zachtzinnige woorden deed hen geheel tot bedaren komen; zij vloekten niet meer, en legden de kaarten aan den kant. Daarop lieten zij het avondeten opbrengen, en, als wilden zij den goeden, vriendelijken priester hunne dankbaarheid betuigen, noodigden zij hem en zijn metgezel uit, daaraan deel te nemen. — Pater Hofbauer wendde zich toen tot zijn jongen vriend, en sprak: ïZiet gij het xnu. Maarten, God verlaat zijne dienaren niet!quot; —
Nog bij andere gelegenheden bleek het ten duidelijkste, dat God hem de gave had medegedeeld, om de ongevoeligste harten te treffen. Op een zijner reizen zat hij in een wagen naast een jongen mensch, die zoo naar ziel als naar lichaam tot de diepste ellende verzonken wTas. De ongelukkige liet Gods Dienaar geen rust met zijn vloeken en spotten, en luisterde niet naar diens liefderijke vermaningen. Clemens meende nu, dat zwijgen het beste was, en verdroeg geduldig al die beschimpingen. Maar kort daarop, toen men bij een herberg
stilhield, en de jongeling van zwakte en uitputting niet kon afstijgen, nam P. Hofbauer hem in zijne armen, droeg hem naar binnen, en zette hem, na afloop van den maaltijd, op zijn vorige plaats in het rijtuig. Die heldhaftige liefde trof den ongelukkige zoo diep, dat hij voor al de aanwezigen P. Hofbauer om vergiffenis smeekte en uitriep; iO, hadde ik zulk een priester vroeger ge-ikend, nooit zou ik tot den ellendigen toestand, waarin ïik mij thans bevind, vervallen zijn.quot; —
Toen P. Hofbauer den 3den September te Weenen aankwam, trof hij daar zijn geliefden P. Hübl, die hem uit Warschau was tegemoetgereisd. Hij verbleef meerdere weken in de stad, om te zien, of er voor zijne vervolgde Congregatie wellicht in Oostenrijk een plaatsje te vinden ware. Doch na den ongelukkigen afloop van den oorlog, bevonden zich ook die landen in zulk een treurigen toestand, dat hij vooreerst alle hoop moest opgeven. In den loop van December keerden zij dus naar Warschau terug.
door preeken, biechthooren of zieken bezoeken: alleen mogen zij de H. Mis quot;lezen.quot;
Nog werd hun in dat decreet de zorg voor het hospitaal ontnomen, terwijl eindelijk gevorderd werd, dat binnen acht dagen een akte daarvan, door den Overste en twee andere leden der kloostergemeente onderteekend, zou worden opgestuurd naar Ulm, ten bewijze, dat het besluit den Paters was medegedeeld. Het stuk was onderteekend door Baron van Leyden.
Van de sallergenadigst verleendequot; bewilliging, om nog zes maanden te mogen blijven, konden de Redemptoristen geen gebruik maken. — Een missionaris den toegang tot den kansel, den biechtstoel en het lijdensbed der zieken verbieden, is zooveel als een visch het water, of een vogel de vrije lucht ontnemen: een langer verblijf te Babenhausen was den Paters onmogelijk, en hartelijk bedankten zij de Goddelijke Voorzienigheid, dat, toen de nood ten toppunt geklommen was, zij hun een toevluchtsoord te Chur had geopend. — Reeds den s1\'0quot; Januari (1807) begaven zich verschillende studenten, onder leiding van P. Frans Hofbauer, op weg; twee dagen later volgde P. Passera t met Aloisius Czech, dien hij vóór de afreize het ordekleed gegeven had.
Zij, die hun vertrek nog quot;een weinig hadden verschoven, waren nu aan allerlei plagerijen blootgesteld. Den 2 2stC11 Jan. verscheen eensklaps Baron van Leyden aan de kloosterdeur, om een streng onderzoek in te stellen. Daar waren zware beschuldigingen tegen de Redemptoristen ingebracht. De jongelieden werden door hen aangezet, zich niet te onderwerpen aan de wet der krijgsopschrijving; zelfs was er openlijk tegen die wet gepredikt. Daarenboven zouden ze de geneeskunst uitoefenen en eene apotheek in huis hebben. Eindelijk was der regeering ter oore gekomen, dat de Paters, tegen het uitdrukkelijk verbod, biechtstoelen in hun klooster hadden opgeslagen, en zelfs des nachts de biechten hadden gehoord.
Het geheele huis werd nu doorsruiflfeld, iedere Pater werd afzonderlijk in verhoor genomen, de geschreven preeken van P. Jozef Hofbauer, die de plaats des oversten innam, aandachtig nagelezen. De uitslag van liet onderzoek was, dat al de aanklachten ongegrond werden bevonden, en Baron yan Leyden er rond voor uitkwam, dat men de Paters had belasterd. Hij kon echter niet gedoogen, dat de Redemptoristen nog langer in communiteit, bij elkander, bleven wonen.
Om voor goed een einde te maken aan die lage behandeling, raadde vorst Fugger den Paters aan, zoo spoedig mogelijk te vertrekken. Zij verdeelden zich daarom in kleine groepen, die, de eene na de andere, het land verlieten; de laatste afdeeling vertrok den iilt;ien jre. bruari. — En zij konden zich met hun vertrek gelukwen-schen; want twee dagen later kwam er een schrijven der regeering, waarbij het verboden werd, den Paters paspoorten te geven: men zou hen met geweld over de grenzen brengen. —
Het volk van Babenhausen was ontroostbaar over het verlies zijner geliefde zielzorgers; met heete tranen werden de Paters beweend; overal hoorde men luide klachten over het onwaardige gedrag der regeering. Die goede lieden gaven hun nog geld en levensmiddelen op hunne reis mede, en brachten hun huisraad op vier wagens tot Bregenz; daar werd alles aan de Paters Capucijnen ter bewaring geven, tot men het uit Chur zou komen afhalen, wat kort daarop geschiedde.
Vier jaren was de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers in DuitscMand werkzaam geweest. Twee en een half jaar had P. Hofbauer aldaar met de zijnen gearbeid, en hij vooral had het grootste deel in dien rijken zielenoogst, hem vooral was de bijzondere zegen van God over die apostolische werkzaamheden te danken. — Al mocht hij thans den troost niet smaken, zijne geliefde Con-
8
— 13° —
gregatie voor goed in Duitschland gevestigd te zien, daar was toch een gewichtige stap gezet. De Paters waren thans gekend, geacht en bemind door het volk; bij duizenden was de godsdienstzin, liet Katholieke geloof verlevendigd; eene menigte zondaars waren met God verzoend en aan de hel ontrukt: eindelijk, eene schaar van mannen was gevormd, die eenmaal aan de uitbreiding der Congregatie konden voortwerken.
Volgen wij thans de Paters naar Zwitserland.
VEEETIENDE HOOFDSTUK.
Het Verblijf te Cfiur. — Nieuwe Onaangenaamheden. — Tocht naar Wallis.
Als antwoord op het verzoek, door P. Passerat aan P. Kofbauer gericht, schreef deze, onder datum van den i2dcquot; December 1806, uit Warschau den volgenden brief aan den Kanselier van Chur:
»Uw Eerwaarde heeft de groote goedheid gehad, aan Pater Passerat, Rector onzer Congregatie, toen hij een onderkomen zocht voor onze medebroeders uit Ba-benhausen, te beloven, zoodra zich de gelegenheid tot eene vestiging der Congregatie in die streken zou aanbieden, dezelve voor ons te zullen benutten.
»Uit uwen brief van 5 Nov., welken de reeds genoemde P. Passerat mij per copiaui heeft opgezonden, zie ik met een onuitsprekelijk genoegen, dat gij het klooster van St. Lucius, als vrije woning, voor een half jaar of voor langeren tijd, aan de Congregatie aanbiedt.
»Dat is mij een aanleiding, om een mijner voornaamste plichten na te komen, en Uw Eerwaarde voor het zoo treffend bewijs zijner waarlijk christelijke liefde mijn warmsten dank te betuigen. Uw Eerwaarde heeft mij daardoor eene zware, drukkende last van ongerustheid en zorg van het hart genomen. Moge de goede Jezus, dien ik onophoudelijk daarvoor bid, uw eeuwig loon en uw belooner daarvoor zijn. Ik hoop, dat door Gods genade,
— i32 — ___
ons Instituut aan zijne Hoogwaardigheid, den Bisschop van Chur, slechts genoegen zal verschaffen; daarom is het mijn vurigste wensch, niet slechts voor een jaar, maar voor immer de diensten en werkzaamheden onzer Congregatie voor het welzijn der diocees, tot meerdere eer van God, tot bloei der H. Kerk, en tot het heil der zielen te doen strekken.
s Wanneer de diocese een seminarie mocht noodig hebben tot opvoeding eri vorming van zielzorgers, is het Instituut op den eersten wenk des Bisschops bereid, de zorg daarvoor in St. Lucius op zich te nemen, en de jonge lieden met den waren geest der Kerk te bezielen en hun het noodige onderricht te verschaffen.
i Wat het onderhoud der leden van ons Instituut aangaat, daarmede zullen wij niemand lastig vallen, wijl onze Congregatie uit kracht harer regelen aan elke inzameling moet verzaken. Wat daarentegen het onderhoud der seminaristen betreft, zulks laten wij over aan de voorzichtigheid van den Bisschop.
3Dit kan ik Uw Eerwaarde verzekeren, dat het Instituut alom doet blijken, dat het er op bedacht is, niemand tot last te verstrekken, maar overal nut te stichten en alles met een zuiver oogmerk te ondernemen. Het huis van Warschau heeft in de 20 jaar, dat het bestaat, zonder iemand tot last te zijn, een weeshuis van omstreeks 40 weesjongens, een openbare jongensschool van 5 klassen, een inrichting tot opvoeding van arme weesmeisjes en een openbare meisjesschool, waarin kosteloos onderricht verstrekt wordt, opgericht en onderhouden. Dat alles is als onmerkbaar ontstaan, en heeft zich langzamerhand ontwikkeld: wij hebben het slechts te danken aan Gods Vaderlijke Voorzienigheid, die haar hulp nooit laat ontbreken aan den man van goeden wil en aan hem, die ijverig medewerkt. Slechts in het geval van uitersten nood veroorlooft ons het Instituut, den een of anderen weldoener en vriend onzen toestand bloot te leggen;
■1
......... _ I33 — _ __
maar nooit mag liet inzamelen van giften eene gewoonte worden.
sik geef aan den Rector, P. Jozef Passerat, alle noodige volmachten tot het in bezit nemen van het klooster van St. Lucius en tot het aangaan van alle onderhandelingen, die daarvoor bij- de geestelijke Overheid moeten geschieden. Ook geef ik hem het recht, een seminarie op te richten, als Zijne Doorluchtige Hoogwaardigheid zulks mocht verlangen. Alles, wat hij verhandeld en besloten, aangegaan en bepaald zal hebben, beschouw ik, als hadde ik zelf het gedaan; want in deze tijdsomstandigheden kan ik onmogelijk in persoon bij u wezen, terwijl ik overigens mijn volle vertrouwen in zijne bekwaamheid en geschiktheid daarvoor stel.
sTen slotte beveel ik Uw Eerwaarde deze zaak dringend aan,- hopende, dezelve, wanneer het Gods Wil is, waaraan ik volstrekt niet twijfel, met uwe medewerking, ter eere Gods, en tot welzijn der 11. Kerk, tot stand te brengen. Moge de H. Carolus, die uwe diocese door zijn arbeid heeft geheiligd, uwe bemoeiingen in het volbrengen van dit goede werk ondersteunen.
Met eerbiedige hoogachting van Uw Eerwaarde
de onderdanige en dankbare dienaar Joan. Clemens Maria Hofbauer,
Congregationis SS. Rcdemptoris Vicarivs Generalis.quot;
Welk een dankbaar hart, welke teedere liefde voor zijne medebroeders, welk een belangelooze ijver voor Gods eer en het heil der zielen, maar vooral, welk een groot en onwrikbaar vertrouwen toont ons Gods Dienaar in die regelen! Als hadde hij over duizenden te beschikken, wil hij zich belasten met de zorg voor de kerk, voor zijne kloostergemeente en voor andere heilzame instellingen, — en dat alles, terwijl hem alle menschelijke middelen ontbreken. Van de christelijke naastenliefde en veel
J
om hem die zaak dringend aan te bevelen; ook de katholieke leden stelden gezamenlijk een verzoekschrift op, waarin zij de toelating der Redemptoristen rechtvaardigden. Doch, in weerwil van de goede gezindheid des burgemeesters, in weerwil ook van het ingediende request, besloot de vergadering tot het wegzenden der Redemptoristen, terwijl de Protestantsche leden nu ook op hunne beurt een stuk opstelden, hetwelk zij voor den hoogen raad bestemden, en waarin zij de bewijzen hunner Katholieke collega\'s trachtten te weerleggen. De Bisschop, zoo zeiden zij, kan wel afzonderlijke geestelijken oproepen, maar niet eene corporatie, een geheel genootschap als zoodanig; door de vestiging der Redemptoristen kan daarenboven zoo licht oneenigheid met de Beiersche regeering ontstaan; eindelijk zijn de Paters verdachte personen, wijl zij uit Pruisisch-Polen komen, waar de Jezuiëten nog geduld worden.
Nog dienzelfden dag, 12 Maart, richtten de Katholieke leden het verzoek tot den cantonnalen raad, dat men met de uitvoering van het besluit zou wachten, tot de groote raad zijne vergadering hield. Op deze bede werd echter geen acht geslagen: reeds den i4llenMaart werd de beslissing den Paters medegedeeld, waarbij hun bevolen werd, binnen acht dagen het canton te verlaten; gaven zij daaraan geen gehoor, zoo zou eene gewelddadige oplichting volgen.
1 )at was echter te veel voor de Katholieke bevolking van het canton; vooral in het naburige Ems, waar de Paters reeds méerdere werkzaamheden hadden verricht, sloeg de ontevredenheid tot eene oproerige stemming over. Men bood in die gemeente den Redemptoristen eene woning aan, waar zij gerust en veilig konden wonen, en men verzekerde hun, men zou geweld met geweld weten te keeren. Ofschoon nu èn de Vicaris Generaal èn de Paters het volk van een gewapend verzet wisten af te houden, was het toch aan die opgewonden stemming toe te schrijven, dat het besluit niet ten uitvoer werd gelegd. Den
i9dcnMaart ontving P. Passerat van den burgemeester bericht, dat de kloosterlingen tot na Paschen blijven mochten, en twee dagen later deelde hem de Vicaris Generaal mede, dat men hen in het canton ■ zou blijven dulden, indien zij hunne kloostergemeente wilden ontbinden, en in verschillende richtingen uiteengaan.
Den 26stenMaart ontving de cantonnale raad het antwoord der Beiersche regeering omtrent de beweegredenen der verdrijving. Daarin werd gezegd: »De Paters jwaren uit het land verbannen,wijl men het nut dier Congre-jgatie volstrekt niet inzag, terwijl hare leden daarenboven -gt; omtrent den aard van het kloosterleven grondstellingen gt;:huldigden, geheel in strijd met die der regeering. Hunne j wijze van preeken strookte niet met den milden geest J van het Evangelie. Eindelijk werden zij verdacht, schuld ste zijn van het oproer bij gelegenheid der voorgeschrevene »krijgslichting, daar dezelve had plaats gehad in de stresken, waar zij werkzaam waren geweest.quot; -r- Tegen al deze bezwaren kon P. Passerat wijzen op de schitterende getuigschriften, welke hij, bij zijn vertrek uit Paben-hausen, had ontvangen van den Vicaris Generaal van Augsburg, van den abt van Roggenburg, van de vele gemeenten, waar de Paters hadden gearbeid; hij kon het getuigenis overleggen van Vorst Fugger, die hen tegen alle lasterlijke aantijgingen verdedigde; -— niets mocht baten; naar bewijzen werd niet meer geluisterd.
Den eersten Paaschdag, 29 Maart 1807, liepen de kloosterlingen groot gevaar, met geweld uit St. Lucius te worden verdreven. Mochten zij ook aan dat dreigend gevaar ontsnappen, twee dagen later kwam het bevel, de kloostergemeente onmiddellijk te ontbinden; alleen de ziekenen het huisraad mochten daar blijven. De Paters werden nu door den Bisschop als kapelaans in verschillende parochiën geplaatst, totdat de hooge raad van Graubunderland, welke den eersten Mei moest vergaderen, een eindbeslissing zou geven.
- 138
In die vergadering wisten de Katholieken alle opwerpingen te beantwoorden; wijl zij echter vreesden, dat de hooge raad niet ten gunste der Paters zou stemmen, deden zij hun best, om geheel de zaak te doen opdragen aan de beslissing van den grooten bondsraad. Zooals te voorzien was, luidde het antwoord van den hoogen raad: s Den Redemptoristen wordt niet geoorloofd, langer in deze streken te verblijven.quot; — Ook Beieren was weder door zijn gezant opgetreden; kortom, de eenige en laatste toevlucht was, nog een beroep te doen op den grooten, Zwitserschen bondsraad, welke dat jaar den isten Juni te Ziirich zijne vergaderingen zou openen. Zoodoende konden de Paters nog eenigen tijd te Chur blijven.
Intusschen had P. Passerat reeds ijverig uitgezien naar een ander verblijf voor de zijnen. Daartoe had de Vicaris Generaal hem een getuigschrift ter hand gesteld, waarin vermeld werd, dat de Redemptoristen zich te Chur onderscheiden hadden door een zeer stichtenden levenswandel, een buitengewonen zielenijver en een groote bereidwilligheid, om allen op belangelooze wijze van dienst te zijn. Van deze aanbevelingsbrieven voorzien, vertrok P. Passerat tegen het einde der Meimaand naar Walliserland, in gezelschap van P. Casimir Langanki, die eerst kort geleden van Tryberg was gekomen, \'t Was een gevaarlijke en moeielijke reis over hooge en steile bergen. Hunne moeite werd echter ruimschoots beloond.
ïe Vissach, een dorpje in het canton Wallis, werden zij niet slechts allervriendelijkst ontvangen door den pastoor, doch de burgerlijke overheid beloofde hun aanstonds, de Paters met het grootste genoegen te zullen opnemen, en een huis voor hen in gereedheid te zullen brengen. — Vol blijdschap keerde P. Passerat onmiddellijk naar Chur terug, om zijne kinderen den gelukkigen uitslag zijner reis mede te deelen. Eenigen tijd daarna berichtte hem P. Langanki, die in Vissach was gebleven, dat de brave dorpelingen al hun best deden,
/
om de woning der missionarissen zoo goed mogelijk in orde te brengen.
Was het voor P. Hofbauer een zoete troost ge weest, zijne schriftelijke toestemming voor de stichting van Chur te kunnen geven, des te smartelijker was het voor hem, uit de brieven der zijnen te moeten vernemen, dat ook daar de vervolging was uitgebroken. In het bisschoppelijk archief van Chur worden nog heden drie brieven van zijne hand bewaard, welke hij aan den Vicaris-Generaal gericht had. Daarin stort hij zijne bedroefde ziel uit in teedere klachten over de beproevingen, welke Gods dienaren in die dagen moesten lijden. Van ganscher harte bedankt hij den Vicaris voor de liefderijke hulp, die zijne Paters voortdurend van hem mochten ondervinden, en smeekt Gods besten zegen over hem af. Aan het einde van een dier brieven lezen wij ; »Mochten mijne medebroeders op dit oogenblik reeds ^verstoken zijn van het voorrecht, onder uwe bescher-sming te leven, zoo verzoek ik u, hun dit ingesloten sschrijven te doen geworden.quot; — De brieven, welke P. Hofbauer toen aan zijn medebroeders schreef, zijn echter niet bewaard gebleven.
Den 5den Augustus kwam uit Warschau het treurige bericht, dat, binnen den tijd van tien dagen, drie Paters aldaar gestorven waren; P. Hausner, Vannelet en Thaddeüs Hübl. Om hen, eenigszins ten minste, te vervangen, werd P. Langanki naar Warschau geroepen, waarheen hij, in het begin van September, met Br. Nor-bertus Spitznagel, vertrok.
Het beroep op den grooten Zwitserschen bondsraad mocht den Katholieken van Chur niet baten. De gezanten van Beieren en Frankrijk deden hun invloed gelden: nu de Redemptoristen over verscheidene plaatsen verdeeld waren, zouden zij nog veel meer kunnen werken; hoogstens zou men kunnen toestaan, dat zij te Chur gezamen-
lijk bleven wonen, onder verbod van eenige werkzaamheid naar huiten.
Het eindbesluit was, dat de bondsraad de zaak geheel van zich afschoof, wijl het een cantonnale aangelegenheid was. Toen dat besluit was medegedeeld, drong het bestuur van Graubunderland weder bij den Vicaris aan, dat de kloosterlingen zouden verwijderd worden. Thans werd als hoofdreden opgegeven, dat P. Passerat met zijnen Overste in Warschau een briefwisseling onderhield, waardoor tegen de Beiersche regeering werd samengespannen. \'t Spreekt van zelf, dat P. Passerat met een gerust geweten het bestaan dier samenzwering kon ontkennen, waarom de Vicaris van de regeering vorderde, dat er minstens een behoorlijk onderzoek werd ingesteld, terwijl hij in ieder geval om uitstel voor het vertrek bad, daar de winter zich reeds in al zijne gestrengheid deed gevoelen. Maar de burgerlijke overheid stoorde zich niet aan die zoo redelijke vraag; zij bleef onverbiddelijk, eu zou de kloosterlingen met geweld hebben verdreven, zoo dezen haar niet reeds voorkomen waren door een haastige afreis.
Den 8sten Juli waren P. Frans Hofbauer en P. Sabelli reeds naar Vissach vertrokken; al de overigen hadden tegen het einde van November St.Lucius verlaten .Te Lucern hielden de studenten eenigen tijd stil, wijl P. Passerat sommigen hunner door den Nuntius liet wijden; daarop ondernamen zij hun reis naar het canton Wallis.
Deze tocht is, meer dan alle andere, beroemd geworden in de geschiedenis der Congregatie. Eenerzijds toch was deze verreweg de moeielijkste en gevaarlijkste van al hunne reizen, doch anderzijds mochten zij ook de zichtbare bescherming van God ondervinden.—Om Wallis te bereiken, moesten zij den Grimsel overtrekken, een berg van omstreeks 3.000 meter boven de oppervlakte der zee. Hunne medebroeders hadden den overtocht reeds gelukkig volbracht; doch door het oponthoud te Lucern moest P. Passerat met zijne elf gezellen, meest allen nog jonge
studenten, de stoute beklimming wagen in het midden van December, zoodat de toch reeds zoo gevaarlijke slingerpaden bijna onbegaanbaar waren. Veel moed, veel vertrouwen op God werd er gevorderd, om zoo iets te ondernemen.
In het begin ging alles tamelijk voorspoedig; doch weldra viel er een dichte sneeuw, waardoor men niet dan uiterst moeielijk en langzaam kon vorderen. Doodmoede kwamen zij des avonds aan een eenzame herberg, waar zij overnachtten. Den volgenden morgen zagen zij tot hun schrik, dat de toestand er waarlijk niet op verbeterd was. Een vreeselijke sneeuwstorm was des nachts komen opzetten; nergens was meer een voetpad te zien; zoo hoog lag de sneeuw opgehoopt, dat de stangen, die de richting van den weg moesten aangeven, bijna geheel waren verdwenen. — Goede raad was duur; in de herberg blijven, was geheel onmogelijk: men had wel tot het einde van den winter kunnen wachten. Terugkeéren naar Chur? — Maar zou de terugtocht dan minder gevaarlijk zijn ? — Kortom, men wist van den nood een deugd te maken: door twee gidsen voorafgegaan, zou men trachten. Wallis te bereiken. Maar ziet! nauwelijks hebben zij met veel moeite een eind weegs afgelegd, of daar wordt de sneeuw door een hevigen wervelwind van alle kanten opgejaagd; geen hand voor oogen kan men meer zien, de onverschrokken reizigers zinken ieder oogenblik weg in de diepe sneeuw. Eindelijk wisten de gidsen zeiven geen raad meer: »Wij gaan geen schrede verder, roepen zij, het is onmo-»gelijk, bij zulk een weder den weg te vinden.quot; — P. Passerat werpt een smeekenden blik ten Hemel; zou God de zijnen nu verlaten ? — Eensklaps roept hij uit; »Op de knieën, mijne kinderen; het gebed alleen kan »ons nog redden !quot; — En midden in de sneeuw vallen zij op de knieën, en bidden met uitgerekte armen vijf maal het Onze Vader en het Wees Gegroet. De twee Protestantsche gidsen staarden hen vol verbazing aan.
»Vooruit, riepen zij nu, na zulk een gebed hebben wij »niets meer te vreezen!quot; En een hunner gaat voorop, werkt zich door de sneeuw, al kwam zij them ook tot den gordel, en ontdekt eindelijk het voetpad, dat naar Obergestellen, het eerste plaatsje van Wallis, leidde.
Daar aangekomen, zagen zij op nieuw, hoe God voor zijne dienaren weet te zorgen. In de herberg, waar zij, geheel uitgeput en verkleumd van koude, binnentraden, werd juist een bruiloft gevierd. Die brave, goedhartige menschen waren zeer vereerd, dat zooveel geestelijken hen kwamen bezoeken; zij ontvingen hen allervriendelijkst en onthaalden hen, zoo goed zij konden.
Nu was het grootste lijden doorstaan. Met moed werd de reis hervat, en den 3osten- December 1807 kwamen zij eindelijk te Vissach aan.
De verdere lotgevallen der Congregatie in Zwitserland zullen wij later bespreken; keeren wij thans tot P. Hofbauer terug.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
P. Hofbauer als Kloosterling en Overste, ——
Tot nu toe zagen wij P. Hofbauer ijverig en onvermoeibaar bezig in den wijngaard des Heeren. Wonderbare bekeeringen bracht hij tot stand; het geloof wist hij te verlevendigen, aan den godsdienst een nieuwen luister bij te zetten, in St. Benno een voortdurende missie te doen geven. Daarna zagen wij hem naar andere landen heentrekken, om ook deze aan de vruchten van zijn ijver deelachtig te maken. Maar, zoo vraagt men zich natuurlijk af, aan welke bron putte hij de kracht, om dat alles te kunnen verrichten; wie leerde hem het geheim, dienzelfden geest over te storten in zijne leerlingen, die aan zijne zijde werkten?
Treden wij voor een oogenblik zijne nederige cel te Warschau binnen; laat ons Gods Dienaar bespieden, terwijl hij daar binnen de stille kloostermuren van St. Benno verblijft, en wij zullen die vraag spoedig opgelost zien.
Zoodra wij het kamertje binnentreden, valt ons oog op een zeer eigenaardig kenteeken, hetwelk ons reeds veel zegt. Daar is een venstertje aanbracht, dat uitziet op de kerk, juist op het altaar, waar het H. Sacrament rust. Hier houdt zich P. Hofbauer zoo gaarne op met P. Hübl, zijn vriend en raadsman; hier bereidt hij zich voor, wanneer hij tot het volk moet gaan spreken; hier zoekt hij licht, troost en moed; hier onder-
houdt hij zich met zijnen Jezus. Is het dan wonder, dat een bovenmenschelijke gloed hem bezielt, wanneer hij spreekt over het H. Sacrament; is het wonder, dat zijne leerlingen hem dikwijls als een Serafijn ontvlamd zagen van heilige vreeze, godsvrucht en liefde; dat zij hem, na de H. Communie, tranen van liefde zagen storten? — Die voortdurende omgang met Jezus had hem zoo diep doen doordringen inde kennis van het geheim der Verlossing en der oneindige liefde van zijn Zaligmaker.
Doch werpen wij thans een vluchtigen blik om ons heen. Alles is hier eenvoudig, zonder eenig sieraad; over alles ligt de zachte, vriendelijke glans der religieuze armoede. De armoede beminde hij gelijk de gierigaard zijn geld bemint: die armoede beschouwde hij als den grondslag van het inwendige leven, als den schutsmuur der religieuze volmaaktheid.
Toen hij daarom in het begin zijner vestiging te AVarschau, en later in zijne eerste huizen van Duitschland, de pijnlijkste gevolgen der armoede ondervond, bleef hij vroolijk en opgeruimd, en was overtuigd, dat hij daarin den waren rijkdom genoot.
Later deed zich te Warschau die behoeftigheid wel niet zoo drukkend meer gevoelen, doch alles behield er het kenmerk van eenvoud en strenge armoede. Geen zweem van weelde, niets dat overvloed verraadde, zoudt gij daar bespeuren. — Hij was een toonbeeld in het beoefenen dier regels, welke op de armoede betrekking hebben. Een godvruchtig persoon bemerkte eens, dat P. Hofbauer lijdende was aan de keel. Zij bood hem daarom een zijden das aan, met het verzoek, shij zou zich wat beter in acht nemen.quot; Zij kon er echter niet in slagen, hem die das te doen aannemen. Toen zij daarop vernam, dat de Regels der Congregatie het gebruik van zijde aan de leden verbiedt, bood zij hern een wollen aan.\' Thans maakte Gods Dienaar geene moeie-lijkheden, en was haar zeer dankbaar.
Doch, was hij zelf zoo stipt in het onderhouden der heilige armoede, hij wachtte zich ook wel, door een laffe toegefelijkheid te dulden, dat zijne onderhoorigen ook maar in het minste daartegen misdeden. Een der zijnen had eens, of wel zonder erg, of, wijl hij daar geen grove fout in zag, een zijden koordje aan zijn mantel laten naaien. Dat vergrijp tegen den regel deed hem een strenge berisping van Clemens beloopen: het koordje moest oogenbük-kelijk worden verwijderd.
Zoozeer beminde hij de onthechting van aardsche goederen, dat hij niet eens gaarne hoorde, dat zijne medebroeders met een zeker welgevallen spraken over de rijkdommen en de schatten der wereld, üp zekeren dag verhaalde een Pater, dat men hem een kleinood had laten zien, zoo kostbaar, dat men het een schat zou kunnen noemen. Doch Clemens antwoordde, op eenigszins verwijtenden toon; sMaar ik had dezen morgen een veel groo-»teren schat in mijne handen; Jezus in zijn H. Sacra-»ment; en gij gaat er groot op, dat gij stof en asch hebt » mogen aanraken ?\'\'
Voor het bewaren van den geest van armoede in de Congregatie was hij vuur en vlam. Een duidelijk bewijs leverde hij daarvan, toen hij vernam, dat een generaal Kapittel, in 1802, in een gewichtig punt den regel had verzacht. Aanstonds schreef hij den Rector Major: »Met ontzetting hebben wij gelezen, dat het den »onderhoorigen geoorloofd zou wezen, hun geld bij den j Rector des huizes te deponeeren.(i) Die maatregel, welke »tot nu toe, ten minste in den Kerkelijken Staat en «buiten Italië, aan onze Congregatie geheel vreemd was, »is voor de gelofte van armoede uiterst schadelijk, en «heeft ons met diepe droefheid vervuld. Dat is een doode-«lijke wonde, welke mettertijd den algeheelen ondergang
1) Men noemt dit in het Kerkelijk Recht, een peculium Van ■ dat geld kan dan de onderhoorige, met verlof van den Overste, voor zijn persoonlijk gebruik, uitgaven doen.
10
— 146 —
ïder Congregatie zal veroorzaken; want daardoor wordt »de deur geopend voor tallooze misbruiken en wanorde-ilijkheden.quot;
Tot zijnen niet geringen troost werd deze bepaling door den H. Stoel niet goedgekeurd, en daardoor het gevaar afgewend van verslapping der armoede, gelijk de H. Alphonsus dezelve had ingevoerd.
Niet minder liefde had P. Hofbauer voor de maagdelijke zuiverheid .Deze noemde hij, naar het getuigenis van P. Rinn van de Societeit van Jezus, het kostbaarste juweel van den priester en den kloosterling. — Geheel zijn uiterlijk, al zijne bewegingen, zijne gebaren, zijne woorden, alles getuigde van eene engelachtige zuiverheid. sOv\'er geheel zijn persoon, zoo zeide een ooggetuige, lag seen glans van hemelsche reinheid; men behoefde hem »slechts te zien, om zelf naar de zuiverheid te verlangen.quot;
Gewoonlijk, en vooral wanneer hij in het openbaar verscheen, hield hij zijne oogen neergeslagen en bijna gesloten, zoodat ook op hem toepasselijk is, wat van verschillende andere heiligen verhaald wordt: zelfs zijne beste vrienden zouden ons niet kunnen zeggen, welke kleur zijn oogen hadden. Zulke voorzorgen nam hij, om dien schat te bewaren, welken wij in brooze vaten ronddragen.
Nooit echter was hij meer op zijne hoede, dan wanneer hij moest omgaan met personen van het andere geslacht. Wel zou hij nooit onvriendelijk of stuursch wezen, doch alles geschiedde met ernst en werd, zoover de voorzichtigheid het toeliet, spoedig afgehandeld. Niet aan de gelaatstrekken, maar aan de stem onderscheidde hij allen, die hij onder haar kende.
Diep overtuigd, dat de zuiverheid veel meer eene gave des Hemels, dan een vrucht is van eigen toeleg, verzuimde hij niet, dikwijls daarvoor te bidden, terwijl hij zijn gebed kracht bijzette door vasten en kastijdingen en het verdragen van alle ongemak en lijden.
Hoe bezorgd was hij niet, de liefde tot de\'lt;e heilige
deugd ook levendig te houden in het hart zijner geestelijke zonen! Onophoudelijk was de lof der reinheid op zijn lippen. Vooral de jongeren spoorde hij aan tot groote waakzaamheid. Wanneer hij hun sprak over den omgang met yrouwen, zeidehij dikwijls: »Gij moet alle godvruchtige ïvrouwen den Heer aanbevelenquot;; als wilde hij zeggen: sin uw gebed behoeft gij ze niet te vergeten; anders wel.quot; Somtijds hoorde men hem ook zeggen: sVrouwen zijn gt;altijd vrouwen; zoolang zij niet gelijk eene heilige Teresia, sals van natuur veranderd zijn, blijven zij altijd gevaarlijk.quot;
Maar was P. Hofbauer zoo ijverig in het onderhouden zijner geloften van armoede en zuiverheid, op de gehoorzaamheid legde hij zich, zoo mogelijk, met nog meer naarstigheid toe. De heiligen hebben de gehoorzaamheid altijd beschouwd als de voornaamste oefening van het geestelijk leven, als de levensvoorwaarde van een kloosterling, als het oflfer bij uitnemendheid, dat waarde geeft aan alle andere offers, zonder hetwelk geen ofter Gode behagelijk is. Zoo dacht ook P. Hofbauer over deze deugd.
In zijne naaste omgeving had hij, wel is waar, niemand, wien hij in het dagelijksch leven kon gehoorzamen, wijl hij zelf overste was.- Daarom trachtte hij degehoor-zaaniheid op de eerste plaats te beoefenen jegens den Rector-Major. Zijne brieven aan den Generalèn Overste ademen altijd een diepen eerbied; zij doen hem kennen als een waarlijk nederigen en onderworpen zoon. Nooit ondernam hij eene zaak van eenig belang, dan na eerst den raad des oversten te hebben ingewonnen.
De eigenlijke toetssteen van de gehoorzaamheid eens kloosterling.-; is echter de stipte onderhouding zijner regelen. Ook daarin heeft P. Hofbauers deugd de proef glansrijk doorstaan. Wij zullen hier het woord laten aan een zijner medebroeders, die het geluk had, zoo te Warschau als in Zwitserland met den heiligen man onder één dak te wonen. »Zijnen regel, zoo zegt deze, gehoorzaamde hij met nede-
irigheid en nauwgezetheid; de onderwerping aan dien sregel beschouwde hij als zijn heiligsten plicht. Met volle jgerustheidkonhij ons toeroepen; sik geef u een voorbeeld, »sopdat ook gij zoudet doen, wat gij in mij ziet.quot; »Wij s konden zeker wezen, dat hij ons allen vóór was, wanneer »de gemeenschappelijke oefeningen moesten beginnen; j vooral voor de morgenoverweging was hij altijd het eerste s op de bidplaats. Nooit ontsloeg hij zich zeiven van een »enkel punt der regelen, waarvan hij den minste zijner gt;gt; medebroeders niet zou ontslaan.quot;
Herhaaldelijk kwam hij in zijne onderrichtingen op het punt der gehoorzaamheid terug. Moest hij als overste op alle fouten zijner onderhoorigen letten, hij verdubbelde nog zijne waakzaamheid en strengheid, waar het fouten tegen deze hoofddeugd gold. Op zekeren dag kwam een der Paters een weinig te laat uit de kerk, en bracht daarvoor ter verontschuldiging bij, dat hij nog iemand biecht gehoord had. Doch P. Hofbauer sprak op ernsti-gen toon: »Wat gij aldus verricht hebt, hebt gij voor den sboozen vijand verricht.quot;
Hoewel wij thans slechts een vluchtigen blik werpen op het zieleleven van Gods Dienaar, moeten we toch met een enkel woord gewagen van zijn geest van verster- ^ ving. Sebastiaan Wittmann schetst ons P. Hofbauer in zijne ^Kerkelijke Geschiedenis,quot; als »een boeteling en ï boetprediker, een anderen Joannes den Dooper, die door »woord en voorbeeld de boetvaardigheid predikte.quot; Er is geen verschil te bespeuren tusschen den overste van Warschau en den kluizenaar van Tivoli.
Reeds vroeg in den morgen stond hij op, om zijn vermoeiend dagwerk te beginnen. Vóór den middag gebruikte hij nooit eenig voedsel; eerst in de laatste jaren zijn:-, levens kon men er hem toe bewegen, tegen tien uur, nadat hij uren lang in den biechtstoel en bij andere oefeningen in de kerk geweest was, een weinig vleeschnat te gebruiken. Koffie heeft hij nooit geproefd. Zoolang hij in
AVarschau verbleef, dronk hij nooit wijn; eerst tegen liet einde zijns levens nam hij nu en dan een enkelen teug, wanneer hij geheel afgemat van het bezoeken zijner zieken huiswaarts keerde. Dan bedankte hij God, nlie »door dat kostbare geschenk de zwakke krachten des souderdoms wil sterken.quot;
Allen stonden verbaasd en noemden het onbegrijpelijk, hoe hij bij een zoo karig voedsel, dat hij dikwijls in der haast, als in het voorbijgaan, nam, de zware taak, die op hem rustte, kon volvoeren.
Doch hij deed zijne versterving niet slechts bestaan in die onthouding en dat vasten; ook in de keuze der spijzen wist hij zich te bedwingen. Wanneer hij soms eene uitnoodiging had aangenomen en bij vreemden aan tafel verscheen, liet hij de fijnere gerechten altijd voorbijgaan; drong men er dan op aan, dat hij ze toch eens zou proeven, dan antwoordde hij eenvoudig; »Dat is te goed ïvoor mij.quot;
Ook had hij zijn geeselkoorder. en zijn boetgordels, waarvan hij geen spaarzaam gebruik maakte. Hij trachtte zijn lichaam tegen allerlei ongemak te verharden, en deed weinig of niets tegen hitte, koude, wind en regen. »Zie, zoo sprak hij eens tot een zijner leerlingen, seen missionaris moet verstorven zijn, om alles te kunnen overdragen. Toen ik veertig jaar oud was, had ik nog snooit wijn gedronken.quot;
Wij haasten ons echter, hier bij te voegen, dat hij zijne eigene verstervingen volstrekt niet aan allen wilde opdringen, sWanneer men iemand goed wil be-ïsturen, zeide hij dikwijls, dan moet men op al zijne «neigingen letten, vooral, waar sprake is van uitwendige 3 versterving.quot;
Terwijl hij echter de uitwendige versterving zoo ijverig beoefende, en anderen aanbeval, prees hij de verloochening van zich zeiven, de algeheele bestrijding der driften, in één woord, de inwendige versterving.
zonder welke de uitwendige geen waarde heeft, uit alle krachten aan. sLichamelijke boetplegingenquot; — \'t zijn zijne eigene woorden — »zijn niet zoo moeielijk en ook sniet volstrekt noodzakelijk; de versterving van den eigen »wil en van den ons aangeboren hoogmoed is veel moeie-jslijker en tevens allernoodzakelijkst om christelijke deug-sden aan te werven.quot; Daarin wilde hij, dat zijne onderhoorigen zich altijd zouden oefenen; daarin oefende hij ook zich zeiven.
Had dan een man als P. Hofbauer nog driften te bestrijden ? —■ Maar wie heeft die niet ? — Zelfs in zijne heiligen laat God nog dikwijls het een of ander blijven, dat hun herinnert aan den ouden mensch, dat hun gelegenheid geeft tot strijd en boete, gelegenheid tevens, om altijd nederig te zijn in hun eigen oogen.
Reeds groote vorderingen had P. Hofbauer gemaakt op den weg der volmaaktheid; maar ook hij had nog altijd te strijden. Hij had een levendig en prikkelbaar karakter; wilde hij altijd meester blijven over zijne opvliegende natuur, dan werd er eene voortdurende waakzaamheid gevorderd. »Meer dan eens, zoo verhaalde «later een zijner vrienden, kon men een zekere ontroe-»ring in hem bespeuren; doch dan was een enkele blik ïten hemel voldoende, om hem zijne vorige kalmte te ïdoen herwinnen.quot; Zijne krachtige en onvermoeide pogingen om zich geheel te overwinnen, hadden hem eindelijk zóóver gebracht, dat hij bij de zwaarste beleedi-gingen wist te zwijgen, en uitwendig niets van eenige ontroering te laten blijken.
P. Hofbauer wist deze gebrekkige zijde zijner inborst met het oog des geloofs te beschouwen, zooals blijkt uit de woorden, die hij eens in een vertrouwelijk gesprek met een medebroeder uitte : «Dagelijks bedank »ik God, dat Hij mij deze opvliegendheid niet - heeft «ontnomen; zij bewaart de nederigheid en behoedt mij ivoor hoogmoed.quot; Die opvatting echter was hem geen
reden ter verschooning; doch slechts een voortdurende prikkeling, om met nieuwen moed den strijd te hervatten.
Zijne kloostergemeente van Warschau bestond uit Polen, Duitschers en Franschen; mannen, die ieder hun eigen inborst en karakter, hunne gewoonten en hun landaard medebrachten. Doch door allen, zonder uitzondering, werd P. Hofbauer bemind en vereerd als een vader. Aller hart stond voor hem open; gaarne vertrouwde men hem de verborgenste zielsgeheimen toe. Meesterlijk verstond hij het, de bedroefden te troosten, de kleinmoedigen op te beuren, allen, in één woord, lessen van hemelsche wijsheid te geven. Zijne woorden werden als uitspraken van God zeiven opgevat; was zijn taal een enkelen keer hard of pijnlijk voor de natuur, toch getuigde zij altijd van zulke teedere vaderliefde, dat zij niet naliet, heilzame vruchten voort te brengen. Allen, van zijn vriend en raadsman, P. Hiibl, tot den minste der leekebroeders, allen werden met de grootste liefde, met dezelfde vriendelijkheid door hem ontvangen.
Wel verre van een gebiedenden toon jegens zijne medebroeders te willen voeren, of hun zijn gezag te doen gevoelen, schiep hij er vermaak in, overal, waar de gelegenheid zich aanbood, hun van dienst te zijn. Wij zagen daarvan, zoo te Warschau als teBabenhausen, een treffend bewijs, toen hij zich niet ontzag, met eigen handen de spijzen voor de zijnen te bereiden.
Die zachtheid en vriendelijkheid beletten hem evenwel niet, eene liefdevolle, heilzame gestrengheid aan den dag te leggen, waar hij zulks als , overste nuttig of noodzakelijk oordeelde. Nu eens geschiedde zulks, wanneer hij zielen, die tot een hoogeren trap van heiligheid geroepen schenen, meer en meer wilde zuiveren, en hen sterken in de deugd. Zoo handelde hij met den hem zoo dierbaren P. Passerat. In dien jeugdigen kloosterling had hij de kiemen der verhevenste deugden ontdekt.
Om hem nu gelegenheid te geven tot de heldhaftigste acten, en tevens te voorkomen, dat hij zich tot eene gewone deugdzaamheid zou bepalen, vernederde hij hem bij iedere gelegenheid, en scheen het er op aan te leggen, hem in alles tegen te werken. Hoe wijs Gods Dienaar daarin handelde, blijkt ten volle uit de hooge volmaaktheid, welke P. Passerat onder zijne leiding bereikte.
Een ander maal moest hij streng zijn, gelijk de geneesheer, die tot heil zijner zieken niet mag terugschrikken voor het pijnlijke eener behandeling. Maarten Stark, zijn getrouwen reisgezel op zijne vele apostolische tochten, beminde hij met vaderlijke liefde. Toch zien wij, dat hij hem allerlei vernederingen oplegde. Waarom? Maarten liep gevaar, wat te veel toe te geven aan de ijdelheid; daarom had hij dat bittere geneesmiddel noo-dig. Soms moest hij water gaan putten, dan weder voor het klooster kleine inkoopen van levensmiddelen doen. Zoodra hij van de minste zwierigheid in zijn voorkomen blijken liét, kon hij zeker zijn, van P. Hofbauer een berisping te ontvangen.
Met de grootste bezorgdheid vermeed hij echter, het geknakte riet nog verder te breken; en moest hij soms vreezen, dat eene wonde, die hij geslagen had, eer tot nadeel dan tot heil van den kranke kon uitvallen, dan haastte hij zich eene lenigende zalf aan te wenden. »Op zekeren dag, zoo verhaalt een zijner onderhoorigen, j ontving ik van hem eene terechtwijzing, welke ik in mijn «teergevoeligheid wat al te hard vond. Ik ging naar »mijne kamer, maar ziet! na eenige oogenblikken komt gt;:P. Hofbauer met een blad papier in de hand binnen, »en vraagt mij: »Kent ge dit lied? Laten we het eens j j. samen zingen.quot; Die daad van zachtmoedigheid be-»schaamde mij diep.quot;
Laat ons ten slotte met een enkel woord wijzen op zijne liefde voor de Congregatie. Was P. Hofbauer
met hart en ziel kloosterling, vóór alles was hij Redemptorist: de Congregatie was zijne moeder, jWelk seen teedere liefde P. Hofbauer voor haar koesterde, «zegt P. Tannoja, en hoe hij er voor heeft geijverd, om »haar uit te breiden, kan ik niet met woorden beschrij-sven. Men kan het echter afleiden uit de vermoeienissen »en de kwellingen, welke hij voor haar doorstaan heett sen nog doorstaat. En, tot ons aller troost zij het ge-szegd, die teedere, kinderlijke liefde zoekt hij al zijne »onderhoorigen in te prenten. Ieder hunner bemint dan sook de Congregatie zoozeer, dat hij voor die geliefde smoeder liever wil sterven, dan zijn roeping ontrouw te sworden.quot;
Een ander bewijs dier liefde vinden wij nog in het levendige belang, dat P. Hofbauer stelde in den gelukkigen afloop van het proces der zaligverklaring van den H. Alphonsus. Niet slechts vroeg hij onophoudelijk in zijn brieven om inlichtingen over den loop van het proces, maar, ondanks de armoede van zijn klooster, wist hij eene niet onaanzienlijke som bijeen te sparen, welke hij voor de feestviering der zaligverklaring naar Rome zond.
Eindelijk zal hij zelf het ons bevestigen met zijn eigen woorden. In een brief van den ndcn jl1i; jSoi lezen wij het volgende: »Ik kan zeggen, dat ik in al smijne medebroeders een innige verknochtheid aan de »Congregatie bespeur. Celijk ik niets ter wereld meer »dan haar bemin, zoo gaat ook niets mij zoozeer ter «harte, als de liefde, die ik mijnen medebroeders wil -inprenten voor de Congregatie en voor hunne roeping. sEn zoo bevind ik, dat allen, zonder uitzondering, vast «besloten zijn, liever hun leven ten offer te brengen, sdan iets te doen, wat voor de Congregatie \'schadelijk »zou kunnen zijn. Zonder ophouden dank ik God, dat «in een tijdsverloop van zooveel jaren, noch te Warschau
j) noch in Koerland, iemand het ongeluk heeft gehad, de s Congregatie te verlaten.quot;
Uit die gehechtheid aan de Congregatie zullen wij de bittere smart kunnen afleiden, welke het hart van Clemens vervulde bij de droevige gebeurtenissen, welke wij thans moeten verhalen.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Zware Beproevingen te Warschau. —
Dood van P. Hübl.
--lt;gt;lt;=3=eïgg§»£ggö=^=lt;cgt;--
Terwijl P. Hofbauer met de grootste moeite arbeidde aan de vestiging zijner Congregatie in Duitsch-land, werkten zijne vijanden uit alle krachten aan hare vernietiging in Polen. Onder de Pruisische regeering was de invloed der Vrijmetselaars, der Jacobijnen, der Illuminaten en van alle doodsvijanden der Kerk zeer toegenomen, en met altijd grooter driestheid begonnen zij hun slagen te richten tegen al die instellingen, die het geloof nog konden staande houden en verlevendigen. Dat de kerk en het klooster van St. Benno door hen beschouwd werd als een bolwerk van het Katholicisme, dat hunne vinnigste aanvallen daarheen gericht waren, kan ons voorzeker niet verwonderen.
Vóór alles werd nu naar het wapen van den lasterge-grepen. De geruchten, die men zelf verzonnen had, kregen daarop den vorm eener schriftelijke aanklacht, en deze werd ingediend bij de Pruisische regeering. Een onderzoek werd ingesteld; doch, al waren de rechters den Redemptoristen niet persoonlijk genegen, zij moesten toch verklaren, dat niet één dier aanklachten kon bewezen worden: er was dus geen enkele grond voorhanden, om iets tegen de Paters te beginnen. Toch wilde men den lasteraars eenige voldoening geven; daarom werd afgekondigd, dat des avonds de kerk één uur vroeger, dan tot dusverre gebrui-
kelijk was, moest worden gesloten. — \'t Was echter te voorzien, dat de vijanden der Congregatie zich met zulk een maatregel niet zouden tevredenstellen. Zij wendden zich thans rechtstreeks tot Friedrich Wilhelm III, den Koning van Pruisen, en brachten allerlei zware beschuldigingen tegen de Paters in. Zij hadden wellicht gehoopt, dat de opheffing der Congregatie onmiddellijk zou volgen; doch ook thans werd de zaak naar recht en billijkheid behandeld. De Koning verlangde, dat de Overste van St. Benno in eigen persoon naar Berlijn zou komen, om zich daar te verantwoorden.
De Rector des huizes, P. Thaddeüs Hübl, was juist zwaar ziek; zijn minister, P. Jestersheim, moest dus de taak op zich nemen, te Berlijn de Congregatie te gaan verdedigen. In de hoofdstad van Pruisen werd hij, zoo door de ministers als door de leden van het gerechtshof, zeer vriendelijk ontvangen. In de gerechtszaal aangekomen, werden hem al de beschuldigingen voorgelezen. Met de grootste bedaardheid had P. Jestersheim naar de voorlezing geluisterd, en vroeg nu met een opgeruimd gelaat, of men zoo goed wilde zijn, de verschillende documenten, die hij ter zijner rechtvaardiging had medegebracht, te willen doorlezen. De aanzienlijksten van Warschau hadden hem namelijk voorzien van de schoonste getuigschriften en aanbevelingsbrieven, waardoor het hem zeer gemakkelijk viel, de aanklachten zijner vijanden te ontzenuwen.
De rechters — onder hen bevond zich Zacharias Werner, die zich vroeger, in Warschau, den Paters zeer vijandig getoond had — waren spoedig overtuigd van de onschuld der Bennonieten; zij wenschten P. Jestersheim een gelukkige reis, en lieten hem vrij vertrekken. Spoedig daarop kwam bij de overheid van Warschau het bevel aan, voor de veiligheid en den goeden naam der Paters zorg te dragen.
Eene zoo gunstige beslissing, genomen door eene
regeering, die den Katholieken godsdienst volstrekt niet was toegedaan, vindt zeker voornamelijk hare verklaring hierin, dat er niet het minste bewijs van schuld kon geleverd worden. Doch ook de tijdsomstandigheden oefenden op het oordeel der rechters een allergewichtigsten invloed uit. Een oorlog met Napoleon stond voor de deur. Zou het dan geen groote onvoorzichtigheid geweest zijn van de Pruisische regeering, indien zij in het haar eerst onlangs toegevallen Polen de ontevredenheid, de gisting van het volk ging opwekken?
De oorlog brak werkelijk uit, en werd voor Pruisen een bron van namelooze ellende. Murat en Davoust, voor wie de Pruisen hadden moeten bukken, kwamen den rS^en November 1806 binnen Warschau, om weldra te worden gevolgd door Keizer Napoleon, die er zijn plech-tigen intocht hield. Door het verdrag van Tilsit (9 Juli, 1807) werd Polen aan Pruisen ontnomen, en gemaakt tot een groothertogdom onder den scepter van Frederik August, Koning van Saksen, een kleinzoon van August II, den voorlaatsten koning van Polen.
Toen P. Hofbauer tegen het einde van 1806 te Warschau terugkwam, vond hij er de Franschen als overwinnaars. De stand van zaken was daarmede helaas! niet verbeterd. Door het Concordaat van 1801 was de Katholieke godsdienst in Frankrijk wel hersteld, maar het ongeloof en de godsdiensthaat woekerden steeds voort: overal waar de overwinnende wapenen der Franschen binnendrongen, had de Kerk en hare instellingen veel te lijden. August van Saksen was een goed en vurig katholiek; persoonlijk kende hij P. Hofbauer, en droeg de Congregatie een ware hoogachting toe. Doch wat mocht hem zulks baten ? Zijn weidsche titel van Groothertog van Warschau was niet in staat, hem werkelijk met gezag over dat land te bekleeden: Napoleon gehoorzamen, de plannen van dien machtigen dwingeland helpen volvoeren, ziedaar de hem opgelegde taak.
De vijanden der Congregatie hieven dan ook luide vreugdekreten aan; thans waren zij zeker van hunne overwinning.
Nu begon voor P. Mofbauer en zijne zonen eene allerbitterste lijdensweek. Over hetgeen hij in Polen heeft moeten verduren, liet hij zich later aldus uit: »I)ie xkwellingen zijn niemand bekend: op den laatsten dag »des oordeels zullen zij eerst aan het licht komen.quot;i)
Thans meer dan ooit verscheen Clemens Maria als een troostende engel onder de zijnen. Niet, dat hij de grootheid van het gevaar ontveinsde, maar èn door zijn voorbeeld èn door zijne toespraken, wist hij alle kleinmoedigheid uit de ziel zijner kinderen te verbannen, hun een nieuw leven in te storten, ja, hun de bitterheid der smart bijna te doen vergeten.
En inderdaad, zulk een man, vervuld met den geest van God, had de kloostergemeente van Warschau wel noodig. \'t Was, of alle duivelen ontketend waren, om samen te spannen tegen de Bennonieten. Eerst moest hun goede naam worden bezwalkt; de achting, die zij bij het volk genoten, hun worden ontnomen. En welke middelen werden daartoe gebezigd? Spotdichtjes en lasterlijke vlugschriften werden bij geheele massa\'s onder
i) Een getuige in het proces der zaligverklaring verhaalt het volgende: Na den dood van Pater Hofbauer kwam eens een bediende van eene zeer voorname Poolsche familie in de sacristie der St. Ur-sulakerk, en zog danr het portret van Gods Dienaar hangen. Aanstonds riep bij uit: «Ik heb hem gekend; het was een heilige! In »Polen heeft hij onuitsprekelijk veel uitgestaan: aan handen én voeten «gebonden, werd hij in een onderaardschen, vochtigen kerker gewor-»pen, zoodat hij de padden, die hem over het lichaam kropen, niet »kon afweren. Door tusschenkomst der gravin, in wier dienst ik »ben, kreeg hij zijne vrijheid terug.quot; — Wat er ook zij van dat verhaal, hetwelk trouwens door een ander stuk bevestigd wordt, het bewijst toch minstens, dat zich onder het volk het geiucht verspreid had van de grove mishandelingen, welke P. Hofbauer heeft moeten lijden; en zulk gerucht ontstaat toch niet zonder genoegzamen grond. Wanneer echter die inhechtenisneming werkelijk heeft plaats gehad, dan is het toch hoogst waarschijnlijk niet gedurende de laatste, maar in de eerste jaren van zijn verblijf in Polen geweest, wellicht bij de politieke beroeringen van dat land, omstreelss 1790.
het volk verspreid. In de schouwburgen voerde men de Paters in hun ordekleed op het tooneel, om hen de schandelijkste rollen te laten vervullen; ja, de heilige geheimen van den godsdienst werden er nagebootst en door het slijk gehaald. In de herbergen werd op de gehate verleiders gesmaald; op straat wees men hen met den vinger na en riep honend: Bennonieten, Bennonieten!
Weldra werden kerk en klooster omringd door ellendigeleegloopers. Moest dan een Pater het huis verlaten, om een zieke te bezoeken of een andere bediening te verrichten, dan werd er aanstond een afgesproken teeken aan de anderen gegeven. Met knuppels gewapend, gingen zij dan den priester te gemoet, en hielden zich, of zij beschonken waren en onder elkander in twist geraakten. Altijd nauwer drong men zich dan om den Pater heen, en was deze eenmaal in het gedrang geraakt, dan regende het stok- en vuistslagen. De leekebroeders, die de priesters vergezelden, hadden eenzelfde lot te verduren.
Meer dan eens gaven die woestelingen voldoende te kennen, dat zij voor een priestermoord niet terugschrikten. Vooral P. Blumenau was het voorwerp hunner helsche woede. Zoo\' menige ziel was door het krachtige woord van dien vurigen missionnaris aan de strikken des duivels en het gezelschap der boozen ontrukt; zulke wondervolle bekeeringen waren de vrucht van zijne preeken: geen wonder, dat de slechten hem een doodelijken haat toedroegen. Bij de eerste gelegenheid de beste, zoo dreigden zij, zouden zij hem neerschieten. Men verhaalt zelfs, dat zijne vijanden zich reeds meer dan eens, met geladen pistolen gewapend, onder het gehoor hadden bevonden. De ijverige priester kon het gevaar nog slechts vermijden, door zich niet meer buitenshuis te vertoonen.
Zóó groot konden de beproevingen echter niet worden, dat zij P. Hofbauer het geduld en de kalmte van ziel deden verliezen: voortdurend bleef hij zijn kinderen moed inspreken, en hield niet op, hen te vermanen, zij
zouden toch in hunne predikatien geen bittere uitvallen doen tegen hunne vervolgers. Aldus wist hij zijn diepe smart, zijn heilige verontwaardiging te bedwingen. Maar, als het ons gegeven ware, een blik te werpen in zijne ziel, indien wij de zuchten mochten opvangen, die daar in de eenzaamheid, voor het H. Tabernakel, aan zijn beklemd hart ontsnapten; O! wij zouden getuigen zijn van een onbeschrijfelijk lijden, van een nameloos wee; wij zouden uitroepen: »Ja waarlijk, zoo ooit dan heeft P. Hof-»bauer thans steun en troost van noode.quot; — Welnu,— wie zal de onbegrijpelijke raadsbesluiten Gods doorgronden, wie ons zijne onnaspeurlijke wegen verklaren — de lieer zelf zal zijnen Dienaar eene nieuwe wonde toebrengen, zelf hem van allen troost berooven!
Sinds vier en twintig jaar hadden P. Hofbauer en P. Hübl alle lief en leed met elkander gedeeld; bij de zoo moeielijke stichting van Warschau was P. Hübl de voornaamste steun van Clemens Maria geweest; hij bleef de deelgenoot van al zijne geheimen; hij, zijn raadsman en helper in alle moeielijkheden; hij was »zijn tweede z7i,quot; sde helft zijner ziel.quot; En nu! — nu.alles wankelt, nu het geheele gebouw dreigt in te storten, nu moet zijn innig geliefde vriend hem worden ontrukt, nu ontvalt hem P. Hübl door den dood!
Sedert de reis naar Rome in 1803 was de gezondheid van P. Hübl geknakt; hij zette echter zijne gewone bezigheden voort gelijk voorheen. Zijn ambt van Rector te Warschau gaf hem reeds onnoemelijk .veel zorg en arbeid. Daarenboven had hij bijna voortdurend te antwoorden op ingewikkelde theologische vragen, welke de Aartsbisschop of de professoren van het seminarie hem kwamen voorleggen; want door allen werd hij beschouwd als een groot en degelijk theologant. Door de natuur met rijke talenten begaafd, had hij zich door een aanhoudende studie een omvattende kennis verworven der heilige Vaders, der kerkelijke en profane geschiedenis, der leerstellige
zoowel als der zedekundige godgeleerdheid. Op last van den Aartsbisschop moest hij plaats nemen onder de examinatoren der geestelijken, en nooit ontving iemand de noodige volmachten tot biechthooren, als P. Hiibls oordeel ongunstig luidde.
In de laatste jaren kon hij, wegens zijne zwakke gezondheid, niet dan zelden het woord Gods verkondigen; doch des te meer was hij in den biechtstoel werkzaam. Van een zacht en vriendelijk karakter, voor iedereen toegankelijk, bij iedereen bekend als een man van groote geleerdheid en buitengewone deugd, daarenboven bij machte, om bijna elkeen te woord te staan, daar hij zes talen vloeiend sprak, zag hij zijn biechtstoel voortdurend omringd van personen uit allen stand, van Polen zoowel als van Franschen, Duitschers en Italianen.
Zijne uitstekende verdiensten hadden hem zelfs bij het nieuwe Fransche bestuur zulk een hooge achting, zulk een overwegenden invloed verworven, dat het P. Hübl grootendeels te danken was, zoo de vijanden der Congregatie nog weinig of niets hadden uitgericht.
Een werk van opofferende naastenliefde zou hem thans het leven kosten.
Onder de Fransche troepen, die te Warschau lagen, bevond zich ook een regiment Italianen. Velen hunner waren uitgeput door de zware veldtochten, en zuchtten in het hospitaal naar de vertroostingen van den godsdienst. Wijl zij echter niets dan hunne moedertaal verstonden, was het zeer moeielijk, een priester te vinden, die hen in hunne laa\'tste oogenblikken kon bijstaan. Daarom schreef de Aartsbisschop aan P. Hübl een brief, waarin hij hem verzocht, die arme zieken te hulp te komen.
Hoewel zelf reeds lijdende en ziekelijk, aarzelde deze geen oogenblik; hij ijlde naar het hospitaal, hoorde de biechten dier soldaten, en voorzag hen van de laatste HH. Sacramenten. Zijn bijzijn verzoette de laatste uren der stervenden; gerust, gesterkt en tevens vol dankbaar-
ii
heid jegens dien heiligen priester, aanvaardden zij hun reis naar de eeuwigheid.
Wat zij hem als erfgoed lieten, was een kwaal, — doch een kwaal, die hem naar zijn doel, naar het eeuwig loon zou voeren. Slechts korten tijd had hij dat liefdewerk mogen verrichten, of hij zelf werd door een typhuskoorts aangetast. Veertien dagen was hij ziek: dan gaf hij zijne schoone ziel haren schepper weder; — het was den 4den Juli 1807.
Clemens Maria, die hem tijdens zijne ziekte met de teederste liefde verpleegd had, sloot hem de oogen.
P. Hübl stierf den dood eens heiligen, hij was gevallen als een slachtoffer van liefde: hij stierf een kostbaren, troostrijken dood. Maar wie zal het wraken, dat zijne medebroeders bittere tranen stortten bij het verlies van hem, die door zijn kracht hen allen had gesteund, en door zijne zachtheid en liefde bij de zijnen den naam had verworven van jMoeder der Congregatiequot;!
De dood van P. Hübl was voor P. Hofbauer als een wenk van boven; hij scheen de voorbode te wezen van nog grooter rampen. In eene toespraak, welke hij kort daarop tot zijne medebroeders hield, riep hij op profetischen toon uit: ^Het schild is verbroken: God weet, »wat ons nu zal overkomen.quot;
De heilige man, reeds zoo gewoon aan allerlei lijden en kwelling, ging toch diep gebogen onder dien vreeselijken slag. Vier maanden later schreef hij aan een vriend in Foligno: »Ik ben overtuigd, dat onze P. Hübl gt; reeds in den hemel is en met Christus zegeviert, en ïtoch kan ik menigmaal de zware smart, die mij ter ïnederdrukt, niet overwinnen. Ik geef mij geheel over saan den Wil van God en verklaar, nooit iets anders ste willen, dan hetgeen God wil; echter moet ik beken-»nen, dat ik sinds zijnen dood geen gelukkig uur meer i gehad heb. Hij heeft, wel is waar, niets verloren, maar i,wij hebben veel verloren.quot; Dan verzoekt hij zijn vriend.
een stipendium naar Montefalco te willen zenden, om in de kerk der H. Clara eene H. Mis voor de zielerust van P. Thaddeüs te laten lezen. — Ja, den 9den Januari 1808 schreef hij nog aan zijn Generalen Overste, P. Blasucci: ?A mor te amantissimi Patris Hiibl sum aliquantulum samis, vscd adhuc tristitia occupat me. De diepe wonde, welke ïde dood van mijn allerdierbaarsten P. Hübl mij geslagen yheeft, is thans een weinig geheeld; maar het gevoel van »treurigheid verlaat mij nog maar niet.quot;
Tot zijn dood bleef hij volharden in een vurige liefde voor zijn ontslapen vriend; ja, zulk een hooge vereering droeg hij hem toe, dat hij zijn afbeelding, welke te Warschau door zeer velen met eerbied bewaard werd, altijd op zijn borst droeg. Toen hij deze later te Weenen verloor, was hij daarover zeer bedroefd.
Doch keeren wij naar de lijkbaar van P. Hübl terug. In een oogwenk had zich de treurmare door geheel Warschau verspreid: P Hübl is niet meer, hij heeft ons voor altijd verlaten! De Aartsbisschop en zijn suffragaan waren de eersten, die zich naar St. Benno begaven, om Clemens Maria hunne deelneming in het groote verlies te komen betuigen en den overledene te vereeren. De oversten van de verschillende kloosters der stad kwamen insgelijks, en toen zij zagen, dat de kloostergemeente in hare groote verslagenheid nauwelijks in staat was, de noodige toebereidselen voor de begrafenisplechtigheid te maken, namen zij vol liefde die zorg op zich. De Aartsbisschop wilde ook van zijnen kant den voorbeeldigen priester, die hem door den dood ontrukt was, een bijzonder blijk van dankbaarheiden vereering geven. Hij beval, dat de drie volgende dagen in drie èn tachtig kerken der stad de doodklokken een half.uur zouden geluid en de begrafenisplechtigheid zoo prachtig mogelijk zou worden ingericht.
Geheel den dag stroomden de vrome geloovigen in menigte naar St. Benno, om nog eens de edele trekken van den
afgestorvene te beschouwen. Onder hen zag men ck voornaamste Katholieke familicn van Warschau; want allen waren overtuigd, dat zij in P. Hübl een liefderijken vader verloren hadden.
De kosters van de domkerk kwamen de St. Benno van binnen met rouwfloers behangen, en richtten voor den armen priester eene lijkbaar op, welke voor een bisschop of een vorst bestemd scheen. Meer dan 500 kaarsen, bijna alle van vier tot vijf pond, werden aangebracht, om ze den geheelen dag bij de katafalk te laten branden.
De ordegeestelijken van alle kloosters te Warschau kwamen beurtelings het dooden-officie in de kerk der Redemptoristen zingen, zoodat die plechtigheid zonder eenige onderbreking twee volle dagen duurde.
Bij de begrafenis zelve was geheel de bevolking op de been; rijken en armen, inwoners en vreemdelingen, allen namen deel aan de smart, wijl allen deelden in het verlies.Ter wijlde muziekkorpsen treurmarschen uitvoerden, trok de onafzienbare stoet, onder welke alle geestelijken, alsmede de magistraats-personen van Warschau geteld werden, allen met brandende kaarsen in de hand, langzaam en statig vooruit, om den dierbaren overledene naar zijn laatste rustplaats te vergezellen.
Die grootsche plechtigheid was slechts een uiting van dankbaarheid en liefde der Katholieken; door de Congregatie was daarvoor niets gedaan; voor de onkosten behoefden de Redemptoristen volstrekt niets bij te dragen.
Op geheel buitengewone wijze werd de dood van P. Hübl aan zijne medebroeders in Zwitserland aangekondigd. Terwijl P.Passerat met zijne onderhoorigen te Chur het avondgebed verrichtte, begon eensklaps geheel het huis te daveren; alle vensters rinkelden; eindelijk viel er een slag, alsof iets onder vreeselijk geraas ineen was gestort. Geheel het huis werd nu nauwkeurig onderzocht, doch ner-
gens was iets beschadigd, overal was het stil en rustig. Zij zeiden dan tot elkander: ;Het zal de aankondiging jszijn Van een ongeluk.quot; — Den volgenden morgen werden zij in hunne meening niet weinig versterkt. Men zal zich herinneren, dat een gedeelte der kloostergemeente van Chur een ander huis in de stad bewoonde: welnu, ook vandaar kwam men hun mededeelen, dat zij dienzelfden slag vernomen, en geheel het huis tot in den kelder hadden nagezien. Dag en uur werden nu aan-geteekend, en weldra zagen zij uit de brieven van Warschau, welke beteekenis zij aan dat voorval moesten hechten. Op een dergelijke wijze was te Warschau, in het jaar 1787 aan P. Hofbauer en P. Hübl, die éénzelfde kamer bewoonden, de dood van den H. Alphonsus aangekondigd.
Die algemeene deelneming, welke het volk had doen blijken bij den dood van P. Hübl, kwam niet slechts voort uit den eerbied, welken men den overledene persoonlijk toedroeg, zij was tevens een openbare uiting van de liefde en de gehechtheid, welke de geloovigen koesterden voor de Congregatie in het algemeen. In weerwil van alle leugens en lasteringen, in weerwil der beschimpingen en vervolgingen, liet zich de groote meerderheid des volks de liefde voor de Paters niet ontnemen. St. Benno werd altijd drukker bezocht: in datzelfde jaar 1807 steeg het aantal communiën tot over de honderdduizend. Zoo wist de goede God zijn trouwen Dienaar bij zooveel harde beproevingen te troosten en op te beuren.
In zijne brieven van 9 Jan. en 24 Febr. 1808 lezen wij het volgende: «Onze kerk is bijna altijd vol. ïDe biechtvader des Konings en die der Koningin van j Saksen komen dikwijls in ons klooster en onze kerk, sniet zelden om de plechtige Hoogmis te zingen; maar »altijd staan zij verwonderd over zulk een toeloop van »volk: bij elke Mis worden honderd en meer communiën uit-
ïgereikt. Voortdurend zijn er Protestanten, die zich bekee-» ren. Wij hebben een braven Koning en een vromen Aarts-»bisschop. Deze wil, dat al de missies in Polen slechts ïdoor ons gegeven worden. De nieuwe Vicaris Generaal nier diocees Warschau is een waarlijk beleidvol en ijverig s man, de grootste vriend der Congregatie, ik zou haast »zeggen, hij is ons een vader. Slechts ée\'n ding spijt shem, dat wij niet talrijker zijn. Wij hebben thans negen * novicen en twee studenten. Hadden de Pruisen ons niet »zoo onderdrukt, wij zouden niet meer zijn. Het is een gt;:wonder, dat wij in deze ellendige tijden, in een uitge-»zogen land, zonder aalmoezen te vragen, een zoo tal-gt;?rijk huisgezin kunnen onderhouden; de weezen medege-ï rekend, zijn wij met 64 personen.quot;
In denzelfden brief van den 9den Januari geeft P. Hofbauer zijn Rector Major, P. Blasucci, een verslag van de werkzaamheden der Congregatie buiten Polen. Wijl li ij toen nog niet wist, dat de Paters het huis van Chur reeds hadden verlaten, schreef hij: 5 Onze medebroeders »in Graubunderland hebben groote vorderingen gemaakt »zoo in de deugd als in de wetenschappen. In hen, dierbare ï Vader, zoudt gij tot uwe innige vreugde ware zonen der j Congregatie erkennen, die een harde proef van allerlei we-^ derwaardigheden hebben doorstaan; van de eene streek snaar de andere voortgejaagd, bleven zij hunne roeping rechter getrouw, en mogen martelaren .der Congregatie ge-snoemd worden. God alleen weet, hoeveel zij te lijden heb-iben gehad; docli overal hebben zij een geur van heiligheid ^verspreid. De vijand van het menschelijk geslacht wil 1 niet, dat er in Duitschland missiën gegeven worden, smaar zelf is hij oorzaak van vele missiën geworden. In i sommige streken, waar de onzen slechts eenige maanden jkonden blijven, brachten zij zulk eene verandering te weeg »dat de ouders hun eigen kinderen niet herkenden. Zij thebben het dikwijls ontvangen der Sacramenten ingevoerd, sen tallooze biechten gehoord: van vijftig tot honderd
iltaliaansche mijlen kwam het volk naar hen toe. Op sde bergen en in de dalen, in Zwitserland en in Duitsch-jsland zingt het volk thans godvruchtige liederen. Onze sjonge priesters werken wonderen van bekeering, en als sGod het huis van Zwitserland in zijne bescherming sneemt, zullen zij ook vele Protestanten tot inkeer ibrengen.quot;
Wie staat hier niet verbaasd over zulk een grootheid van ziel! Te midden der zwaarste beproevingen, ten prooi aan diet bitterste zielelijden, heeft P. Hof bauer slechts ééne gedachte: de glorie van God, het heil der zielen en de uitbreiding der Congregatie.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Vernietiging der Congregatie te Warschau. — De Paters worden gevankeiijk weggevoerd.
De onweerswolken, die zich dreigend boven
St. Benno samenpakten, en met den dag al dichter en zwarter werden, konden 1\'. Hofbauer met bezorgdheid voor de toekomst vervullen; hem aftrekken van zijne apostolische werkzaamheden konden zij niet: integendeel, \'t was of juist in deze droevige omstandigheden zijn ijver een nieuwe vlucht had genomen. De kerk zijner Paters bleef wat zij tot nu toe geweest was: het tooneel eener voortdurende missie; ja, P. Hofbauer maakte zelfs een begin met de uitvoering van een plan, hetwelk hij reeds lang gevormd had. Voor de opvoeding der jonge dochters, zoo meende hij, was nog altijd te weinig gedaan; dat werk moest worden toevertrouwd aan een communiteit van kloosterzusters, welke hij te Warschau wilde vestigen. Zijne keus had zich bepaald tot de Redemptoris-tinnen. Toen dan aan de volvoering van zijn plan niets meer ontbrak dan de koninklijke goedkeuring, bood hij den biechtvader des Konings zijn verzoekschrift aan, al deden zich de eerste stormvlagen reeds in zijn eigen klooster gevoelen.
Ook het werk der missiën werd niet onderbroken. In den laatsten brief, welken hij uit Warschau schreef, (17 Mei 180S) meldde hij zijnen Rector Major nog, dat
de werkzaamheden buitenshuis weder begonnen waren.
Zijn oogst wilde hij inzamelen, zoolang hij het vermocht; den hem toevertrouwden akker zou hij niet verlaten, zoolang de storm nog niet was losgebroken en hem eiken arbeid onmogelijk had gemaakt.
Ziehier, wat eindelijk het noodweer in al zijne woede deed losbarsten. Op Paaschzaterdag, den i6den April 1808, werd in de St. Benno, naar Poolsch gebruik, des avonds tusschen negen en tien uur, de verrijzenis des Heeren door eene plechtige processie herdacht. Terwijl nu het Allerheiligste, door eene biddende menigte voorafgegaan en gevolgd, in de kerk werd rondgedragen, maakte een Fransch officier, die echter in zijne burger-kleeding niet als zoodanig erkend werd, de algemeene verontwaardiging gaande door zijn onbetamelijk gedrag jegens twee aanwezige dames. Eindelijk rekende een der priesters het zich ten plicht, hem daarop te wijzen. Die terechtwijzing viel echter in geen goede aarde; woedend stuift de officier de kerk uit, en gaat een zijner vrienden opzoeken, om zich met hem over zulk een beleediging te komen wreken. Toen dan, na afloop der plechtigheid, de talrijke menigte door eene deur naast de sacristie het gebouw verliet, drongen de twee officieren, beiden in burgertenue, de kerk binnen. Zulks ging echter niet zonder veel moeite, zoodat zij zich ten laatste door slagenen stooten een weg trachtten te banen. Daarover werd het volk zóó verbitterd, dat onze twee Franschen zelf een paar onzachte slagen ontvingen, en in de ruimte achter de sacristie werden weggedrongen.
Nu ontstond er een vreeselijk geraas en een groote verwarring; het was reeds zoo donker, dat men niets meer onderscheiden kon. Tot overmaat van ramp kwam een Poolsch officier nog olie in het vuur gieten: de Franschen riepen, dat men hen zonder reden mishandeld had, waarop de Pool zijn sabel trok, en blindelings om zich heen sloeg. De- Rector des huizes kwam toegeloopen, om
den Pool tot bedaren te brengen; doch nauwelijks had een der Franschen den Pater gezien, of hij wierp zich op hem en sloeg hem met de vuist op het hoofd, waarop de Rector slechts antwoordde, dat, wanneer hij zich niet bedaard hield, den volgenden dag Maarschalk Davoust van alles zou onderricht worden. Daarop drong de Fransche officier de kerk binnen, om, zooals hij zeide, de beide dames af te halen, die zich nog daarbinnen bevonden.
De andere Franschman had de kerk reeds verlaten, en ontmoette op straat eenige manschappen, die, tot herstel der orde, uit een naburige kazerne waren ontboden. Hij wisselt met hen eenige woorden, en de soldaten spoeden nu onder zijn geleide naar ■ de kerk, niet om, volgens de bedoeling van hen, die de wacht hadden gewaarschuwd, de onschuldigen in bescherming te nemen, maar om als het ware een vijandelijken aanval te beginnen. Met gevelde bajonet stormden zij de sacristie binnen, en verjoegen alle geloovigen, die zich daar bevonden; daarop sloegen zij de deur toe, welke naar de kerk leidde, en mishandelden de priesters en een leeke-broeder.
De Poolsche officier, die eer uit overijling dan uit kwade trouw gehandeld had, kwam nu tot bezinning; hij deed de soldaten vertrekken, sprak den priesters moed in en vermaande het weenende volk, zij zouden gerust naar huis gaan, wijl er nu niets meer te vreezen was. Den priesters raadde hij aan, de kerkdeur te sluiten, opdat de beschonken Franschen, mochten zij ook terugkee-ren, zich geen toegang konden verschaffen. Daarop begaf hij zich met een leekebroeder naar de hoofdwacht, om met den plaatselijken kommandant, een officier en talrijke manschappen terug te keeren. De Rector moest hun nu de geheele toedracht der zaak mededeelen; zij bezagen den nauwen gang en de deur, langs welke het volk in-en uitging, en stelden eindelijk de Paters ten volle gerust.
Dat voorval kwam den vijanden der Congregatie
natuurlijk zeer van pas; zoo lang reeds had men tevergeefs naar iets gezocht, wat men den Paters naar het hoofd kon slingeren. Thans waren er termen genoeg voor menschen, die met een voorwendsel tevreden, zich niet om recht en billijkheid bekommerden. Reeds den volgenden dag, \'t was het hoogfeest van Paschen, richtte de minister van eeredienst een schrijven aan den Vice-Administrator der diocees; daarin beklaagt hij zich bitter over de Paters: Fransche officieren hadden zij mishandeld, en daarvoor moesten zij gestraft worden.
De Administrator liet zich door den Rector des huizes alles tot in de kleinste bijzonderheden verhalen, waarop hij, wijl de onschuld der Paters hem duidelijk bleek, hem gelastte,geheel die mededeeling op schrift te stellen. Den tweeden Paaschdag zond hij den minister die schriftelijke verklaring op, terwijl hij zelf èr een brief bijvoegde, waarin hij krachtig optreedt ten gunste der belasterde paters, en het nietswaardige der beschuldiging allernadrukkelijkst bewijst.
»De Paters, zegt hij, die, wanneer de plaatselijke skommandant niet ware toegesneld, licht het bloedig »offer eener dolle wraaklust waren geworden, zijn veel smeer gerechtigd tot een aanklacht dan de beschuldigers jzelven, en toch hebben zij niets tegen hun beleedigers jswillen doen; zelfs moesten ze door een uitdrukkelijk sbevel genoodzaakt worden tot liet opmaken van het !,hierbij ingesloten verslag. Zijn zij werkelijk in den strijd ibetrokken geweest, dan is het alleen in zooverre, dat »zij getracht hebben, de opgewonden gemoederen tot r bedaren te brengen, en de rust en orde te herstellen. 5gt; Louter dwaasheid is het, te beweren, dat een der Re-»demptoristen een Franschen officier zou geslagen hebben; svoor allen, die deze eerbiedwaardige mannen, die toon-»beelden van priesterlijke zachtmoedigheid, wat nader skennen, valt die beschuldiging van zelf in duigen.quot; Vervolgens wijst hij er op, hoe slecht de beschuldigers in
staat zijn, in deze zaak een onpartijdig oordeel te vellen. Eindelijk stelt hij voor, men zou graaf Rostworoski en verschillende anderen, die de ware toedracht der zaak geheel konden uiteenzetten, als getuigen oproepen.
Zooals te voorzien was, vond dit getuigenis van den Vice-Administrator geen ingang. Van de onschuld der Paters was niemand zóó overtuigd als de aanstokers en de medeplichtigen der wanordelijkheden. Daarom schuwden zij een gerechtelijk onderzoek, wijl daardoor juist de volle waarheid aan het licht zou komen. — Liever wilden zij de kamer van den Rector doorsnuffelen, en een beslag leggen op alle papieren, die zij er vonden. Van den Vice-Administrator werd nu verlangd, hij zou een geestelijken commissaris benoemen, die tegelijk met eenige burgerlijke commissarissen die geschriften zou onderzoeken.
Zulk een maatregel moest slechts dienen, om het volk zand in de oogen te strooien: immers, als een geestelijke met het onderzoek belast werd, was het duidelijk, dat de Paters zoo onschuldig niet waren. Die bedoeling kwam nog beter uit, toen men de onbeschaamdheid had, tegelijk den priester aan te wijzen, die daarmede belast moest worden, \'t Was een man, van wien men zeer goed wist, dat hij zich gemakkelijk zou leenen voor de schandelijke rol, welke men van hem verwachtte. De Vice-Administrator, die volstrekt niet geneigd was, medeplichtig aan de vervolging te worden, weigerde, den aangewezen geestelijke met die taak te belasten, doch stelde een vromen, godvreezenden priester tot het onderzoeken der geschriften voor. Deze werd door de politie niet erkend, zoodat de inzage der papieren zonder geestelijken commissaris plaats had. Er werd echter niets gevonden, dat de bedoelingen der vijanden in dé hand kon werken; veeleer kwam de onschuld der Paters in een nog beter daglicht.
Doch in den raad der nieuwe heeren was onher-
roepelijk besloten tot den ondergang der Congregatie. Reeds zes weken vóór de opheffing liet zich een man, die in de Vrijmetselaarsloge een hooge plaats bekleedde, aldus uit tegenover een priester: sBinnen kort wordt de - St. Benno gesloten, en zullen de Redemptoristen uit «Warschau verdreven worden.quot; j- Maar, zeide de priester, »de Koning zal er toch nooit zijne toestemming voor gesven, dat zulke brave en nuttige kloosterlingen uit het rland verwijderd worden*quot; waarop de andere hem den naam van een ambtenaar noemde, die bekend stond als een goddelooze, en die zich verzekerd hield, door den invloed van Maarschalk Davoust, de verdrijving dier priesters te zullen doorzetten.
En werkelijk verkreeg Davoust van den Keizer, wat hij verlangde: van Parijs kwam het bevel, de Congregatie op te heffen. Al weenende onderteekende de Koning het volgende Decreet:
FRED ER IK AUGUST^ door Gods genade Koning van Saksen, Hertog van Warschau, enz.
«Tevergeefs wachtten wij tot nu toe op de toezending der papieren, in zake de aangelegenheid der P.P. Bennonieten, wijl wij zelf hunne verslagen en meer bijzonder het gebeurde in hunne kerk bij het laatste Paaschfeest wilden onderzoeken. Die lange vertraging wordt ons thans opgehelderd door vertrouwelijke mede-deelingen, ons door het Fransche hof gedaan, welke steunen op de berichten der overheid van Warschau. Daaruit blijkt, dat de tegenwoordigheid der Paters en het voortbestaan van het klooster gevaarlijk zijn voor het hertogdom Warschau, wijl die priesters zich inlaten met de politiek, hetwelk strijdig is met hun stand en hunne roeping. Daarom bevelen wij:
i. Zij zullen zonder uitstel verwijderd worden tot buiten de grenzen van het hertogdom.
2. Het wordt hun toegestaan, elk persoonlijk eigendom mede te nemen.
3. De minister van binnenlandsdie zaken moet hen voorzien van alle benoodigdheden voor de reis.
4. Hunne papieren zullen in beslag genomen en onderzocht worden.
5. Tot nader order zal hunne kerk gesloten worden.
6. De ministers zullen, na overleg met de Fransche overheid, den tijd en de wijze der uitvoering van dit bevel nader bepalen. Onverwijld zal men ons bericht opzenden omtrent het voltrekken van dit ons besluit.
Gegeven in ons paleis te Pilnitz, den 9dcn Juni, 1808.
Frederik August. Stanislaus Breza,
Staatssecretaris.
De Aartsbisschop, Graaf Raczynski zegt zeer juist met het oog op dat stuk: sWanneer men dat koninklijke ^decreet leest, kan men zich gemakkelijk overtuigen, »dat het onschuldigen treft. Wanneer hun vijanden ook »slechts de schaduw eener schuld in de Bennonieten ont-sdekt hadden, zouden zij zeker niet hebben verzuimd, »daarvan een afschuwelijk misdrijf te maken, en het in yboosaardige bewoordingen te vermelden, \'t Is waar, de sKoning heeft het decreet onderteekend; maar hoeveel »tranen heeft het hem niet gekost, dat hij, zonder eenig 5) verhoor, deugdzame menschen tot ballingschap heeft «veroordeeld.quot;
Wat de Koning al weenende had onderteekend, zou ook op waarlijk beweenenswaardige wijze worden uitgevoerd. Men wilde de goede Paters van St. Benrio heimelijk overvallen, en uit hun huis sleepen. Aan de lijdensweek van Clemens Maria mocht ook dat oogenblik niet ontbreken, waarin de klacht geuit werd: »Als tot «een roover zijt gij met zwaarden en knotsen hierheen »gekomen, om mij gevangen te nemen.quot;
God zou echter niet dulden, dat een zoo vreese-
lijke slag zijnen Dienaar geheel onverwacht zou treffen.
Het hoogfeest van Pinksteren viel dat jaar op den 5den jUni, Op zekeren dag nu onder de octaaf lag P. Hof-bauer voor het Allerheiligste neergeknield, en bad den 3^sten Psalm. Toen hij de woorden uitsprak: Pai/Jgt;er sum ego et in laboribus a juventute inea, exaltatus autem hiimiliatus sum et conturbatus: »Van mijne jeugd afwas ik arm en behoeftig; en, hoewel thans verheven, toch ben ik vernederd en ontroerdquot;, gevoelde hij plotseling een hevigen schok, die hem over al zijne ledematen deed sidderen. Aanstonds sloeg hij zijn boek dicht, en begon na te denken, wat die ontroering kon beteekenen; doch zie! daar gevoelt hij een tweeden schok, even sterk als de eerste. Toen erkende hij daarin eene waarschuwing des Hemels; hij vernederde zich voor God, onderwierp zich aan zijn heiligen Wil, en spoedig was de kalmte in zijne ziel teruggekeerd.
Den volgenden dag meldde zich een politiebeambte, die de Congregatie zeer genegen was, in bur-gerkleeding aan, en verlangde P. Hofbauer te spreken, s Mijn vader, zoo sprak hij, toen deze binnenkwam, »ik kom u mededeelen, dat het decreet van opheffing J uwer Congregatie reeds geteekend is: verbrand uwe «papieren, en verberg in een geheime plaats van uw shuis, wat gij aan kostbaarheden mocht bezitten; want »de geheime politie waakt er voor, dat gij niets uit het ihuis kunt medenemen.quot; Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of hij verwijderde zich ten spoedigste.
P. Hofbauer dankte God voor die mededeeling, beval zich zeiven en geheel zijn huis aan de Allerheiligste Maagd en de Patronen der Congregatie aan, en sloeg toen onmiddellijk de handen aan het werk, om de noodige maatregelen te quot;nemen. Eerst riep hij P. Jestersheim, die na den dood van P. Hübl tot Rector des huizes benoemd was, bij zich, en beval hem, zonder nochtans de reden daarvan aan te geven, alle brieven te verbran-
tien. Daarop vergaderde hij al zijne paters in de eetzaal, sprak hun eenige woorden toe, om hen op het verschrikkelijke nieuws voor te bereiden, legde hun daarna een streng stilzwijgen op, omtrent hetgeen hij hun had aan te kondigen, en deelde hun dan de droevige tijding mede.
Slechts met tranen en snikken werden zijne woorden beantwoord. Die goede priesters weenden niet zoozeer om hun eigen lot, als wel om de verwoesting van hun geestelijken wijnberg, dien zij met zooveel moeite hadden geplant en verzorgd, en die thans zoo heerlijk bloeide.
Nu was er geen tijd meer te verliezen; elk oogen-blik kon men het noodlottige decreet verwachten. P. Hof-bauer bemoedigde de zijnen, zoo goed hij vermocht, en deelde aanstonds zijne verschillende bevelen uit: de kelken en de kerkornamenten moesten verborgen, de talrijke reliquieën onder de Paters worden verdeeld; eenieder moest linnengoed, de noodige kleedingstukken en het geld voor de reis op zijne kamer nemen. Daarop werden de gewone bezigheden in kerk en klooster hervat, tot het smartelijk oogenblik der scheiding zou aanbreken.
De gevreesde dag brak eindelijk aan: \'t was de 2oste Juni 1808. De vreemdeling, die zich dien dag in de straten van Warschau bevonden had, zou lichtelijk vermoed hebben, dat er een plotseling uitgebroken oproer moest worden gesmoord, of dat men een aanval des vijands te wachten had, — zoo krijgszuchtig ging het er toe. Men had bij de regeering de Polen afgeschilderd als een uiterst dweepziek volk: zij zouden wellicht de verdrijving hunner Paters beschouwen als een aanslag tegen hun godsdienst en hun geloof, en waren dan tot alles in staat. — De troepen moesten dus uitrukken, en de verschillende wijken der stad bezetten. In alles was voorzien, om de geheele uitvoering zoo snel mogelijk van de hand te doen gaan. De noodige rijtuigen waren in gereedheid gebracht; ieder rijtuig had zijn militair geleide;
voor elke drie was een commissaris aangewezen, die voor de passen en de reiskosten had. te zorgen.
Nu begeven zich eenige beambten naar het klooster, terwijl een sterke wacht soldaten de kerk omsingelt. Alles, wat zich in de sacristie, de bibliotheek en de kamer van den Overste bevindt, wordt verzegeld, en de Paters en Broeders in de eetzaal samengeroepen. De een kan nauwelijks de H. Mis voleindigen, een ander wordt uit den biechtstoel geroepen, een derde bevindt zich nog op den preekstoel en moet zijne toespraak afbreken. —
De geloovigen in de kerk begrepen er aanvankelijk niets van, waarom toch de eene Pater na den anderen geroepen werd; zij zien elkander verwonderd aan; eindelijk willen verschillenden de kerk verlaten, om te zien, wat er gebeurd was. — Zij vinden de kerkdeur gesloten; daarbuiten hooren zij wapengekletter en aanrollende rijtuigen. Nu is hun liet raadsel opgelost; zij kunnen er niet meer aan twijfelen: de teerling is geworpen, met geweld worden zij van hunne Paters beroofd. Daar breken zij in tranen los, en beginnen luide te roepen: jWij zullen onze Paters nooit meer terugzien; »met geweld worden zij verdreven !quot;
Intusschen was de geheele kloostergemeente in den refter samengekomen, waar de commissarissen reeds stonden te wachten. Een hunner reikte P. Hofbauer het decreet der opheffing en de naamlijst der bannelingen over, onder de woorden: fHier, mijnheer, is het decreet uwer opheffing; allen, wier namen op deze lijst »staan, worden verzocht, zonder tegenspraak met ons te overtrekken.quot; — Niemand antwoordde.
Op een wenk van P. Hofbauer begaven zich allen naar hunne kamers, om na eenige oogenblikken, geheel reisvaardig, met hun pakje aan de hand, terug te keeren. Op dat gezicht stonden de beambten geheel verslagen: de Paters hadden dus reeds kennis gekregen
van het decreet; zou er nu onderweg ook een hinderlaag te vreezen zijn ? — Daarenboven was de kalme houding der vervolgden waarlijk indrukwekkend; de beambten geraakten geheel van hun stuk; beschaamd en verlegen stonden zij daar, zoodat de Paters zeiven hen moesten opbeuren.
Nu kwamen de rijtuigen voor. Volgens de orde, op de verbanningslijst aangegeven, moesten de kloosterlingen instijgen; zoodra een rijtuig vol was, reed het, onder gewapend geleide van zes ruiters, pijlsnel voort.
De smart, welke den Paters die laatste blik op St. Benno veroorzaakte, laat zich eerder gevoelen dan beschrijven. Maar hoe steeg niet hun droefheid, toen zij, bij de stadspoort gekomen, bemerkten, dat elk rijtuig een verschillende richting insloeg, terwijl niemand wist, waarheen men hen zou brengen.
Toen er tijd genoeg verloopen was, om te kunnen vermoeden, dat de rijtuigen reeds buiten de stad waren, werden de deuren van St. Benno geopend en het volk er uitgelaten. Daarop riep men een priester, om het Allerheiligste naar de naburige parochiekerk te doen brengen, waarna de deuren op nieuw werden gesloten en met het zegel der regeering voorzien.
De ontevredenheid over die tooneelen was algemeen; zelfs nam zij een dreigende houding aan. Soldaten doorkruisten voortdurend de straten van Warschau, en geruimen tijd werden de wachten verdubbeld.
Om de rust te herstellen, vaardigde Maarschalk Davoust een stuk uit, hetwelk hij uit het Fransch in het Poolsch liet vertalen door zijn Adjudant Szymanowski, die bij de verdrijving het bevel over de troepen had gevoerd. Deze, later tot Generaal verheven, kwam zijne laaste levensjaren te Rome doorbrengen, en leefde nog, toen het proces der zaligverklaring werd ingeleid. Toen men hem ondervroeg over de laatste gebeurtenissen te Warschau, antwoordde hij, dat het hem nog altijd bitter
griefde, zich in zijne jeugd voor eene zoo schreeuwende onrechtvaardigheid geleend te hebben.
Spoedig ondergingen nu de overige huizen in Polen en Rusland hetzelfde lot als dat van Warschau.
Zoo was dan het grootsche werk van P. Hofbauer, de vrucht van een twintigjarigen arbeid, wreedaardig vernietigd. Wel moeten de vervolgers met een duivelsche woede bezield zijn geweest, om het toch reeds zoo onrechtvaardige decreet, op zulk eene wijze uit te voeren. Het decreet veronderstelde eene welwillende behandeling; het liet de Paters vrij, om te gaan, waarheen zij wilden; het stelde hen in gelegenheid, al hun persoonlijken eigendom mede te nemen; en bij de uitvoering werd niets van dat alles in acht genomen; als misdadigers werden zij opgelicht; men belette hen, een enkel woord met iemand te wisselen; kortom, was het besluit reeds hard, de uitvoering maakte het nog onvergelijkelijk harder.
De vijanden der Congregatie hadden echter hun doel bereikt: zij juichten over het gelukken hunner pogingen. Denzelfden dag, waarop de Paters verdreven waren, werd er tegen den avond een feestmaal aangericht in de loge der vrijmetselaars te Warschau; geheel den nacht knalden de pistoolschoten en weergalmden de zegeliederen over de behaalde overwinning. Dan namen de dagbladen het op zich, de gewelddaad der regeering te rechtvaardigen; een tijd lang moesten hun kolommen dienen tot opsomming van al de gruweldaden der Bennonieten; doch zij, die niet met den vijand heulden, wisten zeer goed, welke waarde aan die aantijgingen gehecht moest worden; ja, die blinde razernij, tegen weerloozen gericht, was voor de goede Katholieken veeleer een nieuw bewijs voor de algeheele onschuld der Paters.
Doch wenden wij liever het oog af van die onedele handelingen der vijanden, om nog eens onze aandacht te vestigen op hetgeen de waardige Aartsbisschop, Graaf
Ignatius Raczinski over die gebeurtenis schreef: 3. Men yheeft den moed niet gehad, zoo zegt hij, een gerech-»telijk onderzoek tegen hen in te stellen; zonder verhoor ïzijn zij in ballingschap gevoerd. Vele jaren zijn thans s sedert die wegvoering verloopen, en nog weet het x volk niet, waarom die waardige en verdienstvolle 1 mannen werden weggesleept. Men moet erkennen, dat gt;:de Warschauer politie slechts mildheid kende voor s slechte en ergernis gevende priesters, terwijl zij deugd-
gt;: zame en brave geestelijken onbarmhartig vervolgde.......
xJuist om hun voorbeeldigen wandel haalden zij zich 5 den haat der regeering op den hals.quot;
Tot het einde van zijn leven koesterde P. Hofbauer eene warme liefde voor zijn Polen; twee jaren vóór zijn dood was hij er zelfs ernstig op bedacht, de Congregatie opnieuw in hun land te vestigen. Ook schijnt God hem nu en dan op bovennatuurlijke wijze verlicht te hebben omtrent de lotgevallen van dat land. Op zekeren dag geraakte hij onder zijne dankzegging na de H. Mis als in geestverrukking. Diepe zuchten ontsnapten aan zijn borst, de tranen stroomden over zijne wangen, doch hij sprak geen woord. Eindelijk was het, ot hij uit een diepen slaap ontwaakte, en op een toon, waarin de hevigste smart weerklonk, riep hij uit; »0, ongelukkig Polen! welke srampen hangen u boven het hoofd, welke afschuwelijke «misdaden zullen U ten gronde richten! Gij baadt in »bloed!quot; — Meer kon men niet verstaan. — Meermalen spiak hij echter van een betere toekomst voor dat koninkrijk.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
P. Hofbauer in de Vesting Kiistrin, — Vertrek naar Weenen.
-quot;-quot;•O*\' ©JOTgjgïg-\'gxg) -
Bij het verdrag van Tilsit was bepaald, dat de Franschen in het bezit zouden blijven van al de vestingen, die zij hadden veroverd; zóó nochtans, dat het burgerlijk bestuur der plaats zelve aan de Pruisen werd teruggeschonken. Een dier vestingen nu werd uitgekozen tot het voorloopig ballingsoord der Paters. De droefheid, welke hen had aangegrepen, toen zij, buiten Warschau, van elkander moesten scheiden, zou dus niet van langen duur zijn. De rijtuigen, welke, uit vrees voor het landvolk, verschillende wegen waren ingeslagen, rolden bijna op hetzelfde oogenblik door de zware vestingpoorten het stadje Kiistrin aan den Oder, in Brandenburg, binnen.
Diep ontroerd na zooveel lijden, doch tevens getroost bij zulk een onverwacht wederzien, verdrongen zich allen om P. Hofbauer, die zijne trouwe zonen met innige liefde omhelsde en aan zijn hart drukte.
De aankomst dier vreemdsoortige gevangenen baarde niet weinig opzien onder de Protestantsche bevolking van Kiistrin. »Wie mogen dat toch zijn; welk misdrijf skunnen zulke eerbiedwaardige mannen toch begaan heb-sben; hoe is het mogelijk, dat men die priesters en skioosterlingen uit een Katholiek land heeft verdreven?quot; Deze en dergelijke vragen hoorde men onder het volk
stellen. Van alle kanten drongen de bewoners naderbij, hoezeer de soldaten hen ook trachtten te keeren; zij konden niet van hunne verbazing bekomen, wanneer zij de waardige houding en de hemelsche kalmte dier gevangenen beschouwden. Zulke misdadigers hadden zij nog nooit gezien.
Toen zij hen Duitsch hoorden spreken, werd de belangstelling nog levendiger. »Dat schijnen brave lieden »te zijn, zoo mompelde men, waarom heeft men ze dan a overdreven?quot; — Dan hoorde men weder; »Zoo behan-xdelen wij onze geestelijken niet, zelfs wanneer zij misdaan »hebben.quot; Doch toen het ruchtbaar werd, dat de al te groote ijver voor den godsdienst de eenige misdaad dier geestelijken was, maakte bij die goede lieden het medelijden plaats voor een gevoel van diepen eerbied. ^Onze «geestelijken, zoo zeiden zij tot elkander, zouden uit liefde ivoor den godsdienst nooit zulke offers gebracht hebben.quot;
Ook de regeering had thans eergevoel genoeg, om door eene goede behandeling den zoo diep gehoonden Paters eenige vergoeding te geven.
In de woning, die hun werd aangewezen, vond ieder een behoorlijke kamer, die van al het noodige was voorzien; daarbij was in eene ruime zaal, die zelfs met godvruchtige beelden versierd was, een altaar opgericht, terwijl men hen van alles voorzag, wat vereischt werd tot het lezen der H. Mis. Alle beambten gedroegen zich voorkomend en vriendelijk; ja, men gaf hun het vooruitzicht, dat de Koning van Pruisen in een Katholieke streek van zijn land hun een klooster zou aanwijzen.
Zoodra zij van hun eerste ontroering een weinig waren bekomen, hervatten zij hun kloosterleven in al zijn nauwgezetheid. De beambten lieten hen daarin volkomen vrij, en stonden hun zelfs toe, hunne woning te verlaten, zoodikwijls zij het verlangden.
De deelneming onder het volk nam met den dag toe; de inwoners, die zelf veel van de Franschen moes-
_ - I83 —_
ten lijden, beschouwden hen als deelgenooten in hun lot en kwamen, in altijd grooter aantal, naar de woning der Paters. Wat hen ook vooral aantrok, waren de geestelijke liederen, welke de Paters op bepaalde uren van den dag zongen. Persoonlijk een groot minnaar en bevorderaar der godvruchtige gezangen, had P. Hofbauer, zooals hij zelf verhaald heeft, die gewoonte onder zijne Paters te Küstrin ingevoerd, -om hen opgeruimd en vroo-, lijk te houden, te midden der kwellingen. Wanneer de Protestantsche bevolking naar hen kwam luisteren, en de schildwachten hen met geweld wilden verjagen, zeiden zij: sGij kunt ons toch niet beletten, naar die liederen »te komen hooren !quot;
Zoo mochten de Paters in hun ballingschap nog veel troost genieten; maar P. Hofbauer kende de Pruisen te goed, om veel waarde te hechten aan het gerucht, dat de Koning hem een klooster in zijnland zou geven.
Zijn apostolisch hart bleef echter met dezelfde vurigheid naar geestelijke werkzaamheden verzuchten. Daarom richtte hij zich tot den Aartsbisschop van Gnesen, en schreef hem een brief, waarin hij eerst en vooral zijn warmsten dank uitsprak voor de reeds ontvangene weldaden, en daarna de volgende bede tot hem richtte: »Wordt het ons niet toegestaan, naar het her-stogdom Warschau weer tekeeren, dat men ons dan ministens ons eigendom teruggeve, en ons veroorlove, naar »Saksen of naar den Elzas te gaan.quot;
Doch ook dat strookte niet met de bedoelingen der vijanden. De Paters waren immers niet uit Warschau weggevoerd, om liet tooneel hunner werkzaamheden enkel te verplaatsen, maar om hen geheel te verstrooien en onschadelijk te maken. Zelfs te Küstrin begonnen zij reeds meer invloed te krijgen, dan hun tegenstrevers lief was.
De Protestanten, uiterst gesticht in den voorbeel-digen levenswandel der Paters, gaven reeds onverholen
hun innige toeneiging voor die Katholieke geestelijken te kennen.Zulks wekte in hooge mate de bezorgdheid hunner predikanten op. Herhaaldelijk drongen dezen er op aan, men zou toch die kloosterlingen zoo spoedig mogelijk uit Küstrin doen vertrekken.
Weldra werd aan hun verlangen voldaan. Vier weken waren de Paters in de vesting, toen hun werd aangezegd, dat ieder zich naar zijn eigen geboorteland had te begeven. Welk een verpletterende tijding! Tot nu toe hadden zij ten minste te zamen geleden; thans moesten zij scheiden, en scheiden met het droevige vooruitzicht, dat hun kloostergemeente voor goed was ontbonden, dat zij nimmermeer, onder P. Hofbauers zacht en vaderlijk bestuur, als broeders met elkander zouden leven. Doch ook thans onderwierpen zij zich aan Gods aanbiddelijke raadsbesluiten; met tranen in de oogen vroegen zij een laatsten zegen van hun teerbeminden vader, en trokken dan met een bloedend hart in verschillende richtingen voort.
P. Hofbauer, die met Maarten Stark den weg naar Weenen insloeg, moest zelfs op reis allerlei moei-elijkheden en plagerijen ondervinden. Het paspoort, dat hun was uitgereikt, gaf tot in de kleinste bijzonderheden de route aan, welke zij moesten volgen. Wijl P. Hofbauer echter dagelijks de H. Mis wilde lezen, moest hij somtijds die richting wijzigen, om eene Katholieke kerk te kunnen treffen. In Opper-Silezie nu bracht die afwijking onze reizigers in groot gevaar.
Zij stootten daar op Fransche troepen, en de schildwacht vroeg om hun pas. P. Hofbauer wendt zich tot Maarten, — en deze heeft de papieren verloren. Nu worden zij voor den kommandant gebracht; doch deze toont zich geenszins bereid, de vreemdelingen op hun woord te gelooven. Reeds spreekt hij er van, hen als spionnen te laten neerschieten. Tot hun geluk bevond zich daar een Poolsche officier, die P. Hofbauer herken-
de. Hij begeeft zich naar den kommandant, en verklaart hem te kunnen instaan, voor de vertrouwbaarheid van beide mannen. De vreesel jke bedreiging werd niet uitgevoerd, doch beide reizigers in een naburig klooster bewaakt, tot men van Küstrin het antwoord ontving, dat zij werkelijk met een paspoort afgereisd, doch ietwat van de route waren afgeweken.
Met een scherpe berisping van den kommandant werden zij nu op vrije voeten gesteld.
Het verlies van hun vrijbrief kwam hun echter in Oostenrijk weder duur te staan. Het land, waar Clemens Maria de rijkste zegeningen des Hemels komt aanbrengen, het land, dat hij komt genezen van eene kwaal, welke het reeds jaren lang heeft ondermijnd, ontvangt hem niet welwillend, doch met kleingeestigen argwaan.
Nauwelijks hadden zij de grenzen van Oostenrijk overschreden, of opnieuw werden zij aangehouden. Eerst toen eene Poolsche dame hun uit Weenen nieuwe passen bezorgd had, mochten zij hun reis verder voortzetten. P. Hofbauer hield zich nu een korte poos te Tasswitz op, bezocht daar zijne zuster Barbara, en toonde haar de schoone misgewaden, welke hem uit Warschau, waarschijnlijk door een goeden vriend, waren nagezonden.
Daarop ijlde hij naar de hoofdstad, om er nieuwe werkzaamheden, maar ook nieuwe tegenkantingen te vinden.
Doch met het oog op het onberekenbaar goed? dat deze zwakke, onbekende priester in Oostenrijks hoofdstad, ja in geheel het keizerrijk zal stichten, zullen wij over zijn verblijf aldaar, gelijk over dat in Polen mogen uitroepen: sHet zwakke kiest God uit, om het sterke te beschamen; wat der wereld nietswaardig en verachtelijk schijnt, dat juist kiest Hij uit, om te vernietigen, wat zich onverwinnelijk durft wanen !quot;
JDEI^DE pOEK. Van zijn Aankomst te Weenen
TOT ZIJN
Kostbaren Dood.
1808-1820.
EERSTE HOOFDSTUK.
P. Hofbauer komt te Weenen. — Werkzaamheden der eerste vier jaren.
Het jaar 1808 spoedde reeds ten einde, toen P. Hofbauer te Weenen aankwam. — Waren kwelling en vernedering tot nu toe zijne onafscheidelijke gezellinnen geweest; had hij slechts met hare hulp aan Polen, Duitschland en Zwitserland de weldaden des kruises kunnen schenken; ook thans, dit zou hij al aanstonds ondervinden, moesten veel smart en smaad hem den weg tot de eindoverwinning banen.
Nauwelijks vertoonde hij zich in de hoofdstad, of de politie had de hand reeds op hem gelegd, en hem in verzekerde bewaring genomen. Omtrent verschillende punten moest hij zich opnieuw verantwoorden: \'t was nog niet vergeten, dat hij, jaren geleden, eenige knapen uit Znnïm en 1 asswitz naar Polen medegenomen, en uit eigen beweging het Dominicanerklooster te Krakau had verlaten, om naar zijn klooster te Warschau terug te keeren. Daarbij vond men thans een niet onaanzienlijke som en eenige kerkelijke gewaden bij hem, welke, zoo meenden de heeren, onmogelijk het eigendom van een armen priester en kloosterling konden wezen, \'t Viel P. Hofbauer niet moeielijk, zich omtrent al die aanklachten te rechtvaardigen, en zoo werd hij, te meer daar verschillende hooggeplaatste personen verzoenend tusschenbeide
kwamen, na drie dagen weder op vrije voeten gesteld. Geheel gerust was de politie echter nog niet: althans, nog geruimen tijd hield zij een wakend oog op hem.
Iets dergelijks had wellicht menig ander den moed doen verliezen; in het oog van P. Hofbatier echter was zulk een begin het beste aller voorteekenen. Vol vertrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid, begon hij met voor zich en zijn reisgezel een plaatsje op te zoeken, waar zij, in afwachting van betere vooruitzichten, hun leven in de stilte en de eenzaamheid konden slijten. Voorloopig moet hij in een der voorsteden van Weenen, bij een zijner vrienden, gewoond hebben. Spoedig echter werd hem door Baron Penkler, in de stad zelve, eene woning aangeboden. \'t Was een huisje naast de Italiaansche kerk; de kamer, welke hij bewoonde, lag juist achter het altaar van het H. Sacrament: niets belette hem dus, om zich, gelijk weleer te Warschau, lang met zijnen Jezus te onderhouden. Daarenboven behoefde hij slechts een kleinen gang door te gaan, om de kapel der Aartshertogin Beatrix te bezoeken. Niet slechts maakte hij door den dag van die gelegenheid een veelvuldig gebruik, doch men verhaalde ook, dat hij daar niet zelden een groot gedeelte van den nacht in het gebed doorbracht.
De Rector der Italiaansche Kerk, Luigi Virginio, vóór de opheffing der Sociëteit een ijverig lid van het Gezelschap van Jezus, was reeds sedert vele jaren door innige vriendschap aan hem verknocht. Tot dan toe was deze altijd de tusschenpersoon geweest voor de briefwisseling, welke P. Hofbauer uit Warschau met zijne Oversten te Rome onderhield. Ook met de andere voorbeeldige priesters, welke met de zorg voor die kerk belast waren, zooals Graaf Sineo de la Tour en Don Pietro Rigoletti, alsmede de graven Guicciardi, Lantieri en Stampfer, had Clemens Maria weldra een nauwe vriendschap gesloten. Hoe gaarne zou de ijverige Apostel in die ruime, smaakvol versierde kerk, beroemd om haar heerlijke mozaïek-
voorstelling van het laatste Avondmaal van Leonard! da Vinei, zijne werkzaamheden reeds aanstonds zijn begonnen. Doch de voorzichtigheid gebood hem, vooreerst zoo teruggetrokken mogelijk te leven. Nog altijd werd hij door de politie in het oog gehouden; wilde hij zich niet aan het gevaar van verbanning blootstellen, dan moest hij nog niets ondernemen, dat eenig opzien baren kon. De oorlog tegen Napoleon, welke in 1809 uitbrak, maakte die behoedzaamheid nog noodzakelijker. Den i3den Mei was Weenen in de handen der Franschen gevallen, en deed Napoleon er voor de tweede maal zijn intocht. Den 5den en ótten Juli had de tweedaagsche reuzenslag plaats bij het dorp Wagram, terwijl den 14llen October de vrede werd geteekend. De Fransche overheersching nu in Beieren, Polen en Zwitserland, had P. Hofbauer voldoende geleerd, dat hij, de Vicaris-Generaal, zoo min mogelijk in het openbaar optreden, of hoe dan ook, de opmerkzaamheid op zich moest trekken.
Daar bleef den Missionaris dus niets anders over dan het gebed en de boetvaardigheid; van die middelen maakte hij daarom een des te ruimer gebruik, om naar het voorbeeld van den Goddelijken Zaligmaker in de woestijn, nieuwe krachten te verzamelen voor zijn toe-komstigen apostolischen arbeid. Zijn metgezel. Maarten Stark, bereidde zich daar voor tot het ontvangen van het H. Priesterschap, en ontving den i4dcl1 October 1810, uit handen van den Apostolischen Nuntius Severoli, in diens huiskapel, de heilige wijding.
Het eenige verzet, dat onze kluizenaars zich gunden, was een bezoek aan de bedevaartkerk in de voorstad sMariahilf,quot; waar zij dan hunne lieve Moeder gingen vereeren.
De woning der beide Redemptoristen en geheel hunne levenswijze was zeer armoedig. Wanneer zij niet door een of anderen goeden bekende ter maaltijd genoo-digd waren, moest P. Hofbauer zelf voor zijn keuken
zorgen, welke dan zelden iets anders dan magere spijzen opleverde. Vrijdags en Zaterdags echter deelden zij geregeld de tafel van Meester Weyer, den bakker van de sEisernen Birnequot; waar Clemens twintig jaar geleden, als bakkersgezel gediend had. Dikwijls ook verzocht hen Meester Apprich, een bakker in de Rauhensteinstraat, bij hem het middagmaal te komen gebruiken. Bij die gelegenheden at Pater Hofbauer zeer weinig, doch wist door zijne boeiende en stichtende gesprekken alle aanwezigen zóó aangenaam te onderhouden, dat de dag, waarop hij hen met zijn bijzijn vereerde, voor allen een ware feestdag was.
Zoo leefde hij stil voort, zich geheel verlatend op zijn Hemelschen Vader, die hem ter gelegener tijde zijn nieuwen werkkring wel zou aanwijzen. Zulks geschiedde reeds spoediger, dan Clemens Maria had durven verwachten. In het jaar 1809 stierf Don Luigi Virginio als een slachtoffer zijner naastenliefde. Gelijk voor twee jaar P. Hübl, zoo haalde zich ook deze ijvervolle priester, bij het verplegen van Fransche soldaten, een kwaadaardige koorts op den hals, waaraan hij spoedig overleed, en P. Hofbauer moest, tot de benoeming van een nieuwen Rector, de plaats van zijn vriend innemen. Het bleef echter niet bij een voorloopig optreden. Clemens Caselli, die tot opvolger benoemd was, had reeds een hoo-gen leeftijd bereikt, en zag niets liever, dan dat onze Heilige zich met bijna alle kerkelijke bedieningen bleef belasten.
Zoo was dan Gods Dienaar een nieuwe loopbaan geopend; wel verbood hem nog de voorzichtigheid, openlijk op den kansel te verschijnen, doch èn door de plechtigheden van onzen heiligen godsdienst zoo luisterrijk mcge-lijk te vieren, èn door het zorgvuldig bewerken der biechtelingen, trachtte hij zich daarvoor schadeloos te stellen.
En inderdaad, van de godsdienstige plechtigheden in de kerk der Italianen ging van toen af als eenestem uit, die al de bezoekers diep trof, hen nu eens troostte en
opbeurde, dan weder met een heiligen eerbied en vreeze vervulde. Allen, die den eerbiedwaardige!! priester aan het altaar zagen. Wanneer hij voor het Allerheiligste Sacrament, ter aanbidding uitgesteld, de H. Mis opdroeg; allen, die hem, op Zon- en feestdagen, op plechtigen en indruk-wekkenden toon, de Litanie hoorden bidden, of hem gadesloegen, wanneer hij, bij gelegenheid van het veertigurengebed, in plechtige processie door de kerk trok, om het Allerheiligste van een zijaltaar naar het hoogaltaar over te brengen, allen moesten bekennen, dat die uitdrukking van liefde, van eerbied, van heilige blijdschap, die dan uit zijn gelaat sprak, hunne zielen meer goed deed, dan menige preek, die zij hadden bijgewoond.
Vooral blonk zijn ijver, zijne teedere liefde voor het Allerheiligste uit, wanneer het veertigurengebed gehouden werd. Geen kerk kon wedijveren met de Italiaansche, wanneer het de viering dier plechtige dagen gold. Zelfs toen hij later aan de kerk der Ursulinnen was verbonden, zag men hem op den vooravond van die feestelijkheid zijn woning verlaten, om bij zijn Italianen de noodige toebereidselen voor die schoone dagen te maken. Dan kwam hij zelf de Hoogmis zinge», of minstens het ambt van Diaken of Subdiaken vervullen. Met dien-zelfden luister wist hij het te doen vieren in de kerk der Armeniaansche Benedictijnen, die men gewoonlijk Mechi-tharisten noemt, toen hij omstreeks dienzelfden tijd daar toegang verkreeg.
Ook als biechtvader zien wij hem thans weder optreden. In de Italiaansche kerk hoorde hij zoowel Italianen als Duitschers, terwijl hij zich eiken Zaterdagmorgen naar de kerk der Mechitharisten begaf, om de velen,quot; die daar kwamen, gelegenheid tot biechten te geven, wijl onder die Paters, die voor het meerendeel uit Klein-Azië en Constantinopel waren, geen enkele het Duitsch voldoende machtig was. Daar hield hij dan ook telkenmale een hartelijke toespraak over de Moeder Gods.
13
— 194 —
De naam van sden goeden Pater Hof bauerquot; werd nu hoe langer hoe meer bekend; van alle kanten kwam men zijn hulp en raad inroepen.
\'t Was ook omstreeks dezen tijd, dat zich de kring van jonge lieden om hem vormde, waarover wij later meer zullen zeggen; daar waren er van alle standen der maatschappij. Ieder hunner vereerde hem als een vader, als een, hun door den Hemel toegezonden leidsman; hoe meer zij hem leerden kennen, hoe vertrouwelijker hun omgang werd, des te inniger gevoelden zij zich aan hem gehecht.
Onder de eersten, die toen het geluk hadden, geheel onder Pater Hofbauers leiding te staan, behooren ook de twee gezusters Biringer, die, bij gelegenheid van het proces der zaligverklaring zulke heerlijke getuigenissen van hem konden afleggen. Hun vader had den heiligen priester meermalen aangetroffen in het huis van den bovenvermelden Apprich. De gesprekken, die hij daar met hem mocht voeren, hadden in hem den vurigsten wensch opgewekt, dat zijne kinderen door zulk een man in den godsdienst mochten onderwezen worden. Hij waagde het nauwelijks, dat verzoek aan P. Hofbauer voor te stellen; doch deze toonde zich aanstonds bereid, kwam van toen af geregeld aan hun huis, moest hun zelfs raad geven in hunne tijdelijke aangelegenheden, en bleef tot zijnen dood de biechtvader der geheele familie. Bij hem legden de kinderen hun eerste biecht at, en ontvingen uit zijne hand de eerste H. Communie.
Ook werd de jonge gravin, Carolina Zichy, aar. zijne leiding toevertrouwd. Hij gaf haar het eerste onderricht in den godsdienst, bereidde haar voor tot de eerste Communie, en bleef haar leidsman tot zijn dood. Welk een heiligenden invloed P. Hofbauer op die ziel heeft uitgeoefend, blijkt wel genoeg hieruit, dat zij geheel haar leven en naar verlangde. God in de eenzaamheid van het klooster te gaan dienen. Zij kon echter dien
— i9S —
hartewensch niet bevredigen, wijl een harer tantes haar hulp niet kon missen. Doch nauwelijks was deze in 1866 gestorven, of Carolina, hoewel ruim zestig jaar oud, verkreeg hare opname in het klooster der Visitandinnen te Brussel.
De goede gravin herinnerde zich nog in hare laatste jaren, dat zij voorheen, toen P. Hofbauer zoo schoon wist te spreken over den hemel, met kinderlijken eenvoud gevraagd had, of zij daar ook een schoon kleedje zou krijgen, waarop de goedhartige man lachend had geantwoord: sKleine dwaze, daar gij zijt; het schoonste ^kleedje, dat gij hier op aarde kunt wenschen, zou nog «afschuwelijk leelijk zijn bij de heerlijkheid, die gij in »den hemel zult ontvangen.quot;
Reeds toen bewerkte P. Hofbauer wondervolle bekeeringen, zooals die der gebroeders Veit in uSio; doch daarover later.
Veel bijzonderheden zijn ons uit die eerste jaren van zijn verblijf te Weenen niet bekend. Laat ons daarom dit hoofdstuk sluiten met een getuigenis,- ietwelk ons zal doen zien, in welk een glans zijne deugden hem toen reeds deden schitteren, en hoevelen hij door zijne lieftalligheid tot zich had getrokken.
»In de jaren 1811 en 12, zegt Frans Hemmerichs, kwam ik dikwijls in de Italiaansche kerk, waar Clemens Maria Hofbauer toen Rector was. Zijne nederigheid en godsvrucht hebben mij zoo gesticht, dat ik een engel meende te zien. Gaarne had ik een onderhoud met hem gehad; doch een geheele schaar van jonge lieden, die hem om. gaven, versperden mij den weg. Een man als Hofbauer heb ik nooit gezien, noch te Weenen, noch te Wiirzburg,
mijn vaderstad.quot;
----
TWEEDE HOOFDSTUK.
Clemens Maria wordt benoemd tot Biechtvader der Ursuiinnen. - Kerkelijke toestanden te Weenen.
De vierjarige werkzaamheid in de kerk der Italianen droeg een zoo duidelijken stempel van Gods bijzonderen zegen, dat Clemens Maria zich daardoor het volle vertrouwen en de algeheele toegenegenheid van Monseigneur Sigismond, Graaf van Hohemvarth, Prins-Aartsbisschop van Weenen, had verworven. Toen dan in het jaar 1813 de plaats van zielbestierder der Ursuiinnen was opengevallen, werd hij, door den prelaat voor dien post benoemd.
De geregelde leiding van kloosterzusters behoort niet tot den werkkring, door den H. Alphonsus zijn missio-narissen aangewezen; ook zou het onzen vurigen Apostel een veel aangenamer taak geweest zijn, door missiën en andere geestelijke oefeningen het verlaten volk ter hulp te snellen; hier echter had hij gewichtige redenen, om de hem aangeboden plaats dankbaar aan te nemen. an den eenen kant toch viel er in dien tijd aan missiën niet te denken. Anderzijds zou hij door het bestieren dier zusters onnoemelijk veel goed doen aan tallooze zielen. Zij immers gaven onderricht aan omstreeks duizend kinderen; waren daarbij aan het hoofd eener werkschool, en bestuurden eene inrichting tot het opleiden van onderwijzeressen. De voortgang, dien de zusters zouden maken in de liefde tot God en tot de H. Kerk, moest dus noodzakelijk
w ^ 197 — _
gunstig werken op de velen, die onder hare leiding stonden. Eindelijk was de biechtvader der zusters tegelijk Rector harer kerk, en kon daar preeken en biecht hooren, in één woord, al de priesterlijke bedieningen vervullen.
Den jisten ]\\/[e; 1813, den feestdag der H.Angela Merici, die de Congregatie der Ursulinnen stichtte, aanvaardde hij zijne nieuwe bediening, en betrok een gedeelte van een huis, dat den zusters toebehoorde, en in de Seiler-statte lag.
Verplaatsen wij ons voor een oogenblik in de nieuwe woning van Gods Dienaar: het tooneel van zoo schitterende heiligheid en van zooveel heerlijke wonderwerken is ons bezoek ten volle waardig.
Om haar te bereiken, moeten wij in het oude, onaanzienlijke huis de tweede verdieping beklimmen. Daar vinden wij een zeer gewoon vertrek, met een belendend insteekkamertje; het eerste dient zoowel tot studeerkamer als tot slaap- en eetzaal; het tweede schijnt slechts aangebracht ter bewaring van datgene, wat in het eerste niet geplaatst kan worden. De meubelen van het eenvoudig verblijf zijn spoedig geteld; twee oude kleerkasten, een tafel van gewoon hout, een, reeds tamelijk versleten, canapé, eenige stoelen, een houten bed, een bidbank met kruis- en Mariabeeld, een hangklok zonder waarde, een paar godvruchtige prenten aan den wand, ziedaar alles. Nog eene verdieping boven hem woonde P. Sabelli. Toen deze later naar Zwitserland was teruggekeerd, werd dat kamertje betrokken door P. Stark, die nog voorloopig bij de Italiaansche kerk bleef overnachten, hoewel hij zich overdag gewoonlijk bij P. Hofbauer bevond. Eindelijk was er nog een hoekje voor den jongen Srna, die toen zijne studiën deed, en van P. Hofbauer zijne opleiding ontving. Aan hem hebben wij deze nauwkeurige beschrijving der woning te danken. — Om het klooster, dat in de Joannesstraat gelegen was, te bereiken, moest P. Hofbauer omstreeks honderd passen afleggen.
De kerk, wier bediening hij thans op zich genomen had, gaf niet slechts, gelijk zijne woning, blijken van eenvoud en armoede, maar van volslagen verwaarloo-zing. Slechts door weinigen werd zij nog bezocht; niet dan op de drie grootste feestdagen van het jaar werd er gepreekt; wanneer de priester op andere Zon- en feestdagen voor het H. Sacrament, ter aanbidding uitgesteld, de Litanie bad, was daar nauwelijks een of ander tegenwoordig, die het ïBid voor onsquot; kon antwoorden.
Dat was Gods Dienaar zeer bitter. Met de hem aangewezen woning was hij volkomen tevreden: voor zijn persoon verlangde hij niets meer; maar zulk een kerk, zulk een woning voor zijn Jezus, kon hij slechts met tranen in de oogen aanzien.
En toch, wat Clemens hier moest aanschouwen, was toen reeds tamelijk algemeen geworden; het kenmerkte de ziekte, waaraan Oostenrijk op godsdienstig gebied lijdende was. \'t Stond met de meeste andere kerken van Weenen niet veel beter geschapen: rijkdom van versiering, pracht en luister bij de plechtigheden moest men er niet zoeken; alles was koud en akelig, — en het moest wel zoo wezen. De eeredienst is niets anders dan een openbaring, een uitdrukking van het geloof. Is het geloof aan Christus\' tegenwoordigheid in het H. Sacrament levendig en vurig, dan zal aan het H. Tabernakel de passende eerbied worden betoond; de kerk zal zindelijk en zoo net mogelijk gesierd wezen; de godsdienstoefeningen zullen, zooveel de omstandigheden het toelaten, met majesteit en plechtigheid geschieden. Maar is het geloof verzwakt, zoodat het hart reeds koud en onverschillig is, dan zal de eeredienst er onder lijden, dan zal de koude, naakte tempel een afspiegeling zijn van de leegte in het hart.
Toen Keizer Jozef den troon van Oostenrijk besteeg, was het geloof reeds merkelijk verslapt; Protestanten, zoowel als Gallicanen en Febronianen hadden reeds
groote verwoestingen aangericht. Toch kan men gerust beweren, dat het door en door Katholieke volk van Oostenrijk nooit de prooi van het ongeloof zou zijn geworden, hadde niet de misleide keizer, zonder zich daarvan bewust te zijn, de vijanden der Kerk zoo krachtig in de hand gewerkt. Doch eenmaal gewonnen voor het dwaze denkbeeld eener voogdijschap van den Staat over de Kerk, wierp hij . een vonk uit, welke anderen tot een alles verterende vlam zouden aanblazen.
Het streven en werken van hen, die hun invloed op den keizer uitoefenden, nam weldra in zoo schrikba-renden omvang toe, dat men het een scheuring van de Moederkerk kon noemen. De felste slagen werden nu gericht tegen al datgene, wat de Kerk uitwendig zichtbaar maakt: was haar dat alles ontnomen, dan zou het ongeloof spoedig volgen. Niet meer de Kerk, maar de Staat, niet meer de Paus, maar de Keizer, niet meer de Bisschoppen, maar de ministers moesten den godsdienst regelen. Kloosters, broederschappen en al wat het godsdienstig leven voedt, was bijgeloof en moest verdwijnen.
\'t Was ook een fijne berekening, een waarlijk duivelsche toeleg, dat alle seminariën gesloten werden, zoodat zij, die eene opleiding tot het H. Priesterschap verlangden, zich moesten wenden tot Universiteiten, die hun hoogstens seen rustigen ijveren stille werkzaamheidquot; zouden inprenten, indien zij hun ook al niet alle liefde voor Kerk en Paus ontnamen.
Kerkelijke, zoowel als burgerlijke waardigheden werden slechts geschonken aan hen, die zich het meest door een onkatholieke strekking deden kennen. Eerst dan, wanneer men zich een gehoorzamen dienaar van den Staat getoond had, kon men tot Bisschop of Aartsbisschop worden verheven; en wijl de keizerlijke gezant, Kardinaal Herzan, bij Pius VI met een openlijk schisma gedreigd had, zag de Paus, om grooter kwaad te voorkomen, zich genoodzaakt, de keuze van zulke mannen te bekrachtigen.
De Aartsbisschop van Weenen, Sigismond, Graaf Van Hohemvarth, maakte, wat zijn persoonlijke richting aangaat, op velen der hofbisschoppen een eervolle uitzondering. Met hart en ziel aan Rome gehecht, leidde hij een zeer stichtend leven. Den 2denMei 1730 geboren, trad hij in 1748 in het Gezelschap van Jezus, en verwierf er zich vele verdiensten, zoo door het onderricht der jeugd, als door het geven van missiën. Vijf jaren na de opheffing der Sociëteit werd hij aan het hof van den Groothertog van Toscane geroepen, om Frans I, den lateren Keizer, te onderwijzen. In 1792 werd hij door Pius VI tot Bisschop van Triest benoemd, en zes jaar later naar St. Pölten verplaatst.
Toen in 1803 Kardinaal Migazzi, Aartsbisschop van Weenen, overleden was, riep Keizer Frans Mgr. Hohen-warth tot zich, en knoopte een gesprek met zijn vroegeren leermeester aan. Onder het spreken wees de Keizer op een portret, dat in zijn kamer hing, en vroeg, al schertsend: ^Monseigneur, kent gij dezen Bisschop?quot; jMij dunkt van jaquot;, antwoordde Graaf Hohemvarth, en lachte op zijn beurt; ïhetis de Bisschop van St. Pölten!quot;— yEn toch vergist ge u, hernam de Keizer; het is de «Aartsbisschop van Weenen.quot; Op die wijze deelde hij hem zijne benoeming tot Aartsbisschop mede.
Mgr. Hohemvarth leefde hoogst eenvoudig; geheel zijn inkomen werd onder de armen verdeeld. Daarbij was hij zeer nauwkeurig in het verrichten van al zijne oefeningen van godsvrucht. P. Hofbauer beminde hij met een oprechte liefde; doch vooral diens leerling en vriend, Frederik Zacharias Werner, was zijn vertrouweling en boezemvriend, zoodat hij hem eens een geheel jaar in zijn paleis liet wonen. Tot 1820 bestuurde hij zijn bisdom; den 3ostenJuni van dat jaar stierf hij op gijari-gen leeftijd, korten tijd ria P. Hofbauer.
In weerwil zijner goede en edele hoedanigheden was echter Hohemvarth de rechte man niet, om in zulk
een tijd den eersten bisschopszetel der Oostenrijksche Monarchie te bekleeden. Men vergete niet, dat hij reeds drje en zeventig jaar telde, toen hij tot Aartsbisschop verheven werd; hij kon niet krachtig genoeg optreden, om den verderfelijken stroom nog te keeren, en met het toenemen zijner jaren werd het hem hoe langer hoe minder mogelijk. Wel treurde hij over den ellendigen staat van zaken; doch, allen tegenstand nutteloos achtende, liet hij de regeering begaan, en duldde in alle lijdelijkheid, dat het kwaad met den dag voortwoekerde. Zulk een man viel natuurlijk geheel in den smaak van het Oosten-rijksch gouvernement.
En het kwaad woekerde voort. Wij zeiden het reeds: een in merg en been Katholiek priester, die zich gehecht toonde aan de Kerk en den Paus, behoefde in dezen beklagenswaardige!! tijd niet te rekenen op bevordering tot een leerstoel aan een Universiteit, of tot de waardigheid van Domheer of Bisschop. Zeer gering was het getal van hen, die er rond en onverschrokken voor uit durfden komen, dat zij echt Roomsch waren. Gold zulks ook al niet voor majesteitsschennis, minstens was het domheid en gebrek aan vaderlandsliefde.
Streng Katholieke geschriften kwamen niet meer van de pers, wijl de boekenkeurders alles verwierpen, wat niet met de toenmalige »verlichtingquot; of met de Josefistische opvattingen en besluiten overeenkwam.
Wel werd er dus groote, heldhaftige moed vereischt, om in zulke omstandigheden als een vurig geloovige op te treden. Clemens Maria bezat dien moed. Zonder zich aan de algemeen heerschende richting te storen, verscheen hij in de hoofdstad als een volbloed Roomsch-Katholiek priester,en deed zich in woorden daad als zoodanig kennen.
Dat was een geheel nieuwe verschijning, die niet weinig opzien baarde: dat was een feit, hetwelk hen, die geheelenal met den tijdgeest behebt waren, in woede en wraaklust deed ontbranden, maar ook bij vele anderen
geheel tegenovergestelde gevoelens deed ontwaken. Langzamerhand werd P. Hofbauer als een glanzend middelpunt, om hetwelk de goedgezinde geloovigen zich kwamen scharen; zijn weldadige invloed nam met den dag in omvang toe.
Ue zeven jaren, die hij doorbracht als Rector der Ursulakerk, (1813-1820) moeten de \'vruchtbaarste van geheel zijn leven genoemd worden. Wij zullen wel niet kunnen wijzen op buitengewone en schitterende feiten; alles is bescheiden en nederig; doch zeker is het, dat Weenen en geheel Oostenrijk aan dat bescheiden en nederig werken van Gods Dienaar de verlevendiging van zijn Katholieken geest heeft te danken. In die zeven jaren heeft Clemens Maria zijn groote levenstaak volbracht.
Het avontuurlijke, het ietwat romantische, dat zijn levensloop tot nu toe kenmerkte, gaat thans plaats maken voor het geregelde, het bijna eentonige, dal den gewonen zielzorger eigen is. Daarom zullen wijde verschillende gebeurtenissen niet meer naar de tijdsorde rangschikken, maar dezelve mededeelen als zoovele uitingen van zijn ijver en zijne liefde, om zoodoende een dieperen blik te kunnen slaan in die schoone, heilige ziel.
Om echter een duidelijk denkbeeld te hebben van de levenswijze, die hij thans volgde, dienen wij vooraf de dagorde na te gaan, welke hij dezen tijd gewoon was te onderhouden.
Zeer vroeg in den morgen, gewoonlijk reeds om drie uur, was het tijd van opstaan. Emmanuel Veith, dia tot de vurigste vereerders van Gods Dienaar behoort, en dikwijls in zijne kamer overnachtte, verhaalt ons, dat Clemens dan aanstonds een zijner lievelingsliederen aanhief.
Waren het morgengebed en de meditatie verricht, dan begon hij zijne dagelijksche bezigheden, zomler zich ooit aan ongesteldheid, aan vinnige koude, aan regen of sneeuw te storen. Zelfs het gebruik van een re-
genscherm was hem geheelenal onbekend. Het eerste bezoek was aan zijne kerk. Een- of tweemaal in de week ging hij in de vroegte naar de tamelijk verafgelegene kerk der Mechitharisten in de voorstad Mariafrost. i Dikwijls gebeurde het, zoo verhaalt ons Sebastiaan Brunner i), dat hij in zijnen ijver zich reeds vóór vier uur aan de kerk der Mechitharisten bevond, als deze nog gesloten was; hij wachtte dan geduldig op de trappen van het portaal, tot de koster de kerk kwam openen.quot; Dan hoorde hij het arme volk biecht, en keerde naar de Ursulakerk terug. Daar moest hij geregeld iederen morgen meerdere uren in den biechtstoel doorbrengen. Vooraf zag men hem dan aan den voet van het altaar neerknielen, om zijnen Jezus eenigen tijd te aanbidden, waarna hij de zusters en de andere geloovigen het H. Sacrament van boetvaardigheid toediende. Gewoonlijk las hij de H. Mis om tien uur; was de toeloop der biechtelingen grooter, dan gebeurde het niet zelden, dat hij zijne Mis eerst om half twaalf begon. Na zijne dankzegging begaf hij zich naar zijne woning, om er niet F. Stark en Sabelli verschillende zaken af te handelen, de belangen zijner Congregatie te bespreken, en allen te woord te staan, die hem raad of antwoord kwamen vragen. Tegen den middag werd, gelijk de H. Alphonsus het den leden zijner Congregatie voorschrijft, het bijzonder gewetensonderzoek gehouden en de litanie van Loretto gezamenlijk gebeden. — Het middagmaal werd den Paters uit het klooster der Ursulinnen gebracht. Clemens echter zat nooit met de anderen aan tafel; terwijl hij zijn medebroeders bediende, nam hij het een en ander als in het voorbijgaan; soms liet hij alles onaangeroerd. Daarbij vloeiden van zijne lippen zulke heilige woorden, dat de aanwezigen altijd gesticht en opgebeurd van tafel opstonden.
In de namiddaguren werden de kerken bezocht; dikwijls de Mariahilfkerk, en geregeld die, waar het
i) Ci. M. Hofbaucr en zijn tijd. Uit het Hoogd., bl. 163.
veertigurengebed gehouden werd. Dan ook legde hij zijne bezoeken af bij de zieken, die in de verder afgelegene voorsteden woonden, en bij de schamele huisar-men, die hij van geld en levensmiddelen voorzag.
Meldden zich bij zijne tehuiskomst weder biechtelingen aan, dan ging hij opnieuw naar de Ursulakerk; sommigen zijner leerlingen en vrienden hoorde hij in het vertrekje, naast zijn woonkamer.
\'s Avonds zag men tal van jongelieden, meest studenten, zijne woning binnentreden; dan hadden die bijeenkomsten plaats, die zooveel goed gesticht hebben, en die wij later nog zullen bijwonen. Zoodra de vreemden waren vertrokken, liet hij zich door een der zijnen iets voorlezen uit de H. Schrift, meestal uit het Oude Testament of uit de Handelingen der Apostelen; daarop bleef hij alleen, verrichtte nog eenige gebeden, onderwierp zich — minstens op de dagen, welke zijn kloosterregel hem daartoe aanwees — aan een strenge lijf-kastijding, en begaf zich dan ter ruste.
Zoo leefde hij dag aan dag, geheel toegewijd aan den dienst des Heeren en het heil der zielen. Maar hoe dikwijls gebeurde het niet, dat daarvoor ook de nacht besteed werd: een kranke, een stervende deed een beroep op zijne liefde, en aanstonds was P. Hofbauer bereid, hem den troost te schenken, waarnaar hij verlangde. Had hij den nacht bij het ziekbed doorgebracht, dan begaf hij zich den anderen morgen met evenveel opgeruimdheid naar zijn biechtstoel, als wanneer hij zich de noodige rust had mogen gunnen.
Van deze dagorde werd één- of tweemaal in het jaar afgeweken. Dan hield hij acht dagen lang zijn geestelijke oefeningen, en bleef uren en uren achtereen b j het H. Tabernakel.
Zoo gingen die zeven jaren voorbij, stil en ongemerkt voor het oog der wereld, maar uiterst verdienstvol voor dat van God en zijne Heiligen.
DERDE HOOFDSTUK.
Heldhaftig Geloof van P. Hofbauer,
Nooit ware de arme bakkersgezel van weleer de Apostel van Weenen geworden, zoo niet al zijne woorden en werken bezield waren geweest met het heldhaftig geloof, dat wonderen werkt, met het geloof, dat over alles weet te zegevieren. Talrijk zijn de getuigenissen, in het proces der zaligverklaring afgelegd over het geloof van Gods Dienaar. Wij. behoeven dus slechts daaraan het een en ander te ontkenen, om duidelijk te doen zien, m^t hoeveel recht de heilige Pater Pajalich hem noemde ide helderschitterende en brandende fakkel,quot; die de duisternissen en de lauwheid zijner eeuw verdreef.
»In geheel mijn leven, zoo zegt een der getuigen, heb ik nooit een mensch gekend, die een zoo onwrikbaar geloof bezat als hij. In die dagen was het een zeldzaamheid, vooral bij iemand, die studiën gemaakt had, het echte Roomsch-Katholieke geloof aan te treffen; want geheel de litteratuur was door Rationalisme en ketterij verpest.quot;— P. Hofbauer echter maakte daarop niet slechts een uitzondering, maar zoo vast was zijn geloof, dat men hem niet zelden hoorde zeggen ; sMij dunkt, dat ik voor mijn geloof weinig loon zal ontvangen; want nooit heb ik een bekoring tegen het geloof te bestrijden; ik zou mij geweld moeten aandoen, om een leerpunt
der Kerk in twijfel te trekken.quot; Ja, hij schroomde niet, te verklaren: »Ik ben trotsch, ik ben nog vol ijdelheid, ik ben een zondig mensch; doch ééne zaak bezit ik door Gods genade: ik ben door en door Katholiek; mijn geloof zou ik met niemand willen ruilen.quot; Daarom beschouwde hij het altijd als de grootste weldaad, die God hem had bewezen, dat zijne ouders, en vooral zijne brave moeder, hem zulk een echt christelijke opvoeding hadden gegeven. Dat levendig geloof was hem een tweede natuur geworden, zoo als zijn eigen woorden getuigen: »Ik begrijp niet, hoe een mensch zonder geloof kan leven. Een mensch zonder geloof beschouw ik altijd als een visch buiten het water.quot;
En geen wonder, dat het hem gemakkelijk viel, alles tegelooven: de uitspraken der Kerk beschouwde hij altijd met een bovennatuurlijk oog. Daarom zeide hij: ïWare ik ooit in de gelegenheid, de geheimen van onzen heiligen godsdienst duidelijk in te zien, dan zon ik, om de verdienste van het geloof niet te verliezen, mijne oogen met opzet sluiten. Daarbij heb ik veel meer vertrouwen in de onfeilbare uitspraken der Kerk, dan in mijne oogen: deze immers bedriegen zich zoo lichtelijk, terwijl de Kerk niet falen kan.quot; Hetzelfde gaf hij te kennen, toen hij eens, op eene schilderij wijzend, deze woorden sprak: sik twijfel er veel minder aan, dat er één God en drie Goddelijke Personen zijn, dan ik er aan twijfel, dat er hier eene schilderij hangt.quot;
Die eerbied voor de openbaring Gods en voor de H. Kerk, door welke God tot ons spreekt, gaven hem ook deze schoone woorden in: »Het bestaan van het Christendom is het sterkste en meest afdoende bewijs voor zijne waarheid; de scherpzinnigste bewijsvoering zal nooit zulk een indruk maken als het voorbeeld van iemand, die onwrikbaar vast staat in zijn geloof, en het door de liefde doet werken.quot; De bewijzen, aan het ver-
stand ontleend, waren in zijn oog slechts goed voor beginnenden; de historische bewijzen, waardoor God zich in de geschiedenis heeft geopenbaard, achtte hij veel meer. Het voortbestaan der Katholieke Kerk, te midden van zooveel hevige stormen, als er in 18 eeuwen reeds tegen haar waren losgebroken, gold hem een zoo treffend bewijs harer waarheid, dat hij klagend uitriep: Wat moeten de ongeloovigen toch veel gelooven, om niet te gelooven.quot;
Uit het geloof en uit de gebruiken der H. Kerk putte hij ook alles, wat hem voor de bekeering en de leiding der zielen ten dienste stond. Niet, dat hij de menschelijke kennissen en wetenschappen minachtte, maar wijl hij overtuigd was, dat de wetenschap der Heiligen de eereplaats moet innemen. Dikwijls maakte hij het woord van den Psalmist tot het zijne; »Quoniam non cognovi littc-raturam, introibo in potcntias Domini\\ wijl ik mijne wijsheid niet heb geput uit de boeken, zal zich de macht des Heeren in mij openbarenquot; (Ps. 70. 15.).
En inderdaad, die nederigheid, waarmede hij zijn verstand aan het geloof gevangen gaf, die eenvoud, waarmede hij wist te gelooven, bleef niet onbeloond; zijn geest werd door het goddelijk licht zoo rijkelijk overstroomd, dat men een buitengewonen schat van kennis in hem bewonderde. Hooren wij nogmaals de getuigenissen, daaromtrent afgelegd.
In zijne jeugd had hij slechts korten tijd gestudeerd; zijn leven als bakker en kluizenaar zou wel doen gelooven, dat hij de reeds verworven kennissen weder had verloren. Wijsbegeerte en Godgeleerdheid had hij als in der haast doorloopen. Hoe komt het dan, dat hij zoo grondig onderwezen was? De geleerdste mannen legden hem hunne moeielijkheden en twijfels voor, en hij wist alles op afdoende wijze te beantwoorden. — Werd hem een geschrift voorgelezen, of een stelling uit een boek medegedeeld, aanstonds wist hij, wat juist, wat onjuist was.
Èn, als om achter een schertsend woord het licht, dat hem was medegedeeld, te verbergen, liet hij er dan op volgen: »Ik heb een Katholieken neus.quot; —
Nog vele andere, gelijkluidende verklaringen werden door de meest ontwikkelde mannen over die kennis van P. Hofbauer afgelegd. Wij zullen er ook duidelijke blijken van zien in het vervolg dezer levensgeschiedenis; doch één getuigenis willen wij nog aanhalen. Het is dat van den kanunnik Veith, wiens scherpzinnigheid overal geroemd werd; »Letterkundige en poëtische producten, zegt deze, geleerde hypothesen, dogmatische bespiegelingen en mystieke verhandelingen wist hij met bewonderenswaar-digen spoed en met buitengewone schranderheid te beoor-deelen. Hij kon het ons niet verbergen, dat alles getoetst werd aan die wetenschap, welke hij langs bovennatuur-lijken weg ontvangen had. Ik zou het kunnen bewijzen door verschillencie gezegden, die hem als onwillekeurig zijn ontsnapt, waarbij hij dan gewoonlijk met den vinger naar den hemel wees.quot;
Uat zulk een geloof ook invloed had op zijn hart, op al zijne neigingen en verlangens, kan niemand onzer verwonderen. —
Overal, tot in de druk bezochte straten van Weenen, was hij met God bezig. Zelf bracht hij in oefening, wat hij anderen zou leeren: «Wanneer de straten vol menschen zijn, denk dan aan het rumoer te Jeruzalem, toen onze Goddelijke Zaligmaker naar Pilatus en Herodes gesleurd werd.quot; sWanneer gij een kamer binnenkomt, herinner u dan, hoe Caïphas den Heiland met een spottend gezicht ontving, en Hem toeriep; sZoo, groote Meester, hebben wij u eindelijk?quot; — Zoowel te huis, als buiten bad hij zijn Rozenkrans, dien hij onder zijn mantel in de hand hield. Was hij met een ander uitgegaan, dan nog werden alle oogenblikken, waarin het gesprek niet werd voortgezet, aan zijn geliefkoosd gebed besteed. Toen hij eens, in gezelschap van P. Kral, een zieke ging bezoeken, liep
209
hij een poos zwijgend en ingetogen voort. Toen sprak hij: AVeet gij, wat ik doer — Jk bid den Rozenkrans.quot; Op die wijze verzocht hij hem, hetzelfde te willen doen. Gaarne ook bad hij onderweg den Rozenkrans des Heeren, namelijk 33 Onze Vaders ter eere der 33 jaren, welke Christus hier op aarde doorbracht.
Uit eerbied voor Gods H. Tegenwoordigheid en voor die der HH. Engelbewaarders ging hij \'s zomers zoowel als \'s winters slechts gedekt met een zwart mutsje. Eindelijk, om zijnen God toch niet te vergeten, beijverde hij zich, de goede meening voortdurend te zuiveren en te vernieuwen.
Ten slotte moge als blijk van zijn vurig en levendig geloof nog gelden de ijver, waarmede hij het schoone gebed door den druk verspreidde, hetwelk ook hier te lande bij duizenden bekend is, en begint met de woorden: gt;;0 mijn Verlosser, zou dan het vreeselijk uur ziin aangebroken, waarop Gij nog nauwelijks eenige Christenen kunt vinden, in wie het geloof levendig is?quot;
Aan dat heerlijke gebed willen wij ééne zinsnede ontkenen, welke de gevoelens, die P. Hofbauers hart vervulden, zoo juist kenschetst: »Laat ziekte ons treffen, droefheid ons overvallen, rampspoed ons ternederslaan, maar behoud ons in het heilig geloof. Zoolang die kostbare gave ons niet ontbreekt, zullen wij alle moeielijkheden blijmoedig verdragen, zal niets in staat zijn, ons gelukte storen.quot;
li
VIEBDE HOOFDSTUK.
Zijne Godsvrucht tot de Geheimen der Verlossing.— Zijn IJver voor den Eeredienst.
Als zoovele geurige bloesems spruiten uit het leven des geloofs de verschillende devoties voort, die wij ten allen tijde door de heiligen zien hooggeschat en beoefend worden. Verscheiden zijn zij al naar den stand, het karakter en de neigingen van ziel. Wat P. Hofbauer aangaat, kan men zeggen, dat hij, als een waar lid van de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers, de geheimen der Verlossing als het voornaamste voorwerp zijner godsvrucht beschouwde.
Zij, die het geluk hadden, tot de naaste omgeving van den heiligen man te behooren, konden het getuigen, dat zijne liefde voor het Kindje Jezus teeder en vurig was. Een blik op de kribbe was voldoende, om in zijn hart de levendigste gevoelens van vreugde, van dankbaarheid en medelijden op te wekken.
Vooral tijdens den Advent en de heilige dag;n van Kerstmis waren al zijné gedachten voortdurend op het groote geheim der Menschwording gericht. Dat bleek uit al zijne gesprekken, dat bleek uit die bezielde toespraken tot het volk, waarin hij het liefdevuur, dat zijne ziel doorgloeide, aan anderen trachtte mede te deelen. Dan wist hij met een heilige blijdschap de zielsverheffende gedachte te ontwikkelen, dat de Zoon van God door
zijne menscWording het menschelijk- geslacht tot boven de engelen heeft verheven. Dan sprak hij tot zijne talrijke • toehoorders: »A\\reet gij, waarom op het Kerstfeest door siederen priester de H. Mis tot driemaal wordt opge-»dragen? Het is, om de drievoudige geboorte des Ver-»lossers te eeren. De eerste Mis wordt opgedragen te s middernacht; zoo eeren wij de eeuwige geboorte van »den Zoon uit zijnen Hemelschen Vader, wijl die ge-y\'ooorte volstrekt onbegrijpelijk is voor het geschapen ^verstand, en daarom in volslagen duisternis gehuld. »Tegen het aanbreken van den dag begint de tweede »Mis; de duisternis begint dan reeds te wijken voor de »eerste morgenstralen; zoo is de geboorte van Christus in »den tijd uit de zuivere Maagd Maria gedeeltelijk vat-sbaar voor ons verstand. Eindelijk wordt de derde Mis «gezongen tegen den middag, als alles licht en helder is; «daardoor eeren wij de geheimzinnige geboorte van fezus «in onze harten; die geboorte grijpt plaats in ons bin-«nenste; wij gevoelen haar, wij genieten haar, wij weten, »wat die geboorte is.quot;
P. Hof bauer raadde een zijner kloosterzusters aan, gedurende den Advent eenige bepaalde oefeningen te verrichten. Wij zullen daaruit des te beter leeren, hoe hij in zijne eigene ziel de gedachte aan het Goddelijk Kind wist te verlevendigen. «In de dagen van den Advent, zoo zeide hij, moet gij op de eerste plaats dikwijls uw geloof in het geheim der Menschwording vernieuwen. Vervolgens moet gij in die dagen Jezus in het H. Sacrament trachten te aanbidden met diezelfde gevoelens van godsvrucht, waarmede Maria Hem aanbad, toen zij had ontvangen van den H. Geest. Vooral moet gij u daaraan herinneren, wanneer de priester onder de H. Mis de knie buigt bij de woorden: y- Et incaniatus est de Sjgt;iritu Sancto.quot; — Dikwijls door den dag moet gij acten van dankbaarheid verrichten: jegens den Vader, wijl Hij ons zijnen Zoon heeft gezonden; jegens den Zoon, wijl Hij voor
212
onze verlossing mensch wilde worden; jegens den H. Geest, wijl door zijne kracht de Maagd Gods Moeder werd. — Dan moet gij op uw knieën vallen, zoodikwijls gij de klok hoort luiden, een hartelijk Wees Gegroet bidden en al die acten nog eens herhalen. — Ook moet gij niet verzuimen, vooral op de Vrijdagen van den Advent, eenige verstervingen te doen. — Eindelijk moet gij iederen morgen u zelve geheel en al aan God opdragen, in veree-niging met het offer, dat Jezus gebracht heeft, en dooiden dag dikwijls dat gedeelte van den Rozenkrans bidden, waarin wij aan de blijde geheimen der Verlossing worden herinnerd.quot;
De godvruchtige prenten waren sinds jaren in onbruik geraakt. Om de devotie van het volk op quot;e wekken, liet P. Hofbauer twee staalgravuren vervaardigen: eene van het Kindje Jezus, eene andere van het H. Hart, welke hij onder de Katholieken trachtte te verspreiden.
Van Jezus\' kribbe ging Gods Dienaar zoo gaarne tot Jezus\' kruis. Van het oogenblik, waarop zijne godvruchtige moeder hem over den dood zijns vaders had getroost, door hem te wijzen op dien anderen, teederen Vader, die zich geheel voor ons slachtofferde, was de gedachte aan den lijdenden Jezus niet meer uit zijnen geest geweken. Zijne overwegingen over Jezus\' kostbaar Bloed, over de vijf heilige Wonden en het Goddelijk Hart waren hem een onuitputtelijke bron van de zoetste aandoeningen. Gaarne prentte hij zijn hoorders in, dat door de vereeniging met Jezus\' handelingen en lijden, al ons lijden, alle, ock de geringste handelingen geheiligd worden. Niet zelden is het gebeurd, dat hij bij het bespreken van Christus\' lijden zijn gevoel niet meer kon overmeesteren: tranen van medelijden ontsprongen dan aan zijn oog,terwijl hij luid snikkend zijne toespraak onderbrak.
En welke heerlijke bewijzen gaf hij niet van zijne liefde en zijne godsvrucht tot het H. Sacrament! —•
— 213
Reeds zagen wij, hoe hij als jongeling den geheelen Zondagvoormiddag in de Salvatorkerk te Weenen doorbracht, om den priesters de H. Mis te dienen. Wij zagen hem te Warschau en later in de Italiaansche kerk te Weenen uren achtereen, gt;;oo des daags als des nachts, voor het H. Tabernakel in aanbidding neergeknield; wij hoorden P. Zcech van hem getuigen, dat hij op het oogenblik der Communie zijne liefdetranen niet kon weerhouden.
Welnu, de verklaringen omtrent dit punt in het proces der zaligverklaring afgelegd, toonen ons. dat die godsvrucht tot het Allerheiligste, wel verre van te verflauwen, met den dag al vuriger werd. Men behoefde hem in de kerk slechts te bespieden, wanneer hij, bij het voorbijgaan van het tabernakel, zijne kniebuiging maakte, om zich te overtuigen, dat zijn hart van liefde voor Jezus vervuld was. Wanneer hij op de dagen van het veertigurengebed de verschillende kerken bezocht, waar het Allerheiligste ter aanbidding stond uitgesteld, wanneer hij in eene processie het H. Sacrament in zijne handen droeg, of Ons Heer naar een zieke moest brengen, geleek hij niet meer op een mensch, maar op een zalige des hemels, op eene bovenaardsche verschijning: dan straalde uit zijne oogen die gloeiende liefde, welke zijn hart verteerde, dan waren allen diep getroffen en gevoelden het vuur der liefde in hun eigen harten verlevendigd.
Jezus moest bemind en vereerd worden in het Allerheiligste Sacrament: daartoe wilde P. Hofbauer bijdragen, zooveel hij vermocht.
Den zusters, met wier leiding hij belast was, beval hij met nadruk aan, elk uur van den dag het schietgebed te doen: tGe/ooJd en geprezen zij /iet AllerJi. Sacrament des Altaars door mij en door alle schepselen nu en in eeuwigheid.quot; Allen ried hij aan, het Allerheiligste toch dikwijls te bezoeken en gaarne de geestelijke Communie te verrichten; daardoor, zoo zeide hij, blijft de ziel altijd
met God vereenigd. Hij voerde het schoone gebruik in, om eerbiedig het hoofd te ontblooten, zoodikwijls men eene quot;kerk voorbijkomt.
Vooral voor de plechtige aanbiddingsdagen heeft zijn ijver rijke vruchten voortgebracht. Wij wezen er reeds op, wat hij in zijne eigene kerk en in die der Mechitharisten daarvoor deed. Wij willen echter hier ter plaatse ook vermelden, wat Maria Cecilia Choloniewska, die uit Polen afkomstig, Gods Dienaar ook te Weenen heeft gekend, nog verhaalde omtrent de kerk van St. Benno, te Warschau : ïBezield door het verlangen, dat Christus in zijn H. Sacrament zooveel mogelijk zoude vereerd worden, voerde hij met zijne priesters de plechtige aanbidding te Warschau in. Vóór zijne aankomst: werd Jezus daar dikwijls vergeten, en vond men er over het algemeen weinig godsvrucht. En de dagelijksche aanbidding, die -hij in de St. Benno zoo plechtig mogelijk liet houden, bracht bij het volk dier groote stad weldra de heerlijkste vruchten voort. De talrijke menigte, waaronder menschen van allen stand, werd door die oefening, zoo verheven en zoo liefelijk tevens, diep getrofifen. De priesters verklaarden in hunne toespraken de onbeschrijfelijke waarde dier godsvrucht, en maakten zoo den goeden indruk duurzamer. De biechten en communiën, die tot dan toe slechts zelden geschiedden, werden nu talrijk.quot;
Het dikwijls ontvangen der H. Communie was toen ook te Weenen, vooral onder de studenten, iets zeer buitengewoons. Ook daarin wist P. Hofbauer verbetering te brengen. Vele jonge lieden, die zich onder zijne leiding hadden gesteld, leerden van hem, dikwijls tot de HH. Saramenten te naderen. Daardoor heeft Clemens niet weinigen er toe gebracht, aan de wereld vaarwel te zeggen, en God als priester te gaan dienen.
En wat hij door zijn woord inprentte, dat verhoogde en bevestigde hij door zijn voorbeeld. Een der Ursulinnen schrijft over hem: sNiet slechts zijn verschijnen op den
kansel, maar geheel zijn priesterlijk leven heeft er onnoemelijk veel toe bijgedragen, om de godsdienstigheid in onze kerk te doen herleven. Zijn optreden was zoo waardig en indrukwekkend, dat eenieder zicli tot eerbied en godsvrucht gestemd voelde. Wanneer hij door de kerk ging, stonden allen onwillekeurig op, en staarden hem met bewondering na. Begaf hij zich in priestergewaad naar het altaar, om de H. Mis te lezen, dan verscheen hij werkelijk als Gods plaatsbekleeder, vol majesteit en waardigheid; dan was hij als een serafijn, die voor zijnen God verschijnt en geheel verslonden is in de beschouwing der oneindige volmaaktheden.quot;
Wanneer men de verschillende getuigen hoort spreken, over de wijze, waarop hij de H. Mis las, dan ziet men duidelijk, welk een machtigen indruk hij op alle aanwezigen maakte.
Zij zeggen ons, dat hij zelfs niet om ziekte zou verzuimd hebben het H. Offer op te dragen; dat hij, zonder ooit de voorschriften der Kerk omtrent de rubrieken ook maar in liet minst te overtreden, zonder ooit in iets gemaakts te vervallen, zóó wist te stichten, dat mannen van erkende deugd en braafheid, dat priesters zelfs naar de Ursulakerk heenkwamen, om bij zijne Mis tegenwoordig te zijn. Zijne vereerders en vrienden drongen dan tot zoo dicht mogelijk bij het altaar, om des te beter van dat heerlijk schouwspel te genieten, terwijl jongelieden uit den deftigsten stand het voor een groot geluk rekenden, wanneer zij hem aan het altaar mochten dienen.
Vooral na de Consecratie en gedurende zijne dankzegging moet zijn levendig geloof van zijn gelaat hebben afgestraald; dikwijls geraakte hij gedurende zijne dankzegging in een werkelijke geestverrukking, en antwoordde niet op de vragen, die men hem stelde. —
s\'t Is thans 44 jaren geleden, zoo zegt een der getuigen, dat ik hem na de preek de H. Mis zag beginnen. Maar het beeld van dien man, zooals hij daar aan den
voet van het altaar zijn Confiteor wist te bidden, staat mij nog levendig voor den geest.quot;
Ja waarlijk, P. Hofbauer beminde zijn Jezus vurig; maar daarom ook beminde hij den luister van Gods huis.
Toen hij tot Rector der Ursulakerk benoemd werd, vond hij alles verwaarloosd en onzindelijk; de misgewaden waren oud en versleten; de altaren, van alle sieraden ontbloot. Dat mocht zoo niet blijven. Aanstonds moest de kerk gereinigd en weder frisch gewit worden; en Gods Dienaar ontzag zich niet, daarbij zelf een behulpzame hand te bieden. Daarop wendde hij zich tot zijne weldoeners, om nieuwe kerkgewaden en sieraden voor het altaar te kunnen koopen. — In Oostenrijk was het getal kaarsen voor de stille Mis, voor de plechtige Mis en voor het veertigurengebed bij de wet bepaald. In alle kerken werd dat voorschrift met een angstige nauwgezetheid opgevolgd; — doch niet in de kerk van I\'. Hofbauer. Zulk een wet kon onmogelijk in geweten verplichten; zij was veeleer een onteering van het Allerh. Sacrament; daarom stoorde zich de onverschrokken ij veraar niet aan de kleingeestige bedilzucht der regeering, maar deed al het mogelijke, om den luister der plechtigheden te verhoogen. Nergens werden de feesten zoo heerlijk gevierd als in de St. Ursula; het echte. Katholieke gevoel ontwaakte spoedig bij het volk; van alle kanten kwam men Clemens te hulp, zoodat hij weldra bloemen en kaarsen in overvloed had, waarmede hij dan zelf zijne altaren ging versieren.
Zoo mocht hij er in slagen, aan de verschillende feesten van het jaar hun echt Katholiek karakter weer te geven. In de Goede Week verzocht hij altijd eenige seminaristen, naar zijne kerk te willen komen, om zoodoende op eene waardige wijze de grootsche kerkelijke plechtigheden te kunnen verrichten. — In de octaaf vr.n H. Sacramentsdag hield hij dagelijks eene plechtige processie door de kerk; dan zong het volk geestelijke
liederen ter eere van het Allerheiligste, en als hij, dan ten slotte het Tc Deuvi aanhief, zetten a! de aanwezigen dat jubellied voort. Voor de processie bij gelegenheid van het veertigurengebed kwam de Apostolische Nuntius dikwijls naar de St. Ursula, om het Allerheiligste te dragen.
Dat alles nu was voorzeker eene groote voldoening voor Clemens Maria, het was een behoefte voor zijn brandend hart, doch tevens bewerkte hij daardoor, dat zijne kerk, weleer zoo onbeduidend en zoo weinig aantrekkelijk, voortdurend meer bezocht werd. Van alle kanten stroomde men naar de godvruchtige St. Ursulakerk; den geheelen voormiddag was zij druk bezet; nergens werden zooveel biechten gehoord, zooveel communiën uitgedeeld.
Vele priesters, aangetrokken door het lieftallige van dat kerkje, en wellicht meer nog, om bij een zoo heiligen priester hunne biecht te kunnen spreken, kwamen daarheen, om de H. Mis te lezen. Onder hen zag men dikwijls den Apostolischen Nuntius, zoowel als Dr. Greif, den gouverneur van den jongen prins Friedrich Schwar-zenberg, die zijn leermeester dan zelf de Mis kwam dienen. Ook Kardinaal Rudolf, de broeder van Keizer Frans I, wilde daar nt/g eens de H. Mis lezen, alvorens naar Olmütz te vertrekken, terwijl prins Odescalchi, die later kardinaal en eindelijk Jezuïet werd en die in geur van heiligheid is gestorven, toen hij eens te Weeneii kwam, Gods Dienaar aanstonds ging opzoeken, bij hem biechtte en de H. Mis las in de kerk der Ursulinnen.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Clemens Maria, een vurig Vereerder van de Allerzaligste Maagd en van de Heiligen. Zijne Liefde voor de Zielen in het Vagevuur.
--«-quot;V @7Dquot;^g^g):©vlt;§7-nTr^\'i-
P. Hofbalter beschouwde den H. Alphonsus als zijn vader en zijn toonbeeld. Kan het ons dan verwonderen, dat wij in hem eene teedere godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd zullen aantreffen? —
Haar loven en prijzen, dat was zijn hoogste genot; haar lof van den preekstoel verkondigen, dat scheen hem eene zaligheid; dan meende men een heiligen Bernardus te hooren, zoo gemakkelijk, zoo vloeiend, zoo vol leven en bezieling was zijne taal. Toen hij eens over Maria\'s grootheid had gepreekt, riep hij, in de sacristie teruggekomen, eensklaps uit: »0, hoe schoon zijt gij, mijne swelbeminde, hoe schoon zijt gij!quot; — Voorzeker, zulk een preek moest voortgekomen zijn uit de volheid des harten!
Op den preekstoel zoowel als in den biechtstoel drukte hij allen op het hart, de machtige en liefderijke tusschenkomst van Maria toch dikwijls in te roepen. In een zijner toespraken riep hij, op den toon van overtuiging, die hem zoo eigen was, zijnen hoorders toe: Mocht er jzich onder u iemand bevinden, die het geloof verloren »heeft of zich zwak in het geloof gevoelt, voor hem sweet ik een krachtig middel. Dagelijks bidde hij geknield
seen Wees Gegroet; wanneer hij zulks met godsvrucht en «nederigheid verricht, zal de vrede weldra in zijn hart ïterugkeeren.quot;
Zóó ver ging zijne teergevoeligheid, waar het den eerbied voor de Allerzaligste Maagd gold, dat het hem hinderde, wanneer iemand haar eenvoudig s Mariaquot; noemde. Toen eens in zijne tegenwoordigheid aldus over zijne lieve Moeder gesproken werd, vroeg hij, of men wellicht Maria van Egypte bedoelde..
De Onbevlekte Ontvangenis en de smarten zijner hemelsche Moeder waren vooral het voorwerp zijner vereering; doch zijne geheel bijzondere liefde was voor het geheim der Boodschap des Engels, wijl daarin zoowel de menschwording van Christus als het moederschap der H. Maagd vervat zijn. Vandaar zijn groote nauwgezetheid, des morgens, des middags en des avonds het Engel des Heeren te bidden. Het Angelusklokje, zooals wij later zullen zien, zou hem eenmaal het teeken worden, om deze aarde met den hemel te verwisselen.
Op het voorbeeld van den H. Alphonsus riep hij haar ook gaarne aan onder den titel van sO. L. V. van Goeden Raad.quot; En Maria wist haren dienaar op duidelijk zichtbare wijze voor te lichten; verschillende familiën wendden zich in moeielijke omstandigheden tot P. Hof-bauer, en allen konden zich geluk wenschen, zijn raad te hebben ingevolgd.
Geheel karakteristiek was zijne liefde voor den Rozenkrans. Dezen noemde hij ïzijn bibliotheek,quot; wijl hij bij dat gebed het leven en het lijden van Jezus en Maria overwegen, en daaruit rijkelijk stof voor zijne preeken kon putten. Bijna voortdurend, zelfs op straat en in den biechtstoel, hield hij den kleinen rozenkrans, dien hij van Pius YII ten geschenke had ontvangen, tusschen zijne vingeren. Toen hij dit kleinood eens verloren had, smeekte hij de zusters, zij zouden bidden, dat hij het mocht wedervinden. Zuster Thaddea vónd het werkelijk, en
toen zij het P. Hofbatler overhandigde, sprak deze vol vreugde: rZoo hebt gij mij geholpen, de zondaars te jbekeeren; want zoo dikwijls ik voor een zondaar den ^rozenkrans gebeden heb, verkreeg ik ook zijne bekee-sring.quot; — Met een gelaat, stralend van vreugde, zei hij meermalen tot de zusters: sDe Heer heeft mij weder ueene ziel geschonken, voor welke ik den Rozenkrans »gebeden hebquot;; en dan vermaande hij haar opnieuw, hem door het rozenkransgebed in het bekeeringswerk te ondersteunen. Werd hij naar een verstokten zondaar geroepen, die sinds 30 of 40 jaar niet meer gebiecht had, dan nam hij zijn geliefkoosd wapen met verdubbelden ijver ter hand.
De jonge lieden, die zich onder zijne leiding stelden, ontvingen van hem kleine rozenkransen, die zij ongemerkt ook op straat konden bidden. Dan ried hij hun aan, zulks vooral des avonds te doen, om alle bekoringen tegen de H. Deugd, waaraan men in de groote steden op het late avonduur zoo licht wordt blootgesteld, te kunnen overwinnen. sHet is mijne overtuiging, sprak een der getuigen in het proces, dat Gods Dienaar zoodoende tallooze zonden voorkomen, en menige ziel gered heeft.quot;
Het bezoeken der groote bedevaartplaatsen behoorde ook tot zijne gëliefkoosde devoties. -Reeds vroeger was hij te Loretto, Altöttung en te Maria Schoosberg in Hongarije geweest; van Weenen uit deed hij bijna elk jaar, in gezelschap van eenigen zijner leerlingen, een bedevaart naar * Maria Zeil,quot; in de bergachtige streken van Stiermarken.
Het gezelschap en zijne reeds klimmende jaren vorderden thans, dat de weg in een rijtuig werd afgelegd; maar overigens geleek zulk een tocht in alles op die zijner jonge jaren. Bijna aanhoudend werd er gebeden; het gebed werd slechts onderbroken door een stichtend gesprek of een godvruchtig Marialied. Bij den aanblik
van het heiligdom, op het gezicht der godvruchtige ge-loovigen, die daar baden en zongen, geraakte hij als in verrukking.
Toen zij eens de groote bedevaartkerk waren binnengetreden, in wier midden de Moeder-Gods-kapel zich bevindt, troffen zij er talrijke scharen van pelgrims aan, die uit verschillende landen daarheen waren gekomen. Sommigen zongen Dnitsche, anderen weder Bo-heenische,nog anderen Slavonische en Italiaansche liederen, en wachtten aldus geduldig af, tot ook zij op hunne beurt in het kapelletje voor het Mariabeeld konden neerknielen. Dat gezicht greep Gods Dienaar zoozeer aan, dat hij, jubelend van vreugde, tot de omstanders zeide; sLaat snu de geleerden onzer eeuw hier optreden, om mij te ^zeggen, wat het volk heelt bewogen, van zooverre naar xdeze eenzame bergen te komen, en zooveel vermoeienis sen inspanning te verduren. Wie dwingt hen daartoe? — »\'t Is de kracht van het geloof, de kracht van den »Katholieken godsdienst; de philosophen zouden met al shun bewijsgronden niemand kunnen bewegen, een enkelen sstap buiten het huis te doen. Wat zou het een vreugde szijn voor den Heiligen Vader te Rome, wanneer hij met ?,eigen oogen dit geloovige volk hier zien kon. Hij zou xweenen van blijdschap. Die triomf van den godsdienst szou hem tot grooten troost verstrekken.quot;
Gaarne bracht hij ook een bezoek aan de schatkamer der kapel. Die verschillende geschenken, waaronder niet weinige van keizers en koningen, spraken hem van het geloof, het vertrouwen en de liefde der pelgrims, en verhoogden zijne reine vreugde. Die blijde stemming, waarin hij geheel de pelgrimsreize doör verkeerde, gaf zich somtijds lucht in luide jubelkreten. Eens zaten zij. aan tafel te Liliënfeld, waar zij zouden overnachten, toen Clemens plotseling een zijner Marialiederen aanhief. Met gesloten oogen, als geheel buiten zich zeiven, zong hij voort, tot geheel het lied ten einde was.
Zijn apostolisch hart dreef hem ook aan, de belangen der pelgrims zooveel mogelijk te behartigen. Eens trof hij op zijne reis naar »Maria Zeilquot;, ongeveer honderd bedevaartgangers aan in de kleine kerk te Dornau. Hoe gaarne had hij voor hen de H. Mis gelezen! Wijl hij echter die ontmoeting volstrekt niet had voorzien, was het hem niet mogelijk. Nu trachtte hij zulks te vergoeden, door zoovelen hij vermocht, in den biechstoel behulpzaam te zijn.
Onder de andere heiligen, die P. Hofbauer met voorliefde vereerde, bekleedde de H. Jozef, gt;gt;de Vader der armen en der weezen, de Helper in lederen nood.quot; eene eereplaats. Dan kwam de H. Anna, de moeder der Allerheiligste Maagd; insgelijks de Apostelen, ïde «Vaders der Kerk, die door hun bloed het geloof x hebben bekrachtigd;quot; de H. Catharina van Siëna, die zooveel gedaan heeft voor den Paus en daardoor voo.quot; de geheele Kerk; de H. Athanasius, die moedige kampvechter voor de zuiverheid van het geloof, wiens groote daden en nog grooter kwellingen hij zoo gaarne aan de zusters verhaalde. Ook bad hij dikwijls tot de H. Clara van Montefalco, wier lichaam reeds zoovele eeuwen lang ongeschonden is gebleven, en de H. Barbara, de patrones der stervenden. Eindelijk beschouwde hij de HH.Aloisius en Stanislaus Kostka als de toonbeelden en de beschermers zijner zuiverheid. In de octaaf van het feest van den H. Stanislaus ging hij jaarlijks de H. Mis lezen in het vertrek, waar die heilige jongeling uit de hand van een engel de H. Communie had ontvangen. Als biechtvader nam hij dikwijls zijn toevlucht tot den H. Joannes ïJepomucenus, den Martelaar van het biechtgeheim.
Eene bijzondere vermelding verdient zijne warme liefde en kinderlijke godsvrucht tot den H. Alphonsus. De deugdên van zijn grooten vader trachtte hij na te volgen, diens Congregatie zooveel mogelijk uit te breiden, diens geschriften overal te doen kennen. Hem nam hij
tot voorbeeld, wanneer hij het woord van God verkondigde, wanneer hij arbeidde aan de bekeering der zondaars. De zaligverklaring van Alphonsus in 1816, waarnaar hij zoo vurig verlangd had, vervulde hem met een onuitsprekelijke blijdschap. «Ik doe al wat ik kan, schrijft »hij aan den Procurator Generalis te Rome, om zijne »glorie te verhoogen. Wij houden ter zijner eere godsvruchtige oefeningen. Wij laten prenten en boeken »drukken, opdat God verheerlijkt worde door de ver-xeering van zijn dienaar, onder wiens hoede wij strijden.quot; Van de prenten, die hij had laten vervaardigen, zond hij er, zoo in groot als klein formaat, naar Rome, en door P. Passerat wist hij dertig ducaten bij te dragen tot bestrijding der onkosten van het proces. In 1818 ontving hij het blijde bericht, dat God door een wonder had willen toonen, hoe aangenaam Hem de godsvrucht tot den Gelukzaligen Alphonsus was.
Een man uit Knittelfeld, in Stiermarken, had bij P. Hofbauer gebiecht, en ontving bij het afscheid van hem een plaat van den gelukz. Alphonsus. Hij had dezelve om een houten cilinder gerold, en daarna in zijn koffer geborgen. Kort daarop brak er in Knittelfeld een vreeselijke brand uit, welke ook het huis van dien man geheel in de ascb legde. Toen het vuur had uitgewoed, ging de man het puin wegruimen, wijl hij hoopte, eenig geld, dat in dienzelfden koffer had gelegen, te kunnen weervinden. Maar wie schetst zijne verbazing, toen hij de papieren afbeelding van Alphonsus ongeschonden tusschen de asch zag liggen. De koffer was verbrand, de houten rol tot den rand der plaat verteerd, de rand zelve een weinig beschadigd en verbruind; doch de afbeelding, ofschoon zij midden in den gloed had gelegen, volkomen gespaard. — De pastoor der plaats droeg nu het geredde beeld plechtig naar de kerk, stelde het achter glas op een der altaren ter vereering uit, en voegde er het opgemaakte stuk over het wonder bij. Nog heden kan men daar de plaat met het authentieke bericht gaan bezichtigen.
AVat P. Hofbauer ter eere der HH. Engelen deed, hoe hij, uit eerbied voor hunne tegenwoordigheid, met ongedekten hoofde de dorpen en steden doorreisde, hebben wij reeds medegedeeld. Slechts dient hier bijgevoegd, dat hij op geheel bijzondere wijze den H. Michael vereerde, als den beschermer der H. Kerk.
Zoo leefde dan onze Heilige in een voortdurend, innig verkeer met de zegevierende Kerk des hemels; doch ook de lijdende Kerk van het vagevuur nam een ruime plaats in dat medelijdend hart in. »Bij niemand, zoo getuigt P. Mad-lener, heb ik zulk een liefde voor de zielen in het vagevuur aangetroffen, als bij Clemens Maria. Al zijne gebeden, goede werken en aflaten offerde hij voor hen op.quot;
Dikwijls vermaande hij van den kansel of in een persoonlijk onderhoud, voor de arme zielen te bidden en goede werken voor hare lafenis aan God op te dragen. De Ursulinnen leerde hij, dikwijls het volgende schietgebed te herhalen: s Hemclsche Vader, voor de arme zielen in het vagevuur offer ik u op het kostbare bloed van uwen Zoon, Jezus Christus.quot; Was er eene zuster overleden, dar. zorgde hij, dat er voor hare zielerust vele H. Missen werden gelezen; niet zelden stond men verwonderd, hoe hij voor zulk eene gelegenheid een zoo groot aantal priesters had weten te vinden.
Eene vrouw verhaalde hem eens, dat haar man, die vroeger vrijmetselaar was geweest, doch zich kort voor zijnen dood bekeerd had, haar was verschenen. »Maar, zoo j voegde zij er bij, hij was allerellendigst gekleed.quot; »Wellicht ïheeft hij te weinig aalmoezen gegeven, antwoordde P. Hof-ïbauer, kleed voor hem een aime.quot; De vrouw deed het, en Kwam weldra bij Clemens terug, om hem te verhalen, dat haar man haar opnieuw was verschenen, doch thans veel beter gekleed, en dat hij haar vriendelijk bedankt had voor dien liefdedienst. »Ja, hernam toen P. Hofbauer, het gaat »hem reeds beter; maar wij mogen nog niet ophouden, ïhem door gebeden en aalmoezen te helpen.quot; —
ZESDE HOOFDSTUK.
Pater Hofbauer op den Preekstoel.
Het apostolisch woord van P. Hofbauer had wonderen gewerkt, zelfs daar, waar hij slechts in het voorbijgaan optrad; getuige zijn verblijf op den berg Thabor, te Tryberg en te Babenhausen. Wat mogen wij dan niet van hem verwachten, nu hem te Weenen een vaste werkkring is aangewezen, nu hij het predikambt geregeld kan vervullen ?— Die verwachting zal niet worden teleurgesteld.
Den eersten Zondag, dat hij als Rector bij de Ursulakerk woonde, vroeg hij, hoe laat de preek gewoonlijk begon. Toen men hem antwoordde, dat er alleen op de hooge Feestdagen gepredikt werd, liet hij eenvoudig de klok luiden, besteeg den kansel, tot groote verwondering der zusters, en preekte voor de weinige geloovigen, die in de kerk aanwezig waren.
Van dien dag werd zijn gehoor immer talrijker; binnen korten tijd was de niet zeer ruime kerk des Zondags overvol, zoodat velen naar huis mqesten terugkeeren, of zich op straat bij de menigte aansluiten. En geen wonder, dat men met zooveel graagte naar hem kwam luisteren.
Zijne preeken waren duidelijk, voor iedereen verstaanbaar. Soms ving hij zijn toespraak aan met deze woorden; »Vandaag zal ik zóó eenvoudig spreken, dat »de ongeletterden, ja de kinderen mij kunnen volgen; swant ik wil niet, dat gij bij Gods rechterstoel de aan-»klacht kunt indienen: wij hebben hem niet begrepen.quot;
15
Doch bij al dien eenvoud en die helderheid bleven zijne bewijzen degelijk, zijne uitleggingen grondig en juist, zoodat hij de diepste geheimen van den godsdienst wist te verklaren op eene wijze, die geleerden en onge-leerden ten volle bevredigde. Daarbij sprak hij op een levendigen en bezielden toon, met een gloed en vurigheid, waaruit zijn diepe overtuiging sprak, waardoor hij tevens al zijne toehoorders aangreep en medesleepte. Hooren wij, wat de verschillende getuigen daaromtrent mededeelen:
sOp den kansel liet hij den vrijen loop aan zijnen ijver: dan schoten er stralen van zijn aangezicht; dan was hij buiten zich zeiven; dan geleek hij op een serafijn.quot; — «Men kon het hem aanzien, zoo getuigt een ander, dat hij niet zijn eigen eer, maar slechts die van God zocht; met kracht en\'leven sprak hij, ontstoken van een heilig vuur. Zijne woorden kwamen uit het hart, en drongen tot in de harten door. Die zijne pree-ken bijwoonden, konden aan de goddelijke genade geen weerstand bieden; zij gaven zich gevangen, en onderwierpen zich aan alles, wat hij wilde. Gedurende zijne preek heerschte er in de meer dan volle kerk eene adem-looze stilte; soms ook braken allen in tranen los; maar wat meer zegt, op zijne preeken volgden talrijke, buitengewone bekeeringen.quot; »Op den preekstoel, zegt op zijne beurt Kardinaal Rauscher, was hij bewonderenswaardig. De welsprekendheid had hij nooit bestudeerd, maar hij toonde zich den leerling van Hem, die, zonder zich op de letteren te hebben toegelegd, toch wist te spreken, ïsicutfiotestciteui habcnsquot; (Math. 7, 29) als iemand, die met gezag kon optreden.quot; «Men vond in zijne preeken, zoo lezen wij weder bij een ander, geen verdeelingen of versieringen der Rhetorica; en toch kwamen uitstekende priesters niet graagte naar hem luisteren. Verschillende bisschoppen hebben mij verzekerd, dat Pater Hofbauers preeken getuigden van de kracht des H. Gees-
tes.quot; ï Wanneer hij sprak, zoo verklaart ons P. Rinn, S. J., vervulde hij allen met een bovennatuurlijke zalving. De beroemdste en geleerdste mannen waren diep getroffen, en zeiden; sEen enkel woord uit zijnen mond is mij voldoende voor een geheele week.quot;quot; — Anderen drukten zich, en op nog kernachtiger wijze, aldus uit; i Wilt gij seen uitstekenden redenaar hooren, ga dan naar deze o f rgene kerk; maar wilt gij eenen Apostel hooren, ga dan maar de kerk der Ursulinnen, en woon een preek bij »van P. Hofbauer.quot;
Nog vele jaren later wist Norbertus von Purk-hardt, voormalig president van den rijksraad, zich dien gloed te herinneren, waarmede P. Hofbauer preekte. ïVóór het jaar 1820, zoo verhaalt hij, werden te Weenen de kerkelijke diensten zeer nalatig bezocht: veel liever ging men naar uitspanningen en wereldsche vermakelijkheden. Daarom verwanderde ik mij zeer, dat, toen ik eens de Ursulakerk voorbijkwam, eene groote menigte naar binnendrong. Op mijne vraag, wat er toch te doen was, zeide men: 2P. Hofbauer preekt.quot; Toen drong ook ik naar binnen, en hoorde hem vol ijver, op eene waarlijk apostolische wijze, ja, als een heilige het onderwerp bespreken: De mensch moet slechts ernstig willen; God komt dan met zijne genade te hulp.quot;
Terwijl we hier over P. Hofbauers gloeienden ijver spreken, wenschen we, dat men ons goed versta. Dat vuur, waarmede hij sprak, bestond geenszins in eene overmatige verheffing van stem of in een al te levendige voordracht; neen, uit al zijne bewegingen sprak waardigheid en kalmte; nadruk en een zekere opgewektheid van toon achtte hij noodzakelijk, maar alles geschiedde met mate, binnen de perken der gewijde welsprekendheid. Kortom, daar lag iets onbeschrijfelijks over geheel zijn wezen, iets hemelsch, iets goddelijks, dat allen aantrok en overmeesterde. Soms maakte zijne houding of een zijner gebaren nog meer indruk dan zijn woord.
»Eens, zoo verhaalt een zijner toehoorders, sprak hij over de menschwording van Gods Zoon. Bij het uitspreken dezer woorden: »Ons vleesch heeft Hij.aangenomenquot;, sloeg hij, met een onbeschrijfelijken ernst, met zijn rechterhand op de linker. En dat eenvoudige woord, met zulk een overtuiging uitgesproken, en door een zoo krachtig gebaar vergezeld, greep ons allen aan, er. maakte iederen twijfel aan de godheid en mensch-heid van Christus onmogelijk.quot;
Niet zelden gebeurde het echter, dat er zich onder zijn gehoor lieden bevonden, die zijne preeken bezochten, om met den prediker den spot te kunnen drijven. Welnu, gewoonlijk maakten zijne woorden zulk een indruk op hun gemoed, dat hun de spotlust spoedig verging; ja, meermalen werden dezulken juist het diepste getroffen, en verlieten dan de kerk geheel veranderd, met het vaste voornemen in een betere stemming terug te keeren, of zelfs bij den heiligen man te gaan biechten. Velen zijner vrienden, vereerders en leden zijner Congregatie heeft hij zich uit dezulken gewonnen.
Overigens liet hij zich door spotters geenszins uit het veld slaan. Eens bemerkte hij, dat eenige studenten zich onder elkander vroolijk maakten over zijn preek. Hij hield een oogenblik stil, keerde zich toen tot de baldadige knapen en sprak op waardigen toon: sLacht maar; Klie het laatste lacht, lacht het beste.quot; — Daarna zette hij zijn toespraak voort.
Ten slotte moeten wij nog met een enkel woord gewagen van de stof en den inhoud zijner preeken. Ook op dat punt was P. Hofbauer te Weenen een geheei nieuwe verschijning. Het behoorde in die dagen tot den goeden toon, niet slechts in gezelschappen en in het huiselijk leven, maar zelfs op den kansel, iedere uitdrukkelijke vermelding der geopenbaarde waarheden te vermijden. Woorden, die echt katholiek, ja, men zou kunnen zeggen, die christelijk klonken, vond men bijna
alleen in de woordenboeken. Behalve P. Hofbauer en eenigen der Paters Servi.eten en Augustijnen, waren het toen slechts de twee professoren Zangerle en Ziegler, beiden innig met Gods Dienaar bevriend, die het wangden, het kind, d. w. z. het Katholicisme, bij zijn naam te noemen. Later, zooals wij zien zullen, behoorde ook Frederik Zacharias Werner tot hun getal.
Aan hetzelfde euvel leed de gewijde welsprekendheid, waar zij het gebied der zeden betrad. Men bepaalde zich tot een, voor den vorm gebloemd, doch verder zouteloos ontwikkelen van algemeenheden, waaruit voor het volk weinig te leeren viel, waaruit bijna geen nut getrokken werd.
Zóó preekte P. Hofbauer niet. Op beslisten toon veroordeelde hij de heerschende onverschilligheid: open en duidelijk klonk zijn woord: »Buiten de Kerk is geen zaligheid.quot; — Liefde voor de Kerk, kinderlijke eerbied jegens den Paus van Rome, dat moest iederen Katholiek kenmerken: »Wie den PI. Vader niet eert, zoo sprak hij, eert ook niet onze Moeder, de H. Kerk; die aan de bevelen des Pausen zich niet onderwerpt, is geen gehoorzaam kind der Kerk; die voor zijne ouders niet bidt, is een ontaarde zoon; die dus niet bidt voor den Paus, is geen goed Christen.quot; Vooral legde hij eene heilige verontwaardiging aan den dag, wanneer hij sprak tegen dezulken, die ••lichtzinnig durven zeggen; sO, het is maar »een gebod der Kerk!quot; alsof zij ons niet beveelt uit naam van God, en bekleed is met een goddelijk gezag.
Even klaar en onbewimpeld waren zijne woorden, wanneer hij de verschillende geopenbaarde waarheden besprak. Aanhalingen uit de H. Schrift en de HH. Vaders hoorde men in die dagen bijna nooit; Pater Hofbauer echter wist geheel zijne rede te doorvlechten met kernachtige spreuken, aan de H. Boeken en de geschriften der kerkvaders ontleend. Wanneer men nu daarbij verneemt, waarin zijne voorbereiding dikwijls be-
stond, zal men kunnen begrijpen, welk een omvattende kennis hij moest bezitten van de gewijde boeken.
In het jaar 1816 had hij als stof voor zijne vas-tenpreeken gekozen sde werken Gods in de schepping.quot; sAls voorbereiding daartoe, zoo verhaalt ons 1*. Srna, j moest ik hem eenige plaatsen uit het Boek der Schep-spingmetde daarbijgevoegde uitlegging voorlezen. Doch sal zeer spoedig zei hij: »zoo is het genoeg.quot; En die ï enkele woorden waren dan voldoende, om tal van rijke «gedachten en treffende gevoelens bij hem op te wekken.quot;
Onder de verschillende eigenschappen van God besprak hij het liefst de barmhartigheden des Heeren. Had hij den zondaar tot in merg en been doen sidderen bij de gedachte aan de oordeelen Gods, dan verzuimde hij nooit, dat geschokte en vermorzelde hart weer vertrouwen in te boezemen, door het te wijzen op de liefde van Jezus, op het bloed, dat Hij voor ons heeft vergoten, en op het moederlijk medelijden van Maria. Voor den onboetvaardigen en verstokten zondaar achtte hij het echter noodzakelijk, eerst dan van erbarming en goedheid te spreken, wanneer dat steenen hart verbrijzeld was door de vrees voor den wrekenden arm des Almachtigen. Met zulk een klem en uitdrukking, met zulk een vreese-lijken ernst kon hij de woorden uitspreken; «Het is ver-j schrikkelijk, te vallen in de handen van den levenden »God,quot; dat zij vele jaren later nog altijd in de ooren zijner hoorders weerklonken, en zoo diep in hun geheugen stonden gegrift, als hadden zij dezelve zoo juist vernomen. Wanneer iemand hem zijne verwondering te kennen gaf, dat hij met zooveel gestrengheid kon preeken, antwoordde hij, met een. diepe zucht: iMen moet wel sstreng preeken, wijl de godsdienst zoo vervallen is.quot;
Een zijner geliefkoosde stoffen was nog de waardigheid van den priester. Dan vermaande hij het volk, toch vurig tot God te bidden, dat Hij ijverige en waarlijk apostolische priesters in zijne Kerk zou opwekken.
sBedenkt het wel, door de priesters komt het heil of »het verderf, de zegen of de vloek over het volk. Wan-sneer in het Oude Verbond de andere straffen niet meer sin staat waren, het volk van zijne dwaalwegen terug te «brengen, dan liet God hun de zwaarste aller plagen over-skomen; slechte en verblinde priesters.quot;
Zoo werd dan weder te Weenen van den kansel een degelijk voedsel aan het volk geschonken: al de geloofswaarheden der Kerk werden besproken en uitgelegd; de beteekenis der feesten en der kerkelijke plechtigheden verklaard: men leerde weder denken en gevoelen met de gedachten en de gevoelens der Katholieke Kerk.
Niet minder onverschrokken trad P. Hofbauer op als voorvechter der christelijke zedelecr. Hij schroomde niet — en welke prediker zou het in die dagen gewaagd hebben — het tnon licct tibiquot; van den H. Joannes den Dooper te herhalen. Het volk moest weten, wat volgens de christelijke zedewet geoorloofd, wat verboden was: met een kleurlooze,, zwevende voorstelling werd het niet geholpen. Zoo dacht P. Hofbauer, en hij handelde naar zijne overtuiging, zonder zich aan de gewoonte van zijn tijd te storen. Doch, zoo dikwijls hij de gewonde plek moest aanraken, om. als een goed geneesheer, het verkeerde onverbiddelijk uit te snijden, was hij er altijd op bedacht, het zóó te doen, dat daardoor in de harten zijner hoorders geen bitterheid, geen wrevel, maar wel een levendig gevoel van schaamte en berouw werd opgewekt. Gewoonlijk sloot hij zijne preeken met een vurig gebed, waarin hij van den Goddelijken Heiland die genade afsmeekte voor zijne hoorders, waaraan zij het meest behoefte hadden. Daarna beloofde hij, zich hunner aan het altaar te herinneren.
Nu en dan trachtte P. Hofbauer den indruk zijner predikatie ook door buitengewone oefeningen nog te verhoogen. Zoo lezen wij, dat, toen hij op den Goeden Vrijdag, van het jaar 1816, de uitnoodiging der Mechi-
tharisten, om in hunne kerk over de zeven kruiswoorden te komen prediken, had aangenomen, telkens wanneer hij een der woorden had uitgelegd, een daarbij behoorend lied door al het volk gezongen werd.
Meermalen in het jaar gaf hij aan het slot zijner preek den pauselijken zegen. Die plechtigheid trok altijd eene groote menigte naar de kerk. Om het volk tot berouw op te wekken, en in behoorlijke stemming te brengen, liet hij dan te voren door de kloosterzusters, die zich naast het hoogaltaar in hun bidvertrek bevonden, met luider stemme den boetpsalm Miserere bidden.
Is het wonder, dat zulk een preektrant niet in den smaak viel van menigeen, die den eenmaal ingeslagen weg zoo gemakkelijk, zoo gemoedelijk vond? Is het wonder, dat de Josefistisch gezinde regeering den apostel, die het volk tot den waren geest van het Katholicisme terugbracht, niet dan scheef kon aanzien? — Gewoonlijk werd er gezorgd, dat zich een of ander geheime beambte der politie onder het gehoor bevond, om op al zijne woorden te letten. Doch slechts éénmaal heeft P. Hofbauer daardoor eene verdrietelijkheid van ernstigeren aard moeten ondervinden. Op zekeren dag werd hem aangezegd, dat hij zich voortaan van het preeken had te onthouden. Bij het lezen van het bevelschrift, rolden hem de tranen langs de wangen; zóó smartte het hem, van dat krachtig middel tot genezing van zijn volk te worden beroofd.
Nog vóór den eerstkomenden Zondag werd de zaak ruchtbaar; geheel de stad sprak er van: men heeft P. Hofbauer het preeken verboden. Toen dan eindelijk de Zondag aanbrak, was men uiterst nieuwsgierig, wat hij doen zou. Er was niet geluid voor de preek, en toch was het overvol in de kerk; ja, nog dichter dan gewoonlijk stonden de menschen opeengepakt. Sommigen waren toegeloopen, wijl zij overtuigd waren, de preek zou toch plaats hebben; anderen, uit louter nieuwsgierigheid, wat
er zou gebeuren. Op het gewone uur besteeg P. Hof-bauer den kansel, las het Evangelie voor, en sprak toen: ï Heden kan ik niet preeken, wijl ik moet gehoorzamen; »doch bij de H. Mis zal ik den H. Geest bidden, dat »Hij u datgene ingeve, wat ik van plan was, u te zeg-»gen.quot; — Bij die woorden brak de geheele kerk in tranen los, en allen begonnen luide te snikken. — Gelukkig werd het hatelijke verbod na weinige dagen ingetrokken.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Clemens Maria wordt in zijn Apostolaat krachtig ondersteund door Frederik Z ach arias Werner.
Hoeveel goed P. Hofbauer door zijne preeken ook stichtte, toch bleef het hoogst wenschelijk, dat er aan zijne zijde mannen opstonden, van denzelfden geest bezield als hij, mannen, die ook door hun apostolisch optreden aan de wedergeboorte van het Katholicisme konden medewerken. De twee Paters, die zich toen met hem te Weenen bevonden, Maarten Stark en Johan Sabelli, hadden slechts weinig geschiktheid voor den kansel; vandaar dat Clemens Maria met een allervurigst verlangen naar medearbeiders uitzag. In het jaar 1815 mocht hij dien wensch vervuld zien, toen God hem een man zond, die meer dan eenig ander voor die grootsche taak berekend was. Die man was Frederik Zacharias Werner. In den herfst van 1814 naar Weenen gekomen, sloot hij zich al spoedig bij P. Hofbauer aan, en werd een zijner trouwste vrienden en leerlingen. Wij moeten hem dus wat nader leeren kennen.
Frederik Zacharias Werner, 1) den i8den November 1768 te Koningsberg uit Protestantsche ouders geboren, toonde als jongeling een buitengewonen aanleg tot de dichtkunst en het opstellen van tooneelstukken. Üp twintigjarigen leeftijd gaf hij reeds een bundeltje gedichten
1) Vergelijk ; Covvcrtitcnbilder door ROSENTHAL. Sahaffhausen 1865. Band I, BI. 153 en volgende. Insgelijks: Biographic des Joh. Rm. Veith door LöWE. Wien 1879. BI. 55.
uit, waarin hij, geheel volgens den geest van zijn tijd, naar hartelust spotte met het kloosterleven, met de onverdraagzaamheid van het Katholicisme en het zoogenaamde drijven der Jezuiëten. Toenmaals was hij een hartstochtelijk bewonderaar van Rousseau; later van Goethe, die hem, op zijne beurt, ook zeer hoog schatte. Hij had de lessen van Kant bijgewoond, en stond in 1805, te Berlijn, op zeer vriendschappelijken voet met de vertegenwoordigers en hoofdleiders der nieuwere Duitsche wetenschap, met Alexander von Humboldt, Joannes Muller, Fichte, Uhden en vele anderen. Tevens had hij zich onder de vrijmetselaars laten opnemen. In het jaar 1807 maakte hij zijn theaterstuk; sLuther, of de heiliging der kracht,quot; hetwelk de ronde deed in al de schouwburgen van het Protestantsche Duitschland, en een ongeloofelijken opgang maakte.
Te Warschau woonde hij verscheidene jaren als Pruisisch beambte, en was daar, gelijk wij reeds zeiden, de Congregatie zeer vijandig gezind. Later, toen hij te Berlijn tot de commissie behoorde, welke een onderzoek tegen de Paters moest instellen, toonde hij zich billijk en redelijk.
In het jaar 1807 deed hij eene reis naar Zwitserland, en maakte daar kennis met den Kroonprins Lode-wijk van Beieren en met Madame de Staël. Vandaar ging hij naar Italië, en kwam den g110quot; December te Rome aan.
Daar, in de H. Stad, zou God zich erbarmen over den ongelukkigen Werner, die tot dan toe slechts aan de bevrediging zijner hartstochten gedacht had, die Luther zijn ideaal, doch de H. Mis een »ezelsbezigheidquot; noemde, die, volgens zijn eigen woorden »niet wilde, dat het versstand als een poedelhond naar de pijpen des Pausen szou dansen.quot;
»De straal der goddelijke genade trof mijn harh szoo schreef hij aan den Prinsbisschop Dalberg; op Witten
sDonderdag, den i9den April 1810, ging ik te Rome tot »het geloof onzer vaderen over.quot;
Hij zwoer zijne dwaling af in handen van professor Ostini, bij wien hij eene rouwmoedige biecht van geheel zijn leven sprak. Ruim driejaar had hij dagelijks een onderhoud met Ostini; daarna vertrok hij naar Aschaf-fenburg, om zich tot het ontvangen der H. Wijdingen voor te bereiden.Nadat hij de noodige dispensatie had verkregen, — hij was driemaal getrouwd geweest — werd hij aldaar den i6den Juli 1814 tot priester gewijd, en kwam kort daarop naar Weenen, waar hij voorloopig zijn intrek nam in het Servietenklooster, dat in de voorstad Rossau gelegen was. Daar leerde hij P. Hofbauer kennen; en nauwelijks had hij hem eenige malen gezien en gesproken, of een gevoel van bewondering en eerbied maakte zich van hem meester; hij verzocht hem, zich met zijne geestelijke leiding te willen belasten, en onderwierp zich van toen af met den eenvoud en de leerzaamheid van een kind aan alles, wat P. Hofbauer van hem verlangde. Hoe hoog hij dezen schatte, blijkt wel hieruit, dat hij in den vriendenkring meermalen zeide: ïlk ken onder de levenden »slechts drie genieën: Napoleon, Goethe en Pater Hof-»bauer. 1)
Clemens Maria had spoedig ingezien, welk onberekenbaar goed Werner zou stichten, wanneer hij zich met de verkondiging van Gods woord zou willen belasten. Hij spoorde hem dan aan, zijne talenten niet te begraven, maar ze voor het heil van zijn evenmensch te gebruiken. Werner, van zijn kant, kon niet ontkennen, dat hij van God een meer dan gewone gave had ontvangen, om een weldadigen invloed uit te oefenen op hooggeplaatste en fijn beschaafde lieden, die helaas! den schouwburg liever bezochten dan de kerk; daarvan had hij reeds te Rome de ondervinding opgedaan; hij had slechts één bezwaar: hoe zou hij, een zoo groot zondaar, 1) BRUNNER. C. AI. Hofbauer cn zijn tijd. Uit het Hoogd. bl. 9.
na zooveel ergernis te hebben gegeven, in staat zijn, anderen op te wekken tot eene boetvaardigheid, die hem zalven zoo hoog\' noodig was ? — Intusschen onderwierp hij zich aan de uitspraak van zijn geestelijken leidsman; die onderwerping moest hem echter te meer kosten, daar hij reeds toen zeer ziekelijk was en aan een borstkwaal leed.
Het optreden van Werner te Weenen baarde algemeen opzien. Onder de hooger ontwikkelde klasse was er niemand, die hem niet kende als den gevierden dichter, die zoo vinnig met Rome gespot had; niemand die niet wist, in welke nauwe betrekkingen hij gestaan had met Goethe, Fichte, kortom met al de dichters en wijsgeeren van zijn tijd; niemand, wien het onbekend was, dat de primaat Dalberg hem met een gouden pennenhouder vereerd, en hem een jaarlijksch pensioen had toegezegd, en de groothertog van Hessen-Darmstadt hem tot zijn hofraad had benoemd. Had het bericht zijner bekeering zooveel verbazing verwekt, thans waren allen in gespannen verwachting, nu men hoorde, dat hij den kansel zou bestijgen.
En hij verscheen werkelijk op den preekstoel, en zijn verschijning alleen maakte reeds diepen indruk. Die rijzige gestalte, dat bleeke gelaat, waarvan de diepe ernst nog verhoogd werd door zware, donkere wenkbrauwen, dat lange zwarte, hier en daar reeds vergrijzende haar, hetwelk hem in dichte lokken over de schouders golfde, dat alles bracht het gehoor reeds aanstonds in eene plechtige, feestelijke stemming. Dat uiterlijk, hoe indrukwekkend ook, was echter nog weinig in vergelijking van zijn machtig en geheel eigenaardig redenaarstalent.
Zijne door en door poëtische natuur deed zich ook op den kansel gelden. Zijne levendige verbeelding gaf hem prachtige, schittende beelden en vergelijkingen in; daar hij zijn taal volkomen bezat, wist hij op wegslepende wijze te schilderen; zijn vurig hart zette zijn woorden een ongeloofelijke bezieling bij, ja deed hem niet zelden
in verzen spreken. Zulks mag nu een afwijking zijn van de regelen der gewijde welsprekendheid, en minder strooken met een apostolischen stijl, toch maakte hel een geweldigen indruk, wijl het opwelde uit de volheid van het gemoed. Niets gezochts, geen spoor van een vooruit berekend rhetorisch effect was daarin te vinden; men gevoelde het, hij moest zoo spreken, wijl er voor hem geen natuurlijker middel bestond, om zijn gevoel uit te storten. Hij was eenig in zijn soort; iedere poging om Werner op den kansel na te bootsen, moest allerongelukkigst uitvallen. — Wanneer hij de verschrikkingen des oordeels afschilderde, meende men de bazuinstooten reeds te vernemen, die de dooden uit hun graf zullen te voorschijn roepen, en een koude rilling voer al de hoorders door de leden. Vandaar dat P. Hofbauer hem gewoonlijk noemde »de bazuin des laatsten oordeels.quot; Maar als hij, met roerenden ootmoed, zijn vorig leven besprak, en de oneindige Barmhartigheden des Heeren luide verkondigde, dan smolt geheel de kerk in tranen weg en weende met den heiligen boeteling. — En liet hij soms den vrijen loop aan zijne vurige verbeelding, om met zijne schilderachtige taal de hoorders te verplaatsen naar een heerlijk landschap van Italië, hen tegenwoordig te doen zijn bij den opgang der zon, wanneer zij de bergtoppen der Apennijnen verguldt, of hen het goddelijk schoone van den nachtelijken hemel te doen genieten, dan betooverde hij al de aanwezigen, dan staarde men hem in stomme verbazing aan, en de godsdienstige waarheden, die hij uit zijne beschrijvingen afleidde, bleven des te dieper in de gemoederen der hoorders geprent.
Werner predikte weder echt Katholiek: het geluk, dat hij smaakte sedert zijn terugkeer tot de Moederkerk, wilde hij ook anderen doen gevoelen; het ongegronde van het Protestantisme, de oneenigheid der Protestantsche godgeleerden en dergelijke onderwerpen, wier behandeling
dat groote geluk nog beter deed beseffen, behoorden tot zijne geliefkoosde stoffen. Den kleinen Catechismus wist hij op nieuw in eere te brengen, door dien niet zelden op den kansel mede te nemen, en aan het volk voor te stellen als een uiterlijk wel is waar onaanzienlijk, maar waarlijk gulden boekje, dat meer wijsheid in zich bevat dan de geschriften van alle wijsgeeren.
»Als Werner predikte in de Augustijner hofkerk, dan waren dikwijls al de gekroonde hoofden onder zijn gehoor; dit gebeurde ook eens bij een zijner preeken in de Franciscanerkerk; en zóó groot was toen de toevloed, dat terwijl tallooze rijtuigen over het kerkplein rolden, en de menschen elkander verdrongen, de politie niet meer in staat was, de orde op straat te handhaven, en men eene sterke afdeeling kurassiers moest ontbieden.quot; i)
Werner predikte ook dikwijls in de St. Ursulakerk. Bij die gelegenheid woonde P. Hofbauer zijne toespraken bij, en toen hem eens iets ontvallen was, dat volgens de Katholieke godgeleerdheid niet juist kon genoemd worden, verlangde Gods Dienaar van hem, dat hij in een volgende preek die vergissing op verstandige wijze zou herroepen, waaraan de nederige man zich volgaarne onderwierp.
Het valt niet moeielijk te begrijpen, waarom de hoogbegaafde Werner, in geheel zijn optreden zoo hemelsbreed verschillend van P. Hofbauer, den naam verdiende van »tweeden Apostel van Weenen.quot; Van zekere klassen der maatschappij, vooral van hen, die door de ongeloo-vige litteratuur, door de slechte romans en de nog slechtere schouwspelen geheel bedorven waren, was een bezoek aan de kleine Ursulakerk niet te verwachten; in hun oog was ook de voordracht van P. Hofbauer al te eenvoudig. Voor dergelijke kringen was er dus eèn man noodig, die door zijne buitengewone gaven, dóór uit-wendigen glans en een zeker praalvertoon ook aantrek-i) BRUNNER. Uit het Hoogd., bl. 175.
kelijk zijn kon voor hen, die het kerkbezoek reeds lang waren ontwend. Die taak nu vervulde Werner zóó meesterlijk, dat eene hoogere roeping niet te miskennen viel, en het allen duidelijk werd, dat P. Hofbauer slechts een werktuig was geweest in Gods hand, om hem die roeping kenbaar te maken. De zegen des Hemels rustte op al zijne preeken, wijl hij slechts uit gehoorzaamheid den kansel had bestegen, en zijn predikambt bleef vervullen met een nederigheid, met een overtuiging zijner onwaardigheid, welke al onze bewondering verdient in een man, die toch alles had genoten, wat de wereld aan grootheid, eer en bijval kon aanbieden.
Terwijl eenieder met den grootsten ophef van Werner sprak, dacht hij zelf met bittere smart aan zijne zonden, en sprak slechts met lof over de heilige welsprekendheid van P. Hofbauer. Eens kwam hij, na een preek van P. Hofbauer te hebben bijgewoond, in de sacristie terug, en zeide toen op halfluiden toon, zoodat de aanwezigen het duidelijk verstonden; sHij is toch geheel «éénig; niemand kan hem evenaren; uit zijnen mond «spreekt de H. Geest.quot;
Andere malen bekende hij rondweg, dat hij eerst door P. Hofbauer een waarlijk Roomsch-Katholiek Christen geworden was.
Meldden zich menschen bij hem aan, die door zijne preeken getroffen, hunne biecht bij hem wilden spreken, dan hoorde hij hen twee- of driemaal, maar zond ze dan gewoonlijk naar s den meester,quot; gelijk hij Clemens Maria noemde. Eens zelfs gaf hij hem dien naam openlijk van den preekstoel en wees op hem, als op den man, »wien hij niet waardig was, de schoenriemen te j ontbinden.quot; Zulk een lof, door een man als Werner gegeven, droeg niet weinig bij, om het aanzien en den invloed van P. Hofbauer ook bij de hoogere standen immer te doen stijgen.
Wanneer zijne tegenwoordigheid niet gevorderd
werd voor het heil der zielen, leefde Werner stil en afgetrokken in zijn huis. In zijne vrije uren heeft hij een tooneelstuk gemaakt, waaraan hij den titel gaf van ^Heiliging der Zwakheid.quot; om zoodoende de ergernissen te herstellen, door zijne verheerlijking van Luther gegeven.
Dikwijls echter moest hij, tegen wil en dank, in gezelschappen verschijnen. Bij eene dergelijke gelegenheid werd hij eens den Koning van Pruisen voorgesteld. Deze was onkiesch genoeg, hem toe te voegen: gt;:Ik houd niet »van menschen, die den godsdienst, waarin zij geboren »en opgevoed zijn, vaarwel zeggen.quot; -— »Ik ook niet, »antwoordde Werner op koelen toon; daarom wilde ik gt;: niets meer van Luther weten.quot;
10
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Clemens Maria als Biechtvader.
Een waar missionaris moet in den biechtstoel de vruchten zijner preeken inzamelen, of gelijk P. Hof bauer zelf zich uitdrukte, «Ie noten, die hij op den kansel met j geweld van den boom heeft geslagen, moet hij in den »biechtstoel zacht bijeengaren.quot; Dat P. Hofbauer die lievelingsspreuk in toepassing wist te brengen, zal ons in dit hoofdstuk duidelijk blijken.
Welk een bewonderenswaardige ijver voor het biechthooren hem bezielde, hebben wij reeds voldoende gezien. Thans moeten wij dus in meer bijzonderheden nagaan, hoe hij als biechtvader gewerkt heeft.
En wel vooreerst blonk in hem uit een geheel bijzonder talent, om de zondaars tot inkeer te brengen en tot zich te trekken. Op den kansel wist hij aan zijn zoo eenvoudig woord zulk eenen nadruk te geven; en daarin zijne liefde en zijn medelijden voor de arme zondaars zoo helder te doen doorstralen, dat hij de ongevoeligste harten trof, ja dat meermalen groote zondaars onmiddellijk na de preek naar zijnen biechtstoel sneldan, om van hun drukkenden zondenlast te worden bevrijd.
Soms ook was het, of hij midden in zijn preek eensklaps door God verlicht werd: dan achtte hij zich verplicht, voor een oogenblik van de stof zijner toespraak af te wijken. De woorden, die hij dan sprak, drongen als een scherpe pijl door het hart van een of ander zijner
hoorders, en het kwam hun voor, alsof Clemens tot hen in het bijzonder zijne woorden gericht had. Het volgende voorval, dat ons daarenboven een nog hooger denkbeeld geven zal van het beleid en de voorzichtigheid van Gods Dienaar, strekke daarvan ten bewijze.
Eens preekte P. Hofbauer over de onrust van een slecht geweten. Onder zijn gehoor bevond zich een jonge man, met name Frans Haetscher, die te Weenen geboren, van zijne kinderjaren af zijne moeder veel verdriet had veroorzaakt. Eensklaps was hij uit het ouderlijk huis verdwenen; men meende, dat hij soldaat geworden, en daarna gedeserteerd was. Hoe. het zij, hij was in Frankrijk gekomen, en had zich daar, zonderling genoeg, toegang weten te verschaffen tot een seminarie. Toen echter het leger der verbonden mogendheden Parijs binnenrukte, moest hij dat land weder verlaten, en kwam in zijn vaderstad terug. Maar wat zou hij nu aanvangen? —Hij waagde het niet, voor zijne moeder te verschijnen; en zoo dwaalde hij eenigen tijd zonder bepaalde bezigheid door Weenens straten.
Het toeval, of liever zijn goede engel, leidde hem de kerk binnen, waar P. Hofbauer juist den kansel bestegen had. De preek over het ongerust geweten maakte op hem een ontzettenden indruk; hij kon er niet aan twijfelen, P. Hofbauer had slechts het oog op hem: de arme zondaar was geheel verpletterd.
Na de preek volgde hij den Pater in de sacristie, en verzocht hem, zijne biecht te willen hooren. Maar Clemens nam hem bij de hand, en sprak op goedigen toon: »Nu moet ge niet biechten, maar met mij medesgaan.quot; Hij bracht hem in zijne woning, hield hem eenige dagen bij zich, en liet hem dagelijks voor het beeld van den gegeeselden Heiland bidden, terwijl hij sprak: rPIier leert ge uw les.quot; Zoo bereidde Frans zich behoorlijk tot een algemeene biecht voor, welke hij ook met een oprecht berouw bij Gods Dienaar aflegde. »Maar,
— 244 —-
izoo zei de arme jongen, moeder durf ik niet meer onder x de oogen komen, cn toch, voortdurend denk ik aan shaar.quot; — sLaat dat aan mij over, bemoedigde P. Hof-»bauer, ik zal dat wel vereffenen.quot;
Op zekeren morgen nu verzocht hij de moeder, bij hem te komen ontbijten. De goede vrouw begreep niet, waaraan zij zulk een eer te danken had, doch nam volgaarne de uitnoodiging aan. Toen zij dan de kamer van P. Hofbauer was binnengetreden, vroeg deze haar naar hare kinderen. Zij verhaalde daarop hun wedervaren, doch zonder een woord over Frans te reppen. Eindelijk zei Clemens: »Maar, wat is er van Frans terecht-sgekomen?quot; — jOcIi, die Frans! die is zeker sinds lang sopgehangen.quot; — »Kom, kom opgehangen, dat gaat nog »zoo spoedig niet. Wellicht heeft hij zich bekeerd.quot; sHij, zich bekeeren! Dat geloof ik niet.quot; — Terwijl de moeder deze laatste woorden sprak, was P. Hofbauer naar de deur gegaan; hij opende haar, — en Frans wierp zich in de kamer, en viel schreiend voor de voeten zijner moeder. Deze, hoezeer de plotselinge terugkeer van haar zoon haar ook verraste, kon toch niet nalaten, hem een strenge berisping te geven, en hem op zijn slecht gedrag te wijzen, tot P. Hofbauer haar eindelijk onderbrak, en vriendelijk zeide; *Zoo is het genoeg; nu gaat ge samen s ontbijten.quot;
Zijne bekeering was oprecht en blijvend. P. Hofbauer bemerkte spoedig, dat die boetvaardige zondaar tot hooger dingen geroepen was. Hij nam hem in de Congregatie op, en zond hem later naar Bucharest, waar hij met veel vrucht arbeidde. Vandaar teruggeroepen, behoorde hij tot de eerste missionarissen, die in 1833 naar Noord-Amerika vertrokken.
Daar had hij met onbeschrijfelijke bezwaren te kampen bij het bekeeringswerk der wilden aan het Erie-meer; zijn opvolger Mgr. Frederik von Baraga, insgelijks een leerling van P. Hofbauer, wien het gelukken mocht er
— 245 —
een bisdom op te richten, sprak met den grootsten lof van Pater Frans Haetscher. Deze keerde later uit Amerika terug, en overleed den 3den Januari 1S63 in liet klooster te Leoben, in Oostenrijk.
Somtijds behoefde P. Hofbauer den mond niette openen, om eenen zondaar te treffen; een blik van zijn sprekend oog was daartoe voldoende. Een zekere Schmidt verhaalt, dat hij in zijn jeugd eens de H. Mis hoorde in de kerk der Ursulinnen. Hij was daar meer uit gewoonte dan uit godsvrucht, en bleef eerst bij de kerkdeur staan. Nieuwsgierig rondziende, was hij eindelijk, met geenszins stichtende bedoelingen, naar voren gedrongen. Juist kwam P. Hofbauer van het altaar, om het Allerheiligste naar een zieke te brengen. Met bijna gesloten oogen ging hij door de kerk; doch bij den jongen man gekomen, richtte hij eensklaps het hoofd op en zag hem aan met een zoo doordringenden blik, dat de jongeling geheel ontstelde. Hij keerde in zich\'zeiven, erkende zijn lichtzinnigheid en ging P. Hofbauer opzoeken, om bij hem te biechten. Van toen leidde hij een echt christelijk leven, en noemde dien oogopslag van Gods Dienaar het begin zijner bekeering.
Ja, nu en dan was zijne tegenwoordigheid genoeg, om iemand tot boetvaardigheid aan te manen.
. Een acteur, die zich als komiek een goeden naam verworven had, kwam nu en dan in het huis van Antoon von Pilat, den redacteur van den » Oosteurijkschcn Bco-\'bac/itcrquot;^ wijl dat dagblad stukken over den schouwburg opnam. Ook P. Hofbauer kwam niet zelden daar aan huis. Nu bemerkte Pilat, dat de tooneelspeler, zoodra P. Hofbauer binnentrad, haastig naar zijn hoed greep en zich verwijderde. Wijl zulks reeds meermalen was voorgevallen, vroeg hij hem eindelijk, wat dat moest betee-kenen. yja, antwoordde de man, daar heb ik mijn reden »voor. Wanneer ik mij eenigen tijd in het gezelschap svan dien priester bevind, komt het mij voor, dat ik mijn
sgeliefkoosd beroep verlaten, mij bekeeren, en bij hem smoet gaan biechten. Maar dat bevalt mij niet.quot; — Later evenwel gaf hij zich gewonnen, en ging bij P. Hof-bauer biechten; het schijnt echter, dat zijne bekeering niet van langen duur geweest is.
Wanneer de Heilige het versteende hart eens zondaars door zijne woorden niet kon vermurwen, nam hij zijne toevlucht tot het gebed. Eene der kloosterzusters verhaalt daaromtrent het volgende treffende feit. Toen zij zich eens in het koor bevond, terwijl de geheele kloostergemeente aan tafel was, zag zij Gods Dienaar, die zich alleen in de kerk waande, het hoogaltaar naderen. Daar knielde hij neder voor het tabernakel en begon, de oogen vol tranen, met luider stemme voor de bekeering eens zondaars te bidden. Duidelijk verstond zij de volgende woorden: »0, mijn geliefde Jezus, schenk imij toch die ziel; ach, verhoor mij! — anders moetik »mij tot uwe Moeder wenden; — zij zal mij zeker ver-jhooren !quot; Zoo bleef hij geruimen tijd bidden, waarna hij, zuchtend en weenend, zijn hoofd liet nederzinken tot op de trappen van het altaar. Diep getroffen stond de zuster op, en bekende, dat zij daardoor levendig was aangespoord, nog meer dan vroeger voor de bekeering der zondaars te bidden.
Het getal dergenen, die hij aan een zondig leven ontrukte, die hij bijstond door zijne raadgevingen, en voortgang deed maken op den weg der deugd, is waarlijk onnoemelijk. Laat ons daarvan eenige getuigen doen optreden.
Toen men den president, \'ridder von Josch, de vraag stelde,of hij ook wonderen kende door P.Hofbauer verricht, gaf hij ten antwoord: »Ik beschouw zijn geheele leven als »een wonder; want zonder mirakel is het niet te begrijpen, gt;;hoe een zoo eenvoudig man duizenden bekeeringen kon ïbewerken, of, om juister te spreken, hoe door zijn toedoen, »geheel de maatschappij eene wending ten goede nam.quot;
In bijna dezelfde bewoordingen sprak Dr. Allioli,
proost van het kapittel te Augsburg, die zich door zijn vertaling der H. Schrift een zoo grooten naam verworven heeft. Toen hij zich als jong priester te Weenen op de studie der Oostersche talen toelegde, kwam hij dikwijls bij P. Hofbauer, dien hij de hoogste achting toedroeg. Hij noemde hem seen levend mirakel,quot; ter oorzake dei-bewonderenswaardige bekeeringen, die hij bewerkte.
En de kanunnik Dr. Veith zegt ons: » Buitengewoon groot was het getal van hen, die zich om zijn biechtstoel verdrongen. Daaronder waren lieden uit iederen stand, van den eenvoudigen huisknecht en groenteverkooper tot den geleerdste en voornaamste der stad. Beroemde mannen, zooals de hofraad Adam von Muller, Frederik von Schlegel, Frederik Werner, bewezen hem dezelfde kinderlijke gehoorzaamheid als de menschen van de eenvoudigste klasse, terwijl hij, van zijnen kant, zonder eenig menschelijk opzicht, allen op gelijke wijze behandelde. Onder de vrouwen, met wier leiding hij zich belast had, zag men er van de aanzienlijkste familiën.quot;
Wij willen thans eenigen dier voorname personen opnoemen, niet, alsof het eene eer is voor den biechtvader, dat de grooten dezer aarde zich aan zijne leiding toevertrouwen, maar opdat de lezer beter kunne begrijpen, hoe dat stille en afgetrokken leven een zoo diep ingrijpenden invloed op de godsdienstige stemming van Weenen en Oostenrijk kon uitoefenen.
Onder hen, wier volle vertrouwen P. Hofbauer reeds gewonnen had door zijne werkzaamheid te Warschau, behooren de prinses Jablonowska en hare dochter, verschillende leden der familie Choloniewski, en de gravin Constantina Pyskiewicz, de nicht van Koning Poniatowsky.
Prinses Bretzenheim, die geregeld bij P. Hofbauer ging biechten, gaf, uit eerbied voor den H. Alphonsus, haar zoon den naam van Alphons, en liet dezen, die later een hoogen post bekleedde in het keizerlijk leger, naar P. Hofbauers woning gaan, om zijne biecht te spreken.
Verder dienen nog vermeld te worden de geheimraad Graaf Franciscus Szecheni en zijne familie; gravin Carolina Zichy, Frederik von Schlosser en zijne rijkbe-gaafde echtgenoote; de drie gezusters Elisa, Ludovica en Augusta von Mengershausen en de echtgenooten der twee eersten, Antoon von Pilat en Frederik von Klinkowström; insgelijks Frederik von Schlegel met zijne echtgenoote en zijn twee zonen, Joan en Philippus Veit; eindelijk de hofraad Adam Muller met zijn vrouw.
lederen Zaterdag begaf zich P. Hofbauer naar het paleis van den Nuntius, Mgr. Severoli en later van diens opvolger Mgr. Leardi, om hunne biecht te hooren.
Ook verschillende andere hooggeplaatste geestelijken vertrouwden hem de geheimen hunner ziel toe. Onder meer vermelden wij den geleerden kanunnik, Ferrerius Ackerman, professor in de theologie aan de Universiteit te Weenen en Romanus Zangerle, van de orde der Benedictijnen, toen insgelijks professor aan de universiteit, en later Prinsbisschop van Seckau.
Van het oogenblik, dat deze laatste onder de leiding van P. Hofbauer stond, werden zijne voorlezingen over de H. Schrift eerst echt Katholiek, en liet hij de Protestantsche methode varen. Eens liet hij zich aldus over hem uit; »Onder P. Hofbauer zou ik gaarne mijn s noviciaat nog eens maken, en de ascesis aanleeren.\'
Jozef Otmar von Rauscher, toemaals student in de rechten, en later Kardinaal-Aartsbisschop van Weenen, behoorde tot zijne getrouwste leerlingen. Van zijnen kr.nt schreef Mgr. Frederik von Baraga, Bisschop van Mariano-polis in Amerika, aan Z. H. PiusIX: » 1 oen ik student te »Weenen was, had ik drie jaren lang het geluk, bij „p. Hofbauer te mogen biechten; ik beschouw zulks als seen der grootste weldaden, die de Goddelijke Voor-szienigheid mij heeft bewezen, i)
i) Amerikaansche bladen spreken van wonderen, welke die heilige bisschop na zijn dood moet verricht hebben. Zijne levensbeschnjMiig is in het Slavonisch verschenen.
Ten slotte verdient nog een bijzondere vermelding de Kroonprins en latere Koning, Lodéwijk I van Beieren, die het Congres van Weenen bijwoonde. Verscheidene malen kwam deze bij P. Hofbauer biechten, en bleef eens gedurende een groot gedeelte van den nacht bij hem. Wanneer de prins zich bij P. Hofbauer bevond, moest een der huisgenooten voor de deur de wacht houden, opdat niemand hen kwame storen.
Voegen wij hier bij, dat Gods Dienaar onder zijne biechtelingen nog vele studenten der universiteit, verschillende officieren, o.a. Generaal Woeber, en vele beambten telde.
Deze korte lijst, welke met nog vele andere namen kon vermeerderd worden, zal voldoende zijn, om P. Hof-bauers invloed eenigermate te begrijpen. Wanneer men bedenkt, hoe die studenten, later priester geworden, in den geest van hun heiligen biechtvader voortwerkten, hoe die vele huisvaders en huismoeders, van zijne lessen doordrongen, hunne kinderen en onderhoorigen van dezelve deden genieten, hoe, in één woord, allen, in wie door zijn toedoen de ware geest van het Katholicisme was verlevendigd, ook onwillekeurig moesten inwerken op zoovelen, als met hen in betrekking stonden, dan zal men volgaarne toegeven, dat P. Hofbauer, ook al beschouwde men hem slechts als biechtvader, ten volle de lofspraak verdient van Kardinaal Rauscher, die hem noemt »den hersteller van het Katholieke leven in Oosten-ïrijk, den voorlooper van het Concordaat, in dien zin, sdat, zoo P. Hofbauer die terugwerking ten goede niet in shet leven had geroepen, het Concordaat nooit mogelijk sware geweest.quot;
Laat ons thans, na gezien te hebben, met welk een geheimzinnige en onweerstaanbare kracht hij allen tot zich wist te trekken, en welk een groot aantal zich voortdurend om zijn biechtstoel verdrong, een enkel woord zeggen over de wijze, waarop hij zijne biechtelingen behandelde.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Pater Hofbauer in den Biechtstoel.
(VERVOLG.)
De belijdenis der zonden is een acte van boetvaardigheid, die menigeen zeer zwaar valt. P. Hofbauer nu verstond de kunst, die moeielijkheid te verminderen, ja, soms alle zwarigheid te doen verdwijnen. Een enkel feit tot staving.
Joannes Passy verhaalt, dat zijn broeder Jozef, die door het lezen van slechte boeken zijn geloof had verloren, te Praag tooneelspeler werd. Wegens zijne zwakke gezondheid moest hij echter dat beroep spoedig opgeven, en kwam naar Weenen terug. Hij gevoelde zich diep ongelukkig, en leidde een somber en treurig leven. Op zekeren dag nu nam Joan hem mede naar P. Hofbauer, die hem zeer vriendelijk ontving, en aanspoorde, toch spoedig terug te komen. Toen Jozef aan die uitnoodiging voldaan had, sprak P. Hofbauer tot hem: »Vriend, vóór »alles moet gij biechten: als gij eene goede biecht ge-»sproken hebt, zal het weer helder en vroolijk in uwe «ziel worden.quot; Toen hij echter bemerkte, dat zijn voorstel volstrekt niet beviel aan een man, die alle oefeningen van godsvrucht ontwend was, knoopte hij een vertrouwelijk gesprek met hem aan, en bracht hem er weldra toe, geheel zijn levensloop te verhalen. Jozef gevoelde zich gelukkig, zijn bedroefd hart voor dien goeden vader
te kunnen uitstorten, en deelde hem al zijn lief en leed, al zijne goede en slechte daden, al, wat hem ooit overkomen was, met de groothte bereidwilligheid mede. Toen hij daarmede gereed was. zei P. Hofbauer: »Maar, beste »vriend, nu hebt gij reeds gebiecht; kom, zet u op de s knieën.quot; Daarna stelde hij hem over het medegedeelde nog eenige vragen, hielp hem toen, eene goede acte van berouw te verwekken, en gaf hern daarop de heilige absolutie. De gelukkige jongeling kende zich zeiven niet meer van blijdschap; \'t was, of hem een zwaar pak van het hart was genomen. In een geheel ander mensch herschapen, ijlde hij naar huis, en verhaalde vol vreugde wat er tusschen hem en Gods Dienaar had plaats gehad. Niet lang daarna stierf hij, geheel tevreden en overgegeven aan Gods H. Wil.
Een hartelijke liefde, een onverstoorbaar geduld, eene buitengewone zachtmoedigheid, ziedaar wat P. Hof-bauer inden biechtstoel kenmerkte. Diezelfde hemelsche zalving, die aan zijne preeken zulk een overredingskracht schonk, bleef hem ook bij, wanneer hij zijne vermaningen gaf als biechtvader. -.Wanneer hij op de zondaars zulk een ongeloofelijken invloed uitoefende, zegt een der getuigen, dan is het vooral daaraan toe te schrijven, dat hij zich in den volsten zin des woords vader wist te toonen, en allen een medelijdend hart toedroeg.quot;
Ook had hij een zeldzaam talent, om overal de juiste middelen tegen de kwaal te gebruiken, zooals blijkt uit de volgende getuigenissen:
»In zijne vermaningen was hij zoo kort mogelijk; doch met die weinige woorden trof hij den spijker op den kop.quot; — jIeder zijner woorden drong tot in het hart van den biechteling door.quot; ■— »Wat hij in den biechtstoel zcide, beantwoordde zóó volkomen aan ieders behoeften, dat het nog lang in het hart geprent bleef tot verlichting en troost.quot;
Bij al zijne liefde en zachtheid, welke hem aanspoor-
de, door allerlei vragen de belijdenis gemakkelijker te maken, en door wijze lessen en raadgevingen de vruchten der biecht te bestendigen, wist hij toch, met ernst, ja met een heilige gestrengheid, de vervulling te vorderen van al datgene, waartoe de biechteling verplicht was, of wat hij zelf noodig achtte voor diens heil.
Gelukkig hij, die zijn raad involgde; hij kon zeker zijn van Gods bijzonderen zegen. Op zekeren dag komt eene dienstmaagd in een zijden japon bij P. Hofbauer biechten. iMaar, mijn kind, wat is datrquot; — iDe gravin, ïbij wie ik dien, gaf mij dat kleed ten geschenke, wijl s liet haar niet aanstond, en zij wil, dat ik het drage.quot; — ïMaar zulk een kleed past uwen stand volstrekt niet; ïgij moet dat kleed niet meer dragen. Verkoop het of sgeef het weg.quot; — De dienstmaagd handelde volgens P. Hofbauers raad en ging weder gekleed volgens haren stand. Na eenigen tijd vroeg haar de gravin, waarom zij dat kleed nooit meer droeg, en toen zij vernam, wat haar dienstmaagd er mede had gedaan, voegde zij haar op bitsen toon toe: iAls gij mijne geschenken zoo weinig sop prijs stelt, stel ik ook weinig prijs op u. Gij kunt seen andere betrekking zoeken. Binnen veertien dagen JMnoet gij mijn huis verlaten.quot; — Het arme meisje kwam nu weenende bij P. Hofbauer, om hem te verhalen, wat er was voorgevallen. Deze hoorde haar bedaard aan, en sprak toen op bemoedigenden toon; iMaak u sniet bezorgd. God zal u niet verlaten; gij zult een nog sveel betere plaats vinden.quot; En inderdaad; een adellijke dame hoorde van het gebeurde spreken, riep het meisje bij zich, en nam haar niet slechts in haren dienst, maar verzekerde haar zelfs een jaarlijksche rente, die haar moest worden uitgekeerd, zoodra zij om haren leeftijd niet meer zou kunnen werken. Zoo beloonde God de gehoorzaamheid aan zijnen Dienaar.
Eene geheel bijzondere gave, welke er zeer veel toe bijdroeg, om hem met vrucht aan het heil der zielen
— 253 —
te doen arbeiden, wordt ons in de volgende getuigenissen vermeld:
»Er valt niet aan te twijfelen, dat P. Hofbauer door een bovennatuurlijke verlichting in de harten der menschen kon lezen. In den biechtstoel werd men gemakkelijk gewaar, dat de diepste zielsgeheimen voor hem open lagen.quot; — ïWanneer ik ging biechten, had ik hem dikwijls een menigte vragen en twijfels voor te stellen; doch alvorens ik den mond had geopend, gaf hij mij reeds antwoord en beslissing op alles. Meer dan eens stond ik voor bijzondere moeielijkheden; geheel uit eigen beweging, gaf hij mij dan wijze raadgevingen, die juist voor mijn toestand pasten.quot;
»In ons klooster, zoo verhaalt eene der zusters, was eene postulante, die zoo hevig door bekoringen tegen hare roeping gekweld werd, dat zij eindelijk besloot, ons te verlaten. Juist kwam P. Hofbauer daar aan, naderde haar, en fluisterde haar in \'t oor: iFrancisca, »blijfinhet klooster; dat is uwe roeping.quot; Francisca stond niet weinig verwonderd over die woorden, wijl zij nog niemand over haar plan gesproken had; op hetzelfde oogenblik verdwenen al hare twijfels en bekoringen; zij bleef in het klooster, waar zij op drie en tachtigjarigen leeftijd nog woonde, toen namelijk in 1868 het proces der zaligverklaring reeds was ingeleid.
Een dergelijk geval verhaalt Louise von Pilat, van de orde der Visitandinnen. »Teresia Scharfenberger, die thans aan het hoofd staat van een onzer kloosters in Oostenrijk, had vóór haar intreden in het klooster P. Hofbauer tot biechtvader. Eens werd zij bij het aanhooren eener preek levendig getroffen, en maakte het besluit, bij de Ursulinnen den kloosterstaat te omhelzen. Wijl haar vader echter uitdrukkelijk verklaarde, dat hij nooit zijne toestemming daartoe zou geven, meende zij, van elke verplichting ontslagen te zijn, en dacht niet meer aan hare roeping. Doch spoedig begon zij ongerust
te worden, en gevoelde zelfs een zekere wroeging over hare handelwijze. Zij had den vrede des harten verloren, en, wat nog erger was, voor haren biechvader verborg zij dien strijd. Maar wie schetst hare verbazing, als 1*. Hof-bauer na de biecht tot haar sprak; sGij moet in een kloos-ïter der Visitatie treden; ik zelf zal voor uwe opneming »zorgen.quot; — Clemens had dus haar binnenste doorschouwd; zij vond den vrede der ziel weder, en is thans reeds meer dan vijftig jaar in een onzer kloosters.quot;
Luisteren wij ten slotte nog eenige oogenblikken naar Kardinaal Rauscher, die in de volgende woorden al het reeds gezegde samenvat:
yin alles, maar vooral in het toedienen van het H. Sacrament van boetvaardigheid, toonden zich zijne gave van onderscheiding, zijn doorzicht en zijn buitengewone tact. Met weinige, doch krachtige woorden wist hij eenieder datgene te zeggen, wat met zijn gewetenstoestand het best overeenkwam. Trof hij zielen aan, die ernstig naar de volmaaktheid verlangden, dan behandelde hij ze met de grootste omzichtigheid, en hield den buitensporigen ijver, dien men bij beginnenden zoo dikwijls aantreft, binnen de juiste grenzen. Een zijner groote beginselen was, dat men God met een kalm en rustig hart dienen en niets moet overdrijven. — Wat mij persoonlijk aangaat, heeft P. Hofbauer mij nooit aangespoord, de wereld vaarwel te zeggen; maar zijne lessen en zijn voorbeeld deden bij mij het verlangen ontstaan. God aan het altaar te gaan dienen. Hij keurde mijn verlangen goed, maar duldde niet, dat ik met de voortvarendheid van een onbezonnen ijver den tegenstand mijner familie zou overwinnen. Veeleer ried hij mij aan, den wil mijner ouders in zooverre na te komen, als het geweten het toeliet, en daarom den cursus van het recht eerst te voleindigen.quot;
Het groot vertrouwen, dat in hem uitblonk, wist hij ook in anderen over te storten; en menigen zondaar
bekeerde hij, door in hem een levendig vertrouwen op Gods Barmhartigheid en de voorspraak van Maria op te wekken.
Kleinmoedige en angstvallige zielen vonden in hem een engel van troost., die hun den zoeten vrede der ziel wist terug te schenken. P. Rinn, van het Gezelschap van Jezus, getuigt van hem, dat hij een bijzondere gave bezat, om alle onredelijke angsten en scrupulen met een paar woorden als weg te blazen.
Slechts bij sommigen mocht het hem niet gelukken; bij dezulken wist hij dan een heldhaftig geduld te oefenen. Tot hun getal behoorde een priester der Congregatie, P. Jozef Forthuber, die het hem met zijne scrupulen dikwijls lastig maakte. Wanneer hij, vóór de nuttiging de pateen moest zuiveren, scheen er aan het purificeeren geen einde te zullen komen, tot groote verveling van hen, die zijne Mis bijwoonden. Toen P. Hofbauer zelf op zekeren dag daarvan getuige was, stond hij eindelijk op, naderde hel altaar, en zeide zachtjes: sjozef, de engelen moeten ook wat »te doen hebben.quot;
Een andere scrupulant, die jaren lang het geduld van Gods Dienaar op de proef stelde, en hem nog op zijn sterfbed kwam lastig vallen, was zekere Joannes Kraus, een eenvoudig, godsdienstig man, die later van jeneverstoker zelfs priester werd. Hoeveel moeite zijn biechtvader met hem moet gehad hebben, kan men reeds hieruit opmaken, dat hij na den dood van P. Hofbauer, wien hij toch zoo veel te danken had, uit louter angstvalligheid, er niet toe te bewegen was, iets onder eede te bevestigen. Wel bekende hij, in allen ootmoed, dat hij P. Hofbauer tot grooten last was geweest, en dat deze hem eens gezegd had: sNu, één Kraus, dat »gaat nog, maar twee Krausen zouden mij er onder » werken.quot;
Wat eindelijk het opleggen der boete aangaat, daarin volgde P. Hofbauer den gulden regel: niemand
overladen, en vooral van zwakke zielen slechts weinig vorderen.
Kardinaal Reisach verhaalt, dat toen de echtge-noote van Adam Muller op het punt stond, het Protestantisme af te zweren, zij een grooten angst gevoelde, dat P. Hofbauer haar een zware penitentie zou geven. Deze echter was zoo gemakkelijk en klein, dat zij niet kon nalaten, hare verwondering daarover aan Gods Dienaar te openbaren. »Welnu, sprak P. Hofbauer, neem »dan ook nog als boete aan, wat God zelf er aan zal »toevoegen.quot; Nauwelijks was zij tehuis teruggekeerd, of zij gevoelde een hevige tandpijn. Toen herinnerde zij zich het woord van Gods Dienaar, en vond daarin de noodige kracht, om haar lijden met geduld en algeheele overgeving te dragen.
Sluiten wij dit hoofdstuk met het schoone woord der getuigen; sZijn vurig verlangen, om allen te redden, deed hem alles in het werk stellen, om de godsvrucht beminnelijk te maken, en de Jansenistische gestrengheid tegen te gaan.quot; — 5 Waarlijk, hij was een goede herder, die geen rust heeft, totdat het verloren schaap is teruggevonden.quot;
TIENDE HOOFDSTUK.
Clemens Maria als Geestelijke Bestierder der Ursulinnen.
Zelf kloosterling en een ijverig beoefenaar der Evangelische raden, moest P. Hofbauer wel een groot belang stellen in den bloei en den voortgang van het kloosterleven. Bestraald door het licht des geloofs, beschouwde hij de kloosters met een geheel ander oog dan de meeste zijner tijdgenooten het deden; hij noemde ze het sieraad en den steun der Katholieke Kerk, de meest geschikte kweekscholen voor de Christelijke deugden, ware paradijzen hierop aarde, tempels des Heeren, op welke God met een bijzonder welgevallen neerziet, welke Gods genade aftrekken over duizenden zielen, die anders onherroepelijk verloren zouden gaan.
Een klooster, waar God ijverig gediend wordt, verdiende, naar zijn oordeel, denzelfden eerbied als het huis van God. jNooit ga ik uw klooster voorbij, zeide »hij op zekeren dag tot een zuster der Visitatie, zonder »tweemaal het hoofd te ontdekken: eens voor het Allerh. «Sacrament, en eens uit eerbied voor Christus\' bruiden, «die in uw huis wonen.quot; —
Hij was er van overtuigd, dat de kloosterlingen zeiven hunne waardigheid en hun geluk niet konden beseffen: ïEerst op uw sterfbed, zeide hij, zult gij inzien, welk gt;; eene genade de roeping tot het kloosterleven is; met «haar vergeleken is alle aardsche pracht en grootheid niets.quot;
17
Die groote achting voor den kloosterlijken staat vervulde zijne ziel met diepen weemoed, wanneer hij een blik wierp op die vele huizen, waar eens de heilige gezangen der kloosterlingen weerklonken, terwijl er thans niet.-; anders gehoord werd dan het vloeken en razen der misdadigers, die daar gevangen lagen. Zoovele heiligdommen. waar vóór nog weinige jaren de uitverkoren zielen der Kerk hun streven naar deugd en volmaaktheid kwamen bevredigen, moesten thans dienen tot bergplaatsen der ellendige goederen dezer wereld, ja tot de schandelijkste bijeenkomsten; die gedachte sneed hem door de ziel en perste hem bittere tranen af. Wat hij doen kon, om het kloosterleven, in Oostenrijk zoo wreedaardig onderdrukt, tot een nieuw leven óp te wekken, deed hij daarom met verdubbelden ijver.
üp den kansel sprak hij dikwijlsjn vurige bewoordingen over de verheven schoonheid der roeping tot het kloosterleven, om zijn eigen eerbied en liefde voor dien staat ook anderen in te prenten. Ue Is.anuniiik Jozef Hol-zinger verhaalt, dat hij zelf eens tegenwoordig was bij eene preek, welke Gods Dienaar in de kerk der Yisitan-.linnen hield. Hij besprak de Evangelische raden, en gebraakte daarbij als in een bovenaardsche vervoering. Zóó nadrukkelijk en overtuigend, zóó duidelijk en roerend - tevens was zijn taal, dat de zusters hare tranen niet konden 1 )ed wingen.quot;
Om iemand te overtuigen van de verplichting, die op hem rust, met betrekking tot de roeping aan den eenmaal duidelijk erkenden w il van God te gehoorzamen, zelfs dan, wanneer ouders of bloedverwanten zich daartegen verzetten, haalde hij gaarne het voorbeeld aan van den Goddelijken Zaligmaker, die in den tempel van Jeruzalem achterbleef, en zijne moeder de vraag stelde; : Wist ^ij niet, dat ik mij moet bezighouden met hetgeen ;mijns vaders is:quot;
Wanneer hij bemerkte, dat eene ziel werkelijk
, —- 259 —
door God tot het kloosterleven geroepen werd, wekte hij haar op, die roepstem niet te versmaden, en trachtte door zijne heilzame vermaningen die hemelsche vonk tot-een heldere vlam aan te wakkeren. 1 )oor zijne bemoeiingen omhelsden velen den religieuzen staat, niet slechts bij de Ursulinnen, waar P. Hofbauer Rector was, maar ook bij vele andere Congregatiën. Hoe diep zijne woorden doordrongen, welk een onvergetelijken indruk zij maakten, zagen wij reeds aan de gravin Zich)-, die eerst op hoogen leeftijd den wensch harer jeugdige jaren vervullen kon, en in het klooster trad na het verdwijnen van beletselen, die zoovele jaren hadden voortgeduurd.
Onbeschrijfelijk was zijne vreugde, wanneer men hem kwam meedeelen, dat iemand besloten had, aan de wereld vaarwel te zeggen, om God alleen te gaan dienen. Als een kind, dat zijn blijdschap niet in woorden kan uitdrukken, klapte hij van vreugde in de handen. Toen eens aan een zuster gevraagd werd, waarom P. Hofbauer bij de plechtigheid der inkleeding geene toespraak had gehouden, antwoordde zij naar hare diepste overtuiging: ;:De vreugde belette hem te spreken.quot;
Als Clemens Maria het kloosterleven zóó hoog schatte en zóó vurig beminde, moesten de zeven jaren, waarin hij de geestelijke bestuurder der Ursulinnen was, voor dat klooster wel vruchtbare en genaderijke jaren zijn. Bij zijn verscheiden stond dan ook werkelijk die lusthof des Heeren in vollen bloei.
Toen hij in 1813 zijn ambt aanvaardde, was, ten gevolge van den rampzaligen tijdgeest, de kloostertucht merkelijk verslapt. Aanstonds sloeg P. Hofbauer dc handen aan het werk, om daarin verbetering te brengen en den oorspronkelijken regel weder met stiptheid te doen onderhouden. Wat in dergelijke omstandigheden gewoonlijk geschiedt, geschiedde ook hier; altijd zal men van die dwaze zieken vinden, die als een gif verwerpen, wat hun leniging en rust zou schenken. Verschillende
koorzusters wilden niets hooren van hervorming, en verzetten zich uit alle krachten tegen zijne pogingen ter verbetering, Gods Dienaar liet daarom den moed niet zinken; de-beleedigende en lasterlijke uitdrukkingen bestreed hij door zijne kalmte en zijn geduld; juist aan diegenen die hem het meeste tegenwerkten, betoonde hij de meeste voorkomendheid en de grootste liefde. Zoo mocht het hem gelukken, eene betere stemming in haar op te wekken en ze geheel voor Ood te winnen.
Na korten tijd zag hij zijne pogingen met den besten uitslag bekroond, terwijl zij allen, die eerst zijne liefde quot;met ondank hadden vergolden, hem als haar grootsten weldoener beschouwden en gedwongen waren, te bekennen: »P. Hofbauer is een heilige; waar hij zich streng toont, is het slechts in ons eigen belang, en om ons voortgang te doen maken in de deugd.
Nu eenmaal de onderhouding der regelen tot haar vorigen bloei was teruggebracht, begon P. Hofbauer, met de kalmte en de wijsheid, doch tevens met de onvermoeibaarheid van een heilige aan de volmaking der zusters te werken. Door de dubbele leer van het woord zoowel als van het voorbeeld prentte hij in hare gemoederen eene vurige liefde in voor de drie grondzuilen van het kloosterleven; de zuiverheid, de gehoorzaamheid en de armoede.
Wat wist hij de maagdelijkheid en hare verheven voorrechten heerlijk te schilderen! «Maagdelijke zielen zeidè hij, zijn zusters der Engelen. — God, die zijne bruiden bemint, zal voorzeker hare vurige gebeden ver-hooren. Zelfs bij de heidensche Romeinen stonden de maagden in zulk een achting, dat men het levenschonk aan de reeds ter dood veroordeelde misdadigers, wanneer de Vestaalsche maagden voor hen baden. Hoeveel meer zal dan niet het gebed eener maagd, die geheel haar leven aan God heeft toegewijd, op het hart van haar hemelschen Bruidegom vermogen!quot; Daarom ver-
langde hij, dat zij, nog meer dan de andere geloovigen, voor de bekeering der zondaars zouden bidden.
Over de gehoorzaamheid was een zijner lievelingsspreuken: »0, hoe gemakkelijk is het gehoorzamen, hoe moeielijk daarentegen het bevelen!quot; — Hij leerde de zusters: sDe gehoorzaamheid legt de bijl aan den wortel; zij geeft in alles volkomen zekerheid en gerustheid.quot; Daarom vermaande hij haar, met het oog op den ge-kruisten Jezus: »Gehoorzamen tot den dood; liever sterven dan niet gehoorzamen.quot; — Eens vroeg hij: »\\Vie houdt gij voor de beste novice rquot; — Toen niemand hem antwoordde, ging hij aldus voort: ïDe beste novice is zij, die ootmoedig gehoorzaamt en tevreden blijft, wanneer men haar als een bezem tot het vegen zou gebruiken, om haar daarna weder in den hoek te zetten.quot; —
De gelofte van gehoorzaamheid beschouwde hij ook als een krachtig middel, om veel invloed te hebben op Gods hart. Eens verzocht hij eene zuster, een enkel Wees Gegroet te willen bidden voor de bekeering van een zondaar. Toen zij hem antwoordde, dat zij het wel wat weinig vond, en daarom meer zou bidden, hernam hij vriendelijk: »Diegenen, die door de gelofte van ge-■gt;hoorzaamheid hun eigen wil aan God hebben ten offer »gebracht, bidden met beter gevolg dan de gewone Chris-»tenen.quot; — Om haar echter op te wekken, de ware gehoorzaamheid der kloosterlingen te beoefenen, welke hoofdzakelijk bestaat in het nauwkeurig naleven van den kloosterregel, zeide hij dikwijls: »Wie zijne dagorde stipt onderhoudt, volbrengt den AVil van God.quot;
Zijn beginsel omtrent de heilige armoede: j.Wat eene zuster tot haar gebruik heeft, is volstrekt niet haar eigendom, maar wordt haar geleend tot een bepaald doel; — Jezus is haar eenige schatquot;, behoefde hij niet met woorden te staven: zijne enkele veischijning toch was reeds eene krachtige aansporing tot het beoefenen van die deugd. Als men in aanmerking neemt, dat hij
202
als priester zijne waardigheid moest ophouden, kan men veilig zeggen, dat hij niet eenvoudiger en armoediger gekleed kon gaan. »Zijn mantel, zegt kanunnik Veith, droeg er de duidelijkste blijken van, «lat hij reeds te Warschau goede diensten gedaan had.quot; Waren zijne kousen of andere kleedingstukken gescheurd, dan viel hij daarmede niemand lastig, maar verstelde ze met eigen hand. In die zeven jaar zagen hem de zusters slechts éénmaal, op een hoogen feestdag, in een nieuw kleed verschijnen, üat was iets zoo ongewoons, dat zij tot elkander zeiden; 3Wij mogen van wonderen spreken: P. Hofbauer heeft vandaag een nieuwen toog,quot;
Bij het opwekken tot deugd, bleef het hem echter altijd hoofdzaak, eenieder naar zijn eigen talent en karakter te behandelen. Daarom vermaande hij dikwijls de Overste en de Novicenmeesteres, niet allen naar eenzelfden maatstaf Ie beoordeelen of van allen evenveel te vorderen. Wat hem zeiven betreft, hij wist zich zoo goed te schikken naar eenieders aanleg en krachten, dat elke zuster meenen kon, dat hij slechts voor haar heil bezorgd was. — Vooral wist hij zijn tijd, of liever, den tijd der genade af te wachten, en veel geduld te oefenen, waar het gold, de fouten en gebreken te verbeteren en uit te roeien. Moest hij bestraffen, dan wist hij de vernedering en bestraffing te doen medewerken tot nieuwen voortgang in de deugd.
Op. zekeren dag hoorde hij eene zuster, in een oogenblik van drift wat al te hevig tegen eene andere uitvaren. Hij deed haar eene gevoelige vernedering ondergaan, en verbood haar de H. Communie. Wijl zj echter die boete gewillig aannam, stond hij haar eenige dagen later eene buitengewone Communie toe, en mocht er in slagen, haar langzamerhand dat hevig en opvliegend karakter geheel te doen afleggen.
Ziehier nog eenige punten, waarop hij bij zijne zusters herhaaldelijk aandrong.
Vooreerst moest ieder een afschuw hebben van den lediggang; de tijd had in zijn oog te veel waarde. 5 Van één oogenblik hangt het soms af, of iemand in den hemel komt.quot; «Ieder oogenblik kan men benutten voor God en zijne ziel; maar wat voorbij is, komt nooit meer terug.quot; sDaarenboven, zoo voegde hij er bij, de tijd nadert reeds, waarop niemand meer werken kan!quot; En nog gt;; men weet niet, op welk uur de Heer zal komen; weest daarom altijd bereid tot biechten en tot sterven.quot;
Dan moesten ook allen zich wachten, onder elkander over de huisgenooten te morren en te klagen. ïZü. die zelf het minste deugen, zoo zeide hij, zijn dikwijls de strengste rechters voor anderen.quot; Veeleer moest men zich beijveren, altijd vroolijk en opgeruimd le zijn. wijl droefgeestigheid en moedeloosheid de vlucht der ziel belemmert. Als grondslag der ware, geestelijke vreugde wees hij op de liefde voor het kruis, op de gelijkvormigheid met Gods H. Wil en op de nederigheid. Ken zijner beginselen luidde; sliet hoogste geluk vindt men in God en in het lijden.quot; Daarom leerde hij de zusters: 5Wanneer gij een kruisbeeld voorbijgaat, zegt dan met godsvrucht: s Valer, niet mijn wil, waar dc Uwe zOonle in mij volbracht bij mijn leven cn sterven.quot; Toen de werkzusters eens een lading hout naar binnen moesten dragen, hetwelk voorzeker een vermoeiende arbeid was, sprak hij: sZegt nu in alle oprechtheid: • O Jesus, laat mij ilit kruis een weinig met U dragen.quot;
quot;Op zekeren dag, zoo verhaalt een der zusters, was ik zeer verdrietig en geheel ter neergeslagen. Mijn noviciaat duurde reeds vijf jaar, en nog wist ik niet, wanneer ik mijne geloften zou mogen afleggen. Twee zusters deelden, in mijne tegenwoordigheid, mijn bekommernis aan Gods Dienaar mede. die mij aanstonds zeide: «Deze treurigheid is een rook. die uit de hel op-»stijgt, en u het hart bezwaart.quot; sMaar vader, zeiden «daarop de zusters, dat noviciaat duurt toch ook te
ïlang.quot; — gt;sTe lang? antwoordde Clemens; ons leven is seen voortdurend noviciaat. Onze proeftijd houdt eerst »dan op, wanneer wij in den hemel tot het gezelschap sder heiligen worden toegelaten.quot;
De ware nederigheid bepaalde hij aldus: sHet verlangen, om anderen te dienen.quot; «Want, zoo zeide hij, eene ziel, die vrij is van alle eigenliefde, verlangt niets anders dan in alles onderworpen te zijn, anderen te dienen, te helpen en op te vroolijken.quot; »Met die woorden, zegt P. Rinn S. J., heeft Gods Dienaar, zonder het te weten, zich zeiven geteekénd.quot;
Door deze en nog vele andere lessen wist P. Hof-bauer in een betrekkelijk korten tijd niet alleen de kloostertucht te doen herleven, maar ook al de aan zijne-leiding toevertrouwde zusters met een vurig verlangen naar de volmaaktheid te bezielen.
Om te zien, met welk een vrucht P. Hofbauer zijne taak als geestelijke bestierder vervulde, behoeven wij slechts te wijzen op eene werkzuster, wier naam wij reeds meermalen genoemd hebben, op zuster Thaddëa Taxböck. Als een arm en onwetend boerenmeisje was zij in het klooster gekomen; toen zij echter het geluk had, in het proces der zaligverklaring getuigenis te kunnen afleggen over het leven en de deugden haars geestelijken bestierders, toonde zij daarin, welke juiste denkbeelden over het geestelijk leven zij had opgedaan, en hoe volmaakt zij den kloosterlijken staat begreep. Onder alle getuigen, die in het proces gehoord zijn, leverde zij de zaakrijkste en schoonste bijdragen, terwijl hare verklaringen gesteld waren met een degelijkheid, die zelft den besten theologant geen oneer zou aandoen.
ELFDE HOOFDSTUK.
Zijne teedere Liefde voor de Zieken.
•
Het ziekenbezoek moet, naar het voorbeeld van onzen Goddelijken Zaligmaker, even als het preekéh en biechthooren, onder de apostolische werkzaamheden gerekend worden. De Heiligen beschouwden de uren, die zij daaraan besteedden, geenszins als een verloren tijd, maar telden ze onder de verdienstvolste en heilrijkste van hun leven.
Ook P. Hofbauer was voor de zieken een teedere, uiterst bezorgde vader, en stond hun met eene onbeschrijfelijke liefde ter zij.
Vóór alles deed hij zijn best, dat men in het, aan zijne zorg toevertrouwde klooster de ziekte beschouwde als een uiterst kostbare beproeving. Daarom was hij onvermoeid werkzaam, om de zieke kloosterzusters op te beuren, en ze te leeren, door algeheele overgeving aan Gods H. Wil veel vrucht uit haar lijden te trekken.
In de ziekenzaal van het klooster bevond zich eene afgeleefde zuster, wier geestvermogens reeds begonnen te verzwakken, en die door haar knorrigheid en ongeduld de overigen tot last verstrekte. P. Hofbauer ging haar tijdens haar ziekte dagelijks bezoeken. Vooraf ging hij dan in den tuin eenige bloemen voor haar plukken, of nam, wanneer er geen bloemen waren, de een of andere kleinigheid mede, hetwelk haar dan voor dien geheelen dag opgeruimd stemde. Dan knoopte hij een vertrouwelijk
gesprek met haar aan over allerlei beuzelingen; want voor een ernstig onderhoud was zij niet meer geschikt. Zoo won hij haar altijd meer en meer voor zich. — Eens zelfs dreef hij zijne goedheid zóó ver, dat hij haar uitnoo-digde, wat op en neer te wandelen door de gangen van het klooster, waarbij hij zelf haar ondersteunde, wijlquot; zij zich slechts moeielijk bewoog. Zulk een liefdevolle belangstelling bracht in die oude zuster een volslagen verandering te weeg. Van gemelijk en lastig als zij tot dan toe was, werd zij geduldig en vroolijk, zoodat zij aan de ziekenzusters volstrekt geen last meer veroorzaakte. Men behoefde haar later slechts te herinneren aan die wandeling met P. Hofbauer, en aanstonds keerde de kalmte en de goede luim terug.
Wanneer eene zieke in stervensgevaar verkeerde, kon men zeker zijn, P. Hofbauer daar te vinden. Dan wist hij zoo goed te troosten, moed in te spreken en het uur van den dood te verzoeten. Laten wij hier weder zuster Thaddëa aan het woord:
ïln ons opvoedingsgesticht voor meisjes bevond zich eene leerlinge, Rosa Göll genaamd, die kort na hare eerste H. Communie in een zware ziekte viel. Toen de dood reeds naderde, maakte zich eensklaps een buitengewone angst van haar meester. Ten prooi aan de hevigste onrust, wees zij naar den wand en riep: »Die zwarte ïhond daar wil mij verscheuren.quot; \'t Was een akelig gezicht. — Wijl ik mij juist met zuster Veronica in de ziekenzaal bevond, snelde ik aanstonds heen, om Gods Dienaat te gaan roepen. Deze was in een oogwenk bij mij, zoodat het mij onbegrijpelijk is, hoe hij zóó spoedig aanwezig kon zijn. Nauwelijks was hij de ziekenkamer binnengetreden, of het kind werd rustig en zei: sDe jhond is reeds weg.quot; P. Hofbauer zegende nu het kind, en gaf het de generale absolutie, waarop het kalm en met een hemelschen glimlach op het gelaat den geest waf. Gods Dienaar wendde zich toen tot ons en sprak:
O
— 267 —
»Wij hebben weder een engel in den Hemel, die voor jons zal bidden.quot;
jZulk eene bezorgdheid en liefde, — aldus gaat zuster Thaddea voort, betoonde hij aan al on/,e zusters. Op elk uur, zoo van den dag als van den nacht, was hij bereid, haar bij te staan. Dikwijls waakte hij geheel den nacht, en bracht den zieken, onmiddellijk na twaalven de H. Communie.quot;
Hij bepaalde echter zijne liefde niet tot de ziekenzaal van het klooster, maar bracht haar mede aan elk lijdensbed, zoowel in de verschillende hospitalen der stad, als in de paleizen der groeten en de armste hutten der bedelaars. Het is een bepaalde onmogelijkheid, het getal der zieken aan te geven, die hij tijdens zijn verblijf te Weenen bezocht, getroost cn tot den laatsten allergewichtigsten stap heeft voorbereid. De verschillende getuigen in het proces konden geen woorden vinden, om naar waarde te schetsen, met welk eene liefde hij zulks deed. In geheel Weenen stond hij daarvoor bekend, zoodat hij zeer dikwijls bij de zieken geroepen werd, vooral bij hen, wier geloof schipbreuk had geleden, en die niet waren te bewegen, de HH. Sacramenten te ontvangen. Wanneer soms andere priesters tevergeefs getracht hadden, den zieke tot betere gedachten te brengen, stuurde men naar I\'. Hofbauer. Een dergelijk verzoek ontvangen, en er onmiddellijk met de meeste bereidwilligheid aan voldoen, was voor Gods Dienaar een en hetzelfde. Het mocht dan zijn in het holle van den nacht; daar mocht een zware regen of een dichte sneeuw nedervallen, niets kon hem zijn vertrek een oogenblik doen vertragen. Was het al te donker, dan nam hij zijn lantaarntje mede, en ijlde naar den zieke of den stervende, die soms in eene der verafgelegene voorsteden woonde.
Ging hij naar arme zieken, dan nam hij dikwijls spijzen en andere aalmoezen mede; zag hij, dat het een kranke aan de noodige verzorging ontbrak, dan nam hij
zelf de taak van ziekenverpleger op zich. Door zijn voorkomendheid en zachte liefde won hij dan spoedig de genegenheid en het vertrouwen der lijders, en mocht zoo menigmaal den troost smaken, eene ziel, die reeds eene zekere buit der hel scheen te zijn, nog in de laatste oogenblikken aan de klauwen van den vijand te ontrukken. Wanneer hij zich naar de woning van zulk een ongelukkige begaf, bad hij onderweg zijn Rozenkrans, en liet intusschen de zusters bidden; dan was hij zeker van het welslagen zijner pogingen.
Aan het ziekbed van dergelijke zondaars ontstak zijn ijver in een nieuwen gloed; — niets kon hem ontmoedigen of afschrikken. Eens kwam men tot hem met de dringende bede, hij zou toch spoedig bij een zieke komen, die de HH. Sacramenten niet wilde ontvangen. Het was een man uit den voornamen stand, die, zooals zijne moeder en zijne echtgenoote aan F. Hofbauer verhaalden, sinds twee en twintig jaar niet meer gebiecht had, en ook thans niets van een priester wilde weten. Toen hij Gods Dienaar zag binnenkomen, geraakte hij in woede, overlaadde hem met beleedigingen, en gelastte hem, de kamer onmiddellijk te verlaten. P. Hofbauer bleef kalm, en stond onbewegelijk voor hem. — Toen de zieke had uitgeraasd, sprak Clemens, bedaard en op zacht verwijtenden toon; »Wanneer iemand eene reis onderneemt, zorgt hij voor shet noodige reisgeld; en gij, die zulk een verre reis smoet ondernemen, gij zoudt de middelen versmaden, ïdie u voor den gelukkigen afloop ervan zoo nood;;a-skelijk zijn? — Ik bid u, wees toch verstandig.quot; — Niets mocht baten; alle pogingen leden schipbreuk op de har^iekkigheid van den zondaar, die den priester voortdurend bleef afwijzen en herhaaldelijk uitriep: sik izeg u, vertrek van hier.quot; —
Eindelijk scheen P. Hofbauer zelf aan die bekeering te wanhopen; hij verliet het ziekbed, als wilde hij vertrekken. Maar aan de deur gekomen, wendde hij zich
weder om, bleef daar staan, en beschouwde den ongelukkige, terwijl hij zijn Rozenkrans bad. »Wat wilt gij sdaar, schreeuwde de man, ga nu eindelijk heen, en laat jmij met rust.quot; — P. Hofbauer antwoordde: »Nu uw »dood zoo nabij is, ga ik niet meer heen. Reeds dik-swijls was ik getuige van een zalig afsterven; heden wil sik zien, hoe een verdoemde sterft.quot; —■
Dat was het oogenblik der genade. Als een donderslag klonken die woorden in het oor van den zieke; hij kwam tot bezinning, zijn woede bedaarde. Weldra overmeesterde hem een gevoel van schaamte, van berouw en schrik; hij riep Gods Dienaar aan zijn bed, en sprak thans, maar op een geheel anderen toon: «Eerwaarde heer, kunt gij mij al den smaad, dien ik u saandeed, vergeven?quot; — En toen P. Hofbauer antwoordde: »Mijn vriend, dat is reeds vergevenquot;, brak de man in tranen los, en vroeg: »Maar zal ook God mij »mijne zonden vergeven?quot; — »God is oneindig goed; »verwek slechts een acte van berouw, en alles wordt u ï kwij tgescholden.quot;
De zieke sprak zijne biecht, drukte het kruisbeeld, dat P. Hofbauer hem voorhield, aan zijn hart, en stierf een genisten dood. Deze bekeering haalde P. Hofbauer zelf aan als een bewijs voor de oneindige Barmhartigheid des Heeren.
Een dergelijk geval had reeds vroeger te Warschau plaats gehad. Hij bezocht daar in het hospitaal een soldaat, die, hoe vreeselijk hij ook leed, zijn gloeienden pristerhaat nog altijd bleef voeden. Nauwelijks werd hij P. Hofbauer gewaar, of hij riep met heesche stem: »Kom hier, paap, dan ruk ik u de oogen uit het hoofd.quot; Zonder eenige vrees nadert Gods Dienaar het ziekbed, spreekt eenige woorden tot dien woestaard, en ziet! dat hemelsch geduld, die engelachtige zachtmoedigheid werkt zoo onweerstaanbaar, dat de arme zondaar tot inkeer komt, en eene rouwmoedige biecht spreekt.
Kanunnik Veith verhaalt ook den volgenden trek: Een reeds bejaard man, uit een aanzienlijke familie van Weenen, lag op zijn uiterste, en weigerde hardnekkig, zich met God te verzoenen. Reeds twaalf priesters hadden beurtelings getracht, den man tot inkeer te brengen; doch vruchteloos. Onder vreeselijke vervvenschingen stootte hij iederen priester van zich. Toen nam men zijn toevlucht tot P. Hofbauer, die zich aanstonds op weg begaf, en met verdubbelde vurigheid zijn Rozenkrans ter hand nam. Bij zijn binnentreden vond hij de vrouw en de dochter, weenend en snikkend, in hetzelfde vertrek, waar de zieke lag. ïWaar is de ziekerquot; vroeg hij. Men wees hem op het bed in een hoek van de kamer, en P. Hofbauer sprak aanstonds met luider stemme; • O, is hij liet? — : Met hem zullen wij het spoedig eens worden.quot; — En zoo was het. Toen hij bij den zieke kwam, was deze zeer gewillig, luisterde met graagte, en legde zonder eenigen tegenstand onmiddellijk zijne biecht af. Het gebed van P. Hofbauer had den wolf in een lam veranderd.
juist zoo maakte hij het met een voornamen jongen man, gelijk P. Rinn heeft medegedeeld. Door de studie eener slechte wijsbegeerte had hij zijn geloof verloren, en lag nu op zijn smartbed uitgestrekt, met den dood voor oogen. Zonder omwegen ging P. Hofbauer recht op zijn doel af, en behaalde een schitterende overwinning. Hij noodigde den zieke uit, de geloofsbelijdenis met hem te bidden, en toen de ongeloovige jonkman niet verder wilde, besproeide hij hem met wijwater, en sprak: ?Nu gaan wij weer door.quot; En werkelijk, de zieke gaf zich gewonnen en bad de geheele geloofsbelijdenis mede. Zooveel had\' God van hem verlangd, alvorens zijne genade ruimschoots over hem uit te storten. quot;Ma dat gebed sprak de jongeling: »Nu wil ik biechten.quot; Daarop ontving hij met alle godsvrucht de HH. Sacramenten, en stierf als een rechtgeloovige.
Soms haalde hij een zieke tot het ontvangen der
Sacramenten over, door hem met een enkel woord het vertrouwen op zijne eeuwige zaligheid in te boezemen. Luisteren wij naar hetgeen P. Kral daarvan verhaalt.
Baron Moser, die reeds jaren aan een borstkwaal leed, was volstrekt geen ongeloovig man; wijl hij echter, gelijk dat in die ziekte meer gebeurt, zijn toestand geenszins gevaarlijk achtte, kon niemand hem bewegen, de HH. Sacramenien te ontvangen. Zijne vrouw riep daarom P. Hofbauer, opdat ook liij het zoude beproeven. Clemens kwam en zeide: »Baron, gij moest biechten; gij skunt verzekerd zijn, dat gij in den hemel zult komen.quot; De man zag hem met verbazing aan, en vroeg; ïWat zegt gij, P. Hofbauer, is dat werkelijk waar?quot;—»Zon-sder eenigen twijfel.quot; — »Nu, als dat zoo is, dan wil »ik aanstonds biechten.quot; Zoo gezegd, zoo gedaan; vol vreugde over de verzekering, hem door Gods Dienaar gegeven, ontving hij aanstonds de HH. Sacramenten.
Wijl echter de ziekte tamelijk lang aanhield, zocht hij nu en dan wat uitspanning in een onschuldig spel met zijne vrienden. Zijne godvruchtige vrouw oordeelde echter, dat die verstrooiing niet paste aan het ernstige van zijn toestand en verlangde, dat hij zich ook die uitspanning ontzegde. Doch de zieke antwoordde eenvoudig: »P. Hofbauer heeft het mij niet verboden, en dat sis mij genoeg; want, als het niet mocht, zou hij het azeker niet hebben toegestaan.quot; — Eenigen tijd later stierf hij, in de vaste overtuiging, dat hij naar den Hemel gir.g.
Met diezelfde verzekering stelde P. Hofbauer ook gaarne de vrome zielen in hun stervensuur gerust. De jonge gravin Lichtenberg leed aan de tering, en Gods Dienaar werd geroepen, om haar tot de reis naar de eeuwigheid voor te bereiden. Toen hij haar verliet, herhaalde zij voortdurend, vol blijdschap en vertrouwen: »lk kom zeker in den Hemel; P. Hofbauer heeft het mij gt;; beloofd.quot;
Het was een uiterst zeldzaam geval, dat iemand, die
door Gods Dienaar in den dood werd bijgestaan, zich niet wilde bekeeren. Dr. Emmanuel Veith heeft echter het volgende voorval opgeteekend.
sToen Dr. Barth, een professor en oogarts op sterven lag, werd Clemens bij hem geroepen. Ofschoon hij wist, dat de ongelukkige bekend stond als een Godloochenaar, een vrijmetselaar en een bespotter van den godsdienst, begaf hij zich toch aanstonds naar de woning van den dokter. Deze, een groot liefhebber en verzamelaar van antiquiteiten, begroette hem met de zonderlinge woorden: sEen echte Apostelkop,quot; waarop P. Hof-bauer aanstonds antwoordde; »Een echte Socrateskop.quot; Tot zijne groote droefheid moest hij, hoewel de dokter zich zeer vriendelijk jegens hem toonde, onverrichter zake naar huis terugkeeren.
Dr. Barth was vrijmetselaar; en hunne bekeering is zeer moeielijk, wijl de werking der genade zoozeer wordt belemmerd door den eed, welke hen aan Gods vijanden verbindt, en door den banvloek, waarmede de Kerk hen treft. Daarmede willen wij echter geenszins beweren, dat het Gods Dienaar nooit zoude gelukt zijn, een aanhanger dier secte voor God te winnen. Cecilia Choloniewska heeft van zijne werkzaamheid te Warschau uitdrukkelijk getuigd: *Hij heeft vele vrijmetse-sdaars bekeerd, en hen geholpen, zich van hunne boeien ste bevrijden.quot;
Het is ook zeer opmerkelijk, dat er zich onder zijne ijverigste vereerders en leerlingen twee voormalige vrijmetselaars bevonden, Zacharias Werner en Jozef Antoon von Pilat. Laatstgenoemde verhaalde zelf, dat hij in het jaar 1806 Werner in de loge te Berlijn leerde kennen.
Wijl de vrijmetselaars, toen vooral, slechts zelden als zoodanig door het publiek gekend werden, en tevens, wijl hunne bekeering in het geheim geschiedt, is het licht te begrijpen, dat er weinig ruchtbaar werd van hetgeen Clemens onder dat opzicht gedaan heeft. In
de akten van het proces wordt slechts de bekeering vermeld van een keizerlijken beambte, die tot deze sekte behoorde. De gezusters Biringer, die den man kenden, verhalen, dat zijne vrouw op raad van Gods Dienaar, niet ophield, vurig voor hem te bidden. Eerst na vele jaren werd haar gebed verhoord. Door Gods beschikking kwam hij eens in de kerk der Ursulinnen, en woonde daar een preek van P. Hofbauer bij, waardoor hij zoozeer getroffen werd, dat hij besloot, zich aanstonds te gaan bekeeren. Zacharias Werner verzoende hem met God. — Spoedig daarop viel hij in een zware ziekte; P. Hofbauer ging hem bezoeken, en stond hem in zijn doodsuur bij.
18
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Pater Hofbauer, een Vader der Armen.
Mochten wij van den kleinen Joan Hofbauer reeds zeggen; »Hij deed niets liever, dan zijn eigen ontbijt aan de arme kinderen wegschenken, en nooit smaakte hij grooter vreugde, dan wanneer hij de weinige penningen, die hij van zijne moeder ontving, aan de armen kon uitdeden;quot; dan zal het ons voorzeker niet verwonderen, wanneer wij den kanunnik Greif van Pater Clemens Maria hooren getuigen; »Wat hij had, schonk hij weg; dat was zijn leven;quot; en wanneer l)r. Veith daarbij voegt; »Voor den dienst der armen was hij bezorgd, gelijk eene moeder voor hare kinderen.quot;
P. Hofbauer beminde de armen met een hartelijke liefde, zoodat P. Madlener met volle recht deze schoone woorden kon neerschrijven; »Veel liever ging hij om met armen en met menschen uit den nederigen stand, dan met rijke en voorname lieden. De armen zocht hij op, doch de grooten moesten hem opzoeken; geschiedde het, dat hij zich uit eigen beweging naar aanzienlijken begaf, dan was het slechts, om zielen voor God te winnen, hetwelk hij zich ook bij iedere aalmoes ten doel stelde.quot;
Zooveel hij kon, kwam hij den behoeftigen te hulp door levensmiddelen, kleederen, en alles wat zij noodig hadden. Zelf bezat hij niets, doch altijd vond hij weldoeners, die hem allerlei giften ter uitdeeling brachten.
lederen Vrijdag voorzag hem de Overste der Visitan-dinnen, gravin Juliana van Trautmannsdorf, van groote brooden voor zijn armen; verschillende welgestelde bakkers stuurden hem brood in zijne woning, oi vulden zijne wijde zakken, wanneer hij zelf het kwam halen. Zoo dikwijls hij zich naar de Mechitharisten begaf, om het arme volk biecht te hoeren, was hij, als een zakkendrager, met brood beladen. Dikwijls bezocht hij ook de armen aan hun huis, en had dan aalmoezen en spijzen onder zijnen mantel. Kon hij zelf niet gaan, dan stuurde hij P. Madlener of den jongen Srna.
Hij was uiterst kiesch in het bijstaan der schamele huisarmen; hij wist hun goed te doen, zonder hun eergevoel te kwetsen. Zoo droeg hij een armen schilder verschillende stukken op, hoewel diens arbeid slechts weinig te beduiden had, om zoodoende zijn aalmoes den schijn van een verdiend loon te kunnen geven.
Bij honderden gelegenheden gaf hij blijken van zijn edelmoedig hart. Wijzen wij hier slechts op eenige feiten.
Men zal zich nog herinneren, dat de Rector der Ursulinnen niet zeer ruim gehuisd was. Welnu, in zijne kleine woning vond hij nog plaats voor twee arme studenten, den reeds genoemden Srna en een anderen, die later heelmeester werd; beiden onderhield hij in zijn huis en schonk hun een nachtverblijf. Nog vele andere studenten vonden, zoo dikwijls zij bij P. Hofbauer kwamen, altijd iets te eten. Ja, men zou gerust kunnen zeggen, dat geen enkele arme, die aan zijne deur klopte, met ledige handen moest vertrekken. Dikwijls at hij zelf niet, om anderente kunnen verzadigen.
^Alleen jegens bedelaarskinderen, zoo getuigt Dr. Madlener, was hij onverbiddelijk, omdat hij er een gewetenszaak uit zou gemaakt hebben, ook maar eenigszins mede te werken, om hen tot deugnieten te vormen.quot;i)
i) BRUNNER. Blz. 29.
Zuster Thaddea verhaalt, dat er niet zelden geheele scharen invalidennaar het klooster der Ursulinnen kwamen, — en P.Hofbauer deelde dezen soldaten dan alles uit, waarover hij kon beschikken. Om zijnen armen een vergeefschen weg te besparen, nam hij, wijl hij soms den geheelen voormiddag in de kerk bezig was, reeds des morgens eene groote hoeveelheid brood mede naar de sacristij der Ursulinnen, waar hij zijne behoeftige biechtelingen kon helpen. Tijdens den grooten hongersnood van 1S17 verdubbelde hij zijne pogingen, om ter hulp te snellen, waar hij maar kon; zonder P. Hofbauer zou toen menige arme den hongerdood zijn gestorven.
Overigens placht hij ook hun bij te springen, die wel niet eigenlijk arm waren, doch, hoe dan ook, iets noodig hadden, of zich in eenige verlegenheid bevonden.
Toen de Mechitharisten uit Klein-Azië naar Weenen kwamen, kenden zij weinig of geen Duitsch; daarenboven waren zij volstrekt niet op de hoogte der plaatselijke toestanden en gebruiken. Aanstonds was F. Hofbauer bereid, hun ter hulp te komen: drie weken woonde hij bij hen en ondersteunde ze met raad en daad.
Zoo hielp hij insgelijks den hofraad Adam Müller, toen deze een opvoedingsgesticht wilde oprichten en bezorgde hem eens een rolletje van honderd dukaten, vermoedelijk een bijdrage van den Aartshertog Maximi-liaan van Este.
Volgens Dr. Brunner hielp hij ook eens den beroemden Clemens Brentano uit den nood door een milde gift van 100 dukaten, hetwelk de kanunnik Graaf Wel-sersheimb verzekert, uit Brentano\'s eigen mond te hebben vernomen. 1)
1) In het Kirchenlexicon van Freiburg wordt verhaald, dat Clemens Brentano zich in een nijpend geldgebrek bevond, wijl een, door hem vervaardigd stuk, geheel en al mislukt was. Toen zou P. Hofbauer bij hem zijn gekomen, met vriendelijkheid en ernst hem hebben gesproken over het misbruik van zoo heerlijke talenten, over zijn doelloos leven en de verantwoording voor den eeuwigen rechterstoel,
Bij zijne liefde voor den kloosterlijken staat laat het zich licht begrijpen, dat hij ook gaarne voor het tijdelijke zorgde van hen, die het kloosterleven wilden omhelzen, of zich reeds in \'net klooster bevonden. Maria Antonia Ott, die verlangde aangenomen te worden bij de Visitandinnen, getuigt daaromtrent: »Hoewel ik hem geheel en al onbekend was, heeft hij als een vader voor mijn onderhoud, voor voedsel en woning gezorgd; hem heb ik het te danken, dat men mij in het klooster opnam.quot;
De Ursulinnen ontvingen dagelijks bewijzen van zijne belangelooze liefde. Gedurende de zeven jaren, dat hij haar bestuurder was, trok hij nooit eenige jaarwedde, maar stelde zich tevreden met zijne arme woning en het voedsel, dat zij hem zonden. Integendeel, zoodikwijls het hem mogelijk was, gaf hij haar al, wat hij kon.
Jacoba van Welschenau legt daarover het volgende, heerlijke getuigenis af: sWij kloosterzusters, bekleedden de eerste plaats in zijn vaderhart; daarom ontvingen wij, boven alle andere armen, de teederste blijken zijner liefde. Ons klooster bevond zich toen in een kommervollen toestand. Want, door de reductie der staatsschuld verloren wij niet slechts een aanzienlijk inkomen met het kapitaal zelf, maar werden wij ook met schulden beladen, zoodat ivet zelden het allernoodzakelijkste ontbrak, \'s Winters hadden wij geen hout, om ons te verwarmen; voor de zieken hadden wij geen geneesmiddelen; soms ontbrak zelfs het brood om te eten.quot;
j Op zekeren dag was de nood zóó hoog gestegen, dat de zuster, die met de inkoopen belast was, niet meer wetend tot wien zich te wenden, weenend door het
en daarna den wanhopigen jonkman uit zijne verlegenheid hebben gered. Wie weet, of God hem niet reeds de taak geopenbaard had, welke Brentano bij Catharina van Emmerik moest vervullen. — P. Haringer laat daarop volgen : »Wij hebben Brentano persoonlijk gekend, doch over dat punt niets van hem vernomen. Wel zagen wij in hem eene groote liefde voor de Congr. des Allerh. Verlossers.quot;
klooster liep. Toen zeide één der zusters: jNu moesten 5 wij dien stommen visch hier hebben, met het goudstuk »in zijn bek, gelijk de Apostel Petrus er een ving.quot; — Maar welk een troost gevoelden wij niet, toen nog dienzelfden dag P. Hofbauer op het onverwachtst in het klooster kwam, en lachend zeide; »Ik ben de stomme vischquot;, terwijl hij tegelijkertijd een rijk gevulde beurs op tafel legde, welker inhoud niet slechts voldoende was, om ons voor het oogenblik te helpen, maar zelfs, om een gedeelte onzer schulden af te lossen. Van dien dag is onze toestand veel gebeterd, en zóó dringend is de nood nooit meer geworden. Of Gods Dienaar die woorden over 2 den stommen vischquot; zelf gehoord, of van een derde vernomen heeft, weet ik niet; maar dit weet ik, dat hij zich ons lot altijd zeer heeft aangetrokken, en ons geholpen heeft op alle mogelijke wijzen.quot;
sEens bracht hij ons onder zijn mantel een lam, een ander maal kwam hij, geheel met kaarsen beladen, naar ons klooster. Wat hij van zijne weldoeners voor ons kon verkrijgen, bracht hij ons met de grootste liefde.quot;
Niet minder schoon drukt zich zuster Thaddea uit. Eerst beschrijft ook zij den grooten nood, waarin hel klooster, na het staatsbankroet, • verkeerde. Dan gaat zij aldus voort; »Niemand ging onder dien harden slag dieper gebukt dan onze goede Vader. Hij liet niets onbeproefd, om weldoeners voor ons te vinden, ten einde zóó het bestaan van ons klooster te verzekeren, en God zegende zijne pogingen. Op zekeren dag kwam de Aartshertog Rudolf, Kardinaal-Aartsbisschop van Olmütz, in onze kerk de H. Mis lezen, en bezocht daarna ons klooster. Op het punt van te vertrekken, wendde hij zich tot P. Hofbauer, en sprak: AVaarlijk, Pater, de vreugde ces gt;:H. Geestes straalt van uw gelaat en van dat van al s uwe zusters.quot; P. Hofbauer boog en zeide: sEn toch, ï Monseigneur, verkeeren wij in den uitersten nood. üe s schuldenlast, die ons drukt, is zoo zwaar, dat, als er
jniet spoedig hulp opdaagt, het klooster dreigt te ver-ïgaan.quot; — Uie woorden had de Kardinaal geenszins verwacht. Aanstonds beloofde hij, bij zijn broeder, den Keizer, voor het klooster ten beste te spreken. Kort daarop kwamen twee heeren, graaf Wilezek en de vader van onze medezuster Maria Ignatia v. Pfleger, die van Zijne Majesteit in last hadden, al onze schulden te betalen.quot;
sin dienzelfden tijd van bittere armoede, verhaalt nog zuster Thaddea, ontving ik het kloosterkleed: en de overste zeide mij; «Nieuwe schoenen, zoQals de andere «zusters dragen, kan ik u niet aanschaffen. De schoe-»nen, die gij van huis hebt medegebracht, moet gij sook in het vervolg blijven dragen.quot; Terwijl ik nu mijne retraite maakte, kwam P. Hofbauer en bracht mij een paar schoenen van den vorm, zooals men die in ons klooster draagt. «Probeer eens, of ze passen, zeide hij, passen ze niet, dan zal ik andere koopen.quot; Zij pasten echter zeer goed, en, wijl ik ze uit eerbied voor P. Hofbauer slechts op de groote feesten droeg, heb ik ze 34 jaar gebruikt.quot;
DERTIENDE HOOFDSTUK.
Zijn IJver en Zorg voor de Katholieke Opvoeding der Jeugd.
Daar was wellicht geen stof, waarover P. Hof-bauer zoo dikwijls predikte, als over de plichten der ouders jegens hunne kinderen. ïGij vaders en moeders, riep hij in een zijner preeken uit, vergeet toch niet, dar, grootendeels van u de zegen of de vloek van het men-schelijk geslacht afhangt, wijl aan u de opvoeding der menschheid is toevertrouwd. Een goed geslacht zult gij aankweeken, wanneer gij den weerspanuigen wil der kinderen breekt. Wat men in het hart der kinderen zaait, blijft tot den ouderdom daarin. Weest overtuigd, dat, wanneer gij slechts uw best doet, God zelf den wasdom geven zal.quot;
Wat Gods Dienaar te Warschau voor de jengd gedaan heeft, en hoe hij, reeds in de eerste jaren van zijn verblijf te Weenen, de kinderen onderrichtte en tot het ontvangen der Sacramenten voorbereidde, zal den lezer nog versch in het geheugen liggen.
Door zijne vaderlijke liefde wist hij de harten der kleinen zóó voor zich te winnen, dat hij, naar het getuigenis van zuster Thaddea, zich niet kon vertoonen, of tal van knaapjes kwamen van alle kanten toegeloopen, om zijne handen te kussen. Dan begon hij zóó vriendelijk met hen te spreken, dat zij hem een goed eind weegs
vergezelden en soms tot zijne woning medeliepen. Bij dergelijke gelegenheden trachtte hij dan, door een ot ander woord, de kiem van het goede in hen te ontwikkelen, en wist hunne harten te stelen door het uitdeelen van prentjes, medailles, appelen en suikergoed. — Welk een indruk zulk een woord op hun kinderhart maakte, blijkt wel uit het volgende voorval.
Eens liep het zoontje van een voornaam man uit Weenen met P. Hofbauer mede. »Karel, sprak deze, de ^geboden der Kerk moet men stipt onderhouden,en daarom »mag men op Vrijdag geen vleesch eten. Dat offertje ïbrengen wij onzen Heiland, Jezus Christus, die zich op seen Vrijdag voor ons op het kruis heeft geofferd.quot; •—-Karei kwam thuis, en toen hem den volgenden Vrijdag weder vleesch werd vóórgezet, zeide hij op beslisten toon; yLieve vader, vandaag eet ik geen vleesch.quot;—sEnwaar-fom niet?quot; — ïOmdat het Vrijdag is, en de H. Kerk op »dezen dag, waarop de Verlosser voor ons aan het kruis ^gestorven is, onthouding van vleesch heeft voorgeschre-?ven.quot; •— rGij moet vandaag vleesch eten.quot; •— sOch, ik sbid u, lieve vader, laat mij heden vrij.quot; — De vader ontstak in toorn, en joeg hem op barschen toon van tafel. »üa onmiddellijk uit mijn oogen; vandaag moogt gij den sganschen dag niets eten.quot; — De moeder voelde medelijden met het kind, zocht het op, en zeide: »Wees maar »stil, ik zpI wat meelspijzen voor u klaar maken.quot; Daar wilde Karei echter niets van hooren. sNeen, moeder; »vader heeft gezegd: ïVan daag moogt gij niets etenquot;; gt;:en Pater Hofbauer heeft gezegd: :Kinderen, gehoor-yzaamt uw ouders.quot; Ik kan het wel zonder voedsel uit-ï houden.quot; -—- Weenend liep nu de moeder naar haren man. »Wat gaat ge toch met Karei beginnen? Moet hij sdan honger lijden en ziek worden? — Vleesch eet hij jniet, en iets anders wil hij ook niet, wijl gij gezegd jhebt, dat hij den geheelen dag niet mag- eten.quot; Zulk eene gehoorzaamheid trof den vader zoozeer, dat hij
het kind aanstonds bij zich riep, en zeide; s Karei, «voortaan krijgt ge Vrijdags geen vleesch meer; maar i nu moet ge eten, wat moeder u zal geven.quot; Van toen af verscheen er op de verboden dagen nooit meer vleesch op tafel; de vader vatte zulk een eerbied op voor P. Hofbauer, dat hij zelf zijn zoon naar de kerk der Ursulinnen bracht, met het verzoek, hem de Mis van dien heiligen priester te laten dienen. Zoo had deze niet slechts op het kind, maar door het kind ook op het hart der ouders gewerkt.
Een allerheilzaamsten invloed oefende hij nog uit op de school en het pensionaat der Ursulinnen. Daarvan spreekt de gemalin van generaal. Baron von Pon-gracz, in een brief van 20 Januari 1877, waaraan wij het volgende ontleenen:
»Mijn vader, de ritmeester Richtarsky, uit Pruisisch-Silezië, zond mij naar het pensionaat der Ursulinnen, waar ik van 1810—1816 verbleef, en waar in mij de kiemen van deugd en godsvrucht gelegd werden. Daar was het, dat Gods vaderlijke Voorzienigheid mij P. Clemens Hofbauer leerde kennen. Hij hield daar de Zon-dagspredikatien en ook dikwijls den catechismus. Zijn voordracht was als die van een heilige; zoodat de waarheden van onzen heiligen godsdienst diep in mijn kinderlijk gemoed werden ingeprent, het richtsnoer bleven van mijne verdere jaren, en thans nog de steun zijn van mijn ouderdom. Nog heden staat het oogen-blik onvergetelijk voor mijn geest, waarop ik, in 1816, het klooster moest verlaten, wijl mijn vader mij weder te huis verlangde. Met tranen in de oogen knielde ik voor den heiligen priester neer, die zijne handen zegenend op mijn hoofd legde en de woorden sprak: sMijn kind, 1 behartig de lessen, welke gij in dit heilig huis ontvan-Dgeii hebt; dan zal het u altijd goed gaan, en zult gij seen hoogen leeftijd bereiken.quot; Ik beschouwde die woorden als een prophetic. De uitkomst heeft mij geleerd,
dat zij inderdaad eene\'voorspelling waren. In weerwil van de kwellingen, waarmede God mij heeft bezocht, heb ik vele gelukkige jaren beleefd, en kan mij thans, op mijn ouden dag, met dankbaarheid aan het woord van dien heiligen man herinneren.quot;
Zij sluit haren brief met deze woorden; jgt;Talrijk zijn de omstandigheden mijns levens, waarin mijn vertrouwen op P. Clemens beloond werd. Daarom roep ik, met geheel mijne familie, in alle noodwendigheden hem als voorspreker aan, en beschouw en vereer hem als een heilige.quot;
Haar echtgenoot heeft insgelijks dat schrijven onderteekend.
Het volgende verhaal, door zuster Thaddea medegedeeld, moge hier zijn plaats vinden als bewijs van zijn ijver voor de godsdienstige opvoeding der jeugd. Het werpt tevens een treurig licht over den toestand der scholen van dien tijd. Eens ontmoette hij op straat een geheel verwaarloosden knaap, dien hij vriendelijk aansprak, en eenige vragen stelde. Spoedig bemerkte hij, dat het kind in volslagen onwetendheid verkeerde omtrent de noodzakelijkste punten van den godsdienst. Hij nam hem mede en bracht hem bij den onderwijzer der St. Annaschool, met het dringend verzoek, den armen jongen het noodige onderricht te willen verstrekken. Terwijl hij met den meester sprak, sloeg het twaalf uur, en werd het ïEngel des Heerenquot; geluid. »Ha, sprak de onderwijzer, een jong en tamelijk lichtzinnig mensch, daar wordt de vreetklok geluid.quot; Zulk een taal in den mond eens onderwijzers bedroefde Gods Dienaar. Met een heilige verontwaardiging zag hij hem aan, en zeide: »Wat zegt gij daar ? — Weihoe, gij zijt onderwijzer, gij smoet de jeugd in den heiligen godsdienst onderrichten, ^en, gij weet niet, wat liet luiden der middagklok betee-»kentrquot; — Daarop verklaarde hij hem de beteekenis van het Angelusklokje en hoe de H. Kerk dan verlangt.
dat de geloovigen God bedanken voor de groote weldaad der Menschwording, en de Allerh. Maagd met het Wees Gegroet vereeren. Die vaderlijke vermaning maakte op het gemoed des onderwijzers zulk een diepen indruk, dat hij kort daarna de wereld vaarwel zegde, en in een klooster ging.
Met diepe smart zag P. Hofbauer, dat de jeugd maar al te dikwijls in godsdienstlooze en onkatholieke beginselen werd grootgebracht, wijl er een groot gebrek was aan degelijke, echt Katholieke inrichtingen. Zijn ondernemend karakter zon aanstonds op doortastende maatregelen. Wijl hij echter begreep, dat hij te Weenen, onmogelijk kon doen, wat hij te Warschau gedaan had, spoorde hij den hofraad Adam Müller aan, een opvoedingsgesticht voor den deftigen stand en hoofdzakelijk voor kinderen van adellijken huize op te richten: hij zou op zijne krachtige medewerking kunnen rekenen. Drie Paters zijner Congregatie zouden zich met het onderricht belasten; Frederik von Klinkowström zou les geven in het teekenen.
Müller beantwoordde aan het verlangen van zijn vriend en richtte werkelijk zulk een instituut op in den Karoly-Garten. P. Hofbauer bezocht het dikwijls en werd altijd met de^ teekenen van diepen eerbied ontvangen. Die echt Katholieke onderneming vond evenwel te machtige vijanden, dan dat zij van langen duur kon zijn. In Mei 1813 weigerde de regeering hare toestemming, en zoo moesten de leerlingen weder uiteengaan.
P. Hofbauer was echter de man niet, om bij een eerste mislukken, zijn plan reeds aanstonds te laten varer. Hij wendde zich thans tot Frederik von Klinkowström, die er ook werkelijk in slaagde, in 1818 een betrekkelijk klein huis tot dat doel in te richten, terwijl de edele Aartshertog Maximiliaan von Este, die zoowel deze zar.k als alles, wat P. Hofbauer ondernam met warmte voorstond, in datzelfde jaar de goedkeuring der regeering
verkreeg. Spoedig echter zou dat verdienstelijk werk op veel grooter schaal worden voortgezet.
Op zekeren dag, toen P. Hofbauer niet Klinkow-ström door de Alservoorstad ging, sloegen zij juist een straat in achter de kazerne der cavallerie, als P. Hofbauer eensklaps bleef staan, en zijn begeleider op een groot gebouw wijzende, zeide: ïZie eens naar dat huis; \'■■het is juist geschikt voor een opvoedingsgesticht; dat smoest gij koopen.quot; — »Maar, bracht Klinkowström daartegen in, gij weet toch wel, dat ik geen geld heb.quot;— 2 Och wat, geld! Het geld zal wel komen. Koop maar.quot;— Klinkowström voelde door het vertrouwen van Gods Dienaar zijn eigen vertrouwen verlevendigd; hij sloot den koop en vond het noodige geld. Baron Geusau, een Protestant, die hem het huis onder zeer billijke voorwaarden afstond, plaatste zelf drie zijner zonen, die Katholiek waren, in het nieuwe Instituut. Den 24sten September 1819 kwam P. Hofbauer het huis inzegenen.
Die inrichting kwam aan een groote behoefte tegemoet, en vond overal veel bijval. Twee honderd tien leerlingen hebben daar hun opvoeding genoten. Onder hen waren er niet slechts uit alle streken der uitgestrekte Oostenrijksche monarchie, maar men zag er Franschen, Russen en Italianen; zelfs vier uit Constan-tinopel en één Griek. Toen Klinkowström later in het tijdelijke merkelijk was vooruitgegaan, nam hij ook jongelingen van geringen stand kosteloos op.
Het is wel te betreuren, dat er na den dood van den stichter in 1835 niemand gevonden werd, die dat heerlijke werk kon voortzetten.
Wij willen hier ten slotte een feit vermelden, waardoor Maximiliaan van Este zijne echte, kinderlijke godsvrucht opnieuw aan den dag legde, en waardoor wij, tot onze groote stichting kunnen zien, met welke middelen die edele man zijne goede werken tot stand bracht.
Toen P. Hofbauer den Aartshertog verzocht, bij
Keizer Frans de goedkeuring van het Instituut te willen afsmeeken, beloofde hij, al het mogelijke daarvoor te zullen doen. Eenige jaren geleden was echter een dergelijk verzoek, door Adam Müller gedaan, van de hand gewezen. Wat deed hij, om dit maal beter te slagen ? — Hij maakte het voornemen, om, wanneer zijne bede bij den Keizer gehoor zou vinden, uit dankbaarheid jegens God, nooit meer suiker in de koffie te gebruiken. — De goedkeuring werd verleend, en Maximiliaan volbracht, met de stipste nauwkeurigheid zijn voornemen, hetwelk hij als een belofte beschouwde. Wanneer hij zich soms in hooge gezelschappen en bij de keizerlijke prinsen bevond, en men hem opmerkzaam maakte de suiker niet te vergeten, zeide hij eenvoudig: »Ik ben gewoon, de koffie bitter te drinken.quot;
Eerst kort vóór zijn dood deelde hij zijn biechtvader, P. Mangold,, den eigenlijken grond dezer gewoonte mede.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
P. Hofbauer brengt vele Afgedwaalden in den Schoot der Kerk terug.
Wij hebben reeds gezien, dat de Gelukzalige Clemens Maria, in zijne preeken, uit de volheid zijns harten sprak. Geen beter middel dus om te leeren, welke vurige verlangens naar het heil van alle menschen zijn apostolisch hart verteerden, dan naar hem te luisteren, wanneer hij op den preekstoel geheel dat hart open legt voor zijn gehoor.
Eens hoorde men hem, vol geestdrift, uitroepen: »0, ware het mij gegeven, alle ongeloovigen en al onze s dwalende broeders te bekeeren! Op mijne armen, op »mijne schouders droeg ik ze naar de heilige. Katholieke »Kerk.quot; — Een andermaal richtte hij eensklaps tot den Goddelijken Heiland dit heerlijke gebed: «Heer Jezus, mijn Verlosser, zie toch van den troon Uwer Goddelijke Majesteit en Barmhartigheid genadig op ons neder! Gij hebt ons immers door Uw kostbaar bloed ten eeuwigen leven verlost. Uw Hemelsche Vader is ook onze Vader; want Gij zijt onze broeder naar het vleesch. Moeten dan zoovele zielen voor eeuwig ten gronde gaan? Wanneer Gij wilt, kunt Gij ons redden. Zie neder op de tranen der H. Kerk, uwe bruid. Voer hare kinderen, die van het geloof zijn afgeweken, in hare armen terug, opdat zij haar weder onderdanig zijn. Verlicht de oogen aller dwalenden
door het heilig licht des geloofs, hetwelk alleen ons kan redden en heiligen. En, wanneer mijne liefdezuchten geen verhooring verdienen, wijl ik een zondaar ben, dan wil ik mij tot u wenden, o machtigste der maagden, Moeder van barmhartigheid, opdat gij voor ons moogt bidden; dan zullen alle zondaars zich bekeeren, u prijzen en verheerlijken.quot;
De brandende begeerten van Gods Dienaar, zijn dringende gebeden werden door God rijkelijk beloond. Met een wonderbare kracht trok hij, gelijk weleer te Warschau, ook nu te Weenen, de afgedwaalden tot zich.
Zijne preeken werden bijna altijd door vele Protestanten bezocht, en zelfs door de meest ontwikkelden en geleerden. Bij dezen Katholieken priester vonden zij, wat zij bij hun predikanten te vergeefs zochten: een toon van warme belangstelling voor de leer, die hij verkondigde; een voordracht, die tintelde van liefde tot God en de menschen; een eenvoudige en duidelijke taal; de glanzende heiligheid van geheel zijn persoon. Allerwel-dadigst werkte ook op hun gemoed de wijze, waarop hij de dwaling bestreed. Geen bittere uitvallen, geen smaadwoorden tegen hun persoon of hunne leer, geen beleedi-gende toespelingen, niets van dat alles; zijn eenig streven was, de schoonheid en de zegenrijke werking der Katholieke Kerk te toonen; hare leerstukken in al hun waarheid en kracht voor te stellen, en in het hart zijner hoorders het verlangen op te wekken, dat geluk te mogen smaken, hetwelk de Kerk aan hare trouwe kinderen verschaft. Zóó bereikte hij zijn doel. s Zelden, zegt zuster Thaddea, ging er een week voorbij, waarin niet eenige Protestanten hun dwaling kwamen afzweren, of verschillende joden het H. Doopsel ontvingen.quot;
Eénige der merkwaardigste en schoonste bekeeringen willen wij wat nader bespreken. De eerste plaats mogen hier innemen de namen van vier personen uit een en dezelfde familie, alle vier uitstekend zoo door
hun verstand als hun karakter. Het zijn Frederik von Schlegel, zijne echtgenoote Dorothea Mendelssohn en Philippus en Joannes Veit, hare twee zonen uit haar eerste huwelijk. Zij hadden, wel is waar, aan P. Hofbauer niet het eerste erkennen der waarheid, maar toch de bevestiging daarin en een dieperen blik in het Katholieke leven te danken.
Frederik von Schlegel leefde voor de wetenschap; hij hield voorlezingen over kunst en poëzie, letterkunde en wijsbegeerte, en legde zich veel op oude talen toe. \\ an 1805 tot 1S07 hield hij te K.eulen zijn voordrachten over philosophic en geschiedenis, over redeneerkunst en oude- Duitsche litteratuur. In het jaar 180S gaf hij te Heidelberg zijn boek uit: » Over de Taal en de Wijsbegeerte der Indiërs. Een bijdrage tot de kennis der oudheid. Met metrische Vertalingen van Indische gedichten.quot; Dat werk werd in Duitschland met een ongeloofelijke geestdrift ontvangen. De wereld stond verbaasd bij het optreden van dien geleerde van den eersten lang. Die verbazing werd echter nog grooter, toen de overal gevierde man, den lóden April van datzelfde jaar 1808 te Keulen tót de Katholieke Kerk overging. Daar had hij een hoogere wijsheid gevonden dan in de geschriften der Indische brahminen. Zijne vrouw Dorothea, die kort na haar tweede huwelijk van Jodin Protestante geworden was, zwoer, tegelijk met haar echtgenoot, de dwaling af.
Na zijne bekeering schreef Schlegel nog vele werken, onder welke: -ode Geschiedenis der oude en nieinocre litteratuurquot; en i.de Philosophic der Geschiedenisquot; hem een onsterfelijken naam verwierven. Thans werd het Pausdom zijn ideaal; onophoudelijk sprak hij daarvan, als van het verhevenste en volmaaktste begrip, dat de mensch-heid ooit heeft gehuldigd. »De wereld zal hare redding »e!r haar heil nog slechts in het Pausdom vinden, zeide »hij, wanneer dit weder in zijn vorigen luister en zijn »allesdoordringende kracht zal hersteld wezen; daarheen
19
ïmoet het komen, daarheen zal het onfeilbaar zeker »eens komen.quot; Zulk een taal in het jaar 1808, toen Napoleon op het punt stond, den Paus van zijne wereldlijke macht te berooven, en in gevangenschap weg te sleepen, verdient onze algeheele bewondering. Kortom, Schlegel werd een volbloed Katholiek; hij gaf, gelijk Rosenthal zich uitdrukt, 1) der wereld het wonderschoone bewijs, dat een reuzengeest den waren ootmoed van een Katholiek bezitten kan. Dorothea, eene vrouw van de fijnste beschaving, ja van degelijke geleerdheid, was daarbij eene ijverige Katholieke en een nederige, eenvoudige huisvrouw.
Te Weenen leerden Schlegel en zijne familie P. Hofbauer kennen. Hij werd hun een leidsman, een vriend, een vader in den volsten zin des woords. «Sinds P. Hofbauer en Frederik von Schlegel elkander te Weenen leerden kennen, schrijft Philippus Veit, bleven zij boezemvrienden, en P. Hofbauer oefende, als een bijna dagelijksche gast des huizes, een gewichtigen invloed uit op Frederik en op mijn ontslapene moeder, die beiden met een onbegrensde liefde en hoogachting aan hem verknocht waren.quot; Von Schlegel zelf had zich aan zijne geestelijke leiding toevertrouwd, en gehoorzaamde hem met de leerzaamheid van een kind. Hij deed niets liever, dan hem zijne nieuwe werken voorlezen en kende geen grooter vreugde, dan wanneer P. Hofbauer er zijne goedkeuring aan hechtte. Toen hij hem op zekeren dag weder een zijner opstellen had voorgelegd, stond Clemens op, omhelsde hemen sprak: ?. Goed, mijn Frederik, szeer goed; maar nog beter is het, den Heer Jezus van «ganscher harte te beminnen.quot;
Die innige vriendschap werd, toen Schlegel later naar Frankfort verplaatst werd, door een voortdurende briefwisseling onderhouden. Laat ons hier eenige zinsneden ontij ROSENTHAL. CcnvcrtitentiUler (Galerij van Bekeerlingen)
leenen aan een brief van Dorothea, van 28 Juni 1817, helaas! den eenigen, die ons bewaard is gebleven.
jHoogvereerde en dierbare Vader i Heden, op den vooravond van het groote Apostelfeesl, kan ik mij zelve de voldoening niet ontzeggen, mij met u te onderhouden. Daar wordt geen enkel feest gevierd, of in mijne verbeelding verplaats ik mij bij u, om de lessen, de woorden vol goddelijke wijsheid van mijn geestelijken leidsman
te vernemen............ Ik zegen mijn goed kind (Philippus
Veit), dat hij zich zoo geheel en al op uwe uitspraken verlaat; want niemand weet ons beteren raad te geven,
dan gij, onze vaderlijke vriend............Gij, die het karakter
van den jongeling en zoowel zijne zwakke als goede zijde door en door kent, gij zult hem ook in de toekomst met
uwen raad bijstaan; daar komt alles op aan............ Moge
Uw Eerwaarde ons blijven ondersteunen door uw heilig gebed, waarin wij zooveel vertrouwen stellen, en vooral, voortdurend voor ons afsmeeken de ware verlichting van den geest, opdat wij op deze donkere wegen en bij al het rumoer onzer vijanden het rechte pad toch niet verliezen.quot;
Deze weinige regelen zijn zeker voldoende, om het woord, van Rosenthali) te bevestigen: sSchlegel was een warme vriend van den grooten Clemens Maria Hof-bauer, die op hem en zijne vrouw een gewichtigen invloed uitoefende.quot;
Toen Frederik en Dorothea te Keulen het Katholiek geloof omhelsden, gevoelden ook Philippus en Joannes Veit het verlangen naar het H. Doopsel in zich ontwaken. Dat verlangen werd echter eerst vervuld, toen zij reeds te Weenen gevestigd waren. Hunne betrekking met P. Hofbauer beschrijft Philippus aldus in een brief, dien hij, den istenOctober 1865 aan P. Haringer richtte:
»Hoewel ik reeds te Keulen het eerste onderricht in den godsdienst van een Katholiek geestelijke ontving —• wien God het moge beloonen — heb ik toch, zoowel
1) 1, 98.
— 292 —
als mijn oudere, te Rome overleden broeder, mijn eigenlijke kennis van de leerstellingen der Kath. Kerk aan P. Hofbauer, dien onvergetelijken, grooten Dienaar Gods, te danken. Hij bereidde ons voor tot het ontvangen van het H. Doopsel. Met een onvermoeiden ijver zorgde hij voor ons. Gave de Hemel, dat ik zijne liefde naar be-hooren had gewaardeerd, en zijn dorst naar mijn zielenheil beter op prijs had gesteld. Eerst later kon ik eenigermate inzien, hoeveel ik hem verschuldigd hen; eerst later begreep ik, hoe dikwijls ik hem door mijn lichtzinnigheid bedroefde! Mijn broeder en ik werden in alle stilte door Kardinaal Severoli gedoopt, den 9dcn Juni, Zaterdag vóór Pinksteren van het jaar 1810, in de huiskapel van den Nuntius, in tegenwoordigheid van P. Hofbauer, van den markies Ranzoni, baron Penkler, mijne ouders en anderen, die ik mij niet allen meer herinner.quot;
sUit die dagen herinner ik mij nog, dat P. Hofbauer mij eens bij Werner bracht, die juist in de sacristie eene preek overzag, welke zou gaan beginnen, en zeer beangst was, dat hij zou blijven steken. Toen P. Hofbauer hem moed insprak, antwoordde Werner: sja, gij shebt goed praten; ook zonder voorbereiding hebt gij «altijd overvloed van gedachten en woorden; maar ik sarme schelm......quot;
ïToen, en wel vooral ten tijde van het Weener Congres, was ons huis de verzamelplaats van gewichdge personen, zoo Katholieken als Protestanten; maar allen bejegenden P. Hofbauer met diepen eerbied. Tot een eigenlijk dispuut over geloofszaken kwam het nooit, voor zoover ik mij herinner; hoewel P. Hofbauer als een echt Katholiek priester de gelegenheid niet verzuimde, een ernstig woordje te zeggen, soms op vroolijke, humoristische wijze, zooals ; »Nu, wanneer zult gij einde-xlijk de zwarte kous eens uittrekken?quot; of iets dergelijks. Daarbij vergat hij echter nooit zijne waardigheid, ja,
laat mij zeggen, zijn deftige en indrukwekkende houding.quot;
Had Gods Dienaar aan de bekeering der familie Schlegel en Veit, om zoo te spreken, slechts de laatste hand gelegd, voor vele anderen was hij de man, die den eersten stoot wist te geven, hun den schat des geloofs leerde kennen en beminnen, en de poorten der Moederkerk ontsloot.
Tot dezen behoorden de reeds meermalen genoemde Frederik von Klinkowström, zijne echtgenoote Ludovica von Mengershausen en dezer beide zusters Augusta en Elizabeth, welke laatste met Antoon von Pilat gehuwd was.
Frederik von Klinkowström, de zoon van een voormaligen Zweedschen luitenant-kolonel, was den o isten Augustus 1778 op het slot Ludwigsburg bij Straal-sund in Pommeren, dat toen tot Zweden behoorde, geboren. Hij diende eenigen tijd in het leger, doch zeide den krijgsmansstand spoedig vaarwel, om zich op de schilderkunst te gaan toeleggen. Bij zijn verblijf te Parijs in 1810 leerde hij den regeeringsraad Antoon von Pilat en zijne familie kennen en hoogschatten; twee jaren later huwde hij met diens schoonzuster, Ludovica von Mengershausen uit Hannover.
Nog lang vóór Klinkowström te Weenen gekomen was, ondervond hij reeds den heilzamen invloed van dengenen, die hem eens ten volle zou bekeeren. In November 1808 kwam hij te Hamburg op een avondpartijtje van jonge gezellen, waar het erg los toeging. Na goed gedronken te hebben, ging het zóóver, dat men een zede-looze vrouw liet halen. De deur ging open; zij kwam binnen...... Daar ziet Klinkowström achter haar een indrukwekkende gestalte: \'t was een Katholiek priester, met een koorkap omhangen. Onbewegelijk stond hij daar, en wierp een dreigenden blik op den jongen Frederik. Deze kon het onmogelijk langer in het gezelschap uithouden; geheel verschrikt ijlt hij naar de deur, en begeeft
zich zoo spoedig mogelijk naar huis. Zóó duidelijk had hij dien priester gezien, dat hij te huis de verschijning op papier brengen en er een nauwkeurige schets van kon teekenen. Aldus de akten der Zaligverklaring.
Vele jaren daarna kwam hij te Weenen, waar hij vriendschap sloot met Schlegel. • Deze nam hem op zekeren dag mede naar de Italiaansche kerk, waar P. Hof-bauer juist het lof zong. Maar wie schetst zijne verbazing, toen hij in Gods Dienaar denzelfden priester herkende, wiens blik hem vóór jaren van de zonde had afgeschrikt; \'t was datzelfde eerbiedwaardige voorkomen, dezelfde koorkap; alles hetzelfde, wat hij te Hamburg gezien had.
Natuurlijk verlangde hij nu nadere kennis te maken met den priester, op wien God zelf hem op zoo wonderbare wijze opmerkzaam had gemaakt. Hij zocht P. Hof-bauer op, en was spoedig op den rechten weg, wijl Gods Dienaar hem, met zijn eigenaardig talent, de Katholieke Kerk als de ware, reddende ark leerde kennen en beminnen. Wat hem nog terughield, openlijk voor zijn overtuiging uit te komen, was zijne liefde voor zijn Pro-testantsche vrouw; hij wilde haar geen leed veroorzaken. Louise had echter reeds eenige vermoedens opgevat, wijl hij de Protestantsche godsdienstoefeningen nooit meer bijwoonde, doch geregeld iederen Zondag de kerk der Ser-vieten bezocht. Toen zij hem daarover aansprak, antwoordde hij ontwijkend: sGe weet toch, hoeveel ik van »muziek houd; en wijl de kerkmuziek bij de Servieten smij bijzonder goed bevalt, ga ik daarnaar luisteren.quot;
intusschen was de groote vrijheidsoorlog tegen Napoleon uitgebroken (1813); Klinkowström spoedde zi:;h naar het Oostenrijksch hoofdkwartier en bleef geruimen tijd van Weenen verwijderd; omstreeks dienzelfden tijd werd Antoon von Pilat buiten de stad geroepen, en de beide gezusters, Louise en Elizabeth besloten, tot den terugkeer harer echtgenooten, eenzelfde huis te betrekken.
P. Hofbauer kende reeds beide familiën, en bezocht
ze daarom dikwijls in de hoop, haar voor de H. Kerk te winnen. Eerder, dan hij wellicht verwacht had, zou hij zijn doel bereiken. De Witte Donderdag van 1S14 brak aan. De beide godsdienstige vrouwen hadden er reeds met groot verlangen naar uitgezien, wijl zij op dien dag, naar Protestantsch gebruik, het avondmaal zouden ontvangen. Altijd hadden zij dien dag veel troost en heilige vreugde gesmaakt: dit jaar was het geheel anders. Treurig en zonder een woord te spreken, gingen zij, na afloop der plechtigheden, naar huis terug, en hervatten hun dagelijksche bezigheden. Eindelijk onderbrak Louise von Klinkowström het stilzwijgen en zeide : s Wat stond smij vandaag toch alles tegen; daar was niets stichtends; xmen drong, zonder eenigen eerbied, naar de heilige ytafel; alles vervulde mij met afkeer en weerzin.quot; Elisabeth von Pilat bekende aanstonds, dat zij hetzelfde had ondervonden. —
Op hetzelfde oogenblik wordt er geklopt, en P. Hof-bauer treed binnen. »Wat scheelt er aan? — Gij zijt jgt;zoo neerslachtig, en gij hebt toch vandaag het avond-smaal ontvangen?quot; — De twee zusters zeiden hem rondweg, wat er was voorgevallen, en aanstonds hernam P. Hofbauer: »Heb ik het u niet reeds dikwijls gezegd ? »Trekt de zwarte kousen uit; zegt het Protestantisme ^vaarwel.quot;— ïja, zeide de eene, ik zou het wel willen; 5 maar de biecht, dat is nog een onoverkomelijke zwa-srigheid!quot; — sO, is het anders niet, klonk het bemoe-sdigend antwoord van Gods Dienaar, laat die zorg maar saan mij over.quot;
Nu wist P. Hofbauer genoeg. Toen hij zag, hoe gaarne zij zich verder in den godsdienst lieten onderrichten, maakte hij van die bijeenkomsten gebruik, om langzamerhand, met groote voorzichtigheid, geheel en al op de hoogte te komen van haar levensloop. Eindelijk sprak eene der zusters weder over den angst, dien zij voor de biecht gevoelde. Ȇch, kom, sprak nu P. Hofbauer, gij
shebt immers reeds bijna alles gebiecht; de groote moeie-ïlijkheid is reeds voorbij.quot; En toen hij zag, hoe verwonderd de vrouw hem aanstaarde, ging hij voort: ^Gij ïhebt mij geheel uw levensloop reeds zoo nauwkeurig y medegedeeld, dat wij nog slechts eenige punten hebben raan te vullen. Dan verwekt gij over alles een goed j berouw, maakt een voornemen om u te beteren, en uw ^biecht is gedaan.quot; — Zoo werden alle bedenkingen en moeielijkheden uit den weg geruimd: den i5tenJuni 1814 legden beide zusters de Katholieke geloofsbelijdenis in handen van P. Hofbauer af. Frederik von Schlegel en zijne vrouw Dorothea waren daarbij als getuigen tegenwoordig.
Toen Frederik von Klinkowström het gebeurde vernam, was zijne vreugde te grooter, naarmate hij dien stap minder had durven verwachten. Nu stond ook hem geen enkel beletsel meer in den weg: den ^dcn September 1814 nam Gods Dienaar ook hem op onder de kinderen der Kerk. 1)
De derde zuster, Augusta von Mengershausen, bood langer wederstand; maar het onuitputtelijk geduld van Clemens Maria, zijn zeldzaam beleid, zijn machtig gebed kwamen ook al hare bezwaren te boven: zij werd Katholiek, trad in de orde der Visitandinnen, leidde er een zeer stichtend leven, en stierf een heiligen dood.
Toen Jozef Antoon von Pilat tegen het einde van 1814 uit Parijs terugkeerde, vond hij zijn huis geheel veranderd: zijn vrouw, zijn schoonbroeder, zijn schoonzuster waren ijverige Katholieken geworden. Dat bracht ook in zijn hart een heilzame verandering teweeg. Tot
1) Frederik von Klinkowström stierf op 4 April 1835: li ij was de vader der beide beroemde missionarissen en kanselredenaars van liet Gezelschap van Jezus, Jozef en Max Klinkowström. Zijne vrouw, Louise, wier rotsvast geloof door P. Hofbauer zeer hoog geroamd werd, was reeds den ;den Maart 1821, op nog jeugdigen quot;leeftijd, gestorven. Zij werd beweend door de armen, wien zij eene weldoenster en moeder geweest was.
dan toe was hij slechts een naamkatholiek geweest; voortaan zou hij zich als Katholiek gedragen. Gehoor gevend aan de stem der genade en aan de dringende beden zijner vrouw, legde hij bij P. Hofbauer een generale biecht af, en leidde van dat oogenblik een aller-stichtendst leven. Zijne bekeering was van des te meer gewicht, wijl hij, als vrijmetselaar en geheimschrijver van Vorst Metternich veel kwaad had kunnen stichten, terwijl hij nu, als vurig Katholiek en redacteur van den » Oos-tcurijkschen Beobachicrquot;, zeer veel goed deed.
Eene andere bekeering, die evenveel opzien baarde als de zoo even vermelde, was die van Frederik Schlosser en zijne echtgenoote Sophia du Fay.
In zijne s Galerij van Bekeerlingen\'quot; teekent Rosenthal het karakter van Schlosser aldus; lEen der edelste, reinste en beminnelijkste üuitsche karakters, welke de negentiende eeuw heeft voortgebracht, toegerust met alle geestesgaven, met het fijnste gevoel voor de schoonheid van kunst en poëzie, zelf dichter en nog gelukkiger vertolker van vreemde talen, steeds bereidwillige, opofferende raadgever en helper van armen en bedrukten, een trouwe zoon van zijn vaderland gelijk van zijne Kerk, heeft Schlosser zich in de liefde en de achting zijner tijdgenooten een onvergankelijk gedenkteeken gesticht, dat alle stormen van politieke en godsdienstige twisten, die zijn edel hart zooveel kommer veroorzaakten, zal overleven.quot;
Hij werd geboren in het jaar 1780, uit eene voorname familie van Frankfort. Nog Protestant zijnde, vertaalde hij reeds vele lofzangen en liederen der Katholieke Kerk. Die vertalingen werden als meesterstukken in de letterkunde geroemd, onder andere,die van het vAdoro 71?quot;, het s Lauda Sionquot; en ■» Stal/at Mater.quot; Bij gelegenheid van het groote Congres van 1815 werd hij als afgevaardigde zijner geboortestad naar Weenen gezonden, waar hij P. Hofbauer leerde kennen, die hem de oogen voor het licht des geloofs opende.
Hooren wij wat zijne echtgenoote, eene onder alle opzichten uitstekende vrouw, daarover, den 20stequot; Juni 1864, aan P. Haringer schreef; »Mijn echtgenoot, zaliger gedachtenis, 1) en ik hadden het geluk, in het najaar van 1815 P. Hofbauer te leeren kennen. Wij zagen hem voor het eerst in het huis van Antoon von Pilat. Het is echter bijna onmogelijk, den indruk weer te geven, welken die heilige man maakte. De grondtoon van zijn leven was de liefde tot God ende-H. Kerk en het verlangen, zielen voor God te winnen. Dat sprak uit geheel zijn wezen, uit zijne woorden, zijn werken en uit zijne preeken, die eenvoudig waren gelijk geheel zijn persoon, en toch een onweerstaanbaren indruk maakten. Wanneer hij sprak over de heerlijkheid der Katholieke Kerk en dan daarbijvoegde: »Slechtizij kunnen haar begrijpen, die het geluk hebben hare leden te zijn;quot; — dan ontwaakte in het hart een vurig verlangen, een kind der Kerk te worden, en zoo ging ook ik tot de Katholieke Kerk over, zonder recht te weten, wat zij mij zou schenken. Slechts gevoelde ik, dat ik alleen daardoor de bevrediging zou vinden, welke het Calvinisme mij nooit gegeven had.quot;
«Nadat P. Hofbauer, den 27stei1 December 1815, onze geloofsbelijdenis had afgenomen, behandelde hij ons als zijne kinderen; nooit heb ik gelukkiger uren gehad, dan wanneer wij, gelijk het dikwijls gebeurde na de H. Mis, waarin wij hadden gecommuniceerd, bij hem mochten ontbijten. Omgeven door zijne leerlingen, die ons bedienden, was hij dan een opgeruimde, kinderlijk vroolijke huisvader.quot;
sGij vraagt mijn oordeel over P. Hofbauers deugd-zamen wandel, gaat Mevrouw Schlosser voort; maar hoe zou ik mij aanmatigen, een oordeel te vellen over een man, wiens gedrag boven eiken maatstaf verheven is!
1) Mevrouw von Sclilosser stierf in 1S65; Frederik was reeds in 1851 overleden.
Eenieder, die hem naderde, moest het voelen, dat er in hem eene ziel woonde, niet slechts vol oprechtheid, maar vervuld van zulk een grootsche liefde, dat men het een groot geluk moest rekenen, met hem in aanraking te komen, en een man te leeren kennen, wiens wandel reeds hier beneden die van een heilige was.quot; Tevens zond zij drie brieven van P. Hofbauer op, en schreef daarover: ïDe drie brieven, die ik van hem bezit, één aan mijn man zaliger, en twee aan mij, bied ik Uw Eerw. gaarne aan. Op mijn hoogen leeftijd is het mij een geruststelling, u die schatten te kunnen overhandigen. Met recht stelt gij een hoogen prijs op die kostbare reliquieën, gelijk wij deze brieven wel mogen noemen.quot;
Eindelijk willen wij met een enkel woord gewagen van eene bekeering, waarbij hij vooral blijken gaf van zijn doorzicht en zijn teedere liefde, de bekeering namelijk der beide zonen van baron Rieger, Adolf en Karei.
Baron Rieger, hoewel Calvinist, was met eene Katholieke vrouw gehuwd. Bij het huwelijkscontract was bepaald, dat de zoons in den godsdienst van den vader, de dochters in dien der moeder zouden opgevoed worden. Zoo werd Amalia Katholiek, terwijl Adolf en Karei Protestant bleven. De vader stierf spoedig, en alles deed vreezen, dat de jongste zoon, Adolf, hem spoedig in 4iet graf zou velgen: de geneesheeren ten minste verklaarden, dat zij alle hoop opgaven. Joannes Madlener, die vroeger aan de universiteit, als professor der meetkunde, Adolf onder zijne leerlingen had geteld, doch thans de Theologie bestudeerde en een der ijverigste volgelingen van P. Hofbauer was, hoorde van den treurigen toestand zijns jongen vriends, en vol medelijden, dat hij zóó, buiten den schoot deh: ware Kerk zou afsterven, gaf hij er aanstonds kennis van aan Clemens Maria. »Voor die »ziel, sprak deze, zult gij rekenschap moeten afleggen; »ga hem zeggen, dat hij gaat sterven.quot; Madlener begaf
zich naar den zieke, doch gevoelde den moed niet, hem den nabijzijnden dood aan te kondigen. Slechts zeide hij, dat P. Hofbauer, hoewel hij hem niet persoonlijk kende, toch van hem had hooren spreken, en thans verlangde hem te komen bezoeken. Maar de zieke antwoordde: sBedank hem hartelijk voor zooveel goedheid; smaar ik zelf wil een bezoek bij hem afleggen, zoodra sik beter ben.quot; — sMaar, vriend, gij zijt zwaar ziek.quot;—■ xGa dan maar aanstonds, en bid intusschen voor mij.quot; Nu snelt Madlener naar P. Hofbauer met de woorden : jKom toch onmiddellijk bij den zieke; hij verlangt maar u.quot; — Clemens stond onverwijld op, en volgde zijn vriend naar het huis van den stervende, terwijl hij onderweg zijn rozenkrans bad. Met een vriendelijk gelaat naderde hij den jongeling, die zich over zulk een vereerend bezoek uiterst verheugd toonde. ïHoe gaat het\', mijn goede rvriend ?quot; — i Och, ik voel mij diep ongelukkig.quot; Dat woord sprak van een vurig verlangen naar opbeuring en hulp. P. Hofbauer verzoekt, dat men hem met den zieke alleen wil laten. — Nauwelijks een kwartier later komt hij uit de kamer, en zegt tot aller verbazing; »Hij is ï reeds Katholiek.quot; Daarop wendde hij zich tot Madlener en sprak; jlk ga de H. Teerspijze halen; ga den zieke «voorbereiden tot het ontvangen der HH. Sacramenten.quot;
ilk ging naar den zieke, zoo verhaalt Madlener,i) en zag, dat zijn gelaat geheel was opgehelderd; de uitdrukking van angst en pijn was geheel verdwenen; de vrede, dien zijn hart thans smaakte, stond op zijn aangezicht te lezen. Met een veelbeteekenenden blik zag hij mij aan, alsof hij mij alles verhalen wilde, wat er in zijn binnenste was omgegaan.quot;
Adolf was overgelukkig; met de innigste godsvrucht ontving hij de H. Communie. Vier uren later ontsliep hij zacht in den Heer.
i) BRUNNER, Bk. 228.
3°! —
Kort daarop kwam zijn broeder Karei van eene reis naar Weenen terug. Toen hij hoorde, wat er gebeurd was, wilde hij P. Hofbaüer bezoeken, om hem zijn dank te betuigen voor de liefde, welke deze zijnen broeder betoond had. Dat was zijne bedoeling; Gods Voorzienigheid had daarbij een veel verhevener doel. \' Het onderhoud met Gods Dienaar duurde een geruimen tijd en eindigde hiermede, dat Karei verklaarde: sOok ik word «Katholiek.quot; Later omhelsde hij den geestelijken stand, en stierf in 1863 te Weenen, als een zeer voorbeeldig priester.
Een getuige in het proces der zaligverklaring, die overigens goed op de hoogte blijkt te zijn, telt ook Adam von Müller onder hen, die door P. Hofbauer aan de Kerk zijn teruggeschonken. Zulks is echter niet juist. Müller had reeds in 1S05, bij de Servieten te Weenen, de dwaling afgezworen. Waar is het, dat P. Hofbauer diens vrouw bekeerde, en dat Müller zelf met een onbegrensd vertrouwen zich aan de leiding van Clemens Maria onderwierp.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
De Bijeenkomsten en A vondconferentièn in Pater Hofbauers Woning.
Na den zwaren arbeid van den geheelen dag had P. Hofbauer zich voorzeker de stille avonduren mogen gunnen, om, teruggetrokken in zijn kamertje, eenigerust en uitspannig te genieten. Gods Dienaar kende echter zulke verpoozing niet: hij verlangde geen andere rust, dan die, welke het geweten geeft, wanneer het kan getuigen; gij hebt voor uwen God zooveel gedaan, als u maar mogelijk was. Moge hij ook, den allereersten tijd van zijn verblijf te Weenen, den avond in zoete eenzaamheid hebben doorgebracht, toen hij eenmaal bekend was geworden, werd het geheel anders. Kwam hij uit de kerk of van een ziekenbezoek huiswaarts, dan wachtte hem reeds een geheele schaar jongelieden, die van alle kanten naar hun dierbaren vader toestroomden, vol verlangen, om zijne woorden en lessen te aanhooren.
Zijn huis stond voor allen open; vooral voor zijne leerlingen had de deur grendel noch slot; ook wanneer hij niet te huis was, mochten allen vrijelijk naar binnen gaan; — en van dat verlof werd ook een ruim gebruik gemaakt.
^Wanneer hij, zegt de kanunnik Dr. Veith, i) des avonds bij stormwind of onder sneeuwjacht naar huis terugkeerde van zijne vermoeiende bezoeken, in het
i) Vergelijk BRUXNER. Blz. 270 en 271.
belang der zielen of bij hulpbehoevenden afgelegd, en dan die groote kinderen, dikwijls tot 20 of 30, bij elkander vond, hing hij zijn ouden, soms druipnatten mantel aan de deur, en begroette de luidjes met de weinig vleiende woorden: ï\'t Is mij een volkje! \'t Is mij een »gespuis!quot; En dat deed hun zoo goed, als hadde hij hun het fijnste en deftigste compliment gemaakt.quot;
Als een magneet zoo trok zijn vaderhart de jongelieden tot zich. \'t Waren meest studenten in de rechten of medicijnen en jonge ambtenaren, die hem bezochten, en die hij allen als een teedere vader behandelde. Hij vleide niemand, maar was er. alleen op bedacht, hun nuttig te zijn. Hij hield hun ijdelheid en hebzucht in bedwang; zelfs vreesde hij niet, waar hij het noodig oordeelde, een strenge terechtwijzing te geven; en dat, zonder onderscheid te maken tusschen aanzienlijken of geringen, rijken of armen: met iedereen was hij eenvoudig en oprecht; maar juist daarin lag zijn onweerstaanbare macht, of liever, het betooverende van zijn wezen.
De eene student bracht dikwijls den andere mede. Niet zelden ook werd hij na zijne preek, in de sacristie door verschillende jongeheeren gevolgd, met het verzoek, of ook zij hem mochten bezoeken en hunne biecht bij hem spreken. Zoo groeide het getal zijner leerlingen altijd aan. In de laatste jaren waren er ruim 50 jonge lieden, die met kinderlijke liefde aan hem gehecht waren, en zijne leiding volgden. Wanneer men daarbij denkt aan de gevaren en zonden, waaraan de leeftijd van 18 tot 24 jaren in de groote steden is blootgesteld, aan het lichtzinnige van die jaren, aan de verkeerde opvoe-ding, het rationalistisch onderricht en de slechte lectuur van het begin onzer eeuw, dan staat men verbaasd, hoe P. Hofbauer zooveel jongelingen tot zich wist te trekken, hen kon overhalen, de HH. Sacramenten dikwijls te ontvangen, en hen opleidde tot een echt christelijk, ja volmaakt leven.
Het eerste, wat bij na zijne tehuiskomst deed, was, zijne jonge vrienden te doen plaats nemen aan de lange tafel van zijn woonvertrek. Dan begon hij brood, gebak of andere eetwaren uit te deelen, en zag het gaarne, dat allen iets daarvan gebruikten. Zoo behoefde zich de arme, hongerige student niet te schamen, wijl iedereen, ook de gegoede, van het brood des liefderijken priesters at. 1 )e uren na het avondeten waren echter voor die jonge lieden de kostbaarste van alle: omgeven door zijne kinderen, leerlingen en vrienden was P. Hof-bauer dan niet ongelijk aan den Goddelijken Zaligmaker, wanneer Hij, te midden zijner Apostelen gezeten, hen onderwees en tot hun toekomstigen arbeid voorbereidde.
Men begon met een gezellig onderhoud over stichtende onderwerpen; daarna werd er uit een nuttig of een geestelijk boek voorgelezen, terwijl P. Hofbauer n.i en dan de lezing onderbrak, om den schrijver te verbeteren, waar hij niet juist was, of een geschiedenis te verhalen, die betrekking had op het voorgelezene. Ook wist hij er allerlei geestige aanmerkingen en treffende spreuken in te vlechten, om zoodoende de lezing recht nuttig en heilzaam te doen wezen.
Van alles wist hij partij te trekken, om die jongelingen met eene vurige liefde tot God en eene heilige vreeze te vervullen. Op zekeren avond brak er een hevig onweder los; vreeselijk rolde de donder, terwijl de flikkerende bliksemstralen elk oogenblik het halfduistere vertrek met een oogverblindend licht vervulden. Toen begon Gods Dienaar de woorden der H. Schrift te verklaren: «Gelijk de bliksem uitgaat van het Oosten, en schittert tot in het Westen, zóó zal de komst van den Zoon des raenschen zijn.quot;i) Dat woord, zoo zeide hij, zal in ons doodsuur bewaarheid worden; met de snelheid van den bliksem zal dan geheel ons leven
i) »Siciit cnhn fulgur exit ah oriente, ct par et nsijuc in occiden-\'tem: it a crit adventus Fili) hoininis.quot; Mattli. 24, 27.
allerduidelijkst voor het oog onzer ziel voorbijtrekken; maar dat licht zal veel verschillen van dat, hetwelk wij thans zien: want het zal het licht der eeuwigheid zijn.quot; »Dat was een krachtige, uiterst nuttige predikatie, zegt P. Rinn, die de vergadering bijwoonde. Als een geweldige schok werkten die woorden op aller gemoed; ieder haastte zich, den goeden P. Clemens te smeeken, zijne biecht te willen aanhooren.quot;
Vooral was de ijverige Apostel er op bedacht, zijn jonge vrienden behoorlijk uit te rusten tot den zwaren strijd, dien het bewaren der zuiverheid kan veroorzaken. Zijn gezelschap en dat stichtend onderhoud in het gevaarlijke avonduur was reeds zeer veel. wijl zoodoende menig bezoek aan den schouwburg, menige uitspanning, waar de deugd groot gevaar liep, werd voorkomen. Daarbij wekte geheel zijn omgang tot liefde voor de heilige deugd op: men behoefde hem slechts aan te zien, om zich als gedwongen te voelen, geheel zijn hart aan God alleen te schenken. Voeg daarbij zijne raadgevingen en vermaningen, zijne waarschuwingen tegen het lezen van romans en minnedichtjes, zijne zorg, om hen alle gevaarlijke vriendschappen te doen vluchten, zijn ijver, om hen, zelfs in het gewoel der straten, het rozenhoedje te laten bidden, zijn aansporingen tot het dikwijls ontvangen der HH. Sacramenten, waaraan zij zóó gewillig het oor leenden, dat men algemeen verwonderd stond over het groot aantal studenten en jonge ambtenaren, die in de Ursulakerk de H. Mis bijwoonden en tot de H. Tafel naderden, — en men zal daaruit eenigszins kunnen afleiden, hoevele zonden tegen de deugd der engelen P. Hofbauer heeft weten te beletten.
Een ander punt, waartegen zij voortdurend gewaarschuwd werden, was de lediggang. Sprak hij tot jonge priesters of theologanten, dan klonk het dubbel ernstig van zijne lippen: gt;:Een jonge priester moet den
— 3o6 — _______
sgeheelen dag bezig zijn, anders loopt het slecht met ühem af.quot;
Hij zag volstrekt niet ongaarne, dat de jonge lui in hun avondbijeenkonisten onder elkander hunne meeningen en opvattingen, hunne twijfels en plannen bespraken. Dan waakte hij slechts, dat het nooit tot een eigenlijk gezegde oneenigheid kwam, maar wist alles tot een vreedzame oplossing te brengen. Viel het gesprek op een. afwezige, dan toonde hij zich zeer verheugd, wanneer iemand diens verdediging op zich nam, en zich een vijand van het kwaadspreken toonde.
De fouten en gebreken zijner kinderen wist hij met geduld te verdragen; wanneer hij slechts een goeden wil bespeurde, was hij aanstonds bereid, het overige aan Gods genade en aan den tijd over te laten. Slechts ééne zaak was hem onverdragelijk: de onoprechtheid, die. slechts den mantel van vroomheid omslaat, en door huichelen zoekt te bedriegen. Huichelaars hadden trouwens weinig kans van slagen bij P. Hofbauer; spoedig had hij ieders gemoed doorgrond, en niet zonder ree en zeide Zacharias Werner van hem: \'P. Hofbauer ziet sdoor een dikke plank heen.quot;
sEens, zoo verhaalt een der getuigen, zag ik, dat er zich weder een nieuwe leerling bij de overigen had gevoegd. Onder de H. Al is en des avonds bij de I ji tan i e lag hij aan de Evangeliezijde zeer godvruchtig op zijn knieën en zong dan, met zijn prachtige stem, luide mee. Ik veroorloofde mij, Gods Dienaar met zijn nieuwen leerling geluk te wenschen. Maar, verbeeld u mijn verbazing, toen ik ten antwoord kreeg; »Die zal niet lang »bij mij blijven; zie hem maar eens scherp aan; zijn * gelaat, zijn houding, alles verraadt een onrustig gemoed.quot;
Hoe juist die blik van P. Hofbauer was, kunnen wij nu eerst naar waarde beoordeelen, nu wij uit de geschiedenis weten, wat er terecht is gekomen van den armen Dr. Jozef Wolf, — want dat was die godvruchtige
zanger, die zich bij Clemens\' leerlingen had aangesloten. Gelijk eens de H. Gregorius den ongelukkigen Juliaan slechts behoefde aan te zien, om den toekomstigen apostaat reeds door en door te kennen, zoo had ook thans de Gelukzalige in dien uitwendig zoo godvruchtigen ionge-ling geheel andere neigingen ontdekt, die hem tot een diep rampzaligen mensch zouden maken.
Jozef Wolf, in het jaar 1795 uit Joodsche ouders in Beieren geboren, ontving op zeventienjarigen leeftijd het H. Doopsel, en ging spoedig daarop naar Weenen, waar hij twee jaren studeerde, en reeds toen met P. Hof-bauer kennis maakte. In 1816 ging hij naar Rome, en werd opgenomen in het Collegie der Propaganda. Nog geen twee jaar had hij daar doorgebracht, of men zag zich reeds genoodzaakt, hem weg te zenden. Toen hij nu naar Weenen terugkwam, en zich bij P. Hofbatiers leerlingen voegde, sprak deze de bovenvermelde woorden over hem. Later sloot hij zich bij Engelsche Protestanten aan, trad in dienst van het Engelsche Bijbelgenootschap, maakte zich een naam door vele reizen in het Oosten en in Noord-Amerika, en kwam eindelijk in Engeland zijn laatste jaren doorbrengen. Hij stierf den 2denMei 1862.
Nu en dan vond P. Hofbauer nog eene andere gelegenheid, om te toonen, hoe moeielijk men zich voor hem verborgen kon houden. De politie, die den ijverigen Apostel nog altijd in het oog hield, maakte zich eindelijk ongerust over die vergaderingen, welke geregeld iederen avond in zijne woning plaats hadden. Daarom verschenen niet zelden geheime politieagenten onder allerlei voorwendsels in zijn vertrek. Nu eens noemden zij zich reizigers, die reeds vele beroemde personen bezocht hadden, en daarom niet mochten verzuimen, ook met hem kennis te maken, dan weder gaven zij andere redenen voor hun bezoek op. Clemens liet zich echter niet bedriegen. Bij zulke gelegenheden was hij uiterst voorzichtig en terug-
houdend; in het bijzijn van zulke indringers was het hem niet mogelijk, zijn gewonen, hartelijken toon aan te slaan; \'t was of de stof tot spreken ontbrak; zijne leerlingen, die zeer goed wisten, hoe weinig P. Hofbauer zich met nieuwstijdingen inliet, hoorden hem dan vragen: sis er sook nieuws?quot; — Maar als die heeren vertrokken waren, werd hun het raadsel opgelost, en maakte Gods Dienaar hun bekend, wie hem met een bezoek vereerd hadden. Om echter de politie te toonen, dat hij met zijn jonge vrienden volstrekt geen geheime plannen smeedde, ging hij in de zomermaanden met hen naar de druk bezochte wandelplaatsen der stad. Dan wist hij hen door zijn gezellig onderhoud op aangename en nuttige wijze bezig te houden; dikwijls ook bleef hij staan, en, omgeven door zijn leerlingen, verhaalde hij eene geschiedenis. Zulks wekte de nieuwsgierigheid der wandelaars op: ook zij sloten zich bij zijn vrienden aan, zoodat er zich niet zelden een breede kring van toehoorders om hem vormde. Wanneer dan de avondklok geluid werd, namen allen den hoed af, en baden vol eerbied het * Angelusquot;-, de overigen mochten hen daarover verwonderd aanstaren; zij hadden van P. Hofbauer geleerd, zich nooit over hunne godsvrucht te schamen, en de ijdele menschenvrees te verachten.
Gewoonlijk was het zeei laat in den avond, wanneer hun vergadering uiteenging; in de beste gesteltenissen en met de heiligste voornemens bezield, gingen die jonge lieden dan naar huis, overtuigd dat zij den avond bij een heilige hadden doorgebracht. In die overtuiging werden zij met den dag al meer en meer bevestigd, wijl zij niet zelden getuigen waren van feiten, die een bovennatuurlijke tusschenkomst allerduidelijkst te kennen gaven. Terwijl wij verschillende dier feiten vccr_een later hoofdstuk bewaren, willen wij hier slechts vennel-den, wat de kanunnik Unkhrechtsberger daarover heeft medegedeeld:
zBij onze avondconferentiën hebben wij dikwijls
gezien, dat, als er gelezen werd over de liefde, de barmhartigheid, de heiligheid of grootheid van God, P. Hof-bauer zijne oogen gesloten hield, terwijl er een hemelsche lichtglans van zijn gelaat afstraalde. Dan begonnen zijne lippen zich te bewegen, en liet hij eenige woorden ontsnappen, die genoegzaam te kennen gaven, wat er in zijn hart omging. Wanneer zoo iets gebeurde, konden wij zeker zijn, dat hij weldra het teeken tot vertrek zou geven. Bij het heengaan zeiden wij dan onder elkander; gt;: P. Hofbauer was weder vervoerd door den buitenge-»wonen gloed zijner godsvrucht.quot;quot; — En zoo was het: op het punt, in eene geestverrukking te geraken, liet de nederige man zijne leerlingen vertrekken, opdat zij daarvan geen getuigen zouden zijn.
P. Hofbauer heeft door die bijeenkomsten een onberekenbaar goed gesticht. Veel hebben zij bijgedragen, om in Oostenrijks hoofdstad het kwijnend geloof een nieuwe levenskracht in te storten. Daar kwamen zijne leerlingen dat onwrikbaar geloof, die degelijkheid van karakter, die sterke deugd putten, waarvan zij in hun verderen levensloop zoovele blijken gaven. Velen hunner omhelsden den kloosterlijken of priesterlijken staat, anderen bekleedden hooge posten in de maatschappij; doch allen vonden in de onuitwischbare herinnering aan die gelukkige uren een waarborg hunner volharding op den goeden weg.
Doch niet alleen des avonds mocht men P. Hof-bauers woning bezoeken. Velen, gewoonlijk behoeftige studenten, kwamen ook des middags, en aten van zijne tafel. Eerst verrichtte men het gewetensonderzoek, dan werd de Litanie van Loretto gebeden, daarop begon P. Hofbauer zijne jonge gasten te bedienen. De Ursu-linnen wisten, hoe gaarne hij anderen spijzigde, en zonden hem daarom zooveel als het haar doenlijk was. Wanneer zijne gasten bemerkten, dat Clemens zelf niets of bijna niets gebruikte, maar er slechts aan dacht, hen
van het noodige te voorzien, verzochten zij hem dikwijls, toch ook aan zich zeiven te denken. Dan antwoordde hij lachend: AVaar bemoeit ge u mede? — Als ik zelf smaar geen honger meer voel.quot;
Nog vele anderen kwamen door den dag P. Hof-bauer opzoeken; nu eens om hem raad te vragen, dan weder om kennis te maken met dien eenvoudigen man, wiens naam al verder en verder bekend werd.
Wij achten het overbodig hier vele namen op te sommen. AVij willen slechts aanhalen: vorst Alexander Hohenlohe, die later van God de gave der wonderen ontving; verder; den bekenden Protestantschen boekhandelaar Perthes, die over hetgeen hij zag en hoorde zoo getroffen werd, dat hij daarover een schriftelijk verslag opstelde; terwijl eindelijk nog dient vermeld te worden, dat eenige schismatieke Oosterlingen bij hem gezien zijn.
Vatten wij alles te zamen met het woord van kardinaal Rauscher: sBij den adel zoowel als bij den gewonen burger, bij geleerden en ongeleerden stond hij in hoog aanzien; hij had zich ook de achting verworven van vele, zeer ontwikkelde en hoogbegaalde Protestanten.quot;
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Zijn IJver voor het algemeen Welzijn der H. Kerk en voor de Zuiverheid des Geloofs.
Uit het voorgaande is het ons reeds duidelijk gebleken, dat P. Hofbauer van liefde voor de zielen blaakte, dat hij als verteerd werd door liet verlangen naar haar eeuwig welzijn. Iedere ziel beschouwde hij als een kostbaar edelgesteente, voor welks behoud de Zoon van God zijn bloed gestort had; is het dan wonder, dat de H. Kerk in zijn oog de heerlijke kroon was, die het hoofd des Eeuwigen Konings moet sieren; dat hij niets vuriger verlangde, dan die kroon te doen schitteren voor het oog der geheele wereld; dat hij een gezworen vijand was van al, wat haar luister zou kunnen verdooven?
quot;Wanneer dus de geschiedenis ons verhaalt, dat hij vol eerbied was voor den Paus, dat de vreugde dei-Kerk si///c vreugde, haar lijden s/ju lijden was, dat de gevangenschap van Pius VI en Pius Vil zijne ziel met een nameloos wee vervulde, dat hem het hart bloedde, wanneer hij zoovele bisschopszetels ledig zag of bezet met onwaardige huurlingen, dan zeggen wij: wanneer de geschiedenis zulks niet vermeldde, zouden wij het reeds afleiden uit hetgeen wij van Gods Dienaar gehoord hebben.
Maar als wij zien, dat die arme, bescheiden priester weet op te treden als voorstander en bevorderaar van
— 312 — .
de algemeene belangen der Kerk; als wij hooren, dat hij op de gewichtigste aangelegenheden van de geheele Katholieke wereld een beslissénden invloed heeft uitgeoefend, dan staan wij verbaasd, en kunnen er Gods bijzondere tusschenkomst niet in miskennen.
En toch, het is een onloochenbaar feit, dat, wanneer de kerk van Duitschland en Oostenrijk in die dagen haren grimmigen vijanden heeft kunnen weerstaan, wanneer zij hunne list en valschheid is ontkomen, zulks grootendeels te danken is aan den Gelukzaligen Clemens Maria Hofbauer.
Meer dan eens maakte hij den H. Stoel op dreigende gevaren opmerkzaam, en vestigde door zijne brieven Rome\'s aandacht op punten, welker verwaarloozing de treurigste gevolgen na zich hadde gesleept.
De Apostolische Nuntiussen droegen hem een ware hoogachting toe, en kwamen zeer dikwijls zijn raad inwinnen.
Hoezeer Mgr. Litta te Warschau hem schatte, hebben wij reeds voldoende gezien. Mgr. Severoli te Weenen was jegens hem met dezelfde gevoelens bezield, zooals blijkt uit zijn eigen woorden. Op zekeren dag wees deze Nuntius op P. Hofbauer, en zeide tot de omstanders, zonder dat Gods Dienaar het evenwel kon hooren: sZiet gij daar dien kloosterling met zijn waardig, »doch eenvoudig voorkomen? — Hoewel hij uiterlijk xzich zoo eenvoudig voordoet, is er toch niemand, die sde gewichtigste zaken beter weet te behandelen dan hij. sin de nuntiatuur staan wij dikwijls voor gevallen, zóó 2 moeielijk en ingewikkeld, dat bijna niemand in staat »schijnt, ze behoorlijk op te lossen. Meermalen heb ik, gt;;bij zulke gelegenheden, dezen voortreffelijken Pater om sraad gevraagd, en nooit heeft het mij berouwd; want, »als wij te vergeefs-alles beproefden, heeft de heiligheid a van zijn persoon, de overtuigende kracht zijner redenen sen de beminnelijke eenvoud zijner taal op het gemoed
»van hooggeplaatste personen zulk een gelukkigen indruk j teweeggebracht, dat hij iederen kwaden wil overwon, en 5verkreeg, wat nog kort te voren onmogelijk scheen.quot;
Ook Kardinaal Consalvi, die voor het groote vorstencongres naar Weenen kwam, beraadslaagde dikwijls met hem over de kerkelijke aangelegenheden, en hechtte veel waarde aan zijn oordeel.
Bij dat Congres nu bewees P. Hofbauer aan de Kerk diensten, die alleen reeds voldoende zouden zijn, om zijne tegenwoordigheid te Weenen te doen beschouwen als een werk van Gods Voorzienigheid, die over zijne Kerk waakt.
Gelijk bekend is, werd na den val van Napoleon het groote Weener Congres belegd, om den politieken toestand van Europa te regelen, en het staatkundig evenwicht te herstellen. Van die vermaarde bijeenkomst verwachtte men tevens, dat zij orde zou brengen in de kerkelijke toestanden van Duitschland, die in de vreese-lijkste verwarring verkeerden.
Maar wie zou optreden, om de belangen der Kerk te handhaven? — Noch Kardinaal Consalvi, noch de Nuntius des Pausen, Mgr. Severoli, waren voldoende op de hoogte van Duitschlands waren toestand, om met goed gevolg de onderhandelingen te kunnen leiden. Duitschlands Primaat, Mgr. Dalberg, had, zooals wij reeds gezien hebben, tot dan toe de belangen der Kerk schromelijk verwaarloosd, en wist ook thans geen beteren afgevaardigde te kiezen dan zijnen Vicaris Generaal van Constanz, den ons reeds bekenden Illuminaat, Baron von Wessenberg. Een gevaarlijker tegenstander der Katholieke zaak had hij voorzeker niet kunnen vinden.
Den istenNovember 1814 werd het Congres geopend. Nog vóór het einde dier maand bood Wessenberg den congresleden zijn voorstel over »de hervorming der Kerk in Duitschlandquot; aan. Daarin verlangde hij niets minder dan de oprichting eener Nationaalkerk voor Duitschland,
aan wier hoofd een Primaat zou staan, die de algemeene belangen dier Kerk zou behartigen. Alle overige kerkelijke aangelegenheden zouden voortaan in de nationale, provinciale en diocesane synoden worden geregeld. 13e verdere inrichting dier Nationaalkerk zou worden bepaald door een wet van den Duitschen bond, terwijl die bepaling moest worden beschouwd als een wezenlijk bestanddeel der grondwet.
Wessenberg werd in zijn voorstel gesteund door de gezanten van Pruisen, Hannover en Beieren, en door tal van invloedrijke personen, die hij voor zijne zaak had gewonnen. De verdediging der Katholieke zaak lag nu alleen in de zwakke handen van Helferich, een kanunnik van Spiers, en in die van Baron von Wamboldt, deken van het kapittel van Worms. Deze beiden had Kardinaal Consalvi aangewezen als woordvoerders voor de Katholieke belangen: beiden, meer in het bijzonder echter Helferich, kweten zich van hun schijnbaar hope-looze taak, met voorbeeldigen ijver. En ziet! wat niemand had durven verwachten, gebeurde. Het krachtig optreden van Helferich sloeg het plan van Wessenberg en van diens machtigen aanhang den bodem in; zijn drijven mocht niets baten: de voorgenomen scheuring werd niet voltrokken.
Beek, de levensbeschrijver en lofredenaar van Wessenberg, kan het mislukken dier pogingen niet genoeg betreuren: hij werpt echter alle schuld op Frederik von Schlegel en diens vrouw; op Schlosser, Zachanas Werner, en Jozef Antoon von Pilat, den redacteur van den Oostenrijkschcn Beohachter. Beek vergat echter, bij die namen nog te voegen dien van Adam Müller, die door zijne geschriften, door zijne bijdragen voor den B cob acht er en door zijn omgang met de voornaamste politieke personen een gewichtigen invloed op den gang der zaken had uitgeoefend. Beck had ook gerust daarbij kunnen voegen, dat al de Katholieke geleerden, die
hij daar noemde, ter rechter ure voor de Kerk waren gewonnen door denzelfden man, wiens leerlingen en vereerders zij waren, door denzelfden, bij wien zij nog voortdurend licht en kracht kwamen putten, om in den strijd voor de rechten en de vrijheden der Kerk pal te blijven staan.
Maar, wat Beek volstrekt niet vermeldde, wat hem ook wellicht onbekend bleef, wordt ons medegedeeld door een ooggetuige. Pater Srna, die in die dagen met P. Hofbauer onder één dak woonde.
sBijna dagelijks, zoo verhaalt hij, kwam Helferich naar de woning van P. Hofbauer, om zijnen raad in te winnen. De verschillende stukken, die hij den congresleden aanbood, waren vooraf met P. Hofbauer besproken, en P. Sabelli moest als secretaris dikwijls tot diep in den nacht doorwerken, om de noodige afschriften te vervaardigen. Mocht het Helferich dus gelukken, zich met goed gevolg tegen de scheurmakers te verzetten, zoo komt de verdienste daarvan grootendeels toe aan P. Hofbauer, zijn vriend en raadgever.quot;
»P. Hofbauer, zegt daarom Kardinaal Reisach, was ten tijde van het Weener Congres, in den volsten zin des woords, het middelpunt, om hetwelk de Katholieke geleerden zich kwamen scharen,, met wier hulp hij de pogingen bestreed der scheurmakers, die eene, van den Paus bijna geheel onafhankelijke Nationaalkerk wilden stichten.quot; Die woorden van den grooten Kardinaal verdienen al onze aandacht. Zij bewijzen, dat Mgr. Claessens, een der levensbeschrijvers van den Gelukzalige, niet overdreef, toen hij beweerde, dat P. Hofbauer eene scheuring in Duitschland heeft voorkomen.
Vooral beklaagt zich Beck over de houding, welke Beieren op het Congres aannam. ïDe toenmalige Beier-sche regeering, zegt hij, heeft helaas! de zware verantwoording te dragen, dat een heilzame oplossing van het kerkelijk vraagstuk, in het nationale belang van Duitsch-
land, nog in het laatste oogenblik te Weenen moest mislukken.quot; Zulks was nog meer te verwonderen, wijl in Beieren de machtige, doch der Kerk hoogst vijandige minister Montgelas i) nog altijd aan het roer zat, en graaf Rechberg, de Beiersche gezant bij het Congres, met Wessenberg heulde. Ziehier echter de oplossing van het raadsel.
De kroonprins en latere koning van Beieren, Bodewijk I, begon juist in dien tijd veel invloed te verkrijgen op zijn vader, Maximiliaan I; doch op het Congres van Weenen had de prins geen anderen ziel bestierder en raadsman clan I\'. Hofbauer. Dikwijls bezocht hij hem in zijne woning, en bracht eens, gelijk boven reeds vermeld is, bijna den geheelen nacht bij hem door.
De afzetting van graaf Montgelas zal hoogstwaarschijnlijk eene tweede vrucht geweest zijn van dat onderhoud des prinsen met den Gelukzaligen Clemens Maria; althans onmiddellijk na diens terugkeer uit Weenen, ontving de minister in last, zijn portefeuille neder te leggen. Kort daarop begon Beieren met den H. Stoel ts onderhandelen over het Concordaat, dat in 1817 tot stand kwam.
Terwijl P. Hofbauer met behulp van geleerde Katholieken, Dalberg en Wessenberg ijverig bestreed, bleef hij tevens vurig voor hunne bekeering bidden. Met grond kunnen wij hopen, dat zijn gebed, met betrekking ten minste tot den ongelukkigen Dalberg, verhooring vond.
In het leven van Mgr. Wittmann, bisschop van Regensburg, toen President van het seminarie, lezen wij, dat Mgr. Dalberg zich, in de laatste jaren zijns levens, geheel en al overgaf aan de leiding van dezen waardigen priester; dat hij, na het Congres van Weenen, volstrekt niets meer met Wessenberg wilde te doen hebben, en
1) Zonderling! Diezelfde Montgelas liet zijne zonen bij de Jczuiëten opvoeden; deed in de laatste jaren zijns levens eene bedevaart naar Altötting, en bad, naar men algemeen verhaalde, met zijne familie den Rozenkrans.
____ ___iiLzquot;
zich geheel van hem afscheidde; dat hij dikwijls, met tranen in de oogen, tot: de studenten van het seminarie zeide; jO, mijne Heeren, ik heb het met de wereld »gehouden; ik heb op haar gesteund, en zij heeft mij s schandelijk bedrogen. Houdt gij het toch nooit met »de wereld, blijft trouwe zonen der Kerk.quot;
Eens, toen Wittmann verschillende kinderen in de woning van den Bisschop bracht,om hem geluk te wenschen, sprak deze: »Lieve kinderen, bidt voor mij; want ik ben seen groot zondaar.quot; — Hij leidde toen een allereenvoudigst, boetvaardig leven, en dreef zijn milddadigheid voor de armen zóóver, dat hij in een geleend bed is gestorven, wijl hij het zijne had weggeschonken.
Zoo had zich dan met het gebed van P. Hof-bauer de ijver van Michael Wittmann vereenigd, om de ziel van Dalberg te redden. Gods Dienaar mocht echter den troost niet smaken, ook Wessenberg voor God te winnen. Deze ging veeleer voort in zijn openlijk verzet tegen den H. Stoel, om eindelijk kort vóór zijn dood nog eenige vrienden bij zich te roepen, opdat zij getuigen mochten zijn van zijn verschrikkelijke verklaring, dat hij tot het laatste toe in zijne gevoelens bleef volharden. De vrijmetselaars te Constanz meenden zijn aandenken niet beter te kunnen vereeren, dan door hun vergaderzaal den naam van » Wessenberger logequot; te geven.
Tien dagen na den dood van Mgr. Dalberg, den 2osten Februari 1817, schreef P. Hofbauer, op last van den pauselijken Nuntius, Mgr. Severoli, naar èen kardinaal te Rome, en beval als diens opvolger, baron Frans von Wamboldt aan, die zich op hei: Congres van Wee-nen zoo luisterrijk had onderscheiden.
Met een enkel woord dient hier nog melding te worden gemaakt van twee andere feiten, waaruit zoowel de vurige ijver van P. Hofbauer voor de belangen dei-Kerk als de groote invloed, dien hij genoot, in een helder daglicht treden.
In het jaar 1S16 of \'17 kwamen sommigen op het denkbeeld, Michael Sailer voor te stellen als opvolger van den Bisschop van Augsburg. De apostolische Nuntius te Weenen, Kardinaal Severoli, wendde zich daarom tot P. Hofbauer, om te weten, of Sailer naar zijne meening de geschikte man daarvoor was.
P. Hofbauer achtte zich verplicht, in zulk eene gewichtige zaak den vertegenwoordiger des Pausen het antwoord niet schuldig te blijven. Vrijmoedig gaf hij zijn gevoelen te kennen, en sprak volgens zijn geweten.
Vooraf bekent hij, dat Sailer in geheel Duitsch-land, in Hongarije, ja zelfs buiten Europa zich een groo-ten naam verworven had, dat hij in Landshut, waar slechts weinigen het waagden, den moed had, openlijk van den Zaligmaker te spreken, en dat er zich onder zijne talrijke leerlingen oprecht vrome mannen bevonden. Daarna komt echter de schaduwzijde; het mysticisme keurde hij geheel en al goed; op zijne rondreize door het bisdom had hij in vele parochiën, waar de pastoors het mysticisme aanhingen, gepreekt en door het gezag, dat zijne geleerdheid hem had verworven, hunne leer ondersteund; hij was een vriend van Boos, die door zijn echt Luthersche stellingen veel kwaad stichtte; hij was door den Bisschop van Augsburg zei ven van zijn leerambt ontzet; kortom, hij was volstrekt niet de geschikte man, om Bisschop van Augsburg te worden. Aldus besloot Clemens zijn schrijven.
Wijl echter juist in die jaren de onderhandelingen over het Concordaat van den H. Stoel met Beieren in vollen gang waren, bleef de geheele zaak rusten, tot eindelijk de Beiersche regeering in den herfst van 1819 den Nuntius te München de vraag stelde, of het, te Rome bijval zou vinden, wanneer Sailer voor het bisdom Augsburg benoemd werd. Toen de Nuntius daarop ontkennend had geantwoord, wendde zich Kroonprins Lo-dewijk, die Sailer, als zijn voormaligen leermeester, zeer
hoogachtte, tot Kardinaal Consalvi, en beklaagde zich over het antwoord van den Nuntius. En wat schreef hem nu de Kardinaal, onder datum van 26 Juli 1820, dus drie maanden na P. Hofbauers dood? — Onder meer lezen wij daar de volgende woorden: sUwe Ko-sninklijke Hoogheid, die met recht de deugden en de szuivere leer van den overledenen P. Hofbauer heeft »hooggeschat, zal het niet onaangenaam zijn, wanneer ïik u mededeel, welke zijn gedachten over Sailer waren; sdaarom zend ik u het geheime bericht, hetwelk hij smaakte op verlangen van Kardinaal Severoli, die toen ^Nuntius te Weenen was.quot;
Tegen het einde van datzelfde jaar stelde Sailer eene verklaring op, waaruit zijne rechtzinnigheid moest blijken. De Nuntius vroeg daarop den raad van den Augsburger kanunnik, Carolus Egger, een even godvruchtig als geleerd priester; doch deze gaf als zijn gevoelen te kennen, dat de verheffing van Sailer op een bisschopszetel een ware ramp voor de Katholieke Kerk zou zijn. 1)
Het tweede feit betreft Bernard Bolzano, Professor in de godsdienstwetenschap te Praag. Een der laatste levensjaren van den Gelukzalige deelden eenige studenten, die te Praag de voordrachten van dien leeraar hadden bijgewoond, hem mede, welke zinledige, rationalistische stellingen hij verkondigde. Aanstonds begaf zich P. Hofbauer naar den hofpastoor, Dr. Frint, den lateren bisschop van St. Pölten, en maakte hem opmerkzaam op de dwalingen, welke Bolzano de studeerende jeugd voorhield. Frint sprak daarover met Keizer Frans, die de zaak zeer ter harte nam, en verlangde, dat een professor der godge-
1) Wie meer uitvoerige bescheiden over Sailer en diens verhouding tot Katholieken en Protestanten verlangt te kennen, leze P. HARIXGER: Leb ai des Ehrw, D. G. Clemens Maria Hofbauer, in de voorrede op de tweede uitgave en het 17de Hoofdstuk van het 3de Boek, bl. 303 en volgende dierzelfde editie.
leerdheid zijn oordeel daarover zou uitspreken. Toen de Keizer zag, dat de zaak wat lang hangende bleef, werd hij ongeduldig, en zeide; gt;;Nu, ik ben geen theologant; »maar zooveel versta ik er toch van, dat ik zeer goed s inzie, dat die stellingen niet Katholiek zijn.quot; — Bolzano werd van zijn leerstoel verwijderd, en zijne stichtende toespraken voor Academiestudenten werden in 1828 door de Congregatie van den Index verboden.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
P. Hofbauers gunstige Invloed op de Katholieke Litteratuur.
—!gt;-7)
Met de voortbrengselen der Katholieke letterkunde stond het in de jaren, dat P. Hofbauer te Weenen werkzaam was, uiterst slecht geschapen, — zoo slecht, dat, gelijk een getuige in het Proces der Zaligverklaring, van eigen ondervinding sprekend, zich uitdrukte, »men zich jdaarvan thans geen juist denkbeeld meer kan maken.quot;
Noch voor geestelijken noch voor leeken verschenen Katholieke boeken; in de bibliotheek van een Katholiek priester zag men geheele rijen Pratestansche werken, waaruit hij stof voor zijn jjreeken putte; de toonbeelden der Katholieke kanselwelsprekendheid waren Protestansche redenaars. Zelfs was er geen goed kerkboek te bekomen: het volk gebruikte het boekje van den Illuminaat Eck-hartshausen »Gott ist die Liebcquot; hetwelk een Katholiek bij zijn gebed onmogelijk tot veiligen gids kan strekken.
Die ellendige stand van zaken griefde P. Hofbauer zeer. jO die Illuminaten, die Illuminaten! zoo riep hij ïiiit. Dag en nacht zijn zij in de weer, en verspreiden ïde verderfelijkste boeken. Zij zouden Jezus Christus uit sgeheel Europa willen verdrijven, en deinzen voor geen * moeite terug, om hun goddeloos plan te bereiken.quot; Als-»nu de Katholieken maar evenveel ijver betoonden voor Kien heiligen godsdienst!quot; — Anderen hoorden hem zeg-
gen: ^De Duitscher leest gaarne; maar ik heb niets, wat ïik hem met een gerust geweten in handen kan geven.quot;
Gods Dienaar liet het echter niet bij ijdele klachten. Was het ook zijne roeping niet, zelf de pen op te vatten, om degelijke werken te schrijven, hij had toch leerlingen, vrienden en vereerders, volkomen geschikt, om op letterkundig gebied iets uitstekends te leveren; hen wees hij op de dringende behoefte van den tijd, en spoorde hen aan, hunne talenten tot welzijn hunner tijdgenooten te benutten.
Zoo gaf hij den eersten stoot tot de herleving der Katholieke letterkunde; zoo nam deze door zijn aansporing en zijn krachtigen steun een nieuwe vlucht: hem is het te danken, dat zijn leerlingen en vrienden op letterkundig gebied zooveel voortreffelijks leverden.
Vooreerst moet men als zijn werk beschouwen de oprichting van het tijdschrift de Oehweigc^de»Olijftakkenquot;; hetwelk in vijf jaargangen, van 1819 tot 1823, wekelijks tweemaal verscheen. Het bevatte zoowel godsdienstige, stichtende en leerzame stukken als boeiende verbalenen gedichten. Het stichtte veel nut en werd gretig door het volk gelezen; want het muntte uit, niet slechts door degelijkheid van inhoud, maar ook door zuiverheid van stijl en netheid van druk en voorkomen. Een der leerlingen van P. Hofbauer, Georg Passij, was hoofdredacteur; hij slaagde er in, de josefistisch gezinde boekenkeurders niet te stooten, zonder daarom ooit van zijne streng Katholieke beginselen af te wijken. Georg Passij vond een ijverig medewerker voor de Oelzweige in zijn broeder Antoon. Beiden werden later Redemptorist; doch Antoon zette zijn letterkundigen arbeid voort, wijl hij, in zijne ziekelijkheid, tot andere werkzaamheden minder geschikt was. Wat hij in zijne cel op letterkundig gebied verrichtte, zegt Pruimer 1), is verbazend, al zou men alleen het getal der geschriften in aanmerking nemen: vijf werken over kerkhistorie, vijf 1) Uit het Hoogduitsch. BI. 258 en 259.
levensbeschrijvingen, veertien deelen geestelijke poëzie, dertien ascetische werken, zes gebedenboeken, . zeven novenen, vijf afzonderlijke godvruchtige oefeningen, zeven vertalingen, en aan gemengde werken, vlugschriften en monographieën nog veertig stuks; dus in het geheel niet minder dan honderd en twee.
Onder de voornaamste leerlingen van P. Höf-bauer, die hunne bijdragen voor de Oelzwcige leverden, verdienen nog een bijzondere vermelding Peter Silbert en Dr. Emmanuel Veith.
Silbert, in den Elzas geboren, was naar Weenen gekomen om onderricht te geven in de Fransche taal. Hij was een trouw lid van de avondbijeenkomsten in P. Hofbauers woning, en had aan het gezelschap van den heiligen apostel dien ijver, dien echt Katholieken geest te danken, waarvan zijne geschriften bezield zijn. Voor het nut der Duitsche Katholieken vertaalde hij de beste ascetische boeken van Frankrijk, Spanje en Italië, en gaf in het geheel over de honderd werken uit.
Met niet minder ijver had de rijkbegaafde Dr. Veith aan de Oelzweige medegewerkt; hij gaf nog als Redemptorist, verscheidene werken in het licht, die den grootsten bijval vonden. In 1823 liet hij onder den titel van Balsaminen een kerkboek drukken, dat hij met Werner vervaardigd had. Kort daarop verscheen zijn * Gedenkboek van Christus\' Lijdenquot; dat onder de beste ascetische geschriften gerekend wordt. Van 1826 gaf hij geregeld eene volledige reeks feestpreeken uit, welke, met zijn homilieën, niet minder dan vijf en veertig deelen beslaan.
Ziedaar eenige der uitstekende mannen, die de Oelzweige, dat zoo door en door Katholieke blad, redigeerden. Jammer, dat die jeugdige plant zoo weinig levenstijd mocht hebben! De meesten van hen, die aan dit tijdschrift medewerkten, traden na P. Hofbauers dood in de Congregratie, en waren daar met apostolische werkzaam-
— 324 —
heden zóó overladen, dat men na verloop van eenige jaren van dat verdienstelijk werk moest afzien.
Toen bleek het ten volle, welk een prijs men in Duitschland op dat tijdschrift stelde. Niet slechts werd het overal betreurd, dat de Oclzweige waren opgeheven, maar de geniale Jozef Görres, die het gebrek aan goede geschriften zoo diep gevoelde, vatte het plan op, den Paters Redemptoristen een klooster te bezorgen, wanneer zij daarin een drukkerij wilden oprichten; de priesters, zoo meende hij, konden dan de stukken schrijven, terwijl de leekebroeders voor druk en uitgave zouden zorgen. Ook Clemens Brentano juichte dat plan van harte toe.
Nog andere beroemde mannen, zooals Frederik von Schlegel, Adam von Müller, baron von Buchholz werkten bij hunne geschriften naar den geest huns meesters en verzuimden niet, ze hem ter verbetering voor te leggen.
Reeds vroeger waren wij in de gelegenheid, er op te wijzen, hoe P. Hofbauer verschillende geleerden der universiteit, zooals Ackermann, Zangerle, en Ziegler, eene richting wist te geven welke zij, zonder hem, i.iet of minstens met minder beslistheid, hadden aangenomen. Toen professor Zangerle zijne vroegere, Protestantsche leerwijze veranderd had, sprak hij eens een woord, dat ons duidelijk doet zien, hoe noodzakelijk het krachtig optreden van P. Hofbauer was. sik meende, zoo zeide i-hij, te moeten huilen met de wolven, waarmede ik in shet bosch was.quot;
De Oostenrijkschc Beobachter deelde insgelijks in de heilzame inwerking van Clemens. De hoofdredacteur, Antoon von Pilat, een ijverige volgeling van P. Hofbauer, zou daarin niets geduld hebben, dat niet volgens de beginselen zijns meesters, en bijgevolg, niet streng ivatholick was. Zulks is van des te meer gewicht, wijl de Bcobachtcr te dien tijde het eenige officieele politieke blad was van Oostenrijk.
— 325 —
\'t Is ook zeer waarschijnlijk, dat P. Hofbauer veel heeft bijgedragen tot den letterkundigen arbeid van den vromen, streng Katholieken Frans Schmidt, toen kapittelheer van St. Stephanas en later huisprelaat van zijne Heiligheid. Schmidt was een ijverig priester, dien P. Hofbauer zoo hoog schatte, dat hij hem tot zijn biechtvader en zielbestierder verkoos, ja, van hem zeide: gt;:Hadden »wij te Weenen drie mannen als Schmidt, dan konden 11 wij de geheele stad bekeeren.quot; Daarbij was hij zeer geleerd en voorzichtig, len behoeve der geestelijkheid bezorgde hij een nieuwe uitgave van liet * Concilie van Trcntequot; en van den tRomeinschen Catechismusquot; en gaf ook een alphabetische lijst van alle teksten der H. Schrift uit; daarna liet hij op eigen kosten een groot aantal gebedenboeken in het Fransch, Duitsch, Engelsch en Ita-liaansch, benevens de psalmen en Messiaansche prophetieën zelfs in het Hebreeuwsch drukken, waarna hij al die boeken kosteloos uitdeelde en naar het buitenland zond.
Eindelijk dient nog met een enkel woord melding te worden gemaakt van een werk, dat een onberekenbaar goed gesticht heeft, liet * Katholieke Missieboek.quot; P. Hofbauer heeft, wel is waar, niet onmiddellijk tot de uitgave er van bijgedragen, doch het valt niet te ontkennen, dat wij het het te danken hebben aan den geest van ijvar. dien hij in zijne leerlingen had overgeplant. Plet doel, dat zich P. Madlener en de overige volgelingen van Gods Dienaar bij het vervaardigen van dat boek voor oogen stelden, was, het volk eenige vergoeding te geven voor de missiën, die toen door liet gouvernement nog niet o-e-duld werden.
Het missieboek is in ons vaderland tegenwoordi(r zoo algemeen bekend, dat wij het onnoodig achten, een verslag van deszelfs inhoud te geven, \'t Zal echter niet zonder belang voor den lezer zijn, te vermelden, dat er van het eerste jaar zijner verschijning tot 1S48 jaarlijks een nieuwe uitgave van 10.000 exemplaren geplaatst
werd, zonder de vele nadrukken in Duitschland en Zwitserland, en de vertalingen mede te rekenen. Thans bereikt dat werk het bijna ongeloofelijk getal van vier millioen exemplaren, daarbij nog afgezien van verschillende uitgaven in het Boheemsch.
Mgr. Haneberg van Spiers verzekerde, dat er verschillende buitengewone bekeeringen door dat boek bewerkt zijn.
Wij zouden nóg kunnen spreken van de verschillende bibliotheken, die toen begonnen gevormd te worden, ten einde daaruit goede boeken aan het volk uit te lee-nen, maar achten het aangehaalde reeds voldoende, om eenieder duidelijk te doen zien, welk verschil ook op dit gebied merkbaar was tusschen het jaar i8i3,waarm P. Hofbauer te Weenen zijn eigenlijke werkzaamheid begon en het jaar 1820, waarin hij stierf. Had het Josefisrae de Katholieke letterkunde tot een dorre woestijn gemaakt, waarin slechts hier en daar een oase werd gevonden, thans begon zij, onder de bezielende leiding van P. Hofbauer, weder overal te bloeien tot niet gering welzijn van tallooze zielen.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Verdere Lotgevallen der Congregatie in Zwitserland. — Gods Dienaar zendt Missionarissen naar Waiachije,
De onvermoeide pogingen om liet Katholicisme in Oostenrijk tot een nieuw leven op te wekken, hadden P. Hofbauer de belangen zijner innig geliefde Congregatie niet doen vergeten.
Stil en ongemerkt, doch tevens met een taai geduld en een onwrikbare standvastigheid, werkte hij aan hare invoering in Weenen, en wij zullen zien, met welk een even gelukkigen als onvenvachten uitslag zijne moeite op den avond zijns levens zal worden beloond.
In afwachting daarvan wijdde hij thans zijne zorgen aan de medebroeders, die nog altijd in Zwitserland woonden: de berichten, die hij van hen ontving, waren nu eens van blijder dan weêr van droeviger aan]. De lezer zal zich herinneren, dat P. Passerat met zijne jeugdige reisgenooten na den gevaarlijken overtocht van den Grimsel, in het kanton Wallis te Vissach een onderkomen had gevonden. De Paters verbleven daar bijna vier jaar, van December 1807 tot Augustus 1811. Zij ondervonden er de hartelijkste liefde van den pastoor Adriaan de Courten, en stonden bij het volk in de hoogste achting, zoodat de burgemeester der plaats hun den
gsten Augusten 1811 het vereerende getuigschrift kon medegeven; »Aan de wetten des lands hebben zij stipt gehoorzaamd; niemand hebben zij tot last verstrekt, doch aan geheel het kanton de grootste diensten bewezen door het geven van onderricht in Duitsche en Latijnsche scholen, doorliet ijverig waarnemen van geestelijke bedieningen en het vlijtig bezoeken der kranken; kortom, door hun goeden handel en wandel hebben zij iedereen gesticht.quot;
P. Sabelli, die van Weeneri naar Vissach gekomen was, maakte zich ook daardoor verdienstelijk, dat hij zich belastte met de wetenschappelijke opleiding van den jongen Peter Jozef de Preux, die later bisschop van Sion werd, en zich zoo door zijne geleerdheid als door zijn godsvrucht onderscheidde.
Hadde het aan den braven pastoor of het goede volk gelegen, zeker zou hun verblijf te Vissach niet van zoo korten duur geweest zijn; doch de politieke gebeurtenissen volgden elkander snel op, en dreven de kloosterlingen naar elders. In het jaar 1810 was het kanton \'Wallis aan het Fransche Keizerrijk gekomen, en de Redemptoristen begrepen maar al te wel, wat dit feit voor hen zou beteekenen.
P. Passerat begaf zich daarom naar Würzburg, om te zien, of zijne kloostergemeente zich daar wellicht kon vestigen. Hij kende de stad, want vóór zijne intrede iri de Congregatie had hij er gestudeerd; daarenboven stond zij thans onder het bestuur van den goeden Aartshertog Ferdinand. Hij vertrok dus met de beste verwachtingen. Zijne pogingen zouden echter zoo spoedig niet slagen. Hoe gaarne de Aartshertog den Redemptoristen ook een klooster had aangewezen, hij durfde toch niets ondernemen, wat Keizer Napoleon, de beschermheer van het Rijnverbond, als een beleediging kon beschouwen. Voor het oogenblik kon hij daarom niets meer doen, dan P. Passerat, als blijk van zijn goeden wil eene som
geld ter hand te stellen, ten einde daarmede de onkosten der reis te bestrijden.
Daarop begaf zich P. Passerat, in October 1810, naar Weenen, om P. Hofbauer te bezoeken, en met hem te overleggen, wat nu te doen stond. De uitslag hunner bijeenkomst was, dat men in Zwitserland zelf naar een nieuw toevluchtsoord moest omzien, wijl Duitschland en Oostenrijk nog altijd ontoegankelijk bleven.
De Goddelijke Voorzienigheid leidde thans zijne schreden naar Freiburg; daar vond hij Mgr. Guisolan, den ijverigen bisschop van Lausanne, van de orde der Capu-cijnen. Deze nam hem met de meeste welwillendheid op en wist door zijne tusschenkomst van de overheden te verkrijgen, dat de Redemptoristen zich in het kanton mochten vestigen, indien zij slechts niet als kloostergemeente, maar als private personen wilden optreden.-
Nu riep P. Passerat zijne studenten uit Wallis tot zich. — Eerst woonden zij op een landgoed nabij de stad, doch spoedig werd er in Freiburg zelf een huis gehuurd, waar zij allen te zamen, onder de leiding van hun prefect, volgens den kloosterregel leven en hunne philosophische en theologische studiën aan het collegie van den H. Michaël konden voortzetten.
De Paters waren tot dan toe in de verschillende parochiën van Wallis verspreid geweest, doch langzamerhand liet P.Passerat ze naar het kanton Freiburg overkomen. Met goedkeuring van den Bisschop wees hij hun daar plaatsen aan, waar zij met twee of drie bijeen woonden, en aan het geestelijk welzijn der bevolking mochten werken.
In het jaar 1815 ontbood P. Passerat alle Paters, die zich in het kanton Freiburg bevonden, om met hen te overleggen, of men er nog niet toe konde overgaan, bij de regeering de uitdrukkelijke opname der Congregatie als een kloostergemeente te verzoeken. Wijl de meeningen verdeeld waren, wendde hij zich persoonlijk tot den President van het kanton, om ook zijn raad daar-
omtrent te vernemen. Deze antwoordde, dat naar zijne overtuiging, het geschikte oogenblik nog niet was aangebroken. ïMaar, zoo voegde hij er bij, ik zal u waarschuwen, ïzoodra ik de omstandigheden gunstig oordeel.quot;
Zoo verliepen nog twee jaren in afwachting eener betere toekomst. Eindelijk, in het jaar 1817, deed de prefect van Gruyères P. Passerat weten, dat er zich, in zijn arrondissement, een oud, verlaten klooster bevond, dat vroeger door Kartuizers en daarna door Trappisten was bewoond. Het hoorde tot de parochie van Cerniat. en lag in een dal, van alle zijden door hooge bergen omgeven.
Hij twijfelde niet, of de regeering, in wier bezit het thans was, zou het gaarne afstaan. Blijder tijding had P. Passerat niet kunnen ontvangen; aanstonds begaf hij zich op weg, om het klooster te gaan bezichtigen. Het beviel hem zeer goed, en wijl de President hem tegelijkertijd berichtte, dat het gunstige oogenblik eindelijk was aangebroken, haastte hij zich, een verzoekschrift op te stellen, waarin hij de wettelijke erkenning der Congregatie in het kanton en den afstand van het klooster Val-sainte aanvroeg. De groote raad besteedde drie achtereenvolgende zittingen aan de behandeling dier tweepunten, en, in weerwil van een heftigen tegenstand, werd het verzoek met een groote meerderheid van stemmen ingewilligd. De vrienden der Paters beriepen zich vooral op de uitstekende diensten, welke dezen in het jaar 1814 aan het kanton hadden bewezen. Toen namelijk was er onder de Oostenrijksche troepen, die Zwitserland waren binnengerukt, een hevige typhus uitgebroken, en hadden zich de Paters, op verzoek van den Bisschop en de regeering, met de zorg voor de hospitalen te Freiburg, Bern en andere plaatsen, belast. Te Bern had vooral P. Aloisius Czech door zijne offervaardige naastenliefde de bewondering van allen gaande gemaakt, terwijl de twee Poolsche Paters, Biedrzycki en Schulski voor de soldaten,
die slechts het Poolsch verstonden,zich ware troostengelen getoond hadden. Op één na waren toen alle Paters zeiven door de vreeselijke ziekte aangetast, doch nauwelijks hersteld, ijlden zij weder naar het hospitaal, om met dienzelfden moed hun gevaarlijke bediening te hervatten. De herinnering nu aan zulk een heldhaftige zelfverloochening maakte op de raadsleden den besten indruk, en deed er hen toe besluiten, het verzoek goedgunstig toe te staan.
De vreugde van Alphonsus\' zonen bij het vernemen dier blijde tijding laat zich eerder denken dan beschrijven. Biddend en zingend, door een groote menigte volks begeleid, trokken zij in plechtigen optocht van de parochiekerk van Cerniat naar hun klooster. Daar aangekomen hief P. Passerat den lofzang Tc Dcicm aan, welken allen, uit de volheid van hun dankbaar gemoed, voortzetten. Niets was in staat hunne blijdschap te storen: noch het gebrek, dat er binnen die kale muren heerschte, noch de honger, dien zij reeds den eersten dag moesten verduren; het gemeenschappelijk en geregeld kloosterleven, de schat, dien zij reeds sedert zoo geruimen tijd verloren hadden, was hun teruggeschonken: dat was hun genoeg. Maar hunne vreugde steeg ten top, toen zij reeds spoedig het werk hunner missiën in het kanton Freiburg en den Franschen Elzas mochten hervatten.
P. Hofbauer jubelde met hen. Om hun zijne liefde en het aandeel, dat hij in hunne vreugde nam, te toonen, zond hij hun eenige der schoone misgewaden, welke hij nog uit de St. Benno gered had.
Maar Gods Dienaar, wiens ijver geen andere grenzen kende dan die van de aarde zelve, had nog grootscher plannen opgevat. Hij brandde van verlangen, zijn missionarissen ook in Amerika te zien arbeiden aan het heil der zielen. Reeds spreekt hij daarover in een brief van den 25stcigt; September 1811, dien hij aan P. Blasucci, den Generalen Overste richtte.
s Dikwijls, zoo lezen wij daar, ontvang ik brieven
omtrent te vernemen. Deze antwoordde, dat naar zijne overtuiging, het geschikte oogenblik nog niet was aangebroken. ïMaar, zoo voegde hij er bij, ik zal u waarschuwen, ïzoodra ik de omstandigheden gunstig oordeel.quot;
Zoo verliepen nog twee jaren in afwachting eener betere toekomst. Eindelijk, in het jaar 1817, deed de prefect van Gruyères P. Passerat weten, dat er zich, in zijn arrondissement, een oud, verlaten klooster bevond, dat vroeger door Kartuizers en daarna door Trappisten was bewoond. Het hoorde tot de parochie van Cerniat. en lag in een dal, van alle zijden door hooge bergen omgeven.
Hij twijfelde niet, of de regeering, in wier bezit het thans was, zou het gaarne afstaan. Blijder tijding had P. Passerat niet kunnen ontvangen; aanstonds begaf hij zich op weg, om het klooster te gaan bezichtigen. Het beviel hem zeer goed, en wijl de President hem tegelijkertijd berichtte, dat het gunstige oogenblik eindelijk was aangebroken, haastte hij zich, een verzoekschrift op te stellen, waarin hij de wettelijke erkenning der Congregatie in het kanton en den afstand van het klooster Val-sainte aanvroeg. De groote raad besteedde drie achtereenvolgende zittingen aan de behandeling dier tweepunten, en, in weerwil van een heftigen tegenstand, werd het verzoek met een groote meerderheid van stemmen ingewilligd. De vrienden der Paters beriepen zich vooral op de uitstekende diensten, welke dezen in het jaar 1814 aan het kanton hadden bewezen. Toen namelijk was er onder de Oostenrijksche troepen, die Zwitserland waren binnengerukt, een hevige typhus uitgebroken, en hadden zich de Paters, op verzoek van den Bisschop en de regeering, met de zorg voor de hospitalen te Freiburg, Bern en andere plaatsen, belast. Te Bern had vooral P. Aloisius Czech door zijne offervaardige naastenliefde de bewondering van allen gaande gemaakt, terwijl de twee Poolsche Paters, Biedrzycki en Schulski voor de soldaten,
die slechts het Poolsch verstonden,zich ware troostengelen getoond hadden. Op één na waren toen alle Paters zeiven door de vreeselijke ziekte aangetast, doch nauwelijks hersteld, ijlden zij weder naar het hospitaal, om met dienzelfden moed hun gevaarlijke bediening te hervatten. De herinnering nu aan zulk een heldhaftige zelfverloochening maakte op de raadsleden den besten indruk, en deed er hen toe besluiten, het verzoek goedgunstig toe te staan.
De vreugde van Alphonsus\' zonen bij het vernemen dier blijde tijding laat zich eerder denken dan beschrijven. Biddend en zingend, door een groote menigte volks begeleid, trokken zij in plechtigen optocht van de parochiekerk van Cerniat naar hun klooster. Daar aangekomen hief P. Passerat den lofzang Tc Dcicm aan, welken allen, uit de volheid van hun dankbaar gemoed, voortzetten. Niets was in staat hunne blijdschap te storen: noch het gebrek, dat er binnen die kale muren heerschte, noch de honger, dien zij reeds den eersten dag moesten verduren; het gemeenschappelijk en geregeld kloosterleven, de schat, dien zij reeds sedert zoo geruimen tijd verloren hadden, was hun teruggeschonken: dat was hun genoeg. Maar hunne vreugde steeg ten top, toen zij reeds spoedig het werk hunner missiën in het kanton Freiburg en den Franschen Elzas mochten hervatten.
P. Hofbauer jubelde met hen. Om hun zijne liefde en het aandeel, dat hij in hunne vreugde nam, te toonen, zond hij hun eenige der schoone misgewaden, welke hij nog uit de St. Benno gered had.
Maar Gods Dienaar, wiens ijver geen andere grenzen kende dan die van de aarde zelve, had nog grootscher plannen opgevat. Hij brandde van verlangen, zijn missionarissen ook in Amerika te zien arbeiden aan het heil der zielen. Reeds spreekt hij daarover in een brief van den 25stcigt; September 1811, dien hij aan P. Blasucci, den Generalen Overste richtte.
s Dikwijls, zoo lezen wij daar, ontvang ik brieven
daar geen onderricht, er is daar geene school.quot; Bucharest noemt hij »een vergaarbak van alles, wat uit verschillende landen is bijeengevloeid.quot; Wel mocht hij dus zeggen t sl)e oogst is grooti, er zijn bchismatiekc Grieken en secten van verschillende volkeren, die men aan de Kerk moet terugschenken; en — zoo voegt zijn apostolisch hart er bij — Azie ligt niet ver vandaar.quot;
Den 5den October 1815 vertrokken dan vier Redemptoristen met Mgr. Ercolani naar de nieuwe missie. Het waren P. Jozef Forthuber, die tot overste was aangesteld, de twee scholastieken, Libotzky en Haetscher en de leekebroeder Mathias Widhalm.
Als een liefdevolle vader voorzag hen Clemens Maria van al de benoodigdheden voor hunne moeielijke reis. Behalve eene kleme bibliotheek en verschillende voorwerpen, die tot inrichting van het huis en tot sieraad hunner kerk moesten dienen, gaf hij hun de aanzienlijke som van 4000 gulden mede, en beloofde, dat, als de Propaganda hem wilde helpen en den missionarissen een huis zou aanwijzen, waar zij hunne geestelijke zoowel als hun lichamelijke krachten konden sterken, hij zoo spoedig mogelijk, meer Paters voor die missie zou bestemmen.
Den i\'jden September van datzelfde jaar had Libotzky zijne geloften in handen van P. Hofbauer afgelegd; .hij was de eenige, die te Weenen door Gods Dienaar in de Congregatie werd opgenomen, hoewel hij zich toch niet openlijk als Redemptorist mocht vertoonen. Frans Haetscher deed zijne professie den 5den December, en werd den 23:iten met Dibotzky tot priester gewijd.
Nu begonnen beiden hun apostolische werkzaamheden te Cispole, waar zij met den Bisschop in een ellendig huis van vier kamers woonden, terwijl P. iort-huber reeds zeer spoedig naar Bucharest voortreisde.
In een briefvan den 23«™ November 1816, dien P. Hofbauer aan Frederik von Schlosser schreef, lezen
wij onder anderen: s De goede Pater Jozef werkt wonderen in dat verwilderde land; hij preekt in het Duitsch, en, als het noodig is, hoort hij ook biecht in het Wa-lachijsch.quot; En in een brief van den 25sten Januari 1817, aan Sophia von Schlosser gericht: »De goede Pater Jozef heeft met de zijnen een school opgericht. Die stad is een toevluchtsoord vooreen menigte verloopen lieden uit alle landen, zij is een woest bosch, waar, om zoo te alle wilde dieren bijeenkomen; omtrent de eeuwige belangen heerscht er de grootste onverschilligheid; men vraagt zich niet eens af, tot welke kerk men behoort; men denkt er slechts aan, wat geld te verdienen, om het in alle dartelheid weder te verteren. Als de ouders hun kinderen opvoeden, is het alleen, opdat zij, grooter geworden, met hen zouden werken en verdienen. Daar heeft de goede Jozef zijn handen vol. Hij heeft een huisje gehuurd, om er school te houden, en moet nu de ouders afloopen, om hen te verzoeken, hun kinderen toch naar de school te zenden. God bedient zich nu van den eenvoud zijns harten, om, gelijk ook de bisschop den Nuntius schrijft, een aanmerkelijke verbetering van zeden teweeg te brengen. Hij kan daar vrijelijk de inwoners tot de Kerk terugbrengen, en wijl Gods zegen zoo zichtbaar op zijn arbeid rust, verdraagt hij met de zijnen alles met het grootste geduld.quot;
Later kwamen ook Libotzky en Haetscher P. Fort-huber te Bucharest in zijn arbeid, steunen. Hun kennis der Fransche en Italiaansche taal stelde hen in staat, ook groote diensten te bewijzen aan de vele vreemdelingen, die eene dier beide talen spraken. Weldra kwam men nu van alle kanten de hulp der Paters inroepen; naar alle zijden ondernamen zij apostolische reizen; overal werden zij als engelen des hemels ontvangen en zagen zij de bevolking met de leerzaamheid van een kind naar hunne onderrichtingen luisteren. Maar van hunnen kant, wat al vermoeienissen, wat al opoffering! In de dorpen,
* _ — 336 — _
welke zij bezochten, moesten zij hun intrek nemen in een dier armoedige hutten, uit hout en leem opgetrokken, waar menschen en dieren in hetzelfde vertrek gehuisvest waren. Dan hoorden zij den eersten avond de biechten dei mannen; den volgenden morgen werd het vee uit de woning gedreven, en deze zoo goed mogelijk gereinigd, waarna de Paters een noodaltaar oprichtten. Daarna kwamen de vrouwen biechten, om onder de H. Mis, die volgde, met de mannen de H. Communie te ontvangen. Ten slotte hield een Pater voor die goede, arme lieden eene onderrichting; dan werden de zieken bezocht, allerlei aangelegenheden geregeld, en de oneenigheden der inwoners beslecht, wijl in die streken de priester alle bedieningen, ook die van scheidsrechter, moest waarnemen. Dan trokken zij weer verder, om aan andere plaatsen
dezelfde weldaden te bewijzen.
Maar hoeveel troost dit alles ook den Paters schonk, hun toestand was toch verre van rooskleurig. De vorst van Walachije was den Paters wel is waar zeer genegen, maar de Schismatieken maakten hun alles zwaar en bitter, terwijl de Bisschop, die zooveel ijver getoond had, om hen in zijn land te doen komen, thans zoo goed als niets voor hen deed. Een klooster was hun beloofd, en zij vonden niet eens een behoorlijk onderkomen; ja, zoolang werd er met het huren van een huis gewacht, dat P. Forthuber zijne school onder den blooten hemel moest houden. In zijne brieven beklaagt zich P. Hof-bauer over die handelwijze. De Bisschop, zegt hij, neeft hem om den tuin geleid, en hem verholen, dat hij nog andere priesters tot zijn dienst had. Dat gebrek aan oprechtheid smartte hem, en deed hem aan den goeden uitslag der onderneming twijfelen. Ware hij beter ingelicht geworden, nooit zou hij, in geweten, zijn medebroeders aan zulke ontberingen en zoo zware be-proevingen li ebben durven blootstellen.
En werkelijk, na eenige jaren zag men zich ver-
plicht, de missionarissen uit Walachije terug te roepen. De onlusten, die ten jare 1821 in dat land uitbraken, en de moeielijkheden van allerlei aard maakten hun toestand onhoudbaar; daarbij kwam, dat in datzelfde jaar de vestiging der Congregatie te Weenen de keizerlijke goedkeuring ontving, zoodat de oversten het raadzaam oordeelden, de stichting in Walachije op te geven.
P. Haetscher vertrok later naar Amerika, terwijl P. Libotzky tot zijn dood te Weenen bleef, en er allen tot stichting diende. De typhus, die hem tijdens zijn verblijf te Bucharest had aangegrepen, had zijne borst zeer verzwakt, zoodat hij niet dan zelden het woord Gods kon verkondigen. Hij trachtte zich daarvoor schadeloos te stellen, door dagelijks meerdere uren in den biechtstoel door te brengen. Gewoonlijk verliet hij deze eerst tegen elf of twaalf uur, om de 11. Mis te lezen. Toen zijne moeder hem eens zeide, dat zij zich zeer bezorgd maakte voor zijne gezondheid, antwoordde hij: »Nooit overkomt mij iets, dat ik niet wil.quot; — iMaar shoe is dat mogelijk rquot; vroeg zij geheel verwonderd. »Ik 5wil slechts, wat God wil, en zoodoende ben ik altijd 5 tevreden.quot;
In den strengen winter van 1840—1841 ging hij zeer vroeg in den morgen naar de Redemptoristinnen, om de H. Mis te lezen; daarna bezocht hij de Visitan-dinnen, en kwam met eene verkoudheid naar Maria-Stiegen terug. Zijn oude kwaal, de typhoïdale koorts kwam terug, en den dertienden dag zijner krankheid, den 2 6stei1 Januari 1841, gaf hij zijne schoone ziel aan God terug. Zoo dikwijls de hitte der koorts hem aan het ijlen bracht, sprak hij van zijne arme, en hem zoo dierbare Bulgaren.
2ü
negentiende hoofdstuk.
P. Hofbauers Pogingen om de Congregatie in Polen te herstellen.
Het decreet van 9 Juni 1808, waarbij de verdrijving der Redemptoristen uit Warschau werd afgekondigd, was eene schreeuwende onrechtvaardigheid en een daad van ruw geweld, \'t Was daarenboven een zwarte ondankbaarheid jegens mannen, die twintig jaren lang met de grootste opoffering hun beste krachten gewijd hadden zoo aan de stoffelijke als zedelijke verbetering van het volk. Dat alles echter zou Clemens Maria met gelatenheid kunnen dragen, zoo het niet tegelijkertijd strekte tot groot nadeel van zooveel duizenden zielen, die thans aan zich zeiven overgelaten en aan tallooze gevaren waren prijsgegeven. Bij die gedachte bloedde zijn hart, door die gedachte voortdurend achtervolgd, zon hij op raid-delen, om de ramp te herstellen en zijne Congregatie Polen weder binnen te leiden. Zien wij thans in het kort, in hoeverre zijne pogingen met een goeden uitslag bekroond werden.
Toen de Paters uit hun gevangenis te Küstrin ontslagen werden, ontvingen zij in last zich te verspreiden, en ieder naar zijn geboorteland terug te gaan. P. Pod-gorski nu, die een Pool was, keerde met goedkeuring van P. Hofbauer, na eenigen tijd naar Warschau terug en betrok daar eene woning naast de kerk van het
H. Kruis, in de hoop, daar weldra meerdere medebroeders om zich te kunnen verzamelen. Intusschen stonden de Paters Lazaristen hem volgaarne toe, hen te vergezellen op hunne missiën in de bisdommen Warschau, Plok en Sandomir. Om de opmerkzaamheid der regeering niet gaande te maken, kon hij zich nooit met de leiding eener missie belasten, doch overal was hij de ziel van het geheele werk. Een zware ongesteldheid, waaraan hij leed, belette hem niet, dikwijls vier malen daags te preeken, en dat met het vuur en den ijver eens apostels. Van den preekstoel ging hij dan naar den biechtstoel, om de vruchten van zijn apostolisch woord in te oogsten. Eene bijzondere vermelding verdient de missie van Studiana. De Bisschop van Sandomir, Mgr. Burzynski, van de orde van den H. Franciscus, wilde zelf de overste dier missie zijn; met de overigen hoorde hij biecht, en diende het H. Sacrament des Vormsels toe. Om zich van dien grootschen arbeid eenig begrip te kunnen maken, zal het voldoende zijn, mede te deelen, dat er 60.000 communiën werden uitgedeeld.
Behalve P. Podgorski kwam ook P. Blumenau na de verdrijving naar Polen terug. Hij werd pastoor te Nowe-miasto en later te Pilica, waar hij zijne dagen besloot. P. Jestersheim, die op zijn ouden dag volslagen doof werd, stierf te Koztowka.
Daarenboven zien wij uit een brief van den 2 2sten September 1815, dien Pater Hofbauer aan den Procurator Generalis te Rome schreef, dat er zich nog andere Redemptoristen in Polen bevonden, en dat Gods Dienaar de hoop, om zijne Congregatie in dat land hersteld te zien, nog volstrekt niet had opgegeven. Hij schrijft: »Een Pater,dien ik in Polen heb laten blijven, is pastoor van de kerk des H. Nicolaas, te Pruszijn, in het bisdom Leblin. Eene gravin, die ons zeer genegen is, doet zeer veel voor die kerk; bij haar heeft nog een ander onzer Paters zijn intrek genomen. Wees daarom zoo goed, voor
—^ 340
de kerk te Pruszijn dezelfde aflaten te verkrijgen, als de kerk onzer Congregatie te Rome heeft. Mettertijd, wanneer namelijk de Congregatie in Polen zal hersteld zijn, zal men waarschijnlijk van de kerk des H. Nicolaas onze kloosterkerk kunnen maken. De gunst, die ik u vraag, zou voor het heil der zielen en voor den goeden voortgang onzer Congregatie van het grootste nut zijn.quot;
Eenige jaren later brak er door de donkere wolken een nieuwe lichtstraal heen, welke de ziel van Gods Dienaar met de beste verwachting vervulde. Graaf Cholonieuwsky, die bij Janon in Podolië uitgestrekte bezittingen had, hield zich in de jaren 1816 en 1817 veel te Weenen op, en had P. Hofbauer leeren beminnen en hoogschatten. Hij vatte nti het plan op, bij de Russische regeering de goedkeuring te verwerven voor eene stichting der Paters in Podolië. Ziehier, wat zijne dochter, Cecilia Cholonieuwsky, ons daaromtrent mededeelt:
sDie stichting ging Gods Dienaar zoo zeer ter harte, dat hij besloten was zelf daarheen te reizen, om op de plaats zelve alles beter te kunnen regelen. In het begin schenen de zaken goed te vorderen, toen de regeering, die zich eerst gunstig getoond had, allerlei bedenkingen begon te maken, die spoedig tot onoverkomelijke bezwaren oversloegen. Onder allerlei voorwendsels hield men -Gods Dienaar tegen, en terwijl tal van brieven elkander kruisten, verliep er een kostbare tijd. P. Hofbauer liet echter den moed niet zinken; zijn onderhandelaars spoorde hij door zijn brieven voortdurend aan, toch niet aan den goeden uitslag te wanhopen, terwijl hij zich bereid verklaarde, bij den eersten wenk de reis zelf te aanvaarden. Zijn dood echter, die spoedig volgde, benam ons alle hoop.quot;
Nog meer. Clemens Maria wilde niet slechts naar Podolië reizen, om aan de stichting van het klooster mede te werken, hij dacht er zelfs ernstig aan, zich daar voor goed te vestigen, gelijk duidelijk blijkt uit een
eigenhandigen brief van Gods Dienaar, welke in het jaar 1886 teruggevonden en uitgegeven werd in het Poolsche maandschrift Dc Familiekronijk. 1) De brief is gedateerd van 28 Mei 1818, en gericht aan gravin Grocholska, dochter van graaf Cholonicuwsky. Ziehier, wat wij onder andere daarin lezen: iDe bezigheden, die bij gelegenheid van de reis des Keizers naar Podolië en Wolhijnië, den tijd van graaf Grocholski wel geheel zullen innemen, doen mij besluiten, Mevrouw, mijn brief tot u te richten. Van uwe welwillendheid verhoop ik een antwoord, dat een einde zal maken aan mijne onzekerheid. Op den brief van den graaf, welken men den i6den Februari afzond, en dien ik den 2gst,:n Maart ontving, antwoordde ik den 5dcn April, en vertrouwde mijn handschrift toe aan baron Grottius van Hussiatijn. Daarin verklaarde ik, besloten te hebben Pater Joannes in gezelschap van Werner naar Janow te zenden, zoodra de noodige machtiging zou verstrekt zijn. Te gelijker tijd vroeg ik om inlichtingen over het zenden van professoren. Ook verklaarde ik mij bereid, naar Zwitserland te schrijven, om twee Poolsche Paters, die zich daar bevinden, te doen vertrekken. Dienzelfden dag schreef ik naar P. Podgorski, dat hij zich, na het feest van Sacramentsdag naar Janow had te begeven.
»Met dat alles, zijn nu April en Mei voorbijgegaan, zonder dat ik het antwoord ontving, waarnaar ik iederen dag uitzag. Ik vrees, dat of wel het antwoord op mijn brief is weggeraakt, of dat Grottius geen gelegenheid heeft gehad, mijn schrijven op te zenden. Wat daar van ook zij, ik bevind mij thans in een allerdroevigste onzekerheid. Moet ik nu die twee Paters roepen; moet ik mij zeiven op weg begeven; moet ik de professoren zenden ? Ik weet het niet. Als biechtvader der Ursulinnen ben
1) Kronika Rodzinna. »De hand is duidelijk cn net, zegt de - redacteur. De Pater had als schoonseiirijvei kunnen optreden; zijn »Duitsch geschrift zou als model kunnen dienen.quot;
ik volgens een aangegaan contract verplicht, de zusters drie maanden te voren van mijn vertrek te verwittigen, opdat de Aartsbisschop in staat zij, een plaatsvervanger te vinden, tot nu toe heb ik het niet raadzaam geoordeeld, haar iets daarvan te zeggen.
alk smeek u dus, mij te willen mededeelen, hoe het met de stichting staat. Als mijne brieven van 5 April u niet geworden zijn, zullen wij moeielijk iets kunnen afspreken.
jgt; Weldra hoop ik de eer te zullen hebben, u persoonlijk mijne hulde te komen brengen en u te verzekeren, hoe gelukkig ik mij zal achten, te mogen leven onder de bescherming van uwen vader en van uw echtgenoot.
sin afwachting, enz.
Het plan, om een huis te Janow te vestigen, leed echter schipbreuk op den halstarrigen onwil der regeering. Stanislas Cholonieuwski, gezant aan het hor van Petersburg, deed al, wat hij vermocht, om de gevorderde goedkeuring te verkrijgen; niets mocht baten. Eenige jaren later werden nieuwe pogingen in het werk gesteld, om den Redemptoristen op een ander goed der Gro-cholski\'s, te Strzyzawka, een klooster te bezorgen; ook P. Hofbauer juichte het nieuwe plan van ganscherharte toe; doch opnieuw zag men zich teleurgesteld. Er bleef niets anders over, dan Gods raadsbesluiten te aanbidden, en er zich aan te onderwerpen.
Wij hopen echter, den lezer geen ondienst te bewijzen, door nog met een enkel woord te gewagen van den verderen levensloop van P. Hofbauers waardigen leerling, P. Podgorski. Daaruit zullen wij de latere lotgevallen der Congregatie in Polen leeren kennen.
Een zekere graaf Tarnowski had, in 1820 of iets later, van de Russische regeering weten te verkrijgen, dat de Redemptoristen zich in de nabijheid van Kielce^ te Piotzkowice, een zijner bezittingen, mochten vestigen.
P. Podgorski werd tot Overste benoemd, met de volmacht, ook nieuwelingen op te nemen. Spoedig boden zich verschillende jonge lieden aan, die hij na voleinding van hun proefjaar, naar de Lazaristen te Warschau zond, om hunne studiën te voltooien. In de kerk, welke hem was toevertrouwd, bevond zich een mirakuleus Mariabeeld en een Lorettokapel. Weldra ging alles zoo voorspoedig, dat P. Podgorski in staat was, zijne kerk te restaureeren, het klooster te vergrooten, en zelfs eene school op te richten. Dat alles wekte echter den haat van de vijanden der Congregatie weder op. Hoe ijverig de Bisschop van Krakau, Monseigneur Woronicz hen ook beschermde, hij kon niet beletten, dat de Groothertog Constantijn, Vice-Koning van Polen, eindelijk een decreet uitvaardigde, waarbij de opheffing der stichting bepaald werd. Opnieuw werden de Paters verstrooid, terwijl vele studenten in het seminarie van Kielce traden en priester gewijd werden. P. Podgorski begaf zich nu naar Weenen, en woonde verscheidene jaren in het klooster van Maria-Stiegen.
Na eenigen tijd echter schenen de zaken een betere wending te hebben genomen, waarom P. Podgorski niet goedkeuring van P. Passerat, naar Polen terugkeerde. De nieuwe Bisschop van Krakau, Mgr. Skorkowski, deed nu al zijn best, om den Redemptoristen in zijne bisschopsstad of in de nabijheid een huis te bezorgen; toen echter de vijanden van den godsdienst al zijne pogingen verijdelden, moest hij zich tevreden stellen, met P. Podgorski op zijn bisschoppelijke reizen mede te nemen, en den ijverigen missionaris zoodoende gelegenheid te geven, het woord Gods overal te verkondigen. Tusschen de jaren 1833 en \'39 gaf hij zelfs twee groote missiën. Het woord jsmissiequot; mocht in die dagen, wel is waar, niet worden uitgesproken; men noemde de oefeningen »feestpreeken gedurende de octaafquot;; doch de vruchten, die zij opleverden, waren daarom niet minder talrijk. De eerste had plaats in
de kerk der Bernardijnen te Magita, waarbij 25 priesters biecht hoorden, en 15 tot 18000 geloovigen de H. Communie ontvingen. De tweede missie vond hare aanleiding in de bevestiging, door Paus Gregorius XVI gegeven aan de vereering der Gelukzalige Bronislawa, eene Norbertines en de zuster van den H. Hyacinth. Bij die gelegenheid werd er in de kerk der Norbertijnen te Zwierzynice, onder een grooten toeloop van volk uit Galicië, Russisch Polen, Hongarije en Silezië, een plechtig feest gevierd, waarbij P. Podgorski zoo op den kansel als in den biechtstoel onvermoeid werkzaam was.
Toen in het jaar 1844 de laatste Norbertijn, die de parochie van Zwierzynice bediend had, kwam te sterven, drongen de Norbertinessen zoo sterk bij den Bisschop aan, om P. Podgorski als opvolger van den pastoor te benoemen, dat hij eindelijk toegaf. P. Podgorski was reeds oud; daarenboven had zijn zware arbeid zijne krachten ondermijnd: hij stierf in Maart 1847 en werd inde kerk der Norbertinessen begraven.
Zij, die hem gekend hebben, spreken nog heden met den grootsten eerbied van dien heiligen man, die met den leekebroeder, die bij hem woonde, zulk een arm en verstorven leven leidde, doch voor geen kosten terugschrikte, waar het de versiering zijner kerk en den luister der godsdienstige plechtigheden gold. Van zijne liefde voor het gebed verhalen de Nobertinessen, dat hij niet zelden geheele nachten aan den voet van den tabernakel doorbracht. Meer dan vijftig jaar werkte hij met een grenzenlooze toewijding aan het heil der zielen; hoevelen aan hem hunne redding te danken hebben, zal eerst op den jongsten dag bekend worden. Zijne preeken waren apostolisch, verstaanbaar voor allen. Wanneer men hem op zijn hoogen leeftijd, met zijn verzwakt lichaam, den kansel zag bestijgen, kon men een gevoel van medelijden niet onderdrukken; doch nauwelijks opende hij den mond, of het scheen, dat al zijne kwalen en gebreken
ophielden, met zulk een jeugdig vuur wist hij het volk toe te spreken,
Moge het den lieven God behagen, in het ongelukkig Polen spoedig apostolische mannen op te wekken, die met denzelfden ijver het welzijn van dat arme volk behartigen, als P. Podgorski het deed!
de kerk der Bernardijnen te Magita, waarbij 25 priesters biecht hoorden, en 15 tot 18000 geloovigen de H. Communie ontvingen. De tweede missie vond hare aanleiding in de bevestiging, door Paus Gregorius XVI gegeven aan de vereering der Gelukzalige Bronislawa, eene Norbertines en de zuster van den H. Hyacinth. Bij die gelegenheid werd er in de kerk der Norbertijnen te Zwierzynice, onder een grooten toeloop van volk uit Galicië, Russisch Polen, Hongarije en Silezië, een plechtig feest gevierd, waarbij P. Podgorski zoo op den kansel als in den biechtstoel onvermoeid werkzaam was.
Toen in het jaar 1844 de laatste Norbertijn, die de parochie van Zwierzynice bediend had, kwam te sterven, drongen de Norbertinessen zoo sterk bij den Bisschop aan, om P. Podgorski als opvolger van den pastoor te benoemen, dat hij eindelijk toegaf. P. Podgorski was reeds oud; daarenboven had zijn zware arbeid zijne krachten ondermijnd: hij stierf in Maart 1847 en werd inde kerk der Norbertinessen begraven.
Zij, die hem gekend hebben, spreken nog heden met den grootsten eerbied van dien heiligen man, die met den leekebroeder, die bij hem woonde, zulk een arm en verstorven leven leidde, doch voor geen kosten terugschrikte, waar het de versiering zijner kerk en den luister der godsdienstige plechtigheden gold. Van zijne liefde voor het gebed verhalen de Nobertinessen, dat hij niet zelden geheele nachten aan den voet van den tabernakel doorbracht. Meer dan vijftig jaar werkte hij met een grenzenlooze toewijding aan het heil der zielen; hoevelen aan hem hunne redding te danken hebben, zal eerst op den jongsten dag bekend worden. Zijne preeken waren apostolisch, verstaanbaar voor allen. Wanneer men hem op zijn hoogen leeftijd, met zijn verzwakt lichaam, den kansel zag bestijgen, kon men een gevoel van medelijden niet onderdrukken; doch nauwelijks opende hij den mond, of het scheen, dat al zijne kwalen en gebreken
ophielden, met zulk een jeugdig vuur wist hij het volk toe te spreken,
Moge het den lieven God behagen, in het ongelukkig Polen spoedig apostolische mannen op te wekken, die met denzelfden ijver het welzijn van dat arme volk behartigen, als P. Podgorski het deed!
de kerk der Bernardijnen te Magita, waarbij 25 priesters biecht hoorden, en 15 tot 18000 geloovigen de H. Communie ontvingen. De tweede missie vond hare aanleiding in de bevestiging, door Paus Gregorius XVI gegeven aan de vereering der Gelukzalige Bronislawa, eene Norbertines en de zuster van den H. Hyacinth. Bij die gelegenheid werd er in de kerk der Norbertijnen te Zwierzynice, onder een grooten toeloop van volk uit Galicië, Russisch Polen, Hongarije en Silezië, een plechtig feest gevierd, waarbij P. Podgorski zoo op den kansel als in den biechtstoel onvermoeid werkzaam was.
Toen in het jaar 1844 de laatste Norbertijn, die de parochie van Zwierzynice bediend had, kwam te sterven, drongen de Norbertinessen zoo sterk bij den Bisschop aan, om P. Podgorski als opvolger van den pastoor te benoemen, dat hij eindelijk toegaf. P. Podgorski was reeds oud; daarenboven had zijn zware arbeid zijne krachten ondermijnd: hij stierf in Maart 1847 en werd inde kerk der Norbertinessen begraven.
Zij, die hem gekend hebben, spreken nog heden met den grootsten eerbied van dien heiligen man, die met den leekebroeder, die bij hem woonde, zulk een arm en verstorven leven leidde, doch voor geen kosten terugschrikte, waar het de versiering zijner kerk en den luister der godsdienstige plechtigheden gold. Van zijne liefde voor het gebed verhalen de Nobertinessen, dat hij niet zelden geheele nachten aan den voet van den tabernakel doorbracht. Meer dan vijftig jaar werkte hij met een grenzenlooze toewijding aan het heil der zielen; hoevelen aan hem hunne redding te danken hebben, zal eerst op den jongsten dag bekend worden. Zijne preeken waren apostolisch, verstaanbaar voor allen. Wanneer men hem op zijn hoogen leeftijd, met zijn verzwakt lichaam, den kansel zag bestijgen, kon men een gevoel van medelijden niet onderdrukken; doch nauwelijks opende hij den mond, of het scheen, dat al zijne kwalen en gebreken
ophielden, met zulk een jeugdig vuur wist hij het volk toe te spreken,
Moge het den lieven God behagen, in het ongelukkig Polen spoedig apostolische mannen op te wekken, die met denzelfden ijver het welzijn van dat arme volk behartigen, als P. Podgorski het deed!
— 35°
reis deed, was hij, naar het schijnt, onvoorzichtig genoeg, om mededeelingen te doen, die met den pas niets hadden uit te staan.
Dit ten minste is zeker, dat men nu op stellige wijze vernam, dat hij, zoowel als P. Hofbauer, leden waren eener Congregatie, welke in Oostenrijk nog niet was goedgekeurd, en dat beiden afhingen van een overste in het buitenland. — Nu wist men genoeg; nu was er een uitdrukkelijk vergrijp tegen de wetten van het land gevonden, nu kon men handelend optreden.
Op zekeren morgen — het was in de maand Januari 1819 — verscheen dan eensklaps de heer Braig in de woning van Gods Dienaar. Braig was zooveel als regeeringsraad in geestelijke aangelegenheden en vice-directeur der studiën. Hij was vergezeld van een zekeren Kaufmann, professor in het Romeinsche recht, en van een secretaris of dienaar. Toen zij P. Hofbauers kamer binnentraden, was deze nog in de kerk, zoodat zij eenige oogenblikken moesten wachten. Nauwelijks echter was ook hij het vertrek binnengekomen, of zij gelastten professor Madlener, die zich daar toevallig bevond, heen gaan, deden toen den grendel op de deur, en begonnen een onderzoek, dat omstreeks drie uren aanhield. Alle kasten werden geopend, alle boeken doorsnuffeld, alle papieren doorzocht; de ééne koffer, dien zij er vonden, nauwkeurig nagezien. Maar, hoe ijverig zij ook zochten, daar kwam niets aan het licht, waarvan men hem een grief had kunnen maken. Toch verkregen zij datgene, wat zij vooral gewenscht hadden; de volle bekentenis van P. Hofbauer, dat hij lid was van de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers, en gehoorzaamheid moest bewijzen aan een overste in het buitenland.
„Maar, zoo merkten de commissarissen aan, dan „blijft u nog slechts ééne keuze over; of wel uwe Con-xgregatie te verlaten of Oostenrijk.quot;
„Dan is mijne keuze reeds bepaald; want mijne
»geloften wil ik houden, mijne Congregatie zal ik nooit »ontrouw worden.quot;
5 En waar zult gij dan heen gaan, als gij niet in «Oostenrijk kunt blijven?quot;
»Naar Amerika. Slechts verzoek ik dat men, met »het oog op mijn leeftijd, tot het voorjaar geduld hebbe, sen mij niet dwinge, de reis onder zulk een koude te »aanvaarden.quot;
De heeren wenschten zich reeds geluk, dat zij zich zoo meesterlijk van hun taak gekweten hadden. Aanstonds moest de secretaris een akte opmaken, waarbij P. Hofbauer verklaarde, tot de reis naar Amerika besloten te zijn, waarom hij Zijne Majesteit den Keizer verzocht, hem daartoe het noodige verlof te willen geven. Toen het stuk voltooid was, verlangden zij de onder-teekening van Gods Dienaar. Deze voldeed aan hun verlangen, en voorzag zelfs de akte van zijn zegel.
»Zoo, zeide toen Braig, nu is alles afgeloopen; swij zijn klaar.quot; — Op dat woord zag P. Hofbauer hem ernstig aan, en sprak: sNeen, mijn vriend, alles is nog \'niet afgeloopen.quot; »En wat blijft er dan nog over?quot; vroeg Braig tamelijk verwonderd. — En, de hand opheffend, en met den vinger naar den hemel wijzend, gaf P. Hofbauer het korte, doch veelbeteekenende antwoord: sHet oordeel Gods.quot;
Zoo was dus P, Hofbauers getrouwheid aan zijne beloften op een harde proef gesteld. Eere aan hem, dat hij ze zoo glansrijk doorstond! Maar ook schande over den ongelukkigen Braig, schande over professor Kauf-mann, die door blinden haat vervoerd, zich tot een zoo lage daad wilden leenen. Noch het Consistorie, noch de politie had daartoe het bevel gegeven; de regeeringsraad en de professor hadden alles op eigen gezag verricht, zoodat Eduard von Josch, de president van het hooger gerechtshof, in het geheele feit niets zag dan een onverantwoordelijke, strafwaardige aanmatiging. God liet toe,
dat zijn Dienaar het onwettige van hun optreden niet inzag, om ons opnieuw een blik te doen slaan in die groote, edele ziel, die alles wilde opofferen, om haren
God getrouw te blijven.
8\'t Is een feit, zegt Dr. Brunner, i) dat kort daarop beide commissarissen, door een beroerte getroffen, een haastigen dood stierven.quot;
Na het vertrek zijner hatelijke bezoekers riep P. Hofbauer, op het gewone uur, de huisgenooten voor het bijzonder onderzoek bijeen. Hij zag er zeer bleek en ontdaan uit, doch was overigens kalm; aan tafel bediende hij de zijnen, gelijk altijd, doch sprak geen woord. Uit zijn eigen mond heeft nooit iemand vernomen, wat er dien morgen gebeurd was. Welk eene zelfbeheer-sching! Ja, zóó wist hij zich te bedwingen, zóó den vrede zijner ziel te bewaren, dat hij, naar het getuigenis van iemand, die hem dienzelfden dag bezocht, op zijn kamer heen en weer loopend, welgemoed zijn lievelingslied had aangeheven;
Nun, o Himmel, hor mein Flehen,
Oeffne dich und lasz\' mich sehen Bis dorthin vor Gottes Thron, enz.
Intusschen meende hij, en niet ten onrechte, dat hij nu eiken dag het decreet zijner verbanning kon verwachten. Zijne vijanden toch maakten gebruik van zijn geschreven verklaring, om den Keizer te berichten, dat P. Hofbauer zelf, uit eigen beweging, naar Amerika wilde vertrekken, waarop de monarch antwoordde- sAls J hij vrijwillig gaat, is het mij goed; maar verbannen
ï doe ik hem niet.quot;
De nood was dus zeer hoog geklommen; de vijand juichte reeds over zijn zeker gewaande overwinning; maar wat vermag de mensch tegen de plannen der Goddelijke Voorzienigheid? — Juist datgene, wat
i) Uit het Hoogduitsch, bl. 214.
het werk van Gods Dienaar volgens menschelijke berekeningen den bodem moest inslaan, zou in Gods handen het middel worden, om het te bevestigen en te voltooien.
De snoode behandeling, die men hem had doen ondergaan, en het dreigende gevaar, waarin hij verkeerde, kwamen nog juist bij tijds ter oore van den waar-digen Aartsbisschop, Mgr. Hohenwarth. Daar was geen tijd meer te verliezen: de Keizer stond op het punt, eene reis naar Rome te ondernemen; hij moest dus aanstonds beter worden ingelicht. Hij snelt naar den Monarch, deelt hem mede, hoe de zaak zich heeft toegedragen, en hoe men hem verkeerdelijk wil doen gelooven, dat Gods Dienaar uit vrije beweging naar Amerika wil gaan. «Sire, zoo besloot de bisschop zijn verzoek, beroof mij 8toch niet van den besten priester mijner diocees.quot;
Zoodoende werd het eerste gevaar bezworen; de Keizer gelastte, dat men tot zijn terugkeer P. Hofbauer geheel en al met rust zou laten.
Zulks belette evenwel niet, dat zijne vijanden, tijdens de afwezigheid des Keizers, een nieuwen stap wilden wagen bij den Aartshertog Reinier, die intusschen de teugels van het bewind in handen had. Maar hier bemerkten zij spoedig, dat zij in hem hun rechten man niet hadden gevonden; want nauwelijks gewaagden zij met een enkel woord van de verbanning, of de Aartshertog gaf hun ten antwoord: »AVat! P. Hofbauer ver-»bannen? — Gave God, dat er zich te Weenen zes »zulke priesters bevonden, om aan de herleving van den «godsdienst te kunnen werken!quot;
Terwijl aldus de Aartshertog Gods Dienaar in zijne bescherming nam, waren er nog anderen, die zijne zaak behartigden, en zich tot zijn voorsprekers maakten.
De Nuntius, Mgr. Leardi, was den Keizer voor-uitgereisd, en had den Paus op de hoogte gebracht van de kerkelijke toestanden te Weenen en van de vervol-
23
• emg welke P. Hofbauer als zoogenaamde vRomcinsche sJohquot; te lijden had. Over de treunge omstandigheden nu waarin de Kerk van Oostenrijk verkeerde, kon Rus VU Zich tegenover den Keizer niet mtlaten; want deze had uitdrukkelijk verklaard, dat het doel ^nerJeis niet was\' over de kerkelijke aangelegenheden te onder quot;ndllen doch alleen den Paus een bezoek te brengen-, dod. de zaak van P. Hofbauer wist de He^ge Vader
m eesterliik te Idcvordcrcu.
Toen hij zich op zekeren dag vertrouwelijk met
den Keizer onderhield, zeide hij hem; *Met vreugde he
Ïk vernomen, dat er zich te Weenen meerdere ijverige
»priesters bevinden; vooral echter moet ik uwe Keiz
Jijke Majesteit gelukwenschen, dat hij in den persoon
,Van P Hofbauer een zoo heiligen en waarlijk «.posto-
ilischen man een sieraad der geestelijkheid en een ïhschen man _ ^ voegde de Paus
»steunpilaar der Kerk oezu. i u^fhnner
er zeer behendig bij, ik hoor ook dat 1 • Ho ^ .zich over de Romeinen beklaagt; hij meent, dat zij y niet weten, hoe men met Duitschers moet omgaan, en »beweert, dat men in Duitschland veel meer goed zou .stichten, als men nen slechts op de rechte mamer wist
.te bel^zdeel®vnoordeni die in den mond des Pausen als een zacht verwijt klonken, misten hunne mtwerkmg met De Gelukzalige had, gelijk Dr. Veith aldus tot Mgr. Muzzi gesproken, en de laus Jen dat woord, om hem in de achting des Keizers te doen stijgen. Frans I toch was te diep godsdienstig, om zie niet te verheugen over het bezit van een zoo heihgei priester, maar tevens nog te ved doortrokken van de beginselen van Jozefll, om het met als een blender verdienste aan te merken, dat men de gedragen het Romeinsche hof met in alles goe \'eur ^
Onmiddellijk na dit onderhoud met den Pau , verhaalde hij alles aan zijn biechtvader, Vincentms Dar-
naut, en zeide toen: jMen heeft hem leed veroorzaakt, »den goeden P. Hofbauer, dat spijt mij; wist ik nu maar, »hoe ik het hem aangedane verdriet weer goed kan smaken.quot;
Darnaut, die Gods Dienaar kende en beminde, wist aanstonds raad te schaffen. »P. Hofbauer, zeide hij, ïheeft slechts één verlangen, dat nl. zijne Congregatie »in Oostenrijk erkend worde. Als Uwe Majesteit dien ïwensch vervult, is hij volkomen bevredigd.quot;
Kort daarop vertrok de Keizer naar Napels, doch het verlangen om Gods Dienaar voor het geledene onrecht te troosten hield den goedhartigen Monarch zoozeer bezig, dat hij te midden der vermakelijkheden en feesten, die men ter zijner eere had ingesteld, naar Weenen schreef, dat P. Hofbauer de regels zijner Congregatie moest overleggen, en eene verklaring indienen, hoe men zijne orde in Oostenrijk zou kunnen vestigen.
Wie beschrijft de vreugde, welke het hart van den Gelukzalige overstroomde, toen hem dat keizerlijk bevel werd medegedeeld! Had dan die lange reeks van kwellingen slechts moeten dienen, om hem op het oogen-blik, dat hij reeds alles verloren waande, de beschermende hand van God nog beter te doen gevoelen? Moest dan het woord zijner moeder zóó schitterend bewaarheid worden: sZie, de Gekruiste zal voortaan uw »Vader zijn?quot; — O, wij kunnen het ons verbeelden, hoe hij, bij het vernemen dier onverwachte tijding, op zijne knieën viel, en den lieven God recht hartelijk bedankte voor die vervolging, welke slechts den weg bereid had voor de invoering zijner Congregatie!
Toen Keizer Frans uit Italië was teruggekeerd, verlangde hij P. Hofbauer persoonlijk te spreken. Hij ontving hem met vaderlijke welwillendheid, en noodigde hem uit, de een of andere gunst te vragen. »Wijl uwe »Majesteit reeds geneigd is, zijne keizerlijke goedkeuring jgt;te hechten aan de invoering der Congregatie, antwoordde
• emg welke P. Hofbauer als zoogenaamde vRomcinsche sJohquot; te lijden had. Over de treunge omstandigheden nu waarin de Kerk van Oostenrijk verkeerde, kon Rus VU Zich tegenover den Keizer niet mtlaten; want deze had uitdrukkelijk verklaard, dat het doel ^nerJeis niet was\' over de kerkelijke aangelegenheden te onder quot;ndllen doch alleen den Paus een bezoek te brengen-, dod. de zaak van P. Hofbauer wist de He^ge Vader
m eesterliik te Idcvordcrcu.
Toen hij zich op zekeren dag vertrouwelijk met
den Keizer onderhield, zeide hij hem; *Met vreugde he
Ïk vernomen, dat er zich te Weenen meerdere ijverige
»priesters bevinden; vooral echter moet ik uwe Keiz
Jijke Majesteit gelukwenschen, dat hij in den persoon
,Van P Hofbauer een zoo heiligen en waarlijk «.posto-
ilischen man een sieraad der geestelijkheid en een ïhschen man _ ^ voegde de Paus
»steunpilaar der Kerk oezu. i u^fhnner
er zeer behendig bij, ik hoor ook dat 1 • Ho ^ .zich over de Romeinen beklaagt; hij meent, dat zij y niet weten, hoe men met Duitschers moet omgaan, en »beweert, dat men in Duitschland veel meer goed zou .stichten, als men nen slechts op de rechte mamer wist
.te bel^zdeel®vnoordeni die in den mond des Pausen als een zacht verwijt klonken, misten hunne mtwerkmg met De Gelukzalige had, gelijk Dr. Veith aldus tot Mgr. Muzzi gesproken, en de laus Jen dat woord, om hem in de achting des Keizers te doen stijgen. Frans I toch was te diep godsdienstig, om zie niet te verheugen over het bezit van een zoo heihgei priester, maar tevens nog te ved doortrokken van de beginselen van Jozefll, om het met als een blender verdienste aan te merken, dat men de gedragen het Romeinsche hof met in alles goe \'eur ^
Onmiddellijk na dit onderhoud met den Pau , verhaalde hij alles aan zijn biechtvader, Vincentms Dar-
naut, en zeide toen: jMen heeft hem leed veroorzaakt, »den goeden P. Hofbauer, dat spijt mij; wist ik nu maar, »hoe ik het hem aangedane verdriet weer goed kan smaken.quot;
Darnaut, die Gods Dienaar kende en beminde, wist aanstonds raad te schaffen. »P. Hofbauer, zeide hij, ïheeft slechts één verlangen, dat nl. zijne Congregatie »in Oostenrijk erkend worde. Als Uwe Majesteit dien ïwensch vervult, is hij volkomen bevredigd.quot;
Kort daarop vertrok de Keizer naar Napels, doch het verlangen om Gods Dienaar voor het geledene onrecht te troosten hield den goedhartigen Monarch zoozeer bezig, dat hij te midden der vermakelijkheden en feesten, die men ter zijner eere had ingesteld, naar Weenen schreef, dat P. Hofbauer de regels zijner Congregatie moest overleggen, en eene verklaring indienen, hoe men zijne orde in Oostenrijk zou kunnen vestigen.
Wie beschrijft de vreugde, welke het hart van den Gelukzalige overstroomde, toen hem dat keizerlijk bevel werd medegedeeld! Had dan die lange reeks van kwellingen slechts moeten dienen, om hem op het oogen-blik, dat hij reeds alles verloren waande, de beschermende hand van God nog beter te doen gevoelen? Moest dan het woord zijner moeder zóó schitterend bewaarheid worden: sZie, de Gekruiste zal voortaan uw »Vader zijn?quot; — O, wij kunnen het ons verbeelden, hoe hij, bij het vernemen dier onverwachte tijding, op zijne knieën viel, en den lieven God recht hartelijk bedankte voor die vervolging, welke slechts den weg bereid had voor de invoering zijner Congregatie!
Toen Keizer Frans uit Italië was teruggekeerd, verlangde hij P. Hofbauer persoonlijk te spreken. Hij ontving hem met vaderlijke welwillendheid, en noodigde hem uit, de een of andere gunst te vragen. »Wijl uwe »Majesteit reeds geneigd is, zijne keizerlijke goedkeuring jgt;te hechten aan de invoering der Congregatie, antwoordde
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Bovennatuurlijke Gaven, den Gelukzalige reeds tijdens zijn Leven medegedeeld.
De buitengewone gaven, waarmede wij Gods bijzondere vrienden hier op aarde zien toegerust, zijn voorzeker eene belooning hunner verhevene deugden. Maar God heeft daarbij nog een bijzonder doel. Die onmiskenbare tusschenkomst des Hemels moet hun woorden een nieuwe kracht bijzetten; zij moet al hunne lessen en raadgevingen des te gewilliger doen aannemen. Willen we dus den gewichtigen invloed, dien P. Clemens Maria Hofbauer op zijn tijd heeft uitgeoefend nog beter begrijpen, dan moeten we thans die gaven beschouwen, zooals zij zich in hem geopenbaard hebben.
Het zal den lezer nog versch in het geheugen liggen, wat den godvruchtigen leekebroeder Mathias Wit-halm overkwam, toen hij bij zijn bezoek aan de St. Benno
op het punt stond voor zijn overdreven angst te bezwijken.
Ook zal hij nog niet vergeten zijn, hoe P. Hofbauer twee zijner biechtkinderen wees op hunne roeping tot het kloosterleven, hoewel zij alles voor hem verborgen hielden. Die feiten zouden reeds voldoende zijn om het getuigenis van Dr. Veith te bevestigen; »Bij iedere gelegenheid heeft \' sP. Hofbauer bewezen, dat zijn blik tot den bodem van shet hart doordrong.quot; Tot meerdere staving willen wij echter nog twee andere feiten aanhalen, waaruit ons duide-
lijk blijkt, dat God hem op bijzondere wijze omtrent den inwendigen toestand van zijn evenmensch voorlichtte.
Op een zomeravond maakte hij met zijn leerlingen een wandeling langs den oever van een riviertje, dat langs de hoofdstad stroomt. Daar sluipt hen een man voorbij, die wel is waar op zijn gelaat de duidelijke sporen eener sombeie smart vertoont, doch overigens geen enkele der jongelieden doet vermoeden, welk heilloos plan hij koestert. Eensklaps verzoekt hen P. Hof bauer. hunne schreden wat te vertragen, en slechts langzaam te volgen. Dan snelt hij den man achterna, groet hem vriendelijk, biedt hem een snuifje aan, en vraagt op deelnemenden toon, waarom hij toch zoo treurig is. Die vraag deed hem het vertrouwen van den ongelukkige winnen, en ontlokte de bekentenis, dat hij, de wanhoop ten prooi, hierheen was gekomen om zich in het water te werpen. Nu spreekt hem Góds Dienaar met een zoo hartelijke liefde toe, dat hij zijn rampzalig voornemen laat varen, het besluit maakt zijne kruisen met christelijk geduld te dragen, en een ander leven te beginnen. Later kwam hij eene generale biecht bij P. Hofbauer spreken.
Een anderen keer verlaat hij plotseling een vriend, met wien hij langs den Donau wandelde, en snelt naar eene vrouw, die hij volstrekt niet kende, maar op eenigen afstand aan den oever zag. Eensklaps roept hij uit: »Breng u niet om; maak u niet voor eeuwig ongelukkig!quot; Wat was er gebeurd ? — Door het staatsbankroet had zij hare erfenis van omstreeks 80,000 gulden verloren, en was daardoor op eens tot armoede vervallen. In hare vertwijfeling had zij het besluit genomen zich in den Donau te verdrinken, toen P. Hofbauer haar door dat ernstige woord tot bezinning bracht. Niet slechts legde zij een rouwmoedige biecht af, niet slechts stelde zij zich voortaan geheel onder de leiding van Gods Dienaar, maar kwam zelfs in het klooster der Ursulinnen wonen, om er een boetvaardig leven te leiden.
Haar zuster noodigde haar uit, bij haar te komen, doch zij verkoos aan alle gemakken des levens te verzaken, en volhardde tot haren dood in den eenmaal gekozen staat.
Doch niet enkel de geheimen des harten, ook de verborgenheden der toekomst lagen open voor P. Hof-bauers verlichten blik.
Eene der Ursulinnen, Jacoba von Welschenau, verhaalt ons, dat zij gedurende haar noviciaat voortdurend ziekelijk was, en daarom zeer vreesde, dat zij niet zou worden toegelaten tot het afleggen der geloften. Toen zij nu op zekeren dag haren nood ging klagen bij P. Hofbauer, troostte deze haar, en sprak: »Gij zult »geprofest worden, uwe gezondheid herkrijgen, en velen »overleven, die er thans frisch en blozend uitzien.quot;
Kort vóór de professie gevoelde zij zich weder zoo zwak en. ellendig, dat zij hem opnieuw haar bezorgdheid mededeelde. »Toch zult gij uwe geloften afleggen, izeide P. Hofbauer; op acht en twintigjarigen leeftijd szult gij voor goed gezond zijn; ja, gij zult nog een oud »moedertje worden.quot;
Jacoba dacht: ;Dat zal mij weinig baten; als ik »aaii het einde van mijn noviciaat, op vier en twintig-ïjarigen leeftijd, niet hersteld ben, zal men mij toch niet i aannemen.quot; En werkelijk, toen de kloostergemeente over het al of niet toelaten tot de professie moest stemmen, was de groote meerderheid tegen de opneming eener zoo ziekelijke novice. P. Hofbauer verneemt die beslissing, begeeft zich aanstonds tot de Overste, en zegt haar, zoo nadrukkelijk mogelijk : »Laat haar de geloften doen; zij szal lang leven, en het klooster vele uitstekende diensten «bewijzen.quot;
P. Hofbauers woord gold als een voorspelling; in zijn uitspraak konden allen veilig berusten. Jacoba legde hare geloften af, werd op acht en twintigjarigen leeftijd gezonden maakte zich als onderwijzeres uiterst verdienstelijk.
Toen zij bij het proces der zaligverklaring haar getuigenis aflegde, was zij in het yó5quot; jaar haars levens en het 52stc van hare religieuze professie.
Benedicta Rizy had, toen zij nog als onderwijzeres in het huis van graaf Gileis woonde, bij verschillende kloosters te vergeefs om opneming verzocht. Eens sprak zij daarover met P. Hofbauer, en uitte bij hem hare vrees, dat zij weldra om haren leeftijd overal zou worden afgewezen. Toen zij ophield, bewaarde de man Gods nog eenige oogenblikken het stilzwijgen, en scheen in gedachten verzonken; dan sprak hij: sNa verloop van ^verscheidene jaren zult gij uw intrede in een klooster »doen; uw leeftijd zal geen beletsel zijn.quot; — Zoo geschiedde het. De Redemptoristinnen, aan wie niemand gedacht had, toen 1\'. Hofbauer die woorden sprak, vestigden zich later te Weenen; Benedicta Rizy legde in dat klooster hare geloften af, en bekleedde tot de revolutie van 1848 het ambt van Overste in het klooster van Stein.
De Overste der Ursulinnen, die reeds lang aan de longen geleden had, kreeg eens zulk een hevige bloedspuwing, dat allen haar dood als zeer nabij beschouwden. P. Hofbauer echter sprak den zusters moed in, gaf haar verlof voor de zieke de H. Communie te ontvangen, en las voor dezelfde meening eene H. Mis. Na de Mis kwam hij bij de religieuzen, en zeide: sDe Overste zal igenezen.quot; En zie!\'eensklaps herkreeg deze het bewustzijn, en genas zoo snel, dat zij na veertien dagen de oefeningen der zusters weder bijwoonde. Nog vijftien jaren stond zij aan het hoofd van dat klooster, en genoot al dien tijd eene goede gezondheid, hetwelk, om haar borstkwaal, des te meer te verwonderen was.
Op zekeren morgen kwam P. Hofbauer in het huis van Frederik von Klinkowström, en vond er geheel de familie in de grootste verslagenheid. De kleine Alfons, nog geen vol jaar oud, lag doodsbleek in de armen zijner moeder. Het hoofdje hing voorover, de oogjes waren
bijna uitgedoofd, geheel het lichaam was reeds koud. Weenend kwam de moeder naar P. Hofbauer toegeloopen en liet hem haar kindje zien. Maar Gods Dienaar scheen den angst der ouders niet te deelen; hij gaf het kind een tikje op de wang, en zeide; j\'t Is niets; dezen avond rzal het honger hebben en weder eten.quot;— sAls geneeskundige, zegt Dr. Veith, die het voorval heeft medegedeeld, kon ik met de meeste zekerheid zeggen, dat het knaapje nog vóór den avond zou sterven; en toch, — de voorspelling van P. Hofbauer werd letterlijk vervuld.\'
Ook omtrent zijne Congregatie deed hij verschillende voorspellingen, en vooral omtrent de stichting te Weenen. Ziehier wat meerdere getuigen in het proces onder eede verklaarden, uit zijn eigen mond te hebben vernomen;
ïDe Congregatie zal in Oostenrijk eerst dan de skeizerlijke goedkeuring ontvangen, wanneer ik gestor-s ven en bij God zal zijn. Maar daarna zal zij zich ook s uitbreiden; er zal in Oostenrijk een groot aantal huizen jworden opgericht. Bij God zal ik voor de mijnen meer jkunnen doen dan tijdens mijn leven.quot;
Niet weinige jongelieden vernamen ook uit zijn mond, dat zij eenmaal leden der Congregatie zouden worden. Sebastiaan Kiesel, onder anderen, ontving die tijding, toen hij zich met allen ijver op de studie der geneeskunde toelegde, en er volstrekt nog n.et aan dacht, den geestelijken stand te omhelzen. En toen Joannes Madlener zich eens zeer beangstigd gevoelde, of hij wel zalig zou worden, zeide Gods Dienaar, om hem te troosten; xGij zult in de Congregatie treden, sen uw eeuwig geluk is daar verzekerd.quot; En op hetzelfde oogenblik was al zijne angst geweken.
Nadat Dr. Veith van een dier wonderbare voorvallen melding heeft gemaakt, zegt hij; s Daarop draaide shij zich om op zijn hiel, en sprak over andere dingen.quot; Want zoo dikwijls hij iets buitengewoons gedaan of gezegd had, trachtte hij door het verrichten van iets on-
beduidends of iets belachelijks de bewondering, welke hij had opgewekt, weer aanstonds te doen verdwijnen.
De Katholieke godgeleerdheid rekent ook de gaven van ingestorte kennis en wijsheid onder de bovennatuurlijke gunsten. Reeds meermalen nu is het ons in deze levensbeschrijving gebleken, dat God ook die gaven aan zijn bevoorrechten Dienaar geschonken had. Hoe is het anders te verklaren, dat hij, die in zoo korten tijd zijne theologische studiën had moeten voltooien, en in zijn lateren werkkring zoo zelden gelegenheid vond, een boek ter hand te nemen, in zulk een hooge achting stond bij de geleerdste mannen van zijn tijd, hoe hij onmiddellijk de moeielijkste vragen wist te beantwoorden, en met een enkel, maar altijd juist woord de geschriften op elk gebied te beoordeelen? — Hoe anders dan door een buitengewonen bijstand des H. Geestes is het te verklaren, dat zijne oogenschijnlijk zoo eenvoudige pree-ken en toespraken zulke heerlijke vruchten opleverden, dat hij soms met een paar woorden den verhardsten zondaar tot boetvaardigheid, den ongeloovige tot het aannemen van al de waarheden van onzen heiligen godsdienst, den godvruchtigen christen tot nog grooteren ijver wist te brengen ? De lichtkrans, welke hem dikwijls en vooral op den kansel en aan het altaar omstraalde, was slechts een weerglans van het hemelsche licht, dat zijne ziel overstroomde en hem in staat stelde, de ziel van zijn evenmensch zoo wonderbaar te verlichten.
Is P. Hofbauer ook begunstigd geworden met hemelsche verschijningen? — Velen zijner vrienden getuigen het; ja, P. Joannes Pilat heeft niet geaarzeld, onder eede te bevestigen, dat de Allerzaligste Maagd Maria haren getrouwen Dienaar is verschenen. Wijl echter de nederige man zich wel wachtte iets mede te deelen van datgene, wat hem tot eer kon verstrekken, zijn daarover geen nadere bijzonderheden bekend. Slechts van ééne verschijning, welke hij kort vóór zijnen dood had, kon
de gelukkige getuige een omstandiger verhaal geven.
Op zekeren morgen stond een godvruchtig man aan den biechtstoel van P. Hofbauer. Terwijl hij wachtte, tot ook hem gelegenheid tot biechten zou worden gegeven, zag hij eensklaps boven den biechtstoel eene ge-heele rij maagden in sneeuwwitte kleederen verschijnen. Zij waren getooid met rijke bloemslingers, en droegen frissche kransen in hare handen. Toen zij den biechtstoel van P. Hofbauer voorbijzweefden, zag hij, hoe deze haar vriendelijk groette, en hoorde hem tweemaal zeggen; jja, ik kom, ik kom.quot; — Daarop verhaalde hij aan P. Hofbauer zeiven, wat hij gezien en gehoord had; maar deze zeide aanstonds: AVees stil; spreek daar met j niemand over.quot; — Dat antwoord is wel de sterkste bevestiging voor de echtheid dier verschijning; wanneer alles slechts in de verbeelding van dien godvruchtigen man was omgegaan, zou Gods Dienaar hem voorzeker een ander antwoord hebben gegeven. En wie zal de overtuiging van dien man niet deelen, wanneer hij zegt, die verschijning te beschouwen als een uitnoodiging aan P. Hofbauer gericht, om zijne reis naar den hemel spoedig te aanvaarden?
Eindelijk, wat de gave van wonderen aangaat, is er geen twijfel meer mogelijk, wanneer men de schitterende getuigenissen leest, door de geloofwaardigste personen afgelegd.
Een der Ursulinnen was door den kanker aangetast, en leed verschrikkelijke pijnen. Eens, toen zij w eder des nachts niet slapen kon, richtte zij zich in haar bed op, en bleef eenige uren lang tegen de ziekenzuster aanleunen. Maar als deze den volgenden morgen opstond, gevoelde zij hevige smarten, terwijl zich al de kenteeke-nen van kanker vertoonden. Het bleek, dat de kranke, zonder het te weten, hare kwaal aan de zuster had medegedeeld. Na de H. Mis ging zij vol angst Gods Dienaar toevertrouwen, wat er gebeurd was. Doch deze
zegende haar met het heilig kruisteeken, en sprak ; s Ga snaar de kapel, en bid daar driemaal den lofzang Mag-i nijicat bij Jezus in het H. Sacrament. Dan zullen uwe »pijnen ophouden.quot; Zij deed het — en verliet de kapel volkomen genezen.
Een andere zuster was van een hooge ladder gevallen, en had daarbij zware verwondingen aan haar hoofd en haren voet bekomen. Bewusteloos droeg men haar naar de ziekenkamer, en ging onmiddellijk den biechtvader roepen, wijl allen meenden, dat men haar het H. Oliesel moest toedienen; maar de Eerbiedwaardige legde zegenend zijne handen op haar hoofd, en zeide toen; »Stelt u gerust; binnen kort zal zij geheel hersteld zijn, »en in het koor medezingen gelijk vroeger.quot; Nauwelijks had P. Hofbauer deze woorden gesproken, of de geneesheer kwam binnen. Hij onderzocht hare wonden, verklaarde haar toestand voor zeer gevaarlijk en verzekerde de zusters: »In ieder geval kan zij binnen zes maanden miet genezen.quot; — En toch geschiedde, wat de Gelukzalige gezegd had : na drie weken was de zieke weder goed gezond en woonde de oefeningen der kloostergemeente bij.
Het woonvertrek van P. Hofbauer eindelijk was zeer dikwijls, ja men zou kunnen zeggen, bijna dagelijks getuiga van een ander wonder, ten gunste der bezoekers gewerkt: van de wondervolle vermeerdering der spijzen, welke hij uitdeelde.
Johan Passy, die in het jaar 1819 de avondcon-ferentien zeer dikwijls bijwoonde, had reeds herhaaldelijk vermoed, dat er iets wonderbaars schuilen moest achter het feit, dat Gods Dienaar met zulk een kleinen voorraad zoovele jongelieden kon spijzigen. Daarom besloot hij op zekeren avond eens zeer nauwkeurig toe te zien, en plaatste zich daarom onmiddellijk naast P. Hofbauer. Deze had een brood van omstreeks drie pond voor zich, gaf daarvan aan ieder der vijftien of zestien aanwezigen een goede portie, en hield een klein stuk over. Na
eenigen tijd vroeg hij nu dezen dan genen, of hij nog brood had, en sneed dan telkens van het geringe overschot nog een zóó groot stuk af, dat zulks natuurlijker wijze zelfs niet voor éénmaal mogelijk was: en toch, hij deed het herhaaldelijk, en hield altijd eene rest over. Daarbij vermeed hij echter alles, wat eenig opzien baren kon; geen gebed, geen zegening van het brood; alles ging onder het spreken door, zoodat de meesten niets van het wonder bemerkten.
Joannes Silbert getuigt insgelijks, dat P. Hofbauer uit een zeer kleinen schotel dikwijls zulk een hoeveelheid spijs nam, dat de schotel ze niet eens zou kunnen bevatten. sDie spijzen, zegt hij, hadden een bijzonder sgoeden smaak.quot;
ïZoo dikwijls een student zijn vertrek binnentrad, zegt de kanunnik Eduard van Unkhrechtsberg, ging P. Hofbauer naar een kastje, waarin hij altijd eenige eetwaren, gebak, fruit of iets dergelijks had. Wanneer wij in het kastje zagen, meenden wij niets meer te zien; maar P. Hofbauer wist altijd nog iets te vinden voor hen, die wat later kwamen.quot;
: Kwam iemand na het eten binnen, zoo verhaalt een ander, dan vroeg P. Hofbauer aanstonds; »Hebt gij »reeds gegeten?quot; — Was het antwoord ontkennend, dan wendde hij zich tot P. Stark met de woorden; s Maarten, jgeef mij een bord;quot; en uit den schotel, waarin niets meer zijn kon, kwam weer een volle portie. Hetzelfde geschiedde, wanneer er een tweede en een derde binnentrad; naar het getal en de behoeften der bezoekers werden de spijzen vermeerderd.quot;
Ongetwijfeld heeft de Gelukzalige nog vele andere mirakelen gedaan; want niet zelden werd hij, al was het om hem te bespotten, «Wonderdoenerquot; genoemd: maar zijne nederigheid en de dood van hen, die hem nauwkeuriger gadesloegen, zijn oorzaak, dat daarvan geen verdere bijzonderheden zijn bewaard gebleven.
TWEE m TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Laatste Ziekte van den Gelukzalige.
Zijn kostbare Dood.
De vrienden en leerlingen van P. Hofbauer vleiden zich met de zoete hoop, hem nog menig jaar in hun midden te zullen bezitten.
En werkelijk, wanneer men slechts rekening hield met zijn krachtigen lichaamsbouw en zijn ijzersterk gestel, scheen die verwachting alleszins gegrond. Doch wij mogen niet vergeten, welke veelvuldige en zware werkzaamheden Gods Dienaar van zijn lichaam had gevorderd; hoe dikwijls hij bij eene verzengende hitte of een vinnige koude, bij regen en sneeuw, de vermoeiendste voetreizen had ondernomen; hoe menigmaal hij onder den blooten hemel had overnacht, hoevele lange dagen hij bijna voortdurend in den biechtstoel vertoefde, hoevele nachten hij aan het smartbed van den zieke doorbracht. Wanneer wij dat alles bedenken, kan het ons dan wel verwonderen, dat zijne gezondheid eindelijk hevig aangetast, en zijne lichaamskracht ook vóór den tijd was ondermijnd ?
Tijdens zijn verblijf te Weenen hadden zijne rheuma-tische pijnen hem reeds gedwongen, de badkuur te Baden te gaan gebruiken. Zijn voortdurende inspanning op den preekstoel had hem daarenboven eene keelziekte op den hals gehaald, welke hem niet zelden de hevigste smarten deed verduren. Vooral echter moest hij een waar mar-
teldom lijden door hemorroïdale aandoeningen, die hem voortdurend kwelden. Zijn geneesheer en vriend, Dr. Emmanuel Veith getuigt, dat die kwaal hem vooral gefolterd heeft gedurende den winter, die zijn sterven voorafging. Tweemaal had hij zulk een hevigen aanval van koorts, dat men in één minuut 150 polsslagen telde. Als de hitte der koorts hem dan aan het ijlen bracht, bleek het opnieuw, welke heilige gedachten en godvruchtige gevoelens zijne ziel vervulden, dan hoorde men hem onophoudelijk teksten uit de H. Schrift en spreuken uit de HH. Vaders aanhalen. Zoo stichtte hij nog de omstanders, wanneer hij het bewustzijn had verloren.
De geneesmiddelen, welke men voorschreef, om de koorts te onderdrukken, werkten zeer nadeelig op zijn • andere kwalen. Gods Dienaar onderwierp zich echter aan alles, en verdroeg met een hemelsch geduld zoowel de ziekte als het geneesmiddel. Ja, wat meer zegt, in weerwil zijner hevige smarten, zette hij zijn arbeid op den kansel, in den biechtstoel en aan het ziekbed voort, zooveel zijne afnemende krachten het gedoogden.
In Februari 1820 werd P. Stark, zijn eenige metgezel, zwaar ziek. Nu stond P. Hofbauer alleen voor al de godsdienstoefeningen in de kerk, voor de predikatiën en het biechthooren- Met den moed eens heiligen aanvaarde hij die zware taak, en bleef hem een oogen-blik vrijen tijd, dan snelde hij naar zijn medebroeder, om hem met de liefde eener moeder bij te staan en op te beuren. Zij, die hem niet kenden, zouden gemeend hebben, dat hij de beste gezondheid genoot. Maar welk eene zelfbeheersching het hem moet gekost hebben, aldus zijne pijnen te verdragen, blijkt ten volle uit zijn eigen woorden. Toen hij namelijk zijn zieken medebroeder de laatste HH. Sacramenten toediende, ontviel hem deze bekentenis: »Ik ben zieker dan hij.quot;
Toen zuster Thaddea hem op zekeren dag zeide: »Vader, ik zal O. L. Vrouw van zeven Smarten bidden
— 369
»voor de genezing van P. Stark,quot; antwoordde hij: üZeer sgoed, doe dat. — P. Stark zal genezen; — maar ik jzal binnen kort sterven.quot; — iDoch, hervatte de zuster, ik 5zal den goeden God bidden, dat Hij u nog vele jaren slang eene goede gezondheid schenke.quot; — sNiet onze swil, hernam de heilige man, maar de wil Gods ge-aschiede in den hemel en op aarde.quot; — »Maar, zoo waagde \'de zuster nog daartegen in te brengen, uw dood zou svoor ons een allergrootst ongeluk wezen.quot; Nu hervatte Gods Dienaar onmiddellijk met klem: »Neen, de zonde ü alleen is een ongeluk.quot;
Het biechthooren begon hem hoe langer hoe meer inspanning en vermoeienis te kosten. Toen zuster Jacoba zulks bemerkte, zeide zij hem, dat het haar zeer hinderde, hem nog lastig te moeten vallen. Maar op vriendelijken toon ontving zij ten antwoord: »Maak u daarover \'niet ongerust, \'t Is waar, vandaag heb ik zulk een \'pijii, dat het zitten mij bijna onmogelijk is. Begin maar »te biechten.quot; De zuster verzocht hem toen, zijne raadgevingen zoo kort mogelijk in te kleeden, ten einde alle onnoodige inspanning te vermijden. Doch Gods Dienaar deed alsof hij dat verzoek niet hadde gehoord: met een bovenmenschelijk geduld hoorde hij hare biecht, en was in zijn toespraak zelfs uitvoeriger dan gewoonlijk.
Zaterdag, den 4den Maart, had hij tegen den avond eenige zijner jonge vrienden in zijne woning biecht gehoord, en klaagde daarna over koude rillingen; toch liet hij aan tafel de gewone voorlezing houden, en wist door zijne geestige gezegden allen op te vroolijken. Zijn geest was nog even helder als vroeger; hij stelde weder allerlei vragen, en loste al de voorgestelde moeielijkheden op. Zoo vroeg hij o. a., waarom in het Oude Testament geen visch geofferd werd; — en toen al de aanwezigen het antwoord schuldig bleven, zeide hij lachend: »Wijl »de visschen geen stem hebben, om Gods lof te ver-skondigen.quot; Daarop vermaande hij hen, God overal te
24
loven, en bij de openbare gebeden luidop mede te bidden: hij zelf, zoo bekende hij, had er altijd eene groote vreugde in gevonden, bij den zegen het .Heilig met het volk mede te zingen. - Hoe gezellig en onderhoudend hij echter dien avond ook was, toch kon hij zijne zwakte en het lijden, dat hij verduurde, voor de zijnen niet verbergen. Men wilde dus vroeger dan gewoonlijk vertrekken, maar hij duldde het niet, en zeide: .Och, .het doet er niets toe, of ik wat later naar bed kom.
Den volgenden dag, den 5^ Maart, predikte hij voor den laatsten keer. Het was de 3de Zondag_ van de vasten; hij sprak over de rekenschap, die eenie er eens zal moeten afleggen van zijne handelingen en over het gebruik der ontvangene genaden. Levendig komt . hem voor den geest, dat hijzelf binnen korten tijd voor Gods rechterstoel zal staan, en vol ootmoed roept hij uit: .O, wanneer ik gedurende mijn leven altijd had .beantwoord aan de goddelijke genade, hoeveel goed .zou God door mij niet hebben uitgewerkt — Dat was het afscheidswoord van den waren apostel, die het ooede door hem verricht niet ziet, maar zich ook na het volbrengen van geheel zijn taak, een .onnutten
dienstknechtquot; blijft noemen. .
Intusschen werd zijne ziekte met den dag heviger, terwijl Dr. Veith, die met klimmenden angst zijn tosstand gadesloeg, voor het ergste begon te vreeien. Zoo ooit, dan had voorzeker thans Gods Dienaar gegron e redenen gehad om zich te sparen, en alle werkzaamheden voorloopig te laten rusten; doch zijn ijver kende geen grenzen: zoolang hij het vermocht, wilde hij werken voor het heil der zielen. In weerwil der hevige koude, die niet dan zeer nadeelig op zijne kwaal kon werken, ying hij volgens gewoonte in den vroegen morgen na^r de kerk der Mechitharisten, om het arme volk biecht te hooren, en bleef daarna in zijn eigen kerk nog uren achtereen hetzelfde liefdewerk verrichten.
Eindelijk was zijne kwaal zóó verergerd, dat zij hem dwong van alle werkzaamheden af te zien. Woensdag, den 8sten Maart, las hij zijne laatste H. Mis in de kerk der Ursulinnen; daarna hoorde hij van negen uur tot half elf de biechten der kloosterzusters, doch moest vroeger dan gewoonlijk opstaan: zijne pijnen waren te hevig geworden.
sAlvorens het klooster te verlaten, zoo verhaalt zuster Thaddea, riep hij mij nog bij zich, en zeide; «Bid veel voor mij, want ik ben zeer ziek.quot; Daarop verliet hij het klooster, om het nimmer weder te betreden. Ik zag hem na met diepe droefheid in het hart. Ik weende bitter, want ik begreep maar al te wel, dat ik hem in dit leven niet meer zou terugzien: zijn woorden klonken mij toe als een laatste afscheid. Geheel zijn uiterlijk zeide mij, dat een doodelijke ziekte hem had aangegrepen, en ik was des te heviger ontsteld, wijl hij mij een maand geleden gezegd had, dat hij spoedig, zeer spoedig zou sterven.
Juist om dienzelfden tijd was de prinses Jablo-nowska, die in Polen aan de Congregatie vele weldaden had bewezen, te Rome overleden. Haar dochter, onbewust van den zorgwekkenden toestand, waarin P. Hofbauer verkeerde, verlangde niets vuriger, dan dat deze, in eigen persoon, den plechtigen lijkdienst voor hare moeder zou verrichten. Gods Dienaar nu, die de dankbaarheid als een zijner heiligste plichten beschouwde, willigde haar verzoek in en begaf zich op Donderdag, den 9den Maart, met P. Pajalich te voet naar de Italiaansche kerk. Het was een ruwe wintermorgen; bij dichte vlokken viel de sneeuw en maakte de straten bijna onbegaanbaar; doch niets was in staat, den heiligen grijsaard af te schrikken: op het vastgestelde uur was hij in de kerk en begon de H. Mis.
Tot de nuttiging ging alles goed; maar zoover gekomen, zagen Pajalich en Madlener, die als diaken en subdiaken assisteerden, hem eensklaps zoo verbleeken, dat
zij later getuigden; iWij vreesden, dat hij zijn bewustzijn verliezen en de heilige handeling niet zou kunnen voleindigen.quot; Het gelukte hem echter, hoewel niet dan met veel inspanning, de plechtigheid ten einde te brengen.
In de sacristie teruggekeerd ontdeed hij zich van de kerkelijke gewaden, en zette zich voor een oogenblik neder, om wat te rusten. Daar kwam hem de dochter der prinses haar dank betuigen, en verzekerde hem van hare deelneming in zijne ziekte en zijn pijnen.
Middelerwijl had baron Penkler een rijtuig laten voorkomen. P. Hof bauer nam het vriendelijk aanbod in dank aan, hoewel het dreunen van het rijtuig zijne smarten slechts kon vermeerderen. Met Madlener, Pajalich en Jozef Kraus stapte hij in en kwam doodziek bij zijne nederige woning aan. Volgens Frederik von Schlegel had zich bij zijne kwaal nog de typhus gevoegd ; met verdubbelde woede had de koorts hem aangegrepen, hij beefde over al zijne ledematen, en werd verteerd door een brandenden dorst. P. Pajalich, die hem bij het ont-kleeden behulpzaam was, riep nu eensklaps uit; ïAch, sals mijn droom maar geen werkelijkheid wordt!quot; — Eenige dagen geleden had hij namelijk gedroomd, dat hij P. Hofbauers dood beweende.
Spoedig daarop kwam Dr. Veith binnen. Een enkele blik op den lijder zeide hem reeds, hoe ernstig het gevaar thans dreigde; wijl hij echter den overigen zijne overtuiging niet mededeelde, troostten dezen zich nog met de hoop op zijne genezing. Zij konden zich niet verbeelden, dat hij nu reeds zou gaan sterven; zou de Congregatie niet eerstdaags te Weenen gevestigd werden; en zou P. Hofbauer daarbij niet de onmisbare persoon zijn ? Die ijdele hoop, waarmede zij zich vleiden, was oorzaak, gelijk P. Pajalich zelf bekent, dat zij de bijzonderheden zijner ziekte en de verheven acten van deugd, waarvan zij getuigen mochten zijn, niet zóó nauwkeurig hebben opgeteekend, als wij het zouden verlangen. Doch het
weinige, wat ons omtrent de laatste levensdagen van Gods Dienaar is medegedeeld, zegt het ons luide; zijne laatste ziekte, zijn kostbare dood waren slechts een weerklank van zijn verstorven en heilig leven.
Met de volgzaamheid van een kind onderwierp hij zich aan al de voorschriften van den geneesheer, hoe moeielijk ze hem soms vielen; toen deze hem gelastte, een bad te gebruiken, verzocht hij slechts, dat Pajalich hem gedurende dien tijd uit een geestelijk boek zou vóór-lezen.
Bij gebrek aan een leekebroeder of ziekenverpleger moest hij zich tevreden stellen met de verzorging en bediening zijner jonge vrienden. Voorzeker ontbrak het dezen niet aan goeden wil, doch onervaren in het verplegen van zieken, konden zij hem niet zóó behandelen, als zijn toestand het vorderde. P. Hofbauer was echter altijd even minzaam, even dankbaar, als hadde hem nuts ontbroken. Ja, zelfs nu nog wilde hij hun nuttig wezen. quot;Van zijn sterfbed troostte hij hen, hoorde nog hunne biechten, en gaf hun goede wenken omtrent de keuze van een nieuwen biechtvader.
Overigens ontving hij weinig bezoeken, eenerzijds, wijl men hem niet lastig wilde vallen, anderzijds wijl men niet geloofde, dat hij reeds spoedig zou sterven. Doch allen, die het geluk hadden hem te naderen, getuigen het eenparig, dat hij de vreeselijkste smarten met het grcotste geduld verdroegen niet ophield de schoonste acten van vereeniging met Gods 11. Wil te verrichten.
Hij sprak zeer weinig, maar bad des te meer. Dr. Veith getuigt, dat Gods Dienaar de twee laatste dagen zijns levens volstrekt niets meer sprak, maar in een voortdurend stilzwijgen, geheel afgestorven aan al, wat hem omgaf, en in een voortdurende overweging verzonken, stil daar nederlag. Ziehier nog een paar woorden, welke men gedurende zijné laatste ziekte van zijne lippen opving:
Jozef Kraus betuigde hem eens zijn oprechte deelneming in den treurigen toestand, waarin hij hem vond; doch ontving slechts ten antwoord; x Wat God wil, gelijk sHij het wil, en wanneer Hij het wil.quot;
Toen P. Madlener zag, hoe hij zich, om de hevigheid zijner pijnen, in het bed heen en weer wendde, zeide hij hem; »Mijn vader, blijf ter liefde van Jezus, rustig ïliggen,quot; waarop de heilige lijder onmiddelijk antwoordde; »Ja, ja,quot; daarop de handen vouwde als tot het gebed, en aldus tot zijn dood stil bleef liggen.
Een anderen keer, toen P. Madlener aan zijn bed stond, nam de zieke de hand van zijn vriend in de zijne, legde haar tegen zijn borst, en sprak; »Mijn ïbeste Madlener, met mij gaan vele geheimen in het sgraf; ik zou ze u mededeelen, — maar gij kunt niet jzwijgen.quot; Waarschijnlijk doelen deze woorden op openbaringen, welke hij gedurende zijn leven had ontvangen omtrent de lotgevallen der Congregatie. In zijne nederigheid nu vreesde hij, dat P. Madlener zulks tot zijn eer zou openbaren. Daarin vindt het sniet kunnen »zwijgenquot; van den Pater zijn voldoende verklaring.
Zij, die hem kwamen bezoeken, hoorden hem ook dikwijls, met zachte stem, zijn lievelingslied zingen; n Alles meinetn Gott zu Ehren.quot;
Een paar dagen vóór zijn dood ontving hij een brief van P. Petrak, toen kapelaan te Retz. Aanstonds richtte hij zich op, zocht een prentje uit van den H. Alphonsus, en verzocht, dat men het hem zou opsturen.
De ziekte maakte een schrikbarenden voortgang; Maandag, den i3den Maart, gaven allen de hcop op. Dienzelfden dag constateerde Dr. Veith, dat het koudvuur zich reeds vertoonde. Toen naderde hem P. Madlener, en vroeg; xP. Hofbauer, wilt gij God ontvangen r Dat was een minder juiste uitdrukking; de stervende scheen ze niet te kunnen verdragen; zacht terechtwijzend vroeg hij zelf; sDe H. Communie ?quot; — en voegde er
aanstonds op blijden toon, bij: jja, ja.quot; Men verzocht dus zijnen biechtvader, den Eenv. Heer Schmidt, onmiddellijk bij den zieke te komen, ten einde hem de laatste troostmiddelen der H. Kerk te schenken. Toen deze zijne biecht gehoord had, en met de woorden der absolutie begon, geraakte de zieke een weinig buiten kennis, en sprak de woorden, die hij vernam, en zelf óver zooveel duizenden biechtelingen had uitgesproken, tegelijkertijd uit. Daarna ontving hij met groote godsvrucht de H. Communie en het laatste Oliesel. Dan vouwde hij zijne handen, keerde het aangezicht naar den muur,\' cn bleef zoo een geruimen tijd biddende liggen.
Zijn stoffelijk oog sloot zich dus meer en meer voor deze wereld; de oogen zijner ziel hadden echter nog niets van hunne helderheid verloren, zooals bleek uit het volgende feit. •
De Ursulinnen hadden hare dienstmaagd naar P. Hofbauers woning gezonden, om te vernemen, hoe hij het maakte. Toen die goede vrouw hem daar zoo uitgeput en bijna stervende zag liggen, begon zij bitter te weenen. Daar slaat de zieke eensklaps zijn oogen op, en zegt: xMarianne, ween niet; binnen zeer korten tijd izult g-.j bij mij zijn.quot; — Op dat oogenblik was zij volkomen gezond; en ziet! binnen den tijd van acht dagen was zij reeds een lijk.
Eindelijk vermelden de Aeten der Zaligverklaring nog een feit, dat wij niet stilzwijgend mogen voorbijgaan. Dinsdag, tegen tien middag was de doodsstrijd reeds begonnen, welke vier en twintig uren aanhield. Den volgenden morgen was Anna Biringer naar het huis van Gods Dienaar gegaan, om eenige inlichtingent e vragen over zijn toestand. Toen zij om zeven uur te huis kwam, en haar pleegmoeder mededeelde, dat P. Hotbauer reeds op sterven lag, kreeg zij \'ten antwoord: ïIk weet er jreeds meer van dan gij: het is zeker, dat hij gaat
i sterven; zoo even was hij hier, en zeide mij alles.quot; Daarop verhaalde zij, dat hij een uur geleden in de kamer was verschenen. Hij had een opgeruimd en vriendelijk gelaat, was, gelijk gewoonlijk, in den leuningstoel gaan zitten, en had haar gevraagd, of haar verzoekschrift, waarin zij den Keizer om een pensioen verzocht, gunstig was aangenomen. Toen zij zulks bevestigd had, sprak hij over den droevigen toestand, waarin de godsdienst verkeerde, en over het gebrek aan geloof vooral bij de hoogere standen en bij de ambtenaren. — ?Ik ga naar mijne rustplaats,quot; zeide hij toen tot driemaal; daarop verdween hij uit haar gezicht. Die verschijning strekte haar tot grooten troost, want zij hield zich overtuigd, dat Gods Dienaar, die in haar eene zijner grootste weldoensters gevonden had, door die verschijning de smart had willen lenigen, welke zij bij het verlies van haar zielbestierder zou gevoelen.
Woensdag, den i5t!en Maart, bevonden zich tegen den middag verschillende vrienden van P. Hofbauer in zijne kamer; zij waren overtuigd, dat zijn laatste uur reeds zeer nabij moest zijn, en wilden nu getuigen wezen van zijn zaligen dood. Zij hoopten nog een laatste vermaning van hem te zullen ontvangen; doch P. Hofbauer was, zooals P. Madlener zich uitdrukt, in zijne laatste uren een gesloten boek gelijk. Hij scheen zich voortdurend met God te onderhouden, en wachtte gelaten af, wanneer de Heer hem tot zich zou roepen.
Daar sloeg het twaalf uur, en de klokken Liidden voor het s Engel des Heeren.quot; De aanwezigen, die al hunne aandacht aan den dierbaren zieke wijdden, fluisterden onder elkander, dat hij het niet lang meer kon maken, en gaven geen acht op het gelui der klok. Maar Maria\'s ijverige dienaar had het teeken vernomen; nog eenmaal al zijne krachten verzamelend, zeide hij met stervende stem: sBidt; men luidt het Engel des Heeren.\'\'
Allen knielden neder, en verrichtten het gebed.
Toen zij opstonden en het bed naderden, zagen zij, dat Clemens Maria het hoofd op zijde had gebogen; de Zalige had den geest gegeven.
Diep getroffen bleven zij staan, en beschouwden met een ernstig stilzwijgen het bleeke gelaat van hun geliefden Vader. Wat was het kalm en vriendelijk dat aanschijn, ook nu de dood het overschaduwde! Hoe spraken nog die trekken van vreeselijke pijn, maar met heldhaftig geduld tot het uiterste toe verduurd!
O zeker, die zoo gestorven was, dat voelden allen reeds bij deze doodsponde -— neen, hij was niet gestor-ven — hij was tot een hooger leven overgegaan, hij genoot het eeuwige leven bij de bron des oneindigen Levens zei ven.—
Het laatste woord van den Gelukzalige was dus een aansporing tot het gebed geweest. Zijn afscheidsgroet van deze wereld was een aanmaning tot vereering van het groote geheim der H. Menschwording, van dat liefdevolle geheim, dat hij boven de andere beminde! Ook Alphonsus, zijn vader, was op een Woensdag, onder het luiden van het »Engel des Heerenquot; gestorven. Liefde voor Jezus en Maria had beiden gekenschetst in hun leven; zij was ook beider troost in het stervensuur.
C lemens Maria Hof bauer stierf in het negen en zestigste jaar van. zijn leven, het vijf en dertigste van zijne priesterwijding en religieuze professie, het vier en dertigste van zijn apostolaat.
DRIE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Begrafenis va.n P. Hofbamp;uer. — Korte Acintee-kening over zijn Uiteriijk.
Reeds eenige uren na het overlijden van Gods Dienaar hadden zijne vrienden in de eerste verdieping der woning, de kamer, welke voor den kapelaan der Ursulmnen bestemd was, geheel met rouwfloers behangen; ir. het midden hadden zij eene kleine lijkbaar opgericht, en daar omheen een behoorlijk aantal waskaarsen geplaatst. Hier werd nu het eerbiedwaardige lichaam uitgesteld; het was met het kloostergewaad der Congregatie bekleed, om den hals hing een violette stola, ten teeken zijner priesterlijke waardigheid; het hoofd was met den gewonen barret gedekt.
De Ursulinnen zaten juist aan het middagmaal, toen haar de dood van P. Hofbauer werd aangekondigd. De indruk, welken dat bericht teweegbracht, was diep en smartelijk. Aanstonds begaven zich allen naar de kerk, om aan de voeten van het H. Tabernakel de noodige kracht af te smeeken, om zulk een pijnlijken slag geduldig te lijden, en tevens de ziel van den beminden overledene aan Gods barmhartigheid aan te bevelen. Beter dan ooit begrepen zij thans, welk eene gunst het was geweest, gedurende zeven jaren een heilige tot zielbestierder te hebben gehad. Het eenige, wat haar kon troosten, was de gedachte, dat zij nu een nieuwen beschermer in den hemel hadden.
In een oogwenk had zich doer geheel Weenen de treurmare verspreid. En nauwelijks had men ze vernomen, of van alle zijden kwamen zijne vrienden en leerlingen toegestroomd, om hun beminden vader en leermeester nog eens te zien, om nog eenmaal die handen, die zooveel zegeningen over hen hadden uitgestort, met warmte te kussen.
Tegen den avond was de toeloop reeds zeer groot. Treffend was het, te zien, hoe die talrijke menigte zich om de lijkbaar verdrong, hoe die menschen van allen stand en rang vol eerbied nederknielden, de handen des overledenen aan hunne lippen drukten, en ze met hun tranen besproeiden. Zeker, men bad voor hem, maar veel meer dacht men er aan, zich in zijne gebeden aan te bevelen. sgt;Hij heeft onze gebeden niet noodig, zoo zeiden zij, maar wij hebben behoefte aan de zijne.quot; Slechts ééne stem ging uit van die tallooze scharen: 5 Hij, dien wij thans verliezen, leefde onder ons als een ï heilige.quot; Allen wilden, bij het heengaan, eenig aandenken medenemen: deze sneed een stukje van zijne kleederen, gene nam een weinig van zijn hoofdhaar mede; anderen weder trachtten iets te verkrijgen van hetgeen tot zijn gebruik gediend had: het geringste was genoeg, wanneer het slechts van 1\'. Hofbauer geweest was.
Niet weinig ook waren allen getroffen over de zachte en vriendelijke uitdrukking, die zijn gelaat had aangenomen; men vroeg zich af, of hij werkelijk gestorven was: de kleur van het aangezicht, de kalmte van zijne trekken, alles, in één woord, deed veeleer denken aan een slapende dan aan een doode. Ja, de goedige glimlach, die hem tijdens zijn leven altijd om de lippen speelde, was hem nog bijgebleven na zijn dood.
5Hij lag daar, zegt een der ooggetuigen, als een christenheld, die, na volbrachten strijd, van zijne overwinning geniet.quot;
Onder de bezoekers was ook de gravin Szechényi,
die bitter weende, de handen van den Pater met hare kussen overlaadde, en niet te bewegen was, van het lijk te scheiden. Toen men er haar op wees, dat zij zoodoende gevaar kon loopen, de ziekte, welke P. Hofbauers dood veroorzaakt had, zelve over te nemen, antwoordde zij: »0, weest daarvoor niet bezorgd; de Heiligen zijn sniet aanstekelijk.quot;
Toen de nacht reeds was aangebroken, en de toeloop wat verminderde, kwam P. Frederik Rinn het portret van P. Hofbauer teekenen. Algemeen werd het als zeer gelijkend geroemd. Een andere afbeelding, welke hij reeds tijdens het leven van Gods Dienaar in het geheim gemaakt had, is helaas! verloren geraakt. Rinn schreef onder de teekening, welke hij op den sterfdag maakte, en die later veel verspreid werd, de woorden der H. Schrift; *Beati qui tc viderunt^ et in tua amicitia decorati sunt.quot; Zalig zij, die u gezien hebben, en met uwe vriendschap werden vereerd.quot; Eccli. 48. 11. Alle latere afbeeldingen van Gods Dienaar zijn naar dit portret ontworpen.
Den volgenden morgen begon de toeloop opnieuw, en herhaalden zich de treffende tooneelen van den vorigen dag. Verschillende personen vroegen nu, welke maatregelen men genomen had voor de begrafenisplechtigheden; doch allen ontvingen ten antwoord, dat alles in de grootste stilte zou geschieden. Trouwens, wie zou voor eene plechtige begraving hebben gezorgd? — Zoodra P. Hofbauers toestand gevaarlijk was geworden, had men P. Stark, die van zijne ziekte begon te beteren, uit de woning verwijderd, deels wijl men vreesde, dat het lijden van zijn geliefden vader hem al te sterk zou aangrijpen, ten andere, wijl hij behoefte had aan eene betere verpleging, dan hij te huis kon verwachten. Hij woonde nu in het paleis van graaf Szechényi, en kon ofschoon hij nog zeer zwak was, op een volkomen herstel hopen. Maar buiten hem was er niemand, op wien de plicht rustte voor eene waardige
begrafenis zorg te dragen. — Doch, wij weten het, God schept er behagen in, zijne dienaars, wanneer zij tijdens hun leven diepe vernederingen verduurden, te verheerlijken na hunnen dood. Hij wilde, dat geheel Weenen dezen heiligen priester een grootsche hulde zou brengen, alvorens hij in het graf zou zijn nedergedaald. En God heeft middelen genoeg, om zijn Wil te doen vervullen.
P. Hofbauer schijnt zelf te hebben geweten, dat dezelfde liefdevolle Voorzienigheid, die hem geheel zijn leven zoo wonderbaar geleid had, ook voor zijn begrafenis zou zorgen. Ten minste, toen Maarten Stark hem op zekeren dag vroeg; sWat moet ik doen, ingeval de sgoede God u tot zich roept ?quot; ontving hij ten antwoord: «Wees maar gerust; daarvoor zal God wel zorgen.quot;
En God zorgde er werkelijk voor — en op een geheel onverhoopte wijze. sZijn begrafenis, zegt P. Rinn, was de schoonste, de treffendste, de plechtigste, die men te Weenen ooit gezien heeft. Het Was een ware triomftocht.quot;
Wijl de woning van P. Hofbauer in de parochie van St. Stephanus gelegen was, moest zijn stoffelijk overschot naar de St. Stephanuskerk gebracht worden. De namiddag van Donderdag, den i6den Maart, was daarvoor bepaald; niemand echter was uitgenoodigd tot bijwoning der plechtigheid, en zelfs hadden P. Hofbauers vrienden geen bepaalde afspraak onder elkander gemaakt.
Maar ziet! als bij tooverslag, daar vullen zich eensklaps de straten, langs welke de lijkstoet zal voorttrekken ! De Seilerstatte, de Joannesstraat, de Karthner-straat tot het Stephanusplein toe, alles is dicht bezet door eene onafzienbare menigte. De armen, de weduwen met hare kinderen, de werklieden der voorsteden, zij kwamen met geheele scharen, om hun weldoener, hun trooster, de laatste eer te bewijzen. Studenten, professoren der Universiteit, geleerden en hooggeplaatste ambtenaren, priesters en ordesgeestelijken, ja vele militairen zelfs, waren toegesneld; — zij stonden daar als zoovele-kinderen, die hun
vader, dien zij zoo onuitsprekelijk veel verschuldigd waren, een laatste bewijs van liefde en verknochtheid kwamen geven.
Ook het aartsbisschoppelijk Seminarie was voltallig verschenen, als wilden die jeugdige Levieten den Apostel van Weenen plechtig komen betuigen, dat zij vast besloten waren, zijne voetstappen te zullen drukken, en al zijne lessen getrouw na te komen. Later bleek, dat in die deelneming der seminaristen Gods leidende Voorzienigheid niet viel te miskennen. Toen men namelijk in het Seminarie den dood van Gods Dienaar vernomen had, hoorde men overal in het huis zeggen, dat al de studenten den volgenden dag de lijkstatie zouden bijwonen. sZulks geschiedde ook, getuigt Mgr. Willim, die toen tot de studenten behoorde; doch als wij weder te huis waren gekomen, ondervroeg ons de President ieder afzonderlijk, wie het noodige verlof daartoe gegeven had, — en niemand wist te zeggen, vanwaar het verlof was gekomen.\'\'
Om vier uur zette zich de onafzienbare stoet in beweging, onder de leiding van den biechtvader des overledenen, Frans Schmidt, aan zijne zijde ging Zacharias Werner. Twaalf jongelieden, onder welke verschillende van adel, zooals Frederik.von Helden Eduard von Un-khrechtsberg, droegen de lijkbaar op hunne schouders.
Wegens de menigte, die zich overal verdrong, kon de stoet slechts langzaam vorderen. Velen, die zich geheel toevallig daar bevonden, en niet wisten, wie die overledene was, vroeger aan de voorbijgangers: »Welk groot jjman wordt daar zoo plechtig begraven?quot; — En als zij vernamen, wie hij was, sloten ook zij zich bij den lijkstoet aan. Eindelijk stond het volk zoo dicht opeengepakt, dat alle verkeer van rijtuigen onmogelijk was; — en toch heerschte er onder die duizenden eene plechtige, adem-looze stilte, die slechts nu en dan werd onderbreken door de ernstige tonen der treurmuziek. Aan de kerk der Ursu-linnen gekomen, liet de Eerw. Heer Schmidt het lijk
nederzetten en zong vóór de kerkdeur de absolutie der overledenen.
Het was een sombere en regenachtige avond, zoodat het reeds tamelijk donker werd, toen men de St. Stephanus-dom naderde.
Welk een grootsch en treffend schouwspel vertoonde zich daar eensklaps aan aller oog! Geheel het plein was in een zee van fonkelende lichten herschapen. sToen ik, zoo verhaalt een der getuigen, bij de deur der groote kerk het hoofd omwendde, zag ik, zoover mijn oog reikte, niets dan flikkerende waskaarsen, die eene tallooze menigte beschenen; en ik dacht: dat is een ware zegetocht!quot;
\'t Was te Weenen volstrekt geene gewoonte, eene lijkstatie met brandende kaarsen te vergezellen. Ook heeft men nooit met zekerheid kunnen achterhalen, wie de kosten daarvan gedragen heeft. Slechts uitte een der getuigen van het proces der Zaligverklaring de meening, dat wellicht de Hongaarsche edelman, Lodewijk von Grachenfels, die Gods Dienaar tijdens zijn laatste ziekte met de teederste liefde had verzorgd, ook thans met eenige andere adellijke heeren die grootsche toebereidselen gemaakt had.
Bij de kathedrale kerk gekomen, zagen allen, tot hun niet geringe verbazing, dat de zoogenaamde reuzen-deur^ die slechts bij buitengewone gelegenheden en bij begrafenissen van hooggeplaatste personen, en daarbij tegen eene vergoeding van 100 gulden geopend werd, ook dezen avond openstond. Het volk stroomde nu de kerk binnen, en had in een oogwenk geheel de ruimte ingenomen, zoodat men, gelijk Dr. Veith het uitdrukt, zich bijna niet meer bewegen kon.
Getroffen tot in het diepste zijner ziel, en met eene bevende stem, zong thans Zacharias Werner de absolutie der overledenen, waarna de lijkbaar naar de dooden-kamer gebracht werd.
Den volgenden morgen werd het lijk van Gods
Dienaar, onder begeleiding van verschillenden zijner vrienden naar Maria-Enzersdorf, op drie uren afstand van den Stephanusdom, gebracht. Daar wilde hij begraven worden in de nabijheid van zijn heiligen vriend, Albert Dies-bach, terwijl baron Penkler bij zijn eigen familiegraf, ook een behoorlijke rustplaats voor hem had laten maken.
Eerst bracht men de kist in de parochiekerk der Paters Franciscanen, waar Werner een plechtigen lijkdienst hield; daarop ging men naar het nabijgelegen kerkhof, om Gods Dienaar ter aarde te bestellen, terwijl Werner de laatste gebeden verrichtte.
Op het graf werd een steenen kruis geplaatst met hel volgende, Latijnsche opschrift:
Joannes Clemens Maria Hofbauer,
Cong. SsmiRedemptoris Vicarius generalis, natus Tassovici in Moravia anno 1751: obiit Vindobonce, 15 Martii anni 1820.
Fidelis servus et prudens.
d. w. z.
Joannes Clem. M. Hofbauer,
Vicaris Generaal van de Congr. des Allerh. Verlossers, geboren te Tasswitz in Moravië in het jaar 1751, gestorven te Weenen, den igden Maart 1820. Een getrouwe en voorzichtige dienaar.
Den 23sten Maart, op den achtsten dag na zijn zalig afsterven, werden de romvplechtigheden besloten niet een gezongen Requiem in de kerk der Ursulinnen. De vrienden en vereerders van den Gelukzalige hadden daartoe de kerk met zwart laten behangen, en eene schoone katafalk opgericht. De lijkdienst werd opgedragen door professor Ackermann, een zijner oprechtste vereerders.
Nog een geruimen tijd hoorde men te Weenen spreken over het goede, dat P. Hofbauer er had verricht, en over de plechtige begrafenis, die hij zoo ten volle had verdiend.
Ziehier de regelen, welke Adam Müller, den 17\'6,1 Maart, m den Oostenrijkschen Beobachter aan de nagedachtenis des overledenen wijdde:
alhier Maarti ömstreeics den middag, overleed
F \' quot;egen en zestigste jaar zijns levens, de Zeer
Eerwaarde Pater Cl. M. Hofbauer.. Vicaris-Generaal van de Congregate des H. Alphonsus de Liguori, bekend n er den naam van Congregatie der Redemptoristen
.eW SdT Jer Ursulinnen
\'Wat een enkele getrouwe dienaar Gods, gelijk
J was zelfs m de ongunstigste omstandigheden en in de n.oa,e „kae Me3tant,eil ^
, St- te Warschau bevestigen, wanneer er niet
duizenden nog levende getuigen konden optreden dieliip
5en
In wool 1 naar 0o3tenrijk\' ziJn vaderland, terug, cn woonde sedert 180S te Weenen.
;De vruchten van zijn werkzaam en waarlijk apostolisch leven zullen door ons nageslacht worden mgeoogst De grooten dezer aarde zoowel als de geringe burgers, de geleerden zoowel als de onwetenden treuren over hef onherstdbaar verlies van hun vader en leidsman
het^ quot;hi C16 Slechts bij naam gekend hebben, bij het bencht van zijnen dood gevoelden, dat aan geloof en
godsdienst, en daarom ook aan het vaderland, een hechte
steun ontvallen is. Slechts ééne zaak kan de smart over
zijn verlies lenigen: \'t is de gedachte, dat hij onder ons
gesticht. ln het 0ntelbaar Vele goed^ dat hij heeft
Met volle recht kon de Beobachter ze^en dat alio standen den dood van P. Hofbauer bietlrdt
quot;S 1 ,vai dltP getroffen, toen men hem dat
overlijden mededeelde: sAch, riep hij uit, dat is een 3gt; dubbel treurig bericht; treurig voor mij en mijn volk; s doch ook treurig voor de geheele Kerk; want dit is »zeker; P. Hofbauer was een steunpilaar der H. Kerk.quot;— Kanunnik Uhl aarzelde niet de Ursulinnen te zeggen: Kerk Gods heeft in dezen waardigen priester Qen ï schitterende ster verloren; maar, zoo voegde hij er bij, s\'t is eene ster, die gedurende geheel de eeuwigheid zal s blij ven glanzen.quot; — En Sebastiaan Job, hofkapelaan en biechtvader der Keizerin, sprak in eene toespiaak, welke hij den dag na P. Hofbauers dood tot de kweekelingen der Visitandinnen hield, de volgende schoone woorden: j Heft uwe handen op tot den Heer, en bidt, dat Hij arbeiders zende in zijnen wijngaard, want gisteien heeft Hij ons zwaar getroffen, toen Hij den Apostel van Weenen, den steunpilaar der Weener Diocees tot zich riep. Bidt, dat Hij ons dat groote verlies vergoede, en ons de genade geve, de deugden zijner dienaren na te volgen, opdat wij, eenmaal met hen vereenigd. Hem voor eeuwig in den hemel kunnen loven.quot;
Zuster Thaddea, die op den dag der begrafenis de talrijke menigte voorbij het klooster had zien trekken, getuigde harerzijds: sAllen weenden, maar wij, »zijne geestelijke kinderen, nog meer dan de overigen.quot;
Het zal den lezer niet onwelkom zijn, wanneer wij ten slotte nog het woord geven aan hen, die ons het voorkomen van den Gelukzalige hebben beschreven.
»Pater Hofbauer, zoo zeggen zij ons, was van eene middelmatige gestalte en had een forschen lichaamsbouw: borst en schouders waren zeer breed, de hals was tamelijk kort, het hoofd rond en goed gevormd, het aangezicht eerder rond dan langwerpig. Zijne oogen hield hij gewoonlijk half gesloten; doch besprak hij de een of andere waarheid van ons heilig geloof, dan verlevendigde zich zijn blik, ja, dan was het, of er stralen uit zijn oogen schoten. Hoewel hij weinig at en veel
- 387 —
werkte kon men hem toch niet mager noemen. Geheel
zijn uiterlijk was, -.vel is waar, steeds waardig en deftig
doch ook altijd vriendelijk en uiterst goedig. Zelden of noo. ..g hen, kchen. ^ J J of
aanblik erkende men hem voor een man vol kracht en nergie, maar noch m zijne houding, noch in zijne be-vegmgen was 0 t spoor van hoogmoed te ontdekken. Een vriendelijken ernst, een kalme opgeruimdheid
een ongestoorden vrede, een groote ingetogeiiheid, ziedaar,\'
wat men in zijne trekken las. Op hen, die hem ont moe ten maakte hij den indruk van een man, die geheel verolonden is m God, en als in een aanhoudende geest-verrukking ,eeft. Hij ging recMop, doch hield het hoofd een weinig voorovergebogen; in hem meende men den lijdenden Zaligmaker te zien.
\'Des zomers droeg hij over zijn ordekleed een
—^ ^ \'^611 kraa^ de wintermantel was wat zwaarder en van donkerblauwe kleur. Onder dien mantel verborg hij den rozenkrans, waaraan hij onophoudelijk bad. Als eenig hoofddeksel had hij een zwart mutsje. Zijne haren waren donker, en in zijne laatste jaren ietwat grijs.quot;
.. Het z,al niet noodig zijn, hier nog terug te komen op zijn karakter of op zijne wijze van spreken en handelen Zijn leven geeit daarvan een heerlijker getuigenis an de schoonste beschrijving het vermag. Alles zegt ons, dat hij het levende afbeeldsel was van zijn heiligen vader Alphonsus, en dat hij, gelijk deze, om met de woorden van Dr. Veith te sluiten, als onwillekeurig doet denken aan de heiligen Philippus Neri en Vincentius a
j/lEI^pE jBoEK.
De Verheerlijking van Clemens Maria na zijn Dood.
EERSTE HOOFDSTUK.
Stichting van het Redemptoristenklooster te Weenen.
De dood van Pater Hofbauer was voor zijne vrienden en leerlingen een onherstelbaar verlies. Niet slechts was hun een wijze raadsman, een liefderijke vader ontvallen; niet slechts werd hun een ijverige aan-voerder, een krachtige steun in den strijd voor het goede ontnomen; maar tevens scheen de vurigste wensch huns harten, de invoering der Congregatie in Oostenrijk, geheel en al verijdeld.
Hij-, de man, dien Gods Voorzienigheid had toegerust met alle gaven, welke tot de volvoering van zulk een plan vereischt worden, hij was ten grave gedaald, en had zijn werk niet voleindigd; -— wie zou zich thans voor zulk een taak berekend achten; wie voltrekken, wat hij begonnen was?
Die vraag was pijnlijk voor de achtergeblevenen; meer dan dat: zij was in staat hun allen moed te benemen, en hen tot een soort van radeloosheid te doen vervallen.
Sommigen van hen, die het vaste besluit reeds hadden gevormd, onder de leiding van Gods Dienaar het kloosterleven te beginnen, waren nu van meening, dat er aan de invoering van de Congregatie des Allerh. Verlossers niet meer te denken viel. Zij stelden daarom voor, eene priestervereeniging, ongeveer als die der
Oratorianen, op te richten; dat was, zoo meenden zij, het beste middel, om de vruchten van P. Hofbauers werk te bestendigen, en zijn geest onder hen te bewaren. Doch verreweg de meesten verklaarden uitdrukkelijk, dat zij bij hun voornemen bleven; wat er mocht gebeuren of niet. Redemptorist zouden zij worden. Had hun Meester niet herhaaldelijk voorzegd, dat na zijn dood de Congregatie wortel schieten, en wijd in het rond hare takken zou uitbreiden? Was dat woord geen zekere waarborg, waarop zij moesten steunen tegen alle men-schelijke verwachtingen in ? — En dan, wat hadden zij van de zijde des Keizers te vreezen? — Den persoon van P. Hofbauer was hij zeer genegen geweest; het grootsche huldeblijk, door de inwoners van Weenen zoo geheel vrijwillig en uit eigen beweging aan het stoffelijk overschot van hun Apostel bewezen, had den indruk nog verhoogd, dien de lofspraak van Pius VII op het gemoed van Frans I reeds gemaakt had. Hij had daaruit gezien, hoezeer het volk Gods Dienaar beminde, en was nu des te eerder geneigd, den laatsten wensch van zijn gestorven vriend te vervullen. Daarbij kwam, dat Mgr. Hohenwarth en de overigen, wien de Keizer het verzoekschrift van P. Hofbauer ter onderzoeking had voorgelegd, daarover een allergunstigst verslag hadden ingediend.
Moest men dan, zoo zeiden ze, nu de zaken zulk een goeden keer hadden genomen, den moed laten zinken? — Moest men niet veeleer zeggen, dat zij slechts eene geschikte gelegenheid hadden af te wachten, om den laatsten stap bij den Keizer te wagen, en een beroep te doen op zijne goede gezindheid?
Zóó spraken sy, die zich van den geest huns Meesters het diepst hadden doordrongen; zóó steunden ze hun wankelende broeders, — en zagen reeds spoediger, dan zij gehoopt hadden, hun vertrouwen beloond. Ziehier, hoe onder Gods vaderlijke leiding, de omstandigheden zelve hun plannen in de hand werkten.
Dr. Madlener, die onder allen in doorzicht en geestkracht den ontslapen Meester het meest nabijkwam had de gewone avondconferentiën, van wier nut allen overtuigd waren, sinds den dood van P. Hofbauer geregeld m zijne woning doorgezet. Toen echter de biechtvader des Keizers, Darnaut, zulks vernam, verlangde hij, uit eerbied voor Gods Dienaar, dat deze bij hem zouden plaats vinden. Zoo werden, onder uitdrukkelijke goedkeuring des Keizers, de bijeenkomsten iederen avond in het keizerlijk paleis gehouden.
De uitstekende geest der jonge mannen, die daar verschenen, hun kinderlijke godsvrucht en de degelijke beginselen, waarnaar ze hun gedrag inrichtten, maakten op Darnaut den besten indruk. Op zekeren dag nu, toen hij zich bij den staatsraad, baron Stift, bevond\' viel het gesprek op het gezelschap, dat deze iederen avond zoo trouw het keizerlijk paleis zag bezoeken. Darnaut wist geen woorden genoeg te vinden, om zijne hooge tevredenheid over die jonge lieden uit te drukken, en noemde het een waar genot, ze dagelijks in zijne wonin^ te mogen ontvangen.
Daarop deelde hij den baron mede, welken wensch zij nog altijd koesterden, en hoe zij voor de. verwezenlijking daarvan slechts wachtten op de goedkeuring des Keizers.
»Maar, sprak toen de baron. Zijne Majesteit zal \'toch den leerlingen niet weigeren, wat hij den Meester wreeds wilde toestaan.quot;
Spoedig waren beiden het nu eens, dat men de handen aan het werk moest slaan. Darnaut zelf stelde het verzoekschrift op, en bood het den Keizer aan. levens overhandigde hij hem eene lijst, waarop de namen van omstreeks dertig jongelieden vermeld stonden, die het plan hadden gemaakt, hunne opneming in de Congregatie te verzoeken. Sommigen verklaarden, onmiddellijk te willen intreden, terwijl anderen er bijvoeg-
den, dat zij het zouden doen, zoodra hunne zaken waren geregeld.
En zie! terwijl in Oostenrijk het Jozefisme nog den boventoon voerde; terwijl het echte kloosterleven nog altijd onder den staatsban zuchtte, —• verschijnt den 3osten April 1820 een eigenhandig schrijven van den Keizer,
waarbij de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers in de
Oostenrijksche Staten wettig erkend, het opnemen van novicen toegestaan, en den Paters de kerk van Maria-Stiegen met de daarbijhoorende woning wordt aangeboden.
Wie kon hier den vinger Gods miskennen? Wie zou niet dankbaar opzien naar Hem, die de harten der koningen bestuurt? — iZiet gij nu, zei Mgr. Hohenwarth aan P. Madlener, bij het vernemen dier blijde tijding, sziet gij nu, hoe machtig het gebed van P. Hofbauer ireeds is? God heeft met hem gedaan gelijk weleer met uMozes, dien Hij van een berg het beloofde Land toonde. »In de verte heeft Hij hem de vestiging zijner Congregatie ireeds doen zien; doch hem tot zich geroepen, vóórdat jzij tot stand kwam. Thans bidt hij in den hemel voor su, en kan u daar nog beter helpen, dan hij zulks shier beneden vermocht.quot;
Vertrouwend op dien hemelschen bijstand, begon Dr. Madlener onmiddellijk de noodige maatregelen te nemen, om zoo spoedig mogelijk eene kloostergemeente te kunnen vestigen. De Keizer had een eigenhandigen brief aan Mgr. Hohenwarth gericht, waarin hij hem verzocht, met Ur. Madlener in overleg te willen treden omtrent alles, wat voor de uitvoering van het besluit v ereischt werd. Daarenboven stond deze als voormalige professor in de hoogere meetkunde en thans als kapelaan aan de Augustinuskerk in hooge achting, en vond aldus de beste medewerking der geestelijke zoowel als der tijdelijke overheid.
De vraag, welke zich zeker onder de eerste moest voordoen, — swaar zal de nieuwe kloostergemeente haren
»intrek nemen?quot; — was niet zoo gemakkelijk te beantwoorden. Aan de restauratie der kerk van Maria am Gestade was de laatste hand nog niet gelegd, terwijl het aangrenzende gebouw door Joden was betrokken, en dringende reparatiën vorderde. Voorloopig moest men dus naar een ander verblijf omzien.
Uit deze moeielijkheid kwamen nu met eene voorkomende liefde de Paters Franciscanen de nieuwe kloosterlingen redden. Wijl hun klooster van den H. Hie-ronymus door slechts weinig priesters bewoond werd, stonden zij P. Stark en zijn medebroeders op de tweede verdieping een geheelen gang met het noodige aantal kamers af. Ook tot de bidplaats, de sacristie en de kerk gaven zij hun vrijen toegang, en stelden zelfs, met de meeste bereidvaardigheid, de eetzaal op bepaalde uren van den dag ter hunner beschikking.
De 19de Mei, de vigilie van Pinksteren, was bepaald voor den inkleedingsdag der novicen. Was hun getal aanvankelijk niet groot, — zij waren met zeven — des te grooter waren de ijver en de geestdrift, waarmede zij hun nieuwen loopbaan begonnen. Hun eerste schrede op den weg der religieuze volmaaktheid was reeds een daad van edele zelfverloochening.
Zonder acht te slaan op den rang, dien zij tot dan toe in de maatschappij bekleedden, zonder zich te bekommeren om de bespotting eener talrijke menigte volks, namen ze hun stroozak op de schouders, en droegen dien, als waren ze gewone werklieden, naar het klooster van den H. Hieronymus.
De namen dier zeven eerste novicen zijn den lezer voor het meerendeel reeds bekend. — Bartholomeüs Pajalich, die priester was, en met uitzondering van den witten kraag het ordekleed reeds uit de handen van Pater Hofbauer had ontvangen, is de eerste. Dan volgden vier studenten in de theologie: Frans Springer, ridder Eduard von Unkhrechtsberg, Frederik von Held en Antoon Prigl.
De zesde, Nossal, was reeds novice geweest bij de Norbertijnen; ook thans zou hij zijn noviciaat niet voleindigen; hij verliet het, om later wereldgeestelijke te worden. De laatste eindelijk, gelijk de overigen een leerling van den Gelukzalige, verlangde als leekebroeder in te treden.
Onder de gebruikelijke gebeden en plechtigheden ontvingen zij uit de handen van P. Stark het kloosterkleed der Congregatie van den Allerheiligsten Verlosser. De goede Paters, die hen zoo liefderijk in hunne woning hadden opgenomen, wenschten hun van harte geluk met een zoo voorspoedig begin, en noodigden hen uit, den volgenden dag, op het hooge Pinksterfeest, gezamenlijk met hen het middagmaal te gebruiken.
Nu was dan het groote werk van P. Hofbauer voltrokken; hij zou voortleven in zijne kinderen; de Congregatie was in Oostenrijk gevestigd. De ijverige novicen hielden het beeld van hun grooten Meester steeds voor oogen; zij beijverden zich zijne lessen op te volgen, zijne voetstappen te drukken: met nog vuriger liefde, met nog inniger blijdschap dan voorheen, kon ook hij thans op hen nederzien.
Intusschen deed zich toch de behoefte aan een geregelde leiding meer en meer gevoelen. Het getal der novicen was spoedig tot elf aangegroeid, en P. Stark, de overste des huizes, was, zooals licht te begrijpen is, in de eerste tijden vooral, met andere bezigheden overladen. Hij waagde het dus den Keizer te verzoeken, eenen Pater uit het buitenland te mogen ontbieden.
Frans I, die in geheel deze zaak veeleer de inspraken van zijn goed hart dan de beginselen der heerschende politiek volgde, stond die bede gaarne toe, en zoo kwam den 2osten October de ons reeds bekende Pater Passerat uit Val-Sainte naar Weenen, om zich met de geestelijke leiding der novicen te belasten.
Als een engel des hemels werd hij door hen ontvangen. Wat zij hun beminden Meester zoo dikwijls
hoorden verhalen over de edele eigenschappen van dien waarlijk heiligen priester, bleek hun nu volle waarheid: met verdubbelden ijver schreden zij thans voort op den weg der volmaaktheid.
\'t Was voor P. Passerat geen geringe troost, reeds eenige dagen na zijn aankomst. Dr. Madlener, die al zooveel voor de Congregatie had gedaan, doch eerst nu bij machte was, zich zeiven aan haar te schenken, onder zijne novicen te kunnen opnemen. Hij was de laatste, die in het klooster van St. Hieronymus werd ingekleed.
De kerk van Maria-Stiegen was nu hersteld, en het aangrenzende huis voldoende herbouwd, om de nieuwe kloostergemeente tot woning te verstrekken. Op Zaterdag den 23sten December, verlieten zij dankbaar het gastvrije dak der PP. Franciscanen, om zich in hun nieuw klooster te vestigen. Den avond van dienzelfden dag gaf P. Passerat het kleed der Congregatie aan drie andere leerlingen van P. Hofbauer, zoodat bij de oprichting van het eerste Redemptoristenklooster te Weenen het noviciaat reeds vijftien leden telde.
Nu kwamen spoedig nog vele andere voormalige vrienden van Gods Dienaar zich als novicen aanmelden. Onder hen bevond zich ook, behalve Dr. Emmanuel Veith, de gevierde Frederik Zacharias Werner. God was echter met zijn goeden wil tevreden. Zijn borstkwaal had hem eindelijk een ongeneeslijke longtering berokkend, en, na eenigen tijd het Redemptoristenkleed te hebben gedragen, verliet hij, op aanraden zijner oversten, het noviciaat, om voor zijne geknakte gezondheid te zorgen.
Den 2t,en Augustus 1821, den feestdag van den H. Alphonsus, had voor de eerste maal de plechtige geloftenaflegging plaats. Van de negen novicen, die toen hun intreden in de Congregatie deden, waren Pajalich, Madlener en Ulrich Petrak reeds priester; dezen begon-
nen al aanstonds hun apostolische loopbaan, terwijl de zes overigen hunne theologische studiën voortzetten, en twee jaar later de H. Priesterwijding ontvingen.
Omstreeks dienzelfden tijd kwamen ook de missionarissen uit Walachije, wier toestand onhoudbaar geworden was, naar Weenen, en bewezen in de kerk van Maria-Stiegen, welke reeds zeer druk bezocht werd, de beste diensten.
Eindelijk kwam nog de oude leekebroeder Emmanuel Kunzmann, zijne laatste dagen in hun midden doorbrengen. Na de verdrijving uit Warschau had hij inde Cisterciënserabdij * Heiligenkreuzquot; een onderkomen gevonden. Toen hij echter vernam, hoe zijne medebroeders te Weenen een eigen klooster hadden gesticht, spoedde hij daarheen, en werd met de hartelijkste liefde ontvangen. Het gebouw was weldra te klein, om allen, die zich aanmeldden, behoorlijk te kunnen huisvesten. P. Passerat zou gaarne een tweede klooster hebben opgericht; maar hoe zou hij daarvoor het noodige bijeenzamelen? — Ook thans schonk Gods Voorzienigheid een onverhoopte uitkomst. De vrome Aartshertog Maxi-miliaan van Este hoorde van de verlegenheid, waarin de Paters verkeerden; hij kocht daarom in Weinhaus, een plaatsje nabij Weenen, een ruim landhuis met een schoonen tuin, en stond het geheel aan de Congregatie af. Naar dit eenzaam en stil verblijf verplaatste P. Passerat het noviciaat.
Slechts noode weerstaan wij aan het verlangen, hier nog een korte levensschets te laten volgen van de voornaamste leerlingen van den Gelukzaligen Clemens Maria. De vrees echter, dat deze reeds uitvoerige levensbeschrijving de haar gestelde perken mocht overschrijden, houdt ons daarvan terug.
Brengen wij ten slotte slechts in herinnering, hoe glansrijk de voorzegging van Gods Dienaar in vervulling
is gegaan: ^Na mijn dood zal de Congregatie zich uitbreidden, en vele kloosters in verschillende landen stichten.quot;
Op het oogenblik van zijn afsterven telde de Congregatie buiten Italië omstreeks vijftig leden, terwijl velen hunner door de stormen der vervolging verstrooid, geen geregelde kloostergemeente konden vormen. Slechts te Val-Sainte was een huis der Congregatie gevestigd.
En nu, een halve eeuw later, heeft zij aan deze zijde der Alpen meer dan honderd kloosters; en, terwijl wij dit schrijven, bedraagt het aantal barer priesters buiten Italië ongeveer duizend, en dat harer scholastieken en geprofeste broeders meer dan zevenhonderd.
Waarlijk, toen de Gelukzalige de aangehaalde woorden sprak, moet de H. Geest hem hebben voorgelicht. Menschelijke berekeningen konden op zulk een toekomst geenszins hopen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Clemens Maria wordt bij zijn Graf te Enzersclorf vereerd. — Overbrenging van zijn Gebeente naar Ween en.
Op aarde scheen Clemens Maria slechts te denken aan de belangen van zijn evenmensch. Naar lichaam en ziel zijn naaste gelukkig te maken, diens tijdelijk en eeuwig welzijn te bevorderen, dat scheen zijn eenig streven. Zou hij dan nu voor den troon van God diezelfde menschen vergeten, voor wie hij zich tijdens zijn leven zooveel moeite en opoffering had getroost? — sin den hemel zal ik nog j beter voor u kunnen zorgen;quot; dat woord wilden zijne vrienden en vereerders niet slechts toepassen op de leden der Congregatie: het gold hun allen. Zij bleven hem beschouwen als een teederen vader, zij bleven hem bemin-en vereeren.
Het was daarom een behoefte voor hun hart, zoo dikwijls mogelijk naar de gezegende plek te gaan, waar zijn stoffelijk overschot een laatste rustplaats had gevonden. Sinds P. Hofbauer daar begraven was, zoo zeggen ons ooggetuigen, veranderde het eenzame kerkhof bij Maria Enzersdorf geheel van gedaante. Het scheen een bedevaartplaats geworden, waarheen men dagelijks menschen van allen stand zag trekken. Velen bleven uren lang op het graf bidden, plukten dan van de bloemen en planten, die er om heen stonden, of waren
— 4° i —
zelfs met een weinig aarde tevreden. Anderen zag men bloemen en kransen aanbrengen, om er het graf mede te sieren. En hun gebed was niet vruchteloos: verschillenden hoorde men vol blijdschap verhalen, dat zij bij dat graf uitkomst hadden gevonden in de moeielijkste omstandigheden.
Met die godvruchtige bezoeken was echter hun godsvrucht nog niet voldaan. — Mocht een onzer lezers het nederige dorpje, vier uren zuidwaarts van Weenen, ooit bezoeken, dan zou hij op de grafzerken rondom de eerbiedwaardige plek, waar, den Maart 1820, het
lijk van den Gelukzalige werd neergelaten, verscheidene hem welbekende namen aantreffen. Hij zou daar lezen de namen van Zacharias Werner, Adam von Mtiller, Frederik von Klinkowström, baron Penkler, Kartl Ernst Jarke, en van vele anderen,die Clemens gekend, en er eene eer in gesteld hadden, aan zijne zijde te worden begraven.
Op verzoek van zijn vereerders werd in het jaar 1846, in tegenwoordigheid van den Gardiaan van Maria Enzersdorf, van P. Weidlich en verscheidene andere Redemptoristen, van een heelmeester en nog meerdere belangstellenden, het graf geopend. Het gebeente was ongeschonden en nog geheel gaaf. Bij den eersten aanblik schenen ook de kleederen nog goed bewaard; doch nauwelijks kwamen zij niet de buitenlucht in aanraking, of zij vergingen tot stof; slechts de violette stool en de bonnet waren door het bederf nog volstrekt niet aangetast. Algemeen werd dit beschouwd als een wonder, waardoor God zijnen Dienaar, die zich in het toedienen der Sacramenten en het verkondigen van Gods woord zoo glansrijk had onderscheiden, op buitengewone wijze wilde verheerlijken. P. Weidlich nam deze kostbare relieken mede naar Maria-Stiegen, en bewaarde ze zorgvuldig, toen hij, bij het uitbreken der revolutie in 1S48, naar het arme zolderkamertje moest vluchten, waar eene brave vrouw hem verborgen hield. Gedurende de zware
ziekte, waaraan hij toen lijdende was, zeidc hij meermalen aan die vrouw, dat hij, zoodra hij zich beter gevoelde, haar zou verklaren, waarom hij aan die twee voorwerpen zooveel waarde hechtte, maar de dood belette hem zijne belofte te vervullen.
Zes jaar daarna, den 2lt;le,1 Maart 1854, konden de Paters hun klooster te Weenen weder betrekken-De vrouw bracht nu de stool en de bonnet naar Maria-Stiegen terug; doch gelijk zij zelve de waaide er van niet kende, zoo schijnt ook hij, wien ze overhandigd werden, volstrekt niet te hebben vermoed, dat ze eenmaal P. Hofbauer ten gebruike hadden gediend: zij raakten verloren, en waren later nooit meer te vinden.
Plet heilig gebeente werd nu in een nieuwe kist . gelegd, en deze in den grafkuil, die nu behoorlijk bemet-seld was, nedergeialen. Het graf werd met een zerk gesloten, en alles bleef in dien toestand tot het jaar 1862.
Herhaaldelijk hadden de zonen des H. Alphonsus het verlangen geuit, de dierbare overblijfselen van hun tweeden stichter in hun midden te mogen bezitten. Die vrome wensch zou den 4den November 1862 in vervulling gaan. Nadat het noodige verlof der regeering was verkregen, werd den 3den November de kist opgegraven. In weerwil van het ongunstige weder waren daarbij zeer vele menschen uit den omtrek tegenwoordig. Onder het bidden der blijde geheimen van den rozenkrans, werd het gebeente naar het klooster der Franciscanen van Enzersdorf overgebracht en daar in een nieuw zinken kistje gelegd.
In den namiddag van den 4de11 November zou de plechtige overbrenging naar Maria-Stiegen plaats hebben.
Eene talrijke menigte, voorafgegaan door al de Paters en Broeders van het Franciscanerklooster, vergezelde de Redemptoristen, die de heilige overblijfselen droegen; zoo trok men langzaam voort tot aan de grenzen der parochie, waar Pater Kassenwakler, de Rector van
Maria-Stiegen met liet gebeente in het rijtuig steeg, dat een aanzienlijk burger van Weenen voor die gelegenheid liad aangeboden, en hetwelk hij in persoon wilde leiden.— Het was reeds laat, toen men bij Maria-Stiegen aankwam; doch niet enkel de kerk, maar ook liet plein en de naburige straten waren zóó vol menschen, dat het rijtuig slechts met moeite het portaal kon bereiken.
Onder klokkengelui werd nu hst gebeente door een groot aantal geestelijken afgehaald, en de feestelijk verlichte kerk binnengedragen. En zie! op hetzelfde oogenblik wilde God doen zien, hoe aangenaam Hem de eer was, welke aan zijn getrouwen Dienaar werd bewezen. — Onder de getuigen van dezen plechtigen intocht bevond zich eene vrouw, die vroeger door eene krankzinnige op den grond geworpen, en zoo deerlijk was mishandeld geworden, dat zij aan hevige bloedspuwingen leed, waartegen alle geneesmiddelen tot nu toe te vergeefs waren aangewend. Thans riep zij de voorspraak van Gods Dienaar in; gevoelde op hetzelfde oogenblik een volslagen verandering in haar lichaam, en was geheel genezen.
Nadat het kistje door den Hoog Eerw. Pater Provinciaal was overgenomen, werden, in tegenwoordigheid van den apostolischen Nuntius, Kardinaal de Luca, van den Aartsbisschop van Olmütz en van verscheidene andere waardigheidbekleeders, de getijden der overledenen gezongen. Na afloop daarvan plaatste de Provinciaal do kostbare relieken in het praalgraf, dat aan de Evango-liezijde van het hoogaltaar was opgericht, en waarvan men de vervaardiging had toevertrouwd aan den beroemden kunstenaar Gassner, te Weenen.
Den volgenden dag kwam de Kardinaal-Aartsbisschop van Weenen, Jozef Otmar von Rauscher, voor zijn vaderlijken vriend en zielbestuurder een plechtig Pontificaal Requiem zingen, waaronder P. Staffier, van het Gezelschap van Jezus, eene treffende lijkrede hield.
Van dien dag werd de nieuwe rustplaats van P. Hofbauer door de geloovigen ijverig bezocht, en de bloemkransen en ruikers, die men tot den dag van heden voortdurend op het graf legt, getuigen luide van den eerbied en de liefde, welke de inwoners van Weenen voor hun Apostel koesteren.
Over het marmeren beeld op het deksel van het gedenkteeken gaat slechts ééne stem op; het is den kunstenaar, Jozef Gassner waardig. Pater Fredenk Rmn, S. J. drukt zich aldus uit; sBij het beschouwen van dat .kunststuk meende ik mijn innig vereerden en geliefden xvader in persoon voor mij te zien. Ja, juist zoo lag hij „eens, als een zegevierend held, vóór mij in de doodskist,\' met een uitdrukking van heilige vreugde op net. 5 gelaat. De vrome kunstenaar heeft alles getrouw en tco:i amore vervaardigd volgens eene teekening, die ik, ïknielende aan de lijkbaar van den Dienaar Gods, had j ontworpen, en die, hoewel alle kunst missenr e, toch sdoor allen, die den overledene gekend hebben, als zeer .gelijkende beoordeeld werd.quot;
In het jaar 1868 liet de kanunnik Unkhrechtsberg op de heilige plek van het kerkhof te Enzersdorf, waar het stoffelijk overschot van Clemens Maria sinds 1820 had gerust, een Latijnsch opschrift plaatsen, hetwelk de overbrenging van hst gebeente naar Weenen vermeldt.
DEEDE HOOFDSTUK.
Verschijningen van den Gelukzalige na zijn Dood.
5^2—
Niet slechts van de zijde der menschen zou Clemens Maria Hofbauer, na zijn zalig afsterven, reeds hier op aarde verheerlijkt worden; neen, God zelf wilde door bovennatuurlijke teekenen het zijne er toe bijdragen, om de glorie van zijn Dienaar te verhoogen. Door verschijningen en wonderen wilde Hij de eer, die men zijn Dienaar bewees, als het ware, goedkeuren en bekrachtigen.
De eerste verschijning, die wij thans willen vermelden, gold een oudleerling van den Gelukzalige, Joannes Pilat, die, gelijk hij in het proces der zaligverklaring zelf getuigde, op wonderbare wijze de tusschenkomst van zijn ontslapen Meester ondervond in het uit den weg ruimen der moeielijkheden, welke zijne intrede in de Congregatie onmogelijk dreigden te maken.
Op ruim twintigjarigen leeftijd, omstreeks twee jaar na den dood van P. Hofbauer, hoorde hij de stem van God, die hem riep tot de Congregatie der Redemptoristen. De regeering maakte echter zwarigheden, en stelde hem zóó onuitvoerbare eischen, dat de jongeling, geheel ternedergeslagen, reeds alles verloren waande.
Op zekeren avond nu knielt hij neder voor een afbeelding van den H.Jozef, om zijne gewone overweging te doen. Op dat oogenblik dacht hij noch aan P. Hofbauer noch aan P. Passerat of den H. Alphonsus, en was
daarbij kalm en rustig gestemd. — Daar ziet hij eensklaps den H. Alphonsus vóór zich, omgeven van een zachten, hemelschen glans. Aan zijne rechterhand stond van hetzelfde licht omstraald, een eerbiedwaardig man, dien hij terstond voor zijn hoogvereerden Vader, Clemens Maria, herkende. Beiden zagen hem vriendelijk aan, en wezen, zonder een woord te spreken, op P. Passerat, dien hij aan de linkerzijde van den H. Alphonsus zag staan. Daarop ging P. Passerat achter den H. Stichter om, en scheen zich geheel in hem te verliezen en, als het ware, op te lossen.
Toen werd het hem duidelijk, dat P. Hofbauer de hemelsche heerlijkheid reeds genoot, en vol liefde voor zijne kinderen zorgde. Tevens begreep hij. dat P. Passerat-de man zou zijn, die hem den weg tot de Cor.gregatie moest openen. — En werkelijk bereikte hij zijn doel door bemiddeling van dien waardigen kloosterling. Deze ging zelf met den jongeling naar Keizer Frans, en verkreeg spoedig, wat hij verlangde.
Pater Pilat arbeidde een geruimen tijd in Portugal als missionaris, en kwam later naar België, waar hij onder zijne biechtkinderen ook den pauselijken Nuntius, Joachim Pecci, den thans roemvol regeerenden Paus, Leo XIII, telde. Hij stierf den 8sten Juni 1878.
Ook de groote Werner werd met eene verschijning van zijn heiligen vriend en leidsman begunstigd: hij zal ze ons zelf verhalen. — üp den eersten Zondag in den Advent van het jaar 1822 besteeg hij den kansel in de kerk der Ursulinnen. Hij was zichtbaar ontroerd, en begon zijne toespraak met de volgende ernstige woorden: ; Ik zal niet lang meer leven; P. Hofbauer heeft het mij saangekondigd. — Ik had mijn avondgebed geeindigd, sen mij reeds ter ruste begeven, als eensklaps mijn skamer helder verlicht werd. In dien glans, die het szonlicht in klaarheid overtrof, zag ik P. Hofbauer, »mijnen vriend, mijnen meester. In zijne handen droeg hij
seene lelie, een olijftak en een palm, en sprak mij aldus stoe: rZacharias, kom, kom, kom spoedig.quot; Zoo sprak »liij, en verdween. Deze verschijning is geen zinsbedrog; sik heb niet gedroomd; dat ik P. Hofbauer gezien heb, sis zóó zeker, als het zeker is, dat ik leef, zóó zeker, als ik 5mij thans bevind in deze kerk in tegenwoordigheid svan het H. Sacrament. Van dat oogenblik heb ik mij szwakker gevoeld: ik weet zeker, dat ik binnen kort szal sterven.quot; — En wat Werner zeide, geschiedde: binnen eenige weken stierf hij een zaligen dood.
Zuster Thaddea verhaalt ons van eene harer medezusters het volgende: ^Zuster Sebastiana was eene goede ziel, die om haar rond en eenvoudig karakter door ons allen zeer bemind werd. Pater Hofbauer, die haar ook zeer hoogschatte, noemde haar eens schertsenderwijze »eene heilige.quot; In haren eenvoud nam zij de zaak ernstig op, en antwoordde: sWat, ik een heilige? — Een ellen-sdige worm, dat ben ik. Maar gij^ Eerwaarde Pater, dat »gaat nog. Gij bekeert groote zondaars, gij doopt Joden, j onderwijst het volk, brengt Ons Heer bij de zieken, en sleert andere priesters, hetzelfde te doen. Dat zijn »nog dingen, die iemand heilig maken.quot; — :Dat heeft ïzc mij schoon betaald gezetquot;, sprak de nederige man, en, zich tot zuster Sebastiana wendend, zeide hij: sik swil u bij uw sterven bijstaan, en u den hemel binnen-swerpen.quot; — »Goed, goed; gij hebt mij uw woord «gegeven; ik zal er u aan weten te herinneren.quot; — Verscheidene jaren na den dood van Clemens .Maria werd zuster Sebastiana zwaar ziek. Zij lag reeds op haar uiterste, als zij zich die belofte herinnerde, en de hulp van Gods Dienaar inriep. -—■ Eensklaps helderde haar gelaat op: »P. Hofbauer, P. Hofbauer,quot; riep ze, en gaf vol vreugde den geest. Een hemelsche vrede stond op haar aangezicht te lezen.quot;
Eene jonge Amerikaansche dame was in het jaar 1868 te Rome Katholiek geworden. Een paar jaren
— 408
later greep haar eene vliegende tering aan, die haar spoedig op den rand van het graf bracht. Zij gevoelde na eene groote vrees voor den naderenden dood, terwijl haar man radeloos en bijna wanhopig was. Wijl men haar eene reliquie en een afbeeldsel van Pater Hofbauer gegeven had, begon zij, ter zijner eer, een negendaagsche oefening. Tegen het einde der novene verscheen haar de Gelukzalige; hij was omgeven van een schitterend licht, wierp een vriendelijken blik op haar, en wees met den vinger naar boven. Daaruit begreep zij, dat zij hare reis naar den hemel moest aanvaarden. Maar op hetzelfde oogenblik was alle vrees uit haren geest verbannen. Vol vreugde riep zij haren man, en verhaalde hem de verschijning. Ook hij gevoelde zich daardcor zóó getroost, dat de dood zijner geliefde echtgenoore niets vreeselijks meer voor hem scheen te wezen, en beiden vol gelatenheid, zich aan Gods beschikking onderwierpen.
VIEEDE HOOFDSTUK.
Wonderen, waardoor God zijnen Dienaar verheerlijkt.
Clemens Maria Hofbauer heeft,- gelijk alle andere heiligen, zijne meeste wonderen verricht ten gunste der arme zieken, die door zijne voorspraak eene onverhoopte genezing verwierven. Doch, alvorens wij den lezer de sombere ziekenzaal binnenleiden, willen wij eerst een ietwat vriendelijker gebied betreden, en hem wijzen op verschillende kleine voorvallen, die zijn vertrouwen op Ciods Dienaar kunnen verhoogen, en hem zullen doen zien, hoe kinderlijk en vertrouwelijk wij met de heiligen des hemels mogen omgaan. In het eerste gedeelte van dit hoofdstuk nemen wij dus het woord swonderquot; in ruimeien zin op, om eenige feiten te vermelden, waarbij s de goede Pater Hofbauerquot; tot de kleinigheden van ons dagelijksch leven wilde afdalen, en er zijn liefderijke tusschenkomst bij doen gevoelen.
Den gdc Juni van het jaar 1820 zouden de Ursu-linnen het feest van het H. Hart met groote plechtigheid vieren. De Overste kwam daarom bij zuster 1 haddea, die met de zorg voor de keuken belast was, en zeide, dat er dien dag ook aan tafel iets meer dan naar gewoonte moest worden opgediend: zij zou een gebakje klaarmaken, dat inden Weener tongval vGries-kuódelquot; heet. Reeds meermalen had zij datzelfde gerecht moeten bereiden, doch nu wilde het maar niet gelukken: hoe dikwijls zij ook opnieuw begon, alles was te ver-
geefs. In haar kinderlijken eenvoud klaagt zij nu; sOch, lal.i P. Hofbauer nog maar leefde, dan wist ik wel, jwien ik mijn nood ging klagen! — Maar kom.quot; Zij knielt neder, bidt een Onze Vader, en zegt: sP. Hof-jbauer, help mij toch; ik kan niets klaar krijgen.quot; — En P. Hofbauer hielp haar werkelijk. Spoedig was alles gereed, en des middags vroeg de Overste, in het bijzijn van alle zusters; sMaar Thaddea, wat hebt gij toch ;gedaan, om uw werk zóó goed te doen uitvallen ?quot; — jja, vandaag, antwoordde zij, vandaag heeft P. Hofbauer jzelf de keuken waargenomen,quot; — en daarop verhaalde zij, wat er gebeurd was. 7Aister Thaddea beweert zelfs dat, met het oog op hetgeen dien middag gebruikt werd er onmogelijk zooveel voor het avondeten had kunnen, overblijven.
Ook in het klooster der Visitandinnen te Weenen weten de zusters van verschillende voorvallen ts verhalen, waarin P. Hofbauer optrad als vriendelijke helper in kleine, dagelijksche moeielijkheden. Zoo bijv. leed de zuster, die voor de keuken moest zorgen, veel aan hare oogen, wijl de schoorsteen den rook nooit doorliet. Met eenvoudig, doch levendig geloof roept zij nu P. I-Iofbauer aan, en ziet haar vertrouwen weldra beloond. De gedachte komt bij haar op, eens te onderzoeken, of er zich in den muur niet nog een andere, toegevnetselde schoorsteen bevond; en werkelijk, toen zij tegen den wand klopte, hoorde ze een hollen klank. De muur werd opengebroken, en men vond een schoorsteen, van welken de oudste zusters niets wisten. Voortaan had zij geen last meer van den rook.
Een dergelijk geval wordt ook medegedeeld door eene zuster van den Goeden Herder uit Viterbo. Herhaaldelijk waren er veranderingen aan den schoorsteen gebracht, doch niets mocht baten: altijd was de keuken vol rook. Eindelijk begon zij daarvan zulk een hinder te gevoelen, dat zij vreesde, nog blind te zullen worden.
Eene andere zuster nu, die zelve reeds op wonderbare wijzede tusschenkomst van Gods Dienaar had mogen ondervinden, nam eene afbeelding van den Gelukzalige, en hing ze vol vertrouwen tegen den wand. Van dat oogen-blik had men nooit meer last van den rook: alles trok ongehinderd door den schoorsteen weg.
De gezusters Biringer, die door Gods Dienaar, toen hij nog in leven was, zoo dikwijls met raad en daad waren bijgestaan, werden ook na zijn dood op buitengewone wijze door hem geholpen. — In hare laatste levensjaren hadden zij het volstrekt niet ruim, en konden slechts zeer moeielijk het noodige geld voor de huishuur bijeenkrijgen. Eens vooral, toen de tijd van betalen daar was, verkeerden zij in de grootste verlegenheid. Er ontbraken nog vijftig Gulden, en zij zagen geen kans. die op te brengen. Wat nu gedaan? — Eensklaps komen beiden op de gedachte, het graf van Gods Dienaar te Enzersdorf te gaan bezoeken, en daar eens hartelijk te bidden. Zij doen het, en zie! reeds den volgenden morgen ontvangen zij een brief, die een geschenk van ƒ 50 inhoudt. r Die »som, zoo stond er in den brief, zal u misschien welkom ï-zijn ter betaling der huishuur.quot; — Pater Hofbauer had den edelmoedigen weldoener die goede gedachte ingegeven.
Dergelijke feiten zijn, vooral te Weenen, nog in menigte bij het volk bekend. Nu eens is het een ambachtsman, dien Gods Dienaar weer spoedig werk en verdienste bezorgt; dan is het eene dienstbode, die, na een vurig gebed tot den Gelukzalige, een voordeelige betrekking vindt; dan weer een huisvader, die in druk en nood zijn toevlucht tot Pater Hofbauer neemt, en op zichtbare wijze door hem wordt geholpen.
Moge dit eerste gedeelte van het hoofdstuk den lezer opwekken, om ook in de kruisjes en moeie-lijkheden van het dagelijksch leven de liefderijke hulp van P. Hofbauer in te roepen. Zien wij thans eenige der voornaamste wonderen, waarvan de meeste plaats
hadden sedert de inleiding van het proces der Zaligverklaring. Eene eerste plaats moeten voorzeker innemen de twee wonderen, waarvan Zijne Heiligheid, Paus Leo XIII, gelijk het decreet van den 2istel1 Februari 1886 ons mededeelt, in de Troonzaal van zijn Pauselijk Vati-caansch Paleis beslist heeft: t-dat er zekerheid bestaat * omtrent de twee Mirakelen, door God verricht op de voorbede van den Eerbiedwaardigen Clemens Maria Hof-y bauer.quot; Deze twee wonderen worden dus door het gezag der H. Kerk als stellig bewezen erkend.
Het eerste geschiedde ten gunste van Agnes, het negenjarige dochtertje van Baron Fiath, uit Hongarije. Dit meisje was in den herfst van het jaar 1863 door hare ouders in het pensionaat der Visitandinnen geplaatst, en scheen eene goede gezondheid te genieten. Tegen Kerstmis werd zij echter ongesteld, en moest r.aar de ziekenzaal gebracht worden. Weldra klaagde zij nu over hevige pijn in de heup en in de linkerknie; niet slechts viel het loopen haar zeer moeielijk, doch iedere beweging van den linker voet veroorzaakte haar groote smarten: niet dan hinkende kon zij een paar stappen doen. Reeds vroeger in het ouderlijk huis had zij diezelfde pijn gevoeld, sedert zij bij het overspringen -eener sloot gevallen was, waarom Dr.Eichhorn thans dezelfde geneesmiddelen voorschreef, die toen met goed gevolg waren aangewend. Ditmaal weken de pijnen niet; ja, met den dag werden zij heviger. Dr. Eichhorn achtte het nu noodzakelijk, den raad b te winnen van Professor Schuh, een beroemden heelmeester, terwijl, op verzoek der moeder, die uit Hongarije was overgekomen, geheel de zaak werd voorgelegd aan Dr. Fleisch-mann, een homoeopaat van grooten naam. De drie geneesheeren beproefden nu alle middelen der kunst, maar zonder eenig gevolg; integendeel, de kwaal had zulken voortgang gemaakt, dat de linkervoet geheel naar buiten gekeerd stond, en er aan ontwrichting van het heupbeen {coxalgia scrofulosa) niet meer te twijfelen viel.
Vrijdag, den 5dlt;=n Februari 1864, begon Agnes met al hare medeleerlingen een negendaagsche oefening ter eere van P. Hofbauer. Zij nam een reliquie van zijn doodkist bij zich, en kuste ze bijna aanhoudend en met de meeste godsvrucht. Tot het middaguur van Zondag, den 7den Februari, was er in haar toestand geen verandering te bespeuren. Maar zie! terwijl de ziekenoppasster met de overige zusters aan tafel is, gevoelt Agnes eensklaps, dat zij zonder de minste pijn haar voet zoowel als haar been vrij kan bewegen. — Nauwelijks dan ook had de zuster weder een voet in de kamer gezet, of zij hoorde haar reeds roepen; ^Zuster, ik ben volko-»men genezen.quot; En werkelijk ziet zij, hoe het kind zich in het bed opricht, en haren voet in alle richtingen beweegt. Men durfde haar echter nog geen verlof tot opstaan geven: zij zou wachten, tot Dr. Eichhorn haar kwam bezoeken. Maar toen deze den volgenden dag de ziekenzaal binnenkwam, zag hij het kind reeds vroolijk rondloopen. Des morgens had men Agnes niet meer in bed kunnen houden; zij was opgesprongen, en liep door de kamer, terwijl de andere kinderen op dat gezicht luide begonnen te roepen; »Mirakel! mirakel!quot;— Ook Dr. Eichhorn kon zijne oogen niet gelooven; hij wist niet, wat hij zag. »Geen enkel geneesmiddel, zeide hij, had in zoo skorten tijd de kwaal kunnen verhelpen.quot; — En toen men hem meedeelde, dat men zijne toevlucht had genomen tot P. Hofbauer, antwoordde hij: sja waar eene ^dergelijke macht zich met de zaak gaat moeien, behooren gt;;de geneesheeren de vlag te strijken.quot; Dr. Fleischmann was van hetzelfde gevoelen: »Mijn kind, sprak hij, breng »God uwen dank voor zulke genezing.quot; Agnes ging inderdaad naar Maria-Stiegen, om Gods Dienaar op zijn graf haren dank te brengen, en de moeder liet daar eikjaar, op den dag van het wonder, eene H. Mis als dankzegging lezen.
Dit wonder baarde veel opzien: de nieuwsbladen
van Weenen en Praag namen het verhaal er van in hunne kolommen op; ja, de apostolische Nuntius, Mgr. Falcinelli, en de Keizerin Carolina Augusta kwamen in eigen persoon naar het klooster, om het bevoorrechte kind te zien en te spreken. — Een groot aantal getuigen hebben later onder eede bevestigd, dat het kind nooit meer aan de vroegere kwaal onderhevig is geweest.
Doch, alvorens over te gaan tot de plechtige Zaligverklaring van een harer kinderen, wil de Kerk, dat er hvee van de wonderen, die na den dood geschied zijn, aan een nauwkeurig en allerstrengst onderzoek worden onderworpen. Het tweede wonder nu. dat in 18SÓ door het gezag der H. Kerk bevestigd werd, is het plotseling en volkomen herstel van Maria Hoffmann.
Van Ringsheim, in Baden, geboortig, was zij te\' Weenen met een slotenmakersknecht in den echt getreden. Wijl haar man het weinige geld, dat hij verdiende, aan den drank ten offer bracht, was zij, om hare elf kinderen te kunnen onderhouden, genoodzaakt, harder te werken, dan hare zwakke gezondheid het toeliet. Dit berokkende de arme vrouw in 1856 een breuk, die haar, wijl zij haar zware werk moest voortzetten, tot 1864 veel deed lijden/Tweemaal had zij zelfs geneeskundige hulp noodig, en toen Dr.Schmid haar de tweede maal behandelde, zeidehij: «Als gij mij weer 3moet laten roepen, zal ik u niet kunnen helpen, dan is het smet u gedaan.quot; — Maar, wat te voorzien was gebeurde. Den isten October 1864 werd Dr. Schmid opnieuw bij vrouw Hoffmann gehaald.Nugaf hij zich vier en twintig uren lang alle moeite om de breuk weer onder den band te brengen; doch al zijne pogingen waren vruchteloos. sZij ikomt het niet te boven, zei hij; brengt haar naar het hospitaal.quot; Daar gekomen, werd haar toestand hoe langer hoe gevaarlijker, /ij leed onbeschrijfelijke smarten, vier doktoren waren dag en nacht met haar bezig, en beproefden alle middelen, om de kwaal te overwinnen; doch al hunne moeite had slechts dit uitwerksel, dat de pijnen der arme
— 415 — ^
üjdcres elk oogenblik vermeerderden. Den vijfden dag hield alle spijsvertering op, en werd het reeds zoo vree-selijke lijden nog onverdragelijker door het zoogenaamde ■quot;Misererequot; dat er het gevolg van was. Eindelijk, den 6den October, vertoonde zich reeds het koudvuur, zoodat nu alle hoop vervlogen was. Wel spraken de geneesheeren van eene operatie; doch, de overgroote zwakte der lijderes in aanmerking genomen, durfden zij daartoe niet te besluiten. Alles zeide dus, dat Maria Hoffmann binnen zeer korten tijd onder haar lijden zou bezwijken. Maar God had het anders beschikt.
De eerste ziekenoppasster had in de zaal der operatien eene beeltenis van P. Hofbauer opgehangen. Toen zij deze voorbijging, en als bij toeval hare oogen opsloeg, was het, of een inwendige stem haar zeide: sKunt gij niet meer bidden? — Als gij bidt zult gij verhoord worden.quot;— Aanstonds snelt zij nu naar de doodzieke vrouw, en wekt haar op tot vertrouwen op Gods Dienaar, die reeds eene andere zieke van dezelfde kwaal verlost, en nog kort te voren de kleine Agnes Fiath had genezen. Maria, die tijdens haar vreeselijk lijden voortdurend een heldhaftig geduld bewaard had, toonde zich aanstonds bereid, den grooten Dienaar Gods om hulp te smeeken. De drie ziekenoppassters beloofden nu, met de lijderes en met verschillende andere zieken, die in de zaal verpleegd werden, een novene ter eere van P. Hofbauer te zullen houden, en daarvoor dagelijks negen Onze Vaders te zullen bidden. De zieke verzamelde al hare krachten, en bad onmiddellijk hare negen Onze Vaders voor dien dag. Nauwelijks was dit geschied, of de vier geneesheeren kwamen de zaal „binnen, om opnieuw te beproeven, de breuk te bemeesteren; doch gelijk de vorige malen moesten zij onverrichter zake heengaan. Daarom naderde haar eene der ziekenoppassters, ten einde het kompres, dat was voorgeschreven, te vernieuwen. Doch, wie schetst hare verbazing? — Wat de gezamenlijke pogingen der
- 4i6 -______________ \'
geneesheeren niet vermochten, geschiedde nu eensklaps zonder eenige menschelijke tasschenkomst. In een oogwenk verdwijnt de breuk, om geen enkel spoor meer achter te laten. Zoo iets hadden de doktoren nog nooit bijgewoond; doch, hoe onverklaarbaar het feit ook was, het viel niet te ontkennen: Maria Hoffmann was reeds den eersten dag der novene plotseling en volkomen genezen van eene kwaal, die haar, naar menschelijke berekening, binnen weinige dagen onvermijdelijk _naar het graf had moeten sleepen. — Nauwelijks had zij het hospitaal verlaten, of zij kon haar zwaren arbeid hervatten. Niet slechts ondervond zij nooit meet eenige last van haar vorige kwaal, maar genoot zelfs een betere gezondheid dan vroeger. In den herfst van 1866 stierf zij aan de cholera, die toen in Weenen heerschte.
Gaarne zouden wij thans alle wonderen mede-deelen, die in de akten van het proces der Gelukzalig-verklaring zijn opgenomen. Hun groot aantal dwingt ons echter, slechts de voornaamste aan te geven. Ofschoon de volgende mededeelingen berusten op een zuiver menschelijke uitspraak, is hun grondslag zooveel hechter dan die eener gewone geschiedenis, als de getuigen al hunne verklaringen onder eede moesten bevestigen.
Magdalena Kuntz, kleermaakster van beroep, had reeds zes en twintig jaar geleden aan aderspat in den rechter voet. In de maand Juli 1862 namen echter de aandrang van het bloed en de pijn aanmerkelijk toe, en in het midden van Augustus barstten de aderen open, zoodat het geronnen bloed knobbels vormde, die weldra verhardden. Zij raadpleegde nu verschillende dokters; doch aller verklaring luidde: »Tegen die kwaal is de s geneeskunst zoo goed als machteloos; gij zult geheel »uw leven daaraan blijven lijden.quot; Om echter den voortgang der kwaal te beletten, schreef een der geneesheeren een Engelsch verband voor. Dit kon Magdalena zich niet aanschaffen, en de pijn werd nu onuitstaanbaar.
In dien uitersten nood dacht zij aan P. Hofbauer. Vol vertrouwen begint zij een novene ter zijner eer: dagelijks zou zij negenmaal het Onze Vader, het Wees Gegroet en het Glorie zij den Vader bidden, en zijn graf te Maria Enzersdorf gaan bezoeken en versieren. Reeds de eerste dagen der novene was er verbetering in haar toestand te bespeuren. Den laatsten dag, 4 November 1862, was haar voet zoo volkomen genezen, dat zij zonder eenige moeite den weg van Weenen naar Enzersdorf aflegde, \'t Was juist de dag, waarop het gebeente van Clemens Maria naar Weenen werd overgebracht: zoo stond zij bijna drie uur op het kerkhof, en deed in het teruggaan nog een groot gedeelte van den weg te voet. »De ontsteking, de verharding, de pijn, zegt gt; Dr. Eichhorn, alles was verdwenen.quot; Magdalena wachtte nu een geheel jaar, of zij misschien, zooals de geneesheer vreesde, bij strenge koude en vooral bij groote hitte nog zou te lijden hebben. Toen echter de volkomen genezing aanhield, gaf Dr. Eichhori? in Augustus 1863 haar een schriftelijke verklaring van de wonderbare toedracht dier zaak.
Anna Berger, een meisje van den minderen stand uit Opper-Oostenrijk, leed van haar dertiende jaar aan hevige bloedingen uit neus en mond. In haar zeventiende jaar openbaarde zich een vreeselijke zenuwziekte, die haren oorsprong had in een ontsteking van het rugge-merg. Iedere ontroering, het minste geraas zelfs was genoeg, om haar overprikkeld zenuwstelsel zóó aan te grijpen, dat drie mannen haar ternauwernood konden bedwingen. In het jaar 1844 moest zij ruim twee maanden in het hospitaal verpleegd worden: hier had zij den eersten aanval van het zoogenaamde trismus of mondklem te verduren. De lippen waren geheel vertrokken, de tanden sloten zóó krampachtig op elkander, dat men haar slechts met de grootste moeite eenig voedsel kon doen nemen, terwijl het haar in dien toestand volstrekt
87
onmogelijk was, eenige verstaanbare klanken te uiten.
Van toen nam de ziekte voortdurend in hevigheid toe; minstens zes maal werd zij door eene beroerte getroffen. De laatste aanval, den i3denFebruari 1862, was-de verschrikkelijkste: zij kon geen enkel woord meer spreken, de mond was geheel en al gesloten, het geheele lichaam met lamheid geslagen. Da geneesheeren kwamen er nu rond voor uit: »Van menschelijke middelen is hier geen hulp meer te verwachten. Mocht de toestand later nog iets verbeteren, in ieder geval zal zij nooit meer in staat zijn, eenigen handenarbeid te verrichten.quot; — Maar was de arme vrouw tot zulk een hopeloozen toestand gekomen, het wonder, dat God op voorbede van onzen Gelukzalige aan haar zou werken, werd er des te schitterender om.
Tot Juli 1864 was er weinig verandering te bespeuren. Toen gaf zij haar verlangen te kennen, dat men haar naar de genadekapel van O. L. Vr. te Schmolln zou1 vervoeren, om van de Allerheiligste Maagd genezing te verwerven. Wegens hare overgroote zwakte oordeelde haar biechtvader het beter, dat zij eerst eene novene zou houden ter eere van P. Hofbauer, en, na verkregen genezing, uit dankbaarheid de kapel te Schmolln zou bezoeken. De zieke volgde dien raad; men gaf haar eene reliquie der doodkist van Gods Dienaar, en de novene begon den 2 2sten Juli. — Haar vertrouwen werd heerlijk beloond. Acht dagen later, den 29sten, gevoelde zij zich niet slechts veel beter, maar, wat zij volgens de verklaring der geneesheeren nooit meer zou kunnen, — van \'s morgens negen uur tot \'s avonds half zeven verrichtte zij den zwaarsten veldarbeid, en gevoelde zich daarna zeer wel. Den isten Augustus deed zij hare bedevaart naar Schmolln, en legde den langen weg van tien uren geheel te voet af. In de kapel gekomen, was het, of Maria de laatste hand wilde leggen aan het heerlijke werk, door haar Dienaar begonnen.
Haar stem was nog tamelijk zwak gebleven; doch te Schmolln, aan de voeten van Maria\'s beeltenis kreeg zij ook haar volle stem -.veder terug. Allen, die getuigen waren geweest van ha.re vreeselijke ziekte, stonden verbaasd over zulk een genezing. Dr. Riedlinger, haar geneesheer, verklaarde onder eede, dat hij dezelve als een wonder beschouwde.
Catharina Seidell het achtjarige dochtertje van een armen pakkendrager te Weenen, begon in Mei 1864 over hevige pijn in de voeten te klagen. De voeten zwollen spoedig op, en waren geheel en al naar achteren gebogen, zoodat zij er niet meer op kon staan. Bij de minste aanraking schreeuwde zij het uit van de pijn. Op zekeren dag — \'t was tegen het einde der maand Juni — gaf een medelijdend vriend haar vader den raad, hij zou zijn toevlucht nemen tot P. Hofbauer, wiens graf in de kerk van Maria-Stiegen reeds door verscheidene mirakelen was verheerlijkt. Kort daarop komt de vader in de nabijheid dier kerk, en herinnert zich de woorden van zijn vriend. Hij gaat de kerk binnen, valt op zijn knieën, en wil voor de genezing van zijn kind gaan bidden. Maar zoozeer overstelpt hem de droefheid, dat hij slechts deze woorden kan uitbrengen: jP. Hofbauer, ials gij werkelijk in den hemel zoo machtig zijt, als smen zegt, ontferm u dan over mij en mijn kind!quot; — Dan staat hij op, verlaat de kerk, en hervat zijn dage-lijksche bezigheden.
Op het oogenblik, dat de vader dit korte gebed stortte, stond de moeder aan het ziekbed van haar dochtertje. — Eensklaps strekt de kleine haar voeten recht voor zich uit. De moeder verbleekt: zij hoort een gekraak, dat haar voor het ergste doet vreezen. Maar het kind roept haar vol vreugde toe: »Moeder, \'ik ben beter; de pijn is weg, ik kan opstaan.quot; — Een paar uur later komt de vader te huis; hij ziet zijn kind volkomen genezen, en verneemt nu, dat elk spoor der
ziekte geweken is op hetzelfde oogenblik, waarop hij de genezing aan P. Hofbauer vroeg.
Het volgende wonder had plaats in het klooster der Visitandinnen te Weenen. Zuster Elisabeth, de dochter van graaf Adam Reviczky, generaal en hofkanse-lierin Hongarije, begon in 1862, op vijf en dertigjarigen leeftijd, aan een zichtbaar verval van krachten te lijden; hartkloppingen, duizeling in het hoofd, gebrek aan eetlust, slapeloosheid, verlies der stem, alles zeide, dat de ziekte haar weldra ten grave zou sleepen. Dr. Eich-horn bekende zelf, dat hij alle middelen had uitgeput; van God alleen kon men nog hulp verwachten. De Overste gelastte haar nu, een novene ter eere van P. Hofbauer te beginnen; zij moest dagelijks driemaal het Wees-Gegroet en driemaal het Glorie zij den Vader bidden. Zuster Elisabeth hield de novene met allen ijver, en droeg eene reliquie van Gods Dienaar bij zich. En ziet! nog vóór het einde der negendaagsche oefening, daar is het, of eensklaps een geheel nieuw leven hare aderen doorstroomt: zij voelt zich sterk en krachtig, en, terwijl zij eenige dagen geleden de trappen niet kon bestijgen zonder de hulp van een ander, kan zij nu hare taak van onderwijzeres hervatten, en nog daarenboven de werkzusters in den zwaarsten arbeid helpen, zonder eenige vermoeienis te gevoelen. Dr. Eichhorn hield deze genezing voor een groot wonder.
Vincent Felber, een slotenmakersknecht te Weenen, begon op 43jarigen leeftijd, in Mei 1866, aan het water te lijden. Eerst zwol de borst op, zoodat hij nauwelijks meer adem kon halen. Doch weldra verspreidde zich de ziekte over het geheele lichaam, en bracht hem in zulk een gevaarlijken toestand, dat hij van de laatste HH. Sacramenten moest worden voorzien. Kort daarop deelde de geneesheer den huisgenooten mede, dat hij alle hoop opgaf, en de zieke hoogstens nog twee dagen kon leven. Nu riep Felber den Gelukzaligen P. Hofbauer aan; hij
droeg eene reliquie om den hals, en begon met zijne zuster en een harer vriendinnen een novene. Den volgenden nacht zag hij gedurende zijn slaap, hoe Gods Dienaar bij hem kwam, hem zegende en met een soort poeder bestrooide. Bij zijn ontwaken gevoelde hij zich reeds veel beter; doch de gezwollenheid van het lichaam was slechts weinig verminderd. Drie dagen later had hij weder gedurende zijn slaap eene verschijning: de Gelukzalige Clemens stond vóór hem, en besprenkelde hem met gewijd water. Van dat oogenblik begon het lichaam te slinken, en een paar dagen later kon Vincent weer ■werken, alsof hij nooit ziek geweest was.
Maria Dominica Aohlbeck, werkzuster in het klooster der Visitandinnen te Weenen, had den ndcn April 1864 door eene onvoorzichtigheid hare rechterhand gekwetst. Tot den 28«» was er uitwendig aan de hand niets te bespeuren, en waren de pijnen zeer dragelijk. Doch op den avond van dien dag werd de pijn altijd heviger: dien nacht had zij geen oogenblik rust, en den volgenden morgen was de hand vreeselijk gezwollen, terwijl er zich op de gewonde plek een ernstige verzwering vertoonde. De geneesheer onderzocht de hand, en gaf de vrees te kennen, dat er waarschijnlijk een pijnlijke operatie moest geschieden. De voorgeschreven middelen baatten niets; met het uur werd de pijn heviger.
Eene der zusters zeide haar nu: «Waarom neemt gij smet eene reliquie van P. Hofbauer? — Hij zou u zeker 8helpen.quot; De zieke volgde dien raad, doch ging tevens voort met het gebruiken der geneesmiddelen. Maar zie! wel verre van eenige vermindering van pijn te gevoelen, werd de smart nu zoo vreeselijk, dat zij het bewustzijn bijna verloor. Daarom legde zij alle geneesmiddelen ter zijde, en bond de reliquie van den Gelukzalige op de zieke hand. Toen de dokter den volgenden morgen den zwachtel wegnam, was er geen spoor meer van gezwel of verzwering te ontdekken. Zuster Dominica ging dien-
zelfden dag aan hare gewone bezigheden, en had niets meer van hare hand te lijden.
Nog vele andere genezingen van allerlei aard zouden wij hier kunnen mededeelen. Tot zelfs uit Chicago, in Noord-Amerika, ontving P. Haringer het bericht van eene wondervolle tusschenkomst des Gelukzaligen. Wij vertrouwen echter, dat deze korte opsomming al onze lezers zal doen besluiten, in iederen nood hunne toevlucht te nemen tot sden goeden Pater Hofbauer,quot; die zijn machtigen invloed bij God ook voor hun welzijn zal doen gelden.
Laat ons, ten slotte, nog één feit verhalen, waarbij de Allerzaligste Maagd Maria zelve het gebed tot Pater Hofbauer aanbeval.
Francisco, Pcschke. eene jonge dochter vui 22 jaar, wildeden i2de» Mei 1875, een zware schilderij ophangen, viel met dezelve naar beneden, en kwetste zich aan den rechter elleboog. De arts meende eerst, dat het slechts eene ontwrichting was, maar kwam weldra tot de overtuiging, dat de arm was gebroken. Den 8sten October werd zij nu in een hospitaal te Weenen gebracht, om daar door de geneesheeren te worden behandeld. Deze verklaarden, dat men drie beentjes uit den arm moest nemen, hetwelk den 25slen October geschiedde. Nu werd de arm geheel lam en gevoelloos; Francisca kon geen vinger bewegen. Wel trachtte men door middel van electriseering den arm weer leven in te storten, doch zonder eenig gevolg: de arm bleef dood. Professor W. meende nu, een laatste middel te moeten beproeven. Hij brak den arm op nieuw, en legde er voor vier weken een gipsverband om. Op den bepaalden tijd wordt het verband losgemaakt; de arm was dood, gevoelloos als een stuk hout. Toen ging zij naar een ander hospitaal, waar Dr. K. haar zeide: sWij kunnen u niet helpen; jde zenuwen van den arm zijn doorgesneden.quot; ■—Drie maanden later ging zij weder bij andere geneesheeren
te rade, maar kreeg van Dr. B. ten antwoord: sAl was sik uit den hemel gevallen, zou ik hier niet bij machte «zijn, uw arm te genezen: wat men er eenmaal heeft 3gt;uitgenomen, kan ik er niet weder inzetten.quot; — Een andere dokter nam zelfs een lange naald, en doorstak den arm van de vingers tot den elleboog, zonder dat Francisca de geringste pijn gewaar werd. Zoozeer was alle leven uit den arm geweken.
Omstreeks dien tijd had zij een droom. Het scheen haar, dat zij voor de voeten van de Allerheiligste Maagd lag neergeknield, en vurig om hare genezing bad. Toen antwoordde Maria: iGij hebt mijne hulp niet noodig; gij ihebt in uwe nabijheid een Heilige, die u zal helpen. sGa naar uwen biechtvader, laat u eene reliquie geven, sen neem dan uw toevlucht tot dien Heilige.quot; —
Haar biechtvader gaf haar eene r.eliquie van den Gelukzaligen Clemens Maria; de zieke legde dezelve op haar arm, en begon een negendaagsche oefening. Den i5den December 1876 — \'t was de vierde dag der novene — voelt zij eensklaps haar arm herleven; zij kan hem opheffen en bewegen, gelijk zij verkiest. Weldra was de rechter arm zoo sterk als de linker; slechts kon men aan den elleboog, waar de drie beenderen waren weggenomen, een kleine diepte blijven zien, die echter goed gesloten en volkomen gezond bleef.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Het Proces der Zalig- en Heiligverklaring.
De 21ste November van het jaar 1886 was voor de vrome vereerders van den Eerbiedvvaardigen Clemens Maria Hofbauer een ware vreugdedag. In tegenwoordigheid van verscheidene Kardinalen en andere hooggeplaatste geestelijken kondigde Zijne Heiligheid, Paus Leo XIII, het plechtige besluit af, dat er, aangezien het onderzoek naar de deugden en mirakelen van Gods Dienaar tot een gelukkigen uitslag had geleid, veilig kon -vorden overgegaan tot de uitspraak zijner Zaligverklaring. Zoo was dan het gewichtige proces, dat twee en twintig jaren geleden een aanvang had genomen, tot een voorspoedig einde gebracht. Laat ons thans nog, in het kort, den loop van dit proces nagaan.
De vrienden en leerlingen van P. Hofbauer hadden niets liever gezien, dan dat de zaak zijner Zalig- en Heiligverklaring onmiddellijk na zijnen dood werd ingediend.
De tijdsomstandigheden lieten het echter niet aanstonds toe, en zoo werd hun geduld veertig lange jaren op de proef gesteld. Eindelijk in de rnaand Januari 1864 kon de Kardinaal-Aartsbisschop van Weenen, Mgr. Rauscher, het gerechtelijk onderzoek aanvangen over het leven, de deugden en mirakelen van Gods Dienaar. Op het feest van den Zoeten Naam droeg Mgr. Mayer, Bisschop van Eisamus i. p. in de kerk van Maria-Stiegen
eene Pontificale Mis op, om Gods zegen over die gewichtige onderneming af te trekken, \'t Was, of de Hemel reeds aanstonds een bemoedigend antwoord op dat gebed wilde geven, daar eene vrouw, die de H. Mis met godsvrucht bijwoonde, eensklaps volkomen genezen werd van volslagen doofheid, waaraan zij lijdende was. — Een vijftigtal getuigen werd gehoord, en het bisschoppelijk proces hield ruim een jaar aan. In Mei 1865 werden de stukken verzegeld en in goede orde te Rome ontvangen.
Zoodra het ruchtbaar werd, dat Kardinaal Rauscher een aanvang had gemaakt met het onderzoek naar de deugden van Gods Dienaar, en vooral toen hij de stukken van het diocesaanproces naar Rome had opgezonden, werden van alle zijden nog tal van smeekschriften den H. Vader aangeboden. In de jaren 1864 en \'66 kwamen omstreeks 380 zulke verzoekschriften bij den H. Stoel aan. Daaronder waren er zes van vorstelijke personen, zeven van Kardinalen, zes andere van Aartsbisschoppen, een vijftigtal van Bisschoppen, verscheidene van theologische faculteiten en kapittels van kathedrale kerken en zeer vele van adellijke en geleerde personen. Een bijzondere vermelding verdient hier het verzoekschrift van Mgr. Zwijsen, Aartsbisschop van Utrecht en van al de Bisschoppen van Nederland, die voor het Provinciale Concilie te \'s Hertogenbosch waren vergaderd. sDe ge-\' dachtenis aan den naam en het werken van Pater Hof-ïbauer, zoo heet het in dat stuk, is niet slechts in «Oostenrijk levendig; maar ook in ons vaderland en in «andere streken van Europa is zij in zegening.quot;
Ingevolge dezer talrijke smeekschriften, die alle luide getuigden van den diepen eerbied en de warme liefde, welke men Gods Dienaar overal toedroeg, beslisten de Kardinalen, den 9den Februari 1867, dat men bij den H. Vader moest aandringen op de inleiding van het Apostolisch proces. — Den dierzelfde maand be
krachtigde Zijne Heiligheid die beslissing, en onderteekende
420
eigenhandig het besluit. Van dien dag komt Gods Dienaar volgens het Kerkelijk Recht de titel van s Eerbiedwaardigquot; toe. Daarna verzond men de zoogenaamde Litkra Remissoriales, welke aan daartoe benoemde rechters den last opdroegen, het apostolisch proces in het aartsbisdom van Weenen te beginnen. Twee vragen vooral moeten bij ieder apostolisch proces aan een nauwkeurig onderzoek worden onderworpen. Vooreerst, of het kan bewezen worden, dat zoo iemand de christelijke deugden in een heldhaftigen graad heeft beoefend, en vervolgens, of er ook zekerheid bestaat omtrent de wonderen, die na zijn dood zijn geschied. Na de gebruikelijke vergaderingen, werd omtrent Clemens Maria Hofbauer de eerste dier twee vragen door de Consultoren en Kardinalen te Rome bevestigend beantwoord, waarom Z. H. Pius DC, bij decreet van 14 Mei 1876 zulks openlijk voor geheel de wereld afkondigde. Daarna werd de vraag over de mirakelen behandeld, en ook daarop gaven alle leden dei-commissie een gunstig antwoord, waarna Z. H. Leo XIII den 2 isten Februari 1886 zich gewaardigde, de openbaarmaking van dat decreet en de aanteekening ervan in de akten van de Congregatie der Heilige Riten te gelasten. Daarmede was het apostolisch proces besloten, en nu kon men de plechtige Zaligverklaring als zeker verwachten. Die gelukkige tijding kondigde de I augt; den 21sten November van datzelfde jaar af; de plechtigheid zelve der Zaligverklaring zou echter plaats hebben bij gelegenheid van het sojarig Jubelfeest van Zijne Heiligheid.
Oostenrijk, het voornaamste tooneel van het Apostolaat des Gelukzaligen, zal eene blijvende herinnering aan dat heugelijke feit stichten. Den i7den April 1887 legde de Kardinaal en Prins-Aartsbisschop van Weenen den eersten steen voor eene nieuwe kerk te Hernals, eene parochie van omstreeks 75,000. zielen, in de onmiddellijke nabijheid van Weenen. Die kerk zal eene
gedachtenis wezen aan de verheerlijking van Gods Dienaar. De Paters Redemptoristen zullen daar ook een klooster bouwen, en het werk van hun Groeten Medebroeder naar best vermogen voortzetten.
Thans hebben wij nog slechts e\'e\'n wensch; Moge op de Gelukzaligverklaring spoedig de Heiligverklaring volgen.
Beter kunnen wij deze levensbeschrijving niet besluiten, dan door den aanhef mede te deelen der Breve, die den 29sten Januari 1.1. (1888), bij gelegenheid der Zaligverklaring is afgekondigd. Ziehier, met welk een lof Zijne Heiligheid van den nieuwen Gelukzalige spreekt:
I^O XIII, fVfi.
Ter eeuwige Gedachtenis.
ïDe hemelsche Hersteller van het menschelijk geslacht, de kleine en zwakke kudde der Apostelen moed en werklust willende inspreken, gaf hun de verzekering; ïGij zult kracht ontvangen, als de Heilige Geest over U zal gekomen zijn, en gij zult mij getuigen zijn in Jerusalem, en in gansch Judea en Samarië, en tot aan het uiteinde der aarde (Hand. d. Ap. I, 8). Het is dan ook duidelijk en bevonden, dat die kracht des H. Geestes heerlijk in de Apostelen heeft uitgeschitterd, toen zij, geheel de aarde doortrekkend, den christelijken godsdienst niet minder door het verkondigen der waarheid, dan door het verduren van vermoeienis en het storten van hun bloed, overal hebben verspreid. Doch als de H. Geest in de gewijde boeken spreekt over de opvolgers der Apostelen, dan voorzegt Hij, dat zij de kracht zullen hebben van een pijl, die met groot geweld dooide sterke hand eens mans wordt voortgeslingerd. *Sicut sagittce in manu potentis^ ita filii excussorumquot; (Ps. 126). In iedere eeuw van haar bestaan zag de H. Kerk de opvolgers der Apostelen, door diezelfde kracht gesterkt,
de moeielijkste zaken ondernemen, en met een welslagen, dat alle raenschelijke krachten overtrof, de ongeloovigen tot het geloof, de zondaars tot boete, de christelijk levenden tot heiligheid brengen, zoo door de kracht hunner prediking, als door den glans hunner heiligheid en door hunne wonderen en bovennatuurlijke teekenen. Wij weten echter, dat onder zoovelen, in een geheel bijzonder licht heeft uitgeblonken Clemens Maria Hof bauer, geprofest priester van de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers, dat hij een uitstekend navolger der Apostelen geweest is, en zoowel om zijn roemrijke deugden als om de uitstekende daden zijner geestelijke bediening, met volle recht een Apostel genoemd wordt en de roem en het sieraad dier Congregatie.quot;
Beijveren wij ons, de heilige voetstappen van dien christenheld te drukken, trachten wij de deugden, welke wij in hem bewonderen, ook zelf in beoefen.ng te brengen, dan mogen ook wij verwachten, eenmaal de gloriekroon te zullen verwerven, welke God schenkt aan allen, die Hem getrouw hebben gediend.
INHOUD.
Eerste Boek.
Van zijne Geboorte tot zijne Kloostergeloften in de Congregatie des Allerheiligsten Verlossers. 1751—1755.
BLADZ.
I. Geboorte en kinderjaren van Clemens Maria. 3.
II. Clemens Maria als bakkersleerling; zijn verblijf in
de abdij der Norbertijnen; hij wordt kluizenaar 8.
III. Clemens Maria studeert te Weenen . . , . 22.
IV. Clemens wordt opgenomen in de Congregatie
des Allerh. Verlossers.......28.
tweede Boek.
Van zijne Reis naar Warschau tot zijn Terugkeer naar Weenen.
1785-1808.
I. Clemens Maria vertrekt naar Polen. • • • 37.
II. De eerste jaren te Warschau......4!.
UI. Apostolische werkzaamheden te Warschau . 52. IV. Nieuwe werkzaamheden, door de Redemptoristen ondernomen.........62t
BLADZ.
V. IJver van Clemens Maria voor de verspreiding
van goede boeken.........67.
VI. Clemens Maria tracht de Congregatie ook buiten
Warschau te vestigen ...... . . 70.
VIL Het Seminarie te Warschau.....85.
VIII. De Katholieke Kerk in Duitschland, ten tijde
van P. Hofbauer.........91.
IX. De Congregatie wordt in het Bisdom van Con
stance gevestigd. — Pater Hofbauers reis naar Rome . ............97.
X. Arbeid en lijden in het Bisdom van Constance.—
Thabor en Tryberg........103.
XI. Apostolische werkftamheden in het Bisdom
Augsburg. — Babenhausen en omstreken. 110.
XII. Nieuwe vervolgingen. — P. Hofbauers terugkeer
naar Warschau..........120.
XIII. De Redemptoristen worden uit Babenhausen
verdreven. — Zij vertrekken naar Zwitserland T26.
XIV. Het verblijf te Chur. — Nieuwe onaangenaam
heden. — Tocht naar Wallis . . . . .131.
XV. P. Hofbauer als kloosterling en Overste . . 143.
XVI. Zware beproevingen te Warschau. — Dood van
P. Hübl.......... • • • ïSS-
XVII. Vernietiging der Congregatie te Warschau.—De Paters worden gevankelijk weggevoerd . .168.
XVIII. P. Hofbauer in de vesting Küstrin. — Vertrek naar Weenen..........181.
l)ei\'tle Boek.
Van zijne Aankomst te Weenen tot zijn kostbaren Dood. 1808-1820.
I, P. Hofbauer komt te Weenen.— Werkzaamheden
der eerste vier jaren........189.
II.
BLADZ.
Clemens Maria wordt benoemd tot Biechtvader der Ursulinnen. — Kerkelijke toestanden te
Weenen............Ig6.
Heldhaftig geloof van P. Hofbauer . . . 205. Zijne godsvrucht tot de geheimen der Verlossing. — Zijn ijver voor den eeredienst. . 210. Clemens Maria een vurig vereerder van de Allerzaligste Maagd en van de Heiligen. — Zijne liefde voor de zielen in het vagevuur . 218. Tater Hofbauer op den preekstoel .... 225. Clemens Maria wordt in zijn Apostolaat krachtig ondersteund doorFrederik\'Zacharias Werner 234. VIII. Clemens Maria als . biechtvader.....242.
IX. Pater Hofbauer in den biechtstoel (Vervolg) 250.
X. Clemens Maria als geestelijke bestierder der
Ursulinnen...........
XI. Zijne teedere liefde voor de zieken . . . 265.
XII. Pater Hofbauer een vader der armen. . . 274.
XIII. Zijn ijver en zorg voor de Katholieke opvoe
ding der jeugd..............
XIV. Pater Hofbauer brengt vele afgedwaalden in den
schoot der Kerk terug.......287.
XV. De bijeenkomsten en avondconferentiën in Pater
Hofbauers woning.........^02.
XVI. Zijn ijver voor het algemeen welzijn der H. Kerk
eu voor de zuiverheid des geloofs. . . . 311.
XVII. P. Hofbauers gunstige invloed op de Katholieke litteratuur. . ........^21.
XVIII. Verdere lotgevallen der Congregatie in Zwitserland. — Gods Dienaar zendt missionarissen naar Walachije ........227.
XIX. P. Hofbauers pogingen om de Congregatie in Polen te herstellen.........338
XX. Nieuwe vervolging te Weenen. — Keizer Frans
neemt P. Hofbauer onder zijne bescherming. 346.
XXI. Bovennatuurlijke gaven, den Gelukzalige reeds tijdens zijn leven medegedeeld .... 358.
III.
IV.
V.
VI.
VII.
*
BLADZ.
XXII. Laatste ziekte van den Gelukzalige. — Zijn kostbare dood..........3^7•
XXIII. Begrafenis van P. Hofbauer. — Korte aan-teekening over zijn uiterlijk.....378.
, I
Vierde Soek.
De Verheerlijking van Clemens Maria na zijn Dood.
I. Stichting van het Redemptoristenklooster te
Weenen........... • 39 ^
II. Clemens Maria wordt bij zijn graf te Enzers-
dorf vereerd. — Overbrenging van zijn gebeente naar Weenen....... • 400-
III. Verschijningen van den Gelukzalige na zijn dood 405.
IV. Wonderen, waardoor God zijnen Dienaar ver
heerlijkt ............. 409-
V. Het Proces der Zalig- en Heiligverklaring . 424.